-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

II

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

:n

IJZONDERE tvEGELEN

D,

j3

VOOB DB

ZUSTERS VAN LIEFDE.

ien,

en.

5.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

BIJZONDERE REGELEN

VOOE DE

CONGREGATIE DER ZUSTERS VAN LIEFDE

VAN

JESUS EN MAKIA, DE MOEDER VAN GOEDEN BIJSTAND, GEVESTIGD TE SCHIJNDEL.

JCERKELUK pOEDGEKEURD,

Vrede en barmhartigheid aan degenen, die dezen Regel zullen gevolgd hebben.

H. Paulus, Gal. VI. 16.

TILBURG,

Stoomdrukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis. 189 8.

-ocr page 10-

C30Er)ICETJK.X]Sr0.

Be Bijzondere Regelen voor de Congregatie der Zuster» van Liefde van Jesus en Maria, de Moeder van Bijstand, door Ons gevestigd te Sohijndel, zijn , na nauwkeurig onderzoek, door Ons bevonden goed en zeer geschikt te zijn om, bij heiliging en volmaking der Leden, het eeuwige en tijdelijke welzijn des naasten, zoomede de goede tucht en den voortdurenden welstand der Congregatie te bevorderen; weshalve Wij dezelve bij dezen volgaarne goedkeuren, bekrachtigen en de uitgave daarvan door den druk veroorloven ; terwijl Wij de naleving dier Regels in welgemelde Congregatie zeer aanbevelen, en daarover den goddelijken zegen inroepen. Gegeven te St. Michiels-Gestel, den 27 December 1848.

Oe Bisschop van Emaus, Vie. Apost. van 's-Bosch t H. BEN DUBBELDEN, (li.S.) Op bevel van Z. D. H.

G. P. WILMER , Secretaris.

De herdruk gezien en goedgekeurd.

's-Bosch, 30 Juli 1872.

J. ZWIJSEN .

Aartsbisschop-Bisschop vau 's-Bosch.

De derde druk gezien en goedgekeurd.

M. F. DE BEER, Sup. Gen et Dec. Tilburgi, 15 Septembris 1885. ad hoc delegatus.

Wij verklaren, dat in dezen herdruk de veranderingen zijn aangebracht, welke volgens het Decreet van Z. H. Leo XIII van 17 December 1890, noodzakelijk waren, en dat hij overigens gelijkvormig is met de voorgaande.

Tilburgi, 3 Octobris 1893 M. F. DE BEER, Sup. Gen.

Libr. Cens. ad hoc delegatus.

De vijfde druk gezien en goedgekeurd.

Tilburgi, 13 Junii 1898. M. F. DE BEER, Sup. Gen.

Libr. Ceus. ad hoc delegatus.

-ocr page 11-

AAN DE

^Zusters van J^iefdadigheid

DEE quot;VEEEENIQING, jsrevestigdi te Sehjjmlel.

Die op den Heer betrouwen, zullen niet beschaamd worden. (1) Hoe noodzakelijk was ons niet dit betrouwen , wanneer wij ondernamen u te vereenujen, ten einde uw leven te besteden voor de eer en glorie van God, voor het welzijn van uwen, voornamelijk hulpbehoevenden even-mensch, en daardoor uwe eigene zielen zalig te maken.

Immers hoe onzeker was ons vooruitzicht, en hoe gering de middelen, om het werk dezer vereeniging te beginnen 1 Slechts eene uwer betrok op Allerheiligen dag van het jaar 1836 dit huis, in hetwelk genoegzaam niets gevonden werd.

Spoedig waart gij in genoegzaam getal vereenig d, om de vakken uwer liefdewerken uit te breiden en te vermenigvuldigen, en gij zult

1

1

Eccli. II. v. 11.

-ocr page 12-

met de Apostelen, die, van alles ontbloot, in de wereld gezonden werden , erkennen , dat u noy niets ontbroken heeft.

Dankbaar moeten wij dan Gods beschermende Voorzienigheid loven , en erkennen , dat wij op den Heer betrouwende niet beschaamd geworden zijn; welke bescherming van God gij moogt blijven verwachten, zoolang als gij aan uwen roep zult getrouw blijven.

Blaar God, zijne hulp en bescherming belovende aan hen , die op Hem betrouwen , wil nochtans ook de medewerking van den mensch ; daarom , om aan dit werk , door God gesticht, niets te doen ontbreken , wat aan des zelfs bestendigheid eenigen waarborg kon aan brengen, heejt men bij openbare akte, in het jaar 1841, eene overeenkomst tot stand gebracht, waarbij de in de vereeniging opgenornene Zusters zich op eene met de algemeene burgerlijke wet overeenkomstige wijze tot eene associatie vormden , en zich verbonden, om gemeenschappelijk werkzaam te zijn aan het lot van diegenen harer evennaasten , die aan opleiding of ondersteuning eener liefdadige hand behoejte hebben.

Doch om dit doel, hetwelk steeds elk lid der vereeniging voor oogen moet hebben, te bereiken ; en om aan de vereeniging zelve een vast en bestendig bestaan te verzekeren , was het ook noodig , dat een doelmatige algemeene Regel ,

-ocr page 13-

en daarbij ook bijzondere gedragsregelen, van weye het bevoegde yezag in de vereeniyiny werden ingevoerd, otn rnet nauwgezetheid door de leden betracht en nageleefd te worden.

Te dien einde werd door Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid Henricus den Dubbelden, Bisschop van Emmafis, in part, in fid., Vicarius Apostoliek van het Bisdom van 's-Bosoh, onder wiens onmiddellijk gezag de vereeniging staat, een nlgerneene Regel, dienende tot grondslag der vereeniging , op den 2 Jidi 1842 goedgekeurd, waarbij ook de bijzondere gedragsreyelen , betrekkelijk de wijze van oefening der christelijke deugden en der liefdewerken, aan de vereeniging, overeenkomstig den Regel, werden voor(jeschreven.

In boven gen oernden algemeenen Rei] el zijn , in 1845 , eenige veranderingen en wijzigingen gebracht, die tot meerdere bevestiging der vereeniging en bevordering van derzelver doeleinden dienstig werden geoordeeld, en welke eene nieuwe goedkeuring van Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid hebben verkregen.

Vit deze veranderingen en wijzigingen van den Regel volgde ook noodzakelijk' eene wijziging in de bijzondere gedragsregelen, om dezelve met den Regel overeenkomstig te doen zijn.

Wij vertrouwen thans, Eerwaardige Zusters ! dat gij in. deze bijzondere gedragsregelen, die wij u hier aanbieden, alle noodige voorschriften zult

-ocr page 14-

vinden, om het dubbele doel uwer vereeniging te hereiken.

Wij durven u deze hyzondere gedragsregelen des te vrijer aanbevelen , omdat dezelve onderworpen zijn ijeweest aan het oordeel vnn Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid, Kerkoverste van het Diocees , die, na een rijp onderzoek , aan dezelve niet alleen zijne goedkeuring heeft gegeven , maar ook het verlangen heeft geuit, dat zij nauwkeurig worden onderhouden.

Bij de aanbeveling dezer regelen voegen wij den wensch en de bede , dat de leden der Congregatie zich die eigen maken, en tot den geest doordringen ; dat zoowel oudere als jonge? e Zusters, zoowel oversten als onderdanen, wedijveren in derzelver getrouwe naleving en betrachting.

Vrede en barmhartigheid zij dan aan degenen, die dezen regel zullen gevolgd hebben ; terwijl wij steeds gelukkig zijn bij de gedachte, dat Gods eer en glorie bevorderd worden, waardoor wij onze pogingen meer dan duizendvoudig beloond achten.

SCHIJNDEL ,

den 28 December 184i8.

A. VAN ERP ,

Pastoor en Commissaris.

-ocr page 15-

BIJZONDERE REGELEN

lt;■lt;gt;gt;«; u i ;« ; vil i ;.

IDEIEIj.

OVER HET DOEL DER CONGREGATIE, EN OVER DE DEUGDEN EN HOEDANIGHEDEN, WELKE

DE LEDEN MOETEN BEZITTEN. -------

Eerste Hoofddeel.

Over het Doel.

Artikel 1.

Het doel der Congregatie is : hare Leden te heiligen door de betrachting der christelijke volmaaktheid , en den evenmensoh nuttig te zijn door de oefening van verschillende liefdewerken.

-ocr page 16-

6

Dit doel is het volmaaktste , daar het Maria en Martha, of het bespieyelend met het werkend leven vereenigt; welk leven het meest overeenkomt met het leven van onzen Zaligmaker Jesus Christus , die zich van tijd tot tijd afzonderde , om zijnen Hemelschen Vader te bidden, en het overige besteedde tot heil van den mensch.

Dat de Zusters dan nimmer vergeten, dat haar doel tweeërlei is, namelijk : zich zelve te heiligen , en het welzijn van anderen te bevorderen ; en dat zij nimmer aan hare roeping zullen beantwoorden , wanneer zij alleen voor zich zelve, of alleen voor anderen werken.

Art. 2.

Om dit dubbel doel te bereiken , is het volstrekt noodzakelijk , dat de geest en de grondregelen der wereld uit de Congregatie ten eenen male verbannen worden, en dat de geest des Heeren en de grondregelen van den H. Godsdienst in dezelve heerschen ; — dat de Leden zich gemeenschappelijk toeleggen , om , overeenkomstig de voorschriften der Congregatie, haren evenmensch, vooral den behoeftigen , om God bijstand te verleenen , daar waar, en wanneer het in haar vermogen is.

-ocr page 17-

7

Tweede Hoofddeel.

Over de bijzondere deugden

en hoedanigheden der züsters.

Art. 3.

De bijzondere deugden en hoedanigheden, die de Zusters behooren te bezitten , zijn : gehoorzaamheid, armoede, zuiverheid, liefde, ootmoedigheid , eenvoudigheid, versterving , zedigheid, zachtmoedigheid, betrouwen op God, opgeruimdheid des geestes, gezondheid en bekwaamheid tot het werk, waartoe zij zijn bestemd.

Derde Hoofddeel.

Over de Gehoorzaamheid.

Art. 4.

Voor zooverre de Zusters nederig zijn, en ernstig naar ootmoed streven, zullen zij ook gehoorzaam wezen, de gehoorzaamheid beminnen, en de gelegenheid, om haar uit te oefenen, zoeken. Het zij aan de Zusters diep ingeprent, wat de H. Franciscus van Sales zegt, namelijk:

-ocr page 18-

8

«Zij moeten alles uit liefde en niets uit » dwang doen.quot;

« Zij moeten de gehoorzaamheid meer bemin-» nen , dan de ongehoorzaamheid vreezen quot;

De Zusters moeten, met betrekking tot de gehoorzaamheid , zich aan het voorbeeld van Jesus spiegelen : Die zich zeiven vernederd heeft, en gehoorzaam is geworden tot den dood, ja tot den dood van het Kruis. (Phil. II 8.)

Onze Zaligmaker was steeds, en overal, en in alles : in gedachten en begeerten, in woorden en werken, in doen en laten, aan zijnen en onzen Vader, aan zijnen en onzen God stiptelijk en met vreugde gehoorzaam. Hij was ook aan de menschen gehoorzaam , gehoorzamende in zijne geboorte aan den Romeinschen keizer, dewijl Hij zijne Moeder naar Bethlehem liet gaan; het inzicht des keizers bij dit bevel mocht juist niet heilig zijn ; het bevel mocht ook on-noodig, ondoelmatig, onverstandig zijn ; dit alles was Hem, die hart en nieren doorziet, die alle gebeurtenissen met verwijderde en nabij zijnde oorzaken en uitwerkselen doorgrondt, bekend; maar Hij , de Heer des Hemels en der aarde, eerde in den keizer Hem, die denzelven had aangesteld , en Hij gehoorzaamde En Hij , die eens in zijne Majesteit zal komen, om de wereld te oordeelen , liet zich binden , heen en weer sleepen, en onderwierp zich aan het vonnis

-ocr page 19-

9

van onrechtvaardige rechters, aan geeseling, kruisiging en dood, en wel aan die wijze van sterven, die toen de wreedste en verachtelijkste was. Dit alles was eene afschuwelijke onrechtvaardigheid ; maar Hij , wien legioenen van Engelen ten dienste stonden , en die zich aan dit alles kon onttrekken , gehoorzaamde.

Art. 5.

De gehoorzaamheid is eene volmaakte brand-offerande van zich zeiven, waardoor men zijnen eigen wil verzaakt, om denzelven te onderwerpen aan den wil van God, in den persoon, die zijne plaats bekleedt. Zij is eene zeer aangename offerande aan God.

De stem der gehoorzaamheid is de stem van God , die ons uitdrukkelijk zijnen wil te kennen geeft; zij is onfeilbaar ten opzichte van den-gene, die gehoorzaamt, omdat zij gegrond is op het woord van God , die de eeuwige Waarheid is Onze Zaligmaker , van de gehoorzaamheid , die men aan de Oversten verschuldigd is, sprekende , zegt: « Die u hoort, hoort Mij ; die u versmaadt, versmaadt Mij quot; (Luc. X. 16.) En de H. Apostel Paulus, schrijvende aan de Ephesers, leert, dat men aan de Overheid , als aan Christus zeiven, moet gehoorzamen; en hierop komt het bijzonder aan : wanneer de Zusters in hare Oversten , niet den mensch,

-ocr page 20-

10

maar Christus zeiven beschouwen , die beveelt of verbiedt, zullen zij aan ieder bevel of verbod, hoe onverstandig, hoe strijdig het haar ook voorkome, volmaaktelijk gehoorzamen. De H.

Joannes Climacus verhaalt, dat zekere Overste van een klooster eenen tachtipjarigen grijsaard gedurende twee uren voor zich aan tafel deed staan , om aan de anderen een voorbeeld van gehoorzaamheid te geven; toen men hem vraagde, hoe hij die versterving had kunnen verduren,

was zijn antwoord , dat er in hem zelfs geene gedachte van ongehoorzaamheid was opgekomen,

daar hij zich had verbeeld , dat hij voor Jesus Christus zeiven stond , en de/e vernedering van Hem in persoon ontving. Het is om deze reden ook , dat de H. Philippus Nerius zegt, dat men in den dag des oordeels rekenschap zal moeten geven , of en hoe men gehoorzaamd heeft, maar geenszins over datgene, wat men uit gehoorzaamheid gedaan zal hebben.

Art. 6

Wanneer aan de Zusters de wil harer Oversten kenbaar wordt gemaakt, zullen zij zich aan den-zeiven onderwerpen; doch wanneer zij in ge-moede vermeenen , dat, indien de Overste met zekere omstandigheid bekend ware, zij dit bevel of dat verbod niet zou geven of doen, zullen zij deze omstandigheid aan haar openbaren; i'

-ocr page 21-

11

wanneer de Overste bij haar bevel of verbod volhardt, zullen zij, hoe ondoelmatig of verkeerd het haar ook toeschijne, gehoorzamen, zonder op de zaak terug te komen , of er later over te spreken , daar God van haar verlangt, dat 7ij gehoorzamen; hiervan is slechts ee« ewA'e/ geval uitgezonderd, namelijk: wanneer een bevel of een verbod yeheel duidelijk met een hooger bevel of verbod strijdig zoude zijn ; of wel, wat hetzelfde is, zij zuilen altijd gehoorzamen in alles, wat niet zeer duidelijk zonde is; want in zulk geval moeten zij eerder aan God dan aan de menschen gehoorzamen.

Het boven gezegde geldt niet alleen ten aanzien van diegenen, welke als Oversten in de Congregatie zijn aangesteld , maar ook ten aanzien van haar, die de Oversten vervangen, of ondergeschikte bedieningen waarnemen ; derhalve zullen de Zusters, welke door de Overste toegevoegd worden aan eene Zuster, die met eene bediening, of met de leiding van een liefdewerk, of met bijzondere werkzaamheden belast is, aan die Zuster, in die betrekking, als aan de Overste zelve , gehoorzamen

Wanneer de Overste eene Zuster stelt onder de gehoorzaamheid van eene andere Zuster, is zij ook verplicht aan deze te gehoorzamen , als aan de Overste zelve.

i'Wanneer twee of meer Zusters zich op reis

-ocr page 22-

12

of builen het Huis bevinden , zal zij , die van haar de oudste is in de Congregatie, met het bestuur der anderen belast zijn , ten ware de Overste hadde goedgevonden , dit anders vast te stellen ; — wanneer men zich tijdelijk in een Huis ophoudt, zal men aan de Overste van dat Huis ondergeschikt zijn , en aan haar gehoorzamen ; hiervan zijn alleen uitgezonderd de Algemeene Overste en de Assistanten van het Moederhuis.

Ten aanzien van de gehoorzaamheid moet men in aanmerking nemen, dat men nimmer moet zien op de persoon , die gebiedt, maar slechts op het gezag, waarmede zij is bekleed; en dat, hoe kleiner de waardigheid is van de persoon , aan wie men gehoorzaamt, hoe aangenamer in zeker opzicht de gehoorzaamheid aan God is, en hoe grooter derzelver verdiensten zijn.

Ingeval eene Zuster eene weigering ondergaat van eene Overste, of van eene Zuster, aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd is , zal zij zich te dien einde tot een hooger gezag mogen wenden , mits zij de weigering, die zij ondergaan heeft, en de reden dier weigering , wanneer zij aan haar bekend is , daarbij openbare.

Art. 7.

De Zusters zullen hare Overste en alle anderen, aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn,

-ocr page 23-

13

steeds met eerbied en liefde behandelen, niet om haar te behagen , of hare achting of eenig voorrecht te verwerven , maar omdat zij Gods plaats bekleeden , en dit te doen , Gods heilige Wil is; en daarom zullen zij ook nimmer onderling spreken over de gebreken , die zij in haar opmerken, en altijd van zich verwijderen al de gedachten, die, strijdig met den eerbied, welken zij aan haar verschuldigd zijn, bij haar opkomen.

De Zusters zullen, zonder zich te verontschuldigen , in ootmoed aannemen de vermaningen of boetedoeningen , die haar voor hare nalatigheden gedaan of opgelegd worden ; in bijzondere gevallen, als zij niet plichtig mochten zijn aan hetgene haar ten laste gelegd wordt, mogen zij de redenen harer onschuld blootleggen ; doch wanneer deze niet voldoende worden geacht, moeten zij zich met liefde daaraan onderwerpen , in de zekere overtuiging, dat God, in zijne goedheid, haar die gelegenheid aanbiedt . om te voldoen voor gebreken , waaraan zij plichtig zijn , en die zij nog niet geheel geboet hebben.

Art. 8.

Wat de verschillende betrekkingen der Congregatie betreft, waarvoor de Zusters kunnen worden geroepen, hierin zullen zij steeds volgen den gulden regel van den H. Franciscus van

-ocr page 24-

14

Sales : « Zoek niets, weiger niets.quot; Nimmer dus zal eene Zuster naar eene bediening of betrekking verlangen , en nog veel minder haar verlangen daartoe te kennen geven ; wee aan haar, die zich in eene bediening indringt, zonder daartoe van God geroepen te zijn, daar zij, in dit geval, daartoe geheel onwaardig zoude wezen, en geen nut in dezelve zoude kunnen stichten ! «Daar Ik hen niet gezonden, heb, » en hun (jeen yehod gegeven heb, hebben zij » aan dit volk geene hulp toegebracht, zegt de » Heer.quot; (Jerem. XXIII. 32.)

Wanneer echter eene bediening of betrekking, van God door de gehoorzaamheid , aan de Zusters wordt opgedragen , zullen zij dezelve aannemen, in het zekere vertrouwen, dat God, die haar dezelve geeft, haar ook de noodige verlichting en sterkte zal schenken , om ze volgens zijnen heiligen Wil te vervullen. Mocht er eene of andere bijzondere reden bestaan, om deze of gene bediening of betrekking , waartoe men geroepen wordt, niet te aanvaarden , zal men dezelve aan de bevoegde Overheid bekend maken , en zich overigens geheel aan hare beslissing overgeven, zonder op de zaak terug te komen.

De Zusters zullen nimmer zich in de bedieningen of betrekkingen van anderen indringen of zich daarmede bemoeien, dan in zooverre

-ocr page 25-

15

de bediening of betrekking, die zij zelve beklee-den , zulks vordert; noch gesprekken houden of gissingen maken, die daarop betrekking hebben. Niemand zal aan anderen gebieden of vermaningen geven, tenzij uit kracht van hare bediening of betrekking, en in geval zij door de Overste daartoe gemachtigd is, of wel het gebod van liefde zulks vordert; maar een ieder zal, oplettend op zich zelve , zich binnen de palen harer bediening of betrekking houden en afwachten, wat beslist zal worden over haar en over anderen.

Art. 0.

De Zusters zullen stiptelijk onderhouden al hetgeen door de Regelen der Congregatie is voorgeschreven, zelfs de kleinste en geringste zaken. Zij , die in kleine zaken nalatig is , zal weldra tot grootere overtredingen vervallen

De onderhouding der Regelen is voor de Congregatie eene zaak van het hoogste gewicht, en vereischt de bijzondere oplettendheid harer Leden; eensdeels, omdat de Regelen door het Kerkelijk Gezag zijn goedgekeurd en ingevoerd , als middelen om tot de volmaaktheid te komen; en anderdeels, omdat de afwijkingen van de voorschriften der Regelen den goeden geest der Congregatie verderven en uit dezelve geheel doen heen wijken, waarvan het noodzakelijk gevolg is, dat Gods werk langzaam ondermijnd wordt

-ocr page 26-

16

en eindelijk te niet gaat, waarvan de geschiedenis menigvuldige voorbeelden oplevert. Deze aanmerking wordt aan al de Leden der Congregatie ernstig ter overweging aanbevolen, doch vooral aan de Oversten en aan al de andere Zusiers, die eenig gezag in de Congregatie waarnemen. Deze toch zijn door God bijzonder aangesteld, om over de stipte naleving der Regelen en de bevordering van den goeden geest der Congregatie te waken, waarover zij aan God eene bijzondere rekenschap zullen moeten afleggen.

Evenals de Zusters zich moeten toeleggen op de naleving van alle Regelen, zoo ook zullen de Algemeeue en andere Oversten zich zorgvuldig wachten van het invoeren of bijvoegen van oefeningen of gebeden, welke in de Regelen niet zijn opgenomen, ten einde in de oefeningen en gebeden gelijkvormig te blijven in de verschillende afdeelingen der Congregatie; welke gelijkvormigheid tot het bereiken van derzelver doel van zeer veel gewicht is.

Opdat de Zusters niet onkundig zouden zijn omtrent de voorschriften der Congregatie, zullen de bijzondere Regelen op de Zon- en Feestdagen, gedurende een vierde uurs , aan de vergaderde Leden van het Huis duidelijk en langzaam worden voorgelezen.

Bovendien wordt aan iedere Overste en aan de Zusters bijzonder aanbevolen : de Regelen

-ocr page 27-

17

der Congregatie dikwijls te lezen en te herlezen, en daarvan het voorwerp harer meditatie te maken

Art. 10.

De 'Austers moeten zich, zooveel mogelijk, op eene volmaakte gehoorzaamheid toeleggen; nu , de volmaakte gehoorzaamheid vordert, dat al hetgeen zij uit gehoorzaamheid moeten verrichten, spoedig, stipt, blijmoedig en eenvoudig geschiede.

Zij moeten, in de eerste plaats , spneduj gehoorzamen ; dat is , aanstonds , zonder uitstel, datgene doen, waartoe haar de gehoorzaamheid verplicht; en wel zoo, dat zij een begonnen werk staken , al was dit ook een liefdewerk , een begonnen gebed afbreken, en in het schrijven eene letter onvolkomen laten.

Wanneer de bidklok , de etensklok, de werkklok , of de klok, welke deze of gene Zuster roept, getrokken wordt, moet men dadelijk alles laten liggen en staan , en den roep der klok volgen Dit is ook van toepassing op de Portierster, wanneer er aan het gesticht gebeld wordt.

Zij zullen stipt gehoorzamen ; hetgeen wil zeggen , dat zij haar werk met de noodige oplettendheid en nauwkeurigheid moeten verrichten, zelfs zonder een uitdrukkelijk bevel af te wachten , wanneer zij weten , dat zulks de wil

2

-ocr page 28-

18

der Overste is. Zij moeten steeds indachtig zijn, dat, gelijk de H Maria Magdalena van Pazzi aanmerkt, zij niet yedeeltelijk, maar yeheel afstand gedaan hebben van haren wil, en alzoo alles yeheel moet geschieden , dat is : volmaakt, en overeenkomstig de bedoeling, het verlangen en den wil der Overste

Zij zullen datgene, wat zij moeten doen, blijmoediy verrichten. Men bedriegt zich, zegt de H. Ignatius van Loyola , als men vermeent gehoorzaam te zijn , wanneer men tegenzin of ontevredenheid toont over datgene, wat voorgeschreven of verboden wordt; die waarlijk gehoorzaam is, neemt blijmoedig aan datgene, wat met hare eigenliefde of neiging strijdt, omdat zij dan zeker is, den wil van God en niet haren eigen wil te volbrengen, en dat zij niet aan zich zelve. maar aan God alleen , zoekt te behagen. — Dat zij dan elke verkeerde neiging , welke in dit opzicht bij haar opkomt, spoedig onderdrukken, en harer Overste eene volkomene vrijheid laten, om over haar, en alles wat haar aangaat, te beschikken , en blijmoedig gehoorzamen. Dit is voor de Zusters van eene zeer groote aangelegenheid , daar zij in de gelegenheid zijn dikwijls van betrekking en plaats te moeten veranderen, en gebezigd te worden in zaken, die zeer strijdig zijn tegen de menschelijke natuur.

-ocr page 29-

19

Eindelijk moeten de Zusters er zich op toeleggen om eenvoudiy te gehoorzamen. De eenvoudigheid , waarvan hier gesproken wordt, bestaat hierin , dat men zijnen wil en zijn oordeel blindelings onderwerpe aan den wil en het oordeel der Overste Willen onderzoeken, zegt de geleerde Blosius , of de geboden der Overste goed of kwaad zijn , of de redenen opsporen , waarom zij gebiedt of verbiedt, dit is eten van den boom van kennis van goed en kwaad ; van dien boom , dien het Adam verboden was aan te raken. Het was dit middel, hetwelk Satan bezigde, om Eva te bekoren en tot zoude te brengen, toen hij haar vraagde, waarom God haar niet toegelaten had, van alle vruchten van het Paradijs te eten Indien Eva had geantwoord, dat het haar niet betaamde, de redenen hiervan te onderzoeken, zou zij niet gevallen zijn ; maar zij begon te rèdeneeren ; waarvan dan ook het gevolg was, dat zij aan God ongehoorzaam werd, ) en in de zonde verviel. De groote wijsheid

bestaat hierin , dat men met eenvoudigheid des harten gehoorzame , en dat men datgene , wat de Overste gebiedt, als heilig en nuttig be-schouwe, daar de Oversten, gelijk de H. Maria Magdalena van Pazzi zegt, in het beheer barer Gemeenten, door God bijzonder verlicht en geholpen worden.

, Om tot dezen verheven trap van gehoorzaam-

-ocr page 30-

heid te komen, moeien zij lt;'od , om wiens Wil men gehoorzaamt, vuriglijk b.dden, en elke gedachte, strijdig met deze eenvoudigheid door eene blinde onderwerping van den gees

dadeliik van zich verwijderen.

Bü deze gelegenheid wordt hier aangemerkt, dat, hoe meer de Zusters zuh beijveren, om de volmaakte „ehoo^aamh.-i.! Ie oefenen het ae5 te zekerder te «aehten i., dat God haar «teeds eene Overheid 7.al «even, »elke slechts het goede en doeln.alifle gebieden, slecht, he kwade en ondoelmatige verbieden, en, m ie algemeen, de Congregatie en derzelver Leden op de aan God aangenaamste wijze geleiden zal.

Ook wordt aan elk Lid der Congregatie , in welke betrekking het ook geplaatst zij , henn-nerd dat ééne enkele daad van hardnekkige wederspannigheid aan de bevelen der Overste eene voldoende reden is, om uit de Congregatie voor altijd weggezonden te worden.

-ocr page 31-

21

Vierde Hoofddeel.

Ovee, de Armoede.

Art II.

In de armoede, welke het bolwerk van het geestelijke leven is , zullen de Zusters trachten te eeren en na te volgen Hem , wien Hemel en aarde ten dienste staan , die tot zijne Moeder eene arme Maagd , tot zijnen Voedstervader eenen handwerksman, tot zijne wieg eene krib, tot zijn doodbed een kruis gekozen heeft, en die, tijdens zijnen wandel op aarde, ^eene vaste woonplaats had , en zelfs geen kussen bezat, om zijn hoofd daarop te laten rusten

Art. 12.

De kleederen , de meubelen en het voedsel zullen zijn gelijk het past aan personen , welke vrijwillig den stand der werkelijke armoede omhelsd , en voor God en voor alle mensohen betuigd hebben den armen Jesus te zullen navolgen. De Zusters zullen dan tevreden zijn, dat haar datgene, wat voor hare geringe behoeften vereischt wordt, volgens de in de Congregatie gebruikelijke eenvoudige wijze , verschaft worde, zich steeds herinnerende, dat hoe strenger de

-ocr page 32-

22

ontblooting is, hoe meer recht zij hebben op het erfdeel der kinderen Gods ; dat zij dienstmaagden der armen zijn, en haar ook een arm leven past; echter zoo, dat haar onderhoud die eigenschappen hebbe, dat zij gezondheid en krachten behouden, om de bezigheden van haren staat behoorlijk te kunnen waarnemen ; dus des morgens, des middags en des avonds geene lekkernijen, geen weelderig, maar gezond en toereikend voedsel , behoorlijke kleederen , deksel en verwarming , en in ziekte behoorlijke verzorging. Behalve den ring en het kruis, rnogen de Zusters voor zich niets gebruiken , dat van zilver of goud gemaakt is

Art. 13.

Geene der Zusters mag ooit, zonder verlof der Overste, aan vreemdelingen te eten, te drinken of aalmoezen geven.

Art. 14.

Wanneer aan de Zusters geschenken, het/.ij voor de Congregatie, hetzij voor hulpbehoevende armen , die zij verplegen , ter hand gesteld worden, zullen zij die aannemen, wanneer er geene bijzondere redenen van weigering bestaan ; dan zij geven deze dadelijk aan de Overste of aan die Zuster, die belast is met het bestuur der hulpbehoevenden , waarvoor het geschenk is bestemd. Voor armen, die door haar niet ver-

-ocr page 33-

23

zorgd worden, nemen zij niets aan, omdat de Zusters zich niet mogen bezig houden met de verzorging van personen , die niet door de Congregatie aan hare zorgen zijn toevertrouwd. Zoo ook nemen zij geene geschenken aan , die voor haar persoonlijk bestemd zouden zijn; in deze gevallen moeten zij het aangebodene met vriendelijke dankbetuiging afwijzen, zeggende, dat zij dit niet mogen aannemen

Art. 15.

De Zusters zouden haar geweten bezwaren , wanneer zij geld ol' datgene , wat tot haar gebruik of tot gebruik der hulpbehoevenden bestemd is, door hare nalatigheid, lieten bederven of verloren gaan. Zij doen geene onnoodige uitgaven , maar moeten in alles spaarzaam zijn. Een ieder zal ook bijzonder zorg dragen , om , zoo op haar persoon als in andere zaken, de zindelijkheid te bewaren, welke stichting geeft en voordeelig is voor de gezondheid. Eene onzindelijke Zuster past niet onder de Zusters van Liefde.

Art. 16.

De Zusters moeten zich in kleeding, voedsel, bedden, levenswijze, kortom in alles, op de meest mogelijke gelijkvormigheid toeleggen, zich regelende naar het gebruik van het Moederhuis. De eene moet niets anders willen hebben dan de andere.

-ocr page 34-

24

Art. 17.

Elke Zuster moet zich wel wachten , om datgene, wat tot haar gebruik bestemd is, te versmaden , het ongebruikt te laten staan , of daaraan , zonder verlof der Overste, iets te veranderen.

Art. 18.

De Zusters zullen zich ernstig beijveren , om den geest der armoede te verkrijgen Wanneer bij de uiterlijke armoede ook de geest, of ten minste het ernstig streven, om denzelven te verkrijgen, ontbrak, wat zon men dan daarvan moeten zeggen ? Zou het niet eene soort van huichelarij zijn, als die der Pharizeërs, welke uiterlijk eenige goede werken verrichtten , maar innerlijk zeer verkeerd gezind waren ? Het is aan de armen van yeest, dat de Meer het Rijk der Hemelen toekent. (Matth. V. 3.) Nu, de geest van armoede vordert;

Dat de Zusters, met betrekking tot het aardsche, niets verlangen, niets vreezen, maar haar geheel vertrouwen op Gods Voorzienigheid stellen, zich verzekerd houdende, dat, zoolang zij getrouw zijn in de vervulling harer plichten, en den waren geest der Congregatie behouden , God haar in zijne bescherming zal nemen, en wat voor ziel en lichaam noodig is , zal verleenen.

Dat zij zich verloochenen, en alle aangekleefd-

-ocr page 35-

25

heid aan deze of {jene /aak, hoe ^erinjj die ook zij , aan deze of {jene bezigheid , aan deze of gene bediening, aan deze of gene plaats, hulpbehoevenden , bloedverwanten , vrienden , enz. , afleggen. Om tot die volmaakte verloochening van zich zelve te komen, en meerderen voortgang te doen in de onthechting, zullen zij dikwijls overdenken, dat alle gehechtheid aan de goederen dezer wereld verwijdert van die, welke ons in de eeuwigheid moeten gelukkig maken. De Oversten zullen op dat punt bijzonder acht slaan , en ten bekwamen tijde veranderen of afnemen , wat voor eene Zuster een voorwerp van aangekleefdheid zou zijn, of kunnen worden.

Dat zij, eindelijk, datgene hartelijk liefhebben en bij voorkeur verlangen , wat gewoonlijk aan de armoede eigen, en het, deel diergenen is, welke dezelve werkelijk uitoefenen.

De 11. Teresia , van de armoede sprekende, vermaant, hare Geestelijke Dochters , dat zij de armoede in alles moeten doen uitschijnen ; doch dat dezelve vooral moet heerschen in het hart, en dat, zoolang zij getrouwelijk de armoede uitoefenen en derzelver geest bezitten, de kloostertucht niet lichtelijk te niet zal gaan.

Art. 19.

De Oversten dér Congregatie worden bij deze gelegenheid gewaarschuwd tegen de zucht om

-ocr page 36-

26

rijkdommen le vergaderen, die gewoonlijk de oorzaak zijn van den ondergang der Kloosters en Congregatiën , terwijl de geest van armoede en een onbepaald vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid er altijd de steunpilaren van zijn geweest, en alle soorten van zegeningen over dezelve hebben doen nederdalen Deze was de waarschuwing, welke de H. Abt Benediotus, op zijn sterfbed, aan zijne Broeders gaf; en de ondervinding heeft, in het vervolg der tijden, deze voorzegging bewaarheid.

Vijfde Hoofddeel.

—♦gt;lt;;♦—

Over de Zuiverheid.

Art. 20.

De Heer zegt: Zalitj zijn zij, die zuiver van harte zijn, want zij zullen, God zien. (Matth. V. 8 ) Uit het hart komen de slechte gedachten. (Matth. XV. 19.) Waar uw schat is , daar is uw hart. (Matth VI. 21 ) Daar komt eigenlijk alles op aan : dat de Zusters haar geheel hart voor den goddelijken Bruidegom harer ziel, dat zij hare geheele liefde voor Hem zuiver bewaren ; want zij zullen dan ook voor Hem niet

-ocr page 37-

27

alleen hare ziel, maar ook haar lichaam , overeenkomstig haren verkozen staat, geheel zuiver behouden.

Dat de Zusters zich dan dikwijls herinneren, dat zij bruiden zijn van Jesus Christus, die een Bruidegom is uitgelezen boven duizenden, en die in haar hart alleen wil zijn; en wee aan haar, die in het minste den glans verdonkeren zou van de leliën, in welke Hij zijn welbehagen schept! — dat, hoe schooner en kostbaarder de schat der zuiverheid is, zij des te meer op hare hoede moeten zijn, om denzelven ongeschonden te bewaren, steeds indachtig zijnde de volgende waarschuwing , die de H. Hieronimus gaf aan de H Eustochium ; cc Mijne dochter, gij zijt ver-» sierd met goud , wacht u voor de roovers.quot;

Art. 21.

De Zusters zullen het eerste begin der gedachten en begeerten , strijdig tegen de schoone deugd van zuiverheid, door eene godvruchtige verzuchting tot Jesus, door eene korte aanbeveling in zijn H. Hart of zijne HH Wonden, door de toevlucht tot de allerzuiverste Maagd en Moeder Gods Maria , of door eene meer ijverige betrachting harer bezigheden , ernstig maar bedaard , trachten te verwijderen ; zij moeten niet vooruit bang zijn , dat dergelijke beproevingen komen, noch daarna in het bijzonder bedenken.

-ocr page 38-

28

welke en hoe zij hebben plaats gehad. Men moet in de bekoringen vooral in aanmetk.ng nemen, dat er een groot ondersche.d bestaat tusschen de bevalligheid der bekoring gevoelen en de bevalligheid der bekoring te willen, tot het kwaad aangespoord te worden en het waa te ivillen , en dat een vaste wil , een ootmoedig Febed en een kalm betrouwen op haren Bunde-gom, die altijd bij haar en haar Beschermer is, in eiken strijd de overwinning zullen doen

behalen.

Art. 22.

Zii moeten zorgvuldiglijk vluchten al hetgene niet past aan eene bruid van Jesus C iistus, en daarom vermijden zekere vriendschappen die al te teeder zijn, en in haar hart de l.efde tot haren Bruidegom zouden kunnen doen verflauwen. Wanneer zij eene al te groote genegenheid voor een' persoon, wie het ook zij, gevoelen, moeten zij de eerste beginselen daarvan trachten uit te dooven door waakzaamhe.d , he gebed, het vluchten der gelegenheden en het

oefenen der versterving.

Zii moeten zich , zooveel mogelijk , to«}eS8 op bescheidenheid, welvoeglijkheid en zedigheid,

en al hetgene wat hiertegen strijdt , of wat de teedere deugd van zuiverheid in dit opzie zoude kunnen schaden, zorgvuldig vermijden.

-ocr page 39-

29

Zij zullen zich ernstig beijveren , om alle ijdelheid in kleeding, in gebaren, in het spreken of in het gaan af te leggen De in de wereld gebruikelijke uitdrukkingen van genegenheid mogen zij onder elkander niet bezigen.

De Zusters inoefen de ledigheid vluchten; en daarom zullen zij , wanneer er na de oefening der liefdewerken of bezigheden van het Huis tijd overblijft, eenig handwerk verrichten of zich met iets anders bezig houden , en nimmer ledig zijn

Art. 23.

Geen bezoek wordt aangenomen door de Zusters dan in het Geslicht /.elf, en wel nergens dan in eene der daartoe bestemde kamers. In hare slaapkamers wordt nooit aan iemand de ingang veroorloofd , dan , in geval van ziekte , aan den biechtvader, aan de bloedverwanten der zieke, aan den geneesheer en den heelmeester; echter zal bij zulke bezoeken, dat van den biechtvader alléén uitgezonderd , de Overste. of eene der Medezusters, tegenwoordig zijn. Hare gemeenschappelijke werkkamer, hare eetkamer en de keuken behooren insgelijks tot die plaatsen, waarin de ingang slechts dan, wanneer het niet te vermijden is , en slechts aan dezulken geoorloofd is, die daar noodzakelijk iets te doen hebben.

-ocr page 40-

30

Wanneer iemand eene Zuster komt bezoeken, of verlangt te spreken , zal de Portierster , ook ingeval het bezoek de Portierster zelve geldt, hem of haar in de spreekkamer brengen, en na beleefdelijk den naam gevraagd te hebben, indien deze haar onbekend is, de Overste hiervan kennis geven, die het bezoek al of niet zal toestaan. Indien het bezoek toegestaan wordt, kan de Overste, als zij dit voorzichtig oordeelt, eene andere Zuster, tot gezelschap, er bij plaatsen. Als de Overste oordeelt, dat het bezoek niet toegestaan behoort te worden , zal men hem of haar, die het bezoek vraagt, vriendelijk afwijzen, met te zeggen : dat men het niet kwalijk neme, dat, op dat oogenblik, geen bezoek aangenomen kan worden. Wanneer bloedverwanten dei-Zusters, woonachtig buiten de plaats, waar het Gesticht gevestigd is, komen om deze te bezoeken, zal de Overste hun eenige verversching of eten doen aanbieden, en hen zeer vriendelijk behandelen Bloedverwanten of vrienden, welke Zusters komen bezoeken, of andere vreemdelingen, zullen nooit in het Gesticht vernachten, in hare eetkamer eten of drinken , of bij hare uitspanningen tegenwoordig zijn

Geestelijken , die in het Gesticht komen , om eenige diensten te verrichten, en Postulanten, die zich voor de Congregatie komen aanbieden, zullen in het Gesticht kunnen vernachten.

-ocr page 41-

31

Personen, die in het Gesticht hun vast verblijf hebben , znllen nimmer, wie zij ook zijn , in de eetkamer der Zusters eten of drinken , of hare uitspanning mogen bijwonen; de Zusters zullen steeds van deze personen gescheiden leven, en met dezelve niet meer omgang houden, dan de liefde en de wederzijdsche betrekkingen ver-eischen.

Behalve de bovengenoemde gew'one bezoeken, zullen er geene familie- of vrienden-maaltijden , of gezelschappen in de Huizen der Congregatie met de Zusters mogen gehouden worden.

Geene boodschap, hetzij die gering of gewichtig , schriftelijk of mondeling zij , mag ooit eene der Zusters zelve bezorgen, laten bezorgen of aannemen ; noch de Portierster of hare plaats-bekleedster mag van eene der Zusters die aannemen of haar die bezorgen ; alle bestellingen, ook brieven aan de Zusters of van de Zusters, moeten door de Overste bezorgd worden ; hiervan zijn alleen uitgezonderd die bestellingen, welke de oefeningen der liefdewerken of bijzondere betrekkingen van het Huis betreffen: deze kunnen ook (altijd met goedvinding der Overste) door de Zusters, welke met het bestuur dier liefdewerken of betrekkingen belast zijn, gedaan en aangenomen worden. Het hier gezegde, evenals ai hetgeen hier nog te zeggen is , geldt alle Zusters , doch bijzonderlijk de Portierster of hare plaatsbe-

-ocr page 42-

32

kleedster, met betrekking tot de bestellingen en de brieven van haar en aan haar, en wel te meer, daar de/.e meer gelegenheid heeft , om onopgemerkt daartegen te zondigen. De Oversten der Congregatie worden bij deze gelegenheid opmerkzaam gemaakt, dat de betrekking van Portierster, om vele redenen, zeer gewichtig is, en deze niet mag toevertrouwd worden dan aan personen, op wier deugd en discretie men alleszins vertrouwen kan.

Geene der Zusters mag, zonder verlof der Overste , eenen brief schrijven , en de Overste heeft het recht, om alle van de Zusters geschrevene en alle aan de Zusters gerichte brieven te lezen, en , wanneer zij zulks nuttig oordeelt, noch deze, noch gene verder te bezorgen. Alle naar buiten af te zenden brieven worden door de Overste, of door iemand anders in haren naam, verzegeld. Alleen de brieven , gericht aan , of gezonden van den Hoogeerwaarden Heei Keik-overste van het Diocees, onder wiens Jurisdictie men verblijft, zoo ook die gericht worden aan , of gezonden worden van de Algemeene Overste der Congregatie, zijn hiervan uitgezonderd; zoodat de Overste het recht niet heeft die te openen , of te lezen, of derzelver verzending te weigeren; zij mag zelfs niet vragen of trachten te vernemen den inhoud van dezelve, of zich daarover bekommeren ; echter door hare handen moeten ook

-ocr page 43-

33

deze brieven gaan , en de Portierster neemt ze niet aan, dan van de Overste en bezorgt ze niet dan aan de Overste.

Indien het onverhoopt gebeurde, dat eene Zuster, oj) welke wijze ook, aan het in dit artikel voorgeschrevene te kort bleef, en, buiten weten der Overste, bezoeken aannam, zich belastte met bestellingen , ol brieven bezorgde of liet bezorgen , zal zij , gelijk ook de Zuster, die dit geweten en niet dadelijk aan de Overste ge/egd zoude hebben, ernstig vermaand, en gewaarschuwd worden, dat, ingeval zulke overtredingen nog plaats hebben, er strengere maatregelen te haren opzichte zullen worden genomen.

Het is reeds aangemerkt, dat alles, bij de bewaring der zuiverheid, eigenlijk hierop neerkomt , dat de Zusters haar yebeel hart en hare yeheele liefde aan haren goddelijken Bruidegom toewijden ; daarom zou het juist geen goed teeken zijn, wanneer eene Zuster een givot verlangen had , om bezoeken , brieven of tijdingen van buiten te ontvangen , brieven te schrijven of tijdingen te geven; het zou zijn, of deze vreesde, te zeer afgescheiden van de wereld te zijn of te worden ; het. zou den schijn hebben , alsof de bezigheden van haren staat haar niet vergenoegden; alsof het haar niet beviel, om dezelve voor, en met, en in de tegenwoordigheid van God , in stilte te verrichten; men zou met

3

-ocr page 44-

34

reden mogen vermoeden , dat zij die ingetogenheid niet bezat , welke aan allen , maar bij/onderlijk aan de Zusters van Liefde, zoo noodzakelijk is, om die wonderschoone deugd, waarvan hier gesproken wordt, te bewaren.

Art. 24.

De Zusters mogen nooit uitgaan , tenzij zij van de Overste gezonden worden, üe Overste zal aan de Zusters niet toelaten uit te gaan, noch zelve uitgaan , dan in geval de heilige liefde, bijzondere verrichtingen , welke door anderen niet kunnen geschieden, of andere wettige redenen , zulks vorderen.

De Zusters zullen, voor zooveel haar aangaat, nooit verlangen iemand te zien of van iemand gezien te worden, of hare woning te verlaten , om alzoo geheel en alleen te leven voor God en van Hem alleen gekend te zijn

Wanneer zij , op bevel der Overste , moeten uitgaan , zullen zij hierin de stem van God erkennen, die haar buiten hare eenzaamheid roept, en met eenen vasten moed, en gewapend met het schild des gebeds, de stem der gehoorzaamheid volgen , in het gegronde vooruitzicht, dat God, die haar geroepen heeft, haar, en ook wel onbeschadigd , aan zijne sterke hand zal geleiden en bewaren.

Buiten hare woning zijnde , zullen zij steeds

-ocr page 45-

35

in haar hart trachten te bewaren de liefde tot hare afzondering, en het verlangen om naar dezelve terug te keeren.

Zij zullen niet langer uitblijven of verder gaan, dan het bevel strekt, dat haar door de Overste gegeven is, noch zich met andere zaken bezig houden , dan die haar uitdrukkelijk zijn opgedragen.

Op reis zijnde, zullen zij in- en uitwendig zeer ingetogen zijn , en niet meer spreken dan noodig is.

Wanneer zij zich moeten ophouden in steden of dorpen , waar geen Huis der Congregatie gevestigd is, zullen zij, bij voorkeur, in een openbaar logement haren intrek nemen, en zich in hare kamers afzonderen, tenware de Overste, ten aanzien van haar verblijf, andere bepalingen hadde vastgesteld.

Op reis zijnde, zullen zij niet uitgaan of van den rechten weg afwijken, om bloedverwanten, vrienden, of bijzondere zaken te zien, dan met uitdrukkelijke vergunning harer Overste.

iV

.li-'

,r\

' i 'il

U

1 ■ 1,5':

SU

J'i,

Wanneer men van het eene Huis naar het andere overgaat, zal men niets medenemen buiten de voorkennis en goedkeuring der Overste.

Art. 25.

In den omgang met vreemdelingen , zoo wel binnen als buiten het Huis , zullen zij zich

-ocr page 46-

36

nimmer nieuwsgierig toonen, om te weten, wat er in de wereld omgaat.

Wanneer zij over wereldsche zaken hooien spreken , /.uilen zij , zooveel mogelijk , trachten aan het gesprek eene andere wending te geven, en hetzelve op eene stichtende zaak over te brengen.

Nieuwstijdingen of wereldsche zaken , die zij van wereldlijken hooien, zullen zij nimmer aan hare Medezusters, noch aan de Overste, mogen verhalen, tenzij het eene zaak belreffe, die de Overste behoort te kennen, of die stichting aan de Gemeente kan geven; in deze gevallen zullen zij dezelve aan de Overste mogen openbaren.

Zeggen vreemdelingen haar eenige vleierij , deze laten zij onbeantwoord , alsof zij dezelve niet gehoord hadden.

Zij zeiven mogen zich nimmer eenige vleierij of eenig bijzonder teeken van genegenheid veroorloven, en moeten zich in den omgang steeds eigen maken — vriendelijkheid met ernst gepaard. —

Zucht om te behagen, nieuwsgierigheid, voorbarigheid en zucht om te spreken , moeten zij bestrijden, en hare vijf zinnen, welke de ingangen zijn tot de ziel en tot het hart, in toom houden; dit geldt vooral betrekkelijk het gezicht, en men moet bijzonder hierin de zedigheid in acht nemen.

-ocr page 47-

37

Zij ztillen met vrpemdelin^en nooit spreken over hare Medezusters, noch over de Regelen of de Gebruiken der Congregatie Wanneer zij daarover ondervraagd worden, zullen zij het gesprek op eene andere zaak , h. v. op de liefdewerken , die in de Congregatie geschieden, overbrengen Ingeval de vreemdelingen aanhouden met ondervragingen omtrent de Regelen en de Gebruiken der Congregatie, zullen zij met bescheidenheid zeggen , dat men het haar niet kwalijk neme, dat zij daarop niet antwoorden, dewijl zulks door hare Regelen is verboden.

Wanneer de gelegenheid zich opdoet, om over andere geestelijke Congregatiën te moeten spieken , zullen zij dit met veel achting en eerbied voor dezelve doen

Zij moeten zich niet bekommeren of inlaten met de tijdelijke belangen van vreemdelingen, zelfs niet van hare nabestaanden en vrienden; daar zij de wereld met hare bekommeringen hebben verlaten , en God alléén voor haar deel en hare erfenis hebben gekozen.

Art. 26.

De Oversten der Congregatie worden ten sterkste aangemaand , om steeds een waakzaam oog te houden op alles, wat betrekking heeft op de deugd, waarvan hier gehandeld is; en te waken, opdat de bovenstaande voorschriften

-ocr page 48-

38

stiptelijk worden nagekomen; zoomede te zorgen, dat zij, die, hetwelk God verhoede, door daden, strijdig met die deugd , ergernis zouden geven , aan de Algemeene Overste worden bekend gemaakt , die de noodige maatregelen zal nemen , om dezulke, voor altijd , uit de Congregatie te verwijderen.

Zesde Hoofddeel.

Ovbb de Liefdewerken.

Art. 27.

De Heer zegt: Zaliij zijn de barmhartiyen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. (Matth. V. 7 )

Zij, die, door God geroepen en versterkt, den stand van Liefdadigheid of Barmhartigheid gekozen hebben , moeien dezen stand zeer hoog achten , zonder echter andere standen of instellingen geringer te achten; noch om zich er iets op te laten voorstaan; noch tot voeding harer eigenliefde, maar om door meermaals rijpe overweging van datgene wat zij zijn , in vergelijking met dat, waarin zij te kort schieten, de plichten van haren roep stipter na te leven.

-ocr page 49-

30

Art. 28.

De Zusters moeten barrnhartifj zijn, zooals de Hemelsche Vader barmhartig is: (Luc VI. 36.) dus niet alleen jegens zulken barmhartig , door wie zij bemind worden , die haar aangenaam zijn , van wie zij dank bekomen of verwachten, maar jegens allen , die hare hulp of verzorging behoeven, en zulks zonder onderscheid van godsdienst of natie. Zij moeten zich diep inprenten , dat het kenmerk der goddelijke liefde juist het meest gelegen is, in wel te doen aan diegenen, welke ons het minst gunstig, ons afkeerig of vijandig zijn: Doet wel aan hen, die u haten , zegt Christus. (Matth. V. 44.)

Zij moeten niet slechts barmhartig zijn uit natuurlijk medelijden , of om zich het aangenaam gevoel te verschaffen, hetwelk het weldoen gewoonlijk vergezelt, noch om zich zeiven of anderen te behagen, maar om des Heeren wille; om aan God te behagen; opdat God , wien alle eer toekomt, opdat Christus , en niet opdat zij geëerd worden. Anders verrichten zij de werken van barmhartigheid zonder de deugd van barmhartigheid, hetwelk, daar zij den stand van barmhartigheid gekozen hebben, eene soort van huichelarij zoude wezen.

De door den H. Franciscus van Sales gestichte Orde van de Visitatie van Maria , waarvan de

-ocr page 50-

40

oppervoorsfandster was de H. Fiancisca van Chan-tal , geboren Fremiot, had , in het eerste , de bestemming van het oefenen der liefdewerken , en wel bijzonder van het verplegen der zieken ; en reeds had de genoemde Francisca eenen zieke verpleegd , die in zulk eenen walgelijken toestand was, dat men niet begrijpen kon , hoe zij dergelijken zieke had knnnen verplegen ; toen men haar deswege ondervraagde, was haar antwoord, dat zij, gedurende de verzorging, zich alleenlijk had bezig gehouden met de gedachte , dat zij den Heer Jesus Christus zeiven verpleegde. Daar komt het bij/onder op aan : wanneer de Zusters in de oefening der liefdewerken , hoedanig deze ook zijn , zich be/.ig houden met de levendige voorstelling, dat zij Jesus Christus, naar zijn woord, in zijne behoeftige ledematen zeiven bedienen en helpen, zullen zij eiken noodlijdenden of behoeftigen mensch , hij moge haar, volgens de natuur, nog zoo strijdig en onaangenaam zijn , hare eigenliefde krenken of vleien , met eene gelijkmatige liefde , nauwkeurigheid , toegenegenheid , achting en opgeruimdheid behandelen, en om des Heeren wille verzorgen : en wel zonder gevaar van door inblazingen van verkeerde en schadelijke gedachten , voorstellingen , enz. , gestoord te worden. Zij moeten zich daarom wel inprenten het woord des Heeren :

S

-ocr page 51-

41

(C Wat (jij eenen dezer mijner geringste broe-» ders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaanquot; (c Wat gij eenen dezer geringsten niet gedaan » hebt, dat hebt gij Mij niet gedaan quot; (Matth. XXV. 40. 45.)

De Zusters moeten zich zoeken te gewennen , zich daarmede bezifj te honden, vooral wanneer zij eenige traagheid , walging , droefgeestigheid of bekoring gewaar worden ; en dit moeten zij doen , niet slechts bij het verrichten van liefdewerken , maar bij elke andere bezigheid van het Huis De werken der wereldlingen geschieden gewoonlijk voor de wereld, om tijdelijke winsten, om zich eenen naam te maken , enz.; maar iedere bezigheid , ieder werk , door eene Zuster verricht, geschiedt tot hetzelfde einde, namelijk voor onzen Heer Jesns Christus ; b. v. de Ken-kenzusters koken voor de behoeftige ledematen van Jesus en zijne dienstmaagden ; de Portierster bewaakt de woning des Heeren; eene andere zorgt voor de reinheid van dezelfde woning, en zoo voorts, is het met alle andere bezigheden gelegen. Men verhaalt dat, toen de H. Aloisius bezig was met den vloer te vagen, hem gevraagd werd , waarom hij zoo nauwkeurig hierbij te werk ging : « Het is voor Jesus zeide hij , « dat ik dit doe , en daarom kan het »niet te schoon zijn.quot; Wanneer de Zusters, bij het verrichten van de bezigheden van het

-ocr page 52-

42

Huis , zoo denken , zullen zij alles nauwkeurig doen , en geheel onverschillig zijn omtrent de bezigheden, waartoe zij geroepen worden Daar de herinnering o(' het gedenken , waarvan hier gesproken wordt, eene zaak is van zeer veel belang, zoowel voor de Zusters als voor de hulpbehoevenden, die verpleegd worden, zullen de Zusters, eiken Zondag , tot punt van het bijzonder onderzoek nemen , of zij, in het beoefenen der liefdewerken of andere be/.igheden van het Huis, steeds die gedachte levendig hebben gehouden, of dat zij in dit opzicht nalatig zijn geweest; en vast voornemen zich dit gedurig te herinneren.

Art. 29.

De Zusters moeten wel indachtig zijn , dat zij , in de beoefening der liefdewerken , zich op zachtmoedigheid, (jeduld, vriendelijkheid eti gelijkmoedigheid , welke in al hare woorden en manieren behooren uit te schijnen , moeten toeleggen, en zich nimmer eenige driftige, schampere of beleedigende woorden, uitdrukkingen of handelingen mogen veroorloven. Zij moeten altijd indachtig zijn, dat zij voor God en de wereld betuigd hebben Liefdezusters te wezen, en als Liefdezusters steeds, op eene zachtaardige en liefderijke wijze, te zullen handelen ; en dat zij door elke daad , strijdig met

-ocr page 53-

43

die liefde, zich voor God plichtig maken en aan de wereld tot ergernis verstrekken. Wanneer zich omstandigheden opdoen, waarbij zij eene ernstige bonding moeten aannemen , gelijk bij de verzorging van vrouwelijke /.inneloozen, in bet vermanen, bestraffen, enz , kan plaats hebben, zal dit mogen geschieden , voor zooveel het noodig is, om het doel te bereiken; doch men zorge, dal de mensch, de eigenliefde, er zich niet in menge.

Art. 30.

De Zusters moeten, bij het beoefenen der liefdewerken , bijzonder in het oog houden, dat het heil der zielen de hoofdzaak harer bediening is; en daarom moeten zij zich vooral er op toeleggen , om den mensch in zijnen geestelijken nood (zonder nochtans den lichamelijken in het minste te verwaarloozen) te ondersteunen en te helpen, hem liefde voor godsdienst en deugd in te boezemen , en zijne zaligheid te bevorderen.

Art. 31.

Daar het doel der Congregatie is , bijstand te verleenen aan elk hulpbehoevend mensch, zullen de Zusters met een opgeruimd en vlijtig gemoed voor zooveel van haar afhangt, aan elk mensch die hulp verleenen , welke zijn toestand vordert, ook dan , wanneer men zijn eigen leven aan het grootste gevaar zag blootgesteld. De

-ocr page 54-

44

Zusfers, welke {jezonclen worden, om, met frevaar van haar leven, lietdewerken te verrichten, b v. het verplegen van eenen besmettelijken zieke, mogen zich gelukkig achten , tot zulke bediening geroepen te worden , daar zij in de gflequot; genheid worden gesteld , en het voorrecht genieten , om als Martelaressen van liefde haar leven te kunnen eindigen , en tot belooning eene onsterfelijke kroon in den Hemel te ontvangen. De H Aloisius verpleegde, uit eigen verkiezing, de besmettelijke zieken in het hospitaal te Rome , door de ziekte zelf aangetast , is hij als slachtoffer zijner liefde gestorven. Men verhaalt, dat de H Maria Magdalena van Pazzi hem in den Hemel in eene schier ongeloofelijke glorie, door eene goddelijke openbaring, heeft gezien ij zij noemt hem eenen uitmuntenden Heilige, en eenen onbekenden Martelaar. Paus Benedictus Xïll heeft hem onder het getal der Heiligen aangeschreven. Tn het verzorgen van zoodanige hulpbehoevenden zal men de legels van voorzichtigheid tegen het gevaar, waaraan men blootgesteld wordt, in acht nemen, en zich overigens, met een kalm betrouwen , aan de beschikking der Voorzienigheid overgeven

Art. 32.

De Zusters zullen de liefdewerken gratis verrichten, en voor dezelve geene vergelding mogen vragen. Het benoodigde tot haar ondeihoud zal

-ocr page 55-

45

gevonden worden uit de lieFtlegiften, de inkomsten der Huizen, en de kostgelden der noodlijdenden, die in de Huizen wonen De kostgelden der inwonende noodlijdenden zullen geregeld worden naar de middelen, die zij bezitten ; zij die niets kunnen betalen, zullen niet uitgesloten worden, wanneer de fondsen der Huizen dit toelaten.

Art. 83.

De Oversten zullen , voor zooveel van haar afhangt, zorg dragen , dat aan de hulpbehoevenden , die in de [luizen wonen, gelegenheid gegeven worde, om , van tijd tot tijd, eenen buitengewonen biechtvader te hebben.

Art. 34.

In het beoefenen van de liefdewerken in het algemeen, maar bijzonderlijk van die, welke hare tegenwoordigheid in de wereld vorderen, zal iedere Zuster op hare hoede wezen tegen de zielsgevaren , waaraan zij zou kunnen zijn blootgesteld ; te dien einde zal zij dikwijls, door schietgebeden , de genade en den bijstand van God afsmeeken , en steeds de regels van zedigheid onderhouden.

Art. 35.

Hoezeer alle soorten van liefdewerken, welke passen aan eene Congregatie van vrouwen, door

-ocr page 56-

46

de Zusters {jeoefend kunnen worden, zijn echter de opvoeding der jeugd en het verplegen van noodlijdende menschen , het voornaamste voorwerp harer zorgen.

De opvoeding, bestemd om het kinderlijk hart te vormen, en het zaad der deugd, daarin besloten, te doen uitschieten, en dat zelfde hart tegen de droevige verleiding der ondeugd te behoeden , is , zonder tegenspraak , het edelste en gewichtigste gedeelte der opvoeding en de voornaamste plicht der Zusters.

De teekenen van eene goede, zedelijke en godsdienstige opvoeding zijn : eene oprechte godsvrucht , eene eerbiedige onderdanigheid aan ouders en oversten , eene zekere vriendelijkheid en beleefdheid ten opzichte van de gezellen , met wie de kinderen verkeeren, en een bijzonder ontzag voor bejaarde personen. De Zusters, die met de opvoeding van kinderen in hare Huizen of in scholen belast zijn , moeten dikwijls de gelegenheid waarnemen, om hun liefde voor deze deugden in te boezemen , en ten zelfden tijde zorgen , om te verwijderen al wat hunne onnoozelheid zoude kunnen schaden; zoomede om hen te onderwijzen in den godsdienst en de zedeleer.

Het onderwijs in den godsdienst en de zede-leer zal drie deelen bevatten , als : de gewone gebeden van een' Christen mensch — het kort

-ocr page 57-

47

begrip der Christelijke Leering in het Catechis-mus-boek van het Diocees, waar men zich bevindt — en de gewijde geschiedenis zoo van het Oude als Nieuwe Testament.

De Zusters moeten vooral bezorgd zijn :

Dat de kinderen den tekst der gebeden en der Christelijke Leering van buiten weten en bondig verstaan, en dat zij doordrongen worden van eenen oprechten eerbied voor die gebeden en voor de groote waarheden van den II. (iodsdienst.

Wanneer de Zusters het godsdienstig onderwijs zei ven wel begrijpen, vereischt hetzelve geene groote inspanning van geest ; het is een werk van geduld , dat gedurige vlijt en zelfopoffering vereischt; men moet de vragen en antwoorden op alle manieren draaien; met de kinderen handelen op eenen kinderlijken spreektrant, en hun aldus de verhevene kennissen van den godsdienst aan het verstand brengen

Wat aangaat de gewijde geschiedenis, zullen de Zusters het te verhandelen hoofdstuk den kinderen niet van buiten laten leeren , maar eischen , dat zij er reden van weten te geven ; te dien einde ondervragen zij hen, van punt tot punt, over de zaken en de bijzonderste omstandigheden , die in dat hoofdstuk voorkomen ; dan oefenen zij hen, om daarvan, ofschoon met andere woorden , een nauwkeurig verhaal te doen , en eindelijk laten zij er de zedelijke bemerking op volgen.

-ocr page 58-

48

Bij het naderen van feestdagen zullen zij de geschiedenis van het feest uit het Nieuwe Testament doen voorlezen , en dezelve uitleggen

Wanneer het getal kinderen , hetwelk eene Zuster moet onderwijzen , groot is , zal /ij met vrucht de volgende leerwijze kunnen in acht nemen :

1. Aan de kinderen eenige lessen gelijktijdig te doen opzeggen, met gemetene tusschenpoo-zing. De Zuster, of een der kinderen, zegt de vraag en bet antwoord duidelijk voor, en dan herhalen de kinderen dezelve

2. Sommige leerlingen, één voor één, dezelfde les te doen opzeggen, bij voorkeur die oproepende , over wie men twijfelt, of zij noodig hebben aangespoord te worden.

3. Op eene eenvoudige wijze uit te leggen den zin der woorden, die de kinderen niet goed verstaan, en

4. Te eindigen met eenige zedelijke aanmerkingen, die betrekking hebben op de uitgelegde lessen.

De Zusters zullen trachten , door alle mogelijke middelen , hare leerlingen tot ijverzucht aan te zetten, om de lessen met de meeste nauwkeurigheid en met behoorlijke tusschen-poozing op te zeggen.

Bij kinderen van meer gevorderden leeftijd moeten de Zusters bijzonderlijk aandringen op de gewone oefeningen van het christelijk leven,

-ocr page 59-

49

als: op hef bijwonen van de kerkelijke diensten, voornamelijk van het H. Sacrificie der Mis ; — op het ontvangen van de H Sacramenten ; — op de morgen- en avondgebeden ; — op de gebeden vóór en na het eten ; — op de godsvrucht tot de H. Moeder Gods ; — op het heiligen van den dag en van de werkzaamheden, die zij verrichten ; — op de plichten der kinderen ten opzichte van hunne ouders , broeders , zusters , kerkelijke of burgerlijke overheden , en andere menschen ; — in één woord, zij zullen haar best doen , om hen krachtdadig op te wekken tot liefde voor de plichten, tot ijver voor het gehed en de godsdienstige oefeningen , en tot onderhouding van de regelen der zedigheid en christelijke welgemanierdheid.

Daar de ondervinding leert, dat het kind zich schikt naar zijne onderwijzeressen, en hare manieren , goede hoedanigheden of fouten aanneemt, moeten de Zusters de grootste zorg dragen, om voor hare leerlingen een voorbeeld van alle deugden te wezen ; zij moeten de deugd trachten beminnelijk te maken, zich gelukkig achten in het midden harer leerlingen, dezen oprecht beminnen, en hun de achting eener moeder toedragen.

Om de Zusters de hooge waarde der opvoeding te leeren schatten, zullen zij dikwijls overwegen de bemerking, welke de H. Joannes Chrysos-tomus, sprekende tot de christen ouders en

4

-ocr page 60-

50

meesters, daarover maakt: «Wat vertoont ons »het geloof in dit kind, aan uwe zorg toever-:» trouwd ? Op zijn voorhoofd leest gij den stem-»pel der genade, waardoor God het tot zijn »kind heeft aangenomen; het is uw plicht te » waken, dat de zonde denzelven niet verbreke; » zijne tong is nog besproeid met het zout der )) wijsheid, hetwelk gij er op moet bewaien; zijn » hoofd en zijne borst dragen nog het merkteeken » van kind Gods; gij zult er rekenschap over » afleggen , als dit vervalscht worde; zijn hart »is de waarachtige tempel des II. (ieestes, en » gij zijt er , om zoo te spreken , de bewakers » van ; in zijne ziel bespeurt gij het zaad en den » oorsprong van alle deugden ; gij moet het » vruchten doen voortbrengen. Jesus Christus ygt; vertoont n de Engelen Gods, die nacht en dag » rondom het kind gelegerd zijn, om het te » beschermen; gij deelt met hen die edele be-» diening.quot;

Overwegen zij nog, bij dit hartroerend tafereel, datgene, hetwelk een kundig schrijver, die geheel zijn leven aan de opvoeding der jeugd toegewijd heeft, van den voornaamsten plicht des onderwijzers zegt: «Wat is een christen »onderwijzer, die belast is met de opvoeding y) der jeugd ? Het is een mensch, in welks han-» den Jesus Christus een zeker getal kinderen » heeft gesteld, die Hij door zijn Bloed vrijge-

-ocr page 61-

51

»kocht en voor welke Hij zijn leven ten beste »gegeven heeft, in wie Hij, als in zijn Huis »en zijnen Tempel , woont, die Hij als zijne » ledematen , broeders en medeërfgenamen aan-»ziet. ... En tot welk einde heeft Hij ze hem » toevertrouwd ? Is het alleen geweest, om hun » eenige kennis van menschelijke wetenschap te » geven? Wie zou zulks durven zeggen, of zelfs » denken ? Hij heeft ze hem toevertrouwd, om » in hen het dierbare pand der onschuld , het-» welk Hij in hunne ziel, door het Doopsel, » heeft ingeprent, te bewaren; om ware christe-»nen van hen te maken. Nu dan, welke groot-» heid , welken adel zet zulk eene eervolle zen-» ding aan al de plichten eens meesters niet bij !quot;

Hoezeer de godsdienstige en zedelijke opvoeding der jeugd het voornaamste deel der opvoeding uitmaakt , zullen de Zusters echter niet verwaarloozen aan de kinderen die menschelijke wetenschappen en vrouwelijke kundigheden te leeren, waardoor zij later, elk volgens zijnen stand , in de gelegenheid gesteld worden, om op eene fatsoenlijke wijze in de maatschappij hun bestaan te vinden; te dien einde zullen zij, ten aanzien van het onderwijs en de opvoeding in het algemeen, zich stipt gedragen naar de Handleidingen , de Voorschriften en Gebruiken, die in de Congregatie door het wettig Gezag zijn ingevoerd of later ingevoerd zullen worden.

-ocr page 62-

52

Men zal zorgen , dat in de scholen , bestemd tot het aanleeren van {renoemde wetenschappen en kimdijrheden, de godsdienst zijnen gedurigen invloed nitoefene , en boeken gebruikt, worden , waarin de beginselen van den godsdienst, doorstralen, opdat de kinderen in de scholen steeds eene godsdienstige lucht inademen.

In de verschillende scholen der Congregatie zullen , zooveel mogelijk , dezelfde leerboeken

gebruikt worden.

Behalve in de bewaarscholen , zullen de Zusters zich met de opvoeding van jongelingen niet

mogen belasten.

De Algemeene en ondergeschikte Oversten der Congregatie worden opmerkzaam gemaakt, dat, hoezeer kinderen van vermogende ouders van hare zorgen niet geheel worden uitgesloten , echter het voorname doel der opvoeding in de Congregatie is: eene opvoeding te bezorgen aan verlatene, arme en minvermogende kinderen, aan welke de Zusters dus ook, bij voorkeur, hare diensten moeten wijden.

Art. 36

Bij de verpleging der noodlijdende menschen, als : zieken , ongeneeslijken , zinneloozen , en oude mannen en vrouwen, moeten de Zusters in het oog houden, dat de verzorging van arme noodlijdenden bij/.onder op haar rust, en dat het

-ocr page 63-

1vn

53 'Hjtl

V-'l

■V I

' i', Ml IJl

1,

heil der zielen de hootcliaak harer bedieninjj is.

Ofschoon , hij het verplegen van noodlijdenden, het opbeuren, troosten en vermanen, door spreken, in het {jeheel niet vreemd moet zijn aan de Zusters , maar zij daarin eene groote gewoonte moeten trachten te verkrijgen, zullen zij echter, om dat zieleheil te bevorderen, op de noodlijdenden werken door uit liefde liefderijk verrichte liefdewerken en door gebed; door bid- '1

dend verrichte liefdewerken, dat is: zich met M

^(|

de rechterhand aan God houden , en met de li

linkerhand de bezigheden verrichten. '|j|

De Zusters zullen , bij de behandeling der noodlijdenden, steeds een vriendelijk en opgeruimd voorkomen toonen, en gereed zijn, om hen met geduld en zachtmoedigheid bij Ie staan en te dienen. Zij zullen, om zoo te spreken, zich bekleeden met hunne ellenden en er medelijden ,)i

mede hebben, trachtende , zooveel mogelijk , in alles hunne verlangens Ie voldoen, zonder echter in het minste af Ie wijken van het voorschrift quot;j,

van den geneesheer of den heelmeester , zoowel met betrekking tot de artsenij , als tot de diëet,

en in alles, wat de behandeling van de lijdenden betreft, zonder het minste er bij of af te doen.

Hetgeen aan de noodlijdenden schadelijk of lastig is. zullen zij zorgvuldig verhoeden en afwijzen,

en in alles de zindelijkheid betrachten

De Zusters zullen , doch met bescheidenheid ,

M

-ocr page 64-

54

de noodlijdenden trachten op te wekken tot het geduldig dragen van hnn lijden ; — tot overgeving in den wille Gods voor de toekomst, bijzonderlijk met betrekking tot de genezing, het leven en sterven; — tot betrouwen op (iod , bijzonder wanneer zij bekommerd zijn over bloedverwanten , met betrekking tot dezelve : — tot het bidden en het tijdig en behoorlijk ontvangen van de HM. Sacramenten der stervenden; — tot verzoening, wanneer zij vijandschap bemerken; tot een stichtend leven ingeval van genezing; — en, in het tegenovergesteld geval, tot een christelijk afsterven. Is het een onkatholiek, die verpleegd wordt, en wil deze met de Zusters over godsdienstzaken redetwisten , zullen zij zich daarmede niet inlaten en beleefdelijk antwoorden , dat zij bij hem niet gekomen zijn om over godsdienstzaken te twisten , maar om hem te verplegen en voor hem te bidden.

In de gasthuizen , in dewelke zieken van beider geslacht worden opgenomen, zullen de Oversten de Zusters, zoo dikwijls zulks gevoeglijk kan geschieden, van de eene ziekenzaal naar de andere verplaatsen.

Om al te zware inspanning, waardoor de gezondheid zoude kunnen worden benadeeld, te vermijden, zullen de Zusters nimmer twee nachten achter elkander mogen waken, ook niet den haiven nacht, of een deel van denzei-

-ocr page 65-

55

ven ; wanneer de nood zulks dringend vordert, mag zulks om den derden nacht geschieden. A.ls zij 's nachts gewaakt hebben, leggen zij zich, in den vroegen morgenstond, na ontbeten te hebben , tot den middag toe , te bed

Bij het verplegen van noodlijdenden, zal men zorgvuldig in acht nemen de regelen van zedigheid en de bepalingen in den omgang met vreemdelingen voorgeschreven ; zoomede nauwkeurig naleven de bestaande orde en de raadgevingen der Overste, aan wie men zijn hart en zijne handelwijze geheel zal blootleggen.

Met het verplegen van mannelijke zinneloozen mogen de Zusters zich nimmer belasten

Art. 37.

Het verplegen van zieken , aan de woningen der ingezetenen , zal niet mogen geschieden, dan nadat door de Algemeene Overste der Congregatie het noodige verlof daartoe aan de Overste van een Huis verleend is.

Wanneer dit verlof gegeven is, en eene Zuster gevraagd wordt, om eenen zieke buiten het Huis te verplegen, zal de Overste van hetzelve het volgende onderhouden :

1. Zij zal, alvorens dit in te willigen, zich verzekeren , dat de Eerwaarde heer Pastoor der Parochie , of de Geestelijke , die met het geestelijk bestuur van haar Huis belast is, goedkeurt,

-ocr page 66-

56

dat, tot verpleging van dien zieke, eene Zuster worde gezonden.

2 De Zuster , die zij tot dat einde geschikt oordeelt en zendt, zal niet langer dan eene maand bij dien zieke mogen verblijven ; en de Overste zal, bij het afzenden der Zuster, aan de belanghebbenden te kennen geven , dat, wanneer de verpleging langer dan ééne maand noodzakelijk mocht wezen , die Zuster door eene andere vervangen zal worden.

3. De Zuster, na verloop van ééne maand, in het Gesticht teruggekeerd zijnde, zal eene geheele maand in het (icsticht verblijven, alvorens zij wederom tot verpleging van zieken uitgezonden zal worden.

4 De zieke moet zijne verblijfplaats hebben in de stad of plaats, waar het Gesticht gevestigd is, zoodat de Zusters, buiten de plaats van haar verblijf, niet tot de verpleging van zieken, zelfs niet van bloedverwanten, kunnen gezonden worden.

De verpleging van zieken aan de woningen van ingezetenen is een liefdewerk, hetwelk de bijzondere oplettendheid en zorg van de Oversten der Congregatie vereischt. Zij zullen dan ten dezen met de meeste omzichtigheid te werk gaan, en nimmer van de bovengenoemde bepalingen afwijken, dan met uitdrukkelijke vergunning der Algemeene Overste, die, om wettige redenen,

-ocr page 67-

57

in bijzondere gevallen , deswege uitzonderingen kan toestaan.

Wanneer, bij het aanvragen van eene Zuster, soms de wensch geuit worde, om deze of gene Zuster te mogen hebben, wordt het aan het oordeel der Overste overgelaten , om , met inachtneming der bovenstaande bepalingen , aan dien wensch al ol' niet te voldoen.

Wanneer de stem der gehoorzaamheid eene Zuster roept, om buiten hare afzondering eenen noodlijdende te helpen, zal zij die taak blijmoedig op zich nemen, in het vaste vertrouwen, dat haar Goddelijke Bruidegom , die gezegd heeft: cc Ik was ziek, en (jij hehf Mij bezocht quot; haar ongehinderd in het midden van het gevaar, gelijk de kinderen van Babylonie, zal weten te bewaren.

Voor en aleer zij uitgaat, zal zij zich voor Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament nederwerpen, en Hem sterkte en genade vragen, om zich van haren plicht wel te kwijten, en overeenkomstig zijnen H. Wil te gedragen. Hierna zal zij zich bij hare Overste begeven , die haar zoodanige inlichtingen zal geven, als zij noodig zal oordeelen.

Bij den zieke gekomen zijnde, zal zij zich stip-telijk gedragen naar datgene , wat, omtrent de verpleging van noodlijdenden , in het vorige Artikel is voorgeschreven.

-ocr page 68-

58

Tijdens haar verblijf in het huis van den zieke, zal zij zich met niets inlaten , dan met de ver-ple^inj* van haren zieke en wat daarop betiekking heeft; zij zal volstrekt, nergens mogen heengaan, dan waar zij door de Overste gezonden wordt ; één enkel geval is hiervan slechts uitgezonderd, namelijk , wanneer spoedig de biechtvader of de geneesheer moest geroepen worden, en er buiten haar niemand was, die deze boodschap konde doen. Wenschelijk ware het, dat de Znstei , afgescheiden van de huisgenooten, afzonderlijk

kon eten en drinken.

Als de zieke, die verpleegd wordt, komt te overlijden , zal zij niet langer dan den dag der begrafenis in het sterfhuis mogen vertoeven; en wanneer de zieke de hulp der Zuster niet meer benoodigt, zal zij onverwijld naar het Gesticht wederkeeren ; daar zij niet gezonden is tot tijdverdrijf of om gezelschap te houden, maar alleenlijk om bijstand aan den zieke te verleenen

Wanneer men aan de Zuster, bij haar vertrek, eene belooning aanbiedt, zal zij deze beleefdelijk weigeren, zeggende, dat de liefdewerken gratis verricht worden, doch dat het viijstaat eene aalmoes aan het Gesticht zelf te geven.

De Zuster, in het Gesticht teruggekomen zijnde, zal zich wederom nederwerpen voor haren Goddelijken Bruidegom in het allerheiligste Sacrament, Hem bedanken voor de genademiddelen,

-ocr page 69-

59

welke zij heeft ontvangen , en bidden voor het heil van den zieke, dien zij verpleegd heeft

De Zusters , die buiten hare afzondering zieken verpleegd hebben, worden herinnerd aan het in het vijfde Hoofddeel vastgestelde omtrent het mededeelen aan de Zusters van nieuwstijdingen , die men vernomen heeft.

Zevende Hoofddeel.

Over de Liefde tot de Medezusters.

Art. 38.

De Heer spreekt :

« Dit is mijn gebod, dat gij elkander beminnet , zooals Ik u bemind heb'1'1 (Joan. XV. 12.)

« Dit gebied Ik u, dat gij elkander beminnet.quot; (Joan. XV. 17.)

Toen de H. Apostel Joannes , wiens feestdag de Congregatie den 27 December viert, door ouderdom zoo gebrekkig was, dat hij niet langer zonder hulp naar de godsdienstoefening kon gaan, en daar slechts weinig vermocht te spreken, zeide hij tot de vergaderde geloovigen alleenlijk deze woorden :

« Mijne lieve kinderen , bemint elkander.quot;

-ocr page 70-

60

En toen men hem vraagde, waarom hij steeds slechts dit zeide , antwoordde hij :

« Het is het jrebod des Heeren , en wanneer » fjij dit vervult, dan is het fjenoeff.quot;

In de Handelingen der Apostelen staat geschreven, dat de christenen (eenige duizenden) slechts één hart en ééne ziel hadden : zoo ook moeten de Zusters slechts één hart en ee«e ziel hebben; wat de liefde ouder eenige dui/.enden vermocht, dat toch zal zij onder eenige weinige Zusters wel vermogen.

Zij moeten slechts het ééne zoeken : — dat zij Gods wil doen; — dat zij Gode welgevallig 7ijn • — dat zij om Gods wil de plichten van haren staat vervullen ; — dat /ij in het voor-uitstreven nooit nalatig zijn.

Zij moeten slechts het ééne vreezen : Gode te mishagen ; en dan zullen zij één hart en eéne ziel zijn Het zal dus daarop aankomen , dat zij de heilige eenvoudigheid bereiken.

Art. 39.

De Zusters zullen zich beijveren, om elkander oprecht te beminnen, en alle mogelijke liefde op de liefderijkste wijze te betoonen.

Zij moeten in het algemeen de gelegenheid zoeken, en zich deze ten nutte maken, om elkander liefde te bewijzen ; en zorgvuldig alles vermijden , wat de liefde en volmaaktste eendracht

-ocr page 71-

T

6i li

zou kunnen storen Daarom moeten /ij elke V

afgekeerdheid , elk liefdeloos oordeel, enz. , zoo spoedig als het mogelijk is, verwerpen of afwijzen ;

en indien eene Zuster, uit menschelijke zwakheid , eene andere beleedigd hadde, moet zij dadelijk , of zoo spoedig mogelijk , en bij elk geval vóór het slapen gaan , haar oprecht om vergiffenis vragen ; en deze moet zulks in ootmoed en met de grootste vriendelijkheid aannemen , zonder over het gebeurde te spreken,

of eenige vermaning of berisping te geven. Is het de Overste, die beleedigd is, dan komt het op de omstandigheden aan, of eene vriendelijke vermaning in dat oogenblik past of niet; maar zij moet haar oogmerk wel bewaken, en inner lijk biddende de vermaning geven.

i

' i-l',

Art. 40.

Zoozeer als de Zusters zich moeten toeleggen op wederzijdsche liefde, even zoo/eer moeten zij i

zich wachten voor bijzondere toegenegenheid , m

bijzondere vertrouwelijkheid , bijzondere vriendschap met deze of gene Zuster. Zulke bijzondere vriendschappen zijn, voor zooverre zij op het ware gegrond zijn, goed in de wereld; in Congregatiën zijn zij verderfelijk. Hier moet de innigste vriendschap allen verbinden, hetgeen dadelijk ophoudt, wanneer genoemde bijzondere vriendschappen ingang vinden. Elke Overste moei

ü-i

I -

-ocr page 72-

62

op dit punt een waakzaam oog houden, en die bijzondere vriendschappen door gepaste middelen tegengaan en vernietigen.

De Zusters mogen elkander geene geheimen toevertrouwen, en mogen van elkander geene geheimen aannemen ; geheimen , welke deze of gene Zuster of alle Zusters mogen weten, doch welke aan de Overste niet mogen bekend zijn , zijn van eenen kwaden aard.

Aan wereldlijken, met wie zij moeten omgaan, mogen zij geene geheimen toevertrouwen ; noch van hen geheimen , die niet in hare betrekking te pas komen, aannemen. Wanneer men haar zulke geheimen zou willen toevertrouwen, moeten zij dadelijk ronduit verklaren., dat zij die niet mogen aannemen.

Art. 41.

De Zusters moeten zich steeds jegens elkander overal met eene christelijke vriendelijkheid, hoogachting en hartelijkheid gedragen ; deze gezindheid moet zich in alles: in het gezicht, in woorden en in gebaren toonen; nooit mogen zij hardheid, hevigheid, of koudheid aan den dag leggen. Iets , wat eene Zuster verlangt, te moeten weigeren , moet ieder steeds moeilijk vallen, en men zal het op zoodanige wijze weigeren , dat de andere duidelijk merke, dat het uit plicht geschiedt.

-ocr page 73-

(i3

Zij moeten elkander met de grootste toegevendheid, geduld en liefde verdragen, en voor zooveel zij, zonder tegen de gehoorzaamheid of hoogeren plicht te zondigen, kunnen, zich naar de luimen, onvolmaaktheden, zwakheden, enz., harer Medezusters schikken; en dit moet haar zoo natuurlijk van de hand gaan , alsof dit juist hare eigene meening ware; dit is een hoofdmiddel, om eendracht en vrede in de Congregatie te houden.

Art. 42.

Een ieder moet zich wel wachten, om datgene wat in de Congregatie behoorlijk ingevoerd is of zal worden , of, in het algemeen, het gedrag en de handelingen harer Overste, en van degenen, die hare plaats hekleeden of ondergeschikte bedie-ningpn waarnemen , te beoordeelen , daarover te morren , en ooit iets dergelijks aan te hooren ; want dit zou de zekerste weg zijn, om ongehoorzaamheid te verwekken, oneenigheid te strooien, en groote ergernis te geven. De Zusters moeten nooit vergeten , dat zij niet in de Congregatie zijn , om de voorschriften te beoordeelen en te verbeteren . maar om die op te volgen. Alles beter willen weten; zich om dingen bekommeren, die niet tot hare betrekking behooren ; nieuwsgierigheid toonen ; raden of vragen, waarom dit of dat is voorgeschreven of veranderd , waarom aan deze of gene Zuster deze of die bediening

-ocr page 74-

64

wordt toevertrouwd , waarom zij niet aan eene andere Zuster gegeven is, of aan welke deze of gene bediening gegeven zal worden, enz., dit alles moeten zij zorgvuldig vermijden ; ook niet uit scherts moet zulks plaats hebben, noch onder het dekmauteltje van daardoor het algemeen wel-zijn te bevorderen. Wanneer echter eene Zuster vermeenen zou, in eene zaak van gewicht, eenige inlichting te kunnen geven, welke het algemeen welzijn zoude bevorderen, dan mag zij die in ootmoed en eenvoudigheid aan hare Overste, doch aan niemand anders, bekendmaken , aan deze overlatende wat geschieden moet, zonder daaraan verder te denken.

Art. 43.

De Zusters zijn verplicht elkander zusterlijk te beminnen, zooals Christus ons bemind heeft; alzoo zijn zij zeker verplicht, elkander door een goed voorbeeld te stichten, en altijd zorgvuldig te vermijden aan anderen ergernis te geven; dit zijn zij nog meer verplicht dan die in de wereld leven, daar het doen en laten der wereldsche menschen dikwijls in het geheel niet gemerkt wordt, hetgeen in de Huizen der Congregatie het geval niet is ; en indien ergernis in het algemeen, naar het woord des Heeren , een zoo schrikkelijk kwaad is, hoeveel te meer is deze zulks dan niet in de Congregatie, waar zij aan

-ocr page 75-

65

diegenen gegeven wordt, die men zoozeer verplicht is te beminnen. Hierbij komt nog, dat dergelijke ergernissen ook de geheele Congregatie met eeuen volkomen ondergang zouden kunnen bedreigen, en de oorzaak zouden kunnen zijn, dat de liefdadige werking van dezelve zoude ophouden.

Diegenen, welke, in het bijzijn van alle of vele Zusters, zich schuldig gemaakt hebben aan eene openlijke fout tegen de liefde, gehoorzaamheid , en, in het algemeen, tegen den Regel of de Voorschriften der Congregatie, zullen, in de gewone schuldbelijdenis , in allen ootmoed en eenvoudigheid hare schuld belijdende, de Zusters verzoeken , haar daarin niet na te volgen, en in ootmoed aannemen de vermaning of berisping, die haar door de Overste gegeven wordt. Is het echter eene openlijke fout tegen de Overste zelve begaan, b v. tegen den aan haar verschuldigden eerbied of achting , dan zal de Overste, in de tegenwoordigheid der andere Zusters , degene , die misdaan heelt, in het geheel geene berisping doen, maar eene vermaning geven, die tot alle Zusters gericht wordt.

De Oversten zullen in de vermaningen, de berispingen en het straffen met volle gelatenheid, uit liefde en op de meest liefderijke wijze te werk gaan.

5

-ocr page 76-

66

Art. 44.

Daar de Overste niet overal kan zijn en niet alles kan zien en weten, (waarvan zij toch haar bijzonder werk moet maken ,) moet elke Zuster, wanneer zij in eene andere eene gewichtige fout gewaar wordt, of bemerkt, dat eene Zuster door eene aanmerkelijke bekoring geplaagd ot bevochten wordt, zonder het gevaar behoorlijk in te zien en te kennen, dit in het geheim aan de Overste, uit liefde en met liefde, bekendmaken , en aan deze de verbetering overlaten. Alvorens hiertoe over te gaan , zal zij haar hart door het gebed bereiden , om er de nadeelige gevolgen van te vermijden, en het ware oogmerk, elkanders verbetering, te bereiken. De Zuster, die het betreft, moet in eenvoudigheid , ootmoed en bereidvaardigheid aannemen , wat haar daarover door de Overste gezegd wordt, en zich verheugen , dat hare fout en de haar dreigende gevaren bekend zijn geworden aan haar, die haar kan helpen, en daarvan bevrijden ; zij zal de Zuster, die het aangebracht heeft, wanneer zij deze kent, hartelijk dankbaar zijn.

Art. 45.

Nimmer zal men met Medezusters of vreemdelingen over bekoringen, die men gehad heeft, mogen spreken , tenzij met verlof der Overste.

-ocr page 77-

67

Geen gesprek over de gebreken der Medezusters , of strijdig tegen de liefde , mag onder de Zusters plaats hebben ; zoo ook mag men niet iets dergelijks aanhooren. Wanneer eene der Zusters in die fout vervalt, moeten de anderen haar dadelijk herinneren, dat zij hiermede moet ophouden. Gaat zij nochtans voort, dan moeten de anderen haar verlaten, en het aan de Overste uit liefde bekend maken; is de Overste bij zulk geval tegenwoordig, dan moet zij aan de Zuster dadelijk gebieden daarvan te zwijgen.

Art. 46.

Wanneer eene Zuster ziek of ongesteld is, zal zij hare kamer houden, zoolang de Overste dit goedvindt. Indien de ziekte van eenen ernstigen aard mocht wezen , zal men haar den geneesheer van dit Huis toevoegen , en haar in de ziekenkamer brengen, alwaar zij verpleegd zal worden met al die oplettendheid, zorg en liefde, welke haar toestand vordert, vooral in datgene, wat het heil harer ziel betreft. zooals het tijdig ontvangen der HH. Sacramenten, enz.

Wanneer er gevaar is, dat de Zuster in die ziekte zal sterven, zal men aan de naaste bloedverwanten van haren toestand kennis geven , en bezoeken van dezen toelaten. De zieke zal aan de Zusters, die met hare verpleging belast zijn, in alles wat de verpleging betreft, gehoorzamen.

-ocr page 78-

(58

Het geduld in het lijden, en de volmaakte overgeving aan den (loddelijken Wil, woiden aan de Zusters in de ziekte bijzonder aanbevolen. Zij moeten de ziekte en derzelver gevolgen gelaten en blijmoedig van C.od aannemen, en dezelve aanzien als een kruisje, dat God in zijne Goedheid op hare schouderen legt, om haar gelijkvormig te maken aan Jesus , dien zij als Bruidegom verkozen hebben; en zooveel mogelijk onverschillig zijn omtrent leven ol sterven.

De gelukzalige Humiliana hield in de schrik-kelijkste pijnen, die zij moest verduren , hare handen hemelwaarts opgeheven , en nep onophoudelijk tot God: «Wees gezegend, o mijn »God ! wees gezegend !quot; De 11 Clara liet gedurende hare achtentwintigjarige ziekte geene enkele klacht uit haren mond hooien. Menigvuldige HH. Martelaressen, wier vleesch met ijzeren haken verscheurd of met gloeiende ijzers gepijnigd werd , waren in de hevigste pijnen blijmoedig , en droegen dezelve aan God op, zich gelukkig achtende voor Jesus die te mogen lijden. Dat de Zusters in hare ziekten en pijnen zich aan deze voorbeelden spiegelen, en dezelve, met Gods genade , trachten na te volgen !

Art. 47.

Wanneer eene Zuster overleden is , zal haar lichaam behoorlijk gelegd worden in eene platte doodkist van gewoon hout, welke men in de

-ocr page 79-

69

bidplaats of kapel zal plaatsen , tenzij men om bijzondere redenen dit niet raad/aam oordeelde; en er zal slechts ééne gewijde kaars voor dezelve branden.

In het Moederhuis zal, op den dag van het overlijden , of' wel op den dag daaraanvolgende, en op den dag der teraardebestelling van het lichaam , eene lezende of stille Mis geschieden. Het lichaam zal na den middag , tnsschen drie en vier uren. door de Zusters begraven worden. Bloedverwanten, vrienden of geburen zullen niet genoodigd worden , al ware het ook , dat de bloedverwanten eenige onderscheiding verlangden en dezelve wilden bekostigen ; want ook hierin moet de door den Heer zoo hoog geprezen stand van armoede in acht genomen worden.

Wanneer eene Zuster in een Succiirsaalhuis, of elders, kome te overlijden , zal men omtrent de Zielmissen , de doodkist en het uur der begrafenis , zooveel mogelijk, de Gebruiken van het Moederhuis onderhouden. Daar echter deze gelijkvormigheid met het Moederhuis niet altijd kan plaats hebben, zoo wordt voor de buiten het Moederhuis afgestorven Zusters bepaald, dat hare begrafenis eene gewone burgerlijke begrafenis zal zijn; dat daarbij echter alle overvloedige uitgaven zullen worden vermeden; immers dergelijke uitgaven zouden niet passen aan haar, wier roep het is de arme ledematen van Jesus Christus te

-ocr page 80-

70

bedienen en te helpen, en zeiven de werkelijke armoede te beleven; te meer dewijl ook de kosten harer begrafenis uit de gelden , welke tot een liefdadig doel bestemd zijn , moeten bestreden worden.

Omtrent het in dit Art. voorgeschrevene wordt tusschen de Oversten en de andere Zusters geen onderscheid gemaakt, en het is ook van toepassing op de Aspiranten, welke in de Congregatie komen te overlijden.

Art. 48.

Eindelijk moeten de Zusters alles in den geest der liefde doen , dat is : zij moeten alles, om des Heeren wille , uit liefde tot God doen , en in den mensch, dien zij liefde bewijzen , Jesus Christus zeiven beschouwen.

Art. 49.

Indien het immer mocht gebeuren , dat eene Zuster zich schuldig zoude maken aan een ergerlijk gedrag, of de eendracht of eensgezindheid , op welke wijze ook , zoude storen , zal zij uit de Congregatie voor altijd weggezonden worden.

-ocr page 81-

71

Achtste Hoofddeel.

Over de Ootmoedigheid.

Art. 50.

De ootmoedigheid bestaat in de erkenning van en liefde tot onze armoede, nietigheid en ellende, in de erkenning van en liefde tot onze afhankelijkheid van God en in de blijmoedige overtuiging , dat al on«e hoop alleen berust op Gods barmhartigheid door Jesus Christus.

Men zou denken , dat de deugd van ootmoedigheid den mensch natuurlijk moest zijn; maar het voorbeeld en de lessen van den nederigen Jesus zijn noodig geweest, om deze minnelijke deugd , die echter nog van velen en zelfs van Christenen miskend wordt, onder de menschen algemeen bekend te maken.

De eerste en laatste handelingen van het openbaar leven van Jesus waren voorbeelden van ootmoedigheid. Hij begon zijne predikatiën met zich, in navolging der zondaren, te laten doopen door den H Joannes Baptista ; en Hij eindigde zijn leven met zich , in het laatste Avondmaal, voor de voeten zijner Apostelen neder te werpen en dezelve te wasschen.

-ocr page 82-

72

Art. 51.

De Zusters moeten er zich veel aan gelegen laten liggen, om de H. ootmoedigheid te verkrijgen , en niet vergeten, dat ootmoedigheid den grond legt tot. elke andere deugd , even gelijk een huis een fondament moet hebben, en dat zij vruchteloos aan hare volmaking zullen arbeiden, indien deze den waren ootmoed niet tot grondslag heeft; het is daarom dat de H. Augustinus zegt, dat de ootmoedigheid de wezenlijke deugd is, en dat zonder deze geene ware en echte deugd kan bestaan.

De Zusters zullen zich daarom goed trachten eigen te maken , hetgeen de H. Franciscus van Sales beveelt:

Zij moeten erkennen, dat zij een arm en klein schepsel zijn; zich verheugen het te zijn , en zich wel wachten, te beklagen , dat zij niets zijn ; zij moeten zich veeleer daarover verheugen , daar hare ellende aan Gods Goedheid tot een voorwerp dient, om zijne Barmhartigheid te openbaren.

Zij moeten erkennen, dat de ellendigsten, die tevens hare ellende het meest erkennen, de besten zijn, en door Gods Barmhartigheid liever aangezien worden.

Zij moeten zich steeds verootmoedigen en aan de deur van den tempel der Goddelijke Goedheid

-ocr page 83-

73

niets aanbieden dan hare wonden ; maar zij moeten het doen met vreugde, wel tevreden, dat zij geheel ledig zijn , opdat God haar met zijnen rijkdom vervulle.

Art. 52.

Indien de Zusters de ootmoedigheid willen verkrijgen, moet elke vernedering haar verheugen ; de ootmoedigheid is eene deugd, en geene deugd wordt, buiten instorting, zonder dikwijls herhaalde oefeningen verkregen.

Wat de uiterlijke vernedering betreft, deze moeten zij niet zoeken, maar wei blijmoedig aannemen , en dezelve nooit ontvluchten.

lot de uiterlijke vernederingen behooren de berispingen. De H. Francisca van Chantal zegt tot hare geestelijke dochters , dat zij haar niet eerder voor ootmoedig zoude houden, voordat zij de berispingen beminden.

De innerlijke vernedering moeten zij zoeken , en elke gelegenheid , om dezelve te oefenen, zich ten nutte maken

Tot de innerlijke vernedering behoort; dat men steeds op zijne eigene onvolmaaktheden nederzie en zijne oogen sluite voor die van anderen , tenware plicht aan eene Zuster oplegde daarop te letten ; dat men zijn eigen gevoelen en oordeel afga en dit aan anderen onderwerpe. De volgende geschiedenis, welke een schoon

-ocr page 84-

74

voorbeeld van die vernedering oplevert, wordt ter overweging aan de Zusters bijzonder aanbevolen.

De Eerwaarde Pater Laynez, een der geleerdste Jezuïeten van zijnen tijd en Provinciaal in Italië, beklaagde zich bij den H. Ignatius, Generaal der Je/uïe'en , dat deze zijne geschiktste Paters naar elders zond , en hij, bij gebr ek aan ondersteuning, de werkzaamheden niet naar behooren kon doen verrichten. De II. Ignatius antwoordde hem zeer wijselijk, dat het billijk was het alge-meene welzijn der Sociëteit boven de belangen van de bijzondere provinciën te stellen. Toen de H. Ignatius voortging met eenige der beste arbeiders aan den Provinciaal Laynez te ontnemen, meende deze het nadeel, dat hij daardoor leed, aan zijnen Generaal herhaaldelijk onder het oog te mogen brengen De H. Ignatius, ziende, dat de Provinciaal, in weerwil van deszelfs verklaring, waarom hij zoo handelde, op zijn eigen gevoelen bleef staan , en zich daardoor niet zoo gehoorzaam toonde als het betaamde, liet hem in eenen brief zijn misnoegen daarover blijken. lt;c Meld mij voegde de H Ignatius er bij , « of gij , na alles wel overwogen te hebben, niet beseft eene fout te hebben begaan, en zoo gij u schuldig bevindt, laat mij dan weten , tot welke boetedoening gij u zeiven veroordeelt quot;

-ocr page 85-

75

Deze vermaning van den Overste deed Pater Laynez in zijn binnenste treden , die dan ook spoedig zag, dat hij aan de ootmoedigheid en gehoorzaamheid , welke hij aan zijnen Overste verschuldigd was, was te kort gebleven. De brief, welken hij aan den H. Ignatius heeft geschreven, en die woordelijk in de geschiedenis is opgenomen , behelst een bewijs van zijne diepe ootmoedigheid en volmaakte gehoorzaamheid. Hij begint zijnen brief, met den H. Ignatius te bedanken over de goedheid, die hij gehad heeft, van hem zijne fout onder het oog te brengen ; vervolgens bekent hij ootmoedig, dat hij schuldig is , en vraagt vergiffenis over het leed , dat hij hem, wien hij als den vader zijner ziel eert, en wien hij allen eerbied verschuldigd is, heeft aangedaan. Op de vraag van den H. Ignatius, om te weten, welke straf hij voor zijn hoovaar-dig gedrag dacht verdiend te hebben, antwoordt hij : dat die, welke zijn Overste hem zal gelieven op te leggen , hem de aangenaamste zal wezen; doch, daar de II. Ignatius verlangt, dat hij zich zeiven eene straf oplegge, schrijft hij , dat de minste straf, die hij verdiend heeft, is : dat men hem van zijne bediening ontzette, hem de studie verbiede , en niets dan zijn Getijdenboek late houden; dat men hem, zijn geheel leven lang, aan de kleine kinderen de spraakkunst late leeren; in één woord, dat men

-ocr page 86-

76

hem als een uitvaagsel beschonwe Hierbij voegt hij nog vele andere boetedoeningen, als: vasten, lijfkastijdingen , enz God gave, dat die heilige gevoelens in de harten der Zusters, in welke betrekking /.ij zich ook bevinden, diep indrongen !

Art. 53.

De Zusters moeten alles in den geest van ootmoed doen , dat is :

Zij moeten zich beijveren , om alles wat zij doen , zoo goed als mogelijk is te verrichten; maar te gelijk zich overtuigd houden, omdat zij hare zwakheid en onvolmaaktheid erkennen, dat alles onvolmaakt zal uitvallen.

Den uitslag van haar werk moeten zij slechts van God, die het moet laten gedijen, verwachten , afsmeeken , en Hem in handen stellen

Eindelijk, wanneer zij ook alles behoorlijk zouden verricht hebben , moeten zij , naar het woord des Heeren , erkennen , dat zij onnuttige Maagden des Heeren zijn , die enkelijk gedaan hebben , wat zij moesten doen

-ocr page 87-

77

Negende Hoofddeel.

Over de Eenvoudigheid.

Art. 54.

De Heer zegt: cc Zijt listig als de slangen , » en eenvoudig nis de duiven quot; (Matlh. X. 16.) Dit is genoeg, om voor de Zusters de eenvoudigheid beminnelijk te maken , en het streven naar dezelve in haar op te wekken en gaande te houden.

Er is eene eenvoudigheid , die voortkomt uit gebrek aan overleg, aan oordeel , aan kennis of aan oplettendheid o|) datgene, wat men aan anderen verschuldigd is, of, in het algemeen, wat in den verschillenden toestand of in de verschillende omstandigheden past en geschikt is. Wanneer de wereldlijken van eenen mensch zeggen, dat hij een eenvoudig mensch is, dan meenen zij daarmede, dat hij onverstandig, lichtgeloovig, grof of bot, enz. is Deze eenvoudigheid is de ware niet, en die in dezen zin eenvoudig zijn , hebben de slimheid van de slang niet, en kwetsen de liefde.

Zijne aandacht geheel op de schepselen te richten, zonder op zich zei ven te zien, is de

-ocr page 88-

78

blindheid dergenen , welke aan het zinnelijke , aan het aardsche gehecht zijn; dit strijdt tegen de H. Eenvoudigheid, en is een volslagen gebrek aan de slimheid der slangen.

Steeds met zich zeiven bezig zijn; altijd nasnuffelen in hoeverre men voor- of achteruit is gegaan; bestendig vorschen naar al zijne woorden en gedachten, naar al zijn doen en laten; altijd vreezen te veel of te weinig gezegd of gedaan te hebben; zich verontrusten en angstig zijn over het geringste, dat het welgevallen over zich zeiven zou kunnen hinderen of in den weg staan ; die zoo handelen kunnen , wel is waar , oprecht zijn, en het wel met God meenen, doch zij zijn vol van zich zeiven , en bezitten de Evangelische of H Eenvoudigheid niet.

De H. Eenvoudigheid ligt in het midden; die haar bezitten, laten zich niet door de schepselen of uiterlijke zaken zoo trekken, dat zij gedurig in verstrooidheden voortleven ; zij zijn ook niet van het getal diergenen, die altijd met zich zeiven bezig zijn, maar zij zijn steeds oplettend op zich zeiven en op hetgeen zij moeten doen; zij willen slechts Gods wil, Gods welbehagen volbrengen; geene vrees kennen zij , dan die van Gode te mishagen , en deze is eene kinderlijke, geene slaafsche vrees.

Zij wachten zich, aan anderen ergernis te geven; maar zij bekommeren zich niet over het-

-ocr page 89-

79

gene anderen van hen zeggen of denken. Zij laten zich naar Gods welbehagen draaien en wenden, en verrichten met eene bedaarde, zachte, ongedwongene, blijmoedige oplettendheid wat zij moeien doen, en doen het zoo goed zij kunnen, den uitslag aan God overlatende.

Zij, die de H. Eenvoudigheid bij ondervinding kennen, weten hoe liefelijk deze deugd is, en welken vrede zij aan de ziel schenkt. Zij zijn als het kindje in de armen der minnende moeder ; voor de kleine kinderen is, zooals Jesus zegt, het rijk der Hemelen, en als gij niet wordt als kleine kinderen, zult gij het rijk der Hemelen niet ingaan. (Matth. XVIII. 3.)

Art. 55.

De H. Eenvoudigheid, die eene dochter is der ootmoedigheid, is eene deugd, welke, gelijk elke andere deugd, door strijden, bidden en aanhoudende oefeningen verkregen zal worden; de Zusters moeten dus ;

Nooit aan de eigenliefde, aan de zucht om in zich zeiven behagen te vinden of anderen te bevallen , vrijwillig toegeven ; zij moeten steeds indachtig zijn, dat het er niet op aankomt, dat wij ons zeiven of anderen vergenoegen; maar dat het geheel daarop aankomt, dat wij aan God welgevallig zijn.

Zij moeten zich goed inprenten, dat zij in

-ocr page 90-

80

het geheel niet behoeven te weten, hoe volmaakt zij zijn, hoe veel of hoe weinig zij zijn vooruitgekomen ; dit zou, wanneer zij werkelijk vooruitgekomen waren, de nederigheid kunnen schaden, of wel haar kleinmoedig maken , als zij teruggegaan waren ; slechts daarvoor moeten zij zorgen , dat zij onophoudelijk vooruit willen, en verzekerd zijn, dat wie zóó vooruit wil, ook werkelijk vooruitkomt, dewijl God medewerkt; het moet niet slechts een ik wilde wel, maar een willen zijn , waarvoor geen strijd te heet, geen offer te duur is; geen opbruisend , geen hevig , geen voorbijgaand , maar een kalm , ernstig, zacht, vertrouwend willen; een willen, hetwelk leidt tot de liefde , welke , naar er geschreven staat, sterk is gelijk de dood

Alle gemaaktheid in handelen moeten zij zorgvuldig vermijden ; in haar geheel gedrag moet alles natuurlijk eenvoudig zijn. In het spreken over zich zeiven , hetzij goed of slecht, moeten zij zich op eenvoudigheid toeleggen ; het zekerste en besle is, in gewone gesprekken, in het geheel niet van zich zeiven te spreken.

Zij moeten zich nimmer veroorloven , om bij het spreken of zwijgen , bij het doen of laten , een bijoogmerk te volgen : alles moet zoo klaar zijn als het reinste water, waarin men tot op den grond toe ziet.

De Zusters moeten al wat zij verrichten in

-ocr page 91-

81

den geest der H. Eenvoudigheid doen, dat is , volgens den H. Franciscns van Sales ;

Zij moeten bij het bidden , bij haar geheel gedrag, bij al haar doen en laten, hare geheele ziel, zich zeiven, hare handelwijze, en den uitslag van alles , aan het welbehagen van God overlaten en overgeven. Fénélon, Aartsbisschop van Kamer ijk, aan wien het meeste van het hier opgemerkte ontleend is , zegt :

« De hoofdzaak is, dat men oprecht alles wat ons betreft: vermaken , lijden , gemakken , roep, vernederingen , beproevingen , zoowel inwendige als uitwendige, in Gods handen stelle, het moge daarmede gaan zooals het wil; en dat men onvoorwaardelijk alles van God aanneme quot; De H. Apostel Paulus zegt: cc ƒA leef niet » meer, maar Christus leeft in mijquot; (Gal II 20 ) dat is : men moet zich zeiven verloochenen, zich zeiven vergeten, en dit is de taal der H. Eenvoudigheid.

-------

6

-ocr page 92-

82

Tiende Hoofddeel.

Over de Veesterving.

Abt. 56.

De verstervingen zijn over het algemeen voortreffelijke middelen in de hand Gods , om ons wederspannig lichaam in toom te houden , de slang der eigenliefde te dooden, en de oproerige natuur te kluisteren.

De lelie bliift schoon en behoudt haren geur in het midden der doornen; zoo ook bewaart zich de maagd schoon en zuiver door eene gedurige versterving , en door eene kloekmoedige verloochening van zich zelve; daarom moeten de Zusters zorg dragen , dat geheel haar leven geteekend zij met de roemrijke teekenen van de doornenkroon en het kruis.

Art. 57.

De lichamelijke verstervingen , waardoor de krachten des lichaams kunnen verzwakt worden, passen niet aan de Leden dezer Congregatie, en aan deze mogen zij zich niet overgeven, zonder verlof harer Overste. Geheel anders is het gelegen met zich te versterven in datgene,

-ocr page 93-

83

wat geoorloofd is; dergelijke verstervingen passen zeer wel aan haren roep, en zijn voortreffelijke middelen, om tot de inwendige versterving te komen.

Art. 58.

De inwendige verstervingen moeten steeds de lievelingen der Zusters zijn, en elk geval om die te oefenen moeten zij te baat nemen.

Zij moeten, voor zooveel van haar afhangt, bij voorkeur, de geringste, de laagste, de minst geachte bedieningen en verrichtingen verlangen; die diensten zoeken, welke het meest hare natuur of natuurlijke neigingen wederstreven; deze zijn aan God de aangenaamste, en geven den rijksten schat van vergelding.

Wanneer zij worden tegengesproken; — in het werk eenigen tegenstand ontmoeten ; — geroepen worden , terwijl zij eenig werk onder handen hebben, of in het gebed verdiept zijn ; — eenige pijn , smart of minachting moeten verduren ; — van eene bediening of betrekking, welke haar welgevallig is, moeten veranderen ; — van het eene naar het andere Huis , tegen hare neiging, verplaatst worden; — en, in het algemeen , als hare eigenliefde of eigenzinnigheid gekrenkt wordt, bij welke gelegenheid het ook zij , moeten zij zich versterven, en erkennen , dat het Gods Wil is, dat het zoo geschiede.

-ocr page 94-

84

Zij moeten erkennen , en dikwijls rijpelijk overwegen de Goedheid Gods, boven duizenden anderen haar bewezen, door haar uit het bederf der wereld te roepen , en te plaatsen in eenen slaat, in denwelken zoovele buitengewone genademiddelen ter zaligheid verleend worden; in eenen staat, waarin men heiliger en genoeg-liiker leeft, geruster sterft en een grooter loon te wachten heeft Wie toch zou, bij de gedachte aan deze buitengewone genade, ondankbaar genoeg kunnen wezon , om niet eene krenking der eigenliefde, uit liefde voor God , te willen lijden ? eene voldoening, welke men in deze of gene betrekking, of in dit of dat Huis, waar men geplaatst is , geniet, niet gaarne te willen opofferen aan God, die dezelve van haar vraagt?

Zij moeten niet vergeten, dat iedere krenking harer eigenliefde een middel is, waarvan God zich bedient, om haar aan Jesus zijnen Zoon gelijkvormig , en aan zijne verdiensten deelachtig te maken; daarom zullen zij , bij iedere gelegenheid, als hare eigenliefde gekrenkt wordt, of als zij eenige versterving ondergaan, God daarvoor danken, en dezelve met liefde omhelzen; deze dankbetuiging moet, bij zulke gelegenheden , het eerste zijn , wat haar invalt.

Zij moeten ook weten, dat, ofschoon de verstervingen voor iederen Christen, voor elke Congregatie noodig zijn, dezelve1 echter bijzonder

-ocr page 95-

85

noodifj zijn voor de Leden dezer Congregatie, daar haar roep meer gelegenheden aanbiedt, waarin hare eigenlielde bevochten wordt; en dat zij nimmer het doel der Congregatie zullen kunnen bevorderen , tenzij zij haar best doen , om de eigenliefde te dooden.

Elfde Hoofddeel.

Over de Zedigheid.

Art. 59.

De ware zedigheid komt voort uit den grond . des harten en uit de vreeze Gods. Zij regelt de woorden , het gelaat, en , in het algemeen , het geheel uitwendig gedrag , en is de behoedster der kuischheid ; deze twee deugden ondersteunen elkander, zoodat, alwie de eene verwaarloost , zich aan het gevaar blootstelt van de andere te verliezen.

Akt. 60.

Daar de lichtvaardigheid zeer onvoeglijk is, voornamelijk in personen, welke anderen tot voorbeeld moeten dienen , zullen de Zusters zorgen , eene achtbaarheid en zedigheid te hebben , welke noch geveinsd, noch gemaakt, noch

-ocr page 96-

86

zonderling is, maar die blijkt voort te komen uit eene ziel, die zuiver God, hare zaligheid en die van haren evenmensch zoekt.

Art. 61.

De Zusters moeten de oogen gewoonlijk neergeslagen houden, en dezelve niet lichtvaardiglijk slaan op voorwerpen of personen , die rondom haar zijn , of voorbijgaan , tenzij de noodzakelijkheid of welvoeglijkheid dit vordere, b. v. wanneer zij aangesproken worden, of wel iemand moeten ontvangen , aanspreken of bedienen; in elk geval moeten zij de oogen binnen de palen der grootste voorzichtigheid houden ; en deze waakzaamheid der oogen is des te noodzakelijker , daar zij altijd de strikken moeten vreezen, welke de booze geest, met eene groote arglistigheid , van alle kanten in de wereld gespannen heeft.

In hare geheele houding, als : in het gaan, zitten , spreken , werken , enz., moeten zij, zoowel binnen als buiten het huis, de zedigheid en de regels der wellevendheid in acht nemen, niet slechts in de tegenwoordigheid van andere menschen, maar ook dan wanneer zij alleen zijn, en te allen tijde, zelfs wanneer zij slapen; daar God en de H. Engelen altijd bg haar zijn.

-ocr page 97-

87

Art. 62.

De onderhouding van hetgeen in dit Hoofddeel is voorgeschreven, is van een zeer groot belang; immers, de zedigheid is niet alleen voordeelig voor de Zusters zeiven, maar brengt ook veel bij tot stichting van anderen. Zij moeten zich wel indachtig maken , dat alleen God het hart doorgrondt , en dat de menschen gewoon zijn naar het uiterlijke te oordeelen, en van het uiterlijke stichting of ontstichting te ontvangen : de Zusters moeten dus steeds op hare hoede zijn, vooral wanneer zij onder het oog zijn van wereldlijken, en zorgen, dat, gelijk de H. Apostel Paulus vermaant, hare zedigheid aan alle menschen bekend zij, en zij niemand eenige billijke redenen van misnoegdheid geven, opdat haar staat of hare bediening niet veracht worde ; dat zij, door eene stipte onderhouding van alle kerkelijke en burgerlijke wetten en verordeningen, en van de regels van zedigheid en welvoeglijkheid, anderen tot voorbeeld strekken. Zij moeten zorgen, dat zij alles voor allen zijn, zich zooveel mogelijk , in alle lijdzaamheid , voegende naar de zwakheden en onvolmaaktheden diergenen, welke zij helpen, of met wie zij moeten omgaan; om alzoo, na eerst hunne achting en genegenheid gewonnen te hebben, hen voor het goede te stemmen , en voor God te winnen.

--*:gt;63lt;®gt;e3=i*--

-ocr page 98-

88

Twaalfde Hoofddeel.

——

Over de Zachtmoedigheid.

Art. 63.

De Heer zegt: aZalig zijn de zachtmoedig en ; »want zij zullen de aarde (den Hemel) bezit-» ten.quot; (Matth. V. 4.)

« Neemt mijn juk op u , en leert van Mij , »dat Ik zachtmoedig en nederig van harte y) ben : en gij zult rust voor uwe zielen vinden; ygt; want mijn juk is zoet, en mijn last is licht.quot;

(Mattb. XI 29. 30.)

De Zusters moeten zich ernstig beijveren, om, naar bet voorbeeld en het gebod des Heeren, zachtmoedig van harte, dat is, van een zachtaardig gemoed te worden; daarom moeten zij zich niet alleen zorgvuldig wachten voor het uitdrukken van gramschap, en voor uitdrukkingen van drift; maar zij moeten zich ook naarstig toeleggen om elke innerlijke gramschap, elke innerlijke drift en neiging tot hevigheid te bestrijden , en met den wortel uit te roeien.

Wanneer zij niets aardsch verlangen noch vreezen; wanneer zij hare eigenliefde, haren eigen wil bestrijden ; wanneer zij geheel tevre-

-ocr page 99-

89

den zijn met datgene, wat God met baar, door haar, en om haar beschikt, en voor het toekomende onvoorwaardelijk in den Wil Gods berusten; wanneer zij de deugden van haren staat verkrijgen ; dan zullen zij zachtmoedig zijn, en die zielerust vinden , die voor allen zoo gewenscht, en voor allen, voornamelijk voor de Leden dezer Congregatie, zoo noodzakelijk is.

Art. 64.

De Zusters, welke zachtmoedig zijn, naar ook slechts de/.e, zullen steeds aanspraak kunnen maken op gelijkmoedigheid , die tot hare werkzaamheid zoo noodzakelijk is; zij zullen niet in het geval komen, van dan eens te verdrietig, dan te kortswijlig vriendelijk , dan te ernstig, dan gemeen (hetwelk op geene wijze en in ^een geval mag zijn) te wezen; maar zij zullen, door steeds gelijken ernst en vriendelijkheid, de noodige achting en liefde harer Medezusters en der noodlijdenden erlangen en blijven bezitten.

Akt. 65.

Voor de zachtmoedigen wordt het gemakkelijk de harten te leiden ; de driftigen echter maken anderen des te meer afkeerig van haar, hoe meer dezen bemerken , (en het wordt zoo licht bemerkt) dat zij zich door hevigheid laten trek-

-ocr page 100-

90

ken en drijven, en de heilige liefde haar niet beweegt.

De Zusters moeten weten, dat zij van God geroepen zijn, om voor het heil van haren even-mensch, bijzonder voor het zieleheil der noodlijdenden te werken ; dat zij , vooral door haar voorbeeld en door uit liefde liefderijk verrichte liefdewerken, op het hart moeten werken; en zullen de oploopenden zulks kunnen? Wat de zachtmoedigheid en de liefde op het heil der zielen vermogen, blijkt uit het volgende voorbeeld;

Een Turk, die op zee gevangen was genomen, werd ziek, en naar een hospitaal gebracht, hetwelk door vrouwen bediend werd. Eene der verpleegsters bracht hem eens een ei; hij nam het in den mond , en spoog het haar in het aangezicht en op het kleed. De verpleegster gaat heen , zonder het minste ongeduldig te worden , bereidt een ander ei, en geeft het den Turk , die echter met dit gelijk met het vorige handelde. Zij gaat andermaal heen, bereidt een derde ei, en geeft het den Turk, met deze woorden : dit ei zult gij nu toch ter liefde Gods nemen. Toen dacht de Turk: een godsdienst, die zulk geduld, zulke zachtmoedigheid en liefde geven kan, moet wel de ware godsdienst zijn , — en hij nam den Christelijken godsdienst aan. Een dergelijk geval komt ook voor in het leven van den H. Franciscus Xaverius.

-ocr page 101-

91

De Zusters moeten elkander in het goede voorthelpen, en de wederzijdsche zwakheden verdragen , enz. Gaat dat zonder zachtmoedigheid ? kunnen het de oploopenden ?

Nimmer mogen de Zusters het hoofd, dat is, de tegenwoordigheid van geest verliezen; de oploopenden verliezen het hoofd bij elke gelegenheid.

Dat de Zusters dus zich nimmer eene soort van hevigheid veroorloven: niet in het denken, in afgekeerdheid of toegenegenheid, niet in verlangen en vrees, niet in het werken, niet in het gaan, nergens, nooit; dat zij wel bedenken , dat zij door elke hevigheid of drift aan hare Medezusters, de noodlijdenden of anderen ergernis geven.

Dertiende Hoofddeel.

Over het Betrouwen op God.

Art. 66.

De H Vincentius a Paula stelde al zijn betrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid, en wilde, dat men, met betrekking tot zijne Congregatie , geheel van Haar zoude afhangen.

-ocr page 102-

92

Merkwaardig zijn de volgende woorden, welke die heilige man , bij zekere gelegenheid , daarover sprak , en die aan de overweging van de Zusters bijzonderlijk worden aanbevolen: «Laten » wij, Broeders, den Heer naar zijn goedvinden » handelen ; houden wij ons zeiven ootmoedig , » in de verwachting van en in de onderwerping » aan Gods H. Voorzienigheid. Door zijne Barm-»hartigheid heeft men tot hiertoe aldus in de » Congregatie gehandeld. Wij kunnen zeggen , » dat er niets in de Congregatie is, dan wat God » daarin geplaatst h^eft; en dat wij noch leden, » noch goederen, noch nieuwe oprichtingen onzer » Congregatie hebben gezocht.quot;

Zoo ook zullen de Zusters, naar het voorbeeld van haren Heiligen Vader, nooit op hare eigene krachten steunen , maar, zonder de gewone hulpmiddelen te verwaarloozen, een onbepaald betrouwen stellen op de Goddelijke Voorzienigheid , van wie zij voor zich en anderen alles moeten verwachten.

Art. 67.

Nimmer zal men, noch rechtstreeks, noch door omwegen, noch door eene derde hand , op welke wijze ook, iemand opwekken of aanzetten, om Medelid te worden van de Congregatie. Nimmer ook zal men pogingen aanwenden, om zich naar elders te verplaatsen of nieuwe stich-

-ocr page 103-

93

tingea daar te stellen; maar het moet aan God geheellijk overgelaten worden, of het Hem welgevallig is, nog andere en welke personen tot dien staat uit te kiezen , zoomede den liefdadi-gen werkkring der Congregatie uit te breiden; men moet nochtans niet verzuimen te bidden , dat God de Congregatie zegene en derzelver Leden met zijnen geest vervulle; dat Hij, tot zijne eer en tot heil der menschen , haar waardige Leden geven en dezelve uitbreiden wille; dat God de intrede van elke daartoe niet geroepene verhoede; dat nimmer eenige werkelijk daartoe geroepene het voorbeeld volge van den rijke van het Evangelie, die, van de gehechtheid aan het aardsche bevangen, treurig terugging. Opdat men in zulke gewichtige zaak het gebed niet verzuime, wordt aan al de Leden der Congregatie voorgeschreven, iederen Maandag de Litanie van den H. Geest te dier intentie te bidden.

-ocr page 104-

94

Veertiende Hoofddeel.

Over de Opgeruimdheid.

Art. 68.

De H. Apostel Paulus schrijft :

«De treurigheid, die volgens God is, be-» werkt boete tot duurzame genezing ; maar de ■» treurigheid der wereld bewerkt den doodquot; (II. Cor. VII. 10.)

cc Verheugt u in den Heer , ik herhaal het, » verheugt u.quot; (Phil. IV. 4.)

Er is eene treurigheid, die volgens God is, en deze is goed, maar er is eene treurigheid der wereld, en deze is verderfelijk. De Zusters moeten zich dus van deze laatste zorgvuldig wachten, en trachten steeds opgeruimd te wezen.

Art. 69.

De treurigheid dezer wereld kan ook in de Congregatiën, hoewel van de wereld afgezonderd , insluipen , omdat men zich zeiven overal medeneemt.

Een natuurlijke aanleg tot droefgeestigheid, gepaard met de omstandigheid , dat de Zusters zich dikwijls, en sommige zich bijna altijd onder lijdende en hulpbehoevende menschen bevinden.

-ocr page 105-

95

zou het bestaan van dezelve kunnen veroorzaken; hierop moet men dus bedacht zijn, en de eerste gewaarwording tegengaan, opdat de droefgeestigheid zich bij haar niet nesleie.

Maar er is eene andere bron van droefgeestigheid , die dieper ligt : de eigenliefde ; deze gevaarlijke vijandin der ziel verbergt zich soms onder het dekmanteltje van treurigheid. Men wil recht volmaakt zijn ; geen vlekje, geene onvolmaaktheid mag de ziel ontsieren; men bespiedt zonder ophouden, gelijk iemand, die zich steeds in den spiegel beziet, of alles wel sierlijk genoeg is, en of niets ontsierd is Bij het beschouwen dier onvolmaaktheden of zwakheden, wordt men verdrietig, omdat men niet volmaakt is, of niet zoo volmaakt is, als men gaarne zoude willen. Men zonde gaarne niets meer te strijden of te waken hebben. Dat anderen, met wie dusdanige Zusters moeten omgaan of werken , onvolmaakte , zwakke menschen zijn , dit maakt haar droefgeestig, en soms ongeduldig, bitter. Men ziet /oo licht den splinter in eens anderen oog, en men gedenkt niet den balk in zijn eigen oog. Kleine beuzelingen of bekoringen zien zij dikwijls voor groote dingen aan Wie ziet in dit alles de eigenliefde niet duidelijk uitschijnen ?

Wanneer de Zusters zulke verkeerdheid des gemoeds niet met allen ernst en dadelijk tegen-

-ocr page 106-

96

gaan, en den wortel van dezen vergiftigen boom uitroeien, zoo moet men bij haren roep , welke niet veel uiterlijk aangename voorwerpen aanbiedt , het ergste vreezen. Te dien einde moeten zij zich het volgende wel inprenten :

Onze deugd op aarde bestaat niet in volmaakt te zijn, maar in volmaakt te willen worden. Bestond onze deugd in volmaakt te zijn, wie zou dan deugdzaam wezen? Want wie is er zonder zonde ? De Zusters behoeven ook niet te weten, zooals vroeger gezegd is, hoever zij op den weg der volmaaktheid zijn vooruitgekomen ; het is genoeg, dat zij recht ernstig verlangen vooruit te komen , en al hare fouten uit te roeien ; dat zij willen en kunnen doen wat plicht is, en dat zij het gevolg hiervan Gode in handen stellen, aan Hem overlaten en van Hem afsmee-ken. Wanneer zij van dit alles goed doordrongen zijn, zullen zij met zich zeiven en anderen geduld hebben, en voor menig liefdeloos oordeel over anderen behoed worden, daar zij nooit kunnen weten, in welken graad deze of gene Zuster het streven bezit om vooruit te komen.

Alle menschen op aarde, zegt de H. Alphonsus de Liguori, alle booze geesten der hel zijn niet in staat ons van God te scheiden , wanneer wij zulks niet willen ; de goede wil biedt het hoofd aan alles. Wat in het bijzonder de bekoringen betreft, deze zullen hun niet tot zonde gerekend

-ocr page 107-

97

worden, als zij dezelve niet willen, en, zoo spoedig als zij ze gewaarworden, van zich verwijderen ; maar zijn integendeel een bewijs, gelijk de H. Geest zegt, dat God, die een liefderijk Vader is , hen bemint en dezelve toelaat, om hen te beproeven , en verdiensten te doen vergaderen ; daarom moet men nimmer vragen van bekoringen bevrijd te worden , maar wel genade en sterkte afsmeeken , om onder dezelve niet te bezwijken en om Gods heiligen Wil te volbrengen.

Eindelijk, het gevaar van droefgeestigheid moet voor iedere Zuster een spoorslag zijn, om hare eigenliefde zeer ernstig, standvastig en onophoudelijk te bestrijden en te dooden

Akt. 70

De treurigheid, die uit God is, is goed, daar zij op de liefde tot God gegrond is, en deze moet men beminnen

De Zusters zullen dan tremen, maar treuren, omdat door anderen en door haar zeiven de Geliefde haars harten zoo dikwijls beleedigd wordt; omdat zijn allerheiligste Naam niet behoorlijk geheiligd, maar niet dan al te dikwijls met den mond, en meer nog door werken, gelasterd wordt. Zij zullen treuren, omdat niet allen het rijk Gods toebehoort, omdat Gods rijk niet in allen is; omdat zij, in een vreemd land reizende, niet de zekerheid hebben, van in het goede, tot het einde

7

-ocr page 108-

98

toe , te zullen volharden ; omdat zij nog niet van aangezicht tot aangezicht Hem zien kunnen, dien haar hart zoekt; edoch de liefde, welke de grond van haar treuren is, zal ook haar hart lenigen en bewerken, dat zij den Wil van haren Geliefde boven het verlangen van haar hart zullen stellen. Dat heilig treuren zal zeker bewerken , dat de genoegens van de kinderen dezer wereld haar niet verheugen, maar des te meer zullen zij zich verheugen in den Heer; zij zullen zich verheugen in zijnen Wil te doen, naar zijnen Wil te lijden. Hem te beminnen, van Hem bemind te worden; zij zullen zich verheugen bij elke gelegenheid , waarin zij hare liefde, voornamelijk door hard te strijden, en door het oefenen van liefdewerken, aan Hem kunnen bewijzen ; zij zullen zich eindelijk verheugen over het steeds naderende oogen-blik harer vereeniging met God , en zij zullen, gelijk de H. Apostel Paulus wil, zonder bekommering zijn, God aanbiddende, smeekende, dankende ; en de vrede Gods , welke alle begrip te boven gaat, zal haar hart en hare gedachten in Christus Jesus beschermen • en deze haar inwendige vrede zal gelijkmoedigheid en opgeruimdheid bij haar openbaren : eene gelijkmoedigheid en opgeruimdheid , welke in elke Congregatie, maar vooral in eene Congregatie van Liefdezusters , onmisbaar noodzakelijk is.

--

-ocr page 109-

99

Vijftiende Hoofddeel.

Over de zorg voor de Gezondheid.

Art. 71.

Even gelijk eene al te groote zorg voor het lichaam berispelijk is, en niet dan hinderlijk aan de deugd kan wezen , evenzoo is eene geregelde en gematigde zorg voor de gezondheid , om dezelve voor den dienst van God te besteden, loffelijk, en de ware deugd keurt dit niet alleen goed, maar maakt, er zelfs eenen plicht van voor de Leden dezer Congregatie. De Oversten zullen hierop bijzonder acht slaan , en al hetgene wat aan de gezondheid nadeelig kan zijn , als: te sterke inspanning, groote lichamelijke verstervingen , enz., tegengaan. Eveneens zullen zij al wat aan de gezondheid voordeelig kan zijn, als: goed bereide en genoegzame spijzen, behoorlijke nachtrust, zindelijkheid in alles , het behoorlijk reinigen van het lichaam , enz., zooveel mogelijk bevorderen.

De Oversten zullen zorgen, dat de Zusters, die, uit hoofde der betrekking, welke zij waarnemen, weinig in de open lucht komen , dikwijls, b. v. tijdens de uren van uitspanning en wanneer het weder zulks toelaat, in de open lucht wandelen.

-ocr page 110-

10J

Wanneer iemand zal ondervinden, dat de eene of andere zaak haar schadelijk is, b v. wat het voedsel, de kleeding, de woning, de bediening, of dergelijke zaken betreft; zoo ook , wanneer zij mocht meenen dit of dat noodig te hebben, iets ongewoons of bij/.onders, uit hoofde van onpasselijkheid of zwakte, te behoeven, zal zij, na alvorens God door het gebed geraadpleegd te hebben, aan hare Overste daarvan kennis geven , aan deze overlatende, wat desaangaande zal hehooren te geschieden.

Als eeije Zuster ziek of aan eenig lichamelijk gebrek onderhevig wordt, zal /ij dit onverwijld aan de Overste bekend maken, opdat de noodige geneesmiddelen tijdig toegediend worden.

Indien iemand, uit eene verkeerde liefde tot de versterving, of, hetgeen nog erger is, uit men-schelijk opzicht, verzuimde hare noodwendigheden aan de Overste te kennen te geven, zoude zij zich weinig onderdanig toonen aan de Voorschriften der Congregatie, die zulks gebieden , en de na-deelige gevolgen, die uit hare stilzwijgendheid zouden voortspruiten, niet kunnen verantwoorden.

Art. 72.

Wanneer iemand, ook de Overste, volgens het oordeel van den geneesheer, of van de Overste, buitengewone spijzen moet gebruiken , zal zulks geschieden aan eene bijzondere zieken-tafel, of

-ocr page 111-

101

wel vóór of na de gestelde maaltijden , doch nimmer aan de gewone tafel der Zusters.

Abt. 73.

De Zusters worden hier andermaal aangemaand zich te wachten voor droefgeestigheid , waarvan in het veertiende Hoofddeel wordt gesproken, en die zoo nadeelig werkt voor de gezondheid ; en zich op te wekken tot opgeruimdheid , die de gezondheid steeds bevordert; want de H. Schrift zegt: «Een vronlijk hart maakt het lichaam vjeuycLiy, maar een droevig gemoed zal de » heenderen uitmergelen.quot; (Proverb. XVII. 22.)

Zestiende Hoofddeel.

■^wwVWw

OVEE DE NOODIGE BEKWAAMHEID TOT HET BEOEFENEN DEK. LIEFDEWERKEN.

Art. 74.

De Zusters zullen tot het beoefenen van een bepaald liefdewerk niet gebezigd worden, zonder daartoe de noodige geschiktheid te bezitten; zonder deze geschiktheid zou hare werking geen nut aanbrengen voor den evenmensch, en bovendien daardoor, in het algemeen, de achting voor de

-ocr page 112-

102

Congregatie kunnen worden verminderd. Daarom zullen zij, alvorens gebezigd te worden voor de liefdewerken, behoorlijk worden voorbereid in het vak , waartoe zij bestemd zijn.

Art. 75.

Wanneer op het beoefenen van sommige liefdewerken eenige wettige 's Lands verordeningen bestaan, zal men dezelve, voor zooveel als mogelijk is, nauwkeurig onderhouden. In het algemeen wordt hier aangemerkt, dat de Leden der Congregatie verplicht zijn , in alles wat niet strijdt tegen de wetten van God en van de H. Kerk, aan de voorschriften der wereldlijke machten té gehoorzamen, steeds indachtig zijnde de vermaning van den H. Apostel Paulus , die leert, dat alle macht op aarde van God gesteld is, en dat hij , die aan de wereldlijke machten wederstaat, aan God zeiven wederstaat.

-ocr page 113-

TWIEIEIDIE DEEL.

OVER DE GEBEDEN EN GODSDIENSTIGE OEFENINGEN , DIE IN DE CONGREGATIE GESCHIEDEN. --

Zeventiende Hoofddeel.

Over de gemeenschappelijke Gebeden en Oefeningen.

Art. 76.

De gebeden en godsdienstige oefeningen , die in de Congregatie geschieden, bestaan in gemeenschappelijke en afzonderlijke.

Gemeenschappelijke gebeden en oefeningen zijn dezulke, die in de Regelen zijn voorgeschreven , en gewoonlijk in communiteit of te zamen geschieden.

Er mogen geene andere gemeenschappelijke gebeden en oefeningen geschieden, dan die, welke in de Regelen zijn opgenomen en vastgesteld. Hoezeer niemand op zonde verplicht is die te onderhouden , zullen echter de Zusters zich be-

-ocr page 114-

104

ijveren, om dezelve met nauwkeurigheid fe doen, en zich aan dezelve nimmer onttrekken, dan in de gevallen, dat zij door de Overste van de onderhouding zijn ontslagen, of door wettige redenen verhinderd zijn daaraan te voldoen.

Wanneer het gebeurt, dat men, uit hoofde van het beoefenen der liefdewerken, of van andere dringende bezigheden van het Huis, de voorge-schrevene gemeenschappelijke gebeden en oefeningen niet kuuue onderhouden, en de Zusters alzoo God om God moeten verlaten, om Hem te dienen in den persoon van haren evenmensch , kunnen zij zich verzekerd houden, dat zij daardoor geen geestelijk voordeel zullen verliezen; en dat, wanneer zij waarlijk met den geest Gods bezield zijn, zij God zullen vinden, zoowel in de werken van liefde en in de bezigheden, die men uit gehoorzaamheid verricht, als in het gebed.

Mocht het nochtans gebeuren , dat men , uit hoofde van verhindering, tot eene aanhoudende nalating van die gebeden en oefeningen genoodzaakt zoude wezen , dan zal men aan de Alge-meene Overste der Congregatie daarvan kennis geven , die de noodige maatregelen zal nemen , dat de Zusters het dubbele doel der Congregatie: Bidden en arbeiden, kunnen bereiken.

-ocr page 115-

105

Achttiende Hoofddeel.

——

Over de Dagorde.

Art. 77.

Te half vijf uren 's morgens, zoowel in den winter als in den zomer, zal het teeken tot opstaan gegeven worden , waarop een ieder zich zal werpen in het H. Hart van Jesus , zirh de stof van de meditatie van den dag in het geheugen zal brengen en dadelijk zal opstaan.

Gekleed zijnde , zal men het bed afhalen en, wanneer het weer zulks toelaat , de vensters openen , opdat de lucht, de kamer en het bed ververscht worden. Vóór negen nren 's morgens moet het bed wederom opgemaakt zijn.

Te vijf uren bidt men de Metten en Lauden. Daarna begint de meditatie, welke voortduurt tot zes uren. Te zes uren bidt men het Angelus Domini, waarna ieder zich naar de bezigheden harer betrekking begeeft.

Om half zeven uren neemt men het ontbijt.

Te zeven uren zal men het H. Sacrificie der Mis bijwonen.

Het bidden van de Primen , Tertiën, Sexten en Nonen geschiedt des voormiddags gezamenlijk

-ocr page 116-

106

of ieder voor zich zelve alleen , zooals het geschiktste met de bezigheden zal overeenkomen.

Tusschen elf en twaalf uren doet men het bijzonder onderzoek van het geweten.

Te twaalf uren wordt het Angelus Domini gebeden , en onmiddellijk daarna neemt men het middagmaal. Voor het middagmaal en de gebeden vóór en na hetzelve worden drie vierde uurs verleend. Tijdens hetzelve, zoo ook onder het avondmaal, wordt iets stichtends voorgelezen.

Na het middagmaal, een kwartier vóór één uur, worden de Vespers en Completen gebeden.

Van één tot twee uren is het geoorloofd te spreken, waarna men zijne gewone bezigheden hervat.

Te drie uren bidt men drie Onze Vader en drie Wees yeyroet, gezamenlijk of ieder bij zich zelve, ter eere van het lijden en den dood van Christus, en na eenige verversching genomen te hebben, doet men het bezoek bij het allerheiligste Sacrament.

Te zes uren bidt men het Angelus Domini.

Te zeven uren neemt men het avondeten; voor het avondmaal en de gebeden vóór en na hetzelve wordt een tweede uurs verleend.

Na het avondeten is het geoorloofd te spreken tot bij half negen uren.

Onder het middag- en avondeten zal zich niemand van hare plaats begeven; maar een ieder zal den tijd, die tot het eten niet vereischt wordt,

-ocr page 117-

107

besteden om de voorlezingeu aan te hooren; hiervan zijn uitgezonderd de Zusters, die met den dienst der tafel belast zijn , of zaken moeten verrichten , die geen uitstel lijden

Te half negen uren bidt men den Rozenkrans van vijf tientjes, en daarna in stilte de oefeningen van Geloof, Hoop eu Liefde.

Hierop volgt het algemeen onderzoek van het geweten ; — dit geëindigd zijnde, bidt men het volgende ;

Laat ons bidden voor de hulpbehoevenden, welke in de Congregatie verpleegd worden , en bijzonderlijk voor die, welke naar de ziel in grooten nood verkeeren. Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.

Laat ons bidden voor de afgestorven Leden der Congregatie. Onze Vader, enz. Wees gegroet , enz.

Laat ons bidden voor de geestelijke en wereldlijke Overheden ; voor de weldoeners der Congregatie ; voor de verheerlijking van Gods Kerk, opdat alle menschen Haar als hunne Moeder erkennen. Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.

Bezoek, o Heer! deze woning, en verwijder van ons alle vervolging des vijands ; laat in haar uwe Engelen wonen, en dezen ons in vrede beschermen; uw zegen zij altijd over ons; door Jesus Christus onzen Heer, die met U en den H. Geest, waarachtig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Men antwoordt: Amen.

-ocr page 118-

108

Engelen Gods ! (jij , die onze getrouwe Bewaarders zijt, en aan wier zorgen wij door Gods oneindige Goedheid zijn toevertrouwd, gewaardiyt U ons gedurende dezen nacht te verlichten , te bewaren, te geleiden en te bestieren. Men antwoordt: Amen.

Vader! ik beveel mijnen en ons aller geest en lichaam, voor leven en dood, voor lijden en vreugde , voor het tegenwoordige en het toekomende , voor tijd en eeuwigheid, in de handen uwer oneindige Barmhartigheid, door Jesus Christus, onzen Heer Men antwoordt; Amen.— Waarna, de stol' van de meditatie van den volgenden dag opgegeven zijnde, een ieder zit h ter rust begeeft, zich bezighoudende met de stof dei-meditatie te overdenken , totdat men inslaapt.

Art. 78,

Daar het H Sacrificie der Mis in de verschillende Hui/en niet altijd op het bepaalde uur zal kunnen geschieden , zullen de Oversten het uur van het ontbijt verstellen , zooals het geschiktste voorkomt.

Wanneer iemand verhinderd is, om het bijzonder onderzoek op den bepaalden tijd te doen, zal men dit op een ander uur van den namiddag kunnen verrichten. Men kan dat onderzoek, wanneer de tijd daartoe geheel ontbreekt, ook onder het werk doen.

Van Zaterdag na Asch-Woensdag tot en met

-ocr page 119-

109

Zaterdag vóór Paschen, uitgenomen de Zondagen, zal men de Vespers vóór den middag bidden

In de Huizen , waar des namiddags het Lof gezongen wordt, zal men het bezoek bij het Allerheiligste onder hetzelve doen , en het Angelus Domini bidden onder het zingen van het Ave Maria.

Zij , die belet zijn om op het bepaalde uur het bezoek te doen, kunnen dit op eenen anderen tijd verrichten.

Op de Zon- en Feestdagen zal men na het Lof, of na het bezoek bij het Allerheiligste, den Rozenkrans van vijf tientjes met de Litanie van het H. Hart van Maria bidden, en 's avonds, om half negen uren , in plaats van den Rozenkrans , een vierde uurs langzaam en duidelijk voorlezing doen uit de Bijzondere Regelen , die de Zusters, ieder voor zich zelve, in haar Regelboek zullen volgen

Op de Maandagen zal, na het bezoek van het Allerheiligste, de Litanie van den H. Geest gebeden worden.

Er zullen geene zingende of solemneele Missen in de Congregatie mogen geschieden, dan op Kerstdag, op de Feestdagen van het H. Hart van Maria, den H. Vincentius a Paula, den Patroon van het Huis , op Allerzielendag en bij de professie eener Zuster.

Behalve op de Vastendagen der H. Kerk ,

-ocr page 120-

110

zal men ook vasten op alle Zaterdagen van het jaar, uitgezonderd wanneer op eenen Zaterdag een Feestdag invalt, die gevierd wordt als de Zondag.

De Oversten zullen zorg dragen , dat de gebeden en oefeningen op het vastgestelde tijdstip, op de minuut, eenen aanvang nemen ; te dien einde zal men het teeken tot dezelve eenige oogenblikken te voren laten geven.

De Oversten kunnen , in bijzondere gevallen , om wettige redenen, de bovenstaande dagorde geheel of gedeeltelijk veranderen , zoo nochtans, dat de tijd , verleend voor de nachtrust, niet worde verminderd. Wanneer men, uit hoofde van de betrekkingen of bezigheden van het Huis, tot eene aanhoudende verandering der dagorde zoude genoodzaakt wezen, zal men daarvan aan de Algemeene Overste kennis geven, en zich ten dezen naar hare beslissing gedragen.

Art. 79.

De Zusters zullen voor genoemde gebeden en oefeningen, zoomede voor Gods Huis en alle heilige zaken, eenen grooten eerbied hebben, dien zij in haar geheel gedrag zullen doen uitschijnen.

-ocr page 121-

Ill

Negentiende Hoofddeel.

Over het bidden van de Getijden van O. L. Vrouw.

Art. 80.

Daar in dit Hoofddeel wordt gehandeld over het bidden der Getijden van O. L. V. , wordt aan de Zusters herinnerd , dat de Congregatie staat onder de bijzondere bescherming van de H. Maagd Maria , onder den titel van : Conyre-yatie der Zusters van Liefde van O. L. V., 3Ioeder van Bijstand; — dat ieder Lid den naam draagt van Maria , en op eene bijzondere wijze aan Haar is toegewijd, en dus iedere Zuster, als eene waardige Liefdedochter van eene barmhartige Moeder, eene bijzondere godsvrucht tot Maria moet hebben.

De godsvrucht tot de II. Maajid Maria bestaat hierin : dat men voor Haar hebbe eene groote achting, die voortkomen moet uit de overtuiging van hare verhevenheid : — dat men een kinderlijk en onbegrensd vertrouwen stelle op haren bijstand, gegrond op de overtuiging van hare macht bij (iod, en goedheid en liefde jegens alle menschen ; — dat men Haar eene oprechte liefde

-ocr page 122-

112

toedrage, die in ons eene vurige begeerte op-wekke , om hare deugden na te volgen.

Om zich tot deze godsvrucht op te wekken , zullen de Zusters dikwijls, doch bijzonder op de Feestdagen van de H. Maagd Maria, tot dat einde overwegen , dat Maria is de Dochter van eenen Vader, die zijnen eenigen Zoon voor haar ten beste heeft gegeven : de Moeder van eenen Zoon, die zijnen laatsten druppel bloeds voor haar vergoot, en de Bruid van den H. Geest, die haar in het Doopsel geheiligd heeft; — dat Maria is de Koningin der Maagden, de Toevlucht der zondaars, de Troosteres der bedrukten, de Hulp d er Christenen, eene machtige, goeder-tierene en liefderijke Moeder voor alle menschen, doch, gelijk de H. Alphonsus zegt, bijzonderlijk voor haar , die alles verlaten, om het voorbeeld van Jesus en zijne geliefde Moeder na te volgen.

De Zusters zullen zich dikwijls opwekken tot eerbied jegens deze H. Moeder, tot navolging harer deugden en tot dankbaarheid jegens de Goedheid Gods, die haar, zonder hare verdiensten, uil de wereld heeft geroepen, om de voetstappen van Jesus na te volgen, en haar heeft opgenomen in eene Congregatie, waarvan Maria de H. Moeder is. Zij zullen zich bijzonder toeleggen, en zelfs zich ten plicht maken, om de godsvrucht tot Maria te verspreiden, vooral onder de kinderen en noodlijdenden, die aan hare zorgen worden toevertrouwd.

-ocr page 123-

113

Art. 81.

Onder de gebeden en oefeningen, welke de Congregatie bezigt, om Maria bijzonderlijk te eeren, bekleedt het dagelijks bidden van de Getijden van O. L. V. eene eerste plaats

Het bidden der Getijden is, gelijk de H. Alphonsus zegt, na het H. Sacrificie der Mis, het verhevenste gebed. Zij , die deze gebeden dagelijks met godsvrucht verrichten, bekleeden het ambt der Engelen en der Heiligen, die , aanhoudend voor God eerbiedig neergeknield , in eene heilige vreugde zingen: Heiliy! heilig! heilig ! Honderd bijzondere gebeden , zegt dezelfde Heilige, zijn niet van eene zoo groote waarde als een enkel Getijdengebed. De H. Maria Magdalena van Pazzi was gewoon Ie zeggen, dat elk ander gebed , in vergelijking met dit, weinig verdienstelijk is.

Dat de Zusters dit dikwijls , bijzonderlijk wanneer zij naar het koor gaan, overwegen, en daarbij met een levendig geloof bedenken , hoe aangenaam het aan de H. Maagd, hare Moeder, is, Haar dagelijks door dit verheven gebed te loven en te vereeren, en welken grooten schat van genaden en verdiensten zij door het godvruchtig bidden der Getijden kunnen vergaderen.

8

-ocr page 124-

114

Art. 82.

De Zusters zullen de Getijden met godsvrucht en aandacht bidden, en de woorden duidelijk uitspreken. Men begint de Getijden met het gebed : Open, o Heer, onder hetwelk men twee kruisen met den rechterduim maakt: een op den mond , en een op de borst; en men sluit dezelve met het gebed; De Allerheiligste, en één Onze Vader en Wees yeyroet knielend te bidden, zonder iets meer.

Wanneer de Getijden gemeenschappelijk , in koor gebeden worden, zal dit staande geschieden, met uitzondering van het Wees yeyroet bij het begin , van het Heer , ontferm U onzer , enz., van het Onze Vader voor de Lessen, van de Antiphonen: Alma Redemptons, Ave Reyina caelorum en Salve Reyina, de oratiën niet daarbij gerekend, en van het Onze Vader, het Wees yeyroet en het Geloof na de Completen , welke knielend gebeden worden. Onder de Lessen gaat men zitten. Men zorge, om, zooveel mogelijk , eene volkomen overeenkomst in den toon der stem, zoomede om de poozen of rustpunten wel in acht te nemen. De Directrice van het koor geeft met haar boek een teeken, om het gebed; Open, o Heer, te beginnen.

Alle Zusters zullen gedurende de Octaaf van Allerzielen, en op eiken eersten Maandag van

-ocr page 125-

115

de maand, in plaats van de Metten, Lauden en Vespers van de Getijden van O. L. V., het eerste Nocturnum der Metten , en de Lauden en Vespers der Overledenen bidden, en zulks tot lafenis der zielen van de afgestorvene Zusters der Congregatie.

Wanneer eene Zuster komt te overlijden, zullen de Leden van het Huis, waar dezelve overleden is, in plaats van de Metten , Lauden en Vespers van de Getijden van 0. L. V., bidden het eerste Nocturnum der Metten, de Lauden en Vespers der Overledenen, tot lafenis van de ziel der afgestorvene, en zulks zoolang het lijk boven aarde staat.

Twintigste Hoofddeel.

Over de Meditatie en Contemplatie.

Art. 83.

Mediteeren is : zich eene waarheid herinneren en over die waarheid nadenken , maar op eene zoodanige wijze, dat de wil er ten goede door bewogen worde.

Alzoo , willen de Zusters mediteeren over de zonde der Engelen, dan herinneren zij zich, hoe

-ocr page 126-

116

zij de gehoorzaamheid aan hunnen Schepper weigerden, de genade verloren, en van het hoogste der Hemelen in de hel werden neergestort. Vervolgens moeten zij daarover met aandacht nadenken, zoodat zij beschaamd worden en zich vernederen , als zij vergelijken de menigvuldigheid harer zonden met de enkele zonde, die de Engelen bedreven; die enkele zonde was voldoende, om hen tot de hel te veroordeelen , wat haar moet doen besluilen, hoe menigmaal zij die zelfde straf verdiend hebben.

Om des te beter te mediteeren en des te spoediger en gemakkelijker te verkrijgen , wat men door de meditatie betracht, zullen de Zusters het volgende, zooveel mogelijk, nauwkeurig onderhouden.

Art. 84.

Om in die heilige oefening wel te slagen , is het volstrekt noodzakelijk , zich op dezelve voor te bereiden. Er zijn drie soorten van voorbereiding, die alle drie noodzakelijk zijn, te weten: de verwijderde voorbereiding, de nadere voorbereiding , en de onmiddellijke voorbereiding.

Verwijderde voorbereiding. — Deze bestaat in eene gedurige ingetogenheid, voortkomende uit het gedenken van de tegenwoordigheid Gods, en in de getrouwheid aan de voornemens , die men in de vorige meditatie heeft gemaakt. De

-ocr page 127-

117

oefeningen van deugden gedurende den dag kunnen beschouwd worden als een deel der verwijderde voorbereiding, dewijl zij bestemd zijn, om het vuur der volgende meditatie op te wekken.

Nadere voorbereidihg. — 's Avonds te voren moet men het voorwerp zijner meditatie vaststellen, hetzelve le/en en met aandacht overdenken, om het in een zeker getal punten te verdeelen. Het is God tenteeren , als men zich voor Hem vertoont, zonder te weten , waarover men met Hem gaat spreken.

Nadat men zich ter rust heelt begeven, en voordat men inslaapt, eenige oogenhlikken, b. v den tijd van een Wees yeyroet, besteden, om zich het uur te herinneren, wanneer men moet opstaan, en de voornaamste punten der meditatie, die men doen moet.

's Morgens uit zijnen geest verwijderen alle andere gedachte dan die der meditatie, en , om te beginnen met eene heilige en heilzame beschaming , zich deze vergelijking voorstellen : Hoe zoude een soldaat voor zijnen koning, in het midden van deszelf's hof, verschijnen; welke zouden zijne ongerustheid en zijne schaamte zijn, indien hij , na eene menigte weldaden van dien vorst te hebben genoten, overtuigd was , dat hij hem grovelijk had beleedigd ?

Op eenen anderen tijd , denkende aan de menigte zijner zonden, zich verbeelden, dat men

-ocr page 128-

118

geboeid is, om op hetzelfde oogenblik voor den Oppersten Rechter te worden gebracht, in denzelfden staat, waarin zich een misdadiger bevindt, die des doods schuldig is, als men hem, met ketenen beladen, voor de vierschaar brengt, die hem moet vonnissen. Doordrongen van deze en dergelijke gedachten , die betrekking hebben tot het voorwerp der meditatie, zich kleeden....

Onmiddellijke voorbereiding.— De H. Ignatius raadt aan , dat, eer men beginne te mediteeren, men eerst een of twee voetstappen verwijderd sta, dan ernstig denke; God ziet mij ! en, doordrongen van deze gedachte, eerbiedig op de knieën valle , en dadelijk beginne met het

Voorbereidend gebed. — Dit bestaat in God de genade te vragen, dat al de krachten en werkingen onzer ziel eeniglijk strekken tot zijne glorie en zijnen heiligen dienst.

I. Voorspel. — Men verbeeldt zich, naar gelang der waarheid , waarover men moet mediteeren , eene plaats, die dezelve als voor den geest brengt. Om dit beter te begrijpen , moet men in aanmerking nemen , dat elke meditatie een lichamelijk of geestelijk voorwerp tot stof heeft. Is het onderwerp der meditatie eene lichamelijke of zichtbare zaak, b. v. eene handeling van Jesus Christus, dan moet men zich eene plaats verbeelden , waar het Mysterie, waarover men gaat mediteeren, geschiedt, b v. den stal, waarin

-ocr page 129-

119

Onze Heer Jesus Christus is geboren, de groote en versierde zaal, waar Hij de voeten zijner Apostelen wascht, of den berg, waarop Hij geleden heeft; in een woord, al hetgeen eenige betrekking tot de meditatie heeft.

Die voorstelling van plaats helpt veel , om aandacht te houden en heilige bewegingen in het hart op te wekken, omdat, om zoo te spreken, daardoor de verbeelding aan eene bepaalde plaats wordt geboeid , en ten gevolge van dien de geest er zich ook niet gemakkelijk van kan verwijderen , of, verwijdert hij er zich van, een gemakkelijk middel heeft, om terug te komen , door zich de gesteldheid der plaats te herinneren, waar hij bij het begin geweest is. De H. Bona-ventura zegt hierover in de Voorrede zijner Meditatiën het volgende : « Verbeeld u , dat gij » zoo wezenlijk tegenwoordig zijt bij al de woor-»den en daden van Jesus Christus, alsof gij » dezelve met uwe ooren hoordet, en met uwe » oogen zaagt; leg er u op toe met al de ge-» negenheid van uw hart, met al de zorg van » uwen geest, heb er grooten smaak in, en laat » voor alsdan alle andere bekommering varen.quot;

Die soort van voorstelling van plaats geschiedt in de meditatie niet dan over zaken , die onder de zinnen vallen , dat is, die gezien of gehoord kunnen worden. Betrekkelijk de voorwerpen, die enkel verstandelijk zijn en uit hunnen aard

-ocr page 130-

120

niet onder de zinnen vallen, zooals de beschouwing der zonden en diergelijke, geschiedt de voorstelling van plaats, die in elke meditatie noodzakelijk is, op eene andere wijze. Bij voorbeeld , men kan zich verbeelden, dat de ziel in dit sterfelijk lichaam , als in eenen kerker , opgesloten is ; dat de mensch zelf een banneling is in dit dal van tranen en ellende, in hetwelk hij veroordeeld is te leven in het midden der stomste dieren.

Er is nochtans eene aanmerking te maken over de voorstelling van plaats, namelijk : dat men tot dezelve niet te veel tijd bestede, en zich hiermede niet vermoeie ; want het is niet hierin, dat de voornaamste vrucht der meditatie bestaat, het is slechts een middel om de ingetogenheid te bevorderen. Het is zeker, dat er personen zijn , wier verbeelding levendiger is, en die hiermede zeer gemakkelijk te werk gaan; zij, die zulks zoo gemakkelijk niet kunnen , moeten zich er niet te veel mede plagen, want zij zouden daardoor den goeden uitslag der meditatie beletten.

II. Voorspel. — Men vraagt aan God, wat men betrekkelijk het voorwerp der meditatie verlangt. Bij voorbeeld, moet men over de Verrijzenis Onzes Heeren mediteeren, dan vrage men een gevoel van geestelijke blijdschap. Of is het Lijden het voorwerp der meditatie, dan vrage

-ocr page 131-

121

men droefheid , tranen , om zich te vereenigen met de smarten van Jesus. In de meditatie over de zonden moet men beschaamdheid en berouw vragen , ziende dat zoovele duizenden menschen om ééne enkele doodzonde verloren gaan. Het voorbereidend gebed blijft hetzelfde voor alle meditatiën; maar de voorspelen verschillen volgens de verscheidenheid der onderwerpen.

Houding des lichaams. — Na die voorafgaande zaken zal men de meditatie beginnen, of ter aarde liggende, of staande, of zittende, of in elke andere houding, waarin men denkt des te gemakkelijker de gevoelens en bewegingen te kunnen opwekken, die men in zijn hart verlangt voort te brengen.

Art. 85.

Gedurende de meditatie moet men zich minder toeleggen om veel te denken, dan om de waarheid , waarover men mediteert, wel te begrijpen en inwendig te smaken. Het is niet de uitgestrektheid der kennissen , en de diepzinnigheid der opmerkingen , maar het is het gevoel, het is de inwendige smaak, die de ziel verzadigt, en hare wenschen vervult. Aldus, indien eene gedachte ons treft, en in ons gevoelens van godsvrucht opwekt, moeten wij bij dezelve blijven stilstaan , zonder ons te bekommeren om verder te denken.

-ocr page 132-

122

Het is van zeer veel belang te zorgen, dat men zich niet vermoeie door eene al te groote inspanning van geest, die niet zonder gevaar zoude zijn , hetzij ten tijde van de dorheid , alswanneer de ziel grootere pogingen doet, om tegen den stroom op te varen , hetzij ten tijde van den troost, in denwelken zij, om zoo te spreken , den wind in het zeil heeft.

Het geweld , dat men zich aandoet, mag niet lang duren , en zoude een hinderpaal voor den goeden uitslag der meditatie zijn. Daarenboven, de wezenlijke vrucht, die men moet zoeken, is de kennis der waarheden en de beweging van den wil , en de eene en de andere spruiten voort uit het inwendige licht, en niet uit die hevige inspanning of uit die gedwongen tranen. Eindelijk , ofschoon het gebed onze medewerking vereischt, hangt het nochtans meer van God af, en het is eene gave zijner Barmhartigheid. De ziel moet dus zich eerder tot hetzelve voorbereiden door de nederigheid en de zuiverheid , dan door te steunen op de voorbereiding en op de zorg zelve.

Troost — Wordt men gemakkelijkheid en troost gewaar, dan moet men twee zaken in acht nemen :

1. Zorgen, dat het gevoel van troost niet voorbijga, zonder dat men er al de vrucht uit hebbe getrokken, die het moet voortbrengen.

-ocr page 133-

123

Die vertroostingen moeten gestierd worden naar de verbetering onzer zeden en de verkrijging der deugden ; want er staat geschreven : cc Niet » zij, die de wet hooren , maar die dezelve in ■» oefeninq brem/en, zullen qerechtvaardind wor-vden.quot; (Rom. II. 13)

2. Geen ijdel welbehagen, maar liever een gevoel van nederigheid hebben. Denken wij dan, hoe zwak en laf wij zullen zijn ten tijde der mistroostigheid en dorheid , opdat, wanneer wij daarvan worden overvallen, wij manmoedig staan blijven De godvruchtige Thomas a Kempis zegt hierover zeer juist het volgende: cc Als God u » eenigen geestelijken troost schenkt, neem dien » dan met dank aan ; maar erken, dat deze eene »gave van God, en niet de belooning uwer »verdiensten is. Wacht u wel van u te ver-» heffen ; wacht u van er eene groote blijdschap »en eene ijdele vermetelheid over te toooen. » Dat die gave u nederiger, omzichtiger en vromer » in al uwe handelingen make; want dat oogen-» blik zal voorbijgaan , en dan zal de bekoring »komen quot; (Navolg. II. B. IX. H.)

Dorheden en Mistroostigheden. — De tijd der meditatie loopt snel heen, als men de hemelsche vertroostingen smaakt; maar hij schijnt lang aan eene ziel, die in mistroostigheid is gedompeld en ter prooi is aan dorheid. Het is evenzoo gemakkelijk in den eersten toestand als moeilijk

-ocr page 134-

124

in den tweeden, om den bepaalden tijd met de meditatie door te brengen. Ten tijde van bekoring en dorheid moet men de verveling en walging bestrijden, en dat is grootmoedig ; in plaats van in zulk geval den lijd der meditatie te verkorten, moet men liever dezelve langer dan naar gewoonte maken Dat is het middel, om niet slechts den vijand te wederstaan, maar om hem aan te vallen en te overwinnen. Heeft men dus den smaak en het gevoel der genade verloren , de genade zelve heeft men toch behouden , die ons zeker veel noodzakelijker is. God en zijne genade blijven steeds bij ons, om ons te ondersteunen en te versterken , en de bezoeking des Hemels en de troost zullen weldra tot ons terugkomen.

Ziet hier, overigens, drie nuttige raadgevingen voor die moeilijke oogenblikken : 1. Onderhoudt met meer zorg en oplettendheid al de regelen en raadgevingen , welke strekken om den goeden uitslag der meditatie gemakkelijker te maken. Onderzoekt u , hoe gij die regelen onderhoudt, om te verbeteren wat gebrekkig is 2. Houdt u overtuigd , dat, indien gij met moed , geloof en betrouwen aan de deur der Goddelijke Barmhartigheid blijft kloppen , het niet mogelijk is, dat dezelve gesloten blijve, volgens dat er geschreven staat: « Sfelt de Heer uit te komen, » verwacht Hem toch ; want Hij zal zekerlijk

-ocr page 135-

» komen en niet vertoeven. quot; (Habac. II 3.) 3 Eindelijk , heeft men alles gedaan , wat men kan , dan moet men hel overige aan den wil en de goedheid van God overlaten , en gelooven , dat Hij de dorheid slechts toelaat, omdat dezelve ons voordeelig is. Dat gevoel van nederigheid en onderwerping is dikwijls het krachtdadigste middel, om (iod te bewegen, dat Hij ons de genade schenke van goed te bidden.

Samenspraken. — Men zal de meditatie eindigen met eene of meer samenspraketi : in deze handelt de mensch met (iod , als een zoon met zijnen vader ; dan wederom als een dienstknecht met zijnen heer, als een vriend met zijnen vriend, of als een schuldige met zijnen rechter; nu smeekt hij eenige weldaad af, of bedankt God, omdat hij dezelve heeft ontvangen; dan wederom verkeert hij gemeenzaam met God , en openbaart hij Hem zijoe gevoelens, of iets bijzonders, wat hem kwelt, waarover hij raad of hulp vraagt, enz.

Die samenspraken geschieden met God den Vader, of met Onzen Heer Jesus Christus, of met de H. Maagd, of somtijds met alle drie achtervolgens ; men sluit dezelve, naar gelang met wien men gesproken heeft, öf met een Wees gegroet, of met een Onze Vader, of met een ander gebed.

Betrekkelijk de samenspraken zijn er drie aanmerkingen te maken: l. Ofschoon de samen-

-ocr page 136-

126

spraak gewoonlijk de meditatie sluit, kan nochtans ieder, volgens zijne devotie, er eene houden bij het begin of in het midden der meditatie, en dikwijls trekt men daaruit veel nut; doorgaans geschiedt dezelve bij het einde, omdat de ziel alsdan door de overdenkingen , die vooraf gegaan zijn , nader bij God is.

De nuttigste samenspraken zijn die, welke van zelf geschieden ten gevolge der verschillende gemoedsbewegingen, die men gewaar wordt.

2. Als men, in de samenspraken , zich met den Heer bezighoudt, moet men zulks met meer eerbied doen, dan wanneer het verstand alleen werkt, om het onderwerp te verstaan.

3. Ais de samenspraak met Jesus geschiedt, om Hem te smeeken, dat Hij van zijnen Vader de vruchten der meditatie verkrijge, wordt Hij beschouwd als Mensch, als Middelaar, Voorspreker en Beschermer.

Voornemens. — Men moét nimmer de meditatie eindigen , zonder een of meer werkstellige voornemens te maken, welke strekken om voortgang te doen in de deugd , en nog dien zelfden dag geoefend kunnen worden.

Opdracht der voornemens. — Men draagt vervolgens zijne voornemens aan God op , smeekt Hem die te zegenen , en vraagt, om hieraan getrouw te zijn, de hulp van de H. Maagd, van den H. Engelbewaarder en van zijne HH. Patronen.

-ocr page 137-

127

Geestelijke ruiker — Het is ook zeer nuttig bij het einde der meditatie te doen , wat de H. Franciscus van Sales den Geestelijken Ruiker noemt, en waarvan hij het gebruik in deze bewoordingen leert ; « Zij , die in eenen schoonen » tuin hebben gewandeld, verlaten denzelven » niet gaarne , zonder vier of vijf bloemen mede » te nemen, om die door den dag te bewaren » en daaraan te rieken ; zoo ook, als onze geest » in de meditatie eenig Mysterie heeft doorloopen, » moeten wij eene, twee of drie gedachten kiezen, » in welke wij den meesten smaak hadden , en » die het nuttigste voor onzen voortgang zijn , » om daaraan het overige van den dag te denken, » en op eene geestelijke wijze genot te hebben » van derzelver goeden geur.quot;

Het is niet noodig bij elke meditatie den geestelijken ruiker te veranderen; ééne gedachte, waarin men smaak heeft, kan verscheidene dagen, weken, ja zelfs maanden lang, duren.

Art. 86.

Als de meditatie geëindigd is, besteedt men eenige oogenblikken , om na te gaan , op welke wijze men dezelve gedaan heeft. Is zij niet goed uitgevallen, dan spoort men daarvan met droefheid de oorzaak op, en men belooft zich te zullen beteren Heeft men reden om er over voldaan te zijn , dan bedankt men den Heer.

-ocr page 138-

128

Art. 87.

In de Contemplatie of wijze van mediteeren over voorwerpen , die onder de zinnen vallen , en waarvan de Mysteriën Onzes Heeren het gewone voorwerp uitmaken , beschouwt men personen , hoort men woorden aan, overweegt men handelingen, waaruit men eenige vrucht voor zijne ziel zoekt te trekken.

Men moet hierbij hetzelfde in acht nemen als vóór de meditatie; alleenlijk voegt men er een voorspel bij. Alzoo, in de meditatie is het eerste voorspel de voorstelling van plaats; in de contemplatie plaatst men, na het voorbereidend gebed , en vóór de voorstelling van plaats, eene soort van verbeelding van de geschiedenis of van het Mysterie, dat men gaat overwegen. Men meene echter niet, dat men alsdan reeds het Mysterie moet overwegen; want dan zou het voorspel van de overweging zelve niet verschillen ; alleenlijk moet men, in dit eerste voorspel, zich de geschiedenis te zamen genomen , en als geheel, onder één gezichtspunt, voorstellen, opdat men het onderwerp, waarover men gaat nadenken , leere kennen , en de ziel beginne er zich op voor te bereiden en zich te verheffen; het is niet dan later, gedurende de contemplatie zelve, dat zij stil blijft staan bij elk der dee-len, om die te doorgronden en te doordringen.

-ocr page 139-

129

Immers, als men zijne oogen slaat op eene schilderij, die verschillende voorwerpen voorstelt, ziet men die bij den eersten oogslag door elkaar, zoodanig, dat men toch weet, wat de schilderij verbeeldt; maar het is niet dan later, als men zijne oogen vestigt op ieder voorwerp in het bijzonder, dat men het een na het ander met meer zorg en oplettendheid onderzoekt.

In het tweede voorspel, verbeeldt men zich de plaats , waar het Mysterie is geschied.

Het derde bestaat in den Heer te vragen, wat men verlangt, overeenkomstig het Mysterie, dat men overweegt.

Art. 88.

Gedurende de contemplatie beschouwt men: 1. de personen, met hun goed en kwaad; 2. de in- of uitwendige woorden ; en 3. de loffelijke of laakbare handelingen, opklimmende tot de oorzaak , om er des te meer nut uit te trekken.

Uit elk dier punten tracht men eenig geestelijk voordeel te trekken, door tot zijn binnenste terug te keeren.

Men past op zich de bemerkingen toe, die men over de verschillende voorwerpen maakt, om daarin stof tot stichting en onderrichting te vinden. Men kan ook beschouwen de wijze, waarop de Mysteriën zijn geschied, hun doel, hunne oorzaak en gevolgen, het tijdstip en de

9

-ocr page 140-

130

andere omstandigheden , die geschikt zijn , om het onderwerp der meditatie vruchtbaarder , en de vrucht overvloediger te maken. In de Mysteriën van het Lijden voegt men bij de drie punten, waarbij men de personen, de woorden, de handelingen beschouwt, nog drie andere:

1. Wat Onze Heer Jesus Christus in zijne Menschheid lijdt of begint te lijden. 2. Hoe zijne Godheid zich verbergt, en hare vijanden laat handelen en spaart; en 3. Wat men moet doen of lijden voor eenen Meester, welken onze zonden tot eenen dusdanigen staat hebben gebracht.

In het Mysterie der Verrijzenis, voegt men er slechts twee bij : 1. Hoe de Godheid in het voorgestelde Mysterie uitschijnt; en 2. Met welk eene goedheid Onze Heer Jesus Christus zijne discipelen troost.

De gewone verdeeling der drie punten, die de Contemplatie uitmaken , is: de personen te beschouwen , de woorden aan te hooien , en de handelingen na te gaan. De punten, die men in de Mysteriën van het Lijden of van de Verrijzenis er bijvoegt, moeten niet worden gescheiden van de drie eerste, maar met deze vereenigd blijven , volgens dat de bemerkingen medebrengen. Men is niet zoo streng gehouden om de orde der drie voornaamste punten in acht te nemen, zoodat men het eene vóór het andere mag stellen, als men zulks gemakkelijker en

-ocr page 141-

131

voordeeliger vindt. Indien het gebeurde, dat men het onderwerp beter konde overwegen, zonder het te verdeelen , mag zulks plaats hebben.

Men eindigt met ééne ot' meer samenspraken, waarop het Onze Vader of een ander gebed volgt. Het overige als in de meditatie.

Art. 89.

De gebeden vóór en na de meditatie zullen geschieden, gelijk zij hier volgen; echter is men aan dezelve niet gehouden , wanneer men de meditatie afzonderlijk verricht.

Gebed vóór de meditatie. Almachtiye, eeuwiye God! God van grootheid en liefde, ik ben niet waardig , om mijne knieën voor TJ te huigen , veel minder om met ü te spreken en mijn hart aan V te openharen. Gij zijt hier wezenlijk en waarachtig tegenwoordig ; dit erken ik, en ik belijd tevens, dat ik zonder Lt niets kan, niets vermag. Als kind kom ik tot Z7, mijn? besten en liefderijken Yader, in eenvoudigheid des harten biddende, dat alle gedachten en bewegingen van mijn hart, en alle werkingen van mijne ziel, zuiver en ten volle strekken tot den dienst en de glorie van uwe Goddelijke Majesteit. Verlicht mijn verstand, om uwe Goddelijke waarheden te kennen, en beweeg door uwe genade mijnen wil, om volgens die waarheden mijn leven in te richten. — Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 142-

132

Gebed isa de meditatie. Ik offer U op. mijn God ! alle heilige gedachten , goede bewegingen en voornemens, die Gij ü gewaardigd hebt mij te geven , tot uwe meerdere glorie en tot zaligheid mijner ziel ; ik stel die in uwe heilige handen, opdat zij aldaar eeuwig bewaard blijven, en dezelve nimmer uit mijn geheugen gaan. Ik draag U ook op mijne ziel en mijn lichaam, en al de krachten der zelve; en beloof die te zullen gebruiken tot hetgene ik in deze meditatie mij voorgenomen heb te zullen doen.

Heere ! geef mij de noodige genade, om die !i1 roorneTnens getrouwelijk uit te voeren.

Allerheiligste Maagd, mijne lieve Moeder, mijn heilige Engelbewaarder, mijne heilige Patronen, weest mijne Voorsprekers bij God, en verwerft voor mij , dat ik deel hebbe in al de aanbiddingen, die Gij doet voor den troon des Aller hoog sten, opdat ik, na dit sterfelijk leven, Hem met IJ moge loven, aanbidden, dienen en beminnen in alle eeuwigheid. Amen. Onze Vader. Wees gegroet

-ocr page 143-

133

Een en twintigste Hoofddeel.

OVEB HET BIDDEN VAN HET ANGELUS DOMINI.

Art. 90.

Het godsdienstig gebruik om driemaal daags , namelijk : 's morgens , 's middags en 's avonds , tot het bidden van het Angelus Domini de klok te luiden , is eene gewoonte, die sedert vele eeuwen in de Christenheid is ingevoerd

Het voornaamste oogmerk der H. Kerk bij de invoering van het Angelus Domini is ; om met aandacht en dankbaarheid zich de Menschwor-ding van Gods Zoon te herinneren ; dat groote Mysterie, waardoor onze Verlossing geschiedde; een Mysterie der Goddelijke Liefde tot ons, waarvoor wij Hem nooit genoeg erkentenis en dankbaarheid kunnen bewijzen.

Bij de overweging van de drie punten, waaruit het Angelus Domini bestaat, heeft de H. Kerk gevoegd drie Wees gegroet, om ons tevens te doen gedenken het deel, dat de H. Maagd Maria aan de Menschwording van Christus gehad heeft, en ons aan te sporen, om Haar aan te roepen, ten einde, door hare voorspraak , de vruchten der Menschwording van Christus te mogen genieten.

-ocr page 144-

134

De Zusters behooren bij zich het doel, dat de H. Kerk bij dit gebed zich voorstelt, dikwijls te overwegen, vooral dan, wanneer zij hetzelve zullen bidden.

Art. 91.

Z. H. Paus Benedictus XIV heeft vastgesteld, dat het Angelus Domini 's Zaterdags 's avonds , 's Zondags den geheelen dag, zoomede 's Zaterdags 's middags in de Vasten, wanneer de Vespers vóór den middag worden gebeden, staande moet worden verricht; — dat van 's Zaterdags 's middags vóór Paschen tot de Vespers van den Zaterdag vóór H. Drievuldigheidszondag, in plaats van het Angelus Domini, het Reg in a Coeli, enz., altijd staande, en het Angelus Domini, op de andere tijden van het jaar, geknield moet worden gebeden.

Om deelachtig te worden aan de Aflaten, moeten de Zusters zich stipt naar het bovenstaande gedragen, en het Angelus Domini bidden op het luiden der klok, wanneer zij in de gelegenheid zijn, om die te hooren.

De Oversten zullen zorgen , dat de Z,usters , door een te voren te geven teeken , in de eetzaal , zooveel mogelijk , vergaderd zijn, om het Angelus Domini 's middags te bidden, ten einde men de gebeden vóór het eten onmiddellijk op hetzelve kunne laten volgen.

-ocr page 145-

135

Twee en twintigste Hoofddeel.

Over het H. Sacrificie der Mis.

Art. 92.

Het hij wonen van het H. Sacrificie der Mis is, volgens de uitdrukking van den H. Franciscus van Sales, de zon der devotiën. Het is daarom, dat de Zusters hoog moeten schatten het onwaardeerbare voorrecht, dat zij hebben van dagelijks dit aanbiddelijk Sacrificie te kunnen bijwonen, dat niets anders is dan de voortduring van de Offerande van het kruis. Het is, volgens de H. Kerkvergadering van Trente^ hetzelfde Slachtoffer, dat op den Kalvarieberg is opgedragen; dezelfde Verlosser, die zich op het kruis opofferde, offert zich nog dagelijks op door de hand des priesters; Jesus maakt ons daar deelachtig aan de genaden, die Hij voor ons door zijnen dood heeft verworven.

Hieruit blijkt genoegzaam, zegt die zelfde Kerkvergadering, welk eene zorg wij moeten aanwenden, om met de meest mogelijke inwendige reinheid van hart en uitwendige godsvrucht bij dit zoo heilige en Goddelijke werk tegenwoordig te wezen, dat voor de Zusters het gunstige oogen-blik is, om met Jesus haren Bruidegom over de

-ocr page 146-

136

groote zaak der zaligheid te handelen, de deugden van haren staat af te smeeken , en de genaden te vragen, die haar noodig zijn, om dezelve te verkrijgen.

Akt. 93.

De Zusters kunnen, onder het H. Sacrificie der Mis , zich bedienen van verschillende gebeden, die daartoe in de kerkboeken worden aangetroffen , of van de volgende manier van Mis hooren bij wijze van meditatie, die het meest met den geest der H. Kerk overeenkomt.

Art. 94.

De Zusters moeten zich vereenigen met de intentie van den priester, die het H. Sacrificie moet opdragen, om te voldoen voor de vier schuldige plichten , die wij bij God hebben , en die, volgens den H. Thomas, de volgende zijn :

De eerste is, van de oneindige Majesteit van God te loven en te aanbidden; de tweede, van te voldoen voor onze zonden; de derde, van Hem te danken voor al de weldaden, die wij ontvangen hebben; de vierde, van Hem te smeeken als de Bron en den Gever van alle genaden.

Als derhalve de Zusters bij de H. Mis tegenwoordig zijn, vervullen zij eenigerwijze de bediening van priester; zij moeten zich dus, zooveel mogelijk, toeleggen, om die vier einden te over-

-ocr page 147-

137

denken , hetgeen haar gemakkelijk zal zijn , als zij gebruik maken van het volgende.

Art. 95.

Als de H. Mis eenen aanvang neemt, en de priester, zich vernederende aan den voet des altaars, het Confiteor bidt, moeten zij zich opwekken tot een leedwezen over hare zonden, en God nederig om vergeving vragen. Hierna vragen zij den bijstand van den H. Geest en van de H. Maagd, om de H. Mis met den meest mogelijken eerbied en devotie bij te wonen. Vervolgens moeten zij de Mis in vier deelen afdeelen , om zich des te beter te kwijten van de vier schulden, waarvan boven gesproken is, en die tevens de vier einden zijn , waartoe God dat aanbiddelijk Sacrificie heeft ingesteld.

Art. 96.

In het eerste deel , van het begin tot het Evangelie, moeten zij zich kwijten van de eerste schuld, welke bestaat in Gods Majesteit, die oneindigen lof en eer waardig is , te aanbidden en te loven.

Te dien einde moeten zij zich met Jesus Christus vernederen, in haar niet nederzinken, oprecht belijden, dat zij onwaardig zijn voor die onmetelijke Majesteit te verschijnen; en zoo vernederd van geest en van lichaam, (want men moet

-ocr page 148-

138

altijd in de eerbiedigste en zedigste houding de H. Mis bijwonen,) zullen zij God aanbidden en loven door gedachten of woorden, die de devotie haar zal ingeven, of die zij in een kerkboek zullen bidden.

In het tweede deel, van het Evangelie tot aan de Elevatie, zullen zij eenen oogslag op hare zonden werpen , en zich diep voor God verootmoedigen bij het zien der schuld, die zij bij de Goddelijke Rechtvaardigheid te betalen hebben, waarna zij eenen vrijen loop geven aan de bewegingen van haar hart, en Jesus uit den grond harer ziel smeeken om de tranen van Petrus, het berouw van Maria Magdalena en de droefheid van alle Heiligen , die van zondaars ware boet-vaardigen zijn geworden , en om , door de verdiensten van dit H. Sacrificie, hare fouten volkomen uit te wisschen.

In het derde deel, dat is: van de Elevatie tot de Communie, moeten zij beschouwen , met hoevele en hoe groote weldaden zij boven anderen overladen zijn geworden , en daarvoor aan God wedergeven eene offerande van oneindige waarde , te weten , het kostbaar Lichaam en Bloed van Jesus; zij noodigen de Engelen en Heiligen des Hemels uit, om God voor haar te danken, zich bedienende van de woorden , die hare devotie haar ingeeft.

In het vierde deel, van de Communie tot het

-ocr page 149-

139

einde der Mis, als de priester wezenlijk het Lichaam en Bloed van Jesus nuttigt, moeten zij op de volgende manier eene geestelijke Communie doen

Met eene diepe ingetogenheid moeten zij eene akte van waar berouw verwekken, en op hare borst slaan , om te toonen , dat zij eene zoo groote gunst onwaardig zijn , en al de akten van liefde , van offerande , van ootmoedigheid , enz., doen, die zij gewoon zijn te bidden, als zij tot de H. Tafel naderen ; hierbij moeten zij voegen een allervurigst verlangen, om Jesus Christus te ontvangen , die zich voor ons onder de gedaanten van brood en wijn heeft willen verbergen; en om hare devotie op te wekken , moeten zij zich verbeelden, dat de H. Maagd Maria, of de H. Vincentius a Paula, of de Heilige , wier naam zij dragen , haar de heilige Hostie komt aanbieden, en dat zij die wezenlijk ontvangen, waarna zij , Jesus innig met haar hart vereenigd houdende, herhaaldelijk zullen zeggen: «Kom, mijn Jesus, de liefde en het leven mijner ziel, kom in dat arm hart, kom en vervul mijne wenschen , kom en heilig mijne ziel, kom , zoete Jesus , kom.quot;

Vervolgens moeten zij zich overtuigen, dat haar Goddelijke Meester haar verlangen vervult, door zich in haar hart te plaatsen; zij moeten zich alsdan opwekken tot een groot betrouwen ,

-ocr page 150-

140

en met vurigheid en eene diepe nederigheid vragen, wa*; zij verlangen of noodig hebben voor zich, voor diegenen, welke aan hare zorgen zijn toevertrouwd, en voor alle personen, in wie zij belang stellen.

Art. 97.

Als de Mis geëindigd is, moeten zij eene korte oefening van dankzegging doen, en de kapel verlaten, zich voorstellende, dat zij den berg van Kalvarië afgaan.

Eene Mis, op die wijze gehoord, kan niet dan groote vruchten voortbrengen.

Drie en twintigste Hoofddeel.

Over het onderzoek van het geweten.

Art. 98.

Alle personen, die hunnen geestelijken voortgang nauw ter harte nemen, erkennen, dat, indien de meditatie noodzakelijk is voor degenen , die Jesus willen leeren kennen en beminnen , het onderzoek des gewetens eveneens een machtig middel is, om dat dubbel doel te bereiken. Inderdaad , het is hierdoor, dat het hart meer en

-ocr page 151-

141

meer van zijne kwade neigingen wordt gezuiverd, en bekwaam wordt, om het verborgen manna te smaken, dat het leven en de leer des Zaligmakers aan de zielen , die goed voorbereid zijn, zoo overvloediglijk aanbieden

Een ieder weet, en de dagelijksche ondervinding bevestigt, dat onze natuur, verdorven door de zonde van onzen eersten vader, een dorre grond is, die, uit zich zeiven, niets dan distelen en doornen voortbrengt; van den eenen kant groeien de zaden van het goed in denzelven niet dan door aanhoudenden en zwaren arbeid op ; en van den anderen kant brengen de kiemen der ondeugd onophoudelijk takken des doods voort, als men verzuimt die af te snijden , te besnoeien en onophoudelijk te werken : cc Ik » ben, zegt de Wijze Man, door het veld des » luiaards en door den wijngaard des dwazen » yeyaan , en alles was vol distelen ; alles was » in denzelven overdekt met doornen, en de droge » muur was omvergeworpenquot; Het geweten van hen, die zich niet onderzoeken, is een wijngaard, die onbebouwd ligt, en vol wordt van distelen en doornen , omdat men er niets aan doet.

Het veelvuldig onderzoek van het geweten, dat zoo noodzakelijk is voor den voortgang in de deugd, is zulks ook voor onze zekerheid : «Zijt te allen tijde bereid, zegt de Heer, » want gij weet noch den dag, noch het uur,

-ocr page 152-

142

»waarop de Zoon des menschen zal komenquot; Edoch, welk een krachtdadiger middel, om altijd gereed te zijn, is er toch, dan dagelijks met zijnen Meester af te rekenen ? Op die wijze worden de schulden niet groot; want zoodra zijn dezelve niet gemaakt, of men lost die af, door den Heer een oprecht leedwezen aan te bieden, het welk steunt op de verdiensten van zijnen Goddelijken Zoon, en vol van betrouwen is op zijne Barmhartigheden.

Het is waar, dat de personen, die bezorgd zijn om hunne ziel in eenen goeden staat te houden, de heilige gewoonte hebben van dikwijls tot het H. Sacrament der Biecht te naderen; maar behalve dat de tijd van de eene biecht tot de andere nooit zoo kort kan zijn, of de ziel heeft den tijd, om eenigermate bevlekt te worden, is het daarenboven blijkbaar, dat het noodzakelijk is, zich dik wijier te onderzoeken dan onmiddellijk voordat men tot de H. Biecht nadert, wil men uit dezelve al de vruchten van zaligheid trekken , die er in zijn opgesloten.

Art. 99,

De H. Ignatius beveelt twee soorten van onderzoek aan, te weten: het bijzonder en het algemeen. Het bijzonder onderzoek wordt aldus genoemd, omdat het over eene bijzondere stof loopt; het

-ocr page 153-

143

algemeen onderzoek geschiedt over al de fouten, die men door den dag met gedachtep, woorden en werken gedaan heeft; men noemt het algemeen , omdat het alle zaken omvat.

Art. 100.

In dit bijzonder onderzoek zijn twee zaken aan te merken : de eene, waarover het moet geschieden ; de andere, hoe het moet geschieden.

Ter wereld komende, brengen wij allen het zaad van alle driften mede; maar in ieder onzer is er doorgaans eene, die heerschender is dan de andere, die als derzelver oorzaak en wortel is, en den grond van ons aanzijn uitmaakt

Indien men in zich meer van die heerschende fouten ontdekt, is het goed er eene uit te kippen, om deze met alle zorg uit te roeien , en later , na dezelve overwonnen of merkelijk verzwakt te hebben, eene andere aan te vallen, en zoo voorts. Men moet bij elke de krachtdadigste pogingen in het werk stellen.

Dit is het doel van het bijzonder onderzoek , welks onderhouding het geheele leven lang moet duren , als men waarlijk aan zijne volmaking wil werken.

Het onderwerp van het bijzonder onderzoek gekozen zijnde, is het zeer goed niet in het algemeen te beschouwen de verkrijging der deugd of de uitroeiing der ondeugd , die men zich

-ocr page 154-

144

voorstelt; men moet zijne stof in verscbilletide punten verdeelen; op die wijze komt men tot meer bijzonderheden, en zal men gemakkelijker bekomen, wat men verlangt. Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken. Wil men dus de uitgestortheid, die onverzoenlijke vijandin van alle grondige deugd, overwinnen, dan zoude men, om te beginnen, deze drie punten kunnen nemen: 1. Heb ik gesproken, zonder na te denken wat ik zegde ? — 2. Heb ik toegegeven aan die nieuwsgierigheid, die alles wil zien, hooren en weten ? — 3. Heb ik mij , buiten noodzakelijkheid , bemoeid met eens anders zaken ?.....

Heeft men eenige gemakkelijkheid verkregen van zich in die drie punten te overwinnen, dan kan men zich toeleggen op de drie volgende :

1. Heb ik het verlies van tijd, de nuttelooze gesprekken zorgvuldig vermeden ? — 2. Heb ik uit mijnen geest verbannen alle herinnering , gedachte of plan, dat niet gelijkvormig was aan den Wil Gods? — 3. Heb ik getracht altijd met eenige goede gedachten bezig te zijn, mij in de tegenwoordigheid Gods te houden, schietgebeden te doen 1....

Het voorbeeld , welk gaat volgen, kan dienen voor de meer inwendige en gevorderde personen; het is toegepast op de deugd van nederigheid

1. Zich niet verontschuldigen, als men berispt wordt, of eenig verwijt krijgt, onaangezien wie

-ocr page 155-

145

het doe. — 2. Alle barsche en trotsche manieren vermijden, jegens wien het ook zij, en nimmer, ten opzichte van zich zeiven, op eenige beleefdheid of oplettendheid gesteld zijn. — 3 Niet van zich zeiven spreken, noch goed noch kwaad, of anderen onderhouden over hetgeen ons aangaat of bekommert. De drie volgende punten kunnen dienen , als men genoegzaam op de andere gewerkt heeft.

1. Nimmer degenen beoordeelen, met wier leiding men niet belast is ; maar zorgvuldiglijk de eerste gedachte , die te hunnen nadeele is , verwijderen , om aanstonds de oogen te werpen op zijne eigene ellende. — 2. Alle gedachte van ijdelheid verzetten, zich niet inwendig verschoo-nen, met zich zeiven geen medelijden hebben. — 3. Niet twisten, maar voor elkander, bij elke gelegenheid, zwichten.

Die twee voorbeelden zijn voldoende, om te doen begrijpen, hoe men de stof van het bijzonder onderzoek moet verdeelen. Om hetzelve ordelijk te doen, zal men de volgende manier onderhouden :

's Morgens moet men, zoodra men opgestaan is, zich het onderwerp herinneren , waarover u en besloten heeft het bijzonder onderzoek te doen, en het vaste en edelmoedige besluit maken, om geene gelegenheid te laten voorbijgaan van te strijden en te overwinnen, zooveel mogelijk

10

-ocr page 156-

146

voorziende, welke die gelegenheden kannen zijn, ten einde er zich op voor te bereiden.

Wanneer men het bijzonder onderzoek begint, moet men, na zich in de tegenwoordigheid Gods gesteld te hebben , de vijf volgende punten in

acht nemen:

1. God bedanken over de weldaden, die wij van Hem hebben ontvangen ; in het kort in ons geheugen terugroepende die, welke het geschiktste zijn , om onze dankbaarheid op te wekken ; die eerste oefening stemt het hart tot leedwezen.

2. Met vurigheid den bijstand van God afsmee-ken, om zijne fouten te kennen en te verfoeien.

3. Zorgvuldig zijne gedachten , woorden en werken, met betrekking tot de stof van het bijzonder onderzoek, nagaan; al de uren, die tus-schen het een en ander bijzonder onderzoek verloopen zijn, achtereenvolgens nadenken, en in zijn geheugen prenten, of, hetgeen nog beter is, op een klein lijstje, waarvan wij aan het slot dezes een model geven , zoovele punten aantee-kenen , als men fouten begaan heeft.

4. Zich zeiven opwekken tot de verfoeiing der begane fouten . God er vergeving over vragen , en zich, in den geest van boetvaardigheid, ééne of meer oefeningen der tegenovergestelde deugd opleggen Het is goed, dat die oefeningen eenigs-zins hard vallen, vooral aan de eigenliefde, opdat dezelve de fouten zouden herstellen; want

-ocr page 157-

147

als men zich wil verbeteren, moet men geene enkele fout ongestraft laten.

5. Een nieuw besluit maken, om, met meer ijver, de uitroeiing der ondeugd of de verkrijging der deugd, die het onderwerp van het onderzoek is, voort te zetten.

Men zal eindigen met het bidden van het Onze Vader of eenig ander gebed. Om de vrucht van het bij/onder onderzoek te verzekeren, zal men:

1. In den loop van den dag, telken male als men het ongeluk gehad heeft de fout te begaan, die men besloten had te vermijden, eene verheffing des harten tot God doen, om te betuigen, dat zij ons leed doet Dit kan onopgemerkt geschieden.

2. Na het onderzoek zal men eene vergelijking maken, tusschen den dag van heden en gisteren, tusschen de tegenwoordige en verledene week, om te zien, of men begint zich te beteren

3 Het voorwerp van het onderzoek niet veranderen , nemende vandaag deze en morgen eene andere zaak ; maar blijven arbeiden, totdat de fout geheel uitgeroeid is , en eerst dan moet men tot een ander voorwerp overgaan.

In de figuur, die hier volgt, moet men in aanmerking nemen, dat de regel van den eersten dag meer punten bevat, dan die van de volgende dagen : alzoo is het zeer juist, dat, van dag tot dag, het getal der fouten vermindere, en dat men eindelijk eindige met zich geheel en al te verbeteren.

-ocr page 158-

148

Lijstje voor het hijzonder onderzoek.

Zondag ..............

Maandag ............

Dinsdag ..........

Woensdag . . ....

Donderdag.....

Vrijdag ....

Zaterdag . . .

Art. 101.

Het algemeen onderzoek moet eiken avond geschieden over al de fouten, die men, in den loop van den dag, begaan heeft door gedachten, woorden, werken en verzuimenissen. Het wordt verdeeld in vijf punten, die dezelfde zijn als in het bijzonder onderzoek Het is niet noodzakelijk, dat men het getal fouten aanteekene, waaraan men zich schuldig kent; maar men moet nooit ter rust gaan,, zonder dezelve, zooveel mogelijk, door een oprecht leedwezen te hebben uitgewischt. Aldus doende, zal men zijn hart altijd zuiver houden, altijd in staat zijn om goede en heilzame biechten te doen, en altijd gereed zijn, om voor God te verschijnen, indien het Hem behaagde ons onverwachts tot zich te roepen.

De gebeden van dankzegging, enz., welke men bij het bijzonder of algemeen onderzoek behoort te doen, zullen op de volgende wijze geschieden , zonder echter hieraan gebonden te zijn,

-ocr page 159-

149

wanneer men het bijzonder, of algemeen onderzoek bij zich alleen , doet.

I. Punt. Ik aanbid, loof en prijs U, o mijn God! en betuiy U eeuwigen dank voor al uwe weldaden, voornamelijk voor die, welke Gij zoo overvioediylijk door de menschwordiny uws Zoons aan mij en alle menschen verleend hebt. Ik dank U voor al de yenademiddelen, die ik, in het hijzonder , van uwe yoedheid heb ontvanyen : voor de weldaad van mijne schepping , van mijne heiligmaking, en voornamelijk voor die van mijnen roep uit de wereld tot de Congregatie, en voor zoovele ontelbare andere, die Gij mij hebt geschonken. Tot dankzegging offer ik U op, mijn God! de loftuiginyen van geheel de strijdende en zegepralende Kerk, de verdiensten van uwen lieven Zoon Jesus en het oneindig dierbaar Bloed, dat Hij op het kruis gestort heeft uit de wonde van zijne heilige linkerhand.

II. Punt. Ik smeek U, o God mijns harten! door het dierbaar Bloed, dat uit de wonde van de rechterhand mijns Zaligmakers gevloeid is , dat Gij mij overvloedige yenaden. willet geven , om mijne zonden te kennen , te verfoeien en te beweenen, en mij van dezelve te beteren , opdat ik in den laatsten dag des oordeels niet aan zijne linker- , maar aan zijne rechterzijde door uwe heilige Engelen moge geplaatst worden. Kom, waar licht, komende in deze wereld, verlicht mijn verstand!

-ocr page 160-

150

III. Punt. O Heer! hoe ver ben ik wederom van den weg der volmaaktheid afgedwaald, alhoewel Christus mij denzelven met bloedige voetstappen heeft aangewezen ' Hoe dikwijls hen ik wederom gevallen !

Hier volgt het onderzoek van het geweten, dat niet langer dan een half kwartier uurs mag duren.

O hoe ondankbaar en lauw , hoe onwaardig ben ik den naam van Zuster te dragen , en te wonen in het gezelschap van zoovele kinderen Gods ! hoevele misslagen, nalatigheden en onvolmaaktheden heb ik wederom bedreven ! Het heiligste Bloed, dat uit de wonde van den linkervoet mijns Zaligmakers gevloeid is, wissche de voetstappen uit, die mij van zijne navolging en van den wetf zijner deugden hebben verwijderd !

IV. Punt. Tegen U alleen, o mijn God! heb ik gezondigd, en in uwe tegenwoordigheid heb ik het kwaad bedreven , het smart mij uit het binnenste mijns harten, dat ik U, mijnen God, mijnen Schepper, mijnen Verlosser, mijn eerste Begin en mijn laatste Einde, aldus vergramd heb. Ik ben grootelijks bedroefd, omdat ik boven U bemind heb zaken van geen het minste belang , en om deze ü, mijn eerste en opperste Gord, beleedigd heb. Ik werp mij ootmoedig aan de voeten van uwen lieven Zoon, en door de verdiensten van het dierbaar Bloed, dat uit zijnen rechtervoet is gevloeid, smeek ik van uwe Goedheid vergeving. O God! werp uwe oogen

-ocr page 161-

151

op mij, en wees mij, arme zondares, genadig!

V. Punt. O liefderijke Jesus! van dit uur af aan ga ik voldoen aan het zoo rechtvaardig verlangen uws Harten, dat voor mijne zaligheid aan het kruis is doorboord geweest. Ik ga al mijne misslagen, nalatigheden en onvolmaaktheden verbeteren. Nooit! Nooit ! zal ik ü willens en wetens beleedigen, zelfs niet in de minste zaken. O oneindige Goedheid! bekrachtig dit voornemen door uw dierbaar Bloed. Mijn arm hart, hetwelk ik vereenig met uw doorwond Hart, is bereid, om zich zelf van alle zonden en onvolmaaktheden te beteren. Onze Vader. Wees gegroet.

Vier en twintigste Hoofddeel.

Over de Gebeden en de Geestelijke

lezing bij de maaltijden.

Art 102.

Naar het voorbeeld van den Zaligmaker , die noch zich zeiven, noch anderen immer heeft gespijsd zonder zegening en dankzegging, zullen de Zusters de maaltijden niet beginnen, zonder Gods zegen over zich zeiven en de voorgestelde

-ocr page 162-

152

spijzen afgesmeekt te hebben , noch dezelve eindigen , zonder God voor de genotene weldaden te bedanken.

De Overste, of de Zuster, die haar aan tafel vervangt, zal de gebeden vóór het eten verrichten , gelijk volgt.

Vóór het middageten. — Aller oog en zijn met betrouwen op U gevestigd, o Heer ! en Gij geeft hun hun voedsel ten bekwamen tijde. Gij opent uwe hand, en vervult ieder schepsel met uwen zegen.

yK Glorie zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest. ilj. Gelijk het was in den beginne, en nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen. y. Heer, ontferm U onzer. k}. Christus, ontferm ü onzer. Heer, ontferm V onzer.

Onze Vader, in stilte. En leid ons niet in bekoring, b). Maar verlos ons van den kwade. Amen.

JLimt ons bidden.

Zegen, o Heer! ons en deze uwe gaven, die wij door uwe 7nilddadi(jheid zullen nuttigen. Door Christus onzen Heer. b). Amen.

Na het middageten.— Wij danken U, almachtige God! over al uwe weldaden : die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen

f. Glorie zij den Vader, enz. jr. Heer, ontferm U onzer. i^. Christus, ontferm LJ onzer.

-ocr page 163-

153

jfr. Heer, ontferm U onzer. Onze Vader, in stilte, jh En leid ons niet in bekoring. Sj. Maar verlos ons van den kwade. Amen.

I^aat ons bidden.

Gewaardig V, o Heer! aan allen, die ons weldoen, om uwen heiligen Naam het eeuwig leven te geven. r|. Amen.

y. Laat ons den Heer loven. h). Laat ons God bedanken, y. Dat de zielen der geloovigen door Gods harmhartig heid rusten in vrede. ii). Amen.

Vóór het avondeten. — De armen zullen zich voeden en verzaad worden, en zij, die den Heer beminnen, zullen Hern loven : hunne zielen zullen leven in de eeuwen der eeuwen.

y. Glorie zij den Vader, enz. v. Heer, ontferm U onzer. Christus, ontferm JJ onzer.

Heer, ontferm U onzer. Onze Vader, in stilte, y. En leid ons niet in bekoring, if Maar verlos ons van den kwade. Amen.

I^aat ons bidden.

Zegen , o Heer ! ons en deze uwe gaven , enz , gelijk boven.

Na het avondeten. — De genadige en barmhartige God heeft ons eene gedachtenis zijner wonderheden en liefde nagelaten : Hij heeft eene spijs gegeven aan die Hem vreezen. y. Glorie zij den Vader, enz , gelijk boven.

y. Heer, ontferm U onzer. i$. Christus, ont-

-ocr page 164-

154

ferm U onzer. y. Heer, ontferm U onzer. Onze Vader, in stilte, En leid ons niet

in bekoring, fil. Maar verlos ons van den kwade. Amen.

JLiaat ons bidclmi.

Gezegend zij God in zijne gaven, en geheiligd in al zijne werken : die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen, fij. Amen.

Laat ons den Heer loven. Laat ons

God bedanken.

% Dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten, i^. Amen.

De bovengenoemde gebeden worden door de Zusters , elke op hare plaats , aan tafel staande verricht.

Art. 103.

Bij de maaltijden /al men zich niet tevreden houden met de gemeenschappelijke gebeden vóór en na het eten met godsvrucht te doen ; maar ter zelfder tijd , dat het lichaam zijn voedsel neemt, moet de ziel ook het hare hebben; daarom zal de Overste, ten minste de helft van den tijd bestemd voor de maaltijden, door ééne of twee Zusters, op eene afgezonderde plaats , duidelijk en langzaam geestelijke voorlezingen laten doen, die de Zusters, terwijl zij eten, zooveel mogelijk met aandacht aanhooren , en onder dewelke zij

-ocr page 165-

155

van tijd tot tijd haar hart tot God verheffen zullen.

De geestelijke lezing wordt aan de Zusters, ook buiten de maaltijden, bijzonder aanbevolen, wanneer hare bezigheden dit veroorloven. Door zulke lezingen zal men , op eene meer bijzondere wijze, de Grootheden van God en zijne aanbiddelijke Volmaaktheden leeren kennen en beschouwen. Uit de lezingen zal men het denkbeeld putten, hetwelk ieder christen van de groote Mysteriën des Geloofs en van de groote Waarheden van den Godsdienst moet hebben. Door de lezingen zal men , onderricht door de groote voorbeelden der Heiligen , aangezet worden, om hen na te volgen. Welke hulp hebben de Heiligen in het lezen van goede boeken niel gevonden ! Door het lezen van de levens der Heiligen maakte de H. Ignatius het voornemen van de wereld volkomen te verlaten, en zich zonder voorbehouding aan God toe te wijden

Omtrent de keuze van boeken voor de geestelijke lezing moet men met omzichtigheid te werk gaan Niet alle boeken , hoezeer zij goed en in het algemeen nuttig zijn, passen voor de Zusters van Liefde Elke Congregatie in de H. Kerk is bezield met eenen geest, welke haar eigen is , en waardoor zij leeft: men moet dus boeken nemen , die, zooveel mogelijk , met dien geest overeenkomen, en in allen gevalle met denzelven

-ocr page 166-

156

niet strijdig zijn, opdat die geest niet veranderd worde. hetgeen het doel der Congregatie zoude schaden. Daarom mogen de Oversten door de Zusters nimmer boeken lalen lezen, die handelen over de Instellingen, Regelen of Gebruiken van andere Congregatiën of religieuze Orden; maar men zal boeken gebruiken, die voor allen kunnen dienen , of met den geest der Congregatie overeenkomen , onder andere: de geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament; de Navolging van Jesus Christus door Thomas a Kempis, een goddelijk boek, waarvan een zeker schrijver zegt, dat het zoovele Heiligen heeft gevormd, als het letters bevat; de geschiedenis van het leven der Heiligen, en vooral het Regelboek. De lezing der Regelen , die geheel overeenstemmen met den geest, welke de Leden moet bezielen , is onder alle andere de nuttigste, welke de Zusters kunnen doen; zij zullen zich niet tevreden houden met dezelve te hooien le/.en op de Zon - en Feestdagen, maar, zoo dikwijls de tijd zulks toelaat, dezelve lezen, herlezen en overwegen; in één woord, zich dezelve geheel eigen maken , en hare neigingen en handelingen geheel daarnaar inrichten.

Men zal de geestelijke lezing doen in de meening en met het oprecht inzicht van er nut uit te trekken; te dien einde vraagt men, vóór de lezing, het licht en de genade van den H. Geest , die de ware Bron is van alle genade. Wanneer men

-ocr page 167-

157

een goed voedsel voor de ziel in dezelve vindt, moet men dat nemen, en zich tijd geven , om het te verteren ; dat is men moet hetzelve vrel overwegen , en diep in de ziel prenten.

De geestelijke lezingen in het koor, en in de eetkamer onder de maaltijden , eindigt men met de woorden : Heer, wees ons barmhartig ! en allen antwoorden : Laat ons God bedanken.

Art. 104.

Hetzij (jij etet, hetzij (jij drinket, doet alles tot eer van God, zegt de H. Apostel Paulus. (I. Cor. X. 31 )

De Zusters moeien , bij het eten en drinken , de regelen van matigheid, wellevendheid en armoede in acht nemen, en omtrent het getal der portiën, de soorten van spij/.en, en de wijze van dezelve voor te dienen , zich schikken naar de Gebruiken van het Moederhuis

Zij mogen noch inwendig noch uitwendig morren over het eten en drinken , dat haar voorgesteld wordt, en geen onderscheid maken tnsschen de verschillende soorten van spijzen ; immers, of dezelve smakelijk of onsmakelijk zijn , het zijn toch gaven van God, zij dienen om haar te onderhouden tot zijne glorie, en geven haar een uitmuntend middel aan de hand om de versterving te kunnen oefenen, zonder dat de gezondheid worde benadeeld.

-ocr page 168-

158

Het is reeds aangemerkt, dat het voor de Leden der Congregatie een plicht is te zorgen , dat zij de noodige krachten des lichaams bewaren ; en daarom worden de Oversten aangemaand, om de Zusters van gezond, behoorlijk en toereikend voedsel te voorzien. Daarom ook zijn de Zusters gehouden het voedsel, dat zij tot behoud harer krachten noodig hebben , te gebruiken , en zich ten dezen geene ontberingen op te leggen zonder verlof der Overste.

Nimmer mag iemand, buiten de tijden bestemd voor het eten of drinken, iets gebruiken, zonder daartoe het verlof der Overste bekomen te hebben.

's Morgens, 's middags en 's avonds mag men, buiten de gewone eetzaal, noch eten noch drinken , tenzij iemand , uit hoofde van ouderdom , ziekte , het oefenen van liefdewerken of andere beletselen, verhinderd zoude wezen , om zulks in de eetzaal te kunnen doen.

In de keuken mag nooit iemand iets gebruiken.

Opdat men onder de gebeden vóór de maaltijden niet verstrooid worde, en onmiddellijk na dezelve de maaltijd kunne beginnen, zullen de Oversten zorgen, dat, juist op slag der uren bestemd voor de maaltijden , spijzen ter tafel 'zijn aangebracht.

Het ontbijt zal 's morgens op een bepaald uur beginnen, waarbij allen, zooveel doenlijk, tegenwoordig zullen wezen. Het staat een ieder vrij

-ocr page 169-

159

zich van het ontbijt te verwijderen, zoodra men het noodige heeft gebruikt.

Het gebed vóór en na het ontbijt bestaat, in staande en in stilte een Onze Vader en Wees yeyroet te bidden.

Vóór en na het gebruiken der verversching na den middag, begint en eindigt men, met het teeken van het H. Kruis met godsvrucht te maken.

Vijf en twintigste Hoofddeel.

over het bezoek bij het allebheiltgste

Sacbament.

art. 105.

« Geheel het leven van den menschquot;, zegt de geleerde Pater Bourdaloue , « is niets dan ellende )) en kwelling van den geest, en in weerwil der . »voorrechten van den religieuzen staat, heeft »een ieder in denzelven, zooals elders, zijne » kwellingen Maar hoe gelukkig is de neerge-» drukte ziel, die weet, waar zij het geneesmid-» del voor hare kwaal kan vinden , en die bij » Jesus Christus haren troost gaat zoeken Een » enkel bezoek bij het Allerheiligste is soms vol-»doende, om eensklaps de gesteltenis van,een » hart te veranderen, en de onrust en de droef-

-ocr page 170-

160

»heid door de zoetste rust en eene volkomene » tevredenheid te doen opvolgen Men komt » gansch neergeslagen en kwijnende, en men » keert vol van sterkte, van moed , en zelfs van » vreugde , terug. Hoe komt dit toch? Dat is » een geheim , hetwelk aan de kennis Gods is » voorbehouden. Het is genoeg , dat. wij weten, » dat het zoo gebeurt; maar den grond daarvan » te willen doordringen, dat behoort ons niet toe.quot;

Welken troost, welke genoegens zullen de Zusters dan smaken, wanneer zij dagelijks, naar behooren, een bezoek afleggen bij haren heiligen Bruidegom, bij haren besten Vriend, bij haren Goddelijken Gastheer, die zoo groot behagen schept in haar te ontvangen !

Art. 106.

Het bezoek bij het Allerheiligste zal iedere Zuster in stilte, bij zich zelve, doen. Voor haren Goddelijken Bruidegom neergeknield , zal zij Hem zeggen, wat haar hart haar zal ingeven. Het zijn geene bestudeerde gesprekken, die God van haar verlangt; neen, ach neen ; hetgeen Hem het meest behaagt, is : eenvoudigheid des harten; en hoe volmaakter die eenvoudigheid is, hoe meer Hij zich voldaan toont. Zij spreekt met God over hare behoeften, over hare ellende, over haar strijden; zij vraagt Hem wat zij noodig heeft; en Jesus, die in zijnen tabernakel rust,

-ocr page 171-

161

heeft zijne handen vervuld met genaden, om dezelve over haar uit te storten.

Den tijd, dagelijks voor dat bezoek te besteden , zal men regelen naar gelang der bezigheden, die men moet verrichten; buiten den tijd onder het Lof, zal het niet langer dan een vierde uurs mogen duren.

Zes en twintigste Hoofddeel.

quot;.■wwwww

OVEE HET BIDDEN VAN DEN ROZENKRANS.

Art. 107.

De Rozenkrans is in de H. Kerk ingesteld door den II Dominicus, in het jaar 1208.

Hel bidden van den Rozenkrans is een zeer krachtig gebed, vooral wanneer men de Mysteriën van Jesus Christus en der H. Moeder Gods daarbij overweegt.

De Rozenkrans van vijf tientjes, welken de Zusters, volgens de voorschriften van de Regelen, dagelijks moeten bidden, zal op de volgende wijze geschieden :

Na zich in de tegenwoordigheid Gods gesteld te hebben, dat is: na zich herinnerd te hebben, dat men met Jesus en zijne H. Moeder gaat

11

-ocr page 172-

162

spreken, (hetgeen men bij alle andere gebeden trachten zal te onderhonden), begint men met het bidden van de Twaalf Artikelen des Gelnofs — één Onze Vader — en drie Wees gecjroet. Vóór het eerste Wees gegroet voegt men de woorden: Ik groet U, Dochter van God den Vader ; vóór het tweede: Ik groet U, Moeder van God den Zoon ; vóór het derde : Ik groet U, Bruid van God den H. Geest. Hierna volgt het Glorie zij den Vader, met het gebed ; De HH. Namen van Jesus, Maria en Vincentius zijn gebenedijd Van nu af tot in eeuwigheid.

Vervolgens gaat men over tot het bidden van de tientjes: ieder tientje bestaat uit één Onze Vader, tien Wees gegroet, en één Glorie zij den Vader, met het gebed als boven.

De Mysteriën, welke men moet overwegen bij het bidden van den Rozenkrans, zijn in drie klassen verdeeld, te weten : de blijde Mysteriën, de droevige Mysteriën en de glorierijke Mysterien.

Om zich te beter het Mysterie, dat met ieder tientje overeenkomt, te herinneren , kan men het uitspreken onder ieder Wees gegroet, zeggende na het woord Jesus voor de blijde Mysteriën ; Dien Gij Maagd ontvangen hebt — Dien Gij, Elizabeth bezoekende, gedragen hebt — Dien Gij Maagd gebaard hebt — Dien Gij Maagd in den tempel opgeofferd hebt — Dien Gij Maagd in den tempel gevonden hebt.

-ocr page 173-

163

Voor de droevige Mysteriën: Die voor ons bloed gezweet heeft — Die voor ons yegeeseld is — Die voor ons met doornen gekroond is — Die voor ons het kruis gedragen heejt — Die voor ons gekruist is.

Voor de glorierijke Mysteriën: Die van den dood verrezen is — Die ten Hernel opgeklommen is — Die den H. Geest gezonden heeft — Die U ten Hemel opgenomen heeft — Die U in den Hemel gekroond heeft.

Vóór en na het bidden van den Rozenkrans, zoomede vóór en na de andere gebeden en godsdienstige oefeningen van den dag, zal men het teeken van het H. Kruis met godsvrucht maken.

Art. 108.

De Rozenkrans zal in de Congregatie tot de volgende bijzondere intentiën gebeden worden: 's Zondags, voor Z. H. den Paus van Rome; 's Maandags, voor den Kerkoverste van het Diocees, onder wiens jurisdictie het Huis, tot hetwelk de Zusters behooren, gevestigd is; 's Dinsdags, voor de Algemeene Overste der Congregatie; 's Woensdags , in het Moederhuis voor de eerste Assis-tante, en in de Succursaalhuizen voor de Oversten derzelve ; 's Donderdags , 's Vrijdags en 's Zaterdags , om de Aflaten, voor het bidden van den H. Rozenkrans vergund, te verdienen.

Bij het bidden van den eersten der drie laatst-

-ocr page 174-

164

genoemde Rozenkransen zal men de blijde, bij den tweeden de droevige, en bij den derden de glorierijke Mysteriën overwegen. Bij het bidden der vier eerste, zal men in den Advent de blijde, in de Vasten de droevige, en in den Paaschtijd de glorierijke Mysteriën overdenken. Ten einde in alles, zooveel mogelijk, de gelijkvormigheid in de verschillende Huizen te onderhouden , zal men op de andere tijden , 's Zondags de glorierijke, 's Maandags de blijde, 's Dinsdags de droevige, en 's Woensdags de glorierijke Mysteriën bij den Rozenkrans voegen, en overal dezelfde soort van Paternosters dragen , die gewijd behooren te zijn, en aan welke men slechts één kruis en twee medaljes zal hechten.

Zeven en twintigste Hoofddeel.

--

Over de Stilzwijgendheid en de Recreatie.

Art. 109.

Het wel onderhonden der stilzwijgendheid is een groot kenmerk der geregeldheid in de Congregatie ; alsdan woont er God, heerscht er de inwendige geest, en zijn er de godsvrucht en heilige oefeningen in achting. Integendeel, waar

-ocr page 175-

165

de regel der stilzwijgendheid kwalijk wordt onderhouden , is het een Huis, waaruit de orde reeds is verbannen, ten minste, waarin dezelve niet lang zal kunnen in stand gehouden worden; de ondervinding geeft daarvan de droevigste getuigenis, Igt;e Oversten moeten dus op de onderhouding der stilzwijgendheid nauwkeurig toezien, en iedere Zuster moet het zich ten plicht rekenen, van de voorschriften wegens dezelve niet af te wijken, zich dikwijls herinnerende de woorden der H. Schrift: « Die zijnen mond bewaart, he-» waart zijne ziel; maar die onvoorzichti(j is in ygt; zijne woorden , zal in onijelukken vervallen.quot; (Prov. XIII. 3.)

Art. 110.

De regel van stilzwijgendheid vordert, dat er, buiten den tijd der recreatie, steeds stilte zij, en men noch lache, noch teekens geve, noch spreke, zelfs niet één woord , dan wanneer het noodzakelijk of nuttig is, of de werkzaamheden of de bediening het vorderen; en in deze gevallen moet het spreken dan nog altijd op eenen stillen toon geschieden, en niet langer duren dan het noodig is. Met zijne Overste mag men echter overluid spreken, mits dit geschiede in eene afgezonderde kamer ; zoo ook wanneer de Zusters kinderen onderwijzen, hulpbehoevenden verplegen , of andere liefdewerken oefenen, of met

-ocr page 176-

166

ji 'w

quot;J1

i

11

llliijf 1

wereldlijken omgaan , is het overluid spreken i j, onderling toegelaten , indien het noodzakelijk of

nuttig is, of de welvoeglijkheid zulks vordert. |l| In de kapel of bidplaats, in de slaapzalen of

slaapkamers, en op alle plaatsen, welke de Overste om wettige redenen uitzondert, zal men den regel van stilzwijgendheid altijd onderhouden.

De stilzwijgendheid moet geregeld zijn door de bescheidenheid, die het zout van alle deugden is; nu , de bescheidenheid vordert, dat men zwijge, 1 wanneer het verboden is te spreken , en spreke,

wanneer men behoort te spreken ; — dat men niet te voorbarig zij in het spreken , maar eerst wel oplette, wat men moet zeggen ; — dat men met eenen bij zonderen eerbied spreke tot de Priesters, de Oversten en oudere Zusters; — dat

i

Hl j men , in het verkeer met zijne Medezusters, de

regelen van liefde en wellevendheid in het spreken in acht neme; — dat men , in de gesprekken met vreemdelingen, de voorzichtigheid, zedigheid en welvoeglijkheid in het oog houde, zich gedragende gelijk een welopgevoed , zedig r gt; en godvruchtig mensch, en vooral eene Zuster

van Liefde betaamt

Art. 111.

De recreatie, welke op bijzondere tijden wordt . verleend, strekt om den geest te ontspannen en

geschikter te maken voor den dienst van God;

li

TUI ' R :

11 I

-ocr page 177-

167

zoomede om aan het lichaam nieuwe krachten te geven, ten einde de bezigheden der betrekkingen behoorlijk te kunnen waarnemen. Zij bevordert de liefde en sticht veel nut, als zij wel geschiedt. Eene recreatie, welke men neemt uit den geest van gehoorzaamheid en met een zuiver inzicht, kan even zoo verdienstelijk zijn als de arbeid en het gebed. Daarom zal men, wanneer zij verleend wordt, van dezelve een goed gebruik maken, en het zou geen goed teeken zijn, wanneer iemand zich, zonder reden, aan dezelve onttrok ; het zou schijnen, alsof zij iets buitengewoons of anders wilde doen dan hare Medezusters, hetgeen altoos vermeden moet worden. In dezelve zal men nochtans altijd de matigheid, die door de oprechte versterving ver-eischt wordt, onderhouden , en zich onthouden van luidruchtige wereldsche vermaken, van gesprekken over familiebetrekkingen en wereldsche zaken , en bijzonderlijk van al hetgene de zusterlijke liefde zoude kunnen kwetsen.

Abt. 112.

Behalve den tijd, die dagelijks voor het spreken verleend is, zullen in de Congregatie de volgende dagen recreatiedagen zijn: eerste dag van het jaar — het feest van Driekoningen — O. L. V. Lichtmis — het feest van den H. Joseph — O. L. V. Boodschap — eerste Paaschdag — O. H.

-ocr page 178-

168

Hemelvaart — eerste Pinksterdag — H Sacramentsdag — H. Antonius de Padua — H. Vin-centius a Paula — H. Martha — O. L. V. Geboorte — Naamfeest van de H. Maagd Maria — H. Hart van Maria — Allerheiligen — H. Elizabeth 19 Nov. — H. Cecilia — H. Nicolaus — O. L. V. Onbevlekte Ontvangenis — Goedkeuring der Constitutie en Regelen — eerste Kerstdag — Onnoozele Kinderen — Patroonfeest van ieder Huis voor de Leden van hetzelve — Patroonfeest van den Kerkoverste, onder wiens jurisdictie de Zusters geplaatst zijn — Patroonfeest der Algemeene Overste — Patroonfeest van de ondergeschikte Overste voor de Leden van het Huis—jaarlijksche Gedachtenis van de verkiezing der Algemeene Overste — de dag, waarop de jaarlijksche of algemeene Retraite eindigt voor de Leden van het Huis.

De feestdagen van het H. Hart van Maria, van den H. Vincentius A Paula en van den Patroon van het Huis zal men vieren als den H. Zondag.

Gedurende het octaaf van den H. Vincentius è Paula zal, na de gestelde Mis, de Litanie van dien Heilige gebeden worden, om, door zijne voorspraak, Gods zegen over de uitoefening der liefdewerken te verkrijgen.

De bovengenoemde recreatiedagen kan de Overste van het Huis in twee halve dagen verdeden , zoodanig dat zij den éénen halven dag

-ocr page 179-

169

op eenen anderen dag naar goedvinding, doch buiten de vastendagen en vóór den eersten dag van het volgende jaar, onverdeeld kan geven en door hare onderhoorige Zusters zelfs vooruit laten houden. Hiervan zijn uitgezonderd de feesten van het H. Hart van Maria, van den H. Vin-centius a Paula, van den H. Antonius de Padua, het Patroonfeest van den Kerkoverste van het Diocees, het Patroonfeest der Algemeene Overste, het Patroonfeest der ondergeschikte Overste, Onnoozele Kinderen , de dag, waarop de goedkeuring der Constitutje gevierd wordt, en de dag, waarop de jaarlijksche algemeene Retraite eindigt, welke dagen niet verdeeld worden; op deze dagen zal men geene geestelijke lezing onder de maaltijden houden, en kan men, met goedvinding der Overste, een uur later gaan slapen, en 's anderendaags een uur later opstaan.

Builen bovengenoemde recreatiedagen mogen er, in geen geval, andere gehouden worden, dan met uitdrukkelijke vergunning van de Algemeene Overste der Congregatie, die, bij buitengewone gelegenheden en in bijzondere gevallen, dezelve kan verleenen.

Art. 113.

De Overste is bevoegd, onder de uren van recreatie, aan eene of meer Zusters de stilzwijgendheid om billijke redenen op te leggen. Indien

-ocr page 180-

170

iemand, uithoofde der betrekking, welke zij bekleedt. of om de bezigheden van het Huis, de recreatie geheel of gedeeltelijk moet missen , zal zij daarvan eene offerande doen aan God , die deze opoffering van haar verlangt, en dezelve ook zal vergelden

Wanneer twee recreatiedagen op denzelfden dag invallen, of indien een recreatiedag valt op eenen dag , dat men geestelijke afzondering houdt, alsdan kan de Overste de bepaalde recreatie op eenen anderen dag vaststellen. De vastgestelde dagelijksche uren van recreatie zal men niet mogen verschuiven, dan ingeval het middag-of avondeten worde verzet, waarop de recreatie telkens moet volgen. De tijd van het middag-of avondeten zal niet veranderd worden, dan ingeval het op den bestemden tijd niet kunne plaats hebben.

De H. Vincentius a Paula, sprekende van de dagorde, welke de Zusters van Liefde overal moeten volgen, zegt, dat men zich, zooveel mogelijk, stipt moet houden aan de uren van den Regel, beginnende met het opstaan ; en waarlijk , het is schoon en troostelijk te gedenken , dat alle Zusters , waar ook geplaatst , op hetzelfde uur vereenigd zijn , om God te loven en te eeren door het gebed, door het nemen der noodige spijzen, door de uitspanning, enz.

-ocr page 181-

171

Acht en twintigste Hoofddeel.

——

Over de Biecht.

Art. 114.

De HH. Sacramenten in het algemeen zijn, gelijk de H. Franciscus van Sales zegt, de kanalen , waardoor God tot ons nederdaalt, gelijk wij door het gebed tot God opklimmen. Daarom moet een ieder zich tot het ontvangen der HH. Sacramenten behoorlijk voorbereiden, en dezelve ontvangen met eene vurige begeerte, om zich met God nauwer te vereenigen, en aan Hem meer en meer welgevallig te worden.

Art. 115.

De H. Biecht is dat groote werk van onzen H. Godsdienst, in hetwelk tnsschen God en den mensch over de belangen zijner zaligheid wordt gehandeld ; — waarin de mensch zich stelt aan den voet van het Kruis in de hoedanigheid van boetvaardigen zondaar, om zijne zonden en ongetrouwheden jegens God te beweenen ; — waarin hij zich gaat vertoonen bij zijnen Opperrechter, om Hem rekening van zijne werken te geven; — waarin hij zijne ziel van hare vlekken zuivert,

-ocr page 182-

172

om haar daardoor aan de oogen van haren God aangenamer te maken; — waarin hij de uitwerkselen van het aanbiddelijk Bloed van Jesus Christus ontvangt, wiens verdiensten hem door de genade van het H Sacrament moeten worden toegevoegd. Dat werk vereischt, dat de Zusters zich , door vurige gebeden en verzuchtingen tot God en door een nauwkeurig onderzoek van haar geweten, behoorlijk voorbereiden.

De Zusters moeten in den Biechtvader beschouwen Jesus Christus zeiven, die, vol van barmhartigheid, hare zonden en ongetrouwheden vergeeft, en haar zijne genade terugschenkt, of die vermeerdert, en zullen aan hem , gelijk aan Jesus Christus zeiven , gelijk een kind aan zijnen vader, haar geweten met een liefderijk betrouwen, zonder vrees, kort en duidelijk openbaren , en niets daarbij voegen dat onnoodig is.

In hare twijfelingen en scrupulen zullen zij den raad van haren Biechtvader met eenvoudigheid , met onderwerping en zonder tegenspraak volgen , zich overtuigd houdende, dat de Goddelijke Voorzienigheid niet zal gedoogen, dat zij bedrogen worden , wanneer zij zich aan het oordeel onderwerpen van hem, die Gods plaats bekleedt, en wien zij haar geweten openbaren, met het voornemen, om den Wil van God te kennen, in alle zuiverheid naar ziel en lichaam Hem te dienen en te streven naar de volmaaktheid.

-ocr page 183-

173

Terwijl de Biechtvader tot haar spreekt, zullen zij met eerbied en oplettendheid naar hem luisteren , alsof God zelf door zijnen mond sprak. De heilige woorden : Ik ontbind u , moeten zij voor kostelijk en dierbaar houden, daar zij worden gesproken door den Priester, aan wien God gezegd heeft: « Wier zonden gij zult ver-»geven hebben , deze worden hun vergevenquot; en zich, onder het uitspreken derzelve, door een hartelijk leedwezen voor God vernederen.

Na de biecht te goeder trouw gedaan te hebben, moeten zij zich nie*: meer bekommeren, of onderzoeken , of zij alles wel gezegd hebben; maar veeleer moeien zij die kostelijke oogenblikken waarnemen , om zich kalm en aandachtig bezig te houden met Jesus, met wien zij verzoend zijn, en Hem te bedanken voor de weldaden, die zij hebben genoten.

De Zusters mo^en nimmer iets mededeelen, of te kennen geven van hetgene tot de gedane biecht behoort, noch zich over den biechtvader beklagen , noch tegen hem morren. De H. Vin-centius a Paula heeft dat geheim bijzonderlijk ingeprent aan de Zusters van Liefde , die door hem gesticht zijn.

Art. 116.

De Zusters zullen , gewoonlijk eens ter week, biechten bij den biechtvader, welke haar zal

-ocr page 184-

174

aangewezen worden. Viermaal in het jaar, en wel in de quatertemperdagen, zullen zij zich bij den buitengewonen biechtvader vervoegen, om te biechten , of om eenige vermaningen te ontvangen. Niemand zal in die week bij den gewonen biechtvader biechten.

Volgens het Decreet van Z. H. Leo XIII van 17 Dec. 1890 mogen de Zusters een buitengewonen biechtvader vragen, zoo dikwijls zij tot geruststelling van haar geweten daartoe genoopt worden. De Overste zal haar dit niet weigeren, ja zelfs niet vragen naar de reden van zulk verzoek, noch toonen, dat zij het niet gaarne heeft.

De Kerkoversten der Diocesen, in welke de Huizen gevestigd zijn, zullen benoemen de gewone en buitengewone biechtvaders der Zusters, die dezelve bewonen.

-ocr page 185-

175

Negen en twintigste Hoofddeel.

Over de H. Communie.

Art. 117.

Ten aanzien van de H. Communie kan niets waardiger, heiliger en verhevener voorgesteld worden , dan de volgende woorden van Jesus Christus over dit aanbiddelijk Sacrament : mHet » is hier het brood ten leven, afyedaald van den » Hemel. Mijn F Ierse li is waarlijk eene spijze, » en mijn Bloed waarlijk een drank. Hij, die » mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft » in Mij, en Ik in hem. Uwe voor naderen heb-ygt; ben het manna yeyeten, en zij zijn yestorven : » die dit brood van leven eet, zal eeuwiy leven.quot; (Vgl. Joann. VI 51. 56. 57. 59.)

Op deze groote woorden en onveranderlijke waarheden kan men de volgende bemerkingen maken.

Het aanbiddelijk Lichaam van Jesus Christus is inderdaad eene hemelsche spijze, en zijn dierbaar Bloed de drank van onsterfelijkheid, die ons in deze plaats van ballingschap moet voeden en ondersteunen ; dit aanbiddelijk Sacrament is het Brood, van den Hemel afgedaald, het Brood

-ocr page 186-

176

zelfs der Engelen, het keurigste Manna, hetwelk ons in de woestijn van dit leven moet verzaden, het hemelsch Banket, waarop wij , bij voorkeur der Engelen zeiven , zijn uitgenoodigd.

Door de H. Communie woont Jesus Christus in ons en wij in Hem. Hij komt in ons, Hij vereenigt zich met ons, Hij werkt in ons, zoodat wij het niet zijn, die leven , maar het is Jesus Christus zelf, die in ons leeft en ademt.

De H. Communie wordt niet alleen voor dit leven eene overvloedige bron van alle h^melsche genadegunsten , maar geeft ons nog het onderpand , de kiem , den voorsmaak der gelukzalige onsterfelijkheid , waarnaar wij haken. De Oud-vaders hebben slechts een vergankelijk en aardsch manna gegeten; wij ontvangen het hemelsch Manna, en in hetzelve het onderpand der verheerlijkende onsterfelijkheid.

Ach ! hoe dierbaar moet de ziel van den mensch in de oogen van God zijn! hoe dierbaar moet der-zelver heiligmaking aan het Hart van God wezen!

Eene der zaken , die de Zusters haren heiligen staat moet doen beminnen en hoogachten, is het geluk, dat zij hebben, van dikwijls te kunnen communiceeren, en zich met haren Goddelijken Bruidegom te vereenigen. Jesus Christus zelf roept haar, noodigt haar, betuigt haar het grootste verlangen van zich met haar te vereenigen, haar zijne gaven mede te deelen, en eene aanzienlijke

-ocr page 187-

177

plaats in zijn Hart te schenken. Hoe droevig en ondankbaar handelt dus eene Zuster, die, door hare eigene schuld, de H. Communie volgens den Regel niet ontvangt, en er zich opzettelijk en met eenen vrijen wil van verwijdert! En wat is hiervan doorgaans de oorzaak, tenzij hare eigenzinnigheid , hare onachtzaamheid , hare lauwheid, hare kwijning? Maar wat doet zij daardoor ? Zij berooft zich van de grootste genaden; — zij betuigt eene onverschilligheid aan har§n hemelschen Bruidegom ; — zij geeft stof tot ontstichting ; — zij stelt zich in gevaar van meer en meer in onachtzaamheid, afkeer en lauwheid te vallen; — zij verzaakt aan een dierbaar middel van heiligmaking en van volmaaktheid. Men vreest rekening te geven van de H. Communie, welke men ontvangt; en men vreest geene rekening te geven van die , welke men verzuimt!

Art. 118.

De Zusters moeten zich tot het ontvangen der H Communie behoorlijk voorbereiden.

De bereiding vóór de H. Communie is tweeërlei : de verwijderde bereiding en de nadere bereiding.

De eerste is gelegen in het vermijden van alle vrijwillige en voorbedachte fouten, en in het oprecht verlangen naar de volmaaktheid.

12

-ocr page 188-

178

De tweede bereiding bestaat hierin , dat zij zich vóór de H. Communie opwekken tot een levendig geloof, dat haar van de waarheid, van de heiligheid, van de majesteit, van de grootheid van dit aanbiddelijk Sacrament doordringe, en van dan af haar vervulle met ootmoedigheid, met eerbied, met eene heilige vernietiging van zich zeiven , op het zien van eenen God , dien zij gaan ontvangen; — dat zij zich opwekken tot eene sterke hoop, steunende op de Goedheid en Almogendheid Gods , en tot een v\irig verlangen van hetzelve te ontvangen, een verlangen, bezield met eene nog vuriger liefde voor haren Goddelijken Bruidegom.

Wanneer zij de H. Communie ontvangen hebben , moeten zij God bedanken, gelijk het betaamt na het genieten van zulk eene groote weldaad , en zorgvuldig gebruik maken van die kostbare oogenblikken, in dewelke zij met haren Goddelijken Bruidegom innig vereenigd zijn. Het is immers dan voor haar de tijd om God te loven , te aanbidden , te bedanken , zich in alles en tot alles aan Hem op te dragen, en hare behoeften en verlangens te openbaren

Gedurende den dag zullen zij dikwijls het groot geluk gedenken, dat zij 's morgens genoten hebben , en datgene , wat zij met haren Goddelijken Bruidegom besloten hebben , getrouwelijk naleven.

-ocr page 189-

179

Art. 119.

Ieder Lid der Congregatie zal driemaal in de week communiceeren , echter altijd volgens het oordeel van haren Biechtvader en van haar geweten, zoodat de Overste niet bevoegd is, iemand tot het ontvangen der H Communie te noodzaken.

Wanneer het mocht gebeuren, dat eene Zuster zich dikwijls aan de H. Communie onttrekken , en daardoor aan anderen ontstichting geven zoude, zal de Overste daarvan verslag doen aan de Algemeene Overste der Congregatie, die deswege de noodige maatregelen zal nemen.

Gewoonlijk zal men communiceeren op de Zondagen , Dinsdagen en Donderdagen van iedere week. Wanneer er één of twee feestdagen in de week invallen, die gevierd worden als de Zondag, of de Overste nuttig oordeelt, dat de Gemeente, om eene bijzondere reden, op eenen anderen dag communiceere, of wanneer eene Zuster op eenen anderen dag, tot eene bijzondere intentie, de H. Communie wenscht te ontvangen, kan de Overste de Communiedagen van den Dinsdag en Donderdag op andere dagen van dezelfde week laten houden.

Indien iemand belet is, op de gestelde dagen de H. Communie te ontvangen, kan zij zulks, met verlof der Overste , doen op eenen anderen dag van die week , maar niet buiten dezelve.

Op iederen tweeden Zondag van de maand

-ocr page 190-

180

zal er eene generale Communie gedaan worden voor het welzijn van alle Huizen der Congregatie , opdat het Gode behage aan de Oversten het noodige licht te schenken , om dezelve wel te besturen.

Na het overlijden van den Oprichter der Congregatie, zullen de Zusters, op den feestdag van den H. Antonius de Padua (13 Juni), de H. Communie opofferen, en den Aflaat toevoegen tol lafenis zijner ziel; en alle gebeden en goede werken , welke op dien dag in de Congregatie geschieden, zullen tot die zelfde intentie aan God worden opgedragen.

Op den feestdag van Allerzielen zullen de H. Communiën, de Aflaten en de vruchten der goede werken van dien dag toegevoegd worden aan de zielen van de overledene Zusters der Congregatie. Tot dezelfde intentie zullen, in het Moederhuis, indien zulks kan zijn, ot elders, gedurende het octaaf, eenige HH. Missen gecelebreerd worden.

Wanneer de twee laatstgenoemde Communiën vallen buiten Zondag, Dinsdag of Donderdag, zullen zij buitengewoon gehouden worden , zoodat zij altijd op de bepaalde dagen geschieden.

Art. 120.

Men zal de dankzegging na de H. Communie eindigen met het loflied : U, o God, loven wij, hetwelk door de Zusters staande in koor zal ge-

-ocr page 191-

181

beden worden , wanneer men de H Communie gezamenlijk ontvangt, en in stilte, wanneer de eene of andere Zuster alleen communiceert.

Na genoemd danklied gebeden te hebben, verlaat men onmiddellijk de kapel of bidplaats.

Dertigste Hoofddeel.

Over de Schuldbelijdenis.

Art. 121.

De schuldbelijdenis is, wanneer zij naar be-hooren gedaan wordt, een der voornaamste bolwerken tegen de verslapping van de Regelen en Gebruiken der Congregatie. De H. Dominicus, van dezelve sprekende, zegt, dat de duivel niets zoozeer haat als de schuldbelijdenis, daar deze de fouten uitwischt, die hij in de Communiteiten doet begaan.

Het is een gewichtige plicht voor iedere Overste de schuldbelijdenis geregeld te houden , en dezelve nimmer achter te laten Ingeval zij ziek of afwezig is, zal dezelve gehouden worden door de Zuster van het Huis, die haar rechtens opvolgt.

De schuldbelijdenis zal iedere week ééns geschieden, en zulks op eenen dag en een uur, welke vooraf zullen bepaald worden ; de Zusters

-ocr page 192-

182

zullen, buiten wezenlijk beletsel, die allen moeten bijwonen. Dezelve zal plaats hebben buiten den tijd der recreatie, in het koor, of in een afgezonderd vertrek, maar nimmer in de eetzaal. Men begint dezelve met het gebed : Kom , Schepper, Heilige Geest, nedergeknield te bidden, waarna de Overste gaat zitten.

Het is vooral in de schuldbelijdenis , dat de Overste, of de Zuster, die haar vervangt, ingewanden van liefde hebben , met voorzichtigheid handelen, en niets beoogen moet, dan Gods meerdere eer, het welzijn van de Congregatie en van ieder in het bijzonder, elkeen behandelende volgens haar verstand, hare inborst en deugd.

Art. 122.

Elke Zuster, te beginnen met de jongste, beschuldigt zich openlijk, met ootmoed en openhartigheid , van de uitwendige overtredingen, gebreken en fouten, welke zij tegen de Regelen en tegen de Gebruiken van het Huis bedreven heeft, en neemt de vermaningen , die men haar toevoegt, en de boeten, welke men haar oplegt, nederig aan. Zij zal zich verheugen, ook hierin eenigszins gelijk te zijn aan haren Goddelijken Bruidegom , die , ofschoon de Heiligheid zelve, van de grootste misdaden beschuldigd en ter dood veroordeeld werd , zonder zijnen mond te openen, om zich te verontschuldigen.

-ocr page 193-

183

Gebreken en fouten , welke alleen inwendig zijn, mag men in de schuldbelijdenis niet openbaren ; evenmin mag men de gebreken van anderen bekend maken, tenzij zulks te doen door de Overste wierde voorgeschreven.

Indien het gebeurt, dat iemand vergete zich van eene fout te beschuldigen, welke aan anderen bekend is , kan zij , die dezelve weet, deze aan de Overste openbaren : de Overste zal daarvan , naar goedvinden, gebruik maken , zonder dat daardoor echter de Zuster bekend worde, die dezelve geopenbaard heeft.

Indien iemand zich aan eene font hadde schuldig gemaakt, waarvan de openbaring zou kunnen ergeren, of die zij niet zou durven belijden , kan zij dezelve afzonderlijk aan hare Overste bekend maken.

Om het doel der schuldbelijdenis te bereiken, zullen de Zusters zich tot dezelve behoorlijk voorbereiden, met een zuiver inzicht, namelijk : ter verbetering harer gebreken, dezelve bijwonen, de haar toegevoegde vermaningen naleven, en de opgelegde boeten volbrengen.

De schuldbelijdenis wordt met het volgende gebed besloten :

O almachtige en barmhartige God ! zie met medelijden op onze ellende en zwakheid neder ; sta ons bij, opdat wij de fouten, welke wij openlijk beleden hebben, niet meer bedrijven.

-ocr page 194-

184

Verleen ons deze genade, door de voorspraak van onzen H. Engelbewaarder, onzen H. Vader Vineentius, onze H. Moeder Maria en door de verdiensten van Jesus, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen. — Onze Vader. Wees gegroet.

De Overste is bevoegd om, ook buiten den tijd der schuldbelijdenis, de Zusters zich van hare uitwendige gebreken en fouten, in het openbaar, te laten beschuldigen.

Omtrent het opleggen der penitentiën of boeten , zal men overal, zooveel mogelijk , het gebruik van het Moederhuis volgen.

Art. 123.

Al hetgeen in de schuldbelijdenis , of in de openbaring der gebreken, beleden wordt, of gezegd is, zal een geheim blijven, waarover noch de Overste, noch de Zusters, noch in het openbaar , noch onderling, zullen mogen spreken.

-ocr page 195-

185

:-K : w : lt; : it . K=;

Een en dertigste Hoofddeel.

Over de Geestelijke Afzondering.

Akt. 124,

Onder de oefeninjjen van godsvrucht is de geestelijke afzondering een zeer krachtig middel, om den mensch tot het ware geluk te leiden. Het is daar, in die zalige afzondering, dat God tot het hart spreekt, dat de zondaar zich bekeert, en de rechtvaardige krachtdadig bewogen wordt, om op den weg der volmaaktheid met blijdschap te vorderen. De ondervinding heeft overtuigend bewezen , dat men dezelve nimmer tevergeefs doet, en dat zij overvloedige vruchten geeft, wanneer dezelve behoorlijk geschiedt.

Art. 125.

Om de geestelijke afzondering wel te doen, en de uitwerkselen derzelve te genieten , zullen de Zusters het volgende onderhouden.

1. Bij het begin der afzondering zullen zij zich wel overtuigen en doordringen van de Liefde en Goedheid Gods, die haar de buitengewone genade doet , om zich uitsluitend met God en

-ocr page 196-

186

de belangen barer ziel te kunnen bezighouden ; wel beseffende, hoe noodzakelijk het is, zich van tijd tot tijd af te zonderen, om den waren geest te hernieuwen, zich van de gebreken te zuiveren en een heilig leven te leiden.

2. Zij zullen bereid zijn haar hart geheel aan God te geven, en zulks zonder eenige uitzondering, met den H Apostel Paulus vragende: cc Heer , wat wilt Gij , dat ik doe ?quot; en . met veel betrouwen op den bijstand Gods, met David daar bijvoegende: a Mijn hart is bereid, » o Heer, mijn hart is bereid

3. Zij zullen zich afzonderen van alles, wat den geest en het hart zoude kunnen verstrooien, en stiptelijk naleven alle oefeningen , die in de geestelijke afzondering worden voorgeschreven.

4. Zij zullen zich, gedurende de afzondering, eenige verstervingen voorschrijven, en vooral het stilzwijgen onafgebroken en nauwkeurig onderhouden.

5. Zij houden aanteekening van datgene, hetwelk haar, gedurende de afzondering, bijzonder heeft getroffen, en van de goede voornemens, welke zij gemaakt hebben, om dezelve later, met Gods bijstand, krachtdadig ten uitvoer te brengen.

6. Zij kunnen, met goedvinding van den Biechtvader, eene biecht spreken van geheel haar leven , of van af den tijd der laatste geestelijke afzondering.

-ocr page 197-

187

Art. 126.

De geestelijke afzondering zal, 's avonds één kwartier vóór acht uren, beginnen met het bidden of zingen van het Veni Creator, eene korte aanspraak en eene aanbidding van het allerheiligste Sacrament, waarna men de avondgebeden doet als naar gewoonte.

Men sluit dezelve den tienden dag 's morgens met eene generale Communie, op de gebruikelijke wijze.

Alle dagen zullen er drie meditatiën gedaan worden, te weten : de eerste , na het lezen van de Metten en Lauden , de tweede, om negen uren , en de derde, namiddag om vijf uren

Te tien uren bidt men de Primen, Tertiën, Sexten en Nonen ; — om elf uren doet men het onderzoek over de plichten van zijnen staat, tot half twaalf uren.

Om half twee uren voorlezing uit de Bijzondere Regelen der Congregatie, tot twee uren ; — om half drie uren conferentie over de plichten van den staat of over de volmaaktheid, tot drie uren. De overige oefeningen geschieden als naar gewoonte, met uitzondering van het bezoek bij het Allerheiligste, hetwelk een tweede uurs zal duren.

Na den vierden dag der geestelijke afzondering, kan men zich voor het H. Sacrament van de Biecht aanbieden, en zich in den vrijen tijd bij den

-ocr page 198-

188

üi reoteur vervoegen , om inlichting te vragen , als men zulks noodig oordeelt.

Gedurende de afzondering zal men niet com-mnniceeren, dan alleen bij het sluiten van dezelve.

Het is zeer voordeelig, gedurende de afzondering , eiken dag eenen bijzonderen Beschermheilige te nemen , en drie Onze Vader en drie Wees gegroet te bidden : de eerste, ter eere van den H. Beschermer van den dag; de tweede, voor de zielen, die het ongeluk hebben in staat van doodzonde te zijn ; en de derde, voor haar, met wie men geestelijke afzondering houdt : de liefde vereenigt de harten en trekt de genade tot zich

Elke Zuster, waar ook geplaatst, zal jaarlijks eene afzondering houden van acht volle dagen , dat is: het jaar gerekend van primo Januari tot ultimo December; zoodat eene Zuster aan dat voorschrift voldoet, wanneer zij in dat tijdsverloop de afzondering houdt, onaangezien of de tijd van de laatste afzondering korter of langer dan een jaar zij geleden.

De Algemeene Overste, de Assistanten, en de Oversten der Succursaalhuizen zullen gezamenlijk jaarlijksche afzondering houden , om , na het eindigen derzelve, over de belangen der Congregatie te kunnen handelen. Hiervan is uitgezonderd de Assistante, die, tijdens de afzondering , met het bestuur van het Moederhuis belast is.

-ocr page 199-

189

Niemand der Oversten zal zich aan het bijwonen dezer afzondering onttrekken , zonder uitdrukkelijke vergunning der Algemeene Overste.

In het Moederhuis en in ieder Succursaalhuis zal jaarlijks eene algemeene afzondering voor de andere Leden van dezelve gehouden worden, tenware de Algemeene Overste raadzaam oordeelde, om de Zusters van eenige andere Huizen in een bepaald Huis tot dat einde te vereenigen ; in dit geval zal het Huis, waarin de afzondering wordt gehouden , door de respectieve Huizen der Zusters hiervoor schadeloos worden gesteld.

De afzonderingen zullen, zoo mogelijk, door priesters, die jurisdictie hebben in het Diocees, waar dezelve plaats hebben, gegeven en bestuurd worden, die, tijdens de afzondering, ook als buitengewone Biechtvaders zullen mogen biecht hooren voor de Zusters, die afzondering houden en bij hen verlangen te biechten.

Wanneer eene of meer Zusters, door ziekte of andere wettige redenen, verhinderd zijn dejaar-lijksche algemeene afzondering bij te wonen, zullen zij dezelve, op eenen anderen tijd, afzonderlijk houden , en, zooveel mogelijk, de bovengestelde dagorde volgen.

De gewone werkzaamheden en liefdewerken kunnen gedurende de afzondering verricht worden ; echter die, welke gevoegzaam kunnen worden uitgesteld, zal men tot op eenen anderen tijd verschuiven.

-ocr page 200-

190

Art. 127.

De Zusters zullen iedere maand een dag zich afzonderen, om meer ernstig in zich te keeren, ten einde te onderzoeken, hoe zij zich, gedurende de laatste maand , van hare plichten hebben gekweten, zoomede om de goede voornemens, welke zij bij de jaarlijksche afzondering gemaakt hebben, te hernieuwen, levendig te houden, en vruchten te doen dragen , en om zich tot eenen zaligen dood voor te bereiden.

De sterkste voornemens verzwakken zeer spoedig, indien dezelve niet hernieuwd worden. De ijver vermindert steeds, de heiligste zaken geschieden als uit gewoonte, en zonder het te bemerken , vervalt men allengs lot lauwheid , of tot eenen staat, die nog erger is, indien de mensch niet van tijd tot tijd stilsta, om te zien, of hij nog altijd op den goeden weg voortwandelt. De maandelijksche afzondering zal , indien zij wel geschiedt, de Zusters van die gevaren vrijwaren , en daarom zullen zij er zich veel aan gelegen laten liggen, om dezelve met groote oplettendheid en godsvrucht te verrichten.

De derde Donderdag van iedere maand is voor elk Huis een vast bepaalde dag, waarop de afzondering zal gehouden worden. Hoezeer sommige Zusters , uit hoofde van de beoefening der liefdewerken , volstrekt belet zijnde, om op dien dag afzondering te houden, dezelve op

-ocr page 201-

191

eenen anderen dag kunnen doen, zal echter die dag, al ware het ook maar door enkele Zusters, tot dat einde besteed worden, om , door ver-eeniging van gebeden in de Congregatie, des te krachtiger Gods zegen af te smeeken en te verkrijgen.

Wanneer de feestdagen van het H. Hart van Maria, of van O. L. V. Hemelvaart, of van den H. Vincentius a Paula, op den derden Donderdag van de maand invallen, zal men de geestelijke afzondering tot den vierden Donderdag van de maand verschuiven.

Op den dag der afzondering zal men bijzonder ingetogen zijn, den geheelen dag de stilzwijgendheid onderhouden, en alles vermijden, wat zoude kunnen verstrooien , om des te vrijer met God te kunnen spreken en zijne stem te hooren.

De werkzaamheden en de liefdewerken van den dag kan men verrichten ; echter die, welke niet volstrekt noodzakelijk zijn, zal men tot op eenen anderen dag uitstellen.

Art. 128.

De maandelijksche afzondering zal op de volgende wijze geschieden ;

1. 's Avonds te voren zal men, na de gewone avondgebeden, in koor bidden het gebed ; Kom , Schepper, Heilige Geest, om de genaden van den H. Geest over de afzondering af te smeeken.

-ocr page 202-

192

2. Er zullen op den dag der afzondering drie meditatiën gedaan worden, te weten: de eerste, na het lezen der Metten en Lauden; de tweede, om negen uren; en de derde, namiddag om vijf uren , van welke ieder omtrent een tweede uurs zal duren.

3. Te tien uren het bidden van de Primen , Tertiën , Sexten en Nonen. De Vespers worden op den gewonen tijd gebeden.

4. Te elf uren onderzoek over de plichten van staat.

5. Te half twee uren geestelijke lezingen uit de Bijzondere Regelen , tot twee uren.

6. Het bezoek bij het Allerheiligste op den gewonen tijd, hetwelk een tweede uurs zal duren.

7. 's Avonds te acht uren zal men de afzondering sluiten met de voorbereiding tot den dood, waarna , om half negen uren, de gebeden naar gewoonte worden verricht.

Men offert dien dag de H. Communie op als eene Teerspijze, in die zelfde gevoelens, als men zou wenschen dezelve bij het einde des levens te ontvangen. Na de H. Communie zal men Jesus vurig bidden om de genade van een zalig afsterven , eene kostbare en beslissende genade, waaraan men gewoonlijk niet genoeg denkt, om ze te vragen.

-ocr page 203-

193

Art. 129.

De voorbereiding tot den dood zal geschieden als volgt:

Voor het Crucifix neergeknield , zal men een weinig tijds besteden met zich te verbeelden , dat het uur van sterven is genaderd, en dat de Engelbewaarder komt zeggen , gelijk eertijds de Profeet zegde aan Ezechias : Uw tijd is cjeëin-ditjd; stel orde op uwe zaken, (jij gaat sterven. (VI. Reg. XX. 1.)

Men moet niet vreezen zich met de gedachte van den dood gemeenzaam te maken; hoe meer men daaraan denkt, hoe meer de vrees voor denzelven vermindert. In plaats dan van die gedachte te verwijderen, moet men dezelve levendig doorgronden , en dikwijls bij zich zeiven zeggen ; Ik moet sterven.

Hierna doet men met eene heilige aandacht de volgende overweging.

I Punt. Wat is sterven 7

Ik zal sterven 1 dat wil zeggen ; ik zal alles verlaten, zonder uitzondering ... ik zal mijne broeders, zusters, vrienden, al hetgeen mij dierbaar is, verlaten ; ik zal hun een eeuwig vaarwel zeggen. ... ik zal alles verlaten , wat tot mijn gebruik dient; ik zal volstrekt alles verlaten. . .. Gij wordt door vrees bevangen, mijne ziel, op de gedachte van alles te moeten verlaten ! . . . .

13

-ocr page 204-

194

Het zal nochtans zoo moeten wezen. . .. Ach ! welke dwaasheid is het, zich te hechten aan iets , dat zoo spoedig voorbijgaat. . . .

Ik zal sterven ! dat wil zeggen : mijne ziel zal mijn lichaam verlaten , hetwelk alsdan tot niets nuttig meer zal zijn, en waarvan men zich spoedig zal ontdoen. . . . men zal het in de aarde hegraven. ... en wat zal er dan van dit lichaam geworden , waaraan ik mij zooveel laat gelegen liggen.... Wat zal er van die voeten, van die handen, van dat hoofd geworden ! .. .. Wat ben ik toch dwaas aan dat lichaam gehecht te zijn, dat weldra niets zal zijn dan stof en asch. . . .

Ik zal sterven! dat wil zeggen : mijne ziel gaat verschijnen voor den rechterstoel van God! o geducht oogenblik ! ik alleen in de tegenwoordigheid van God!----ondervraagd te worden over

geheel mijn leven door een' God, oneindig rechtvaardig , oneindig verlicht , vijand der zonden en dan zonder barmhartigheid. . . .

II. Punt. Wanneer en hoe zal ik sterven ?

Hoelang heb ik nog tijd te leven ? ik weet het niet: men sterft in allen ouderdom. ... Zal ik den tijd hebben, om mij tot den dood voor te bereiden ? ik weet het niet. ... ik weet alleenlijk , dat vele menschen, zelfs na eene lange ziekte , sterven op een oogenblik , dat zij er het minst aan denken.... Zal ik de laatste HH. Sacramenten ontvangen, of sterven zonder biechten?....

-ocr page 205-

195

ik weet het niet.... ik kan op één oogenblik de spraak , het verstand verliezen... . overigens, waartoe is men in staat, wanneer men ziek is.... welke uitzinnigheid , te rekenen op het laatste oogenblik , wanneer het de eeuwigheid geldt!

III. Punt. Ben ik gereed, om te sterven ?

Als ik op dit uur moest sterven , ben ik gereed ? ben ik gereed , om alles te verlaten. . .. ben ik vooral gereed, om te verschijnen voor den rechterstoel van God ? .... is er niets , hetgeen

mij kwelt---- is mijn geweten geheel gerust____

heb ik niets te vreezen wegens de vervulling van de plichten van mijnen staat 1... . welke onvoorzichtigheid, te leven in eenen staat, waarin ik niet zoude wenschen te sterven !

Na eenige oogenblikken bij die punten te hebben stilgestaan , zal men eenige goede voornemens maken , die het geschiktste voorkomen voor de gesteltenis, waarin men zich bevindt, en eindigen met het bidden der Litanie van den zaligen dood.

-ocr page 206-

196

Twee en dertigste Hoofddeel.

Over de afzonderlijke Gebeden en Godsdienstoefeningen, over de Intentiën en over den arbeid.

Art. 130.

Door afzonderlijke of bijzondere gebeden en oefeningen verstaat men, in de Congregatie, dezulke , welke door de Regelen niet zijn voorgeschreven, en die gewoonlijk iedere Zuster bij zich zelve verricht, als: het bijwonen der kerkelijke diensten; het doen van den Kruisweg en van Novenen ; het deelnemen aan Broederschappen , het bidden onder het werk, en in het algemeen alle andere gebeden en oefeningen, die in de Regelen niet zijn opgenomen of vastgesteld.

Niemand is, krachtens de Voorschriften der Congregatie, tot het verrichten van afzonderlijke gebeden en oefeningen gehouden, en de Oversten zijo niet bevoegd dezelve te bevelen ; maar het staat een ieder vrij dezelve te verrichten, wanneer de tijd en de bezigheden dit toelaten, en de Overste , om billijke redenen , dit niet belette.

Daar, waar de Zusters de H. Mis geregeld in het Huis kunnen hooren , wonen zij dezelve in de parochiekerken, of elders, niet bij, dan wan-

-ocr page 207-

197

neer hare bediening of betrekking zulks vordert, 's Namiddags zullen zij de kerkelijke diensten, buiten haar Muis , nimmer bijwonen ; wanneer de Vespers of het Lof niet in het Huis gedaan worden, zal men op Zon- en feestdagen, na het bezoek bij het Allerheiligste , in plaats van den Rozenkrans van vijf, dien van vijftien tientjes bidden. De Zusters worden , in het algemeen , hier opmerkzaam gemaakt, dat zij zich tot regel moeten stellen , nimmer in het publiek te verschijnen , dan wanneer de liefde haar roepe , of men noodzakelijk moete uitgaan.

Het is aan de Oversten geoorloofd gebeden of Novenen, tot bijzondere intentiën voor vreemdelingen te doen, en zelfs de Zusters te verzoeken daaraan deel te nemen ; maar het staat iedere Zuster vrij, dit verzoek al of niet in te willigen; zij worden nooit gemeenschappelijk verricht.

Den Kruisweg zal men op Goeden Vrijdag en Allerzielendag te zamen mogen doen

Niemand mag deelnemen aan Broederschappen of bijzondere devotiën, waaraan eenige verplichtingen zijn verbonden, dan aan dezulke, waarin alle Leden, met vergunning der Algemeene Overste , zijn ingeschreven. De Algemeene Overste zal, omtrent het laten deelnemen aan Broederschappen , met bescheidenheid te werk gaan, en toezien, dat men niet te veel tot het bespiegelend leven overhelle, en daardoor het tweede doel der

-ocr page 208-

198

Congregatie: het oefenen der liefdewerken, be-nadeele. Deze aanmerking wordt aan de overweging van alle Oversten bijzonder aanbevolen.

Onder het verrichten van de liefdewerken en van den arbeid, kunnen de Zusters zich onderling bezighouden met overluid den Rozenkrans, of andere gebeden, te bidden, indien de werkzaamheden niet te zwaar zijn of te veel beweging vereischen, daar zulks de gezondheid zou kunnen schaden.

Art. 131.

Elke Zuster is bevoegd, hare gebeden en oefeningen van godsvrucht, zoowel gemeenschappelijke als afzonderlijke, tot zoodanige intentiën te verrichten of op te dragen, als zij zal verkiezen. Hiervan zijn uitgezonderd die gemeenschappelijke gebeden en oefeningen, waarvan de intentiën in de Regelen zijn vastgesteld, volgens welke intentiën die dan ook moeten geschieden.

De geestelijke vruchten of verdiensten , welke de liefdewerken en andere werkzaamheden geven, zijn gemeen, en in dezelve deelen alle Zusters, zonder aanzien van het werk, hetwelk zij in de Congregatie verrichten, mits zij haren plicht betrachten, met uitzondering alleen van die, waarvan de verdiensten , op zekere dagen , aan bijzondere intentiën zijn toegevoegd. Het zal aan elke Zuster vrijstaan , haar aandeel in die ver-

-ocr page 209-

199

dieDSten dagelijks tot eene bijzondere intentie aan God op te dragen.

Het wordt aan de Zusters aanbevolen te bidden : voor hare Medezusters en derzelver familiën, zoo levenden als dooden; voor de bekeering der ongeloovigen en zondaren ; voor de Geloovige Zielen in het vagevuur; voor alle geestelijke en wereldlijke Overheden, en in het bijzonder voor hare Biechtvaders; voor de weldoeners der Congregatie ; voor hare ouders en bloedverwanten , enz. De liefde vordert, dat men voor alle men-schen, maar bijzonderlijk voor zijne ouders en familiën , bidde. Hoezeer de Zusters , overeenkomstig de H. Armoede van den geest, alle aan-gekleefdheid , ook aan bloedverwanten , moeten afleggen, moeten zij niettemin hare ouders en familiebetrekkingen beminnen ; ja, zij moeten zulks nu doen met eene meer heilige en zuivere liefde, en hartelijk deelnemen in hun geestelijk en tijdelijk geluk , en , door vurige gebeden tot God , dit trachten te bevorderen.

Art. 132.

Om meer en meer in de liefde Gods te vorderen , wordt aan elke Zuster aanbevolen, de heilige gewoonte aan te nemen, van, bij het begin van den dag, aan God zijne genade te vragen, en Hem al haar doen en laten, elke gedachte, elke begeerte, elk verlangen, hare vrees,

-ocr page 210-

200

alle neigingen, elk woord en werk op te dragen, zich vast voornemende, om alle moeilijkheden en verstervingen , welke zij gedurende dien dag zal ontmoeten , in vrede en zachtmoedigheid te aanvaarden, als komende van de vaderlijke hand van onzen goeden Verlosser, wiens heilige meening het is, haar door zulke middelen verdiensten te doen vergaderen , om die daarna door den overvloed zijner liefde te beloonen. Zoo ook zullen zij zich gewennen , om , gedurende den dag , dikwijls de tegenwoordigheid Gods te gedenken, vooral wanneer zij de klok hooren slaan, en in stilte eene verzuchting of een kort gebed tot God op te zenden.

Art. 133.

De Congregatie heeft tot regel aangenomen , dat elk Huis zal onderhouden worden uit deszelfs inkomsten, uit de liefdegiften, die aan hetzelve gedaan worden, en uit den arbeid der Zusters; en dat al hetgeen niet benoodigd is voor het gewone onderhoud, tot liefdadige einden zal worden besteed. De Zusters moeten dus, als arme Ledematen van Jesus Christus, naar het voorbeeld van den H. Apostel Paulus, zooveel mogelijk door handarbeid in haar onderhoud trachten te voorzien, en daarom het handwerk, hetwelk de Gehoorzaamheid haar oplegt, in het belang van het Huis beminnen, en met vlijt,

-ocr page 211-

201

zorg en oplettendheid verrichten. Die den arbeid niet bemint, heeft den geest der Congregatie niet; en zij, die denzelven veronachtzaamt, doet te kort aan de H. Armoede.

Alle werkzaamheden van het Huis worden door de Leden der Congregatie zelve, zonder aanzien van personen en zonder medehulp van zoogenaamde werkzusters , dienstboden of anderen , verricht Wanneer echter de betrekking van het Huis de medehulp van dienstboden vereischt, zooals in de Gasthuizen, tot het doen van com-missiën naar buiten, enz , zal men zich van dezelve kunnen bedienen Wanneer, door ziekte of bijkomende omstandigheden, de bezigheden te menigvuldig of te zwaar voor de Zusters zijn, is de Overste in geweten verplicht, daarin te voorzien , of wel door het tijdelijk schorsen van een of ander liefdewerk, of door den bijstand van vreemdelingen in te roepen, en zulks intijds , zonder daarmede te wachten, totdat er in het Huis verwarring ontsta, of, door eene te zware inspanning, de Zusters ziek worden. Op ondersteuning uit het Moederhuis mag men niet rekenen, daar de Algemeene Overste niet in staat is , om in alle tijdelijke behoeften , welke in de Huizen ontstaan, door het zenden van Zusters te voorzien.

Om den handarbeid zoo verdienstelijk mogelijk te maken, zullen de Zusters, 1. voor zoo-

-ocr page 212-

202

\eel van haar afhaDgt, die werkzaamheden verlangen , welke het meest tegen hare natuurlijke neiging strijden; 2. bij het begin van het werk, zich zeiven en dien arbeid aan God opofferen , en 3. in den geest van boetvaardigheid zich daaraan onderwerpen, zich herinnerende, dat God, door een onherroepelijk vonnis, den mensch tot den arbeid veroordeeld heeft, om zijne zonden te boeten. Indien de Zusters in dien geest den arbeid verrichten, zullen zij daardoor, behalve de verdiensten, eene gerustheid, eene ingetogenheid en een voedsel voor de ziel verkrijgen, welke zij buiten den arbeid niet zullen vinden.

-ocr page 213-

J-J ±1116 ID-til I ) H iTHT I

OVER DE BEDIENINGEN.

Drie en dertigste Hoofddeel.

Over de plichten in het algemeen van

de züstees , die eenig gezag in de

Congregatie uitoefenen.

art. 134.

De Algemeene en plaatselijke Oversten en zij, die eenig gezag in de Congregatie uitoefenen, zullen hare bediening en hare plichten , met waardigheid en getrouwheid , overeenkomstig de Constitutie, Regelen en bestaande Gebruiken, waarnemen, en een ieder zal, voor zooveel haar aangaat. zich bovenal toeleggen, om het doel en den geest der Instelling, alsmede de goede orde , de tucht en de onderlinge liefde tusschen alle Leden te handhaven.

De Overste, en die haar vervangen , hebben de macht, om hare onderhoorigen , om billijke

-ocr page 214-

204

redenen, in de onderhouding der Regelen te dispenseeren; maar zij moeten van die macht zoo zeldzaam mogelijk gebruik maken, ten einde de regeltucht niet te doen lijden. Nimmer zullen zij de Regelen mogen afschaffen of buiten werking stellen.

Art. 135.

De hoedanigheden, welke in elke Overste ver-eischt worden, zijn: goed voorbeeld, waakzaamheid , liefde , standvastigheid , voorzichtigheid

Goed voorbeeld. — Jesus Christus is zelf hiermede begonnen : Hij heeft eerst door zijne werken en vervolgens door zijne woorden geleerd. Zij is Overste, het is waar, maar hiermede houdt zij niet op Zuster, Lid der Congregatie te zijn; en daarom is zij altijd verplicht, om aan hare eigene volmaaktheid en aan haren geestelijken voortgang te werken , volgens den geest van de Regelen en door het bezigen der middelen, welke dezelve voorschrijven.

Zij moet hare onderhoorigen in alles met een goed voorbeeld voorgaan, en wel in dier voege, dat zij met den H. Apostel Paulus aan hare Gemeente kunne zeggen : Weest mijne navolgers, gelijk ik die van Christus ben. (I. Cor. XI. 1.) Zij zal alle bijzonderheden , hetzij in voedsel, hetzij in kleeding, hetzij in meubelen, zorgvuldig vermijden. De H. Franciscus van Sales zegt,

-ocr page 215-

205

dat de deugden der Oversten de eenige bijzonderheden moeten zijn , waardoor zij zich onderscheiden , en die bijzonder opgemerkt worden.

Waakzaamheid. — Iedere Overste is verantwoordelijk voor diegenen , welke God aan hare zorg heeft toevertrouwd. Gelijk een huisvader over zijn huisgezin, een herder over zijne schapen, zoo moet zij waken over hare Gemeente en over haar Huis. liet bestaan of de ondergang van de Gemeente hangt hiervan af. Zij moet waken, opdat de Regelen en de behoorlijk ingevoerde Gebruiken onderhouden worden ; opdat er geene misbruiken insluipen en elke der Zusters zich van haren plicht kwijte; dit alles moet nochtans geschieden zonder vitten of angstvalligheid.

Liefde — O ! gave de goede God , dat de Oversten deze in die volmaaktheid bezaten , gelijk zij in eene Overste behoort te zijn: eene gewone liefde, die men elkander schuldig is, is voor haar niet voldoende; maar zij moeten eene moederlijke liefde voor hare Dochters hebben, dat is : deze liefde moet teeder zijn, om medelijden te hebben met hare Dochters ; zij moet weldadig zijn . om haar het benoodigde , overeenkomstig haren staat, te verschafïen ; zij moet beleefd en voorkomend zijn, om der Zusters vertrouwen in te boezemen en haar openhartig te doen wezen; zij moet zoet a ar dig zijn, om de Zusters te allen tijde te hooren, haar nooit

-ocr page 216-

206

stuursch te behandelen of af te wijzen, hoe lang en verdrietig het ook moge wezen , en om haar op eene zachte en liefderijke wijze hekend te maken met datgene, wat zij moeten doen ; zij moet algemeen zijn , en alle Dochters eveneens omhelzen in den Heer, zonder onderscheid te maken , en zonder de eene meer dan de andere te beminnen. Indien de Oversten met deze liefde bezield zijn, zullen zij in haar bestuur al die vaste en gevoelige vertroosting genieten , welke eene Overste zou kunnen wenschen , terwijl de Zusters met liefde, en niet uit vrees, zullen gehoorzamen, en met een volkomen betrouwen tot hare Overste zullen komen, om ondersteuning te zoeken in hare pijnlijkheden, en om haar hart getrouwelijk te openbaren en hare ziel geheel in hare handen over te geven. De Oversten moeten zich dikwijls de leer van Christus herinneren , te weten : dat het juk van den H. Godsdienst zoet, en de last licht moet zijn; en daarom moeten zij uit al haar vermogen werken, om het leven der Zusters aangenaam te maken, haar te verkwikken en op te beuren , en haar alle voldoening te geven , die niet strijdt met de Voorschriften , noch aanleiding tot verslapping zou kunnen geven.

Standvastigheid. — Deze is het middel tegen eene laffe verdraagzaamheid. De liefde mag niet overslaan tot eene blinde toegevendheid , noch

-ocr page 217-

207

het bestuur verzwakken ; neen , als het de eer van God en de onderhouding der Voorschriften van de Congregatie geldt, moet eene Overste standvastig zijn , en zich niet laten afschrikken door onaangename gevolgen, die zij voorziet, maar hare plichten betrachten en het overige Gode in handen stellen. Wanneer de liefde alleen niet voldoende is, om het bestuur te handhaven, moet zij de roede gebruiken en straffen. Ingeval dan van overtreding, zal zij hare onder-hoorigen, zonder drift of hevigheid , maar met liefde vermanen , en, indien het noodig is, haar eenige versterving of boetpleging, geëvenredigd aan de grootheid der overtreding, voorschrijven. Van groote overtredingen , welke in de Succur-saalhuizen onverhoopt mochten plaats hebben, zal de Overste van het Huis aan de A-lgemeene Overste kennis geven En ware het, dat de overtredingen van zulken aard mochten zijn, dat eene Zuster onwaardig geoordeeld moest worden, langer Lid der Congregatie te zijn, en uit dezelve behoorde weggezonden te worden , zal men, na alles , en wel bijzonderlijk wat het belang der Congregatie vordert, overwogen , en God om verlichting gebeden te hebben , hiertoe besluiten en handelen overeenkomstig de bestaande Voorschriften. Zij , die eenmaal aldus uit de Congregatie ontslagen zijn , zullen nimmermeer in dezelve aangenomen kunnen worden.

-ocr page 218-

208

Voorzichtigheid. — Onder de verschillende deugden en hoedanigheden , die eene Overste moet bezitten, is voorzeker de voorzichtigheid de voornaamste. Ja , de voorzichtigheid is in eene Overste van meer waarde dan de heiligheid. De voorzichtigheid hondt het midden tusschen het overtollige en het gebrekkige; zij overweegt en doet alles met beleid, naar gelang van tijd, personen en omstandigheden. De voorzichtigheid is eene bijzondere gave Gods , die men , gelijk de H. Apostel Paulus leert, van God vragen , en wel beoefenen moet Geene Overste, wie zij ook zij , hoe rijk in ondervinding , moet te veel op hare bekwaamheid en eigen wijsheid steunen, maar zij moet met eene groote nederigheid en een groot betrouwen tot God hare toevlucht nemen , Hem de noodige verlichting en genade afsmeeken, en bij alle verrichtingen en ondernemingen, die van belang zijn, of gevolgen kunnen hebben, raad vragen daar waar zulks behoort. Gebrek aan voorzichtigheid in handelen kan een Huis, ja zelfs de geheele Congregatie met eenen volslagen ondergang bedreigen. Dat de Oversten dit nimmer uit het oog verliezen.

-ocr page 219-

209

Vier en dertigste Hoofddeel.

Over de Algemeene Overste , de Assis-

tanten , het moederhuis en de succtjrsaalhuizen.

art. 136.

Het hoofdbestuur der gansche Congregatie is opgedragen aan eene Algemeene Overste, bijgestaan door vier Assistanten.

De Algemeene Overste en Assistanten worden, bij meerderheid van stemmen der kiezende Leden, voor den tijd van zes jaren , benoemd.

De Algemeene Overste neemt de nieuwe Leden in de Congregatie aan , zendt en verplaatst dezelve , richt de Succursaalhuizen op, welke zij door ondergeschikte Oversten bestuurt, benoemt en ontzet de Oversten en Raadzusters, en visiteert zeil, of door hare Gedelegeerden , de Huizen ; alles overeenkomstig de Constitutie en Regelen der Congregatie.

De Algemeene Overste zorgt, dat de Registers bijgehouden en de Archieven en Fondsen behoorlijk bewaard, en van een en ander nauwkeurige aanteekeningen gehouden worden. Zij zendt , vóór 1° April van ieder jaar, aan de Succursaalhuizen eenen staat van het personeel der Congre-

14

-ocr page 220-

210

gatie, en van de veranderingen en bijzonderheden, welke, in het afgeloopene jaar tot en met ultimo December, in dezelve hebben plaats gehad

Daar de betrekking van Algemeene Overste, zoo ten aanzien der Zusters als ten aanzien der liefdewerken , welke in de Congregatie beoefend worden , van het hoogste gewicht is , zal men , telkens wanneer men tot de keuze eener Algemeene Overste moet overgaan, God vuriglijk bidden , opdat de keuze moge vallen op haar , die het meest waardig is die betrekking te vervullen; te dien einde zullen alle Leden, gedurende de negen dagen, welke den dag der benoeming voorafgaan, gezamenlijk, of ieder in het bij/onder, dagelijks bidden de Litanie van den H. Geest, een kruisgebed doen van vijf Onze Vader en vijf Wees gegroet, ter eere van de vijf HH. Wonden van Jesus Christus, op den eersten en negenden dag vasten, en op den negenden dag de H. Communie tot die zelfde intentie aan God opofferen , zelfs buitengewoon communiceerende, wanneer de negende dag buiten Zondag, Dinsdag of Donderdag invalt.

Allen, zoowel de Oversten als hare onder-hoorige Zusters, moeten zich beijveren, de gewichtige taak, welke de (ioddelijke Voorzienigheid op de schouderen der Algemeene Overste gelegd heeft, te ondersteunen door dikwijls voor haar te bidden , zich met een kinderlijk betrouwen aan

-ocr page 221-

211

haren wil te onderwerpen, en haar in alles ten dienste te wezen, om de algemeene belangen der Congregatie te bevorderen.

Zij moeten haar beschouwen als hare algemeene Moeder, met wie zij nauw vereenigd moeten blijven , en die zij eene oprechte liefde , onbegrensde hoogachting en eenen hoogen eerbied moeten toedragen.

Art. 137.

De Assistanten maken den Raad uit van de Algemeene Overste; ten minste tweemaal in de maand vergadert zij dezelve , om haar over alle zaken van eenig gewicht te raadplegen.

De Assistanten moeten in de Vergaderingen vrijmoedig haar gevoelen zeggen, indachtig zynde, dat zij haren plicht te kort zouden doen , wanneer zij, uit menschelijk opzicht, datgene, wat zij voor God redelijk oordeelen, zouden verzwijgen. Zij moeten steeds innig met de Algemeene Overste verbonden, standvastig, bescheiden en voorzichtig zijn, en zeer zorgvuldig geheim houden, wat haar is toebetrouwd , noch buiten de Vergaderingen daarover onderling spreken.

De Assistanten zullen zich geen gezag in de Congregatie aanmatigen , dan dat haar door de Constitutie, of door de Algemeene Overste, is gegeven. Wanneer zij zich in een Succursaalhuis bevinden, zullen zij met het bestuur van hetzelve

-ocr page 222-

212

zich niet verder mogen inlaten , dan haar door de Algemeene Overste uitdrukkelijk is opgedragen; echter, indien zij kennis dragen van misbruiken of groote overtredingen, welke in de Congregatie plaats hebben, zullen zij aan de Algemeene Overste daarvan kennis geven.

In geval van overlijden , afwezigheid , ziekte, enz., der Algemeene Overste , wordt de eerste der Assistanten , en , in geval van verhindering dezer, de tweede, enz , voorloopig met hare bediening belast.

Art. 138.

De Congregatie heeft een Moederhuis, gevestigd te Sch ijndel, in het Diocees van 's-Bosch , onder het toezicht en de jurisdictie van den Ordinaris van het Diocees.

Het Moederhuis wordt bestuurd door de Algemeene Overste, welke, om des te beter de algemeene belangen der Congregatie te kunnen bevorderen, dat bestuur door hare eerste Assistante, geheel of gedeeltelijk , kan laten waarnemen.

De Algemeene Overste en Assistanten zijn in het Moederhuis gevestigd.

* Art. 139.

De Succursaalhuizen der Congregatie staan onder het toezicht en de jurisdictie van de Ordi-narissen der Diocesen, waarin zij opgericht zijn;

-ocr page 223-

213

zij zijn van het Moederhuis af hankelijk , en kunnen niet van hetzelve afgescheiden worden.

Het Moederhuis en de Succursaalhuizen zullen hunne bijzondere goederen en inkomsten hebben; dezelve zullen, onder het gezag en de waakzaamheid der respectieve Oversten , afzonderlijk worden beheerd ten voordeele van het Huis en van de Zusters, die in hetzelve gebezigd worden; zoodat de Algemeene Overste wel bevoegd is toe te zien, dat de Overste van een Succursaalhuis, ten aanzien van het beheer en gebruik dier goederen, haren plicht kwijte; maar zij kan over die goederen of inkomsten niet beschikken, of deze tot andere einden gebruiken , daar dezelve geheel zijn en blijven moeten het eigendom van dat Huis.

Wanneer de Zusters zich vestigen in een Gasthuis , Weeshuis of andere liefdadige Instelling, waar het huishouden voor rekening eener plaatselijke Administratie geschiedt, zullen het aannemen en wegzenden der hulpbehoevende personen , welke, volgens overeenkomst, door de Zusters daar onderwezen, verpleegd of geholpen kunnen worden, zoo ook het beheer der fondsen, inkomsten en liefdegiften, welke aan dat Gesticht gedaan worden, alleen van die Administratie afhangen , en zal de Overste zich daarmede niet inlaten ; doch al wat de huishouding, de regeling en handhaving der tucht van het Gesticht, de

-ocr page 224-

214

opvoeding en het beoefenen der liefdewerken betreft, is aan de Overste opgedragen , die ten dezen alleen /.al afhangen van het bevoegde Gezag der Congregatie Het benoodigde geld , om de kosten van haar Huis te bestrijden, zal haar dooide Administratie worden ter hand gesteld. De huisbedienden van het Gesticht, betrekkelijk het aannemen , het ontslag en in elk opzicht, zoomede de keuze en verwisseling der huisbedienden tot de verschillende bezigheden, zullen ook van de Overste alleen afhangen.

Ieder Succursaalhuis zal zich bepalen bij het doel, waarover men bij de oprichting van hetzelve is overeengekomen , en de Overste zal geene andere liefdewerken of bezigheden mogen aannemen of beginnen, zonder voorkennis en goedkeuring der Algemeene Overste. De ondergeschikte Oversten worden ten sterkste aangemaand, om van deze bepaling, onder geen voorwendsel of in geen geval hoegenaamd , af te wijken.

Wanneer de Hoogeerw. Heeren Kerkoversten der Diocesen of de Algemeene Overste goedvinden , zeiven of door hunne Gedelegeerden , de Huizen te visiteeren, is ieder Lid gehouden kenbaar te maken de misbruiken tegen de Regeltucht, welke in het Huis, waar zij verblijft, zijn ingeslopen , en welke de Overste niet kan of wil verbeteren , en openhartig te antwoorden op de

-ocr page 225-

215

vragen , welke haar bij die gelegenheid worden gedaan. Men zorge hierin met een oprecht inzicht en bedaard te werk te gaan , opdat de visitatie, die geschiedt om den vrede en de eendracht te handhaven, niet strekke om dezelve te storen.

Vijf en dertigste Hoofddeel.

Over de Oversten en Raaüztjstebs

der succursaalhuizen.

art. 140.

De Oversten der Suceursaalhuizen worden benoemd voor den tijd van zes jaren en bijgestaan door twee Raadzusters.

De Oversten en Leden der Suceursaalhuizen zijn, in alles wat hare personen en bedieningen betreft, ondergeschikt aan de Algemeene Overste. De Oversten geven, alle drie maanden, in de Quatertemperdagen, aan de Algemeene Overste een omstandig verslag over de liefdewerken en over het gedrag van iedere Zuster van haar Huis, zoomede over de dispensatiën of uitzonderingen van de Regelen , welke zij gemeend hebben, gedurende de drie laatste maanden , te hebben moeten verleenen , met opgave van de redenen, welke voor die dispensatiën of uitzonderingen

-ocr page 226-

216

hebben bestaan. In de gevallen, dat de Regelen uitdrukkelijk bepalen , dat er uitzonderingen of veranderingen kunnen gemaakt worden , als in de onderhouding der dagorde en andere punten, behoeven zij dezelve niet op te geven. Zij zenden jaarlijks, vóór 1° April, aan de Algemeene Overste eene behoorlijke rekening van ontvangsten en uitgaven van haar Huis, mede opgemaakt en geteekend door de Raadzusters

Overigens schrijven de Oversten en hare onder-hoorige Zusters zoo dikwijls aan de Algemeene Overste, als zij in het belang van het Huis of van hare personen noodig of raadzaam oordeelen. Brieven, die alleen een vriendschappelijk onderhoud of heilwenschen , enz., ten doel hebben , mogen zij niet schrijven aan de Algemeene Overste, of aan hare Medezusters, daar zulks onnoodige uitgaven veroorzaakt, welke men moet vermijden; het schrijven echter van zulke brieven aan bloedverwanten en kennissen is geoorloofd , wanneer de welvoeglijkheid, welke men in alles en overal in acht moet nemen , zulks vordert, en de Voorschriften ten aanzien van het schrijven van brieven onderhouden worden.

Noch de Oversten, noch hare onderhoorige Zusters mogen zich buiten de stad of gemeente, waar zij gevestigd zijn , begeven , zonder verlof der Algemeene Overste

Alle Leden van het Huis moeten de Overste

-ocr page 227-

217

als hare bijzondere Moeder beschouwen, innig niet haar verbonden zijn, en haar beminnen, hoogachten en eerbiedigen.

De Zusters worden hier herinnerd aan het-gene vroeger van de Gehoorzaamheid is gezegd, namelijk: dat de stem der Gehoorzaamheid de stem is van God; waaruit volgt, dat, wanneer eene Zuster door de Gehoorzaamheid geplaatst wordt in een Huis, zij daar is door den Wil van God, en dat de Overste, onder welke zij staat , door God is gesteld, om haar te besturen en te geleiden op den weg der volmaaktheid; — dat, wanneer eene Zuster zich ontevreden toont over de plaats, waar zij gevestigd is, of over de persoon, onder welke zij staat, zij zich ontevreden toont tegen God zeiven , die het aldus gewild heeft; — dat, wanneer zij door haar gedrag de Overheid als noodzaakt, om haar het Huis te doen verlaten en naar elders te verplaatsen , zij geenszins zal mogen rekenen op de verdiensten en bijzondere genaden , welke God verleent aan diegenen, die zich blindelings door de Overheid laten geleiden en bewegen.

Dat de Zusters zich van deze waarheid wel doordringen en zich overtuigd houden, dat eene Zuster, wie zij ook zij, die oprecht wenscht te vorderen op den weg der volmaaktheid en den Goddelijken bijstand daartoe te verkrijgen, in waarheid moet kunnen uitroepen ; Waar ik ben,

-ocr page 228-

218

wat of hoe ik ben, ben ik door den Wil van God, omdat ik daar en zóó ben door den vrijen wil der Overste, die voor mij de plaats van God bekleedt.

Wanneer er echter bijzondere redenen mochten bestaan voor eene Zuster, om van plaats te veranderen, zal zij deze aan de Algemeene Overste kenbaar mogen maken, aan haar overlatende, wat ten dezen zal worden beslist.

Art. 141.

De Raadzusters maken den Raad uit der ondergeschikte Overste; ten minste ééns in de maand vergadert zij dezelve, om haar over alle zaken van eenig gewicht te raadplegen.

Ook de Raadzusters moeten in de Vergadering vrijmoedig haar gevoelen zeggen, en indachtig zijn , dat zij haren plicht te kort zouden doen , wanneer zij, uit menschelijk opzicht, datgene, wat zij oordeelen nuttig te zijn, zouden verzwijgen. Zij moeten bescheiden en voorzichtig zijn, en z^er zorgvuldig geheim houden, wat haar is toevertrouwd , noch buiten de Vergadering daarover onderling spreken.

Wanneer zij kennis dragen van misbruiken of gewichtige overtredingen , die in het Huis plaats hebben , zullen zij hiervan aan de Overste kennis geven. Wanneer zij zich hierin van haren plicht gekweten hebben, moeten zij zich niet on-

-ocr page 229-

219

tevreden toonen , als de Overste niet doet, hetgeen zij, overeenkomstig haar gevoelen, vermee-nen dat behoort te geschieden.

De Raadzusters moeten, ten minste alle zes maanden, de Aigemeene Overste verwittigen nopens de wijze, waarop de plaatselijke Overste zich van hare plichten kwijt. Van dat bericht, hetwelk de Raadzusters volgens haar geweten moeten geven, zal de Overste van het Huis geene kennis dragen, en het zal afzonderlijk door iedere Raadzuster, beurtelings om de drie maanden , ook zonder inzage van de andere, gedaan worden. In dat verslag zal men ook voegen al datgene, wat men voor God oordeelt nuttig te wezen, dat aan de Aigemeene Overste worde bekend gemaakt.

Aan de eerste Raadzuster wordt opgedragen , om met allen betamelijken eerbied en nederigheid aan de Overste hare gebreken onder het oog te brengen, hetgeen deze met liefde zal aannemen.

In geval van overlijden , afwezigheid , ziekte, enz., der plaatselijke Overste , is de eerste der Raadzusters, en ingeval dat deze verhinderd zij, de tweede voorloopig met hare bediening belast.

De Raadzusters zullen zich geen gezag aanmatigen, dan dat, hetwelk haar door de Regelen of door de Overste is opgedragen, en worden aangemaand zich steeds zeer eerbiedig jegens hare Overste te toonen, geheel met hare Overste

-ocr page 230-

220

in {jeest en hart veieenifjd te zijn, en door eene nederige onderwerping aan haren wil en eene stipte naleving der Regelen en Gebruiken van het Huis anderen tot voorbeeld te verstrekken.

Art. 142.

Elk Lid zal in de Congregatie plaats nemen volgens den rang, welke haar toekomt. De Al-gemeene Overste, en na haar de Assistanten van het Moederhuis, hebben overal in de Congregatie den eersten rang. Hierop volgen de Oversten en Raadzusters der Succursaalhuizen. Na de Raadzusters komen de overige Leden, ieder volgens den tijd barer opneming in de Congregatie. De onderlinge rangen tusscben Assistanten, Oversten en Raadzusters regelen zich naar den tijd harer benoeming.

De Aspiranten der Congregatie staan, in alles wat de onderhouding der Regelen en de levenswijze betreft, gelijk met de Leden der Congregatie. De tijd , gedurende welken zij Aspirant blijven, kan onbepaald uitgesteld worden, en zij mogen niet vragen , om Lid der Congregatie te worden , maar moeten dit aan de beslissing der Algemeene Overste overlaten. Zij nemen plaats na de Leden der Congregatie.

-ocr page 231-

221

Zes en dertigste Hoofddeel.

Over eenige bijzondere bedieningen.

art. 143.

De Sacristine of Zuster, aan welke is opgedragen de verzorging van al hetgeen tot den Godsdienst behoort, zal hare bediening hoogschatten, daar zij zich met dingen bezighoudt, die haar de groote liefde van den Zaligmaker herinneren, namelijk; met hostiën, misgewaad, alben, corporalen , gewijde vaten en dergelijke te bereiden. Al deze dingen behoort zij met aandacht en ingetogenheid des geestes, en met de meening van daardoor het H. Sacrament des Altaars te vereeren , te behandelen.

Z.ij moet de Priesters met groote achting bejegenen , zich wachten van jegens hen zich te gemeenzaam te gedragen, en niet méér spreken, dan hare bediening betreft of de wellevendheid vordert.

Zij zal zorgen , dat de Kapel, het koor, de ornamenten , enz., zindelijk gehourlen, wel bewaard , en , naar gelang der feesten , behoorlijk gebruikt worden. Zij zorgt, dat het uurwerk onderhouden worde en geregeld ga; — dat het

-ocr page 232-

222

licht in de Kapel of op het koor vroegtijdig ontstoken worde ; — en dat alles in gereedheid zij, wat voor het H. Sacrificie der Mis of de Officiën noodig is.

Wanneer hare bezigheden te menigvuldig zijn, om dezelve alleen te verrichten, zal de Overste haar eene of meer Zusters tot onderstand toevoegen.

Zij ontvangt en bewaart de liefdegiften, welke aan de Kapel gedaan worden , doch zal geene uitgaven mogen doen buiten verlof der Overste.

Art. 144.

De Portierster of Zuster, die belast is met het sluiten en ontsluiten van den ingang tot het Gesticht, moet beleefd , zacht, zedig , spraakzaam , zeer ingetogen zijn , en hare bediening , overeenkomstig de Voorschriften op het toelaten van bezoeken van vreemdelingen, en het bestellen van brieven, enz., behoorlijk waarnemen.

Als zij den ingang opent, zal zij zich wachten van te zien wat er buiten omgaat, en de oogen neergeslagen houden.

Zij zorgt, dat de poort altijd behoorlijk gesloten zij ; 's avonds eer men ga slapen , zal zij de sleutels afgeven aan de Overste of hare Assis-tante of Raadzuster, die dezelve 's nachts bewaart en 's morgens wederom aan de Portierster overhandigt.

-ocr page 233-

223

Art. 145.

De Ziekenoppasster moet vooral met veel liefde gewapend zijn, en , zooveel mogelijk , trachten na te leven datgene, wat omtrent de verpleging van zieken in de Regelen is opgenomen. Zij moet zich niet kwellen , indien zij , uit hoofde van hare bediening, de li. Mis niet geregeld kunne bijwonen, noch andere geestelijke oefeningen van godsvrucht verrichten, daar zij door den bijstand , dien zij aan de zieken bewijst, veel meer winst zal doen dan door dit alles. De H. Alphonsus de Ligorio zegt, dat eene ziekenoppasster , die haar ambt oprecht waarneemt, aan God ten hoogste lief en aangenaam is.

Art. 146.

De Zuster, die met het bestuur der keuken en al wat hiertoe behoort belast is , moet zorgen, dat alles ordelijk op tijd en uur gereed zij. Zij wachte zich voor twee dingen : voor verkwisting , door alle onnoodige uitgaven te vermijden en niets door onreinheid of achteloosheid te laten bederven , en voor karigheid, zorgende, dat de Zusters het behoorlijk en toereikend voedsel genieten , gelijk de Regelen en Gebruiken van het Huis voorschrijven.

Zij zal , zooveel doenlijk, zorg dragen, om de gebeden en oefeningen van den dag bij te wonen,

-ocr page 234-

224

en hare bezigheden daarnaar regelen, ten einde in het geestelijke leven geene schade te lijden.

In den omgang met vreemdelingen zal zij alle onnoodige gesprekken vermijden, en in het aan-koopen van het benoodigde voor het huishouden, zoo ook in het verkoopen, moet zij niet over den prijs twisten, gelijk de wereldlijken gewoon zijn te doen, maar handelen als Zuster, en niet als koopvrouw , zegt de H. Alphonsus de Ligorio.

Akt. 147.

De Zusters, welke met de bovenstaande of andere bedieningen , door de Overste van het Huis, belast worden, zijn, in alles wat die bedieningen betreft, aan haar ondergeschikt.

-ocr page 235-

225

Zeven en dertigste Hoofddeel.

——

Over de Goedkeuring der Bijzondere Regelen.

art. 148.

De Bijzondeie Regelen zullen door de Alge-meene Overste worden onderworpen aan de Goedkeuring der Ordinarissen van ieder Diocees, waar de Zusters zich gevestigd vinden.

De jaarlijksche Gedachtenis van de Goedkeuringen der Constitutie, Gemeene en Bijzondere Regelen zal gehouden worden op O. L. V. Hemelvaart, op welken dag elke Zuster de H Communie zal opdragen, ten einde, door de voorspraak van de Koningin des Hemels, de genade af te smeeken, dat de Constitutie en Regelen in de Congregatie nauwkeurig onderhouden worden. Wanneer die feestdag buiten de gewone Commu-niedagen invalt, zal men eene der gewone Communiën op dien feestdag stellen.

art. 149.

Wanneer de Zusters geroepen worden, om een Succursaalhuis op te richten, zal de Alge-meene Overste de Bijzondere Regelen aan de

15

-ocr page 236-

226

Goedkeuring van den Ordinaris van het Diocees onderwerpen, tenware dezelve reeds voor dat Diocees waren goedgekeurd, en zich vooraf verzekeren, dat in de nieuwe Stichting de Regelen kunnen onderhouden worden

Gewoonlijk zullen de omstandigheden in den beginne, dat men van een Gesticht bezit neemt, niet gedoogen , dat de Regelen in hun geheel onderhouden worden , en de Algemeene Overste zal deswege de noodige uitzonderingen kunnen toelaten ; doch wanneer de uitzonderingen of afwijkingen zouden moeten voortduren, of het te voorzien zij, dat men de Regelen niet geheel zoude kunnen volgen , zal men , in dat geval, van de stichting afzien, en , wanneer men er reeds bezit van genomen mocht hebben, dezelve verlaten, ten einde de eenheid niet te verbreken.

Er moet, in de Congregatie, in alles eenheid bestaan : eenheid in doel, eenheid in geest, eenheid in bestuur, eenheid in de onderhouding der Regelen , eenheid in handelen; in één woord , eenheid in alles, overal en altijd. De eenheid is een behoedmiddel tegen scheuringen , welke de werking van Instellingen niet alleen verlammen , maar eene geheele ontbinding derzelve soms ten gevolge hebben , waarvan de geschiedenis verschillende voorbeelden oplevert Om de Congregatie voor zulke onheilen te behoeden, wordt aan al diegenen , welke met het bestuur

-ocr page 237-

227

van Huizen zijn belast, of in de toekomst belast zullen worden , andermaal ten nauwste op het hart gedrukt. dat zij steeds met het Hoofdbestuur der Congregatie met geest en hart ver-eenigd blijven , zich streng vasthouden aan het dubbele doel, dat de Congregatie zich voorstelt, en den goeden geest bij hare onderhoorigen steeds bewaren en bevorderen, waaraan zooveel gelegen is ; immers, daar, waar de geest kwijnt, verzwakt het geheele lichaam, en zoodra de geest is verdwenen, is het leven weg en het lichaam dood. Eindelijk , dat zij , met betrekking tot de naleving der Regelen , zich houden aan de spreuk :

Geheel de Regel en niets dan de Regel.

-ocr page 238-
-ocr page 239-

DECREET

van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren

(wegens de schuldbelijdenis, het biechtspreken en het min- of meerder communiceeren dan in de Regels is voorgeschreven).

Gelijk het ffaat met alle menschelijke zaken , hoe loffelijk en heilig die ook zijn, zoo ligt het eveneens in de natuur van wijselijk gemaakte wetten , dat ze door misbruik der menschen tot oneigenlijke en vreemde dingen overgebracht en verdraaid kunnen worden ; en daarom gebeurt het soms, dat die aan het door den wetgever beoogde doel niet meer beantwoorden, ja zelfs nu en dan het tegenovergestelde gevolg hebben.

Het is voorzeker allermeest te betreuren, dat zulks ook geschied is met de wetten van vele Congregaties , Genootschappen of Instellingen , zoo van vrouwen met eenvoudige of plechtige

-ocr page 240-

2

geloften , als van mannen wegens professie en bestuur van gansch leeken aard. Was somwijlen in derzelver Conslitutiën de openbaring des gewetens toegestaan, opdat de kweekelingen in twijfelachtigheden des te gemakkelijker den moeilijken weg der volmaaktheid van ervaren Oversten zouden aanleeren; daarentegen is door niet weinigen van hen het binnenste gewetensonderzoek , dat aan het Sacrament der Biecht uitsluitend is voorbehouden, ingevoerd geworden. Was desgelijks, overeenkomstig de HH. Canons, in derzelver Constitutiën voorgeschreven, dat men in dusdanige Communiteiten zijne biecht zou spreken bij de respectieve gewone en buitengewone Biechtvaders ; van elders is de willekeur der Oversten zoover gegaan, dat ze aan hunne (hare) onderhoorigen een' buitengewonen Biechtvader ontzegd hebben, ook dan wanneer dezen, voor de regeling van hun (haar) eigen geweten, daaraan groote behoefte hadden. Nog was (aan de Oversten) een regel van onderscheiding en voorzichtigheid gegeven, opdat zij hunne (hare) onderhoorigen ten opzichte van bijzondere boet-plegingen en andere werken van godsvrucht naar eisch en behooren zouden geleiden; maar ook deze is door misbruiking zoover uitgestrekt, dat zij het naderen tot de heilige Tafel, of wel naar

-ocr page 241-

eigen goeddunken toegelaten, of wel somtijds geheel en al verboden hebben. — Daardoor is het gekomen , dat dergelijke verordeningen , die ten nutte van den geestelijken voortgang der kweekelingen , alsmede tot bewaring en bevordering der eensgezindheid en overeenstemming in de Communiteiten heilzaam en wijselijk gemaakt waren, niet zelden omgekeerd zijn ten verderve der zielen, tot kwelling der gewetens, en daarenboven tot verstoring van den uitwen-digen vrede, zooals de beroepen der onderhoo-rigen en de menigvuldige bij den H. Stoel ingebrachte klachten ten duidelijkste bewijzen.

Weshalve onze Allerheiligste Vader, door de goddelijke Voorzienigheid Fans Leo XIII, in zijne bijzondere bezorgdheid voor dit zeer uitgelezen gedeelte zijner kudde, bij gelegenheid eener mij, Kardinaal Prefect van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren, den veertienden December 1890 verleende Audiëntie, na alles zorgvuldig en naarstig overwogen te hebben , het navolgende gewild , bepaald en vastgesteld heeft.

I. Zijne Heiligheid vernietigt, heft op, en verklaart voor het vervolg nul en van geene waarde alle mogelijke verordeningen in de Con-stitutiën , van vrome Genootschappen , van In-

-ocr page 242-

stellingen voor vrouwen met eenvoudige of plechtige geloften, alsmede voor mannen van geheel leeke hoedanigheid, alhoewel de voormelde Constitution door den Apostolischen Stoel, in welken vorm ook, zelfs gelijk men zegt op de meest specifieke wijze, waren goedgekeurd , voor zooverre namelijk deze de openbaring der geheimen van hart en geweten betreffen. Dat mitsdien de Bestuurders en Bestuursters van dergelijke Instellingen, Congregatiën en Genootschappen ernstig gelast worden de voornoemde verordeningen in de hun (haar) eigene Constitution, Directoriums en Handboeken geheel en al te schrappen en daaruit t'eenenmale te verwijderen. Zij (Zijne Heiligheid) vernietigt en schaft insgelijks af alle dusdanige gebruiken en gewoonten, ook die welke van onheuglijken tijd bestaan hebben.

II. Z. H. verbiedt bovendien gestrengelijk aan de voormelde Superioren en Superiorissen , van welken graad en voorrang zij ook mogen wezen, van immer te beproeven de hun (haar) onder-hoorige personen rechtstreeks of zijdelings, door bevel, raad , vrees, bedreiging, of vleierij, over te halen tot eene dusdanige aan hen (haar) te doene gewetensopenbaring. Aan de onderhoo-rigen gebiedt Zij anderzijds , dat ze de mindere

-ocr page 243-

5

Oversten, die hen (haar) tot zulke daad durven aanzetten , aan de meerdere Oversten zullen bekend maken ; en mocht er sprake zijn van den Aljjemeenen Bestuurder of Bestuurster, dan zal die aanklacht door hen (haar) bij deze H. Congregatie (voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren) moeten ingediend worden.

III. Dit belet echter in geenen deele, dat de onderhoorigen hun gemoed vrij en uit eigen beweging aan de Oversten kunnen openleggen , ten einde in twijfel en angstvalligheden van hunne voorzichtigheid raad en leiding te erlangen wegens het aankweeken van deugden en het vooruitgaan in de volmaaktheid

IV. Van kracht latende wat ten opzichte van de gewone en buitengewone Biechtvaders der Communiteiten in het heilige Concilie van Trente Sess. 25 cap. 10 de Reyul. voorgeschreven en door Benedictus XIV z. g. in deszelfs Constitutie, beginnende met de woorden « Pastoralis curaequot;, verordend is, vermaant Zijne Heiligheid daarenboven de Prelaten en Oversten, van nimmer aan hunne onderhoorigen, zoo dikwijls als dezen tot geruststelling van hun eigen geweten daartoe genoopt worden, een buitengewonen Biechtvader te weigeren; ja zelfs naar de reden van zulk verzoek geenszins te vragen, of te toonen dat

-ocr page 244-

6

ze dit kwalijk nemen. En opdat een zoo wijze maatregel niet verijdeld worde, spoort Zij (Zijne Heiligheid) de Ordinarissen aan in de plaatsen van hun eigen Bisdom , waar vrouwen-Commii-niteiten bestaan, geschikte Priesters met de noodige faculteiten aan te wijzen, tot wie zij (de bewuste Religieusen) zich gemakkelijk voor het Sacrament der Biecht kunnen wenden.

V. Wat verder de vergunning of het verbod wegens het naderen tot de H. Tafel aangaat, bepaalt Zijne Heiligheid, dat zoodanig vergunnen of verbieden enkel en alleen aan den gewonen of buitengewonen Biechtvader toebehoort, zonder dat de Oversten eenig gezag hebben om zich met die zaak in te laten, behalve het geval, dat iemand hunner (harer) onderhoorigen, na zijne (hare) laatste sacramenteele biecht, der Communiteit tot ergernis zou verstrekt of eene zware uitwendige misdaad bedreven hebben , alvorens opnieuw tot het Sacrament van boetvaardigheid genaderd te zijn.

VI Dienvolgens worden allen aangemaand van te zorgen voor het naarstig voorbereiden tol de heilige Communie en het daartoe naderen op de in de Regels gestelde dagen ; en wanneer de Biechtvader om iemands ijver en geestelijken voortgang het nuttig mocht oordeelen, dat hij

-ocr page 245-

7

(zij) dikwijler daartoe nadere, dan kan zulks door den Biechtvader worden toegestaan. Evenwel , alwie van den Biechtvader de vergunning verkregen heeft om meerdere keeren of ook dagelijks te communiceeren , die is verplicht zijn (haar) Overste daarmede in kennis te stellen; en mocht deze vermeenen tegen zulke menig-vuldigere Communiën billijke en zwaarwichtige bedenkingen te hebben, dan moet hij (zij) dezelve aan den Biechtvader blootleggen , in wiens oordeel men verder behoort te berusten.

VIL Zijne eenzelfde Heiligheid beveelt bovendien aan alle Generale, Provinciale en Locale Oversten der voormelde Instellingen van mannen of vrouwen en aan ieder (Overste) in het bijzonder , de beschikkingen van dit Decreet zorgvuldig en nauwgezet te onderhouden, op boete van anders de tegen de Oversten, overtreders van de bevelen des Apostolischen Stoels, gestelde straiï'en door de daad zelve in te loopen.

Vilt. Eindelijk beveelt (Zijne Heiligheid), dat in de moedertaal overgebrachte afschriften van dit haar Decreet in de Constitutiën der voornoemde Instellingen ingelascht, en minstens eenmaal 'sjaars, op gestelden tijd in elk huis, hetzij aan de openbare tafel, of wel in een afzonderlijk daartoe belegd Kapittel, met luide

-ocr page 246-

8

en duidelijke stem zullen voorgelezen worden.

En aldus heeft Zijne Heiligheid verordend en besloten , ongeacht alles wat daarmede in strijd mocht wezen, al verdiene dit ook eene bijzondere en afzonderlijke vermelding.

Gegeven te Rome uit de Secretarie van de voormelde H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren , den 17den dag van December 1890.

I. Kardinaal VERGA , Prefect.

Fr. Alolsius, Bisschop van Callinico, Secretaris.

Door ons gezien en voor echt verklaard.

De Bisschop van 's-Bosch, t A. GODSCHALK.

's-Bosch , den 18 Maart 1891.

-ocr page 247-
-ocr page 248-
-ocr page 249-
-ocr page 250-

t -k. » , r.

.A. A. *.©,*,©, I©, *, ©

©^©Si©.* !©!*!©!*!€ ^ 1 © gt;

CC*5

1^1

-ocr page 251-
-ocr page 252-