u r. E
j Cl ^ $ 'TW'
B IJ B E L
BEHELZENDE HET
OUDE EN NIEUWE TESTAMENT.
Uit de Hoogduitsche vertaling van
Dquot;. M. LUTHEK,
eertijds door Adolf Visscher in het Nederduitsch overgezet. .
UITGEGEVEN DOOR
NEDERLANDSCH BIJBELOENOOÏSC
189 9.
Herzien in 1750, 1780, 1823,
HET OUDE TESTAMEN i
UIT DE IIOÜGDÜITSCIIE VERTALING VAN
M. LUTHEE
Eerlijds door ADOLF VISSCilEil in hel Nederduitsch overgezet Herzien iu 1750, 1780, 1823, 1S52 eu 1873
UITGEGEVEN UOOU HET
NEDERLANDSCH BUBELGENOOTSCHAP 1889.
Stoomdruk van J. van Boekhoven te Utrecht.
EEGISÏEK VAX DE BOEKEN
DES
OXIDEN TESTAMENTS.
Bladz.
Het eerste boek van Mozes..........1— 104
Het tweede boek van Mozes .... 104— 188
Het derde boek van Mozes..........188— 250
Het vierde boek van Mozes..........351— 33!)
Het vijfde boek van Mozes..........339— 415
Het boek Jozua.........415— 466
Het boek der Recliteren............467— 519
Het boek Eutli.........519— 526
Het eerste boek Samuël............526— 595
Het tweede boek Samuël............595— 652
Het eerste boek der Koningen. . . . 652— 719
Het tweede boek der Koningen . . . 719— 782
Het eerste boek der Kronieken. . . . 782—• 841
Het tweede boek der Kronieken . . . 841— 913
Het boek Ezra.........914— 935
. Het boek Nehemia................935— 965
Het boek Ester..................965— 981
Het boek Job..................981—1035
Het boek der Psalmen..............1036—1164
De Spreuken..........1164—1211
IV
Bladz.
De Prediker..........1311—1337
Het Hooglied....................1337—1333
De profeet Jesaja..................1333—1339
De profeet Jeremia................1339—1457
De Klaagliederen van Jeremia .... 1457—1407-
De profeet Ezeohiel..............1467—1573
De profeet Daniël................1573—1604
De profeet Hoséa................1605—1630
De profeet Joel..................1630—1636
De profeet Amos................1626—1637
De. profeet Obadja................1638—1639
De profeet Jona..................1640—1643
De profeet Micha................1644—1633
De profeet Nahum................1633—1636
De profeet Habakuk..............1657—1661
De profeet Zefanja................1661—1666
De profeet Haggai................1666—1669
De profeet Zaoharia................1669—1687
De profeet Maleaclii..............1687—1693
HET EEUSÏE EOEK VAN MOZES
GENAAMD
GENESIS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In den beginne scliiep God hemel en aarde. 2 En de aarde was woest en ledig, en liet was duister op de diepte, en de Geest Gods zweefde op liet water. 3 En God sprak: Er worde licht: en er werd licht. ■Ji En God zag dat hot licht goed was: toen scheidde God het licht van de duisternis, 5 en noemde het licht dag, cn de duisternis nacht. Toen werd uit avond en morgen de eerste dag. G En God sprak: Er worde een uitspansel tusschen de wateren, en er zij eene scheiding tusschen de watoren. 7 Toen maakte God het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water hoven hot uitspansel: en het geschiedde alzoo. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen werd uit avond 'en morgen de tweede dag. |
9 En God sprak: Het water vergadere zich onder den hemel in hijzondere plaatsen, zoodat men het droge zie: en het geschiedde alzoo. 10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde hij zee: en God zag dat het goed was. 11 En God sprat: Do aarde late opgaan zaadhebbend gras cn kruid, en vruchtbare boomen, elk vruchtdragend naar zijnen aard, en hot hebbe zijn eigen zaad in zichzelf op de aarde. En hot geschiedde alzoo, 12 en de aarde liet opgaan zaadhebbend gras en kruid, elk naar zijnen aard, en vruchtdragende eh hun eigen zaad in zich hebben-do boomen, elk naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. 13 Toen werd uit avond en morgen do derde dag. U. En God sprak: Dat er 1 |
GENESIS 1.
|
licliten worden aan liet uitspansel des hemels, die dag en naclit sclieiden, en opgeven tcekenen, tijden, dagen en jaren; 15 en dat zij licliten zijn aan liet uitspansel des hemels , om te schijnen op de aarde: en hot geschiedde alzoo. 16 En God maakte twee groote lichten, een groot licht om den dag te regee-ren, en een klein licht om den nacht te regeeren, alsmede de sterren; 17 en God stelde zo aan het uitspansel des hemels, om te schijnen op de aarde , 18 en om den dag en den nacht te regeeren, en te scheiden licht en duisternis: en God zag dat het goed was. 19 Toen werd uit avond en morgen de vierde dag. 20 En God sprak: Het water brenge overvloedig voort wemelende en levende dieren, en gevogelte, vliegende boven de aarde, onder het uitspansel des hemels. 31 En God schiep groote walvisschen, en allerlei levende en wemelende dieren, welke het water overvloedig voortbracht, elk naar zijnen aard, en allerlei gevleugeld gevogelte, elk naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. |
22 En God zegende ze en sprak: ïïjt vruchtbaar en vermeerdert u, en vervult het water in de zee, en h ', gevogelte vermeerdere zich-op de aarde. 23 ïoen werd uit avond en morgen de vijfde dag. 2*1 En God sprak: De aarde brenge voort levende dieren, elk naar zijnen aard, vee, gewormte en dieren op de aarde, elk naar zijnen aard: en het geschiedde alzoo. 25 En God maakte de dieren op de aarde elk naar zijnen aard, en het vee naar zijnen aard, en allerlei gewormte op de aarde naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. 26 En God sprak: Laat ons menschen maken, een beeld dat ons gelijk zij, om te heerschen over de vissollen in de zee, en over de vogels onder den hemel, en over het vee, en over do geheele aarde, en over al hot gewormte dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den menscli naar zijn beeld, tot een beeld Gods schiep hij hem, en schiep ze man en vrouw. 28 En God zegende ze en sprak tot lien: Zijt vrucht- |
GENESIS 3.
3
|
baar en vermeerdert u, en vervult de aarde en maakt ze u onderdanig; en heersclit over de visscken in de zee, en over de vogels onder den hemel, en over al liet gedierte dat op de aarde kruipt. 39 En God sprak: Zie, ik lieb u allerlei zaadhebbend kruid gegeven op de geheele aarde, en allerlei vruchtbare boomen en zaadhebbende lioomen, tot uwe - spijs; 30 en aan alle dieren op de aarde, en aan alle vogels onder den hemel, en aan al het gewormte dat leven heeft op de aarde, allerlei groen kruid om te eten. En het geschiedde alzoo. 31 En God zag aan al-wat hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen werd uit avond en morgen de zesde dag. HOOFDSTUK 2. 1 Alzoo werd voleind hemel en aarde metal hun heir; 3 en alzoo voleindde God op den zevenden dag zijne werken welke bij gemaakt had, en rustte op den /.evenden dag van al zijne werken welke hij gemaakt had, 3 en zegende den zevenden dag en heiligde dien, omdat hij daarop gerust had van al zijne werken welke hij |
geschapen en gemaakt had. 4 Alzoo is hemel en aarde geworden, toen zij geschapen zijn, ten tijde toen God de Heer de aarde en don hemel maakte, 5 en allerlei boomen op het veld, die tevoren niet geweest waren op de aarde, en allerlei kruid op het veld, dat tevoren niet geweest was; want God de Heer had nog niet laten regenen op do aarde, en er was geen mensch dio het land bouwde, 6 maar een nevel ging uit de aarde op en bevochtigde al het land. 7 En God de Heer maakte den mensch uit eene kluit aarde, en blies hem den levenden adem in zijnen neus; en alzoo werd de mensch eene levende ziel. 8 En God de Heer plantte een hof in Eden, tegen het oosten, en stelde aldaar den mensch dien hij gemaakt had. 9 En God de Heer liet opwassen uit de aarde allerlei boomen, vermakelijk om aantezien en goed om daarvan te eten, en den boom des levens in hot midden van den hof, en den boom dor kennisse des goeds en des kwaads. 10 En een stroom ging uit van Eden om den hof |
WHINESIS 2.
4
|
te besproeien, en verdeelde zich aldaar in vier lioofd-wa teren. 11 Het eerste, genaamd Pison, vloeit om liet gansohe land Havila, en aldaar vindt men goud; 13 en liet goud des lands is kostelijk, en daar vindt men ook bedulali en het edelgesteente onyx. 13 Het tweede water, genaamd Gilion, loopt om liet gansclie Moorenland. li Het derde water, genaamd Hiddékel, stroomt voorbij Assyrië. Het vierde water is de Tratli. 15 En God de Heer nam den menscli en stelde bem in den hof Eden, om dien te bouwen en te bewaren. 16 En God de Heer gebood den mensoh, zeggende: Gij zult eten van allerlei boomen in den hoiquot;, 17 maar van den boom der kennisse des goeds en des kwaads zult gij niet eten; want op welken dag-gij daarvan eet zult gij den dood sterven. 18 En God de Heer sprak: Het is niet goed dat de menseh alléén zij: ik wil hem eene hulpe maken, die om en bij hem zij. |
19 En als God de Heer uit de aarde allerlei dieren des velds en allerlei vogels des hemels gemaakt had, bracht hij ze tot den mensoh, om te zien hoe hij ze noemen zou; want zooals de mensch allerlei levende dieren noemen zou, zoo zouden zij heeten. ' 20 En de mensoh gaf aanquot; al het vee, en aan alle vogels des hemels, en aan alle dieren des velds, namen; maar voor den mensch werd geen hulpe gevonden, die om en bij hem was. 31 Toen liet God de Heer een diepen slaap vallen op den mensch, en hij sliep; en hij nam één van zijne ribben, en sloot de plaats toe met vleesch. 23 En God de Heer bouwde eene vrouw uit de rib welke hij van den mensch genomen had, en bracht ze tot hem. 33 Toen sprak de mensch: Dat is immers been van mijn beenderen, en vleesch van mijn vleesch: men zal haar mannin noemen, omdat zij van den man genomen is. 34 Daarom zal een man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen; en zij zullen één vleesch zijn. 35 En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw, en zij schaamden zich niet. |
|
GENE HOOFDSTUK 3. 1 En de slang was listiger dan alle dieren des velds welke God de Heer gemaakt f had, en sprak tot de vrouw ^ Jf Zou God wel gezegd heb-ben: Gij zult niet eten van j allerlei boomen in den liof ? ' -' 3 Toen sprak de vrouw tot de slang: Wij eten van de vruchten der boomen in den hof; I 3 maar van de vruchten des booms in het midden van den hof heeft God gezegd: Eet daar niet van, en raakt zo ook niet aan, opclat gij niet sterft. r—. '1 'Toen sprak de slang tot de vrouw: Gij zult geenszins den dood sterven; ƒ . 5 maar God weet, dat op welken dag gij daarvan eet uwe oogen zullen geopend worden, en gij zijn zult als God, en weten wat goed en kwaad is. G En de vrouw zag dat de boom goed was dm daarvan te eten, en liefelijk om aantezien; dat het een aangename boom was, dewijl hij verstandig maakte: en zij nam van de vrucht en at, en gaf haren man ook daarvan, en hij at. 7 Toen werden hun beider oogen geopend, en zij wer- |
SIS 3. -o den gewaar dat zij naakt waren, en vlochten vijgebladeren tezamen en maakten zich schorten. 8 En zij hoorden de stem van God den Heer gaande in den hof, toen de dag Tcoel geworden was; en Adam verborg zich met zijne vrouw voor het aangezicht van God den Heer, onder de boomen in den hof. 9 En God de Heer riep Adam, en sprak tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij sprak: Ik hoorde uwe stem in den hof en vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En hij sprak: Wie heeft u gezegd dat gij naakt zijt? Hebt gij niet gegeten van dien boom, van welken ik u gebood dat gij daarvan niet eten zoudt? 13 Toen sprak Adam: De vrouw welke gij mij toegevoegd hebt, gaf mij van dien boom en ik at. 13 Toen sprak God de Heer tot de vrouw: Waarom hebt gij dat gedaan? De vrouw sprak: De slang bedroog mij, zoodat ik at. W Toen sprak God de Heer tot de slang: Dewijl gij dat gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven alle dieren des velds: op uwen buik |
GENESIS 4.
B
|
zult gij gaan en aarde eten al de dagen uws levens. 15 En ik zal vijandscliap stellen tusschen u en de vrouw, en tusschen uw ïaad en haar zaad; dat zal u den kop vertreden, en gij zult het in deverze steken. 16 En tot de vrouw sprak hij: Ik zal u vele smarten toezenden wanneer gij zwanger wordt; gij zult met smarte kinderen baren, en uw wil zal uwen man onderworpen zijn, en hij zal uw heer zijn. 17 En tot Adam sprak hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar do stem van uwe vrouw, en hebt gegeten van dien boom, van welken ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, •—■ vervloekt zij de akker om uwentwil, met kommer zult gij u daarop voeden al de dagen uws levens; 18 doornen en distels zal hij u dragen, en gij zult het kruid des velds eten: 19 in het zweet uws aan-gezichts zult gij uw brood eten, totdat gij weder tot aarde wordt, waarvan gij genomen zijt; want gij zijt aarde en zult tot aarde worden. -—_ 20 En Adam noemde zijne vrouw Eva, omdat zij de moeder aller levenden is. |
21 En God de Heer maakte | Adam en zijne vrouw rok- 1 ken vau vellen, en trok ze ï hun aan. 22 En God de Heer sprak: Zie, Adam is geworden ak onzer een, en weet wat goed en kwaad is: nu dan, opdat hij zijne hand niet uitstrekke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve eeuwiglijk. 23 Zoo zond God de Heer hem uit den hof Eden , om het veld te bouwen waarvan hij genomen was. 2'i Én hij dreef Adam uit, en stelde den cherub voor den hof Eden met een bloot houwend i zwaard , om te bewaren den weg tot den boom des levens. HOOFDSTUK 4. 1 En Adam bekende zijne vrouw Eva, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en sprak; Ik heb een man van den Heer verkregen. 2 En zij ging voort en baarde Habel, zijnen broeder; en Habel werd een schaapherder, maar Kaïn werd een akkerman. 3 En het gebeurde na eenige dagen dat Kaïn den Heer een offer bracht van de vruchten des velds, 4 en Habel bracht óók van |
GENE
SIS 4.
7
|
de eerstelingen zijner kudde en haar vet; en de Heer zag Habel en zijn ofl'er genadig aan, 5 maar Kaïn en zijn ofl'er zag liij niet genadig aan: toen werd Kaïn zeer vergramd en zijn gelaat veranderde. 6 Toen sprak de. Heer tot Kaïn: Waarom zijt gij vergramd, en waarom is uw gelaat veranderd? 7 Is het niet zoo? Wanneer gij vroom zijt, zoo zijt gij aangenaam; maar zijt gij niet vroom, zoo rust de zonde voor de deur: laat haar eeliter niet haren wil, maar lieersch over haar. 8 Toen sprak Kaïn met zijnen broeder Habel; en het gebeurde toen zij op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijnen broeder Habel en sloeg hem dood. 9 Toen sprak de Heer tot Kaïn: Waar is uw broeder Habel? Maar hij sprak: Ik weet het niet; zou ik mijns broeders hoeder zijn? 10 Maar hij sprak: Wat hebt gij gedaan? De stem van het bloed uws broe- i ders roept tot mij van de j aarde. 11 En nu, vervloekt zijt 4 gij op de aarde, die haren i mond opengedaan en uws |
broeders bloed van uwe handen ontvangen heeft: 13 als gij den akker bouwen zult, zal hij u voortaan zijn vermogen niet geven; ongedurig en vluchtende zult gij zijn op de aarde. 13 Maar Kaïn sprak tot den Heer: Mijne zonde is grooter dan dat zij mij kan vergeven worden. 14 Zie, gij drijft mij heden uit hot land, en ik moet mij voor uw aangezicht verbergen , en moet ongedurig en vluchtende zijn op de aarde; zoo zal het met mij gaan, dat wie mij vindt, die zal mij dooden. 15 Maar de Heer sprak tot hem: Neen, maar wie Kaïn doodslaat, aan dien zal het zevenmaal gewroken worden. En de Heer maakte een teeken aan Kaïn, opdat niemand hem doodde die hem vond. 10 Alzoo ging Kaïn uit van het aangezicht des Hee-ren, en woonde in het land Nod ten oosten van Eden. 17 En Kaïn bekende zijne vrouw, die werd zwanger ( en baarde Henoch. En hij \ bouwde eene stad, welke | hij noemde naar zijns zoons ■ naam Henoch. 18 Henoch nu verwekte Irad, Irad verwekte Me-hujaöl, Mehujaël verwekte |
GENESIS 5.
3
|
Methusaël, Metlmsacl verwekte Lamecli. 19 En Lameoli nam twee vrouwen: de ééne genaamd Ada, de andere Zilla. 30 En Ada baarde Jabal: van dien zijn gekomen die in hutten woonden en met vee omgingea. 21 En zijn broeder was genaamd Jubal: van dien zijn gekomen de vedelspelers en pijpers. 22 Zilla nu baarde óók, namelijk Tubal-Kaïn, den meester in allerlei koper- en ijzerwerk; en de zuster van Tubal-Kaïn was Naëma. 23 En Lamecii sprak tot zijne vrouwen: Ada en Zilla, gij vrouwen van Lameeh., hoort mijne rede en merkt wat ik zeg: ik heb een man doodgeslagen, mij tot eene wonde; een jongeling, mij tot eene buile. 21' Kaïn zal zevenmaal gewroken worden, maar Lameeh zevenenzeventig-maal. 25 Adam bekende wederom zijne vrouw, en zij baarde een zoon, dien noemde zij Seth; want God heeft mij (sprak zij) een ander zaad gesteld voor Habel, dien Kaïn heeft doodgeslagen. 36 En Seth verwekte óók een zoon, en noemde hem Enos. Te dien tijde begon men te prediken van den naam des Heeren. |
HOOFDSTUK 5. 1 Dit is het boek van Adams geslacht. ■—■ Toen God den mensch schiep ^ maakte liij hem naar de gelijkenis Gods; 2 en hij schiep ze man en vrouw, en zegende ze, en noemde hunnen naam mensch, ten tijde toen zij geschapen werden. 3 En Adam was honderd en dertig jaar oud, en verwekte een zoon, die zijnen beelde gelijk was, en noemde hem Seth; 4 en leefde daarna achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters: 5 zoodat zijn geheele ouderdom was negenhonderd en dertig jaar, en hij stierf. C Seth was honderd en vijf jaar oud, en verwekte Enos; 7 en leefde daarna achthonderd en zeven jaar, en verwekte zonen en dochters; 8 zoodatzijngeheeleouder-dom was negenhonderd en twaalf jaar, en hij stierf. 9 Enos was negentig jaar oud, en verwekte Kenan; 10 en leefde daarna achthonderd en vijftien jaar, en verwekte zonen en dochters: |
|
11 zoodat zijn geheele ou-doidora was negenhonderd en vijfjaar, en hij stierf. 13 Kenan was zeventig jaar oud, en verwekte Mahalaleël; 13 en leefde daarna achthonderd en veertig jaar, en verwekte zonen en dochters :: 14' zoodat zijn geheele ouderdom was negenhonderd en tien jaar, en hij stierf. 15 Mahalaleël was vijfenzestig jaar oud, en verwekte Jered; 16 en leefde daarna achthonderd en dertig jaar, en verwekte zonen en dochters : 17 zoodat zijn geheele ouderdom was achthonderd vijfennegentig jaar, en hij stierf. 18 Jered was honderd tweeënzestig jaar oud, en verwekte Henoch; 19 en leefde daarna achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters: 20 zoodat zijn geheele ouderdom was negenhonderd tweeënzestig jaar, en hij stierf. 21 Henoch was vijfenzestig jaar oud, en verwekte Metlmsiilah; 22 en nadat hij Metlm-Siüah verwekt had, bleef hij in een goddelijk leven drie- |
3 honderd jaar, en verwekte zonen en dochters: 23 zoodat zijn geheele ouderdom was driehonderd vijfenzestig jaar. 21 En dewijl hij een goddelijk leven leidde, nam God hem weg, en hij werd niet meer gezien. 25 Methusalali was honderd zevenentachtig jaar oud, en verwekte Lamech; 26 en leefde daarna zevenhonderd tweeëntachtig jaar, en verwekte zonen en dochters: 27 zoodat zijn geheele ouderdom was negenhonderd negenenzestig jaar, en hij stierf. 28 Lamech was honderd tweeëntachtig jaar oud, en verwekte een zoon, 29 en noemde hem Noach, en sprak: Deze zal ons troosten in onze moeite en in onzen arbeid op de aarde, welke de Heer vervloekt heeft. 30 Daarna leefde hij vijfhonderd vijfennegentig jaar, en verwekte zonen en dochters : 31 zoodat zijn geheele ouderdom was zevenhonderd zevenenzeventig jaar, en hij stierf. 32 Noach was vijfhonderd jaar oud, en verwekte Sem, Cham en Jafeth. GENESIS 5. |
GENESIS 6.
10
|
HOOFDSTUK G. 1 Toen nu de mensclicn zich begonnen te vermenigvuldigen op de aarde, en dochters kregen, 3 toen z,agen de kinderen Gods naar de dochters der menschon, dat zij schoon waren, en namen tot vrouwen wie zij wilden. 3 Toen sprak de Heer: De menschen willen zich van mijnen Geest niet meer laten bestrallen; want zij zijn vleesch. Ik wil hun nog uitstel geven honderd cn twintig jaar. 4 Te dien tijde waren er ook geweldenaars op de aarde; want toen de kinderen Gods de dochters der menschen besliepen en zich kinderen verwekten, kwamen daaruit voort geweldigen in de wereld en vermaarde lieden. 5 Toen nu de Heer zag dat de boosheid der menschen groot was op de aarde, en al het dichten en pogen hunner harten altijd alleenlijk boos was, G toen berouwde het hem dat hij de menschen gemaakt had op de aarde, en het bekommerde hem in zijn hart, |
7 en hij sprak: Ik wil de menschen, die ik geschapen heb, verdelgen van de aarde, van den mensch af tot het vee en tot het gewormte en tot de vogels des hemels toe; want liet berouwt mij dat ik ze gemaakt heb. 8 Maar Noaeh vond; genade voor den Heer. 9 Dit is het geslacht van Noach. ■—• Noach was een vroom man, en onberispelijk, en leidde een goddelijk leven in zijnen tijd. 10 En hij verwekte drie zonen; Scm, Cham en Jafeth. 11 De aarde nu was verdorven voor de oogen Gods, en vol van geweld. 13 Toen zag God de aarde aan, en zie, zij was verdorven; want alle vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde. 13 Toen sprak God tot Noach: Het einde van alle vleesch is voor mij gekomen, want de aarde is vol van hun geweld; en zie, ik wil hen met de aarde verderven. li Maak u eene ark van dennenhout , en maak kamers daarin, cn bepek ze van binnen en van uuiten met pek. 15 En maak ze aldus: driehonderd el quot;ij tie lengte, vijftig el de breedte, en dertig el de hoogte. 1G Een venster zult gij |
GENESIS 7.
11
|
daaraan maken, bovenaan, een el groot. De deur zult gij midden in hare zijde zetten. En zij zal drie verdiepingen hebben: ééne beneden, de tweede in het midden, de derde in de hoogte. 17 Want zie, ik wil door het water een zondvloed laten komen op de aarde, om te verderven alle vleesch onder den hemel waar een levende adem in is; al wat op de aarde is zal ondergaan. 18 Maar met u wil ik een verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan met uwe zonen, met uwe huisvrouw, en met de vrouwen uwer zonen. 19 En gij zult allerlei dieren van alle vleesch, van elk een paar, een mannetje en een wijfje, in de ark brengen, opdat zij met u in het leven blijven; 30 van de vogels naar hunnen aard, en van het vee naar zijnen aard, en van allerlei gewormte op' de aarde naar zijnen aard: van die alle zal van elk een paar tot u ingaan, opdat zij in het leven blijven. 21 En gij zult allerlei spijs, welke men eet, tot u nemen en ze tot u verzamelen, opdat zij u en hun tot voedsel zij. |
32 En Noach deed al wat God hem geboden had. HOOFDSTUK 7. 1 En de Heer sprak tot Noach: Ga in de ark, gij en uw geheele huis; want u heb ik rechtvaardig gezien voor mij in dezen tijd. 3 Neem tot u van allerlei rein vee, van elk zeven paar, het mannetje en zijn wijfje; maar van het onreine vee van elk een paar, het mannetje en zijn wijfje; 3 desgelijks van de vogels dos hemels, van elk zeven paar, het mannetje en zijn wijfje, opdat het zaad in leven blijve op den geheelen aardbodem. ■1 Want over nog zeven dagen wil ik laten regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en van den aardbodem verdelgen alwat bestaat, hetgeen ik gemaakt heb. 5 En Noach deed alwat de Heer hem geboden had. 6 Hij nu was zeshonderd jaar oud toen het water des zondvlocds op de aarde kwam. 7 En hij ging in de ark met zijne zonen, zijne huisvrouw , en de vrouwen zijner zonen, wegens de wateren des zondvloeds. 8 Van het reine vee en |
GENESIS 7.
13
|
van het onreine, van de vogels en van al liet gewormte op de aarde, 9 gingen tot hem in cle ark bij paren, van elk een mannetje en een wijfje, gelijk God hem geboden had. 10 En toen die zeven da-gen voorbij waren, kwamen de wateren des zondvloeds op de aarde. 11 In het zeshonderdste jaar van Noaehs ouderdom, op den zeventienden dag van de tweede maand, op dien dag was het dat al de fonteinen van de groote diepte openbraken en de vensters des hemels zich openden, 13 en er kwam een regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. 13 Op dezen zelfden dag ging Noach in de ark met Sem, Cham en Jafeth, zijne zonen, met zijne huisvrouw, en de* drie vrouwen zijner zonen; 14 alsmede allerlei gedierte naar zijnen aard, allerlei vee naar zijnen aard, allerlei gewormte dat op de aarde kruipt naar zijnen aard, en allerlei gevogelte naar zijnen aard, al wat vliegen kon en al wat vleugels had: 13 dat ging altemaal tot Noach in de ark, bij paren, van alle vleescli waarin een levende geest was. |
16 En er waren mannetjes en wijfjes van allerlei vleesch, en zij gingamp;n daarin, gelijk God hem geboden had. En de Heer sloot achter hem toe. 17 Toen kwam de zondvloed veertig dagen op de aarde, en de wateren wiesen, en lichtten de ark op en droegen ze omhoog boven de aarde. 18 Alzoo namen de wateren de overhand, en wiesen zeer op de aarde, zoodat de ark op de wateren dreef. 19 En de wateren namen de overhand, en wiesen zóózeer op de aarde dat alle hooge bergen onder den gan-schen hemel bedekt werden. 30 quot;Vijftien el hoog gingen de wateren boven de bergen die bedekt werden. 31 ïoen verzonk alle vleesch dat op de aarde kruipt, het gevogelte, het vee, net gedierte, en alwat zich roert op de aarde, en alle men-schen; 33 alwat een levenden adem had op het droge, stierf. 33 Alzoo werd verdelgd alwat op den aardbodem was, van den raensch af tot het vee en tot het gewormte en tot de vogels (les hemels toe; dat alles werd verdelgd van de aarde; maar |
|
Noacli alleen bleef over, en wat met liem in de ark was. 24 En de wateren stonden op de aarde honderd en vijftig dagen. HOOFDSTUK 8. 1 ïoen gedacht God aan I Noach, en aan al het ge-j dierte en aan al liet vee ■ dat met hem in de ark was, ; en liet een wind op do aarde komen, en de wateren vielen, 2 en de fonteinen der diepte alsmede de vensters des hemels werden gesloten, en de regen van den hemel : werd gekeerd; 8 en de wateren verliepen van de aarde hoe langer hoe meer, en namen af na honderd en vijftig dagen. 4 Op den zeventienden dag-der zevende maand daalde de ark neder op het ge- : bergte Ararat. 5 De wateren nu verliepen gestadig en namen af tot de tiende maand: op den eersten dag der tiende maand werden de toppen der beril gen gezien. 6 IsTa veertig dagen opende Noach het venster van do ark hetwelk hij gemaakt had, 7 en liet eene raaf uitvliegen, die gedurig heen en weder vloog, totdat de wa-13 op de |
teren verdroogden aarde. S Daarna liet hij eene duif van zich uitvliegen, om te vernemen of de wateren gevallen waren op do aarde. 9 Maar als de duif niet vond waar haar voet rusten kon, kwam zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren nog op den geheelen aardbodem. Toen stak hij de hand uit, en nam ze tot zich in de ark. 10 En hij verbeidde nog zeven dagen, en liet de duif nog eens uitvliegen uit de ark; 11 die kwam tot hem omtrent den avond, en zie, zij had een olijfblad afgebroken , en droeg het in haren bek: toen vernam Noach dat de wateren gevallen waren op de aarde. 12 En hij vertoefde, nog zeven dagen, -en liet de duif uitvliegen: die kwam niet weder tot hem. 13 In het zeshonderdeneerste jaar van Noachs ouderdom , op den eersten dag der eerste maand, verdroogden de wateren op dc aarde: toen deed Noach het dak van de ark af, en zag dat de aardbodem droog was. 14 Alzoo werd de aarde geheel droog op den zeven- GENESIS 8. |
1
GENESIS
14
|
entwintigstendagder tweede maand. 15 Toen sprak God tot Noach, zeggende: 1G Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw, uwe zonen, en de vrouwen uwer zonen met u. 17 Allerlei gedierte dat bij ii is, van allerlei vleesch, vogels, vee, en allerlei gewormte dat op de aarde kruipt, ga uit met u; en dat zij overvloedig voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en ziek vermenigvuldigen op de aarde. 18 Alzoo ging Noack uit met zijne zonen en met zijne huisvrouw en de vrouwen zijner zonen; 19 alsmede allerlei gedierte, allerlei gewormte, allerlei vogels, en al wat op de aarde kruipt, ging uit de ark, elk tot zijnsgelijken. 20 En Xoach bouwde den Heer een altaar, en nam van allerlei rein vee en van allerlei rein gevogelte, en offerde braijdoflers op den altaar. 31 En de Heer rook den liefelijken reuk, en sprak in zijn hart: Ik zal voortaan niet meer do aarde vervloeken om des mensehen wil, want het dichten van 's mensehen hart is boos van de jeugd af; en ik zal voortaan niet meer slaan al-w-at leeft, gelijk ik gedaan heb: |
22 zoolang de aarde staat, zal niet ophouden zaaiing en oogst, vorst en hitte, zomer en winter, dag en nacht. HOOFDSTUK 0. 1 En God zegende Noach en zijne zonen, en sprak: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde. 2 En vrees en verschrikking voor u zij over al het gedierte der aarde, over alle vogels des hemels en over alwat op den aardbodem kruipt, en alle vis-schen in de zee zijn in uwe handen gegeven. 3 Alwat zich roert en leeft, dat zij uwe spijs: ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid. 4 Doch eet dat vleesch niet, dat nog leeft in zijn bloed. 3 Want ik wil ook uws lichaams bloed wreken, en zal het aan alle gedierte wreken, en zal het leven des mensehen wreken aan ieder mensch, als die zijn broeder is. G lYie menschebloed vergiet, diens bloed zal ook door mensehen vergoten wor- |
GENESIS 9.
15
|
(len; want God lieeft den menscli tot zijn beeld gemaakt. 7 Zijt vmclitbaar en vermenigvuldigt u, en teelt overvloedig voort op de aarde, dat gij veel daarop wordt. 8 En God zeide tot jSToacli en zijne zonen met liem: 9 Zie, ik richt een verbond op met u, en met uw zaad na u, 10 en met alle levende dieren bij u, zoo vogels als vee en alle dieren der aarde bij u, van al wat uit de ark gegaan is, lioedanige dieren der aarde liet zijn; 11 en ik riebt mijn verbond aldus met u op, dat voortaan niet meer alle vleescb. verdorven zal. worden door liet water des zond-vloeds, en er voortaan geen zondvloed meer komen zal die de aarde verderft. 12 En God sprak: Dit is liet teeken des verbonds, hetwelk ik gemaakt heb tusschen mij en u en al quot;het levend gedierte bij u, voortaan eeuwiglijk: 13 mijnen boog heb ik gesteld in do wolken, die zal liet teeken zijn des ver bonds tusschen mij en de aarde. |
14 En wanneer het geschiedt dat ik wolken over de aarde voer, zoo zal men mijnen boog zien in de wolken: te, en i 15 dan zal ik gedenken aan mijn verbond tusschen mij en u en al het levend gedierte , onder allerlei vleesch; opdat voortaan niet meer een zondvloed kome die alle vleesch verderve. 10 Daarom zal mijn boog in de wolken zijn, opdat ik hem aanzie, en gedenke aan het eeuwig verbond tusschen God en al het levend gedierte , onder alle vleesch dat op de aarde is. — 17 Voorts zeide God tot Noaeh; Dit zij het teeken des verbonds, hetwelk ik opgericht heb tusschen mij en alle vleesch op de aarde. 18 Do zonen van Noach, die uit do ark gingen, zijn deze; Sem, Cham en Jafeth. Cham nu is de vader van Kanaiin. 19 Dit zijn dc drie zonen van Noach; van deze is al het land bezet. 20 Noach nu begon een akkerman te worden, en plantte een wijngaard. 21 En toen hij van dien wijn dronk, weid hij dronken , eu lag ontbloot in de hut. 22 ïoen nu Cham, Ka-naiins vader, zijns vaders schaamte zag, zeide hij het |
GENESIS 10.
16
|
aan zijne beide broeders daarbuiten. 33 Toen namen Sem en Jafetli een kleed, en leiden liet op bun beider schouders, en gingen er ruggelings naartoe, en bedekten liuns vaders schaamte; en hun aangezicht was afgekeerd, dat zij huns vaders schaamte niet zagen. 24 Als nu Noacli ontwaakte van zijnen wijn, en vernam wat zijn jongste zoon hem gedaan licicl, 33 sprak hij: Vervloekt zij Kanaiin, hij zij een knecht aller knechten onder zijne broeders. 36 En hij sprak verder: Gelooid zij de Heer, de God van Sem; en Kanaiin zij zijn knecht. '27 God breide Jafeth uit, en late hem wonen in de hutten van Sem; en Kanaiin zij zijn knecht. 38 En Noach leefde na den zondvloed driehonderd en vijftig jaar; 39 zoodat zijn gelieele ouderdom wasnegenhonderd en vijftig jaar, en hij stierf. HOOFDSTUK 10. 1 Dit is het geslacht dei-kinderen van Noach; Sem, Cham en Jafeth; en zij verwekten kinderen na den zondvloed. |
3 De kinderen van Jafeth zijn deze: Gomer, Magog, Madai, Ja van, Tubal, Me-sech en Tiras. 3 En de kinderen van Gomer zijn deze: Askenaz, Eifath en Togarma.- li De kinderen van Javan zijn deze: Elisa, Tarsis, Kittim en Dodanim. 5 Yan deze zijn bevolkt de eilanden der heidenen in hunne landen, elk naar zijn spraak, geslacht en lieden. 6 De kinderen van Cham zijn deze: Kusch, Mizraïm, Put en Kanaiin. 7 En de kinderen van Kusch zijn deze: Seba,Ha-vila, Sabta, Eaëma en Sabtecha. En de kinderen van Eaëma zijn deze: Scheba en Dedan. 8 En Kusch ver wekte Nimrod, die begon een geweldenaar te zijn op aarde; 9 en hij was een geweldig jager voor den Heer. Vanhier zegt men: Dat is een geweldig jager voor den Heer, gelijk Nimrod. 10 En het begin zijns rijks was Babel, Erech, Akkad en Kalné in het land Si-near. 11 Uit dat land is daarna Assur gekomen, en bouwde Ninevc cn Eehoboth, Ir en Kalah; |
GENESIS 11.
17
|
13 daarenboven Resen, tns-schen Ninevé en Kalali: dat is eene groote stad. 13 Mizraïm verwekte Ln-dim, Anamim, Lehabim , Naftuhim, 14 Patlirusim en Kasluldm: vandaar zijn gekomen de Eilistim en Kaftorim. 13 En Kanaan verwekte Sidon, sdjnen eersten zoon, en Hetli, 10 Jebusi, Amori, Girgasi, 17 Hevi, Arki, Sini, 18 Arvadi, Zemari en Ha-mathi; daarvan zijn uitgebreid de geslaoliten der Ka-naanieten. 11) En linnno landpalen waren van Sidon af, door Gerar, tot Gaza toe, tot men komt naar Sodom, Gomorra, Adama en Zsboïm, totLasa toe. 20 Deze zijn de kinderen van Cham, naar hunne ge-slaeliten, spraken, landen en lieden. 31 Sem nu de oudere broeder van Jafeth verwekte ook; kinderen; deze is de-vader van al de kinderen van Heber. 33 En zijne kinderen zijn deze: Elam, Assur, Ar-paclisad, Lud en Arara. 33 En de kinderen van Aram zijn deze: Uz, Hul, Geiher en Mas. |
2'Ji En Arpachsad verwekte Selah; Selali verwekte Heber. 33 Heber verwekte twee zonen, de cén genaamd Pe-leg, omdat in zijnen tijd de wereld verdeeld werd; diens broeder heette Joktan. 36 En Jokfan verwekte Almodad, Selef, Hazarma-veth, Jerah, 37 Hadoram, Uzal, Dikla, 38 Obal, Abimaël, Seheba, 39 Ofir, llavila en Jobab: deze allen zijn kinderen van Joktan. 30 En hunne woning was van Mesa af tot men komt naar Sefar, aan hot gebergte tegen het oosten. 31 Deze zijn de kinderen van Sem, naar hunne geslachten , spraken, landen en lieden. 33 Deze nu zijn de nakomelingen van Xoachs kinderen, naar hunne geslachten en lieden; van deze zijn uitgebreid de lieden op de aarde na den zondvloed. HOOFDSTUK 11. 1 De geheele wereld nu had éénerlei taal en spraak. 3 Toen zij nu naar het oosten trokken, vonden zij een eflen land in het landschap Sinear, en woonden aldaar. 3 Eu zij spraken onder |
GENESIS 11.
18
|
elkander: Welaan, laat ons tieliolsteenen strijken en branden. En zij namen tichels tot steeneu, en leem tot kalk, 4 en spraken: Welaan, laat ons een stad en toren bouwen, welks spits tot aan den hemel reikt, opdat wij ons een naam maken; want wij worden misschien verstrooid in alle landen. 5 Toen voer de Heer neder, opdat hij de stad en den toren zag welke de mensche-klnderen bouwden; 6 en de Heer sprak; Zie, het is éénerlei volk, en éénerlei spraak is onder hen allen; zij hebben dat begonnen te doen, en zullen niet aflaten van alwat zij voorgenomen hebben te doen: 7 welaan, laat ons neder-varen en aldaar hunne spraak verwarren, opdat de één des anderen spraak niet versla. 8 Alzoo verstrooide de lider hen vandaar in alle landen, dat zij moesten ophouden de stad te bouwen. 9 Vanhier is haar naam Babel, omdat de Heer aldaar de spraak van alle landen verward en hen vandaar verstrooid had in alle landen. 10 Dit zijn de geslachten van Sem.—Sem was honderd jaar oud, en verwekte Ar-pachsad, twee jaar na den zondvloed; |
11 en leefde daarna vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. 13 Arpachsad was vijfendertig jaar oud en verwekte Selah; 13 en leefde daarna vierhonderd en drie jaar, cn verwekte zonen en dochters. 14 Selah was dertig jaar oud, en verwekte Heber; 15 en leefde daarna vierhonderd cn drie jaar, en verwekte zonen en dochters. 10 Hcber was vierendertig jaar oud, en verwekte Peleg; 17 en leefde daarna vierhonderd en dertig jaar, en verwekte zonen en dochters. 18 Peleg was dertig jaar oud, en verwekte Eehu; 19 en leefde daarna tweehonderd en negen jaar, en verwekte zonen en dochters. 30 Eehu was tweeëndertig jaar oud, en verwekte Serug; 31 en leefde daarna twee-honderd cn zeven jaar, en verwekte zonen en dochters. 33 Serug was dertig jaar oud, en verwekte Nahor; 33 en leefde daarna tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. 34 Nahor was negenentwintig jaar oud, en verwekte Terah; 35 en leefde daarna hon- |
GENESIS 13.
19
|
derd en negentien jaar, en verwekte zonen en dochters. 36 ïerali was zeventig jaar oud, en verwekte Abram, Salior en Haran. 37 Dit zijn de geslachten vanTerah.—Terah verwekte Abram, Xahor en Haran; en Haran verwekte Lot. 38 Haran nu stierf vóór zijnen vader Terah, in zijn vaderland, te Ur in (Jhaldéa. 39 Toen namen Abram en Nahor vrouwen: Abrams huisvrouw heette Sarai, en ïsahors huisvrouw Milka, dochter van Haran, die de vader was van Milka en Jiska. 30 Maar Sarai was onvruchtbaar en had geen kind. 31 Toon nam Terah zijnen zoon Abram, en Lot, Harans zoon, zijnen kleinzoon, en zijne schoondochter Sarai, zijns zoons Abrams huisvrouw, en voerde ze van Ur, uit Chaldéa, om te trekken naar he.t land Kanaiin, en zij kwamen te Haran en woonden aldaar. 33 En Terah was tweehonderd en vijf jaar oud, en stierf te Haran. HOOFDSTUK 12. 1 En de Heer sprak tot Abram: Ga uit uw vaderland en van uwe maagschap en uit uws vaders huis naar het pand dat ik u wijzen zal; |
3 en ik wil u tot een groot volk maken, en zal u zegenen en u een grooten uaam maken, en gij zult een zegen zijn; 3 ik zal zegenen wie it zegenen, en vloeken wie u vervloeken; en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. 4 Toen trok Abram uit, zooals de Heer tot hem gezegd had, en Lot trok met hem. Abram nu wasvijlén-zeventig jaar oud toen hij uit Haran trok. 5 Alzoo nam Abram zijne huisvrouw Sarai, en Lot zijns broeders zoon, met al hunne have welke zij gewonnen hadden, en de zielen welke zij verwekt hadden te Haran, en zij trokken uit om te reizen naar het land Kanaiin. G En als zij nu in dat land gekomen waren, trok Abram dóór tot aan de stad Sichem en tot aan het bosch More; want de Kanaanieten woonden in dien tijd in dat land. 7 Toen verscheen de Heer aan Abram en sprak: Uwen zade wil ik dit land geven. En bij bouwde aldaar den Heere die hem verschenen was een altaar. 8 Vervolgens brak hij vandaar op naar een berg die ten oosten der stadEetli-El |
GENESIS 13.
m
|
lag, en sloeg zijne lint op, zoodat liij Beth-El tegen het westen en Al tegen het oosten had, en bouwde aldaar den Heer een altaar, en predikte van den naam des Heeren. 9 Daarna toog Abram verder, en trok naar het zuiden. 10 En er kwam eene duurte in het land. Toen trok Abram af naar Egypte, om zich aldaar als vreemdeling op-tehonden; want do duurte was groot in het land. 11 En toen hij nabij Egypte kwam, zeide hij tot zijne huisvrouw Sarai: Zie, ik v/eet dat gij eene vrouw zijt schoon van aangezicht. 13 Als nu de Egyptenaars u zullen zien, zoo zullen zij zeggen: Dit is zijne huisvrouw, en zullen mij dooden en u in hot leven behouden. 13 Eilieve, zeg dan dat gij mijne zuster zijt; opdat het mij deste beter ga om u, en mijne ziel om uwentwil in het leven blijve. 14 Als nu Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaars die vrouw dat zij' zeer schoon was. 15 En de vorsten van Farao zagen haar en prezen haar voor hem. Toen werd zij in Farao's huis gebracht. |
16 En hij deed Abram goed om harentwil; en hij had schapen, runderen, ezels, knechten en maagden, ezelinnen en kameelen. 17 Maar de Heer plaagde Farao en zijn huis met groote plagen wegens Sarai, Abrams huisvrouw. 18 Toen riep Farao Abram tot zich, en sprak tot hem: Waarom . hebt gij mij dat gedaan? Waarom zeidot gij mij niet dat zij uwe huisvrouw was? 19 Waarom zeidet gij dat zij uwe zuster was? Weshalve ik ze mij tot vrouw wilde nemen. En nu, ziedaar hebt gij uwe huisvrouw: neem ze en trek heen. 30 En Farao beval zijnen lieden wegens hem, dat zij hem geleiden zouden met zijne huisvrouw en alwat hij had. HOOFDSTUK 13. 1 Alzoo trok Abram op uit Egypte met zijne huisvrouw en met alwat hij had, en Lot ook met hem, naar het zuiden. 3 Abram nu was zeer rijk aan vee, zilver en goud. 3 En hij trok al voort van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats waar eertijds zijne hut geweest was, tusschen Beth-El en Ai, 4 aan dezelfde plaats waar hij tevoren den altaar ge- |
|
GENEt maakt liad; en hij predikte aldaar den naam des Heeren. 3 Lot nu, die met Abram trok, had óók schapen en runderen eri hutten; * C en dat land vermocht hen ' niet te dragen om bij elkander te wonen; want hunne have was groot, en zij konden bij elkander niet wonen; 7 en er was altijd twist tusschen de herders over Abrams vee en de herders over Lots vee. Ook woonden in dien tijd de Kanaanieten en Ferezieten in dat land. 8 Toen sprak Abram tot Lot: Eilieve, laat er geen twist zijn tusschen mij en u, en tnssohen mijne en uwe herders; want wij zijn broeders. i 9 Staat u niet al het land open? Scheid u toch van mij: wilt gij ter linkerhand, zoo wil ik ter rechterhand; of wilt gij ter rechterhand, zoo wil ik ter linkerhand. 10 Toen hief Lot zijne oogen op en bezag de ge-heele landstreek aan den .Tordaan; want eer de Heer Sodom en Gomorra verwoestte, was zij waterrijk totdat men te Zoar komt, als een hof des Heeren, gelijk Egypteland. ♦. 11 Toen koos Lot voor zich de geheele landstreek aan den Jordaan, en trok naar het óósten. Alzoo scheidde ; IS 14. 21 |
zich de cóne broeder van den ander; 13 zoodat Abram woonde in het land Kanaiin, en Lot in de steden van dezelfde landstreek, en zijne hutten tot Sodom toe zette. 13 Do lieden te Sodom nu waren boos en zondigden zeer tegen den Heer. 1-1 Toen Lot zich nu van Abram gescheiden had, sprak de Heer tot Abram: Hef uwe oogen op en zie van de plaats waar gij woont naar het noorden, naar het zuiden, naar het oosten en naar het westen; 15 want al dit land, hetwelk gij ziet, wil ik u geven, en uwen zade eeuwiglijk. 1G En ik zal uw zaad maken gelijk het stof der aarde: kan een mensch het stof der aarde tellen, die zal ook uw zaad tellen. 17 Derhalve maak u op en trek door het land in de lengte en breedte; want u wil ik het geven. 18 Dus nam Abram zijne hutten op, en kwam te wonen 'in het bosch Mamré dat bij Hebron is, en bouwde aldaar den Heer een- altaar HOOFDSTUK U. 1 En het geschiedde ten tijde van Amrai'el den koning van Sinear, van Arjoeh |
1
|
GENE den koning van Ellasar, van Kedorlaomer den koning van Elam, cn van Tideal den koning van Gojim, 3 dat zij oorlog voerden met Bera den koning van Sodom, en met Birsa den koning van Gomorra, en met Sinab den koning van Adaina, en met Semëber den koning van Zeboïm, en met den koning van Bela hetwelk genaamd is Zoar. 3 Ueze allen kwamen tezamen in het dal Siddim, waar nu de Zoutzee is. 4 Want zi] waren twaalf jaren onder den koning Kedorlaomer geweest, en in het dertiende jaar waren zij van hem afgevallen. 5 Daarom kwam Kedorlaomer, en de koningen die met hem waren, in het veertiende jaar, en zij sloegen de reuzen te Asteroth-Karnaïm, en de Zuzieten te Ham, en de Emieten in het veld Kirjathaïm, 6 en de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan do vlakte Paran, die aan de woestijn grenst. 7 Daarna keerden zij om en kwamen bij de fontein Mispat, dat is Kades, en sloegen het geheele land der Amalekieten, alsmede de Amorieten die te Hazezon-Tamar woonden. 33 |
SIS 14. 8 Toen trokken uit de koning van Sodom, de koning van Gomorra , de koning van Adama, de koning van Zeboïm, en de koning van Bela hetwelk genaamd is » Zoar, en rustten zich toe ' om te strijden in het dal Siddim: 9 tegen Kedorlaomer den koning van Elam, en tegen Tideal den koning van Gojim , en tegen Amrafel den koning van Sinear, en tegen Arjoch den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal Siddim nu had vele leemputten. En de koningen van Sodom en Gomorra werden aldaar op de vlucht geslagen en neder- i geveld, en wat er overbleef vluchtte op het gebergte. 11 Toen namen zij alle have te Sodom en Gomorra, en alle spijs, en trokken weg. 13 Ook namen zij Lot, Abrams broeders zoon, en zijne have mede; want bij woonde te Sodom; en zij trokken weg. 13 Toen kwam er een die ontloopen was en zeide dat aan Abram den vreemdeling, die woonde in het bosch 1 van Mamre den Amoriet, die een broeder van Eskol en Aner was; deze waren |
i
|
GENE % de met Abram in een verbond, ko- 11. Als nu Abram boorde ko- dat zijn broeder gevangen ing was, wapende hij zij ne knecb- ing ten, driehonderd en aebt- iis * tien, in zijn huis geboren, toe ' en joeg hen na tot Dan toe. dal 15 Én hij verdeelde zich, viel bij nacht op hen aan ion met zijne knechten, en sloeg ^'en ze, en joeg ze tot Hoba toe, 3o- dat ter linkerhand van de len stad Damascus ligt; jen 16 en bracht alle have ran weder, alsmede ook Lot te- zijnen broeder, met zijne have, ook de vrouwen en nu het volk. de 17 Als hij nu wederkwam en van den slag van Kedor- op laomer en de koningen met er- * hem, ging de koning van eef Sodom hem tegemoet in '• het veld genaamd 'skonings He dal. ra, 18 En Melchizédek, ko- :en ning van Salem, droeg brood en wijn voor; en hij was it, een priester van God den en Allerhoogste. hij 19 En hij zegende hem en zij sprak: Gezegend zij Abram den allerhoogsten God, die lie hemel en aarde bezit; ^at 20 en geloofd zij God do ig. Allerhoogste, die uwe vij-ch 1 anden in uwe hand besloet, ten heeft. En [Ahrain\ gaf ;ol hem de tiende van alles, en 21 ïoen sprak de koning ilS 15. 23 |
van Sodom tot Abram: Geef mij de lieden, en behoud de goederen voor u. 22 Maar Abram sprak tot den koning van Sodom : Ik hef mijne handen op tot den Heer den allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit, 23 dat ik van al wat het uwe is geen draad noch schoenriem nemen wil, opdat gij niet zegt dat gij Abram hebt rijk gemaakt; 24 uitgenomen wat de jongelingen verteerd hebben, en de mannen Aner, Eskol en Mamré, die met mij getrokken zijn, laat die hun deel nemen. HOOFDSTUK 15. 1 Na deze geschiedenissen gebeurde het dat het woord des Heeren tot Abram geschiedde in een gezicht, en hij sprak : Vrees niet Abram, ik ben uw schild en uw zeer groot loon. 2 Maar Abram sprak: Heer, Heer, wat wilt gij mij geven? Ik ga heen zonder kinderen; en mijn huisbezorger, deze Eliëzer van Damascus, heeft een zoon. 3 En A b ram sprak verder: Mij hebt gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon mijns huizes zal mijn erfgenaam zijn. |
1
|
24 GENE 4 En zie , de Heer sprak tot hem; Hij zal uw erfgenaam niet zijn; maar die van uw lichaam komen zal, die zal uw erfgenaam zijn. 5 En hij beval hem buiten te gaan, en zeide: Zie naar den hemel en tel de sterren, kunt gij ze tellen? En hij zcide tot hem: Zoo zal uw zaad worden. 6 Abram geloofde den Heer, en dat rekende hij hem tot gerechtigheid. 7 En hij sprak tot hem: Ik ben de Heer, die u van Ur uit Chaldéa geleid heb, opdat ik u dit land te bezitten gave. 8 Abram sprak: Heer, Heer, waaraan zal ik het merken, dat ik dit land bezitten zal? 9 En hij sprak tot hem: Breng mij eene driejarige koe , en eene driejarige geit, en een driejarigen ram, en eene tortelduif, en eene jonge duif. 10 En hij bracht hem dat alles, en hij deelde ze middendoor , en loide het ééne deel tegenover het andere; maar de vogels deelde hij niet. 11 En het roofgevogelte viel op het aas, maar Abram joeg ze daar uf. 12 Toen nu do 'zon aan |
SIS 15. het ondergaan was, viel een 4- 2 zie, verschrikking en groote 2 13 Toen sprak hij tot en Abram: Dit moet gij weten, »gt; dat uw zaad zal vreemd zijn in een land dat het hunne dwingen te dienen, en ze pla- vr( 14 Maar ik wil dat volk tis( richten hetwelk zij dienen Hf moeten: daarna zullen zij 2 uittrekken met groote goe- Zit deren. toe 15 En gij zult heenvaren rei tot uwe vaderen in vrede, mi en in goeden ouderdom be- mi graven worden. we 16 Maar zij zullen na de vier geslachten weder hier 1 3 komen; want de misdaad hu der Amorieten is nog niet die worden was, zie, toen rookte hai 18 Op dien dag maakte gei de Heer een verbond met vrc Abram, en sprak: Uwen 5 zade wil ik dit land-geven, A-l. van het water van Egypte aai af tot aan het groote water dit Era til toe: 19 de Kenieten, de Ke- zw nizieten, de Kadmonieten, ik |
I
|
UENE een 20 de Hethieten, de reen rezieten, de Eefaïeten, )otc 21 de Amorieten, de Ka-naiinieten, de Girgasieten, tot en do Jebusjeten. cn',r zijquot; HOOFDSTUK 1G. nne i ze 1 Sarai, Abrams huis-pla- vrouw, baarde bem niet; maar zij liad eene Egyp-'olk tisclie dienstmaagd, genaamd nen Hagar. zij 2 En zij sprak tot Abram: gt;oe- Zie, de Heer heeft mij toegesloten, dat ik niet ba-iren ren kan; eilieve, leg u bij de, mijne dienstmaagd, of ik be- misschien uit haar mij bouwen mocht. En Abram hoor-na de naar de stem van Sarai. lüer ■ 3 Toen nam Sarai, Abrams aad huisvrouw, hare Egyptische niet dienstmaagd Hagar, en gaf ze Abram haren man tot Ier- vrouw, nadat zij tien jaren ge- in het land Kanailn gewoond ikte hadden. lam 4 En hij leide zich bij ken Hagar, die werd zwanger. Als zij nu zag dat zij zwan-ikte -ger was, achtte zij hare met vrouw klein bij zich. iven 5 Toen zeide Sarai tot ren, Abram: Gij doet niet recht rpte san mij; ik heb mijne jter dienstmaagd bij u gelegd, maar nu zij ziet dat zij Kc- zwanger geworden is, moet en, ik kleingeacht zijn bij haar: ?IS 16. 25 |
de Heer zij rechter tusschen mij en u. 6 Maar Abram sprak tot Sarai: Zie, uwe maagd is onder uwe macht, doe met haar zooals het u behaagt. Als nu Sarai haar wilde verootmoedigen, vlood zij van haar. 7 En de Engel des Heeren vond haar bij eene waterfontein in de woestijn, namelijk bij de fontein op den weg naar Sur. S Die sprak tot haar: Hagar, dienstmaagd van Sarai, vanwaar komt gij en waar wilt gij heen? Zij sprak: Ik ben van mijne vrouw Sarai gevlucht. 9 En de Engel des Heeren sprak tot haar: Keer weder tot uwe vrouw, en verootmoedig u onder hare hand. 10 En de Engel des Heeren sprak tot haar: Ik wil uw zaad zóó vermenigvuldigen, dat het wegens de groote menigte niet zal geteld worden. 11 Nog zeide de Engel des' Heeren tot haar: Zie, gij zijt zwanger geworden, en gij zult een zoon baren, diens haam zult gij Ismaël heeten: omdat de Heer u in uwe ellende verhoord heeft. 12 Hij zal een woest mensch zijn; zijne hand zal |
i
1
GENESIS 17.
36
|
tegen een ieder en ieders band tegen hem zijn, en hij zal tegenover al zijne broeders wonen. 13 En zij noemde den naam des Heeren die met haar sprak: Gij God ziet mij; want, sprak zij, gewis heb ik hier gezien dengeen die mij hierna aangezien heeft. 14 Daarom noemde zij de fontein eene fontein des levenden die mij aangezien heeft; welke fontein is tusschen Kades en Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon, en Abram noemde den zoon dien Hagar hem baarde Ismaël. 16 En Abram was zesentachtig jaar oud toen Hagar hem Ismaël baarde. HOOFDSTUK 17. 1 Als nu Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen hem de Heer, en sprak tot hem: Ik ben de almachtige God, wandel voor mij en wees vroom; 3 en ik wil mijn verbond tusschen mij en u maken, en zal u bovenmate vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak verder tot hem, zeggende: |
4 Zie, ik ben het, en heb mijn verbond-U) nan uw en gij zult een vader Yan dit zal « vele volken worden. yerbonds 5 Daarom zult gij niet 13 led meer Abram heeten, maar 1 acht dag Abraham zal uw naam zijn; ^besnijder want ik heb u tot een ^ lingen; vader van vele volken ge- tet hui maakt. _ _ . huis ge 6 En ik wil u bovenmate is, van vruchtbaar maken, en zal niet var volken van u maken, en 13 alz van u zullen ook koningen aan uw komen. eeuwig 7 En ik wil mijn ver-u-. 14 Éi bond oprichten tusschen mi' j niet bei en xx, en uw zaad na xxyn . voorhxxi bij hxxnne nakomelingen, dat zal zijn het een eeuwig verbond zij, den xxi alzoo dat ik uw God zij, hij mij en van xxw zaad na xx; gelaten 8 en ik wil xx, en xxweix - v 15 Ei zade na xx, geven het land , tot Ab in hetwelk gij een vreem- ; huisvrc deling zijt, namelijk het garai 1 geheele land Kanaiin, tot - haar i eene. eexxwige bezitting, en - 16 v ik zal hxxn God zijn. 3 genen. 9 En God sprak tot Abra- i xx een ham: Zoo hoxxd nxx mijn a haar : verbond, gij en uw zaad zxxllen na u, bij hxxnne nakoixxe- ,e konins lingen. jt 17 10 Dit nxx is mijn ver- n zijn af bond hetwelk gij houden x, sprak zult txxsschen mij en xx, en :e die h xxw zaad naxx: al wat man- ■jr 'èen 1 nelijk is onder xx zal be- en z( sneden worden. e- oxxd i 11 En gij zxxlt de voorhuid n, 18 |
|
I GENE u, (nan uw vleescli besnijden; ran dit zal een teeken zijn des i. verbonds tusschen mij en u. !t t 12 Ieder jongsken, als bet ir 1 acht dagen oud is, zult gij 'j *be3nijden bij uwe nakome-n ' lingen; desgelijks ook al bet buisgezin dat in uw huis geboren of gekoobt 3 is, van alle vreemden, die 1 niet van uw zaad zijn: ' 13 alzoo zal mijn verbond 1 aan uw vleescb zijn tot een eeuwig verbond, a- ■ 14 En als een jongsken ij niet besneden wordt aan de n . voorbuid van zijn vleescb, zal zijne ziel uitgeroeid worden uit zijn volk, omdat hij mijn verbond heeft nagelaten. quot; v 13 En God sprak wederom tot Abraham: Gij zult uwe ; huisvrouw Sarai niet meer fearai heeten, maar Sara zal haar naam zijn; 16 want ik wil haar ze-3 genen, en van haar zal ik i u een zoon geven; ja ik zal a haar zegenen, en uit haar zullen volken worden, en e koningen over vele volken, t 17 ïoen viel Abraham op ti zijn aangezicht en lachte, en i, sprak in zijn hart: Zou mij, b die honderd jaar oud ben, r 'een kind geboren quot;worden, en zou Sara negentig jaar oud nog baren? , 18 En Abraham sprak tot |
SIS 17. 27 God: Och dat Ismacl leven mocht voor u! 19 Toen zeide God: Ja Sara uwe huisvrouw zal u een zoon baren, dien zult gij Isaak noemen; en met hem wil ik mijn eeuwig-verbond maken, en met zijn zaad na hem. 20 Daarenboven wegens Ismaël heb ik u óók verhoord ; zie, ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en bovenmate vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij voortbrengen, en ik zal hem tot een groot volk maken. 21 Maar mijn verbond wil ik oprichten met Isaiik, dien Sara u baren zal omtrent dezen tijd in liet aanstaande jaar. — 23 En hij hield op met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijnen zoon Ismacl, en alle knechten die in zijn huis geboren en allen die gekocht waren, en alwat mannelijk was in zijn huis, en besneed op dienzelfden dag de voorhuid aan bun vleescb, zooals God hem gezegd had. 21 En Abraham was negenennegentig jaar oud toen hij de voorhuid aan zijn vleescb besneed, |
GENESIS 17.
26
|
tegen een ieder en ieders Land tegen hem zijn, en hij zal tegenover al zijne broeders wonen. 13 En zij noemde den naam des Heeren die met haar sprak: Gij God ziet mij; want, sprak zij, gewis heb ik hier gezien dengeen die mij hierna aangezien heeft. 14 Daarom noemde zij de fontein eene fontein des levenden die mij aangezien heeff; welke fontein is tusschen Kades en Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon, en Abram noemde den zoon dien Hagar hem baarde Ismaël. 16 En Abram was zesentachtig jaar oud toen Hagar hem Ismaël baarde. HOOFDSTUK 17. 1 Als nu Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen hem de Heer, en sprak tot hem: Ik ben de almachtige God, wandel voor mij en wees vroom; 2 en ik wil mijn verbond tusschen mij en u maken, en zal u bovenmate vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak verder tot hem, zeggende: 4 Zie, ik ben het, en heb mijn verbou, |
en gij zult een vader^et u, vele volken worden. van 5 Daarom zult gij niet meer Abram heeten, maar Abraham zal uw naam zijn; want ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. 6 En ik wil u bovenmate vruchtbaar maken, en zal volken van u maken, en van u zullen ook koningen komen. 7 En ik wil mijn ver-j bond oprichten tusschen mS- ■ en u, en uw zaad na u, j bij hunne nakomelingen, dat het een eeuwig verbond zij, alzoo dat ik uw God zij, en van uw zaad na u; 8 en ik wil u, en uwen zade na u, geven het land in hetwelk gij een vreemdeling zijt, namelijk het geheele land Kanaim, tot eene eeuwige bezitting, cn ik zal hun God zijn. 9 En God sprak tot Abraham : Zoo houd nu mijn verbond, gij en uw zaad na u, bij hunne nakomelingen. 1U Dit nu is mijn verbond hetwelk gij houden zult tusschen mij en u, cn uw zaad nau: alwat mannelijk is onder u zal besneden worden. 11 En gij zult de voorhuid vei 1 acl gt;be-' lin hei hu is, nii 1 |
*
GENESIS 17.
37
|
t u, aan uw vleescli besnijden; van dit zal een teeken zijn des iet verbonds tusschen mij en u. mr 12 Ieder jongsleen, als bet jn; acht dagen oud is, zult gij len ^besnijden bij uwe nakome-5'e- ' lingen; desgelijks ook al Lei Imisgezin dat in uw ite huis geboren of gekoobt zal is, van alle vreemden, die en niet van uw zaad zijn: en 13 alzoo zal mijn verbond aan uw vleescli zijn tot een 3r-j eeuwig verbond, nö-- 11 En als een jongsken u, ij niet besneden wordt aan de lat voorhuid van zijn vleescli, dj, zal zijne ziel uitgeroeid wor-ij, den uit zijn volk, omdat hij mijn verbond heeft na-en gelaten. nd * 15 En God sprak wederom m- tot Abraham; Gij zult uwe iet huisvrouw Sarai niet meer tot Sarai heeten, maar Sara zal | en haar naam zijn; 16 want ik wil haar ze-ra- genen, en van haar zal ik ijn u een zoon geven; ja ik zal ad haar zegenen, en uit haar ie- zullen volken worden, en koningen over vele volken, jr- 17 ïoen viel Abraham op en zijn aangezicht en lachte, en i en sprak in zijn hart: Zou mij, n- die honderd jaar oud ben, 'een kind geboren quot;worden, en zou Sara negentig jaar oud nog baren? 18 En Abraham sprak tot id |
God: Och dat Ismacl leven mocht voor u! 19 Toen zeide God: Ja Sara uwe huisvrouw zal u een zoon baren, dien zult gij Isaiik noemen; en met hem wil ik mijn eeuwig verbond maken, en met zijn zaad na hem. 20 Daarenboven wegens Ismaöl heb ik u óók verhoord ; zie, ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en bovenmate vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij voortbrengen, en ik zal hem tot een groot volk maken. 21 Maar mijn verbond wil ik oprichten met Isaiik, dien Sara u baren zal omtrent dezen tijd in het aanstaande jaar. — 22 En hij hield op met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijnen zoon Ismaël, en alle knechten die in zijn huis geboren en allen die gekocht waren, en alwat mannelijk was in zijn huis, en besneed op dienzelfden dag de voorhuid aan hun vleescli, zooals God hem gezegd had. 21- En Abraham was negenennegentig jaar oud toen hij de voorhuid aan zijn vleescli besneed, |
5
|
38 GENE 35 cn Ismaöl zijn zoon was dertien jaar oud toen de voorliuid aan zijn vleescli besneden werd; 30 op één en denzelfden dag werden zij besneden, Abraham en zijn zoonlsmaël; 37 en al wat in zijn Imis mannelijk was, in zijn kuis geboren, en gekocht van vreemden, liet werd alte-maal met hem besneden. HOOFDSTUK 18. 1 En de Heer verscheen hem bij het bosch van Mamré, toen hij zat aan de deur zijner hut, toen de dag op het heetst was. 3 Eu als hij zijne oogen ophief en zag, zie, toen stonden drie mannen voor hem; en toen hij ze zag, liep hij van de deur zijner hut hun tegemoet, en boog zich neder ter aarde, 3 en zeide: Heer, hel) ik genade gevonden voor uwe oogen, zoo ga uwen knecht niet voorbij: 4 men zal u een weinig water brengen en uwe voeten wpsschen; en zet u onder dezen boom neder; 5 en ik zal u eene bete broods brengen, opdat gij uw hart laaft; daarna zult gij voortgaan; want daarom zijt gij tot uwen knecht |
51S 18. gekomen. Zij spraken: Doe zooals gij gezegd hebt. 6 Abraham haastte zich naar de hut tot Sara, en zeide: Haast u en meng drie maten meelbloem, kneed * en bak koeken. 7 En hij liep tot de runderen , en haalde een teeder goed kalf, en gaf het den jongen, die haastte zich en maakte het gereed. 8 En hij droeg boter en melk op, en van het kalf hetwelk hij had gereedgemaakt, en zette hun dat voor; en hij stond bij hen onder den boom, terwijl zij aten. 9 Toen spraken zij tot hem; Waar is uwe huisvrouw Sara? Hij antwoordde: In* de hut. 10 Toen sprak hij: Ik zal weder tot u komen omtrent dezen tijd des levens: zie, dan zal Sara uwe huisvrouw een zoon hebben. Dat hoorde Sara achter hem, achter de deur der hut. 11 En zij waren beiden. Abraham en Sara, oud en weibedaagd, zoodat het Sara niet meer ging naar de wijze der vrouwen. 13 Daarom lachte zij bij zichzelve en zeide: Zoudc^ ik nog wellust plegen, nu ik oud ben en mijn heer óók oud is? |
GENESIS 18.
39
|
13 Toen sprak de Heer tot Abraham: Waarom lacht Sara en zegt: Meent gij dat liet waar is dat ik nog baren zal, daar ik immers oud ben? 14 Zou den Heer iets onmogelijk zijn? Omtrent de-zon tijd des levens zal ik weder tot u komen, dan zal Sara een zoon hebben. 13 Toen loochende Sara dit en zeide: Ik heb niet gelachen; want zij was bevreesd. Maar hij zeide; Het is zoo niet, gij hebt gelachen. 16 Toon stonden die mannen vandaar op en wendden zich naar Sodora, en Abraham ging met hen om zo te geleiden. 17 Toen zeide de Heer: Hoe kan ik voor Abraham verbergen wat ik doe? 18 Dewijl hij een groot en machtig volk zal worden, en in hem gezegend zullen worden alle volken der aarde. 19 Want ik weet dat hij aan zijne kinderen en aan zijn huis na hem zal bevelen de wegen des Heeren te houden, en te doen wat rocht en goed is; opdat de Heer op Abraham late komen hetgeen hij hem toegezegd heeft. |
20 En de Heer sprak: Er is een geroep wegens Sodom en Gomorra dat zeer groot is, en hunne zouden zijn zeer zwaar. 21 Daarom wil ik nederdalen en zien of zij dat alles, naar het geroep dat voor mij gekomen is, gedaan hebben of niet, opdat ik het wete. 22 En die mannen keerden hun aangezicht vandaar en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef staan voor den Heer, 23 en hij trad tot hem en zeide: Wilt gij dan de rechtvaardigen met de god-dcloozen ombrengen? 21: Er mochten misschien vijftig rechtvaardigen in de stad zijn: zoudt gij die ook ombrengen, en het dier plaats niet vergeven om de vijftig rechtvaardigen die er in zijn? 25 Dat zij verre van u, dat gij dat doen zoudt, en de rechtvaardigen met de goddeloozen dooden; dat de rechtvaardige zij gelijk de goddelooze, dat zij verre van u, gij die Eechter der ge-heele wereld zijt: gij zult zoo niet oordeelen. 26 De Heer sprak: Vind ik vijftig rechtvaardigen te Sodom in de stad, zoo zal ik het oin hunnentwil der geheele plaats vergeven. 27 Abraham antwoordde |
4.
GENESIS 19.
30
|
en zeicle: Acli zie, ik heb mij onderwonden met den Heer te spreken, hoewel ik aarde en asch ben: 38 er mochten misschien vijf minder dan vijftig rechtvaardigen in zijn: zoudt gij dan om die vijf de geheele stad verderven? Hij sprak: Vind ik er vijfenveertig in, zoo zal ik ze niet verderven. 3!) En hij ging voort met hem te spreken en zeide: Men mocht er misschien veertig in vinden ? Maar hij sprak: Ik zal het niet doen om die veertig. 30 En hij sprak: Word niet toornig Heer, omdat ik nog meer spreek: men mocht er misschien dertig in vinden? Maar hij sprak: Vind ik er dertig in, zoo zal ik hun niets doen. 31 En hij sprak: Ach zie, ik heb mij onderwonden met den Heer te spreken: men mocht er misschien twintig in vinden? Hij antwoordde : Ik zal ze niet verderven om die twintig. 33 En hij sprak: Ach word niet toornig Heer, omdat ik slechts nog ééns spreek: men mocht er misschien tien in vinden? Maar hij sprak: Ik zal ze niet verderven om die tien. 33 En de Heer ging heen toen hij voleind had met |
Abraham te spreken, en Abraham keerde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 19. 1 En de twee Engelen kwamen te Sodom des avonds; Lot nu zat te Sodom in de poort; en toen hij ze zag, stond hij op om hen te ontmoeten, en boog zich met zijn aangezicht ter aarde, 3 en sprak: Ziet heeren, trekt toch in ten huize nws knechts, en blijft den nacht over; laat uwe voeten was-schen, en staat morgen vroeg op en trekt uwen weg. Doch zij spraken: Neen, maar wij willen den nacht over op de straat blijven. 3 Toen noodigde hij ze zeer; en zij gingen tot hem in en kwamen in zijn huis; en hij bereidde hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. 4 Maar eer zij zich te slapen leiden, kwamen de lieden der stad Sodom, jong en oud, en omsingelden het huis, al het volk uit alle hoeken, 5 en riepen Lot toe en spraken tot hem: Waar zijn de mannen die dezen nacht tot xi gekomen zijn? Laat ze tot ons uitkomen, opdat wij ze bekennen. 6 Lot ging tot hen uit |
GENESIS 19.
31
|
voor de deur, en sloot de deur acliter zich toe, 7 en sprak; Acli lieve broeders, doet zulk kwaad niet. 8 Zie, ik lieb twee docli-tors, die hebben nog geen man bekend, die wil ik hier tot u uitbrengen, en doet met haar wat u goeddunkt ; alleenlijk doet dezen mannen niets, want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. 9 Toen spraken zij: Kom herwaarts. Daarna spraken zij: Gij zijt de écnige vreemdeling hier, en gij wrilt regeeren? Welaan, wij zullen u meer plagen dan hen. Eu zij drongen sterk op den man Lot aan; en toon zij toetraden en de deur wilden openbreken, 10 strekten die mannen hunne hand naarbuitcn, en trokken Lot tot zich in het huis, en sloten de deur toe. 11 En de mannen voor do deur van het huis werden met blindheid geslagen, beide klein en groot, zoodat zij moede werden en de deur niet konden vindon. 13 En de mannen spraken tot Lot: Hebt gij hier ook nog een schoonzoon en zonen en dochters, en wie u toebehoort in deze stad, breng die uit doze plaats; |
13 want wij zullen deze plaats verderven, daarom dat het geroep wegens haar groot is voor den Heer, die ons gezonden heeft om haar te verderven. 14 Toen ging Lot uit en sprak met zijne schoonzonen, die zijne dochters nemen zouden, en zeide: Maakt u op en gaat uit deze plaats, want de Heer zal deze stad verderven. Maar het was hun als schertste hij. 15 Als nu de dageraad aanbrak, geboden de Engelen Lot zich te haasten, en spraken: Maak u op, neem uwe huisvrouw en uwe twee dochters die aanwezig zijn, opdat gij niet omkomt in do misdaad dezer stad. 10 Maar als hij vertoefde, grepen die mannen hem en zijne vrouw en zijne twee dochters bij de hand, omdat de Heer hem verschoonde , en brachten hem uit en leidden hem tot buiten voor de stad. 17 En als zij hem hadden uitgebracht, sprak hij: Eed uwe ziel en zie niet om, sta ook niet stil in de geheele landstreek; red u o]) het gebergte, opdat gij niet omkomt. 18 Maar Lot sprak tot hen; Ach neen Heer: |
GENESIS 19.
33
|
19 zie, dewijl uw knecht genade gevonden heeft voor uwe oogen, zoo wil toch grootmaken uwe barmhartigheid welke gij aan mij gedaan hebt, dat gij mijne ziel bij het leven behieldt; ik kan mij op het gebergte niet redden; mij mocht een ongeval overkomen, dat ik stierf. 30 Zie, er is eeue stad nabij, daarheen kan ik vluchten, en zij is klein; aldaar zoude ik mij redden; zij is immers klein; opdat mijne ziel in leven blijve. 31 ïoen sprak hij tot hem: Zie, ik heb u ook in dit opzicht aangezien, dat ik de stad niet omkeer waarvan gij gesproken hebt. 33 Haast u en red u aldaar, want ik kan niets doen voordat gij daarheen inkomt. — Hierom is deze stad genaamd Zoar. 33 En de zon was opgegaan over de aarde, toen Lot te Zoar inkwam. 31 Toon liet do Heer zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van den Heer, uit den hemel, 35 en keerde die steden om, de geheele landstreek, en al de inwoners der steden, en wat op het land gewassen was. |
36 En zijne huisvrouw zag om, en werd een zoutpilaar. I 37 Abraham nu maakte zich des morgens vroeg op, naar die plaats waar hij voor den Heer gestaan had, 38 en keerde zijn aangezicht naar Sodom en Gomorra en naar het geheele omliggende land, eh zag toe, en zie, er ging rook op van het land, gelijk de rook eens ovens. 39 Want toen God de steden in die landstreek verdelgde, gedacht hij aan Abraham, en leidde Lot uit do steden welke hij omkeerde, in welke Lot gewoond had. 30 En Lot trok uit Zoar, en bleef op het gebergte met beide zijne dochters; want hij vreesde te Zoar te blijven, en bleef alzoo in eene spelonk met beide zijne dochters. 31 Toen sprak de oudste tot de jongste: Onze vader is oud; en cr is geen man meer op de aarde, die ons beslapen kan naar de wijze der geheele wereld: 33 kom dan, laat ons onzen vader wijn te drinken geven, en bij hem slapen, opdat wij zaad van onzen vader behouden. 33 Alzoo gaven zij haren vader wijn te drinken in |
GENESIS 20.
S3
|
dien naclit, en de eerste ging binnen, en leido zich bij haren vader; en hij werd het niet gewaar toen zij zich leide noch toen zij opstond. 34 Des morgens sprak de oudste tot de Jongste: Zie, ik heb gisteren bij mijnen vader gelegen; laat ons hem dezen nacht óók wijn te drinken geven, dat gij binnengaat en u bij hem legt, opdat wij zaad van onzen vader behouden. 33 Alzoo gaven zij haren vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste maakte zich óók op en leide zich bij hem; en hij werd het niet gewaar toen zij zich leide noch toen zij opstond. 3C Alzoo werden de beide dochters van Lot zwanger van haren vader. 37 En de oudste baarde een zoon, dien noemde zij Moab: van dien komen de Moabieten, tot op den dag van heden. 38 En de jongste baarde óók een zoon , dien noemde zij den zoon Ammi: van dien komen de kinderen van Amnion, tot op den dag van heden. HOOFDSTUK 20. |
1 Abraham nu trok vandaar naar het land ten zuiden, en woonde tusschen Kades en Sur; en hij werd een vreemdeling te Gerar. 2 En hij zeide van zijne huisvrouw Sara: Zij is mijne zuster. Toen zond Abimé-lech, de koning van Gerar, naai- haar toe en liet ze halen. 3 Maar God kwam tot Abimélech des nachts in een droom en sprak tot hem: Zie, gij zijt een man des doods wegens de vrouw welke gij genomen hebt; want zij is eens mans echte vrouw. 4 Maar Abimélech had haar nog niet aangeraakt, en sprak: Heer, wilt gij dan ook een rechtvaardig volk dooden? 3 Heeft hij niet tot mij gezegd: Zij is mijne zuster? en zij heeft ook gezegd: Hij is mijn broeder. Ik heb dat immers gedaan met een eenvoudig hart en onschuldige handen. 6 En God sprak tot hem in den droom: Ik weet ook dat gij het met een eenvoudig hart gedaan hebt; daarom heb ik u ook behoed, dat gij niet tegen mij zondigde!, en heb u niet toegelaten haar aanteraken. 7 Geef dan nu den man zijne huisvrouw weder; want hij is een profeet, en laat |
2
GENESIS l'J.
33
|
19 zie, dewijl uw knecht genade gevonden heeft voor uwe oogen, zoo wil toch grootmaken uwe barmhartigheid welke gij aan mij gedaan hebt, dat gij mijne ziel bij het leven behieldt; ik kan mij op het gebergte niet redden; mij mocht een ongeval overkomen, dat ik stierf. 30 Zie, er is eene stad nabij, daarheen kan ik vluchten, en zij is klein; aldaar zoude ik mij redden; zij is immers klein; opdat mijne ziel in leven blijve. 31 ïoen sprak hij tot hem: Zie, ik heb u ook in dit opzicht aangezien, dat ik de stad niet omkeer waarvan gij gesproken hebt. 33 Haast u en red u aldaar, want ik kan niets doen voordat gij daarheen inkomt. •— Hierom is deze stad genaamd Zoar. 33 En de zon was opgegaan over de aarde, toen Lot te Zoar inkwam. 34 Toen liet de Heer zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van den Heer, uit den hemel, 35 en keerde die steden om, de geheele landstreek, en al de inwoners der steden, en wat op het land gewassen was. |
36 En zijne huisvrouw zag om, en werd een zoutpilaar. 37 Abraham nu maakte zich des morgens vroeg op, naar die plaats waar hij voor den Heer gestaan had, 38 en keerde zijn aangezicht naar Sodom en Gomorra en naar het geheele omliggende land, eh zag toe, en zie, er ging rook op van het land, gelijk de rook eens ovens. 39 Want toen God de steden in die landstreek verdelgde, gedacht hij aan Abraham, en leidde Lot uit de steden welke hij omkeerde, in welke Lot gewoond had. 80 En Lot trok uit Zoar, en bleef op het gebergte met beide zijne dochters; want hij vreesde te Zoar te blijven, en bleef alzoo in eene spelonk met beide zijne dochters. 31 Toen sprak de oudste tot de jongste: Onze vader is oud; en er is geen man meer op de aarde, die ons beslapen kan naar de wijze der geheele wereld: 33 kom dan, laat ons onzen vader wijn te drinken geven, en bij hem slapen, opdat wij zaad van onzen vader behouden. 33 Alzoo gaven zij haren vader wijn te drinken in |
dien nacht, ging binnen bij haren va( het nietgew leide noch ti 34 Des m oudste tot d ik heb gist vader gelege dezen nach drinken gevi nengaat en \ opdat wij s vader behou 33 Alzoo j vader ook cl I te drinken, maakte ziel leide zich b werd het ni zij zich leid) opstond. 3C Alzoo v dochters vai van haren v; 37 En de |
GENESIS 20.
den, en woonde tusschen Kades en Sur; en hij werd een vreemdeling te Gerar.
2_ En hij zeide van zijne huisvrouw Sara: Zij is mijne zuster. Toen zond Abime-lech, de koning van Gerar, naar haar toe en liet ze halen.
3 Maar God kwam tot Abimélech des nachts in een droom en sprak tot hem: ^ie, gij zijt een man des doods wegens de vrouw welke gij genomen hebt; want zij is eens mans echte vrouw.
4 Maar Abimélech had haar nog niet aangeraakt, en sprak: Heer, wilt gij dan ook een rechtvaardig volk dooden?
5 Heett hij niet tot mij gezegd: Zij is mijne zuster? en zij heeft ook gezegd: Hij is mijn broeder. Ik heb dat immers gedaan met een eenvoudig hart en onschuldige handen.
_ 6 En God sprak tot hem in den droom: Ik weet ook dat gij het met een eenvoudig hart gedaan hebt; daarom heb ik u ook behoed, dat gij niet tegen mij zon-digdet, en heb u niet toegelaten haar aanteraken.
7 Geef dan nu den man zijne huisvrouw weder; want
■■■■quot; »ciu- üjuc mus vrouw weaer; want
c aai naar het land ten zui- j hij is een profeet, en laat
S3
dien nacht, en de eerste ging binnen, en leide zich bij haren vader; en hij werd het niet gewaar toen zij zich leide noch toen zij opstond.
34 Des morgens sprak de oudste tot de jongste: Zie, ik heb gisteren bij mijnen vader gelegen; laat ons hem dezen nacht óók wijn te drinken geven, dat gij binnengaat en u bij hem legt, opdat wij zaad van onzen vader behouden.
35 Alzoo g-aven zij haren vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste
ï maakte zich óók op en leide zich bij hem; en hij werd het niet gewaar toen zij zich leide noch toen zij opstond.
30 Alzoo werden de beide dochters van Lot zwanger van haren vader.
37 En de oudste baarde een zoon, dien noemde zij Moab ; van dien komen de Moabieten, tot 023 den dag van heden.
38 En de jongste baarde ook een zoon , dien noemde zij den zoon Ammi; van dien komen de kinderen van Ammon, tot op den dag van heden.
HOOFDSTUK 20. 1 Abraham nu trok van-
2
GENESIS 21.
84
|
hem voor u bidden, zoo zult gij in het leven blijven. Maar zoo gij haar niet wedergeeft, zoo weet dat gij den dood sterven moet, en alwat het uwe is. 8 Toen stond Abimélech des morgens vroeg op, en riep al zijne knechten, en zeide hun dat alles voor hunne ooren, en do lieden waren zeer bevreesd. 9 En Abimélech riep Abraham ook en sprak tot hem; Waarom hebt gij ons dat gedaan ? En waarin heb ik tegen u gezondigd, dat gij zulk eene groote zonde op mij en mijn rijk wildet brengen? Gij hebt met mij niet gehandeld zooals men handelen moet. 10 En Abimélech sprak verder tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij zulks gedaan hebt? 11 Abraham sprak: Ik dacht, misschien is er geen vreeze Gods in deze plaats, en men zal mij om mijne huisvrouw dooden. 13 Ook is zij waarlijk mijne zuster; want zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter, en is mijne vrouw geworden. 13 Toen nu God mij beval uit mijns vaders huis te gaan, sprak ik tot haar: Doe die barmhartigheid aan mij, dat, waar wij heenkomen, gij van mij zegt dat ik uw broeder ben. |
14 Toen nam Abimélech schapen en runderen, knechten en maagden, en gaf ze Abraham; en hij gaf hem zijne huisvrouw Sara weder, 15 en sprak: Zie, mijn land staat voor u open: woon waar het u behaagt. 16 En hij sprak tot Sara: Zie, ik heb uwen broeder duizend zilverlingen gegeven ; zie, dat zal u een be-deksel der oogen zijn, voor allen die bij u zijn, en overal; en dit was hare straf. 17 Abraham nu bad tot God; toen genas God Abimélech, en zijne huisvrouw, en zijne maagden, dat zij kinderen baarden. 18 Want de Heer had tevoren vast toegesloten alle baarmoeders van Abimélechs huis, wegens Sara Abrahams huisvrouw, HOOFDSTUK 21. 1 En de Heer bezocht Sara gelijk hij gesproken had, en deed haar zooals hij gesproken had; 3 en Sara werd zwanger, en baarde Abraham in zijnen ouderdom een zoon, op den tijddienGodhem gezegdhad. ö En Abraham noemde zijnen zoon, die hem gebo- |
T
GENESIS 21.
33
ren was, dien Sara liem gebaard had, Isaiik,
4 en besneed hem op den achtsten dag, gelijk God hem geboden had.
5 Honderd jaar was Abraham oud toen zijn zoon Isaiik hem geboren werd.
6 En Sara sprak: God heeft mij een lachen toebereid; want al wie het hoort, die zal om mij lachen.
7 En zij sprak: Wie zou aan Abraham hebben durven zeggen, dat Sara kinderen zoogde en hem in zijnen ouderdom een zoon
i gebaard had?
' 8 En dat kind wies, en 'l werd gespeend; en Abra-: ham maakte een grooten ■ maaltijd op den dag toen ' Isaiik gespeend werd.
9 En Sara zag den zoon van Hagar do Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, dat hij een spotter was,
10 en sprak tot Abraham : Drijf deze dienstmaagd uit met haren zoon; want de zoon dezer maagd zal niet erven met mijnen zoon Isaak.
11 Dit woord beviel Abraham zeer kwalijk vanwege zijnen zoon.
13 Maar God sprak tot hem: Laat het u niet kwalijk gevallen vanwege den jongen en de dienstmaagd:
alwat Sara u gezegd heeft, hoor daarnaar, want ir Isaiik zal u noemd worden.
13 Ook wil ik den zoon der dienstmaagd tot een volk maken, omdat hij van uw zaad is.
14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood en eene fiesch met water, en leide het Hagar op hare schouders, en [gaf haar'] den jongen mede, en liet ze uit. Toen trok zij heen, en ging dwalen in de woestijn bij Eer-Séba.
13 Toen nu het water uit de flesch op was, leide zij den jongen onder een boom,
16 en ging heen, en zette zich daartegenover, een boogschot ver; want zij sprak: Ik kan het sterven van den jongen niet aanzien. En zij zette zich daartegenover, en hief hare stem op en weende.
17 Toen verhoorde God de stem des jongens; en Gods Engel riep van den hemel tot Hagar en sprak tot haar: Wat deert u Hagar ? Vrees niet, want God beeft verhoord de stem des jongens, waar hij ligt.
18 Sta op, neem den jongen en leid hem bij uwe
het zaad ge-
-
GENESIS 21.
36
|
Land; want ik zal liem tot een groot volk maken. 19 En God deed haar de oogen open, dat zij een waterput zag; toen ging zij heen en vulde de flesoli met water, en gaf den jongen te drinken. 2 0 En God was met den jongen; die wies op, en woonde in de woestijn, en werd een goed boogseliutter; 21 en liij woonde in de woestijn Paran, en zijne moeder nam voor hem eene vrouw uit Egypteland. 22 In dien tijd sprak Abimélech, en Pichol zijn krijgsoverste, met Abraham en zeide; God is met u in alles wat gij doet. 23 Zoo zweer mij dan nu bij God, dat gij mij noch mijnen kinderen noch mijnen neven ontrouw zult bewijzen; maar dat gij de barmhartigheid, welke ik aan u gedaan heb, aan mij óók doet, en aan het land in hetwelk gij een vreemdeling zijt. 24 Toen sprak Abraham: Ik zal zweren. 25 En Abraham bestrafte Abimélech over den waterput dien Abiinélechs knechten met geweld genomen hadden. |
26 Toen antwoordde Abimélech : Ik heb het niet geweten wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet te kennen gegeven, daarenboven heb ik het niet gehoord dan heden. 27 Toen nam Abraham schapen en runderen, en gaf ze Abimélech, en zij maakten tezamen een verbond. 28 En Abraham stelde zeven lammeren afzonderlijk. 29 Toen sprak Abimélech tot Abraham: Wat zullen de zeven lammeren welke gij daar afzonderlijk gesteld hebt? 30 En hij antwoordde: Zeven lammeren zult gij van mijne hand nemen, dat zij mij tot eene getuigenis zijn, dat ik dezen put gegraven heb. 31 Daarvan heet die plaats Ber-Séba, omdat zij beiden daar tezamen gezworen hebben. 33 En alzoo maakten zij dat verbond te 13er-Séba. Toen maakte Abimélech zich op, en Pichol zijn krijgs-overste, en zij trokken weder in het land der Filistijnen. 33 Maar Abraham plantte boomen te Ber-Séba, en predikte aldaar den naam des Heeren, des eeuwigen Gods. 34 En hij was een vreemdeling in het land der Ei-listijnen een langen tijd. |
GENESIS 22.
|
HOOFDSTUK 22. 1 Na deze geschiedenissen verzocht God Abraham, en sprak tot hem: Abraham! En hij antwoordde: Hier ben ik. 2 En hij sprak: Neem nu uwen eenigen zoon, dien gij lief hebt, Isailk, en ga heen in het land Moria; en offer hem aldaar tot een brandoffer ojj een berg dien ik u zeggen zal. 3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op en zadelde zijnen ezel, en nam met zich twee van zijne jongens en zijnen zoon Isaak, en kloofde hout voor het brand- . offer, maakte zich op, en ' ging heen naar de plaats van welke God hem gezegd had. 4 Op den derden dag hief Abraham zijne oogen op, en zag die plaats van verre, 5 en sprak tot zijne jongens : Blijft gij hier met den ezel, ik en de jongen zullen daarheen gaan; en als wij aangebeden hebben, zullen ■ wij weder tot u komen. 6 En Abraham nam het hout voor het brandoffer, en leide het op zijnen zoon ; Isailk; maar het vuur en ] het mes nam hij in zijne hand; en beiden gingen tezamen. 7 Toen sprak Isaak tot |
zijnen vader Abraham: Mijn vader! Abraham antwoordde: Hier ben ik, mijn zoon. En hij sprak: Zie hier is vuur en hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? 8 Abraham antwoordde: Mijn zoon, God zal zichzel-ven een lam tot het brandoffer voorzien. En beiden gingen tezamen; 9 en als zij kwamen aan de plaats welke God hem gezegd had, bouwde Abraham aldaar een altaar, en leide het hout daarop, en bond zijnen zoon Isailk, en leide hem op den altaar bovenop het hout; 10 en hij strekte zijne hand uit en vatte het mes, om zijnen zoon te slachten. 11 Toen riep - de Engel des Heeren tot hem van den hemel en sprak: Abraham, Abraham! Hij antwoordde : Hier ben ik. 12 Hij sprak: Sla uwe hand niet aan den jongen, en doe hem niets; want nu weet ik dat gij God vreest, en hebt uwen eenigen zoon niet verschoond om mijnentwil. 13 Toen hief Abraham zijne oogen op en zag achter zich een ram, hangende met zijne hoornen in de heg, en ging heen en nam den ram, |
GENESIS 23.
88
|
en offerde liem ten brand-offer in plaats van zijnen zoon. 14 En Abraliam noemde deze plaats: Ue Heer voorziet. Daarvan zegt men nog heden ten dage: Op dei; berg zal de Heer voorzien. 15 En de Engel des Heeren riep nog eens van den liemel tot Abraham, 1G en sprak: Ik lieb bij mijzei ven gezworen, spreekt de Heer: Dewijl gij dat gedaan en uwen eenigen zoon niet versclioond liebt, 17 zal ik uw zaad zegenen en vermenigvuldigen, als do sterren aan den hemel en als het zand aan den oever der zoe, en uw zaad zal de poorten zijner vijanden bezitten ; 18 en door uw zaad zullen alle volken op de aarde gezegend worden, omdat gij mijne stem gehoorzaam zijt geweest. 1!) Alzoo keerde Abraham ■weder tot zijne jongens; en zij maakten zich op, en trokken tezamen naar Ber-Séba, cn hij woonde aldaar. SO Na deze gesehiedenis-sen gebeurde hot dat men aan Abraham bekendmaakte: Zie, Milka beeft uwen broeder Nahor óók kinderen gebaard , |
2-1 namelijk üz den eerstgeborene , en Buz zijnen broeder, en Kemuël van wien de Syriërs komen, 23 en Kesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Betlmël. 23 Betlmël nu verwekte Eebekka. Die acht baarde Milka aan Nahor Abrahams broeder. 34 En zijn bijwijf, genaamd Eeiima, baarde óók, namelijk ïebah, Gaha'm, Ta-has, en Maacha. HOOFDSTUK 23. 1 Sara was honderd zevenentwintig jaar oud, 3 en stierf te Kirjath-Arba, hetwelk Hebron heet, in het land Kanaiin. Toon kwam Abraham om haar te beklagen en te beweenen. 3 Daarna stond hij op van zijne doode, en sprak met de kinderen van Heth, en zeide: 4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij eene erf begrafenis bij u, opdat ik mijne doode begrave die vóór mij ligt. 5 Toon antwoordden de kinderen van Heth aan Abraham en spraken tot hem: G Hoor ons, mijn heer; gij zijt een vorst Gods onder ons: begraaf uwe doode in het aanzienlijkste onzer graven ; geen mensch onder |
GENESIS 23. 39
gij mij dien laten, zoo bid ik, neem van mij het geld hetwelk ik u geef voor den akker; zoo zal ik mijne doode aldaar begraven.
lli Efron antwoordde Abraham en sprak tot hem:
15 Mijn heer, hoor toch naar mij: het veld is vierhonderd sikkels zilver waard; maar wat is dat tusschen u en mij ? Begraaf slechts uwe doode.
16 Abraham hoorde naar Efron, en woog hem het geld toe hetwelk hij gezegd had, dat de kinderen van Heth het aanhoorden, to weten vierhonderd sikkels zilver, dat in het koopen goed eu gangbaar was.
17 Alzoo werd Efrons akker, in welken de dubbele spelonk is, tegenover Mam-ró. Abraham tot een eigen goed bevestigd, alsmede de spelonk daarin, en alle hoornen rondom den akker;
18 dat de kinderen van Heth het aanzagen, en allen die ter poort zijner stad uiten ingingen.
19 Daarna begroef Abraham zijne huisvrouw Sara in dq dubbele spelonk des akkers tegenover Mamrc, dat is Hebron, in het land Ka-naan.
20 Alzoo werd die akker, en do spelonk daarin, door
ons zal u beletten dat gij in zijn graf uwe doode begraaft.
7 ïocn stond Abraham op en boog zich voor het volk des lands, namelijk voor de kinderen van Heth;
8 en hij sprak met hen en zeide: Behaagt het u dat ik mijne doode die vóór mij ligt begraaf, zoo hoort mij, en bidt voor mij bij Efron den zoon van Zohar,
9 dat hij mij geve zijne dubbele spelonk, die hij heeft aan het einde zijns akkers; hij geve ze mij voor geld, zooveel als zij waard is, tot eene erf begrafenis
ionder u.
l 10 Want Efron woonde •onder de kinderen van Heth. ■Toen antwoordde Efron de Hethiet aan Abraham, dat de kinderen van Heth hot aanhoorden, voor allen die ter poort zijner stad uit- en Ingingen, en sprak: I 11 Neen mijn heer, maar ■hoor mij: ik schonk u den ■likker, en daarbenevens de •'spelonk daarin, en geef ze ai over voor de oogen der /kinderen mijns volks, ter begraving van uwe doode. 12 Toen boog Abraham onder Izich voor het volk des lands,
3de in sr gra-onder
13 en sprak met Efron, dat het volk des lands het aanhoorde, en zeide: Wilt
GENESIS 24.
40
|
de kinderen van Hetli aan Abraham bevestigd tot eene erfbegrafenis. HOOFDSTUK 24. 1 Abraham was oud en weibedaagd, en de Heer had hem gezegend in alles. 3 En hij sprak tot zijnen oudsten knecht van zijn huis, die al zijne goederen bestuurde: Leg uwe hand onder mijne heup, 3 cn zweer mij bij den Heelden God des hemels en dei-aarde, dat gij voor mijnen zoon geen vrouw zult nemen van de dochters der Kanaii-nieten onder welke ik woon , 4 maar dat gij trekken zult naar mijn vaderland en tot mijne maagschap, en daar voor mijnen zoon IsaLik eene vrouw nemen. 5 De knecht sprak: Hoe, zoo die vrouw mij niet volgen wilde naar dit land, zal ik dan uwen zoon wederbren-gen in dat land waaruit gij getrokken zijt? G Abraham sprak tot hem: Wacht u daarvoor, dat gij mijnen zoon daar niet weder heenbrengt. 7 De Heer, de God des hemels, die mij uit het huis mijns vaders en uit het land mijner maagschap genomen heeft, die tot mij gesproken en mij ook gezworen heeft, zeggende: Dit land wil ik uwen zade geven, die zal zijnen Engel voor u uit zenden, dat gij voor mijnen zoon vandaar eene vrouw neemt. |
8 Maar zoo de vrouw u niet volgen wil, zoo zijt gij van dezen eed ontslagen: alleenlij k breng mijnen zoon niet weder daarheen. 9 Toen leide de knecht zijne hand onder de heup van Abraham zijnen lieer, en zwoer hem dat. 10 Alzoo nam de knecht tien kameelen van de ka-meelen zijns heeren, en trok heen, en had allerlei goederen zijns heeren mede; en hij maakte zich op en trok naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. 11 Toen liet hij de kameelen legeren buiten voor de stad bij een waterput, des avonds, omtrent den tijd als de vrouwen plachten uitte-gaan om water te scheppen, 12 en sprak: Heer, gij God van mijnen heer Abraham, kom mij heden tegemoet, en doe barmhartigheid aan Abraham mijnen heer. 13 Zie, ik sta hier bij den waterput, en de dochters der lieden van deze stad zullen uitkomen om water te scheppen: 14 wanneer nu eene jonge-
|
GENESIS U.
41
|
dooliter komt, tot welke ik zeg: Eeik mij uwe kruik toe en laat mij drinken, en zij zeggen zal: Drink, ik zal uwe kameelen óók laten drinken : dat zij dan diegene zijn mag, welke gij uwen dienaar Isailk toegewezen hebt, en ik daaraan kenne dat gij barmhartigheid aan mijnen heer gedaan hebt. 15 En eer hij had uitgesproken , zie, toen kwam Ee-bckka, de dochter van Be-thuül, die een zoon was van Milka, de huisvrouw van Nahor, Abrahams broeder, en droeg eene kruik op haren schoudei'. 16 En zij was eene jonge-doehter, zeer schoon van aangezicht, nog maagd, en geen man had haar bekend; die ging neder naar de fontein , en vulde do kruik, en klom weder op. 17 Toen liep de knecht haar tegemoet en sprak: Laat mij een weinig water uit uwe kruik drinken. 18 En zij sprak: Drink, mijn heer; en zij liet de kruik schielijk neder op hare hand, en gaf hem te drinken. 19 En toen zij hem te drinken gegeven had, sprak zij : Ik zal voor uwe kameelen óók wat scheppen, totdat zij alle gedronken hebben. |
20 En zij haastte zich en goot de kruik uit in den drinkbak, en liep weder naaiden put om water te scheppen , en schepte voor al zijne kameelen. 21 En de man verwonderde zich zeer en zweeg stil, totdat hij merkte of de Heer tot zijne reis genade gegeven had of niet. 22 Toen nu al de kameelen gedronken hadden, nam hij een gouden spansel, een hal ven sikkel zwaar, en twee armringen voor hare handen, tien sikkels goud zwaar; 23 en hij sprak: Mijne dochter, wien behoort gij toe? Zeg mij dat toch: is er in uws vaders huis ook ruimte voor ons om te vernachten ? 24 Zij sprak tot hem: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, dien zij Nahor baarde. 25 En zij zeide verder tot hem: Er is ook veel stroo en voeder bij ons, en ruimte genoeg om te vernachten. 36 Toen boog de man zich en aanbad den Heer, 27 en sprak: Geloofd zij de Heer, de God van mijnen . heer Abraham, die zijne barmhartigheid en zijne waarheid niet nagelaten heeft aan mijnen heer; want de Heer heeft mij op den weg geleid tot het huis van |
GENESIS 24.
43
|
den broeder mijns heeren. 38 En de jongedooliter liep heen, en maakte dat alles bekend in haar moeders hnis. 29 En Rebekka had een broeder genaamd Laban; en Laban liep naar den man toe bniten bij de fontein. 30 En als hij dat spansel zag en de armringen aan de handen zijner zuster, en do woorden hoorde van Ee-bekka zijne znster, dat zij sprak: Aldus heeft mij de man gezegd: toen kwam hij tot dien man, en zie, hij stond bij de kameelen aan de fontein. 31 En hij sprak: Kom in, gij gezegende des Heeren; waarom staat gij.daarbuiten? Ik heb het huis opgeruimd, en voor de kameelen óók plaats gemaakt. 33 Alzoo bracht hij den man in het huis, en ont-toorade do kameelen, en gaf hun stroo en voeder, en water om zijne voeten te wasschen en die der mannen diè met hein waren, 33 en zette hem spijs voor. Maar hij sprak: Ik znl niet eten voordat ik mijne zaak heb voorgesteld. Zij antwoordden : Spreek. 34 Toen sprak hij: Ik ben Abrahams knecht; |
35 en de Heer heeft mijnen lieer rijkelijk gezegend, en die is groot geworden; en hij heeft hem gegeven schapen en ossen, zilver en goud, knechten en maagden, kameelen en ezels. 30 Daarenboven heeft Sara, de huisvrouw mijns heeren, mijnen heer in haren ouderdom een zoon gebaard; dien heeft hij gegeven al wat hij heeft. 37 En mijn heer heeft een eed van mij genomen en gezegd: Gij zult voor mijnen zoon geen vrouw nemen van de dochters der Kanaiinieten in wier land ik w?oon; 38 maar trek heen naar mijns vaders huis en naar mijn geslacht, neem aldaar voor mijnen zoon eene vrouw. 39 Maar ik sprak tot mijnen heer: Hoe zoo die vrouw mij niet wilde volgen? 40 Toen sprak hij tot mij: De Heer, voor wien ik wandel, zal zijnen Engel met u zenden en genade tot uwe reis geven, dat gij voor mijnen zoon eene vrouw neemt van mijne maagschap en van mijns vaders huis. 41 Alsdan zult gij van mijnen eed ontslagen zijn, als gij tot mijne maagschap komt; geven zij zo u niet, zoo zijt gij van mijnen eed ontslagen. 43 Alzoo kwam ik heden |
GENESIS 24.
43
|
tot de fontein en sprak; lieer, God van mijnen lieer Abraliam, hebt jïij genade tot mijne reis gegeven waar-licen ik gereisd ben, 43 zie, zoo sta ik hier bij de waterfontein: wanneer nu eeno maagd uitkomt om te scheppen, en ik tot haar zeg: Geef mij een weinig water te drinken uit uwe kruik, 44 en zij zeggen zal: Drink gij, ik zal voor uwe kameelen óók scheppen: dat deze dan de vrouw zij welke de Heer voor den zoon mijns heeren voorzien heeft. 45 Eer ik nu zulke woorden uitgesproken had in mijn hart, zie, toen kwam Ke-bekka uit met eene kruik op haren schouder, en klom af naar do fontein en schepte. Toen sprak ik tot haar: Geef mij te drinken. 46 En zij nam schielijk de kruik van haren schouder en sprak: Drink, en ik zal uwe kameelen óók drenken. Alzoo dronk ik, en zij drenkte de kameelen óók. 47 En ik vroeg haar en sprak: Wiens dochter zijt gij ? Zij antwoordde: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, dien Milka hem gebaard heeft. Toen hing ik een spansel aan haar aangezicht en armringen aan hare handen, |
48 en boog mij en aanbad den Heer, en loofde den Heer, den God van mijnen heer Abraham, die mij op den rechten weg geleid had, opdat ik voor zijnen zoon de dochter van den broeder mijns heeren nemen zou. 49 Zijt gij het nu die aan mijnen heer vriendschap en trouw wilt bewijzen, zoo zegt het mij; zooniet, zegt het mij óók: opdat ik mij wende ter rechter- of ter linkerhand. 50 Toen antwoordden La-ban en Bethuël cn spraken: Dat komt van den Heer, daarom kunnen wij geen kwaad noch goed tot u zeggen: 51 daar is Eebekka vóór u, neem haar cn trek heen; dat zij de vrouw zij van den zoon uws heeren, zooals de Heer gesproken heeft. 5 3 Toen Abrahams knecht deze woorden hoorde, boog hij zich voor den Heer ter aarde, 53 en haalde zilveren en gouden kleinoodien cn kleederen uit, en gaf ze Eebekka; en aan haren broeder en aan hare moeder gaf hij kostbaarheden. 54 Toen at en dronk hij benevens de mannen die bij hem waren, en zij bleven |
GÉNESIS 25.
44
|
daar den naclit over; maar 's morgens stond hij op en sprak: Laat mij trekken naar mijnen lieer. 55 Maar haar broeder en hare moeder spraken: Laat toch do jongedochter een dag of tien bij ons blijven; daarna zult gij heentrekken. 5 6 Toen sprak hij tot hen: Houdt mij niet op, want de Heer heeft genade tot mijne reis gegeven. laat mij naar mijnen heer trekken. 57 Toen spraken zij: Laat ons de jongedochter roepen, en vragen wat zij daarvan zegt. 58 En zij nepen Eebek-ka en spraken tot haar: Wilt gij met dezen man heentrekken? Zij antwoordde : Ja ik wil met hem trekken. 59 Alzoo lieten zij hunne zuster Eebekka heentrekken, alsmede hare voedster, met Abrahams knecht en zijne mannen. 60 En zij zegenden Eebekka en spraken tot haar: Gij onze zuster, word tot vele duizendmaal duizenden, en uw zaad bezitte de poort zijner vijanden. 61 Alzoo maakte Eebekka zich op met harejonge-doohters, en zij zetten zich op de kameelen en trokken den man achterna; en de knecht nam Eebekka aan, en trok heen. |
63 Isaiik nu kwam van den put des levenden en zienden; want hij woonde in het land naar het zuiden. 63 En Isaiik was uitgegaan om te bidden op het veld omtrent den avond, en hief zijne oogen op, en zag dat daar kameelen aankwamen. 64 En Eebekka hief hare oogen op, en zag Isaiik; toen gleed zij van den kameel af, 65 en sprak tot den knecht: Wie is de man die ons tegenkomt op het veld ? De knecht sprak: Dat is mijn heer. Toen nam zij den sluier en bedekte zich. 66 En de knecht verhaalde Isaiik alle zaken welke hij verricht had. 67 Toen bracht Isaiik haar in de hut van zijne moeder Sara, en nam Eebekka en zij werd zijne vrouw, en hij kreeg haar lief. Alzoo werd Isaiik getroost over zijne moeder. HOOFDSTUK 25. 1 Abraham nam wederom eene vrouw, genaamd Ke-tura. 3 Die baarde hem Zimran en Joksan, Medan en Mi-dian, Jisbak en Suah. |
GENESIS 25.
45
|
3 En Joksau verwekte SoLeba en Dedan. De kinderen van Dedan nu waren de Assurieten, Letusieten en Leiimmieten. 4 De kinderen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaii: deze allen zijn kinderen van Ketura. 5 En Abraham gaf al zijn goed aan Isaiik; 6 maar aan de kinderen welke hij had van de bijwijven gaf hij geschenken, en liet ze, terwijl hij nog leefde, van zijnen zoon Isaiik wegtrekken, oostwaarts naar het land van het oosten. 7 Dit nu is Abrahams ouderdom dien hij geleefd heeft: lionderd vijfenzeventig jaar; _ 8 en hij nam af, en stierf in een genisten ouderdom, toen hij oud en des levens zat was, en werd verzameld tot zijn volk. 9 En zijne zonen Isaiik en Ismaël begroeven hem in de dubbele spelonk op den akker van Efron den zoon van Zohar, den He-thiet, die ligt tegenover Mamré, 10 in het veld dat Abraham gekocht liad van de kinderen van Heth; daar is Abraham begraven, benevens zijne huisvrouw Sara. |
11 En na Abrahams dood zegende God Isaiik zijnen zoon; en hij woonde bij den put des levenden en zienden. 13 Dit is het geslacht van Ismaël, Abrahams zoon, dien Hagar, Sara's dienstmaagd uit Egypte, hem baarde. 13 En dit zijn de namen der kinderen van Ismaël, naar welke hunne geslachten genoemd zijn. De eerstgeboren zoon van Ismaël Nebajoth, Kedar, Adbeël, Mibsam, 14 Misma, Duma, Massa, 15 Hadar, Tema, Jetur, Nafis, en Ivedma. 16 Deze zijn de kinderen van Ismaël, benevens hunne namen, naar hunne gehuchten en steden: twaalf vorsten over hunne lieden. 17 En dit is Ismaëls ouderdom; honderd zevenendertig jaar; en hij nam af en stierf, en werd verzameld tot zijn volk. IS En zij woonden van Havila tot Sur toe, tegenover Egypte, als men naar Assyrië gaat; en hij liet zich neder voor al zijne broeders. 19 Dit is het geslacht van Isaiik, Abrahams zoon. —• Abraham verwekte Isaiik. 20 Isaiik nu was veertig jaar oud toon hij tot vrouw nam Eebekka, de dochter |
GENESIS 36.
46
|
van Betliuël den Syriër van Mesopotamiö, de zuster van Laban den Syriër. SI En Isaiik bad den Heer in liet bijzijn van zijne huisvrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Heer liet zich van hem verbidden, en Eebekka zijne huisvrouw werd zwanger. 22 En de kinderen stieten elkander in haar lichaam. Toen sprak zij: Als het mij zóu zoude gaan, waarom ben ik dan zwanger geworden? En zij ging heen om den Heer te vragen. 23 En de Heer sprak tot haar: Twee volken zijn in uw lichaam, en tweeërlei lieden zullen zich scheiden uit uw lichaam; en het ecne volk zal sterker zijn clan het andere, en de oudere zal den jongere dienen. 34 Als nu de tijd kwam dat zij baren moest, zie, toen waren tweelingen in haar lichaam. 35 De eerste die er uitkwam was roodachtig, geheel ruw als eene vacht; en zij noemden hem Esau. 26 Terstond daarna kwam zijn broeder tevoorschijn, die hield met zijne hand Esaus verze; en men noemde hem Jakob. Zestig jaar was Isaak oud toen zij geboren werden. |
37 Toen nu de jongens groot werden, werd Esau een jager en een akkerman; en Jrkob, een eenvoudig man, woonde in hutten. 38 En Isaiik liad Esau lief en at gaarne van zijn wildbraad; maar Eebekka had Jakob lief. 39 Eu Jakob kookte een gerecht. Toen kwam Esau van het veld, en was moede, 30 en sprak tot Jakob: Laat mij dat roode gerecht proeven, want ik ben moede: daarom heet hij Edom. 31 Maar Jakob sprak: Verkoop mij heden uwe eerstgeboorte. 33 Esau antwoordde: Zie, ik moet toch sterven; waartoe mij dan de eerstgeboorte? 33 Jakob sprak: Zweer mij dan heden. En hij zwoer hem, en verkocht akoo aan Jakob zijne eerstgeboorte. 34 Toen gaf Jakob hem brood en het linzegerecht; en hij at en dronk, en stond op en ging heen: alzoo verachtte Esau zijne eerstgeboorto. HOOFDSTUK 26. 1 En er kwam eene duurte in het land, behalve de eerste die ten tijde van Abraham geweest was. Toen trok Isaiik tot Abimélech den |
|
GENE! koning der Filistijnen, naar Gerar. 3 Toen verscheen hem de lieer en sprak: Trek niet naar Egypte, maar blijf in het land hetwelk ik u zeg: 3 wees een vreemdeling in dit land; en ik wil met u zijn en u zegenen, want u en uwen zade zal ik al deze landen geven, en ik zal mijnen eed bevestigen dien ik uwen vader Abraham gezworen heb; 4 en ik wil uw zaad vermenigvuldigen als de sterren aan den hemel, en zal uwen zade al deze landen geven, en door uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden: 5 daarom dat Abraham mijne stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden mijne rechten, mijne geboden, mijne inzettingen en mijne wetten. 6 Alzoo woonde Isailk te Gerar; 7 en als de lieden van die plaats wegens zijne huisvrouw vraagden, sprak hij: Zij is mijne zuster; want hij vreesde te zeggen: Zij is mijne huisvrouw: zij mochten mij om Eebekka doo-den; want zij was schoon van aangezicht. 8 Als hij nu een langen tijd daar geweest was, zag |
SIS 26. 47 Abimélech de koning der Filistijnen door het venster, en werd gewaar dat Isaiik schertste met zijne huisvrouw Eebekka. 9 Toen riep Abimélech Isaiik cn sprak: Zie, zij is uwe huisvrouw: hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijne zuster? Isaiik antwoordde hem: Ik dacht, ik zoude misschien harentwege moeten sterven. 10 Abimélech sprak: quot;Waarom hebt gij ons dat gedaan? Het had lichtelijk kunnen gebeuren dat iemand van liet volk zich bij uwe huisvrouw had gelegd, en gij dus eene schuld over ons gebracht hadt. 11 Toen gebood Abimélech aan al het volk en sprak: Wie dezen man of zijne huisvrouw aanraakt, die zal den dood sterven. 13 En Isaiik zaaide in dat land, en kreeg in dat jaar aan vruchten honderdvoudig, want de Heer zegende hem. 13 En hij werd een groot man, en nam gestadig toe, totdat hij zeer groot werd; 14 zoodat hij vele goederen had aan klein en groot vee, cn een groot huisgezin. Daarom benijdden de Filistijnen hem, |
GENESIS 26.
48
|
15 en stopten al de putten toe, welke de kneeüten zijns vaders gegraven hadden ten tijde van zijnen vader Abraham, en vulden ze met aarde. 16 En Abimélech sprak tot hem: Trek van ons, want gij zijt ons te machtig geworden. 17 Toen trok Isaak vandaar en sloeg zijne tent op in het dal Gerar, en woonde aldaar. 18 En hij liet de waterputten weder opgraven, welke zij ten tijde van zijnen vader Abraham gegraven hadden, welke de Filistijnen toegestopt hadden na Abrahams dood, en noemde ze met dezelfde namen met welke zijn vader die genoemd had. 19 Ook groeven Isaüks knechten in dat dal, en vonden aldaar een put van levend water; 20 maar de herders van Gerar twistten met de herders van Isaiik en zeiden: Dit water behoort ons toe: toen noemde hij dien put Esek, omdat zij hem daar onrecht gedaan hadden. 21 Toen groeven zij een anderen put, daarover hadden zij ook twist: daarom noemde hij hem Sitna. |
22 Toen begaf hij zich vandaar, en groef een anderen put, daarover twistten zij niet: daarom noemde hij hem Behoboth, en sprak: Nu heeft de Heer ons ruimte gemaakt, en ons laten «assen in het land. 23 Daarna trok hij vandaar naar Tter-Scba. 2-1' En de Heer verscheen hem in dien nacht, en sprak: Ik ben de God van uwen vader Abraham: vrees niet, want ik ben met u, en wil u zegenen en uw zaad vermenigvuldigen, wegens mijnen knecht Abraham. 2 3 Toen bouwde hij aldaar een altaar, en predikte den naam des Heeren, en richtte aldaar zijne hut op; en zijne knechten groeven aldaar een put. 26 En Abimélech ging tot hem van Gerar, met Ahuzzath zijnen vriend en Pichol zijnen krijgsoverste. 27 Maar Isaiik sprak tot hen: Waarom komt gij tot mij; gij haat mij immers en hebt mij van u verdreven? 28 Zij spraken: Wij zien met ziende oogen, dat de Heer met u is; daarom spraken wij: Een eed zal tusschen ons en u zijn, en wij willen een verbond met u maken, 29 dat gij ons geen schade |
GENESIS 27.
49
|
doet, gelijk wij u niet aangeraakt hebben en gelijk wij u niet dan alleen goed-gedaan hebben, en u in vrede hebben laten vertrekken : gij zijt nu de gezegende des Heeren. 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. 31 En 's morgens stonden zij vroeg op, en de één zwoer den ander; en Isailk liet hen gaan, en zij trokken in vrede van hem. 32 Tenzeltden dage .kwamen Isailks knechten en zeiden hem van den put dien zij gegraven hadden, en spraken tot hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij noemde hem Seba: daarvan heet de stad Ber-Séba tot op den dag van heden. 34 Toen Esau veertig jaar oud was, nam hij tot vrouw Judith, de dochter van Beëri den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon den Hethiet. 35 Die beiden waren Isailk en Rebekka tot hartzeer. HOOFDSTUK 27. 1 En het gebeurde toen Isailk oud was geworden, en zijne oogen te donker werden om te zien, dat hij Esau zijnen oudsten zoon riep, en tot hem sprak: Mijn zoon! en hij antwoordde hem: Hier ben ik. |
2 En hij sprak: Zie, ik ben oud geworden, en weet niet wanneer ik sterven zal: 3 neem dan nu uw gereedschap , den koker en boog, en ga naar het veld en vang mij een wildbraad; 4 en maak mij een gerecht zooals ik het gaarne heb, en breng het mij hier om te eten; opdat mijne ziel u zegene eer ik sterf. 5 Rebekka nu hoorde deze woorden welke Isailk tot zijnen zoon Esau zeide. En Esau ging heen naar het veld om een wildbraad te jagen, opdat hij het tehuis bracht. C Toen sprak Eebekka tot Jakob haren zoon: Zie, ik heb uwen vader hoeren spreken met Esau uwen broeder, en zeggen: 7 Breng mij een wildbraad en maak mij een gerecht, opdat ik ete en u zegene voor den Heer, eer ik sterf. 8 Hoor dan nu, mijn zoon, naar mijne stem, wat ik u gebied: 9 ga heen naar de kud;le, en haal mij t wee goede bokjes, opdat ik uwen vader daarvan een gerecht make |
|
BO zooals hij het gaarne heeft. 10 Dat zult gij uwen vader binnenbrengen ora te eten, opdat hij u zegene voor zijnen dood. 11 Maar Jakob spralc tot zijne moeder Itebekka: Zie. mijn broeder Esau is ruw, en ik ben glad : 13 mijn vader mocht mij eens betaston, en dan zou ik bij hem geacht wordén als wilde ik hem bedriegen, en ik zou oen vloek over mij brengen en niet een zegen. 13 Toen sprak zijne moeder tot hem: De vloek zij op mij, mijn zoon: luister slechts naar mijne stem, ga heen cn haal zo mij. 14 Toen ging hij heen en haalde ze, en bracht ze aan zijne moeder. Toen maakte zijne moeder een gerecht zooals zijn vader het gaarne had, 15 en nam van Esau, Laren oudsten zoon, de kostelijke kleederen, welke zij bij zich tehuis had, en trok ze Jakob haren jongsten zoon aan; 1G maar de vellen van de bokjes trok zij hem om zijne handen en waar hij glad was aan den hals, 17 en gaf alzoo het eten met brood, zooals zij het gereedgemaakt had, haren zoon Jakob in zijne hand. |
18 En hij ging binnen tot zijnen vader en sprak: Mijn vader! Hij antwoordde: Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon? 19 Jakob sprak tot zijnen vader: Ik ben Esau, uw eerstgeboren zoon; ik heb gedaan zooals gij mij gezegd ïiebt; sta op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, opdat uwe ziel mij zegene,. 20 Maar Isaak sprak tot zijnen zoon: Mijn zoon, hoe hebt gij het zoo schielijk gevonden? Hij antwoordde: De Feer uw God verleende het mij. 21 Toen sprak Isaak tot Jakob: Treed herwaarts, mijn zoon, opdat ik u betaste , of gij mijn zoop Esau zijt of niet. 22 Alzoo trad Jakob tot zijnen vader Isaak, en toen hij hem betast had sprak hij: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. 23 En hij kende hem niet; want zijne handen wTaren ruw, gelijk Esaus zijns broeders handen, en hij zegende hem, 24 en sprak tot hem: Zijt gij mijn zoon Esau? Hij antwoordde: Ja ik ben het. 25 Toen sprak hij: Breng het mij dan hier, mijn zoon, dat ik ete van uw wildbraad, opdat mijne ziel u GENESIS 27. |
GENESIS 27.
51
|
zogene. Toen bracM liij liet hem, en hij at; en hij droeg hem ook wijn binnen, en hij dronk. 26 En zijn vader Isaak sprak tot hem: Kom hier en kus mij, mijn zoon. 27 Hij trad toe en kuste hem. Toen rook hij den reuk zijner kleederen, en zegende hem, en sprak: Zie, de reuk mijns zoons is gelijk de reuk des velds hetwelk do Heer gezegend heeft. 28 God geve u van den dauw des hemels en vgn de vettigheid der aarde, en volheid van koren en wijn. 29 quot;Volken moeten u dienen, en geslachten moeten u te voet vallen; word een heer over uwe broeders, en de kinderen uwer moeder moeten u te voet vallen; vervloekt zij wie u vloekt, gezegend zij wie u zegent. 30 Als nu Isaük den zegen over Jakob voleindigd had, en Jakob nauwelijks uitgegaan was van zijnen vader Isaiik, kwam Esau zijn broeder van zijne jacht, 31 en maakte óók een gerecht, en bracht het zijnen vader binnen, en sprak tot hem: Sta op mijn vader, en eet van het wildbraad uws zoons, opdat uwe ziel mij zegene. |
32 Toen zeide Isaak zijn vader tot hem: Wie zijt gij ? Hij sprak: Ik bon Esau, uw eerstgeboren zoon. 33 Toen werd Isaük bovenmate ontsteld , en sprak: Wie is dan de jager die het mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten eer gij kwaamt, en heb hem gezegend: hij zal ook gezegend blijven. 34 Als Esau deze woorden zijns vaders hoorde, kermde hij luid en werd uitermate bedroefd, en sprak tot zijnen vader: Zegen mij óók, mijn vader! 35 Maar hij sprak: Uw broeder is gekomen met list, hij heeft uwen zegen al weg. 36 Toen sprak hij: Hij heet wel Jakob; want hij heeft mij nu tweemaal den voet gelicht: mijne eerstgeboorte heeft hij weg, en zie, nu neemt hij ook mijnen zegen. En hij sprak; Hebt gij dan geen zegen voor mij overgehouden ? 37 Isaiik antwoordde en sprak tot hem: Ik heb hem tot een heer over u gesteld, en al zijne broeders heb ik hem tot knechten gemaakt; met koren en wijn heb ik hem voorzien: wat zal ik nu voorn doen, mijn zoon? 88 Esau sprak tot zijnen vader: Hebt gij dan maar éénen zegen, mijn vader? |
GENESIS 28.
52
|
Zegen mij ook, mijn vader! En hij hief zijne stem op en weende. 39 Toon antwoordde Isaiik zijn vader cn sprak tot hem: Zie, gij zult ecne vette woning op aarde hebben, en van den dauw des hemels van hoven af. 40 Gij zult u van uw zwaard geneeren, en uwen broeder dienen; er. hot zal geschieden dat gij ook een heer zult worden, en zijn juk van uwen hals rukken. 41 En Esau was vergramd op Jakob om dien zegen met welken zijn vader hem gezegend had, en hij sprak in zijn hart: Do tijd zal haast komen dat mijn vader rouw moet dragen; want ik zal mijnen broeder Jakob ombrengen. 42 Toen werden Eebekka deze woorden van Esau haren oudsten zoon geboodschapt ; en zij zond heen en liet Jakob haren jongsten zoon roepen, en sprak tot hem: Zie, uw broeder Esau dreigt u omtebrengen. 43 Hoor nu naar mijne stem, mijn zoon; maak u op en vlied naar mijnen brooder Laban in Haran, 4i en blijf een wijle tijds bij hem, totdat de gramschap uws broeders zich keere, |
45 en totdat zijn toorn tegen u zich van u afwende, en hij vergete wat gij aan hem gedaan hebt: dan zal ik daarna heenzenden en u vandaar laten halen. Waarom zou ik van u beiden beroofd worden op cénen dag? 46 En Eebekka sprak tot Isaiik: Het verdriet mij te leven wegens de dochters van Heth: zoo Jakob eene vrouw neemt van de dochters van Heth, die zijn gelijk de dochters dezes lands, wat baat mij dan het leven? HOOFDSTUK 28. 1 Toen riep Isaiik zijnen zoon Jakob en zegende hem, en hij gebood hem en sprak tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren Kanaiins; 2 maar maak u op en trek naar Mesopotamië, naar het huis van Eethuël, den vader uwer moeder; en neem u aldaar eene vrouw van de dochters van Laban uw moeders broeder. 3 En de almachtige God zegene u, en make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, dat gij tot een menigte volkeren wordt; 4 en hij geve u den zegen van Abraham, u en uwen zade met u, opdat gij het land bezit in hetwelk gij een |
GENESIS 38.
53
|
vreemdeling zijt, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft. 5 Dus zond Isailk Jakob heen, om naar Mesopotamië te trekken tot Laban Ee-tlraëls zoon, in Syrië, den broeder vanEebekka, zijne en Esaus moeder. 6 Als uu Esau zag dat Isaiik Jakob gezegend en naar Mesopotamië gezonden had, om aldaar eene vrouw te nemen; en dat hij, toen hij hem zegende, hem gebood en sprak: Gij zult geen vrouw nemen van de dochteren Kanailns; 7 endat Jakob zijnen vader en zijne moeder gehoorzaam was en naar Mesopotamië trok; 8 ook zag dat Isaiik, zijn vader, de dochteren Kanailns niet gaarne zag, — 9 toeu ging hij heen tot Ismaël, en nam, behalve de vrouwen welke hij tevoren had, Mahalath, de dochter van Ismaël Abrahams zoon, de zuster van Nebajoth, tot vrouw. 10 En Jakob trok uit van Ber-Suba en reisde naar Haran, 11 en kwam aan eene plaats, daar bleef hij den nacht over, want de zon was ondergegaan; en hij nam een steen van die plaats, en lei-de dien onder zijn hoofd; en hij leide zich te slapen op die plaats. |
12 En hij droomde, en zie, eene ladder stond op de aarde, die met het boveneinde aan den hemel raakte; en zie, de Engelen Gods klommen daarbij op en neder. 13 Eu de Heer stond er bovenop en sprak: Ik ben de Heer, de God Abrahams uws vaders, en de God Isaaks: dat land, op hetwelk gij ligt, wil ik u en uwen zade geven. LI En uw zaad zal worden als het stof der aarde, en gij zult uitgebreid worden naar het westen, oosten, noorden en zuiden; en door u en uw zaad zullen alle geslachten op aarde gezegend worden. 15 En zie, ik ben met u, en zal u behoeden waar gij heentrekt, en zal u weder hier brengen in dit land; want ik zal u niet verlaten, totdat ik zal gedaan hebben wat ik u gezegd heb. — 10 Toen nu Jakob van zijnen slaap ontwaakte, sprak hij: Gewisselijk is de Heer aan deze plaats, cn ik wist het niet. 17 En hij was bevreesd en sprak: Hoe heilig is deze plaats! Hier is niet |
GENESIS 29.
84
|
anders dan een liuis Gods, en hier • is de poort des hemels. 18 En Jakob stond des morgens vroeg op, en nam den steen dien hij onder zijn hoofd gelegd had, en richtte hem op tot een teeken, en goot er olie bovenop ; 19 en noemde de plaats Beth-El, tevoren nochtans heette zij de stad Luz. 20 En Jakob deed oene gelofte en sprak: Zoo God met mij zal zijn, en mij behoeden op den weg dien ik reis, en mij brood zal geven om te eten en k leederen om aantetrekken, 21 en mij in vrede weder naarhuis tot mijnen vader zal brengen: zoo zal de Heer mijn God zijn, 23 en deze steen, dien ik opgericht heb tot een teeken , zal een huis Gods worden, en al wat gij mij geeft, daarvan zal ik u de tienden geven. HOOFDSTUK 20. 1 Toen lichtte Jakob zijne voeten op en ging naar het land dat oostwaarts ligt, 2 en zag om, en zie, daar was een pnt op het veld; en zie, drie kudden schapen lagen daarbij, want uit dien put plachten zij de kudden te drenken; en er lag een groote steen op den mond van den put; |
3 en zij plachten al do kudden aldaar te vergaderen, en den steen van den mond des puts aftewentelen, en de schapen te drenken, en leiden dan den steen weder op den mond des puts op zijne plaats. 4 En Jakob sprak tot hen; Lieve broeders, vanwaar zijt gij? Zij antwoordden: Wij zijn van Haran. 5 Eu hij sprak tot hen: Kent gij ook Laban, Nahors zoon ? Zij antwoordden: Wij kennen hem. 6 Hij sprak: Gaat het hem nog wel? Zij antwoordden: Het gaat hem wol; en zie, daar komt zijne dochter Kachel met de schapen. 7 En hij sprak: Het is nog hoog dag, en het is nog geen tijd om het vee binnen te drijven: drenkt de schapen, en gaat heen en weidt zo. 8 Zij antwoordden: Wij kunnen niet, voordat al de kudden tezamengebracht worden on wij den steen van don mond des puts afwentelen, en alzoo de schapen drenken. 9 En terwijl hij nog met hen sprak, kwam Eachel met de schapen haars va- |
GENESIS 29.
53
|
ders; want zij hoedde de scliapen. 10 Toen nu Jakob Rachel zag, dc dochter van Laban, zijn moeders broeder, en de schapen van Laban, zijn moeders broeder, trad hij toe en wentelde den steen af van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijn moeders broeder. 11 En hij kuste Rachel, en weende overluid; 12 en hij zeide haar, dat I hij haars vaders broeder was, en de zoon van Re-bekka. Toen liep zij hoen en zeide het aan haren vader. 13 Toen nu Laban hoorde van Jakob, zijn'zusters zoon, liep hij hem tegemoet , en omhelsde en kuste hem, en bracht hem in zijn huis. Toen verhaalde hij aan Laban al deze dingen. 1-1 Toen sprak Laban tot hem: Welaan, gij zijt mijn gebeente en mijn vleesch; en hij bleef een maand lang bij hem. 13 En Laban sprak tot Jakob: Schoon gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij daarom voorniet dienen? Zog wat uw loon zal zijn. lö Laban nu had twee dochters, de oudste genaamd Lea , en de jongste Rachel. 17 Maar Lea had een zwak gezicht, Rachel daarentegen was schoon van gestalte en schoon van aangezicht. |
18 En Jakob kreeg Rachel lief, en sprak: Ik wil u zeven jaren dienon om Rachel uwe jongste dochter. 19 Laban antwoordde; Het is beter dat ik ze u geef, dan aan een ander: blijf bij mij. 30 Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en zij schenen hem enkele dagen te zijn, zoo lief had hij haar. 21 En Jakob sprak tot Laban: Geef mij mijne huisvrouw, want het is nu de tijd dat ik bij haar ligge. 22 Toen noodigde Laban al de lieden van die plaats, en maakte een bruilotts-maaltijd. 23 Maar des avonds nam hij zijne dochter Lea, en bracht haar tot hem binnen; en hij lag bij haar. 24 En Laban gaf zijne dienstmaagd Zilpa aan zijne dochter Lea tot eene dienstmaagd. 25 Maar des morgens, zie, toen was het Lea. En •hij sprak tot Laban: Waarom hebt gij mij dat gedaan ? Heb ik u niet gediend om Rachel? Waarom hebt gij mij dan bedrogen? 26 Laban antwoordde: Het |
GENESIS 30.
56
|
is niet de gewoonte in ons land, dat men de jongste geve vóór de oudste. 27 Houd met deze de week uit; dan zal ik u de andere óók geven, voor den dienst dien gij nog zeven jaren bij mij dienen zult. 28 Jakob deed zoo, en Meld de week uit. Toen gaf hij hem Eacliel zijne dochter tot vrouw. 39 En hij gaf z;jne dienstmaagd Billia aan zijne dochter Eachel, tot eene dienstmaagd. 80 Alzoo lag hij ook bij Eachel; en hij had Eachel liever dan Lea, en diende bij hem ook de andere zeven jaren. 31 Toen nu de Heer zag dat Lea ongeacht was, maakte hij haar vruchtbaar en Eachel onvruchtbaar. 32 En Lea werd zwanger en baarde een zoon, dien noemde zij Euben, en sprak: De Heer heeft mijne ellende aangezien, nu zal mijn man mij liefhebben. 33 En zij werd wederom zwanger en baarde een zoon, en sprak: De Heer heeft gehoord dat ik ongeacht ben, en heeft mij dezen óók gegeven; en zij noemde hem Simeon. |
3-1 Wederom werd zij zwanger en baarde een zoon, en sprak: Nu zal mijn man zich weder bij mij voegen, want ik heb hem drie zonen gebaard; daarom noemde zij hem Levi. 35 Ten vierden male werd zij zwanger en baarde een zoon, en sprak: Nu zal ik den Heer danken; daarom noemde zij hem Juda. En zij hield op kinderen to Baren. HOOFDSTUK 30. 1 Toen nu Eftcliel zag dat zij Jakob niet baarde, benijdde zij hare zuster, en sprak tot Jakob: Geef mij ook kinderen; of indien niet, dan sterf ik. 2 Maar Jakob werd zeer toornig op Eachel en sprak: Ik ben immers God niet, die u uws lichaams vrucht niet geven wil? 3 Maar zij sprak: Ziedaar is mijne dienstmaagd Bilha, leg u bij haar, opdat zij op mijnen schoot bare en ik ook door haar gebouwd worde. 4 En alzoo gaf zij hem Bilha hare dienstmaagd tot vrouw, en Jakob leide zich bij haar. 5 Dus werd Bilha zwanger en baarde Jakob een zoon: 6 toen sprak Eachel; God heeft mijne zaak gericht en mijne stem verhoord, en mij |
|
GENES een zoon gegeven; daarom noemde zij liem Dan. 7 Wederom werd Bilha, Rachels dienstmaagd, zwanger en baarde Jakob den tweeden zoon: 8 toen sprak Kachel: God heeft het gewend met mij en mijne zuster, en ik zal de overhand hebben; en zij noemde hem Naftali. 9 Toen nu Lea zag dat zij ophield met baren, nam zij hare dienstmaagd Zilpa en gaf ze Jakob tot vrouw. i 10 Alzoo baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een zoon:■ 11 toen sprak Lea: Tot geluk, en noemde hem Gad. 12 Daarna, baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob den tweeden zoon: 13 toen sprak Lea: Heil . mij, want de dochters zullen mij zalig prijzen; en zij noemde hem Aser. I t Ruben ging uit ten tijde van den tarwenoogst, en vond dudaïm op het veld, en brachtze zijne moeder Lea tehuis. Toen sprak Rachel tot Lea: Geef mij iets van de dudaïm uws zoons. 15 Zij antwoordde: Is het niet genoeg dat gij mij mijnen man genomen hebt, wilt gij ook de dudaïm mijns zoons nemen? Rachel sprak: Welaan, hij zal dezen nacht |
1IS 30. S7 bij u slapen voor de dudaïm uws zoons. 16 Toen nu Jakob des avonds van het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet en sprak: Bij mij zult gij liggen , want ik heb u gekocht voor de dudaïm mijns zoons. En hij sliep dien nacht bij haar. 17 En God verhoorde Lea, en zij werd zwanger en baarde Jakob den vijfden zoon, 18 en sprak: God heeft mij beloond, dat ik mijne dienstmaagd aan mijnen man gegeven heb; en zij noemde hem Issaschar. 19 Wederom werd Lea zwanger en baarde Jakob den zesden zoon, 2 0 en sprak: God heeft mij wèl begiftigd, nu zal mijn man weder bij mij wonen, want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde hem Zebulon. 21 Daarna baarde zij eene dochter, die noemde zij Dina. 22 Maar God' dacht aan Rachel, en verhoorde haaien maakte haar vruchtbaar. 23 Toen werd zij zwanger en baarde een zoon, en sprak: God heeft mijne versmaad-heid van mij genomen; 24 en zij noemde hem Jozef, en sprak: De Heer geve mij toch nog een zoon daarbij. |
GENESIS 80.
58
|
35 Toen nu Kachel Jozef gebaard had, sprak Jakob tot Laban: Laat mij vertrekken en reizen naar mijne plaats en in mijn land. 26 Geef mij mijne vrouwen en mijne kinderen, om welke ik u gediend heb, opdat ik vertrekke; want gij weet hoe ik u gediend heb. 27 Laban sprak tot hem: Laat mij genade voor uwe oogen vinden; ik bespeur dat de Heer mij zegent om uwentwil. 28 liepaal mij het loon dat ik u geven zal. 29 Hij nu sprak tot hem: Gij weet hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee onder mij geweest is: 80 gij hadt weinig eer ik hier kwam, maar nu is het uitgebreid in menigte, en dc Heer heeft u gezegend onder mijn bestuur; nu, wanneer zal ik mijn huis ook bezorgen? 31 En hij sprak: Wat zal ik u dan geven? Jakob sprak: Gij zult mij niets geven, maar zoo gij doen wilt hetgeen ik u zeggen zal, zoo zal ik wederom uwe schapen weiden en hoeden. 32 Ik zal heden al de kudden doorgaan, en afzonderen al het geplekte en bonte, en al het zwarte onder de schapen, en het bonte en geplekte onder de geiten: wat nu bont en geplekt zal uitvallen, dat zal mijn loon zijn. |
33 Zoo zal mijne gerechtigheid heden of morgen voor mij getuigen, wanneer het komt dat ik mijn loon van u nemen zal; alwat niet geplekt of bont of niet zwart zijn zal onder de lammeren en geiten, dat zij dieverij bij mij. 31 Toen sprak Laban: Zie, het zij zooals gij gezegd hebt. 35 En hij zonderde op dien dag af de gesprenkelde en bonte bokken, en alle geplekte en bontegeiten, alles waar slechts iets wits aan was, en alwat zwart was onder de lammeren; en hij stelde het onder de handen zijner zonen, 86 en maakte ruimte, drie dagreizen ver, tusschen hem en Jakob; alzoo weidde Jakob de overige kudde van Laban. 37 Jakob nu nam stokken van groene populierboomen, hazelaren en kastanje, en schilde witte strepen daaraan, dat het witte aan de stokken bloot werd; 38 en hij leide de stokken , welke hij geschild had, in de drinkgoten voor de kudden, die daar moesten |
GENESIS 31.
59
|
komen om te drinken; opdat zij paren zouden als zij kwamen om te drinken. 39 Alzoo paarden de kudden bij de stokken, en braeli-ten gesprenkelde, geplekte en bonte voort. 40 Toen zonderde Jakob de lammeren at', en deed de afgezonderde kudde bij de geplekte en zwarte onder de kudde van Laban; en hij maakte zieli eeuo eigene kudde, die deed hij bij La-bans kudde niet. I 41 En wanneer liet do loop | der vroegelingen was, leide I bij do stokken in de goten voor de oogen der kudde, ; opdat zij bij de stokken paren zouden; ' 43 maar in den spaden loop leide hij zo daar niet in: al-zoo waren de spadelingen , voor Laban, maar de vroegelingen voor Jakob, rj 43 Hierdoor werd de man bovenmate rijk, zoodat hij ; vele schapen, dienstmaag-den, kameelen en ezels had. HOOFDSTUK 31. | II Toen kwamen de woorden van Labans zonen hom tor oore, dat zij spraken: Jakob heeft al het goed onzes vaders aan zich gebracht, en van onzes vaders goed heeft hij zulken rijkdom verkregen.I Toen kwamen de woorden van Labans zonen hom tor oore, dat zij spraken: Jakob heeft al het goed onzes vaders aan zich gebracht, en van onzes vaders goed heeft hij zulken rijkdom verkregen. |
3 En Jakob zag Labans aangezicht aan, en zie, het was niet jegens hem als gisteren en eergisteren. 3 En de Heer sprak tot Jakob: Trek weder naar het land uwer vaderen en tot uwe maagschap; ik zal met u zijn. 4 Toen zond Jakob heen en liet Eaehol en Lea roepen naar het veld bij zijne kudde, 5 en sprak tot haar: Ik zie uws vaders aangezicht, dat het jegens mij niet is gelijk gisteren en eergisteren ; maar de God mijns vaders is met mij geweest. 6 En gij weet dat ik met al mijn vermogen uwen vader gediend heb. 7 En hij heeft bedrieglijk met mij gehandeld, en nu tienmaal mijn loon veranderd; maar God hoeft het hem niet toegelaten, dat hij mij schade deed. 8 Wanneer hij sprak: Do bonte zullen uw loon zijn, zoo droeg de geheele kudde bonte; en wanneer hij sprak : De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zoo droeg de geheele kudde gesprenkelde. 9 Alzoo heeft God de goederen uws vaders hem ontrukt en ze aan mij gegeven. 10 Want als de tijd des parens kwam, hief ik mijne |
GENESIS 31.
60
|
oogen op en zag in een droom, en zie, de bokken sprongen op de gesprenkelde, geplekte en lionte schapen. 11 En de Engel Gods sprak tot mij in een droom: Jakob! En ik antwoordde: Hier ben ik. 12 En liij sprak: Hef uwe oogen op en zie, de bokken springen op de gesprenkelde, geplekte en bonte kudde; want ik heb allers gezien wat Laban u doet. 13 Ik ben de God van Beth-El, waar gij den steen gezalfd en waar gij mij eene gelofte gedaan hebt: nu, maak u op en trek uit dit land, en trek weder in het land uwer maagschap. 11 Toen antwoordden Ea-chel en Lea en spraken tot hem: Wij hebben immers geen deel noch erf meer in onzes vaders huis. 15 Hij heeft ons gehouden als vreemden; want hij heeft ons verkocht, en ons loon verteerd. 16 Daarom heeft God onzen vader zijnen rijkdom ontrukt voor ons en onze kinderen; nu dan, al wat God u gezegd heeft, doe dat. 17 Alzoo maakte Jakob zich op en voerde zijne kinderen en vrouwen weg op kameelen, |
18 en voerde al zijn vee weg, en al zijne have welke hij in Mcsopotamic verworven had, om tot zijnen vader Isaiik te komen in het land Kanaiin. 19 Laban nu was gegaan om zijne kudde te scheren. En Eachel stal de afgoden haars vaders. 20 Alzoo ontstal Jakob zich aan het hart van Laban den Syriër, daarmede dat hij hem niet bekendmaakte dat hij vlood. 21 Alzoo vlood hij en al wat het zijne was, en hij maakte zich op en trok de rivier over, en keerde zijn aangezicht naar het gebergte Gi-lead. 22 Ten derden dage werd het Laban gezegd, dat Jakob gevloden was. 23 En hij nam zijne broeders tot zich en joeg hem achterna, zeven dagreizen ver, en haalde hem in op het gebergte Gilead. 24 Maar God kwam tot Laban den Syriër in een droom des nachts, en sprak tot hem; Wacht u dat gij met Jakob niet anders spreekt dan vriendelijk. 25 En Laban naderde Jakob ; Jakob nu had zijne hut opgeslagen op het gebergte, en Laban met zijne broeders sloeg zijne tenten óók op op het gebergte Gilead. |
GENESIS 31.
61
|
26 Toen sprak Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij aan mijn liart ontstolen hebt, en hebt mij mijne dochters ontvoerd, even alsof zij door lietzwaard gevangen waren? 27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden en hebt u aan mij ontstolen, en hebt het mij niet te kennen gegeven, opdat ik u geleid had met vreugde, met zingen, mot trommels en harpen? 28 En gij hebt mij mijne kinderen en dochters niet laten kussen? Nu, gij hebt dwaas gedaan. 29 En ik had wel zooveel macht dat ik u kwaad had kunnen doen; maar de God nws vaders heeft gisteren tot 'anij gezegd: Wacht u dat •gij met Jakob niet anders dan vriendelijk spreekt. 30 En dewijl gij dan toch ' vertrekken wilt en zoozeer verlangt naar uws vaders huis —• waarom hebt gij mijne goden gestolen? 31 Jakob antwoordde en sprak tot Laban: Ik vreesde en dacht dat gij mij uwe dochters zondt onttrekken. 32 Maar bij wien gij uwe goden vindt, die sterve hier voor onze broeders; zoek het uwe bij mij en neem liet weg. Maar Jakob wist niet dat Eachel ze «estolen had. |
33 Toen ging Laban in de hut van Jakob en Lea, en van beide de dienstmaagden, en vond niets; en hij ging uit Lea's hut in de hut van Eachel. 34 Toen nam Kachel de afgoden en verborg ze onder het zadeltuig der kameelen, en ging daarop zitten; en Laban doorzocht de geheele hut en vond niets. 35 Toen sprak zij tot haren vader; Mijn heer, wees niet toornig, omdat ik voor ii niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijzo der vrouwen. Alzoo vond hij de afgoden niet, hoezeer hij ook zocht. 36 En Jakob werd toornig en bestrafte Laban, en sprak tot hem: Wat heb ik misdaan of gezondigd, dat gij mij zoo vijandig zijt? 37 Gij hebt al mijn huisraad betast; wat hebt gij van uw huisraad gevonden? Leg het hier voor mijne en uwe broeders neder, dat zij tusschen ons beiden richten. 3 8 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest: uwe schapen en geiten zijn niet onvruchtbaar geweest; de rammen uwer kudde heb ik nooit gegeten; 39 wat de dieren verscheurden en ik u niet bracht, dat moest ik u be- |
GENESIS 31.
62
|
taleu; gij hebt het van mijne hand geëischt, hetzij dat het mij bij dag of bij nacht ontstolen was. 40 Des daags versmachtte ik van hitte en des nachts van koude, en geen slaap kwam in mijne oogen. i 41 Alzoo heb ik deze twintig jaren in uw huis gediend, veertien om uwe dochters en zes om uwe kudde; en gij hebt mijn loon tienmaal veranderd. 43 En was de God mijns ^vaders, de God van Abraham en de vreeze Isaiiks, niet op mijne zijde geweest, gij hadt mij ledig laten heentrekken; maar God heeft mijne ellende en moeite aangezien en heeft u gisteren bestraft. 43 Laban antwoordde en sprak tot Jakob: Deze dochters zijn mijne dochters, en deze kinderen zijn mijne kinderen, en deze kudden zijn mijne kudden, en al-wat gij ziet dat is het mijne: wat kan ik heden aan mijne dochters of hare kinderen die zij gebaard hebben doen? 44 Kom dan en laat ons een verbond maken, ik en gij, hetwelk tot een getuigenis zij tusschenmij enn. 45 Tóen nam Jakob een steen en richtte dien op tot een teeken; |
46 en hij sprak tot zijne broeders; Eaapt steenen op; en zij namen steenen en maakten een hoop, en zij aten op dien hoop. 47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde hem Gal-Ed. 48 Toen sprak Laban: Deze hoop zij heden ten getuige tusschen mij en u. Daarom noemde men hem Gal-Ed. 49 En hij zij tot een wachttoren; want hij sprak: De Heer zie daar in tusschen mij en u, wanneer wij van elkander komen. 50 Zoo gij mijne dochters eenig leed aandoet, of andere vrouwen daarbij neemt, behalve mijne dochters: al is er dan geen menseh bij ons, zie. God is getuige tusschen mij en u. 51 En Laban sprak verder tot Jakob: Zie, dit is de hoop, en zie, dit is het teeken hetwelk ik opgericht heb tusschen mij en u. 52 Deze hoop zij getuige en dit teeken zij óók getuige, dat ik niet overkomen zal tot ii, noch gij overkomen zult tot mij, voorbij dezen hoop en dit teeken, om elkander te benadeel en. 53 De God van Abraham en de God van Nahor en de God huns vaders zij |
|
r ■ ■cchter tussclien ons. En akob zwoer liem bij de reeze zijns vaders Isaiiks. a i En Jakob olierde op ; iet gebergte, en noodigde ijne broeders ten eten; en osn zij gegeten hadden, )leven zij op het gebergte ivernachten. . 55 Maar des morgens tond Laban vroeg op, kuste ,ijne kinderen en doehters m zegende ze, en hij trok leen en kwam weder aan ;ijne plaats. HOOFDSTUK 32. Jakob nu trok zijnen iveg; en de Engelen Gods jiitmoetten hem. ^ En toen hij ze zag, iprak hij: Het zijn Gods lieiren, en noemde deze plaats Mahanaïm. ï 3 En Jakob zond boden fvoor zich uitnaar zijnenbroe-'der Esau in het land Seïr, dn de landstreek van Edom, ' 4 en beval hun en sprak: fZegt mijnen heer Esau aldus: Uw knecht Jakob laat n zeggen: Ik ben lang uitgeweest bij Laban tot nu toe; fi en ik heb runderen en 'ezels, schapen,knechten en maagden; en heb uitgezonden om het u, mijnen heer, bekendtemaken, opdat ik genade in uwe oogen vinde. 0 De boden kwamen we-32. 63 |
der tot Jakob en zeiden: Wij kwamen bij uwen broeder Esau, en hij trekt u ook tegemoet met vierhonderd man. 7 Toen vreesde Jakob zeer en hij werd bang, en verdeelde het volk dat bij hem was, en de schapen en de runderen en de kameelen, in twee heiren, 8 en sprak: Zoo Esau op het ééne heir aankomt eu het slaat, zoo zal het overgeblevene ontkomen. 9 Yerder sprak Jakob: God van mijnen vader Abraham en God van mijnen vader Isailk, Heer, gij die tot mij gezegd hebt: Trek weder naar uw land en tot uwe maagschap, ik zal u weldoen: —- 10 ik ben te^ gering voor al de barmhartigheid, en vóór al de trouw welke gij aan uwen knecht gedaan hebt; want ik had niet meer dan dezen staf toen ik over dezen Jordaan ging, en nu ben ik twee heiren geworden. 11 Ilsd mij uit de hand mijns broeders, uit de hand van Esau; want ik vrees voor hem, dat hij misschien kome en mij sla, benevens moeder en kinderen. 12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal u weldoen, en uw zaad maken als het zand |
GENESIS 32.
61
|
aan de zee, dat men niet tellen kan wegens de menigte. 13 En Lij bleef dien nacht daar, en hij nam van hetgeen hij voorhanden had een geschenk voor zijnen broeder Esau: 11 tweehonderd geiten, twintig hokken, tweehonderd schapen, twintig rammen , 15 en dertig zoogende ka-meelinnen met hare veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen met tien veulens; lö en gaf ze in de handen zijner knechten, elke kudde afzonderlijk, en sprak tot hen : Gaat voor mij uit, en laat ruimte tusschen de eene kudde en de andere. 17 En hij gebood den eerste, zeggende: Wanneer mijn broeder Esau u ontmoet en li vraagt: Wien behoort gij toe, en waar wilt gij heen, en van wien is hetgeen gij vóór u drijft? 18 zoo zult gij zeggen: Het behoort uwen knecht Jakob toe, die zendt zijnen heer Esau een geschenk en trekt ons achterna. 19 Akoo gebood hij den tweede en den derde, cn allen die achter de kudden gingen, zeggende; Gelijk ik u gezegd heb, zegt zóó tot Esau wanneer gij hem ontmoet; |
20 en zegt ook: Zie, uw knecht Jakob is achter ons; want hij dacht: Ik zal hem verzoenen met dit geschenk dat voor mij uitgaat; daarna zal ik hem zien: misschien zal hij mij aannemen. 21 Alzoo ging dat geschenk voor hem uit, maar hij bleef dien nacht bij het heir.' 22 En hij stond in dien nacht op, en nam zijne twee vrouwen en zijne twee dienstmaagden en zijne elf kinderen, cn trok over het veer van de Jabbok; 23 en hij nam ze en voerde ze over het water, zoodat óverkwam wat hij bij zich had. 24 En hij bleef alléén. Toen worstelde een man met hem, totdat de dageraad aanbrak; 25 en toen hij zag dat hij hem niet overmocht, raakte hij het gewricht zijner heup aan, en het gewricht zijner heup werd door dat worstelen met hem verwrongen. 26 En hij sprak: Iaat mij gaan, want de dageraad breekt aan. Maar hij antwoordde: Ik laat u niet los tenzij gij mij zegent. 27 En hij sprak: Hoe heet gij ? Hij antwoordde: Jakob. 28 En hij sprak: Gij zult niet meer Jakob heeten, |
GENESIS 33.
65
|
maar Israül; want gij hebt met God en met mensclien gestreden, en hebt de overhand behouden. 29 En Jakob vraagde hem en sprak: Zeg toch, hoe heet gij ? En hij sprak: Waarom vraagt gij hoe ik heet? En hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde die plaats Pniel; want \_zeide hift ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is genezen. 31 En als h;j door Pnuël kwam, ging de zon voor hem op; en hij hinkte aan zijne heup. 33 Daarom eten de kinderen van Israël tot op den dag van heden geen spanaderen van het gewricht dei-heup, omdat de spanader van het gewricht van Jakobs heup geraakt werd. HOOFDSTUK 33. 1 Jakob hief zijne oogen op, en zag zijnen broeder Esau komen met vierhonderd mannen; en hij verdeelde zijne kinderen bij Lea en bij Rachel en bij de twee dienstmaagden , 3 en stelde de dienstmaagden met hare kinderen vooraan , en Lea met hare kinderen achterwaarts, enllachel met Jozef op het laatst. |
3 En hij ging voor hen uit, en boog zich zevenmaal ter aarde, totdat hij bij zijnen broeder kwam. 4 Toen liep Esau hem tegemoet , en nam hem in den arm, en viel hem om den hals, en kuste hem; en zij weenden. 5 En hij hief zijne oogen op en zag de vrouwen met de kinderen, en sprak: Wie zijn deze bij u? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen welke God uwen knecht verleend heeft. 6 En de dienstmaagden traden toe met hare kinderen, en neigden zich voor hem; 7 Lea trad óók toe met hare kinderen, en zij neigden zich voor hem; vervolgens traden Jozef en Eachel toe, en bogen zich óók voor hem. 8 En hij sprak: Wat wilt gij met al dit heir hetwelk ik ontmoet heb? Hij antwoordde: Om genade te vinden bij mijnen heer. 9 Esau sprak: Ik heb genoeg, mijn broeder: behoud hetgeen gij hebt. 10 Jakob antwoordde: Och neen, heb ik genade gevonden bij u, zoo neem mijn geschenk van mijne hand; want ik zag uw aangezicht als zag ik Gods aangezicht; en laat mij u welbehagen. |
GENESIS 34.
66
|
11 Neem toch den zegen 1 van mij aan dien ik u toe- j gebracht hel); want God heeft het mij verleend, ik heb van alles genoeg. En hij hield bij hem aan, zoodat hij hot aannam. 13 En hij sprak: Laat ons voorttrekken en reizen; ik zal met u reizen. 13 Maar hij sprak tot hem: Mijn heer, gij weet dat ik jonge kinderen bij mij heb, daarenboven vee en zoogende koeien; wanneer die maar een dag te sterk gedreven werden, zoo zou mij de geheele kudde sterven: 14 mijn heer trekke voor zijnen knecht uit; ik zal op mijn gemak achteraan drijven, alnaardat het vee en de kinderen gaan kunnen, totdat ik bij mijnen heer kom te Seïr. 15 Esau sprak: Dan zal ik echter sommigen van dit volk dat met mij is bij u laten. Hij antwoordde: Wat is dat noodig? Laat mij slechts genade vinden bij mijnen heer. 16 Alzoo trok Esau dien dag wederom zijns weegs naar Seïr toe. 17 En Jakob trok naar Sukkoth , en bouwde zich een huis, en maakte hutten voor zijn vee: daarom heet de plaats Sukkoth. |
18 Daarna kwam Jakob behouden tot aan de stad Sichem, die in het land Kanaiin ligt, nadat hij uit Mesopotamië gekomen was, en sloeg zijn leger op voor de stad, 19 en kocht een stuk akker van de kinderen van Hemor, Sichems vader, voor honderd stukken geld; aldaar sloeg hij zijne hutten op, 20 en richtte aldaar een altaar op, en riep den naam van den sterken God van Israël aan. HOOFDSTUK 34. 1 Dina nu, Lea's dochter, welke zij Jakob gebaard had, ging uit om de dochters van dat land te zien. 2 Toen Sichem, de zoon van Hemor den Heviet, die heer van dat land was, haar zag, nam hij ze en besliep ze en schond ze. 3 En zijn hart hing aan haar; en hij had do jonge-dochter lief, en sprak vriendelijk met haar. 4 En Sichem sprak tot zijnen vader Hemor: Neem deze dochter mij tot vrouw. 5 En Jakob vernam dat zijne dochter Dina geschonden was; en zijne zonen waren met het vee op het |
GENESIS 34.
67
|
veld, en Jakob zweeg totdat zij kwamen. 6 Toen ging Hemor, Si-cliems vader, uit tot Jakob om met hem te spreken. 7 Ondertussclien kwamen Jakobs zonen van het veld; en als zij het hoorden, verdroot het de mannen, en zij werden zeer toornig, dat hij eene dwaasheid aan Israël begaan en Jakobs dochter beslapen had; want zoo behoorde het niet te zijn. 8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems hart haakt naar uwe dochter: eilieve, geeft ze hem tot vrouw. 9 Maakt vriendschap met ons, geeft ons uwe dochters en neemt gij onze dochters; 10 en woont bij ons: het land zal u open zijn; woont en handelt en gewint daarin. 11 En Sichem sprak tot haren vader en tot hare broeders: Laat mij genade bij u vinden ; wat gij mij zegt, dat wil ik geven. 12 Eischt vrij van mij den bruidsschat en het geschenk, ik wil het geven zooals gij het eischt: geeft mij slechts de jongedoch-ter tot vrouw. 13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en zijnen vader Hemor bedrieglijk, omdat hunne zuster Dina geschonden was, |
14 en zeiden tot hen: Wij kunnen dat niet doen, dat wij onze zuster aan een onbesneden man geven; want dat zou ons eene schande zijn. 15 Maar dan zullen wij u te wille zijn, als gij ons gelijk wordt, en alwatmannelijk oiifler u is besneden wordt; 16 dan zullen wij u onze dochters geven, en uwe dochters voor ons nemen, en bij u wonen, en één volk zijn. 17 Maar zoo gij niet toestaat u te besnijden, zoo zullen wij onze dochter nemen en heentrekken. 18 Deze woorden bevielen Hemor en zijnen zoon wèl; 19 en de jongeling vertraagde niet om het te doen; want hij had behagen in Jakobs dochter, en hij was geëerd boven allen in zijns vaders huis. 3U Toen kwamen zij, Hemor en zijn zoon Sichem, in de stadspoort, en spraken met de burgers van hunne stad, zeggende: 31 Deze lieden zijn vreedzaam bij ons, en willen in het land wonen en handelen ; nu is het land groot genoeg voor hen; wij willen |
GENESIS 35.
68
|
ons hunne docliters tot vrouwen nemen, en onze docliters aan hen geven. 33 Maar dan alleen zullen zij ons te wille zijn, om bij ons te wonen en één volk met ons te worden, wanneer wij alwat mannelijk onder ons is besnijden gelijk zij besneden zijn. 33 Hun vee en hunne goederen en alwat zij hebben zal het onze zijn , als wij hun slechts te wille zijn, opdat zij bij ons wonen. 34 En zij hoorden naar Hemor en Sichem zijnen zoon, allen die te zijner stadspoort uit- en ingingen, en zij besneden alwat mannelijk was dat ter poort zijner stad uit- en inging. 35 En op den derden dag, als het hun smartte, namen twee van Jakobs zonen, Simeon en Levi, broeders van Dina, elk zijn zwaard, en gingen stoute-lijk de stad in, en doodden alwat mannelijk was, 26 en doodden ook He-mor en zijnen zoon Sichem met de scherpte des zwaards, en namen Dina uitSichems huis eji gingen weg. 37 Toen kwamen Jakobs zonen over de verslagenen en plunderden de stad, omdat zij hunne zuster geschonden hadden; |
38 en namen hunne schapen , runderen, ezels, en wat in de stad en op het veld was; 39 en al hunne have, en al hunne kinderen en vrouwen namen zij gevangen, en plunderden alwat binnens-nuis was. 30 En Jakob sprak tot Simeon en Levi: Gij hebt' mij ongeluk aangericht, dat ik in kwaden reuk ben bij de inwoners des lands, de Kanaiinieten en Eerezieten; en ik ben een kleine menigte: wanneer zij zich nu verzamelen over mij, zoo zullen zij mij verslaan; aldus zal ik verdelgd worden benevens mijn huis. 31 Maar zij antwoordden: Zou hij dan met onze zuster als met eene hoer handelen ? HOOFDSTUK 35. 1 En God sprak tot Jakob: Maak u op en trek naar Both-El, en woon aldaar; en maak aldaar een altaar voor dien God, die u verscheen toen gij vloodt voor uwen broeder Esau. 3 Toen sprak Jakob tot zijn huisgezin en tot allen die met hem waren: Doet van u weg de vreemde goden die onder u zijn, en reinigt u, en verandert uwe kleederen; |
GENESIS 35.
69
|
3 en iticaken wij ons op en trekken wij naar Beth-El, opdat ik aldaar een altaar sticlite voor dien God, die mij verhoord heeft in den tijd mijner droefenis, en met mij geweest is op den weg dien ik getrokken ben. 4 Toen gaven uij hem alle vreemde goden die onder hunne handen waren, en hunne oorspansels; en hij begroef ze onder een eik die bij Sichem stond. 5 En zij trokken uit; en de vreeze Gods kwam over de steden die rondom hen lagen, zoodat zij Jakobszonen niet najoegen. fi Al/.oo kwam Jakob te Luz in het land Ivanailn, dat lteth-El genaamd is, alsmede al het volk dat met hem was; 7 en hij bouwde aldaar een altaar, en noemde de plaats El Beth-El, omdat God aldaar aan hem geopenbaard werd toen hij voor zijnen broeder vlood. 8 Toen stierf Dehora, lïe-bekka's voedster, en werd begraven onder Beth-El, onder den eik; en die werd genoemd de klaageik. 9 En God verscheen Jakob •wederom, nadat hij uit Me-sopotamië gekomen was; en yj zegende hem, |
10 en sprak tot hem: Gij heet Jakob, doch gij zult niet meer Jakob heeten, maar Israel zal uw naam zijn; en alzoo noemt men hem Israël. 11 En God sprak tot hem: Ik ben de almachtige God: wees vruchtbaar en vermenigvuldig u; volken en menigten van volken zullen van u komen, en koningen zullen uit uwe lendenen voortkomen. 13 En dit land, hetwelk ik Abraham en Isaiik gegeven heb, wil ik u geven, en zal het uwen zade geven na u. 13 Alzoo voer God van hem op, van die plaats waar hij met hem gesproken had. 14 Jakob nu richtte een stoenen teeken op aan die plaats waar hij met liem gesproken had, en plengde drankofler daarop en begoot het met olie; 15 en Jakob noemde de plaats, waar God met hem gesproken had, Beth-El. 1G En zij trokken van Beth-El; en toen men nog een stadie van Efratha was, baarde Rachel; en zij had het hard bij het baren. 17 Toen zij het nu zoo hard had in het baren, sprak de vroedvrouw tot haar: Vrees niet, want gij zult weder een zoon hebben. 18 Maar toen haar de ziel |
GENESIS 36.
70
|
uitging, dat zij sterven moest, noemde zij hem Benoni; maar zijn vader noemde hem Een-jamin. 19 Aldus stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Etratha, dat nu Bethlehem heet. 20 En Jakob richtte een teeken op boven haar graf; dat is het grafteeken van Eachel tot op dezen dag. 31 En Israël trok uit, en richtte eene hut op aan gene zijde van den toren Eder. 22 En het gebeurde als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging en sliep bij Bilha zijns vaders bijwijf; en dat kwam Israël ter oore. Jakob nu had twaalf zonen. 33 De zonen van Lea waren deze: Ruben, Jakobs eerstgeboren zoon, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon. 2-1 De zonen van Rachel waren: Jozef en Benjamin. 33 De zonen van Bilha, Kachels dienstmaagd: Dan en Naftali. 26 De zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Dit zijn Jakobs zonen die hem geboren zijn in Me-sopotamië. 27 Ea Jakob kwam tot zijnen vader Isaiik te Mamré in de hoofdstad, Hebron genaamd , waarin Abraham en |
Isaiik vreemdelingen geweest zijn. 28 En Isaiik werd honderd en tachtig jaar oud, 39 en nam af en stierf, en werd verzameld tot zijn volk, oud en verzadigd van leven; en zijne zonen Esau en Jakob begroeven hem. HOOFDSTUK 36. 1 Dit is het geslacht van Esau, die Edom heet. — 2 Esau nam vrouwen van de dochters van Kanaiin: Ada de dochter van Elon den Hethiet, en Aholibama de dochter van Ana, de nicht van Zibeon den Heviet; 3 en Basmath Ismaëls dochter, Nebajoths zuster. 4 Ada nu baarde Elifaz aan Esau; en Basmath baarde Rehuël; 3 Aholibama baarde Jehus, Jaëlam en Korach. Dit zijn Esaus kinderen die hem geboren zijn in het land Kanaiin. 6 En Esau nam zijne vrouwen , zonen en dochters , en alle zielen van zijn huis, zijne have en al het vee, benevens al de goederen welke hij in het land Kanaiin verworven had, en trok van zijnen broeder Jakob naar een ander land; 7 want hunne have was te |
GENESIS 86.
71
|
groot, zoodat zij hij elkander niet konden wonen, en het land waarin zij vreemdelingen waren vermocht hen niet te dragen wegens de menigte van hun vee. 8 Alzoo woonde Esau op het gebergte Seïr ; en Esau is Edom. 9 Dit is het geslacht van Esau, van welken afkomstig zijn de Edomieten op het gebergte Seïr. 10 Én dit zijn de namen van Esaus kinderen: Elifaz, de zoon van Ada Esaus huisvrouw; Eehuël, de zoon van Basmath Esaus huisvrouw. 11 De zonen nu van Elifaz waren deze: Teman, Omar, Zefo, Gaëtam en Kenaz; 12 en ïimna was een bijwijf van Elifaz Esaus zoon, die baarde hem Amalek: dit zijn de kinderen van Ada Esaus huisvrouw. 13 En dit zijn Eehuëls kinderen: Nahath, Zerah, Samma, Mizza: dit zijn de kinderen van Easmath, Esaus huisvrouw. 14 En de kinderen van A-holibama, Esaus huisvrouw, dochter van Ana, nicht van Zibeon, welke zij Esau baarde, zijn deze: Jehus, Jaëlam en Korach. |
15 Dit zijn de vorsten onder Esaus kinderen: de kinderen van Elifaz, Esaus eersten zoon, waren deze: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz, 16 de vorst Korach, de vorst Gaëtam, de vorst Amalek: dit zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom, en de kinderen van Ada. 17 En dit zijn de kinderen van Eehuël Esaus zoon: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza: dit zijn de vorsten van Eehuël in het land der Edomieten, on het zijn de kinderen van Basmath Esaus huisvrouw. 18 Dit zijn de kinderen van Aholibama Esaus huisvrouw: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korach: dit zijn de vorsten van Aholibama de dochter van Ana, Esaus huisvrouw. 19 Dit zijn Esaus kinderen en hunne vorsten: hij is Edom. 20 De kinderen nu van Seïr den Horiet, die in dat land woonden, zijn deze: ■Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, 21 Dison, Ezer en Disan: dit zijn de vorsten der Ho-rieten, Seïrs kinderen, in het land Edom. 23 Lotans kinderen nu waren deze: Hori en He- |
GENESIS 36.
|
mam; en Lotans zuster was genaamd ïimna. 23 Sobals kinderen waren deze: Alvan , Manahath, Ebal, Sefo en Onam. 24 Zil)eons kinderen waren deze; Ajja en Ana; deze is die Ana die in de woestijn muildieren vond, toen liij zijns vaders Zibeons ezels weidde. 25 En Ana's kinderen waren deze: Dison en Aholi-liaitia, die de dochter is van Ana. 26 Disons kinderen waren deze: Hemdan, Esban, Ji-thran en Keran. 27 Ezers kinderen waren deze: liilhan, Zaavan en Akan. 28 Disans kinderen waren deze: Uz en Aran. 29 Dit zijn de vorsten der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana, 30 de vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan: dit zijn de vorsten der Horieten , die geregeerd liebben in het land Seïr. 31 Do koningen nu die in het land Edom geregeerd hebben, eer de kinderen van Israël koningen hadden, zijn deze. 32 Bela, Beors zoon, was koning van Edom; en zijne stad heette Dinhaba. |
33 En toon Bela stierf, werd Jobab, Zerahs zoon, van Bozra, koning in zijne plaats. 34 Toen Jobab stierf, werd Husam, uit het land dor Temanieten, koning in zijne plaats. 35 Toen Husam stierf, werd Had ad, Bedadszoon, die de Midianieten sloeg in het veld derMoabieton, koning in zijne plaats; en zijne stad heette Avith. 30 Toen Hadad stierf, roo-eerde Samla van Masreka. 37 Toon Samla stierf werd Saul, uit Eehoboth aan de rivier, koning in zijne plaats. 38 Toen Saul stierf, werd Baallianan, Achbors zoon, koning in zijne plaats. 39 Toen Baalhanan, Achbors zoon, stierf, werd Ha-dar koning in zijne plaats, en zijne stad heette Paü; en zijne huisvrouw heette Mehe-tabeël, Hatreds dochter, die Mezahabs dochter was. 40 Dit zijn de namen der vorsten van Esau naar hunne geslachten, plaatsen en namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth, 41 de vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon, 42 de vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar, 43 de vorst Magdiël, de vorst Iram: dit zijn do vor- |
|
sten van Edom, zooals zij in hun erfland gewoond hebben; en Esau is de vader der Edomieten. HOOFDSTUK 37. 1 Jakob nu woonde in liet land in hetwelk zijn vader een vreemdeling geweest was, tc weten in het land Kanailn. 3 En dit zijn Jakobs geslachten. — Jozef was zeventien jaar oud toen hij een veeherder werd met zijne broeders, en de jongeling was bij de kinderen van Bilha en Zilpa, zijns vaders vrouwen; en hij bracht het hunnen vader aan, als er een kwaad gerucht van hen was. 3 Israël nu had Jozef liever dan al zijne kinderen, omdat hij hem in zijnen ouderdom geboren was; en hij maakte hem een bonten rok. 4 Toen nu zijne broeders zagen dat hun vader hem liever had dan al zijne broeders, waren zij hem vijandig, en konden hem geen vriendelijk woord toespreken. 5 Daarenboven had Jozef eens een droom, en verhaalde dien aan zijne broeders; toon werden zij nog meer vergramd op hem; G want hij sprak tot hen: 1IS 87. rs |
Eilieve, hoort toch wat ik gedroomd heb: 7 mij docht, wij bonden schoven op het veld; en mijne schoof richtte zich op en bleef aldus staan, en uwe schoven rondom bogen zich voor mijne schoof. 8 Toen spraken zijne broeders tot hem: Zoudt gij onze koning worden en over ons heerschen? En zij werden nog toorniger op hem om zijnen droom en om zijne woorden. 9 En hij had nog een anderen droom , dien vertelde hij aan zijne broeders óók, en sprak: Zie, ik heb nog een droom gehad: mij docht, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij. 10 En toen dit aan zijnen vader en zijne broeders gezegd werd, bestrafte zijn vader hem, en zeide tot hem: Wat droom is dat dien gij gedroomd hebt? Zullen wij, ik en uwe moeder en uwe broeders, komen en u aanbidden? 11 En zijne broeders be-•nijdden hem; maar zijn vader onthield deze woorden. 13 Toen nu zijne broeders heengegaan waren om het vee huns vaders te weiden bij Sichem, 13 sprak Israël tot Jozef: |
GENESIS 37.
|
Weiden niet uwe broeders het vee bij Sichem? Kom, ik zal u tot lien zenden. En hij sprak: Hier ben ik. l i En hij zeide: Ga heen en zie of het wel staat met uwe broeders en met het vee; en zeg mij wederom hoe het hun gaat. En hij zond hem uit het dal He-bron om te gaan naar Sichem. 15 Toen vond een man hem dwalende op het veld; die vraagde hem, zeggende: Wien zoekt gij? 16 Hij antwoordde: Ik zoek mijne broeders; eilieve, zeg mij toch waar zij weiden. 17 De man sprak: Zij zijn vandaar getrokken; want ik hoorde dat zij zeiden: Laat ons naar Dothan gaan. Toen volgde Jozef zijne broeders, en vond ze te Dothan. 18 Als zij hem nu van verre zagen, eer hij nabij hen kwam, beraadslaagden zij tezamen om hem te dooden, 19 en zeiden onder elkander: Zie, daar komt de droo-mer aan: 30 nu komt dan en laat ons hem ombrengen en in een kuil werpen, en zeggen : Een boos dier heeft hem opgegeten; zoo zal men zien wat van zijne droomen worde. 31 Toen Euben dat hoorde, wilde hij hem uit hunne handen redden, en sprak: Laat ons hem niet dooden. |
33 Verder sprak Euben tot hen: quot;Vergiet geen bloed; maar werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en slaat de hand niet aan hem; want hij wilde hem uit hunne hand redden, om hem weder tot zijnen vader te brengen. 33 Als nu Jozef bij zijne broeders kwam, trokken zij hem zijnen rok uit, den bonten rok dien hij aanhad, 34 en zij namen hem en wierpen hem in een kuil; maar die kuil was ledig, er was geen water in. 35 En zij zetteden zich neder om te eten. Intnsschen hieven zij hunne oogen op en zagen eene menigte Is-maëlieten, komende uit Gi-lead, met hunne kameelen, die specerijen, balsem en mirre droegen, reizende naar Egypte. 36 Toen sprak Juda tot zijne broeders: Wat zal het ons baten dat wij onzen broeder ombrengen en zijn bloed verbergen? 37 Komt, laat ons hem aan de Ismaëlieten verkoopen, opdat onze handen zich aan hem niet vergrijpen; want hij is onze broeder, ons vleesch en bloed. En zij hoorden naar hem; |
GENESIS 88.
75
|
38 en toen de Midianieti-sche kooplieden voorbijreis-den, trokken zij hem uit den kuil, en verkochten hem aan de Ismaëlioten voor twintig zilverlingen; die brachten hem naar Egypte. 29 Als nu Euben weder bij den kuil kwam en Jozef er niet in vond, scheurde hij zijn kleed, 30 en kwam weder tot zijne broeders en sprak: De jongeling is er niet in; waar zal ik nu heengaan? 31 Toen namen zij Jozel's rok, en slachtten een geite-bok, en doopten den rok in het bloed, 33 en zonden den bonten rok cn lieten dien tot hunnen vader brengen cn zeggen : Dezen hebben wij gevonden ; zie of het uws zoons rok is of niet. 33 En hij kende hem en sprak: Het is mijns zoons rok, een boos dier heeft hem opgegeten, een verscheurend dier heeft Jozef verscheurd. S'Ji En Jakob scheurde zijne kleederen, en leide een zak om zijne lendenen, en bedreef rouw over zijnen zoon een langen tijd; 35 en al zijne zonen en dochters traden tot hem om hem te troosten, maar hij wilde zich niet laten troosten, en sprak: Ik zal met rouw nederdalen in den kuil tot mijnen zoon. En zijn vader beweende hem. |
36 En de Midianieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, Earao's kamerdienaar en hofmeester. HOOFDSTUK 38. 1 Het gebeurde in dien tijd dat Juda van zijne broeders aftrok, en zich begaf bij een man van Adul-lam wiens naam was Hira; 3 en Juda zag aldaar de dochter van een'Kanaiinic-tiscb. man wiens naam was Sua, en hij nam ze; en toen hij haar besliep, 3 werd zij zwanger en baarde een zóón, dien noemde hij Er. 4 En zij werd wederom zwanger, en baarde een zoon, dien noemde zij Onan. 5 Wederom baarde zij een zoon, dien noemde zij Sela; cn hij was te Kezib toen zij hem baarde. 6 En Juda gaf aan zijnen eersten zoon Er eene vrouw genaamd Tamar. • 7 Maar Er was kwaad voor den Heer, daarom doodde de Heer hem. 8 Toen sprak Juda tot Onan: Leg u bij uws broeders vrouw, en neem haar |
GENESIS 38.
76
|
ten huwelijk, opdat gij uwen broeder zaad verwekt. 9 Maar toen Onan wist dat liet zaad zijn eigen niet zou zijn, als hij bij zijns broeders vrouw lag, liet hij het op de aarde vallen en verdierf het, opdat hij zijnen broeder geen zaad geven zou. 10 Doch het mishaagde den Heer hetgeen hij deed, daarom doodde hij hem óók. 11 Toen sprak Juda tot zijne schoondochter Tamar: Blijf weduw in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij dacht: Misschien mocht hij óók sterven gelijk zijne broeders. Alzoo ging Tamar heen en bleef in haars vaders huis. 13 Toen nu vele dagen verloopen waren, stierfSua's dochter, Juda's vrouw. En toen Juda uitgetreurd had, ging hij op naar Timna om zijne schapen te scheren, hij en zijn herder Hira van Adullam. 13 Toen gaf men Tamar te kennen; Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna om zijne schapen te scheren. 14 Toen leide zij de we-duwkleederen welke zij gedragen had af, bedekte zich met een sluier en omwond zich, en zette zich buiten yoor de deur aan den weg naar Timna; want zij zag dat Sela groot geworden was, en zij was hem niet tot vrouw gegeven. |
15 Toen nu Juda haar zag, meende hij dat zij eene hoer was; want zij had haar aangezicht bedekt. 10 En hij ging tot haar aan den weg en zeide: Eilieve, laat mij bij u liggen; want hij wist niet dat zij zijne schoondochter was. Zij antwoordde: Wat zult gij mij geven, dat gij bij mij ligt? 17 Hij sprak: Ik zal u een geitebok van de kudde zenden. Zij antwoordde: Zoo geef mij dan een pand, totdat gij mij dien zendt. 18 Hij sprak: Wat voor een pand wilt gij dat ik u geven zal? Zij antwoordde: Uwen ring en nw snoer en uwen staf dien gij in uwe hand hebt. En hij gaf het haar, en lag bij haar; en zij werd van hem zwanger. 19 En zij maakte zich op en ging heen, _ en leide den sluier af, en trok hare we-duwkleederen weder aan. 20 En Juda zond den geitebok door zijnen herder van Adullam, om het pand we-dertehalen van die vrouw; en hij vond haar niet. 31 Toen vraagde hij do lieden van die plaats en zeide: Waar is de hoer die buiten |
|
GENE! aan den weg zat? Zij antwoordden : Er is geen lioer geweest. 23 En hij kwam weder tot Juda en sprak: Ik heb haar niet gevonden, ook zeggen de lieden van die plaats dat er geen Loer geweest is. 23 Juda sprak: Zij lioude liet voor zich; ook kan zij ons geen schande nazeggen; want ik heb dezen bok gezonden, en gij hebt haar niet gevonden. 21 Na -drie maanden gaf men Juda te kennen, zeggende: Uwe schoondochter Tamar heeft gehoereerd; daarenboven, zie, zij is van hare hoererij zwanger geworden. Juda sprak: Brengt haar hier, opdat zij verbrand worde. 23 En als men haar voorbracht, zond zij tot haren schoonvader, zeggende: Van dien man ben ik zwanger, wien dit toebclioort; en zij sprak: Herkent gij ook van wien deze ring en deze snoeren en deze staf zijn? 26 Juda herkende het en sprak: Zij is rechtvaardiger dan ik; want ik heb haar mijnen zoon Sela niet gegeven. Doch hij besliep haar niet meer. 27 En als zij baren zou, bespeurde men dat zij tweelingen in haarlichaam droeg. |
!IS 39. 77 28 En als zij nu baarde, kwam er eene hand uit. Toen nam de vroedvrouw een rooden draad, en bond er dien om, en sprak: Deze zal het eerst uitkomen. 29 Maar als die zijne hand weder introk, kwam zijn broeder uit; en zij sprak: Waarom hebt gij uwenthalve zulk eene scheur gescheurd? En men noemde hem Perez. 30 Daarna kwam zijn broeder uit, die den rooden draad om zijne hand had, en men noemde hem Zerah. HOOFDSTUK 39. 1 Jozef dan werd naar Egypte gevoerd; en Potifar, een Egyptisch man, Farao's kamerdienaar en hofmeester, kocht hem van de Ismaclie-ten die hem afbrachten. 3 En de Heer was met Jozef, zoodat hij een gelukkig man werd; en hij was in het huis van zijnen heer den Egyptenaar. 3 En zijn heer zag dat de Heer met hem was; want alwat hij deed, dat deed de Heer wel gelukken door hem: 4 alzoo dat hij genade vond bij zijnen heer, en zijn dienaar werd; en hij stelde hem over zijn h uis, en alwat hij had gaf hij in zijne hand. 5 En van dien tijd af toen |
|
18 bij hem over zijn huis en over al zijne goederen gesteld liad, zegende do Heer liet huis des Egyptenaars om Jozefs wil, en de zegen des Heeren was in alles wat hij had, in het huis en op het veld. 6 Daarom liet hij alles wat hij had in Jozefs handen, en zag nergens naar om, terwijl hij hem had, behalve hetgeen bij at en droak. En Jozef was schoon van gestalte en schoon van aangezicht. 7 En bet gebeurde daarna dat dc buis vrouw zijns boeren bare oogen op Jozef wierp, en sprak: Slaap bij mij. 8 Maar bij weigerde bet en sprak tot haar: Zie, mijn heer doet niets buiten mij;. wat er in huis is, en alles wat bij heeft, dat heeft hij in mijne hand gesteld; 9 en heeft niets zóógroot in buis, hetwelk bij mij onthouden heeft, behalve u, omdat gij zijne huisvrouw zijt: hoe zoude ik dan nu zulk een groot kwaad doen en tegen God zondigen? 10 En zij herhaalde dagelijks zulke woorden tot Jozef; maar hij hoorde niet naar baar, om bij baar te slapen en bij haar te zijn. |
11 Het gebeurde op zekeren dag, dat Jozef in het huis ging om zijn werk te doen; en niemand van het huisgezin was er bij. 13 En zij greep hom bij zijn kleed en sprak: Slaap bij mij. Maar hij liet bet kleed in hare band, en vlood, en liep bet huis uit. 13 Toen zij nu zag dat bij zijn kleed in hare band liet en naarbuiten vlood, l i riep zij de lieden van haar buis en sprak tot hen; Ziet, hij heeft ons den Hebreeuw-scben man hier ingebracht om ons schande aantedoen; bij kwam tot mij bier in en wilde bij mij slapen; maar ik riep met eene luide stem: 15 en toen hij hoorde dat ik een geschreeuw maakte en riep, liet bij zijn kleed bij mij, en vlood en liep naarbuiten. 16 En zij leide zijn kleed bij zich totdat zijn heer tehuis kwam, 17 en zeide tot hem diezelfde woorden en sprak: De Hebreouwsche knecht dien gij ons hier hebt ingebracht, kwam tot mij en wilde mij schande aandoen; 18 maar toen ik een geschreeuw maakte en riep, liet hij zijn kleed bij mij en vlood naarbuiten. 19 En als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, GENESIS 39. |
GENESIS 40.
79
|
welke zij tot hem sprak, zeggende; Zóó heeft mij uw knecht gedaan, werd hij zeer toornig; 30 en zijn heer nam hem en zette hem in de gevangenis, waarin de gevangenen des konings zaten; en hij was aldaar in de gevangenis. 31 Maar de Heer was met hem, en neigde zijne goedertierenheid tot hem, en liet hem genade vinden hij den stokmeester; 33 die gaf al de gevangenen in de gevangenis in zijne hand, opdat al wat daar geschiedde door hem geschiedde; 33 want de stokmeester zag nergens naar om, vermits de Heer met Jozef was; en wat hij deed, dat liet de Heer wèl gelukken. HOOFDSTUK 40. 1 Eu het gebeurde daarna dat de schenker des konings van Egypte en de hakker zondigden tegen hunnen heer, den koning van Egypte; 3 en Farao werd toornig op beide zijne kamerdienaren , den opperschenker en opperbakker, 3 en liet ze in de gevangenis zetten in bet Imis des hofmeesters, waar Jozef gevangen was. |
■1 En de hofmeester stelde Jozef bij hen om hen te dienen; en zij zaten eenige dagen in de gevangenis. 5 En zij droomden beiden, de schenker en de bakker des konings van Egypte, in denzelfden nacht elk een bijzonderen droom, en elks droom had zijne beduiding. C Toen nu Jozef des morgens tot hen inkwam, en zag dat zij treurig waren, 7 vraagde hij hen, zeggende: Waarom zijt gij heden zoo bedroefd? 8 Zij antwoordden: Wij hebben gedroomd, en hebben niemand die het ons uitlegt. Jozef sprak: Uitteleggen komt God toe; doch vertelt ze mij. 9 Toen vertelde de opperschenker Jozef zijnen droom, en zeide tot hem: Ik heb gedroomd dat er een wijnstok vóór mij was, 10 die had drie ranken, en hij begon uittespruiten, ging op en bloeide, en zijne druiven werden rijp; 11 en ik had Farao's beker in mijne hand, en nam de druiven en drukte ze uit in den beker, en gaf den beker Farao in de hand. 13 Jozef sprak tot hem: Dit is zijne beduiding: de drie ranken zijn drie dagen; 13 na drie dagen zal Fa- |
|
80 rao uw hoofd verlieflen en u weder in uw ambt stellen, om hem den beker in de hand te geven, naaide vorige wijze toen gij zijn schenker waart. 14 Maar denk aan mij als het ii welgaat, en doe barmhartigheid aan mij, om Farao te bewegen dat hij mij uit dit huis hale; 15 want ik ben heimelijk gestolen uit het land der Hebreen; daarenboven heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in den kerker gezet hebben. 16 Toen nu de opperbakker zag dat de beduiding goed was, sprak hij tot Jozef: Ik hel) ook gedroomd , dat ik drie witte korven op mijn hoofd droeg; 17 en in den bovensten korf was allerlei gebakken spijs voor Farao; en de vogels aten uit den korf op mijn hoofd. 18 Jozef antwoordde en sprak: Dit is zijne beduiding: de drie korven zijn drie dagen ; 19 en na drie dagen zal Earao uw hoofd verheflen en u aan de galg hangen, en de vogels zullen uw vleesch eten. |
30 En het geschiedde op den derden dag, toen Ea-rao zijn verjaardag hield, dat hij voor al zijne knechten een maaltijd aanrichtte; en hij verhief het hoofd des opperschenkers en het hoofd des opperbakkers onder zijne knechten: 31 en hij stelde den opperschenker weder in zijn schenkersambt, om den beker in Earao's hand te geven, 23 maar den opperbakker liet hij ophangen, gelijk Jozef het hun uitgelegd had. 33 Maar de opperschenker dacht niet aan Jozef, maar vergat hem. HOOFDSTUK 41. 1 En na twee jaren had Farao een droom, dat hij stond aan de rivier, 3 en zag uit de rivier opklimmen zeven schoone, vette koeien, die gingen weiden in het gras; 3 na deze zag hij zeven andere koeien uit de rivier opklimmen, die waren leelijk en mager, en zij gingen bij de \a.nderë\ koeien aan den oever van de rivier: 4 en de leelijke en magere koeien verslonden die zeven schoone en vette koeien. Toen ontwaakte Farao. 5 En hij viel weder in slaap en droomde nog eens, en zag dat zeven aren op- GENESIS 41. |
GENESIS 41,
81
|
schoten uit oenen halm, vol en dik; 6 daarna zag hij zeven dunne en verzengde aren opgaan: 7 en de zeven magere aren verslonden de zeven dikke en volle aren. Toen ontwaakte Earao, en merkte dat het een droom was. 8 En toen het morgen werd was zijn geest bekommerd, en hij zond heen en liet roepen alle waarzeggers in Egypte en alle wijzen, en vertelde hun zijne droomen; maar er was niemand die ze Farao kon uitleggen. 9 Toen sprak de opperschenker tot Farao en zeide: Ik gedenk heden aan mijne zonden. 10 Toen Farao toornig was op zijne knechten, en mij met den opperbakker in de gevangenis zette in het huis des hofmeesters, 11 toen droomden wij beiden in denzelfden nacht elk zijnen droom, waarvan de beduiding hem zeiven aanging. 13 En er was bij ons een Hebreeuwsch jongeling, des hofmeesters knecht; dien vertelden wij ze, en hij legde ons onze droomen uit, elk naar zijnen droom. |
13 En gelijk hij ze ons uitlegde, zóó is het ook gebeurd; want ik ben weder in mijn ambt gesteld, en de ander is opgehangen. 14 Toen zond Farao heen en liet Jozef roepen, en men haalde hem schielijk uit den kerker; en hij liet zich scheren, en trok andere kleederen aan, en kwam tot Farao. 15 Toen sprak Farao tot hem: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand die hem uitleggen kan; maar ik heb van u hooren zeggen , als gij een droom hoort, zoo kunt gij hem uitleggen. 16 Jozef antwoordde Farao en sprak: Dat staat niet aan mij: God zal echter Farao wat goeds te kennen geven. 17 Toen sprak Farao tot Jozef: Ik droomde dat ik stond aan den oever van de rivier, 18 en zag uit de rivier opklimmen zeven schoone, vette koeien, en die gingen weiden in het gras; 19 en na deze zag ik zeven andere, dorre , zeer leelijke en magere koeien opklimmen, ik heb in geheel Egypteland zulke leelijke niet gezien: 20 en de magere en leelijke koeien verslonden de zeven eerste vette koeien; 21 en als zij ze verslonden hadden, merkte men het |
GENESIS 41.
82
|
niet aan haar dat zij die gegeten liadden, en zij bleven leelijk gelijk tevoren. Toen ontwaakte ik. 23 En nog eens zag ik in mijnen droom zeven aren op éénen halm wassen, vol en dik; 23 daarna gingen zeven dorre aren op, dun en verzengd : 24? en de zeven dunne aren verslonden de zeven dikke aren. En ik heb het den waarzeggers gezegd, maar zij kunnen het mij niet verklaren. 2 5 Jozef antwoordde Farao: Die beide droomen van Farao zijn één; want God geeft Farao te kennen wat hij voorheeft. 26 Die zeven schoone koeien zijn zeven jaren , en die zeven goede aren zijn óók zeven jaren: het is éénerlei droom. 27 Die zeven magere en leelijke koeien, die na deze opgekomen zijn, zijn zeven jaren; en die zeven magere en verzengde aren zijn zeven jaren van duurte. 28 Dit nu is hetgeen ik gezegd heb tot Farao, dat God Farao vertoont wat hij voorheeft. 39 Zie, zeven jaren van overvloed zullen komen in geheel Egypteland; |
30 en na deze zullen zeven jaren van duurte komen, zoodat men al dien overvloed in Egypteland vergeten zal; en die duurte zal het land verteren, 31 dat men niet weten zal van den overvloed in het land, vanwege de duurte die daarna komen zal; want zij zal zeer zwaar zijn. 32 Dat nu Farao ten tweeden male gedroomd heeft, beduidt dat God dat gewis en schielijk doen zal. 33 Zoo zie nu Farao om naar een verstandigen en wijzen man, en stelle hem over Egypteland, 34 en besehikke dat men opzieners aanstelle in liet land, en neme in de zeven jaren van overvloed het vijf-dedeel in Egypteland, 35 en verzamele alle spijs der goede jaren die komen zullen, en legge koren op in Farao's korenhuizen, tot voorraad in de steden, en beware het; 36 opdat men spijs tot voorraad vinde voor het land in de zeven jaren van duurte die over Egypteland komen zullen, opdat het land niet van honger verga. 37 Dat woord behaagde Farao en aan al'zijne knechten wèl; 38 en Farao sprak tot zijne |
GENESIS 4.1.
83
|
knechten: Hoe zouden wij een man kunnen vinden als dezen, in wien de Geest Gods is? i 39 En hij sprak tot Jozef: Dewijl God u dit alles lieeft bekendgemaakt, zoo is niemand zoo verstandig en wijs als gij. 40 Gij zult over mijn huis zijn, en al mijn volk zal uw woord gehoorzaam zijn; alleen wegens den koninkl ij ken stoel wil ik hooger zijn dan gij- 41 En verder sprak Earao tot Jozef: Zie, ik heb u over geheel Egypteland gesteld. 42 En hij nam zijnen ring van zijne hand, en stak dien ; aan Jozefs hand, en kleedde hem met witte zijde, en hing hem een gouden keten aan zijn hals, 43 en liet hem op zijn tweeden wagen rijden, en liet vóór hem uitroepen: Deze is de vader des lands! en stelde hem over geheel Egypteland. 44 En Earao sprak tot Jozef: Ik ben Farao; zonder uwen wil zal niemand zijn hand of zijn voet roeren in geheel Egypteland. ] 45 En hij noemde hem den geheimraad, en gaf hem Asnath, de dochter van Po-tiféra den priester to On, |
tot vrouw. Alzoo trok Jozef uit om Egypteland te bezien ; 46 en hij was dertig jaar oud toen hij voor Earao den koning van Egypte stond, en ging uit van Earao en trok door geheel Egypteland. 47 En het land bracht rijkelijk voort in de zeven jaren des overvloeds. 48 En hij verzamelde alle spijs der zeven jaren die in Egypteland was, en leide die' op in de steden: wat spijs er op het veld rondom elke stad was, dat bracht hij daarbinnen. 49 Alzoo leide Jozef zeer veel koren op als het zand aan de zee, zoodat liij ophield te tellen, want men kon het niet meer tellen. 50 En eer de duurte kwam, wei-den Jozef twee zonen geboren, welke Asnath, de dochter van Potiféra den priester te On, hem baarde. 51 En hij noemde den eerste Manasse: Want [zeide hij] God heeft mij laten vergeten al mijn ongeluk en het geheele huis mijns vaders. 53 Den tweede noemde hij Efraïm: Want [zeide God heeft mij laten wassen in het land mijner ellende. |
GENESIS 43.
|
53 Toen nu de zeven jaren van overvloed om waren in Egypteland, 54 begonnen de zeven jaren van duurte te komen, van welke Jozef gesproken had; en er was duurte in alle landen, maar in geheel Egypteland was brood. 55 Als nu geheel Egypteland ook honger leed, riep het volk tot Farao om brood; maar Earao sprak tot alle Egyptenaars: Gaat heen naar Jozef, en doet wat hij u zegt. 5(i ïoennu in het geheele land duurte was, opende Jozef overal de korenhuizen en verkocht aan de Egyptenaars , want de duurte werd hoe langer hoe grooter in het land; 57 en alle landen kwamen naar Egypte tot Jozef om te koopen, want de duurte was groot in alle landen. HOOFDSTUK 42. 1 Toen Jakob zag dat er koren in Egypte te koop was, sprak hij tot zijne zonen: Wat ziet gij elkander lang aan? 3 Zie, ik hoor dat er in Egypte koren te koop is: trekt derwaarts en koopt ons koren, opilat wij leven en niet sterven. |
3 Alzoo trokken Jozefs tien broeders heen om in Egypte koren te koopen; 4 maar Jakob liet Benjamin, Jozefs broeder, niet met . zijne broeders trekken: Want, sprak hij, hem mocht een ongeval overkomen. 5 Alzoo kwamen Israels kinderen om koren te koopen, benevens anderen die met hen reisden; want het was in het land Kanailn ook duur. 6 Jozef nu was regent in dat land, en verkocht koren aau al het volk des lands. Toen nu zijne broeders tot hem kwamen, vielen zij op hun aangezicht voor hem neder ter aarde. 7 En hij zag ze aan en kende ze, en hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: quot;Vanwaar komt gij ? Zij spraken: Uit het land Kanaan, om spijs te koopen. 8 Maar hoewel hij ze kende, kenden zij hem toch niet. 9 En Jozef dacht aan de droomen die hij van hen gedroomd had, en sprak tot hen: Gij zijtverspieders, en zij t gekomen om te zien waar liet land open is. 10 Zij antwoordden hem: |
GENESIS 42.
83
|
Neon mijn lieer, uwe knecli-ten zijn gekomen om spijs te koopen. 11 T\ ij allen zijn ééns mans zonen; wij zijn opreclit, en uwe kneeliten zijn nooit verspieders geweest. 13 Hij sprak tot lien: Neen maar gij zijt gekomen om te zien waar het land open is. 13 Zij antwoordden liem: Wij uwe kneolitenzijn twaalf broeders, ééns mans zonen in liet land Kanailn; en de jongste is nog bij onzen vader; maar één is niet meer in wezen. 14 Jozef sprak tot hen: Dit is het wat ik tot u gezegd heb: Gij zijt verspieders. 15 Daaraan zal ik het beproeven: bij Farao's leven! gij zult niet vanhier komen, tenzij dat uw jongste broeder hier komt. 1G Zendt één van uheen, die uwen broeder hale, maar gijlieden zult gevangen zijnquot;: aldus zal ik uwe woorden beproeven of gij met waarheid omgaat of niet; want indien niet, zoo zijt gij verspieders, bij Farao's leven! 17 En hij liet ze tezamen bewaren drie dagen lang. 18 Op den derden dag nu sprak hij tot hen: Wilt gij leven, zoo doet dit; want ik vrees God. |
19 Zijt gij oprecht, zoo laat één uwer broeders gebonden in uwe gevangenis; gaat gij heen, en brengt naarhuis wat gij gekocht hebt voor den honger; 20 en brengt uwen jong-sten broeder tot mij: zoo zal ik uwe woorden gelooven, opdat gij niet sterft. En zij deden alzoo. 21 ïocn spraken zij onder elkander: Dal hebben wij aan onzen broeder verdiend, omdat wij den angst zijner ziel zagen toen hij ons smeekte, en wij wilden hem niet verhoeren: daarom komt nu deze droefenis over ons. 22 Euben antwoordde hun en sprak: Zeide ik het u niet, toen ik sprak: Zondigt toch niet tegen dezen jongeling ; en gij wildet niet hoo-ren: nu wordt zijn bloed geëischt. 23 Maar zij wisten niet dat Jozef het verstond; want hij sprak met hen door een tolk. 24 En Jozef wendde zich van hen om en weende. Toen hij zich nu weder tot hen keerde en met hen sprak, nam hij Simeon van hen af, en liet hem voor hunne oogen binden. 23 En Jozef gaf bevel dat men hunne zakken niet ko- |
GENESIS 43.
8G
|
ren zou vullen, en hun geld wedergeven aan elk in zijnen zak, daarbenevens ook voorraad op den weg; eu men deed luin alzoo. 26 En zij laadden hun koren op hunne ezels en trokken vandaar. 27 Toen nu één van hen zijnen zak opende om zijnen ezel voeder te geven in het nachtverblijf, werd hij zijn geld gewaar dat boven in den zak lag, 28 en sprak tot zijne broeders: Mijn geld is mij weder geworden: zie, in mijnen zak is het. Toen ontviel hun het hart en zij verschrikten, en spraken onder elkander: Waarom heeft God ons dat gedaan? 29 Als zij nu tehuis kwamen tot Jakob hunnen vader, in het land Kanailn, zeiden zij hem alwat hun gebeurd was, en spraken: 30 De man die een heer in dat land is, sprak hard met ons, en liield ons voor verspieders des lands; 31 en als wij hem antwoordden : Wij zijn oprecht en nooit verspieders geweest , 32 maar twaalf broeders, zonen van onzen vader; de één is niet meer, en de jongste is nog bij onzen vader in het land Kanailn: |
33 sprak die man, de heer in dat land, tot ons: Daaraan zal ik bemerken of gij oprecht zijt: laat één uwer broeders bij mij, en neemt de nooddruft voor uw huis en trekt heen; 34 en brengt uwen jong-sten broeder tot mij: zoo zal ik bespeuren dat gij geen verspieders maar oprecht zijt, en dan zal ik u ook uwen broeder wedergeven, en gij kunt in dit land handelen. — 35 En als zij de zakken ledigden, vond elk zijn bundeltje geld in zijnen zak: en als zij zagen dat het hunne bundeltjes geld waren, verschrikten zij tezamen met hunnen vader. 36 Toen sprak Jakob hun vader tot hen: Gij berooft mij van mijne kinderen: Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en Benjamin wilt gij óók wegnemen: op mij komt alles neder. 37 Euben antwoordde zijnen vader en sprak: Is het dat ik hem u niet weder-breng, zoo dood mijne twee zonen; geef hem slechts in mijne hand, ik zal hem u wederbrengen. 38 Maar hij sprak: Mijn zoon zal niet met u aftrekken; want zijn broeder |
GENESIS 43.
87
|
is dood, en hij is alléén overgebleven: wanneer hem een ongeval overkwam op den weg dien gij reist, zoo j zoudt gij mijne grijze haren met hartzeer in het graf doen dalen. HOOFDSTUK 43. 1 De duurte nu drukte • het land. 3 En toen het koren hetwelk zij uit Egypte gebracht hadden verteerd was, sprak hun vader tot heu: Trekt weder heen en koopt ons een weinig spijs. 3 Toen antwoordde Juda hem en sprak: Die man belastte ons ten sterkste, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien tenzij dat uw broeder met u is. 4 Is het nu dat gij onzen broeder met ons zendt, zoo zullen wij aftrekken eu spijs voor u koopen; 5 maar is het dat gij hem niet met ons zendt, zoo trekken wij niet heen; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien tenzij dat uw broeder met u is. G En Israël sprak: Waarom hebt gij zoo kwalijk t aan mij gedaan, dat gij het 1 dien man zeidet dat gij nog een broeder hadt? 7 Zij antwoordden: Die |
man onderzocht zoo nauwkeurig naar ons en naar onze maagschap, en sprak: Leeft uw vader nog? Hebt gij nog een broeder? Toen zeiden wij hem zooals hij ons vraagde: hoe konden wij weten dat hij zeggen zou: Brengt uwen broeder mede af? 8 Toen sprak Juda tot Israël zijnen vader: Laat den jongeling met mij trekken, opdat wij ons opmaken en reizen, en leven en niet sterven, wij en gij eu onze kinderkens. 9 Ik zal borg voor hem zijn, van mijne handen zult gij hem eischen; en als ik hem u niet wederbreng en voor uwe oogen stel, zoo zal ik al mijn leven de schuld dragen; lü want ware het dat wij niet getoefd hadden, zoo waren wij nu reeds tweemaal wedergekomen. 11 Toen sprak Israël hun vader tot hen: Moet het dan zoo zijn, zoo doet dit: neemt de beste vruchten des lands in uwe zakken, en brengt dien man geschenken: een weinig balsem en honig en specerijen en mirre en dadels en amandelen. 13 Neemt ook ander geld met u; en brengt het geld, dat u boven in uwe zakken |
GENESIS 43.
|
weder geworden is, ook weder met u; missoliien is daarin gedoold. 13 Neemt ook uwen broeder mede; maakt u op en keert weder tot dien man. 14 En de almachtige God geve u barmliartigheid bij dien man, dat bij uwen anderen broeder met u late gaan, en ook Benjamin. Maar ik moet zijn als een die gebeel van zijne kinderen beroofd is. 15 Toen namen zij deze geschenken en dat geld dubbel met zich, ook Een-jamin; en zij maakten zich op en trokken naar Egypte, en traden voor Jozef. 16 Toen zag Jozef hen met Benjamin, en sprak tot zijnen huishouder: Breng deze -mannen in huis, en slacht vee en maak het gereed; want zij zullen dezen middag met mij eten. 17 En de man deed zooals Jozef hem gezegd had, en bracht die mannen in Jozefs huis. 18 Maar zij vreesden, omdat zij in Jozefs huis gebracht werden, en spraken: Wij zijn hier ingebracht om dat geld, hetwelk wij tevoren in onze zakken we-dergevondon hebben, opdat hij het op ons verbale en een oordeel uitspreko over ons, opdat hij ons tot slaven neme, met onze ezels. |
19 Daarom traden zij tot Jozefs huishouder, en spraken met hem voor de huisdeur , 20 en zeiden: Mijn heer, wij zijn indertijd afgetrokken om spijs te koopen; 21 en als wij in het nachtverblijf kwamen en -onze zakken opendeden, zie, toen was elks geld boven in zijnen zak, naar zijn volle gewicht; daarom hebben wij het weder met ons gebracht; 22 en wij hebben ook ander geld met ons gebracht om spijs te koopen: wij weten niet wie ons geld in onze zakken gestoken heeft. 23 Maar hij sprak: Weest welgemoed, vreest niet: uw God en uws vaders God heeft u een schat in uwe zakken gegeven; uw geld is mij geworden. En hij bracht Simeon tot hen uit. 24 En hij bracht ze in Jozefs huis, en gaf hun water opdat zij hunne voeten wieschen, en gaf aan hunne ezels voeder. 23 En zij bereidden het geschenk tegen Jozefs komst op den middag; want zij hadden gehoord dat zij aldaar brood zouden eten. 26 Toen nu Jozef ten huize brachten zij |
GENESIS 44.
89
|
hem liet geschenk dat in hunne handen was in het huis, en vielen voor hem neder ter aarde. 37 Hij nu groette ze vriendelijk en sprak: Gaat het uwen vader, den grijsaard, wèl, van wien gij mij gezegd hebt? Leeft hij nog? 38 Zij antwoordden: Het gaat uwen knecht, onzen vader, wèl, en hij leeft nog; en zij bogen zich en vielen voor hem neder. 29 En hij hief zijne oogeu op en zag zijnen broeder Benjamin, den zoon zijner moeder, en sprak: Is dit uw jongste broeder van welken gij mij gezegd hebt? En hij sprak verder: God zij u genadig, mijn zoon. 30 En Jozef haastte zich; want zijn hart werd ontroerd jegens zijnen broeder; en hij zocht waar hij wee-nen kon, en ging in eene kamer en weende aldaar. 31 En als hij zijn aangezicht gewasschen had, ging hij uit; en hij hield zich in en zeide: Zet de spijs op. 33 En men droeg voor hem in het bijzonder op, en voor hen óók in het bijzonder, en voor de Egyp-tenaars die met hem aten óók in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen niet eten met de Hebreen, want dat is een gruwel voor hen. |
33 En men zette ze tegenover hem, den eerstgeborene naar zijne eeretge-boorte, en den jongste naar zijne jonkheid; daarover verwonderden zij zich onder elkander. 34 En men droeg hun eten van zijne tafel voor; maar Benjamin kreeg vijfmaal meer dan de anderen. En zij dronken, en werden vroolijk met hem. HOOFDSTUK 44. 1 En Jozef beval zijnen huishouder en sprak: Vul de zakken dezer mannen met spijs, zooveel als zij dragen kunnen, en leg elk? geld hoven in zijnen zak; 3 en leg mijnen zilveren beker boven in des jong-sten zak, met het geld voor zijn koren. En hij deed zooals Jozef hem gezegd had. 3 Des morgens als het licht werd, lieten zij die mannen trekken met hunne ezels. 4 Als zij nu de stad uit waren, en niet verre gekomen , sprak Jozef tot zijnen huishouder: Maak u op en jaag die mannen na, en als gij ze achterhaalt, zoo zeg tot hen: Waarom hebt |
GENESIS 44.
90
|
gij goed met kwaad vergolden? 5 Is liet die beker niet waaruit mijn heer drinkt en waardoor liij waarzegt? Gij liebt kwalijk gedaan. 6 En als bij ze achterhaalde, sprak hij tot hen die woorden. 7 Zij antwoordden hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uwe knechten zulk een ding te doen. 8 Zie, het geld, hetwelk wij vonden boven in onze zakken, hebben wij uit het land Kanailn tot u weder-gebracht: en hoe zouden wij dan uit uws heeren huis zilver of goud gestolen hebben? 9 Bij wien van uwe knechten hij gevonden wordt, die zij een man des doods; daarenboven willen wij ook mijns heeren knechten zijn. 10 Hij sprak: Ja hetzij zooals gij gezegd hebt: bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn knecht; maar gijlieden zult vrij zijn. 11 En zij haastten zich en elk leide zijnen zak af op de aarde, en elk deed zijnen zak open. 12 En hij zocht, en begon van den oudste af tot den jongste toe; toen vond men den beker in Benjamins zak. |
13 Toen scheurden zij hunne kleederen; en elk belaadde zijnen ezel, en zij trokken weder in de stad. 14 En Jnda ging met zijne broeders in Jozefs huis, want hij was nog aldaar ; en zij vielen voor hem neder op de aarde. 15 Maar Jozef sprak tot hen: Hoe hebt gij dat durven doen? Weet gij niet dat zulk een man als ik ben het raden kon? 10 Juda sprak: Mijn heer, wat zullen wij zeggen, of hoe zullen wij spreken, en hoe zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de misdaad uwer knechten gevonden: zie, wij, en bij wien de beker gevonden is, zijn mijns heeren knechten. 17 Maar hij sprak: Hat zij verre van mij zulks te doen: die man bij wien de beker gevonden is zal mijn knecht zijn, maar trekt gijlieden op in vrede tot u-wen vader. 18 Toen trad Juda tot hem en sprak: Mijn heer, laat uw knecht een woord spreken voor de ooren van mijnen heer, en laat uw toorn niet ontsteken tegen uwen knecht; want gij zijt gelijk Farao. 19 Mijn heer vroeg zijne knechten en sprak: Hebt |
GENESIS U.
91
|
gijlieden nog een vader of broeder ? 2 0 Toen antwoordden wij: Wij liebljen een vader die oud is, en een jongeling-in zijnen ouderdom geboren, en zijn broeder is dood, en bij is alléén overgebleven van zijne moeder, en rijn vader lieeft hem lief. 21 Toen zeidet gij tot uwe knecliten: Brengt hem af tot mij bewijzen. 23 Maar wij antwoordden mijnen heer; De jongeling kan zijnen vader niet verlaten ; verliet hij hem, dan zou deze sterven. 23 Toen zeidet gij tot uwe knechten: Zoo uw jongste broeder niet mede hier komt, zoo zult gijlieden mijn aangezicht niet moer zien. 2-1 Toen trokken wij op tot uwen knecht mijnen vader, en wij zeiden hem de woorden mijns heeren. 25 Toen sprak onze vader: Trekt weder heen en koopt ons een weinig spijs. 36 Maar wij spraken: Wij kunnen niet aftrekken: indien onze jongste broeder mot ons gaat, zoo zullen wij aftrekken; want wij kunnen diens mans aangezicht niet zien, tenzij dat onze jongste broeder met ons is. 27 Toen sprak uw knecht mijn vader tot ons: Gijlieden weet dat mijne huisvrouw mij twee zonen gebaard heeft. ik zal liem genade |
28 De één ging uit van mij, en men zegt: Hij is verscheurd ; en ik heb hem niet gezien tot nu toe: 29 zoo gij dezen ook van mij zoudt nemen, en hem een ongeval overkwam, zoo zoudt gij mijne grijze haren met jammer in het graf doen dalen. •— 80 Eu als ik nu tehuis kwam tot uwen knecht mijnen vader, en de jongeling was niet met ons, dewijl zijne ziel aan de ziel van dezen hangt: 31 zoozal het geschieden als hij ziet dat de jongeling er niet is, dat hij sterft; dus zouden wij, uwe knechten, de grijze haren van uwen knecht onzen vader met hartzeer in het graf doen dalen. 33 Want ik uw knecht ben borg gebleven voor den jongeling bij mijnen vader, en heb gezegd: quot;Breng ik hem u niet weder, zoo zal ik mijn leven lang de schuld dragen. 33 Daarom laat uw knecht hier blijven in des jongelings plaats tot een knecht mijns heeren, en de jongeling met zijne broeders optrekken; 34' want hoe zal ik optrek- |
GENESIS 45.
93
|
ken tot mijnen vader, als de jongeling niet met mij is? Ik zou den jammer moeten zien die mijnen vader treffen zou. HOOFDSTUK 45. 1 Toen kon Jozef zieli niet langer inhouden voor allen die rondom liem stonden, en liij riep: Laat alleman van mij uitgaan. En geen menscli stond bij liem, toen Jozef zicli aan zijne broeders bekendmaakte. S En hij weende overluid, zoodat de Egyptenaars en Earao's huisgezin het hoorden. 3 En hij sprak tot zijne broeders; Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog? En zijne broeders konden hem niet antwoorden, zoo verschrikten zij voor zijn aangezicht. 4 Maar hij sprak tot zijne broeders: Treedt toch hier tot mij; en zij traden toe. En hij sprak: Ik ben Jozef uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. 5 En nu, bekommert u niet en weest niet neerslachtig omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want tot behoud heeft God mij voor u uitgezonden. 6 Want het zijn nu twee jaren dat de duurte in het land is, en het zijn nog vijf jaren dat er geen ploegen noch oogsten zijn zal; |
7 doch God heeft mij voor ii uitgezonden, opdat hij u late overblijven op de aarde, en uw leven redde door eene groote verlossing. 8 En nu, gij hebt mij niet herwaarts gezonden, maar God; die heeft mij gesteld, tot een vader over Éarao, en tot een heer over zijn ge-heele huis, en tot een vorst in geheel Egypteland. 9 Haast u nu en trekt op tot mijnen vader, en zegt hem: Dit laat uw zoon Jozef u zeggen: God heeft mij tot een heer in geheel Egypte gesteld: kom af tot mij en vertoef niet; 10 gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij zijn, gij en uwe kinderen en uwe kindskinderen, uw klein en groot vee, en alwat gij hebt: 11 ik zal u aldaar verzorgen ; want het zijn nog vijf jaren duurte; opdat gij niet verderft met uw huis en met alwat gij hebt. 13 Zie, uwe oogen zien het, en de oogen van mijnen broeder Benjamin, dat mijn mond met u spreekt. 13 Verkondigt mijnen vader al mijne heerlijkheid in Egypte, en alwat gij gezien hebt; haast u en komt |
95
GENESIS 45 met mijnen vader lierwaarts af.
14 En Irij viel zij non broeder Benjamin om den lials en weende, en Benjamin weende ook aan zijnen hals.
15 En hij kuste al zijne broeders, en weende over hen; daarna spraken zijne broeders met hem.
16 En als dit gerucht in Farao's huis kwam, dat Jozefs broeders gekomen waren, behaagde het Earao en al zijne knechten;
17 eu Farao sprak tot Jozef; Zeg aan uwe broeders:
Doet dit, laadt uwe lastdieren en trekt heen; en als gij komt in het land Kanaiin,
18 zoo neemt uwen vaderen uwe huisgezinnen, en komt tot mij; ik zal u het goede van Egypteland geven, dat gij eten zult het vette in het land.
19 En gebied hun: Doet dit, neemt tot u uit Egypteland wagens voor uwe kinderkens en vrouwen, en voert uwen vader herwaarts en komt.
30 En ziet uw huisraad niet aan; want het goede van geheel Egypteland zal voor u zijn.
31 En de kinderen Israels deden alzoo; en Jozef gaf hun wagens, naar Farao's be
vel , en teerkost op awip
33 en gaf aan ieder hen allen een feestkleed f maar aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen en vijf feestkleederen.
33 En aan zijnen vader zond hij daarbij tien ezels geladen met goederen van Egypte, en tien ezelinnen met koren en brood en spijs voor zijnen vader op den weg.
34 Alzoo liet hij zijne broeders gaan, en zij trokken heen; en hij sprak tot hen; Twist niet met elkander op den weg.
35 Alzoo trokken zij op uit Egypte, en kwamen in het land Kanaiin tot hunnen vader Jakob,
30 en verkondigden hem en zeiden: Jozef leeft nog, en is een heer in geheel Egypteland. Maar zijn hart dacht geheel anders, want hij geloofde hen niet.
37 Toen zeiden zij hem al de woorden van Jozef welke hij tot hen gesproken had; en als hij de wagens zag welke Jozef hem gezonden had om hem te vervoeren, toen werd de geest van hunnen vader Jakob levendig,
38 en Israël sprak: Ik heb genoeg dat mijn zoon Jozef nog leeft, ik wil heen en hem zien eer ik sterf.
GENESIS 46.
04
|
HOOFDSTUK 46, i En Israel trok heen met alwat hij liad; en als liij to Ber-Scba kwam, offerde hij offeranden aan den God van zijnen vader Isaiik. 3 En God sprak tot hem bij nacht in gezichten: Jakob, Jakob! Hij sprak: Hier ben ik. 3 En hij sprak; Ik bon God, de God uws vaders; vrees niet naar Egypte af-tetrekken, want aldaar wil ik u tot een groot volk maken. 4 Ik zal met u naar Egypte aftrekken, en zal u ook herwaarts opvoeren; en Jozef zal zijne handen op uwe oogen leggen. 5 Toen maakte Jakob zich op van Ber-Séba, en de kinderen Israels voerden Jakob hunnen vader, met hunne kinderkens en vrouwen, op de wagens welke Farao gezonden had om hem te vervoeren. 6 En zij namen hun vee en hunne have welke zij in het land Kanaan verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn kroost met, hem; 7 zijne kinderen en zijne kindskinderen mot hem, zijne dochters en de kinderen zijner dochters, en al zijn kroost bracht hij met zich in Egypte. |
8 En dit zijn de namen der kinderen van Israël die in Egypte kwamen, Jakob en zijne zonen. — Be eerstgeboren zoon van Jakob, Euben. 9 De kinderen van Euben: Henoch, Pallu, Hezron en Karmi. 10 Do kinderen van Simeon; Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar, en Saul de zoon eener Kanaanietischo vrouw. 11 Do kinderen van Levi: Gerson, Kohath en Merari. 12 De kinderen van Jiida: Er, Onan, Sola, Perez en Zerah; maar Er en Onan waren gestorven in hot land Kanaan. En de kinderen van Perez: Hozron en Hamul. 13 De kinderen van Issa-schar: Tola, Pna, Job en Simron. 14 De kinderen van Zo-bnlon: Sored, Elon on Jah-leël. 13 Dit zijn de kinderen van Lea, die zij Jakob baarde in Mosopotamië, nevens zijne dochter Dina; die maken altezamen, met zonen en dochters, drieëndertig zielen. 16 De kinderen van Gad: Zit jon, Haggi, Snni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli. |
GENESIS 46.
95
|
17 De kinderen van Aser: Jimna, Jisva, Jisvi, iïeria en Serail hnnne zuster; en de kinderen van Bcria: Ho-ber en Malkiel. 18 Dit zijn de kinderen van Zilpa, die Lalian gaf aan Lea, zijne dochter; en zij baarde Jakob deze zestien zielen. 19 De kinderen van Rachel Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. 30 En aan Jozef werden geboren in Egypteland Ma-nasse en Efraïm, welke As-nath, de dochter van Potiféra den priester te On, hem baarde. 31 De kinderen van Benjamin : 33ela, Becher, Asbel, Gera, Naiiman, Ehi, Bos, Mnppim, Huppim en Ard. 33 Dit zijn kachels kinderen die Jakob geboren zijn, altezamen veertien zielen. 33 De kinderen van Dan: Husim. 3-1' De kinderen van Naf-tali: Jahzeöl, Guni, Jezer en Sillem. 35 Dit zijn de kinderen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gaf; en zij baarde Jakob deze zeven zielen. 36 Alle zielen die met Jakob in Egypte kwamen, die uit zijne lendenen gesproten waren, behalve de vrouwen zijner kinderen, zijn altezamen zesenzestig zielen; |
37 en de kinderen van Jozef, die in Egypte geboren zijn, waren twee zielen; zoodat alle zielen van Jakobs huis, die in Egypte kwamen, zeventig waren. 38 En hij zond Juda voor zich uit tot Jozef, om zijne komst to Gosen te melden; en zij kwamen in het land Gosen. 39 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, en trok op, zijnen vader Israël tegemoet naar Gosen; en toen hij hem zag, viel hij hem om den hals, en weende lang aan zijnen hals. 30 Toen sprak Israël tot Jozef: Ik wil nu gaarne sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb dat gij nog leeft. 31 Jozef sprak tot zijne broeders en tot zijns vaders huis: Ik wil optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijne broeders en mijns vaders huis zijn tot mij gekomen uit het land Kanaün; '33 en het zijn veeherders, want het zijn lieden die met vee omgaan; hun klein en groot vee, en alwat zij hebben, hebben zij medegebracht. |
GENESIS 47.
9G
|
33 Wanneer nu Earao u roepen zal en zeggen: Wat is uwe hanteering? 34 zoo zult gij zeggen: Uwe knechten zijn lieden die met vee omgaan, van onze jeugd, af tot nu toe, beide wij en onze vaders; opdat gij wonen moogt in het land Gosen; want wie veeherders zijn, die zijn den Egyptenaren een gruwel. HOOFDSTUK 4T. 1 Toen kwam Jozef en kondigde het Earao aan, en sprak: Mijn vader en mijne broeders, hun klein en groot vee, en al wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan; en zie, zij zijn in het land Gosen. 2 Eu hij nam uit al zijne broeders vijf man, en stelde ze voor Earao. 3 Toen sprak Earao tot zijne broeders: Wat is uwe hanteering ? Zij antwoordden: Uwe knechten zijn veeherders, wij en onze vaders. 4 En zij spraken verder tot Farao: Wij zijn gekomen om bij u te wonen in het land; want uwe knechten hebben geen weide voor hun vee, zoo hard drukt de duurte het land Kanaan; zoo laat toch nu uwe knechten in het land Gosen wonen. |
5 En Earao sprak tot Jozef: Het is uw vader en het zijn uwe broeders die tot u gekomen zijn; 0 het land Egypte staat u open, laat hen in de beste plaats des lands wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en indien gij weet dat er lieden onder hen zijn die daartoe geschikt zijn, zoo stel hen over mijn vee. 7 En Jozef bracht ook zijnen vader Jakob binnen, en stelde hem voor Farao-, en Jakob zegende Farao. 8 Earao nu vraagde Jakob: Hoe oud zijt gij? 9 En Jakob zeide tot Farao: De tijd mijner vreemdelingschap is honderd en dertig jaar; weinig en boos is de tijd mijns levens, en bereikt niet den tijd mijner vaderen in hunne vreemdelingschap. 10 En Jakob zegende Farao, en ging van hem uit: 11 Jozef nu bestelde voor zijnen vader en zijne broeders woningen, en gaf hun eene bezitting in Egypteland, in het beste des lands, namelijk in het land Eameses, zooals Farao geboden had. 12 En hij verzorgde zijnen vader en zijne broeders en al zijns vaders huis, elk naardat hij kinderen had. |
GENESIS 47.
97
|
13 Maar er was geen brood in liet gansclie land, want de duurte was zeer groot; zoodat liet land Egypte en Kanaiin versmachtte vanwege de duurte. 14 En Jozef bracht al het geld tezamen dat in Egypte en Kanaiin gevonden werd, voor het koren hetwelk zij kochten; en hij bracht al het geld in het huis van Farao. 15 Toen er nu geld ontbrak in het land Egypte en in Kanaiin, kwamen al do Egyptenaars tot Jozef en zeiden: Geef ons brood; waarom laat gij ons voor uw aangezicht sterven, omdat wij zonder geld zijn? 1G Jozef sprak: Brengt uw vee hier, zoo zal ik het u geven voor uw vee, dewijl gij zonder geld zijt. 17 Toen brachten zij Jozef hun vee, en hij gaf hun brood voor hunne paarden, schapen, runderen en ezels; alzoo voedde hij ze met brood in dat jaar voor al hun vee. 18 Als nu dat jaar om was, kwamen zij tot hem in het tweedejaar, en spraken tot hem; Wij willen het onzen heer niet verber- |
dat niet alleen het maar ook al het vee, weg en bij onzen heer is: er is niets meer over voor onzen heer, dan alleen ons lijf en ons land. gen, geld 1!) Waarom laat gij ons en ons land voor u sterven? Koop ons en ons land voor brood, opdat wij en ons land Earao's lijfeigenen zijn; geef ons zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde. 2 0 Alzoo kocht Jozef voor Farao geheel Egypteland; want de Egyptenaars verkochten elk zijnen akker, zoogroot was voor hen de duurte geworden; en alzoo werd het land Farao's eigendom. 21 En hij verdeelde het volk in de steden, van de ecne plaats van Egypteland tot aan de andere; 22 behalve het land dei-priesters , dat kocht hij niet; want het was van Farao voor de priesters bestemd, dat zij zich voeden zouden van het gezette deel hetwelk hij hun gegeven had; daarom mochten zij hun veld niet verkoopen. 23 Toen sprak Jozef tot het volk: Zie, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao: ziedaar hebt gij zaad, bezaait het land. 24 En van het koren zult gij het vijfdedeel aan Farao geven; vier deelen zullen |
4
GENESIS 48.
98
|
de uwe zijn om het land te bezaaien tot spijs voor n en voor uw huis en voor uwe kinderkens. 35 Zij spraken: Laat ons slechts leven, en genade vinden bij onzen hoer, wij willen gaarne Farao's lijfeigenen zijn. 26 Alzco maakte Jozef eene wet, tot op dezen dag, wegens het land derEgyp-tenaren, om het vijfdedeel aan Earao te geven; behalve het land der priesters, dat werd Farao's eigendom niet. 27 Aldus woonde Israël in Egypteland, in het land Gosen, en zij hadden het in bezit, en wiesen en verme-uigvuldigden zich zeer. 28 En Jakob loefde zeventien jaar in Egypteland, zoodat zijn geheele ouderdom was honderd zevenenveertig jaar. 29 Toen nu de tijd genaakte dat Israël sterven zou, riep hij zijnen zoon Jozef en sprak tot hem: Heb ik genade bij u gevonden, zoo leg uwe hand onder mijne heup, dat gij liefde en trouw aan mij doet, en begraaf mij niet in Egypte; 30 maar ik wil bij mijne vaderen liggen; en gij zult mij uit Egypte voeren en in hun graf begraven. Hij sprak: Ik zal doen zooals gij gezegd hebt. |
31 Maar hij sprak: Zweer mij dan; en hij zwoer hem. Toen neigde zich Israël neder naar het hoofdeneinde der legerstede. HOOFDSTUK 48. 1 Daarna werd Jozef aangezegd: Zie, uw vader is krank. En hij nam met zich zijne beide zonen, Manasse en Efraïm. 2 Toen werd Jakob aangezegd : Zie, uw zoon Jozef komt tot u. En Israël maakte zich sterk en zette zich overeind in het bed. 3 En hij sprak tot Jozef: Do almachtige God verscheen mij te Luz in het land Kanailn, en negende mij, 4 en sprak tot mij: Zie, ik wil u laten wassen en vermenigvuldigen, en zal n tot een menigte volks maken; en ik wil dit land tot eene bezitting geven aan uw zaad na u eeuwiglijk. 5 Zoo zullen nu uwe twee zonen Efraïm en Manasse, die u geboren zijn in Egypte, eer ik hier gekomen ben tot u , de mijne zijn, gelijk Euben en Simeon. 6 Maar welke gij na hen verwekken zult, die zullen |
GENESIS 48.
99
|
de uwe zijn, en genoemd worden als liunne broeders in hun erfdeel. 7 En als ik uit Mesopo-tamië kwam, stierf Ilachel in liet land Kanaiin op den weg, toen liet nog een stadie was tot Efratlia toe; en ik begroef Laar aldaar aan den weg naar Efratlia, dat nu Bethleliem lieet. 8 En Israel zag Jozefs zonen en sprak: Wie zijn deze? 9 Jozef antwoordde zijnen vader: Het zijn mijne zonen, die God mij hier gegeven lieeft. Hij sprak: Breng ze hier tot mij, opdat ik ze zegene. 10 Want Israels oogen waren donker geworden van ouderdom, en liij kon niet zien. En hij bracht ze tot hem; en hij kuste ze en omhelsde ze. 11 En hij sprak tot Jozef: Zie, ik heb uw aangezicht gezien, hetwelk ik niet gedacht had, en zie. God heeft mij ook uw zaad laten zien. 13 En Jozef nam ze van zijnen sclioot, en boog zich ter aarde voor zijn aangezicht. 13 Toen nam Jozef hen beiden, Efraïm aan zijne rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manas-se aan zijne linkerhand, tegenover Israels rechterhand , en bracht ze tot hem. |
14 Maar Israël strekte zijne rechterhand uit en leide ze op het hoofd van Efraïm, den jongste, en zijne linkerhand op Manas-ses hoofd, en deed met opzet aldus met zijne handen ; want Manasse was do eerstgeborene. 15 En hij zegende Jozef en sprak: Die God, voor wien mijne vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben, die God die mij al mijn leven lang gevoed heeft tot op dezen dag, 16 die Engel die mij verlost heeft van alle kwaad, die zegene deze jongelingen, dat zij naar mijnen naam en naar dien mijner vaderen Abraham en Isaak genoemd worden, dat zij wassen en veel worden op aarde. 17 Toen nu Jozef zag dat zijn vader de rechterhand op Efraïms hoofd leide, behaagde het hem kwalijk, en hij vatte zijns vaders hand, dat hij ze van Efraïms hoofd op Manasses hoofd bracht; 18 en hij sprak tot hem: Zóó niet, mijn vader; deze is de eerstgeborene, leg uwe rechterhand op zijn hoofd. 19 Maar zijn vader weigerde het en sprak: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; |
|
loo GENE deze zal óók een volk worden, en zal groot zijn; maar zijn jongste broeder zal grooter worden dan hij, en zijn zaad zal tot een groot volk wor-den. 20 Alzoo zegende Lij za op dien dag, en sprak: Wie in Israël iemand zegenen wil, die zegge: God stelle ii gelijk Efraïm en Manasse. En hij stelde alzoo Efraïm vóór Mannsse. 21 En Israël sprak tot Jozef: Zie, ik sterf, en God zal met ulieden zijn, en zal ii wederbrengen in liet land uwer vaderen. 22 Ik heb u oen stuk land gegeven bniten uwe broeders , hetwelk ik met mijn zwaard en boog uit de hand der Ainorieten genomen heb. HOOFDSTUK 49. 1 En Jakob riep zijne zonen en sprak: Vergadert u, opdat ik u verkondige wat ii in toekomende tijden wedervaren zal. 2 Komt tezamen en hoort toe gij kinderen van Jakob, en hoort uwen vader Israël. 3 Euben, mijn eerstgeborene, gij zijt mijne sterkte en mijne eerste kracht, de uitnemendste in aanzien en c|e uitnemendste in macht. 4 Hij voer lichtvaardiglijk 3IS 49. |
daarheen, gelijk het water: gij zult de uitnemendste niet meer zijn; want gij zijt op uws vaders legerstede geklommen, aldaar hebt gij mijn bed bezoedeld door het te beklimmen. 5 De broeders Simeon en Levi, hunne zwaarden zijn moorddadige wapenen. 6 Mijne ziel kome niet in hunnen raad, en mijne eer zij niet in hunne vergadering; want in hunnen toorn hebben zij den man vermoord, en in hunnen moedwil hebben zij den os verlamd. 7 Vervloekt zij hun toorn dat hij zoo hevig is, en hunne grimmigheid dat zij zoo hardnekkig is: ik zal ze verdoelen onder Jakob en verstrooien onder Israël. 8 Juda, gij zijt het, u zullen uwe broeders roemen; uwe hand zal uwen vijanden op den hals zijn; voor u zullen zich buigen de kinderen uws vaders. 9 Juda is een jonge leeuw; gij zijt hoog gekomen, mijn zoon, door groote overwinningen; hij is nedergeknield, en heeft zich gelegerd als een leeuw, en gelijk eene leeuwin: wie wil zich tegen hem verheffen? 10 Deschepter zal van Juda niet genomen worden, noch de staf van zijne voeten, tot- |
GENESIS 49.
101
|
dat de lield komt; en dien zullen de volken aanhangen. 11 Hij zal zijn veulen Linden aan den wijnstok, en liet jong zijner ezelin aan de edele wijnrank; liij zal zijn kleed in wijn wassclien, en zijnen mantel in druivenbloed; 13 zijne oogen zijn rooder dan wijn, en zijne tanden witter dan melk. 13 Zebulon zal aan Let strand der zee wonen, aan het strand voor de scliepen; en zijne grenzen zullen tot aan Sidon zijn. l-t Issaseliar zal een sterk-gespierde ezel zijn, en zicli legeren tussolien de landpalen. 15 Eu liij zag de rust dat dat zij goed, en liet land dat liet vermakelijk was; maar hij lieeft zijne schouders geneigd om te dragen, en is een cijnsbare knecht geworden. 16 Dan zal rechter zijn onder zijn volk, als een dei-geslachten in Israël. 17 Dan zal een slang worden op den weg, en een adder op het pad; hij zal het paard in de verzenen-bijten, dat de ruiter achterover valt. 18 Heer, ik wacht op uw heil. |
19 Gad, rustig tot den strijd, zal het leger voeren en weder terugleiden. 20 Van Aser komt vette spijs, en hij zal den koningen lekkernijen geven. 21 Naftali is een snel hert, en geeft schoone woorden. 22 Jozef zal wTassen, hij zal wassen als aan eene waterwel ; de loten stijgen langs den muur. 23 En hoewel de schutters hem vertoornen en tegen hem oorlog voeren en hem vervolgen, 24 zoo blijft echter zijn boog gespannen, en zijne armen en handen sterk, door de handen des Machtigen van Jakob; uit hem zijn gekomen herders, en steenen in Israël. 25 Yan uws vaders God zijt gij geholpen, en van den Almachtige zijt gij gezegend , met zegeningen boven van den hemel af, met zegeningen van de diepte die daaronder ligt, met zegeningen van borst en moederschoot. 20 De zegeningen uws vaders zijn heerlijker dan de zegeningen mijner voorouders, naar den wensch der hoogen in de wereld; en zij zullen komen op liet hoofd van Jozef, en op de kruin van den gekroonde onder zijne broeders. |
GENESIS 50.
102
|
27 Benjamin is een ver-sclieurende wolf: des morgens zal hij roof eten, maar des avonds zal liij den roof uitdeelen. —■ 28 Dit zijn al de twaalf stammen van Israël; en dit is het wat hun vader tot hen gesproken heeft, als hij ze zegende, elk met een bij-zonderen zegen. 29 En hij gebood hun en sprak tot hen ; Ik word verzameld tot mijn volk, begraaft mij bij mijne vaderen, in de spelonk op den akker van Efron den Hethiet, 30 in de dubbele spelonk die tegenover Mamré ligt in het land Kanaan, welke Abraham met den akker kocht van Efron den Hethiet, tot eene erfbegrafenis. 31 Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara zijne huisvrouw; aldaar hebben zij ook Isaak begraven, en Kebekka zijne huisvrauw; aldaar heb ik ook Lea begraven , 32 op den akker en in de spelonk die van de kinderen van Heth gekocht is. 33 En als Jakob de bevelen aan zijne kinderen voleindigd had, leide hij zijne voeten bij elkander op het bed, en hij gaf den geest, en werd verzameld tot zijn volk. |
HOOFDSTUK 50. 1 Toen viel Jozef op het aangezicht van zijnen vader, en weende over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijne knechten de geneesmeesters dat zij zijnen vader zouden balsemen; en de geneesmeesters balsemden Israël, 3 totdat veertig dagen om waren; want zóólang waren de dagen der balseming; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. •1 Toen nu de rouwdagen om waren, sprak Jozef tot de hovelingen van Farao, zeggende: Heb ik genade bij u gevonden, zoo spreekt met Farao, zeggende: 5 Mijn vader heeft mij een eed afgenomen, zeggende: Zie, ik sterf: begraaf mij in mijn graf hetwelk ik mij in liet land Kanaan gegraven heb. Al-zoo wil ik nu heentrekken en mijnen vader begraven , en wederkomen. 6 Farao sprak: Trek op en begraaf uwen vader , gelijk gij hem gezworen hebt. 7 Aldus trok Jozef op om zijnen vader te begraven; en alle knechten van Farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egyp-teland trokken met hem; |
GENESIS 50.
103
|
8 alsook het geheele liuis-gezin van Jozef, en zijne broeders, en zijns vaders liuisgezin ; docli hunne kinderen, schapen en ossen lieten zij in het land Gosen. 9 Ook trokken met hem wagens en ruiters op; en het was een zeer groot heir. 10 Toen zij nu aan den dorschvloer van Atad kwamen, die aan gene zijde van den Jordaan ligt, hielden zij eene zeer groote en bittere rouwklacht; en hij vierde zijnen vader een rouwfeest van zeven dagen. 11 En als de lieden in het land, de Kanaanie-ten, de rouwklacht bij den dorschvloer van Atad zagen, zeiden zij: De Egyptenaars houden daar groote rouwklacht ; daarom noemde men die plaats de rouwklacht der Egyptenaren, welke ligt aan gene zijde van den Jordaan. 13 En zijne kinderen deden gelijk hij hun bevolen had, 13 en voerden hem in het land Kanaiin, en begroeven hem in de dubbele spelonk des akkers, welke Abraham van Efron den Hethiet, met den akker tegenover Mamrc, tot eene erfbegrafenis gekocht had. |
14 Als zij hem nu begraven hadden, trok Jozef met zijne broeders, en met allen die met hem opgetrokken waren om zijnen vader te begraven, 'weder naar Egypte. 15 Maar Jozefs broeders vreesden, nu hun vader gestorven was, en spraken: Jozef zal misschien op ons vergramd zijn, en ons vergelden al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben. 10 Daarom lieten zij hem zeggen; Uw vader beval vóór zijnen dood en sprak: 17 Aldus zult gij tot Jozef zeggen: Eilieve, vergeef uwen broeders de misdaad en hunne zonde, dat zij zoo kwalijk aan u gedaan hebben; vergeef toch nu deze misdaad aan ons, de dienaren van den God uws vaders. Jozef nu weende toen zij dus met hem spraken. 18 En zijne broeders gingen heen en vielen voor hem neder, en spraken: Zie, wij zijn uwe knechten. 19 Jozef sprak tot hen: Vreest niet; want ben ik in .de plaats van God? 30 Gijlieden dacht mij kwaadtedoen, maar God heeft dat ten goede gedacht, opdat hij deed gelijk het nu aan den dag is, om veel volks te behouden. |
EXODUS 1.
104
|
31 Zoo vreest nu niet: ik zal ii eu uwe kinelerkens verzorgen. En hij troostte ze, en sprak vriendelijk met lien. 33 Aldus woonde Jozef met zijns vaders liuis in Egypte, en leefde honderd en tien jaar, 33 en zag Efraïras kinderen tot in het derde lid; insgelijks werden ook de kindoren van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. |
34 En Jozef sprak tot zijne broeders: Ik sterf, en God zal u bezoeken eu uit dit land voeren in het land hetwelk hij Abraham, Isaiik en Jakob bij eede heeft toegezegd. 35 Daarom nam Jozef een eed van de kinderen van Israël en sprak: Als God u bezoeken zal, zoo voert mijn gebeente vanhier. - 36 Alzoo stierf Jozef toen hij honderd en tien jaar oud was; en zij balsemden hem, en zij leiden hem in eene kist in Egypte. |
HET TWEEDE BOEK TAN MOZES
GENAAMD
EXODUS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit zijn de namen dei-kinderen Israëls die met Jakob in Egypte kwamen; een ieder kwam daarin met zijn huis: 3 Ruben, Simeon, Levi, Juda, 3 Issaschar, Zebulon, Benjamin , 4 Dan, Naftali, Gad, Aser. 5 En alle zielen, uit Jakobs lendenen voortgekomen, waren zeventig; maar Jozef was tevoren in Egypte. |
G Toen nu Jozef gestorven was, en al zijne broeders, en allen die in dien tijd geleefd hadden, 7 wiesen de kinderen Israëls, en verwekten kinderen en vermenigvuldigden zich; en zij werden zeer veel, zoodat het land vol van hen werd. 8 Toen stond er een nieuwe koning op over Egypte, die wist niet van Jozef; |
EXODUS 1.
105
|
9 en hij sprak tot zijn volk: Zie, liet volk dei-kinderen Israels is veel, en meer dan wij: 10 welaan, wij willen lien met list verdrukken, opdat zij niet zooveel worden; want zoo er een oorlog' ontstond, mooliten zij zicli bij onze vijanden voegen cn tegen ons strijden, en uit dit land trekken. 11 En men stelde opzieners van den dwangdienst over lien, die hen met zwaren dienst drukken zouden; want men bouwde voor Farao de steden Pithom en Kaamses tot voorraadstcden. 12 Maar heemeer zij het volk onderdrukten, hoenieer het zich vermenigvuldigde en uitbreidde; zoodat zij bevreesd werden voor de kinderen Israëls. 13 En de Egyptenaars dwongen de kinderen Israëls te dienen met onbarmhartigheid , 14' en maakten hun het leven zuur door zwaren arbeid in leem en tiehelstee-nen, en door allerlei dwangdienst op het veld, en door allerlei arbeid dien zij Imn opleiden met onbarmhartigheid. 15 En de koning van Egypte gebood de vroedvrouwen der Hebreeuwsche vrouwen, de éénegenaamd Sifra, en de andere Pua: |
16 Wanneer gij de Hebreeuwsche vrouwen helpt, en op den stool ziet dat het een zoon is, zoo doodt hem; maar is het eene dochter, zoo laat haar leven. 17 Maar de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet gelijk do koning van Egypte haar geboden had, maar lieten de kinderen leven. 18 Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen en sprak tot haar: Waarom doet gij zulks, dat gij de kinderen laat leven? 19 De vroedvrouwen antwoordden Farao: De Hebreeuwsche vrouwen ziju niet als de Egyptische, want zij zijn sterke vrouwen: eer do vroedvrouw tot haar komt hebben zij reeds gebaard. 20 Daarom deed God de vroedvrouwen wèl; en het volk vermenigvuldigde zich en werd zeer veel. 21 En dewij 1de vroedvrouwen God vreesden, bouwde hij hare huizen. 22 Toen gebood Farao al zijn volk en sprak: Werpt allo zonen die geboren worden in do rivier, en laat alle dochters leven. |
EXODUS 2.
106
|
HOOFDSTUK 2. 1 En een man van liet liuis Levi ging keen en nam eene clooliter van Levi; 2 en zijne huisvrouw werd zwanger en baarde een zoon. En toen zij zag dat liet een schoon kind was, verborg zij hem drie maanden; 3 en als zij hem niet langer verbergen kon, maakte zij een kistje van riet, en maakte liet dicht met lijm en pek; en zij leide liet kind daarin, en zette het in de biezen aan den oever der rivier. 4 En zijne zuster stelde zich van verre, om te zien boe het met hem gaanzoude. 5 En Farao's dochter kwam af en wilde zich baden in de rivier; eu hare jonkvrouwen gingen aan den kant van de rivier. En als zij het kistje in de biezen zag, zond zij hare dienstmaagd heen en liet het halen. 6 En toen zij het opende, zag zij het kind, en zie, het jonksken weende. Toen had zij deernis met hetzelve, en sprak: Het is een van de Hebreenwsche kinderen. 7 Toen sprak zijne zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan en een van de Hebreeuwsche vrouwen roepen die zoogt, opdat zij u clat kind zooge ? |
8 Farao's dochter sprak tot haar: Ga heen. En de maagd ging heen en riep de moeder van het kind. 9 Toen sprak Farao'sdoch-ter tot haar: Neem dat kind en zoog het voor mij, ik zal u bonen. Toen nam de vrouw het kind en zoogde het. 10 En toen het kind groot geworden was, bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar zoon; en zij noemde hem Mozes, want zij sprak: Ik heb hem uit het water gehaald. 11 En ten tijde toen Mozes groot was geworden, ging hij uit tot zijne broeders en zag hunnen last; en hij werd gewaar dat een Egyptenaar een Hebreeuw-schen man, een zijner broeders, sloeg; 13 en hij wendde zich heen en weder, en als hij zag dat er geen mensch was, versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand. 13 Op een anderen dag ging hij weder uit, en zag twee Hebreeuwsche mannen tezamen twisten, en sprak tot den onrechtvaardige: Waarom slaat gij uwen naaste ? |
EXODUS 3.
107
|
14 Maar deze sprak: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook dooden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes en sprak: Hoe is dat bekend geworden? 15 En dat kwam tot Farao, die naar Mozes zocht om hem te dooden; maar Mozes vluchtte voor Farao, en onthield zich in het land Midian, on woonde bij een waterput. 16 De priester van Midian nu had zeven dochters, die kwamen om te putten, en yulden de drinkbakken, om haars vaders schapen te drenken. 17 Toen kwamen do herders en stieten ze daar af; maar Mozes maakte zich op en hielp haar, en drenkte hare schapen. 18 En als zij tot haren vader Eehuël kwamen, sprak hij: Hoe zijt gij heden zoo vroeg wedergekomen? 19 Zij zeiden: Een Egyptisch man verloste ons van de herders, en putte voor ons water, en drenkte do schapen. 20 Hij sprak tot zijne dochters: Waar is hij? Waarom liet gij den man van u gaan, dat gij hem niet noodigdet met ons te eten ? |
21 En Mozes bewilligde om bij den man te blijven; en hij gaf Mozes zijne dochter Zippora. 22 I)ie baarde een zoon, en hij noemde hem Ger-som: Want, sprak hij, ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. \_En zij haarde nog een zoon, dien noemde hij Èliëzer, en spraJc: De God mijns vaders is mijn helper, en heeft mij uit Farao's hand verlost.'] 23 En langen tijd daarna stierf de koning van Egypte; en de kinderen Israels zuchtten onder hunnen arbeid en kermden, en hun geschrei wegens hunnen arbeid klom op tot God; 21 en God verhoorde hun weeklagen, en dacht aan zijn verbond met Abraham, Isailk en Jakob; 23 en God zag op de kinderen Israëls, en nam zich hunner aan. HOOFDSTUK 3. 1 Mozes nu weidde de schapen van Jethro zijnen schoonvader , den priester in Midian; en hij dreef de schapen achter in de woestijn, en kwam aan den berg Gods, Horeb; 2 en do Engel des Heeren verscheen hem in eeue vuurvlam in het midden van het |
EXODUS 3.
108
|
bosoli; en liij zag dat liet boscli met vuur brandde, en het werd toch niet verteerd. 3 En hij sprak: Ik wil daarheen, en zien dat groote gezicht, waarom het bosch niet verbrandt. 4 Maar toen do Heer zag dat hij heenging om te zien, riep God hem uit het bosch en sprak: Mozes, Mozes! Hij antwoordde: Hier ben ik. 5 Hij sprak: Treed niet herwaarts; trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond. 6 En hij sprak verder: Ik ben de God uws vaders, de God Abrahams, de God Isaaks en de God Jakobs. En Mozes bedekte zijn aangezicht, want hij vreesde God aantezien. 7 En de Heer sprak: Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, en heb gehoord hun geroep over degenen die hen drijven; ik heb hun leed erkend, 8 en ik ben nedergefcomen opdat ik hen redde van de hand der Egyptenaren, en hen uitvoere uit dit land iu een goed en ruim land, in een land in hetwelk melk en honig vloeit, namelijk aan de plaats der Kanailnieten, He-thieten, Amorieten, Ferezie-ten, Hevieten en Jebusieten. |
9 Dewijl dan nu het geroep der kinderen Israels tot mij is gekomen, en ik daarenboven ook hunnen angst gezien heb, hoe de Egypte-naars hen beangstigen, 10 zoo ga nu heen: ik zal u tot Farao zenden, opdat gij mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypte voert. 11 Mozes sprak tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao gaan en de kinderen Israels uit Egypte voeren zou? 13 Hij sprak: Ik zal met u zijn; en dit zal u tot een teeken zijn dat ik u gezonden heb: dat gij Gode zult offeren op dezen berg, als gij mijn volk uit Egypte gevoerd hebt. 13 En Mozes sprak tot God: Zie, als ik tot de kinderen Israels kom, en tot hen zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen zullen: Hoe is zijn naam? wat zal ik hun antwoorden? 14 En God sprak tot Mozes: Ik zal zijn die ik zijn zal; en hij sprak: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik zal zijn heeft mij tot ulieden gezonden. 13 En God sprak verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen De Heer, de God uwer va: deren, de God Abrahams |
EXODUS 4.
109
|
de God Isaiiks en de God Jakobs heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam eeuwig-lijk, waarbij men mij gedenken zal immer en altoos. 16 Daarom ga heen cn verzamel de oudsten in Israël, en spreek tot hen: De Heer, de God uwer vaderen, de God Abrahams, de God Isaaks en de God Jakobs is mij verschenen, zeggende; Ik heb u bezocht, en gezien wat u wedervaren is in Egypte, 17 en heb gezegd: Ik zal u uit de ellende van Egypte voeren in het land der Kana-anieten, Hethieten, Amo-rieten, Eerezieten, Hevieten en Jebusieten, in het land J. in hetwelk melk en honig *' vloeit. 18 En wanneer zij naar uwe stem hooren, zoo zult gij en de oudsten in Israël ingaan tot den koning van Egypte, en tot hem zeggen: De Heer, do God der He-breën, heeft ons geroepen; zoo laat ons nu gaan drie dagen reizens in de woestijn, opdat wij offeren aan den Heer onzen God. 19 Doch ik weet dat de koning van Egypte u niet □ zal laten trekken, dan door een sterke hand. 20 Maar ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte slaan |
met allerlei wonderen, welke ik in deszelfs midden doen zal; daarna zal hij u laten trekken. 31 En ik zal aan dit volk genade geven bij de Egypte-naars, dat als gij uittrekt, gij niet ledig uittrekt; 33 maar iedere vrouw zal van hare geburin of huiswaardin eischen zilveren en gouden vaten en kleederen, die zult gij op uwe zonen en dochters leggen en ze den Egyptenaren ontnemen. HOOFDSTUK 4. 1 Toen antwoordde Mozes en sprak: Zie, zij zullen mij niet gelooven noch naar mijne stem hooren; maar zij zullen zeggen: De Heer is u niet verschenen. 3 En de Heer sprak tot hem; Wat is het dat gij in uwe hand hebt? Hij zeide: Een staf. 3 En hij sprak: Werp hem van u op de aarde. En hij wierp hem van zich: toen veranderde die in eene slang; en Mozes vlood voor haar. 4 En de Heer sprak tot hem; Strek uwe hand uit •en grijp ze bij den staart. Toen strekte hij zijne hand uit en hield ze, en zij werd in zijne hand weder tot een staf. 5 Daarom zullen zij ge- |
EXOD US 4
110
|
looven dat u versolienen is de Heer, de God hunner vaderen, de God Abrahams, de God Isailks en de God Jakobs. 6 En de Heer sprak verder tot hem: Steek nu uwe hand in uwen boezem. En hij stak ze in zijnen boezem, en trok ze weder uit: en zie, toon was zij melaatsch als sneeuw. 7 En hij sprak: Steek ze wederom in den boezem. En hij stak ze andermaal in den boezem, en trok ze weder uit: en zie, toen werd zij weder gelijk zijn overig vleesch. 8 Wanneer zij u nu niet zullen gelooven noch naar uwe stem hoeren bij het eerste teeken, zoo zullen zij echter uwe stem gelooven bij het andere toeken; 9 maar indien zij deze twee teekenen niet zullen gelooven, noch naar uwe stem hooren, zoo neem van het water uit den stroom en giet hot op het droge land: zoo zal hot water hetwelk gij uit den stroom genomen hebt bloed worden op het droge land. 10 Toen sprak Mozes tot den Hoor: Ach mijn Heer, ik ben nooit wèl ter taal geweest, ook niet van dien tijd af dat gij met uwen knecht gesproken hebt; want ik heb eene zware spraak en eene zware tong. |
11 En de Heer sprak tot hom: Wie heeft den mensch don mond geschapen, of wie heeft den stomme ofdoove of ziende of blinde gemaakt? Heb ik hot niet gedaan, de Hoor? 12 Zoo ga nu heen: ik zal met uwen mond zijn, en ü leeren wat gij zeggen zult. 13 Maar Mozes sprak: Och Heer, zend wien gij zenden wilt. 14 Toen werd de Heer zeer toornig op Mozes en sprak: Weet ik dan niet dat uw broeder Aiiron, uit den stam Levi, wèl tor taal is ? En zie, hij zal uitgaan u tegemoet; en als hij u ziet, zoo zal hij zich van harte verblijden. 15 En gij zult tot hem spreken en de woorden in zijnen mond leggen; en ik zal met uwen en zijnon mond zijn, en u leeren wat gij doen zult. 16 En hij zal voor u tot het volk sproken; hij zal uw mond zijn, en gij zult zijn God zijn. 17 En noem dezen staf, met welken gij die teekonen doen zult, in uwe hand. IS Toen ging Mozes hoen en kwam weder tot Jethro |
EXODUS 4.
Ill
|
zijnen sclioonvader, en sprak tot liem: Eilieve, laat mij gaan, opdat ik wederkeere tot mijne broeders die in Egypte zijn, en zie of zij nog leven. En Jetliro sprak tot hem: Ga lieen in vrede. 19 Verder sprak de Heer tot liem in Midian: Ga keen en trek weder naar Egypte, want al de lieden die naar uw leven stonden zijn dood. 20 Alzoo nam Mozes zijne vrouw en zijne kinderen, en voerde ze op een ezel, en trok weder naar Egypteland, en liij nam den staf Gods in zijne hand. 21 En de Heer sprak tot Mozes: Zie toe, wanneer gij weder in Egypte komt, dat gij doet voor Farao at de wonderen welke ik u in uwe hand gegeven heb; maar ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten vertrekken. 22 En gij zult tot hem zeggen: Dus spreekt de Heer: Israel is mijn eerstgeboren zoon; 23 en ik gebied u dat gij mijnen zoon trekken laat, opdat hij mij diene: indien gij dit zult weigeren, zoo zal ik uwen eerstgeboren zoon dooden. |
24 En als hij onderweg in de herberg was, kwam de Heer hem tegen en wilde hem dooden. 25 Toen nam Zippora een steen, en besneed de voorhuid van haren zoon, en raakte hem do voeten aan, en sprak: Gij zijt mij een bloedbruidegom. 30 Toen liet hij van hem af. Zij nu sprak; Bloedbruidegom, wegens de besnijding. 27 En de Heer sprak tot Aaron: Ga heen in de woestijn, Mozes tegemoet. En hij ging heen, en ontmoette hem aan den berg Gods, en 'liij kuste hem. 38 En Mozes verhaalde Aiiron al de woorden des Heeren die hem gezonden had, en al de teekenen welke hij hom bevolen had. 39 En zij gingen heen en verzamelden al de oudsten der kinderen Israels; 30 en Aiiron sprak al de woorden welke de Heer met Mozes gesproken had, en hij deed de teekenen voor het volk; 31 en het volk geloofde, ■en toen zij hoorden dat de Heer do kinderen Israels bezocht en hunne ellende aangezien had, bogen zij zich ter aarde en aanbaden. |
EXODUS S.
113
|
HOOFDSTUK 5. 1 Daarna gingen Mozes en Aaron in tot Farao, en zeiden; Dus spreekt de Heer, Israels God: Laat mijn volk trekken, opdat zij mij een feest houden in de woestijn. 3 Farao antwoordde: Wie is de Heer naar wiens stem ik hooren zoude en Israël laten trekken? Ik weet niets van den Heer, en wil ook Israël niet laten trekken. 3 En zij spraken: De God der Hebreen lieeft ons geroepen : zoo laat ons nu heentrekken drie dagen reizens in de woestijn, en aan den Heer onzen God otteren, opdat ons niet overkome de pest of liet zwaard. ■i ïoen sprak de koning van Egypte tot hen: Gij Mozes en Ailron, waarom wilt gij het volk van hunnen arbeid vrijmaken ? Gaat heen tot uwe lastdiensten. 5 Verder sprak Farao: Zie, er is alreeds te veel van dit volk in het land, en gij wilt ze nog rust laten hebben van hunne lastdiensten ! 6 Daarom beval Farao op denzelfden dag aan de opzieners des volks en hunne ambtlieden, zeggende: 7 Gij zult voortaan geen stroo meer aan dit volk ge. |
ven, gelijk tot hiertoe geschied is, om tichelsteenen te branden; laat ze zelve heengaan en stroo tezamen-rapen. 8 En het getal der tichelsteenen , hetwelk zij tot nu toe gemaakt hebben, zult gij hun evenwel opleggen en niets verminderen; want zij gaan ledig, daarom roepen zij, zeggende: Wij willen heentrekken en aan onzen God otteren. 9 Men drukke dit volk met zwaren arbeid, opdat zij wat te doen hebben en geen gehoor geven aan val-sche woorden. 10 Toen gingen de opzieners des volks en hunne ambtlieden uit en spraken tot het volk: Aldus spreekt Farao: Men zal u geen stroo meer geven: 11 gaat gij zelve heen en zamelt u stroo waar gij het vindt; doch van uwen arbeid zal niets verminderd worden. 12 Toen verstrooide zich het volk in het geheele land van Egypte om stoppels te verzamelen, opdat zij stroo hadden. 13 En de opzieners dreven ze aan, zeggende: Yervult uw dagwerk gelijk toen gij stroo hadt. 11 En de ambtlieden der |
EXOD
113
US 6.
|
kinderen Israels, welke Farao's opzieners over hen gesteld hadden, werden geslagen, en tot hen werd gezegd ; Waarom hebt gij nooh heden nooh gisteren uw gezette dagwerk gedaan, gelijk tevoren? 15 ïoen gingen de ambt-lieden der kinderen Israels tot Parao in, en riepen: Waarom zult gij dus met uwe knechten handelen? 16 Men geeft geen stroo aan uwe knechten, en wij moeten de tichelsteenen maken die ons gezegd zijn, en zie, uwe knechten worden geslagen, en uw volk moot strafschuldig zijn. 17 Farao sprak: Gij loopt ledig, ledig loopt gij; daarom zegt gij: Wij willen heentrekken en aan deu Heer ofl'eren. 18 Zoo gaat nu heen, doet uwe dwangdiensten: stroo zal men u niet geven, maar het getal der tichelsteenen zult gij leveren. 19 Toen zagen de ambt-lieden der kinderen van Israël dat het erger werd, de-wij 1 men zeide: Gij zult niets verminderen van het dagwerk aan de tichelsteenen. |
20 En toen zij van Farao uitgingen, ontmoetten zij Mozes en Aiiron, en traden tot hen, 31 en spraken tot hen: De Heer zie op u en richte het, dat gij ons in kwaden reuk hebt gebracht bij Farao en zijné knechten, en hun het zwaard in hunne handen gegeven hebt om ons te dooden. 33 En Mozes kwam wederom tot den Heer en sprak: Heer, waarom doet gij zoo kwalijk aan dit volk? Waarom hebt gij mij herwaarts gezonden? 33 Want van dien tijd af dat ik tot Farao ben ingegaan om in uwen naam met hem te spreken, heeft hij dit volk nog harder geplaagd, en gij hebt uw volk niet gered. 34 En de Heer sprak tot Mozes: Nu zult gij zien wat ik aan Farao doen zal; want door een sterke hand moet hij ze laten trekken, ja hij moet ze nog door een sterke hand uit zijn land van zich drijven. HOOFDSTUK G. 1 En God sprak met Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heer. • 3 En ik ben verschenen aan Abraham, Isaiik en Jakob als do almachtige Gotl; maar mijn naam Heer is hun niet geopenbaard geworden. |
EXOD
US 6.
114
|
3 Ook lieb ik mijn ver-hond mot lien opgericlit, dat ik liun zal geven liet land Kanaan, liet land hunner vreemdelingschap, in hetwelk zij vreemdelingen geweest zijn. 4 En ook heb ik gehoord het weeklagen der kinderen Israels, welke de Egypte-naars met dwangdiensten bezwaren, en heb gedacht aan mijn verbond. 5 Daarom zeg den kinderen Israels: Ik ben de Heer; en ik wil n uitvoeren van de lasten der Egyptena-ren, en wil u redden van hunne dwangdiensten, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm en door groote gerichten; C en ik zal u aannemen tot mijn volk, en zal uw God zijn, dat gij ondervinden zult dat ik de Heer uw God ben, die u heb uitgevoerd van den last der Egyptenaren, 7 en u gebracht in dat land, over hetwelk ik mijne hand opgeheven heb, dat ik het geven zou aan Abraham, Isaak en Jakob: dat zal ik ulieden geven tot een eigendom, ik do Heer. — 8 Aldus zeide Mozes den kinderen Israels; doch zij hoorden niet naar hem, vanwege het zuchten en den |
angst en vanwege den harden arbeid. 9 Toen sprak de Heer met Mozes, zeggende: 1U Ga in tot Farao den koning van Egypte, en zeg dat hij de kinderen Israëls j late trekken uit zijn land. 11 Maar Mozes sprak voor den Heer, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hooren niet naar mij, hoe zou dan ïarao naar mij hooren ? Daarbij ben ik onbesneden van lippen. 12 Toen sprak de Heer tot Mozes en Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Farao den koning van Egypte, dat zij de kinderen Israëls uitEgyp-teland zouden voeren. j 13 Dit nu zijn de hoofden, naar ieder geslacht der vaderen. ■— De kinderen van llubeu, Israëls eersten zoon, zijn: Henoch, Pall u, Hezron en Karmi; dit zijn de geslachten van Euben. 14 Simeons kinderen zijn: Jemuël, .TiiminPliad, Jachin, Zohar, en Saul de zoon eener Kanaanietische vrouw; dit zijn Simeons geslachten. 15 Dit zijn de namen der kinderen van Levi, naar hunne geslachten: Gerson, ] Kohath en Merari; Levi nu werd honderd zevenendertig jaar oud. |
EXODUS 7.
IIS
|
16 Gersons kinderen zijn: Libni en Simei, naar hunne geslacliten. 17 Koliaths kinderen zijn: Amram, Jizliar, Hebron en Uzziül; Koliatli nu werd honderd drieëndertig jaar ond. 18 De kinderen van Merari zijn: Mahli en Musi; dit zijn de geslachten van Levi, naar hunne stammen. 19 En Amram nam zijne moei Jochébed tot vrouw; die baarde hem Aaron en Mozes; Amram nu werd honderd zevenendertiquot;- jaar oud. 20 Jizhars kinderen zijn: Korach, Nefeg en Zichri. 31 Uzziëls kinderen zijn: Misaël, Elzafan en Sithri. 23 En Aaron nam tot vrouw Eliséba, de dochter van Amminadab, Nahessons zuster; die baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 23 De kinderen van Korach zijn: Assir, Elka.ia en Abiasaf; dit zijn de geslacliten der Korachieten. 24 En Eleazar Aarons zoon nam een der dochters van Putiël tot vrouw, die baarde hem Pinehas. Dit zijn do hooiden ouder de vaderen van de geslachten der Levieten. 25 Dit is Aaron en Mozes, tot welke de Heer sprak: |
Voert de kinderen Israëls uit Egypteland, met hunne heiren. 26 Deze zijn het die mot Earao den koning van Egypte spraken, dat zij de kinderen Israëls uit Egypte voeren zouden, namelijk Mozes en Aaron. 27 En te dien dage sprak do Heer met Mozes in Egypteland , 2S en hij zeide tot hem: Ik 'ben de lieer: spreek met Farao den koning van Egypte alwat ik met u spreek. 2Ü En Mozes antwoordde voor den Heer: Zie, ik beu onbesneden van lippen, hoe zal dan Earao naar mij hoo-ren ? HOOFDSTUK 7. 1 Toen sprak de Heer tot Mozes: Zie, ik heb u tot een God gesteld over Earao, en Aaron uw broeder zal uw profeet zijn. 2 Gij zult spreken alwat ik u gebieden zal; en Aaron uw broeder zal het tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land late trekken. ■ 3 Maar ik zal Farao's hart verharden, opdat ik vele mijner teekenen en wonderen doe in Egypteland. 4 En Farao zal naar u niet hooren, opdat ik mijne |
|
116 EXOD hand in Egypte betoone, en mijn lieir, mijn volk, de kinderen Israels, uit Egyp-teland voere door groote geriehten. 5 En de Egyptenaars zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, wanneer ik mijne liand zal uitstrekken over Egypte, en de kinderen Israels van hen uitvoeren. G En Mozes en Aiiron deden gelijk de Haer hun geboden had. 7 En Mozes was tachtig jaar oud en Aaron drieëntachtig jaar oud toen zij met Earao spraken. 8 En de Heer sprak tot Mozes en Aiiron, zeggende: 9 Wanneer Earao tot u zal zeggen: Toont uwe wonderen , zoo zult gij tot Aiiron zeggen: Neem uwen staf en werp hem neder voor Earao, dat hij tot eene slang worde. 10 Toen gingen Mozes en Aiiron binnen tot Earao, en deden gelijk de Heer hun geboden had; en Aaron wierp zijnen staf neder voor Earao en voor zijne knechten, en hij werd tot eene slang. 11 Toen riep Farao de ■wijzen en toovenaars, en de Egyptische toovenaars deden óók zoo met hunne bezweringen ; 13 want elk wierp zijnen staf van zich, toen werden |
US 7. zij slangen; maar Aarons staf verslond hunne staven. j 13 Aldus werd Earao's v hart verstokt en hij boorde v niet naar hen, gelijk de ^ Heer gesproken had. s 14 En de Heer sprak tot '' ], Mozes: Het hart van Earao ]■ is hard: hij weigert het volk j, te laten gaan. j- 15 Ga morgen heen tot Farao; zie, hij zal naar het quot; c] water gaan; treed dan tegen- ] De Heer, de God der He- 1 breön, hoeft mij tot u mijn volk uittrekken, opdat , het mij diene in de woes- 1 ~ 17 Daarom spreekt de Heer aldus: Daaraan zult gij ondervinden dat ik de Heer ben: zie, ik wil met den staf dien ik in mijne hand heb het water dat in dezen stroom is slaan, en liet zal in bloed veranderd worden; 18 zoodat de visschen in den stroom zullen sterven, en do stroom zal stinken, en de Egyptenaars zullen walgen van te drinken van het water uit den stroom. |
EXODUS 8.
117
|
19 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aèlron: Neem uwen staf en strek uwe hand uit over de wateren in Egypte, over hunne beken en stroomen en zeeën en over al hunne waterpoelen, dat zij bloed worden; en er zij Woed in geheel Egypteland, beide in houten en steeiien vaten. 30 En Mozes en Aaron deden alzoo gelijk de Heer hun geboden had, en hij hief den staf op en sloeg in het water dat in den stroom was, voor Farao en zijne knechten: en al het water in den stroom werd in bloed veranderd, 31 en de vissollen in den stroom stierven, en de stroom werd stinkend, zoodat de Egyptenaars het water uit den stroom niet konden drinken; en er werd bloed in geheel Egypteland. 23 En de Egyptische too-venaars deden ook zoo met hunne bezweringen: aldus werd Farao's hart verstokt, en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gesproken had. 33 En Farao keerde zich om en ging naarhuis, en hij nam ook dit niet ter harte. 3-1. l)och alle Egyptenaars groeven naar water rondom den stroom om te drinken, want zij konden het water uit den stroom niet drinken. |
35 En het duurde zeven dagen lang dat de Heer den stroom sloeg. HOOFDSTUK 8. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek met hem: Dus zegt de Heer: Laat mijn volk uittrekken, opdat het mij diene. 3 Indien gij dat weigert, zie, zoo wil ik al uwe landpalen met vorsehen slaan, 3 zoodat de stroom zal krielen van vorsehen; die zullen opkomen en dringen in uw huis, in uwe kamer, op uwe legerstede, op uw bed, ook in de huizen uwer knechten, onder uw volk, tot in uwe bakovens en in uwe deegtroggen; 4 en de vorsehen zullen op u en op uw volk en op al uwe knechten komen. 5 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aiiron: Strek uwe hand met uwen staf uit over de beken en over de stroomen en over de zeeën, en laat vorsehen over Egypteland opkomen. • G En Aaron strekte zijne hand uit over de wateren in Egypte, en er kwamen vorsehen op, zoodat Egypteland bedekt werd. 7 Toen deden de toove- |
|
118 EXOI naars óók zoo met hunne bezweringen, en lieten vor-sclien over Egypteland opkomen. 8 ïoen riep Farao Mozcs en Aaron, en sprak: Bidt den Heer voor mij, dat liij de vorschen van mij en van 'mijn volk wegneme; zoo zal ik liet volk laten trekken, opdat het den Heere offere. !) En Mozcs sprak tot Farao: Heb de eer boven mij, en bepaal wanneer ik voor n, voor uwe knechten en voor uw volk zal bidden, dat de vorschen van u en van uw huis zullen verdreven worden, en dat zij alleen in den stroom blijven. 10 En hij zeide: Morgen. En hij sprak: Het zij zooals gij gezegd hebt: opdat gij ondervindt dat er niemand is gelijk de Heer onze God, 11 zoo zidlen de vorschen van u, van uwe huizen, van uwe knechten en van uw volk genomen worden , en alleen in den stroom overblijven. 12 Alzoo gingen Mozcs en Aüron van Farao uit, en Mozes riep tot den Heer wegens de vorschen, gelijk hij Farao had toegezegd : 13 en de Heer deed gelijk Mozes gezegd had, en |
US 8. de vorschen stierven in de huizen, in de hoven en op het veld. 11 En zij hoopten ze tezamen, hier een hoop en daar een hoop, en het land stonk er van. 15 Toen nu Farao zag dat hij verademing gekregen had, zoo werd zijn hart verhard en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gesproken had. lö Eu de Heer sprak tot Mozcs: Zeg tot Aaron: Steek uwen stat' uit en sla in het stof der aarde, dat er luizen worden in geheel Egypteland. 17 En zij deden alzoo, en Aiiron strekte zijne hand uit met zijnen staf, en sloeg in het stof der aarde, en er werden luizen aan de men-schen en aan het vee, al het stof des lands werd luizen in geheel Egypteland. 18 En de too venaars deden óók zoo met hunne bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten, maar zij konden niet; en de luizen waren beide aan de menschen en aan het vee. 19 Toen zeiden de toove-naars tot Farao: Dat is G ods vinger. Maar Farao's hart werd verstokt en hij hoordé niet naar hen, gelijk de Heer gezegd had. |
EXODUS 8.
119
|
30 En de Heer sprak tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en treed voor Farao ; zie, hij zal aan liet water uitgaan; en spreek tot liem: Dus spreekt de Heer: Laat mijn volk uittrekken, opdat zij mij dienen. 21 Indien niet, zie, zoo wil ik allerlei ongedierte laten komen over u, uwe knechten, uw volk, en in uwe huizen; zoodat de huizen van alle Egyptenaars, en ook het veld waarop zij zijn, vol ongedierte zullen worden; 23 en ik zal op dien dag-wat bijzonders doen met het land Gosen in hetwelk mijn volk woont, dat daar geen ongedierte zij, opdat gij gewaarwordt dat ik de Heer ben op aarde, overal; 33 en ik zal cene verlossing stellen tussehen mijn volk en uw volk: morgen zal dit teeken geschieden. 34 En de Heer deed alzoo, en er kwam veel ongedierte in Farao's huis, in de huizen zijner knechten en over het gêheele Egypteland, en het land werd verdorven van het ongedierte. 35 ïoen riep Farao Mozes en Aaron, en sprak: Gaat heen en offert uwen God hier in het land. |
36 Mozes sprak: Het behoort niet dat wij zóó doen; want wij zouden den gruwel der Egyptenaren den Heere onzen God ofteren: zie, wanneer wij dan den gruwel der Egyptenaren voor hunne oogen offerden, zouden zij ons niet steenigen? 37 Drie dagen reizensver willen wij gaan in do woestijn, en den Heere onzen God ofleren, gelijk hij ons gezegd heeft, 38 Farao sprak: Ik wil u laten trekken, opdat gij den Heere ixwen God ollert in de woestijn: alleenlijk dat gij niet verder trekt; en bidt voor mij. 39 En Mozes sprak: Zie, als ik van u uitga, zoo zal ik den Heer bidden, dat dit ongedierte van Farao en van zijne knechten en van zijn volk genomen worde op den dag van morgen: alleenlijk bedrieg mij niet meer, dat gij het volk niet laat trekken om den Heere te offeren. 30 En Mozes ging uit van Farao en bad den Heer: 31 en de Heer deed gelijk Mozes gezegd had, en het j. ongedierte week van Farao, i van zijne knechten en van zijn volk, dat er niet ccn [ overbleef. 33 Doch Farao verhardde zijn hart ook ditmaal, en |
EXODUS 9.
130
|
hij liet het volk niet trekken. HOOFDSTUK 9. 1 De Heer sprak totMozes: Ga in tot Farao en spreek tot liem: Aldus zegt de Heelde God der Hebreen: Laat mijn volk trekken, opdat zij mij dienen. 3 Indien gij dit weigert en hen langer ophoudt, 3 zie, zoo zal de hand des Heeren zijn over uw vee op het veld, over paarden, over ezels, over ka-meelen, over ossen, en over schapen, met eene zeer zware pest. 4 En de Heer zal eene afzondering maken tusschen het vee der Israëlieten en der Egyptenaren, dat er niets sterft van al hetgeen de kinderen Israëls hebben. 5 Eti de Heer bepaalde een tijd, zeggende; Morgen zal de Heer dit op de aarde doen. 6 En de Heer deed dit des morgens; en toen stierf allerlei vee der Egyptenaren, maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet een. 7 En Farao zond er heen, en zie, van Israels vee was niet één gestorven. Maar Farao's hart werd verstokt en hij liet het volk niet trekken.' |
8 Toen sprak de Heer tot Mozes en Ailron; Neemt uwe vuisten vol roet uit den oven, en Mozes strooie dat naar den hemel voor Farao, 9 dat het over geheel Egyp-teland stuive, en er booze zwarte blaren oprijzen, beide aan menschen en vee, in geheel Egypteland. 10 En zij namen roet üit den oven, en traden voor Farao, en Mozes strooide dat naar den hemel: toen rezen booze zwarte blaren op, beide aan menschen en vee; 11 zoodat de toovenaars niet konden staan voor Mozes wegens de booze blaren, want de booze blaren waren aan do toovenaars even zoowel als aan al de Egyp-tenaars. 13 Doch de Heer verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk do Heer tot Mozes gezegd had. 13 Toen sprak de Heer tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en treed voor Farao, en spreek tot hem: Dus zegt de Heer de God der Hebreen: Laat mijn volk trekken, opdat zij mij dienen. 14 Ik zal anders ditmaal al mijne plagen zenden over u zeiven, over uwe knechten en over uw volk, dat gij zult gewaarworden da t mij ns-gelijke niet is in alle landen; |
EXOD
US 9.
131
|
13 want ik zal nu mijne liand uitstrekken, en u en uw volk slaan niet pest, dat gij van de aarde zult verdelgd worden. 16 En trouwens, daarom hel) ik u verwekt, opdat mijne kracM aan u hliikc, en mijn naam verkondigd worde in alle landen. 17 Verzet gij u nog langer tegen mijn volk, en wilt gij hel niet laten trekken, — 18 zie, ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer grooten hagel laten regenen, gelijk er in Egypte niet geweest is sedert dien tijd dat het gegrondvest is tot nu too. 19 En nu, zend heen, herg uw vee en alwat gij op hot veld hebt; want alle mensch en vee dat op het veld gevonden wordt en niet in do huizen verzameld is, zal sterven als deze hagel op hen valt. 30 Wie nu onder Earao's knechten het woord des Heeren vreesde, die liet zijne knechten en zijn vee in de huizen vlieden; 31 maar wier hart geen gehoor gaf aan het woord des Heeren, dio lieten hunne knechten en hun vee op het veld. |
32 Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uwe hand naar den hemel, opdat het hagele over geheel Egyp-teland, over de menschen, over het vee en over al het kruid op het veld in Egyp-toland. 33 Alzoo steekte Mozes zijnen staf naar den hemel, en de Heer liet hot donderen en hagelen, zoodat het vuur op de aarde schoot. zVlzoo liet de Heer hagel regenen over Egypteland. 21; En do hagel en het vuur vlogen onder elkander , zoo gruwelijk dat iets dergelijks in geheel Egypteland nooit geweest was, sedert den tijd dat er lieden in geweest zijn. 35 En de hagel sloeg in geheel Egypteland alwat op het veld was, beide menschen en vee, en sloeg al het kruid op het veld en verbrak alle boomen op het veld. 3G Behalve in het land Goson, waar de kinderen Israels waren, daar hagelde het niet. 37 Toen zond Farao heen en liet Mozes en Aiiron roepen, en sprak tot hen: 'Ik heb mij ditmaal bezondigd ; de Heer is rechtvaardig, maar ik en mijn volk zijn schuldig. 38 Doch bidt don Heor vurig, dat dit donderen en |
EXODUS 10.
133
|
hagelen Gods oplionde; zoo zal ik u laten trekken, dat gij niet langer hier blijft. 39 Mozes sprak tot hem: Wanneer ik de stad uitga, zoo zal ik mijne handen uitbreiden tot den Heer: zoo zal de donder ophouden en geen hagel meer zijn, opdat gij gewaarwordt dat de aarde des Heeren is. 30 Maar ik weet dat gij en uwe knechten nog niet vreest voor God den Heer.— 31 Alzoo werd geslagen Het vlas en de gerst, want do gerst was in de aar en het vlas had knoppen gekregen ; 33 maar de tarwe en rogge werden niet geslagen, want zij gingen eerst spade op. •— 33 Aldus ging nu Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijne handen uit tot den Heer: en de donder en hagel hielden op, en de regen stroomde niet meer op de aarde. 34 Maar toen Farao zag dat de regen en donder en hagel ophielden, zoo zondigde hij verder en verhardde zijn hart, hij en zijne knechten; 35 aldus werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israels niet trekken liet, gelijk de Heer gesproken had door Mozes. |
HOOFDSTUK 10. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Ga in tot Farao; want ik heb zijn hart verhard cn het hart zijner knechten, opdat ik deze mijne teekenen onder hen doe, 3 en opdat gij verkondigt voor de ooren uwer kinderen en uwer kindskinderen wat ik in Egypte uitgelicht heb, en hoe ik mijne teekenen onder hen getoond heb; opdat gij weet dat ik de Heer ben. 3 Alzoo gingen Mozes en Aaron in tot Farao, en spraken tot hem: Dus spreekt de Heer de God der Hebreen : Hoelang weigert gij u voor mij te verootmoedigen? Laat mijn volk trekken, opdat zij mij dienen. 4 Weigert gij mijn volk te laten trekken, zie, zoo zal ik morgen sprinkhanen laten komen aan al uwe plaatsen, 5 dat zij het land bedekken, zoodat men het land niet kan zien; en zij zullen afeten wat u overgebleven en gered is van den hagel, en zij zullen al uwe groenende boomen op het veld afeten; 6 en zij zullen vervullen uw huis, de huizen van al |
EXODUS 10.
123
|
uwe knecliten en de huizen van alle Egyptenaars: zooals niet gezien hebben uwe vaders noch uwer vaderen vaders, sedert dien tijd dat zij op de aarde geweest zijn tot op dezen dag. En hij keerde zich om en ging van Farao uit. 7 Toen spraken Farao's knechten lot hem: Hoelang zullen wij daarmede geplaagd zijn? Laat de lieden uittrekken, opdat zij den Heer hunnen God dienen: gevoelt gij nog niet dat Egypte tegrondegaat? 8 Mozes en Ailron werden weder tot Farao gebracht; die sprak tot hen: Gaat heen, dient den Heer uwen God; maar wie zijn het dan die heentrekken zullen? 9 Mozes sprak: quot;Wij willen trekken met jong en oud, met zonen en dochters, met schapen en runderen; want wij hebben een feest des Hoeren. 10 En hij sprak tot hen: Voorzeker, de Heer zij met n: zoude ik u en daarenboven uwe kinderen laten trekken? Ziet of gij niet iets kwaads voorhebt. |
11 Niet alzoo, maar trekt gij mannen heen en dient den Heer; want dat hebt gij ook verzocht. En men stiet hen uit van Farao, 13 Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uwe hand uit over Egypteland wegens de sprinkhanen, dat zij over Egypteland komen, en opeten al het kruid op hot land, alwat van den hagel overgebleven is. 13 En Mozes strekte zijnen staf over Egypteland, en do Heer dreef een oostenwind over het land, dien geheelen dag en dien geheelen nacht: en des morgens voerde de oostenwind de sprinkhanen aan, li en zij kwamen over geheel Egypteland, en lieten zich neder aan alle plaatsen in Egypte; zóóvele, dat er tevoren iets dergelijks nooit geweest is, noch voortaan zijn zal; 13 want zij bedekten het land en verduisterden het, en zij aten al het kruid van het land op, en alle vruchten van de boomen die van den hagel waren overgebleven, en lieten niets groens over ann de boomen en aan het kruid op het veld, in geheel Egypteland. 16 Toen ontbood Farao haastig Mozes en Aaron, en sprak: Ik heb gezondigd tegen den Heer uwen God en tegen ulieden: 17 vergeeft mij mijne zonde ook ditmaal, en bidt den |
EXODUS 11,
124
|
Heer uwen God, dat hij slechts dezen dood van mij wegueme. 18 En hij ging uit van Farao en had tot den Heer. 19 Toen keerde do Heelden wind, dat hij zeer sterk uit liet westen woei; die liief do sprinkhanen op en wierp ze in de Schelizee, zoodat er niet één overbleef aan alle plaatsen vr.n Egypte. 20 Maar de Heer verstokte Farao's kirt, dat liij de kinderen Israels niet trekken liet. 21 En de Heer sprak tot Mozes: Strek uwe hand naar den hemel, dat het zoo duister worde in Egypte-land, dat men liet tasten kan. 23 En Mozes strekte zijne liand naar den hemel: toen werd er eene dikke duisternis in gelieel Egypteland, drie dagen, 23 zoodat de één den ander niet zag, nocli opstond van de plaats waar hij was, in drie dagen; maar bij de kinderen Israels was het licht in hunne woningen. 24 Toen ontbood Earao Mozes en sprak: Trekt heen, dient den Heer: alleenlijk laat uwe scliapen en runderen bier; dooli laat uwe kinderkens ook met u trekken. |
25 Mozes sprak; Gij moet ons ook oftiers en brandofters geven, welke wij mogen offeren aan den Heer onzen God; 26 ons vee zal met ons gaan, en geen klauw zal achterblijven; want van het onze zullen wij nemen ten dienste van den Heer onzen God; want wij weten'niet waarmede wij den Heer zullen dienen totdat wij daar gekomen zijn. 27 Maar de Heer verstokte Earao's hart, dat hij ze niet wilde laten trekken, 28 en Earao sprak tot hem: Ga van mij, en wacht u dat gij niet weder voor mijne oogen komt; want op den dag op welken gij voor mijne oogen komt, zult gij sterven. 29 En Mozes antwoordde: Gelijk gij gezegd hebt, ik zal niet weder voor uwe oogen komen. HOOFDSTUK 11. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Ik wil nog ééne plaag over Earao en Egypte laten komen, daarna zal bij u vanhier laten trekken , en zal niet alleen alles laten gaan, maar u zelfs vanhier uitdrijven. 2 Zeg dan nu voor de ooren des volks, dat een |
EXODUS 13.
125
|
ieder van zijnen naaste en elke vrouw van hare naaste zilveren en gouden vaten eisclie. 3 En de Heer gaf aan liet volk genade in de oogen der Egyptenaren; en Mozes was een zeer groot man in Egypteland bij de knechten van Farao en bij liet volk. 4 En Mozes sprak: Dus zegt de Heer: Ik wil te mid-dernaclit uitgaan in Egypteland ; 5 en alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eersten zoon die op zijnen troon zit, tot den eersten zoon der dienstmaagd die achter den molen is, ook alle eerstgeborenen onder het vee; 6 en in geheel Egypteland zal een groot geschrei zijn, gelijk er nooit geweest is noch worden zal. 7 Maar bij alle kinderen Israels zal geen hond zijn tong roeren, beide onder menschen en vee; opdat gij ondervindt hoe de Heer Egypte en Israël onderscheidt. 8 Dan zullen tot mij afkomen al deze uwe knechten , en mij te voet vallen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk dat onder u is; daarna zal ik uittrekken. En hij ging met grim-migen toorn van Farao uit. |
9 De Heer nu sprak tot Mozes: Farao hoort naar u niet, opdat vele mijner wonderen geschieden in Egypteland. iÓ En Mozes en Ailron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao; maar de Heer verstokte hom het hart, dat hij de kinderen Israels niet uit zijn land wilde laten trekken. HOOFDSTUK 12. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Ailron in Egypteland : 2 Deze maand zal bij u de eerste maand zijn, en van haar zult gij de maanden des jaars beginnen. 3 Spreekt tot de geheele gemeente van Israël, zeggende : Op den tienden dag dezer maand neme elk een lam, waar een huisvader is, een lam voor elk huis; 1 maar indien er in een huis te weinig voor een lam zijn, dan neme men het met zijnen gebuur, den naaste aan zijn huis, tezamen ; totdat zij zoovelen worden dat zij het lam kunnen opeten. 5 Doch gij zult zulk een lam nemen, aan hetwelk geen gebrek is, een man- |
EXODUS 12.
136
|
netje, een Jaar oud; gij zult liet nemen van de lammeren ot' geitel rokken, C cn zult liet behouden tot op den veertienden dag dezer maand; en de gansolie vergadering der gemeente van Israël zal het slachten tusschen de twee avonden. 7 En zij zullen van zijn bloed nemen cn daarmede bestrijken de posten der deur, en don bovensten drempel der huizen in welke zij het eten. 8 En zij zullen alzoo dat vleesch eten in denzelt'den nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broo-den; en zij zullen het met bittere saus eten. 9 Gij zult het niet rauw eten, noch in water gezoden, maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd niet zijne schenkels en met zijn ingewand. 10 En gij zult er niets van laten overblijven tot den morgen, maar indien iets daarvan overblijft tot den morgen, zult gij het met vuur verbranden. 11 En aldus zult gij het eten: gij zult om uwe lendenen omgord zijn, en schoenen aan uwe voeten hebben, en staven iu uwe handen; en gij zult het eten met haast; dit is het pascha des Heeren. |
zelfden nacht door Egypte- zielt land, beide onder menschen ong straf betoonen aan alle goden uwi 13 En dat bloed zal u uw tot een teeken zijn aan do een huizen in welke gij zijt; 1! opdat ik, het bloed ziende, dat u voorbijga, en opdat u ave niet wedervare de plaag brc die verderft, als ik Egyp- éei teland sla. quot; iue 14 En gij zult dezen dag 1 hebben ter gedachtenis, en gei zult dien vieren den Heer in tot een feest, gij en al ge uwe nakomelingen toteene zi( eeuwige inzetting. ui 15 Zeven dagen zult gij hi ongezuurde brooden eten, ee namelijk op den eersten dag ' zult gij doen ophouden het vx gezuurde brood in uwe oi huizen; want wie gezuurd u brood eet van den eersten dag af tot op den zevenden, ! o diens ziel zal uitgeroeid tlt; worden uit Israël. s( 16 Op den eersten dag , g zal er een heilige samenkomst zijn, en op den ze- v 1 venden dag zal er óók eene 1 heilige samenkomst zijn; gij 1 zult daarop geen arbeid 1 doen, behalve wat tot de ' ♦ |
EXODUS 13.
127
|
spijs belioort voor allerlei zielen, dit alleen moogt gij voor u doen. 17 En houdt u bij de ongezuurde brooden, want ik lieb op dienzelfden dag uwe lieiren uit Egypteland gevoerd; daarom zult gij dezen dag bonden, en al uwe nakomelingen, tot eene eeuwige inzetting. 18 Van den veertienden dag der eerste maand, des avonds, zult gij ongezuurde brooden eten, tot op den éénentwintigsten dag der maand aan den avond. 19 Dat men zeven dagen geen gezuurd brood vinde in uwe huizen; want wie gezuurd brood eet, diens ziel zal uitgeroeid worden uit do gemeente van Israël, hij zij een vreemdeling of een inboorling des lands. 20 Daarom eet geen gezuurd brood, maar enkel ongezuurde brooden, in al uwe woningen. 31 En Mozes riep al de oudsten van Israël, en sprak tot hen: Kiest uit en neemt schapen, elk voor zijn huisgezin , en slacht het pascha; 33 en neemt een bundeltje hysop, en doopt het in het bloed in een bekken, en bestrijkt daarmede den bovendrempel en de twee posten; en geen menschgauit zijne huisdeur tot aan den morgen; |
33 want de Heer zal omgaan en de Egyptenaars slaan; en als hij het bloed zien zal aan den bovendrempel en aan de twee posten, zal hij de deur voorbijgaan, en den verderver niet in uwe huizen laten komen om te slaan. 34 Daarom onderhoudt deze inzetting voor u en voor uwe kinderen eeuwiglijk. 35 En als gij komt in het land hetwelk de Heer u geven zal, gelijk hij gesproken heeft, zoo onderhoudt dezen dienst. 36 En als uwe kinderen dnn tot u zullen zeggen: Wat dienst hebt gij daarï 37 zoo zult gij zeggen: Dit is het paaschofl'er des Heeren, die in Egypte de huizen der kinderen Israels voorbijging, toen hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen verschoonde. Toon neigde zich het volk en boog zich. 38 En do kinderen Israels gingen heen, en deden gelijk de Heer aan Mozes en Ailron geboden had. 39 En te middernacht sloeg de Heer alle eerstgeborenen in Egypteland, van Farao's eersten zoon die op zijnen troon zat, tot den |
EXODUS 13.
128
|
eersten zoon des gevangenen in de gevangenis, en alle eerstgeborenen van het vee. _ 30 Toen stond Farao op in dien nacht, en al zijne knechten, en alle Egypte-naars; en er was een groot geschrei in Egypte, want er was geen Luis in hetwelk niet een doode was. 31 En hij ontbood Mo-zes en Aaron in den nacht en sprak: Maakt u op en trekt nit van mijn volk, gij en de kinderen Israels; gaat heen en dient den Heer, gelijk gij hebt. 32 Neemt ook met u uwe schapen (in uwe runderen, gelijk gij gezegd hebt; gaat heen, en zegent mij ook. 33 En de Egyptenaars drongen het volk, dat zij hen schielijk uit het land dreven, want zij zeiden; Wij zijn altemaal lieden des doods. 34 En het volk droeg zijn deeg eer liet gezuurd was, _ en zij hadden hunne spijs in hunne kleederen gebonden op hunne schouders. gezegd 35 En de kinderen Israels hadden gedaan gelijk Mo-zes gezegd had, en van de Egyptenaars geëischt zilveren en c kleederen. gouden vaten en |
36 Daarenboven had do Heer aan het volk genade gegeven bij de Egyptenaars, dat zij hun leenden; en zij ontnamen het den Ègyp-tenaren. 37 Al zoo trokken de kinderen Israels uit van Ea-amses naar Sukkoth: zesmaal honderdduizend man te voet, behalve dé kinder-quot; kens; 38 en een gemengde hoop van allerlei volk trok met hen, en schapen, runderen en zeer veel vee. 39 En zij bakten van het deeg hetwelk zij uit Egypte medevoerden ongezuurde koeken; want het was niet gezuurd, dewijl zij uit Egypte gedreven werden en quot;niet vertoeven konden, en geen anderen teerkost voor zich hadden kunnen bereiden. 40 De tijd nu dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben is quot;vierhonderd en dertig jaren. 41 Toen die om waren, ging het geheele heir des Heeren op één dag uit Egypteland. 42 Daarom wordt deze nacht den Heere gehouden, omdat hij hen uit Egypteland gevoerd heeft; eii'dien zullen de kinderen Israels den Heere houden, zij en hunne nakomelingen. |
EXODUS 13.
129
|
43 En de Heer sprak tot Clozes en Aiiron; Dit is de wijze om het pascha te houden; geen vreemdeling zal daarvan eten; 44 doch wie een gekochte knecht is, dien besnijde men, en dan etc hij daarvan: 45 een huisgenoot die een huurling is zal er niet van eten. 46 In één huis zal men het eten; gij zult niets van liet vleesch buiten het huis dragen, en zult geen been daaraan breken. 47 De geheele gemeente van Israël zal dat doen. 48 Maar indien een vreemdeling bij u woont, en den Heere het pascha houden wil, dat dan al wat mannelijk bij hem is besneden worde: alsdan voege hij zich daarbij om dat te doen, en zij gelijk een inboorling des lands; want geen onbesnedene zal daarvan eten. 49 Eénerlei wet zij den inboorling en den vreemdeling die onder u woont. 50 En al de kinderen Israels deden het, gelijk de Heer aan Mozes en Aiiron geboden had. 51 Alzoo voerde de Heer op één dag de kinderen Israels uit Egypteland met hunne heiren. |
HOOFDSTUK 13. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Heilig mij allo eerstgeborenen, alwat eenige baarmoeder breekt bij de kinderen Israels, beide onder de menschen en het vee: zij zijn de mijnen. 3 ïoen sprak Mozes tot het volk; Gedenkt aan dezen dag, op welken gij uit Egypte, uit het diensthuis , gegaan zijt; dat de Heer u met een machtige hand vanhier heeft uitgevoerd; daarom zult gij geen zuurdeeg eten. 4 Heden zijt gij uitgegaan in de maand Abib. 5 Als nu de Heer n brengen zal in het land der Ka-na iinieten, Hethieten, Amo-rieten, Hevieten en Jebu-sieten, hetwelk hij uwen vaderen gezworen heeft u te geven, een land in hetwelk melk en honig vloeit, zoo zult gij dezen dienst houden in deze maand. 6 Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten, en op den zevenden dag is het feest des Heeren. 7 Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten, dat bij u geen zuurdeeg noch gezuurd brood gezien worde-op al uwe plaatsen, |
EXODUS 13.
130
|
8 en zult op dien dag tot uwe zonen zeggen: Dit houden wij wegens hetgeen de Heer ons gedaan heeft toen wij uit Egypte trokken. 9 Daarom zal het u tot een teeken zijn in uwe hand en tot een gedenkteeken voor uwe oogen, opdat de wet des Heeren in uwen mond zij, omdat de Heer u met een machtige hand uit Egypte gevoerd heeft. 10 Daarom houd deze inzetting op den bestemden tijd, jaarlijks. 11 Als nu de Heer u in het land der Kanaanieten zal gebracht hebben, gelijk hij u en uwen vaderen gezworen heeft, en het u zal gegeven hebben: 13 zoo zult gij afzonderen voor den Heer alwat de baarmoeder breekt, alle eerstgeborene onder het vee dat een mannetje is. 13 De eerstgeborene van een ezel zult gij lossen met een lam; maar indien gij het niet lost, zoo maak bet af; maaralle eerstgeborenen der menschen, onder uwe kinderen, zult gij lossen. 14 En als u heden of morgen uw zoon zal vragen: Wat is dat? zoo zult gij tot hem zeggen: De Heer heeft ons met een machtige hand uit Egypte, uit het diensthuis , gevoerd; |
15 want toen Farao hardnekkig weigerde ons loste-laten, sloeg de Heer alle eerstgeborenen in Egypte-land, van den eerstgeborene der menschen af tot op den eerstgeborene van het vee: daarom ofler ik aan den Heer alwat de baarmoeder breekt dat een mannetje is; maar de eerstgeborenen mijner kinderen los ik. 16 En het zal u tot een teeken in uwe hand zijn, en tot een gedenkteeken voor uwe oogen, dat de Heer ons met een machtige hand uit Egypte gevoerd heeft. 17 Toen nu Farao het volk had laten uittrekken, voerde God hen niet langs den weg door het land der Filistijnen, die de naaste was ; want God dacht: Het mocht liet volk berouwen als zij den strijd zien, en zij mochten weder naar Egypte kee-ren. 18 Daarom voerde hij het volk langs een omweg door de woestijn der Schelfzee; en de kinderen Israels trokken gewapend uit Egypte-land. 19 En Mozes nam Jozefs gebeente met zich; want deze had een eed van de |
EXODUS 14.
131
|
kinderen Israels genomen, zeggende: God zal u bezoeken; voert alsdan mijn gebeente met u vanhier. 20 Alzoo trokken zij uit van Sukkoth, en legerden zich te Etham aan liet einde der woestijn. 31 En de Heer trok voor hen uit, bij dag in eene wolkkolom dat hij hen den rechten weg voerde, en bij nacht in eene vuurkolom dat hij hun lichtte, om te reizen dag en nacht: 32 de wolkkolom week nimmer van het volk bij dag, noch de vuurkolom des nachts. HOOFDSTUK li. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek met de kinderen Israels, en zeg dat zij we-derkeeren en zich legeren bi] het dal Hahiroth, tus-schen Migdol en de zee, tegenover Baal-Zefon, en dat zij zich daar legeren aan de zee. 3 Want Farao zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verdwaald in het land, de woestijn heeft hen ingesloten. 4 En ik wil zijn hart verstokken , dat hij hen najage; en ik wil aan Farao en aan al zijne macht eer inleggen. |
en de Egyptenaars zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. — En zij deden alzoo. 5 En toen het den koning van Egypte bekendgemaakt werd dat het volk gevlucht was, werd het hart van hem en van zijne knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten uittrekken, dat zij ons niet dienden ? C En hij spande zijnen wagen aan, en nam zijn volk met zich, 7 en nam zeshonderd uitgelezen wagens, en alle verdere wagens in Egypte, en de hoofdlieden over zijn ge-heele heir. 8 Want de Heer verstokte het hart van Farao den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najoeg; doch de kinderen Israels waren door een hooge hand uitgegaan. 9 En de Egyptenaars joegen ze na, en achterhaalden ze daar zij zich gelegerd hadden aan de zee, met paarden en wagens en ruiters, en al het heir van Farao, in het dal Hahiroth, tegenover Baal-Zefon. 10 En toen Farao hun nabij kwam, hieven de kin- |
EXODUS 14.
13-3
|
deren Israels liunne oogen op, en zie, de Egyptenaars trokken hen acliterna; en zij vreesden zeer eu riepen tot den Heer, li en spraken tot Mozes: Waren er geen graven in Egypte, dat gij ons moest wegvoeren, opdat wij in deze woestijn zouden sterven? Waarom lieLt gij ons dit gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt? 13 Is liet niet dit wat wij in Egypte tot u zeiden: Houd op, en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons immers beter de Egyptenaars te dienen dan in deze woestijn te sterven. 13 Mozes sprak tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet wat heil de Heem heden bewijzen zal; want deze Egyptenaara, welke gij heden ziet, zult gij nooit in eeuwigheid wederzien. 14 Dc Heer zal voor u strijden , en gij moet stil zijn. 15 De Heer sprak tot Mozes: Wat roept gij tot mij? Zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken. 16 Maar gij, hef uwen staf op, en strek uwe hand uit over de zee, en deel deze van elkander, opdat de kinderen Israels ingaan, middendoor, op het droge. |
17 Zie, ik wil het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij u volgen; zoo zal ik eer behalen aan l'arao en aan al zijne macht, aan zijne wagens en ruiters. 18 En de Egyptenaars zullen het gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik eer behaald heb aan Farao en aan zijne wagens en ruiters. 19 Toen verhief zich de Engel Gods, die voor Israels heir uittrok, en begaf zich achter hen; en de wolkkolom week ook van hun aangezicht en trok achter hen, 20 en zij kwam tusschen het heir der Egyptenaren en Israels heir, en het was eene duistere wolk, maar zij verlichtte den nacht; zoodat den geheelen nacht de één niet tot den ander kon komen. 21 Toen nu Mozes zijne ■hand uitstrekte over de zee, liet de Heer de zee door een sterken oostenwind wegdrijven, dien geheelen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren scheidden zich van elkander. 23 En de kinderen Israels gingen er in, midden in de zee, op het droge, en het water was hun tot muren ter rechter- en ter linkerhand. 33 En de Egyptenaars |
US 15.
EXOD
133
|
volgden en gingen er in, hen acliterna, alle paarden van Farao, zijne wagens en ruiters, midden in de zee. 24 Als nu de morgen-wake kwam, zag de Heer uit de vuurkolom en de wolk op liet heir der Egyptenaren, en maakte eon schrik in hun heir, 23 en stiet do raderen van hunne wagens, en stortte hen met onstuimigheid neder. Toen spraken de Egyptenaars: Laat ons vlieden van Israël, want de Heer strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. 26 Èn de Heer sprak tot Mozes: Strek uwe hand uit over de zee, opdat het water wederom valle over de Egyptenaars, over hunne wagens en ruiters. 27 Toen strekte Mozes zijne hand uit over de zee, en de zee kwam vóór den morgen weder in haren stroom, en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet: al-zoo stortte de Heer hen midden in de zee. 28 Toen kwam het water weder, en bedekte wagens, en ruiters, en al de macht van Farao die hen gevolgd was in de zee, zoodat niet één van hen overbleef. |
29 Maar de kinderen Israels gingen droog midden door de zee, en het water was hun tot muren ter rechter* en ter linkerhand. 80 Alzoo hielp de Heer Israël op dien dag uit de hand der Egyptenaren; en zij zagen de Egyptenaars dood aan den oever der zee. 31 En Israël zag de groote macht welke de Heer aan de Egyptenaars betoond had; en het volk vreesde den Heer, en zij geloofden hem en zijnen knecht Mozes. HOOFDSTUK 15. 1 Toen zongen Mozes en de kinderen Israels dit lied den Heere, en spraken: Ik zal den Heer zingen, want hij heeft eene heerlijke daad gedaan: paard en wagen heeft hij in de zee gestort. 2 De Heer is mijne sterkte en mijn lofzang, en hij is mijn heil; deze is mijn God, ik zal hem prijzen; hij is de God mijns vaders, ik zal hem verheffen. 3 l)e Heer is de rechte krijgsman; Heer iszijnnaam. 4 De wagens van Farao en zijne macht wierp hij in de zee, zijne uitgelezene hoofdlieden verzonken in do Schelfzee: 5 de diepte heeft hen bedekt, zij gingen tegronde als stoenen. 6 Heer, uwe rechterhand |
EXOD
134
US 15.
|
doet groote wonderen; Heer, uwe recliterhnnd heeft de vijanden verslagen; 7 en met uwe groote lieer-lijkkeid liebt gij uwe tegenpartij ternedergestort; want toen gij uwe grimmigheid uitliet, verteerde zij hen als stoppels. 8 Door uw blazen hoopten zich de wateren op. en de vloeden stonden overeind; de diepte verstijfde in het midden der zee. 9 De vijand dacht: Ik zal hen najagen, en ze achterhalen, en den buit uit-deelen, en mijnen moed aan hen koelen; ik zal mijn zwaard uittrekken, en mijne hand zal ze verderven: — 10 toen liet gij uwen wind blazen, en de zee bedekte hen, en zij verzonken als lood in machtige wateren. 11 Heer, wie is u gelijk onder de goden? Wie is u gelijk, die zoo machtig, heilig, verschrikkelijk, lottelijk en wonderdadig is? 12 Toen gij uwe rechterhand uitstrektet, verslond hen de aarde. 13 Gij hebt door uwe barmhartigheid uw volk geleid hetwelk gij verlost hebt, en hebt hen door uwe sterkte gevoerd tot uwe heilige woning. |
14 Toen de volken dat hoorden, beefden zij; angst overviel de Klistijnen; 15 toen verschrikten de vorsten van Edom, siddering beving Moabs geweldigen, al de inwoners van Kanaiin werden moedeloos. 10 Laat verschrikking en vrees hen overvallen door uwen grooten arm; dat zij verstijven als steenen, totdat uw volk, Heer, er doorheen kome, totdat er doorheen kome het volk hetwelk gij I verworven hebt. 17 Breng hen daarin, en plant ze op den berg uws erfdeels, dien gij Heer u tot eene woning gemaakt hebt, tot uw heiligdom. Heer, hetwelk uwe handen bereid hebben. 18 De Heer zal koning-zijn altoos en eeuwiglijk; 19 want Farao trok in de zee met paarden en wagens en ruiters, en de Heer liet de zee weder over hen vallen; maar de kinderen Israels gingen droog midden dooide zee. 20 En Mirjam de profetes, Aarons zuster, nam eeno trommel in hare hand; en alle vrouwen volgden haar naarbuiten met trommels en in reien. 21 En Mirjam zong haar voor: Laat ons den Heer zingen, want hij heeft eene |
EXODUS 16.
135
|
heerlijke daad gedaan: man en paard heeft hij in de zee gestort. 22 Toen liet Mozes de kinderen Israels opbreken, van de Schelfzee af tot in de woestijn Sur; en zij reisden drie dagen in de woestijn, dat zij geen water vonden. 23 Toon kwamen zij te Mara; doch zij konden het water te Mara niet drinken, want het was bitter: daarom noemt men de plaats Mara. SJi Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 23 En hij riep tot den Heer, en de Heer wees liem houtgewas, dat deed hij in het water: toen werd het zoet. Aldaar gaf hij hun eene wet, en verzocht hen, 26 en sprak: Is het dat gij naar de stein van den Heer uwen God zult hooren, en doen wat recht is voor hem, en uwe ooren neigen tot zijne geboden, en houden al zijne wetten, zoo zal ik geen van die krankheden op u leggen, die ik op Egypte gelegd heb; want ik ben de Heer uw geneesmeester. 27 En zij kwamen te Elim; daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig pahn-boomen; en zij legerden zich aldaar aan het water. |
HOOFDSTUK 1G. 1 Daarna trokken zij van Elim, en de geheele gemeent'e der kinderen Israels kwam in de woestijn Sin, die tus-schen Elim en Sinaï ligt, op den vijftienden dag der tweede maand nadat zij uit Egypte getrokken waren. 2 En de geheele gemeente der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en Aiiron in de woestijn, 3 en zij spraken tot hen: Wilde God dat wij in Egypte gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleeschpotten zaten, en de volheid van brood te eten hadden! Want gij hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze geheele gemeente van honger te laten sterven. 4 Toen sprak de Heer tot Mozes: Zie, ik wil ulieden brood van den hemel laten regenen; en het volk zal uitgaan en dagelijks verzamelen wat zij op dien dag noodig hebben, opdat ik hen be-proeve of zij in mijne wet wandelen of niet. 5 Maar op den zesden dag zullen zij zich schikken, om dubbel zooveel intedragen als zij anders dagelijks verzamelen. 6 Toen spraken Mozes en |
EXODUS 16.
136
|
Aaron tot al de kinderen Israels; Op den avond zult gij gewaarworden dat de Heer u uit Egypteland gevoerd lieeft; 7 en morgen zult gij de heerlijkheid desHeeren zien, want Lij heeft uw murmu-reeren tegen den Heer gehoord; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert? 8 Yerder sprak Mozes: Do Heer zal u op den avond vleesch te eten geven, en aan den morgen brood in volheid, omdat de Heer uw murmureeren gehoord heeft dat gij tegen hem gemurmureerd hebt; want wat zijn wij? Uw murmureeren is niet tegen ons maar tegen den Heer. 9 En Mozes sprak tot Ailron: Zeg tot de geheele gemeente der kinderen Israels: Komt herwaarts voor den Heer, want hij heeft uw murmureeren gehoord. 10 En toen Ailron zoo sprak tot de geheele gemeente der kinderen Israels, keerden zij zich naar do woestijn, en zie, de heerlijkheid des Hee-ren verscheen in eene wolk. 11 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: |
12 Ik lieb liet murmureeren der kinderen Israels gehoord: zeg hun: Tusschen de beide avonden zult gij vleesch te eten hebben, en aan den morgen met brood verzadigd worden; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer uw God ben. 13 En op den avond kwamen er kwakkels op, die bedekten het leger, en op den morgen lag de dauw rondom het leger: 14 en als de dauw weg was, zie, toen lag het in de woestijn, rond en klein, als de rijm op het land. 15 En toen de kinderen Israels dat zagen , zeiden zij onder elkander: Het is manna; want zij wisten niet wat het was. Maar Mozes sprak tot hen: Het is dat brood hetwelk de Heer u te eten gegeven heeft. 16 Dit nu is wat de Heer geboden heeft: Ieder verza-mele daarvan zooveel hij zelf eten kan, en neme een go-nier voor elk hoofd, naar het getal der zielen die in zijne hut zijn. 17 En de kinderen Israels deden zoo; en zij verzamelden de een veel, de ander weinig. 18 Doch toen men het met den gomer mat, vond hij die veel verzameld had niets over, en hij niets minder die weinig verzameld had; maar ieder had verza- |
EXODUS 16.
137
|
meld zooveel liij zelf eten kon. 19 En Mozes sprak tot hen: Niemand late iets daarvan over tot den morgen. 20 Maar zij hoorden niet naar Mozes, en sommigen lieten daarvan over tot den morgen: toen wiesen er wormen in en het werd stinkend; en Mozes werd zeer toornig op hen. 21 Zij dan verzamelden dat eiken morgen, zooveel ieder zelf eten kon; maar als de zon heet werd versmolt het. 22 En op den zesden dag verzamelden zij van dat brood dubbel, telkens twee gomers voor ieder; en alle oversten der gemeente kwamen en verkondigden het aan Mozes. 23 En hij sprak tot hen: Dit is het wat de Heer gezegd heeft: morgen is de sabbat der heilige rust des Heeren: wat gij bakken wilt, bakt dat, en wat gij koken wilt, kookt dat; maar wat overig is, laat dat overblijven, opdat het bewaard worde tot den morgen. 31 En zij lieten het overblijven tot don morgen, gelijk Mozes geboden had: toen werd het niet stinkend, en er was ook geen worm in. 25 Toen sprak Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des Heeren; |
gij zult het heden niet vinden op het veld. 26 Zes dagen zult gij verzamelen, maar de zevende dag is de sabbat, op dien dag zal het er niet zijn. 27 Maar op den zevenden dag gingen eenigen van het volk uit om te verzamelen, maar zij vonden niets. 28 Toen sprak de Heer tot Mozes: Hoelang weigert gijlieden mijne geboden en wetten te houden? 29 Zie, de Heer heeft u den sabbat gegeven, daarom geeft hij u op den zesden dag voor twee dagen brood; dus blijve dan een ieder tezijnent, en niemand ga uit van zijne plaats op den zevenden dag. 80 Alzoo rustte het volk op den zevenden dag. 31 En het huis Israels noemde het manna; en het was als korianderzaad, en wit, en het had een smaak als meelbloem met honig. 33 En Mozes sprak: Dit is het wat de Heer geboden heeft: Vul een gomer .daarvan om te bewaren voor uwe nakomelingen, opdat men het brood zie waarmede ik u gespijsd heb in deze woestijn, toen ik u uit Egypteland voerde. 33 En Mozes sprak tot |
ÜS 17.
trekken, oplat gij ons, onze kinderen en ons vee van dorst zoudt laten sterven?
4 Mozes riep tot den Heer, zeggende: Wat zal ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij nog steenigen.
5 De Heer sprak tot hem: Ga voor het volk uit en neem eenige oudsten van Israël met u, en neem uwen staf in uwe hand, met welken gij het water sloegt, en ga heen:
6 zie, ik zal aldaar voor u staan, op eene steenrots in Horeb; daar zult gij de steenrots slaan, zoo zal er water uitloopen , opdat het volk drinke. En Mozes deed alzoo voor de oudsten van Israel.
7 Toen noemde men die plaats Massa en Meriba, wegens den twist der kinderen Israels, en omdat zij den Heer verzocht, en gezegd hadden: Is de Heer onder ons of niet?
8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Ea-fklim.
9 En Mozes sprak tot Jozua: Kies ons mannen uit, trek uit en strijd tegen Amalek; morgen zal ik op den top des heuvels staan , en den siaf Gods in mijne hand hebben.
138 EXOD
Aaron: Neem eene kruik en doe een gomer vol manna daarin, en zet die vóór den Heer, om te bewaren voor uwe nakomelingen.
34 Gelijk de Heer Mozes geboden liad, zoo zette Aiiron die aldaar, nevens de ark der getuigenis, om bewaard te worden.
85 En de kinderen Israels aten manna veertig jaar, totdat zij in een bewoond land kwamen; tot aan de grenzen van het land Kanailn aten zij manna.
3C Een gomer nu is het tiendedeel van een efa.
HOOFDSTUK 17.
1 En de geheele gemeente der kinderen Israels trok op uit de woestijn Sin, volgens hunne dagreizen, gelijk de Heer hun geboden had; en zij legerden zich te Eafi-dim. Daar had het volk geen water om te drinken.
3 En zij twistten met Mozes en spraken: Geef ons water, opdat wij drinken. Mozes sprak tot hen : Wat twist gij met_ mij? Waarom verzoekt gij den Heer?
3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, murmureerden zij tegen Mozes en spraken: Waarom hebt gij ons uit Egypte laten
EXODUS 18.
139
|
10 En Jozua deed gelijk Mozes tot hem gezegd had, en hij streed tegen Anmlelc; maar Mozes, Aiiron en Hur klommen op den top des heuvels. 11 En wanneer Mozes zijne handen ophief, won Israël; maar als hij zijne handen nederliet, won Amalek. 12 Maar Mozes handen werden zwaar; daarom namen zij een steen en leiden dien onder hem, om er op te zitten, en Aaron en Hur ondersteunden zijne handen, aan elke zijde één: alzoo bleven zijne handen vast, totdat de zon onderging. 13 En Jozua versloeg Amalek en zijn volk dooide scherpte des zwaards. 14 En de Heer sprak tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en beveel het voor de ooren van Jozua; want ik wil Amalek verdelgen van onder den hemel, dat men aan hem niet meer gedenken zal. 15 En Mozes bouwde een altaar, en noemde hem: De Heer is mijn banier. 16 Want hij sprak: Het is een gedenkteeken bij den troon (les Heeren, dat de Heer strijden zal tegen Amalek, van geslacht tot geslacht. |
HOOFDSTUK 18. 1 En toon Jethro, de priesterin Midian, deschoon-vader van Mozes, hoorde alwat God gedaan had aan Mozes en aan zijn volk Israël , dat de Heer Israël uit Egypte gevoerd had, 3 zoo nam hij Zippora, Mozes huisvrouw, welke deze teruggezonden had; 3 en hare twee zonen, de één genaamd Gersom, want hij sprak: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land; 4 en de ander Eliëzer, want hij sprak: De God mijns vaders is mijne hulp geweest, en heeft mij gered van Farao's zwaard. 5 Toen nu Jethro, Mozes schoonvader, en zijne zonen, en zijne huisvrouw tot hem kwamen in de woestijn aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, 6 zoo liet hij Mozes zeggen : Ik Jethro, uw schoonvader , ben tot u gekomen, en uwe huisvrouw, en beide hare zonen met haar. . 7 Toen ging Mozes hem tegemoet naa rbuiten, en boog zich voor hem, en kuste hem; en toen zij elkander gevraagd hadden naar hunnen welstand, gingen zij in de hut. |
EXODUS 18.
140
|
8 Toen verhaalde Mozes aan zijnen schoonvader al-wat de Heer aan Farao en de Egyptenaars wegens Israël gedaan had, en al de moeite die hun op dien weg ontmoet was, en dat de Heer hen gered had. 9 En Jethro verheugde zich over al het goede hetwelk de Heer aan Israël gedaan had, dat hij het gered had uit de hand der Egyptenaren; 10 en .Tethro sprak: Geloofd zij de Heer, die u-lieden gered heeft uit de hand der Egyptenaren en uit Farao's hand, die zijn volk uit de hand der Egyptenaren weet te redden: 11 nu weet ik dat de Heer grooter is dan alle goden, omdat zij hoogmoedig tegen hem gehandeld hebben. 12 En Jethro, Mozes schoonvader, nam een brandoffer en offerde Gode; toen kwam Ailron en al de oudsten van Israël, met Mozes schoonvader, om het brood te eten voor God. 13 Des anderen daags zette zich Mozes om het volk te richten, en het volk stond rondom Mozes van den morgen tot den avond. 14 Toen nu zijn schoonvader zag alwat hij voor het volk deed, sprak hij: 1 |
Wat is het dat gij voor t het volk doet? quot;Waarom zit staat rondom u van den o morgen tot den avond? i 2 15 Mozes antwoordde hem: t Dit volk komt tot mij en i vraagt God om raad; t 16 want als zij eene zaak i te doen hebben, zoo komen zij tot mij, opdat ik richte i tusschen den man en zijnen lt; 17 Zijn schoonvader sprak tot hem; Het is niet goed wat gij doet: 18 gij vermoeit u teveel, alsook dit volk dat bij u is; deze zaak is u te zwaar, gij kunt die alleen niet i uitvoeren. 19 Maar hoor naar mijne stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn: bedien gij het volk bij God, en breng de zaken voor God; 20 en stel hun de rechten en wetten voor, opdat gij hun den weg leert dien zij wandelen en de werken die zij doen moeten. 21 Maar zie om, onder al het volk, naar oprechte lieden, die God vreezen, waarachtig en van de gie- I righeid afkeerig zijn; stel die over hen, sommigen over duizend, anderen over 7 |
EXODUS 19.
141
|
honderd, anderen over vijftig, en anderen over tien: 22 dat zij dit volk altijd richten; maar indien er eene groote zaak is, dat zij dio tot ii brengen, en dat zij alle kleine zaken richten; zoo zal het u lichter vallen, en zij zullen met dragen. 23 Indien gij dat doet, zoo kunt gij verrichten wat God u gebiedt, en al dit volk kan in vrede gaan naar zijne plaats. 24 Mozes hoorde naar het woord van zijnen schoonvader, en deed al wat hij zeide; 25 en hij verkoos oprechte lieden uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk, sommigen over duizend, anderen over honderd, anderen over vijftig, en anderen over tien; 20 dat zij het volk altijd richten zouden, maar wat zware zaken waren, tot Mo-zes brengen, en zij al de kleine zaken richten zonden. 27 Alzoo liet Mozes zijnen schoonvader naar zijn land trekken. HOOFDSTUK 19. 1 In de derde maand na den uittocht der kinderen Israels uit Egypteland, kwamen zij op dienzelfden dag in de woestijn Sinaï. |
2 Want zij waren uitgetrokken van Kafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï; en zij legerden zich in de woestijn aldaar tegenover dien berg. 3 En Mozes klom op tot God, en do Heer riep van den berg tot hem, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakol) zeggen, en den kinderen Israels verkondigen: 4 Gijlieden hebt gezien wat ik den Egyptenaren gedaan heb, en hoe ik u gedragen heb op arendsvleugelen , en u tot mij gebracht heb: 5 indien gij nu naar mijne stem zult hooren en mijn verbond houden, zoo zult gij mijn eigendom zijn onder alle volken, want de ge-heele aarde is de mijne; C en gij zult mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden welke gij den kinderen Israels zeggen zult. 7 Mozes kwam en riep de oudsten van het volk, en leide hun al deze woorden voor, welke de Heer hem geboden had. 8 En al het volk antwoordde tegelijk, en zij spraken: Al wat de Heer ge- |
EXODUS 19.
142
|
sproken heeft zullen wij doen. En Mozes zeide de woorden des volks den Heer wederom. 9 En de Heer sprak tot Mozes: Zie, ik zal tot u komen in eene dikke wolk, opdat dit volk mijne woorden hoore welke ik met n spreek, en u geloove eeu-wiglijk. En Aiozes had den Heer de woorden des volks verkondigd. 10 En de Heer sprak tot Mozes: Ga heen tot liet volk, en heilig het heden en morgen, dat zij hunne kleederen wasschen, 11 en bereid zijn op den derden dag; want op den derden dag zal de Heer voor al het volk afkomen op den berg Sinaï. 12 En maak eene omheining rondom voor het volk, zeggende: Wacht u op den berg te kimmen, en zijn einde aanteraken; want wie den berg aanraakt , die zal den dood sterven; 13 geen liand zal hem aanraken, maar hij zal ge-steenigd of doorschoten worden ; hetzij beest of mensch, het zal niet in het leven blijven. Maar wanneer er een aanhoudend geluid gemaakt wordt, dan zullen zij tot den berg gaan. — 14 En Mozes klom af van den berg tot het volk en heiligde het; en zij wieschen hunne kleederen. |
13 En hij sprak tot hen; Zijt bereid op den derden dag, en niemand genake tot eene vrouw. 16 Als nu de derde dag kwam, en het morgen was, toen verhief zich op den berg een donderen en bliksemen, en eene dikke wolk, en het geluid van eene zeer sterke bazuin; en al het volk dat in het leger was verschrikte. 17 En Mozes voerde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij traden beneden aan den berg. 18 En de geheele berg Sinaï rookte, daarom dat de Heer met vuur neder-kwam op den berg; en de rook ging op als de rook van een oven, zoodat de geheele berg zeer beefde; 19 en het geluid der bazuin werd hoe langer hoe sterker. Mozes sprak, en God antwoordde hem overluid. 20 Als nu de Heer neder-gekomen was op den berg Sinaï, bovenop zijnen top, riep hij Mozes op den top des bergs; en Mozes klom op. 21 Toen sprak de Heer tot hem: Klim af, en betuig aan |
US 30.
EXOD
143
|
dit volk, dat zij niet doorbreken tot den Heer om hem te zien, en velen van lien vallen. 32 Daarenboven ook zullen de priesters die tot den Heer naderen zich heiligen, opdat de Heer hen niet ver-plettere. 33 Mozes nu sprak tot den Heer: Het volk kan niet op den berg Sinaï klimmen; want gij hebt ons betuigd en gezegd: Maak eene omheining rondom den berg, en heilig hem. 24 En de Heer sprak tot hem: Ga heen, klim af; gij en Aaron met u zult opklimmen ; maar de priesters en het volk zullen niet doorbreken noch opklimmen tot den Heer, opdat hij ze niet verplettere. 35 En Mozes klom af tot het volk en zeide het hun. HOOFDSTUK 20. 1 En God sprak al deze woorden: 2 Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, gevoerd heb. 3 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht' hebben. 4 Gij zult u geen beeld nocheenige gelijkenis maken, noch van hetgeen boven in den hemel, noch van hetgeen beneden op de aarde, noch van hetgeen in het water onder de aarde is. |
5 Aanbid ze niet en dien ze niet; want ik de Heer uw God ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, tot in het derde en vierde lid dergenen die mij haten; 6 en doe barmhartigheid aan vele duizenden, dengenen die mij liefhebben en mijne geboden houden. 7 Gij zult den naam van den Heer uwen God niet misbruiken, want de Heer zal niet ongestraft laten wie zijnen naam misbruikt. 8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt; 9 zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 maar op den zevenden dag is de sabbat van den Heer uwen God, dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon noch uwe dochter, noch uw knecht noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling die in uwe poorten is; 11 want in zes dagen heeft de Heer hemel en aarde gemaakt, en de zee en al wat daarin is, en hij rustte op den zevenden dag: daarom zegende de Heer den sabbatdag en heiligde hem. 12 Gij zult uwen vader en |
EXODUS 21.
144
|
uwe moeder eeren, opdat gij lang leeft in liet land hetwelk de Heer uw God u geeft. 13 Gij zult niet dooden. 14 Gij zult geen overspel doen. 15 Gij zult niet stelen. lö Gij zult geen valscho getuigenis spreken tegen uwen naaste. 17 Gij zult niet begeeren uws naasten liuis, gij zult niet begeeren uws naasten huisvrouw , nocli zijnen knecht noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is. 18 En al het volk zag den donder en bliksem, en bet geluid der bazuin, en den berg rooken; en toen zij dat zagen, weken zij terug en bleven van verre staan, 19 en zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, wij zullen hooren; maar laat God niet met ons spreken, opdat wij niet sterven. 20 Maar Mozes sprak tot het volk: Vreest niet; want God is gekomen om u te beproeven en zijne vrees voor uwe oogen te doen zijn, opdat gij niet zondigt. 21 Alzoo stond het volk van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid in welke God was. 22 En de Heer sprak tot |
Mozes: Dus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gijlieden hebt gezien dat ik van den hemel met u gesproken heb. 23 Daarom zult gij nevens mij niets maken, zilveren en gouden goden zult gij u niet maken. 24 Maak mij een al taai-van aarde, om uwe brttnd-oflers en dankofl'ers, uwe schapen en runderen daarop te offeren; want aan elke plaats waar ik mijns naams gedachtenis stichten zal, zal ik tot ii komen en u zegenen. 25 En indien gij mij een steenen altaar wilt maken, zoo zult gij dien niet van gehouwen steenen bouwen; want als gij met uw houw-ijzer daaraan komt, zoo zult gij hem ontheiligen. 26 Gij zult ook niet met trappen tot mijnen altaar opklimmen, opdat uwe schaamte daarbij niet ontdekt worde. HOOFDSTUK 21, 1 Dit zijn de rechten welke gij hun zult voorstellen. 2 Als gij een Hebreeuw-schen knecht koopt, die zal u zes jaren dienen; in het zevende jaar zal hij vrij en omniet uitgaan. 3 Is hij zonder vrouw gekomen , zoo zal hij ook zon- |
EXODUS 21.
145
|
der vrouw uitgaan; maar is hij met eene vrouw gekomen, zoo zal zijne vrouw met liem. uitgaan. 4 Maar heeft zijn heer hem eene vrouw gegeven, en heeft liij zonen of dochters verwekt, zoo zal de vrouw met hare kinderen haars heeren zijn, en hij zal zonder vrouw uitgaan. 5 Maar zegt de knecht: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen lief, ik wil niet vrij worden; G zoo brenge hem zijn heer voor de goden, en stelle hem aan de deur of aan den post, en bore hem mot een priem door zijn oor, en hij zij zijn knecht eeuwiglijk. 7 Verkoopt iemand zijne dochter tot eene dienstmaagd , zoo zal zij niet uitgaan gelijk de knechten. 8 Maar behaagt zij haren heer niet, en wil hij haar niet ten huwelijk helpen, zoo zal hij ze doen lossen; maar aan een vreemd volk haar te verkoopen, daartoe heeft hij geen macht, omdat hij ze versmaad heeft. 9 Maar ondertrouwt hij. ze aan zijnen zoon, zoo zal hij naar het recht der dochters aan haar doen. 10 Maar geeft hij hem eene andere, zoo zal hij haar voedsel, bedeksel en huwelijksplicht niet onttrekken. |
11 Indien hij haar deze drie dingen niet bewijst, zoo zal zij vrij uitgaan, zonder losgeld. 12 Wie een mensch slaat dat hij sterft, die zal den dood sterven. 13 Doch heeft hij hem niet vervolgd, maar heeft God hem onverhoeds in zijne hand laten vallen, zoo zal ik u eene plaats stellen waarheen hij vlieden kan. 14 Maar indien iemand moedwil lig tegen zijnen naaste handelt, en hem met list doodt, zoo zult gij dien van mijnen altaar nemen, opdat men hem doode. 15- Wie zijnen vader ot zijne moeder slaat, die zal den dood sterven. 16 Wie een mensch steelt, hetzij hij hem verkoopt of dat men dien bij hem vindt, die zal den dood sterven. 17 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal den dood sterven. 18 Wanneer mannen met elkander twisten, en de cén slaat den ander met een steen of met de vuist, zoodat hij niet sterft maar te bed moet liggen: l'J komt hij op, dat hij uitgaat, leunende op zijnen stok, zoo zal degeen die hem sloeg onschuldig zijn, mits- |
EXODUS 21.
146
|
dat hij keni betale wat hij verzuimd heeft, en hem late genezen. 30 Wie zijnen knecht of zijne dienstmaagd met een stok slaat, zoodat hij onder zijne handen sterft, die zal er voor gestraft worden. 21 Maar blijft hij één dag of twee dagen in leven, zoo zal hij er niet voor gestraft worden; want hij was zijn geld. 22 Als mannen met elkander twisten, en mishandelen eene zwangere vrouw, zoodat haar de vrucht afgaat, en haar geen schade geschiedt, zoo zal men den dader in de beurs straffen, zooveel de man der vrouw hein oplegt, en hij zal het naar de uitspraak van scheidslieden geven; 23 maar lijdt zij eenige schade daarvan, zoo zal hij geven ziel voor ziel, 24 oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, 25 brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. 26 En wanneer iemand zijnen knecht of zijne dienstmaagd in het oog slaat en het verderft, die zal ze vrijlaten om dat oog. 27 Desgelijks wanneer hij zijnen knecht of zijne dienstmaagd een tand uitslaat, zoo zal hij ze vrijlaten om dien tand. |
28 Wanneer een os een man of- eene vrouw stoot zoodat die sterft, zoo zal men den os steenigen, en zijn vleesch niet eten; dan is de heer van den os onschuldig. 39 Maar is de os tevoren stootig geweest, en het is zijnen heer bericht, en quot;hij heeft hem niet bewaard, en hij doodt om die reden een man of eene vrouw, zoo zal men dien os steenigen, en zijn heer zal óók sterven. 30 Maar indien men hem losgeld oplegt, zoo zal hij om zijn leven te lossen alles geven wat men hem oplegt. 31 Op gelijke wijze zal men met hem handelen wanneer hij een zoon of eene dochter stoot. 33 Maar stoot de os een knecht of eene dienstmaagd, zoo zal hij zijnen heer dertig zilveren sikkels geven, en den os zal men steenigen. 33 Indien iemand een kuil opent of een kuil graaft, en dekt hem niet toe, en een os of een ezel valt daarin, 34 zoo zal de heer des kuils het den ander met geld betalen ; doch het aas zal het zijne zijn. 35 Wanneer iemands os een anderen os stoot zoodat die sterft, zoo zal men den |
EXODUS 22.
147
|
levenden os verkoopen, en het geld dealen, en het aas óók deelen. 36 Maar is hot bekend geweest dat die os tevoren stootig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zoo zal hij er een anderen os voorgeven, enhetaas hebben. HOOFDSTUK 22. 1 Wanneer iemand een os of een schaap steelt, en slacht het of verkoopt het, die zal vijf ossen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een schaap. 2 Wanneer een dief gegrepen wordt als hij inbreekt, en daarbij geslagen wordt zoodat hij sterft, zoo zal men geen blocdgericht over hem laten gaan. 3 Maar is de zon over hem opgegaan, zoo zal men het bloedgericht laten gaan; maar de dief zal het wedergeven: heeft hij het niet, zoo verkoope men hem voor zijnen diefstal. 4 Maar vindt men het gestolene, hetzij os of ezel of schaap, nog levend bij hem, zoo zal hij het dubbel wedergeven. 5 Wanneer iemand een akker of wijnberg beschadigt, of zijn vee laat schade doen in eens anders akker, die zal het van het beste zijns akkers en wijnbergs wedergeven. |
6 Wanneer er een vuur ontstoken wordt in de doornen, en het verbrandt do schoven, of het koren dat nog staat, of den akker, zoo zal hij die het vuur heeft aangestoken volkomen vergoeding geven. 7 Wanneer iemand zijnen naaste geld of goederen te bewaren geeft, en het wordt dien uit zijn huis gestolen: vindt men den dief, zoo zal die het dubbel wedergeven ; 8 maar vindt men den dief niet, zoo zal men den huiswaard voor de goden brengen, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have geslagen hebbe. 9 Wanneer de één den ander van eenig onrecht beschuldigt, hetzij over os of ezel of schaap, of kleederen, of iets dat verloren is, zoo zullen beider zaken voor de goden komen: wien de goden veroordeelen, die zal het zijnen naaste dubbel wedergeven. 10 Wanneer iemand zijnen naaste een ezel of os of schaap of eenig ander vee te bewaren geeft, en het sterft, of wordt beschadigd, of weggedreven zonder dat iemand het ziet, |
EXODUS 23.
148
|
11 zoo zal men liet onder hen op; een eed voor den Heer laten komen, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have geslagen hobbe; en de heer van het goed zal dien aannemen, en de ander zal het niet behoeven te betalen. 12 Maar ontsteelt het hem een dief, zoo zal hij het zijnen heer betalen. 13 Maar wordt het verscheurd, zoo zal hij bewijs daarvan brengen, en het niet betalen. 14 Wanneer iemand iets van zijnen naaste leent, en het wordt beschadigd of sterft, terwijl zijn heer er niet bij is, zoo zal hij het betalen; 15 maar is zijn heer er bij, zoo zal hij het niet betalen, omdat hij het voor zijn geld gehuurd heeft. 16 Wanneer iemand eene maagd verleidt die nog niet verloofd is, en hij beslaapt haar, zoo zal hij haar den bruidsschat geven en haar tot vrouw nemen. 17 Maar weigert haar vader haar aan hem te geven, zoo zal hij geld geven, zooveel aan eene maagd tot een bruidsschat toekomt. 18 De too veressen zult gij niet laten leven. 19 Wie een beest beslaapt, die zal den dood sterven. |
20 Wie den goden oflert, behalve den Heer alleen, die zal verbannen worden. 21 De vreemdelingen zult gij niet plagen noch onderdrukken, want gij zijt óók vreemdelingen in Egypte-land geweest. 22 Gij zult geen weduw noch wees beleedigen. 23 Indien gij ze beleedigt, zoo zullen zij tot mij roepen, en ik zal hun geroep ver-hooren,; 24 en mijn toorn zal zoo ontsteken, dat ik u met het zwaard dooden zal, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen worden. 23 Wanneer gij aan mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zoo zult gij niet zij ne schade zoeken, en er niet op woekeren. 26 Wanneer gij van uwen naaste een kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven eer de zon ondergaat ; 27 want zijn kleed is het éónige bedeksel zijner huid, waarin hij slaapt; en als hij tot mij zal roejien, zoo zal ik hem verhooren, want ik ben genadig. 28 De goden zult gij niet vloeken, en den overste on- |
EXODUS 23.
149
|
ven. der uw volk zult gij niet lert, lasteren. een, 39 Uwe volheid en uwe ivor- tranen zult gij niet uitstellen : uwen eerstgeboren zoon zult zult gij mij geven, der- 30 Zoo zult gij ook doen ook met uwen os en met uwe pte- schapen; laat die zeven dagen bij hunne moeder zijn, uw op den achtsten dag zult gij ze mij geven, gt, 31 Gij zult mij heilige en, lieden zijn; daarom zult gij rer- geen vleesch eten dat op het veld door de dieren ver-2oo scheurd is, maar gij zult iet het voor de honden werpen. e® HOOFDSTUK 23. 3r- 1 Gij zult geen valsch ge rucht overbrengen, zoodat gij [jn den goddelooze bijstand doet s, en een valsch getuige zijt. et 3 Gij zult de menigte niet et volgen tot het kwade, en niet antwoorden voor het m gericht, opdat gij niet, naar tl de menigte neigende, van u het recht wijkt, i- 3 Gij zult de zaak van den geringe niet opsieren, t 4 Wanneer gij uws vijands , os of ezel ontmoet, en ziet j dat hij dwaalt, zoo zult gij 1 ■ dien weder tot hem brengen. - 5 Wanneer gij den ezel desgenon die u haat onder ' zijnen last ziet liggen, wacht u dat gij hem niet verlaat. |
maar verzuim gaarne het uwe om zijnentwil. 6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijne zaak. 7 Wees verre van valsche zaken; den onschuldige en rechtvaardige zult gij niet dooden, want ik laat den goddelooze geen gelijk hebben. 8 Gij zult geen geschenk nemen; want de geschenken maken de zienden blind, en verkeeren dc zaken der rechtvaardigen. 9 Gij zult de vreemdelingen niet onderdrukken; want gij kent het hart der vreemdelingen , dewijl gij ook vreemdelingen geweest zijt in Egypteland. 10 Zes jaren zult gij uw land bezaaien, en zijne vruchten inzamelen; 11 maar in het zevende jaar zult gij het laten rusten en liggen, opdat de armen onder uw volk daarvan eten; en wat overblijft, laat dat het wild des velds eten. Alzoo zult gij ook doen met uwen wijnberg en olijfberg. 12 Zes dagen zult gij uwen arbeid doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en ezel rusten, en de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling zich verkwikken. |
EXOD
150
US 33.
|
13 Al wat ik ulieden gezegd lieb zult gij houden; en de namen van andere goden zult gij niet gedenken, en uit uwen mond zullen zij niet geboord worden. 14 Driemaal in het jaar zult gij mij feest houden. 15 Namelijk het feest dei-ongezuurde brooden zult gij houden, en zeven dagen ongezuurd brood eten, gelijk ik u geboden heb, ten tijde van de maand Abib, want in deze zijt gij uit Egypteland getrokken; doch verschijnt niet ledig voor mij. 16 En het feest van den oogst der eerste vruchten welke gij op het veld gezaaid hebt. En het feest der inzameling in het laatste van het jaar, wanneer gij uwen arbeid van het veld hebt ingezameld. 17 Driemaal in het jaar zullen al uwe mannen voor den Heer, den Heerscher, verschijnen. 18 Gij zult het bloed mijns offers niet met zuurdeeg offeren; en het vet van mijn feestoffer zal niet tot op den morgen overblijven. 19 De eerstelingen van de eerste vruchten uws velds zult gij in het huis van den Heer uwen God brengen, en zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder. |
20 Zie, ik zend een Engel \i voor u uit, die zal u be- sr hoeden op dezen weg, en u v: brengen tot de plaats welke ik bereid heb: v 21 daarom wacht u voor I zijn aangezicht, en hoor naar I zijne stem, en verbitter hem d niet; want hij zal uwe overtredingen niet vergeven, en jr mijn naam is in hem. h zult hooren, en doen alwat ti ik u zeggen zal, zoo zal ik 23 Als nu mijn Engel tot de Amorieten, Hethieten, e Eerezieten, Kanaanieten, He- d 24 zoo zult gij hunne goden \ niet aanbidden noch hen die- z nen, en niet doen gelijk zij goden omverwerpen en ver- 1: breken; 25 en gij zult den Heer r uwen God dienen: zoo zal i hij uw brood en uw water \ zegenen, en ik zal alle krank- t heden van u afwenden; i 26 erzalgeemnisdrachtige noch onvruchtbare vrouw in uw land zijn; en ik zal u oud laten worden; 27 ik zal mijnen schrik voor u uitzenden, en alle |
EXODUS 24.
151
|
volken waar gij komt versaagd maken, en zal al uwe vijanden op de vluclitdrijven; 38 ik zal ook landplagen voor ii uitzenden, die de Hevieten, Kanaiinieten en Hethieten voor u zullen uitdrijven. 29 Ik zal hen niet in één jaar voor u uitdrijven, opdat het land niet woest worde, en de wilde dieren zioli niet tegen u vermeerderen. 30 Ik zal hen allengskens na elkander voor u uitdrijven , totdat gij wast en liet land bezit. 31 En ik zal u tot landpalen geven de Schelfzee, en de zee der Eilistijnen, en de woestijn tot aan de rivier; want ik zal de 'inwoners van dat land in uwe hand geven , dat gij hen voor u heen zult uitdrijven. 32 Gij zult met hen en met hunne goden geen verbond maken. 33 Laat hen ook inet wonen in uw land, opdat zij u niet tegen mij verleiden; want indien gij hunne goden dient, zoo zal het u tot een valstrik zijn. HOOFDSTUK 24. 1 En hij sprak tot Mozes: Klim op tot den Heer, gij en Aaron, Nadab en Abilm, en de zeventig oudsten van |
Israël, en aanbidt van verre. 2 Mozes alleen kome nader tot den Heer, maar de anderen zullen niet naderen, en het volk klimme óók niet op met hem. 3 En Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des Heeren en al de rechten. Toen antwoordde al het volk met ééne stem en zeide: Al de woorden welke de Heer gesproken heeft zullen wij doen. 4 Toen schreef Mozes al de woorden des Heeren op, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en bouwde een altaar beneden aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. 5 En hij zond jongelingen uit de kinderen Israels, om den Heer brandoffers en dankoffers van varren daarop te offeren. G En Mozes nam do helft van het bloed en deed het in bekkens, en de andere helft van het bloed sprengde hij op .den altaar. 7 En hij nam het boek des verbonds, en las het voor de ooren des volks; en als zij zeiden: Alwat de Heer gesproken heeft zullen wij doen en zullen gehoorzamen, 8 nam Mozes dat bloed en besprengde het volk daar- |
EXODUS 25.
153
|
mede, en sprak; Zie, dat is liet bloed des verbonds hetwelk de Heer met u maakt, volgens al deze woorden. 9 Toen klom Mozcs op met Aiiron, Nadab en Abiliu, en de zeventig oudsten van Israël. 10 En zij zagen den God van Israël; onder zijne voeten was als een schoone saffier, en als de gestalte des hemels wanneer hij klaar is. 11 En hij strekte zijne hand niet uit naar die oversten van Israël; en toen zij God gezien hadden, aten en dronken zij. 13 En de Heer sprak tot Mozes: Kom tot mij op den berg en blijf aldaar, opdat ik u steenen tafelen geve, en wetten en geboden welke ik geschreven heb, en die gij hun leeren zult. 13 ïoen maakte Mozes zich op met zijnen dienaar Jozua, en Mozes klom op den berg Gods, 14 en hij zeide tot de oudsten: Blijft gij hier totdat wij weder tot u komen; zie, Aiiron en Hur zijn bij u: heeft iemand eenige zaak, die kome voor hen. 15 Toon nu Mozes op den berg kwam, bedekte eene wolk den berg; 16 en de heerlijkheid des Heeren woonde op den berg |
Sinaï, en bedekte hem zes dagen met de wolk; en op den zevenden dag riep hij Mozes uit de wolk. 17 En het aanzien van de heerlijkheid des Heeren was op den top des bergs als een verterend vuur voor de kinderen Israëls. 18 En Mozes ging midden in de wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en hij bleef op dien berg veertig dagen en veertig nachten. HOOFDSTUK 25. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Zeg den kinderen Israëls, dat zij mij een hefoffer brengen, en neöm het van elk die het vrijwillig brengt. 3 Dit nu is het heiofter hetwelk gij van hen nemen zult: goud, zilver, koper, 4 hemelsblauw, scharlaken, rozerood, witte zijde, geitehaar, 5 roodvervige ramsvellen, dassevellen, cederhout, 6 olie voor de lamp, specerijen tot zalfolie, en goed reukwerk; 7 onyxsteenen en ingezette steenen voor den lijfrok en voor den borstlap. 8 En zij zullen mij een heiligdom maken, opdat ik onder hen wone; |
EXODUS 23.
153
|
9 naar het voorbeeld, hetwelk ik u van de woning en van al haar gereedschap toonen zal, zult gij dat maken. 10 Maakt eene ark van cederhout: derdehalf el zal hare lengte zijn, anderhalf el hare breedte, en anderhalf el hare hoogte. 11 En gij zult ze van binnen en van buiten met fijn goud overtrekken; en maak boven van rondom een gouden krans. 13 En giet vier gouden ringen, en maak ze aan hare vier hoeken, zoodat twee ringen aan hare ééne zijde zijn, en twee aan hare andere zijde. 13 En maak handboomen van cederhout, en overtrek ze met goud; 14 en steek ze in de ringen aan de zijden van de ark, om zo daarmede te dragen; 15 en ze zullen inde ringen blijven en er niet uitgenomen worden. 16 En gij zult de getuigenis, welke ik n geven zal, in de ark leggen. 17 Gij zult ook een verzoendeksel van fijn goud maken : derdehalf el zal zijne lengte zijn, en anderhalf el zijne breedte. 18 En gij zult twee cherubs van louter goud nui' ken, aan de beide einden van het verzoendeksel; |
19 dat do ééne cherub zij aan dit einde, en de andere aan het andere einde, en alzoo twee cherubs aan de einden van het verzoendeksel zijn. 20 En de cherubs zullen hunne vleugels daarover uitbreiden, zoodat zij met hunne vleugels liet verzoendeksel bedekken, en elks aangezicht tegenover het andere zij, en hunne aangezichten zullen op het verzoendeksel zien. 21 En gij zult het verzoendeksel bovenop de ark zetten, en de getuigenis, welke ik u geven zal, in de ark leggen. 22 Aan die plaats zal ik met u samenkomen, en met u spreken van boven het verzoendeksel, tussehcn de twee cherubs die op de ark der getuigenis zijn, al wat ik u gebieden zal aan de kinderen Israels. 23 Gij zult ook eene tafel maken van cederhout: twee ellen zal hare lengte zijn, een el hare breedte, en anderhalf el hare hoogte. 21« En gij zult ze met fiju goud overtrokken, en een gouden krans van rondom daaraan maken; 25 en eene lijst rondom, |
EXODUS 26.
154
|
een handbreed hoog, en een gouden krans om de lijst heen. 26 En gij zult vier gouden ringen daaraan maken, aan de vier hoeken welke aan hare vier voeten zijn. 27 Dicht onder de lijst zullen de ringen zijn, om er de handboomen intedoen en de tafel te dragen. 28 En gij zult deze handboomen van cederhout maken, en ze met goud overtrekken, om de tafel daarmede tequot; dragen. 29 Gij zult ook hare schotels, bekers, kannen en schalen vau fijn goud maken, om daarmede uit- en inte-sohenken. 30 En gij zult op de tafel altijd toonbrooden vóór mij leggen. 31 Gij zult ook een kandelaar van fijn dicht goud maken; daaraan zal de schacht met hare stengen, schaaltjes, knoppen en bloemen zijn. 32 En zes stengen zullen uit de zijden des kandelaars uitgaan, uit elke zijde drie stengen. 33 Elke steng zal drie open schaaltjes, knoppen en bloemen hebben; dat zullen de zes stengen zijn uit den kandelaar. |
34 .Maar de schacht aan den kandelaar zal vier open schaaltjes met hunne knoppen en bloemen hebben; 35 en telkens een knop onder twee stengen, van welke er zes uit den kandelaar gaan; 30 want beide zijne knoppen en stengen zullen uit hem gaan, alles van dicht louter goud. 37 En gij zult zeven lampen daarbovenop maken, om tegenover elkander te lichten. 38 En zijne snuiters en bluschvaten zullen van fijn goud zijn. 39 Van een talent fijn goud zult gij dit maken, met al dit gereedschap. 40 En zie toe dat gij het maakt naar het voorbeeld hetwelk gij op den berg gezien hebt. HOOFDSTUK 2G. 1 De woning zult gij maken van tien tapijten van witte getweernde zijde, van hemelsblauw, scharlaken en rozerood; cherubs zult gij kunstig daarin maken. 2 De lengte van één tapijt zal achtentwintig el zijn, de breedte vier el, en zij zullen alle tien gelijk zijn. 3 En telkens zullen vijf tezamengevoegd zijn, het ééne aan het andere. |
EXODUS 26.
155
|
4 En gij zult striklisjes van hemelsblauw maken, aan eiken hoek des tapijts waar zij zullen tezatnengevoegd zijn, zooclat telkens twee en twee aan himne hoeken teza-mengehecht worden ; 5 vijftig striklisjes aan elk tapijt, zoodat hot ééne het andere teznmenvat. G En gij zult vijftig gouden haakjes maken, met welke men do tapijten tezamen-liecht, hot éóne aan het andere, opdat het ééne woning worde. 7 Gij zult ook een dekkleed van elf tapijten van geitehaar maken, tot een dokkleed over de woning. 8 De lengte van één tapijt zal dertig el zijn, maar de breedte vier el; en zij zullen alle elf evengroot zijn. 9 Yijf zult gij aan elkander voegen, en zes óók aan elkander, en het zesde tapijt dubbel maken vóóraan de hut. 10 En gij zult vijftig striklisjes aan elk tapijt, aan hunne hoeken, maken, opdat zij aan de einden aan elkander gehecht worden. 11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en de haakjes in de striklisjes doen, opdat de hut tezamen-gevoegd en ééne tent worde. |
13 En van het overige van de tapijten der hut zult gij de helft laten overhangen achteraan de hut, 13 op beide zijden één el lang; zoodat het overige zij aan de zijden der hut, en haar op beide zijden be-dekke. 14 Over dit dekkleed zult gij een dekkleed van rood-vervige ramsvellen maken, en daarover een dekkleed van dassevellen. 15 Gij zult ook stijlen maken voor de woning, van ce-derhout, die staan zullen: 16 tien el lang zal een stijl zijn, en anderhalf el breed. 17 Twee houvasten zal één stijl hebben, dat het ééne aan het andere kan gezet worden; zóó zult gij alle stijlen der woning maken. 18 Twintig van deze zullen staan tegen liet zuiden; 19 die zullen beneden veertig zilveren voetstukken hebben, telkens twee voetstukken onder eiken stijl, aan zijne twee houvasten. 30 Alzoo zullen ook op do andere zijde tegen het . noorden twin tig stijlen staan; 31 en veertig zilveren voetstukken, telkens twee voetstukken onder eiken stijl. 33 Maar achteraan de woning, tegen het westen, zult gy zes stijlen maken; |
EXODUS 26.
156
|
33 daarbij twee stijlen achteraan de twee hoeken der woning', 2-1 dat elk van die beide zich met zijnen hoekstijl van beneden-op samenvoegt, en boven aan het liool'd gelijk samenkomt met ééne kram; 25 zoodat er acht stijlen zijn met hunne zilveren voetstukken, van welke er zestien zullen zijn, telkens twee onder éénen stijl. 26 En gij zult stangen maken van cederhout, vijf voor de stijlen op de céne zijde der woning-, 27 en vijf voor de stijlen op de andere zijde der woning, en vijf voor de stijlen achteraan de woning tegen het westen. 28 En gij zult do stangen midden door de stijlen heensteken , en alles tezamenvat-ten, van den éénen hoek tot aan den anderen. 29 En gij zult de stijlen met goud overtrekken, en hunne ringen van goud maken, opdat men de stangen daarin doe; en de stangen zult gij met goud overtrekken. 30 En alzoo zult gij dan de ■woning oprichten, gelijker-wijs gij gezien hebt op den berg. 31 En gij zult een voorhangsel maken van hemelsblauw, scharlaken, rozerood, en getweernde witte zijde, en zult cherubs daarin maken, kunstiglijk. |
32 Eu gij zult het hangen aan vier pilaren van cederhout, die met goud overtrokken zijn; hunne haken zullen van goud zijn, en zij zullen vier zilveren voetstukken hebben. 33 En gij zult het voorhangsel met haakjes aanhechten , en de ark der getuigenis binnen het voorhangsel zetten, dat het ulie-den cene scheiding zij tus-schen het heilige en het allerheiligste. 34 En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark dei-getuigenis in het allerheiligste. 35 Maar de tafel zult gij buiten het voorhangsel zetten , en den kandelaar tegenover de tafel, aan de zuidzijde van de woning, zoodat de tafel staat tegen het noorden. 36 En gij zult een voorhangsel maken voor den ingang der hut, gewerkt van hemelsblauw, rozerood, scharlaken en getweernde witte zijde. 37 En gij zult voor dit voorhangsel vijf pilaren maken van cederhout, met goud overtrokken, met gouden haken; en zult daarvoor |
EXODUS 21.
157
|
vijf koperen voetstukken gieten. HOOFDSTUK 27. 1 En gij zult een altaar maken van cederhout, vijf el lang en breed, dat bij vierkant zij, en drie ei boog. 3 Gij zult zijne boornen op zijne vier hoeken maken, zijne boornen zullen buiten hem uitsteken; en gij zult hem met koper overtrekken. 3 En ook aschpotten, ascbscboppen, bekkens, vuurbaken, vuurpannen, al zijn gereedschap zult gij van koper maken. 4 Gij zult ook een koperen traliewerk maken als een net, en vier koperen ringen aan zijne vier boeken. 5 En gij zult bet van beneden-op rondom den omgang des altaars maken, zoodat het traliewerk strekt tot het midden van den altaar. 6 En gij zult ook hand-boomen maken voor den altaar, van cederhout met koper overtrokken, 7 en zult de handboomen in de ringen steken, zoodat de handboomen zijn aan beide zijden des altaars, om bem daarmede te kunnen dragen. |
8 En gij zult hem van planken maken, dat hij van binnen hol zij, zooals u op den berg getoond is. 9 Gij zult ook voor de woning een voorhof maken, een omhangsel van getweernde witte zijde, op de écne zijde honderd el lang, tegen het zuiden; 10 en twintig pilaren op twintig koperen voetstukken, en hunne haken met hunne roeden van zilver. 11 Alzoó zal ook tegen bet noorden een omhangsel zijn, honderd el lang; twintig pilaren op twintig koperen voetstukken, en hunne haken met hunne roeden van zilver. 13 En tegen het westen zal de breedte des voorhofs hebben een omhangsel, vijftig el lang, aan tien pilaren op tien voetstukken. 13 En tegen het oosten zal de breedte des voorhofs hebben vijftig el: 14 alzoo dat het omhangsel hebbe op de ééne zijde vijftien el, daarbij drie pilaren op drie voetstukken; 15 en wederom vijftien el op de andere zijde, en daarbij drie pilaren op drie voetstukken. 16 In de poort nu des voorhofs zal een voorhangsel zijn, twintig el breed, gewerkt van hemelsblauw, |
EXODUS 38.
158
|
soliarlaken, rozerood en getweernde witte zijde; daarbij vier pilaren op hunne vier voetstukken. 17 Alle pilaren, rondom den voorhof heen, zullen zilveren roeden en zilveren haken en koperen voetstukken hebben. 18 En de lengte des voor-hofs zal honderd el zijn, de breedte vijftig el, de hoogte vijf el, van getweernde witte zijde; en hunne voetstukken zullen van koper zijn. 19 Ook al het gereedschap der woning tot allerlei verrichting, en al hare nagels, en al de nagels van den voorhof zullen van koper zijn. 20 Gebied den kinderen Israels, dat zij tot u brengen de allerbeste zuiverste olie, van olijven gestooten, om te lichten, welke men altijd boven in de lampen doen zal, 21 in de hut des stiehts, buiten het voorhangsel dat vóór de ark der getuigenis hangt; en Ailron en zijne zonen zullen die toebereiden, beide des morgens en des avonds, voor den Heer; dit zal u eene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen, onder de kinderen Israels. HOOFDSTUK 28. |
1 En gij zult Aiiron uwen broeder en zijne zonen tot u nemen, uit de kinderen Israels, opdat hij mijn priester zij: namelijk Aiiron en zijne zonen. Nadab, Abihu, Ele-azar en Ithamar. 2 En gij zult voor Aiiron uwen broeder heilige Idee-deren maken, die heerlijk en schoon zijn. 3 En gij zult spreken met allen die wijs van hart zijn, welke ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij Aiiron kleederen maken tot zijne wijding, opdat hij mijn priester zij. 4 Dit nu zijn de kleederen welke zij maken zullen: een borstlap, lijfrok, zijden rok, enge rok, hoed en gordel; alzoo zullen zij heilige kleederen maken voor uwen broeder Aaron en voor zijne zonen, opdat hij mijn priester zij. 5 Daartoe zullen zij nemen goud, hemelsblauw, scharlaken, rozerood en witte zijde. 6 Den lijfrok zullen zij maken van goud, hemels-, blauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde, kunstiglijk; 7 dat hij op beide schouders samengevoegd en aan beide zijden samengebonden worde. 8 En zijn gordel zal van dezelfde kunst en van ééner- |
EXODUS 28.
159
|
lei werk zijn: van goud, hemelsblauw , scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde. 9 En gij zult twee onyx-steenen nemen, en daarop graveeren de namen der kinderen Israels, 10 op elk zes namen, naar de orde van hunnen ouderdom ; 11 dat zult gij doen door de steensnijders die de zegels graveeren; zoodat zij rondom in goud gezet worden. 12 En gij zult die op de schouders des lijfroks hechten , dat het steenen zijn tot eene gedachtenis voordekinderen Israels, opdat Aiiron hunne namen op beide zijne schouders drage voor den Heer, tot eene gedachtenis. 13 En gij zult gouden kasjes maken; 14 en gij zult twee ketenen van fijn goud maken, even-lang, de leden in elkander hangende; en zult die aan de kasjes doen. 15 Den borstlap des ambts zult gij maken naar de kunst, gelijk den lijfrok, van goud, hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde. 16 quot;Vierkant zal hij zijn en dubbel: een handbreed zal zijne lengte zijn, en een handbreed zijne breedte. |
17 En gij zult hem vullen met vier rijen steenen: de eerste rij zij een sardis, topaas en smaragd; 18 de tweede een robijn, saffier en diamant; 19 de derde een barnsteen, agaat en amethyst; 20 de vierde een turkoois, onyx en jaspis; in goud zullen zij gezet zijn, in alle rijen. 21 En zij zullen naar de twaalf' namen der kinderen Israels staan , gegraveerd door den steensnijder, elk met zijnen naam, naar de twaalf' stammen. 22 En gij zult ketenen voor den borstlap maken van fijn goud, evenlang, de leden in elkander hangende; 23 en twee gouden ringen aan den borstlap, zoodat gij die hecht aan twee hoeken van den borstlap, 24 en de twee gouden ketenen in die twee ringen doet, aan de beide hoeken van den borstlap; 25 maar de twee einden der twee ketenen zult gij aan twee kasjes doen, en ze hechten aan de schouders van den lijfrok tegenover elkander. 26 En gij zult twee andere gouden ringen maken, en die aan de twee andere hoeken van den borstlap |
EXODUS 28.
T
160
|
hechten, inwendig tegen den lijfrok. 27 En gij zult nog twee gouden ringen maken, en die aan de twee andere hoeken beneden aan den lijfrok tegenover elkander hechten, waar de lijfrok is samengevoegd, bovenaan den lijfrok, kunstiglijk. 28 En men zal den borstlap met zijne ringen met een hemelsblauw snoer aan de ringen des lijfroks knoopen, opdat hij op den kunstig ge-maakten lijfrok dicht aan-sluite, en de borstlap niet van den lijfrok losrake. 29 Alzoo zal Aiiron de namen der kinderen Israels dragen in den borstlap des ambts op zijn hart, als nij in het heilige gaat, tot eene gedachtenis voor den Heelal tijd. 30 En gij zult in den borstlap des ambts Licht en Eecht doen, opdat zij op Aarons hart zijn als hij ingaat voor den Heer, en dat hij het ambt der kinderen Israels op zijn hart drage, voor den Heer gestadig. 31 Gij zult ook den zijden rok onder den lijfrok maken geheel van hemelsblauw ; 32 en van boven in het midden zal eene opening zijn, en een boord rondom die opening tezamengevouwen, opdat zij niet scheure. |
33 En beneden, rondom aan zijnen zoom, zult gij granaatappels maken van hemelsblauw , scharlaken en rozerood; en daartusschen gouden schelletjes, óók rondom; 34 zoodat er een gouden schelletje zij, daarna een granaatappel, en nog een gouden schelletje, en wederom een granaatappel, rondom aan den zoom van den zijden rok. 35 En Aiiron zal hem aanhebben als hij dient, opdat men zijnen klank hoore als hij uit- en ingaat in het heilige voor den Heer, opdat hij niet sterve. 36 Gij zult ook eene voor-hoofdsplaat maken van fijn goud, en daarop graveeren, gelij k men de zegels graveert: DE HEILIGHEID DES HEEREN. 37 En gij zult haar hechten aan een hemelsblauw snoer vóóraan den hoed. 38 En zij zal op Aarons voorhoofd zijn, opdat alzoo Aiiron drage de misdaad van het heilige, hetgeen de kinderen Israels heiligen in alle gaven hunner heiliging; en zij zal altijd aan zijn voorhoofd zijn, opdat hij hen verzoene bij den Heer. 39 Gij zult ook den engen rok maken van witte zijde, |
EXOD
US 29.
161
|
en een hoed van witte zijde maken, en een geborduurden gordel. ! 40 En voor Ailrons zonen zult gij rokken, gordels en mutsen maken, die heerlijk en schoon zijn, 41 en zult die uwen broeder Aiiron benevens zijnen zonen aantrekken; en gij zult hen zalven en hunne handen vullen en hen wijden, opdat zij mijne priesters zijn. 42 En gij zult hun linnen onderkleedertin maken, om het vleeseh der schaamte te bedekken, van de lendenen af tot aan de dijen. 43 En Aiiron en zijne zonen zullen die aanhebben als zij in de hut des stichts gaan, of tot den altaar naderen, om te dienen in het heiligdom; opdat zij niet hunne misdaad dragen en sterven moeten. Dit zal hem en zijnen zade na hem eene eeuwige inzetting zijn. HOOFDSTUK 29. 1 Dit nu is de wijze op welke gij met hen handelen zult, opdat zij mij tot priesters gewijd worden. Neem' een jongen var, en twee rammen, zonder gebrek; 3 ongezuurd brood, en ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken: van tanvemeelbloem zult gij die maken. |
3 En gij zult die in éenen korf leggen, en ze in dien korf ten ofl'er brengen, met den var en de twee rammen, 4 en zult Aiiron en zijne zonen voor den ingang van de hut des stichts brengen, en hen met water wasschen. 3 En gij zult de klecderen nemen, en Aiiron aantrekken den engen rok, en den zijden rok, en den lijfrok, en den borstlap bij den lijfrok, en zult hem omgorden buiten om den lijfrok, G en den hoed op zijn hoofd zetten, en de heilige kroon vastmaken aan den hoed. 7 En gij zult de zalfolie nemen en haar op zijn hoofd gieten, en hem zalven. 8 En zijne zonen zult gij ook doen naderen, en hun den engen rok aantrekken. 9 En beiden, Aiiron en zijne zonen, zult gij met gordels gorden, en hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterdom hebben tot eene eeuwige inzetting; en gij zult Aiiron en zijn zonen de handen vullen. 10 En den var zult gij brengen voor de hut des stichts, en Aaron benevens zijne zonen zullen hunne |
6
EXODUS 29.
163
|
handen op liet hoofd van den var leggen. 11 En gij zult den var slachten voor den Heer, aan den ingang van de hut des stichts. 12 En gij zult van zijn bloed nemen, en het op de hoornen des altaars doen met uwen vinger, en al het andere bloed aan den voet des altaars uitgieten. 13 En gij zult nemen al het vet van het ingewand, en het net over de lever, en de twee nieren met het vet dat daarover ligt, en zult het op den altaar ontsteken. 14 Maar het vleesch van den var en zijn vel en mest zult gij buiten voor het leger met vuur verbranden; want het is een zondofier. 15 Den écnen ram nu zult gij nemen, en Aaron benevens zijne zonen zullen hunne handen op zijn hoofd leggen. 16 Alsdan zult gij hem slachten, en van zijn bloed nemen, en het tegen den altaar rondom sprengen. 17 En gij zult den ram in stukken deelen, en zijn ingewand en zijne schenkels wassohen, en zult die bij de stukkeu en bij zijn hoofd leggen. |
18 En den geheelen ram zult gij ontsteken op den altaar; want het is den Heer een brandofter, een liefelijke reuk, een vuuroft'er voor den Heer. 19 Ook den anderen ram zult gij nemen, en Aiiron benevens zijne zonen zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; 20 en gij zult hem slachten, en van zijn bloed nemen, en het Aaron en zijn zonen aan den rechteroorlap doen, en op den duim hunner rechtemand, en op den grooten teen van hun rechtervoet ; en gij zult dat bloed tegen den altaar rondom sprengen. 21 En gij zult van het bloed op den altaar en van de zalfolie nemen, en Aiiron en zijne kleederen, zijne zonen en hunne kleederen daarmede besprengen, opdat hij en zijne kleederen, zijne zonen en hunne kleederen gewijd worden. 22 Daarna zult gij nemen het vet van den ram, den staart, en het vet van het ingewand, het net over de lever, en de twee nieren met het vet daarover, en den rechterschouder; want het is een ram der inwij-ding; 23 en één brood, en óón koek geolied brood, en ééne vlade uit den korf des on- |
EXODUS 39.
163
|
gezmirden broods, die voor (Ion Heer staat; 24 en leg het alles op de handen van Ailron en van zijne zonen, en beweeg- liet voor den Heer. 25 Neem liet daarna van hunne handen, en ontsteek het op den altaar, bovenop het brandofler, tot een lie- i reuk voor den Heer; want het is een vuurofl'er voor den Heer. 26 En gij zult de borst van den ram der inwijding van Ailron nemen, en zult haar voor den Heer bewegen ; dit zal nw gedeelte zijn. 27 Eh gij zult alzoo heiligen de beweegborst en den hefscliouder, die bewogen en geheven zijn van den ram der inwijding van Ailron en van zijne zonen. 28 En dit zal voor Aiiron en voor zijne zonen een eeuwig recht zijn van de kinderen Israels; want liet is een hefoü'er, en de hef-ofl'ers zullen voor den Heer zijn, van de kinderen Israels, van hunne dankoffers en hefoffers. 29 Ailrons heilige kleede-ren nu zullen zijne zonen hebben na hem, opdat zij daarin gezalfd en ingewijd worden. |
30 Wie van zijne zonen in zijne plaats priester wordt, die zal ze zeven dagen lang aantrekken, opdat hij in de hut des stichts ga, om te dienen in het heilige. 81 En gij zult den ram der inwijding nemen, en zijnvleesoh aaneene heilige plaats koken. 32 En Ailron en zijne zonen zullen het vleesch van dezen ram eten, met het brood uit den korf, voor den ingang van de hut des stichts. 33 En zij zullen datgene eten, waarmede do verzoening geschied is, om hen intewijden en hen te heiligen ; geen ander zal het eten, want het is heilig. 34 Maar indien er van het vleesch der inwijding en van het brood wat overblijft tot op den morgen, zoo zult gij dat met vuur verbranden: het zal niet gegeten worden, want het is heilig. 35 En gij zult alzoo aan Ailron en zijne zonen doen alwat ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hen aldus inwijden. 36 En gij zult dagelijks een var tot een zondoffer slachten ter verzoening, en gij zult den altaar ontzondigen, als gij hem verzoent, en zult hem zalven, opdat hij gewijd worde. 37 Zeven dagen zult gij |
It
US 30.
164
EXOD
|
den altaar verzoenen en hem wijden, opdat hij een altaar van het allerheiligste zij; wie den altaar aanraakt, die zal gewijd zijn. 38 En dit zult gij met dien altaar doen: twee lammeren van een jaar oud zult gij des daags gestadig daarop oft'eren; 39 het ééne lam des morgens, het andere tusschon de twee avonden; 40 en bij het ééne lam behoort een tiendedeel meelbloem , gemengd met een vierdedeel van een hin ge-stooten olie, en een vierdedeel van een hin wijn, tot een drankotter. 41 Met het andere lam, tusschen de twee avonden, zult gij doen gelijk met het spijsofter en drankofl'er des morgens, tot een liefelijken reuk, een vuurofl'er voor den Heer. 43 Dit is het dagelijksche brandofler bij uwe nakomelingen , vóór den ingang van de hut des stichts, voor den Heer, alwaar ik met ulie-den samenkomen en met u spreken zal; 43 aldaar zal ik den kinderen Israels bekend en geheiligd worden in mijne heerlijkheid. |
44 En ik zal de hut des stichts met den altaar heiligen, en Aaron en zijne zonen mij tot priesters wijden. 45 En ik zal onder de kinderen Israels wonen, en hun God zijn; 46 dat zij weten zullen dat ik de lieer hun God ben, die hen uit Egypteland gevoerd heb, opdat ik onder hen wonen zónde: ikquot; do Hoer hun God. HOOFDSTUK- 30. 1 Gij zult ook een reukaltaar van cederhout maken, om te rooken; 2 een el lang en breed, geheel vierkant, en .twee el hoog, met zijne hoornen. 3 En gij zult hem met fijn goud overtrekken, zijn dekstuk en zijne wanden rondom, en zijne hoornen; en gij zult rondom hem een krans van goud maken; 4 en twee gouden ringen onder den krans, aan beide zijden, om er handboomen intesteken en hem daarmede te dragen. 5 En de handboomen zult gij van cederhout maken, en ze met goud overtrekken. 0 En gij zult hem zetten vóór het voorhangsel dat vóór de ark der getuigenis hangt, en vóór het verzoendeksel dat op de ark der |
EXODUS 30.
165
|
getuigenis is, waar ik met u samenkomen zal. 7 En Aiiron zal daarop goed reukwerk ontsteken, eiken morgen, als liij de lampen gereedmaakt; 8 desgelijks als liij de lampen aansteekt tusschen de twee avonden, zoo zal hij dat reukwerk óók ontsteken; dit zal het dagelijksch reukwerk zijnvoorden Heer, bij uwe nakomelingen. 9 Gij zult geen vreemd reukwerk daarop doen, ook geen brandoffer, nooh spijsoffer , en geen drankoffer daarop offeren. 10 En Aaron zal op des-zelfs hoornen verzoenen, éénmaal in het jaar, met het bloed van het zondoffer ter verzoening; zulk eene verzoening zal jaarlijks éénmaal geschieden bij uwe nakomelingen; want dat is den Heer een allerheiligste. 11 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 12 Als gij de hoofden dei-kinderen Israels telt, zoo zal ieder den Heere geven de verzoening zijner ziel, opdat hun niet eene plaag wedervare als zij geteld wop-den. 13 Een ieder die mede in het getal is, zal een hal ven sikkel geven, naar den sikkel des heiligdoms, van twintig gera de sikkel; zulk een halve sikkel zal het hefoffer des Heeren zijn. |
14 Wie in het getal is, van twintig jaar en daarboven , die zal zulk een hefoffer den Heere geven. 15 He rijke zal niet meer geven, en de arme niet minder, dan den halven sikkel dien men den Heer tot een hefoffer geeft, voor de verzoening hunner zielen. 16 En gij zult al zulk geld der verzoening nemen van de kinderen Israels, en tot den godsdienst der hut des stichts besteden; opdat het den kinderen Israels tot eene gedachtenis zij voor den Heer, opdat hij zich over hunne zielen late verzoenen. 17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 18 Gij zult ook een koperen wasehvat maken, met een koperen voetstuk, om te wasschen, en zult het zetten tusschen de hut des stichts en den altaar, en water daarin doen, 19 dat Aiiron en zijne zonen hunne handen en voeten daaruit wasschen. 30 Als zij in de hut des stichts gaan, zullen zij zich met water wasschen, opdat zij niet sterven; of als zij tot den altaar naderen om |
EXODUS 30.
166
|
te (lienor, om een vimroffer voor den Heer te ontsteken. 21 Zij zullen hunne handen en voeten wasschen, opdat zij niet sterven. Dit zal eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade bij hunne nakomelingen. 22 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 23 Neem u van de beste specerijen, de edelste mirre vijfhonderd sikkels, en kaneel half zooveel, tweehonderd en vijftig, en kalmus óók tweehonderd en vijftig, 24 en kassia vijfhonderd, naar den sikkel des heilig-doms, en olie van olijf hoornen een hin; 25 en maak eene heilige zalfolie, naar de kunst der kruidmengers. 26 En daarmede zult gij zalven de hut des stichts en de ark der getuigenis, 27 de tafel met al haar gereedschap, den kandelaar met zijn gereedschap, den reukaltaar, 28 den brandoffer-altaar met al zijn gereedschap, en het waschvat met zijn voetstuk ; 29 en gij zult die alzoo wijden, dat zij een allerheiligste zijn; want wie ze aanraakt, die zal gewijd zijn. |
30 Aiiron en zijne zonen zult gij óók zalven, en hen mij tot priesters wijden. 31 En gij zult met de kinderen Israels spreken, zeggende: Deze olie zal mij eene heilige zalf zijn bij uwe nakomelingen. 83 Op eens menschen lijf zal zij niet gegoten worden; gij zult ook geen dergelijke maken, want zij is heilig, daarom zal zij ulieden heilig zijn. 33 Wie dergelijke zalfquot; maakt, of een ander daarvan geeft, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 34 En de Heer sprak tot Mozes: Neem u specerijen, balsem, stactc, galban en zuiveren wierook, van het één zooveel als van het ander; 35 en maak reukwerk daarvan, gemengd naar de kunst der kruidmengers, dat het rein en heilig zij. 36 En gij zult het tot poeder stooten, en zult daarvan leggen vóór de ark dei-getuigenis, in de hut des stichts waar ik met u samenkomen zal; dit zal ulieden een allerheiligste zijn. 37 En zulk reukwerk zult gijlieden u niet maken; maar het zal u heilig zijn voor den Heer. 38 Wie dergelijk reukwerk maken zal om daarmede te |
EXODUS 31.
167
|
wierooken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volk. HOOFDSTUK 31. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zie, ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri den zoon van Hur, uit den stam van Juda; 3 en ik heb hem vervuld met den geest Gods, met wijsheid en verstand en met kennis van allerlei werk; 4 om kunstig te arbeiden in goud, zilver en koper, 5 kunstig spenen te snijden en intezetten, en kunstig te timmeren van hout, en al dergelijk werk te doen; 6 en zie, ik heb hem Aho-liab, Ahisamachs zoon, uit den stam van Dan, toegevoegd, en heb aan allerlei wijzen de wijsheid in het hart gegeven, opdat zij maken zullen alwat ik u geboden heb: 7 de hut des stichts, de ark der getuigenis, het verzoendeksel daarop, en al het gereedschap der nut; 8 de tafel en haar gereedschap; den fijnen kandelaar en al zijn gereedschap; den reukaltaar; 9 den brandofler-altaar met al zijn gereedschap; het waschvat met zijn voetstuk; |
10 de ambtskleederen, en de heilige kleederen van den priester Aiiron, en de kleederen zijner zonen tot het priesterdom; 11 de zalfolie, en het reukwerk van specerijen voor het heiligdom : naar alwat ik u geboden heb zullen zij het maken. 13 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 13 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Onderhoudt mijne sabbatten; want dit is een teeken tusschen mij en u in uwe nakomelingen , opdat men wete dat ik de Heer ben die u heilig. 14 Daarom onderhoudt den sabbat, want hij zal u heilig zijn; wie hem ontheiligt zal den dood sterven; want wie daarop eenigen arbeid doet, diens ziel zal uitgeroeid worden uit zijn volk. 15 Zes dagen zal men arbeiden, maar op den zevenden dag is de sabbat, de heilige rust des Heeren: al wie op den sabbatdag eenigen arbeid doet, die zal den dood sterven. 10 Daarom zullen de kinderen Israels den sabbat onderhouden, opdat zij hem ook bij hunne nakomelingen houden tot een eeuwig verbond : 17 hij is een eeuwig teeken |
US 83.
EX OD
168
|
tusschen mij en de kinderen Israels; want in zes dagen heeft de Heer hemelenaarde gemaakt, maar op den zevenden dag rustte hij en verkwikte zich. — 18 En als de Heer uitgesproken had met Mozes op den berg Sinaï, gaf hij hem twee tafelen der getuigenis, die waren van steen, en beschreven met den vinger Gods. HOOFDSTUK 32. 1 Toen nu het volk zag dat Mozes vertoefde van den berg aftekomen, verzamelde het zich tegen Aaron, en sprak tot hem: Welaan, maak ons goden die voor ons uitgaan; want wij weten niet wat dezen man Mozes wedervaren is, die ons uit Egypte-land gevoerd heeft. 2 Aaron sprak tot hen; Eukt de gouden oorringen af die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en uwer dochters zijn, en brengt die tot mij. 3 Toen rukte al het volk hunne gouden oorringen af van hunne ooren, en zij brachten die tot Aaron; 4 en hij nam die uit hunne handen, en ontwierp met eene stift eene beeltenis, en maakte een gegoten kalf daarvan; en zi^spraken: Dit zijn uwe goden, Israël, die u uit Egypteland gevoerd hebben. |
5 Toen Ailrondatzag, bouwde hij daarvoor een altaar, en liet uitroepen en sprak: Morgen is des Heeren feest. 6 En zij stonden des morgens vroeg op, en offerden brandoffers, en brachten daarbij dankoffers; daarna zette zich het volk om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen. 7 En de Heer sprak tot Mozes: Ga, klim af; want uw volk hetwelk gij uit Egypteland gevoerd hebt heeft het verdorven: 8 zij zijn spoedig van dien weg afgeweken, dien ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en hebben het aangebedenen daaraan geoftierd, en gezegd: Dit zijn uwe goden, Israël, die u uit Egypteland gevoerd hebben. 9 En de Heer sprak tot Mozes: Ik zie dat het een hardnekkig volk is; 10 en nu, laat af van mij, opdat mijn toorn over hen ontbrande en hen vertere, zoo zal ik u tot een groot volk maken. 11 Maar Mozes smeekte den Heer zijnen God, en sprak: Ach Heer, waarom zal uw toorn ontbranden |
|
EXOD over uw volk, hetwelk gij niet eene groote kraclit en sterke hand uit Egypteland gevoerd hebt? 13 quot;Waarom zullen de Egyp-tenaars zeggen: Hij heeft hen tot hun ongeluk uitgevoerd, om ze te dooden in het gebergte en hen te verdelgen van den aardbodem? Keer u van de hitte uws toorns, en wees genadig over de boosheid uws volks. 13 Gedenk aan uwe dienaren, Abraham, Isaiik en Israël, welken gij bij uzelven gezworen, en tot wie gij gesproken hebt; Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren aan den hemel; en al dit land, hetwelk ik u beloofd heb, zal ik uwen zade geven, en zij zullen het bezitten eeuwiglijk. 14 Alzoo berouwde den Heer het kwaad hetwelk hij gedreigd had aan zijn volk te zullen doen. 15 En Mozes wendde zich om en klom van den berg af, en had de twee tafelen der getuigenis in zijne hand, die op beide zijden beschreven waren; 16 en God had die zelf gemaakt en zelf het schrift daarin gegraveerd. 17 Toen nu Jozua het geschreeuw des volks hoorde, dat zij juichten, sprak hij |
U S 32. 169 tot Mozes: Er is een geschreeuw in het leger, als in den strijd. 18 Maar hij antwoordde: Het is niet een geschreeuw van zoodanigen tegen elkander , die de overhand hebben of de nederlaag; maar ik hoor het geluid van een gezang der reien. 19 Als hij nu nabij het leger kwam en het kalf en de reien zag, ontbrandde hij in toorn, en hij wierp de tafelen uit zijne hand en verbrak die beneden aan den berg. 20 En hij nam het kalt hetwelk zij gemaakt hadden en verbrandde het met vuur, en vermaalde het tot stof, en strooide het op het water, en gaf het den kinderen Israels te drinken. 21 En hij sprak tot Aiiron: quot;Wat heeft dit volk u gedaan, dat gij zulk eene groote zonde over hen gebracht hebt? 22 En Aiiron sprak: De toorn mijns heeren ontbrande niet: gij weet dat dit volk boos is. 23 Zij zeiden tot mij: Maak ons goden die voor ons uitgaan; want wij weten niet wat dezen man Mozes, die ons uit Egypteland gevoerd heeft, wedervaren is. 24 Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af en geve het mij; en |
EXODUS 33.
170
|
ik wierp liet in het vuur, daarvan is dit kalf geworden. 33 Toen nu Mozes zag dat liet volk losbandig geworden was, ■— want Aaron had hen losbandig gemaakt tot eene bespotting onder degenen die tegen hen zouden willen opstaan, — 36 trad hij in dc poort des legers, en sprak: Herwaarts tot mij, wie den Heer toebehoort! Toen verzamelden zich al de kinderen van Levi tot hem ; 37 en hij sprak tot hen: Aldus spreekt de Heer, Israels God: Ieder gorde zijn zwaard aan zijne lende, en ga door het geheele leger, herwaarts en derwaarts, van de ééne poort tot de andere, en ieder doode zijnen broeder, vriend en naaste. 38 En de kinderen van Levi deden gelijk Mozes hun gezegd had, en er vielen op dien dag van het volk drieduizend man. 39 Want Mozes had gezegd: quot;Wijdt u heden aan den Heer, ieder tegen zijnen zoon en broeder, opdat heden de zegen over ulieden gegeven worde. 30 En des morgens sprak Mozes tot het volk: Gij helst eene groote zonde gedaan; nu zal ik opklimmen tot den |
Heer, of ik misschien uwe zonde verzoenen mocht. 31 Als nu Mozes weder tot den Heer kwam, sprak hij: Ach dit volk heeft eene groote zonde gedaan, en heeft zich gouden goden gemaakt : 33 nu, vergeef hun hunne zonde! Zoo niet, delg mij dan uit uw boek hetwelk gij geschreven hebt. 33 Maar de Heer sprak tot Mozes: Ik zal dien uit mijn boek delgen, die tegen mij gezondigd heeft. 31 Zoo ga nu heen en voer dit volk waarheen ik u gezegd heb: zie, mijn Engel zal voor u uitgaan; maar ik zal hunne zonde bezoeken, als mijn tijd van bezoeken komt. — 35 Alzoo strafte de Heer het volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Ailron voor hen gemaakt had. HOOFDSTUK 33. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Ga, trek vandaar, gij en het volk hetwelk gij uit Egypteland gevoerd hebt, in het land hetwelk ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal ik het geven; 3 en ik zal een Engel voor u uitzenden, — en ik zal |
|
uitdrijven de Kanaanieten, Amorieten, Hetliieten, Fere-zieten, Hevieten en Jebu-sieten, —■ 3 naar het land waar melk en lionig vloeit: — ik zal niet met u optrekken, want gij zijt een hardnekkig volk: ik moclit u op den weg verteren. 4 Toen liet volk dit kwade woord hoorde, waren zij bedroefd, en niemand droeg zijne versierselen aan zich. 5 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk, ik zal eens snel over u komen en u verdelgen ; en nu, leg vrij uwe versierselen af, opdat ik wete wat ik u doen zal. 6 Alzoo deden de kinderen Israels hunne versierselen van zich af, bij den berg Horeb. 7 Mozes nu nam de hut en richtte haar op ver buiten het leger, en noemde haar eene hut des stichts; en wie den Heer wilde vragen, die moest uitgaan tot de hut des stichts buiten het leger. 8 En als Mozes uitging tot de hut, stond al het volk op, en een ieder trad in de deur van zijne hut; en zij zagen hem na, totdat hij in de hut was ingegaan. 9 En als Mozes in de hut |
ÜS 33. 171 was ingegaan, kwam de wolkkolom neder en stond aan den ingang der hut, en hij sprak met Mozes. lü En al het volk zag de wolkkolom staan aan den ingang der hut, en zij stonden op en bogen zich ter aarde, elk in de deur van zijne hut. 11 De Heer nu sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijnen vriend spreekt; en als hij tut hei, leger wederkeerde , zoo week zijn dienaar Jozua de zoon van Nun, de jongeling, niet uit de hut. 12 En Mozes sprak tot den Heer: Zie, gij zegt tot mij: Voer dit volk op; en gij laat mij niet vreten wien gij met mij zenden zult, daar gij nochtans gezegd hebt: Ik ken u bij name , en: Gij hebt genade gevonden voor mijne oogen. 13 Nu, heb ik dan genade gevonden voor uwe oogen, zoo laat mij uwen weg weten, opdat ik u kenne en genade vinde voor uwe oogen; en zie toch, dat dit volk uw volk is. 14 En hij sprak: Mijn aangezicht zal gaan, daarmede zal ik u leiden. 15 En hij sprak tot hem: Indien uw aangezicht niet gaat, zoo leid ons niet vanhier opwaarts. |
EXODUS 31.
m
|
16 Want waaraan zal toch bekend worden dat ik en uw volk genade gevonden lieb-ben voor uwe oogen, zoo gij niet met ons gaat? opdat ik en uw volk onderscheiden worden van alle volken die op den aardbodem zijn. 17 En de Heer sprak tot Mozes: Wat gij nu gesproken hebt, zal ik óók doen; want gij hebt genade gevonden voor mijne oogen, en ik ken u bij name. 18 Maar hij sprak; Laat mij dan uwe heerlijkheid zien. 19 En hij sprak: Ik zal al mijne goedheid voor uw aangezicht laten heengaan, en zal den naam Heer voor u laten uitroepen; want wien ik genadig ben, dien ben ik genadig , en wiens ik mij ontferm, diens ontferm ik mij. 30 En hij sprak verder: Mijn aangezicht kunt gij niet zien, want geen mensch zal leven die mij ziet. 21 En de Heer sprak verder : Zie, er is eene plaats bij mij: daar zult gij staan op de steenrots; 23 en wanneer nu mijne heerlijkheid voorbijgaat, zoo zal ik u laten staan in de kloof der steenrots, en ik zal mijne hand boven u houden, totdat ik ben voorbijgegaan; |
23 en wanneer ik mijne hand van u doe, zoo zult gij mij achterna zien; maar mijn aangezicht kan men niet zien. HOOFDSTUK 34. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Houw twee steenen tafelen gelijk de eerste waren, opdat ik daarop schrijve de woorden welke op de eerste tafelen waren, welke gij gebroken hebt. 2 En wees morgen vroeg bereid, dat gij op den berg Sinaï klimt, en aldaar tot mij treedt op den top van don berg. 3 En laat niemand met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde rondom den geheelen berg; en laat ook geen schaap of rundvee weiden tegenover dezen berg. 4 En Mozes hieuw twee steenen tafelen gelijk de eerste geweest waren, en stond des morgens vroeg op en klom op den berg Sinaï, gelijk de Heer hem geboden had, en nam de twee steenen tafelen in zijne hand. 5 Toen kwam de Heer neder in eene wolk, en trad aldaar bij hem, en riep uit den naam: Heer. G En toen de Heer voor zijn aangezicht voorbijging, riep hij; Heere, Heere God, |
US 34.
EXOD
173
|
barmhartig en genadig, lankmoedig en van groote genade en trouw; 7 gij die genade bewijst aan duizeuden, en vergeeft misdaad, overtreding cn zonde , cn voor wien niemand onsclmldig is; gij die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen en kindskinderen, tot in het derde en vierde geslacht! 8 En Mozes boog zich haastig ter aarde en aanbad hem, 9 en hij sprak: Heer, heb ik genade gevonden voor uwe oogen, zoo ga do Heer met ons, want dit is een hardnekkig volk: opdat gij over onze misdaad cn zonde genadig zijt; on laat ons uw erfdeel zijn. 10 En hij sprak: Zie, ik zal een verbond maken voor al uw volk, en zal wonderen doen, hoedanige niet geschied zijn in alle landen en onder allo volken, en al dit volk onder hetwelk gij zijt zal het werk des Heeren zien; want wonderbaar zal het zijn, hetgeen ik bij u ; doen zal. 11 Onderhoud hetgeen ik .■ u heden gebied: zie, ik zal voor u uitdrijven de Amo-'j rieten, Kanailnieten, He-- thieten, Ferezieten, Hevie-ten en Jebusieten. i |_ |
13 Wacht u van een verbond te maken met de inwoners van het land in hetwelk gij komt, opdat zij niet onder u tot eene ergernis worden. 13 Maar hunne altaren zult gij omverwerpen, en hunne goden verbreken, en hunne bosschen uitroeien; —■ 14 want gij zult geen anderen god aanbidden, want de Heer heet ij veraar, omdat hij een ijverig God is; — 15 opdat indien gij een verbond maakt met de inwoners des lands, en als zij hunne goden nahoeree-ren en hunnen goden offeren, zij u niet noodigen en gij van hun offer eet, 16 en hunne dochters voor uwe zonen tot vrouwen neemt, en die dan hare goden nahoereeren, en maken dat uwe zonen óók hare goden nahoereeren. 17 Gij zult ugeen gegoten goden maken. 18 Het feest der ongezuurde brooden zultgij houden; zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten, gelijk ik ii geboden heb, omtrent den tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte getrokken. |
EXODUS 34.
174
|
19 Alwat liet eerst de baarmoeder breekt is het mijne, wat mannelijk zijn zal onder nw vee, dat de baarmoeder breekt, hetzij os of schaap. 20 Maar den eersteling-des ezels zult gij lossen met een schaap; en indien gij hem niet lost, zoo maak hem af. Alle eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en niemand verseliijne ledig voor mij. 21 Zes dagen zult gij arbeiden ; en op den zevenden dag zult gij rusten, beide van ploegen en van oogsten. 22 Het feest der weken zult gij houden, met de eerstelingen van den tarwen-oogst; en het feest der inzameling, als het jaar om is. 23 Driemaal 'sjaars zullen alle mannen voor den Heer-scher, den Heer en God van Israël, verschijnen. 24 Wanneer ik de heidenen voor u verdrijven en uwe landpalen uitbreiden zal, zoo zal niemand uw land begeeren, terwijl gij driemaal 'sjaars opgaat om voor den Heer uwen God te verschijnen. 25 Gij zult het bloed mijns offers niet met gezuurd brood offeren; en het ofler van het panschfeestzal den nacht niet overblijven tot den morgen. |
26 De eerstelingen van de eerste vruchten uws akkers zult gij in het huis van den Heer uwen God brengen. Gij zult het bokje r.iet koken in de melk zijner moeder. 27 En de Heer sprak tot Mozes: Schrijf u deze woorden op; want naar deze woorden heb ik met u en met Israël een verbond gemaakt. 28 En hij was aldaar bij den Heer veertig dagen en veertig nachten, en at geen brood en dronk geen water; en hij schreef dat verbond, de tien woorden, op de tafelen. 29 Toen nu Mozes van den berg Sinaï afging, had hij de twee tafelen der getuigenis in zijne hand, en wist niet dat het vel van zijn aangezicht glinsterde doordat hij met hem gesproken had. 30 En toen Aaron en al de kinderen Israels zagen dat het vel van zijn aangezicht glinsterde, vreesden zij tot hem te naderen. 31 Toen riep Mozes hen; en zij keerden zich tot hem, beide Aaron en al de oversten der gemeente; en hij sprak met hen. 33 Daarna naderden al de kinderen Israels tot hem. |
EXOD
US 35.
175
|
en liij gebood Imn alles wat de Heer tot hem gesproken liad op den berg Sinaï. 33 En terwijl hij dat alles met lien sprak, leide hij een sluier over zijn aangezicht. 3-i En wanneer hij inging voor den Heer om met hem te spreken, deed hij dien sluier af totdat hij weder uitging; en wanneer hij uitkwam en met de kinderen Israels sprak hetgeen hem geboden was, 35 dan zagen de kinderen Israels aan zijn aangezicht, dat het vel van zijn aangezicht glinsterde; dan deed hij den sluier weder over zijn aangezicht, totdat hij weder inging om met hem te spreken. HOOFDSTUK 35. 1 En Mozes verzamelde de geheele gemeente der kinderen Israels, en sprak tot hen; Dit is het wat de Heer geboden heeft dat gij doen zult. 3 Zes dagen zult gij arbeiden, maar den zevenden dag zult gij heilig houden, tot een sabbat der rust des Heeren; al wie daarop arbeidt zal sterven. 3 Gij zult in geen van uwe woningen vuur aansteken op den sabbatdag. |
4 En Mozes sprak tot de geheele gemeente der kinderen Israels: Dit is het wat de Heer geboden heeft: 5 Geeft elk den Heer een hefoö'er, zoodat een ieder het hefofier des Heeren vrijwillig brenge: goud, zilver, koper, 6 hemelsblauw, scharlaken, rozerood, witte zijde en geitehaar, 7 roodvervige ramsvellen, dassevellen en cederhout, 8 olie voor de lamp, en specerijen tot zalfolie en tot goed reukwerk; 9 onyx en ingezette stee-nen voor den lijfrok en voor den borstlap. 10 En wie onder u schrander is, die kome en make hetgeen de Heer geboden heeft: 11 namelijk de woning, benevens hare tent en be-deksel, ringen, stijlen, stangen, pilaren en voetstukken; 13 de ark met hare hand-boomen; het verzoendeksel en het voorhangsel; 13 de tafel met bare hand-boomen en al haar gereedschap, en de toonbrooden; 14 den kandelaar om te lichten, en zijn gereedschap, en zijne lampen, en de olie voor het licht; 15 den reukaltaar met |
EXODUS 35.
176
|
zijne handboomen, de zalfolie en specerijen tot het reukwerk; liet behangsel der deur aan den ingang dei-woning ; 16 den brandoffer-altaar met zijn koperen traliewerk, zijne handboomen en al zijn gereedschap; het waschvat met zijn voetstuk; 17 het omhangsel des voor-hofs met zijne pilaren en voetstukken, en het behangsel aan den ingang des voorhofs; 18 de nagels der woning en des voorhofs met hare touwen; 19 de kleederen des ambts tot den dienst in het heilige, de heilige kleederen van den priester Aiiron met de kleederen zijner zonen, tot het priesterschap. 30 Toen ging de geheele gemeente der kinderen Israels uit van Mozes; 31 en allen, die het gaarne en vrijwillig gaven, kwamen en brachten den Heer het hefoft'er voor het werk aan de hut des stichts, en voor al haren dienst, en voor de heilige kleederen. 32 En beide man en vrouw brachten vrijwillig haken, oorringen, ringen, en span-sels, en allerlei gouden gereedschap; daarenboven bracht ieder den Heer goud tot een beweegofl'er. |
33 En wie bij zich vond hemelsblauw, scharlaken, rozerood, witte zijde, gei te-haar, roodachtige ramsvel-len en dassevellen, die bracht het. 34 En wie zilver en koper offerde, die bracht het den Heer tot een hefoffer; en wie cederhout bij zich vond, die bracht het tot allerlei werk van den godsdienst. 35 En allo vrouwen'die schrander waren, die werkten met hare handen, en brachten haar werk, als van hemelsblauw, scharlaken, rozerood en witte zijde. 36 En alle vrouwen die zulken arbeid verstonden, en gewillig daartoe waren, die sponnen het geitehaar. 37 De vorsten nu brachten onyx en ingezette stee-nen voor den lijfrok en voor den borstlap, 38 en specerijen en olie voor het licht, en voor de zalfolie, en voor goed reukwerk. 39 Alzoo brachten de kinderen Israels vrijwillig, beide man en vrouw, voor allerlei werk, hetgeen de Heer door Mozes geboden had te maken. 30 En Mozes sprak tot de kinderen Israels: Zie, de Heer heeft bij name geroepen Bezaleël, den zoon van |
EXODUS 36.
177
|
Uri den zoon van Hur, uit den stam van Juda, 31 en lieeft hem vervuld met den geest Gods, opdat liij wijs, schrander en geschikt zij tot allerlei werk; 33 om kunstig te arbeiden in goud, zilver en koper, 33 edelgesteenten te snijden en intezetten, hout te timmeren, en allerlei kunstigen arbeid te verrichten ; 31 en heeft 4iem ook in zijn hart gegeven, om\ande-reyi] te onderwijzen, hem en Aholiab, Ahisamachs zoon, nit den stam van Dan. 35 Hij heeft hun het hart met wijsheid vervuld, om allerlei werk te maken, te snijden, te werken en te - borduren met hemelsblauw, scharlaken, rozerood, en witte zijde, en om te weven, opdat zij allerlei werk maken en kunstigen arbeid uitvinden. HOOFDSTUK 3G. I Toen arbeidden Bezalecl en Aholiab, en alle wijze mannen, welken de Heer wijsheid en verstand gegeven had, om te weten hoe | zij allerlei werk maken zouden tot den dienst des hei-ligdoms, naar alles wat de Heer geboden had. |
3 Want Mozes riep Beza-leël en Aholiab, en alle wijze mannen, welken de Heer wijsheid in hun hart gegeven had, namelijk allen die zich vrijwillig daartoe aanboden, en toetraden om te arbeiden aan het werk. 3 Eu zij namen van Mozes tot zich al het hefoffer, hetwelk de kinderen Israels voor het werk van den dienst des heiligdoms brachten, om dit te maken; want zij brachten eiken morgen hunne vrijwillige gave tot hem. 4 Toen kwamen al de wijzen die aan het werk des heiligdoms arbeidden, ieder van zijn werk waaraan zij werkten, 5 en zij spraken tot Mozes : Het volk brengt teveel, meer dan voor den dienst van het werk, hetwelk de Heer geboden heeft te maken, noodig is. 6 Toen gebood Mozes dat men zou uitroepen door het leger: Niemand brenge meer tot een hefoffer des heiligdoms. Toen hield het volk op met brengen. 7 Want er was voorraad genoeg tot allerlei werk dat te maken was, en er was nog over. 8' Alzoo maakten alle wijze mannen, onder de arbeiders aan het werk, de woning van tien tapijten met che- |
gt;
EXODUS 36.
178
|
rubs, kunstiglijk, van getweernde witte zijde, lie-melsblauw, scharlaken en rozerood. 9 De lengte van één tapijt was achtentwintig el, en de breedte vier el, en zij waren alle van ééne maat. 10 En men hechtte telkens vijf tapijten tezamen, het ééne aan het andere, 11 en maakte hemelsblauwe striklisjes aan den hoek van elk tapijt, waar zij te-zamengehecht werden: 12 telkens vijftig striklisjes aan een tapijt, met welke het ééne aan net andere was samengevoegd. 13 En men maakte vijftig gouden haakjes, en voegde met de haakjes de tapijten het ééne aan het andere tezamen, opdat het ééne woning wierd. 14 En men maakte elf tapijten van geitehaar, tot een dekkleed over de woning: 15 dertig el lang, en vier el breed, alle van ééne maat, 1G en voegde vijf daarvan tezamen op de ééne zijde, en zes tezameli op de andere zijde. 17 Eu men maakte telkens vijftig striklisjes aan elk tapijt, aan hunne hoeken, met welke zij tezamengehecht werden; |
18 en maakte telkens vijftig koperen haakjes, met welke de hut in elkander gevoegd werd. 19 En men maakte een dekkleed over de hut van roodvervige ramsvellen, en daarover nog een dekkleed van dassevellen. 30 En men maakte stijlen voor de woning, van cederhout, die staan konden: 31 elk tien el lang en-anderhalf el breed; 33 en aan elk twee houvasten, om het ééne aan het andere te zetten; alzóó maakte men alle stijlen voor de woning; 33 zoodat twintig van die stijlen tegen het zniden stonden; 3-1 en men maakte er veertig zilveren voetstukken onder, onder eiken stijl twee voetstukken aan zijne twee houvasten. 35 En aan de andere zijde der woning, tegen het noorden , maakte men óók twintig stijlen, 36 met veertig zilveren voetstukken, onder eiken stijl twee voetstukken. 37 Maar achteraan de woning, tegen het westen, maakte men zes stijlen; 38 en twee andere achteraan de twee hoeken der woning; |
EXODUS 37.
179
|
29 zoodat elk van die Ijeide zioli met zijnen lioekstijl van beneden-op samenvoegde, en zij boven aan liet hoofd samensloten metééne kram; 80 zoodat cr aelit stijlen waren, en zestien zilveren voetstukken, onder eiken stijl twee voetstukken. 31 En men maakte stangen van cederhout, vijf voor de stijlen op de eéne zijde der woning, 33 en vijf op de andere zijde, en vijf achteraan tegen het westen, 33 En men maakte de stangen dat zij middendoor de stijlen doorgestoken wer-j den, van het ecne einde tot het andere; - 34 en overtrok de stijlen met goud, en hunne ringen voor de stangen maakte men van goud, en overtrok de stangen met goud. 35 En men maakte het , voorhangsel met de cherubs daarin, kunstiglijk, met hemelsblauw, scharlaken, rozerood, en getweernde witte zijde; 36 en maakte daarvoor vier pilaren van cederhout, en overtrok die met goud, gen maakte hunne haken van «goud, en goot er vier zilve-|ren voetstukken voor. 37 En men maakte een |
behangsel voor den ingang der hut, van hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde geborduurd ; 38 en vijf pilaren daarvoor, met hunne haken, en overtrok hunne knoppen en hunne roeden mot goud; en vijf koperen voetstukken daaraan. HOOFDSTUK 37. 1 En Bezaleöl maakte dc ark van cederhout, derdehalf el lang, anderhalf el breed en hoog, 2 en overtrok haar van binnen en van buiten met fijn goud, en maakte rondom haar een gouden krans, 3 en goot vier gouden ringen aan hare vier hoeken, op elke zijde twee. 4 En hij maakte handboo-men van cederhout, en overtrok die met goud, 5 en stak die in de ringen aan de zijden van dc ark, opdat men haa r dragen konde. 6 En hij maakte het verzoendeksel van fijn goud, derdehalf el lang en anderhalf el breed, 7 en maakte twee cherubs van louter goud, aan de twee einden van het verzoendeksel : 8 éénen cherub aan dit |
EXODUS 37.
180
|
einde, en den anderen aan liet andere einde. 9 En de cherubs breidden hunne vleugels uit, van boven af, en bedekten daarmede het verzoendeksel; en hunne aangezichten stonden tegenover elkander, en zagen op het verzoendeksel. 10 En hij maakte de tafel van cederhout, twee el lang, en één el breed, en anderhalf el hoog, 11 en overtrok haar met fijn goud, en maakte er rondom een gouden krans aan, 13 en maakte er eene lijst rondom, een handbreed hoog, en maakte een gouden krans om de lijst heen, 13 en goot ook vier gouden ringen, en voegde die aan de vier hoeken aan hare vier voetstukken, 14 dicht onder de lijst, om er handboomen intedoen en de tafel te dragen. 15 En hij maakte de handboomen van cederhout, en overtrok die met goud, om de tafel daarmede te dragen. 16 En hij maakte ook van fijn goud het gereedschap op de tafel: schotels , bekers, kannen en schalen, met welke men uit- en inschonk. 17 En hij maakte den kandelaar van fijn dicht goud; daaraan waren de standaard met de armen, schaaltjes, knoppen en bloemen. |
18 Zes armen gingen uit zijne zijden uit, aan elke zijde drie armen. 19 Drie schaaltjes waren aan eiken arm, met knoppen en bloemen. 20 Maar aan den kandelaar waren vier schaaltjes, met knoppen en bloemen; 31 telkens onder twee armen een knop, zoodat e'r zes armen uit hem gingen, 23 en hunne knoppen en armen daaraan; en het was alles van dicht louter goud. 23 En hij maakte de zeven lampen met hare snuiters en blusehvaten van fijn goud. 21 Van een talent fijn goud maakte hij dien, en al zijn gereedschap. 25 En hij maakte ook den reukaltaar van cederhout, een el lang en breed, geheel vierkant, en twee el hoog, met zijne hoornen. 26 En hij overtrok hem met fijn goud, zijn dekstuk en zijne wanden rondom, en zijne hoornen; en maakte rondom hem een krans van goud. 27 En hij maakte twee gouden ringen onder den krans, aan beide zijden, om er handboomen intestekeu en hem daarmede te dragen. 28 En de handboomen |
EXOD
(JS 38.
181
|
naakte hij van cederhout, üi overtrok die met goud. 29 En hij maakte de heilige ;al Folie met het reukwerk ran beste specerij, naar de kunst der kruidmengers. HOOFDSTUK 38. 1 En hij maakte den brand-DÜ'er-altaar van cederhout, rijf el lang en breed, geheel rierkant, en drie el hoog, 3 en maakte op zijne vier hoeken vier hoornen die buiten hem uitstaken, en overtrok hem met koper. 3 En hij maakte allerlei gereedschap voor den altaar: asehpotten, aschsehoppen, bekkens, vuurbaken, vuurpannen , alles van koper; 4 en maakte een traliewerk van koper, gelijk een net, rondom den omgang, ran beneden op tot aan de ielft van den altaar; 5 en goot vier ringen aan de vier hoeken van het komperen traliewerk voor de liandboomen. 6 Deze maakte hij van cederhout, en overtrok ze ;tliiet koper, J 7 en stak ze in de ringen iian de zijden des altaars, om hem daarmede te dragen; én hij maakte hem van bin-ion hol. |
|8 En hij maakte het wasch-Tat van koper, en zijn voetstuk óók van koper, van de spiegels die de vrouwen in menigte kwamen brengen voor den ingang van de hut des stichts. 9 En hij maakte een voorhof tegen het zuiden, met een omhangsel van getweernde witte zijde, honderd el lang, 10 met zijne twintig pilaren en twintig voetstukken van koper, maar hunne haken en roeden van zilver; 11 desgelijks tegen het noorden honderd el, met twintig pilaren en twintig voetstukken van koper, maar hunne haken en roeden van zilver; 13 en tegen het westen vijftig el, met tien pilaren en tien voetstukken, maar hunne haken en roeden van zilver; 13 en tegen het oosten vijftig el; 14 vijftien el op de eéne zijde der poort van den voorhof, 15 en vijftien el op de andere zijde, zoodat er zooveel was op de ééne zijde van de poort des voorhofs als op de andere, telkens met drie pilaren en drie voetstukken op elke zijde. lö En al de voorhangsels van den voorhof waren van getweernde witte zijde. |
EXODUS 38.
183
|
17 En de voetstukken der pilaren waren van koper, en hunne luiken en roeden van zilver, zoodat hunne knoppen overtrokken waren met zilver, en hunne roeden waren van zilver aan al de pilaren van den voorhof. 18 En het behangsel in de poort desvoorhofs maakte hij geborduurd van hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde: twintig cl lang en vijf el hoog, naar de mast van de omhangsels des voorhofs; 19 alsook vier pilaren en vier voetstukken van koper, en hunne haken van zilver, en hunne knoppen overtrokken, en Iranne roeden van zilver. 30 En al de nagels van de woning en van den voorhof rondom waren van koper. 31 Dit nu is de som die besteed is aan de woning der getuigenis, die opgemaakt is, volgens hetgeen Mozes gezegd heeft, tot den godsdienst der Levieten, door de hand van Ithamar, den zoon van Aiiron den priester. 33 Bezaleël, de zoon van TJri den zoon van Hur, uit den stam van Juda, maakte alles gelijk de Heer Mozes geboden had; |
83 eu met hem Aholiab, Ahisaraachs zoon, uit den stam van Dan, een meester in het snijden, werken en borduren met hemelsblauw, scharlaken, rozerood en witte zijde. 34 Al het goud dat verwerkt is aan dit geheele werk des heiligdoms, dat tot een beweegoffer gegeven werd, is negenentwintig talenten en zevenhonderd dertig sikkels, naar den sikkel des heiligdoms. 35 En het zilver, dat van de gemeente kwam, was honderd talenten en duizend zevenhonderd vijfenzeventig sikkels, naar den sikkel des heiligdoms. 36 Zoo menig hoofd, zoo menige halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van allen die geteld werden, van twintig jaar af en daarboven; zeshonderddrieduizend vijfhonderd en vijftig. 37 Van de honderd talenten zilver goot men de voetstukken des heiligdoms en de voetstukken des voorhangsels : honderd voetstukken van honderd talenten, telkens een talent voor een voetstuk. 38 Maar van de duizend zevenhonderd vijfenzeventig sikkels werden de haken der |
EXODUS 39.
183
|
jilaren gemaakt, en hunne „noppen overtrokken, en lunne roeden. 29 Het beweegoffer van koper nu was zeventig talenten en tweeduizend vierhonderd sikkels; 30 daarvan werden gemaakt de voetstukken van den ingang der hut des stiohts, en de koperen altaar, en het koperen traliewerk daaraan, en al het gereedschap des altaars, 31 alsook de voetstukken des voorhofs, rondom, en de voetstukken der poort van den voorhof; al de nagels der. woning, en al de nagels van den voorhof', rondom. HOOFDSTUK 39. 1 En van het hemelsblauw, scharlakenen rozerood maakten zij ambtsklcederen voor Aiiron, om te dienen in het heiligdom, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 2 En men maakte den lijfrok met goud, hemelsblauw , scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde. 3 En zij sloegen het goud tot platen, en sneden het tot draden, opdat men het \ kunstig konrle werken onder ' het hemelsblauw, scharlaken, rozerood en de witte I zijde. |
4 En men hechtte hem op beide schouders aanéén en bond hem aan beide zijden tezamen. 5 En zijn gordel was van éénerlei kunst en werk: van goud , hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. G En zij maakten twee onyxsteenen, rondom in goud gezet, gegraveerd door de steensnijders, mei denamen der kinderen Israels; 7 en men hechtte die op de schouders van den lijfrok, opdat het steenen zijn zouden tot cene gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 8 En zij maakten den borstlap naar de kunst en naar het werk des lijfroks, van goud, hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde; 9 dat hij vierkant en dubbel was, een hand lang en breed. 10 En zij vulden er vier rijen steenen in; de eerste rij was een sardis, topaas en smaragd; 11 de tweede een robijn, saffier en diamant; 12 de derde een barnsteen, agaat en amethyst; |
EXODUS 39.
184
|
13 do vierde een turkoois, onyx en jaspis; rondom in goud gezet, in alle rijen. 14 En de steenen stonden naar de twaalf namen dei-kinderen Israels, gegraveerd door de steensnijders, elk met zijnen naam, naar de twaalf stammen. 15 En zij maakten aan den borstlap ketens met twee einden, van fijn goud; 16 en twee gouden haakjes , en twee gouden ringen; en zij heclitten die twee ringen aan de twee hoeken van den borstlap. 17 En de twee einden der ketenen deden zij in de twee ringen op de hoeken van den borstlap; 18 doch de twee andere einden der ketenen deden zij aan de twee kasjes, en hechtten die aan de hoeken van den lijfrok tegenover elkander. 19 En zij maakten twee andere gouden ringen, en hechtten die aan de twee andere hoeken van den borstlap, aan deszelfs rand welke binnenwaarts was naar den lijfrok toe. 20 En zij maakten twee andere gouden ringen, welke zij deden aan de twee hoeken beneden aan den lijfrok tegenover elkander, waar de lijfrok beneden sluit; |
31 zoodat de borstlap met zijne ringen aan de ringen van den lijfrok geknoopt werd met een hemelsblauw snoer, opdat hij op den lijfrok dicht zou aansluiten, en niet van den lijfrok losraken, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 23 En hij maakte den zijden rok bij den lijfrok, geheel van hemelsblauw gewerkt ; 33 en eene opening boven in het midden, en een boord rondom de opening gevouwen, opdat hij niet scheurde. 34 En zij maakten aan zijnen zoom granaatappels van hemelsblauw, scharlaken, rozerood en getweernde witte zijde. 35 En zij maakten schelletjes van fijn goud, die deden zij tusschen de granaatappels , rondom aan den zoom van den zijden rok; 36 een granaatappel, en dan een schelletje, in het rond aan den zoom, om daarin den dienst te verrichten, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 27 En zij maakten ook de enge rokken van witte zijde gewerkt, voor Aaron en zijne zonen; 28 en den hoed van witte zijde, en de schoone mutsen |
EXODUS 39.
185
|
\ an witte zijde, en de onder-] leederen van getweernd wit ijnwaad; 29 en den gebordirarden wdel van getweernde witte ijde, hemelsblauw, scliaiia-;en en rozerood, gelijk de leer aan Mozes geboden ad. 30 Zij maakten ook de ïoorhoofdsplaat, namelijk de lieilige kroon, van fijn goud, m graveerden een opschrift flaarop: de heiligheid des quot;Ieeren. 31 En zij bonden een hemelsblauw snoer daaraan, at het aan den hoed van oven gehecht werd, gelijk :le Heer aan Mozes £!:eboden liad. 32 Alzoo werd voltooid liet geheele werk der woning ran de hut des stichts; en de kinderen Israels deden alles wat de Heer aan Mozes geboden had. 33 Toen brachten zij de woning tot Mozes, de tent en al haar gereedschap, hare haken, stijlen, stangen, pilaren en voetstukken; 34 het dekkleed van rood-vervige ramsvellen, het dekkleed van dassevellen, en het voorhangsel; 35 de ark der getuigenis met hare handboomen, en het verzoendeksel; |
36 de tafel en al haar gereedschap, en de toonbroo-den; 37 den schoonen kandelaar, met de lampen toebereid, en al zijn gereedschap, en de olie voor het licht; 38 den gouden altaar, en do zalfolie, en goed reukwerk; het behangsel voorden ingang der hut; 39 den koperen altaar, en zijn koperen traliewerk, met de handboomen en al zijn gereedschap; het waschvat met zijn voetstuk; 40 de omhangsels van den voorhof', met zijne pilaren en voetstukken; het oehangsel aan de poort des voorhofs, met zijne touwen en nagels, en al het gereedschap tot den dienst van de woning der hut des stichts; 41 de ambtskleederen van den priester Aiiron, om te dienen in het heiligdom, en de kleederen van zijne zonen, tot de bediening van het priesterambt. 42 Alles deden de kinderen Israels omtrent dezen gp-heelen dienst, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 43 En Mozes bezag al dat werk, en bevond dat zij het gemaakt hadden gelijk de Heer geboden had; en bij zegende hen. |
EXODUS 40.
186
|
HOOFDSTUK 40. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Gij zult de woning der hut des sticlits opricliten op den eersten dag dor eerste maand, 3 en zult de ark der getuigenis daarin zetten, en liet voorhangsel voor de ark hangen, 4 en zult de tafel daarin brengen en die toebereiden, en den kandelaar daarin stellen, en de lampen daarop zetten; 5 en gij zult den gouden reukaltaar zetten vóór de ark der getuigenis, en het behangsel voor den ingang der woning ophangen. G Maar den brandofter-altaar zult gij zetten buiten voor den ingang van de woning der hut des stichts; 7 en het waschvat tusschen de hut des stichts en den altaar , en water daarin doen. 8 En gij zult den voorhof rondom zetten, en het behangsel aan de poort van den voorhof ophangen. 9 En gij zult de zalfolie nemen, en de woning en al-wat daarin is zalven, en zult ze wijden met al haar gereedschap , opdat zij heilig zij; 10 en zult den brandoiier-altaar zalven met al zijn gereedschap, en hem wijden, opdat hij het allerheiligste |
zij; 11 en zult ook het waschvat en zijn voetstuk zalven en het wijden. 13 En gij zult Aiiron en zijne zonen voor den ingang van de hut des stichts brengen , en hen met water was-schen; 13 en zult Aiiron de heilige kleederen aantrekken, en' hem zalven, cn hem wijden, opdat hij mijn priester zij. 14 En gij zult zijne zonen óók doen naderen, en hun de enge rokken aantrekken, 15 en hen zalven gelijk gij hunnen vader gezalfd hebt, opdat zij mijne priesters zijn; en deze zalving zullen zij hebben tot een eeuwig priesterschap bij hunne nakomelingen. 16 En Mozes deed alles gelijk de Heer hem geboden had. 17 Alzoo werd de woning opgericht in het tweedejaar op den eersten dag der eerste maand. 18 En toen Mozes haar oprichtte, stelde hij de voetstukken, en de stijlen, en de stangen, en richtte hare pilaren op, 19 en spreidde het dekkleed uit over de woning, en leide het bedeksel der hut |
EXODUS 40.
187
|
daarbovenop, gelijk de Heer hem geboden had. 20 En hij nam de getuigenis en leide haar in de ark, en deed de handboo-men aan de ark, en zette het verzoendeksel bovenop de ark; 21 en hij bracht do ark in de woning, en hing het voorhangsel voor de ark der getuigenis, gelijk de Heer hem geboden had; 22 en zette de tafel in de hut des stiohts, in den hoek der woning tegen het noorden, buiten het voorhangsel. 23 En hij bereidde het brood daarop voor den lieer, gelijk de Heer hem geboden had, 2 t en zette ook den kandelaar daarin, tegenover de tafel, inden hoek der woning tegen het zuiden; 23 en plaatste de lampen daarop voor den Heer, gelijk de Heer hem geboden had. 26 En hij zette den gouden altaar daarin, voor het voorhangsel , 27 en ontstak daarop goed reukwerk, gelijk de Heer hem geboden had; 28 en hing het behangsel aan den ingang der woning. |
29 Den brandofler-altaar nu zette hij voor den ingang van de woning der hut des stichts, en ollerde daarop brandofi'er en spijsoffer, gelijk de Heer hem geboden had. 30 En het waschvat zette hij tusschen de hut des stichts en don altaar, en deed water daarin om te wasschen; 31 en Mozes, Aaron en zijne zonen, wieschen hunne handen en voeten daaruit; 32 want zij moesten zich wasschen als zij in de hut des stichts gingen of tot den altaar naderden, gelijk do Heer aan Mozes geboden had. 33 En hij richtte den voorhof op, rondom de woning en rondom den altaar, en hing het behangsel aan de poort van den voorhof. Al-zoo voltooide Mozes het ge-heele werk. 34 ïoen bedekte do wolk de hut des stichts, en de heerlijkheid des Heeren vervulde de woning, 33 en Mozes kon niet in de hut des stichts gaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid des Heeren de woning vervulde. 36 En als de wolk zich ophief van de woning, braken de'kinderen Israels op, bij al hunne tochten; 37 maar als do wolk zich niet ophief, braken zij niet |
LEVITICUS 1.
woning, en bij nacht wns zij vurig, voor do oogen van het geheele huis Israels, op al hunne tochten.
188
op, tot op den dag dat zij zich ophief.
88 Want de wolk des Heeren was bij dag op de
HET DERDE BOEK VAN MOZES
GENAAMD
LEVITICUS. .
|
HOOFDSTUK 1. 1 En de Heer riep Mozes en sprak tot hem uit de hut des stiohts, zeggende: 3 Spreek met de kinderen Israels en zeg tot hen: Wie onder ulieden den Heer een ofter wil brengen, die brenge het van het vee, van runderen en van schapen. 3 Wil hij een brandoffer brengen van runderen, zoo offere hij een mannetje dat zonder gebrek is , vóór den ingang van de hut des stiohts, opdat het van hem aangenaam zij voor den Heer. 4 En hij legge zijne hand op het hoofd des brandoliers, zoo zal hot aangenaam zijn en hem verzoenen. 5 En hij zal het jonge rund slachten voor den Heer; en de priesters, Ailrons zonen, zullen hot bloed offeren, en het sprengen rondom tegen den altaar die vóór den ingang van de hut des stiohts is. |
6 En men zal het brandoffer de huid aftrekken, en het zal in stukken gedeeld worden. 7 En de zonen van den priester Aaron zullen een vuur op don altaar maken, en hout daarop leggen. 8 En zij zullen de stukken, namelijk het hoofd en het vet, op het hout leggen boven het vuur dat op den altaar ligt. 0 Maar het ingewand en de schenkels zal men met water wasschen; en de priester zal dat alles ontsteken op den altaar tot een brand-offer: dit is een vuurofter tot een liefelijken reuk voor den Heer. 10 En wil hij van schapen of quot;'eiton een brandoiter |
LEVITICUS 2.
189
|
brengen, zoo brenge Lij een mannetje ' dat zonder gebrek is. 11 En hij zal liet slachten terzijde van den altaar tegen het noorden, voor den Heer; en de priesters, Aiirons zonen, zullen zijn bloed sprengen rondom tegen den altaar. 13 En men zal het in stukken deelen, en de priester zal het hoofd en het vet leggen op het hout boven het vuur dat op den altaar is. 13 Maar liet ingewand en de schenkels zal men met water wasschen; en de priester zal dat alles offeren en ontsteken op den altaar tot een brandolïer. Dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer. 14 En wil hij van vogels den Heer een brandoffer brengen, zoo brenge hij het van tortelduiven of van jonge duiven. 15 En de priester zal die tot den altaar brengen, en haar het hoofd afsnijden, om op den altaar ontstoken te worden, en zal haar bloed laten uitbloeden aan den wand van den altaar. 16 En haren krop met hare vederen zal men bij den altaar, tegen het oosten, op den aschhoop werpen. |
17 En hij zal hare vleugels klieven, maar niet afbreken ; en alzoo zal de priester dat ontsteken op den altaar, op het hout dat op het vuur is, tot een brandoffer: dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer. HOOFDSTUK 2, 1 En wanneer iemand den Heer een spijsoffer wil brengen , zoo zal het van meelbloem zijn; en hij zal er olie opgieten, en er wierook opleggen; 3 en hij zal het alzoo brengen tot de priesters, Aiirons zonen. Alsdan zal de priester zijne hand-vol nemen van deze meelbloem en olie, benevens al den wierook ; en hij zal het op den altaar ontsteken tot eene gedachtenis: dit is een vuuroffer tot een liefelijkcn reuk voor den Heer. 3 Maar het overige van het spijsoffer zal voor A ilron en zijne zonen zijn: dit zal een allerheiligste zijn van de vuuroffers voor den Heer. 4 En wilt gij een spijsoffer brengen van een gebak in den oven, zoo neme men koeken van meelbloem, ongezuurd , met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken. 5 Of is uw' spijsoffer iets |
LEVITICUS 3.
190
|
van 't geen gebakken wordt in do pan, zoo zal liet zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd. ö En gij zult liet in stukken deelen, en olie daarop gieten, dan is liet een spijsoffer. 7 Of is uw spijsoffer iets, op den rooster geroost, zoo zult gij liet bereiden van meelbloem met olie. 8 En gij zult dat spijsoffer, hetwelk gij daarvan bereid liebt voor den Heer, tot den priester brengen, die zal het op den altaar brengen. 9 En hij zal van dat sj^ijs-offer opheffen tot eene gedachtenis, en het op den altaar ontstoken: dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor don Heer. 10 Maar het overige zal voor Ailron en zijne zonen zijn: dit zal een allerheiligste zijn van de vuurofi'ers voor den Heer. 11 Alle spijsoffer dat gij den Heer brengen wilt, zult gij zonder zuurdeeg bereiden; want daaronder zal geen zuurdeeg noch honig tot een vuuroffer voor den Heer ontstoken worden. 13 Maar gij moogt die den Heer tot een eersteling brengen; doch zij zullen op geen altaar ontstoken worden tot een liefelijken reuk. |
13 Al uw spijsoffer zult 0f[er gij zouten, en uw spijsoffer ]iet zal nimmer zonder hot zout wani des verbonds van uwen God 4 zijn; want bij al uwe offers ^et zult gij zout offeren. de 14 En wilt gij den Heer ovei een spijsoffer brengen van zal de eerste vruchten, zoo zult 5 gij de versche aren, aan het het vuur gedroogd, kleinstooten, offe en alzoo het spijsoffer van hoi] uwe eerste vruchten br'en- dit gen; __ . lief 15 en gij zult olie daarbij He doen, en wierook daarop 6 leggen: dan is het een spijs- eer offer. brc 16 En-de priester zal het wii offer van het gestooten graan gel en van do olie, benevens al 7 den wierook, ontsteken tot hij eene gedachtenis: dit is een ge vuuroffer voor den Heer. S HOOFDSTUK 3. °I di 1 Eu is zijn offer een dank- y( offer van runderen, hetzij os JV of koe, zoo zal hij voor den h] Heer brengen hetgeen zon- g, der gebrek is. 2 Én hij zal zijne hand d op het hoofd van zijn offer- t( dier leggen, en het slachten 7; vóór den ingang van de hut v des stichts; en de priesters, e Aarons zonen, zullen het g bloed sprongen rondom tegen den altaar. ] 3 En hij zal van het dank- ( |
LETITICUS 4.
191
|
offer den Heere ofteren al het vet dat wand is. 4 En de twee nieren met het vet dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever aan de nieren, zal hij daarvan afscheuren; 5 en Aiirons zonen zullen het ontsteken tot een brandoffer op den altaar, op het hout dat op het vuur ligt: dit is een vuuroffer tot een liefelijken reuk voor den Heer. G Maar wil hij don Heer een dankoffer van klein vee brengen, hetzij mannetje of wijfje, zoo zal het zonder gebrek zijn. 7 Is het een lam, zoo zal hij het voor den Heer brengen. 8 En hij zal zijne hand op het hoofd van zijn offerdier leggen, en het slachten vóór de hut des stichts; en Aiirons zonen zullen zijn bloed sprengen rondom tegen den altaar. 9 En hij zal alzoo van het dankoffer den Heere offeren tot een vuuroffer, namelijk; zijn vet, den geheelen staart, van den rug afgescheurd, eu al het vet aan het ingewand ; 10 de twee nieren, met het vet dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever aan de nieren, afgescheurd; liet inge- |
11 en de priester zal het ontsteken op den altaar, tot eene spijs des vuuroffers voor den Heer. 12 En is zijn offer eene geit, en brengt hij haar voor den Heer, 13 zoo zal hij zijne hand op haar hoofd leggen, en haar slachten vóór de hut des stichts; en Aiirons zonen zullen het bloed sprengen rondom tegen den altaar. 14 En hij zal daarvan een offer voor den Heer offeren, namelijk; het vet aan het ingewand, 15 de twee nieren, met het vet dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever aan de nieren, afgescheurd; 16 en de priester zal het op den altaar ontsteken tot eene spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk. Al het vet is voor den Heer; 17 dit zij eene eeuwige inzetting bij uwe nakomelingen , in al uwe woningen, dat gij geen vet en geen bloed eet. HOOFDSTUK 4. 1 En de Heer sprak tot Mozcs, zeggende: 3 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer |
LEVITICUS 4.
193
|
iemand uit onwetendheid gezondigd heeft tegen eenig gebod des Heeren, hetgeen hij niet doen moest, 3 namelijk indien een priester, die gezalfd is, mocht zondigen, dat hij het volk ergerde, die zal voor zijne zonde, die hij gedaan heeft, een jongen var, die zonder gebrek is, den Heer tot een zondoffer brengen; 4 en hij zal dien jongen var vóór den ingang van de hut des stiehts brengen voor den Heer, en zijne hand op deszelfe hooid leggen, en hem slachten voor den Heer. 5 En de priester die gezalfd is, zal van het bloed van den var nemen, en het in de hut des stiehts brengen; 6 en hij zal zijnen vinger in dat bloed doopen, en daarmede zevenmaal sprengen voor den Heer, vóór het voorhangsel in het hei-lige. 7 En hij zal van dat bloed doen op de hoornen des reukaltaars die voor den Heer in de hut des stiehts is, en al het bloed uitgieten aan den voet van den brand-offer-altaar die vóór den ingang van de hut des stiehts is. 8 En al het vet des zond-oft'ers zal hij opheften, namelijk: het vet aan het ingewand; |
9 de twee nieren, met het vet dat daaraan is, aan de lendenen, en het net over de lever aan de nieren, afgescheurd; 10 gelijk hij het opheft van het rund des dankoli'ers; en hij zal het op den brand-ofl'er-altaar ontsteken. 11 Maar de huid van den var, met al het vleeseh, benevens het hoofd, en de schenkels, en het ingewand, en den mest, 12 dat alles zal hij uitvoeren buiten het leger, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en hij zal het op het hout met vuur verbranden. 13 Wanneer de geheele gemeente van Israël uit dwaling misdoen mocht, en de daad voor hunne oogen verborgen was, dat zij tegen eenig gebod des Heeren gedaan hadden, hetgeen zij niet doen moesten, en zich alzoo schuldig gemaakt hadden, 14 en daarna hunne zonde die zij gedaan hadden gewaarwerden, zoo zullen zij een jongen var tot een zond-ofl'er brengen, en hem vöór den ingang van de hut des stiehts brengen; 15 en de oudsten der ge- |
LEVITICUS 4.
193
|
meentc zullen Iranne handen op deszelfs hoofd leggen voor den Heer; en men zal den var slachten voor den Heer. 1G En de priester die gezalfd is, zal van het bloed van den var in de hut des stichts brengen; 17 en hij zal zijnen vinger daarin doopen, en zevenmaal yoor den Heer, vóór het voorhangsel, sprengen. 18 En hij zal van dat bloed doen op de hoornen des altaars die voor den Heer staat in do hut des stiehts, en al het andere bloed zal hij uitgieten aan den voet van den brandoffer-altaar die voor den ingang van de hut des stichts is. 19 Maar al zijn vet zal hij opheft'en en het op den altaar ontsteken. 20 En hij zal met dien var doen gelijk hij met den var des zondoliers gedaan heeft; en alzoo zal de priester hen verzoenen, dan wordt het hun vergeven. 31 En ]i\j zal den var uitvoeren buiten het leger, en hem verbranden, gelijk hij den vorigen var verbrand heeft: dit zal het zondoffer der gemeente zijn. |
33 Ea als een vorst zondigt , en tegen eenig gebod van den Heer zijnen God doet hetgeen hij niet doen moest, door dwaling, zoodat liij zich schuldig maakt, 28 en hij wordt zijne zonde die hij gedaan heeft gewaar, zoo zal liij een geitebok, zonder gebrek, tot een offer brengen; 34' en hij zal zijne liand leggen op het hoofd van den bok, en hem slachten ter plaatse waar men het brandoffer slacht voor den Heer; dit zij zijn zondoffer. 23 Dan zal de priester met zijnen vinger van het bloed des zondoff ers nemen, en het op de lioornen van den brandoffer-altaar doen, en het andere bloed aan den voet van den brandoffer-altaar uitgieten; 26 maar al zijn vet zal hij op den altaar ontsteken, evenals het vet des dankoffers ; en alzoo zal de priester zijne zonde verzoenen, dan wordt het hem vergeven. 37 En wanneer iemand van het volk door dwaling misdoet en zondigt, dat hij tegen een van de geboden des Heeren doet hetgeen hij niet doen moest, en zich alzoo schuldig maakt, 38 en hij wordt zijne zonde die hij gedaan heeft gewaar, dan zal hij eene geit, zonder gebrek, tot een offer |
7
LEVITICUS 5,
194
|
brengen voor de zonde die hij gedaan heeft; 39 en hij zal zijne hand op het hoofd des zondoflers leggen, en het slachten ter plaatse van het brandofler. 30 En du priester zal met zijnen vinger van dat bloed nemen, en het op de hoornen van den brandofler-altaar doen, en al het overige bloed aan den voet van den altaar uitgieten; 31 maar al het vet zal hij afscheuren, gelijk hij het vet des dankoflers afgescheurd heeft, en hij zal het op den altaar ontsteken, tot een liefelijken reuk voor den Heer; en alzoo zal de priester hem verzoenen, dan wordt het hem vergeven. 33 Maar brengt hij een lam tot een zondoffer, zoo brenge hij een wijfje, zonder gebrek, 33 en hij legge zijne hand op het hoofd des zondoflers, en slachte het tot een zondoffer, ter plaatse waar men het brandofler slacht; 34 en de priester zal met zijnen vinger van dat bloed nemen en het op de hoornen van den brandoffer-altaar doen, en al het overige bloed aan den voet van den altaar uitgieten; |
35 maar al het vet zal hij afscheuren, gelijk hij het vet van het lam des dankoflers afgescheurd heeft; en de priester zal het op den altaar ontsteken tot een vuurofier voor den Heer; en alzoo zal de priester zijne zonde die hij gedaan heeft verzoenen, dan wordt het hem vergeven. HOOFDSTUK 5. 1 Wanneer iemand mocht zondigen, dat hij eene bezwering gehoord heeft, als hij getuige is, en wat hij gezien of vernomen heeft niet openbaart, die is aan eene misdaad schuldig. 3 Of wanneer iemand iets onreins aanraakt, hetzij een aas van een onrein dier of vee of gewormte, en niet wist dat hij onrein was, en zich schuldig gemaakt heeft; 3 of wanneer iemand een onrein inensch aanraakt, door welke onreinheid het ook zij, waardoor de mensch onrein kan worden, en het niet wist, en hij wordt het gewaar dat hij zich heeft schuldig gemaakt; 4 of wanneer iemand een eed doet, die hem uit den mond ontglipte, om kwaad of goed te doen, gelijk een mensch wel een eed ontglippen kan eer hij hot bedenkt, en hij wordt het gewaar dat hij zich heeft schuldig gemaakt: — |
LEVITICUS 5.
195
|
5 wanneer liet nu geschiedt dat liij zicli op zoodanige wijs heeft schuldig gemaakt, en bekent dat liij daarin gezondigd heeft, 6 zoo zal hij, voor zijne schuld aan deze zonde die hij gedaan heeft, den Heer een lam of eene geit van de kudde brengen tot een zond-ofler; en alzoo zal de priester hem zijne zonde verzoenen. ' 7 Maar is een lam boven zijn vermogen, zoo brenge hij den Heer voor zijne zonde, die hij gedaan heeft, twee tortelduiven of twee jonge duiven; de eerste tot een zondoller, de andere tot een brandoffer. 8 En hij brenge die den priester; die zal de eerste tot een zondoffer bereiden, en haar den kop afnijpen achter den nek, maar niet geheel daarvan afscheiden. 9 En hij zal van het bloed des zondoffers sprengen tegen de zijde van den altaar, en het overige bloed laten uitbloeden aan den voet des altaars: dit is het zondoffer. 10 Maar de andere zal hij tot een brandoffer bereiden, volgens het voorschrift; en alzoo zal de priester hem zijne zonde die hij gedaan heeft verzoenen, dan wordt het hem vergeven. |
11 Maar zijn twee tortelduiven of twee jonge duiven boven zijn vermogen, zoo brenge hij die gezondigd heeft voor zijn oüer een tiendedeel van een efa meelbloem tot een zondoffer; maar hij zal er geen olie bijdoen noch er wierook opleggen, want het is een zondoller. 13 En hij zal het tot den priester brengen; de priester nu zal een handvol daarvan nemen tot eene gedachtenis, en het op den altaar ontsteken tot een vuuroffer voor den Heer: dit is een zondoffer. 13 En de priester zal hem alzoo over zijne zonde die hij gedaan heeft verzoenen, dan wordt het hem vergeven; en het zal voor den priester zijn, gelijk het spijsoffer. l i En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 15 Wanneer iemand zich onvoorziens vergrijpt, en zich bezondigt aan hetgeen den Heer gewijd is, zoo zal hij zijn schuldoffer den Heere brengen, een ram van do kudde, zonder gebrek, die twee sikkels zilver waard is, naar den sikkel des heiligdoms, tot een schuldoffer. 16 En hij zal datgene vergoeden, waaraan hij zich |
LEVITICUS 6.
196
|
ten aanzien der heilige dingen bezondigd heeft, en het vijfdedeel daarenboven geven ; en hij zal het den priester geven, die zal hem verzoenen met den ram des schuldoffers, dan wordt het hem vergeven. 17 Wanneer iemand zondigt, en doet tegen eenig gebod des Heeren, hetgeen hij niet doen moest, en het niet geweten heeft, die heeft zich schuldig gemaakt en is aan zijne misdaad schuldig. 18 En hij zal een ram van de kudde, zonder gebrek, die een , schuldolier waard is, tot den priester brengen; die zal hem zijne onwetendheid waarin hij gedwaald heeft, daar bij het niet wist, verzoenen; dan wordt het hem vergeven. 19 Dit is het schuldoffer waarin hij voor den Heer vervallen is. 20 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 31 Wanneer iemand zondigde en zich tegen den Heer vergreep, dat hij loochent hetgeen zijn naaste hem toevertrouwd heeft, of wat hem ter hand gesteld is, of wat hij met geweld genomen of met onrecht aan zich gebracht heeft; 23 of als hij hetgeen verloren is, gevonden heeft, en |
schen eed; of wat van dit alles ook zij, waarin een inensch tegen zijnen naaste v 23 als het nu geschiedt dat hij alzoo zondigt en zich schuldig maakt, zoo zal hij ci recht aan zich gebracht heeft, ] of wat hem toevertrouwd is, valscben eed gedaan heeft: dat zal hij alles in het ge- i heel wedergeven, en nog het vijfdedeel daarenboven, aan dengeen van wien het geweest is, op den dag als hij zijn schuldoffer brengt. 35 En voor zijne schuld zal hij voor den Heer tot den priester brengen een rara van de kudde, zonder gebrek, die eon schuldoffer waard is. 30 Zoo zal de priester hem verzoenen bij den Heer; dan wordt hem vergeven alwat hij gedaan heeft, waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt. HOOFDSTUK 6. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Gebied Ailron en zijnen zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer: het |
LEVITICUS 6,
197
|
brandoffer zal op den altaar branden den geheelen nacht tot den morgen toe, en het vuur des altaars zal daarop branden. 3 En de priester zal zijnen linnen rok aantrekken, en de linnen onderkleederen aan zijn lijf; en hij zal de asoh opnemen, welke door het vuur des brandoffers op den altaar gemaakt is, en zal die bij den altaar uitschudden. 4 En hij zal daarna zijne kleederen uittrekken en andere kleederen aandoen, en de asch uitdragen tot buiten het leger aan eene reine plaats. 5 Het vuur op den altaar zal branden en nooit uitge-bluscht worden; de priester zal daarop eiken morgen het hout aansteken,endaar-op het brandoffer bereiden, en het vet der dankoffers daarop ontsteken. 6 Eeuwiglij k zal het vuur op den altaar branden en nooit uitgebluscht worden. 7 En dit is de wet van het spijsoffer, hetwelk Aii-rons zonen offeren zullen voor den Heer op den altaar. 8 En hij zal daarvan een handvol afnemen van de meelbloem des sjjijsoffers , eu van de olie, en al den wierook die op het spijsoffer ligt, en zal het op den altaar ontsteken tot een liefelijken reuk, eene gedachtenis voor den Heer. |
9 Maar het overige zullen Aüron en zijne zonen verteren , en zij zullen het ongezuurd eten op de heilige plaats, in den voorhof van de hut des stichts; 10 zij zullen niets met zuurdeeg bakken, want het is hun deel hetwelk ik hun gegeven heb van mijn offer: het zal hun een allerheiligste zijn, gelijk het zondoffer en schuldoffer. 11 Alwat mannelijk is onder Aarons kinderen zal dat eten. Dit zij eene eeuwige inzetting bij uwe nakomelingen , aangaande de vuur-off'ers voor den Heer: niemand zal die aanraken tenzij dat hij gewijd is. 13 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 13 Dit zal het offer van Aiiron en zijne zonen zijn, hetwelk zij den Heere offeren zullen op den dag zijner zalving: het tiendedeel van een efa meelbloem tot een dagelijksch spijsoffer, decéne helft des morgens en de andere helft des avonds. 14 Gij zult het in eene Êan met olie bereiden enan met olie bereiden en et geroost brengen, en aan gebakken stukken zult gij |
LEVITICUS 7.
198
|
het offeren tot een liefelijken reuk voor den Heer. 15 En de priester, die na tem uit zijne zonen in zijne plaats zal gezalfd worden, zal dat doen. Dit is eene eeuwige inzetting voor den Heer: het zal geheel verbrand worden; 16 want alle spijsoftervan een priester zal geheel verbrand en niet gegeten worden. 17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot Aiiron en zijne zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer. Ter plaatse waar gij het brandoffer slacht, zult gij ook het zondoffer slachten voor den Heer: dit is een allerheiligste. 19 De priester die dat zondofter offert, zal het eten op de heilige plaats, in den voorhof van de hut des stichts. 30 Niemand zal dit vleesch aanraken tenzij dat hij gewijd is; en wie met deszelfs bloed een kleed besprengt, die zal het besprengde stuk wasschen op de heilige plaats. 31 En den aarden pot waarin het gekookt is zal men aan stukken breken; maar is het een koperen pot, zoo zal men hem schuren en met water spoelen. |
33 Alwat mannelijk is onder de priesters zal daarvan eten; want het is een allerheiligste. 33 Maar alle zondofter, waarvan het bloed in de hut des stichts gebracht wordt om in het heilige te verzoenen, zal men niet eten maar met vuur verbranden. HOOFDSTUK 7. 1 En dit is de wet van het schuldoffer; het is een allerheiligste. 3 Ter plaatse waar men het brandofter slacht, zal men ook het schuldoffer slachten, en men zal van zijn bloed rondom tegen den altaar sprengen. 3 En al zijn vet zal men offeren: den staart, en het vet aan het ingewand; 4 de twee nieren met het vet dat er aan is, aan de lendenen, en het net over de lever aan de nieren, afgescheurd ; 5 en de priester zal het op den altaar ontsteken tot een vuurofter voor den Heer: dit is het schuldoffer. 6 Alwat mannelijk is onder de priesters zal dat eten op de heilige plaats; want het is een allerheiligste. 7 Gelijk het zondofter is, zóó zal ook het schuldoffer |
LEVITICUS 7;
199
|
zijn; van beide zal cénerlei ■\vet zijn; en liet zal voor den priester zijn die daarmede verzoent. 8 En de priester die iemands brandofl'er ofïert, voor dien zal de liuid zijn van liet brandofier dat liij geotterd beeft. 9 En alle spijsoffer dat in den oven of op den rooster of in de pan gebakken is, zal voor den priester zijn die bet offert. 10 En alle spijsoffer dat met olie gemengd of droog is, zal voor al de zonen van Aaron zijn, voor den één gelijk voor den ander. 11 En dit is de wet van liet dankoffer hetwelk men den lleere offert. 12 Willen zij een lofoffer brengen, zoo zullen zij offeren ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, en gerooste koeken van meelbloem met olie gemengd. 13 En zij zullen bij dat offer doen een koek van gezuurd brood, tot een lofoffer zijns dankoffers. 14 En liij zal één van die alle voor den lieer tot een hefott'er brengen, en bet zal voor den priester zijn die liet bloed des dankoffers sprengt. |
15 En het vleesch van het lofoffer in zijn dankoffer zal op denzelfden dag, als hot geofferd wordt, gegeten worden, en daarvan zal niets overgelaten worden tot den morgen. 16 En hetzij het eene gelofte of een vrijwillig olfer zijn zal, zoo zal het op dienzclfden dag, als het geofferd wordt, gegeten worden; maar indien er iets van overblijft tot den anderen dag, zal men het evenwel mogen eten. 17 Maar wat van het geofferde vleesch overblijft tot den derden dag, zal met vuur verbrand worden; 18 en indien iemand op den derden dag van het geofferde vleesch zijns dankoffers eten zal, zoo zal hij die het geofferd heeft niet aangenaam zijn, en het zal hem ook niet toegerekend worden, maar het zal een gruwel zijn; en wie daarvan eten zal, die is aan eene misdaad schuldig. 19 En het vleesch dat met iets onreins in aanraking komt, zal niet gegeten maar met vuur verbrand worden; doch v/ie rein van lichaam is, die mag het \an-deré] vleesch eten. 20 En wie eten zal van het vleesch des dankoflbrs |
|
SOO dat den Heer toebehoort, terwijl zijne onreinheid aan hem is, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 21 En wanneer iemand iets onreins aanraakt, hetzij een onrein mensch of beest, of wat anders onrein is, en van het vleesch des dankoffers, dat den Heer toebehoort, eet, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 32 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 33 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende; Gij zult geen vet van ossen, lammeren en geiten eten; 34 en het vet van een aas en wat door een wild dier verscheurd is mag tot allerlei gebruik dienen, maar gij zult het niet eten; 35 want wie het vet van een beest, hetwelk den Heer tot een ofter gegeven is, eet, die zal iiit zijn volk uitgeroeid worden. 36 Gij zult ook, waar gij ■woont, geen bloed eten, noch van vee noch van vogels : 37 wie eenig bloed zal eten, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 38 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 39 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende; Wie den Heer zijn dankoffer brengen wil, die zal ook medebrengen wat tot het dankoffer des Heeren behoort. |
30 Hij zal liet met zijne hand aldaar brengen tot een offer voor den Heer, namelijk het vet aan de borst zal hij brengen, benevens de borst, om een beweegoff'er te zijn voor den Heer; 31 en de priester zal dat vet op den altaar ontsteken; en de borst zal voor Ailron en zijne zonen zijn. 33 En den rechterschouder zult gij den priester tot een hefoffer van uwe dankoffers geven. 33 En wie van Aiirons zonen het bloed des dankoffers en het vet offert, voor dien zal de rechtersehoudcr tot zijn deel zijn; 34 want de beweegborst en den hefschouder heb ik genomen van de kinderen Israëls uit hunne dankoffers, en heb die den priester Aaron en zijnen zonen gegeven tot een eeuwig rccht. 35 Dit is het heilig deel van Aaron en zijne zonen van de vuuroffers des Heeren, op dien dag toen hij hen deed naderen om priesters tc zijn voor den Heer, 36 hetwelk de Heer gebood op dien dag als hij hen zalfde, dat hun van de kinderen Israëls zou gegeven LEVITICUS 7. |
LEVITICUS 8.
201
|
worden, tot eene eeuwige inzetting voor al hunne nakomelingen. — 37 Dit is de wet van liet brandofier, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankofler, 38 welke de Heer aan Mo-zes geboden heeft op den berg Sinaï, op den dag toen hij hem gebood aangaande de kinderen Israels, om hunne otters den Heere te offeren in de woestijn Sinaï. HOOFDSTUK 8. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Neem Aiiron, en zijne zonen met hem, benevens hunne kleederen, en de zalfolie , en een var tot een zondoffer, en twee rammen, en een korf met ongezuurde brooden; 3 en vergader de geheele gemeente voor den ingang van de hut des stichts. 4 En Mozes deed gelijk de Heer hem geboden had, en vergaderde de gemeente voor den ingang van de hut des stichts, 5 en sprak tot hen : Dit is het wat de Heer geboden heeft te doen. 6 En Mozes nam Aiiron en en zijne zonen, en wiesch hen met water, |
7 en deed hem den linnen rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den zijden rok aan, en deed hem den lijfrok daarover aan, en gordde dien met den band des lijfroks; 8 en hij deed hem den borstlap aan, en in den borstlap het Licht en Recht; 9 en hij zette hem den hoed op het hoofd, en voegde aan den hoed, bovenaan zijn voorhoofd, de gouden plaat der heilige kroon, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 10 En Mozes nam de zalfolie, en zalfde de woning en al wat er in was, en wijdde haar; 11 en hij sprengde daarmede zevenmaal op den altaar, en zalfde den altaar met al zijn gereedschap, het waschvat met zijn voetstuk, opdat het gewijd wierd. 13 En hij goot van de zalfolie op Aiirons hoofd, en zalfde hem, opdat hij gewijd wierd. 13 En hij deed Aarons zonen naderen, en trok hun linnen rokken aan, en gordde hen met den gordel, en bond hun mutsen op, gelijk de Heer hem geboden had. 14 En hij liet een var tot een zondoffer brengen ; en Aiiron en zijne zonen leiden |
LEVITICUS 8.
303
|
limine handen op deszelfs liootd. 15 Toen slachtte men dien, en Mozes nam van het bloed en deed het met zijnen vinger op de hoornen des altaars rondom, en ontzondigde den altaar, en goot het bloed uit aan den voet van den altaar, en wijdde hom, om hem te verzoenen. 16 En hij nam al het vet aan het ingewand, het net over de lever, en de twee nieren met het vet daaraan, en ontstak het op den altaar; 17 maar den var met zijn huid, vleesch en mest verbrandde hij met vuur buiten het leger, gelijk de Heer hem geboden had. 18 En hij deed een ram tot een brandoffer naderen, en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen op des-zelfs hoofd. 19 Toen slachtte men dien, en Mozes sprengde van het bloed rondom tegen den altaar; 20 en hij deelde den ram in zijne stukken, en ontstak het hoofd, de stukken en het vet, 31 en wiesch het ingewand en de schenkels met water, en ontstak alzoo dien gehee-len ram op den altaar: dit was een brandofler tot een liefelijkcn reuk, een vuur-offer voor den Heer, gelijk de Heer hem geboden had. |
33 En hij deed ook den anderen ram des vuloffers naderen, en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen op deszelfs hoofd. 33 Toen slachtte men dien, en Mozes nam van zijn bloed en deed het op Aarons rechteroorlap, en op den duim van zijne rechterhand, en op den grooteu teen van zijn rechtervoet; 34 ook deed hij Ailrons zonen naderen, en deed van dat bloed op hun rechteroorlap, en op den duim van hunne rechterhand, en op den grooten teen van hun rechtervoet, en sprengde dat bloed rondom tegen den altaar. 35 En hij nam het vet en den staart, en al het vet aan het ingewand, en het net over de lever, en de twee nieren met het vet daaraan, en den rechterschouder; 36 daarbenevens nam hij uit den korf desongezuurden broods voor den Heer een ongezuurden koek, en een koek geolied brood, en eene vlade, en hij leide het op het vet en op den rechterschouder ; 37 en hij gaf dat alles in de handen van Aiiron en vau zijne zonen, en bewoog het |
LEVITICUS 9.
203
|
tot een beweegoffer voor den Heer. 28 Daarna nam liij dat alles wederom van limine handen, en ontstak het op den altaar bovenop het brand-ofler; want het is een vul-oft'er tot een liefelijken reuk, een vuurolier voor den Heer. 29 En Mozes nam de borst van den ram des vuloflers, en bewoog ze tot een be-weegofter voor den Heer; en die werd Mozes ten deel, gelijk de Heer hem geboden had. 30 En Mozes nam van de zalfolie, en van het bloed op den altaar, en sprengde het op Ailron en zijne kleederen , op zijne zonen en op hunne kleederen, en wijdde alzoo Aiiron en zijne Idee-deren, en zijne zonen en hunne kleederen met hem. 31 En hij sprak tot Aiiron en zijne zonen: Kookt dat vleesoh voor den ingang van de hut des stichts, en eet het aldaar, benevens het brood uit den korf des vuloflers, gelijk mij geboden is, zeggende: Aiiron en zijne zonen zullen dat eten. 32 Maar wat er van het vleesch en het brood overblijft, dat zult gij met vuur verbranden. |
33 En gij zult in zeven dagen niet weggaan van voor den ingang van de hut des stiehts, tot den dag dat de dagen uws vuloflers om zijn; want zeven dagen zal uwe inwijding duren. 0 t Gelijk het op dezen dag geschied is, alzoo heeft de Heer geboden te doen, opdat gij verzoend wordt. 33 En gij zult dag en nacht voor de hut des stichts blijven, zeven dagen lang, eu zult de wacht des Heeren waarnemen, opdat gij niet sterft; want zoo is het mij geboden. •—- 36 En Aiiron en zijne zonen deden alwat de Heer door Mozes geboden had. HOOFDSTUK 9. 1 En op den achtsten dag riep Mozes Aiiron, zijne zonen en de oudsten van Israël; 2 en hij sprak tot Aiiron: Neem u een kalf tot een zondofl'er, en een ram tot een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng die voor den Heer. 8 En spreek tot de kinderen Israëls,zeggende: Neemt een geitebok tot een zondofter, en een kalf, en een lam, beide écn jaar oud en zonder gebrek, tot eenbrand-ofl'er; 4 en een os en een ram tot een dankofler, om te |
LEVITICUS 9.
204
|
ofieren voor den Heer, en een spijsoffer met olie gemengd; want lieden zal de Heer u verschijnen. 5 En zij namen hetgeen Mozes geboden had, voor den ingang van de hut des stichts; en de geheele gemeente naderde, en stond voor den Heer. 6 Toen sprak Mozes: Dit is het wat de Heer geboden heeft; doet het, zoo zal de heerlijkheid des Heeren u verschijnen. 7 En Mozes sprak tot Aaron; Nader tot den altaar, en bereid uw zondoffer en uw brandoffer, en verzoen uzelf en het volk; bereid daarna het offer des volks, en verzoen het, gelijk de Heer geboden heeft. 8 En Aiiron naderde tot den altaar, en slachtte het kalf tot zijn zondoffer; 9 en zijne zonen brachten het bloed tot hem, en hij doopte met zijnen vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van den altaar, en goot dat bloed uit aan den voet des altaars; 10 maar het vet, en de nieren, en het net van de lever aan het zondoffer ontstak hij op den altaar, gelijk de Heer aan Mozes geboden had; |
11 en het vleesch en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. 12 Daarna slachtte hij bet brandoffer, en Aarons zonen brachten het bloed tot hem, en hij sprengde dat rondom tegen den altaar; 13 en zij brachten het brandoffer tot hem, in stukken gedeeld, benevens het hoofd, en hij ontstak het op den altaar; l-t en hij wiesch het ingewand en de schentels, en hij ontstak het boven het brandoffer op den altaar. 15 Daarna bracht hij ook het offer des volks, en hij nam den bok, het zondoffer des volks, en slachtte hem, en bereidde daarvan een zondoffer gelijk het vorige. 16 Toen bracht hij het brandoffer aan, en bereidde het volgens het voorschrift. 17 En hij bracht het spijsoffer aan, en nam daarvan een handvol, en ontstak het op den altaar, benevens bet morgen-brandoffer. 18 Daarna slachtte hij den os en den ram tot een dankoffer des volks; en zijne zonen brachten hem het bloed, en dat sprengde hij rondom tegen den altaar; 19 maar het vet van den os en van den ram, den staart, en het vet aan het |
LEVITICUS 10.
205
|
ingewand , en de nieren , en ket net over de lever, 20 al dat vet leiden zij op de borsten, en liij ontstak dat vet op den altaar; 21 maar de borsten en den rechterscliotider bewoog Aiiron tot een beweegofl'er voor den Heer, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 22 En Aiiron hief zijne handen op tot het volk en zegende het, en hij klom af toon hij het zondofier, brandofier en dankotter verricht had. 23 En Mozes en Aiiron gingen in de hut des stiohts; en als zij er weder uitgingen, zegenden zij het volk; toen verscheen 'de heerlijkheid des Heeren aan al het volk; 24 want vuur ging uit van den Heer, en verteerde op den altaar het brandoffer en het vet. Toen al het volk dat zag, juichten zij en vielen op hun aangezicht. HOOFDSTUK 10. 1 En de zonen van Aiiron, Nadab en Abihu, namen elk zijn wierookvat en deden er vuur in, en leiden er reukwerk op, en brachten vreemd vuur voor den Heer, hetwelk hij hun niet geboden had. |
2 Toen ging er vuur uit van den Heer en verteerde hen, zoodat zij stierven voorden Heer. 3 En Mozes sprak tot Aiiron: Dit is het wat de Heer gezegd heeft: Ik zal geheiligd worden aan degenen die tot mij naderen, en voor al het volk zal ik verheerlijkt worden. En Aiiron zweeg stil. 4 Toen riep Mozes Misaöl en Elzafan, de zonen van Uzziël, Ailrons oom, en sprak tot hen: Treedt toe en draagt uwe broeders weg van het heiligdom tot buiten het leger. 5 En zij traden toe en droegen hen weg in hunne linnen rokken tot buiten het leger, gelijk Mozes gezegd had. G Toen sprak Mozes tot Aiiron en zijne zonen Ele-azar en Ithamar: Gij zult uwe hoofden niet ontblco-ten noch uwe kleederen scheuren, opdat gij niet sterft en er geen toorn kome over de geheele gemeente; maar laat uwe broeders, het geheele Imis Israels, weenen over dezen brand dién de Heer ontstoken heeft; 7 maar gij zult niet weggaan van voor den ingang van de hut des stichts, — gij mocht anders sterven |
LEVITICUS 10.
206
|
want de zalfolie des Heeren is op u. — En zij deden • gelijk Mozes zeide. 8 Do Heer nu sprak tot Aiiron, zeggende: 9 Gij, en uwe zonen met u, zult geen wijn noch sterken drank drinken, wanneer gij in de hut des stichts gaat, opdat gij niet sterft: dit zij eene eeuwige inzetting voor al uwe nakomelingen , 10 om te kunnen onderscheiden wat heilig en onheilig, wat onrein en rein is; 11 en om de kinderen Israels te leeren alle rechten welke de Heer door Mozes tot u gesproken heeft. 12 En Mozes sprak tot Aiiron, en tot zijne overgebleven zonen Eleazar en Ithamar: Neemt wat nog over is van het spijsoiler en van de oilers des Heeren, en eet het ongezuurd bij den altaar; want het is een allerheiligste. 13 En gij zult het op de heilige plaats eten, want dit is uw deel en het deel uwer zonen van de oilers des Heeren; alzóó toch is mij geboden. 14 Maar de beweegborst en den hefschoudor zult gij, - en uwe zonen en uwe dochters met u, eten aan eene reine plaats; want aan u en uwe kinderen is dit deel gegeven van de dank-oflers der kinderen Israels. |
15 Want de hefschouder en de beweegborst worden bij de ofters van het vet gebracht, om tot een beweeg-ofi'er bewogen te worden voor den Heer; daarom is het u en uwen kinderen met u tot een eeuwig deel, gelijk de Heer geboden heeft. 16 En Mozes zocht den bok des zondofiers, en vond hem verbrand; toen werd hij toornig op Eleazar en Ithamar, Aiirons zonen die nog over waren, zeggende: 17 Waarom hebt gij dat zondofier niet gegeten op de heilige plaats? daar het een allerheiligste is, en het u gegeven is opdat gij de misdaad der gemeente zoudt dragen, om haar te verzoenen voor den Heer. 18 Zie, zijn bloed is niet binnen in het heilige gekomen; gij moest het in het heilige gegeten hebben, gelijk ik u geboden heb. 19 Maar Aaron sprak tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer cn hun brandoffer voor den Heer geofierd, en het is mij dus gegaan gelijk gij ziet: en zou ik dan heden van het zondofl'er eten, zou dat den Heer behagen? |
LEVITICUS 11.
207
|
20 Toon Mozes dat hoorde, nam hij er genoegen in. HOOFDSTUK 11. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Aaron, zeggende tot hen: 3 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit zijn de dieren welke gij eten zult van al het gedierte op de aarde. 3 Alwat onder dc dieren den klauw gespleten heeft, en herkauwt, dat zult gij eten. 4 Maar wat herkauwt, en wel klauwen heeft, maar ongespleten, als de kameel, dat is u onrein, en gij zult het niet eten; 5 de konijnen herkauwen wel, maar hebben geen gespleten klauwen, daarom zijn zij u onrein; 6 de haas herkauwt ook, maar hij heeft geen gespleten klauwen, daarom is hij u onrein; 7 en een zwijn heeft wel gespleten klauwen, maar het herkauwt niet, daarom zal het u onrein zijn. 8 Het vleeseh van deze zult gij niet eten, noch hun aas aanraken, want zij zijn u onrein. 9 Dit zult gij eten van hetgeen in de wateren is: alwat in de wateren, in zeeën en beken, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten; |
10 maar alwat in zeeën en beken, van alwat zich in het water roert en van alwat in het water leeft, geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn. 11 Een verfoeisel zijn ze u, gij zult van hun vleeseh niet eten en him aas verfoeien ; 13 want alwat in de wateren geen vinnen noch schubben heeft, dat zult gij verfoeien. 13 En van de vogels zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden: de arend, de havik, de meeuw; 14 de gier, de ekster, en wat van hunne soort is; 15 en alle raven, naar hunne soorten; 16 de struis, de nachtuil, de koekoek, de sperwer, naar hunne soorten; 17 de steenuil, de zwaan, de uhu; 18 de vledermuis, de roerdomp, de reiger; 19 de ooievaar, de wouw, naar zijne soorten; de hop en- de zwaluw. 20 Ook alles van het gevogelte dat kruipt en op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn. |
LEVITICUS 11.
208
|
31 Echt ei4 moogt gij dit eten van liet gevogelte dat kruipt, op vier voeten gaat, en hetwelk hoven aan zijne voeten schenkels heeft om daarmede op de aarde te springen; 33 van deze moogt gij de volgende eten: de arhé, de solilm, de hargol, en de hagab, in hunne soorten. 33 Maar alwat overigens van het gevogelte vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn; 3-1. en gij zult ze onrein achten; wie het aas van deze aanraakt, die zal onrein zijn tot den avond; 35 en wie een aas van deze dragen zal, die zal zijne kleederen wasschen, en zal onrein zijn tot den avond. 36 Al het gedierte dus, dat klauwen heeft, maar niet gespleten, en niet herkauwt, dat zal u onrein zijn; en wie dat aanraakt zal onrein zijn. 37 En alwat op klauwen gaat onder alle dieren die op vier voeten gaan, dat zal u onrein zijn; wie hun aas aanraakt, die zal onrein zijn tot den avond; 38 en wie hun aas draagt, die zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond; want zo zijn u onrein. Ij, 11IV i s .1 r1: i I 1 li'. |
39 Voorts zullen u ook onrein zijn, van de dieren die op de aarde kruipen: het wezeltje, de muis, de pad, eik in zijne soorten; 30 de egel, de krokodil, de hagedis, de slak en de mol; 31 deze zijn u onrein van alwat kruipt; wie hun aas aanraakt, die zal onrein zijn tot den avond. 33 En alles waarop zulk een dood aas valt, dat is onrein, hetzij allerlei houten vaatwerk, of kleederen, of vel, of zak, en alle gereedschap waar men iets mede doet; dat zal men in het water steken, en het is onrein tot den avond; alsdan wordt het rein. 33 Allerlei aarden vaatwerk , waarin iets van deze valt, wordt onrein met alwat er in is, en gij zult het in stukken breken. 31 Alle spijs die men eet, zoo daar zulk water inkomt, is onrein; en alle drank dien men drinkt en die in zulke vaten is, is onrein. 33 En alles waarop zulk een aas valt, wordt onrein, hetzij oven of ketel, men zal het in stukken breken; want het is onrein en het zal u onrein zijn. 36 Doch de fonteinen of regenbakken en vijvers zijn |
LEVITICUS 13,
209
|
rein; maar wie hun aas aanraakt, is onrein. 37 En indien zulk een aas op het zaad valt hetwelk men gezaaid heeft, zoo is dat echter rein; 38 maar wanneer men water over het zaad goot, en daarna zulk een aas daarop viel, zoo zou het ulieden onrein zijn. 39 Wanneer een dier, hetwelk gij eten moogt, sterft, wie dat aas aanraakt, die is onrein tot den avond. 40 Wie van zulk een aas eet, die zal zijne kleederen wassohen en zal onrein zijn tot den avond; zoo ook wie zulk een aas draagt, die zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond. 41 Wat op de aarde kruipt, dat zal u een verfoeisel zijn, en men zal het niet eten. 43 En alwat op den buik kruipt, en alwat op vier of meer voeten gaat, van alwat op de aarde kruipt, dat zult gij niet eten, want het zal u een verfoeisel zijn. 43 Maakt uwe zielen niet verfoeielijk, en verontreinigt u niet door deze, dat gij ubesmet; 44 want ik ben de Heer uw God; daarom zult gij u heiligen opdat gij heilig zijt, want ik ben heilig, en gij zult uwe zielen niet verontreinigen door eenig kruipend gedierte dat zich op de aarde roert; |
45 want ik ben de Heer, die u uit Egypteland gevoerd heb, opdat ik uw God zij; daarom zult gij heilig zijn, want ik ben heilig. ■—• 4C Dit is de wet van de dieren en vogels, en van allerlei kruipend gedierte in de wateren, en van allerlei dieren die op de aarde krui-pen; 47 opdat gijlieden onderscheiden kunt wat onrein en rein is, en welk dier men eten en welk men niet eten mag. HOOFDSTUK 12. 1 En de Heer sprak tot Mozes , zeggende: 2 Spreek met de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer eene vrouw zwanger wordt en een jongsken baart, zoo zal zij zeven dagen onrein zijn, zoolang hare krankheid duurt. 3 En O]) den achtsten dag zal men het vleesch zijner voorhuid besnijden. 4 En zij zal drieëndertig dagen tehuisblijven, gedurende het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanraken , en tot het heiligdom zal zij niet komen, eer de dagen harer reiniging om zijn. |
LEVITICUS 13.
210
|
5 Maar baart zij een meisje, zoo zal zij twee weken onrein zijn, zoolang liare krankheid duurt; en zij zal zesenzestig dagen tehuisblijven, gedurende het bloed liarer reiniging. 6 En wanneer de dagen barer reiniging om zijn, voor den zoon of voor de dochter, zoo zal zij een éénjarig lam tot een brandoffer en eene jonge duif of eene tortelduif tot een zondofler brengen tot den priester, voor den ingang van de hut des stichts. 7 Die zal dat otteren voor den Heer, en haar verzoenen; dau wordt zij rein van haren vloed. Dit is de wet voor eene vrouw die een jongsken of meisje baart. 8 Maar is een lam boven haar vermogen, zoo neme zij twee tortelduiven of twee jonge duiven, de ééne tot een brandofier, de andere tot een zondoffer; zoo zal de priester haar verzoenen, opdat zij rein worde. HOOFDSTUK 13. 1 En do Heer sprak tot Mozes en Aitron, zeggende: 2 Wanneer zich aan een mensch een gezwel in de huid zijns vleesches opdoet, of eene zweer of eene blaar, als wilde daar melaatschheid in de huid zijns vleesches uit worden, zoo zal men hem tot den priester Aaron of tot een van zijne zonen onder de priesters brengen. |
3 En wanneer de priester de plaag in de huid des vleesches ziende, bevindt dat de haren in wit veranderd zijn, en het aanzien der plaats dieper is dan de andere huid zijns vleesches, zoo is het gewis de melaatschheid ; daarom zal de priester hem bezien en hem onrein verklaren. 1 Maar indien de blaar in de huid zijns vleesches wit is, en nochtans het aanzien niet dieper is dan de andere huid des vleesches, ert de haren niet in wit veranderd zijn, zoo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. 5 En op den zevenden dag zal hij hem bezien: is het nu dat de plaag blijft gelijk hij haar tevoren gezien heeft, en zij zich niet verder verspreid heeft in de huid, zoo zal de priester hem wederom zeven dagen opsluiten. 6 En als hij hem ten tweeden male op den zevenden dag beziet, en bevindt dat de ontsteking verdwenen is, en zich niet verder heeft verspreid in de huid, zoo zal hij hem rein verklaren, want het is slechts eene verzwering ; en hij zal zijne kleede- |
LEVITICUS 13.
211
|
deren wassclien, zoo is liij rein. 7 Maar als de verzwering zich verder verspreidt in de liuid, nadat liij door den priester bezien en rein verklaard is, zoo zal liij andermaal door den priester bezien worden. 8 En als de priester dan ziet, dat de verzwering zich verder in de huid verspreid heeft, zoo zal hij hem onrein verklaren, want het is gewis de melaatschheid. 9 Wanneer de plaag der melaatschheid aan een mensch zijn zal, zoo zal men hem tot den priester brengen. 10 Als deze ziet en bevindt, dat het in de huid wit uitge-geslagen, en het haar in wit veranderd, en er rauw vleesch in het gezwel is, 11 zoo is het gewis eene oude melaatschheid in do huid zijns vleesches; daarom zal de priester hem onrein verklaren, en hem niet opsluiten, want hij is reeds onrein. 13 Maar als de melaatschheid in de huid uitbot, en de geheele huid, van het hoofd tot de voeten , en alwat den priester voor de oogen komt, bedekt; |
13 en wanneer de priester dat ziet, en bevindt dat de melaatschheid het geheele vleesch bedekt heeft, zoo zal hij hem rein verklaren, dewijl het alles aan hem in wit veranderd is; want hij is rein. 14 Maar is er op dien dag, als hij bezien wordt, rauw vleesch in, zoo is hij onrein. 15 En wanneer de priester het rauwe vleesch ziet, zoo zal hij hem onrein verklaren; want hij is onrein, en het is gewis de melaatschheid. 16 Maar verdwijnt het rauwe vleesch, en wordt het in wit veranderd, zoo zal hij tot den priester gaan; 17 en als de priester hem beziet, en bevindt dat de plaag in wit veranderd is, zoo zal hij hem rein verklaren, want hij is rein. 18 Als er in de huid van iemands vleesch eene zweer ontstaat én weder geneest, 19 en daarna op dezelfde plaats iets wits opkomt, of eene roodachtig witte blaar ontstaat, zoo zal hij door den priester bezien worden. 20 En wanneer nu de priester ziet, dat het aanzien daarvan dieper dan de andere huid, en het haar in wit veranderd is, zoo zal hij hem onrein verklaren; want het is gewis de plaag der melaatschheid, die uit de zweer ontstaan is. 21 Maar ziet de priester en bevindt hij dat de haren |
|
210« niet wit zijn, en dat het niet dieper dan de andere huid en verdwenen is, zoo zal hij hom zeven dagen op-sluiten. 22 Verspreidt het zich verder in de huid, zoo zal hij hem onrein verklaren; want het is gewis de plaag der melaatschheid. 23 Maar blijft do blaar alzoo staan, en verspreidt zij zich niet verder, zoo is het slechts de roof van de zweer, en de priester zal hem rein verklaren. 21. Wanneer iemand zich de huid aan het vuur brandt, en de gebrande plaats roodachtig of wit is, 23 en de priester hem beziet, en bevindt dat de haren op de gebrande plaats in wit veranderd zijn, en het aanzien daarvan dieper dan de andero huid is, zoo is gewis de melaatschheid uit dien brand ontstaan; daarom zal de priester hem onrein verklaren , want het is de plaag der melaatschheid. 36 Maar ziet en bevindt de priester, dat de haren op de gebrande plaats niet in wit veranderd zijn, en de plek niet dieper dan de andere huid en bovendien verdwenen is, zoo zal hij hem zeven dagen opsluiten. |
27 En op den zevenden dag zal hij hem bezien; heeft het zich verder in de huid verspreid, zoo zal hij hem onrein verklaren, want het is do melaatschheid. 28 Maar is het op die plek gebleven, cn heeft het zich niet verder in de huid verspreid, en is het daarenboven verdwenen, zoo is het slechts een gezwel; en de priester zal hem rein verklaren, want het is dc roof van don brand. 29 Wanneer een man of vrouw op het hoofd of aan den baard uitslag bekomt, 30 en de priester de plaag beziöt, en bevindt dat het aanzien daarvan dieper dan de andere huid, en het haar aldaar geelachtig en dun is, zoo zal hij hem onrein verklaren ; want het is een melaatsehe uitslag van het hoofd of van den baard. 31 Maar ziet de priester, dat het aanzien van den uitslag niet dieper dan de huid, en het haar niet zwartachtig is, zoo zal hij hem zeven dagen opsluiten. 33 En als hij hem op den zevenden dag beziet, en bevindt dat de uitslag zich niet verder verspreid heeft, en aldaar geen geelachtig haar, en het aanzien van den uitslag niet dieper dan de andere huid is, LEVITICUS 13. |
LEVITICUS 13.
213
|
33 zoo zal hij zich doen scheren, maar de plaats van den uitslag zal hij niet scheren ; en de priester zal hem wederom zeven dagen opsluiten. Sé En als hij hem op den zevenden dag beziet, en bevindt dat de nitslag zich niet verder in de huid verspreid heeft, en het aanzien daarvan niet dieper dan de andere huid is, zoo zal de priester hem rein verklaren; eu hij zal zijne kleederen wassehen, quot;want hij is rein. 35 Maar indien de nitslag zich verder in de huid verspreidt , nadat hij rein verklaard is, 36 en de priester beziet hem, en bevindt dat de nitslag zich aldus verder in de huid verspreid heeft, zoo zal hij het niet meer achten dat de haren geelachtig zijn, want hij is onrein. 37 Maar is de uitslag, zooveel hij zien kan, staande gebleven, en zwartachtig haar aldaar tevoorschijnge-komen, zoo is de uitslag genezen, en hij is rein; en de priester zal hem rein verklaren. 38 Wanneer een man of eene vrouw aan de huid van hun vleesch witte blaren hebben, |
39 en de priester ziet dat het wit aldaar verdwijnt, dan is slechts een witte uitslag in de huid opgekomen, en hij is rein. 40 Als de hoofdharen een man uitvallen dat hij kaal wordt, hij is rein. 41 Vallen zij hem aan het voorhoofd uit, zoodat hij eene kale plek krijgt, hij is rein. 42 Maar doet zich in de plek, of waar hij kaal is, eene witte of roodachtige ontsteking op, zoo is de melaatschheid in de plek of in de kaalheid van het hoofd opgekomen. 43 Daarom zal de priester hem bezien, en als hij bevindt dat er eene witte of roodachtige ontsteking in zijne plek of in de kaalheid van zijn hoofd opgeloopen is, en dat zij er uitziet als anders de melaatschheid in de huid doet, 44 dan is hij melaatsch en onrein, en de priester zal hem onrein verklaren vanwege de ontsteking op zijn hoofd. 45 Wie nu melaatsch is, diens Ideederen zullen gescheurd worden, en liet hoofd zal ontbloot en de lippen zullen omwonden worden, en hij zal roepen: Onrein, onrein! 46 En zoolang die plaag |
LEVITICUS 13.
214
|
aan hem is, zal hij onrein zijn en alléén wonen, en zijne woning zal buiten het leger zijn. 47 Wanneer aan een kleed de plaag der melaatschheid zijn zal, hetzij een wollen oi' een linnen kleed, 48 aan den soheerdraad of aan den inslag hetzij van linnen of van wol, of aan een vel, of aan iets dat van vellen gemaakt wordt; 49 en als dan de plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den soheerdraad, of aan den inslag, of aan eenige zaak die van vellen gemaakt is, bleek of roodachtig is, — dat is gewis de plaag der melaatschheid. 50 En daarom zal de priester dat bezien; als hij die plaag ziet, zoo zal hij hetgeen waaraan zij is zeven dagen opsluiten. 51 En als hij oji den zevenden dag ziet, dat het kwaad zich verspreid heeft aan het kleed, aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, of aan iets dat men van vellen maakt, zoo is het eene hardnekkige melaatschheid, en het is onrein. |
53 En hij zal dat kleed, of dien scheerdraad, of dien inslag, hetzij van wol of van linnen, of alle vel werk, waarin zulk een kwaad is, verbranden; want het is de plaag der melaatschheid; en men zal het met vuur verbranden. 5 3 Maar indien de priester zien zal, dat het kwaad zich niet heeft uitgebreid aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig velwerk, 54 zoo zal hij gebieden dat men datgene waaraan dat teeken is wassche, en hij zal het andermaal zeven dagen opsluiten. 55 En als de priester, nadat het gewasscnen is, zien zal dat het kwaad niet veranderd is, zich ook niet verder verspreid heeft, zoo is het onrein, en gij zult het met vuur verbranden; want het is diep ingevreten, en heeft het kaal gemaakt. 56 Maar als de priester ziet dat de aangestoken plaats, nadat zij zal gewas-schen zijn, verdwenen is, zoo zal hij ze van het kleed, van het vel, van den scheerdraad , of vaii den inslag afscheuren. 57 Maar zoo het nog aan het kleed, aan den scheerdraad , aan den inslag, of aan eenig velwerk gezien wordt, dan is het eene smet, en gij zult datgene waarin |
LEVITICUS 14.
215
|
zulk kwaad is mot vuur verbranden. 58 Maar het kleed, of den scheerdraacl, of' den inslag, of alle vel werk, dat gewasschen is en waarvan dat kwaad geweken is, zal men andermaal wasschen, zoo is het rein. — 59 Dit is de wet van de plaag der melaatscliheid aan kleederen van wol of van linnen, aan den scheerdraad en aan den inslag, en aan alle vel werk, om die rein of onrein te verklaren. HOOFDSTUK 14. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Dit is de wet aangaande den melaatsche als hij zal gereinigd worden: hij zal tot den priester komen. 3 En de priester zal buiten het leger gaan, en bezien hoe de plaag der melaatschheid aan den melaatsche genezen is. 4 En hij zal dengeen die zich ter reiniging aanbiedt gelasten, dat hij twee levende reine vogels neme, benevens cederhout, en rozenkleurige wol, en hysop. 5 Ook zal hij gebieden den éénen vogel in een aarden vat, boven levend water, te slachten. |
6 En hij zal den levenden vogel nemen, benevens hot cederhout, de rozenkleurige wol en de hysop, en die dompelen in het bloed des vogels die boven het levende water geslacht is; 7 en hem, die zich ter reiniging van de melaatschheid aanbiedt, zevenmaal besprengen; en hem alzoo reinigen, en den levenden vogel in het open veld laten vliegen. 8 De gereinigde nu zal zijne kleederen wasschen en al zijn haar afscheren, en zich met water baden, zoo is hij rein; daarna ga hij in het leger, doch hij zal zeven dagen buiten zijne hut blijven. 9 En op den zevenden dag zal hij al zijn haar op het hoofd, aan den baard en aan de wenkbrauwen zijner oogen afscheren, zoodat alle haren afgeschoren zijn; en hij zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden; dan is hij rein. 10 En op den achtsten dag zal hij twee lammeren, zonder gebrek, en een éénjarig schaap, zonder gebrek, nemen, en drie tienden meelbloem met olie gemengd , en een log olie tot een spijsofter. 11 Alsdan zal de priester den gereinigde zelf en deze |
LEVITICUS 14.
,316
|
dingen stellen voor den Heer, vóór den ingang van de hut des sticlits. 12 En liij zal liet céne lam nemen, en tot een scliuldofler offeren met den log olie, en zal liet voor den Heer bewegen. 13 Daarna zal hij dat lam slachten, ter plaatse waar men het zondotter en brandoffer slacht, nameliik in de heilige plaats; want gelijk het zondofter, zoo is ook het scliuldofter voor den priester; want het is een allerheiligste. 14 En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en het den gereinigde aan den lap van het rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den grooten teen van zijn rechtervoet doen. 15 Daarna zal hij van de olie uit den log nemen en daarvan in zijne eigene linkenhand gieten. 16 En hij zal zijnen rech-tervinger in de olie doopen, die in zijne linkerhand is, en met zijnen vinger de olie zevenmaal voor den Heer sprengen. 17 Maar van de overige olie in zijne hand zal hij den gereinigde aan den lap van het rechteroor, en op den rechterduim, en op den gTooten teen van zijn rechtervoet, bovenop het bloed des schuldoffers doen. |
18 Maar de overige olie in zijne hand zal hij op het hoofd des gereinigden doen, en hem verzoenen voor den Heer. 19 Voorts zal hij het zondofter bereiden, en den gereinigde vanwege zijne en-reinheid verzoenen; en daarna zal hij het brandoffer slachten, 20 en zal het op den al» taar oft'eren, benevens het spijsoffer, en hem verzoenen, dan is hij rein. 21 Maar is hij arm en verdient hij met zijne hand zooveel niet, zoo neme hij een lam tot een schuldofter ter beweging, om hem te verzoenen, en één tiende meelbloem met olie gemengd, en één log olie, tot een spij softer; 22 en twee tortelduiven of twee jonge duiven, die hij met zijne hand verdienen kan, dat de ééne zij een zondoffer, de andere een brandoffer. 23 En hij brenge die op den achtsten dag zijner reiniging tot den priester, voor den ingang van de hut des stichts voor den Heer. 24 Dan zal de priester het lam des schuldoffers en |
LEVITICUS 14.
211'
|
den log olie nemen, en hij zal liet alles bewegen voor den Heer. 25 Vervolgens zal liij liet lam des sclinldoffers slachten, en van het bloed des schuldoffers nemen, en het den gereinigde aan den lap van zijn rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den grooten teen van zijn rechtervoet doen, 26 en van die olie in zijne eigene linkerhand gieten, 37 en met zijnen rechtervinger de olie, die in zijne linkerhand is, zevenmaal voor den Heer sprengen. 28 Maar van de overige olie in zijne hand zal hij den gereinigde aan den lap van zijn rechteroor, en op den duim van zijne rechterhand, en op den grooten teen van zijn rechtervoet, bovenop het bloed des schuh 1-offiers doen. 29 Maar de overige olie in zijne hand zal hij don gereinigde op het hoofd doen, om hem te verzoenen voor den Heer. 30 Daarna zal hij van de écne tortelduif of jonge duif, welke zijne hand heeft mogen verdienen, een zond-ofier, |
31 en van de andere een qrandofter, tegelijk niet het spijsoffer, bereiden; en alzoo zal de priester den gereinigde verzoenen voor den Heer. —• 32 Dit is de wet voor den melaatsche, die niet zijne hand niet verdienen kan wat tot zijne reiniging behoort. 33 Eri de Heer sprak tot Mozes en Aiiron, zeggende: 34 Als gij in het land Kanaiin zult gekomen zijn, hetwelk ik u tot eene bezitting geven zal, en ik in eenig huis van het land uwer bezitting de plaag der melaatschheid brengen zal, 35 zoo zal hij van wien dat huis is komen en het den priester te kennen geven, zeggende: Mij dunkt dat de plaag in mijn huis is. 36 Alsdan zal de priester gelasten dat zij dat huis ruimen eer de priester er ingaat om de plaag te tezien, opdat niet alwat in dat huis is onrein worde; en daarna zal de priester er ingaan om dat huis te bezien. 37 Als hij nu de plaag beziet, en bevindt dat aan de • wanden van dat huis gele of roodachtige kuiltjes zijn, wier aanzien dieper is dan de wand, 38 zoo zal hij de deur van het huis uitgaan, en |
LEVITICUS 14.
218
|
dat huis zoven dagen toesluiten. 39 En als hij op den zevenden dag wederkomt, en ziet dat de plaag zich verder aan de wanden van dat huis verspreid heeft, 40 zoo zal hij gelasten, dat zij de steenen in welke dia plaag is uitbreken, en die buiten de stad aan eene onreine plaats werpen; 41 en dat huis zal men van binnen rondom doen afschrappen, en zij zullen het afgeschrapte leem buiten de stad aan eene onreine plaats uitstorten, 43 en andere steenen nemen en die in de plaats der eerste stellen, en ander leem. nemen en dat huis bestrijken. 43 Wanneer dan het kwaad wederkomt en aan dat huis uitbreekt, nadat men de steenen uitgebroken en dat huis opnieuw bestreken heeft, 44 zoo zal do priester er ingaan; en als hij ziet dat het kwaad zich verder in dat huis verspreid heeft, zoo is er gewis eene hardnekkige melaatschheid in dat huis, en het is onrein. 45 Daarom zal men dat huis, zijne steenen en zijn hout, en al het leem van dat huis, afbreken, en men zal het buiten de stad aan eene onreine plaats uitvoeren. |
46 En wie in dat huis gaat zoolang het gesloten is, die is onrein tot den avond; 47 en wie in dat huis slaapt of daarin eet, die zal zijne kleederen wasschen. 48 Maar als de priester, er ingaande, ziet dat het kwaad zich niet verder verspreid heeft in dat huis, nadat het huis bestreken is, zoo zal hij het rein verklaren, want de plaag is genezen. 49 En hij zal tot een zondofter voor dat huis twee vogels flemen, benevens cederhout, rozenkleurige wol en hysop; 50 en hij zal den ócnen vogel in een aarden vat boven levend water slachten. 51 Dan zal hij het cederhout, do rozenkleurige wol, de hysop en den levenden vogel nemen, en die in het bloed des geslachten vogels en in het levend water doopen, en dat huis zevenmaal besprengen. 53 Alzoo zal hij dat huis met het bloed des vogels, en met het levende water, met den levenden vogel, met het cederhout, met de hysop en met de rozenkleurige wol ontzondigen. |
LEVITICUS 15.
219
|
53 En den levenden vogel zal liij buiten voor de stad in liet open veld laten vliegen, en dat liuis ver-verzoenen; dan is liet rein. — 54 Dit is de wet voor allerlei plaag der melaatscli-lieid en uitslag; 55 voor de melaatsclilieid der kleederen en der huizen; ■56 voor gezwellen, verzweringen eu blaren; 57 om te weten wanneer iets onrein of rein is. Dit is de wet van de melaatsclilieid. HOOFDSTUK 15. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Ailron, zeggende: 3 Spreekt tot de kinderen Israels en zegt tot hen: Ieder man die een vloed in zijn vleescli lieeft, die is onrein. 3 Maar alsdan is hij onrein om dezen vloed, als zijn vleesch van dien vloed ettert of verstopt is. 4 Alle legerstede waarop hij die don vloed heeft ligt, en alles waarop hij zit, is onrein. 5 En wie zijne legerstede aanraakt, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. |
6 En -wie zitten gaat waar hij gezeten heeft, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 7 Wie zijn vleesch aanraakt, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. I Als hij die den vloed heeft zijn speeksel werpt op dengeen die rein is, zoo zal deze zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 9 En alle zadeltuig, waarop hij rijdt die den vloed heeft, zal onrein zijn. 10 En wie iets aanraakt hetgeen hij onder zich gehad heeft, die zal onrein zijn tot den avond; en wie dat draagt, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. II Én wien hij die den vloed heeft aanraakt, eer hij de handen wascht, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 13 En alle aarden vat dat hij die den vloed heeft aanraakt, dat zal men breken, maar het houten vat zal men met water spoelen. 13 En als hij van zijnen vloed gereinigd wordt, zoo zal hij, nadat hij rein ge- |
LEYITICUS 15.
220
|
■worden is, zeven dagen tellen , en zijne kleederen was-sehen, en zijn vleescli met levend water baden, dan is hij rein. 14 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en ze voor den Heer aan den ingang van de hut des stiehts brengen, en die den priester geven. 15 En de priester zal de ééne tot een zondofter en de andere tot een brand-olt'er bereiden, en hem vanwege zijnen vloed voor den Heer verzoenen. 16 Als liet zaad eenen man in den slaap ontgaat, zal hij zijn geheele lichaam met water baden, en onrein zijn tot den avond. 17 En alle kleed en alle vel dat met dat zaad bevlekt is, zal hij met water wassohen, en het zal onrein zijn tot den avond. 18 Ook eene vrouw, wanneer zoodanig een man bij haar gelegen heeft, zoo zullen zij zich met water baden , en onrein zijn tot den avond. 19 Als eene vrouw hare stonden heeft, dan zal zij zeven dagen afgezonderd worden; en wie haar aanraakt , die zal onrein zijn tot den avond. |
20 En alles ligt zoolang zij heeft, zal onrein zijn, en waarop zij zit zal onrein zijn. 21 En wie hare legerstede aanraakt, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 22 En wie iets aanraakt waarop zij gezeten heeft, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 23 En wie iets aanraakt dat over hare legerstede, of over de zitplaats op welke zij gezeten heeft, lag of stond, die zal onrein zijn tot den avond. 24 En als een man bij haar ligt, en haar tijd komt haar bij hem aan, dan zal hij zeven dagen onrein zijn; en de legerstede op welke hij gelegen heeft, zal onrein zijn. 25 Maar als eene wouw een langen tijd haren vloed heeft, niet alleen op den gewonen tijd, maar ook boven den gewonen tijd, zoo zal zij, gelijk ten tijde van hare afzondering, onrein zijn zoolang zij vloeit. 26 Alle legerstede op welke zij den geheelen tijd haars vloeds ligt, zal zijn waarop zij haren tijd |
1
LEVITICUS 16.
221
|
zij als de legerstede van hare jj([ afzondering; en alles waar- en [ op zij zit, zal onrein zijn, in | gelijk de onreinheid van hare afzondering. ;r. i 27 Wie iets daarvan aan-ne raakt, die zal onrein zijn, (jj en zal zijne kleederen was-in I schen en zich met water baden, en onrein zijn tot den avond. 28 Maar als zij van haren vloed rein wordt, zoo zal zij zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn. 29 En op den achtsten dag zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en die tot den priester voor den ingang-van de hut des stichts brengen. 30 En de priester zal de ééno tot een zondofier en de andere tot een brandoffer bereiden, en haar vanwege den vloed harer onreinheid voor den Heer verzoenen. 31 Alzoo zult gij de kinderen Israels waarschuwen tegen alle onreinheid; opdat zij niet sterven in hunne onreinheid, als zij mijne woning die onder u is verontreinigen. — 33 Dit is de wet voor dengeen die een vloed heeft, en wien het zaad in den slaap ontgaat, zoodat hij daarvan onrein wordt; |
33 en voor de vrouw die hare stonden heeft, alsmede voor elk, hetzij man of vrouw, die een vloed heeft; en voor den man die bij eene onreine gelegen heeft. HOOFDSTUK 10. 1 En de Heer sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aaron gestorven waren, toen zij voor den Heer offerden, 2 en zeide: Zeg uwen broeder Aaron, dat hij niet te allen tijde in het binnenste heiligdom ga, achter het voorhangsel, vóór het verzoendeksel dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want ik zal in eene wolk op het verzoendeksel verschijnen. 3 Maar hiermede zal hij ingaan: niet een jongen var tot een zondoffer en met een ram tot een brandotler. 4 En hij zal den heiligen linnen rok aantrekken, en linnen onderkleederen aan zijn vleesch hebben, en zich met een linnen gordel gorden, en den linnen hoed op hebben; want dit zijn de' heilige kleederen; en hij zal zijn vleesch met water baden, en die dan aantrekken. 5 En van de gemeente der kinderen Israels zal hij |
LEVITICUS 16.
222
|
twee geitebokken nemen tot een zondofl'er, en één ram tot een brandofler. 6 En Aiiron zal den var, het zondoffer voor ziehzel-ven, doen naderen, en zich en zijn hnis verzoenen. 7 Daarna zal hij de twee bokken nemen en die voor den Heer stellen, voor den ingang van de hut des stiehfs. 8 En hij zal het lot over die twee bokken werpen: het ééne lot voor den Heer, en het andere voor den weg-gaanden bok. 9 Dan zal hij den bok, op welken het lot voor den Heer gevallen is, tot een zondoffer offeren. 10 Maar den bok, waarop het lot gevallen is om weggezonden te worden, zal hij levend voor den Heer stellen, om daarmede te verzoenen, en hem als weggezonden bok naar de woestijn uittelaten. 11 Voorts zal hij den var zijns zondoffers doen naderen, om zichzelven en zijn huis te verzoenen; en hij zal hem slachten. 13 En hij zal een wierookvat vol gloeiende kolen van den altaar, die voor den Heer staat, en zijne handvol gestooten reukwerk nemen, en het binnen achter het voorhangsel brengen. |
13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen voor den Heer, teneinde de wolk des reukwerks het verzoendeksel dat op de ark der getuigenis is bedekke, opdat hij niet sterve. 14 En hij zal van het bloed van den var nemen, en met zijnen vinger op de voorzijde van het verzoendeksel sprengen; alzoo zal hij vóór het verzoendeksel zevenmaal met zijnen vinger van dat bloed sprengen. 15 Daarna zal hij den bok, het zondofier voor het volk, slachten, en van zijn bloed binnen achter het voorhangsel brengen, en zal met zijn bloed doen gelijk hij met het bloed van den var gedaan heeft, en dat óók op de voorzijde van het verzoendeksel sprengen. 16 En alzoo zal hij het heiligdom, vanwege de onreinheden der kinderen Israels en vanwege hunne overtredingen, naar al hunne zonden, verzoenen; zóó zal hij doen aan de hut des stichts, welke bij hen woont in het midden van hunne onreinheden. 17 Geen mensch zal in de hut des stichts zijn, als hij daar ingaat om het heiligdom te verzoenen, totdat |
LEVITICUS 16.
223
|
hij daar uitgaat; en alzoo zal hij zichzelven en zijn huis en de geheele gemeente Israëls verzoenen. 18 En als hij daar uitgaat tot den altaar die voor den Heer staat, zal hij dien verzoenen; en hij zal van het bloed van den varen van het bloed van den ■bok nemen, en het rondom op de hoornen des altaars doen. 19 En hij zal daarop van dat bloed met zijnen vinger zevenmaal sprengen, en hem reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israels. 20 En als hij het verzoenen van het heiligdom, van de hut des stichls en van den altaar volbracht heeft, zoo zal hij den levenden bok doen naderen; 21 en dan zal Aaron zijne beide handen op het hoofd van dien bok leggen, en op hem al de misdaden dei-kinderen Israëls en al hunne overtredingen, naar al hunne zonden, bekennen; en hij zal die op het hoofd van den bok leggen, en hem door een man, die bij de hand is, naar de woestijn vrij uitlaten. 22 Alzoo zal die bok al hunne misdaden in eene wildernis op zich dragen; |
en hij zal hem in de woestijn laten. 23 En Aaron zal in de hut des stichts gaan, en de linnen kleederen, welke hij aantrok toen hij in het heiligdom ging, uittrekken, en zal die daar laten. 24« En hij zal zijn vleesch in de heilige plaats met water baden, en zijne eigene kleederen aandoen, en uitgaan, en zijn brandofler en des volks brandofler bereiden, en zichzelven en het volk verzoenen. 25 En het vet des zond-ofl'ers zal hij op den altaar ontsteken. 2C En wie den weggaan-den bok heeft weggebracht, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch in water baden, en daarna in het leger komen. 27 Een var des zondoffers en den bok des zond-oft'ei s, welker bloed ter verzoening in het heiligdom gebracht is, zal men buiten het leger uitvoeren, en hunne huid, hun vleesch en hun mest met vuur verbranden. 28 En wie deze verbrandt, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch in water baden, en daarna in het leger komen. 29 Ook zal dit u toi eene |
LEVITICUS 17.
S24
|
eeuwige inzetting zijn: op den tienden dag der zevende maand zult gij uwe lichamen kastijden en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling onder u; 30 want op dezen dag geschiedt uwe verzoening, opdat gij gereinigd wordt: van al uwe zonden wordt gij voor den Heer gereinigd. 31 Daarom zal het u do grootste sabbat zijn, en gij zult uwe lichamen verootmoedigen : dit zij eene eeuwige inzetting. 33 De priester nu dien men gezalfd en wien men tot het priesterambt, in zijns vaders plaats, gewijd heeft, zal die verzoening doen; en hij zal do linnen kleederen, namelijk de heilige kleederen, aandoen, 33 en alzoo zal hij het heiligdom, en de hut des stichts, en den altaar, en de priesters, en al het volk der gemeente verzoenen. 34 Dit zal u eene eeuwige inzetting zijn, om de kinderen Israels éénmaal in het jaar over al hunne zonden te verzoenen. — En Mozes deed gelijk dc Heer hem geboden had. HOOFDSTUK 17. |
1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Zeg aan Ailron en zijne zonen en aan al de kinderen Israels, en spreek tot hen: Dit is het wat de Heer geboden heeft, zeggende : 3 Wie uit het huis van Israël een os of een lam of eene geit in of buiten het leger slacht, i en die niet voor den ingang van de hut des stichts brengt, om den Heere vóór de woning des Heeren ge-oilerd te worden, die zal aan het bloed schuldig zijn, als iemand die bloed vergoten heeft; en zulk een man zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 5 Daarom zullen de kinderen Israels hunne offers, welke zij op het veld slachten , voor den Heer, aan den ingang vande hut des stichts, tot den priester brengen, en hunne dankoffers aldaar den Heere offeren. 6 En de priester zal het bloed voor den ingang vau de hut des stichts tegen den altaar des Heeren sprengen , en hij zal het vet den Heere tot een liefelijken reuk ontsteken. 7 En zij zullen hunne offers voortaan geenszins den veldgoden, met welke zij hoereeren, offeren. Dit zal hun eene eeuwige inzetting |
LEVITICUS 18.
|
ziin bij hunne nakomelingen. 8 Daarom zult gij tot hen zeggen: Welk mensoh uit het huis van Israël, of van de vreemdelingen die onder u zijn, een otter of brand-ofler brengt, 9 en het niet voor den ingang van de hut des stichts brengt, om het den Heere te otteren, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 10 En welk mensch, hij zij van het huls Israels of een vreemdeling onder u, eenig bloed eet, tegen dien zal ik mijn aangezicht stellen, en zal hem midden uit zijn volk uitrooien; 11 want hot leven des li-chaams is in het bloed, en ik heb het u op den altaar gegeven, opdat uwe zielen daarmede verzoend worden; want het bloed is de verzoening voor het leven. 13 Daarom heb ik den kinderen Israels gezegd: Niemand onder u zal bloed eten, ook geen vreemdeling die onder u woont. 13 En welk mensch, hij zij van het huis Israels of een vreemdeling onder u, op de jacht een wild dier of gevogelte vangt dat men eet, die zal deszelfs bloed vergieten en met aarde bedekken. |
14 Want het leven des lichaams is in zijn bloed, zoolang het leeft; en ik heb den kinderen Israëls gezegd: Gij zult geen bloed eten, want het leven des lichaams is in zijn bloed: wie dat eet, die zal uitgeroeid worden. 15 En wie een aas of wat door hot wild verscheurd is eet, hij zij een inboorling of vreemdeling, die zal zijne kleederen wasschenen zich in water baden, en onrein zijn tot den avond; dan wordt hij rein. 1G Maar indien hij zijne kleederen niet wasscben noch zich baden zal, zoo zal hij aan zijne misdaad schuldig zijn. HOOFDSTUK 18. 1 Voorts sprak de Heer tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Ik ben de Heer uw God. 3 Gij zult niet doen naaide werken van het land Egypte in hetwelk gij gewoond hebt, ook niet naar de werken van het land Kanaiin, in hetwelk ik u voeren zal; gij zult ook naar hunne wijze niet wandelen. '1 Maar naar mijne rechten zult gij doen, en mijne inzettingen zult gij houden. |
|
226 zoodat gij daarin wandelt; want ik ben de Heer uw God. 5 Daarom zult gij mijne inzettingen en mijne rechten liouden; want wie deze doet, zal daardoor leven; want ik ben de Heer. 6 Niemand zal zicli tot zijne naaste bloedverwante begeven om hare schaamte te ontblooten; wane ik ben de Heer. 7 Gij zult de schaamte van uwen vader en van uwe moeder niet ontblooten: het is uwe moeder, daarom zult gij hare schaamte niet ontblooten. 8 Gij zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontblooten; want het is uws vaders schaamte. 9 Gij zult de schaamte van uwe zuster, die de dochter uws vaders of de dochter uwer moeder is, in huis of daarbuiten geboren, niet ontblooten. 10 Gij zult de schaamte van de dochter uws zoons of van de dochter uwer dochter niet . ontblooten; want het is uwe schaamte. 11 Gij zult de schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uit uwen vader geboren en uwe zuster is, niet ontblooten. |
12 Gij zult de schaamte van uws vaders zuster niet ontblooten; want zij is de naaste bloedverwante uws vaders. 13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontblooten; want zij is de naaste bloedverwante u-wer moeder. 14 Gij zult de schaamte van uws vaders broeder niet ontblooten, dat gij zijne huisvrouw neemt; want zij is uwe moei. 15 Gij zult de schaamte van uwe schoondochter niet ontblooten; want zij is uws zoons huisvrouw, daarom zult gij hare schaamte niet ontblooten. 16 Gij zult de schaamte van uws broeders huisvrouw niet ontblooten; want het is uws broeders schaamte. 17 Gij zult de schaamte van eene vrouw en tevens die van hare dochter niet ontblooten, noch de dochter haars zoons of de dochter harer dochter nemen om hare schaamte te ontblooten; want zij is hare naaste bloedverwante, en het is eene schanddaad. 18 Gij zulk ook geen vrouw en hare zuster tegelijk nemen om hare schaamte te ontblooten, haar tot spijt, terwijl zij nog leeft. 19 Gij zult ii niet tot de LEYITICUS 18. |
LEYITICÜS 19.
227
|
vrouw begeven terwijl zij hare krankheid heeft, in hare onreinheid, om hare schaamte te ontblooten. 20 Gij zult ook niet bij uws naasten huisvrouw liggen om haar te beslapen, waarmede gij u en haar verontreinigt. 21 Gij zult ook van uw zaad niet geven om voor den Molech verbrand te worden, opdat gij den naam uws Gods niet ontheiligt; want ik ben de Heer. 32 Gij zult niet bij een jongen liggen als bij eene vrouw; want dit is een gruwel. 23 Gij zult ook bij geen dier liggen, dat gij daarmede verontreinigd wordt; en geen vrouw zal met een dier te doen hebben; want dit is een gruwel. 24 Gij zult u in geen van deze dingen verontreinigen; want met dit alles hebben de volken zich verontreinigd, die ik voor uw aangezicht zal uitdrijven, 25 omdat het land daardoor verontreinigd is, en ik zal hunne misdaad aan hen bezoeken, zoodat het land zijne inwoners zal uitspuwen. 26 Daarom houdt mijne inzettingen en rechten, en doet geen van al die gruwelen, noch de inboorling noch de vreemdeling onder li; |
27 want al zulke gruwelen hebben de lieden van dit land gedaan dat vóór u is, en hebben het land verontreinigd; 28 opdat het land ook u niet uitspuwe, als gij het verontreinigt, gelijk het de volken heeft uitgespuwd die vóór u zijn. 29 Want wie deze gruwelen doen, hunne zielen zullen uit haar volk uitgeroeid worden. 80 Daarom houdt mijne inzettingen, opdat gij niet doet naar de gruwelijke zeden die vóór u waren, om daarmede niet verontreinigd te worden; want ik tien de Heer uw God. HOOFDSTUK 19. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Sjireek tot de geheele gemeente der kinderen Israels en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want ik ben heilig, de Heer uw God. 3 Een ieder vreeze zijne moeder en zijnen vader, en onderhoude mijne feestdagen ; want ik ben de Heer uw God. |
LEVITICUS 19.
328
|
4 Gij zult u niet tot de afgoden keeren, en zult u geen gegoten godlieden maken; want ik ben de Heer uw God. 5 En wanneer gij den Heer een dankoffer wilt citeren, zoo zult gij offeren lietgeen hem boliagen kan. 6 En gij zult liet eten op denzelfden dag als het geofferd wordt, en des anderen daags; maar wat tot den derden dag overblijft, dat zal men met vuur verbranden ; 7 en indien iemand op den derden dag daarvan eten zal, zoo is hij een gruwel en zal niet aangenaam zijn; 8 en wie er van eet zal zijne misdaad dragen, omdat hij het heiligdom des Heeren ontheiligt, en zulk eene ziel zal uit haar volk uitgeroeid worden. 9 'Wanneer gij den oogst uws lands afmaait, zoo zult gij het niet aan de hoeken in het rond afsnijden, ook niet alles nauwkeurig opzamelen ; 10 ook zult gij uwen wijnberg niet zoo nauwkeurig afplukken, noch de afgevallen druiven opzamelen; maar gij zult die voor de armen en vreemdelingen overlaten; want ik ben de Heer uw God. |
11 Gij zult niet stelen, noch liegen, noch valsche-lijk handelen de één met den ander. 13 Gij zult niet valsche-lijk zweren bij mijnen naam, noch den naam uws Gods ontheiligen; want ik ben de Heer. 13 Gij zult uwen naaste geen onrecht doen, noch hem berooven; des dagloo-ners loon zal niet bij u blijven tot den morgen. li- Gij zult den doove niet vloeken, en voor den blinde zult gij geen struikelblok werpen, maar gij zult voor uwen God vreezen ; want ik ben de Heer. 15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, en zult den geringe niet voortrekken , noch den groote eeren, maar gij zult uwen naaste rechtvaardig richten. 16 Gij zult geen kwaadspreker zijn onder uw volk; ook zult gij niet optreden tegen het bloed uws naasten ; want ik ben de Heer. 17 Gij zult uwen broeder niet haten in uw hart, maar gij zult uwen naaste be-straflen, opdat gij om zijnentwil geen schuld draagt. 18 Gij zult niet wraakgierig zijn, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult |
LEVITICUS 19.
239
|
uwen naaste liefhebben als nzelven; want ik ben de Heer. 19 Mijne inzettingen zult gij onderhouden: gij zult uw vee met geen andere soort van dieren te doen laten hebben, en uw veld niet met menigerlei zaad bezaaien, en geen kleed, van wol en linnen gemengd, aan u laten komen. 20 Als een man bij eene vrouw ligt en haar beslaapt, die eene lijfeigene maagd, en aan den man toaver-trouwd, doch niet gelost is noch vrijheid verkregen heeft, dat zal gestraft worden, maar zij zullen niet sterven, want zij is niet vrij geweest. , 21 Maar hij zal voor zijne schuld den Heere aan den ingang van de hut des stichts een ram tot een schuldofler brengen. 23 En de priester zal hem met dat schuldofler voor den Heer verzoenen over dc zonde die hij gedaan heeft; zoo zal God hem zijne zonde die hij gedaan heeft genadig vergeven. 33 Wanneer gij in het land komt, en allerlei boomen plant waar men van eet, zoo zult gij derzelver voorhuid, de eerste vruchten, besnijden; drie jaren lang zult gij ze voor onbesneden houden en er niet van eten; |
3 J' en in het vierde jaar zullen al hunne vruchten heilig en een lofofler voor den Heer zijn; 25 maar in het vijfde jaar zult gij de vruchten eten en die inzamelen; want ik ben de Heer uw God. 26 Gij zult niets met bloed eten. Gij zult op geen vogel-gesehreeuw achtslaan, noch dagen verkiezen. 37 Gij zult uw haar aan het hoofd niet rondom afsnijden, noch uwen baard geheel afscheren. 28 Gij zult om een doode geen teeken in uw vleesch snijden. nocli letters van een ingedrukt teeken in u maken; want ik ben de Heer. 39 Gij zult uwe dochter niet tot hoererij houden, opdat het land geen hoererij bedrijve en met schanddaden vervuld worde. 30 Onderhoudt mijne feestdagen en ontziet mijn heiligdom; want ik ben de Heer. 31 Gij zult u niet tot de waarzeggers keeren, en niets bij de wichelaars onderzoeken, opdat gij niet aan hen verontreinigd wordt; want ik ben de Heer uw God. 32 Voor een grijs hoofd zult gij opstaan en den |
LEVITICUS 30.
330
|
oude eeren; en gij zult vreezen voor uwen God; want ik ben de Heer. 33 Wanneer een vreemdeling bi] u in uw land wonen zal, zult gij hem niet verdrukken. 34 Hij zal bij u wonen als een inboorling onder u, en gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt óók vreemdelingen geweest in Egypteland; want ik ben de Heer uw God. 35 Gij zult geen ongelijk doen in het gericht, met de el, het gewicht, of de maat. 36 Eechte weegschalen, rechte ponden, rechte schepels, rechte kannen zullen onder u zijn; want ik ben de Heer uw God , die u uit Egypteland gevoerd heb: 37 opdat gij al mijne inzettingen en al mijne rechten onderhoudt en die doet; want ik ben de Heer. HOOFDSTUK 20. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Zeg den kinderen Israels: quot;Wie onder de kinderen Israels, of van de vreemdelingen die onder Israël wonen, van zijn kroost aan den Molech geeft, die zal den dood sterven; het volk in het land zal hem stee-nigen. |
3 En ik zal mijn aangezicht tegen dien mensch stellen, en zal hem uit zijn volk uitroeien, omdat hij van zijn kroost aan den Molech gegeven, en mijn heiligdom verontreinigd, en mijnen heiligen naam ontheiligd heeft. 4 Én indien het volk in het land dien mensch door de vingers mocht zien, die van zijn kroost aan den Molech gegeven heeft, zoodat zij hem niet dooden, 5 zoo zal ik echter mijn aangezicht tegen dien mensch stellen, en tegen zijn geslacht, en ik zal hem, en allen die met hem den Molech nagehoeieerd hebben, uit Iran volk uitroeien. 6 Wanneer iemand zich tot de waarzeggers en wichelaars keeren zal, om die na-tehoereeren, zoo zal ik mijn aangezicht tegen hem stellen en zal hem uit zijn volk uitroeien. 7 Daarom heiligt u en zijt heilig; want ik ben de Heer uw God; 8 en onderhoudt mijne inzettingen en doet die; want ik ben de Heer die u heilig. 9 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal |
|
den dood sterven; zijn bloed zij op liem, omdat hij zijnen vader of zijne moeder gevloekt lieeft. 10 Wie met iemands linis-vrouw overspel bedreven lieeft, die zal den dood sterven, zoowel de overspeler als de overspeelster, omdat hij met de vrouw van zijnen naaste overspel bedreven heeft. 11 Als iemand bij zijns vaders huisvrouw slaapt, dat hij zijns vaders schaamte ontbloot, die zullen beiden den dood sterven: hun bloed zij op hen. 13 Als iemand bij zijne sehoondochter slaapt, zoo zullen beiden den dood sterven; want zij hebben eene schanddaad bedreven: hun bloed zij op hen. 13 Als iemand bij een jongen slaapt als bij eene vrouw, zij hebben beiden een gruwel gepleegd, en zullen beiden den dood sterven: hun bloed zij op hen. 14 Als iemand eene vrouw neemt, en hare moeder daarbij, die heeft eene schanddaad bedreven; men zal hem met vuur verbranden , en haar óók, opdat er geen schanddaad onder u zij. 15 Als iemand bij een beest ligt, die zal den dood |
331 sterven, ook het beest zal men dooden. 16 Als eene vrouw tot eenig beest nadert, zoodat zij daarmede te doen heeft, die zult gij dooden, en het beest óók; den dood zullen zij sterven: hun bloed zii op hen. 17 Als iemand zijne zuster neemt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder, en hare schaamte beziet en zij wederom zijne schaamte, dat is eene bloedschande, en zij zullen uitgeroeid worden voor de lieden huns volks, want hij heeft de schaamte zijner zuster ontbloot: hij zal zijne misdaad dragen. 18 Wanneer een man bij eene vrouw slaapt ten tijde als zij hare krankheid heeft, en hare schaamte ontbloot en de bron haars bloeds ontdekt , en zij de bron haars bloeds ontbloot, zoo zullen beiden uit hun volk uitgeroeid worden. 19 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder en de zuster uws vaders niet ontblooten; zulk een h'eeft zijne naaste bloedverwante ontbloot; en zij zullen hunne misdaad dragen. 20 Als iemand bij de huisvrouw van zijns vaders broeder slaapt, zoo heeft LEVITICUS 30. |
LEVITICUS 31.
233
|
hij zijns ooms schaamte ontbloot : zij zullen hunne zonde dragen, zonder kinderen zullen zij sterven. 21 Als iemand zijns broeders huisvrouw neemt, dat is eene schandelijke daad: zij zullen zonder kinderen zijn, omdat hij zijns broeders schaamte ontbloot heeft. 22 Zoo onderhoudt dan al mijne inzettingen en mijne rechten en doet die, opdat het land, naar hetwelk ik u voer om aldaar te wonen, u niet uitspuwe; 23 en wandelt niet naaide inzettingen der volken welke ik voor u zal uit-stooten; want dit alles hebben zij gedaan en ik heb een afschuw van hen gehad, 2-1 en ik sprak tot u: Gij zult hun land bezitten, want ik zal u een land tot een erf geven, waar melk en honig vloeit: ik ben de Heer uw God, die u van de volken afgezonderd heb. 25 Derhalve zult gij ook het reine vee van het onreine afzonderen, en de onreine vogels van de reine, en uwe ziel niet verontreinigen aan het vee, aan de vogels, en aan alwat op de aarde kruipt, hetwelk ik voor u afgezonderd heb opdat het n onrein zij. |
2C Daarom zult gij mij heilig zijn, want ik de Heer ben heilig, die u afgezonderd heb van de volken, opdat gij de mijnen zoudt zijn. 27 Als nu een man of eene vrouw een waarzegger of wichelaar zijn zal, die zullen den dood sterven; men zal hen steenigenj hun bloed zij op hen. HOOFDSTUK 21. 1 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg den priesters, Aiirons zonen, en spreek tot hen: Een priester zal zich aan geen doode zijns volks verontreinigen; 2 behalve aan zijnen bloedverwant die hem het naaste bestaat: als, aan zijne moeder, aan zijnen vader, aan zijnen zoon, aan zijne dochter, aan zijnen broeder, 3 en aan zijne zuster die nog als maagd bij hem inwoont, en geen vrouw eens mans geweest is: aan die mag hij zich verontreinigen. 4 Anders mag hij zich niet verontreinigen aan iemand die hem toebehoort onder zijn volk, zoodat hij zich ontheiligt. 5 Hij zal ook geen kruin op zijn hoofd maken, noch zijnen baard afscheren, en aan zijn lichaam geen tee-ken insnijden. |
LEVITICUS 21.
233
|
6 Zij zullen voor hunnen God heilig zijn, cn den naam liuns Gods niet ont-lieiligen, want zij offeren de vuuroffers des Heeren, het brood huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn. 7 Zij zullen geen hoer nemen, noch die onteerd is, of die van haren man yerstooten is; want hij is zijnen God heilig. 8 Daarom zult gij hem heilig houden, want hij offert het brood uws Gods; hij zal u heilig zijn, want ik ben heilig, de Heer, die u heilig. 9 Als eens priesters dochter begint te hoereeren, zoo zal men haar met vuur verbranden ; want zij heeft haren vader geschonden. 10 Wie hoogepriester is onder zijne broeders, op wiens hoofd de zalfolie gegoten , en die verordend is om die kleederen aantetrek-ken, die zal zijn hoofd niet ontblooten en zijne kleederen niet scheuren. 11 En hij zal tot geen doode komen; en hij zal zich noch om zijnen vader noch om zijne moeder verontreinigen. 12 Hij zal uit het heiligdom gaan, om het heiligdom zijns Gods niet te ontheiligen; want de heilige kroon, de zalfolie zijns Gods, is op hem: ik ben de Heer. |
13 Eene maagd zal hij tot vrouw nemen, 14 maar geen weduw, noch verstootene, noch ont-eerde, noch hoer; maar eene maagd uit zijn volk zal hij tot vrouw nemen; 13 opdat hij zijn zaad niet ontheilige onder zijn volk; want ik ben de Heer die hom heilig. 16 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 17 Spreek tot Aiiron en zeg: Wanneer aan iemand van uw zaad onder uwe geslachten een gebrek is, die zal niet naderen om het brood zijns Gods te offeren. 18 Want niemand aan wien een gebrek is, zal naderen, hetzij dat hij blind of lam of te kort of te lang van leden is, 19 of die aan voet of hand gebrekkig is, 20 of die gebult is, of een vlies op het oog heeft, of scheel, of schurftig is, of uitslag heeft, of die gebroken is. 21 Al wie nu van het zaad van Aaron den priester een gebrek aan zich heeft, die zal niet naderen om de offers voor den Heer te offeren; want hij heeft een gebrek, daarom zal hij |
LEVITICUS 33.
234
|
tot de brooden zijns Gods niet naderen om die te offeren. 33 Nochtans zal Mj liet brood zijns Gods eten, zoo van de heilige als van de allerheiligste ofters. 33 Doch tot het voorhangsel zal hij niet komen, noch tot den altaar naderen, dewijl een gebrek aan hem is, opdat hij mijn heiligdom niet ontheilige; want ik ben de Heer die hen heilig. — 34 En Mozes sprak dit tot Aaron en zijne zonen en tot al de kinderen Israels. HOOFDSTUK 22. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Spreek tot Aaron en zijne zonen, dat zij zich onthouden van de heilige dingen dor kinderen Israels, welke zij mij heiligen, en dat zij mijnen heiligen naam niet ontheiligen; want ik ben de Heer. 3 Zeg tot hen voor hunne nakomelingen: quot;Wie van uw zaad tot de heilige dingen nadert, welke de kinderen Israels den Heere heiligen, als zijne onreinheid op hem is, diens ziel zal uitgeroeid worden voor mijn aangezicht; want ik ben de Heer. |
4 Wie van Aarons zaad melaatsch is of een vloed heeft, die zal van het heilige niet eten voordat hij rein is; wie eenig dood lichaam aanraakt, of wien in den slaap het zaad ontgaat, 5 en wie eenig gewormte aanraakt waardoor hij onrein wordt, of eenen mensch waardoor hij onrein wordt, en alwat hem verontreinigt, — _ 6 wie iets van dat alles aanraakt, die is onrein tot den avond, en hij zal niet eten van de heilige dingen, maar zal tevoren zijn lichaam met water baden. 7 En als de zon ondergegaan en hij rein geworden is, alsdan mag hij daarvan eten, want het is zijne spijs. 8 Een aas, en wat door wilde dieren verscheurd is, zal hij niet eten, opdat hij er niet onrein door worde; want ik ben de Heer. 9 Daarom zullen zij mijne inzettingen onderhouden, opdat zij geen zonde op zich laden en daarin sterven, als zij zich ontheiligen; want ik ben de Heer die hen heilig. 10 Geen vreemde zal van het heilige eten, noch de |
LEVITICUS 22.
235
|
huisgenoot des priesters, nocli een daglooner. 11 Maar als de priester eene ziel voor geld koopt, die mag daarvan eten; ien wat hem in zijn liuis geboren wordt, dat mag óók van zijn brood eten. 12 Maar als de dochter des priesters de vrouw eens vreemden wordt, die zal van het heilige hefoffer niet eten. 13 Maar wordt zij weduw ot' nitgestooten, en heeft geen zaad, en keert zij weder tot haars vaders huis, zoo zal zij van haars vaders brood eten, evenals toen zij nog maagd was; maar geen vreemde zal daarvan eten. 14 Wie uit dwaling van het heilige eet, die zal het vijfdedcel daaraan toevoegen, en het den priester geven benevens het heilige: 15 dus zullen zij de heilige dingen der kinderen Israels niet ontheiligen, welke zij voor den Heer heffen, 16 opdat zij zich niet met misdaad en schuld beladen, als zij hunne heilige dingen eten; want ik ben de Heer die hen heilig. 17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: |
18 Spreek tot Aiiron en zijne zonen, en tot al de kinderen Israels: Elk Israëliet of vreemdeling in Israël, die zijn ofler wil brengen, hetzij volgens hunne geloften of vrijwillig, dat zij den Heer een brandoffer willen brengen, 19 dat hem van u aangenaam zij: dat zal een mannetje en zonder gebrek zijn, van runderen, of lammeren , of geiten. 20 Alwat eenig gebrek heeft zult gij niet offeren, want het zal voor u niet aangenaam zijn. 21 En wie den Heer een dankoffer wil brengen, eene bijzondere gelofte, of vrijwillig , van runderen of schapen, dat zal zonder gebrek zijn, opdat het aangenaam zij: het moet geen gebrek hebben. 22 Is het blind, of gebrekkig, of verlamd, of dor, of schurftig, of heeft het uitslag, zoo zult gij dat den Heere niet offeren, en daarvan geen oiler geven op den altaar des Heeren. 23 Een os of een schaap, ongewone of gebrekkige leden hebbende, moogt gij vrijwillig offeren, maar tot eene gelofte zal het niet aangenaam zijn. 21 Ook zult gij niets wat gestooten, of gedrukt, of gescheurd, of wat gewond is, den Heere offeren, en zult dat in uw land niet doen. |
LEVITICUS 23.
336
|
25 Gij zu.lt ook niets zoo-danigs van de hand eens vreemden, benevens het brood uws Gods, oft'eren; want het deugt niet en het heeft een gebrek, daarom zal het niet aangenaam zijn voor u. 26 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 27 Wanneer een kalf of lam of bokjo geboren is, zoo zal het zeven dagen bij zijne moeder zijn; maar op den achtsten dag en vervolgens mag men het den Heere oflereu, dan is het aangenaam. 28 Maar hetzij een rund of schaap, men zal het niet met zijn jong op éénen dag slachten. 29 En als gij den Heer een lofoffer wilt brengen, dat voor u aangenaam zij, 30 zoo zult gij het op denzelfden dag eten, en zult er niet van overlaten tot den morgen; want ik ben dc Heer. 31 Daarom onderhoudt mijne geboden en doet die; want ik ben de Heer; 32 opdat gij mijnen heiligen naam niet ontheiligt, maar ik geheiligd worde onder de kinderen Israels; want ik ben de Heer die u heilig, |
33 die u uit Egypteland gevoerd heb opdat ik uw God zij, ik de Heer. HOOFDSTUK 23. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Dit zijn de feesten des Heeren, welke gij als heilig qn als mijne feesten zult uitroepen, en op welke gij zult samenkomen. 3 Zes dagen zult gij arbeiden, maar de zevende dag is de groote, heilige sabbat, op welken gij zult samenkomen; dan zult gij geen arbeid doen, want het is de sabbat des Heeren in al uwe woningen. 4 Dit nu zijn de feesten des Heeren welke gij als heilige feesten zult uitroe-jjen, en op welke gij zult samenkomen. 5 Op den veertienden dag der eerste maand, tusschen de twee avonden, is des Heeren pascha. 6 En op den vijftienden dag van dezelfde maand is het feest der ongezuurde brooden des Heeren: zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten. 7 De eerste dag zal onder u heilig zijn op welken gij samenkomt: dan zult gij geen dienstwerk doen. |
LEYITIOUS 23.
287
|
8 En gij zult zeven dagen lang den Heer vuurofiers otteren; de zevende dag zal óók lioilig zijn op welken gij samenkomt: dan zult gij geen dienstwerk doen. 9 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij in liet land komen zult hetwelk ik u geven zal, en den oogst zult inzamelen, zoo zult gij eene schoof van de eerstelingen van uwen oogst tot denpriester brengen; 11 en hij zal die schoof voor den Heer bewegen, opdat het van u aangenaam zij; dat zal dö priester doen des anderen daags na den sabbat. 13 En gij zult op dien dag, als uwe schoot bewogen wordt, den Heer een brandoffer brengen van een lam dat zonder gebrek en éénjarig is; 13 benevens het spijsotter van twee tienden meelbloem met olie gemengd, tot een offer eens liefelijken reuks voor den Heer; alsmede hot drankottér van wijn, een vierdedeel van een hin. 14' Eu gij zult geen nieuw brood noch gezengde aren noch koren tevoren eten, tot óp dien dag dat gij uwen |
God het offer brengt: dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen in al uwe woningen. 15 Daarna zult gij tellen van den tweeden dag des sabbats, toen gij de beweeg-schoof bracht, zeven geheele sabbatten; 16 tot op den tweeden dag des zevenden sabbats zult gij tellen vijftig dagen, en dan zult gij een nieuw spijsotter den Heere brengen. 17 En gij zult het uit al uwe woningen brengen, namelijk twee beweegbrooden, van twee tienden meelbloem, gezuurd en gebakken, tot eerstelingen voor den Heer. 18 En gij zult bij het brood offeren zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek , en cén jongen var, en twee rammen; dit zal des Heeren brandotter, spijsotter en drankotter zijn: dit is een vuurotter eens liefelijken reuks voor den Heer. 19 Daarenboven zult gij bereiden een geitebok tot een zondoffer, en twee éénjarige lammeren tot een dankoffer. • 20 En de priester zal dat bewegen mot liet brood der eerstelingen voor den Heer, en met de twee lammeren; en het zal den Heere heilig en voor den priester zijn. |
LEVITICUS 23.
238
|
21 En gij zult op dienzelfden dag ïiitroepen, dat liij onder u heilig is en gij samenkomt; geen dienstwerk zulk gij doen: eene eeuwige inzetting zal dit zijn bij uwe nakomelingen in al uwe woningen. 22 Als gij nu den oogst van uw land afmaait, zoo zult gij het niet ganschelijk op het veld afsnijden, ook met alles nauwkeurig opzamelen, maar gij zult het aan de armen en vreemdelingen overlaten; want ik ben de Heer uw God. 23 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot de kinderen Israels en zeg: Op den eersten dag der zevende maand zult gij den heiligen sabbat des bazuingesehals tot eene gedachtenis houden en op dien dag samenkomen. 25 Gij zult alsdan geen dienstwerk doen, maar gij zult aan den Heer offeren. 26 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 27 Op den tienden dag van deze zevende maand is de verzoendag, die zal bij u heilig zijn en gij zult op dien dag samenkomen; alsdan zult gij uwe lichamen kastijden en den Heer een vuuroffer ofleren. |
38 En gij zult geen arbeid doen op dien dag; want liet is de verzoendag, dat gij verzoend wordt voor den Heer uwen God. 29 En wie zijn lichaam niet kastijdt op dien dag, die zal uit zijn volk uitgeroeid worden. 30 En wie op dien dag eenigen arbeid doet, dien zal ik uit zijn volk verdelgen. 31 Daarom zult gij geen arbeid doen: dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen in al uwe woningen. 32 Het is uw groote sabbat , opdat gij uwe lichamen kastijdt, op den negenden dag der maand; des avonds zult gij dezen sabbat houden, van den avond af tot den anderen avond. 33 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 34 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op den vijftienden dag dezer zevende maand is het feest der loofhutten den Heere, zeven dagen. 35 De eerste dag zal heilig zijn op welken gij samenkomt ; geen dienstwerk zult gij doen. 36 Zeven dagen zult gij aan den Heer offeren; de achtste dag zal óók heilig zijn op welken gij samen- |
LEVITICUS 24.
239
|
komt, en gij zult uw vuur-ofler den Heere brengen, want het is de dag dei-vergadering ; geen dienstwerk zult gij doen. 37 Dit zijn de feesten des Heeren, welke gij voor heilig zult houden en op welke gij zult samenkomen, om aan den Heer te offeren brandofter, spijsoffer, drankotfer, slachtoffer en andere offers, elk op zijnen dag; 38 behalve do sabbatten des Heeren, en uwe gaven, en alle geloften en vrijwillige gaven welke gij den Heere geven zult. 39 Maar op den vijftienden dag der zevende maand, als gij de opbrengst van het land hebt ingezameld, zult gij het feest des Hee-ren houden, zeven dagen lang; op den eersten dag is het sabbat, en op den achtsten dag is het óók sabbat. 40 En gij zult op den eersten dag nemen vruchtdragende takken van schoo-ne boomen, palmtakken en twijgen van (lichte boomen, alsook beekwilgen; en zeven dagen zult gij vroolijk zijn voor den Heer uwen God. |
41 En alzoo zult gij den Heer dat feest jaarlijks houden, zeven dagen; dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen , om het in de zevende maand zoo te vieren. 42 Zeven dagen zult gij in loofhutten wonen; wie een inboorling in Israël is, die zal in loofhutten wonen; 43 opdat uwe nakomelingen weten dat ik de kinderen Israëls heb laten wonen in hutten, toen ik hen uit Egypteland voerde: ik de Heer uw God. — 44 En Mozes gebood aan de kinderen Isracls deze feesten des Heeren. HOOFDSTUK 24. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Isracls, dat zij tot u brengen zuivere gestooten boomolie voor de lichten, om die dagelijks in de lampen te doen. 3 Buiten het voorhangsel voor de ark der getuigenis , in de hut des stichts, zal Aaron die dagelijks toebereiden, des avonds en des morgens, voor den Heer; dit zij eene eeuwige inzetting voor uwe nakomelingen. 4 Hij zal de lampen op den schoonen kandelaar voor den Heer dagelijks toebereiden. |
LEVITICUS 24
840
|
5 En gij zult meelbloem nemen, en daarvan twaalf koeken bakken, voor eiken koek twee tienden. 6 En gij zult die stellen zes aan iedere rij op de schoone tafel voor den Heer. 7 En gij zult daarop zuiveren wierook leggen, opdat liet gedenkbrooden zijn tot een vuuroller voor den Heer. 8 Alle sabbatten zult gij die toebereiden voor den Heer gestadig, den kinderen Israels tot een eeuwig verbond, 9 En liet zal voor Ailron en zijne zonen zijn, die dat zullen eten in de heilige plaats; want dit is een allerheiligste van de offers des Heeren, tot eene eeuwige inzetting. — 10 En er ging iemand uit, die onder de kinderen Israëls de zoon van eene Israëlietische vrouw en van een Egyptenaar was, en twistte in het leger met een Israëlietischen man, 11 en lasterde den Naam en vloekte; toen brachten zij hem tot Mozes: zijne-moeder nu was genaamd Selomith de dochter van Dibri, van den stam Dan. 12 En men zette hem in de gevangenis, totdat er een klaar antwoord door den mond des Heeren zou geschieden. |
13 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: Ié Breng den vloeker buiten voor het leger, en laat allen die het gehoord hebben hunne handen op zijn hoofd leggen, en laat de geheele gemeente hem steenigen. 15 En zeg aan de kinderen Israëls: Wie zijnen God vloekt, die zal zijne zonde dragen; 16 wie des Heeren naam lastert, die zal den dood sterven, de geheele gemeente zal hem steenigen; zoowel de vreemdeling als de inboorling, als hij den Naam lastert, zal hij sterven. 17 Wie eenig mensch doodslaat, die zal den dood sterven. 18 En wie een beest doodslaat, die zal het betalen, lijf vóór lijf. 19 En wie zijnen naaste kwetst, dien zal men doen gelijk hij gedaan heeft: 20 schade voor schade, oog voor oog, tand voor tand; gelijk hij een mensch kwetst, zoo zal men ook hem doen. 21 Alzoo wie een beest doodslaat, die zal het betalen ; maar wie een mensch doodslaat, die zal sterven. |
LEVITICUS 25.
2il
|
22 Eenerlei recht zal onder u zijn voor den vreemdeling en voor den inboorling; want ik ben de Heer uw God. 23 En Mozes zeide dat aan de kinderen Israëls, en zij voerden den vloeker naarbuiten voor liet leger , en steenigden liem; alzoo deden de kinderen Israëls gelijk de Heer aan Mozes geboden liad. HOOFDSTUK 25. 1 En de Heer sprak tot Mozes op deu berg Sinaï, zeggende; 2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen; Wanneer gij zult komen in het land hetwelk ik u geven zal, zoo zal dat land eene rust hebben voor den Heer; 3 zoodat gij zes jaren uw veld zult bezaaien, en zes jaren uwen wijnberg besnoeien , en de vruchten inzamelen; 4 doch in het zevende jaar zal het land eene groote rust hebben voor den Heer, alswanneer gij uw veld niet bezaaien noch uwen wijnberg besnoeien zult. 5 Wat vanzelf na uwen oogst wast, zult gij niet inoogsten, en de druiven, die zonder uwen arbeid wassen, zult gij niet afplukken , dewijl het een jaar der heilige rust is voor het land. |
6 En het land zal daarom rust hebben, opdat gij daarvan eet, uw knecht, uwe dienstmaagd, uw dag-looner, uw huisgenoot, de vreemdeling bij u; 7 uw vee, en de dieren in uw land; alle vruchten zullen hun tot spijs zijn. 8 En gij zult zeven zulke rustjaren tellen, zoodat zeven jaren zevenmaal geteld worden; en de tijd der zeven rustjaren is negenen-veertia: jaar. 9 Dan zult gij op de bazuinen doen blazen door al uw land, op den tienden dag der zevende maand, op den dag der verzoening; 10 en gij zult het vijftigste jaar heiligen, en zult het noemen een vrij-jaar in het land, voor allen die er in wonen; want het is uw jubeljaar; alsdan zal een ieder bij u weder tot zijne have en tot zijn geslacht komen; 11 want het vijftigste jaar is uw jubeljaar; gij zult niet zaaien, ook wat vanzelf wast niet inoogsten, ook wat zonder arbeid in den wijnberg wast niet afplukken in dat jaar; |
LEVITICUS 35.
243
|
12 want het jubeljaar zal onder u heilig zijn; maar wat het veld vanzelf draagt zult gij eten. 13 Dit is het jubeljaar, in hetwelk iedereen weder aan het zijne komen zal. 14 Wanneer gij nu iets aan uwen naaste verkoopt, of van hem wat koopt, zoo zal niemand zijnen broeder benadeelen. 15 Maar naar het getal der jaren van het jubeljaar af, zult gij het van hem koopen; en wat de jaren daarna opbrengen kunnen, zóó hoog1 zal hij het u ver-koopen. 16 Naar de menigte dier jaren zult gij den koop verhoogen, en naar het weinige dier jaren zult gij den koop verminderen; want hij zal het u, al naardat het opbrengen kan, ver-koopen. 17 Niemand benadeele dan zijnen naaste, maar vreest voor uwen God; want ik ben de Heer uw God. 18 Daarom doet naar mijne inzettingen en onderhoudt mijne rechten, dat gij die doet, opdat gij gerust in het land wonen moogt; 19 want het land zal u zijne vruchten geven, dat gij genoeg te eten hebt, en veilig daarin woont. |
30 En zoo gij zeggen mocht; Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Wij zaaien dan niet, ook zamelen wij geen koren in: — 31 zoo zal ik in liet zesde jaar mijnen zegen over u gebieden, dat het voor drie jaren koren zal voortbrengen, 33 zoodat gij in het achtste jaar nog zaad zult hebben , en van het oude koren eten; tot in het negende jaar, dat er weder nieuw koren inkomt, zult gij van het oude eten. 38 Daarom zult gij het land niet verkoopen voor altoos; want het land is het mijne, en gij zijt vreemdelingen en gasten voor mij. 34 En gij zult in uw ge-heele land lossing voor de landerijen toestaan. 35 Als uw broeder verarmt en u zijne have verkoopt, en zijn naaste vriend komt tot hem om het te lossen, zoo zal hij lossen wat zijn broeder verkocht heeft. 36 Maar als iemand geen losser heeft, en hij kan met zijne hand zooveel opbrengen dat hij het ten deele lost, 37 zoo zal men rekenen van het jaar af toen hij het verkocht heeft, en den ver- |
LEVITICUS 25.
243
|
kooper die overige jaren wederuitkeeren, opdat hij weder tot zijne bezitting kome. 28 Maar kan zijne hand zooveel niet vinden, dat hij een gedeelte wederuitkeert, zoo zal hetgeen hij verkocht heeft in de hand des koosjers blijven tot het jubeljaar toe; dan zal het loskomen, en hij zal weder tot zjine bezitting geraken. 29 Wie een woonhuis verkoopt binnen de stadsmuren, die heeft een geheel jaar uitstel om het weder te lossen; dit zal de tijd zijn binnen welken hij het lossen mag. 30 Maar indien hij het niet lost eer het geheele jaar om is, zoo zal de kooper en zijne nakomelingen net voor altoos behouden; en het zal niet loskomen in het jubeljaar. 31 Maar is het een huis in een dorp waar geen mum-om is, dat zal men rekenen gelijk de velden des lands; en het zal vrij worden en in het jubeljaar loskomen. 32 De steden der Levieten en de huizen in de steden in welke hunne bezitting is, mogen altijd gelost worden. |
33 Wie iets van dé Levieten lost, die zal het verlaten in het jubeljaar, hetzij huis of stad, hetgeen hij bezeten hesft; want de huizen in de steden der Levieten zijn hunne bezitting onder de kinderen Israëls. 34 Doch het veld -voor hunne steden zal men niet verkoopen; want dat is hun eigendom voor altoos. 35 Als uw broeder verarmt en onder u vermindert, zoo zult gij hem aannemen, hetzij als vreemdeling of gast, opdat hij onder u kunne leven. 36 En gij zult geen woeker van hem nemen , noch overwinst; maar gij zult voor uwen God vreezen, opdat uw broeder onder u kunne leven. 37 Gij zult hem uw geld niet op woeker geven, en uwe spijs niet geven tegen overwinst; 38 want ik ben de Heer uw God, die u uit Egyp-teland gevoerd heb, om u het land Kanaan te geven en uw God te zijn. 39 Als uw broeder bij u verarmt en zich aan u verkoopt , zoo zult gij hem niet laten dienen als een lijfeigene; 40 maar gelijk een dag-looner en gast zal hij bij u zijn, en tot aan het jubeljaar bij u dienen. |
LEVITICUS 35.
244 '
|
41 Dan zal liij van u vrij uitgaan, en zijne kinderen met liem, en hij zal weder-keeren tot zijn geslacht en tot de bezitting zijner vaderen. 43 Want zij zijn mijne knechten, die ik uit Egyp-teland gevoerd heb; daarom zullen zij niet gelijk een lijfeigene verkocht worden. 43 En gij zult niet over hen heerschen met wreedheid, maar zult voor uwen God vreezen. 44 Doch wilt gij lijfeigen knechten en dienstmaagden hebben, zoo zult gij ze koo-pen van de volken die rondom u zijn, 45 ook van de gasten die vreemdelingen onder u zijn, en van hunne nakomelingen die bij u in uw land geboren worden; die zult gij tot een eigendom hebben. 46 En gij, en uwe kinderen na u, zult hen bezitten tot een eigendom voor altoos, en deze zult gij lijfeigen knechten laten zijn; maar wat uwe broeders, de kinderen Israels, betreft, de één zal over den ander niet heerschen met wreedheid. 47 Als eenig vreemdeling of gast onder u vermogen heeft gekregen, en uw broeder verarmt, en zich aan een vreemdeling of gast onder u, of aan iemand van zijnen stam verkoopt: |
48 zoo zal hij, nadat hij verkocht is, het recht hebben om weder vrij te worden, en iemand onder zijne broeders mag hem lossen; 49 zijn oom, of zijns ooms zoon, of wie anders de naaste bloedverwant van zijn geslacht is; of indien zijn eigen hand zooveel verdient, zoo zal hij zichzelven lossen. 50 En hij zal zijnen koo-per rekenen van het jaar af toen hij zich verkocht heeft, tot op het jubeljaar toe; en het geld zal naar het getal der jaren voor hetwelk hij verkocht is gerekend worden, en hij zal er zijn dagloon van dien geheelen tijd mede bijrekenen. 51 Zijn er nog vele jaren tot aan het jubeljaar, zoo zal hij naar het getal daarvan destemeer geven om te lossen, al naardat hij gekocht is; 53 maar zijn er weinige jaren over tot aan het jubeljaar , zoo zal hij ook volgens die jaren wedergeven tot zijne lossing. 53 En hij zal er zijn dagloon van jaar tot jaar mede bijrekenen; en gij zult niet toelaten, dat men met wreedheid over hem heersche voor uwe oogen. |
LEYITICÜS 26.
245
|
54 En indien hij zicli op deze wijze niet lost, zoo zal hij in het jubeljaar vrij uitgaan, en zijne kinderen met hem. 55 Want de kinderen Israels zijn mijne knechten, die ik uit Egypl eland gevoerd heb: ik ben de Heer uw God. HOOFDSTUK 26. 1 Gij zult u geen afgoden maken, noch beelden, en zult u geen zuilen oprichten, noch een teeken van steen in uw land zetten, om daarvoor te aanbidden; want ik ben de Heer uw God. 2 Onderhoudt mijne sabbatten en ontziet mijn heiligdom: ik ben de Heer. 3 Is het dat gij naar mijne inzettingen zult wandelen en mijne geboden onderhouden en doen, 4 zoo zal ik u regen geven op zijnen tijd; en het land zal zijn gewas geven, en de boomen op het veld zullen hunne vruchten voortbrengen ; 5 en de dorschtijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult volheid van brood hebben, en zult in uw land veilig wonen. |
6 Ik zal vrede in uw land geven, opdat gij slaapt en niemand u verschrikke; ik zal de booze dieren uit het land wTegdoen, en geen zwaard zal door uw land gaan. 7 Gij zult uwe vijanden jagen, en zij zullen voor uw aangezicht vallen door het zwaard. 8 quot;Vijf van u zullen er honderd jagen, en honderd van u zullen tienduizend jagen; want uwe vijanden zullen voor u vallen door het zwaard. 9 En ik zal mij tot u wenden, en zal u doen wassen en vermenigvuldigen; en ik zal mijn verbond met u houden. 10 En gij zult van het oude eten, en als het nieuwe komt het oude wegdoen. 11 Ik zal mijne woning onder u hebben, en mijne ziel zal u niet verwerpen, 12 en ik zal onder u wandelen en zal uw God zijn, ook zult gij mijn volk zijn; 13 want ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte-land gevoerd heb opdat gij hunne knechten niet zoudt zijn, en ik heb uw juk verbroken en u met opgerichte hoofden doen wandelen. 14 Maar indien gij naar |
LEVITICUS 26.
246
|
mij niet al deze doen, 15 en mijne inzettingen zult verachten, en uwe ziel mijne rechten zal verwerpen, zoodat gij al mijne geboden niet doet, en mijn verbond zult verbreken, 16 zoo zal ik ook aldus met u doen: ik zal u op eene verschrikkelijke wijze met gezwel en koorts bezoeken, zoodat uw aangezicht vervalt en uw lichaam versmacht; gij zult tevergeefs uw zaad zaaien, want uwe vijanden zullen het opeten. 17 En ik zal mijn aangezicht tegen u stellen, en gij zult geslagen worden voor uwe vijanden; en die u haten, zullen over u heer-schen, en gij zult vlieden ook als niemand u jaagt. 18 En zoo gij ook na dit alles naar mij nog niet hoo-ren zult, dan zal ik u nog zevenmaal zwaarder straften om uwe zonden, 19 opdat ik uwe hoovaar-dij en hardnekkigheid breke; en ik zal uwen hemel als ijzer en uwe aarde als koper maken; 20 en uwe moeite en arbeid zal verloren zijn, zoodat uw land zijn gewas niet geeft, en de boomen in het land hunne vruchten niet voortbrengen. zult liooren, en geboden niet zult |
21 En indien gij u nog verder tegen mij verzet, en mij niet hooren wilt, zoo zal ik u nog zevenmaal zwaarder slaan om uwe zonden; 22 en ik zal wilde dieren onder u zenden, die zullen uwe kinderen verslinden, en uw vee verscheuren, en u verminderen; en uwe wegen zullen woest worden. 23 En zoo gij na dit alles nog niet genoeg door mij zult zijn getuchtigd, en voortgaat u tegen mij te verzetten, 24 zoo zal ik mij ook tegen u verzetten, en zal u nog zevenmaal zwaarder slaan om uwe zonden; 25 en ik zal een zwaard der wrake over u brengen, dat mijn verbond wreken zal; en of gij u al in uwe steden zult opsluiten, zoo zal ik toch de pest onder u zenden, en zal u in de handen uwer vijanden geven. 26 Dan zal ik u den voorraad van brood verderven, zoodat tien vrouwen uw brood in één oven zullen bakken, en uw brood zal men met gewicht uitwegen; en als gij eet zult gij niet verzadigd worden. 27 En indien gij ook dan |
LEVITICUS 26.
347
|
nog niet naar mij zult lioo-ren, en u tegen mij zult verzetten, 38 zoo zal ik ook in gram-scliap mij tegen u verzetten , en zal u zevenmaal zwaarder straffen om uwe zonden, 39 dat gij Let vleesoh van uwe zonen en dochters zult eten. 30 En ik zal uwe hoogten verdelgen en uwe beelden uitroeien, en zal uwe lichamen op uwe afgoden werpen; en mijne ziel zal een afkeer van u hebben. 31 En ik zal uwe steden woest maken en uwe heiligdommen omverwerpen, en zal uwen liefelijken reuk niet ruiken. 33 AIzoo zal ik dat land woest maken, zoodat uwe vijanden die er in wonen zich daarover ontzetten zullen. 33 En ik zal u onder de volken verstrooien en het zwaard achter u uittrekken, zoodat uw land woest en uwe steden verstoord zullen zijn. 34 Alsdan zal het land in zijne rust genoegen scheppen , zoolang het woest ligt en gij in het land der vijanden zijt; ja alsdan zal het land rusten en in zijne rust genoegen scheppen: |
35 zoolang het woest ligt zal het rusten, omdat het niet rusten kon toen gij het moest laten rusten, en gij daarin woondet. 36 En dengenen die van u overgebleven zullen zijn, zal ik het hart versaagd maken in het land hunner vijanden, zoodat een rui-schend blad hen jagen zal, en zij er voor vluchten zullen als joeg hen een zwaard, en vallen terwijl niemand hen jaagt; 37 en de één zal over den ander vallen als voor het zwaard, schoon niemand hen jaagt; en gij zult niet kunnen bestaan tegen uwe vijanden, 38 en gij zult omkomen onder de volken, en het land uwer vijanden zal u verslinden. 39 En wie van u zullen overgebleven zijn, zullen om hunne misdaad versmachten in het land der vijanden, ook zullen zij om de misdaad hunner vaderen versmachten. 40 Alsdan zullen zij hunne misdaad en de misdaad hunner vaderen bekennen, met welke zij tegen mij gezondigd en zich tegen mij verzet hebben. 41 Daarom zal ik mij ook tegen hen verzetten, en zal |
LEVITICUS 27.
248
|
hen in het land hunner vijanden wegdrijven; (kar zal zich hun onbesneden hart verootmoedigen, en dan zullen zij zich de straf hunner misdaad laten welgevallen. 42 En ik zal gedenken aan mijn verbond met Jakob, en aan mijn verbond met Isailk, en aan mijn verbond met Abraham; en ik zal aan het land gedenken, 43 dat van hen verlaten is, en in zijne rust een welgevallen heeft, dewijl het om hunnentwil woest ligt, en zij in de straf hunner misdaad een welgevallen hebben; omdat zij mijne rechten veracht hebl)en , en hunne ziel van mijne inzettingen een afkeer gehad heeft. 44 Maar echter ook dan wanneer zij in het land dei-vijanden zijn, heb ik hen evenwel niet verworpen; en ik heb niet zóózeer een afkeer van hen , dat het met hen uit zou zijn en mijn verbond met hen niet meer zou gelden; want ik ben de Heer hun God. 45 En ik zal wegens hen aan mijn eerste verbond gedenken , toen ik hen uit Egypteland voerde voor de oogen der volken, opdat ik hun God zoude zijn: ik de Heer. — 46 Dit zijn de inzettingen en rechten en wetten, die de Heer tusschen 'zich en de kinderen Israëls gemaakt heeft op den berg Sinaï, door de hand van Mozes. |
HOOFDSTUK 27. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer iemand den Heer eene bijzondere gelofte doet, dat hij zichzelven eene schatting oplegt, zoo zal dit de schatting zijn. 3 Een manspersoon, van twintig jaar oud tot in het zestigste jaar, zult gij schatten op vijftig zilveren sikkels, naar den sikkel des heiligdoms; 4 en eene vrouw zult gij schatten op dertig sikkels. 5 Van vijf jaar oud tot twintig jaar toe, zult gij hem schatten op twintig-sikkels als het een man is, maar eene vrouw op tien sikkels. 6 Van een maand oud tot vijf jaar toe, zult gij hem schatten op vijf sikkels zilver als het een man is, maar eene vrouw op drie sikkels zilver. 7 Maar is hij zestig jaar oud en daarboven, zoo zult gij hem schatten op vijftien |
LEVITICUS 27.
649
|
sikkels als het een man is, maar eene vrouw op tien ' sikkels. ! 8 Maar is hij tc arm voor : zulk eene schatting, zoo zal hij zich voor den priester stellen, en de priester zal i hem schatten; hij zal hem schatten naardat de hand desgenen die de belofte gedaan heeft verdienen kan. 9 Maar is het een beest dat men den Heer kan offeren : ahvat men van dien aard den Heere gewijd heeft is heilig. 10 Men zal het niet verwisselen noch verruilen, een goed voor een kwaad of een kwaad voor een goed; maar indien iemand het ééne beest voor het andere verwisselt, zoo zullen beide den Heere heilig zijn. 11 Maar is het dier onrein, zoodat men het den Heer niet ofl'eren mag, zoo zal men dat voor den priester stellen; 13 en de priester zal het schatten of het goed of kwaad is, en bij do schatting des priesters zal het blijven. 13 Maar wil iemand dat lossen, die zal het vijfdedeel boven de schatting geven. 14 Wanneer iemand zijn huis heiligt, opdat het den Heere heilig zij, zoo zal de tot |
priester het schatten of het goed of kwaad is; en naardat de priester het schat, zal het gelden. 15 Maar indien hij die het geheiligd heeft het wil lossen, zoo zal hij het vijfde-deel van het geld, boven hetgeen waarop het geschat is, daarbij geven, zoo zal het weder het zijne worden. 16 Wanneer iemand een stuk des akkers van zijn erfgoed den Heere heiligt, zoo zal de schatting zijn naargelang hij opbrengt: brengt hij een homer gerst op, zoo zal hij vijftig sikkels zilver gelden. 17 En heiligt hij zijnen akker van het jubeljaar af, zoo zal hij naar zijne waarde geven; 18 maar heeft hij hem na het jubeljaar geheiligd, zoo zal de priester hem berekenen naar de overige jaren tot het jubeljaar toe, en daarnaar minder schatten. 19 Maar wil hij die hem geheiligd heeft den akker lossen, zoo zal hij het vijfdedeel van het geld, boven hetgeen waarop hij geschat is, daarbij geven, zoo zal hij de zijne worden. 20 Doch wü hij hem niet lossen, maar verkoopt hij hem aan een ander, zoo zal hij niet meer gelost worden; |
|
350 LEVIT] 31 maar deze akker, als hij in het jubeljaar loskomt, zal den Heere heilig zijn als een verbannen akker; en hij zal het erfgoed des priesters zijn. 33 Ook als iemand een akker dien hij gekocht heeft, en die niet zijn erfgoed is, den Heere heiligt, 33 zoo zal de priester dien berekenen wat hij geldt tot aan het jubeljaar toe; en hij zal op dien dag die schatting geven, opdat hij den Heere heilig zij. 34 Maar in het jubeljaar zal hij weder aan dengeen komen, van wien hij hem gekocht heeft, opdat hij zijn erfgoed in het land zij. 35 Al uwe schatting zal geschieden naar den sikkel des heiligdoms; een sikkel nu doet twintig gera. 36 Het eerstgeborene onder het vee, dat den Heer reeds toebehoort, zal niemand den Heere heiligen, hetzij een os of schaap; want het is des Heeren. 37 Maar is aan het beest iets onreins, zoo zal men liet lossen naar zijne waarde, en het vijfdedeel daarenboven geven; en wil men het niet lossen, zoo verkoope men het naar zijne waarde. |
CUS 37. 38 Men zal niets dat verbannen is, hetwelk iemand den Heere verbant, van al-waf het zijne is, hetzij mensch, beest of erfakker, verkoopen noch lossen; want alwat verbannen is, is den Heer een allerheiligste. 29 Men zal ook geen verbannen mensch lossen, maar hij zal den dood sterven. 30 Alle tienden in het land, zoo van het zaad des lands als van de vruchten der boomen, zijn voor den Heer, en zij zullen den Heere heilig zijn. 31 Maar wil iemand zijne tienden lossen, die zal het vijfdedeel daarenboven geven. 32 En alle tienden van runderen en schapen, en wat onder den staf gaat, dat is een heilige tiende voor den Heer. 33 Men zal het niet achten of het goed of kwaad is, men zal het ook niet verwisselen; maar indien iemand het verwisselt, zoo zal het beide heilig zijn en niet gelost worden. — 34 Dit zijn de geboden die de Heer door Mozes gebood aan de kinderen Israels, op den berg Sinaï. |
HEÏ YIERDE BOEK YATs1 MOZES
GENAAMD
N U M E E I.
|
HOOFDSTUK 1. 1 En de Heer sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de hut des stichts, op den eersten dag der tweede maand in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland waren uitgetogen, zeggende: 3 Neem de som van de geheele gemeente der kinderen Israels op, naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, alwat mannelijk is, hoofd voor hoofd: 3 van twintig jaar af en daarboven, alwat onder Israël bekwaam is om ten strijde te trekken; en gij zult hen tellen naar hunne heiren, gij en Aaron. 4 En gij zult n uit elk geslacht cén vorst nemen over zijn vaderlijk huis. 5 En dit zijn de namen der vorsten die naast u zullen staan: van Kuben zij Elizur, Sedeürs zoon. 6 Van Simeon zij Selumiël, de zoon van Zurisaddai. |
7 Van Juda zij Nahesson, Amminadabs zoon. Yan Issaschar zij Ne-thaneël, Zuars zoon. 9 quot;Van Zebulon zij Eliab, Heions zoon. 10 Van Jozefs zonen: van Efraïm zij Elisama, Ammi-huds zoon; van Manasse zij Gamaliel, Pedazurs zoon. 11 Van Benjamin zij Abi-dan, de zoon van Gideoni. 13 Van Dan zij Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 13 Van Aser zij Pagiël, Oolirans zoon. 14 Van Gad zij Eljasaf, Deliuëls zoon. 15 Van Naftali zij Ahira, Enans zoon. 16 Dit zijn de voornaam-sten der gemeente, de vorsten van de stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden en vorsten van Israël. 17 En Mozes en Aaron namen deze mannen tot zich, gelijk zij hier met namen genoemd zijn. 18 En zij vergaderden de |
NUMEEI 1.
252
|
geheele gemeente op den eersten dag der tweede maand, dat zij hnnne geboorten zouden opgeven naar hnnne geslachten, vaderlijke huizen on namen, van twintig jaar af en daarboven, hoofd voor hoofd, 19 gelijk do Heer aan Mozes geboden had; en hij telde hen in de woestijn Sinaï. 30 Van de zonen van Eu-ben, Israels oudsten zoon, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 31 werden geteld tot den tstam lluben zesenveertigduizend en vijfhonderd. 33 Van Simeons zonen, hunne geboorten naar hunne .geslachten, hunne vaderlijke huizen, getal en namen , hoofd voor hoofd, al-wat mannelijk was van • twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 33 werden geteld tot den stam Simeon negenenvijftig-duizend en driehonderd. |
SI Yan Gads zonen, hnnne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven , allen bekwaam oni ten strijde to trekken, 35 werden geteld tot den stam Gad vijfenveertigduizend zeshonderd cn vijftig. 36 Yan de zonen van Ju-da, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 37 werden geteld tot den stam Juda vierenzeventigduizend en zeshonderd. 38 Yan Issaschars zonen, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven , allen bekwaam om ten strijde te trekken, 39 werden geteld tot den stam Issaschar vierenvijftig-duizend en vierhonderd. 30 Yan Zebulons zonen, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 31 werden geteld tot den stam Zebulon zevenenvijftigduizend en vierhonderd. 33 Yan Jozefs zonen: van Efraïm, hunne geboorten naar hunne geslachten, hun- |
NITMEEI 1.
253
|
ne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 33 werden geteld tot den stam Efraïm veertigduizend en vijfhonderd. 34 quot;Van de zonen van Ma-nasse, Iranne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar at' en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 35 werden geteld tot den stam Manasse tweeëndertig-duizend en tweehonderd. 36 Van Benjamins zonen, Imnne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven , allen bekwaam om ten strijde te trekken, 37 werden geteld tot den stam Benjamin vijfendertigduizend en vierhonderd. 38 Van de zonen van Dan, hunne geboorten naar Iranne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 39 werden getold tot den stam Dan tweeënzestigduizend en zevenhonderd. |
40 Van Asers zonen, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 41 werden geteld tot den stam Aser édnenveertigdui-zend en vijfhonderd. 43 Van de zonen van Naftali, hunne geboorten naar hunne geslachten, hunne vaderlijke huizen en namen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam om ten strijde te trekken, 43 werden geteld tot den stam Naftali drieënvijftigduizend en vierhonderd. 44 Dit zijn de getelden die Mozes geteld heeft, en Aiiron, en de twaalf vorsten van Israël; elk van deze was over zijn vaderlijk huis. 45 En de som der zonen Israels, naar hunne vaderlijke huizen, van twintig jaar af en daarboven, allen bekwaam in Israël om ten strijde te trekken, 46 was zeshonderddrieduizend vijfhonderd en vijf-% ' , ' 47 Maar de Levieten, naaiden stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld. 48 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: |
Ff-
NUMEEI 2.
354
|
49 Den stam Levi alleen zult gij niet tellen, noch lumne som opmaken onder de zonen van Israël. 50 Maar gij zult hen stellen over de woning dei getuigenis, en over al het gereedschap, en overalwat er toe behoort; en zij zullen de woning dragen en al het gereedschap, en zij zullen die bedienen, en zich legeren rondom de woning. 51 En wanneer de woning zal optrekken, zullen de Levieten haar uit elkander nemen; en wanneer het heir zich zal legeren, zullen zij de woning opslaan; en indien een vreemde daarbij komt, die zal moeten sterven. 53 De kinderen Israels zullen zich legeren elk in zijne legerplaats en bij de banier van zijne schaar; 53 maar de Levieten zullen zich legeren rondom de woning der getuigenis, opdat geen toorn kome over de gemeente der kinderen Israëls; daarom zullen de Levieten de wacht waarnemen aan de woning der getuigenis. — 54 En de kinderen Israëls deden alles gelijk de Heer aan Mozes geboden had. |
HOOFDSTUK 2. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Aaron, zeggende: 3 De kinderen Israëls zullen zich legeren tegenover de hut des stichts, rondom, elk onder zijne banier en teekenen, naar hunne vaderlijke huizen. 3 Tegen het oosten zal zich legeren Juda met zijne banier en heiren, en zijn vorst zal zijn Nahesson de zoon van Amminadab; 4 en de som van zijn heir is vierenzeventigdnizend en zeshonderd. 5 En onder hem zal zich legeren de stam Issaschar, en zijn vorst zal zijn Ne-thaneël de zoon van Zuar; 6 en de som van zijn heir is vierenvijftigduizend en vierhonderd. 7 Ook de stam Zebulon, en zijn vorst is Eliab de zoon van Helon; 8 en de som van zijn heir is zevenenvijftigduizend en vierhonderd. 9 Zoodat allen, die tot het leger van Juda behoo-ren, uitmaken eene som van honderdzesentachtigdui-zend en vierhonderd, naar hunne heiren; en zij zullen vooraan optrekken. 10 Tegen het zuiden zal zijn de banier van Eubens |
NUMERI 2.
255
|
leger met hunne heiren, en zijn vorst zal zijn Elizur de zoon van Sedeür; 11 en de som van zijn lieir is zesenveertigduizend en vijflionderd. 13 En onder hem zal zich legeren de stam Simeon, en zijn vorst zal zijn Selumiël de zoon van Zurisaddai; 13 en de som van zijn heir is negenenvijftigduizend en driehonderd. 14 Ook de stam Gad, en zijn vorst zal zijn Eljasaf de zoon van Eehuël; 15 en de som van zijn heir is vijfenveertigduizend zeshonderd en vijftig. 16 Zoodat allen, die tot het leger van Euben belmoren , uitmaken eene som van honderdéénenvijftigdui-zend vierhonderd en vijftig, naar hunne heiren; en zij zuilen de tweede in het uittrekken zijn. 17 Daarna zal de hut des stichts optrekken met het leger der Levieten, midden onder de legers; en gelijk zij zich legeren, zoo zullen zij ook optrekken, elk in zijne plaats onder zijne banier. 18 Tegen het westen zal de banier van Efraïms leger zijn mét hunne heiren, en zijn vorst zal zijn Elisama do zoon van Ammihud; |
1'J en de som van zijn heir is veertigduizend en vijfhonderd. 20 En onder hem zal zich legeren de stam Manasse, en zijn vorst zal zijn Gamaliel de zoon van Pedazur; 21 en de som van zijn heir is tweeëndertigduizend en tweehonderd. 22 Ook de stam Benjamin, en zijn vorst zal zijn Abidan de zoon van Gideoni; 23 en de som van zijn heir is vijfendertigduizend en vierhoijderd. 24 Zoodat allen, die tot Efraïms leger behooren, uitmaken eene som van honderdachtduizend en éénbon-derd, naar hunne heiren; en zij zullen de derde in het uittrekken zijn. 35 ïegen het noorden zal de banier van het leger van Dan zijn met hunne heiren, en zijn vorst zal zijn Ahiëzer de zoon van Ammisaddai; 36 en de som van zijn heir is tweeënzestigduizend en zevenhonderd. 37 En onder hem zal zich legeren de stam Aser, en zijn vorst zal zijn Pagiël de zoon van Ochran; 28 en de som van zijn heir is éénenveertigduizend en vijfhonderd. 39 Ook de stam Naftali, en zijn vorst zal zijn Ahira de zoon van Enan; |
NUMEEI 3.
256
|
30 en de som van zijn heir is driecnvijftlgduizencl en vierhonderd. 31 Zoodat allen, die tot het leger van Dan behoo-ren, uitmaken eene som Van honderdzevenenvijftig-duizend en zeshonderd; en zij zullen de laatsten zijn in het optrekken met hunne banier. 32 Dit is de som der kinderen Israels, naar hunne vaderlijke huizen, al de getelde legers met hunne hei-ren : zeshonderddrieduizend vijfhonderd en vijftig. 33 Maar de Levieten werden niet medegeteld onder de kinderen Israëls, zooals de Heer aan Mozes geboden had. 34 En de kinderen Israëls deden alles gelijk de Heer aan Mozes geboden had, en zij legerden zich onder hunne banieren, en trokken uit, elk in zijn geslacht, volgens hunne vaderlijke huizen. HOOFDSTUK 3. 1 Dit is het geslacht van Aaron en Mozes, ten tijde toen de Heer tot Mozes sprak op den berg Sinaï. 3 En dit zijn de namen van Aarons zonen; de eerstgeborene Nadab, daarna Abihu, Eleazar en Ithamar. |
3 Dit zijn de namen van de zonen van Aiiron, die gezalfd waren tot priesters, gewijd zijnde tot het priesterdom. Maar Nadab en Abihu stierven voor den Heer, 4 toen zij vreemd vuur offerden voor den Heer in de woestijn Sinaï, en hadden geen zonen; doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt onder hunnen vader Aaron. 5 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 6 Doe den stam Levi naderen, en stel dien voor den priester Aiiron, opdat zij hem dienen, 7 en dat zij waarnemen zijne wacht, en de wacht der geheele gemeente, voor de hut des stichts, en bedienen den dienst der woning , 8 en in bewaring nemen al het gereedschap van de hut des stichts, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst dei-woning te bedienen. 9 En gij zult aan Aiiron en zijne zonen de Levieten geven, tot een geschenk uit de kinderen Israëls. 10 En Aaron en zijne zonen zult gij aanstellen opdat zij hun priesterambt bedienen; en indien een vreem- |
|
de daartoe nadert, die zal moeten sterven. 11 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 13 Zie, ik heb de Levieten genomen uit het midden der kinderen Israels, in plaats van alle eerstgeborenen die de baarmoeder breken onder de kinderen Israels, zoodat de Levieten de mijne zullen zijn. 13 Want alle eerstgeborenen zijn de mijne, van dien tijd af dat ik alle eerstgeborenen sloeg in Egypte-land; toen heiligde ik mij alle eerstgeborenen in Israël, van de menschen at' tot het vee toe, opdat zij de mijne zouden zijn: ik ben de Heer. 14 En de Heer sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, zeggende: 13 Tel de kinderen van Levi, naar hunne vaderlijke huizen en geslachten, van alwat mannelijk is, van een maand oud en daarboven. 16 Alzoo telde Mozes hen naar het bevel des Heeren, gelijk hem geboden was. 17 En dit waren de zonen van Levi met hunne namen: Gerson, Kohath en Merari. 18 En de namen van Gersons zonen naar hunne |
257 Libni en geslachten waren; Simeï; 19 Kohaths zonen naar hunne geslachten waren: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; 20 de zonen van Merari naar hunne geslachten waren: Mahli en Musi. Dit zijn de geslachten van Levi naar hunne vaderlijke huizen. 21 Tot het geslacht van Gerson behooren de Lib-nieten en Simeïeten, dit zijn de geslachten der Gersonie-ten. 22 De som van hun getal was bevonden zevenduizend en vijfhonderd, van alwat mannelijk was, van een maand oud en daarboven. 23 En de geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter de woning tegen het westen. 24 En hun overste zal zijn Eljasaf, Laëls zoon. 25 En zij zullen van de hut des stiehts in bewaring nemen de woning en de tent, en hare dekkleeden, en het voorhangsel aan den ingang van de hut des stiehts; 26 het omhangsel aan den voorhof, en het voorhangsel aan den ingang van den voorhof die rondom de woning en den altaar is, en NUMEEI 3. |
9
NUMEEI 3.
258
|
hare touwen, en alwat tot haren dienst behoort. 37 Tot het geslacht van Kohatii behooren de Amra-mieten, de Jizharieten, de Hebronieten en de Uzziëlie-ten; dit zijn de geslachten der Kohathieten; 38 van alwat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, in getal achtduizend en zeshonderd die de wacht dos heiligdoms waarnamen. 39 En zij zullen zich legeren terzijde van de woning tegen het zuiden. 30 En hun overste zal zijn Elizafan, Uzziëls zoon. 31 En zij zullen in bewaring nemen de ark, de tafel, den kandelaar, de altaren en het gereedschap des heiligdoms, waarmede die bediend worden; en het voorhangsel en alwat tot zijnen dienst behoort. 33 De overste nu over alle oversten der Levieten zal zijn Eleazar, de zoon van den priester Aüron; hij zal het opzicht hebben over degenen die de wacht des heiligdoms waarnemen. 33 Tot het geslacht van Merari behooren de Mah-lieten en Musieten, dit zijn de geslachten van Merari. 34 Die waren in getal zesduizend en tweehonderd, ■\ 1 |
van alwat mannelijk was, van een maand oud en daarboven. 35 En hun overste zal zijn Zuriël, Abihaïls zoon; en zij zullen zich legeren terzijde van de woning tegen het noorden. 36 En hun ambt zal zijn het in bewaring nemen der stijlen en stangen en pilaren en voetstukken der woning, en al haar gereedschap, en al haren dienst; 37 daarenboven de pilaren rondom den voorhof met hunne voetstukken, nagels en touwen. 38 En vóór de woning en vóór de hut des stichts, tegen het oosten, zullen zich legeren Mozes en Aaron en zijne zonen, opdat zij bedienen het heiligdom, in plaats van de wacht der kinderen Israels; indien een vreemde nadert, die zal moeten sterven. 39 De som nu van al de Levieten, welke Mozes en Aaron volgens het bevel des Heeren telden, naar hunne geslachten, van alwat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, was tweeentwintigduizend. — 40 En de Heer sprak tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, alwat mannelijk is onder de kinderen Israëls, |
NUMEEI 4.
359
|
van een maand oud en daarboven, en neem liet getal hunner namen op. 41 En gij zult de Levieten voor mij, den Heer, uitzonderen in plaats van alle eerstgeborenen der kinderen Israels, en het vee der Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee der kinderen Israels. — 43 En Mozes telde, gelijk de Heer hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels. 43 En het getal der namen van alle eerstgeborenen , mannelijk zijnde, van een maand oud en daarboven, werd bevonden eene som te zijn van tweeën-twintigduizend tweehonderd drieënzeventig. 44 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende; 45 Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels , en het vee der Levieten in plaats van hun vee; en de Levieten zullen de mijne, des Heeren, zijn. 46 Maar tot losgeld van de tweehonderd drieënzeventig die overig zijn van de eerstgeborenen der kinderen Israëls, boven het getal der Levieten, |
47 van die zult gij vijf sikkels nemen, hoofd voor hoofd, naar den sikkel des heiligdoms, van twintig gera de sikkel. 48 En het geld dat overschiet boven hun getal, zult gij geven aan Aüron en zijne zonen. — 49 Toen nam Mozes het losgeld dat boven het getal der Levieten overschoot, 50 van de eerstgeborenen der kinderen Israëls: duizend driehonderd vijfenzestig sikkels, naar den sikkel des heiligdoms; 51 en hij gaf het aan Aiiron en zijne zonen naar het bevel des Heeren, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. HOOFDSTUK 4. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Aiiron, zeggende: 3 Neemt de som der zonen van Kohath op, uit de zonen van Levi, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, 3 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe; allen die tot den dienst bekwaam zijn, om het werk te doen in de hut des stiehts. 4 Dit nu zal het ambt der zonen van Kohath in de hut des stiehts zijn, welke het allerheiligste is. 5 Wanneer het heir op- |
NUMERI 4.
260
|
breekt, zoo zal Aaron en zijne zonen binnengaan en het voorhangsel afnemen, en de ark der getuigenis daarin winden, 6 en daarop leggen het dekkleed van dassevellen, en daarbovenop een geheel hemelsblauw dekkleed spreiden, en hare handboomen daarbij leggen. 7 En over de tafel der toonbrooden zullen zij óók een hemelsblauw dekkleed spreiden, en daarop leggen de schotels, bekers, schalen en kannen, om uit- en in-teschenken; en het dage-lijksch brood zal daarop liggen; 8 en zij zullen daarover spreiden een rozerood dekkleed , en het bedekken met een dekkleed van dassevellen, en hare handboomen daarbij leggen. 9 En zij zullen een hemelsblauw kleed nemen, en daarin winden den kandelaar des lichts, en zijne lampen, mot zijne snuiters en Tjluschvaten, en alle olievaten die tot zijnen dienst be-hooren; 10 eu zij zullen om dat alles doon ean dekkleed van dassevellen, en ?,ij zullen köt o» da handboomen leggen. |
11 Alzoo zullen z\j ook over den gouden altaar een hemelsblauw dekkleed spreiden, en het bedekken met het dekkleed van dassevellen, en zijne handboomen daarbij leggen. 13 Al het gereedschap waarmede zij dienen in het heiligdom, zullen zij nemen, en daarover doen een hemelsblauw kleed, en het met een dekkleed van dassevellen bedekken en op de handboomen leggen. 13 Zij zullen ook de asch van den altaar vegen, en daarover een scharlaken dekkleed spreiden; 14 en zij zullen daarbij leggen al zijn gereedschap waarmede zij den dienst daarop verrichten, de vuurpannen, vuurbaken, asch-schoppen en bekkens, met al het gereedschap des altaars ; en zullen daarover een dekkleed van dassevellen spreiden, en zijne handboomen daarbij leggen. 15 Als nu Aaron en zijno zonen dat zullen verricht, en het heiligdom en al zijn gereedschap bedekt hebben, wanneer het heir opbreekt, zoo zullen daarna (te zouen van Kohath binnengaan om to dra.o'cn; maar zij zullen het Iisiligdom niet aanra-ken, opdat zij niet sterven. Dit zijn de lasten der zo- |
NUMEEI 4;
261
|
nen van Kohath aan de liut des sticlits. 16 En Eleazar, de zoon van Aaron den priester, zal liet opziclit liebben over de olie voor liet licht, en de specerijen voor het reukwerk, en het dagelijksche spijsoffer, en de zalfolie, zoodat hij beschikke de ge-heele woning en alwat er in is, in het heiligdom, met zijn gereedschap. 17 Eu de Heer sprak tot Mozes en Aaron, zeggende: 18 Gij zult over den stam van de geslachten der Koha-thieten geen verderf laten komen onder de Levieten; 19 maar dit zult gij met hen doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij het allerheiligste mochten aanraken: Aaron en zijne zonen zullen binnengaan, en ieder zetten aan zijn werk en aan zijnen draagpost; 20 maar zij zullen niet binnengaan om het heiligdom te bezien als men het bedekt, opdat zij niet sterven. 31 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 23 Neem ook do som der zonen van Gerson op, naar hunne vaderlijke huizen en geslachten, |
33 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe; en beschik hen allen die tot den dienst bekwaam zijn, opdat zij hun werk hebben in de hut des stichts. 24 Dit nu zal het werk van de geslachten der Ger-sonieten zijn: zij zullen dienen en dragen. 25 Zij zullen dragen de tapijten van de woning en van de hut des stichts, en haar dekkleed, en het dekkleed van dassevellen dat daarboven overheen is, en het voorhangsel vóór den ingang van de hut des stichts; 26 en de omhangsels des voorhofs, en het voorhangsel aan den ingang der poort van den voorhof die rondom de woning en den altaar is, en hunne touwen, en alle gereedschap huns ambts, en alwat tot hun ambt behoort. 27 Naar het bevel van Aaron en zijne zonen zal het geheele ambt zijn der zonen van Gerson, alwat zij dragen en bedienen zullen; en gijlieden zult toezien dat zij al hunnen last waarnemen. . 28 Dit zal het ambt der geslachten van de zonen der öersonieten zijn in de hut des stichts; en hunne wacht zal staan onder Ithamar, den zoon van Aaron den priester, |
NUMEEI 4.
263
|
29 De zonen van Merari, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, zult gij óók ordenen, 30 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe, allen die tot den dienst bekwaam zijn, opdat zij een ambt hebben in de hut des stiohts. 31 Dezen last nu zullen zij waarnemen naar Hm ge-heele ambt in de hut des stiohts: zij zullen dragen de stijlen der woning, en hare stangen, pilaren en voetstukken; 32 alsook de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voetstukken, en de nagels en touwen, met al hun gereedschap, naar hun ge-heele ambt; gij zult elk deel van den last, om het gereedschap in bewaring te nemen, beschikken. 33 Dit zij het ambt van de geslachten der zonen van Merari, alwat zij bedienen zullen in de hut des stichts, onder het opzicht van Itha-mar, den zoon van Aaron den priester. — 34 En Mozes en Aaron benevens de hoofdlieden der gemeente telden de zonen der Kohathieten, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, |
35 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe, allen die tot den dienst bekwaam waren, opdat zij een ambt in de hut des stichts hadden; 36 en de som was tweeduizend zevenhonderd en vijftig. 37 Dit is de som van de geslachten der Kohathieten, die allen te dienen hadden in de hut des stiohts, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des Heeren door Mozes. 38 De zonen van Gerson werden óók geteld, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, 39 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe, allen die tot den dienst bekwaam waren, opdat zij een ambt in de hut des stichts hadden; 40 en de som was tweeduizend zeshonderd en der-tig. 41 Dit is de som van de geslachten der zonen van Gerson, die allen te dienen hadden in de hut des stichts, welke Mozes en Aiiron telden, naar het bevel des Heeren. 42 De zonen van Merari werden óók geteld, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, 43 van dertig jaar af en |
|
daarboven tot het vijftigste jaar toe, allen die tot den dienst bekwaam waren, opdat zij een ambt in de hut des stichts hadden; 44 en de som was drieduizend en tweehonderd. 45 Dit is de som van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des Heeren door Mozes. 46 De som van al de Levieten , welke Mozes en Aaron benevens de hoofdlieden van Israël telden naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, 47 van dertig jaar af en daarboven tot het vijftigste jaar toe, van allen die ingingen om te verrichten een ieder zijn ambt, om te dragen de lasten der hut des stichts, 48 was achtduizend vijfhonderd en tachtig, 49 die geteld werden, naar het bevel des Heeren door Mozes, een ieder tot zijn ambt en zijnen last; gelijk de Heer aan Mozes geboden had. HOOFDSTUK 5. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Gebied den kinderen Israels, dat zij buiten het leger doen alle melaatschen, |
263 en allen die den vloed hebben, en die aan dooden onrein geworden zijn; 3 zoo man als vrouw zullen zij buiten brengen voor het leger, opdat zij hun leger niet verontreinigen, in hetwelk ik onder hen woon. •—■ 4 En de kinderen Israels deden alzoo, en brachten hen buiten voor het leger, gelijk de Heer tot Mozes gesproken had. 5 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 6 Spreek tot de kinderen Israels: Wanneer een man of eene vrouw eenige zonde tegen een menseh doet, en zich daarmede aan den Heer bezondigt, zoo heeft die ziel eene sclmld op zich; 7 eu zij zullen hunne zonde bekennen welke zij gedaan hebben, en zullen hunne schuld verzoenen dooide hoofdsom te geven, en daarenboven het vijfdedeel van deze er bijtedoen, en het geven aan dengeen aan wien zij zich bezondigd hebben. • 8 Maar is er niemand aan wien men het betalen kan, zoo zal men het den Heer geven voor den priester; behalve den ram der verzoening , met welken hij verzoend wordt. NUMERI 5. |
N U MEE I 5,
264
|
9 Desgelijks zal alle heffing, van alwat de kinderen Israels heiligen en tot den priester brengen, voor hem zijn; 10 en wat een ieder heiligt zal voor hem zijn, wat hij den priester geeft zal voor hem zijn. 11 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 13 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer de huisvrouw van dezen of genen man door overtreding van hem afgeweken is en zich aan hem bezondigd heeft, 13 en iemand haar vlee-sehelijk beslapen heeft, en het bleef echter voor den man verborgen, en het werd bedekt gehouden dat zij onrein geworden is, en men haar niet kan overtuigen omdat zij niet daarop betrapt is; 1-1 en de ijvergeest ontsteekt in hem, dat hij over zijne huisvrouw ijvert, hetzij ze onrein of niet onrein is: 15 zoo zal hij haar tot den priester brengen, en een offer voor haar medebrengen, het tiendedeel van een efa gerstemeel, en zal er geen olie op gieten noch wierook daarop doen; want het is een ijveroffer en een gedenkoffer, dat de misdaad indachtig maakt. |
16 Dan zal de priester haar doen naderen en haar voor den Heer stellen, 17 en van het heilige water nemen in een aarden vat, en stof van den vloer der woning in het water doen. IS En bij zal die vrouw voor den Heer stellen, en haar hoofd ontblooten, en het gedenkoffer, dat een ijveroffer is, op hare handen leggen; en de priester zal in zijne hand bitter en vloek-aanbrengend water hebben. 19 En hij zal die vrouw bezweren en tot haar zeggen: Indien geen man u beslapen heeft, en gij onder den man zijnde niet afgeweken zijt zoodat gij u verontreinigd hebt, dan zal dit bittere en vloek-aanbren-gende water u niet schaden; 20 maar indien gij onder den man zijnde afgeweken zijt, zoodat gij onrein zijt, en iemand u beslapen heeft behalve uw man: •—• 31 zoo zal de priester die vrouw bezweren met zulk een vloek, en zal tot haar zeggen: De Heer stelle u tot een vloek en tot een eed onder uw volk, dat de |
NUMERI 6.
265
|
Heer uwe heup doe invallen en uwen buik doe zwellen. 23 Zoo ga nu dit vloek-aanbrengend water in uw 1 lichaam in, opdat uw buik zwelle en uwe heup invalle. En die vrouw zal zeggen: Amen, Amen. 23 Daarna zal de priester deze vervloekingen op een cedeltje schrijven, en die met dat bittere water uit-wisschen; 2é en hij zal aan die vrouw dat bittere vloek-aanbrengende water te drinken geven, en dat vloek-aanbrengend water zal in haar ingaan tot bitterheid. 25 Dan zal de priester 1 het ijverotter van hare hand nemen en hot tot een spijs-oöer voor den Heer bewegen, en het op den altaar otteren; 2G namelijk, hij zal een handvol van dat spijsotter nemen tot haar gedenk-offer, en zal het op den altaar ontsteken; en hij zal daarna dat water aan die vrouw te drinken geven. 27 En als zij dan, onrein zijnde en zich aan haren man bezondigd hebbende, ' dat water gedronken heeft, zoo zal dat vloek-aanbren-gend water in haar ingaan en haar bitter zijn, zoodat |
haar de buik zwellen en de heup invallen zal; en die vrouw zal een vloek zijn onder haar volk. 28 Doch is zulk eene vrouw niet verontreinigd, maar rein, zoo zal het haar niet schaden, zoodat zij zwanger kan worden. ■—■ 29 Dit is de ij verwet, als eene vrouw, onder den man zijnde, is afgeweken en onrein wordt. 30 Of als in een man de ijvergeest ontsteekt en hij over zijne huisvrouw ijvert, zoodat hij haar stelt voor den Heer, en de priester aan haar doet naar deze geheele wet, 31 dan zal de man onschuldig zijn aan de misdaad; maar de vrouw zal hare misdaad dragen. HOOFDSTUK G. 1 En de Heer sprak tot Mozes , zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer een man of eene vrouw zich afgescheiden heeft, en de gelofte eens nazireërs doet, om zich den Heere aftezonderen: 3 die zal zich van wijn en sterken drank onthouden; wijnazijn of azijn van sterken drank zal hij niet drinken, ook niets dat van wijndnü- |
NUMERI 6.
266
|
ven gemaakt wordt, hij zal noch. versche noch droge wijndruiven eten; 4 zoolang deze zijne gelofte duurt zal hij niets eten hetgeen men van den wijnstok bereidt, noch wijnkernen noch basten. 5 Zoolang do tijd van deze zijne gelofte duuvt, zal geen scheermes op zijn hoofd komen, totdat de tijd om is dien hij zich den Heere heeft afgezonderd; want hij is heilig en zal het haar op zijn hoofd laten wassen. 6 Gedurende den gehee-len tijd dien hij zich den Heere heeft afgezonderd, zal hij tot geen doode gaan; 7 hij zal zich ook niet verontreinigen wegens den dood zijns vaders, zijner moeder, zijns broeders, of zijner zustér; want de gelofte zijns Gods is op zijn hoofd: 8 gedurende den gehee-len tijd van zijne gelofte zal hij den Heere heilig zijn. 9 En indien iemand in zijne tegenwoordigheid onvoorziens plotseling sterft, zoo wordt het hoofd zijner gelofte verontreinigd; daarom zal hij zijn hoofd scheren op den dag zijner reiniging, dat is op den zevenden dag. 10 En op den achtsten dag zal hij brengen twee |
tortelduiven of twee jonge duiven tot den priester, vóór den ingang van de hut des stichts. 11 En de priester zal de ééne tot een zondofler en de andere tot een brandoffer bereiden, en hem verzoenen omdat hij zich aan een doode bezondigd heeft; en hij zal alzoo zijn hoofd op dien dag heiligen. 12 En hij zal den tijd zijner gelofte opnieuw den Heere afzonderen, en hij zal een éénjarig lam brengen tot een schulaoffer; maar de vorige dagen zullen tevergeefs zijn, omdat zijne gelofte verontreinigd is. — 13 Dit is de wet des nazi-reërs: als de tijd zijner gelofte om is, zal men hem brengen vóór den ingang van de hut des stichts; 14 en hij zal zijn offer den Heere brengen, een éénjarig lam, zonder gebrek, tot een brandoffer, en een éénjarig schaap, zonder gebrek, tot een zondoffer, en een ram, zonder gebrek, tot een dankoffer ; 15 en een korf met ongezuurde koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vladen met ' olie bestreken, benevens der-zelver spijsoffer en drank-offörs. |
NUMEEI 7.
267
|
10 En de priester zal het voor den Heer brengen, en zal zijn zondofter en zijn brandofler bereiden; 17 en den ram zal hij den Heere tot een dankoli'er bereiden, benevens den korf met de ongezuurde brooden, en zal ook zijn spijsoft'er en zijn drankofter bereiden. 18 Alsdan zal de nazi-reër het hoofd zijner gelofte scheren vóór den ingang van de hut des stichts, en zal het hoofdhaar zijner gelofte nemen, en het werpen op het vuur dat onder het dankofler is. 19 Daarna zal depriester een gezoden schouder van den ram nemen, en één ongezuurden koek uit den korf, en ééne ongezuurde vlade, en zal die den nazi-reër op de handen leggen, nadat hij zijne gelofte atge-schoren heeft; 20 en de priester zal het voor den Heer bewegen: dit is heilig voor den priester, benevens de beweeg-borst en den hefsohouder; daarna mag do nazireër wijn drinken. — 21 Dit is de wet des nazireërs, die zijn oft'er den Heere belooft vanwege zijne gelofte, behalve wat hij anders vermag; gelijk hij beloofd heeft zóó zal hij doen, volgens de wet zijner gelofte. |
22 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 23 Spreek tot Aaron en zijne zonen, zeggende; Aldus zult gij zeggen tot de kinderen Israels als gij hen zegent: 24 De Heer zegene u en behoede u; 25 de Heer late zijn aangezicht over u lichten en zij ii genadig; 26 de Heer verhefte zijn aangezicht over u en geve u vrede. 27 Want gij zult mijnen naam op de kinderen Israëls leggen, opdat ik hen zegene. HOOFDSTUK 7. 1 En als Mozes de woning opgericht en haar gezalfd en geheiligd had, benevens al haar gereedschap, alsmede den altaar met al zijn gereedschap had gezalfd en geheiligd: 2 toen otterden de vorsten van Israël, die hoofden waren in hunne vaderlijke huizen ; want zij waren de oversten der stammen, en stonden bovenaan onder degenen die geteld waren. 3 En zij brachten hun oifer voor den Heer, zes overdekte wagens en twaalf runderen, telkens één wagen voor twee vorsten en één |
NUMEEI 1.
268
|
os voor eiken vorst, en zij brachten die vóór dewoning. 4 En de Heer sprak tot Mows, zeggende: 5 jSTeem het van hen, opdat het strekke tot den dienst van de hut des stichts; en geef het aan de Levieten, aan een ieder naar zijn ambt. 6 Toen nam Mozes die wagens en die runderen en gaf ze aan de Levieten. 7 Twee wagens en vier runderen gaf hij aan de zonen van Gerson naar hun ambt; 8 en vier wagens en acht runderen gaf hij aan de zonen van Merari naar hun ambt, in de hand van Ithamar, den zoon van Aaron den priester. 9 Maar aan de zonen van Kohath gaf hij niets, omdat zij den dienst des heiligdoms op zich hadden, hetwelk zij op hunne schouders moesten dragen. 10 En de vorsten offerden tot de inwijding des altaars, op den dag dat hij gewijd, werd; en zij brachten hunne gave voor den altaar. 11 En de Heer sprak tot Mozes; Laat op eiken dag-één vorst zijn offer brengen tot de inwijding des altaars. 13 Op den eersten dag offerde Nahesson, Anunina-dabs zoon, van den stam Juda. |
13 En zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd , tot een spijsoffer;. 14 daarbenevens eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 15 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 16 een geitebok tot een zondoffer; 17 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Nahesson, Amminadabs zoon. 18 Op den tweeden dag offerde Nethanecl, Zuars zoon, de vorst van Issa-schar. 19 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer; 20 daarbenevens eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 31 een var van de runde- |
|
ren, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 33 een geitebolc tot een zondofter; 33 en tot een dankoiïer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Nethaneöl, Zuars zoon. 34 Op den derden dag de vorst der kinderen van Ze-bulon, Eliab, Hclons zoon. 33 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer; 36 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 37 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 38 een geitebok tot een zondoffer; 39 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Eliab, Heions zoon. 30 Op den vierden dag de vorst der kinderen van Euben, Elizur, Sedeiirs zoon. 31 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeven-369 |
tig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer; 33 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 33 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 34 een geitebok tot een zondoffer; 35 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Elizur, Sedeiirs zoon. 36 Op den vijfden dag-de vorst der kinderen van Simeon, Selumicl de zoon van Zurisaddai. 37 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer; 38 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 39 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer ; 40 een geitebok tot een zondoffer; 41 en tol een dankofter twee randeren, vijf rammen, vijf bokken en vijf NUMËBI 7. |
|
270 éénjarige lammeren. Dit is de gave van Selumicl den zoon van Zurisaddai. 43 Op den zesden dag de vorst der kinderen van Gad, Eljasaf, Dehuëls zoon. 43 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoller; 44 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 45 een var van de runderen , een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 46 een geitebok tot een zondolïer; 47 en tot een dankoffer twee runderen, vijf' rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Eljasaf, Dehu-els zoon. 48 Op den zevenden dag de vorst der kinderen van Efraïm, Elisama, Ammi-huds zoon. 49 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naaiden sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd tot een spijsoffer; |
50 eene gouden scliaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 51 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brand-offer; 53 een geitebok tot een zondoffer; 53 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Elisama, Am-mihuds zoon. 54 Op den achtsten dag de vorst der kinderen van Manasse, Gamaliel, Peda-zurs zoon. 55 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms ; beide vol meelbloem met olie gemengd , tot een spijsoiiér; 56 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 57 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoffer; 58 een geitebok tot een zondoffer; 59 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is NUMEEI 7. |
NÜMEEI 7.
271
|
de gave van Gamaliel, Pe-dazurs zoon. 60 Op den negenden dag de vorst der kinderen van Benjamin, Abidan de zoon van Gideoni. 61 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd cn dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer; 63 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 63 een var van de runderen, een ram, een eenjarig lain tot een brand-olter; 6i een geitebok tot een zondoffer; 65 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Abidan den zoon van Gideoni. 66 Op den tienden dag de vorst der kinderen van Dan, Ahiëzer do zoon van Ammisaddai. 67 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijs-ofier; |
68 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 69 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandofler; 70 een geitebok tot een zondoffer; 71 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Ahiëzer den zoon van Ammisaddai. 73 Op den eMen dag de vorst der kinderen van Aser, Pagiël, Ochrans zoon. 73 Zijne gave was een zilveren schotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijsoffer ; 74 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 75 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoliér; 76 een geitebok tot een zondoffer; 77 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf |
NUMERI 7.
272
|
éénjarige lammeren. Dit is de gave van Pagiël, Och-rans zoon. 78 Op den twaalfden dag de vorst der kinderen van Naftali, Aliira, Enans zoon. 79 Zijne gave was een zilveren scliotel, honderd en dertig sikkels waard; een zilveren bekken, zeventig sikkels waard naaiden sikkel des lieiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, tot een spijs-ofler; 80 eene gouden schaal, tien sikkels goud waard, vol reukwerk; 81 een var van de runderen, een ram, een éénjarig lam tot een brandoii'er; 83 een geitebok tot een zondoffer; 83 en tot een dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige lammeren. Dit is de gave van Ahira, Enans zoon. 8 i Dit was de inwijding des altaars ten tijde toen hij gewijd werd, waartoe de vorsten Israels brachten twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren bekkens, twaalf gouden schalen; |
85 zoodat elke schotel honderd en dertig sikkels zilver, en elk bekken zeventig sikkels bedroeg; zoodat de som van al het zilver aan de vaten was tweeduizend vierhonderd sikkels, naar den sikkel des hei-ligdoms. 86 En van de twaalf gouden schalen, vol reukwerk , bedroeg elke tien sikkels, naar den sikkel dés lieiligdoms; zoodat de som van het goud aan de schalen was honderd en twintig sikkels. 87 De som der runderen tot een brandoffer was twaalf varren, twaalf rammen , twaalf éénjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitebokken tot een zondoffer. 88 En de som der runderen tot een dankoffer was vierentwintig varren, zestig rammen, zestig bokken , zestig éénjarige lammeren. Dit is de inwijding-des altaars toen hij gewijd werd. 89 En als Mozes in de hut des stichfs ging om met God te spreken, zoo hoorde hij de stem die tot hem sprak van het verzoendeksel dat op de ark dei-getuigenis is, tussclien de twee cherubs; aldaar werd met hem gesproken. |
NUMEEI 8.
273
|
HOOFDSTUK 8. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende; 3 Spreek tot Aiiron en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteekt, zoo zult gij die aldus zetten, dat zij alle zeven van voren aan den kandelaar lichten. 3 En Aiiron deed zoo, en stak de lampen aan, naar de voorzijde des kandelaars gekeerd, gelijk de Heer aan Mozes geboden liad. 4 En die kandelaar was van dicht goud, beide zijn standaard en zijne bloemen; naar het gezicht hetwelk de Heer aan Mozes vertoond had, had hij den kandelaar gemaakt. 5 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 6 Neem de Levieten uit de kinderen Israels .en reinig hen. 7 En aldus zult gij met hen doen om hen te reinigen : gij zult water der ont-zondiging op hen sprengen; en zij zullen al hunne haren geheel afscheren en hunne kleederen wassohen; dan zijn zij rein. S Dan zullen zij nemen een jongen var, en zijn spijs-oli'er, meelbloem met olie gemengd; en een anderen jongen var zult gij tot een zondofl'er nemen. |
!) En gij zult de Levieten voor de hut des stichts brengen, en de geheele gemeente der kinderen Israels verzamelen , 10 en de Levieten voor den Heer brengen; en de kinderen Israels zullen hunne handen op de Levieten leggen. 11 En Aiiron zal do Levieten voor den Heer bewegen vanwege de kinderen Israels, opdat zij dienen mogen den dienst des Heeren. 13 En de Levieten zullen hunne handen op het hoofd der varren leggen; en de ééne zal den Heer tot een zondofier, de andere tot een brandoffer bereid worden, om de Levieten te verzoenen. 13 En gij zult de Levieten voor Aiiron en zijne zonen stellen, en hen voor den Heer bewegen. 14 En gij zult hen alzoo afzonderen van de kinderen Israels, opdat zij de mijnen zijn. , 15 Daarna zullen zij ingaan om te dienen in de hut des stichts; alzoo zult gij hen reinigen en bewegen. 16 Want zij zijn mijn geschenk A'an de kinderen |
NUMEKI 9.
m
|
Israels, en ik heb hen voor mij genomen in plaats van alwat de baarmoeder breekt, namelijk in plaats van de eerstgeborenen aller kinderen Israels. 17 Want alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls zijn de mijnen, zoo van de meuschen als van het vee, sedert dien tijd dat ik alle eerstgeborenen in Egypte-land sloeg en ze mij heiligde; 18 en ik nam de Levieten aan in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls, 19 en gaf hen aan Ailron en zijne zonen tot een geschenk uit de kinderen Israëls, om te dienen den dienst der kinderen Israëls in de hut des stichts, om de kinderen Israëls te verzoenen; opdat er geen plaag zon zijn onder de kinderen Israëls, als zij naderen wilden tot het heiligdom. 30 En Mozes en Ailron benevens de geheele gemeente der kinderen Israëls deden met de Levieten alles wat de Heer aan Mozes geboden had. 31 En de Levieten ontzondigden zich en wieschen hunne kleederen, en Ailron bewoog hen voor den Heer, en verzoende hen dat zij rein werden. |
33 Daarna gingen zij om hun ambt te verrichten in de hut des stichts, voor Ailron en zijne zonen; gelijk de Heer aan Mozes geboden had aangaande de Levieten, zóó deden zij met hen. 33 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 24- Dit is het wat den Levieten betaamt: van vijfentwintig jaar af en daarboven zijn zij bekwaam tot den post en den dienst in de hut des stichts. 35 Maar van het vijftigste jaar af zullen zij vrij zijn van het ambt van den dienst, en zullen niet meer dienen; 36 maar bij den dienst hunner broeders zullen zij de wacht hebben in de hut des stichts; doch het ambt zullen zij niet bedienen. Alzoo zult gij met de Levieten doen, opdat elk zijne wacht waarneme. HOOFDSTUK 9. 1 En de Heer sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland getrokken waren, in de eerste maand, zeggende: 3 Laat de kinderen Israëls het pascha houden op zijn gezetten tijd; 3 op den veertienden dag |
|
NUM] dezer maand, tusschen de twee avonden, op zijn ge-zetten tijd; zij zullen liet houden naar al zijne inzettingen en rechten. 4 En Mozes sprak tot de kinderen Israels, dat zij liet pascha zouden houden. 5 En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tusschen de twee avonden, in de woestijn Sinaï; naar alles wat de Heer aan Mozes geboden had doden de kinderen Israels. 6 Toen waren er eenige mannen onrein wegens een dood mensch, zoodat zij het pascha niet konden houden op dien dag; die traden voor Mozes en Aiiron op dien dag, 7 en spraken tot hen: Wij zijn onrein wegens een dood mensch: waarom zouden wij minder zijn, dat wij onze gave den Heer niet zouden mogen brengen op den ge-zetten tijd onder de kinderen Israels? 8 En Mozes sprak tot hen: Wacht, ik zal hooren wat de Heer u gebiedt. 9 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Israels en zeg: Als iemand onrein wegens een doode of op eene verre reis |
IRI 9. 273 is, onder u of onder uwe nakomelingen, die zal nochtans den Heer het pascha houden: 11 in de tweede maand, op den veertienden dag, tusschen de twee avonden; en met ongezuurde brooden en bittere ,saus zullen zij het eten; 12 en zij zullen er niets van overlaten tot den morgen, ook geen been daaraan breken; en zij zullen het naar al de voorschriften van het pascha houden. 13 Maar wie rein en niet op reis is, en nalaat het pascha te houden, diens ziel zal uit zijn volk uitgeroeid worden, omdat hij zijne gave den Heer niet gebracht heeft op den ge-zetten tijd; hij zal zijne zonde dragen. 14 En als een vreemdeling bij u woont, die zal óók den Heer het pascha houden, en zal het houden naar de inzetting en het recht van het pascha; deze inzetting zal voor ulieden dezelfde zijn, zoo voor den vreemdeling als voor den inboorling des lands. — 15 En op den dag toen de woning opgericht werd, bedekte eene wolk de woning boven de hut der getuigenis; en des avonds tot |
NUMEEI 10.
276
|
aan den morgen was over de woning eene gedaante van vuur. 16 En zóu geschiedde liet altijd, dat de wolk haar bedekte, en des nachts de gedaante van vuur. 17 En wanneer de wolk zich ophiet' van boven de hut, zoo braken de kinderen Israels op; en op wat plaats de wolk uleef, daar legerden zich de kinderen Israels. 18 Volgens het bevel des Heeren reisden de kinderen Israels verder, en naar zijn bevel legerden zij zich; zoolang de wolk op de woning bleef, zoolang lagen zij stil; 19 en als de wolk vele dagen op de woning vertoefde, dan namen de kinderen Israëls den dienst des Heeren waar, en reisden niet verder. 30 En als het gebeurde dat de wolk eenige weinige dagen op de woning was, zoo legerden zij zich naar het bevel des Heeren, en reisden naar het bevel des Heeren. 21 Als de wolk daar was van den avond tot den morgen toe en zich dan verhief, zoo reisden zij; of als zij zich bij dag of bij nacht verhief, zoo reisden zij óók. |
23 Of als zij twee dagen of een maand of somtijds langer op de woning bleef, zoo bleven de kinderen Israëls liggen en reisden niet; en wanneer zij zich dan verhief, zoo reisden zij. 23 Want naar het bevel des Heeren bleven zij liggen, en naar het bevel des Heeren reisden zij; zoodat zij den dienst des Heeren waarnamen, naar het bevel des Heeren door Mozes.- HOOFDSTUK 10. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Maak u twee trompetten van dicht zilver, en gebruik die om de gemeente samen-teroepen, en als het heir opbreken zal. 3 Wanneer men met beide blaast, zoo zal de geheele gemeente zich tot u vergaderen vóór den ingang van de hut des stichts. 4 Wanneer men alleen met de ééne blaast, zoo zullen zich de vorsten en oversten over duizend in Israël tot u vergaderen. 5 Maar wanneer gij trompet, zoo zullen de legers opbreken die tegen het oosten gelegerd zijn. 6 En wanneer gij ten tweeden male trompet, zoo zullen de legers opbreken die tegen het zuiden gelegerd zijn; want als zij reizen |
NTJMERI 10.
277
|
moeten, zoo zult gij trompetten. 7 Maar wanneer de gemeente zicli moet vergaderen , zoo zult gij slechts blazen en niet trompetten. 8 Zulk blazen met de trompetten zullen Aiirons zonen, de priesters, doen; en dat zal u eene inzetting zijn bij uwe nakomelingen, eeuwiglijk. 9 Wanneer gij ten strijde trekt in uw land tegen uwe vijanden die u benadeelen, zoo zult gij trompetten met de trompetten, opdat aan u gedacht worde voor den Heer uwen God, en gij verlost wordt van uwe vijanden. 10 Desgelijks wanneer gij vroolijk zijt op uwe feesten en uwe nieuwemanen, zoo zult gij met do trompetten blazen over uwe brandoffers en dankoffers, opdat het u tot eene gedachtenis zij voor uwen God: ik ben de Heer uw God. — 11 En op den twintigsten dag in de tweede maand van het tweede jaar verhief zich de wolk van boven de woning der getuigenis; 12 en de kinderen Israels braken op en namen de reis aan uit de woestijn Sinaï; en de wolk verwijlde in de woestijn Paran, |
13 De eersten nu braken óp, volgens het bevel des Heeren door Mozes; 14 namelijk, de banier van het leger der kinderen van Juda trok het eerst op niet hunne heiren; en over hunne heiren was Nakesson, Am-minadabs zoon; 15 en over liet heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneël, Zuars zoon; 16 en over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, Heions zoon. 17 Toen werd de woning afgenomen, en de zonen van Gerson en Merari trokken op en droegen de woning. 18 Daarna trok de banier van het leger van Kuben op met hunne heiren; en over hunne heiren was Eli-zur, Sedeiirs zoon; 19 en over het heir van den stam der zonen van Simeon was Selumiël de zoon van Zurisaddai; 30 en Eljasaf, Dehuëls zoon, was over hot heir van den stam der zonen van Gad. 21 ïoen trokken ook de Kohathieten op en droegen het heiligdom; en gene richtten de woning op, tegen dat deze nakwamen. 22 Daarna trok de banier van het leger der zonen van |
NUMEEI 11.
378
|
Efraïm op met liunne liei-ren; en over hun heir was Elisama, Ammihuds zoon; 23 en Gamaliel, Pedazurs zoon, over het heir van den stam der zonen van Manasse; 24 en Abidan, de zoon van Gideoni, over het heir van den stam der zonen van Benjamin. 25 Daarna trok de banier van liet leger der zonen van Dan op met hunne lieiren, die al de legers naar hunne heiren besloot; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, was over hun heir ; 26 en Pagiël, Ochrans zoon, over het heir van den stam der zonen van Aser; 27 en Ahira, Enans zoon, over het heir van den stam der zonen van Naftali. 28 Zoo trokken de kinderen Israels op met hunne heiren. 29 En Mozes sprak tot zijnen zwager Hobab, Ke-huöls zoon, uit Midian: Wij trekken op naar de plaats van welke de Heer gezegd heeft: Ik zal haar u geven; kom dan nu met ons, wij zullen u weldoen; want de Heer heeft Israël goeds toegezegd. 30 Doch hij antwoordde: |
Ik wil niet met u, maar naar mijn land tot mijne maagschap trekken. 31 Maar hij sprak: Ei-lieve, verlaat ons niet; want gij weet waar wij in de woestijn ons legeren moeten, en gij zult ons oog zijn; 33 en als gij met ons reist, wat de Heer goeds aan ons doet, dat zullen wij ook aan u doen. 33 Alzoo trokken zij van den berg des Heeren drie dagreizen ver; en de ark des verbonds des Heeren trok voor hen uit drie dagreizen ver, om hun te wijzen waar zij rusten zouden. 34 En de wolk des Heeren was bij dag over hen, als zij uit het leger optrokken. 35 En als de ark opbrak, sprak Mozes: Heer, sta op , laat uwe vijanden verstrooid worden, en die u haten voor u vluchten. 36 En als zij rustte, zoo sprak hij: Keer weder Heer, tot de menigte der duizenden van Israël. HOOFDSTUK 11. 1 En toen liet volk zich ongeduldig maakte, geviel dat kwalijk voor de ooren des Heeren; en als de Heer dat hoorde, ontstak zijn toorn, en het vuur des |
NUMERI 11.
879
|
Heeren ontbrandde onder hen en verteerde alle einden des legers. 3 Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad den Heer; toen liield het vuur op. 3 En men noemde die plaats: Tabéra, omdat het vuur des Heeren zich onder hen ontstoken had. 4 En de gemengde hoop volks onder hen was mot lust bevangen; daarom zaten en weenden de kinderen Israels wederom en zeiden: Wie zal ons vleesch te eten geven? 5 Wij denken aan de visschen die wij in Egypte voorniet aten, en aan de komkommers en pompoenen, aan het look, de uien en het knoflook; 6 maar nu is onze ziel verdord , want onze oogen zien niets dan manna. 7 Het manna nu was als korianderzaad, en zijn aanzien was als van den be-dólah. 8 En het volk liep hier en daar en verzamelde het, en maalde het met molens, en stiet het in mortieren, en kookte het in potten, en maakte zich koeken daarvan; en het had een smaak als van oliegebak. |
9 En als bij nacht de dauw over de legers viel, zoo viel er het manna mede op. 10 Toen nu Mozes het volk hoorde weenen onder hunne geslachten, elk in de deur zijner hut, toen ontstak de toorn des Heeren zeer; en Mozes werd ook bang. 11 En Mozes sprak tot den Heer; Waarom bezwaart gij uwen knecht, en waarom vind ik geen genade voor uwe oogen, dat gij den last van dit geheele volk op mij legt? 12 Heb ik dan al dit volk ontvangen of gebaard, dat gij tot mij kunt zeggen : Draag het in uwe armen , gelijk eene voedster een kind draagt, naar dat land hetwelk gij hunnen vaderen gezworen hebt? 13 Vanwaar zal ik vleesch krijgen om aan al dit volk te geven? Zij weenen voor mij, zeggende: Geef ons vleesch, opdat wij eten. 1-1 Ik alléén kan dit gansche volk niet dragen, want dat is mij te zwaar; 15 en wilt gij zóó met mij doen, zoo dood mij liever, indien ik genade gevonden heb voor uwe oogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoeve te zien. 1G En de Heer sprak tot |
NUMEKI 11.
280
|
Mozes: Verzamel mij zeventig mannen van de oudsten van Israël, die gij weet dat de oudsten onder liet volk cu hunne ambt-lieden zijn; en neem lien vóór de luit des stiolits, en stel lien aldaar met u. 17 Zoo zal ik afkomen en aldaar met u spreken; en ik zal van den Geest die op u is nemen en op hen leggen, opdat zij met u den last van dit volk dragen, en gij dien niet alléén draagt. 18 En tot liet volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen om vleescli te eten, want uw weenen is tot de ooren des Heeren gekomen, gij die zegt: Wie zal ons vleesoh te eten geven ? Want het ging ons wèl in Egypte. Daarom zal de Heer u vleescli geven, opdat gij eet, 19 niet één dag, niet twee, niet vijf, niet tien, niet twintig dagen lang, 20 maar een maand lang, totdat het u den neus uit-kome en u een walg zij; omdat gij den Heer verworpen hebt die onder u is , en voor hem geweend hebt, zeggende: Waarom zijn wij uit Egypte gegaan? |
31 En Mozes sprak: Zesmaal honderdduizend man sch zegt: Ik sal u vleescli ge- 2' 22 Zal men dan schapen Mlt; en runderen slachten, op- leg dat er voor hen genoeg 3 zij? Of zullen zich al de de visschen der zee herwaarts di( verzamelen, opdat er -voor ha hen genoeg zij ? he 23 Doch de Heer sprak 2 tot Mozes: Is dan de hand he des Heeren verkort? Maar vo nu zult gij zien of mijne al woorden bij u van kracht fe zijn of niet. G 24 En Mozes ging uit en i zeide aan het volk het woord ze des Heeren, en verzamelde ei de zeventig mannen van de oudsten des volks en stelde u hen rondom de hut. k 25 Toen kwam de Heer zi af in de wolk en sprak tot h hem, en nam van den v Geest die op hem was, en v leide dat op de zeventig e oudste mannen; en toen 26 Maar twee mannen ( waren nog in het leger ] gebleven, de één genaamd quot; : Eldad en de ander Medad; en de Geest rustte op hen, want z\j waren óók be- |
NUMERI 13.
281
|
schreven, maar niet uitgegaan tot de hut; en zij profeteerden in het leger. 37 Toen liep een jongen heen en zeide liet aan Mo-zes en sprak: Eldad en Medad proteteeren in het leger. 38 Toen antwoordde Jozua de zoon van Nun, Mozes dienaar, dien hij verkoren had, en sprak: Mozes, mijn heer, verbied het hun. 39 Dooh Mozes sprak tot hem: Zijt gij een ij veraar voor mij? Wilde God dat al het volk des Heeren profeteerde , en de Heer zijnen Geest op hen gave! 30 Alzoo begaf zich Mozes weder tot het volk, hij en de oudsten van Israel. 31 Toen voer de wind \iit van den Heer, en liet kwakkels komen van de zee en strooide die over het leger, hier een dagreis ver en daar een dagreis ver rondom het leger, twee el hoog boven den grond. 33 Toen maakte het volk zich op, dien geheelen dag en dien geheelen nacht, en den geheelen volgenden dag, en zij verzamelden kwakkels ; en wie het minst verzamelde , die verzamelde tien homers; en zij hingen ze op rondom het leger. |
33 Maar toen het vleesch nog tussehen hunne tanden was en eer het op was, ontstak de toorn des Heeren tegen het volk en sloeg hen met eene zeer groote plaag. S li Daarvan is die plaats genaamd; Lustgraven, omdat men aldaar het volk dat belust was geweest begroef. 35 En van de Lustgraven trok het volk uit naar Hazeroth; en zij bleven te Hazeroth. HOOFDSTUK 12. 1 En Mirjam en Aaron spraken tegen Mozes wegens zijne vrouw welke hij genomen had, omdat hij eene vrouw uit Moorenland had genomen; 3 en zij zeiden; Spreekt dan de Heer alleen door Mozes? Spreekt hij ook niet door ons? En de Heer hoorde het. 3 Dooh Mozes was een zeer zachtmoedig mensch boven alle menschen op de aarde. 4 En de Heer sprak schielijk tot Mozes, tot Aaron en tot Mirjam; Gaat uit, gij drie, tot de hut 'des stichts. En zij gingen alle drie uit. 5 Toen kwam de lieer af in de wolkkolom, en trad vóór den ingang der |
NUMERI 13.
282
|
hut, en riep Aiiron en Mirjam; en die beiden traden voor. 6 En hij sprak: Hoort mijne woorden; is er iemand onder u een profeet des Heeren, dien zal ik mij bekendmaken in een gezicht, of zal met hem spreken in een droom. 7 Maar zóó is mijn knecht Mozes niet, die in mijn geheele huis getrouw is: 8 van mond tot mond spreek ik met hem, en hij ziet den Heer in zijne gedaante, niet door donkere woorden of gelijkenissen: waarom hebt gij dan niet gevreesd tegen mijnen knecht Mozes te spreken? 9 En de toorn des Heeren ontstak over hen, en hij ging heen; 10 daarenboven week ook de wolk van de hut; en zie, toen was Mirjam me-laatsch als sneeuw. En Aiiron keerde zich tot Mirjam, en werd gewaar dat zij me-laatsch was; 11 en hij sprak tot Mozes: Ach mijn heer, laat de zonde niet op ons blijven, die wij dwaselijk gedaan en waarmede wij ons bezondigd hebben; 12 opdat zij niet zij als een doodgeborene, wiens vleesch, als hij uit het lichaam zijner moeder uitgaat, reeds half verteerdis. |
13 En Mozes riep tot den Heer, zeggende: Ach God, genees haar. 14 En de Heer sprak tot Mozes: Indien haar vader haar in het aangezicht gespuwd had, zou zij zich niet zeven dagen schamen? Laat ze zeven dagen buiten het leger gesloten en daarna 'Weder aangenomen worden. — 15 Alzoo werd Mirjam zeven dagen buiten het leger gesloten; en het volk trok niet verder totdat Mirjam weder aangenomen was. 1G Daarna trok het volk van Hazeroth, en legerde zich in de woestijn Paran. HOOFDSTUK 13. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zend mannen uit die het land Kanaan bespieden, dat ik den kinderen Israels geven zal: uit eiken stam hunner vaderen een aanzienlijk man. 3 En Mozes zond hen uit de woestijn Paran, overeenkomstig het bevel des Heeren: al die mannen waren aanzienlijken onder de kinderen Israels. 4 En hunne namen waren: Sammua, Zakkurszoon, van den stam Ruben; |
NUMEEI 13.
283
|
5 Safat, de zoon van Hori, van den stam Simeon; 6 Kaleb, de zoon van Jefunne, van den stam Juda; 7 Jigal, de zoon van Jozef, van den stam Issaschar; 8 Hosca, de /.oon van Nun, van den stam Efraïm; 9 Palti, de zoon van Eafu, van den stam Benjamin; 10 Gaddiël, de zoon van Sodi, van den stam Zebulon; 11 Gaddi, de zoon van Susi, van den stam Jozef, den stam Manasse; 13 Ammicl, de zoon van Gemalli, van den stam Dan; 13 Sethur, de zoon van Micliacl, van den stam Aser; 14 Nahbi, de zoon van Wofsi, van den stam Naf-tali; 15 Guël, de zoon van Machi, van den stam Gad. 16 Dit zijn de namen dei-mannen welke Mozes uitzond om liet land te bespieden ; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jözaa. 17 Toen nu Mozes hen uitzond om het land Kanaiin te bespieden, sprak hij tot hen: Trekt opwaarts tegen het zuiden, en gaat op het gebergte; |
18 en beziet het land hoe het is, en het volk dat er in woont, of het sterk of zwak, weinig of veel is; | 19 en welk land het is waarin zij wonen, of het goed of slecht is; en wat voor steden het zijn in welke zij wonen, of zij in tenten of vestingen wonen; 30 en welk land het is, of het vet of schraal is, en of er boomen in zijn of niet; en zijt kloekmoedig, en neemt van de vruchten des lands mede. -— En liet was juist omtrent den tijd der eerste wijndruiven. 31 En zij gingen opwaarts en bespiedden het land, van de woestijn Zin af tot Echob toe, waar men naar Hamath gaat. 33 En toen zij optrokken tegen het zuiden, kwamen zij te Hebron; daar waren Ahiman, Sesai en Talmai , kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte. 33 En zij kwamen tot aan de beek Eskol, en sneden aldaar eene rank af met één tros wijndruiven, en droegen die met hun beiden opeen stok; daarbij ook granaatappelen en vijgen. 34 Die plaats nu heet de beek Eskol, wegens de drui-ven die de kinderen Israels aldaar afsneden. 35 En zij keerden weder toen zij het land bespied hadden, na veertig dagen; |
NUMEKI 14.
284
|
36 en zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en Aaron en tot de geheele gemeente der kinderen Israels, in de woestijn Paran, te Kades, en brachten bericht weder aan hen en aan de geheele gemeente, hoe het stond, en lieten hun de vruchten des lands zien; 37 en zij verhaalden hun en spraken: Wij zijn in dat land gekomen waarheen gij ons gezonden hebt, waar melk en honig vloeit; en dit is zijne vrucht. 38 Behalve dat er een machtig volk in woont, en er zeer groote en vaste steden in zijn, zagen wij ook kinderen van Enak aldaar. 39 Ook wonen de Amale-kieten in het land, tegen het zuiden, de Hethieten en Jebusieten en Amorieten wonen op het gebergte, en de Kanaanieten wonen aan de zee en aan den oever van den Jordaan. 30 Maar Kaleb stilde het volk bij Mozes, en sprak: Laat ons optrekken en dat land innemen, want wij kunnen het overweldigen. 81 Mnnr de mannen,die met hem waren opgetrok-ben, zeiden: Wij kunnen niet optrekken tegen dat volk, want zij zijn ons te sterk. |
33 En zij deden van het land, hetwelk zij bespied hadden, een kwaad gerucht uitgaan onder de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij gegaan zijn om het te bespieden, verteert zijne inwoners; en al het volk, hetwelk wij daarin zagen, zijn lieden van groote lengte. 33 Wij zagen daar ook reuzen, kinderen van Enak, uit het geslacht der reuzen; en wij waren in onze oogen als sprinkhanen, en zóó waren wij ook in hunne oogen. HOOFDSTUK 14. 1 Toen verhief de geheele gemeente hare stem en jammerde , en het volk weende dien nacht; 3 en al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en Aaron, en de geheele gemeente sprak tot hen: Och dat wij in Egypteland gestorven waren, of nog stierven in deze woestijn! 3 Waarom voert de Heer ons in dit land, zoodat onze vrouwen door het zwaard vallen en onze kinderen een roof worden? Is het niet beter dat wij weder unar Egypte trekken? 4 En de één sprak tot den ander; Laat ons een |
HUMERI 14.
285
|
hoofdman over ons stellen en weder naar Egypte trekken. 5 Maar Mozes en Aaron vielen op kun aangeziekt voor de geheele vergadering van de gemeente der kinderen Israels. 6 En Jozua de zoon van Nun en Kaleb de zoon van Jefunne, die óók dat land bespied hadden, scheurden hunne kleederen; 7 en zij spraken tot de geheele gemeente der kinderen Israels; Het land dat wij doorwandeld hebben om het te bespieden, is zeer goed. 8 xVls de Heer ons genadig is, zoo zal kij ons in dat land brengen en het ons geven; het is een land waar melk en konig vloeit. 9 Valt maar niet af van den Heer, en vreest voor hot volk dezes lands niet, want wij zullen ken als brood verteren; hunne beschutting is van hen geweken, maar de Heer is met ons: vreest niet voor hen. 10 Toen sprak al ket volk dat men ken zou steenigen. Maar de heerlijkheid des Heeren verscheen in de Imt dos stichts nmi al de kinderen Israels, |
11 en do Heer sprak tot Mozes: Hoelang lastert dit volk mij, en koelang zullen zij niet aan mij gelooven, bij al de teekenen welke ik onder hen gedaan heb? 12 Ik zal hen met de pest slaan en hen verdelgen, en u zal ik tot een grooter en machtiger volk maken dan dit is. 13 Maar Mozes sprak tot den Heer: Dan zullen de Egyptenaars het hooren; want gij hebt dit volk door uwe kracht uit kun midden uitgevoerd. 14 En men zal zeggen tot de inwoners van dit land, koe men gekoord heeft dat gij Heer onder dit volk zijt, dat gij van aangeziekt tot aangeziekt gezien wordt, en uwe wolk over hen staat, en dat gij Heer bij dag in eene wolkkolom en bij nackt in eene vuurkolom voor ken uitgaat. 15 En zoudt gij dit volk dooden als een éénig man, dan zouden de volken, die dit gerucht van u gehoord hebben, voorzeker zeggen: 16 De Heer kon dit volk niet in het land brengen hetwelk hij hun gezworen luid, daarom heeft hij hen geslacht in da woestijn. 17 Zoo laat nu de kracht des Heeren groot worden, zooals gij gesproken hebt, zeggende: |
NUMERI 14.
386
|
18 De Heer is lankmoedig en van groote barmhartigheid, en vergeeft misdaad en overtreding, en laat niemand ongestraft, maar bezoekt de misdaad der vaderen aan do kinderen, tot in het derde en vierde geslacht. 19 Zoo wees dan genadig over de misdaad dezes volks, naar uwe groote barmhartigheid, gelijk gij dit volk ook verdragen hebt van Egypte af tot hiertoe. ■20 Eu de Heer sprak: Ik heb het huu vergeven, gelijk gij gezegd hebt. 21 Maar zoo waarachtig als ik leef, zoo zal al de wereld van de heerlijkheid des Heeren vol worden. 33 Want al de mannen, die mijne heerlijkheid en mijne teekenen gezien hebben, welke ik gedaan heb in Egypte en in de woestijn, en die mij nu tienmaal verzocht en naar mijne stem niet gehoord hebben, — S3 geen hunner zal het land zien hetwelk ik hunnen vaderen gezworen heb, en niemand zal het zien die mij gelasterd heeft. 34! Doch mijn knecht Ka-leb , omdat ecu andere geest bij hem is, en hij mij getrouw nagevolgd heeft, dien zal ik in het land brengen in hetwelk hij gekomen is, en zijn zaad zal het bezitten. |
35 Maar do Amalekieten en Kanaanieten wonen in het dal; keert dan morgen terug, on trekt naar de woestijn op den weg naar de Schelfzee. 36 En de Heer sprak tot Mozes en Aiiron, zeggende; 37 Hoelang murmureert deze booze gemeente' tegen mij ? Want ik heb het mur-mureeren der kinderen Israels, waarmede zij tegen mij gemurmureerd hebben, gehoord. 38 Daarom zeg tot hen: Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heer, ik zal u doen gelijk gij voor mijne ooien gezegd hebt. 39 Uwe lichamen zullen in deze woestijn vallen; en gij allen die geteld zijt, van twintig jaar af en daarboven, gij die tegen mij gemurmureerd hebt, 30 zult niet in dat land komen, over hetwelk ik mijne hand opgeheven heb dat ik u daarin zou laten wonen, behalve Kaleb de zoon van Jefunno en Jozua de zoon van Nun. 81 Uwe kinderkens, van welke gij zeidet: Zij zullen een roof zijn, die zal ik daarin brengen, opdat zij |
|
liet land leeren kennen hetwelk gij verwerpt. 33 Maar uwe lioliamen zullen vallen in deze woes-tijn. 33 En uwe kinderen zullen herders zijn in deze woestijn, veertig jaar, en uwe af hoereering dragen totdat uwe lichamen in deze woestijn gevallen zijn; 31- naar het getal der veertig dagen in welke gij dat land bespied hebt, elke dag zal een jaar doen, zoodat gij uwe misdaad veertig jaren dragen zult; opdat gij gewaarwordt wat het is als ik de hand aftrek. 85 Ik de Heer heb het gezegd; dat zal ik ook doen aan deze geheele booze gemeente die tegen mij opgestaan is; in deze woestijn zullen zij teniet worden en aldaar sterven. 36 Al die mannen nu welke Mozes gezonden had om dat land te bespieden, en die wedergekomen waren en de geheele gemeente daartegen hadden doen mur-mureeren, 37 die mannen die van het land een kwaad gerucht hadden doen uitgaan, stierven door eene plaag voor den Heer. 38 Maar Jozua de zoon van Nun en Kaleb de zoon |
EI 14. 287 van Jefunne bleven in het leven van de mannen die heengegaan waren om het land te bespieden. 31) En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer, 40 en zij maakten zich des morgens vroeg op en trokken op de hoogte van het gebergte, zeggende: Hier zijn wij, en wij zullen optrekken naar de plaats van welke de Heer gesproken heeft; want wij hebben gezondigd. 41 Maar Mozes sprak: Waarom overtreedt gij alzoo het gebod des Heeren? Het zal u niet gelukken. 42 Trekt niet op, want de Heer is niet ouder u; opdat gij niet geslagen wordt voor uwe vijanden. 43 Want de Amalekieten en Kanaanieten zijn aldaar vóór u, en gij zult door het zwaard vallen, omdat gij u van den Heer hebt afgekeerd; en de Heer zal niet met u zijn. 44 Doch zij trokken echter roekeloos op naar de hoogte van het gebergte; maar de ark des verbonds des Heeren en Mozes kwamen niet uit het leger. 45 Toen kwamen de Amalekieten en Kanailnieten af |
NUMEEI 15.
288
|
die op het gebergte woonden , en sloegen hen, en verstrooiden hen tot Horma toe. HOOFDSTUK 15. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Als gij komt in het land uwer woning, hetwelk ik u geven zal, 3 en gij wilt den Heer een oller bereiden, hetzij een brandofler of een oö'er van eene bijzondere gelofte, of een vrijwillig offer, of uw feestofl'er, om den Heere een liefelijken reuk te maken, van runderen of van schapen: 4 zoo zal hij die zijne gave deu Heere offeren wil, tot een spijsoffer nemen een tiende meelbloem, gemengd met het vierdedeel van een hin olie; 5 en van wijn tot een drankofter zult gij óók een vierdedeel van een hin nemen bij het brandofler of slaehtotter, als er een lam geofferd wordt. 6 Maar als er een ram geofferd wordt, zult gij tot een spijsoffer bereiden twee tienden meelbloem, gemengd met een derdedeel van een hin olie; |
7 en van wijn tot een drankofter zult gij óók het derdedeel van een hin offeren , den Heer tot een liefelij ken reuk. 8 Doch wilt gij een rund tot een brandoffer, of tot een bijzonder beloofd offer, of tot een dankoffer den Heere bereiden, 9 zoo zult gij bij het rund een spijsoffer offeren van drie tienden meelbloem, gemengd met een halve hin olie; 10 en van wijn tot een drankofter óók een halve hin. Dit is een oft'er den Heer tot een liefelijken reuk. 11 Alzóó zult gij doen met een os, met een ram en met het kleine vee van de lammeren of geiten. 13 Naardat het getal is van deze otters, zal ook het getal der spijsoffers en drankoffers zijn. 13 Wie een inboorling is, die zal zulks doen, opdat hij den Heer een oft'er brenge tot een liefelijken reuk. 11 En indien een vreemdeling bij u woont, of onder u bij uwe nakomelingen is, en hij wil den Heer een offer tot een liefelijken reuk bereiden, quot; lijk gij doet. 15 Voor de die zal doen ge- geheele ge- |
NÜMEEI 15.
289
|
meen te zij éénerlei inzetting, beide voor u en den vreemdeling; eene eeuwige inzetting zal liet zijn bij uwe nakomelingen, zoodat voor den Heer de vreemdeling zij ge1# gij- 16 Eéne wet en één reclit i zal voor n en den vreem-! deling zijn die bij u woont. 17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot lien: Als gij in het land komt in hetwelk ik u brengen zal, 19 en gij eet van het brood in het land, zoo zult gij den Heer een hefoffer bren-gen. 20 Namelijk: gij zult van de eerstelingen uws deegs een koek tot een hefoffer brengen, gelijk aan het hef-olier van uwen dorsohvloer; 31 alzoo zult gij ook den Heer van de eerstelingen uws deegs een hefoffer brengen bij uwe nakomelingen. 22 En wanneer gij uit dwaling eenige dezer geboden niet zult gedaan hebben, welke de Heer tot Mozes gesproken heeft, |
23 van alwat de Heer u door Mozes geboden heeft, van dien dag af dat hij begon te gebieden, tot op uwe nakomelingen: 24 indien nu dö gemeente iets uit dwaling zal gedaan hebben, zoo zal de geheele gemeente een jongen var uit de runderen tot een brand-ollér bereiden, den Heer tot een liefelijken reuk, met zijn spijsoffer en drankolier, naar het voorschrift; en een geitebok tot een zondoffer. 23 En de priester zal alzoo de geheele gemeente der kinderen Israels verzoenen, dan zal het hun vergeven worden, want het was eene dwaling; en zij zullen hunne gave den Heer tot een offer brengen, en hun zondoffer, vóór den Heer, voor hunne dwaling. 2G Dan wordt het aan de geheele gemeente der kinderen Israels vergeven, alsook den vreemdeling die onder u woont; dewijl het geheele volk in zulk eene dwaling was. 27 Maar wanneer eene enkele ziel door dwaling mocht gezondigd hebben, die zal eene éénjarige geit tot een zondoffer brengen. 28 En de priester zal dien dwalende verzoenen met het zondoffer, voor zijne dwaling , vóór den Heer, opdat hij hem verzoene; dan zal het hem vergeven worden. 29 En het zal ééue wet zijn voor dengeen die uit |
10
|
890 dwaling misdaan heeft, beide voor den inboorling onder de kinderen Israëls en voor den vreemdeling die onder u woont. 30 Maar als iemand uit moedwil iets doet, hetzij een inboorling of vreemdeling, die heeft den Heer gesmaad: zulk een zal uitgeroeid worden uit zijn volk, 31 want hij heeft het woord des Heeren veracht en zijn gebod laten varen; hij zal zekerlijk uitgeroeid worden, de sehuld zij op hem. 33 Terwijl nu de kinderen Israëls in de woestijn waren , vonden zij een man hout opzamelende op den sabbat. 33 En die hem gevonden hadden toen hij hout zamelde , brachten hem tot Mozes en Aaron en voor de geheele gemeente. 34 En zij hielden hem in bewaring, want het was nog niet uitdrukkelijk verklaard wat men hem doen zoude. 35 De Heer nu sprak tot Mozes: Die man zal den dood sterven; de geheele gemeente zal hem steenigen buiten het leger. 36 Toen bracht de geheele gemeente hem buiten voor het leger, en steenigde hem dat hij stierf, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. |
37 En de Heer sprak tot Mozes: 38 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen, dat zij zich franjes maken aan de hoeken hunner kleederen, onder al uwe nakomelingen, en dat zij hemelsblauwe snoertjes op die franjes aan de hoéken zetten. 39 En de franjes zullen u daartoe dienen, dat, als gij ze aanziet, gij gedenkt aan al de geboden des Heeren en die doet; en gij zult niet volgen uws harten goeddunken, noch uwe oogen nahoereeren. 40 Daarom zult gij gedenken en doen al mijne geboden, en heilig zijn voor uwen God. 41 Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb opdat ik uw God ware: ik ben de Heer uw God. HOOFDSTUK 16. 1 En Korach, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, benevens Dathan en Abiram, zonen van Eliab, en On de zoon van Peleth, zonen van Eu-ben, 3 stonden op tegen Mozes, benevens eenige mannen onder de kjnderen Israëls, HUMERI 16. |
|
NU MI tweehonderd en vijftig van de voornaamsten in de gemeente, raadslieeren en aanzienlijke lieden; 3 en zij vergaderden zich tegen Mozes en Aaron en spraken tot hen; Het is teveel voor ii; want de ge-heele gemeente is overal heilig, en de Heer is onder haar; waarom verheft gij u dan boven de gemeente des Heeren? 4 Toen Mozes dat hoorde, viel hij op zijn aangezicht , 5 en hij sprak tot Korach en tot zijn geheele rot: Morgen zal de Heer bekendmaken wie de zijne is, wie 'heilig is en hem otteren zal; wien hij verkiest, die zal hem otteren. 6 Doet dit: neemt u pannen, Korach en zijn geheele rot, 7 en legt vuur daarin, en doet reukwerk daarop vóór den Heer op morgen; en wien de Heer verkiezen zal, die zij heilig: het is teveel voor u, gij kinderen van Levi. 8 En Mozes sprak tot Korach: Eilieve hoort toch, gij kinderen van Levi: 9 is het u te weinig, dat de God van Israël u heeft afgezonderd van de gemeente van Israël, om u tot hem |
EI 16. 291 te doen naderen, om het ambt der woning des Heeren waartenemen, en voor de gemeente te treden om haar te dienen? 10 Hij heeft u, en al uwe broeders de zonen van Levi met u, tot zich genomen, en tracht gij nu ook naar het priesterschap? 11 Gij en uw geheele rot maakt een oproer tegen den Heer; want wat is Aaron dat gij tegen hem murmureert? — 13 En Mozes zond heen en liet Dathan en Abi-ram, de zonen van Eliab, ontbieden; maar zij zeiden: Wij komen niet opwaarts. 13 Is het te weinig dat gij ons uit het land gevoerd hebt waar melk en honig vloeit, om ons te dooden in de woestijn? Moet gij ook nog over ons heerschen? 14 Hoe schoon hebt gij ons gebracht in een land waar melk en honig vloeit, en ons akkers en wijngaarden tot een erfdeel gegeven! Wilt gij dezen mannen ook de oogen uitrukken ? Wij komen niet opwaarts. 15 Toen werd Mozes zeer toornig en sprak tot den Heer: Keer u niet tot hun spijsoffer; ik heb niet één ezel van hen genomen, |
NUMEEI 16.
292
|
en heb niemand van hen ooit leedgedaan. 16 En hij sprak tot Ko-rach: Gij en uw geheele rot zult morgen vóór den Heer zijn; gij en zij, en Ailron; 17 en ieder neme zijne pan, en legge daar reukwerk op, en trede herwaarts voor den Heer, elk met zijne pan, dat zijn tweehonderd en vijfcig pannen; ook gij en A'iron elk zijne pan. 18 En elk nam zijne pan, en leide daar vuur in, en deed daar reukwerk op; en zij traden voor den ingang van de hut des stichts, en Mozes en Aaron óók; 19 en Korach vergaderde tegen hen de geheele gemeente voor den ingang van de hut des stichts. Maaide heerlijkheid des Heeren verscheen voor de geheele gemeente, 30 en de Heer sprak tot Mozes enAiii-on, zeggende: 21 Scheidt u af van deze gemeente, opdat ik haar schielijk verdelge. 22 Maar zij vielen op hun aangezicht en spraken: Ach God, gij die een God zijt van alwat leeft, omdat één mau gezondigd heeft, wilt gij daarom op de geheele gemeente verbolgen zijn? |
23 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot de gemeente, zeggende: Wijkt rondom van de woning van Korach en Dathan en Abiram. 25 En Mozes stond op en ging tot Dathan en Abiram, en de oudsten van Israël volgden hem. 26 En hij sprak tot de gemeente, zeggende: Wijkt toch van de hutten dezer goddelooze menschen, en raakt niets aan van hetgeen het hunne is; opdat gij niet misschien in eenige hunner zonden omkomt. 27 En zij gingen heen van de woning van Korach, Dathan en'Abiram; maar Dathan en Abiram gingen uit en traden aan den ingang hunner hutten met hunne vrouwen , zonen en kinderkens. 28 En Mozes sprak: Daaraan zult gij bemerken dat de Heer mij gezonden heeft om al deze werken te verrichten , en dat zij niet uit mijn hart zijn: 29 indien zij sterven gelijk alle menschen sterven, of bezocht worden zooals alle menschen bezocht worden , zoo heeft do Heer mij niet gezonden; 30 maar doet do Heer iets nieuws, dat de aarde |
NUMEKI 16.
293
|
haren mond opendoet en hen verslindt met al wat zij hebben, zoodat zij levend in den afgrond nedervaren, zoo zult gij erkennen dat deze lieden den Heer gelasterd hebben. 31 En als hij deze woorden had uitgesproken, scheurde de aarde onder hen 33 en deed haren mond open, en verslond hen met hunne huizen, benevens al de menschen die bij Ko-rach waren, en met al hunne have; 33 en zij voeren levend nederwaarts in den afgrond, met al wat zij hadden, en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit de gemeente. 34i En geheel Israël dat rondom hen was vlood op hun geroep; want zij zeiden: Dat de aarde ons dok niet verslinde. 35 Ook ging er een vuur uit van den Heer, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen die het reukwerk ollerden. 36 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 37 Zeg tot Eleazar, den zoon van Aaron den priester, dat hij de pannen op-neme uit den brand, en het vuur her- en derwaarts strooie; |
38 want de pannen van zulke zondaren zijn geheiligd door hunne zielen; dat men die tot breeds platen sla en den altaar daarmede overtrekke; want zij zijn geofl'erd vóór den Heer en geheiligd; en zij zullen den kinderen Israels tot een teeken zijn. — 39 En Eleazar de priester nam de koperen pannen die de verbranden gebracht hadden , en sloeg die tot platen om den altaar daarmede te overtrekken, 40 tot eene gedachtenis voor de kinderen Israëls; opdat niemand vreemds, die niet van Aarons zaad is, daartoe nadere om reukwerk te offeren vóór den Heer, en het hem niet ga gelijk Korach en zijn rot; gelijk de Heer hem gezegd had door Mozes. 41 Maar des anderen daags murmureerde de geheele gemeente der kinderen Israëls tegen Mozes en Aaron, zeggende: Gijlieden hebt het volk des Heeren gedood. 42 En toen de gemeente zich verzamelde tegen Mozes en Aiiron, keerden zij •zich tot de hut des stichts, en zie, toen bedekte haar de wolk, en de heerlijkheid des Heeren verscheen. 43 En Mozes en Aaron |
NUMERI 17.
294
|
gingen tot vóór de Uut des stiolits; 4'!! en de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 45 Maakt u op uit deze gemeente, ik wil haar schielijk verdelgen. En zij vielen op hun aangezicht, 46 en Mozes sprak tot Aiiron: Neem de pan en doe daar vuur in vnn den altaar, en leg er reukwerk op, en ga schielijk tot de gemeente en verzoen haar; want de hitte des toorns is uitgegaan van den Heer, en de plaag is aangevangen. 47 En Aaron nam het, gelijk Mozes tot hem gezegd had, en hij liep midden onder de gemeente, en zie, de plaag was aangevangen onder het volk; en hij rookte en verzoende het volk, 48 en hij stond tusschen de dooden en levenden: toen hield do plaag op. 49 Zij nu, die aan de plaag gestorven waren, waren veertienduizend en zevenhonderd, behalve degenen die met Korach gestorven waren. 50 En Aiiron kwam weder tot Mozes voor den ingang van de hut des stichts, nadat de plaag was opgehouden. |
HOOFDSTUK 17. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Spreek tot de kinderen Israëls en neem van hen twaalf stokken, van eiken vorst van hun vaderlijk huis één; en schrijf ieders naam op zijnen stok. 3 Doch Aiirons naam zult gij schrijven op den stok van Levi; want voor elk hoofd van hun vaderlijk huis zal één stok zijn. 4 En leg die in de hut des stichts, vóór de ark der getuigenis, waar ik met u samenkomen zal. 5 En wien ik verkiezen zal, diens stok zal bloeien; opdat ik het murmureeren der kinderen Israëls, hetgeen zij tegen ulieden murmureeren, stille. 6 En Mozes sprak tot de kinderen Israëls; en al hunne vorston gaven hem twaalf stokken, elke vorst één stok naar hun vaderlijk huis; en Aiirons stok was óók onder hunne stokken. 7 En Mozes leide deze stokken voor den Heer in de hut der getuigenis. 8 En des morgens, toen Mozes in de hut der getuigenis ging, vond hij den stok van Aiiron, van het huis Levi, bloeiende, en |
NUMEEI 18.
393
|
bloesem voortbrengende, en amandelen dragende. 9 En Mozes droeg al deze stokken uit van voor den Heer tot al de kinderen Israels, dat zij liet zagen; en elk nam zijnen stok. 10 En de Heer sprak tot Mozes: Draag Aarons stok weder vóór de ark der getuigenis , opdat liij bewaard worde tot een teeken voor de ongehoorzame kinderen; opdat bun murmureeren tegen mij opboude, en zij niet sterven. 11 En Mozes deed gelijk de Heer hem geboden had. 13 En de kinderen Israels spraken tot Mozes: Zie, wij verderven en komen om, wij worden allen verdelgd en komen om; 13 alwie tot de woning des Heeren nadert, die sterft: zullen wij dan allen omkomen ? HOOFDSTUK 18. 1 En de Heer sprak tot Aiiron: Gij, en uwe zonen en uw vaderlijk huis met u, zult de misdaad des heiligdoms dragen; en gij, en uwe zonen met u, zult de misdaad uws priester-ambts dragen. |
3 En uwe broeders van den stam van Levi uwen vader, zult gij totu nemen, opdat zij bij u zijn en u dienen; maar gij, en uwe zonert met u, zult zijn vóór de hut der getuigenis. 3 En zij zullen uwen dienst en den dienst der geheele hut waarnemen; maar tot het gereedschap des heiligdoms en tot den altaar zullen zij niet naderen, opdat niet beide sterven zij en gijlieden. 4 Maar zij zullen bij u zijn om den dienst aan de hut des stiehts waartenemen, in al het ambt der hut; en geen vreemde zal tot ulieden naderen. 5 Zoo neemt nu waar den dienst des heiligdoms en den dienst des altaars, opdat er voortaan geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israels. G Want zie, ik heb genomen de Levieten, uwe broeders, uit de kinderen Israels, en hen u gegeven, den Heer tot een geschenk, opdat zij het ambt bedienen aan de hut des stiehts. 7 Maar gij, en uwe zonen met u, zult uw priesterambt waarnemen, opdat gij dient in allerlei zaken des altaars, en binnen achter het voorhangsel; want uw priesterschap geef ik u tot een ambt ten geschenke; als een vreemde daartoe nadert, die. zal sterven. |
NUMEEI 18.
296
|
8 En do Heer sprak tot Aiiron: Zie, ik heb voor uw priesterlijk ambt aan u en uwe zonen gegeven mijne liefofi'ers, van alwat de kinderen Israels keiligen, tot een eeuwig reclit. 9 Dat zult gij hebben tot een allerheiligste, van hetgeen zij ofieren: al hunne gaven, met al hun spijsoffer, en met al hun zondotter , en met al hun schuldotter, hetwelk zij mij brengen, dat zal u en uwen zonen een allerheiligste zijn. 10 Op de allerheiligste plaats zult gij dat eten: alwat mannelijk is zal daarvan eten, want het zal u heilig zijn. 11 Ik heb ook, met het hefoffer hunner gaven, alle beweegotters der kinderen Israels gegeven aan u, en aan uwe zonen en dochters met u, tot een eeuwig recht; alwie rein is in uw huis zal daarvan eten. 13 Al de beste olie, en al den besten most, en koren van hunne eerstelingen welke zij den Heer brengen, heb ik u gegeven. 13 De eerste vruchten die zij den Heer brengen, van alwat op hun land is, zullen de uwe zijn, alwie rein is in uw huis zal daarvan eten. |
14 Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn. 15 Alwat onder alle vleesch, hetwelk zij den Heer brengen , de baarmoeder breekt, hetzij van mensch of vee, zal het uwe zijn; doch laat de eerste vrucht der mensehen lossen, en de eerste vrucht van het onreine vee óók. 16 Zij nu zullen hot lossen als het een maand oud is, en gij zult het te lossen geven voor geld, voor vijf sikkels, naar den sikkel des heiligdoms; die doet twintig gera. 17 Maar de eerste vrucht van een rund of van een schaap of van eene geit zult gij niet te lossen geven, want zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen tegen den altaar, en hun vet zult gij ontsteken den Heer tot een otter des liefelijken reuks. 18 Hun vleesch zal het uwe zijn, ook zal de beweeg-borst en do rechterschouder het uwe zijn. 19 Alle hefoflers welke de kinderen Israels den Heere heiligen, heb ik gegeven aan u, en aan uwe zonen en dochters met u, tot een eeuwig recht; dit zal een altoosdurend verbond zijn eeuwiglijk, voor |
NUMEE.I 18.
397
|
den Heer, u en uwen zade met u. 30 En de Heer sprak tot Aiiron: Gij zult van lum land niets bezitten, ook geen deel onder hen hebben; want ik ben uw deel en uw erfgoed onder de kinderen Israels. 31 Maar den zonen van Levi heb ik voor hun ambt, hetwelk zij bedienen aan de hut des stichts, gegeven alle tienden in Israël tot een erfgoed; 33 opdat voortaan de kinderen Israels niet tot de hut des stichts naderen, en zij zonde op zich zouden laden en sterven; 33 maar de Levieten zullen het ambt bedienen aan de hut des stichts, en zij zullen hunne misdaad dragen, tot eene eeuwige inzetting bij uwe nakomelingen ; en zij zullen onder de kinderen Israels geen erfgoed bezitten. 2-1. Want de tienden dei-kinderen Israels, welke zij den Heer tot een hefoffer brengen, heb ik den Levieten tot een erfgoed gegeven; daarom hel) ik tot hen gezegd, dat zij onder de kinderen Israels geen erfgoed zullen bezitten. |
33 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 36 Zeg tot de Levieten en spreek tot hen: Wanneer gij van de kinderen Israels de tienden neemt, welke ik u van hen gegeven heb tot uw erfgoed, zoo zult gij daarvan den Heer een hefoffer brengen, de tienden van die tienden ; 27 en gij zult dit uw hefoffer achten, als gaaft gij koren uit de schuur en de volheid uit de perskuip. 38 Alzou zult gij ook den Heer geven het hefoffer van al uwe tienden welke gij neemt van de kinderen Is-raëls, dat gij dat hefoffer des Heeren den priester Aiiron geeft; 29 van al wat u gegeven wordt zult gij den Heer allerlei hefoflier geven, van al het beste, hetgeen daarvan geheiligd wordt. 30 En spreek tot hen: Wanneer gij alzoo het beste daarvan tot een hefoffer geeft, zoo zal het den Levieten gerekend worden als eene opbrengst der schuren en als eene opbrengst der perskuip. 31 En gij moogt dat eten op alle plaatsen, gij en uwe kinderen; want het is uw loon voor uwen dienst in de hut des stichts. 32 Zoo zult gij geen zonde |
|
'298 op li laden, als gij bet beste daarvan tot een bef-olfer geeft, en niet ontwijden de geheiligde dingen der kinderen Israels, en niet sterven. HOOFDSTUK 19. 1 En de Heer sprak tot Mozes en Aaron, zeggende: 2 Dit is de inzetting der wet welke de Heer geboden beeft, zeggende: Zeg den kinderen Israels, dat zij tot u brengen eene roode koe zonder smet, aan welke geen gebrek is, en op welke nog geen juk geweest is. 3 En geeft haar aan den Eriester Eleazar, die zal baai-riester Eleazar, die zal baai- uiten hot leger brengen, en aldaar voor zijne oogen slachten. ■1 En Eleazar de priester zal van baar bloed met zijnen vinger nemen, en sprengen daarmede naar de zijde van de hut des stichts zevenmaal. 5 En die koe zal bij voor zijne oogen laten verbranden, beide hare huid en baar vleesch, alsook haar bloed met haar mest. G En de priester zal cederhout en hysop en rozekleu-rige wol nemen, en die op de brandende koe werpen. |
7 En hij zal zijne kleederen wasschenen zijn lijf met water baden, en daarna in het leger gaan; en hij zal onrein zijn tot den avond. 8 En die baar verbrand heeft zal óók zijne kleederen met water wasschen en zijn lijf met water baden, en onrein zijn tot den avond. 9 En een rein man zal de asoh van die koe opzamelen, en ze nederleggen buiten bet leger op eene reine plaats, om aldaar bewaard te worden voor de gemeente der kinderen Israels, tot een water der besprenging; want bet is een zondoffer. 10 En bij die de ascb van die koe beeft opgezameld zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn lot den avond. Dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor de kinderen Israels, en voor de vreemdelingen die onder ben wonen. 11 Wie een dood menscb aanraakt, die zal zeven dagen onrein zijn; 13 en hij zal zich daarmede ontzondigen op den derden dag en op den zevenden dag, zoo wordt hij rein; en indien bij zich niet op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigt , zoo zal hij niet rein worden. 13 Maar wie een dood menscb heeft aangeraakt en NUMERI 19. |
NUMEEI 20.
299
|
zich niet heeft ontzondigd, die verontreinigt do woning dos Hoeren, en zulk een zal uit Israël uitgeroeid worden, omdat het water der bespronging niet over hom gesprengd is; en hij is onrein zoolang hij zich daarvan niet laat reinigen. ü Dit is do wet: als oen monsoh in oene hut sterft, zal alwie in die hut ingaat en alwat in die hut is zeven dagen onrein zijn. 15 En alle open gereedschap dat gosn deksel hooft, of waar niets over gebonden is, dat is onrein. 16 Ook wie op hot open veld oen met het zwaard verslagene aanraakt, of een doode, of eens menschon gebeente, of een graf, die zal zeven dagen onrein zijn. 17 Zoo zullen zij nu voor den onreine nemen van de asch dos verbranden zondoffers, en lovend water daarop gieten in een vat. 18 En een rein man zal hysop nemen en in dat water indoopen, en die hut besprengen, on al het gereedschap, en al de zielen dio daarin zijn; ook dengeen die het gebeente eens dooden of een verslagene of doode of oen graf aangeraakt hooft. |
19 En de reine zal op don derdon dag en op den zevendon dag den onreine besprengen, en hem op den zevenden dag ontzondigen; en hij zal zijne kloedoren wasschen en zich met water baden, dan wordt hij op den avond rein. 20 En wie onrein zal zijn en zich niet ontzondigen wil, die zal uit de gemeente uitgerooid worden; want hij hooft hot heiligdom des Hoeren verontreinigd, en is niet met het water der be-sprenging besprengd, daarom is hij onrein. 21 En dit zal hun eene eeuwige inzetting zijn. En hij die met het water der bosprenging besprengd heeft, zal zijne kleederen óók wasschen; en wie het water der bosprenging aanraakt, die zal onrein zijn tot den avond. 22 En alwat die onreine aanraakt zal onrein worden; en wie hem zal aanraken, die zal onrein zijn tot den avond. HOOFDSTUK 20. 1 En in de eerste maand kwamen de kinderen Israels 'mot do geheele gemeente in de woestijn Zin, en het volk lag te Kades. En Mirjam stierf aldaar en werd aldaar begraven. |
|
300 3 En de gemeente Lad geen water; en zij vergaderden zich tegen Mozes en Aaron, 3 en het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och dat wij omgekomen waren, toen onze broeders omkwamen voor den Heer! 4 Waarom hebt gij de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht, dat wij hier sterven met ons vee? 5 En waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd in deze rampzalige plaats, waar men niet zaaien kan, waar noch vijgen noch wijnstokken noch granaatappelen zijn, en waar ook geen water is om te drinken? 6 Toen gingen Mozes en Ailron van de gemeente naar den ingang van de hut des stichts, en vielen op hun aangezicht;en de heerlijkheid des Heeren verscheen hun, 7 en de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 8 Neem den staf en vergader de gemeente, gij en uw broeder Aiiron, en spreekt voor hunne oogeu tot de steenrots, zoo zal zij haar water geven; al zoo zult gij hun i;it de steenrots water voortbrengen, en de gemeente drenken en haar vee. |
9 Toen nam Mozes den staf van voor den Heer, gelijk hij hem geboden had, 10 en Mozes en Aiiron vergaderden de gemeente bij de steenrots; en hij sprak tot hen: Hoort, gij oproe-rigen, zullen wij u water voortbrengen uit deze steenrots? 11 En Mozes hief zijne hand op en sloeg de steenrots met den staf tweemaal; toen kwam er veel water uit, zoodat de gemeente dronk, en haar vee. 13 De Heer nu sprak tot Mozes en Aiiron: Omdat gijlieden aan mij niet geloofd hebt, dat gij mij hei-ligdet voor de kinderen Israels , zoo zult gij deze gemeente niet brengen in het land hetwelk ik hun geven zal. 13 Dit is het water der twisting, waar de kinderen Israels getwist hebben met den Heer, en hij aan hen geheiligd werd. 14 En uit Kades zond Mozes boden tot den koning der Edomieten, [_en liet hem zeggeii]-. Aldus spreekt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite die ons ontmoet is; 15 dat onze vaders afgetrokken zijn naar Egypte, en wij langen tijd in Egypte NUMEEI 20. |
NUMEKI 20.
301
|
gewoond hebben, en de Égyptenaars handelden met ons en onze vaderen kwalijk; 16 en wij riepen tot den Heer, die heeft onze stem verhoord en een Engel gezonden, en ons uit Egypte gevoerd, en zie, wij zijn te Kades, eene stad aan uwe landpalen. 17 Laat ons door uw land trekken; wij zullen niet door de akkers noch wijngaarden gaan, ook geen water uit de putten drinken: op den grooten weg zullen wij trekken , wij zullen noch ter rechter- noch ter linkerhand afwijken, totdat wij door uwe landpalen zullen gekomen zijn. IS Maar Edom sprak tot hen: Gij zult niet door mijn land trekken, of ik zal u met het zwaard tegemoet-gaan. 19 Toen spraken de kinderen Israels tot hem: Wij zullen langs den gebaanden weg trekken, en indien wij en ons vee van uw water drinken, zoo zullen wij het betalen; het is niets, wij zullen slechts te voet doortrekken. 20 Maar bij sprak: Gij-zult niet doortrekken; en de Edomieten trokken uit hun tegemoet, met een marhtig volk en met een sterke hand. |
21 Alzoo weigerden de Edomieten Israël toetestaan door hunne landpalen te trekken; en Israël week van hen af. 22 En de kinderen Israëls braken op van Kades, en kwamen met de geheele gemeente aan het gebergte Hor. 23 En de Heer sprak tot Mozes en Aaron aan het gebergte Hor, aan de grenzen van het land der Edomieten, zeggende: 21 Dat Aiiron vergaderd worde tot zijn volk; want hij zal niet in het land komen, hetwelk ik den kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden mijnen mond ongehoorzaam zijt geweest bij het water der twisting. 25 Maar neem Aaron en zijnen zoon Eleazar, en leid hen op het gebergte Hor; 2G en trek Aiiron zijne kleederen uit, en trek die Eleazar zijnen zoon aan; en Aiiron zal aldaar vergaderd worden en sterven. 27 Toen deed Mozes gelijk de Heer hem geboden had; en zij klommen op het gebergte Hor voor het oog der geheele gemeente, 28 en Mozes trok Aiiron zijne ]vleederen uit, en trok die Eleazar zijnen zoon aan; en Aiiron stierf aldaar bo- |
|
303 venop dien berg; maar Mo-zes en Eleazar klommen van dien berg af. 39 En als de gelieele gemeente zag dat Aaron wegwas , zoo beweende hem liet geheele huis van Israël dertig dagen. HOOFDSTUK 21. 1 En toen Arad, de Ka-naiinietische koning, die tegen het zuiden woonde, hoorde dat Isnöl kwam langs den weg der bespieders, streed hij tegen Israël en voerde eenigen gevankelijk weg. 2 Toen deed Israël den Heer eene gelofte, en sprak: Wanneer gij dit volk in mijne hand geeft, zoo zal ik hunne steden verbannen. 3 En de Heer verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaanieten over; en zij verbanden hen met hunne steden; en men noemde die plaats Horma. 4 Toen trokken zij van het gebergte Hor naar den weg van de Schelfzee, omdat zij om het land der Edo-mieten heentrokken. 5 En het volk werd verdrietig op dien weg, en sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood noch water, en onze ziel walgt van deze ellendige spijs. |
6 Toen zond de Heer vurige slangen onder het volk, die beten het volk, zoodat een menigte volks in Israël stierf. 7 Toen kwamen zij tot Mozes en spraken: Wij hebben gezondigd, dat wij tegen den Heer en tegen u gesproken hebben; bid den Heer dat hij die slangen van ons neme. En Mozes bad voor het volk. 8 Toen sprak de Heer tot Mozes: Maak u eene koperen slang, en richt haar op tot een teeken; wie gebeten is en haar aanziet, die zal leven. 9 Toen maakte Mozes eene koperen slang, en riohtte haar op tot een teeken; en wanneer eene slang iemand gebeten had, zag hij de koperen slang aan en bleef in het leven. 10 En de kinderen Israëls trokken uit en legerden zich te Oboth. 11 En van Oboth trokken zij uit en legerden zich aan het gebergte van Abarim, in de woestijn die tegenover Moab is, tegen deu opgang der zon. 12 Vandaar togen zij ver- NUMERI 21. |
|
der en legerden zioh aan de beek Zered. 13 Vandaar reisden zij en legerden zich. aan deze zijde van de Arnon, die in de woestijn is en die ontspringt aan de landpalen der Amo-rieten; want de Arnon is de grensscheiding van Moab, tusschen Moab en de Arao-rieten. 14 Daarom zegt men in het boek der oorlogen des Heeren: Waheb in Sufa en aan de beek Arnon, 15 en de uitstorting dei-beek, die naar de stad Ar zich wendt, en de grensscheiding is van Moab. —- 10 En vandaar trokken zij op naar den put; dit is de put van welken de Heer tot Mozes gezegd bad: Vergader het volk, ik zal hun water geven. 17 Toen zong Israël dit lied, de ééne rei tot den ander: 18 Kom op gij put; dit is de put dien de vorsten gegraven hebben, de edelen in het volk hebben hem gedolven, door den heirstaf en hunne staven. — En uit deze woestijn trokken zij naar Mattana, 19 en van Mattana naar Nahaliel, en van Nahaliël naar Bamoth; 30 en van Bamoth naar |
803 het dal dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, die tegen de woestijn ziet. 31 En Israël zond boden naar Sihon den koning der Amorieten, en liet aan hem zeggen: 23 Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afwijken op de akkers noch in de wijngaarden, wij zullen ook van het putwater niet drinken: langs den grooten weg zullen wij trekken, totdat wij door uwe landpalen komen. 33 Doch Sihon stond den kinderen Israels den doortocht door zijne landpalen niet toe, maar hij vergaderde al zijn volk en trok uit in de woestijn Israël tegemoet; en als hij te Jahaz kwam, streed hij tegen Israël. 34 Maar Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in, van de Arnon af tot aan de Jab-bok toe, tot aan de kindamp;-ren van Ammon, want de landpalen der kinderen Amnions waren welbevestigd. 35 Alzoo nam Israël al deze steden in, en woonde in alle steden der Amorieten , te Hesbon en in alle onder haar behoorende plaatsen. 36 Want Hesbon was de NUMEKI 21, |
NUMEEI 33.
B04
|
stad van Silion den koning der Amorieten; en hij had tevoren met den koning der Moabieten gestreden, en hem al zijn land afgewonnen tot aan de Arnon toe. 37 Daarom zegt men tot een spreekwoord: Komt te Hesbon, opdat men de stad van Silion bouwe en ver-sterke. 38 Want een vuur is uit Hesbon uitgegaan, eene vlam uit de stal van Si-hon; het verteerde Ar der Moabieten, en de burgers der hoogten van de Arnon. 39 Wee u Moab, gij volk van Kamos zijt verloren: men heeft zijne zonen in de vlucht geslagen, en zijne dochters gevangen gevoerd tot Sihon den koning der Amorieten; 30 hunne heerlijkheid is teniet geworden, van Hesbon af tot Dibon toe; zij zijn verstoord tot Nofah toe, dat zich tot aan Me-deba strekt. 31 Alzoo woonde Israël in het land der Amorieten. 33 En Mozes zond verspieders uit naar Jaëzer; en zij namen hare onder-hoorige plaatsen in, en dreven de Amorieten uit, die daarin waren. |
33 En zij keerden zich en trokken opwaarts naar den weg van IBasan; toen trok Og de koning van Ba-san met al zijn volk uit hun tegemoet, om tegen hen te strijden in Edréï. 84 En de Heer sprak tot Mozes: Yrees niet voor hem, want ik heb hem met land en lieden in uwe hand gegeven, en gij zult met hem doen gelijk gij met Sihon den koning der Amorieten gedaan hebt, die te Hesbon woonde. 35 En zij versloegen hem en zijne zonen en al zijn volk, totdat er niemand overbleef; en zij namen zijn land in. HOOFDSTUK 22. 1 Daarna trokken de kinderen Israels verder, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van den Jordaan, tegenover Jericho. 3 En toen Balak de zoon van Zippor zag alwat Israël den Amorieten gedaan had, 3 toen vreesden de Moabieten zeer voor het volk, omdat het zoo talrijk was; en de Moabieten verschrikten voor het aangezicht der kinderen Israels, 4 en spraken tot de oudsten der Midianieten: Nu zal deze menigte alwat rond- |
NUMEEI 32.
305
|
om ons is verteren, gelijk een os liet kruid op het veld afeet. Balak nu de zoon van Zippor was in dien tijd koning der Moabieten. 5 En liij zond boden uit tot Bileam den zoon van Beor, naar Petlior dat gelegen is aan de rivier, in het land der kinderen zijns volks, dat zij hem ontbieden zouden; en hij liet hem zeggen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken, dat bedekt het aangezicht der aarde en is gelegerd tegenover mij: 6 zoo kom nu en vervloek mij dit volk, want het is mij te machtig: opdat ik het moge slaan of uit het land verdrijven; want ik weet, dat wien gij zegent, die is gezegend, en wien gij vervloekt, die is vervloekt. 7 En de oudsten der Moabieten gingen heen met de oudsten der Midianieten, en hadden het loon dei-waarzeggingen in bunne hand, en gingen tot Bileam in, en zeiden tot hem de woorden van Balak. 8 En hij sprak tot hen: Blijft hier den nacht over,' opdat ik u wederzegge zooals de Heer mij zeggen zal. Alzoo bleven de vorsten der Moabieten bij Bileam. |
9 En God kwam tot Bileam en sprak: Wie zijn die lieden die bij u zijn? 10 En Bileam sprak tot God: Balak de zoon van Zippor, de koning der Moabieten , heeft tot mij gezonden : 11 Zie, een volk is uit Egypte getrokken en bedelft het aangezicht der aarde: zoo kom nu en vervloek het, opdat ik, daartegen strijdende, het moge overwinnen en verdrijven. 12 Maar God sprak tot Bileam: Ga niet met hen; vloek ook dat volk niet, want het is gezegend. 13 Toen stond Bileam des morgens op, en sprak tot de vorsten van Balak: Gaat heen naar uw land; want de Heer wil niet toelaten dat ik met u trek. 14 En de vorsten der Moabieten maakten zich op, en kwamen tot Balak en spraken: Bileam weigerde met ons te trekken. 15 Toen zond Balak nog grooter en aanzienlijker vorsten dan de eerste geweest waren; 16 en toen die tot Bileam kwamen, spraken zij tot hem: Aldus laat Balak de zoon van Zippor u zeggen : Eilieve weiger niet tot mij te komen; |
NÜMEEI 2%,
306
|
17 want ik zal u lioog vereeren, en al wat gij mij zegt, dat wil ik doen: eilieve kom sleolits en vloek mij dit volk. 18 DooliKleam antwoordde en sprak tot de dienaars van Balak: Indien Balak mij zijn huis vol zilver en goud gaf, zoo zou ik toch niet kunnen overtreden het hevel van den Heer mijnen God, om klein of groot te doen. 19 Maar blijft toch ook hier dezen naoht, opdat ik verneme wat de Heer verder tot mij spreken zal. 30 Toen kwam God des nachts tot Bileam en sprak tot hem: Zijn die mannen gekomen om u te ontbieden, zoo maak u op en trek met hen; doch wat ik u zeggen zal, dat zult gij doen. 21 Toen stond Bileam des morgens op en zadelde zijne ezelin, en trok heen met de vorsten der Moa-bieten. 23 Doch de toorn Gods ontstak omdat hij heentrok, en de Engel des Heeren trad op den weg, opdat hij hem tegenstond; hij nu reed op zijne ezelin, en twee van zijne knechten waren met hem. 23 En de ezelin zag den |
Engel des Heereïi staande op den weg, met een bloot zwaard in zijne hand; en de ezelin week van den weg af en ging het veld op; maar Bileam sloeg haar, opdat zij op den weg zoude gaan. 24 Toen trad de Engel des Heeren in het pad bij de wijngaarden, waar aan beide zijden een muur was. 25 En toen de ezelin den Engel des Heeren zag, drong zij naar den muur, en klemde Bileams voet aan den muur; en hij sloeg haar nog meer. 26 Toen ging de Engel des Heeren verder, en trad aan eene enge plaats, waar geen weg was om te wijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand; 27 en toen de ezelin den Engel des Heeren zag, viel zij onder Bileam op hare knieën; toen ontstak Bileams toorn en hij sloeg de ezelin met een stok. 28 Toen opende de Heer den mond der ezelin, en zij sprak tot Bileam; Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? 29 En Bileam sprak tot de ezelin: Omdat gij mij hoont; och dat ik een zwaard in mijne hand had, ik zou u dooden. |
NTJMERI 23.
307
|
30 De ezelin sprak tot liileam: Ben ik niet uwe ezelin, op welke gij gereden hebt van toen ik de uwe werd tot op dezen dag toe ? Placlit ik u ooit zóó te doen? Hij zeide: Neen. 31 loen opende de Heer Bileam de oogen, dat liij den Engel des Heeren zag staande op den weg met een bloot zwaard in zijne hand; en hij neigde en boog zich met zijn aangezicht. 33 En de Engel des Heeren sprak tot hem: Waarom hebt gij uwe ezelin nu driemaal geslagen? Zie, ik ben uitgegaan om u te weerstaan, waar de weg voor mij steil was; 33 en de ezelin heeft mij gezien en is driemaal voor mij geweken: anders, indien zij niet voor mij geweken was, zou ik u reeds gedood maar haar in het leven gelaten hebben. 34 Toen sprak Bileam tot den Engel des Heeren: Ik heb gezondigd, doch ik heb niet geweten dat gij mij tegenstondt op den weg; en nu, zoo het u niet behaagt, zoo zal ik weder terugkeeren. |
35 Maar de Engel des Heeren sprak tot hem: Trek heen mot die mannen ; doch gij zult niet anders sjireken dan wat ik u zeggen zal. Alzoo trok Bileam met de vorsten van Balak. 36 Toen Balak hoorde dat Bileam kwam, trok hij uit hem tegemoet, in de stad der Moabieten, gelegen aan de Arnon, welke is aan den uitersten grenspaal des lands; 37 en hij sprak tot hem: Heb ik nieL tot u gezonden en u laten ontbieden? Waarom zijt gij dan niet tot mij gekomen? Meent gij dat ik u niet genoeg kon vereeren? 38 En Bileam antwoordde hem: Zie, ik ben tot u gekomen; doch hoe kan ik iets anders spreken dan hetgeen God mij in den mond zal leggen dat ik spreken moet? 39 Alzoo trok Bileam met Balak, en zij kwamen in de straatrijke stad. 40 En Balak offerde runderen en schapen, en zond naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren. 41 En des morgens nam Balak Bileam en voerde hem op de hoogte van Baiil, dat hij vandaar kon zien tot aan het einde des volks. |
1
NUMEEI 33.
308
|
HOOFDSTUK 23. 1 En Bileam sprak tot Balnk: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 3 En Balak deed gelijk Bileam hem gezegd had, en beiden, Balak en Bileam, offerden op eiken altaar een var en een ram. 3 En Bileam sprak lot Balak: Treed gij bij vnv brandoffer, en ik zal heengaan, of mij misschien de Heer ontmoet; opdat ik a bekendmake wat hij mij openbaart. En hij ging schielijk heen. ■i En God ontmoette Bileam ; en hij sprak tot hem: Zeven altaren heb ik toe-gericht , en op eiken altaar een var en een ram geofferd. 5 De Heer nu gaf Bileam het woord in den mond, en zeide: Ga weder tot Balak en spreek aldus. 6 En toen hij weder tot hem kwam, zie, toen stond hij bij zijn brandofler, benevens al de vorsten der Moabieten. 7 Toen hief hij zijne spreuk op en zeide: Uit Syrië heeft Balak de koning der Moabieten mij laten halen, van het gebergte tegen het oosten, \_en spraK]: Kom, vloek mij Jakob; en kom, scheld Israël. |
8 Hoe zal ik vloeken wien God niet vloekt, en hoe zal ik schelden wien de Heer niet scheldt? 9 Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, dit volk zal afgezonderd wonen, en niet onder de heidenen gerekend worden. 10 Wie kan tellen het stof van .Takob en het getal van het vierdedeel van Israël? Mijne ziel sterveden dood dier rechtvaardigen, en mijn einde zij gelijk het zijne. -— 11 Toen sprak Balak tot Bileam: Wat doet gij mij? Ik heb u laten halen om mijne vijanden te vloeken, en zie, gij zegent hen. 13 Maar hij antwoordde en sprak: Moet ik niet doen en spreken hetgeen de Heer in mijnen mond legt? 13 En Balak sprak tot hem: Kom toch met mij aan eene andere plaats, vanwaar gij zijn einde ziet, maar het niet gehéél ziet; en vloek het mij aldaar. 14i En hij voerde hem op eene ruime plaats, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en |
NUMERI 33.
309
|
offerde op eiken altaar een var en een ram. 15 En hij sprak tot Ba-lak: Treed gij hier bij uw brandofler, ik zal daar wachten. 1G En de Heer ontmoette Bileam, en gaf hem het woord in zijnen mond, en sprak: Ga weder tot Balak en spreek aldus. 17 En toen hij weder tot hem kwam, zie, toen stond hij bij zijn brandoffer, benevens de vorsten der Moabie-ten; en Balak sprak tot hem: Wat heeft de Heer gezegd ? 18 En hij hief zijne spreuk op en zeide: Sta op Balak en hoor, neem ter oore gij zoon van Zippo'r, hetgeen ik u zeg. « 19 God is niet een mensch dat hij liegen zou, noch een menschenkind dat hem iets kon berouwen; zou hij iets zeggen en het niet doen, zou hij iets spreken en het niet houden? 20 Zie, om te zegenen ben ik hier gebracht; hij zegent, en ik kan het niet veranderen. 21 Men ziet geen moeite in Jakob, en geen arbeid in Israël. De Heer zijn God is bij hem, en het trompetgeschal zijns konings is onder hem. 23 God heeft hem uit |
Egypte gevoerd; zijne kracht is als van een eenhoorn. 33 Want er is geen too-verij in Jakob en geen waarzeggerij in Israël. Op zijnen tijd zal men aan Jakob en aan Israël zeggen welke wonderen God doet. 34 Zie, het volk zal opstaan als eene leeuwin, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet nederleggen, totdat het den roof eet en het bloed der verslagenen drinkt. ■— 25 Toen sprak Balak tot Bileam: Gij zult het noch vloeken noch zegenen. 26 En Bileam antwoordde en sprak tot Balak: Heb ik u niet gezegd: Alwal. de Heer spreken zal, dat zal ik doen? 37 Balak sprak tot hem: Kom toch, ik zal u aan eene andere plaats brengen , of het misschien God be-hnge dat gij het mij aldaar vloekt. 28 En hij voerde hem op de hoogte van den berg Peor die naar de woestijn ziet. 29 En Bileam sprak tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 30 Balak deed zooals Bileam zeide; en hij offerde |
NUMERI 24
310
|
een var en een ram op eiken altaar. HOOFDSTUK 24. 1 Toen nu Bileam zag dat het den Heer behaagde dat hij Israël zegende, zoo ging hij niet heen gelijk tevoren om tooverij te plegen, maar keerde zijn aangezicht naar de woestijn, 3 hief zijne oogen op en zag Israël, hoe i;ij gelegerd waren naar hunne stammen; ein de Geest Gods kwam op hem, 3 en hij hief zijne spreuk op en zeide: Bileam de zoon van Beor spreekt, de man wien de oogen geopend zijn zegt het; 4 hij spreekt, de hoorder van Gods redenen, die de openbaring des Almachti-gen ziet, wien de oogen geopend worden als hij in .. verrukking ter aarde valt. 5 Hoe schoon zijn uwe hutten, Jakob, en uwe woningen, Israëli 6 Als beken die zich verspreiden , als hoven aan eene rivier; als hutten door den Heer geplant, als cederen aan de wateren. 7 Water zal uit zijnen emmer vlieten, en zijn zaad zal aan vele wateren zijn; zijn koning zal hooger worden dan Agag, en zijn rijk zal zich verhellen. |
8 God heefl hem uit Egypte gevoerd, zijne kracht is als vm een eenhoorn; hij zal cle heidenen, zijne vervolgers, verteren, en hun gebeente vermorzelen, en hen met zijne pijlen verpletteren. 9 Hij heeft zich nederge-legd als een leeuw en als eene leeuwin: wie wil tegen hem opstaan ? Gezegend zij wie u zegent, en vervloekt zij wie u vloekt. —• 10 Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijne handen tezamen en sprak tot hem: [k heb u ontboden dat gij mijne vijanden vfueken zoudt, en zie, gij hebt hen nu driemaal gezegend. 11 En nu maak u weg naar uwe plaats: ik dacht dat ik u zoude vereeren, maar zie, de Heer heeft die eer van u geweerd. 12 En Bileam antwoordde hem: Heb ik niet reeds tot uwe boden die gij tot mij gezonden hebt gesproken, zeggende: 13 Indien Balak mij zijn huis vol zilver en goud gaf, zoo zou ik toch het bevel des Heeren niet kunnen overtreden, om kwaad of goed te doen naar mijn |
NUMEKI 25.
311
|
hart; maar wat de Heer spreken zal, dut zal ik spreken. 14 En nu, zie, ik ga heen tot mijn volk: kom, laat mij u aankondig-en wat dit volk aan uw volk doen zal in later dagen. 15 En hij hief zijne spreuk op en zeide: Bileam de zoon van Beer spreekt, de man wien do oogen geopend zijn zegt het; 16 hij spreekt, de hoorder van Gods redenen, en die de kennis dos Hoogsten heeft; die de openbaring-des Al machtigen ziet, en wien de oogen geopend worden als hij in verrukking ter aarde valt. 17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal eene ster uit Jakob opgaan, en een schepter uit Israël opkomen: die zal de vorsten der Moabieten verpletten , en alle kinderen van Seth verstoren. 18 Edom zal hij innemen; en Seïr, dat hem vijandig is, zal hem onderworpen zijn; maar Israël zal overwinning hebben. 19 -Uit Jakob zal de heer-' schappij voerder komen, en verdelgen het overgeblevene van de steden. — |
30 En toen hij de Ama-lekieten zag, hief hij zijne spreuk op en zeide: Ama-lek is de eerste onder de heidenen, maar zal ten laatste geheel omkomen. •— 21 En toen hij de Kenie-ten zag, hief hij zijne spreuk op en zeide: Vast is uwe woning, en gij hebt uw nest op eene steenrots gesteld, — 22 maar, o Kaïn, gij zult verbrand worden, alsAssur u gevankelijk wegvoeren zal. — 23 En hij hief nog eens zijne spreuk op en zeide; Ach, wie zal leven kunnen als God dit doen zal! 24 En schepen uit Sittim zullen Assur en Heber verdelgen, en ook hij zal omkomen. — 25 En Bileam maakte zich op en trok heen, en kwam weder aan zijne plaats; en Balak trok óók zijnen weg. HOOFDSTUK 25. 1 En Israël nam zijn verblijf in Sittim; en het volk begon te hoereeren met de dochters der Moabieten, 2 die het volk tot het offer harer goden noodig-den, en het volk at en aanbad hare goden. 3 En Israël hing Baal-Peor aan; toen ontstak de |
NUMEEI 35.
812
|
toorn des Heeren over Israël, 4 en de Heer sprak tot Mozes: Neem al de oversten des volks en hang lien op, den Heere [ten zoerï], in liet aanzien der zon, opdat de hitte van des Heeren toorn van worde. 5 En Mozes sprak tot de rechters van Israël: Een ieder doode zijne lieden die Baiil-Peor aangehangen hebben. 6 En zie, een man uit de kinderen Israels kwam, en bracht tot zijne broeders eene Midianietische vrouw, voor het oog van Mozes en van de geheele gemeente der kinderen Israëls, terwijl deze weenden voorden ingang van de hut des stichts. 7 Toen Pinehas de zoon van Eleazar, den zoon van Aaron den priester, dat zag, stond hij op uit de gemeente, en nam eeue spies in zijne liand, 8 en hij ging den Israëlie-tischen man achterna tot in het verblijf der boeleerster, en doorstak hen beiden , den Israclietischen man en de vrouw, door hunnen buik. Toen hield de plaag op onder de kinderen Israëls. |
9 En er werden gedood in die plaag vierentwintigduizend. Israël afgewend 10 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 11 Pinehas de zoon van Eleazar, den zoon van Aiiron den priester, heeft mijne gramschap van de kinderen Israëls afgewend, door zijnen ijver voor mij, opdat ik niet in mijnen ijver de kinderen Israëls verdelgde. 13 Daarom zeg: Zie, ik geef hem mijn verbond des vredes. 13 En hij, en zijn zaad na hem, zal hebben het verbond dss eeuwigen pries-terschaps, omdat hij voor zijnen God geijverd en de kinderen Israëls verzoend heeft. — 14. De Israëlietische man nu, die gedood was met de Midianietische vrouw, was genaamd Zimri de zoon van Saln, een vorst in het vaderlijke huis der Simeo-nieten ; 15 en de Midianietische vrouw, die óók gedood was, was genaamd Kozbi, de dochter van Zur, die een vorst was van een geslacht onder de Midianieten. 16 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 17 Doe den Midianieten schade en versla hen; 18 want zij hebben u ,quot;■5 ■ C |
NUMEEI 26.
313
|
soliade gedaan met hunne listigheid, waarmede zij u verstrikt hebben door Peor, en door hunne zuster Kozbi, de dochter van den vorst der Midianieten, die gedood is op den dag der plaag, om Peors wil. HOOFDSTUK 26. 1 En na de plaag sprak de Heer tot Mozes, en tot Eleazar den zoon van den priester Aiiron, zeggende: 3 Neemt de som van de geheele gemeente der kinderen Israels op, van twintig jaar af en daarboven, naar hunne vaderlijke huizen , allen die bekwaam zijn in Israël om ten strijde te trekken. 3 En Mozes benevens Eleazar de priester sprak in de vlakke velden der Monbie-ten, aan den Jordaau, tegenover Jericho, 4 tot hen die twintig jaar ond waren en daarboven, zooals de Heer aan Mozes geboden had, en aan do kinderen Israels die uit Egypte getrokken waren. 5 Kuben, de eerstgeborene van Israël. Eubens zonen nu waren: Henoch, van dien komt het geslacht der Henoehieten; Pallu, van dien komt het geslacht der Palluïeten; |
6 Hezron, van dien komt het geslacht der Hezronie-ten; Karmi, van dien kfmt het geslacht der Karmieten. 7 Dit zijn de geslachten van Euben, en hun getal was drieënveertigduizend zevenhonderd en dertig. 8 En de zoon van Pallu was Eiiab; 9 en Eliabs zonen waren Nemuël, en Da than, en A-biram; deze zijn die Dathan en Abiram, de voornaamsten in de gemeente, die tegen Mozes en Aaron opstonden in de samenrotting van Xo-rach, toen zij tegen den Heer opstonden, 10 en de aarde haren mond opendeed en hen verslond met Korach, als dat rot stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde en zij tot een teeken werden. 11 Maar de zonen van Korach stierven niet. 12 Simeons zonen naar hunne geslachten waren: Nemuël, van dien komt het geslacht der Nemuëlie-ten; Jamin, van dien komt het geslacht der Jaminieteu; Jachin, van dien komt het geslacht der Jachinieten; 13 Zerah, van dien komt het geslacht der Zerahieten; Saul, van dien komt het geslacht der Saulieten. |
NUMEEI 26.
1
314
|
14 Dit zijn de geslachten van Simeon: tweeëntwintig-duizend en tweehonderd. 15 Gads zonen naar hunne geslachten waren; Zefon, van dien komt het geslacht der Zefonieten; Haggi, van dien komt het geslacht der Haggieten; Suni, van dien komt het geslacht der Su-nieten; 16 Ozni, van dien komt het geslacht der Oznieten; Eri, van dien komt het geslacht der Erieten; 17 Arod, van dien komt het geslacht der Arodieten; Areli, van dien komt het geslacht der Arelieten. 18 Dit zijn de geslachten der zonen van Gad naar hun getal: veertigduizend en vijfhonderd. 19 De zonen van Juda; Er en Onan; doch die beiden stierven in het land Kanaan. 20 Maar de zonen van Juda waren naar hunne geslachten: Sela, van dien komt het geslacht der Se-lanieten ; Perez, van dien komt het geslacht der Pe-fezieten; Zerah, van dien komt het geslacht der Ze-rahieten. 31 En de zonen van Pe-tez waren: Hezron, van dien komt het geslacht der Hezronieten; Hamul, van dien komt het geslacht der Hamulieten. |
22 Dit zijn de geslachten van Juda naar hun getal: zesenzeventigduizend en vijfhonderd. 23 Issaschars zonen naar hunne geslachten waren: Tola, van dien komt het geslacht der ïolaïeten; Pu-va , van dien komt het geslacht der Punieten; 24 Jasub, van dien komt het geslacht der Jasubieten; Simron, van dien komt het geslacht der Simronieten. 25 Dit zijn de geslachten van Issaschar naar hun getal: vierenzestigduizend cn driehonderd. 26 Zebulons zonen naar hunne geslachten waren: Sered, van dien komt het geslachtderSeredieten; Elon, van dien komt het geslacht der Elonieten; Jahleël, van dien komt het geslacht der Jahleclieten. 27 Dit zijn de geslachten van Zebulon naar hun getal: zestigd uizend en vijfhonderd. 38 Jozefs zonen naar hunne geslachten waren: Ma-nasse en Efraïm. 39 De zonen van Manas-se waren: Machir, van dien komt het geslacht der Ma-ehirieten; en Machir verwekte Gilead, van dien komt het geslacht der Gileadieten. |
NUMERI 26.
1
815
|
30 Dit zijn Gilends zonen: lezer, van uien komt liet geslacht der lëzerieten; He-lek, van dien komt het geslacht der Helekieten; 31 Asricl, van dien komt het geslacht der Asriëlieten; Sechem, van dien komt het geslacht der Sechemieten; 32 Semida, van dien komt het geslacht der Semidaïe-ten; Hefer, van dien komt het geslacht der Heferieten. 33 Doch Zelafead, Hefers zoon, had geen zonen maar dochters; die waren genaamd; Mahla, Noa, Ho-gla, Milka en Tirza. 34 Dit zijn de geslachten van Manasse naar hun getal : tweeënvijftigduizend en zevenhonderd. — 35 Et'raïms zonen naar hunne geslachten waren: Sutélah, van dien komt het geslacht der Sutelahieten; Becher, van dien komt het geslacht der' Eecherieten; ïahan, van dien komt het geslacht der Tahanieten. 36 En de zonen van Sutélah waren: Eran, van dien komt het geslacht der Eranieten. 37 Dit zijn de geslachten der zonen van Efraïm naar hun getal: tweeendertigduizend en vijfhonderd. Dit zijn de zonen van Jozef naar hunne geslachten. |
38 Benjamins zonen naar hunne geslachten waren: Hela, van dien komt het geslacht der Belaïeten; As-bel , van dien komt het geslacht der Asbelieten; Ahi-ram, van dien komt het geslacht der Ahiramieten; 39 Sufam, van dien komt het geslacht der Sufamieten; Hufam, van dien komt het geslacht der Hufamieten. 40 En de zonen van Bela waren: Ard en Naaman; van deze komen de geslachten der Ardieten en Natl-mieten. 41 Dit zijn de zonen van Benjamin naar hunne geslachten en naar hun getal: vijfenveertigduizend en zeshonderd. 42 De zonen van Dan naar hunne geslachten waren : Suham, van dien komt het geslacht der Suharnie-ten. Dit zijn de geslachten van Dan naar hunne geslachten , 43 en zij waren altezamen naar hun getal vierenzestigduizend en vierhonderd. 44 Asers zonen naar hunne geslachten waren: Jimna, van dien komt het geslacht der Jimnaïeten; Jisvi, van dien komt het geslacht der Jisvieten; Beria, van dien komt het geslacht der Bemeten. |
NUME
EI 26,
316
|
45 De zonen van Beria waren: Heber, van dien komt liet geslacht der He-berieten; Malkiel, van dien komt liet geslacht der Mal-kiëlieten. 46 En de dochter van Aser was genaamd Serah. 47 Dit zijn de geslachten der zonen van Aser naar hun getal: drieönvijftigdui-zend en vierhonderd. 48 De zonen van Naftali naar hunne geslachten waren: Jahzeël, van dien komt het geslacht der Jahzeelie-ten; Gnni, van dien komt het geslacht der Gunieten; 49 Jezer, van dien komt het geslacht der Jezerieten; Billem, van dien komt het geslacht der Sillemieten. 50 Dit zijn de geslachten van Naftali naar hun getal: vijfenveertigduizend en vierhonderd. 51 Dit is de som der kinderen Israels: zeshon-derdéenduizend zevenhonderd en dertig. —• 53 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 53 Aan dezezultgij het land uitdeelen tot een erfdeel, naar het getal der namen. 54 Velen zult gij veel tot een erfdeel geven, en weinigen weinig: aan ieder zal men geven naar zijn getal. |
55 Doch men zal het land door het lot uitdeelen; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij het erfdeel ontvangen. 56 Want naar het lot zult gij hun erfdeel uitdeelen, tusschen de velen en de weinigen. 57 En dit is de som der Levieten naar hunne geslachten; Gerson, van dien komt het geslacht der Ger-sonieten; Kohath, van dien komt het geslacht der Ko-hathieten; Merari, van dien komt het geslacht der Me-rarieten. 58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Mahlieten, het geslacht der Musieten, het geslacht der Korachieten. Kohath verwekte Amram, 59 en Amrams vrouw was genaamd Jochébed, eene dochter van Levi, die hem geboren werd in Egypte; en zij baarde aan Amram Aiiron en Mozes en hunne zuster Mirjam. 60 En aan Aiiron werden geboren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 61 Maar Nadab en Abihu stierven toen zij vreemd vuur brachten voor den Heer. 62 En hunne som was |
NUMEEI 27.
317
|
drieëntwintigduizend, al wat mannelijk was, van een maand af en daarboven; want zij werden niet geteld onder de kindoren Israels, want men gaf hun geen erfdeel onder de kinderen Israels. 63 Dit is de som der kinderen Israels, welke Mozes en Eleazar de priester telden in de vlakke velden der Moabieten, aan den Jordaan tegenover Jericho; 64 onder welke niemand was uit die som, toen Mozes en Aiii'on de priester de kinderen Israels telden in de woestijn Sinaï. 65 Want de Heer had tot hen gezegd, dat zij den dood zouden sterven in de woestijn; en niemand bleef over dan Kaleb de zoon van .Tefunne en Jozua de zoon van Nnn. HOOFDSTUK 27. 1 En de dochters van Zelafead, den zoon van He-fer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse den zoon van Jozef — zijnde de namen dezer d ochters Mahla, Noa, Hogla, Milka en Tirza — 2 traden toe en stelden zich voor Mozes, en voor |
Eleazar den priester, en voor de vorsten en de geheele gemeente, aan den ingang van de hut desstichts, zeggende : 3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij was niet mede onder de gemeente die tegen den Heer opstond in het rot van Korach; maar hij is in zijne zonde gestorven, en had geen zonen. 4 Waarom zal dan de naam onzes vaders in zijn geslacht ondergaan, omdat hij geen zoon heeft? Geeft ons ook een goed onder de broeders onzes vaders. 5 En Mozes bracht hare zaak voor den Heer; 6 en de Heer sprak tot hem: 7 de dochters van Zelafead hebben recht gesproken; gij zult haar een erfgoed onder de broeders haars vaders geven, en zult haars vaders erfdeel haar toedeelen. 8 En zeg den kinderen Israels: Als iemand sterft en geen zonen heeft, zoo zult gij zijn erfdeel aan zijne dochter toedeelen. 9 En heeft hij geen dochter, zoo zult gij het aan zijne broeders geven. 10 En heeft hij geen broeders, zoo zult gij het aan de broeders zijns vaders geven. |
NU MER I 38.
318
|
11 En heeft ook zijn vader geen broeders, zoo zult gij het aan den bloedverwant jlt;even, die hem het naast bestaat in zijn geslacht, opdat die het erve. Bit zal den kinderen Israels tot eeae inzetting des rechts zijn, zooals de Heer aan Mozes geboden heeft. —- 13 En de Heer sprak tot Mozes: Klim op dit gebergte Abarim, en bezie het land dat ik den kinderen Israels geven zal; . 13 en als gij het gezien hebt, dan zult gij verzameld worden tot uwe volken, gelijk uw broeder Ailron verzameld is; 14 dewijl gijlieden aan mijn bevel ongehoorzaam zijt geweest in de woestijn Zin, in den twist der gemeente, daar gij mij hadt moeten heiligen door liet water voor hen. Dit is het water der twisting te Kades, in de woestijn Zin. 15 En Mozes sprak tot den Heer, zeggende: 16 De Heer, de God der geesten van alle vleesch, stelle toch een man over deze gemeente, 17 die voor lien uit- en inga, en hen uit- en in-leide; opdat de gemeente des Heeren niet zij gelijk schapen zonder herder. |
18 En dè Heer sprak tot Mozes: Neem Jozua den zoon van Nun tot u, een man in wien de Geest is, en leg uwe hand op hem, 19 en stel hem voorden priester Eleazar en voor de geheele gemeente, en geef hem het gebied voor hunne oogen; 30 en leg uwe heerlijkheid op hem, opdatdegeheele gemeente der kinderen Israels hem gehoorzaam zij. 31 En hij zal treden voor den priester Eleazar, die zal voor hem raad vragen door do wijze des Lichts, voor den Heer. Naar zijne uitspraak zullen uit- en ingaan beide hij en al de kinderen Israels met hem, en de geheele gemeente. 23 Eu Mozes deed gelijk de Heer hem geboden had; en hij nam Jozua en stelde hem voor den priester Eleazar en voor de geheele gemeente , 33 en hij leide zijne handen op hem, en gebood hem, gelijk de Heer tot Mozes gesproken had. HOOFDSTUK 28. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Gebied den kinderen Israels en spreek tot hen; De oft'ers mijns broods, |
NUMERI 28.
319
|
inijne vuurofiers des liefelijken reuks, zult gij onderhouden op den gezetten tijd, dat gij die mij offert. 3 En spreek tot ken: Dit zijn de vuurofiers welke gij den Heere otteren zult: éénjarige lammeren die zonder gebrek zijn, dagelijks twee, tot het dagelijksch brandoffer ; 4 het ééne lam des morgens, en het andere tus-schen de twee avonden; 5 daarenboven een tiende-deel van een efa meelbloem, gemengd met een vierdedeel van een hin gestooten olie, tot een spijsoffer. 6 Dit is het dagelijksch brandoffer, hetwelk gij reeds aan den berg Sinaïofferdet tot een liei'elijken reuk, een vuuroffer voor den Heer. ■ 7 Daarbenevens zijn drankoffer , bij elk lam een vierdedeel van een hin; in het heiligdom zal men den wijn des drankoffers den Heere offeren. 8 Het andere lam zult gij tusschen de twee avonden bereiden, gelijk het spijsoffer des morgens en zijn drankoffer zult gij het be-' reiden tot een vuurotter des liefelijken reuks voor den Heer. 9 En op den sabbatdag |
twee éénjarige lammeren zonder gebrek, en twee tienden meelbloem tot een spijs- ' offer met olie gemengd, en zijn drankolfer. 10 Dit is het sabbats--brandoffer, op eiken sabbat, boven het dagelijksch brand-oifer benevens zijn drankoffer. 11 En op den eersten dag uwer maanden zult gij den Heer een brandoffer brengen : twee jonge varren, één ram, zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek; 12 en telkens drie tienden meelbloem tot een spijsoffer met olie gemengd, bij den éénen var ; en twee tienden meelbloem tot een spijsoffer met olie gemengd, bij den éénen ram; 13 en telkens een tiende meelbloem, met olie gemengd, tot een spijsofter bij het ééne lam: dit is het brandofler des liefelijken reuks, een vuuroffer voor den Heer. 14 En zijn drankoffer zal zijn de helft van een hin wijn bij een var, en een derdedeel van een hin bij een ram, en een vierdedeel van een hin bij een lam. Dit is het brandoffer voor elke maand in het jaar. 15 Daarbenevens zal men één geitebok voor den Heer |
NUMERI 29.
820
|
tot een zondoffer bereiden, boven het dagelijkseli brandoffer, en zijn drankofler. 16 En op den veertienden dag der eerste maand is het pascha den Heere. 17 En op den vijftienden dag derzelfde maand is het feest; zeven dagen zal men ongezuurde brooden eten. 18 De eerste dag zal heilig zijn, op welken gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij op dien dag doen; 19 en gij zult den Heer een brandoffer brengen: twee jonge varren, één ram, zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek; 20 met hun spijsoffer, drie tienden meelbloem, met olie gemengd, bij een var, en twee tienden bij een ram; 31 en telkens een tiende op elk van de zeven lammeren. 22 Daarbenevens één bok tot een zondoffer, opdat gij verzoend wordt. 23 En gij zult dat doen, behalve het morgen-brand-olfer, hetwelk een dagelijkseli brandoffer is. 24 Naar die wijze zult gij zeven dagen lang hot brood offeren tot een vuur-offer des liefelijken reuks voor den Heer, boven het dagelijkseli brandoffer, benevens zijn drankoffer. |
25 En de zevende dag zal bij u heilig zijn, op welken gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij doen. 26 En de dag der eerstelingen, als gij het nieuwe spijsoffer den Heere brengt, als uwe weken om zijn, zal heilig zijn, op welken gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij doen. 27 En gij zult den Heer een brandoffer brengen tot een liefeliiken reuk: twee jonge varren, een ram, zeven éénjarige lammeren; 28 met hun spijsoffer: drie tienden meelbloem, met olie gemengd, bij één var, twee tienden bij één ram, 29 en telkens een tiende bij elk van die zeven lammeren ; 80 en één geitebok om ulieden te verzoenen. 31 Dit zult gij doen, behalve het dagelijkseli brandoffer met zijnspijsolier; zonder gebrek zal het zijn, benevens hunne drankoffers. HOOFDSTUK 29. 1 En de eerste dag der zevende maand zal bij u heilig zijn, op welken gij samenkomt; geen dienstwerk zult gij doen: het zal een dag des trompetgeschals voor u zijn. 2 En gij zult een brand- |
NÜMEKI 29.
321
|
offer brengen, den Heer tot i liefelijken reuk: één jongen var, één ram, zeven éénjarige lammeren zonder gebrek; 3 daarbenevens hun spijsoffer: drie tienden meelbloem, met olie gemengd, bij den var, twee tienden bij den ram, 4 en één tiende bij elk van die zeven lammeren; 5 ook één geitebok tot een zondoffer, om ulieden te verzoenen; 6 behalve het brandoffer der maand en zijn spijsoffer, en behalve het dage-lijkseh brandoffer met zijn spijsoffer, en met hunne drankoffers naar hun recht. Dit is een vuuroffer, den Heer tot een liefelijken reuk. 7 De tiende dag dezer zevende maand zal bij u óók heilig zijn, op welken gij zult samenkomen; en gij zult uwe lichamen \yan spijst onthouden, en geen werk doen, 8 maar een brandoffer den Heer tot een liefelijken reuk offeren: één jongen var, één ram, zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek; 9 met hun spijsoffer: drie tienden meelbloem, met olie gemengd, bij den var, twee tienden bij den éénen ram, 10 en een tiende bij elk van die zeven lammeren; |
11 daarbenevens één geitebok tot een zondoffer; behalve het zondoffer der verzoening , en het dagelijksch brandoffer met zijn spijsoffer, en met hunne drankoffers. 13 De vijftiende dag dezer zevende maand zal bij ulieden heilig zijn, op welken gij zult samenkomen; geen dienstwerk zult gij doen, en zult den Heer het feest vieren zeven dagen lang; 13 en gij zult een brandoffer brengen, tot een offer des liefelijken reuks voor den Heer: dertien jonge varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 14 met hun spijsoffer: drie tienden meelbloem, met olie gemengd, bij elk van die dertien varren, twee tienden bij elk van die twee rammen, 15 en een tiende bij elk van die veertien lammeren; 16 daarbenevens één geitebok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer. 17 Op den tweeden dag twaalf jonge varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 18 met hun spijsoffer en hunne drankoffers, bij de |
11
NUMEEI 39.
333
|
varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar lum getal, volgens liet recht; 19 daarbenevens een gei-tebok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer met zijn spijsofter, en met hunne dranlcoffers. 20 Op den derden dag elf varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 21 met hunne spijsoffers en drankoffers, bij de varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 22 daarbenevens één bok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer. 23 Op den vierden dag tien varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 21 met hun spijsoffer en hunne drankoffers, bij de varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 25 daarbenevens één gei-tebok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoffer en zijn drank offer. 26 Op den vijfden dag negen varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; |
27 met hun spijsoffer en hunne drankoffers, bij de varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 28 daarbenevens één bok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoflér en zijn drankoffer. 29 Op den zesden dag acht varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 30 met hun spijsoffer en hunne drankofiërs, bij de varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 31 daarbenevens één bok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoflér en zijne drankoilërs. 32 Op den zevenden dag zeven varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren, zonder gebrek; 88 met hun spijsoffer en hunne drankoli'ers, bij de varren, bij de rammen en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 34gt; daarbenevens één bok tot een zondofler; behalve het dagelijksch brandoflèr, met zijn spijsoflér en zijn drankoffer. 35 Op den achtsten dag zal het de dag der verga- |
NUMEEI 30.
323
|
dering zijn: geen dienstwerk zult gij doen. 36 En gij zult een brandoffer brengen, tot een offer des liefelijken renks voor den Heer: een var, één ram, zeven éénjarige lammeren, zonder gebrek; 37 met Imn spijsoffer en hunne drankoff'ers, bij den var, bij den ram en bij de lammeren, naar hun getal, volgens het recht; 38 daarbenevens één bok tot een zondoffer; behalve het dagelijksch brandoffer, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer. 39 Dit zult gij den Heer doen op uwe feesten, behalve wat gij belooft en vrijwillig geeft tot brandoffers, spijsoffers, drankoffers en dankoffers. ■—■ 40 En Mozes zeide tot de kinderen Israels alles wat de Heer hem geboden had. HOOFDSTUK DO. 1 En Mozes sprak tot de vorsten van de stammen dei-kinderen Israëls, zeggende: Dit is het wat de Heer geboden heeft: 2 Wanneer iemand eene gelofte aan den Heer doet, of een eed zweert, zoodat hij zijne ziel verbindt, die zal zijn woord niet krenken, maar zal alles doen zooals het uit zijnen mond gegaan is. |
3 Wanneer eene vrouw den Heer eene gelofte doet en zich verbindt-, terwijl zij in haars vaders huis en nog jong is, 4 en hare gelofte of verbintenis, welke zij op hare ziel gedaan heeft, voor haren vader komt en hij daarop zwijgt: zoo gelden al hare geloften en al hare verbintenissen met welke zij hare ziel verbonden heeft. 5 Maar indien haar vader het belet ten dage als hij het hoort, zoo geldt geen gelofte noch verbintenis met welke zij hare ziel verbonden heeft; en de Heer zal haar genadig zijn, dewijl haar vader haar belet heeft. 0 En indien zij een man heeft, en eene gelofte op zich heeft, of indien hare lippen eene verbintenis voor hare ziel ontgaat, 7 en de man het hoort en stilzwijgt, ten dage als hij het hoort: zoo geldt hare gelofte en verbintenis met welke zij hare ziel verbonden heeft. 8 Maar indien haar man het belet op den dag als hij het hoort, zoo is hare gelofte ontbonden welke zij op zich heeft, alsmede de verbintenis die hare lippen |
I
NUMEKI 31.
324
|
ontgaan is voor hare ziel; en de Heer zal haar genadig zijn. 9 Doch de gelofte eener weduwe of eener verstoo-tene, ook al hetgeen waarmede zij hare ziel verbindt, zal te haren laste gelden. 10 Als zij nog in het huis haars mans iets belooft, of zich met een eed op hare ziel verbindt, 11 en haar man het hoort en daarop zwijgt, en het niet belet: zoo gelden al hare geloften, en al hetgeen waarmede zij zich verbonden heeft op hare ziel. 13 Maar ontbindt haar man dat op den dag als hij het hoort, zoo geldt niets wat van hare lippen gegaan is, wat zij beloofd of waarmede zij zich verbonden heeft op hare ziel; want haar man heeft het ontbonden, en de Heer zal haar genadig zijn. 13 En alle geloften en eeden ter verbintenis, om het lichaam te onthouden, mag haar man bevestigen of ontbinden op die wijze. 14 Wanneer hij daarop zwijgt van den éénen dag tot den anderen, zoo bevestigt hij al hare geloften en verbintenissen die zij op zich heeft, omdat hij gezwegen heeft op den dag toen hij het hoorde. |
15 Doch indien hij die tenietdoet nadat hij het gehoord heeft, zoo zal hij de misdaad dragen. — 16 Dit zijn de inzettingen welke de Heer aan Mozes geboden heeft, tusschen man en vrouw, tusschen vader en dochter, terwijl zij nog als maagd in haars vaders huis is. HOOFDSTUK 31. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Wreek de kinderen Israels aan de Midianieten, opdat gij daarna verzameld wordt tot uw volk. 3 Toen sprak Mozes tot het volk, zeggende: Kust onder u mannen uit ten strijde tegen de Midianieten, om den Heer te wreken aan de Midianieten; 4 uit eiken stam duizend, zoodat gij uit alle stammen van Israël in het leger zendt. 5 En zij namen uit de duizenden van Israël, duizend uit eiken stam, twaalfduizend toegerusten tot den strijd; 6 en Mozes zond duizend uit eiken stam met Pine-has, den zoon van Eleazar den priester, in het heir; en de heilige vaten en de |
NUMEEI 31.
325
|
j trompetten des geklanks wa-jren in zijne hand. 7 En zij voerden het heir I tegen de Midianieten, gelijk de Heer aan Mozes geboden had; en zij doodden alwat mannelijk was. 8 Daarenboven doodden , zij de koningen der Midianieten niet hunne verslagenen, namelijk Evi, Rekem, Zur, Hur en lleba, vijf koningen der Midianieten; en ook Bileam den zoon van Beor doodden zij met het zwaard. 9 En de kinderen Israels namen de vrouwen der Midianieten en hunne kinder-kens gevangen; al hun vee, al hunne have en al hunne goederen roofden zij; 10 en zij verbrandden met vuur al hunne steden en hunne woningen en al hunne burchten, 11 en namen al den roof en alwat te nemen was, zoo menschen als vee. 13 En zij brachten het tot Mozes en tot Eleazar den priester, en tot de gemeente der kinderen Israels, namelijk de gevangenen en het genomen vee en het geroofde goed, in het leger op de vlakke velden der Moabie-ten, die aan den Jordaan liggen tegenover Jericho. 13 En Mozes en Eleazar |
de priester, en al de vorsten der gemeente, gingen hun tegemoet tot buiten het leger. 14 En Mozes werd toornig op de hoofdlieden des heirs, die hoofdlieden over duizend en over honderd waren, die uit het heir en dien strijd kwamen; 15 en hij sprak tot hen: Waarom hebt gij al de vrouwen laten leven? 16 Zie, hebben zij niet, op Bileams raad, de kinderen Israels verleid om te zondigen tegen den Heer, door Peor, zoodat eene plaag kwam over de gemeente des Heeren? 17 Zoo doodt nu alwat mannelijk is onder de kin-derkens, en alle vrouwen die mannen bekend en bij hen gelegen hebben ; 18 doch alle kinderen die van het vrouwelijk geslacht zijn, en geen mannen bekend noch bij hen gelegen hebben, houdt die voor u in het leven. 19 En legert u buiten het leger zeven dagen, allen die iemand gedood of die een verslagene aangeraakt hebben ; opdat gij u ontzondigt op den derden en zevenden dag, met degenen welke gij hebt gevangengenomen. 20 En alle kleederen en |
£
NUMEKI 31.
S36
|
alle gereedschap van vellen, en alle pelswerk, en alle houten vaten, zult gij ontzondigen. 21 En Eleazar de priester sprak tot het krijgsvolk dat in dien strijd getrokken was: Dit is de wet welke de Heer aan Mozes geboden heeft: 23 Goud, zilver, koper, ijzer, tin en lood, 23 en alwat vuur verdragen kan, zult gij door het vuur laten gaan en reinigen ; nochtans, dat het met water der besprenging ontzondigd worde; maar alwat geen vuur verdragen kan, zult gij door het water laten gaan. 24 En gij zult uwe kleederen wasschen op don zevenden dag, dan wordt gij rein; daarna zult gij in het leger komen. 25 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 26 Neem de som van den roof der gevangenen op, zoo van menschen als van vee, gij en Eleazar de priester, en de oversten van de geslachten der gemeente; 27 en geef de céne helft aan hen die in het heir uitgetrokken zijn en den slag geleverd hebben, en de andere helft aan de gemeente. |
28 En gij zult den Heere tot een hefoffer geven van de krijgslieden die in het heir getrokken zijn, van elke vijfhonderd eéne ziel, zoo van menschen als van runderen, ezels en schapen: 39 van hunne helft zult gij het nemen en het den priester Eleazar geven, den Heer tot een hefofter. 30 Maar van de helft der kinderen Israels zult gij van elke vijftig een gevangene nemen, zoo van menschen als van runderen, ezels, schapen, en van al het vee, en zult deze aan de Levieten geven die de wacht aan de woning des Heeren waarnemen. 31 En Mozes en Eleazar de priester deden zooals de Heer aan Mozes geboden had. 33 En het overschot van den buit, dien het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventigduizend schapen, 33 tweeenzeventigduizend runderen, 34 éénenzestigduizend e-zels, 35 en de vrouwen, die geen mannen bekend noch bij hen gelegen hadden, tweeëndertigduizend zielen. 36 En de helft, toebe-hoorende aan hen die in |
NUMERI 31.
327
|
eere lliet heir getrokken waren, van fwas in getal driehonderd-het Izevenendertigduizend en vijfvan 1 honderd schapen, del, ï 37 daarvan kwamen voor van jden Heer zeshonderd vijf- jen: ienzeventig schapen; zult 38 en zesendertigduizend den runderen, en daarvan kwaden men voor den Heer tweeën- : zeventig; elft 39 en dertigduizend en !ult : vijfhonderd ezels, en daar- ge- van kwamen voor den Heer van éénenzestig; •en, 40 en menschenzielen zes- al tienduizend, en daarvan lan kwamen voor den Heer de tweeëndertig, les 41 Kn Mozes gaf dat hefoffer des Heeren den priester zar Eleazar, gelijk de Heer hem de geboden had. [en 42 En de andere helft, die Mozes den kinderen an Israels toedeelde van de Tg- krijgslieden, es- 43 namelijk de helft aan li- de gemeente toebehoorende, was óók driehonderdzeven- id endertigduizend en vijfhonderd schapen, e- 44 zesendertigduizend runderen , ie 45 dertigduizend en vijf- ;h honderd ezels, i, 4B en zestienduizend men- n. schenzielen; e- 47 en Mozes nam van deze |
n helft der kinderen Israëls, van elke vijftig één gevangene, zoo van vee als van menschen, en gaf deze aan de Levieten die de wacht aan de woning des Heeren waarnamen , gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 48 En de hoofdlieden over de duizenden van het krijgsvolk, namelijk die over duizend en over honderd waren, traden tot Mozes, 49 en spraken tot hem: Uwe knechten hebben op genomen de som der krijgslieden die onder onze hand geweest zijn, en niet één van deze ontbreekt er; 5U daarom brengen wij den Heer een geschenk, wat ieder gevonden heeft, van gouden gereedschap, ketenen, armringen, ringen, oorringen en spansels, opdat onze zielen verzoend worden voor den Heer. 51 En Mozes benevens de priester Eleazar namen van hen het goud van allerlei gereedschap. 52 En het geheele hefoffer van het goud, dat zij den Heer brachten, was zestienduizend zevenhonderd en vijftig sikkels, van de hoofdlieden over duizend en over honderd. 53 Want de krijgslieden hadden geroofd elk voor zichzelven. |
NUMERI 32.
828
|
54 En Mozes en Eleazar de priester namen dat goud van de lioofdlieden over duizend en over honderd, en brachten het in de hut des stichts, tot eene gedachtenis der kinderen Israëls voor den Heer. HOOFDSTUK 32. 1 En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad hadden zeer veel vee; en zij zagen het land van Jaëzer en Gilead aan als eene bekwame plaats voor hun vee. 3 En zij kwamen en spraken tot Mozes en tot den priester Eleazar en tot de vorsten der gemeente, zeggende : 3 Het land Ataroth, Di-bon, Jaczer, Nimra, Hesbon, Elealé, Sebam, Nebo en Beon, 4 hetwelk de Heer geslagen heeft voor de gemeente van Israël, is bekwaam voor het vee; en wij, uwe knechten, hebben vee. 5 En zij spraken verder: Hebben wij genade bij u gevonden, zoo geef dit land uwen knechten in eigendom; zoo willen wij niet over den Jordaan trekken. G Maar Mozes sprak tot hen: Uwe broeders zullen ten strijde trekken, en gij wilt hier blijven? |
7 Waarom maakt gij de harten der kinderen Israëls afkeerig, dat zij niet overtrekken in het land hetwelk de Heer hun geven zal? 8 Zóó deden ook uwe vaderen, toen ik hen uitzond van Kades-Barnca om dit land te bezien; 9 en toen zij opgekomen waren tot aan de -beek Es-kol en het land bezagen, maakten zij het hart der kinderen Israëls afkeerig, dat zij niet wilden overtrekken in het land hetwelk de Heer hun gegeven heeft. 10 En de toorn des Heeren ontstak te dier tijd, en hij zwoer, zeggende: 11 Deze lieden die uit Egypte getrokken zijn, van twintig jaar af en daarboven, zullen het land niet zien, hetwelk ik Abraham, Isaiik en Jakob gezworen heb, omdat zij mij niet getrouw gevolgd hebben: 12 behalve Kaleb de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua de zoon van Nun; want zij hebben den Heer getrouw gevolgd. 13 Alzoo ontstak de toorn des Heeren over Israël, en hij liet hen omzwerven in de woestijn veertig jaar, totdat er een einde was aan het gansche geslacht dat |
NUMEEI 32.
329
|
hvaadgedaan had voor den [leer. 14 En zie, gijlieden zijt opgestaan in de plaats uwer vaderen, opdat er destemeer zondige mensohen zouden zijn, en gij den toorn en de gramschap des Heeren : tegen Israël nog zoudt vermeerderen; 15 want indien gij u van liem afkeert, zoo zal hij het nog langer in de woestijn laten, en gij zult dit geheele volk ten verderve bren-gen. 16 Toen traden zij tot hem en spraken: Wij willen hier slechts schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen; 17 maar wij zullen ons toerusten aan het hoofd der kinderen Israels, totdat wij hen zullen gebracht hebben aan hunne plaats; onze kinderen zullen intusschen in de besloten steden blijven, wegens de inwoners dezer landstreek. 18 Wij zullen niet weder naarhuis keeren, voordat de kinderen Israels elk zijn erfdeel zullen ingenomen hebben. 19 Want wij willen niet met hen erven aan gene zijde van den Jordaan en verderop, maar ous erfdeel zal ons aan deze zijde van den Jordaan, tegen het oosten, gevallen zijn. |
20 ïoen sprak Mozes tot hen: Wanneer gij dat doen wilt, dat gij u toerust tot den strijd voor den Heer, 21 zoo trekke over den Jordaan voor den Heer, wie onder u toegerust is, totdat hij zijne vijanden uitdrijft van voor zijn aangezicht, 22 en het land onderdanig wordt voor den Heer: daarna zult gij weder om-keeren, en onschuldig zijn voor den Heer en voor Israël, en gij zult dit land in eigendom hebben voor den Heer. 23 Maar indien gij zóó niet wilt doen, zie, zoo zult gij tegen den Heer zondigen; en gij zult uwe zonde gewaarworden als zij u vinden zal. 24 Zoo bouwt dan nu steden voor uwe kinderen en kooien voor uw vee, en doet wat gij gezegd hebt. 23 Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Euben tot Mozes: Uwe knechten zullen doen zooals mijn heer geboden heeft: 20 onze kinderen, vrouwen, have en al ons vee zullen in de steden van Gilead blijven; 27 maar wij, uweknech- |
k
NUMEEI 33.
350
|
ten, willen allen toegerust tot den krijg ten strijde trekken voor den Heer, gelijk mijn lieer gesproken heeft. 28 Toen gebood Mozes aangaande lien den priester Eleazar, en Jozua denzoon van Nun, en de oversten der geslachten van de stammen der kinderen Israëls, 29 en sprak tot hen: Wanneer de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben met ulieden over den Jordaan trekken, allen toegerust tot den strijd voor den Heer, en het land u onderdanig is, zoo geeft hun het land Gilead ten eigendom; 30 maar trekken zij niet toegerust met u, zoo zullen zij met u erven in het land Kanaiin. 31 En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Zooals de Heer spreekt tot uwe knechten, zóó willen wij doen: 32 wij zullen toegerust voor den Heer trekken naar het land Kanaiin, en ons erfgoed bezitten aan deze zijde van den Jordaan. |
33 Alzoo gaf Mozes den kinderen van Gad, en den kinderen van Ruben, en den hal ven stam van Ma-nasse den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon den koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og den koning van Basan, het land met de steden rondom, binnen al de landpalen. 34 Toen bouwden de kinderen van Gad Dibon, Ata-roth, Aroër, 35 Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha, 36 Beth-Nimra en Beth-Haran; besloten steden en schaapskooien. 37 En de kinderen van Ruben bouwden Hesbon, Elealé, Kirjathaïm, 38 Nebo, Baal-Meon, en veranderden de namen, en Sibma; en zij gaven namen aan de steden welke zij bouwden. 39 En de kinderen van Machir den zoon van Ma-nasse gingen naar Gilead en veroverden het, en verdreven de Amorieten die daarin waren. 40 Toen gaf Mozes Gilead aan Machir den zoon van Manasse, en deze woonde daarin. 41 En Jaïr, de zoon van Manasse, toog op en veroverde hunne dorpen, en noemde die Hawoth-Jaïr. 42 Eti Nobah toog op en veroverde Kenath met zijne onderhoorige plaatsen, en |
NUMEEI 33.
331
|
noemde het Nobab. naar zijnen naam. HOOFDSTUK 33. 1 Dit zijn de reizen dei-kinderen Israels die door Mozes en Ailron uit Egyp-teland geleid zijn, naar limine heiren. 3 En Mozes beschreef hunne tochten, hoe zij trokken naar het bevel des Hee-ren; dit zijn namelijk de reizen op hunne tochten. 3 Zij trokken dan uit van llameses op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags na het pascha, door een hooge hand, dat alle Egyptenaars het zagen; 4 en terwijl zij de eerstgeborenen begroeven die de Heer onder hen geslagen had; want de Heer had ook aan hunne goden gerichten geoefend. 5 Als zij van Rameses uittrokken , legerden zij zich te Sukkoth; 6 en trokken uit van Sukkoth, en legerden zich te Etham, dat aan het einde der woestijn ligt. 7 Van Etham trokken zij uit, en bleven in het dal Hahiroth, hetwelk tegenover Baill-Zefon ligt, en legerden zich voor Migdol. |
8 Van Hahiroth trokken zij uit, en gingen midden door de zee in de woestijn, en reisden drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich te Mara. 9 Van Mara trokken zij uit en kwamen te Elim; daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palm-boomen; en zii legerden zich aldaar. 10 Van Elim trokken zij uit, en legerden zich aan de Schelfzee. 11 Van de Schelfzee trokken zij uit, en legerden zich in de woestijn Zin. 13 Van de woestijn Zin trokken zij uit, en legerden zich te Dof ka. 13 Van Dof ka trokken zij uit, en legerden zich te Alus. 11 Van Alus trokken zij uit, en legerden zich te Eafidim; aldaar had het volk geen water om te drinken. 15 Van Eafidim trokken zij uit, en legerden zich in de woestijn Sinaï. 16 Van Sinaï trokken zij uit, en legerden zich bij de Lustgraven. 17 Van de Lustgraven trokken zij uit, en legerden zich te Hazeroth. 18 Van Hazeroth trokken zij uit, en legerden zich te Eitluna. 19 Van Eithma trokken |
L.
NUMEEI 33.
332
|
zij uit, en legerden zich te Eimmon-Perez. 20 Van Eimmon-Perez trokken zij uit, en legerden zich te Libna. 21 Van Libna trokken zij uit, en legerden zich teEissa. 22 Van Eissa trokken zij uit, en legerden zich te Ke-lielatha. 23 Van Kehelatha trokken zij uit, en legerden zich in het gebergte Safer. 2-t Van het gebergte Safer trokken zij uit, en legerden zich te Harada. 25 Van Harada trokken zij uit, en legerden zich te Makheloth. 26 Van Makheloth trokken zij uit, en legerden zich te Tahath. 27 Van ïahath trokken zij uit, en legerden zich te Tarah. 28 Van Tarah trokken zii uit, en legerden zich te Mithka. 29 Van Mithka trokken zij uit, en legerden zich te Hasmona. 30 Van Hasmona trokken zij uit, en legerden zich te Moseroth. 31 Van Moseroth trokken zij uit, en legerden zich te Bené-Jaiikan. 32 Van Bené-Jaakan trokken zij uit, en legerden zich te Hor-Gidgad. |
33 Van Hor-Gidgad trokken zij uit, en legerden zich te Jotbatha. 34 Van Jotbatha trokken zij uit, en legerden zich te Abrona. 35 Van Abrona trokken zij uit, en legerden zich te Ezeon-Géber. 36 Van Ezeon-Géber trokken zij uit, en legerden zich in de woestijn Zin,-dat is Kades. 87 Van Kades trokken zij uit, en legerden zich aan den berg Hor, aan de grenzen van het land Edom. 38 Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar het bevel desHeeren, en stierf aldaar in het veertigste jaar na den uittocht der kinderen Israels uit Egypteland, op den eersten dag der vijfde maand, 39 toen hij honderd drieentwintig jaar oud was. 40 En Arad, de koning der Kanaanieten, wonende tegen het zuiden van het land Kanaiin, hoorde dat de kinderen Israels aankwamen. 41 En van den berg Hor trokken zij uit, en legerden zich te Zalmona. 42 Van Zalmona trokken zij uit, en legerden zich te Eunon. 43 Van Funon trokken zij |
NUMEEI 34.
333
|
uit, en legerden zich te Oboth. I 44 Van Oboth trokken zij uit, en legerden zich aan het gebergte Abarim, aan de grenspalen der Moabie-ten. 45 Van het gebergte Abarim trokken zij uit, en legerden zich te Dibon-Gad. 46 Van Dibon-Gad trokken zij uit, en legerden zich te Almon-Diblathaïm. 47 Van Almon-Diblathaïm trokken zij uit, en legerden zich in het gebergte Abarim, tegenover Nebo. 48 Van het gebergte Abarim trokken zij uit, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan den Jordaan tegenover Jericho. 49 En zij legerden zich, van Beth-Jesimoth af tot aan de vlakte van Sittim toe, in de vlakke velden der Moabieten. 50 En de Heer sprak tot Mozes in de vlakke velden der Moabieten, aan den Jordaan tegenover Jericho, zeggende : 51 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Als gij tot over den Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaiin, |
53 zoo zult gij alle inwoners des lands verdrijven voor uw aangezicht, en al hunne pilaren en al hunne gegoten beelden verdelgen, en al hunne hoogten omverwerpen; 53 dat gij alzoo het land inneemt en daarin woont; want ik heb u dat land gegeven om het te bezitten. 54 En gij zult het land door het lot uitdeden onder uwe geslachten; dengenen die velen zijn zult gij meer toedeelen, en dengenen die weinigen zijn zult gij minder toedeelen; gelijk het lot voor een ieder aldaar valt, zóó zal hij het hebben, naar de stammen hunner vaderen. 55 Maar indien gij de inwoners des lands niet zult verdrijven voor uw aangezicht, zoo zullen zij die gij laat overblijven u tot doornen zijn in uwe oogen en tot prikkels in uwe zijden, en zij zullen u benauwen in het land waarin gij woont: 56 zoo zal het dan gaan dat ik u doen zal gelijk ik gedacht heb hun te doen. HOOFDSTUK 34. 1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 3 Gebied den kinderen Israels en spreek tot hen: Wanneer gij in het land |
gt; £
NUMEEI 34.
T
334
|
Kanaün komt, zoo zullen van liet land dat u ten erfdeel valt, van het land Ka-naiin, dit de grenzen zijn. 3 De zuidelijke hoek zal beginnen aan de woestijn Zin bij Edom; zoodat uw zuidelijke grenspaal zij aan het einde der Zoutzee die tegen het oosten ligt. 4 Vandaar zal deze grens- Saal omgaan van het zul-en opwaarts naar Akrab-bim, en loopen door Zin; en zijn einde zal zijn ten zuiden van Kades-Barnda, en zich strekken naar het dorp Addar, en gaan door Azmon,aal omgaan van het zul-en opwaarts naar Akrab-bim, en loopen door Zin; en zijn einde zal zijn ten zuiden van Kades-Barnda, en zich strekken naar het dorp Addar, en gaan door Azmon, 5 en omgaan van Azmon af naar de rivier van Egypte, waar zij eindigt in de zee. 6 De grenspaal tegen het westen nu zal deze zijn, namelijk de groote zee; dit zij uw grenspaal tegen het westen. 7 Do grenspaal tegen het noorden zal deze zijn: gij zult meten van de groote zee naar den berg Hor, 8 en van den berg Hor zult gij meten totdat men komt te Hamath; en de uitgang-zijns grenspaals zij Zedad. 9 Verder zal deze grenspaal zich strekken naar Zifron, en eindigen aan het dorp Enan; dit zij uw noordergrenspaal. |
10 En gij zult metenden grenspaal tegen het oosten, van net dorp Enan naar Sefam; 11 en die grenspaal zal gaan van Sefam naar Eibla, oostwaarts van Ain; daarna zal hij afgaan en zich strekken langs den oever van de zee Kinnéreth tegen het oosten; 13 en hij zal afkomen langs den Jordaan, en eindigen aan de Zoutzee. Dit zal uw land zijn met zijne grenspalen rondom. — 13 En Mozes gebood den kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land hetwelk gij door het lot onder udeelen zult, hetwelk de Heer geboden heeft te geven aan de negen stammen en aan den halven stam van Ma-nasse. 14 Want de stam der kinderen van Euben naar hun vaderlijk huis, en de stam der kinderen van Gad naar hun vaderlijk huis, en de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel ontvangen: 15 alzoo hebben twee stammen en de halve stam hun erfdeel weg aan deze zijde van den Jordaan tegenover Jericho, tegen het oosten. 16 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 17 Dit zijn de namen der |
NUMEEI 35.
835
|
n den mannen die het land onder Mten, u zullen uitdeelen: de pries- naar ter Eleazar en Jozua de zoon van Nun. I zal IS Daarbenevens zult gij übla, J den vorst van eiken stam larna ■ nemen om het land uitte- trek- deelen; in de 19 en dit zijn de namen - oos- ? dier mannen: Kalei), de zoon ; van Jefunne, van den stam angs : Juda; iaan 20 Samuel, de zoon van land Ammilmd, van den stam alen Simeon; 21 Elidad, de zoon van den Kislon, van den stam Beulde: ja min; ; gij 22 Bukki, de zoon van ilen Jogli, de vorst van den stam ge- der kinderen van Dan; aan 23 Hanniël, de zoon van aan Efod, de vorst van den stam ila- dor kinderen van Manasse, van de kinderen van Jozef; in- 2 i Kemuël, de zoon van un Siftan, de vorst van den stam im der kinderen van Efraïm; iar 25 Elizafan, de zoon van de Parnach, de vorst van den sb- stam der kinderen van Ze- n: bulon; n- 26 Paltiël, de zoon van m Azzan, de vorst van den le stam der kinderen van Is- er sascliar; n. 27 Aclüliud, de zoon van Dt Sslomi, de vorst van den stam der kinderen van Aser; ir 28 Pedaël, de zoon van |
Ammilmd, de vorst van den stam der kinderen van Naf-tali. 29 Dit zijn degenen welken de Heer gebood dat zij den kinderen Israëls de erfenissen zouden uitdeelen in liet land Kanailn. HOOFDSTUK 35. 1 En de Heer sprak tot Mozes op de vlakke velden der Moabieten, aan den Jor-daan tegenover Jericlio, zeggende : 2 Gebied den kinderen Israëls, dat zij van hunne erfgoederen den Levieten steden geven , waar zij kunnen wonen; daarbenevens zult gij den Levieten ook voorsteden rondom die steden geven. 3 In die steden nu zullen zij wonen, en in de voorsteden hun vee en goed en al hun gedierte hebben. 4 Do wijdte nu van de voorsteden, welke gij den Levieten geven zult, zal duizend el buiten de stadsmuren rondom zijn. 5 Zoo zult gij nu meten buiten de stad, van den hoek der stad af tegen het oosten tweeduizend el, en van den hoek tegen het zuiden tweeduizend el, en van den hoek tegen het westen tweeduizend el, en |
i
NUMEKI 35.
336
|
van den hoek tegen liet noorden tweeduizend el; zoodat de stad in het midden zij. Dit zullen hunne voorsteden zijn. 6 En onder de steden, welke gij den Levieten geven zult, zult gij zes vrijsteden geven, opdat daarheen vlie-de wie een doodslag begaan heeft, en behalve die zult gij nog tweeënveertig steden geven; 7 zoodat al de steden, welke gij den Levieten geven zult, zijn zullen achtenveertig, met hare voorsteden. 8 En gij zult veel geven van degenen die veel bezitten onder de kinderen Israels, en minder van degenen die weinig bezitten; ieder zal naar zijn erfdeel, dat hem toegedeeld wordt, aan de Levieten steden geven. 9 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen; Wanneer gij over den Jordaan in het land Kanaan komt, 11 zoo zult gij steden uitkiezen die u tot vrijsteden zullen zijn, opdat daarheen vliede wie onvoorziens een doodslag begaan heeft. 12 En zulke vrijsteden zullen onder u zijn wegens den bloed wreker, opdat de-geen die een doodslag begaan heeft niet behoeve te sterven alvorens hij voorde gemeente ten gerichte gestaan heeft. |
13 En deze steden, welke gij geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn. 14 Drie zult gij geven aan deze zijde van den Jordaan en drie in het land Kanaan. 15 Dit zijn de zes vrijsteden, zoo voor de kinderen Israels als voor de vreemdelingen en voor de Imisge-nooten onder u; opdat daarheen vliede wie onvoorziens een doodslag begaan heeft. 10 Wie iemand met een ijzeren werktuig slaat dat hij sterft, die is een doodslager en zal den doöd sterven. 17 Werpt hij hem met een steen, waarmede iemand kan gedood worden, zoodat hij daarvan sterft, dan is hij een doodslager en zal den dood sterven. 18 Of slaat hij hem met een houten werktuig, waarmede iemand kan doodgeslagen worden, zoodat hij sterft, dan is hij een doodslager en zal den dood sterven; 19 de wreker des bloeds zal den doodslager ter dood brengen, als hij hem ontmoet zal hij hem dooden. 20 Of stoot hij hem uit |
NUMERI 35.
337
|
haat, of werpt hij iets op hem met list zoodat hij sterft, 31 of slaat hij hem uit vijandschap met zijne hand zoodat hij sterft, dan zal hij die hem geslagen heeft den dood sterven, want hij is een doodslager; de wreker des bloeds zal hem ter dood brengen als hij hem ontmoet. 32 Maar indien hij hem onverhoeds stoot, zonder vijandschap, of onvoorziens iets, wat liet zij, op hem werpt, 23 of indien .hij, zonder het te zien, een steen waarvan men sterven kan op hem werpt, zoodat hij sterft, en hij is zijn vijand niet en heeft hem ook niets kwaads willen doen, 24 zoo zal de gemeente richten tussohen dengeen die geslagen heeft en den wreker des bloeds, naar deze rechten, 23 en de gemeente zal den doodslager redden van de hand des bloed wrekers, en zal hem eene vrijplaats vergunnen in de vrijstad waarheen hij gevlucht was; en hij zal aldaar blijven totdat de hoogepriester sterft, dien men met de heilige olie gezalfd heeft. |
26 Maar indien de doodslager buiten de palen zijner vrijstad gaan zal, waarheen hij gevlucht is, 37 en de bloedwreker hem buiten de palen zijner vrijstad vindt en hem doodslaat: zoo zal hij aan dat bloed niet sclraldig zijn; 38 want hij moest in zijne vrijstad gebleven zijn tot den dood des hoogepriesters toe, en na den dood des hoogepriesters weder tot het land zijns erfgoeds komen. 39 Dit zal ulieden eene inzetting zijn bij uwe nakomelingen , waar gij ook wonen moogt. 30 Den doodslager zal men dooden naar den mond van getuigen; doch één getuige zal niet getuigen tegen iemand ter dood. 31 En gij zult geen verzoening nemen voor het leven des doodslagers; want hij is des doods schuldig en hij zal den dood sterven. 32 Ook zult gij geen verzoening nemen voor dengeen die naar zijne vrijstad gevlucht is, dat hij zou weder-keeren om te wonen in het land, voordat de priester sterft. 33 En ontheiligt het land niet waarin gij woont; want wie aan bloed schuldig is, die ontheiligt het land, en hooge- |
NUMEEI 36.
338
|
het land kan wegens het bloed dat daarin vergoten wordt niet verzoend worden, behalve door het bloed desgenen die het vergoten heeft. Si Verontreinigt het land niet in hetwelk gij woont, waarin ik óók woon; want ik ben de Heer, die onder de kinderen Israëls woon. HOOFDSTUK 36. 1 En de hoofden der vaderen van de geslachten der kinderen van Gilead, den zoon van Maehir, die een zoon van Manasse was, van het geslacht der kinderen van Jozef, traden toe en spraken voor Mozes, en voor de vorsten, hoofden der vaderen van de kinderen Israëls , 3 en zeiden: De Heer heeit mijnen heer geboden, dat men het land aan de kinderen Israëls tot een erfdeel zou geven door het lot; ook is mijnen heer door den Heer geboden, dat men het erfdeel van Zelafead, onzen broeder, aan zijne dochters geven zal. 8 Wanneer iemand uit de stammen van Israël haar tot vrouwen neemt, zoo zal het erfdeel onzer vaderen minder worden; en zooveel zij hebben, zal tot het erfdeel komen van dien stam in welken zij komen: alzoo wordt het lot onzes erfdeels verminderd. |
4 Wanneer dan nu het jubeljaar der kinderen Israëls komt, zoo zal haar erfdeel tot het erfdeel van dien stam komen, in welken zij zijn: alzoo wordt het erfdeel onzer vaderen met zóóveel verminderd als zij hebben. 5 Toen gebood Mozes den kinderen Israëls, naar het bevel des Heeren, zeggende: De stam der kinderen van Jozef heeft recht gesproken. 6 Dit is het wat de Heer gebiedt aan de dochters van Zelafead, zeggende: Laat haar trouwen zooals het haar goeddunkt, alleen dat zij trouwen in het geslacht van den stam haars vaders; 7 opdat de erfdeelen der kinderen Israëls niet vallen van den éénen stam tot den anderen; want een ieder onder de kinderen Israëls zal aan het erfdeel van den stam zijner vaderen gebonden zijn. 8 En alle dochters, die een erfdeel bezitten onder de stammen der kinderen Israëls, zullen trouwen met een uit het geslacht van den stam haars vaders; op- |
DEUTEEONOMIUM 1. 339
|
dat elk der kinderen Israels het erfdeel zijner vaderen belioude, 9 en opdat niet een erfdeel van den éénen stam overga tot een anderen stam, maar een ieder aan zijn erfdeel onder de stammen der kinderen Israels gebonden zij. 10 Gelijk de Heer aan Mozes geboden had, zóó deden de dochters van Ze-lafead: 11 Mahla , Tirza , Hogla, Milka en Is oa; en zij trouwden met de zonen van hare ooms; |
12 in het geslacht der kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, werden zij tot vrouwen. Alzoo bleef haar erfdeel aan den stam van het geslacht haars vaders. — 13 Dit zijn de geboden en rechten, welke de Heer door Mozes gebood aan de kinderen Israels op de vlakke velden der Moabieten, aan den Jordaan tegenover Jericho. |
HET VIJFDE BOEK VAN MOZES
GENAAMD
DEUTEEONOMIUM.
wnnFridTTTTv- i I 3 En het geschiedde in T „ liet veertigste jaar op den
1 Dit zijn de woorden 1 eersten dag der elide maand, welke Mozes sprak tot ge- dat Mozes tot de kinderen heel Israël, aan gene zijde Israels sprak al wat hem de van den Jordaan, in de Heer aan hen in last ge-woestijn, op het veld te- geven had;
genover de Schelfzee, tus- 4 nadat hij Sihon, den schen Paran en Tofel, Laban, koning der Amorieten die Hazeroth en Di-Zahab; - te Hesbon woonde, versla-
2 elf dagreizen van Ho- gen had, alsook Og den reb, langs den weg van koning van liasan, die te het gebergte Seïr, tot Ka- Astaroth in Edréï woonde; des-Barnéa. | 5 aan gene zijde van den
DEUTEEONOMIÜM 1.
340
|
Jordaan, in liet land der Moabieten, begon Mozes deze wet uitteleggen, zeggende : 6 De Heer onze God sprak tot ons bij den berg Horeb, zeggende; Gij zijt lang genoeg aan dezen berg geweest: 7 keert u dan en trekt keen, opdat gij tot liet gebergte der Amorieten komt, en tot al hunne naburige volken in liet vlakke veld, op de bergen en in de laagte, tegen het zuiden, en aan de havens der zee; het land Kanaan en den berg Libanon, tot aan de groote rivier F rath. 8 Zie, ik heb u dit land gegeven hetwelk vóór u ligt; gaat heen en neemt het in, dat land hetwelk de Heer gezworen heeft aan uwe vaderen Abraham, Isaiik en Jakob, en hunnen zade na hen, te zullen geven. 9 Op dien tijd sprak ik tot u: Ik kan u niet alléén dragen; 10 want de Heer uw God heeft u vermenigvuldigd, zoodat gij heden zijt als de menigte der sterren aan den hemel. 11 De Heer, de God uwer vaderen, make u nog duizendmaal meer dan gij thans zijt, en zegene u zooals hij tot u 'gesproken heeft, |
12 Hoe kan ik alléén uwe moeite, uwen last en uwe twistzaken dragen? 13 Beschikt hier wijze, verstandige en ervaren mannen uit uwe stammen; die zal ik over u tot hoofden stellen. 11- Toen antwoorddet gij mij en spraakt: Dit is eene goede zaak die gij zegt dat gij doen wilt. 15 Toen nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen over u tot hoofden over duizend, over honderd, over vijftig en over tien, en tot ambtlieden over uwe stammen. 16 En ik gehood uwe rechters op dion tijd, zeggende: Terhoort uwe broeders , en doet recht tusschen den man en zijnen broeder en den vreemdeling. 17 Geen persoon zult gij in het gericht aanzien, maar gij zult den geringe zoowel hooren als den groote, en voor niemands persoon vreezen, want het gericht behoort Gode; doch indien u eenige zaak te moeielijk zal zijn, laat die voor mij komen, opdat ik haar hoore. 18 Alzoo gebood ik u op dien tijd alwat gij doen zoudt. van door die gelii weg Ame |jonze 'en üan 20 ■ lied ber: kon onz 21 |
DEUTERON OMIUM 1.
341
|
19 Toen braken wij op van Horeb, en trokken door de geheele woestijn, die groot en vreeselijk is, gelijk gij gezien hebt, den weg naar liet gebergte 'der Amorieten ,' zooals de Heer . onze God ons geboden had; en wij kwamen te Kades-Barnea. 20 Toen sprak ik tot u-■ lieden: Gij zijt aan het gebergte der Amorieten gekomen, hetwelk de Heer onze God ons geven zal: 21 ziedaar het land vóór u, hetwelk de Heer uw God u gegeven heeft; trekt op en neemt het in, zooals de Heer, de God uwer vaderen, u gezegd heeft; vreest niet en laat u niet verschrikken. 22 Toen kwaamt gij allen tot mij en zeidet: Laat ons mannen voor ons uitzenden, die ons het land bespieden, en ons zeggen langs welken weg wij daar zullen intrekken, en in welke steden wij zullen inkomen. 23 Dit behaagde mij, en ik nam twaalf mannen uit u, van eiken stam één. 21 Toen die heengingen, en optrokken tot het gebergte toe, en aan de beek Eskol kwamen, toen bezagen zij het; |
25 en zij namen van de vruchten des lands met zich, en brachten die tot ons af, en gaven ons bericht, en spraken: Het land is goed, hetwelk de Heer onze God ons gegeven heeft. 26 Doch gij wildet niet optrekken, en werdt ongehoorzaam aan het bevel van den Heer uwen God, 27 en murmureerde! in uwe hutten, en spraakt; De Heer is vergramd op ons, daarom heeft hij ons uit Egypteland gevoerd, opdat hij ons in de hand der Amorieten zoude geven om ons te verdelgen. 28 Waar zullen wij heen?. Onze broeders hebben ons hart versaagd gemaakt, zeggende : Het volk is grooter en sterker dan wij; de steden zijn groot en tot aan den hemel toe bemuurd; ook hebben wij daar Enakskinderen gezien. 29 Maar ik sprak tot u: Ontzet u niet en vreest niet voor hen: 30 de Heer uw God trekt voor u uit, en hij zal voor u strijden, zooals hij met u gedaan heeft in Egypte voor uwe oogen, 31 en in de woestijn, alwaar gij gezien hebt hoe de Heer uw God u gedragen heeft gelijk een man zijnen zoon draagt, op den gehee- |
DEUTEKONOMIUM 1.
343
|
len weg dien gij bewandeld hebt, totdat gij aan deze plaats gekomen zijt. 33 Maar dat vermoch.t niets bij u, om aan den Heer uwen God te gelooven, 33 die voor u uitging, om u de plaats aantewijzen waar gij n legeren zoudt; bij nacht in het vuur, opdat hij u den weg wees dien gij gaan zoudt, en bij dag in eene wolk. 34 Als nu de Heer uw gejammer hoorde, werd hij toornig en zwoer, zeggende: 35 Niemand van dit boos geslacht zal dat goede land -zien, hetwelk ik gezworen heb uwen vaderen te zullen geven. 36 Behalve Kaleb de zoon van Jefimiie, die zal het zien, en aan hem wil ik het land geven dat hij betreden heeft, en aan zijne kinderen, omdat hij getrouw den Heer gevolgd heeft. 37 Ook werd de Heer op mij toornig om uwentwil, zeggende: Gij zult er óók niet inkomen; 38 maar Jozua de zoon van Nun, die uw dienaar is, die zal er inkomen: sterk hem, want hij zal het Israël ten erve uitdee-len. |
39 En uwe kinderkens van welke gij zeidet dat zij een roof zouden worden, en uwe zonen die heden noch goed noch kwaad kennen, die zullen er inkomen , hun zal ik het geven, en zij zullen het ten erfdeel bezitten. 40 Maar gijlieden, wendt u om en trekt naar de woestijn, den weg naar de Schelfzee. 41 Toen antwoorddet gij en spraakt tot mij: Wij hebben tegen den Heer gezondigd; wij willen optrekken en strijden, zooals de Heer onze God ons geboden heeft. Toen gij u nu toerusttet, een ieder met zijn harnas, en gereed waart om optetrekken op het gebergte , 42 toen sprak de Heer tot mij: Zeg tot hen dat zij niet optrekken. ook niet strijden, want ik ben niet onder u; opdat gij niet geslagen wordt voor uwe vijanden. 43 Toen ik u dat zeidc, hoordet gij niet, maar werdt ongehoorzaam aan het bevel des Heeren, en waart vermetel, en trokt opwaarts op het gebergte: 44 toen trokken de Amo-rieten uit die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en joegen u gelijk de bijen doen, en zij sloegen u te Seïr tot Horma toe. |
DEUTEEONOMIUM 2. 34.3
|
45 Toen gij nu weder-kwaamt en weenclet voor den Heer, wilde de Heer uwe stem niet liooren en neigde zijne ooren niet tot u. -16 Dus Weeft gij te Kades een langen tijd. HOOFDSTUK 2. 1 Daarna keerden wij ons en trokken uit naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee, zooals de Heer tot mij gesproken had; en wij trokken om het gebergte Seïr heen een langen tijd. 2 En de Heer sprak tot mij, zeggende: 3 Gij hebt genoeg dit gebergte omgetrokken: keert u naar het noorden. 4 En gebied het volk, zeggende; Gij zult trekken door de grenspalen van uwe broeders, de kinderen van Esau die in Seïr wonen; en zij zullen voor u vreezen; maar gij zult u zeer in acht nemen 5 dat gij hen niet bestrijdt, want ik zal u van hun land geen voetbreed geven; want het gebergte Seïr heb ik den kinderen van Esau ten erfdeel gegeven. G Spijs zult gij voor gold van hen koopen om te eten, en water zult gij voor geld van hen koopen om te drinken. |
7 Want de Heer uw God heeft u gezegend in al het werk uwer handen; hij heeft uwe tochten door deze groo-te woestijn ter harte genomen; en de Heer uw God is veertig jaar bij u geweest, zoodat u niets ontbroken heeft. 8 Toen wij nu van onze broeders, de kinderen van Esau die op het gebergte Seïr wonen, doorgetrokken waren, den weg op naar het vlakke veld, naar Elath en Ezeon-Géber, zoo keerden wij ons en gingen langs den weg van de woestijn der Moabieten. 9 Toen sprak de Heer tot mij: Gij zult de Moabieten geen leed doen noch hen bestrijden; want ik wil u van hun land niets ten erfdeel geven; want ik heb Ar den kinderen van Lot tot erfenis gegeven. 10 De Emieten hebben eertijds daarin gewoond; dat was een groot, talrijk en sterk volk, gelijk de Enakskinderen ; 11 men hield hen óók voor reuzen, gelijk de Enakskinderen; en de Moabieten noemden hen Emieten. 12 Ook woonden eertijds de Horieten in Seïr; en de |
DEUTEEONOMIUM 2.
344
|
kinderen van Esau verdreven en verdelgden hen voor zicli, en woonden er in linnne plaats; gelijk Israël gedaan heeft aan het land zijns erfdeels, hetwelk de Heer hun gegeven heeft. 13 Zoo maakt u nu op en trekt over de beek Ze-red. — En wij trokken er over. 14 De tijd r.u gedurende welken wij trokken van Ka-des-Barnéa, totdat wij door de beek Zered kwamen, was achtendertig jaar; totdat al de krijgslieden stierven in het leger, gelijk de Heer hun gezworen had. 15 Daarenboven was ook de hand des Heeren tegen hen, zoodat zij wegsmolten uit het leger, totdat er een einde aan hen was. 16 En toen het met al de krijgslieden een einde had, dat zij stierven onder het volk, 17 sprak de Heer tot mij, zeggende: 18 Gij zult heden de grenspalen der Moabieten voorbijtrekken bij Ar; 19 en gij zult nabij komen, tegenover de kinderen Am-mons; deze zult gij geen leed doen noch hen bestrijden ; want ik wil u van het land der kinderen Ammons niets ten erfdeel geven; waut ik heb het den kinderen van Lot tot erfenis gegeven. |
30 Het wordt óók gehouden voor het land der reuzen , er hebben ook eertijds reuzen in gewoond; de Ammonieten nu noemden hen Zamzummieten. 21 Dit was een groot, talrijk en sterk volk, gelijk de Enaks-kinderen; en de Heer verdelgde die voor hen en liet zo hun bezitten, dat zij in hunne plaats aldaar woonden; 22 gelijk hij gedaan heeft met de kinderen van Esau die op het gebergte Seïr wonen, toen hij de Horieten voor hen verdelgde, en ze hun \larid'\ liet bezitten, dat zij aldaar in hunne plaats woonden tot op dezen dag. 23 En de Kaftorieten trokken uitKaftor en verdelgden de Avvieten die te Hazerim woonden, tot Gaza toe, en zij woonden in hunne plaats aldaar. 24 Maakt u op en trekt uit, en gaat over de beek Arnon; zie, ik heb Silion, den koning der Amorieten te Hesbon, in uwe hand gegeven met zijn land; begint het intenemen en strijdt tegen hem. 25 Heden zal ik beginnen alle volken, die onder den |
DEUTERONOMIUM 2.
343
|
ganschen hemel zijn, voor u te doen vreezen en verschrikken; dat, wanneer zij van u hooren, zij bang en beangst zullen worden voor uwe komst. 26 Toen zond ik boden luit de woestijn ten oosten, tot Sihon den koning van ■ Hesbon, met vreedzame woorden, en liet aan hem izeggen: ' 27 Laat mij door uw land trekken; ik zal langs den grooten weg gaan, en zal noch ter rechter- noch ter linkerhand daarvan uitwijken. 28 Spijs zult gij mij voor geld verkoopen om te eten, en water zult gij mij voor geld geven om te drinken; ik wil slechts te voet doortrekken , 29 gelijk de kinderen van Esau mij gedaan hebben die te Seïr wonen, en de Moa-bieten die te Ar wonen; totdat ik over den Jordaan kom in het land hetwelk de Heer onze God ons geven zal. 30 Maar Sihon de koning van Hesbon wilde ons niet laten doortrekken; want de Heer uw God verhardde zijn gemoed en verstokte zijn hart, opdat hij hem in uwe hand gaf, gelijk het op dezen dag is. |
31 En de Heer sprak tot mij: Zie, ik heb begonnen u Sihon en zijn land te geven ; begin zijn land inte-nemen en te bezitten. 32 En Sihon trok uit ons tegemoet, met al zijn volk, tot den strijd naar Jahaz; 33 maar de Heer onze God gaf hem aan ons, dat wij hem versloegen met zijne zonen en al zijn volk. 3 Jgt; Toen namen wij op dien tijd al zijne steden in en verbanden alle steden, mannen, vrouwen en kin-derkens: wij lieten niemand overblijven; , 35 slechts roofden wij voor ons het vee, en den buit der steden die wij innamen. 36 Van Aroër af dat aan den oever der beek Arnon ligt, en van de stad aan het water af tot Gilead toe, was er geen stad die zich tegen ons beschermen kon; de Heer onze God gaf ons alles voor ons aangezicht. 37 Alleen tot het land der kinderen Ammons kwaamt gij niet, noch tot al hetgeen aan de beek Jabbok was, noch tot de steden op het gebergte, noch tot iets dat de Heer onze God ons verboden had. |
346 DEUTEEONOMIUM 3.
|
HOOFDSTUK 3. 1 En wij keerden ons en trokken opwaarts den wegnaar Easan; en Og de koning van Basan trok uit ons tegemoet, met al zijn volk, ten stijde, bij Edréï. 3 Maar de Heer sprak tot mij: Vrees niet voor hem, want ik heb hem en al zijn volk met zijn land in uwe hand gegeven; en gij zult met hem doen gelijk gij met Sihon, den koning der Amorieten die te Hesbon woonde, gedaan hebt. 3 Alzoo gaf de Heer onze God ook Og den koning van Easan in onze hand met al zijn volk, zoodat wij hem versloegen, totdat hem niemand overbleef. 4 Toen namen wij op dien tijd al zijne steden in, en er was geen stad die wij hun niet ontnamen: zestig steden, de geheele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Easan. 5 Al deze steden waren versterkt met hooge muren, poorten en grendels; behalve zeer vele vlekken zonder muren. 6 En wij verbanden die zooals wij met Sihon den koning van Hesbon gedaan hadden; al de steden verbanden wij, met mannen, vrouwen en kinderkens. |
7 Doch al het vee en den roof dier steden maakten wij voor ons buit. 8 Alzoo namen wij te dier tijd het land aan gene zijde van den Jordaan uit de handen van de beide koningen der Amorieten, van de beek Arnon af tot aan den berg Hermon; 9 welken de Sidoniërs Sir-jon noemen, maai- de Amorieten noemen hem Senir: 10 al de steden ten platten lande, en geheel Gilead, en geheel Easan, tot aan Salka en Edréï, steden des koninkrijks van Og in Easan. 11 Want Og de koning van Easan was alléén nog overgebleven van de reuzen; zie, zijne ijzeren bedstede is te Eabba der kinderen Ammons, negen el lang en vier el breed, naar een manselleboog. 12 Dat land namen wij te dier tijd in, van Aroër af hetwelk aan de beek Arnon ligt; en ik gaf het halve gebergte Gilead met zijne steden aan de Eube-nieten en Gadieten. 13 Maar het overige van Gilead, en geheel Easan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van |
DEUTERONOMIUM 3.
317
|
tfanasse; de geheele land-itreek van Argob werd in relieel Basan genoemd het and der reuzen. 14 Jaïr de zoon van Ma-nasse nam de geheele land-itreek van Argob, tot aan den grenspaal van Gesuri in Maiioliatlii; en hij noeni-tle Basan naar zijnen naam Havvoth-Jaïr, tot op den ag van heden. 15 En aan Machir gaf ik ilead. 16 En aan de Rubenieten tffen Gadieten gaf ik een gedeelte van Gilead tot aan de beek Anion , midden in de beek, die de grensscheiding is, cn tot aan de beek Jabbok, die de grensscheiding der kinderen Amnions is; 17 daarbenevens het vlakke veld, en den Jordaan, die de grensscheiding is, van Kinnéreth af tot aan de zee des vlakken velds, namelijk de Zoutzee, beneden aan den berg Pisga, tegen het oosten. 18 En ik gebood u te dier tijd, zeggende: De Heer uw God heeft u dit land gegeven om het inte-nemen; zoo trekt nu gewapend voor uwe broeders, de kinderen Israëls, uit, alwat strijdbaar is, |
19 behalve uwe vrouwen en kinderkens; en laat uw vee — want ik weet dat gij veel vee hebt — in uwe steden blijven die ik u gegeven heb; 20 totdat de Heer uwen broeders óók rust geve gelijk u, dat ook zij het land innemen hetwelk de Heer uw God hun geven zal aan gene zijde van den Jordaan; dan zult gij wederkeeren tot uwe bezitting die ik u gegeven heb. 21 En ik gebood Jozua te dier tijd, zeggende: Uwe oogen hebben gezien alwat de Heer uw God aan deze twee koningen gedaan heeft: alzóó zal de Heer aan alle koninkrijken doen waarheen gij nu trekt. 22 Vreest niet voor hen, want de Heer uw God strijdt voor u. 23 En ik bad den Heer te dier tijd , zeggende: 24 Heere Heers, gij hebt begonnen uwen knecht uwe heerlijkheid en uwe sterke hand te toonen; want waar is een God in den hemel en op de aarde, die zou kunnen doen naar uwe werken en naar uwe macht? 25 Laat mij gaan en zien dat goede land aan gene zijde van den Jordaan, dit goede gebergte en den Libanon. |
DEUTEE0N0M1UM 4.
348
|
36 Doch. de Heer was vertoornd op mij om uwentwil , en verhoorde mij niet: maar hij sprak tot mij: Laat het u genoeg zijn, spreek mij daarvan niet meer: 27 klim op de hoogte van den berg Pisga en hef uwe oogeu op tegen het westen en tegen het noorden en tegen het zuiden en tegen het oosten, en zie het met uwe oogen; want gij zult niet over dezen Jor-daan gaan. 28 En gebied Jozua dat hij moedig en onversaagd zij; want hij zal over den Jordaan trekken voor het volk uit, en zal hun dat land uitdeelen hetwelk gij zien zult. — 29 Alzoo bleven wij in het dal tegenover Betli-Peor. HOOFDSTUK 4. 1 En nu Israël, hoor naar de geboden en inzettingen die ik u leer, dat gij die doen zult; opdat gij leven moogt en inkomen, en het land beërven hetwelk de Heer, de God uwer vaderen, u geeft. 2 Gij zult niets toedoen tot hetgeen ik u gebied, en zult er ook niets afdoen; opdat gij bewaren moogt de geboden van den Heer uwen God die ik u gebied. |
3 Uwe oogen hebben gezien wat de Heer gedaan heeft tegen Baal-Peor; want allen die Baiil-Peor volgden, heeft de Heer uw God onder u verdelgd; 4 maar gij die den Heer uwen God aanhingt, leeft allen heden ten dage. 5 Zie, ik heb u de geboden en inzettingen geleerd, gelijk de Heer mijn God mij geboden heeft; dat gij alzoo doen zult in het land waarheen gij gaat om het intenemen. 6 Zoo onderhoudt die dan en doet ze; want dat zal uwe wijsheid en uw verstand zijn bij alle volken, wanneer zij hooren zullen al deze geboden, dat zij zeggen moeten: Welke wijze en verstandige lieden zijn dit, en welk een heerlijk volk! 7 Want waar is zulk een heerlijk volk, hetwelk de goden zóó nabij zijn, als de Heer onze God zoodikwijla wij hem aanroepen? 8 En waar is zulk een heerlijk volk, dat zulke rechtvaardige wetten en geboden heeft, als deze ge-heele wet is die ik u heden voorleg? 9 Wacht u nu en bewaar uwe ziel wel, dat gij niet vergeet de gebeurtenissen |
DEUTEEONOMIUM 4.
349
|
lie uwe oogen gezien helgt; )en, en dat zij niet uit uw lart gaan al de dagen mvs evens, en dat gij die uwen dnderen en kindskinderen lekendmaakt: ] 0 ten dage toen gij stondt rooi- den Heer uwen God lan den berg Horeb, toen le Heer tot mij zeide: Vergader mij dit volk, opdat ;ij mijne woorden hooren, n mij leeren vreezen al de 'agen huns levens op de arde, en het leeren aan liunne kinderen. 11 En gij naderdet, en tondt beneden aan den jberg, en de berg brandde tot midden aan den hemel; cn er was duisternis, wolken en donkerheid. 12 En de Heer sprak tot u midden uit het vuur; de stem zijner woorden hoordet gij, maar geen gedaante zaagt gij, behalve de stem. 13 En hij verkondigde u zijn verbond, hetwelk hij u gebood te doen, namelijk de tien woorden, en schreef die op twee steenen tafelen. 14 En de Heer gebood mij te dier tijd, dat ik u geboden en inzettingen zou leeren, en dat gij er naar doen zoudt in het land naar hetwelk gij trekt om het intenemen. |
15 Zoo bewaart nu uwe gij hebt gezien ten dage toen de Heer met u sprak uit het vuur op den berg Horeb; 16 dat gij u niet in het verderf stort noch u eenig beeld maakt, dat gelijk zij aan een man of vrouw, 17 of eenig gedierte op de aarde, of vogel onder den hemel, 18 of gewormte op het land , of visch in het water onder de aarde; 19 dat gij ook niet uwe oogen opheft naar den hemel , en de zon en de maan en de sterren, het geheele heir des hemels, aanziet, en u laat verleiden om die te aanbidden en ze te dienen — welke de Heer uw God gesteld heeft voor alle volken onder den ganschen hemel; 20 maar ulieden heeft de Heer aangenomen en u uit den ijzeroven, uit Egypte, gevoerd, opdat gij zijn erf-volk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is. 21 En de Heer was zóó vertoornd op mij wegens uw doen, dat hij zwoer dat ik niet over den Jordaan zou gaan, noch in dat goedo land komen hetwelk de Heer uw God u tot een erfdeel geven zal. zielen wel; want geen gedaante |
DEUTEKONOMIUM 4.
350
|
33 Want ik moet in dit land sterven, en zal niet over den Jordaan gaan; maar gij zult er overgaan en dat goede land innemen. 33 Zoo wacht u nu dat gij het verbond van den Heer uwen God niet vergeet , hetwelk hij met u gemaakt heeft, en geen beelden maakt van eenige gelijkenis; gelijk de Hear uw God u geboden heeft. 34 Want de Heer uw God is een verterend vuur en een ijverig God. 35 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen verwekt, en in hot land woont, en u in het verderf stort, en u beelden van eenigerlei gelijkenis maakt, zoodat gij kwaad doet voor den Heer uwen God, en gij hem vertoornt : 36 zoo roep ik heden hemel en aarde tot getuigen over u, dat gij spoedig dat land weder verliezen zult, naar hetwelk gij over den Jordaan gaat om het inte-nemen; gij zult daarin niet lang blijven, maar gij zult verdelgd worden. 37 En de Heer zal u verstrooien ouder de volken; en gij zult als een gering volkje overblijven onder de vreemde volken waarheen de Heer u drijven zal. |
38 Aldaar kunt gij dan goden dienen die het werk van menschenhanden zijn: hout en steen, die niet zien noch hooren noch eten noch ruiken. 39 Maar wanneer gij vandaar den Heer uwen God zoeken zult, zoo zult gij hem vinden, als gij hem met uw gansche hart en ziel zult zoeken. 30 Wanneer gij beangst zult zijn, en al deze dingen ii treften zullen in de laatste dagen, zoo zult gij u be-keeren tot den Heer uwen God, en aan zijne stem gehoorzaam zijn; 31 want de Heer uw God is een barmhartig God: hij zal u niet verlaten noch in het verderf storten, en zal ook niet vergeten het verbond hetwelk hij uwen vaderen gezworen heeft. 33 Want vraag naar de vorige tijden, die vóór u geweest zijn, van dien dag af dat God den mensch op de aarde geschapen heeft, van het ééne einde des hemels tot het andere, — of ooit zulk eene groote zaak geschied of iets dergelijks ooit gehoord is: 33 dat een volk de stem Gods gehoord heeft uit het vuur sprekende, gelijk gij |
DEUTERONOMIUM 4.
351
|
gehoord hebt, en in het leven is gebleven; 34 of dat God beproefd heeft integaan en zich een volk midden uit een volk te nemen door beproevingen, door teekenen, door wonderen , door strijd, en door een machtige hand en door een uitgestrekten arm, en door verschrikkelijke da-dei.; gelijk de Heer uw God dit alles voor u gedaan heeft in Egypte voor uwe oogen, 85 Gij hebt het gezien, opdat gij weten zoudt dat de Heer alleen God is, en niemand meer. 36 Van den hemel heeft hij u zijne stem doen hoo-ren, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft hij u zijn groot vuur getoond, en zijne woorden hebt gij uit het vuur gehoord. 37 Daarom dat hij uwe vaderen liefgehad en hun zaad na hen verkoren heeft, daarom heeft hij u uitgevoerd uit Egypte met zijn aanschijn, door zijne groote kracht, 38 opdat hij volken, groo-ter en sterker dan gij zijt, voor uwe oogen uit hunne bezitting verdreven en u hun land tot een erfdeel geven zou, gelijk het heden geschied is. |
39 Zoo zult gij nu heden weten en ter harte nemen, dat de Heer God is-, boven in den hemel en beneden op de aarde, en niemand meer; 40 en onderhoud zijne in-ettingen en geboden die ik u heden gebied, zoo zal het u welgaan, en uwen kinderen na u; opdat uw leven lang dure in het land hetwelk de Heer uw God u geeft eeuwiglijk. — 41 Toen zonderde Mozes drie steden af, aan gene zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon, 42 opdat daarheen zoude kunnen vluchten wie zijnen naaste onvoorziens doodt, en hem tevoren niet vijandig geweest is; hij zal in een van die steden vluchten, opdat hij in leven moge blijven: 43 Bezer in de woestijn, in het elfen land, voor de Eubenieten; en Eamoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Basan, voor de Manassieten. —- 44 Dit is de wet welke Mozes den kinderen Israëls yoorleide; 45 dit zijn de getuigenissen, de geboden en inzettingen, welke Mozes den kinderen Israëls zeide, toen zij uit Egypte getrokken waren; |
A
DEÜTEKONOMIUM 5.
352
|
46 aan gene zijde van den Jordaan, in het land tegenover Betli-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten die te Hesbon woonde, dien Mozes en de kinderen Israëls versloegen, toen zij uit Egypte getrokken waren 47 en zijn land innamen; alsook het land van Og den koning van Basan: twee koningen der Amorieten, die aan gene zijde van den Jordaan waren tegen den opgang der zon: 48 van Arocr af hetwelk aan den oever der beek Ar-non ligt, tot aan den berg Sion, dat is Herraon; 49 en al het vlakke veld aan gene zijde van den Jordaan , tegen den opgang der zon, tot aan de zee in het vlakke veld, beneden aan den berg Pisga. HOOFDSTUK 5. 1 En Mozes riep geheel Israël bijéén, en sprak tot hen: Hoor, Israël, de geboden en inzettingen welke ik heden voor uwe ooren spreek; en leert ze en onderhoudt ze, dat gij er naar doet. 2 De Heer onze God heeft een verbond met ons gemaakt bij Horeb. |
3 En hij heeft dit verbond gemaakt niet met onze vaderen maar met ons, die hier heden allen levend zijn/ 4 Hij heeft met u van aangezicht tot aangezicht gesproken uit het vuur op den berg, ■— 5 ik stond te dier tijd tusschen den Heer en u, om u het woord des Hee-ren bekendtemaken, - toen gij voor het vuur vreesdet en niet op den berg gingt — zeggende: 6 Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, gevoerd heb. 7 Gij zult geen andere goden vóór mij hebben. 8 Gij zult u geen beeld maken van eenige gelijkenis, noch van hetgeen boven in den hemel, noch van hetgeen beneden op de aarde, noch van hetgeen in het water onder de aarde is. 9 Gij zult die niet aanbidden noch hen dienen; want ik de Heer uw God ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, tot in het derde en vierde lid dergenen die mij haten; 10 en barmhartigheid bewijs aan vele duizenden, dengenen die mij liefheb- |
DEUTERONOMIUM 5.
353
|
ben en mijne geboden houden. 11 Gij zult den naam van den Heer uwen God niet misbruiken, want de Heer zal niet ongestraft laten wie zijnen naam misbruikt. 12 Den sabbatdag zult gij onderhouden, dat gij dien heiligt, gelijk de Heer uw God u geboden heeft. 13 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 14 maar de zevende dag is de sabbat vaia den Heer uwen God, dan zult gij geen arbeid doen, noch uw zoon noch uwe dochter, noch uw knecht noch uwe dienstmaagd, noch uw os noch uw ezel noch iets van uw vee, noch de vreemdeling die in uwe poorten is; opdat uw knecht en uwe dienstmaagd ruste zoowel als gij; 15 want gij zult gedenken, dat gij óók een knecht in Egypteland waart, en dat de Heer uw God u vandaar heeft uitgevoerd met een machtige hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft de Heer uw God u geboden dat gij den sabbatdag zult onderhouden. |
16 Gij zult uwen vader en uwe moeder eeren, gelijk de Heer uw God u geboden heeft, opdat gij lang leeft en het u welga in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal. 17 Gij zult niet dooden. 18 Gij zult geen overspel doen. 19 Gij zult niet stelen. 30 Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. 31 En gij zult niet be-geeren uws naasten huisvrouw , gij zult niet begee-ren uws naasten huis, akker, knecht, dienstmaagd, os, ezel, noch iets dat het zijne is. —- 32 Dit zijn de woorden welke de Heer tot uwe ge-heele gemeente sprak op den berg, uit het vuur, uit de wolk en uit de donkerheid, met eene groote stem, en hij voegde niets daaraan toe; en hij schreef die op twee steenen tafelen en gaf ze mij. 23 En toen gij die stem uit de duisternis hoordet, en den berg zaagt branden in het vuur, toen traadt gij tot mij, al de oversten uwer stammen en uwe oudsten , .2-1: en gij zeidet: Zie, de Heer onze God heeft ons laten zien zijne heerlijkheid en zijne majesteit, en wij hebben zijne stem uit het 13 |
|
854 vuur gehoord; heden hebben wij gezien dat God met menschen spreekt, en dat zij in het leven blijven. 35 En nu, waarom zouden wij sterven, dat dit groote vuur ons verteerde? Zoo wij nog verder de stem van den Heer onzen God hoorden, zoo zouden wij sterven. 36 Want wie is er van alle vleesch, die zou kunnen hooren de stem des levenden Gods, sprekende uit het vuur, gelijk wij, en levend blijven? 37 Treed gij toe, en hoor alwat de Heer onze God zeggen zal, en zeg het ons; alwat de Heer onze God met u spreken zal, dat willen wij hooren en doen. 38 Toen nu de Heer uwe woorden hoorde die gij tot mij spraakt, zeide hij tot mij: Ik heb de woorden van dit volk gehoord, die zij tot u gesproken hebben: het is goed alwat zij gesproken hebben. 39 Och dat zij zulk een hart hadden om mij te vreezen en al mijne geboden te houden, hun leven lang, opdat het hun welging, en hunnen kinderen na hen, eeuwiglijk! 80 Ga heen en zeg hun: Graat naarhuis in uwe hutten. |
31 Maar gij, sta hier vóór mij, opdat ik tot u spreke al de wetten en geboden en inzettingen die gij hun leeren zult, opdat zij er naar doen in het land hetwelk ik hun geven zal om het intenemen. 33 Zoo geeft dan acht, dat gij doet gelijk do Heer uw God u geboden heeft, en wijkt daarvan niet af, noch ter rechter- noch ter linkerhand; 33 maar wandelt in al de wegen welke de Heer uw God u geboden heeft, opdat gij moogt leven en het u welga, en gij lang leeft in het land hetwelk gij innemen zult. HOOFDSTUK 6. 1 Dit nu zijn de wetten en geboden en inzettingen welke de Heer uw God geboden heeft, opdat gij die leeren en doen zoudt in het land waarheen gij trekt om het intenemen; 3 opdat gij den Heer uwen God vreest, en al zijne inzettingen en geboden onderhoudt die ik u gebied, gij en uwe kinderen en uwe kindskinderen, al uw leven lang, opdat gij lang leeft. 3 Israël, gij zult hooren en achtgeven, dat gij het doet, opdat het u welga en DEUTERONOMIUM 6. |
DEUTERONOMIUM 6. 355
|
gij zeer vermenigvuldigd wordt — gelijk de Heer, de God uwer vaderen, u beloofd heeft — in een land waar melk en honig vloeit. 4 Hoor, Israël, de Heer onze God is de éénige Heer; 5 en gij zult den Heer uwen God liefhebben met uw gansche hart en met uwe gansche ziel en met al uwe kracht. 6 En deze woorden, die ik u heden gebied, zult gij ter harte nemen; 7 en gij zult die uwen kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit of op den weggaat, als gij u nederlegt of opstaat. 8 En gij zult die binden tot een teeken op uwe hand, en zij zullen u een gedenk-teeken voor uwe oogen zijn; 9 en gij zult die schrijven op de posten van uw huis en aan uwe poorten. 10 Wanneer nu de Heer uw God u in dat land brengen zal, hetwelk hij uwen vaderen, Abraham, Isaiik en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven; groote en schoone steden die gij niet gebouwd hebt, |
11 en huizen, vol van allerlei goed, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten die gij niet uitgehouwen hebt, en wijnbergen en olijfgaarden die gij niet geplant hebt, opdat gij eet en verzadigd wordt,—- 12 zoo wacht u dat gij den Heer niet vergeet, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, gevoerd heeft. 13 Maar gij zult den Heer uwen God vreezen en hem dienen, en bij zijnen naam zweren; 14 en zult andere goden niet navolgen, uit de goden der volken die rondom u zijn. 15 Want de Heer uw God is een ijverig God onder u: opdat niet de toorn van den Heer uwen God tegen u ontsteke en u verdelge van de aarde. lü Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken, gelijk gij hem verzocht hebt te Massa; 17 maar gij zult houden de geboden van den Heer uwen God, en zijne getuigenissen en zijne inzettingen die hij u geboden heeft; 18 dat gij doet hetgeen recht en goed is voor de oogen des Heeren, opdat het u welga, en gij moogt intrekken en innemen het goede land, hetwelk de Heer uwen vaderen gezworen heeft; 19 dat hij al uwe vijanden |
356 DEUTEKONOMIUM 7.
|
voor u verjage, gelijk de Heer gesproken heeft. 30 Wanneer nu uw zoon heden of morgen u vragen zal, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, geboden en inzettingen, die de Heer onze God u geboden heeft? 21 zoo zult gij tot uwen zoon zeggen: Wij waren knechten van Farao in Egypte, en de Heer voerde ons uit Egypte met een machtige hand; 22 en de Heer deed groote en kwade teekenen en wonderen aan Egypte, en aan Farao en aan al zijn huis, voor onze oogen; 23 en hij voerde ons vandaar uit, opdat hij ons invoerde en ons het land gave hetwelk hij onzen vaderen gezworen had. 24 En de Heer heeft ons geboden te doen naar al deze inzettingen, om den Heer onzen üod te vreezen; opdat het ons welga ons leven lang, gelijk het heden ten dage is. 25 En het zal onze gerechtigheid zijn voor den Heer onzen God, als wij al deze geboden onderhouden en doen. gelijk hij ons geboden heeft. |
HOOFDSTUK 7. 1 Wanneer de Heer uw God u gebracht zal hebben in het land waarheen gij gaat om het intenemen, en uitgeroeid zal hebben vele volken voor uwe oogen: de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanailnieten, Ferezieten, Hevieten en Je-busieten, zeven volken die grooter en sterker zijn dan gij; 2 en wanneer de Heer uw God hen voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dat gij hen slaat: zoo zult gij hen verbannen, dat gij geen verbond met hen maakt en hun geen gunst bewijst. 3 Én gij zult u met hen niet vermaagschappen; uwe dochters zult gij niet geven aan hunne zonen, en hunne dochters zult gij niet nemen voor uwe zonen. 4 Want zij zouden uwe zonen van mij afvallig maken om andere goden te dienen; zoo zou de toorn der Heeren ontsteken tegen u en u plotseling verdel-gen. 5 Maar aldus zult gij met hen doen: hunne altaren zult gij omverwerpen, hunne zuilen verbreken, hunne bos-schen afhouwen, en hunne |
DEUTEKONOMIUM 7. 357
|
afgoden met vuur verbranden. 6 Want gij zijt een heilig volk Gotle uwen Heer: u lieeft de Heer uw Godverkoren tot een volk des eigen-doms uit alle volken die op de aarde zijn. 7 Niet omdat gij talrijker waart dan alle andere volken lieeft de Heer u aangenomen en verkoren, want gij zijt het minste onder alle volken ; 8 maar omdat hij u liefgehad heeft, en den eed hield dien hij uwen vaderen gezworen had, heeft hij u uitgevoerd met een machtige hand, en heeft n verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao den koning van Egypte. 9 Zoo zult gij nu weten, dat de Heer uw God, God is: een getrouw God, die het verbond en de barmhartigheid houdt aan degenen die hem liefhebben en zijne geboden onderhouden, tot in duizend geslachten; 10 en vergeldt een ieder dergenen die hem haten in zijn aangezicht, dat hij hem ombrengt; en hij stelt het niet uit, dat hij dien vergeldt in zijn aangezicht, die hem haat. |
11 Zoo onderhoud nu de geboden en wetten en inzettingen die ik u heden gebied, dat gij er naar doet. 12 En wanneer gij deze geboden hoort en die onderhoudt en er naar doet, zoo zal de Heer uw God ook houden het verbonden de barmhartigheid die hij uwen vaderen gezworen heeft, 13 en hij zal u liefhebben en zegenen en vermenigvuldigen , en hij zal de vrucht uws lichaams zegenen , en de vrucht uws lands, uw koren, uw most en uwe olie, de vrucht uwer koeien en de vrucht uwer schapen, in het land hetwelk hij uwen vaderen gezworen heeft u te zullen geven. 14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal niemand onvruchtbaar zijn onder u, noch onder uw vee. 15 De Heer zal alle krankheid van u afwenden, en zal geene der kwade ziekten van Egypte, die gij kent, u doen overkomen, maar hij zal die op al uwe haters leggen. iö Gij zult alle volken verteren welke de Heer uw God u geven zal; gij zult hen niet verschoonen en hunne goden niet dienen; want dat zou u ten valstrik zijn. |
DEUTERONOMIUM 8.
858
|
17 Maar indien gij in uw hart zult zeggen: Dit volk is meerder dan ik, hoe kan ik hen verdrijven? 18 zoo vrees niet voor hen: gedenk wat de Heer uw God aan Farao en aan alle Egyptenaars gedaan heeft, 19 door groote beproevingen die uwe oogen gezien hebben, en door teekenen en wonderen, door een machtige hand en een i.itgestrek-ten arm, met welke de Heer uw God u uitgevoerd heeft: alzoo zal de Heer uw God doen aan alle volken voor welke gij vreest. 20 Ook zal de Heer uw God landplagen onder hen zenden, totdat omgebracht worde hetgeen overig is en wat zich voor u verbergt. 31 Verschrik niet voor hen; want de Heer uw God is onder u, een groot en vreeselijk God; 22 hij, de Heer uw God zal deze lieden uitroeien voor ii, allengs na elkander; gij kunt hen niet schielijk verdelgen, opdat de dieren op het veld zich niet tegen u vermenigvuldigen. 23 De Heer uw God zal hen voor uw aangezicht overleveren , en zal hen met groote slagen verslaan, tot hij hen heeft uitgedelgd. |
24 En hij zal hunne koningen in uwe hand geven, en gij zult hunnen naam uitdelgen van onder den hemel: niemand zal u we-derstaan totdat gij hen hebt uitgedelgd. 25 De beelden hunner goden zult gij met vuur verbranden, en zult niet begeeren of tot u nemen het zilver of goud dat daaraan is, opdat gij er niet door verstrikt wordt; want dat is den Heer uwen God een gruwel. 26 Daarom zult gij dien gruwel niet in uw huis brengen, opdat gij niet wordt verbannen, gelijk datgene is; maar gij zult een walg en een afschuw daarvan hebben, want het is verbannen. HOOFDSTUK 8. 1 Al de geboden die ik u heden gebied zult gij onderhouden , dat gij er naar doet, opdat gij moogt leven en vermenigvuldigd worden, en inkomen en het land innemen hetwelk de Heer uwen vaderen gezworen heeft. 2 En gedenk aan den ge-heelen weg, langs welken de Heer uw Gocl u geleid heeft in de woestijn, deze veertig jaar, om u te verootmoedigen en te beproe- |
DEUTEEONOMIUM 8.
359
|
ven, opdat bekend wierd wat in uw hart was, of gij zijne geboden zoudt onderhouden of niet. 3 Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met manna, dat gij en uwe vaderen nooit gekend hebt; opdat hij u bekendmaakte, dat de mensch niet leeft van brood alleen, maar van alwat uit den mond des Heeren gaat. 4 Uwe kleederen zijn aan u niet versleten, en uwe voeten zijn niet gezwollen, deze veertig jaar. 5 Dus erkent gij immers in uw hart, dat de Heer uw God u onderwezen heeft gelijk een man zijnen zoon onderwijst. 6 Zoo onderhoud dan nu de geboden van den Heer uwen God, dat gij in zijne wegen wandelt en hem vreest. 7 Want de Heer uw God voert u in een goed land, een land waarin beken en fonteinen en meren zijn, die op de bergen en in de dalen ontspringen; 8 een land waarin tarwe, gerst, wijnstokken, vijge-boomen en granaatappelen zijn; een land waarin olijf-boomen zijn en honig is; |
9 een land waar gij brood zonder schaarschte eten zult, waar u niets ontbreken zal; een land welks steenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper houwen zult. 10 En als gij gegeten hebt en verzadigd zijt, zoo loof den Heer uwen God voor dat goede land hetwelk hij u gegeven heeft. 11 Wacht u dan dat gij den Heer uwen God niet vergeet, door zijne geboden, wetten en inzettingen, die ik u heden gebied, niet te onderhouden; 13 dat, wanneer gij gegeten hebt en verzadigd zijt, en goede huizen bouwt en daarin woont, 13 en uwe runderen en schapen, uw zilver en goud en alwat gij hebt zich vermeerdert, — 14 dat alsdan uw hart zich niet verheft'e en gij den Heer uwen God vergeet, die u uitEgypteland, uit het diensthuis, gevoerd heeft, 15 en u geleid heeft door die groote en vreeselijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen waren, en enkel dorheid en geen water was; die u water uit de harde steenrots liet voortkomen , 16 en u spijsde met manna in de woestijn, van hetwelk uwe vaderen niet geweten hebben; om u te veroot- |
DEUTEKONOMIUM 9.
360
|
moedigen en te beproeven, opdat hij u daarna zou weldoen: 17 gij mocht anders in uw hart zeggen: Mijne kracht en de sterkte mijner handen heeft mij dit vermogen teweeggebracht; 18 maar dat gij gedenken zoudt aan den Heer uwen God; want hij is het die u krachten geeft om zulk vermogen te verkrijgen; opdat hij zijn verbond houde hetwelk hij uwen vaderen gezworen heeft, gelijk het heden ten dage is. 19 Maar indien gij den Heer uwen God zult vergeten , en andere goden navolgen en hen dienen cn hen aanbidden, zoo betuig ik heden tegen u dat gij zult omkomen: 20 evenals de volken welke de Heer ombrengt voor uw aangezicht, zóó zult gij ook omkomen, omdat gij niet hooren wildet naar de stem van den Heer uwen God. HOOFDSTUK 9. 1 Hoor Israël, gij zult heden over den Jordaan gaan, opdat gij inkomt, om volken te bemachtigen die grooter en sterker zijn dan gij: groote steden die be-muurd zijn tot aan den hemel toe; |
2 een groot en talrijk volk, de kinderen van Enak, die gij kent, waarvan gij hebt hooren zeggen: Wie kan tegen de kinderen van Enak bestaan ? 3 Zoo zult gij nu heden weten, dat de Heer uw God, die voor u uitgaat, een verterend vuur is; hij zal hen verdelgen en zal ze nederwerpen voor u uit, en zal hen schielijk verdrijven en ombrengen, gelijk de Heer tl beloofd heeft. 4 Wanneer nu de Heer uw God hen uitgestooten heeft voor n uit, zoo zeg niet in uw hart: De Heer heeft mij om mijne gerechtigheid hier ingevoerd om dit land intenemen; want de Heer verdrijft deze volken voor u uit om hunne goddeloosheid. 5 Gij gaat hun land niet in bezit nemen om uwe gerechtigheid cn om de oprechtheid uws harten, maar de Heer uw God verdrijft deze volken om hunne goddeloosheid , en opdat hij het woord houde hetwelk de Heer uwen vaderen, Abraham, Isaiïk en Jakob, gezworen heeft. 6 Zoo weet nu dat de Heer uw God u niet om uwe gerechtigheid dit goede land geeft om het intene- |
DEUTERONOMIUM 9.
S61
|
men, nademaal gij een halsstarrig volk zijt. 7 Gedenk, vergeet niet, hoe gij den Heer uwen God vertoorndet in de woestijn; van dien dag af dat gij uit Egypte!and trokt, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats, zijt gij den Heer ongehoorzaam geweest. 8 Eeeds bij Horeb vertoorndet gij den Heer zóózeer dat hij van toorn u wilde verdelgen; 9 toon ik op den berg gegaan was om de steenen tafelen te ontvangen, de tafelen des verbonds hetwelk de Heer met ulieden gemaakt had, en ik veertig dagen en veertig nachten op den berg bleef, en geen brood at en geen water dronk, 10 en de Heer mij de twee steenen tafelen gaf, met den vinger Gods beschreven, en waarop al de woorden waren die de Heer niet ulieden uit het vuur op den berg gesproken had op den dag der biiéénkomst. 11 Het was na veertig dagen en veertig nachten, dat de Heer mij de twee steenen tafelen des verbonds gaf, |
12 en tot mij sprak: Maak u op, klim schielijk af vanhier; want uw volk, hetwelk gij uit Egypte gevoerd hebt, heeft het verdorven; zij zijn schielijk afgeweken van don weg dien ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt. 13 En de Heer sprak tot mij: Ik zie dat dit volk een halsstarrig volk is: 14 laat af van mij, opdat ik hen verdelge en hunnen naam uitwissche van onder den hemel; ik wil van u een volk maken, machtiger en grooter dan dit is. 15 En als ik mij wendde en van den berg afklom, die in het vuur brandde, en de twee tafelen des verbonds in mijne beide handen had, 16 toen zag ik, en zie, toen hadt gij tegen den Heer uwen God gezondigd, omdat gij u een gegoten kalf gemaakt hadt, en schielijk afgeweken waart van den weg dien de Heer u geboden had. 17 Toen vatte ik de twee steenen tafelen, en ik wierp die uit mijne handen, en brak ze voor uwe oogen. 18 En ik viel voor den Heer neder als tevoren, veertig dagen en veertig nachten, en at geen brood en dronk geen water, wegens al uwe zonde welke gij ge- |
DEUTERON OMIUM 10.
362
|
daan liadt, toen gij dat kwaad deedt voor den Heer en liem vertoorndet; 19 want ik vreesde voor den toorn en de verbolgenheid, met welke de Heer op u vertoornd was, zoodat hij u verdelgen wilde; doch de Heer verhoorde mij ook ditmaal. 30 Ook was de Heer zeer toornig op Aaron, zoodat hij hem verdelgen wilde; doch ik bad ook voor Aaron te dier tijd. 31 Maar uwe zonde, het kalf hetwelk gij gemaakt hfldt, nam ik en verbrandde het met vuur, en sloeg het in stukken, en vermaalde het, totdat het stof werd, en wierp het stof in de beek die van den berg afvloeit. 33 Zoo vertoorndet gij den Heer ook te ïabéra, en te Massa, en bij de Lust-graven. 33 En toen hij u uit Ka-des-Barnéa zond, zeggende: Gaat op en neemt liet land in, hetwelk ik u gegeven heb, toen waart gij ongehoorzaam aan het bevel van den Heer uwen God, en gij geloofdet hem niet, en hoor-det niet naar zijne stem. 34 quot;Want gij zijt den Heer ongehoorzaam geweest zoolang als ik u gekend heb. |
35 Toen viel ik voor den Heer neder, die veertig dagen en veertig nachten waarin ik mij nederwierp; want de Heer sprak dat hij u verdelgen wilde. 36 Maar ik bad tot den Heer en sprak: HeereHeere, verderf uw volk en uw erfdeel niet, hetwelk gij door uwe groote kracht verlost en met een machtige hand uit Egypte gevoerd hebt. 37 Gedenk aan uwe knechten, Abraham, Isaiik en Jakob; zie niet op de hardheid en de goddeloosheid en de zonde des volks; 38 opdat men in het land uit hetwelk gij ons gevoerd hebt niet zegge: De Heer kon hen niet in het land brengen dat hij hun toegezegd had, en hij heeft hen uitgevoerd omdat hij vergramd op hen was, om hen te dooden in de woestijn. 29 Want zij zijn uw volk en uw erfdeel, hetwelk gij met uwe groote kracht en met uw uitgestrekten arm uitgevoerd hebt. HOOFDSTUK 10. 1 Te dier tijd sprak de Heer tot mij; Houw u twee steenen tafelen gelijk de eerste, en kom tot mij op dezen berg; en maak u ook eene houten ark; |
DEÜTËEONOMIUM 10.
363
|
3 zoo zal ik op die tafelen sclirijven de woorden die op de eerste waren, welke gij gebroken hebt, en gij zult die in de ark leggen. 3 Alzoo maakte ik eene ark van cederhout, en hieuw twee steenen tafelen gelijk de eerste waren; en ik klom op den berg, en had de twee tafelen in mijne hand. 4 Toen schreef hij op de tafelen, gelijk het eerste schrift was, de tien woorden welke de Heer tot u gesproken heeft op den berg uit het vuur, ten tijde dei-bijéénkomst; en de Heer gaf die mij. 5 En ik keerde mij en klom van den berg af, en leide de tafelen in de ark welke ik gemaakt had, opdat die aldaar zijn zouden, gelijk de Heer mij geboden had. 6 En de kinderen Israels trokken uit van Eeëroth Benc-Jailkan naar Mosera. Aldaar stierf Aaron en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar werd priester in zijne plaats. 7 quot;Vandaar trokken zij uit naar Gudgod, en van Gud-god naar Jotbath, een land alwaar beken zijn. |
8 Te dier tijd zonderde de Heer den stam Levi af, om de ark van het verbond des Heeren te dragen, en te staan voor den Heer om hem te dienen en zijnen naam te loven, gelijk het is op dezen dag. 9 Daarom zullen de Levieten geen deel noch erf-bezit hebben met hunne broeders; want de Heer is hun erfdeel, gelijk de Heer uw God tot hen gesproken heeft. 10 Ik nu stond op den berg, gelijk tevoren, veertig dagen en veertig nachten; en de Heer verhoorde mij ook ditmaal en hij wilde u niet verderven, 11 maar hij sprak tot mij: Maak u op en ga heen, om voor het volk uittetrek-ken, opdat zij inkomen en het land innemen, hetwelk ik hunnen vaderen gezworen heb hun te zullen geven. — 12 Nu Israël, wat eischt de Heer uw God van u, dan dat gij den Heer uwen God vreest, dat gij in al zijne wegen wandelt en hem lief hebt, en den Heer uwen God dient met uw gansche hart en ziel; 13 dat gij onderhoudt de geboden des Heeren en zijne inzettingen, die ik u heden gebied, opdat het u welga. 14 Zie, de hemel, en aller |
364 DEUTEEONOMIUM 11.
|
hemelen hemel, en de aarde en alwat daarop is, is des Heeren uws Gods. 15 Nochtans heeft hij alleen lust gehad aan uwe vaderen, dat hij hen beminde, en heeft ulieden, hun zaad na hen, verkoren uit alle volken, gelijk het heden ten dage is. 16 Zoo besnijdt nu de voorhuid uws harten, en zijt voortaan niet halsstarrig; 17 want de Heer uw God is de God aller goden en de Heer boven alle heeren, een groot God, machtig en vreesdij k, die den persoon niet acht en geen geschenken neemt; 18 die recht doet aan den wees en de weduw, en die de vreemdelingen liefheeft, dat hij hun spijs en kleederen geeft. 19 Daarom zult gij ook de vreemdelingen liefhebben, want gij zijt óók vreemdelingen geweest in Egypte-land. 20 Den Heer uwen God zult gij vreeezen, hem zult gij dienen, hem zult gij aanhangen en bij zijnen naam zweren. 21 Hij is uw roem en uw God, die bij u zulke groote en vreeselijke dingen gedaan heeft als uwe oogen gezien hebben. |
23 Uwe vaderen trokkën af naar Egypte met zeventig zielen, maar nu heeft de Heer uw God u vermenigvuldigd als de sterren aan den hemel. HOOFDSTUK 11. 1 Zoo zult gij nu den Heer uwen God liefhebben, en zijne wet, zijne inzettingen, zijne rechten en zijne'geboden onderhouden uw leven lang. 2 En erkent heden, hetgeen uwe kinderen niet weten noch gezien hebben, namelijk de onderwijzing van den Heer uwen God, zijne heerlijkheid, alsook zijne machtige hand en zijn uitgestrekten arm; 3 en zijne teekenen en werken welke hij gedaan heeft onder de Egyptenaars, aan Farao den koning van Egypte en aan geheel zijn land; 4 en wat hij aan het heir der Egyptenaren gedaan heeft, aan hunne paarden en wagens, toen hij het water van de Schelfzee over hen bracht, toen zij u najoegen en de Heer hen verdelgde, tot op dezen dag; 5 en wat hij u gedaan heeft in de woestijn, totdat gij aan deze plaats gekomen zijt: |
DEUTEEONOMIUM 11,
363
|
6 wat hij gedaan heeft aan Dathan en Abiram, zonen van Eliab, Eubens zoon; hoe de aarde haren mond opende en hen verslond met hunne huisgezinnen en hutten, en met al hun goed dat zij verworven hadden in het midden van geheel Israël. 7 Want uwe oogen hebben al die groote werken des Heeren gezien, welke hij gedaan heeft. 8 Daarom zult gij al de geboden onderhouden welke ik u heden gebied, opdat gij gesterkt wordt om mte-komen en het land intenc-men, waarheen gij trekt om het te beërven; 9 en dat gij lang moogt leven in het land hetwelk de Heer uwen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven, en hnnnen zade;een land waar melk en honig vloeit. 10 quot;Want het land waarheen gij gaat om het inte-nemen, is niet gelijk Egyp-teland waar gij uitgetrokken zijt, dat gij bezaaien moest met uw zaad, en zelve besproeien moest gelijk een moestuin; 11 maar het heeft bergen dalen, welke de regen van den hemel drenkt; 13 een land op hetwelk |
de Heer uw Godachtgeeft, en op hetwelk de oogen van den Heer uwen God altoos zien, van het begin des jaars tot het einde. 13 Indien gij nu naar mijne geboden zult hooren die ik u heden gebied, dat gij den Heer uwen God lief hebt, en hem dient met uw gansche hart en ziel, 14 zoo zal ik aan uw land regen geven op zijnen tijd, vroegen regen en spaden regen , opdat gij inzamelt uw koren, uw most en uwe olie; 13 en ik zal voor uw vee gras geven op uw veld, opdat gij eet en verzadigd wordt. 16 Maar wacht u, dat uw hart zich niet late overreden om aftewijken, dat gij andere goden dient en hen aanbidt: 17 en de toorn des Heeren tegen u ontbrande, en hij den hemel toesluite, dat er geen regen komt, en de aarde haar gewas niet geeft, en gij schielijk omkomt van uit dit goede land hetwelk de Heer u gegeven heeft. 18 Zoo legt nu deze woorden in uw hart en in uwe ziel, en bindt die tot een teeken op uwe hand, dat zij een gedenkteeken zijn voor uwe oogen; |
DEUTERON OMIUM 11.
366
|
19 en leert die uwen kinderen, zoodat gij daarvan spreekt als gij in uw huis zit ot' op den weg gaat, als gij u nederlegt en als gij opstaat; 20 en schrijft ze aan de posten van uw huis en aan uwe poorten; 21 opdat gij en uwe kinderen lang leeft in het land hetwelk de Heer uwen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven, zoolang de dagen des hemels op de aarde duren. 22 Want zoo gij al deze geboden zult onderhouden die ik u gebied, dat gij er naar doet, dat gij den Heer uwen God liefhebt en in al zijne wegen wandelt en hem aanhangt, 23 zoo zal de Heer al deze volken voor u verdrijven, opdat gij volken bemachtigt, grooter en sterker dan gij zijt; 24 alle plaatsen op welke uwe voetzool treedt zullen de uwe zijn; uwe grensscheiding zal zijn van de woestijn af, en van den berg Libanon, en van de rivier Frath, tot aan de uiterste zee: 25 niemand zal u kunnen tegenstaan; vrees en schrik voor u zal de Heer laten komen over al het land door hetwelk gij trekken zult, gelijk hij totugesproken heeft. |
26 Zie, ik leg u heden den zegen en den vloek voor: 27 den zegen, zoo gij gehoorzamen zult aan de geboden van den Heer uwen God die ik u heden gebied; 28 en den vloek, zoo gij niet gehoorzamen zult aan de geboden van den Heer uwen God, maar afwijken van den weg dien ik u heden gebied, dat gij andere goden nawandelt die gij niet kent. 29 Wanneer nu de Heer uw God u gebracht zal hebben in het land waarheen gij gaat om het intenemen, zoo zult gij den zegen uitspreken op den berg Geri-zim en den vloek op den berg Ebal, 8Ü welke zijn aan gene zijde van den Jordaan, achter den grooten weg tegen den ondergang der zon, in het land der Kanailnieten die op het vlakke veld wonen tegenover Gilgal, bij het bosch Moré. 31 Want gij zult over den Jordaan trekken, opdat gij komt om het land intenemen hetwelk de Heer uw God u gegeven heeft, om het erfelijk te bezitten en daarin te wonen. |
DEUTERONOMIUM 12.
867
|
33 Zoo geeft dan nu aclit dat gij doet naar al de geboden en inzettingen die ik u heden voorleg. HOOFDSTUK 12. 1 Dit zijn de gebodenen inzettingen die gij onderliou-den zult, dat gij er naar doet in liet land hetwelk de Heer, de God uwer vaderen , u gegeven heeft om het erfelijk te bezitten, zoolang gij op de aarde leven zult. 2 Verstoort alle plaatsen alwaar de volken, wier erf gij zult bezitten, hunne goden gediend hebben; hetzij op hooge bergen, op heuvels of onder allerlei groene boomen. 3 En werpt hunne altaren omver, en verbreekt hunne beeldzuilen, en verbrandt hunne bossohen met vuur, en verbreekt de beelden hunner goden, en verdelgt hunne namen uit deze plaats. 4 Gij zult den Heer uwen God alzoó niet doen; 5 maar naar die plaats die de Heer uw God verkiezen zal uit al uwe stammen, opdat hij zijnen naam aldaar late wonen, naar déze zult gij vragen, en aldaar komen; |
G en derwaarts zult gij uwe brandoiïers, en uwe andere offers, en uwe tienden, en het hefofler uwer handen, en uwe geloften, en uwe vrijwillige otters, en de eerstgeborenen uwer runderen en schapen bren-gen; 7 en gij zult ald.'u'ir voor den Heer uwen God eten en vroolijk zijn, over alles waaraan gij uwe hand geslagen hebt, gij en uwe huizen, naardat de Heer uw God u gezegend heeft. 8 Gij zult niets doen van hetgeen wij heden alhier doen: een ieder wat hem recht dunkt; 9 want gij zijt tot hiertoe nog niet aan de plaats dei-rust gekomen, noch in het erfdeel hetwelk de Heer uw God u geven zal; 10 maar gij zult over den Jordaan trekken, en in het land wonen hetwelk de Heer uw God u tot een erfdeel zal uitdeelen, en hij zal u rust geven van al uwe vijanden rondom u, en gij zult veilig wonen. 11 Wanneer nu de Heer uw God eene plaats verkiest opdat zijn naam aldaar wone, zoo zult gij derwaarts brengen alwat ik u geboden heb: uwe brandofl'ers, uwe andere otters, uwe tienden, het hefoffer uwer handen, en al uwe vrijwillige gelof- |
DEUTEKONOMIUM 12.
368
|
ten welke gij den Heer beloven zult; 13 en gij zult vroolijk zijn voor den Heer uwen God, gij en uwe zonen en uwe dochters, en uwe knechten en uwe dienstmaagden, en de Levieten die in uwe poorten zijn; want zij hebben geen deel noeherfbezit met ulieden. 13 Wacht u dat gij uwe brandoflers niet oflert aan alle plaatsen welke gij ziet; 14 maar aan de plaats welke de Heer verkiest onder één uwer stammen, daar zult gij uwe brandoffers ofteren, en daar zult gij doen alwat ik u gebied. 15 Doch gij moogt slachten en vleesch eten in al uwe poorten, waar het uwe ziel gelusten zal, naar den zegen van den Heer uwen God dien hij u geven zal; zoowel de onreinen als de reinen mogen daarvan eten, als van een ree of van een hert: 16 behalve het bloed, dat zult gij niet eten, maar gij zult het op de aarde uitgieten als water. 17 Doch gij moogt niet eten in uwe poorten van de tienden van uw koren , van uw most, van uwe olie, noch van de eerstgeborenen uwer runderen en uwer schapen, of van eenige uwer geloften welke gij beloofd hebt, of van uwe vrijwillige oflers, of van het hefoffer uwer handen; I i'l |
18 maar gij zult die eten voor den Heer uwen God, aan de plaats welke de Heer uw God verkiezen zal; gij en uwe zonen, uwe dochters, uwe knechten, uwe dienstmaagden , en de Leviet die in uwe poorten is; en gij zult vroolijk zijn voor den Heer uwen God, over alles waaraan gij uwe hand geslagen hebt. 19 quot;Wacht u dat gij den Leviet niét verlaat, zoolang gij op de aarde leeft. 20 Wanneer de Heer uw God uwen grenspaal zal uitbreiden, gelijk hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik wil vleesch eten, omdat het uwe ziel gelust vleesch te eten, zoo moogt gij vleesch eten naar al de begeerte uwer ziel. 21 Is de plaats, welke de Heer uw God verkoren heeft opdat hij zijnen naam aldaar late wonen, ver van u, zoo slacht van uwe runderen of schapen welke de Heer u gegeven heeft, zooals ik u geboden heb, en eet het in uwe poorten naar al de begeerte uwer ziel. 22 Gelijk men een ree of |
DEÜTERONOMIUM 13.
369
|
een hert eet, zóó moogt gij liet eten; de onreinen en de reinen mogen het samen eten: 23 alleenlijk zio toe dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel, daarom zult gij de ziel niet met het vleesch eten; 34 gij zult het niet eten, maar gij zult het op de aarde uitgieten als water. 25 Gij zult het niet eten, opdat het u en uw kinderen na u welga, omdat gij gedaan hebt wat recht is voor den Heer. 26 Doch wanneer gij iets heiligen wilt van het uwe, of beloven, zoo zult gij het vervoeren en brengen naaide plaats welke de Heer verkoren heeft; 27 en gij zult uwe brandoffers met vleesch en bloed doen op den altaar van den Heer uwen God, en het bloed uwer andere offers zult gij gieten op den altaar van den Heer uwen God, en het vleesch eten. 28 Zie toe en hoor al deze woorden welke ik u gebied, opdat het u en uw kinderen na u welga eeuwiglijk, omdat gij gedaan hebt wat recht en behaaglijk is voor den Heer uwen God. |
29 Wanneer de Heer uw God voor uwe oogen die volken uitroeit, naar welke gij heengaat om hun erf in bezit te nemen, en als gij die in bezit genomen hebt en in hun land woont, 30 zoo wacht u dat gij niet verstrikt wordt om hen natevolgen, nadat zij verdelgd zijn voor u, en dat gij niet vraagt naar hunne goden, zeggende: Zooals deze volken hunne goden gediend hebben, zóó zal ik óók doen. 31 Gij zult den Heer uwen God alzóó niet doen; want zij hebben hunnen goden gedaan alwat den Heer een gruwel is en wat hij haat; want zij hebben zelfs hunne zonen en dochters met vuur verbrand voor hunne goden. 32 Alwat ik u gebied zult gij onderhouden, dat gij er naar doet; gij zult er niets bijdoen en er niets afdoen. HOOFDSTUK 13. 1 Wanneer een profeet of een droomer onder u zal opstaan, en hij geeft u een teeken of wonder, 2 en dat teeken of wonder komt, waarvan hij tot u gesproken had, er bijvoegende: Laat ons andere goden volgen, die gij niet kent, en hen dienen, —■ 3 zoo zult gij niet hooren naar de woorden van den |
UEUIEEONOMIUM 13.
870
|
profeet of droomer; want de Heer uw God beproeft u, om te vernemen of gij hem met uw gansclie hart en ziel liefhebt. 4 Want gij zult den Heer uwen God volgen en hem vreezen, en zijne geboden onderhouden en naar zijne stem hooren, en hem dienen en hem aanhangen. 5 Maar die profeet of droomer zal sterven, omdat hij -u geleerd heeft aftevallen van den Heer uwen God, die u uit Egyptelmd gevoerd en u uit het diensthuis verlost heeft, en omdat hij u van den weg heeft afgeleid, dien de Heer uw God u geboden heeft te bewandelen. Zoo zult gij dit kwaad uit uw midden wegdoen. 6 Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw in uwe armen, of uw vriend die u is als uw hart, u heimelijk mocht overreden, zeggende; Laat ons gaan en andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uwe vaderen, 7 van de goden der volken die rondom u zijn, hetzij nabij u of ver van u, van het eéne einde der aarde tot aan het andere, — |
8 zoo bewillig niet en hoor niet naar hem; ook zal uw oog hem niet verschoonen, en gij zult u over hem niet ontfermen noch het geheimhouden ; 9 maar gij zult hem dooden: uwe hand zal de eerste over hem zijn om hem te dooden, en daarna de hand van al het volk. 10 Men zal hemsteenigen dat hij sterft, want hij heeft u willen afleiden van den Heer uwen God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, gevoerd heeft. 11 Zoo zal geheel Israël het hooren en vreezen, en zij zullen zulk kwaad niet meer voornemen onder u. 13 Wanneer gij hoort van eenige stad die de Heer uw God u gegeven heeft om daarin te wonen, dat men daarvan zegt: 13 Er zijn sommige booze mannen uitgegaan onder u, en hebben de burgers hunner stad verleid, zeggende: Laat ons gaan en andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, — 14 zoo zult gij vlijtig onderzoeken , vernemen en navragen ; en indien het de waarheid is, en het zeker zoo is, dat die gruwel onder u'gepleegd is, 15 zoo zult gij de burgers dier stad slaan met de scherpte des zwaards, en |
|
DEUTERON liaar verbannen met alwat er in is, en haar vee met de scherpte des zwaards; 16 en al haren roof zult gij verzamelen midden op de straat en met vuur verbranden, zoowel de stad als al haren roof, tot een brand-olfer voor den Heer uwen God; dat zij een puinhoop zij eeuwiglijk, en nimmermeer herbouwd worde. 17 En laat niets van het verbannene aan uwe hand kleven; opdat de Heer van de verbolgenheid zijns toorns afgewend worde, en u barmhartigheid geve en zich over u ontferme, en u verme-nigvuldige, zooals hij uwen vaderen gezworen heeft- 18 omdat gij naar de stem van den Heer uwen God gehoord hebt, om te onderhouden al zijne geboden die ik ii heden gebied, dat gij doet hetgeen recht is voor de oogen van den Heer uwen God. HOOFDSTUK 14. 1 Gij zijt kinderen van den Hoer uwen God: gij zult u geen teeken insnijden, noch u kaal scheren boven de oogen, wegens een doode; 2 want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God, en de Heer heeft u verko- |
OMIUM 14. 371 ren om zijn eigendom te zijn uit al de volken die op de aarde zijn. 3 Gij zult niets eten dat een gruwel is. i Maar dit is het gedierte hetwelk gij eten zult: de os, het schaap, de geit, 5 het hert, de ree, de buffel, de steenbok, het damhert, de woudos en de eland; G en alle gedierte dat gespleten klauwen heeft en herkauwt, dat zult gij eten. 7 Maar gij zult niet eten wat herkauwt en geen gespleten klauwen heeft: de kameel, de haas en liet konijn, die wel herkauwen maar nochtans geen gespleten klauwen hebben, zij zullen u onrein zijn; 8 en het zwijn — want het heeft wel gespleten klauwen maar herkauwt niet — zal u onrein zijn; van hun vleesch zult gij niet eten, en hun aas zult gij niet aanraken. 9 Dit is het wat gij eten zult van alwat in de wateren is: alwa 1 vinnen en schubben heeft moogt gij eten; 10 maar alwat geen vinnen noch schubben heeft moogt gij niet eten; het is u onrein. 11 Alle rein gevogelte moogt gij eten. |
DEUTEEONOMIUM 14.
372
|
13 Maar deze zijn liet die gij niet eten moogt: de arend, de havik, de meeuw, 13 de duiker, de ekster en de gier, naar hunne soorten; 14' en alle raven, naar hare soorten; 15 de struis, de nachtuil, de koekoek, en de sperwer, naar hunne soorten; 16 de steenuil, de uhu, de vledermuis, 17 de roerdomp, de reiger, de zwaan, 18 do ooievaar, de wouw, naar hunne soorten, de hop, en de zwaluw. 19 En alle gevogelte dat kruipt zal u onrein zijn, gij moogt het niet eten. 20 Alle rein gevogelte moogt gij eten. 21 Gij zult geen aas eten; gij moogt het den vreemdeling die in uwe poorten is geven opdat hij het ete, of verkoop het aan den vreemdeling; want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God. Gij zult het hokje niet koken in de melk zijner moeder. 23 Gij zult alle jaren de tienden afzonderen van al de opbrengsten uws zaads, dat uit uwen akker voortkomt; |
23 en gij zult het eten voor den Heer uwen God, | op de plaats die hij verkiest opdat zijn naam aldaar wone; namelijk van de tienden van uw koren, van uw most, van uwe olie, en van de eerstgeborenen uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den Heer uwen God leert vreezen uw leven lang, 24 Maar wanneer de weg voor u te ver is, dat gij het niet daarheen kunt dragen, omdat de plaats u te ver is, welke de Heer uw God verkoren heeft om zijnen naam aldaar te laten wonen, als de Heer uw God u gezegend zal hebben: 35 zoo maak het tot geld, en ga met dat geld, in uwe hand besloten, naar de plaats die de Heer uw God verkoren heeft, 26 en geef dat geld voor alles wat uwe ziel gelust; hetzij voor runderen, schapen, wijn, gistenden drank of voor alles wat uwe ziel begeeren zal; en eet aldaar voor den Heer uwen God, en wees vroolijk, gij en uw huis. 27 En den Leviet die in uwe poorten is zult gij niet verlaten, want hij heeft geen deel noch erfbezit met u. 28 Om de drie jaren zult gij alle tienden van uwe |
DEUTERONOMIUM 15.
373
|
inkomsten van dat jaar afzonderen, en zult het laten in uwe poorten. 29 Alsdan zal de Leviet komen, die geen deel noch erf bezit met u heeft, en de vreemdeling en de wees en de wed uw die in uwe poorten zijn, en zij zullen eten en zich verzadigen; opdat de Heer uw God u zegene in al liet werk uwer handen dat gij doet. HOOFDSTUK 15. 1 Na zeven jaren zult gij een vrijjaar verleenen. 2 Aldus nu zal het toegaan met het vrijjaar: ieder die zijnen naaste iets borgt, die zal het hem vrijlaten, en zal het niet invorderen van zijnen naaste of van zijnen broeder; want het heet een vrijjaar des Heeren. 8 Van een vreemdeling moogt gij het invorderen, maar wat gij bij uwen broeder hebt zult gij hem vrijlaten , 4 opdat er geen arme onder u zij; want de Heer zal u zegenen in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal tot een erfdeel om het intenemen: 5 alleenlijk hoor naar de stem van den Hoer uwen God, en onderhoud al deze geboden die ik u heden gebied, zoodat gij er naar doet. |
6 Want de Heer uw God zal u zegenen, gelijk hij tot u gesproken heeft; zoo zult gij aan vele volken leenen, maar gij zult van niemand leenen; gij zult over vele volken heerschen, maar over u zal niemand heerschen. 7 Wanneer onder u iemand uwer broeders arm is, in eenige stad in uw land hetwelk de Heer uw God u geven zal, zoo zult gij uw hart niet verharden noch uwe hand toesluiten voor uwen armen broeder; 8 maar gij zult uwe hand voor hem opendoen, en hem leenen zooveel hem ontbreekt. 9 Wacht u dat geen booze gedachte in \iw hart op-kome, zeggende: Het zevende jaar, het vrijjaar is nabij; en gij uwen armen broeder onvriendelijk aanziet en hem niet geeft: zoo zou hij tegen u tot den Heer roepen, dan zou het u tot zonde zijn. 10 Maar gij zult hem geven, en uw hart zal niet verdrietig zijn als gij hem geeft; want om zixlke dingen zal de Heer uw God u zegenen in al uw werk dat gij voorneemt. 11 Altijd zullen er armen |
DEUTERONOMIUM 16.
374
|
zijn in liet land; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uwe hand openen voor uwen broeder, die bedrukt en arm is in uw land. 12 Wanneer uw broeder, een Hebreër, of eene He-breeuwsche vrouw, zioli aan u verkoopt, zoo zal hij u zes jaren dienen; in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten weggaan. 13 En wanneer gij hem vrij van u laat weggaan, zoo zult gij hem niet ledig van u laten gaan, l-l maar gij zult hein rijkelijk toevoegen van uwe schapen, van uwen dorsoh-vloer en van uwe wijnpers; opdat gij geeft van hetgeen waarmede de Heer uw God u gezegend heeft. 15 En gedenkt dat gij óók knechten geweest zijt in Egypteland, en dat de Heer uw God u verlost heeft; daarom gebied ik u dit heden. 16 Maar indien hij tot u zeggen zal: Ik wil niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl hij het wel bij u heeft, 17 zoo neem een priem en boor hem door zijn oor aan de deur, en laat hem levenslang uw knecht zijn; en met uwe dienstmaagd zult gij óók zoo doen. |
18 Laat het u niet hard dunken dat gij hem .vrij van u laat weggaan; want hij heeft u als een dubbel daglooner zes jaren gediend; zoo zal de Heer uw God u zegenen in alles wat gij doet. 19 Al het eerstgeborene dat onder uwe runderen en schapen geboren wordt en mannelijk is, zult gij den Heer uwen God heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw rundvee, en niet scheren den eerstgeborene uwer schapen. 20 Voor den Heer uwen God zult gij ze eten, jaarlijks, aan de plaats die de Heer verkiezen zal, gij en uw huis. 21 Doch als het een gebrek heeft, dat het mank of blind is, of eenig ander kwaad gebrek heeft, zoo zult gij het den Heere uwen God niet ofleren. 22 Maar in uwe poorten zult gij het eten, hetzij gij onrein of rein zijt, als ware het een ree of een hert. 23 Alleenlijk eet niet van zijn bloed, maar giet het op de aarde uit als water. HOOFDSTUK 16. 1 Onderhoud de maand AMb, dat gij den Heere |
DEUTEEONOMIUM 16.
373
|
uwen God liet pascha houdt; want in de maand Abib heeft de Heer uw God u uit Egypte gevoerd bij nacht. 3 En gij zult den Heere uwen God het pascha slachten, schapen en runderen, aan de plaats welke de Heer verkiezen zal opdat zijn naam aldaar wone. 3 Gij zult niets gezuurds op dat feest eten; zeven dagen zult gij de ongezuurde brooden der verdrukking-eten; want iiiet vreeze zijt gij uit Egypteland getrokken ; opdat gij aan den dag van uwen uittocht uit Egypteland gedenkt uw leven lang. 4 Er zal zeven dagen lang niets gezuurds gezien worden in uwe grenspalen; ook zal niets van het vleesch dat des avonds op den eersten dag geslacht is, den nacht overblijven tot dén morgen. 3 Gij moogt het pascha niet slachten in eenige van uwe poorten welke de Heer uw God u geven zal; 6 maar aan de plaats die de Heer uw God verkiezen zal opdat zijn naam aldaar wone, daar zult gij het pascha slachten des avonds als de zon ondergegaan is, den juisten tijd van uwen uittocht uit Egypte. |
7 En gij zult het koken en eten aan de plaats die de Heer uw God verkiezen zal; en des anderen morgens kunt gij terugkeeren en gaan naar uwe hutten. 8 Zes dagen zult gij het ongezuurde eten, en op den zevenden dag is de bijéénkomst van den Heer uwen God, dan zult gij geen arbeid doen. 9 Zeven weken zult gij u tellen; en gij zult beginnen te tellen als men met de sikkel begint te slaan in het staande koren. 10 Dan zult gij het feest der weken den Heere uwen God houden, zoodat gij eene vrijwillige gave van uwe hand geeft, naardat de Heer uw God u gezegend heeft. 11 En gij zult vroolijk zijn voor God uwen Heer, gij en uw zoon, uwe dochter, uw knecht, uwe dienstmaagd , en de Leviet die in uwe poorten is, de vreemdeling, de wees en de we-duw die onder u zijn, aan de plaats die de Heer uw God verkoren heeft opdat zijn naam aldaar wone; 12 en gedenkt dat gij knechten in Egypte geweest zijt, opdat gi] al deze geboden moogt onderhouden en nakomen. 13 Het feest der loofhut- |
DEUTEEONOMIUM 17.
376
|
ten zult gij houden zeven dagen, wanneer gij zult ingezameld hebben van uwen dorschvloer en van uwe wijnpers. 14 En gij zult vroolijk zijn op uw feest, gij en uw zoon, uwe dochter, uw knecht, uwe dienstmaagd, de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduw die in uwe poorten zijn. 15 Zeven dagen zult gij den Heere uwen God het feest houden aan de plaats die de Heer verkiezen zal; want de Heer uw God zal u zegenen in al uwe inkomsten en in al het werk uwer handen; daarom zult gij recht vroolijk zijn. 16 Driemaal 'sjaars zal alwat mannelijk onder u is voor den Heer uwen God Verschijnen, aan de plaats die de Heer verkiezen zal: op het feest der ongezuurde brooden, op het feest dei-weken , en op het feest der loofhutten; maar men zal niet ledig voor den Heer verschijnen: 17 elk naar de gave zijner hand, naar den zegen dien de Heer uw God' u gegeven heeft. 18 Eechters en ambtlieden zult gij over u stellen in al uwe poorten die de Heer uw God u geven zal onder uwe stammen, opdat zij het volk richten met een rechtvaardig gericht. |
19 Gij zult het recht niet buigen, en gij zult ook geen persoon aanzien, noch geschenken nemen; want de geschenken maken de wijzen blind, en verdraaien de zaken der rechtvaardigen. 20 Wat recht is zult gij najagen, opdat gij moogt leven en het land innemen hetwelk de Heer uw God u geven zal. 31 Gij zult u geen bosch van boomen planten bij den altaar van den Heer uwen God dien gij u sticht. 32 En gij zult u geen beeldzuil oprichten, hetwelk de Heer uw God haat. HOOFDSTUK 17. 1 Gij zult den Heer uwen God geen rund of schaap olïeren, dat een gebrek of iets kwaads aan zich heeft; want het is den Heer uwen God een gruwel. 2 Wanneer onder u, in een uwer poorten die de Heer uw God u geven zal, een man of eene vrouw gevonden wordt, die kwaad-doet voor de oogen van den Heer uwen God, zoodat hij zijn verbond overtreedt, 3 en heengaat en andere goden dient en ze aanbidt, |
DEUTERONOMIUM 17.
377
|
hetzij de zon of de mhan of liet geteele lieir des hemels, hetgeen ik niet geboden heb; 4 en het wordt u aangezegd, en gij hoort het, zoo zult gij het zorgvuldig onderzoeken ; en als gij bevindt dat het gewisselijk waar is, en zoodanig een gruwel in Israël gepleegd is, 5 zoo zult gij dien man of die vrouw, die dat kwaad gedaan heeft, in uwe poorten brengen, en gij zult hen steenigen dat zij sterven. 6 Naar den mond van twee of drie getuigen zal hij sterven die des doods schuldig is; doch naar den mond van één getuige zal hij niet sterven. 7 De hand der getuigen zal de eerste zijn om hem te dooden, en daarna de hand van al het volk: opdat gij het kwade van u wegdoet. 8 Wanneer eene zaak voor het gericht u te zwaar mocht zijn, tusschen bloed en bloed, tusschen rechtshandel en rechtshaudel, tusschen schade en schade, en er twistzaken in uwe poorten zijn, zoo zult gij ii opmaken en gaan naar de plaats die de Heer uw God verkiezen zal; 9 en gij zult tot de priesters, de Levieten, en tot den rechter die te dier tijd zijn zal, komen en hun vragen, en zij zullen u zeggen wat recht is. |
10 En gij zult doen naar hetgeen zij u zeggen, aan de plaats die de Heer verkoren heeft; en gij zult het houden, opdat gij doet naar alwat zij u leeren zullen. 11 Naar de wet die zij u leeren, en naar het recht dat zij u zeggen, zult gij u gedragen, dat gij daarvan niet afwijkt, noch ter rech-ter- noch ter linkerhand. 13 En zoo iemand halsstarrig mocht handelen, dat hij niet hoorde naar den priester die aldaar staat om den dienst van den Heer uwen God te verrichten, of naar den rechter, die zal sterven, en gij zult het kwade uit Israël wegdoen: 13 opdat al het volk het hoore en vreeze, en niet meer halsstarrig zij. 14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal, en gij het inneemt en daarin woont, en gij zeggen zult: Ik wil een koning over mij stellen, gelijk alle volken rondom mij hebben, 15 zoo zult gij tot koning over u stellen wien de Heer uw God verkiezen zal; gij zult een uit uwe broeders |
DEUTEEONOMIUM 18.
378
|
tot koning over u stellen; gij zult geen vreemdeling, die mv broeder niet is, over u mogen stellen. 16 Alleenlijk dat liij niet vele paarden houde, en wegens de menigte der paarden liet volk weder naar Egypte voere; want de Heer heeft tot u gezegd: Gij zult voortaan niet weder terug-keeren langs dezcji weg. 17 Hij zal ooi: niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afgekeerd worde; en hij zal ook niet veel zilver en goud vergaderen. 18 Wanneer hij nu zitten zal op den stoel zijns konink-rijks, zoo zal hij een dubbel dezer wet, die bij de Levie-tische priesters is, nemen, en ze in een boek laten afschrijven. 19 Dat zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den Heer zijnen God leere vreezen, en onderhoude al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om er naar te doen. 20 Hij zal zijn hart niet verheflen boven zijne broeders, en hij zal van het gebod niet wijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand; opdat hij zijne dagen ver-lenge in zijn koninkrijk, hij en zijne kinderen, in Israël. |
HOOFDSTUK 18. 1 De priesters, de Levieten van den geheelen stam Levi, zullen geen deel noch erf-bezit hebben met Israël: de vuurollers des Heeren en zijn deel zullen zij eten. 2 Daarom zullen zij geen erfbezit onder hunne broeders hebben , omdat de. Heer hun erfdeel is, zooals hij hun toegezegd heeft. 3 Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk en van degenen die offeren, hetzij os of schaap; dat men den priester geve den schouder, en de beide kinnebakken, en de pens; 4 en de eerstelingen van uw koren, van uw most en van uwe olie; en de eerstelingen van de schering uwer schapen. 5 Want de Heer uw God heeft hem verkoren uit al uwe stammen, om te staan in den dienst in den naam des Heeren, hij en zijne zonen, eeuwiglijk. 6 En wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, of elders uit geheel Israël, waar hij een gast is, en hij komt, naar al de begeerte zijner ziel, tot de plaats die de Heer verkoren heeft, 7 om te dienen in den |
DEÜTEEONOMIUM 18. 379
|
naam van den Heer zijnen Gotl, gelijk al zijne broeders de Levieten, die aldaar voor den Heer staan: 8 zoo zullen allen een gelijk deel aan de spijze hebben, boven hun aandeel aan het verkochte bij hunne vaderen. 9 Wanneer gij in het land komt hetwelk de Heer uw God u geven zal, zoo zult gij niet leeren doen naar de gruwelen dezer volken. 10 Er zal niemand onder ii gevonden worden die zijnen zoon of zijne dochter door het vuur laat gaan, of een waarzegger, of een dagverkiezer, of die op vogelge-schreeuw achtgeeft, of een toovenaar, 11 of een bezweerder, of die geesten raadpleegt, of een wichelaar, of die de dooden oproept. 12 Want wie zulks doet, die is den Heer een gruwel, en om zulke gruwelen verdrijft de Heer uw God hen voor u uit. 13 Maar gij zult oprecht zijn met den Heer uwen God. 14 Want de volken, wier erve gij in bezit nemen zult, hooren naar de dagverkiezers en waarzeggers; maar u heeft de Heer uw God dit niet toegestaan. |
15 Een profeet als mij zal de Heer uw God u verwekken uit u en uwe broeders: naar dien zult gij hooren; 16 gelijk gij zulks van den Heer uwen God gebeden hebt te Horeb, ten dage der vergadering, zeggende: Ik wil voortaan niet meer hooren de stem van den Heer mijnen God, en dit groote vuur niet meer zien, opdat ik niet sterve. 17 Toen zeide de Heer tot mij: Wat zij gesproken hebben is goed. 18 Ik zal hun een profeet gelijk gij zij t verwekken uit hunne broeders, en ik zal mijne woorden in zijnen mond geven; die zal tot hen spreken alwat ik hem gebieden zal. 19 En wie naar mijne woorden niet hooren zal, die hij in mijnen naam zal spreken, van dien zal ik het eischen. 20 Doch als een profeet zich vermeet te spreken in mijnen naam, hetgeen ik hem niet geboden heb te spreken, of spreken zal in den naam van andere goden, die profeet zal sterven. 21 En zoo gij in uw hart zeggen mocht: Hoe kan ik merken, welk woord de Heer niet gesproken heeft? — 22 wanneer die profeet spreekt in den naam des Heeren, en er komt niets |
DEUTEEONOMIUM 19.
380
|
van en het gebeurt niet; dat is het woord hetwelk de Heer niet gesproken heeft; die profeet heeft uit vermetelheid aldus gesproken, daarom vrees niet voor hem. HOOFDSTUK 19. 1 Wanneer de Heer uw God de volken zal hebben uitgeroeid, wier land de Heer uw God u geven zal, en gij hen verdreven hebt en in hunne steden en huizen woont, 3 zoo zult gij u drie steden afzonderen in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal om het inteneinen; 3 en gij zult u den weg [daar/ieen] bereiden, en de grenzen van uw land, hetwelk de Heer uw God u uitdeelen zal, in drieën verdeelen; opdat daarheen vluchte wie een doodslag begaan heeft. 4 En dit is de zaak desgenen die een doodslag begaan heeft, en daarheen kan vluchten om in leven te blijven: wanneer iemand zijnen naaste slaat, niet met opzet, en tevoren geen haat tegen hem gehad heeft: |
5 als, wanneer iemand met zijnen naaste in het woud ging om hout aftehouwen, en met de hand de bijl uitstrekte om het hout aftehouwen, en het ijzer van den steel afschoot en zijnen naaste trof, zoodat hij stierf, die zal naar een van deze steden vluchten om in leven te blijven; 6 opdat de bloedwreker den doodslager niet najage terwijl zijn hart verhit is, en hem achterhale dewijl de weg zoo ver is, en hein aan het leven sla: daar toch geen oordeel des doods aan hem is, nademaal hij hem geen haat heeft toegedragen. 7 Daarom gebied ik u dat gij u drie steden afzondert. 8 En indien de Heer uw God uwen grenspaal uitzetten zal, gelijk hij uwen vaderen gezworen heeft, en u al dat land zal geven, hetwelk hij gezegd heeft uwen vaderen te zullen geven, — 9 zoo gij namelijk al deze geboden, die ik u heden gebied, onderhouden zult, dat gij er naar doet, en den Heer uwen God lief hebt, en in zijne wegen wandelt uw leven lang, — zoo zult gij nog drie steden voegen bij deze drie; 10 opdat er geen onschuldig bloed vergoten worde in uw land hetwelk de Heer uw God u tot een erfdeel geeft, en er geen bloedschulden op u komen. 11 Maar wanneer iemand |
DEUTERONOMIUM 20.
381
|
zijnen naaste haat toedraagt, en op hem loert, en tegen hem opstaat en hem aan het leven slaat zoodat hij sterft, en hij vlucht naar een van deze steden, 13 zoo zullen de oudsten van zijne stad heenzenden en hem vandaar laten halen, en hem in de hand des bloed-wrekers geven, opdat hij sterve. 13 Uwe oogen zullen hem niet verschoonen, en gij zult het onschuldig bloed uit Israël wegdoen, opdat het u welga. 14 Gij zult uws naasten grenspaal niet achteruitzet-ten, dien de voorvaderen gezet hebben in uw erfdeel, hetwelk gij bezitten zult in het land dat de Heer uw God u geven zal om het intenemen. 15 Eén getuige alleen zal tegen niemand opstaan over eenige misdaad of zonde, of welk misdrijf het ook zij dat iemand bedreven heeft; maar naar den mond van twee of drie getuigen zal de zaak bestaan. 16 Wanneer een valsch getuige tegen iemand optreedt om eene overtreding-tegen hem te betuigen, 17 zoo zullen die beide mannen, die eene zaak met elkander hebben, staan voorden Heer, voor de priesters en rechters welke in die dagen zijn zullen. |
18 En de rechters zullen nauwkeurig onderzoeken; en wanneer de valsche getuige eene valsche getuigenis tegen zijnen broeder gegeven heeft, 19 zoo zult gij hem doen zooals hij zijnen broeder dacht te doen: zoodat gij het kwade van u wegdoet; 20 opdat de overigen dat hooien en vreezen, en zulke booze stukken niet meer ondernemen onder u. 21 Uw oog zal hem niet verschoonen: ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. HOOFDSTUK 20. 1 Wanneer gij ten strijde trekt tegen uwe vijanden, en gij ziet paarden en wagens van een volk dat groo-ter is dan gij zijt, zoo vrees niet voor hen; want de Heer uw God, die u uit Egyp-teland gevoerd heeft, is met u. 2 Wanneer gijlieden nu komt tot den strijd, zoo zal de priester toetreden en tot het volk spreken, 3 en zal tot hen zeggen: Hoor Israël, gijlieden gaat |
DEUTEEONOMIÜM 30.
383
|
heden in den strijd tegen uwe vijanden; uw hart versage niet, vreest niet en beeft niet, en laat u niet verschrikken voor hen; 4 want de Heer uw God gaat met u, om voor u te strijden tegen uwe vijanden en u te helpen. — 5 Daarna zullen de ambt-lieden tot het volk spreken, zeggende: quot;Wie een nieuw huis gebouwd heeft en het nog niet heeft ingewijd, die ga heen en keere terug naar zijn huis, opdat hij niet starve in den strijd, en een ander het in wijde. 6 Wie een wijngaard geplant heeft en de eerste vruchten daarvan nog niet heeft genoten, die ga heen en blijve in zijn huis, opdat hij niet sterve in den strijd, en een ander de eerste vruchten daarvan ete. 7 Wie met eene vrouw ondertrouwd is en haar nog niet tot zich genomen heeft, die ga heen en keere terug-naar zijn huis, opdat hij niet sterve in den strijd, en een ander haar neme. — 8 En de ambtlieden zullen verder tot het volk spreken en zeggen: Wie vreesachtig is en een versaagd hart heeft, die ga heen en keere terug naar zijn huis; opdat hij het hart zijner broeders ook niet moedeloos make gelijk zijn hart is. —■ |
9 En wanneer de ambtlieden uitgesproken hebben tot het volk, zullen zij hoofdlieden stellen aan de spits des volks. 10 Wranneer gij tot eene stad trekt om tegen haar te strijden, zoo zult gij haar den vrede aanbieden. 11 En indien zij u vreedzaam antwoordt en u opendoet, zoo zal al het volk dat er in gevonden wordt u cijnsbaar en onderdanig zijn. 12 Maar indien zij niet vreedzaam met u wil handelen en met u strijden wil, zoo zult gij haar belegeren. 13 En wanneer de Heer uw God haar in uwe hand geeft, zoo zult gij alwat mannelijk daarin is met de scherpte des zwaards slaan; 14 doch de vrouwen, de kinderkens en het vee, en alwat in de stad zijn zal, en al den buit, zult gij onder u uitdeelen; en gij zult eten van den buit uwer vijanden, dien de Heer uw God u gegeven heeft. 15 Alzóó zult gij met alle steden doen die zeer ver van u afgelegen zijn, en die niet zijn van de steden dezer volken. |
DEUTERONOMIUM 21.
383
|
16 Maar in de steden dezer volken, welke de Heer uw God li tot een erfdeel geven zal, zult gij niets laten leven wat adem heeft; 17 maar gij zult lien verbannen , namelijk de Hetliie-ten, de Amorieten, de Ka-naiinieten, de Ferezieten, de He vie ten en de Jebu-sieten, zooals de Heer uw God u geboden heeft; 18 opdat zij u nietleeren doen al de gruwelen die zij doen ter eere hunner goden, en gij tegen den Heer uwen God zondigt. 19 Wanneer gij langen tijd voor eenc stad moet liggen, tegen welke gij strijdt om die intenemen, zoo zult gij de boomen niet verderven , door met bijlen daaraan te houwen; want waarvan gij eten kunt, dat zult gij niet uitroeien, (des menschen is immers de boom des velds), opdat het voor u een bolwerk zijn moge. 30 Maar zulke boomen, waarvan gij weet dat men niet eet, die zult gij verderven en uitroeien, en een bolwerk daarvan bouwen tegen de stad die tegen u strijdt, totdat gij haar machtig wordt. |
HOOFDSTUK 21. 1 Wanneer men een ver-slagene vindt in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal om te bezitten, liggende op het veld, en men niet weet wie hem verslagen heeft, 2 zoo zullen uwe oudsten en rechtcfrs uitgaan, en meten van den verslagene af tot aan de steden die rondom liggen. 3 quot;VVelke stad nu de naaste is, daarvan zullen de oudsten eene jonge koe van de runderen nemen, met welke men niet gearbeid heeft, en die nog niet aan het juk getrokken heeft; 4 en zij zullen haar afbrengen in een zandachtig dal, dat niet bearbeid noch bezaaid ■ is; en zij zullen haar aldaar in het dal den hals afsnijden. 5 Daar zullen dan toetreden de priesters, de zonen van Levi; (want de Heer uw God heeft hen verkoren, om hem te dienen en zijnen naam te loven; en naar hunnen mond zal alle twist en alle benadeeling afgedaan worden.) 6 En al de oudsten van die stad zullen toetreden tot den verslagene, en hunne handen wasschen over |
DEUTERONOMIUM 31;
884
|
die jonge koe, die in dat dal de hals afgesneden is; 7 en zij zullen betuigen en zoggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten , ook hebben onze oogen het niet gezien; 8 wees uw volk Israël genadig, hetwelk gij Heer verlost hebt, en leg het onschuldig bloed niet op uw volk Israël. Zoc zullen zij wegens dat bloed verzoend zijn. 9 Alzoo zult gij het onschuldig bloed van u wegdoen, dat gij doet hetgeen recht is voor de oogen des Heeren. 10 Wanneer gij ten strijde trekt tegen uwe vijanden, en de Heer uw God hen in uwe hand geeft dat gij hunne gevangenen wegvoert , 11 en gij onder de gevangenen eene sohoone vrouw ziet, en lust tot haar hebt om haar tot vrouw te nemen ; 12 zoo breng haar in uw huis, en zij zal haar hoofd scheren en hare nagels snijden, 13 en do kleederen afleggen in welke zij gevangen is; en laat haar in uw huis zitten en haren vader en hare moeder beweenen een maand lang; en daarna zult gij tot haar ingaan en haar trouwen, en zij zal uwe vrouw zijn. |
14 Maar als gij geen lust tot haar hebt, zoo zult gij haar laten gaan waarheen zij wil, maar haar niet voor geld verkoopen noch verhuren, nadat gij haar vernederd hebt. 15 Als iemand twee vrouwen heeft, eene die-hij liefheeft en eene die hij haat, en zij hem kinderen baren, beide de beminde en de gehate, en de eerstgeborene van de gehate is, 16 en de tijd komt dat hij zijnen zonen de erfenis zal uitdeelen, zoo kan hij den zoon der beminde niet tot den eerstgeboren zoon maken voor den eerstgeboren zoon der gehate; 17 maar hij zal den eerst-[ geboren zoon der gehate als zoodanig erkennen, en hem geven het dubbele deel van al wat er is; want hij is de eersteling zijner kracht, en het recht der eerstgeboorte is het zijne. 18 Wanneer iemand een weerbarstigen en ongehoor-zamen zoon heeft, die naar de stem zijns vaders en zijner moeder niet hoort, en als zij hem kastijden hun echter niet gehoorzamen wil, 19 zoo zullen zijn vader |
DEUTERONOMITJM 22.
385
|
en zijne moeder hem grij- Sen, en hem brengen toten, en hem brengen tot e oudsten der stad en tot de poort dier plaats; 20 en zij zullen tot de oudsten dier stad zeggen: Deze onze zoon is weerbarstig en ongehoorzaam en hoort niet naar onze stem, en is een brasser en een dronkaard. 21 Dan zullen al de lieden dezer stad hem steeni-gen dat hij sterft; en gij zult alzoo het kwade van u wegdoen, dat geheel Israel dit hoore en vreeze. 22 'Wanneer iemand eene zonde gedaan heeft die den dood waardig is, en hij wordt alzoo gedood, dat men hem aan een hout moet ophan-gen, 23 zoo zal zijn lichaam niet den nacht over aan het hout blijven hangen, maar gij zult hem dienzelfden dag begraven; want een opgehangene is vervloekt bij God: opdat gij uw land niet verontreinigt, hetwelk de Heer uw God u ten erfdeel geeft. HOOFDSTUK 22. 1 Wanneer gij uws broeders os of schaap ziet afgedwaald, zoo zult gij u daaraan niet onttrekken, maar zult die tot uwen broeder wederbrengen. |
2 Maar als uw broeder niet nabij u is en gij hem ook niet kent, zoo zult gij ze in uw huis nemen, dat zij bij u zijn totdat uw broeder die zoekt en gij ze hem wedergeeft. 3 Alzoo zult gij doen met zijnen ezel, met zijn kleed, en met al het verlorene hetwelk uw broeder verloren heeft en dat gij vindt; gij moogt er u niet aan onttrekken. 4 Wanneer gij uws broeders ezel of os op den weg ziet vallen, zoo zult gij u daaraan niet onttrekken, maar zult ze weder ophelpen. 5 Eene vrouw zal geen manskleedingstukken dragen, en een man zal geen vrouwekleederen aandoen; want wie dat doet, die is den Heer uwen God een gruwel. 6 Wanneer gij op den weg een vogelnest vindt op een boom of op de aarde, met jongen of met eieren, en de moeder zit op de jongen of op de eieren, zoo zult gij de moeder met de jongen niet nemen, 7 maar gij zult de moeder laten vliegen en de jongen kunt gij nemen; opdat het u welga en gij lang leeft. 8 Wanneer gij een nieuw huis bouwt, zoo maak eene |
13
DEUTEEONOMIUM 23.
386
|
leuning rondom uw dak; opdat gij geen Hoedscliuld op uw huia brengt, als iemand daarvan afviel. 9 Gij zult uwen wijnberg niet met menigerlei zaad bezaaien, opdat gij niet liet gelieel van liet zaad dat gij gezaaid hebt, benevens de opbrengst van den wijnberg, zoudt moeten heiligen. 10 Gij zult niet ploegen met een os en een ezel tegelijk ■ 11 Gij zult geen kleed aantrekken tegelijk van wol en van linnen. 12 Gij zult u franjes maken aan de vier hoeken van uw opperkleed met hetwelk gij •u bedekt. — 13 Wanneer iemand eene vrouw neemt, en toornig op haar wordt als hij bij haar geslapen heeft, I t en haar iets schandelijks ten laste legt, en een kwaad gerucht over haar brengt, en zegt: Deze vrouw heb ik genomen, en toen ik mij bij haar voegde, bevond ik dat zij geen maagd was: — 15 zoo zullen de vader en de moeder van deze jongedochter den maagdom dezer jongedochter nemen en dien voor de oudsten der stad iu de poort uitbrengen; |
16 en de vader van de jongedochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb aan dezen man mijne dochter tot vrouw gegeven; nu is hij toornig op haar geworden, 17 en legt haar een schandelijk ding ten laste, zeggende : Ik heb uwe dochter geen maagd bevonden: — hier is de maagdom van mijne dochter. En zij zullen de kleederen voor de oudsten der stad uitspreiden. 18 Dan zullen de oudsten van die stad den man nemen en hem kastijden, 19 en hem eene boete opleggen van honderd zilveren sikkels, en die aan den vader der jongedochter geven, omdat hij eene jongedochter in Israel in een kwaad gerucht gebracht heeft; en hij zal haar tot vrouw hebben, zoodat hij haar zijn leven lang niet zal mogen verlaten. 20 Maar indien het de waarheid is, dat de jongedochter geen maagd bevonden is, 21 zoo zal men haar buiten voor de deur van baars vaders huis brengen, en de lieden der stad zullen haar steenigen dat zij sterft, omdat zij eene schanddaad in Israël begaan heeft en in haars vaders huis gehoereerd |
DEUTEEONOMIUM 23.
387
|
heeft; on gij zult het kwade van u wegdoen. 22 Wanneer iemand bevonden wordt te slapen bij eene vrouw die oen echten man heeft, zoo zullen zij beiden sterven, de man en de vrouw bij welke hij geslapen heeft; en gij zult het kwade uit Israel wegdoen. 23 Wanneer eene jonge-dochter aan iemand ondertrouwd is, cn eeu man haar in de stad vindt en bij haar slaapt, 2i zoo zult gij ze beiden ter stadspoort uitbrengen en zult ze beiden steenigen dat zij sterven: de jonge-dochter omdat zij niet geroepen heeft, denijl zij in de stad was; den man omdat hij zijns naasten vrouw geschonden heeft; en gij zult het kwade van u wegdoen. 23 Maar als iemand eene ondertrouwde jongedochter op het veld vindt, en haar grijpt cn bij haar slaapt, zoo zal de man alléén sterven die bij haar geslapen heeft; 26 maar dc jongedochter zult gij niets doen, want zij hooft geen zonde dos doods gedaan; maar gelijk wanneer iemand tegen zijnen naaste opstond en hem doodsloeg, zóó is dit ook; |
2? want hij vond haar op het veld, en de ondertrouwde jongedochter riep, en er was niemand die haar hulp kon aanbrengen. 28 Wanneer iemand eene maagd aantreft die niet ondertrouwd is, en hij grijpt haar en slaapt hij haar, en het wordt alzoo bevonden, 29 zoo zal hij die bij haar geslapen heeft, aan haren vader vijftig sikkels zilver geven, en hij zal haar tot vrouw nemen, omdat hij haar verkracht heeft; hij zal haar niet mogen verlaten zijn leven lang. 30 Niemand zal zijns va-dors vrouw nomen, en zijns vaders dek niet opslaan. HOOFDSTUK 23. 1 Wie door kneuzing of uitsnijding ontmand is, mag in de gemeente des Heeren niet komen. 2 Er zal ook geen onecht kind in dc gemeente des Heeren komen, zelfs zijn tiende geslacht zal in de geracoüte des Heeren niet komen. • 3 Do Ammonieten en Moa-bieten zullen in dc gemeente des Hoeren niet komen, ook hun tiende geslacht zal er niet Inkomen; 4 ómdat zij u niet tege- |
DEUTERONOMIUM 23.
388
|
moetkwamen met brood en water op den weg toen gij uit Egypte trokt, en omdat zij daarenboven Bileam, Beors zoon, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u huurden om u te vervloeken. 5 Doch de Heer uw God wilde Bileam niet hooren, en veranderde vcor u den vloek in zegen, omdat de Heer uw God u liefhad. 6 Gij zult hun noch geluk noch goed wenschen ten eeuwigen dage. 7 Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder; den Egyptenaar zult gij óók voor geen gruwel houden, want gij zijt een vreemdeling in zijn land geweest. 8 De kinderen die zij in het derde lid verwekken, zullen in de gemeente des Heeren mogen komen. 9 Wanneer gij met het leger uittrekt tegen uwe vijanden, zoo wacht u voor alle kwaad. 10 Wanneer iemand onder u is die niet rein is, dat hem des nachts iets wedervaren is, die zal buiten het leger gaan en er niet weder inkomen; 11 totdat hij zich vóór den avond met water baadt, en ak de zon ondergegaan is zal hij weder in het leger komen. |
12 En gij zult buiten het leger eene plaats hebben om voor uwe behoeften daarheen te gaan. 13 En gij zult een schopje hebben; en als gij u daarbuiten zetten wilt, zoo zult gij daarmede graven; en als gij gezeten hebt, dan zult gij toedekken hetgeen van u gegaan is. 14 Want de Heer uw God wandelt in uw leger, om u te verlossen en uwe vijanden aan u overteleveren; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat niets schandelijks onder u gezien worde en hij zich van u afkeere. 15 Gij zult geen knecht, die van zijnen heer tot u ontkomen is, aan dezen weder uitleveren. 16 Hij zal bij u blijven aan de plaats die hij verkiest in een uwer poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet onderdrukken. 17 Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël, en geen schandjongen onder de zonen van Israël. 18 Gij zult geen hoeren-loon noch hondengeld in het huis van den Heer uwen God brengen wegens eenige gelofte, want beidezjjn den |
DEUTERONOMIUM 24.
389
|
Heer uwen God een gruwel. 19 Gij zult van uwen broeder geen woeker nemen, noch van geld, nocli van spijs, noch van iets waarmede men woekeren kan: 20 van den vreemdeling moogt gij woeker nemen, maar niet van uwen broeder ; opdat de Heer uw God u zegene in alwat gij voorneemt, in het land waar gij heenkomt om het in bezit te nemen. 21 Wanneer gij den Heer uwen God eene gelofte doet, zoo zult gij niet uitstellen die te houden; want de Heer uw God zal het van u eisohen en het zoude u zonde zijn. 23 Wanneer gij het doen van geloften nalaat, zoo is dit u geen zonde; 23 maar wat van uwe lippen gegaan is, zult gij houden en doen, zooals gij den Heer uwen God vrijwillig beloofd hebt, hetgeen gij met uwen mond gesproken hebt. 24 Wanneer gij in uws naasten wijnberg gaat, zoo moogt gij van de druiven eten naar uwen wil totdat gij verzadigd zijt; maar gij zult niets in uw vat doen. |
25 Wanneer gij door het staande koren van uwen naaste gaat, zoo moogt gij met de hand de aren afplukken; maar de sikkel zult gij in het staande koren uws naasten niet slaan. HOOFDSTUK 24. 1 Wanneer iemand eene vrouw neemt en haar trouwt, en zij vindt geen genade voor zijne oogen vanwege iets afkeerwekkends, zoo zal hij een scheidbrief schrijven en haar dien in handen geven, en haar uit zijn huis laten gaan. 2 Wanneer zij dan uit zijn huis gegaan is, en heengaat en de vrouw eens anderen wordt, 3 en deze andere man óók afkeerig van haar wordt, en een scheidbrief schrijft en haar dien in handen geeft, en haar uit zijn huis laat gaan; of zoo die andere man sterft, die haar tot vrouw genomen had: 4 zoo mag haar eerste man, die haar uitgestooten heeft, haar niet wedernemen, dat zij hem tot vrouw zij, na-demaal zij verontreinigd is; want dat is een gruwel voor den Heer; opdat gij het land niet met zonde bezwaart, hetwelk de Heer uw God u tot een erfdeel gegeven heeft. |
DEUTEKONOMIUM 24..
890
|
5 Wanneer iemand onlangs eene vrouw genomen heeft, zoo zal hij niet uittrekken met het heir, en men zal hem geen last opleggen; hij zal vrij zijn in zijn huis een jaar lang, opdat hij vrootijk zij met zijne vrouw die hij genomen heeft. 6 Gij zult niet te pand nemen den ondersten noch den bovensten molensteen; want dan hebt gij het leven te pand genomen. 7 Wanneer iemand gevonden wordt die een mensch steelt van zijne broeders uit de kinderen Israels, en gewin met hem drijft of hem verkoopt, die dief zal sterven, opdat gij het kwade van u wegdoet. 8 Wacht u voor de plaag der melaatschheid, zoodat gij met naarstigheid houdt en doet alwat de priesters, de Levieten, u leeren; wat zij ii gebieden zult gij houden en er naar doen. 9 Gedenk wat de Heer uw God deed met Mirjam, op den weg toen gij uit Egypte trokt. 10 Wanneer gij aan uwen naaste iets zult geleend hebben , zoo zult gij niet in zijn huis gaan om hem een pand te ontnemen; 11 maar gij zult buiten staan, en liij wien gij leendet zal zijn pand tot u naar-buiten brengen. |
13 Doch indien hij behoeftig is, zoo zult gij u niet te slapen leggen met zijn pand; 13 maar gij zult hem zijn pand wedergeven eer de zon ondergaat, opdat hij in zijn kleed slape en u zegene; dit zal u voor den 'Heer uwen Godgerechtigheidzijn. 11 Gij zult den armen en behoeftigen daglooner zijn loon niet onthouden, hij zij uit uwe broeders of uit de vreemdelingen die in uw land en in uwe poorten zijn; 15 maar gij zult hem zijn loon op dien dag geven, opdat de zon daarover niet onderga; want hij is behoeftig en onderhoudt zijn leven daarmede; opdat hij den Heer niet tegen n aan-roepe en het u tot zonde zij. 16 De vaders zullen niet voor de kinderen, noch de kinderen voor de vaders sterven; maar ieder zal om zijne eigene zonde sterven. 17 Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en zult het kleed der weduw niet te pand nemen; 18 want gij zult gedenken dat gij knechten in Egypte geweest zijt, en de Heer uw God u daaruit verlost |
DEUÏEEONOMIUM 25.
S91
|
heeft; daarom gebied ik u dat gij liet doet. 19 Wanneer gij uwen oogst op uwen akker liebt afge-oogst , en eene schoot' vergeten liebt op den akker, zoo zult gij niet omkeeren om die te halen, maar zij zal voor den vreemdeling, den wees en de weduw zijn; opdat de Heer uw God u zegene in al het werk uwer handen. 20 Wanneer gij uwe olijf-boomen geschud hebt, zoo zult gij niet naschudden; het zal voor den vreemdeling , den wees en de weduw zijn. 21 Wanneer gij uwen wijnberg afgeplukt hebt, zoo zult gij niet nazamelen; het zal voor den vreemdeling, den wees en de weduw zijn. 22 En gij zult gedenken dat gij knechten in Egyp-teland geweest zijt; daarom gebied ik u dat gij het doet. HOOFDSTUK 25. 1 Wanneer er twist is tusschen mannen, zoo zal men hen voor het gericht brengen en hen richten, en den rechtvaardige zal men in 't gelijk stellen en den schuldige veroordeelen. |
2 En indien de schuldige slagen verdiend heeft, zoo zal de rechter hem doen nedervallen, en hem in zijne tegenwoordigheid doen slaan met een genoegzaam getal, naar de maat zijner misdaad, 3 Wanneer men hem veertig slagen gegeven heeft, zal men hem niet meer slaan; opdat hij niet, zoo men hem meer slagen geeft, teveel geslagen worde, en uw broeder daarvan schandtee-kenen behoude voor uwe oogen. 4 Gij zult den os als hij dorscht niet muilbanden. 5 Wanneer broeders samenwonen , en de één sterft zonder kinderen, zoo zal de vrouw des gestorvenen geen vreemden man van buiten nemen; maar haar behuwd-broeder zal bij haar slapen en haar tot vrouw nemen, en den plicht eens behmvd-broeders bewijzen. 6 En den eersten zoon dien zij baart zal hij laten staan op den naam van zijn gestorven broeder, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël. 7 Maar indien het den man niet behaagt zijne behuwdzuster te nemen, zoo zal zijne behuwdzuster opgaan naar de poort tot de oudsten en zeggen: Mijn behnwdbroeder weigert zijnen broeder een naam te |
■
DEUTEEONOMIUM 26.
393
|
verwekken in Israël, en wil mij niet trouwen. 8 Dan zullen de oudsten der stad hem ontbieden en met hem spreken; indien hij dan staat en zegt: Het behaagt mij niet haar te nemen, 9 zoo zal zijne behuwdzuster tot hem treden voor de oudsten, en hem een schoen van zijnen voet uittrekken en hem in 't aangezicht spuwen, en zal antwoorden en zeggen: Zóó zal men dien man doen die zijns broeders huis niet bouwen wil. 10 En zijn naam zal in Israël heeten: Het huis desgenen wien de schoen uitgetrokken is. 11 Wanneer twee mannen met elkander twisten, en de vrouw des éénen toeloopt om haren man te redden van de hand desgenen die hem slaat, en hare hand uitstrekt en hem bij zijne schamelheid grijpt, 12 zoo zult gij haar de hand afhouwen, uw oog zal haar niet verschoonen. 13 Gij zult geen tweeërlei gewicht, groot en klein, in uwen buidel hebben; 14 en in uw huis zal geen tweeërlei schepel, groot en klein, zijn: |
15 gij zult een volkomen en recht gewicht en een volkomen en recht schepel hebben, opdat uw leven lang dure in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal. 16 Want wie zulks doet, die is den Heer uwen God een gruwel, gelijk allen die kwaaddoen. 17 Gedenk wat de Ama-lekieten u deden op den weg toen gij uit Egypte trokt: 18 hoe zij u aangrepen op den weg en sloegen uwe achterhoede, alle zwakken die achteraan kwamen, toen gij moede en mat waart; en zij vreesden God niet. 19 Wanneer nu de Heer uw God u rust zal gegeven hebben van al uwe vijanden rondom, in het land hetwelk de Heer uw God u geven zal om het ten erfdeel intenemen, zoo zult gij de gedachtenis der Ama-lekieten uitdelgen van onder den hemel: vergeet dat niet. HOOFDSTUK 26. 1 Wanneer gij in het land komt hetwelk de Heer uw God u tot een erfdeel geven zal, en gij het inneemt en daarin woont, 3 zoo zult gij nemen van alle eerstelingen der vruchten van het land die uit de aarde opkomen, welke |
DEUTEEONOMIUM 26.
393
|
de Heer uw God u geeft, en gij zult die leggen in een korf, en heengaan naar de plaats die de Heer uw God verkiezen zal opdat zijn naam aldaar wone; 3 en gij zult tot den priester komen welke in dien tijd zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den Heer uwen God, dat ik gekomen ben in het land hetwelk de Heer onzen vaderen gezworen heeft aan ons te zullen geven. 4 En de priester zal den korf van uwe hand nemen, en dien voor den altaar van den Heer uwen God nederzetten. 5 Dan zult gij antwoorden en zeggen voor den Heer uwen God: Mijn vader was een omzwervende Arameër; die trok af naar Egypte en was aldaar een vreemdeling met weinig volks; en hij werd aldaar een groot, sterk en talrijk volk. 6 Doch de Egyptenaars handelden kwalijk met ons en verdrukten ons en leiden ons een harden dwangarbeid op. 7 Toen riepen wij tot den Heer, den God onzer vaderen; en de Heer verhoorde ons roepen en zag onze ellende aan, onzen angst en onzen nood; |
8 en hij voerde ons uit Egypte met een machtige hand en een uitgestrekten arm, en met eene groote verschrikking door teekenen en wonderen, 9 en bracht ons aan deze plaats, en gaf ons dit land waar melk en honig vloeit. 10 Nu breng ik de eerstelingen van de vruchten des lands, die gij Heer mij gegeven hebt. — En gij zult die nederzetten voor den Heer uwen God, en zult aanbidden voor den Heer uwen God; 11 en gij zult vroolijk zijn over al het goede hetwelk de Heer uw God aan u en uw huis gegeven heeft, gij en de Leviet, en de vreemdeling die bij u is. 13 Wanneer gij alle tienden uwer inkomsten zult samengebracht hebben in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden, zoo zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduw geven, dat zij eten in uwe poorten en verzadigd worden. 13 En gij zult zeggen voor den Heer uwen God: Ik heb hetgeen geheiligd is uit mijn huls weggedaan, en heb het gegeven aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan |
DEÜTEEONOMIUM 37.
394
|
de weduw, naar uw gebod hetwelk gi] mij geboden hebt; ik heb uw gebod niet overtreden noch vergeten. 14 Ik heb daarvan niet gegeten in mijnen druk, en heb niets daarvan weggenomen tot onrein gebruik; ik heb daarvan niets voor een doode gegeven; ik ben aan de stem van den Heer mijnen God gehoorzaam geweest, en heb gedaan al wat gij mij geboden hebt. 15 Zie nederwaarts van uwe heilige woning, van den hemel, en zegen uw volk Israël, en het land hetwelk gij ons gegeven hebt, gelijk gij onzen vaderen gezworen hebt, een land waar melk en honig vloeit. 16 Heden gebiedt de Heer uw God u, dat gij doet naar al deze geboden en inzettingen, dat gij die onderhoudt en er naar doet met uw gansohe hart en ziel. 17 Met den Heer hebt gij heden gesproken, dat hij uw God zal zijn, dat gij in al zijne wegen zult wandelen, en onderhonden zijne wetten, geboden en inzettingen, en naar zijne stem zult hooren; |
18 en de Heer heeft heden tot u gesproken, dat gij hem een volk des eigen-doms zult zijn, gelijk hij tot u gesproken heeft, dat gij al zijne geboden onderhouden zult; 19 en dat hij u verhefle, en gij geroemd, geprezen en geëerd wordt boven alle volken die hij gemaakt heeft, opdat gij den Heer uwen God een heilig volk zijt, gelijk hij gesproken heeft. HOOFDSTUK 27. 1 En Mozes gebood, tezamen met de oudsten van Israël, hét volk, zeggende: Bewaart alle geboden die ik u heden gebied. 3 En ten dage als gij over den Jordaan zult getrokken zijn in het land dat de Heer uw God u geven zal, zult gij groote steenen oprichten en die met kalk bestrijken; 3 en gij zult daarop schrijven al de woorden dezer wet, als gij zult overgetrokken zijn om te komen in het land dat de Heef uw God u geven zal, een land waar melk en honig vloeit, gelijk de Heer, de God uwer vaderen, tot u gesproken heeft. 4 Als gij nu over den Jordaan zult getrokken zijn, zoo zult gij de steenen, van welke ik u heden gebied, oprichten op den berg Ebal, |
DEUTEEONOMIUM 27.
395
|
én die met kalk bestrijken. 5 En gij zult aldaar den Heere uwen God een stee-nen altaar bouwen, waar geen houwijzer aan komt; 6 van geheele steenen zult gij dezen altaar den Heere uwen God bouwen. En gij zult brandofiers daarop offeren den Heere uwen God, 7 en gij zult dankoffers ófferen, en aldaar eten en vroolijk zijn voor den Heer uwen God. 8 En gij zult op deze steenen al de woorden dezer wet schrijven, klaar en duidelijk. 9 En Mozes sprak tezamen mot de priesters, de Levieten , tot geheel Israël, zeggende : Luister en hoor toe, Israël; heden op dezen dag zijt gij een volk van den Heer uwen God geworden: lü dat gij aan de stem van den Heer uwen God gehoorzaam zijt, en doet naar zijne geboden en inzettingen die ik u heden gebied. 11 En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende : 12 Deze zullen staan op den berg Gerizira om het volk te zegenen, als gij o velden Jordaan zult getrokken zijn: Simeon , Levi, Juda, |
Issaschar, Jozef en Benjamin; 13 en deze zullen staan op den berg Ebal om te vloeken: Kuben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali. 14 En de Levieten zullen beginnen en spreken tot hot gansolie volk van Israël, met eene luide stem: 15 Vervloekt zij wie een afgod of een gegoten beeld maakt, een gruwel des Hee-ren, een werk van werkmeestershanden, en dat plaatst in het verborgen. En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. — 16 Yervloekt zij wie zijnen vader of zijne moeder vloekt. En al het volk zal zeggen: Amen. — 17 Vervloekt zij wie den grenspaal zijns naasten ach-teruitzet. En al het volk zal zeggen: Amen. — 18 Vervloekt zij wie een blinde doet dwalen op den weg. En al het volk zal zeggen: Amen. — 19 Vervloekt zij wie het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduw buigt. En al het volk zal zeggen: Amen. — 20 Vervloekt zij wie bij zijns vaders vrouw ligt, dat hij zijns vaders dek opslaat. En al het volk zal zeggen; Amen. — |
396 DEUTEEON
OMIÜM 28.
|
21 Vervloekt zij wie bij eenig vee ligt. En al liet volk zal zeggen: Amen. — 32 Vervloekt zij wie bij zijne zuster ligt, die de dochter zijns vaders of zijner moeder is. En al het volk zal zeggen: Amen. — 23 Vervloekt zij wie bij zijne schoonmoeder ligt. En al het volk zal zeggen: Amen. — 24 Vervloekt zij wie zijnen naaste heimelijk slaat. En al het volk zal zeggen: Amen. — 25 Vervloekt zij wie een geschenk aanneemt, om eene ziel, het bloed eens onschul-digen, te dooden. En al het volk zal zeggen: Amen. —■ 26 Vervloekt zij wie niet alle woorden dezer wet vervult, dat hij er naar doet. En al het volk zal zeggen: Amen. HOOFDSTUK 28, 1 En wanneer gij naar de stem van den Heer uwen God hooren zult, dat gij onderhoudt en doet al zijne geboden die ik u heden gebied, zoo zal de Heer uw God u verheflen boven alle volken op de aarde, 2 En al deze zegeningen zullen over u komen en zullen u achtervolgen, omdat gij aan de stem van den Heer uwen God gehoorzaam zijt geweest. |
3 Gezegend zult gij zijn in de stad, gezegend op den akker. 4 Gezegend zal zijn de vrucht uws lichaams, en de vrucht uws lands, en de vrucht van uw vee, de vrucht uwer runderen en de vrucht uwer schapen. 5 Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog. 6 Gezegend zult gij zijn als gij ingaat, gezegend als gij uitgaat. 7 En de Heer zal uwe vijanden, die tegen u opstaan, voor u slaan: langs één weg zullen zij tegen u uittrekken, en langs zeven wegen voor u vlieden. 8 De Heer zal den zegen gebieden, dat hij met u zij in uwe schuren en in alwat gij voorneemt; en hij zal u zegenen in liet land hetwelk de Heer uw God u gegeven heeft. 9 De Heer zal zich u tot een heilig volk oprichten, zooals hij u gezworen heeft, omdat gij de geboden van den Heer uwen God onderhoudt en in zijne wegen wandelt; 10 dat alle volken der aarde zullen zien dat gij naar den naam des Heeren |
DEUTERONOMIUM 28.
397
|
genoemd zijt, en voor u zullen vreezen. 11 En de Heer zal maken dat gij overvloed van goederen zult hebben, van de vrucht uws lichaams, van de vrucht van uw vee en van de vrucht uws akkers, in het land hetwelk de Heer uwen vaderen gezworen heeft u te zullen geven. 12 En de Heer zal zijne schatkamer van het goede, den hemel, voor u openen, om aan uw land regen te geven op zijnen tijd, en om te zegenen al het werk uwer handen; en gij zult aan vele volken leenen, maar gij zult van niemand borgen. 13 En de Heer zal u vooraan stellen en niet achteraan, en gij zult boven zijn en niet onderliggen; omdat gij gehoorzaam zijt aan de geboden van den Heer uwen God die ik u heden gebied te onderhouden en te doen, 14 en niet afwijkt van eenig woord hetgeen ik u heden gebied, noch ter rechter- noch ter linkerhand, dat gij andere goden zoudt nawandelen om die te dienen. |
15 Maar als gij niet hoo-ren zult naar de stem van den Heer uwen God, dat gij onderhoudt en doet al zijne geboden en inzettingen die ik u heden gebied, zoo zullen al deze vloeken over u komen en u treffen. 16 Vervloekt zult gij zijn in de stad, vervloekt op den akker. 17 Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog. 18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws lichaams, de vrucht uws lands, de vrucht uwer runderen en de vrucht uwer schapen. 19 Vervloekt zult gij zijn als gij ingaat, vervloekt als gij uitgaat. 20 De Heer zal onder u zenden ongeval, verstoring en verderf, in alles wat gij bij de hand neemt om te doen; totdat gij verdelgd wordt en schielijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, dat gij mij verlaten hebt. 21 De Heer zal de pest u doen aankleven, totdat hij u verdelgd heeft uit het land waarheen gij gaat oin het intenemen. 22 De Heer zal u slaan met gezwellen, heete koortsen en ontstekingen, met hitte, droogte , vergiftige lucht en geelzucht, en zal u vervolgen totdat gij zijt omgekomen. 23 Uw hemel die boven uw hoofd is zal koper zijn, |
DEÜTEEONOMIUM
398
|
en de aarde onder u zal ijzer zijn. 24 De Heer zal aan uw land stof en aseli voor regen geven: van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd zijt. 35 13e Heer zal u voor uwe vijanden slaan: langs één weg zult gij tot hen uittrekken, on langs zeven wegen zult gij voor hen vlieden; en gij zult verstrooid worden in alle rijken der aarde. 26 Uw lichaam zal tot spijs zijn voor al het gevogelte des hemels en voor al het gedierte der aarde, en niemand zal er zijn die ze verjagen zal. 27 De Heer zal u slaan met Egyptische zweren, met spenen, met uitslag en verzweringen, die niet zullen kunnen genezen worden. 28 De Heer zal u slaan met krankzinnigheid, blindheid en razernij des harten; 29 en gij zult omtasten op den middag, gelijk een blinde omtast in het donker, en gij zult op uwe wegen geen geluk hebben, en zult geweld en onrecht moeten lijden uw geheele leven, en niemand zal u helpen. 30 Eene vrouw zult gij ondertrouwen, maar een ander zal bij haar slapen; |
een huis zult gij bouwen, maar gij zult er zelf niet in wonen; een wijngaard zult gij planten, maar de eerste vrucht er niet van eten. 31 Uw os zal voor uwe oogen geslacht worden, maar gij zult er niet van eten; uw ezel zal voor uw aangezicht met geweld genomen en u niet wedergegeven worden; uw schaap zal uwen vijanden gegeven worden en niemand zal u helpen. 32 Uwe zonen en uwe dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat uwe oogen het aanzien en dagelijks over hen versmachten, en geen sterkte zal in uwe handen zijn. 33 De vrucht mvs lands en al uwen arbeid zal een volk hetwelk gij niet kent verteren; en gij zult onrecht lijden en vertrapt worden uw geheele leven. 34 En gij zult krankzinnig worden over hetgeen gij met uw eigen oogen zult moeten zien. 35 De Heer zal u slaan met booze zweren aan de knieën en aan de beenen, die niet zullen kunnen genezen worden, van de voetzolen af tot het hoofd toe. 36 De Heer zal u, en uwen koning dien gij over u gesteld hebt, voeren naar |
DEUTEBONOMIUM 28. 399
|
een volk dat o-ij niet gekend hebt nocli uwe vaderen; en gij zult aldaar andere goden dienen, hout en steen. 37 En gij zult tot een verfoeisel , tot een spreekwoord en tot een spot zijn onder alle volken waarheen de Heer u drijven zal. 38 Gij zult veel zand uitvoeren op het veld, en weinig inzamelen; want de sprinkhanen zullen het afeten. 39 Wijngaarden zult gij planten eu bouwen, maar geen wijn drinken noch iets afplukken; want de wormen zullen het verteren. 40 Olijfboomen zult gij hebben in al uwe grenspalen, maar gij zult u niet zalven met olie; want uw olijfboom zal zijne vrucht afwerpen. 41 Zonen en dochters zult gij verwekken, en ze echter niet bezitten; want zij zullen gevankelijk weggevoerd worden. 43 Al uwe boomen en de vruchten uws lands zal het ongedierte eten. 43 De vreemdeling die bij u is zal de overhand over u hebben, en al hooger en hooger klimmen; maar gij zult nederdalen en altoos onderliggen. 44 Hij zal u leenen, maar gij zult hem niet leenen; |
hij zal het hoofd zijn, en gij zult achteraan wezen. 45 En al dezo vloeken zullen over u komen en u vervolgen en tretten totdat gij verdelgd wordt, omdat gij naar de stem van den Heer uwen God niet gehoord hebt, om te onderhouden zijne geboden en inzettingen die hij u geboden heeft; 4G en zij zullen tot teekenen en wonderen aan u zijn, en aan uw zaad eeu-wiglijk. 47 Omdat gij den Heer uwen God niet gediend hebt met vreugde en lust des harten, toen gij van alles overvloed hadt, 48 zoo zult gij dan uwe vijanden, die de Hoer u toezenden zal, dienen in honger en dorst, in naaktheid en allerlei gebrek; en hij zal een ijzeren juk op uwen hals leggen, totdat hij u verdelgd heeft. 49 De Heer zal een volk tegen u zenden van verre, van het einde der wereld, gelijk een arend vliegt; een volk welks spraak gij niet .verstaan zult; 50 een wreed volk, dat den persoon des grijsaards niet aanziet, noch de jongelingen verschoont; 51 en het zal de vrucht |
DEUTEKONOMIUM 28.
400
|
van uw vee en de vrucht uws lands verteren, totdat gij verdelgd wordt; en het zal u niets overlaten van koren, most, olie, van de vrucht der runderen en schapen, totdat het u heeft doen omkomen. 53 En het zal u beangstigen in al uwe poorten, totdat het uwe hooge en vaste muren nederwerpt, waarop gij u verlaat in al uw land; en gij zult beangstigd worden in al uwe poorten, in uw geheele land dat de Heer uw God u gegeven heeft. 53 Gij zult de vrucht uws lichaams eten, het vleesch uwer zonen en dochters die de Heer uw God u gegeven heeft, in den angst en den nood waarmede uw vijand u benauwen zal; 54 zoodat een man, die tevoren zeer weelderig en wellustig onder u geleefd heeft, aan zijnen broeder, aan de vrouw in zijne armen en aan den zoon die van zijne kinderen nog overig is, 55 misgunnen zal te geven van het vleesch zijner zonen dat hij eet, nademaal hem niets is overgebleven van al het goed, in den angst en den nood waarmede uw vijand u benauwen zal in al uwe poorten. |
56 Eene vrouw onder u, die tevoren zóó weelderig en wellustig geleefd heeft, dat zij niet beproefd heeft hare voetzool op de aarde te zetten, uit weelderigheid en wellustigheid, die zal aan den man in hare armen, aan haren zoon en aan hare dochter 57 misgunnen de nageboorte die van tusschen hare beenen is uitgegaan, alsook hare zonen die zij gebaard heeft; want zij zullen die wegens allerlei gebrek heimelijk eten, in den angst en den nood waarmede uw vijand u benauwen zal in uwe poorten. 58 Indien gij niet in acht zult nemen te doen al de woorden dezer wet die in dit boek geschreven zijn, dat gij vreest dezen heerlijken en geduehten naam, den Heer uwen God, 59 zoo zal de Heer uwe plagen en de plagen van uw zaad wonderbaar maken; groote en langdurige plagen, booze en langdurige krankheden. 60 En hij zal over u brengen alle kwalen van Egypte voor welke gij vreest, en zij zullen u aankleven. 61 Daarenboven alle krankheden en alle plagen die niet geschreven zijn in het |
DEUTEEONOMIUM 29.
401
|
boek dezer wet, zal de Heer over u laten komen, totdat gij verdelgd wordt. 62 En er zal weinig volks van u overblijven, gij die tevoren geweest zijt als de sterren des hemels in menigte ; omdat gij niet géhoord hebt naar de stem van den Heer uwen God. 63 En gelijk de Heer zich tevoren over u verblijdde, dat hij u goeddeed en u vermenigvuldigde, alzoó zal hij zich over u verblijden, dat hij u ombrengt en verdelgt, en gij zult uitgerukt worden uit het land waarheen gij nu trekt om het intenemen. 64! Want de Heer zal u verstrooien onder alle volken, van het ccne einde der wereld tot aan het andere; en gij zult aldaar andere goden dienen, die gij niet gekend hebt noch uwe vaderen, hout en steen. 65 Daarenboven zult gij onder deze volken geen blijvende plaats hebben, en uwe voetzolen zullen geen rust hebben; want de Heer zal u aldaar een bevend hart geven, enbezwijkendeoogen, en eene versmachtende ziel; 66 zoodat uw leven vóór u zweven zal, nacht en dag zult gij bevreesd en uw leven niet zeker zijn. |
67 Des morgens zult gij zeggen : Och dat het avond ware, en des avonds zult gij zeggen: Och dat het morgen ware, wegens de vrees uws harten die u verschrikken zal, en wegens hetgeen gij met uwe oogen zien zult. 68 En de Heer zal u bij schepen-vol weder naar Egypte voeren, langs den weg van welken ik u gezegd heb: Gij zult dien niet wederzien; en gij zult aldaar aan uwe vijanden tot knechten en dienstmaagden verkocht worden, maar er zal geen kooper zijn. HOOFDSTUK 29. 1 Dit zijn de woorden van het verbond hetwelk de Heer aan Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels, in het land der Moabieten, ten tweeden male, nadat hij het met hen gemaakt had bij Horeb. 2 En Mozes riep geheel Israël samen, en sprak tot hen: Gij hebt gezien al wat de Heer gedaan heeft voor uwe oogen in Egypte, aan Farao met al zijne knechten, en aan zijn geheele land: 3 die groote beproevingen die uwe oogen gezien heb- |
403 DEÜTERONOM1UM 39.
|
ben, die teekenen en die groote wonderen. 4 En de Heer lieeft u tot op dezen dag nog niet gegeven een .hart dat verstandig was, oogen die zagen en ooren die hoorden. 3 Hij heeft u veertig jaar in de woestijn laten omwandelen : uwe kleederen zijn niet versleten aan uw lijf, en uwe schoenzool is niet versleten aan uwe voeten. 6 Gij hebt geen brood gegeten en geen wijn noch gistenden drank gedronken, opdat gij weten zoudt dat ik de Heer uw God ben. 7 En toen gij kwaamt aan deze plaats, trok Sihon de koning van Hesbon, en Og de koning van Basan, uit, ons tegemoet, om tegen ons te strijden; 8 en wij hebben hen geslagen en hun land ingenomen, en het ten erfdeel gegeven aan de Rubenieten en Gadieten en aan den halven stam der Manassieten. 9 Zoo onderhoudt nu de woorden van dit verbond en doet er naar, opdat gij wijselijk handelen moogt in al uw doen. 10 Gij staat heden allen voor den Heer uwen God: de oversten uwer stammen, uwe oudsten, uwe ambt-lièden, alle mannen van Israël; |
11 uwe kinderen, uwe vrouwen, uw vreemdeling die in uw leger is, zoowel uw houthakker als uw waterputter ; 13 om te wandelen in het verbond van den Heer uwen God, en in den eed dien de Heer uw God heden met u maakt; 13 opdat hij zich u heden tot een volk oprichte, en hij uw God zij, gelijk hij tot u gesproken en gelijk hij uwen vaderen Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft. 14 Eu ik maak dit verbond en dezen eed niet met ulieden alleen, 15 maar met u die heden hier zijt en met ons staat voor den Heer onzen God, en met degenen die hier heden niet met ons zijn. 16 Want gij weet hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en midden door de volken getrokken zijn door welke gij trokt; 17 en gij zaagt hunne gruwelen en hunne afgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. 18 Dat toch onder ulieden niet zij een man of eene vrouw, of een huisgezin of een stam, wiens hart zich heden ai'we onzen God en de goc! te dienen ulieden ge gal en alsi 19 en o van dezen hij zich n( zijn hart, gaat mij wandel zc goeddunk schap dei 20 Zoo niet gena toorn en over zuil hem zuil de vloekf geschreve ■ zal zijne van ondf 31 en heil afsc stammen de vloek hetwelk wet bes» . 33 Al de nakc deren ( zullen, die uit zal, — de plag de kra: de H( heeft, 33 df |
DEUTERONOMIUM 29.
403
|
heden afwendt van den Heer onzen God, om heentegaan en de goden dezer volken te dienen, dat er onder ulieden geen wortel zij die gal en alsem drage; 19 en of liij de woorden van dezen vloek al hoort, hij zich nochtans zegene in zijn hart, zeggende: Het gaat mij wel, terwijl ik wandel zooals het mijn hart goeddunkt, opdat dronkenschap den dorst wegneme. 20 Zoo zal de Heer dien niet genadig zijn, maar zijn toorn en ijver zal rooken over zulk een man, en op hem zullen zich leggen al de vloeken die in dit boek geschreven zijn, endcHeer zal zijnen naam uitdelgen vnn onder den hemel, 21 en hij zal hein tot onheil afscheiden van al de stammen Israels, volgens al de vloeken van het verbond hetwelk in het boek dezer wet beschreven is. 23 Alsdan zullen zeggen de nakomelingen, uwe kinderen die na u opkomen zullen, en de vreemdeling die uit verre landen komen zal, — als zij zien zullen de plagen van dit land en de krankheden met welke de Heer hen geteisterd heeft, — |
23 dat hij al uw land als zwavel en 'zout verbrand heeft, dat het niet bezaaid kan worden en niets daarin wast, noch eenig kruid daarin opgaat-gelijk Sodom, Gomorra, Adama en Ze-boïm omgekeerd zijn, welke de Heer in zijnen toornen in zijne verbolgenheid omgekeerd heeft. 21 Dan zullen alle volken zeggen: Waarom heeft de Heer aan dit land al-zoo gedaan? Waarom is de verbolgenheid des toorns zoogroot? 25 En men zal zeggen: Omdat zij het verbond van den Heer, den God hunner vaderen, verlaten hebben, hetwelk hij met hen maakte toen hij hen uit Egypteland voerde, 26 en zij heengegaan zijn en andere goden gediend en hen aangebeden hebben, zulke goden die zij niet kenden en die hij hun niet bevolen had; 27 daarom is de toorn des Heeren ontstoken over dit land, dat hij daarover heeft doen komen al de vloeken die in dit boek beschreven staan, 28 en de Heer heeft hen uit hun land gestooten met grooten • toorn, verbolgenheid en ongenade, en hij heeft hen naar een ander |
DEUTEEONOMIUM 30.
404
|
land geworpen , gelijk liet lieden ten dage is. 29 De verborgene dingen zijn voor den Heer onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen eemviglijk, om ta doen al de woorden dezer wet. HOOFDSTUK 30. 1 Wanneer dan dit alles u zal overkomen, hetzij de zegen of de vloek die ik u voorgelegd heb, en gij het dan weder ter harte neemt, onder alle volken waarheen de Heer uw God verdreven heeft, 2 en gij u bekeert tot den Heer uwen God, dat gij naar zijne stem hoort, gij en uwe kinderen, met uw gansche hart en ziel, in alles wat ik u heden gebied, — 3 zoo zal de Heer uw God uwe gevangenis wenden en zich over u ontfermen, en hij zal u weder vergaderen uit alle volken waarheen de Heer uw God u verstrooid heeft: 4 al waart gij tot aan het einde des hemels verdreven, zoo zal echter de Heer uw God u vandaar verzamelen en u vandaar halen. |
5 En hij zal u in het land brengen, hetwelk uwe raderen bezeten hebben, en gij zult het innemen; en hij zal u goeddoen en u vermenigvuldigen boven uwe vaderen. 6 En de Heer uw God zal uw hart besnijden en het hart uws zaads, zoodat gij den Heer uwen God lief-hebt met uw gansche hart en ziel; opdat gij moogt leven. 7 En al deze vloeken zal de Heer uw God op uwe vijanden leggen en op degenen die u haten en vervolgen. 8 Dan zult gij u bekee-ren en naar de stem des Heeren hooren, dat gij doet naar al zijne geboden die ik u heden gebied. 9 En de Heer uw God zal u geluk geven in al het werk uwer handen, aan de vrucht uws lichaams, aan de vrucht van uw vee, aan de vrucht uws lands, dat het u ten goede kome; want de Heer zal zich wenden, opdat hij zich over u verblijde, u ten goede, gelijk hij zich over uwe vaderen verblijd heeft: 10 omdat gij naar de stem van den Heer uwen God hoort, om te onderhouden zijne geboden en inzettingen die geschreven staan in het boek dezer wet; zoo gij u zult bekeeren tot den Heer |
DEUTEEONOMIUM 31. 405
|
n; en uwen God, met uw gansche uver- hart en ziel. uwe 11 Want dit gebod hetgeen ik u heden gebied, is u God niet verborgen noch te ver; mhet 13 noch in den hemel, it gij dat gij moogt zeggen: Wie lief- zal voor ons ten hemel va- hart ren en het ons halen, opdat loogt wij het hooren en doen? 13 Het is ook niet aan i zal gene zijde der zee, dat gij uwe moogt zeggen: Wie zal voor de- ons over de zee varen en ver- het ons halen, opdat wij het hooren en doen? fee- 14 Want het woord is des zeer nabij u, in uwen mond loet en in uw hart, opdat gij ï ik het doet. 15 Zie, ik heb u heden rod voorgelegd het leven en het liet goede, en den dood en het de kwade. an 16 Want ik gebied u he- an den, dat gij den Heer uwen 'at God lief hebt, en in zijne nt wegen wandelt, en zijne i, geboden, wetten en inzet- r- tingen onderhoudt, opdat ik gij leven moogt en verme- n nigvuldigd wordt, en de Heer uw God u zegene a in het land waarheen gij 1 trekt om het intenemen. i 17 Maar indien gij uw i hart afwendt en niet gehoor- t zaam zijt, maar u verleiden i laat, dat gij andere goden aanbidt en dient, |
18 zoo verkondig ik u heden dat gij zult omkomen, en niet lang blijven in het land waarheen gij trekt over den Jordaan om het intenemen. 19 Ik neem hemel en aarde heden over u tot getuigen, dat ik u leven en dood, zegen en vloek heb voorgelegd, opdat gij het leven verkiest, en gij en uw zaad moogt leren; 20 dat gij den Heer uwen God lief hebt, en naar zijne stem hoort en hem aanhangt, want dit is uw leven en de lengte uwer dagen ; opdat gij in het land woont hetwelk de Heer uwen vaderen, Abraham, Isaiik en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. HOOFDSTUK 31. 1 En Mozes ging heen en sprak deze woorden tot geheel Israël, 3 en zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud, ik kan niet meer uit- en ingaan; daarenboven heeft de Heer tot mij gezegd: Gij zult niet over dezen Jordaan gaan. 3 De Heer uw God zal zelf voor u overgaan; hij zal zelf deze volken voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hun erf inneemt; |
DETJTEEONOMIUM 31,
406
|
Jozuazal voor uovergaan, zoo-uls de Heer gesproken heeft. 4 En de Heer zal hun doen gelijk hij gedaan heeft aan Sihon en Og de koningen der Amorieten, en aan hun land, die hij verdelgd heeft. 5 Wanneer nu de Heer hen voor uw aangezicht overleveren zal, zoo zult gij hun doen naar al het gebod dat ik u geboden heb. 6 Weest moedig en onversaagd , vreest niet en verschrikt niet voor hen; want de Heer uw God zal zelf met u wandelen, en zal de hand niet van u aftrekken noch u verlaten. 7 En Mozes riep Jozua en sprak tot hem voor de oogen van geheel Israël: Wees moedig en onversaagd; want gij zult dit volk in het land brengen, hetwelk de Heer hunnen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven; en gij zult het onder hen uitdealen. 8 En de Heer zelf zal voor u uitgaan, die zal met u zijn en zal de hand niet van u aftrekken noch u verlaten: vrees niet en verschrik niet. 9' En Mozes schreef deze wet en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark des verbond s des Heeren droegen, en aan al de oudsten van Israël. |
10 En hij gebood hun, zeggende; Op het einde van elke zeven jaren, ten tijde van het vrijjaar, op het feest der loofhutten, 11 wanneer geheel Israël komt om te verschijnen voor den Heer uwen God, aan de plaats die hij verkiezen zal, zult gij deze wet voor geheel Israël laten uitroepen voor hunne ooren. 12 Vergader dan het volk, mannen en vrouwen en kinderen, en de vreemdelingen die in uwe poorten zijn, opdat zij hooren en leeren, en den Heer hunnen God vreezen en ter harte nemen, dat zij doen alle woorden dezer wet; 13 en dat hunne kinderen, die het niet weten, óók hooren eu leeren, opdat zij den Heer uwen God vreezen, al de dagen die gij leven zult in het land waarheen gij gaat over den Jordaan om het intenemen. 14 En de Heer sprak tot Mozes: Zie, uw tijd is nabij gekomen dat gij sterven zult: roep Jozua, en treedt in de hut des stichts, opdat ik hem bevel geve. En Mozes ging heen met Jozua, en zij traden in de hut des stichts. |
DEUÏEEONOMIUM 31.
407
|
15 Toen versoheen de Heer in de Imt in eene wolkkolom; en de wolkkolom stond boven den ingang dei-hut. 16 En de Heer sprak tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uwe vaderen, en dit volk zal opkomen en zal de vreemde goden van het land in hetwelk zij komen na-hoereeren; en het zal mij verlaten, en het verbond laten varen dat ik met hen gemaakt hel). 17 Zoo zal te dien dage mijn toom over hen ontbranden , en ik zal hen verlaten en mijn aangezicht voor hen verbergen, dat zij verteerd worden. En als hen dan veel ongeluk en angst treft'en zal, zoo zullen zij zeggen: Is mij dat kwaad niet altemaal overkomen dewijl mijn God niet met mij is? 18 Doch ik zal mijn aangezicht verbergen te dien dage, om al het kwaad dat zij gedaan hebben, dat zij zich tot andere goden hebben gewend. 19 Zoo schrijft u nu dit lied, en leer het den kinderen Israels, en leg het in hunnen mond, opdat mij dit lied eene getuigenis zij onder de kinderen Israels. |
20 Want ik zal hen in het land brengen hetwelk ik hunnen vaderen gezworen heb, waar melk en honig vloeit; en wanneer zij eten en verzadigd en vet geworden zijn, zoo zullen zij zich wenden tot andere goden en hen dienen, en mij lasteren en mijn verbond laten varen. 21 En wanneer hun dan veel ongeluk en angst overkomen zal, zoo zal dit lied hun antwoorden tot eene getuigenis; want het zal onvergeten blijven in den mond van hun kroost; dewijl ik weet met welke gedachten zij nu alreeds omgaan, eer ik hen in het land breng hetwelk ik hun gezworen heb. 22 Alzoo schreef Mozes dit lied te dien dage, en leerde het den kinderen Israels. 23 Eu hij beval aan Jozua den zoon van Nun, en sprak: Wees moedig en onversaagd; want gij zult de kinderen Israels brengen in het land dat ik hun gezworen heb, en ik zal met u zijn. • 24 Toen nu Mozes de woorden dezer wet van het begin tot het einde toe geschreven had in een boek, 25 zoo gebood hij den Levieten die de ark des ver- |
DEÜTEEONOMIUM 32.
408
|
bonds des Heeren droegen, zeggende: 26 Neemt dit boek der wet, en legt het aan de zijde van de ark des ver-bonds van den Heer uwen God, opdat het aldaar tot een getuige zij tegen u. 27 Want ik ken uwe ongehoorzaamheid en halsstarrigheid: zie, terwijl ik heden nog levend bij u ben, zijt gij ongehoorzaam geweest tegen den Heer: hoe-veeltemeer na mijnen dood! 28 Zoo vergadert nu voor mij al de oudsten uwer stammen en uwe hoofdlieden, opdat ik deze woorden voor hunne ooren spreke, en hemel en aarde tegen hen tot getuigen roepe; 29 want ik weet dat gij het na mijnen dood verderven zult, en afwijken van den weg dien ik u geboden heb: alsdan zal u ongeluk ontmoeten in later dagen, omdat gij kwaadge-daan hebt voor de oogen des Heeren, zoodat gij hem vertoornt door het werk uwer handen. 30 Alzoo sprak Mozes de woorden van dit lied, van het begin tot het einde toe, voor de ooren der geheele gemeente van Israël: |
HOOFDSTUK 32. 1 Merkt op gij hemelen, ik zal spreken; en de aarde hoore de redenen mijns monds. 2 Mijne leer druipe als de regen, en mijne rede vloeie als de dauw; als de regen op het gras, en als de druppels op het kruid. 3 Want ik wil den naam des Heeren prijzen; geeft onzen God alleen de eer. 4 Hij is een steenrots, zijne werken zijn volkomen; want alwat hij doet is recht; getrouw is God en geen kwaad aan hem, rechtvaardig en onberispelijk is hij. 5 Een verkeerd en ondeugend geslacht valt van hem af; zij zijn schandvlekken en niet zijne kinderen. 6 Dankt gij zóó den Heer uwen God, gij dwaas en onverstandig volk? Is hij niet uw Vader en uw Heer, is hij het niet alleen die u gemaakt en bereid heeft? 7 Gedenk aan den vori-gen tijd tot hiertoe, bedenkt wat hij gedaan heeft aan de voorvaderen; vraag uwen vader, die zal het u verkondigen, uwe oudsten, die zullen het u zeggen. 8 Toen de Allerhoogste de volken verdeelde, en |
DEÜTEEONOMIUM 33.
409
|
verstrooide de kinderen der mensclien, toen stelde bij i de grenspalen der volken naar het getal der kinderen Israels. 9 Want des Heeren deel is zijn volk, Jakob is bet snoer zijner erfenis. 10 Hij vond bem in de woestijn, in de dorre wildernis vol gebuil: hij leidde bem, en gaf hem de wet, hij bewaarde hem als zijn oogappel. 11 Gelijk een arend zijne jongen uitvoert en over hen zweeft, zijne vlerken uitbreidt en ze neemt, en ze draagt op zijne vleugels: 12 zoo beeft de Heer alleen hem geleid, en er was geen vreemd god met hem. 13 Hij liet hem trekken over de hoogten des lands, 6n voedde bem met de vruchten des velds, en liet hem honig zuigen uit de steenrotsen en olie uit de harde steenen; 14 boter van de koeien en melk van de schapen, ook het vet van de lammeren en rammen die in Ba-san weiden, en bokken met vette nieren, en tarwe; en hij drenkte hem met goed druivenbloed. |
15 Maar toen hij vet en verzadigd werd, werd hij dartel, (hij is vet en dik en sterk geworden), en heeft God laten varen die hem gemaakt heeft, en hij heeft gering'geacht de steenrots zijns heils, 16 en heeft hem tot ijver verwekt door vreemden; door gruwelen heeft hij hem vertoornd. 17 Zij hebben aan veld-duivelen geofferd, en niet aan hunnen God; aan goden die zij niet kenden, nieuwe die tevoren niet geweest zijn, die ook uwe vaderen niet geëerd hebben. 18 Uwe steenrots, die u gebaard heeft, hebt gij versmaad, en hebt God vergeten, die u gemaakt heeft. 19 En toen de Heer dat zag, werd hij toornig over zijne zonen en dochters; 20 en hij sprak: Ik wil mijn aangezicht voor ben verbergen, ik zal zien wat hun ten laatste wedervaren zal; want bet is een verkeerd geslacht, zij zijn trou-welooze kinderen. 21 Zij hebben mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is, met hunne afgoderij hebben zij mij vertoornd; en ik zal hen wederom tot ijver verwekken door hetgeen geen volk is, door een dwaas volk zal ik hen vertoornen, |
DEUTEUONOMIUM 82.
410
|
23 Want liet vuui' is aangestoken in mijnen toorn, en het zal branden tot in het diepst der hel, en zal het land met zijn gewas verteren, en zal de grondvesten der bergen aansteken. 23 Ik wil alle ongeluk over hen ophoopen, ik zal al mijne pijlen op hen verschieten. 24 Van honger zullen zij versmachten, en door de koorts en een snellen dood verteerd worden; ik zal de tanden der dieren en het vergift der slangen onder hen zenden. 25 quot;Van buiten zal het zwaard hen berooven, en van binnen de schrik; zoo jongelingen als maagden, den zuigeling met den grijsaard. 26 Ik zou zeggen: Ik zal hen verdelgen, en hunne gedachtenis onder de men-schen uitroeien, ■—• 27 zoo ik niet schroomde den toorn der vijanden, dat hunne vijanden niet stoutmoedig worden, en zeggen mochten: Onze macht is groot, en de Heer heeft dat alles niet gedaan. 28 Want het is een volk waarin geen raad is, en er is geen verstand in hen. 29 O dat |
zij wijs waren en het vernamen, dat zij verstonden wat hen later ontmoeten zal! 80 Hoe kan een éénige duizend van hen jagen, en twee tienduizend doen vluchten? Is het niet omdat hunne steenrots hen verkocht heeft, en de Heer hen heeft overgegeven? 31 Want onze steenrots is niet als hunne steenrots; daarom zijn onze vijanden onze rechters. 82 Want hun wijnstok is van den wijnstok van Sodom en van den akker van Gomorra; hunne druiven zijn gal, zij hebben bittere bessen; 33 Iran wijn is draken-vergift en gal van woedende adders. 84 Is dat niet bij mij weggelegd, verzegeld bij mijne schatten? 35 Mij is de wraak, ik zal vergelden; te zijner tijd zal hun voet wankelen; want de tijd huns ongeluks is nabij, en wat hen ontmoeten zal snelt aan. 36 Doch de Heer zal zijn volk richten, en over zijne knechten zal hij zich ontfermen ; als hij zien zal dat het met hunne macht gedaan is, en beide het be-slotene en verlatene niet meer is. |
DEÜTEEONOMIUM 33.
411
|
37 En men zal zeggen: Waar zijn hunne goden, de steenrots op welke zij vertrouwden, 38 van welker slachtoffers zij het vet aten, en van welker drankotters zij wijn dronken? Dat zij opstaan en u helpen en u beschutten. 39 Ziet nu dat ik alleen ben, en er geen God nevens mij is; ik kan dooden en levendmaken, ik kan slaan en kan heelen; en niemand redt uit mijne hand. 40 quot;Want ik zal mijne hand ten hemel hett'en en zal zeggen: Ik leef eeuwiglijk. 41 Wanneer ik den bliksem mijns zwaards wetten zal, en mijne hand het ter strafte zal grijpen, zoo zal ik mij weder wreken aan mijne vijanden, en dengenen die mij haten vergelden. 42 Ik zal mijne pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vleeseh eten: van het bloed der verslagenen en der gevangenen, van het hoofd des vijands af. 43 Juicht nu gij heidenen, met zijn volk; want hij zal het bloed zijner knechten wreken, en zal zich aan zijne vijanden wreken, en het land zijns volks genadig zijn. — |
44 En Mozes kwam en sprak al de woorden van cut lied voor de ooren des volks, hij en Jozua de zoon van Nun. 45 Toen nu Mozes dat alles uitgesproken had tot geheel Israël, 46 zeide hij tot hen: Neemt ter harte al de woorden die ik u heden betidgd heb; opdat gij uwen kinderen beveelt, dat zij al de woorden dezer wet onderhouden en doen. 47 Want het is geen gering woord aan u, maar het is uw leven; en dit woord zal uw leven verlengen in het land waar gij heengaat over den Jor-daan om het intenemen. 48 En do Heer sprak op dienzelfden dag tot Mozes, zeggende: 49 Ga op het gebergte Abarim, op den berg Nebo, die tegenover Jericho ligt, in het land der Moabieten, en bezie het land Kanailn, hetwelk ik den kinderen Israels tot een eigendom geven zal; 50 en als gij er gekomen zijt, sterf dan op dien berg en word vergaderd tot uw volk; zooals uw broeder Aiiron stierf op den berg Hor, en tot zijn volk vergaderd werd: 51 omdat gg lieden tegen |
412 DEUTEEONOMIUM 33.
|
mij gezondigd hebt onder de kinderen Israels, bij het water der twisting te Kades in de woestijn Zin, omdat gij mij niet heiligdet onder de kinderen Israëls. 53 Want gij zult tegenover zien het land hetwelk ik den kinderen Israëls geven zal, maar gij zult er niet inkomen. HOOFDSTUK 33. 1 Dit nu is de zegen met welken Mozes, de man Gods, vóór zijnen dood de kinderen Israëls zegende. 2 En hij sprak: De Heer is van Sinaï gekomen, en is hun opgegaan van Seïr; hij is glansrijk verschenen van den berg Paran, en is gekomen met vele duizenden heiligen; aan zijne rechterhand was hun eene vurige wet. 3 Hoe lief heeft hi] de stammen! Al zijne heiligen zijn in uwe hand; zij zullen zich plaatsen aan uwe voeten , en zullen uwe woorden leeren. 4 Mozes heeft ons de wet geboden, als een erfdeel der gemeente van Jakob; 5 en hij bediende het ambt van koning, en verzamelde de hoofden des volks, benevens de stammen van Israël. |
6 Dat Euben leve en niet sterve, en zijn volk gering zij. — _ 7 Dit is de zegen van Juda, en hij sprak: Heer, verhoor de stem van Juda, maak hem tot een regent onder zijn volk, en laat zijne macht groot worden en hem ter hulp zijn tegen zijne vijanden. — 8 En tot Levi sprak hij: Uw Eecht en uw Licht blijven bij uwen man, den heilige; dien gij beproefdet te Massa, toen gijlieden twist voerdet aan het water der twisting; 9 die tot zijnen vader en tot zijne moeder spreekt: Ik zie hem niet, en tot zijnen broeder: Ik ken hem niet, en tot zijnen zoon: Ik weet het niet; want zij onderhouden uwe woorden en bewaren uw verbond. 10 Zij zullen Jakob uwe rechten leeren, en Israël uwe wet; zij zullen wierook u ten reukwerk brengen, en brandoffers op uwen altaar. 11 Heer, zegen zijn vermogen, en laat het werk zijner handen u behagen; versla den rug dergenen die tegen hem opstaan en dergenen die hem haten, dat zij niet weder opstaan. ■—• 12 En tot Benjamin sprak hij: De geliefde des Heeren |
DEUTEEONOMIUM 33. 413
|
zal veilig wonen; altijd zal hij zijne hand over hem houden, en zal tusschen zijne schouders wonen. —- 13 En tot Jozef sprak hij: Zijn land ligt in den zegen des Heeren; daar zijn edele vruchten van den hemel, van den dauw en van de diepte die beneden ligt; 14' daar zijn edele vruchten van de zon en edele rijpe vruchten van de maan; 15 en van de hooge bergen tegen het oosten en van de eeuwige heuvels; 16 en edele vruchten van de aarde en wat er in is: de genade desgenen die in het bosch woonde kome op het hoofd van Jozef, en op de kruin van den nazireër onder zijne broeders. 17 Zijne heerlijkheid is als van den eerstgeborene zijns stiers, en zijne hoornen zijn als de hoorn eens eenhoorns ; met deze zal hij de volken nederstooten, tot aan het einde des lands. Dat zijn de tienduizenden van Efraïm, en de duizenden van Manasse. — 18 En tot Zebulon sprak hij: Zebulon, verheug u wegens uwe tochten; en Issaschar, verheug u over uwe hutten. |
19 Volken zullen aldaar aanroepen op den berg, en otteren de offers der gerechtigheid; zij zullen den overvloed der zee genieten, en de verborgen schatten van het zand. — 20 En tot Gad sprak hij: Gezegend zij die Gad ruimte maakt; hij ligt als een leeuw, en rooft den arm en het hoofd. 21 En hij voorzag zich van het eerste, want het deel des wetgevers was verborgen; hij kwam met de oversten des volks, en beschikte de gerechtigheid des Heeren en diens ge-richten met Israël. ■—■ 22 En tot Dan sprak hij: Dan is een jonge leeuw, hij zal uit Basan tevoorschijn springen. — 23 En tot Naftali sprak hij: Naftali zal genoeg hebben van hetgeen hij begeert, en hij zal vol van den zegen des Heeren zijn; tegen het westen en zuiden zal zijne bezitting zijn. —• 2*1 En tot Aser sprak hij: Aser zij gezegend met zonen, hij zij aangenaam zijnen broederen, en doope zijnen voet in olie. 25 Uzer en koper zij onder zijne schoenen, uw ouderdom zij gelijk uwe jeugd. 26 Er is geen God als de God des rechtvaardigen; die in den hemel zit, die |
DEUTERONOMIUM 34.
414
|
zij uwe hulp, en wiens heerlijkheid in de wolken is. — 27 Dit is de woning Gods van den beginne, en ondersteund mot eeuwige armen; en hij zal voor u uit uwen vijand verdrijven en zeggen: Word verdelgd. 28 Israël zal veilig wonen alleen; de fontein van Jakob zal zijn op het land waar koren en most is; ook zal zijn hemel van dauw druipen. 29 Gelukkig zijt gij o Israël ; wie is u gelijk o volk, gij die zalig wordt door den Heer, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer overwinning is. Uwen vijanden zal het mislukken, maar gij zult op hunne hoogten treden. HOOFDSTUK 34. 1 En Mozes ging van de vlakke velden der Moabieten op den berg Nebo, op den top van het gebergte Pisga tegenover Jericho; en de Heer toonde hem het ge-heele land Gilead tot Dan toe; 2 en geheel Naftali, en het land van Efraïtn en Manasse, en het geheele land van Juda tot aan de uiterste zee; 3 en tegen het zuiden, en de landstreek der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe. |
4 En de Heer sprak tot hem: Uit is het land waarvan ik Abraham, Isailk en Jakob gezworen heb, zeggende : Ik zal het uwen zade geven: gij hebt het met uwe oogen gezien, maar gij zult er niet ingaan. 5 Alzoo stierf Mozes., de knecht des Heeren, aldaar in het land der Moabieten, naar het woord des Heeren. ö En hij begroef hem in het dal tegenover Beth-Peor, in het land der Moabieten; en niemand heeft zijn graf geweten tot op den dag van heden. 7 En Mozes was honderd en twintig jaar oud toen hij stierf: zijne oogen waren niet donker geworden en zijne kracht was niet vervallen. 8 En de kinderen Israëls beweenden Mozes dertig dagen in de vlakke velden der Moabieten; en de dagen van het geween en den rouw over Mozes werden voleindigd. 9 Jozua nu, de zoon van Nun, werd vervuld met den geest der wijsheid, want Mozes had zijne hand op hem gelegd; en de kinderen Israels hoorden naar hem, en deden zooals de |
|
JOZU Heer aan Mozes geboden had. ■10 En er stoud naderhand geen profeet in Israël op gelijk Mozes, dien de Heer gekend had van aangezicht tot aangezicht, 11 in al de teelcenen en wonderen waartoe de Heer |
A 1. 415 hem zond, om die te doen in Egypteland, aan Farao en al zijne knechten en aan zijn geheele land; 13 en in al die machtige hand en in al die groote verschrikkingen, die Mozes gedaan heeft voor de oogen van geheel Israël. |
HET BOEK
J O Z U A.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Na den dood van Mozes den knecht des Heeren, sprak de Heer tot Jozna den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, zeggende : 3 Mijn knecht Mozes is gestorven; zoo maak u nu op en trek over dezen Jor-daan, gij en dit geheele volk, naar het land hetwelk ik hun, den kinderen Israels , geef. 3 i\l de plaatsen op welke uwe voetzolen treden zullen hel) ik u gegeven. gelijk ik tot Mozes gezegd heb. |
4 quot;Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de groote rivier Frath, het geheele land der Hethieten tot aan de groote zee tegen het paal zijn. 5 Niemand zal u weder-staan uw leven lang: gelijk ik met Mozes geweest ben, zoo wil ik ook met u zijn; ik zal u niet verlaten noch van u wijken. G Wees moedig en onversaagd; want gij zult aan dit volk het land uitdeden, hetwelk ik Irannen vaderen gezworen heb hun te zullen geven. 7 Alleenlijk wees moedig en onversaagd, dat gij alleszins houdt en betracht de geheele wet welke Mozes mijn knecht u geboden heeftj westen, zal uw grens- |
JOZUA 1.
416
|
wijk daarvan niet af, noch ter rechter- noch ter linkerhand ; opdat gij wijs moogt handelen in al hetgeen gij doen zult. 8 Laat het boèk dezer wet niet van uwen mond komen, maar overdenk het dag en nacht, opdat gij onderhoudt en zorgvuldig doet naar hetgeen daarin geschreven staat; alsdan zal u gelukken alwat gij doet, en gij zult wijs handelen. 9 Zie, ik heb u geboden dat gij moedig en onversaagd zoudt zijn; verschrik niet en ontzet u niet, want de Heer uw God is met u in alwat gij doen zult. 10 Toen gebood Jozua den hoofdlieden des volks, zeggende: 11 Gaat door het leger en gebiedt het volk, zeggende: Bereidt uleeftocht; want na drie dagen zult gij over dezen Jordaan gaan, om het land te gaan innemen hetwelk de Heer uw God u geven zal. 12 En tot de Kubenieten, Gadieten en den halven stam Manasse sprak Jozua: 13 Gedenkt aan het woord hetwelk Mozes de knecht des Heeren u zeide, sprekende: De Heer uw God heeft u tot rust doen komen en u dit land gege* ven: |
14 uwe vrouwen en kinderen en vee zullen blijven in het land hetwelk Mozes u aan deze zijde van den Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult, wie strijdbare mannen zijn, gewapend uittrekken voor uwe broeders en hen helpen; • 15 totdat de Heer uwe broeders ouk tot rust laat komen gelijk ulieden, dat zij óók innemen het land hetwelk de Heer uw God hun geven zal: dan zult gij wederkeeren naar uw land hetwelk Mozes de knecht des Heeren u gegeven heeft ter bezitting, aan deze zijde van den Jordaan tegen den opgang der zon. 1G En zij antwoordden Jozua, zeggende: Alwat gij ons geboden hebt zullen wij doen, en waarheen gij ons zenden zult zullen wij gaan. 17 Gelijk wij Mozes zijn gehoorzaam geweest, zóó willen wij ook u gehoorzaam zijn: alleenlijk dat de Heer uw God met u zij, gelijk hij met Mozes was. 18 Wie uwen mond ongehoorzaam is, en niet hoort naar uwe woorden, in alwat gij ons gebieden zult, die zal sterven. quot;Wees slechts moedig en onversaagd. |
JOZUA 2.
417
|
HOOFDSTUK 2. 1 Jozua nu de zoon van Nun had heimelijk van Sit-tim twee bespieders uitgezonden, en tot hen gezegd: Gaat heen, beziet het land en Jericho. En zij gingen heen en kwamen in het huis eener hoer genaamd Eachab, en namen hunnen intrek bij haar. 3 Toen werd den koning van Jericho aangezegd: Zie, er zijn dezen nacht hier mannen ingekomen van de kinderen Israels, om dit land te bespieden. 3 Toen zond de koning van Jericho tot Eachab en liet haar zeggen: Breng de mannen uit die tot u in uw huis gekomen zijn; want zij zijn gekomen om het ge-heele land te bespieden. 4 Maar de vrouw nam de twee mannen en verborg hen, en sprak aldus: Er zijn wel mannen bij mij ingekomen , maar ik wist niet vanwaar zij waren; 5 en toen men, als het duister was, de poorten wilde sluiten, gingen zij uit, zoodat ik niet weet waarheen zij gegaan zijn; jaagt hen spoedig na, zoo zult gij hen achterhalen. |
6 Maar zij liet hen op het dak klimmen, en bedekte hen onder de vlasstoppels die zij op het dak uitgespreid had. 7 De mannen nu joegen hen na op den weg naar den Jordaan, tot aan de overvaart; en toen zij die hen najoegen buiten waren, sloot men de poorten toe. 8 En eer die mannen zich te slapen leiden, zoo klom zij tot hen. op het dak, 9 en zij sprak tot hen: Ik weet dat de Heer u dit land gegeven heeft; want eene verschrikking is wegens ulieden op ons gevallen, en al de inwoners des lands zijn wegens uwe aankomst moedeloos geworden. 10 Want wij hebben gehoord hoe de Heer het water in de Schelfzee heeft uitgedroogd voor ulieden, toen gij uit Egypte trokt; en wat gij aan de beide koningen der Amorieten, Sihon en Og, aan gene zijde van den Jordaan gedaan hebt, hoe gij hen verbannen hebt. 11 En sedert wij dat gehoord hebben, is ons hart versaagd, en geen moed is er meer in iemand wegens uwe aankomst; want de Heer uw God is God, beide boven in den hemel en beneden op de aarde. |
11
JOZUA 2.
418
|
■ 13 Zoo zweert mij nu bij den Heer, dewijl ik barm-hartigheid aan u gedaan heb, dat ook gij aan mijn vaderlijk huis barmhartigheid doen zult; en geeft mij een teeken ten waarborg, 13 dat gij mijnen vader, mijne moeder, mijne broeders en mijne zusters, en al wat zij hebben-, zult laten leven, en onze hielen redden van den dood. 14 Toen zeiden die mannen tot haar: Doen wij geen barmhartigheid en getrouwheid aan u, als de Heer ons dit land geeft, zoo zal onze ziel sterven voor u, indien gij deze onze zaak niet verraadt. 15 En zij liet hen neder met eene koord door het venster; want haar huis was aan den stadsmuur, en zij woonde ook op den muur. 16 En zij sprak tot hen: Gaat op het gebergte, opdat u niet ontmoeten die u najagen; en verbergt u aldaar drie dagen, totdat die u najagen wederkomen; gaat daarna uwen weg. 17 Ook spraken de mannen tot haar: Wij zullen ontslagen zijn van den eed dien gij ons afgenomen hebt, 18 indien gij niet, als wij in het land komen, deze |
roode koord, met welke gij ons nedergelaten hebt, in het venster knoopt, en tot u in dit huis vergadert uwen vader, uwe moeder, | uwe broeders en geheel uw vaderlijk geslacht; 19 en alwie de deur van uw huis uitgaat, diens bloed zij op zijn hoofd en wij zullen onschuldig zijn; maar allen die in nw huis zijn, indien eene hand aan hen gelegd wordt, zoo zal hun bloed op ons hoofd zijn. 20 En indien gij iets van deze onze zaak zult openbaren, zoo zullen wij ontslagen zijn van den eed dien gij ons afgenomen hebt. 21 En zij sprak: Het zij zooals gij zegt. En zij liet hen gaan, en zij gingen heen; en zij knoopte de roode koord in het venster. 22 Alzoo gingen zij heen, en kwamen op het gebergte, en bleven drie dagen aldaar, totdat degenen wedergekomen waren die hen nagejaagd hadden; want zij hadden hen gezocht op alle wegen, maar niet gevonden. 23 Alzoo keerden die twee mannen weder, en gingen van het gebergte af, en voeren over, en kwamen tot Jozua den zoon van Nun, en verhaalden hem alwat hun wedervaren was; |
|
24 en zij spraken tot Jozua: De Heer heeft dat gansohe land in onze handen gegeven, want al de inwoners des lands zijn moedeloos voor ons. HOOFDSTUK 3. 1 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en zij trokken van Sittim en kwamen aan den Jordaan, hij en al de kinderen Israels, en bleven aldaar den nacht over, eer zij overtrokken. 2 En na drie dagen gingen de hoofdlieden door het leger, 3 en geboden het volk, zeggende: Wanneer gij zien zult de ark des verbonds van den Heer uwen God, en de priesters uit de Levieten haar dragende, zoo trekt uit van uwe plaats en volgt haar; i doch zóó, dat er tus-schen u en haar een afstand van omtrent tweeduizend el zij; gijlieden zult tot haar niet naderen, opdat gij moogt weten welken weg gij gaan zult; want gij zijt dien weg nooit tevoren gegaan. 5 En Jozua sprak tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de Heer een wonder onder u doen. 6 En tot de priesters sprak hij: Draagt de ark des verbonds en gaat voor het |
419 volk uit. Toen droegen zij de ark des verbonds, en gingen voor het volk uit. 7 En de Heer sprak tot Jozua: Heden zal ik beginnen u groot te maken voor geheel Israël, opdat zij weten dat gelijk ik met Mozes geweest ben, ik alzóó ook met u zal zijn. 8 En gij, gebied den priesters die de ark des verbonds dragen, zeggende: Als gij zult gekomen zijn vooraan in het water van den Jordaan, zult gij in den Jordaan stilstaan. 9 En Jozua sprak tot de kinderen Israels: Komt herwaarts en hoort de woorden van den Heer uwen God. 10 En hij sprak: Hieraan zult gij merken dat de levende God onder u is, en dat hij voor u uitdrijven zal de Kanaünieten, Hethie-ten, Hevieten, Eerezieten, Girgasieten, Amorieten en Jebusieten: 11 zie, de ark des verbonds van den beheerscher der geheele wereld zal voor u uitgaan in den Jordaan. '12 Zoo neemt nu twaalf mannen uit do stammen van Israël, uit eiken stam één; 13 en zooras de voetzolen der priesters, die de ark van den Heer, den beheer- JOZUA 3. |
JÜZUA 4.
420
|
scher der geheele wereld, dragen, het water van den Jordaan zullen raken, zoo zal het water van den Jordaan, het water dat van boven afvliet, zich in den Jordaan afscheuren, dat het op één hoop zal blijven staan. 14 Toen nu het volk uittrok uit zijne hutten om over den Jordaan te gaan, en de priesters de ark des verbonds voor het volk uitdroegen, 15 en zij die de ark droegen aan den Jordaan kwamen , en de voeten der priesters, dragende de ark, vooraan in het water waren ingedoopt, (de Jordaan nu was den geheelen tijd van den oogst vol aan al zijne oevers), 16 toen stond het water dat van boven afkwam, gerezen op één hoop, zeer ver van de stad Adam af, die terzijde van Zarethan ligt; en het water dat naaide zee der vlakte, de Zout-zee, afliep, dat nam af en verliep: alzoo ging het volk over tegenover Jericho. 17 En de priesters, die de ark des verbonds des Heeren droegen, stonden alzoo op het droge, midden in den Jordaan; en geheel Israël ging er droog door, totdat al het volk over den Jordaan kwam. |
HOOFDSTUK 4. 1 En het geschiedde toen al het volk overgetrokken was over den Jordaan, dat de Heer tot Jozua sprak, zeggende: 2 Neemt u twaalf mannen uit het volk, uit eiken stam één, 3 en gebiedt hun, zeggende: Neemt u uit den Jordaan twaalf steenen op, van die plaats waar de voeten der priesters gestaan hebben, en brengt die met u over, om ze ter plaatse der vernachting te laten, waar gij dezen nacht vernachten zult. 4 Toen riep Jozua twaalf mannen, die gekozen waren uit de kinderen Israels, uit eiken stam één; 5 en hij sprak tot hen: Gaat over vóór de ark van den Heer uwen God, midden in den Jordaan; en elk hefte éénen steen op zijnen schouder, naar het getal van de stammen der kinderen Israels; 6 opdat zij een gedenk-teeken zijn onder u, als uwe kinderen later hunne vaders vragen zullen, zeggende: Wat beduiden deze steenen daar? |
JOZUA 4,
431
|
7 dat gij hun dan zegt hoe het water van den Jor-daan afgescheurd is voor de ark des verbonds des Hee-ren; toen zij door den Jor-daan ging, is het water van den Jordaan afgescheurd: opdat deze steenen den kinderen Israels eene eeuwige gedachtenis zijn. 8 Toen deden de kinderen Israels zooals Jozua hun geboden had, en droegen twaalf steenen midden uit den Jordaan, gelijk de Heer tot Jozua gezegd had, naar het getal van de stammen der kinderen Israels; en zij brachten die met zich over ter plaatse der vernachting, en lieten ze aldaar. 9 En Jozua richtte twaalf steenen op midden in den Jordaan, waar de voeten der priesters, die de ark des verbonds droegen, gestaan hadden; en aldaar zijn zij nog tot op dezen dag toe. 10 Want de priesters die de ark droegen, stonden midden in den Jordaan, totdat alles uitgevoerd werd wat de Heer aan Jozua geboden had aan het volk te zeggen, gelijk Mozes dat aan Jozua geboden had. En het volk haastte zich en het trok over. |
11 Toen nu al het volk overgegaan was, ging de ark des Heeren óók over, en de priesters voor het volk uit. 12 En de Kubenieten en tiadieten en de halve stam van Manasse gingen gewapend voor de kinderen Israels uit, gelijk Mozes tot hen gesproken had: 13 omtrent veertigduizend, ten strijde toegerust, gingen voor den Heer tot den strijd op de vlakke velden van Jericho. 14 Op dien dag maakte de Heer Jozua groot voor geheel Israël, en zij vreesden hem gelijk zij Mozes gevreesd hadden, zijn leven lang. 15 En de Heer sprak tot Jozua: 16 Gebied den priesters die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit den Jordaan opklimmen. 17 Dus gebood Jozua den priesters, zeggende: Klimt op uit den Jordaan. 18 En toen de priesters, die de ark des verbonds des Heeren droegen, uit den Jordaan opklommen, eh met hunne voetzolen op het droge traden, zoo kwam het water van den Jordaan weder in zijne plaats, en vloeide gelijk tevoren aan al zijne oevers. |
JOZUA 5.
423
|
19 En het was de tiende dag der eerste maand, ioen het volk uit den Jordaan opklom; en zij legerden zich in Gilgal, tegen het oosten der sfad Jericho. 20 En die twaalf steenen, welke zij uit den Jordaan genomen hadden, richtte Jozua op te Gilgal; 21 en hij sprak tot de kinderen Israels; Als uwe kinderen hierna hunne vaders zullen vragen, zeggende: Waarom zijn deze steenen hier? 32 zoo zult gij het hun te kennen geven, zeggende: Israël ging droogvoets door den Jordaan, 23 toen de Heer uw God het water van den Jordaan uitdroogde voorulieden, totdat gij overgingt; zooals do Heer uw God deed in de Schelfzee, die hij voor ons uitdroogde, totdat wij er doorgingen: 24 opdat al de volken op de aarde de hand des Hee-ren erkennen zouden, hoe machtig zij is; opdat gij den Heer uwen God zoudt vreezen te allen tijde. HOOFDSTUK 5. |
1 Toen nu al de koningen der Amorieten die aan gene zijde van den Jordaan tegen het westen woonden, en al de koningen der Kanaanle-ten aan de zee, hoorden hoe do Heer het water van den Jordaan had uitgedroogd voor de kinderen Israels, totdat zij er doorgingen, zoo versaagde hun hart, en er was geen moed meer in hen wegens de kinderen Israels. 2 Te dier tijd sprak de Heer tot Jozua: Maak u steenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweeden male. 3 Toen maakte zich Jozua steenen messen, en besneed de kinderen Israels op den heuvel Araloth. 4 Dit nu is de reden waarom Jozua al het volk dat uit Egypte getrokken was, van het mannelijk geslacht, besneed; alle krijgslieden waren gestorven in do woestijn, op den weg toen zij uit Egypte trokken; 5 want al het volk dat er uittrok was besneden, maar al het volk dat in de woestijn geboren was, op den weg toen zij uit Egypte trokken, was niet besneden. 6 Want de kinderen Israels wandelden veertig jaar in de woestijn, totdat al het volk der krijgslieden die uit Egypte getrokken waren omkwam, omdat zij naar de stem des Heeren |
JOZUA 6.
423
|
niet gehoord hadden; gelijk de Heer hun gezworen had, dat zij het land niet zien zouden, hetwelk de Heer hunnen vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land waar melk en honig vloeit. 7 Hunne zonen, die in hunne plaats opgekomen waren, besneed Jozua ; want zij hadden de voorhuid nog en waren op den weg niet besneden. 8 En toen al het volk besneden was, bleven zij aan hunne plaats in het leger, tot zij genezen waren. 9 En de Heer sprak tot Jozua: Heden heb ik de schande van Egypte van ulieden afgewend; en deze plaats werd Gilgal genaamd tot op dezen dag. 10 En als de kinderen Israels te Gilgal gelegerd waren, hielden zij het pascha op den veertienden dag-dier maand, tegen den avond, op do vlakke velden van Jericho. 11 En zij aten van het koren des lands op den tweeden dag van het pascha, namelijk ongezuurde broo-den en gezengde aren, op dienzeltden dag. |
13 En het manna hield des anderen daags op, toen zij van het koren des lands aten, en de kinderen Israëls hadden geen manna meer; maar zij aten van het koren van het land Kanaan in dat jaar. 13 En het geschiedde toen Jozua bij Jericho was, dat li ij zijne oogen ophief, en gewaarwerd dat er een man tegenover hem stond, die een bloot zwaard in zijne hand had. En Jozua ging tot hem en sprak tot hem: Behoort gij tot ons of tot onze vijanden? 14 En hij sprak: Neen, maar ik ben een vorst over het heir des Heercn, en ben nu gekomen. Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en sprak tot hem: Wat heeft mijn Heer tot zijnen knecht te spreken? 15 En de vorst over het heir des Hoeren sprak tot Jozua: Trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. En Jozua deed aldus. HOOFDSTUK G. 1 Jericho nu was voor de kinderen Israëls toegesloten en bewaard, zoodat er niemand uit of in kon komen. 3 En de Heer sprak tot Jozua: Zie, ik heb Jericho met haren koning en hare |
JOZUA 6.
42i
|
krijgslieden in uwe hand gegeven. 3 Laat al de krijgslieden rondom de stad gaan éénmaal ; en doe alzoo zes dagen aclitereen. 4 Maar laat op den zevenden dag zeven priesters zeven bazuinen des jubel-jaars dragen vóór de ark, en gaat op dien zevenden dag zevenmaal om de stad, en laat de priesters de bazuinen blazen. 5 En als men den hoorn des jubeljaars blaast, en het geluid aanhoudend gaat, dat gij de bazuinen hoort, zoo zal al het volk een groot krijgsgeschreeuw maken: dan zullen de stadsmuren instorten, en het volk zal er invallen, een ieder recht voor zich uit. ö Toen riep Jozua, Nuns zoon, de priesters en sprak tot hen: Draagt de ark des verbonds, en laat zeven priesters zeven jubeljaarsbazuinen dragen voor de ark des Heeren. 7 En tot het volk sprak hij: Trekt heen en gaat rondom de stad; en wie toegerust is ga voor de ark des Heeren uit. |
8 Toen Jozua dit aan het volk gezegd had, droegen de zeven priesters zeven jubeljaars-hazuinen voor de ark des Heeren uit; en zij gingen- en bliezen de bazuinen, en de ark des verbonds des Heeren vol gde hen. 9 En wie toegerust was, ging voor de priesters uit die de bazuinen bliezen, en de menigte volgde de ark, terwijl men de bazuinen blies. 10 Maar Jozua gebood aan het volk, zeggende: Gij zult geen krijgsgeschreeuw maken noch uwe stem laten hooren, geen woord zal er uit uwen mond gaan, tot op den dag wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Maakt een krijgsgeschreeuw; maakt alsdan een krijgsgeschreeuw. 11 Alzoo ging de ark des Heeren rondom de stad éénmaal; en zij kwamen in het leger en bleven daarin. 13 Daarna maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des Heeren; 13 en de zeven priesters droegen de zeven j ubeljaars-bazuinen voor de ark des Heeren uit, en gingen en bliezen de bazuinen; en wie toegerust was ging voor hen uit, en de menigte volgde de ark des Heeren, terwijl men de bazuinen blies. 14 Des anderen daags gingen zij ook éénmaal rondom |
JOZÜA 6.
425
|
de stad, en kwamen weder in het leger; alzoo deden zij zes dagen achtereen. 15 Maar op den zevenden dag, toen de dageraad aanbrak , maakten zij zich vroeg op, en gingen op dezelfde wijze zevenmaal rondom de stad, zoodat zij op dien dag alleen zevenmaal rondom de stad gingen. 16 En ten zevenden male, toen de priesters de bazuinen bliezen, sprak Jozua tot het volk: Maakt een krijgsgeschreeuw , want de Heer heeft nlieden de stad gegeven. 17 Maar deze stad en alwat er in is zal den Heere verbannen zijn; de hoer Eachab alleen zal in het leven blijven, en allen die met haar in huis zijn, w ant zij heeft de boden verborgen die wij uitgezonden hebben. 18 Alleenlijk w7acht u van het verbannene, dat gij geen banvloek over n brengt, indien gij iets van het verbannene neemt, en het leger van Israël tot een ban stelt en in ongeluk stort. 19 Maar al het zilver en goud, met de koperen en ijzeren gereedschappen, zal den Heere geheiligd zijn, opdat het tot den schat des Heeren kome. — |
30 En het volk maakte een krijgsgeschreeuw, toen zij op de bazuinen bliezen; want als het volk het geluid der bazuinen hoorde, maakte het een groot krijgsgeschreeuw : en de muren vielen om, en het volk klom in de stad, een ieder recht voor zich uit; alzoo namen zij de stad in. 21 En zij verbanden al-wat in de stad was met de scherpte des zwaards, zoo mannen als vrouwen, jong en oud, ossen, schapen en ezels. 22 Maar Jozua sprak tot de twee mannen die het land bespied hadden: Gaat in het huis der hoer en brengt die vrouw vandaar uit, met alwat zij heeft, gelijk gij haar gezworen hebt. 23 Toen gingen de jongelingen, de bespieders, daarin, en brachten Eachab daaruit, met haren vader en hare moeder en broeders, en alwat zij had, en haar ge-heele geslacht, en leidden hen naarbuiten, naar het leger van Israël. 24 He stad nu verbrandden zij met vuur en alwat er in was; alleen het zilver en goud en de koperen en ijzeren gereedschappen deden zij bij den schat van het huis des Heeren. |
|
426 25 Maar Eaohalb de hoer, met haar vaderlijk huis en al wat zij had, liet Jozua leven, en zij woonde in Israël tot op dezen dag; omdat zij de boden verborgen had, die Jozua om te bespieden naar Jericho gezonden had. 26 Te dier tijd zwoer Jozua, zeggende: Vervloekt zij de man voor den Heer, die deze stad Jeriolio opricht en bouwt: als hij haren grond legt, dat koste hem zijnen eerstgeboren zoon; en als hij hare poorten stelt, dat koste hem zijnen jong-sten zoon. -— 27 En de Heer was met Jozua, zoodat men van hem sprak in alle landen. HOOFDSTUK 7. 1 Maar de kinderen Israels vergrepen zich aan het verbannene; want Achan, de zoon van Karmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam iets van het verbannene; toen ontstak de toorn des Heeren over de kinderen Israels. 2 Ea Jozua zond mannen van Jericho naar Ai, hetwelk bij Beth-Aven ligt, tegen het oosten van lfeth-El, en sprak tot hen: Gaat opwaarts en bespiedt het land. ïoen gingen zij opwaarts en bespiedden Ai. |
3 Eu zij kwamen weder tot Jozua en spraken tot hem: Laat al het volk niet opwaarts trekken, maar omtrent twee- of drieduizend inan, dat die opwaarts trekken en Ai veroveren; opdat niet al het volk zich aldaar vermoeie, want zij zijn weinigen. 4 Alzoo trokken van het volk opwaarts omtrent drieduizend man; en deze vloden voor de mannen van Ai, 5 en die van Ai versloegen van hen omtrent zesendertig mannen, en joegen hen van voor de poort tot Sebarim toe, en versloegen hen in de laagte; toen werd het hart des volks versaagd en werd tot water. 6 En Jozua verscheurde zijne kleederen en viel op zijn aangezicht ter aarde voor de ark des Heeren, tot den avond toe, met de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hunne hoofden. 7 En Jozua sprak: Ach Heere Heere, waarom hebt gij dit volk over den Jor-daan gevoerd, om ons in de handen der Amorieten te geven en ons omtebrengen ? Och dat wij aan gene zijde JOZUA. 7. |
JOZUA 7.
427
|
van den Jordaan gebleven en tevreden geweest waren! 8 Adi Heer, wat zal ik zeggen, daar Israël zijnen vijanden den rug toekeert! 9 Als de Kanailnieten en al de inwoners des lands dit hoeren, zoo zullen zij ons omsingelen, en ook onzen naam uitroeien van de aarde: wat zult gij dan voor uwen grooten naam doen? 10 Toen sprak de Heer tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij aldus op uw aan-■geziclit? 11 Israël heeft zich bezondigd, en zij hebben mijn verbond overtreden dat ik hun geboden heb; daarenboven hebben zij van het verbannene genomen en gestolen, en hebben het geloochend en onder hun gereedschap gelegd. 13 De kinderen Israëls vermogen niet te staan voor hunne vijanden, maar moeten hunnen vijanden den rug toekeeren, want zij zijn in den ban; ik zal voortaan niet met ulieden zijn, zoo gij den banvloek niet uit het midden van u uitroeit. 13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen, want aldus zegt de Heer, de God van Israël: Er is een ban onder u, Israël; daarom kunt gij niet staan voor uwe vijanden, totdat gij den banvloek van u wegdoet. |
14 En gij zult in den morgenstond toetreden, de éene stam na den anderen; welken stam de Heer aanwijzen zal, die zal toetreden , het céne geslacht na het andere; en welk geslacht de Heer aanwijzen zal, dat zal toetreden, het ééne huis na het andere; en welk huis de Heer aanwijzen zal, dat zal toetreden, de céne huisvader na den anderen. 15 En wie aangewezen wordt in den ban te zijn, dien zal men met vuur verbranden met alwat hij heeft, omdat hij het verbond des Heeren overtreden en eene dwaasheid in Israël bedreven heeft. 16 Toen stond Jozua des morgens vroeg op en deed Israël toetreden, den ccnen stam na den anderen, en de stam Juda werd aangewezen; 17 en toen hij de geslachten van Juda deed toetreden , werd het geslacht der Zarhieten aangewezen; en toen hij het geslacht der Zarhieten deed toetreden, den éénen huisvader na den anderen, toen werd Zabdi aangewezen; |
JOZUA 8.
428
|
18 en toen liij zijn huis deed toetreden, den éénen huisvader na den anderen, toen werd Achan aangewezen, de zoon van Karmi, den zoon van Zalidi, den zoon van Zerah, van den stam Juda. 19 En Jozua sprak tot Achan: Mijn zoon, geef toch den Heer, den God van Israël, de eer en geef hem den lof; geef mij toch te kennen wat gij gedaan hebt, en verberg mij niets daarvan. 30 Toen antwoordde A-chan aan Jozua en sprak: Het is waarachtig, ik heb gezondigd tegen den Heer, den God van Israël; zóó en zóó heb ik gedaan. 21 Ik zag onder den buit een kostelijken Babyloni-schen mantel, en tweehonderd sikkels zilver, eneene gouden tong, vijftig sikkels waard in gewicht; die bekoorden mij en ik nam ze; en zie, zij zijn begraven in de aarde in mijne hut, en het zilver daaronder. 32 Toen zond Jozua boden heen, die liepen naar de hut, en zie, het was begraven in zijne hut, en het zilver daaronder. 23 En zij namen het uit de hut en brachten het tot Jozua en tot al de kinderen |
Israels, en stortten het uit voor den Heer. 34 Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan den zoon van Zerah, met het zilver, den mantel en de gouden tong, zijne zonen en dochters, zijne ossen en ezels en schapen, zijne hut en alwat hij had; en zij voerden hen af naar het dal Achor. 25 En Jozua sprak: Dewijl gij ons bedroefd hebt, zoo bedroeve de Heer uop dezen dag. En geheel Israel steenigde hem, en verbrandde hen met vuur, nadat zij hen gesteenigd hadden. 26 En zij maakten over hem een grootensteenhoop, die tot op dezen dag blijft. Alzoo keerde zich de Heer van de verbolgenheid zijns toorns. Daarom heet deze plaats het dal Achor tot op dezen dag. HOOFDSTUK 8. 1 En de Heer sprak tot Jozua: quot;Vrees niet en ontzet u niet: neem al het krijgsvolk met u, en maak uop en trek opwaarts naar Ai: zie, ik heb den koning van Ai met zijn volk en zijne stad en zijn land in uwe hand gegeven. 2 En gij zult aan Ai en |
JOZUA 8.
429
|
haren koning doen zooals gij aan Jericho en haren koning gedaan hebt, behalve dat gij haren buit en haar vee onder u deelen zult. Stel u eene hinderlaag achter de stad. 3 Toen stond Jozua op, en al het krijgsvolk, om optetrekken tegen Ai. En Jozua koos dertigduizend strijdbare mannen uit, en zond hen uit bij nacht, 4 en hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult de hinderlaag zijn achter de stad; maar verwijdert u niet alte ver van de stad, en zijt altezamen gereed. 5 Maar ik en al het volk dat bij mij is, wij zullen de stad naderen; en als zij tegen ons uitkomen gelijk tevoren, zoo zullen wij voor hen vluchten, 6 opdat zij uit haar ons volgen, totdat wij hen van de stad hebben afgetrokken; want zij zullen denken dat wij voor hen vluchten gelijk tevoren; alzoo zullen wij voor hen vluchten. 7 Dan zult gij opstaan uit de hinderlaag en de stad innemen; want de Heer uw God zal haar in uwe hand geven. |
8 En als gij de stad ingenomen hebt, zoo steekt haar aan met vuur, en doet naar het bevel des Heeren; zie, ik heb het ulieden geboden. 9 Alzoo zond Jozua hen heen; en zij gingen naar de hinderlaag, en legerden zich tusschen Beth-El en Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua bleef dien nacht onder het volk. 10 En hij maakte zich des morgens vroeg op en overzag het volk, en trok opwaarts met de oudsten van Israël voor het volk uit naar Ai. 11 En al het krijgsvolk dat bij hem was trok op; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en legerden zich tegen het noorden van Ai, zoodat er een dal tusschen hen en Ai was. 13 Maar hij had omtrent vijfduizend man genomen, en hen tot eene hinderlaag gesteld tusschen Eeth-Elen Ai, tegen het westen der stad. 13 En zij stelden het volk van het geheele leger, dat tegen het noorden der stad was, zoodat zijn einde strekte tegen het westen der stad; Jozua nu ging heen in dienzelfden nacht midden in het dal. 14 Als nu de koning van Ai dat zag, zoo haastten |
JOZUA 8.
430
|
zij zich en stonden vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit om Israël te ontmoeten tot den strijd, hij en zijn volk, op oene bestemde plaats, naar het vlakke veld; want hij wist niet dat hem eene hinderlaag gelegd was achter de stad. 15 Jozua nu en geheel Israel stelden zich aan alsof zij geslagen werden voor hen, en vluchtten op den weg naar de woestijn. 16 Toen riep al het volk in de stad, dat men hen moest najagen; en zij joegen Jozua na en werden van de stad afgetrokken, 17 zoodat er niet één man overbleef in Ai en Beth-El, dio niet uitgetrokken was om Israël natejagen; en zij lieten de stad ojienstaan om Israël natejagen. 18 Toen sprak de Heer tot Jozua: Strek de spies die gij in uwe hand hebt tegen Ai uit, want ik wil haar in uwe hand geven. En toen Jozua de spies die in zijne hand was tegen de stad uitstrekte, 19 toen brak de hinderlaag schielijk op uit hare plaats, en zij liepen op het uitstrekken van zijne hand, en kwamen in de stad en namen haar in, en zij haastten zich en staken haar met vuur aan. |
20 En de mannen van Ai keerden zich om en zagen achterwaarts, en zagen den rook der stad opgaan naar den hemel; en zij hadden geen ruimte om te vluchten, noch herwaarts noch derwaarts; en het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich om hen natc-jagen. 21 Want toen Jozua en geheel Israël zag dat de hinderlaag de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zoo keerden zij zich om en sloegen de mannen van Ai. 22 En die van de stad kwamen óók uit, hun tegemoet , zoodat zij midden onder Israël kwamen, van deze en van gene zijde; en zij sloegen hen, totdat niemand onder hen overbleef noch ontloopen kon. 23 En zij grepen den koning van Ai levend, en brachten hem tot Jozua. 24 En toen Israël al de inwoners van Ai gedood had op het veld en in de woestijn, die hen daarin nagejaagd hadden, en zij allen door de scherpte des zwaards vielen, totdat zij allen omkwamen, zoo keerde zich geheel Israël naar Ai, |
JOZUA 8.
431
|
en zij sloegen het met de scherpte des üwaards. 35 En allen die op dien dag' vielen, zoo mannen als vrouwen, waren twaalfduizend, altezamen lieden van Ai. 36 En Jozua trok zijne hand, met welke hij de spies uitstrekte, niet weder terug, totdat al de inwoners van Ai verbannen waren; 27 behalve het vee en den buit der stad, die deelde Israël onder zich uit, naar het bevel des Heeren hetwelk hij Jozua geboden had. 28 En Jozua verbrandde Ai en maakte er een puinhoop van, ter eeuwige nagedachtenis der verwoesting tot op dezen dag. 29 En hij liet den koning van Ai aan een boom hangen tot 's avonds toe; maar toen de zon ondergegaan was, gebood hij dat men zijn lichaam van den boom zou afnemen; en zij wierpen het onder de stadspoort, en maakten er een grooten steenhoop op, die er tot op dezen dag is. 30 Toen bouwde Jozua den Heer, den God van Israel, een altaar op den berg Ebal, |
31 gelijk Mozes de knecht des Heeren den kinderen Israels geboden had, gelijk geschreven staat in het wetboek van Mozes; een altaar van gehééle steenen, aan welke geen houwijzer geweest was; en zij offerden den Heer daarop brandoffers en dankoffers. 32 En hij schreef aldaar op die steenen een dubbel der wet welke Mozes den kinderen Israels voorgeschreven had. 33 En geheel Israël met zijne oudsten en ambtlieden en rechters stonden aan beide zijden der ark, tegenover de priesters uit Levi, die de ark des verbonds des Heeren droegen, de vreemdelingen zoowel als de inboorlingen, de ééne helft tegenover den berg Gerizim en de andere heltt tegenover den berg Ebal, gelijk Mozes de knecht des Heeren tevoren geboden had, om eerst het volk Israël te zegenen. 34. Daarna liet hij uitroepen al de woorden der wet, den zegen en den vloek, zooals het in het wetboek geschreven staat: 35 er was niet één woord van alwat Mozes geboden had, hetwelk Jozua niet had laten uitroepen voor de gehecle gemeente van Israël, en voor de vrouwen en kinderen, en de vreem- |
JOZUA 9.
433
|
delingen die onder hen verkeerden. HOOFDSTUK 9. 1 Toen nu al de koningen dit hoorden, die aan deze zijde van den Jordaan waren, op het gebergte en in de laagte en aan al de havens der groote zee, ook die terzijdé van den berg Libanon waren, namelijk de Hethieten, Amorieten, Kanaanieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten: 3 zoo vergaderden zij zich eendrachtig tezamen, om tegen Jozua en tegen Israël te oorlogen. 3 Maar toen de burgers van Gibeon hoorden wat Jozua aan Jericho en Ai gedaan had, 4 bedachten zij eene list, gingen heen en voorzagen zich van teerkost, en namen oude zakken op hunne ezels, en oude gescheurde en gelapte lederen wijnzakken, 5 en oude gelapte schoenen aan hunne voeten, en trokken oude kleederen aan; en al het brood dat zij met zich namen was droog en beschimmeld. 6 En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en spraken tot hem en tot geheel Israël: Wij komen uit verre landen; nu dan. |
maakt een verbond met ons. 7 Toen 'sprak geheel Israël tot die Hevieten: Misschien woont gij onder ons; hoe zouden wij dan een verbond met u kunnen maken? 8 Maar zij spraken tot Jozua: Wij zijn uwe knechten. Jozua sprak tot hen: Wie zijt gijlieden en vanwaar komt gij? 9 Zij spraken: Uwe knechten zijn uit zeer verre landen gekomen wegens den naam van den Heer uwen God; want wij hebben zijn gerucht gehoord , en alwat hij in Egypte gedaan heeft; 10 en alwat hij aan de beide koningen der Amorieten aan gene zijde van den Jordaan gedaan heeft: aan Sihon den koning van Hesbon, en aan Og den koning van Basan die te Astaroth woonde. 11 Daarom spraken onze oudsten en al de inwoners van ons land: Neemt teerkost met u op reis, en gaat heen, hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn uwe knechten; nu dan, maakt een verbond met ons. 13 Dit ons brood, dat wij uit onze huizen tot onzen teerkost namen, was nog versch toen wij uittrokken tot ulieden, maar nu, zie, |
JOZUA 9.
433
|
liet is droog en beschimmeld; 13 en deze lederen wijnzakken vulden wij toen zij nieuw waren, en zie, zij zijn gescheurd; en deze onze kleederen en schoenen zijn oud geworden vanwege deze zeer lange reis. ■—■ 14 Toen namen de hoofdlieden hunnen teerkost aan, maar raadpleegden den mond des Heeren niet. 15 En Jozua maakte vrede met hen, en richtte een verbond met hen op, dat zij in het leven zouden blijven ; en de oversten der gemeente zwoeren hun. 16 En ten einde van drie dagen nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, vernamen zij dat zij nabij hen waren en onder hen woonden. 17 Want toen de kinderen Israels voorttrokken, kwamen zij op den derden dag tot hunne steden, die genaamd zijn Gibeon, Ke-fira, Becroth en Kirjath-Jearim. 18 En zij versloegen hen niet, omdat de oversten der gemeente hun gezworen hadden bij den Heer, den God van Israël. —■ Toen nu de geheele gemeente tegen de oversten murmureerde, ■ 19 spraken al de oversten tot de geheele gemeente: Wij hebben hun gezworen bij den Heer, den God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten; |
30 maar dit willen wij hun doen: laat hen leven, opdat geen toorn over ons kome, om den eed dien wij hun gezworen hebben. 31 En de oversten spraken tot hen: Laat hen leven, opdat zij houthakkers en waterdragers zijn voor de geheele gemeente, zooals de oversten ' tot hen gezegd hebben. 33 Toen ontbood Jozua hen en sprak tot hen, zeggende : Waarom hebt gij ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer ver van u, daar gij nochtans onder ons woont? 33 Daarom zult gij vervloekt zijn, zoodat onder u niet ophouden zullen knechten te zijn, die hout hakken en water dragen voor het huis mijns Gods. 34 Toen antwoordden zij Jozua en spraken: Het is uwen knechten te kennen gegeven, dat de Heer uw God aan Mozes zijnen knecht geboden heeft, dat hij u dit geheele land geven en voor u uit al de inwoners des lands verdelgen zou; toen vreesden wij zeer voor |
JOZUA 10.
434
|
u om onzes levens wil, en hebben aldus gedaan. 25 Maar nu, zie, wij zijn in uwe handen; wat u goed en recht dunkt om aan ons te doen, doe dat. 26 En hij deed hun alzoo, en verloste hen uit de hand der kinderen Israels, dat zij hen niet doodden. 27 Alzoo maakte Jozua hen op dien dag tot houthakkers en waterdragers voor de gemeente en voor den altaar des Heeren, tot op dezen dag, aan de plaats die hij verkiezen zou. HOOFDSTUK 10. 1 En toen Adoni-Zédek de koning van Jeruzalem hoorde, dat Jozua Ai ingenomen en verbannen had, en aan Ai en haren koning-gedaan had zooals hij aan Jericho en haren koning gedaan had, en dat die van Gibeon vrede met Israël gemaakt hadden en onder hen gekomen waren, 2 zoo vreesden zij zeer; want Gibeon was eene groo-te stad, als eene koninklijke stad, en grooter dan Ai, en al hare burgers waren strijdbaar. 3 En Adoni-Zédek de koning van Jeruzalem zond tot Hoham den koning van |
Hebron, en tot Piream den koning van Jarmuth, en tot Jafia den koning van Lachis, en tot Debir den koning van Eglon, en liet hun zeggen: 4 Komt opwaarts tot mij en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; want zij heeft met Jozua en met de kinderen Israels vrede gemaakt. - 5 Toen kwamen tezamen en trokken op vijf koningen der Amorieten; de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, met al hunne heirlegers; en zij belegerden Gibeon en streden tegen haar. 6 Die van Gibeon nu zonden tot Jozua in het leger te Gilgal, en lieten aan hem zeggen: Trek uwe hand niet van uwe knechten af, kom schielijk tot ons opwaarts, yerlos en help ons; want al de koningen der Amorieten die op het gebergte wonen hebben zich tegen ons vergaderd. 7 Toen trok Jozua op van Gilgal, en al het krijgsvolk met hem, en al de strijdbare mannen. 8 En de Heer sprak tot Jozua: Vrees niet voor hen, want ik heb hen in uwe hand gegeven; niemand van |
JOZUA 10.
435
|
hen zal voor u kunnen bestaan. 9 Alzoo overviel Jozua lien plotseling; want den geheelen nacht trok hij van Gilgal op. 10 En de Heer verschrikte hen voor Israël, zoodat hij hen sloeg mot een grooten slag te Gibeon; en hij joeg hen achterna langs den weg naar Eeth-Horon, en hij sloeg hen tot Azeka en Makkeda toe. 11 En toen zij voor Israël vloden langs den weg die van Bcth-Horon afgaat, liet de Heer een zwaren hagel van den hemel op hen vallen tot Azeka toe, zoodat zij stierven;-en er stierven van hen veel meer van den hagel dan de kinderen Israels met het zwaard doodden. 13 Toen sprak Jozua met den Heer op dien dag, toen de Heer de Amorieten overgaf voor de kinderen van Israël, en hij sprak in de tegenwoordigheid van Israël: Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal Ajjalon. 18 En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijne vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des Vromen? Al-zoo stond de zon midden aan den hemel, en vertoefde ondertegaan een geheelen dag. |
14 En er was geen dag als deze, noch tevoren noch daarna , dat de Heer naar de stem eens mans hoorde; want de Heer streed voor Israël. 15 Jozua nu trok weder naar het leger te Gilgal, en geheel Israël met hem. 16 Maar die vijf koningen waren gevlucht, en hadden zich verborgen in de spelonk te Makkeda. 17 Toen werd aan Jozua te kennen gegeven: Wij hebben die vijf koningen gevonden, verborgen in de spelonk te Makkeda. 18 En Jozua sprak; Wentelt dan groote steenen vóór don mond der spelonk, en stelt er mannen vóór die ze bewaren; 19 maar staat gij niet stil, jaagt uwe vijanden na, en slaat hunne achterhoede: laat ze niet in hunne steden komen, want de Heer uw God heeft hen in uwe hand gegeven. 20 En toen Jozua en de kinderen Israëls dezen zeer grooten slag aan hen geëindigd hadden, zoodat zij geheel vernield waren, en i wat er overbleef van hen |
JOZUA 10.
436
|
in de vaste steden gekomen was, 21 zoo kwam al het volk weder in liet leger tot Jozua te Makkeda in volkomen veiligheid; en niemand durfde tegen de kinderen Israëls zijne tong verroeren. 22 En Jozua sprak: Opent den mond der spelonk, en brengt die vijf koningen tot mij uit. 33 En zij deden alzoo en brachten die vijf koningen uit de spelonk tot hem: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarnmth, den koning van Lachis, den koning van Eglon. Si Toen nu die vijf koningen tot hem uitgebracht waren, riep Jozua geheel Israël, en sprak tot de oversten van net krijgsvolk die met hem trokken: Komt herwaarts en zet uwe voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe en zetteden hunne voeten op hunne halzen. 25 En Jozua sprak tot hen: Vreest niet en verschrikt niet, zijt moedig en onversaagd; want zóó zal de Heer aan al uwe vijanden doen tegen welke gij strijdt. |
36 En Jozua. sloeg hen daarna en doodde hen, en hing hen aan rijf boomen; en zij hingen aan de boomen tot den avond; 27 maar toen de zon ondergegaan was, gebood hij dat men hen van de boomen zou afnemen, en hen in de spelonk werpen waarin zij zich verborgen hadden; en zij leiden groote steenen voor den mond der spelonk gt; die zijn daar nog tot op dezen dag. 28 Op dienzelfden dag won Jozua ook Makkeda, en sloeg haar met de scherpte des zwaards, alsook haren koning; en hij verbande haar en al de zielen die er in waren, en liet niemand overblijven, en deed den koning van Makkeda zooals hij den koning van Jericho gedaan had. 39 Toen trok Jozua, en geheel Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en streed tegen haar; 30 en de Heer gaf die stad met haren koning óók in de hand van Israël; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en al de zielen die er in waren: hij liet er niemand in overblijven; en hij deed haren koning zooals hij den koning van Jericho gedaan had. 31 Daarna trok Jozua, en geheel Israël met hem, van |
JOZUA 10.
437
|
Libna naar Lacliis, en hij belegerde liaar en streed tegen haar; 33 en de Heer gaf Lachis óók in de hand van Israël, zoodat zij haar op den tweeden dag innamen; en hij sloeg haar met de scherpte des zvvaards, en al de zielen die er in waren, naar alles wat hij Libna gedaan had. 38 Toen trok Horam de koning van Gezer op om Lachis te hulp te komen; maar Jozua sloeg hem met al zijn volk, totdat er niemand van overbleef. 34 En Jozua trok van Lachis met geheel Israël naar Eglon, en hij belegerde haar en streed tegen haar; 35 en hij nam haar in op dienzelfden dag, en sloeg haar met de scherpte des zwaards, en verbande al de zielen die er in waren op dienzelfden dag, naar alles wat hij aan Lachis gedaan had. 36 Daarna trok Jozua met geheel Israël van Eglon naar Hel iron op, en hij streed tegen haar; 37 en hij nam haar in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards, alsook haren koning, met al hare steden en al de zielen die er in waren, en hij liet niemand overblijven, naar alles wat hij aan Eglon gedaan had; en hij verbande haar en al de zielen die er in waren. |
38 Toen keerde zich Jozua met geheel Israël naar Debir, en streed tegen haar; 39 en hij nam haar in, met haren koning, en al hare steden; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en verbande al de zielen die er in waren, en liet nieinand overblijven; gelijk hij aan Hebron gedaan had, zóó deed hij ook aan Debir en haren koning, en gelijk hij aan Libna en haren koning gedaan had. 40 Alzoo sloeg Jozua het geheele land, op het gebergte , en tegen het zuiden, en in de laagte, en aan de beken, met al zijne koningen, en liet niemand overblijven, en verbande alles wat adem had; gelijk de Heer, de God van Israël, geboden had. 41 En hij sloeg hen van Kades-Barnéa af tot Gaza toe, en het geheele land Gosen tot Gibeon toe. 43 En hij veroverde al deze koningen met hun land op eenmaal; wTant de Heer, de God van Israël, streed voor Israël. 43 En Jozua trok weder naar het leger te Gilgal, en geheel Israël met hem. |
JOZUA 11.
43S
|
HOOFDSTUK 11. 1 Toen nu Jabin de koning Tan Hazor dit hoorde, zond bij tot Jobab den koning van Mad on, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Aclisaf, 3 en tot de koningen die tegen het noorden op het gebergte, en in de vlakte tegen het zuiden van Kin-neroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor aan de zee woonden: 3 de Kanaanieten tegen het oosten en westen, do Amo-rieten, Hethieten, Ferezieten en Jebusieten op hetgeberg-te, alsook de Hevieten beneden aan den berg Hermon in het land Mizpa. 4 Deze trokken uit met al hun heir, een groot volk, als het zand aan de zee, en zeer vele paarden en wagens. 5 Al deze koningen vergaderden zich, en kwamen en legerden zich tezamen aan het water Merom, om te strijden tegen Israël. 6 En de Heer sjjrak tot Jozua: Yrees niet voor hen, want morgen omtrent dezen tijd zal ik hen allen verslagen overleveren aan de kinderen Israels: hunne paarden zult gij verlammen en hunne wagens met vuur verbranden. |
7 En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwamen onverhoeds over hen aan het water Merom, en overvielen hen; 8 en de Heer gaf hen in de hand van Israël, en zij versloegen hen, en joegen ze na tot aan de groote [stad'] Sidon toe, en tot aan de wanne wateren, en tot aan de vlakte te Mizpa tegen het oosten; en zij versloegen hen totdat er niemand van hen overbleef. 9 Toen deed Jozua hun zooals de Heer tot hem gezegd had, en verlamde hunne paarden en verbrandde hunne wagens. 10 En hij keerde te dier tijd om, nam Hazor in, en sloeg haren koning met het zwaard; Hazor nu was tevoren de hoofdstad geweest van al deze koninkrijken. 11 En hij sloeg al de zielen die er in waren met de scherpte des zwaards, en verbande ze, en liet niets overblijven wat adem had; en hij verbrandde Hazor met vuur. 13 Daarenboven veroverde Jozua al de steden dezer koningen, benevens hare koningen, en sloeg hen met de scherpte des zwaards |
JOZUA 11.
439
|
en verbande lien, gelijk Mozes de kneclit des Heeren geboden had. 13 Dooli de kinderen Israels verbrandden geen steden die op lieuvels stonden, uitgenomen Hazor alleen, hetwelk Jozua verbrandde. 14 En al den roof dezer steden en het vee deelden . de kinderen Israels onder zich; maar zij sloegen al de menschen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden, er. lieten niets overblijven wat adem had. 15 Gelijk de Heer aan Mozes zijnen knecht geboden had, alzóo had Mozes aan Jozua geboden, en alzoó deed Jozua; zoodat hij niets naliet van alwat de Heer aan Mozes geboden had. 16 Alzoo nam Jozua al dat land in, op het gebergte, en alwat tegen het zuiden ligt, en het geheele land Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte van Israël met zijne dalen; 17 van het kale gebergte af hetwelk naar Seïr opwaarts gaat, tot Baal-Gad toe in het dal van den berg Libanon, beneden aan den berg Henuon; en al hunne koningen overwon hij, en sloeg hen, en doodde hen. |
18 Hij nu voerde een langen tijd oorlog tegen deze koningen. 19 Er was geen stad die zich bij verdrag overgaf aan de kinderen Israels, behalve de Hevieten die te Gibeon woonden; maar zij namen die alle met strijden in. 20 En het geschiedde van den Heer dat hun hart verstokt werd, en zij den kinderen Israels al vechtende tegemoetgingen, opdat zij verbannen wierden en hun geen genade geschiedde, maar zij verdelgd wierden, gelijk de Heer aan Mozes geboden had. 21 ïe dier tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, van het gansche gebergte van Juda en van het geheele gebergte van Israël; en hij verbande hen met hunne steden. 32 En hij liet geen Enakieten overblijven in het land der kinderen Israëls; behalve te Gaza, te Gath en te Asdod, daar bleven er sommigen over. 23 Alzoo nam Jozua dat geheele land in, naar alles wat de Heer tot Mozes gesproken had; en hij gaf het Israël tot een erfdeel, aan eiken stam zijn deel. |
JOZUA 12.
440
|
En het land hield op te oorlogen. HOOFDSTUK 12. 1 Dit nu zijn de koningen des lands welke de kinderen Israels versloegen, en wier land zij innamen, aan gene zijde van den Jordaan tegen den opgang der zon, van de beek Arnon a( tot aan den berg Hermon, en het geheele vlakke veld tegen het oosten: 2 Sihon de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en heerschte van Aroër af dat aan den oever der beek Arnon ligt, midden in de beek, en over de helft van Gilead tot aan de beek Jabbok, die de grensscheiding is der kinderen Ammons; 3 en over het vlakke veld tot aan de zee Kinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee in het vlakke veld, namelijk de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naarBeth-Jesimoth;en van het zuiden, beneden aan de beek van het gebergte Pisga. 4 Benevens den grenspaal van Og den koning van Basan, die nog van de reuzen over was, en woonde te Astaroth en te Edrcï, |
5 en heerschte over den berg Hermon, over Salka» en over geheel Basan, tot aan den grenspaal van Ge-suri en Maiiohathi; en de helft van Gilead, dat de grenspaal was van Sihon den koning van Hesbon. G Mozes de knecht des Heeren en de kinderen Israels versloegen hen, en Mozes de knecht des Heeren gaf dit '\]xmd\ aan de Kubenieten, Gadieten en den halven stam van Ma-nasse, om het erfelijk te bezitten. 7 Dit zijn de koningen van het land die Jozua versloeg, en de kinderen Israels, aan de zijde van den Jordaan tegen het westen, van Baal-Gad af in het dal van den berg Libanon, tot aan den kalen berg waar het land opwaarts gaat naar Seïr; en hetwelk Jozua aan de stammen Israels gaf tot eene erfelijke bezitting, aan elk zijn deel. 8 Wat op de gebergten, in de dalen, op de vlakke velden, aan de beken, in de woestijn en tegen het zuiden was: de Hethieten, Amorieten, Kanaanieten, Ferezieten, Hevieten en Je-busieten. 9 De koning van Jericho; de koning van Ai terzijde van Beth-El; |
JOZUA 13.
441
|
10 de koning van Jeruzalem; de koning van He-bron; 11 de koning van Jarmuth; de koning van Laohis; 12 de koning van Eglon; de koning van Gezer; 13 de koning van Debir; de koning van Gedcr; 14 de koning van Horma; ■de koning van Arad; 15 de koning van Libna; de koning van Adullam; 16 de koning van Makke-da ; de koning van Beth-El; 17 de koning van ïap-puah; de koning van Heter ; 18 de koning van Afek; de koning van Lassaron; 19 de koning van Madon; de koning van Hazor; 20 de koning van Simron-Meron; de koning van Acli-saf; 21 de koning van Taanach; de koning van Megiddo; 23 de koning vanKedes; de koning van Jokneam aan den Karmel; 33 de koning van Dor, te ÏS afatli-Dor; de koning van Gojim te Gilgal; 24 de koning van Tirza. Dit zijn éénendertig koningen. HOOFDSTUK 13. 1 Toen nu Jozua oud en weibedaagd was, sprak de |
Heer tot hem: Gij zijt oud geworden en weibedaagd, en er is nog zeer veel land overgebleven om inte-nemen; 3 namelijk de gelieele landstreek der Filistijnen, en het geheele Gesuri; 3 van de beek Sihor af, die aan de zijde van Egypte vloeit, tot aan den grenspaal van Ekron tegen het noorden, dat den Kana-anieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, namelijk der Gazieten, der Asdodieten,. der Askelonie-ten, der Gathieten, der Ekronieten; en de Avvie-ten; 4 en van het zuiden af het geheele land der Kana-anieten, en Meara der Si-donicrs tot Afek toe, tot aan den grenspaal der Amo-rieten; 5 alsook het land der Gib-lieten, en de geheele Libanon tegen den opgang der zon, van Baal-Gad af, beneden aan den berg Her-mon, totdat men komt te Hamath; 6 allen die op het gebergte wonen, van den Libanon af tot aan de warme wateren toe, al de Sidoniërs; ik zal hen verdrijven van voorde kinderen Israels: loot slechts daarom ter erfelijke uitdee- |
|
443 ling onder Israël, gelijk ik u geboden hel). 7 Zoo deel nu dit land tof een erfdeel uit onder de negen stammen en onder den halven stam van Ma-nasse. 8 Want de Eubenieten en Gadieten hebben met den anderen halven stam van Manasse hun erfdeel ontvangen , hetwelk Mozes hun gaf aan gene zijde van den Jordaan tegen het oosten, gelijk Mozes de knecht des Heeren hun dat gegeven heeft: 9 van Aroër af dat aan den oever der beek Arnon ligt, en de stad die in het midden der beek ligt, en de geheele landstreek van Medeba tot Dibon toe; 10 en al de steden van Sihon den koning der Amo-rieten die te Hesbon regeerde, tot aan den grenspaal der kinderen Ammons; 11 daarenboven Gilead, en den grenspaal van Gesuri en Maachatni, en den ge-heelen berg Hermon, en geheel Basan tot Salkatoe; 13 het geheele rijk van Og in Basan, die te Asta-roth en Edreï regeerde, en nog een van de overgebleven reuzen was, welke Mozes verslagen en verdreven had. |
13 Doch de kinderen Israels verdreven de Gesurie-ten en Maiichathieten niet, maar Gesur en Maachath woonden onder de kinderen Israels tot op dezen dag. 14 Maar aan den stam der Levieten gaf hij geen erfdeel; want het oiler van den Heer, den God van Israël, is hun erfdeel, gelijk hij tot hen gesproken heeft. 15 Alzoo had Mozes den stam der kinderen van Ruben , naar hunne geslachten, aldus bedeeld, 16 dat hunne grenspalen waren van Aroër af dat aan den oever der beek Arnon ligt, en de stad midden in de beek, met al het vlakke veld tot Medeba toe; 17 Hesbon en al hare steden die in het vlakke veld liggen, Dibon, Bamoth-Baal, en Beth-Baal-Meon, 18 Jahza, Kedemoth, Me-faiith, 19 Kirjathaïm, Sibma, Ze-reth-Hassahar op het gebergte der vallei, 30 Beth-Peor, de beken vanPisga, en Beth-Jesinioth; 31 en al de steden op het vlakke veld, en het geheele rijk van Sihon den koning der Amorieten die te Hesbon regeerde, dien Mozes sloeg, benevens de vorsten van Midian: Evi, Eekem, JOZUA 13. |
JOZUA 14.
443
|
Zur, Hur en Eeba, de geweldigen van den koning Sihon, die in liet land woonden. 23 Ook doodden de kinderen Israels met het zwaard Bileam, Beors zoon, den waarzegger, onder de overige verslagenen. 23 Eq de grenspaal der ■ kinderen van Ruben was de Jordaan. Dit is het erfdeel der kinderen van Ruben, naar hunne geslachten, steden en dorpen. 24 Den stam der kinderen van Gad, naar hunne geslachten, had Mozes dus bedeeld, 25 dat hunne grenspalen waren Jaüzer, en al de steden in Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroër toe dat vóór Rab-ba ligt; 26 en van Hesbon af tot Ramath-Mizpé en Betonim toe; en van Mahanaïm tot aan den grenspaal van De-bir toe; 27 en in het dal, Beth-Haram, Beth-Nimra, Suk-koth, en Zefon, wat overgebleven was van het rijk van Sihon den koning van Hesbon; zoodat de Jordaan de grenspaal was tot aan het einde der zee Kinne-reth, aan gene zijde van den Jordaan tegen het oosten. |
28 Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hunne geslachten, steden en dorpen. 29 Den halven stam der kinderen van Manasse, naar hunne geslachten, had Mozes dus bedeeld, 30 dat hunne grenspalen waren van Mahanaïm af, geheel Basan, het geheele rijk van Og den koning van Basan, en al de vlekken van Jaïr die in Basan liggen, namelijk zestig steden. 31 Én de helft van Gilead, Astaroth, en Edrcï, steden des koninkrijks van Og in Basan, gaf hij aan de kinderen van Machir den zoon van Manasse, dat is, aan de helft van Machirs kinderen, naar hunne geslachten. 32 Dit is het wat Mozes uitgedeeld heeft in de vlakke velden van Moab, aan gene zijde van den Jordaan vóór Jericho, tegen het oosten. 33 Maar aan den stam Levi gaf Mozes geen erfdeel ; want de Heer, de God van Israël, is hun erfdeel , gelijk hij tot hen gesproken had. IIOOFDSTUK 14. 1 Dit is het wat de kinderen Israels ten erfdeel ont- Wl |
JOZUA 14.
444
|
vangen hebben in het land Kanailn, hetwelk de priester Eleazar en Jozua de zoon van Nun en de hoofden der stammen aan de kinderen Israels hebben uitgedeeld. 3 Zij nu deelden het door het lot onder hen, zooals de Heer door Mozes geboden had, aan negen stammen en een halven stam. 3 Want aan twee stammen en een halven stam had Mozes een erfdeel gegeven aan gene zijde van den Jordaan; maar aan de Levieten had. hij geen erfdeel onder hen gegeven. 4 Want van de kinderen van Jozef waren twee stammen , Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen erfdeel in het land, maar steden om daarin te wonen, en voorsteden voor hun vee en hunne have. 5 Gelijk de Heer aan Mozes geboden had, zóó deden de kinderen Israels, en zij deelden het land. 6 Toen traden de kinderen van Juda tot Jozua te Gilgal, en Kaleb de zoon van Jefunne, de Keniziet, sprak tot hem: Gij weet wat de Heer tot Mozes den man Gods aangaande mij en ii zeide te Kades-Barnéa. |
7 Ik was veertig jaar oud toen Mozes de knecht des Heeren mij uitzond van Kades-Barnéa om het land te bespieden, en toen ik hem bericht bracht gelijk het in mijn hart was. 8 Maar mijne broeders, die met mij opgegaan waren, maakten het hart des volks versaagd; doch ik volgde getrouw den Heer mijnen God. 9 Toen zwoer Mozes op dien dag, zeggende: Het land waarop uw voet getreden heeft, zal het erfdeel van u en uwe kinderen zijn eeuwiglij k, omdat gij den Heer mijnen God getrouw gevolgd hebt. 10 En nu zie, de Heer heeft mij laten leven, gelijk hij gesproken heeft: het zijn nu vijfenveertig jaren dat de Heer zulks tot Mozes gesproken heeft, en dat Israël in de woestijn gewandeld heeft; en nu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud, 11 en ik ben nog heden ten dage zoo sterk als ik was op dien dag toen Mozes mij uitzond; gelijk mijne kracht toen was, zóó is zij ook nu nog om te strijden en om uit- en integaan. 12 Zoo geef mij nu dit gebergte, waarvan de Heer gesproken heeft op dien dag, |
JOZUA 15.
445
|
gelijk gij te dien dage gehoord hebt; al zijn daar Enakieten en groote en vaste steden, zoo de Heer met mij is zal ik hen verdrijven, gelijk de lieer gesproken heeft. 13 Toen zogende Jozua hem, en gaf Hebron aan Kalei) den zoon van Jefun-■ ne ten erfdeel. 14 Daarom werd Hebron het erfdeel van Kaleb den zoon van Jefunne, den Ke-niziet, tot op dezen dag, omdat hij den Heer, den God van Israël, getrouw gevolgd had. 15 Hebron nu heette eertijds de stad van Arba, die een groot mensch was onder de Enakieten. En liet land had opgehouden te oorlogen. HOOFDSTUK 15. 1 Het lot van den stam der kinderen van Juda, naar hunne geslachten, was de grenspaal van Edom, aan de woestijn Zin tegen het zuiden, aan het einde der zuidlanden; 3 zoodat hun grenspaal tegen het zuiden was, van den hoek der Zoutzee, dat is, van de tong af die zich strekt naar het zuiden; |
3 en hij gaat vandaar uit opwaarts tot Akrabbim, en loopt door Zin, en gaat weder opwaarts van het zuiden naar Kades-Barnéa, en loopt door Hezron, en gaat opwaarts naar Addar, en gaat om Karkaa heen, 4 en loopt door Azraon, en komt uit aan de beek van Egypte; zoodat het einde van dien grenspaal de zee is. Dit zij uw grenspaal tegen het zuiden. 5 De grenspaal tegen het oosten nu is van de Zoutzee af tot aan het einde van den Jordaan. En de grenspaal tegen het noorden is van de tong der zee, die aan het uiterste van den Jordaan is; 6 en hij gaat opwaarts naar Beth-Hogla, en strekt zich van het noorden naar Beth-Araba, en komt opwaarts tot den steen van Bohan den zoon van Euben, 7 en gaat opwaarts naar Debir van het dal Achor af, en van het uoorder-einde dat tegen Gilgal ziet, hetwelk ligt tegenover Adum-mim opwaarts, ten zuiden van de beek aldaar. Yoorts gaat deze grenspaal door hét water van En-Scmes, en komt uit bij de fontein Eogel. S Vervolgens gaat hij opwaarts tot het dal van den zoon van Hinnom, aan de |
JOZUA 15,
446
|
zijde van den Jebusiet die ten zuiden woont, dcit is Jeruzalem, en komt opwaarts op den top van den berg die vóór het dal van Hinnom ligt ten westen, aan het einde van het dal der lle-faïeten tegen het noorden. 9 Alsdan komt hij van den top van dezen berg tot aan de waterfontein Neftóah, en komt uit aan de steden van het gebergte Efron, en strekt zich naar Baiila, dat is Kirjath-Jearim, 10 en keert zich om van Baiila tegen het westen naar het gebergte Seïr, en gaat terzijde van het gebergte Jearim van het noorden, dat is Kesalon, en komt af naar Beth-Sémes, en loopt door Timna, 11 en komt uit aan de zijde van Ekron noordwaarts, en strekt zich naar Sichron, en gaat over den berg Baiila, en komt uit te Jabneël; zoodat zijn einde de zee is. 13 En de grenspaal tegen het westen is de groote zee. Dit is de grenspaal der kinderen van Juda rondom, naar hunne geslachten. 13 Doch aan Kalei) den zoon van Jefunne werd een deel gegeven onder do kinderen van Juda, gelijk de Heer aan Jozua beval, namelijk do stud van Arba (den vader van Enak), dat is Hebron. |
14 En Kaleb verdreef vandaar de drie zonen van Enak, Sesai, Ahiman en Talinai, gesproten uit Enak. 15 En hij trok vandaar opwaarts tot de inwoners van Debir. (Debir nu heette eertijds Kirjath-Séfer.) 16 En Kaleb sprak: Wie Kirjath-Séfer slaat en inneemt, dien zal ik mijne dochter Achsa tot vrouw geven. 17 Toen veroverde haar Otlmiël, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb; en hij gaf hem zijne dochter Achsa tot vrouw. 18 En het gebeurde als zij tot hem kwam, dat haar geraden werd een akker te eischen van haren vader; en zij klom schielijk van den ezel af. Toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? 19 Zij sprak; Geef mij een zegen; want gij hebt mij een dor land gegeven, geef mij ook waterwellen. Toen gaf hij haar waterwellen boven en beneden. — 20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda naar hunne geslachten. 31 En de steden van den slain der kinderen van Juda, van liet ééne uiteinde tot aan den grenspaal der Edo- |
JOZUA 15.
447
|
mieten tegen het zuiden, waren deze: Kabzeël, Eder, Jagur, 33 Kina, Dimona, Adada, 33 Kedes, Hazor, Jithnan, 34 Zif, Telem, Eeiilotli, 35 Hazor-Hadatta, Ke-rioth-Hezron, ook Hazor genaamd, 36 Amam, Sema, Molada, 37 Hazar-Gadda, Hesmon, Betli-Pélet, 38 Hazar-Sual, TSer-Séba, Bizjotlieja, 39 Baiila, Ijim, Azem, 30 Eltolad, Kesil, Horma, 31 Ziklag, Madmanna, Sansanna, 33 Lebaoth, Silliim, Ain, Eimmon: dit zijn negenentwintig steden en hare dorpen. 33 En in de laagte was Estaol, Zorea, Asna, 34 Zanóah, En-Gannim, Tappüah, Enam, 35 Jarmuth, Adullam, Socho, Azeka, 36 Saaraïm, Adithaïm, Gedera, Gederothaïm: dit zijn veertien steden en hare dorpen. 37 Zenan, Hadasa, Mig-dal-Gad, 38 Dilean, Mizpc, Jokteël, 39 Lachis, Bozkath, Eglon, 40 Kabbon, Lahmas, Kith-lis, 41 Gederoth, Beth-Dagon, Naama, Makkeda: dit zijn zestien steden en Lare dorpen. |
43 liibna, Ether, Asan, 43 Jiftah, Asna, Nezib, 44 Kehila, Achzib, Ma-resa: dit zijn negen steden en hare dorpen. 45 Ekron met hare onder-hoorige plaatsen en dorpen. 46 En van Ekron af tot aan de zee, al wat aan de zijde van Asdod ligt en hare dorpen; 47 Asdod met hare onder-hoorige plaatsen en dorpen; Gaza met hare onderhoorige plaatsen en dorpen, tot aan de beek van Egypte; en de groote zee is hare grensscheiding. 48 En op het gebergte was Samir, Jattir, Socho, 49 Danna, Kirjath-Sanna, dat is Debir, 50 Anab, Estemo, Anim, 51 Gosen, Holen, Gilo: dit zijn elf steden en hare dorpen. 53 Arab, Duma, Esean, 53 Janum, Beth-Tappüah, Afeka, 54 Humta, Kirjath-Arba, dat is Hebron, en Zior: dit zijn negen steden en hare dorpen. 55 Maon, Karmel, Zif, Juta, 56 Jizrecl, Jokdeam, Za-noah, 57 Kaïn, Gibea, Timna: |
JOZUA 16.
448
|
dit zijn tien steden en hare dorpen. 5 8 Halliul, Betli-Zur, Ge-dor, 59 Maaratli, Betli-Anoth, Eltekon: dit zijn zes steden en hare dorpen. 60 Kirjath-Baal, dat is Kirjath-Jearim, Kabba: twee steden en hare dorpen. 61 In de woestijn was Beth-Araba , Middin, Se-chacha, 62 Nibsan, en de Zout-stad, en Engédi: dit zijn zes steden en hare dorpen. 63 De Jebusieten nu woonden te Jeruzalem, en de kinderen van Juda konden hen niet verdrijven: alzoo bleven de Jebusieten met de kinderen van Juda te Jeruzalem tot op dezen dag. HOOFDSTUK 16. 1 En het lot voor de kinderen van Jozef viel aldus: van den Jordaan van Jericho , bij het water van Jericho oostwaarts, door de woestijn die van Jericho opwaarts gaat door het gebergte Beth-El; 2 en het gaat van Beth-El uit naar Luz, en loopt langs den grenspaal der Arkieten naar Ataroth, 3 en strekt zich westwaarts naar den grenspaal der Jafletieten tot aan den grenspaal van neder-Beth-Horon en tot Gezer toe, en eindigt aan de zee. |
4 Dit hebben de kinderen van Jozef, Manasse en Efra-im, tot een erfdeel gekregen. 5 De grenspaal nu der kinderen van Efraïm naar hunne geslachten was aldus: de grenspaal huns erfdeels oostwaarts was Atroth-Ad-dar, tot aan opper-Beth-Horon, 6 en gaat uit tegen het westen bij Michmethath, hetwelk tegen het noorden ligt; aldaar keert hij om tegen het oosten der stad Ïaünath-Silo, en gaat daar dóór ten oosten van Janóah, 7 en komt af van Janóah naar Ataroth en Nailra, en stoot aan Jericho, en komt uit aan den Jordaan. 8 Van Tappüah gaat hij westwaarts naar de beek Kana, en eindigt in de zee : dit is het erfdeel van den stam der kinderen vanEfraïm naar hunne geslachten. 9 Dit zijn de steden die afgezonderd zijn voor de kinderen van Efraïm, in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, zoowel de steden als hare dorpen. 10 En zij verdreven de Kanaanieteri niet die te Ge- |
JOZUA 17-
449
|
zer woonden; alzoo bleven de Kanailnieten onder Efraïm tot op dezen dag, en werden cijnsbaar. HOOFDSTUK 17. 1 En de stam van Ma-nasse bad óók een lot, want bij was Jozefs oudste zoon; ■ en bet viel op Maobir den oudsten zoon van Manasse, den vader van Gilead, die een strijdbaar man was; daarom werd bem Gilead en iiasan ten deel. 3 En op de andere kinderen van Manasse, naar bunne geslacbten, viel bet ook, namelijk op de kinderen van Abiczer, op de kinderen van Helek, op de kinderen van Asriël, op de kinderen van Seobem, op de kinderen van Hefer, en op de kinderen van Semida: dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse den zoon van Jozef, naar bunne geslachten. 3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Ma-cbir, den zoon van Manasse, bad geen zonen maar dochters; en bare namen zijn deze: Mabla, Noa, Hogla, Müka, Tirza. 4 En zij traden voor den priester Eleazar, en voor |
Jozua den zoon van Nun, en voor de oversten, zeggende: De Heer beeft aan Mozes geboden, dat bij ons een erfdeel zou geven onder onze broeders. En men gaf baar een erfdeel onder de broeders baars vaders, naar bet bevel des Heeren. 5 Dus vielen aan Manasse tien snoeren ten deel, behalve het land Gilead en Basan, dat aan gene zijde van den Jordaan ligt. 6 Want de dochters van Manasse namen een erfdeel onder zijne zonen; en bet land Gilead werd aan de andere kinderen van Manasse ten deel. 7 En de grenspaal van Manasse was van Aser af naar Michmethath hetwelk vóór Sichem ligt, en strekt zich ter rechterzijde tot aan de inwoners van En-Tap-piiab. 8 Want het land Tappuah was van Manasse; maar de grenspaal van Manasse behoorde aan de kinderen van Efraïm. 9 quot;Vandaar loopt bij af naar de beek Kana, tegen het zuiden der beek. Deze steden behooren aan Efraïm, en zijn midden onder de steden van Manasse; maar ten noorden is de grenspaal van Manasse aan de |
15
JOZU
A 18.
430
|
hepk. en eindigt aan de zee: lü van Efraïm teü-pn het zuiden, en van Manasse tegen het noorden, en de zee is beider grenspaal; en zij stooten ten noorden aan Aser en ten oosten aan Is-saschar. 11 Zoo had nu Manasse, onder Issaschar er. Aser, Eeth-Sean en hare onder-hoorige plaatsen, Jibleam en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners van Dor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners van Endor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners van Taananh en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners van Megiddo en hare onderhoorige plaatsen: drie landstreken. 13 l)ooh de kinderen van Manasse konden deze steden niet innemen; want de Kanailnieten wilden blijven wonen in dat land. 13 Maar toen de kinderen Israels machtig werden, maakten zij de Kanailnieten cijnsbaar, en verdreven hen niet. 14 Toen spraken do kinderen van Jozef met Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij slechts dén lot en één snoin- ten erfdeel gegeven, daar ik immers een groot volk ben, aangezien de lieer mij tot dusver gezegend heeft? |
15 Toen sprak Jozua tot hen: Dewijl gij een groot volk zijt, zoo ga opwaarts in het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en reuzen, indien het gebergte van Efraïm voor u te eng is. 16 Toen spraken de kinderen van Jozef: Dat gebergte zullen wij niet verkrijgen; want er zijn ijzeren wagens bij al de Kanailnieten die in liet land der vlakte wonen, bij welke ligt Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, en Jizreël in de vlakte. 17 Jozua sprak tot liet huis van Jozef, tot Efraïm en Manasse: Gij zijt een groot volk, en dewijl gij van zóógroote kracht zijt, zoo moet gij niet maar één lot hebben; 18 maar het gebergte, waar het woud is, zal het uwe zijn: houw dat om, zoo zal dit het einde van uw lot zijn; want gij zult de Kanailnieten verdrijven, hoewel zij ijzeren wagens hebben en machtig zijn. HOOFDSTUK 18. 1 En de geheele gemeente der kinderen Israels vergaderde te Silo, en zij richt- |
JOZÜA 18,
451
|
ten aldaar de hut des stichts op; en liet land was hun onderworpen. 2 En er waren nog zeven stammen der kinderen Is-raëls, aan wie zij hun erfdeel nog niet uitgedeeld hadden. 3 En Jozua sprak tot de kinderen Israëls: Hoelang zult gij zoo traag zijn, dat gij niet heengaat om het land intenemen, hetwelk de Heer, de God uwer vaderen, u gegeven heeft? 4 Beschikt u uit eiken stam drie mannen, opdat ik lien heenzende, en zij ^ieh opmaken en door het land gaan, en het beschrijven naar hunne ei'fdeelen, en weder tot mij komen. 3 Deelt het land in zeven doelen: Juda zal blijven bij zijnen grenspaal van hot zuiden, en het huis van Jozef zal blijven bij zijnen grenspaal van het noorden. 6 En beschrijft gijlieden het land in zeven deelen, en brengt het herwaarts tot mij; zoo zal ik voor ulieden het lot werpen voor den Heer onzen God. 7 Want de Levieten hebben geen deel onder u, maar het priesterschap des Heeren is hun erfdeel; en Gad en lliiben en de halve stam van Manasae hebben hun erfdeel genomen aan gene zijde van den Jordaan tegen het oosten, hetwelk Mozes de knecht des Heeren hun gegeven heeft, |
8 Toen maakten die mannen zich op om heentegaan; en Jozua gebood hun dat zij zouden heengaan om het land te besolirijven, zeggende : Gaat heen en doorwandelt het land, en beschrijft het; en komt weder tot mij, opdat ik hier voor ulieden het lot werpe vóór den Heer te Silo. 9 Alzoo gingen die mannen heen, en trokken het land door, en beschreven het in een boek, naar de steden, in zeven deelen; en zij kwamen tot Jozua in het leger te Silo. 10 Toen wierp Jozua het lot over hen te Silo vóór den Heer, en deelde aldaar het land uit onder de kinderen Israëls, aan elk zijn doel. 11 En het lot van den stam der kinderen van Hen-jamin viel naar hunne geslachten, en de grenspaal huns lots ging uit tusschen xle kinderen van Juda en de kinderen van Jozef. 12 En hun grenspaal was aan den hoek tegen het. noorden van den Jordaan af, en gnat opwaarts naar |
JOZUA 18.
453
|
de zijde van Jericlio noord-waarts, en gaat op het gebergte westwaarts, en komt uit aan de woestijn van Betli-Aven, 13 en gaat vandaar naar Luz, terzijde van Luz — dat is Beth-El — zuidwaarts, en komt af naar Atrotli-Addar, aan den berg die ten zuiden ligt aan neder-Beth-Horon. 14 Daarna strekt liij zioh en keert zicli om op den hoek van het westen tegen het zuiden van den berg die vóór Beth-Horon zuidwaarts ligt, en eindigt aan Kirjath-Baal, dat is Kirjath-Jearim, de stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek togen het westen. 15 De hoek tegen het zuiden nu is vau Kirjath-Jearim af, en gaat uit tegen het westen, en loopt uit aan de waterfontein Nef-tóah, 16 en gaat af van het einde des bergs die tegenover de vallei van den zoon van Hinnom ligt, zijnde in het dal der Eefaïeten naar het noorden, en gaat af door de vallei van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidelijk, en komt af naar de fontein van Eogel, 17 en strekt zich noordwaarts , en komt uit te En- |
Sémes, en verder aan Ge-liloth dat tegen Adummim opwaarts ligt, en loopt af naar den steen van Bohan den zoon van Euben, 18 en gaat terzijde nevens het vlakke veld dat tegen het noorden ligt, en loopt af naar het vlakke veld, 19 en gaat naar de zijde van Beth-Hogla, dat tegen het noorden ligt, en zijn einde is aan de tong der Zoutzee tegen het noorden, aan het einde van den Jor-daan tegen het zuiden: dit is de zuidergrenspaal. 20 En de hoek tegen het oosten zal aan den Jordaan eindigen. Dit is het erfdeel der kinderen Benjamins, naar hunne grenspalen rondom , volgens hunne geslachten. 31 De steden nu van den stam der kinderen Benjamins, naar hunne geslachten , zijn deze: Jericho, Beth-Hogla, Emek-Keziz, 33 Beth-Araba, Zemaraïm, Beth-El, 33 Avvim, Para, Ofra, 34 Kefar-Haammoni, Ofni, Geba: dit zijn twaalf steden met hare dorpen. 35 Gibeon, Eama, Beëroth, 36 Mizpé, Kefira, Moza, 37 Eekem, Jirpeël, Tarala, 38 Zela, Elef, en Jebusi, dat is Jeruzalem, Gibathj |
JOZUA 19.
453
|
Kirjath; veertien steden met hare dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen Benjamins naar hunne geslachten. HOOFDSTUK 19. 1 Daarna viel het tweede lot voor den stam der kinderen van Simeon naar hunne geslachten; en hun erfdeel was onder het erfdeel der kinderen van Juda. 3. En hun werd ten erfdeel Ber-Séba,Seha, Molada, 3 Hazar-Sual, Bala, Azem, 4 Eltolad, Bethui, Horma, 5 Ziklag, Beth-Hammar-kaboth, Hazar-Susa, 6 Beth-Lebaoth, Saruhen; dit zijn dertien steden en hare dorpen. 7 Ain, Eimmon, Ether, Asan: dit zijn vier steden en hare dorpen. 8 Daarenboven al de dorpen die rondom deze steden liggen, tot aan Baillath-Becr-Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon naar hunne geslachten. 9 Het erfdeel der kinderen Simeons was onder het snoer der kinderen van Juda;' want dewijl het erfdeel der kinderen van Juda hun te groot was, erfden de kinderen van Simeon onder hen hèt erfdeel. |
10 Het derde lot viel voor de kinderen van Zebulon naar hunne geslachten, en de grenspaal huns erfdeels was tot aan Sarid, 11 en ging op westwaarts naar Marala, en stiet aan Dabbéseth, alsook aan de beek die vóór Jokneam vliet; 12 dan wendt hij zich weder van Sarid tegen den opgang der zon, tot aan den grenspaal Kisloth-ïabor, en komt uit te Dobrath, en strekt zich opwaarts naar Jafia; 13 en vandaar gaat hij tegen het oosten door Gath-Héfer, Eth-Kazin, en komt uit aan Eimmon, Methoar en Nea, 14 en keert zich om van het noorden naar Nathon, en eindigt in het dal van Jiftah-El; 15 voorts Kattath, Na-halal, Simron, Jidala en Bethlehem: dit zijn twaalf steden en hare dorpen. 16 Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon naar hunne geslachten; dat zijn hunne steden en hare dorpen. 17 Het vierde lot viel voor de kinderen van Issaschar naar hunne geslachten. 18 En hun grenspaal was Jizreël, Kesulloth, Sunem, 19 Hafaraïm, Sion, Ana-charath, |
|
454 JQZl SO Babbith, Kisjon, Ebez, 21 Eemetli, En-Gannim, En-Hadda, Jtet h-Pazzez; 23 en hij stoot aan Tabor, Saliazima, Beth-Sémes, en eindigt aan den Jordaan: zestien steden en tare dor. pen. 23 Djt is liet erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar naar hunne ge-slachten, de steden en hare dorpen. 34 Het vijfde lot viel voor den stam der kinderen van Aser naar hunne geslachten. 25 En hun grenspaal was Pelkath, IJnli, Beten, Ach-saf, 26 Allammélech, Awad, Misal, en stoot aan den ICarmel ten westen, en aan Sihor-Libnath, 27 en wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en stoot aan Zebulon, en aan het dal Jiftah-El noordwaarts naar Beth-Eniek en Neïël, en komt uit te Kabul ter linkerhand , 2S en Ebron, Eehob, Hammon, Kana, tot aan het groote Sidon, 20 en wendt zich naar Barna, tot aan de vaste stad Tyrus, en wendt zich naar Hosa, en eindigt ten westen aan het snoer naar Aclizib toe; |
A 19. 30 en Umma, Afek, Eehob ; tweeëntwintig steden en hare dorpen. 31 Dit is net erfdeel van den stam der kinderen van Aser naar hunne geslachten, de steden en hare dorpen. 32 Het zesde lot viel voor de kinderen van Naftali naar hunne geslachten, 33 En hun grenspaal was van Helef, Elon, door Zaiinannim, Adami-Nékeb, Jabneël, tot Lakkum toe, en eindigt aan den Jordaan, 34 en wendt zich ten westen naar Aznotli-ïabor, en koint vandaar uit te Hukkok, en stoot aan Zebulon tegen bet zniden, en aan Aser teger het westen, en aan Juda aan den Jordaan tegen den opgang der zon; 35 en hij heeft tot vaste steden: Ziddim, Zer,riara-math, Eakkath, Kinnereth, 3ti Adama, Eama, Hazor, 37 Kedes, Edréï, En-Hazor, 38 Jiron, Migdal-El, Hor rem, Beth-Anath, Beth-Semes: negentien steden en hare dorpen. 39 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Naftali naar hnnne ge^ slachten, de steden en hare dorpen. 40 Het zevende lot viel |
|
Voor den stam der kinderen Vein Dan naar hunne geslachten. 41 En de grenspaal huns erfdeels was Zora, Estaol, Ir-Sémes, 42 Saiilabbin, Ajjalon, Jïthla, 48 Elon, ïlmnatha, Ekron, 44 Eltekó, Gibbethon, Baalath, 45 Jehud, Bené-Berak, Gath-Rimmon, 46 Mé-Jarkon, Eakkon, met de landstreek tegenover Jaf'o. 47 En aan deze eindigt de grenspaal der kinderen van Dan. En de kinderen Van Dan trokken opwaarts en streden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en namen haar in bezitting, en woonden daarin, en noemden ze Dan naar huns vaders naam. 48 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Dan naar hunne geslachten, de steden en hare dorpen. 49 En toen zij het land geheel uitgedeeld hadden met zijne grenspalen, zoo gaven de kinderen Israels aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel onder hen; 60 en zij gaven hem, naar het bevel des Heeren, de stad welke hij begeerde, namelijk Ïimnath-Sérah op |
458 het gebergte van Efrnïm; toen bouwde hij die stad op en woonde daarin. 51 Dit zijn de erfdeelen die Eleazar de priester, en Jozua de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen onder de geslachten, door het lot aan de kinderen Israels uitdeelden te Silo vóór den Heer, aan den ingang van de hut des stichts; en zij voleindigden alzoo het uitdeelen des lands. HOOFDSTUK 20. 1 Eu de Heer sprak tot Jozua, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels: Bestemt onder u vrijsteden, waarvan ik ulie-den door Mozes gesproken heb; 3 waarheen een doodslager vliede, die iemand onvoorziens en onwetend verslagen heeft; opdat zij hem zijn tot eene toevlucht tegen den bloedwreker. 4 En wie tot een van die steden vlucht, die zal staan buiten do stadspoort, en zal voor de oudsten dier stad -zijne zaak verhalen; zoo zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem ruimte geven dat hij bij hen wone. 5 En als de bloedwreker JOZUA 20. |
JOZUA 31.
456
|
hem najaagt, zoo zullen zij den doodslager niet overgeven in zijne hand, dewijl hij onwetend zijnen naaste verslagen heeft, en hem tevoren niet vijandig geweest is; 6 en hij zal in die stad wonen, totdat hij gestaan heeft voor de gemeente ten gerichte, tot den dood des hoogepriesters welke in die dagen zijn zal: alsdan zal de doodslager wederkeeren in zijne stad en in zijn huis, tot de stad vanwaar hij gevlucht is. 7 Toen heiligden zij daartoe Kedes in Galiléa op het gebergte van Naftali, en Sichem op het gebergte van Efraïra, en Kirjath-Arba — dat is Hebron — op het gebergte van .Tuda; 8 en aan gene zijde van den Jordaan van Jericho, tegen het oosten, bestemden zij daartoe Bezer in de woestijn, op het platteland, uit den stam van Euben, en Eamoth in Gilead uit den stam van Gad, en Golan in Basan uit den stam van Manasse. 9 Dit zijn de steden die bestemd waren voor al de kinderen Israels, en voor de vreemdelingen die onder hen woonden, opdat derwaarts vluchtte wie onvoorziens iemand verslagen had; El |
gi 1 Toen traden de hoofden di der vaderen onder de Le- lt;1 vieten tot den priester Elea- d zar, en tot Jozua den zoon v van Nun, en tot de hoofden Ik der vaderen onder de stammen der kinderen Israels; ]\ 3 en zij spraken tot hen s' te Silo in het land Kanaan, t zeggende: De Heer heeft v door Mozes geboden, dat y men ons steden geven zou y om te bewonen, en hare voorsteden voor ons vee. ] 3 Toen gaven de kinderen 1 Israüls den Levieten van hunne erfdeelen, naar het bevel des Heeren, deze steden en hare voorsteden. 4 En het lot viel op het geslacht derKohathieten; en aan de kinderen van Ailron den priester, uit de Levieten, i werden door het lot gegeven dertien steden van den stam i van Juda, van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin; 5 en aan de overige kinderen van Kohath, van hetzelfde geslacht, werden door het lot gegeven tien steden van den stam van |
JOZTJA 21.
457-
|
Efraïm, van den stam van Dan, en van den lialven si am van Manasse. 6 En aan de kinderen van Gerson, van betzelfde geslacht, werden door liet lot gegeven dertien steden van den stam van Issaschar, van den stam van Aser, en van den stam van Naftali, en van den halven stam van Manasse in Basan. 7 Aan de kinderen van Merari, naar hunne geslachten , werden gegeven twaalf steden van den stam van Euben, van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon. 8 Alzoo gaven de kinderen Israëls aan de Levieten door het lot deze steden en hare voorsteden, gelijk de Heer door Mozes geboden had. 9 Van den stam der kinderen van Juda en van den stam der kinderen van Simeon gaven zij deze steden, die zij met name noemden ; 10 namelijk aan de kinderen van Ailron, van het geslacht der Kohathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was voor lien. 11 Zoo gaven zij hun de stad van Arba den vader van Enak — dat is He-bron — op het gebergte van Juda, en hare voorsteden rondom haar; |
12 maar den akker dei-stad en hare dorpen gaven zij aan Kaleb den zoon van Jefunne tot zijn erfdeel. 13 Alzoo gaven zij aan de kinderen van Aaron, den priester, de vrijstad voor de doodslagers, Hebron en hare voorsteden, Libna en hare voorsteden, 14 Jattir en hare voorsteden , Estemóa en hare voorsteden, 15 Holon en hare voorsteden , Debir en hare voorsteden , 16 Ain en hare voorsteden, Jutta en hare voorsteden, Beth-Sémes en hare voorsteden : negen steden van deze twee stammen. 17 En uit den stam van Benjamin gaven zij Gibeon en hare voorsteden, Geba en hare voorsteden, 18 Anathoth en hare voorsteden , Almon en hare voorsteden: viersteden. 19 Zoodat al de steden der kinderen van Ailron den priester waren dertien met hare voorsteden. • 20 En aan de geslachten der overige kinderen van Kohath, de Levieten, werden door het lot gegeven vier steden uit den stam van Efraïm; |
|
458 JOZl 31 en zij gaven Uun de vrijstad voor de doodslagers, Sichem en hare voorsteden, op het gebergte van Ef'raïm, Gezer en hare voorsteden, 33 Kibznïm en hare voorsteden, Beth-Horon en hare voorsteden. 33 Uit den stam van Dan vier steden: Elteké en hare voorsteden, Gibbethon en hare voorsteden, 24 Ajjalon en hare voorsteden , Gath-Rinimon en hare voorsteden. 35 Uit den hal ven stam van Manasse twee steden-Taiinaeh en hare voorsteden, Gath-Bimmon en hare voorsteden. 36 Zoodat al de steden der overige kinderen van het geslacht van Kohath waren tien niet hare voorsteden. 37 En aan de kinderen van Gerson, uit de geslachten der Levieten, werden gegeven uit den hal ven stam van Manasse twee steden: de vrijstad voor de doodslagers, Golan in Basan en hare voorsteden, Beëstera en hare voorsteden. 38 Uit den stam van Is-aaschar vier steden: Kisjon en hare voorsteden, Dobrath en hare voorsteden, 39 Jarmnth en hare voorsteden , En-Gannim en hare voorsteden. |
A 31. 30 Uit den stam van Aser IV vier steden; Misal en hare di voorsteden, Abdon en hare i voorsteden, st 31 Helkath en hare voor- st steden, Eehob eu hare voorsteden. VI tali drie steden: de vrijstad ti in Galiléa en hare voorste.- t den, Hammoth-Dor en hare 33 Zoodat al de steden ; van het geslacht derGerso- s nieten waren dertien steden der kinderen van Merari, de nog overige Levieten, werden gegeven uit den stam van Zebulon vier steden; Jokneam en hare voorsteden, Karta en hare voorsteden , 35 Dimna en hare voorsteden, Nahalal en hare voorsteden. 36 Uit den stam van Ilu-ben vier steden: Bezer en hare voorsteden, Jaliza en hare voorsteden, 37 Kedemothenharevoojv steden, Mefaiith en hare voorsteden. 88 Uit den stam van Gad vier steden: de vrijstad voorde doodslagers, Bamoth in Gilead en hare voorsteden, |
JOZUA 23.
439
|
Mnlifinaïm en hare Voorsteden, 39 Hesbon en hare voorsteden , Jaëter en hare voor^ steden. 40 Zoodat al de steden van de kinderen van Me-rari, do nog overige Levieten , naar hiinne geslachten, waren, volgens hun lot, twaalf steden. 41 Al de steden der Levieten, onder het erfdeel der kinderen Israels, waren achtenveertig met hare voorsteden. 42 En elk van deze steden had hare voorstad rondom zich, de ééne als de andere. — 48 Alzoo gaf de Heer aan Israël al het land hetwelk hij gezworen had hunnen vaderen te zullen geven, en zij namen het in en woonden daarin. 44 Eu de Heer gaf hun rust van rondom, naar alles wat hij hunnen vaderen gezworen had; en niemand Van al hunne vijanden wederstond hen, maar al hunne vijanden gaf hij in hunne hand. 45 Er ontbrak niets van al het goede dat de Heer tot het huis van Israël gesproken had: het werd alles vervuld. |
HOOFDSTUK 22. 1 Toen riep Jözua de B,u-benieten en Gadieten en den hal ven stam van Manasse, 2 en hij sprak tot hen! Gijlieden hebt alles onderhouden wat Mozes de knecht des Heeren n geboden heeft, en gij zijt aan mijne stem gehoorzaam geweest in alles wat ik u geboden heb: 3 gij hebt uwe broeders niet verlaten gedurende dien langen tijd, tot op dezen dag, en gij hebt het gebod van den Heer uwen God in acht genomen. 4 Dewijl nu de Heer uw God uwe broeders tot rust heeft doen komen, zooals hij tot hen gesproken had, zoo keert u nu en trekt heen naar uwe hutten, in het land uws erfdeels, hetwelk Mozes de knecht des Heeren u gegeven heeft aan gene zijde van den Jordaan. 5 Doch volhardt slechts met naarstigheid, dat gij doet naar het gebod en de wet welke Mozes de knecht des Heeren u gegeven heeft, dat •gij den Heer uwen God lief hebt, en wandelt in al zijlie wegen, en zijne geboden onderhoudt, en hem aanhangt, en hem dient met uw gansche hart en ziel. |
JOZUA 22.
460
|
6 Alzoo zegende Jozua lien en liet hen gaan; en zij gingen naar hunne hutten. 7 Aan den hal ven stam van Manasse had Mozes \een erfdeel] gegeven in Ba-san, aan de andere helft gaf Jozua het onder hunne broeders aan deze zijde van den Jordaan tegen het westen. Eu toen hij hen had laten gaan naar hunne hutten, en hen gezegend had, 8 sprak hij tot hen: Keert weder naar uwe hutten met groote goederen en met zeer veel vee, zilver, goud, koper, ijzer en kleederen; en deelt nu den buit uwer vijanden uit onder uwe broeders. 9 Alzoo keerden de Ku-benieten, Gadieten en de halve stam van Manasse weder, en gingen van de kinderen Israels uit Silo in het land Kanaiin, opdat zij naar het land Gilead trokken, naar het land huns erfdeels, hetwelk zij bezaten volgens het bevel des Heeren door Mozes. 10 En toen zij kwamen bij Geliloth aan den Jordaan in het land Kanaiin, bouwden de Eubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse aldaar aan den Jordaan een grooteu schoo-nen altaar. |
11 Toen nu de kinderen Israëls hoorden zeggen: Zie, de kinderen van Euben, de kinderen van Gad en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd tegenover het land Kanaiin, bij Geliloth aan den Jordaan, aan gene zijde der kinderen Israëls, •— 12 toen verzamelden zij zich met de geheele gemeente te Silo, om tegen hen optetrekken met een heir. 13 En zij zonden tot hen, naar het land Gilead, den priester Pinehas, den zoon van Eleazar; 14 en met hem tien vorsten , hoofden hunner vaderlijke huizen, uit eiken stam van Israël één. 15 En toen zij tot hen in het land Gilead kwamen, spraken zij met hen, zeggende : 16 Aldus laat de geheele gemeente des Heeren u zeggen: Hoe zondigt gij zoo tegen den God van Israël, dat gij u heden keert van den Heer, dewijl gij u een altaar bouwt, zoodat gij afvalt van den Heer? 17 Was de misdaad van Peor voor ons te weinig, van welke wij nog op dezen dag niet gereinigd zijn, toen eene plaag over de gemeente des Heeren kwam? |
JOZUA 22.
461
|
18 En gij wendt u heden van den Heer, en zijt heden afvallig geworden van den Heer, dat hij heden of morgen over de geheele gemeente van Israël in toorn zal ontbranden. 19 Dunkt u het land uws erfdeels onrein, zoo komt over in het land hetwelk de Heer bezit, waar de woning des Heeren staat, en erft onder ons; en wordt niet afvallig van den Heer en van ons, dat gij u een altaar bouwt buiten den altaar van den Heer onzen God. 20 Vergreep Achan de zoon van Zerah zich niet aan het verbannene? en de toorn kwam over de geheele gemeente van Israël, zoodat hij de eenige niet was die stierf om zijne misdaad. 21 Toen antwoordden de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad en de halve stam van Manasse, en zeiden tot de hoofden en vorsten van Israël: 23 De sterke God, de Heer, de sterke God, de Heer, weet het; ook weet Israël het; is liet dat wij afvallen of zondigen tegen den Heer, zoo helpe hij ons heden niet. |
23 En zoo wij daarom den altaar gebouwd hebben, dat wij ons van den Heer wilden afwenden, on brandoffer of spijsoffer da.-irop te offeren of dankoffer daarop te bereiden, zoo eische de Heer het van ons. 24 En zoo wij liet niet veelmeer uit zorg voor deze zaak gedaan hebben, zeggende: Heden of morgen moehten uwe kinderen tot onze kinderen zeggen: AVat gaat u de Heer, de God van Israël, aan? 25 De Heer heeft den Jordaan tot eene grensscheiding gesteld tusschen ons en ulieden, gij kinderen van Euben en van Gad: gijlieden hebt geen deel aan den Heer; — daarmede zouden uwe kinderen onze kinderen van de vreeze des Heeren doen afwijken. 26 Daarom zeiden wij: Laat ons een altaar bouwen, niet tot het offer noch tot het brandoffer, 27 maar opdat hij een getuige zij tusschen ons en ulieden en onze nakomelingen, opdat wij den dienst des Heeren mogen doen voor hem , met onze brandoffers , dankoffers en andere offers, en uwe kinderen heden of morgen niet zeggen zouden tot onze kinderen: Gijlieden hebt geen deel aan den Heer. |
JOZÜA 33.
463
|
28 Muar wanneer zij alzoo tot ons of tot onze nakomelingen heden of morgen spreken zouden, dan konden wij zeggen; Ziet het beeld van den altaar des Heeren dien onze vaderen gemaakt hebben, niet tot het offer noch tot het brandoffer, maat tot een getuige tusschen ons en ulieden. — 39 Hot zij verre van ons dat wij afvallig zouden worden van den Heer, dat wij ons heden van hem wilden afwenden, en een altaar bouwen tot het brandoffer en tot het spijsoffer en tot andere oflers, buiten den altaar van den Heer onzen God die vóór zijne woning staat. 30 Toen nu Pinehas de priester, en de oversten der gemeente en de vorsten van Israël die met hem waren, deze woorden hoorden, welke de kinderen van Ruben, van Gad en van Ma-nasse spraken, behaagden hun die; 31 en Pinehas, de zoon van Eleazar den priester, sprak tot de kinderen van Ruben, van Gad en van Manassc: Heden erkennen wij dat de Heer onder ons is, dat gij tegen den Heer niet gezondigd hebt in deze daad; hu hebt gij de kinderen Israels verlost uit de liand des Heeren. |
33 Toen trok Pinehas, de zoon van Eleazar den priester, en de oversten, uit het land Gilead, van de kinderen van Ruben en van Gad weder naar het land Kanaan tot de kinderen Israels, en zij zeiden het aan hen. 33 En dit behaagde den kinderen Israels, en zij loofden den God der kinderen Israels; en zij zeiden niet meer dat zij met een heir tegen hen wilden optrekken, om' het land te verderven in hetwelk de kinderen van Ruben en van Gad woonden. 34 En de kinderen van Ruben en van Gad noemden dien altaar; Dat hij een getuige zij tusschen ons, dat de Heer God is. HOOFDSTUK 23. 1 En na een langen tijd, toen de Heer Israël tot rust had doen komen van al hunne vijanden rondom, eii Jozua oud en weibedaagd was, 3 riep hij geheel Israël, hunne oudsten, hoofden, rechters en ambtlieden, en sprak tot hen; 3 Ik ben oud en welbe- |
jozuA as.
463
|
daagd; on gijlieden kebt gezien alwat de Heer uw God gedaan heeft aan al deze volken voor u; want de Heer uw God heeft zelf voor Ti gestreden. 4 Ziet, ik heb dezo overgebleven volken u toegedeeld, aan eiken stam zijn erfdeel, van den Jordaan af, evenals al de volken welke ik uitgeroeid heb aan de groote zee, tegen den ondergang der zon. 5 En de Heer uw God zal hen uitstooten voor u, en van u verdrijven; opdat gij hun land inneemt, gelijk de Heer uw God tot u gesproken heeft. 6 Zoo bevlijtigt u nu ten sterkste, dat gij onderhoudt en doet alwat geschreven staat in het wetboek van Mozes, dat gij daarvan niet afwijkt noch ter rechter-nooh ter linkerhand: 7 dat gij geen omgang houdt met deze overgebleven volken die bij u zijn, en niet denkt aan noch zweert bij den naam hunner goden, noch ze dient, noch ze aanbidt; 8 maar dat gij den Heer uwen God aanhangt, gelijk gij tot 0)3 dezen dag toe gedaan hebt. |
9 Want de lieer heeft groote en machtige volken voor u verdreven, en niemand heeft tegen u kunnen bestaan tot op dezen dag. 10 Eén van u zal er duizend jagen; want de Heer uw God zelf strijdt voor u, gelijk hij tot u gesproken heeft. 11 Daarom bewaart zorgvuldig uwe zielen, dat gij den Heer uwen God lief» hebt. 12 Maar indien gij u omkeert en deze volken die onder u overgebleven zijn aanhangt, en u met hen vermaagschapt, dat gij onder hen komt en zij onder u, — 13 zoo weet dat de Heer uw God al deze volken niet meer voor u verdrijven zal, maar zij zullen u tot een valstrik en een net, en tot een geesel voor uwe lendenen worden, en tot een doorn in uwe oogen, totdat hij u verdelgt uit dit goede land hetwelk de Heer uw God u gegeven heeft. 14 Zie, ik ga heden den weg der geheele wereld; en gij weet met uw gansche hart en ziel, dat niet een woord gemist heeft van al het goede dat de Heer uw Gro:' tot u gesproken heeft; het is alles over u gekomen, en niet een éénig woord daarvan is achtergebleven. |
JOZUA 24.
464
|
15 Gelijk nu al dat goede over ii gekomen is hetwelk de Heer uw God tot u gesproken heeft, zóó zal de Heer ook al het kwade over u laten komen, totdat hij u verdelgt uit dit goede land hetwelk de Heer uw God u gegeven heeft. 16 Wanneer gij het verbond van den Heer uwen God, hetwelk hij v. geboden heeft, overtreedt, en heengaat en andere goden dient en ze aanbidt, zoo zal de toorn des Heeren over u ontsteken, en u schielijk verdelgen uit het goede land hetwelk hij u gegeven heeft. HOOFDSTUK 24. 1 En Jozua vergaderde al de stammen Israels te Si-chem, en hij riep de oudsten van Israël, de hoofden, rechters en ambtlieden samen ; en toen zij voor God getreden waren, 3 sprak hij tot al het volk: Dus zegt de Heer, de God van Israël: Uwe vaderen woonden eertijds aan gene zijde der rivier, ïerah, de vader van Abraham en van Nalior; en zij dienden andere goden. |
8 Toen nam ik uwen vader Abraham van gene zijde der rivier, en liet hem wandelen in het geheele land Kanaiin, en vermenigvuldigde hem zijn zaad, en gaf hem Isaiik. 4 En aan Isaiik gaf ik Jakob en Esau; en ik gaf aan Esau het gebergte Seïr ter bezitting, maar Jakob en zijne kinderen trokken af naar Egypte. 5 Toen zond ik Mozes en Ailron, en plaagde Egypte, gelijk ik onder hen gedaan heb. 6 Daarna leidde ik u en uwe vaderen uit Egypte; en toen gij aan de zee kwaamt, en de Egyptenaars uwe vaderen najoegen met wagens en ruiters tot aan de Schelfzee, 7 toen riepen zij tot den Heer: die stelde eene duisternis tusschen u en de Egyptenaars, en bracht de zee over hen en bedekte hen; en uwe oogen hebben gezien wat ik in Egypte gedaan heb; en gij hebt gewoond in de woestijn een langen tijd, 8 En ik heb u gebracht in het land der Amorieten die aan gene zijde van den Jordaan woonden; en toen zij tegen u streden, gaf ik hen in uwe hand, dat gij hun land bezat, en verdelgde hen voor u uit. 9 Toen maakte Balak de |
JOZUA 24.
465
|
lieele zoon van Zippor, de koning -nig- der Moabieten, zich. op en ^ gt; en streed tegen Israël, en zond heen en liet Eileam den quot; ik zoon van Beor roepen, opdat gaf hij u vervloeken zoude. Seïr 10 Maar ik wilde hem kob niet hooren, en hij zegende ken u; en ik verloste u uit zijne liand. I en 11 En toen gij over den •te, Jordaan gingt en te Jericho aan kwaamt, streden tegen u de burgers van Jericho, de Amo-en rieten, Ferezieten, Kanail-te; nieten, Hethieten, Girgasie-zee ten, Hevieten en Jebusieten; maar ik gaf hen in uwe hand. let 13 En ik zond landplagen au voor u uit, die verdreven voor u de twee koningen en der Amorieten, — niet door ls- uw zwaard noch door uwen Pquot; boog. ee 13 En ik heb u een land 1; ' gegeven aan hetwelk gij in niet gearbeid hebt, en 'i steden die gij niet gebouwd hebt; opdat gij daarin zoudt II wonen, en eten van de wijnbergen en olijfboomen ^ die gij niet geplant hebt. i 14 Zoo vreest nu den 1 Heer, en dient hem getrouw 1 en oprecht, en laat varen de goden die uwe vaderen gediend hebben aan gene zijde der rivier en in Egypte; en dient den Heer. 15 Maar behaagt het u | |
niet dat gij den Heer dient, zoo kiest u heden wien gij dienen wilt: den God dien uwe vaderen gediend hebben aan gene zijde der rivier, of de goden der Amorieten in wier land gij woont; maar ik en mijn huis, wij willen den Heer dienen. — 16 Toen antwoordde het volk en sprak: Het zij verre van ons dat wij den Heer verlaten en andere goden dienen zouden; 17 want de Heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypteland geleid uit het diensthuis, en heeft voor onze oogen zulke groote teekenen gedaan, en ons bewaard op den geheelen weg dien wij gegaan zijn, en onder alle volken door welke wij getrokken zijn; 18 en hij heeft alle volken voor ons uit verdreven, ook de Amorieten die in het land woonden; daarom willen ook wij den Heer dienen, want hij is onze God. 19 En Jozua sprak tot het volk: Gij kunt den Heer niet dienen, want hij is een heilig God, een ijverig God, die uwe overtreding en zonde niet verschoonen zal. 20 En als gij den Heer verlaat en een vreemden god dient, zoo zal hij zich |
|
466 JOZI van u afkeeren en u plagen, en u ombrengen nadat hij u goedgedaan heeft. 21 Maar het volk sprak tot Jozua: Niet alzoo; maar wij willen den Heer dienen. 32 Toen sprak Jozua tot liet volk: Zoo zijt gij dan uzelven tot getuigen, dat gij den Heer verkoren hebt om hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.— 23 Zoo doet nu van u weg de vreemde goden die onder u zijn, en neigt uw hart tot den Heer, den God van Israël. — 2-1- En het volk sprak tot Jozua: Wij willen den Heer onzen God dienen en aan zijne stem gehoorzaam zijn. 25 Alzoo maakte Jozua op dien dag een verbond met het volk; en hij stelde hun wetten en rechten voor te Siohem. 26 En Jozua schreef dit alles in het wetboek van God; en hij nam oen groo-ten steen, en richtte dien aldaar op onder een eik die bij het heiligdom des Hee-ren was. 27 En hij sprak tot al het volk: Zie, deze steen zal eene getuigenis zijn tus-sohen ons; want hij hoeft geiioord al de woorden des Hoeren die hij mot ons gesproken heeft j en hij zal u |
A 24. tot eene getuigenis zijn, opr „ dat gij uwen God niet verloochent. 28 Alzoo liet Jozua het volk gaan, elk naar zijn erfdeel. 29 En het geschiedde na deze gebeurtenissen, dat Jozua de zoon van Nun, de knecht des Heeren, stierf, toen hij honderd en tien jaar oud was. 30 En men begroef quot;hem in het land zijns erfdeels, ^ te Timnath-Sérah, hetwelk op Efraïms gebergte ligt, ten , noorden van den berg Gaas. 31 En Israel diende den n Hoer zoolang Jozua leefde, Jozua leefden, en die aide werken des Heeren wisten, S welke hij aan Israël gedaan had. z 32 Ook het gebeente van 11 Jozef, dat de kinderen Is- raëls uit Egypte hadden gebracht, begroeven zij te i 1 Sichera, in het stuk lands hetwelk Jakob gekocht had 1 van de kinderen van Hemor, den vader van Sicliem, voor ^ ren van Jozef. 33 En Eleazar de zoon van Aiiron stierf óók, en zij be-groeven hem op den heuvel van Pinehas zijnen zoon, die hem gegeven was op het gebergte van Efraïm. |
467
HET BOEK DER
R E C H T E R E N.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Na den dood van Jo* zua vraagden de kinderen Israels den Heer, zeggende: Wie zal onder ons den oorlog voeren tegen do Kanail-nieten ? 2 En de Heer sprak: Juda zal hem voeren; zie, ik heb het land in zijne hand gegeven. 3 Toen sprak Jilda tot zijnen broeder Simeon: Trek met mij op in mijn erflot, én laat ons tegen de Ka-naiinieten strijden, zoo zal ik weder met u trekken in mv erflot. Alzoo trok Simeon met hem. 4 Toen nu Juda optrok, gaf de Heer de Kanaanie-ten en Ferezieten in hunne hand, en zij sloegen hen te Eezek, tienduizend man. 5 En zij troflen Adoni-Bezek te Bezek aan, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kaliailnieten en Ferezieten. 6 En Adoni-Eezek vluchtte; en zij joegen hem na; |
en toen zij hem grepen, hieuwen zij hem de duimèti zijner handen en voeten af. 7 Toen sprak Adoni-Bezek: Zeventig koningen met afgehouwen duimen aan handen en voeten zamelden op onder mijne tafel; gelijk ik nu gedaan heb, zóó heeft God mij vergolden. En men bracht hem te Jeruzalem, en aldaar stierf hij. 8 De kinderen van Juda nu hadden gestreden tegen Jeruzalem, en het ingenomen en geslagen met de scherpte des zwaards, en hadden de stad in brand gestoken. 9 Daarna trokken de kinderen van Juda af om te strijden tegen de Kanaanie-ten die op het gebergte en tegen het zuiden en in de laagte woonden. 10 Ook was Juda opgetrokken tegen de Kanaii-nieten die te Hebron woonden, (Hebron nu heette eertijds Kirjath-Arba), en zij hadden Sesai en Ahiman en Talmai verslagen. |
RECHTEEEN 1.
468
|
11 En vandaar was hij getrokken tegen de inwoners van Dehir. (l)ebir nu heette voorheen Kirjath-Se-feï.) 12 En Kaleb sprak: Wie Kirjath-Séfer slaat en inneemt, dien zal ik mijne dochter Achsa tot vrouw geven. _ 13 Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, den jongeren broeder van Ka-leb; en hij gaf hem zijne dochter Achsa tot vrouw. 14 En toen zij tot hem introk, werd haar geraden dat zij een akker van haren vader verzoeken zou; en zij klom schielijk van den ezel af. Toen sprak Kaleb tot haar; Wat is u? 15 En zij sprak: Geef mij een zegen; want gij hebt mij een dor land gegeven, geef mij ook waterwellen. Toen gaf hij haar waterwellen boven en beneden. 16 En de kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, trokken op uit de palmstad met de kinderen van Juda, in de woestijn van Juda welke tegen het zuiden van Arad is; en zij gingen heen en woonden onder dat volk. 17 En Juda trok heen met zijnen broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanie-ten te Zefath, en verbanden hen, en noemden de stad Horma. |
18 Daarenboven nam Juda Gaza in met hare onderhoo-rige plaatsen, en Askelon met hareonderhoorige plaatsen, en Ekron met hare onderhoorige plaatsen. 19 En de Heer was met Juda, dat hij het geb.ergte innam; maar de inwoners der valleien kon hij niet verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden. 20 En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk Mozes gezegd had; en hij verdreef daaruit de drie zonen van Enak. 21 Maar do kinderen van Ifenjamin verdreven de Je-busieten niet die te Jeruzalem woonden, en de Je-busieten woonden bij de kinderen van Benjamin te Jeruzalem tot op dezen dag. 22 Desgelijks trokken ook de kinderen van Jozef op naar Beth-El, en de Heer was met hen. 23 En het huis van Jozef omsingelde Beth-El, dat tevoren Luz genaamd was. 24 En de wachters zagen een man uit de stad gaan, en zij spraken tot hem: Wijs ons waar wij in de stad kunnen komen, zoo |
RECHTEEEN 1.
469
|
zullen wij barmhartigheid, aan u doen. 25 En toen hij hun wees waar zij in de stad konden komen, zoo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en al zijn geslacht lieten zij vrij heengaan. 36 Toen trok die man naar het land der Hethie-ten, en hij bouwde eene stad en noemde haar Luz; die heet nog hedendaags zoo. 27 En Manasse bemachtigde Eeth-Sean niet, met hare onderhoorige plaatsen, noch Taanach met nare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Jib-leam met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met hare onderhoorige plaatsen; en de Kanaiinieten bleven wonen in dat land. 28 Maar toen Israël machtig werd, maakten zij de Kanaiinieten cijnsbaar, doch verdreven hen niet. 29 Desgelijks verdreef E-fraïm ook de Kanaiinieten niet die te Gezer woonden, maar de Kanaiinieten woonden onder hen te Gezer. |
30 Zebulon verdreef ook de inwoners van Kitron en van Nahalal niet, maar de Kanaiinieten woonden onder hen en waren cijnsbaar. 31 Aser verdreef de inwoners van Akko niet, noch de inwoners van Sidon, van Ahlab, van Achzib, van Helba, van Afik en van Rehob; 32 maar de Aserieten woonden onder de Kanaiinieten die in het land woonden , want zij verdreven hen niet. 33 Naftali verdreef de inwoners van Beth-Sémes niet, noch die van Beth-Anath, maar woonde onder de Kanaiinieten die in het land woonden; doch die van Beth-Sémes en van Beth-Anath werden hun cijnsbaar. 34 En de Amorieten drongen de kinderen van Dan naar het gebergte, en zij lieten niet toe dat zij beneden in de laagte kwamen; 35 ook begonnen de Amorieten te wonen op het gebergte van Heres, te Ajjalon en te Saillbim; maar toen hun de hand van Jozefs huis te zwaar werd, werden zij cijnsbaar. 36 En de grenspaal der Amorieten was waar men naar Akrabbim opgaat, en van de steenrots af, en van de hoogte. |
KECMTEHÈN 1
eh de oudsten diö lang na Jozua leefden, en gezien hadden al de groote werken des Heeren welke hij aan Israël gedaan had.
8 Maar als nu Jozua de zoon van Nun, de knecht des Heeren. gestorven was, honderd en tien jaar oud zijnde,
9 en Zij hem begraven hadden in het land zijns erfdeels te Timnath-Héres, op het gebergte van Efraïm, noordwaarts van den berg Gaas;
10 toen ook allen, die te dier lijd geleefd hadden, vergaderd waren tot hunne vaderen: toen kwam na hen een ander geslacht op, dat den Heer niet kende, noch ook de daden die hij voof Israël gedaan had.
11 En de kinderen Israels deden hetgeen kwaad was voor den Heer, en dienden de Baills;
13 en zij verlieten den Heer, den God hunner vaderen, die hen uit Egypte-land gevoerd had, en volgden andere goden, uit de goden der volken die rondom hen woonden, en aanbaden die, en vertoornden den Heer;
13 want zij verlieten den Heer en dienden Baal en de Astarothi
ito
HOOFDSTUK 2.
1 De Engel des Heei'en nu kwam opwaarts van Gilgal naar Eochim, en sprak: Ik heb nlieden uit Egypte gevoerd, en ü in het land gebracht dat ik uwen vaderen gezworen heb, en heb gezegd: Ik zal van mijn verbond met u niet afwijken in eeuwigheid;
2 en gij zult geen verbond met de inwoners Van dit land maken, maar hunne altaren afbreken. Doch gij hebt naar mijne stem niet gehoord: waarom hebt gij dat gedaan?
3 Daarom zeg ik nu: Ik zal hen niet verdrijven voor li, maar zij zullen u tot een strik worden, en hunne goden zullen u tot een net wezen.
4 En toen de Engel des Heeren die woorden gesproken had tot al de kinderen Israels, zoo hief het volk zijne stem op en weende.
5 En zij noemden die plaats Bochim; eh zij offerden aldaar aan den Heer. —
6 Toen nu Jozun het volk had laten gaan en de kinderen Israels weggetrokken waren, elk naar zijn erfdeel, om het land intenemen,
7 zoo diende het volk den Heer zoolang Jozua leefde,
EECHTEBEN 3.
471
|
14 Daarom ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij gaf hen in de hand van roovers, dat die hen beroofden; en hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom, en zij konden voor hunne vijanden niet meer bestaan; 15 maar overal waarheen zij wilden, was de hand des Heeren tegen hen tot ongeluk, gelijk de Heer hun gezegd en gezworen had; en zij werden zeer gedrukt. 16 Als de Heer hun dan rechters verwekte, die hen verlosten uit de hand hunner beroovers, 17 gaven zij ook aan de stem der rechters geen gehoor, maar hoereerden andere goden na en aanbaden die, en weken spoedig van den weg dien hunne vaderen bewandeld hadden, door de geboden des Heeren te gehoorzamen; maar zij deden niet alzoo. 18 Als nu de Heer hun rechters verwekte, zoo was de Heer met den rechter, en verloste hen uit de hand hunner vyanden zoolang die rechter leefde; want met hun weeklagen over degenen die hen verdrukten en drongen had de Heer mede-doogen. |
19 Als dan de rechter gestorven was, zoo vielen zij weder af, en verdierven het meer nog dan hunne vaderen, daarin dat zij andere goden volgden, om die te dienen en te aanbidden: zij lieten niets ontbreken van hun voornemen noch van hun hardnekkig gedrag. 20 Daarom ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij sprak; Dewijl dit volk mijn verbond heeft overtreden dat ik hunnen vaderen geboden heb, en zij aan mijne stem geen gehoor geven, 21 zoo zal ik ook voortaan de volken niet verdrijven welke Jozua heeft laten blijven toen hij stierf, 22 opdat ik Israël daardoor beproeve of zij in de wegen des Heeren blijven en daarin wandelen, gelijk hunne vaderen daarin gebleven zijn, of niet. 23 Alzoo liet de Heer deze volken, die hij in Jozua's hand niet had overgegeven, blijven, dat hij hen niet spoedig verdreef. HOOFDSTUK 3. .1 Dit zijn de volken die de Heer liet overblijven om Israël door hen te beproeven, al diegenen die niet wisten van Kanailus oorlo- |
RECHTEEEN 3.
473
|
3 opdat de geslachten dei-kinderen IsraëJs, die daar niets van wisten, mochten geoefend worden in den strijd. o Namelijk de vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaanieten, Sidoniërs en Hevieten, die aan den berg Libanon wonen, van den berg Baal-Hermon af totdat men komt te Hamath. 4 Deze bleven om Israël te beproeven, opdat het blijken zoude of zij naar de geboden des Heeren hoorden, die hij hunnen vaderen geboden had door Mozes. 5 Toen nu de kinderen Israels alzoo woonden onder de Kanaanieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten, 6 zoo namen zij de dochters van deze zich tot vrouwen, en gaven hunne eigene dochters aan hunne zonen, en dienden hunne goden, 7 en deden hetgeen kwaad was voor den Heer, en vergaten den Heer hunnen God, en dienden de Baills en de bosschen. 8 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij verkocht hen in de hand van Kuschan-Eischataïm, den koning van Mesopota-mië; en alzoo dienden de kinderen Israëls Kuschan Eischataïm acht jaar. |
9 Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heer; en de Heer verwekte hun een bevrijder die hen verloste, Othniël den zoon van Kenaz, een jongeren broeder van Kaleb. 10 En de Geest des Heeren was op hem, en hij werd rechter in Israël en trok uit tot den strijd, en de Heer gaf den koning van Syrië, Kuschan-Eischataïm, in zijne hand, zoodat zijne hand hem te sterk werd. 11 Toen werd het land veertig jaar stil, totdat Othniël de zoon van Kenaz stierf. — 13 En de kinderen Israëls deden al weder hetgeen kwaad was voor den Heer; toen gaf de Heer aan Eglon den koning der Moabieten de overmacht over Israël, omdat zij kwaaddeden voor den Heer. 13 En die vergaderde tot zich de kinderen Amnions en de Amalekieten, en hij trok heen en sloeg Israël, en nam de palmstad in; 14 en de kinderen Israëls dienden Eglon den koning-der Moabieten achttien jaar. 15 Toen riepen zij tot den Heer; en de Heer verwekte |
EECHTEEEN 3.
473
|
hun een bevrijder, Eliud den zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linksch was. En toen de kinderen Israels door dezen een geschenk zonden aan Eglon den koning der Moa-bieten, 16 maakte Ehud een tweesnijdend zwaard van een el lang, en gordde het onder zijn kleed aan zijne rechterzijde, 17 en bracht het geschenk aan Eglon den koning der Moabieten; Eglon nu was een zeer zwaarlijvig man. 18 En toen hij het geschenk had overgeleverd, liet hij de lieden gaan die het geschenk gedragen hadden, 19 en keerde terug van de afgodsbeelden bij Gilgal, en liet aan hem zeggen: Ik heb u o koning wat in het geheim te zeggen. En hij beval te zwijgen; en allen die om hem stonden gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hem in; hij nu zat in de zomerzaal alléén. En Ehud sprak: Ik heb Gods woord aan u. Toen stond hij op van zijnen stoel. 31 Toen strekte Ehud zijne linkerhand uit en nam het zwaard van zijne rechterzijde, en stiet het hem in den buik; |
33 zoodat ook het hecht achter het lemmer er inging, en het vet om het hecht toesloot ; want hij trok het zwaard niet uit zijn buik, zoodat de drek van hem ging. 33 En Ehud ging de zaal uit, en deed de deur achter zich toe en sloot haar. 34 Nadat hij nu uitgegaan was, kwamen zijne knechten in, en zagen dat da deur van de zomerzaal toegesloten was, en spraken: Hij is misschien gaan rusten in de kamer van de zomerzaal. 35 Maar toen zij tot zóólang wachtten dat zij verlegen werden, en niemand de deur der zaal opendeed, zoo namen zij den sleutel en sloten haar open: en zie, toen lag hun heer dood ter aarde. 30 Ehud nu was ontloo-pen terwijl zij vertoefden, en ging de afgodsbeelden voorbij, en ontvluchtte tot naar Seïrath. 37 En toen hij daar kwam, blies hij de bazuin op het gebergte van Efraïm, en de kinderen Israels trokken met hem van het gebergte af, en hij voor hen uit. 38 En hij sprak tot hen: |
ÈËCJHÏËREN 4.
474
|
Volgt mij schielijk; want de Heer heeft, de Moabie-ten, uwe vijanden, in uwe hand gegeven. En zij volgden hem, en bezetteden de overvaart aan den Jordaan, die naar Moab gaat, en zij lieten er niemand overgaan; 29 en zij sloegen de Moa-bieten te dier tijd, omtrent tienduizend man, allen sterke en strijdbare mannen, zoodat er niet één ontkwam. 80 Alzoo werden de Moa-bieten te dier tijd tenon-dergebracht onder de hand der kinderen Israels; en het land was tachtig jaar stil. — 81 Ën na hem Was Sam-gar de zoon van Anath, die meteen ossendrijversstok zeshonderd Filistijnen versloeg ; en hij verloste Israël. HOOFDSTUK i. 1 En de kinderen Israels deden al verder hetgeen kwaad was voor den Heer, toen Ehud gestorven was. 3 En de Heer verkocht hen in de hand van Jabin den koning der Kanaanie-ten, die te Hazor regeerde; en zijn veldheer was Sisera, en deze woonde te Haro-seth-Gojim. |
3 En de kinderen Israels riepen tot den Heer; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en verdrukte de kinderen Israels gewelddadig twintig jaar. 4 En Debora, eene profetes , de huisvrouw van Lappidoth, richtte Israël in dien tijd; 5 en zij woonde onder den palmboom van Debora, tns-schen Eama en Beth-El, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israels kwamen tot haar opwaarts voor het gericht. 6 Deze nn zond heen en ontbood Barak den zoon van Abinóam, uit Kedes in Naf-tali, en liet aan hem zeggen; Heeft de Heer, de God van Israël, u niet geboden : Ga heen en trek op den berg ïabor, en neem tienduizend man met u van de kinderen van Naftali en Zebulon; 7 want ik zal Sisera den veldheer van Jabin, met zijne wagens en met zijne menigte, tot u doen trekken aan de beek Kison, en ik zal hem in uwe hand geven. 8 En Barak sprak tot haar: Is het dat gij met mij trekt, zoo wil ik óók trekken; maar trekt gij niet met mij, zoo wil ik óók niet trekken. |
BECHTEBEN 4.
475
|
9 En zij sprak i Ik zal met u trekken; doch gij zult er om dit uw doen de eer niet van hebben, maar de Heer zal Sisera in de liand van eene vrouw overgeven. Alzoq maakte De-bora zicb op, en trok jnet Barak naar Kedes. 10 ïoen riep Barak Zoba-Ion en Naftali naar Kedes, en hij trok te voet op met tienduizend man, en Uebora trok óók met ham. 11 (Heber n u, de Keniet, had zich afgescheiden van de Kometen, de kinderen van Hobab den schoonvader van Mozes, en bad zijno hut opgeslagen bij den eik Zailu-naïm bij Kedes.) 13 Toen werd aan Sisera gezegd dat Barak de zoon van Abinóam naar den berg Tabor getrokken was. 13 En hij viep al zijne wagens bijéén, negenhonderd ijzeren wagens, en al het volk dat met hem was, varrlIaróseth-Gojiin naar de beek Kison. 14 En Debova sprak tot Barak: Op! dit is de dag op welken do Heer Sisera in uwe hand gegeven heeft; want de Heer zal voor u uittrekken. Alzoo trok üa-rak van den berg Tabor af, en de tienduizend man hem achterna. |
15 En de Heer verschrikte Sisera, met al zijne wagens en het gelieele heir, voor de scherpte des zwaards van Barak, zoodat Sisera van zijnen wagen sprong' en te voet vluchtte. 16 En Barak joeg de wagens en het heir na tot Haróseth-Gojim toe; en al het heir van Sisera viel door descberptedeszwaards, zoodat er niet één overbleef, 17 Sisera nu vluchtte te voet in de hut van Jaël, do huisvrouw van Heber den Keniet; want Jabin de koning van Hazor en het huis van Heber den Keniet waren met elkander in vrede. 18 Jaël nu ging uit Sisera tegemoet, en sprak tot hem: Wijk mijn hoer, wijk herwaarts tot mij, vrees niet. En hij week bij haar in hare hnt, en zij dekte hein met een dekkleed toe. 19 En bij sprak tot haav i Geef mij toch een weinig water te drinken, want ik heb dorst. Toen deed zij een melkpot open, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. 20 En hij sprak tot baar: Treed in de deur der hut; en als er iemand komt en vraagt of hier iemand is, zoo zeg: Niemand. 21 Toep nam Jaël, de |
EECHTEEEN 5.
476
|
huisvrouw van Heber, een nagel van de hut, en een hamer in hare hand, en ging stil tot hem, en sloeg hem den nagel door den slaap zijns hoofds, dat die in den grond inzonk; hij nu was in een diepen slaap gevallen en afgemat, en stierf. 23 En toen Barak Sisera najoeg, ging Jaël hem tegemoet naarbuiten, en sprak tot hem: Kom herwaarts, ik zal u den man toonen dien gij zoekt. En toen hij tot haar inkwam, lag Sisera dood, en de nagel stak in den slaap zijns hoofds. 33 Alzoo heeft God in dien tijd Jabin den koning der Kanaiinietén tenonder-gebracht voor de kinderen Israels. 34 En de hand der kinderen Israëls ging voort en werd sterk tegen Jabin den koning der Kanaii,nieten, totdat zij hem hadden uitgeroeid. HOOFDSTUK 5. 1 Toen zong Debora, en Barak de zoon van Abi-noam, te dier tijd, zeggende: 2 Looft den Heer, dat Israël weder vrij is geworden , en dat het volk daartoe gewillig geweest is. |
3 Hoort toe gij koningen, en merkt óp gij vorsten. Ik zal, ik zal den Heere zingen; den Heere, den God van Israël, zal ik spelen. 4 Heer, toen gij van Seïr uittrokt, en daarheen gingt van het veld van Edom, toen beefde de aarde, de hemel droop, en de wolken druppelden van water. 5 De bergen vloeiden weg voor den Heer; zelfs Sinaï voor den Heer, den God van Israël. G ïen tijde van Samgar den zoon van Anath, ten tijde van Jaël, waren de wegen vergaan, en wie op paden wandelden moesten op omwegen gaan. 7 Het ontbrak aan dorpelingen in Israël, totdat ik, Debora, opkwam, totdat ik opkwam als een moeder in Israël. 8 Men verkoos nieuwe goden, en er was strijd in de poorten; er was geen schild noch spies onder de veertigduizend in Israël te zien. 9 Mijn hart is geneigd tot de legerhoofden in Israël, die gewillig zijn geweest onder het volk. 10 Looft den Heer, gij die op schoone ezelinnen rijdt, gij die ten gerichte |
EECHTEREN 5.
477
|
zit; en gij die op den weg gaat, zingt. 11 Waar de schutters schreeuwen tusschen de waterscheppers , daar spreekt men van de gerechtigheid des Heeren, van de gerechtigheid zijner dorpelingen in Israël: nu gaat des Heeren volk gerust af naar de poorten. 13 Waak op, waak bp Debora, waak bp, waak bp, en zing een lied; sta bp Barak, en vang hen die u vangen, gij zoon van Abi-nóam. 13 Toen heerschten de veriatenen over de machtige lieden; de Heer heeft ge-heerscht door mij over de geweldigen. 14 Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek, en achter u Benjamin, met uw volk; uit Machir zijn bevelhebbers gekomen, en uit Zebulon die den staf des schrijvers voerden. 15 Ook vorsten van Issa-schar waren met Debora; en Issaschar was als Barak in de laagte gezonden met zijn voetvolk. Ruben lietzich veel voorstaan en scheidde zich van ons. 1(5 Waarom blijft gij tusschen de kooien, om te hooren het blaten der kudden, en laat u veel voorstaan en scheidt u van ons? |
17 Gilead bleef aan gene zijde van den Jordaan; en waarom woonde Dan onder de schepen? Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijne verscheurde vlekken;' 18 maar Zebulons volk waagde zijn leven in den dood, Naftali ook op de hoogten des velds. 19 De koningen kwamen en streden, toen streden de koningen der Kanaanieten, te Taanach aan het water van Megiddo; maar zij brachten geen buit des zilvers vandaar. 20 Van den hemel werd tegen hen gestreden, de sterren in hare loopbanen streden tegen Sisera. 21 De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumim, de beek Kison. Vertreed, mijne ziel, de sterken. 22 Toen maakten de voeten der paarden een gedruisch van het ontzetten hunner machtige ruiters. 23 Vloekt de stad Meroz, sprak de Engel des Heeren, vloekt hare burgers; omdat zij den Heer niet te hulp kwamen, den Heer te hulp bij de helden. 24 Gezegend onder de vrouwen zij Jaël, de vrouw van Heber den Keniet; ge- |
EEOHTEEEN 6.
478
|
de zeg'end zij ze onder vrouwen in de lint. 25 Melk gaf zij toen hij water eisclite, en boter bracht zij op in eepe heerlijke schaal. 86 Zij greep met hare hand den nagel, en met hare rechterhand den smeed-hamer, en sloeg Sisera door zijn hoofd, en verpletterde en doorboorde zijne slapen. 37 Aan hare voeten kromde tij zich, hij viel neder en lag daar; hij kromde zich en viel neder voor hare voeten; zooals hij zich kromde, zoo lag luj vernield. 28 De moeder van Sisera zag uit hat venster, en jammerde door de traliën: Waarom vertoeft zijn wagen dat hij niet komt, waarom blijven de raderen zijner wagens zoo achter? 29 De wijsten onder hare vrouwen antwoordden, toen zij hare klaagwoorden gedurig herhaalde: 30 Zouden zij dan den roof niet vinden en uitdeden? Voor eiken man één of twee vrouwen tot buit, en voor Sisera gestikte bonte kleederen tot buit, gestikte bonte kleederen om den hals tot buit? |
31 Al zou moeten omko-nien, Heer, al uwe vijanden; maar die hem liefhebben, moeten zijn gelijk de zon die opgaat in hare volle kracht. — En het land was stil veertig jaar. HOOFDSTUK 6. 1 En toen de kinderen Israels deden dat kwaad was voor den Heer, gaf de Heer hen in de hand der Midianieten zeven jaar. 3 En als de hand der Midianieten te sterk werd over Israël, maakten do kinderen Israels voor zich holen in de gebergten, in de spelonken en in de bergvestingen. 3 Want als Israël iets gezaaid had, zoo kwamen de Midianieten en Amalekieten en die van het oosten opwaarts over hen, 4 en legerden zich tegen hen, en verdierven het gewas des lands tot Gaza toe, en lieten geen leeftocht over in Israël, noch schaap, noch os, noch ezel. 3 Want zij kwamen op met hun vee en hunne hutten , gelijk een groote menigte sprinkhanen, zoodat noch zij noch hunne kamee-len te tellen waren; en zij vielen in het land om het te verderven. 6 Al zoo werd Israël zeer verlaagd door (le Midiaijie- |
BEOtlTEËEN 6.
479
|
ten; toen riepen de kinderen Israels tot den Heer. 7 En toen zij tot den Heer riepen vanwege de Midia-nieten, 8 zond de Heer een profeet tot hen, die zeide tot hen: Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte geleid en uit het diensthuis gebracht, 9 en heb u verlost uit de hand der Egyptenaren en uit de hand van allen die u verdrukten, en ik heb hen voor u uitgedreven en u hun land gegeven; 10 en ik sprak tot u: Ik ben de Heer uw God, vreest niet voor de goden der Amo-rieten in wier land gij woont. Maar gij hebt naar mijne stem niet gehoord. 11 En een Engel des Heéren kwam en zette zich te Ofra onder een eik die aan Joas den Abiëzriet behoorde ; en zijn zoon Gideon dorschte tarwe bij de wijnpers , om die te bergen voor de Midianieten. 12 Toen versoheen de Engel des Heeren hem en sprak tot hem: De Heer is met u, gij strijdbare held. |
13 Maar Gideon sprak tot hem: Mijn heer, is de Heer met ons, waarom is ons dan dit alles wedervaren? En waar zijn al zijne wonderen die onze vaderen ons verteld hebben, zeggende: De Heer heeft ons uit Egypte geleid? Maar nu heelt de Heer ons verinten en in de hand der Midianieten gegeven. 14 En de Heer keerde zich tot hem en sprak: Ga heen in deze uwe kracht, gij zult Israël verlossen uit de hand der Midianieten: zie, ik heb u gezonden. 15 Maar hij sprak tot hem: Mijn heer, waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijne maagschap is de geringste in Manasse, en ik ben de jongste in mijn vaderlijk huis. IC En de Heer sprak tot hem: Ik zal met U zijn, dat gij de Midianieten slaan zult als een éeuig man. 17 En hij sprak tot hem: Heb ik nu genade in uwe oogen gevonden, zoo geef mij een teeken dat gij het zijt die met mij spreekt. 18 Wijk toch niet vanhier totdat ik tot u kom en mijn spijsolier breng en het u voorzet. En hij sprak: Ik zal blijven totdat gij wederkomt. ' 19 En Gideon kwam en bereidde een geitebokje, en een ei'a meel tot ongezuurde brooden; en hij leide vleesch in een korf, en deed het nat in een pot, en bracht |
rTOHTEREN 6.
480
|
liet tot hem uit onder den eik, en zette liet voor. 20 Doch de Engel Gods sprak tot hem: Neem het vleesch en de ongezuurde hrooden, en leg die op de steenrots die hier is, en giet het nat uit. En hij deed alzoo. 21 Toen strekte de Engel des Heeren den stok uit dien hij in de hand bad, en raakte met het uiterste het vleesch en de ongezuurde hrooden aan; en vuur ging op uit de steenrots en verteerde het vleesch en do ongezuurde brooden. En de Engel des Heeren verdween uit zijne oogen. 22 Toen nu Gidon zag dat het een Engel des Hee- • ren was, sprak hij: O Heere Heere, heb ik alzoo een Engel des Heeren van aangezicht tot aangezicht gezien? 23 En de Heer sprak tot hom: Yrede zij met u, vrees niet, gij zult niet sterven. 24 Toen bouwde Gideon aldaar den Heer een altaar, en noemde dien: De Heer des vredes. Die staat nog tot op den dag van heden te Ofra der Abiëzrieten. 25 En in dienzeltclen nacht sprak de Heer tot hem: Neem een var van de ossen die van uwen vader zijn, en een anderen var die zevenjarig is; en breek den altaar van Baal af die van uwen vader is, en houw het bosch om dat daarbij is; |
26 en bouw den Heer uwen God bovenop de hoogte dezer steenrots een altaar, en maak dien gereed; en neem den anderen var, en offer een brandoffer met het hout van het bosch dat gij omgehouwen hebt. 27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijne knechten, en deed gelijk de Heer tot hem gezegd had; doch hij vreesde om het bij dag te doen, wegens zijns vaders huis en wegens de lieden in de stad, en hij deed het bij nacht. 28 Toen nu de lieden in die stad des morgens vroeg opstonden, zie, toen was de altaar van Baal afgebroken, en het bosch dat daarbij was omgehouwen , en de tweede var was ten brandoffer geofferd op den altaar die gebouwd was. 29 En de één sprak tot den ander: Wie heeft dit gedaan? En toen zij zochten en navorschten, zoo werd gezegd: Gideon de zoon van Joas heeft dit gedaan. 30 Toen spraken de lieden der stad tot Joas: Geef uwen zoon herwaarts, hij |
KECHTEKEN 7.
481
|
moet sterven, omdat hij den altaar van Baal afgebroken en het bosch dat daarbij was omgehouwen heeft. 31 Doch Joas sprak tot allen die bij hem stonden: Wilt gij om Baal twisten, wilt gij hem helpen? Wie om hem twist, die zal dezen morgen sterven. Is hij God, zoo wreke hij zichzel-ven, omdat zijn altaar afgebroken is. — 33 Van dien dag af noemde men hem Jerubbaül, zeggende: Baal wreke zich-zelven, omdat zijn altaar afgebroken is. 33 Toen nu al de Midia-nieten en Amalckieten en die van het oosten zich samenvergaderd hadden en bijééntrokken, en zich legerden in de laagte van Jizreël, 3-li zoo kwam de Geest des Heeren over Gideon, en hij liet met de bazuin blazen, en riep de Abicz-rieten dat zij hem volgen zouden; 35 en hij zond boden door geheel Manasse, en riep hen samen, dat zij hem óók volgden; ook zond hij boden in Aser, in Zebulon en in Naftali, en die kwamen op hem tegemoet. |
36 En Gideon sprak tot God: Wilt gij Israël door mijne hand verlossen zooals gij gesproken hebt, . 37 zoo zal ik een wollen vel op den vloer leggen: is het dat de dauw op het vel alleen zal zijn, en het op de geheele aarde droog is, zoo zal ik merken dat gij Israël verlossen zult door mijne hand, zooals gij gesproken hebt. 38 En het geschiedde al-zoo; en toen hij den anderen morgen vroeg opstond, zoo wrong hij den dauw uit het vel, een volle schaal water. 39 En Gideon sprak tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, omdat ik nog eens spreek; ik zal het slechts nog eenmaal beproeven met het vel: het zij op het vel alleen droog, en dauw op de geheele aarde. 40 En God deed alzoo in dien nacht, dat het alleen droog was op het vel, en dauw op de geheele aarde. HOOFDSTUK 7. 1 Toen stond Jerubbaül — dat is Gideon — vroeg op, en al het volk dat met hem was; en zij legerden zich bij de fontein Harod, zoodat hij het heir der Mi-dianieten tegen het noorden 16 |
RECHTEEEN 7.
482
|
had, achter den heuvel Moré in de vallei. 3 De Heer nu sprak tot Gideon: Het volk dat met u is is teveel, dat ik Mi-dian in hunne handen zou geven; Israël mocht zich tegen mij beroemen, zeggende : Mijne hand heeft mij verlost. 3 Zoo laat nu uitroepen voor de ooien des volks, zeggende: Wie vreesachtig en versaagd is, die keere weder en wende zich spoedig naar het gebergte Gilead. Toen keerden er van het volk tweeëntwintigduizend terug, zoodat er slechts tienduizend overbleven. 4 En de Heer sprak tot Gideon: Het volk is nog teveel: leid hen nederwaarts naar het water, aldaar zal ik hen voor u beproeven; en van wien ik u zeggen zal dat hij met u trekke, die zal met u trekken; maar van wien ik u zeggen zal dat hij niet met u trekke, die zal niet trekken. 5 En hij leidde het volk nederwaarts naar het water. En de Heer sprak tot Gideon: Wie met zijne tong van het water zal slorpen gelijk een hond slorpt, stel dien alléén; desgelijks wie op zijne knieën zal vallen om te drinken. |
6 Toen was het getal dergenen die geslorpt hadden uit de hand aan den mond, driehonderd mannen; al het andere volk had knielende gedronken. 7 En de Heer sprak tot Gideon: Door die driehonderd mannen die geslorpt hebben, zal ik ulieden verlossen en de Midianieten in uwe hand geven; maar laat al het andere volk gaan naar hunne plaats. 8 En zij namen teerkost voor het volk met zich, en hunne bazuinen; maar al de andere Israëlieten liet hij gaan, elk naar zijne hut, maar hij versterkte zich met driehonderd mannen. En het heir der Midianieten lag beneden voor hem in de laagte. 9 En de Heer sprak in dien nacht tot hem: Sta op en ga af naar het leger, want ik heb het in uwe hand gegeven. 10 Maar indien gij vreest aftegaan, zoo laat uw knecht Pura met u afgaan naar het leger; 11 dan zult gij hooren wat zij spreken, daarna zult gij met de macht aftrekkeu tot het leger. — Toen ging Gideon met zijnen knecht Pura af naar de plaats der schildwachten |
|
die in het leger waren. 12 En de Midianieten en Amalekieten en allen van het oosten hadden zich ne-dergelegd in de laagte als sprinkhanen in menigte, en hunne kameelen waren ontelbaar vanwege de menigte, als het zand aan den oever der zee. 13 Toen nu Gideon kwam, zie, toen vertelde een man zijnen metgezel een droom, en sprak: Zie, ik heb gedroomd; mij dacht, een geroost gerstebrood wentelde zich tot het heir der Midianieten; en toen het kwam aan de tent, sloeg het haar en keerde ze om, onderstboven, zoodat de tent daar nederlag. 14 Toen antwoordde de ander: Dit is niets anders dan het zwaard van Gideon den zoon van Joas, den Israëliet; God heeft de Midianieten in zijne hand gegeven met het geheele heir. 15 Toen Gideon het verhaal van dezen droom en zijne uitlegging hoorde, zoo aanbad hij, en kwam weder in het heir van Israël, en sprak: Staat op, want de Heer heeft het heir der Midianieten in uwe hand gegeven. 16 En hij verdeelde de |
483 driehonderd mannen in drie hoopen, en gaf aan elk eene bazuin in zijne hand, en ledige kruiken, en fakkels daarin; 17 en hij sprak tot hen: Ziet op mij en doet óók al-zoo ; en zie, als ik aan het uiterste des legers kom,zooals ik doe, doet ook gij alzoo. 18 Als ik de bazuin blaas, en allen die met mij zijn, zoo zult gij óók de bazuin blazen rondom het geheele heir, en zeggen; Hier is de Heer en Gideon. 19 Alzoo kwam Gideon, en honderd mannen met hem, aan het uiterste des heirs, aan de eerste wachters die daar gesteld waren; en zij wekten hen op en bliezen met de bazuinen, en sloegen de kruiken die in hunne handen waren in stukken. 20 Alzoo bliezen alle drie de hoopen op de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden de fakkels in hunne linkerhand, en de bazuinen in hunne rechterhand om te blazen, en riepen: Het zwaard des Heeren en Gideons. 21 En elk stond op zijne plaats rondom het heir. Toen liep het geheele heir uitéén, en zij schreeuwden en vluchtten. RECHTEEEN 7. |
KECHTEEEN 8.
484
|
23 En toen de driehonderd mannen de bazuinen bliezen, beschikte de Heer dat in het geheele heir het zwaard van den één tegen den ander was; en het heir vluchtte tot Beth-Sitta toe, naar Zeredath, tot aan de grensscheiding der vlakte van Mehola, bij Tabbath. 23 En de mannen van Israël, uit Naftali, uit Aser en uit geheel Manasse, werden opgeroepen en joegen de Midianieten achterna. 24 En Gideon zond boden op het geheele gebergte van Efraïm, en liet zeggen; Komt af den Midianieten tegemoet, en snijdt hen van het water af tot aan Beth-Bara toe en den Jordaan. Toen werden allen, die van Efraïm waren, opgeroepen, en sneden hen van het water af tot aan Beth-Bara toe en den Jordaan. 25 En zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb; en zij doodden Oreb op de steenrots van Oreb, en Zeëb bij de perskuip van Zeëb; en zij joegen de Midianieten na, en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon aan deze zijde van den Jordaan. |
HOOFDSTUK 8. 1 En de mannen van Efraïm spraken tot hem: Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons niet riept toen gij ten strijde trokt tegen de Midianieten? En zij twistten hevig met hem. 2 Maar hij sprak tot hen: Wat heb ik toch gedaan dat aan uwe daad gelijk is? Is niet de nalezing-van Efraïm beter dan de geheele wijnoogst van Abië-zer? 3 God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uwe hand gegeven: hoe had ik kunnen doen hetgeen gijlieden gedaan hebt? — Toen hij dat sprak liet hun toorn van hem af. 4 Toen nu Gideon aan den Jordaan kwam, ging hij over met de driehonderd mannen die bij hem waren; en zij waren wel moede, maar joegen evenwel na. 5 En hij sprak tot de lieden van Sukkoth: Eilieve, geeft het volk dat onder mij is eenige brooden, want zij zijn moede; opdat ik de koningen der Midianieten, Zebah en Zalmunna, najage. 6 Maar de oversten van |
EEGHÏEEEN 8.
485
|
Sukkoth spraken: Zijn de vuisten van Zebah en Zal-q munna reeds in uwe hand, . dat wij aan uw heir brood j zouden geven ? £ ^ 7 Toen sprak Gideon: Wel- e aan, als de Heer Zebah en p Zalmunna in mijne hand t geeft, zoo zal ik uw vleesch dorschen met doornen der t woestijn en met distels. 8 En hij trok vandaar opwaarts naar Pnuël en gt;. sprak ook zoo tot hen, en l de lieden van Pnuël ant woordden hem zooals die van Sukkoth. j 9 En hij sprak tot de j lieden van Pnuël: Kom ik met vrede weder, zoo zal j ik dezen toren afbreken. f. 10 Zebah en Zalmunna ^ J nu waren te Karkor, en , hun heir met hen, omtrent vijftienduizend man, alwat 1 overgebleven was van het ,, geheele heir der mannen ' van het oosten; want hon derdtwintigduizend mannen [ waren er gevallen die het zwaard konden uittrekken. 11 En Gideon trok opwaarts op de wegen waar men in hutten woont, tegen ! het oosten van Noba en Jogbeha; en hij sloeg dat heir, want het heir was zorgeloos. 12 En Zebah en Zalmunna vluchtten; maar hij joeg |
hen na en ving de twee koningen der Midianieten, Zebah en Zalmunna, en verschrikte het geheele heir. 13 Toen nu Gideon de zoon van Joas wederkwam van den strijd, eer de zon was opgegaan, 14 ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervroeg hem: die schreef de oversten van Sukkoth en hunne oudsten voor hem op, zevenenzeventig-mannen. 15 En hij kwam tot de lieden van Sukkoth en sprak: Ziehier Zebah en Zalmunna, over welke gij mij bespot hebt, zeggende: Is dan de vuist van Zebah en Zalmunna reeds in uwe hand, dat wij uwen lieden die moede zijn brood zouden geven ? 16 En hij nam de oudsten der stad, en doornen der woestijn en distels, en liet de lieden van Sukkoth die voelen. 17 En hij brak den toren van Pnuël af, en doodde de lieden der stad. 18 En hij sprak tot Zebah en Zalmunna: Wat waren het voor mannen die gij doodsloegt op Tabor? En zij zeiden: Zij waren als gij, allen schoon als koningskinderen. |
RECHTEBEN 8.
486
|
19 Hij nu sprak: Het zijn mijne broeders, de zonen mijner moeder, geweest; zoo waarachtig als de Heer leeft, indien gij hen hadt laten leven, zoo zou ik u niet dooden. 20 En hij sprak tot zijnen eerstgeboren zoon Jether: Sta op en dood hen. Doch de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was. 31 Toen spraken Zebah en Zalmunna: Sta gij op en val op ons aan; want naardat de man is, zoo is ook de kracht. En Gideon stond op en doodde Zebah en Zalmunna, en nam de sieraden die aan de halzen hunner kameelen waren. 22 Toen spraken eenigen in Israël tot Gideon; Wees een heer over ons, gij en uw zoon en uw zoonszoon, dewijl gij ons van de hand der Midianieten verlost hebt. 23 Maar Gideon sprak tot hen: Ik wil geen heer over u zijn, en mijn zoon zal óók geen heer over u zijn; maar de Heer zal heer over u zijn. 24 En Gideon ^sprak verder tot hen; Eene zaak begeer ik van u: ieder geve my de voorhoofdbanden die hij geroofd heeft. (Want dewijl het Ismaëlieten waren, hadden zij gouden voorhoofdbanden.) |
25 En zij zeiden: Die willen wij geven. En zij spreidden een kleed uit, en elk wierp de voorhoofdbanden daarop die hij geroofd had. 26 En de gouden voorhoofdbanden die hij gevraagd had, maakten uit in gewicht duizend en zevenhonderd sikkels goud; behalve de versierselen en ketenen en scharlaken kleederen welke de koningen der Midianieten dragen, en behalve de halsbanden hunner kameelen. 27 En Gideon maakte een lijfrok daarvan, en stelde dien in zijne stad, in Ofra; en geheel Israël bedreef daarmede aldaar hoererij, en het werd Gideon en zijn huis tot eene ergernis. 28 Alzoo werden de Midianieten vernederd voorde kinderen Israëls, en hieven hun hoofd niet meer op; en het land was stil veertig jaar, zoolang als Gideon leefde. 29 En Jerubbaal de zoon van Joas ging heen en woonde in zijn huis. 30 En Gideon had zeventig zonen die uit zyne heup |
|
gekomen waren, want liij had vele vrouwen; 31 en zijn bijwijf te Si-cliem baarde hem óók een zoon, dien noemde hij Abi-mélech. 33 En Gideon de zoon van Joas stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijnen vader Joas, te Ofra der Abiëzrieten. 33 Toen nu Gideon gestorven was, keerden de kinderen Israëls zich om en hoereerden de Baals na, en maakten zich Baal-Eerith tot een god. 3'1lt; En de kinderen Israëls dachten niet aan den Heer hunnen God, die hen gered had uit de hand van al hunne vijanden rondom. 35 En zij bewezen geen barmhartigheid aan het huis van Jerubbaiil-Gideon, naar al het goede dat hij aan Israël gedaan had. HOOFDSTUK 9. 1 Abimélech nu, Jerub-baals zoon, ging heen naar Sichem tot de broeders zijner moeder, en hij sprak tot hen en tot het geheele geslacht van het huis des vaders zijner moeder, zeggende : 3 Eilieve, spreekt voor de ooren van al de mannen 5KEN 9. 487 |
van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, al de zonen van .ierubbaal, heeren over u zijn, of dat één man heer over u zij ? Gedenkt ook daarbij dat ik uw gebeente en uw vleeseh ben. 3 Toen spraken de broeders zijner moeder al deze woorden van hem voor de ooren van al de mannen van Sichem; en hunne harten neigden zich tot Abimélech , want zij dachten: Hij is onze broeder. 4 En zij gaven hem zeventig zilverlingen uit het huis van Baül-Berith, en Abimélech huurde daarvoor ondeugende en lichtvaardige mannen die hem navolgden. 5 En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijne broeders, de zonen van Jerubbaill, zeventig mannen, op éénen steen; doch Jotham, de jongste zoon van Jerubbaal, bleef over, want hij had zich verstoken. 0 En al do mannen van Sichem en het geheele huis van Millo vergaderden zich, gingen heen en maakten Abimélech tot koning bij den hoogen eik die te Sichem staat. -7 ïoen dat Jotham aan- |
|
488 eecht: gezegd werd, ging bij heen en trad op de hoogte van den berg Gerizim, en hief zijne stem op, en riep en sprak tot hen; Hoort mij gij mannen van Siohem, opdat God u óók hoore. 8 De boomen gingen heen om een koning over zich te zalven, en zij spraken tot den olijfboom: Wees onze koning. 9 Maar de olijfboom antwoordde hun: Zal ik mijne vettigheid verlaten, die beide goden en menschen aan mij prijzen, en heengaan dat ik over de boomen zweve? 10 Toen spraken de boomen tot den vijgeboom: Kom gij en wees onze koning. 11 Maar de vijgeboom sprak tot hen: Zal ik mijne zoetigheid en goede vrucht verlaten, en heengaan dat ik over de boomen zweve? 13 Toen spraken de boomen tot den wijnstok: Kom gij en wees onze koning. 13 Maar do wijnstok sprak tot hen; Zal ik mijnen most verlaten, die goden en menschen vroolijk maakt, en heengaan dat ik over dc boomen zweve? 14 Toen spraken al de boomen tot den doornstruik: Kom gij en wees onze koning. |
JEIN 9. 15 En de doornstruik sprak tot de boomen: Is het waarachtig dat gij mij tot koning over u zalven wilt, zoo komt en vertrouwt u onder mijne schaduw; maar indien niet, zoo ga vuur uit van den doornstruik en vertere de cederen van Libanon. — 10 Hebt gij nu recht en redelijk gedaan, dat gij Abi-mélech tot koning gemaakt hebt, en hebt gij welgedaan aan Jerubbaal en zijn huis, en hebt gij hem gedaan zooals hij aan u verdiend heeft, — 17 want mijn vader heeft om uwentwil gestreden, en zijn leven gewaagd om u uit de hand der Midianieten te verlossen; 18 en gij staat heden op tegen mijn vaderlijk huis, en doodt zijne zonen, zeventig mannen, op éénen steen, en maakt Abimélech, den zoon zijner dienstmaagd, tot koning over de mannen van Siohem, omdat hij uw broeder is, —■ 19 hebt gij nu recht en redelijk gehandeld met Jerubbaal en zijn huis op dezen dag, zoo weest vroolijk over Abimélech, en hij zij vroolijk over u; 20 maar indien niet, zoo ga vuur uit van Abimélech |
RECHTEREN 9.
489
|
en vertere de mannen van Sichem en liet huis van Millo, en er ga vuur uit van de mannen van Sicliem en van het huis van Millo, 51 en vertere Abimélech. 31 En Jotham vluchtte en ontweek, en ging naar Beër en woonde aldaar, wegens zijnen broeder Abimélech. —■ 23 Als nu Abimélech drie jaren over Israël gelieerscht had, 33 zond God een kwaden wil tusschen Abimélech en de mannen van Sichem; want de mannen van Sichem spraken kwalijk van Abimélech, 34 en zij trokken den gruwel zich aan, gepleegd aan ^ de zeventig zonen van Je-rubbaill, en zij leiden hun bloed op Abimélech hunnen broeder, die hen gedood had, en op de mannen van Sichem die zijne hand daartoe gesterkt hadden dat hij zijne broeders doodde. 35 En de mannen van Sichem leiden hem eene hinderlaag op de toppen der bergen, en beroofden allen die op den weg hen voorbijgingen; en liet werd Abimélech te kennen ge- 6 geven. 36 Gaal mi, Ebedszoon, en zijne broeders, kwamen en gingen te Sichem in; |
en de mannen van Sichem verlieten zich op hem. 27 En zij trokken uit op het veld, en plukten hunne wijngaarden af, en persten de druiven, en maakten een dans, en gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimélech. 28 En Gaiil, Ebedszoon, sprak: Wie is Abimélech, en wat is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet Jerubbatils zoon, en Zebul zijn stedehouder ? Dient de lieden van Hemor den vader van Sichem; waarom- zouden wij hem dienen ? 2fl quot;Wilde God dat dit volk in mijne hand ware: ik zou Abimélech wel verdrijven. En tot Abimélech zeide hij: Vermeerder uw heir en trek uit. 30 Toen nu Zebul, de overste der stad, de woorden van GaiiA, Ebeds zoon, hoorde, ontstak zijn toorn; 31 en hij zond heimelijk boden tot Abimélech, en liet aan hem zeggen: Zie, Gaal, Ebeds zoon, en zijne broeders zijn te Sichem gekomen, en maken de stad wederspannig tegen u: 32 zoo maak u nu op bij nacht, gij en liet volk dat bij ii is, en leg hun eene hinderlaag in het veld; |
EECHTEREN 9.
490
|
33 en des morgens als de zon opgaat, zoo maak u vroeg op en overval de stad; en indien hij en het volk dat bij hem is tot u uittrekt, zoo doe met hem gelijk uwe hand goedvinden zal. 34 Ea Abimélech, en al het volk dat bij hem was, stonden des nachts cp en leiden zich in hinderlagen tegen Sichem, in vier hoo-pen. 35 En Gaül, Ebeds zoon, trok uit en trad voor de deur van de stadspoort; en Abimélech trad voort uit de hinderlaag, met het volk dat bij hem was. 36 ïoen nu Gaül dat volk zag, sprak hij tot Zebul: Zie, daar komt volk af van de hoogten der bergen. Doch Zebul sprak tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor menschen aan. 37 Maar Gaal sprak nog verder en zeide: Zie, daar komt volk af van de hoogte des lands, en een andere hoop langs den weg van den toovereik. 38 ïoen sprak Zebul tot hem: Waar is nu uw mond die zeide: Wie is Abimélech dat wij hem zouden dienen ? Is dit niet het volk hetwelk gij veracht hebt? Trek nu uit en strijd tegen hem. |
39 En Gaal trok uit voor de mannen van Sichem, en streed tegen Abimélech. 40 Maar Abimélech joeg hem dat hij voor hem vluchtte; en er vielen vele verslagenen tot aan den ingang der poort. 41 En Abimélech bleef te Aruma; en Zebul verjoeg Gaül en zijne broeders, dat zij te Sichem niet konden blijven. 42 En op den morgen ging het volk uit op het veld; en toen dit aan Abimélech werd te kennen gegeven, 43 nam hij het volk en deelde het in drie hoopen, en leide het in hinderlaag in het veld. Als hij nu zag dat het volk uit de stad ging, stond hij tegen hen op en versloeg hen. 44 En Abimélech en de hoopen die hij hem waren overvielen hen en traden aan de deur der stadspoort, en twee van die hoopen overvielen allen die op het veld waren en versloegen hen. 45 Toen streed Abimélech tegen de stad dien geheelen dag, en nam haar in, en doodde het volk dat er in was, en brak de stad af, en bezaaide haar met zout. 46 Toen al de mannen |
|
HECHTI van den toren van Sichetn dit hoorden, gingen zij in de vesting van het huis van den god Berith, 47 Én toen Abimelech dat hoorde, dat al de mannen van den toren van Sichem zich vergaderd hadden, 48 zoo ging hij op den berg Zalmou, met al het volk dat bij hem was, en hij nam eene bijl in zijne hand en hieuw een tak van de boom en, en nam hem op en leide hem op zijnen schouder, en sprak tot al het volk dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, doet dat ook schielijk evenals ik. 49 Toen hieuw al het volk ieder een tak af, en volgde Abimelech, en zij leiden die aan de vesting, en staken ze aan met vuur; zoodat al de mannen van den toren van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen. 50 Daarna trok Abimelech naar Tebez, en belegerde haar en nam haar in. 51 Maar er was een sterke toren midden in de stad, op welken al de mannen en vrouwen, en al de burgers der stad vluchtten, en zij sloten dien achter zich toe; en zij klommen op het dak des torens. |
REN 10. 491 . 53 Toen kwam Abimelech tot aan den toren en bestormde dien; en hij naderde tot aan de deur van den toren, om hem met vuur te verbranden. 53 Maar eene vrouw wierp een stuk van een molensteen op het hootd van Abimelech, en verpletterde hem de hersenpan. 54 Toen riep Abimelech schielijk den jongen die zijne wapenen droeg, en sprak tot hem: Trek uw zwaard uit en dood mij, opdat men van mij niet zegge: Eene vrouw heeft hem gedood. Toen doorstak zijn jongen hem en hij stierf. 55 Toen nu de Israëlieten, die bij hem waren, zagen dat Abimelech dood was, zoo ging ieder naar zijne plaats. 56 Alzoo vergold God aan Abimelech het kwaad hetwelk deze aan zijnen vader gedaan had, toen hij zijne zeventig broeders doodde; 57 desgelijks vergold God ook al het kwaad der mannen van Sichem op hun hoofd: en de vloek van Jotham den zoon van Jerub-baiil kwam over hen. HOOFDSTUK 10. 1 Na Abimelech maakte zich op, om Israël te helpen. |
EECHTEEEN 10,
493
|
Tola, een man uit Issaschar, de zoon van Pua, den zoon van Dodo; en hij woonde te Samir op het gebergte van Efraïm. 3 En hij richtte Israël drieëntwintig jaar, en hij stierf, en werd begraven te Samir. 3 En na hem maakte zich op Jaïr, een Gileadiet, en hij richtte Israël tweeëntwintig jaar. 4 En hij had dertig zonen, op dertig ezelveulens rijdende ; en zij hadden dertig steden, die heeten de dorpen van Jaïr tot op dezen dag, en liggen in het land Gilead. 5 En Jaïr stierf en werd begraven te Kamon. — 6 En de kinderen Israëls deden al verder kwaad voor den Heer, en dienden de Baüls en de Astaroth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Amnions , en de goden der Filistijnen; en zij verlieten den Heer en dienden hem niet. 7 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij verkocht hen in de hand der Filistijnen en der kinderen Ammons; |
8 en zij vertraden en versloegen de kinderen Israëls van dat jaar af, achttien jaar lang; namelijk al de kinderen Israëls aan gene zijde van den Jordaan, in het land der Amorieten dat in Gilead ligt. 9 Ook trokken de kinderen Ammons over den Jordaan, en streden tegen Juda en Benjamin en tegen het huis van Efraïm, zoodat Israël zeer beangst werd. 10 Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heer, zeggende: Wij hebben tegen u gezondigd, want wij hebben onzen God verlaten en de Baals gediend. 11 Maar de Heer sprak tot de kinderen Israëls: Hebben u de Egyptenaars, de Amorieten, de kinderen Ammons, de Filistijnen, 12 de Sidoniërs, de Ama-lekieten en de Maonieten óók niet verdrukt, en hielp ik u niet uit hunne handen toen gij tot mij riept? 13 Nochtans hebt gij mij verlaten en andere goden gediend: daarom wil ik u niet meer helpen. 14 Gaat heen en roept de goden aan die gij verkoren hebt: laat die u helpen in den tijd uwer benauwdheid. 15 Toen spraken de kinderen Israëls tot den Heer: Wij hebben gezondigd, doe met ons zooals het u be- |
EECHTEREN 11.
498
|
haagt; alleenlijk verlos ons slechts heden nog. 16 En zij deden de vreemde goden van zich weg, en dienden den Heer, en het a jammerde hem dat Israël zoo geplaagd werd. 17 En de kinderen Amnions werden bijééngeroepen en legerden zich in Gilead, maar de kinderen Israels vergaderden en legerden zich to Mizpa. 18 En het volk, de oversten van Gilead, spraken onder elkander; Wie is de man die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? Hij zal het hoofd zijn over allen die in Gilead wonen. £ HOOFDSTUK 11. 1 Jefta nu, een Gileadiet, was een strijdbaar held, maar de zoon eener hoer; doch Gilead had Jefta verwekt. 2 Toen nu Gileads vrouw hem kinderen baarde, en de kinderen dier vrouw groot werden, stieten zij Jefta uit en spraken tot hem: Gij zult niet erveu in ons vaderlijk huis, want 6 gij zijt de zoon eener andere vrouw. 3 Toen vluchtte hij voor zijne broeders, en woonde |
in het land Tob; en er vergaderden zich ondeugende lieden tot hem en trokken met hem uit. 4 En eenigen tijd daarna streden de kinderen Ammons tegen Israël. 5 Toen nu de kinderen Ammons tegen Israël streden , gingen de oudsten van Gilead heen om Jefta te halen uit het land Tob; 6 en zij spraken tot hem: Kom en wees onze hoofdman, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. 7 Maar Jefta sprak tot de oudsten van Gilead: Zijt gij het niet die mij haat en uit mijn vaderlijk huis uit-gestooten hebt? En nu komt gij tot mij dewijl gij in benauwdheid zijt? 8 En de oudsten van Gilead spraken tot Jefta: Daarom komen wij nu weder tot u, opdat gij met ons gaat en ons helpt strijden tegen de kinderen Ammons, en ons hoofd zijt over allen die in Gilead wonen. 9 Toen sprak Jefta tot de oudsten van Gilead: Zoo gij mij wederhaalt om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de Heer hen in mijne macht geven zal, zal ik dan uw hoofd zijn? 10 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: De |
|
494 RÉCHT] Heer zij toehoorder tussclien ons, indien wij niet doen zooals gij gezegd hebt. 11 Alzoo ging Jefta met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot hoofd en overste over zich; en Jefta sprak dat alles voor den Heer te Mizpa. 13 Toen zond Jefta boden tot den koning der kinderen Ammons, en liet aan hem zeggen: Wat hebt gij met mij te doen, dat gij tot mij komt om tegen mijn land te strijden? 13 En de koning der kinderen Ammons antwoordde aan de boden van Jefta: Omdat Israel mijn land genomen heeft toen zij uit Egypte trokken, van de Arnon af tot aan de Jabbok toe en tot aan den Jordaan; zoo geef het mij dan nu weder met vrede. 14 Toen zond Jefta nog meer boden tot den koning der kinderen Ammons; 15 die spraken tot hem: Dus spreekt Jefta: Israël heeft geen land genomen noch van de Moabieten noch van de kinderen Ammons. 16 Want toen zij uit Egypte trokken, wandelde Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades, 17 en zond boden tot den |
1REN 11. koning der Edomieten, zeggende: Laat mij door uw land trekken. Maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. Ook zonden zij tot den koning der Moabieten , maar die wilde óók niet. Alzoo bleef Israël in Kades. 18 En zij wandelden in de woestijn, en trokken om het land der Edomieten en der Moabieten heen, en kwamen ten oosten van het land der Moabieten, en legerden zich aan gene zijde der Arnon, en kwamen niet binnen den grenspaal der Moabieten, want de Arnon is de grenspaal der Moabieten. 19 En Israël zond boden tot Sihon den koning der Amorieten te Hesbon, en liet aan hem zeggen: Laat ons door uw land trekken tot aan mijne plaats. 20 Maar Sihon vertrouwde Israël niet, om hem door zijnen grenspaal te laten trekken; en hij vergaderde al zijn volk en legerde zich te Jahza, en hij streed tegen Israël. 21 Maar de Heer, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, en zij sloegen hen; alzoo nam Israël al het land in van de Amorieten die |
REOHTEKEN 11.
495
|
in deze landstreek woonden, 22 en zij namen al de grenspalen der Amorieten in, van de Arnon af tot aan de Jabbok toe, en van de woestijn af tot aan den Jordaan toe. 33 Zoo heeft nu de Heer, de God van Israël, de x\mo-rieten uit hun erf verdreven voor zijn volk Israël, en gij wilt het innemen? 24 Zoudt gij niet datgene innemen wat uw god Kamos voor u veroverd had? Alzoo laat ons ook datgene behouden wat de Heer onze God voor ons veroverd heeft. 25 Meent gij dat gij meer recht hebt dan Balak de zoon van Zippor, de koning der Moabieten? Heeft die ooit getwist of gestreden tegen Israël? 26 Terwijl Israël nu driehonderd jaar gewoond heeft in Hesbon en hare onder-hoorige plaatsen, in Aroër en hare onderhoorige plaatsen , en in al de steden die aan de Arnon liggen, waarom hebt gij het dan in dien tijd niet hernomen? 27 Ik heb tegen u niet gezondigd, maar gij handelt onrechtvaardig jegens mij, dat gij tegen mij strijdt: de Heer veile heden een oordeel tusschen Israël en de kinderen Ammons. |
28 Maar de koning de kinderen Ammons hoorde niet naar de redenen van Jefta die hij tot hem had doen overbrengen. 29 Toen kwam de Geest des Heeren op Jefta, en hij trok door Gilead en Manasse tot Mizpé in Gilead, en van Mizpé in Gilead trok hij op tegen de kinderen Ammons. 30 En Jefla beloofde den Heer eene gelofte en sprak: Indien gij de kinderen Ammons in mijne hand geeft: 31 wat uit mijne huisdeur uitgaat mij tegemoet, als ik met vrede wederkeer van de kinderen Ammons, dat zal des Heeren zijn, en ik zal het tot een brand-oft'er offeren. 33 Alzoo trok Jefta op tegen de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en de Heer gaf hen in zijne hand; 33 en hij sloeg hen van Aroër af totdat men komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-Keramim, met een zeer grooten slag; en alzoo werden de kinderen Ammons vernederd voor de kinderen Israëls. 34 Toen nu Jefta te Mizpa voor zijn huis kwam, zie, toen ging zijne dochter uit hem tegemoet met trommels |
EECHTEEEN 13.
496
|
en reien; en zij was een éénig kind, hij had buiten haar geen zoon noch dochter. 35 En toen hij haar zag, verscheurde hij zijne kleederen en sprak: Ach mijne dochter, hoe buigt en bedroeft gij mij! want ik heb mijnen mond opengedaan tot den Heer, en kan het niet herroepen. 36 En zij sprak: Mijn vader, hebt gij uwen mond opengedaan tot den Heer, zoo doe mij gelijk het uit uwen mond gegaan is; na-demaal de Heer u gewroken heeft aan uwe vijanden, de kinderen Ammons. 37 En zij sprak tot haren vader: Wil mij dit toch doen, dat gij twee maanden lang van mij aflaat, opdat ik vanhier ga op de bergen, en mijnen maagdelijken staat beweene met mijne speelge-nooten. 38 En hij sprak: Ga heen; en liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met hare speelgenooten, en beweende haren maagdelijken staat op de bergen. 39 En na twee maanden kwam zij weder tot haren vader, en hij deed haar volgens zijne gelofte die hij beloofd had; en zij heeft geen man gekend. En het werd eene instelling in Israël, |
40 dat de dochteren Israels jaarlijks heengaan om de dochter van Jefta den Gileadiet te beklagen, vier dagen in het jaar. HOOFDSTUK 12. 1 En die van Efraïm werden bijeengeroepen en gingen naar het noorden, en spraken tot Jefta: Waarom zijt gij in den strijd getrokken tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen om met u te trekken ? Wij willen u met uw huis met vuur verbranden. 3 Doch Jefta sprak tot hen: Ik en mijn volk hadden eene groote zaak met de kinderen Ammons; en ik riep u, maar gij hebt mij niet uit hunne hand geholpen. 3 Toen ik nu zag dat gij niet helpen wildet, stelde ik mijne ziel in mijne hand, en trok heen tegen de kinderen Ammons, en de Heer gaf hen in mijne hand: waarom komt gij dan heden tegen mij op om tegen mij te strijden? 4 En Jefta vergaderde al de mannen in Gilead, en streed tegen Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, omdat zij zeiden: |
EECHTEEEN 13. 497
|
Gij Gileadieten moet zijn onder Efraïra en Manasse als vluchtelingen van Efraïm. 5 En de Gileadieten namen de overvaart van den Jordaan voor Efraïm in. Als nu een vluchteling van Efraïm sprak: Laat mij overgaan, zoo spraken de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? En als hij antwoordde: Neen, 6 zoo deden zij hem zeggen: Schibhóleth. Als hij dan zeide: Sibbóleth, cn het niet recht kon uitspreken, zoo grepen zij hem en versloegen hem aan de overvaart van den Jordaan, zoodat op dien tijd van Efraïm vielen tweeënveertigduizend. 7 Jefta nu richtte Israël zes jaar; en Jefta de Gilea-diet stierf, en werd begraven in een der steden van Gilead. 8 Na hem richtte Israël Ebzan uit Bethlehem. 9 Deze had dertig zonen; en dertig dochters huwde hij uit, en dertig dochters nam hij van buiten voor zijne zonen. En hij richtte Israël zeven jaar, 10 en hij stierf en werd begraven te Bethlehem. 11 Na hem richtte Israël Elon, een Zebuloniet, en hij richtte Israël tien jaar; |
13 en hij stierf en werd begraven te Ajjalon in het land van Zebulon. 13 Na hem richtte Israël Abdon de zoon van Hillel, een Pirathoniet. 14' Deze had veertig zonen en dertig kleinzonen, die op zeventig ezelveulens reden; en hij richtte Israël acht jaren, 15 en hij stierf en werd begraven te Pirathon in het land van Efraïm, op het gebergte der Amalekieten. HOOFDSTUK 13. 1 En de kinderen Israëls deden al verder kwaad voor den Heer; en de Heer gaf hen in de hand der Filistijnen, veertig jaar. 3 En er was een man te Zora, uit het geslacht der Danieten, genaamd Manoah; en zijne vrouw was onvruchtbaar en baarde niet. 3 En de Engel des Hee-ren verscheen aan de vrouw, en sprak tot haar: Zie, gij zijt onvruchtbaar en baart niet, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren. 4 Zoo wacht u nu dat gij geen wijn drinkt noch sterken drank, en niets eet dat onrein is. 5 Want gij zult zwanger worden, en een zoon baren op wiens hoofd geen scheer- |
498 EECHTEREN 13.
|
mes komen zal; want dat jongsken zal een nazireër Gods zijn van den moeder-sclioot af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand der Filistijnen. 6 Toen kwam die vrouw en zeide het aan haren man, en sprak: Er kwam een man Gods tot mij, en zijne gedaante was aantezien als van een Engel Gods, zeer vreeselijk, zoodat ik hem niet vroeg vanwaar hij was, en hij zeide mij niet hoe hij genoemd werd; 7 maar hij sprak tot mij: Zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; zoo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets dat onrein is; want dat jongsken zal een nazireër Gods zijn van den moederschoot af tot aan zijnen dood. 8 Toen bad Manoah den Heer en sprak: Och Heer, laat de man Gods dien gij gezonden hebt weder tot ons komen, om ons te lee-ren wat wij doen moeten met dat jongsken dat geboren zal worden. 9 En God verhoorde de stem van Manoah, en de Engel Gods kwam weder tot de vrouw; en zij zat op het veld, en haar man Manoah was niet bij haar. |
10 Toen liep zij schielijk en zeide het aan haren man, en sprak tot hem: Zie, die man is mij verschenen die heden tot mij kwam. 11 En Manoah maakte ^ zich op en ging zijne vrouw achterna, en kwam bij dien man en sprak tot hem: Zijt gij de man die met deze vrouw gesproken heeft? Hij zeide: Ja. 12 En Manoah sprak: Als nu komen zal hetgeen gij gesproken hebt, wat zal de wijze en het werk van dat jongsken zijn? 13 En de Engel des Hee-ren sprak tot ManoahHij zal zich wachten voor alles wat ik aan de vrouw gezegd heb: i 14 hij zal niet eten wat van den wijnstok komt, en zal geen wijn drinken noch sterken drank, en niets eten dat onrein is; alwat ik haar geboden heb zal bij houden. 15 En Manoah sprak tot den Engel des Héeren; Eilieve laat ons u mogen ophouden, wij zullen een geitebokje voor u bereiden. 16 Maar de Engel des Heeren antwoordde Manoah: Al ware het dat gij i mij hier ophieldt, zoo eet ik toch niet van uwe spijs; maar wilt gij iets bereiden, |
|
zoo offer dat den Heer tot een brandotter. Want Ma-noah wist niet dat het een Engel des Heeren was. 17 En Manóah sprak tot den Engel des Heeren: Hoe heet gij, opdat wij u prijzen als hetgeen gij gesproken hebt uitkomt? 18 Maar de Engel des Heeren sprak tot hem: Waarom vraagt gij naar mijnen naam? Die is wonderbaar. 19 Toen nam Manóah een geitebokje en spijsoffer, en offerde het den Heer op eene steenrots. Hij intus-sohen handelde wonderbaar; en Manóah en zijne vrouw zagen toe. 20 Want toen de vlam opging van den altaar naar den hemel, voer ook de Engel des Heeren in de vlam des altaars op; en toen Manóah en zijne vrouw dat zagen, vielen zij ter aarde op hun aangezicht. 31 En de Engel des Heeren verscheen niet meer aan Manóah en zijne vrouw. Toen merkte Manóah dat het een Engel des Heeren was, quot;32 en hij sprak tot zijne vrouw: Wij moeten den dood sterven, omdat wij God gezien hebben. 23 Maar zijne vrouw ant- |
EEN 14. 499 woordde hem: Indien de Heer lust had ons te doo-den, zoo had hij het brandoffer en spijsoffer van onze handen niet aangenomen; hij zou ons ook dit alles niet getoond hebben, noch ons iets zoodanigs hebben laten hooren gelijk nu geschied is. 34 En die vrouw baarde een zoon, en noemde hem Simson; en dat jongsken wies op, en de Heer zegende hem. 25 En de Geest des Heeren begon hem voor het eerst aantedrijven in het leger van Dan, tusschen Zora en Estaol. HOOFDSTUK 14. 1 En Simson ging af naar Tiranath, en zag eene vrouw te Timnath , uit de dochters der Filistijnen. 2 En toen hij opwaarts kwam, gaf hij het zijnen vader en zijne moeder te kennen, en sprak: Ik heb eene vrouw gezien te Timnath, uit de dochters der Filistijnen; geeft mij haar tot vrouw. 3 En zijn vader en zijne moeder spraken tot hem: Is er dan geen vrouw onder de dochters uwer broeders en onder geheel uw volk, dat |
600 EECHTEREN 14.
|
gij heengaat om eene vrouw te nemen uit de Filistijnen die onbesneden zijn? En Simson sprak tot zijnen vader: Neem deze voor mij, want zij is bevallig in mijne oogen. 4 Zijn vader en zijne moeder nu wisten niet dat dit van den Heer was; want hij zocht eene oorzaak tegen de Filistijnen. De Filistijnen nu heerschten in dien tijd over Israël. 5 Alzoo ging Simson met zijnen vader en zijne moeder af naar Timnath; en als zij aan de wijnbergen van Timnath kwamen, zie, toen kwam een jonge leeuw brullende hem tegemoet. 6 En de Geest des Heeren werd vaardig over hem, en hij verscheurde hem gelijk men een bokje vanéén-scheurt, en had nochtans niets in zijne hand; en hij gaf zijnen vader en zijne moeder niet te kennen wat hij gedaan had. 7 Toen hij nu afkwam, sprak hij met de vrouw; en zij was bevallig in Simsons oogen. 8 En na eenige dagen kwam hij weder om haar te nemen; en hij trad van den weg at' om het aas van den leeuw te bezien, en zie, toen was er een bijenzwerm en honig in het u |
aas van den leeuw; Spr 9 en hij nam dien in zijne yal hand, en at daarvan onder- m;, weg; en hij ging tot zijnen zeg vader en zijne moeder, en uw hij gaf hun en zij aten; yei doch hij gaf hun niet te hie kennen dat hij den honig te uit het aas van den leeuw i genomen had. - yrc 10 En toen zijn vader Gij afkwam tot die vrouw, ie' maakte Simson aldaar eene de bruiloft, zooals de jonge- ee] lingen plegen te doen. ye 11 En toen zij hem zagen, ge gaven zij hem dertig brui- lia loftsgezellen die bij hem ya zijn zouden. ge 12 En Simson sprak tot cia hen: Ik wil u een raadsel . ] te raden geven; is het dat he gij het raadt en uitvindt dn binnen deze zeven dagen qi: der bruiloft, zoo zal ik u y dertig hemden geven en pj dertig feestkleederen; Ze 13 maar kunt gij het niet ]lt;i raden, zoo zult gij mij feestkleederen geven. En zij (J( raadsel te raden en laat het is 14 Toen sprak hij tot hen1; E Spijs ging uit van den eter, d gj en zoetigheid van den sterke. pi En zij konden dat raadsel r£ niet uitleggen in drie dagen. |
KEGHTEEEN 13.
501
|
15 Op den zevenden dag spraken zij tot de huisvrouw van Simson; Overreed uwen man dat hij ons dat raadsel zegge, of wij zullen u en uws vaders huis met vuur verbranden. Hebt gij ons hier genoodigd om ons arm te maken of niet? 16 Toen weende Simsons vrouw voor hem en sprak: Gij zijt toornig op mij en hebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet gezegd. Maar hij sprak tot haar: Zie, ik heb het mijnen vader en mijne moeder niet gezegd, en zou ik het u dan zeggen? 17 En zij weende voor hem die zeven dagen lang dat zij bruiloft hielden: en op den zevenden dag zeide hij het aan haar, want zij perste hem er toe; en zij zeide dat raadsel aan de kinderen haars volks. 18 Toen spraken de mannen der stad tot hem op den zevenden dag, eer de zon was ondergegaan: Wat is zoeter dan honig, wat is sterker dan een leeuw? En hij sprak tot hen: Indien gij met mijn kalf niet geploegd hadt, gij hadt mijn raadsel niet uitgevonden. |
19 En de Geest des Hee-ren werd vaardig over hem, en hij ging af naar Askelon en versloeg dertig man van hen, en nam hun gewaad, en hij gaf feestkleederen aan degenen die dat raadsel geraden hadden. Doch zijn toorn ontbrandde, en hij ging op naar zijns vaders huis. 20 En de huisvrouw van Simson, die hem toebehoorde , werd aan een zijner bruiloftsgezellen gegeven. HOOFDSTUK 15. 1 En het gebeurde na eenige dagen omtrent den tarwenoogst, dat Simson zijne vrouw ging bezoeken met een geitebokje; en als hij dacht: Ik zal tot mijne vrouw in de kamer gaan, zoo wilde haar vader hem daar niet binnenlaten, 3 en sprak: Ik meende dat gij vergramd op haar waart geworden, en ik heb haar aan uwen vriend gegeven. Maar zij heeft eene jongere zuster, die is schooner dan zij, laat die de uwe zijn in hare plaats. 3 Toen sprak Simson tot ■hen: Ik heb nu eene rechtvaardige zaak tegen de Filistijnen , ik zal hun schade doen. 4 En Simson ging heen en ving driehonderd vossen; |
R È C TT TEREN 15.
502
|
en hij nam fakkels, en keerde staart aan staart, en deed telkens eene fakkel tusschen twee staarten; 5 en hij stak die aan met vuur, en liet hen in het koren der Filistijnen loopen, en stak alzoo de korenschoven aan, benevens het staande koren, en de wijngaarden en olijfboomen. ■ 6 Toen spraken de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Sim-son, de schoonzoon van den Timniet, omdat deze hem zijne vrouw ontnomen en haar aan zijnen bruiloftsgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen op en verbrandden haar en haren vader met vuur. 7 En Simson sprak tot hen: Omdat gij dit gedaan hebt, zoo zal ik mij aan u wreken en niet eerder ophouden. 8 En hij sloeg hen met een grooten slag, zoo schouders als lendenen; daarna trok hij af en woonde in een hol der rots Etam. 9 Toen trokken de Filistijnen op en belegerden Juda, en breidden zich uit in Lechi. 10 En die van Juda spraken: Waarom zijt gij tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgekomen om Simson te binden, om hem te doen gelijk hij ons gedaan heeft. |
11 Toen trokken drieduizend mannen van Juda af naar het hol der rots Etam, en zij spraken tot Simson: Weet gij niet dat de Filistijnen over ons heerschen? Waarom hebt gij ons dit gedaan? En hij sprnk tot hen: Zooals zij mij gedaan hebben, zóó heb ik hun wedergedaan. 13 En zij spraken tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, en u in de hand der Filistijnen overtegeven. En Simson sprak tot hen: Zweert mij dat gij op mij niet zult aanvallen. 13 En zij antwoordden hem: Wij zullen op u niet aanvallen, maar zullen u slechts binden en u in hunne handen overgeven , en zullen u niet dooden. En zij bonden hein met twee nieuwe touwen, en voerden hem op uit de rots. 14 En toen hij tot aan Lechi kwam, juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des Heeren werd vaardig over hem, en de touwen aan zijne armen werden als draden die het vuur verzengd heeft, en zijne banden smolten weg van zijne handen. |
EECHTEREN 16.
503
|
15 En hij vond een vuile ezelskinnebak, toen strekte hij zijne hand uit en nam die op en versloeg daarmede duizend man. 16 En Simson sprak: Daar liggen zij bij hoopen! Met een ezelskinnebak heb ik duizend man verslagen. 17 En toen hij dat uitgesproken had, wierp hij de kinnebak uit zijne hand, en noemde die plaats llamath-Lechi. 18 Toen hij nu grooten dorst had, riep hij den Heer aan en sprak: Gij hebt zulk een groot heil gegeven door de hand uws knechts, maar nu moet ik van dorst sterven en in de hand der onbesnedenen vallen. 19 Toen kloofde God eene rots in Lechi, zoodat er water uitkwam; en als hij dronk, zoo kwam zijn geest weder, en hij werd verkwikt. Daarom heet zij nog heden ten dage de fontein des aan roependen, die in Lechi is. 20 En hij richtte Israël ten tijde der Filistijnen twintig jaar. HOOFDSTUK 16. 1 En Simson ging heen naar Gaza, en zag aldaar eene vrouw die een hoer was; en hij ging tot haar. |
3 Toen werd den Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; en zij omringden hem en lieten op hem loeren aan de stadspoort den ge-heelen nacht; en zij waren den geheelen nacht stil, zeggende: Wacht, morgen als het licht wordt zullen wij hem dooden. 3 Simson nu bleef liggen tot middernacht; toen stond hij op te middernacht en hij greep de beide deuren van de stadspoort, benevens de beide posten, en lichtte die uit met de grendels, en leide zo op zijne schouders, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs naar den kant van Hebron. 4 Daarna kreeg hij eene vrouw lief aan de beek Sorek, wier naam was Delila. 5 En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar, en zeiden tot haar: Verlok hem, dat gij zien moogt waarin zijne groote sterkte gelegen zij, en waarmede wij hem kunnen machtig worden, opdat wij hem binden en bedwingen; zoo zullen wij u elk duizend en honderd zilverlingen geven. 6 En Delila sprak tot Simson: Eilieve zeg mij waarin uwe groote sterkte bestaat, en waarmede men |
«
EECHTEEEN 16.
504
|
li zou kunnen binden om ii te bedwingen. 7 En Simson sprak tot haar: Indien men mij bond met zeven touwen van ver-sche basten, die nog niet verdord zijn, zoo zou ik zwak worden en gelijk een ander menseh zijn. 8 Toen brachten de vorsten der Filistijnen tot haar zeven touwen van versche basten, die nog niet verdord waren; en zij bond hem daarmede. 9 En men loerde op hem bij haar in de kamer. En zij sprak tot hem: De Filistijnen over u, Simson ! Toen brak hij de touwen gelijk men een draad van vlas breekt, die het vuur geroken heeft. En het werd niet kenbaar waarin zijne sterkte bestond. 10 Toen sprak Delila tot Simson: Zie, gij hebt mij bedrogen en belogen: zeg mij toch nu waarmede men u binden kan. 11 En hij antwoordde haar: Indien zij mij bonden met nieuwe touwen, waarmede nog geen arbeid verricht is, zoo zou ik zwak worden en gelijk een ander mensch zijn. 13 Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmede, en sprak: De Filistijnen over u, Simson! |
En men loerde wederom op hem in de kamer. En hij brak die van zijne armen als een draad. '13 En Delila sprak tot hem: Weer hebt gij mij bedrogen en belogen: eilieve zeg mij toch, waarmede kan men u binden? En hij antwoordde haar: Indien gij zeven lokken mijns lioofds vlocht met een vlechtsnoer. 14 En zij hechtte die met een nagel vast, en sprak tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Hij nu ontwaakte uit zijnen slaap, en trok de gevlochten lokken met nagel en vlechtsnoer uit. 15 Toen sprak zij tot hem: Hoe kunt gij zeggen dat gij mij liefhebt, dewijl uw hart immers niet met mij is? Driemaal hebt gij mij bedrogen , en mij niet gezegd waarin uwe groote sterkte bestaat. 16 Toen zij hem nu perste met hare woorden alle dagen, en hem geen rust liet, zoo werd zijne ziel verdrietig tot stervens toe, 17 en hij openbaarde haar zijn geheele nart, en sprak tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een nazirecr Gods van den moederschoot af: indien ik ge- |
KECHTEREN 16.
505
|
schoren werd, zoo zou mijne kracht van mij wijken dat ik zwak werd, en ik zou gelijk alle andere menschen zijn. 18 Toen nu Delila zag dat hij haar zijn geheele hart geopenbaard had, zoo zond zij heen en liet de vorsten der Filistijnen roepen, zeggende: Komt nog ditmaal, want hij heeft mij zijn geheele hart geopenbaard. Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar, en brachten het geld mede in hunne handen. 19 En zij maakte dat hij sliep op haren schoot, en zij riep iemand die hem de zeven lokken zijns hoofds afschoor; cn zij begon hem te plagen, en zijne kracht was van hem geweken. 30 En zij sprak tot hem: De Filistijnen over u, Sim-son! Toen hij nu uit zijnen slaap ontwaakte, dacht hij: Ik zal uitgaan gelijk ik meermalen gedaan heb, en mij lostrekken. Doch hij wist niet dat de Heer van hem geweken was. 31 De Filistijnen nu grepen hem en staken hemde oogen uit, en voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij moest malen in de gevangenis. |
33 Maar het haar zijns hoofds begon weder te groeien nadat het afgeschoren was. 33 En toen de vorsten der Filistijnen zich vergaderden om hunnen god Dagon een groot otter te brengen en zich te verblijden, spraken zij: Onze god heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven. 34 Desgelijks als het volk hem zag, loofden zij hunnen god; want zij zeiden: Onze god heeft onzen vijand in onze hand gegeven, die ons land verdierf en velen van ons versloeg. 35 Toen nu hun hart vroo-lijk was, spraken zij: Laat Simson halen, opdat hij voor ons spele. Toen haalden zij Simson uit de gevangenis, en hij speelde voor hen, en zij stelden hem tusschen twee pilaren. 36 Simson nu sprak tot den jongen die hem bij de hand leidde: Laat mij los, opdat ik de pilaren betaste op welke het huis slaat, en er tegen leune. 37 En het huis was vol van mannen en vrouwen, ook waren al de vorsten der Filistijnen daar; en op het dak waren omtrent drieduizend mannen en vrouwen, die toezagen hoe Simson speelde. |
EEC H TEREN 17.
506
|
28 Toen riep Simson den Heer aan en sprak: Heere Heere, gedenk aan mij en sterk mij, God, ook ditmaal nog, dat ik mij voor mijne beide oogen ééns wre-ke op de filistijnen. 29 En Lij vatte de twee middelste pilaren op welke liet huis gezet was en waarop het steunde, den éénen met zijne rechterhand en den anderen met zijne linkerhand; 30 en hij sprak; Mijne ziel sterve met de Filistijnen. En hij boog zich met kracht; toen viel het huis op de vorsten en op al het volk dat er in was: zoodat degenen die bij zijnen dood stierven meer waren dan die bij zijn leven door hem gedood waren. 31 Toen kwamen zijne broeders en het geheele huis zijns vaders, en namen hem weg, en droegen hem opwaarts, en begroeven hem in het graf van zijnen vader Manóah, tusschen Zora en Estaol. Hij nu bad Israël gericht twintig jaar. HOOFDSTUK 17. 1 En er was een man van het gebergte van Efraïm, genaamd Micha. |
2 Die sprak tot zijne moeder: De duizend en honderd zilverlingen die u ontnomen zijn, en waarover gij eene vervloeking voor mijne ooren hebt uitgesproken, zie, dat geld is bij mij, ik heb het tot mij genomen. Toen sprak zijne moeder: Gezegend zij mijn zoon den Heere. 3 Alzoo gaf hij zijne moeder de duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijne moeder sprak: Ik heb dat geld den Heere geheiligd van mijne hand, voor mijnen zoon, dat hij een gesneden en gegoten beeld zou doen maken; daarom geef ik het u nu terug. 4 Maar hij gaf dat geld aan zijne moeder weder. Toen nam zijne moeder tweehonderd zilverlingen en bracht die tot den goudsmid, die maakte haar een gesneden en gegoten beeld; en het was daarna in het huis van Micha. 5 En de man Micha had een huis Gods, en hij maakte een lijfrok en afgoden, en wijdde een van zijne zonen, dat hij zijn priester werd. 6 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat hem goeddacht. 7 Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, onder het geslacht van Juda; en hij was een Leviet, en |
EECHÏEREN 18.
507
|
verkeerde daar als vreemdeling. 8 En hij trok uit de stad Bethlehem-Juda, om te wandelen waarheen hij kon; en toen hij op het gebergte van Et'raïm kwam aan het huis van Micha, terwijl hij zijnen weg ging, 9 vraagde Micha hem: Vanwaar komt gij? En hij antwoordde hem; Ik ben een Leviet van Bethlehem-Juda, en wandel waarheen ik kan. 10 En Micha sprak tot hem: Blijf bij mij, gij zult mijn vader en mijn priester zijn; ik zal u jaarlijks tien zilverlingen en de noodige kleederen en uw voedsel geven. En de Leviet ging met hem. 11 En de Leviet nam aan bij dien man te blijven; en hij hield den jongeling als een zoon. 12 En Micha wijdde den Leviet, opdat hij zijn priester wierd; en hij was alzoo in het huis van Micha. 13 En Micha sprak: Nu weet ik dat de Heer mij zal weldoen, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb. HOOFDSTUK 18. |
1 In die dagen was er geen koning in Israël; en de stam der Danieten zocht een erfdeel voor zich, waar zij konden wonen; want er was Imn tot op dien dag nog geen erfdeel toegevallen onder de stammen van Israël. 2 En de kinderen van Dan zonden uit hunne geslachten van hunne einden vijf strijdbare mannen uit Zora en Estaol, om het land te bespieden en te doorzoeken; en zij spraken tot hen: Trekt heen en doorzoekt het land. En zij kwamen op het gebergte van Efraïm aan het huis van Micha, en bleven aldaar den nacht over. 3 En terwijl zij aldaar bij het huisgezin van Micha waren, herkenden zij de stem van den jongeling, den Leviet ; en zij weken derwaarts af en spraken tot hem: Wie heeft u hier gebracht? Wat doet gij hier en wat hebt gij hier? 4 En hij antwoordde hun: Zóó en zóó heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, opdat ik zijn priester zou zijn. 5 ïoen zeiden zij tot hem: Eilieve vraag God, opdat wij weten of onze weg dien wij wandelen wèl gelukken zal. 6 En de priester antwoord- |
RECHTEEEN 18.
508
|
de hun: Trekt heen in vrede, uw weg dien gij trekt is recht voor den Heer. 7 Toen gingen die vijf mannen heen en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat er in was, zorgeloos wonen, op de wijze der Sidoniërs, stil en gerust, en er was niemand in dat land die hun leed aandeed of heer over hen was; en zij waren ver van de Sidoniërs, en hadden niets met die lieden te doen. 8 En zij kwamen tot hunne broeders te Zora en Estaol, en hunne broeders spraken tot hen: Hoe staat het met ulieden? 9 En zij spraken: Welaan, laat ons tegen hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, het is zeer goed; daarom haast u, en zijt niet traag om optetrek-ken, dat gij komt om dat land intenemen. 10 Als gij daar komt, zult gij tot een zorgeloos volk komen, en het land is wijd en ruim; voorzeker God heeft het in uwe hand gegeven , eene landstreek waar niets ontbreekt van alles wat op de aarde is. 11 Toen trokken vandaar uit de geslachten van Dan, uit Zora en Estaol, zeshonderd mannen, toegerust met |
hunne wapenen tot den strijd. 13 En zij trokken op en legerden zich te Kirjath-Jearim in Juda: daarom noemden zij die plaats het leger van Dan, tot op dezen dag; zie, zij is achter Kirjath-Jearim. 13 En vandaar gingen zij op het gebergte van Efraïm, en kwamen aan het huis van Micha. 14 Toen antwoordden de vijf mannen die uitgegaan waren om het land Laïs te bespieden, en spraken tot hunne broeders: Weet gijlieden wel dat in dit huis een lijfrok, afgoden en een gesneden en gegoten beeld zijn? Nu moogt gij toezien , wat u te doen staat. 15 En zij weken derwaarts af, en kwamen aan het huis van den jongeling, den Leviet, in Micha's huis, en groetten hem vriendelijk. 16 De zeshonderd mannen nu, met hunne harnassen toegerust, die van de kinderen van Dan waren, stonden voor de poort. 17 En de vijf mannen die uitgetrokken waren om het land te bespieden, gingen ( op en kwamen daarin, en namen het gesneden beeld, den lijfrok, de afgoden en |
RECHTERENquot; 18.
509
|
het gegoten beeld weg; on-dertusschen stond de priester voor de poort met de zeshonderd mannen die toegerust waren met hunne harnassen. 18 Als zij nu in het huis van Micha gekomen waren, en het gesneden beeld, den lijfrok, de afgoden en het gegoten beeld namen, sprak de priester tot hen: VVat doet gij? 19 En zij antwoordden hem: Zwijg en houd den mond toe, en trek met ons, om onze vader en priester te zijn: is het u Deter dat gij in het huis van één man priester zijt, of onder een stam en een geslacht van Israël? 30 Dit behaagde den priester, en hij nam den lijfrok, de afgoden en het gesneden beeld, en kwam mede onder het volk. 31 En toen zij zich keerden en heentrokken, zonden zij de kinderkens en het vee en alwat zij kostelijks hadden voor zich uit. 33 Als zij nu ver van Micha's huis gekomen waren, riep men de mannen die in de huizen bij Micha's huis waren, en zij volgden de kinderen van Dan achterna; |
33 en zij riepen de kinderen van Dan toe; toen keerden die hun aangezicht om en spraken tot Micha: Wat is het dat gij zijt bij-ééngeroepen? 31 En hij antwoordde: Gij hebt mijne goden genomen die ik gemaakt heb, benevens den priester, en trekt heen; wat heb ik nu over? En gij vraagt nog: Wat is u? 35 Maar de kinderen van Dan spraken tot hem: Laat uwe stem niet gehoord worden onder ons, opdat toornige lieden niet op u aanvallen, en gij uw leven en het leven van uw huis verliest. 36 Alzoo gingen de kinderen van Dan hunnen weg; en toen Micha zag dat zij hem te sterk waren, keerde hij om en kwam weder naar zijn huis. 37 Zij nu namen hetgeen Micha gemaakt had, benevens den priester dien hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zorgeloos volk; en zij sloegen hen met de scherpte des zwaards, en verbrandden de stad met vuur. 38 En er wa niemand die haar verloste, want zij lag ver van Sidon, ook hadden zij met niemand iets te doen; en zij lag in de val- |
RECHTEEÉN 19.
BIO
|
lei die bij Beth-Eehob is. Toen herbouwden zij de stad en woonden daarin, , 39 en zij noemden haar Dan, naar den naam van hunnen vader Dan die aan Israël geboren was; en die stad heette tevoren Laïs. 30 En de kinderen van Dan richtten het beeld voor zich op; en Jonathan, de zoon van Gersora den zoon van Manasse, hij en zijne zonen waren priesters onder den stam der Danieten, tot den tijd toe dat zij uit het land gevankelijk weggevoerd werden. 31 En zij stelden alzoo het beeld van Micha, hetwelk hij gemaakt had, onder zich, zoolang het huis Gods te Silo was. HOOFDSTUK 19. 1 In die dagen was er geen koning in Israël; en een Levitisch man was als vreemdeling aan de zijde van het gebergte van Efraïm, en had een bijwijf tot vrouw genomen uit Bethlehem-Juda. 2 En toen zij, bij hem zijnde, gehoereerd had, liep zij van hem af naar haars vaders huis te Bethlohem-Juda, en zij was aldaar een tijd van vier maanden. , S En haar man maakte zich op en trok haar na, zi |
ezels bij zich. En zij bracht di en toen de vader van de di jonge vrouw hem zag, werd hij vroolijk en ontving hem o] 4 En zijn schoonvader, de zi vader der jonge vrouw, Vi hield hem op, dat hij drie v dagen bij hem bleef, en zij d aten en dronken, en bleven » des nachts aldaar. n 5 En op den vierden dag d maakten zij zich des mor- b gens vroeg op, en hij stond e: op en wilde wegtrekken; sl toen sprak de vader der , ti jonge vrouw tot zijnen schoonzoon: Laaf uw hart d eerst met een bete broods, u daarna zult gij wegtrekken. t de vader der jonge vrouw I tot den man: Eilieve blijf hem, dat hij daar den nacht r- ( overbleef. |
RECHTEEEN 19.
511
|
zich vroeg op en wilde wegtrekken. Toen sprak de vader der jonge vrouw: Eilieve laaf uw hart, en laat ons vertoeven totdat de dag zich neigt. En alzoo aten die beiden met elkander. 9 En de man maakte zich op en wilde wegtrekken met zijn bijwijf en met zijnen jongen; en zijn schoonvader, de vader der jonge vrouw, sprak tot hem: Zie, de dag is gedaald en het zal avond worden, blijf den nacht over; zie, hier is dezen dag nog herberging, blijf hier den nacht over en laat uw hart vroolijk zijn; sta morgen vroeg op en trek uwsweegs naar uwe hut. 10 Doch de man wilde den nacht niet overblijven, maar maakte zich op en trok heen, en kwam tot voor Jebus, dat is Jeruzalem; en zijn paar beladen ezels en zijn bijwijf waren met hem. 11 Toen zij nu bij Jebus kwamen, liep de dag ten einde; en de jongen sprak tot zijnen heer: Eilieve trek voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken en daarin vernachten. |
13 Maar zijn heer sprak tot hem: Wij zullen niet wijken in de stad der vreemden , die niet van de kinderen Israels zijn, maar zullen voorttrekken naar Gibea. 13 En hij sprak tot zijnen jongen: Ga voort, dat wij aan eene plaats komen, en te Gibea of te Eama vernachten. l-l Alzoo trokken zij voort en reisden, en de zon ging hun onder nabij Gibea in Benjamin. 15 En zij weken derwaarts om er intekomen en te Gibea te vernachten. Toen hij nu daar inkwam, zette hij zich op de straat der stad; want er was niemand die hen dien nacht in huis wilde nemen. 16 Doch zie, daar kwam een oud man van zijnen arbeid van het veld op den avond; en hij was óók van het gebergte van Efraïm, en een vreemdeling te Gibea; de lieden van die plaats nu waren Benjaininieten. 17 En toen hij zijne oogen ophief en den reiziger op de straat der stad zag, sprak hij tot hem: Waar wilt gij heen en vanwaar komt gij? 18 Hij nu antwoordde hem: Wij reizen van Beth-lehem-Juda, totdat wij komen aan de zijde van het gebergte van Efraïm, vanwaar ik ben en vanwaar ik naar |
EEC H TEREN 19.
512
|
Bethlehem-Juda getrokken was; en nu ga ik naar het huis des Heeren, en niemand wil mij in huis nemen. 19 Wij hebben stroo en voeder voor onze ezels, en brood en wijn voor mij en uwe dienstmaagd en voor den jongen die met uwen knecht is, zoodat ons niets ontbreekt. 30 En de oude man sprak: quot;Vrede zij met u; al wat u ontbreken mocht, vindt gij bij mij; blijf slechts niet den nacht over op de straat. 21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf voeder aan do ezels; en zij wieschen hunne voeten en aten en dronken. 22 En toen hun hart nu vroolijk was, zie, toen kwamen de lieden der stad, booze mannen, en omringden het huis, en klopten aan de deur, en spraken tot den ouden man, den huiswaard: Breng den man buiten die in uw huis gekomen is, dat wij hem bekennen. 23 Maar de man, de huiswaard, ging tot hen uit en sprak tot hen; Neen mijne broeders, doet zulk een kwaad niet; nademaal deze man in mijn huis gekomen is, doet zulk eene misdaad niet. |
24 Zie, ik heb eene dochter die nog maagd is, en zijn bijwijf; die wil ik tot u uitbrengen, die moogt gij schenden en met haar doen wat u behaagt; maar doet aan dezen man zulk eene misdaad niet. 25 Maar de lieden wilden naar hem niet hooren. Toen greep de man zijn bijwijf en bracht haar tot hen uit; en zij bekenden haar en gingen schandelijk met haar om den geheelen nacht, tot 's morgens toe, en toen de dageraad aanbrak lieten zij haar gaan. 26 Toen kwam die vrouw des morgens vroeg, en viel neder voor de deur van het huis des mans waarin haar heer was, en lag daar totdat het licht werd. 27 Toen nu haar heer des morgens opstond en de deur van het huis opendeed, en er uitging om zijnsweegs te trekken, zie, toen lag zijn bijwijf voor de deur van het huis, met hare handen op den drempel. 28 Hij nu sprak tot haar: Sta op en laat ons trekken. Maar zij antwoordde niet. Toen nam hij haar op den ezel, maakte zich op en trok naar zijne plaats. 29 Ais hij nu tehuiskwam, nam hij een mes en greep |
EECHTEEEN 30.
513
|
zijn bijwijf, en hieuw haar met beenderen en al in twaalf stukken, en zond die in al de grenspalen van Israël. 30 En alwie dat zag, sprak: Zoo iets is niet geschied noch gezien sedert den tijd dat de kinderen Israels uit Egypteland getrokken zijn, tot op dezen dag: neemt dit ter harte, geeft raad en spreekt. HOOFDSTUK 20. 1 Toen trokken de kinderen Israels uit en verzamelden zich als een ecnig man, van l)an af tot Ber-Séba toe, en het land Gilead, voor den Heer te Mizpa. 3 En de oversten van het geheele volk, van al de stammen Israels, kwamen tezamen in de gemeente Gods, vierhonderdduizend man te voet die het zwaard uittrokken. 3 De kinderen Benjamins nu hoorden dat de kinderen Israels naar Mizpa opgetrokken waren. En de kinderen Israels spraken: Zegt, hoe is dit kwaad toegegaan? 4 Toen antwoordde de Leviet, de man der vrouw die gedood was, en sprak: Ik kwam te Gibea in Benjamin met mijn bijwijf, om er den nacht over te blijven. |
5 Toen stonden de burgers van Gibea tegen mij op, omringden mij in het huis bij nacht, en dachten mij te dooden; en zij hebben mijn bijwijf geschonden dat zij gestorven is. C Toen nam ik mijn bijwijf en hieuw haar in stukken, en zond die in het gansche land des erfdeels van Israël; want zij hebben een moedwil en eene misdaad in Israël gedaan. 7 Zie, gij allen,kinderen Israëls, spreekt met elkander en geeft raad. 8 Toen maakte zich al het volk op als een éénig man, zeggende: Er zal niemand naar zijne hut gaan noch in zijn huis wijken, 9 maar dit willen wij nu doen tegen Gibea: laat ons loten, 10 en nemen tienmannen van de honderd, on honderd van de duizend, en duizend van de tienduizend, uit al de stammen Israels, om voorraad te nemen voor het volk, dat zij komen en doen met Gibea Benjamins naar al hunne misdaad die zij in Israël gedaan hebben. 11 Alzoo verzamelden zich voor die stad al de mannen Israëls, en verbonden zich als een éénig man. |
17
REOHTEËEN 20.
514
|
13 En de stammen Israëls zonden mannen aan al de geslachten van Benjamin, en lieten hun zeggen: Wat is dat voor eene boosheid die onder ulieden geschied is? 13 Zoo geeft nu die mannen over, die booze lieden te Gibea, opdat wij hen doo-den en het kwaad uit Israël wegdoen. Doch de kinderen Benjamins wilden niet hoo-ren naar de stem van hunne broeders de kinderen Israëls, 14 maar zij verzamelden zich uit de steden naar Gibea , om uittetrekken tot (Jen strijd tegen de kinderen Israels. 15 En op dien dag werden de kinderen Benjamins geteld uit de steden, zesen-twintigduizend man die het zwaard uittrokken; behalve de burgers van Gibea, van welke er geteld werden zevenhonderd , allen uitgelezen mannen. 16 En onder al dat volk waren zevenhonderd uitgelezen mannen die linkseh waren; die konden met den slinger een haar treffen, en misten nooit. 17 Ook die van Israël, behalve die van Benjamin, werden geteld vierhonderdduizend man die het zwaard voerden, allen strijdbare mannen. |
18 Die maakten zich op en trokken op naar het huis Gods, en vraagden God en spraken: Wie zal voor ons optrekken om den strijd te beginnen tegen de kinderen Benjamins? En de Heer sprak: Juda zal beginnen. 19 Alzoo maakten zich de kinderen Israëls des 'morgens op, en legerden zich voor Gibea. 20 En de mannen Israëls gingen uit om te strijden tegen Benjamin, en schikten zich ten strijde tegen Gibea. 21 Toen vielen de kinderen Benjamins uit van Gibea , en sloegen op dien dag van Israël tweeëntwintigduizend man terneder. 23 Doch het volk, de manschap van Israël, vermande zich, en zij rustten zich toe om nog verder te strijden in dezelfde plaats waar zij zich den vorigen dag toegerust hadden. 28 En de kinderen Israëls trokken op en weenden voor den Heer, tot 'savonds toe, en zij vraagden den Heer, zeggende: Zullen wij weder naderen om te strijden tegen de kinderen Benjamins, onze broeders? En de Heer sprak: Trekt tegen hen op. |
REGHTEKEN 30.
315
|
24 Toen nu de kinderen Israels des anderen daags op de kinderen Benjamins den aanval deden, 35 togen de Benjaminieten uit Gibea hun tegemoet op dien dag, en sloegen van de kinderen Israels nog achttienduizend man terneder , die allen het zwaard voerden. 36 Toen trokken al de kinderen Israels en al het volk op, en zij kwamen tot het huis Gods en weenden, en bleven aldaar voor den Heer, en vastten dien dag tot den avond toe, en ofler-den brandoffers en dankoffers voor den Heer. 37 En de kinderen Israels vraagden den Heer; want de ark des verbonds van God was op dien tijd aldaar. 38 En Pinehas, de zoon van Eleazar den zoon van Aaron, stond op dien tijd voor zijn aangezicht, zeggende : Zd ik nog meer uittrekken om te strijden tegen de kinderen Benjamins , onze broeders, of zal ik ophouden? En de Heer sprak: Trekt op; morgen zal ik hen in uwe hand geven. 39 En de kinderen Israels stelden eene hinderlaag tegen Gibea rondom. |
80 En de kinderen Israels trokken alzoo op den derden dag tegen de kinderen Benjamins op, en rustten zich toe tegen Gibea, zooals de vorige malen. 31 Toen togen de kinderen Benjamins uit, liet volk tegemoet, en lieten zich aftrekken van de stad, en begonnen te slaan en te wonden onder het volk, zooals de vorige malen, in het véld, op de twee groote wegen, van welke de ééne naar Beth-El, de andere naar Gibea leidt, omtrent dertig mannen van Israël. 33 Toen dachten de kinderen Benjamins: Zij zijn geslagen voor ons als tevoren.Maar de kinderen Israels spraken: Laat ons vlieden, opdat wij hen van de stad aftrekken naar de groote wegen. 33 Toen maakten zich al de mannen Israels op van hunne plaatsen, en rustten zich toe te Baal-Tamar; en de hinderlaag van Israël brak op uit hare plaats, uit het hol van Geba. 34 En tegenover Gibea kwamen tienduizend man, uitgelezen uit geheel Israël, zoodat de strijd hard werd; doch zij wisten niet dat het ongeluk hen treffen zou. 35 Alzoo sloeg de Heer Benjamin voor de kinderen |
|
516 Israels, zoodat de kinderen Israëls op dien dag vernielden vijfentwintigduizend en honderd man van Benjamin , die allen het zwaard voerden. 3G En toen de kinderen Benjamins meenden dat de kinderen Israëls geslagen waren, hadden deze hun slechts ruimte gegeven; want zij verlieten zich op de hinderlaag die zij bij Gibea gesteld hadden. 37 En de hinderlaag haastte zich ook en deed een aanval op Gibea, en sloeg de ge-heele stad met de scherpte des zwaards. 38 Want zij hadden eene afspraak met elkander, de kinderen Israels en de hinderlaag, om hen met het zwaard te overvallen, wanneer een rook uit de stad zou opgaan. 39 Toen nu de Israëlieten den rug keerden in den strijd, en Benjamin onder de mannen Israëls begon te slaan en te wonden omtrent dertig man, en dacht: Zij zijn voor ons geslagen als in den vorigen strijd, 40 toen begon een kolom van rook hoog optestijgen uit de stad, en Benjamin zag achter zich om, en zie, toen ging de brand dei-stad op naar den hemel. |
41 Toen keerden zich de mannen van Israël om; en de mannen van Benjamin verschrikten, want zij zagen dat het ongeluk hen treflen zou. 43 En zij wendden zich voor de mannen van Israël op den weg naar de woestijn; maar de strijd volgde hen achterna, en die uit de steden daarbij kwamen, quot;vernielden ze midden onder hen. 48 En zij omsingelden Benjamin, en joegen hem na tot Menuha toe, en vertraden hem tot voor Gibea, tegen den opgang der zon. 44 En er vielen van Benjamin achttienduizend man, die allen strijdbare mannen waren. 45 Toen keerden zij zich en vluchtten naar de woestijn naar de steenrots Eim-mon; maar op de groote wegen versloegen zij vijfduizend man; en zij volgden hen achterna tot Gideom toe, en versloegen van hen tweeduizend man. 46 Eu alzoo vielen op dien dag van Benjamin vijfentwintigduizend man, die het zwaard voerden en allen strijdbare mannen waren. 47 Slechts zeshonderd mannen keerden zich en vloden EECHTEEEN 30. |
RECHTEEEN 21.
517
|
naar de woestijn tot de steenrots Rimmon, en Weven in de steenrots Rimmon vier maanden. 48 En de mannen van Israël kwamen weder tot de kinderen Benjamins, en sloegen met de scherpte des zwaards die in de stad waren, zoo mensohen als vee en al wat men vond; en al de steden die men vond verbrandden zij met vuur. HOOFDSTUK 21. 1 De mannen van Israël nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand zal zijne dochter aan een Benjaminiet tot vrouw geven. 2 En het volk kwam tot het huis Gods, en bleef daar tot den avond toe voor God; en zij hieven hunne stem op en weenden zeer, 3 en spraken: O Heer, God van Israël, waarom is dit geschied in Israël, dat er heden een stam in Israël gemist wordt? 4 En des anderen morgens maakte het volk zich vroeg op en bouwde daar een altaar, en zij offerden brandofters en dankofl'ers. 5 En de kinderen Israi'ls spraken; Wie is er uit al de stammen van Israël, die niet in de gemeente is opgekomen tot den Heer? |
Want er was een groote eed gedaan, dat wie niet opkwam tot den Heer te Mizpa, den dood zou sterven. 6 En het berouwde de kinderen Israëls wegens Benjamin hunnen broeder, en zij spraken: Heden is er een stam van Israël afgesneden. 7 Wat zullen wij nu doen, dat de overgeblevenen vrouwen krijgen? Want wij hebben gezworen bij den Heer, dat wij hun niet van onze dochters tot vrouwen geven zullen. 8 En zij spraken; Wie is er onder de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot den Heer te Mizpa? En zie, er was niemand van Jabes in Gilead gekomen in het leger tot de gemeente; 9 want zij telden het volk, en zie, toen was er geen burger van Jabes in Gilead. 10 Toen zond de gemeente twaalfduizend man daarheen, strijdbare mannen, en zij geboden hun, zeggende: Gaat heen en slaat met de scherpte des zwaards de burgers van Jabes in Gilead, met vrouwen en kinderen. 11 Doch dit zult gij doen: alwat mannelijk is, en alle |
REGHTEEEN 21.
518
|
vrouwen die bij een man gelegen hebben, zult gij Terbannen. — 13 En zij vonden bij de burgers van Jabes in Gilead vierhonderd jongedochters die maagden waren en bij geen man gelegen hadden; die brachten zij in het leger te Silo in het land Ka-naan. 13 Toen zond de geheele gemeente heen en liet spreken met de kinderen Benjamins die in de steenrots Rimmon waren, en zij riepen hun toe; Vrede! 14 Alzoo kwamen de kinderen Benjamins weder te dier tijd; en zij gaven hun de vrouwen die zij behouden hadden uit de vrouwen van Jabes in Gilead; doch aldus waren er niet genoeg voor hen. 15 Toen had het volk berouw wegens Benjamin, dat de Heer eene scheur gemaakt had in de stammen van Israël; 16 en de oudsten der gemeente spraken: Wat zullen wij doen, dat de overgeblevenen óók vrouwen krijgen ? Want de vrouwen in Benjamin zijn verdelgd. 17 En zij spraken: De overgeblevenen van Benjamin moeten immers hun erfdeel behouden, opdat er geen stam uit Israël worde uitgedelgd. |
18 En wij kunnen hun onze dochters niet tot vrouwen geven; want de kinderen Israels hebben gezworen , zeggende: Vervloekt zij wie aan de Benjaminie-ten eene vrouw geeft. 19 En zij spraken: Zie, er is een jaarfeest des Hee-ren te Silo, dat noordwaarts ligt tegen Beth-El, tegen den opgang der zon, op den weg dien men opgaat van Beth-El naar Sichem, en zuidwaarts ligt tegen Leboua. 20 En zij geboden den kinderen Benjamins, zeggende: Gaat heen en verschuilt ii in de wijnbergen. 21 Als gij dan ziet dat de dochters van Silo bij reien ten dans uitgaan, zoo komt op uit de wijnbergen, en elk neme zich eene vrouw uit de dochters van Silo; en gaat heen naar het land van Benjamin. 22 En wanneer hare vaders of broeders komen om met oas te twisten, zoo zullen wij tot hen zeggen: Weest hun genadig, want wij hebben ze niet genomen met strijd; maar gij wildet ze hun niet geven: de schuld is nu aan u. 23 En de kinderen Ben- |
|
jamins deden zoo, en namen vrouwen naar hun getal , van de reien, welke zij roofden; en zij trokken heen en woonden in hun erfdeel, en bouwden steden en woonden daarin. 24 En de kinderen Israels |
H 1. 519 begaven zich óók vandaar te dier tijd, elk naar zijnen stam en naar zijn geslacht; en zij trokken vandaar uit, elk naar zijn erfdeel. 25 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat hem goeddacht. |
HEÏ BOEK
E U T H.
Tinm.-n^rrTr i I 4 I,eze nu namen ^ HOOIDSTUIv 1. I Moabietische vrouwen: de
1 Ten tijde toen de rech- ééne genaamd Orpa, de an-
ters regeerden, was ereene dere Kutli. En toen zij al-
duurte in het land, en een daar gewoond hadden om-
man van Bethlehem-Juda trent tien jaren,
trok weg met zijne huis- 5 stierven ook die twee,
vrouw en twee zonen, om Mahlon en Iviljon, zoodat
als vreemdeling te verkeeren die vrouw na hare twee
in het land der Moabieten. zonen en na haren man al-
3 Deze man was genaamd léén overbleef.
Elimélech, eu zijne huis- 6 Toen maakte zij zich op
vrouw Naomi; en zijne twee met hare twee schoondoch-
zonen, Mahlon en Kiljon, ters, en keerde weder uit
waren Efrathieten uit Beth- hetland der Moabieten; want
lehem-Juda; en toen zij in zij had vernomen in het land
het land der Moabieten der Moabieten, dat de Heer
kwamen, bleven zij aldaar, zijn volk bezocht en hun
8 En Elimélech, de man brood gegeven had.
van Naomi, stierf; en zij 7 En zij ging uit van de
bleef over met hare twee plaats waar zij geweest was,
zonen. 1 en hare twee schoondochters
EUT
H 1.
520
|
met haar. En toen zij op den weg gingen om weder in het land Juda te komen, 8 zoo sprak zij tot hare twee schoondochters: Gaat heen en keert weder, elk tot het huis harer moeder; de Heer doe barmhartigheid aan u, gelijk gij aan de dooden en aan mij gedaan hebt; 9 de Heer geve u dat gij rust vindt, ieder in het huis van haren man. En zij kuste haar; en zij hieven hare stem op en weenden, 10 en spraken tot haar: Wij willen met u naar uw volk gaan. 11 Maar Naomi sprak: Keert weder, mijne dochters ; waarom wilt gij met mij gaan? Hoe kan ik voortaan kinderen in mijn schoot hebben, die u tot mannen zouden kunnen zijn? 13 Keert weder, mijne dochters, en gaat heen; want ik ben nu te oud om een man te nemen; al ware het ook dat ik zeide: Er is hoop voor mij, dat ik nog dezen nacht een man kreeg en kinderen baarde, — 13 hoe! zoudt gij daarop wachten totdat zij groot wierden? hoe! zoudt gij daarom vertoeven dat gij geen mannen zoudt nemen? Neen mijne dochters; het is mij zeer bitter om uwent-wil, want de hand des Hee-reu is over mij uitgegaan. — |
14 Toen hieven zij hare stem op en weenden nog meer; en Orpa kuste hare schoonmoeder, maar Euth bleef bij haar. 15 Toen zeide zij: Zie, uwe schoonzuster is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden: keer ' gij óók weder, uwe schoonzuster achterna. 16 Doch Euth antwoordde : Dwing mij niet dat ik u verlaten zou en van u omkeeren; waar gij heengaat, daar wil ik ócflc heengaan, en waar gij blijft, daar blijf ik óók; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; 17 waar gij sterft, daar sterf ik óók, en daar wil ik ook begraven worden: de Heer doe mij dit en dat, zoo niet de (lood alleen scheiding zal maken tus-schen mij en u. 18 Als zij nu zag dat zij vast besloten was om met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar daarvan te spreken. 19 Alzoo gingen die twee met elkander, totdat zij te Bethlehem kwamen. Én toen zij te Bethlehem kwamen , werd de geheele stad |
EUTH 2.
521
|
beroerd om harentwil, en zij zeiden: Is dit Naomi? 20 Maar zij sprak tot hen: Noemt mij niet Naomi, maar Mara, want do Almachtige heeft mij zeer bedroefd. 31 Vol trok ik heen, maar ledig heeft mij de Heer weder naarhuis gebracht: waarom noemt gij mij dan Naomi, daar immers de Heer mij verootmoedigden de Almachtige mii bedroefd heeft? 23 En het was omtrent den tijd dat de gerstenoogst begon, toen Naomi en hare schoondochter Euth, de Moabietische, te Bethlehem wederkwamen uit het land der Moabieten. HOOFDSTUK 2. 1 Naomi nu had een bloedverwant van de zijde haars mans, uit het geslacht van Elimélech, genaamd Boaz; die was een man groot van vermogen. 2 En Ruth de Moabietische sprak tot Naomi: Lnat mij op het veld gaan, en de aren opzamelen achter dengeen voor wien ik ge-' nade vinden zal. En zij sprak tot haar: Ga heen mijne dochter. |
3 En zij ging heen, en kwam en zamelde op achter de maaiers op het veld; en het gebeurde bijgeval dat dit het veld was van Boaz, die van het geslacht van Elimélech was. 4 En zie, Boaz kwam juist van Bethlehem, en sprak tot de maaiers; De Heer zij met ulieden. En zij antwoordden: De Heer zege-ne u. 5 En Boaz sprak tot zijnen knecht die over de maaiers gesteld was; quot;Van wien is deze jonge vrouw? 6 En de knecht die over de maaiers gesteld was antwoordde en sprak: Het is de Moabietische jonge vrouw die met Naomi wedergekeerd is uit het land der Moabieten; 7 en zij zeide: Laat mij toch mogen opzamelen en vergaderen bij de schoven achter do maaiers; en zij is alzoo gekomen en heeft aldaar gestaan van 's morgens af tot nu toe, en zij blijft weinig tehuis. 8 Toen sprak Boaz tot Ruth: Hoort gij wel, mijne dochter? Gij zult op geen anderen akker gaan om op-tezamelen, en ga niet vanhier, maar houd u bij mijne dienstmaagden. 9 En zie toe waar zij maaien in het veld, en ga daar achter haar; ik heb |
EUTH 2.
|
mijnen knechten geboden dat niemand n eenig leed doe; en als gij dorst hebt, zoo ga heen tot de vaten, en drink van hetgeen mijne knechten scheppen. 10 Toen viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde neder, en sprak tot hem: Hoe hel) ik zooveel genade kunnen vinden in uwe oogen, dat gij mij zoo onderscheidt, die immers een vreemde ben? 11 En Boaz antwoordde en sprak tot haar: Het is mij altemaal gezegd wat gij na uws mans dood gedaan hebt aan uwe schoonmoeder, dat gij uwen vader en uwe moeder en uw vaderland verlaten hebt, en tot een volk zijt gekomen hetwelk gij tevoren niet ken-det: 12 de Heer vergelde u uwe daad, en uw loon zij volkomen bij den Heer, den God van Israël, tot wien gij gekomen zijt om onder zijne vleugelen toevlucht te nemen. 13 En zij sprak: Laat mij genade voor uwe oogen vinden, mijn heer; want gij hebt mij getroost en uwe dienstmaagd vriendelijk toegesproken, daar ik zelfs niet eens ben gelijk een van uwe dienstmaagden. |
14 En Boaz sprak tot haar: Als het etenstijd is, zoo kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. En zij zette zich aan de zijde van de maaiers, en hij leide haar gerooste aren voor, en zij at en werd verzadigd en hield over. 15 En toen zij opstond om optezamelen, gebood Boaz zijnen knechten, zeggende: Als zij ook tusschen de schoven opzamelt, zoo beschaamt haar niet; 16 laat zelfs van de schoven wat vallen, en laat het liggen opdat zij het opza-mele, en niemand bestrafte haar daarover. 17 Alzoo zamelde zij op in het veld tot des avonds toe; en zij sloeg uit hetgeen zij had opgezameld, en het was omtrent een efa gerst. 18 En zij nam het op en kwam in de stad, en hare schoonmoeder zag wat zij opgezameld had; toen bracht zij het, en gaf haar hetgeen zij had overgehouden nadat zij verzadigd was. 19 Toen sprak hare schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgezameld en waar hebt gij gearbeid? Gezegend zij wie u dus onderscheiden heeft. En zij |
|
EU'J zeide aan hare schoonmoeder bij wien zij gearbeid had, en sprak: De man bij wien ik heden gearbeid heb heet Boaz. 20 En Naomi sprak tot hare schoondochter: Gezegend zij hij den Heere die zijne barmhartigheid niet heeft nagelaten zoo aan de levenden als aan de dooden. En Naomi sprak tot haar: Die man bestaat ons, en is een van onze erflossers. 31 En Ruth de M.oabie-tisclie sprak: Hij zeide ook tot mij; Gij zult u bij mijne knechten houden, totdat zij mijn geheelen oogst ingezameld hebben. 32 En Naomi sprak tot Ruth hare schoondochter: Het is goed mijne dochter, dat gij met zijne dienstmaagden uitgaat, opdat niemand op een anderen akker u tegenkome. 33 Alzoo hield zij zich bij de dienstmaagden van Boaz, dat zij opzamelde totdat de gerstenoogst en de tarwen-oogst voleindigd waren; daarna bleef zij bij hare schoonmoeder. HOOFDSTUK 3. 1 En Naomi hare schoonmoeder sprak tot haar: Mijne dochter, ik wil u |
H 3. 538 rust bezorgen, dat het u welga. 3 Nu dan, deze Boaz, bij wiens dienstmaagden gij geweest zijt, is onze bloedverwant. Zie, hij zal dezen nacht op zijnen dorschvloer gerst wannen. 3 Zoo baad u dan en zalf u, en trek uw kleed aan, en ga af naar den dorschvloer, en maak u niet bekend voordat men gegeten en gedronken zal hebben. 4 Als hij zich dan gaat nederleggen, zoo bemerk de plaats waar hij zich neder-legt; en kom, en sla het dek aan zijne voeten op, en leg u neder: zoo zal hij u zeggen wat gij doen moet. 5 En zij sprak tot haar: Alwat gij mij zegt zal ik doen. 6 En zij ging af naar den dorschvloer, en deed alles gelijk hare schoonmoeder haar geboden had. 7 En toen Boaz gegeten en gedronken had, werd zijn hart vroolijk, en hij kwam en leide zich neder achter een hoop schoven; en zij kwam in stilte, en sloeg het dek aan zijne voeten op, en leide zich neder. 8 Toen het nu middernacht was, verschrikte die man en beefde; en zie, |
|
o24 E UG eene vrouw lag aan zijne voeten. 9 En hij sprak; Wie zijt s;ij ? Zij antwoordde: Ik ben Ruth, uwe dienstmaagd: breid dan uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt de erflosser. 10 Toen sprak hij : Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter; gij hebt uwe laatste weldadigheid nog beter gemaakt dm de eerste , dat gij geen jongelieden, arm of rijk, zijt ach-ternagegaan. 11 En nu mijne dochter, vrees niet: alwat gij zegt wil ik doen; want de ge-heele stad mijns volks weet dat gij eene deugdzame vrouw zijt. 12 Nu, het is waar dat ik een erflosser ben, maaier is nog een nader dan ik. 13 Blijf hier den nacht over; morgen, indien hij u nemen wil, goed; maar indien het hem niet behaagt u te nemen, dan zal ik u nemen, zoo waarachtig als de Heer leeft. Leg u neder tot aan den morgen. 14 En zij lag tot des morgens toe aan zijne voeten, en zij stond op eer de één den ander onderkennen kon; want hij zeide: Dat niemand gewaarworde dat eene |
H 4. vrouw op den dorsohvloer gekomen is. 15 En hij sprak: Reik den sluier toe die u bedekt, en houd hem op. En zij hield hem op; en hij mat zes maten gerst, en leide die op haar; en hij ging naar de stad. 16 En zij kwam tot hare schoonmoeder, welke zeide: Hoe staat het met u, mijne dochter? En zij maakte haar alles bekend wat die man haar gedaan had; 17 ook zeide zij: Deze zes maten gerst gaf hij mij, want hij sprak: Gij zult niet ledig tot uwe schoonmoeder komen. 18 Zij nu sprak: Houd u stil mijne dochter, totdat gij bevindt waar het heen wil; want die man zal niet rusten alvorens hij nog heden deze zaak hebbe ten-eindegebracht. HOOFDSTUK 4. 1 En Boaz ging op naar de poort en zette zich aldaar; en zie, toen de erflosser voorbijging, sprak Boaz tot hem, zeggende: Kom en zet u, gij zóó en zóó genaamd. En hij kwam en zette zich. 3 En hij nam tien mannen van de oudsten der |
EUTH 4.
525
|
stad, en sprak: Zet u hier. En zij zetteden zich. 3 Toen sprak hij tot den erflosser: Naomi, die uit het land der Moabieten wedergekomen is, biedt het stuk velds te koop dat van onzen broeder Elimelech was. 4 Daarom dacht ik het voor uwe ooren te brengen, en te zeggen; Wilt gij het eigenen, zoo koop het in het bijzijn der burgers en in het bijzijn der oudsten mijns volks; maar wilt gij het niet eigenen, zoo zeg het mij, opdat ik het we te; want er is geen erflosser behalve gij, en ik na u. En hij sprak: Ik wil het eigenen. 5 Maar Itoaz sprak: ïen dage dat gij het veld koopt van Naomi's hand, moot gij ook Ruth de Moabietische, de huisvrouw des gestorvenen , nemen, opdat gij den gestorvene een naam verwekt over zijn erfdeel. 6 Toen sprak hij: Ik kan niet eigenen, opdat ik niet misschien mijn eigen erfdeel verderve; los gij hetgeen ik lossen moest, want ik, kan het niet eigenen. |
7 Nu was er vanouds zulk eene gewoonte in Israël: als iemand een goed niet eigenen noch lossen wilde, dat hij dan, tot bevestiging der geheele zaak, zijn schoen uittrok en dien aan den ander gaf; en dit strekte tot eene getuigenis in Israël. 8 En de erflosser sprak tot Boaz: Koop gij het. En hij trok zijn schoen uit. 9 En Boaz sprak tot de oudsten en tot al het volk; Gij zijt heden getuigen, dat ik alles van Naomi's hand gekocht heb wat van Elimélech en alwat van Kiljon en Mahlon geweest is. 10 En ook Euth de Moabietische, Mahlons huisvrouw , neem ik tot vrouw, opdat ik den gestorvene een naam verwekke over zijn erfdeel, en zijn naam niet uitgeroeid worde onder zijne broeders en uit de poort zijner plaats; daarvan zijt gijlieden heden getuigen: 11 En al het volk dat in de poort was, benevens de oudsten, spraken: Wij zijn getuigen; de Heer make deze vrouw, die in uw huis komt, als Kachel en Lea, die beiden het huis Israëls gebouwd hebben; en gedraag u kloek in Efratha, en doe uwen naam geprezen worden te Bethlehem; 12 en uw huis worde als het huis van Perez, dien Tamar aan Juda baarde, |
1 SAMUEL 1.
526
|
uit het zaad hetwelk de Heer u geven zal bij deze jonge vrouw. 13 Alzoo nam Eoaz Euth dat zij zijne vrouw werd; en toen hij bij haar lag, gaf de Heer haar dat zij zwanger werd, en zij baarde een zoon. 14 Toen spraken de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de Heer, dia u heden geen erflosser heeft laten ontbreken, wiens naam in Israël blijve. 15 Die zal u verkwikken en uwen ouderdom verzorgen ; want uwe schoondochter, die u bemind heeft, heeft hem gebaard, zij die u beter is dan zeven zonen. |
16 En Naomi nam het kind en leide het op haren schoot, en werd zijne voedster. 17 En hare geburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren. En zij noemden hem Obed; deze is de vader van Isai, den vader van David. 18 Dit is het geslacht van Perez: Perez verwekte Hez-ron, 19 Hezron verwekte Earn, Eam verwekte Amminadab, 20 Amminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salmon, 21 Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22 Obed verwekte Isai, en Isai verwekte David. |
HET EEBSTE BOEK
S A M U È L.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Er was een man van Eamathaïm-Zofim, van het gebergte van Efraïm, genaamd Elkana, de zoon van Jeroham, den zoon van Elihu, den zoon van Tohu, den zoon van Zuf, een Efraïmiet. |
2 En hij had twee vrouwen , de éene genaamd Hanna, de andere Peninna; Peninna nu had kinderen, en Hanna had geen kinderen. |
1 SAMUËL 1.
527
|
3 En die man ginp; jaarlijks op uit zijne stad, om den Heer Zebaóth te aanbidden en hem te otteren te Silo; en aldaar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters des Heeren. 'li En het geschiedde op zekeren dag toen Elkana otterde, dat hij aan zijne huisvrouw Peninna, en aan al hare zonen en dochters, oiïerstukken. gaf; 5 maar Hanna gaf hij een stuk, treurig; want hij had Hanna lief, doch de Heer had haren schoot toegesloten. 6 En hare mededingster bedroefde haar en tergde haar zeer, omdat de Heer haren schoot toegesloten had. 7 Alzóo ging het alle jaren; nis zij opging naar hot huis des Heeren, bedroefde zij haar aldus; dan weende zij en at niet. 8 Toen sprak Elkana haar man tot haar: Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is mv hart zoo kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen? 9 Toen stond Hanna op, nadat zij gegeten en gedronken had te Silo. En Eli de priester zat op een stoel aan den post van den tempel des Heeren. |
10 En zij was van harte bedroefd, en bad tot den Heer en weende; 11 en zij deed eene gelofte en sprak: Heer Zebaóth, is het dat gij de ellende uwer dienstmaagd aanziet en aan mij gedenkt, en uwo dienstmaagd niet vergeet) en uwe dienstmaagd een zoon geeft, zoo zal ik hem den Heere geven, zijn leven lang, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. 13 En toen zij lang bad voor den Heer, gaf Eli acht op haren mond; 13 want Hanna sprak ih haar hart, hare lippen alleen roerden zich, maar hare stem hoorde men niet. Toen meende Eli dat zij dronken was, Ié en hij sprak tot haar: Hoelang zult gij dronken zijn? Doe den wijn vtin li dien gij bij u hebt. 15 Doch Hanna antwoordde en sprak: Neen mijn heer, ik ben eene bcdroeftle vrouw; wijn of sterken drank heb ik niet gedronken, maar ik heb mijn hart voor den Heer nifgestort: 10 wil toch uwe dienstmaagd niet houden voor eene slechte vrouw; want uit den overvloed van mijn |
1 SAMUËL 2.
528
|
hartzeer en van mijne treurigheid heb ik gesproken tot nu toe. 17 Toen antwoordde Eli en sprak: Ga heen in vrede; de God van Israël zal u geven uwe bede die gij van hem gebeden hebt. 18 En zij sprak: Laat uwe dienstmaagd genade vinden in uwe oogen. Alzoo ging die vrouw haarsweegs, en at, en zag zoo treurig niet meer. 19 En des morgens vroeg maakten zij zich op; en toen zij aangebeden hadden voor den Heer, keerden zij weder en kwamen in hun huis te Eama. En Elkana bekende zijne huisvrouw Hanna, en de Heer gedacht aan haar; 20 en na eenigen tijd werd zij zwanger, en baarde een zoon, en noemde hem Samuël; want \_zeide zif\ ik heb hem van den Heer gebeden. 21 En toen de man Elkana optrok met zijn geheele huisgezin, om op den gewonen tijd den Heere het ofier te oiieren, benevens zijne gelofte, 22 zoo trok Hanna niet mede op, maar sprak tot haren man; Als het kind gespeend is, dan zal ik hem brengen, opdat hij voor den Heer verschijne en aldaar blijve eeuwiglijk. |
23 En Elkana haar man sprak tot haar: Doe zooals het u behaagt, blijf totdat gij hem gespeend hebt; de Heer bevestige slechts hetgeen hij gesproken heeft. — Alzoo bleef de vrouw tehuis en zoogde haren zoon, totdat zij hem speende. 24 En nadat zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich op, benevens drie varren, een efa meel en een lederen zak met wijn; en zij bracht hem in het huis des Heeren te Silo; en het kind was nog zeer jong. 35 En zij slachtten een var, en brachten het kind tot Eli. 26 En zij sprak: Och mijn heer, zoo waarachtig als uwe ziel leeft, mijn heer, ik ben de vrouw die hier bij u stond en den Heer bad; 27 om dit kind bad ik, en de Heer heeft mij mijne bede gegeven die ik van hem gebeden heb. 28 Daarom geef ik hem den Heere weder zijn leven lang, dewijl hij van den Heer gebeden is. — En zij aanbaden aldaar den Heer. HOOFDSTUK 2. 1 En Hanna bad en sprak: Mijn hart is vroolijk in den |
1 SAMUËL 2.
529
|
Heer, mijn hoorn is verhoogd in den Heer; mijn mond heeft zich wijd opengedaan over mijne vijanden, want ik verheug mij in uw heil. 2 Er is niemand heilig als de Heer: buiten u is er geen ander, en er is geen rots als onze God. ' 3 Staat af van uw stout beroemen en trotseeren, laat geen grootspraak uit uwen mond gaan; want de Heer is een God die het merkt, en laat zulk voornemen niet gelukken. 4 De boog der sterken is gebroken, en de zwakken zijn omgord met kracht. 5 Wie verzadigd waren zijn om brood verkocht geworden, en wie honger leden hongeren niet meer; totdat de onvruchtbare zeven baarde, en die vele kinderen had afnam. 6 De Heer doodt en maakt levend, hij voert in de hel en weder daaruit. 7 Do Heer maakt arm en maakt rijk, hij vernedert en verhoogt. 8 Hij heft den nooddruftige op uit het stof, en verhoogt den arme uit het slijk', opdat hij hem zette onder de vorsten, en den stoel dei-eer doe beërven; want de grondvesten der wereld zijn des Heeren, en hij heeft den aardbodem daarop gezet. |
9 Hij zal de voeten zijner heiligen behoeden, maar de goddeloozen moeten tenietgaan in de duisternis; want veel vermogen helpt toch niemand. 10 Wie met den Heer twisten moeten tegronde-gaan, over hen zal hij donderen in den hemel; de Heer zal de einden der wereld richten, en zal zijnen koning macht geven, en den hoorn zijns gezalfden verhoogen. —• 11 En Elkana ging heen naar Rama in zijn huis; en de jongeling was des Heeren dienaar voor den priester Eli. 12 De zonen van Eli nu waren booze lieden, die vraagden niet naar den Heer, 13 noch naar het recht der priesters bij het volk. Als iemand iets wilde oti'e-ren, dan kwam des priesters bediende terwijl hetvleesch kookte, en had een krauwel met drie tanden in zijne hand, I-I en greep in den schotel of in den ketel of de pan of den pot, en wat hij met den krauwel uithaalde, dat nam de priester daaraf; alzoo deden zij aan alle Israëlieten |
UËL 3.
1 SAM
530
|
die aldaar te Silo gekomen waren. 15 Zelfs eer het vet werd aangestoken, kwam de bediende des priesters en sprak tot dengeen die het otter bracht: Geef mij dat vleesch om het voor den priester te braden; want hij wil geen gekookt vleesoh van u nemen, maar rauw. 10 Als dan iemand tot hem zeide: Laat dat vet ontsteken zooals liet heden behoort, en neem daarna wat uw hart begeert, zoo sprak hij tot hem: Gij zult het mij nu geven, zoo niet, dan zal ik het mot geweld nemen. 17 Daarom was de zonde dier jongelingen zeer groot voor den Heer; want de lieden lasterden het spijs-oflcr des Heeren. 18 Samuël nu was dionaa r voor den Heer, en de jongeling was omgord met een linnen lijfrok. 19 Ook maakte zijne moeder hem een kleinen rok en bracht hem dien jaarlijks, als zij met haren man opging om de oilers te offeren op zijn tijd. 20 En Mi zegende Elkana en zijne huisvrouw, en sprak: De Heer geve u zaad van deze vrouw voor de bede welke zij van den Heer gebeden heeft. En zij gingen naar hunne plaats. |
31 En de Heer bezocht Hanna dat zij zwanger werd, en zij baarde drie zonen en twee dochters. En Samuël de jongeling wies op bij den Heer. 23 Eli nu was zeer oud, en vernam alwat zijne zonen aan al de Israëlieten deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen die voor den ingang van de hut des stichts dienden. 33 En hij sprak tot hen: Waarom doet gij dat? Want ik hoor uw slecht gedrag van het geheele volk. 24 Neen mijne kinderen, dat is geen goed gerucht hetwelk ik hoor; gijlieden maakt dat het volk des Heeren overtreedt. 25 Is het dat iemand tegen een mensch zondigt, zoo kan de rechter het beslissen; maar als iemand tegen den lieer zondigt, wie kan voor hem bidden? Maarzij hoorden niet naar huns vaders stem, daarom besloot de Heer hen te dooden. 3f) De jongeling Samuël nu werd gestadig grooter, en was aangenaam bij den Heer en bij de mensehen. 27 En er kwam een man Gods tot Eli en sprak tot hem: Dus spreekt de Heer: |
1 SAMUËL 3.
531
|
Ik heb mij geopenbaard aan uws vaders buis, toen zij nog in Egypte in Farao's huis waren, 38 en heb hem aldaar verkoren uit al. de stammen Israels tot het priesterdom, dat hij offeren zou op mijnen altaar, en reukwerk ontsteken, en den lijfrok voor mij dragen; en ik heb aan uws vadere huis gegeven al de brandoifers der kinderen Israels : 29 waarom slaat gij dan achteruit tegen mijne slachtoffers en spijsoffers die ik geboden heb in de woning, en eert uwe zonen meer dan mij, dat gijlieden u mest met het beste van alle spijsoffers van mijn volk Israël? 80 Daarom spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb gesproken dat uw huis en uws vaders huis zouden wandelen voor mij eeuwiglijk; maar nu spreekt de Heer; Het zij verre van mij; want wie mij eert, dien wil ik óók eeren, maar wie mij veracht, die zal óók veracht worden. 31 Zie, de tijd zal komen dat ik zal verbreken uwen arm en den arm van uws vaders huis, zoodat er geen oud man in uw huis zal zijn; 32 en gij zult uwe tegenpartij zien in mijne woning. |
in allerlei goed dat Israël geschieden zal; en er zal geen oud man zijn in uws vaders huis eeuwiglijk. 33 En diegene onder u, dien ik niet zal uitroeien van voor mijnen altaar, zal zijn om uwe oogen te verteren en uwe ziel te kwellen; en de geheele menigte van uw huis zal sterven als zij mannen geworden zijn. 34 En dit zal een teeken zijn dat over uwe twee zonen Hofni en Pinehas komen zal: op éénen dag zullen zij beiden sterven. 35 Maar ik zal mij een getrouwen priester verwekken , die zal doen zooals het mijn hart en mijne ziel behaagt; dien zal ik een bestendig huis bouwen, opdat hij voor mijnen gezalfde altoos wandele. 36 En wie van uw huis overig is, die zal komen en zich voor hem buigen om een zilveren penning en een stuk brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot eenige priesterlijke bediening, opdat ik een bete broods ete. HOOFDSTUK 3. 1 En toen de jongeling Samuël den Heer diende onder Eli, was het woord des Heeren zeldzaam in die |
1 S-AMUËL 3.
533
|
dagen, en er was weinig profetie. 3 En liet geschiedde te dier tijd, dat Eli nederlag op zijne plaats; en zijne oogen begonnen donker te worden, zoodat hij niet meer zien kon. 3 En Samuel had zich nedergelegd in den tempel des Heeren, waar de ark Gods was, terwijl de lamp Gods nog niet was uitgegaan. 4 En de Heer riep Samuel; en hij antwoordde: Zie hier ben ik. 5 En hij liep tot Eli en sprak: Zie hier ben ik, gij hebt mij geroepen. Doek hij sprak: Ik heb u niet geroepen, ga wederlieenen leg u te slapen. En hij ging heen en leide zich te slapen. 6 En de Heer riep wederom : Samuël! En Samuël stond op en ging tot Eli, en zeide: Zie hier ben ik, gij hebt mij geroepen. Doch hij sprak: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; ga weder heen en leg u te slapen. — 7 Samuel nu kende den Heer nog niet, en het woord des Heeren was liem nog niet geopenbaard. |
8 Toen riep de Heer Samuël wederom ten derden male; en hij stond op en ging tot Eli, en sprak: Zie hier ben ik, gij hebt mij geroepen. Toen merkte Eli dat de Heer den jongeling geroepen had, 9 en hij sprak tot hem: Ga weder heen en leg u te slapen; en als gij geroepen wordt, zoo zeg: Spreek Heer, want uw knecht hoort. En Samuël ging heen en leide zich op zijne plaats. 10 Toen kwam de Heer en stelde zich aldaar, en riep als tevoren: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort. 11 En de Heer sprak tot Samuël: Zie, ik ga eene zaak doen in Israël, dat wie het hooren zal, dien zullen beide zijne ooren klinken. 12 Te dezen dage wil ik over Eli verwekken hetgeen ik tegen zijn huis gesproken heb; ik zal het beginnen en voleinden. 13 Want ik heb het hem te kennen gegeven, dat ik rechter zijn zal over zijn huis eeuwiglij k; om die misdaad, dat hij wist hoe zijne kinderen zich schandelijk gedroegen, en hen niet eens donker had aangezien. 14 Daarom heb ik aan |
1 SAMUEL 4.
533
|
het huis van Eli gezworen, dat deze misdaad van het huis van Eli niet verzoend zal worden, noch met slachtoffer noch met spijsoffer, eeuwiglijk, 15 En Samuel lag tot aan den morgen, en deed de deur van het huis des Hee-ren open; doch Samuel ! vreesde dat gezicht aan Eli te kennen te geven. 16 Toen riep Eli hem en sprak: Samuel, mijn zoon! En hij antwoordde: Zie hier ben ik. 17 En hij sprak: Wat is het woord dat u gezegd is? Verberg mij niets; God doe u dit en dat, zoo gij mij iets verbergt van hetgeen u gezegd is. 18 Toen gaf Samuël hem alles te kennen, en hield niets voor hem verborgen. Hij nu sprak: Het is do Heer, hij doe wat hem behaagt. 19 Samuël nu was groot geworden, en de Heer was met hem; en niet cén van al zijne woorden viel op de aarde. 20 En geheel Israël, van Dan af tot Ber-Séba toe,. erkende dat Samuël als een profeet des Heeren bevestigd was. 31 En de Heer verscheen voortaan te Silo, want de |
Heer openbaarde zich aan Samuël te Silo door het woord des Heeren; HOOFDSTUK 4. 1 en Samuël begon te prediken aan geheel Israël. —• En Israël trok uit den Filistijnen tegemoet in den strijd, en zij legerden zich bij Eben-Haëzer; en de Filistijnen hadden zich gelegerd te Afek, 2 en zij rustten zich toe om Israël te ontmoeten. En de strijd werd algemeen, en Israël werd voor de Filistijnen geslagen; en zij doodden op het slagveld omtrent vierduizend man. 3 En toen het volk in het leger kwam, spraken de oudsten van Israël aar-om heeft de Heer ons heden verslagen voor de Filistijnen? Laat ons de ark des verbonds des Heeren van Silo tot ons nemen, en laat zij onder ons komen, opdat zij ons verlosse uit de hand onzer vijanden. 4 En het volk zond naar Silo, en liet vandaar halen de ark des verbonds van den Heer Zebaóth, die boven de cherubs zit; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar bij de ark des verbonds van God. |
1 SAMUEL 4.
534
|
5 En toen de ark des verbonds dos Heeren in het leger kwam, juichte gelieel Israel met een groot gejuich , zoodat de aarde dreunde. 6 Toen nu de Filistijnen het geschreemv van dit juichen hoorden, spraken zij: Wat is dat voor een geschreeuw van zulk groot gejuich in het leger der Hebreen? En toen zij vernamen dat de ark des Heeren in het leger gekomen was, 7 vreesden zij en spraken: God is in het leger gekomen. En zij zeiden verder: Wee ons , want zoo iets is tevoren nooit gebeurd. 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand dezer machtige goden? Dit zijn de goden die Egypte sloegen met allerlei plagen in de woestijn. 9 Zoo grijpt nu moed en weest mannen gij Filistijnen, opdat gij den Hebreen niet dienstbaar wordt, zooals zij u dienstbaar geweest zijn; weest mannen en strijdt. 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en ieder vluchtte naar zijne hut; en het was een zeer groote slachting, zoodat er van Israël vielen dertigduizend man; |
11 en de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 13 Toen liep een man van Benjamin uit het heir, en kwam te Silo op dienzolf-den dag, en had zijne kleederen gescheurd en aarde op zijn hoofd gestrooid. 13 En zie, als hij daar inkwam, zat Eli op den stoel om op den weg te zien; want zijn hart was beangst over de ark Gods. En toen die man in de stad kwam, maakte hij het bekend, en de geheele stad jammerde. 14 En toen Eli dat luid gejammer hoorde, vroeg hij : Wat is dat voor een luid gerucht? Toen kwam de man schielijk en maakte het ook aan Eli bekend. 13 Eli nu was achtennegentig jaar oud, en zijne oogen waren donker, zoodat hij niet meer zien kon. 16 En de man sprak tot Eli: Ik kom en ben heden uit het leger gevlucht. Toen zeide hij: Hoe gaat het er toe, mijn zoon? 17 En de boodschapper antwoordde en sprak: Israël is gevlucht voor de Filistijnen, en er is een groote slachting onder het volk geschied, en ook uwe |
1 SAMUËL S.
535
|
twee zonen Hofni en Pine-has zijn gosneiiveld, daarenboven is de ark Gods genomen. 18 ïoen hij nu van de ark Gods gewaagde, viel hij achterover van den stoel aan de poort, en brak den hals en stierf; want hij was ' een ond en zwaar man. En hij had Israël veertig jaar gericht. 19 En zijne schoondoclitcr, de huisvrouw van Pinehas, was zwanger en zou eerlang bevallen; en toen zij dat gerucht hoorde, dat de ark Gods genomen was en haar schoonvader en haar man dood waren, zoo kromde zij zich en baarde, want liare weeën overvielen haar. 20 En toen zij stierf, spraken de vrouwen die bij haar stonden: quot;Vrees niet, gij hebt een zoon. Maar zij antwoordde niet en nam het niet tor harte. 31 En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De heerlijkheid is weg van Israël; omdat de ark Gods genomen was, en om haren schoonvader en haren man. 33 En zij sprak nog eens;, De heerlijkheid is weg van Israël, want de ark Gods is genomen. |
HOOFDSTUK 5. 1 De Filistijnen nu namen de ark Gods, en brachten haar van Eben-Haëzer naar Asdod, 3 en voerden haar in Dagons huis, en stelden haar nevens Dagon. 3 En toen die van Asdod des anderen morgens vroeg opstonden, vonden zij Dagon op zijn aangezicht liggen op de aarde vóór de ark des Heeren. En zij namen Dagon en stelden hem weder op zijne plaats. '4 Toen zij nu des anderen morgens vroeg opstonden, vonden zij Dagon weder op zijn aangezicht liggen op de aarde vóur de ark des Heeren, maar zijn hoofd en zijne beide handen afgehouwen op den drempel, zoodat de romp alleen was overgebleven. 5 (Daarom treden de priesters van Dagon, en allen die in Dagons huis gaan, niet op den drempel van Dagon te Asdod, tot op dezen dag.) G En de hand des Heeren werd zwaar over die van Asdod, en verdierf hen; en hij sloeg Asdod en al hare grenzen met spenen. 7 Toen nu de lieden te Asdod zagen dat het zóu |
1 SAMUËL 6.
536
|
toeging, spraken zij: Laat de ark van den God Israëls bij ons niet blijven, want zijne hand is zwaar over ons en over Dagon onzen god. 8 En zij zonden heen en vergaderden al de vorsten der Filistijnen tot zich, en spraken: Wat zullen wij met de ark van den God Israëls doen ? Toen antwoordden zij: Laat de ark van den God Israëls naar Gath gevoerd worden. En zij voerden de ark van den God Israëls naar Gath. 9 Toen zij haar nu derwaarts gevoerd hadden, ontstond er door de hand des Heeren in de stad een zeer groot rumoer, en hij sloeg de lieden dier stad, zoo klein als groot, en zij kregen spenen aan heimelijke plaatsen. 10 Toen zonden zij de ark des Heeren naar Ekron; maar toen de ark Gods te Ekron kwam, riepen die van Ekron: Zij hebben de ark Gods rondom gedragen tot mij, dat zij mij zou dooden en mijn volk. 11 Toen zonden zij heen en vergaderden al de vorsten der Filistijnen, en spraken: Zendt do ark van den God Israëls weder naar hare plaats, opdat zij mij en mijn volk niet doode Want er kwam eene dooquot; delijke' plaag over de ge-heele stad, en de hand Gods was aldaar zeer zwaar, |
12 en de lieden die niet stierven werden met spenen geslagen, zoodat het gejammer der stad ten hemel opklom. HOOFDSTUK 6. 1 Alzoo was de ark des Heeren zeven maanden in het land der Filistijnen. 2 Toen riepen de Filistijnen hunne priesters en waarzeggers, en zeiden: Wat zullen wij met de ark des Heeren doen ? Onderricht ons hoe wij haar zenden zullen naar hare plaats. 3 En zij zeiden: Wilt gij de ark van den God Israëls wegzenden, zoo zendt haar niet ledig weg, maar brengt haar een sclmldofler; zoo zult gijlieden gezond worden, en u zal kenbaar zijn waarom zijne hand niet van u aflaat. 4 En zij spraken: Welk is dat schuldoller dat wij haar brengen zullen? En zij antwoordden: Vijf gouden spenen en vijf gouden muizen, naar het getal der vijf vorsten der Filistijnen; want het is één en dezelfde |
1 SAMUËL 6.
537
|
plaag geweest over n allen en over uwe vorsten. 5 Dus moet gij dan af-'i beeldsels maken uwer spe-| nen en uwer muizen die ; uw land verdorven hebben, (opdat gij den God Israels de eer geeft: misscliien zal zijne hand lichter worden jover u en over uwen god ; en over uw land. ! 6 Waarom wilt gij uw hart verstokken, gelijk de Egyptenaars en Farao hun . hart verstokt hebben? Moesten zij niet, toen hij al zijne macht aan hen besteed had, hen laten trekken dat zij heengingen?opdat gij den God Israels de eer geeft: misscliien zal zijne hand lichter worden jover u en over uwen god ; en over uw land. ! 6 Waarom wilt gij uw hart verstokken, gelijk de Egyptenaars en Farao hun . hart verstokt hebben? Moesten zij niet, toen hij al zijne macht aan hen besteed had, hen laten trekken dat zij heengingen? 7 Zoo neemt nu en maakt een nieuwen wagen, en twee jonge zoogende koeien op welke nog geen juk gekomen is, en spant die aan den wagen, en laat hare kalveren achter haar tehuis-blijven ; 8 en neemt de ark des Heeren en zet haar op den wagen, en legt de gouden kleinoodiën, welke gij haar tot een schuldoffer geeft, in een koftertje aan hare zijde; en zendt haar heen en laat ze gaan. 9 En ziet toe: gaat zij den weg op naar haren grenspaal, naar Beth-Sémes, zoo heeft hij ons al dat groote kwaad gedaan; zoo niet, zoo zullen wij weten dat het zijne hand niet was die ons geraakt heeft, maar dat het ons bijgeval wedervaren is. |
10 En die mannen deden alzoo, en namen twee jonge zoogende koeien, en spanden die aan een wagen, en hielden hare kalveren tehuis; 11 en zij zetteden de ark des Heeren op den wagen, en het koffertje met de gouden muizen en niet de afbeeldsels hunner spenen. 12 En de koeien gingen rechtstreeks op Beth-Sémes toe, langs den grooten weg, en gingen en loeiden, en weken noch ter rechter-noch ter linkerzijde; en de vorsten der Filistijnen gingen haar achterna tot aan den grenspaal van Beth-Sémes. 13 De Bethsimsieten nu maaiden juist den tarwen-oogst in het dal, en hieven hunne oogen op en zagen de ark, en verblijdden zich haar te zien. 14 En de wagen kwam op den akker van Jozua den Bethsimsiet, en stond aldaar stil; en aldaar was een groote steen; en zij kloofden het hout van den wagen, en offerden de koeien den Heer tot een brandoffer. |
i
1 SAMUËL 7.
1
338
|
15 En de Levieten hieven de ark des Heeren er af, en liet koflertje dat er bij was, waarin de gouden klei-noodiën waren, en zetteden die op dien grooten steen; en de lieden van Jteth-Sémes ofl'erden aan den Heer op dien dag brandotiers en andere otters. 16 En toen de vijf vorsten der Filistijnen toegezien hadden, trokken zij weder naar Ekron op dienzelfden dag. 17 Dit nu zijn de gouden spenen die de Filistijnen den Heer tot een schuldoft'er gaven: één van Asdod, één van Gaza, één van Askelon, één van Gath, en één van Ekron; 18 en gouden muizen, naar het getal van al de steden der Filistijnen, onder de vijf vorsten, zoo van de be-muurde steden als van de dorpen, en tot aan den grooten steen op welken zij de ark des Heeren neder-lieten, die op den akker is van Jozua den Bethsimsiet, tot op dezen dag. 19 En sommigen van Beth-Sémes werden geslagen, omdat zij de ark des Heeren gezien hadden; en hij sloeg van het volk vijftigduizend en zeventig man. Toen droeg het volk rouw, dat de Heer zulk een grooten slag onder het volk geslagen had. |
2 ü En de lieden van Beth-Sémes spraken: Wie kan bestaan voor den Heer, zulk een heilig God ? En tot wien zal [de ark'] van ons wegtrekken ? 21 En zij zonden boden tot de burgers van Kirjath-Jearim, en lieten him zeggen : De Filistijnen hebben de ark des Heeren weder-gebracht; komt af en haalt haar tot u opwaarts. HOOFDSTUK 7. 1 Alzoo kwamen de lieden van Kirjath-Jearim en voerden de ark des Heeren opwaarts, en brachten haar in het huis van Abinadab op den heuvel; en zij heiligden zijnen zoon Eleazar, dat hij de ark des Heeren bewaarde. 2 En van dien dag af dat de ark des Heeren te Kirjath-Jearim bleef, verliep er zooveel tijd dat het twintig jaren werden. — En het ge-heele huis Israels weende voor den Heer. 3 Toen sprak Samuël tot het geheelo huis Israels: Is het dat gij met geheel uw hart wederkeert tot den Heer, zoo aoet van u weg de vreemde goden, en de |
;
1 SAMUËL 7.
539
|
Lstai'oth; en riolit uw hart ot den Heer, en dient iem alleen, zoo zal hij ii edden uit de hand der filistijnen. 4 Toen deden de kinderen 'sraëls de Baiils en de As-aroth van zich, en dienden len Heer alleen. 5 En Samuel sprak: Vergadert geheel Israël te Vlizp'a, opdat ik voor u bidde tot den Heer. 6 En zij kwamen tezamen te Mizpa, en schepten water en goten het uit voor den Heer, en vastten op dien dag, en spraken aldaar: Wij hebben tegen den Heer gezondigd. Alzoo richtte Samuel de kinderen Israels te Mizpa. 7 Toen nu de Filistijnen hoorden dat de kinderen Israels tezamengekomen waren te Mizpa, trokken de vorsten der Filistijnen op tegen Israël; en de kinderen Israels hoorden het en vreesden voor de Filistijnen, 8 en zij spraken tot Sa-mnël: Houd niet op voor ons te roepen tot den Heer onzen God, dat hij ons redde uit de hand der Filistijnen. 9 Toen nam Samuël een zooglam, en offerde het den Heer geheel tot een brand-oflcr, en riep tot den Heer voor Israël; en de Heer verhoorde hem. |
10 En terwijl Samuël het brandoffer offerde, naderden de Filistijnen om te strijden tegen Israël; maar de Heer liet het donderen met zware donderslagen tegen de Filistijnen op dien dag, en verschrikte hen, zoodat zij voor Israël geslagen werden. 11 Toen trokken de mannen van Israël uit van Mizpa en vervolgden do Filistijnen, en sloegen hen tot onder Beth-Kar. 13 Toen nam Samuël een steen en stelde dien tus-schen Mizpa en Sen, én noemde hem Eben-Haëzer, en sprak: Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen. 13 Alzoo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer over de grenzen van Israël; en de hand des Heeren was tegen de Filistijnen zoolang Samuël leefde. 14 Alzoo kreeg Israël de steden terug, welke de Filistijnen hun ontnomen hadden, van Ekron af tot Gath toe; ook haar grondgebied ontrukte Israël aan de hand der Filistijnen; en Israël had vrede met de Amorieten. |
1 SAMUEL 8.
540
|
15 En Samuël richtte Israël zoolang hij leefde. 16 En hij trok jaarlijks rond naar Beth-El en Gilgal en Mizpa; en als hij Israël in al deze plaatsen gericht had, 17 keerde hij steeds weder naar Eama, want daar was zijn huis, en daar richtte hij Israël; en hij bouwde den Heer aldaar een altaar. HOOFDSTUK 8. 1 Toen nu Samuël oud werd, stelde hij zijne zonen tot rechters over Israël. 3 Zijn eerstgeboren zoon heette Joël en de andere Abia; en zij waren rechters te Ber-Séba. 3 Doch zijne zonen wandelden niet in zijne wegen, maar neigden zich tot gierigheid, en namen geschenken aan en bogen het recht. 4 Toen vergaderden zich al de oudsten van Israël en kwamen te Rama tot Samuel, 5 en zij spraken tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet in uwe wegen: zoo stel nu een koning over ons, die ons richte, gelijk alle volken hebben. |
6 Doch dit behaagde Samuël kwalijk, dat zy gezegd hadden: Geef ons een koning die ons richte; en Samuël bad tot den Heer. 7 En de Heer sprak tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alwat zij tot u gezegd hebben; want zij hebben niet u maar mij verworpen, dat ik geen koning meer over hen zal zijn. 8 Zij handelen met u gelijk zij altoos gedaan hebben, van dien dag af dat ik hen uit Egypte geleid heb tot op dezen dag toe; gelijk zij mij verlaten en andere goden gediend hebben, alzóo doen zij ook met u. 9 Zoo hoor nu naar hunne stem; doch betuig hun en verkondig hun het recht des konings die over hen heerschen zal. 10 En Samuël zeide al de woorden des Heeren aan het volk dat van hem een koning eischte; 11 en hij zeide: Uit zal het recht des konings zijn die over u heerschen zal: uwe zonen zal hij nemen voor zijnen wagen en voor zijne ruiters, of dat zij voor zijnen wagen uitloopen, 12 en tot hoofdlieden over duizend en over vijftig, en tot akkerlieden die hem zijnen akker bouwen, en tot maaiers in zijnen oogst, en dat zij zijn wapentuig |
1 SAMUEL 9.
541
|
en wat tot zijnen wagen bekoort maken; 13 en uwe dochters zal hij nemen dat zij zalfbe-reidstors, keukenmaagden en baksters zijn; 14 uwe beste akkers en wijnbergen en olijftuinen zal hij nemen en die aan zijne knechten geven; 15 daarenboven zal hij van uw zaad en van uwe wijnbergen de tienden nemen, en die aan zijne hovelingen en knechten geven; 16 en uwe knechten en dienstmaagden en uwe schoonste jongelingen en uwe ezels zal hij nemen, en zijn werk daarmede verrichten ; 17 ook van uwe kudden zal hij tienden nemen, en gij zult zijne knechten zijn. 18 Als gij dan te dien dage roepen zult over uwen koning dien gij verkoren hebt, zoo zal de Heer u te dien dage niet verhooren. 19 Maar het volk weigerde te hoeren naar Samuels stem, en zij spraken: Geenszins, maar er zal een koning over ons zijn, 20 opdat ook wij zijn als al de andere volken, dat onze koning ons richte, en voor ons uittrekke als wij onze oorlogen voeren. |
31 En Samuël hoorde al deze woorden des volks, en sprak die voor de ooren des Heeren. 33 En de Heer sprak tot Samuël: Hoor naar hunne stem en stel een koning over hen aan. En Samuël sprak tot de mannen van Israël: Gaat heen, ieder naar zijne stad. HOOFDSTUK 9. 1 En er was een man van Benjamin genaamd Kis, de zoon van Abiël, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens Benjaminiets, een dapper man. 3 Die had een zoon genaamd Saul, die was een jong schoon man, zoodat er geen schooner was onder de kinderen Israels, een hoofd langer dan al het volk. 3 Kis nu, de vader van Saul, had zijne ezelinnen verloren; en hij sprak tot zijnen zoon Saul: Neem een van de jongens met u, sta op, ga heen en zoek de ezelinnen. 4 En hij ging door het gebergte van Efraïm en door 'het land Salisa, maar zij vonden ze niet; en zij gingen door het land Saalim, maar zij waren er niet; en zij gingen door het laiid |
1 SAMUËL 9,
542
|
Benjamin, maar zij vonden ze niet. 5 En toen zij kwamen in het land Zuf, sprak Saul tot den jongen die met hem was; Kom, laat ons weder naarhuis gaan; mijn vader moolit zijn hart van de ezelinnen aftrekken en om ons bekommerd worden. G En hij sprak; Zie, er is een man Gods in deze stad, een zeer beroemd man; ahvat hij zegt, dat geschiedt: laat ons derwaarts gaan; misschien maakt hij ons onzen weg bekend, dien wij gaan moeten. 7 Maar Saul sprak tot zijnen jongen; Zoo wij derwaarts gaan, wat zullen wij dien man brengen? Want het brood is weg uit onzen zak, ook hebben wij geen andere gave die wij den man Gods kunnen aanbieden: wat hebben wij? 8 En de jongen antwoordde Saul verder en sprak: Zie, ik heb nog het vierdedeel van een zilveren sikkel bij mij: dat willen wij den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg aanwijze. 9 (Voorheen zeide men in Israël, als men ging om God te vragen: Komt, laat ons gaan tot den ziener; want die nu profeet genoemd wordt, heette eertijds ziener.) |
10 En Saul sprak tot zijnen jongen: Gij hebt wèl gesproken; kom, laat ons gaan. En zij gingen heen naar de stad waar de man Gods was. 11 En toen zij naar de stad opgingen, zoo vonden zij maagden die uitgingen om water te scheppen; en zij spraken tot haar: Is de ziener hier? 12 En zij antwoordden hun en spraken: Ja zie, daar voor u uit, haast u; want hij is heden in de stad gekomen , dewijl het volk heden heeft te otteren op de hoogte. 18 Als gijlieden in de stad komt, zoo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten voordat hij gekomen is, omdat hij het otter zegent, daarna eten zij die genoodigd zijn; gaat dan nu op, want nu zult gij hem juist vinden. 14 En toen zij naar de stad opgingen, en midden in de stad waren, zie, toen ging Samuel uit, huntege» moet, en wilde naar de hoogte gaan. 15 De Heer nu had hei voor Samuels ooren geopenbaard 's daags tevoren eer |
1 SAMUËL 9.
543
|
Saul kwam, en gezegd: 1 16 Morgen omtrent dezen tijd zal ik een man tot u zenden uit liet land Benjamin , dien zult gij tot een vorst zalven over mijn volk Israël, opdat hij mijn volk verlosse uit de hand der Filistijnen; want ik heb mijn volk aangezien, en hun geroep is voor mij gekomen. 17 Toen nu Samuël Saul aanzag, antwoordde de Heer hem: Zie, dit is de man van wien ik u gezegd heb dat hij over mijn volk heer-schen zal. 18 Toen trad Saul tot Samuël onder de poort, en sprak: Zeg mij, waar is hier het huis des zieners? 19 En Samuël antwoordde Saul en sprak: Ik ben de ziener; ga vóór mij opwaarts op de hoogte, want gijlieden zult lieden met mij eten, en morgen zal ik u laten gaan, en alwat in uw hart is zal ik u zeggen. 20 En de ezelinnen die gij voor drie dagen verloren hebt, bekommer u daar niet over, zij zijn gevonden; en voor wien zal zijn alwat liet beste is in Israël? Zal het niet voor u en het geheele huis uws vaders zijn? |
31 Toen antwoordde Saul: Ben ik niet een Benjaminiet en uit den geringsten stam van Israël? En is mijn geslacht niet het kleinste onder allo geslachten van den stam Benjamin? 'Waarom zegt gij dan alzóó tot mij ? 22 En Samuël nam Saul en zijnen jongen en bracht hen in de eetzaal, en zette hen bovenaan onder degenen die genoodigd waren: deze nu waren omtrent dertig man. 23 En Samuël sprak tot den spijsbereider: Geef hier het stuk hetwelk ik u gaf, en waarvan ik u beval dat gij het bij u zoudt wegzetten. 24 Toen droeg de spijsbereider een schouder op met hetgeen daaraan was; en hij leide het Saul voor en sprak: Zie, dit is het weggelegde, zet het vóór u en eet; want het is voor u bewaard juist voor dezen tijd, toen ik het volk noodigde. Alzoo at Saul met Samuël op dien dag. 25 En toen zij van de hoogte afgingen naar de stad, sprak hij met Saul op het dak. 26 En zij stonden vroeg op; en toen de dageraad aanbrak, riep Samuël Saul 'op het dak, zeggende: Maak u op, opdat ik u late gaan. En Saul stond op; en die twee gingen met elkander naarbuiten, hij en Samuël. |
1 SAMUËL 10.
544
|
27 En toen zij afkwamen aan het einde der stad, sprak Samuël tot Sanl: Zeg den jongen dat hij voor ons uitga, (en hij ging vooruit), maar sta gij nu stil, dat ik u doe hooren wat God gezegd heeft. HOOFDSTUK 10. 1 ïoen nam Samuël eene kruik met olie en goot die uit op zijn hoofd, en kuste hem, en sprak: Ziet gij nu niet dat de Heer u tot een vorst over zijn erfdeel ge-zaliH heeft? 3 Als gij nu van mij gaat, zult gij twee mannen vinden bij het graf van Kachel, aan den grenspaal van Benjamin te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken; en zie, uw vader heeft de ezelinnen reeds uit den zin gesteld, en is om u alleen bekommerd, zeggende: Wat zal ik voor mijnen zoon doen? 3 En als gij vandaar verder gaat, zoo zult gij komen aan den eik van Tabor; aldaar zullen u drie mannen ontmoeten, die opgaan tot God naar Beth-El: de één draagt drie bokjes, de ander drie stukken brood, de derde een lederen zak met wijn; |
4 en zij zullen u vriendelijk groeten, en u twee brooden geven; die zult gij van hunne hand nemen. 5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar het leger der Filistijnen is; en als gij aldaar in de stad komt, zoo zal u ontmoeten een schaar profeten van de hoogte afkomende, en vóór hen zal gaan een psalterspeler en trommels en fluiten en harpen, en zij zullen profeteeren. G En .de Geest des Heeren zal vaardig over uworden, dat gij met hen profeteeren zult, dan zult gij een ander man worden. 7 En als nu al deze teekenen zullen zijn uitgekomen, zoo doe wat u voorhanden komt; want God is met u. 8 Gij nu zult vóór mij afgaan naar Gilgal, en zie, daar zal ik tot u afkomen om brandoflers en dankoffers te offeren; zeven dagen zult gij vertoeven, totdat ik tot u kome en u ver-kondige wat gij doen zult. 9 En toen hij zijne schouders had omgewend, dat hij van Samuël zou weggaan, gaf God hem een ander hart; en al deze teekenen kwamen uit op dienzelfden dag. |
I
1 SAMUEL
10 En toen zij aan den heuvel kwamen, zie, toen kwam hem een schaar profeten tegemoet; en de Geest Gods werd vaardig over hem, zoodat hij onder hen
; profeteerde.
11 Toen nu allen die hem tevoren gekend hadden hem zagen, dat hij met de profeten profeteerde, spraken zij allen onder elkander: Wat is den zoon van Kis wedervaren? Is Saul óók onder de profeten?
12 En een man van daar antwoordde en sprak: Wie is hun vader? Vandaar is het spreekwoord gekomen: Is Saul óók onder de profeten?
13 En toen hij geëindigd had met profeteeren, kwam hij op de hoogte;
14 en de oom van Saul sprak tot hom en tot zijnen jongen: Waar zijt gij heengegaan? En zij antwoordden: Om de ezelinnen te zoeken; en toen wij zagen dat zij er niet waren, gingen wij tot Samuël.
15 Toen sprak de oom van Saul: Zeg mij, watzeide Samuël tot u?
16 En Saul antwoordde zijnen oom: Hij zeide ons dat de ezelinnen gevonden waren. Doch ten aanzien van het koningschap zeide
10.
545
hij hem niet wat Samuël daarvan gezegd had. —
17 Samuël nu ontbood het volk tot den Heer te Mizpa,
18 en hij sprak tot de kinderen Israels: Dus zegt de Heer, de God van Israël: Ik heb Israël uit Egypte geleid, en u gered uit de hand der Egyptena-ren, en uit de hand van alle koninkrijken die u verdrukten ;
19 maar gijlieden hebt heden uwen God verworpen, die u uit al uw ongeluk en uit al uwe droefenis geholpen heeft, en gij hebt tot hem gezegd: Stel een koning over ons. Welaan, treedt dan nu voor den Heer naar uwe stammen en maagschappen.
20 Toen nu Samuël al de stammen van Israël deed naderen, werd de stam van Benjamin aangewezen;
21 en toen hij den stam van Benjamin deed naderen naar zijne geslachten, werd het geslacht van Matri aangewezen; en Saul de zoon van Kis werd aangewezen. En zij zochten hem, maar ■zij vonden hem niet.
22 Toen vraagden zij verder den Heer: Zal hij ook nog herwaarts komen? En de Heer antwoordde: Zie,
1 SAMUËL 11.
ë46
|
hij heeft zich onder de gereedschappen verstoken. 23 Toen liepen zij heen en haalden hem vandaar; en toen hij onder het volk trad, was hij een hoofd langer dan al het volk. 34 En Samuël sprak tot al het volk; Daar ziet gij wien de Heer verkoren heeft; want onder al het volk is niemand hem gelijk. Toen juichte al het volk en sprak: Heil den koning! 25 En Samuël maakte aan het volk al het recht des koninkrijks bekend, en schreef het in een boek, en leide het voor den Heer; en Samuël liet al het volk gaan, ieder naar zijn huis. 36 En Saul ging óók naar zijn huis te Gibea; en het gedeelte van het heir, welker hart God geroerd had, ging met hem. 27 Maar sommige booze lieden spraken: Wat zou deze ons helpen? En zij verachtten hem en brachten hem geen geschenk; doch hij hield zich alsof hij het niet hoorde. HOOFDSTUK 11. 1 En Nahas de Ammoniet trok opwaarts en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes spraken tot Nahas: Maak een verdrag met ons, zoo zullen wij u dienen. |
3 En Nahas de Ammoniet antwoordde hun: Op deze voorwaarde wil ik een verdrag met u maken, dat ik u allen het rechteroog uit-steke, en eene schande legge op geheel Israël. 3 Toen spraken de oudsten van Jabes tot hem: Geef ons zeven dagen, opdat wij boden zenden in al de grenspalen van Israël: als er dan niemand is die ons redt, zoo zullen wij tot u uitgaan. 4 Toen kwamen de boden te Gibea tot Saul, en spraken dit voor de ooren des volks; en al het volk hief zijne stem op en weende. 5 En zie, toen kwam Saul achter de runderen uit het veld, en sprak: Wat deert het volk dat zij weenen? En zij vertelden hem de zaak der mannen van Jabes. 0 Toen werd de Geest Gods vaardig over hem als hij deze woorden hoorde, en zijn toorn ontstak zeer; 7 en hij nam een paar ossen en hieuw ze in stukken , en zond ze door boden in al de grenspalen van Israël, en liet zeggen: Wie niet uittrekt achter Saul en Samuël, diens runderen zal men alzoo doen. — Toen |
1 SAMUÉL 12.
547
|
I viel de vrees des Heeren I op het volk, zoodat zij 1 uittrokken als een éénig man; 8 en hij telde hen te ISezek, en van de kinderen Israels waren er driehonderdduizend man, en van de kinderen van Juda dertigduizend. 9 En zij zeiden tot de boden die gekomen waren: Zegt aan de mannen te Jabes in Gilead aldus; Morgen zal ulieden hulp geschieden, als de zon heet begint te worden. Toen nu de boden kwamen en dit verkondigden aan de mannen van Jabes, werden zij blijde. 10 En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot u uitgaan, dan kunt gij ons doen al wat u behaagt. 11 En des anderen daags stelde Saul het volk in drie hoopeu, en zij kwamen in het leger omtrent de mor-genwake, en sloegen de Ammonieten totdat de dag heet werd; en zij die overbleven werden zoo verstrooid, dat er geen twee bij elkander bleven. 12 Toen sprak het volk tot Samuël: TVie zijn zij die zeiden: Zou Saul over ons heerschen? Geeft die mannen hier, opdat wij hen dooden. |
13 Maar Saul sprak; Er zal op dezen dag niemand sterven, want de Heer heeft heden heil gegeven aan Israel. 14 En Samuël sprak tot het volk; Komt, laat ons naar Gilgal gaan, en het koningschap aldaar vernieuwen. 15 Toen ging al het volk naar Gilgal, en zij maakten aldaar Saul tot koning voor den Heer te Gilgal, en of ferden dankofl'ers voor den Heer; en Saul en al de mannen Israels verheugden zich aldaar zeer. HOOFDSTUK 12. 1 Toen sprak Samuël tot geheel Israël; Zie, ik heb naar uwe stem gehoord in alles wat gij mij gezegd hebt, en heb een koning over u gesteld ; 2 en nu, zie, daar trekt uw koning voor u uit. En ik ben oud en grijs geworden, en mijne zonen zijn onder u, en ik ben voor u quot;uitgegaan van mijne jeugd af tot op dezen dag toe. 3 Zie hier ben ik; antwoordt tegen mij voor den Heer en zijnen gezalfde, of ik iemands os of ezel genomen heb, of dat ik |
1 SAMUËL 13.
548
|
iemand geweld of onrecht heb gedaan, of dat ik van iemands hand een geschenk genomen heb en mij de oogen heb laten verblinden ? zoo zal ik het u wedergeven. 4 Toen spraken zij: Gij hebt ons geen geweld noch onrecht aangedaan, en van niemands hand hebt gij iets genomen. 5 En hij sprak tot hen; De Heer zij getuige onder u, en zijn gezalfde zij getuige te dezen dage, dat gij niets gevonden hebt in mijne hand. Zij spraken: Ja zij zullen getuigen zijn. 6 En Samuël sprak tot het volk: Ja, de Heer, die Mozes en Aiiron verwekt heeft, en die uwe vaderen uit Egypteland geleid heeft, \zij r/eiuigé]. 7 Zoo treedt nu herwaarts, opdat ik met u richte voor den Heer, wegens ul de weldaden des Heeren, die hij aan u en uwe vaderen bewezen heeft. 8 Als Jakob in Egypte gekomen was, riepen uwe vaderen tot den Heer; on hij zond Mozes en Aaron,' dat zij uwe vaderen uit Egypte zouden leiden, en hen laten wonen aan deze plaats. |
9 Maar toen zij den Heer hunnen God vergaten, verkocht hij hen onder de macht van Sisera den hoofdman van Hazor, en onder de macht der Filistijnen, en onder de macht van den koning der Moabieten, die tegen hen streden. 10 En zij riepen tot den Heer en spraken: Wij hebben gezondigd, dat wij den Heer verlaten en de Baals en Astaroth gediend hebben; doch verlos ons nu uit de hand onzer vijanden, zoo zullen wij u dienen. 11 Toen zond de Heer Jerubbaal, Bedan, Jefta en Samuël, en verloste u uit de hand uwer vijanden rondom, en liet u veilig wonen. 13 Toen gij nu zaagt dat Nalias de koning der kinderen Ammons tegen u kwam, spraakt gij tot mij: Niet gij, maar een koning zal over ons heerschen, — daar toch de Heer uw God uw koning was. 13 Nu dan, daar hebt gij uwen koning dien gij verkoren en begeerd hebt; want zie, de Heer heeft een koning over u gesteld. 14 Is het dat gij nu den Heer vreest en hem dient en naar zijne stem hoort, en het bevel des Heeren niet ongehoorzaam zijt, zoo zult gij, en uw koning die |
1 SAMUEL 13.
549
|
over u heerscht, den Heer uwen God tot voorganger hebben; 15 maar is het dat gij naar de stem des Heeren niet hoort en aan zijn bevel ongehoorzaam zijt, zoo zal de hand des Heeren tegen u zijn als tegen uwe vaderen. 16 Ook nu, treedt herwaarts, en ziet deze groote zaak die de Heer voor uwe oogen doen zal. 17 Is het nu niet de tar-wenoogst? Ik zal den Heer aanroepen, dat hij donder en regen geve, opdat gij ondervinden en zien moogt het groote kwaad hetwelk gij voor de oogen des Heeren gedaan hebt, dat gij voor u een koning hebt begeerd. 18 En toen Samuel den Heer aanriep, liet de Heer donderen en regenen op dien dag; en al het volk vreesde zeer den Heer en Samuël, 19 en zij spraken allen tot Samuël: Bid voor uwe knechten tot den Heer uwen God, opdat wij niet sterven; want bij al onze zonden hebben wij ook dit kwaad gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. |
20 En Samuël sprak tot het volk: Vreest niet; gij hebt, het is waar, al dit kwaad gedaan, doch wijkt slechts niet achterwaarts van den Heer af, maar dient den Heer van ganscher harte; 21 en wijkt niet af tot de nietigheden, want die baten niets en kunnen niet redden, omdat het nietigheden zijn. 22 Zoo zal de Heer zijn volk niet verlaten om zijns grooten naams wil; want de Heer heeft begonnen u zichzelven tot een volk te maken. 23 Het zij ook verre van mij dat ik tegen den Heer zou zondigen, door natela-ten voor u te bidden en u den goeden en rechten weg te leeren. 2 -1; Vreest slechts den Heer, en dient hem getrouw van ganscher harte, want gij hebt gezien hoegroote dingen hij u gedaan heeft. 25 Maar is het dat gij kwalijk handelt, zoo zult gij en uw koning verloren zijn. HOOFDSTUK 13. 1 Saul was één jaar koning geweest; en toen hij het tweede jaar over Israël regeerde, 2 verkoos hij zich drieduizend man uit Israël; tweeduizend waren bij Saul te |
1 SAMUËL 13.
550
|
Micbmns en op liet gebergte van Beth-El, en duizend bij Jonathan te Gibca Benjamins ; maar liet overige volk liet bij gaan, ieder naar zijne but. 3 En Jonathan sloeg de Filistijnen in bun leger dat te Gibea was; en dit kwam den Filistijnen ter oore. En Êfaul liet do bazuinen blazen in bet gebeele land, zeggende: Laat de Hebreen bet hoeren. 4 En gebeel Israël boorde het, zeggende: Saul beeft het leger der Filistijnen geslagen, en nu is Israël in kwaden reuk gekomen bij de Filistijnen. En al het volk werd samengeroepen achter Saul te Gilgal. 5 Toen vergaderden de Filistijnen zich om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens, zesduizend ruiters, en ander volk zooveel als zand aan den oever dei-zee; en zij trokken op en legerden zich te Miehmas tegen bet oosten van Beth-Aven. 6 Toen nu de mannen Israels zagen dat zij in nood waren, want bet volk was bang, verscholen zij zich in de spelonken, in de kloven, op de rotsen, in de holen en in de putten. |
7 En de Hebreen trokken over den Jordaan in het laud Gad en Gilead. Saul mi was nog te Gilgal, en al het volk was achter hem, bevende. 8 Toen vertoefde bij zeven dagen, tot op den tijd door Samuël bepaald; en toen Samuël niet te Gilgal kwam, verstrooide zich het volk van hem. 9 Toen sprak Saul: Brengt herwaarts tot mij het brand-ofl'er en de dankoffers. En hij offerde bet brandoffer. 10 En als bij nu het brandoffer volbracht had, zie, toen kwam Samuël; toen ging Saul uit, hem tegemoet, om hem te zegenen. 11 Maar Samuël sprak: Wat hebt gij gedaan? Saul antwoordde: Ik zag dat bet volk zich van mij verstrooide, en gij kwaamt niet op den bepaalden lijd, en de Filistijnen waren vergaderd te Miehmas: 12 toen sprak ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des Hee-ren niet aangebeden. Toen waagde ik het en offerde het brandoffer. 13 Toen sprak Samuël tot Saul: Gij hebt dwaas gedaan , en niet gehouden het ge hod van den Heer uwen God hetwelk h\j u geboden |
SAMUËL 14.
551
|
heeft; want liij zou tiw rijk over Israël bevestigd hebben voor altoos, 14 maar nu zal uw rijk niet bestaan: de Heer heeft zich een man uitgezocht naar zijn hart, dien heeft de Heer geboden vorst te zijn over zijn volk; want gij hebt het 1 gebod des Heeren niet gehouden. — 15 En Samuel maakte zich op en ging van Gilgal naar Gibea Benjamins. — Saul nu telde het volk dat bij hem was, omtrent zeshonderd man. 16 Eu Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk dat hij hen was, bleven te Gibea Benjamins; en do Eilis-tijnen hadden zich gelegerd te Michmas. 17 En uit het leger dor Eilistijnen trokken drie benden om liet land te over-heoren: de ééne keerde zich langs den weg van Ofra naar het land Sual, 18 de andere keerde zich naar den weg van Beth-llo-ron, en de derde keerde zich naar den weg die loopt naar hot dal Zeboïm naar de woestijn. 19 En er werd geen smid in het geheele land van Israël gevonden; want de Eilistijnen hadden gezegd: De Hebreen mochten zwaarden en spiesen maken. |
20 En al de Israëlieten moesten aftrekken tot de Filistijnen, als iemand een ploegijzer, houweel, bijl of zeis te scherpen had; 21 en de sneden aan de zeisen en houweelen en gaffels en bijlen waren afgestompt, en de prikkels bot geworden. 22 Toen nu de dag des strijds kwam, werd er geen zwaard noch spies gevonden in de hand van al het volk dat bij Saul en Jonathan was; maar Saul en zijn zoon Jonathan alleen hadden wapenen. 23 En het leger der Filistijnen trok uit naar de engte van Michmas. HOOFDSTUK 14. 1 En het geschiedde op zekeren dag, dat Jonathan de zoon van Saul tot zijnen jongen die zijn wapendrager was zeide; Kom, laat ons overgaan tot het leger der Filistijnen dat aan de overzijde is. En hij gaf het aan zijnen vader niet te kennen. 3 Saul nu bleef aan het einde van Gibea, ondereen granaatboom die in de voorstad was; en het volk dat bij hem was bedroeg |
i.
1 SAMUËL 14.
552
|
omtrent zeshonderd man. 3 (En Alua, de zoon van Ahitub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pine-has, den zoon van Eli, was priester des Heeren teSilo, en droeg den lijfrok.) Het volk nu wist ook niet dat Jonathan was heengegaan. 4 En aan den weg, langs welken Jonathan zocht over-tegaan tot het leger der Filistijnen, waren twee spitse steenklippen, de ééne aan deze en de andere aan gene zijde, de céne genaamd Bozez en de andere Séne; 5 en de ééne zag van het noorden af naar Miohmas toe, en de andere van het zuiden naar Geba. 6 En Jonathan sprak tot zijnen wapendrager: Kom, laat ons overgaan tot het leger dezer onbesnedenen: misschien zal de Heer voor ons iets uitvoeren, want het is den Heer niet zwaar om door velen of door weinigen te helpen. 7 En zijn wapendrager zeide tot hem: Doe alvvat in uw hart is; ga voort, zie, ik ben met u zooals uw hart wil. 8 Toen zeide Jonathan: Welaan, als wij overkomen tot de lieden en hun in het gezicht komen, |
9 en zij dan zeggen: Staat stil totdat wij bij u komen, zoo zullen wij aan onze plaats blijven staan en niet tot hen opgaan; 10 maar is het dat zij zeggen: Komt tot ons op, zoo zullen wij tot hen opklimmen ; dan heeft de Heer hen in onze hand gegeven; en dit zal ons tot een tee-ken zijn. 11 Toen zij beiden nu in het gezicht van het leger der Filistijnen kwamen, spraken de Filistijnen: Zie, de Hebreen zijn uit de holen gekomen waarin zij zich verborgen hadden. 12 En de mannen in het leger antwoordden Jonathan en zijnen wapendrager, en spraken: Komt tot ons op, dan zullen wij u wel leeren. Toen sprak Jonathan tot zijnen wapendrager: Klim mij na, de Heer heeft hen in Israels hand gegeven. 13 En Jonathan klom met handen en voeten opwaarts, en zijn wapendrager hem na; toen vielen zij voor Jonathan terneder, en zijn wapendrager doodde hen achter hem; 14 zoodat de eerste slachting, die Jonathan en zijn wapendrager deden, was van omtrent twintig man, op de ruimte van omtrent I een half bunder lands, |
1 SAMUËL 14.
553
|
hetwelk een juk ossen omploegt. 15 En er kwam een schrik in het leger op het veld, en onder al het volk des legers; en de stroopende benden verschrikten óók, zoodat het land ontroerd werd; want het was een schrik Gods. 16 En toen de wachters van Saul te Gibea Benjamins zagen, dat de hoop versmolt en verliep en verslagen werd, 17 sprak Saul tot het volk dat bij hem was: Telt en beziet wie van ons weggegaan is. En toen zij telden, zie, toen waren Jonathan en zijn wapendrager er niet. 18 En tot Alna sprak Saul: Breng de ark Gods herwaarts. quot;Want de ark Gods was op dien tijd bij de kinderen Israels. 19 En toen Saul nog met den priester sprak, toen werd het gedruisch en het geloop in het leger der Eilis-tijnen steeds grooter; en Saul sprak tot den priester: Trek uwe hand terug. 30 En Saul, en al het volk dat bij hem was, verzamelden zich en kwamen tot den strijd; en zie, toen was het zwaard van den één tegen dat van den ander ; en er was een zeer groot gedruisch. |
31 Ook de Hebreen, die tevoren bij de Filistijnen geweest waren, en met hen waren opgetrokken in het leger rondom, voegden zich bij de Israëlieten die bij Saul en Jonathan waren. 33 En al de mannen Israels, die zich op het gebergte van Efraïm verborgen hadden, toen zij hoorden dat de Eilistijnen vluchtten, zaten hen achterna in den strijd. 33 Alzoo hielp de Heer te dier tijd Israël; en het leger trok over naar Beth-Aven. 34 En toen de mannen Israëls mat waren op dien dag, bezwoer Saul het volk, zeggende: Vervloekt zij de man die iets eet vóór den avond, opdat ik mij aan mijne vijanden wreke. Toen at al het volk niet. 25 En het geheele volk kwam in het woud, en er was honig op het veld; 36 en toen het volk in het woud kwam, zie, toen stroomde het honig; maar niemand bracht dien met zijne hand aan zijnen mond, want het volk vreesde voor den eed. 37 Maar Jonathan had het niet gehoord dat zijn vader het volk bezworen |
1 SAMUEL 14.
554
|
luid, en strekte zijnen staf uit dien hij in zijne hand had, en doopte met de punt in eene honigraat; en als hij zijne hand aan zijnen mond gebracht had, werden zijne oogen helder. 28 Toon antwoordde een uit het volk en sprak: Uw vader heeft het volk bezworen , zeggende: Vervloekt zij de man die heden iets eet. En het volk was mat geworden. 39 En Jonathan zeide: Mijn vader heeft het land beroerd; ziet slechts hoe helder mijne oogen geworden zijn, omdat ik een weinig van dezen honig geproefd heb. 30 Maar dewijl het volk heden niet heeft mogen eten van den buit zij tier vijanden dien zij gevonden hebben, zoo heeft nu ook de slachting der Klistij-nen niet grooter kunnen zijn. — 31 En zij sloegen de Ei-listijnen op dien dag van Michmas af tot Ajjalon toe; en het volk was zeer afgemat. 33 En het volk viel op den buit aan, en zij namen schapen en runderen en kalveren, en slachtten die op de aarde, en aten ze met het bloed. |
33 Toen verkondigde men Saul: Zie, het volk zondigt tegen den lieer, dat het bloed eet. En hij sprak: Gij hebt kwalijk gedaan, wentelt nu een grooten steen tot mij. 34 Eu Saul sprak verder: Verspreidt u onder het volk en zegt tot hen, dat een ieder zijnen os en zijne schapen tot mij brenge en die hier slachte, opdat gij ze eet, en niet zondigt tegen den Heer door te eten met het bloed. Toen bracht al het volk in dien nacht ieder zijnen os aan zijne hand, en zij slachtten ze aldaar. 35 En Saul bouwde den Heer een altaar; dit was de eerste altaar dien hij den Heer bouwde. 36 En Saul sprak; Laat ons aftrekken de Filistijnen achterna, gedurende den nacht, en hen berooven totdat het morgen licht wordt, zoodat wij niemand van hen overlaten. En zij antwoordden : Doe al wat u behaagt. Doch de priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen. 37 En Saul vraagde God: Zal ik aftrekken de Filistijnen achterna, en zult gij hen overleveren in de hand van Israël? Doch hij ant- |
|
woordje hem niet te dier tijd. 38 Toen sprak Saul: Komt i herwaarts, allo g'ij hoopen des volks, en verneemt en s ziet aan wien de zonde is die heden begaan is; 39 want zoo waarachtig als de Heer leeft, Israels Heiland, al ware zij ook aan mijnen zoon Jonathan, zoo zal hij sterven. En niemand antwoordde hem uit al het volk. 40 En hij sprak tot geheel Israël: Weest gijlieden aan gene zijde, ik en mijn zoon Jonathan zullen zijn aan deze zijde. Eu het volk sprak tot Saul: Doe wat u goeddunkt. 41 En Saul sprak tot den Heer, den God Israels: Toon de waarheid. Toen werden Jonathan en Saul aangewezen, en het volk kwam vrij. 43 En Saul sprak: Werpt r\]iet lof] over mij en mijnen zoon Jonathan. Toen werd Jonathan aangewezen. 43 En Saul sprak tot Jonathan : Zeg mij, wat hebt gij gedaan? En Jonathan zeide het hem, en sprak: Ik hel) een weinig honig geproefd met den staf dien ik in mijne hand had: zie, ik moet daarom sterven! |
555 44 Toen sprak Saul: God doe mij dit en dat. Jonathan, gij moet den dool sterven. 45 Maar het volk sprak tot Saul: Zou Jonathan sterven, die zulk een groot heil in Israël gedaan heeft? Dat zij verre. Zoo waarachtig als de Heer leeft, er zal geen haar van zijn hoofd op de aarde vallen; 1 want God heeft het heden door hem gedaan. Alzoo verloste het volk Jonathan dat hij niet stierf. 46 Toen trok Saul op van de Filistijnen, en de Filistijnen trokken naar hunne plaats. 47 Toen nu Saul het rijk van Israël ingenomen had, streed hij tegen al zijne vijanden rondom, tegen de Moabieten, tegen de kinderen Ammons, tegen de Edomieten, tegen de koningen van Zoba en tegen de Filistijnen; en waarheen hij zich wendde, daar oefende hij straf. 48 En hij maakte een heir, en sloeg de Amalekieten, en verloste Israël uit de hand van allen die hen beroofden. 49 Sauls zonen nu waren Jonathan, Jisvi en Malki-süa; en zijne twee dochters heetten aldus: de eerstge- 1 SAMUËL 14. |
-
1 SAMUËL 15.
556
|
borene Merab en de jongste Michal. 50 En de huisvrouw van Saul heette Ahinoam, eene dochter van Ahimaaz. En zijn krijgsoverste heette Abi-ner, de zoon van Ner, Sauls oom. 51 Want Kis, de vader van Saul, eu Ner, Abiners vader, waren zonen van Abiël. 53 En er was een hevige strijd tegen de Eilistijnen zoolang Saul leefde; en waar Saul een sterken en kloeken man zag, dien nam hij tot zich. HOOFDSTUK 15. 1 En Samuül sprak tot Saul: De Heer heeft mij gezonden opdat ik u tot koning zalfde over zijn volk Israël; zoo hoor nu de stem der woorden des Heeren. 3 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Ik heb gedacht aan hetgeen Amalek aan Israël deed, en hoe hij hem den weg afsneed toen hij uit Egypte trok: 3 zoo' trek nu heen en sla de Amalekieten, en verban hen met alwat zij hebben , en verschoon hen niet maar dood hen, beide mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, ossen en sshapen, kameelen en ezels. |
4 En Saul liet dit aan het volk bekendmaken; en hij telde hen te Telaïm, tweehonderdduizend man voetvolk, en tienduizend man van Juda. 5 En toen Saul aan de stad der Amalekieten kwam, maakte hij eene hinderlaag aan de beek. 6 En hij liet aan de Ke-nieten zeggen: Gaat heen, wijkt en trekt af van de Amalekieten, opdat ik ulie-den niet met iien uit den weg ruime; want gij be-weest barmhartigheid aan al de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte trokken. Al-zoo zonderden de Kenieten zich af van de Amalekieten. 7 Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af tot Sur toe dat vóór Egypte ügt; 8 en hij nam Agag den koning der Amalekieten levend gevangen, en al het volk verbande hij met de scherpte des zwaards. 9 Maar Saul en het volk verschoonden Agag, en de goede schapen en runderen, en wat gemest was, en de lammeren, en alwat goed was, en zij wilden het niet verbannen ; maar wat slecht en onbruikbaar was, dat verbanden zij. 10 Toen geschiedde het |
1 SAMUEL 15.
557
|
woord des Heeren tot Samuel, zeggende: 11 Het berouwt mij dat ik Saul tot koning gemaakt heb; want hij heeft zich achter mij afgekeerd en mijne woorden niet vervuld. Toen werd Samuël zeer bedroefd, en riep tot den Heer den geheelen nacht. 13 En Samuël maakte zich vroeg op, om Saul des morgens te ontmoeten; en hem werd gezegd dat Saul te Karmel gekomen was, en zich een teeken van overwinning had opgericht, en dat hij, naar Gilgal trekkende, was afgekomen. 13 Als nu Samuël tot Saul kwam, sprak Saul tot hem: Gezegend zijt gij den Heere; ik heb het woord des Heeren vervuld. 11 Doch Samuël zeide: Wat is dat dan voor een geblaat van schapen in mijne ooren en een geloei van runderen hetwelk ik hoor? 15 En Saul zeide: Yan de Amalekieten hebben zij die medegebracht, want het volk verschoonde de beste schapen en runderen tot een otter voor den Heer uwen God; maar het overige hebben wij verbannen. 16 En Samuël antwoordde aan Saul: Laat u zeggen wat de Heer dezen nacht tot mij gesproken heeft. En hij zeide tot hem: Spreek. |
17 En Samuël sprak: Is het niet zoo? Toen gij klein waart in uwe oogen, werdt gij het hoofd onder de stammen Israëls, en de Heer zalfde u tot koning over Israël. 18 En de Heer zond u op den weg en sprak: ïrek heen en verban de zondaare, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij hen verdelgt: — 19 waarom hebt gij niet gehoord naar de stem des Heeren, maar hebt u tot den buit gekeerd, en kwalijk gedaan voor de oogen des Heeren ? 20 En Said antwoordde aan Samuël: Ik heb immers naar de stem des Heeren gehoord, en ben heengetrokken langs den weg op welken de Heer mij zond, en heb Agag den koning der Amalekieten herwaarts gebracht, en de Amalekieten verbannen. 21 Maar het volk heeft van den buit genomen, schapen en runderen, het beste van het verbannene, om den Heere uwen God te otteren te Gilgal. 22 Doch Samuël sprak: Meent gij dat de Heer zóózeer lust heeft aan oft'er |
1 SAMUËL 15.
558
|
en brandoffer, als aan gehoorzaamheid jegens de stem des Heeren? Zie, gehoorzaamheid is beter dan ofl'er, en opmerken beter dan het vet der rammen; 23 want ongehoorzaamheid is zonde der tooverij, en tegenstreven is afgoderij en afgodendienst. Dewijl gij nu het woord des Heeren verworpen hebt, zoo heeft hij n óók verworpen, dat gij geen koning meer zult zijn. 24 Toen sprak Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, dat ik het bevel des Heeren en uwe woorden overtreden heb; want ik vreesde voor het volk en hoorde naar hunne stem. 25 En nu, vergeef mij de zonde en keer met mij om, opdat ik den Heer aanbidde. 26 Doch Samuël zeide tot Saul: Ik wil niet met u omkeeren; want gij hebt het woord des Heeren verworpen, en de Heer heeft ook ii verworpen, dat gij geen koning meer zult zijn over Israël. 27 Toen nu Samuël zich omkeerde en wilde weggaan, zoo greep hij hem bij een slip van zijn rok, en zij scheurde af. 28 Toen sprak Samuël tot hem: De Heer heeft het koninkrijk Israël heden van u afgescheurd, en het aan uwen naaste gegeven die beter is dan gij. |
29 Ook liegt de Held van Israël niet, en het berouwt hem niet; want hij is niet een mensch, dat hem iets berouwen zoude. 30 En hij sprak: Ik heb gezondigd; maar eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks en voor Israël, en keer met mij om , opdat ik den Heer uwen God aanbidde. 31 Toen keerde Samuël om en volgde Saul, opdat Saul den Heer zoude aanbidden. 82 En Samuël sprak: Laat Agag den koning der Ama-lekieten tot mij brengen. En Agag ging kloekmoedig tot hem, en sprak: Aldus moet men de bitterheid des doods verdrijven. 33 En Samuël sprak: Gelijk uw zwaard de vrouwen van hare kinderen beroofd heeft, zoo zal ook uwe moeder van hare kinderen beroofd zijn onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken voor den Heer te Gilgal. 34 Daarna ging Samuël heen naar llama, en Saul trok opwaarts naar zijn huis te Gibea Sauls. 35 En Samuël zag Saul |
1 SAMUËL 16.
559
|
I voortaan niet meer, tot den 1 dag zijns doods; maar nooh-i tans droeg Samuel rouw over Saul, omdat liet den Heer berouwd Lad dat hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. HOOFDSTUK 16. 1 En de Heer sprak tot Samuël: Hoelang draagt gij rouw over Saul, dien ik verworpen heb dat hij geen koning meer zij over Israël? Vul uwen hoorn met olie en ga heen: ik zal u zenden tot den BetMehemiet Isai, want onder zijne zonen heb ik mij een koning uitgezien. 3 En Samuël sprak: Hoe zal ik heengaan? Saul zal hét vernemen en mij doo-den. Doch de Heer sprak: Neem een kalf van de runderen met u, en spreek: Ik ben gekomen om den Heere te offeren. 3 En gij zult Isai tot het offer noodigen, zoo zal ik u toonen wat gij doen zult, en gij zult mij dengeen zalven dien ik u zeggen zal. 4 En Samuël deed zooals de Heer hem gezegd had, en kwam te Bethlehem. Toen ontstelden de oudsten der stad, en gingen hem tegemoet en spraken: Is uwe komst vrede? |
5 En hij sprak; Ja, ik ben gekomen om aan den Heer te offeren: heiligt u en komt met mij tot het offer. En hij heiligde Isai en zijne zonen, en noodigde hen tot het otler. 6 En als zij nu inkwamen, zag hij Elial) aan en dacht: Zou deze de gezalfde des Heeren zijn? 7 Maar de Heer sprak tot Samuël: Zie zijne gestalte niet aan noch tie grootte zijns persoons: ik heb hem verworpen; want het gaat hier niet gelijk de mensch ziet; de mensch ziet op hetgeen voor oogen is, maai de Heer ziet het hart aan. 8 Toen riep Isai Abinadab, en liet hem voor Samuël voorbijgaan; en hij sprak: Dezen heeft de Heer óók niet verkoren. 9 Toen liet Isai Samma voorbijgaan; maar hij sprak: Dezen heeft de Heer óók niet verkoren. 10 Toen liet Isai zijne zeven zonen voor Samuël voorbijgaan; maar Samuël sprak tot Isai: De Heer heeft geen van deze verkoren. 11 Toen zeide Samuël tot Isai: Zijn dit al de jongelingen? En hij sprak: De jongste is nog overig; doch zie, hij hoedt de schapen. Toen sprak Samuël tot Isai: Zend heen en laat hem ha- |
*
|
560 len, want wij zullen niet aanzitten voordat hij hier gekomen is. 12 Toen zond hij heen en liet hem halen; hij nu was bruinachtig, met schoone oogen en van goede gestalte. En de Heer sprak: Sta op en zalf hem, want die is het. 13 ïoen nam Samuël zijnen oliehoorn, en zalfde hem midden onder zijne broeders; en de Geest des Heeren werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. En Samuël maakte zich op en ging naar Eama. 14 En de Geest des Heeren week van Saul, en een booze geest van den Heer ontrustte hem zeer. 15 Toen spraken Sauls knechten tot hem: Zie, een booze geest van God ontrust u zeer. 16 Onze heer zegge tot zijne knechten die voor hem staan, dat zij een man zoeken die goed op de harp kan spelen; opdat als de booze geest van God over u komt, hij met zijne hand spele en het beter met u worde. 17 Toen sprak Saul tot zijne knechten: Ziet uit naar een man die goed op de snaren kan spelen, en brengt hem tot mij. |
18 Toen antwoordde een der jongelingen en sprak: Zie, ik heb een zoon van Isai den Bethlehemiet gezien, die kan goed op de snaren spelen, een dapper man en strijdbaar, en verstandig in zaken, en schoon; en de Heer is met hem. 19 Toen zond Saul boden tot Isai en liet hem zeggen: Zend uwen zoon David, die bij de schapen is, tot mij. 2 0 Toen nam Isai een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitebokje , en zond het aan Saul door zijnen zoon David. 21 Alzoo kwam David tot Saul en diende hem, en hij kreeg hem zeer lief, en hij werd zijn wapendrager. 22 En Saul zond tot Isai en liet aan hem zeggen: Laat David vóór mij blijven, want hij heeft genade gevonden voor mijne oogen. quot;23 Als nu de geest van God Saul kwelde, nam David de harp en speelde met zijne hand: dan verkwikte Saul zich en het werd beter met hem, en de booze geest week van hem. 1 SAMUEL 17. HOOFDSTUK 17. 1 En de Eilistijnen vergaderden hun heir tot den strijd en kwamen tezamen te Socho in Juda, en leger- |
1 SAMUËL 17.
561
|
den zich tussehen Socho en Azeka, aan het einde van Dammim. 2 En Saul en de mannen van Israël kwamen tezamen en legerden zich in het eikendal, en zij rustten zich toe tot den strijd tegen de Filistijnen. 3 En de Filistijnen stonden op een berg aan gene zijde, en de Israëlieten op een berg aan deze zijde, zoodat er een dal tussehen beiden was. 4 Toen trad er uit liet leger der Filistijnen een reus tevoorschijn, genaamd Goliath , uit Gath; zes el en een handbreed was zijne lengte; 5 en hij had een koperen helm op zijn hoofd, en een geschubd pantser aan, en het gewicht zijns pantsers was viifduizend sikkels koper; 6 en hij had een koperen scheenharnas boven zijne voeten, en een koperen schild op zijne schouders; 7 en de schacht zijner spies was als een weversboom , en het lemmer zijner spies had zeshonderd sikkels ijzer; en een schilddrager ging voor hem uit. |
8 En hij stond en riep tot de slagorden Israels, en sprak tot hen: Wat zijt gijlieden uitgetrokken om u toeterusten tot een strijd? Een ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een onder u die tegen mij afkome: 9 kan hij tegen mij strijden en verslaat hij mij, zoo zullen wij uwe knechten zijn; maar zoo ik hem overweldig en hem versla, zoo zult gijlieden onze knechten zijn, dat gij ons dient. 10 En de Filistijn sprak verder: Ik heb heden de slagorden Israels gehoond; geeft mij een man en laat ons met elkander strijden. 11 Toen nu Saul en geheel Israël deze woorden des Fi-listijns hoorden, ontstelden zij en vreesden zeer. 12 David nu was de zoon van een man van Efratha uit Bethlehem-Juda, genaamd Isai, die acht zonen had; en deze man was in de dagen van Saul oud en bedaagd onder de mannen. 13 En de drie oudste zonen van Isai waren met Saul in den strijd getrokken; en hunne namen waren: Eliab de eerstgeborene, Abinadab de tweede, en Samma de derde; 14 en David was de jongste. Toen nu de drie oudsten met Saul in den oorlog getrokken waren, 15 ging David van Saul |
1 SAMUËL 17.
562
|
weder heen, om de scliapen zijns vaders te iïethleliem te weiden. 16 En de l'ilistijn trad voorwaarts des morgens en des avonds, en vertoonde zich veertig dagen lang. 17 En Isai sprak tot zijnen zoon David: Neem voor uwe broeders een efa van dit geroost koren en deze tien brooden, en snel daarmede heen naar het legfir tot uwe broeders; 18 en deze tien versche kazen, breng die aan den hoofdman; en bezoek uwe broeders, of het hun welgaat, en neem wat zij u bevelen. 19 Saul nu, en zij, en al de mannen Israels, waren in het eikendal en streden tegen de Filistijnen. 20 Toen maakte David zich des morgens vroeg op, en liet de schapen onder den hoeder, en droeg en ging heen gelijk Isai hem geboden had; en hij kwam tot de legerplaats, toen het heir in slagorde uittrok en men een krijgsgeschreeuw aanhief. 21 Want Israel en de Filistijnen hadden zich toegerust , slagorde tegen slagorde. |
22 Toen liet David het vat dat hij droeg onder den bewaarder der vaten, en hij liep naar de slagorde en ging daarin, en groette zijne broeders. 23 En toen hij nog met hen sprak, zie, toen trad de reus voor, genaamd Goliath, de Eilistijn uit Gath, uit de slagorde der Filistijnen, en sprak als tevoren; en David hoorde het. 24 Maar iedereen in Israël, als hij den man zag, zoo vluchtte hij voor hem en vreesde zeer. 25 En iedereen in Israël sprak; Hebt gij dien man gezien die opgetreden is? hoe hij opgetreden is om Israël te hoonen? En wie hem verslaat, dien wil de koning zeer rijk maken en hem zijne dochter geven, en wil zijn vaderlijk huis vrijmaken in Israël. 26 Toen sprak David tot de mannen die bij hem stonden: Wat zal men den man doen die dezen Filistijn verslaat en de schande van Israël wegdoet? Want wie is deze Filistijn, deze onbesnedene, dat hij de slagorden des levenden Gods zou hoonen? 37 Toen zeide het volk hem als tevoren: Zóó zal men den man doen die hem verslaat. |
|
28 En Eliab, zijn oudste 1)roeder, hoorde hem spreken mot die mannen; en ! hij ontstak in toorn tegen David en sprak: Waarom zijt gij afgekomen, en waarom hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uwe vermetelheid wel en do boosheid ■ uws harten, want gij zijt afgekomen om den strijd te zien. 39 En David antwoordde: Wat hel) ik dan nu gedaan ? Is het mij niet bevolen? 30 En hij wendde zich van hem tot een ander, en sprak gelijk hij tevoren gezegd had, en het volk antwoordde hem als tevoren. 31 En toon zij de woorden hoorden die David zeide, verkondigden zij ze aan Saul; en hij liet hem halen. 32 En David sprak tot Saul: Aan geen mensch ontvalle het hart om zijnentwil : uw knecht zal heengaan en met den Fi-listijn strijden. 33 Doch Saul sprak tot David: Gij kunt niet heengaan tegen dezen Filistijn om met hem te strijden;. want gij zijt eon jongeling, en deze is oen krijgsman van zijne jeugd af. 34 David nu sprak tot Saul: Uw knecht hoedde |
563 de schapen zijns vaders; en er kwam een leeuw en een beer, en droeg een schaap weg van de kudde; 33 en ik liep hem na en sloeg hem, on redde het uit zijnen mond; en toen hij zich togen mij stelde, greep ik hem bij zijnen baard en sloeg hem en doodde hem. 30 Alzoo heeft uw knecht geslagen beide den leeuw en den beer; zoo zal nu deze Filistijn, deze onbesnedene , zijn als een van die; want hij heeft de slagorden des levenden Gods gehoond. 37 En David sprak verder: De Heer, die mij van don leeuw en den beer gered heeft, die zal mij ook redden van dezen Filistijn. En Saul sprak tot David: Ga hoon, de Heer zij met u. 38 En Saul trok David zijne kleederen aan, en zette hem een koperen helm op zijn hoofd, on deed hem zijn pantser aan. 39 En David gordde zijn zwaard, over zijne kleederen, en begon te gaan; want hij had het nooit beproefd, ïoen sprak David tot Saul: Ik kan zóó niet gaan, want ik ben het niet gewond. En hij leide het van zich ;lf' 40 en hij nam zijnen her- 1 SAMUËL 17. |
1 SAMUËL 17.
564
|
dersstaf in zijne hand, en koos zich vijf gladde steenen uit de beek, en stak ze in de herderstasch die hij omhad, en in den zak; en hij nam den slinger in zijne hand, en begaf zich tot den Filistijn. 41 En de Filistijn ging ook heen en begaf zich tot David, en zijn schilddrager voor hem uit. 43 Toen nu de Filistijn zag en David nader aanschouwde, verachtte hij hem; want hij was een jongeling, bruinachtig en schoon. 43 En de Filistijn sprak tot David: Ben ik een hond, dat gij met stokken tot mij komt? En hij vloekte David bij zijnen god. 44 En hij sprak tot David: Kom herwaarts tot mij, ik wil uw vleesch aan de vogelen onder den hemel geven en aan de dieren op het veld. 45 Maar David sprak tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, spies en schild, maar ik kom tot u in den naam van den Heer Zebaoth, den God der slagorden Israels, dien gij gehoond hebt. |
46 Heden op dezen dag zal de Heer u in mijne hand overleveren, en ik zal u verslaan, en uw hoofd van u scheiden, en de doode lichamen van het heir der Filistijnen heden aan de vogelen onder den hemel en aan de wilde dieren des velds geven: opdat de ge-heele aarde gewaarworde dat Israël een God heeft, 47 en opdat deze geheele gemeente gewaarworde dat de Heer niet door zwaard noch spies helpt; want de strijd is dos Heeren, en hij zal u in onze hand geven. 48 Toon nu de Filistijn zich opmaakte en heenging en tot David naderde, haastte David zich en liep naar de slagorde, den Filistijn tegemoet; 49 en David greep met zijne hand in de tasch en nam een steen daaruit, en slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd, zoodat de steen in zijn voorhoofd drong en hij op zijn aangezicht ter aarde viel. 50 Alzoo overwon David den Filistijn met den slinger en den steen, en hij versloeg hem en doodde hem; en daar David geen zwaard in zijne hand had, 51 liep hij en trad tot den Filistijn, en nam zijn zwaard en trok het uit de scheede, en doodde hem en hieuw hem daarmede het hoofd af. Toen nu de Filistijnen zagen |
1 SAMUËL 18.
565
|
dat hun sterkste gedood was, vloden zij. 53 En de mannen van Israël en Juda maakten zich op en hieven een krijgsgeschreeuw aan, en joegen de Filistijnen na totdat men komt in het dal en tot voor de poorten van Ekron; en de Filistijnen vielen verslagen op den weg tot voor de poorten van Gath en Ekron toe. 53 En de kinderen Israels keerden om van het najagen der Filistijnen, en beroofden hun leger. 54 En David nam het hoofd van den Filistijn en bracht het naar Jeruzalem; doch zijne wapenen leide hij in zijne hut. 55 Toen nu Saul David zag uitgaan tegen den Filistijn, sprak hij tot Abner, zijnen krijgsoverste; Wiens zoon is deze jongeling? En Abner zeide: Zoo waar als uwe ziel leeft, o koning, ik weet het niet. 56 En de koning sprak: Vraag er dan naar, wiens zoon deze jongeling is. 57 En toen nu David wederkwam van het verslaan des Filistijns, nam Abner hem en bracht hem voor Saul; en hij had het hoofd van den Filistijn in zijne hand. |
58 En Saul sprak tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? David zeide: Ik ben de zoon van uwen knecht Isai den Eethlehemiet. HOOFDSTUK 18. 1 En toen hij had uitgesproken met Saul, verbond zich het hart van Jonathan aan Davids hart, en Jonathan kreeg hem lief gelijk zijn eigen hart. 2 En Saul nam hem op dien dag tot zich, en liet hem niet weder naar zijns vaders huis terugkeeren. 3 En Jonathan en David maakten een verbond met elkander, want hij had hem lief gelijk zijn eigen hart; 4 en Jonathan trok zijnen rok uit dien hij aanhad, en gaf dien aan David, daarenboven zijnen mantel, zijn zwaard, zijnen boog en zijnen gordel. 5 En David trok uit waarheen Saul hem zond, en gedroeg zich verstandig; en Saul stelde hem over de krijgslieden; en hij behaagde aan al het volk, ook aan de knechten van Saul. 6 En het gebeurde bij het binnentrekken, toen hij wedergekomen was van het verslaan des Filistijns, dat de vrouwen uit al de steden van Israël den koning Saul |
1 SAMUËL 18.
566
|
tegeinoetgingen met gezang en reien, met trommels en triangels, in groote vreugde. 7 En de vrouwen zongen bij beurte en speelden, en spraken: Saul lieeft duizend verslagen, maar David tienduizend. 8 Toon werd Saul zeer toornig, en dat woord behaagde hem kwalijk, en hij sprak: Zij hebben aan David tienduizend gegeven, en mij duizend: liet koninkrijk zal nog het zijne worden. 9 En Saul zag David afgunstig aan van dien dag af en voortaan. 10 Des anderen daags werd de booze geest van God Vaardig over Saul, en hij profeteerde midden in het huis; David nu speelde met zijne hand op de snaren, gelijk dagelijks. En Saul had eene spies in de hand, 11 en hij wierp haar en dacht: Ik zal David aan den wand spiesen. Maar David wendde zich tweemaal van hem af. 12 En Saul vreesde voor David; want dc Heer was met hem, maar van Saul was hij geweken. 13 Toen verwijderde Saul hem van zich, en stelde hem tot een vorst over duizend aan; en hij trok uit en in voor het volk. |
14 En David gedroeg zich verstandig in al zijn doen, en de Heer was met hem. 15 Toen Saul nu zag dat hij zich zoo verstandig gedroeg, zoo schuwde hij hem; 16 maar geheel Israël en Juda hadden David lief, want hij trok voor hen uit en in. 17 En Saul sprak tot David: Zie, mijne oudste dochter Mcrab wil ik u tot vrouw geven: wees slechts kloekmoedig en voer de oorlogen des Heeren. Want Saul dacht: Mijne hand zal niet aan hem zijn, maar de hand der Filistijnen. 18 En David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders geslacht in Israël, dat ik des konings schoonzoon zou wezen? 19 Maar toen de tijd kwam dat Merab, Sauls dochter, aan David zou gegeven worden, zoo werd zij aan Adriöl den Meho-lathiet tot vrouw gegeven. 20 Doch Michal, Sauls dochter, had David lief; en toen dit aan Saul te kennen gegeven werd, sprak hij: 21 Dat is recht: ik wil haar aan hem geven, dat zij hem ten valstrik zij en de handen der Filistijnen |
1 SAMUËL 19.
567
|
over liem komen. En hij sprak tot David: Gij zult heden met de tweede mijn schoonzoon worden. 33 En Saul gebood zijnen knechten; Spreekt met .David heimelijk, zeggende: Zie, de koning heeft welgevallen aan u, en al zijne knechten hebben u lief: zoo word dan nu des konings schoonzoon. 33 En Sauls knechten spraken deze woorden voor de ooren van David. En David sprak: Dunkt ulie-den dit eene geringe zaak te zijn, des konings schoonzoon te wezen, daar ik slechts een arm en onaanzienlijk man ben? 3'1 En Sauls knechten zeiden het hem weder, zeggende : Zoodanige woorden heeft David gesproken. 35 Toen zeide Saul: Zegt dan tot David: De koning-begeert geen bruidsgift, maar alleen honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden des konings. Want Saul trachtte David te doen vallen door de hand der Eilistijnen. 36 En zijne knechten zeiden deze woorden aan David weder; en die zaak dacht David goed te zijn, op deze wijze des konings schoonzoon te worden. En eer de tijd om was, |
37 maakte David'zich op en trok met zijne mannen h een, en versloeg onder de Eilistijnen tweehonderd man; en David bracht hunne voorhuiden, en voldeed den koning omtrent het getal, om des konings schoonzoon te worden; toen gaf Saul hem zijne dochter Michal tot vrouw. 38 En Saul zag en merkte dat de Heer met David was; en Michal, Sauls dochter, had hem lief. 39 Toen vreesde Saul nog meer voor David, en werd zijn vijand zijn leven lang. 30 En toen de vorsten der Eilistijnen uittrokken, zoo handelde David verstandiger dan al de knechten van Saul als zij uittrokken, zoodat zijn naam in groote achting was. HOOFDSTUK 19. 1 En Saul sprak tot zijnen zoon Jonathan en tot al zijne knechten, dat zij David zouden dooden. Doch Jonathan, Sauls zoon, had David zeer lief; 3 en hij verkondigde het hem, zeggende: Saul mijn vader zoekt u te dooden; zoo wacht u nu tegen morgen, en bedek en verberg u. |
1 SAMUfiL 19.
568
|
3 Ik nu zal uitgaan en naast mijnen vader staan op het veld waar gij zijt, en zal met mijnen vader over u spreken; en wat ik bemerk, zal ik u bekendmaken. 4 En Jonathan sprak goed van David tot Saul zijnen vader, en zeide tot hem: De koning bezon dige zich niet aan zijnen knecht David, want hij heeft geen zonde tegen u gedaan, en zijn doen is u zeer nuttig; 5 en hij heeft zijn leven in zijne hand gesteld en den Filistijn verslagen, en de Heer deed een groot heil aan geheel Israël; dit hebt gij gezien en u daarover verheugd. Waarom wilt gij u dan aan onschuldig bloed bezondigen, om David zonder oorzaak te dooden ? 6 Toen hoorde Saul naar de stem van Jonathan en zwoer: Zoo waarachtig als de Heer leeft, hij zal niet sterven. 7 Toen riep Jonathan David, en zeide hem al deze woorden, en bracht hem tot Saul, zoodat hij vóór hem was als tevoren. 8 En er ontstond weder een strijd, en David trok uit en streed tegen de Filistijnen , en richtte eene groote slachting aan, zoodat zij voor hem vloden. |
9 En de booze geest des Heeren kwam weder over Saul; en hij zat in zijn huis, en had eene spies in zijne hand, en David speelde op de snaren met de hand. 10 En Saul trachtte David met de spies aan den wand te spiesen; maar hij ontweek Saul, en de spies drong in den wand; en David vlood en ontkwam in dienzelfden nacht. 11 Doch Saul zond boden naar Davids huis, om hem te bewaken en hem des morgens te dooden. Dit verkondigde Michal, zijne huisvrouw, aan David, zeggende : Is het dat gij dezen nacht uw leven niet redt, zoo moet gij morgen sterven. 12 Toen liet Michal hem door het venster neder, zoodat hij heenging, vluchtte en het ontkwam. 13 En Michal nam een beeld en leide dat in het bed, en leide een geitevel aan zijn hoofdeneinde, en dekte het met kleederen toe. 14 Toen zond Saul boden om David te halen; maar zij sprak: Hij is ziek. 15 En Saul zond de bo- |
1 SAMUËL 20.
569
|
den om David te zien, zeggende: Brengt hem op het bed tot mij, opdat hij gedood worde. 16 Toen nu de boden kwamen, zie, zoo lag het beeld in het bed, en een geitevel aan het hoofdeneinde. 17 Toen sprak Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij bedrogen, en mijnen vijand laten gaan dat hij het ontkwam? En Michal sprak tot Saul: Hij zeide mij: Laat mij gaan of ik dood u. 18 Alzoo vluchtte David en ontkwam het, en hij ging tot Samuiil te Kama, en gaf hem te kennen al-wat Saul hem gedaan had; en hij ging heen met Samuel, en zij bleven te Na-joth. 19 En men gaf Saul te kennen, zeggende: Zie, David is te Najoth bij Rania. 20 Toen zond Saul boden om David te halen. En zij zagen een schaar van profeten profeteerende, en Samuel was hun opziener; toen kwam de Geest Gods op de boden van Saul, dat zij óók profeteerden. 21 Toen dat aan Saul gezegd werd, zond hij andere boden, en die profeteerden óók; toen zond hij ten derden male boden, en ook deze profeteerden. |
22 Toen ging hij zelf naar Eama; en toen hij kwam aan den grooten put te Sechu, vroeg hij en sprak: Waar is Samuel en David? En men zeide: Te Najoth bij Kama. 23 En hij ging derwaarts naar Najoth bij Eama; en de Geest Gods kwam ook op hem, en hij ging voort en profeteerde, totdat hij kwam te Najoth bij Kama. 24 En hij trok óók zijne kleederen uit, en profeteerde insgelijks voor Samuël, en hij viel ontbloot neder dien geheelen dag en den geheelen nacht. Vandaar zegt men: Is Saul óók onder de profeten? HOOFDSTUK 20. 1 David nu vlood van Najoth bij Rama, en kwam en sprak tot Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat heb ik misdreven en waarin heb ik gezondigd voor uwen vader, dat hij naar mijn leven staat? 2 Maar hij sprak tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet niets, noch klein noch groot, dat hij voor mijne ooren niet openbaart: waarom zou dan mijn vader dit |
l SAMUËL 20.
S70
|
verbergen? voor mij zal zoo niet zijn. 3 Toen bezwoer David liet en sprak: Uw vader weet wel dat ik genade voor uwe oogen gevonden lieb; daarom zal liij denken : Jonathan moet dit niet weten, het mocht hem bekommeren. quot;Voorwaar, zoo waarachtig als de Heer leeft en zoo waarachtig als uwe ziel leeft, er is slechts een schrede tusschen mij en den dood. 4 Toen sprak Jonathan tot David: Ik zal u doen wat uw hart begeert. 5 En David zeide tot hem: Zie, morgen is het nieuwemaan, dat ik met den koning aan tafel zitten zou; laat mij nu gaan, opdat ik mij op het veld ver-berge tot den avond van den derden dag. 6 Is het dat uw vader naar mij vraagt, zoo zeg: David bad mij dat hij naar Bethlehem, zijne stad, mocht gaan; want aldaar is een jaarlijksch ol'er voor het geheele geslacht. 7 Is het nu dat hij zegt: Het is goed, zoo staat het wel met uwen knecht; maar indien hij heftig ontbrandt, zoo weet dat het kwaad bij hem tenvolle besloten is. |
8 Zoo bewijs nu barmhartigheid aan uwen knecht; want gij hebt met mij, uwen knecht, een verbond in den Heer gemaakt; maar-is er eene misdaad in mij, dood gij mij dan; want waarom zoudt gij mij tot uwen vader brengen? Het 9 Toen sprak Jonathan: Dat zij verre, dat ik weten zou, dat het bij mijnen vader besloten was om dit kwaad over u te brengen, en ik het u niet bekend zou maken! 10 David nu sprak: Wie zal het mij bekendmaken, indien uw vader u wat hards antwoordt? 11 En Jonathan sprak tot David: Kom, laat ons uitgaan naar het veld. En zij gingen beiden uit naar het veld. 13 En Jonathan sprak tot David: [Bij] den Heer, den God van Israël, als ik bemerk aan mijnen vader, morgen en op den derden dag, dat het welstaat met David, en ik niet tot u zend en het voor uwe ooren openbaar, 13 zoo doe de Heer Jonathan dit en dat! Maar indien mijnen vader het kwaad over u behaagt, zoo zal ik het óók voor uwe ooren openbaren, en u laten vertrekken, dat gij in vrede |
1 SAMUËL 20.
571
|
weggaat; en de Heer zij met u, gelijk hij met mijnen vader geweest is. 14 En zult gij dan niet, zoo ik dan nog leef, de barmhartiglieid des Hoeren aan mij bewijzen, dat ik niet starve? 15 En als do Heer de vijanden van David allen zal hebben uitgeroeid uit het land, dan zult gij uwe barmhartigheid niet aftrekken van mijn huis eeuwig-lijk. — 16 Alzoo maakte Jonathan een verbond mot het huis van David, zeggende: De Heer eische het van de hand der vijanden van David. 17 En Jonathan ging voort en bezwoer David bij de liefde die hij hem toedroeg; want hij had hem zoo lief als zijne ziel. 18 En Jonathan sprak tot hem: Morgen is het nieuwe-maan, dan zal men naar u vragen; want men zal u missen waar gij plaeht te zitten. 19 En op den derden dag, kom dan haastig af en ga naar de plaats waar gij u verbergt op den werkdag, en zot u bij den steen Azel. 20 Dan zal ik terzijde drie .pijlen afschieten, alsof ik naar een doelwit schoot; |
21 en zie, ik zal den jongen zenden, \zeijejendiï\\ Ga heen en zoek de pijlen. Is het nu dat ik tot den jongen zeggen zal: Zie, de pijlen liggen herwaarts achter u, haal ze: zoo kom, want het is vrede en er is geen gevaar, zoo waar de Heer leeft. 23 Maar is het dat ik tot den jongen zeg: Zie, de pijlen liggen derwaarts vóór u: zoo ga heen, want de Heer heeft u laten gaan. 23 En aangaande het woord dat gij en ik met elkander gesproken hebben, is de Heer tusschen mij en u eeuwiglij k. 24 David nu verborg zich in het veld; en toen het nieuwemaan was, zette de koning zich aan tafel om te eten. 25 En als de koning zich gezet had, zooals hij tevoren gewoon was, op zijne zitplaats aan den wand, zoo stond Jonathan op; en Ab-ner zette zich aan Sauls zijde, en men miste David op zijne plaats. 26 Saul nu sprak op dien dag niets, want hij dacht: ' Hem is iets wedervaren, dat hij niet rein is. 37 Doch des anderen daags der nieuwemaan, toen men David miste op zijne plaats, |
1 SAMUEL 20.
572
|
sprak Saul tot zijnen zoon Jonatlian: Waarom is de zoon van Isai niet aan tafel gekomen, nocli gisteren noch heden? 38 En Jonathan antwoordde aan Saul; Hij bad mij dat hij naar Bethlehem mocht gaan, 39 en sprak: Laat mij gaan, want ons geslacht heeft te offeren in de stad, en mijn broeder zelf heeft het mij geboden: heb ik nu voor uwe oogen genade gevonden, zoo zal ik heengaan en mijne broeders zien. Daarom is hij niet gekomen tot des konings tafel. 30 Toen ontbrandde de toorn van Saul tegen Jonathan , en hij sprak tot hem: Gij ongehoorzame booswicht! ik weet het wel, dat gij den zoon van Isai verkoren hebt, u en der moeder die u baarde tot schande. 31 Want zoolang als de zoon van Isai op de aarde leeft, zult gij alsook uw koninkrijk niet bevestigd worden. Zoo zend nu heen en laat hem herwaarts halen tot mij, want hij moet sterven. 32 En Jonathan antwoordde zijnen vader Saul en sprak tot hem: Waarom zou hij sterven? Wat heeft hij gedaan? |
33 Toen wierp Saul de spies naar hem om hem te spiesen, en Jonathan bemerkte dat het bij zijnen vader tenvolle besloten was David te dooden; 34i en hij stond op van de tafel in hitte des toorns, en hij at op dien tweeden dag der nieuwemaan geen brood, want hij was bekommerd over David, dat zijn vader hem zoo versmaad had. 35 En des morgens ging Jonathan uit op het veld waarheen hij David bescheiden had, en een kleine jongen met hem. 36 En hij sprak tot den jongen: Loop en zoak mij de pijlen die ik schiet. Als nu de jongen liep, schoot hij een pijl over hem heen. 37 En als de jongen kwam aan de plaats waarheen Jonathan den pijl geschoten had, zoo riep Jonathan hem na en sprak: De pijl ligt derwaarts vóór u. 38 En hij riep wederom hem na: Haast u, spoed u, sta niet stil. Toen raapte de jongen van Jonathan den pijl op, on bracht dien tot zijnen heer. 39 De jongen nu wist er niets van; slechts Jonathan en David wisten van de zaak. |
1 SAMUËL 21.
573
|
40 Toen gaf Jonathan zijn wapentuig aan den jongen en sprak tot hem: Ga heen en draag het naar de stad. 41 Toen nu de jongen was heengegaan, stond David op van de plaats tegen het zuiden, en viel op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich driemaal neder; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, maar David allermeest. 43 En Jonathan sprak tot David: Ga heen in vrede: hetgeen wij heiden gezworen hebhen in den naam des Heeren, zeggende: De Heer zij tusschen mij en u, tus-schen mijn zaad en uw zaad, dat blijve eeuwiglijk. 43 En Jonathan maakte zich op en kwam in de stad. HOOFDSTUK 21. 1 David nu kwam te Nob tot den priester Achimclech; en Achiméleeh kwam David met schrik tegemoet, en sprak tot hem: Waarom komt gij alléén, en is er geen mensch met u? 2 En David sprak tot A-ehimélech den priester: De koning heeft mij eene zaak bevolen, en sprak tot mij: Laat niemand het weten waarom ik u gezonden heb, en wat ik u bevolen heb. En ik heb mijne jongelingen hier en daar bescheiden. |
3 Hebt gij nu wat onder uwe hand, een brood of vijf? geef mij die in mijne hand, of wat gij anders vindt. 4 En de priester antwoordde David en sprak: Ik heb geen ongewijd brood onder mijne hand, maar heilig brood: indien de jongelingen zich slechts van de vrouwen onthouden hadden ! 5 Eu David antwoordde den priester en sprak tot hem: De vrouwen zijn ons drie dagen onthouden geweest toen ik uittrok, en de gereedschappen der jongelingen waren heilig; en is deze weg onheilig, zoo zal hij heden geheiligd worden door de gereedschappen. 6 Toen gaf de priester hem van het heilige, dewijl er geen ander brood was dan de toonbrooden, die men van voor den Heer wegnam om ander versch brood opteleggen, op dien dag dat hij die weggenomen had. 7 (Te dien dage nu was daar een man in opgesloten voor den Heer, uit de knecht |
|
574 1 SAM' ten van Saul, genaamd Doeg, een Edomiet, de opperste van Sauls herders.) 8 En David sprak tot Achimélecli: Is nier niet onder uwe hand eene spies of een zwaard ? Ik heb mijn zwaard en mijne wapenen niet met mij genomen, want de zaak des konings ver-eischte haast. 9 En de priester sprak: Het zwaard van Goliath den Eilistijn, dien gij versloegt in het eikendal, is hier, gewonden in een kleed, achter den lijfrok; wilt gij dit, zoo neem het weg, want hier is geen einder dan dat. En David sprak: Zijnsgelijke is er niet, geef het mij. 10 En David maakte zich op en vlood voor Saul, en kwam tot Achis den koning van Gath. 11 En de knechten van Achis spraken van hem: Is deze niet David, de koning des lands, van wien men zong in het beurtgezang der reien, zeggende: Saul versloeg duizend, maar David tienduizend ? 12 En David nam deze woorden ter harte, en vreesde zeer voor Achis den koning van Gath. 13 En hij veranderde zijn gelaat voor hen, en stelde |
JEL 22. zich in hunne tegenwoordigheid aan alsof hij niet wijs was, en krabbelde op de deuren der poort, en zijn speeksel vloeide hem in den baard. 14 Toen sprak Achis tot zijne knechten: Zie, gij merkt dat de man uitzinnig is: waarom hebt gij hem tot mij gebracht? 15 Heb ik te weinig uit-zinnigen, dat gij dezen hier gebracht hebt om voor mij te razen? Zou die in mijn huis komen? HOOFDSTUK 22. 1 Alzoo ging David vandaar, en ontkwam in de spelonk van Adullam; en toen zijne broeders dat hoorden en geheel zijn vaderlijk huis, kwamen zij derwaarts tot hem af. 2 En tot hem verzamelden zich alle mannen die in nood en schuld en bedroefd van hart waren, en hij was hun ten opperhoofd; zoodat er omtrent vierhonderd mannen bij hem waren. 3 En David ging vandaar naar Mizpe in het land der Moabieten, en sprak tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijne moeder bij ulieden uit- en ingaan, totdat ik verneem wat God met mij doen zal. |
1 SAMUËL 22.
575
|
4 En hij bracht hen voor den koning der Moabieten, opdat zij bij hem bleven zoolang David in de vesting was. 5 Maar de profeet Gad sprak tot David: Blijf niet in deze vesting, maar ga heen en trek naar het land tan Juda. Toen ging David heen, en kwam in het woud Hereth. 6 En het werd Saul bericht, dat David, en de mannen die liij hem waren, tevoorschijn waren gekomen. Als nu Saul te Gibea zat, onder het geboomte in Eama, had hij zijne spies in de hand, en al zijne knechten stonden bij hem. 7 En Saul zeide tot zijne knechten die bij hem stonden: Hoort gij Benjaminie-ten, zal de zoon van Isai u allen ook akkers en wijnbergen geven, en u allen tot oversten over duizend en honderd aanstellen, 8 dat gij u allen verbonden hebt tegen mij, en er niemand is die het voor mijne ooren geopenbaard, heeft, toen mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai? Is er niemand onder u dien het mijnent-halve leeddogt, en die het voor mijne ooren openbaart? Want mijn zoon heeft mijnen knecht tegen mij verwekt dat hij mij lagen legt, gelijk het is tc dezen dage. |
9 Toen antwoordde Doëg do Edomiet, die bij Sauls knechten stoud, en sprak: Ik zag den zoon van Isai, dat hij te Nob kwam tot Achimclech den zoon van Ahitub; 10 en deze heeft den lieer voor hem gevraagd, en heeft hem spijs gegeven en het zwaard van Goliath den Fi-listijn. 11 Toen zond de koning-heen en ontbood den priester Achimclech, den zoon van Ahitub, en geheel zijn vaderlijk huis, de priesters die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning. 12 En Saul sprak: Hoor gij zoon van Ahitub. En hij zeide: Hier ben ik, mijn heer. 13 En Saul sprak tot hem : Waarom hebt gij tegen mij een verbond gemaakt, gij en de zoon van Isai, dat gij'hem brood en het zwaard gegeven, en God voor hem gevraagd hebt, dat hij zou opstaan tegen mij om mij lagen te leggen, gelijk het ïs te dezen dage? 14 En Achimélech antwoordde den koning en sprak: Maar wie is er onder al uwe knechten zoo ge- |
1 SAMUËL 23.
576
|
trouw als David, des ko-nings schoonzoon, en wie gaat zoo in uwe gehoorzaamheid en is zoo geëerd in uw huis? 15 Heb ik dan op dien dag het eerst begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij: de koning legge zulks zijnen knecht niet ten laste, of iemand in geheel mijn vaderlijk huis; want uw knecht heeft van al deze dingen niets geweten , noch klein noch groot. 16 Doch de koning sprak: Achimélech, gij moet den dood sterven, gij en geheel uw vaderlijk huis. 17 En de koning sprak tot zijne trawanten die bij hem stonden: Wendt u en doodt de priesters des Hee-ren; want hunne hand was óók met David, en toen zij wisten dat hij vluchtte, hebben zij het mij niet geopenbaard. Maar de knechten des konings wilden hunne handen aan de priesters des Heeren niet slaan om hen te dooden. 18 Toen sprak de koning tot Doeg: Wend gij u en versla de priesters. En Doëg de Edonuet wendde zich en versloeg de priesters, zoodat op dien dag stierven vijfentachtig mannen die linnen lijfrokken droegen; |
19 en de stad der priesters. Nob, sloeg hij met de scherpte des zwaards, beide mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, ossen, ezels en schapen. 30 Doch een der zonen van Achimélech den zoon van Ahitub, genaamd Ab-jathar, ontkwam het, en hg vluchtte David achterna; 21 en hij verkondigde hem dat Saul de priesters des Heeren gedood had. 23 Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist het wel op dien dag, toen de Edo-miet Doëg daar was, dat hij het Saul zou aanbrengen. Ik ben schuldig aan al de zielen van uw vaderlijk huis. 23 Blijf bij mij en vrees niet; wie naar mijn leven staat, die zal ook naar uw leven staan, doch gij zult met mij behouden worden. HOOFDSTUK 23. 1 En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en berooven de dorschvloeren. 2 Toen vraagde David den Heer, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de Heer sprak tot David: Ga heen, gij |
1 SAMUËL 33.
577
|
zult de Filistijnen slaan en Keliila verlossen. 3 Docli de mannen die bij David waren spraken tot hem: Zie, reedsliierin Juda zijn wij bevreesd, en wij zouden trekken naar Kehila tegen de slagorden der Filistijnen! 4 Toen vraagde David den Heer weder, en de Heer antwoordde hem en sprak: Maak u op, trek af naar Kehila; want ik wil de Filistijnen in uwe hand geven. 5 Alzoo trok David met zijne mannen naar Kehila, en streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en richtte eene groote slachting onder hen aan; en David verloste de ingezetenen van Kehila. — C En het geschiedde toen Abjathar de zoon van Aehi-mélech tot David naar Kehila vluchtte, dat hij den lijfrok had medegenomen in zijne hand. 7 Toen werd aan Saul gezegd dat David te Kehila gekomen was; en hij sprak: God heeft hem in mijne hand overgegeven; want hij is ingesloten, nu hij gegaan is in eene stad, met poorten en grendels bewaard. 8 En Saul liet al het volk roepen tot den strijd naar |
Kehila, opdat zij David en zijne mannen belegerden. 9 Toen nu David merkte dat Saul kwaad tegen hem smeedde, sprak hij tot den priester Abjathar: Breng deu lijfrok hier. 10 En David sprak: Heer, God van Israël, uw knecht heeft gehoord, dat Saul tracht naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil. 11 Zullen de burgers van Kehila mij ook in zijne handen overleveren, en zal Saul afkomen, gelijk uw knecht gehoord heeft? Heer, God van Israël, maak dit toch aan uwen knecht bekend. En de Heer sprak: Hij zal afkomen. 13 Eu David sprak verder: Zullen de burgers van Kehila mij en mijne mannen overleveren in de hand van Saul ? En de Heer zeide: Ja. 13 Toen maakte David zich op met zijne mannen, die omtrent zeshonderd waren , en zij trokken uit van Kehila en gingen waarheen zij konden. Toen nu aan Saul gezegd werd dat David van Kehila ontkomen was, zoo staakte hij zijnen tocht. 14 David nu hield zich op in de woestijn, in de sterkten, en bleef op den berg in de woestijn Zif; en |
19
1 SAMUEL 23.
578
|
hoewel Saul dagelijks naar liem zocht, zoo gaf God hem echter niet over in zijne hand. 13 En als David zag dat Saul uitgetrokken was om zijn leven te zoeken, zoo was hij in de woestijn Zif, in de bosschen. 16 ïoen maakte Jonathan de zoon van Saul zich op en ging heen tot David in de bosschen, evi sterkte hem in God. 17 En hij zeide tot hem: Vrees niet, de hand van mijnen vader Saul zal u niet vinden, en gij zult koning worden over Israël, en ik zal de naaste zijn aan u; ook weet mijn vader dit wel. 18 En zij beiden maakten een verbond met elkander voor den Heer; en David bleef in de bosschen, maar Jonathan trok weder naar-huis. 19 Daarna trokken de Zi-fieten op naar Saul te Gi-Ixva, zeggende: Is niet David bij ons verborgen inde sterkten die in de bosschen zijn, op den heuvel Hachila die ter rechterhand der woestijn is? 30 Zoo kome nu de koning af, naar alle begeerte zijns harten; zoo willen wij hem in de handen des ko-tiinns overleveren. |
21 Toen sprak Saul: Gezegend zijt gijlieden den Heere, omdat gij u over mij ontfermd hebt. 22 Zoo gaat nu heen en verwerft u nog meer zekerheid, en merkt op en ziet aan welke plaats zijne voeten geweest zijn, en wie hem aldaar gezien heeft; want mij is gezegd dat hij listig is. 23 Beziet en bespiedt allequot; plaatsen waar hij schuilt, en komt weder tot mij als gij daarvan verzekerd zijt, zoo zal ik met ulieden trekken ; is hij in het land, zoo zal ik hem opsporen onder al de duizenden van Juda. •—• 24 Toen maakten zij zich op en gingen naar Zif, voor Saul uit. David nu en zijne mannen waren in de woestijn Maon, op het vlakke veld ter rechterhand der woestijn. 25 Toen nu Saul heentrok met zijne mannen om te zoeken, werd het aan David gezegd; en hij ging af naar de steenrots, en bleef in de woestijn Maon. Toen Saul dat hoorde, joeg hij David na in de woestijn Maon; 20 en Saul trok langs de écne zijde des bergs, en David met zijne mannen langs de andere zijde des |
1 SAMUEL 24.
579
|
bergs. En David haastte zioli om Saul te ontgaan; en Saul en zijne mannen zochten David en zijne mannen te omsingelen, om hen te vangen. 37 Doch er kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u en kom, want de Filistijnen zijn in liet land gevallen. 38 Toen hield Saul op met David natejagen, en trok heen, de Filistijnen tegemoet. Yandaar noemt men die plaats: Hots der ontkoming. HOOFDSTUK 24. 1 En David trok op vandaar, en bleef in den burg te Engédi. 3 Toon nu Saul wederkwam van het najagen der Filistijnen, werd hem gezegd: Zie, David is in de woestijn Engédi. 3 En Saul nam drieduizend jonge mannen uit gansch Israël, en trok heen om David met zijne mannen te zoeken op de rotsen der steengeiten. 4 Én als hij kwam bij de schaapskooien aan den weg, zoo was aldaar eene spelonk; en Saul ging daarin om zijne vooten te dekken. David nu en zijne mannen zaten achter in do spelonk. |
5 Toen spraken de mannen van David tot hem: Zie, dit is de dag waarvan de Heer u gezegd heeft: Zie, ik wil uwen-vijand in uwe hand geven, dat gij met hem doet, wat u behaagt. En David stond op, en sneed stil eene slip van Sauls rok. 6 Maar toen hij do slip van Sauls rok afgesneden had, sloeg hem zijn hart; 7 en hij sprak tot zijne mannen: Dat late de Heer verre van mij zijn, dat ik dit doen zou, en mijne hand leggen aan mijnen heer, den gezalfde des Heeren; want hij is do gezalfde des Heeren. 8 En David weerhield zijne mannen met woorden, en liet hen niet tegen Saul opstaan. En Saul maakte zich o]) uit de spelonk en ging zijnswoogs. 9 Daarna maakte David zich óók op en ging uit de spelonk, en riep Saul achterna, zeggende: Mijnheer koning! En Saul zag om, en David wierp zich met zijn aangezicht ter aarde en boog zich neder; 10 en hij sprak tot Saul: Waarom hoort gij naar de woorden der menschen, die tot u zeggen: David zoekt uw ongeluk? |
1 SAMUEL 24.
580
|
11 Zie, op dezen dag zien uwe oogen, dat de Heer u lieden in mijne hand heeft gegeven in de spelonk, en daar werd gezegd dat ik u zou dooden; maar gij werdt verschoond, want ik sprak: Ik wil mijne hand aan mijnen heer niet leggen, want hij is de gezalfde deslleeren. 12 Mijn vader, zie toch de slip van uwen rok in mijne hand, dat ik n niet dooden wilde, toen ik de slip van uwen rok afsneed: erken en zie dat er geen kwaad noch overtreding in mijne hand is, ik heb ook tegen u niet gezondigd; en gij staat mij naar het leven om het mij te ontnemen. 13 Do Heer zal rechter zijn tusschen mij en u, en mij wreken aan u; maar mijne hand zal niet tegen u zijn. 14 Gelijk het oude spreekwoord zegt: Van de god-deloozen komt goddeloosheid. Maar mijne hand zal niet tegen u zijn. 13 Wien vervolgt gij o koning van Israël? Wien . jaagt gij na? Een dooden hond, eene enkele vloo! 16 De Heer zij rechter, en richte tusschen mij en u, en merke op, en voere mijne zaak uit, en redde mjj van uwe hand. M |
17 Als nu David deze woorden tot Saul had gesproken , zoo sprak Saul: Is dit niet uwe stem, mijn zoon David? En Saul hief zijne stem op en weende, 18 en hij sprak tot David : Gij zijt rechtvaardiger dan ik; gij hebt mij goed vergolden, maar ik heb u kwaad vergolden. 19 En gij hebt mij heden overtuigd dat gij goed aan mij gedaan hebt, daar de Heer mij in uwe hand overgeleverd had en mij nochtans niet gedood hebt. 20 Hoe, zou iemand zijnen vijand vinden en hem veilig zijnen weg laten gaan? De Heer vergelden goed voor dezen dag, dat gij aldus aan mij gedaan hebt. 21 En zie, ik weet dat gij koning worden zult, en het koninkrijk van Israël zal door uwe hand bevestigd worden: 23 zoo zweer mij nu bij den Heer, dat gij mijn zaad niet uitroeien zult na mij, en mijnen naam niet uitdelgen zult van mijn vaderlijk huis. — 23 En David zwoer Saul; toen trok Saul naarhuis, en David en zijne mannen trokken in den burg. |
1 SAMUËL 25.
681
|
HOOFDSTUK 25. 1 En Samuel stierf, en geheel Israël vergaderde zich, droeg rouw over hem, en begroef hem in zijn huis te llama. David nu maakte zich op en trok af naar do woestijn Paran. 3 En er was een man te Maon, wiens bedrijf was te Karmel; en die man was zeer vermogend, en had drieduizend schapen en duizend geiten; en hij was bezig zijne schapen te scheren te Karmel. 3 En hij heette Nabal, en zijne huisvrouw heette Abigail ; en zij was eene vrouw goed van verstand en schoon van aangezicht, maar de man was hard en boosaardig in zijn doen; en hij was een Kalebiet. 4 Toen nu David in de woestijn hoorde dat Nabal zijne schapen schoor, 5 zond hij tien jongelingen uit, en sprak tot hen: (iaat op naar Kannel, en als gij tot Nabal komt, zoo groet hem vriendelijk van mijnentwege , fi en zegt; Veel geluk! vrede zij met u en met uw huis en met alwat gij hebt. |
7 Ik heb gehoord dat gij schaapscheerders hebt; nu, uwe herders zijn met ons geweest, en wij hebben hun geen leed aangedaan, on zij hebben niets gemist van het getal, zoolang als zij te Karmel geweest zijn; (leze Re-Saul : mijn hief de, ])a-liger ?oed b u eden aan de )ver-ocli- zii-iiem aten le u dat laan dat en zal igd bij lijn ua liet , va- ui en len I i, n I 8 vraag uwe jongelingen daarnaar, die zullen het u zeggen. Laat dan deze jongelingen genade vinden voor uwe oogen, want wij zijn ten goeden dage gekomen: geef aan uwe knechten en aan uwen zoon David wat uwe hand vindt. 9 En toen Davids jongelingen kwamen, en van Davids wege al deze woorden tot Nabal gesproken hadden, hielden zij op. 10 Maar Nabal antwoordde aan Davids knechten en sprak: Wie is David en wie is de zoon van Isai? Zulke knechten komen er nu velen, die zich van hunne heeren afscheuren. 11 Zou ik mijn brood en water nemen, en mijn slachtvee dat ik voor mijne scheerders geslacht heb, en het aan lieden geven die ik niet weet vanwaar zij zijn? 13 Toen keerden Davids jongelingen weder huns-weegs; en toen zij weder tot hem kwamen, zeiden zij hem dat alteraaal. 13 Toen sprak David tot zyne mannen: Ieder gorde |
1 SAMUËL 35.
583
|
zijn zwaard aan. En zij gordden ieder zijn zwaard aan, en David gordde óók zijn zwaard aan; en zij trokken opwaarts, liem achterna, omtrent vierhonderd man, en tweehonderd Meven bij het gereedschap. 14 ])och één van de jongelingen [van Nahall maakte het aan Abigail, Nabals huisvrouw, bekend, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn om onzen heer te zegenen, maar hij is tegen hen uitgevaren. 15 En die lieden zijn ons echter zeer nuttig geweest, en hebben ons geen leed aangedaan; en wij hebben niets gemist van het getal, zoolang als wij bij hen gewandeld hebben, toen wij op het veld waren; 16 maar zij zijn onze muren geweest dag en nacht, zoolang als wij de schapen bij hen gehoed hebben. 17 Nu dan, geef acht en zie wat gij doet; want er is gewis een ongeluk ophanden over onzen heer en over zijn geheele huis; en hij is een boos man, wien niemand iets durft zeggen. |
18 Toen haastte zich Abigail en nam tweehonderd brooden, en twee lederen zakken met wijn, en vijf gekookte schapen, en vijf schepels meel, en honderd klompen rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en laadde het op ezels; 19 en zij sprak tot hare jongelingen: Gaat voor mij uit, ik zal achteraan komen. En zij zeide haren man Nabal niets daarvan. 20 En als zij op den ezel reed, en aftrok langs den verborgen weg van den berg, zie, toen kwamen David en zijne mannen af, haar tegemoet, zoodat zij onverhoeds op hen aankwam. 21 David nu had gezegd; Welaan, ik heb tevergeefs bewaard alwat deze heeft in de woestijn, zoodat er niefs gemist is van alwat hij heeft, en nu vergeldt hij mij goed met kwaad: 22 God doe dit en nog meer aan den vijand van David, indien ik van alwat hij heeft tot morgen iets dat mannelijk is overlaat ! 23 Toen nu Abigail David zag, klom zij schielijk van den ezel, en viel voor David op haar aangezicht, en boog zich neder ter aarde; 2i1j en zij viel aan zijne voeten en zeide: Och mijn heer, deze misdaad zij de mijne, eu laat uwe dienst- |
1 SAMUEL 25.
683
|
maagd spreken voor uwe ooren, en koor de woorden uwer dienstmaagd. 35 Mijn lieer stelle zijn ; hart niet tegen dezen Nabal, dien boozen man; want hij is gelijk zijn naam betee-kejit, een dwaas, en dwaasheid is bij hem; maar ik, uwe dienstmaagd, heb de jongelingen mijns heeren, die gij gezonden hebt, niet gezien. 26 En nu mijn heer, zoo waarachtig als de lieer leel't en zoo waarachtig als uwe ziel leeft, de Heer heeft u verhinderd, dat gij niet kwaamt om bloed, en dat uwe hand u recht zou verschaften; nu moeten worden als Nabal uwe vijanden en wie mijnen heer kwaad willen. 27 Hier is de zegen dien uwe dienstmaagd mijnen heer aanbiedt: geef dien aan de jongelingen die onder mijnen heer wandelen. 28 quot;Vergeef uwe dienstmaagd de overtreding; zoo zal de Heer mijnen lieer een bestendig huis maken, omdat gij de oorlogen des Heeren gevoerd hebt, en geen kwaad aan u laat gevonden worden uw leven lang. 29 En als eenig mensch zich zal verheffen om u te vervolgen en naar uwe ziel I |
te staan, zoo zal de ziel mijns heeren ingebonden zijn in den bundel der levenden bij den Heer uwen God, maar de ziel uwer vijanden zal weggeslingerd worden met den slinger. 30 Als nu de Heer u al het goede, hetwelk hij over mijnen heer gesproken heeft, doen zal, en gebieden dat gij vorst zijt over Israël, 31 zoo zal dit het hart mijns heeren niet tot aanstoot noch tot ergernis zijn, dat gij zonder noodzaak bloed vergoten en uzelven recht verschaft hebt; en wanneer de Heer mijnen heer zal weldoen, dan zult gij aan uwe dienstmaagd gedenken. 32 Toen sprak David tot Abigail; Geloofd zij de Heer, de God van Israel, die u heden ten dage mij tegemoet heeft gezonden; 33 en gezegend zij uwe rede, en gezegend zijt gij, dat gij mij heden weerhouden hebt, dat ik niet om bloed gekomen ben en mij met eigen hand recht verschaft heb. 34 Yoorzeker, zoo waarachtig als de Heer, de God van Israël, leeft, die mij verhinderd heeft u kwaadte-doen, waart gij mij niet |
1 SAMUËL 26.
584
|
schielijk tegemoetgekomen, zoo was van Nabal tot morgen niets dat mannelijk is overgebleven.—- 35 Alzoo nam David van hare hand wat zij hem gebracht had, en sprak tot haar; Trek in vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uwe stem gehoord en uw persoon aangezien. 36 Toen nu Abigail tot Nabal kwam, zie, toen had hij in zijn huis een maaltijd bereid als een konings-maaltijd, en zijn hart was vroolijk in hem, en hij was zeer dronken; en zij gaf hem geen woord, noch klein noch groot, te kennen, tot het aanlichten van den mor-gen. 37 Maar toen het morgen werd, en de wijn van Nabal geweken was, zoo zeide zijne huisvrouw hem dat: toen bestierf zijn hart in zijn lijf en hij werd als een steen; 38 en na tien dagen sloeg de Heer hem dat hij stierf. 39 Toen David nu hoorde dat Nabal dood was, zoo sprak hij; Geloofd zij de Heer, die mijne smaad heid gewroken heeft aan Nabal, en zijnen knecht weerhouden van het kwaad; en de Heer heeft Nabal het kwaad op zijn hoofd vergolden. En David zond heen en liet met Abigail spreken, dat hij zich haar tot vrouw nam. |
40 En toen Davids knechten tot Abigail kwamen te Karmel, zoo spraken zij met haar, zeggende; David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u tot vrouw neme. 41 En zij stond op en boog zich met het aangezicht ter aarde, en sprak: Zie hier is uwe dienstmaagd om de knechten mijns hee-ren te dienen en hunne voeten te wassehen. 43 En Abigail haastte zich en maakte zich op, en reed op een ezel, en vijf jonge maagden volgden haar ach-terna; en zij trok do boden van David na, en werd zijne vrouw. 43 Ook nam David Ahi-noam van Jizreël; en die beiden waren zijne vrouwen. 44 Want Saul had zijne dochter Michal, Davids huisvrouw, aan Palti, den zoon van Laïs van Gallim, gegeven. HOOFDSTUK 26. 1 De Zitietên nu kwamen naar Gibea tot Saul, zeggende; Is David niet verborgen op den heuvel Ha-chila, vóór de woestijn? 3 Toen maakte Saul zich |
1 SAMTJËL 20.
585
|
op en trok af naar de woestijn Zif, en met hem drieduizend jonge manschappen van Israël, era David opte-zoeken in de woestijn Zif'. 3 En liij legerde zich op den heuvel Hachila, die vóór do woestijn is aan den weg; maar David bleef in de woestijn, en toen hij zag dat Saul hem achternatrok in de woestijn, 4 zoo zond hij bespieders uit, en vernam mot zekerheid dat Saul gekomen was. 5 En David maakte zich op en kwam aan do plaats waar Saul zijn leger had, en zag de plaats waar Saul lag met zijnen krijgsoverste Abner, den zoon van Ner; want Saul lag in de legerplaats , en het volk rondom hem. fi Toen antwoordde David en zeide tot Achimélech den Hethiet, en tot Abisai den zoon van Zeruja, .Toabs broeder: quot;Wie wil met mij afgaan tot Saul in het leger? En Abisa i sprak: Ik wil met vi afgaan. 7 Alzoo kwamen David en Abisai des nachts tot het volk; en zie, Saul lag en sliep in de legerplaats, en zijne spies stak aan zijn hoofdeneinde in de aarde, en Abner en het volk lagen rondom hem. |
8 Toen sprak Abisai tot David: God heeft heden uwen vijand in uwe hand overgeleverd: laat ik hem nu met de spies op eenmaal in de aarde hechten, zoodat ik het hem niet meer behoef te doen. i) Maar David sprak tot Abisai: Verderf hem niet; want wie zal de hand aan den gezalfde des Heeren slaan en ongestraft blijven? 10 Verder zeide David: Zoo waarachtig als de Heer leeft, zoo de Heer hem uiet slaan zal, of zijn tijd zal komen dat hij sterve, of dat hij in een strijd zal trekken en omkomen! 11 Do Heer late het verre van mij zijn, dat ik mijne hand zou leggen aan den gezalfde dos Heeren. Maar neem de spies van zijn hoofdeneinde, en den waterbeker, en laat ons gaan. 12 Alzoo nam David do spies (in den waterbeker van Sauls hoofdeneinde, en ging heen; en er was niemand die het zag noch merkte noch ontwaakte, maar zij sliepen allen; want er was een diepe slaap van den Heer op hen gevallen. 13 Toen nu David getrokken was naar de overzijde, trad hij opdehoogle |
1 SAMUEL 36.
586
|
des bergs van verre, zoodat er eene wijde ruimte tiis-sclien lien was; li en hij riep tot liet volk en tot Abner den zoon van Ner, zeggende: Hoort gij niet, Abner ? En Abner antwoordde en sprak: Wie zij t gij die zoo roept tot den koning? 15 En David sprak tot Abner: Zijt gij niet een man, en wie is u gelijk in Israël? Waarom liebt gij dan uwen lieer den koning-niet bewaakt? Want een van het volk is gekomen om uwen heer den koning te verderven. 16 .Hetgeen gij gedaan liebt is niet goed; zoo waarachtig als de lieer leeft, gij zijt kinderen des doods, omdat gij uwen heer, den gezalfde des Heeren, niet bewaakt hebt. Nu zie, hier is de spies des konings en de waterbeker die aan zijn hoofdeneinde waren. 17 Toen herkende Saul Davids stem en sprak : Is dat niet uwe stem, mijn zoon David? David sprak: Het is mijne stem, mijn heer koning. 18 En hij sprak verder: Waarom vervolgt mijn heer alzoo zijnen knoelit? Wat heb ik gedaan, en wat kwaads is er in mijne hand? |
19 Zoo hoore toch nu mijn heer de koning naaide woorden zijns knechts. Verwekt de Heer u tegen mij, zoo laat ons een spijs-ofler ofleren; maar doen het kinderen der menschen, zoo moeten zij vervloekt zijn voor den Heer, dat zij mij heden verstooten, zoodat ik niet vereenigd mag blijven met het erfdeel des Heeren, zeggende: Ga heen, dien andere goden. 20 Zoo valle nu mijn bloed niet op de aarde voor het aangezicht des Heeren; want Israels koning is uitgetrokken om eene vloo te zoeken, gelijk men een veldhoen jaagt op de bergen. 21 Toen zeide Saul: Ik heb gezondigd; kom weder, mijn zoon David, ik zal u voortaan geen leed meer doen, daarom dat mijn leven heden ten dage dierbaar geweest is in uwe oogen; zie, ik heb dwaas gedaan en zeer grootelijks gedwaald. 22 En David antwoordde en sprak: Zie hier is de spies des konings; een van de jongelingen kome over om haar te halen. 23 De Heer nu zal ieder vergelden naar zijne gerechtigheid en trouw; want de Heer heeft u lieden in mijne |
1 SAMUEL 27.
587
|
hand gegeven, maar ik wilde mijne band niet leggen aan den gezalfde des llee-ren. 24 En gelijk uwe ziel lieden grootgeaelit is in mijne oogen, zoo moge mijne ziel grootgeaelit worden in de oogen des Heeren, en liij verlosse mij uit alle droefenis. 25 Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult liet doen en uitvoeren. En David ging zijnsweegs, en Saul keerde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 27. 1 David nu daclit in zijn liart: Ik zal tocli den een of anderen tijd Saul in banden vallen: er is voor mij niets beters dan dat ik bet ontwijke in bet land der Filistijnen, opdat Saul van mij aflate mij verder te zoeken in al de grenspalen van Israël; zoo zal ik uit zijne band ontkomen. 2 En bij maakte zieb op en ging over met de zeshonderd mannen die bij hem waren, tot Acbis den zoon van Maoob, den koning van Grath; 3 en David bleef' bij Acbis te Gatb, hij cn zijne mannen, elk met zijn buisgezin; |
David met zijne twee vrouwen, Ahinoam de Jizreëlie-tiscbe, en Abigail de vrouw van Nabal, de Karmelieti-scbe. 4 En toen het aan Saul gezegd werd dat David gevlucht was naar Gatb, zoo zocht hij hem niet meer. 5 En David sprak tot Acbis: Heb ik genade gevonden in uwe oogen, zoo geve men mij eene plaats in een der steden van het land, dat ik daarin wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? 6 Toen gaf Acbis hem op dien dag Ziklag: daarom behoort Ziklag aan de koningen van Juda tot op dezen dag. 7 De tijd nu dien David in het land der Filistijnen woonde was een jaar en vier maanden. 8 En David trok op met zijne mannen, en viel in bet land der Gesurieten en Girzieten en Amalekieten; want die waren van ouds af de inwoners des lands, waar men komt te Sur en tot aan Egypteland toe. 'J En toen David het land sloeg, liet bij noch man noch vrouw in bet leven, en bij nam schapen, runderen, ezels, kameelen en klee- |
1 SAMUEL 28.
388
|
deren; en liij keenle weder en kwam lot Achis. 10 Wanneer dan Achis y.eide: Waar zijt gij heden ingevallen? zoo sprak David : Tegen het zuiden van Juda en tegen het zuiden dor Jerahmeölieten en tegen het zuiden der Kenieten. 11 Doch David liet noch man noch vrouw levend te Gath komen, zeggende: Zij mochtcn tot ons nadeel bericht geven, zeggende: Zoo heeft l)avid gedaan. En dit was zijn doen zoolang hij woonde in het land der Filistijnen. 13 Daarom gelooide Achis David, en zeide: Hij heeft zich in kwaden reuk gebracht bij zijn volk Israël, daarom zal hij mij altoos dienstbaar zijn. HOOFDSTUK 28. 1 En het geschiedde in die dagen, dat de Filistijnen hun heir vergaderden om ten strijde te trekken tegen Israel. En Achis sprak tot David: Gij znlt weten dat gij en uwe mannen met mij zult uittrekken in het heir. 2 En David sprak lot Achis: Welaan, gij zult gewaarworden wat uw knecht doen zal. En Achis sprak tot David: Daarom zal ik u ook tot een bewaker van mijn hoofd stellen mijn leven lang. |
3 (Samuel nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem godragen, en hem begraven in zijne stad Karna. Ook had Saul uit het land verdreven de waarzeggers en wichelaai-s.) i Toen nu de Filistijnen zich vergaderden, en kwamen en zich te Sunem legerdon, zoo vergaderde ook Saul geheel Israël, en zij legerden zich op Gilboa. 5 Doch toen Saul het heir der Filistijnen zag, vreesde hij, en zijn hart versaagde zeer; 6 en hij vraagde den Heer oin raad, maar de Heer antwoordde hem niet, noch door droomen, noch door het Licht, noch door profeten. 7 Toen sprak Saul lol zijne knechten: Zoekt mij eene vrouw die een waai zeggenden geest heeft, opdat ik tot haar ga en haar wage. En zijne knechten spraken tot hem: Zie, te Endor is eene vrouw die een waarzeggenden geest heeft. 8 En Saul veranderde zijne kleederen en trok andere aan, en ging heen, en twee mannen met hem; en zij kwamen bij nacht tot de |
1 SAMUEL 28.
589
|
vrouw, en hij zeide: Eilieve, profeteer mij door den waar-zeggenden geest, en breng mij op wien ik n zeggen zal. 9 Doch de vrouw sprak lot hem: Zie, gij weet wel wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzeggers en wichelaars uitgeroeid heeft uit het land: waarom wilt gij dan mijne ziel in het net brengen, dat ik gedood worde ? 10 Maar Saul zwoer haar bij den Heer, zeggende: Zoo waarachtig als de Heer leeft, om deze zaak zal u geen straf overkomen. 11 Toen sprak de vrouw: Wien zal ik u dan opbrengen? En hij sprak: Breng mij Samuel op. 12 Toen nu de vrouw Sa-nuui zag, riep zij luid, en sprak tot Saul; Waarom hebt gij mij bedrogen? Gij zijt Saul. 13 En de koning sprak tot haar: Vrees niet; wat ziet gij? En de vrouw sprak tot Saul: Ik zie goden opkomen uit de aardo. 14 En hij sprak: Hoe is zijne gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, die in zijnen mantel is ingewikkeld. Toen bemerkte Saul dat het Samuël was, en hij boog zich met zijn aangezicht ter aarde en aanbad. |
15 En Samuël sprak tot Saul: Waarom hebt gij mij ontrust, dat gij mij laat opbrengen? En Saul sprak: Ik ben zeer beangst ; de Eilistij-nen strijden tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet, noch door profeten noch door droomen: daarom heb ik u laten roepen, om mij bekendtemaken wat mij te doen staat. 16 En Samuël sprak: Waarom wilt gij mij vragen , daar de Heer van u geweken en uw vijand geworden is? 17 Be Heer zal u doen zooals hij door mij gesproken heeft, en zal het rijk van uwe hand scheuren, en het aan David, uwen naaste, geven. 18 Omdat gij naar de stem des Heeren niet gehoord , en de verbolgenheid zijns toorns niet uitgevoerd hebt tegen Amalek, daarom heeft de Heer u heden dit gedaan; 19 daarenboven zal de Heer ook Israël met u geven in de hand der Eilistijnen: morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn, ook zal de Heer Israels heir in de hand der Filistijnen geven. 20 Toen viel Saul plotse- |
1 SAMUEL 29.
590
|
ling ter aarde, zoo lang als hij was, en verscliriktezeer voor de woorden van Sa-muël, zoodat er geen kracht meer in hem was; want hij had niet gegeten don ge-heelen dag en dengeheelen nacht. 31 En de vrouw ging tot Saul, en zag dat hij zeer verschrikt was, en sprak tot hem: '/ie, uwe dienstmaagd heeft naar uwe stem gehoord, en ik heb mijne ziel in mijne hand gesteld, dat ik naar uwe woorden hoorde welke gij tot mij zeidet: 22 hoor nu ook naar de stern uwer dienstmaagd; ik wil u een bete broods voorzetten, dat gij eet, opdat gij tot krachten komt en uwen weg gaat. 23 Maar hij weigerde het en sprak: Ik wil niet eten. Toen noodigden hem zijne knechten en de vrouw; en hij hoorde naar hunne stem, en hij stond op van de aarde, en zette zich op het bed. 24 En de vrouw had een gemest kalf in huis, cn zij haastte zich en slachtte het, en zij nam meel en kneedde het, en bakte het ongezuurd ; 25 en zij zette het Sanl en zijnen knechten voor. |
En toen zij gegeten hadden, stonden zij op en gingen dienzelfden nacht heen. HOOFDSTUK 29. 1 Do Filistijnen nu vergaderden al hunne heiren te Afek, en Israël legerde zich te Ain bij Jizreël. 2 En de vorsten der Filistijnen togen daarheen bij honderden en bij duizenden, en David en zijne mannen met Achis gingen achteraan. 8 Toen spraken de vorsten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreen? En Achis sprak tot hen: Is dat niet David, do knecht van Saul den koning van Israël, die nu bij mij geweest is jaar en dag? en ik heb niets aan hem bevonden, van dien tijd af dat hij afgevallen is tot nu toe. 4 Doch do vorsten der Filistijnen werden toornig op hem, en spraken tot hem: Doe dien man weder omkeeren en aan zijne plaats blijven waar gij hem bescheiden hebt, opdat hij niet met ons aftrekke tot den strijd en onze tegenpartijder zij in den strijd; want waarmede zou hij zijnen heer beter kunnen behagen dan met de hoofden dezer mannen? |
1 S A M U É L 30.
591
|
5 Is hij niet die David van vvien zij in reien zongen: Saul heeft duizend verslagen, maar David tienduizend ? 6 Toen riep Achis David en sprak tot hein: Zoo waarachtig als de Heer leeft, ik houd ii voor oprecht, en uw uitgang en ingang met mij in het heir behaagt mij wel; want ik heb geen kwaad aan u bespeurd, van dien tijd af dat gij tot mij gekomen zijt tot nu toe; maar gij behaagt aan de vorsten niet. 7 Zoo keer nu om en ga heen in vrede, opdat gij geen kwaad doet in de oogen van de vorsten der Filistijnen. 8 En David sprak tot Achis: Wat heb ik gedaan en wat hebt gij bespeurd aan uwen knecht, van dien tijd af dat ik voor u geweest ben tot nu toe, dat ik niet mag komen en strijden tegen de vijanden van mijnen heer den koning? 9 Achis antwoordde en sprak tot David: Ik weet het wel, want gij behaagt aan mijne oogen als een engel Gods; maar de vorsten der Filistijnen hebben gezegd: Laat hij niet met ons optrekken in den strijd. |
10 Nu dan, maak umorgen vroeg op met de knechten uws heeren die met u gekomen zijn; en als gij u morgen vroeg opmaakt, als het licht geworden is, gaat dan heen. — 11 Alzoo maakte David zich niet zijne mannen vroeg op, dat zij des morgens heengingen en terugkeerden naar het land der Filistijnen; en de Filistijnen trokken op naar Jizreel. HOOFDSTUK 30. 1 Toen nu David ten derden dage te Ziklag kwam met zijne mannen, zoo waren de Amalekieten gevallen in liet zuiden en te Ziklag, en hadden Ziklag geslagen en met vuur verbrand, 2 en zij hadden de vrouwen daaruit weggevoerd, zoo klein als groot; echter hadden zij niemand gedood, maar hen weggedreven, en waren hunsweegs gegaan. 3 Toen nu David met zijne mannen tot de stad kwam, en zag dat zij met vuur verbrand was, en hunne vrouwen , zonen en dochters gevangen waren, 4 zoo hieven David en het volk dat bij hem was hunne stem op en weenden, totdat zij niet meer weenen konden. 5 Viant Davids twee vrou- |
1 SAMUEL 30.
393
|
wen waren ook gevangen, Ahinoam de Jizreülietiscbe, en Abigail de vrouw van Nabal den Karmeliet. 6 En David was zeer beangst, daar liet volk hem wilde steenigen; want do zielen van liet geheele volk waren verbitterd, ieder over zijne zonen en dochters. Maar David sterkte zich in den Heer zijnen God, 7 en hij sprak tot Abjathar den priester, Achimcleehs zoon: 15reng mij den lijfrok hier. En toen Abjathar den lijfrok iot David gebracht had, 8 vraagde David den Heer, zeggende: Zal ik de bende najagen, en zal ik haar achterhalen? En hij sprak: Jaag hen na, gij zult ze achterhalen en verlossing teweegbrengen. 9 Toen trok David heen, en de zeshonderd mannen die bij hem waren; en toen zij kwamen aan de beek Besor, bleven eenigen staan, 10 doch David en vierhonderd mannen joegen hen na; maar tweehonderd mannen, die slaan bleven, waren te vermoeid om over de beek Besor te trekken. 11 En zij vonden een Egyptischen man op het veld; tlien brachten zij tot David, en gaven hem brood te eten, en drenkten hem met water, |
13 ook gaven zij hem een stuk van een vijgenklomp en twee stukken van een rozijnenkoek; en toen hij gegeten had, kwam zijn geest weder tot hem; want hij had in drie dagen en drie nachten niets gegeten en geen water gedronken. 13 En David sprak lot hem: Aan wien zijt-gij en vanwaar zijt gij? En hij zeide: Ik ben een Egyptische jongen, de knecht van een Amalekietischen man; en mijn heer heeft mij verlaten nu voor drie dagen, omdat ik krank was. 14 Wij hadden een inval gedaan in het zuiden van Xereth, en tegen Juda, en tegen het zuiden van Xaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 15 En David sprak tot hem: Wilt gij mij afvoeren tot deze bende? Hij sprak: Zweer mij bij God dat gij mij niet dooden zult, noch in de hand mijns heeren overleveren; zoo wil ik u afvoeren tot deze bende. 16 En hij voerde hem derwaarts; en zie, zij hadden zich verstrooid overal op de aarde, en aten en • dronken en hielden feest, wegens al den grooten buit |
1 SAMUËL 30.
593
|
dien zij genomen hadden nit het land der Filistijnen en van Jnda. 17 En David sloeg hen van 's morgens at' lot aan den avond van den anderen dag, zoodat niemand van hen ontkwam, behalve vierhonderd jongelingen die op kameelen reden en ont-vluohtten. 18 Alzoo redde David al-wat lie Amalekieten genomen hadden, benevens zijne twee vrouwen. 19 Eu er werd onder hen niets gemist, noch klein noch groot, noch zonen noch dochters, noch buit, noch iets dat zij van hen weggenomen hadden: David bracht alles weder. 20 En David nam de schapen en runderen, en dreef het vee voor zich uit; en zij spraken: Dit is Davids bnit. 21 En toen David tot de tweehonderd mannen kwam, die te vermoeid waren geweest om David te volgen, en aan de beek Besor gebleven waren, zoo gingen zij uit,. David en het volk dat Irij hem was tegemoet; en David trad tot het volk en gröette 'llamp;n vriendelijk. |
22 Toert' antwoordden zij die booze' -en ■ looze lieden waren onder degenen die met David getrokken waren , en spraken: Dewijl zij met ons niet getrokken zijn, zoo zal men hun niets geven van den buit dien wij heroverd hebben, behalve aan ieder zijne vrouw en zijne kinderen, dat zij die wegvoeren en er mede heengaan. 33 Toen sprak David: Gijlieden zult zoo niel doen, mijne broeders, met hetgeen de Heer ons gegeven heeft, die ons behoed en de bende die tegen ons gekomen was in onze hand gegeven heeft. 2 li Wie zou idieden daarin gehoor geven? Gelijk het deel dergenen die in den strijd afgetrokken zijn, zoo zal ook zijn het deel dergenen die bij het gereedschap gebleven zijn; er zal gelijkelijk gedeeld worden. — 25 Dit is van dien tijd af en voortaan in Israël tot een regel en een recht geworden lot op dezen dag. 26 En toen David te Ziklag kwam, zond hij van den buit aan de oudsten van Juda, zijne vrienden, zeggende: Zie daar hebt gijlieden een zegen van den bni t der vijanden des Heeren; • 27 namelijk aan die te Ueth-El, aan die te Eamoth tegen het zuiden, aan die te Jattir, |
1 SAMUEL 31.
594
|
38 aan die te Arocr, aan die te Sifmoth, aan die te Estemoa, 39 aan die te Eachal, aan die in de steden der Je-rahmeelieten, aan die in de steden der Kenieten, 30 aan die te Horma, aan die te Kor-Asan, aaa die te Athaoli, 31 aan die te Hebron, en in al de plaatsen waar David gewandeld had met zijne mannen. HOOFDSTUK 31. 1 De Filistijnen nu streden tegen Israël; en de mannen van Israël vluchtten voor de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 3 En de Filistijnen liielden dicht op Saul en zijne zonen aan, en zij doodden Jonathan en Abinadab en Mal-kisüa, de zonen van Saul. B En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters schoten op hem met bogen, en hij werd zwaar gewond door de schutters. 4 Toen sprak Saul tot zijnen wapendrager; Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, opdat die onbe-snedenen niet komen en mij doorsteken, en den spot met mij drijven. Doch zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard en viel er in. |
5 Toen nu Sauls wapendrager zag dat hij dood was, zoo viel hij ook zelf in zijn zwaard, en stierf met hem. ö Alzoo stierf Saul, en zijne drie zonen, en zijn wapendrager, en al zijne mannen, tegelijk op dien dag, 7 Toen nu de mannen Israels, die aan deze zijde der vallei en aan deze zijde van den Jordaan waren, zagen dat de mannen Is-raëls gevlucht waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, verlieten zij de steden en vluchtten ook; en de Filistijnen kwamen en woonden daarin. 8 En des anderen daags kwamen de Filistijnen om de verslagenen te berooven, en zij vonden Saul en zijne drie zonen liggende op het gebergte Gilboa. 9 En zij hieuwen hem het hoofd af, en trokken hem zijne wapenen uit, en zonden in het land der Filistijnen rondom, om het te verkondigen in het huis hunner afgoden en onder het volk; 10 en zij leiden zijn harnas in het huis van Astaroth, |
|
en zijn lichaam hingen zij op aan den muur van Beth-San. 11 Toen nu de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat de Filistijnen aan Saul gedaan hadden, 13 stonden alle strijdbare mannen op, en trokken den geheclen nacht door, en aags om ren, ijne het het lem 011-lis-te uis Ier las h, HOOFDSTUK 1. 1 Na den dood van Saul, toen David van het verslaan der Amalekieten wedergekeerd was en twee dagen te Ziklag vertoefd had, 2 zie, toen kwam op den derden dag een man uit het heir van Saul, met gescheurde kleederen, en aarde op zijn hoofd; en toen hij tot David kwam, viel hij ter aarde en boog zich neder. 3 En David sprak tot hem; Vanwaar komt gij? Eu hij sprak tot hem: Uit het heir van Israël ben ik ontkomen. . Toen rd en' vapen-(lood ik zelf stierf 1, en i zijn zijne dien innen zijde zijde ; iren! i Is- . en ; onen : i zij UÓk; ] men |
59E) namen de lichamen van Saul en zijne zonen van den muur te Beth-San, en brachten die te Jabes, en verbrandden ze aldaar. 13 En zij namen hunne gebeenten en begroeven die onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen. HET TWEEDE BOEK S A M U Ë L. 4 En David sprak tot hem : Zeg mij toch, hce gaat het daar? En hij sprak: Het volk is gevlucht uit den strijd, en er is veel volks gevallen, daarenboven is ook Saul dood en zijn zoon Jonathan. 5 Toen sprak David tot den jongeling die hem dat zeide: Hoe weet gij dat Saul en zijn zoon Jonathan dood zijn? 6 En de jongeling die hem dat zeide sprak: Ik kwam bijgeval op het gebergte Gilboa, en zie, Saul leunde op zijne spies, en zie, wagens en ruiters waren hem dicht op de hielen. SAMUËL 1. |
3 SAMUEL 1.
596
|
7 En liij keerde zich om en zag mij, en hij riep mij; en ik zeide: Hier ben ik. 8 En liij sprak tot mij: Wie zijt gij ? Ik zeidc tot liem; Ik ben een Amalekiet. 9 En hij sprak tot mij: Treed tot mij en dood mij, want eene benauwdheid heeft mij bevangen, schoon mijne levenskracht nog geheel in mij is. 10 Toen trad ik fcot hem en doodde hem, want ik wist wel dat hij niet leven kon na zijnen val; en ik nam de kroon van zijn hootd en het armversierscl van zijnen arm, en lieb het hier gebracht tot mijnen heer. 11 Toen vatte David zijne kleederen en scheurde ze, en ook al de mannen die bij hem waren; 12 en zij droegen rouw en weenden, en vastten tot den avond, over Saul en zijnen zoon Jonathan, en over het volk des Heeren en over het huis Israëls, dat zij door het zwaard gevallen waren. 13 En David sprak tot den jongeling die het hem geboodschapt had: Vanwaar zijt gij ? En hij sprak; Ik ben de zoon van een vreemdeling, een Amalekiet. |
14 Toen zeide David tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uwe hand te leggen aan den gezalfde des Heeren om hem te verdelgen'? 15 Eu David sprak tot een van zijne jongelingen: Treed toe en versla hem. En hij sloeg hem dat hij stierf. 16 Eu David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen uzelven gesproken, zeggende: Ik heb den ge-zaltde des Heeren gedood. 17 En David zong dit klaaglied over Saul en zijnen zoon Jonathan; 18 en hij beval dat men het den kinderen van Juda leeren zou, \]iet lied mn\ den boog; zie, het staat geschreven in het boek des Oprechten: 19 De edelsten in Israel zijn op uwe hoogten verslagen ; hoe zijn de helden gevallen! 20 Zegt het niet voort te Gath, verkondigt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Eilis-tijnen zich niet verhengen, de dochters der onbesneflenen niet opspringen van vreugde. 21 Gij bergen van Gilboa, dat het op u noch dauwe |
3 SAMUEL 3.
597
|
noch regene, en dat er geen akkers zijn van welke iiefoft'ers komen; want daar is liet schild der helden ontheiligd , liet schild van Saul, dat vergeefs gezalfd is niet olie. 33 Do boog van Jonathan heeft nooit gemist, en het zwaard van Saul is nooit ledig teruggekeerd, zonder het bloed der verslagenen, zonder het vet der helden. 23 Saul en Jonathan, van elkander zoo bemind, en zoo liefderijk in hun leven , zijn ook in den dood niet gescheiden. Sneller waren zij dan arenden, en sterker dan leeuwen. 34 Gij dochteren Israels, weent over Saul, die u smaakvol kleedde met scharlaken, en u versierde met gouden klejnoodiën aan uwe kleederen. 35 Hoe zijn de holden zoo gevallen in den strijd! Jonathan is op uwe heuvelen verslagen. 30 tk heb leed over u, mijn broeder Jonathan; ik heb groote vreugd en blijdschap aan u gehad, uwe liefde is mij dierbaarder geweest dan vrouwenliefde. 37 1 loo zijn de helden gevallen en de strijdwapenen verloren! |
HOOFDSTUK 2. 1 En hut geschiedde daarna dat David den Heer vraagde, zeggende: Zal ik optrekken naar een der steden van Ju-da? En do Heer zeide tot hem; Trek op. En David sprak: Waarheen?Hij zeide: Naar Hebron. 3 Alzoo trok David derwaarts op met zijno twee vrouwen, Ahinóam de Jiz-reclietische, en Abigail de huisvrouw van Nabal den Karmeliet; 3 ook de mannen die bij hem waren, deed David optrekken, ieder met zijn huisgezin, en zij woonden in de steden van Hebron. 4 En de mannen van Juda kwamen en zalfden David aldaar tot koning over het huis van Juda. — En het werd David aangezegd, dat de mannen van Jabes in Gi-leadSaul begraven hadden. 5 Toen zond hij boden tot hen, en liet aan hen zeggen: Gezegend zijt gij den Heere, dat gijlieden zulk eene barmhartigheid aan uwen heer Sanl gedaan en hem begraven hebt. Ö Zoo doe nu de Heer barmhartigheid en trouw aan u; en ik wil u goeddoen , omdat gij dat gedaan hebt. |
|
S98 7 Zoo laat nu uwe handen sterk zijn, en weest dapper, want uw lieer Saul is dood; ook heeft het huis Juda mij tot koning gezalfd over hen. 8 Abner nu, de zoon van Ner, die Sauls krijgsoverste was, nam Isbosetli, Sauls zoon, en voerde hem naar Mahanaïm; 9 en hij maakte hem tot koning over Gilead, over de Asurieten, over Jizreël, Efraïm, Benjamin en over geheel Israël. 10 En Isbóseth, Sauls zoon, was veertig jaar oud toen hij koning werd over Israel, en regeerde twee jaar; maar het huis van Juda Meld het met David. 11 De tijd nu dien David koning was te Hebron, over het huis van Juda, was zeven jaar en zes maanden. 12 En Abner de zoon van Ner trok uit met de knechten van Isbóseth den zoon van Saul, uit Mahanaïm naar Gibeon, 13 en Joab de zoon van Zenvja trok uit met de knechten van David; en zij ontmoetten elkander bij den vijver te Gibeon, en zij sloegen zich neder, deze aan de céne zijde des vijvers en gene aan de andere zijde. 14 En Abner sprak tot |
Joab: Laat toch de jongelingen opstaan en voor ons spelen. En Joab sprak: Welaan, het geschiede alzoo. 15 Toen stonden zij op en gingen heen in gelijk getal, twaalf van Eenjamin, voor Isbóseth den zoon van Saul, en twaalf van de knechten van David. 16 En de één greep den ander bij het hooid, en zij stieten elkander het zwaard in do zijde, en zij vielen tezamen: vanwaar die plaats genoemd wordt Helkath-Hazzurim, die bij Gibeon is. 17 En er ontstond een zeer harde strijd op dien dag, en Abner en de mannen van Israël werden geslagen voor het aangezicht der knechten van David. 18 Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja: Joab, Abisai en Asaël; en Asaël was licht op zijne voeten, als een ree op het veld. 19 En hij joeg Abner na, en week niet van Abner, noch ter rechter- noch ter linkerhand. 20 Toen keerde Abner zich om en sprak: Zijt gij dat, Asaël? En hij zeide: Ja. 31 En Abner sprak tot hem: Wijk ter rechter- of ter linkerhand, en grijp een van die jongelingen aan, en ontneem hem zijn gewaad. 2 SAMUËL 2. |
2 SAMUEL 3.
|
Doch Asaël wilde van liem niet afwijken. 22 ïoen sprak Abner verder tot Asaël: Wijk van mij; waarom wilt gij dat ik u ter aarde sla? En lioe zou ik dan mijn aangezicht durven ophelien tot uwen broeder Joab? 33 Maar hij weigerde te wijken. ïoen stak Abner hem met het achterste einde zijner spies in den buik, zoodat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar en bleef dood op de plaats. En wie op die plaats kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, die stond stil. 34 Joab nu en Abisai joegen Abner na, totdat de zou onderging; en toen zij kwamen op den heuvel Am-ma , dio vóór Giah ligt, op den weg naar de woestijn van Gibeon, 35 vergaderden de kinderen Benjamins zich achter Abner en werden tot één hoop, en traden op de spits van een heuvel. 36 En Abner riep tot Joab en sprak: Zal dan het zwaard zonder einde verslinden ? Weet gij niet dat hierna nog meer jammer kan komen? Hoelang zult gij niet tot het volk zeggen dat zij afwijken van hunne broeders? jonge-or oris : Welzoo, op en getal, voor Saul, chten I den J n zij ! aard | ielen ; ilaafs 1 :ath- j m is. een . dien : aan- | ge-icht i. ;lrie ab, sacl en, na, er, tel ler gij la. ;ot of sn in d. |
27 En Joab sprak: Zoo waarachtig als God leeft, hadt gij heden morgen zoo gesproken, het volk zou reeds zijn afgeweken elk van zijnen broeder. 38 ïoen blies Joab de bazuin, en al het volk stond stil, en zij joegen Israël niet meer na, en streden ook niet meer. 29 En Abner en zijne mannen gingen dien geheelen nacht over het vlakke veld, en trokken over den Jor-daan, en wandelden geheel Bithron door, en kwamen te Mahanaïm. 30 Ook keerde Joab zich van Abner, en vergaderde het geheele volk. En er werden vermist van de knechten van David negentien man en Asaël; 31 doch de knechten van David hadden geslagen onder Benjamin en onder de mannen van Abner, zoodat er driehonderd en zestig mannen waren doodgebleven. 33 En zij namen Asaël op, en begroeven hem in zijns vaders graf te Bethlehem. En Joab met zijne mannen gingen den geheelen nacht door, zoodat het licht aanbrak toen zij te Hebron kwamen. |
3 SAMUËL 3.
600
|
HOOFDSTUK 3. 1 En er was een lange strijd tnssclien het huis van Saul en het huis van David; doch David nam gestadig toe, en het huis van Saul nam gestadig af. 2 En aan David werden te Hebron zonen geboren. Zijn eerstgeboren zoon was Amnon, bij Ahinóam de Jizreclietisclie; 3 de tweede was Kileab, bij Abigail de vrouw van Nabal den Karmeliet; de derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Talmai den koning van Gesur; 4 de vierde Adom'a, de zoon van Haggith; de vijfde Sefatja, de zoon van Abital; 5 en de zesde Jithream, bij Egla de huisvrouw van David. Deze werden David te Hebron geboren. 6 Zoolang er nu strijd was tusschen het huis van Saul en het huis van David, sterkte Abner het huis van Saul. 7 En Saul had een bijwijf, genaamd llizpa, de dochter van Ajja. En [IshósetJi] zeide tot Abner: Waarom slaapt gij bij mijns vaders bijwijf? |
8 Toen werd Abner zeer toornig over deze woorden van Isbóseth, en sprak: Een ik dan een hond, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul uwen vader en aan zijne broeders en vrienden barmhartigheid doe? en ik heb u uiet in Davids hand gegeven; en gij rekent mij lieden de misdaad dier vrouw toe! 0 God doe Abner dit en dat, zoo ik niet doe gelijk de Heer aan David gezworen heeft: 10 dat ik het koningschap van het huis van Saul overbrenge, en den troon van David oprichte over Israël en Juda, van Dan af tot Ber-Seba toe. 11 En toen kon hij Abner geen enkel woord meer antwoorden, zóó vreesde hij voor hem. 13 En Abner zond boden tot David van zijnentwege, en liet hem zeggen: Wicn behoort het land? en sprak: Maak uw verbond met mij; zie, mijne hand zal met u zijn, dat ik geheel Israël tot u wende. 13 En hij zeide: Welaan, ik wil een verbond met u maken; maar céne zaak bid ik van u, dat gij mijn aangezicht niet ziet voordat gij tot mij brengt Michal, Sauls dochter, als gij komt om mijn aangezicht te zien. |
2 SAMUEL 3.
601
|
14 Ook zond David boden tot Isboseth den zoon van Saul, en liet aan hem zeggen: Geef mij mijne huisvrouw Michal, die ik mij ondertrouwd heb met honderd voorhuiden der Filistijnen. 15 En Isboseth zond heen en liet haar nemen van haren man Paltiël, den zoon van Laïs. 10 En haar man ging met haar, en weende achter haar tot Bahurim toe. Toen sprak Abner tot hem: Keer weder en ga heen. En hij keerde weder. 17 En Abner voerde het woord tot ile oudsten van Israël, zeggende: (jij hebt tevoren lang naar David verlangd, dat hij koning over u zou wezen: 18 zoo doet het nu; want de Heer heeft van David gezegd: Ik wil mijn volk Israël verlossen door do hand van mijnen knecht David, van de hand der Filistijnen en van de hand van al hunne vijanden. 1!) Ook sprak Abner voor de ooren van Benjamin, en ging ook heen om te spreken voor de ooren van David te Hebron, alwat Israël en het geheele huis Benjamins behaagde. 30 Toen nu Abner naar |
Hebron tot David kwam, en met hem twintig mannen, bereidde David hun een maaltijd. 31 En Abner sprak tot David: Ik wil opstaan en heengaan, opdat ik geheel Israël tot mijnen heer den koning vergadere, en dat zij een verbond met u maken, opdat gij koning zij t, gelijk uwe ziel begeert. Al-zoo liet David Abner van zich, en hij ging heen in vrede. 33 En zie, de knechten van David en Joab kwamen van een krijgstocht, en brachten met zich een groo-ten buit; Abner nu was niet meer hij David te He-bron, want hij had hem van zich laten gaan, zoodat hij was heengegaan in vrede. 33 Toen nu Joab, en het geheele heir met hem, was gekomen, zoo werd aan hem gezegd, dat Abner de zoon van Ner tot den koning gekomen was, en dat hij hem van zich had laten gaan, zoodat hij in vrede was heengegaan. 34 Toen ging Joab tot den koning en sprak: Wat hebt gij gedaan ? Zie, Abner is tot u gekomen: waarom 'hebt gij hem van u laten gaan, dat hij is heengegaan? |
^ SAMUËL 3.
é02
|
25 Kent gij Abner niet, den zoon van Nev? Want hij ia gekomen om u te verstrikken en uwen uitgang en ingang te kennen, en te vernemen alwat gij doet. 36 En toen Joab van David uitging, zond liij Abner boden acliterna, dat zij hem weder terughaalden van den put Si ra; en David wist daar niets van. 27 Als nu Abner weder te Hebron kwam, zoo leidde Joab hem midden onder de poort, om heimelijk met hem te spreken; en hij stak hem aldaar in den buik, dat hij stierf, vanwege het bloed vau zijnen broeder Asaël. 28 En toen David dit daarna vernam, sprak hij : Ik en mijn koninkrijk zijn onschuldig voor den Heer eeuwiglijk aan het bloed van Abner den zoon van Ner; 29 maar het blijve op het hoofd van .Toab, en op het geheele huis zijns vaders; en dat in het huis van Joab nooit ontbreken die een ettervloed en melaatschheid hebben, of met den stok gaan, of door het zwaard vallen, of broodsgebrek hebben. ■—• |
30 Alzoo hebben Joab en Abisai, zijn broeder, Abner gedood, omdat hij hunnen broeder Asael gedood had in den strijd te Gibeon. 31 En David sprak tot Joab en tot al het volk dat met hem was: Scheurt uwe kleederen, en gordt zakken om u, en draagt rouw voor Abner iiit. En de koning ging achter de baar. 32 En toen zij Abner begroeven te Hebron, hief de koning zijne stem op en weende bij Abners graf, en al het volk weende ook; 33 en de koning rouw-klaagde over Abner en sprak: Moest dan Abner sterven gelijk een dwaas sterft? 34 Uwe handen zijn niet gebonden, uwe voeten zijn in geen boeien gesloten geweest: gij zijt gevallen gelijk men voor booswichten valt. — Toen beweende al het volk hem nog meer. 35 Toen nu al liet volk inkwam om David brood te doen eten, terwijl het nog hoog dag was, zwoer David, zeggende: God doe mij dit en dat, zoo ik brood of iets anders proef eer de zon ondergaat. 36 En al het volk vernam het, en het was goed in hunne oogen, alwat de koning gedaan had was goed in de oogen des geheelen volles; |
2 SAMUEL 4.
603
|
37 en al het volk en geheel Israël erkende opdien dag, dat het niet vanwege don koning was dat Abner de zoon van Ner was gedood. 88 En de koning sprak tot zijne knechten: Weet gij niet, dat op dezen dag een vorst en een groot man in Israël gevallen is? 39 Doch ik ben thans nog zwak, schoon gezalfd tot koning; en deze mannen, de zonen van Zernja, zijn harder dan ik: de Heer ver-gelde den kwaaddoener naar zijne boosheid. HOOFDSTUK 4. 1 Toen nu Sauls zoon hoorde dat Abner te Hebron gedood was, werden zijne handen verslapt, en geheel Israël verschrikte. 2 Nu waren er twee mannen , hoofdlieden over tie krijgsknechten, onder den zoon van Saul: de één heette Baëna, en de ander Eechab, zonen van Rimmon den Beërothiet, uit de kinderen Benjamins. (Want Beëroth werd óók onder Benjamin gerekend, 3 en de Beërothieten waren gevlucht naar Gittaïm, en woonden aldaar als vreemdelingen tot op den dag van heden.) |
4 Ook had Jonathan, do zoon van Saul, een zoon die lam was aan beide voeten: hij was vijfjaar oud toen het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam, en zijne voedster nam hem op en vluchtte; en toen zij zich haastte in het vluchten, viel hij en werd kreupel; en zijn naam was Mefiboseth. 5 Zoo gingen nu de zonen van Rimmon den Beërothiet, Rechab en Baëna, heen, en kwamen aan het huis van Isbóseth toen de dag op het heetst was; en hij lag op zijne legerstede op den middag. 6 En zij kwamen in het huis om tarwe te halen; en zij staken hem in den buik en liepen weg. 7 Want toen zij in het huis kwamen, lag hij op zijn bed in zijne slaapkamer; en zij staken hem dood, en hieuwen hem het hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen langs den weg van het vlakke veld, den geheelen nacht door. 8 En zij brachten het hoofd van Isbóseth fot David naar Hebron, en spraken tot den koning: Zie daar is het hoofd van Isbóseth den zoon van Saul, uwen vijand die naar uw leven stond; do Heer heeft heden |
2 SAMUËL S.
604
|
mijnen heer den koning gewroken aan Saul en aan zijn zaad. 9 Toon antwoordde David lum: Zoo waarachtig als de Heer leeft, die mijne ziel xiit allo droefenis verlost heeft: 10 greep ik hom die mij verkondigde, zeggende: Saul is dood, en die meende dat hij een goede bode was, en doodde ik hem Ie Ziklag in plaats van hem bodeloon te geven: 11 hoeveeltemeer, daar deze goddelooze lieden een rechtvaardig man in zijn huis op zijne legerstede gedood hebben, zal ik nu niet zijn bloed van uwe handen eischen en u van de aarde verdelgen! 13 En David gebood zijn jongelingen dat zij hen doo-den zouden; en zij hieuwen hun handen en voeten af, en hingen ze op bij den vijver te Hebron; en het hoofd van Isboseth namen zij cn begroeven het in Ab-ners graf te Hebron. HOOFDSTUK 5. 1 En al de stammen Israels kwamen tot David te Hebron en spraken: Zio, wij zijn van uw gebeente en van uw vleesch; |
2 ook reeds lang tevoren, toen Saul nog koning over ons was, leiddet gij Israël uit en in; ook hoeft de Heer tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël hoeden, cn zult vorst zijn over Israël. 3 En alle oudsten van Is-raël kwamen tot den koning te Hebron, on do koning David maakte met hen een verbond te Hebron voor den Heer, en zij zalfden David tot koning over Israël. 4 Dertig jaar was David oud toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaar. 5 Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en te Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over geheel Israël cn Juda. 0 En de koning trok op met zijne mannen naar Jeruzalem tegen de Jebusieten die in het land woonden. Kn zij spraken tot David: Gij zult hier niet inkomen, maar blinden en lammen zullen u afweren; daarmede willende zeggen, dat David er niet zou inkomen. 7 Doch David won den burg Sion: dit is de stad Davids. 8 Toen sprak David op dien dag: TVie de Jebusieten verslaat, of de waterleiding |
3 SAMUËL 5.
60S
|
aanroert, of die lammen en blinden, dien haat Davids ziel. (Vandaar zegt men: Geen blinde en lamme mag in den tempol komen.) 9 Alzoo woonde David op den burg, en noemde dien de stad Davids; en David bouwde er een muur om, van Millo af en binnenwaarts. 10 En David nam gestadig toe; en do Heer, de fiod Zebaöth, was met liem. 11 En Hiram de koning van Tyrus zond boden tot j David, en cederboomen voor j den wand , en timmerlieden J en werklieden in steen, om | voor David een huis te bou- Iwen.wen. 12 En David ondervond dat de Heer hem tot koning over Israël bevestigd, | en zijn koninkrijk verhoogd | had tenville van zijn volk I Israël. 13 En David nam nog I meer vrouwen en bijwijven 1 te Jeruzalem, nadat hij van I Hebron gekomen was; en | hem werden nog meer zonen en dochters geboren. li En dit zijn de namen dergenen die hem te Jeruzalem geboren zijn: Sam-müa, Sobab, Nathan, Salomo, 15 Jibhar, Elisua, Nefeg, Jafia, |
lö Elisama, Eljada en Elifélet. 17 En toen de Filistijnen hoorden dat men David tot koning over Israël gezalfd had, zoo trokken zij allen op om David te zoeken. Als David dit vernam, trok hij af naar den burg. 18 En de Eilistijnen kwamen en sloegen zich neder in de vallei Eefaïm. 1!) En David vraagde den Heer, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Eilistijnen, en zult gij hen in mijne hand geven? En de Heer sprak tot David: Trek op, ik zal de Eilistijnen in uwe hand geven. 20 En David kwam naar Baill-Perazim en versloeg hen aldaar, en sprak: De Heer heeft mijne vijanden voor mij van elkander gescheurd gelijk zich de wateren van elkander scheuren. Vandaar noemt men deze plaats Baill-Perazin,. 21 En zij lieten hunne afgodsbeelden aldaar, en David en zijne mannen namen ze op. 22 En de Eilistijnen trokken wederom op, en sloegen zich neder in de vallei Refaïm. 23 En David vraagde den Heer; en die sprak: Gy zult niet optrekken, maar |
'2 SAMUEL 6.
6oa
|
omsingel hen van achteren, dat gij tot hen komt tegenover de moerbezieboomen; eu als gij hooren zult het geruisch van een gang in de toppen der moerbezieboomen, zoo haast u, want de Heer is dan voor li uitgegaan oni het heir der Filistijnen te slaan. 23 En David deed zooals de Heer hem geboden had, en sloeg de Filistijnen van Geba af tot men komt te Gezer. HOOFDSTUK 6. 1 En David vergaderde wederom alle jonge manschap in Israël, dertigduizend ; 2 en hij maakte zich op en ging heen met al het volk dat bij hem was, naar Baalim-Juda, om vandaar optevoeren do ark Gods, wiens naam genoemd wordt: de naam van den Hoer Zebaor , wonende boven de cherubs. 3 En zij vervoerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden haar uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel was; en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, dreven den nieuwen wagen. |
4 En toen zij hem met de ark Gods voerden uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel was, en Ahio voor de ark uitging, 5 zoo speelde David en het geheele huis van Israël voor den Heer op allerlei dennenhouten speeltuigen, als op harpen en fluiten, op trommels, schellen en cimbalen. G En toen zij tot bij den dorschvloer van Nachon kwamen, greep Uzza - toe en hield de ark Gods, want de runderen traden terzijde uit. 7 Toen ontstak de toorn des Heeren over Uzza, en God sloeg hem aldaar om zijne vermetelheid, dat hij aldaar stierf bij de ark Gods. 8 Toen word David bedroefd , omdat de Heer zulk eene scheur aan Uzza gemaakt had; en men noemde deze plaats Perez-Uzza tot op dezen dag. 9 En David vreesde voor den Heer op dien dag, en sprak: Hoe zal de ark des Heeren tot mij komen? 10 En hij wilde haar niet tot zich laten brengen in da sfail Davids, maar liet baar brengen in het huis van Obed-Edom den Ge-thiet. 11 En toon do ark des Heeren drie maanden bleef en II ■ He kw doi |
2 SAMÜÊL 6.
607
|
in liet huis van Obed-Edom den Gethiet, zoo zegende de Heer liem en zijn gehcele huis. 12 En het werd den koning David te kennen gegeven, dat de Heer het huis van Obed-Edom, en al wat hij had, gezegend had terwille van de ark Gods. Toen ging hij heen en haalde de ark Gods uit het huis van Obed-Edom opwaarts in de stad Davids, met vreugde; 13 en zoodikwerf zij met de ark des Heeren zes schreden waren voortgegaan, oft'erde men een os en een gemest schaap; 14 en David danste uit al zijne macht voor den lieer, en was omgord met een linnen lijfrok; 15 en David benevens geheel Israël voerde de ark ip m mal. 16 En toen de ark des Heeren in de stad Davids kwam, zag Miehal, Sauls dochter, door het venster, en zag den koning David springen en dansen voor den Heer, en verachtte hem in haar hart. 17 Toen zij nu de ark des Heeren hadden ingebracht, stelden zij die op hare plaats, in het midden èener hut die David voor haar had ongeslagen; en David ofl'erde brandoflers en dankoffers voor den Heer. des Heeren op met gejuich en bazuingescl |
18 En toen David volbracht had de brandoffers en dankoffers te offeren, zoo zegende hij het volk in den naam van den Heer Zebaöth. 19 En hij deelde uit aan al het volk, en aan de menigte van Israël, zoo mannen als vrouwen, aan ieder een broodkoek en een stuk vleesch en een rozijnenklomp. Toen ging al het volk heen, ieder naar zijn huis. 30 Toen nu David wederkwam om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, hem tegemoet, en sprak: Hoe heerlijk is heden de koning van Israël geweest , die zich voor de dienstmaagden zijner knechten ontbloot heeft, gelijk de lichtvaardige lieden zicli ontblooten 1 21 Maar David sprak tot Michal: Ik wil voor den Heer spelen, die mij verkoren heeft boven uwen vader en boven zijn geheele huis,. en mij bevolen heeft vorst te zijn over het volk des Heeren, over Israël. 32 En ik wil nog geringer worden dan ditmaal, |
S SAMUËL 7.
608
|
en wil nederig zijn in mijne oogen; en bij de dienstmaagden , van welke gij gesproken hebt, wil ik eer verwerven. — 23 Michal nu, Sauls dochter , heeft geen kind gehnd tot den dag haars doods toe. HOOFDSTUK 7. 1 Toen nu de koning in zijn huis zat, en de Heer hem rust gegeven had van al zijne vijanden rondom, 3 sprak hij tot den profeet Nathan: Zie, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods is gehuisvest onder tapijten. 3 En Nathan sprak tot den koning: Ga heen, al wat gij in uw hart hebt doe dat, want de Heer is met u. 4 Maar des nachts kwam het woord des Heeren tot Nathan, zeggende: 5 Ga heen en zeg tot mijnen knecht David: Dus spreekt de Heer: Zoudt gij mij een huis bouwen waarin ik wonen zou? 6 Ik heb immers in geen huis gewoond sedert dien dag dat ik de kinderen Israels uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag toe, maar ik ben geweest rondtrekkende in eene hut en woning, |
7 zoolang ik met de kinderen Israels heb rondgetrokken. Heb ik ooit gesproken tot één der stammen van Israël, dien ik bevolen heb mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij mij niet een cederen huis? 8 Zoo zult gij nu tot mijnen knecht David zeggen: Dus spreekt de Heer Ze-baoth: Ik heb u genomen van de schaapskooien, dat gij vorst zoudt zijn over mijn volk Israël; 9 en ik ben met u geweest waarheen gij gegaan zijt, en heb al uwe vijanden voor u uitgeroeid, en heb u een grooten naam gemaakt, gelijk den naam der grootsten op de aarde; 10 en ik heb mijn volk Israël een eigen plaats gegeven, en ik heb het geplant , dat het aldaar woont en niet meer gaat dwalen, en dat de kinderen der boosheid het niet meer verdrukken, gelijk tevoren 11 en sedert dien tijd dat ik rechters over Israël gesteld heb; en ik heb u rust gegeven van al uwe vijanden. En de Heer heeft u verkondigd dat de Heer u een huis maken zal. 13 Wanneer nu uw tijd zal vervuld en gij met uwe |
|
vaderen zult ontslapen zijn, zoo wil ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit u zal voortkomen; en ik wil zijn rijk bevestigen. 13 Die zal mijnen naam een huis bouwen, en ik zal den troon zijns koninkrijks bevestigen eeuwiglij k. 14 Ik zal zijn vader zijn en liij zal mijn zoon zijn; en wanneer hij eeno misdaad begaat, zoo zal ik liem met mensehenroeden en met slagen van menschenkinderen straften, 15 maar mijne barmhartigheid zal van hem niet afgewend worden, gelijk ik die afgewend heb van Saul, dien ik voor u heb weggenomen. 16 En uw huis en uw koninkrijk zal bestendig zijn voor u eeuwiglijk, en uw troon zal eeuwiglijk bestaan. 17 Toen Nathan al deze woorden en dit geheele gezicht aan David gezegd had, 18 kwam de koning David en toefde voor den Heer, en sprak: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt? 19 Daarenboven hebt gij dat nog te weinig geacht, Heere Heere, maar hebt van het huis uws knechts |
609 ook nog gesproken tot in verre tijden; en dit naar de wijze der menschen, Heere Heere. 30 En wat zal David meer spreken met u? Gij kent uwen knecht, Heere Heere. 31 Om uwer beloften wil en naar uw hart hebt gij al die groote dingen gedaan , die gij aan uwen knecht hebt bekendgemaakt. 33 Daarom zijt gij ook grootgeacht, Heere God, want niemand is er als gij, en geen God is er dan gij, naar alles wat wij met onze ooren gehoord hebben. 33 Eu waar is een volk op do aarde als uw volk Israel, om welks wil God is heengegaan om het zich tot eeu volk te verlossen, en zich een naam te maken, en zulke groote en verschrikkelijke dingen te doen in uw land voor uw volk, hetwelk gij u verlost hebt van de Egyptenaars, van de volken en hunne goden. 31 En gij hebt uw volk Israël bevestigd, u tot een volk in eeuwigheid, en gij lieer zijt hun God geworden. 35 Zoo doe nu, Heere God, dit woord, hetwelk gij over uwen knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwig-30 3 SAMUËL 7. |
UËL 8.
3 SAM
|
lieid, en doe gelijk gij gesproken hebt. 26 Dan zal uw naam groot worden in eeuwigheid, zoodat men zeggen znl; Pe Heer Zebaóth is de God over Israël; en het huis van uwen knecht David zal bestaan voor u. 27 Want gij Heer Zebaoth, gij God van Israël, gij hebt voor het oor van uwen knecht geopenbaard, zeggende: Ik wil u een huis bouwen. Daarom heeft uw knecht in zijn hart gevonden om dit gebed tot u te bidden. 28 Nu Heere Heere, gij zijt God, en uwe woorden zullen waarheid zijn: gij hebt dit goede tot uwen knecht gesproken. 29 Zoo begin nu en zegen het huis uws knechts, dat het eeuwiglijk vóór u zij; want gij, Heere Heere, hebt liet gesproken, en met uwen zegen zal liet huis uws knechts a-ezesrend zijn eeuwiglijk. HOOFDSTUK 8. I En liet geschiedde daarna dat David de Filistijnen sloeg en ze tenonderbracht, en hij nam den teugel der dienstbaarheid van de hand der Filistijnen. |
2 Ook sloeg hij de Moa-bieten zóó ter aarde, dat hij twee derdedeelen ter dood bracht, en één derdedeel in het leven liet; alzoo werden de Moabieten David onderdanig, zoodat zij hem geschenken brachten. 3 Ook sloeg David Hadad-czer den zoon van Eehob, den koning van Zoba, toen hij heentrok om zijne macht te wenden naar de rivier Frath. 4 En David ving van hem duizend en zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk; en hij verlamde al de wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over. 5 En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ézer den koning van Zoba te helpen, maar David sloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man; 6 en hij leide bezettingen in Damasceonsch Syrië. Al-zoo werden de Syriërs David onderdanig, zoodat zij hem geschenken brachten. En de Heer hielp David waarheen hij trok. 7 En David nam de gouden schilden die Hadadézers knechten gehad hadden, en bracht ze te Jeruzalem. 8 En uit Betali en Bo-rothai, steden van Hadad- |
2 SAMUEL 9.
611
|
ózer, nam de koning zeer veel koper. 9 Toen nu Toï de koning van Hamath hoorde dat David de gelieele krijgsmacht van Hadadézer verslagen liad, lü zoo zond hij zijnen zoon Joram tot David, om hem vriendelijk te groeten en hem te zegenen, dat hij tegen Hadadézer gestreden en hem verslagen had; (want Hadadézer had gedurig strijd gevoerd tegen Toï); en in zijne hand waren zilveren, gouden en koperen kleinoo-diën; 11 welke de koning David ook den Heere heiligde, benevens het zilver en goud hetwelk hij den Heere heiligde van al de volken die hij zich had onderworpen: 12 van Syrië, van Monh, van de kinderen Amnions, van de lulistijnen, van ma-lek , en van den buit van Hadadézer den zoon van Kehob, den koning van Zoba. 13 Ook maakte David zich een naam, toen hij terugkwam van het verslaander Syriërs; en hij sloeg de Édomieten in het Zoutdal, achttienduizend man. I-I En hij leide bezettingen in geheel Edom, en areheel Edom was David onderworpen; want de Heer hielp David waarheen hij trok. |
15 Al zoo was David koning over geheel Israël, en hij oefende recht en gerechtigheid aan al het volk. 16 En Joab de zoon van Zeruja was over het lieii-, en Josafat de zoon van Ahilud was kanselier, 17 en Zadok de zoon van Ahitub en Achimélech de zoon van Abjathar waren priesters, en Sera ja was schrijver, 18 en Benaja de zoon van Jojada was over de Krethi en Plethi, en Davids zonen waren staatsdienaren. HOOFDSTUK 9. 1 En David sprak: Is er ook nog iemand overgebleven van Sauls huis, dat ik barmhartigheid aan hem doe om Jonathans wil? 2 En er was een knecht van het hnis van Saul, genaamd Ziba; dien riepen zij tot David. En de koning sprak tot hem: Zijtgij Ziba? Hij sprak: Ja, uw knecht. 3 De koning sprak: Is er niet nog iemand van Sauls huis, opdat ik barmhartigheid Gods aan hem doe? En Ziba sprak tot den koning: Er is nog een zoon |
2 SAMUËL 10.
612
|
van Jonathan, die lam is aan de voeten. '1 En de koning' sprak tot hem: Waar is hij? Ziba sprak tot den koning; Zie, Wj is te Lodebar, in het huis van Machir den zoon van Ammiel. 5 Toen zond do koning David heen en liet hem halen uit Lodebar, uit het huis van Machir den zoon van Ammiel. C Toen nu Mefiboseth, do zoon van Jonathan Sauls zoon, tot David kwam, viel hij op zijn aangezicht en boog zich neder. En David sprak: Mefiboseth! Hij sprak: Hier ben ik, uw knecht. 7 En David sprak tot hem: Vrees niet, want ik wil barmhartigheid aan u doen, terwille van .Jonathan uwen vader, en ik zal n al de akkers van uwen r_grool-^ vader Saul wedergeven, en gij zult dagelijks aan mijne fafel brood eten. 8 Toen boog hij zich neder en sprak: Wie ben ik, uw knecht, dat gij omziet naar een dooden hond gelijk ik ben? 9 En de koning ontbood Ziba, Sauls jongen, en sprak tot hem; Al wat aan Saul en aan zijn geheele huis heeft toebehoord, heb ik den zoon uws heeren gegeven. |
10 Zoo bearbeid nu voor hem zijnen akker, gij met uwe zonen en knechten, en breng het in, opdat het den zoon uws heeren tot leeftocht zij en hij zich daarvan onderhoude; en Mefiboseth, uws heeren zoon, zal dagelijks brood eten aan mijne tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 11 En Ziba sprak tot den koning: Alwat mijn heer de koning zijnen knecht geboden heeft, zal zijn knecht doen. En Mefiboseth at aan zijne tafel als een van dos konings zonen. 13 Èn Mefiboseth had een kleinen zoon, die heette Micha; en alwat in het huis van Ziba woonde, dat diende Mefiboseth. 13 Mefiboseth nu woonde te Jeruzalem, want hij at dagelijks aan des konings tafel; en hij hinkte aan beide zijne voeten. HOOFDSTUK 10. 1 En het geschiedde daarna dat de koning der kinderen Amnions stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijne plaats. 2 Toen sprak David: Ik |
2 SAMUËL 10.
613
|
wil barmhartigheid doen aan Hanun den zoon van Nahas, gelijk zijn vader aan mij barmhartiglieid gedaan heeft. En hij zond heen en liet hem troosten door zijne knechten over zijnen vader. Toen nn Davids knechten in het land der kinderen Ammons kwamen, 3 spraken do vorsten dei-kinderen Ammons tot hunnen heer Hanun: Meent gij dat David uwen vader eert, omdat hij troosters tot n gezonden lieeft? Heeft hij niet zijne knechten tot u gezonden om de stad te doorzoeken en te bespieden en haar omtekeeren? 4 Toen nam Hanun de knechten van David en schoor hun den baard half af, en sneed hun de kleederen half af, tot den gordel toe, en liet hen gaan. 5 Toen dit aan David gezegd werd, zond hij hun tegemoet; want die mannen waren zeer geschonden; en de koning liet hun zeggen: Blijft te Jericho totdat uw baard weder gewassen is, en komt dan weder. 6 Toen nu de kinderen Amnions zagen dat zij bij David in een kwaden reuk gekomen waren, zonden zij heen en huurden de Syriërs van Eeth-Rehob en de Sv-riërs van Zoba, twintigduizend man voetvolk, en van den koning van Mailoha duizend man, en van die van Tob twaalfduizend man. |
7 Toen I )avid dit hoorde, zond hij Joab met hot ge-heele heir der krijgslieden. 8 En de kinderen Amnions-trokken uiten rustten zich toe tot den strijd vóór de deur der poort, en do Syriërs van Zoba en van liehob en de mannen van Tob en van Maacha stonden afzonderlijk in het veld. !) Als im Joab zag dat de strijd op hem aangelegd was van voren en van achteren, zoo koos hij al do jonge manschap in Israël uit, en rustte zieli toe tegen de Syriërs; 10 en het overige volk stelde hij onder de hand van zijnen broeder Abisai, opdat hij zich toerustte tegen de kinderen Ammons. 11 En hij zeide: Is het dat do Syriërs mij te machtig zijn, zoo kom mij te hulp; en is het dat de kinderen Ammons u te machtig zijn, zoo zal ik u te hulp komen. 13 Heb goeden moed, en laat' ons dapper zijn voor ons volk en voor de steden on zes Gods; de Heer nu doe wat hein behaagt. |
2 SAMUËL 11.
614
|
13 En Joab naderde met liet volk dat bij hem was, om te strijden tegen de Syriers; on zij vloden voor hem. 14 En toen de kinderen Ammons zagen dat de Sy-riërs vloden, zoo vloden zij ook voor Abisai en trokken in de stad. Alzoo keerde Joab om van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem. 15 En toen de Syriërs zagen dat zij geslagen waren voor Israël, zoo vergaderden zij zicli allen bijéén; 16 en Hadarézer zond lieen en deed de Syriërs uitkomen die aan gene zijde der rivier waren, en zij kwamen te Helam; en So- krijgsoverste van trok voor hen bach, de Hadarézer, uit. 17 Toen aan David gezegd werd, vergaderde hij geheel Israël tezamen, en trok over den Jordaan, en kwam te Helam; en de Syriërs rustten zich toe tegen David om tegen hem te strijden. 18 Maar de Syriërs vloden voor Israel, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd. wagens en veertigduizend ruiters, ook sloeg hij Sobach den krijgsoverste dat hij aldaar stierf. |
dit 19 Toen nu de koningen, die onder Hadarézer waren, zagen dat zij geslagen waren voor Israël, zoo maakten zij vrede met Israël, en werden hun onderdanig; en de Syriërs vreesden den kin-deren Ammons verder te hulp te komen. HOOFDSTUK 11. 1 En als het jaar om was, ten tijde als de koningen plegen uittetrekken, zoo zond David Joab, en zijne knechten met hem, en geheel Israël, dat zij de kinderen Ammons verderven en Eabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem. 2 En het geschiedde dat David tegen den avond opstond van zijne legerstede, en op het dak van het ko-ningshuis ging; en hij zag van het dak eene vrouw zich badende, en die vrouw was zeer schoon van gedaante. 3 En David zond heen en liet naar die vrouw vernemen, en zeide; Is dit niet EathséLa, Eliams dochter, de huisvrouw van Una den Hethiet? 4 En David zond boden en liet haar halen; en toen zij tot hem inkwam, sliep hij bij haar; zij nu reinigde |
2 SAMUEL 11.
615
|
zicli van hare onreinheid, en keerde terug naar haar huis. quot;5 En die vrouw werd zwanger, en zond heen en liet aan l)avid bekendmaken en zeggen: Ik ben zwanger geworden. 6 Toen zond David tot Joab, ^zeggende^: Zond üria den llethiet tot mij. En Joab zond Uria tot 1'avid. 7 En toon Uria tot hem kwam, vroeg David of het met Joab en met hot volk en met den oorlog wel stond. 8 En 1 )avid sprak tot Uria; Ga af naar uw huis en wasch uwe voeten. En toen Uria uit des konings huis uitging, volgde hem een gerecht van des konings O c [tafer, achterna. 9 ]Joch Uria leide zich te slapen voor de deur van dos konings huis, waar al do knechten zijns hoeren lagen: en hij ging niet af naar zijn huis. 10 ïoen men nu aan David zeide: Urla is niet afgegaan naar zijn huis, sprak David tot hem: Zijt gij niet van de reis gekomen? Waarom gaat gij dan niet af naar uw huis? |
11 Maar Uria sprak tot David: De ark en Israël en Juda blijven in tenten, en Joab, mijn heer, en mijns hoeren knechten zijn gelegerd in het veld; en ik zou naar mijn huis gaan, om te eten en te drinken en bij mijne huisvrouw te liggen ! Zoo waarachtig als gij loeft en uwe ziel leeft, dit doe ik niet. 13 En David sprak tot Uria: Blijf dan ook lieden hier, morgen zal ik u laten gaan. Alzoo bleef Uria te Jeruzalem dien dag en des anderen daags; 13 en David noodigde hem, zoodat hij bij hom at en dronk, en maakte hem dronken: maar dos avonds ging hij uit om zich te slapen te leggen op zijne legerstede mot zijns heeren knechten, en hij ging niet af naar zijn huis, 11' Des morgens nu schreef David een brief aan Joab, en zond dien door Uria; 15 en hij schreef aldus in dien brief: Stelt Uria vooraan in den strijd, waar deze op het hevigst is, en wendt u achter hom af, opdat hij verslagen worde en sterve. 16 Als nu Joab om de stad lag, stelde hij Uria aan de plaats waar hij wist dat strijdbare mannen waren ; 17 en toen de mannen dei-stad uitvielen en tegen Joab |
|
616 streden, zoo vielen eenigen van het volk van Davids .knechten; en Uria dc Hc-thiet stierf ouk. 18 Toen zond .loab heen en liet aan David do ge-heelo toedracht van dezen strijd bekendmaken; 19 en hij gebood den bode, zeggen! 1 c: Als gij geëi ndigd hebt de geheele toedracht van dezen strijd aan den koning te verhalen, 30 en ziet dat do koning toornig wordt, en hij tot zegt: Waarom hebt gij ii zoo nabij de stad begeven met den strijd? Wist gij niet hoa men pleegt van den munr te schieten? 31 Wie versloeg Abimó-lech den zoon van Jorub-béseth? Wierp niet eene vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij stierf te Tebez? Waarom hebt gij u zoo dicht bij den munr begeven? — dan zult gij zeggen: üw knecht Uria dc Hethiet is ook gedood. 33 En de bode ging heen, en kwam en zeido aan David alles waarom Joabhem uitgezonden had; 33 en de bode sprak tot David: De mannen kregen de overhand op ons, en kwamen tot ons uit op het veld, en wij waren tegenover hen aan den ingang der poort; |
31 en de schutters schoten van den muur op uwe knechten, en doodden sommigen van des konings knechten, ook is uw knecht Uria do llethict gedood. 35 Toen zeide David tot den bode: Dus zult gij tot Joab zeggen: Laat u dit niet kwalijk behagen, want het zwaard verteert nu dozen dan genen: laat slechts niet af van den strijd tegen de stad, opdat gij haar verdelgt ; en heb goeden moed. 36 En toen Una's huisvrouw hoorde dat haar man Uria dood was, zoo droeg zij rouw over haren heer; 37 en toen zij uitgetreurd had, zond David heen en liet haar in zijn huis halen, en zij werd zijne vrouw en baarde hem een zoon. Doch die daad welke David gedaan had behaagde den Heer kwalijk. HOOFDSTUK 12. 1 En de Heer zond Nathan tot David; en als die tot hom kwam, sprak hij tot hem: Er waren twee mannen in éone stad, de één was rijk en de ander was arm. 3 De rijke had zeer vele schapen en runderen; 3 SAMUËL 13. 3 dan het\ en 1 het met het dro: slie hiel 4 diei Zïfg soh; voc gels den des het hen 5 gro ma: Zoc lecj daa doe 6 lan dat vei 7 Da Di Ge tot rai de S he |
2 SAMUËL 12.
617
|
3 inaar do arme had niets dan een eénig klein lam, hetwelk hij gekocht had, en hij kweekte het op, dat het groot werd bij hem en met zijne kinderen tegelijk: het at van zijn bete, en dronk uit zijn beker, en sliep in zijn schoot, en hij hield het als eene dochter. 4 Toen nu een gast bij dien rijken man kwam, ontzag hij te nemen van zijne schapen en runderen, om voor den gast die tot hem gekomen was iets te bereiden, en hij nam het schaap des armen mans en bereidde het voor den man die tot hem gekomen was. 5 Toen ontstak David in grooten toorn tegen dien man, en sprak tot Nathan: Zoo waarachtig als do Heer leeft, de man die dat gedaan heeft is een kind des doods; 6 daarenboven zal hij dat lam viervoudig betalen, omdat hij dit gedaan en niet verschoond heeft. 7 Toen sprak Nathan tot David: Gij zijt die man. Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël , en heb u gered uit de hand van Saul, |
8 en hob u hot huis uws heeron gegeven, daarenboven ook zijne vrouwen in uwen schoot, en heb uhet huis van Israël en Juda gegeven; en was dit te weinig, zoo wilde ik nog dit en dat daarbij doen: 9 waarom hebt gij dan het woord des Hoeren vor-acht, dat gij zulk kwaad voor zijno oogen deedt? Uria den Hethiet hebt gij verslagen met liet zwaard; zijne huisvrouw hebt gij u tot vrouw genomen, en hem hebt gij gedood met hot zwaard der kinderen Aiu-mons. 10 Nu, zoo zal het zwaard niet aflaten van uw huis eouwiglijk, omdat gij mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria den Hethiet genomen hebt om uwe vrouw te zijn. 11 Dus spreekt do Heer: Zie, ik wil ongeluk over u verwekken uit uw eigen huis, en wil uwe vrouwen nemen voor uwe oogen, en wil ze uwen naaste geven, zoodat hij bij uwe vrouwen slapon za! in hot licht dor zon. 12 Gij hebt het gedaan in het verborgen, maar ik zal dit doen voor geheel Israël en voor de zon. 13 Toen sprak David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den Hoer. Kn Nathan |
2 SAMUEL 12.
618
|
sprak tot David: Zoo heeft ook do Heer uwe zonde weggenomen, gij zult niet sterven; 14 maar dewijl gij de vijanden des Heeren door deze daad lielrt doen lasteren, zoo zal de zoon die u geboren is den dood sterven. ■—- 15 En Nathan ging naar-luüs. En do Heer sloeg het kind hetwelk Uria's huisvrouw David gebaard had, zoodat het doodkrank werd. 16 En David zocht God voor het jongsken, en vastte, en ging in en lag dien nacht op de aarde. 17 Toen stonden da oudsten van zijn huis op, en wilden hem oprichten van de aarde; maar hij wilde niet, en at ook niet met hen. 18 En op den zevenden dag stierf het kind; en Davids knechten vreesden hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog in leven was, spraken wij met hem, en hij hoorde niet naar onze stem; hoeveeltemeer zal het hem smarten als wij zeggen: Het kind is dood. 19 Als nu David zag dat zijne knechten in stilte spraken, en merkte dat liet kind dood was, zoo sprak hij tot zijne knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Ja. |
20 ïoen stond David op van de aarde, wiesch zich en zalfde zich, en trok andere kleederen aan, en ging in het huis des Heeren, en aanbad; en toen hij weder tehuiskwam, beval hij dat men hem brood zou opdragen, en hij at. 21 Toen spraken zijne knechten tot hem: Wa't is dit voor een ding dat gij doet? Toen het kind leefde, vasttet gij enweendet; maar nu het gestorven is, staat gij op en eet. 22 En hij zeide: Ik vastte en weende om het kind toen het leefde, want ik dacht: Wie weet, de Heer mocht mij genadig worden, dat het kind in leven bleve. 23 Maar nu het dood is, wat zal ik nu vasten? Kan ik hem ook wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal niet tot mij weder-keeren. 24 En toen David zijne huisvrouw Ba thséba getroost had, ging hij tot haar in en sliep bij haar; en zij baarde een zoon, dien noemde hij Salomo; en de Heer beminde hem. 25 En hij stelde hem onder het opzicht van den profeet Nathan; die noemde |
|
hem Jedid-Jah, om des Hee-ron wil. 36 Joab mi streed tegen Kabba der kinderen Am-pons, en nam de koninklijke stad in. '37 En hij zond boden tot David, en liet aan hem zeggen: Ik heb gestreden tegen Eabba, en heb ook de waterstad ingenomen. 28 Zoo verzamel nu het overige volk, en beleger de stad, en neem haar in; opdat ik haar niet inneme, en ik den naam daarvan hebbe. 39 Alzoo braelit David al het v y^1'i-zamen, en trok heen,1, .. itreed tegen Eabba, es nam haar in. 30 En hij nam do kroon haars konings van zijn hoofd, die in gewicht een talent goud bedroeg, met edelgesteenten, en zij werd David op zijn hoofd gezet; en hij voerde zeer veel buit uit de stad. 31 Het volk nu dat er in was voerde hij uit, en leide hen onder ijzeren zagen en dorsehwagens, en ijzeren bijlen, en verbrandde hen in tichelovens; en zoo deed hij aan al de steden der kinderen Amnions. Daarna keerde David en al het volk weder naar Jeruzalem. kind Ja. d op zich k an-ging n, en ,Teder j dat op- |
619 HOOFDSTUK 13. 1 En het gebeurde daarna, alzoo Absalom Davids zoon eene sohoone zuster had, genaamd Tamar, dat Amnon Davids zoon haar liefkreeg. 3 En Aranon was krank van hartzeer om Tamar zijne zuster; want zij was eene maagd, en hot dacht Amnon zwaar te zijn dat hij haar iets zou doen. 3 Doch Amnon had een vriend, die heette Jonadab, een zoon van Siniea Davids broeder; en die Jonadab was een zeer vernuftig man; 4 en hij zeide tot hem: Waarom wordt gij van dag tot dag zoo mager, gij koningszoon? Wilt gij mij dit niet zeggen? Toen sprak Amnon tot hem: Ik heb Tamar, de zuster van mijnen broeder Absalom, liefgekre-gen. 5 En Jonadab sprak tot hem: Leg u op uw bed en houd u krank; als uw vader dan komt om naar u te zien, zoo spreek tot hem: Laat toch mijne zuster Tamar komen om mij te spijzigen en het eten voor mij gereedtemaken, dat ik het zie en van hare hand eet. 6 Alzoo leide Amnon zich 2 SAMUËL 13. |
UËL 13.
3 SAM
630
|
neder en hield zich krank. Toen nu de koning kwam om hem te zien, sprak Amnon tot den koning: Laat toch mijne zuster Ta-mar komen om voor mij twee koeken te bereiden, opdat ik van hare hand ete. 7 Toen zond David naar Tamar in het huis, en liet aan haar zeggen: Ga heen naar het iuiis van uwen broeder Amnon, en bereid voor hein de spijs. 8 En Tamar ging heen naar het huis van haren broeder Amnon, en hij lag-to bed; en zij nam deeg cn kneedde het, en bereidde het voor zijne oogen, en bakte hem de koeken, 'J en zij nam de pan en goot die voor hem uit; maar hij weigerde te eten. En Amnon sprak: Laat iedereen van mij uitgaan. En iedereen ging van hem uit. 10 Toen sprak Amnon tot Tamar: Breng het eten in de kamer, opdat ik van uwe hand ete. Toen nam Tamar de koeken die zij bereid had, en bracht die tot Amnon haren broeder in de kamer. 11 En toen zij die tot hem bracht, opdat hij ate, greep hij haar aan en zeide tot haar: Kom hier mijne zuster, slaap bij mij. |
13 Maar zij sprak tot hem: Neen mijn broeder, verkracht mij niet, want zóó doet men niet in Israël; bega zulk eene schandelijke daad niet. 13 Waar zou ik met mijne schande heen? En gij zoudt zijn als de booswichten in Israël. Maar spreek met den koning, die zal mij aan u niet onthouden. 1-1 Doch hij wilde naar hare stem niethooren, maar overweldigde haar en verkrachtte haar en sliep bij haar. 13 Daarna werd Amnon zeer vergramdlM^ haar, zoodat de haat g|Hjr was dan tevoren de licTde; en Amnon sprak lot haar: Maak u op en ga weg. 10 Maar zij sprak tot hem: Daar is geen reden voor; dit kwaad is nog grooter dan het andere hetwelk gij aan mij gedaan hebt, dat gij mij uitstoot. Doeh hij hoorde naar hare stem niet, 17 en hij riep zijnen jongen die zijn dienaar was, en sprak: Drijf toch deze van mij uit, en sluit de deur achter haar toe. 18 Zij nu had een bonten rok aan; want zulke rokken droegen des konings dochters zoolang zij maagden |
3 SAMUEL 13.
621
|
waren. En toen zijn dienaar haar uitgedreven en de deur achter haar toegesloten had, 19 wierp Tamar ascli op haar hoofd, en scheurde den bonten rok dien zij aanhad, en leidc do hand op het hoofd en ging heen en schreide. 30 En haar broeder Absalom sprak tot haar; Is uw broeder Amnon bij u geweest? Nu mijne zuster, zwijg stil, het is uw broeder ; neem do zaak zoo niet ter harte. Alzoo bleef Tamar eenzaam in het huis van Absalom haren broeder. 31 En toen de koning David dit alles hoorde, werd hij zeer toornig. 32 Doch Absalom sprak met Amnon noch kwaad noch goed; maar Absalom was vergramd op Amnon, omdat hij zijne zuster ïamar verkracht had. 33 Eu na twee jaren had Absalom schaapscheerders te Baül-Hazor bij Efraïm; en Absalom noodigde al de kindoren des konings. 24 En hij ging tot den koning en sprak: Zie, uw knecht heeft schaapscheerders; de koning gelieve toch, benevens zijne knecli-ten, medetegaan niet zijnen knecht. |
35 Maar de koning sprak tot Absalom: Neen mijn zoon, laat ons niet allen tezamen gaan, opdat wij u niet tot last worden. Eu toon hij bij hem aanhield, zoo wilde hij echter niet gaan, maar zegende hem. 36 Toon sprak Absalom: Zal dan mijn broeder Amnon niet met ons gaan? En de koning sprak tot hem: Waarom zou hij met u gaan? 37 Toon hield Absalom bij hem aan, zoodat hij Amnon en al de kinderen des konings met hem liet gaan. 38 Absalom nu gebood zijn jongelingen, zeggende: Ziet nu toe als Amnon vroolijk wordt van den wijn, eu ik tot u zeg: Slaat Amnon en doodt hem, vreest dan niet, want ik heb hot ii geboden; woest moedig en gedraagt u dapper. 39 Alzoo deden de jongelingen van Absalom aan Amnon zooals Absalom geboden had. Toon stonden al do kinderen des konings op, en stegen ieder opzijn muilezel en vloden. 30 Eu toen zij nog op den weg waren, kwam het gerucht tot David, dat Absalom al de kinderen des konings verslagen had, zoodat er niet één van hen was overgebleven. |
3 SAMUËL 14.
632
|
31 Toen stond de koning op, en scheurde zijne klee-deren, en leide zich op de aarde; en al zijne knechten, die rondom hem stonden, scheurden hunne kleedcren. 33 Toen antwoordde Jo-nadah, de zoon van Simea Davids broeder, en sprak: Mijn heer, denk niet dat al de jongelingen, des ko-nings zonen, gedood zijn; maar Amnon alleen is dood; want Absalom had quot;net bij zich besloten van den dag-af toen hij zijne zuster Ta-mar verkrachtte. 33 Zoo neme nu mijn heer de koning dit niet ter harte, alsof al de zonen des konings dood waren; maar Amnon alleen is dood. 34 Absalom nu vluchtte. En de jongeling op de wacht hief zijne oogen op en zag, en zie, veel volks kwam op den weg achter hem, van de zijde des bergs. 35 Toen sprak Jonadab tot den koning: Zie, de zonen des konings komen; gelijk uw knecht gezegd heeft, zoo is het toegegaan. 36 En toen hij uitgesproken had, zie, toon kwamen de zonen des konings, en hieven hunne stem op en weenden; en de koning en al zijne knechten weenden óók met een groot geween. |
37 Absalom nu vluchtte, en trok naar Talmai den zoon van Ammihur, den koning van Gesur. En hij droeg rouw over zijnen zoon, al die dagen. 38 Toen nu Absalom vluchtte en naar Gesur trok, was hij aldaar drie jaren. 39 En de koning David hield op nittetrekken tegen Absalom, want hij had er zich over getroost dat Amnon dood was. HOOFDSTUK 14. 1 En .loab de zoon van Zeruja merkte dat het hart des konings tegen Absalom was. 3 En hij zond heen naar Tekóa, en liet vandaar eene wijze vrouw halen, en sprak tot haar: Draag rouw, en trek rouwkleederen aan, en zalf u niet met olie, maar doe u voor als eene vrouw die een langen tijd rouw-gedragen heeft over een doode; 3 en ga tot den koning, en spreek met hem zóó en zóó. En .loab gaf haar in wat zij spreken zou. 4 En toen de vrouw van Tekóa met den koning wilde spreken, viel zij op haar aangezicht ter aarde en boog |
2 SAMUËL 14.
623
|
zieh neder, en sprak: Help mij, o koning. 5 En de koning sprak tot haar: Wat deert u? Zij sprak: Ik ben eone weduwe, eenc vrouw die rouwdraagt, en mijn man is gestorven. 0 En uwe dienstmaagd had twee zonen, en die twistten met elkander op hot veld; en alzoo er geen scheidsman was, sloeg de een den ander en doodde hem. 7 En zie, nu staat de ge-heele maagschap op tegen uwe dienstmaagd, en zegt: Geef hier dengeen die zijnen broeder verslagen heeft, opdat wij hem dooden voor de ziel zijns broeders dien hij gedood heeft, en ook den erfgenaam verdelgen; en zij willen de vonk uit-blusschen die nog overig is, opdat mijnen man geen naam noch iets overblijve op de aarde. 8 Toen sprak de koning-tot de vrouw: Ga naarhuis; ik zal te uwen behoeve gebieden. 9 En de vrouw van Tekóa sprak tot den koning: Mijn heer koning, de misdaad zij op mij en op mijns vaders huis, maar de koning en zijn troon zij onsehul-dig. 10 En de koning sprak: |
Wie tegen uspreekt, breng dien tot mij, en hij zal u niet meer aantasten. 11 En zij sprak: De koning gedenke toch aan den Heer zijnen God, opdat de bloedwrekers niet teveel worden om te verderven, en mijnen zoon niet verdelgen. Toen zeide hij: Zoo waarachtig als de Heer leeft, er zal geen haar van uwen zoon op de aarde vallen. 12 En de vrouw zeide: Dat toch uwe dienstmaagd een woord tot mijnen heer den koning moge spreken. En hij zeide: Spreek. 13 En de vrouw sprak: Waarom hebt gij dan aldus gedacht tegen het volk Gods, dat de koning, dewijl hij zoo gesproken heeft, als een schuldige is, en zijnen verstootene niet weder laat halen? 11 Want als wij gestorven zijn, dan zijn wij gelijk het water dat op de aarde verloopt en niet verzameld wordt; en God wil het leven niet wegnemen, maar bedenkt zich, opdat het verstootene van hem niet verstooten worde. 15 Zoo ben ik nu gekomen om met mijnen heer den koning aldus te spreken ; want al het volk maakt |
2 SAMUËL 14.
624
|
mij bang, daarom dacht uwe dienstmaagd: Ik wil met den koning' spreken, misscliicn zal hij doen wat zijne dienstmaagd zegt; 1(1 want hij zal zijne dienstmaagd verhooren, zoodat hij mij redt uit de hand van allen die mij met mijnen zoon verdelgen willen nit het erfdeel (iods. 17 En uwe dienstmaagd dacht; liet woord van mijnen lieer den koning zal mij een troost zijn; want mijn heer de koning is als een engel Gods, dat hij goed en kwaad hooren kan; daarom zal de Heer uw God met u zijn. 18 En de koning antwoordde en sprak tot de vrouw: Loochen mij niet hetgeen ik u vragen zal. De vrouw sprak: Mijn heer de koning spreke. 19 En de koning sprak: Is niet de hand van Joab met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en sprak: Zoo waarachtig als uwe ziel leeft, mijn heer do koning, niemand kan afwijken , noch ter recliter- noch ter linkerhand, van hetgeen mijn heer de koning gesproken hooft. Ja uw knecht Joab heeft het mij geboden, en hij hoeft dit alles uwe dienstmaagd ingegeven; |
20 dat ik de zaak deze wending geven zou, dit heeft uw knecht Joab aldus beschikt. Doch mijn lieer is wijs naar de wijsheid van een engel Gods, zoodat hij alles merkt op de aarde. 21 Toen sprak de koning-tot Joab: Zie, ik doe het; ga nu heen en breng den jongeling Absalom weder. 23 Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde en boog zich neder, en dankte den koning, en sprak: Heden merkt uw knecht dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, mijn heer de koning, omdat de koning-doet hetgeen zijn knecht zegt. 23 Alzoo maakte Joab zich op en trok naar Gesur, en bracht Absalom te Jeruzalem. 24 Doch de koning zeide: Laat hij weder naar zijn huis gaan, en mijn aangezicht niet zien. Alzoo kwam Absalom weder in zijn huis, en zag des konings aangezicht niet. 25 Nu was er in geheel Israël geen man zoo schoon als Absalom, en hij had dien lof bij allen; van zijne voetzolen af tot zijnen hoofd-scbedel toe was er geen gebrek aan hem. 20 En als men zijn hoofd |
3 SAMUEL 15.
625
|
schoor, — en dit geschiedde gemeenlijk alle javen, want hot was hem te zwaar, zoodat men liet afscheren moest, — clan woog het haar zijns hooftls tweehonderd sikkels, naar het koninklijke gewicht. 27 En aan Absalom werden drie zonen geboren, en eene dochter, die was ge-najund Tamar; en zij was eene vrouw schoon van gedaante. 28 Alzoo bleef Absalom twee jaren te Jeruzalem dat hij des konings aangezicht niet zag. 29 En Absalom ontbood Joab, om hem tot den koning te zenden; maar hij wilde niet tot hem komen. Eu hij zond ten tweeden male, en nog wilde hij niet komen. 30 Toen sprak hij tot zijne knechten: Ziet, het stuk akker van Joab terzijde van den mijnen, daarop heeft hij gerst: gaat heen en steekt het aan met vuur. Toen staken Absaloras knechten dat stuk akker met vuur aan. 31 Toen maakte Joab zich op en kwam tot Absalom in huis, en sprak totliem: Waarom hebben uwe knechten mijn stuk akker met v uu r aangestoken ? |
82 En Absalom sprak tot Joab: Zie, ik zond om u en liet u zeggen: Kom hier, opdat ik u tot den koning zende en zeggen late: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij beter dat ik nog daar was; zoo laat mij nu het aangezicht des konings zien, en is er eene misdaad in mij, zoo doode hij mij. 33 En Joab ging tot den koning, en zeide liet hem. Ku hij ontbood Absalom; en hij kwam tot den koning, en boog zich neder met het aangezicht ter aarde voor den koning; en de koning kuste Absalom. HOOFDSTUK 15. 1 En het geschiedde daarna dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig man die zijne trawanten waren. 2 Eu Absalom maakte zich des morgens vroeg op, en trad aan den weg bij de poort; en als iemand een geschil had, dat hij tot den koning voor het gericht zou komen, zoo riep Absalom hem tot zich en sprak: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit eeu iler stammen van Israël, 3 zoo sprak Absalom tot |
2 SAMUEL 15.
636
|
hem: Zie, uwe zaak is goetl on recht, maar gij hebt geen verhoorder van 's kouings wege. •i En Absalom sprak; O dat men mij aanstelde tot rechter in het land, dat alleman tot mij kwam die een geschil en eene rechtszaak heeft, dat ik hem recht verschafte! 5 En als iemand zich tot hem vervoegde en zich voor hem wilde nederbuigen, zoo strekte hij zijne hand uit en greep hem, en kuste hem. 6 Op die wijze deed Absalom aan geheel Israël, als zij kwamen voor het gericht tot den koning; en hij stal alzoo het hart der mannen Israels. 7 En na veertig jaar sprak Absalom tot den koning: Ik wil heengaan en mijne gelofte te Hebron volbrengen, die ik aan den Heer beloofd heb; 8 want uw knecht deed eene gelofte toen ik te Ge-sur in Syrië woonde, zeggende : Als de Heer mij weder te Jeruzalem brengt, zoo zal ik den Heer een eerdienst houden. 9 En de koning zeide tot hem: Ga heen in vrede. En hij maakte zich op en ging naar Hebron. |
10 Absalom nu had verspieders uitgezond en in al de stammen van Israël, en laten zeggen; Als gij het geluid der bazuinen zult hooren, zoo zegt: Absalom is koning geworden te He-bron. 11 En er gingen met Absalom tweehonderd mannen van Jeruzalem, die genood igd waren; maar zij gingen in hunne eenvoudigheid en wisten van de zaak niet. 13 Absalom nu zond ook om Achithofel den Giloniet, Davids raad, uit zijne stad Gilo, terwijl hij offers slachtte. En de samenzwering werd sterk, en het volk dat bij Absalom was vermeerderde zich. 13 Toen kwam er iemand, die zeide het aan David, zeggende: Het hart van alleman in Israël volgt Absalom na. 14 Toen zeide David tot al zijne knechten die bij hem waren te Jeruzalem: Maakt u op en laat ons vluchten, want hier zal geen ontkomen zijn voor Absalom ; haast u om te gaan, opdat hij ons niet verrasse en ons grijpe, en een ongeluk over ons brenge, en de stad sla met de scherpte des zwaards. |
UËL 15.
3 SAM
627
|
15 Toen spraken de knechten des konings tot hem: Wat mijn lieer de koning verkiezen zal, zie lüer zijn uwe knechten. 16 En de koning ging uit te voet, met zijn geheele huis; maar hij liet tien bijwijven achter om het huis te bewaren. 17 Ea toen de koning en al -het volk te voet uitkwamen , hielden zij stil ver van het huis; 18 en al zijne knechten gingen nevens hem, alsook al de Krethi en Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die te voet van Gath gekomen waren, gingen voor don koning heen. 19 En de koning sprak tot Ittaiden Gethiet: quot;Waarom gaat gij ook met ons? Keer om en blijf bij den \niemoen\ koning; want gij zijt een vreemdeling, en van uwe plaats herwaarts getrokken: 20 gisteren zijt gij gekomen, en heden waagt gij om met ons te gaan? Ik toch moet gaan waarheen ik gaan kan. Keer terug; en uw' broeders met u wedervare barmhartigheid en trouw. |
21 Doch Ittai antwoordde en sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft en zoo waarachtig als mijn heer de koning leeft, aan welke plaats mijn heer de koning zijn zal, hetzij ten doode of ten leven, daar zal uw knecht óók zijn. 22 Toen zeide David tot Ittai: Kom dan en ga mede. Alzoo ging Ittai de Gethiet mede, benevens al zijne mannen, tot de kleine kinderen toe die met hem waren. 23 Eu het geheele land weende met eene luide stem, en al het volk ging mede; en do koning ging over de beek Kidron, en al het volk trok over, den weg op naar do woestijn. SI En zie, Zadok was ook daar, en al de Levieten die bij hem waren, en zij droegen de ark des ver-bonds van God, en zij zet-teden haar neder, en Ab-jathar trad op de hoogte, totdat al het volk do stad was uitgetrokken. 25 Maar de koning sprak tot Zadok; Breng de ark Gods weder in de stad: is het dat ik genade vinden zal voor den Heer, zoo zal hij mij wederhalen, en zal mij -haar laten wederzien, alsook zijn huis; 26 maar is liet dat hij aldus zegt: Ik heb geen welgevallen aan u: ■— zie |
2 SAMUËL 16.
628
|
hier ben ik, hij doe met mij gelijk het hem behaagt. 27 En de koning sprak tot den priester Zadok: O gij ziener, keer terug naar de s(nd in vrede, en uwe beide zonen met u, Ahi-maüz uw zoon en Jonathan de zoon van Abjathar. 28 Ziet, ik wil vertoeven op het vlakke veld in de woestijn, totdat er oen,; boodschap van ulieden komt, om mij bericht te geven. — 2!) Alzoo brachten Zadok en Abjathar de ark Gods weder naar Jeruzalem, en zij bleven aldaar. oü En David ging op langs den olijfberg en weende, en zijn hoofd was omwonden, en hij ging barrevoets ; ook al de lieden die bij hom waren hadden bet hoofd omwonden en gingen op en weenden. o l En toen het aan David gezegd werd, dat Aehithófol in het verbond met Absalom was, zoo sprak hij: Heer, maak den raad van Achithófel tot dwaasheid. 32 En toen David op de hoogte kwam, waar hij gewoon was God te aanbidden, zie, toen ontmoette hem llusai de Arkiet, mot gescheurd gewaad en aarde op zijn hoofd. |
33 En David sprak tot hem: Is het dat gij met mij gaat, zoo kunt gij mij tot last zijn; 0 t maar zoo gij wederkeert naar de stad, en tot Absalom zegt: Ik ben uw knecht, ik wil des konings zijn; ik, die tevoren uws vaders knecht was, wil nu uw knecht zijn, — zoo kunt gij, mij ten goede, den raadslag van Achithcïel tenietdoen. 35 Want Zadok en Abjathar de priesters zijn daar met u; alwat gij hooren zult uit 's konings huis, dat zidt gij aan de priesters Zadok en Abjathar te kennen geven. 36 Zie, bij hen zijn hunne twee zonen, Ahimailz de zoon van Zadok en Jonathan de zoon van Abjathar: door deze kunt gij mij doen weten wat gij hooren zult. — 37 Alzoo ging llusai, do vriend van David, naar de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. HOOFDSTUK 16. 1 En toen David van de hoogte een weinig voorwaarts gegaan was, zie , toen ontmoette hem Ziba, Metibóseths knecht, met twee gezadelde ezels, en daarop waren tweehonderd |
2 SAMUEL 16.
629
|
brooden, honderd koeken rozijnen, on honderd klompen vijgen, cu een lederen zak met wijn. 2 En de koning sprak tot Ziba: Wat wilt gij daarmede doen ? Ziba zeide: Do ezels zijn voor het huisgezin des konings om op te rijden, eu de brooden en vijgen voor de jongelingen om te eten, en de wijn om te drinken als zij moede worden in do woestijn. o Toen zeide do koning: En waar is de zoon uws heeren? Ziba sprak tot den koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal het huis Israels mij het rijk mijns vaders wedergeven. 4 Eu do koning sprak tot Ziba: Zie, het zal het uwe zijn alwat Mefibóseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden in uwe oogen, mijn lieer koning. 5 Toen nu de koning David tot aan Bahurim kwam, zie, toenquot;ging vandaar uit eeu man uit hot geslacht van Sauls huis, genaamd Simei de zoon van Gera; die ging uit en vloekte,' 6 en hij wierp David niet steonen, en al do knechten i van deu koning David, ter-; wijl al het volk en al de helden aan zijne reehteren linkerhand waren. |
7 Simei' nu sprak aldus toen hij vloekte: Kornuit, kom uit, gij bloedhond, gij ondeugend man! 8 De Heer heeft u vergolden al het bloed van Sauls huis, dat gij in zijne plaats koning zijt geworden; nu heelt de Heer het rijk gegeven iu de hand van uwen zoon Absalom; en zie, nu zijt lt;pj in uw ongeluk, want gij zijt een bloedhond. 9 En Abisai, de zoon van Zeruja, sprak tot den koning: Zou deze doode hond mijnen heer den koning vloeken? Ik wil heengaan en hom den kop afslaan. 10 Doch de koning zeide: Gij kinderen van Zeruja, wat heb ik met u te doen ? Laat hij vloeken; want als de Hoer hem geboden heeft: Vloek David, wie zal dan zeggen: Waarom doet gij alzoo? 11 En David sprak tot Abisai en tot al zijne knechten: Zie, mijn zoon, die uit mij is voortgekomen, staat mij naar het leven: waarom nu ook niet deze iienjaininiet? Laat hem geworden en dat hij vloeke, daar de Heer het hem geboden heeft. 12 Misschien zal de Heer |
3 SAMUËL 17.
630
|
mijne ellende aanzien, en mij goed vergelden voor zijn vloeken op dezen dag. — 13 Alzoo ging David met zijne lieden op den weg; maar Simeï ging aan de zijde des bergs nevens hein heen, en vloekte, en wierp met steenen tegenover liem, en bestoof liem met stof. li En de koning kwam vermoeid in het nachtleger, met al het volk dat bij hem was; en aldaar rustte hij uit. 15 Absalom nu, en al het volk, de mannen Israels, kwamen te Jeruzalem, en Achithófel met hem. 16 Toen nu Husai de Arkiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, sprak hij tot Absalom: Veel geluk heer koning, veel geluk heer koning. 17 Maar Absalom sprak tot Husai: Is dit uwe liefde voor uwen vriend? Waarom zijt gij niet weggetrokken met uwen vriend? 18 En Husai sprak tot Absalom: Niet alzoo, maar wien de Heer verkoren heeft, en dit volk, en alleman in Israël, diens wil ik zijn en bij dien blijven. 19 En wien bied ik nu mijn tweeden dienst aan? Is het niet aan zijnen zoon? Gelijk ik voor het aangezicht van uwen vader gediend heb, zóó wil ik ook voor uw aangezicht zijn. |
20 En Absalom sprak tot Achithófel: Geef raad, wat zullen wij doen? 21 En Achithófel sprak tot Absalom: Beslaap de bijwijven uws vaders, die hij achtergelaten heeft om het huis te bewaren; zoo zal geheel Israël hooren dat gij u bij uwen vader in kwaden reuk gebracht hebt, en de handen van allen die bij u zijn zullen deste stouter worden. 22 Toen maakten zij Absalom eene tent op het dak, en Absalom besliep de bijwijven zijns vaders, voor de oogen van geheel Israël. 23 En als Achithófel een raad gaf, was het in die dagen alsof men God iets gevraagd had; alzóó waren alle raadslagen van Achithófel zoowel bij David als bij Absalom. HOOFDSTUK 17. 1 En Achithófel sprak tot Absalom: Ik wil twaalfduizend man uitkiezen, dat ik mij opmake en David najage nog dezen nacht, 2 en ik wil hem overvallen terwijl hij mat en moede is; ais ik hem dan verschrik, dat al het volk hetwelk bij |
3 SAMUEL 17.
631
|
hem is vlucht, zoo wil it den koning alléén dooden, 3 en al het volk weder tot u brengen; wanneer dan alleman tot u gebracht is, gelijk gij begeert, zoo blijft al het volk in vrede. 4 Dit dacht Absalom en al den oudsten in Israel goed te zijn. 5 Doch Absalom sprak: Laat toch Husai den Arkiet óók roepen, opdat wij hoo-ren wat hij daarvan zegt. 6 En toen Husai tot Absalom kwam, sprak Absalom tot hem: Aid us heeft Achi-thofel gesproken: zeg gij, zullen wij het doen of niet? 7 Toen sprak Husai tot Absalom: Het is geen goede raad dien Achithófel ditmaal gegeven heeft. 8 En Husai sprak verder: Gij kent uwen vader wel en zijne lieden, dat zij sterk zijn, en toornig van gemoed, gelijk eene berin, op het veld van hare jongen beroofd ; ook is uw vader een krijgsman, en zal niet overnachten bij het volk. 9 Zie, hij heeft zich nu misschien ergens verstoken, in een hol of op eenige andere plaats; als het dan gebeurde dat het in den beginne kwalijk gelukte, en er kwam een gerucht, dat men zeide: Er is eene nederlaag geschied onder het volk dat Absalom navolgt, |
lü dan zou zelfs versaagd worden wie anders een dapper krijgsman is, en een hart heeft als een leeuw; want geheel Israël weet dat uw vader sterk is, en dat het krijgslieden zijn die bij hem zijn. 11 Maar dit raad ik, dat gij tot u vergadert geheel Israël, van Dan af tot Ber-Séba toe, zooveel als het zand aan de zee; en ga gij zelf mede in den strijd. 13 Zoo zullen wij hem overvallen aan welke plaats wij hem vinden, en zullen ons o)) hem storten gelijk de dauw op de aarde valt, zoodat wij van hem en al zijne mannen niet één overlaten; 13 en is het dat hij zich in eene stad vergadert, zoo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en haar in de vallei neder-trekken, zoodat men er niet één steentje van vinden zal. 14 ïoen sprak Absalom en iedereen in Israël: Do raad van Husai den Arkiet is .beter dan Achithófels raad. Doch de Heer schikte het zoo, dat de goede raad van Achithófel verhinderd werd, opdat de Heer onge- |
2 SAMUËL 17.
633
|
luk over Absalom bracht. 15 En Husai sprak tot Zadok en Abjatliar de priesters : Zóó en zoo heeft Achithófel Absalom en den oudsten in Israël geraden, maar ik heb zóó en zóu geraden ; 16 zoo zendt nu schielijk heen en laat het aan David te kennen geven, zeggende: Blijf dezen nacht niet op het vlakke veld der woestijn, maar trek [ck rivier'] over, opdat de koning niet verslonden worde en al het volk dat bij hem is. 17 Jonathan nu en Alii-mailz stonden bij de fontein Hogel, on eene dienstmaagd ging heen en zeide het aan hen, opdat zij zouden hoen-gaan en het aan den koning David zeggen; want zij durfden zich niet laten zien, noch in de stad komen. IS Nochtans zag hen een jongen, en zeide het aan Absalom; doch die beiden gingen schielijk been, en kwamen in liet huis van een man te Eahurira, die een put in zijn voorhof had , en daarin daalden zij af; 19 en de vrouw nam een deksel en spreidde het over den mond van den put, en strooide gort daarover, opdat men het niet merken zoude. |
20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, spraken zij: Waar zijn Ahimaiiz en Jonathan? En do vrouw sprak tot hen: Zij gingen over dat beekje. En toen zij zochten cn zc niet vonden, gingen zij weder naar Jeruzalem. 21 En toen zij weg waren, klommen zij uit den put en gingen heen, en zeiden het aan David den koning, en spraken tot David: Maakt u op en gaat schielijk over de rivier; want zoo en zóó heeft Achithófel aangaande u geraden. 23 Toen maakte David zich op, en al het volk dat bij hem was, en zij trokken den Jordaan over, totdat het des morgens licht werd; en er ontbrak uiet ccn die den Jordaan niet was overgetrokken. 33 Als nu Achithófel zag dat zijn raad niet doorgegaan was, zoo zadelde hij zijnen ezel, maakte zich op en trok naar zijn huis in zijne stad, en maakte beschikkingen aangaande zijn huis, en verhing zich: alzoo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. 2t En David kwam te Mahanaïm; en Absalom trok den Jordaan over, en alle |
3 SAMUËL 18.
688
|
mannen Israels met hem. 25 En Absalom had Ama-sa in Joabs plaats gesteld over het heir; Amasa nu was de zoon van een man genaamd .Tithra, een Israëliet die gehuwd was geweest niet Abigail, de dochter van Nahas, de zuster van Zeruja Joabs moeder. 2 (5 En Israël eu Absalom legerden zich in Gilead. 37 En toen David te Ma-hauaïm gekomen was, brachten Sobi du zoon van Nahas uit llabba der kinderen Ammons, en Machir de zoon van Ammiël uitljodo bar, en Barzillai de Gilead iet uit Ilogelim, 38 matrassen, bekkens, aarden vaten, tarwe, gerst, meel, gedroogde korenaren, booneu, linzen, gort, ai) honig, boter, schapen en koeienkazen tot David cu tot het volk dat bij hem was, om te eten; want, dachten zij, dit volk zal hongerig, moede en dorstig zijn in de woestijn. HOOFDSTUK 18. I En David monsterde het volk dat bij hem was, en hij stelde over hen hooid-lieden over duizend en over honderd aan; |
3 en hij zond een derdedeel van het volk uit ouder Joab, en een derdedeel onder Abisai don zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derdedeel onder Ittai den Gethiet. En de koning sprak tot het volk; Ik wil óók met uliedcn uittrekken. 3 Maar het volk sprak; Gij zult niet uittrekken; want indien wij vluchten moesten, eu al werd de helft vau ons gedood, zoo zullen zij zich dat niet aantrekken; maar gij zijt als tienduizend van ons: zoo is liet nu beter dat gij ons uit de stad kunt te hulp komen. ■i Toen zeidc de koning tot hen: Wat u behaagt dat zal ik doen. Eu de koning trad aan de poort, en al het volk trok uit bij honderden eu bij duizenden. 5 En do koning gebood Joab en Abisai on Ittai, zeggende:. Handelt toch zacht met den jongeling Absalom. En al het volk hoorde het, tocu de koning aan alle hooidlieden gebood aangaande Absalom. 6 En toeu het volk uitkwam op het veld, Israël tegeinoet , zoo ontstond de strijd in het woud van Efraïm, 7 En het volk Israël werd aldaar geslagen door Davids |
3 SAMUËL 18.
634
|
knechten, zoodat op dien dag aldaar eene groote slacli-ting geschiedde van twintigduizend man; 8 en de strijd breidde zich aldaar uit over hot gansche land, cn het woud verslond veel meer volk op dien dag dan het zwaard verslond. 9 En Absalom ontmoetie Davids knechten, en hij reed op een muilezel. En als de muilezel onder een grooten dikken eik kwam, zoo bleef zijn hoofd aan den eik hangen, en hij zweefde tusschen hemel en aarde, en zijn muilezel liep onder hem weg. 10 Toen een man dat zag, zeide hij het aan Joab en sprak: Zie, ik zag Absalom aan een eik hangen. 11 En Joab sprak tot den man die het aan hem gezegd had: Zie, zaagt gij dat, waarom sloegt gij hem aldaar niet ter aarde? dan zou ik u van mijnentwege tien zilverlingen en een gordel gegeven hebben. 13 I)och de man sprak tot Joab: En al had ik ook duizend zilverlingen in mijne hand mogen wegen, zoo zou ik toch mijne hand niet gelegd hebben aan des konings zoon; want do koning gebood u en Abisai en Ittai voor onze ooren, zeggende: Wacht u , dat niet iemand den jongeling Absalom leed doe. |
13 Of ware het dat ik iets trouweloos gedaan had tegen zijn leven, dewijl voor den koning niets verborgen wordt, zoudt gij zelf mij tegengestaan hebben. — 14 Doch Joal) zeide: Ik kan zoolang niet bij u vertoeven. Toen nam Joab drie spiesen in zijne hand, en stiet ze Absalom in het hart, toen hij nog leefde aan den eik; 15 en tien jongelingen, Jo-abs wapendragers, omringden hem en sloegen hem dood. 10 Toen blies Joal) de bazuin, en bracht het volk weder, dat het Israël niet verder najoeg; want Joab wilde het volk wederhou-den. 17 En zij namen Absalom cn wierpen hem in liet woud in een grooten kuil, en leiden een zeer grooten hoop steenen op hem; en geheel Israël vluchtte, ieder naar zijne hut. 18 Absalom nu had zich eene zuil opgericht toen hij nog leefde, dio staat in het koningsdal; want hij zeide: Ik heb geen zoon, daarom zal dit mijns naams gedach- |
2 SAMUEL 18.
635
|
tenis zijn. En hij noemde die mil ntmr zijnen naam, en zij heet ook tot op dezen ilag Absaloms geclenk-teeken. 19 Toen zeide Abimaaz, Zadoks zoon: Laat mij toch liefinloo])en en den koning verkondigen, dat de Heer hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden. 20 Maar Joab sprak tot hem: Gij brengt heden geen goede boodschap; op een anderen dag zult gij boodschap brengen, maar heden niet, want des konings zoon is dood. 21 En Joab zeide tot Ivu-sfihi: Ga heen en zeg aan den koning wat gij gezien hebt. En Kuschi boog zich voor Joab en liep heen. 22 Doch Ahimaaz, Zadoks zoon, sprak wederom tot Joab: Hoe zoo ik ook Knschi achternaliep? Doch Joab zeide: Wat wilt gij loopen, mijn zoon? Kom hier, gij zult geen goede boodschap brengen. — 23 Hoe zoo ik liep? — En hij sprak tot hem: Welnu, loop dan. Alzoo liep Ahimaaz den weg van het ellen veld, en kwam Kuschi vooruit. 2-t David nu zat tusschen de twee poorten; en de wachter ging op het dak deipoorten aan den muur, en hief zijne oogen op en zag een man loopende alléén. |
25 En hij riep en zeide het aan den koning; en de koning sprak: Is hij alléén, dan is er eene goede boodschap in zijnen mond. En toen hij al gaandeweg naderbij kwam, 26 zoo zag de wachter een anderen man loopen, en riep in de poort, en sprak: Zie, nog een man loopende alléén. Én de koning zeide: Dat is ook een goede bode. 27 De wachter sprak: Ik zie den loop des eersten aan voor den loop van Ahimaaz den zoon van Zadok. En de koning zeide: Dat is een goed man, en hij brengt eene goede boodschap. 28 Ahimaaz nu riep en sprak tot den koning: Trede! en hij boog zich voorden koning op zijn aangezicht ter aarde en sprak: Geloofd zij de Heer uw God, die do lieden, welke hunne hand tegen mijnen heer den koning ophieven, overgegeven heeft. 2!) En de koning sprak: Gaat-het den jongeling Absalom wol? En Ahimaaz zeide: Ik zag een groot rumoer , toen des koniugs knecht Joab mij, uwen |
|
636 knecht, afzond, en ik weet. niet wat liet was. 30 Ue koning zeide: Ga herwaarts en blijf staan. En liij ging daarheen en stond aldaar. 31 Zie, toen kwam Kusclii en sprak: Jk breng goede boodschap, mijn heer koning: de Heer heeft n heden recht gedaan van de hand van allen die tegen u opstonden. 33 En de koning sprak tot Kuschi: Gaat hot den jongeling Absalom wel ? En Kuschi zeidc: Het moet allen vijanden van mijnen heer den koning gaan zooals dien jongeling, en allen die tegen u opstaan om kwaad-tedoen. 33 Toen werd de koning treurig, en ging opwaarts naar de zaal in de poort en weende, en in het heengaan sprak hij aldus: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Wilde God dat ik voor u gestorven ware, o Absalom mijn zoon, mijn zoon! HOOFDSTUK 19. 1 En men gaf Joab te kennen: Zie, de koning weent cn draagt rouw over Absalom. |
2 En de overwinning werd op dien dag tot een rouw onder het geheele volk; want het volk had op dien dag gehoord dat de koning over zijnen zoon treurde. 3 En het volk kwam op dien dag steelsgewijze in de stad, gelijk een volk binheuslnipt dat te schande geworden is, als het in den strijd gevlucht is. 4 De koning nu had zijn aangezicht bedekt, en riep overluid: Ach mijn zoon Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon 5 Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en sprak: Gij hebt heden al uwe knechten schaamrood gemaakt, die heden hot leven van u, van uwe zonen, van uwe dochters, van uwe vrouwen en van uwe bijwijven gered hebben: (i omdat gij liel'hebt wie u haten en haat wie u liefhebben; want gij loont heden dat u niets gelegen is aan do hoofdlieden en de krijgsknechten; want ik merk heden wel, dat indien Absalom maar loefde, en wij allen heden dood waren, het u dunken zou recht te zijn. 7 Zoo sta mx op, en ga uit, en spreek vriendelijk mot uwe knechten; want ik zweer u bij den Heer, zoo gij niet uitgaat, er zal 3 SAMUÜL 19. |
2 SAMUËL 19.
637
|
geen man dezen nacht bij u blijven: dit zal u erger zijn dan al liet kwaad dat |u overkomen is van mvo jeugd af tot nu toe. — 8 Toen stond de koning jop en zette zich in de poort; en men zeide aan al het 'volk: Zie, de koning zit in Jde poort. Toen kwam al jliet volk voor den koning. Israël nu was gevlucht, lieder naar zijne hut. 9 En al het volk in al de stammen van Israël twistte, zeggende: De ko-hiing heeft ons gered uit [de hand onzer vijanden en verlost uit de hand der Filistijnen, en heeft uit het land moeten vluchten voor Absalom. 10 Nu is Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, gestorven in den strijd: waarom zijt gijlieden nu zoo stil, dat gij den koning niet wederhaalt? 11 Toen zond de koning tot Zadok en Abjathar de priesters, cn liet hun zeggen; Spreekt met de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gij de laat-sten zijn om den koning wedertehalen naar zijn huis? (Want wat geheel Israël gezegd had, was tot den koning gekomen in zijn huis.) 13 Gij zijt mijne broeders, mijn gebeente en mijn vlecsch: waarom wilt gij dan do laatsten zijn om den koning wedertehalen ? /olk; dien iiiing irde. ii op B in volk ande don zijn riep zoon mijn tot nis, iden ■ood liet len, uwe bijwie ) u )ont gen i de ik lien en en, ; te ga lijk nnt er, zal |
13 En zegt tot Amasa: Zijt gij niet mijn gebeente en mijn vleesch? God doe mij dit en dat, zoo gij niet mijn krijgsoverste zult zijn uw leven lang, in Joabs plaats. —■ Ti En hij neigde het hart van alle mannen van Juda als van een eénig man; en zij zonden heen tot den koning, [zeggende]: Kom weder, gij en al uwe knechten. 15 Al/oo kwam de koning weder. En toen hij aas den Jordaan kwam, waren do mannen van Juda te Gilgal gekomen, om den koning tegemoettegaan en den koning over don Jordaan to voeren. 16 En Simoï do zoon van Gera, de Bsnjaminiet dio teBahurim woonde, haastte zich en trok met de mannen van Juda af, don koning David tegemoet. 17 En duizend mannen waren met hem uit l!on-jamin; quot; alsook Ziba, do knecht uit het huis van Saul, met zijne vijftien zonen en twintig knechten; en zij trokken vaardig over |
|
(538 den Jordnan voor den koning uit, 18 en maakten een vlot om het hofgezin des konings overtevoeren, teneinde te doen wat hem behaagde. En Simei de zoon van Geva viel voor den koning neder, toen deze den Jordaan overtrok; 19 en hij sprak tot den koning: Mijn heer rekene mij de misdaad niet toe, cn gedenko niet dat nw knecht u beleedigde op den dag toen mijn heer de koning uit Jeruzalem ging, en de koning neme het niet ter harte. 20 Want nw knecht bekent , ja ik heb gezondigd; en zie, ik ben heden de eerste gekomen van het geheele huis van Jozef, om aftetrekken mijnen heer den koning tegemoet. 21 Abisai nu, de zoon van Zoruja, antwoordde en sprak: Zou Simeï daarom niet sterven, daar hij immers den gezalfde des Hee-ren gevloekt heeft? 22 Doch David zeide: Wat heb ik met u te doen, gij kinderen van Zeruja, 'dat gij mij heden ten satan wilt worden? Zou heden iemand sterven in Israël? Meent gij dat ik niet weet dat ik heden koning over Israël geworden ben? |
23 En de koning sprak tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem dit. 24 Ook Mefiboseth, de zoon van Saul, kwam af, den koning tegemoet; en hij had zijne voeten niet schoongemaakt, noch zijnen baard geschoren, noch zijne kleederen gewasschen, van den dag at' dat de koning weggegaan was, tot den dag toe dat hij in vrede wederkwam. 25 Als hij nu te Jeruzalem kwam om den koning te ontmoeten, zoo sprak de koning tot hem: Waarom zijt gij niet met mij getrokken, Mefiboseth? 26 En hij sprak: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht dacht: Ik wil een ezel zadelen, en daarop rijden en tot den koningtrekken; want uw knecht is lam. 27 Daarenboven heeft hij uwen knecht valschelijk beticht bij mijnen heer den koning; doch mijn heer de koning is als een engel Gods: doe dan wat u behaagt. 28 Want het gansche huis mijns vaders waren niet dan mannen des doods voor mijnen heer den koning, 2 SAM TI ÉL 19. |
2 SAMUEL 19.
639
|
en echter hebt gij uwen knecht geplaatst onder degenen die aan uwe tafel eten: wat behoef ik dan meer rechtvaardiging, of weder tot den koning te roepen? — 39 Toen sprak de koning tot hem: Wat spreekt gij nog verder van uwe zaken? Ik heb gezegd dat gij en Zilja den akker zult deelen. 30 En Mefiboseth sprak tot den koning: Hij neme dien vrij geheel voor zich, nu mijn heer de koning in vrede tehuisgekomen is. 31 En Barzillai de Gilea-diet kwam af van Eogelim, en trok met den koning over den Jordaan, om hem over den Jordaan te geleiden. 33 En Barzillai was zeer oud, wel tachtig jaar; die had den koning verzorgd terwijl hij te Mahanaïm was, want hij was een zeer vermogend man. 33 En de koning sprak tot Barzillai: Gij zult met mij overtrekken, ik wil u bij mij te Jeruzalem verzorgen. 3é Maar Barzillai sprak tot den koning: Wat is het dat ik nog te leven heb, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem? |
35 Ik ben heden tachtig jaar oud: hoe zou ik onderscheiden wat goed of kwaad is, of smaak hebben van 't geen ik eet en drink, of hooren wat de zangers en zangeressen zingen? Waarom zou uw knecht mijnen lieer den koning verder tot last zijn? 36 Uw knecht zal nog een weinig met den koning over den Jordaan gaan, doch waarom zou de koning mij zulk eene vergelding doen ? 37 Laat uw knecht weder omkeeren, opdat ik sterve in mijne stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder. Zie, daar is uw knecht Kimham, laat die met mijnen heer den koning overtrekken, en doe hem wat u behaagt. 38 En de koning sprak: Kimham zal met mij overtrekken , en ik zal hem doen wat u behaagt, en alwat gij van mij verzoekt zal ik voor u doen. 39 En toon al het volk over den Jordaan gegaan was, en de koning óók, omhelsde de koning Barzillai en zegende hem, en hij keerde weder naar zijne plaats. 40 En de koning trok over naar Gilgal, en Kim- |
3 SAMUËL 20.
640
|
ham trok met hem. En al het volk van Juda had den koning overgevoerd, doch van het volk van Israël was er slechts dc helft. 41 En zie, toen kwamen al de mannen Israels tot den koning, en spraken tot hem: Waarom hebben onze broeders, de mannen van .Tnda, u gestolen en den koning en zijn huis over den Jordaan gevoerd, en al dc mannen van David met hem? 43 Toen antwoordden die van Juda aan die van Israël: De koning bestaat ons; waarom zijt gij daarover toornig? Meent gij dat wij van den koning kost of geschenken ontvangen hebben? 43 Doch die van Israël antwoordden aan die van Juda en spraken: Wij hebben tien deelen meer aan den koning, alsook aan David, dan gijlieden: waarom hebt gij ons dan zoo geringgeacht, dat de onzen niet de eersten geweest zijn om onzen koning te halen? Maar die van Juda spraken heviger dan die van Israël. HOOFDSTUK 20. |
1 En er was een zeer ondeugend man, genaamd Seba, de zoon van Bichri, een Renjaminiet; die blies de bazuin, en sprak: Wij hebben geen deel aan David, noch erve aan den zoon van Isiii: ieder begeve zich naar zijne hut, o Israël! 3 Toen viel alleman in Israël van David af, en volgde Seba den zoon van Bichri; doch de mannen van Juda hingen hunnen koning aan, van den Jordaan af tot Jeruzalem toe. 3 Toen nu de koning David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam hij de tien bijwijven die hij achtergelaten had om het huis te bewaren, en stelde ze in bewaring, en verzorgde ze, maar hij ging niet tot haar; en zij waren alzoo opgesloten tot aan haren dood, en leefden als weduwen. 4 En de koning sprak tot Amasa: Hoep mij al do mannen in Juda tezamen op den derden dag, en gij zult ook hier staan. 5 En Amasa ging heen om Juda bijéenteroepen; doch hij vertoetde boven den tijd dien hij hem gesteld had. G Toen sprak David tot Abisai: Nu zal Seba de zoon van Bichri ons meer leed doen dan Absalom: neem gij de knechten uws heeren en jaag hem na, opdat hij |
3 SAMUEL 30.
641
|
nergens vaste steden voor zieli vinde en ontkome uit onze oogen. 7 Toen trokken uit, liem achterna, Joabs mannen, alsook do Kretlii en Plethi, en al de helden; en zij trokken uit van Jeruzalem om Seba den zoon van Bichri natejagen. 8 Toen zij nu bij den groo-ten steen te Gibeon kwamen, zoo kwam Amasa voor hun aangezicht. Joab nu was omgord over zijn kleed hetwelk hij omhad, en had er een zwaard over gegord, dat hing op zijne heup in de scheede, en dat ging gemakkelijk uit en in. 9 En Joab sprak tot Amasa: Vrede zij met u, mijn broeder. En Joab vatte met zijne rechterhand Amasa bij den baard, om hem te kussen. 10 En Amasa gaf geen acht op het zwaard in Joabs hand; en hij stak hem daarmede in den buik, zoodat zijn ingewand ter aarde werd uitgestort; en hij gaf hem geen steek meer, want hij was dood. — Joab nu en zijn broeder Abisai joegen Seba den zoon van Bichri achterna. 11 En een van Joabs knechten bleef bij hem staan en sprak: Wie is er die |
Joab liefheeft, en die voor David is, die volge Joab. 13 Amasa nu tog in zijn bloed gewenteld midden op de straat; en toen die man zag dat al het volk daar staan bleef, zoo deed hij Amasa van de straat wegbrengen naar het veld, en wierp kleederen op hem, vermits hij zag dat alwie daar bijkwam stil bleef staan. 13 Als hij nu van de straat weggenomen was, zoo volgde alleman Joab, om Seba den zoon van Bichri natejagen. 14 En hij trok door al de stammen van Israel, naar Abel-Beth-Maücha en door geheel Berim; en zij verzamelden zich en volgden hem. 15 En zij kwamen en belegerden hem te Abel-Betli-Maacha, en wierpen een bolwerk op tegen de stad, hetwelk reikte tot aan den muur; en al het volk dat met Joab was liep storm, en wilde den muur neder-werpen. 16 Toen riep eene wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab dat .hij hier kome; ik wil met hem spreken. 17 En toen hij tot haar kwam, sprak de vrouw: Zijt gij Joab? Hij zcide: |
31
2 SAMUEL 21.
6-12
|
Ja. En zij sprak tot hem: Hoor de woorden van xiwe dienstmaagd. Enhijzeide: Ik hoor. 18 En zij zeide: Eertijds sprak men: Wie vragen wil, die vrage te Abel; en dan ging het wel. 11) Ik ben een der vreedzame en getrouwe [stedeii] in Israël. Wilt gij de stad dooden, eene moeder in Israël? Waarom wilt gij het erfdeel des Heeren vernielen? -—• 20 Toen antwoordde Joab en sprak: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou vernielen en verderven: 21 het is er zoo niet mede gelegen; maar een man van het gebergte van Efraïm, genaamd Seba, de zoon van Bichri, is opgestaan tegen den koning David: geeft hem alleen over, zoo zal ik van de stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u ovelden muur geworpen worden. 22 En de vrouw kwam in tot al het volk met hare wijsheid; en zij hieuwen Seba den zoon van Bichri het hoofd af, en wierpen het Joab toe. Toen blies hij de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, ieder naar zijne hut, en Joab kwam weder naar Jeruzalem quot;tot den koning. |
23 Joab nu was over het geheele heir van Israël, en Benaja de zoon van Jojada was over de Krethi en Ple-thi, 2*1 Adoram was rentmeester, Josafat de zoon van Ahilud was kanselier, 25 Seja was schrijver, Za-dok en Abjathar waren priesters , 26 ook was Ira de Jaïriet ] Xavids staatsdienaar. HOOFDSTUK 21. 1 En er was in Davids dagen eene duurte, driejaren na elkander; en David zocht het aangezicht des Heeren, en de Heer sprak: Het is om Saul en zijn bloedhuis, omdat hij deGibeonie-ten gedood heeft. 2 Toen liet de koning de Gibeonieten roepen en sprak tot hen: (de Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israëls, maar overgebleven van de Amorieten; maar ofschoon de kinderen Israëls hun gezworen hadden, zoeht Saul hen echter te verslaan in zijnen ijver voor de kinderen van Israël en Juda): 3 David dan sprak tot do Gibeonieten: Wat zal ik voor u doen. en waarmede |
2 SAM U KL 31.
C13
|
zal ik vi verzoenen, dat gij liet erfdeel des Heeren zegent? 4 En de Gibeonieten zeiden tot hem: Het is ons niet om goud of zilver te doen met Saul en zijn huis, en het is ons niet te doen om iemand te dooden in Israël. En hij sprak: Wat zegt gij dan dat ik voor u doen zal? 5 Toen zeiden zij tot den koning: Du man die ons verdorven en tenietgemaakt heeft, om ons te verdelgen, dat er voor ons niets overbleef in al de grenspalen van Israël: 6 geef ons zeven mannen uit zijn huis, opdat wij die ophangen voor den lieer te Gibea Sauls, des uitverkorenen des Heeren. En de koning sprak: Ik zal hen geven. 7 De koning nu verschoonde Meiibóseth, den zoon van Jonathan Sauls zoon, om den eed des Heeren die tus-sehenhen was, namelijk tus-schen David en Jonathan den zoon van Saul. 8 Maar de koning nam de twee zonen van Eizpa de dochter van Ajja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; alsook de vijf zonen van Michals [zuster'] , Sauls dochter, die zij eebaard had fmnAdriëlden zoon van Barzillai den Me-holathiet; |
9 en hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die hingen ze op den berg voor den Heer. Alzoo vielen dezo zeven op eenmaal, en werden gedood in dc eerste dagen van den oogst, het begin van den gerstenoogst. 10 Toen nam Eizpa de dochter van Ajja een zak, en spreidde dien op de steenrots , in liet begin van den oogst, totdat er water van den hemel op hen droop; en zij liet des daags de vogelen dos hemels niet op hen rusten, noch dos nachts de dieren des velds. 11 En het werd aan David gezegd wat liizpa de dochter van Ajja, Sauls bijwijf, gedaan had. 13 En David ging heen en nam Sauls gebeente, en het gebeente van diens zoon Jonathan, van dc burgers van Jabes in Gilead, die ze van de straat te Beth-San gestolen hadden, waar do Éilistijnen hen hadden opgehangen ten dage als do Éilistijnen Saul versloegen op den berg Gilboa. 13 En hij bracht de beenderen vandaar opwaarts,en zij vergaderdon ze tezamen met de beenderen der opge-hangenen; |
3 SAMUËL 22.
644
|
M en eij begroeven het gebeente van Saul en van zijnen zoon Jonathan in liet land Ecnjamin to Zela, in het graf van Kis zijnen vader, en deden alles zooals de koning geboden had. Al-zoo werd God nadezen met het land weder verzoend. — 15 En er ontstond weder een oorlog van de Filistijnen tegen Israël; en David trok af, en zijne knechten niet hem, en zij streden tegen de Filistijnen, en David werd zeer vermoeid. 16 En Jisbibenob, een der kinderen van Eafa, het gewicht van wiens spies was driehonderd sikkels aan koper , en die nieuwe wapenen had, die dacht David te verslaan; 17 doch Abisai de zoon van Zeruja hielp hem, en sloeg den Filistijn dood. Toen bezwoeren Davids mannen hem, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken in den strijd, opdat het licht in Israël niet uit-gebluscht worde. 18 Daarna verhief zich nog een strijd tegen do Filistijnen te Gob; toen versloeg Sibbechai de Husathiet Saf, die óók een der kinderen van Eafa was. |
19 En er ontstond te Gob nog een strijd tegen de Filistijnen; toen versloeg El-Imnan de zoon van Jaare-Oregim, de JSethlehemiet, Goliath den Gethiet, die eene spies had welker schacht was als een weversboom. 20 En er verhief zich nog een strijd te Gath; en er was een lang man, die had zes vingers aan zijne handen en zes teenen aan zijne voeten, dat is vierentwintig in getal, en hij stamde óók af van Eafa. 21 En toen hij Israël hoonde, zoo versloeg hem Jonathan, de zoon van Si-mea Davids broeder. 22 Deze vier waren nog afstammelingen van Eafa te Gath, en zij vielen door de hand van David en van zijne knechten. HOOFDSTUK 22. 1 En David sprak lot den Heer de woorden van dit lied, ton tijde dat de Heer hem gered had uit de hand van al zijne vijanden en uit Sauls hand. 3 En hij sprak aldus: De Heer is mijn steenrots, mijn burg, en mijn verlosser. 3 God is mijn rots op welke, ik betrouw: mijn schild en de hoorn mijns heils, mijn bescherming en mijn toevlucht, mijn hei- |
2 SAMUËL 22.
645
|
land, gij die mij verlost van geweld. 4 Ik wil den Heer loven en aanroepen, zoo zal ik van mijne vijanden verlost worden. 5 Want de baren des doods omgaven mij, en beken Be-lials verschrikten mij; 6 banden der hel omvingen mij, en strikken des doods overweldigden mij. quot; 7 Als ik beangst was, riep ik den Heer aan, en riep tot mijnen God: zoo verhoorde hij mijne stem uit zijnen tempel, en mijn geroep kwam voor hem tot zijne ooren. 8 De aarde beefde en werd bewogen, de grondvesten des hemels sidderden, zij daverden, toen hij toornig was. 9 Damp ging op uit zijnen neus, en verterend vuur uit zijnen mond; brandende kolen gingen van hem uit. 10 Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten. 11 En hij voer op een cherub en vloog daarheen, en hij zweefde op de vleugelen des winds. 13 Zijne tent rondom hem | was duisternis en zwarte dikke wolken. |
13 Van den glans voor hem brandde het als kolen vuurs. 14 De Heer donderde van den hemel, en de Allerhoogste verhief zijne stem. 15 Hij schoot zijne pijlen en verstrooide ze, hij liet het bliksemen en versohrik-to ze. 16 Toen zag men de kolken der zee, en de grond des aardbodems werd ontbloot van het dreigen des Heeren, van den adem en het snuiven van zijnen neus. 17 Hij greep uit de hoogte en nam mij op, en trok mij uit groote wateren. 18 Hij verloste mij van mijne sterke vijanden, van mijne haters die mij te machtig waren, 19 die mij overweldigden ten tijde mijns ongevals; maar de Heer werd mijn steun. 30 Hij voerde mij uit in de ruimte, hij rukte mij uit; want hij had lust aan mij. 31 De Heer doet wel aan mij naar mijne gerechtigheid, hij vergeldt mij naaide reinheid mijner handen; 32. want ik houd des Heeren wegen, en ben niet goddeloos tegen mijnen God. 33 Want al zijne rechten heb ik voor oogen, en zijne |
3 SAMUEL 23.
646
|
geljoden werp ik niet van mij. 34 Ik ben oprecht voor hem, en wacht mij voor zonde. 35 Daarom vergeldt de Heer mij naar mijne gerechtigheid, naar mijne reinheid voor zijne oogen. 36 Bij den heilige zijt gij heilig, bij den vrome zijt gij vroom; 37 bij den reine zijt gij rein, en den verkeerde velt gij neder. 38 Want gij helpt het ellendige volk, en met uwe oogen vernedert gij de trot-schen. 39 Gij Hoer zijt mijn licht; de Heer maakt mijne duisternis licht. 30 Ja met u kan ik krijgsvolk verslaan, en met mijnen God over muren springen. 31 Gods wegen zijn volkomen , de woorden des Heeren zijn doorlonterd; hij is een schild voor allen die op hem vertrouwen. 33 Want waar is een God behalve de Heer, en waar is een steenrots behalve onze God? 33 God sterkt mij met kracht, en wijst mij een volkomen weg. 34 Hij maakt mijne voeten nis die der herten, en stelt mij op mijne hoogten. |
35 Hij leert mijne handen strijden, en mijnen arm een stalen boog spannen. 36 En gij geeft mij het schild uws heils; en als gij mij verootmoedigt, zoo maakt gij mij groot. 37 Gij maakt ruimte onder mijnen voetstap, en mijne enkels dat zij niet wankelen. 38 Ik wil mijne vijanden najagen en hen verdelgen, en ik zal niet omkeeren totdat ik hen geheel heb omgebracht; 39 ik wil hen ombrengen en verslaan, en zij zullen niet weder opstaan; zij moeten onder mijne voeten vallen. 40 Gij kunt mij toerusten met sterkte tot den strijd, gij kunt aan mij onderwerpen wie zich tegen mij stellen. 41 Gij geeft mij mijne vijanden in de vlucht, dat ik verdelg die mij haten. 43 Zij zien rondom, doch er is geen helper, naar den Heer, maar hij antwoordt hun niet. 43 Ik wil hen in stukken stooten als stof op de aarde, als slijk op de straat wil ik hen vergruizen en verstrooien. 4 Gij redt mij uit do twisten ivvyus volks j en lie- |
2 SAMUEL 33.
617
|
waart mij tot een hoofd onder de volken; een volk hetwelk ik niet kende dient mij. 45 Vreemden onderwerpen zich geveinsdelijk aan mij; zoodra zij van mij hooren, gehoorzamen zij mij. -Kj Yreemden zijn versmacht , en komen sidderend uit hunne vestingen. 4-7 De Heer leeft, en geloofd zij mijn rots; God, de rots mijns heils, moet verheven worden: 48 de God die mij de wraak geeft, en de volken onder mij werpt; 49 hij helpt mij uit van mijne vijanden; gij verhoogt mij boven degenen die zich tegen mij stellen, gij verlost mij van den geweldenaar. 50 Daarom zal ik u danken , Heer, onder de volken, en uwen naam lotzingen, 51 die zijnen koning groot heil betoont, en barmhartigheid bewijst aan zijnen gezalfde, aan David en zijn Mad eeuwiglijk. HOOFDSTUK 23. 1 Dit zijn Davids laatste woorden. David de zoon van Isai sprak, de man die hoog verheven is, de gezalfde van Jakobs God, liefelijk in psalmen Israels, sprak; |
2 De Geest des Heereu heeft door mij gesproken, en zijne rede is door mijne tong geschied. 3 De God Israels heeft tot mij gesproken, de steenrots Israels heeft mij beloofd ; [i?/- zal zijn'', een rechtvaardig heerscher onder de menschen, een heer-scher in de vreeze Gods; 4 en ihy zal zijii] gelijk het licht van den morgen, als de zon opgaat, van een morgen zonder wolken, wanneer van den glans na den regen het gras uit de aarde wast. 5 Maar mijn huis is zóó niet bij God; want hij heeft met mij een verbond gemaakt, dat eeuwig en in alles welgeordend is en onderhouden wordt, waarom het al mijn heil en mijne vreugd is , hoewel het nog niet wast. G Maar de boosdoeners zijn altemaal als weggeworpen distels, die men met de hand niet vatten kan, 7 maar wie ze aangrijpen wil, die moet ijzer en een speerhout in zijne hand hebben; en zij zullen met vuur quot;verbrand worden terzelfder plaats. 8 Dit zijn de namen van Davids helden. — Jasobeam, de zoon van Tachkemoni, |
3 SAMCJËL 33.
648
|
de voornaamste van het drietal. Deze was Adino de Ezniet, die zijne spies ophief en achthonderd versloeg in één veldslag. 9 Na hem was Eleazar, de zoon van Dodi den zoon van Ahohi, onder do drie helden die met David waren, toen zij tot hoon der Filistijnen spraken die aldaar vergaderd waren tot den strijd, en de mannen van Israël \ tegm hen] waren opgetrokken. 10 Toen stond hij op en versloeg de Filistijnen, totdat zijne hand vermoeid aan het zwaard verstijfde; en de Heer gaf eenc groote overwinning op dien dag, zoodat het volk omkeerde achter hem aan, om te rooven. 11 Na hem was Samma de zoon van Agé, de Ha-rariet. Toen de Filistijnen zich vergaderden tot een hoop, en aldaar een stuk akker vol linzen was, en het volk voor de Filistijnen vluchtte, 13 toen trad hij in het midden van dien akker en verloste dien, en versloeg de Filistijnen, en God gaf eene groote overwinning. 13 En drie andere voor-naamsten onder de dertig kwamen in den oogst tot |
David naar de spelonk van Adullam; en de bende der Filistijnen lag in de vallei Kefaïm. 14 En David was op dien tijd in den burg, en het volk der Filistijnen lag te Bethlehem. 13 En David kreeg lust en sprak: Wie wil mij te drinken halen van het water uit den put te Bethlehem onder de poort? 16 Toen braken de drie helden door het leger der Filistijnen, en schepten van het water uit den put te Bethlehem onder de poort, en droegen het, en brachten het tot David. Doch hij wilde het niet drinken, maar goot het uit voor den Heer, 17 en sprak: Dit late de Heer verre van mij zijn, dat ik dit zoude doen! Is het niet het bloed der mannen die hun leven gewaagd hebben en daarheen gegaan zijn? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden. 18 En Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, was aan het hoofd van dit drietal; en hij hief zijne spies op en versloeg driehonderd : en hij was beroemd onder die drie. 19 En de vermaardste van |
2 SAMUEL 24.
049
|
dit drietal was hun overste; maar hij behoorde niet tot de [eerste] drie. 20 Voorts Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapper man, die groot van daden was, uit Kab-zeël; die versloeg twee leeuwen van Moab; ook ging hij af en doodde een leeuw in een kuil in den sneeuw-tijd. 21 Ook versloeg hij een Egyptischen man van aanzien , die had eene spies in zijne hand; en hij ging tot hem af met een stok, en rukte den Egyptenaar de spies uit de hand, en doodde hem met zijn eigen spies. 23 Dit deed Benaja de zoon van Jojada; en hij was beroemd onder de drie helden, 23 en meer vermaard dan de dertig; maar hij behoorde niet tot die [eerste] drie. En David benoemde hem in zijnen geheimen raad. 24 Onder de dertig waren: Asaël, Joabs broeder; El-hanan de zoon van Dodo, van Bethlehem; 25 Samma de Harodiet; Elika de Harodiet; 20 Helez de Paltiet; Ira de zoon van Ikes, de ïe-koïet; |
27 Abiczer de Annetho-thiet; Mebunnai do Husa-thiet; 28 Zalmon de Ahohiet; Maharai de Netofathiet; 29 Heleb de zoon van Baëna, de Netofathiet; Ittai de zoon van Eibai, uit Gibea der kinderen Benjamins; 30 Benaja de Pirathoniet; Hiddai uit de valleien van Gails; 31 Abialbon de Arbathiet; Azmaveth de Barlramiet; 32 Eljachba de Saalboniet; Bené-Jasen Jonathan; 33 Samma de Harariet; Ahiam de zoon van Sarar, de Harariet; 34 Elifélet, de zoon van Ahasbai den zoon van een Maachathiet; Eliam de zoon van Achithófel, de Giloniet; 35 Hezrai do Karmeliet; Paërai de Arbiet; 30 Jigal, Nathans zoon, uit Zoba; Bani de Gadiet; 37 Zelek de Ammoniet; Naharai de Beërothiet, de wapendrager van Joab den zoon van Zeruja; 38 Ira de Jethriet; Gareb de Jethriet; 39 en Uria de Hethiet: zevenendertig in 't geheel. HOOFDSTUK 24. 1 En de toorn des Heeren ontstak wederom tegen Israël, en hij spoorde David |
2 SAMUEL 24.
650
|
aan tegen lien, zeggende: Ga heen, tel Israël en Juda. 2 En de koning sprak tot Joab, zijnen krijgsoverste: Ga rondom in al de stammen Israels, van Dan af tot Ber-Séba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete. 3 Doch Joab zeide tot den koning: De Heer uw God doe tot dit volk, zooals liet nu is, nog honderdmaal zooveel toe, dat de oogen van mijnen heer den koning het aanschouwen; maar waarom heeft mijn heer do koning lust aan deze zaak? 4 Doch het woord des konings ging door tegen Joab en de hoofdlieden des heirs. Alzoo trok Joab, en de hoofdlieden des heirs, van den koning uit, opdat zij het volk Israels telden; 5 en zij gingen over den Jordaan, en legerden zich te Aroër, ter rechterzijde der stad die in de beek van Gad ligt, naar den kant van Jaëzer; 6 en zij kwamen in Gilead, en in het lage land Hodsi, en kwamen te Dan-Jaan, en rondom Sidon; 7 voorts kwamen zij aan de vaste stad Tyrus, en al de steden der Hevieten en Kanaiinieten; en zij kwamen uit aan hei. zuiden van Juda te Ber-Séba. |
8 Alzoo trokken zij öm door het geheele land, en kwamen na negen maanden en twintig dagen te Jeruzalem. 9 En Joab gaf den koning de som op van het volk dat geteld was: en in Israël waren achthonderdduizend sterke mannen ■ die het zwaard uittrokken, en in Juda vijfhonderdduizend man. 10 Doch het hart van David sloeg hem nadat liet volk geteld was, en David sprak tot den Heer: Ik heb grootelijks gezondigd, dat ik dit gedaan heb; en nu Heer, neem de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld. 11 En toon David des morgens opstond, geschiedde het woord des Heeren tot den profeet Gad, i )avids ziener, zeggende: 12 Ga heen en spreek tot. David: Dus zegt de Heer: Drie dingen breng ik tot ii: kies u cén daaruit dat ik u doe. 13 En Gad kwam tot David en zeide het aan hem, en sprak tot hem: Wilt gij dat er zeven jaren duurte in uw land kome? Of dat gij drie maanden |
3 SAMUEL 2i.
651
|
voor uwe wederpartijders moet vluchten, en zij u vervolgen? Of dat er drie dagen pest in uw land zij? Zoo merk nu en zie wat ik wederzeggen zal aau dengeen die mij gezonden heeft. 14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bang; doch laat ons in do liaud des Heeren vallen, want zijne barmhartigheid is groot; ik wil niet in de hand van menschen vallen. 15 Alzoo liet de Heer de pest in Israël komen, van den morgen af tot don bestemden tijd toe; zoodat er van het volk stierven, van Uan af tot Eer-Séba toe, zeventigduizend menschen. 16 En toen de Engel zijne hand uitstrekte over Jeruzalem om het te verderven, berouwde den Heer dat kwaad, en hij sprak tot den Engel, den verderver onder het volk: Het is genoeg, houd uwe hand nu in. De Engel des Heeren nu was bij den dorseh-vloer van Arauna den Je-busiet. 17 En David, toen liij den Engel zag die liet volk sloeg, sprak tot den Heer; Zie, ik heb gezondigd, ik heb de misdaad gedaan; maar wat hebben deze schapen gedaan ? Laat uwe hand tegen mij en mijn vaderlijk huis zijn. |
18 En Gad kwam tot David op dien dag, en sprak tot hem: Ga op, en richt den Heer een altaar op, op den dorschvloer vau Arauna den Jebusiet. 10 Alzoo ging David op, zooals Gad gezegd en de Heer geboden liad. 20 En toen Arauna zich omkeerde, zag hij den koning met zijne knechten tot zich komen, en boog zich met zijn aangezicht ter aarde, 21 en sprak: Waarom komt mijn heer de koning tot zijnen knecht? En David zeide: Om van u den dorschvloer te koopen en den Heer een altaar .te bouwen, opdat de plaag van het volk ophoude. 32 Arauna nu sprak tot David: Mijn heer de koning neme en ollere zooals het hem behaagt; zie daar is een rund tot een brandoffer, en de dorschslede en het rundertuig tot hout: 23 dit alles geeft Arauna, de koning, aan den koning. En Arauna sprak tot den koning: De Heer uw God late u hem aangenaam zijn. 24 Doch de koning sprak tot Arauna: Neen maar ik wil het van u koojien voor |
1 KONINGEN 1.
652
|
den gezetten prijs, want ik wil den Heer mijnen God geen brandofl'er ofïeren hetwelk ik voorniet hel), Alzoo kocht David den dorseh-vloer en het rundvee voor vijftig sikkels zilver. |
25 En hij bouwde aldaar den Heer een altaar, en offerde brandoffers en dankoffers ; en de Heer werd met het land weder verzoend, en de plaag hield or) van het volk Israel. |
HET EEESTE BOEK
DEn
KONINGEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 En toen de koning David oud was en weibedaagd, kon hij niet warm worden, hoewel men hem met kleederen bedekte. 2 ïoen spraken zijne knechten tot hem: Dat men mijnen heer den koning eene jongedochter, eene maagd zoeke, die voor den koning sta en hem koestere, en in zijne armen slape, en mijnen heer den koning verwarme. 3 En zij zochten eene schoone jongedochter in al de grenspalen van Israël; en zij vonden Abisag de Sunamietische, en brachten haar tot den koning. |
4 En zij was eene zeer schoone jongedochter, en zij koesterde den koning en diende hem; maar de koning bekende haar niet. 5 Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning worden. En hij maakte zich wagens en ruiters, en vijftig man tot loopers voor hem uit. 6 En zijn vader had hem in zijne dagen nooit bekommerd door tot hem te zeggen: Waarom doet gij zoo? En hij was ook een zeer schoon man, cn \TIa(jyitli\ had hem gebaard na Absalom. 7 En hij hield raad met Joab den zoon van Zeruja, |
i KONINGEN 1.
633
|
en met Abjatliav den priester; deze hielpen Adonia. 8 Maar Zadok de priester, en Bsnaja de zoon van Jo-jada, en Nathan de profeet, en Simei, en Eeï, en Davids helden, waren niet met Adonia. 9 En tosn Adonia schapen en runderen en gemest vee offerde bij den steen Zohé-leth, die bij de fontein llo-gel is, noodigde hij al zijne broeders, des koningszonen, en al de mannen van Juda, des konings knechten; 10 maar den profeet Nathan, en ilenaja, en de helden, en Salomo zijnen broeder, noodigde hij niet. 11 Toen sprak Nathan tot Bathséba, Salonio's moeder: Hebt gij niet gehoord, dat Adonia de zoon van Haggith koning is geworden ? En onze heer David weet het niet. 12 Zoo kom nu, ik wil u een raad geven, dat gij uw leven en dat van uwen zoon Salomo redden kunt. 13 Ga heen en treed tot den koning David, en spreek tot hem: Hebt gij niet, mijn heer koning, uwe dienstmaagd gezworen, zeggende: Uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? Waarom is dan Adonia koning geworden? |
11' Zie, terwijl gij daar nog zijt en met den koning spreekt, zal ik na u inkomen en uwe woorden aanvullen. 15 En Bathséba ging tot den koning in de kamer; de koning nu was zeer oud , en Abisagde Sunamietische diende den koning. 16 En Bathséba neigde zich en boog zich voorden koning. En de koning sprak: Wat is u? 17 Zij sprak tot hem: Mijn heer, gij hebt uwe dienstmaagd gezworen bij den Heer uwen God: Uw zoon Salomo zal koning zijn na mij, en op mijnen troon zitten. 18 Maar nu, zie, Adonia is koning geworden, en gij, mijn heer koning, weet het niet. 19 En hij heeft ossen en gemest vee en vele schapen geofferd, en heeft genoodigd al de zonen des konings, daarenboven Abjathar den priester en Joab den krijgsoverste; maar uwen knecht Salomo heeft hij niet genoo-digd. 20 Gij nu, mijn heer koning', do oogen van geheel Israël zien op u, dat gij hun te kennen geeft wie op den troon van mijnen heer den koning na hem zitten zal. |
|
(55i 31 .Vis nu mijn heer de koning met zijne vaderen zal ontslapen zijn, zoo zullen ik en mijn zoon Salomo als misdadigers behandeld worden. 23 En zie, terwijl zij nog met den koning sprak, kwam de proleet Nathan; 33 en men zeide tot den koning: Zie, daar is de profeet Nathan. En als hij kwam voor den koning, boog hij zich voor den koning met zijn aangezicht ter aarde, 34 en sprak: Mijn heer koning, hebt gij gezegd: Adonia zal na mij koning zijn en op mijnen troon zitten? 33 Want hij is Leden heengegaan en heeft ossen en gemest vee en vele schapen geotterd, en heeft al de zonen des konings genoodigd, en de hoofdlieden, daarenboven den priester Abjathar; en zie, zij eten en drinken voor hem, en zeggen: Heil den koning Adonia! 36 Maar mij, uwen knecht, en den priester Zadok, en Eenaja den zoon van ,lo-jada, en uwen knecht Salomo, heeft hij niet genoodigd. 37 Is dit van mijnen heelden koning bevolen, en hebt gij het uwen knecht niet laten weten wie op den troon van mijnen heer den koning na hem zitten zal? |
3S Toen antwoordde de koning David en sprak: I loopt mij Bathséba. En zij kwam voor den koning; en toen zii voor den koning stond, 3!) zwoer de koning en sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft, die mijne ziel gered heeft uit alle noo-den, 30 ik zal heden doen zooals ik u gezworen heb bij den Heer, den God van Israël, zeggende: Voorzeker, Salomo uw zoon zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten in mijne plaats. 31 Toen neigde Bathséba zich met het aangezicht ter aarde en wierp zich neder voor den koning, en sprak: Heil mijnen heer den koning David eeuwiglijk! 33 En de koning David sprak: Eoept mij den priester Zadok, en den profeet Nathan, en Benaja den zoon van Jojada. En toen zij inkwamen voor den koning, 33 sprak de koning tot hen: Neemt met u uws heeren knechten, en zet mijnen zoon Salomo op mijn muilezel, en voert hem af naar Gihon, Bé en de priester Zadok 1 KONINGEN 1. |
1 KONINGEN 1.
fi3 5
|
mot den profeet Nathan zalve hem aldaar tot koning over Israël; en blaast op de bazuin, en negt: Heil den koning Salomo! 3 5 En trekt opwaarts hem na, en dat hij kome en zitte op mijnen troon, opdat hij koning zij in mijne plaats; en ik zal hem gebieden dat hij vorst zij over Israël en Jnda. — 30 Toon antwoordde llo-naja, de zoon van Jojada, don koning en sprak: Amen, de Heer, de God van mijnen heer den koning zegge óók alzoo. 37 Gelijk de Heer met mijnen heer den koning geweest is, zóó zij hij ook met Salomo, dat zijn troon nog grooter worde dan de troon van mijnen heer den koning David. 38 Toen gingen do priester Zadok, en de profeet Nathan, en lianaja de zoon van .Tojada, en de Krethi en de Plethi, en zetteden Salomo op don muilezel van den koning David, en voerden hem naar Gihon; 39 en de priester Zadok nam den oliehoorn uit de hut, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk sprak: Heil den koning Salomo! |
40 En al het volk trok opwaarts hem na, en het volk speelde op Hui ton en was zeer vroolijk, zoodat de aarde van hun gejuich scheen te splijten. M En Adonia hoorde het, en allen dio hij genoodigd had, die bij hem waren, toen zij geëindigd hadden te eten. En toen Joab het geluid der bazuinen hoorde, sprak hij: Wat beduidt dat geschreeuw der stad alsof zij in oproer was? •12 Terwijl hij nog sprak, zie, toen kwam Jonathan de zoon van Abjathar den priester; en Adonia sprak: Kom in, want gij zijt een kloek man, en brengt goede boodschap. 43 En Jonathan antwoordde en sprak tot Adonia: Ja, onze heer de koning David heeft Salomo tot koning gemaakt; '11 en hij heeft met hem gezonden don priester Zadok , en den profeet Nathan, en Benaja den zoon van Jojada, en de Krethi en do Plethi, en zij hebben hem op des konings muilezel gezet; 45 en Zadok de priester met- den profeet Nathan heeft hem tot koning gezalfd te Gihon, en zij zijn vandaar opgetrokken met vreugde, zoodat de stad vol |
|
656 1 KONi: gejaicli is: dit is liet ge-solireexw dat gij gehoord liebt. 40 Daarenboven zit Salo-xno op den koninklijken troon; 47 en de knechten des ko-nings zijn ingegaan om onzen heer den koning David te zegenen, en hebben gezegd: Uw God make Salomo een nog beteren naam dan uw naam is, en make zijnen troon grooter dan uw troon. En de koning hoeft aangebeden ojo zijne legerstede , 48 ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij de Heer, Israels God, die heden iemand heeft laten zitten op mijnen troon, dat mijne oogen het gezien hebben. 49 Toen verschrikten allen die bij Adonia genoodigd waren en stonden op, en gingen heen, ieder zijnen weg. 50 Maar Adonia vreesde voor Salomo, en stond op en ging heen en vatte de hoornen des altaars. 51 En het werd aan Salomo gezegd: Zie, Adonia vreest voor den koning Salomo, en zie, hij heeft de hoornen des altaars gevat, zeggende; De koning Salomo zwere mij heden dat hij |
TGEN 2. zijnen knecht niet zaldooden met het zwaard. 53 En Salomo sprak: Indien hij redelijk zal zijn, zoo zal geen haar van hem op de aarde vallen; maar indien er eenig kwaad opzet in hem gevonden wordt, dan zal hij sterven. 53 En de koning Salomo zond heen en liet hem van den altaar afhalen; en toen hij kwam, boog hij zich voor den koning Salomo, en Salomo zeide tot hem: Ga heen naar uw huis. HOOFDSTUK 2. 1 Als nu de tijd naderde dat David sterven zou, gebood hij zijnen zoon Salomo, zeggende: 3 Ik ga heen den weg der geheele wereld; zoo houd u kloek en wees een man; 3 en neem den dienst van den Heer uwen God waar, dat gij wandelt in zijne wegen, en onderhoudt zijne inzettingen, geboden, rechten en getuigenissen, zooals geschreven staat in de wet van Mozes; opdat gij kloek zijt in al wat gij doet en waarheen gij u wondt; 4 opdat de Heer zijn woord bevestige hetwelk hij over mij gesproken heeft, zeggende : Is het dat uwe kinderen hunne wegen bewa- |
1 KONINGEN 3.
657
|
ren, dat zij voor mij getrouw en met hun gansclie hart en ziel wandelen, zoo zal van u nimmer een man ontbreken op den troon van Israel. S Ook weet gij wel wat Joab de zoon van Zeruja mij gedaan heeft, wat hij deed aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner den zoon van Ner en Amasa den zoon van Jether, die hij gedood heeft, en vergoot krijgsbloed in den vrede, en bracht krijgsbloed op zijnen gordel die om zijne lendenen was, en op zijne schoenen die aan zijne voeten waren. ü Doe dan naar uwe wijsheid, dat gij zijne grijze haren niet met vrede beneden in de hel laat komen. 7 Maar aan de zonen van Barzillai den Gileadiet zult gij barmhartigheid bewijzen, dat zij aan uwe tafel eten; want aldus naderden zij tot mij, toen ik voor Absalom uwen broeder vluchtte. 8 En zie, gij hebt bij u Simei den zoon van Gera, den Benjaminiet uit liahu-rim, die mij schandelijk vloekte ten tijde toen ik naar Mahanaïm ging; en toen hij afkwam mij tegemoet aan den Jordaan, zwoer ik hom bij den lieer, zeggende; Ik zal u niet dooden met het zwaard. |
9 Maar laat gij hem niet onschuldig zijn; doch gij zijt een. wijs man, en zult wel weten wat gij hem doen zult, dat gij zijne grijze haren met bloed beneden in de hel laat komen. •— 10 Alzoo ontsliep David met zijne vaderen, en werd begraven in Davids stad. 11 De tijd nu dien David koning geweest is over Israël, is veertig jaar: zeven jaar was hij koning te He-bron, en drieëndertig jaar te Jeruzalem. 13 En Salomo zat op den troon van zijnen vader David , en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd. 13 Adonia nu, de zoon van Haggith, kwam tot Bathscba, Salomo's moeder. En zij sprak: Komt gij met vrede? Én hij zeide: Ja. 14 En hij sprak: Ik heb iets met u te spreken. En zij zeide: Spreek. 15 En hij sprak: Gij weet dat het koninkrijk het mijne was, en geheel Israël zijn aangezicht op mij gericht had dat ik koning zou zijn; maar nu is het koninkrijk gewend en mijns broeders geworden, van don Heer I is het hem geworden. |
1 KONINGEN 3.
058
|
16 Nu heb ik ceno bede aan u, wil mijn aangezicht niet beschamen. En zij zeide tot hem: Spreek. 17 En hij zeide; Spreek toch met den koning Salomo , want hij zal uw aangezicht niet beschamen, dat hij mij Abisag de Sunamie-tische tot vrouw geve. 18 Toen zeide Bathséba: Goed, ik zal met den koning voor u spreken. 19 En Bathseba kwam tot den koning Salomo, om met hem te spreken voor Adonia; en de koning stond op en ging haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zette hij zich op zijnen troon, en voor des konings moeder deed hij een stoel zetten, dat zij zat .aan zijne rechterhand. 30 Én zij sprak: Ik bid éene kleine bede van u, wil mijn aangezicht niet beschamen. En de koning-sprak tot haar: Vraag, mijne moeder, ik zal uw aangezicht niet beschamen. 31 En zij zeide: Laat Abisag de Snnamietische aan uwen broeder Adonia tot vrouw gegeven worden. 33 Toen antwoordde de koning Salomo en zeide tot zijne moeder: Waarom vraagt gij slechts Abisag de Snnamietische voor Adonia? |
Vraag ook het koninkrijk voor hem; ja voor hem, want hij is mijn oudste broeder, en voor Abjathar den priester, en voor Joab den zoon van Zeruja. 23 En de koning Salomo zwoer bij den Heer, zeggende : God doe mij dit en dat, Adonia zal dat tegen zijn leven gesproken hebben ; 2 !• en nu, zoo waarachtig als de Heer loeft, die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon van mijnen vader David, en die mij een huis gemaakt heeft, zooals hij gesproken heeft: heden zal Adonia gedood worden. 25 En do koning Salomo zond heen door de hand van Benaja den zoon van Jojada; deze sloeg hem dat hij stierf. 20 En tot den priester Abjathar sprak de koning: Ga heen naar Anathoth, op uwen akker; want gij zijt een man des doods, maar ik wil u heden niet dooden, want gij hebt de ark des Heeren Heeren voor mijnen vader David gedragen, en hebt medegeleden wat mijn vader geleden heeft. 27 Alzoo verstiet Salomo Abjathar, dat hij niet meer priester des Heeren mocht |
I KONINGEN 2.
659
|
zijn; opdat vervuld wierd het woord des Hoeren, hetwelk hij over het huis van Eli gesproken had te Silo. 38 En dit gerucht kwam voor Joab. (Want Joab had Adoma aangehangen, hoewel niet Absalom.) Toen vluchtte Joab in de hut des Heeren, en vatte de hoornen des altaars. 29 Eu het werd aan den koning Salomo gezegd, dat Joab naar de hut des Heeren gevlucht was, en dat hij, zie, bij den altaar stond. Toen zond Salomo Benaja den zoon van Jojada, zeggende: Ga heen en versla hem. oü En toen Benaja tot de hut des Heeren kwam, sprak hij tot hem: Dus zegt de koning: Kom uit. Ei hij zeide: Neen, hier wil ik sterven. En Benaja zcidc dat den koning weder, zeggende: Zóó heeft Joab gesproken on zóu heeft hij mij geantwoord. 31 En de koning sprak tot hem: Doe zooals hij gesproken heeft en versla hem, en begraaf hem, opdat gij het bloed, hetwelk Joab zonder oorzaak vergoten heeft, van mij wegdoet en van mijn vaderlijk huis, |
32 en de Heer zijn bloed op zijn hoold doe weder-keeren, omdat hij twee mannen verslagen heeft, die rechtvaardiger en beter waren dan hij, en hen gedood heeft met het zwaard, terwijl mijn vader David het niet wist: namelijk Abner den zoon van Ner, den krijgsoverste over Israël, en Amasa den zoon van Jether, den krijgsoverste over Juda; 33 opdat hun bloed we-derkeere op het hoofd van Joab en van zijn zaad eeu-wiglijk, maar David en zijn zaad en zijn huis cn zijn troon vrede hebbe eeu-wiglijk van den Heer. — 31 lin Benaja de zoon van Jojada ging op en sloeg hem en doodde hem, en hij werd begraven in zijn huis in do woestijn. 35 En de koning stelde Benaja den zoon van Jojada in zijne plaats over het heir, en Zadok den priester stelde de koning in de plaats van Abjathar. 30 Eu do koning zond heen en liet Simei roepen, en sprak tot hem: Bouw u éen huis te Jeruzalem, en woon aldaar, en ga vandaar niet uit, noch her-noch derwaarts: 37 op welken dag gij zult |
1 KONINGEN 3.
660
|
uitgaan en over de beek Kidron trekken, zoo weet dnt gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn. 38 Toen zeide Simei' tot den koning: Dit is eene goede meening; zooals mijn heer de koning gesproken heeft, zóó zal uw knecht doen. Alzoo woonde Simeï te Jeruzalem langen tijd. 39 Doch het geschiedde na drie jaren, dat twee knechten Simeï ontliepen naar Achis den zoon van Maacha, den koning van Gath; en het werd aan Simeï gezegd: Zie, awe knechten zijn te Gath. 40 Toen stond Simeï op en zadelde zijnen ezel, en trok heen naar Gath tot Achis om zijne knechten te zoeken; en toen hij daar kwam, bracht hij zijne knechten weder van Gath. 41 En het werd aan Salomo gezegd dat Simeï van Jeruzalem naar Gath getrokken en wedergekomen was. 43 Toen zond de koning heen en liet Simeï roepen, en sprak tot hem; Heb ik u niet gezworen bij den Heer en u betuigd, zeggende: Op welken dag gij zult uittrekken en ginds of derwaarts gaan, zoo weet dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Ik heb eene goede meening gehoord. |
43 Waarom hebt gij dan niet gehouden den eed des Heeren, en het gebod hetwelk ik u geboden heb? 44 En de koning sprak tot Simeï: Gij weet al de boosheid waarvan uw hart kennis draagt, en die gij tegen mijnen vader David gedaan hebt; en nu doet de Heer uwe boosheid op uw hoofd wederkeeren; 45 maar de koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal bestendig zijn voor den Heer eeuwiglijk. —- 46 En de koning gebood Benaja den zoon van Jojada, die ging uit en sloeg hem dat hij stierf. Alzoo werd het koninkrijk bevestigd door de hand van Salomo. HOOFDSTUK 3. 1 En Salomo verzwagerde zich met Earao den koning van Egypte, en hij nam Farao's dochter en bracht haar in de stad Davids, totdat hij volbouwd zou hebben zijn huis, en liet huis des Heeren, en den muur rondom Jeruzalem. 3 Maar het volk offerde nog op de hoogten, want er was nog geen huis gebouwd voor den naam des Heeren tot dien tijd toe. |
1 KONINGEN 3.
661
|
3 Salomo nu had den Heer lief, en wandelde naar de inzettingen van zijnen vader David; behalve dat hij olferde en wierookte op de hoogten. 4 En de koning ging heen naar Gibeon om aldaar te otteren, want dat was de groote hoogte; en Salomo otterde duizend brandotters op dien altaar. 5 En de Heer verscheen aan Salomo te Gibeon in een droom des nachts, en God sprak: Bid wat ik u geven zal. 6 En Salomo zeide: Gij hebt aan mijnen vader David, uwen knecht, groote barmha rtigheid bewezen, ge-lij k hij ook voor u gewandeld heeft in getrouwheid en rechtvaardigheiden met een oprecht hart voor u; cn gij hebt hem deze groote barmhartigheid gehouden, en hem een zoon gegeven die op zijnen troon zitten zou, gelijk het te dezen dage is. 7 Nu dan Heer mijn God, gij hebt uwen knecht koning gemaakt in de plaats van mijnen vader David, en ik ben nog zeer jong, en weet noch mijnen uitgang noch mijnen ingang; |
8 en uw knecht is in het midden van uw volk hetwelk gij vorkoren hebt, een groot volk dat niemand tellen noch berekenen kan vanwege de menigte: 9 zoo wil toch uwen knecht een gehoorzaam hart geven, opdat hij uw volk richten moge, en verstaan wat goed en kwaad is; want wie vermag dit uw machtig volk te richten? 10 En dit behaagde den Heer, dat Salomo dat bad; 11 en God sprak tot hem-Omdat gij dat bidt, en niet bidt om een lang leven, noch om rijkdom, noch om het leven uwer vijanden, maar om verstand om rechtszaken aantehooren, 13 zie, zoo heb ik gedaan naar uwe woorden; zie, ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws-gelijko vóór n niet geweest is noch na u opstaan zal. 13 Daarenboven hetgeen gij niet gebeden hebt, heb ik u óuk gegeven, namelijk rijkdom en eer, zoodat er niemand u gelijk zal zijn onder de koninsren in uwen tijd. l-l En indien gij in mijne wegen wandelt, dat gij mijne inzettingen en geboden onderhoudt, zooals uw vader David gewandeld heeft, zoo zal ik u een lang leven geven, — |
1 KONINGEN 3.
663
|
15 Eu toen Salomo ontwaakte, zio, toen was liet een droom. En hij kwam naar Jeruzalem, en trad voor de ark des verbonds desHeeren, en oii'erde brandoffers en dankoflers, en maakte een grooten maaltijd voor al zijne kneeliten. 16 In dien tijd kwamen er twee hoeren tot den koning en traden vóór hem; 17 en de ccne vrouw sprak: Och mijn heer, ik en deze vrouw woonden in één huis, en ik beviel bij haar in dat huis. 18 En drie dagen nadat ik gebaard had, baarde zij óók; en wij waren bij elkander, zoodat er geen vreemde met ons was in het huis, behalve wij beiden. 19 Eu de zoon van die vrouw stierf in dezen nacht, want zij had hem in den slaap doodgedrukt; 20 en zij stond in den nacht op, en nam mijnen zoon van mijne zijde, toen uwe dienstmaagd sliep, en leide hem in haren arm, en haren dooden zoon leide zij in mijnen arm. 31 En toen ik des morgens opstond om mijnen zoon te zoogen, zie, toen was hij dood; maar in den morgen bezag ik hem nauwkeuriger, en zie, liet was mijn zoon niet dien ik gebaard had. |
33 Toen zeide de andere vrouw: Het is zoo niet; mijn zoon leeft, en uw zoon is -dood. De eerste daarentegen zeide: Neen, uw zoon is dood, en mijn zoon leeft. En zij spraken alzuo voor den koning. 23 Toen zeide de koning: Deze zegt: Mijn zoon leeft; en uw zoon is dood; en die zegt: Het is zoo niet, uw zoou is dood, en mijn zoon leeft. 34 En de koning sprak: Haalt mij een zwaard. En toen het zwaard voor den koning gebracht werd, 35 zeide de koning: Deelt het levende kind in twee deelen, en geeft aan deze de helft en aan gene de helft. 26 Toen zeide de vrouw wier zoon leefde tot den koning (want haar moederlijk hart ontbrandde voor haren zoon): Och mijn heer, geeft haar het levende kind, en doodt het niet. De andere daarentegen zeide: Het zij noch het mijne noch het uwe, laat het deelen. 37 ïoen antwoordde de koning en sprak: Geeft aan déze het levende kind, en doodt het niet: zij is de moeder. |
|
38 En dnt oordeel, hetwelk de koning geveld had, werd ruchtbaar voor geheel Israël; en zij vreesden den koning, want zij zagen dat de wijsheid fiods in hem was om het gericht te houden. HOOFDSTUK 4. 1 Alzoo was Salomo koning over geheel Israël. 2 En deze waren zijne vorsten: Azarja de zoon van Zadok den priester; 3 Elihoref en Ahïa de zonen van Sisa waren schrijvers; Josafat de zoon van Ahilud was kanselier; 4 Benaja de zoon van Jo-jada was krijgsoverste; Zadok en Abjathar waren priesters; 5 Azarja de zoon van Nathan was over de ambtlie-den; Zabud de zoon van Nathan den priester was des konings vriend; Ci Ahisnr was hofmeester; Adoniram de zoon van Abda was rentmeester. 7 En Salomo had twaalf ambtlieden over geheel Israël , die den koning en zijn huis verzorgden: elk had jaarlijks een maand lang te verzorgen. 8 En zij heetten aldus; de zoon van Hur op het gebergte van Efraïm; |
C.63 9 do zoon van Deker (e Makaz, en te Saalbim, en te Beth-Sémes, en te Elon-Beth-Hanan; 10 de zoon van Hesed te Arubboth, tot hem behoorde ook Socho en het geheele land Hefer; 11 de zoon van Abinadab had de geheele landstreek Dor, en ïafath Salomo's dochter was zijne huisvrouw; 12 Baëna de zoon van Ahilud te Tailnach, en te Megiddo, en over geheel Beth-Sean, hetwelk ligt bij Zarcthan onder Jizreël, van Beth-Sean tot Abel-Mehola, tot aan gene zijde van Jokmeam; 13 de zoon van Geber te Earaoth in Gilead, die had de vlekken van Jaïr den zoon van Manasse in Gilead, en had de streek van Ar-gob die in Basan ligt, zestig groote steden, bemuurd en met koperen grendels; 14 Ahinadab de zoon van Iddo te Mahanaïm; 15 Ahimaüz in Naftali, en die nam ook Salomo's dochter Basraath tot vrouw; 16 Baëna de zoon van Husai in Aser en Bealoth; 17 Josatat de zoon van Parüah in Issasehar; 18 Simei de zoon van Ela in Benjamin; 19 Geber de zoon van Uri 1 KONINGEN 4. |
1 KONINGEN 4.
664
|
in liet laud Gilead, liet land van Sihon den koning-der Amorieten en van Og den koning van Easan, was de eenige ambtman in dat land. 20 En die van Juda en Israel waren talrijk als Let zand aan de zee, en zij aten en dronken en waren vroolijk. 21 Alzoo was Salomo lieer over al de koninkrijken, van de groote rivier af [tof] liet land der Eilistijnen en tot aan den grenspaal van Egypte, die hem geschenken brachten en hem dienden zoolang hij leel'de, 22 En Salomo moest dagelijks tot spijziging hebben dertig kor meelbloem, zestig kor ander meel, 23 tien gemeste runderen, en twintig wei-runderen, en honderd schapen; behalve de herten, de reeën, de steengeiten en het gemest gevogelte. 24 Want hij heerschte in het geheele land aan deze zijde der groote rivier, van Tifsah af tot Gaza toe, over al de koningen aan deze zijde der rivier, en hij had vrede van allezijden rondom; 25 zoodat Juda en Israël veilig woonden, elk onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Pan af tot |
IBer-Séba toe, zoolang als Salomo leefde. 20 En Salomo had veertigduizend wagenpaarden en twaalfduizend ruiters. 27 En de ambtlieden verzorgden den koning Salomo en allen die tot de tafel des konings behoorden, elk in zijne maand, en zij lieten niets ontbreken. 28 Ook de gerst en het stroo voor de paarden en snelle rijdieren brachten zij naar de plaats waar hij was, elk naar hetgeen hem voorgeschreven was. 29 En God gaf Salomo zeer veel wijsheid en verstand, en een omvang van kennis, gelijk het zand dat aan den oever der zee is; i30 zoodat Salomo's wijsheid grooter was dan die van al de kinderen van het oosten, en dan de wijsheid van al de Egyptenaars; 31 en hij was wijzer dan alle andere menschen, ook wijzer dan de dichters Ethan de Ezrahiet, Heman, Kal-kol en Darda, de zonen van Mahol; en hij was vermaard onder al de volken rondom. 32 En hij vervaardigde drieduizend spreuken, en zijne liederen waren duizend en vijf. 33 En hij handelde ook |
1 KONINGEN 5.
665
|
over do boomen, van den cederboom op den Libanon af tot aan de hysop die aan den wand wast; ook handelde hij over het vee, de vogels, het gewormte, en de visschen. 3-1 En uit alle volken kwamen er om Salome's wijsheid te hooren, van alle koningen op de aarde, die van zijne wijsheid gehoord hadden. HOOFDSTUK 5. 1 Hiram nu, de koning vanTyrus, zond zijne knechten tot Salomo, toen hij gehoord had dat zij hem tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats; want Hiram had David bemind zoolang hij leefde. 2 En Salomo zond tot Hiram, en liet aan hem zeg- Sen: .. 3 Gij weet dat mijn vader David den naam van den Heer zijnen God geen huis heeft kunnen bouwen vanwege den oorlog die rondom hem was, eerdat de Heer hen onder zijne voeten vernederde. 4 Maar nu heeft de Heer mijn God mij rust gegeven van rondom, zoodat er geen tegenpartijder meer is noch kwaad dat mij verhindert. |
5 Zie, zoo heb ik gedacht een huis te bouwen voor den naam van den Heer mijnen God, zooals do Heer gesproken heeft tot mijnen vader David, zeggende: Uw zoon, dien ik in uwe plaats zetten zal op uwen troon, die zal mijnen naam een huis bouwen. 6 Zoo beveel nu, dat men voor mij cederen van den Libanon afhouwe, en dat uwe knechten met mijne knechten zijn; en het loon uwer knechten zal ik u geven, alles zooals gij zegt; want gij weet dat bij ons niemand is die hout weet te houwen zooals de Sido-niërs. 7 Toen nu Hiram de woorden van Salomo hoorde, verblijdde hij zich ten hoogste en sprak; Geloofd zij de Heer heden, die David een wijzen zoon gegeven heeft over dit groote volk. 8 En Hiram zond tot Salomo , en liet aan hem zeggen: Ik heb gehoord alles waarom gij tot mij gezonden hebt: ik zal doen naar al uwe begeerte ten aanzien van de cederen en het dennenhout ; 9 mijne knechten zullen ze van den Libanon af brengen naar de zee, en ik zal ze in vlotten over de zee doen brengen naar de plaats die |
1 KONINGEN 6.
666
|
gij mij zult laten weten, en ik zal ze aldaar doen losmaken, en gij zult ze laten balen. Docli gij zult ook mijne begeerte doen, en spijs geven voor mijn liuis-gezin. 10 Alzoo gaf Hiram aan Salomo cederen en dennenhout , naar al zijne begeerte; 11 en Salomo gaf aan Hiram twintigduizend kor tarwe tot spijs voor zijn huisgezin, en twintig kor gestooten olie; dit gaf Salomo jaarlijks aan Hiram. 12 En de Heer gaf Salomo wijsheid, gelijk hij tot hem gesproken had; en er was vrede tusschen Hiram en Salomo, en zij beiden maakten een verbond met elkander. 13 En de koning Salomo deed eene lichting uit geheel Israël, en deze lichting was van dertigduizend man; 14 en hij zond hen naaiden Libanon, telkens tienduizend maandelijks, zoodat zij ccne maand op den Libanon waren, en twee maanden tehuis; en Adoniram was over deze lichting. 15 En Salomo had zeventigduizend lastdragers, en tachtigduizend die timmerden op den berg; |
16 behalve de oversten en opzieners die door Salomo over dat werk gesteld waren, namelijk drieduizend en driehonderd, die het opperbevel voerden over het volk dat aan het werk arbeidde. 17 En de koning gebood dat zij groote en kostelijke steenen zouden uitbreken, namelijk gehouwen steenen voor den grond van dat huis. 18 En Salomo's bouwlieden en Hirams bouwlieden en de Giblieten hieuwen ze uit, en zij maakten hout eu steenen gereed om het huis te bouwen. HOOFDSTUK 6. 1 Inhetvierhonderdentach-tigste jaar na den uittocht der kinderen Israels uit Egypte, in het vierde jaar van Salomo's regeering over Israël, in de maand Ziv, dat is de tweede maand, werd het huis des Heeren gebouwd. 3 Het huis nu, hetwelk de koning Salomo den Heere bouwde, was zestig el lang, twintig el breed, en dertig el hoog. 3 En hij bouwde een voorhuis aan den tempel, twintig el lang, naar de breedte van het huis, en tien el breed, vóóraan het huis. 4 En hij maakte vensters |
1 KONINGEN 6,
G67
|
aan liet huis, van binnen wijd, van buiten eng. 5 En hij bouwde eene galerij aan don wand van hot huis rondom, zoodat zij zoowel om den tempel als het allerheiligste ging, en maakte haren buitensten wand rondom. 6 De benedenste galerij was vijf el wijd, en de middelste zes el wijd, en de derde zeven el wijd; want hij had inkortingen gemaakt buiten aan het lm is rondom, dat zij aan den wand van het huis niet raakten. 7 En toen hot huis gebouwd werd, waren de stee-non tevoren geheel bereid, zoodat men geen hamer nooli bijl noch eenig ijzeren gereedschap bij het bouwen hoorde. 8 Eenc deur was tor rechterzijde, midden aan het huis, dat men door wenteltrappen opging tot de middelste verdieping, en van de middelste tot de derde. 9 Alzoo bouwde hij het huis en voleindigde het, en beschoot het huis met cederen, zoowel van boven als aan de wanden. 10 Ook bouwde hij eene galerij bovenop het geheele huis rondom, vijf el hoog, en dekte het huis met eo-derhoüt, 11 En het woord dos Heeren geschiedde tot Salomo, zeggende: |
13 Aangaande dit huis hetwelk gij bouwt, zoo gij in mijne inzettingen wandelt , en naar mijne rechten dost, en al mijne geboden onderhoudt, om daarin te wandelen, zoo zal ik mijn woord met u bevestigen, gelijk ik tot uwen vader David gesproken heb, 13 en ik zal wonen onder do kinderen Israels, en zal mijn volk Israël niet verlaten. 14 Alzoo bouwde Salomo dat huis en voltooide het. 15 En hij bouwde do wanden van hot huis aan de binnenzijde met cederen, van den vloer van hot huis af tot het dak toe, en beschoot ze met hout van binnen , en overdekte den vloer van hot huis met dennenplanken. 10 Eu hij bouwde achter in hot huis een cederen wand, twintig el lang, van den vloer af tot het dak toe, en bouwde aldaar van binnen de godgewijde plaats tot een allerheiligste. 17 En het huis des tempels vooraan was veertig el lang. 18 Van binnen was het geheele huis enkel cederen t |
1 KONINGEN 6.
668
|
met gedraaide knoppen en bloemwerk; zoodat er geen steen werd gezien. 19 De godgewijde plaats nu bereidde hij van binnen in het huis, om de ark des verbonds des Ileeren aldaar te zetten; 20 en de godgewijde plnals was twintig el lang, twintig e) wijd, en twintig el hoog, en overtrokken met het zuiverste goud; ook overtrok hij den cederen altaar. 21 En Salomo overtrok liet huis van binnen niet het zuiverste goud, en trok gouden grendels voor de godgewijde plaats heen, die hij met goud overtrokken had; 32 zoodat het gansche huis geheel met goud overtrokken was; en den geheelen altaar, vóór de godgewijde plaats, overtrok hij óók met goud. 23 Ook maakte hij in de godgewijde plaats twee cherubs , tien el hoog, van olijfboomenhout. 24 Van vijf el was elke vleugel eens cherubs, zoodat er tien ellen waren van het einde zijns éénen vleugels tot aan het einde zijns anderen vleugels. 25 En zoo was ook de andere cherub van tien el; en beide cherubs hadden éénerlei maat en éénerlei gedaante; |
26 zoodat iedere cherub tien el hoog was. 27 En hij zette de cherubs binnen in het huis; en de cherubs breidden hunne vleugels uit, zoodat de vleugel des éénen raakte aan den éénen wand, en de vleugel des anderen cherubs raakte aan den anderen wand, en midden in het huis raakte de ééne vleugel den anderen. 28 En hij overtrok de cherubs met goud. 21) Eh aan al de wanden van het huis rondom liet hij gesneden werken maken van gegraveerde cherubs, palmen en bloemwerk, van het binnenste huis en van het buitenste. 30 Ook overtrok hij den vloer van het huis met gouden platen, van het binnenste en van het buitenste. 31 En aan den ingang der godgewijde plaats maakte hij twee deuren van olijfboomenhout, met vijfhoekige posten, 33 en liet gesneden werken daarop maken van cherubs, palmen en bloemwerk, en overtrok ze met gouden platen. 33 Al zoo maakte hij ook aan den ingang des tempels |
1 KONINGEN 7.
669
|
vierhoekige posten van olijf-boomenliout; 34 en twee deuren van dennenhout, zoodat iedere deur twee paneelen had, aan elkander hangende in hare hengsels. 35 En hij maakte gesneden werken daarop van cherubs, palmen en bloemwerk, en overtrok ze met goud, juist zooals het bevolen wds. 36 En hij bouwde ook een hof daarbinnen, van drie rijen gehouwen steenen, en van óéne rij gescliaafde cederen. 37 In het vierde jaar, in de maand Ziv, werd de grond gelegd van het huis des Heeren; 38 en in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, werd dit huis voltooid zooals het zijn moest; zoodat zij zeven jaar daaraan bouwden. HOOFDSTUK 7. 1 En Salomo bouwde aan zijn huis dertien jaar, waarin hij het geheel voltooide. 2 Ook bouwde hij een huis van het woud van den Libanon, honderd el lang, vijftig el breed, en dertig el hoog, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen planken op dè pilaren; |
3 en daarbovenop een getimmerte van cederhout op de pilaren, van welke er vijfenveertig waren, telkens vijftien in een rij. 4 En er waren vensters tegen de drie rijen, tegenover elkander drie tegen drie; 5 en zij waren in hunne posten vierkant. 6 Ook bouwde hij een voorhuis van pilaren, vijftig el lang en dertig el breed; en nog een voorhuis daarvoor, met pilaren en dikke balken. 7 En hij bouwde ook een voorhuis voor een rechterstoel, alwaar hij gericht hield; en hij beschoot vloeien zolder met cederen; S alsook zijn huis waarin hij woonde, binnenwaarts, achter het voorhuis, op gelijke wijze als het eerste gemaakt. En hij maakte ook een huis, gelijk het voorhuis, voor Farao's dochter, die Salomo tot vrouw genomen had. 9 Dit alles was van kostelijke steenen, naar de maat gehouwen, met zagen gesneden 0]) alle zijden, van den grond tot aan het dak; alsook buiten om het groote voorhof. |
1 KONINGEN 7.
670
|
10 Ook de grondslagen waren van kostelijke en groote steenen, tien en acln el groot, 11 en daarop kostelijke gehouwen steenen , naar do maat, en cederen. 12 Eu liet groote voor-liof rondom was van drie rijëu gehouwen steenen, en ééne rij van cederen kolommen; alzoo ook het binnenste voorhof aan het huis des Heeren, cn het voorportaal van het huis. 13 En do koning Salomo zond heen en ontbood Hiram van Tvrus, 14 den zoon eener weduwe uit den stam van Naftali, doch zijn vader was een man van Tyrus geweest; deze was een werkmeester in koper, vol wijsheid, verstand en kunst, om in allerlei koperwerk te arbeiden. Toen die tot den koning Salomo kwam, maakte hij al diens werk. iö En hij maakte twee koperen pilaren, elk achttien el hoog; en een draad van twaalf el was de maat rondom eiken pilaar. 16 En hij maakte twee kapiteelen, van koper gegoten, om ze bovenop die pilaren te zetten; en elk kapiteel was vijf cl hoog. |
17 Eu er waren aan elk kapiteel bovenop de pilaren zeven gevlochten netten, alsook ketens. 18 En hij maakte aan elk kapiteel twee rijen granaatappelen, rondom aan het kranswerk waarmede de kapiteelen bedekt werden. 19 En do kapiteelen waren van rozenwerk in het voorportaal, vier el groot. 20 En de granaatappelen, in de rijen rondom, waren tweehonderd, boven en beneden aan het kranswerk dat rondom den buik van het kapiteel ging, aan elk kapiteel op beide de pilaren. 31 En hij richtte de pilaren op bij het voorportaal des tempels; cn dien hij ter rechterhand zette, noemde hij Jachin, cn dien hij ter linkerhand zette, noemde hij lioaz. 33 En bovenop de pilaren was het rozenwerk; al zoo werd voleindigd het werk der pilaren. 33 Ook maakte hij een gegoten zee, tien el wijd, van den cénen rand tot deu anderen rondom, en vijf el hoog; en een snoer, dertig cl lang, was de maat rondom. 34 En om deze zee, die tien el wijd was, waren bloemknoppen aan haren rand rondom do zee; eu |
1 KONINGEN 7.
671
|
vim die bloemknoppen waren twee rijen gegoten. 35 En zij stond op twaalf runderen, van welke drie naar het noorden, drie naar liet westen, drie naar liet zuiden, en drie naar liet oosten gekeerd waren, en de zee daarbovenop; zoodat al hunne achterste deelen binnenwaarts gekeerd waren. 26 Hare dikte was een handbreed, en haar rand was als de rand eens bekers, als eene geopende roos; en zij hield tweeduizend bath. 37 Ook maakte hij tien koperen stellingen, elk vier el lang en breed, en drie el hoog. 38 En de stellingen waren zóó gemaakt, dat zij lijsten hadden, en de lijsten tussehen kransen waren. 3'J En aan de zijden tussehen de lijsten waren leeuwen , runderen en eherubs; en de zijden, aan welke de leeuwen en de runderen waren, hadden lijsten boven en onder, en voetjes daaraan. 30 En elke stelling had vier koperen raderen met koperen assen; en op de vier hoeken waren gegoten schouders, elk tegenover den anderen, onderaan het wasclivat gehecht. |
31 En de mond midden op de stelling was een el hoog en rond, en anderhalve el wijd; ook op dezen mond was beeldwerk, en de lijsten waren vierkant, niet rond. 33 En do vier raderen stonden onderaan de zijden, en de assen der raderen waren aan de stellingen vast, elk rad was anderhalve el hoog. 33 En de raderen waren als wagenraderen; en hunne assen, naven, spaken en velgen waren alteinaal gegoten. 31 En do vier schouders op de vier hoeken van elke stelling waren ook aan de stellingen vastgegoten. 35 En op het hoofd van elke stelling was eene hoogte van een halve el rondom; ook waren er lijsten en zijden aan de stellingen. 30 En hij liet op het vlakke harer zijden en lijsten graveeren cherubs, leeuwen en palmboomen, op evenredige tusschenruimten rondom. 37 Op die wijze maakte hij tien gegoten stellingen; die waj-en van éénerlei maat en éénerlei gedaante. 38 En hij maakte tien koperen waschvaten, elk waschvat hield veertig bath; |
|
673 1 KONI] en elk waschvat was vier el groot, en op elke stelling was één waschvat. 39 En hij zette vijf stellingen aan de rechterzijde van het huis, en de andere vijf aan de linkerzijde; en de zee zette hij ter rechterhand vooraan tegen het zuiden. 40 En Hiram maakte ook potten, aschschoppen en bekkens, en voleindigde al-zoo alle werken welke de koning Salomo aan het huis des Heeren maken liet: 41 namelijk de twee pilaren, en de gedraaide kapi-teelen bovenop de twee pilaren, en de twee gevlochten netten om die twee gedraaide kapiteelen op de pilaren te bedekken, 43 en de vierhonderd granaatappelen aan de twee gevlochten netten, telkens twee rijen granaatappelen aan een reep, om die twee gedraaide kapiteelen op de pilaren te bedekken; 43 alsook de tien stellingen , en de tien waschvaten daarbovenop; 44 en de zee, en de twaalf runderen onder de zee; 45 en de potten, aschschoppen en bekkens. En al deze vaten, welke Hiram voor den koning Salomo maakte voor het huis des |
TGEN 7. Heeren, waren van blinkend koper. 46 In de landstreek van den Jordaan liet de koning ze gieten in kleiachtige aarde , tusschen Sukkoth en Zarethan. 47 En Salomo liet al de vaten ongewogen, wegens de zeer groote menigte en zwaarte van het koper. 48 Ook maakte Salomo iil het gereedschap dat tot het huis des Heeren behoorde; namelijk den gouden altaar, de gouden tafel waarop de toonbrooden lagen; 49 vijf kandelaars ter rechterhand , en vijf kandelaars ter linkerhand, voor de godgewijde plaats, van het zuiverste goud, met gouden bloemen, lampen en snuiters; 50 daarenboven schalen, schotels, bekkens, bekers en pannen, van zuiver goud; ook waren de hengsels aan de deur van het huis, binnen in het allerheiligste, en aan de deur van het huis des tempels, van goud. 51 Alzoo werd al het werk voltooid hetwelk de koning Salomo maakte aan het huis des Heeren. En Salomo bracht daarin hetgeen zijn vader David geheiligd had, van zilver en goud, en de vaten, en hij leide ze in de: He 1 nii ou ov vo de Je ve' br da 2 Isi de mi de 3 va de H( 4 Wi sti scl in de B en Isi ve he ofi re ni ke ( |
1 KONINGEN 8.
673
|
den schat van liet huis des Heeren. HOOFDSTUK 8. 1 Toen vergaderde de koning Salomo tot zicli de oudsten van Israël, al de oversten der stammen, de vorsten onder do vaderen der kinderen Israels, te Jeruzalem, om de ark des verbonds des Heeren opte-brengen uit de stad Davids, dat is Sion. 3 En al de mannen in Israël vergaderden zicli tot den koning Salomo in de maand Ethanim op liet feest; deze maand is de zevende. 3 En toen al de oudsten van Israël kwamen, namen de priesters de ark des Heeren op, 4 en brachten haar opwaarts, alsook de hut des stichts, en al het gereedschap des heiligdoms dat in de hut was; dat deden de priesters en Levieten. 5 En de koning Salomo, en de geheele gemeente van Israël die zich tot hem verzameld had, gingen met hem voor de ark uit en offerden schapen en runderen , zóóveel, dat men ze niet tellen noch berekenen kon. |
6 Alzoo brachten de priesters cle ark des verbonds des Heeren op hare plaats in de godgewijde plaats van het huis, in het allerheiligste, tot onder de vleugels der cherubs. 7 Want de cherubs breidden de vleugels uit aan de plaats waar de ark stond, en zij bedekten de ark en hare handboomen van boven. 8 En de handboomen waren zóólang, dat hunne knoppen gezien werden in het heilige vóóraan de godgewijde plaats, maar buitenwaarts werden zij niet gezien; en zij waren aldaar tot op dezen dag toe. 9 Er was niets in de ark dan alleen de twee steenen tafelen van Mozes, die hij daarin had nedergelegd bij Horeb, toen de Heer met de kinderen Israëls een verbond maakte en zij uit Egypteland trokken. 10 ïoen nu de priesters uit het heilige uitgingen, vervulde eene wolk het huis des Heeren, 11 zoodat de priesters niet konden staan en het ambt verrichten, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des Heeren vervulde het huis des Heeren. 13 Toen zeide Salomo: De Heer heeft gesproken 33 |
1 KONINGEN 8.
674
|
dat hij in het donker wonen zou. 13 Ik heb immers een huis gebouwd u tot eene woning, eene vaste plaats, dat gij daar eeuwiglijk zoudt wonen. 14 En de koning wendde zijn aangezicht, en zegende de geheele gemeente van Israël; en de geheele gemeente van Israël stond. 15 En hij sprak: Geloofd zij de Heer, Israels God, die met zijnen mond tot mijnen vader David gesproken, en het nu met zijne hand vervuld heelt, zeggende : 16 Yan dien dag af dat ik mijn volk Israël uit Egypte voerde, heb ik nooit eene stad verkoren onder eenigen stam van Israël, opdat mij een huis gebouwd zou worden, dat mijn naam daar wezen zou; maar ik heb David verkoren, dat hij over mijn volk Israël zou zijn. 17 En trouwens, mijn vader David had in den zin, den naam van den Heer, den God van Israël, een huis te bouwen; 18 maar de Heer sprak tot mijnen vader David: Gij hebt in den zin gehad mijnen naam een huis te bouwen, en gij hebt wèl gedaan dat gij dat voor-hadt; |
19 doch gij zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon die uit uwe lendenen komen zal, die zal mijnen naam een huis bouwen. 20 En de Heer heeft zijn woord vervuld dat hij gesproken heeft; want ik ben opgetreden in de plaats van mijnen vader David, eu zit op den troon van Israël', zooals de Heer gesproken heeft, en ik heb een huis gebouwd voor den naam van den Heer, den God van Israël, 31 eu ik heb aldaar eene plaats bereid voor de ark in welke het verbond des Heeren is, dat hij gemaakt heeft met onze vaderen, toen hij hen uit Egypteland voerde. 33 En Salomo trad vóór den altaar des Heeren, tegenover de geheele gemeente van Israël, en strekte zijne handen uit naar den hemel, 33 en sprak: Heer, Israels God, er is geen God, noch boven in den hemel, noch beneden op de aarde, gelijk gij, die het verbond eu de barmhartigheid houdt aan uwe knechten, welke met hun gansche hart voor u wandelen; |
1 KONINGEN S.
073
|
S-l gij die uwen kneclit mijnen vader David geliou-den liebt wat gij tot hem gesproken lielit: met uwen mond hebt gij liet gesproken , en met uwe hand hebt gij het vervuld, zooals het op dezen dag is. '25 Nu Heer, God van Israël, houd uwen knecht mijnen vader David wat gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u voor mij ontbreken om op den troon van Israël te zitten, indien slechts uwe' zonen hunnen weg bewaren, dat zij voor mij wandelen, gelijk gij voor mij gewandeld hebt. 26 JSu, God van Israël, laat uwe woorden waar worden, die gij tot uwen knecht mijnen vader David gesproken hebt. 87 Wat meent men dat God op do aarde woont? Zie, de hemel en aller hemelen hemel kunnen u niet omvatten, hoeveelteminder dan dit huis dat ik gebouwd heb! 28 Doch wend u tot het gebed van uwen knecht en tot zijn smeeken, Heer mijn God, opdat gij hoort den lof en liet gebed hetwelk uw knecht heden voor vt doet; |
29 dat uwe oogen openstaan over dit huis nacht en dag, over die plaats van welke gij gezegd hebt; Mijn naam zal daar zijn. Wil toch hooren het gebed hetwelk uw knecht op deze plaats doet,_ 30 en wil'toch verhooren het smeeken van uwen knecht en van uw volk Israël, hetgeen zij hier doen zullen in deze plaats; hoor het in uwe woning, in den hemel, en als gij het hoort, wil dan genadig zijn. 31 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zondigt, eu een eed van hem neemt, waardoor deze zich verplicht , en de eed komt voor uwen altaar in dit huis, —- 32 zoo wil toch hooren in den hemel, en uw knechten recht doen wedervaren, om den goddelooze te ver-oordeelen, brengende hetgeen hij bedreef op zijn hoofd, en om den rechtvaardige recht te doen geworden, hem gevende naar zijne gerechtigheid. 33 Wanneer uw volk Israël voor zijne vijanden geslagen wordt, omdat zij tegen u gezondigd hebben, en ?.ij zich tot u bekeerèn en uwen naam belijden, en tot u bidden en smeeken in dit huis, — 3-4 zoo wil toch hooren |
676 1 KONINGEN 8.
|
in den liemel, en vergeven de zonde van uw volk Israël, cn hen wederbrengen in het land hetwelk gij hunnen vaderen gegeven hebt. 35 Wanneer de hemel gesloten wordt, dat het niet regent, omdat zij tegen u gezondigd hebben, en zij bidden zullen in deze plaats, en uwen naam belijden, en zich van hunne zonde bekeeren, dewijl gij hen dringt, — 36 zoo wil toi'li hooren in den hemel, en vergeven de zonde van uwe knechten en van uw volk Israël, dat gij hun den goeden wegwijst dien zij bewandelen moeten, en laat regenen op het land hetwelk gij aan uw volk tot een erfdeel gegeven hebt. 37 Als er eene duurte, of pest, of droogte, of ko-renbrand, of honigdauw, of sprinkhaan, of kever in het land zijn zal, of hun vijand in het land hunne poorten belegert, of als er eenige plaag of krankheid zijn zal; 38 wie dan bidt en smeekt, hetzij eenig inensch of uw volk Israël, die hunne plaag gewaarworden elk in zijn hart, en zijne handen uitbreidt in dit huis, — |
39 zoo wil toch hooren in den hemel, de vaste plaats waar gij woont, en genadig zijn; en beschik het zóó dat gij aan ieder geeft zooals hij gewandeld heeft, gelijk gij zijn hart kent; want gij alleen kent het hart van alle kinderen der menschen; 40 opdat zij u altijd vreezen, zoolang zij leven iji het land hetwelk gij aan onze vaderen gegeven hebt. 41 Wanneer ook een vreemdeling , die niet van uw volk Israël is, uit een ver land komt om uws naams wil, 43 (want zij zullen hooren van uw grooten naam en van uw machtige hand en van uw uitgestrekten arm), als hij komt en bidt in dit huis, — 43 zoo wil toch hooren in den hemel, in de vaste plaats uwer woning, en alles doen waarom de vreemdeling u aanroept; opdat alle volken der aarde uwen naam kennen, dat zij u ook vreezen gelijk uw volk Israël, en dat zij gewaarworden dat dit huis, hetwelk ik gebouwd heb, naar uwen naam genoemd is. 44 Wanneer uw volk uittrekt tot den strijd tegen i zijne vijanden, langs denj weg dien gij hen zenden! |
1 KONINGEN
677
|
zult, en zij bidden zullen tot den Heer, gekeerd naaiden kant dezer stad die gij verkoren hebt, en naar dit liuis hetwelk ik uwen naam gebouwd heb, — 45 zoo wil tocli kun gebed en Imn smeeken liooren in den hemel, en hun recht handhaven. 46 Wanneer zij tegen u zondigen zullen, (want er is ■ geen mensch die niet zondigt), en gij toornig wordt en hen aan limine vijanden overgeeft, dat die hen gevankelijk wegvoeren in liet land der vijanden, hetzij ver of nabij; 47 eu zij het ter harte nemen in het land waar zij gevangen zijn, en zich bekeeren, en tot u smeeken in het huid hunner gevangenschap , zeggende: Wij hebben gezondigd en misdaan, en zijn goddeloos geweest ; 48 en zij zich alzoo tot u bekeeren met hun gan-sche hart en ziel, in liet land hunner vijanden die hen weggevoerd hebben, en zij tot u bidden gekeerd naar hun land dat gij hunnen vaderen gegeven hebt, naar die stad die gij verkoren hebt, en naar dit huis dat ik uwen naam gebouwd heb, —• |
49 zoo wil toch hun gebed en hun smeeken hoo-ren in den hemel, van de zitplaats uwer woning, en hun recht handhaven, 50 en vergeven aan uw volk waarin, zij zich aan u bezondigd hebben, en al hunne overtredingen met welke zij tegen u overtreden hebben, en wil barmhartigheid bewijzen aan degenen die hen gevangen houden, dat zij zich over hen ontfermen. 51 Want zij zijn uw volk en uw erfdeel, hetwelk gij uit Egypte, uit den ijzer-oven, gevoerd hebt. 52 Dat alzoo uwe oogen open zijn op het smeeken van uwen knecht en van uw volk Israël, dat gij hen hoort in alles waarom zij u aanroepen. 53 AVant gij hebt ze u afgezonderd tot een erfdeel uit alle volken der aarde; gelijk gij gesproken hebt door Mozes uwen knecht, toen gij onze vaderen uit Egypte voerdet, o Heere Heere. —■ 54 En toen Salomo dit gelieele gebed endezesmee-king had gebeden voor den Heer, stond hij op van den altaar des Heeren, en hield op te knielen en zijne handen uittebreiden naar 1 den hemel, |
1 KONINGEN 8.
678
|
55 en trad daarheen, en • zegende de geheele gemeen te van Israël met eene luide stem, zeggende; 56 Geloofd zij de Heer, die aan zijn volk Israël rust gegeven lieeft, gelijk liij gesproken heeft; er is niet een cénig woord vervallen van al de goede woorden die hij gesproken heeft door zijnen knecht Mozes. 57 De Heer onze God zij met ons gelijk hij geweest is met onze vaderen, hij verlate ons niet en trekke de hand niet van ons af, 58 om onze harten tot hem te neigen; opdat wij wandelen in al zijne wegen, en onderhouden zijne geboden , inzettingen en rechten, die hij aan onze vaderen geboden heeft. 59 En deze woorden, waarmede ik voor den Heer gesmeekt heb, mogen den Heer onzen God nabij zijn dag en nacht, opdat hij recht doe aan zijnen knecht en aan zijn volk Israël, aan ieder te zijner tijd, 60 opdat alle volken dei-aarde erkennen dat de Heer God is, en niemand meer, 61 en uw hart oprecht zij met den Heer onzen God, om te wandelen in zijne inzettingen, en zijne geboden te onderhouden, gelijk het heden is. |
63 En de koning, benevens geheel Israël, otterde offers voor den Heer; 63 en de dankofl'ers die Salomo den Heere offerde , waren tweeëntwintigduizend ossen en honderdtwintigduizend schapen: al-zoo wijdden zij het huis des Heeren in, de koningen al de kinderen Israel's. 64 Op dien dag heiligde do koning het middelste voorhof dat voor het huis des Heeren was, daarmede dat hij brandoffer, spijsoffer en het vet der dankofl'ers aldaar bereidde; want de koperen altaar, dio voor den Heer stond, was te klein voor het brandoffer, spijsofler en voor het vet der dankoffers. 65 En Salomo vierde te dier tijd een feest, en geheel Israël met hem, eene groote vergadering, van den grenspaal Hamatli af tot aan de rivier van Egypte toe, voor den Heer onzen God, ze ren dagen en nog zeven dagen, dus veertien dagen lang. 66 En hij liet het volk op den achtsten dag gaan; en zij zegenden den koning, en gingen heen naar hunne hutten, vroolijk en welge- |
1 KONINGEN 9.
»79
|
mood over al liet goede dat de Heer aan David zijnen knecht en aan zijn volk Israël gedaan had. HOOFDSTUK 9. 1 Eu toen Salomo het huis des Heeren voltooid had, alsook des konings huis, en alwat hij begeerde en lust had te maken, 3 quot;zoo verscheen de Heer hem ten tweeden male, gelijk hij hem verschenen was te Gibeon. 3 En de Heer sprak tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeeken gehoord, hetwelk gij voor mij gesmeekt hebt; en ik heb dit huis, dat gij gebouwd hebt, geheiligd , opdat ik mijnen naam aldaar stelle eeuwig-lijk, en mijne oogen en mijn hart zullen daar altijd zijn. 4 En gij, is het dat gij voor mij wandelt gelijk uw vader David gewandeld he.eft, met een ongeveinsd hart en in oprechtheid, dat gij doet alwat ik u geboden heb, en mijne geboden en mijne rechten onderhoudt: 5 zoo zal ik den troon uws koninkrijks over Israël bevestigen eeuwiglijk, gelijk ik tot uwen vader David gesproken heb, zeggende; |
Geen man zal u ontbreken op den troon van Israël. 6 Maar is het dat gij u van mij afkeert, gij of uwe kinderen, en niet onderhoudt mijne geboden en rechten die ik u voorgelegd heb, en heengaat en andere goden dient en die aanbidt: 7 zoo zal ik Israël uitroeien uit het land hetwelk ik hun gegeven heb, en dit huis hetwelk ik mijnen naam geheiligd heb zal ik van mijn aangezicht wegdoen, en Israël zal tot een spreekwoord en tot eene spotrede zijn onder alle volken. 8 En dit huis zal ueder-gerukt worden, zoodat allen die voorbijgaan zich zullen ontzetten en schimpen, en zeggen: Waarom heeft de Heer aan dit land en dit huis zóó gedaan? 9 Dan zal men antwoorden: Omdat zij den Heer hunnen God verlaten hebben , die hunne vaderen uit Egypte voerde, en andere goden aangenomen en die aangebeden en gediend hebben , daarom heeft de Heer al dit kwaad over hen gebracht. 10 Als nu de twintig jaren om waren, in welke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis des |
1 KONINGEN 9.
68fl
|
Heeren en liet liuis des ko-nings, 11 waartoe Hiram, de koning van Tyrus, aan Salomo cederboomen en denneboo-men en goud naar al zijne begeerte gebracht had, toen gat' de koning Salomo aan Hiram twintig steden in het land van Galilca. 13 En Hiram trok uit Tyrus, om de steden te bezien welke Salomo hem gegeven had; maar zij behaagden hem niet. 13 En hij sprak: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder , die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul tot op dezen dag. 14 En Hiram had den koning gezonden honderd en twintig talenten goud. 15 En dit is de som van den cijns welken de koning Salomo opnam, om te bouwen het huis des Heeren, en zijn huis, en Millo, en de muren van Jeruzalem, en Ha-zo i- , en Megiddo, en Gezer. 16 Want Farao de koning van Egypte was opgetogen en had Gezer ingenomen en met vuur verbrand, en de Kanaünieten gedood die in de stad woonden, en had haar aan zijne dochter. Sa-lomo's huisvrouw, tot een geschenk gegeven. |
17 Alzoo herbouwde Salomo Gezer en neder-Eeth-Horon, 18 en Baalath, en Tadmor in de woestijn, in het land, 19 en al de steden der korenhuizen die Salomo had, én al de steden der krijgs-wagens, en de steden der ruiters, en waartoe hij lust had om te bouwen, te Jeruzalem, en op den Libanon , en in het geheele land zijner heerschappij. 20 En al het overgebleven volk van d.e Amorieten, He-thieten, Ferczieten, Hevie-ten en Jebusieten, die niet van de kinderen Israels waren, 21 hunne kinderen die zij na hen lieten overblijven in het land, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die maakte Salomo cijnsbaar tot op dezen dag. 32 Doch van de kinderen Israels maakte hij geen knechten, maar liet hen krijgslieden, hofbeambten, vorsten, hoofdmannen en oversten zijner wagens en ruiters zijn. 33 En de ambtlieden, over Salomo's werken gesteld, waren vijfhonderd en vijftig, die het bevel voerden over het volk dat den arbeid verrichtte. |
1 KONINGEN 10.
681
|
24 Eu de docliter van Farao trok opwaarts van de stad Davids naar haar liuis hetwelk hij voor haar gebouwd had; daarna bouwde hij ook Millo. 35 En Salomo offerde driemaal 's jaars brandoliers en dankoffers op den altaar dien hij den Heere gebouwd had, en wierookte daarop voor den Heer, nadat alzoo het huis voltooid was. 36 En Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Gcber bij Eloth aan den oever der Schelfzee,' in het land der Edomieten ; 37 en Hiram zond zijne knechten in de schepen, die goede sclieepslicden en op de zee ervaren waren, met de knechten van Salomo. 38 En zij kwamen te Ofir, en haalden aldaar vierhonderd en twintig talenten goud, en brachten het tot den koning Salomo. HOOFDSTUK 10. 1 En toen het gerucht van Salomo, aangaande den naam des Heeren, kwam tot de koningin van rijk Arabic, zoo kwam zij om hem met raadselspreuken te beproeven; |
3 en zij kwam te Jeruza-. lem met een zeer groot gevolg, met kameelen die specerijen en veel goud en edelgesteente droegen; en toen zij tot den koning Salomo kwam, sprak zij tot hem alwat zij voorgenomen had. 3 En Salomo verklaarde haar alles; den koning was niets verborgen, dat hij haar niet verklaarde. 4 ïoen nu de koningin van rijk Arabic al de wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij gebouwd had, 5 en de spijs voor zijne tafel, en de woningen zijner knechten, en het ambt zijner dienaren, en hunne kleederen , en zijne schenkers, en zijne brandoffers die hij in het huis des Ileeren offerde, zoo kon zij zich niet langer inhouden, C maar sprak tot den koning; Het is waarheid geweest wat ik in mijn land gehoord heb van uwe inrichtingen en van uwe wijsheid; 7 en ik heb het niet willen gelooven, totdat ik gekomen ben en het met mijne oogen gezien heb: en zie, do helft is mij niet gezegd , gij hebt meer wijsheid en goed dan het gerucht was dat ik gehoord heb. 8 Zalig zijn uwe lieden en uwe knechten, die altijd voor u staan en uwe wijsheid hooren. |
1 KONINGEN 10.
683
|
9 Geloofd zij de Heer mv God, die welgevallen aan u heeft, dat hij u op den troon van Israël gezet heeft; omdat de Heer Israël liefheeft eeuwiglijk, daarom heeft hij n tót koning gesteld, om recht en gerechtigheid te handhaven. 10 En zij gaf den koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen en edelgesteenten; nooit was er zóóveel specerij gekomen als de koningin van rijk Arable aan den koning Salomo gaf. 11 Ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir brachten, voerden uit Ofir zeer veel ebbenhout en edelgesteenten aan. 13 En de koning liet pilaren van ebbenhout maken in het huis des Heeren en in het huis des konings, en harpen en fluiten voor de zangers: er was nooit zulk ebbenhout gekomen en het was ook niet gezien tot op dezen dag. 13 En de koning Salomo gaf aan de koningin van rijk Arabië alwat zij begeerde en bad, behalve hetgeen hij haar vanzelf gaf; en zij keerde terug en trok weder naar haar land met hare knechten. |
I t Het goud nu dat ieder jaar Salomo's inkomst was, bedroeg in gewicht zeshonderd zesenzestig talenten; 15 behalve wat van de kramers, en kooplieden, en specerij verkoopers, en van al de koningen van Arabic, en van de vorsten van dat land kwam. 16 En de koning Salomo liet tweehonderd schilden maken van het beste goud: zeshonderd stukken goud nam hij voor elk schild; 17 en driehonderd rondassen van het beste goud: drie pond goud voor elke rondas; en de koning stelde ze in het huis van het woud van den Libanon. 18 En de koning maakte een grooten troon van ivoor, en overtrok dien met het edelste goud. 19 En die troon had zes trappen, en het verhemelte van dien troon was achterwaarts rond, en er waren leuningen aan beide zijden om de zitplaats, en twee leeuwen stonden bij die leuningen ; 20 en twaalf leeuwen stonden op de zes trappen aan beide zijden: iets dergelijks was nooit gemaakt in eenig koninkrijk. 31 Alle drinkvaten van don koning Salomo waren van goud, en alle vaten in |
1 KONINGEN 11.
683
|
het luiis van het woud van den Libanon waren zuiyei-goud; want het zilver achtte men ten tijde van Salomo niet. 32 Want het schip des konings, dat op de zee met hot schip van Hiramvoer, kwam in driejaren éénmaal, en bracht goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. 23 Alzoo werd de koning Salomo grooter in rijkdom en wijsheid dan alle koningen der aarde; 31 en de geheele wereld begeerde Salomo te zien, en de wijsheid te hoeren die God in zijn hart gegeven had; 25 en iedereen bracht hem geschenken, zilveren en gouden vaten, kleederen en harnassen, specerijen, paarden en muilezels, van jaar tot jaar. 26 En Salomo vergaderde wagens en ruiters, zoodat hij duizend cn vierhonderd wagens had, en twaalfduizend ruiters; en hij leide ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem. 37 En de koning maakte dat het zilver te Jeruzalem zooveel was als de steenen, en het cederhout zooveel als do wilde vijgeboomen in de valleien. |
28 En men bracht Salomo paarden uit Egypte, en allerlei waren; en de kooplieden des konings kochten deze waren, 29 en brachten ze uit Egypte op, eiken wagen voor zeshonderd zilverlingen, en een paard voor honderd cn vijftig; alzoo bracht men ze ook aan al de koningen der Hethieten en aan de koningen van Syrië door hunne hand. HOOFDSTUK 11. 1 De koning Salomo nu beminde vele uitlandsche vrouwen, benevens de dochter van Farao; Moabietische, Ammonietische, Edomieti-sche, Sidonische en Hethie-tische; 2 van zulke volken, van welke de Heer gezegd had tot de kinderen Israels: Gaat niet tot hen, en laat hen niet tot u komen: zij zullen gewis uwe harten naar hunne goden neigen. Aan deze was Salomo door liefde gehecht. 3 En hij had zevenhonderd vrouwen die vorstinnen waren, en driehonderd bijwijven; en zijne vrouwen neigden zijn hart. 4 En toen hij nu oud was, neigden zijne vrouwen zijn hart naar vreemde go- |
1 KONINGEN 11.
684
|
den, zoodat zijn hart niet gelieel met den Heer zijnen God was, gelijk liet hart van zijnen vader David. 5 Alzoo wandelde Salomo Astóreth de godheid der Sidoniërs na, en Milkom den gruwel der Ammonieten ; 6 en Salomo deed hetgeen den Heer kwalijk behaagde , en volgde den Heer niet geheel, gelijk zijn vader David. 7 Zelfs bouwde Salomo eene hoogte voor Kamos den gruwel der Moabieten, op den berg die vóur Jeruzalem ligt, en voor Molech den gruwel der Ammonieten. 8 Alzoo deed Salomo voor al zijne uitlandsche vrouwen, die haren goden wierookten en olferden. 9 En de Heer werd toornig op Salomo, omdat zijn hart was afgewend van den Heer, den God van Israël, die hem tweemaal verschonen was, 10 en hem dit geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet hetgeen de Heer hem geboden had. 11 Daarom sprak de Heer tot Salomo; Dewijl dit bij ii geschied is, en gij mijn verbond en mijne geboden niet gehouden hebt, die ik u geboden heb, zoo zal ik ook het koninkrjjk van u scheuren en het aan uwen knecht geven. |
13 Nochtans in uwen tijd zal ik het niet doen, ter-wille van uwen vader David ; maar van de hand uws zoons zal ik het scheuren. 13 Echter wil ik het ge-heele rijk niet afscheuren: écnen stam zal ik uwen zoon geven, terwille van mijnen knecht David en terwille van Jeruzalem dat ik verkoren heb. 14 En de Heer verwekte Salomo een tegenpartijder, Hadad den Edomiet, die van koninklijk zaad was in Edom. 15 Want toen David in Edom was, en Joab de krijgsoverste optrok om de verslagenen te begraven, versloeg hij alwat mannelijk was in Edom. 16 Want Joab en geheel Israël bleven aldaar zes maanden, totdat hij uitgeroeid had alwat mannelijk was in Edom. 17 Toen vluchtte Hadad, en met hem sommige mannen der Edomieten, van zijns vaders knechten, dat zij in Egypte kwamen. Hadad nu was een klein jongsken. |
1 KONINGEN 11.
685
|
18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen te Paran, en namen lieden met zich uit Paran, en kwamen in Egypte tot Farao den koning van Egypte; die gat' hem een huis en voedsel, en gaf hem ook land. 19 En Hadad vond groote genade bij Earao, zoodat hij hem zelfs de zuster van zijne huisvromv Tachpenes, de koningin, tot vrouw gaf. 20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijnen zoon Grenubath; en Tachpenes voedde dien op in het huis van Earao, zoodat Genubath in het huis van Earao was onder de zonen van Farao. 31 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David ontslapen was met zijne vaderen, en dat Joab de krijgsoverste dood was, zoo sprak hij tot Farao: Laat mij naar mijn land trekken. 32 En Farao sprak tot hem: Wat ontbreeKt u bij mij, dat gij naar uw land wilt trekken? Hij sprak: Niets, maar laat mij evenwel trekken. 23 Ook verwekte God hem een tegenpartijder, Kezon den zoon van Eljada, die van zijnen heer Hadadczer den koning van Zoba gevloden was. |
34 En hij vergaderde mannen tegen hem, en werd een hoofdman der krijgsknechten, toen David hen doodde; en zij trokken naar Damascus, en woonden aldaar, en regeerden te Damascus. 35 En hij was Israels tegenpartijder zoolang als Salomo leefde. Dit is de schade die Hadad leed, daarom had hij een afkeer van Israël; en hij werd koning over Syrië. 36 Daarenboven Jerobeam do zoon van Nebat, een Efraïmiet uit Zereda, Sa-lomo's knecht, en zijne moeder heette Zerua en was eene weduwe, die hief ook de hand op tegen den koning. 37 En dit is de zaak waarom hij de hand tegen den koning ophief. Toen Salomo Millo bouwde, herstelde hij eene breuk aan de stad van David zijnen vader. 38 En Jerobeam was een strijdbaar man; en toon Salomo zag dat de jongeling behendig was, stelde hij heul over al den arbeid van het huis Jozefs. 39 Het geschiedde nu te dier tijd, dat Jerobeam uii-ging van Jeruzalem, en de |
1 KONINGEN 11.
686
|
profeet Alua van Silo kwam bij hem op den weg, en had een nieuwen mantel om; en die beiden waven alléén op het veld. 30 En Ahia vatte den nieuwen mantel dien hij omhad, en scheurde dien in twaalf stukkeu, 31 en zeide lot Jerobeam: Neem tien stukken voor u; want dus spreekt de Heer, Israels God: Zie, ik wil het koninkrijk van Salomo's hand scheuren, en u tien stammen geven; 33 éénen stam zal hij hebben terwille van mijnen knecht David, en van Jeruzalem , de stad die ik verkoren heb uit alle stammen van Israël; 33 daarom dat zij mij verlaten hebben, en aangebeden Astóreth de godheid der Sidoniers, Kamos den god der Moabieten, en Mil-kom den god der kinderen Amnions, en niet gewandeld hebben in mijne wegen, dat zij deden wat mij behaagt, en mijne inzettingen en rechten [onderhielden] gelijk zijn vader David. 34 Ook wil ik niet het geheele rijk uit zijne hand nemen, maar ik wil hem tot een vorst stellen zijn leven lang, terwille van mijnen knecht David dien ik verkoren heb, die mijne geboden en inzettingen onderhouden heeft. |
35 Uit de hand zijns zoons wil ik het koninkrijk nemen, en wil n tien stammen geven; 36 en ik wil zijnen zoon écnen stam geven, opdat David mijn knecht altijd een schijnsel hebbe voor mij in de stad Jeruzalem, die ik mij verkoren heb om aldaar mijnen naam te stellen. 37 U dan zal ik nemen, en gij zult regeeren over alwat uw hart begeert, en gij zult koning zijn over Israël. 38 Is het nu dat gij hoo-ren zidt naar alwat ik u gebieden zal, en in mijne wegen zult wandelen, en doen wat mij behaagt, dat gij mijne inzettingen en geboden onderhoudt, gelijk mijn knecht David gedaan heeft: zoo zal ik met u zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven; 39 en ik zal Davids zaad te dien eindo verootmoedigen , nochtans niet eeuwig-üjk. - 40 Salomo nu zocht Jerobeam te dooden; toen maakte Jerobeam zich op |
1 KONINGEN 12.
687
|
en vlood naar Egypte, naar Sisak den koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf. 41 AYat er nu meer van Salomo te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, en zijne wijsheid, dat is geschreven in do kroniek van Salomo. 42 De tijd nu dien Salonio koning was te Jeruzalem over geheel Israel is veertig jaar. 43 En Salomo ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in de stad van David zijnen vader; en zijn zoon Eehabeam werd koning in zijne plaats. • HOOFDSTUK 12. 1 En Eehabeam trok naar Sichem, want geheel Israël was te Sichem gekomen om hem koning te maken, 2 En Jerobeam de zoon van Nebat hoorde dat, toen hij nog in Egypte was, waarheen hij voor den koning Salomo gevloden was, en hij woonde in Egypte; 3 en zij zonden heen en lieten hem roepen. En Je-robeam en de geheele gemeente van Israël kwamen en spraken met Eehabeam, zeggende: |
4 Uw vader heeft ons juk te hard gemaakt; maak gij nu den harden dienst en het zware juk van uwen vader dat hij ons opgelegd heeft lichter, zoo willen wij u onderdanig zijn. 5 Hij nu sprak tol hen: Gaat heen tot den derden dag, en komt dan weder tot mij. En het volk ging heen. 6 En de koning Eehabeam hield raad met de oudsten die voor zijnen vader Salomo gestaan hadden toen hij leefde, zeggende: Welk antwoord raadt gij dat wij aan dit volk zullen geven? 7 En zij spraken tot hem: Indien gij heden aan dit volk een dienst doen zult, en hun te wille zijn en hen verhoeren en hun goede woorden geven zult, zoo zullen zij u onderdanig zijn uw leven lang. 8 Dooh hij verliet den raad der oudsten dien zij hem gegeven hadden, en hij hield raad met de jongelingen die met hem opgewassen waren en vóór hem stonden, 9 en hij sprak tot hen: Wat raadt gij dat wij aan dit volk zullen antwoorden, die tot mij gezegd hebben: Maak hefc juk lichter dat uw vader ons heeft opgelegd? 10 En de jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem: Gij zult |
688 1 KONINGEN 13.
|
tot dit volk, dat tot u zegt: Uw vader heeft ons juk te zwaar gemaakt, maak gij liet ons lichter, aldus zeggen: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen: 11 nu, mijn vader heeft u een zwaar juk opgeladen, maar ik wil het nog zwaarder over u maken; mijn vader heeft u met geesels gekastijd, maar ik wil u met schorpioenen kastijden. 13 En Jerobeamenalhet volk kwamen tot Eehabeam op den derden dag, gelijk de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag. 13 En de koning gaf aan het volk een hard antwoord, en verliet den raad dien de oudsten hem gegeven hadden, 1-1 en sprak met hen naaiden raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik wil het nog zwaarder over u maken; mijn vader heeft u met geesels gekastijd, maar ik wil umet schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde de koning-naar het volk niet; want het was zoo beschikt van den Heer, opdat hij zijn woord bevestigde, hetwelk hij door Ahia van Silo gesproken had tot Jerobeam den zoon van Nebat. |
1G Toen nu geheel Israël zag dat de koning hen niet hooren wilde, gaf het volk den koning tot antwoord, zeggende; Wat deel hebben wij dan aan David, of wat erve aan den zoon van Isai? Haast u naar'uwe hutten, o Israël; voorzie nu uw huis, o David. Alzoo ging Israël naar zijne hutten; 17 zoodat Eehabeam slechts regeerde over de kinderen Israëls die in de steden van Juda -woonden. 18 En toen de koning Eaiiabeam Ado ram den rentmeester zond, wierp geheel Israël hem met steenen, dat hij stierf; en de koning Eehabeam klom haastig- op een wagen om naar Jeruzalem te vluchten. 19 Alzoo viel Israël van het huis van David af tot op dezen dag. 30 Toen nu geheel Israël hoorde dat Jerobeam wedergekomen was, zoo zonden zij heen en lieten hem roepen tot de gemeente, en maakten hem koning over geheel Israël; en niemand volgde het huis van David dan de stam Juda alleen. 31 En toen Eehabeam te Jeruzalem kwam, vergaderde hij het geheele huis van |
1 KONINGEN 13.
689
|
Juda en den stam van Benjamin, lionderdtaclitigdui-zend jonge strijdbare mannen , om tegen het liuis Israels te strijden en het koninkrijk weder aan Reha-beam den zoon van Salomo te brengen. 22 Doch Gods woord kwam tot Semaja den mau Gods, zeggende: 33 Zeg aan Rehabeam den zoon van Salomo, den koning van Juda, en aan het geheele huis van Juda en Benjamin, en aan. het overige volk, zeggende: 34 Dus spreekt de Heer: Gij zult niet optrekken en strijden tegen uwe broeders de kinderen Israels; een ieder ga weder naarhuis, want dit is van mij geschied. En zij hoorden naar het woord des Heeren, en keerden weder, dat zij heengingen , zooals de Heer gezegd had. 35 Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en trok vandaar uit en bouwde Pnuël. 3G En Jerobeam dacht in zijn hart: Het koninkrijk zal welhaast wederkomen aan het huis van David: |
37 als dit volk opgaan zal om oü'eranden te doen in het huis des Heeren te Jeruzalem , zoo zal het hart des volks zich keeren tot hunnen heer Eehabeam, den koning van Juda; en zij zullen mij dooden, en wederkomen tot Eehabeam den koning van Juda. 3S En de koning hield raad, en maakte twee gouden kalveren, en sprak tot hen: Het is u teveel om te gaan naar Jeruzalem: zie hier zijn uwe goden, o Israël, die u uit Egypteland geleid hebben. 39 En hij zette het ééne te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan. 30 En dit werd tot zonde; want het volk ging heen naar het céne tot Dan toe. 31 Ook maakte hij een huis der hoogte, en stelde priesters aan uit alle standen des volks, die niet van de kinderen van Levi waren; 33 en Jerobeam maakte een feest op den vijftienden dag der achtste maand, gelijk het feest in Juda, en offerde op den altaar. Zoo deed hij te Beth-El, dat men den kalveren ofterde die hij gemaakt had, en stelde te Beth-El priesters aan der hoogte die hij gemaakt had, 33 en hij ofierde op den altaar dien hij gemaakt had te Beth-El, op den vijftien- |
1 KONINGEN 13.
690
|
tien dag der achtste maand, die hij uit zichzelven verzonnen had; en hij maakte den kinderen Israels een feest, en ofterde op den altaar, opdat men wierooken zoude. HOOFDSTUK 13. 1 En zie, een man Gods kwam van Juda, door het woord des Hoeren, te Beth-El; en Jeroheam stond bij den altaar om te wierooken. 2 En hij riep tot den altaar door het woord des Heeren, en sprak: Altaar, altaar, dus spreekt de Heer: Zie, er zal een zoon den huize Davids geboren worden , genaamd Josia; die zal op u offeren de priesters dei-hoogte , die op u wierooken, en men zal mensehenbeen-deren op u verbranden. 3 En hij gaf op dien dag een wonderteeken, zeggende: Dit strekke tot een wonderteeken dat de Heer aldus gesproken heeft: zie, de altaar zal vaneenscheuren en do asch dio daarop is afgeschud worden. 4 Toon nu de koning het woord hoorde van den man Gods, hetwelk hij tegen den altaar te Beth-El had uitgeroepen, strekte hij zijne hand uit op den altaar, zeggende: Grijpt hem. En zijne hand, die hij tot hem had uitgestrekt, verdorde, en hij kon haar niet weder tot zich trekken. |
5 En de altaar scheurde vanéén, en do asch word afgeschud van den altaar, naar het wonderteeken hetwelk de man Gods gegeven had door het woord des Heeren. G En de koning antwoordde en sprak tot den man Gods; Aanbid het aangezicht van den Heer uwen God, en bid voor mij dat mijne hand weder tot mij kome. Toen aanbad de man Gods het aangezicht dos Heeren, en de hand des ko-nings kwam weder tot hem, en zij werd gelijk zij tevoren was. 7 En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naarhuis cn laaf u, ik zal u een geschenk geven. 8 Maar de man Gods sprak tot den koning: Al gaaft gij mij do helft van uw huis, zoo ging ik toch niet met u, want ik wil in dezo plaats geen brood eten noch water drinken; 9 want aldus is mij geboden door het woord des Heeren, zeggende: Gij zult geen brood eten en geen water drinken, en niet we- |
|
derkomen langs den weg. dien gij gedaan zijt. 10 En hij ging heen langs een anderen weg, en keerde niet terug langs den weg dien hij naar Bsth-El gekomen was. 11 En er woonde een zeker oud profeet tc Beth-El, wiens zonen kwamen en hem al de werken verhaalden welke de man Gods dien dag te Beth-El gedaan had, en de woorden die hij tot den koning gesproken had; dit alles verhaalden zij hunnen vader. 13 En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij heengetrokken? En zijne zonen wezen hem den weg dien de man Gods was getrokken die van Jnda gekomen was. 13 Hij nu sprak tot zijne zonen: Zadelt mij don ezel. En toen zij hem den ezel gezadeld hadden, reed hij daarop; 14 en hij trok den man Gods achterna, en vond hem onder een eik zitten, en sprak tot hem: Zijt gij die man Gods die van Juda gekomen is? Hij zeide: Ja. 15 En hij sprak tot hem: Ga met mij naarhuis en eet brood. 16 Maar hij sprak: Ik kan niet met u omkeeren |
691 . en met u gaan, ook wil ik geen brood eten noch water drinken met u in deze plaats; 17 want er is tot mij gesproken door het woord des Heeren: Gij zult aldaar noch brood eten noch water drinken, gij zult niet weder langs den weg gaan dien gij gegaan zijt. 18 En hij sprak tot hem-. Ik ben óók een proleet gelijk gij, en een Engel heeft tot mij gesproken door het woord des Heeren, zeggende: Yoer hem weder met u naarhuis, opdat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem voor. 19 En hij voerde hem weder terug, dat hij brood at en water dronk in zijn huis. 20 En toen zij aan tafel zaten, kwam het woord des Heeren tot den profeet die hem weder teruggebracht had, 21 en hij riep den man Gods toe die van Jnda gekomen was, zeggende: Dus spreekt de Heer: Omdat gij het bevel des Heeren ongehoorzaam geweest -zijt, en niet gehouden hebt het gebod hetwelk de Heer uw God u geboden heeft, 22 en wedergekeerd zijt en brood gegeten en water ! gedronken hebt in de plaats 1 KONINGEN 13. |
1 KONINGEN 13.
693
|
van welke hij u zeide: Gij zult noch brood eten noch water drinken, — zoo zal nw lichaam in het graf uwer vaderen niet komen. 23 En nadat hij brood gegeten en gedronken had, zadelde reen den ezel voor den profeet dien hij had doen wederkeeren. 24 En als hij was heengetrokken , vond een leeuw hem op den weg en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en do ezel stond bij hem, en de leeuw stond bij het doode lichaam. 25 En toen er lieden voorbijgingen , zagen zij het doode lichaam op den weg liggen, en den leeuw bij het doode lichaam staan; en zij kwamen en zeiden het in de stad in welke de oude profeet woonde. 26 Toen nu de profeet , die hem weder teruggebracht had, dit hoorde, sprak hij: Het is de man Gods die het bevel des Heeren ongehoorzaam geweest is; daarom heeft de Heer hem aan den leeuw gegeven, die heeft hom verscheurd en gedood, naar het woord hetwelk de Heer tot hem gezegd heeft. 27 En hij sprak tot zijne zonen: Zadelt mij den ezel. |
•En toen zij dien gezadeld hadden, 28 trok hij heen, en vond zijn dood lichaam op den weg liggen, en den ezel en den leeuw bij het doode lichaam staande: de leeuw had niets gegeten van het doode lichaam, en den ezel niet verscheurd. 29 Toen nam de profeet het doode lichaam van den' mnn Gods op, en leide het op den ezel, en voerde het terug, en kwam in de stad van den ouden profeet, opdat zij hem beklaagden en begroeven. 30 En hij leide het doode lichaam in zijn graf, en zij romvklaagden over hem: Ach mijn broeder! 31 En toen zij hem begraven hadden, sprak hij tot zijne zonen: Als ik sterf, zoo begraaft mij in dat graf in hetwelk de man Gods begraven is,, en legt mijne beenderen bij zijne beenderen. 32 Want het zal geschieden hetgeen hij uitgeroepen heeft tegen den altaar te Eeth-El door het woord des Heeren, en tegen alle huizen der hoogten die in de steden van Samarië zijn. 33 Na dit voorval keerde Jerobeam zich niet van zijnen kwaden weg, maar hij |
1 KONINGEN 14.
G93
|
stolde wederom priesters der hoogten aan uit allo standen des volks: wie daartoe lust Lad, dien wijdde hij en dio werd priester der hoogten. 34 En dit werd Jorobeams huis tot zonde, om het te doen verderven en verdelgen van do aarde. HOOFDSTUK 14. 1 Te dier tijd was Abia de zoon van Jerobeara krank. 3 En Jerobeam sprak tot zijne huisvrouw: Maak u op en vermom u, opdat niemand het merke dat gij Jorobeams huisvrouw zijt, on ga heen naar Silo: zio, aldaar is de profeet Aln'a, die van mij gesproken heeft dat ik koning zou zijn over dit volk. 3 En neem met u tien brooden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem, opdat hij u zegge hoe het den jongen gaan zal. 4 En Jorobeams huisvrouw deed zoo, en maakte zich op en ging hoen naar Silo, en kwam in het huis van Alna. Alna nu kon niet zien, want zijne oogen stonden stijf van ouderdom. |
5 Maar de Heer sprak tot Ahia: Zie, Jeroboams huisvrouw komt om u eene zaak te vragen aangaande haren zoon, want hij is krank: spreek dan met haar zóó en zóó. Toen zij nu inkwam, deed zij zich als een vreemde voor. 6 En toen Ahia het geluid harer voetstappon hoorde toen zij do deur inkwam, sprak hij: Kom in, huisvrouw van Jerobeam, waarom doet gij u als oen vreemde voor? Ik ben tot u ge-zouden met eene harde boodschap. 7 Ga heen en zeg aan Jerobeam: Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb u verheven uit hot volk, en u tot een vorst over mijn volk Israël gesteld , 8 en heb het koninkrijk van Davids huis afgescheurd en het aan u gegeven; maar gij zijt niet geweest als mijn knecht David, die mijne geboden onderhield en mij van ganseher harte nawan-delde, dat hij alleen deed hetgeen mij behaagde; 9 maar gij hebt kwaad-gedaan boven allen die vóór u geweest zijn,'en gij zijt heengegaan en hebt u andere goden gemaakt, gesneden en gegoten beelden, dat gij mij tot toorn ver-wektet, en hebt mij achter uwen rug geworpen. 10 Daarom, zio, ik wil |
|
6Ü4 ongeluk over Jei'obeams huis brengen, en uitroeien van Jeroljeam alwat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël, en wil de nakomelingen van Jero-beams Imis wegdoen gelijk men liet vuil wegdoet, totdat het geheel met hem uit is. 11 AYie van Jerobeam sterft in de stad, dien zuilen de honden eten, en wie op het veld sterft, dien zullen de vogelen des hemels eten; want de Heer heeft het gesproken. 13 Zoo maak u nu op en ga naarhuis; en als uw voet de stad intreedt, zoo zal liet kind sterven. 13 En geheel Israël zal over hem romvklagen, en zij zullen hem begraven; want hij alleen zal van Jeroboam in het graf komen, omdat in het huis vau Jerobeam aan hem wat goeds gevonden is voor den Heer, den God van Israël. 14 Doch de Heer zal zich een koning over Israël verwekken, die zal Jerobeams huis uitroeien te eeniger tijd; en misschien zal het nu reeds zijn. |
15 En de Heer zal Israël slaan, gelijk het riet in het water bewogen wordt, en hij zal Israël uitrukken uit | dit goede land hetwelk hij ; hunnen vadeien gegeven ; heeft, en zal hen verstrooien over hot water, omdat zij zich gewijde bossclien gemaakt en den Heer vertoornd hebben; 10 en hij zal Israël overgeven om de zonden van Jerobeam, die hij gezondigd heeft en die hij [sraël heeft doen zondigen. 17 En Jerobeams huisvrouw maakte zich op en ging heen, en kwam te ïirza; en toon zij op den drempel van het huis kwam, stierf de jongen. 18 En zij begroeven hem, en geheel Israël röuwklaag-de over hem, naar het woord des Heeren hetwelk hij gesproken had door zijnen knecht iVhia den profeet. 19 Wat er nu meer van Jerobeam te zeggen is, hoe hij gestreden en geregeerd heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken dor koningen van Israël. 20 De tijd nu dien Jerobeam geregeerd heeft is tweeëntwintig jaar; en hij ontsliep met zijne vaderen, en zijn zoon Nadab werd koning in zijne plaats. 21 En Eehabeam de zoon van Salomo was koning van Juda: éénenveertig jnar was Rehabeam oud toon hij ko- 1 KONINGEN 14. |
1 KONINGEN 15.
693
|
ning werd, en liij regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, in de stad die de Heer verkoren had uit alle stammen van Israël, opdat hij zijnen naam aldaar stelde. Zijne moeder heette Naama de Ammonietische. 22 En Jnda deed hetgeen den Heer mishaagde, en zij verwekten hem tot naijver met hunne zonden die zij deden, meer dan alwat hunne vaderen gedaan hadden; 33 want zij stichtten zich óók hoogten, beeldzuilen en gewijde bosschen, op alle hooge heuvels en onder alle groene boomen; 24 ook waren er schand-jongens in het land, en zij deden al de gruwelen der volken die de Heer voor de kinderen van Israël verdreven had. 23 En in het vijfde jaar van den koning Eehabeam trok Sisak de koning van Egypte tegen Jeruzalem op; 20 en hij nam de schatten uit het huis des Heeren en uit het huis des konings, en alwat er te nemen was, en nam al de gouden schilden die Salomo had laten maken. |
27 In de plaats van deze liet de koning Eehabeam koperen schilden maken, en gaf het opzicht daarover aan de oversten der lijfwachten die de deur van het huis des konings bewaarden ; 28 en zoodikwijls de koning in het huis des Heeren ging, droegen de lijfwachten die, en brachten ze weder in de kamer der lijfwachten. 29 Wat er nu meer van Eehabeam te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 80 En er was oorlog tus-schen Eehabeam en Jero-beam, hun leven lang. 31 En Eehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven met zijne vaderen in de stad Davids. En zijne moeder heette Naiima do Ammonietische; en zijn zoon Abiam werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 15. 1 In het achttiende jaar van den koning Jerobeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. 2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; zijne moeder heette Maacha, de dochter van Abisalom. 3 En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die deze vóór hem bedreven |
696 1 KONINGEN 15.
|
had; en zijn liart was niet oprecht met den Heer zijnen God, gelijk het hart van zijnen vader David. 4 Maar om Davids wil gaf de Heer zijn God hem te Jeruzalem een schijnsel, dat hij zijnen zoon verwekte na hem, om Jeruzalem te doen staande blijven; 5 omdat David gedaan had hetgeen den Heer behaagde, en niet geweken was van al wat hij hem gebood, zijn leven lang, behalve in het geval vanUria den Hethiet. 6 En er was oorlog geweest tusschen Eehabeam en Jerobeam, zijn leven lang. 7 Wat er nu meer van Abiam te zeggen is, en al-wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. Er was ook oorlog tusschen Abiain en Jerobeam. 8 En Abiam ontsliep met z\jne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa zijn zoon werd koning in zijne plaats. 9 In het twintigste jaar nu van Jerobeam, den koning over Israël, werd Asa koning over Juda, 10 en hij regeerde éénenveertig jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Mailcha, de dochter van Abisalom. |
11 En Asa deed hetgeen den Heer behaagde, gelijk zijn vader David; 12 en hij verdreef de schandjongens uit het land, en deed al de afgoden weg die zijne vaderen gemaakt hadden; 13 daarenboven ontnam hij ook zijne moeder Maiieha alle gezag, omdat zij in een bosch een versclirikkelijken afgod gemaakt had; en Asa roeide dien versclirikkelijken afgod uit, en verbrandde hem aan de beek Kidron. l-l Maar de hoogten werden niet weggenomen; doch het hart van Asa was oprecht met den Heer, zijn leven lang. 15 En het zilver en het goud en de vaten van het huis des Heeren, die zijn vader geheiligd had, bracht hij weder daarin. 16 En er was oorlog tusschen Asa en Baësa den koning van Israël, hun leven lang. 17 En Baësa de koning van Israël trok op tegen Juda en versterkte liama, zoodat niemand kon uit- of intrekken tot Asa den koning van Juda. 18 Toen nam Asa al hot zilver en goud dat er overgebleven was in den schat |
1 KONINGEN 15.
697
|
van het huis des Heeren en in den schat van het huis des konings, en gaf het in dc handen zijner knechten, en zond hen tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hezjon, den koning van Syrië die te Damascus woonde, en liet aan hem zeggen : :19 Er is een verbond tus-schen mij en u, en tusschen mijnen vader en uwen vader ; daarom zend ik u een geschenk, zilver en goud, opdat gij het verbond vernietigt dat gij hebt met Baësa den koning van Israël, eu hij van mij terug-trekke. 20 En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond zijne hootdlieden tegen de steden van Israël, en veroverde Ijon, eu Dan, en Abel-Beth-Maacha, en het geheele Kinneroth, benevens het geheele land Naf-tali. 31 En toen Baësa dat hoorde, hield hij op Barna te versterken, en trok weder naar Tirza. 33 De koning Asa nu liet uitroepen in geheel Juda, dat niemand zou vrij blijven, om de steenen en het hout van Eama wegtene-men, waarmede Baësa gebouwd had; en de koning Asa versterkte daarmede Geba Benjamins en Mizpa. |
33 Wat er nu meer van Asa te zoggen is, en al zijne macht, en alwat hij gedaan heeft, en de steden die hij versterkt heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. Doch in zijnen ouderdom werd hij krank aan zijne voeten. 34 En Asa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven met zijne vaderen in de stad van David zijnen vader; en Josafat zijn zoon werd koning in zijne plaats. 35 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede jaar van Asa den koning van Juda, en regeerde over Israël twee jaren; 36 en hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en wandelde op de wegen zijns vaders, en in zijne zonde met welke hij Israël had doen zondigen. 37 En Baësa de zoon van Alna, uit het huis van Is-saschar, maakte een verbond tegen hem, en versloeg hem t.e Gibbethon dat aan de Eilistijnen behoorde; want Nadab en geheel Israël belegerden Gibbethon. 38 Alzoo doodde Baësa |
1 KONINGEN 16.
698
|
liem in het derde jaar-van Asa den koning van Jnda, en werd kon in»' in zijne plaats. 29 Als hij nu koning was, versloeg hij het geheele huis van Jerobeam, en hij liet van Jerobeam niets overblijven wat adem had, totdat hij hem verdelgde, naar het woord des Heeren hetwelk hij gesproken had door zijnen knecht Ahia van Silo, 30 om Jerobeams zonden die hij gedaan had en waarmede hij Israël had doen zondigen, om het tergen waarmede hij den Heer, den God van Israël, vertoornd had. 31 Wat er nu meer vau Nadab te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 33 En er was oorlog tus-scheu Asa en Baësa den koning van Israël, hun leven lang. 33 In het derde jaar van Asa den koning van Juda werd Baësa de zoon van Ahia koning over geheel Israël te ïirza, vierentwintig jaar lang; SI en hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en wandelde in den weg van |
Jerobeam 'en in zijne zonde waarmede hij Israël had doen zondigen. HOOFDSTUK 16. 1 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Jehu den zoon van Hanani tegen Baësa, zeggende: 2 Omdat ik u uit het stof verheven heb, en tot een vorst gemaakt over mijn volk Israël, en gij op den weg van Jerobeam wandelt en mijn volk Israël doet zondigen, zoodat gij mij vertoornt door hunne zonden: 3 zie, zoo wil ik de nakomelingen van Baësa en de nakomelingen van zijn huis wegnemen, en wil uw huis stellen gelijk het huis van Jerobeam den zoon van Nebat; 4 wie van Baësa sterft in de stad, dien zullen de honden eten, en wie van hem sterft op het veld, dien zullen de vogelen des hemels eten. 5 Wat er nu meer van Baësa te zeggen is, en wat hij gedaan heeft, en zijne macht, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 6 En Baësa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te Tirza; en zijn |
1 KONINGEN 16.
699
|
zoon Ela werd koning in zijne plaats. 7 Ook kwam liet woord des Heeren door den profeet Jelui, den zoon van Hanani, tegen liaisa en tegen zijn liuis, en tegen al liet kwaad dat hij deed voor de oogen des Heeren, dien hij vertoornde dooide werken zijner handen, dat hij zou worden gelijk het huis van Jerobeam; ook omdat hij het had omgebracht. 8 In het zesentwintigste jaar van Asa den koning van .1 uda werd Ela de zoon van Baësa koning over Israël te Tirza, twee jaren. 9 Maar zijn knecht Zimri, de overste over de helft der wagens, maakte een verbond tegen hem, toen hij te Tirza was zich dronken drinkende in het huis van Arza, den slotvoogd te Tirza; 10 en Zimri kwam daarin en sloeg hem dood, in het zevenentwintigste jaar van Asa den koning van Juda; en hij werd koning in zijne plaats. 11 En toen hij koning was en op zijnen troon zat, versloeg hij het geheele huis van Baësa, en liet niets overblijven wat mannelijk was, zelfs niet zijne erfgenamen en zijne vrienden. |
13 Alzoo verdelgde Zimri het geheele huis van Baësa, naar het woord des Heeren hetwelk hij over Baësa gesproken had door den profeet Jehu, 13 om al de zonden van Baësa en van zijnen zoon Ela, die zij gedaan hadden en die zij Israels hadden doen zondigen, dat zij den Heer, den God van Israël, vertoornden door hunne at-godcrij. 14 Wat er nu meer van Ela te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 15 In het zevenentwintigste jaar van Asu den koning van Juda werd Zimri koning, zeven dagen, to Tirza; en het volk lag voor Gibbethon der Eilistijnen. 1G En toen het volk in het leger hoorde zeggen, dat Zimri een verbond gemaakt en ook den koning verslagen had, zoo maakte geheel Israël op dien dag Ómri den krijgsoverste koning over Israël in het leger. 17 En Omri trok op, en geheel Israël met hem, van Gibbethon, en zij belegerden Tirza. 18 Toen nu Zimri zag dat |
1 KONINGEN 16.
700
|
de stad zou ingenomen worden , ging hij in liet paleis, in het huis des konings, en verbrandde het huis dos konings boven zich niet vuur, en stierf, 19 om zijne zonden die hij gedaan had, dewijl hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en wandelde op den weg van Jerobeam en in zijne zonde die hij bedreef, dat hij Israël deed zondigen. 30 Wat er nu meer van Zirnri te zeggen is, en hoe hij een verbond maakte, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 31 Te dier tijd verdeelde het volk van Israël zich in twee deelen, de ééne helft hing ïibni den zoon van Ginath aan om hem koning te maken, en de andere helft hing Omri aan; 33 doch het volk dat Omri aanhing werd sterker dan het volk dat Tibni den zoon van Ginath aanhing, zoodat Tibni omkwam en Omri koning bleef. 33 In liet éénendertigste jaar van Asa den koning van Jnda werd Omri koning over Israël, twaalf jaar; en hij regeerde tc Tirza zes jaar. 31. En hij kocht den berg |
Samarië van Semer voor twee talenten zilver, en bouwde eene stad op den berg, en noemde de stad die hij gebouwd had Samarië , naar den naam van Semer den heer des bergs. 35 En Omri deed hetgeen den Heer mishaagde, en was erger dan allen die vóór hem geweest waren; 26 en hij wandelde in aide wegen van Jerobeam den zoon van Nebat, en in zijne zonden met welke hij Israël had doen zondigen, dat zij den Heer, Israels God, vertoornden door hunne afgoderij. 37 ^ at er nu meer van Omri te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, en zijne macht die hij geoefend heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen ^.an Israël. 38 En Omri ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te Samarië; en Achab zijn zoon werd koning in zijne plaats. 3!) In het achtendertigste jaar van Asa den koning van Juda werd Acliab de zoon van Omri koning over Israël, en regeerde over Israël te Samarië tweeëntwintig jaar; 30 en hij deed hetgeen den Heer mishaagde, boven allen |
1 KONINGEN 17.
701
|
die vóór hem geweest waren. 31 En het was hem eene geringe zaak dat hij wandelde in de zonden van .Tero-beam den zoon vanNebat, maar daarenboven nam hij Izébel, de dochter van Eth-baiil den koning van Sidon, tot vrouw, en hij ging heen en diende Eatll en boog zich voor hem neder, 32 en hij richtte voor Baiil een altaar op in het huis van Baiil hetwelk hij hem bouwde te Samaric. 33 Ook maakte hij een gewijd bosch; zoodat Acliab meer deed om den Heer, den God van Israël, te vertoornen , dan al de koningen van Israël die vóór hem geweest waren. 34 In zijne dagen herbouwde Hiel, vanBeth-El, Jerioho : hot kostte hem zijnen eersten zoon Abiram toen hij den grond leide, en zijnen jongsten zoon Se-gub toen hij hare poorten stelde, naar het woord des Heeren hetwelk hij gesproken had door Jozua den zoon van Nun. HOOFDSTUK 17. |
1 En Elia de ïisbiet, een der burgers van Gilead, sprak tot Achab: Zoo waarachtig als do Heer, de God van Israël, leeft, voor wien ik sta, er zal deze jaren noch dauw noch regen vallen, tenzij ik het zeg. 2 En het woord dos Heeren kwam tot hem, zeggende: 3 Ga vanhier en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die vóór den Jordaan is; 4 en g\j zult uit de beek drinken, en ik heb aan de raven geboden dat zij u aldaar verzorgen zullen. 5 En hij ging heen en deed naar het woord des Heeren, en hij ging en woonde aan de beek Krith, die vóór den Jordaan is. 6 En de raven brachten hem brood en vleesch, des morgens en des avonds, en hij dronk uit de beek. 7 En het geschiedde na eenigen tijd, dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in het land. 8 Toen kwam het woord des Heeren tot hem, zeggende : 9 Maak u op en ga naar Zari'ath bij Sidon, en blijf aldaar; want ik heb daar aan eene weduwe geboden dat zij u verzorgen zal. 10 En hij maakte zich op en 'ging naar Zarfath; en toen hij kwam aan de poort der stad, zie, toen was daar eene weduwe die hout |
1 KONINGEN 17.
703
|
zamelde; en liij riep haar en sprak: Haal mij een weinig water in dit drinkvat, opdat ik drinke. 11 Toen zij nu heenging om het te halen, riep hij haar en sprak: Breng mij ook een hete broods mede. 13 En zij zeide: Zoo waarachtig als de Heer uw God leeft, ik heb niets dat gebakken is, alleen een handvol meel in het vat en een weinig olie in de kruik; en zie, ik heb een paar houten opgezameld, en ga in en wil voor mij en mijnen zoon wat bereiden, dat wij eten en dan sterven. 13 Toen zeide EHa tot haar: Vrees niet, ga heen eu doe gelijk gij gezegd hebt; doch maak mij eerst een klein gebak daarvan, en breng het mij hierbuiten, en voor u en uwen zoon zult gij daarna wat bakken. 14 Want aldus spreekt de Heer, Israels God: Het meel in het vat zal niet verteerd worden, en de olie in de kruik zal niet ontbreken, tot op dien dag-dat de Heer zal laten regenen op de aarde. — 15 En zij ging heen en deed zooals Elia gezegd had; en hij at, en zij en haar huis ook, een tijdlang: |
16 het meel in het vat werd niet verteerd, en de olie in de kruik ontbrak niet, naar het woord des Heeren hetwelk hij gespro-, ken had door El Ia . 17 En daarna werd de zoon van deze vrouw, zijne huiswaardin, krank; en zijne krankheid was zeer lievig, zoodat geen adem meer in hem bleef. 18 En zij zeide tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Gij zijt tot mij hier ingekomen opdat aan mijne ongereehtiglieid gedacht en mijn zoon gedood wierd. 19 En hij zeide tot haar: Geef mij uwen zoon hier. En hij nam hem van haren schoot, en ging boven op de zaal waar hij zelf gehuisvest was, en leide hem op zijn bed; 20 en hij riep den Heer aan en sprak: Heer mijn God, hebt gij dan ook de weduwe, wier gast ik ben, kwaad willen doen, dat gij haren zoon doodt? 31 En hij strekte zich uit over het kind, driemaal, en riep den Heer aan en sprak: Heer mijn God, laat de ziel dezes kinds weder tot hem komen. 23 En de Heer verhoorde de stem van Elia, en de |
1 KONINGEN 18.
703
|
ziel des kinds kwam weder tot hem, en liet werd levend. 33 En El ia nam liet kind, en bracht het van de zaal af in-het huis, en gaf het aan zijne moeder en sprak: Zie, uw zoon leeft. 34 En de vrouw sprak tot Elia: Nu erken ik dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des Heeren in uwen mond waarheid is. quot; HOOFDSTUK 18. 1 Eu na een langen tijd kwam het woord des Heeren tot Elia in het derde jaar, zeggende: Ga heen en vertoon u aau Achab, en ik zal laten regenen op de aarde. 3 Toen ging Elia heen om zieh aan Achab te ver-toonen. De duurte nu was zeer groot in Samarië; 3 en Achab ontbood Obadja zijnen hofmeester, (en Obadja vreesde den Heer zeer; 4 want toen Izébel de profeten des Heeren uitroeide, nam Obadja honderd profeten en verborg hen in spelonken, hier vijftig en daar rijf tig, en verzorgde hen met brood en water), |
5 en Achab zeide tot Obadja: Trek heen door het land tot alle waterfonteinen en beken, of wij gras moohteiP vinden eu de paarden en muilezels behouden , opdat het vee niet altemaal verga. Eu zij verdeelden zich m het land, dat zij het doortrokken: Achab trok alleen op een weg, en Obadja óók alleen op een anderen weg. ^ 7 Toen nu Obadja op den weg was, zie, toen ontmoette hem Elia; en toen hij hem herkende, viel hij neder op zijn aangezicht en sprak: Zijt gij niet Elia, mijn heer? 8 En hij zeide tot hem Ja, ga heen en zeg uwen heer: Zie, Elia is hier. 9 Maar hij sprak: Waarin heb ik gezondigd, dat gij uwen knecht wilt geven in de hand van Achab, dat hij mij doode? 10 Zoo waarachtig als de Heer uw God leeft, er is geen volk noch koninkrijk waar mijn heer niet heeft heengezonden om u te zoeken ; en als zij spraken: Hij is hier niet, zoo nam hij een eed van het koninkrijk en het volk, dat men u niet gevonden had. 11 En gij spreekt nu: Ga heen' en zeg uwen heer: Zie, Elia is hier. 13 Als ik nu van u heenging , z'oo zöu de Geest dea |
1 KONINGEN 18.
704
|
Heeren u wegnemen, zon-dei- dat ik wist waarheen, en als ik dan kwam en liet aan Achab zeide, en liij vond ii niet, zoo zon liij mij dood en; en uw knecht vreest den Heer van zijne jengd af. 13 Is het mijnen heer niet gezegd wat ik gedaan heb toen Izébel de profeten des Heeren doodde, dat ik van de profeten des Heeren honderd heb verborgen, hier vijftig en daar vijftig, in spelonketi, en hen verzorgd heb met brood en water? 14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heer; Elia is hier, — opdat hij mij doode. 15 Doch Elia sprak: Zoo waarachtig als de Heer Ze-baóth leeft, voor wien ik sta, ik zal mij heden aan hem vertoonen. 1G Toen ging Obadja heen, Achab tegemoet, en zeide het aan hem; en Achab ging heen, Elia tegemoet. 17 En toen Achab Elia zag, sprak Achab tot hem: Zijt gij het die Israël beroert? 18 Maar hij zeide: Ik beroer Israël niet, maar gij en uw vaderlijk huis, daarmede dat gij de geboden des Heeren verlaten hebt en de Basils hebt nagewandeld. |
19 En nu, zend heen en verzamel tot mij geheel Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baal, ook de vierhonderd profeten van het gewijde bosch, die van Izébels tafel eten. 20 Alzoo zond Achab heen onder al de kinderen van Israël, en verzamelde de profeten op den berg Karmel. 21 Toen trad Elia tot al het volk en sprak: Hoelang hinkt gij op beide zijden? Is de Heer God, zoo wandelt hem na; maar is het Baal, zoo wandelt dien na. Doch het volk antwoordde hem niets. 22 Toen sprak Elia tot het volk: Ik alleen ben als profeet des Heeren overgebleven , en do profeten van Baal zijn vierhonderd en vijftig mannen. 23 Zoo geeft ons nu twee varren, en laat hen den ecnen var uitkiezen, en hem in stukken deelen en op het hout leggen, maar geen vuur daarbij leggen; zoo zal ik den anderen var nemen en op het hout leggen, en ook geen vuur daarbij leggen; 24 dan zult gij den naam uws gods aauroepen, en ik zal den naam des Heeren aanroepen: wiens God nu |
1 KONINGEN 18.
705
|
met vuur antwoorden zal, die zal God zijn. En het geheele volk antwoordde en sprak: Dat is recht. 25 En Elia sprak tot de profeten van Baiil: Kiest gij den éénen var, en bereidt hem het eerst, want gij zijt velen; en roept den naam uws gods aan, maar legt er geen vuur bij. 36 En zij namen den var dién hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen den naam van Baill aan van den morgen af tot den middag toe, zeggende: Baiil verhoor ons! Maar er was geen stem en geen antwoord. En zij dansten rondom den altaar dien men gemaakt had. 37 Toen het nu middag-werd , bespotte Elia hen en sprak: Eoopt luid, want hij is immers god, maar hij zit in gedachten, of heeft iets anders te doen, of is op reis, of misschien slaapt hij, dat hij wakker moet gemaakt worden. 38 En zij riepen luid, en sneden zich met messen en priemen naar hunne wijze, zoodat het bloed over hen uitgestort werd. 39 Toen nu de middag voorbij was, profeteerden zij, totdat men het spijsoffer zou offeren: doch er was geen stem, geen antwoord, noch opmerking. |
30 Toen sprak Elia tot al het volk: Komt hier tot mij. En toen al het volk tot hem trad, herstelde hij den altaar des Heeren die verbroken was; 31 eu hij nam twaalf stee-nen, naar het getal van de stammen der kinderen Ja-kobs, tot wien het woord des Heeren geschiedde, zeggende : Gij zult Israël heetcn; 32 en hij bouwde van die steenen een altaar in den naam des Heeren, en hij maakte rondom den altaar eene greppel ter wijdte van twee korenmaten; 33 en hij bereidde het hout, en deelde den var in stukkeu, en leide ze op het hout, 34 en sprak; quot;Vult vier groote kruiken met water, en giet die uit over het brandoffer en over liet hout. En hij sprak: Doet liet nog eens; en zij deden liet nog eens. En hij zeide: Doet het ten derden male; en zij deden het ten derden male. 35 Eu het water liep rondom don altaar, en de greppel werd ook vol water. 36 'En toen het de tijd was om het spijsolie r te offeren, trad de profeet Elia toe en sprak: lieer, God |
23
1 KONINGEN 19.
706
|
van Abraham, Isaak en Israël, laat liet lieden bekend worden dat gij in Israël God zijt, en ik uw knecht ben, en dat ik dit alles naar uw woord gedaan heb. 37 Yerhoor mij Heer, verhoor mij, opdat dit volk wete dat gij. Heer, God zijt, en gij daarna hun hart bekeert. 3S Toen viel er vuur van den Heer en verteerde het brandoffer, het hout, de steenen en de aarde, en zoog hot water op in de greppel. 3!) Toen al hot volk dat zag, vielen zij neder op het aangezicht, en spraken: De Heer is God, de Heer is God. 40 En Elia sprak tot hen; Grijpt de profeten van Baill, dat geen van henontkome. En zij grepen hen, en Elia voerde hen af naar de beek Kison en slachtte hen aldaar. 41 En Elia sprak tot Achab: Trek op, eet en drink, want er is een ge-ruisoh als van een plasregen. 43 En toen Achab optrok om te eten en te drinken, ging Elia op den top van Karmel, en boog zich ter aarde, en leide zijn hoofd tusschen zijne knieën, |
43 en sprak tot zijnen jongen ; Ga op en zie uit naar de zee. En hij ging op en zag uit, en sprak: Er is niets. En hij sprak: Ga weder heen, tot zevenmaal toe. 44 En de zevende maal sprak hij: Zie, er gaat eene kleine wolk op uit do zee, als eens mans hand. Toen zeide hij: Ga op en zeg aan Achab: Span aan en rijd heen, opdat de regen u niet overvalle. 45 En eer men toezag, werd de hemel zwart van wolken en wind, en er kwam een groote plasregen; en Achab reed weg en trok naar Jizreël. 46 En de hand des Heeren kwam op Elia, en hij omgordde zijne lendenen en liep voor Achab uit totdat hij te Jizreël kwam. HOOFDSTUK 19. 1 En Achab zeide aan Izé-bel alwat Elia gedaan had , en hoe hij al de profeten van Baal met het zwaard gedood had. 2 Toon zond Izóbel een bode tot Elia en liet aan hem zeggen: De goden doen mij dit en dat, zoo ik niet morgen omtrent dezen tijd uwe ziel doe als elk van deze zielen. 3 Toen hij dit vernam, |
1 KONIN
GEN 19,
7Ü7
|
stond hij op en gina; heen om zijn leven te hehouden; en hij kwam te Bsr-Sóba in Juda, en liet zijnen jongen aldaar. 4 Maar hij ging de woestijn in, eene dagreis ver, en kwam eu zette zich onder een jeneverboom, en hij bad dat zijne ziel mocht sterven, en sprak: Het is genoeg, neem nu, Heer, mijne ziel weg, want ik ben niet beter dan mijne vaderen. 5 En hij leide zich neder en sliep onder den jeneverboom; en zie, een Engel raakte hem aan, en sprak tot hem; Sta op en eet. 6 En hij zag om, en zie, aan zijn hoofdeneinde was een geroost brood on eene kruik met water; en toen hij gegeten en gedronken had, leide hij zich weder te slapen. 7 Eu de Engel des Hee-ren kwam ten tweeden male weder, en raakte liem aan en sprak: Sta op en eet, want gij hebt een grooten weg vóór u. 8 Eu hij stond op, en at en dronk, en ging door do kracht dezer spijs veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods Horeb. |
9 En hij ging aldaar in eene spelonk, en bleet' aldaar den nacht over. En zie, het woord des Heeren kwam tot hem, en hij sprak tot hem: Wat doet gij hier, Elïa? 10 Eu hij zeide: Ik heb geijverd voor den Heer, den God Zebaöth; want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, en uwe altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard gedood, en ik ben alléén overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 11 En hij sprak: Ga uit en treed op dezen berg voor de oogen des Heeren. En zie, de Heer ging voorbij; en een groote en sterke wind, die de bergen scheurde en de steenrotsen verbrak, ging voor den Heer uit; doch de Heer was in dien wind niet. En na dien wind kwam er eene aardbeving, doch de Heer was in die aardbeving niet. 13 En na de aardbeving-kwam er een vuur, doch de Heer was in dat vuur niet. Eu na liet vuur kwam er een stil en zacht suizen. 13 En toen Elia dat hoorde., bedekte hij zijn aangezicht met zijnen mantel, en ging uit en trad in deu ingang der spelonk. En zie, er kwam eene stem tot hem. |
1 KONINGEN 20.
708
|
die sprak: Wat hebt gij hier te doen, Etia? 11 En hij zeido; Tic heb voor den Heer Zebaoth geijverd; want de kinderen Israëls hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe profeten niet het zwaard gedood, en ik ben alléén overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 15 En de Heer sprak tot hem: Ga, keer weder op uwen weg naar de woestijn van Damascus; ga derwaarts, en zalf Hazaël tot koning over Syrië, 16 en Jehu den zoon van Nimsi tot koning over Israël, en Elisa den zoon van Safat, uit Abel-Mehola, tot profeet in uwe plaats. 17 En het zal geschieden dat wie het zwaard van Hazaël ontloopt, dien zal Jehu dooden; en wie het zwaard van Jehu ontloopt, dien zal Elisa dooden. 18 En ik heb laten overblijven in Israël zevenduizend , wier aller knieën zich voor Baal niet gebogen hebben en wier mond hem niet gekust heeft. 19 En hij ging vandaar, en vond Elisa den zoon van Safat. toon hij ploegde met twaalf koppel ossen voor zich uit, en hij was zelfbij het twaalfde; en Elia ging tot hem, en wierp zijnen mantel op hem. |
20 En hij verliet de runderen en liep Elia achterna, en sprak: Laat mij mijnen vader en mijne moeder kussen, dan zal ik u volgen. En hij sprak tot hem: Ga heen, en kom weder, want wat heb ik u gedaan? 21 En hij liep weder van hem, en nam een koppel runderen en slachtte het, en kookte het vleesch met het gespan der runderen, en gaf het aan het volk om te eten, en hij stond op en volgde Elia en diende hem. HOOFDSTUK 20. 1 En Eenhadad de koning van Syrië vergaderde al zijne macht, en er waren tweeëndertig koningen met hem, en paarden en wagens; en hij trok op en belegerde Sa-marië en streed tegen haar. 2 En hij zond boden tot Achab den koning van Israël in de stad, 3 en liet aan hem zeggen : Dus spreekt Eenhadad : Uw zilver en uw goud is het mijne, en uwe vrouwen en de beste uwer kinderen zijn óók de mijne. 4 En de koning van Israël antwoordde en sprak: Mijn lieer koning, zooals gij ge- |
1 KONINGEN 30.
709
|
sproken hebt; ik ben de uwe, en al wat ik heb. 5 Daarna kwamen do boden ten tweeden male en zeiden: Dus spreekt Ben-liadad: Dewijl ik tot u gezonden heb, en u heb laten zeggen: Uw zilver en uw goud, uwe vrouwen en uwe kinderen zult gij mij geven, 6 zoo zal ik morgen omtrent dezen tijd mijne knechten tot u zenden, opdat zij uw luns en de huizen uwer onderdanen doorzoeken, en wat u lief is zullen zij met hunne handen nemen en wegdragen. 7 Toen riep de koning van Israël al de oudsten des lands, en sprak: Merkt en ziet hoe boos zijn voornemen is: hij hoeft tot mij gezonden om mijne vrouwen en kindoren, om mijn zilver on goud, en ik heb hot hom niet geweigerd. 8 Toen spraken tot hem al de oudsten en al het volk: Geef hem geen gehoor noch bewillig hem iets. 9 En hij sprak tot de boden van Benhadad: Zegt mijnen hoer den koning: Alwat gij in het eerst uwen knecht geboden hebt, dat wil ik doen, maar dit kan ik niet doen. En de boden gingen hoen en zeiden hom dat weder. |
10 Toen zond Benhadad tot hem en liet aan hem zeggen: De goden doen mij dit en dat, indien het stof van Samariëgonoegzal zijn, dat ieder van hot volk dat bij mij is een handvol neme. 11 Maar de koning van Israël antwoordde en sprak: Zogt: Dio het harnas aandoet beroomo zich niet alsof hij het reeds aflegde. 12 Toon Benhadad dat hoorde, terwijl hij dronk met de koningen in do tenten, sprak hij tot zijne knechten: Kust u toe. En zij rustten zich toe togen de stad. 13 En zie, een profeet trad tot Achab den koning van Israël, en sprak: Dus spreekt de Hoer; Gij hebt deze geheole groote menigte gezien? Zie, ik wil ze heden in uwe hand geven, opdat gij weten zult dat ik de Hoer ben. 11 En Achab sprak: Door wie? En hij zeide: Dus spreekt de Hoor; Door de bedienden der landvoogden. En hij zeide; Wie zal den strijd aanbinden? En hij sprak; Gij. 15 Toon telde hij do bedienden der landvoogden, en zij waren tweehonderd tweeëndertig; en hij tolde |
1 KONINGEN 30.
710
|
na hen liet geheele volk, al de kinderen Israels, zevenduizend man. 16 En zij trokken uit op den middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, benevens de tn-ee-endertig koningen die hem te hulp gekomen waren. 17 En de bedienden der landvoogden trokken het eerst uit; en Benhadad zond er heen, en men berichtte hem, zeggende: Er trekken manschappen uit Samarië. 18 En hij sprak: Grijpt hen levend, hetzij dat zij om vrede of om strijd zijn uitgetrokken. 19 Toen nu de bedienden der landvoogden uitgetrokken waren, en het heir achter hen aan, 20 versloeg een ieder wien hij vond, en de Syriërs vloden, en Israël joeg hen na; en Benhadad de koning van Syrië ontkwam met de paarden en ruiters. 21 En de koning van Israël trok uit, en sloeg de paarden en wagens, zoodat hij onder de Syriërs een groote slachting aanrichtte. 22 Toen trad de profeet tot den koning van Israël, en sprak tot hem: Ga heen en sterk u, en merk op en zie wat gij doet; want de koning van Syrië zal tegen u optrekken als het jaar om is. |
23 En do knechten van den koning van Syrië spraken tot hem: Hunne goden zijn berggoden, daarom hebben zij het ons afgewonnen; o, indien wij met hen op het vlakke veld mochten strijden, zouden wij het hun dan niet afwinnen? - 24 Doe nu aldus: Verwijder die koningen, elk van zijnen post, en stel heeren aan in hunne plaats; 25 en verzamel u een heir zooals dat heir was hetwelk gij verloren hebt, en paarden en wagens gelijk de eerste waren, en laat ons tegen hen strijden op het vlakke veld: zullen wij niet de overhand hebben? —■ En hij hoorde naar hunne stem en deed alzoo. 26 Als nu het jaar om was, monsterde Benhadad de Syriërs, en trok op naar Afek om tegen Israël te strijden. 27 En de kinderen Israels schikten zich óók, en voorzagen zich, en trokken hun tegemoet, en legerden zich tegenover hen als twee kleine kudden geiten; en de Syriërs vervulden het land. 28 En de man Gods trad toe, en sprak tot den ko- |
1 KONINGEN 30.
711
|
ning van Israël: Dus spreekt de Heer: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben, dat de Heer een God der bergen is, en niet een God der valleien, zoo heb ik deze gelieele menigte in uwe band gegeven, opdat gij weet dat ik de Heer ben. 29 En zij legerden zich tegenover elkander zeven dagen; en op den zevenden dag trokken zij tezamen in den strijd, en de kinderen Israels versloegen van de Syriërs honderdduizend man voetvolk op éénen dag; 30 en de overgeblevenen vloden naar Af'ek in de stad, en de muur viel op de overgeblevenen, zevenentwintigduizend man; enBenhadad vluchtte ook in de stad, van do ééne binnenkamer in de andere. 31 Toen spraken zijne knechten tot hem: Zie, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis Israels barmhartige koningen zijn: laat ons nu zakken om onze lendenen leggen, en touwen om onze hoofden, en tot den koning van Israël uitgaan; misschien laat hij uwe ziel leven. |
32 En zij gordden zakken om hunne lendenen en touwen om hunne hoofden, en kwamen tot den konins van Israël, en spraken: Ben-hadad uw knecht zegt: Laat toch mijne ziel leven. En hij sprak: Loeft hij nog, zoo is hij mijn broeder. 33 En de mannen vatte-den dat woord van hem dra op, en duidden het voor zich, en spraken: Ja, uw broeder Benhadad! ïoen zeide hij: Gaat heen en haalt hem. Toen ging Benhadad tot hem uit, en hij liet hem op den wagen zitten. 34 En \_genê\ sprak tot hem: De steden welke mijn vader van uwen vader genomen heeft wil ik u wedergeven; en maak u straten te Damascus, gelijk mijn vader te Samarië gedaan heeft. En ik \_zeide deze] zal u met dit verbond laten gaan. Eu hij maakte niet hem een verbond en liet hem trekken. 35 Toen sprak een man onder de zonen der proféten tot zijnen naaste, door het woord des Heeren: Eilieve sla mij. Maar hij weigerde hem te slaan. 30 Toen sprak hij tot hem: Omdat gij naar de stem des Heeren niet gehoord hebt, zie, zoo zal een leeuw u dooden als gij van mij gaat. Eu toen hij van hem afging, vond een |
1 KONINGEN 31.
712
|
leeuw hem en doodde hem. 37 En hij vond een anderen man, en sprak: Eilieve sla mij. En die man sloeg hem en wondde hem. 38 Toen ging de profeet heen en trad tot den koning op den weg, en vermomde zijn aangezicht met asch. 39 En toen de koning voorbijtrok, riep hij den koning aan en sprak: Uw knecht was uitgetrokken midden in den strijd, en zie, een man was afgeweken en bracht een man tot mij, en sprak: Bewaar dezen man; is het dat men hem zal missen, zoo zal uwe ziel in de plaats van zijne ziel zijn, of gij zult er een talent zilver voor wegen. 40 En toen uw knecht hier en daar te doen had, was hij er niet meer. En de koning van Israël zeide tot hem: Dit is uw oordeel, gij hebt het zelf geveld. él Toen deed hij schielijk de asch van zijn aangezicht, en de koning van Israel herkende hem dat hij een der profeten was. 42 En hij sprak tot hem: Dus spreekt de Heer: Omdat gij dien verbannen man van u gelaten hebt, zoo zal uwe ziel voor zijne ziel zijn, en uw volk voor zijn volk. |
43 En de koning van Israël trok heen, mismoedig en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samarië. HOOFDSTUK 21. 1 Na deze gebeurtenissen geschiedde het dat Naboth, een Jizreëliet, een wijnberg had te Jizreël, bij het paleis van Achab den koning van Samarië. 2 En Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uwen wijnberg, ik wil mij een moestuin daarvan maken, dewijl hij zoo nabij mijn huis ligt; ik wil u een boteren wijnberg daarvoor geven; of zoo het u behaagt, wil ik u zilver daarvoor geven, zooveel als hij geldt. 3 Maar Naboth sprak tot Achab: Dat late de Heer verre van mij zijn, dat ik u het erf mijner vaderen zou geven. 4 Toen kwam Achab tehuis , mismoedig en toornig om het woord dat Naboth de Jizreëliet tot hem gesproken had, zeggende: Ik wil u het erf mijner vaderen niet geven. En hij leide zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om , en at geen brood. |
1 KONINGEN 21. 713
|
5 Toen kwam Izébel zijne huisvrouw tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest zoo mismoedig is en dat gij geen brood eet? 6 En hij sprak tot haar; Ik heb met Naboth den Jizreëliet gesproken, en hem gezegd: Geet' mij uwen wijnberg voor geld, of zoo het u behaagt, wil ik u een anderen daarvoor geven ; maar hij zeide: Ik wil n mijnen wijnberg niet geven. 7 Toeti sprak Izébel zijne huisvrouw tot hem: Betoont gij ii hierin als een koning over Israël? Sta op en eet brood en wees welgemoed : ik zal u den wijnberg van Naboth den Jizreëliet verschatten. 8 Toen schreef zij brieven in Achabs naam, en verzegelde die met zijn zegel, en zond ze tot de oudsten en oversten in zijne stad, die rondom Nabotli woonden; 9 en zij schreef in die brieven aldus: Laat een vasten uitroepen, en stelt Naboth bovenaan voor het volk; 10 en stelt twee nietswaardige lieden voor hem, die getuigen, zeggende; Gij zijt van God en den koning afgevallen; en voert hem uit, en steenigt hem dat hij sterft. |
11 En de oudsten en oversten van zijne stad, die in zijne stad woonden, deden zooals Izébel hun geboden had, gelijk in de brieven geschreven was, die zij aan hen gezonden had; 13 zij lieten een vasten uitroepen, en stelden Naboth bovenaan voor het volk. 13 Toen kwamen de twee nietswaardige lieden en stelden zich voor hem, en getuigden tegen Naboth voor het volk, zeggende: Naboth is van God en den koning afgevallen. Toen voerden zij hem uit voor de stad, en steenigden hem dat hij stierf. 14 En zij zonden tot Izébel en lieten aan haar zeggen; Naboth is gesteenigd en dood. 15 En toen Izébel hoorde dat Naboth gesteenigd en dood was, sprak zij tot Achab: Sta op en neem den wijnberg van Naboth den Jizreëliet in bezit, dien hij u weigerde voor geld te geven; want Naboth leeft niet meer maar is dood. IG En toen Achab hoorde dat Naboth dood was, stond hij op om aftetrekken naar den wijnberg van Naboth |
714 1 KONINGEN 21.
|
den Jizreeliet, en dien in bezit te nemen. 17 Doch liet woord des Heeren geschiedde tot Elia den Tisbiet, zeggende: 18 Sta op, en trek Achab den koning van Israël die te Samaric is tegemoet: zie, hij is op den wijnberg van Naboth, waarheen hij afgetogen is om dien in bezit te nemen. 19 En spreek met hem, zeggende: Dus spreekt de Heer: Gij hebt doodgeslagen en u in bezit gesteld. En gij zult tot hem spreken, zeggende: Dus spreekt de Heer: Ter plaatse waar de honden Naboths bloed gelikt hebben, daar zullen de honden ook uw bloed likken. 20 En Achab sprak tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? En hij sprak: Ja ik heb u gevonden, omdat gij verkocht zijt om te doen wat kwaad is in de oogen des Heeren. 21 Zie, ik zal ongeluk over u brengen, en uwe nakomelingen wegnemen, en zal van Achab uitroeien alwat mannelijk is, en die besloten en verlaten is in Israël; |
22 en ik zal uw huis maken zooals het huis van^ Jerobeam den zoon van Ne-bat, en als het huis van Baësa den zoon van Alua, om de terging met welke gij \mif\ vertoornd hebt en Israël hebt doen zondigen. 23 En ook over Izcbel spreekt de Heer, zeggende: De honden zullen Izcbel eten aan den muur van Jizreël. 2-1 Wie van Achab sterft in de stad, dien zullen do honden eten; en wie op het veld sterft, dien zullen de vogelen des hemels eten. — 25 Alzoo was er niemand, die zoo geheel verkocht was om kwaad tc doen voor de oogen des Heeren, als Achab, omdat zijne huisvrouw Izcbel hem opstookte. 26 En hij handelde zeer gruwelijk, daarmede dat hij de afgoden nawandelde in alles zooals de Amorieten gedaan hadden, die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had. 27 Toen nu Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijne kleederen, en leide een zak om zijn lijf, en vastte, en sliep in den zak, en ging treurig voort. 28 Én het woord des Heeren geschiedde tot Elia den Tisbiet, zeggende: 29 Hebt gij gezien hoe Achab zich voor mij buigt? Dewijl hij zich nu voor mij |
1 KONINGEN 23.
713'
|
buigt, zal ik dit kwaad niet doen komen l)ij zijn leven; maar l)ij zijns zoons leven zal ik dat kwaad over zijn huis doen komen. HOOFDSTUK 22. 1 Daarna verliepen er drie jaren dat er geen oorlog was tusschen Syrië en Israël. 2 Maar in het derde jaar trok Josafat do koning van Juda tot den koning van Israël. 3 En de koning van Israël sprak tot zijne knechten : Weet gij niet dat Ramoth in Gilead ons toebehoort? En wij zitten stil, en nemen het niet uit de hand des konings van Syrië. 4 En hij sprak tot Josafat: Wilt gij met mij trekken in den strijd naar Bamoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van Israël: Ik wil zijn als gij, mijn volk als uw volk, en mijne paarden als uwe paarden. 5 En Josafat zeide tot den koning van Israël: Vraag toch heden het woord des Heeren. 6 Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en sprak tot hen: Zal ik naar Ramoth in Gilead trekken om te strijden, of zal ik het nalaten ? Zij spraken: |
Trek op, de Heer zal ze in de hand des konings geven. 7 Toen zeide Josafat: Is hier geen profeet des Heeren meer, dat wij hem vragen? 8 En de koning van Israël sprak tot Josafat: Er is nog een man, Michaju de zoon van Jimla, door wien men den Heer vragen kan; maar ik ben toornig op hem, want hij profeteert mij niets goeds, maar enkel kwaad. En Josatat zeide: Dat do koning alzoo niet spreke. 9 Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en sprak: Breng Michaju den zoon van Jimla schielijk hier. 10 De koning van Israël nu en Josafat de koning van Juda zaten elk op zijnen troon, bekleed met hunno staatsiekleederen, op het plein aan den ingang der poort van Samarië; en al de profeten profeteerden voor hen. 11 En Zedekia de zoon van Kenailna had zich ijzeren horens gemaakt, en sprak: Dus spreekt de Heer: Hiermede zult gij de Syriërs stodten, totdat gij hen vernield hebt. 13 En al de profeten profeteerden aldus, zeggende; |
1 KONINGEN 23.
716
|
Trek op naar Eamoth in Gilead, en wees gelukkig; de Heer zal ze in de hancl des konings geven. 13 En (te bode die heengegaan was om Michaju te roepen sprak totliem: Zie, de redenen der pipfeten zijn eenparig goed voor den koning: laat nu uw woord ook zoo zijn als liet woord van hen, en spreek wat goeds. W Doch Michaju 'ieide: Zoo waarachtig als de Heer leeft, ik zal spreken hetgeen de Heer mij zeggen zal. 15 En toon hij tot den koning kwam, sprak de koning tot hem: Michaju, zullen wij naar Eamoth in Gilead trekken om te strijden, of zullen wij het nalaten? En hij sprak tot hem: Trek op, want gij zult voorspoedig zijn; de Heer zal ze in de hand des konings geven. 16 De koning sprak wederom tot hem: Ik bezweer u, dat gij mij niet anders zegt dan de waarheid in den naam des Heeren. 17 Toen zeide hij: Ik zag geheel Israël verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de Heer sprak: Hebben deze geen heer? Een ieder keere weder naarhuis in vrede. |
18 Toen sprak de koning van Israël tot Josafat: Heb ik u niet gezegd, dat hij mij niets goeds profeteert, maar enkel kwaad? 19 Hij sprak; Daarom hoor nu het woord des Heeren. Ik zag den Heer zitten op zijnen troon, en al het heir des hemels rondom hem staan, aan zijne rechter- en linkerhand. 20 En de Heer sprak: Wie wil Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Eamoth in Gilead? En de één zeide dit, de ander dat. 21 Toen ging een geest uit en trad voor den Heer, en sprak: Ik wil hem overreden. En de Heer zeide tot hem: Waardoor? 22 En hij sprak: Ik wil uitgaan en zal een valsche geest zijn in den mond van al zijne profeten. En hij zeide: Gij zult hem overreden en zult het uitrichten; ga uit en doe alzoo. 23 Nu zie, de Heer heeft een valschen geest gegeven in den mond van al deze uwe profeten, en de Heer heeft kwaad over u gesproken. 21' Toen trad Zedekia de zoon van Kenaiina toe en sloeg Michaju op de kinnebak, en zeide: Hoe is de Geest des Heeren van |
1 KONINGEN 23.
717
|
mij geweken om tot u te spreken? 35 En Michaju sprak: Zie, gij zult het zien op dien dag als gij van de ééne kamer in de andere zult gaan om u te verbergen. 36 En de koning van Israël zeide: Neem Michaju en breng hem terug tot Amon den overste der stad, en tot Joas den zoon des konings; 37 en zeg: Dus zegt de koning: Zet dezen in de gevangenis, en spijst hem met brood en water der verdrukking, totdat ik wederkom met vrede. 38 En Michaju sprak. Komt gij met vrede weder, zoo heeft do Heer door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort mij, alle volken. 29 ïoen trok de koning van Israël met Josafat den koning van Juda op naar Kamoth in Gilead. 30 En de koning van Israël sprak tot Josafat: Als ik mij zal vermomd hebben, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uwe kleederen aan. Alzoo vermomde zich de koning van Israël en kwam in den strijd. |
31 De koning van Syrië nn gebood aan de oversten over zijne wagens, van welke er tweeëndertig waren, zeggende : Gij zult niet strijden tegen klein noch groot, maar tegen den koning van Israël alleen. 33 En toen de oversten der wagens Josafat zagen, meenden zij dat hij de koning van Israël was, en zij hielden op hem aan om hem te bevechten. Maar Josafat riep; 33 en toen de oversten der wagens zagen dat hij de koning van Israël niet was, keerden zij zich van achter hem af. 34 Maar een man spande den boog bijgeval, en trof den koning van Israël tus-schen de samenvoegingen van het harnas. En hij sprak tot zijnen wagenmenner: Wend uwe hand en voer mij uit het leger, want ik ben gewond. 35 En de strijd nam toe op dien dag; eu de koning-stond op den wagen tegenover de Syriërs, en hij stierf tegen den avond; en het bloed vloeide uit de wonden midden in den wagen. 30 En men liet uitroepen in het heir toen de zon onderging, en zeggen: Een ieder ga naar zijne stad en naar zijn land. 37 Alzoo stierf de koning, | en werd naar Samaric ge- |
1 KONINGEN 23.
718
|
bracht; en zij begroeven hem te Samarië. 38 En toen zij den wagen wieschen bij den vijver van Samarië, waar de hoeren zich baadden, likten de honden zijn bloed, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had. 39 quot;Wat er meer van Achab to zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, en het ivoren huis dat hij gebouwd, on al de steden die hij versterkt heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. . 40 Alzoo ontsliep Achab met zijne vaderen, en zijn zoon Ahazia werd koning in zijne plaats. 41 En Josafat de zoon van Asa werd koning over Juda in hot vierdejaar van Achab den koning van Israël. 43 Hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning-werd, en regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Azu-ba, de dochter van Silhi. 43 En hij wandelde geheel op den weg van zijnen vader Asa, en week daar niet af, en hij deed hetgeen den Heer behaagde. 44 Doch de hoogten deed hij niet weg, en het volk otterde en wierookte nog op de hoogten. |
45 En hij had vrede met den koning van Israël. 4G Wat er nu meer van Josafat te zeggen is, en de macht die hij getoond, en hoc hij gestreden heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 47 Ook deed hij uit het land weg de nog overgeblevene schandjongens, die ten tijde van zijnen vader Asa waren overgebleven. 48 En in Edom was geen koning, maar een stadhouder des konings. 49 En Josafat had schepen laten bouwen op de zee, die naar Oiir gaan zouden om goud te halen; maar zij gingen niet, want zij werden verbrijzeld te Ezeon-Géber. 5 0 ïe dier tijd sprak Ahazia, Achabs zoon, tot Josafat: Laat mijne knechten met uwe knechten in de schepen varen. Maar Josafat wilde niet. 51 En Josafat ontsliep met zijne vaderen, en word begraven met zijne vaderen in de stad van David zijnen vader; en Joram zijn zoon werd koning in zijne plaats. 53 Ahazia, Achabs zoon, werd koning ove?r Israël te Samarië in het zeventiende jaar van Josafat den koning |
3 KONINGEN 1.
719
|
van Juda, en liij regeerde over Israël twee jaren; 53 en hij deed lietgeen den Heer mishaagde, en wandelde op den weg van zijnen vader en zijne moeder, en op den weg vanJerobe-am, Nelmts zoon, die Israël deed zondigen. |
ö-i En Lij diende Baal en boog zicli voor hom neder, en vertoornde den Heer, den God van Israël, zooals zijn vader gedaan had. |
HET TWEEDE BOEK
KONINGEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Ook vielen de Moabie-ten af van Israël, toen Achab dood was. 2 En Ahazia viel door het traliewerk van zijne opperzaal te Samarië, en werd krank; en hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat heen, en vraagt Baiil-Zebub den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal. o Maar de Engel des Heeren sprak tot Elia den Tisbiet: Maak u op en ga de boden van den koning van Samarië tegemoet, en spreek tot lien: Is er dan geen God in Israël, dat gij heengaat om Baiil-Zebub den god van Ekron te vragen? 4 Daarom, zóó spreekt de |
Heer: Gij zult van het bed niet komen waarop gij u gelegd hebt, maar zult den dood sterven. En Elia ging heen. 5 En toen de boden weder tot hem kwamen, sprak hij tot hen: Hoe komt gij reeds weder? G En zij zeiden tot hem: Een man kwam opwaarts, ons tegemoet, en sprak tot ons: Keert weder tot den koning die u gezonden heeft, en zegt tot hem: Dus spreekt de Heer: Is er dan geen God in Israël, dat gij heenzendt om Baiil-Zebub den god van Ekron te vragen? Daarom zult gij van het bed niet komen waarop gij u gelegd hebt, maar zult den dood sterven. |
720 2 KONINGEN 1.
|
7 Toen sprak liij tot hen: Hoe was de gestalte van dien man die n ontmoette en dit tot zeide? 8 En zij zeiden totliem: Hij had een harig kleed aan, en een lederen gordel om zijne lendenen. Toen zeide hij: Het is El ia de Tisbiet. 9 En hij zond tot hem een hoofdman over vijftig met zijne vijftig; en toen hij tot hem opkwam, zie, toen zat hij bovenop den berg. En hij sprak tot hem: Gij man Gods, de koning zegt; Gij moet afkomen. 10 Toen antwoordde Elia en sprak tot den hoofdman over vijftig: Ben ik een man Gods, zoo valle vuur van den hemel en vertere u en uwe vijftig. Toen viel er vuur van den hemel en verteerde hem en zijne vijf-tig. 11 En hij zond wederom een anderen hoofdman over vijftig tot hem met zijne vijftig: deze antwoordde en sprak tot hem; Gij man Gods, dus spreekt de koning; Kom schielijk af. 12 En Elia antwoordde en sprak: Ben ik een man Gods, zoo valle vuur van den heinel en vertere u en uwe vijftig. En er viel vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijne vijftig. |
13 Toen zond hij wederom ten derden male een hoofdman over vijftig met zijne vijftig; als deze tot hem opkwam , boog hij zijne knieën voor Elia, en smeekte hem en sprak tot hem; Gij man Gods, laat mijne ziel, en de zielen van uwe knechten, van deze vijftig, voor u iets gelden. li Zie, vuur is van den hemel gevallen en heeft de eerste twee hoofdlieden over vijftig met hunne vijftig verteerd; maar nu, laat mijne ziel voor u iets gelden. 15 Toen sprak de Engel des Heeren tot Elia: Ga met hem af, en vrees niet voor hem. En hij stond op en ging met hem af tot den koning; 16 en hij sprak tot hem; Dus spreekt de Heer; Omdat gij boden hebt heengezonden en Baal-Zebub den god van Ekron hebt laten vragen, alsof er geen God in Israël ware wiens woord men vragen kon, zoo zult gij van het bed niet komen waarop gij u gelegd hebt, maar zult den dood sterven. 17 Alzoo stierf hij, naar het woord des Heeren hetwelk Elia gesproken had. En Joram werd koning in |
3 KONINGEN 3.
721
|
zijne plaats in het tweede jaar van Joram den zoon van Josafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon. 18 Wat er nu meer van Ahazia te zeggen is, wat hij gedaan hoeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. HOOFDSTUK 2. 1 Toen nu de Heer Elia in een onweder wilde opnemen ten hemel, ging Elia met Elisa van Gilgal. 3 En KI ia sprak tot Elisa: Blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar Eeth-El gezonden. Maar Elisa sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft, en uwe ziel, ik verlaat u niet. En toen zij afkwamen te Beth-El, 3 gingen de zonen der profeten die te Iteth-El waren tot Elisa uit, en spraken tot hem: Weet gij wel, dat de Heer heden uwen heer van boven uw hoofd zal wegnemen? En hij sprak: Ook ik weet het; zwijgt slechts stil. ■1 En Elia sprak tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft, en uwe ziel, ik verlaat u niet. En toen zij te Jericho kwamen, |
5 traden de zonen der profeten die te Jericho waren tot Elisa, en spraken tot hem: Weet gij wel, dat de Heer heden uwen heer van boven uw hoofd zal wegnemen? En hij sprak: Ook ik weet het; zwijgt slechts stil. 6 En Elia sprak tot hem: Blijf toch hier, want de Heer heeft mij gezonden naar den Jordaan. Maar hij sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft, en uwe ziel, ik verlaat u niet. En die beiden gingen met elkander. 7 En vijftig mannen onder de zonen der profeten gingen heen en traden tegenover hen van verre; zij beiden nu stonden aan den Jordaan. 8 Toen nam Elia zijnen mantel en wond hem samen, en sloeg in het quot;water, en het verdeelde zich op beide zijden vanéén, zoodat zij beiden er droog doorgin-gen. 9 En toen zij overgekomen waren, sprak Elia tot Elisa: Bid wat ik u doen zal, eer ik van u genomen word. En Elisa zeide: Dat van uwen geest een dubbele mate op mij zij. 10 En hij sprak: Gij hebt |
ji
2 KONINGEN 2.
|
eene zware zaak gebeden. Doch indien gij mij zien zult als ik van u genomen word, dan zal liet zoo zijn; maar indien niet, zoo zal het niet zijn. 11 En toen zij met elkander gingen en tezamen spraken, zie, toen kwam er een vurige wagen met vurige paarden, en tlie scheidden hen beiden van elkander; en Elia voer alzoo in een on weder ten hemel cp. 12 En Elisa zag het, en riep uit: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijne ruiters! En liij zag hem niet meer. Toen vatte hij zijne kleederen en scheurde die in twee stukken, 13 en hij nam den mantel van Elia op die hem ontvallen was, en keerde om en trad aan den oever van den Jordaan. 1-i En hij nam den mantel van Elia die hem ontvallen was, en sloeg in het water, en sprak: Waar is nu de Heer, de God van Elia? En hij sloeg in het water; toen verdeelde liet zich op beide zijden, en Elisa ging er door. 13 En toen de zonen dei-profeten die te Jericlio tegenover hem waren hem zagen, spraken zij: De geest van Elia rust op Elisa. En zij gingen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde, |
10 en spraken tot hem: Zie, er zijn onder uwe knechten vijftig mannen, sterke lieden, laat die heengaan en uwen heer zoeken: misschien heeft de Geest des Heeren hem opgenomen en ergens op een berg of in een dal doen neder-komen. Maar hij sprak: Laat hen niet heengaan. 17 Doch zij hielden bij hem aan, totdat het hem verdroot; en hij zeide: Laat ze heengaan. En zij zonden vijftig mannen heen, die zochten hem drie dagen maar vonden hem niet. 18 En zij kwamen weder tot liem, terwijl hij te Jericho vertoefde; en hij sprak tot hen: Zeide ik u niet dat gij niet zoudt heengaan? 19 En de mannen dei-stad spraken tot Elisa: Zie, het is goed wonen in deze stad, gelijk mijn heer ziet; maar het water is ongezond en het land onvruchtbaar. 20 En hij zeide: Brengt mij eene nieuwe schaal hier, en doet er zout in. Eu zij brachten die tot hem. 31 Toen ging hij uit naaide waterwel, en wierp het zout daarin, en sprak: Dus |
2 KONINGEN 3.
723
|
spreekt de Heer: Ik heb dit water gezond gemaakt, voortaan zal er geen dood nocli onvruclitbaarheid meer van komen. 22 Alzoo werd dat water gezond., tot op dezen dag, op het woord van Elisa dat hij gesproken had. 23 En hij ging op naar Beth-El; en als hij den weg opging, kwamen kleine jongens uit de stad, die be-spotteden hem en zeiden tot hem: Kaalkop, kom op; kaalkop, kom op! 24! En hij keerde zich om; en toen hij hen zag, vloekte hij hen in den naam des Heeren. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 23 En vandaar ging hij naar den berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samarië. HOOFDSTUK 3. 1 Joram nu de zoon van Aehab werd koning over Israël te Samarië in het achttiende jaar van Josafat den koning van Juda, en regeerde twaalf' jaar. 2 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, echter niet zoo als zijn vader en zijne moeder; want hij deed de beeldzuilen van |
Baiil weg, die zijn vader gemaakt had. 3 Maar hij bleef gehecht aan de zonden van Jerobeam den zoon van Nebat, die Israël deed zondigen; daarvan week hij niet af. 4 Mesa nu, de koning der Moabieten, had veel schapen, en gaf tot schatting aan den koning van Israël wol van honderdduizend lammeren en van honderdduizend rammen. 6 Maar toen Achab dood was, viel de koning der Moabieten af van den koning van Israël. C Daarom trok de koning Joram te dier tijd uit van Samarië, en monsterde geheel Israël. 7 Ook zond hij heen tot Josafat den koning van Ju-da , en liet aan hem zeggen: De koning der Moabieten is van mij afgevallen; kom met mij om te strijden tegen de Moabieten. En hij sprak: Ik zal opkomen; ik ben gelijk gij, en mijn volk als uw volk, en mijne paarden als uwe paarden. 8 En hij zeide: Langs welken weg zullen wij optrekken? En hij sprak: Langs den weg in de woestijn van Edom. '.) Alzoo trokken de koning van Israël, de koning van |
3 KONINGEN 3.
734
|
.Juda en de koning van Edom heen; en toen zij zeven dagreizen ver getrokken waren, had het heir en het vee dat onder hen was geen water. 10 Toen sprak de koning van Israël: Ach, de Heer heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand der Moabieten te geven. 11 En Josafat sprak: Is hier geen profeet des Hee-ren, om den Heer door hem raad te vragen? Toen antwoordde een der knechten van den koning van Israël en sprak: Hier is Elisa de zoon van Safat, die Elia water op de handen goot. 13 En Josafat sprak: Het woord des Heeren is bij hem. Alzoo trokken de koning van Israël en Josafat en de koning van Edom tot hem af. 13 Maar Elisa sprak tot den koning van Israël: Wat heb ik met n te doen ? Ga heen tot de profeten uws vaders en tot de profeten uwer moeder. Toen zeide de koning van Israël tot hem: Neen, want de Heer heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand der Moabieten te geven. |
14 En Elisa sprak: Zoo waarachtig als de Heer Ze-baóth leeft, voor wien ik sta, indien ik Josafat den koning van Juda niet aanzag, ik zon u niet aanzien noch achten. 15 Brengt mij dan nn een harpspeler. En toen de harpspeler op de snaren speelde, kwam de hand des Heeren op hem, 16 en hij sprak: Dus spreekt de Heer; Maakt hier en daar grachten ih dit dal; 17 want dus spreekt de Heer: Gij zult geen wind noch regen zien, en nochtans zal dit dal vol water worden, zoodat gij en uw gezin en uw vee drinken zult. 18 Daarenboven is dit eene kleine zaak in de oogen des Heeren: hij zal ook de Moabieten in uwe hand geven, 19 dat gij slaan zult alle vaste steden en alle uitgelezen steden, en gij zult alle goede boomen vellen, en zult alle waterfonteinen toestoppen , en znlt alle goede akkers met steenen verderven. — 20 Des morgeus nu als men het spijsofter otterde, zie, toen kwam er water van den weg van Edom, en vervulde het land met water. |
3 KONINGEN 4.
735
|
31 Toen nu al de Moa-bieten hoorden dat de koningen optrokken om. tegen hen te strijden, zoo riepen zij allen tezamen die tot het zwaard oud genoeg en daarboven waren, en traden aan den grenspaal. 33 En toen zij des morgens vroeg opstonden, en de zon over het water opging, zoo scheen den Moa-bieten het water tegenover hen rood te zijn als bloed; 33 en zij zeiden; Het is bloed; de koningen hebben zich met het zwaard verdorven, en de één zal den ander verslagen hebben: nu dan, Moabieten, aan den buit! 34 Maar toen zij tot het leger van Israël kwamen, maakte Israël zich op en sloeg de Moabieten; en zij vluchtten voor hen; en zij drongen het land in, onder het verslaan der Moabieten. 35 En de steden verwoestten zij, en elk wierp zijn steen op eiken goeden akker, en zij maakten hem vol, en verstopten alle wa-terfonteincu, en velden alle goede boomen, totdat er in Kü*-Haréseth alleen steenen overbleven, en zij omsingelden haar met slingeraars en sloegen ze. |
36 Toen nu de koning der Moabieten zag dat de strijd hem te sterk was, nam hij zevenhonderd man tot zich die het zwaard uittrokken , om doortebreken tegen den koning van Edom; maar zij konden niet. 37 Toen nam hij zijnen oudsten zoon, die in zijne plaats koning zou worden, en offerde hem tot een brandoffer op den muur. Toen werd Israël zeer toornig, zoodat zij van hom aftrokken en weder naar hun land terugkeerden. HOOFDSTUK 4. 1 En eene vrouw uit de vrouwen van de zonen dei-profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven; ook weet gij dat hij, uw knecht, den Heer vreesde; nu komt de schuldeischer en wil mijne twee kinderen wegnemen tot zijne lijfeigenen. 3 En Elisa sprak tot haar : Wat zal ik n doen? Zeg mij, wat hebt gij in huis? Zij sprak: Uwe dienstmaagd heeft niets in huis dan eene kruik met olie. 3 En hij sprak: Ga heen en eisch van buiten af, van al uwe geburen, ledige vaten, en daarvan niet weinig; 4 en ga naarbinncn met |
3 KONINGEN 4.
726
|
uwe zonen, en sluit de deur achter u toe, en giet in al die vaten; en als gij ze gevuld liebt, zoo zet ze weg. 5 En zij ging lieen, en sloot de deur achter zich toe, met hare zonen; deze brachten haar de vaten toe, en zij goot in. 6 En toen de vaten vol waren, sprak zij tot haren zoon ; Geef mij nog een vat hier. Hij sprak tot haar: Er is geen vat meer. Toen stond de olie stil. 7 En zij ging heen en zeide het aan den man Gods; en hij sprak: Ga heen, verkoop de olie en betaal uwen schuldeischer, en leef gij met uwe zonen van het overige. 8 En het gebeurde op zekeren tijd, dat Elisa naar Sunem ging; en aldaar was eene rijke vrouw, die hield bij hem aan dat hij bij haar eten zou. En als hij nu dikwijls aldaar doortrok, keerde hij bij haar in en at bij haar. 9 En zij sprak tot haren man: Zie, ik merk dat deze man Gods, die gedurig doortrekt, heilig is: 10 laat ons boven eene kleine opperkamer voor hem gereedmaken, en een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar daarin zetten, opdat hij als hij tot ons komt daar huisveste. |
11 En het gebeurde op zekeren tijd, dat hij aldaar kwam, cn huisvestte boven in de opperkamer, en sliep aldaar. 13 En hij sprak tot zijnen knecht Gehazi: Eoep do Sunamietischo. En toen hy haar riep, trad zij voor hem. 13 En hij zeide tot hem : Zeg nu tot haar: Zie, gij hebt ons al dezen dienst gedaan; wat zal ik voor u doen? Hebt gij ook eene zaak aan den koning of aan den krijgsoverste? Zij sprak: Ik woon onder mijn volk. 14 En hij zeide: Wat zal men dan voor haar doen? Toen zeide Gehazi: Och, zij heeft geen zoon, en haar man is oud. 15 En hij zeide: Hoep haar. En toen hij haar riep, trad zij in de deur. 16 En hij sprak: Omtrent dezen tijd over een jaar zult gij een zoon omhelzen. Doch zij zeide; Ach neen, mijn heer, gij man Gods, spreek toch geen onwaarheid tot uwe dienstmaagd. — 17 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon, omtrent denzelfden tijd na een jaar, gelijk Elisa haar gezegd had. 18 Toen nu het kind op- |
2 KONINGEN 4.
727
|
groeide, gebeurde liet dat liet naar zijnen vader tot de maaiers uitging; 19 en liet sprak tot zijnen vader: O mijn hoofd, mijn hoofd! En bij zeide tot zijnen knecbt: Breng liem tot zijne moeder. SJO En hij nam bom en bracht hem tot zijne moeder; en zij zette hem op haren schoot tot den middag toé, toen stierf hij. 21 En zij ging boven, en leide hein op het bed van den man Gods, sloot achter hem toe en ging uit. 23 En zij riep haren man en sprak: Zend mij toch een van de knechten en eene ezelin; ik wil naar dén man Gods, en dan wederkomen. 23 En hij sprak: Waarom wilt gij naar hem toe? Het is immers heden geen nieu-wemaan noch sabbat. Maar zij zeide: Het zal wèl zijn. 2i En zy zadelde de ezelin , en sprak tot den jongen: Drijf voort en houd niet op in het rijden, tenzij ik het u zeg. 25 Alzoo trok zij heen, eti kwam tot den man Gods op den borg Kar mei. Als nu de man Gods haar van nabij zag, sprak hij tot zijnen knecht Gehazi: Zie, daar is de Sunamietische; |
20 loop haar tegemoet, en vraag haar of het haar en haren man cn zoon welgaat. En zij sprak; Het is wèl. 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, omvatte zij zijne voeten. Toen trad Gehazi toe om haar aftestooten; maaide man Gods sprak: Laat haar geworden, want hare ziel is bedroefd, en de Heer heeft het mij verborgen en niet bekendgemaakt. 28 En zij sprak: Heb ik een zoon gebeden van mijnen heer? Zeide ik niet, dat gij mij niet bedriegen zoudt? 29 Toen zeide hij tot Gehazi: Omgord uwe lendenen, en neem mijnen staf in uwe hand, en ga heen; zoo iemand u ontmoet, groet hem niet; en groet iemand u, zoo dank hom niet; en leg mijnen staf op het aangezicht van den jongen. 30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zoo waarachtig als de Heer leeft en uwe ziel, ik laat u niet los. Toen stond hij op en ging haar achterna. 31 Gehazi nu was voor hen uitgegaan, en had den staf op het aangezicht van den jongen gelegd; maar er was geen stem noch gevoel. En hij ging weder terug hem tegemoet, en gaf het hem te |
2 KONINGEN 4.
738
|
kermen, zeggende: Het jongs-ken is niet ontwaakt. 33 En toen Elisa in liet huis kwam, zie, toen lag' het jongsken dood op zijn bed. 33 En hij ging binnen, en sloot de deur achter hen beiden toe, en bad tot den Heer. 34 Eu hij klom op en leide zich. neder op het kind, en leide zijnen mond cp des-zelfs mond, en zijne oogen op deszelfs oogen, en zijne handen op deszelfs handen, en strekte zich over hem uit, zoodat het lichaam des kinds warm werd. 35 En hij stond weder op, en ging door het huis éénmaal heen en weder, voorts klom hij op en strekte zich over hem uit: toen niesde het jongsken zevenmaal, daarna deed het jongsken zijne oogen open. 36 Toen riep hij Gehazi en zeide: Eoep de Suna-mietische. En toen hij haar riep, kwam zij tot hem binnen, en hij zeide: Neem uwen zoon op. 37 Toen kwam zij en viel aan zijne voeten en boog zich neder ter aarde, en nam haren zoon op en ging uit. |
38 Toen nu Elisa weder te Gilgal kwam, zoo ontstond er eene duurte in het land; en de zonen der profeten zaten neder voor hem. En hij sprak tot zijnen knecht: Zet een grooten pot op het vuur, en kook moes voor de zonen der profeten. 3 9 Toen ging eeu hunner op het veld om moeskruiden te verzamelen, en vond wilde ranken, en zamelde daarvan kolokwinten, zijn kleed vol; en toen hij kwam, sneed hij ze in den pot tot moes; want niemand kende ze. 40 En toen zij het opschepten voor de mannen om te eten, en zij van het moes aten, riepen zij en spraken: O man Gods, de dood is in den pot. En zij konden het niet eten. 41 Toen zeide hij: Brengt meel hier; en dit deed hij in den pot, en zeide: Schep nu op voor het volk, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot. 43 En er kwam een man van Baal-Salisa, die bracht den man Gods brooden der eerstelingen, namelijk twintig gerstebrooden, en nieuw koren in zijn kleed En hij sprak: Geef het aan het volk, opdat zij eten. 43 En zijn dienaar sprak: Hoe zal ik dit aan honderd mannen voorzetten ? Hij |
3 KONINGEN 5.
739
|
sprak: Geef het aan liet volk, opdat zij eten; want dus spreekt dolleer: Men zal eten en er zal overblijven. En hij zette het hun voor om te eten, en er bleef nog over, naar hot woord des Heeren. HOOFDSTUK 5. 1 Nailman, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een voornaam man bij zijnen heer, en hoog in aanzien ; want door hem gaf de Heer heil in Syrië, cn hij was een heldhaftig man, doch melaatseh. 3 De krijgslieden van Syrië nu waren uitgevallen en hadden uit het land van Israël eene jongedochter weggevoerd , die in den dienst der huisvrouw van Nailman was. 3 Eu deze zeide tot hare vrouw: Och dat mijn heer bij den profeet te Samarië ware, die zou hem van zijne melaatschheid herstellen. 'i Toon ging hij binnen tot zijnen heer, en zeide het aan hem en sprak: Zóó en zóó heeft de jongedochter uit het land van Israël gesproken. 5 Toen zeide de koning van Syrië: Zoo trek heen; ik zal aan den koning van Israël een brief schrijven. |
En hij trok heen, en nam met zich tien talenten zilver en zesduizend stukken goud en tien feestkleederen. G En hij bracht den brief aan den koning van Israël, die luidde aldus: Als deze brief tot u komt, zie, zoo weet dat ik mijnen knecht Nailman tot u gezonden heb, dat gij hem van zijne melaatschheid doet herstellen. 7 En toen de koning van Israël dezen brief las, scheurde hij zijne kleederen en sprak: Een ik dan God, dat ik zou kunnen dooden en levendmaken, dat hij tot mij zendt om den man van zijne melaatschheid te doen herstellen? Merkt en ziet, hoe hij oorzaak 'Jot tioisf. tegen mij zoekt. S Toen nu Elisa de man Gods hoorde dat de koning van Israël zijne kleederen gescheurd had, zond hij tot hem en liet aan hem zeggen: Waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd? Laat hem tot mij komen, opdat hij bevinde dat er een profeet in Israël is. 9 Alzoo kwam Nailman met paarden en wagens, en hield stil voor de deur van het huis van Elisa. 10 Toen zond Elisa een bode tot hem, en liet aan hem zeggen: Ga heen en |
3 KONINGEN 5.
730
|
wascli u zevenmaal in den Jordaan, zoo zal uw vleesch hersteld en rein worden. 11 Toen werd Naüman toornig en trok weg, en sprak: Ik meende dat hij tot mij zou uitkomen, en toetreden, en den naam van den Heer zijnen Grod aanroepen , en met zijne handen over de plaats strijken, en de melaatschheid alzoo verdrijven. 13 Zijn niet de Abana en de Parpar, rivieren van Damascus , beter dan al de wateren in Israël, om mij daarin te wasschen en rein te worden? En hij wendde zich om en trok in toorn weg. 13 Toen kwamen zijne knechten tot hem, en spraken tot hem en zeiden: Lieve vader, indien de profeet u iets groots bevolen had, zoudt gij het niet doen? Hoeveeltemeer nu hij tot u zegt: Wasch n, zoo zult gij rein worden. 14 ïoen klom hij af en dompelde zich zevenmaal in den Jordaan, zooals de man Gods gesproken had; en zijn vleesch werd hersteld als het vleesch van een jongen knaap, en hij word rein. |
15 En hij keerde weder tot den man Gods met zijn geheele gevolg; en toen hij binnenkwam, trad hij voor hem en sprak: Zie, nu weet ik dat er geen God is in alle landen behalve in Israël; zoo neem nu een zegen aan van uwen knecht. 16 Maar hij sprak: Zoo waarachtig als de Heer leeft, voor wien ik sta, ik neem het niet. En hij hield bij hem aan dat hij het nemen zou, maar hij wilde niet. 17 Toen sprak Naaman: Dat dan aan uwen knecht gegeven worde een last van deze aarde, zooveel als twee muilezels dragen; want uw knecht wil niet meer aan andere goden offeren en brandoftër doen, maar aan den Heer alleen. 18 Dat de Heer in deze zaak uwen knecht genadig zij, wanneer ik aanbid in het huis van Eimmon, als mijn heer in het huis van Eimmon gaat om aldaar te aanbidden, en hij op mijne hand leunt. 19 En hij sprak tot hem: Trek heen in vrede. — En als hij van hem weggetrokken was een stadie op het land, 30 zoo dacht Gehazi, de knecht van Elisa den man Gods: Zie, mijn heer heeft dezen Syriër Naaman ver- |
2 KONINGEN 6.
731
|
schoond, dat liij van hem. niet heoft aangenomen liet-geen hij gebracht heeft: zoo waarachtig als de Heer leeft, ik wil hem naloopeu en wat van hem nemen. 31 Alzoo volgde Gehazi Naiiman achterna; en toen Naaman zag dat hij hem naliep, sprong hij van den wagen , liem tegemoet, en sprak: Is het wel? 33 En hij sprak: Ja; maar mijn heer heeft mij gezonden en laat u zeggen; Zie, zoo even zijn twee jongelingen van de zonen der profeten tot mij gekomen van het gebergte van Efraïm: geef hun toch een talent zilver en twee feestklee-deren. 33 En Naaman zeide: Eilieve neem twee talenten. En hij hield bij hem aan, en hond twee talenten zilver in twee buidels, en twee feestkleederen, en gaf ze aan twee zijner knechten , die droegen ze voor hem uit. 2'Ji En toen hij te Ofel gekomen was, nam hij ze van hunne hand ca cn legde ze weg in een huis, en liet de mannen gaan. 25 En toen zij weg waren trad hij voor zijnen heer; en Elisa sprak tot hem; quot;Vanwaar, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan. |
30 Maar hij sprak tot hem: Ging mijn hart niet mede, toen die man omkeerde van zijnen wagen u tegemoet? Was dit de tijd om zilver of kleederen te nemen, of olijftuinen, wijnbergen, schapen, runderen, knechten of dienstmaagden? 27 Daarom zal Naamans melaatschheid u aankleven, en uwen zade eeuwigiijk. Toen ging hij van hem uit, melaatsch als sneeuw. HOOFDSTUK 6. 1 En de zonen der profeten zeiden tot Elisa: Zie, de plaats waar wij voor u wonen is te eng voor ons: 2 laat ons toch naar den Jordaan gaan, en elk vandaar hout balen, opdat wij ons aldaar eene plaats bereiden om te wonen. En hij zeide: Gaat heen. 3 En ccn zeide: Eilieve ga met uwe knechten. En hij zeide: Ik zal medegaan. 4 En hij ging met hen. En toen zij aan den Jordaan kwamen, hieuwen zij hout af. 5 En toen ccn van hen een stam velde, viel het ijzer in het water; en hij |
a KONINGEN 6.
732
|
riep en sprak: Ach. mijn lieer, het was geleend. 6 Eu de man Gods zeide; Waar is het heengevallen? Eu toen hij hem de plaats wees, sneed hij een hout af, en wierp het daarheen; toen dreef het ijzer. 7 En hij sprak: Neem het op. Toen strekte hij zijne hand uit en nam het. 8 En de koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël, en beraadslaagde met zijne knechten, zeggende: Wij willen ons legeren daar en daar. 9 Maar de man Gods zond tot den koning van Israël, en liet aan hem zeggen: Wacht u van naar die plaats heentetrekken, want de Sy-riërs hebben zich aldaar nedergeslagen. 10 Zoo zond dan de koning van Israël heen naar die plaats waarvan de man Gods tot hem gesproken en hem gewaarschuwd had, en was aldaar op zijne hoede; en hij deed dit niet céns of tweemaal. 11 Toen werd het hart van den koning van Syrië daarover ontrust, en hij riep zijne knechten en sprak tot hen: Wilt gij mij dan niet zeggen wie van de onzen tot den koning van Israël gevloden is? |
ia Toen sprak een zijner knechten: Niemand, mijn heer koning; maar Elisa, de profeet in Israël, zegt aan den koning van Israël alwat gij spreekt in de ka-mor waar uwe legerstede is. 13 En hij zeide: Gaat dan heen en ziet waar hij is, opdat ik heenzende en hem late halen. En zij gaven het hem te kennen, zéggende: Zie, hij isteDothan. l-t Toen zond hij paarden en wagens heen, en eene groote macht; en toen zij bij nacht daar kwamen, omsingelden zij de stad. 15 En de dienaar van den man Gods stond vroeg op om zich optemaken en nit-tetrekken; en zie, toen lager om de stad eene krijgsmacht met paarden en wagens. Toen sprak zijn knecht tot hem: Ach mijn heer, wat zullen wij nu doen? 16 Doch hij zeide: Vrees niet, want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. 17 En Elisa bad en sprak: Heer, open hem toch de oogen, opdat hij zie. Toen opende de Heer den knecht de oogen dat hij zag; en zie, toen was de berg vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. 18 En toen zij tot hem |
3 KONINGEN 6.
733
|
afkwamen, bad Elisa en sprak: Heer, sla dit volk met blindheid. Eu hij sloeg hen met blindheid, naar het woord van Elisa. 19 Ea Elisa sprak tot hen; Dit is de weg niet noch de stad; volgt mij, ik wil n leiden tot den man dien gij zoekt. En hij leidde hen naar Samarië. 20 Eu toen zij te Samarië kwamen, sprak Elisa: Heer, open dezen de oogen, opdat zij zien. En de Heer opende hun de oogen dat zij zagen; en zie, toen waren zij midden in Samaric. 31 En toen de koning van Israël hen zag, zeide hij tot Elisa: Mijn vader, zal ik hen verslaan? 23 Maar hij zeide: Gij zult hen niet verslaan; wien gij met uw zwaard en u-wen boog overweldigt, dien moogt gij verslaan. Zet hun brood en water voor, opdat zij eten en drinken; en laat hen naar hunnen heer trekken. 33 Toen werd er een groote maaltijd bereid; en toen zij gegeten cn gedronken hadden, liet hij hen gaan, opdat zij tot hunnen heer zouden trekken. Na dien tijd kwamen de Syricrs niet meer in het land van Israël. |
34 Doch daarna geschiedde het dat Benhadad de koning van Syrië al zijn heir vergaderde, en optrok en Samarië belegerde. 35 En er was eene groote duurte te Samarië; want zie, zij belegerden de stad, zoodat een ezelskop tachtig zilverlingen, en het vierdedeel van een kab duiven-mest vijf zilverlingen gold. 36 En toen de koning van Israël naar den muur toeging, riep eene vrouw hem toe, zeggende: Help mij, mijn heer koning. 37 En hij zeide: Helpt de Heer u niet, vanwaar zou ik hulp aanbrengen ? van den dorschvloer of van de wijnpers? 28 En de koning sprak tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw daar heeft tot mij gezegd: Geef uwen zoon hier, opdat wij hem heden eten; morgen zullen wij mijnen zoon eten. 39 Alzoo hebben wij mijnen zoon gekookt en gegeten ; maar toen ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uwen zoon hier en laat ons hem eten, zoo heeft zij haren zoon verstoken. 80 Toen de koning de woorden dier vrouw hoorde, scheurde hij zijne kleederen, naar den muur toegaande; |
3 KONINGEN 7.
734
|
toen zag al liet volk dat hij een zak om liet naakte lichaam had. 31 Eu hij sprak: God doe mij dit en dat, zoo het hoofd van Elisa den zoon van Safat heden op hem zal blijven staan, 32 Élisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hom, toen \de honi}ig\ een man voor zich uitzond; maar eer de bode tot hem kwam, sprak hij tot de oudsten; Hebt gij gezien, hoe dit moordenaarskind hier gezonden heeft om mij het hoofd wegtenemen? Ziet toe, als de bode komt, dat gij de deur toesluit, en dringt hem weg met de deur; zie, het geluid dei-voetstappen van zijnen heer volgt hem. 33 Terwijl hij nog zoo met hen sprak, zie, toen kwam de bode tot hom af, en sprak: Zie, zulk kwaad komt van den Heer: wat zou ik langer op den Hoer wachten? HOOFDSTUK 7. 1 Toen zeide Elisa: Hoort het woord dos Heeren; dus spreekt de Heer; Morgen omtrent dezen tijd zal een schepel meelbloem een sikkel gelden, en twee schepels gerst een sikkel, in de poort van Samarië. |
3 Doch oen hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man Gods en sprak: Al maakte de Heer vensters aan den hemel, hoo zou dat kunnen geschieden? Hij sprak: Zie, met uwe oogen zult gij het zien, maar daarvan niet eten. 3 En er waren vier me-laatsche mannen buiten de poort der stad; en de één zeide tot den ander: Wat zullen wij hier blijven totdat wij sterven? 4 Wanneer wij al dachten in de stad te komen, zoo is er duurte in de stad, en wij zonden er toch sterven; en blijven wij hier, zoo moeten wij óók sterven: zoo laat ons nu heengaan en tot het heir der Syriërs overloopen; laten zij ons leven, zoo leven wij; dooden zij ons, wij moeten toch sterven. 5 En zij maakten zich in de schemering op, om tot het heir der Syriërs te komen ; en toen zij vóóraan de plaats des heirs kwamen, zie, toen was or niemand. 6 Want de Heer had aan de Syriërs een geluid van paarden, wagens en groote krijgsmacht laten hooron, zoodat zij onder elkander |
2 KONINGEN 7.
735
|
spraken: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten en de koningen der Egyptenaren, dat zij over ons zuilen komen. 7 En zij maakten zich op en vloden in de schemering, en lieten hunne hutten, paarden en ezels in het leger zooals het stond, en vloden om hun leven te behouden. 8 Als nu de melaatschen aan de plaats des legers kwamen , gingen zij in een der hutten, aten en dronken , en namen zilver, goud, en kleederen, en gingen heen en verborgen liet, en kwamen weder en gingen in eene andere hut, en namen daaruit, en gingen heen en verborgen het. 9 Maar de één sprak tot den ander: Laat ons zoo niet doen; deze dag is een dag van goede boodschap; zoo wij dat verzwijgen, en vertoeven tot den lichten morgen, zoo zal onze misdaad gevonden worden; laat ons nu heengaan, opdat wij komen en het bekendmaken aan het huis des konings. 10 En toen zij kwamen, riepen zij de stadswachters toe, en maakten het hun bekend, zeggende: Wij zij n tot het leger der Syriërs gekomen , en zie, daar is niemand , noch eens menschen stem, maar paarden en ezels aangebonden, en de hutten zooals zij staan. |
11 Toen riep men de wachters, dat zij het daarbinnen zouden bekendmaken in het huis des konings. 13 En de koning stond op in den nacht, en sprak tot zijne knechten : Laat mij u zeggen hoe de Syriërs met ons omgaan: zij weten dat wij honger lijden, en zijn uit het leger gegaan om zich in het veld te versteken , en zeggen: Als zij uit do stad gaan, zoo willen wij hen levend grijpen, en in de stad komen. 13 Toen antwoordde een van zijne knechten en sprak: Men neme de vijf overige paarden die nog hierbinnen zijn overgebleven, zie, die zijn hierbinnen overgebleven van de geheele menigte van Israël die reeds verdelgd is; laat ons die uitzenden en zien. 14 Toen namen zij twee span paarden, en de koning zond hen het leger der Syriërs achterna, en zeide: Trekt hoen en beziet het. 15 En toen zij hen achter-natrokken tot aan den Jor-daan, zie, toen lag de weg vol kleederen en gereed- |
2 KONINGEN
736
|
schappen, welke de Syriors van zich geworpen hadden toen zij zich haastten. En toen de boden wederkwamen en het aan den koning zeiden, 16 ging het volk uit en beroofde de legerplaats der Syriërs; en een schepel meelbloem gold een sikkel, en twee schepels gerst ook een sikkel, naar het woord des Heeren. 17 De koning nu stelde den hoofdman, op wiens hand hij leunde, in de poort; on het volk vertrad hem in de poort zoodat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken had toen de koning tot hem kwam. 18 En het geschiedde zooals de man Gods tot den koning gezegd had, toen hij sprak: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee schepels gerst een sikkel gelden, en een schepel meelbloem een sikkel, in de poort vanSa-marië, 19 en toen de hoofdman den man Gods antwoordde en sprak: Zie, al maakte de Heer vensters aan den hemel, hoe zou dat kunnen geschieden? en toen hij sprak: Zie, met uwe oogen zult gij het zien, en daarvan niet eten. |
20 En het ging hem juist alzoo, want het volk vertrad hem in de poort zoodat hij stierf. HOOFDSTUK 8. 1 Elisa nu sprak tot de vrouw wier zoon hij had levendgemaakt, zeggende: Maak u op en ga heen met uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling waar gij best kunt; want de Heer zal eene duurte roepen, die zal in het land komen zeven jaren lang. 3 En de vrouw maakte zich op en deed gelijk de man Gods gezegd had, en trok heen met haar huisgezin , en verkeerde als vreemdeling in het land der Filistijnen zeven jaren. 3 Toen nu de zeven jaren oin waren, kwam de vrouw weder uit het land der Filistijnen; en zij ging uit om tot den koning te roepen wegens haar huis en haren akker. 4 De koning nu sprak tot Gehazi den knecht van den man Gods, en zeide: Verhaal mij al de groote daden die Elisa gedaan heeft. 5 En terwijl hij den koning verhaalde hoe hij een doode levendgemaakt had, zie, toen kwam juist de vrouw wier zoon hij levend- |
3 KONINGEN
7.37
|
gemaakt had, en riep tot den koning wegens haar huis en haren akker. Toen sprak Geliazi: Mijn heer koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon dien Elisa levendgemaakt heeft. G En de koning ondervraagde de vrouw, en zij verhaalde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerdienaar, en sprak: Doe haar teruggeven alwat het hare is, alsook al de opbrengsten des akkers sedert den tijd dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe. 7 En Elisa kwam te Damascus ; toen lag Benhadad de koning van Syrië krank; en men zeide liet aan hem en sprak: De man Gods is hier gekomen. 8 Toen sprak de koning tot Hazaël: Neem geschenken met u, en ga den man Gods tegemoet, en vraag den Heer door hem, zeggende : Zal ik van deze krankheid genezen ? S) En Hazaël ging hem tegemoet, en nam geschenken met zich, en allerlei goederen van Damascus, een last van veertig kameelen; en toen hij kwam, trad hij vóór hem, en sprak: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden en laat u zeggen: |
Zal ik van deze krankheid genezen? 10 En Elisa sprak tot hem: Ga heen en zeg hem: Gij zult zekerlijk genezen. Doch de Heer heeft mij getoond dat hij den dood sterven zal. 11 En do man Gods zag ernstig en ontstelde en weende. 12 Toen zeide Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij sprak: Ik weet wat kwaad gij den kinderen Israels doen zult: gij zult hunne vaste steden met vuur verbranden, en hunne jonge manschap met het zwaard ombrengen, en hunne jonge kinderen dooden, en hunne zwangere vrouwen in stukken houwen. 13 Toen zeide Hazaël : Wat is uw knecht, die slechts een hond is, dat hij zulk eene groote zaak doen zou? En Elisa sprak: De Heer heeft mij getoond dat gij koning van Syrië zijn zult. 14 En hij ging weg van Elisa en kwam tot zijnen heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa u gezegd? En hij sprak: Hij heeft mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen. 15 En des anderen daags nam hij eene deken en doop- |
|
ïss 3 KONIl te die in hot water, en spreidde ze over hem heen dat hij stierf; en Ilazaöl werd koning in zijne plaats. 16 In het vijtcle jaar van Joram den zoon van Achab, den koning van Israël, terwijl Josafat koning van Juda was, werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda. 17 Tweeëndertig jaar was hij oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem. 18 En hij wandelde op den weg der koningen van Israël, gelijk het huis van Ach al) deed; want Achabs dochter was zijne vrouw; en hij deed hetgeen den Heer mishaagde. . 1'J Doch do Heer wilde Juda niet verderven, ter-wille van zijnen knecht David; gelijk hij tot hem gesproken had, om hem altoos een schijnsel onder zijne kinderen te geven. 20 In zijnen tijd vielen de Edomieten af van Juda, en stelden een koning over zich aan. 31 Want Joram was door Zaïr getrokken, en al de wagens met hom; en hij had zich des nachts opgemaakt en de Edomieten geslagen die rondom hem waren , alsook de oversten over |
TGEN 8. de wagens, zoodat het volk vlood naar zijne hutten. 33 Daarom vielen de Edomieten af van Juda tot op dezen dag; ook viel op d ien -zelfden tijd Libna af. 33 Wat er nu meer van Joram te zeggen is, en al-wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 31 En Joram ontsliep met z\jne vaderen, en werd begraven met zijne vaderen in de stad Davids; en Aha-zia zijn zoon werd koning in zijne plaats. 35 In het twaalfde jaar van Joram den zoon van Achab, den zoon van Israël, werd Ahazia, de zoon van Joram, koning van Juda. 36 Tweeëntwintig jaar was Ahazia oud toen hij koning word, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Athalia, do dochter van Omri den koning van Israël. 37 En hij wandelde op den weg van het huis van Achab, en deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals hot huis van Achab; want hij was verwant aan het huis van Achab. 38 En hij trok niet Joram den zoon van Achab in den strijd tegen Hazaël den ko- |
3 KONINGEN 9.
'739
|
ning van Syrië, naar Ita-motli in Gilead; en de Sy-riërs sloegen Joram. 29 Toen keerde de koning Joram weder, opdat liij zich te Jizreël liet genezen van de wonden welke de Syriërs licm geslagen liadden te Eama, toen liij tegen Ila-zaël den koning van • Syrië streed; en Ahazia de zoon .van Joram, de koning van Juda, kwam ai' om Joram den zoon van Acliab te Jizreël te bezoeken, want hij lag krapk. HOOFDSTUK 9. 1 Elisa nu, de profeet, riep een van de zonen der profeten en sprak tot liem: Omgord uwe lendenen, en neem deze kruik met olie in uwe hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead. 3 En als gij daar zult gekomen zijn, zult gij aldaar zien Jehu, den zoon van Josafat den zoon van Nimsi; en ga binnen, en doe hem opstaan onder zijne broeders, en leid hem in de binnenste kamer, 3 en neem de kruik mot olie en giet haar op zijn hoofd uit, en zeg: Dus spreekt de Heer: Ik heb u tot koning over Israël gezalfd. Dan zult gij de deur opendoen en vlieden , en niet vertoeven. |
4 En die jongeling, de knecht van den profeet, ging heen naar Eamoth in Gilead. 5 En als hij daar inkwam, zie, toen zaten de hoofdlieden des heirs bij elkander; en hij sprak: Ik hel) u, hoofdman, wat te zeggen. En Jehu zeide: Aan wien van ons allen? En hij sprak: Aan u, hoofdman. G Toen stond hij op en ging binnen; en hij goot de olie op zijn hoofd, en sprak tot hem: Dus zegt de Heer, Israëls God: Ik heb u tot koning gezalfd over het volk des Heeren, over Israël. 7 En gij zult het huis van Achab uwen heer slaan; opdat ik het bloed van de profeten, mijne knechten, en het bloed van alle knechten des Heeren, wreke op Izébel, 8 zoodat het geheele huis van Achab omkome; en ik wil van Achab uitroeien al-wat mannelijk is , ook den beslotejie en verlatene in Israël, 9- en wil het huis van Achab maken als het huis van Jerobeain den zoon van Nebat, en als het huis van Baësa den zoon van Alna. |
|
740 2 KONI 1-0 En de honden zullen Izcbel eten op den akker van Jizreël, en niemand zal haar begraven. — Toen deed hij de deur open en vlood heen. 11 En toen Jehu uitging tot de knechten zijns hee-ren, sprak men tot hem: Is het wèl? Waarom is deze razende tot u gekomen? En hij sprak tot hen: Gij kent Immers den man wel en wat hij zegt. 13 Zij spraken: Dat is niet waar; maar zeg het aan ons. En hij zeide: Zóó en zóó heeft hij tot mij gesproken , zeggende: Dus spreekt de Heer: Ik heb u tot koning over Israël gezalfd. 13 Toen haastten zij zich, en een ieder nam zijn kleed en leide het onder hem op de hooge trappen; en zij bliezen met dc bazuin en spraken: Jehu is koning-geworden. 14 Alzoo maakte Jehu, de zoon van Josafat den zoon van Nimsi, een verbond tegen Joram. (Joram nu lag voor Eamoth in Gi-lead met geheel Israël, tegen lEazaël den koning van Syrië; 15 en de koning Joram was wedergekomen, opdat hij zich te Jizreël liet ge- |
STGEN 9. nezen van de wonden welke de Syriërs hem geslagen hadden, toen hij streed tegen Hazaël den koning van Syrië.) En Jehu sprak: Is het uw wil, zoo zal er niemand uit de stad ontkomen om heentegaan en het bekendtemaken te Jizreël. 16 En hij reed en trok naar Jizreël, want Joram lag aldaar; ook was Ahazia de koning van Juda, afgetrokken om Joram te bezoeken. 17 De wachter nu, die op den toren te Jizreël stond, zag den hoop van Jehu komen en sprak: Ik zie een hoop. Toen sprak Joram: Neem een ruiter en zend hun tegemoet, en spreek: Is het vrede? 18 En de ruiter reed heen, hem tegemoet, en sprak: Dus zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei-de: Wat gaat u de vrede aan? Wend u achter mij. En de wachter verkondigde en sprak: De bode is tot hen gekomen en komt niet weder. 19 Toen zond hij een anderen ruiter Toen die tot hem kwam, sprak hij: Dus spreekt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat gaat u de vrede aan? Wend u achter mij. |
2 KONINGEN 9.
741
|
30 Pit verkondigde de wachter en sprak: Hij is tot hen gekomen en komt niet weder; en liet is een jagen als het jagen van Jehu den zoon van Nimsi, want hij jaagt als een onzinnige. 21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijnen wagen aan; en zij trokken uit, Joram de koning van Israël en Ahazia de koning van Jnda, elk op zijnen wagen, om Jehu te-gemoettekomen; en zij troffen hem aan op den akker van Naboth den Jizreëliet. 22 En toen Joram Jehu zag, zeide hij: Jehu, is het vrede? Doch hij sprak: Wat vrede! de hoererij en too-verij van uwe moeder Izcbel wordt altoos grooter. 23 Toen keerde Joram zijne hand en vlood, en sprak tot Ahazia: liet is verraad, Ahazia. 34 En Jehu spande zijnen boog, en schoot Joram tus-schen de armen, dat de pijl door zijn hart uitvoer: en hij viel in zijnen wagen. 35 En hij sprak tot zijnen hoofdman Bidkar: Neem en werp hem op het stuk akker van Naboth den Jizreëliet; want ik gedenk hoe gij en ik op een wagen reden achter zijnen vader Achab, toen de Heer dezen | last tegen hem deed opheffen : |
26 Voorwaar, spreekt de Heer, ik zal u net bloed van Naboth en van zijne zonen, hetwelk ik gisteren zag, vergelden op dezen akker. Zoo neem dan en werp hem op dien akker, naar het woord des Heeren. 27 Toen Ahazia, de koning van Juda, dit zag, vlood hij langs den weg naar het huis des hofs; maar Jehu joeg hem na, en beval ook hem te verslaan op zijnen wagen, aan den opgang naar Gur bij Jibleam; doch hij vlood naar Megiddo en stierf aldaar. 28 En zijne knechten lieten hem voeren naar Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf bij zijne vaderen in de stad Davids. 39 En Ahazia regeerde over Juda in het elfde jaar van Joram den zoon van Achab. 3U En toen Jehu te Jizreël kwam, en Izcbel dat vernam , zoo blankette zij haar aangezicht en versierde haar hoofd, en zag het venster uit. 31 En toen Jehu onder de poort kwam, sprak zij: Is het Zimri welgegaan, die zijnen heer doodsloeg? 32 En hij hief zijn aan- |
|
742 2 K 0 N11 gezicht op naar liet venstor en spralc: Wio is vóór mij, wie? Toen wondden zich twee of drie hamerdienaars tot hem. 33 En hij zeide; Werpt haar van boven neder. En zij wierpen haar van hoven neder, zoodat do wand en de paarden met haar bloed bespat werden; en zij werd vertreden. 34 En toen hij binnenkwam en gegeten er. gedronken had, sprak hij : Ziet toch naar die vervloekte, en begraaft haar, want zij is eene koningsdochter. 35 Toen zij nn heengingen om haar te begraven, vonden zij niets van haar dan het bekkeneel en de voeten en hare vlakke handen. 36 En zij kwamen weder en zeiden het aan hem; en hij sprak: Dit is het wat de Heer gesproken heeft door zijnen knecht Elia den Tisbiet, zeggende: Op den akker van Jizreël zullen de honden Izébels vleesch eten. 37 .Vlzoo werd het doode lichaam van Izébel als mest op het veld, in den akker van Jizreël, zoodat men niot zeggen kon: Dit is Izébel. |
:gen 10. HOOFDSTUK 10. 1 Achab nn had zeventig zonen te Samarië; en Jelui schreef brieven en zond die naar Samarië aan de oversten van Jizreël, aan de oudsten en voedsterheeren van Achab, die luidden aldus: 2 Als deze brief tot u komt, gij die de zonen van. uwen heer bij u hebt, en wagens, paarden, vaste steden en wapenen hebt, 3 zoo ziet wie de beste en geschiktste is onder de zonen uws heeren, en zet hem op den troon zijns vaders, en strijdt voor het huis uws heeren. 4 Maar zij vreesden bovenmate en spraken: Zie, twee koningen hebben voor hem niet kunnen bestaan, hoe zouden wij dan bestaan? 5 En die over het huis en over de stad waren, en de oudsten en voedsterheeren zonden heen tot Jelui en lieten aan hem zeggen: Wij zijn uwe knechten, wij zullen doen alwat gij ons zegt, wij zullen niemand koning maken: doe wat u behaagt. 6 Toen schreef hij den tweeden brief aan hen, die luidde aldus: Zoo gij vóór mij zijt en naar mijne stem |
2 KONINGEN 10.
743
|
lioort, zoo neemt de hoofden van do mannen, de zonen uws heeren, en brengt die tot mij, morgen omtrent dezen tijd, te Jizreël. (Do zonen des konings nu ^fa-ren zeventig man, en de grootsten der stad voedden lien op.) 7 Toen nu die brief tot lien kwam, namen zij de zonen des konings en versloegen ze, zeventig man; en zij leiden Imnnc hoofden in korven, en zonden ze tot hem naar Jizreël. 8 En toen dc bode kwam en het hem bekendmaakte, en sprak: Zij hebben de hoofden van de zonen des konings gebracht, zoo sprak hij: Legt ze op twee hoopen voor de deur aan de poort, tot morgen toe. 9 En des morgens toen hij uitging, trad hij daarheen eu sprak tot al het volk: Gijlieden zijt onschuldig. Zie, heb ik tegen mijnen heer een verbond gemaakt en hem doodgeslagen, wie heeft dan deze allen verslagen? 10 Erkent dan nu, dat geen woord des Heeren op de aarde gevallen is, hetwelk de Heer gesproken heeft tegen het huis van Achab, en dat de Heer gedaan heeft wat hij gesproken had door zijnen knecht Elia. |
11 Alzoo sloeg Jehu al de overgeblevenen van Achabs huis te Jizreël, al zijne grooten, zijne nabestaanden en zijne priesters, totdat hem niet eén overbleef. 12 En hij stond op, trok heen en kwam te Samarië. Onderweg nu was een herdershuis ; 13 daar kwam Jehu bij do broeders van Ahazia den koning van Juda, en sprak: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn broeders van Ahazia, en trekken af om de zonen des konings en der koningin te begroeten. 14 En hij sprak: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend, en versloegen hen bij den put aan het herdershuis, tweeënveertig-man, en hij liet niet één van hen overblijven. 15 En toen hij vandaar trok, vond hij Jonadab den zoon van Eechab, die hem ontmoette; en hij groette hem en sprak tot hem: Is uw hart oprecht, gelijk mijn hart met uw hart? En Jonadab zeide: Ja het is alzoo. — Zoo geef mij uwe hand. — En hij gaf hem zijne hand; on hij liet hem bij zich op den wagen zitten, |
|
744 3 K0N1Ï 16 en zeide; Kom niet mij, en zie mijnen ijver voor den Heer. En liij voerde liem met zieli op zijnen wagen. 17 En toen liij te Samariö kwam, versloeg hij alles wat overgebleven was van Achab to Samaric, totdat liij hem verdelgd liad, naar het woord des Heeren hetr welk hij tot EKa gesproken had. 18 En Jehu vergaderde al het volk en liet tot hen zeggen: Achab heeft 13a;il weinig gediend, Jehu zal hem beter dienen. 19 Zoo laat mi tot mij roepen alle profeten van Baal, al zijne dienaren en al zijne priesters, dat men niemand misse; want ik heb een groot offer aan Baiil te doen: wien men missen zal, die zal niet in leven blijven. Maar Jelm deed dit met list, om de dienaars van Baiil om(.c-brengen. 20 En Jehu sprak: Heiligt voor Baill het feest. En zij riepen het uit. 21 En Jelm zond heen in geheel Israël, en liet al de dienaars van Baiil komen, zoodat er niemand achterbleef die niet kwam; en zij kwamen in hot huis van Baiil, zoodat het huis van 'GEN 10. |
Baiil vol werd aan alle einden. 22 Toen sprak hij tot dengeen die over het kleederhuis w7as: Breng voor al de dienaren van Baiil kleederen uit. En hij bracht do kleederen daaruit. 23 En Jehu ging in het huis van Baiil met Jonadab den zoon van Eechab, en hij zeide tot de dienaars-van Baiil: Onderzoekt en ziet toe, opdat hier niemand van (le dienaren des Hoeren onder u zij, maar Baiils dienaren alleen. 24 En toon zij daar inkwamen om slachtoffers en brandoffers te offeren, stolde Jelm daarbuiten tachtig-man , en sprak: /oo er iemand van die mannen die ik onder uwe handen geef ontkomt, zal zijne ziel voor diens ziel zijn. 33 Toen hij nu de brandoffers volbracht had, sprak Jelm tot de trawanten en do hoofdlieden: Komt binnen en verslaat hen, laat niemand uitgaan. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaards, en de trawanten en de hoofdlieden wierpen hen weg. En zij gingen tot de stad in het huis van Baiil, 20 en zij brachten de beeldzuilen uit het huis van |
3 KONINGEN 11.
745
|
Baiil naarbuiten en verbrandden ze, 27 en zij verbrijzelden liet opgerichte beeld van Baill, en braken het huis van Baiil af, en maakten er. heimelijke gemakken van, tot o]) dezen dag. 38 Alzoo verdelgde Jehu Baiil uit Israël. 3!) Maar van de zonden van Jerobeam den zoon van quot; Nebat, die Israël deed zondigen, liet Jehu niet af, van de gouden kalveren tc Beth-El en te Dan. 30 En de Heer sprak tot Jehu: Omdat gij gewillig geweest zijt om te doen hetgeen mij behaagd heeft, en aan het huis van Aehab gedaan hebt alwat in mijn hart was, zoo zullen uwe zonen op den troon van Israël zitten tot in hot vierde geslaeht. 31 Nochtans beijverde Jehu zich niet om in de wet van den Heer, den God van Israël, te wandelen van ganscher harte; want hij liet niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël had doen zondigen. 33 In die dagen begon de Heer Israël intekorten, want Hazaël sloeg hen aan al de grenspalen van Israël; |
33 van den Jordaan tegen den opgang der zon, en het geheele land Gilead, van (le Gadieten, Eubenieten en Manassieten: van Aroër af aan do beek Anion, en Gilead, en Basan. 31 Wat er nu meer van Jehu te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, en al zijne macht, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 35 En Jehu ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem te Samarië; en Joahaz zijn zoon werd koning in zijne plaats. 36 De tijd nu dien Jehu over Israël te Samarië geregeerd heeft is achtentwintig jaar. HOOFDSTUK 11. 1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en roeide het geheele koninklijke geslacht uit. 3 Doch Joséba de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas den zoon van Ahazia en stal hem weg uit des konings kinderen die gedood werden, met zijne voedster in de slaapkamer. En zij verborgen hem voor xVthalia, dat hij niet gedood werd; 3 en hij was met haar verstoken in het huis des |
|
7'1'6 Heeren zes jaar, en Athalia was koningin in liet land. 4 In het zevende jaar nu zond Jojada heen en nam de oversten over honderd niet de hoofdlieden en de trawanten, en liet hen tot zich in het huis des Heeren liomen, en maakte een verbond met hen, en nam een eed van hen in het huis des Heeren, en vertoonde hun des konings zoon. 5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is het wat gij doen zult: een derde gedeelte van diegenen onder u, die op den sabbat den dienst hebben, zal de wacht waarnemen in het huis des konings, 6 en een derde gedeelte zal zijn aan de poort Sur, en een derde gedeelte aan de poort die achter de tra-wanten is; en gij zult de wacht waarnemen aan het huis Massa. 7 En twee deelen van u, allen die op den sabbat dienstvrij zijn, zullen de wacht waarnemen in het huis des Heeren, rondom den koning. 8 En gij zult u rondom den koning scharen, elk met zijne wapenen in de hand; en wie hier inkomt tusschen de rijen, die sterve; en gij zult bij den koningzijn als hij uit- en ingaat. |
En de oversten over honderd deden alles zooals Jojada de priester hun geboden had, en zij namen tot zich hunne mannen die op den sabbat den dienst hadden, met degenen die op den sabbat dienstvrij waren, en kwamen tot den priester Jojada. 10 En de priester gaf den hoofdlieden spiesen en schil--den, die van den koning David afkomstig en in het huis des Heeren waren. 11 En de trawanten stonden rondom den koning, elk met zijne wapenen in de hand, van den hoek des huizes ter rechterzijde af tot aan den hoek ter linkerzijde, naar den altaar en naar het huis toe, rondom den koning. 12 En hij liet den zoon des konings voorkomen, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis, en zij maakten hem koning en zalfden hem, en zij sloegen in de handen en spraken: Heil den koning! 13 En toen Athalia het geroep der trawanten en des volks hoorde, kwam zij tot het volk in het huis des Heeren; 14i en zij zag, en zie, toen stond de koning aaii 2 KONINGEN 11. |
|
den pilaar, galijk liet do gewoonte was, en de zangers en trompetters bij den koning, en al liet volk des lands was vroolijk, en zij bliezen op trompetten: toen scbeurde Atlialia hare kleederen en riep : Verraad, verraad! 15 Maar de priester Jojada gebood den oversten over honderd die over het heir gesteld waren, en sprak tot hen: Leidt haar het huis uit tusschen de gelederen; en wie haar volgt, die sterve door het zwaard. Want de priester had gezegd: Dat zij in het huis des Heeren niet sterve. 16 En zij sloegen de handen aan liaar; en zij ging langs den weg dien de paarden tot het huis des konings gaan, en werd aldaar gedood. 17 ïoen maakte Jojada een verbond tusschen den Heer en den koning en liet volk, dat zij het volk des Heeren zouden zijn, alsook tusschen den koning en het volk. 18 ïoen ging al het volk des lands in het huis van Baal, en zij braken zijne altaren ai', en verbrijzelden zijne beelden naar hunnen lust; en Mattan den priester van Baiil doodden zij |
747 voor de altaren. En de priester bestelde de ambten in het huis des Heeren, 19 en nam de oversten over honderd en de hoofdlieden en de trawanten, en al het volk des lands; en zij voerden den koning af van het huis des Heeren, en kwamen langs den weg van de poort der trawanten tot des konings huis, en hij zette zich op den troon der koningen. 20 En al liet volk in het land was vroolijk, en de stad was in rust, nadat zij Atlialia gedood hadden met het zwaard in het huis des konings. 21 Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. HOOFDSTUK 12. 1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaar te Jeruzalem ; en zijne moeder heette Zibja van Ber-Séba. 3 En Joas deed hetgeen recht was en den Heer behaagde, al de dagen in welke de priester Jojada hem leerde ; 3 behalve dat men de hoogten niet wegdeed, want het volk offerde en wierookte nog op de hoogten. 4 En Joas sprak tot de 3 KONINGEN 13. |
|
748- 3 KONI] priesters: Al het geld dat geheiligd wordt zal in het huis des Heeren gebracht worden, dat goed en gangbaar is; het geld dat iedereen geeft voor de schatting zijner ziel, en al het geld dat iedereen uit een vrij hart oflert om liet in het huis des Heeren te brengen; 5 laat de priesters dat tot zich nemen, elk van zijne bekenden; daarvan zullen zij verbeteren hetgeen bouwvallig is aan het huis des Hoeren, waar zij iets vinden dat bouwvallig is. 6 Maar toen de priesters tot in het drieëntwintigste jaar van den koning Joas nog niet verbeterd hadden wat bouwvallig was aan het huis, 7 riep de koning Joas den priester Jojada met de priesters, en sprak tot hen: Waarom verbetert gij niet hetgeen bouwvallig is aan het huis? Zoo zult gij nu niet tot u nemen het geld, elk van zijne bekenden, maar zult het geven voor hetgeen bouwvallig is aan het huis. 8 En de priesters bewilligden om van het volk geen geld meer te nemen en het bouwvallige aan het huis niet meer te verbeteren. 9 Toen nam do priester Jojada eene kist, en boorde [GEN 12. |
een gat in het deksel, en zette die ter rechterzijde van den altaar, waar men in het huis des Heeren gaat; en de priesters, die aan den drempel de wacht hielden', staken daarin al het geld dat tot het huis des Heeren gebracht werd. 10 Als zij dan zagen dat er veel geld in de kist was, zoo kwam de schrijver des konings op met den hooge-priester, en zij bonden het geld tezamen en telden het, wat voor het huis des Heeren gevonden werd; 11 en men gaf' het geld, zooals het was, over aan de arbeiders die besteld waren tot het huis des Heeren, en zij gaven het uit aan de timmerlieden die aan het huis des Heeren bouwden en arbeidden , 12 namelijk aan de metselaars en steenhouwers, en die hout en gehouwen stee-nen kochten, opdat het bouwvallige aan het huis des Heeren verbeterd wierd, en alwat zij vonden noodig te zijn aan het huis te verbeteren. 13 Evenwel liet men niet maken zilveren schalen, snuiters, bekkens, trompetten, noch cenig gouden of zilveren gereedschap, in het huis des Heeren, van het geld |
3 KONINGEN 13.
749
|
dat tot liet huis des Heeren gebracht werd; 14 maar men gaf het aan de arbeiders, opdat zij daarmede het bouwvallige aan het huis des Heeren verbeterden. 15 Ook behoefden de mannen, in wier handen men het geld gaf om het aan de arbeiders te geven, geen rekening te doen, maar zij .handelden op vertrouwen. 16 Maar het geld van schuldoilers en zondolfers werd tot het huis des Heeren niet gebracht; want het was voor de priesters. 17 In dien tijd trok Ha-zaël de koning van Syrië op en streed tegen Gath, en nam het in. En toen Ha-zacl zijn aangezicht stelde om naar Jeruzalem optetrek-ken, 18 nam Joas de koning van Juda al het geheiligde hetwelk zijne vaderen, Josa-fat, Jorani en Ahazia , de koningen van Juda, geheiligd hadden, en hetgeen hij geheiligd had, daarenboven al het goud dat men vond in den schat in het huis des Heeren en in het huis des konings, en hij zond het aan Hazacl den koning van Syrië ; toen trok hij af van Jeruzalem. 19 Wat er nu meer van |
Joas te zeggen is, en al wat hij gedaan heeft, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 20 Eu zij ne k nechten s tonden tegen hem op en maakten een verbond, en doodden hem in het huis Millo, waar men afgaat naar Silla; 31 want Jozachar de zoon van Simeath, enJozabadde zoon van Somer, zijne knechten, sloegen hem dat hij stierf; en men begroef hem met zijne vaderen in de*stad Davids; en Amazia zijn zoon werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 13. 1 In het drieëntwintigste jaar van Joas den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz de zoon van Jehu koning over Israël te Samarië, zeventien jaar. 2 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en wandelde in de zonden vanJe-robeam, Nebats zoon, die Israël deed zondigen; en hij liet daarvan niet af. 3 En de toorn des Heeren ontstak over Israël, en hij gaf hen in de hand van Hazaël den koning van Syrië , en in de hand van Ben-hadad den zoon van Hazaël, hun leven lang. 4 Doch Joahaz smeekte het aangezicht des Heeren; |
|
^SO 3 KONII en de Heer verhoorde liem, want liij zag Israëls ellende aan, lioe de koning van Syrië ben verdrukte. 5 En de Heer gaf Israël een verlosser die lien uit liet geweld der Syriërs voerde, zoodat de kinderen Israëls in hunne hutten woonden als tevoren. 6 Nochtans lieten zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël deed zondigen, maar wandelden daarin; ook bleef het gewijde bosch teSama-rië staan. 7 Daarom bleven van het volk van Joahaz niet meer over dan vijftig ruiters, tien wagens, en tienduizend man voetvolk; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen gemaakt als stof van den dorschvloer. 8 Wat er nu meer van Joahaz te zeggen is, en al-wat hij gedaan heeft, eu zijne macht, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 9 En Joahaz ontsliep met zijne vaderen, cn men begroef hem te Samarië; en zijn zoon Joas werd koning in zijne plaats. 10 In het zevenendertigste jaar van Jons den koning van Juda werd Joas de zoon van Joahaz koning over Is- |
IGEN 13. raël te Samarië, zestien jaar. 11 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en liet niet af van al de zonden van Jerobeam, Nebals zoon, die Israël deed zondigen, maar wandelde daarin. 13 Wat er nu meer van Joas te zeggen is, en wat hij gedaan heeft, en zijne macht, hoe hij metAmazia den koning van Juda gestreden heeft, zie, dat is ge-' schreven in de kronieken der koningen van Israël. 13 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en Jerobeam zat op zijnen troon; en Joas werd begraven te Samarië bij de koningen Van Israël. 11 Toen nu Elisa krank was, en aan zijne krankheid sterven zou, kwam Joas de koning van Israël tot hem af, en weende voor hem en sprak: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijne ruiters ! 15 Elisa nu sprak tot hem: Neem een boog en pijlen. En toon hij een boog en pijlen nam, 16 zeide hij tot den koning van Israël: Span met uwe hand den boog. En hij spande met zijne hand; en Elisa leidc zijne hand op des koning? hand, 17 en zeide; Doe het venster open tegen het oos- |
Ü
2 KONINGEN 14),
751
|
ten. En hij deed het open. En Elisa zeide: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Een pijl des heils van den Heer, een pijl des heils tegen de Syriërs! en gij zult de Syriërs slaan te Afek, totdat zij verdelgd worden. 18 quot;Verder zeide hij: Neem de pijlen. En toen hij ze nam, sprak hij tot den koning van Israël: Sla de quot;aarde. En hij sloeg driemaal, en hield toen op. 19 ïoen werd de man Gods toornig op hom en sprak: Hadt gij vijf-of zesmaal geslagen, zoo zoudt gij de Syriërs geslagen hebben totdat zij verdelgd waren; maar nu zult gij hen slechts driemaal slaan. 20 Toen nu Elisa gestorven was en men hem begraven had, vielen in hetzelfde jaar de krijgslieden der Moabie-ten in het land. 21 En het gebeurde als zij een man begroeven, dat zij krijgslieden zagen, en zij wierpen den man in het graf van Elisa; en toen hij daarin kwam en het gebeente van Elisa aanraakte, werd hij levend en verrees op zijne voeten. 22 Hazaël nu de koning van Syrië onderdrukte Israël zoolang als Joahaz leefde. |
23 Maar de Heer was hun genadig en ontfermde zich over hen, en wendde zich tot hen, terwille van zijn verbond met Abraham, Isailk en Jakob, en wilde hen niet verderven; en hij verwierp hen ook niet van voor zijn aangezicht tot op deze ure. 2-1 Èn Hazaël de koning van Syrië stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijne plaats. 23 En Joas de zoon van Joahaz keerde zich van hem af, en hernam de steden uit de hand van Benhadad den zoon van Hazaël, die deze met strijden uit de hand van zijnen vader Joahaz genomen had; driemaal sloeg Joas hem, en herwon de steden van Israël. HOOFDSTUK 14. 1 In het tweede jaar van Joas den zoon van Joahaz, den koning van Israël, werd Amazia koning, de zoon van Joas den koning van Juda. 2 Vijfentwintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en regeerde negenentwintigjaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Joad-dan van Jeruzalem. 3quot; Eu hij deed hetgeen den Heer behaagde, doch niet zooals zijn vader David ; maar gelijk zijn vader |
3 KONINGEN 14.
752
|
Joas gedaan had, zoo deed hij ook. 4 Want de hoogten werden niet weggedaan, maar het volk offerde en wierookte nog op de hoogten. 5 Toen nn liet koninkrijk bevestigd was, vèrsloeg hij zijne knechten die den koning zijnen vader verslagen hadden; 6 doch de kinderen dei-doodslagers doodde hij niet, gelijk geschreven staat in het wetboek van Mozes, waar de Heer geboden heeft, zeggende: De vaders zullen wegens de kinderen niet sterven, en de kinderen zullen wegens de vaders niet quot;sterven, maar ieder zal om zijne zonde sterven. 7 Ook versloeg hij in het Zoutdal tienduizend van de Edomieten, eu bemachtigde Sela met strijden, en noemde het Jokteël, tot op dezen dag. 8 Toen zond Amazia boden tot Joas, den zoon van Joahaz den zoon van Jelui, den koning' van Israël, en liet aan hem zeggen: Kom herwaarts, laat ons elkander onder de oogen zien. |
9 Maar Joas de koning van Israël zond tot Amazia den koning van Judu, en liet aan hem zeggen: De doornstruik op den Libanon 1 zond tot den ceder op den Libanon en liet aan hem zeggen: Geef uwe dochter aan mijnen zoon tot vrouw. Maar het gedierte des velds op den Libanon liep over den doornstruik en vertrad dien. 10 Gij hebt de Edomieten geslagen, daarom verheft zich uw hart: behoud dien roem en blijf tehuis; waarom stort gij u in het ongeluk, dat gij valt en Juda met u? 11 Maar Amazia hoorde niet. Toen trok Joas de koning van Israël op, en zij zagen elkander onder de oogen, hij en Amazia de koning van Juda, te Beth-Scmes in Juda. 13 En Juda werd geslagen door Israël, zoodat een ieder vluchtte naar zijne hut. 13 En Joas de koning van Israël greep Amazia den koning van Juda, den zoon van Joas den zoon van Aha-zia, te Beth-Sémes; en hij kwam te Jeruzalem, en brak Jeruzalems muren af, van de poort van Efraïm af tot aan de hoekpoort, vierhonderd el lang; 14 en hij nam al het goud en zilver en al het gereedschap dat gevonden werd in het huis des Heeren |
2 KONINGEN 14.
753
|
en in den schat van des konings huis, alsook de kinderen tot een onderpand, en trok weder naarSamariö. 15 Wat er nn meer van Joas te zeggen is, wat hij gedaan heeft, en zijne macht, en hoe hij met Amazia den koning van Juda gestreden heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 16 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en werd he-graven te Samaric bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijne plaats. 17 Amazia nn, de zoon van Joas, . de koning van Juda, leefde na den dood van Joas den zoon van Joa-haz, den koning van Israël, vijftien jaar. 18 Wat er nu meer van Amazia te zeggen is, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 19 En zij maakten te Jeruzalem een verbond tegen hem, zoodat hij vluchtte naar Lachis; en zij vervolgden hem tot Lachis, en doodden hem aldaar. 20 En zij vervoerden hem met paarden, en hij werd begraven te Jeruzalem bij zijne vaderen in de stad Davids. |
31 En het geheele volk van Juda nam Azaria, in zijn zestiende jaar, en maakte hem koning in plaats van zijnen vader Amazia. 33 Deze versterkte Elath, en bracht het weder aan Juda, nadat de koning met zijne vaderen ontslapen was. 33 In het vijftiende jaar van Amazia den zoon van Joas, den koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël te Samaric, éénenveertig jaar. 24 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, en liet niet af van al de zonden van Jerobeam, Nebats zoon, die Israël deed zondigen. 25 Hij herwon Israëls grenspaal van Hamath af tot aan de zee die in het vlakke veld is, naar het woord van den Heer, den God van Israël, hetwelk hij gesproken had door zijnen knecht den profeet Jona, die van Gatn-Héfer was, den zoon van Amittai. 30 Want de Heer had de jammerlijke ellende van Israël gezien, dat ook de beslotenen en veriatenen weg waren, en er geen helper voor Israël meer was; 37 de Heer nu had niet gesproken dat hij Israëls naam wilde uitdelgen van |
3 KONINGEN 15.
754.
|
onder den hemel, en hij hielp hen door Jerobeam den zoon van Joas. 28 Wat er nu meer van Jorobeam te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, en zijne macht, hoe hij gestreden heeft, en hoe hij Damascus en Hamath van Juda onder Israël heeft teruggebracht , zie, dat is geschreven in de kronieken dei-koningen van Israël. 29 Én Jerobeam ontsliep met zijne vaderen, met de. koningen van Israël; en zijn zoon Zacharia werd koningin zijne plaats. HOOFDSTUK 15. 1 In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam den koning van Israël werd Azaria koning, de zoon van Amazia den koning van Juda. 2 Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd, en regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Jecholia van Jeruzalem. 3 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, naar alwat zijn vader Amazia gedaan had ; 4 behalve dat men de hoogten niet wegnam, want het volk offerde en wierookte nog op de hoogten. |
5 En de Heer sloeg den koning dat hij melaatsch werd tot aan zijnen dood; en hij woonde in een bijzonder huis, doch Jotham de zoon des konings regeerde het huis, en richtte het volk in het land. G Wat er nu meer van Azaria te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 7 En Azaria ontsliep met zijne vaderen, en men begroef hem bij zijne vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijne plaats. 8 In het achtendertigste jaar van Azaria den koning van Juda werd Zacharia de zoon van Jerobeam koning over Israël te Samarië, zes maanden, 9 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijne vaderen gedaan hadden: hij liet niet af van de zonden van Jerobeam, Nebats zoon, die Israël deect zondigen. 10 En Sallum de zoon van Jabes maakte een verbond tegen hem, en sloeg hem voor de oogen van het volk en doodde hem; en hij werd koning in zijne plaats. 11 Wat er nu meer van |
2 KONINGEN 15.
755
|
Zhcliaria te zeggen is, zie, dat is gesclireven in de kronieken der koningen van Israël. 13 Dit is liet wat de Heer tot Jelm gesproken liad: Uwe zonen zullen zitten op den troon van Israel tot in het vierde geslaclit; en liet is alzoo gescliied. 13 Sallum . de zooü van Jabes werd koning in liet negenendertigste jaar van Azaria den koning van Juda, en bij regeerde te Samarië een maand. l i Want Menaliem de zoon van Gadi trok op van Tirza en kwam te Samarië, en sloeg Sallum den zoon van Jabes te Samarië en doodde hem; en hij werd koning in zijne plaats. 15 Wat er nu meer van Sallum te zeggen is, en zijn verbond hetwelk hij maakte, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 16 Te dier tijd sloeg Menaliem Tifsah en allen die daarin waren, en hare grenspalen van Tirza af, omdat zij hem niet hadden willen inlaten; en hij sloeg ze, en scheurde het lichaam van al hare bevruchte vrouwen open. |
17 In het negenendertigste jaar van Azaria den koning van Jüda werd Menahem de zoon van Gadi koning over Israël te Samarië, tien jaar. 18 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde; hij liet zijn leven lang niet af van de zonden van Jerobe-am, Nebats zoon, die Israël deed zondigen. 19 En Pfü de koning van Assyrië kwam in het land , en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat hij met hem zijn en hem het koninkrijk bevestigen zou. 20 En Menahem hief dit geld in Israël van de rijksten, vijftig sikkels zilver op eiken man, om het den koning van Assyrië te geven; alzoo trok de koning van Assyrië weder naarhuis, en bleef niet in het land. 31 Wat er nu meer van Menahem te zeggen is, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 33 En Menahem ontsliep met zijne vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijne plaats. 23 .In het vijftigste jaar van Azaria den koning van Juda werd Pekahia de zoon van Menahem koning over Israël te Samarië, twee jaar. |
3 KONINGEN 15.
756
|
24 En hij deed lielgecn den Heer mishaagde; want hij liet niet af van de zonden van Jeroboam, Nebais zoon, die Israël deed zondigen. 25 En Pekah de zoon van Eemalia, zijn hoofdman , maakte een verbond tegen hem, en versloeg hem te Samariö in hot vrouwenverblijf van des konings huis, mot Argob en Arjé, en vijftig mannen met hem, van de kinderen van G iload; en hij doodde hem en werd koning in zijne plaats. 26 Wat er riu moer van Pekahia te zoggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 27 In het tweeënvijftigste jaar van Azaria den koning van Juda werd Pekah de zoon van Eemalia koning over Israël te Samarië, twintig- jaar. _ . 28 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde; want hij liet niet af van de zonden van Jeroboam, Nebats zoon, die Israël deed zondigen. 29 In de dagen van Pekah den koning van Israël kwam Ïiglath-Pilcser de koning van Assyrië, en nam Ijon, Abel-Beth-Maiicha, Janóah, Kedes, Hazor, Gilead,Ga-liléa en het geheele land |
Naftali, en voerde ze weg naar Assyrië. 30 En Hoséa de zoon van Ela maakte een verbond tegen Pekah den zoon van Eemalia, en sloeg hem dood, en werd koning in zijne plaats, in het twintigste jaar van Jothain den zoon van Uzzla. 31 Wat er nu meer van Pekah te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie', dat is geschreven in de kronieken der koningen van Israël. 32 In het tweede jaar van Pekah don zoon van Eemalia, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia den koning van Juda. 33 Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Jcrusa de dochter van Zadok. 34 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, naar alles wat .zijn vader üzzia gedaan had; 35 behalve dat men de hoogten niet wegdeed, want hot volk ofi'erdo en wierookte nog op de hoogten. Hij bouwde de hooge poort aan hot huis des Hoeren. 36 Wat er nu meer van Jotham te zeggen is, en |
2 KONINGEN 16.
757
|
al wat liij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 37 Te dier tijd begon de Heer in Juda te zenden Eezin den koning van Syrië, en Pekah den zoon van Eemalia. 38 En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen iii de stad van zijnen vader David; en Achaz zijn zoon werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 16. 1 In het zeventiende jaar van Pekah den zoon van Eemalia werd Achaz koning, de zoon van Jotham den koning van Juda. 2 Twintig jaar was Achaz oud toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem. En hij deed niet hetgeen den Heer zijnen God behaagde, zooals zijn vader Dayid; 3 want hij wandelde op den weg der koningen van Israel, ook liet hij zijnen zoon door het vuur gaan, volgens de gruwelen der volken die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had; 4 en hij offerde en wierookte oji de hoogten en pp alle heuvelen en onder alle groene boomen. |
5 Te dier tijd trok Eezin de koning van Syrië, en Pekah de zoon van Eemalia, de koning van Israël, op naar Jeruzalem om te strijden; en zij belegerden Achaz, maar konden de stad niet bemachtigen. 6 In dien tijd bracht Eezin de koning van Syrië Elath weder aan Syrië, en dreef die van Juda uit Elath; en de Syriërs kwamen en woonden daarin tot op dezen dag. 7 Doch Achaz zond boden tot Tiglath-Piléser den koning van Assyrië, en liet aan hem zeggen: Ik ben uw knecht en uw zoon: kom op en help mij uit de hand des konings van Syrië en uit de hand des konings van Israël, die tegen mij zijn opgestaan. 8 En Achaz nam het zilver en goud dat in het huis des Heeren en in de schatten van des konings huis gevonden werd, en zond den koning van Assyrië geschenken. 9 En de koning van Assyrië hoorde naar hem, en hij trok op naar Damascus en nam het in, en voerde ze weg naar Kir, en doodde Eezin. |
KONIIf GEN 16.
758
|
10 En de koning Acliaz trok Tiglath-Piléser den koning van Assyrië tegemoet naar Damascus; en. toen hij een altaar zag die te Damascus was, zoo zond do koning Achaz het evenbeeld en de gelijkenis van dien altaar, zooals die gemaakt was, aan den priester Uria. 11 En Uria de priester bouwde een altaar, en maakte liem overeenkomstig hetgeen de koning Achaz uit Damascus aan hem gezonden had, tegen dat de koning Achaz uit Damascus kwam. 13 En toon de koning uit Damascus kwam en den altaar zag, otferde hij daarop; 13 en hij ontstak daarop zijn brandoffer en spijsoffer, en goot daarop zijn drankoffer, en sprengde het bloed der dankoilers die hij offerde op den altaar. 14 En den koperen altaar die voor den Heer stond deed hij weg, dat hij niet stond tusschen den altaar en het huis des Heeren; en hij zette hem aan den hoek des altaars tegen het noorden. |
13 En de koning Achaz gebood den priester Uria, zeggende: Op den grooten altaar zult gij ontsteken het brandoffer des morgens, en het spijsoffer des avonds, en het brandoffer des konings, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk in het land, benevens hun spijsoffer en hunne drankoffers, en al het bloed der brandoffers en het bloed van allerhande offers zult gij daarop sprengen; maar ik zal bedenken wat ik met den koperen altaar doen wil. 16 En Uria de priester deed alles wat de koning Achaz hem gebood. 17 En do koning Achaz brak de zijden aan de stellingen weg, en nam het waschvat daarboven af, en nam de zee van de koperen runderen af die daaronder waren, en zette ze op den steenen vloer; IS ook brak hij het verdek des sabbats af, hetwelk zij aan het huis gebouwd hadden , en den ingang des konings van buiten brak hij af van het huis des Heeren, om den koning van Assyrië te behagen. 19 quot;Wat er nu meer van Achaz te zeggen is, wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 20 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Hizkia werd koningin zijne plaats. |
3 KONINGEN 17,
739
|
HOOFDSTUK 17. 1 In hot twaalfde jaar van Achaz den koning van Juda werd Hosoa do zoon van Ela koning over Israël te Samaric, negen jaar. 3 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde; doch niet zooals de koningen van Israël die vóór hem geweest waren. 3 Tegen dezen trok Sal-manéser de koning van As-syrië op, en Hosca werd hem onderdanig, zoodat hij hem geschenken moest geven. 4 Maar toeu de koning van Ass3'rië vernam, dat Hoséa een verbond gemaakt en gezanten gezonden had aan So den koning van Egypte, en aan den koning van Assyrië de geschenken niet had opgebracht gelijk jaarlijks, zoo belegerde hij hem en zette hem in de gevangenis. 5 En de koning van Assyrië trok op in het geheele land, en naar Samaric, en belegerde het drie jaar. ö En in het negende jaar van Hoséa nam de koning van Assyrië Samarië in, en voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen wonen te Halah en te Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. |
7 Want de kinderen Is-raëls zondigden tegen den Heer hunnen God, die hen uit Egypteland gevoerd had, uit de hand van Earao den koning van Egypte, en dienden andere goden, 8 en wandelden naar de wijze der volken die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had, en deden als cle koningen van Israël. 9 En de kinderen Israels bedreven heimelijk dingen tegen den Heer hunnen God die niet goed waren, namelijk dat zij zich hoogten bouwden in alle steden, zoo in sterkten als vaste steden; 10 en zij richtten beeldzuilen op en gewijde bos-schen, op alle hooge heuvelen en onder allo groene boomen, 11 en wierookten aldaar op alle hoogten, gelijk de volken die de Heer voor hen weggedreven had, en bedreven kwade dingen met welke zij den Heer vertoornden , 13 en dienden de afgoden van welke de Heer tot hen gezegd had: Gij zult dat niet doen. 13 En wanneer de Heer betuiquot;de in Israël en Juda |
2 KONINGEN 17.
760
|
door allo profeten en zieners, en hun liet zeggen: Bekeert li van uwe kwade wegen en onderhoudt mijne geboden en inzettingen, naar de ge-heele wet die ik uwen vaderen geboden heb, en die ik tot u gezonden heb door mijne knechten de profeten, — 14 zoo hoorden zij niet, maar verhardden hunnen nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die niet geloofden in den Heer hunnen God. 15 Daarenboven verachtten zij zijne geboden, en zijn verbond hetwelk hij met hunne vaderen gemaakt had, en zijne getuigenissen die hij onder hen betuigd had, en wandelden hunne ijdel-heid na, en werden ijdel gelijk de volken die rondom hen woonden, van welke de Heer hun geboden had dat zij niet handelen zouden als deze. 16 En zij verlieten al de geboden van den Heer hunnen God, en maakten zich twee gegoten kalveren, en maakten gewijde bosschen, en baden al het heir des he. mels aan, en dienden Baill, 17 en lieten hunne zonen en dochters door het vuur gaan, en gingen niet waarzeggerij en tooverij om, en gaven zich over om te doen hetgeen den Heer mishaagde, om hem te vertoornen. |
18 Toen werd de Heer zeer toornig tegen Israël, en deed hen van zijn aangezicht weg, zoodat er niets overbleef dan de stam van Juda alleen. 1!) Ook onderhield Jiida de geboden van den Heer hunnen God niet, maar zij wandelden in de inzettingen van Israël die deze hadden ingevoerd. 20 Daarom verwierp dc Heer al het zaad van Israël, en drong hen, en gaf hen in de hand van roovers, totdat hij hen verwierp van zijn aangezicht. 21 Want Israël werd van het huis Davids afgescheurd, en zij maakten tot koning Jerobeam, Nebats zoon; deze trok Israël af van den Heer, en deed zonde zondigen. 22 Alzoo wandelden de kinderen Israëls in al de zonden van Jerobeam die hij bedreven had, en lieten daar niet van af: 23 totdat de Heer Israël van zijn aangezicht wegdeed, gelijk hij gesproken had door al zijne knechten de profeten. Alzoo werd Israël uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op dezen dag. hen eene groote |
3 KONINGEN 17.
701
|
24 En de koning van As-syrië liet lieden van Babel, van Kutha, van Avva, van Hamatli en Sefarvaïm komen, en bezette de steden van Samarië, in de plaats der kinderen Israëls; en zij namen Samarië in, eu woonden in deszelfs steden. 25 Maar toen zij aldaar begonnen te wonen, enden Heer niet vreesden, zond de Heer leeuwen onder lien, die ben doodden. 20 En zij lieten aan den koning van Assyrië zeggen: De volken, die gij hier hebt gebracht en doen wonen in de steden van Samarië, weten niets van den dienst van den God des lands, daarom heeft hij leeuwen onder hen gezonden, en zie, deze doo-den hen, dewijl zij den dienst van den God des lands niet kennen. 27 En de koning van Assyrië gebood, zeggende : lirengt derwaarts een dei-priesters die vandaar zijn weggevoerd, en hij trekke heen en wone aldaar, en hij leere Iran den dienst van den God des lands. 28 Toen kwam een dei-priesters die van Samarië weggevoerd waren, en zette zich neder te Beth-El, en leerde hun hoe zij den Heer dienen moesten. |
29 En elk volk diende zijne goden, en zette ze in de buizen op de hoogten welke de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in zijne steden waarin het woonde. 30 Die van Eabel dienden Sukkoth-lfcnoth, die van Kuth dienden Nergal, die van Hamath dienden Asima, 81 die van Avva dienden Nibhaz en ïirtak, en die van Sefarvaïm verbrandden hunne kinderen ter eere van Adrammclech en Anammc-lech, de goden van Sefarvaïm. 33 En dewijl zij den Heer óók dienden, zoo maakten zij zich priesters der hoogten uit alle standen des volks, en stelden die in de huizen op de hoogten. 33 Alzoo dienden zij den Heer, en dienden ook de afgoden, naar de wijze van elk volk vanwaar zij gebracht waren. 34 Tot op dezen dag doen zij naar .de oude wijze, dat zij noch den Heer vreezen, noch handelen naar hunne inzettingen en rechten, naar de wet en het gebod hetwelk de Heer geboden heeft aan de kinderen van Jakob, wien hij den naam Israël gaf. 35 En hij maakte een verbond met hen, en gebood |
3 KONINGEN 18.
763
|
liun, zeggende: Vreest geen andere goden en aanbidt hen niet en dient lien niet en ofl'ert hun niet;. 36 maar den Heer, die ulieden uit Egypteland gevoerd heeft met groote kracht en nitgestrekten arm, dien zult gij vroezen, dien aanbidden en aan dien offeren; 37 en de inzettingen, de rechten, de wet en het gebod die hij u heeft laten beschrijven, onderhoudt die, dat gij er naar doet te allen tijde; maar andere goden zult gij niet dienen. 38 Eu vergeet het verbond niet hetwelk hij met u gemaakt heeft, dat gij geen andere goden dienen zult; 39 maar vreest den Heer uwen God, die zal u redden van al uwe vijanden. •— 40 Doch zij gehoorzaamden niet, maar deden naar hunne vorige wijze. 41 Alzoo diendon deze volken den Heer, en dienden tevens hunne afgoden; en zóó deden ook hunne kinderen en kindskinderen; gelijk hunne vaderen gedaan hebben, alzóó deden zij ook, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 18. |
1 In het derde jaar van Hoséa den zoon van Ela, den koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz den koning van Juda. 2 Hij was vijfentwintig-jaar oud toen hij koning werd, en regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Abi de dochter van Zaeharia. 3 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, gelijk zijn vader David: 4 hij deed de hoogten weg, en verbrak de beeldzuilen, en roeide de gewijde bos-schen uit, en verbrijzelde de koperen slang die Mozes gemaakt had; want tot dien tijd toe hadden de kinderen Israels haar reukoffer gebracht; en men noemde haar Nelmstan. 5 Hij vertrouwde op den Heer, den God van Israël; zoodat na hem zijnsgelijke niet was onder al do koningen van Juda, noch vóór hem geweest was. 6 Want hij hing den Heer aan, en week niet van hem af, cu onderhield zijne geboden, die de Heer aan Mozes geboden had. 7 En de Heer was met hem; en waar hij uittrok handelde hij voorzichtig; ook onttrok hij zich aan den koning van Assyrië, en was hem niet onderdanig. 8 Ook sloeg hij do Eilis- |
2 KONINGEN 18.
763
|
tijnen tot Gaza toe, enliare grenspalen van de sterkten af tot de vaste steden toe. 9 In liet vierde jaar nu van Hizkia den koning van Jnda, (dit was het zevende jaar van Hosea den zoou van Ela, den koning van Israël), trok Salmanéser do koning van Assyrië tegen Samarië op en belegerde liet. 10 En hij nam liet in na drie jaren, in liet zesde jaar van Hizkia, dat is in liet negende jaar van Hoséa den koning van Israël; toen werd Samarië ingenomen. 11 En de koning van As-syrië voerde Israël weg naar Assyrië, en plaatste hen te Halah en Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van Medië; 13 omdat zij niet gehoorzaamd hadden aan de stem van den Heer Imnnen God, en zijn verbond overtreden hadden, en alwat Mozes de knecht des Heeren geboden had; zij hadden er niet naar gehoord noeli hot gedaan. 13 En in het veertiende jaar van den koning Hizkia trok Sanherib de koning van Assyrië tegen allo vaste steden van Jnda op en nam ze in. |
14 Toen zond Hizkia de koning van Jnda tot den koning van Assyrië naarLachis, en liet aan hem zeggen: Ik heb gezondigd, trek van mij af; wat gij mij oplegt wil ik dragen. Toen Jeide de koning van Assyrië Hizkia den koning van Jnda driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud op. 15 Alzoo gaf Hizkia al het zilver dat in het huis des Heeren en in de schatten van 's konings huis gevonden werd. 16 Te dier tijd brak Hizkia de koning van Juda de deuren aan den tempel des Heeren en de posten, die hij zelf had laten overtrekken, af, en gaf ze den koning van Assyrië. 17 Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan en Eabsaris en Eabsaké uit La-chis tot den koning Hizkia, met eene groote macht naar Jeruzalem; en zij trokken op, en toen zij er kwamen, bleven zij staan bij de waterleiding van den bovensten vijver, die aan den ge-meenen weg op den akker des vollers is, 18 en zij riepen om den koning. Toen kwamen tot hen uit Eljakim de zoou van Hilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf, de kanselier. 19 En Eabsaké sprak tot |
2 KONINGEN 18.
764
|
hen: Zegt toch aan Hizkia: Dus spreekt de groote koning, de koning van Assv-riü: Wat is dat voor een steun op welken gij u ver-kat? 20 Meent gij dat er nog raad en macht is om te strijden? Waarop verlaat gij u dan nu, dat gij van mij afvallig geworden zijt? 21 Zie, verlaat gij u op dezen gebroken rietstaf, op Egypte? die, als iemand daarop leunt, hem in de hand ingaat en ze doorboort: al/uó is Earao de koning van Egypte voor allen die zich op hem verlaten. 22 Of zoo gij tot mij zeggen wilt: Wij verlaten ons op den Heer onzen God: —■ is hij het dan niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggedaan, en gezegd tot Juda en Jeruzalem: Voor dezen altaar die te Jeruzalem is zult gij aanbidden? 23 Nu, wed met mijnen heer den koning van Assy-rië: ik zal u tweeduizend paarden geven, indien gij vermoogt ruiters daarop ts geven. 24 Hoe zoudt gij dan bestaan tegen een enkel hoofdman uit do geringsten van mijns heeren onderdanen? |
Doch gij verlaat u op Egypte om de wagens en do ruiters. 23 En meent gij dat ik zonder den Heer ben opgetrokken om deze stad te verderven? De Heer heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verdelg het. 26 Toen spraken Eljakim de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah, tot liabsa-ké: Spreek met uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het; en spreek niet met ons in liet Joodsch voor de ooren van het volk dat op den muur is. 27 Doch Rabsaké zeide tot lien: Hoeft mijn heer mij dan tot uwen heer of tot u gezonden om deze woorden te spreken, of veeleer tot de mannen die daar op den muur zitten, dat zij met u hun eigen mest eten en hun water drinken? 28 Alzoo stond Rabsaké, en riep met eene luide stem in het Joodsch, en zeide en sprak: Hoort het woord des grooten konings, des konings van Assyrië. 29 Dus zegt de koning: Laat Hizkia u niet misleiden, want hij kan u niet redden uit mijne hand. 30 En laat Hizkia u niet doen vertrouwen op den |
2 KONINGEN 19.
763
|
Heer, zeggende: De Heer zal ons redden, en deze stad zal niet in de handen des konings van Assyric gegeven worden. 31 Hoort niet naar Hiz-kia; want dus spreekt de koning van Assyric: Neemt mijne genade aan en komt tot mij uit, zoo zal iedereen van zijn wijnstok en van zijn vijgehoom eten, en uit zijne bron drinken; 33 totdat ik kom en u liaal naar een land dat aan uw land gelijk is, waar koren, most, brood, wijnbergen , olijftuinen, olie en honig is; zoo zult gij in liet leven blijven en niet sterven. Hoort niet naar Hizkia, want liij verleidt u, zeggende: De Heer zal ons redden. 33 Hebben dan de goden der volken ieder zijn land kunnen redden uit de hand des konings van Assyrië? 34 Waar zijn de goden van Hamath cn Arpad? Waar zijn do goden van Sefarvaïm, Hena en Ivva? Hebben zij ook Samaric gered uit mijne hand? 35 Waar is een god onder alle goden der landen, die zijn land uit mijne hand gered heeft, dat de Heer Jeruzalem uit mijne hand zou redden? |
36 Maar het volk zweeg stil en antwoordde hem niets; want de koning had geboden en gezegd: Antwoordt hem niets. 37 Toen kwamen Eljakim de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia mot gescheurde kleederen, en gaven hem de woorden van Eabsakc te kennen. HOOFDSTUK 19. 1 Toen de koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijne kleederen en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des Heeren. 3 En hij zond Eljakim den hofmeester, en Sebna den schrijver, benevens de oudsten der priesters, met zakken bedekt, tot den profeet Jesaja, den zoon van Amoz; 3 en zij spraken tot hem: Dus zegt Hizkia: Dit is een dag van nood, van scheldwoorden en van lastering; want de kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, en geen kracht is er om te baren. ■t Misschien zal dc Heer uw God hooren al de woorden van Eabsaké, dien zijn heer de koning van Assyrië |
3 KONINGEN 19.
766
|
gezonden lieeft om den levenden God te lioonen en te schelden met woorden die de Heer uw God gehoord heeft: zoo hef uw gehed op voor de overgeblevenen die nog gevonden worden. 3 En toen de knechten van don koning Hizkjsi tot Jesaja kwamen, 6 sprak Jesiija tot hen: Zegt aldus tot uwen heer: Zóó spreekt de Heer: Vreest niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaars van den koning van Assyrië mij gelasterd hebben. 7 Zie, ik zal hem een geest geven, dat, wanneer hij een gerucht hooren zal, hij weder zal keeren naar zijn land; en ik zal hem door het zwaard vellen in zijn land. S En toen Eabsaké wederkwam, vond hij den koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was. 9 En toen hij van Tir-haka den koning der Moo-ren hoorde zeggen : Zie, h\j is uitgetrokken om niet u te strijden, zoo keerde hij om en zond boden tot Iliz-kia, en liet aan hem zeggen; |
10 Zegt aldus lot Hizki'a den koning van Juda: Dat uw God u niet misleide, op wien gij u verlaat, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet overgeleverd worden, 11 Zie, gij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië gedaan hebben aan alle landen, hoe zij die verbannen hebben; en zoudt gdj dan gered worden? 12 Hebben ook de goden der volken diegenen gered, die mijne vaderen verdorven hebben: Gozan, Haran, lie-zef, en de kinderen van Eden die te Telassar woonden ? 13 Waar is de koning van Hamath, dc koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaïm, van Hena en Ivva? 11 En toen Hizkia de brieven uit de hand der boden ontvangen en ze gelezen had, ging hij op in het huis des Heeren, en spreidde ze uit voor den Heer. 15 En hij bad voor het aangezicht des Heeren, zeggende: Heer, Israels God, gij die boven de cherubs zit, gij zijt alléén God over alle koninkrijken op de aarde, gij hebt hemel en aarde gemaakt. |
2 KONINGEN 19.
707
|
16 Heer, neig uwe ooren en hoor, doe uwe oogen open en zie, en lioor de woorden van Sanlierib, die dezen gezonden lieef't om den levenden God telioonen. 17 Ja waarlijk Heer, de koningen van Assyrië lieb-ben die volken en hun land inet liet zwaard verwoest, IS en hebben limine goden in het vuur geworpen; want hot waren geen goden, maar het werk van men-schenlianden, hout en steen; daarom hebben zij ze vernield. 19 En nu, Heer onze God, help ons uit zijne hand, opdat alle koninkrijken der aarde gewaarworden dat gij Heer alléén God zijt. 20 Toen zond Jesaja de zoon van Amoz tot Hizkia, en liet aan hem zeggen: Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Hetgeen gij tot mij geboden hebt vanwege Sanherib den koning van Assyrië, dat heb ik gehoord. 21 Dit is het wat de Heer togen hem gesproken heeft: Do jonkvrouw de dochter Sions veracht u en bespot u, de dochter Jeruzalems schudt hot hoofd achter u. 23 Wien hebt gij gehoond en gelasterd, en tegen wien hebt gij uwe stem verheven? Gij hebt uwe oogen verheven tegen den Heilige in Israël. |
23 Gij hebt den Hoer door uwe boden gehoond, en gezegd: Ik ben door de mc-nigto mijner wagens op do hoogte der borgen goklom-men, op de zijden van den Libanon; ik heb zijne hooge coderen en uitgelezen dennon afgehouwen, en ben gekomen aan het uiterste verblijf van zijn boschrijken Karmel. 24 Ik heb gegraven cn do vreemde wateren uitgedronken, en heb mot mijne voetzolen de stroomen verdroogd. 25 Hebt gij niet gehoord dat ik zulks lang tevoren godaan en van het begin af bereid heb? Maar nu heb ik het doen konion, dat vaste steden zouden vallen tot een woesten steenhoop, 26 en die daarin wonen raat worden en vreezon en zich schamen moeten, en worden als het gras op het veld, en als hot groene kruid tot hooi op de daken, hetwelk verdort oor hot rijp wordt. 27 Ik weet uw zitten, uw uit- en ingaan, en dat gij woedt tegen mij. 28 Dewijl gij dan tegen mij woedt, en uw hoog- |
768 2 KONINGEN 20.
|
moed mij ter oore gekomen is, zoo zal ik u een ring door den neus wringen, en een gebit in uwen mond, en zal u dien weg weder lieenvoeren langs welken gij gekomen zijt. 29 En dit zal u tot een teeken zijn: Eet in dit jaar liet nagewas, in het tweede jaar wat vanzelf uitspruit; zaait en maait in liet derde jaar, en plant wijnbergen en eet lumne vruchten. 30 En de dochter van Juda, die gered en overgebleven is, zal voortaan nederwaarts wortels schieten en opwaarts vruchten dra-gen. 31 Want van Jeruzalem zullen uitgaan de overgeblevenen, en de geredden van den berg Sion; de ijver van den Heer Zebaöth zal dit doen. 32 Daarom spreekt de Heer aangaande den koning van Assyrië aldus: Hij zal in deze stad niet komen, en geen pijl daarin schieten, en geen schild zal daarvóór komen, en hij zal er geen wal tegen opwerpen; 33 maar hij zal den weg weder terugkeeren langs welken hij gekomen is, en zal in deze stad niet komen: de Heer zegt het. |
34 En ik zal deze stad beschermen, dat ik haar helpe, om mijnentwil en om mijns knechts Davids wil. 35 En in dienzelfden nacht ging de Engel des Heeren uit en sloeg in het leger van Assyrië honderdvijfen-tachtigduizend man; en toen zij des morgens vroeg opstonden, zie, toon lag het overal vol doode lichamen. 36 Alzoo brak Sanherib de koning van Assyrië op en trok weg, en keerde terug, en bleef te Ninevé. 37 En toen hij aanbad in het huis van Nisroch zijnen god, sloegen zijne zonen Adrammélech en Sarézer hem met liet zwaard; en zij ontvloden in het land Ararat, en zijn zoon Esar-Haddon werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 20. 1 Op dien tijd werd ITiz-kia doodkrank; en de profeet Jesaja de zoon van Amoz kwam tot hem, en sprak tot hem: Dus spreekt de Heer: Bestel uw huis, want gij zult sterven en niet in het leven blijven. 2 Toen keerde hij zijn aangezicht naar den wand, en bad tot den Heer, zeggende : 3 Och Heer, gedenk toch dat ik voor u getrouw en |
a KONINGEN 30.
769
|
met een volkomen hart gewandeld lieb, en gedaan heb hetgeen u behaagt. En Hizkia weende zeer. 4 Toen nu Jesaja nog niet half ter stad was uitgegaan, kwam des Heeren woord tot hem, zeggende: 5 Keer om en zeg aan Hizkia den vorst mijns volks: Dus spreekt de Heer, de God van uwen vader David: Ik heb uw gebed gehoord en uwe tranen gezien: zie, ik wil u gezondmaken; op den derden dag zult gij opgaan in het huis des Heeren. 6 En ik wil vijftien jaar aan uw leven toevoegen, en u en deze stad redden van den koning van Assy-rië, en deze stad beschermen om mijnentwil en om mijns knechts Davids wil. 7 En Jesaja sprak: Brengt een klomp vijgen hier. En toen zij die brachten, leiden zij ze op het gezwel, en hij werd gezond. ' 8 En Hizkia sprak tot Jesaja: Welk is het teeken dat de Heer mij gezond zal maken, en dat ik in het huis des Heeren zal opgaan op den derden dag? 9 En Jesaja sprak: Dit teeken zult gij hebben van den Heer, dat de Heer doen zal hetgeen hij gesproken heeft: zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan of tien graden teruggaan? |
10 Hizkia sprak: Het is licht dat de schaduw tien graden nederwaarts ga, dat wil ik niet; maar dat zij tien graden achterwaarts 11 Toen riep de profeet Jesaja den Heer aan, en de schaduw ging achterwaarts tien graden aan den wijzer van Achaz, die zij was nederwaarts gegaan. 13 ïe dier tijd zond Ife-rodach-Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en geschenken aan Hizkia; want hij had gehoord dat Hizkia krank geweest was. 13 Hizkia nu was vroolijk met hen, en toonde hun het geheele schathuis, zilver, goud, specerijen, en de beste olie, en de wapenkamer, en alwat in zijne schatten te vinden was: niets was er in zijn huis en in zijne geheele heerschappij, hetwelk Hiskia hun niet toonde. 14 Toen kwam Jesaja de frofeet tot den koning Hiz-rofeet tot den koning Hiz- (a, en sprak tot hem: Wat hebben deze lieden gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? Hizkia sprak: Zij zijn uit verre 25 |
3 KONINGEN 21.
770;
|
landen tot mij gekomen, van Babol. 15 En hij sprak; Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben gezien al wat in mijn huis is, en niets is er in mijne schatten hetwelk ik hun niet getoond heb. 16 Toen sprak Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des Heeren: 17 Zie, de tijd komt, dat alwat in uw huis is, en wat uwe vaderen verzameld hebben tot op dezen dag, naav liabel zal weggevoerd worden: niets zal er worden overgelaten, spreekt de Heer. IS Daarenboven de kinderen die uit u voortkomen, die gij verwekken zult, zullen genomen worden opdat zij kamerdienaars zijn in het paleis des konings van Babel. 19 Hizkfa nu sprak tot Jesaja: Het is goed hetgeen de Heer gesproken heeft. En hij sprak verder: Het zal echter vrede en trouw zijn in mijne tijden. 20 Wat er nu meer van Hizkia te zeggen is, en al zijne macht, en hoe hij den vijver en de waterleiding gemaakt heeft, door welke hij het water in de stad bracht, zie, dat is geschreven, in de kronieken der koningen van Juda. |
21 En Hizkia ontsliep met zijne vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijne plaats. t HOOFDSTUK 21. 1 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Hefzibah. 2 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, naaide gruwelen dor volken die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had. 3 En hij keerde zich af, dat hij de hoogten bouwde die zijn vader Hizkfa vernield had, en richtte altaren voor Baal op, en maakte gewijde bosschen, gelijk Achab de koning van Israël gedaan had, en bad allerlei heir des hemels aan en diende ze. 4 En hij bouwde altaren in het huis des Heeren, hoewel de Heer daarvan gezegd had: Ik wil mijnen naam te Jeruzalem stellen. 3 En hij bouwde voor al het heir des hemels altaren in de twee voorhoven aan het huis des Heeren. fe 6 En hij liet zijnen zoon door het vuur gaan, en gaf acht op vogelgeschreeuw en |
2 KONINGEN 21.
771
|
teekenen, en liield waarzeggers en wichelaars, en deed zeer veel lietgeen den Heer mishaagde, waarmede hij hem vertoornde. 7 Ook zette hij een bosch-god, dien hij gesneden had, in liet huis van hetwelk de Heer tot David en tot zijnen zoon Salomo gezegd had: In dit huis en in Jeruzalem, hetwelk ik verkoren heb uit al de stammen van Israël, wil ik mijnen naam stellen, eeuwiglijk, 8 en wil den voet van Israël niet meer doen dolen uit het land hetwelk ik hunnen vaderen gegeven heb: indien zij slechts onderhouden en in acht nemen. alwat ik hun geboden heb, en allo wetten die mijn knecht Mozes hun geboden heeft. 9 Doch zij gaven geen gehoor; maar Manasse verleidde hen, zoodat zij erger deden dan de volken die de Heer voor de kinderen Israëls had uitgedelgd. 10 Toen sprak de Heer door zijne knechten do profeten, zeggende: 11 Omdat Manasse de koning van Juda deze gruwelen gedaan heeft, die erger zijn dan al de gruwelen die de Amorieten gedaan hebben die vóór hem geweest zijn, en hij ook Juda heeft doen zondigen met zijne afgoden, |
12 daarom spreekt de Heer, Israëls God, aldus: Zie, ik zal ongeluk over Jeruzalem en Juda brengen, zoodat wie het hooren zal, dien zullen zijne beide ooren klinken; 13 en ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samarië trekken, en het gewicht van hot buis van Aohab, en zal Jeruzalem uitgieten gelijk men een | schotel uitgiet, en zal het omstorten. ü En ik zal sommigen van mijn erfdeel laten overblijven, en ze geven in de hand hunner vijanden, zoodat zij tot berooving en plundering worden voor al hunne vijanden: 15 daarom dat zij gedaan iiebben hetgeen mij mishaagde, en mij vertoornd hebben, van den dag af dat hunne vaderen uit Egypte getrokken zijn, tot op dezen dag toe. 16 Ook vergoot Manasse zeer veel onschuldig bloed, zoodat hij Jeruzalem daarmede vervulde; behalve die zonde met welke hij Juda deed zondigen, dat zij deden hetgeen den Heer mishaagde. |
2 KONINGEN 22.
772
|
17 Wat er nu meer van Manasse te zeggen is, en al wat hij gedaan heeft, en zijne zonde die hij deed, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Jnda. 18 En Manasse ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in den hof zijns huizes, namelijk in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijne plaats. 19 Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Mesullémeth, de dochter van Haruz uit Jotba. 30 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijn vader Manasse gedaan had, 31 en wandelde in alles op denzelfden weg op welken zijn vader gewandeld liad, en diende de afgoden die zijn vader gediend had, en bad ze aan; 23 en hij verliet den Heer, den God zijner vaderen, en wandelde niet in den weg des Heeren. 33 En zijne knechten maakten een verbond tegen Amon, en doodden den koning in zijn huis. |
34 Maar het volk in het land versloeg allen die het verbond tegen den koning Amon gemaakt hadden, en het volk in het land maakte Josia, zijnen zoon, koning in zijne plaats. 25 Wat er nu meer van Amon te zeggen is, wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 36 En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 22. 1 Josia was acht jaar oud toen hij koning werd, en regeerde éénendertig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder heette Jedida, de dochter van Adaja uit Bozkath. 2 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, en wandelde geheel op den weg van zijnen vader David, en week niet af noch ter rechter-noch ter linkerhand. 3 En in het achttiende jaar van den koning Josia, zond de koning Safan, den zoon van Azalja den zoon van Mesullam, den schrijver, naar het huis des Heeren, zeggende: 4 Ga op tot den hooge-priester Hilkia, opdat men hem geve het geld dat in het huis des Heeren gebracht |
3 KONINGEN 23.
773
|
is, hetwelk de wachthebben-den aan den drempel vergaderd hebben van het volk; 5 opdat zij het geven aan de arbeiders die gesteld zijn over het huis des Heeren, en het geven aan de arbeiders aan het huis des Heeren, opdat zij verbeteren wat bouwvallig is aan het huis: G namelijk aan de timmerlieden en bouwlieden en metselaars, en die hout en gehouwen steenen koopen zullen om het huis te verbeteren. 7 Doch dat men geen rekening met hen houde van het geld dat hun in handen gesteld wordt, maar dat zij het op vertrouwen behandelen. 8 En de hoogepriester Hilkia sprak tot den schrijver Safan: Tk heb het wetboek gevonden in het huis des Heeren. En Hilkia gaf dat boek aan Satan, opdat hij het lezen zoude. 9 En Satan de schrijver bracht het den koning, en zeide het hem weder en sprak: Uwe knechten hebben het geld tezamenge-bracht dat in het huis gevonden is, en hebben het aan de arbeiders gegeven die gesteld zijn over het huis des Heeren. |
10 Ook sprak Safan de schrijver tot den koningen zeide: Hilkia de priester gaf mij een boek. En Safan las dat voor den koning. 11 ïoen nu de koning de woorden in het wetboek hoorde, scheurde hij zijne kleederen; 13 en de koning gebood den priester Hilkia, en Ahi-kam den zoon van Safan, en Achbor den zoon van Michaja, en Safan den schrijver, en Asaja den knecht dos konings, zeggende: 13 Gaat heen en vraagt den Heer voor mij en voor het volk en voor geheel Juda, wegens de woorden van dit boek dat gevonden is; want er is een groote toorn des Heeren die over ons ontstoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek, om te doen alwat er in geschreven is. 14 Toen ging Hilkia de priester, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van ïikva den zoon van Harhas, den kleederbewaarder , (zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede gedeelte [der stad]), en zij spraken met haar. 15 En zij zeide tot hen: Dus spreekt de Heer, Isra- |
|
ÏT* a KONll els God: Zegt den man die u tot. mij gezonden lieeft: 16 Dus spreekt de Heer: Zie, ik zal ongeluk over deze plaats en liare inwoners brengen, al de woorden van het boek hetwelk do koning van Juda gelezen hoeft. 17 Omdat zij mij verlaten en anderen goden gewierookt hebben, dat zij mij vertoornden met al de werken hunner handen, daarom zal mijn toom tegen deze plaats ontstoken en niet uitgebluscht worden. 18 Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft om den Hoer te vragen, zult gij aldus zeggen: Zoo spreekt de Heer, Israels God: 19 Omdat uw hart week geworden is over de woorden die gij gehoord hebt, en gij u verootmoedigd hebt voor den Heer, toen gij hoordet wat ik gesproken heb tegen deze plaats en hare inwoners, dat zij een verwoesting en vloek zullen zijn, en gij uwe kleederen gescheurd en voor mij geweend hebt, zoo heb ik ook verhoord, spreekt do Heer. 20 Daarom zal ik u tot uwe vaderen verzamelen, dat gij met vrede in uw graf verzameld wordt, en fGEN 23. |
uwe oogen niet zien al het ongeluk hetwelk ik over deze plaats brengen zal. — En zij zeiden het den koning weder. HOOFDSTUK 23. 1 En de koning zond heen en vergaderde tot zich al de oudsten in Juda en Jeruzalem. 2 En de koning ging op in het huis des Ileeren, en alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem met hem, priesters en profeten, en al het volk, zoowel klein als groot; en men las voor hunne ooren al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des Heeren gevonden was. 3 En dc koning trad aan een pilaar, en maakte een verbond voor den Heer, dat zij den Heer zouden nawandelen, en onderhouden zijne geboden, getuigenissen en rechten, met hun gan-sche hart en ziel, om te bevestigen de woorden van dit verbond, die geschreven stonden in dat boek. En het gansche volk trad in dit verbond. 4 En de koning gebood den hoogepriester Hilkfa, en de priesters van de tweede orde, en de deurwachters, dat zij uit den tempel des |
a KONINGEN 23.
773
|
Heeren zouden doen al het gereedschap dat voor Baal en voor den boschgod en voor al het heir des hemels gemaakt was; en zij verbrandden het buiten Jeruzalem in het dal Kidron, en het stof daarvan werd gedragen naar Beth-El. 5 En hij deed de afgodspriesters weg, die de koningen van Juda hadden aangesteld om te wierooken op de hoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem; alsook die wierookten aan Baal, aan de zon, aan de maan, aan de planeten, en aan al het heir des hemels. 6 En hij liet don boschgod uit het huis des Heeren uitvoeren buiten Jeruzalem naar de beek Kidron, en verbrandde hem aan de beek Kidron, en maakte hem tot stof, en wierp het stof op de graven des volks. 7 Ook brak hij de hutten der hoereerders af, die in het huis des Heeren waren, waarin de vrouwen de tenten voor den boschgod weefden. |
8 En hij liet al do priesters uit de steden van Juda komen, en verontreinigde de hoogten waarop de priesters gewierookt hadden, van Geba af tot Ber-Séba toe, en brak de hoogten der poorten af, die aan den ingang der poort van Jozua den stadsvoogd waren, welke was ter linkerzijde als men naar de poort der stad gaat. 9 Doch de priesters dei-hoogten hadden nooit geofferd op den altaar des Heeren te Jeruzalem, maar zij aten nochtans het ongezuurde brood onder hunne broeders. 10 Ook verontreinigde hij Tofeth in het dal der kinderen Hinnoms, opdat niemand zijnen zoon of zijne dochter meer voor Molech door het vuur zou laten gaan. 11 En hij deed de paarden weg , die de koningen van Juda ter eere der zon hadden gesteld aan den ingang van het huis des Heeren, naar den kant der kamer van Nathan-Mélech den kamerdienaar, die te Parvarim was; en de wagens der zon verbrandde hij met vuur. 13 En de altaren op het dak der zaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren die Manasse gemaakt liad in de twee voorhoven van het huis des Heeren, brak de koning af, en ging vandaar, en wierp het stof |
|
776 3 KONII er vau in de beek Kitlron. 13 Ook de hoogten die vóór Jeruzalem waren, ter rechterzijde van den berg Mashitli, die Salomo de koning van Israel gebouwd had voor Astóreth den gruwel van Sidon, en voor Kamos den gruwel van Moab, en voor Milkom den gruwel der kinderen Ammons, verontreinigde de koning. Ié En hij verbrak de beeldzuilen , en roeide de gewijde bosschen uit, en vervulde hunne plaatsen met men-schenbeenderen. 15 Ook den altaar te Beth-El, de hoogte welke .Tero-beam, Nebats zoon, die Israël deed zondigen, gemaakt had, ook dezen altaar brak hij af, benevens die hoogte; en hij verbrandde de hoogte, en maakte ze tot stof, en verbrandde het gewijde bosch. 16 En Josia keerde zich om en zag de graven die op den berg w aren, en hij zond heen en liet do beenderen uit de graven halen, en verbrandde ze op dien altaar, en verontreinigde dien, naar het woord des Heeren, hetwelk de man Gods uitgeroepen had, die deze dingen uitriep. 17 En hij zeide: Wat is dat voor een graf teeken het-[GEN 33. , |
welk ik zie? En de lieden in de stad spraken tot hem: Het is het graf van den man Gods, die van Juda kwam en uitriep hetgeen gij gedaan hebt tegen den altaar te Beth-El. 18 En hij zeide: Laat hem liggen, niemand be wage zij n gebeente. Alzoo werden zijne beenderen gespaard, met de beenderen van den profeet die van Sa-mariö gekomen was. 19 Ook deed hij al de huizen der hoogten weg in de steden van Samarie, die de koningen van Israël gemaakt hadden om te vertoornen; en hij deed met hen in alles zooals hij te Beth-El gedaan had. 30 En hij offerde al de priesters der hoogten, die aldaar waren, op de altaren, en verbrandde alzoo menschel ibeenderen daarop. En hij kwam weder te Jeruzalem. 21 En de koning gebood aan het volk, zeggende: Houdt den Heer uwen God het pascha, zooals geschreven staat in het boek dezes verbonds. 33 Want er was geen pascha zoo gehouden als dit, van den tijd der rechters af die Israël gericht hebben, en in alle tijden der konin- |
|
2 KONIJ gen van Israël en der-koningen van Jnda. 33 In liet achttiende jaar van den koning Josla werd dit pasclia den Heere gehouden te Jeruzalem. 34 Ook verdelgde Josia alle waarzeggers, wichelaars, beelden en afgoden, en al de gruwelen die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven stonden in het boek hetwelk Hilkia de priester quot;e-vonden had in het huis des Heeren. 35 En vóór hem was er geen koning geweest gelijk hij, die zóó met zijn gansche hart en ziel en uit alle krachten zich tot den Heer bekeerde, naar de geheele wet van Mozes; en na hem kwam er niemand hem ge-lijk. 36 Nochtans keerdede Heer zich niet af van de hitte zijns grooten toorns, met welke hij over Juda vertoornd was, vanwege al de tergingen waarmede Ma-nasso hem getergd had. 37 En de Heer sprak: Ik zal Juda óók van mijn aangezicht wegdoen, zooals ik Israël weggedaan heb; en ik wil deze stad verwerpen die ik verkoren had, name-i GEN 33. 777 |
lijk Jeruzalem, en het huis van hetwelk ik gezegd heb: Mijn naam zal aldaar zijn. 38 Wat er nu meer van Josia te zeggen is, en alwat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 39 In zijnen tijd trok Ea-rao Necho, de koning van Egypte, tegen den koning van Assyrië op naar de rivier Erath; en de koning Josia trok hem tegemoet; doch hij doodde hem te Megiddo, toen hij hem gezien had. 30 En zijne knechten vervoerden hem dood van Megiddo , en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz den zoon van Josia, en zalfde hem en maakte hem koning in zijns vaders plaats. 31 Drieëntwintig jaar was Joahaz oud toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en zijne moeder was Hamutal de dochter van Jeremia, uit Libna. 33 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijne vaderen gedaan hadden. . 33 En Farao Necho hield hem gevangen te Eibla in het land van Hamath, opdat hij niet regeeren zoude te Jeruzalem, en leide eene |
3 KONINGEN 34
778
|
scliatting op liot land, lion-derd talenten zilver en cón talent goud. S-l En Farao Neclio maakte Eljakim, den zoon van Josia, ■koning in de plaats van zijnen vader .Tosia, en veranderde zijnen naam in Jo-jakim; maar Joahaz nam bij mede en bracht hem naar Egypte, alwaar hij ■stierf, 35 En Jojakim gaf dat zilver en goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat zilver te geven naar het bevel van Farao; een ieder schatte hij naar zijn vermogen aan zilver en goud , onder het volk des lands, om het aan Farao Necho te geven. 36 Vijfentwintig jaar was Jojakim oud toen hij koning-werd , en regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Zebudda de dochter van Pedaja, uit Euma. 37 Eu hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijne vaderen gedaan hadden. HOOFDSTUK 24. 1 In zijnen tijd trok Ne-bukadnezar de koning van Babel op, en Jojakim werd hem onderdanig drie jaar; en hij keerde zich om en werd afvallig van hem. |
3 .En de Heer liet krijgsknechten tegen hem komen uit deChaldeën, uit Syrië, uit Moab en uit de kinderen Amnions; en hij liet ze in Juda komen om het te verwoesten , naar het woord des Ileeren hetwelk hij gesproken had door zijne knechten de profeten. 3 Eu het trof Juda alzoo naar het \voor( L des Heeren, opdat hij ze van zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse die hij gedaan had, 4 en ook om het onschuldig bloed dat hij vergoten had, dat hij Jeruzalem vervuld had met onschuldig bloed; en de Heer wilde niet vergeven. 5 quot;Wat er nu meer te zeggen is van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 0 En Jojakim ontsliep met zijne vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijne plaats. 7 Eu de koning van Egypte trok niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had ingenomen alwat van den koning van Egypte was, van de beek van Egypte af tot aan de rivier Frath toe. |
2 KONINGEN 24.
779
|
8 Aclittien jaar was Jqja-cliin oud toon hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en zijne moeder was Nehusta de dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 9 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijn vader gedaan had. 10 In dien tijd trokken de knechten van Nebukad-nezar den koning van Eabel op tegen Jeruzalem, en zij richtten bolwerken daartegen op. 11 En als Nebukadnezar de koning van Eabel voor de stad kwam, en zijne knechten haar belegerden, 12 toen ging Jojachin de koning van Juda uit tolden koning van Babel, met zijne moeder, met zijne knechten, inet zijne oversten en kamerdienaren; en de koning van Babel greep hem in het achtste jaar zijner regeering. 13 En hij voerde vandaar uit al de schatten in liet huis des Heeren, en in het huis des konings, en sloeg al de gouden vaten in stukken die Salomo de koning van Israël gemaakt had in den tempel des Heeren, gelijk de Heer gesproken had. |
14 En hij voerde geheel Jeruzalem weg, al de oversten , al de krijgslieden, tienduizend gevangenen, en al de timmerlieden en al de smeden, en liet niets over dan het geringe volk des lands. 15 En hij voerde Jojachin weg naar Babel, en de moeder des konings, en de vrouwen des konings, en zijne kamerdienaren; alzoo voerde hij de machtigsten in het land gevankelijk weg van Jeruzalem naar Babel; 16 en al de vermogende lieden, zevenduizend, en de timmerlieden en smeden, duizend, en al de sterke krijgslieden; en de koning van Babel bracht hen weg naar Babel. •17 En de koning van Babel maakte Mattanja, zijnen oom, koning in zijne plaats, en hij veranderde zijnen naam,in Zedekia. 18 Eenentwintig jaar was Zedekia oud toen hij koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Hamutal de dochter van Jeremia, uit Libna. 11) En hij deed hetgeén den 1 leer mishaagde, zooals Jojakim gedaan had. 20 Want het geschiedde alzoo met Jeruzalem en Juda door des Heeren toorn, totdat hij hen van zijn aangezicht wegwierp. En Ze- |
|
780 3 KONI1 dek ia werd afvallig van den koning van Babel. HOOFDSTUK 25. 1 En liet gescliiedde in het negende jaar zijner regeering op den tienden dag der tiende maand, dat Ne-bukadnezar de koning van Babel met al zijne maolit tegen Jeruzalem kwam; en zij belegerden het, en bouwden er een wal rondom. 2 Alzoo werd de stad belegerd tot in het elfde jaar van den koning Zedekia. 3 Op den negende der maand, als de honger sterk werd in de stad, zoodat het volk des lands niets te eten had, 4 brak men in de stad,, en al de krijgslieden vluchtten bij nacht langs den weg der poort, tusschen de twee muren die naar des konings hof gaan; de Chaldeën nu lagen rondom de stad; en zij vluchtten langs den weg naar het vlakke veld. 5 Maar de macht der Chaldeën joeg den koning na, en achterhaalde hem in de vlakke velden van Jericho; en al de krijgslieden die bij hem waren werden verstrooid. 6 Zij dan grepen den koning, en voerden hem op tot den koning van Eabel 'GEN 35. |
naar Eibla, en men sprak het oordeel over hem uit; 7 en zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijneoogen, en verblindden de oogen van Zedekia, en bonden hem met twee ketenen en voerden hem naar Babel. 8 Op den zevenden dag der vijfde maand, dat is het negentiende jaar van Nebukadnezar den koning van Babel, kwam Nebuza-radan de overste der lijfwachten , de knecht van den koning van Babel, te Jeruzalem; 9 en hij verbrandde het huis des Heeren en het huis des konings, en al de huizen van Jeruzalem, en alle groote huizen verbrandde hij met vuur; 10 en de geheele macht der Chaldeën, die met den overste der lijfwachten was, brak de muren rondom Jeruzalem af. 11 Het volk nu dat overgebleven was in de stad, en die tot den koning van Babel overliepen, en het overige gemeene volk, voerde Nebuzaradan de overste der lijfwachten weg. 12 En van de geringsten in het land maakte de overste der lijfwachten wijngaardeniers en akkerlieden. 13 En de koperen pilaren |
|
2 KONIiS aan het huis des Heeren, en de stellingen, en de ko- Seren zee die aan het huiseren zee die aan het huis es Heeren was, brakende Chaldeën af, en voerden het koper naar Babel. 14 En de potten, asch-schoppen, messen, schalen, en alle koperen vaten met welke men diende, namen zij weg. 15 Ook nam de overste der lijfwachten de koolpannen en bekkens mede, die van goud en zilver waren. 1G De twee pilaren, de zee en de stellingen die Salomo gemaakt had voor het huis des Heeren: het koper van al deze vaten kon men niet wegen. 17 Achttien el hoog was elke pilaar, en zijn kapiteel daarop was óók van koper, en drie el hoog; en de netten, en de granaatappelen rondom aan het kapiteel, waren alle van koper; op die wijze was ook de andere pilaar met de netten. 18 En de overste der lijfwachten nam den priester Seraja van den eersten rang, en den priester Zefanja van den tweeden rang, en drie deurwachters; 19 en éénen overste uit de stad, die gesteld was over de krijgslieden, en vijf mannen die altijd voor denko- |
GEN 25. 781 ning waren, die in de stad gevonden werden; en Sofer den krijgsoverste, die het volk in het land leerde oorlogen ; en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden; 30 deze nam Nebuzaradan de overste der lijfwachten, en bracht hen tot den koning van Babel te Eibla, 21 en de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ilibla in het land van Hamath. Alzoo werd Juda weggevoerd uit het land. 22 Over het overgebleven volk nu in het land van Juda, hetwelk Xebukadne-zar de koning van Babel overliet, stelde hij Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van Safan. 23 Toen nu al het krijgsvolk, de hoofdlieden en de mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja had aangesteld, kwamen zij tot Gedalja te Mizpa, namelijk Ismaël de zoon van Ne-thanja, en Johanan de zoon van Karéah, en Seraja de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaiizanjade zoon van Maachathi, met hunne manschappen; 24 en Gedalja bezwoer hen en hunne manschappen, en sprak tot hen: Vreest niet den Chaldeën onderdanig te |
|
782 1 KR ONI zijn, blijft in het land en weest den koning van Ha-bel onderdanig, zoo zalhet u welgaan. 25 Maar in de zevende maand kwam Ismaël, de zoon van Netlianja den zoon van Elisama, van koninklijk geslacht, en tien mannen met hem, en zij sloegen Ge-dalja dat hij stierf, benevens de Joden en Chaldecn die bij hem waren te Mizpa. 26 Toen maakte al liet volk zich op , zoowel klein als gi'oot, en de krijgsoversten, en gingen naar Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeën. 27 En in het zevenendertigste jaar nadat Jojachin de koning van Juda wegge- |
ÉKEN i. voerd was, op den zevenentwintigsten dag der twaalfde maand, verhief Evil-Merodach de koning van Eabel, in het eerste jaar zijner regeering, het hoofd van Jojachin den koning van Juda uit den kerker; 28 en hij sprak vriendelijk met hem, en zette zijnen stoel boven de stoelen der koningen die bij hem te Babel waren; 29 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenschap, en hij at altoos bij hem, zijn leven lang; 30 en hij bestemde hem zijn deel, hetwelk men hem altoos gaf vanwege den koning , op eiken dag, zoolang hij leefde. |
HET EERSTE BOEK
UEU
K E O N I E K E N.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Adam, Seth, Enos, 2 Kenan, Mahalaleël, Je-red, 3 Henoch, Methusitlah, Lamech, |
4 Xoacli, Sem, Cham en Jafeth. 5 De zonen van Jafeth zijn deze: Gomer, Magog, Ma-dai, Javan, Tubal, Mesech. en Tiras. 6 En Gomers zonen zijn; |
|
i KEON: Askenaz, Rifath en Toga rma. 7 Javans zonen zijn: Elisa, Tarsisa, de Kittieten en Do-danieten. 8 Chams zonen zij u: Kuseh, Mizraïm, Put en Kanaiin. 9 En de zonen van Kuseh zijn: Seba, Havila, Sabta, Eaëma en Sabtecha. En de zonen van Eaëma zijn: Sclie-ba en Dedan. 10 En Kuseh verwekte Nimrod: die begon een geweldenaar te zijn op dc aarde. 11 Mizraïm verwekte de Ludieten, Anaraieten, Le-habieten, Naftuhieten, 13 Pathrusieten, Kaslu-hieten, van welke voortgekomen zijn de Pilistijnen en Kaftorieten. 13 En Kanaiin verwekte Sidon, zijnen eersten zoon, en Heth, 14 Jebusi, Amori, Gir-gasi, 15 Hevi, Arki, Sini, 16 Arvadi, Zemari en Ha-mathi. 17 De zonen van Sem zijn deze: Elam, Assur, Arpach-sad, Lud, Aram, Uz, Hul, Grether en Mesedi. 18 Arpaehsad verwekte Se-lah; Selah verwekte Heber. 19 En aan Heber werden twee zonen geboren: de één was genaamd Peleg, omdat |
EKEN 1. 783 in zijnen tijd het land verdeeld werd; en zijns broeders naam was Joktan. 20 En Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarma-veth, Jerah, 21 Hadoram, Uzal, Dikla, 23 Ebal, Abimaël, Scheba, 33 Ofir, Havila en .lobab: deze allen waren zonen van Joktan. 2-1 Sem, Arpaehsad, Selah, 25 Heber, Peleg, Helm, 26 Serag, Nahor, Terah, 27 Abram, dat is Abraham. 38 En Abrahams zonen zijn: Isaak en Ismaël. 29 Dit is hun geslacht: Ismaëls eerste zoon was Ne-bajoth; voorts Kedar, Ad-beël, Mibsam, 80 Misma, Duma, Massa, Hadad, Tema, 31 Jetur, Nafis en Kedma; dit zijn de zonen van Ismaël. 33 Voorts de zonen van Ketura, Abrahams bijwijf: zij baarde hem Zimran , Jok-san, Medan, Midian, Jisbak, Suah. En Joksans zonen zijn: Scheba en Dedan. 33 En Midians zonen zijn: Efa, Efer, Henoch. Abida, Eldaii. Deze allen zijn zonen van Ketura. 34 En Abraham verwekte Isailk. En Isaiiks zonen zijn: Esau en Israël. |
784 1 K EON I
EKEN 1.
|
35 De zonen van Esau zijn: Elifaz, Kehuël, Jehvis, Jaëlam en Koracli. 36 De zonen van Elifaz zijn: Teman, Omar, Zefi, Gaötam, Kenaz, Timna, Amalek. 37 De zonen van Eehuël zijn: Nahath, Zerah, Sam-ma en Mizza. 38 De zonen van Seïr zijn: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer en Disan. 39 De zonen van Lotan zijn: Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna. 40 De zonen van Sobal zijn: Aljan, Manahath, Ebal, Sefi en Onam. Zibeons zonen zijn: Ajja en Ana. 41 De zonen van Ana: Dison; en Disons zonen zijn: Hamran, Esban, Jith-ran, Keran. 42 De zonen van Ezer zijn: Bilhan, Zailvan en Akan. • Disans zonen zijn: Uz en Aran. 43 En dit zijn de koningen die in liet land Edom geregeerd hebben, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels. Bela, Beors zoon; en zijne stad was Dinliaba. 44 En toen Bela stierf, werd Jobab, Zerahs zoon, van Bozra, koning in zijne plaats. |
45 En toen Jobab stierf, werd Husam, uit het land der Temanieten, koning in zijne plaats. 46 Toen Husam stierf, werd Hadad, Bedads zoon, die de Midianieten versloeg in het veld der Moabieten, koning in zijne plaats; en zijne stad heette Avith. 47 Toen Hadad stierf, werd Samla van Masreka koning in zijne plaats. 48 Toen Samla stierf, werd Saul, van Eehoboth aan de rivier, koning in zijne plaats. 49 Toen Saul stierf, werd Baalhanan, Achbors zoon, koning in zijne plaats. 50 Toen Baalhanan stierf, werd Hadad koning in zijne plaats; en zijne stad heette Paï; en zijne huisvrouw was Mehetabeöl, Hatreds dochter, die Mezahabs dochter was. 51 En toen Hadad stierf, werden vorsten van Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth, 52 de vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pi-non, 53 de vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mib-zar, 54 de vorst Magdiël, de vorst Iram: dit zijn de vorsten van Edom. |
1 KKONIEKEN
785
|
HOOFDSTUK 2. 1 Dit zijn de zonen van Israël: Kuben, Simeon, Levi, J uda, Issascliar, Zebu-Ion, 2 Dan, Jozef, ISenjamin, Naftali, Gad, Aser. 3 De zonen van Juda zijn: Er, Onan , Sela; deze drie werden hem geboren uit de Kanaiinietische, de dochter van Sua; en Er, de eerste zoon van Juda, was kwaad in de oogen des Heeren, daarom doodde hij hem. 4 En Tamar zijne schoondochter baarde hem Perez en Zerah; zoodat al de zonen van Juda vijf waren. 5 De zonen van Perez zijn: Hezron en Hamul. 6 En de zonen van Zetah zijn: Zimri, Ethan,Heman, Kalkol en Da ra; tezamen vijf. 7 De zonen van Karmi zijn: Achar, die Israël beroerde toen hij zich aan het verbannene vergreep. 8 De zonen van Ethan zijn: Azarja. 9 En de zonen van Hezron, die hem geboren zijn, waren: Jerahmecl, Kam en Kelubai. 10 En Eam verwekte Am-minadab; Amminadab verwekte Nahesson, den vorst der kinderen van Juda; |
11 N ahesson verwekte Sal-ma; Salma verwekte Boaz; 12 Boaz verwekte Obed; Obed verwekte Isai; 13 Isai verwekte zijnen eersten zoon Eliab, Abina-dab den tweeden, Simea den derden, 14 Netlianeël den vierden, Eaddai den vijfden, 15 Ozem den zesden, David den zevenden. 16 En hunne zusters waren: Zeruja en Abigail. De zonen van Zeruja zijn: Abi-sai, Joab, Asaël, deze drie. 17 En Abigail baarde Amasa, en de vader van Amasa was Jether de Isma-eliet. 18 En Kaleb, Hezrons zoon, verwekte bij Azuba, zijne huisvrouw, Jerioth; en deze zijn hare kinderen: Jeser, Sobab en Ardon. 19 En toen Azuba gestorven was, nam Kaleb Efrath; die baarde hem Hur. 30 En Hur verwekte Uri; Uri verwekte Bezaleël. 21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir den vader van Gilead, en hij nam haar toen hij zestig jaar oud was, en zij baarde hem Segub. 52 En Segub verwekte Jaïr, die drieëntwintig steden had in het land Gilead. 23 En hij nam daarvan |
786 1 KEONIEKEN 3.
|
Gesur en Aram, de vlekken Jaïrs, benevens Kenatli met liaro onderhoorio'e plaatsen , zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir den vader van Gilead. S-i Na den dood van Hez-ron in Kaleb-Efratha, baarde Hezrons huisvrouw, Abfa, hem Ashur, den vader van ïekoa. 25 Jerahmeël, de eerste zoon van Hezron, had zonen ; de eerste Earn, voorts Buna, Oren, Ozem [bij] Alua. 36 En Jerahmeël had nog eene andere vrouw, Atara genaamd, die is demoeder van Onam. 27 En de zonen van Ram, den eersten zoon van Jerahmeël, zijn: Mailz, Jamin en Eker. 28 En Onam had zonen: Sammai en Jada. En de zonen van Sammai zijn: Nadab en Abisur. 29 En de vrouw van Abisur was Abihaïl, die baarde hem Ahban en Molid. 30 En de zonen van Nadab zijn: Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder zonen. 31 De zonen van Appa-im zijn: Jiseï. De zonen van Jiseï zijn: Sesan. De zonen van Sesan zijn: Ahlai. 32 En de zonen van Jada, den broeder van Sammai, zijn: Jether en Jonathan; |
en Jether stierf zonder zonen. 33 En de zonen van Jonathan zijn: Peletii en Zaza. Dit zijn de zonen van Jerahmeël. 3i Sesan nu had geen zonen maar dochters; en Sesan had een Egyptisohen knecht wiens naam was Jarha; 33 en Sesan gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha' tot vrouw, en die baarde hem Attai. 36 En Attai verwekte Nathan, Nathan verwekte Za-bad, 37 Zabad verwekte Eflal, Edal verwekte Obed, 38 Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja, 39 Azarja verwekte Helez, Helez verwekte Elasa, 40 Ektóa verwekte Sismai, Sismai verwekte Sallum, 41 Sallum verwekte Je-kamja, Jekamja verwekte Elisama. 42 De zonen van Kaleb, den broeder van Jerahmeël, zijn: Mesa, zijn eerste zoon ; die is de vader van Zif,eu der kinderen van Maresa den vader van Hebron. 43 En de zonen van He-bron zijn: Ivorach, ïappu-ah, Eekem en Sema. 44 En Sema verwekte Ea-ham, den vader van Jor- |
1 KRONIEKEN a.
m
|
keam; llelcemverwekte Sam-mai. 45 En de zoon van Sam-mai heette Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur. 46 En Efa, liet bijwijf van Kaleb, baarde Haran, Moza en Gazez; en Haran verwekte Gazez. 47 En de zonen van .ieh-dai zijn: Ilegem, Jotham, Gesan, Pelet, Eta en Sailf. 48 En Maacha, het bijwijf van Kaleb, baarde Seller en ïirhana. 49 En Vde hv.isvrouto mti\ Sailf, den vader van Mad-manna, baarde Seva, den vader van Machbena en den vader van Gibea; en Achsa was Kalebs dochter. 50 Pit zijn de zonen van Kaleb; Hur de eerste zoon van Efratha, Sobal de vader van Kirjath-Jearim, 51 Salma de vader der Bethlehemieten, Haref de vader van Beth-Gader. 52 En Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, had zonen; die zag de helft der inwoners] van Menuhoth. 53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren: de Jethrieteu, Puthieten, Su-mathieten enMisraïeten; van deze zijn voortgekomen de Zoraïeten en Estaolieten. |
54 De zonen van Sal ma zijn: de Bethlehemieten, en de Netofathieten, de kroon van Joabs huis, en de helft der Manahtieten, van den Zoriet. 55 En de geslachten der schrijvers, die te Jabez woonden , zijn: de ïirathieten, de Simeathieten, de Suchathie-ten. Dit zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Ham-math, den vader vanBeth-Eechab. HOOFDSTrK 3. 1 Dit zijn de zonen van David die hem te Hebron geboren zijn: de eerste Am-non , bij Ahinoam de Jizreë-lietische; de t weede Daniel, bij Abigail de Karmelieti-sche; 3 de derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Talmai den koning van Gesnr; de vierde Ado-nia, de zoon van Haggith; 3 de vijfde Sefatja, bij Abl-tal; de zesde Jithream, bij zijne huisvrouw Egla. 4 Deze zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde aldaar zeven jaar en zes maanden, en te Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar. 5 En deze zijn hem ge-bören te Jeruzalem: Siniea , Sobab, N atlian, Salomo: deze vier bij Bathsüa de dochter van Ammicl; |
1 KEONIEKEN 4.
788
|
6 daarbenevens Jibhar, Eli-sama, Elifélet, 7 Nogah, Nefeg, .Tafïa, 8 Elisama, Eljada, Elifélet- deze negen. 9 Deze allen zijn zonen van David, behalve de zonen der bijwijven; en ïa-mar was hunne zuster. 10 Salomo's zoon was Ee-habeam, diens zoon was Abia, diens zoon was Asa , diens zoon was Josafat, 11 diens zoon was.Toram, diens zoon was Ahazia, diens zoon was Joas, 12 diens zoon was Ama-zia, diens zoon wasAzaria, diens zoon was Jotham, 13 diens zoon wasAchaz, diens zoon was Hizkia, diens zoon was Manasse, 11 diens zoon wasAmon, diens zoon was Josia. 15 En de zonen van Josia waren: de eerste Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedelda, de vierde Sallum. 16 En de zonen van Jojakim waren: Jechonia; diens zoon was Zedekla. 17 En de zonen van Jechonia , die gevangen werd, waren: Sealtiël, 18 Malkiram, Pedaja, Sen-azzar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19 De zonen van Pedaja waren: Zerubbabel en Simei'; de zonen van Zerubbabel waren: Mesullam en Ha-nanja, en hunne zuster Se-lomith; |
20 daartenevens Hasuba, Ohel, Berechja, Hasadja, Jusabhésed, deze vijf. 21 En de zonen van Ha-nanja waren: Pelatja en Jesaja; diens zoon was lle-faja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja. 23 En de zonen van Sé-chanja waren: Semaja; en de zonen van Semaja waren: Hattus, Jigeal, Bariah, Ne-arja en Safat; deze zes. 23 En de zonen van Nearja waren: Eljoënai, Hizkia, Azrikam; deze drie. 24 En de zonen van Eljoënai waren: Hodajeva, El-jasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani; deze zeven. HOOFDSTUK 4. 1 De zonen van Juda waren : Perez, Hezron, Karmi, Hur en Sobal. 2 En Eeaja, Sobals zoon, verwekte Jahath; Jahath verwekte Almmai en La-had. Dit zijn de geslachten der Zorathieten. 3 En dit is de stam van Etams vader: Jizreël, Jisma en Jidbas; en hunne zuster is Hazzelelponi. 4 En Pnuël was' de vader |
1 KKONIEKEN 4.
789
|
van Gedor, en Ezer de vader van Huza: dit zijn de zonen van Hur, den eersten zoon van Efratlia, den vader van Bethlehem. 5 En Ashnr, de vader van Tekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara. 6 En Naara baarde hem Aliuzzam, Hefer, Temeni, Ahastari: dit zijn de zonen van Naara. 7 En de zonen van Hela waren: Zereth, Zohar, en Etlinan. 8 En Koz verwekte Anub en Hazzobeba, en de geslachten van Aharhel den zoon van Harnm. 9 Jabez nu was voornamer dan zijne broeders; en zijne moeder noemde hem Jabez; want, zeide zij, ik heb hem met smart gebaard. 10 En Jabez riep den God van Israël aan, zeggende: Indien gij mij zegenen zult, en mijne grenspalen uitbreiden, en uwe hand met mij zijn zal, en gij het kwade alzoo maken zult, dat het mij niet smart!____ En God liet komen hetgeen hij bad. 11 En Kelub, de broeder van Suha, verwekte Mehir; deze is de vader van Eston. |
12 En Eston verwekte Bethrafa, Paséah, en ïe-hinna den vader \der inwoners] van de stad Nahas: dit zijn de mannen van Reolia. 13 En de zonen van Kenaz waren; Othniël en Seraja; en de zonen van Othniel waren: Hathath. 14 En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, den vader [der bewoners] van het dal der timmerlieden; want zij waren timmerlieden. 15 En de zonen van Kaleb den zoon van Jefunne waren: Iru, Ela en Naam; en de zonen van Ela waren: Kenaz. 16 En de zonen van Je-halleleël waren: Zit', Zifa, Tirea en Asareül. 17 En de zonen van Ezra waren: Jether, Mered, Efer en Jalon; ook baarde zij Mirjam, Sammai, enJisbah den vader van Estemoa. 18 En zijne huisvrouw Je-liudia baarde Jered den vader van Gedor, Hebei-den vader van Socho, en Jekuthiël den vader van Zanóah. Dit zijn de zonen van Bithja, ïarao's dochter, die Mered gehuwd had. 19 De zonen van Hodia's huisvrouw, de zuster van Naham, den vader van Ke-hila, waren: de Garmiet en Estemóa de Maachathiet. 20 De zonen van Simon |
1 KEONIEKEN 4.
790
|
waren: Amnon, Einna, Ben-hanan en Tilon. De zonen van Jiseï waren: Zolietli en Benzóheth. 31 En de zonen van Sela den zoon van Jnda waren: Er de vader van Lecha, Lada de vader-van Maresa, en de geslachten der linnenwevers in liet huis ran Asbéa; 33 daarbenevens Jokim, en de mannen van Kozeba , Joas en Saraf, die geheersolit hebben over Moab, en ,Ta-subi te Lehem; gelijk het oude bericht luidt. 33 Deze waren pottenbakkers, en woonden in beplante hoven en tuinen bij den koning, en bleven aldaar in zijnen dienst. 3 4 De zonen van Simeon waren: Nemuël, Jamin, Jarib, Zerah, Saul; 35 diens zoon was Sallum, diens zoon was Mibsam, diens zoon was Misma. 36 En de zonen van Misma waren: Hammuël, diens zoon was Zakkur, diens zoon was Süneï. 37 En Simeï had zestien zonen en zes dochters; en zijne broeders hadden niet veel zonen, en hun geheele geslaciit vermenigvuldigde zich niet zóó als dat der kinderen van Juda. 28 En zij woonden in |
Ber-Séba, Molada, Hazar-Sual, 29 Bilha, Ezem, ïolad, 30 Bethuël, Horma, Zik-In0* 31 Beth-Markaboth, Ha-zar-Susim, Beth-Biri, Saii-raïm. Dit waren hunne steden, tot den koning David. 33 Daarbenevens hunne dorpen bij Etam, Ain, Einunon, Toclien en Asan, deze vijf steden, 33 en al de dorpen die rondom deze steden waren tot Baiil toe; dit is hunne woning en hunne geslachtrekening. 34 Voorts Mesobab, Jam-lech, ,losa de zoon van Amazia, 35 Joël, Jehu, de zoon van .Tesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël, 36 Eljoünai, Jaakoba, Je-sohaja, Asaja, Adiël, .lesi-meël en Benaja, 37 Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja: 38 die werden vermaarde vorsten van hunne geslachten in het huis hunner vaderen , en breidden zich uit in menigte. 39 En zij trokken heen om naar Gedor te komen, |
1 £ROiSTIEKEN 5.
791
|
tot tegen het oosten van liet dal, om weide te zoeken voor hunne kudden; 40 en zij vonden vette en goede weide, en een land wijd van ruimte, stil en gerust; want tevoren woonden aldaar de nakomelingen van Cham. 41 En die nu met namen beschreven zijn, kwamen ten tijde van Hizkia den koning ■van Juda, en sloegen de hutten en woningen dergenen die aldaar gevonden werden, en verbanden ze, tot op dezen dag toe, en woonden in hunne plaats, want daar was weide voor hunne kudden. 42 Ook gingen uit hen, uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen naar het gebergte Seïr, met hunne oversten Pelatja, Ne-arja, Eefaja en Uzziël, zonen van Jiseï;. 43 en zij sloegen de overige ontkomenen der Amalekie-ten, en woonden aldaar tot op dezen dag. HOOFDSTUK 5. 1 Voorts de zonen van En-ben, Israels eersten zoon; —■ want hij was de eerste zoon, maar omdat hij zijns vaders bed verontreinigd had, werd zijne eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef den zoon van Israël, en hij werd in de geslachtlijst niet opgeteekend tot de eerstgeboorte ; |
3 doch aan -Tuda, die machtig was onder zijne broeders, werd het vorstendom gegeven in plaats van aan hem; doch de eerstgeboorte kwam aan .lozef; —• 3 de zonen van Euben, Israels eersten zoon, zijn: Henoch, Pallu, Hezron en Karmi. 4 En .Toëls zonen zijn: Semaja, diens zoon was Gog, diens zoon was Simei, 5 diens zoon was Micha, diens zoon was Eeaja, diens zoon was Eaill, 6 diens zoon was Baëra, dien Tilgath-Pilnéser de koning van Assyrië gevankelijk wegvoerde; en hij was een vorst onder de Eubenieten. 7 En zijne broeders, naar hunne geslachten, volgens de aanteekening hunner geboorten in de geslachtregisters , hadden tot hoofden Jehiël en Zecharja, 8 en Bela, den zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van .Toël, die woonde te Aroër en tot Nel» en Baal-Meon toe; 9 en zij woonden togen het oosten, totdat men komt in do woestijn, aan de rivier Frath: want hun vee was |
1 KEONIEKEN 5.
793
|
veel in het land Gilead. 10 En ten tijde van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagarenen, welke door hunne hand vielen, en in wier hutten zij woonden, tegen de geheele oostzijde van Gilead. 11 En de zonen van Gad woonden tegenover hen in het land Basan tot Salka toe. 13 Joël was de voornaamste, en Safam de tweede; voorts Jaëni en Safat in 'Easan. 13 En hunne broeders van het huis hunner vaderen waren: Michaël, Mesullam, Scheba, Jorai, Jakan, Zia en Heber; deze zeven. 14 Bit zijn de zonen van Abihaïl, den zoon van Huri, zoon van Jaroah, zoon van Gilead, zoon van Michaël, zoon van Jesisai, zoon van Jahdo, zoon van Buz. 15 Ahi, de zoon van Ab-diël, zoon van Guni, was hoofd in het huis hunner vaderen. 16 En zij woonden in Gilead, in Basan en in des-zelfs onderhoorige plaatsen, en in alle voorsteden van Saron tot aan hare einden. 17 Deze allen werden gerekend ten tijde van Jotham den koning van Juda en van Jerobeara. den koning van Israël. |
18 De zonen van Ruben en de Gadieten en de halve stam Manasse, wat strijdbare mannen waren, die schild en zwaard voeren en den boog spannen konden, en in den krijg geoefend waren, die waren vierenveertigduizend zevenhonderd en zestig die ten strijde uittrokken. 19 En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jetur, Naiis en Nodab. 20 En de Hagarenen, en allen die met hen waren, werden gegeven in bunne hand; want zij riepen in den strijd tot God, en hij liet zich verbidden, omdat zij op hem vertrouwden. 31 En zij voerden al hun vee weg, vijftigduizend ka-meelen, tweehonderdvijftigduizend schapen, tweeduizend ezels, en honderdduizend levende menschen. 33 Want er vielen vele gewonden; want de strijd was van God. En zij woonden in hunne plaats, tot den tijd toe dat zij gevangen werden. 28 En de kinderen van den halven stam Manasse woonden in dat land, van Basan af tot aan Baal-Her-mon en Senir, en den berg Hennon; en zij waren veel in getal. |
1 KEONIEKEN 6.
793
|
34 En dit waren de lioof-den hunner vaderlijke liui-zen: Efer, Jiseï, Eliël, Az-riël, Jeremia , Hodavja , Jahdiël, kloeke en dappere mannen en beroemde hoofden van hunne vaderlijke huizen. 35 En toen zij zich aan den God hunner vaderen bezondigden, en de goden der volken in het land riahoereerden, welke God voor hen verdelgd had, 36 zoo verwekte de God van Israël den geest van PCil den koning van Assyrië, en den geest van ïilgath-Pilncser den koning van Assyrië, en voerde de Eu-benieten, Gadieten en den halven stam Manasse gevankelijk weg; en hij bracht hen naar Halah en Habor on Hara en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 6. 1 De zonen van Levi waren : Gerson, Kohath en Merari. 3 En de zonen van Kohath waren: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 3 De zonen van Amram waren: Aiiron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aiiron waren: Nadab, Abihu, J'jle-azar en Ithamar. |
4 Eleazar verwekte Pine-has, Pinehas verwekte Abi-süa, 5 Abisüa verwekte Buk ki, Bukki verwekte Uzzi, 6 Uzzi verwekte Zerahja, Zerahja verwekte Merajoth, 7 Merajoth verwekte A-marja, Amarja verwekte Ahitub, 8 Ahitub verwekte Zadok, Zadok verwekte Ahimaaz, 9 Ahimaaz verwekte Azar-ja, Azarja verwekte Joha-nan, 10 Johanan verwekte Azarja , (dengeen die priester was in het huis hetwelk Salomo te Jeruzalem gebouwd had), 11 Azarja verwekte Amarja, Amarja verwekte Ahitub, 13 Ahitub verwekte Zadok, Zadok verwekte Sal-lum, 13 Sallum verwekte Hil-kia, Hilkia verwekte Azarja, 14 Azarja verwekte Seraja, Seraja verwekte Jozadak: 15 Jozadak nu werd mede weggevoerd, toen de Heer Juda en Jeruzalem gevankelijk deed wegvoeren door de hand van Nebukadnezar. 16 De zonen van Levi zijn deze: Gersom, Kohath en Merari. 17 En de zonen van Gersom zijn genaamd: Libni en Simei. |
1 KEONlEivEN 6.
VM
|
18 En de zonen van Ko-hath waren: Amram, Jiz-liar, Hebron en Uzziël. 19 De zonen van Merari waren: Mahli en Musi. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hunne vader-lijke huizen. 20 Gersoms zoon was Lib-ni, diens zoon was Jahath, diens zoon was Zimma, 31 diens zoon was .Toah, diens zoon was ld oio, diens zoon was Zerah, diens zoon was Jeathrai. 22' En Kohaths zoon was Amminadab, diens zoon was Korach, diens zoon was Assir, 23 diens zoon was Elkana, diens zoon was Ebjasaf, diens zoon was Assir, 24 diens zoon was Tahatli, diens zoon was Uriel, diens zoon was Uzzia, diens zoon was Saul. 25 De zonen van Elkana waren: Amasai en Ahimoth, 26 diens zoon was Elkana, diens zoon was Zoi'ai, diens zoon- was Nahath, 27 diens zoon was Eliab, diens zoon was Jeroham, diens zoon was Elkana. 28 De zonen van Samuël waren deze: de eerstgeborene was Yasni, daarna Abia. 29 De zonen van Merari waren: Mahli, diens zoon was Libni, diens zoon was |
Simei, diens zoon was Uzza, 30 diens zoon wasSimea, diens zoon was diens zoon was Asaja. 31 En deze zijn het die David heeft aangesteld om te zingen in het huis des Hee-ren, toen de ark rustte; 32 en zij dienden in de woning van de hut des stichts met zingen, totdat Salomo het huis des Hee-ren bouwde te Jeruzalem; en zij namen hun dienstwerk waar , naar de orde van hun ambt. 33 En zij die daar stonden , benevens hunne zonen, zijn deze. Yan de zonen van Kohath was Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel, 34 den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliël, den zoon van Toah, 35 den zoon. van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai, 36 den zoon van Elkana, den zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja, 37 den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Koraeh, 38 den zoon van Jizhar, den zoon van Kohath, den Haggia. |
-
1 KRONIEKEN 6.
795
|
zoon Tan Levi, den zoon van Israël. 39 En zijn broeder Asaf stond aan zijne rechterzijde; en hij, Asaf, was de zoon van Berecbja, den zoon van Simea, 40 den zoon van Michaël, den zoon van Baaseja, den 7X)on van Malkia, 41 den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zbon van Adaja, 42 den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei, 43 den zoon van Jahath, den zoon van Gersom, den zoon van Levi. 44 En hunne broeders do zonen van Merari stonden ter linkerzijde, namelijk: Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Mallneh, 45 den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia, 46 den zoon van Anizi, den zoon van Bani, den zoon van Seiner, 47 den zoon van Mahli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi. 48 En hunne broeders de Levieten waren gesteld tot allerlei dienstwerk aan de woning van het huis Gods. |
49 En Aiiron en zijne zonen waren in het ambt om de oilers te ontsteken op den brandofferaltaar, en op den reukaltaar, en tot al het werk in het allerheiligste, en om Israël te verzoenen, gelijk Mozes de knecht Gods geboden had. 50 En dit zijn de zonen van Aiiron: zijn zoon Ele-azar, diens zoon was Pine-has, diens zoon was Abisüa, 51 diens zoon wasBukki, diens zoon was TJzzi, diens zoon was Zerah ja, 53 diens zoon was Mera-joth, diens zoon was Amarja, diens zoon was Ahitub, 53 diens zoon wasZadok, diens zoon was Ahimaüz. 54 En dit zijn hunne woningen en verblijfplaatsen naar hunne grenspalen; namelijk voor de zonen van Aaron, van het geslacht der Kohathieten; want dat lot was voor hen. 55 En men gaf hun He-bron in het land van Juda, en hare voorsteden rondom; 56 maar de velden dier stad en hare dorpen gaf men aan Kaleb den zoon van Jefunne. 57 Ook gaf men aan de zonen van Aaron, behalve de vrijstad Hebron, ook nog Libna met hare voorsteden, Jattir en Estemóa met hare voorsteden, |
1 KRONIEKEN 6.
796
|
58 Hüon en Debir met hare voorsteden, 59 Asan en Beth-Sémes met hare voorsteden; 60 en uit den stam van Benjamin: Geba, Allémeth en Anathoth met hare voorsteden ; zoodat al de steden voor hunne geslachten dertien waren. 61 En voor de overige kinderen van Kohath, uit het geslacht des stams, uit den halven stam van Ma-nasse, bij het lot, tien steden. 62 Aan de kinderen van Gersom, naar hun geslacht, uit den stam van Issaschar en uit den stam van xVser en uit den stam van Naf-tali en uit den stam van Manasse in Basan dertien steden. 63 Aan de kinderen van Mcrari, naar hun geslacht, uit den stam van Ruben en uit den stam van Gad en uit den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden. 6't En de kinderen Israels gaven den Levieten óók steden met hare voorsteden; 65 namelijk, bij het lot, uit den stam der kinderen van Juda en uit den stam der kinderen van Simeon en uit den stam der kinderen van Benjamin, de steden die met namen genoemd zijn. |
66 En wat aangaat de [overigé] geslachten der kinderen van Kohath, de steden van hunnen grenspaal waren uit den stam van Efraïm. 67 En zij gaven hun de vrijsteden: Siehem op het gebergte van Efraïm, en Gezer met hare voorsteden, 68 Jokmeam en Beth-Ho-ron met hare voorsteden, 69 Ajjalon en Gath-Eim-mon met hare voorsteden. 70 Daarenboven nog aan het overige geslacht van Kohath, uit den halven stam van Manasse: Aner en Bileam met hare voorsteden. 71 Aan de kinderen van Gersom gaven zij, uit het geslacht van den hal ven stam van Manasse: Golan in Basan, en Astaroth met hare voorsteden; 72 uit den stam van Issaschar: Kedes en Dobrath met hare voorsteden, 73 Ramoth en Anem met hare voorsteden; 74 uit den stam van Aser: Masai en Abdon met hare voorsteden, 75 Hukok en Rehob met hare voorsteden; 76 uit den stam van Naf-tali: Kedes in Galiléa, Ham-mon en Kirjathaïm met hare voorsteden. 77 Aan de andere kinde- |
1 KRONIEKEN 7.
797
|
ren van Merari gaven zij, uit den stam van Zebulon: lümmono en Tabor met hare voorsteden; 78 en aan gene zijde van den Jordaan van •Jericho, tegen het oosten van den Jordaan, uit den stam van Ruben: Bezer in de woestijn , en .l ahza met hare voorsteden , 79 Kedemoth en Mefaatb. met hare voorsteden; 80 uit den stam vau Gad: Ramoth in Gilead, Maba-naïm met hare voorsteden, 81 Hesbon en Jaëzer met hare voorsteden. HOOFDSTUK 7. 1 De zonen van Issaschar waren: Tola, Pua, Jasib en Simrou, deze vier. 2 En do zonen van Tola waren: Uzzi, Refaja, Je-riël, Jahmai, Jibsam en Samuël, hoofden der vaderlijke huizen van Tola, en dappere lieden iu hunne geslachten; hun getal was in Davids tijden tweeëntwintigduizend en zeshonderd. 3 De zoiiiii van Uzzi waren: Jizrahja; in de zonen van Jizrahja waren Michael, Obadja, Joël eu Jissla, deze vijf; en zij waren allen hoofden. |
4 En onder hen, naar hunne geslachten en vaderlijke huizen, waren tot den strijd toegeruste krijgslieden, zesendertigduizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen. 5 En hunne broeders, in al de geslachten van Issaschar, strijdbare lieden, waren zevenen tachtigduizend, allen samengeteld. 6 De zonen van Benjamin waren: Bela, Beoher en Jediaël, deze drie. 7 En de zonen van Bela waren: Ezbon, Uzzi, Uz-ziël, Jerimoth en Iri,deze vijf, hoofden der vaderlijke huizen, strijdbare lieden; en zij werden geteld, twee-entwintigduizend vierendertig. 8 En de zonen van Becher waren: Zemira, Joas, Elië-zer, Eljoënai, Omri, Jere-moth, Abia, Anathoth en Alémeth; deze allen waren zonen van Becher, 9 en zij werden geteld naar hunne geslachten, hoofden hunner vaderlijke huizen, strijdbare lieden, twintigduizend en tweehonderd, 10 En de zonen van Jediaël waren: Bilhan; en Bilhans zonen waren; Jeïs, Benjamin, Ehud, Kenaana, Zethau, Tarsis en Ahisahar; 11 deze allen waren zonen van Jediaël, hoofden der |
1 KRONIEKEN 7.
798
|
vaderen, strijdbare lieden, zeventienduizend en twee-lionderd, die in het lieir uittrokken om te strijden. 13 En Suppim en Huppim waren zonen van Ir, en Husim zonen van Alier. 13 De zonen van Naf'tali waren; Jahziël, Guni, Je-zer en Sallum, zonen van Bilha. 14 De zonen van Manasse zijn deze: Asriël, dien zijn bijwijf de Syrische baarde; en hij verwekte Machir den vader van Gilead. 13 En Machir gaf Huppim en Suppim vrouwen, en de naam zijner zuster was Maiicha, en de naam van zijnen tweeden zoon Zelafead; en Zelafead had slechts dochters. 1G Eu Maiicha de huis-vroüw van Machir baarde een zoon, dien noemde zij Peres, en zijns broeders naam was Seres, wiens zonen waren Ulam en Eekem. 17 En Ulams zoon was Bedan. Dit zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse. 18 En zijne zuster Molé-cheth baarde Ishod, Abiüzer en Mahla. 19 En Semida had deze zonen: Ahjan, Sechem,Likhi en Aniam. |
20 De zonen van Efraïm waren deze: Suthélah, diens zoon was Bored, diens zoon was Tahath, diens zoon was Elada, diens zoon was ïahath, 31 diens zoon was Zabad, diens zoon was Suthélah, diens zoon was Ezer en Elad. Doch de mannen van Gath, de inboorlingen des lands, doodden hen, omdat zij afgetrokken waren om hun vee te nemen. 23 En hun vader Efraïm droeg langen tijd rouw, en zijne broeders kwamen om hem te troosten. 33 En hij besliep zijne huisvrouw, die werd zwanger en baarde een zoon, dien noemde hij Beria, omdat het in zijn huis kwalijk toeging. 3'E En zijne dochter was Seöra; deze bouwde liederen opper-Beth-Horon, en Uzzen-Seëra. 35 Diens zoon was llefnh, en Eesef, diens zoon was ïelah, diens zoon wasïahan, 36 diens zoon was Ladan, diens zoon was Ammihud, diens zoon was Elisama, 37 diens zoon was Nun, diens zoon was Jozua. 28 En hunne have en woning was Beth-El en hare onderhoorige plaatsen, en tegen het oosten Naiiran, |
1 KRONIEK EN 8.
7D9
|
en tegen liet westen Gezer en hare onderboorige plaatsen , Sichem en hare onder-hoorige plaatsen, tot Gaza toe en hare onclerhoorige plaatsen. 39 En aan de zijde dei-kinderen van Manasse: Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, Tailnaoh en hare onderhoorige plaatsen, Me-giddo en hare onderhoorige plaatsen, Dor en hare onder-lioorige plaatsen. Daarin woonden de zonen van Jozef den zoon van Israël. 30 De zonen van Aser waren deze: Jimna, Jisva, Jisvi, Beria; en hunne zuster was Serah. 31 De zonen van Beria waren: Heber en Malkiel; deze was de vader van Bir-zavith. 33 En Heber verwekte Jaflet, Somer, Hotham, en Sua hunne zuster. 33 De zonen van Jaflet waren: Pasach, Bimhal en Asvath; dit waren de zonen van Jaflet. 34 De zonen van Semer waren: AM, Eöhga, Je-hubba en Aram. 35 En de zonen van zijnen broeder Helem waren: Zo-fah, Jimna, Seles en Amal. 3G De zonen van Zofah waren: Suah, Harnéfer, Sual, Beri, Jimra, |
37 Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jithran en Beëra. 38 De zonen van Jether waren: Jei'umie, Eispa en Ara. 39 De zonen van Ulla waren: Arah, Hanniël en E.izja. 40 Deze allen waren zonen van Aser, hoofden van hunne vaderlijke huizen, uitgelezen strijdbare lieden en hoofden onder de vorsten ; en zij werden gerekend in het heir tot den strijd, naar hun getal, zesentwintigduizend man. HOOFDSTUK 8. 1 En Benjamin verwekte Bela zijnen eersten zoon, Asbel den tweeden, Ahrah den derden, 3 Noha den vierden, Eafa den vijfden. 3 En Beia's zonen waren: Addar, Gera, Abihud, 4 Abisua, Naaman, Ahoah, 5 Gera, Sefüf'an en Hu-ram. 6 Dit zijn de zonen van Ehud; zij waren hoofden der vaderen onder de inwoners van Geba; en zij trokken weg naar Manalïath, 7 tegelijk met Naiiman, Ahia en Gera; deze voerde hen weg; en hij verwekte Uzza en Ahihud. |
1 KRONIEKEN 8.
800
|
8 En Saharaïm verwekte zonen in het land van Moab, nadat hij Husim en Baara, zijne vrouwen, had weggezonden ; 9 en hij verwekte bij Ho-des, zijne huisvrouw, .Tobab, Zibja, Mesa, Malkam, 10 Jeüz, Sochja en Mirma; dit zijn zijne zonen, hoofden der vaderen. 11 En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaal. 13 En de zonen van Elp'ull waren: Heber, Misam en Semer; deze bouwde Ono, en Lod en hare onderhoo-rige plaatsen. 13 En Berïa en Sema waren hoofden der vaderen onder de inwoners van Ajja-lon; deze verjoegen de inwoners van Gath. li Voorts zijne broeders Sasak, Jeremoth, 15 Zebadja, Arad, Eder, 16 Michael, Jispa enJoha; dit zijn de zonen van Ben'a. 17 Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber, 18 Jismerai, JizliaenJobab; dit zijn de zonen van Elpaal. 19 Jakim, Zichri, Zabdi, 30 Eljoünai, Zillethai, Elicl, 31 Adaja, Beraja en Sim-rath; dit zijn de zonen van Simei. 33 Jispan, Heber, Elicl, |
33 Abdon, Zichri, Hanan, 34 Hananja, Elam, Anne-thothia, 33 Jifdeja en Pnuël; dit zijn de zonen van Sasak. 30 Samserai, Seharja, Athalja, 37 Jaaresja, Elia en Zichri; dit zijn de zonen van Jero-ham. 38 Dit zijn de hoofden der vaderen hunner geslachten, die woonden te Jeruzalem. 39 En te Gibeon woonde de vader van Gibeon, en de naam zijner huisvrouw was Maacha; 30 en zijn eerste zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baiil, Nadab, 31 Gedor, Ahjo en Zecher. 33 En Mikloth verwekte Simea; en zij woonden tegenover hunne broeders, met hunne broeders te Jeruzalem. 33 Ner verwekte Kis; Kis verwekte Saul; Saul verwekte Jonathan, Malkisüa, Abinadab en Esbaill. SI En de zoon van Jonathan was Meribbaill; en Meribbaill verwekte Micha. 33 De zonen van Micha waren: Pithon, Melech, Taarca en Achaz. 36 En Achaz verwekte Jehoadda; Jehoadda verwekte Alémeth, Azmaveth en Zimri; en Zimri verwekte Moza; |
É
1 KEONIEKEN 9.
801
|
37 Moza verwekte Bina, diens zoon was Eafiv, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel. 38 En Azel liad zes zonen, en hunne namen zijn: Azri-kam, Eochm, Ismaël, Se-aija, Obadja en Hanan; deze allen waren zonen van Azel. 39 De zonen van Esek zijnen broeder waren: Ulam zijn eerste zoon, Jeüs de tweede, Eüfélet de derde. 40 En de zonen van Ulam waren dappere lieden, met den boog schietende, en hadden vele zonen en zoons-zonen, honderd en vijftig. Deze allen waren onder de kinderen van Benjamin. HOOFDSTUK 9. 1 En geheel Israël werd gerekend; en zie, zij zijn aangeschreven in het boek der koningen van Israël en Juda, en nu weggevoerd naar Babel om hunne misdaad , 3 die tevoren woonden in hunne bezittingen en in hunne steden, namelijk Israël, de priesters. Levieten en Nethinim. 3 En te Jeruzalem zetleden zich neder sommigen der kinderen van Juda, sommigen der kinderen van Benjamin en sommigen deikinderen van Efraïm en Ma-nasse, |
4 namelijk: Uthai,dezoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, uit de kinderen van Perez den zoon van Juda. 5 En uit de Silonieten: Asaja de eerste zoon, en zijne andere zonen. 6 Uit de kinderen van Zerah: Jeüël en zijne broeders, zeshonderd en negentig. 7 Uit de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Senua; 8 en Jibneja de zoon van Jeroham; en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Eehuël, den zoon van .Tibma; 9 daarenboven hunne broeders, naar hunne geslachten, negenhonderd zesenvijftig. Al deze mannen waren hoofden onder de vaderen, in de huizen hunner vaderen. 10 En uit de priesters: Jedaja, Jojarib, Jachin; 11 en Azarja, de zoon van Hilkia, den zoon van Mesullam , den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, overste over het huis Gods; |
36
1 KEONIEKEX 9.
803
|
12 en Adaja, de zoon van Jerolmm, den zoon van Paslmr, den zoon van Mal-kia; en Masai, de zoon van Adiël, den zoon van Jah-zera, den zoon van Mesul-hm, den zoon van Mesille-mitli, den zoon van Immer; 13 daarenboven Inmne broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, vlijtige lieden aan het werk des ambts in het hnis Gods. 14 En uit de Levieten, uit de kinderen van Merari: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja; 15 en Bakbakkar de timmerman , en Galal; en Mat-tanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf; 16 en Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, die in de dorpen der Netof'a-thieten woonde. 17 En de deurwachters waren: Salluni, Akkub, Tal-mon, Ahiman, met hunne broeders; Sallum was het hoofd. 18 Ook tot nu toe hadden zij uit de legers der kinderen van Levi de wacht gehouden aan de poort des konings tegen het oosten. |
19 En Sallum, de zoon van Koré, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Ko-rach, en zijne broeders uit het huis zijns vaders, de Korachieten, waren aan het werk des ambts, om wacht te houden aan den drempel der hut, gelijk hunne vaderen in het leger des Heeren, om den ingang te bewaren. 30 En Pinehas de zoon van Eleazar was tevoren vorst over hen, omdat de Heer met hem was. 31 Zecharja de zoon van Meselemja was deurwachter aan den ingang van de hut des stichts. 33 Deze allen waren uitgelezen tot deurwachters aan den drempel, tweehonderd en twaalf; zij waren gerekend naar hunne dor-pen; en David on Samuël de ziener hadden hen in hun ambt bevestigd, 33 opdat zij en hunne zonen de wacht zouden houden aan het huis des Heeren, namelijk aan het huis der hut, om de wacht waar-tenemen. 21 Deze deurwachters waren tegen de vier winden gesteld, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden en tegen het zuiden. 35 En hunne broeders |
1 KRONIEKEN 9.
803
|
waren in hunne dorpen, dat zij telkens op den zevenden dag inkwamen, om van tijd tot tijd met hen te zijn. 36 Want in dat ambt waren vier opperste deurwachters die Levieten waren, en zij waren over de kamers en schatten van liet huis Gods. 37 Ook bleven zij des nachts rondom het huis Gods; want hun was de wacht toevertrouwd, om el-ken morgen opentedoen. 38 En sommigen van hen waren over de gereedschappen des ambts, want zij droegen ze welgeteld in en uit. 39 En sommigen van hen waren gesteld over de gereedschappen , en over al de vaten des heüigdoms, en over het meel, over den wijn, over do olie, over den wierook en over de specerijen. 30 En sommigen van de zonen der priesters maakten het reukwerk. 31 Aan Mattitlija uit de Levieten, den eersten zoon van Sallum den Korachiet, was toevertrouwd wat in de pannen gebakken was. 33 En uit de Kohathieten, hunne broeders, waren cr over de toonbrooden, om die voor alle sabbatten te bereiden. |
33 Uit deze zijn ook de zangers, hoofden onder de vaderen der Levieten, in de kamers, vrij van diensten; want dag en nacht waren zij met hun werk bezig. 34 Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten in hunne geslachten; deze woonden te Jeruzalem. 35 Te Gibeon nu woonde Jeïël de vader van Gibeon; en zijne huisvrouw was genaamd Maiicha. 36 En zijn eerste zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baal, Xer, Nadab, 37 Gedor, Ahjo, Zecharja en Mikloth. 38 En Mikloth verwekte Siineam; cn zij woonden ook rondom hunne broeders, met hunne broeders te Jeruzalem. 39 En Ner verwekte Kis; Kis verwekte Saul; Saul verwekte Jonathan, Malki-süa, Abinadab cn Esbaal. 40 En de zoon van Jonathan was Meribbaal, en Meribbaiil verwekte Micha. 41 En.de zonen van Micha waren; Pithon, Melech en ïahréa. 43 En Aehaz verwekte Jaëra; Jacra verwekte Alc-meth, Azmaveth en Zimri; Zimri verwekte Moza; 43 en Moza verwekte Bina, diens zoon was Eefaja, diens |
1 KEONIEKEN 10.
804
|
zoon was Elasa, diens zoon was Azel. 44 En Azel had zes zonen, die waren genaamd: Azri-kam, Bochru, Tsmaël, Se-arja, Obadja en Hanan; dit zijn de zonen van Azel. HOOFDSTUK 10. 1 En de Filistijnen streden tegen Israël; en die van Israël vloden voor de Eilis-tijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 3 En de Filistijnen hielden dicht achter Saul en zijne zonen aan, en zij versloegen Jonathan, Abinadab en Mal-kisüa, de zonen van Sanl. 3 En de strijd werd hard tegen Saul, en de boogschutters trofl'en hem, en hij werd zeer gewond dooide schutters. 4 Toen sprak Saul tot zijnen wapendrager; Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, opdat deze onbe-snedenen niet komen en hunnen moedwil met mij drijven. Doch zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul zijn zwaard en viel er in. 5 Toen nu zijn wapendra-drager zag dat Saul dood was, zoo viel hij óók in het zwaard en stierf'. |
6 Alzoo stierf Saul en zijne drie zonen; en zijn geheele huis kwam tevens om. 7 Toen nu de mannen van Israël, die in de vallei waren, zagen dat zij gevloden waren, en dat Saut en zijne zonen dood waren, verlieten zij hunne steden en vloden; en de Filistijnen kwamen en woonden daarin. 8 En des anderen daags kwamen de Filistijnen om de verslagenen te berooven, en zij vonden Saul en zijne zonen liggende op het gebergte Gilboa. 9 En zij plunderden hem uit, en namen zijn hoofd en zijne wapenen op, en zonden die in het land der Filistijnen rondom, en lieten het verkondigen voor hunne afgoden en het volk; 10 en zij leiden zijne wapenen in het huis huns gods, en zijnen schedel hechtten zij aan het huis van Dagon. 11 Toen nu allen die te Jabes in Gilead waren, hoorden alwat de Filistijnen aan Saul gedaan hadden, 13 maakten al de strijdbare mannen zich op, en namen de lichamen van Saul en zijne zonen, en brachten ze naar Jabes, en begroeven hunne beenderen onder den eikeboom te Jabes, en vastten zeven dagen. |
EKEN 11. 805
1 KEONI
|
13 Alzoo stierf Saul in zijne misdaad die hij tegen den Heer gedaan had, tegen het gebod des Heeren hetwelk hij niet gehouden had, en ook dat hij eene waarzegster had gevraagd; 14 en omdat hij den Heer niet gevraagd had, doodde die hein, en keerde het koninkrijk tot David den noon van Isai. HOOFDSTUK 11. 1 En geheel Israël vergaderde zich tot David te Hebron, zeggende: Zie, wij zijn van uw gebeente en van uw vleescli; 3 ook reeds lang tevoren, toen Saul koning was, leid-det gij Israël uit en in; ook heeft de Heer uw God tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en zult vorst zijn over mijn volk Israël. 3 Alzoo kwamen al de oudsten van Israël tot den koning te Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron voor den Heer, en zij zalfden David tot koning over Israël, naar het woord des Heeren door Samuël. 4 En David trok heen met geheel Israël naar Jeruzalem, dat is Jebus; want de Jebusieten woonden in het land. |
5 En de burgers van Jebus spraken tot David: Gij zult hier niet inkomen. Doch David nam den burg Sion in: dit is de stad Davids. 6 En David sprak; Wie de Jebusieten het eerst verslaat, die zal een hoofd en overste zijn. Toen beklom Joab de zoon van Zeruja [deu hurg] het eerst; en hij werd een hoofdman. 7 David nu woonde in den burg; daarom noemde men dien de stad Davids. 8 En hij bouwde om de stad een muur, van Millo af en verder rondom; en .Toab liet de overgeblevenen in de stad leven. 9 En David nam gestadig toe; en de Heer Zebaoth was met hem. 10 Dit zijn de oversten onder Davids helden, die zich dapper met hem gedroegen in zijn koninkrijk, bij geheel Israël, om hem koning te maken over Israël, naar het woord des Heeren. 11 En dit is het getal van Davids helden: .lasobeam de zoon van Haclimoni, de voornaamste van het drietal; hij hief zijne spies op en versloeg driehonderd in één veldslag. 13 Na hem was Eleazar |
1 KRONIEKEN IL
806
|
de zoon van Dodo, de Alio-hiet; de/,e was onder de drie helden. 13- Hij was met David te Pas-Dammin, toen de Filistijnen zich aldaar vergaderd hadden tot den strijd, en er was een stuk akker vol gerst, en het volk vlood voor de Filistijnen; 14 en zij traden in het midden des akkers en verlosten dien, en sloegen de Filistijnen, en de Hser gaf eene groots overwinning. 15 En drie andere uit de dertig voornaamsten trokken af naar de steenrots tot David in de spelonk van Adul-lam; en het leger derEilis-tij nen lag in de vallei Eefaï m. lö En David was op dien tijd in den burg, en het volk der Filistijnen lag te Bethlehem. 17 En David kreeg lust en sprak; Wie wil mij te drinken geven van het water uit den put te Bethlehem onder de poort? 18 Toen braken die drie door tot in hot leger der Filistijnen, en schepten van het water uit den put te Bethlehem onder do poort, en droegen het, en brachten het tot David. Doch hij wilde het niet drinken, maar goot het uit voor den Heer, 19 en sprak: Dit late mijn |
God verre van mij zijn, dat ik dit zoude doen, en drinken het bloed dezer mannen die hun leven hebben gewaagd ; want zij hebben het met gevaar huns levens hier gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden. 20 En Abisai, Joabs broeder , was de voornaamste van dit drietal; en hij hief zijne spies op en versloeg driehonderd; en hij was beroemd onder die drie. 21 En van die drie dei-tweede orde was hij de beroemdste, en werd hun overste ; maar tot aan de \eenté\ drie kwam hij niet. 22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapper man, van groote daden, uit Kabzeël; deze versloeg twee leeuwen van Moab; en hij ging af en versloeg ren leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd. 23 Ook versloeg hij een Egyptisohen man, die was vijf el lang, en had eene sjncs in de hand als een weversboom; en hij ging tot hem af met een stok, en rukte hem do spies uit de hand, en doodde hem met zijn eigen spies. 24 Dit deed Benaja de zoon van Jojada; en hij was |
|
1 KRONI beroemd onder die diic liel-den, 35 en was meer vermaard dan de dertig; maar hij behoorde niet tot die [eerste] drie. En David benoemde hem in zijnen geheimen raad. 36 De helden des heirs zijn deze: Asaël, Joabs broeder; Elhanan de zoon van Dodo, van Bethlehem; 37 Sammoth de Harodiet; llelez de Peloniet; 38 Ira de zoon van Ikkes, de Tekoïet; Abiezer de An-nethothiet; 39 Sibbechai de Unsathiet; Ilai de Ahohiet; 30 Maharai de Netofa-thiet; Heled de zoon van Baëna, de Netofathiet; 31 Ithai de zoon vanlii-bai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja dePira-thoniet; 33 Hurai uit de valleien van Gaas; Abiël de Arba-thiet; 33 Azmaveth de Eaharu-miet; Eljahba de Saillboniet; 34 Bené-Hasem de Gizo-niet; Jonathan de zoon van Sagé, de Harariet; 35 Ahiam de zoon van Saohar, de Harariet; Elifal de zoon van ür; 36 Heferde Mecherathiet; Alua de Peloniet; 37 Hezro de Karmeliet; |
EKEN 12. 807 Naarai de zoon van Ezbai; 38 Joël, Nathans broeder; Mibhar de zoon van Gcri; 39 Zelek de Ammoniet ; Nahrai de Berotluet, wapendrager van Joab den zoon van Zeruja; 40 Irade Jethriet; Gareb de Jethriet; 41 Urïa de llethiet; Za-bad de zoon van Ahlai; 43 Adina de zoon van Siza, de llubeniet, het hoofd der Eubenicten, en dertig waren onder hem; 43 Hanan de zoon van Maacha; Josafat de Mith-niet; 44 Uzzi'a de Asterothiet; Sama en Jeïël, zonen van Hotham den Aroëriet; 45 Jediaël de zoon van Simri; Joha zijn broeder, de Tiziet; 46 Eliël de Mahaviet; Jeribai en Josavja, zonen van Elnaüin; Jithma de Moabiet; 47 Eliël, Obed, en Jaasiël van Mezobaja. HOOFDSTUK 12. 1 Deze zijn het die tot David kwamen te Ziklag, toen hij zicli nog opgesloten moest houden voor Saul den zoon van Kis; en zij waren ook onder de helden die tot den strijd hielpen, 3 geoefende schutters met |
1 KRONIEKEN 13.'
808
|
de rechter- en linkerhand, voor steenen, pijlen en boog, uit de broeders van Saul, uit Benjamin. 3 De voornaamsten: Aliiii-zer en Joas, zonen van Se-maii den Gibeathiet; voorts Jeziël en Pelet, zonen van Azmilveth; Beraclia, en Jelm de Annethothiet; I Jismaja do Gibeoniet, een held van de dertig, en boven de dertig; Jirmeja, Jaliaziël, Johanan, Jozabad de Gederothiet; 5 Eluzai, Jerimoth, Beal-ja, Semarja, Sefatja della-rullet; 6 Elkana, Jissia, Azareël, Joëzer, Jasobam, de Kora-chieten; 7 Joëla en Zebadja, zonen van Jeroham uit Gedor. 8 En van de Gadieten scheidden zich af tot David in den burg, naar do woestijn , sterke helden en krijgslieden die schild en spies voerden; en hun aangezicht was als dat der leeuwen, en zij waren snel als de reeën op de bergen. 9 De eerste Ezer, de tweede Obadja , de derde Eliab, 10 de vierde Mismanna, de vijfde Jirmeja, II de zesde Attai, de zevende Eliël, 13 de achtste Johanan, de negende Elzabad, |
13 de tiende Jirmeja, de elfile Machbannai. 14 Déze waren uit de kinderen van Gad, hoofden des heirs: de geringste over honderd , en do voornaamste over duizend. 15 Die zijn het die over den Jordaan gingen in de eerste maand, toen hij vol was aan beide zijne oevers, zoodat zij op de vlucht joegen alle bewoners der valleien tegen hut oosten en tegen het westen. 16 Ook kwamen er van de kinderen van Benjamin en .Tuda tot den burg van David. 17 En 1 )avid ging tot hen uit, en antwoordde en sprak tot hen: Indien gij in vrede tot mij komt om mij te helpen , zoo zal mijn hart met u zijn; maar is het dat gij met list komt en om tegen mij te zijn, daar er toch geen misdaad aan mij is, zoo zie het de God onzer vaderen en straffe het. 18 En de Geest kwam over Amasai den hoofdman onder die dertig, \en hij zeidé]: Wij zijn de uwe o David, en met u houden wij het, o zoon van Isai; vrede, vrede zij met u, en vrede zij met uwe helpers; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en |
EKEN 12.
1 KEONI
809
|
stelde hen tot hoofden over de krijgslieden. 19 Ook uit Manasse kwamen er over tot David, toen hij met de Filistijnen tegen Saul tot den strijd kwam, schoon hij hen niet hielp; want do vorsten der Filistijnen lieten hem met overleg van zich, zeggende: Indien hij tot zijnen heer Saul overliep, zoo mocht het onzen hals kosten. 20 Toen hij nu naar Zik-lag trok, liepen tot Lem over uit Manasse; Adnah, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozahad, Elihu en Zillethai, hoofden over duizend in Manasse. 21 En zij hielpen David tegen de benden, want zij waren allen dappere helden, en werden hootdlicden over het heir. 22 Alzoo kwamen er alle dagen tot David om hem te helpen, totdat er een groot heir ontstond, als een heir Gods. 23 En dit is het getal der hoofden tot den strijd toegerust , die tot David te He-bron kwamen, om liet koningschap van Saul tot hem overtebrengen, naar het woord des Heeven. 24 Uit de kinderen van Juda, die schilden en spiesen droegen, waren er zesduizend en achthonderd, toegerust tot den strijd. |
25 Uit de kinderen van Simeon, dappere helden tot den strijd, zevenduizenden honderd. 26 Uit de kinderen van Levi vierduizend en zeshonderd. 27 En Jojada, de vorst over die van Aiiron, met drieduizend en zevenhonderd. 28 Zadok de jongeling, een dapper held, met zijns vaders huis, tweeëntwintig oversten. 29 Uit de kinderen Benjamins , Sauls broeders, drieduizend; want tot op dien tijd hielden velen van hen het nog met het Imis van Saul. 30 Uit de kinderen Efra-ims twintigduizend en achthonderd , dappere helden en beroemde mannen in het huis hunner vaderen. 31 Uit den halven stam Manasse achttienduizend, die met name genoemd werden, om te komen en David koning te maken. 32 Uit de kinderen Issa-schars, die verstandig waren om te weten wat Israël op eiken tijd te doen stond, tweehonderd hoofdlieden; en al hunne broeders volgden hun woord. |
1 KRONIEKEN 13.
810
|
33 Uit Zebulon, die in liet heil- tot den strijd uittrokken , met allerlei wapenen tot den strijd toegerust, vijftigduizend, om zich een-drachtig in slagorde te schikken. Sé Uit Naftali duizend hoofdlieden; en met hen, die schilden en spiesen voerden , zevenendertigduizend. 35 Uit Dan, tot den strijd toegerust, achtentwintigduizend en zeshonderd. 36 Uit Aser, die in het heir uittrokken tot den strijd toegerust, veertigduizend. 37 En van gene zijde van den Jordaan, van de Eubo-nieten, Gadieten en den halven stam Manasse, met allerlei wapenen tot den strijd, honderdtwintigduizend. 38 Al deze krijgslieden, tot de slagorde geschikt, kwamen van ganscher harte naar Hebron, om David koning te maken over geheel Israël ; ook was al het overige Israël slechts één hart om David koning te maken. 39 En zij waren aldaar bij David drie dagen, cn aten en dronken; want hunne broeders hadden voor hen toebereid. |
40 Ook die de naasten rondom hen waren, lot aan Issaschar, Zebulon en Naftali toe, brachten op ezels, kameelen, muilezels en runderen, brood om te eten, alsook meel, vijgen, rozijnen, wijn, olie, runderen en schapen, in menigte; want er was vreugde in Israël. HOOFDSTUK 13. 1 En David hield raad met de hoofdlieden over duizend en over honderd en met al de vorsten; 3 en hij sprak tot de ge-heele gemeente van Israël: Eehaagt het ulieden, en is het van den Heer onzen God, zoo laat ons overal uitzenden tot onze overige broeders in alle landen van Israël, en met hen de priesters en Levieten in de hun toebedeelde steden, opdat zij tot ons vergaderd worden; 3 en laat ons de ark onzes Gods tot ons halen, want in Sauls tijden zochten wij haar niet. •1lt; Toen zeide de geheele gemeente dat men alzoo doen zou, want dit behaagde aan al het volk. 5 Alzoo vergaderde David geheel Israël, van de Egyptische Sihor af totdat men komt te Hamath, om de ark Gods te halen van Kir-jath-Jearim. 0 En David trok op met |
EKEN 14.
1 KRONI
811
I in de stad Davids, maar : deed baar afwijken naar het 1 huis van Obed-Edom den Gethiet.
14 Alzoo bleef de ark Gods bij Obed-Edom in zijn huis drie maanden; en de Heer zegende het huis van Obed-Edom en alwat bij had.
HOOFDSTUK 14.
1 En Ui ram de koning van Tyrus zond gezanten tot David, en cederhout, werklieden in steen en timmerlieden, om hem een huis te bouwen.
2 En David merkte dat de Heer hem als koning over Israël bevestigd had, want zijn koninkrijk werd verhoogd terwille van zijn volk Israël.
3 En David nam te Jeruzalem nog meer vrouwen, en verwekte nog meer zonen en dochters.
4 En dio hem te Jeruzalem geboren werden zijn aldus genaamd: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo,
5 Jibhar, Elisüa, Elpélet,
C Nogah, Nefeg, Jafia,
7 Elisama, Beëljada, en Elifélet.
8 Toen nu de Filistijnen boorden dat David gezalfd was tot koning over geheel Israël, zoo trokken zij allen
geheel Israël naar Baala, i naar Kirjath-Jearim in Tuda,: om vandaar optevoeren de i ark van God den Heer die op do chenibs zit waar de Naam aangeroepen wordt.
7 En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit Abinadabs buis; en Uzza en Abio dreven den wagen.
S En David en gelieel Israël speelden voor God uit al buune macht, met liederen , met harpen, mot fluiten, met trommels, met cimbalen en met bazuinen.
9 Toen zij nu kwamen aan den dorsclïvlocr van Kidou, strekte Uzza zijne band uit om de ark te houden, want de runderen traden terzijde uit.
10 Toen ontstak de toorn des Heeren over Uzza, en bij sloeg hem omdat bij zijne band had uitgestrekt naar de ark, zoodat hij aldaar stierf voor God.
11 Toen werd David be-droetd, omdat de Hoer zulk .eene scheur gemaakt bad aan Uzza; en hij noemde die plaats Perez-Uzza tot op dezen dag.
13 En David vreesde voor God op dien dag, zeggende: Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen?
13 Daarom liet bij de ark Gods niet tot zich brengen
1 KRONIEKEN IS.
812
|
op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, trok liij uit tegen lien. 9 En de Filistijnen kwamen en legerden zich in de vallei Eefaïm. 10 En David vraagde God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en wilt gij hen in mijne hand geven? En de Heer sprak tot hem: Trek op, ik heb hen in uwe hand gegeven. 11 En toen zij optrokken naar Baiil-Perazim, versloeg David hon aldaar; en David sprak: God heeft mijne vijanden door mijne hand gescheurd gelijk het water zich scheurt. Daarom noemde men die plaats Baal-Perazim. 12 En zij lieten hunne goden aldaar, en David liet die met vuur verbranden. 13 Eu de Filistijnen trokken weder op, en legerden zich in de vallei. 14 En David vraagde God nog eens; en God sprak tot hem: Gij zult niet recht op hen aantrekken, maar omsingel hen van achteren, om hen aantetreften tegenover de moerbezieboomen; 15 en als gij zult hooren het geruisch van een gang in de moerbezieboomen, zoo kom uit tot den strijd, want God is uitgetrokken voor u om het heir der Filistijnen te slaan. |
16 En David deed zooals God hem geboden had, en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gibeon af tot Gezer toe. 17 En Davids naam ging uit in alle landen, en de Heer liet zijne vrees komen over alle volken. HOOFDSTUK 15. 1 En David bouwde zich huizen in zijne stad; en hij bereidde voor de ark Gods cene plaats, en maakte eene tent over haar. 2 Voorts sprak David: Niemand zal de ark Gods dragen dan de Levieten; want hen heeft de Heer verkoren om de ark des Heeren te dragen, en hem te dienen eeuwiglijk. 3 Daarom vergaderde David geheel Israël te Jeruzalem , opdat zij de ark des Heeren zouden opbrengen naar de plaats die hij daartoe bereid had. ■t En David bracht de kinderen van Aiiron en de Levieten bijéén; 5 uit de kinderen van Kohath: Uriel den overste, met zijne broeders honderd en twintig; G uit de kinderen van |
EKEN 15.
1 KEONI
813
|
Merari: Asaja den overste, met zijne broeders tweelion-derd en twintig; 7 uit Gersoms kinderen: Joël den overste, met zijne broeders honderd en der- tl O' * 8 uit Elizafans kinderen: Semaja den overste, met zijne broeders tweehonderd; 9 uit Hebrons kinderen: Eliël den overste, met zijne broeders tachtig; 10 uit Uzziëls kinderen: Amminadab den overste, met zijne broeders honderd en twaalf. 11 En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten, namelijk: Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël, Amminadab; 13 en hij sprak tot hen: Gijlieden zijt de hoofden der vaderen onder de Levieten ;' zoo heiligt u en uwe broeders, om de ark van den Heer, den God van Israël, optebrengen naaide plaats die ik voor haar bereid heb. 13 Want tevoren, toen gijlieden er niet waart, maakte de Heer onze God eene scheur onder ons, omdat wij hem niet zochten zooals het behoorde. 14 Alzoo heiligden de priesters en de Levieten zich, om de ark van den |
Heer, den God van Israël, optebrengen. 15 En de kinderen van Levi droegen de ark van God den Heer op hunne schouders, met de haud-boomen daaraan, zooals Mo-zes geboden had naar het woord des Heeren. 16 En David sprak tot de oversten der Levieten, dat zij hunne broeders tot zangers zouden stellen, met speeltuigen, fluiten, harpen en heldere cimbalen, om overluid te zingen met blijdschap. 17 Toen stelden de Levieten Heman den zoon van Joël aan, en uit zijne broeders Asaf den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hunne broeders, Ethan den zoon van Kusaja; 18 en met hen hunne broeders van het andere koor, namelijk: Zecharja den zoon van Jaaziël, Se-miramoth, Jehiël, Unni, Eliab , Benaja, Maiiseja, Mattithja, Eliielé, Mikneja, Obed-Edoin en Jeïël, de deurwachters. 19 En Heman, Asaf en Ethan waren zangers met koperen cimbalen, om die te doen weerklinken; 20 en Zecharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maiiseja en Benaja, |
1 KRONIEKEN 16.
814
|
met fluiten bij den zang; 31 en Mattithja, Elifelé, Mikneja, Obed-Edom, .leïël en Azazja, met harpen van acht snaren om het gezang te leiden. 22 En Kenanja de overste der Levieten was ojjperzang-meester, om hen te onderwijzen in het zingen; want hij was verstandig. 23 En Berechja en Elknna waren wachters aan de deur der ark. 24 En Sebanja, .losafat, Nethanecl, Amasai, Zechar-ja, Bcnaja en Eliëzer, de priesters, bliezen met trompetten vóór de ark Gods; en Obed-Edom en Jelria waren wachters aan de deur der ark. 25 Alzoo gingen David en de oudsten van Israël en de oversten over duizend heen, om met vreugde uit het huis van Obed-Edom de ark des verbonds des Heeren te halen. 26 En toen God de levieten hielp, die de ark des verbonds des Heeren droegen, offerde men zeven varren en zeven rammen. 27 En David had een linnen rok aan, alsook al de Levieten die de ark droegen, en de zangers, en Kenanja de opperzangmeester met de zangers; ook had David een linnen lijfrok aan. |
28 Alzoo bracht geheel Israël de ark des verbonds des Heeren op, met juichen, bazuinen, trompetten en heldere cimbalen, met fluiten en harpen. 21) Toen nu do ark des verbonds des Heeren in de stad Davids kwam, zag Michal, Sauls dochter, uit het venster; en toen zij den koning David zag dansen en spelen, verachtte zij hem in haar hart. HOOFDSTUK 16. 1 ïoen zij nu de ark Gods hadden ingebracht, stelden zij haar in de hut die David voor haar had opgeslagen, en zij offerden brand-offers en dankoffers voor God. 2 En toen David de brandoffers en dankoffers volbracht had, zegende hij het volk in den naam des Heeren. 3 En hij deelde uit aan een ieder in Israël, zoo mannen als vrouwen, een broodkoek, een stuk vleesch en een rozijnenklomp. 4 En hij stelde sommige Levieten tot dienaars voor de ark des Heeren, om den Heer, den God van Israël, te prijzen, te danken en te loven; |
1 KRONIEKEN 16.
815
|
5 namelijk: Asaf den eerste, Zecharja den tweede; voorts Jeïöl, Semiramotli, Jehiël, Mattitlija, Eliab, BenajaenObed-IMom; .Teïül met fluiten cn harpen, en Asaf met heldere cimbalen; 6 en 15enaja en Jahaziël, de priesters, met trompetten, altijd vóór de ark des verbonds Gods. 7 Te dier tijd liet David het eerst yntet dit lied' den Heer danken door Asaf en zijne broeders: 8 Dankt den Heer, predikt zijnen naam, maakt zijn doen bekend onder de volken. !) Zingt, speelt en dicht voor hem van al zijne won-1 doren. 10 Roemt zijnen heiligen naam; het hart dergenen die den Heer zoeken verblijde zich. 11 Vraagt naar den Heer en naar zijne macht; zoekt zijn aangezicht altijd. 13 Gedenkt aan zijne wonderen die hij gedaan heeft, aan zijne wonderen en aan de gerichten zijns monds, 13 gij zaad van Israël zijnen knecht, gij kinderen van Jakob zijnen uitverkorene. I I Hij is do Heer onze God; hij oordeelt over de geheele wereld. |
15 Gedenkt eenwiglijk aan zijn verbond, aan het woord dat hij geboden hoeft tot in duizend geslachten, 16 hetwelk hij gemaakt heeft met Abraham, en aan zijnen eed met Isaak. 17 En hij stelde het aaüi Jakob tot een recht, en aan Israël tot een eeuwig verbond , 18 zeggende: Ik zaluhet land Kanafin geven tot het lot üws erfdeels: 19 toen zij weinig en gering waren, en vreemdelingen daarin. 2ü En zij trokken van het eéne volk tot het andere, quot;en uit het céne koninkrijk tot de andere natie: 31 hij liet niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte koningen om hunnentwil : 33 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen leed. 33 Zingt den Heer, alle landen, verkondigt dagelijks zijn heil. 34 Vermeldt onder dc volken zijne heerlijkheid, onder alle natiën zijne wonderen. 35 Want de Heer is groot en zeer lofwaardig, en heer* lijk boven alle andere goden. 36 Want de goden aller volken zijn afgoden, maar |
1 KRONIEKEN 16.
816
|
de Heer heeft den hemel gemaakt. 37 Heerlijkheid en luister is vóór hem, kracht en vroo-lijkheid is in zijne woonplaats. 38 Brengt herwaarts voor den Heer, gij volken, brengt herwaarts voor den Heer eer en macht. 39 Brengt herwaarts eer voor den naam des Heeren; brengt geschenken en komt vóór hem; aanbidt den Heer in heilig sieraad. 30 i)e geheele wereld vree-ze hem: hij heeft den aardbodem bereid, dat die niet bewogen wordt. 31 De hemel verblijde zich en de aarde zij vroolijk; en men zegge onder de volken: De Heer regeert. 33 De zee bruise en wat er in is, en het veld zij vroolijk en alwat er op is. 33 En laat juichen alle boomen in het woud, voor den Heer; want hij komt om de aarde te richten. Si Dankt den Heer, want hij is goed, en zijne gunst duurt eeuwiglijk; 35 en zegt: Help ons. God onze Heiland, en verzamel ons, en red ons van de volken; opdat wij uwen heiligen naam danken en u lofzingen. 36 Geloofd zij de Heer, |
Israels God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en al het volk zegge amen en love den Heer. — 37 Alzoo liet hij aldaar vóór de ark des verbonds des Heeren Asaf en zijne broeders, om te dienen voor de ark altijd, op eiken dag ieders dagwerk; 38 ook Obed-Edom en hunne broeders, achtenzestig , en Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, enHosa tot deurwachters. 39 Doch den priester Za-dok en zijne broeders de priesters liet hij vóór de woning des Heeren op de hoogte te Gibeon, 40 om aan den Heer dagelijks brandoffers te offeren op den brandofferaltaar, des morgens en des avonds; gelijk geschreven staat in de wet des Heeren, die hij aan Israël geboden heett; 41 en met hen Heman en Jeduthun, en de overige uit-gelezenen die met name genoemd waren, om den Heer te danken dat zijne goedheid eeuwiglijk duurt. 43 En bij hen, Heman en Jeduthun, waren trompetten en cimbalen om te doen weerklinken, en speeltuigen Gods; maar de zonen van Jeduthun maakte hij tot deurwachters. |
1 KEONIEKEN 17.
817
|
43 Daarna trok al het volk heen, ieder naar zijn huis; en David keerde óók terug om zijn huis te zegenen. HOOFDSTUK 17. 1 En het geschiedde toen David in zijn huis woonde, dat hij tot den profeet Nathan zeide: Zie, ik woon in een cederen huis, en de ark des verbonds des Heeren is onder de tapijten. 3 En Nathan zeide tot David: Alwat in uw hart is, doe dat, want God is met u. 3 En in dien nacht kwam Gods woord tot Nathan, zeggende: 4 Ga heen en zeg tot David mijnen knecht: Dus spreekt de Heer: Gij zult mij geen huis bouwen tot eene woning; 5 want ik heb in geen huis gewoond van dien dag-af dat ik do kinderen Israels uitvoerde, tot op dezen dag toe, maar ik ben geweest waar de tent geweest is en de woning. 6 Waar ik ook in geheel Israël ben rondgetrokken, heb ik wel ooit gesproken tot één der rechters van Israël, dien ik gebood mijn volk te weiden, en gezegd: Waarom bouwt gij mij geen cederen huis? |
7 Zoo zeg na aldus tot mijnen knecht David: Dus spreekt de Heer Zebaöth: Ik heb u genomen uit de weide van achter de schapen , dat gij een vorst zoudt zijn over mijn volk Israël; 8 en ik ben met u geweest waar gij heengegaan zijt, en heb al uwe vijanden voor u uitgeroeid, en heb u een naam gemaakt gelijk den naam der grooten op de aarde; 9 en voor mijn volk Israël heb ik eene plaats besteld, en heb liet geplant, dat het aldaar wone en niet meer bewogen worde, en de booze lieden zullen het niet meer krenken, zooals tevoren 10 en in de tijden toen ik gebood dat er rechters zijn zouden over mijn volk Israël; en ik heb al uwe vijanden verootmoedigd. En ik verkondig u dat de Heer u een huis bouwen zal. 11 Wanneer nu uwe dagen uit zijn, dat gij heengaat tot uwe vaderen, zoo zal ik uw zaad na udoen ojwtaan, hetwelk één uwer zonen zijn zal; dien zal ik zijn koninkrijk bevestigen; 12 Die zal mij een huis bouwen, en ik zal zijnen troon bevestigen eeuwiglijk. 13 Ik zal zijn vader zijn |
1 KRONIEKEN 17.
818
|
on hij zal mijn zoon zijn; en ik zal mijne barmhartigheid van hem niet afwenden, gelijk ik ze heb afgewend van hem die vóór u was. 14 En ik zal hem zetten in mijn huis en in mijn koninkrijk eeuwiglijk, dat zijn froon bestendig zij eeuwig-lijk. 15 En toen Nathan naar al deze woorden en naar dit gezicht tot David gesproken had, 16 kwam de koning David en bleef voor den l ieer, en sprak: Wie ben ik, Heere God, en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt? 17 En dit hebt gij nog te weinig geacht, o God, maar gij hebt van het huis uws knechts ook nog gesproken tot in verre tijden; en gij hebt mij onder de menschen hoogheid toegedacht, Heere God. 18 Wat zal David meer tot u spreken, daar gij uwen knecht heerlijk maakt? Gij toch kent uwen knecht. 19 Heer, om uws knechts wil en naar uw hart hebt gij al deze groote dingen gedaan, en \liem\ al deze heerlijkheid bekendgemaakt. 20 Heer, uwsgelijke iser niet, en er is geen God dan gij, naar alles wat wij met onze ooren gehoord hebben. |
21 En waar is een volk op de aarde als uw volk Israël, hetwelk God heengegaan is om het zich tot een volk te verlossen, en zich een naam te maken door groote en verschrikkelijke dingen, door de volken uit-testooten voor uw volk hetwelk aii uit Egypte verlost hebt? 22 En gij hebt uw volk Israël u tot een volk gemaakt, eeuwiglijk, en gij Heerzijt hun God geworden. 23 Nu Heer, het woord, hetwelk gij gesproken hebt over uwen knecht en over zijn huis, worde waar, eeuwiglijk, en doe zooals gij gesproken hebt. 24- Ja het worde waar en uw naam worde groot, eeuwiglijk, zoodat men zegge: De Heer Zebauth, Israels God, is Gal over Israël; en het huis van uwen knecht David zij bevestigd voor u. 25 Want gij Heer, gij hebt het voor het oor uws knechts geopenbaard, dat gij hem een huis wilt bouwen ; daarom heeft uw knecht \Ly zicltl gevonden dat hij zijn gebed voor u zou uitstorten. 26 Nu Heer, gij zijt God, en hebt dat goede fot uwen knecht gesproken. |
1 KRONIEKEN 18.
819
|
27 Zoo begin dan het Imis nws k neclits te zegenen, dat het eeuwiglijk zij voor uwo oogen; want wat gij Heer zegent, dat is gezegend eeuwiglijk. HOOFDSTUK 18. 1 Nadezen sloeg David de Filistijnen en verootmoedigde hen, en hij nam Gath en hare onderhoorige plaatsen uit de hand der Filistijnen. 2 Ook sloeg hij de Mo-abieten, zoodat de Moabie-ten David onderdanig werden en geschenken brachten. 3 Hij sloeg ook Hadarézer den koning van Zoba te Ha-math, toen hij heentrok om zijne macht uittestrekken tot de rivier Frath. 4 En David ontnam hem duizend wagens, zevenduizend ruiters en twintigduizend man te voet; en David verlamde al de wagenpaar-den, en hield honderd wagens over. 5 En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadarézer den koning van Zoba te hel- Sen, maar David sloeg vanen, maar David sloeg van e Syriërs tweeëntwintigdui-zend man; 6 en David leide bezettingen in Damasceensch Syrië, zoodat de Syriërs David onderdanig werden en hem geschenken brachten; want de Heer hielp David waar hij heentrok. |
7 En David nam de gouden schilden welke Hadarc-zers knechten gehad hadden, cn bracht ze naar Jeruzalem. 8 Ook nam David uit de steden van Hadarézer, ïib-hath en Kun, zeer veel koper, waarvan Salomo de koperen zee en de pilaren cn de koperen vaten maakte. ü En toen Toil d e koning van Hamath hoorde dat David de geheele krijgsmacht van Hadarézer den koning van Zoba verslagen had, 10 zond hij zijnen zoon Hadoram tot den koning David, en liet hem begroeten en zegenen, dat hij tegen Hadarézer gestreden en hem verslagen had. (Want Toil had oorlog met Hadarézer.) 11 Ook heiligde de koning David al de gouden, zilveren en koperen vaten den Heere, met het zilver en goud hetwelk hij den volken ontnomen had; namelijk den Edpmieten, Moabieten, Ammonieten , Filistijnen en Amalekieten. 12 En Abisai de zoon van Zeruja versloeg in het Zout-dal- achttienduizend man van do Edomieten. 13 En hij leide bezettin- |
1 KEONIEKEN 19.
830
|
gen in Edom, zoodat al de Edomieten David onderdanig waren; want de Heer hielp David waar liij heentrok. 14 Alzoo was David koning over geheel Israël, cn oefende recht en gerechtigheid aan al zijn volk. 13 En Joab de zoon van Zeruja was over het heir, Josatat de zoon van Ahilud was kanselier, 16 en Zadok de zoon van Ahitub en Abimélech de zoon van Abjathar waren priesters, en Sausa was schrijver, 17 en Benaja de zoon van Jojada was over de Krethi en de Plethi, en de zonen van David waren de eersten aan de zijde des konings. HOOFDSTUK 19. 1 Eu nadezen stierf Nalias de koning der kinderen Amnions , en zijn zoon werd koning in zijne plaats. 3 Toen zeide David: Ik wil barmhartigheid doen aan lianun den zoon van Nalias, want zijn vader heeft aan mij barmhartigheid gedaan. En hij zond gezanten heen om hem te troosten over zijnen vader. En toen Davids knechten in het land der kinderen Amnions kwamen tot Hanun om hem te troosten, |
3 spraken de vorsten der kinderen Ammons tot Ha-mm: Meent gij dat David uwen vader eert voor uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Ja, zijne knechten zijn tot u gekomen om het land te doorzoeken, het omtekeeren en het te bespieden. 4 Toen nam Hanun Davids knechten en schoor hen, en sneed hunne kleederen half af tot aan de lendenen, en liet hen gaan. 5 En zij gingen heen, en men gaf David bericht van deze mannen; en hij zond hun tegemoet, want die mannen waren zeer geschonden; en de koning sprak: Blijft te Jericho totdat uw baard weder gewassen is, en komt dan weder. 6 Toen nu de kinderen Ammons zagen dat zij bij David in een kwaden reuk gekomen waren, zonden Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilver om zich wagens en ruiters te huren uit Mesopotamië, uit Syrië, uit Maiicha en uit Zoba; 7 en zij huurden tweeën-dertigduizend wagens, benevens den koning van Maiicha en zijn volk; die |
EKEN 19.
1 KEONI
831
|
kwamen en legerden zich voor Medeba; en de kinderen Ammons vergaderden zich óók uit hunne steden, en kwamen tot den strijd. 8 Toen David dit hoorde, zond hij Joab heen met liet geheele heir der krijgslieden. 9 En de kinderen Ammons waren uitgetrokken en rustten zich toe tot den strijd vóór de stadspoort, en de koningen die gekomen waren stonden afzonderlijk in het veld. 10 Toen nu Joab zag dat de strijd op hem aangelegd was van voren en van achteren, zoo koos hij al de jonge manschap in Israël uit, en rustte zich toe tegen de Syriërs; 11 en het overige volk stelde hij onder de hand van Abisai zijnen broeder, opdat zij zich toerusten zouden tegen de kinderen Ammons. 13 En hij zeide: Indien de Syriërs mij te sterk worden, zoo kom mij te hulp; en indien dc kinderen Ammons u te sterk worden, zoo zal ik u te hulp komen. 13 Heb goeden moed, en laat ons dapper zijn voor ons volk en voor de steden van onzen God; de Heer nu doe wat hem behaagt. |
14 En Joab naderde met het volk dat bij hem was, om tegen de Syriërs te strijden ; en zij vloden voor hem. 15 Toen nu de kinderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, zoo vloden zij ook voor Abisai zijnen broeder, en trokken binnen de stad. En Joab kwam te Jeruzalem. 16 Toen nu de Syriërs zagen dat zij voor Israël geslagen waren, zoo zonden zij boden heen, en brachten de Syriërs bijéén van de overzijde der rivier; en So-fach, de krijgsoverste van Hadarézer, trok voor hen uit. 17 Toen dit aan David bericht werd, vergaderde hij geheel Israël, en trok over den Jordaan, en kwam tot hen, en rustte zich toe tegen hen; en nadat David zich toegerust had tot den strijd tegen de Syriërs, streden zij tegen hem. 18 En de Syriërs vloden voor Israël, en David versloeg van de Syriërs zevenduizend wagens en veertigduizend man te voet, daarenboven doodde hij Sofach den krijgsoverste. 19 En toen de knechten van Hadarézer zagen dat zij voor Israël geslagen waren, zoo maakten zij vrede met David, en werden hem on- |
|
1 En als liet jaar om was, ten tijde dat de koningen uittrekken, voerde Joab het lieirleger, en verwoestte liet land der kinderen Ammons, en kwam en belegerde Eab-ba; docli David bleet' te Jeruzalem. En Joab sloeg Eabba en verdelgde liet. 3 En David nam de kroon van bet hoofd huns koniugs, en bevond haar gewicht een talent goud met edelgesteenten; en zij werd David op het hootd gezet; ook voerde hij zeer veel buit uit de stad. 3 En het volk dat er in was voerde hij uit, en leide ze onder zagen en ijzeren dorsehwagens en bijlen: zóó deed David aan al de steden der kinderen Ammons. En David trok met het volk weder naar Jeruzalem. 4 Daarna ontstond er een strijd te Gezer tegen de Eilistijnen; toen versloeg Sibbechai de llussathiet Sip-pai die van de kinderen van Eafa was, en bracht hen tenonder. |
5 En er ontstond nog een strijd tegen de Eilistijnen; toen versloeg Elhanan de zoon van Jaïr Lachmi den broeder van Goliath den Gethiet, van wiens sjiies de schacht was als een weversboom. 6 En er ontstond nog een strijd te Gath; en er was een lang man, die had aan weerszijden zes vingers en zes teenen, dat is vierentwintig; en hij stamde óók van Eafa af. 7 En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea Davids broeder, versloeg hem. 8 Deze waren afstammelingen van Eafa te Gath, en zij vielen door de hand van David en van zijne knechten. HOOFDSTUK 21. 1 En satan stond op tegen Israël, eu spoorde David aan om Israël te tellen. 3 En David sprak tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israël van Ber-Séba af tot Dan toe, en brengt het tot mij, opdat ik hun getal wete. 3 Doch Joab zeide: De Heer doe tot zijn volk, zooals het nu is, nog honderdmaal zooveel toe; maar mijn heer koning, zijn zij niet allen knechten mijns heeren ? Waarom vraagt 823 1 KRONIEKEN 20, 21. derdanig; en de Syriërs wilden den kinderen Amnions niet meer te linlp komen. HOOFDSTUK 20. |
1 KRONIEKEN 21.
823
|
mijn heer daar dan naar? Waarom zal er eene schuld op Israel komen? 4 Doch het woord des konings ging door tegen .Toab. En Joab trok uit, en ging geheel Israël door; daarna kwam hij te Jeruzalem terug, 5 en hij gaf aan David het getal van het getelde volk over: en geheel Israël bedroeg elfhonderdduizend .man die het zwaard uittrokken, en .Inda vierhonderdzeventigduizend man die het zwaard uittrokken. 6 Doch Levi en Benjamin telde men niet onder hen; want des konings woord was .Toab een gruwel. 7 En dit mishaagde God ook; daarom sloeg hij Israël. 8 En David sprak tot God; Ik heb grootelijks gezondigd , dat ik dit gedaan heb; en nu, neem de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld. 9 En de Heer sprak tot Gad, Davids ziener, zeggende: 10 Ga heen, spreek tot David, zeggende: Dus spreekt de Heer: Drie dingen leg ik u voor: kies u één ding daaruit, dat ik het u doe. 11 En toen Gad tot David kwam, sprak hij tot liem: Dus spreekt de Heer: Doe eene keus: |
12 of drie jaren duurte; of drie maanden vlucht voor uwe wederpartijders, en voor het zwaard uwer vijanden, dat het uachterhale;ofdrie dagen het zwaard des Heeren en pest in het land, dat ! de Engel des Heeren ver-: derf aanrichte in alle grens-; palen van Israël. Zoo zie nu toe, wat ik antwoorden i zal aan dengeen die mij gezonden heeft. 13 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bang; doch laat mij in de hand des Heeren vallen, want zijne barmhartigheid is zeer groot; ik wil niet in de hand van mensclien vallen. 14 Toen liet de Heer de pest in Israël komen, zoodat er zeventigduizend mensclien van Israël vielen. 15 En God zond den Engel naar Jeruzalem om het te verderven; doch toen de Heer het verderf zag, berouwde hem het kwaad, en hij sprak tot den verderven-den Engel: Het is genoeg , houd uwe hand nu in. En de Engel des Heeren stond bij den dorsclivloer van Or-nan den Jebusiet. 16 En David hief zijne oogen op en zag den Engel des Heeren staande tusschen |
1 KRONIEKEN 21.
824
|
, hemel en aarde, en een bloot zwaard in zijne hand uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten, met zakken bedekt, op het aangezicht, 17 en David sprak tot God: Ben ik het niet die het volk liet tellen? Ik ben het die gezondigd en die kwaadge-daan heb; maar deze schapen , wat hebben die gedaan? Heer mijn God, laat uwe hand tegen mij en mijns vaders huis, en niet tegen uw volk zijn om het te plagen. 18 En de Engel sprak tot Gad, dat hij David zou zeggen, dat David moest opgaan en den Heer een altaar oprichten op den dorsehvloer van Ornan den Jebusiet. 19 Alzoo ging David opwaarts naar het woord van Gad, hetwelk hij gesproken had in den naam des Hee-ren. 20 Toen nu Ornan zich wendde, zag hij den Engel; en zijne vier zonen die bij hem waren verstaken zich; en Ornan dorschte tarwe. 21 Als nu David naar Or-.nan ging, zag Ornan op en werd David gewaar, en ging uit van den dorsehvloer, en boog zich voor David met zijn aangezicht ter aarde. 23 En David sprak tot |
Ornan: Geef ra ij eene plaats op den dorsehvloer, opdat ik den Heer een altaar daarop bouwe; voor het volle geld zult gij ze mij geven, opdat die plaag van het volk ophoude. 23 Toen sprak Ornan tot David; Neem ze voor u, en doe, mijn heer koning, zooals het u behaagt; zie, ik geef dit rund tot een brandoffer, en dedorschslede tot hout, en tarwe tot spijsoffer; dit alles geef ik. 24 Doch de koning David sprak tot Ornan: Neen, maar voor het volle geld wil ik het koopen; want ik wil voor den Heer niet nemen wat het uwe is, en wil geenszins voorniet het brandoffer offeren. 25 Alzoo gaf David aan Ornan voor die plaats zeshonderd sikkels goud aan gewicht. 26 En David bouwde aldaar den Heer een altaar, en offerde brandoffers en dankoffers ; en toen hij den Heer aanriep, verhoorde hij hem met vuur van den hemel op den altaar der brandoffers. 27 En de Heer sprak tot den Engel, dat hij zijn zwaard weder in de scheede zou steken. 28 Op dien tijd, toen David zag dat de Heer hem |
1 KRONIEKEN 22.
825
|
verhoord had op de plaats van Ornan den J ebusiet, bleef hij aldaar otteren. 29 Want de woning des Heeren die Mozes in de woestijn gemaakt had, en de brandofferaltaar, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon; 30 en David kon niet daarheen gaan om God te vragen, zóó verschrikt was hij 'voor hot zwaard van den Engel des Heeren. HOOFDSTUK 22. 1 En David zeide: Hier zal het huis van God den Heer zijn, en hier de altaar tot het brandoffer voor Israël. 2 En David liet vergaderen de vreemdelingen die in het land van Israël waren, en bestelde steenhouwers om steenen te houwen, om liet huis Gods te bouwen. 3 En David bereidde veel ijzer, tot nagels aan do deuren der poorten, en hetgeen er samentevoegen was, en zooveel koper dat het niet te wegen was; 4 ook onnoemelijk veel cederhout; want die van Sidon en Tyrus brachten veel cederhout tot David. |
5 Want David zeide: Mijn zoon Salomo is een jongeling en nog teeder; en het huis dat den Heer zal gebouwd worden, zal groot zijn, opdat zijn naam en roem verheven worde in alle landen: daarom zal ik hem voorraad verschatten. Alzoo verschafte David veel voorraad vóór zijnen dood. 6 En hij riep zijnen zoon Salomo, en gebood hem het huis van den Heer, den God van Israël, te bouwen, 7 en sprak tot hem: Mijn zoon, ik had in den zin den naam van den Heer mijnen God een huis te bouwen; 8 maar het woord des Heeren kwam tot mij, zeggende: Gij hebt veel bloed vergoten en groote oorlogen gevoerd, daarom zult gij mijnen naam geen huis bouwen , dewijl gij zooveel bloed op de aarde vergoten hebt voor mijne oogen. 9 Zie, de zoon die ugeboren is, die zal een man der rust zijn, want ik zal hem rust geven van al zijne vijanden rondom; want hij zal Salomo heeten, en ik zal vrede en rust geven over Israël zijn leven lang. 10 Die zal mijnen naam een huis bouwen; hij zal. mijn zoon zijn en ik zal zijn vader zijn; en ik zal den troón van zijn koningschap over Israël bevestigen eeu-wiglijk. |
1 KEONIEKE^
826
|
11 Zoo zal nu, mij n zoon, de Heer met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult den Heer uwen God een huis bouwen, gelijk hij van u gesproken heeft. 13 Geve slechts de Heer u kloekheid en verstand, om over Israël te bevelen, en de wet van den Heer uwen God te onderhouden. 13 Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij zorgvuldig zijt om te doen naar de geboden en rechten welke de Heer door Mozes geboden heeft aan Israël. Wees welgemoed en onversaagd, vrees niet en wees niet verslagen. 14 Zie, ik heb, in mijne onrust, voor het huis des Heeren bereid honderdduizend talenten gond en duizendmaal duizend talenten zilver, alsook koper en ijzer onnoemelijk veel, want het is er in menigte; ook heb ik hout en steen toebereid, en bij dit alles kunt gij nog meer doen. 15 Ook hebt gij vele arbeiders , steenhouwers en werklieden in steen en hout, en allerlei wijze lieden tot allerlei arbeid. 16 Goud, zilver, koperen ijzer is er onnoemelijk veel. Zoo maak u op en voer het uit, en de Heer zij met u. |
17 En David gebood aan al de oversten van Israël, dat zij zijnen zoon Salomo helpen zouden, [zegyendé]: 18 Is niet de Heer uw God met u, en heeft hij ugeen rust gegeven rondom? Want hij heeft de inwoners des lands in mijne hand gegeven, en het land is tenon-dergebracht voor den Heer en voor zijn volk. 19 Zoo geeft dan nu uw hart en uwe ziel om 'den Heer uwen God te zoeken, en maakt u op en bouwt Gode den Heer een heiligdom , opdat men de ark des verbonds des Heeren en de heilige vaten Gods brenge in het huis hetwelk den naam des Heeren gebouwd zal worden. HOOFDSTUK 23. 1 Alzoo maakte David, toen hij oud en zat van leven was, zijnen zoon Sidomo koning over Israël. 2 En David vergaderde al de oversten van Israël en de priesters en Levieten. 3 En de Levieten werden geteld, van dertig jaar en daarboven; en hun getal was, van hoofd tot hoofd, aan mannen achtendertigduizend. 4 Uit deze werden er vierentwintigduizend verordend |
1 KEONIEKEN 23.
827
|
om liet werk in liet huis des Hoeren te verrichten, | en zesduizend ambtliedon en rechters, 5 en vierduizend deurwachters en vierduizend lofzangers des Heeren met speeltuigen, die ik [zeide Davidquot;, tot lofzingen vervaardigd heb. 6 En David maakte af-deelingen onder de zonen van Levi, namelijk onder Gerson, Kohath en Merari. 7 De Gersonieten waren: Ladan en Simeï. 8 Ladans zonen waren: .Te-hiël hot hoofd, en Zet ham, en Joel; deze drie. 9 De zonen van Simeï waren: Selomith, Haziël en Haran; deze drie. Die waren de voornaamsten onder de vaderen van Ladan. 10 En de zonen van Simeï: Jahath, Ziza, Jeüsen Beria; deze vier waren ook zonen van Simeï. 11 En Jahath was de eerste, Ziza de tweede; en Jeüs en Beria hadden niet vele kinderen, daarom werden zij slechts voor één vaderlijk luis gerekend. 12 Kohaths zonen waren: Amrara, Jizhar, Hebron en Uzziël; deze vier. |
13 Amrams zonen waren: Aiiron en Mozes. Doch Aaron werd afgezonderd om geheiligd te worden tot de allerheiligste dingen, hij en zijne zonen eeuwiglijk, om te wierooken voor den Heer, en te dienen, en te zegenen in den naam des Heeren eeuwiglijk. 14 En de zonen van Mozes den man Gods werden genoemd onder den stam der Levieten. 15 De zonen van Mozes waren: Gersom en Eliëzer. 16 Van Gersoms zonen was Sebuël het hoofd. 17 Eliëzers zonen waren: Eehabja het hoofd, en Eliëzer had geen andere zonen; maar de zonen van Ilehabja waren destemeer. 18 Tan Jizhars zonen was Selomith het hoofd. 19 Hebrons zonen waren: Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, en Jekameam de vierde. 20 üzziëls zonen waren: Mioha de eerste, en Jissia de tweede. 21 De zonen van Merari waren: Mahli en Musi. De zonen van Mahli waren: Ele-azar en Kis. 22 En Eleazar stierf, en had geen zonen maar dochters ; en de zonen van Kis, hare broeders, namen ze. 23' De zonen van Musi waren: Mahli, Eder en Je-rernoth; deze drie. |
1 KRONIEKEN 24.
838
|
24 Dit zijn de zonen van Levi, naar hunne vaderlijke huizen, en de hoofden der vaderen, die gerekend werden naar liet getal der namen bij de hooiden, die het werk des ambts deden in het huis des Heeren, van twintig jaar en daarboven. 25 Want David sprak: De Heer, Israels God, heeft aan zijn volk rust gegeven , en zal te Jernzalem wonen eeuwiglijk. 26 Daarom behoefden de Levieten de woning niet meer te dragen, met al het gereedschap huns ambts. 27 Weshalve naar de laatste woorden van David de zonen van Levi geteld werden van twintig jaar en daarboven , 28 dat zij staan zouden onder de hand der zonen van Aaron in den dienst van het huis des Heeren, over de voorhoven en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen , en over al het werk des ambts in het huis Gods; 29 en over het toonbrood, over de meelbloem ten spijs-ofter, over de ongezuurde koeken, over de pannen, over do roosters, en over alle gewicht en maat; |
30 en om eiken morgen te staan om den Heer te danken en te loven, en des avonds desgelijks; 31 en om den Heer al de brandollers te otteren op de sabbatten, nieuwemaanda-gen en feesten, naar het getal en overeenkomstig den eisch, altoos voor den Heer; 32 en dat zij de wacht waarnemen aan de hut des stichts en des heiligdoms, en de wacht van de zonen Ailrons, hunne broeders, in den dienst in het huis des Heeren. HOOFDSTUK 24. 1 En dit waren de afdee-lingen van Ailrons zonen. Aarons zonen waren: Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 2 Doch Nadab en Abihu stierven vóór hunnen vader, en luidden geen zonen; en Eleazar en Ithamar werden priesters. 3 En David rangschikte hen aldus: Zadok uit de zonen van Eleazar, en Ahi-mclech uit de zonen van Ithamar, naar hun getal en ambt. 4 En onder de zonen van Eleazar werden meer hoofden der machtigen gevonden dan onder de zonen van Ithamar; en hij rangschikte hen aldus, namelijk zestien uit de zonen van Eleazar van hun vaderlijk |
1 KRONIEKEN 24.
829
|
huis, en acht uit de zonen van Ithamar van hun vaderlijk huis. 5 Én hij rangschikte hen door het lot; want beide uit Eleazars en uit Ithamars zonen waren hoofden in liet heiligdom en hoofden voor God. 6 En de schrijver Semaja, zoon van Nethauecl, uit de Levieten, schreef hen op in het bijzijn van den koning, en van de hoottlen, en van Zadok den priester, en van Ahimelech Abjathars zoon, en van de hoofden der vaderen onder de priesters en Levieten; namelijk hetééne vaderlijke huis voor Eleazar en het tweede voor Ithamar. 7 En het eerste lot viel op Jojarib, het tweede op Jedaja, 8 het derde op Harim, het vierde op Seorim, 9 het vijfde op Malkia, het zesde op Miamin, 10 het zevende op Hakkoz, het achtste op Abia, 11 het negende op Jesüa, het tiende op Sechanja, 12 het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim, 13 het dertiende op Huppa, het veertiende op Jesebeab, 14 het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer, 15 het zeventiende op He-zir, het achttiende op Hap-pizzez, ] 6 het negentiende op Pethahja, het twintigste op Jehezkel, |
17 het éénentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul, 18 het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maiizja. 19 Dit is hun ambt in hunnen dienst, om te gaan in het huis des Heeren, naar hunnen regel, onder hunnen vader Aaron, zooals de Heer, Israels God, hun geboden heeft. 30 Onder de andere zonen van Levi nu was Subaël het hoofd der zonen van Amram; onder de zonen van Subaël was Jehdeja. 21 En onder de zonen van Eehabja was Jissia het hoofd. 22 Van de Jizharieten was het Selomoth, van de zonen van Selomoth Jahath. 23 Hebrons zonen waren: Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jekameam de vierde. 21 Uzziëls zonen waren Micha; onder de zonen van Micha was Samir. 23 De broeder van Micha was Jissia; onder de zonen van Jissia was Zecharja. 20 De zonen van Merari waren: Mahli en Musi; diens zoon was Jaazia. 27 De zonen van Merar |
1 KRONIEKEN 25.
830
|
nit Jaiizfn, zijnen zoon, waren : Soham, Zakkur en Ibri. 28 En Mahli liad Eleazar \tot zooii\, en deze had geen zonen. 29 Van Kis, de zonen van Kis waren: Jerahmeël. 30 De zonen van Musi waren: Mahli, Ederen Jeri-moth. Dit zijn do zonen der Levieten naar hunne vaderlijke huizen. 31 En ook zij wierpen het lot, evenals hunne broeders de zonen vm Aaron, in het bijzijn van den koning David, en van Zadok en Ahimélech, hoofden dei-vaderen onder de priesters en Levieten: de kleinste broeder zoowel als het hoofd der vaderen. HOOFDSTUK 25. 1 En David, benevens de hoofdlieden des heirs, verdeelden het dienstwerk onder de zonen van .\saf, van Heman en .Teduthun, de profeten, niet harpen, fluiten en cimbalen; eh zij werden geteld die bekwaam waren tot dat werk naar hun ambt. 2 Yan de zonen van Asaf waren: Zakkur, Jozef, Ne-thanja, Asaréla, zonen van Asaf, onder Asaf, die voor den koning profeteerde. |
3 Van .Teduthun, Jedu-thuns zonen waren: Gedalja, Zeri. .Tesaja, Hasabja, Mat-tithja, deze zos, onder hunnen vader .Teduthun, met harpen, die profeteerden om den Heer te danken en te loven. 4 Van Heman, Hemans zonen waren: Eukkia, Mat-tanja, üzziel, Sebuël, Jeri-moth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, .Tosbekasa, Mallothi, Hothir en Mahazioth.' 5 Deze allen waren zonen van Heman, den ziener des konings in goddelijke zaken , om den hoorn te verhellen; want God had Heman gegeven veertien zonen en drie dochters. 6 Deze allen waren ouder hunne vaders Asaf, .Teduthun en Heman, om te zingen in het huis des Heeren, met cimbalen, fluiten en harpen, naar het ambt in het huis Gods, bij den koning. 7 En hun getal met dat hunner broeders die in het gezang des Heeren geleerd waren, allen meesters, was tweehonderd achtentachtig. 8 En zij wierpen het lot over hun ambt, gelijkelijk voor den kleinste als voor den grootste, den meester als den leerling. 9 Het eerste lot onder Asaf |
1 KKÓN IEKEjST 26.
831
|
viel op Jozef; hot tweede op Gedalja, met ssijnebroe-dera en zonen, die waren twaalf; 10 het derde op Zakkur, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 11 het vierde op Jizri, met zijne zonen cn broeders, die waren twaalf; 12 het vijfde op Nethanja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; .13 het zesde op Bukkia, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 14- het zevende op Jesa-réla, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 15 het achtste op Jesaja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 16 het negende op Mat-tanja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 17 het tiende op Simeï, met zijne zonen en broeden die waren twaalf; 18 het elfde op Azareël, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 19 het twaalfde op Ha-sabja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 20 het dertiende op Subaël, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 21 het veertiende op Mat-tithja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf |
22 hot vijftiende op Jere-moth, met zijne zonen cn broeders, die waren twaalf; 23 het zestiende op Ha-nanja, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 24 het zeventiende op Jos-bekasa, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 25 het achttiende op Ha» nani, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 26 het negentiende op Mal-lothi, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 27 het twintigste op Elia-tha, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 28 het éénentwintigste op Hothir, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 29 het tweeëntwintigste op Giddalti, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 30 het drieëntwintigste op Mahazioth, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf; 31 het vierentwintigste op Eomamti-Ezer, met zijne zonen en broeders, die waren twaalf. HOOFDSTUK 2G. 1 Voorts de afdeelingen der deurwachters: uit de Korachieten, Meselemja de zoon van Koré, uit de zonen van Asaf. |
1 KE0N1EKEN 26.
I
833
|
3 En de zonen van Me-selemja waren deze: de eerstgeborene Zecliarja, de tweede Jediaël, de derde Zebadja, de vierde Jathniël, 3 de vijfde Elam, de zesde Jolianan, de zevende El-joënai. 4 En Obed-Edoms zonen waren deze: de eerstgeborene Semaja, de tweede Jozabad, de derde .loali, de vierde Sachar, de vijfde Nethaneöl, 5 de zesde Ammiël, de zevende Lssaschar, de achtste Peiillethai; want God had hem gezegend. ■ 6 En aan zijnen zoon Semaja werden ook zonen geboren , die in het huis hunner vaderen beheer hadden; want zij waren dappere helden. 7 De zonen van Semaja waren: Othni, Eefaël, Obed en Elzabad, wiens broeders, Elihu en Semachja, kloeke mannen waren. 8 Deze allen waren uit de zonen van Obed-Edom, zij met hunne zonen en broeders, kloeke lieden, geschikt tot ambten; tweeënzestig waren er van Obed-Edom. 9 En Meselemja's zonen en broeders, kloeke mannen, waren achttien. |
10 En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen: de voornaamste was Simri; want de eerstgeborene was er niet, daarom stelde zijn vader hem tot den voornaamste; 11 de tweede Hilkfa, de derde Tebalja, de vierde Zecharja; al de zonen en broeders van Hosa waren dertien. 13 Dit is de afdeeling der deurwachters, onder de hoofden der helden in het ambt, benevens hunne broeders, om te dienen in het huis des Heeren. 13 En het lot werd geworpen voor den kleine als den groote, naar hun stamhuis, voor elke poort. 1-1 Het lot tegen het oosten viel op Selemja; en over zijnen zoon Zecharja, die een kloek raadsman was, wierp men het lot, en het viel voor hem tegen het noorden; 15 voor Obed-Edom tegen het zuiden, en voor zijne zonen bij het huis Esuppim; 16 en voor Suppim en Hosa tegen het westen, bij de poort waar men gaat op den weg der brandoffers, waar de wachten tegenover elkander staan. 17 ïegen het oosten waren zes Levieten, tegen het noorden des daags vier, tegen het zuiden des daags |
I
EKEN 26.
833
1 KKONI
|
:e was vier, en bij Esuppim aan itgebo- weerszijden twee; aarom 18 bij Parbar tegen liet im tot Westen vier aan den weg, en twee bij Parbar. a.j de 19 Dit zijn de verdeelin-nerde gen Jer deurwachters onder en en de zonen der Koracbieten 'varen en onder de zonen van Me-rai'i, g der 20 En van de Levieten noof- was Aliia over de schatten tmbt, van liet huis Gods en over ders, (ie schatten der geheiligde huis dingen. 31 Van Ladans zonen, de ' 8'e- zonen der Gersonieten, van e als Ladan waren hoofden dei- vaderen, namelijk de Je-hiëlieten. 32 De zonen van Jehiëli waren: Zetham en zijn broeder .Toël, over de schatten van het huis des Heeren. 33 Onder de Aniramie-ten, .Tizharieten, Hebronie-ten, üzziëlieten, oen 31 was Sebuël, de zoon })ne van Gersom den zoon van lm; Mozes, oppertoeziener over de schatten. quot;Ü 23 En zijn broeder Elië-0P zer had een zoon Keliabja, TS i diens zoon was Jesaja, diens rer zoon was Joram, diens zoon was Zichri, diens zoon was va' Selomith. |
let 3G Deze Selomith en zijne 'equot; broeders waren over al de os schatten der geheiligde dingen, welke de koning David geheiligd had, en de hoofden der vaderen onder de oversten over duizend en over honderd, en de oversten in het heir: oos-en irja, was, het het 37 zij hadden het geheiligd van de oorlogen en van den buit, om het huis des Heeren te verbeteren. 38 Ook alles wat Samuël de ziener, en Saul de zoon van Kis, en Abner de zoon van Ner, en Joab de zoon van Zeruja, geheiligd hadden. al dat geheiligde was onder de hand van Selomith en zijne broeders. 39 Onder de .Tizharieten was Kenanja met zijne zonen voor het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en rechters. 30 Onder de Hebronieten was Hasabja en zijne broeders , kloeke lieden, duizend en zevenhonderd, over de ambten in Israël aan deze zijde van den Jordaan tegen het westen , tot allerlei werk des Heeren en om den koning te dienen. 31 Zoo was ook onder de Hebronieten Jeria de voornaamste zijns geslachts onder de Hebronieten, naar de stamhuizen; in het veertigste jaar van Davids regeering werden onder hen gezocht en gevonden kloeke |
27
1 KRONIEKEN 27,
834
|
helden te Jaëzer in Gilead; 33 en zijne broeders, kloeke mannen, tweeduizend en zevenhonderd hootden dei-vaderen; en David stelde hen over de Eubenieten, Gadieten en den halven stam Manasse, voor al de zaken Gods en de zaken des ko-nings. HOOFDSTUK 27. 1 Dit waren de kinderen Israels naar hun getal, de hoofden der vaderen en de hoofden over duizend en over honderd en arnbtlieden die den koning dienden, naar hunne afdeelingen om op- en aftetrckken maand aan maand, in al de maanden des jaars; elke afdeeling van vierentwintigduizend. 2 Over de eerste afdeeling van de eerste maand was Jasobeam de zoon van Zab-dicl; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 3 Uit de kinderen van Perez was hij de overste over al de hoofdlieden der heiren in de eerste maand. 4 Over de afdeeling van de tweede maand was Do-dai de Ahohiet, en Mikloth was vorst over zijne afdeeling; en onder zijne atdee-ling waren vierentwintigduizend. |
5 De derde veldoverste, in de derde maand, was de overste Benaja de zoon van Jojada den priester; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 6 Dit is Benaja, de held onder dertig en over dertig; en zijne afdeeling was onder zijnen zoon Amini-zabad. 7 De vierde, in de vierde maand, was Asaël, Joabs broeder, en na hem Zeb'adja zijn zoon; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 8 De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth de Jizrahiet; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 9 De zesde, in de zesde maand, was Ira de zoon van Ikkes, de ïekoïet; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 10 De zevende, in de zevende maand, was Helez de Peloniet, uit de kinderen Efraïms; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 11 De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai de Hussathiet, uit de Zera-hieten; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 12 De negende, in de |
1 KRONIEKEN 37.
835
|
negende maand, was .Vbic-zer de Annetliotliiet, uit de Benjaminieten; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend . 13 De tiende, in de tiende maand, was Maharai de Netofathiet, uit de Zera-hieten; en onder zijne af-deeling waren vierentwintigduizend. 14 De elfde, in de elfde maand, was Benaja de Pi-fathoniet, uit de kinderen Efraïras; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was llel-dai de Netofathiet, uit Othniël; en onder zijne afdeeling waren vierentwintigduizend. 16 En onder de stammen van Israël waren deze: onder de Eubenieten was Eli-ezer de zoon van Zichri het opperhoofd; onder de Si-meonieten was Sefutja de zoon van Maaclia; 17 onder de Levieten was Hasabja de ,zoon van Kc-muël; onder de Aaronieten was Zadok; 18 onder .luda was Elihu, uit Davids broeders; onder Issasehar was Omri de zoon van Michaël; '°19 onder Zebnlon was .Tis-maja de zoon van Obndjn ; |
onder Naftali was .Terimoth do zoon van Azriël; 20 onder de kinderen Efraïms was Hoséa de zoon van Azazja; onder den halven stam Manasse was Joël de zoon van Pedaja; 21 onder den halven stam Manasse in Gilead was .Tiddo de zoon van Zecharja; onder Benjamin was Jaasiël de zoon van Abner; 32 onder Dan was Azareël de zoon van Jeroham. Dit zijn de vorsten der stammen van Israël. 23 David nu nam het getal dergenen die twintig jaar en daarbeneden waren niet op; want de lieer had gezegd dat hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren aan den hemel. 24lt; .loab de zoon van Ze-ruja had begonnen te tellen, doch volbracht het niet, want een toorn kwam deswege over Israël; daarom kwam het getal niet in de kroniek van den koning David. 25 Over den schat des konings was Azmaveth de zoon van Adiël; en over den voorraad op het land, in de steden, de dorpen en wachttorens, was Jonathan de quot;zoon van Uzzia; 26 over de akkerlieden, om het land te bebouwen, |
836 1 KKONI
EKEN 28.
|
was Ezri de zoon van Ke-lub; 27 over de wijngaarden was Simei de Eamathiet; over de wijnkelders en den voorraad des wijns was Zab-di de Sifmiet; 28 over de olijftuinen en wilde vijgeboomen op de vlakte was Baülhanau de öederiet; over den voorraad van olie was Joas; 29 over de weimnderen te Baron was Sitrai de Sa-roniet; en over de runderen in de valleien was Satat de zoon van Adlai; 30 over de kameelen was Obil de Ismaëliet; over de ezelinnen was Jehdeja de Meronothiet; 31 over de schapen was Jaziz de Hagareen. Deze allen waren opzieners over de goederen van den koning David. 32 Eu Jonathan, Davids neef, was raad, een verstandig man, en kanselier; en Jehiël de zoon van Ilach-moni was bij des konings zonen. 33 Achithófel was ook raad des konings; en Husai de Arkiet was des konings vriend. 34 Na Achithófel waren Jojada de zoon vanBenaja, en Abjatbar; en Juab was krijgsoverste des konings. |
HOOFDSTUK 28. 1 En David vergaderde te Jeruzalem al de oversten van Israël, namelijk de vorsten der stammen, de vorsten der afdeelingen die bij den koning de wacht waarnamen, de oversten over duizend en over honderd, de opzieners over de goederen en het vee van den koning en zijne zonen, benevens de hovelingen , de krijgslieden en alle dappere mannen. 2 En de koning David stoud op zijne voeten en sprak: Hoort naar mij, mijne broeders en mijn volk. Ik had mij voorgenomen een huis te bouwen waar de ark des verbonds des Heeren zou rusten, en eene voetbank voor de voeten onzesGods, en had mij gereeedgemaakt om te bouwen. 3 Maar God liet aan mij zeggen: Gij zult mijnen naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en hebt bloed vergoten. 4 Nu heeft de Heer, Israels God, mij verkoren uit mijns vaders geheele huis, opdat ik koning over Israël zou zijn eeuwiglijk; want liij heeft Juda verkoren tot een vorstendom, en in het huis van Juda hét huis van mijnen vader; en onder mijns |
1 KEONIEKEN 28.
837
|
vaders zonen heeft liij behagen aan mij gehad, zoodat hij mij over geheel Israël koning deed zijn. 5 Én onder al mijne zonen (want de Heer heeft mij vele zonen gegeven) heeft hij mijnen zoon Salomo verkoren om te zitten op den troon van des Heeren koninkrijk over Israël. 6 En hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo zal ■ mijn huis en mijne voorhoven bouwen; want ik hel) mij quot;hem verkoren tot een zoon, en ik zal zijn vader zijn; , . , 7 en ik zal zijn koninkrijk bevestigen eeuwiglijk, indien hij zal volhouden te doen naar mijne geboden en rechten, zooals heden. 8 Nu dan, voor geheel Israël, de gemeente des Heeren, en voor de ooren van onzen God, houdt en beoefent al de geboden van den Heer uwen God, opdat gij het goede land bezit en het uwen kinderen na u doet beërven eeuwiglijk. 9 En gij mijn zoon Salomo, erken den God uws vaders , en dien hem van gan-scher harte en met eene gewillige ziel; want de Heer doorzoekt alle harten, en verstaat het gepeins van alle gedachten: indien gij hem zoekt, zoo zal hij zich van u laten vinden, maar indien gij hem verlaat, zoo zal hij u verwerpen eeuwiglijk. |
10 Zoo zie nu toe; want de Heer heeft u verkoren, opdat gij een huis zoudt bouwen tot een heiligdom: wees moedig en doe het. 11 En David gaf zijnen zoon Salomo een afbeeldsel van het voorhuis, en van zijn huis, en van de vertrekken en zalen en binnenkamers , en van het huis des verzoendeksels; 12 alsook een afbeeldsel van alles wat bij hem in zijn gemoed was, namelijk van de voorhoven aan het huis des Heeren, en van alle vertrekken rondom, voor do schatten in het huis Gods en voor de schatten der geheiligde dingen; 13 en van de afdeelingen der priesters en Levieten, en van al de werken tot den dienst in het huis des Heeren; 14 goud naar het goud-gewicht, voor allerlei vaten van eiken dienst; en allerlei zilveren gereedschap, naar het gewicht, voor allerlei vaten van eiken dienst; 15 en goud voor gouden kandelaars en gouden lampen, voor eiken kandelaar en zijne lampen zijn gewicht; |
amp;38 1 KRONIEKEN
zoo ook voor de zilveren kandelaars fjaf hij het zilver, voor een kandelaar en zijne lampen, naar den dienst van eiken kandelaar.
16 Ook gaf hij voor de tafels der toonbrooden goud,
voor elke tafel haar gewicht,
alsook zilver voor de zilveren tafels;
17 en zuiver goud voor de krauwels, bekkens en kannen ; en voor de gonden bekers, eiken beker zijn gewicht; en voor de zilveren bekers, eiken beker zijn gewicht ;
18 en voor den reukaltaar het allerzuiverste goud zijn gewicht; ook een af beeldsel van den wagen der gouden cherubs, dat zij zicli uitbreidden en de ark des verbonds des Heeren overdekten.
19 Dit alles [sprak is mij beschreven gegeven van de hand des Heeren,
om mij te onderwijzen in het geheele werk dezer afbeelding.
30 En David sprak tot zijnen zoon Salomo; Wees moedig en onversaagd en doe het, vrees niet en wees niet verslagen; want God de Heer, mijn God, zal met u zijn, en zal de hand niet aftrekken noch u verlaten,
totdat gij alle werken tot den dienst van het huis
39.
des Heeren volbracht hebt.
31 Ziedaar, de afdeelingen der priesters en Levieten tot al de diensten in het huis Gods zijn met u tot al het werk, en zij zijn gewillig en wijs tot al de diensten, alsook de vorsten en al het volk tot al uwe werken.
HOOFDSTUK 29.
1 En de koning David sprak tot de geheele gemeente : God hoeft Salomo, een mijner zonen, verkoren, die nog jong en teeder is; en dit werk is groot, want het is niet de woning van menschen maar van God den Heer.
3 Daarom heb ik uit al mijne krachten voor het huis Gods bereid goud voor gouden, zilver voor zilveren, koper voor koperen, ijzer voor ijzeren, hout voor houten gereedschap, sardonyx-steenen, ingezette robijnen, en bonte steenen, en allerlei edelgesteenten en marmer-steenen in menigte;
3 daarenboven, uit welbehagen aan het huis mijns Gods, van hetgeen ik heb, van mijn eigen goed, van goud en zilver,
4 drieduizend talenten goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, dat geef ik voor het heilige hnis
1 KRONIEKEN 29.
839
|
Gods, boven al hetgeen ik bosohikt heb, om de wanden der huizen te overtrekken; 5 opdat goud worde hetgeen van goud, en zilver hetgeen van zilver zijn moet; en voor allerlei werk, door de hand der werkmeesters. En wie is er nu gewillig om zijne hand heden voor den Heer te vullen? 6 Toen waren de hoofden der vaderen, de vorsten der stammen van Israël, de oversten over duizend en over honderd, cn de opzieners over des konings werken gewillig; 7 en zij gaven voor tien dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud, en tienduizend goudstukken, en tienduizend talenten zilver, achttienduizend talenten koper , en honderdduizend talenten ijzer; 8 en bij wie gesteenten gevonden werden, die gaven ze voor den schat van het huis des Heeren, onder de hand van Jeltiël den Gersoniet. 9 En het volk verblijdde zich dat zij gewillig waren; want zij gaven het van gan-scher harte vrijwillig den Heer. En de koning David verblijdde zich ook met groote blijdschap, |
10 en loofde den Heer, eu sprak openlijk voor de geheele gemeente; Geloofd zijt gij Heer, God van onzen vader Israël, eeuwiglijk. 11 U belioort de majesteit en macht, de heerlijkheid, overwinning en dank; want alwat in den hemel en op de aarde is, is het uwe; u is het rijk, en gij zijt verhoogd tot een hoofd boven alles. 12 Eijkdom en eer is voor u; gij heerscht over alles, in uwe hand is kracht en macht; in uwe hand staat het, iedereen gioot en sterk te maken. 13 Nu, onze God, wij danken u, en roemen den naam uwer heerlijkheid. 14 Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden verkrijgen om vrijwillig aldus te geven? Van Ti is het alles gekomen, en van uwe hand hebben wij het u gegeven; 15 want wij zijn vreemdelingen en gasten voor u, gelijk al onze vaderen: ons leven op de aarde is als eene schaduw, en er is geen bestendigheid. 16 Heer onze God, al deze voorraad dien wij toebereid hebben, om u een huis te bouwen voor uwen heiligen naam, is van uwe hand gekomen, en het is alles het uwe. |
1 KEONIEKEN 29.
840
|
17 Ik weet, mijn God, dat gij liet liart beproeft, en opreelitlieid is u aangenaam: daarom heb ik dit alles uit een oprecht hart vrijwillig gegeven, en heb nu met vreugde uw volk, dat hier is, gezien, dat het u gewillig gegeven heeft. 18 Heer, God van onze vaderen Abraham, Isaiik en Israël, bewaar eeuwiglijk zulk een zin en zulke gedachten in het hart uws volks, en richt hun hart tot u. 19 En geef aan mijnen zoon Salomo een oprecht hart, om uwe geboden, getuigenissen en rechten te onderhouden, opdat hij het alles volbrenge, en deze woning bouwe die ik bereid heb. 30 En David sprak tot de geheele gemeente: Looft den Heer uwen God. En de geheele gemeente loofde den Heer, den God hunner vaderen, en zij bogen zich en wierpen zich neder voor den Heer en voor den ko-ning; 31 en zij offerden den Heere slachtoffers, en des anderen morgens offerden zij brandoffers, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met derzei ver drankofiers, en andere offers in menigte, voor geheel Israël. |
32 En zij aten en dronken op dien dag voor den Heer met groote vreugde, en maakten Salomo den zoon van David ten tweeden male koning, en zalfden hem voor den Heer tot oppervorst, en Zadok tot priester. 33 Alzoo zat Salomo op den troon des Heeren als koning in plaats van zijnen vader David, en was voorspoedig, en geheel Israël was hem gehoorzaam; 34 en al de oversten en machtigen, ook al de zonen van den koning David, onderwierpen zich aan den koning Salomo. 35 En de Heer maakte Salomo uitermate groot voor geheel Israël, en gaf hem eene roemrijke heerschappij, zoodat niemand vóór hem zoodanig eene over Israël gehad had. 36 Zoo is David de zoon van Isai koning geweest over geheel Israël. 37 En de tijd dien hij koning over Israël geweest is, is veertig jaar: te He-bron regeerde hij zeven jaar, en te Jeruzalem drieëndertig jaar. 28 En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn |
|
3 KKON zoon Salomo werd koning in zijne plaats. 29 De geschiedenissen nu van den koning David, zoo de vroegere als de latere, zie, die zijn beschreven in de geschiedenissen van Sa-mnël den ziener, en in de geschiedenissen van Nathan |
IEKEN 1. den profeet, en in de geschiedenissen van Gad den ziener; 30 niet al zijne heerschap pij, zijne macht en den tijd die onder hem verloopen is, zoo over Israël als al de koninkrijken dier landen. 841 |
HET TWEEDE BOEK
DER
KRONIEKE N.
|
HOOFDSTUK 1. 1 En Salomo, Davids zoon, werd in zijn rijk bevestigd; en de Heer zijn God was met hem en maakte hen; uitermate groot. 2 En Salomo sprak met geheel Israel, met de oversten over duizend en honderd, met de rechters en met al de vorsten in Israël, hoofden der vaderen, 3 dat zij zouden heengaan, Salomo en de geheele gemeente met hem, naar de hoogte te Gibeon; want daar was de hut des stichts Gods, die Mozes de knecht des |
Heeren gemaakt had in de woestijn. 4 Want David had de ark Gods opgebracht van Kir-jath-Jearim naar de plaats die hij voor haar bereid had; want hij had haar eene tent opgeslagen te Jeruzalem. 5 Maar de koperen altaar, dien Bezaleël, de zoon van üri den zoon van Hur, gemaakt had, was aldaar voor de woning des Heeren; en Salomo en de gemeente bezochten dien. 6 En Salomo otterde op den koperen altaar, die vóór de' hut des stichts was, voor den Heer, duizend brandoliers. |
3 KRONIEKEN 3,
843
|
7 In dien nacht verscheen God aan Salomo, en sprak tot hem: Bid wat ik ü geven zal. 8 En Salomo sprak tol, God; Gij hebt groote barmhartigheid aan mijnen vader David gedaan, en hebt mij in zijne plaats koning gemaakt : 9 zoo laat nu, Hcere God, uw woord waar worden aan mijnen vader David; want gij hebt mij koning gemaakt over een volk dat zooveel is als het stof op de aarde: 10 zoo geef mij nu wijsheid en kennis, opdat ik voor dit volk uit- en inga; want wie kan dit uw groot volk richten? 11 Toen sprak God tot Salomo: Dewijl gij dit in den zin hebt, en niet hebt gebeden om rijkdom, noch om goed, noch om eer, noch om de ziel uwer vijanden, noch om een lang leven, maar gebeden hebt om wijsheid en kennis, opdat gij mijn- volk moogt richten over hetwelk ik u koning gemaakt heb: 13 zoo zij u wijsheid en kennis gegeven; daarenboven zal ik u rijkdom en goed en eer geven, dat uwsgelijke onder de koningen vóór u niet geweest is, noch na u zijn zal. — |
13 Alzoo kwam Salomo van de hoogte te Gibeon naar Jeruzalem, van do hut des stieh ts; en hij regeerde over Israël. 14 En Salomo vergaderde wagens en ruiters, zoodat hij tezamenbraclit duizend en vierhonderd wagens en twaalfduizend ruiters; en hij liet ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem. 15 En de koning maakte het zilver en goud te Jeruzalem zooveel als de stee-nen, en de cederen als de wilde vijgeboomen op de lage landen. 16 En men bracht aan Salomo paarden uit Egypte en allerlei waren; en de kooplieden des konings kochten deze waren, 17 en brachten ze uit Egypte op, iederen wagen voor zeshonderd zilverlingen, en een paard voor honderd en vijftig; alzoo brachten zij ook aan al de koningen der He-thieten en aan de koningen van Syrië door hunne hand. HOOFDSTUK 2. 1 En Salomo dacht een huis te bouwen voor den naam des Hoeren, en een koningshuis. 3 En hij telde zeventigduizend lastdragers en tach- |
KRONIEKEN 3.
843
|
tigduizend timmerlieden op liet gebergte, en drieduizend en zesliondcrd ambt-lieden over ken. 3 En Salomo zond tot Huraiu den koning van Tyrus, en liet aan liem zeggen: [i)oej gelijk gij met mijnen vader David gedaan hebt, wien gij cederen hebt gezonden opdat hij zich een huis bouwde om daarin te wonen. 4 Zie, ik wil voor den naam van den lieer mijnen God een huis bouwen dat hem geheiligd worde, om goed reukwerk voor hem te wierooken, en toonbroo-den te bereiden gestadig, en brandoflers des morgens en des avonds, op de sabbatten en nieuwemaandagen en op de feesten van den Heer onzen God, eeuwig-lijk voor Israël. 5 En het huis hetwelk ik bouwen wil zal groot zijn; want onze God is grooter dan alle goden. 6 Maar wie vermag hem een huis te bouwen ? Want de hemel en aller hemelen hemel kunnen hem niet omvatten: wie ben ik dan, dat ik hem een huis zou bouwen, dan alleen om voor hem te wierooken! |
7 Zoo zend mij nu een wijzen man, om te arbeiden in goud, zilver, koper, ijzer, scharlaken, rozerood, en hemelsblauw, en die weet te graveeren, met de wijzen die bij mij zijn in Juda en Jeruzalem, die mijn vader David heeft aangesteld. S En zend mij ceder-, dennen- en ebbenhout van den Libanon; want ik weet dat uwe knechten het hout weten te bouwen op den Libanon; en zie, mijne knechten zullen met uwe knechten zijn; 9 opdat men mij veel hout bereide, want het huis dat ik bouwen wil zal groot en ongemeen zijn. 10 En zie, ik wil aan de timmerlieden, uwe knechten die het hout houwen, twintigduizend kor gestooten tarwe en twintigduizend kor gerst en twintigduizend bath wijn en twintigduizend bath olie geven. 11 Toen antwoordde Hu-ram de koning van ïyrus in geschrift, en zond het tot Salomo: Omdat de Heer zijn volk liefheeft, heeft hij u tot koning over hen gesteld. 13 En Huram sprak verder: Geloofd zij de Heer, Israels God, die hemel en aarde gemaakt heeft, dat hij aan den koning David een wijzen, voorzichtigen |
2 KEONIEKEN 3.
844
|
en verstandigon zoon gegeven heeft, die den Heer een huis zal houwen, en een koningshuis. 13 Zoo zend ik u nu een wijzen man, die verstand heeft. Hu ram Ahi, 14 den zoon eener vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man van Tyrus geweest is; die weet te arbeiden in goud, zilver, koper, ijzer, steen, hout, scharlaken, hemelsblauw, linnen, rozerood, en allerlei te graveeren, en alles kunstig te maken wat men hem voorlegt, met uwe wijzen en met de wijzen van miinen heer uwen vader David. 15 Zoo zende nu mijn heer tarwe, gerst, olie en wijn aan zijne knechten, zooals hij gesproken heeft; 16 zoo zullen wij het hout houwen op den . Libanon, zooveel als er noodig is, en zullen het in vlotten voeren over de zee naar Jafo; vandaar zult gij het doen opvoeren naar Jeruzalem. 17 En Salomo telde alle vreemdelingen in het land van Israël, volgens de telling waarmede zijn vader David hen geteld had; en er werden bevonden hon-derddrieënvijftigduizend en zeshonderd. |
18 En hij bestemde uit hen zeventigduizend lastdragers, en tachtigduizend houwers op het gebergte, en drieduizend zeshonderd opzieners om het volk tot den arbeid aan te zetten. HOOFDSTUK 3. 1 En Salomo begon het huis des Heeren te bouwen te Jeruzalem op den berg Moria, die zijnen vader David aangewezen was, wélken David bepaald had, op de plaats op den dorschvloer van Oman den Jebusiet. 2 En hij begon te bouwen in de tweede maand op den tweeden dag in het vierde jaar zijner regeering. 8 En aldus leide Salomo den grond om het huis Gods te bouwen: de lengte, in ellen naar de oude maat, zestig el, de breedte twintig el. 4 En het voorhuis vooraan was in lengte, naar de breedte van het huis, twintig el; en de hoogte was honderd en twintig el; en hij overtrok het van binnen met zuiver goud. 5 En het groote huis over-toog hi] met dennenhout, en overtrok het met het beste goud; en hij maakte er palmen en ketenwerk op. 6 En hij overtrok het huis |
2 KEONIEKEN 4.
SiS
|
met edelgesteenten tot sieraad ; en het goud was goud van Parvaïm. 7 En hij overtrok de balken , de posten, de wanden en de deuren met goud, en liet cherubs snijden aan de wanden. 8 Ook maakte hij het huis des allerheiligsten, welks | lengte was twintig el, naar | de breedte van het huis; en zijne breedte was óók twintig el, en hij overtrok het met het beste goud, omtrent zeshonderd talenten. 9 En hij gaf ook tot nagels vijftig sikkels goud in gewicht. En hij overtrok de opperzalen met goud. 10 En hij maakte in het huis des allerheiligsten twee cherubs van beeldsnijders-werk , en overtrok ze met goud. 11 En de lengte der vleugels van de cherubs was twintig el; zoodat de ééne vleugel was vijf el, en aan den wand van het huis raakte, en de andere vleugel was óók vijf el, en raakte aan den vleugel van den anderen cherub; 13 evenzoo was ook de ééne vleugel des anderen cherubs van vijf el, en raakte aan den wand van het huis, en zijn andere vleugel óók van vijf el, en |
raakte aan den vleugel des anderen cherubs: 13 zoodat de vleugels der cherubs waren uitgebreid twintig el wijd; en zij stonden op hunne voeten, en hun aangezicht was gekeerd naar het huis toe. 14 Ook maakte hij een voorhangsel van hemelsblauw werk, scharlaken, rozerood en linnen; en hij maakte er cherubs op. 15 En hij maakte vóór het huis twee pilaren vijfendertig el lang, en het kapiteel daarbovenop vijf el. 16 En hij maakte keten-werk voor de godgewijde plaats, en stelde het bovenaan de pilaren, en maakte honderd granaatappelen, en deed ze aan het keten werk. 17 En hij richtte de pilaren op voor den tempel, den één ter rechter- en den ander ter linkerhand, en noemde dien ter rechterhand Jachin, en dien ter linkerhand Boaz. HOOFDSTUK 4. 1 Ook maakte hij een koperen altaar, twintig el lang en breed, en tien ei hoog. 3 En hij maakte een gegoten zee, tien el wijd van tien éénen rand tot den anderen, rondom rond, en |
KllONIEKEN i.
846
|
vijf el hoog, en een meetsnoer van dertig el omving haar van rondom. 3 En beelden van runderen waren ouder haar rondom ; en er waren twee rijen knoppen rondom de zee, die tien el wijd was, met haar uit één stuk gegoten. ■4 En zij stond aldus Op de twaalf runderen, dat drie waren gekeerd naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten , en de zee 'daarbovenop; en aller achterste deelen waren binnenwaarts gekeerd. 5 Hare dikte was een handbreed, en haar rand was als de rand eens bekers en eene geopende lelie; en zij hield drieduizend bath. 6 En hij maakte tien waschvaten; daarvan zette hij vijf ter rechter- en vijf ter linkerhand, om daarin te wasschen wat tot het brandoffer behoort, dat zij het daarin dompelden; maar de zee, opdat de priesters zich daarin zouden wasschen. 7 Ook maakte hij tien gouden kandelaars, zooals die zijn moesten, eu zette ze in den tempel, vijf ter rechter- en vijf ter linkerhand. |
8 En hij maakte tien la-fels, en zette ze in den tempel, vijf ter rechter- en vijf ter linkerhand; en hij maakte honderd gouden bekkens. 9 Hij maakte ook een voorhof voor de priesters, en het groote voorhof, en deuren voor het voorhof, en overtrok de deuren met koper. 10 En hij zette de zee op den rechterhoek naar het oosten, zuidwaarts. 11 En Huram maakte potten, aschschoppen en bekkens. Alzoo voltooide Hu ram den arbeid dien hij voor den koning Salomo maakte aan het huis Gods: 13 namelijk de twee pilaren , met de gedraaide ka-piteelen bovenop beide de pilaren, en de twee gevlochten netten om beide de gedraaide kapiteelen bovenop de pilaren te bedekken , 13 en de vierhonderd granaatappelen aan de twee gevlochten netton, twee rijen granaatappelen aan één net, om beide de gedraaide kapiteelen die bovenop do pilaren waren te bedekken; 14 ook maakte hij de stellingen, en de waschvaten op de stellingen; 15 en ééne zee, en twaalf runderen daaronder; |
2 KRONIEKEN 5.
847
|
16 daarbenevens potten, asolischoppen, vuurbaken en al de vaten maakte Huram Abi voor den koning Salomo voor het huis des Heeren, uit blinkend koper. 17 In de vlakte aan den Jordaan liet de koning die gieten in vaste aarde, tus-echen Sukkoth en Zereda-tha. 18 En Salomo maakte al deyje vaten in zeer groote menigte, zoodat het gewicht des kopers niet onderzocht werd. 19 Ook maakte Salomo al het gereedschap voor het huis Gods: namelijk den gouden altaar, en de tafels waarop de toonbrooden lagen; 20 de kandelaars met hunne lampen van het zuiverste goud, om te branden voor de godgewijde plaatsen, zooals het behoort; 21 en de bloemen en de lampen en de snuiters waren van goud: dit was alles enkel van goud; 23 daarenboven de schotels , bekkens, bekers en wierookpannen waren van het zuiverste goud; en de ingang, en zijne binnenste deuren tot het allerheiligste, en de deuren aan het huis des tempels, waren van goud. |
HOOFDSTUK 5. 1 Alzoo werd al het werk voltooid hetwelk Salomo maakte aan het huis des Heeren. En Salomo bracht daarin alwat zijn vader David geheiligd had, en het zilver en goud en al de gereedschappen leide hij bij den schat van het huis Gods. 2 Toen vergaderde Salomo al de oudsten in Israel, al de hoofdlieden der stammen, vorsten onder de vaderen der kinderen Israels, te Jeruzalem , opdat zij de ark des verbonds des Heeren zouden opbrengen uit Davids stad, dat is Sion. 3 En al de mannen van Israël vergaderden zich tot den koning op het feest in de zevende maand. 4 En al de oudsten van Israël kwamen; en de Levieten namen de ark op, 3 en brachten haar op, benevens de hut des stichts, en al het heilige gereedschap dat in de hut was; en de priesters en de Levieten brachten die opwaarts. 6 En de koning Salomo en de geheele gemeente van Israël, bij hem vergaderd zijnde vóór de ark , offerden schapen en runderen, zooveel dat niemand die tellen noch berekenen kon. |
2 KEONIEKEN 6.
848
|
7 Alzoo brachten de priesters de ark des verbonds des Heeren op hare plaats in de godgewijde plaats van het huis, in het allerheiligste, onder de vleugels -der cherubs; 8 zoodat de cherubs hunne vleugels uitbreidden over de plaats der ark, en de cherubs bedekten de ark en hare handboomen van boven af. 9 De handboomen nu waren zóólang, dat hunne knoppen gezien werden van de ark, vóóraan de godgewijde plaats, maar buiten-•waarts werden zij niet gezien; en zij was aldaar tot op dezen dag. 10 Er was niets in de ark dan alleen de twee tafelen die Mozes bij Horeb daarin nedergelegd had, toen de Heer een verbond maakte met do kinderen Israels als zij uit Egypte trokken. 11 En toen de priesters uitgingen uit hot heilige, (want alle priesters die er waren heiligden zich, zonder dat do afdeelingen in acht genomen werden), 13 en de Levieten, met allen die onder Asaf, He-man, Jeduthun en hunne zonen en broeders waren, gekleed mot lijnwaad, stonden met cimbalen, fluiten en harpen tegen het oosten des altaars, en bij hen honderd en twintig priesters die met trompetten bliezen; |
13 en het eveneens was alsof er slechts één was die trompette en zong, als hoorde men ééne stem om den Heer te loven en te danken; en toen de stem der trompetten zich verhief tegelijk met de cimbalen en andere speeltuigen, en men den Heer loofde dat hij goedertieren is, en dat zijne barmhartigheid eeu wiglij k duurt, — toen werd het huis des Heeren vervuld met eene wolk, 14 zoodat de priesters niet staan konden om te dienen wegens die wolk; want de heerlijkheid des Heeren vervulde het huis Gods. HOOFDSTUK 6. 1 Toen zeide Salomo: De lieer heeft gesproken dat hij in het donker wonen zou. 2 Ik heb immers een huis gebouwd u ter woning, en eene zitplaats waar gij eeuwiglij k zult wonen. 3 En de koning wendde zijn aangezicht, en zegende de geheele gemeente van Israël; en de geheele gemeente van Israël stond. 4 En hij sprak: Geloofd |
3 KRONIEKEN 6.
849
|
zij de Heer, Israels God, die met zijnen mond tot mijnen vader David gesproken, en het met zijne hand vervuld heeft, toen hij zeide: 5 Van dien tijd af -dat ik mijn volk uit Egypteland gevoerd heb, hel) ik geen stad verkoren onder al de stammen van Israël, om aldaar een huis te bouwen waar mijn naam zou wezen, en ik heb ook geen man verkoren om vorst te zijn over mijn volk Israël; 6 maar Jeruzalem heb ik verkoren opdat mijn naam aldaar zou wezen, en Uavid hel) ik verkoren om over mijn volk Israël te zijn. 7 En toen mijn vader David in den zin had om den naam van den Heer, den God van Israël, een huis te bouwen, 8 sprak de Heer tot mijnen vader David: Gij hebt wèl gedaan dat gij in den zin hadt mijnen naam een huis te bouwen; 9 doch gij zult het huis niet bouwen, maar uw zoon die uit uwe lendenen komen zal, die zal mijnen naam dat huis bouwen. |
10 Zoo heeft nu de Heer zijn woord vervuld dat hij gesproken heeft; want ik ben opgetreden in de plaats van mijnen vader David, en zit op den troon van Israël, - zooals de Heer gesproken heeft, en ik heb een huis gebouwd voor den naam van den Heer, den God van Israël, 11 en ik heb daarin de ark geplaatst, in welke het verbond des Heeren is dat hij met de kinderen Israels gemaakt heeft. 13 En hij trad vóór den altaar des Heeren, tegenover de geheele gemeente van Israël, en breidde zijne handen uit. 13 Salomo nu had een koperen gestoelte gemaakt, en het gezet midden in het voorhof, vijf el lang en breed en drie el hoog; daarop stond hij, en nel neder op zijne knieën voor de geheele gemeente van Israël, en breidde zijne handen uit naar den hemel; ll en hij sprak: Heer, God van Israël, er is geen God gelijk gij, noch in den hemel noch op de aarde, die het verbond en de barmhartigheid houdt aan uwe knechten die voor u wandelen met hun gansche hart; 15 gij die uwen knecht David, mijnen vader, gehouden hebt wat gij tot hem gesproken hebt: met uwen mond hebt gij het gesproken, en met uwe |
2 KEONIEKEN 6.
850
|
liand hebt gij liet vervuld, zooals liet op dezen dag is. 16 Nu Heer, God van Israël, lioud uwen kneclit mijnen vader David wat gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u voor mij ontbreken om op den troon van Israël te zitten, indien slechts uwe zonen hunnen weg bewaren, dat zij wandelen naar mijne wet, gelijk gij voor mij gewandeld hebt. 17 Nu Heer, God van Israël, laat uw woord waar worden, hetwelk gij tot uwen knecht David gesproken hebt. 18 Wat meent gij dat God bij de menschen op de aarde woont? Zie, de hemel en aller hemelen hemel kunnen n niet omvatten, hoeveel-teminder dan dit huis dat ik gebouwd heb! 19 Doch wend u, Heer mijn God, tot het gebed van uwen knecht en tot zijn smeeken, opdat gij hoort het roepen en bidden hetwelk uw knecht voor u doet; 20 dat uwe oogen openstaan over dit huis dag en nacht, over die plaats van welke gij gezegd hebt dat gij uwen naam aldaar stellen zoudt; opdat gij hoort het gebed hetwelk uw knecht op deze plaats doen zal. |
31 Zoo hoor nu het smeeken van uwen knecht en van uw volk Israël, dat zij smeeken zullen aan deze plaats; hoor het uit de plaats uwer woning, uit den hemel, en als gij het hoort, wil dan genadig zijn. 22 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zondigt, en hem een eed opgelegd wordt dien hij zweren moet; en de eed komt voor uwen altaar in dit huis, — 33 zoo wil toeh hooren in den hemel, en uw knechten recht doen, om den goddelooze te vergelden, brengende hetgeen hij bedreef op zijn hoofd, en om den rechtvaardige recht te doen geworden, hem gevende naar zijne gerechtigheid. 24 Wanneer uw volk Israël voor zijne vijanden geslagen wordt, omdat zij tegen u gezondigd hebben, en zij zich bekeeren en uwen naam belijden, en tot n bidden en smeeken in dit huis, — 35 zoo wil toch hooren in den hemel, en vergeven de zonde van uw volk Israël, en hen wederbrengen in het land hetwelk gij hun en ven hebt. hunnen vaderen gege- |
KliONIEKEN
351
|
26 Wanneer de liemel toegesloten wordt., dat het niet regent, omdat zij tegen u gezondigd hebben, en zij in deze plaats bidden en uwen naam belijden, en zich van hunne zonde bekeeren, dewijl gij hen verootmoedigt, — 27 zoo wil toch hooren in den hemel, en vergeven de zonde van uwe knechten en van uw volk Israël, dat gij hun den goeden weg leert dien zij bewandelen moeten, en laat regenen op uw land hetwelk gij aan uw volk ten erfdeel gegeven hebt. 28 Als er eene duurte, of pest, of droogte, of koren brand, of honigdauw, of sprinkhaan, of kever in het land zal zijn, of hun vijand in het land hunne poorten belegert, of als er eenige plaag of krankheid zijn zal; 29 wie dan bidt en smeekt, hetzij eenig mensch of uw volk Israël: is het dat iemand zijne plaag en smart gevoelt, en zijne handen uitbreidt naar dit huis, — 30 zoo wil toch hooren in den hemel, de plaats uwer woning, en genadig zijn, en iedereen geven naar al zijne wegen, gelijk gij zijn hart kent; want gij alleen kent het hart van de kinderen der menschen; |
31 opdat zij u vreezen en wandelen in uwe quot;wegen alle dagen, zoolang zij leven in het land hetwelk gij aan onze vaderen gegeven hebt. 32 Wanneer ook een vreemdeling, die niet van uw volk Israël is, uit verre landen komt, om uw groeten naam en uw machtige hand en uw uitgestrekten arm, en bidt in dit huis, —■ 33 zoo wil toch hooren in den hemel, de plaats uwer woning, en alles doen waarom die vreemdeling u aanroept; opdat alle volken der aarde uwen naam kennen, en u vreezen gelijk uw volk Israël, en gewaarworden dat dit huis, hetwelk ik gebouwd heb, naar uwen naam genoemd is. 34 Wanneer uw volk uittrekt ten strijde tegen zijne vijanden, langs den wegel ien gij hen zenden zult, en zij tot u bidden zullen, gekeerd naar den kant dezer stad die gij verkoren hebt, en naar dit huis hetwelk ik uwen naam gebouwd heb, —• 35 zoo wil toch hun gebed en hun sraeeken hooren in den hemel, en hun recht handhaven. 313 Wanneer zij tegen u |
3 KRONIEKEN 7.
852
|
zondigen zullon, (want er is geen mensoh die niet zondigt), en gij op lien toornig wordt, en hen aan hunne vijanden overgeeft, dat die hen gevankelijk wegvoeren in een ver of nabij gelegen land; 37 cn zij het ter harte nemen in het land waar zij gevangen zijn, en zich be-keeren, en tot u smeeken in het land hunner gevangenschap , zeggende: Wij hebben gezondigd en misdaan, en zijn goddeloos geweest; 38 en zij zich alzoo tot u bekeeren met hun gansche hart en ziel, in het land hunner gevangenschap waar men hen gevangen houdt, en zij bidden gewend naar hun land dat gij hunnen vaderen gegeven hebt, en naar de stad die gij vei-koren hebt, en naar dit huis hetwelk ik uwen naam gebouwd heb, —- 39 zoo wil toch hun gebed en hun smeeken hooren in den hemel, de zitplaats uwer woning, en hun recht handhaven; en wil uw volk genadig zijn dat tegen u gezondigd heeft. 40 Dat dan nu, mijn God, uwe oogen open zijn, en uwe ooren achtgeven op het gebed in deze plaats. |
41 En nu, maak u op, Heere God, tot uwe rust, gij en de ark uwer macht; laat uwe priesters, Heere God, met heil bekleed worden, en uwe heiligen zich verblijden over het goede. 43 quot;Wijs toch, Heere God, het aangezicht uws gezalfden niet af; gedenk aan de genade, uwen knecht David toegezegd. HOOFDSTUK 7. . 1 En toen Salomo zijn gebed geëindigd had, viel het vuur van den heinel en verteerde het brandoffer en de andere offers; en de heerlijkheid des Heeren vervulde het huis, 3 zoodat de priesters niet konden ingaan in het huis des Heeren, dewijl de heerlijkheid des Heeren het huis des Heeren vervulde. 3 Ook zagen al de kinderen Israels het vuur nederdalen, en de heerlijkheid des Heeren over het huis; en zij vielen op hunne knieën met het aangezicht ter aarde op het plaveisel, en aanbaden, en dankten den Heer, dat hij goedertieren is, en dat zijne barmhartigheid eeuwiglijk duurt. 4 De koning nu en al het volk offerden offers voor den Heer, |
3 KRONIEKEN 7.
853
|
5 en de koning Salomo offerde tweeëntwintigdni-ZGnd runderen en honderd-twintigduizend schapen: al-zoo wijdden zij het huis Gods in, zoowel de koning als al het volk. 6 En de priesters stonden op hunne wacht, en de Levieten met de speeltuigen des Heeren, die de koning David had laten maken ora den Heer te danken, dat zijne barmhartigheid eeuwiglij k duurt, als David door hen deed lofzihgen; en de priesters bliezen op trompetten tegenover hen, en geheel Israël stond. 7 En Salomo heiligde het middelste des voorhofs dat vóór het huis des Heeren was, want hij had aldaar brandoflers en het vet dei-dankoffers bereid; want de koperen altaar, dien quot;Salomo had laten maken, kon al de brandoflers, spijsoffers en het vet niet bevatten. 8 Aldus hield Salomo op dien tijd het feest, zeven dagen lang, en geheel Israël met hem, eene zeer groote gemeente, van Hamath af tot aan de rivier van Egypte toe. 9 En hij hield op den achtsten dag eene vergadering ; want de inwijding des altaars hielden zij zeven dagen, en het feest óók zeven dagen. |
10 En op den drieëntwintigsten dag der zevende maand liet hij het volk naar hunne hutten gaan, vroolijk en welgemoed over al het goede hetwelk de Heer aan David, Salomo en zijn volk Israël gedaan had. 11 Alzoo voltooide Salomo het huis des Heeren en het huis des kon ings; en al-wat in zijn hart gekomen was om in het huis des Heeren en in zijn huis te [maken, dat gelukte hem. 12 En de Heer verscheen aan Salomo des nachts en sprak tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en deze plaats mij verkoren tot een offerhuis. 13 Zie, wanneer ik den hemel toesluit dat het niet regent, of den sprinkhanen gebied het land te verteren , of eene pest onder mijn volk laat komen, li en mijn volk, hetwelk naar mijnen naam genoemd is, zich verootmoedigt, en zij bidden, en mijn aangezicht zoeken, en zich bekee-ren van hunne kwade wegen: zoo wil ik uit den hemel hooren, en hunne zonde vergeven, en hun land genezen. 15 Zoo zullen nu mijne |
KRONIEKEN 8.
83-1.
|
oogen open zijn, en mijne ooren achtgeven op liet gebed in deze plaats. L6 Want nu lieb ik dit huis verkoren en geheiligd, opdat mijn naam aldaar zijn zal eeuwigiijk, en mijne oogen en mijn hart zullen daar altoos zijn. 17 En indien gij voor mij zult wandelen gelijk uw vader David gewandeld heeft, dat gij doet al wat ik ii gebied, en mijne geboden en rechten onderhoudt : 18 zoo zal ik den troon uws koninkrijksbevestigen, zooals ik mij aan uwen vader David verbonden heb, zeggende: Geen man zal u ontbreken op den troon van Israël. 19 Maar is het dat gij u van mij afkeert, en mijne rechten en geboden, die ik u voorgelegd heb, verlaat, en heengaat en andere goden dient en ze aanbidt: 20 zoo zal ik hen uitroeien uit mijn land hetwelk ik hun gegeven heb, en dit huis hetwelk ik mijnen naam geheiligd heb zal ik van mijn aangezicht wegdoen, en zal het tot een spreekwoord stellen en lot eene spotrede onder alle volken. |
31 En over dit huis, dat zoo hoog verheven was, zullen allen die voorbijgaan zich ontzetten, eu zeggen: Waarom heeft de Heer aan dit lnnd en aan dit huis zóó gedaan ? 23 Dan zal men zeggen: Omdat zij den Heer,quot;den God hunner vaderen, verlaten hebben, die hen uit Egypteland gevoerd heeft, en andere goden aangehangen en die aangebeden en gediend hebben, daarom heeft hij al dit ongeluk over hen gebracht. HOOFDSTUK 8. 1 En na twintig jaren, in welke Salomo het huis des Heeren en zijn huis volbouwd had, 3 bouwde hij ook de steden welke Huram aan Salomo gaf, en liet de kinderen Israels daarin wonen. 3 En Salomo trok naar Hamath-Zoba en versterkte het. 4 En hij bouwde Tadmor in de woestijn, en al de korensteden welke hij bouwde in Hamath. 5 Hij bouwde ook opperen neder-Beth-Horon, die vaste steden waren, met muren, poorten en grendels ; G ook Baiilath, en al de korensteden welke Salomo |
2 KEONIEKEN 3.
855
|
had, en al de steden der krijgswagens en die der ruiters, en alles wat Salomo lust had te bouwen, in Jeruzalem, en op den Libanon, en in het gekeele land zijner heerschappij. 7 En al het overgebleven volk van de Hethieten, Amo-rieten, Eerezieten, Hevie-ten en Jebusieten, die niet van de kinderen Israëls I waren, ■8 hunne kinderen die zij nagelaten hadden in het land, die de kinderen Israëls niet verdelgd hadden, maakte Salomo cijnsbaar tot op dezen dag. 9 Doch van de kinderen Israëls maakte Salomo geen knechten tot zijnen arbeid, maar zij waren krijgslieden, en overaten onder zijne vorsten, en oversten zijner wagens en ruiters. 10 En de opperste ambt-lieden van den koning Salomo waren tweehonderd en vijftig, die over het volk bevel voerden. 11 En Salomo liet de dochter van Earao opwaarts halen uit Davids stad naar het huis hetwelk hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijne huisvrouw zal niet wonen in het huis van David den koning van Israël; want het is geheiligd, |
dewijl de ark des Heeren er ingekomen is. 13 Van toen af offerde Salomo tien Heer brandoffers op den altaar des Heeren , dien hij gebouwd had aan het voorhuis; 13 wat op eiken dag te offeren was naar het gebod van Mozes, op de sabbatten , nieuwemaandagen en bestemde tijden, driemaal 'sjaars: op het feest der ongezuurde brooden, op het feest der weken en op het feest der loofhutten. I*! En hij stelde de priesters naar hunne afdeelingen tot hun ambt, zooals David zijn vader het ingesteld had; en de Levieten op hunne wachten, om te loven en te dienen voor de priesters, elk op zijnen dag; en de deurwachters in hunne afdeelingen, elk aan zijne poort; want zóó had David do man Gods het bevolen. 15 En men week niet af van het gebod des konings ten aanzien der priesters en Levieten, in alle zaken, ook omtrent de schatten. lö Alzoo werd al het werk van Salomo bereid, van dien dag af dat het huis des Heeren gegrondvest werd, totdat hij het voltooide, dat het huis des Heeren geheel voltooid was. |
2 KKONIEKEN 9.
856
|
17 Toen trok Salomo naar Ezeon-Géber, en naar Elotli aan den oever tier zee, in het land Edom. 18 En Huram zond hein schepen door zijne knechten, en knechten die op de zee ervaren waren; en zij voeren met Salomo's knechten naar Ofir, en haalden vandaar vierhonderd en vijftig talenten goud, en brachten het tot den koning Salomo. HOOFDSTUK 9. 1 En toen de koningin van rijk Arabic het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij te Jeruzalem met een zeer groot gevolg, met ka-meelen die specerijen en goud in menigte en edelgesteenten droegen, om Salomo met raadselspreuken te beproeven; en toen zij tot Salomo kwam, sprak zij tot hem alwat zij in haar hart had voorgenomen. 3 En de koning verklaarde haar alwat zij vroeg, en voor Salomo was niets verborgen dat hij haar niet verklaarde. 3 En toen de koningin van rijk Arabic de wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij gebouwd had,- |
4 en de spijs voor zijne tafel, en de woningen voor zijne knechten, en de ambten zijner dienaren, en hun- niet ne kleederen, en zijne schenkers met hunne kleederen, en zijne zaal door welke men opging in het huis des Heeren, zoo kon zij zich niet langer inhouden, 5 maar zij sprak tot den koning: Het is waarheid geweest wat ik in mijn land gehooid heb van uw doen en van uwe wijsheid; C en ik heb hunne woorden niet willen gelooven, tótdat ik gekomen ben en het met mijne oogen gezien heb: en zie, de helft is mij niet gezegd van uwe groote wijsheid, gij overtreft het gerucht dat ik gehoord heb. 7 Zalig zijn uwe lieden, en zalig zijn deze uwe knechten , die altijd vóór u staan en uwe wijsheid hooren. 8 De Heer uw God zij geloofd, die een welgevallen aan u heeft, dat liij u gï) zijnen troon gezet heeft ais koning voor den Heer uwen God; omdat uw God Israël bemint om het eeuwig-lijk te bevestigen, daarom heeft hij u over hen tot koning gesteld om recht én gerechtigheid te handhaven. 9 En zij gaf den koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen en edelgesteenten; er waren nog zulke specerijen ten ; Salon brach hout 11 ebbei iu h( in h en 1 de i |
2 K EONIEKEN 9.
857
|
niet geweest als die de koningin van rijk Arabic den koning Salomo gaf. 10 En ook Hurams knechten en de knechten van Salomo, die goud uit Olir brachten, voerden ebbenhout en edelgesteenten aan; 1L en Salomo liet van dat ebbenhout trappen maken in het huis des Heeren en in het huis des konings, en harpen en fluiten voor ; de zangers: zoodanig hout was er tevoren in het land van Juda nooit gezien. 13 En de koning Salomo gaf aan de koningin van rijk Arabië alwat zij begeerde en bad, behalve hetgeen zij aan den koning gebracht had; en zij keerde terug en trok weder naar haar land met hare knechten. 13 Het goud nu dat ieder jaar Salomo's inkomst was, bedroeg zeshonderd zesenzestig talenten; 14' behalve hetgeen de kramers en kooplieden brachten ; ook al de koningen van Arabic en de vorsten in de landen brachten goud en zilver aan Salomo. 15 Daarvan maakte de koning Salomo tweehonderd schilden van het beste goud, zoodat er zeshonderd stukken goud aan elk schild gingen; i Imn-sclien-lereii, welke huis m zij aden, t den rheid land doen |
16 en driehonderd rondassen van het beste goud, zoodat er driehonderd stukken goud aan elke rondas gingen; en de koning stelde ze in het huis van het woud van den Libanon. 17 En de koning maakte een grooten ivoren troon, en overtrok dien met het edelste goud. 18 En die troon had zes trappen en eene gouden voetbank, aan den troon vast zijnde, en hij had twee leuningen aan beide zijden om de zitplaats, en twee leeuwen stonden terzijde van die leuningen; 19 en twaalf leeuwen stonden op de zes trappen aan beide zijden: iets dergelijks was er nooit gemaakt in eenig koninkrijk. 20 En alle drinkvaten van den koning Salomo waren van goud, en alle vaten in het huis van het woud van den Libanon waren zuiver goud: het zilver werd ten tijde van Salomo niet geacht. 21 Want de schepen des konings voeren op de zee met de knechten van Hu-ram, en kwamen in drie jaren éénmaal, en brachten goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. 22 Alzoo werd de koning |
2 KRONIEKEN lü.
§58
|
Salomo grooter dan alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid; 33 en al de koningen dei-aarde zochten liet aangezicht van Salomo, om zijne wijsheid te hooren die God in zijn hart gegeven had; 24 en zij brachten hem elk zijn geschenk, zilveren en gouden vaten, kleederen, harnassen, specerijen, paarden en muilezels, van jaar tot jaar. 25 En Salomo had. vierduizend wagenpaarden en twaalfduizend ruiters; en men leide ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem. 26 En hij was heer over alle koningen van de groo-te rivier af tot aan het land der Filistijnen, en tot aan den grenspaal van Egypte. 27 En de koning maakte dat het zilver te Jeruzalem zooveel was als de steenen, en de cederen zooveel als de wilde vijgeboomen in de valleien. 28 En men bracht hem paarden uit Egypte en uit alle landen. 29 Wat er nu meer van Salomo ts zeggen is, beide het \Toegere en het latere, zie., dat is geschreven in de kroniek van den profeet |
Nathan, en in de profetieën van Ahia den Siloniet, en in de gezichten van Jedi den ziener tegen Jeroljeam den zoon van Nebat. 80 En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël veertig jaar. 31 En Salomo ontsliep met zijne vaderen, en men begroef hem in de stad van zijnen vader David; en lie-habeam zijn zoon werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 10. 1 En Kehabeam trok naar Sichem, want geheel Israël was te Sichem gekomen om hem koning te maken. 2 En toen Jerobeam de zoon van Nebat dat hoorde, terwijl hij in Egypte was, waarheen hij voor den koning Salomo gevloden was, zoo kwam hij weder uit Egypte; 3 en zij zonden heen en lieten hem roepen. En Jerobeam en geheel Israël kwamen en spraken met Eehabeam, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk te hard gemaakt, maak gij nu den harden dienst uws vaders en het zware juk dat hij ons opgelegd heeft lichter, zoo willen wij u onderdanig zijn. 5 En hij zeide tot hen: |
2 KRONIEKEN 10.
859
|
Komt over drie dagen weder tot mij. Toen ging-het volk heen. 0 En de koning Rehabsam hield raad met de oudsten die voor zijnen vader Salomo gestaan hadden toen hij leetde, zeggende: Welk antwoord raadt gij mij dat ik aan dit volk geven zal? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij jegens dit. volk vriendelijk zult zijn, en hen welwillend behandelen en hun goede woorden geven zult, zoo zullen zij u altoos onderdanig zijn. 8 Doch hij verliet den raad der oudsten dien zij hem gegeven hadden, en hij hield raad met de jongelingen die met hem opgewassen waren en vóór hem stonden, 9 en hij sprak tot hen: Wat raadt gij dat wij aan dit volk zullen antwoorden, die tot mij gezegd hebben: Maak het juk lichter dat uw vader ons heeft opgelegd ? 10 En de jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem, zeggende: Gij zult aldus zeggen tot dit volk, dat met u gesproken Leel't, zeggende: Uw vader heeft ons juk te zwaar gemaakt, maak gij het ons lichter, — aldus zult gij tot hen zeggen: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen : |
11 heeft mijn vader een zwaar juk op u geladen, zoo wil ik uw juk nog zwaarder maken; heeft mijn vader u met geesels gekastijd , zoo wil ik u met schorpioenen kastijden. 13 Als nu Jerobeam en al het volk tot Eehabeain kwam op den derden dag, gelijk de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag, 13 zoo gaf de koning hun een hard antwoord ; en de koning Rehabeam verliet den raad der oudsten, 1L en hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Heeft mijn vader uw juk zwaar gemaakt, zoo wil ik nog meer daaraan toevoegen; heeft mijn vader u met geesels gekastijd, zoo wil ik u met schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde de koning niet naar het volk; want het was zoo van God beschikt, opdat do Heer zijn wóórd bevestigde, hetwelk hij gesproken had door Ahia den Siloniet, tot Jerobeam den zoon van Nebat. |
3 KRONIEKEN 11.
860
|
16 Toen mi gelieel Israël zag dat de koning naar hen niet lioorde, zoo antwoordde het volk den koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan quot;David, of wat erve aan den zoon van Isai? Elk naar zijne hut, o Israël: voorzie nu uw huis, o David. En geheel Israël ging naar zijne hutten; 17 zoodat Rehabeam slechts regeerde over de kinderen Israels die in de steden van Juda woonden. 18 De koning Rehabeam nu zond Hadoram den rentmeester, doch de kinderen Israels steenigden hem dat hij stierf; en de koning Rehabeam klom haastig op een wagen om naar Jeruzalem te vluchten. 19 Alzoo viel Israël van het huis van David af tot op dezen dag. HOOFDSTUK 11. 1 En toen Rehabeam te Jeruzalem kwam, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, honderdtachtigduizend jonge strijdbare mannen, om tegen Israël te strijden en het koninkrijk weder aan Rehabeam te brengen. 3 Doch het woord des Heeren kwam tot Semaja den man Gods, zeggende: |
3 Zeg aan Rehabeam den zoon van Salomo, den koning van Juda, en aan geheel Israël dat onder Juda en Benjamin is, zeggende: 4 Dus spreekt de Heer: Gij zult niet optrekken en strijden tegen uwe broeders; een ieder ga weder naar-huis, want dit is van mij geschied. En zij hoorden naar de woorden des Heeren, en lieten af van den tocht tegen Jerobeam. 5 Rehabeam nu woonde te Jeruzalem, en bouwde de steden tot vestingen in Juda; 6 namelijk Bethlehem, Etam, ïekoa, 7 Beth-Zur, Socho,Adul-lam, 8 Gath, Maresa, Zif, 9 Adoraïm, Laohis, Azeka, 10 Zora, Ajjalon en He-bron, welke versterkte steden waren in Juda en Benjamin. 11 En hij maakte ze sterk, en stelde oversten daarin aan, en voorzag ze van spijs, olie en wijn; 13 en in al die steden verschafte hij schilden en spiesen, en maakte ze zeer sterk. Alzoo waren Juda en Benjamin onder hem. 18 Ook begaven zich tot hem de priesters en de Le |
2 KEONIEKEN 12.
861
|
vietén in geheel Israël, uit al liunne grenspalen; 14 want de Levieten verlieten liunne voorsteden en have, en gingen naar Juda en Jeruzalem; want Jerobe-am en zijne zonen verstieten lien, dat zij den Heer geen priesterambt bedienen mocliten. 15 En luj stelde zich priesters aan der hoogten en der bokken en kalveren die hij had laten maken. 10 En na hen kwamen, uit alle stammen van Israël, wie hun hart overgaven om naar den Heer, den God van Israël, te vragen, te Jeruzalem, opdat zij aan den Heer, den God hunner vaderen, offerden. 17 En zij versterkten al-zoo het koninkrijk van Ju-da, en bevestigden Rehabe-am den zoon van Salomo drie jaren lang; want drie jaren lang wandelden zij in den weg van David en Salomo. 18 En Rehabeam nam Mahalath, de dochter van Jerimoth den zoon van David, tot vrouw; alsmede Abihaïl, de dochter van Eliab den zoon van Isai. 19 Deze baarde hem zonen: Jeüs, Semarja en Zaliam. |
30 En na haar nam hij Maiicha de dochter van Absalom ; die baarde hem Ab!a, Attai, Ziza en Selomith. 21 Rehabeam nu had Maiicha, de dochter van Absalom, liever dan al zijne vrouwen en bijwijven; want hij had achttien vrouwen en zestig bijwijven, en verwekte achtentwintig zonen en zestig dochters. 22 En Rehabeam stelde AMa den zoon van Maiicha tot hoofd en vorst onder zijne broeders, want hij dacht hem koning te maken. 23 En hij handelde verstandig, en verspreidde al zijne zonen in de landen van Juda en Benjamin in alle vaste steden, en hij gaf' hun voedsel in overvloed, en nam [voor hen1 vele vrouwen. HOOFDSTUK 12. 1 ïoen nu Rehabeains koninkrijk bevestigd en bekrachtigd was, verliet hij de wet des Heeren, en geheel Israël met hem. 2 In het vijfde jaar nu van den koning Rehabeam trok Sisak de koning van Egypte tegen Jeruzalem op, omdat zij zich bezondigd hadden aan den Heer; 3 met duizend en tweehonderd wagens en met zes-tigduizend ruiters, en het volk dat met hem kwam uit Egypte was niet te tel- |
2 KRONIEKEN 13.
862
|
len, Libyers, Sukkieten en Mooren. 4 En hij nam de vaste steden in die in Juda waren, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja de profeet tot Rehabeam en tot de oversten van Juda, die zich te Jeruzalem vergaderd hadden uit vrees voor Sisak, en zeide tot hen: Dusspreekt de Heer: Gijlieden hebt mij verlaten, daarom heb ik u óók verlaten in Sisaks hand. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël met den koning, en zeiden: De Heer is rechtvaardig. 7 Als nu de Heer zag dat zij zich verootmoedigden, kwam het woord des Heeren tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, daarom wil ik hen niet verderven, maar ik zal hun eenige verlossing geven, opdat mijn toorn niet uitgestort worde over Jeruzalem door Sisak; 8 doch zij zullen hem onderdanig zijn, opdat zij ondervinden wat het zij, mij te dienen, of de koninkrijken dezer landen te dienen. 9 Alzoo trok Sisak de koning van Egypte tegen Jeruzalem op; en hij nam de schatten van hot huis des Heeren en de schatten van het huis des konings, ja hij nam alles weg, zelfs nam hij ook de gouden schilden weg die Salomo had laten maken. |
10 In de plaats van deze liet de koning Eehabeam koperen schilden maken, en hij gaf het opzicht daarover aan de oversten der trawanten die de deur van het huis des konings bewaarden ; 11 en zoodikwijls de koning in het huis des Heeren ging, kwamen de trawanten en droegen die, en brachten ze weder in de kamer der trawanten. 12 Omdat hij dus zich verootmoedigd had, keerde de toorn des Heeren zich van hem af, om hem niet gmischelijk te verderven; want in Juda was nog iets goeds. 13 Alzoo werd de koning Rehabeam bevestigd in Jeruzalem , en bleef regeeren. Éénenveertig jaar was Rehabeam oud toen hij koning-werd, en hij regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, in de stad welke de Heer verkoren had uit al de stammen van Israël om zijnen naam aldaar te stellen. En de naam zijner moeder was Naiima de Ammonietische. 14 En hij handelde kwn- |
.
2 KRONIEKEN 13.
$63
|
lijk, en riclitte zijn hart niet om den Heer te zoeken. 15 De geschiedenissen nu van Ilehabeam, zoo de vroegere als de latere, zijn bc-schrcven in de geslachtboe-ken van Semaja den profeet en van Iddo den ziener, en opgeteekend; alsmede de oorlogen die tusschen Reha-beam en Jerobeam waren hnn leven lang. 1G En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in Davids stad; en zijn zoon Abia werd koningin zijne plaats. HOOFDSTUK 13. 1 In het achttiende jaar van den koning Jerobeam werd Abia koning van Juda. 3 Hij regeerde driejaren te Jeruzalem; en zijne moeder was Michaja, de dochter van Uriël uit Gibea. En er ontstond oorlog tusschen Abia en Jerobeam; 3 en Abia rustte zich toe tot den oorlog met vierhonderdduizend jonge manschappen, sterke helden in den krijg, en Jerobeam rustte zich toe om tegen hem te strijden met achthonderdduizend jonge manschappen, sterke helden. 4 En Abia begaf zich op den berg Zemaraïm, die in het gebergte van Efraïm is, en sprak: Hoort mij, Jerobeam en geheel Israël. |
5 Weet gij niet dat de Heer, Israels God, het koninkrijk van Israël aan David gegeven heeft eeuwiglijk, aan hem en zijne zonen, met een altoosdurend verbond? 6 Maar Jerobeam Nebats zoon, de knecht van Salomo Davids zoon, wierp zich op en viel af van zijnen heer. 7 En lichtvaardige, booze lieden hebben zich bij hem gevoegd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam den zoon van Salomo ; want Rehabeam was jong en bloohartig, zoodat hij zieh tegen hen niet verweerde. 8 Nu denkt gij u te stellen tegen het rijk des Hee-ren, dat onder Davids zonen is; doch gij zijt wel eene groote menigte, maar gij hebt gouden kalveren, die Jerobeam u tot goden gemaakt heeft. 9 Hebt gij niet de priesters des Heeren, de kinderen van Aaron, en de Levieten uitgestooten, en u eigen priesters gemaakt, zooals de volken der landen? Wie slechts komt om zich te laten wijden met een jongen var en zeven rammen, die wordt priester van wie geen goden zijn. 10 Maar wij hebben met |
S KEONIEKEN 13.
864
|
ons den Heer onzen God, dien wij niet verlaten, en priesters die den Heer dienen, de kinderen van Aiiron, en de Levieten in hun ambt, 11 die den Heer eiken avond brandoffers ontsteken, benevens liet goede reukwerk , en de brooden bereiden op de zuivere tafel, en den gouden kandelaar met zijne lampen, om alle avonden aangestoken te worden; want wij nemen de wacht van den Heer onzen God waar, maar gijlieden hebt hem verlaten. 13 Zie, God is met ons aan de spits, en zijne priesters, en de luidklinkende trompetten, opdat men tegen u trompette: strijdt niet tegen den Heer, den God uwer vaderen, o kinderen Israels, want het zal u niet gelukken. 13 En Jerobeam stelde eene hinderlaag om hen van aehtereu aantevallen, zoodat zij vóór Juda waren, en de hinderlaag achter hen. 14 Toen nu Juda zich omkeerde, zie, toen was er van voren en van achteren strijd; en zij riepen tot den Heer, en de priesters bliezen op de trompetten, |
15 en de mannen van Juda maakten een krijgsgeschreeuw; en toen de mannen van Juda een krijgsgeschreeuw maakten, sloeg God Jerobeam en geheel Israël voor Abia en Juda, 16 en de kinderen Israels vloden voor Juda, en God gaf hen in hunne handen, 17 zoodat Abia met zijn volk eene groote slachting onder hen aanrichtte, en uit Israël vielen verslagen vijfhonderdduizend uitgelezen manschappen. 18 Alzoo werden op dien tijd de kinderen Israëls verootmoedigd; maar de kinderen van Juda werden machtig, want zij verlieten zich op den Heer, den God hunner vaderen. 19 En Abia joeg Jerobeam achterna, en nam hem steden af, Beth-El met hare onderhoorige plaatsen, Je-sana met hare onderhoorige plaatsen, en Efron met hare onderhoorige plaatsen; 20 zoodat Jerobeam vervolgens niet weder tot kracht kwam terwijl Abia leefde; en de Heer sloeg hem dat hij stierf. 21 Toen nu Abia machtig werd, nam hij veertien vrouwen, en verwekte tweeentwintig zonen en zestien dochters. 22 Wat er nu meer van Abia te zeggen is, en zijne wegen en zijn doen, dat is |
2 XEONIEKEN 14.
863
|
beschreven in het verhaal van den profeet Iddo. HOOFDSTUK 14. 1 En Abia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in Davids stad; en zijn zoon Asa werd koning in zijne plaats. In zijne dagen was het lanrl tien jaar in rust. 3 En Asa deed hetgeen recht was en den Heer zijnen God behaagde; 3 want hij deed de vreemde altaren en de hoogten weg, en verbrak de standbeelden, en hieuw de gewijde bosschen om; 4 en hij gebood Juda dat zij den Heer, den God hunner vaderen, zoeken en naaide wet en het gebod doen zouden. 5 En hij deed uit al de steden van Juda de hoogten en de afgoden weg; en het koninkrijk was in rust onder hem. 6 En hij bouwde vaste steden in Juda, dewijl het land in rust en er geen oorlog tegen hem. was in die jaren; want de Heer gaf hem rust. |
7 En hij sprak tot Juda: Laat ons deze steden bouwen , en er muren omheen trekken, en torens, poorten en grendels [maken),, terwijl het land nog het onze is; want wij hebben den Heer onzen God gezocht, en hij heeft ons rust gegeven rondom. Alzoo bouwden zij en hadden voorspoed. 8 En Asa had een heir-leger dat schild en spies droeg, uit Juda driehonderdduizend, en uit llenja-min, die schilden droegen en die met den boog schieten konden, tweehonderdtachtigduizend ; en d e allen waren dappere helden. 9 En Zerah de Moor trok tegen hen uit met een heir-leger van duizendmaal duizend [man] en driehonderd wagens, en hij kwam tot Maresa toe. 10 En Asa trok tegen hem uit, en zij rustten zich toe tot den strijd in het dal Zefatha bij Maresa. 11 En Asa riep den Heer zijnen God aan en sprak: Heer, bij u is geen onderscheid, te helpen door den sterke of door dengeen die geen kracht heeft: help ons. Heer onze God, want wij verlaten ons op u, en in uwen naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; Heer onze God, tegen u vermag geen mensch iets. 12' En de Heer slo^g de Mooren voor Asa en voor Juda, dat zij vloden. |
28
2 KllONIEKEN 15,
|
r 13 En Asa benevens het volk dat bij hem was joegen hen achterna totGerar toe; en de Mooren vielen, zoodat er van hen niet één in leven bleef; want zij werden geslagen voor den Heer en voor zijn heirleger. En zij maakten zeer veel buit. 14 En hij sloeg alle steden rondom Gerar, want de verschrikking des Hee-ren kwam over hen; en zij plunderden al die steden, want er was veel buit in. 15 Ook sloegen zij de hutten van het vee, en voerden schapen in menigte en kameelen weg, en kwamen weder te Jeruzalem. HOOFDSTUK 15. 1 En de Geest Gods kwam op Azaria den zoon Van Oded; - 3 die ging Asa tegemoet en sprak tot hem: Hoort mij, Asa en geheel Juda en Benjamin, de Heer is met ulieden terwijl gij met hem zijt; en als gij hem ■zoekt, zoo zal hij zich van u laten vinden, maar is het dat gij hem verlaat, zoo zal hij u ook verlaten. 3 In Israël zijn vele dagen voorbijgegaan zonder den waren God, zonder onderwijzenden priester en zonder wet. |
4. En als zij in hunnen nood zich tot den Heer, den God van Israël, bekeerden en hem zochten, dan liet hij zich van hen vinden. 5 Maar in dien tijd ging het niet wel aan wie uiten ingingen; want er waren groote beroerten onder allen die op de aarde wonen, 6 en het ééne volk versloeg het andere en de ééne stad de andere; want God verschrikte hen met allerlei angst.- 7 Daarom weest gij kloekmoedig, en laat uwe handen niet slap worden, want uw werk heeft zijn loon. 8 Toen nu Asa deze woorden en de profetie van \(len zoon van] Oded, den profeet, hoorde, werd hij kloekmoedig, en deed de gruwelen weg uit het geheele land van Juda en Benjamin, en uit de steden die hij genomen had op het gebergte van Efraïm; en hij vernieuwde den altaar des Heeren die vóór het voorhuis des Heeren stond. 9 En hij vergaderde geheel Juda en Benjamin, en met hen de aangekome-nen uit Efraïm, Manasse en Simeon; want in menig- |
2 KEONIEKEN 16.
867
|
te vielen zij hom toe uit Israël, toen zij zagen dat de Heer zijn God met hem was. 10 En zij werden vergaderd te Jeruzalem in de derde maand in liet vijftiende jaar der regeering van Asa, 11 en zij otterden opdien dag den Heer zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen van den buit dien ïij hadden aangebracht. 12 En zij traden in het verbond om den Heer, den God hunner vaderen, te zoeken met hun gansche hart en ziel; 13 en al wie den Heer, den God van Israël, niet zoeken zou , die zou sterven, beide klein en groot, zoo man als vrouw. 14 En zij zwoeren den Hoer met eene luide stem, met gejuich, met trompetten en bazuinen. 15 En geheel Juda was vroolijk wegens den eed; want zij hadden gezworen met hun gansche hart, en zij zochten hem met al hunnen wil; en hij liet zich van hen vinden, en de Heer gaf hun rust van rondom. |
16 Ook ontnam de koning Asa zijne moeder Maacha alle gezag, omdat zij in een bosch eergt; verschrikke-lijken afgod gemaakt had; en Asa roeide haren ver-schrikkelijken afgod uit, eu verbrijzelde hem en verbrandde hem aan de beek Kidron. 17 Maar de hoogten in Israël werden niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa oprecht zijn leven lang. 18 En hij bracht het zilver , het goud en de vaten, die zijn vader geheiligd en die hij zelf geheiligd had, in het huis Gods. 19 En er was geen oorlog tot in het vijfendertigste jaar der regeering van Asa. HOOFDSTUK 16. 1 In het zesendertigste jaar der regeering van Asa trok Baësa de koning van Israël tegen Juda op, en versterkte llama, opdat hij Asa den koning van Juda zou beletten uit- en inte-trekken. 3 Maar Asa nam zilver en goud uit den schat van het huis des Heeren en van het huis des konings, en zond tot Benhadad den koning van Syrië die te Damascus woonde, en liet aan hem zeggen; '6 Er is een verbond tus-schen mij en u, tusschen mijnen vader en uwen va- |
2 KEONIEKEN 16.
868
|
der; daarom heb ik u zilver en goud gezonden, opdat gij liet verbond met Bai;sa den koning van Israël zoudt vernietigen, opdat hij van mij terugtrekke. 4 En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond zijne heirvorsten tegen de steden van Israël, en zij veroverden Ijon, Dan en Abel-Maïm, en al de korensteden van Naftali. 5 En toen Baësa dit hoorde , hield hij op Eama t3 versterken, en staakte zijn werk. 6 En de koning Asa nam bij zich geheel Juda, en zij droegen de steenen en het hout van Kama, waarmede Baësa bouwde, weg, en hij versterkte daarmede Geba en Mizpa. 7 Te dier tijd kwam Ha-nani de ziener tot Asa den koning van Juda, en sprak tot hem; Omdat gij u op den koning van Syrië verlaten hebt, en u niet hebt verlaten op den Heer uwen God, zoo is de macht des koniugs van Syrië uit uwe hand ontkomen. 8 Waren niet de Mooren en r'e Libyers eene groote menigte met zeer vele wagens tn ruiters? Nochtans gaf Js Heer hen in uwe hand, toen gij u op hem verliet. |
9 Want de oogen des Heeren gaan over alle landen , om te sterken degenen die van ganscher harte met hem zijn: gij hebt dwaas gedaan, daarom zult gij ook van nu af oorlog hebben. 10 Maar Asa werd toornig op den ziener, en wierp hem in de gevangenis, want hij was verbitterd tegen hem over deze zaak; en Asa onderdrukte eenigen van het volk in dien tijd. 11 De geschiedenissen nu van Asa, zoo de vroegere als de latere, zie, die zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël. 12 En Asa werd krank aan zijne voeten in het negenendertigste jaar zijner regeering, en zijne krankheid nam zeer toe; doch hij zocht ook in zijne krankheid den Heer niet, maar de medicijnmeesters. 13 Alzoo ontsliep Asa met zijne vaderen, en hij stierf in het eenenveertigste jaar zijner regeering; 14 en men begroef hem in zijn graf hetwelk hij zich had laten bouwen in Davids stad, en zij leiden hem op zijne legerstede, die men gevuld had met goed reukwerk en allerlei specerijen, naar kruid mengerskunst gemaakt; en men brandde |
|
eene zeer groote branding voor hem. HOOFDSTUK 17. 1 En zijn zoon Josafat werd koning in zijne plaats; en hij werd machtig boven Israël. 2 En hij leide krijgsvolk in al de vaste steden van Juda, en stelde ambtlieden in het land van Juda, en in de steden van Efraïm die ziin vader Asa veroverd had. 3 En de Heer was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen van zijnen vader David, en zocht de Baiils niet, 4 maar hij zocht den God zijns vaders en wandelde naar zijne geboden, en niet naar de werken van Israël. 5 Daarom bevestigde de Heer hem het koninkrijk, en geheel Juda gaf Josafat geschenken, en hij had rijkdom en eer in menigte. 6 En toen zijn hart moedig werd op de wegen des Heeren, deed hij vervolgens de hoogten en de gewijde bosschen uit Juda weg. 7 In het derde jaar zijner regeering zond hij zijne vorsten, Benhaïl, Obadja, Ze-charja, Nethaneël en Micha-ja, dat zij onderwijs zouden geven in de steden van Juda; |
869 8 en met hen de Levieten, Semaja, Nethanja, Zebadja, Asaël, Semiramotli, Jonathan, Adoma, Tobia en Tob-Adonia; en met hen de priesters Elisama en Joram. 9 En zij leerden in Juda, en hadden liet wetboek des Heeren bij zich, en trokken rondom in al de steden van Juda en leerden het volk. 10 En de vrees des Heeren kwam over al de koninkrijken in de landen rondom Juda, zoodat zij niet streden tegen Josafat. 11 En de Filistijnen brachten Josafat geschenken en zilver tot schatting; en de Arabieren brachten hem zevenduizend zevenhonderd rammen en zevenduizend zevenhonderd bokken. 12 Alzoo nam Josafat toe en word steeds grooter; en hij bouwde in J uda kastee-len en korensteden. 13 En hij had veel voorraad in de steden van Juda, en strijdbare mannen en dappere lieden te Jeruzalem. 14 En dit was de telling naar hunne vaderlijke huizen. In Juda waren oversten over duizend: Adna de 'overste, en met hem waren driehonderdduizend dappere lieden; 3 KRONIEKEN 17. |
EKEN 18.
3 KRONI
870
|
15 naiist hem was Johanan de overste, en met hem waren tweehonderdtaclitigdui-zend; 16 naast hem was Amasia de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan den Heer had toegewijd, en met hem waren tweehonderdduizend dappere lieden. 17 Van Benjamins kinderen was Eljada, een dapper held, en met hem waren tweehonderdduizend die met boog en schild toegerust waren ; IS naast hem was Jozabad, en met hem waren honderdtachtigduizend toegerust tot den strijd. 19 Deze allen dienden den koning, behalve die de koning nog gelegd had in de vaste steden in geheelJnda. HOOFDSTUK 18. 1 En Josafat hadgrooten rijkdom en groote eer; en hij verzwagerde zich met Achab. 2 En na twee jaren trok hij af tot Achab naar Sama-rië; en Achab liet voor hem en voor het volk dat bij hem was vele schapen en runderen slachten; en hij overreedde hem dat hij naar Ea-moth in Gilead zou optrekken. |
3 En Achab de koning van Israel sprak tot Josafi.it den koning van Juda: Wilt gij met mij trekken naar Eamoth in Gilead? En hij sprak tot hem: Ik ben als gij, en mijn volk als uw volk; wij zullen met uzijn in den strijd. 4 En Josafat sprak tot den koning van Israël: Vraag toch heden het woord des Heeren. 5 En de koning van Israël vergaderde de profeten, vierhonderd man, en sprak tot hen: Zullen wij tegen lia-moth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, God zal ze in de hand des konings geven. 6 Toen zeide Josafat: Is hier niet nog een profeet des Heeren, dat wij hem vragen ? 7 En de koning van Israël sprak tot Josafat: Er is nog één man om den Heer te vragen , namelijk Micha-ju de zoon van Jimla; doch ik ben toornig, op hem, want hij profeteert mij niets goeds, maar altijd kwaad. En Josafat zeide: Hat de koning alzoo niet spreke. 8 Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en sprak: Breng Michaju den zoon van Jimla schielijk hier. 9 l)e koning van Israël |
3 KllONIEKEN 18.
871
|
nu en Josafat de koning van Juda zaten elk op zijnen troon, bekleed met liunne staatsiekleederen, en zij zaten op het plein aan den ingang der poort van Sama-ric; en al de profeten proteerden voor hen. 10 En Zedekia de zoon van Kenaana had zieli ijzeren horens gemaakt, en sprak: Dus spreekt de Heer: Hiermede zult gij de Syriërs stooten, totdat gij hen vernield hebt. 11 En al de profeten profeteerden aldus, zeggende: Trek op naar Eamoth in Gilead, en wees gelukkig; de Heer zal ze in de hand des konings geven. 13 En de bode die heengegaan was om Michaju te roepen sprak tot hem, zeggende: Zie, de redenen der profeten zijn eenparig goed voor den koning: laat nu uw woord ook ziju als van elk hunner, cn spreek wat goeds. 13 Doeh Michaju zeide; Zoo waarachtig als de Heer leeft, ik zal spreken hetgeen mijn God zeggen zal. 14; En toen hij tot den koning kwam, sprak de koning tot hem: Michaju, zullen wij naar Eamoth in Gilead trekken om te strijden, of zal ik het nalaten? |
En hij sprak: Trekt op, gij zult voorspoedig ziju, want zij zullen in uwe hand gegeven worden. .15 Maar do koning zeide tot hem: Ik bezweer u nog eens, dat gij mij niets zegt dan de waarheid in den naam des Heeren. 16 Toen zeide hij: Ik zag geheel Israël verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de Heer sprak: Hebben deze geen heer ? Een ieder keere Weder naar zijn huis in vrede. 17 Toen sprak de koning van Israël tot Josafat: Heb ik u niet gezegd, dat hij over mij niets goeds profer teert, maar enkel kwaad? 18 En hij sprak: Hoort dan het woord des Heeren. Ik zag den Heer zitten op zijnen troon, en al het heir des hemels staande aan zijne rechter- en zijne linkerhand. 19 Eu de Heer sprak: Wie wil Achab den koning van Israël overreden, dat hij optrekke en valle te lla-moth in Gilead? En de een zeide dit cn de ander dat. 2U Toen ging er een geest uit. en trad voor den Heer, en sprak: Ik wil hem overreden. Eu de Heer zeide tot hem: Waardoor? |
2 KRONIEKEN 18.
873
|
21 En liij sprak: Ik wil uitgaan en zal een valsolie geest zijn in den mond van al zijne profeten. Eu hij zeide: Gij zult hem overreden en zult liet uitrichten; ga uit en doe akoo. 33 Nu zie, de Heer heeft een valschen geest gegeven in den mond van deze uwe profeten, en de Heer heeft kwaad over u gesproken. 33 Toen trad Zedekia de zoon van Kenailna toe en sloeg Michaju op de kinnebak , en zeide: Door welken weg is de Geest des Heeren van mij geweken om tot u te spreken? 34 En Michaju sprak: Zie, gij zult het zien op dien dag als gij van de eene kamer in de andere zult gaan om u te verbergen. 35 En de koning van Israël zeide: Neemt Michaju en brengt hem terug tot Anion den overste der stad, en tot Joas den zoon des konings; 36 en zegt: Dus spreekt de koning: Zet dezen in de gevangenis, en spijst hem met brood en water der verdrukking, totdat ik wederkom met vrede. 37 En Michaju sprak: Komt gij met vrede weder, zoo heeft de Heer door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort mij, alle volken. |
38 Toen trok de koning van Israël met Josafat den koning van Juda op naar Banioth in Gilead. 39 En de koning van Israël zeide tot Josafat: Als ik mij zal vermomd hebben, zal ik in den strijd komen; maar gij, houd uwe kleederen aan. En de koning van Israël vermomde zich, eu zij kwamen in den strijd. 30 De koning van Syrië nu had aan do oversten over zijne wagens geboden: Gij zult niet strijden tegen klein noch groot, maar tegen den koning van Israël alleen. 31 Toen nu de oversten der wagens Josafat zagen, zeiden zij: Het is de koning van Israël; en zij omsingelden hem om hem te bevechten. Maar Josafat riep, en de Heer hielp hem en God wendde hen van hem af; 33 want toen de oversten der wagens zagen dat hij de koning van Israël niet was, keerden zij zich van hem af. 33 Maar een man spande den boog bijgeval, en trof den koning van Israël tus-schen de samenvoegingen van het harnas. En hij |
2 KRONIEKEN 19.
873
|
sprak tot zijnen wagenmenner: Wend uwe hand en voer mij uit liet leger, want ik ben gewond. 34 En de strijd nam toe op dien dag; en de koning van Israël stond op zijnen wagen tegenover de Syriërs tot den avond toe, en hij stierf tegen zonsondergang. HOOFDSTUK 19. 1 Doch Josafat do koning van Juda keerde in vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem. 2 En Jehu de zoon van Hanani, de ziener, ging hem tegemoet en sprak tot den koning Josafat: Zult gij zoo den goddelooze helpen, en liefhebben wie den Heer haten? Daarom is de toorn des Heeren op u. 3 Maar er ij nog iets goeds aan u gevonden, dat gij de gewijde bosschen hebt uitgeroeid uit het land, en uw hart gesteld hebt om God te zoeken. 4 Alzoo bleef Josafat te Jeruzalem. En hij toog weder uit onder het volk, van liei-Sóba af tot op het gebergte van Efraïm, en bracht hen weder tot den Heer, den God hunner vaderen. 5 En hij stelde rechters aan in het land, in al de vaste steden van Juda, van stad tot stad. |
6 En hij zeide tot de rechters: Ziet toe hoe gij handelt; want gij houdt het gericht niet den menschen maar den Heer, en hij is bij u in het gericht. 7 Daarom laat de vrees des Heeren bij u zijn, en geeft acht op wat gij doet; want bij den Heer onzen God is geen onrecht noch aanzien des persoons noch aanneming van geschenken. 8 Ook stelde Josafat te Jeruzalem eenigen uit de Levieten en priesters, en uit de hoofden der vaderen in Israël, over het gericht des Heeren en allerlei rechtzaken, en liet hen te Jeruzalem wonen. 9 En hij gebood hun, zeggende: Doet aldus in de vreeze des Heeren, getrouw en met een oprecht hart; 10 in alle rechtzaken die tot u komen van uwe broeders die in hunne steden wonen, over bloed en bloed, over wet en gebod, over Inzettingen en rechten, zult gij hen vermanen, dat zij niet schuldig worden jegens den Heer, en er geen toorn over u en uwe broeders kome: aldus zult gij doen om zelve niet schuldig te worden. |
2 KRONIEKEN 20.
874
|
11 Zie, Amarja de hooge-priester is over u in alle zaken des Heeren, en Ze-badja de zoön van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaken des ko-nings; ook hebt gij ambt-lieden, de Levieten, met u; weest kloek en doet het, en de Heer zal met den goede zijn. HOOFDSTUK 20. 1 Nadezen kwamen de kinderen Moabs, de kinderen Amnions, en met lien een deel der Amunieten, om tegen Josafat te strijden. 2 En men kwam en maakte het aan Josafat bekend, zeggende: Er komt eene groote menigte tegen u van gene zijde der zee, van Syrië; en zie, zij zijn te Ha-zezon-Tamar, dat is Engédi. 3 Toen vreesde Josafat, en stelde zijn aangezicht om den Heer te zoeken; en hij liet een vasten uitroepen in geheel Juda. 4 En Juda kwam tezamen om den Heer te zoeken ^ ook kwamen er veleli uit al de steden van Juda om den Heel- te zoeken. 5 En Josafat trad onder de gemeente van Juda en Jeruzalem in het huis des Heeren, voor het nieuwe voorhof; |
ö en hij sprak: Heer, God onzer vaderen, zijt gij niet God in den hemel en heer-scher over al de koninkrijken der volken ? En in uwre hand is kracht en macht, en niemand is er die tegen u bestaan kan. 7 Hebt gij, onze God, dé inwoners van dit land niet verdreven voor uw volk Israël , en hebt het gegeven aan het zaad van Abraham, die u liefhad, eeUwiglijk'? 8 opdat zij daarin zouden wonen, en dat zij daarin voor u en uwen naam een heiligdom zouden bouwen, zeggende: Si quot;Wanneer een ongeluk, het zwaard, straf, pest of duurte over ons komt, zoo zullen wij staan voor dit huis en voor u, want uw naam is in dit huis, en zullen roepen tot u in onzen nood, zoo zult gij hooren en helpen. 10 En nu zie, de kinderen van Amnion, van Moab, en die van het gebergte Seïr, door wie gij de kinderen Israels niet trekken liet toen zij uit Egypteland trokken, waarom zij van hen afweken en hen niet ver*-delgden, 11 zie, nu vergelden zij het ons, en komen om ons nittestooten uit uw erf, het- |
3 KEONIEKEN 30.
875
|
welk gij ons tot eene erfenis hebt gegeven. 13 Onze God, wilt gij geen reclit tegen hen oefenen? Want in ons is geen kracht tegen deze groote menigte die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zien op n. 13 En geheel Juda stond voor den lieer, met hunne kinderen, vrouwen en zonen. 14 En op Jahaziël, don zoon van Zeeharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jeïël, den zoon van Mat-tanja, een Leviet uit de zonen van Asaf, kwam de Goest des Heeren midden in de gemeente, 15 en hij sprak: Merkt op, geheel Juda, en gij inwoners van Jeruzalem, en gij koning Josafat, dus spreekt de Heer tot ulie-den: Gij zult niet vreezen noch versaagd zijn voor deze groote menigte, want gij strijdt niet, maar God. 16 Morgen zult gij tot hen aftrekken; zie, zij trekken op bij Ziz, en gij zult bij hen komen aan het einde des dals, vóóraan de woestijn van Jeruël. |
17 Want gij zult indezen niet te strijden hebben: treedt slechts heen en staat, en ziet het heil des Heeren die met u is, o Juda en Jeruzalem; vreest niet en versaagt niet, trekt morgen tegen hen uit, want de Heer is met u. 18 Toen boog Josafat zich met zijn aangezicht ter aarde, en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor den Heer en aanbaden den Heer, 19 en do Levieten uit do kinderen der Kohathieten en uit de kinderen der Ko-rachieten stonden op om den Heer, den God van Israël, te loven, met een groot gejuich ten hemel. 20 En zij stonden des morgens vroeg op, en trokken uit naar de woestijn van ïekóa; en toen zij uittrokken stond Josafat en sprak: Hoort naar mij, Juda en gij inwoners van Jeruzalem; vertrouwt vast op den Heer uwen God, en gij zult veilig zijn; gelooft zijne profeten , en gij zult geluk hebben. 31 En hij onderwees het volk, en stelde zangers voor den Heer, dat zij loven zouden in heilig sieraad, en trekken vóór de gewapende u , zeggende: Looft den Heer, want zijne barmhartigheid duurt eeuwiglijk. 33 En toen zij aanvingen | met juichen en loven, stelde |
2 KRONIEKEN 20.
876
|
de Heer eene liinderlaag tegen de kinderen van Amnion , van Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda getogen waren; en zij werden geslagen. 23 Want de kinderen van Ammon en van Moab stonden op tegen die van het gebergte Seïr, om hen te verbannen en te verdelgen; en toen zij die van het gebergte Seïr allen vernield hadden, hielpen zij de één den ander ten verderve. 24 Toen nu Juda op de hoogte kwam aan de woestijn, wendden zij zich naar die menigte toe; en zie, toen lagen de doode lichamen op de aarde, zoodat er niet één ontkomen was. 35 En Josafat kwam met zijn volk om hunnen buit uittedeelen, en zij vonden onder hen zóóvele goederen en kleederen en kostelijk gereedschap hetwelk zij hun ontnamen, dat het niet te dragen was; en zij deelden drie dagen lang den buit uit, zóógroot was deze. 26 En op den vierden dag kwamen zij tezamen in het Lofdal; want aldaar loofden zij den Heer, vandaar noemt men die plaats het Lofdal tot op dezen dag. |
27 En al de mannen van Juda en Jeruzalem keerden weder, en Josafat aan de spits, om naar Jeruzalem te trekken met vreugde; want de Heer had hun vreugd gegeven wegens hunne vijanden. 28 En zij trokken Jeruzalem binnen met fluiten, harpen en trompetten tot het huis des Heeren. 29 En de verschrikking Gods kwam over al de koninkrijken dier landen, toen zij hoorden dat de Heer tegen Israels vijanden gestreden had. 30 Alzoo was het koninkrijk van Josafat in rust, want God gaf hem rust rondom. 31 En Josafat regeerde over Juda; hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem ; en zijne moeder was genaamd Azuba, de dochter van Silhi. 32 En hij wandelde op den weg van zijnen vader Asa, en week daarvan niet af, zoodat hij deed hetgeen den Heer behaagde. 33 Slechts werden de hoogten niet weggedaan, want het hart des volks was nog niet bestendig gericht tot den God hunner vaderen. 34 Wat er nu meer van Josafat te zeggen is, zoo |
3 K11 ONI EKEN 21.
877
|
het vroegere als het latere, zie, dat is geschreven in de geslaehtboeken vanJehuden zoon van Hanani, welke hij opgeteekend heeft in het boek der koningen van Israël. 35 Daarna vereenigde Jo-safat de koning van Juda zich met Ahazia den koning van Israël, die goddeloos was in zijn doen. .36 En hij vereenigde zich niet hem om schepen te maken die naar ïarsis zouden varen; en zij maakten de schepen te Ezeon-Geber. 37 Doch Eliëzer de zoon van Dodava, uit Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vereenigd hebt, zoo heeft de Heer uw werk verijdeld. En de schepen werden verbrijzeld en konden niet naar ïarsis varen. HOOFDSTUK 21. 1 En Josafat ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in Davids stad; en zijn zoon Joram werd koning in zijne plaats. 3 En hij had broeders, zonen van Josafat: Azarja, Jehiël, Zecharja, Azarjahu, Michaël en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat den koning van Juda. |
3 En hun vader gaf hun vele geschenken van zilver, goud en kleinoodiën. met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij aan Joram, want deze was de eerstgeborene. 4 Toen nu Joram gevestigd was in het koninkrijk zijns vaders, en machtig werd, doodde hij al zijne broeders met het zwaard, en ook eenigen der oversten in Israël. 5 Tweeëndertig jaar was Joram oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem. 6 En hij wandelde op den weg der koningen van Israël , zooals Achabs huis gedaan had; want eene dochter van Achab was zijne vrouw; en hij deed hetgeen den Heer mishaagde. 7 Maar de Heer wilde Davids huis niet verderven, om het verbond dat hij met David gemaakt had, en vermits hij gesproken had om hem en zijnen kinderen altoos een schijnsel te geven. 8 In zijnen tijd vielen de Edomieten af van Juda, en stelden een koning over zich aan. 9 En Joram was doorgetrokken met zijne oversten en al de wagens met hem; en hij had zich des nachts |
2 KRONIEKEN 31.
S78
|
opgemaakt, en liad de Edo-mieten die liem omringden en de oversten der wagens geslagen. 10 Daarom vielen de Edo-mieten af van Juda tot op dezen dag. Op denzelfdeu tijd viel ook Libna van hem af; want hij verliet den Hoer, den God zijner vaderen. 11 Ook maakte lüj hoogten op de bergen in Juda, en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereereu, en verleidde Juda. 13 Toen kwam er een geschrift van den profeet Elia tot hem, dat luidde aldus; Zuó spreekt de Heer, de God vau uwen vader David: Omdat gij niet gewandeld hebt op de wegen van uwen vader Josatat, noch op de wegen van Asa den koning van Juda, 13 maar gewandeld hebt op den weg der koningen van Israël, en gemaakt dat Juda en de inwoners van Jeruzalem hoereeren, gelijk het huis van Achab gehoereerd heeft, en daarenboven uwe broeders van uws vaders huis gedood hebt, die beter waren dan gij, — 14 zie, zoo zal do Heer u met eene groote plaag slaan aan uw volk, aan uwe kinderen, aan uwe vrouwen en aan al uwe have; |
15 en gij zult eene zware krankheid hebben in uw ingewand, totdat uw ingewand vanwege de krankheid uitgaan zal van dag tot dag. 16 Alzoo verwekte de Heer tegen Joram den geest der Eilistijnen en dor Arabieren die aan de zijde der Moo-ren wonen; 17 en zij trokken op tegen. Juda en braken daarin door, en voerden alle have weg die er was in het huis des konings, benevens zijne zonen en zijne vrouwen, zoodat hem geen zoon overbleef dan Joahaz zijn jongste zoon. 18 En na dit alles sloeg de Heer hem in zijn ingewand met zulk eene krankheid , dat zij niet te genezen was; 19 en toen dat duurde van dag tot dag, totdat de tijd van twee jaren om was, toen ging zijn ingewand van hem met zijne krankheid , en hij stierf in groote pijnen; en zij maakten voor hem geen branding gelijk zij voor zijne vaderen gedaan hadden. 20 Tweeëndertig jaar was hij oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem; en hij ging heen zonder betreurd |
3 KRONIEKEN 33.
879
|
te worden, en zij begroeven liem in Davids stad, maar niet in de graven der koningen, HOOFDSTUK 22. 1 En de inwoners vau Jeruzalem maakten Aliazia zijnen jongsten zoon koning in zijne plaats; want d^ krijgslieden, die met de Arabieren in het leger kwamen , hadden al de ouderen gedood. Alzoo werd Ahazia, de zoon van Joram, koning van Juda. 3 Tweeënveertig jaar was Ahazia oud toen hij koning-werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd Atlia-lia, de dochter van Oinri. 3 En bij wandelde óók op de wegen van het huis van Aeliab, want zijne moeder zette hem daartoe aan, dat hij goddeloos werd. 4 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals het huis van Achab; want deze waren zijne raadgevers na zijns vaders dood, hem ten verderve. 5 En hij wandelde naar hunnen raad, toen hij met Joram den zoon van Achab, den koning van Israël, ten strijde trok naar Eamoth in Gilead, tegen Hnzaël den koning van Syrië; maar de Syriërs sloegen Joram, |
6 zoodat hij omkeerde om zich te laten genezen te Jizreül; want hij had wonden die hem geslagen waren te Barna, toen hij streed met Hazaël den koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Joram den koning van Juda, trok af om Joram den zoon van Achab, die te Jizreël krank lag, te bezoeken. 7 Doch dat ongeval was Ahazia van God toegevoegd, opdat hij tot Joram zou komen; en alzoo trok hij met Joram uit tegen Jehu den zoon van Nirasi, dien de Heer gezalfd had om het huis van Achab uitte-roeien. 8 Toen nu Jehu straf oefende aan het huis van xVchab, vond hij eenigè oversten uit Juda, en de zonen der broeders van Ahazia, die Ahazia dienden, en hij doodde hen. 9 En hij zocht Ahazia óók, en zij grepen hem daar hij zich verstoken had te Sa-marië; en hij werd tot Jehu gebracht, die doodde hem, en men begroef hem; want zij zeiden; Hij is de zoon van Josafat die den Heer zocht van ganscher harte. En er was niemand meer |
2 KRONIEKEN 23.
880
|
van liet huis van Ahazia die koning kon worden. 10 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en poogde het geheele koninklijke geslacht van het huis van Juda omtebrengen. 11 Doch Josabath, de koningsdochter, nam Joas den zoon van Aliazia, en stal hem weg uit de kinderen des konings die gedood werden, en bracht hem met zijne voedster in de slaapkamer. Alzoo verborg hem Josabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jojada, (zij die Ahazia's zuster was), voor Athalia, zoodat hij niet gedood werd. 12 En hij werd bij hen in het huis Gods verstoken zes jaar, terwijl Athalia koningin was in het land. HOOFDSTUK 23. 1 In het zevende jaar nu greep Jojada moed, en nam de oversten over honderd, namelijk Azarja den zoon van Jeroham, Ismacl den zoon van Johanan, Azarja den won van Obed, Maa-seja dan zoon van Adaja, en Llisafat den zoon van Zichri, met zich in een verbond. |
2 Die trokken rond in Juda, en brachten de Levieten bijéén uit al de steden van Juda, en de hoofden der vaderen in Israel; en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En de geheele gemeente maakte een verbond in het huis Gods met den koning. En hij sprak tot hen: Zie, des konings zoon zal koning zijn, zooals de Heer gesproken heeft aangaande de zonen van David. 4 Zoo zult gij nu aldus doen: het derde gedeelte van u, die op den sabbat den dienst hebben, zal zijn onder de priesters en Levieten die deurwachters zijn aan den drempel. 5 en het derde gedeelte in het huis des konings, en het derde gedeelte aan de poort Jesod; maar al het volk moet in het voorhof van het huis des Hee-ren zijn. 6 En dat niemand in het huis des Heeren ga, dan de priesters en Levieten welke dienen: die zullen ingaan, want zij zijn heilig; en al het volk neme de wacht des Heeren waar. 7 En de Levieten zullen zich scharen rondom deu koning, elk met zijne wapenen in de hand; en wie in het huis gaat, 'die zij |
3 KRONIEKEN 23.
881
|
een man des doods; en zij zullen bij den koning zijn als hij uit- en ingaat. 8 En de Levieten en geheel Juda deden zooals de priester .Tojada geboden had, en elk nam zijne lieden die op den sabbat optrokken, met degenen die op den sabbat aftrokken; want de priester Jojada liet die twee hoopen niet van elkander komen. 9 En de priester Jojada gaf den oversten over honderd spiesen en schilden en wapenen van den koning David, die in het huis Gods waren; 10 en hij stelde al het volk, elk met zijne wapenen in de hand, van den rechterhoek van het huis af tot den linkerhoek toe, naar den altaar en naar het huis, rondom den koning. 11 En zij brachten den zoon des konings uit, en zetteden hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en maakten hem koning; en Jojada benevens zijne zonen zalfden hem en spraken; Heil den koning! |
12 Toen nu Athalia hoorde het geroep des volks dat toeliep en den koning toejuichte, ging zij tot het volk in het huis des Hee-13 en zij zag, en zie, de koning stond op zijne plaats aan den ingang, en de oversten en de trompetters rondom den koning, en al het landvolk was vroolijk en blies de trompetten, en de zangers met allerlei speeltuig , geschikt tot lofgezang: toen scheurde zij hare kleederen en riep: Verraad, verraad! li Maar de priester Jojada kwam uit met de oversten over honderd die over het heir waren, en sprak tot hen: Leidt haar het huis uit tusschen de gelederen; en wie haar volgt, dien zal men met het zwaard dooden. Want de priester had bevolen dat men haar in het huis des Heeren niet dooden zou. 15 En zij sloegen de handen aan haar; en toen zij kwam aan den ingang van de poort der paarden aan het huis des konings, werd zij aldaar gedood. 16 En Jojada maakte een verbond tusschen zich en al het volk en den koning, dat zij het volk des Heeren zouden zijn. 17 Toen ging al het volk in het huis van Baill, en zij braken het af, en zijne altaren en beelden verbrijzelden zij, en doodden Mat- |
2 KRONIEKEN 84.
883
|
tan, Baak priester, vóór de altaren. 18 En Jojada bestelde de ambten in het huis des Heeren onder de priesters en Levieten, die David aangesteld had in het huis des Heeren, om den Heer brand-oöers te oft'eren, zooals geschreven stnat in de wet van Mozes, met vreugde en met liederen, naar de verordening van David. 19 En hij stelde de deür* wachters in de poort van het huis des Heeren, opdat er niets hetwelk op eeni-gerlei wijze onrein was zou inkomen. 30 En hij nam de oversten over honderd en de machtigen en heeren over het volk, en al het volk des lands, en voerde den koning af van het huis des Heeren, en zij brachten hem door de honge poort naar het huis des konings, en zij deden den koning op den koninklijken troon zitten. 21 En al hot volk des lands was vroolijk, en de stad was in rust, nadat Athalia met het zwaard gedood was. HOOFDSTUK 24. |
I Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd, en regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd. Zibja van Eer-Séba. 3 En Joas deed hetgeen den Heer behaagde, zoolang als de priester Jojada leefde. 0 En Jojada gaf hem twee vrouwen; en hij verwekte zonen en dochters. 1 Daarna nam Joas voor om het huis des Heeren te vernieuwen. 5 En hij verzamelde de priesters en de Levieten en sprak tot hen: ïrekt uit naar alle steden van Juda, en vergadert geld uit geheel Israël, om het huis uws Gods jaarlijks te verbeteren ; en haast u om dat te doen. Doch de Levieten haastten zich niet. 0 Toen riep de koning den hoogepriester Jojada en sprak tot hem: Waarom geeft gij geen acht op de Levieten, dat zij van Juda en Jeruzalem de schatting inbrengen welke Mozes de knecht des Heeren gesteld heeft, dat men die vergaderen zou in Israël voor de hut des stichts? 7 Want de goddelooze Athalia en hare zonen hebben het huis üods beschadigd, en al wat in het huis des Heeren geheiligd was |
ii
2 KEONIEKEN 2-i.
883
|
liebbon zij aan de Baüls besteed. 8 Toen beval de koning-dat men eane kist zou maken, en die zetten buiten aan de poort van liet huis des Heeren; 9 en hij liet in Juda en Jeruzalem uitroepen, dat men voor den ïleer zou opbrengen de schatting van Mozes den knecht Gods, aan, Israël opgelegd in de woestijn. 10 Toen verblijdden zich al de oversten en al liet volk, en brachten op en wierpen in de kist, totdat zij vol was. 11 En ten tijde dat men de kist zou doen voorbrengen door do Levieten, naar des konings bevel, als zij zagen dat er veel geld in was, zoo kwam de schrijver des konings en wie van don hoogepriester bevel had, en zij stortten het geld uit de kist, en brachten die weder op liare plaats; aldus deden zij alle dagen, zoodat zij geld in menigte samenbrachten ; 13 en de koning en Jojada gaven het aan de arbeiders die aan het huis des Heeren arbeidden, en deze huurden steenhouwers en timmerlieden om het huis des Heeren te vernieuwen, ook meesters in ijzer en koper om het huis des Heeren te verbeteren. |
13 En de arbeiders arbeidden, zoodat do verbetering van het werk toenam door hunne hand; en zij maakten het huis Gods geheel gereed en welinge-richt, en maakten het sterk. 14 En toen zij voleindigd hadden, brachten zij het overige geld voor den koning en Jojada; daarvan maakte men vaten voor het huis des Heeren, vaten tot den dienst en totbrandoiers, schalen, en gouden en zilveren gereedschap; en zij offerden brandoffers in het huis des Heeren altoos, zoolang als Jojada leefde. 15 En Jojada werd oud en verzadigd van leven, en stierf; hij was honderd en dertig jaar oud toon hij stierf. 1G Tin zij begroeven hem. in Davids stad bi] tie koningen, omdat hij welgedaan had aan Israël en aan God en zijn huis. 17 En na den dood van Jojada kwamen de oversten van Juda en bogen zich voor den koning neder; toen hoorde de koning naar hen. 18 En zij verlieten het huis van den Heer, den God hunner vaderen, en dienden de boschspdheden |
3 KRONIEKEN 24.
884
|
en de afgoden: toen kwam er groote toom over Jnda en Jeruzalem, om deze limine schuld. 19 En hij zond profeten tot hen, dat zij zich tot den Heer bekeeren zouden; en die betuigden tegen hen, maar zij leenden hun het oor niet. 30 En de Geest Gods kwam over Zacharia, den zoon van Jojada den priester; die trad op voor het volk en zeide tot hen: Dus spreekt God: Waarom overtreedt gij de geboden des Heeren? Gij kunt aldus niet gelukkig zijn; want gij hebt den Heer verlaten, nu zal hij u weder verlaten. 31 Maar zij maakten een verbond tegen hem en stee-nigden hem, naar het bevel des konings, in het voorhof van het huis des Heeren. 33 En de koning Joas dacht niet aan de barmhartigheid die zijn vader Jojada aan hem bewezen had, maar doodde zijnen zoon. ïoen deze nu stierf, sprak hij: He Heer zal het zien en zoeken. 33 En toen er een jaar om was, trok het heir der Syriërs tegen hem op, en zij kwamen in Juda en Jeruzalem , en brachten al de oversten van het volk om. |
en al hunnen buit zonden zij aan den koning van Damascus. 34! Want alhoewel de macht der Syriërs met weinig manschap gekomen was, zoo gaf nochtans de Heer in hunne hand eene zeer groote macht, omdat zij den Heer, den God hunner vaderen, verlaten hadden: alzoo oefenden zij straf aan Joas. 35 En toen zij van hem trokken, lieten zij hem in groote krankheid achter; en zijne knechten maakten een verbond tegen hem, om het bloed der zonen van Jojada den priester, en sloegen hem op zijn bed dat hij stierf; en men begroef hem in Davids stad, doch niet in de graven der koningen. 36 Die nu het verbond tegen hem gemaakt hadden waren deze: Zabad, de zoon van Simeath de Ammonie-tische, en Jozabad, de zoon van Simrith de Moabieti-sche. 37 Zijne zonen nu, en de som die onder hem vergaderd was, en de bouw van het huis Gods, zie, dat alles is beschreven in het verhaal van het boek der koningen. En zijn zoon Amazia werd koning in zijne plaats. |
3 KEONIEKEN 35.
885
|
HOOFDSTUK 25. 1 Amazia was vijfentwintig jaar oud toon hij koning-werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd Joaddan van Jeruzalem. 3 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, doch niet van ganscher harte. 3quot; Toen nu zijn koninkrijk machtig werd, doodde hij zijne knechten die zijnen vader den koning verslagen hadden; 4 doch hunne zonen doodde hij niet; want aldus staat geschreven in de wet in het boek van Mozes, waar de Heer gebiedt, zeggende: De vaders zullen niet sterven voor de kinderen, noch de kinderen voor de vaders, maar ieder zal om zijne eigene zonde sterven. 5 En Amazia bracht Juda bijéén, en stelde hen naar de huizen der vaderen, naaide oversten over duizend en over honderd, onder geheel Juda en lienjamin; en hij telde hen van twintig jaar af en daarboven, en bevond hen te zijn driehonderdduizend uitgelezenen die in het heir trekken en spiesen en schilden voeren konden. |
6 Daarbij huurde hij uit Israël honderdduizend dappere krijgslieden voor honderd talenten zilver. 7 Toen kwam er een man Gods tot hem, zeggende O koning, laat Israels heir niet met u komen; want de Heer is niet met Israël, noch met al de kinderen van Efraïm. 8 Maar mocht gij nochtans komen om eene stoutheid te betoonen in den strijd, zoo zal God u laten vallen voor uwe vijanden; want bij God staat de kracht om te helpen en om te laten vallen. 9 En Amazia sprak tot den man Gods: Wat zal men dan doen met de honderd talenten die ik voor de krijgsknechten van Israël gegeven heb? En de man Gods zeide: De Heer heeft nog meer dan dit om u te geven. 10 ïoen scheidde Amazia de krijgsknechten af, die tot hem uit Efraïm gekomen waren, opdat zij naar hunne plaats zouden heengaan, ïoen ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij trokken weder naar hunne plaats in grimmigen toorn. 11 En Amazia greepmoed, en leidde zijn volk uit, en trok uit naar het Zoutdal, |
3 KRONIEKEN 23.
|
en versloeg tienduizend van de kinderen van Seïr; 12 en de kinderen van Juda namen tienduizend levend gevangen, en voerden hen op de spits eener steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots, dat zij allen berstten. 13 Maar de krijgsknechten die Amazia had doen tevug-keeren, opdat zij niet met zijn volk in den strijd zouden trekken, deden een inval in de steden van Juda, van Samarië af tot Betk-Horon toe, en versloegen van hen drieduizend, en namen een grooten buit weg. 14 Eu toen Amazia wederkwam van het verslaan der Edomieteu, bracht hij de goden der kinderen van Seïr mede, eu stelde zich die tot goden, eu boog zich voor hen, en wierookte huu. 15 Toen ontstak de toorn des Heeren over Amazia, en hij zond een profeet tot hem, die tot hem zeide: Waarom zoekt gij de goden van dat volk, die hun volk niet konden redden uit u-we hand? 16 En toen hij met hem sprak, zeide hij tot hem: Heeft men u tot des ko-nings raadgever gemaakt? |
Houd op: waarom wilt gij geslagen zijn? Toen hield (le profeet op, en zeide: Ik merk wel dat God besloten heeft u te verderven, omdat gij dit gedaan hebt, en niet luistert naar mijnen raad. 17 En Amazia de koning van Juda werd te rade dat hij zond tot Joas, den zoon van Joahaz den zoon van Jehu, den koning van Is.-raël, en liet aan hem zeggen; Kom, laat ons elkander onder de oogen zien. 18 Maar Joas de koning van Israël zond tot Amazia den koning van Juda, en liet aan hem zeggen: De doornstruik op den Libanon zond tot den ceder op den Libanon en liet aan hem zeggen ; Geef uwe dochter aan mijnen zoon tot vrouw. Maar het gedierte des velds op den Libanon liep over den doornstruik en vertrad dien. 19 Gij denkt: Zie, ik heb de Edomieteu geslagen; daarom verheft zich uw hart eu zoekt roem: maar nu, blijf tehuis; waarom staat gij naar ongeluk, dat gij valt en Juda met u? 20 Maar Amazia gaf geen gehoor; want het geschiedde van God dat zij gegeven werden in 'Jtunne] hand, |
2 KRONIEKEN 26.
887
|
omdat zij de goden der Edomieten gezoclit hadden. 21 Toen trok Joas de ko^-ning vnn Israël op, en zij zagen elkander onder de oogen, hij en Amazia de koning van Juda, te Beth' Seines in Juda. 22 En Juda werd geslagen voor Israël, en zij vloden een ieder naar zijne hut. 23 En Joas de koning van Israël greep Amazia den koiiing van Juda, den zoon van Joas den zoon van Joa-haz, te Beth-Semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en brak de muren van Jeruzalem af, van de poort van Efraïm af tot anh de Hoekpoort, vierhonderd el lang; 24 en hij nam al het goud en zilver en al de vaten die gevonden werden in het huis Gfods bij Obed-Edom, en in den schat van des konings huis, alsook de kinderen tot een onderpand, en trok weder naar Samaric. 25 En Amazia de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas den zoon van Joahaz, den koning van Israël, vijftien jaar. 26 Wat er nu meer van Amazia te zeggen is, zoo het vroegere als het latere, zie, dat is geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël. |
27 En van den tijd af dat Amazia van den Heer afweek, maakten zij een verbond tegen hem te Jeruzalem , zoodat hij vluchtte naar Lachis; toen vervolgden zij hem tot Lachis, en doodden hem aldaar. 2S En zij vervoerden hem met paarden, en begroeven hem bij zijne vaderen in de stad van Juda. HOOFDSTUK 26. 1 Toen nam al het volk van Juda Uzzia, die zestien jaar oud was, en maakte hem koning in plaats van zijnen vader Amazia. 2 Deze Versterkte Eloth, en bracht het weder aan Juda, nadat de koning met zijne vaderen ontslapen was. 'ó Zestien jaar was Uzzia oud toen hij koning werd, en regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd Je-cholia van Jeruzalem. 4 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, zooals zijn vader Amazia gedaan had. 5 Eu hij zocht God, zoolang als Zacharia, de onderwijzer in de gezichten Gods, leefde; en zoolang als hij |
|
Heer zoclit, liet God zijn. 6 En hij trok uit en streed tegen de Filistijnen, en verbrak den muur van Gath en den muur van Jabnc en den muur van Asdod, en hij bouwde steden rondom Asdod en onder de Filistijnen. 7 quot;VYant God hielp hem tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren, tegen de bewoners van Gur-Bai'tl, en tegen de Meilnieten. 8 En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en hij werd vermaard tot in Egypte, want hij werd al sterker en sterker. 9 En üzzia bouwde torens te Jeruzalem, aan de Hoek-poort en aan de Dalpoort en aan de andere hoeken, en hij versterkte die. 10 Hij bouwde ook sterkten in de woestijn, en groef vele putten, want hij had veel vee, zoo in de lage landen als op de vlakke velden, ook akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en in Karmel; want hij had lust tot akkerwerk. 11 En Uzzia had eene macht van krijgsknechten tot den strijd, die ten strijde trokken naar het getal hun- 888 den hem gelukkio- monstering , geschied Jeiel |
door de hand den schrijver en van Maa-seja den ambtman, onder het bevel van Hananja, een van de oversten des ko-nings. 12 En het getal van de hoofden der vaderlijke huizen, onder de dappere krijgslieden , was tweeduizend en zeshonderd. 13 En onder hun bevel was eene krijgsmacht van driehonderdzevenduizend en vijfhonderd, ten strijde geschikt , krachtig in het heir, om den koning te helpen tegen de vijanden. 14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het gansche heir, schilden, spiesen, helmen, harnassen, bogen en slin-gersteenen. 15 En hij maakte te Jeruzalem kunstige werktuigen die op de torens en hoeken zijn zouden, om te werpen met pijlen en groote steenen. En zijn gerucht ging wijd uit, omdat hij wonderbaar geholpen werd, zoodat hij machtig was. 16 En toen hij machtig geworden was, verhief zijn hart zich tot zijn verderf; want hij vergreep zich aan den Heer zijnen God, en ging in den tempel des Heeren om te wierooken op den reukaltaar. 17 Doch de priester Azarja 2 KRONIEKEN 26. |
2 KKONIEKEN 27.
889
|
ging liem achterna, en tachtig priesters des Heeren met hem, dappere lieden; 18 en zij wederstonden den koning Uzzia en spraken tot hem: Het betaamt u niet, Uzzia, dat gij wierookt voor den Heer, maar de priesters, Aarons zonen, die tot het wierooken geheiligd zijn; ga uit het heiligdom, want gij vergrijpt u, en het zal u geen eer zijn voor God den fleer. 19 Maar Uzzia werd toornig , en had een reukvat in de hand; en toen hij tegen de priesters morde, brak de melaatschheid uit aan zijn voorhoofd, voor de oogen der priesters, in het huis des Heeren, vóór den reukaltaar. 20 En Azarja de opperste priester zag op hem, en al de priesters, en zie, toen was hij melaatsch aan zijn voorhoofd; en zij stieten hem vandaar, en hij haastte zich ook zelf om uittegaan, want zijne plaag was van den Heer. 21 Alzoo was de koning Uzzia melaatsch tot aan zijnen dood, en woonde melaatsch in een afzonderlijk huis, want hij werd afgesneden van het huis des Heeren; en zijn zoon Jo-tham was over des konings huis, en richtte het volk in het land. |
22 Wat er nu meer van Uzzia te zeggen is, zoo het vroegere als het latere, dat heeft de profeet Jesaja de zoon van Amoz beschreven. 23 En Uzzia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem bij zijne vaderen, op den akker bij de begraafplaats der koningen; want, zeiden zij, hij was melaatsch. En zijn zoon Jo-tham werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 27. 1 Jotham was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd Jerusa de dochter van Za-dok. 2 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, zooals zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij niet in den tempel des Heeren ging; en het volk bleef bedorven. 3 Hij bouwde de hooge poort aan het huis des Heeren , en den muur van Ofel bevestigde hij zeer; 4 en hij bouwde steden op het gebergte van Juda, en in de wouden bouwde hij sterkten en torens. 5 En hij streed tegen den |
2 KRONIEKEN
89Ö
|
koning der kinderen Amnions, en hij had de overhand over hen, zoodat de kinderen Amnions hem in dat jaar gaven honderd talenten zilver, tienduizend kor tarwe en tienduizend kor gerst; zooveel gaven hem de kinderen Ammons ook in het tweede en in het derde jaar. 6 Alzoo werd Jotham machtig; want hij richtte zijne wegen voor den Heer zijnen God. 7 Wat er nu meer van Jotham te zeggen is, en al zijn strijden en zijne wegen, zie, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Jiula. 8 Vijfentwintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem. V En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in Davids stad-; en zijn zoon Aohaz werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 28. 1 Achaz was twintig jaar oud toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem. En hij deed niet Jietgeen den Heer behaagde, zooals zijn vader David, 3 maar hij wandelde in de wegen der koningen van |
Israël; daarbij maakte hij ook gegoten beelden voor de Baals, 3 en hij wierookte in het dal der kinderen van Hin-uom, en verbrandde zijne zonen met vuur, volgens de gruwelen der volken die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had; 4 en hij otterde en wierookte op de hoogten cn op de heuvelen en onder alle groene boomen. 5 Daarom gaf de Heer ziju God hem in de hand des konings van Syrië, dat zij hem sloegen, en eene groote menigte van de zijnen gevankelijk wegvoerden en naar Damascus brachten. Ook werd hij gegeven in de hand des konings van Israël, zoodat die een groeten slag aan hein deed. 6 quot;VYant Pekah de zoon van Eemalia sloeg van J uda honderdtwintigduizend op éénen dag, die allen dappere lieden waren; omdat zij den Heer, den God hunner vaderen, verlaten hadden. 7 En Zichri, een dapper man in Efraïm, doodde Maaseja den zoon des konings , en Azrikam den opzichter van het paleis, en Elkana den tweede na den konino'. |
3 KRONIEKEN 28.
S91
|
8 En de kinderen Israels voerden gevankelijk weg van liunne broeders twee-lionderddukend vrouwen, zonen en dochters, en namen ook grooten buit van hen, en brachten den buit naar Samarië. 9 Aldaar nu was een profeet des Heeren, Oded genaamd; die ging uit, het heir dat te Samarië kwam tegemoet, en sprak tot hen: Ziequot;, omdat do lieer, de God uwer vaderen, op Juda toornig is, heeft hij hen in uwe handen gegeven; maar gij hebt hen gedood koo gruwelijk dat het tot den hemel reikt. 10 Nu denkt gij de kinderen van Juda en Jeruzalem u te onderwerpen tot knechten en dienstmaagden: is dit dan geen schuld bij u tegen den Heer uwen God ? 11 Zoo hoort nu naar mij, en brengt de gevangenen, die gij hebt weggevoerd van uwe broeders, weder terug; want de toorn des Heeren is over u ontstoken. 13 Toen maakten zich ecni-gen van de voornaamsten der kinderen Efraïms op, Azarja de zoon van Johanan, Berechja de zoon van Mesil-lemoth, Jehizkia de zoon van Sallum, en Amasa de zoon van Hadlai, tegen degenen die uit het heir kwamen, |
13 en zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen; waut gij denkt slechts schuld voor den Heer over ons 'te brengen', om onze zonde en onze schuld deste groo-ter te maken; en de schuld is alreeds teveel, en de toorn tezeer ontstoken over Israël. 14 Toen lieten de gehar-nasten de gevangenen en den buit voor de oversten en voor de geheele gemeente. 15 Toen stonden de mannen op die reeds met name genoemd zijn, en namen de gevangenon; en allen die onder deze naakt waren, kleedden zij van den buit; zij kleedden hen, en trokken hun schoeisel aan, en gaven hun te eten en te drinken, en zalfden hen, en voerden allen die zwak waren op ezels, en brachten hen naar Jericho, de palmstad, bij hunne broeders, en keerden weder naar Samarië. 16 Te dier tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden, 17 vermits ook de Edomie-ten gekomen waren en Juda geslagen en eenigen gevankelijk weggevoerd hadden. 18 Ook sloegen de 1'ilis-tijnon zich neder in de ste- |
2 KRONIEKEN 39.
893
|
den op de lage landen en tegen net zuiden van Juda, en namen Beth-Sémes in, en Ajjalon, Gederoth en Soclio met hare onderhoo-rige plaatsen, en Timna met hare onderhoorige plaatsen, en Gimzo met hare onderhoorige plaatsen, en woonden daarin. 19 Want de Heer verootmoedigde Juda om Achaz den koning van Juda, omdat hij Juda afvallig gemaakt had, zoodat het zich vergreep aan den Heer. 30 En Tilgath-Pilnéser de koning van Assyriü kwam tot hem; die benauwde hem, en ondersteunde hem niet. 31 Want Achaz nam een gedeelte van het huis des Heeren, en van het huis des konings, en van de oversten, om het den koning van Assyric te geven; maar hij hielp hem niet. 33 Zelts in zijnen nood ging de koning Achaz nog voort zich aan den Heer te vergrijpen; 33 en hij offerde den goden van Damascus die hem geslagen hadden •, en sprak : De goden der koningen van Syrië helpen hen, daarom wil ik hun offeren, opdat zij mij óók helpen; — daar zij nochtans hem en geheel Israël ten val waren. |
34 En Achaz deed de vaten van het huis Gods weg, en verbrak de vaten van het huis Gods, en sloot de deuren van het huis des Heeren toe, en maakte altaren in alle hoeken van Jeruzalem ; 25 en in de steden van Juda, hier en daar, maakte hij hoogten om anderen goden te wierooken, en verwekte den Heer, den God zijner vaderen, tot gramschap. 36 Wat er nu meer van hem te zeggen is, en al zijne wegen, zoo de vroegere als de latere, zie, dat is geschreven in het boek dei-koningen van Juda en Israël. 37 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Jeruzalem , maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israël. En zijn zoon Hizkia werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 29. 1 Hizkia was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was genaamd Abia de dochter van Zacha-ria. 3 En hij deed hetgeen den |
2 KEONIEKEN 29.
893
|
Heer behaagde, zooals zijn vader David. 3 Hij deed de deuren van het huis des Heeren open in de eerste maand van het eerste jaar zijner regeering, en herstelde ze. 4 En hij bracht de priesters en Levieten daarin, en verzamelde hen op de breede straat tegen het oosten. 5 En hij zeide tot hen: Hoort mij, gij Levieten: heiligt u nu, opdat gij het huis van den Heer, den God uwer vaderen, heiligt; en doet de onreinheid weg uit het heiligdom. 6 Want onze vaderen hebben zich vergrepen, en gedaan hetgeen den Heer onzen God mishaagt, en hebben hem verlaten; want zij hebben hun aangezicht van de woning des Heeren afgewend , en haar den rug toe- :ekeerd; 7 en zij hebben de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitge-bluscht, en geen reukwerk aangestoken, en geen brand-oft'er geoflerd in het heiligdom van den God van Israël. 8 Daarom is de toorn des Heeren over Juda en Jeruzalem gekomen, en hij heeft hen gegeven in verstrooiing en verwoesting, zoodat men ze beschimpt, gelijk gij met uwe oogen ziet. |
9 Want zie, deswege zijn onze vaders gevallen door het zwaard, en zijn onze zonen en dochters en vrouwen weggevoerd. 10 Nu heb ik in den zin een verbond te maken met den Heer, den God van Israël, opdat zijn toorn en zijne gramschap zich van ons afwende. 11 Nu dan mijne zonen, weest niet traag; want de Heer heeft u verkoren om vóór hem te staan en zijne dienaars en wierookers te zijn. 12 Toen maakten zich de Levieten op, Mahath de zoon van Amasai, en Joël de zoon van Azarja, uit de zonen der Kohathieten; en uit de zonen van Merari, Kis de zoon van Abdi, en Azarja de zoon van Jehalle-leël; en uit de Gersonieten, Joah de zoon van Zimma, en Eden de zoon van Joah; 13 en uit de zonen van Eli-zafan, Simri en Jeïël; en uit de zonen van Asaf, Ze-charja en Mattanja; 14 en uit de zonen van Heman,. Jehiël en Simeï; en uit de zonen van Jedu-tbun, Semaja en Uzziël. 15 En zij vergaderden |
2 KEONIEKEN 39.
89-1
|
liuime broeders, en heiligden zich, en gingen daarin, naar het gebod des konings volgens het woord des Hee-ron, om het huis des Heeren te reinigen. 10 En de priesters gingen binnen in het huis des Heeren om het te reinigen; en zij brachten alle onreinheid, die in den tempel des Heeren gevonden werd, naar het voorhof van het huis des Heeren; en de Levieten namen die op en droegen ze uaarbuiten naar de beek Kidron. 17 En zij begonnen op den eersten dag der eerste maand zich te heiligen, en op den achtsten dag der maand gingen zij in hot voorhuis des Heeren, en heiligden het huis des Heeren in acht dagen, en' voleindigden het op den zestienden dag der eerste maand. 18 En zij gingen binnen tot den koning Hizkia en spraken: Wij hebben het geheele huis des Heeren gereinigd, den brandofferaltaar en al zijn gereedschap, de tafel der tooubrooden en al haar gereedschap; 19 en al de vaten die de koning Achaz, toen hij koning was, weggeworpen had, toen hij zich bezondigde, die hebben wij bereid en geheiligd: zie, zij zijn vóór den altaar des Heeren. |
30 Toen maakte de koning Hizkia zich vroeg op en verzamelde de oversten dei-stad, en ging op naar het huis dos Heeren. 31 En zij brachten aldaar zeven varren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitebokken, tot een zond-otier voor het koninkrijk, voor het heiligdom en voor Juda; en hij sprak tot de priesters, de zonen van Aaron, dat zij oü'eren zouden op den altaar des Heeren. 23 Toon slachtten zij de runderen, en de priesters namen het bloed en sprengden het op den altaar; en zij slachtten de rammen, en sprengden het bloed op den altaar; en zij slachtten dc lammeren, en sprengden het bloed op den altaar. 23 En zij brachten de bokken tot een zondoffer, voor den koning en de gemeente, die leiden hunne handen op dezelve; 2'i en de priesters slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op den altaar, om geheel Israël te verzoenen; want de koning had bevolen brandoffers en zondofiers te offeren voor geheel Israël. 25 Kn hij stelde de Levie- |
2 KEONIEKEN 29.
893
|
ten in liet liuis des Heeren, met cimbalen, fluiten en harpen, zooals David bevolen had, en Gad de ziener des konings, en de profeet Nathan; want het was het gebod des Heeren door zijne profeten. 26 En de Levieten stonden met het speeltuig van David, en de priesters met trompetten. 27 En Hizkia beval het brandoüer te otteren op den altaar; en op den tijd dat men het brandoüer begon, begon ook het gezf.ng des Heeren met de trompetten, gepaard met de speeltuigen van David den koning van Israël; 28 en de geheele gemeente boog zich neder, en het gezang der zangers en het trompetten der trompetters duurde totdat het brandolfer verricht was. 29 Toen nu het brandoüer verricht was, boog de koning zich, en allen die bij hem waren, en zij aanbaden. 30 En de koning Hizkïa, benevens de oversten, beval den Levieten den Heer te loven met de gedichten van David en van Asaf den ziener; en zij loofden nust vreugde, en bogen zich en aanbaden. |
81 En Hizkïa antwoordde en sprak: Nu hebt gij uwe handen gevuld voor den Heer, treedt toe, en brengt herwaarts de slachtott'ers en lofoffers tot het huis des Heeren. En de gemeente bracht slachtoffers en lof-otters, en iedereen bracht brandoffers uit een gewillig hart. 32 En het getal der brand-oüers welke de gemeente aanbracht was zeventig runderen, honderd rammen, en tweehonderd lammeren; en dat altemaal tot een brandoffer voor den Heer. 33 En zij heiligden nog zeshonderd runderen en drieduizend schapen. 34 Doch er waren priesters te weinig, en zij konden van alle brandoffers do huid niet aftrekken; daarom namen zij hunne broeders de Levieten te hulp, totdat het werk verricht was en totdat de priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten heiligden zich met een meer oprecht hart dan de priesters. 35 Ook waren de brandoffers veel, met het vet der dankoffers, en met de drankotters bij de braudoliers. Alzoo .werd liet ambt aan het huis des Heeren vastgesteld. 3ö En Hizkia verblijdde |
2 KKONIEKEN 30.
896
|
zich met al het volk over hetgeen God voor het volk bereid had; want het geschiedde schielijk. HOOFDSTUK 30. 1 En Hizkia zond heen tot geheel Israël en Juda. en schreef brieven aan Efraïm. en Manasse, dat zij naar het huis des Heeren te Jeruzalem zouden komen, om den Heer, Israëls God, het pascha te houden. 3 En de koning hield raad met zijne oversten en de geheele gemeente te Jeruzalem , om het pascha te houden in de tweede maand; 3 want zij konden het op den bepaalden tijd niet houden , omdat er van de priesters niet genoeg geheiligd waren, en het volk nog niet tezamengekomen was te Jeruzalem. 4 En het behaagde den koning en de geheele gemeente. 5 En zij stelden vast dat het uitgeroepen zou worden in geheel Israël, van Ber-Seba af tot Dan toe, dat zij komen zouden om den Heer, Israëls God, het pascha te houden te Jeruzalem ; want het was in lang niet gehouden zooals het geschreven staat. |
6 En de loopers gingen heen met de brieven van de hand des konings en zijner oversten, in geheel Israël en Juda, op bevel des konings, en spraken: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot den Heer, den God van Abraham, Isailk en Israël, zoo zal hij zich keeren tot de overgeblevenen die nog onder u overgebleven zijn van de hand der koningen van Assyrië. 7 En weest niet gelijk uwe vaders en broeders, die zich aan den Heer, den God hunner vaderen, vergrepen hebben — waarom hij hen gaf tot eene verwoesting, zooals gij ziet. 8 Weest dan nu niet halsstarrig gelijk uwe vaders, maar geeft uwe hand den Heer, en komt tot zijn heiligdom hetwelk hij geheiligd heeft eeuwiglijk, en dient den Heer uwen God; zoo zal de grimmigheid zijns toorns zich van u afwenden. 9 Want indien gij u bekeert tot den Heer, zoo zullen uwe broeders en u-we kinderen barmhartigheid vinden bij degenen die hen gevangen houden , zoodat zij weder in dit land zullen komen; want de Heer uw God is genadig en barmhartig, en zal zijn aange- |
2 KRONIEKEN 30.
897
|
zicht niet van u afwenden, zoo gij u tot hem bekeert. 10 En de loopers gingen van de ééne stad tot de andere, in het land van Efraïm en Manasse en tot Zebulon toe; maar zij belachten en bespotteden hen. 11 Eenigen nochtans uit Aser en Manasse en Zebulon verootmoedigden zich, en kwamen naar Jeruzalem. 12 Ook was Gods hand in Juda, dat hij hun gaf éénerlei hart om te doen naar het gebod des konings en der oversten, en naar het woord des Heeren. 13 En er kwam eene groo-te menigte bijéén te Jeruzalem, om het- feest dei-ongezuurde brooden te houden in de tweede maand , eene zeer groote gemeente. 14 En zij maakten zich op en deden de altaren die te Jeruzalem waren weg, en al het reukwerk deden zij weg en wierpen het in de beek Kidron. 15 En zij slachtten het pascha op den veertienden dag der tweede maand; en de priesters en de Levieten bekenden hunne schande en heiligden zich, en brachten de brandoffers in het huis des Heeren. |
16 En zij stonden op hunnen post zooals het behoort, volgens de wet van Mozes den man Gods, en d.e priesters sprengden het bloed uit de hand der Levieten. 17 Want velen waren er in de gemeente die zich niet geheiligd hadden: daarom slachtten de Levieten de paaschlammeren voor allen die niet rein waren, opdat zij den Heere geheiligd wierden. 18 Ook was er veel volk uit Efraïm, Manasse, Issa-schar en Zebulon, die niet rein waren, doch zij aten het pascha niet zooals geschreven staat. Maar Hizkia bad voor hen, en sprak: De Heer, die goedertieren is, zal genadig zijn jegens 19 allen die hun hart schikken om God den Heer, den God hunner vaderen, te zoeken, ofschoon niet naar de heiligheid der reiniging. 20 En de Heer verhoorde Hizkia en genas het volk. 21 Alzoo hielden de kinderen Israels die te Jeruzalem gevonden werden het feest der ongezuurde brooden, zeven dagen, met groote vreugde; en de Levieten en priesters loofden den Heer alle dagen, met sterk-klinkende speeltuigen des Heeren. |
29
3 KRONIEKEN 31.
898
|
33 En Hizkia sprak bemoedigend met al de Levieten die een goed inzicht hadden in do konnis des Hee.ren; en zij aten gedurende hot teest zeven dagen, en otterden dankoffers, en dankten den Heer, den God hunner vaderen. 33 En de geheele gemeente vond goed nog zeven dagen te houden, en zij hielden die zeven dagen ook met vreugde. 34 Want Hizkia de koning van Juda gaf tot een hei-otter voor de gemeente duizend varren en zevenduizend schapen, en de oversten gaven tot een hefoffer voor de gemeente duizend varren en tienduizend schapen; alzoo heiligden zich velen van de priesters. 35 En de geheele gemeente van Juda verblijdde zich, de priesters en de Levieten, en de geheele gemeente die uit Israël gekomen ivas, en de vreemdelingen die uit het land van Israël gekomen waren en die in Juda woonden. 36 En er was groote vreugde te Jeruzalem; want sedert den tijd van Salomo den zoon van David, den koning van Israël, was zoo iets te Jeruzalem niet geweest. |
37 En de priesters en de Levieten stonden op en zegenden het volk ; cn hunne stem werd verhoord, en hun gebed kwam tot zijne heilige woning in den hemel. HOOFDSTUK 31. 1 En toen dit alles voleindigd was, trokken alle Israëlieten uit, die in de steden van Juda gevonden werden, en verbraken de beeldzuilen, en hieuwen de gewijde bosschen om, en verbraken de hoogten en de altaren uit geheel Juda, Benjamin, Efraïm en Ma-nasse, totdat zij die geheel vernielden; en al de kinderen Israëls trokken weder naar hunne bezitting in hunne steden. 3 Hizkia nu stelde de priesters en de Levieten naar hunne afdeelingen, elk naar zijn ambt, zoo de priesters als ile Levieten, tot brandoffers en dankoffers; opdat zij dienen, danken cn loven zouden in de poorten van het leger des Hee-ren. 3 En de koning gaf een deel van zijne have tot brandoffers des morgens en des avonds, en tot brandoffers des sal)bats en der nieuwemaandagen en fees- |
a KRONIEKEN 31.
899
|
ten, zooals geschreven staat in de wet des Heeren. 4 Ea hij sprak tot het volk dat te Jeruzalem woonde, dat zij het deel zouden geven aan de priesters en Levieten; opdat zij deste sterker mochten vasthouden aan de wet des Heeren. 5 En toen dit woord algemeen hekend werd, gaven de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most, olie, honig en allerhande opbrengsten van het veld; en de tienden van alles brachten zij op in menig te. 6 En de kinderen van Israël en Juda die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van runderen en schapen, en tienden van het geheiligde hetwelk zij den Heer hunnen God geheiligd hadden, en maakten hier een hoop en daar een hoop. 7 In de derde maand begonnen zij hoopen te maken, en in de zevende maand voleindigden zij dit. 8 En toen Hizlda en de oversten kwamen en die hoopen zagen, loofden zij den Heer en zijn volk Israël, 9 en Hizkia vraagde aan de priesters en Levieten aangaande deze hoopen. |
10 En Azarja de priester, de voornaamste in het huis van Zadok, sprak tot hem: Sedert den tijd dat men begonnen heeft het hefoffer te brengen in het huis des Heeren, hebben wij gegeten en zijn verzadigd geworden, en er is nog veel overgebleven ; want de Heer heeft zijn volk gezegend, daarom is deze groote menigte overgebleven. 11 Toen beval de koning-dat men kamers bereiden zou aan het huis des Heeren; en zij bereidden ze, 12 en brachten daarin het hefoffer, de tienden en het geheiligde, getrouwelijk; en over dat alles werd tot opziener gesteld Konanja de Leviet, en Simeï zijn broeder als tweede; 13 en Jehiël, Azazja, Na-hath, Asael, Jerimoth, Jo-zabad, Eliël, Jismachja, Mahath en Benaja, aan de hand van Konanja en van zijnen broeder Simeï, naar het bevel van den koning Hizkia; en Azarja was het opperhoofd in het huis Gods. li En Korc de zoon van Jimna, do Leviet, de deurwachter tegen het oosten, was over do vrijwillige gaven Gods, hem toevertrouwd , om uittedeelen hetgeen den Heer tot een hefoffer gegeven werd, en de allerheiligste zaken; |
900 2 KEONI
EKEN 33.
|
15 En onder hem stonden Eden, Minjamin, Jesüa, Semaja, Amarja enSeclian-ja, in de steden dei- priesters, op goed vertrouwen, om te geven aan hunne broeders naar hunne afdee-lingen, zoo den kleinste als den grootste; 1G alsook aan degenen die gerekend werden onder de mannelijke personen, van drie jaar oud en daarboven, onder allen die in het huis des Heeren gingen, elk op zijnen dag, tot hun ambt, in hunne wachten, naar hunne afdeelingen; 17 ook wie onder de priesters gerekend werden in het huis hunner vaderen, en de Levieten van twintig jaar en daarboven, in hunne wachten, naar hunne afdeelingen; 18 alsook wie gerekend werden onder hunne kinderen, vrouwen, zonen en dochters, onder de geheele gemeente; want zij heiligden getrouw het geheiligde. 19 Ook waren er mannen met name genoemd onder de zonen van Ailron, de priesters, op de velden der voorsteden in alle steden, om het aandeel te geven aan alle mannelijke personen onder de priesters, en aan allen die onder de Levieten gerekend werden. |
30 Alzoo deed Hizkia in geheel Juda; en hij deed wat goed, recht en waarachtig was voor de oogen van den Heer zijnen God; 31 en in al zijn werk dat hij begon aan den dienst van het huis Gods, naaide wet en het gebod, om zijnen God te zoeken, handelde hij van ganscher harte ; daarom had hij ook geluk. HOOFDSTUK 32. 1 Na deze verrichtingen en derzelver bevestiging kwam Sanheril) de koning van Assyrië en trok naar Juda, en legerde zich voor de vaste steden, en dacht ze tot zich af'tescheuren. 3 En toen Hizkia zag dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht gericht had om tegen Jeruzalem testrijden, 3 zoo hield hij raad met zijne oversten en machtigen, om de wateren der fonteinen die buiten de stad waren te stoppen, en zij hielpen hem daartoe; 4 en veel volk werd vergaderd, en stopte al de fonteinen, benevens de beek die midden door het land heenvloeit, zeggende; Waarom zouden de koningen |
2 KRONIEKEN 32.
901
|
van Assyric veel water vinden als zij komen? 5 En liij greep moed, en bouwde al de muren waar zij gesclieurd waren, en maakte torens daarop, en bouwde daarbuiten nog een anderen muur, en versterkte Millo aan de stad Davids, en maakte vele wapenen en schilden. 6 En liij stelde hoofdlieden tot den strijd over het volk, én vergaderde hen tot zich op de breede straat aan de poort der stad, en sprak hun moed in, zeggende; 7 VYeest moedig en dapper, vreest niet en versaagt niet voor den koning van Assyric, noch voor de geheele menigte die bij hem is; want er is een grooter met ons dan met hem: 8 met hem is een vleesche-lijke arm, maar met ons is de Heer onze God, om ons te helpen en onzen oorlog te voeren. En het volk verliet zich op de woorden van Hizki'a den koning van Juda. 9 Daarna zond Sanherib de koning van Assyric zijne knechten naar Jeruzalem (terwijl hij voor Lachislag, en zijne hoofdmacht met hem) tot Hizkïa den koning van Juda, en tot geheel Juda dat te Jeruzalem was, en liet aan hem zeggen: |
10 Dus spreekt Sanherib de koning van Assyric: Waarop verlaat gij u, dat gij in de belegerde vesting Jeruzalem blijft? 11 Laat Hizkia u niet overreden, om u door honger en dorst aan den dood overtegeven, zeggende: Do Heer onze God zal ons redden uit de hand des ko-nings van Assyric. 12 Is hij niet die Hizkia die zijne hoogten en altaren heeft weggedaan, en gezegd tot Juda en Jeruzalem: Voor éénen altaar zult gij u nederbuigen, en daarop wierooken ? 13 Weet gij niet wat ik en mijne vaderen gedaan hebben aan alle volken der landen? Hebben ook de goden van de volken dier landen hun land kunnen redden uit mijne hand? 14 Wie is er onder al de goden dier volken welke mijne vaderen verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijne hand? Zal dan uw God u kunnen redden uit mijne hand ? 15 Zoo laat Hizki'a u niet misleiden en u niet overreden , en gelooft hem niet; want is het dat geen god van eenig volk of konink- |
EKEN 33.
2 K HONI
903
|
rijk zijn volk uit mijne en mijner vaderen hand heeft kunnen redden, zoo zullen uwe goden u ook' niet redden uit mijne hand. 16 En nog meer dan dit spraken zijne knechten tegen den Heere God en tegen zijnen knecht Hizkia. 17 Ook schreef hij brieven om den Heer, Israels God, te hoonen, en tegen hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de molken der landen hun volk niet gered hebben uit mijne hand, zóó zal ook de God van Hizkia zijn volk niet redden uit mijne hand. 18 En zij riepen met luider stemme in het Joodsch tot het volk te Jeruzalem dat op den muur was, om hen vreesachtig te maken en te verschrikken, opdat zij de stad mochten innemen. 19 En zij spraken tegen den God van Jeruzalem als tegen de goden van de volken der aarde, het werk van menschenhanden. 30 Maar de koning Hizkia en de profeet Jesaja de zoon van Amoz baden daartegen, en riepen tot den hemel. |
31 En de Heer zond een Engel, die verdelgde aide machtigen des heirs en de vorsten en oversten in het leger des konings van As-syrlc, zoodat hij met schande weder naar zijn land trok; en toen hij in het huis zijns gods ging, velden hem aldaar met het zwaard die uit hem zelf waren voortgekomen. 23 Alzoo hielp de Heer Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand van Sanherib den koning van Assyrië en van alle anderen, en hij bevestigde huune bezitting van rondom; 33 zoodat velen den Heer geschenken brachten te Jeruzalem , en kleinoodicn aan Hizkia den koning van Ju-da; en hij werd daarna verheven voor de oogen van alle volken. 24 Op dien tijd werd Hizkia doodkrank, en hij bad tot den Heer: die beloofde en gaf hem een won-derteeken. 35 Maar Hizkia vergold niet de weldaad aan hem bewezen, want zijn hart verhief zich; daarom kwam er toorn over bom en over Juda en Jeruzalem. 26 Doch Hizkia verootmoedigde zich wegens de verheffing zijns harten, hij en de inwoners van Jeruzalem; daarom kwam de toorn des Heeren niet over hen terwijl Hizkia leefde. |
KRONIEKEN 33.
903
|
37 En llizkia liad zeer gTooten rijkdom en groote eer, en hij verzamelde zich schatten van zilver, goud, edelgesteenten, specerijen, schilden en allerlei kostelijk gereedschap, 38 alsmede voorraadsschu-ren voor de opbrengsten van koren, most en olie, en stallen voor allerlei vee, en kooien voor de schapen. 39 Ook bouwde hij ste-tlen, en had kudden van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem have in grooten. overvloed. 30 En hij is die llizkia die de hooge waterleidingen te Gihon stopte, en ze nederwaarts leidde rechtsaf naar het westen der stad van David; want llizkia was voorspoedig in al zijne werken. 31 Maar toen de gezanten der vorsten van Babel tot hem gezonden waren, om te vragen naar het wonder-teeken dat in het land geschied was, verliet God hem om hem te beproeven, opdat openbaar wierd al wat in zijn hart was. 33 Wat er nu meer van Hizkia te zeggen is, en zijne barmhartigheid, zie, dat is geschreven in het gezicht van den profeet Je-saja den zoon van Amoz, in het bock der koningen van .1 uda en Israël. |
33 En Hizkia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in het ver-hevenste van de graven dei-zonen van David; cn geheel Juda met de inwoners van Jeruzalem deden hem eer aan bij zijnen dood. En zijn zoon Manasse werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 33. 1 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem. 3 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, naar de gruwelen der volken die de Heer voor de kinderen Israels verdreven had. 3 En hij keerde zich af, en herbouwde de hoogten die zijn vader Hizkia afgebroken had, en richtte voor de Baals altaren op, en maakte gewijde bosschen; en hij boog zich neder vooral het heir des hemels en diende het. 4 En hij bouwde ook altaren in het huis des Hee-ren, waarvan de Heer gesproken had: Te Jeruzalem zal mijn naam zijn eeuwig-lijk. 5 En hij bouwde voor al |
3 KRONIEKEN 33.
904
|
het heir des hemels altaren in de twee voorhoven van het huis des Heeren. 6 En hij liet zijne zonen door het vuur gaan, in liet dal des zoons vanHinnom, en koos dagen, en gaf acht op vogelgesch reeuw en too-verij, en stelde waarzeggers en wichelaars aan, en deed veel wat den Heer mishaagde, om hem te vertoornen. 7 Ook zette hij een gesneden afgodsbeeld, hetwelk hij liet maken, in het huis Gods, waarvan de Heer tot David en tot zijnen zoon Salomo gezegd had: In dit huis eu te Jeruzalem, hetwelk ik verkoren heb uit al de stammen van Israël, zal ik mijnen naam stellen, eeu-wiglijk; 8 en ik zal Israels voet niet meer doen wijken uit het land hetwelk ik hunnen vaderen beloofd heb: indien zij slechts achtgeven om te doen alwat ik hun geboden heb, naar al de wetten, inzettingen en rechten door Mozes. 9 Maar Manasse verleidde Juda en de inwoners van Jeruzalem, zoodat zij erger deden dan de volken die de Heer voor de kinderen Is-raëls had uitgedelgd; 10 en als de Heer tot Manasse en zijn volk liet spreken, zoo gaven zij er geen acht op. |
11 Daarom liet de Heer hen overvallen door de vorsten van het heir des konings van Assyric; die namen Manasse gevangen met boeien, en bonden hem met twee koperen ketenen, en brachten hem naar Babel. 12 En toen hij in den angst was, smeekte hij voor den Heer zijnen God, en hij verootmoedigde zich zeer voor den God zijner vaderen. 13 En toen hij tot hem bad, verhoorde hij zijn smee-ken, en bracht hem weder naar Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de Heer God is. 14 Daarna bouwde hij de buitenste muren op van de stad Davids, van het westen van Gihon in het dal, tot aan den ingang van de Visoh-poort, en rondom Ofel, en maakte ze zeer hoog, en leide hoofdlieden in al de vaste steden van Juda. 15 En hij deed de vreemde goden en dat gesneden afgodsbeeld weg uit het huis des Heeren, en al de altaren die hij gebouwd had op den berg van het huis des Heeren en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. 16 En hij bouwde den al- |
EKEN 34.
3 KEONI
905
|
taar des Heeren op, en offerde daarop dankotters en lofoffers, en beval Juda dat zij den Heer, Israels God, dienen zouden. 17 Nochtans offerde het volk nog op de hoogten, hoewel aan den Heer hunnen God. 18 Wat er nu meer van Manasse te zeggen is, en zijn gebed tot zijnen God, en de woorden der zieners die tot hem gesproken hebben in den naam van den Heer, den God van Israel, zie, dat alles staat in de geschiedenissen der koningen van Israël; 19 en zijn gebed en smee-ken, en al zijne zonde en misdaad, en de plaatsen waar hij de hoogten bouwde en gewijde bosschen en afgoden stichtte, eer hij verootmoedigd werd , zie, dit alles is beschreven in de geschiedenissen der zieners. 20 En Manasse ontsliep met zijne ' vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijne plaats. 31 Tweeëntwintig jaar was Amon oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jeruzalem. |
33 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zooals zijn vader Manasse gedaan had; en Amon offerde aan alle afgoden die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze; 33 maar hij verootmoedigde zich niet voor den Heer, gelijk zijn vader Manasse zich verootmoedigd had; want hij, Amon, maakte de schuld zelfs grooter. 34 En zijne knechten maakten een verbond tegen hem, en doodden hem in zijn huis. 35 Toen versloeg het volk des lands allen die het verbond tegen den koning Amon gemaakt hadden, en het volk in het land maakte Josia, zijnen zoon, koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 34. 1 Josia was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde éénendertig jaar te Jeruzalem. 2 En hij deed hetgeen den Heer behaagde, en wandelde op de wegen van zijnen vader David, en week niet af noch ter rechter-noch ter linkerhand. 3 Want in het achtste jaar zijner regeering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God van zijnen vader David te zoeken; en in het twaalfde jaar be- |
3 KEONI
EKEN 34.
906
|
gon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten en de gewijde bosschen en de gesneden eri gegoten beelden. ■i En hij liet de altaren der Batils voor zich afbreken, en de zonnebeelden daarbovenop liet hij weghouwen , en de gewijde bosschen en de gesneden en gegoten beelden verbrak hij, en maakte ze tot stof, en strooide ze op de graven dergenen die hun geolïerd hadden; 5 en hij verbrandde het gebeente der priesters op de altaren, en reinigde alzoo Juda en Jeruzalem; 6 daarenboven m de steden van Manasse en Efraïm en Simeon, en tot Naftali toe, in hare bouwvallen rondom. 7 En toen hij de altaren en bosschen uitgeroeid, en de gesneden beelden verbrijzeld en vergruisd, en al de zonnebeelden afgehouwen had in het geheele land van Israël, kwam hij weder naar Jeruzalem. 8 In het achttiende jaar zijner regeering, toen hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan den zoon van Azalja, en Maaseja den overste dei-stad , en Joah den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis van den Heer zijnen God te verbeteren. |
9 En zij kwamen tot den hoogepriester Hilkia, en zij gaven het geld dat in het huis van God gebracht was, hetwelk de Levieten, die aan den drempel de wacht hielden, vergaderd hadden van Manasse en Efraïm, en van al de overgeblevenen in Israël, en van geheel Juda en Benjamin, en van degenen die te Jeruzalem woonden; 10 en zij gaven het in de hand der opzieners van het werk die besteld waren aan het huis des Heeren, en deze gaven het aan degenen die arbeidden aan het huis des Heeren, om te verbeteren wat bouwvallig was aan het huis; 11 voorts gaven zij het aan de timmerlieden en bouwlieden, om gehouwen steenen en geschaafd hout te koopen tot balken aan de huizen, die de koningen van Juda verdorven hadden. 13 En de mannen arbeidden aan het werk getrouwelijk; en over hen waren gesteld Jahath en Obadja, Levieten uit de zonen van Merari; Zecharja en Me-sullam, uit de zonen der Kohathieten, om het werk voorttezetten: en zij waren |
|
alien Levieten die op speeltuig konden \spélen\. 13 En over de lastdragers en aandrijvers tot allerlei arbeid in al de ambten waren uit de Levieten de schrijvers, ambtlieden en deurwachters. 14 En toen zij het geld uitnamen dat in het huis des Heeren gebracht was, vond Hilkia de priester het boek der wet des Heeren, door Mozes gegeven. 15 En Hilkia antwoordde en sprak tot Satan den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des Heeren. En Hilkia gaf dat boek aan Satan. 16 En Safan bracht het tot den koning, eu gat' den koning verslag, zeggende: Alwat aan uwe knechten is opgedragen, dat doen zij; 17 en zij hebben het geld tezamengestort dat in het huis des Heeren gevonden is, en hebben het gegeven aan degenen die aangesteld zijn en aan de arbeiders. 18 Eu Safan de schrijver gaf het den koning te kennen, zeggende: Hilkia de priester heeft mij een boek gegeven. En Safan las daaruit voor den koning. 19 Eu toen de koning de woorden der wet hoorde, scheurde hij zijne kleederen; |
'J07 20 en do koning gebood Hilkia, en Ahikara den zoon van Safiut, en Abdon den zoon van Micha, en Safan den schrijver, en Asaja den knecht des konings, zeggende : 21 Gaat heen, vraagt den Heer voor mij en voor de overgeblevenen in Israël en voor Juda, aangaande de woorden van het boek dat gevonden is; want de toorn des Heeren is groot die over ons ontstoken is, omdat onze vaderen het woord des Heeren niet onderhouden hebben, om te doen zooals in dit boek geschreven staat. 23 Toen ging Hilkia heen, benevens de anderen, van den koning gezonden, naar de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tokhath den zoon van Hasra, den kleederbewaarder, die te Jeruzalem woonde in het tweede gedeelte ; en zij spraken alzoo tot haar. 33 En zij zcide tot hen; Dus spreekt de Heer, Israels God: Zegt den man die nlieden tot mii gezonden heeft: 34.Dus spreekt do Heer: Zie, ik wil ongeluk over deze plaats en over hare inwoners brengen, al de 3 KRONIEKEN 34. |
2 KRONIEKEN 34.
908
|
vloeken die geschreven staan in het boek hetwelk men voor den koning van Juda gelezen heeft. 35 Omdat zij mij verlaten en anderen goden gewierookt hebben, om mij te vertoornen met allerlei werken hunner handen, daarom is mijn toorn ontstoken over deze plaats, en hij zal niet uitgebluscht worden. 26 Eti tot den koning van Juda, die u gezonden heeft om den Heer te vragen, zult gij aldus zeggen: Zóó spreekt de Heer, Israels God: Aangaande de woorden welke gij gehoord hebt: 37 omdat uw hart week geworden is en gij u verootmoedigd hebt voor God, toen gij zijne woorden hoor-det tegen deze plaats en tegen hare inwoners, en u voor mij verootmoedigd en uwe kleederen gescheurd en voor mij geweend hebt, zoo heb ik ook verhoord, spreekt de Heer. 38 Zie, ik wil u tot uwe vaderen vergaderen, dat gij met vrede in uw graf vergaderd wordt, opdat uwe oogen niet zien al het ongeluk hetwelk ik over deze plaats en over hare inwoners brengen zal. — En zij zeiden het den koning weder. |
39 Toen zond de koning heen en liet samenkomen alle oudsten in Juda en Jeruzalem. 30 En de koning ging op in het huis des Heeren, en alle mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de Levieten , en al het volk, zoowel klein als groot; en voor hunne ooren werden gelezen al de woorden van het boek des verbonds hetwelk in het hnis des Heeren gevonden was. 31 En de koning trad op zijne plaats, en maakte een verbond voor den Heer, dat men den Heer zou nawandelen, om zijne geboden, getuigenissen en rechten van ganscher harte en van gan-scher ziel te onderhouden, om te doen naar al de woorden des verbonds die geschreven stonden in dat boek. 33 En hij deed allen die in Jeruzalem en Benjamin gevonden werden staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen. 33 En Josia deed al de gruwelen weg uit alle landen die den kinderen Israels toebehoorden, en maakte dat allen .die in Israël ge- |
2 KRONIEKEN 3o.
909
|
vonden werden den Heer hunnen God dienden: zoo-knjr als Josia leefde, weken zij niet at' van den Heer, den God hunner vaderen. HOOFDSTUK 35. 1 En Josia hield den Heer het paaschfeest te Jeruzalem; en hij slachtte het pascha op den veertienden dag der eerste maand. 3 En hij stelde de priesters op hunne posten, en sterkte hen tot hun ambt in het huis des Heeren. 3 En hij sprak tot de Levieten, die geheel Israël leerden en den Heere geheiligd waren: Zet de heilige ark in het huis hetwelk Salomo, de zoon van David den koning van Israël, gebouwd heeft; gij zult ze niet meer op de schouders dragen: zoo dient nu den Heer uwen God en zijn volk Israël, 4 en bereidt de vaderlijke huizen in uwe afdeelingen, gelijk zij beschreven zijn (ioor David den koning van Israël en door zijnen zoon Salomo; 5 en staat in het heiligdom, naar de afdeelingen der vaderlijke huizen onder uwe broeders, uit het volk geboren, ook de afdeelingen der vaderlijke huizen onder de Levieten; |
6 en slacht het pascha, en heiligt en bereidt het voor uwe broeders, opdat zij doen naar het woord des Heeren door Mozes. 7 En Josia gaf tot een hefofter voor de kinderen des volks, lammeren en jonge geiten, alles voor het pascha, voor allen die aanwezig waren, ten getale van dertigduizend, en drieduizend runderen; en dat altemaal van de have des konings. 8 En zijne vorsten gaven tot een hefofler vrijwillig voor het volk, en voor de priesters en Levieten: namelijk Hillda, Zecharja en Jehiël, vorsten in het huis Gods onder de priesters, voor het pascha tweeduizend en zeshonderd lammeren en geiten, en driehonderd runderen ; 9 en Konanja, Semaja, Nethaneël, en zijne broeders Hasabja, Jeïël en Jo-zabad, oversten der Levieten, gaven tot een hefoffer aan de Levieten, voor het pascha, vijfduizend lammeren en geiten, en vijfhonderd runderen. 10 Al zoo werd de dienst beschikt; en de priesters stonden op hunne plaats en |
3 KEONIEKEN 35.
ill O
|
cle Levieten naar hunne afdeelingen, volgens het gebod des konings. 11 En zij slachtten liet pascha, en ile priesters sprengden van het bloed, en de Levieten trokken de huiden af. 13 En zij namen de brandoffers er af, opdat zij ze, naar de verdeeling der vaderlijke huizen, aan de kinderen des volks gaven om aan den Heer te offeren, gelijk geschreven staat in het boek van Mozes; zoo deden zij ook met de runderen. 13 En zij braadden het pascha aan liet vuur zooals het behoort; maar hetgeen geheiligd was kookten zij in potten, ketels en pannen; en zij bereidden het haastig voor de kinderen des volks. Ié En daarna bereidden zij ook voor zichzelve en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aaron, arbeidden aan het brandoffer en het vet tot in den nacht; daarom moesten de Levieten voor zichzelve en voor de priesters, de zonen van Aaron, bereiden. |
15 En de zangers, de zonen van Asaf, stonden op hunne plaats, naar het gebod van David en van Asaf en lieman en Jeduthun den ziener des konings, en de deurwachters aan al de poorten; en zij weken niet van hunnen post, want de Levieten hunne broeders bereidden voor hen. 16 Alzoo werd de geheele dienst des Heeren op dien dag beschikt, dat men het paaschfeest hield en brandoffers offerde op den altaar des Heeren, naar het gebod van den koning Josia. 17 Aldus hielden de kinderen Israels die tegenwoordig waren het pascha op dien tijd, en het feest der ongezuurde brooden, zeven dagen. 18 En er was geen pascha gehouden in Israël gelijk dit, sedert den tijd van den profeet Samuel; en geen koning van Israël bad een pascha gehouden gelijk Josia liet hield, en de priesters, de Levieten, geheel Juda en wat van Israël tegenwoordig was en de inwoners van Jeruzalem. 19 In het achttiende jaar der regeering van Josia werd dit paaschfeest gehouden. 20 Nadezen, toen Josia het huis toebereid had, trok Necho de koning van Egypte op om te strijden tegen Karkemis aan den |
2 KRONIEKEN 36.
911
|
Era tl I: on Josia irok uit, hem tegemoet. 31 Maar hij zond boden tot hem en liet hem zeggen : Wat heb ik met u te doen, gij koning van Juda? Ik kom nu niet tegen u, maar tegen een huis dat tegen mij krijgvoert, en God heeft gezegd dat ik mij moest haasten: laat af van God die met niij is, opdat hij u niet verderve. 23 Doch .losia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar stelde zieh om tegen hem te strijden, eu hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond Gods; en hij kwam om tegen hem te strijden op het vlakke veld bij Megiddo. 23 En de schutters schoten op den koning Josia; en de koning zeide tot zijne knechten: Voert mij weg, want ik ben zwaar gewond. 3i En zijne knechten namen hem van den wagen, en voerden hem op zijnen tweeden wagen, en brachten hem naar Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem droeg rouw over Josia. |
35 En Jeremia maakte een klaaglied op Josia; en alle zangers en zangeressen spraken in hunne klaagliederen over Josia, tot op dezen dag, en zij maakten dit tot eene inzetting in Israel; en zie, het is geschreven in do klaagliederen. 26 Wat er nu meer van Josia te zeggen is, en zijne barmhartigheid, naar hetgeen geschreven is in de wet des Hoeren, 27 en zijne geschiedenissen, zoo de vroegere als de Latere, zie, dat is geschreven in het boek dor koningen van Israël en Juda. HOOFDSTUK 3G. 1 En het volk des lands nam Joahaz den zoon van Josia, en zij maakten hem koning in zijns vaders plaats te Jeruzalem. 2 Drieëntwintig jaar was Joahaz oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. 3 Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem, en loide het land eene boete op van honderd talonten zilver en één talent goud; 4 en de koning van Egypte maakte Eljakim, zijnen broeder, koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijnen naam in Jojakim; en Neclio nam zijnen broeder Joahaz en voerde hem naar Egypte. |
1 KRONIEKEN 36.
913
|
5 Vijfentwintig jaar was Jojakim oud toen bij koning werd, en liij regeerde eÜ' jaar te Jeruzalem, en deed hetgeen den Heer zijnen God mishaagde. 6 En Nebukadnezar de koning van Babel trok tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. 7 Ook bracht Nebukadnezar sommige vaten van het huis des Heeren naar Babel, en stelde ze in zijnen tempel te Babel. 8 Wat er nu meer van Jojakim te zeggen is, en zijne gruwelen die hij deed, en wat er aan hem [strafbaars] gevonden werd, zie, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijne plaats. 9 Acht jaar was Jojachin oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem ; en hij deed hetgeen den Heer mishaagde. 10 En toen het jaar om was, zond Nebukadnezar en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des Heeren; en hij maakte Zedekia, zijnen broeder, koning over Juda en Jeruzalem. |
11 Éénentwintig jaar was Zedekia oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem. 13 En hij deed hetgeen den Heer zijnen God mishaagde, en verootmoedigde zich niet voor den profeet Jeremia, die uit den mond des Heeren sprak. 13 Daarenboven werd hij afvallig van Nebukadnezar den koning van Babel, die een eed bij God van hem genomen had; en hij werd hardnekkig en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den Heer, den God van Israël. 14 Ook al de oversten dei-priesters en het volk zondigden veel, naar allerlei gruwelen der volken, en zij verontreinigden het huis des Heeren hetwelk hij geheiligd had te Jeruzalem. 15 En de Heer, de God hunner vaderen, zond ijverig tot hen door zijne boden, want hij verschoonde zijn volk en zijne woning; IC maar zij bespotteden de boden Gods, en verachtten zijne woorden, en zochten zijne profeten te misleiden — totdat de toorn des Heeren over zijn volk wies, zoodat er geen genezen meer aan was. 17 Want hij bracht over |
2 KEONIEKEN 36.
913
|
lien den koning der Chal-deën, en liet hunne jonge manschappen dooden met het zwaard in het huis huns heiligdoms, en verschoonde noch jongelingen noch maagden , noch ouden noch grijsaards: hij gaf ze allen in zijne hand. 18 En alle vaten van het huis Gods, groote en kleine, de schatten van het huis des Heeren, en de schatten van den koning en zijne vorsten, alles liet hij naarBabel voeren 19 En zij verbrandden het huis Gods, en braken de muren te Jeruzalem ai', en al hare paleizen verbrandden zij met vuur, zoodat al haar kostelijk gereedschap verdorven werd. 20 En hij voerde gevankelijk naar Babel wat overgebleven was van het zwaard; en zij werden zijne en zijner zonen knechten, tot aan de heerschappij van het Perzische rijk, |
31 opdat vervuld wierd het woord des Heeren door den mond van Jeremia, totdat het land zijne sabbatten genoeg gevierd had; want gedurende den geheelen tijd der verwoesting vierde het rustdag, totdat de zeventig jaren vervuld waren. 22 En in het eerste jaar van Kores den koning van Perziö, opdat vervuld wierd liet woord des Heeren dooiden mond van Jeremia gesproken , verwekte de Heer den geest van Kores den koning van Perzië, dat hij liet uitroepen door zijn geheele koninkrijk, ook in geschrifte, zeggende: 23 Dus spreekt Kores de koning van Perzië: De Heer, de God des hemels, heeft mij al de koninkrijken der landen gegeven, en hij heeft mij bevolen hem een huis te bouwen te Jeruzalem in Juda: wie nu onder ulieden van zijn volk is, met dien zij de Heer zijn God, en hij trekke op. |
914.
HET BOEK
EZRA.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In liet eerste jaar van Kores don koning van Per-zië, opdat vervuld vierd het woord des Heeren door den mond van Jeremia gesproken, verwekte de Heer den geest van Kores den koning van Perzië, dat hij liet uitroepen door zijn geheele koninkrijk, ook in geschrifte, zeggende: 3 Dus spreekt Kores de koning van Perzië: De Heer, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken dei-landen gegeven, en hij heeft mij bevolen hem een huis te bouwen te Jeruzalem in J uda; 3 wie nu onder u van zijn volk is, met dien zij zijn God, en die trekke op naar Jeruzalem in Juda, enbouwe het huis van den Heer, den God van Israël: hij is de God die in Jeruzalem is. 4 En wie nog overig is aan eenige plaats waar hij vreemdeling is, dien zullen de lieden zijner plaats helpen met zilver en goud, goed en vee, uit vrijen wil, voor het huis van den God die te Jeruzalem is. |
5 Toen maakten de hoofden der vaderlijke huizen van Juda en Benjamin zich op, en alle priesters en Levieten , wier geest God opwekte om optetrekken en het huis des Heeren te Jeruzalem te bouwen. 6 En allen die rondom hen waren, vulden hunne handen met zilveren en gouden vaten, met goed en vee, en met kleinoodiën, behalve wat zij vrijwillig gaven. 7 En de koning Kores bracht de vaten van het huis ! des Heeren tevoorschijn, die Nebukadnezar uit Jeruzalem genomen en in het huis zijns gods gesteld had; 8 Kores dan, de koning van Perzië, bracht zo tevoorschijn door Mithredath den schatmeester, en telde ze toe aan Sesbazzar den vorst van Juda. 9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, du i- |
EZ 11A 2.
Ulo
|
zend zilveren bekkens, negenentwintig wierooksclia-len, 10 dertig gouden bekers, en vierhonderd en tien andere, zilveren, bekers, en duizend andere vaten; 11 zoodat alle vaten, beide gouden en zilveren, waren vijfduizend en vierhonderd; en Sesbazzar bracht ze alle op met degenen die uit de gevangenschap van Babel optrokken naar Jeruzalem. HOOFDSTUK 2. 1 Dit nu zijn de kinderen van dit landschap, die optrokken uit de gevangenschap , die Nebukadnczar de koning van Babel had weggevoerd naar Eabel, en die weder naar Jeruzalem en in Juda kwamen, elk in zijne stad; 2 welke kwamen met Ze-rubbabel, Jesüa, Nehemia, Seraja, Keëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigvai, Ile-hum en Baëna. Bit nu is het getal der mannen van het volk Israels: 3 de kinderen van Paros tweeduizend honderd tweeenzeventig; ■1 de kinderen van Sefat-ia driehonderd tweeënzeventig; 5 de kinderen van Arah zevenhonderd vijfenzeventig; |
6 de kinderen van Pahath-Moab, onder de kinderen van Jesua, Joab, tweeduizend achthonderden twaalf; 7 de kinderen van Elam duizend tweehonderd vierenvijftig; 8 de kinderen van Zattu negenhonderd vijfenveertig; 9 de kinderen van Zakkai zevenhonderd en zestig; 10 de kinderen van Bani zeshonderd tweeënveertig; 11 de kinderen vanBebai zeshonderd drieëntwintig; 12 de kinderen van Azgad duizend tweehonderd tweeentwintig ; 13 de kinderen van Ado-nikam zeshonderd zesenzes-tig-; . . . 1-1 de kinderen van Bigvai tweeduizend zesenvijftig; 15 de kinderen van Adin vierhonderd vierenvijftig; 16 de kinderen van Ater, van Hizkia, achtennegentig; 17 de kinderen van Bezai driehonderd drieëntwintig; 18 de kinderen van Jora honderd en twaalf; 19 de kinderen van Hasum tweehonderd drieëntwintig; 20 de kinderen van Gibbar vijfennegentig; 21 de kinderen van Bethlehem honderd drieëntwintig; 22 de mannen van Netofa zesenvijftig; 23 de mannen van Ann- |
EZEA 2.
916
|
thotli honderd achtentwin-tig; 24 de kinderen van Azma-vetli tweeënveertig; 25 de kinderen van Kir-jath-Arim, Kefira en Beü-rotli, zevenhonderd drieënveertig ; 26 de kinderen van Kama en Geba zeshonderd éénentwintig ; 27 de mannen van Mieh-mas honderd tweeëntwintig; 28 de mannen van Beth-El en Ai tweehonderd drieëntwintig; 29 de kinderen van Neho tweeënvijftig; 30 de kinderen van Mag-bis honderd zesenvijftig; 31 de kinderen van den anderen Elam duizend tweehonderd vierenvijftig; 32 de kinderen van Hariin driehonderd en twintig; 33 de kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijfentwintig; 34 de kinderen van Jericho driehonderd vijfenveertig; 35 de kinderen van Senaa drieduizend zeshonderd en dertig. 36 De priesters: de kinderen van Jedaja, uit het huis van Jesüa, negenhonderd drieënzeventig; 37 de kinderen van Immer duizend tweeënvijftig; |
38 de kinderen van Paslmr duizend tweehonderd zevenenveertig; 39 de kinderen van Harim duizend en zeventien. 40 De Levieten: de kinderen van .Tesüa en Kadmiël, van de kinderen van Hodaja, vierenzeventig. 41 De zangers: de kinderen van Asaf honderd achtentwintig. 42 De kinderen der deurwachters: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen vanïal-mon, de kinderen van Ak-kub, de kinderen van Ha-tita en de kinderen van Sobai; allen tezamen honderd negenendertig. 43 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth, 44 de kinderen van Iveros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon, 45 de kinderen van Leha-na, de kinderen van Haga-ba, de kinderen van Akkub, 46 de kinderen van Ha-gab, de kinderen van Sam-lai, de kinderen van Hanan, 47 de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Ilea ja, 48 de kinderen van Eezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam, 49 de kinderen van Uzza, |
EZ KA 2.
917
|
de kinderen van Paséali, de kinderen van Besai, 50 de kinderen van Asna, de kinderen van Meiinim, de kinderen van Nefusim, 51 de kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harliur, 52 de kinderen van Baz-luth, de kinderen van Me-hida, de kinderen van Harsa, 53 de kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Témah, S-l de kinderen van Ne-üiali, de kinderen van Hatifa. 55 De kinderen der knechten van Salomo: de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda, 56 de kinderen van Jaëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel, 57 de kinderen van Selat-ja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocliéreth-Hazzebaïm, de kinderen van Ami. 58 Alle Nethinim en de kinderen der knechten van Salomo waren driehonderd tweeünnegentig. 59 En deze trokken ook op uit Telmélah, Telharsa, Kernb, Addan en Immer; maar zij kouden hun vaderlijk huis niet aanwijzen, noch hun geslacht, of zij uit Israël waren: |
GO de kinderen van Delaja, de kinderen van Tohia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd tweeënvijftig; 61 en van de kinderen der priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die uit de dochters van Barzillai den Gile-adiet eene vrouw genomen had, en naar hunnen naam genoemd werd. 62 Deze zochten naar hun geslachtregister eri vonden het niet, daarom werden zij van het priesterambt verstoken ; 63 en Hattirsatha zeide tot hen, dat zij niet eten zouden van het allerheiligste, totdat er een priester stond met het Licht en Hecht. 64 De geheele gemeente tezamen was tweeënveertig-duizend driehonderd en zestig; 65 behalve hunne knechten en dienstmaagden, deze waren zevenduizend driehonderd zevenendertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen, 66 zevenhonderd zesendertig paarden, tweehonderd vijfenveertig muilezels, 67 vierhonderd vijfendertig kameelen, en zesduizend zevenhonderd en twintig: ezels. |
EZ 11A 3.
!)1S
|
(58 Eu sommigen van de ]ioof(len der vaderen, toen zij kwamen tot liet Imis des Heeren te Jeruzalem, gaven vrijwillig voor liet huis Gods, om het opte-ricliten op zijne plaats; 69 en zij gaven naar hun vermogen voor den schat van het werk, éénenzestig-duizend goudstukken, en vijfduizend pond zilver, en honderd priestergewaden. 7 0 Alzoo zetteden zich de priesters en de Levieten, en sommigen van het volk, en do zangers en de deurwachters en de Nethinim, in hunne steden, en geheel Israël in zijne steden. HOOFDSTUK 3. 1 En toen de zevende maand genaakte, en de kinderen Israels nu in hunne steden waren, kwam het volk tezamen als een éénig man te Jeruzalem. 3 En Jesüa de zoon van Jozadak maakte zich op, met zijne broeders de priesters , en Zcrubbabel tie zoon van Sealtiël, met zijne broeders, en zij bouwden den altaar van den God van Israël, om brandoft'ers daarop te offeren, naar hetgeen geschreven is in de wet van Mozes den man Gods; |
3 en zij stelden den altaar op zijne stelling, hoewel er eenc verschrikking onder hen was vanwege de volken dier landen; en zij offerden den Heer brandoffers daarop des morgens en des a-vonds. 4 Eri zij hielden liet loofhuttenfeest zooals geschreven staat, en offerden brandoffers alle dagen naar het getal, zooals het behoort, op eiken dag zijn offer. 5 Daarna ook dedagelijk-sche brandoffers, en die der nieuwemaandagen en van alle feestdagen des Heeren die geheiligd waren, en allerlei vrijwillige oilers die zij den Heer vrijwillig offerden. 0 Op den eersten dag dei-zevende maand begonnen zij den Heer brandoffers te offeren, schoon de grond van den tempel des Heeren nog uiet gelegd was. 7 En zij gaven geld aan de steenhouwers en timmerlieden, en spijs en drank en olie aan die van Sidon en vanTyrus, opdat zij cederhout van den Libanon over zee naar Jaf'o zouden brengen , naar de vergunning van Kores den koning van Perzië aan hen. 8 In het tweede jaar hunner komst tot het huis Gods te Jeruzalem, in de tweede |
EZRA 4.
'.119
|
maand, begonnen Zerubba-bel de zoon van Sealtiël, en Jesüa do zoon van .)o-zadak, en de overigen lum-net- broeders, de priesters en Levieten, en allen die uit de gevangenschap gekomen waren te Jeruzalem, en stelden de Lsvieten aan van twintig jaar en daarboven, om over liet werk van liet huis des Heeren liet -ópzicht te hebben. 9 En Jesua stond met zijne zonen en broeders, en Kadmiël met zijne zonen, kinderen van Juda, als een éenig man, om toezicht te houden over de arbeiders van het huis Gods; namelijk de zonen van Henadad met hunne kinderen en broeders, de Levieten. 10 En toen de bouwlieden den grond leiden van den tempel des Heeren, zoo stonden de priesters aangekleed, met trompetten; en de Levieten, de kinderen van Asaf, mot cimbalen, om den Heer te loven met het gedicht van David den koning van Israël. 11 En zij zongen bij beurten, lovende en dankende den Heer, dat hij goedertieren is en zijne barmhartigheid eeuwiglijk duurt over Israël; en al het volk juichte zeer luid, terwijl men den Heer loofde dat de grond van het huis des Heeren gelegd was. |
13 Maar velen der oude priesters en Levieten en hoofden der vaderlijke huizen , die liet vorige huis gezien hadden, weenden overluid toen dit huis voor hunne oogen gegrondvest werd; doch velen verhieven hunne stem met gejuich en met vreugde, 13 zoodat het volk niet onderscheiden kon het gejuich der vreugde van de stem der weenenden onder het volk; want het volk juichte zeer luid, zoodat men het gejuich ver hoorde. HOOFDSTUK 4. 1 Toen nu do tegenpar-tijders van Juda en Benjamin hoorden dat de kinderen der gevangenschap den Heer, den God van Israël, een tempel bouwden, 2 zoo kwamen zij tot Ze-rubbabel en tot de hoofden der vaderlijke huizen, en spraken tot hen: Wij willen met u bouwen, want wij zoeken uwen God gelijk gij; en wij hebben niet geotterd sedert dien tijd dat Esar-Haddon de koning van Assyrië ons herwaarts heeft gevoerd. 3 Maar Zerubbabel en |
.K Z H A 4lt;.
930
|
Jesüa en de overige hoofden der vaderlijke liuizen onder Israël antwoordden liun: Het betaamt ons niet met u het huis onzes Gods te bouwen, maar wij alléén willen liet bouwen voor den Heer, den God van Israël, gelijk Kores de koning van Perzië ons bevolen heeft. 4 Toen verhinderde het volk des lands de handen van het volk van Juda,en stoorde hen in het bouwen; 5 en zij huurden raadgevers tegen hen, en verhinderden hun voornemen, zoolang als Kores de koning van Perzië leefde, tot aan de regeering van Darius den koning van Perzië. 6 Want toen Ahasveros koning werd, in het begin zijner regeering, schreven zij eene aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. 7 En ten tijde van Artah-sasta schreven Bislam, Mithredath, ïabeël en de overigen, zijne ambtgenoo-ten, aan Artahsasta den koning van Perzië; en het schrift des briefs was in het Syrisch geschreven en in het Syrisoh uitgelegd. 8 Eehmn de kanselier en Sinisai de schrijver schreven een brief tegen Jeruzalem aan Artahsasta den koning, in dezer voege: |
!) Wij Eehum de kanselier en Simsai de schrijver, en de overigen hunner ambt-genooten, van Dina, van Afarsathka, van Tarpel, van Afars, van Arké, van Babel, van Susan, van Deha en van Elam, 10 en de overige volken, welke de groote en beroemde Asnappar heeft overgebracht , en de overigen geplaatst in de steden van Samarië en aan deze zijde der rivier en zoo voorts. 11 En dit is de inhoud van den brief dien zij aan den koning Artahsasta zonden: Uwe knechten, de mannen aan deze zijde der rivier en zoo voorts. 12 Het zij den koning-bekend, dat de Joden, die van u tot ons overgekomen zijn te Jeruzalem, die oproerige en booze stad bouwen en hare muren maken en haar uit den grond op herstellen. 13 Zoo zij nu den koning bekend, indien deze stad zal opgebouwd en de muren voltooid worden, zoo zullen zij de schatting, den tol en den jaarlijkschen cijns niet geven, en hun voornemen zal den koningen schade toebrengen. |
EZEA 4.
921
|
14 Maar nu wij allen daarbij zijn, wij die den tempel verstoord hebben, zoo hebben wij de versmaadheid des konings niet langer willen aanzien; daarom zenden wij en doen den koning dit te weten, 15 opdat men late zoeken in de kronieken uwer vaderen : wanneer gij zult vinden in de kronieken, en vernemen dat deze stad van ouds af oproerig en schadelijk geweest is voor de koningen eu landen, en dat zij die daarin zijn hun werk maken van afval en oproer, van de oudste tijden af: daarom is de stad ook verwoest geworden. 16 Derhalve doen wij den koning weten, dat, indien deze stad gebouwd en hare muren voltooid worden, gij voortaan geen deel meer zult hebben aan deze zijde der rivier. 17 Toen zond do koning-een antwoord aan Eehum den kanselier eu aan Simsai den schrijver, en aan hunne overige ambtgenooten die in Samarië woonden, en aan de overigen aan gene zijde der rivier: Yrede en zoo voorts. 18 De brief dien gij aan ons gezonden hebt is, vertaald zijnde, aan mij voorgelezen. |
19 En door mij is bevolen dat men zoeken zou, en men heeft gevonden dat deze stad zich van ouds af tegen de koningen verzet heeft, en dat er oproer en afval in gesticht is. 20 Ook zijn er machtige koningen over Jeruzalem geweest, die geheerscht hebben over alwat aan gene zijde der rivier is; en hun is schatting, tol en jaar-lijksche cijns gegeven geworden. 21 Zoo geeft nu bevel, om deze mannen te beletten die stad te bouwen, totdat van mij bevel zal gegeven worden. 23 Zoo ziet nu toe, hierin geen nalatigheid te begaan, opdat er den koning geen schade uit ontsta. 2 3 Toen nu de inhoud des briefs van den koning Ar-tahsasta voorgelezen werd aan Eehum, en Simsai den schrijver, en aan hunne ambtgenooten, trokken zij schielijk op naar Jeruzalem tot de Joden, en weerden hen met macht en geweld. 21 Toen hield het werk aan het huis Gods te Jeruzalem op, en bleef gestaakt tot in net tweede jaar van Darius den koning van Per- |
EZEA 5.
92a
|
HOOFDSTUK 5. 1 Maar de profeten Haggai en Zacharia de zoon van Iddo profeteerden tot do Joden die in Juda en Jeruzalem waren, in den naam van den God van Israël. 2 Toen maakten Zerubba-bel de zoon van Sealtiël en Jesua de zoon van Jozadak zich op, en begonnen het huis Gods te bouwen te Jeruzalem; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden. 3 ïe dier tijd kwamen tot hen Tattenai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sethar-Bozenai, en hunne ambtgenooten, en spraken tot hen aldus: Wie heeft ulieden bevolen dit huis te bouwen en deze muren op-tetrekken? 4 Toen zeiden wij aan hen hoe de mannen heetten die dit gebouw bouwden. 5 Doch het oog huns Gods kwam over de oudsten dei-Joden, zoodat het hun niet belet werd, totdat de zaak aan Darius zou gebracht zijn en zij daarover een brief zouden bekomen hebben. 6 Dit nu is de inhoud van den brief dien Tattenai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sethar-Bo-^enai en zijne verdere ambtgenooten, de Afarsechaïeten die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Da-rins zonden. |
7 Zij zonden een verhaal aan hem, en daarin' was aldus geschreven: Aan den koning Darius alle heil. 8 Het zij den koning bekend, dat wij in het Jood-sche land gekomen zijn tot het huis des grooten Gods, hetwelk gebouwd wordt van gehouwen steenen, en de balken legt men reeds in de muren, en dat werk gaat schielijk en spoedig voort onder hunne hand. 9 En wij hebben de oudsten gevraagd en tot hen dus gezegd : Wie heeft ulieden bevolen dit huis te bouwen en deze muren op-tetrekken? 10 Ook vraagden wij hoe zij heetten, opdat wij ze aan u zouden bekendmaken; en wij hebben de namen der mannen die hunne oversten waren opgeschreven. 11 Zij nu gaven ons de volgende woorden tot antwoord, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en herbouwen het huis dat tevoren, vóór vele jaren, gebouwd was, hetwelk een groot koning van Israël gebouwd en A'oltooid had. |
EZRA
923
|
12 Doch toen onze vaderen den God des hemels vertoornd hadden, «-af hij hen in de bind van Nebu-kadnezar den konina; van Babel, den Chaldeër; die verwoestte dit huis en voerde het volk weg naar Babel. 13 Maar in het eerste jaar van Kores den koning van Babel beval de koning Kores dit huis Gods optebouwen. 14 .la ook de gouden en zilveren vaten van hot huis Gods, welke Nebukadnezar uit den tempel te Jeruzalem genomen en in den tempel te Babel gebracht had, nam de koning Kores uit den tempel te Babel, en gaf ze aan eenen met name Sesbaz-zar, dien hij tot landvoogd had aangesteld; 15 en hij zeide tot hem: Neem deze vaten, trek heen en breng ze in den tempel te Jeruzalem, en laat het huis Gods bouwen op zijne plaats. 16 Toen kwam deze Ses-bazzar, en leide den grond van het huis Gods te Jeruzalem; en sedert dien tijd bouwt men, en het is nog niet voltooid. 17 Behaagt het nu den koning, zoo late hij zoeken in het schathuis des konings dat te Babel is, of het van den koniim' Kores bevolen is dat huis Gods te Jeruzalem te bouwen, en zende tot ons des konings meening hierover. |
HOOFDSTUK G. 1 Toen beval de koning Darius dat men zoeken zou in de kanselarij, in het schathuis des konings to Babel. 3 Toen vond men te Ah-metha, in den burg die in het landschap Medië is, een boek; en daarin stond de geschiedenis aldus geschreven : 3 In het eerste jaar van den koning Kores beval de koning Kores het huis Gods te Jeruzalem te bouwen op de plaats waar men offert, en den grond te leggen ter hoogte van zestig el, en ter breedte óók van zestig el; 4 en drie muren van gehouwen steenen, en éénen wand van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden. 5 Daarenboven de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, welke Nebukadnezar uit den tempel te Jeruzalem genomen en naar Babel gebracht heeft, zal men ook wedergeven, opdat zij wedergebracht worden in den tempel te Jeruzalem |
EZEA 6.
924
|
op hunne plaats in het huis Gods. . 6 Zoo houdt u nu verre vandaar, gij Tattenai, landvoogd aan gene zijde der rivier, en Sethar-Bozenai, en hunne ambtgenooten, de Afarsechaïeten, gij die aan gene zijde der rivier zijt: 7 laat hen arbeiden aan het huis Gods, opdat de landvoogd der Joden en hunne oudsten het huis Gods bouwen op zijne plaats. 8 Ook is van mij bevolen wat men aan die oudsten van Juda doen zal, om het huis Gods te bouwen; namelijk dat men uit des ko-nings goederen van de inkomsten aan gene zijde der rivier met zorg neme, en het aan die lieden geve, en dat men hen niet belette. 9 En wat zij verder noodig hebben, als jonge runderen, rammen en lammeren, tot eeu brandoffer aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesters te Jeruzalem ; dat men hun dagelijks het noodige geve, en dat zulks niet traaglijk geschiede; 10 opdat zij otteren tot een liefelijken reuk aan den God des hemels, en bidden voor het leven van den koning en zijne zonen. |
11 Yan mij is dit bevel geschied; en al wie deze woorden verandert, van diens huis zal men een balk nemen en oprichten, en hem daaraan hangen, ea zijn huis zal te dezer oorzaak tot een mesthoop gemaakt worden. 13 En de God, wiens naam aldaar woont, brenge alle koningen en volken om, die hunne hand uitstrekken om het huis Gods te Jeruzalem te veranderen en te verbreken. Ik Darius heb dit bevolen, opdat het zonder uitstel gedaan worde. 13 Dit deden nu met vlijt Tattenai de landvoogd aan gene zijde der rivier, en Sethar-Eozenai, met hunne ambtgenooten, tot welke de koning Darius gezonden had. 14 En de oudsten dei-Joden bouwden, en het ging spoedig voort, onder de profetie der profeten Haggai en Zacharia den zoon van Iddo; en zij verrichtten en voleindigden den bouw, naar het bevel van den God van Israël, en naar het bevel van Kores, Darius en Ar-tahsasta, koningen van Per-zië. 15 En zij voltooiden het huis op den derden dag der maand Adar; dit was het zesde jaar der regeering |
EZEA 7.
925
|
van den koning Darius. 16 En de kinderen Israels, de priesters, de Levieten, en de andere kinderen der gevangenschap, hielden de inwijding van het huis Gods met vreugde. 17 En zij otterden tot de inwijding van het huis Gods honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren; en tot een zondotter voor geheel Israël twaalf geitebokken, naar het getal der stammen van Israël. 18 En zij stelden de priesters naar hunne afdeelingen, en de Levieten naar hunne rangen, om God te dienen te Jeruzalem, naar hetgeen geschreven is in het boek van Mozes. 19 En de kinderen der gevangenschap hielden het Sascha op den veertiendenascha op den veertienden ag der eerste maand. 20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd, zoodat zij allen rein waren als een cénig man; en zij slachtten het pascha voor al de kinderen der gevangenschap, en voor hunne broeders de priesters, en voor zichzelve. |
21 En de kinderen Israels die uit de gevangenschap waren wedergekomen, en allen die zich tot hen afgezonderd hadden van de onreinheid der volken des lands, om den Heer, den God van Israël, te zoeken, aten het; 32 en zij hielden het feest der ongezuurde brooden zeven dagen met vreugde; want de Heer had hen verblijd, en het hart des ko-nings van Assyrië tot hen gewend, opdat zij gesterkt wierden in het werk van het huis van God, den God van Israël. HOOFDSTUK 7. 1 Na deze gebeurtenissen onder de regeering van Ar-tahsasta den koning van Perzië, trok Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hil-kia, 2 den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub, 3 den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth, 4 den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki, 5 den zoon van Abisüa, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron den oppersten priester, — 6 deze Ezra trok uit Ba-bel op; hij nu was een |
EZRA 7.
920
|
schriftgeleerde bekwaam in de wet van Mozes, welke de Heer, Israels God, gegeven had; en de koning gaf hem alwat hij begeerde, naar de hand van den Heer zijnen God over hem. 7 En sommigen van de kinderen Israels en de priesters en de Levieten en de zangers en de deurwachters en de Nethinim trokken naar Jeruzalem op in het zevende jaar van den koning Artahsasta. 8 Eu zij kwamen te Jeruzalem in de vijfde maand, dat is het zevende jaar des konings. 9 Want op den eersten dag der eerste maand werd een begin gemaakt met het optrekken uit Babel, en op den eersten dag der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand Gods over hem. 10 Want Ezra schikte zijn hart om de wet des Heeren te zoeken en te betrachten, en om in Israël de inzettingen en rechten te leercn. 11 En dit is de inhoud van den brief dien de koning Artahsasta gaf aan Ezra den priester, den schriftgeleerde, die een leeraar was in de woorden der bevelen des Heeren, en zijner geboden aan Israël: |
12 Artahsasta, de koning aller koningen, aan Ezra den priester en schriftgeleerde in de wet van den God des hemels; vrede en zoo voorts. 13 Yan mij is bevolen, dat allen van het volk van Israël in mijn rijk, van de priesters en Levieten, die gewillig zijn om naar Jeruzalem te trekken, dat die met u trekken, 11' vermits gij van den koning en zijne zeven raads-heeren gezonden zijt, om Juda en Jeruzalem te onderzoeken, naar de wet Gods die in uwe hand is; 15 en om medetenemen het zilver en het gond, hetwelk de koning en zijne raadsheeren gewillig geven aan den God van Israël, wiens woning te Jeruzalem is; 16 en allerlei zilver on goud, dat gij vinden kunt in het geheele landschap te Babel, behalve wat het volk en de priesters gewillig geven zullen voor het huis Gods te Jeruzalem; 17 neem dit alles, en koop met zorg voor dat geld runderen, rammen, lammeren, en spijsoffers en drankoffers, opdat men offere op den altaar van het huis uws Gods te Jeruzalem. |
EZ 11
A 7.
'J27
|
18 En wat gij en uwe broeders met liet overige geld gelieft te doen, doet dat naar den wil uws Gods. 19 En de vaten die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, lever die over voor het aangezicht van den God te Jeruzalem. 20 En wat verder noodig zijn zal voor het huis uws Gods, dat u voorkomen zal uittegeven, laat dat geven uit het schathuis des ko-nings. 21 Ik koning Artahsasta heb dat bevolen aan alle schatmeesters aan gene zijde der rivier, dat, wat Ezra, de priester en schriftgeleerde in de wet van den God des hemels, ook van u ei-sehen zal, gij daaraan met zorg voldoet: 22 tot honderd talenten zilver toe, cn tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder bepaling. 23 Alwat naar het bevel van den God des hemels behoort, dat men dit zorgvuldig doe voor het huis van den God des hemels, opdat er geen toorn kome over het koninkrijk van den koning en zijne zonen. |
.21lt; Nog zij uliedcn bekend , dat men geen cijns, tol of jaarlijksche schatting zal vermogen te leggen op eenige priesters. Levieten, zangers, deurwachters, Ne-thinim en dienaars van het huis dezes Gods. 25 En gij Ezra, stel, naar de wijsheid uws Gods die bij ii is, rechters en voogden aan, dio al het volk dat aan gene zijde der rivier is richten, allen die de wet uws Gods weten, en die gij als zij die niet weten daarin onderwijzen zult. 26 En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet met vlijt nakomen zal, die zal vanwege die daad zijn oordeel hebben, hetzij ter dood, of lot verbanning, of tot boete van goederen, of tot gevangenschap. 27 Geloofd zij de Heer, de God onzer vaderen, die den koning heeft ingegeven dat hij het huis des Heeren te Jeruzalem zou versieren, 28 en tot mij geneigd heeft de barmhartigheid van den koning en zijne raads-heeren en alle machtigen des konings. Zoo heb ik mij dan gesterkt naar de hand van den Heer mijnen God over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd om met mij optetrekken. |
EZEA 8.
938
|
HOOFDSTUK 8. 1 Dit zijn de hoofden der geslachten, gerekend naar de geslachtregisters, die met mij optrokken van Ba-bel, ten tijde dat de koning Artahsasta regeerde: 3 van de zonen van Pine-has, Gersom; van de zonen van Ithamar, Daniël; van de zonen van David, Hat-tus; 3 van de zonen van Se-chanja, de zonen van Paros, Zecharja, en met hem aan mannen gerekend honderd en vijftig; 4 van de zonen van Pa-hath-Moab, Eljoënai de zoon van Zerahja, en met hem tweehonderd mannen; 5 van de zonen van Se-chanja, de zoon van Jahaziël, en met hem driehonderd mannen; 6 van de zonen van Adin, Ebed de zoon van Jonathan, en met hem vijftig mannen; 7 van de zonen van Elam, Jesaja de zoon van Athalja, en met hem zeventig mannen; 8 van de zonen van Sefatja, Zebadja de zoon van Michael, en met hem tachtig mannen; 9 van de zonen van Joab, Obadja de zToon van Jehiël, en met hem tweehonderd en achttien mannen; |
10 van de zonen van Se-lomith, de zoon van Josifja, en met hem honderd eii zestig mannen; 11 van de zonen van Bebai, Zecharja de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen; 13 van de zonen van Az-gad, Johanan de jongste zoon, en met hem honderd en tien mannen; 13 van de zonen van Ado-nikam, de laatsten aldus genaamd: Elifélet, Jeïël en Semaja, en met hen zestig mannen; 14 van de zonen van Big-vai, Uthai en Zabbud, en met hen zeventig mannen. 15 En ik vergaderde hen aan de rivier die naar Ahava loopt, en wij bleven aldaar drie dagen; en toen ik acht-gaf op het volk en de priesters, zoo vond ik aldaar geen Levieten. 16 Toen zond ik om Elië-zer, Ariël, Semaja, Elna-than, Jarib, Elnathan, Nathan, Zecharja en Mesullam, de hoofden, en om Jojarib en Elnathan de leeraars; 17 en ik zond hen uit naar Iddo, het hoofd in Kasüja, dat zij ons dienaars voor het huis onzes Gods zouden halen; en ik gaf hun |
EZEA 8.
929
|
in den mond wat zij spreken zouden tot Iddo en zijne broeders \en\ de Ne-thinim te Kasitja. 18 En zij brachten ons, naar de goede kand onzes Gods over ons, een scliran-deren man uit de zonen van Mahli, den zoon van Levi den zoon van Israël: Se-rebja, met zijne zonen en broeders, achttien; 19 ook Hasabja, en met hem Jesaja van de zonen van Merari, met zijne broeders en hunne zonen, twin-%; 20 en van de Nethinim, welke David en de vorsten gegeven hadden om de Levieten te dienen, tweehonderd en twintig, allen met name genoemd. 21 En ik liet aldaar aan de rivier Ahava een vasten uitroepen, opdat wij ons verootmoedigen zouden voor onzen God, om van hem een rechten weg te vragen voor ons en onze kinderen en voor al onze have. 22 Want ik schaamde mij van den koning krijgsmacht en ruiters te verzoeken, om ons tegen de vijanden te helpen op den weg; want wij hadden tot den koning gezegd: De hand onzes Gods is ten beste over allen die hem zoeken, maar zijne sterkte en zijn toorn over allen die hem verlaten. |
23 Alzoo vastten wij en vraagden zulks van onzen God; en hij verhoorde ons. 21 En ik zonderde twaalf van de oppersten der priesters af: Serebja en Hasabja, en met hen tien van hunne broeders; 25 en ik woog hun toe het zilver eu goud en de vaten, tot het hefoffer voor hot huis onzes Gods, het zijne welk de koning raadsheeren en vorsten, geheel Israël daar aanwezig, tot een hefoffer gegeven hadden. 2G En ik woog hun toe onder hunne hand zeshonderd en vijftig talenten zilver, en aan zilveren vaten honderd talenten, en aan goud honderd talenten; 27 twintig gouden bekers, ter waarde van duizend goudstukken; en twee goede kostbare koperen vaten, begeerlijk als goud. 28 En ik sprak tot hen: Gij zijt heilig den Heere, en deze vaten zijn heilig; want, dit zilver en goud zijn vrijwillig gegeven aan den Heer, den God uwer vaderen. 29 Zoo bewaakt en bewaart het, totdat gij het toe weegt aan de oppersten |
30
EZRA 9.
1)30
|
der priesters en Levieten en aan de hoofden der geslachten onder Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis des Heeren. 30 Toen namen de priesters en de Levieten het gewogen zilver en goud en de vaten, om ze te brengen naar Jeruzalem tot het huis onzes Gods. 31 Alzoo braken «ij op van de rivier Ahava op den twaalfden dag der eerste maand, om naar Jeruzalem te trekken; en de hand onzes Gods was over ons, en hij redde ons van de liand der vijanden en dergenen die op den weg op ons loerden. 32 En wij kwamen te Jeruzalem, en bleven aldaar drie dagen. 33 En op den vierden dag werd het zilver en goud en do vaten in het huis onzes Gods gewogen, onder de hand van Meremoth den zoon van Uria, den priester, en met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hen Jozabad de zoon van Jesua, en Noadja de zoon van Binnuï, de Levieten, 34 naar elks getal en gewicht; en het gansche gewicht werd te dier tijd opgeschreven. |
35 En de kinderen der gevangenschap, die uit de gevangenschap gekomen waren , otterden brandoffers aan den God van Israël: twaalf varren voor geheel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig Jammeren , twaalf bokken tot een zond-otter ; alles tot een brandoffer voor den Heer. 36 En zij leverden des konings bevel over aan de ambt.lieden des konings en aan de landvoogden aan deze zijde der rivier; en zij verhieven het volk en het huis Gods. HOOFDSTUK 9. 1 Toen dit nu altemaal geschikt was, traden de oversten tot mij, zeggende: Het volk van Israël en de priesters en de Levieten zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, namelijk van de gruwelen der Kanail-nieten, Hethieten, Ferezie-ten, Jebnsieten, Ammonieten , Moabicten, Egypte-naars en Arno rieten; 3 want zij hebben hunne dochters voor zich en hunne zonen genomen, en het heilig zaad vermengd met de volken dezer landen; en de hand der oversten en raads-heeren is de voornaamste in deze misdaad geweest. 3 Toen ik dit hoorde. |
EZtt
A 9.
931
|
scheurde ik mijne kleederen en mijnen rok, en trok mij liet haar uit mijn hoofd en uit mijnen baard, en zat eenzaam. 4 En vanwege die overtreding der weggevoerden vergaderden zich tot mij allen die het woord van den Heer, den Ciod van Israël, vreesden; en ik zat eenzaam tot het avondofl'er. 5 En omtrent het avondoffer stond ik op van mijne beangstheid, en scheurde mijne kleederen en mijnen rok, en viel op mijne knieën, en breidde mijne handen uit tot den Heer mijnen God, 6 en ik sprak: Mijn God, ik schaam mij en schroom mijne oogen opteheften tot u, mijn God; want onze misdaad is tot boven ons hoofd gegroeid, en onze schuld is groot tot aan den hemel. 7 Van den tijd onzer vaderen af zijn wij in groote schuld geweest tot op dezen dag toe; en om onze misdaden zijn wij en onze koningen en priesters overgegeven in de hand van de koningen dezer landen, aan het zwaard, in de gevangenschap, tot een roof en tot beschaming des aange-zichts, gelijk het heden nog is. |
8 Maar nu is er voor een kleinen tijd genade van den Heer onzen God geschied, dat ontkomen is wat nog overig is, opdat hij ons een nagel in zijne heilige stad zoude geven, dat onze God onze oogen zoude verlichten, en ons een weinig levens geven, hoewel wij knechten zijn. 9 Want knechten zijn wij nog; doch onze God heeft ons niet verlaten, al zijn wij knechten, en heeft tot ons geneigd de barmhartigheid der koningen van Perzië, dat zij ons het leven laten, en wij het huis onzes Gods verhoogen en uit zijne verstoring wederoprichten, en dat hij ons eene bemuurde plaats zou geven in Juda en Jeruzalem. 10 Nu, onze God, wat zullen wij zeggen, naardien wij uwe geboden verlaten hebben, 11 die gij door uwe knechten de profeten bevolen hebt, zeggende: Het land waarin gij komt om het te erven, is een onrein land, door de onreinheid van de volken dier landen, door hunne gruwelen met welke zij liet hier en daar vol onreinheid gemaakt hebben. 12 Zoo zult gij nu uwe dochters niet geven aan |
A 10.
EZR
932
|
hunne zonen, en hunne dochters zult gij voor uwe zonen niet nemen, en zoekt niet hunnen vrede noch hun welzijn eeuwiglijk; opdat gij machtig wordt en het goede in het land eet, en liet uwen kinderen doet erven eeuwiglijk. 13 En na dit alles wat over ons gekomen is, om onze booze werken en groote schuld, hebt gij, onze God, onze misdaad verschoond, en hebt ons eene verlossing gegeven gelijk deze is; 14 maar wij hebben ons omgekeerd en uwe geboden laten varen, dat wij ons met dc volken dezer gruwelen verzwagerd hebben. Wilt gij dan op ons toornig zijn, totdat het geheel uit is, dat er geen overblijfsel noch redding zij? 15 Heer, Israels God, gij zijt rechtvaardig; en nochtans zijn wij overgebleven tot eene verlossing, gelijk het heden ten dage is. Zie, wij zijn voor u in onze schuld, want deswege kan men niet bestaan voor u. HOOFDSTUK 10. 1 En toen Ezra alzoo bad en schuldbekentenis deed en weenende voor liet huis Gods lag, vergaderde zich tot hem uit Israël eene zeer groote gemeente van mannen , vrouwen en kinderen; want het volk weende zeer. |
2 En Sechanja de zoon van .Tehiël, uit de kinderen van Elam, antwoordde en zeide tot Ezra: Welaan, wij hebben ons aan onzen God vergrepen, dat wij vreemde vrouwen van de volken dezes lands genomen hebben; nu, er is nog hoop voor Israël te dezen aanzien. 3 Zoo laat ons nu een verbond maken met onzen God, dat wij alle vrouwen en die van haar geboren zijn wegdoen, naar den raad des Heeren en dergenen die de geboden onzes Gods vreezen; opdat men doe naar de wet. 4 Zoo maak u op, want dit betaamt u, en wij willen met u zijn: grijp moed en doe het. 5 Toen stond Ezra op, en nam een eed van de oppersten der priesters en dei-Levieten en van geheel Israël , dat zij naar dit woord doen zouden; en zij zwoeren het. 6 En Ezra stond op van voor het huis Gods, en ging in de zaal van Joha-nan den zoon van Eljasib; en toen hij aldaar kwam, at hij geen brood en dronk geen water; want hij droeg |
EZ li A 10.
!)33
|
rouw over het misdrijf der-genen die gevangen waren geweest. 7 En zij lieten aankondigen door Juda en Jeruzalem, aan alle kinderen der gevangenschap, dat zij zich te Jeruzalem vergaderen zouden; 8 en wie niet kwam in dl'ie dagen, naar den raad der oversten en oudsten, diens geheele have zou verbannen zijn, en hij zelf zou afgezonderd zijn van de gemeente der gevangenen. 9 Toen vergaderden zich al de mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen, dat is, op den twintigsten dag der negende maand; en al het volk zat op de straat vóór het huis Gods, en sidderde om die zaak en vanwege den stortregen. 10 En Ezra de priester stond op en sprak tot heu: Gijlieden hebt u vergrepen, dat gij vreemde vrouwen genomen hebt, om de schuld van Israël nog grooter te maken. 11 Zoo doet nu schuldbekentenis aan den Heer, den God uwer vaderen, en doet zijn welbehagen, en scheidt af van de volken dezes lands en van de vreemde |
12 Toen' antwoordde de geheele gemeente en sprak met eene luide stem: Het geschiede zooals gij tot ons gezegd hebt. 13 Doch het volk is veel, en het is regenachtig weder, en men kan hierbuiten niet staan; ook is het geen werk van één of twee dagen, want wij zijn velen die in deze zaak overtreden hebben. 14 Laat ons oversten in de geheele gemeente aanstelden , opdat allen, die in onze steden vreemde vrouwen genomen hebben, op bestemde tijden komen, alsmede de oudsten van elke stad en hare rechters; totdat van ons afgewend worde de toorn onzes Gods over deze zaak. 13 ïoen werden aangesteld Jonathan de zoon vanAsa-el, en Jahzeja de zoon van Tikva, over deze zaak; en Mesullam en Sabbethai, de Levieten, hielpen hen. 1G En de kinderen der gevangenschap deden alzoo; en de priester Ezra en de voornaamste hoofden der vaderlijke huizen, en alle voorgenoemden, scheidden zich af en zetten zich op den eersten dag der tiende maand om deze zaak te onderzoeken. 17 En zij volbrachten het aan alle mannen die vreemde |
|
'.gt;34. EZE vrouwen liadden, op den eersten dag der eerste maand. 18 Mn er werden gevonden onder de zonen der priesters, die vreemde vrouwen genomen hadden: namelijk, onder de zonen van .Tesua den zoon van Jozadak, en zijne broeders, Maiiseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja; 19 en zij gaven hunne hand daarop, dat zij die vrouwen zouden doen uitgaan, en tot liun schuldoffer een ram geven voor hunne schuld; 20 onder de zonen van Immer; Hanani en Zebadja; 31 onder de zonen van Ha-rim: Maiiseja, El ia, Semaja, Jehicl en Uzzia; 32 onder de zonen van Pas-hur: Eljoenai, Maiiseja, Is-maël, Nethaneël, Jozabad en Elasa. 23 Onder de Levieten: Jozabad , Simei en Kelaja (dat is Kelita), Pethalija, Juda en Eliëzer. 2-1 Onder de zangers: El-jasib. Onder de deurwachters : Sallum, Telein en Uri. 33 Voorts uit Israël, onder de zonen van Paros: Bamja, Jizzia, Malkia, Mi-amin, Eleazar, Malkia en Benaja; 36 onder do zonen van Elam: Mattanja, Zecharja, Jehiël, Abdi, .Teremoth en El ia ; |
\ 10. 37 onder de zonen van Zattu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, Jeremoth, Zabad en Aziza; 28 onder de zonen van I5ebai: .Tohanan, llananja, Zabbai en Athlai; 29 onder de zonen van Bani: Mesullam, Malluch, Adaja, Jasub, SealenJera-moth; 30 onder de zonen van Pahath-Moab: Adna, Kelal, Benaja, Maiiseja, Mattanja, Bezaleël, Binnuï en Ma-nasse; 31 onder de zonen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malkia, Semaja, Simeon, 32 Benjamin, Malluch en Semarja; 33 onder de zonen van Hasum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifélet, Jeremai, Manasse en Simei'; 31' onder de zonen van Bani: Maiidai, Amram , Uël, 35 Benaja, Bedeja, Keluhi, 36 quot;Vanja, Meremoth, Eljasib , 37 Mattanja, Mattenai, Jaiisai, 38 Bani, Binnuï, Simei', 39 Selemja, Nathan, Ada- jquot;' , , 40 Machnadbai, Sasai, Sa- rai, 41 Azareël, Selemja, Semarja, |
NEHEMIA 1.
93
|
43 Sallum, Amarja en Jozef; 43 onder de zonen van Nebo; Jeïël, Mattitlija, Za-bad, Zebina, Jaddai, Joël en T3enaja. |
41 Deze allen hadden vreemde vrouwen genomen; en onder deze vrouwen waren eenige die kinderen ge-dragen hadden |
HET BOEK .
N E H E M I A.
|
HOOFDSTUK I. 1 Dit zijn de geschiedenissen van Nehemia den zoon van Hachalja. Het geschiedde in de maand Kisleu van het twintigste jaar, dat ik te Susan op het slot was; 3 en Hanani, een mijner broeders, kwam met eenige mannen uit Juda, en ik vraagde hun hoe het den Joden ging, die behouden en overgebleven waren van de gevangenschap, en hoe het te Jeruzalem was. 3 En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen van de gevangenschap zijn aldaar in het land in groot ongeluk en in versmaadheid; de muren van Jeruzalem zijn verbroken, en hare poorten met vuur verbrand. |
4 Toen ik nu deze woorden hoorde, zat ik en weende en droeg rouw, twee dagen, en vastte en bad tot den God des hemels; 5 en ik sprak; Ach Heer, God dos hemels, groote en verschrikkelijke God, die het verbond en de barmhartigheid houdt dengenen die hem liefhebben en zijne geboden houden: 6 laat toch uwe ooren opmerken en uwe oogen open zijn, om te hooren het gebed uws knechts hetwelk ik nu voor u bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, uwe knechten; en ik beken de zonden der kinderen Israels die wij tegen u gedaan hebben; ook heb ik en mijns vaders huis gezondigd. 7 Wij zijn geheel verdorven geworden, omdat wij niet gehouden hebben de |
MIA 2.
NE HE
936
|
geboden , inzettingen en rechten, die gij uwen knecht Mozes geboden hebt. 8 Maar gedenk toch aan het woord hetwelk gij uwen knecht Mozcs geboodt, zeggende: Als gijlieden u vergrijpt , zoo zal ik u verstrooien onder de volken; 9 maar is het dat gij u tot mij bekeert, en mijne geboden onderhoudt en ze doet, al waart gij dan ook verstooten tot aan het einde des hemels, zoo wil ik u toch vandaar verzamelen, en zal u brengen aan de plaats die ik verkoren heb opdat mijn naam aldaar wone. 10 Zij zijn toclmwe knechten en uw volk, dat gij verlost hebt door uwe groote kracht en machtige hand. 11 Ach Heer, laat uwe ooren achtgeven op het gebed nws knechts, en op het gebed uwer knechten die uwen naam begeeren te vreezen; en laat het uwen knecht heden gelukken, en geef hem barmhartigheid bij dezen man. ■— Ik nu was des konings schenker. HOOFDSTUK 2. 1 In de maand Nisan van het twintigste jaar van den koning Artahsasta, als er wijn vóór hem stond, nam ik den wijn op en gaf dien den koning; en ik was treurig voor hem. |
2 Toen sprak de koning tot mij: Waarom ziet gij zoo treurig? Gij zijt immers niet krank ? Dit is niets anders dan dat gij zwaarmoedig zijt. 3 Toen werd ik zeer bevreesd , en ik sprak tot den koning: De koning leve eeuwiglijk. Zou ik niet treurig zien ? De stad waar het huis der begrafenis mijner vaderen is, ligt woest, en hare poorten zijn door het vuur verteerd. 4 Toen sprak de koning tot mij: Wat begeert gij dan? Toen bad ik tot den God des hemels, 5 en ik zeide tot den koning : Behaagt het den koning, en is uw knecht bij u in gunst, zoo zend mij naar .Tuda, naar de stad der begrafenis mijner vaderen, opdat ik ze opbouwe. 6 En de koning sprak tot mij , terwijl de koningin nevens hem zat: HoeJangzal uwe reis daren, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning mij te zenden; en ik stelde hem een zekeren tijd, 7 en sprak tot den koning: Behaagt het den koning, zoo geve hij mij brieven aan de |
NE H EMI A 3.
937
|
landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij geleide geven totdat ik in Juda zal gekomen zijn; 8 en brieven aan Asaf, den houtvester des konings, dat hij mij hout geve tot balken voor de poorten van het paleis, die aan het Imis en aan de stadsmuren zijn, en voor het huis waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij. 9 En toen ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier kwam, gaf ik hun de brieven des konings; en de koning zond met mij hoofdlieden en ruiters. 10 Toen nu Sanballat de Horoniet, en ïobia, een Ammonietische knecht, dat hoorden, verdroot het hun zeer, dat er een mensch gekomen was die wat goeds zocht voor de kinderen Israels. 11 En toen ik te Jeruzalem kwam en drie dagen daar geweest was, 13 stond ik des nachts o]), en weinige mannen met mij; want ik zeide aan niemand wat mijn God mij ingegeven had voor Jeruzalem te doen ; ook was er geen lastdier bij mij dan waarop ik reed. 13 En ik reed de Dalpoort uit bij nacht, voorbij de |
Draak fontein, naar de Mest-poort; en het deed mij zeer dat Jeruzalems muren verscheurd en de poortendoor het vuur verteerd waren. 14 En ik ging voort naar de Eonteinpoort, en naaiden vijver des konings; doch aldaar was geen ruimte voor mijn dier , dnt het onder mij gaan kon. 15 Toen trok ik bij nacht langs de beek, en het deed mij zeer de muren zoo te zien; en ik keerde weder en kwam de Dalpoort weder in. 16 En de oversten wisten niet waar ik heenging of wat ik deed; want ik had tot nogtoe aan de Joden en de priesters, de raadsheeren en de oversten en do overigen die nan het werk arbeidden, niets gezegd. 17 En ik sprak tot hen: Gijlieden ziet het ongeluk waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest ligt en hare poorten met vuur verbrand zijn: komt, laat ons Jeruzalems muren opbouwen, opdat wij niet langer tot eene versmaadheid zijn. 18 En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, die goed over mij was, alsook de woorden des konings die hij tot mij gesproken had. En zij zeiden: |
N EH EM IA 3.
938
|
Laten wij ons dan opmaken en bonwen. En linnne handen werden gesterkt ten goede. 19 Toen nu Sanballat de Horoniet, en Tobia de Am-monietische knecht, en Ge-sem de Arabier, dat hoorden, bespotteden üij ons en verachtten ons, en spraken : Wat is het dat gijlieden doet? Wilt gij weder van den koning afvallen? 20 Toen antwoordde ik hnn en sprak: De God des hemels zal het ons laten gelukken; want wij, zijne knechten, zijn opgekomen en zullen bouwen; maar gijlieden hebt geen deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem. HOOFDSTUK 3. 1 En Eljasib de hooge- Ïn-iester stond op met zijne iroeders de priesters, en zij bouwden de Schaapspoor t; zij heiligden ze en stelden hare deuren; ja zij heiligden ze van den toren Mea af tot aan den toren Ha-naneël.n-iester stond op met zijne iroeders de priesters, en zij bouwden de Schaapspoor t; zij heiligden ze en stelden hare deuren; ja zij heiligden ze van den toren Mea af tot aan den toren Ha-naneël. 3 En nevens hem bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde nevens hein Zakkur de zoon van Imri. 3 De Yischpoort nu bouwden do zonen van Henail; die dekten ze, en stelden hare deuren, sloten en grendels. |
4 Nevens hen bouwde Meremoth, de zoon van Uria den zoon van Koz; nevens hen bouwde Mesul-lam, de zoon van Berechja de zoon van Mesezabeël; nevens hen bouwde Zadok de zoon van Baëna; 5 nevens hen bouwden diequot; van Tekoa; maar hunne ver-mogendsten braciiten hunnen hals niet tot den dienst huns Heeren. 6 De Oude poort bouwden Jojada de zoon vanPaséah, en Mesullam de zoon van Besodja; die dekten ze, en stelden hare deuren, sloten en grendels. 7 Nevens hen bouwden Melatja de Gibeoniet en Jadon de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot nan den zetel des landvoogds aan deze zijde der rivier; 8 nevens hem bouwde Uzziid de zoon van Harha-ja, de goudsmid; nevens hem bouwde Hananja, een zoon der kruidmengers; en zij verbouwden Jeruzalem tot aan den breeden muur. 9 Nevens hen bouwde Eefaja de zoon van Hur, overste eener halve afdeeling van Jeruzalem; 10 nevens hen bouwde |
|
N E H E ; Jedaja de zoon van Ham-maf, tegenover zijn huis; en nevens liem bouwde Hattns do zoon van Hasab-neja. 11 Malki'a de zoon van Haritn, en Hassub de zoon van Pahath-Moab, bouwden twee afmetingen en den liiikovenstoren. 13 Nevens liem bouwde Sallum de zoon van Hallohes, overste eener halve afdeeling van Jeruzalem, hij en zijne dochters. 13 De Dalpoort bouwde Hanun met de burgers van Zanoah; zij bouwden ze en stelden bare deuren, sloten en grendels, benevens duizend el van den muur tot aan de Mestpoort. 14 De Mestpoort nu bouwde Malkia de zoon van Ke-chab, overste van de afdeeling der wijngaardeniers; hij bouwde zo en- stelde hare deuren, sloten en grendels. 13 Eu de lonteinpoort bouwde Sallum de zoon van Kolhozé, overste der afdeeling Mizpa; hij bouwde haar en dekte ze, en stelde hare deuren, sloten en grendels ; alsook den muur van den vijver Selah bij den hof des konings, tot aan de trappen die van Davids stad nederwaarts gaan. |
H L A 3. 039 16 Na hem bouwdè Ne-hemia de zoon van Azbnk, overste der halve afdeeling Beth-Zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den vijver Asnja, en tot aan het huis der helden. 17 Na hem bouwden de Levieten: Eehum de zoon van ]5ani; nevens hem bouwde Hasabia, overste over de halve afdeeling Kehila, in zijne afdeeling. 18 Na hem touwden hunne broeders, Bavvai tie zoon van Henadad, overste der [andere] halve afdeeling Kehila. 19 Nevens hem bouwde Ezer de zoon van Jesüa, overste van Mizpa, twee afmetingen langs den hoek, tegenover het wapenhuis. 20 Na hem, op den berg, bouwde Baruch de zoon van Zabbai twee afmetingen, van den hoek af tot aan de huisdeur van den hoogc-priester Eljasib. 21 Na hem bouwde Me-remoth, do zoon van Una den zoon van Koz, twee afmetingen, van Eljasibs huisdeur af tot aan het einde van Eljasibs huis. 2-2 Na hem bouwden do priesters, de mannen uit de vlakke velden. 23 Daarna bouwden Benjamin en Hassub, tegenover |
MIA 4.
940
IS E li E
|
liun luiis. Daarna bouwde Azarja, de zoon van Maa,-seja de zoon van Ananja, nevens zijn huis. 24 Na hem bouwde Bin-nuï, de zoon vanHenadad, twee afmetingen, van het huis van Azarja af tot aan den hoek en tot aan de punt. 25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover den hoek en den hoogen toren die van het huis des konings uitsteekt, bij den hof der gevangenis. Na hem Pe-claja de zoon van Paros. 26 Voorts de Nethinim, die in Ofel woonden, tot aan de Waterpoort tegen het oosten, waar de toren uitsteekt. 27 Daarna bouwden die van Tekóa twee afmetingen, tegenover den groeten toren die daar uitsteekt, en tot aan den muur van Ofel. 28 Tan de Paardenpoort af bouwden de priesters, elk tegenover zijn huis. 29 Daarna bouwde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. Na hem bouwde Semaja de zoon van Sechanja, de poortwachter tegen het oosten. |
30 Na hem bouwde Ha-nanja de zoon van Selemja, en Hannn de zoon van Za-laf, de zesde, twee afmetingen. Na hem bouwde Mesullam de zoon van Berechja, tegenover zijne kamer. 31 Na hem bouwde Mal-kla, de zoon des goudsmids, tot aan het huis van de Nethinim en van de kramers, tegenover de Eaads-poort, en tot aan de zaal aan de punt. 32 En tusschen de zaal aan de punt tot de Schaaps-poort toe bouwden de goudsmeden en de kramers. HOOFDSTUK 4. 1 ïoen nu Sanballat hoorde dat wij de muren bouwden, werd hij toornig en zeer verbitterd, en bespotte de Joden; 2 en hij zeide in het bijzijn van zijne broeders en de maóhtigen van Samarië: Wat doen die maehtelooze Joden? Zal men hen zoo laten geworden? Zullen zij otteren? Zullen zij het ten eenigen dage voltooien? Zullen zij de steenen levendmaken, die stofhoopen en verbrand zijn? 3 En Tobia de Ammoniet, die bij hem was, sprak: Laat hen maar bouwen; al ware het dat er vossen tegen opliepen, die zouden hunne |
NEHEMIA 4.
|
steenen muren wel versclieu-ren. 4 (Hoor, onze God, hoe veracht wij zijn; keer hunne versmading op hun hoofd, zoodat gij hen geeft tot een roof in het land hunner gevangenschap; 5 dek hunne misdaad niet toe, en delg hunne zonde niet voor u uit; want zij hebben de bouwlieden getergd.) 6 Doch wij bouwden de muren, en voegden die geheel tezamen tot op de halve hoogte; want het volk kreeg een hart om te arbeiden. 7 Toen nu Sanballat en Tobia en de Arabieren en Ammonieten en Asdodieten hoorden dat de muren te Jeruzalem toegemaakt waren, en dat zij begonnen hadden de openingen te stoppen, zoo werden zij zeer toornig, 8 en maakten allen tezamen een verbond met elkander, dat zij zouden komen en strijden tegen Jeruzalem, en daar eene verwarring maken. 9 Doch wij baden tot onzen God, en stelden wachten uit tegen hen, dag en nacht, uit vrees voor hen. |
10 Maar Juda zeide; De kracht der lastdragers is te zwak en het puin is te veel, wij kunnen aan den muur niet bouwen. 11 En onze wederpartijders dachten: Zij zullen het niet weten noch zien, voordat wij midden onder hen komen en ze doodslaan, en het werk verhinderen. 12 Ook kwamen de Joden die in hunne nabijheid woonden, en zeiden het ons wel tienmaal, uit alle plaatsen waar zij rondom ons woonden. 13 ïoen stelde ik in de benedenste plaatsen, achter den muur, in de grachten, het volk naar hunne geslachten, met hunne zwaarden, spiesen en bogen. 14 En ik bezag het, en stond op, en sprak tot de raadsheeren en oversten en het overige volk: Vreest niet voor hen, denkt aan dien grooten en geduehten Heer, en strijdt voor uwe broeders, zonen, dochters, vrouwen en huizen. 13 Toen nu onze vijanden hoorden dat het ons was bekend geworden, zoo maakte God hunnen raad teniet; en wij keerden allen weder naar den muur toe, elk tot zijnen arbeid. 1G En het geschiedde vervolgens, dat de helft der jongelingen den arbeid de- |
MI A 5.
jST E H E
|
den, en de andere helft spiesen, acliilden, 1x)gen en harnassen hielden; en de oversten stonden achter het geheele huis van Juda. 17 Die aan de muren bouwden en den last droegen en oplaadden, deden met de eéne hand den arbeid en met de andere hielden zij de wapenen, 18 En een ieder die bouwde, had zijn zwaard op zijne zijde gegord en bouwde alzoo; en die op de bazuin blies was bij mij. 19 En ik sprak tot de raadsheeren en oversten en tot het overige volk: Het werk is groot en wijd uitgestrekt, en wij zijn verstrooid op den muur, ver van elkander: 20 van welke plaats gij nu het geluid der bazuin hoort, vergadert u daar tot ons; onze God zal voor ons strijden. 31 Wij nu willen aan het werk arbeiden. — En de helft van hen hield de spiesen , van het aanbreken des dageraads af totdat de sterren tevoorschijnkwamen. 33 Ook sprak ik in dien tijd tot het volk: Een ieder blijve met zijnen jongen den nacht over te Jeruzalem, opdat wij des nachts do wacht en bij dag den arbeid waarnemen. |
33 Ik nu en mijne broeders, en mijne jongens, en de mannen op de wacht achter mij, wij trokken onze kleederen niet uit, en een ieder liet het baden na. HOOFDSTUK 5. 1 En er ontstond een groot geschreeuw van het volk en hunne vrouwen over hunne broeders de Joden. 3 En er waren eenigen die zeiden: Onze zonen en dochters zijn veel; laat ons koren nemen en eten, opdat wij leven. 3 En eenigen zeiden: Laat ons onze akkers, wijnbergen en huizen verpanden, en koren opnemen bij deze duurte. 4 Ook zeiden eenigen: Laat ons geld leenen op cijns van den koning, op onze akkers en wijnbergen; 5 want het vleesch onzer broeders is als ons vleesch, en hunne zonen zijn als onze zonen: anders zouden wij onze zonen en dochters aan den dienst onderwerpen; en er zijn reeds eenige van onze dochters onderworpen, en in onze handen is geen vermogen; ook zouden onze akkers en wijnbergen aan anderen komen. 6 Toen ik nu hun geschreeuw en deze woorden |
NEHEM1A 5.
943
lioorde, werd ik zeer toornig,
7 en mijn hart werd te rade in mij, dat ik de raadslieeren en de oversten bestrafte, en ik zeide tot hen: Wilt gij de één van den ander woeker nemen? Eu ik beleide eene groote vergadering tegen hen,
quot;8 en ik zeide tot hen: Wij hebben onze broeders de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, we-dergekocht naar ons vermogen; en gijlieden wilt zelfs uwe broeders verkoo-pen, die wij ons aangekocht | hebben? ïoen zwegen zij en vonden niets te antwoorden.
9 En ik zeide: Het is niet goed hetgeen gijlieden doet; wilt gij dan niet in de vreeze Gods wandelen, om den smaad van de heidenen , onze vijanden?
10 Ik en mijne broeders en mijne jongens hebben hun ook geld en koren geleend, maar den woeker hebben wij nagelaten.
11 Zoo geeft hun dan nog heden huuno akkers, wijnbergen, olijftuinen en huizen weder, en het honderdste van het geld, van het koren, van den most en van do olie, hetwelk gij op hen gewoekerd hebt.
13 ïoen spraken zij: Wij willen het wedergeven en willen niets van hen ei» schen, en zullen doen zooals gij gezegd hebt. En ik riep de priesters en nam een eed van hen, dat zij zoo doen zouden.
13 Ook schudde ik mijnen boezem uit en sprak: Al-zoó schudde God een ieder uit zijn huis en uit zijnen arbeid, die dit woord niet handhaaft; dat hij uitgeschud en ledig zij. En de ge-heele gemeente zeide amen, en zij loofden den Heer;
! en het volk deed alzoo.
14 (Jok van dien tijd af toen mij bevolen werd landvoogd te ziju in het land van Juda, namelijk van het twintigste jaar af tot in het tweeëndertigste janr van den koning Artahsasta, dat zijn twaalf jaren, genoot ik met mijne broeders het inkomen der landvoogden niet.
15 Want de vorige landvoogden, die vóór mij geweest waren, hadden het volk bezwaard, en hadden van hen genomen brood en wijn, daarenboven veertig sikkels zilver; ook hadden hunne jongens geweld gebruikt met het volk. Maar ik deed zoo niet, vanwege de vreeze Gods.
1G Ook arbeidde ik aan
NE H E MI A 6.
944
|
het werk van den muur, en kooht geen akker; en al mijne jongens moesten aldaar tot den arbeid samenkomen. 17 Ook waren er honderd en vijftig Joden en oversten aan mijne tafel, die tot mij gekomen waren van de volken rondom ons. 18 En men bereidde mij dagelijks een os, en zes uitgelezen schapen, en vogels, en telkens binnen tien dagen allerlei wijn in menigte; en toch eischte ik het inkomen der landvoogden niet, want de dienst drukte zwaar op het volk.— 19 Gedenk, mijn God, mij ten beste, aan alles wat ik aan dit volk gedaan heb. HOOFDSTUK G. 1 En toen Sanballat, To-Ma, en Gesem de Arabier, en onze andere vijanden vernamen, dat ik den mmir gebouwd had en er geen scheur meer in was, hoewel ik de deuren op dien tijd nog niet ingehangen had in de poorten, 2 zoo zonden Sanballat en Gesem tot mij en lieten mij zeggen: Kom, laat ons samenkomen in een der dorpen, in de vlakte Ono. Maar zij dachten mij kwand-tedoen. |
3 Doch ik zond boden tot hen en liet hun zeggen: Ik heb een groot werk te beschikken, ik kan niet komen; dit werk zou achterwege blijven, indien ik er de hand aftrok om tot u te komen. 4 Nu zonden zij viermaal tot mij op die wijze, en ik antwoordde hun telkens op dezelftle wijze. 5 Toen zond Sanballat ten vijfden male zijnen jongen tot mij, met een open brief in zijne hand. 6 Daarin was geschreven: Onder de volken wordt beweerd en Gesem heeft gezegd, dat gij en de quot;Joden denkt aftevallen; dat gij daarom den muur bouwt, en dat gij hun koning wilt zijn in deze zaken; 7 en dat gij profeten besteld hebt, die u uitroepen zullen te Jeruzalem, zeggende: Hij is de koning van Juda. Nu, dat zal den koning ter oore komen: zoo kom dan en laat ons met elkander beraadslagen. 8 Doch ik zond tot hem en liet aan hem zeggen: Het is niet geschied hetgeen gij zegt, gij hebt het uit uw hart verdicht. 9 Want zij allen wilden ons vreesachtig maken en zeiden: Zij zullen de hand |
NEHEMIA 7.
945
|
van liet werk aftrekken, dat zij niet arbeiden. Maar ik sterkte mijne hand deste-meer. 10 En ik kwam in bet huis van Semaja, den zoon van Delaja den zoon van Mebetabecl; en bij bad zich opgesloten en zeide: Laat ons samenkomen in het huis Gods, midden in den tempel , en de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doo-den, ja zullen u bij nacht komen doodeii. 11 Doch ik zeide: Zou zulk een man vluchten ? Zou iemand als ik ben in den tempel gaan om levend te blijven? Ik wil er niet ingaan. 12 Want ik merkte dat God hem uiet gezonden had. schoon hij wel profetie tot mij sprak, maar ïobia en Sauballat hadden hsm geld gegeven. 13 Daarom nam hij geld, opdat ik vreezen zoude, en alzoó doen, en zondigen, opdat zij een kwaad gerucht mochten hebbsu om mij daarmede te lasteren. —• 14 Gedenk, mijn God, aan ïobia en Sauballat, naar deze zijne werken; ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij wilden afschrikken. |
15 En de muur werd gereed op den vijfentwintigsteu dag der maand Elul, in tweeënvijftig dagen. lö En toen al onze vijanden dat hoorden, zoo vreesden al de volken die rondom ons waren, en de moed ontviel hun; want zij merkten dat dit werk van onzen. God verricht was. 17 Ook waren er in dien tijd velen der oversten van Juda, wier brieven gingen naar ïobia, en van Tobia tot hen. 18 Want velen waren er in Juda die hem gezworen hadden, omdat hij een schoonzoon was vanSechanja den zoon van Arab, en zijn zoon Jobanan had de dochter van Mesullam den zoon van Berecbja. 19 Ook zeiden zij alles goeds van hem tot mij, en brachten mijne woorden over tot hem. Dus zond dan ïobia brieven om mij afte-schrikken. HOOFDSTUK 7. 1 ïoen wij nu den muur gebouwd hadden, hing ik de deuren in; en de poortwachters, zangers en Levieten werden bestsld. 2 En ik gebood mijnen broeder Hanani, en Hananja den overste van den burg |
XE II EM IA 7.
946
|
te Jeruzalem, want hij was een getrouw man en god-vreezend boven vele anderen ; 3 en ik sprak tot hen: Men zal de poorten van Jeruzalem niet openen eerdat de zon heat wordt; eu als men nog arbeidt, zal men de deuren toeslaar. en grendelen. Eu er werden wachters gesteld uit de burgers van Jeruzalem, elk op zijne wacht en om zijn huis. 4 De stad nu was wijd van ruimte en groot, manier was weinig volk in, en huizen waren er niet gebouwd. 5 En mijn God gaf' mij in het hart, dat ik de raadsheeren en de oversten en het volk vergaderde, om hen in het geslachtregister inteschrijven; en ik vond een register hunner geslachtrekening , 6 die tevoren opgekomen waren uit do gevangenschap, die Nebukadnezar de koning van 1 Sabel had weggevoerd, en die naar Jeruzalem en Juda wederkeerden, elk naar zijne stad, 7 en waren gekomen met Zerubbabel, Jesüa, Nehemia, Azarja, Eaamja, Nahatnani, Mordeclmi, .Uilsan, Mispi'-reth, Bigvai, Nehum en Bacna. Pit is het getal der mannen van het volk Israël: |
8 de kinderen van Paros waren tweeduizend honderd tweeënzeventig; 9 de kinderen van Sefatja driehonderd tweeënzeventig; 10 de kinderen van Arah zeshonderd tweeënvijftig; 11 de kinderen van Pa-, hath-Moab, onder de kinderen- van Jesüa en Joab, tweeduizend achthonderd achttien; 12 de kinderen van Elam duizend tweehonderd vierenvijftig; 13 de kinderen van Zattu achthonderd vijfenveertig; 14 de kinderen van Zak-kai zevenhonderd en zestig; 13 de kinderen van Binnuï zeshonderd achtenveertig; 16 de kinderen van liebai zeshonderd achtentwintig; 17 de kinderen van Azgad tweeduizend driehonderd tweeëntwintig; 15 de kinderen van Ado-nikam zeshonderd zevenenzestig ; 19 de kinderen van Bigvai tweeduizend zevenenzestig; 20 de kinderen van Adin zeshonderd vijfenvijftig; 21 de kinderen van Ater, van Hizlda, achtennegentig; 22 do kinderen van Hasum driehonderd achtentwintig; 23 de kinderen van Bezai |
NEHEMIA 7.
947
|
driehonderd vierentwintig; 24 de kinderen van Harif' honderd en twaalf; 25 de kinderen van Gibeon vijfennegentig; 26 de mannen van ISethle-hem en Netofa honderd achtentachtig; 27 de mannen van Ana-thoth honderd achtentwintig; 28 de mannen van Eeth-Azmaveth tweeënveertig; 39 de mannen van Kir-jath-Jearim, Ketira en Eeii-roth, zevenhonderd drieënveertig; 30 de mannen van Kama en Geba zeshonderd éénentwintig ; 31 de mannen van Mich-mas honderd tweeëntwintig; 32 de mannen van Beth-El en Ai honderd drieëntwintig; 33 de mannen van het andere Nebo tweeënvijftig; 34 de kinderen van den anderen Elam duizend tweehonderd vierenvijftig; 35 de kinderen vanHarim driehonderd twintig; 36 de kinderen van Jericho driehonderd viifenveer-tig; 37 de kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd éénentwintig; 38 de kinderen van Senail drieduizend negenhonderd en dertig. |
39 De priesters: tic kinderen van Jedaja, uit het huis van Jesüa, negenhonderd drieënzeventig; 40 de kinderen van Immer duizend tweeënvijftig ; 41 de kinderen van Pas-li ur duizend tweehonderd zevenenveertig; 43 de kinderen van Harim duizend en zeventien. 43 De Levieten: de kinderen van .Tesüa en Kadmiël, onder de kinderen van Ho-deva, vierenzeventig. 44 De zangers: de kinderen van Asaf honderd achtenveertig. 45 De poortwachters waven: de kinderen van Sal-lum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; allen tezamen honderd achtender- tiSquot;- 46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth, 47 do kinderen van Keros, do kinderen van Sia, de kinderen van Padon, 48 de kinderen van Leba-na, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai, 49 de kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, |
NEHEMIA 7.
948
|
30 de kinderen van Keaja, de kinderen van llezin, de kinderen van Nekoda, 51 de kinderen van Gaz-zam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paséah, 52 de kinderen van ]5esai, de kinderen van Meünim, de kinderen van Nefusesim, 53 de kinderen van Bak-buk, de kinderen van Ha-kufa, de kinderen van Harhur, 54 de kinderen van Baz-litli, de kinderen van Melii-da, de kinderen van Harsa, 55 de kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Tcmah, 56 de kinderen van Xe-ziah, de kinderen van Ha-tifa. 57 De kinderen der knechten van Salomo waren: de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida, 58 de kinderen van Jaëla, de kinderen van Darken, de kinderen van Giddel, 59 de kinderen van Se-fatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth-Hazzebaïm, de kinderen van Anion. 60 Al de Netliinim en de kinderen der knechten van Salomo waren driehonderd tweeënnegentig. |
01 En deze trokken op uit ïelmélah, Telharsa, Kerub, Addon en Immer; maar zij konden het stamhuis hunner vaderen niet aanwijzen, noch hun geslacht, of zij uit Israël waren: 62 de kinderen van Delaja, de kinderen van Tobla, de kinderen van Nekoda, zesr honderd tweeënveertig; 63 en van de priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die eene vrouw genomen had van de dochters van Barzillai den Gileadiet, en naar hunnen naam genoemd werd. 64 Deze zochten hun geslachtregister; en toen zij het niet vonden, werden zij verstoken van het priesterambt ; 65 en Hattirsatha zeide tot hen, dat zij niet eten zouden van het allerheiligste, totdat er een priester opkwam met het Licht en Recht. 66 De geheele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd en zestig; 67 behalve hunne knechten en dienstmaagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig; en zij hadden tweehonderd vijlen- |
NEHEMIA 8.
949
|
veertig zangers en zangeressen , 68 zevenhonderd zesendertig paarden, tweehonderd vijfenveertig muilezels, 69 vierhonderd vijfendertig kameelen, zesduizend zevenhonderd en twintig ezels. 70 En eenigen van de hoofden der vaderen gaven voor het werk. Hattirsatha gaf voor den schat duizend goudstukken, vrftig bekkens, vijfhonderd en dertig priestergewaden. 71 En eenige hoofden der vaderen gaven voor den schat van het werk twintigduizend goudstukken, tweeduizend en tweehonderd pond zilver. 73 En het overige volk gaf twintigduizend goudstukken, en tweeduizend pond zilver, en zevenenzestig priestergewaden. 73 En de priesters en de Levieten, de poortwachters, de zangers, en eenigen van het volk, en deNethinim, en geheel Israël zetteden zich neder in hunne steden. HOOFDSTUK 8. 1 Toen nu de zevende maand naderde, en de kinderen Israels in hunne steden waren, |
2 vergaderde het geheele volk zich als een eenig man op de breede straat vóór de Waterpoort, en zij zeiden tot Ezra den schriftgeleerde, dat hij het boek (Ier wet van Mozes zou halen, welke de Heer aanlsraël geboden heeft. 3 En Ezra de priester bracht de wet voor de gemeente , voor mannen en vrouwen en allen die het verstaan konden, op den eersten dag der zevende maand, 4 eu las daaruit, op de breede straat die vóór de Waterpoort is, van den lichten morgen af tot op den middag toe, voor mannen en vrouwen en wie het verstaan kon; en de ooren des geheelen volks waren naar het wetboek gekeerd. 3 En Ezra de schriftgeleerde stond op een verheven houten gestoelte, hetwelk zij tot dat einde gemaakt hadden; en naast-hem stonden Mattithja, Sema, Anaja, Uria, Hilkia en Mailseja, aan zijne rechterhand; en aan zijne linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Hasum, Hasbaddana, Zecharja en Mesullam. G Eu Ezra deed het boek open voor het geheele volk, want hij stak uit boven al het volk; en toen hij het opendeed, stond al het volk op. 7 En Ezra loofde den |
MI A 8.
1)50
N EIIE
|
Heer, den grooteu God; en al het volk antwoordde: Amen, amen, met opheffing hunner handen, en zij bogen zich en aanbaden den Heer met het aangezicht ter aarde. 8 En Jesüa, Eani, Serebja, Jamin, Akknb, Sabbethai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azarja, .Tozabad, Hanan, Pelaja en de Levieten maakten dat het volk op de wet achtajaf; en het volk stond op zijne plaats. 9 En zij lazen in het wetboek Gods klaar en verstaanbaar , dat men liet verstond toen men het las. 10 En Nehemia, dat is Hattirsatha, en Ezra de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den Heer uwen God heilig: weest niet treurig en weent niet. Want al het volk weende toen zij de woorden der wet hoorden. 11 Daarom zeide hij tot hen: Gaat heen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt ook deelen aan degenen die niets voor zich bereid hebben; want deze dag is onzen Heer heilig, daarom bekommert n niet, want de vreugd aan den Heer is uwe sterkte. |
13 En dc Levieten stilden al het volk, zeggende: Weest stil; want deze dag-is heilig, daarom bekommert u niet. 13 En al het volk ging heen om te eten en te drinken en deelen te zenden en zich vroolijk te maken; want zij hadden de woorden • verstaan welke men hun had bekendgemaakt. 14 En des anderen daags vergaderden zich de hootUen iler vaderen onder het ge-heele volk, en de priesters en Levieten, tot Ezra den schriftgeleerde, opdat hij hen in de woorden der wet onderrichten zoude. 15 En zij vonden in de wet geschreven, dat de Heer door Mozes geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen op het feest in de zevende maand, 16 en dat men het zou laten bekend worden, en uitroepen in al hunne steden en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte en haalt olijftakken, takken van harsboomen, mirtetak-ken, palmtakken en takken van dichte boomen, om loofhutten te maken zooals liet geschreven staat. 17 En het volk ging uit en haalde ze, en zij maak- |
NE HEM IA 9.
951
|
ten loofhutten, ieder op zijn dak, en in hunne hoven, en in do hoven van het huis Gods, en op de breede straat aan de quot;Waterpoort, en op de breede straat aan de poort van Efraïm. 18 En de geheele gemeente dergenen die uit de gevangenschap waren wedergekomen maakte loofhutten en woonde daarin; want de kinderen Israels hadden sedert den tijd van -lozua den zoon van Nun tot op dezen dag toe zoo niet gedaan; en er \ vreugd. 19 En er werd in liet wetboek Gods gelezen alle dagen, van den eersten dag af tot op den laatsten; en zij hielden het feest zeven dagen, cn op den aehtsten dag de vergadering, zooals het behoort. HOOFDSTUK 9. 1 Op den vierentwintig-sten dag dezer maand kwamen de kinderen Isrnëls tezamen, vastende cn in zakken, en met aarde op zich. 3 En zij zonderden het zaad van Israël af van alle kinderen der vreemden; en zij traden toe en bekenden hunne zonden en de misdaden hunner vaderen. |
3 En zij stonden op in hunne plaalsen, en men las in het wetboek van den Heer hunnen God een vierde gedeelte van den dag, en zij deden schuldbekentenissen cn aanbaden den Heer hunnen God een ander vierde gedeelte van den dag. 4 En de Levieten stonden op het gestoelte, namelijk Jesüa, -Hani. Kaclraiel, Se-banja, Bunni, Serebja, liani en Kenani; en zij riepen overluid tot den Heer hunnen God. 5 En de Levieten, Jesüa, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja, Pethahja, spraken : Staat op, looft den Heer uwen God van eeuwigheid tot eeuwigheid; en men love den naam uwer heerlijkheid, die verheven is boven allen zegen en lof. 6 Gij zijt de Heer alleen, gij hebt gemaakt den hemel en aller hemelen hemel met al hun heir, de aarde en al wat er op is, de zeeën en alwat er in is, gij maakt alles levend; en het hemel-sche.heir aanbidt u. 7 Gij Heer zijt die God, die Abram verkoren hebt, en gij hebt hom uit Ur in Chaldéa uitgevoerd, en hebt hem Abraham genoemd, 8 en hebt zijn hart getrouw |
è
NEHEMIA 9.
952
|
bevonden voor u, en hebt een verbond met hem gemaakt, om zijnen zade te geven het land der Kana-anieten, Hethieten, Arno rieten, Ferezieten, Jebusie-ten en Girgasieteu; en gij hebt uw woord gehouden, want gij zijt rechtvaardig. 9 En gij hebt de ellende onzer vaderen in Egypte aangezien, en hun roepen verhoord aan de Schelfzee; 10 en gij hebt teekenen en wonderen gedaan aan Farao en al zijne knechten en aan al het volk zijns lands; want gij erkendet dat zij trotsch tegen hen waren, en hebt u een naam gemaakt, zooals het heden nog is. 11 En gij hebt de zee voor hen vanééngescheurd, dat zij droog midden door de zee gingen, en hebt hunne vervolgers in de diepte geworpen, als steenen in machtige wateren. 12 En gij hebt hen gevoerd bij dag met eene wolkkolom, en des nachts met eene vuurkolom, om hun licht te geven op den weg dien zij gaan moesten. 13 En gij zijt nedergedaald op den berg Sinaï, en hebt van den hemel tot hen gesproken, èn hun een waarachtig recht en eene rechte wet en goede geboden en inzettingen gegeven, |
11 en hebt hun uwen heiligen sabbat bekendgemaakt, en hun bevelen en inzettingen en eene wet geboden door uwen knecht Mozes, 13 en hebt hun brood van den hemel gegeven toen zij honger hadden, en water uit de steenrotsen laten komen toen zij dorst hadden, en tot hen gezegd dat zij zouden gaan en het land innemen, over hetwelk gij uwe hand ophieft om het hun te geven. IC Maar onze vaderen werden trotsch en halsstarrig, zoodat zij naar uwe geboden niet hoorden, 17 en weigerden te hoo-ren, en gedachten ook niet aan uwe wonderen die gij aan hen gedaan hadt; maar zij werden halsstarrig en wilden een hoofd opwerpen, om in hun ongeduld weder-tekeeren naar hunne dienstbaarheid. Maar gij, mijn God, gij vergaaft en waart genadig, barmhartig, lankmoedig en van groote goedertierenheid, en verliet hen niet. 18 En zelfs toen zij een gegoten kalf maakten, en zeiden: Dit is uw God die u uit Egypteland gevoerd |
NEHEMIA 9.
953
|
heeft, en groote lasteringen deden, 19 nochtans verliet gij hen niet in de woestijn, naar uwe groote barmhartigheid: de wolkkolom week niet van hen bij dag om hen te voeren op den weg, noch de vuurkolom bij nacht om hun licht te geven op den weg- dien zij gaan moesten. 20 En gij gaaft hun uwen goeden Geest om hen te onderwijzen, en uw manna weerdet gij niet van hunnen mond, en gaaft hun water voor hunnen dorst. 21 Veertig jaar verzorgdet gij hen in de woestijn, zoodat hun niets ontbrak: hunne kleederen versleten niet en hunne voeten zwollen niet. 22 Gij gaaft hun ook koninkrijken en volken, en verdeeldet die her- en derwaarts, zoodat zij innamen het land van Sihon den koning van Hesbon, en het land van Og den koning van Easan. 23 En gij vermeerderdet hunne kinderen als sterren aan den hemel, en bracht hen in het land hetwelk gij hunnen vaderen toegezegd hadt, dat zij er intrekken en het innemen zouden. |
21 En de kinderen trokken daarin en namen het land in; en gij verootmoe-digdet voor hen de inwoners des lands, de Kanaiinieten, en gaaft hen in hunne hand, met hunne koningen en de volken van het land, om met hen te doen naar hunnen wil. 25 En zij namen vaste steden in, en een vet land, en namen huizen in, vol van allerlei goederen, uitgehouwen bornputten, wijnbergen , olijftuinen en boo-men waarvan men eet, in menigte; en zij aten en werden verzadigd en vet, en leefden in wellust door uwe groote goedheid. 26 Maar zij werden ongehoorzaam en wederstreefden u, en wierpen uwe wet achter hunnen rug, en doodden uwe profeten die hun betuigden dat zij zich tot u keeren zouden, en deden groote lasteringen. 27 Daarom gaaft gij hen in de hand hunner vijanden die hen benauwden. En in den tijd hunner benauwdheid riepen zij tot u, en gij verhoordet hen van den hemel, en door uwe groote barmhartigheid gaaft gij hun verlossers, die hen hielpen uit de hand hunner vijanden. 28 Doch als zij tot rust |
MI A 9.
X EIIE
'Jai
|
kwamen, keerden zij weder tot kwaaddoen voor uwe oogen; en gij liet hen weder ter prooi in de hand hunner vijanden, dat die over hen heerschten. Maar dan bekeerden zij zich en riepen tot u, en gij verhoordet hen weder van den hemel, en verlostet hen, naar uwe groote barmhartigheid, menigmaal. 39 En gij liet hun betuigen dat zij zich weder tot uwe wet zouden keeren; maar zij waren trotsch en hoorden naar uwe geboden niet, en zondigden tegen uwe rechten, (door welke de mensch, als hij die doet, zal leven), en trokken hunnen schouder weg en werden halsstarrig en gaven geen gehoor. 30 En gij toefdet vele jaren met hen, en liet hun betuigen door uwen Geest in uwe profeten; maar zij leenden het oor niet: daarom hebt gij hen in de hand van de volken der landen overgegeven. 31 Maar naar uwe groote barmhartigheid hebt gij hen niet geheel vernietigd noch hen verlaten; want gij zijt een genadig en barmhartig God. |
33 Xu dan, onze God, gij groote, machtige en geduchte God, gij die het verbond en de barmhnrtig-Itcid houdt; acht toch niet gering al de moeite die ons getrollen heeft, en onze koningen, vorsten, priesters, profeten, vaderen en geheel uw volk, van den tijd der koningen van Assyrië af tot op dezen dag toe. 33 Gij zijt rechtvaardig in alles wat gij over ons gebracht hebt; want gij hebt recht gedaan, maar wij zijn goddeloos geweest; SI en onze koningen, vorsten , priesters en vaderen hebben naar uwe wet niet gedaan, en geen acht geslagen op uwe geboden en getuigenissen die gij hun hebt laten betuigen; 35 on zij hebben u niet gediend in hun koninkrijk, en naar uwe groote weldaden die gij aan hen gedaan hebt, en in het uitgestrekte en vette land hetwelk gij hun voorgelegd hebt; en zij hebben zich niet bekeerd van hunne boosheid. 36 Zie, wij zijn heden ten dage knechten; en in het land hetwelk gij onzen vaderen gegeven hebt om zijne vruchten en goederen te eten, zie, daarin zijn wij knechten; 37 en zijne opbrengsten vermeerderen voor de konin- |
|
gen welke gij over ons gesteld hebt wegens onze zonden, en zij heerschen over onze lichamen en ons vee naar hunnen wil; en wij zijn ia grooteu nood. — 38 En na dat alles maakten wij een vast verbond en beschreven het, en lieten onze vorsten, Levieten en priesters het verzegelen. HOOFDSTUK 10. 1 Die nu verzegelden waren: Nehemia Hattirsatha, de zoon van Hachalja, en Zedeki'a, 2 Seraja, Azarja, Jercmia, 3 Pashur, Amarja, Mal-kia, 4 Hattus, Sebanja, Mal-lucli, 5 Harim, Meremoth, 0-badja, 6 Daniël, Grinnethon, Ba-ruch, 7 Mesullam, AMa, Mia-min, 8 Maiizja, Bilgai en Se-maja: dit waren dc priesters. 9 En do Levieten waren; Jesua de zoon van Azanja, Binnüï; onder de kinderen van Henadad, Kadmiël; 10 en hunne broeders: Sebanja , Hodia, Kelita, Pela-ja, Hanan, 11 Micha, Hehob,Hasab-ja. |
955 Serebja, Se banja , 13 Hodia, Bani en Beni-nu. 14 De hoofden des volks waren: Paros, Pahath-Moab, Elam, Zattu, Bani, 15 Bunni, Azgad, Bebai, 16 Adonia, Bigvai, Adin, 17 Ater, Hizkia, Azznr, 18 Hodia, Hasum, Bezai, 19 Harif, Anathoth, Ne-bai, 20 Magpias, Mesullam. Hezir, 21 Mesezabeël, Zadok, Jad-diia, 23 Pelatja, Hanan, Ana-ja. T , 23 Hosea, Hananja, Has-sub, 2-1' Hallohes, Pilha, Sobek, 25 Eehum, Hasabna, Mail-seja, 26 Ah ia, Hanan, A nan, 27 Malluch, Harim en Baëna. 28 En het overige volk, de priesters. Levieten, poortwachters, zangers, Nethi-nim, en allen die zich van de volken der landen afgezonderd hadden tot de wet Gods, benevens hunne vrouwen , zonen en dochters, allen die het verstaan konden , 29 hunne aanzienlijksten namen het aan voor hunne broeders; en zij kwamen om NEHEMIA 12 10. Zakkui', |
1
NEHEMIA 10.
956
|
te zweren en zicli met een eed te verplichten, om te wandelen naar de wet Gods, die door Mozes den knecht Gods gegeren is; dat zij houden en doen zouden alle geboden, rechten en inzettingen van den Heer, onzen Heerscher; 30 en dat wij aan de volken des lands onze dochters niet geven, noch hunne dochters voor onze zonen nemen zouden; 31 ook dat wij, wanneer de volken des lands op den sabbatdag koopmanschap en allerlei eetwaren te koop brengen, het niet van hen zouden nemen op den sabbat noch op eenigen 'ande-reti\ heiligen dag; en dat wij het zevende jaar van allerlei belasting zouden vrijlaten. 33 En wij leiden ons een gebod op, dat wij jaarlijks een derdedeel van een sikkel geven zouden voor den dienst in het huis onzes Gods: 33 namelijk voor de toon-brooden, voor het dagelijk-sche spijsofter, voor het da-gelijksche brandoffer der sabbatten, der nieuwemaan-en feestdagen, en voor de geheiligde dingen, en voor de zondoflers opdat Israël verzoend zou worden, en voor al het werk in het huis onzes Gods. |
31 En wij wierpen het lot onder de priesters, Levieten en het volk, over het olier van het hout hetwelk men tot het huis onzes Gods jaarlijks brengen zou, naaide huizen onzer vaderen, op bestemde tijden, om te branden op den altaar van den Heer onzen God, zooals het in de wet geschreven staat; 35 en jaarlijks te brengende eerstelingen van ons land, en de eerstelingen aller vruchten van allerlei boomen, tot het huis des Heeren; 36 en de eerstelingen van onze zonen en van ons vee, zooals het in de wet geschreven staat; en de eerstelingen onzer runderen en schapen; dat wij het alles tot het liuis onzes Gods zouden brengen voor de priesters die in het huis onzes Gods dienen; 37 ook zouden wij brengen de eerstelingen van ons deeg en van ons hefoffer, en de vruchten van allerlei boomen, most en olie, voorde priesters, in de kamers van het huis onzes Gods; en de tienden van ons land voor de Levieten; en de Levieten in al de steden zouden de tienden hebben van ons akkerwerk; |
NEHEMIA 11.
957
|
38 Nochtans zóó dat de priester, Ailrons zoon, ook met de Levieten zal behoo-ren tot de tienden dor Levieten; zoodat de Levieten de tienden hunner tienden zouden opbrengen tot het huis onzes Gods, in de kamers van het schathuis. 39 Want de kinderen Israels .en de kinderen van Levi zullen het hefoffer van koren, most en olie in die kamers opbrengen; aldaar zijn de vaten des hei-ligdoms, en de priesters die dienen, en de deurwachters, en de zangers; en dat wij het huis onzes Gods niet verlaten zouden. HOOFDSTUK 11. 1 En de oversten des volks woonden te Jeruzalem; en het overige volk wierp het lot, opdat van tien één naar Jeruzalem in de heilige stad zou trekken om aldaar te wonen, en negen deelen in de steden. 3 En het volk zegendeal de mannen die gewillig waren om te Jeruzalem te wonen. 3 Dit zijn de hoofden van het landschap die te Jeruzalem woonden, terwijl in de steden van Juda ieder woonde in zijne bezitting. |
die in hunne steden was; namelijk Israël, de priesters, de Levieten, de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo. 4 En te Jeruzalem woonden eenigen der kinderen van Juda en Benjamin. Tan de kinderen van Juda: A-thaja, de zoon van Uzzi'a, den zoon van Zecharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalalecl, uit do kinderen van Perez; 5 en Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kolhozc, den zoon van Ha-zaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zecharja, den zoon van Siloni. 6 Al de kinderen van Perez , die te Jeruzalem woonden , waren vierhonderd achtenzestig dappere lieden. 7 En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joëd, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesaja; 8 en benevens hem Gabbai, Sallai: negenhonderd achtentwintig. 9 En Joël de zoon van Zichri was hun bevelhebber, en Juda de zoon van Has- |
NEHEMIA 11.
058
|
senua over liet tweede deel der stad. 10 Van de priesters: Je-daja de zoon van Jqjarib, Jacliin; 11 Seraja, de zoon van Hilkia, den zoon van Me-sullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajotli, den zoon van AMtub, was vorst in het linis Gods; 12 eu zijne broeders, die in liet huis arbeidden, waven achthonderd tweeëntwintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Am-zi, den zoon van Zecharja, den zoon van Paslmr, den zoon van Malkia; 13 en zijne broeders, hoofden der vaderen, waren tweehonderd tweeënveertig. En Amassai, de zoon van Azareël, den zoon van Ahzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer; li eu zijne broeders, dappere lieden, waren honderd achtentwintig; en hun bevelhebber was Zabdiël de. zoon van Haggedolitn. 15 Van de Levieten: Se-maja, de zoon vanHassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, den zoon van Bunni; 1G en Sabbethai, enJoza-bad, uit de oversten dei-Levieten, over de buitenwerken van het huis Gods- |
17 Voorts Mattanja, de zoon van Mich a, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, die het hoofd was om de dankzegging te beginnen ten gebede; en Bakbukja, de tweede onder zijne broeders; en Abda, de zoon van Sam-miia, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun. 18 Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vierentachtig. 10 En de poortwachters: Akkub en Talmon, en hunne broeders, die in de poorten de wacht hielden, waren honderd tweeënzeventig. 20 liet overige Israël nu, priesters en Levieten, waren in alle steden van Juda, elk in zijn erfdeel. 21 En de Nethinim woonden in Ofel, en Ziha en Gispa waren over de Nethinim. 22 En de bevelhebber der Levieten te Jeruzalem was üzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, den zoon van Mattanja, denzoon van Micha. Uit de zonen van Asaf waren de zangers tot het werk in het huis Gods. 23 Want het gebod des konings omtrent hen bepaalde het onderhoud voor de zangers op eiken dag. |
NE HE MI A 12.
'JS'J
|
24 En Petliahja, de zoon van Mesezabeël, uit de kinderen van Zerah don zoon van Juda, was liovelhehher van 's konings wege tot alle verrichtingen van liet volk. 25 En van de kinderen van Juda, die buiten inde dorpen op bunne akkers waren , woonden eenigen te Kirjatli-Arba en liare onder-lioorige plaatsen, en te Dibon en hare onderhoorige plaatsen , en te Jekabzeël en hare dorpen, 26 en te Jesüa, Molada, Betli-Pclet, 27 Hazar-Sual, Ber-Séba en hare onderhoorige plaatsen, 38 en te Ziklag en Meeho-na en hare onderhoorige plaatsen, 29 en te En-Kimmon, Zora, Jarmuth, 30 Zanoah, Adullam en hare dorpen, te Lachis en hare velden, te Azeka en hare onderhoorige plaatsen. En zij legerden zich van lier-Seba af tot hetdalHinnom toe. 31 En de kinderen Benjamins, van Greba at', woonden te Michmas, Ajja, Beth-E1 en hare onderhoorige plaatsen, 32 en te Anathoth, Nob, Ananja, |
33 Hazor, Eama, Gitta-im, 3 t Hadid, Zeboïtn, Nebal-lat, 35 Lod, Ono, en in het dal der timmerlieden. 36 En sommige Levieten, die deel in Juda hadden, woonden onder Benjamin. HOOFDSTUK 12. 1 Dit zijn de priesters en Levieten die met Zerubbabel den zoon van Sealtiël en Je-sua optrokken: Seraja, Je-remia, Ezra, 2 Amarja, Malluch, Hat-tus, 3 Seohanja, Kehum, Me-remoth, 4 Iddo, Ginnethoi, Abi'a, 5 Miamin, Maiidja, Bilga, 6 Semaja, Jojarib, Jedaja, 7 Sallu, Amok, Hilkfaen Jedaja: dat waren de hoofden der priesters en hunne broeders, ten tijde van Je-sua. 8 En de Levieten waren deze: Jesua, Binnuï, Kad-miël, Serebja, Juda en Mat-tanja, over het ambt der dankzegging, hij en zijne broeders; 9 en Bakbukja en ünni, hunne broeders, waren rondom hen ter wacht. 10 Jesua nu verwekte Jo-jakim, Jojakim verwekte Eljasib, Eljasib verwekte Jo-jada, 11 Jojada verwekte Jona- |
|
960 than, Jonathan verwekte Jaddüa. 13 En ten tijdo vanjqja-kim waren deze de hoofden der vaderen onder de priesters: namelijk van Seraja was Meraja, van Jereraia was Hananja, 13 van Ezra was Mesullam, van Amarja was Johanan, 14 van Melichu was Jonathan, van Sebanja was Jozef, 15 van Harim was Adna, van Merajoth was Helkai, 16 van Iddo wasZecharja, van Ginnethon was Mesullam , 17 van Abia was Zichri, van Minjamin Moadja was Piltai, 18 van Bilga was Sammua, van Semaja was Jonathan, 19 van Jojarib was Mat-tenai, van Jedaja was Uzzi, 20 van Sallai wasKallai, van Amok was Heber, 21 van Hilkia was Hasabja, van Jedaja was Nethaneël. 22 En ten tijde van El-jasib, Jojada, Johanan en Jaddüa, werden de hoofden der vaderen onder de Levieten en de priesters beschreven, onder de regeering van Darius den Perziaan. 23 En de kinderen van Levi, de hoofden der vaderen , werden beschreven in de kronieken, tot aan de dagen van Johanan den zoon van Eljasib. |
24 En deze waren de hoofden der Levieten: Hasabja, Serebja, en Jesüa de zoon van Kadmiël, en hunne broeders nevens hen, om te loven en te danken, zooals David de man Gods geboden had, de ééne wacht tegenover de andere. 25 Matfanja, Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren poortwachters, de wacht waarnemende aan de drempels dei-poorten. 26 Deze waren ten tijde van Jojakim, den zoon van Jesüa den zoon van Jozadak, en ten tijde van Xehemia den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde. — 27 En bij de inwijding van den muur te Jeruzalem zocht men de Levieten uit al hunne plaatsen, om hen te Jeruzalem te doen komen, teneinde de inwijding te vieren met vreugde, met danken, met zingen, met cimbalen, fluiten en harpen. 28 En de kinderen der zangers vergaderden zich, zoo van de landstreek rondom Jeruzalem, alsook uit de dorpen der Netofathieten, 29 en van het huis Gilgal, en van de akkers te Geba N EH EM IA 12. |
NEHEMIA 12.
961
|
en Azmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem. 30 En de priesters en Levieten reinigden zich, en zij reinigden het volk, de poorten en den mviur. 31 En ik liet de vorsten van Juda bovenop den muur klimmen; en ik stelde twee grppte dankkoren, die gingen heen ter rechterhand bovenop den muur naar de Mestpoort toe. 32 En achter hen gingen Hosaja en de helft der vorsten van Juda, 33 Azarja, Ezra, Mesul-lam, 31 Juda, Benjamin, Semaja en Jeremia; 35 en eenigen van de zonen der priesters met trompetten, namelijk Zeoharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Mattanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zak-kur, den zoon van Asaf; 36 en zijne broeders Semaja, Azareël, Milalai, Gi-lalai. Maai, Nethanecl, Juda en Hanani, niet de speeltuigen van David den man Gods; en Ezra de schriftgeleerde voor hen uit, 37 naar de Fonteinpoort toe; en zij gingen naast hen de trappen op naar de stad van David, opwaarts-,naar den imiur boven Davids huis, tot aan de Waterpoort tegen het oosten. |
38 Het tweede dankkoor ging tegenover hen, en ik daarachter, en de helft des volks, den muur opwaarts, naar den Bakovenstoren toe, tot aan den breeden muur; 39 en naar de poort Efraïm toe, en naar de Oude poort, en naar de Visohpoort, en naar den toren Hananeël, en naar den toren Mea, tot aan de Schaapspoort; en zij bleven staan in de Kerkerpoort. 40 En alzoo stonden de twee dankkoren in het huis Gods, en ik en do helft der oversten met mij ; 11 en de priesters Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, Eljocnai, Zecharja, Ha-nanja, met trompetten; 42 en Mailseja, Semaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Mal-kia, Elam en Ezer; en de zangers zongen overluid, en Jizrahja was de bestuurder. 43 En te dien dage werden er groote offers geofferd , en zij waren vroolijk; want God had hun eene groote vreugd verwekt, zoodat beide vrouwen en kinderen zich verheugden; en men hoorde Jeruzalems vreugde van verre. 44 Op dien tijd werden |
31
NEHEMIA 13.
962
|
er mannen aangesteld over de schatkamers, om de hefoffers, eerstelingen en tienden daarin te leggen, die zij vergaderen zouden van de akkers rondom de steden , om uittedeelen naar de wet, voor de priesters en Levieten; want Juda had vreugd aan do priesters en Levieten, dat zij stonden 45 en de wacht huns Gods waarnamen, en de wacht der reiniging; ook stonden de zangers en deurwachters, naar het gebod van David en zijnen zoon Salomo. 46 Want ten tijde van David en Asaf waren er opperste zangers en lofliederen en dankzeggingen tot God verordend. 47 En geheel Israël gaf aan de zangers en deurwachters deelen, ton tijde van Zerubbabel en Nehemia, op eiken dag zijn deel; en zij gaven het geheiligde voor de Levieten, en de Levieten gaven het geheiligde voor de kinderen van Ailron. HOOFDSTUK 13. 1 En op dien tijd werd in het boek van Mozes gelezen voor de ooren des volks, en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten nimmermeer in de gemeente Gods mochten komen, |
3 omdat zij de kinderen Israels niet tegemoet waren gekomen met brood en water, en Bileam tegen hen gehuurd hadden, dat hij hen vloeken zou, doch welken vloek onze God veranderde in een zegen. 3 Toen zij nu deze wet hoorden, zonderden zij alle vreemdelingen af van Israël. 4 Yoor dezen tijd nu had de priester Eljasib in de kamer van het huis onzes Gods gelegd het oiler van Tobla; 5 cn hij had hem eene groote kamer gemaakt, en daarin hadden zij tevoren gelegd spijsoffer, wierook, het gereedschap, en de tienden van koren, most en olie, die bevolen waren voor de Levieten, zangers en deurwachters; benevens het hefoffer der priesters. 6 Doch onder dat alles was ik niet te Jeruzalem; want in het tweeëndertigste jaar van Artahsasta den koning van Babel kwam ik weder tot den koning, en na eenige dagen verwierf ik van den koning 7 dat ik naar Jeruzalem mocht trekken; en ik merk- |
|
te dat het niet goed was, hetgeen Eljasib aan Tobia gedaan had, dat hij hem eene kamer maakte in het voorhof van het huis Gods. 8 En het verdroot mij zeer, en ik wierp al het gereedschap van liet huis van Tobia buiten de kamer, 9. en ik beval dat zij de kamer zouden reinigen, cn ik bracht het gereedschap van het huis Gods, het spijsoffer en den wierook, daar weder in. lü En ik vernam dat den Levieten hunne doelen niet gegeven waren, weshalve de Levieten en zangers gevloden waren, elk naar zijnen akker om te arbeiden. 11 Toon berispte ik de oversten en sprak: Waarom verlaten wij het huis Gods? En ik vergaderde hen weder, en herstelde hen in hunne plaats. 13 Toen bracht geheel Juda de tienden van koren, most en olie, tot den schat. 13 En ik stelde over de schatten Selemja den priester, en Zadok den schriftgeleerde, cn uit de Levieten Pedaja; en onder hunne hand Hanan, den zoon van Zakkur den zoon van Mat-tanja; want zij werden voor |
S)63 getrouw gehouden, en hun werd bevolen aan hunne broeders uitdeeling te doen. — li' Gedenk mij, mijn God, daarbij; cn delg mijne weldadigheid niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan zijne wacht bewezen heb. 15 Op dien tijd zag ik in Juda wijnpersen treden op den sabbat, en garven inbrengen, en ezels, beladen met wijn, druiven, vijgen en allerlei last, te Jeruzalem brengen oj) den sabbatdag ; en ik bestrafte hen op dien dag, dat zij eetwaren verkochten. 16 Ook woonden er Ty-riërs in, die brachten visch cn allerlei waren, en verkochten ze op den sabbat aan de kinderen van Juda en Jeruzalem. 17 Toen berispte ik do oversten van Juda, en sprak tot hen: Wat is dat voor een kwaad dat gij doet, en den sabbatdag ontheiligt? 18 Deden niet onze vaderen óók zoo, en heeft onze God daarom niet al dit ongeluk over ons en over deze slad gebracht? En gijlieden brengt nog meer toorn over Israël, dat gij den sabbat ontheiligt. 19 En zoodra de poorten N EH EM TA 13. |
NEHEMIA 13.
964
|
van Jeruzalem schaduw gaven, vóór den sabbat, gebood ik de deuren toete-sluiten, en beval dat men ze niet openen zou tot na den sabbat; en ik bestelde sommigen van mijne jongens aan de poorten, opdat men er geen last zou inbrengen op den sabbatdag. 30 Toen bleven de kramers en verkoopers met allerlei waren den nacht over buiten Jeruzalem, één-en andermaal. 31 Maar ik bestrafte hen, en sprak tot hen; Waarom blijft gij bij nacht rondom den muur? Zoo gij het nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet weder op den sabbat. 33 En ik sprak tot de Levieten die rein waren, dat zij zouden komen en de poorten bewaken om den sabbatdag te heiligen. — Mijn God, gedenk mij ook hierom, en verschoon mij naar uwe groote barmhartigheid. 33 Ik zag ook op dien tijd Joden, die vrouwen namen van Asdod, Ammon en Moab; 34 en hunne kinderen spraken half Asdodietisch, en geen hunner kon goed Joodsch spreken, maar naaide taal van elk dier volken. |
35 En ik berispte hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen, en rukte hun het haar uit; en ik nam een eed van hen, bij God: Gij zult uwe dochters niet aan hunne zonen geven, noch hunne dochters nemen voor uwe zonen of voor uzelve. 36 Heeft niet Salomo de koning van Israël daarmede gezondigd? En er was immers onder alle volken geen koning gelijk hij, en hij was bij zijnen God bemind, en God stelde hem tot koning over geheel Israël: nochtans deden de uitland-sche vrouwen hem zondigen. 37 Hebt gij dat niet gehoord, dat gij zulk groot kwaad doet en u aan onzen God vergrijpt, door uitland-sche vrouwen te nemen? 38 En een uit de zonen van Jojada, den zoon van den hoogepriester Eljasib, had zich verzwagerd met Sanballat den Horoniet; maar ik joeg hem van mij. 39 Gedenk aan hen, mijn God, die van het priesterschap los geworden zijn; en aan het verbond der priesters en der Levieten. |
|
30 Alzoo reinigde ik hen van al het uitlandsche, en bestelde de wachten dei-priesters en Levieten elk tot zijn werk, |
965 31 ook om het hout en de eerstelingen te offeren op bestemde tijden. — Gedenk mij, o mijn God, ten beste. ESTEE 1. |
HET BOEK
ESTER.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Ten tijde van Ahasveros, die koning was van Indië af tot Moorenland toe, over honderd zevenentwintig gewesten ; 2 en toen hij op zijn koninklijken troon zat op den burg Susan, 3 in het derde jaar zijner regeering, richtte hij een maaltijd aan voor al zijne vorsten en knechten, namelijk voor de machtigen in Perzic en Medic, voor de landvoogden en oversten der gewesten, in zijne tegenwoordigheid , 4 om te laten zien den heerlijken rijkdom zijns ko-ninkrijks en de kostelijke heerlijkheid zijner majesteit, vele dagen lang, namelijk honderd en tachtig dagen. |
5 En toen die dagen om waren, maakte de koning-een maaltijd voor al het volk dat op den burg Susan gevonden werd, zoowel groot als klein, zeven dagen lang, in het voorhof des hofs van het koninklijk paleis. 6 Daar hingen witte, roode en hemelsblauwe gordijnen, met linnen en scharlaken koorden, gehangen in zilveren ringen, aan marmeren pilaren; de. banken waren van goud en zilver, op een plaveisel van groene, witte, gele en zwarte marmeren steenen gemaakt. 7 En den drank droeg men in gouden vaten op, en gedurig andere en andere vaten, en koninklijken wijn in menigte, zooals slechts de koning dien geven kon, 8 En men dwong niemand wat hij drinken zou; want de koning had aan alle op-' |
ESTER 1.
966
|
zieners van zijn huis bevolen , dat ieder doen zou zoonis het hem behaagde. 9 En de koningin Vasti richtte ook een maaltijd aan voor de vrouwen, in het koninklijk huis van don koning Ahasveros. 10 En op den zevenden dag, toen de koning welgemoed was van den wijn, beval hij Mehuman, Bizta, Harbona, Bigta, Abagta, Zethar en Karkas, de zeven kamerdienaars die den koning Ahasveros dienden, 11 dat zij de koningin Vasti zouden halen voor den koning, met de koninklijke kroon , om aan de volken en vorsten hare schoonheid te toonen; want zij was schoon. 12 Doch de koningin Yasti wilde niet komen op het bevel des konings door zijne kamerdienaars. Toon werd de koning zeer toornig, en zijne gramschap ontstak in hem. 13 En de koning sprak tot de wijzen die 's lands zeden verstonden, (want des konings zaken moesten behandeld worden in de tegenwoordigheid van hen die de wret en het recht verstonden ; 14 en de naasten bij hem waren toen Karsena, Sethar, |
Admatha, Tarsis, Meres, Marsena en Memuchan, de zeven vorsten van Perzië en Medië, die het aangezicht des konings zagen en de eerste plaatsen in het rijk bekleedden), 15 hoe men volgens recht met de koningin Vasti moest handelen, omdat zij niet gedaan had naar het bevel des konings door zijne kamerdienaars. 10 Toen sprak Memuchan tot den koning en de vorsten : De koningin Vasti heeft niet alleen tegen den koning kwalijk gedaan, maar ook tegen alle vorsten en tegen alle volken, in alle gewesten van den koning Ahasveros. 17 Want deze daad der koningin zal ruchtbaar worden onder alle vrouwen, zoodat hare mannen verachtelijk zullen zijn in hare oogen, en zij zullen zeggen: De koning Ahasveros gebood de koningin Vasti vóór hem te komen, maar zij wilde niet. 18 Zoo zullen nu de vorstinnen in Perzië en Medië óók alzoo zeggen tot al de vorsten des konings, als zij deze daad der koningin hooren; dan zal er verachting en toom genoeg wezen. |
ESTER 3.
967
|
19 Indien het den koning behaagt, zoo late men een koninklijk gebod van hem uitgaan, en schrijve in de wetten der Perzen en Meden, hetwelk men niet mag overtreden, dat Vasti niet meer voor den koning Ahas-veros verschijnen zal, en dat de koning hare koninklijke waardigheid geven zal aan eene andere die beter is dan zij. 20 En als dit bevel des konings, dat hij geven zal, in zijn geheele rijk, hetwelk groot is, ruchtbaar wordt, dan zullen alle vrouwen haren mannen eere geven, zoowel onder groeten als geringen. 21 Dit behaagde aan den koning en de vorsten, en de koning deed naar het woord van Memuchan. 23 Toen werden er brieven uitgezonden in alle gewesten des konings, in elk land naar zijn schrift en tot elk volk naar zijne taal: dat ieder man de opperheer zou zijn, en in zijn huis spreken kon naar de taal zijns volks. HOOFDSTUK 2. 1 Na deze gebeurtenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasveros gestild was, dacht hij aan |
Vasti, wat zij gedaan had en wat over haar besloten was. 3 Toen spraken de jongelingen des konings die hem dienden: Men zoeke den koning jonge schooiie maagden; 3 en de koning bestelle opzichters in alle gewesten zijns koninkrijks, om allerlei jonge schoone maagden samentebrengen op den burg Susan in het vrouwenverblijf , onder toezicht van Hegai des konings kamerdienaar , die de vrouwen bewaart; en hij geve haar hare versierselen; 4 en welke jongedochter den koning behaagt, dié worde koningin in de plaats van Vasti. — Dit behaagde den koning en men deed alzoo. 5 Er was nu een Joodsch man op den burg Susan, genaamd Mordechai, de zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, een Benjaminiet ; 6 die mede weggevoerd was van Jeruzalem, toen Jeehonja, de koning van Juda, weggevoerd werd, dien Nebukadnezar de koning van Babel had weggevoerd. 7 Deze was de pleegvader van Hadassa, dat is Ester, |
ESTEE 2.
968
|
de dochter van zijnen oom; want zij had geen vader of moeder meer; en zij was eene schoone en nitgelezene jongedochter; en toen haar vader en hare moeder gestorven waren, had Morde-chai haar tot zijne dochter aangenomen. 8 Toen nu het gebod en de wet des konings ruchtbaar werd, en vele jonge-dochters samengebracht werden op den burg Susan, onder opzicht van Hegai, werd Ester óók weggevoerd naar des konings huis, onder opzicht van Hegai den bewaarder der vrouwen. 9 En die jongedochter behaagde hem, en zij vond barmliartigheid voor hem; en hij haastte zich met hare versierselen, om haar haar deel te geven, en zeven nitgelezene jongedoch-ters van 's konings huis haar toetevoegen; en hij bracht haar met hare jon-gcdochters in het beste gedeelte van het vronwenver-blijf. 10 En Ester gaf hem haar volk en hare maagschap niet te kennen, want Mor-dechai had haar geboden dat zij het niet bekend zou maken. |
11 En Mordechai wandelde alle dagen voor het voorhof van het vrouwenverblijf, om te vernemen of het Ester welging en wat haar geschieden zou. 12 Toen nu de bestemde tijd van elke jongedochter kwam, dat zij tot den koning Ahasveros komen zou, nadat zij twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen versierd was; want hare versiering moest zóóveel tijd hebben, namelijk zes maanden met balsem en mirre, en zes maanden met goede specerij, dan waren de vrouwen versierd; 13 alsdan ging de jongedochter tot den koning; en wat zij wilde, dat moest men haar geven om er mede uit het vrouwenverblijf naar 's könings huis te gaan. 14 En als er eene des avonds inkwam, die ging des morgens van hem in het andere vrouwenverblijf, onder opzicht van Saiisgaz, des komngs kamerdienaar, bewaarder der vrouwen; en zij mocht niet weder tot den koning komen, tenzij het den koning gelustte en hij haar met name liet roepen. 15 Toen nu de tijd van Ester, de dochter van Abi-haïl den oom van Mordechai , die haar tot zijne |
ESTER 3.
969
|
dochter had aangenomen, gekomen was om tot den koning te gaan, begeerde zij niets dan hetgeen Hegai des konings kamerdiemiar, bewaarder der vrouwen, tot haar zeide; en Ester vond genade bij allen die haar zagen. 16 Ester nu werd gebracht tot den koning Ahasveros in het koninklijke huis, in de tiende maand, Tebeth genaamd, in het; zevende jaar zijner regeering. 17 En de koning kreeg Ester lief boven alle vrouwen, en zij vond genade en barmhartigheid voor hem boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en maakte haar koningin in de plaats van Vasti. 18 En de koning maakte een grooten maaltijd voor al zijne vorsten en knechten, dit was een maaltijd om Esters wil; en hij gaf aan de gewesten rust, en deelde koninklijke geschenken uit. 19 En toen men andermaal maagden vergaderde, zat Mordechai in de poort des konings. 20 En Ester had hare maagschap en haar volk nog niet te kennen gegeven, gelijk Mordechai haar geboden had; want Ester deed naar het woord van Mordechai, gelijk toen hij haar pleegvader was. |
31 In dien tijd, toen Mordechai in de poort des konings zat, werden twee kamerdienaars des konings, Bigtan en Teres, die de deur bewaarden, toornig, en trachtten de hand aan den koning Ahasveros te slaan. 22 Dit werd Mordechai bekend, en hij gaf het aan de koningin Ester te kennen ; en Ester zeide het aan den koning uit naam van Mordechai. 23 En toen men het onderzocht , werd het zoo bevonden, en zij werden beiden aan boomen gehangen; en liet werd in de kroniek geschreven voor het aangezicht des konings. HOOFDSTUK 3. 1 Na deze gebeurtenissen maakte de koning Ahasveros Hainan, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, groot, en verhoogde hem, en stelde zijnen stoel boven al de vorsten die met hem waren. 2 En alle knechten des konings, die in de poort des konings waren, bogen de knieën en vielen voor Haman neder, want de |
ESTEE 3.
970
|
koning had het zoo geboden; doch Mordechai boog de knieën niet en vieliiiet neder. 3 Toen spraken de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mordechai: Wnaroiji overtreedt gij des konings gebod ? 4 En toen zij dat dagelijks tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, gaven zij het aan Hainan te kennen, om te zien of' de handelwijs van Mordechai bestaan zou; want hij had hun gezegd dat hij een Jood was. 5 En toen Haman zag dat Mordechai voor hem de knieën niet boog noch voor hem nederviel, zoo werd hij vol gramschap. 6 Doch het was hem te gering dat hij aan Mordechai alléén de hand zon slaan, want men had hem het volk van Mordechai bekendgemaakt, maar hij trachtte het volk van Mordechai , al de Joden die in het geheele koninkrijk van Ahasveros waren, te verdelgen. 7 In do eerste maand, dat is de maand Nisau, in het twaalfde jaar van den koning Ahasveros, werd het pur, dat is het lot, geworpen voor Haman, van den écnon dag op den anderen, en van de maand tot op de twaalfde maand, dat is de maand Adar. |
8 En Haman sprak tot den koning Ahasveros: Er ia een volk, verstrooid en verdeeld onder alle volken in allo landen uws koninklijks, en hunne wet is anders dan die van alle volken, en zij doen niet naar de wetten des konings; en het voegt den koning niet hen te laten begaan. 9 Indien het den koning behaagt, zoo schrijve hij dat men hen ombrenge: zoo wil ik tienduizend talenten zilver wegen onder de hand der ambtlieden, opdat men ze brenge in de schatkamer des konings. 10 Toen trok de koning zijnen ring van de hand en gaf dien aan Haman den zoon van Hammedatha, den Agagiet, den vijand der Joden. 11 En tie koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u gegeven, daarbenevens dat volk, dat gij daarmede doet wat u behaagt. 12 Toen riep men de schrijvers des konings, op tien dertienden dag der eerste maand; en er werd geschreven zooals Haman be- |
EST EE i.
'.»71
|
val, aan de vorsten des konings, en aan de landvoogden liier en daar in de gewesten, en aan de hoofdlieden van elk volk, in de gewesten liier en daar, naar liet solirift van elk volk en in hunne taal, in den naam van den koning Ahasveros, en met des konings ring verzegeld. 13 En de brieven werden gezonden door de loopers in al de gewesten des konings, om te verdelgen, te dooden en omtebrengen alle Joden, zoo jong als oud, kinderen en vrouwen, op één dag, namelijk op den dertienden dag dei-twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun goed te rooven. 14 Aldus was de inhoud van het geschrift, dat er een gebod gegeven was aan alle gewesten, oin allen volken te openbaren dat zij tegen dien dag zouden gereed zijn. 15 En de loopers gingen schielijk uit,naar'skonings gebod; eu op den burg Susan werd dat gebod aangeslagen. En de koning en Hainan zaten te drinken, maar de stad Susan was in onrust. |
HOOFDSTUK 4. 1 Toen nu Mordechai vernam nlwat er geschied was, scheurde hij zijne kleederen en trok een zak aan met asoh; en hij ging uit in het midden der stad, en riep overluid eu klaaglijk. 2 En hij kwam tot vóór de poort des konings; want niemand mocht tot 's konings poort ingaan die een zak aanhad. 3 En in alle gewesten en in elke plaats, waar het bevel en de wet des konings aankwam, was groote droef-heid onder de Joden; en velen vastten, weenden, en droegen rouw, en lagen in zak en asch. 4 Toen kwamen de jonge-dochters van Ester en hare kamerdienaars, en gaven het haar te kennen. Toen verschrikte de koningin zeer, en zij zond kleederen, opdat Mordechai die zou aantrekken en den zak van zich atleggen; maar hij nam ze niet aan. 5 Toen riep Ester Ha-thacli, een van 's konings kamerdienaars die vóór haar stond, eh gaf hem bevel om bij Mordechai te vernemen wat dit was en waarom hij dat deed. |
ESÏEK 4.
973
|
6 Toen ging Hatliach uit naar Mordecliai op de straat der stad die vóór de poort des konings was; 7 en Mordecliai zeide hem alles wat hem wedervaren was, en de som van liet zilver dat Haman gezegd had in des konings schatkamer te zullen wegen, wegens de Joden, om die te verdelgen; 8 en hij gaf hem een ai-schrift van het gebod dat te Susan aangeslagen was om .hen te verdelgen, teneinde het aan Ester te vertoonen en het haar bekendtemaken, en om haar aantemanen dat zij tot den koning zou gaan, teneinde zijne gunst te smee-ken en eene voorbede te doen voor haar volk. 9 En toen Hatliach binnenkwam en aan Ester de woorden van Mordecliai zeide, 10 sprak Ester tot Hatliach, en gebood hem dit aan Mordechai overtebren-gen: 11 Al de knechten des konings, en het volk inde landen des konings, weten, dat alwie tot den koning ingaat binnen in het hof, hetzij man of vrouw, die niet geroepen is, die moet naar het strikt gebod sterven, tenzij de koning hem den gouden sehepter toerei-ke opdat hij in leven blijve: ik nu ben in dertig dagen niet geroepen om tot den koning intekomen. |
13 En toen de woorden van Ester aan Mordechai werden te kennen gegeven, 13 deed Mordechai aan Ester antwoorden: Denk niet dat gij uw leven zult redden, dewijl gij in het huis des koningszijt, boven alle Joden. 14 Want indien gij op dezen tijd zwijgen zult, zoo zal den Joden hulp en verlossing uit eene andere plaats ontstaan, en gij en uws vaders huis zult' omkomen. En wie weet, of gij niet terwille van dezen tijd tot den troon gekomen zijt? 15 Toen deed Ester aan Mordechai antwoorden: 16 Ga dan heen en vergader alle Joden die te Susan te vinden zijn, en vast voor mij, dat gij niet eet noch drinkt in drie dagen, noch bij dag noch bij nacht; ik en mijne jongedochters zullen óók zoo vasten; en dan zal ik tot den koning binnengaan tegen het gebod: kom ik om, zoo kom ik om. 17 En Mordechai ging heen en deed alles wat Ester hem geboden had. |
ESTER 5.
973
|
HOOFDSTUK 5. 1 En op den derden daa; trok Ester haar koninklijk gewaad aan, en trad binnen in liet voorhof' van het huis des konings, tegenover 's ko-nings woning; en de koning zat op zijnen koninklijken troon, in het koninklijk verblijf, tegenover de deur van dat huis. 3 En toen de koning de koningin Ester in het voorhof zag staan, vond zij genade in zijne oogen, en de koning strekte den gouden schepter in zijne hand tot Ester uit; toen trad Ester nader en raakte de spits des schepters aan. 8 En de koning sprak tot haar: Wat is u , koningin Ester, en wat begeert gij? Al was het de helft des ko-ninkrijks, het zal u gegeven worden. 4 Toen zeide Ester: Indien het den koning behaagt, zoo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd dien ik bereid heb. 5 En de koning zeide: Haast u, dat Haman doe hetgeen Ester gezegd heeft. — Toen nu de koning en Haman tot den maaltijd kwamen dien Ester bereid had, |
6 sprak de koning tot Ester, toen hij wijn gedronken had: Wat verzoekt gij ? het zal li gegeven worden; en wat begeert gij? al was het de helft des koninkrijks, het zal geschieden. 7 Toen antwoordde Ester en sprak: Mijne bede en begeerte is: 8 indien ik genade gevonden heb bij den koning, en zoo het den koning behaagt mij mijne bede te geven en mijne begeerte te doen, zoo kome de koning met Haman tot den maaltijd dien ik voor hem ook morgen bereiden zal, zoo zal ik doen hetgeen de koning gezegd heeft. 9 Toen ging Haman op dien dag uit, vroolijk en welgemoed; en toen hij Mor-dechai in de poort des konings zag, dat hij voor hem niet opstond noch zich verroerde , zoo werd hij vol toorn tegen Mordechai. 10 Maar hij bedwong zich; en toen hij tehuiskwam, zoo zond hij heen en liet zijne vrienden halen, en zijne huisvrouw Zeres; 11 en hij verhaalde hun de heerlijkheid zijns rijk-doms; en de menigte zijner kinderen, en alles, hoe de koning hem zoogroot gemaakt had, en dat hij boven de vorsten en knechten des konings verheven was. |
EST EU, 0.
|
13 Ook sprak Hainan: Zelfs de koningin Ester heeft niemand laten komen met den koning tot den maaltijd dien zij bereid lieeft, dan mij; en ik ben ook morgen met tien koning bij haar genoodigd. 13 Doch in dit alles heb ik geen genoegen, zoolang ik den Jood Mordechai in des konings poort zie zitten. 14 Toen sprak zijne huisvrouw Zeres tot hem, benevens al zijne vrienden: Men make een boom, vijftig el hoog; en zeg morgen tot den koning dat men Mordechai daaraan ophan-ge: zoo zult gij met den koning vroolijk tot den maaltijd komen. — Dit beviel Haman, en hij liet een boom gereedmaken. HOOFDSTUK G. 1 In dienzelfden nacht kon de koning niet slapen, en gebood de kronieken en de historiën te brengen. Toen die voor den koning gelezen werden, 2 vond men dat er geschreven stond, dat Mordechai had te kennen gegeven, dat de twee kamerdienaars des konings, Bigtan en Teres, die aan den drempel de wacht hielden, getracht hadden de hand aan den koning Ahasveros te slaan. |
3 En de koning sprak: Wat eer en verhooging is Mordechai daarvoor gedaan? Toen spraken de jongelingen des konings die hem dienden : Hem is niets daarvoor geschied. 4 En de koning zeide: Wie is er in het voorhof? Haman nu was in het voorhof gegaan buiten vóór 's konings huis, om den koning te zeggen dat men Morde^ chai zou ophangen aan den boom dien hij voor hem bereid had. 3 En de jongelingen des konings spraken tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. En de koning zei-de : Laat hem binnenkomen. G En toen Haman binnenkwam , sprak de koning tot hem: Wat zal men den man doen dien de koning gaarne wileeren? Toen dacht Haman in zijn hart: Wien anders zou de koning gaarne eer willen aandoen dan mij ? 7 En Haman sprak tot den koning: Den man dien de koning gaarne wil eeren, 5 zal men hier brengen, opdat men hem koninklijke kleederen aantrekke, die de koning pleegt te dragen, en het paard op het- |
ESTER 7.
975
|
welk de koning rijdt; en dat men de koninklijke kroon op zijn hoofd zette; 9 en men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een vorst des konings, opdat deze den man bekleede dien de koning gaarne eeren wil, en liem voere op dat paard langs de straten dei-stad , en voor hem uitroepe: Dus wordt den man gedaan dien de koning gaarne eeren wil. 10 Toen zeide de koning tot Haman: Haast u en neem dat kleed en dat paard, zooals gij gezegd hebt, en doe alzoo met Mordechai den Jood, die vóór de poort des konings zit; laat niets ontbreken aan alles wat gij gesproken hebt. 11. Toen nam Haman dat kleed en dat paard, en bekleedde Mordechai, en voerde hom langs de straten der stad, en riep voor hem uit: Alzóó doet men den man dien de koning gaarne eeren wil. 12 En Mordechai kwam weder aan de poort des konings; maar Haman haastte zich naarlmis, en droeg romv met bedekten hoofde; |
13 en hij verhaalde aan zijne huisvrouw Zeres en aan al zijne vrienden alles wat hem wedervaren was. Toen spraken zijne wijzen en zijne huisvrouw Zeres tot hem: Indien Mordechai, voor wien gij zijt begonnen te vallen, van het zaad dei-Joden is, zoo vermoogt gij niets tegen hem, maar gij zult voor hem vallen. 14 En toen zij nog met hem spraken, kwamen de kamerdienaars des konings daarbij, en drongen Haman om tot den maaltijd te komen dien Ester bereid had. HOOFDSTUK 7. 1 En toen de koning met Haman tot den maaltijd kwam dien de koningin Ester bereid had, 2 sprak de koning ook op dezen tweeden dag tot Ester, toen hij wijn gedronken had: quot;Wat verzoekt gij, koningin Ester ? opdat men het u geve; en wat begeert gij? al was het de helft des ko-ninkrijks, het zal geschieden. 3 Toen antwoordde de koningin Ester en zeide : Indien ik genade bij u gevonden heb, o koning, en indien het den koning behaagt , zoo geef mij mijn leven terwille van mijne bede, en mijn volk terwille van mijn verzoek. •1 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om verdelgd , gedood en omge- |
ESTER 8.
976
|
braclit te worden. En wilde God dat wij tot knechten en dienstmaagden verkocht werden, zoo zou ik zwijgen, en de vijand zou den koning niet schaden. 5 Toen sprak de koning Ahasveros en zeide tot de koningin Ester: Wie is hij en waar is hij, die het in zijne gedachte durft nemen om dat te doen? ■6 En Ester zeide: De vijand en wederpartijder is deze boosaardige Hainan. Toen verschrikte Haman voor den koning en de koningin. 7 En de koning stond op van den maaltijd en van den wijn, in zijne gramschap , eu ging in het voorhof van het huis; en Haman stond op en bad de koningin Ester om zijn leven, want hij zag dat zijn ondergang door den koning besloten was. 8 En toen de koning terugkwam uit het voorhof van het huis in de zaal waar men gezeten had, viel Haman op het rustbed waarop Ester zat. Toen sprak de koning; Wil hij ook de kóningin geweld aandoen bij mij in huis? Toen dat woord uit 'sko-nings mond ging, bedekte men Haman het aangezicht. |
9 En Harbona, een dei-kamerdienaars voor den koning, zeide: Zie, er staat een boom vóór het huis van Haman, vijftig el hoog, dien hij gemaakt heeft voor Mordechai, die ten nutte des konings gesproken heeft. En de koning zeide: Dat men hem daaraan hange. 10 Alzoo hing men Haman op aan den boom dien hij voor Mordechai gemaakt had; toen werd des konings toorn gestild. HOOFDSTUK 8. 1 Op dien dag gaf de koning Ahasveros aan de koningin Ester het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mordechai kwam voor den koning, want Ester gaf te kennen hoe hij haar bestond. 3 En de koning trok zijnen ring af, dien hij Haman afgenomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Ester stelde Mordechai over het huis van Haman. 3 En Ester sprak verder voor het aangezicht des konings, en zij weende, en smeekte hem dat hij de boosheid van Haman den Agagiet, en zijne aanslagen die hij tegen de Joden bedacht had, zou wegdoen. |
|
EST I 4 En de koning reikte Ester den gouden schepter toe. Toen stond Ester op en trad voor den koning, 5 en zij zeide: Indien het den koning behaagt, en indien ik genade bij hem gevonden heb, en het den koning gelegen komt, en ik hem behaag, zoo schrijve men dat de brieven der aanslagen van Haman den zoon van Hammedatha, den Agagiet, herroepen worden, welke hij geschreven heeft om de Joden omtebrengen in al de gewesten des ko-nings. 6 Want hoe kan ik het kwaad aanzien dat mijn volk treffen zou, en hoe kan ik aanzien dat mijn geslacht omkomen zal? 7 Toen sprak de koning Ahasveros tot de koningin Ester en tot Mordechai den Jood; Zie, ik heb aan Ester het huis van Haman gegeven , en men heeft hem aan een boom gehangen, omdat hij zijne hand aan de Joden gelegd heeft. S Schrijft gijlieden nu ten aanzien der Joden, in 's ko-nings naam, zooals het u behaagt, en verzegelt het met 's konings ring. Want de bevelschriften die in 's konings naam geschreven en met 's konings ring ver- |
E 8. 977 zegeld werden, mocht niemand herroepen. 9 Toen werden de schrijvers des konings geroepen, op dien tijd, in de derde maand, dat is de maand Sivan, op den drieëntmn-tigsten dag; en er werd geschreven zooals Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de vorsten en landvoogden en hoofdlieden der gewesten, van Indiü af tot Moorenland toe, namelijk honderd zevenentwintig gewesten , aan elk gewest naar zijn schrift en aan elk volk naar zijne taal, en ook aan de Joden naar hun schrift en hunne taal; 10 en er werd geschreven in den naam van den koning Ahasveros, en met 's konings ring verzegeld; en hij zond de brieven door boden, rijdende op jonge muilezels: 11 Dat de koning aan de Joden toeliet, in welke steden zij ook waren, zich te vergaderen, en te staan voor hun leven, en te verdelgen, te dooden en omtebrengen al de macht des volks en des lands die hen verdrukte, ook de kinderen en vrouwen, en hun goed te rooven: 13 op één dag in al de gewesten van den koning |
ES TEE 9.
978
|
Aliasveros, namelijk op den dertienden dag der twaalfde maand, di^t is de maand Adar. 13 De inhoud nu van dit geschrift was, dat er een gebod gegeven was voor alle gewesten, om alle volken te doen weten, dat de Joden op dien dag gereed zouden zijn om zich te wreken op hunne vijanden. li En de boden, rijdende op de muilezels, reden snel en haastig uit, naar het woord des konings; en dat gebo l werd op den burg Susan aangeslagen. 15 Mordeehai nu ging uit van den koning, in hemelsblauwe on witte koninklijke kleederen, en met eene groo-te gouden kroon, gekleed met een linnen en purperen mantel; en de stad Susan juichte en was vroolijk. IC Den Joden was een licht en vreugd en blijdschap en eer opgegaan; 17 en in alle gewesten en steden, ter plaatse waar des konings woord en gebod aankwam, daar ontstond onder de Joden vreugd en blijdschap, maaltijden en vroolijke dagen, zoodat er velen uit de volken des lands Joden werden, want de vrees der Joden kwam op hen. |
HOOFDSTUK 9. 1 In de twaalfde maand, dat is de maand Adar, op den dertienden dag, op welken des konings woord en gebod bestemd had dat men het doen zou, juist op denzelfden dag dat de vijanden der Joden hen hoopten te overweldigen, keerde het om, zoodat de Joden hunne vijanden overweldigden. 2 Toen vergaderden zich de Joden in hunne steden, in al de gewesten van den koning Aliasveros, om de hand te slaan aan degenen die hun kwaad wilden; en niemand kon hen weder-staan, want hunne vrees was op alle volken gekomen. 3 Zelfs al de oversten der landschappen, en tie vorsten en landvoogden cu ambt-lieden des konings, verhieven de Joden; want de vrees voor Mordeehai kwam op hen. 4 Want Mordeehai was groot in het huis des konings, en het gerucht van hem drong door in al de gewesten, dat' hij zoo tos-nam en groot werd. 5 Alzoo versloegen de Joden al hunne vijanden met den slag des zwaards, |
EST Ell 'J.
979
|
eu doodden lien en brachten lien om, en deden naar liunnen wil aan degenen die linn vijandig waren. 6 En op den burg Susan doodden en versloegen de Joden vijfhonderd man; 7 ook doodden zij Parsan-datlia, Dalpon, Aspatha, 8 Poratha, Adalja, Ari-datha, 9 Parmasta, Arisai. Aridai en Vaizatha, 10 de tien zonen van Hainan den zoon van Ham-medatlia, den vijand dei-Joden; maar aan zijne goederen sloegen zij hunne hand niet. 11 Op dien tijd kwam het getal der omgebrachten op den burg Susan voor den koning. 13 En de koning zeide tot de koningin Ester: De Joden hebben op den burg Susan vijfhonderd man gedood en omgebracht, en de tien zonen van Hainan; wat zullen zij doen in de andere gewesten des konings! Wat bidt gij dat men 11 geve, en wat begeert gij meer dat men doen zal? 13 En Ester zeide: Indien het den koning behaagt, zoo late hij ook morgen de Joden te Snsan doen naar het gebod van heden, dat zij de tien zonen van Hainan aan den boom ophangen. |
14 En de koning gebood zoo te doen, en het gebod werd te Susan aangeslagen, en de tien zonen van Ha-nian werden opgehangen. 15 En de Joden vergaderden zich te Susan op den veertienden dag der maand Adar, en doodden te Susan driehonderd man; maar aan hunne goederen sloegen zij hunne handen niet. 16 En de overige Joden in de gewesten des konings kwamen tezamen en stonden voor hun leven, dat zij zich rust zonden verschaffen van hunne vijanden; en zij doodden van hunne vij a nden vij fenzevenHgd ui-zend ; maar aan hunne goederen sloegen zij hunne handen niet. 17 Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en zij rustten op den veertienden 'dag van diezelfde maand, en dien maakte men tot een dag van maaltijden en vreugde. 18 Maar de Joden te Susan waren tezamengekomen op d-en dertienden en veertienden dag, en rustten op den vijftienden dag, en dien dag maakte men tot een dag van maaltijden en vreugde. |
ESTER 9.
980
|
19 Daarom maakten de Joden, die in de dorpen en vlekken woonden, den veertienden dag der maand Adar tot een dag van maaltijden en vreugde, en de één zond den ander geschenken. 20 En Mordechai beschreef deze gebeurtenissen, en zond de brieven aan alle Joden die in alle gewesten van den koning Ahasveros waren, zoowel aan degenen die nabij als die ver waren, 21 dat zij zouden vaststellen en houden den veertienden en vijftienden dag der maand Adar, jaarlijks; 22 naar de dagen waarin de Joden tot rust gekomen waren van hunne vijanden, en naar de maand in welke hunne smart in vreugd en hun leed in goede dagen verkeerd was; dat zij die stellen zouden tot dagen van maaltijden en vreugde, en elkander geschenken zenden en den armen mede-deelen. 23 En de Joden namen op zich om te doen hetgeen zij begonnen hadden, en hetgeen Mordechai aan hen geschreven had. |
24 Want Haman de zoon van Hammedatha, de Aga-giet, de vijand van al de Joden, had gedacht de Joden omtebrengen, en het pur, dat is het lot, laten werpen, om hen te vertreden en hen omtebrengen; 25 maar toen Ester tot den koning gegaan was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijne kwade aanslagen, die hij tegen de Joden bedacht had, op zijn eigen hoofd zouden terugkomen; en zij hingen hem en zijne zonen aan den boom. 26 Daarom worden deze dagen Purim genoemd, naaiden naam van het lot, volgens al de woorden van dezen brief, en volgens hetgeen zij gezien hadden en hetgeen hun daarvan ter oore gekomen was. 27 En de Joden stelden vast, en namen het op zich en op hun zaad en op allen die zich tot hen vervoegen zouden, dat zij niet zouden nalaten jaarlijks deze twee dagen te houden, gelijk die beschreven en bestemd werden; 28 dat deze dagen niette vergeten maar te houden zijn, bij kindskinderen, bij alle geslachten, in alle gewesten en steden; het zijn de dagen van Purim. die niet zullen overtreden worden onder de Joden, en wier gedachtenis niet vergaan zal bij hun zaad. |
|
EST ER II 39 En de koningin Ester, de dochter van Abihaïl,en Mordechaide Jood, schreven met allen nadruk, om dezen tweeden brief van Purim te bevestigen. 30 En zij zonden de brieven aan alle Joden, in de honderd zevenentwintig gewesten van het koninkrijk van has ve ros, met vriendelijke en getrouwe woorden: 31 dat zij bevestigen zouden deze dagen van Purim, op hunnen bestemden tijd, zooals Mordeehai de Jood en de koningin Ester over hen vastgesteld hadden, en gelijk zij voor zichzelve en voor hun zaad hadden vastgesteld : de geschiedenis van het vasten en van hun bidden. 32 En Ester beval de geschiedenis van dit Purim- |
i, JOB 1. 981 feest te bevestigen en in een boek te schrijven. HOOFDSTUK 10. 1 En de koning Ahasve-ros leide schatting op het land en op de eilanden in de zee. 3 Al de werken nu van zijne heerschappij en macht, en Mordeehai's groofe heerlijkheid, welke de koning hem gaf, zie, dat is geschreven in de kroniek der koningen van Medië en Per-zie. 3 Want Mordeehai de Jood was de tweede naast den koning Ahasveros, en groot onder de Joden, en aangenaam onder de menigte zijner broeders; die voor zijn volk het goede zocht, en sprak tot heil van zijn geheele geslacht. |
HET BOEK
JOB.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Er was een man in het land Uz, genaamd Job; die was vroom en oprecht, god-vreezend en mijdende het kwaad. |
3 En hij verwekte zeven zonen en drie dochters; 3 en zijn vee was zevenduizend schapen, drieduizend kameelen, vijfhonderd juk runderen, vijfhonderd ezelinnen, en een talrijk |
JO 13 1.
US 3
|
huisgezin; en hij was aanzienlijker clan allen die tegen het oosten woonden. 4 En zijne zonen gingen heen en maakten maaltijden, elk in zijn huis, op zijnen dag; en zij zonden heen en noodigden hunne drie zusters om met hen te eten en te drinken. 5 En als er een dag des maaltijds voorbij was, ontbood Jol) hen en heiligde hen, en maakte zich des morgens vroeg op en oii'erde brandoffers, naar het getal van hei} allen; want Job dacht: Mijne zonen mochten gezondigd en God verlaten hebben in hun hart. Alzoo deed Job op al die dagen. 6 Het gebeurde nu op een dag toen de kinderen Gods kwamen en voor den lieer traden, dat de satan óók onder hen kwam. 7 De Heer nu sprak tot den satan: Vanwaar komt gij? De satan antwoordde den Heer en sprak: Ik heb het land rondom doorgetrokken. 8 En de Heer sprak tot den satan: Hebt gij geen acht geslagen op mijnen knecht Job? Want zijnsgelijke is in het land niet, vroom en oprecht, godvree-zend en mijdende het kwaad. 9 De satan antwoordde den Heer en sprak: Meent gij dat Job omniet God vreest? |
10 Gij hebt hem immers zijn huis en alwat hij heeft van rondom bewaard; gij hebt het werk zijner handen gezegend, en zijn goed heeft zich uitgebreid in het land. 11 Maar strek uwe hand uit en tast i'uin alwat hij heeft, — voorwaar, hij zal-u in het aangezicht vaarwelzeggen. 12 En de Heer sprak tot den satan: Zie, alwat hij heeft zij in uwe hand: sla alleen aan hem zeiven uwe hand niet. Toen ging de satan uit van den Heer. 13 Op den dag nu toen zijne zonen en dochters aten en wijn dronken in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene, 14 kwam een bode tot Job en zeide: De runderen ploegden , en de ezelinnen gingen daarnevens in de weide; 15 toen vielen de inwoners van rijk Arabic daarin, en namen ze, en sloegen de jongens met de scherpte des zwaards; en ik ben alléén ontloopen om het u bekend-temaken. 16 Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zeide: Het vuur Gods viel van den hemel en verbrandde de schapen cn de jongens, en |
JOB 2.
983
|
verteerde ze; en ik ben alléén ontloopen om het u bekendtemaken. 17 Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zeide: De Chaldeën verdeelden zieli in drie benden, en overvielen de kameelen, eu namen ze, en sloegen de jongens met do scherpte des zwaards: en ik ben alléén ontloopen om het u bekendtemaken. 18 Terwijl deze nog sprak, kwam oen ander en zeide: Uwe zonen en dochters aten en dronken in het huis van hunnen broeder, den eerstgeborene ; 19 en zie, er kwam een lievige wind van over de woestijn, en stiet op de vier hoeken van het huis, en wierp het op de jongelingen, zoodat zij stierven: en ik ben alléén ontloopen om het u bekendtemaken. 20 Toen stond Job op, en scheurde zijn kleed, en trok zijn hoofdhaar uit, en viel op de aarde eu aanbad , 31 en sprak: Ik ben naakt uit den schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik weder daarheen varen. Do Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen: de naam des Heeren zij geloofd. 22 In dit alles zondigde Job niet, en deed niets ongerijmds tegen God. |
HOOFDSTUK 2. 1 Het gebeurde nu op een dag toen de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heer te stellen, dat de satan óók onder hen kwam en voor den Heer trad. 2 Toen sprak de Heer tot den satan: Vanwaar komt gij ? De satan antwoordde den Heer en sprak: Ik heb het land rondom doorgetrokken. 3 En de Heer sprak tot den satan: Hebt gij geen acht geslagen op mijnen knecht Job? Want zijnsgelijke is in het land niet, vroom en oprecht, godvree-zend en mijdende het kwaad; en hij houdt ook nog vast aan zijne vroomheid, maar gij hebt mij bewogen dat ik hem zonder oorzaak getuchtigd heb. 4 De satan antwoordde den lieer en sprak: Huid voor huid, en alwat een mensch heeft laat hij voor zijn leven; 3 maar strek uwe hand uit en tast zijn gebeente en zijn vleesch aan, — voorwaar, hij zal u in het aangezicht vaarwelzeggen. G En de Heer sprak tot den satan: Zie, hij zij in uwe hand; verschoon alleen zijn leven. 7 Toen voer de satan uit |
JOB 3.
981
|
van liet aangezicht des Hee-ren, en sloeg Job met booze zweren van de voetzool af tot den schedel toe. 8 En hij nam eene potscherf en krabde zich, en zat in de asch. 9 En zijne huisvrouw zei-de tot hem: Houdt gij nog vast aan uwe vroomheid? Laat God varen en sterf. 10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt gelijk uitzinnige vrouwen spreken; hebben wij het goede van God ontvangen, en zouden wij het kwade óók niet aannemen? — In dit alles zondigde Job niet met zijne lippen. 11 Toen nu drie vrienden van Job al het ongeluk hoorden dat hem overkomen was, zoo kwamen zij ieder uit zijne plaats, Elifaz van Te-man , Bildad van Suah, en Zofar van Naama; want zij waren het céns geworden, dat zij gaan zouden om hem te beklagen en te troosten. 12 En toen zij hunne oogen van verre ophieven, herkenden zij hem niet; en zij verhieven hunne stem en weenden , en ieder scheurde zijn kleed, en zij strooiden aarde boven hunne hoofden naar den hemel. |
13 En zij zaten met hem op de aarde zeven dagen en zeven nachten, en spraken niet met hem, want zij zagen dat de smart zeer groot was. HOOFDSTUK 3. 1 Daarna deed Job zijnen mond open en vloekte zijnen geboortedag; 3 en Job sprak; 3 De dag moge verloren zijn, waarop ik geboren ben, en de nacht toen men zeide: Een jongsken is ontvangen. 4 Die dag moge duister zijn, en God daarboven moge naar hem niet vragen; geen glans moge over hem schijnen. 5 Duisternis en donkerheid mogen hem overweldigen, en dikke wolken mogen op hem blijven, en de damp bij dag make hem afgrijselijk. 6 Donkerheid moge dien nacht innemen; hij moge zich onder de dagen des jaars niet verheugen, noch in het getal der maanden komen. 7 Zie, die nacht moge eenzaam zijn, en geen gejuich kome daarin. 8 De dagvervloekers mogen hem vervloeken, zij die in staat zijn den leviathan te verwekken. 9 Zijne sterren mogen duis- |
JOB 4.
985
|
ter zijn in zijne schemering; hij hope op het licht en het kome met; en hij moge niet zien de oogleden des dageraads; —■ 10 omdat hij de deur der baarmoeder voor mij niet gesloten heeft, en niet verborgen het ongeluk voor mijne oogen. 11 -Waarom ben ik niet gestorven van den moederschoot af, waarom ben ik niet omgekomen toen ik uit het lichaam kwam? 12 Waarom heeft men mij op den schoot genomen, waarom ben ik met borsten gezoogd? 13 Dan zou ik nu liggen en stil zijn, slapen en rust hebben — 14 met de koningen en raadsheeren op de aarde, die woeste plaatsen bebouwen ; 15 of met voreten die goud hebben en wier huizen vol zilver zijn; 16 of als eene ontijdige geboorte ware ik niet geweest, als de jonge kinderen die het licht nooit gezien hebben. 17 Aldaar moeten de god-deloozen ophouden met razen; aldaar rusten wie veel moeite gehad hebben. 18 Daar hebben de gevangenen vrede met elkander, en hooren de stem des drijvers niet. |
19 Daar zijn beide klein en groot, de knecht en die van zijnen heer vrijgelaten is. 30 Waarom is het licht gegeven aan den ellendige, en het leven aan de bedroefde harten, 21 die den dood verwachten maar hij komt niet; zij zouden hem wel uit het verborgene willen opgraven; 22 die zich zeer verblijden en vroolijk zijn als zij een graf vinden; 23 en aan den man wiens weg verborgen is, dien God voor hem bedekt? 24 Want als ik eten zal, moet ik zuchten, en mijn gekerm vliet uit als water. 25 Wat ik gevreesd heb is mij overkomen, en hetgeen ik schroomde heeft mij getroffen. 26 Was ik niet gelukkig ? was ik niet stil? had ik geen goede rust? En er komt zulke onrust! HOOFDSTUK 4. 1 Toen antwoordde Elifaz van Teman en sprak: 2 Gij' hebt het misschien niet gaarne dat men onderneemt met u te spreken; maar wie kan zich bedwingen? 3 Zie, gij hebt velen on- |
JOB 5.
1)86
|
derwezen, en slappe handen gesterkt; 4 uwe redenen hebben de gevallenen opgericht, en de bevende knieën hebt gij bevestigd; 5 maar nu het aan u komt, bezwijkt gij, en nu het u treft, verschrikt gij. 6 Is dat uwe godsvrucht, uw troost, uwe hoop en uwe vroomheid? 7 Bedenk toch, waar is een onschuldige omgekomen , of waar zijn de rechtvaardigen ooit verdelgd? 8 Gelijk ik wel gezien heb, die moeite ploegden en ongeluk zaaiden, en het ook inoogstten, 9 dat zij door den adem Gods zijn omgekomen, en door den geest zijns toorns verdelgd. 10 Het brullen der leeuwen en de stem der groote leeuwen 'Jioudt eindelijk o]i\, en de tanden der jonge leeuwen zijn verbroken; 11 de leeuw is omgekomen, dat hij niet meer rooft, en de jongen der leeuwin zijn verstrooid. 12 Er is een heimelijk woord tot mij gekomen, en mijn oor ontving slechts een klank daarvan. 13 Toen ik des nachts, als de slaap op de lieden valt, gezichten overdacht, li kwam mij vrees en siddering aan, en al mijn gebeente verschrikte. |
15 En toen een geest mij voorbijging, rezen de haren aan mijn lichaam te berge. 16 Toen stond er een beeld voor mijne oogen, en ik kende zijne gedaante niet; het was stil en ik hooide eene stem: 17 Hoe zou een mensch rechtvaardiger zijn dan God, of een man reiner dan die hem gemaakt heeft? 18 Zie, onder zijne knechten is er niet één zonder gebrek, en in zijne Engelen vindt hij dwaasheid: 19 hoeveel temeer dan onder hen die in leemen hutten wonen, die op de aarde gegrond zijn en door de wormen gegeten worden! 20 Het duurt van den morgen tot den avond, zoo worden zij uitgehouwen; en eer zij het gewaarworden, zijn zij geheel weg: 21 hunne voortreffelijkheid vergaat, en zij sterven onvoorziens. HOOFDSTUK 5. 1 Noem mij iemand: zult gij er een vinden die u zal antwoorden ? En zie om onder de heiligen tot wien gij u wenden kunt. 2 Maar de toorn verworgt |
JOB
987
|
een dwaas, en de ijver doodt den sleclite. 3 Ik zag een dwaas ingeworteld, en ik vloskte terstond zijn huis; 4 zijne kinderen zullen ver zijn van het heil, en zij zullen verslagen worden in de poort zonder dat er een verlosser zijn zal. 5 De hongerige zal zijnen oogst eten, en do gewapen-den zullen hem halen; en de dorstigon zullen zijr. goed verslinden. 6 Want moeite gaat niet uit de aarde op, en ongeluk groeit niet uit den akker; 7 maar de mensch wordt tot ongeluk geboren, gelijk de vogels zweven in de hoogte om te vliegen. 8 Doch nu wil ik van God spreken en van hom handelen; 9 die groote dingen doet welke niet zijn Ie onderzoeken , en wonderen die niet te tellen zijn; 10 die den regen op het land geeft, en water laat komen op de straten; 11 die nederigen verhoogt, en bedroefden ophelpt. 13 Hij maakt teniet de aanslagen der listigen, dat hunne hand het niet kan uitvoeren. 13 Hij vangt de wijzen in hunne listigheid, en verijdelt den raad der ver-, keerden; |
14 dat zij bij dag in de duisternis loopen, en op den middag tasten als in den nacht. 15 Maar hij redt den arme van het zwaard, en van hunnen mond en van do hand des machtigen; 16 en het is do hoop des armen, dat de boosheid haren mond zal moeten toehouden. 17 Zie, welgelukzalig is de menseh dien God kastijdt; daarom weiger do tuchtiging des Almaehtigen niet. 18 Want hij kwetst, en verbindt; hij wondt, en zijne hand heelt ook weder. 19 Uit zes droefenissen zal hij u redden, en in de zevende zul geen kwaad u aanroeren. 2U In den duren tijd zal hij n van den dood verlossen , en in den oorlog van do slagen des zwaards. 31 Hij zal u verbergen voor den geesel der tong, en gij zult niet vreezen voor het verderf als het komt. 23 In het verderf en den honger zult gij lachen, en voor de wilde dieren in hot land niet vreezen; 23 maar uw verbond zal zijn met de steenen op liet veld, en do wilde dieren |
|
988 op het land zullen vrede met u houden. 34 Gij zult bevinden dat uwe hut vrede heeft, en zult uwe woning verzorgen en niet zondigen. 25 En gij zult bevinden dat uw zaad veel zal worden , en uwe nakomelingen als het gras op de aarde. 26 Gij zult in ouderdom ten grave gaan, gelijk de schoven ingevoerd worden ter rechter tijd. 27 Zie, dit hebben wij onderzocht en het is zoo: verleen gehoor daaraan en neem het ter harte. HOOFDSTUK 6. 1 Job antwoordde en sprak: 2 Wanneer men mijn jammer woog, en al mijn lijden in eene weegschaal legde, 3 het zou zwaarder zijn dan het zand aan de zee; daarom is het tevergeefs wat ik spreek. 4 Want pijlen des Almach-tigen steken in mij, hunne grimmigheid drinkt mijn geest in; en Gods verschrikkingen zijn tegen mij gericht. 5 Het wild schreeuwt niet als het gras heeft, de os loeit niet als hii zijn voeder heeft. |
6 Kan men ook het sma-kelooze zonder zout eten, of wie kan smaak hebben in het wit dat om den dooier is? 7 Mijne ziel versmaadt \iace woorden] en neemt ze niet aan; zij zijn gelijk mijne walglijke spijzen. 8 O dat mijne bede geschiedde, en God mij gaf hetgeen ik hoop: 9 dat God begon en mij versloeg, en zijne hand uitstrekte en mij vermorzelde! 10 Dan had ik nog troost, en wilde bidden in mijne krankheid, dat hij mij slechts niet verschoonde; hoewel ik nooit de redenen des Heiligen heb verloochend. 11 Wat is mijne kracht, dat ik zou volharden? En welk is mijn einde, dat mijne ziel geduldig zou zijn? 12 Is mijne kracht steen? Is mijn vleesch koper? 13 Ik heb toch nergens hulp, en mijn vermogen is weg. 14 Wie zijnen naaste barmhartigheid weigert, die verlaat de vrees des Almach-tigen. 15 Mijne broeders gaan verachtelijk voorbij als eene beek, gelijk de waterstroo-men voorbijvloeien. 16 Doch die voor den rijm schromen, over die zal de sneeuw vallen. 17 In den tijd als de hitte JOB 6. |
JOB 7.
989
|
hen drukken zal, zullen zij versmachten; en als het heet wordt, zullen zij van hunne plaats wegvloeien. 18 Hun weg gaat terzijde af; zij treden op het ongebaande en zullen omkomen. 19 Zij zien op de wegen van Tema, op de paden van rijk Arabië wachten zij; 20 maar zij zullen te schande worden als het op het veiligst is, en zich moeten schamen als zij derwaarts komen. 21 Want gijlieden zijt nu tot mij gekomen; maar omdat gij jammer ziet, zijt gij bevreesd. 22 Heb ik ook tot u gezegd: Brengt herwaarts en schenkt mij wat van uw vermogen, 23 of redt mij uit de hand des vijands, en verlost mij van de hand der tirannen? 24! Leert mij, ik zal zwijgen ; en hetgeen ik niet weet, geeft mij dat te verstaan. 25 quot;Waarom berispt gij de rechte redenen? Wie is er onder ulieden die ze zou kunnen bestrallen? 26 Gij bedenkt woorden, enkel om mij te bestraffen, en alleen om te pralen met woorden die mij wanhopig zullen maken. |
27 Gij overvalt een armen wees, en graaft voor uwen naaste kuilen. 28 Doch dewijl gij begonnen hebt, zoo ziet op mij, of ik voor u met logens bestaan zal. 29 Antwoordt hetgeen recht is; mijn antwoord zal nochtans recht blijven. 30 Is er onrecht op mijne tong, of geeft mijn mond kwaad voor? HOOFDSTUK 7. 1 Heeft niet de mensch altijd een strijd op aarde, en zijn zijne dagen niet als de dagen eens daglooners? 2 Gelijk een knecht hijgt naar de schaduw, en een daglooner naar het einde van zijnen arbeid, 3 alzóo heb ik wel gehee-le maanden tevergeefs gezwoegd , en de ellendige nachten zijn mij vele geworden. 4 Als ik mij nederleg, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan? en daarna rekende ik wanneer het avond zou worden; want ik was geheel een afschrik voor iedereen, totdat het duister werd. ■ 5 Mijn vleesch is met wormen en met vuil stof bedekt, mijne huid is verschroeid en tenietgegaan; 6 mijne dagen zijn sneller |
JOH 8.
990
|
weggevlogen dan een weversspoel; en zij zijn vergaan , zoortat er geen ophouden aan geweest is. 7 Gedenk dat mijn leven een ademtocht is, en mijne oogen niet wederkomen om het goede te zien. 8 Ook zal geen levend oog mij meer aanschouwen; uwe oogen zien op mij, maar ik ben niet meer 9 Eene w7olk vergaat en drijft weg: alzoo zal hij die in hot graf nederdaalt niet weder opkomen; 10 hij zal niet weder in zijn huis komen, en zijne pïaals kent hein niet meer. 11 Daarom kan ik mijnen mond niet weerhouden, ik moet spreken van den angst mijns harten, en zal klagen vanwege de droefenis mijner ziel. 12 Tten ik dan eene zee of een walvisch, dat gij mij zoo bewaart? 13 Als ik dacht: Mijn bed zal mij troosten, mijne legerstede zal mijn leed verlichten, — 14 dan verschrikt gij mij met droomen, en doet mij gruwen voor gezichten; 15 zoodat mijne ziel wenscht verstikt te zijn, en mijn gebeente den dood. 16 Ik begeer niet meer te leven; laat van mij af, want mijne dagen zijn vergeefs geweest. |
17 Wat is een mensch, dat gij hem zoo groot acht, en u over hem bekommert? 18 Gij bezoekt hem dagelijks, en beproeft hem alle uren. 19 Waarom keert gij u niet van mij, en laat niet af totdat ik mijn speeksel inslik ? 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik u doen, o Men-schenhoeder? Waarom maakt gij mij dat ik op u aanloop, en tot een last ben? 21 En waarom vergeeft gij mij mijne misdaad niet, noch neemt mijne zonde weg? Want nu zal ik mij in de aarde leggen, en als men mij morgen zoekt, zoo zal ik er niet meer zijn. HOOFDSTUK 8. 1 Toen antwoordde Bil-dad van Snah en zeidc: 2 Hoelang zult gij zoo spreken, en zullen de redenen uws monds zulk een trotschen moed hebben? 3 Meent gij dat God onrechtvaardig oordeelt, of dat de Almachtige het recht verkeert? 4 Hebben uwe zonen tegen hem gezondigd, zoo heeft hij hen om hunne misdaad verstooten. |
JOB 9.
991
|
5 Maar indien gij u bijtijds tot God wendt, en don Almachtige smeekt, 0 en gij rein en vroom zijt, zoo zal liij over u ontwaken, en zal uwe rechtvaardige woning wederop-richten; 7 en wat gij in liet begin weinig hebt, dat zal daarna zéér toenemen. 8 Want vraag do vorige geslachten, en let op de onderzoeking hunner vaderen, — 9 wij toch zijn van gisteren en weten niets, ons leven is eene schaduw op de aarde, — 10 zij zullen u leeren en het u zeggen, en zullen redenen uit hun hart voortbrengen : 11 Kan ook de bies opwassen als ze niet vochtig staat? het gras groeien zonder water? 12 Als het nog bloeit, dat het niet afgemaaid wordt, verdort het eer men hooi maakt. 13 Zoo gaat het allen die God vergeten, en de hoop des huichelaars zal verloren zijn; 14 want zijn toeverlaat vergaat, en zijne hoop is een spinneweb; |
15 hij verlaat zich opzijn huis, maar het zal niet bestaan, hij zal zich daaraan vasthouden maar toch niet staande blijven. 16 Hij heeft vruchten eerde zon opgaat, en zijne scheuten wassen op in zijnen hof. 17 Zijn zaad slaat dik bij de wellen, en zijn huis op steenen; 18 maar als [God'] hem verslindt van zijne plaats, zoo zal deze zich tegen hem stellen, alsof zij hem niet kende. 19 Zie, dit is de vreugd van zijn doen, en anderen zullen uit het stof opwassen. 20 Zie derhalve, dat God den vrome niet verwerpt, en de hand der boosaardl-gen niet ondersteunt; 31 totdat uw mond vol wordt van lachen, en uwe lippen vol van juichen. 32 Maar die u haten zullen te schande worden, en de hut der goddeloozen zal niet bestaan. HOOFDSTUK 9. 1 Job antwoordde en sprak: 2 Ja ik weet zeer wel dat het zoo is, dat een mensch niet rechtvaardig kan zijn bij God. 3 Heeft hij lust met hem te twisten, zoo kan hij hem |
JOB 9.
992
|
op duizend [m-ayeti\ Óen beantwoorden. 4 Hij is wijs en machtig : wien is het ooit gelukt die zich tegen hem gekant heeft? 5 Hij verzet bergen eer zij het gewaarworden, welke hij in zijnen toorn omkeert. 6 Hij beweegt een land uit zijne plaats, dat zijne pilaren beven. 7 Hij spreekt tot de zon, zoo gaat zij niet op; en hij verzegelt de sterren. Hij breidt den hemel uit, hij alleen, en wandelt op de baren der zee. ^ 9 Hij maakt den Wagen aan den hemel, en den Orion, en het Zevengesternte , en de sterren tegen het zuiden. 10 Hij doet groote dingen die men niet onderzoeken kan, en wonderen die ontelbaar zijn. 11 Zie, hij gaat mij voorbij eer ik het gewaarword, en verandert eer ik het merk. 13 Zie, als hij schielijk iets wegrooft, wie kan het hem doen wedergeven ? Wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij? A 13 Hij ia God: niemand kan zijnen toorn stillen, onder hem moeten zich niet |
buigen de hoovaardige hee-ren: — 14 hoe zou ik hem dan antwoorden, en wat woorden vinden tegen hem? 15 Al ware het ook dat ik recht had, zoo zou ik hem nochtans niet kunnen antwoorden; maar ik moet mijnen rechter smeeken. 16 Als ik hem al aanroep en hij mij hoort, zoo geloof ik nochtans niet dat hij mijne stem verhoort; 17 want hij vaart over mij met onstuimigheid, en vermeerdert mijne wonden zonder oorzaak; 18 hij laat mijnen geest geen verkwikking toe, maar hij maakt mij vol droefenis. 19 Komt het op macht aan, zoo is hij te machtig; komt het op recht aan, wie zal mijn getuige zijn? 30 Zeg ik dat ik rechtvaardig ben, hij zal mij toch verdoemen; of vroom, zoo maakt hij mij toch tot onrecht. 31 Al ben ik dan vroom, zoo durft mijne ziel zich dat niet aanmatigen; ik begeer geen leven meer. 33 Dus blijft het zooals ik gezegd heb: Hij brengt zoowel den vrome als den goddelooze om. 33 Als hij begint te gee-selen, Zoo doodt hij schie- |
!
JOB 10.
993
|
lijk, en bespot de bezoeking-der onschuldigen. 34 Alsdan wordt het land gegeven in de liand des goddeloozen, die het aangezicht zijner rechters bedekt. Is het niet zóó, hoe zou het anders zijn? 25 Alzoo vlogen ook mijne dagen sneller heen dan een looper; zij zijn gevloden, en- hebben leefd; 36 zij zijn voortgegaan als de snelle scheper., zooals een arend vliegt to : de spijs. 37 Als ik denk: Ik wil mijne klacht vergeten, en mijn misbaar laten varen en mij verkwikken, —- 38 zoo vrees ik voor al mijne smarten, dewijl ik weet dat gij mij niet onschuldig laat zijn. 39 Ben ik goddeloos, waarom zal ik langer ver-geefsche moeite doen? 30 Al wiesch ik mij met sneeuwwater, en reinigde mijne handen aan de fontein, 31 zoo zult gij mij nochtans in het slijk dompelen, zoodat mijne kleedercn van mij zullen gruwen. 33 Want hij is mijnsge-lijke niet, wien ik zou mogen antwoorden om met elkander in het gericht te komen; niets goeds Le |
33 er is geen scheidsman tusschen ons, om zijne hand tusschen ons beiden te leg-gen. 34 Hij neme zijne roede van mij, en late zijne verschrikking van mij, 35 opdat ik moge spreken en voor hem niet behoeve te vreezen: anders kan ik niets doen dat voor mij zou zijn. HOOFDSTUK 10. 1 Mijne ziel heeft verdriet in het leven: ik wil mijne klacht bij mij laten uitgaan, en spreken in de bitterheid mijner ziel. 3 Ik wil tot God zeggen: Verdoem mij niet; laat mij weten waarover gij met mij twist. 3 Behaagt het u dat gij geweld gebruikt, en mij dien uwe handen gemaakt hebben verwerpt, en het voornemen der goddeloozen tot eer maakt? 4 Of hebt gij vleeschelijke j oogen? Of ziet gij zooals \ een inensch ziet? 5 Of is uw tijd als de tijd van een inensch? Of zijn uwe jaren als de jaren van een man — 6 dat gij naar mijne misdaad vraagt, en mijne zonde zoekt? 7 Immers weet gij dat ik |
33
JOB 11.
994
|
niet goddeloos ben, en dat er niemand is die uit uwe hand redden kan. 8 Uwe handen hebben mij gewrocht, en gemaakt alwat rondom aan mij is: en gij verslindt mij zoo geheel! gt;' 9 Gedenk toch dat gij mij uit leem gemaakt hebt, en mij tot aarde zult doen we-derkeeren. 10 Hebt gij mij niet als melk gemolken, en als kaas doen stremmen? 11 Gij hebt mij huid en vleesch aangetrokken, met beenderen en aderen hebt gij mij samengevoegd; 13 leven en weldaad hebt gij aan mij verleend, en uw toezicht heeft mijnen adem bewaard; 13 en hoewel gij dat alles in uw hart verbergt, zoo weet ik toch dat gij het herdenkt. 14 Wanneer ik zondig, zoo merkt gij het weldra, en laat mijne misdaad niet ongestraft. 15 Ben ik goddeloos, zoo doet liet mij wee; ben ik rechtvaardig, zoo durf ik toch mijn hoofd niet opheffen, dewijl ik vol smaad ben en mijne ellende zien moet. 16 Want gelijk een woedende leeuw jaagt gij mij, |
en handelt wederom gruwelijk met mij; 17 gij vernieuwt uwe getuigen tegen mij, en vermeerdert uwen toorn over mij; het eéne plaagt mij boven het andere, bij beurten. IS Waarom hebt gij mij uit den moederschoot laten komen? Och dat ik omgekomen ware en geen oog mij ooit gezien had! 19 Dan ware ik als nooit geweest, van den moederschoot af ten grave gebracht. 20 Zal dan mijn kort leven geen einde hebben? Houd af van mij, opdat ik een weinig verkwikt worde, 31 eer ik heenga en niet wederkom, naar het land der duisternis en der schaduw des doods, 33 naar het land waar het stikdonker en ongeordend is, waar het licht gelijk is aan donkerheid. HOOFDSTUK 11. 1 Toen antwoordde Zofar van Naama en sprak: 3 Als iemand lang gesproken heeft, moet hij dan niet ook hooren? Moet dan de snapper altoos gelijk hebben? 3 Moeten de lieden op uw grootspreken zwijgen ? |
JOB 12.
995
|
Zoudt gij spotten en niemand u beschamen? 4 Gij zegt: Mijne rede is rein, en ik ben louter in uwe oogen. 5 Ocli dat God met u sprak en zijne lippen opende, G en u de heimelijke wijsheid toonde! want hij had aan u nog wol meer te doen; opdat gij weten moogt dat hij niet denkt aan al uwe zonden. 7 Meent gij dat gij zooveel weet als God, en wilt gij alles zoo volkomen treffen als de Almachtige? S Hij is hooger dan de hemel — wat wilt gij doen? dieper dan de afgrond — wat kunt gij weten? 9 langer dan do aarde, en breeder dan de zee. 10 Zoo hij ze omkeerde of verborg of overhoop wierp, wie wil het hem beletten? 11 Want hij kent de ijdele lieden; hij ziet do ondeugd, en zou het niet opmerken ? 12 Een verstandeloos man blaast zich op, en de mensch wordt geboren als een jong wild. 13 O dat gij uw hart bereid en uwe handen tot hem uitgebreid hadt! 1-t Indien gij de ondeugd die in uwe hand is verre van u hadt gedaan , dat in uwe hut geen onrecht bleef. |
15 zoo mocht gij uw aangezicht opheffen onberispelijk, en zoudt vast zijn en niet vreezen; 16 dan zoudt gij de moeite vergeten, en er zoo weinig' aan gedenken als aan het water dat voorbij vliet; 17 en do tijd uws levens zou opklimmen als de middag, en de duisterheid zou een lichte morgen worden; 18 en gij mocht vertrouwen dat er hoop was, en zoudt met rust in het graf komen; 19 en gij zoudt u neder-leggen en niemand zou u verschrikken, en velen zouden u smeeken. 20 Mnar de oogen der goddeloozeuzullen versmachten , en zij zullen niet kunnen ontloopen; want hunne hoop zal zijn de uitblazing der ziel. HOOFDSTUK 12. 1 Toen antwoordde Job en sprak: 2 Ja gijlieden zijt mannen; met u zal de wijsheid ster^ ven! 3 Ik heb zoowel een hart als gij, en beu niet geringer dan gij; en wie is er die dat niet weet? 4 AYie door zijnen naaste bespot wordt, zal God aanroepen, die zal hem ver- |
JOB 12.
996
|
hooren: de rechtvaardige en vrome moet bespot worden; 5 liij is een veracht licht in de gedachten der hoog-moedigen; maar hij staat, zoodat zij zich daaraan ergeren. 6 De hutten der verstoorders hebben de volheid, en zij woeden tegen God stou-telijk, hoewel God het in hunne handen gegeven heeft. 7 Ondervraag slechts het vee, dat zal het u leeren; en de vogelen des hemels, die zullen het u zeggen. 8 Of spreek met do aarde, die zal u onderwijzen; en de visschen in de zee zullen het u vertellen. 9 Wie erkent in dit alles niet, dat de hand des Hee-ren dat gemaakt heeft? .■ 10 Want in zijne hand is ide adem van al wat leeft, en de geest van alle vleesch des menschen. 11 Beproeft het oor de redenen niet, en proeft de mond de spijs niet? 13 Ja bij de ouden is de wijsheid, en bij de bejaarden het verstand. 13 Bij hem is wijsheid en macht, raad en verstand. 14 Zie, als hij afbreekt, zoo helpt geen bouwen; als hij iemand opsluit, zoo kan niemand opendoen. |
15 Zie, als hij de wateren ophoudt, zoo wordt alles dor; en als hij ze uitlaat, zoo keeren ze het land om. 16 Hij is sterk en voert het uit; zijn is die dwaalt en die verleidt. 17 Hij voert de schrande-ren als een roof, en maakt de rechters uitzinnig. 18 Hij ontbindt den dwang der koningen, en gordt met een gordel hunne lendenen. 19 Hij voert de priesters als een roof, en laat het den machtigen mislukken. 20 Hij doet weg de lippen der waarachtigen, en neemt de zeden der ouden weg. 21 Hij schudt op de vorsten verachting uit, en maakt het verbond der geweldigen los. 22 Hij opent de duistere gronden, en brengt er het donkere uit aan het licht. 33 Hij maakt sommigen tot een groot volk — en brengt hen weder om; hij breidt een volk uit — en drijft het weder weg. 34! Hij beneemt den moed aan de oversten des volks in het land, en doet hen dwalen in het wild waar geen weg is, 35 dat zij in de duisternis tasten zonder licht, en doet hen dwalen als de dronkaards. |
JOB 13.
997
|
HOOFDSTUK 13. I Zie, dit alles lieeft mijn oog gezien en mijn oor gehoord, en ik heb het verstaan : 3 wat gij west, dat weet ik óók; ik ben niet geringer dan gij. 3 Doch ik wilde gaarne tot den Almachtige spreken, én wilde gaarne met God richten. 4 Want gij legt het val-schelijk uit, en zijt allen onnutte geneesmeesters. 5 O wilde God dat gij zweegt, zoo werdt gij wijs. 6 Hoort toch mijne bestraffing , en let op de zaak waarvan ik spreek. 7 Wilt gij God verdedigen met onrecht, en voor hem list gebruiken? 8 Wilt gij zijn persoon aanzien? Wilt gij God voorspreken? 9 Zal het u ook welgaan als hij u onderzoeken zal? Meent gij dat gij hem bedriegen zult gelijk men een mensch bedriegt? 10 Hij zal u bestraften, indien gij heimelijk den persoon aanziet. II Zal hij u niet verschrikken , als hij zich zal vertoo-nen en zijne vrees u overvallen zal? |
13 Uwe gedachtenis zal aan asch gelijk zijn, en uwe hoogten zullen als een leem-hoop zijn. 13 Zwijgt voor mij opdat ik spreke, mij overkome wat het zij. 14 Waarom zou ik met mijne tanden knagen, en mijne ziel in mijne hand nemen? 15 Zie, hij zal mij toch dooden, en ik heb niets te hopen: echter wil ik mijne wegen voor hem verdedigen. 16 Hij zal immers mijn heil zijn; want geen huichelaar durft voor hem komen. 17 Hoort mijne rede, en mijne verklaring met uwe ooren. 18 Zie, ik heb het vonnis reeds geveld: ik weet dat ik rechtvaardig zal zijn. 19 Wie is er die met mij richten wil? Zoo ik nu zwijgen moest, dan zou ik sterven. 20 Doe slechts twee dingen niet aan mij, zoo zal ik mij voor u niet verbergen: 31 laat uwe hand verre Van mij zijn, en uwe verschrikking verschrikke mij niet. 22 Eoep mij, dan zal ik u antwoorden; of ik zal spreken, antwoord gij mij. 23 Hoevele zijn mijne misdaden en zonden ? Laat mij |
J OD 14.
998
|
mijne overtreding on zonde weten. 34 Wiuirom verbergt gij uw aangezicht, en houdt mij voor uwen vijand? 25 Wilt gij togen een afgewaaid blad zoo streng zijn, en een dorren halm vervol-gon? 26 Want gij schrijft tegen mij enkel bitterheid, en wilt mij wegens de zonden mijner jeugd ombrengen; 27 gij hebt mijnen voet in den stok gelegd, en neemt, al mijne paden waar; gij ziet op de voetstappen mijner voeten, — 28 daar ik toch als eon vuil aas verga, en als oen kleed hetwelk de mot weg-knaagt, HOOFDSTUK 14. 1 De menseh, van eene vrouw geboren, loeft eon korten tijd on is vol van onrust. 2 Hij gaat op als eeue bloem en valt af, vliegt weg als oeno schaduw on blijft niet. 3 En over zulk oenen doet gij uwe oogen open, dat gij mij voor u in het gericht doet komen? 4 Wie zal een reine vinden bij degenen waar niemand rein is? |
5 Hij heeft ziju bestemden tijd, het getal zijner maanden staat bij ii; gij hebt hem een perk gesteld dat r- hij niet overschrijden kan : n: 6 wond u van hem af, opdat hij rust hebbe, totdat zijn tijd komt dien hij als een daglooner verwacht. 7 Eon boom heeft hoop, al is hij afgehouwen, dat hij weder zal uitbotten, en ' niet ophouden jonge schouten te maken; 8 al is het dat zijn wortel in de aarde veroudert, en . zijn stam in het stof ver- ' sterft, 9 zoo groeit hij toch weder van don reuk des waters, en wast op alsof hij geplant ware. ( 10 Maar als een mensch sterft, dan ligt hij krachteloos; en als hij den geest geeft, waar is hij dan? 11 Gelijk het water verloopt uit oen meer, en gelijk eeue rivier uitdroogt en verschroeit, 12 alzoo blijft de mensch / liggen on zal niet opstaan; | hij zal niet ontwaken zoolang de hemel blijft, noch van zijnen slaap opgewekt i worden. 13 Och dat gij mij in het graf bedekken en verbergen mocht, totdat uw toorn zich legde, en mij een perk stel- |
B 15.
JO
999
|
leu totdat gij aan mij gedacht ! ,,14 Meent gij dat een si mensch, als hij dood is, weder leven zul? Dan zou ik al de dagen van mijnen strijd hopen, totdat mijne vernieinving gekomen was. 15 O dat gij mij wildet roepen en ik u antwoordde, en het werk uwer handen niet wildet versmaden! 1G Want gij hebt reeds mijne treden geteld, maar gij zult immers geen acht slaan op mijne zonde; 17 gij hebt mijne overtreding in een bundel verzegeld, en mijne misdaad tezamen-gevat. 18 Een berg vervalt toch en vergaat, en eene rots wordt van hare plaats verzet ; 19 het water holt steenen uit, en de druppels spoelen de aarde weg, — zoo is ook des menschen hooji verloren. 20 Want gij stoot hem geheel omver, dat hij heenvaart; gij verandert zijne gestalte en laat hem varen. 21 Komen zijne kinderen tot eer, hij weet het niet, of worden zij gering, hij wordt het niet gewaar; 22 zoolang hij zijn vleesch nog aan zich draagt, moet hij smart hebben, en zoolang zijne ziel nog bij hem is, moet hij rouw dragen. |
HOOFDSTUK 15. 1 Toen antwoordde Elifaz van Teman en sprak: 2 Zal een wijs man zulke opgeblazen woorden spreken , en zijn buik zoo vullen niet ij dele redenen? 3 Gij bestraft met woorden die niet deugen, en uw spreken is onnut. 4 Gij hebt de vrees laten varen, en spreekt te verachtelijk voor God. 5 Want uwe roisdartd leert uwen mond alzoo, en gij hebt eene arglistige tong verkoren. 6 Uw mond zal u verdoemen, en niet ik; en uwe lippen zullen u antwoorden. 7 Zijt gij de eerste mensch die geboren werd, of zijt gij vóór alle heuvelen ontvangen? 8 Hebt gij Gods geheimen raad gehoord, en is de wijsheid zelve geringer dan gij ? 9 Wat weet gij dat wij niet weten ? Wat verstaat gij dat niet ook bij ons is? 10 Onder ons zijn grijzen en ouden, die langer geleefd hebben dan uwe vaderen. 11 Zouden Gods vertroostingen zoo weinig bij u |
JOB 15.
1000
|
gelden? Doch gij hebt nog iets geheims bij u. 13 Wat neemt uw hart voor, hoe ziet gij zoo grootsch? 13 Wat stelt zich uw wrevel tegen God, dat gij zulke redenen uit uwen mond laat gaan? 14 Wat is de mensch, dat hij rein zou zijn; en die van eene vrouw geboren is, dat hij rechtvaardig zou rijn? 15 Zie, onder zijne heiligen is niemand onberispelijk, en de hemelen zijn niet rein voor hem: 16 hoe veelt emeer is een mensch gruwelijk en snood, die het onrecht indrinkt als water! 17 Ik wil het u toonen, hoor toe; en wat ik gezien heb, dat zal ik u verhalen: 18 wat de wijzen gezegd hebben, en hunnen vaderen niet verborgen geweest is, 19 aan wie alléén het land gegeven is, dat er geen vreemde doortrekken mocht: 20 De goddelooze beeft zoolang hij leeft, on den tiran is het getal zijner jaren verborgen. 21 Wat hij hoort, dat verschrikt hem; en al is het vrede, zoo vreest hij toch dat de verderver komt. 33 Hij gelooft niet dat hij het ongeluk kan ontvlieden , en hij vermoedt altoos het zwaard. |
33 Hij trekt her- en derwaarts als om brood, en hij denkt altoos dat de tijd zijns ongeluks ophanden is. 24 Angst en nood verschrikken hem en slaan hem terneder, als een koning met een heir. 23 Want hij heeft zijne hand tegen God uitgestrekt, en tegen den Almachtige zich aangekant; 26 hij loopt met den kop tegen hem aan, en vecht halsstarrig tegen hem; 27 hij zwelt op van zwaarlijvigheid, en maakt zich vet en dik. 28 Echter zal hij in verwoeste steden wonen waar geen huizen zijn, en die overhoop liggen. 29 Hij zal niet rijk blijven, en zijn goed zal niet bestaan; en zijn geluk zal zich niet uitbreiden in het land. 30 Ongeval zal niet van hem afblijven; de vlam zal zijne takken verdorren, en door den adem haars monds hem verteren. 31 Hij zal niet bestaan, want hij is in zijn ijdelen waan bedrogen; en ijdel-heid zal zijn loon worden. 33 Hij zal een einde nemen als het hem ongelegen |
JOB 16.
1001
|
komt, en zijn talc zal niet bloeien. 33 Hij zal afgerukt worden als eene ontijdige druif van den wijnstok, en gelijk i een olijfboom zijnen bloesem afwerpt. 34 Want de vergadering der huichelaars zal eenzaam blijven, en het vuur zal de hutten dergenen die geschenken nemen verslinden. 35 Zij gaan zwanger van ongeluk en baren moeite, en hun schoot brengt bedrog voort. HOOFDSTUK 16. 1 Job antwoordde en sprak: 2 Dit alles heb ik dikwijls gehoord, gij allen zijt i jammerlijke vertroosters. 3 Zullen de ijdele woorden geen einde hebben ? Of wat maakt u zoo vermetel om zóó te spreken? 4 Zou ik ook als gijlieden spreken, indien God wilde dat uwe ziel in de plaats van mijne ziel was? Zou ik ook woorden tegen u sa-menhoopen, en mijn hoofd over u schudden? 5 Ik zou u versterken met den mond, en met mijne lippen u troosten. i 6 Maar of ik al spreek, zoo verschoont de smart mij niet; houd ik op, zoo gaat zij niet van mij. |
7 Maar nu maakt hij mij moede, en verstoort al wat ik ben. 8 Hij heeft mij vol rimpels gemaakt en getuigt tegen mij; en mijn tegenspreker staat tegen mij op en antwoordt tegen mij. 9 Zijne grimmigheid verscheurt, en die toornig op mij is knerst de tanden tegen mij; mijn wederpartijder scherpt zijne oogen tegen mij. 10 Zij hebben hunnen mond tegen mij opgesperd, en hebben mij smadelijk op de kinnebakken geslagen ; zij hebben gezamenlijk hunnen moed aan mij gekoeld. 11 God heeft mij overgegeven aan de onrechtvaar-digen, en heeft mij in de handen der goddeloozen laten vallen. 13 Ik was rijk, maar hij heeft mij tot niets gemaakt, hij heeft mij bij den hals gevat en verpletterd, en heeft mij tot een doelwit voor zich gesteld; 13 hij heeft mij omringd met zijne schutters, hij heeft mijne nieren doorspleten en niet verschoond, hij heeft mijne gal op de aarde uitgestort ; 14 hij heeft mij de eene wond op de andere toege- |
♦
JOB 17.
1002
|
bracht, hij is op mjj nan-geloopen als een geweldige. 15 Ik heb een zak om mijne huid vastgehecht, en heb mijnen hoorn in het stof gelegd, 16 mijn aangezicht is gezwollen van het weenen, en over mijne oogleden ligt donkerheid, — 17 hoewel er geen misdaad in mijne liand is, en mijn gebed rein is. 18 O aarde, bedek mijn bloed niet; en mijn geroep moge geen plaats vinden. 19 Nu zie, mijn. getuige is in den hemel, en die mij kent is in de hoogte. 20 Mijne vrienden zijn mijne bespotters, maar m\jn oog stort tranen tot God. 31 Och kon een man met God richten, gelijk een menschenzoon met zijnen vriend! 22 Maar de bestemde jaren zijn gekomen, en ik ga den weg waarlangs ik niet zal wederkomen. HOOFDSTUK 17. 1 Mijn adem ia zwak en mijne dagen zijn afgekort; het graf is nabij. 3 Niemand is door mij bedrogen, nochtans moet mijn oog daarom in droefenis blijven. |
3 Of gij al een borg voor mij stellen wildet, wie wil voor mij instaan? 4 Gij hebt het verstand voor hun hart verborgen; daarom zult gij ze niet ver-hoogen. 3 Hij roemt wel bij zijne vrienden den buit, maaide oogen zijner kinderen zullen versmachten. 6 Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de lieden gesteld, en ik moet een wonder onder hen zijn. 7 Mijne gedaante is donker geworden van treuren, en al mijne leden zijn als eene schaduw. 8 Daarover zullen de rechtvaardigen droevig zien, en de onschuldigen zullen zich stellen tegen de huichelaars. 9 De rechtvaardige zal zij non weg houden, en wie rein van handen is zal sterk blijven. lü Welaan, keert allen herwaarts en komt: ik zal toch geen wijzen onder u vinden. 11 Mijne dagen zijn vergaan, en mijne aanslagen, die iu mijn hart gezeteld hebben, zijn verstrooid. 13 Zij hebben van den nacht dag gemaakt, en van den dag nacht. 13 Al wacht ik lang,zoo is toch het graf mijne woonplaats, en in de duister- |
JOB
18.
1003
|
nis is mijn leger gemaakt; 14 de verrotting noem ik mijnen vader, en de wormen mijne moeder cn mijne zuster: — 15 wat zal ik verwachten, en wie zal mij mijne hoop doen aanschouwen? 16 Nederwaarts in het graf zal zij varen, zij zal met mij in het stol' liggen. HOOFDSTUK 18. • 1 ïoen antwoordde Bil-dad van Suali en sprak; 2 Wanneer zult gijlieden aan de redenen een einde maken? Geeft acht, daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als vee, en zijn zoo onrein in uwe oogen? 4 Wilt gij van boosheid bersten? Meent gij dat om uwentwil de aaide verlaten cn de rots van hare plaats verzet zal worden? 5 Ook zal het licht der goddeloozen uitgebluscht worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glimmen. 6 Het licht zal duister worden in zijne hut, en zijne lamp over hem uitgebluscht worden. 7 De toegangen zijner have zullen smal worden, en zijn eigen raadslag zal hem vellen. |
S Want hij is met zijne voeten in den strik gebracht, en wandelt in het net: 9 de strik zal zijne verze vasthouden, en de dorstigen zullen hem grijpen. 10 Voor hem is een strik in de aarde gelegd, en een val op ieder pad. 11 Van rondom zal hem plotseling vrees verschrikken, dat hij niet weten zal waarheen. 13 Honger zal zijne have zijn, en ongeluk zal hem bereid zijn en hem aankleven. 13 De sterkte zijner huid zal verteerd worden, en de vorst des doods zal zijne sterkte verteren. 14 Zijne hoop zal uit zijne hut uitgeroeid worden; en zij zullen hem drijven tot den koning der verschrikking. 15 In zijne hut zal niets blijven, over zijne hut zal zwavel gestrooid worden. IC Van onderen zullen zijne wortels verdorren, cn van boven zal zijn oogst afgesneden worden. 17 Zijne gedachtenis zal vergaan in het land, en hij zal 'geen naam hebben op de straat. 18 Hij zal van het licht in de duisternis gedreven, cn van den aardbodem verstoeten worden. |
JOB 19,
lOüi
|
19 Hij zal geen kinderen hebben en geen naneven onder zijn volk; niemand zal liem overblijven iu zijne goederen. 20 Die nu hem komen, zullen zich over zijnen dag ontzetten; en die vóór hem zijn, zal vrees overvallen. 31 Dit is de woning des onrechtvaardigen, en dit is de plaats desgenen die God niet acht. HOOFDSTUK 19. 1 Job antwoordde en sprak: 2 Wat plaagt gijlieden toch. mijne ziel, en pijnigt mij met woorden? 3 Gij hebt mij nu tienmaal gehoond, en schaamt u niet mij zoo omtedrijven. 4 Dwaal ik, zoo dwaal ik voor mij; 3 maar gij verheft u waarlijk tegen mij, en scheldt mij tot mijnen smaad. 6 Merkt toch op dat God mij ongelijk doet, en mij met zijn net heeft omringd. 7 Zie, of ik al kerm over geweld, zoo word ik toch niet verhoord; ik roep, maar er is geen recht. 8 Hij heeft mijnen weg versperd, dat ik nergens heen kan; en hij heeft duisternis op mijn pad gesteld. |
9 Hij heeft mijne eer uitgetogen, en de kroon van mijn hoofd gerukt. 10 Hij heeft mij rondom verbroken en laat mij gaan, en heeft mijne hoop ontworteld gelijk een boom. 11 Zijn toorn is over mij ontstoken, en hij houdt mij voor zijnen vijand. 12 Zijne krijgslieden zijn tezamen gekomen, en hebben hunnen weg tegen mij gebaand, en hebben zich rondom mijne hut gelegerd. 13 Hij heeft mijne broeders van mij verwijderd, en mijne bekenden zijn mij vreemd geworden. 14 Mijne naasten hebben zich onttrokken, en mijne vrienden hebben mij vergeten. 13 Mijne huisgenooten en mijne dienstmaagden achten mij als vreemd; ik ben onbekend geworden in hunne oogen. 16 Ik riep mijnen knecht en hij antwoordde mij niet; ik moest hem smeeken met mijnen mond. 17 Mijne huisvrouw houdt zich vreemd als ik haar roep; ik moet mijn eigen kinderen smeeken. 18 Ook de jonge kinderen achten mij niets; als ik mij tegen hen stel, zoo geven zij mij kwade woorden. |
JOE
30.
1005
|
1!) Al mijne vertrouwden hebben een afschuw van mij, en die ik liefhad hebben ziek tegen mij gekeerd. 20 Mijn gebeente kleeft aan mijne huid, en ik kan mijne tanden met het vel niet bedekken. 21 Ontfermt, ontfermt u over mij, mijne vrienden; want Gods hand heeft mij aangetast. 22 Waarom vervolgt gij mij zoowel als God, en kunt van mijn vleesch niet verzadigd worden? 23 Och dat mijne redenen opgeschreven wierden! Och dat zij wierden gesteld in een boek, 24 met een ijzeren stift op lood, en tot eene eeuwige gedachtenis in eene steenrots gehouwen wierden! 1 23 Doch ik weet dat mijn i verlosser leeft, hij zal ten ' laatste over het stof opstaan; 26 en als deze mijne huid geheel doorknaagd zal zijn, zal ik toch in mijn vleesch God nog zien: 27 hem zal ik zien, mij ten goede, en mijne oogen zullen hem aanschouwen en geene vreemde: mijne nieren zijn verteerd in mijn binnenste. 28 Want gij zegt: Hoe zullen wij hem vervolgen, en eene zaak in hem vinden? — |
29 vreest dan voor het zwaard; want het zwaard is de wraak over de misdaad, opdat gij weet dat er een gericht is. HOOFDSTUK 20. 1 Toen antwoordde Zofar van Naüma en sprak: 2 Daar moet ik opantwoorden, en ik kan niet verbeiden. 3 Ik wil gaarne hooren wie mij daarin bestraffen en berispen zal; want de geest mijns verstands zal voor mij antwoorden. 4 Weet gij niet dat het altijd zoo gegaan is, sedert dat er menschen op de aarde geweest zijn, 3 dat het roemen der goddeloozen niet lang bestaat, en de vreugde des huichelaars slechts een oo-genblik duurt? 6 Of zijne hoogte al tot in den hemel reikt, en zijn hoofd aan de wolken raakt, 7 zoo zal hij toch ten laatste tenietgaan als drek, zoodat zij, die hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij? 8 Gelijk een droom vergaat, zoo zal hij ook niet gevonden worden; en gelijk een gezicht in den nacht verdwijnt hij. |
|
1006 ' 9 Het oog dat hem gezien heeft zal hem niet meer zien, en zijne plaats zal hem niet meer aanschouwen. ■ 10 Zijne kinderen zullen gaan bedelen, en zijne hand zal hem moeite ten loon geven. 11 Zijne beenderen zullen zijne heimelijke zonden wsl betalen, en zullen zich met hem in de aarde leggen. 13 Of de boosheid hem al wèlsmaakt in zijnen mond, en of hij haar ook onder zijne tong verbergt, 13 als hij ze verschoont en niet verlaat, en ze niet weert uit zijne keel, — 14 zoo zal die spijs zich binnen in het lijf geheel veranderen, adderengif zal zij worden in zijn binnenste. 15 De rijkdommen welke hij verslonden heeft, moet hij weder uitspuwen; God zal ze uit zijnen buik stooten. 16 Hij zal het gif der adders inzuigen, en de tong-der slang zal hem dooden. 17 Hij zal niet zien de stroomen noch de waterbeken die van honig en boter vloeien. 18 Hij zal arbeiden en er niet van gen iel en, en anderen krijgen zijne goederen, zoodat hij er niet door verblijd wordt. |
19 Want hij heeft de armen onderdrukt en verlaten; hij heeft huizen aan zich getrokken, welke hij niet gebouwd heeft. 20 Want zijn buik kon niet vol worden, en hij liet aan zijne gulzigheid niets ontsnappen. 31 Van zijne spijs zal er niets overblijven; derhalve zal zijn goed leven geen stand houden. 23 Of hij al volop genoeg heeft, het zal hem toch bang worden; allerlei moeite zal hem overkomen. 33 De buik zal hem eens vol worden; en hij zal de grimmigheid zijns toorns over hem zenden, hij zal die over hem laten regenen, en hij zal ze niet Verteren. 34 Hij zal vlieden voor het ijzeren harnas, en de stalen boog zal hem verja-gen. 25 Een bloot zwaard zal hem door het lijf gaan; en het blinken des zwaards, dat hem bitter zal zijn, zal met verschrikkingen over hem komen. 36 Er is geen duisternis die hem zou kunnen bedekken ; een vuur zal hem verteren dat niet aangeblazen is; en wie overig is in zijne hut, dien zal het kwalijk gaan. JOB 3U. |
JOB
21.
1007
|
37 De hemel zal zij ne misdaad openbaren, en de aarde zal zich tegen hem stellen. 28 Het koren in zijn huis zal weggevoerd worden, verstrooid op den dag zijns toorns. 29 Dit is het deel van den goddeloozen mensch bij God, en het erfdeel zijner redenen bij God. HOOFDSTUK 21. 1 Job antwoordde en sprak: 2 Hoort toch naar mijne rede en laat u raden. 3 Duldt mij zoolang ik spreek, en bas pot mij daarna. •1 Handel ik dan met een mensch, dat mijn gemoed hierin niet zou verdrietig zijn? 5 Keert u herwaarts tot mij, gij zult verbaasd staan , en de hand op den mond moeten leggen. 6 Als ik daaraan gedenk, zoo verschrik ik, en siddering overvalt mijn vloesch. 7 Waarom leven dan de goddeloozen, en worden oud, en nemen toe in goederen? 8 Hun zaad rondom hen is veilig, en hunne nakomelingen zijn bij hen. 9 Hun huis heeft vrede zonder vrees, cn Gods roede is niet over hen. lü Zijn stier bespringt en het mislukt hem niet, zijne koe kalft en is niet onvrucht-baar. |
11 Hunne jonge kinderen gaan uit als eene kudde, en hunne kinderen huppelen. 12 Zij juichen met trommels en harpen, cn zijn vroo-lijk met pijpen. 13 Zij worden oud bij goede dagen, en in een oogenblik dalen zij neder in het graf. I J' Nochtans zeiden zij tot God: Wijk van ons, wij willen van uwe wegen niet weten. 13 Wie is de Almachtige, dat wij hem dienen zouden? Of wat zou het ons baten zoo wij hem aanriepen? 16 Maar zie, hun goed staat niet in hunne handen; daarom zal het overleg der goddeloozen verre van mij zijn. 17 Hoe zal de lamp der goddeloozen uitgcbluscht worden, en hun ongeluk over hen komen! Hij zal harteleed uitdeelen in zijnen toorn; 18 zij zullen zijn als stoppels voor den wind, en als kaf hetwelk de stormwind wegvoert. 19 God bewaart het ongeluk des booswichts voor zijne kinderen; wanneer hij het hem vergelden zal, dan zal men het gewaarworden; |
JOB 22.
1008
|
*■ 20 zijne oogen zullen zijn verderf zien, en van de grimmigheid des Almachtigenzal hij drinken. 21 Want wie zal behagen hebben aan zijn huis na hem, als het getal zijner maanden hem is toegeteld? 22 Wie zou God leeren, hem die ook de hoogen vonnist? 23 Deze sterft frisch en gezond, in allen rijkdom en volle vergenoeging, 24 zijn melkvat is vol melk, en zijn gebeente wordt gemest met merg; 25 maar de ander sterft met eene bedroefde ziel, en heeft nooit met vreugde gegeten : 26 en zij liggen tezamen met elkander in de narde, en de wormen overdekken hen. 27 Zie, ik ken uwe gedachten wel, en uw snood voornemen tegen mij; 28 want gij zegt: Waar is het huis des vorsten, en waar is de hut waar.de god-delooze woonde? 29 Hebt gij niet gevraagd het gemeene volk, en geen acht gegeven op hetgeen zij opgemerkt hebben; 30 dat de booze behouden wordt tot op den dag des verderfs, en dat hij blijft tot op den dag der grimmigheid ? |
31 Wie zou zeggen wat hij verdient, wanneer men het van buiten aanziet? Wie zal hem vergelden wat hij doet? 82 Maar hij wordt ten grave getrokken, en haast zich tot den aardhoop. 33 Het slijk des dals behaagt hem, want allemen-schen trekken hem achterna, en degenen die vóór hem geweest zijn zijn niet te tellen. S t Hoe troost gij mij zoo tevergeefs ? Ja uw antwoord wordt onrecht bevonden. HOOFDSTUK 22. 1 Toen antwoordde Elifaz van Teman en sprak: 2 Wat behoeft God eenen sterke, en wat nut brengt hem een kloeke aan? 3 Meent gij dat het den Almachtige behaagt dat gij u zoo vroom maakt? Of wat helpt het hem dat gij uwe wegen al onberispelijk acht ? 4 Meent gij dat hij voor u zal vreezen, om u te bestraffen, en met u in het gericht te gaan? 5 Ja uwe boosheid is te groot, en uwe misdaden zijn zonder einde. 6 Misschien hebt gij van uwen broeder pand genomen zonder oorzaak, en den naak- |
JOB
32.
1009
|
te hebt gij de kleederen uitgetrokken ; 7 gij hebt den vermoeide geen water te drinken gegeven, en hebt den hongerige uw brood ontzegd; 8 gij hebt gewold in het land geoefend, en prachtig daarin gezeten; 9 de weduwen hebt gij ledig laten gaan, en der .weezen arm gebroken. 10 Daarom zijt gij met strikken omringd, en vrees heeft u schielijk bevangen. 11 Zoudt gij dan de duisternis niet zien, en de watervloed u niet bedekken? 13 Zie, God is hoog hierboven in den hemel; en zie de sterren hierboven in de hoogte. 13 En gij zegt: Wat weet God er van? Zou hij hetgeen in het donker is kunnen oordeelen? 1-1 De wolken zijn hem een dekkleed en hij ziet niet; en hij wandelt in den kreits des hemels. 15 Wilt gij op het pad der wereld aehtgeven , dat de verkeerde lieden hebben betreden ? 16 die vergaan üijn eer het tijd was, en wier grond het water heeft weggespoeld; 17 die tegen God zeiden : Wijk van ons: wat zou de Almachtige hun kunnen doen ? |
18 daar hij nochtans hun huis met goederen vervult. Maar het overleg der god-deloozpn zij verre van mij. 19 De rechtvaardigen zullen het zien en zich verblijden , en de onschuldige zal hen bespotten. 20 Yoorwaar hun doen zal verdwijnen, en het vuur hun overblijfsel verteren. 31 Zoo zoek gemeenschap met hem en heb vrede; vandaar alleen kan u het goede overkomen. 22 Hoor de wet uit zijnen mond, en vat zijne redenen in uw hart. 23 Indien gij u bekeert tot den Almachtige, zult gij gebouwd worden; en als gij het onrecht verre van uwe hutten doet, 34 zult gij voor aarde goud geven en voor den rotssteen gouden beken, 25 en de Almachtige zal uw goud en uw beste zilver zijn. 26 Dan zult gij uwen lust hebben aan den Almachtige, en uw aangezicht tot God opheften: 27 gij zult hem bidden en hij zal u verhooren, en gij zult uwe geloften betalen; 28 wat gij zult voornemen, dat zal hij laten gelukken ; en het licht zal op uwen weg schijnen. |
|
1010 JOB 39 Want wie zich verootmoedigt , dien verhoogt liij, en wie zijne oogen ueder-slaat, die wordt genezen; 30 en de onschuldige zal gered worden, gered wegens de reinheid zijner handen. HOOFDSTUK 23. 1 Job ant woordde en sprak; 3 Mijne rede blijft nog bedroefd; mijne macht is zwak wegens mijn zuchten. 3 Och dat ik wist hoe ik liem vinden en tot zijnen troon doordringen kon; 4 ik zou hem het recht voorleggen, en den mond met verdedigingen vullen, 5 en de redenen leeren kennen welke hij mij zou antwoorden, en vernemen wat hij mij zeggen zou. 6 Zou hij naar de grootheid zijner macht met mij richten ? Neen, hij zou zich niet aldus tegen mij stellen, 7 maar mij voorleggen hetgeen billijk is, en ik zou mijn recht wel winnen. 8 Maar ga ik nu voorwaarts, zoo is hij er niet; ga ik achterwaarts , zoo bespeur ik hem niet; 9 is hij ter linkerhand, zoo grijp ik hem niet; verbergt hij zich ter rechterhand, zoo zie ik hem niet. 10 Maar hij kent mijnen weg; hij beproeve mij, zoo (3, 24. |
zal ik bevonden worden als het goud. 11 Want ik zet mijnen voet op zijne baan, en houd zijnen weg en wijk niet af, 12 en overtreed het gebod zijner lippen niet, maar bewaar de redenen zijns monds meer dan ik schuldig ben. 13 Hij is cénig —• wie zou hem antwoorden? Hij maakt het zooals hij wil. 14 En al vergeldt hij wat ik verdiend heb, zoo is er nog meer overig. 15 Daarom verschrik ik voor hem; en als ik het merk, zoo vrees ik voor hem. IC God heeft mijn hart weekgemaakt, en de Almachtige heeft mij verschrikt ; 17 want de duisternis neemt voor mij geen einde, en de donkerheid wil voor mij niet bedekt worden. HOOFDSTUK 24. 1 Waarom zijn door den Almachtige geen tijden \der recldvaardiye verf/eldivy1, bepaald , daar zij die hem kennen de dagen zijner oefenim/] niet zien? 3 Zij zetten de grenspalen terug, zij rooven de kudden en weiden ze. 3 Zij drijven den ezel der weezen weg, en nemen den os der weduwe tot pand. |
JOB 24.
10 il
|
4 De armen moeten voor lien wijken, en de nood-tlruftigen in het land ulob-ten zioli verbergen. 5 Zie, het wild in de woestijn gaat, gelijk liet pleegt, vroeg uit tot den roof', om spijs te bereiden voor de jongen. 6 Zij maaien op den akker alles wat hij draagt, en plukken den wijnberg at' dien zij met onrecht hebben. 7 De naakten laten zij liggen en laten hun geen dek in de koude, 8 zoodat zij zich tot de steenrotsen moeten begeven, als er van de bergen een slagregen op hen stort, dewijl zij anders geen schuilplaats hebben. 9 Zij rukken het kind van de borst weg, en maken het tot een wees, eu maken de lieden arm met panden. lü De naakten laten zij i zonder kleederen gaan, en den hongerigen ontnemen zij de schoven. 11 Zij dwingen ze olie te slaan op hun eigen molens, en hun eigen wijnpersen te treden, en laten hen echter dorst lijden. 12 Zij doen de lieden in de stad zuchten, en de ziel der verslagenen kermen, — en God stoort hen niet. 13 Daarom zijn zij afvallig geworden van het licht, en |
kennen zijnen weg niet, en keeren niet weder tot zijne paden. 14 Als do dag aanbreekt, zoo staat de moordenaar op, en doodt den arme en nooddruftige; en des nacbts is hij als een dief. 15 Het oog des overspelers neemt de schemering waaien zegt: Geen oog ziet mij; en hij meent verborgen te zijn. 1G In het duister breekt hij in de huizen, bij dag verbergen zij zich tezamen en schuwen het licht. 17 Want als de morgenstond komt, is hij voor hen als duisternis, dewijl hij gevoelt de verschrikking van den nacht. 18 Hij vaart snol weg als op een water; zijne have wordt klein in het land, en hij bouwt zijnen wijnberg niet. 19 Het graf neemt hen weg die zondigen, gelijk de hitte en droogte het sneeuwwater Verteert. 20 De barmhartige zal hem vergeten, het gewormte zal zijn .lust worden, aan hem wordt niet meer gedacht; hij zal afgehouwen worden als een boom. 31 Hij heeft de eenzame beleedigd die niet baart, |
|
10] 3 JOB en heeft de weduw geen goed gedaan, 23 en machtigen onder zich getrokken door zijn geweld; als hij opstaat, zal niemand zijn leven zeker zijn. 33 Hij maakt zichzelven wel eene zekerheid, nochtans zien zijne oogen op hun doen. 34 Zij zijn een kleinen tijd verheven, en zullen vernietigd en onderdrukt en geheel en al uitgeroeid worden ; en gelijk de eerste bloesem aan de aren, zoo zullen zij afgeslagen worden. 35 Is het niet zoo? Wie zou mij van leugens beschuldigen , en waarmaken dat mijne rede niets is? HOOFDSTUK 25. 1 Toen antwoordde Bildad van Suah en sprak: 3 Is de heerschappij en vrees niet bij hem, die den vrede onderhoudt in zijne hooge woning? 3 Wie kan zijne krijgslieden tellen? En over wien gaat zijn licht niet op? 4 En hoe kan een mensch rechtvaardig zijn voor God, en hoe kan hij die van eene vrouw geboren is rein zijn ? 5 Zie, zelfs de maan schijnt niet helder, en de sterren zijn niet rein in zijne oogen: 15, 36. |
6 hoeveel minder dan een mensch, die worm! en eens menschen zoon, die made! HOOFDSTUK 26. I Job antwoordde en sprak: 3 Wien staat gij bij ? dengeen die geen kracht heeft? Helpt gij dengeen die geen sterkte in de armen heeft? 3 Wien geeft gij raad?, dengeen die geen wijsheid heeft? En wijst gij een machtige hoe hij het uitvoeren zal? 4 Yoor wien spreekt gij ? En wiens adem gaat van u uit? 5 De dooden zijn benauwd onder de wateren, zij die daarbij wonen. 6 Het graf is voor hem ontdekt, en het verderf heeft geen bedekking meer. 7 Hij breidt het noorden uit over het ledige ruim, en hangt de aarde aan een louter niets. 8 Hij vat het water tezamen in zijne wolken, en de wolken scheuren daaronder niet. 9 Hij bevestigt zijnen troon, en spant zijn wolktapijt daarvóór. 10 Hij heeft rondom het water een perk gesteld, totdat het licht met de duisternis vergaan zal. II De zuilen des hemels |
JOB 27.
1013
|
sidderen en ontzetten zich voor zijn schelden. 12 Door zijne kracht wordt de zee schielijk onstuimig, en door zijn verstand verbreekt hij hare verheffing. 13 Aan den hemel wordt het schoon door zijnen wind, en zijne hand bereidt de slang van het noorden. .14 Zie, zóó is zijn doen; maar daarvan hebben wij slechts een klein woordje vernomen: wie zou den donder zijner macht verslaan? HOOFDSTUK 27. 1 En Job ging voort en hief zijne spreuk op en zeide: 2 Zoo waarachtig als God leeft, die mij geen recht laat geworden, en de Almachtige die mijne ziel bedroeft, — 3 zoolang mijn leven nog in mij, en de adem Gods in mijne neusgaten is, — 4 mijne lippen zullen geen onrecht spreken, en mijne tong zal geen bedrog zeggen. 5 Het zij verre van mij dat ik u gelijk zou geven! Totdat mijn einde komt, zal ik niet afwijken van mijne vroomheid. G Yan mijne gerechtigheid, welke ik heb, zal ik niet aflaten; miju geweten verwijt mij niets uit mijn ge-heele leven. |
7 Maar mijn vijand zal een goddelooze bevonden worden; en die zich tegen mij opmaakt, een ondeugende. 8 Want wat is de hoop des huichelaars, die zoo gierig is, en wiens ziel God echter wegrukt? 9 Meent gij dat God zijn roepen hoeren zal als de doodsangst hem overvalt? 10 Hoe kan hij aan den Almachtige lust hebben, en God te eeniger tijd aanroepen? 11 Ik zal u leeren omtrent Gods doen; en wat bij den Almachtige geldt, zal ik niet verbergen. 12 Zie, gij houdt u allen voor kloek: waarom spreekt gij dan zulke onnutte dingen? 13 Dit is het lot van den goddeloozen mensch bij God, en het erfdeel der tirannen, hetwelk zij van den Almachtige ontvangen zullen; 14 indien hij vele kinderen zal hebben, zoo zullen zij voor het zwaard zijn; en zijne nakomelingen zullen van brood niet verzadigd worden; 15 zijne overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijue weduwen |
|
iou zullen hein niet beweenen; , 16 al brengt hij geld tezamen als stoi', en vergadert kleederen als leem, 17 zoo zal liij ze wel ge-Teednuiken, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken. ën de onschuldige zal het geld uitdeelen; 18 hij bouwt zijn Irnis als ecne mot, en gelijk een hoeder eene schuilhut ver-Vaardigt. 19 De rijke, als hij zich nederlegt, zal het niet me-denemen; hij zal zijne oogen opendoen en er zal niets zijn. 20 Verschrikking zal hem overvallen als water; bij nacht zal het onweder hem wegnemen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren dat hij heenvaart, en onstuimigheid zal hem van zijne plaats drijven. 22 Hij zal dat over licni brengen, en zal hem niet verschooncn; het zal alles uit zijne handen ontvlieden. 23 Men zal over hem in de handen klappen, en hem uitfluiten waar hij geweest is. HOOFDSTUK 28. 1 Het zilver heeft zijne mijnaderen, en het goud dat men smelt heeft zijne plaats; |
3 hot ijzer neemt men uit de aarde, en uit de steeuen smelt ineu koper. 3 xVan het duister is een einde, en men vindt ten laatste het gesteente diep verborgen. 4 Er breekt zulk eene beek uit, dat degenen die er rondom wonen den weg derwaarls verliezen; en zij-valt weder en schiet weg van de lieden. 5 Men brengt ook vuur onder uit de aarde, waar nochtans spijs bovenop wast. G Men vindt saffier aan eenige plaatsen, en aardklompen waar goud in is: 7 welk pad geen vogel gekend en geens gieren oog gezien heeft; 8 de stoutmoedige jonge dieren hebben daarop niet getreden, en geen leeuw heeft daarop gegaan. 9 Ook slaat men de hand aan de steenrotsen, en men graaft de bergen om. 10 Men houwt beken uit de steenrotsen, en het oog ziet alwat kostelijk is. 11 Men weert den stroom des waters, en brengt het verborgenste aan het licht. 12 Maar waar zal men de wijsheid vinden, en waar is de plaats des verstands? 13 Niemand weet waar zij ligt, en zij wordt niet JOB '28. |
JOB 29.
1015
|
gevonden in liet land der levenden. It Do afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15 Men kan geen goud voor haar geven, nocli zilver toe wegen om haar te betalen. 1G Otirs goud is haar niet gelijk, noch kostelijke sar-dpnyx en saffier. quot;17 Goud en diamant kan met haar niet vergeleken worden, en voor haar kan men geen gouden kleinood geven. 18 Ramotli en gabisch acht men niet; de wijsheid is hooger te waardeeren dan paarlen. lü De topaas uit Moo-renland evenaart haar niet, en het fijnste goud is haar niet gelijk te schatten. 20 Vanwaar komt dan de wijsheid, en waar toch is de plaats des verstands? 21 Zij is verholen voor de oogen aller levenden, ook verborgen voor de vogels onder den hemel. 23 De afgrond en do dood zeggen: Wij hebben met onze ooren sleclits haar gerucht geboord. 23 God weet den weg daarheen en kent hare plaats; |
2'! want bij ziet de einden der aarde, en aanschouwt alwat onder den hemel is-25 Toen hij den wind zijn gewicht bepaalde, en aan het water zijne vaste maat stelde; 20 toen hij- den regen een perk voorschreef, en den bliksem en donder een weg, 27 toen zag hij haar en ontvouwde ze, bereidde haaien doorzocht ze ook. 28 En tot den mensch heeft hij gezegd: Zie, de vreeze des Heeren is wijsheid, en het kwaad tc mijden is verstand. HOOFDSTUK 29. 1 En Job hief nog eens zijne spreuk op en zeide: 2 Och dat ik ware gelijk in de vorige maanden, in de dagen toen God mij behoedde ! 3 toen zijne lamp boven mijn hoofd scheen, en ik bij zijn licht in de duisternis ging; 4 zooals ik was ten tijde mijner jonkheid, toen Gods boezemvriendschap over mijne hut was; 5 toen de Almachtige nog met mij was, en mijne kinderen rondom mij; 6 toen ik mijne treden wiesch in vette melk, en de steenrotsen mij oliobe-ken uitgoten; 7 toen ik uitging naar de |
JOB 30.
1016
|
poort in de stad, en mij mijnen stoel liet bereiden op de markt; 8 toen de jongelieden mij zagen en wegscholen, en de ouden voor mij opstonden; 9 toen de oversten ophielden met spreken, en hunne hand op hunnen mond leiden; 10 toen de stem der vorsten zich verborg, en hunne tong aan hun gehevnelte kleefde. 11 Wiens oor mij hoorde, die prees mij gelukkig; en wiens oog mij zag, die roemde mij. 12 Want ik bevrijdde den arme die riep, en den wees die geen helper had; 13 de zegen desgenen die tegronde dreigde te gaan kwam op mij, en ik verblijdde het hart der weduw; 14 gerechtigheid was mijn kleed, hetwelk ik aantrok als een rok, en rechtvaardigheid was mijn hoofdsieraad; 15 ik was het oog des blinden en de voeten des lammen; 16 ik was een vader der armen, en de zaak die ik niet kende onderzocht ik ; 17 ik verbrak het gebit des onrechtvaardigen, en rukte den roof uit zijne tanden. |
18 Ik dacht: Ik zal met mijn nest sterven, en mijne dagen veel maken als zand. 19 Mijn zaad ging op aan het water, en de dauw bleef over mijnen oogst; 30 mijne heerlijkheid vernieuwde zich altoos aan mij, en mijn boog verbeterde zich in mijne hand. 21 Men hoorde toe en zweeg, en wachtte tot ik mijnen raad gegeven had; 22 na mijne woorden sprak niemand meer, en mijne rede droop op hen. 23 Zij wachtten op mij als op den regen, en openden hunnen mond als naar den avondregen. 24 Als ik met hen lachte, zoo werden zij niet overmoedig ; en het licht mijns aangezichts maakte mij niet geringer. 25 Als ik hunnen omgang-verkoos, dan moest ik bovenaan zitten; en ik woonde als een koning onder de krijgsknechten, als iemand die treurenden vertroost. HOOFDSTUK 30 1 Maar nu spotten met mij wie jonger zijn dan ik ben, wier vaders ik versmaad zou hebben om bij de honden mijner kudde te stellen; 2 wier vermogen mij niets |
JOB 30.
1017
|
kon baten, hetwelk reeds vergaan was van ouderdom; 3 die van honger en kommer eenzaam vloden naar de woestijn, onlangs verdorven en ellendig geworden zijn; 4 die netels ui tpluk ten rondom de bosschen, en bremwortel was hunne spijs; 5 en als zij die uittrokken, juichten zij daarover als een dief. 6 In schrikvolle dalen woonden zij, in de holen der aarde en der steenkloven; 7 tusschen de bosschen riepen zij, en onder de distels vergaderden zij zich — 8 de kinderen der roeke-looze en verachte lieden, die de geringsten in het land waren. 9 Maar nu ben ik hun snarenspel geworden, en moet hun schimpwoord zijn; 10 zij hebben een afschuw van mij, en vlieden verre van mij, en ontzien zich niet voor mijn aangezicht te spuwen. 11 Zij hebben mijne zeelen losgemaakt en mij verdrukt, en mijnen toom weggeworpen. 13 Ter rechterhand terwijl ik bloeide, hebben zij zich tegen mij verzet, en hebben mijnen voet uitgestooten, en hebben over mij een weg gemaakt om mij te verderven. |
13 Zij hebben mijne paden gebroken; het was hun zoo licht mij te beschadigen, dat zij geen hulp daartoe noodig hadden. 14 Zij zijn hier ingekomen als door eene wijde scheur, en zijn zonder orde aangevallen. 15 Yersohrikking heeft zich tegen mij gekeerd, en heeft mijne heerlijkheid vervolgd als de wind, en als eene loopende wolk mijnen gelukzaligen staat. 16 Maar nu giet mijne ziel zich over mij uit, en de tijd der ellende heeft mij aangegrepen. 17 Des nachts wordt mijn gebeente overal doorboord; en die mij jagen, leggen zich niet te slapen. 18 Door overmaat van geweld wordt mijn kleed telkens veranderd; en waarmede ik omgord ben, hangt als de wijdte mijns roks om mij heen. 19 Men heeft mij in het slijk getreden, en gelijk geacht aan stof en asch. 30 -Roep ik angstig tot u, zoo antwoordt gij mij niet; treed ik voor, zoo geeft gij geen acht op mij. 21 Gij zijt jegens mij veranderd in eenen wreede, |
.TOB 31.
1018
|
en bewijst uwe gramschap aan mij met de sterkte uwer hand. 23 Gij heft mij op, en laat mij op den wind daarheen varen, en versmelt mij krachtiglijk. 23 Want ik weet dat gij mij aan den dood zult overleveren ; daar is het bestemde huis aller levenden. 24 Nochtans zal hij zijne hand niet uitstrekken tot het beenderenhuis; en zij zullen niet kermen in zijne verdrukking. 25 Ik weende immers in den harden tijd, en mijne ziel jammerde over de armen. 26 Ik verwachtte het goede, en het kwade komt; ik hoopte op het licht, en de duisternis komt. 27 Mijne ingewanden koken en hebben geen rust; de tijd der ellende heeft mij overvallen. 28 Ik ga zwart daarheen, en nochtans niet verbrand van de zon; ik sta op in de gemeente, en schreeuw het uit. 29 Ik ben een broeder dei-slangen en een metgezel der struisvogels geworden. 30 Mijne huid is over mij zwart geworden, en mijn gebeente is verdord van hitte. |
31 Mijne harp is mij eene klacht geworden, en mijne fluit eene stem des weenens. HOOFDSTUK 31. 1 Ik heb een verbond gemaakt met mijne oogen, dat ik geen acht zou geven op eene maagd. 2 Maar wat geeft God mij van boven ten loon, en welk erf de Almachtige uit de hoogte ? 3 Zou niet billijker de onrechtvaardige zulk ongeluk hebben , en een kwaaddoener zoo verstooten worden? 4 Ziet hij niet mijne wegen, en telt hij niet al mijne treden? 3 Heb ik gewandeld in ijdellieid, of heeft mijn voet zich gehaast tot bedrog, — G zoo wege men mij op eene rechte weegschaal, dan zal God mijne vroomheid erkennen. 7 Zijn mijne gangen ooit geweken van den weg, en heeft mijn hart mijne oogen nagevolgd, of iets aan mijne handen gekleefd, —■ 8 zoo moge ik zaaien, en een ander ete het; en mijn geslacht moge uitgeroeid worden. 9 Heeft mijn hart zich laten verlokken tot eene |
JOTi 31.
1019
|
vrouw, en hel) ik aan mijns naasten deur geloerd, — 10 zoo moge mijno huisvrouw door een ander ge-sehonden worden, en anderen mogen haar beslapen. 11 Want dit is eene schanddaad, en een misdrijf voor de rechters. 12 Ja dit zou een vuur zijn, dat tot hot verderf'toe verteren en al mijne inkomsten uitroeien zou. 13 Heb ik liet recht mijns knechts of mijner dienstmaagd veracht, als nij eene zaak tegen mij hadden, 14 wat zou ik dan doen als God zich opmaakte, en wat zou ik antwoorden als hij strafte? 13 Heeft dio ook hem niet gemaakt, die mij in den moedersclioot vormde, en heelt hij hem inliet lichaam niet evenzoo bereid? 10 Heb ik den nooddruf-tigen hunne begeerte ontzegd, en de oogen der weduwe laten versmachten, 17 of heb ik mijne bete alléén gegeten, en heeft de wees niet óók daarvan gegeten ? 15 quot;Want ik heb mij van der jeugd af gedragen als een vader, en van den moederschoot af heb ik gaarne getroost. |
1!) Heb ik iemand zien omkqmeri ómdat hij geert kleed had, en den arme zonder bedekking laten gaan;—- 20 hebben zijne lendenen mij niet gezegend toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd wertl; — 21 heb ik mijne hand tegen den wees opgeheven, dewijl ik zag dat ik helpers had in de poort, — 22 zoo valle mijn schouder van het schouderbeen, en mijn arm breke van de pijp af. 23 Neen, ik vreesde God gelijk een ongeval over mij, en ik kon zijnen last niet verdragen. 21 Heb ik het goud tot mijn toeverlaat gesteld, en tot den goudklomp gezegd; Mijn troost? 23 Heb ik mij verblijd omdat ik veel goederen had, en mijne hand allerlei had verworven? 2ü Heb ik de zon aangezien als zij helder scheen, en de maan als zij vol daarheen trad? 27 Heeft mijn hart zich heimelijk laten overreden, en heeft mijne hand mijnen mond gekust? 28 hetwelk óók eene misdaad is voor de rechters, want daarmede zou ik God daarboven verzaakt hebben. 29 Heb ik mij verblijd als |
JOB 32.
1020
|
het mijnen vijand kwalijk ging, en heb ik mij verheven als hem ongeluk trof? 30 Want ik liet mijnen mond niet zondigen, om door een vloek zijn leven te begeeren. 81 Hebben dc mannen in mijne hut niet moeten zeggen: O wilde God dat wij van zijn vleesch niet verzadigd wierden! 32 De gast moest er niet buiten blijven; mijne deur deed ik den reizende open. 33 Heb ik mijne schuld naar mensohenwijze bedekt, dat ik heimelijk mijne misdaad verborg? 34 Heb ik gevreesd voor de groote menigte, en heeft de verachting der maagschappen mij afgeschrikt? Ik bleef stil en ging de deur niet uit. 35 Wie geeft mij een verhoorder? Dat de Almachtige mijne begeerte verhoorde! Dat iemand een boek schreve over mijne zaak! 36 Zoo zou ik het op mijne schouders nemen, en het als eene kroon op mijn hoofdhulsel binden. 37 Ik zou hét getal mijner treden aantoonen, en als een vorst zou ik tot hem naderen. 38 Zal mijn land tegen mij schreeuwen, en zullen zijne voren met elkander weenen ? |
39 Heb ik zijne vruchten onbetaald gegeten, en het leven den akkerlieden zuur gemaakt, — 40 zoo wassen mij distels voor tarwe op, en doornen voor gerst. —■ Hier eindigen de redenen van Job. HOOFDSTUK 32. 1 Toen hielden de drie mannen op Job te antwoorden, dewijl hij zich voor rechtvaardig hield. 2 Maar Elihu, de zoon van liarachecl van Buz, van het geslacht van Eam, werd toornig op Job, omdat hij zijne ziel meer rechtvaardigde dan God. 3 Ook werd hij toornig op zijne drie vrienden, omdat zij geen antwoord vonden en Job nochtans veroordeelden. 4 En Elihu had gewacht totdat zij met Job gesproken hadden, omdat zij ouder waren dan hij. 5 Daarom, toen hij zag dat er geen antwoord was in den mond der drie mannen, werd hij toornig. 6 En zoo antwoordde Elihu, de zoon van Bara-cheël van Buz, en sprak: Ik ben jong, en gijlieden |
JOB 33.
1031
|
zijt oud; daarom heb ik gescliroomd en gevreesd mijn gevoelen aan u te ontvouwen. 7 Ik dacht: Laat de jaren spreken, en laat de veelheid der dagen de wijsheid te kennen geven. 8 Maar voorwaar, de geest die in de menschen is, en de adem des Almachtigen, die maakt hen verstandig. 9 De bejaarden zijn niet altijd wijs, en de ouden verstaan niet wat recht is. 10 Daarom wil ik ook spreken ; hoort mij: ik zal mijn gevoelen óók ontvouwen. 11 Zie, ik heb gewacht totdat gijlieden gesproken hadt; ik heb uw verstand opgemerkt, totdat gij de rechte redenen troft, 12 en heb achtgegeven op ulieden; maar zie, er is niemand van u die Job bestraft, of op zijne redenen antwoordt. 13 Gij zult misschien zeggen : Wij hebben de wijsheid getroü'en; God heeft hem verstooten en anders niemand. 14 Die rede voldoet mij niet; ik wil hem niet naar uwe redenen antwoorden. 15 Ach, zij zijn versaagd, zij kunnen niet meer antwoorden, zij kunnen niet meer spreken. |
16 Dewijl ik dan gewacht heb en zij niet konden spreken, want zij staan stil en antwoorden niet meer, 17 zoo wil ik toch óók mijn deel in het spreken hebben, en zal mijn gevoelen ontvouwen. 18 Want ik ben zoo vol van redenen, dat mij de adem in mijnen boezefn benauwt. 19 Zie, mijne borst is als most die toegestopt is, die de nieuwe vaten doet bersten. 30 Ik moet spreken, opdat ik lucht krijge; ik moet mijne lippen openen en antwoorden. 21 Ik wil niemands persoon aanzien, en zal geen mensch roemen; 33 want ik weet niet, zoo ik het deed, of mijn Schepper mij over een kleine wijle zou wegnemen. HOOFDSTUK 33. 1 Hoor toch. Job, mijne redenen, en geef acht op al mijne woorden. 3 Zie, ik doe mijnen mond open, en mijne tong-spreekt in mijnen mond. 3 Mijn hart zal recht spreken, en mijne lippen zullen het reine verstand uiten. 4 De Geest Gods heeft mij |
1032
|
gemaakt, on de adem des Alraaclitigen heeft mij liet leven gegeven. 5 Kunt gij, zoo wederleg mij; schik n tegen mij, en wapen u. 6 Tiie, ik ben Gods evenals gij, en van leem ben ik uok gemaakt. 7 Doch gij behoeft voor mij niet te verschrikken, en mijne hand zal u niet te zwaar zijn. 8 Gij hebt gesproken voor mijne ooren, de stem uwer redenen moest ik hooren: 9 Ik ben rein zonder misdaad , onschuldig en heb geen zonde. 10 Zie, hij heeft eene zaak togen mij gevonden, daarom houdt hij mij voor zijnen vijand: 11 hij heeft mijnen voet in den stok gelegd, hij heeft al mijne wegen bewaard. 12 Zie, juist daaruit besluit ik tegen u dat gij niet rechtvaardig zijt; want God is meer dan een mensch. 13 quot;Waarom wilt gij tegen hem twisten, omdat hij u geen rekenschap geeft van al zijn doen? 1-1 Want als God eenmaal iets besluit, zoo bedenkt hij het niet eerst daarna. |
15 In den droom des ge-zichts in den nacht, als de slaap op de lieden valt, als zij slapen op het bed, 10 dan opent hij het ooi-der lieden, en verschrikt en kastijdt zo; 17 opdat hij den mensch. van zijn voornemen afwende, en hem voor hoovaardij be-schorme, 18 en zijne ziel verschoon? van het verderf, en zijn loven, dat het niet in het zwaard valle. 19 Hij straft hem met smarten op zijn leger, en al zijn gebeente heftiglijk, 20 en richt hom zijn leven zóó toe dat hij van de spijs walgt, en zijne ziel dat zij geen lust tot eten heeft. 21 Zijn vleesch verdwijnt dat hot niet gezien kan worden, en zijne beenderen worden verslagen, dat men ze niet gaarne aanziet; 22 zoodat zijne ziel nadert tot het verderf, en zijn leven tot de dooden. 23 Is er dan bij hem ecu Engel, één uit duizend, een voorspraak, om den mensch te verkondigen dat hij zou recht doen, 21« zoo zal hij hem genadig zijn en zeggen: Hij zal verlost worden, opdat hij niet nederwaarts vare in het verderf; want ik heb eone verzoening gevonden. 25 Zijn vleesch groeit wc- |
JOB 34.
1023
|
der als in de jeugd, en hij zal weder jong worden. 26 Hij zal God bidden, die zal hem genade bewijzen, en zal zijn aangezicht laten zien met vreugde, en zal den menseh naar zijne gerechtigheid vergelden. 27 Hij zal voor de lieden bekennen en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, maar het heeft mij niet gebaat. 2S Hij heeft mijne ziel verlost, opdat zij niet in het verderf zou varen, maar dat mijn leven liet licht zou zien. 29 Zie, dit alles doet God twee- of driemaal met een ieder, 30 opdat hij zijne ziel wederhale uit het verderf, en hem verlichte met het licht der levenden. 31 Merk op, Job, en hoor naar mij; zwijg, opdat ik spreke. 32 Maar hebt gij wat te zeggen, zoo antwoord mij; zeg op, zijt gij rechtvaardig, ik wil het gaarne hooren. 83 Maar hebt gij niets, zoo hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leeren. HOOFDSTUK 34. -1 En Elihu antwoordde én sprak: |
2 Hoort, gij wijzen, mijne redenen, en gij verstandi-gen, geeft acht op mij. 3 Want het oor beproeft de redenen, en de mond proeft de spijs. 4 Laat ons een oordeel verkiezen, opdat wij onder ons erkennen wat goed is. 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God weigert mij mijn recht: 6 ik moet liegen hoewel ik recht heb, en ben gekweld van mijne pijlen hoewel ik het niet verdiend heb. 7 Wie is zulkeen als Job, die de spotternij indrinkt als water, 8 en op den weg gaat met de kwaaddoeners, en wandelt met de goddelooze lieden? 9 Want hij heeft gezegd; Al is iemand vroom, zoo geldt hij toch niets bij God. lü Derhalve hoort mij, gij wijze lieden. Het zij verre dat God zoude goddeloos zijn, en de Almachtige onrechtvaardig ; 11 maar hij vergeldt den mensoh naardat hij verdiend heeft, en treft een ieder naar zijn doen. 12 Buiten twijfel. God veroordeelt niemand ten onrechte , en de Almachtige buigt het recht niet. |
i
JOB
34.
1034
|
13 Wie heeft wat op de aarde is verordend, en wie heeft de geheele wereld geschikt? 14 Ware het dat hij zich tegen haar wilde stellen, zoo zou hij aller geest en adem tot zich vergaderen; 15 alle vleesch zou tegelijk vergaan, en de mensch zou weder asch worden. 16 Hebt gij nu verstand, zoo hoor, en geef acht op de stem mijner redenen. 17 Zou iemand het recht dwingen omdat hij het haat? en omdat gij trotsch zijt, zoudt gij daarom den rechtvaardige verdoemen? 18 Zou iemand tot den koning zeggen: Gij deugniet! en tot den vorst: Gij goddel ooze ? 19 die toch den persoon der vorsten niet aanziet, en den rijke niet meer kent dan den arme ; want zij zijn allen het werk zijner handen. 20 Schielijk moeten de lieden sterven, en te middernacht verschrikken en vergaan ; de machtigen worden weggenomen zonder geweld. 21 Want zijne oogen zien op ieders wegen, en hij ziet al hunne gangen: 22 er is geen duisternis noch donkerheid, waar de kwaaddoeners zich zouden kunnen verbergen. |
23 Daarom wordt het niemand toegestaan met God te richten. 24 Hij brengt velen der hoogmoedigen om, die niet te tellen zijn, en stelt anderen in hunne plaats. 25 Daarom dat hij hunne werken kent, en hij ze des nachts omkeert, daarom worden zij verslagen. | 26 Hij werpt de goddé-loozen overhoop, waar men het gaarne ziet; 27 omdat zij van hem afgeweken zijn, en geen van zijne wegen verstonden; 28 opdat het roepen der armen vóór hem kome, en hij het roepen der ellendigen hoore. , 29 Als hij vrede geeft, wie zal verdoemen? En als hij zijn aangezicht verbergt, . wie zal hem aanschouwen onder de volken en lieden? 1 30 Hij laat een huichelaar over hen regeeren, om het volk te verdrukken. 31 Ik moet voor God spreken en kan het niet laten. 32 Heb ik het niet getroffen , zoo leer gij het mij beter; heb ik niet recht gehandeld, ik zal het niet weder doen. 33 Men verwacht het antwoord van u, want gij verwerpt alles, en gij hebt het |
JOB 35.
1023
|
begonnen en ik niet. Weet gij nu wat, zoo zeg het. 34 Wijze lieden zullen spreken als ik, en een wijs man hoort naar mij. 35 Maar Job spreekt met onverstand, en zijne woorden zijn niet kloek. 36 Och dat Job beproefd worde tot het einde toe, omdat hij zich tot verkeerde lieden wendt. 37 Hij heeft boven zijne zonde ook nog gelasterd; over ons heeft hij in de handen geklapt , en tegen God veel gesproken. HOOFDSTUK 35. 1 En Elilm antwoordde en sprak: 3 Houdt gij dat voor recht wat gij gezegd hebt: Ik ben rechtvaardiger dan God? 3 Want gij zegt: Wie geldt iets bij u? Wat helpt het dat ik mij zonder zonde maak? — 4 Ik zal ii antwoord geven, en aan uwe vrienden met u. 5 Staar den hemel aan en zie, en aanschouw de wolken dat zij u te hoog zijn. 6 Is het dat gij zondigt, wat kunt gij tegen hem beginnen? En zijn uwe misdaden vele, wat kunt gij hem doen? 7 Zoo gij rechtvaardig zijt, wat kunt gij hem geven, of wat zal hij van uwe handen ontvangen? |
8 Een' mensch, gelijk gij zijt, mag uwe boosheid wel \schade] doen, en uwe gerechtigheid [bateri] aan een menschenkind. 9 Zij mogen kermen als hun veel geweld geschiedt, en klagen over den arm der grooten, 10 die niet vragen: Waar is God, mijn Schepper, die hot gezang maakt in den nacht; 11 die ons verstandiger maakt dan het vee op de aarde, en wijzer dan de vogelen onder den hemel? 12 Maar zij zullen daar ook jammeren over den hoogmoed dei boozen, en hij zal hen niet verhooren; 13 want God zal de ijdel-heid niet verhooren, en de Almachtige zal ze niet aanzien. 14 Daarop zegt gij: Gij zult hem niet zien, — doch er is een gericht voor hem, verbeid hem slechts; 15 ofschoon zijn toorn zoo spoedig niet bezoekt, en hij het zich niet aantrekt dat er zoovele ondeugden zijn. 16 Daarom heeft Job zijnen mond met onzin geopend, en hoogmoedige beuzelingen gesproken met onverstand. |
JOB 36.
1026
|
HOOrDSTUK 36. 1 Elilui sprak verder en zeide: 2 Verbeid mij nog een weinig, ik zal liet u aan^ toonen; want ik heb over God nog iets te zeggen. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en bewijzen dat mijn Schepper rechtvaardig is. 4 Mijne redenen zullen zonder twijfel niet valsch zijn, mijn gevoelen zal oprecht voor u zijn. 5 Zie, God verwerpt de machtigen niet; want hij is óók machtig in kracht des harten. 6 Den goddelooze ondersteunt hij niet, maar hij helpt den ellendige tot het recht. 7 Hij keert zijne oogen niet af van den rechtvaardige, en de koningen laat hij altoos op den troon zitten, opdat zij hoog blijven. 8 En zoo zij gevangen liggen in boeien, en ellendig gebonden met touwen, 9 dan verkondigt hij hun wat zij gedaan hebben, en hunne ondeugd dat zij met geweld gehandeld hebben. 10 Hij opent hun het ooi-voor de bestraffing, en zegt hun dat zij zich van het onrecht bekeeren zullen. |
11 Is het dat zij gehoorzaam zijn en hem dienen, zoo zullen zij bij goede dagen oud worden en met lust leven. 12 Maar is het dat zij niet gehoorzaam zijn, zoo zullen zij in het zwaard vallen en vergaan eer zij het gewaarworden. 13 Zoo ook de huichelaars, als de toorn hen treft; zij' roepen niet als zij gevangen liggen. 14 Zoo zal hunne ziel met kwelling sterven , en hun leven eindifjen zij] als schandvlekken. 15 Maar den ellendige zal hij uit zijne ellende redden, en den arme het oor openen in de droefenis. 10 Hij zal ook u rukken uit de wijde kaken van den angst die geen grond heeft; en uwe tafel zal rustig zijn, vol van alles goeds. 17 Maar gij maakt de zaak der goddeloozen goed, opdat hunne zaak en hun recht behouden worden. 18 Zie toe, of niet misschien de toorn u heeft bewogen om iemand te plagen; of een groot geschenk u niet \Jiet recht] heeft doen buigen. 19 Meent gij dat hij uw geweld acht, of goud, of eenige sterkte, of vermogen ? |
.1 OB 37.
1037
|
20 Gij behoeft den naeht niet te begeeren, waarin de Heden na elkander verdwijnen. 21 Wacht u en keer u niet tot het onrecht, gelijk gij van ellende begonnen hebt. 32 Zie, God is te hoog in zijne kracht; waar is een leeraar gelijk hij? ' 23 Wie zal boven hem zijnen weg bestrallen, en wie zal tot hem zeggen: Gij doet onrecht? 34 Gedenk hoe gij zijn werk verhieft, opdat ook andere lieden het prezen. 25 Want alle menschen zien het, de lieden aanschouwen hot van verre. 3G Zie, God is groot en onbekend; hot getal zijner jaren kan niemand doorgronden. 37 Hij maakt het water tot kleine druppels, en drijft zijne wolken tezamen tot den regen, 28 dat de wolken vloeien, en overvloedig druipen op de menschen. 39 Als hij voorneemt de wolken uittebreiden gelijk zijne hooge tent, 30 zie, zoo breidt hij er zijnen bliksem over uit, en bedekt alle einden der zee, 31 Daarmede verschrikt hij de lieden, en daarmede geeft hij spijs in overvloed. |
33 Hij bedekt den bliksem als met handen, en gebiedt hem dat hij toch wederkomt. 33 Daarvan getuigt zijn gezel, namelijk het geklater des donders in de wolken. HOOFDSTUK 37. 1 Daarover ontzet zich ook mijn hart en het beeft. 3 Hoort toch hoe zijn donder klatert, en welke taal uit zijnen mond gaat. 3 Hij ziet onder alle hemelen , en zijn bliksem schijnt op de einden der aarde. •l Daarna brult de donder, en hij dondert met zijn groot geluid; en als zijne stem gehoord wordt, vertraagt hij ze niet. 5 God dondert met zijne stem wonderbaar; hij doet groote dingen, en wij begrijpen ze niet. 0 Spreekt hij tot de sneeuw, zoo is zij weldra op de aarde; en tot den plasregen, zoo is er de plasregen met macht. 7 Allo menschen heeft hij in de hand als besloten, opdat dc lieden leeren wat hij doen kan. 8 Het wild gedierte gaat in de holen, en blijft in zijne plaats. il Uit het zuiden komt iiet |
.TOB 38.
1038
|
omveder, en uit het noorden de koude. 10 Van den adem Gods komt de vorst, en groote wateren komen als hij ze ontdooien laat. 11 De dikke wolken scheiden zich dat het helder wordt, en door den nevel breekt zijn licht. 12 Hij wendt de wolken waarheen hij wil, opdat zij doen alwat hij hiiar gebiedt op den aardbodem; 13 hetzij over een geslacht of over een land, zoo men hem barmhartig vindt. 14 Geef acht daarop, o Job; sta stil en verneem de wonderen Gods. 15 Weet gij hoe God ze beschikt, en hoe hij het licht zijner wolken doet schitteren? 1G Weet gij hoe de wolken zich verstrooien, de wonderen van hem die volkomen is in wetenschap? 17 dal uwe kleederen warm zijn, als het land stil is van den zuidenwind? 18 Hebt gij met hem de wolken uitgebreid, die vaststaan als een gegoten spiegel? 19 Onderricht ons wat wij hem zeggen zullen; want wij zullen het niet bereiken ramvege de duisternis. |
20 Wie zal hem vertellen wat ik spreek? Zoo iemand spreekt, die wordt verslonden. 21 Nu ziet men het licht niet dat in de wolken helder schijnt, maar als de wind waait zoo wordt liet klaar. 22 Van hot noorden komt het goud, tot lof van den vreeselijken God. 23 Maar den Almachtige kunnen zij niet begrijpen, die zoogroot is van kracht; want hij zal van zijn recht en van zijne goede zaak geen rekenschap geven. 24 Daarom moeten de lieden hem vreezen; en hij vreest voor niemand, hoe wijs zij ook zijn. HOOFDSTUK 38. 1 Toen antwoordde de Heer Job uit een onweder en zeide: 2 Wie is hij die daar faalt in de wijsheid, en zoo met onverstand spreekt? 3 Gord uwe lendenen als een man: ik wil u vragen — leer mij. 4 Waar waart gij toen ik de aarde heb gegrondvest? Zeg het mij, als gij zoo verstandig zijt. 5 Weet gij wie haar de maat gesteld heeft, of wie over haar liet meetsnoer getrokken heeft? ö .XJf waarop staan hare |
JOB 38.
1029
|
voetstukken gezonken, of wie lieeft haren hoeksteen gelegd, 7 toen mij de morgensterren tezamen loofden, en alle kinderen Gods juichten? 8 Wie heeft de deuren der zee toegesloten, toen zij uitbrak als uit den moederschoot , 9 toen ik haar met wolken bekleedde, en in donkerheid inwond als in windsels; 10 toen ik haren loop brak met mijnen dam, en hare grendels en deuren stelde, 11 en sprak: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, hier zullen uwe hoogmoedige baren zich leggen? 13 Hebt gij in uwen leeftijd ooit den morgen geboden , en den dageraad zijne plaats aangewezen, 13 dat hij de hoeken der aarde vatten zou, opdat de goddeloozen daaruit geschud wierden; 14 dat zij veranderd zou worden als leem door het ingedrukte zegel, en staan zou in feestgewaad? 15 En dat den goddeloozen hun licht ontnomen, en de arm der hoovaardigen verbroken wordt? 16 Zijt gij tot den grond der zee gekomen, en hebt gij in de diepte des afgronds gewandeld? |
17 Heb ben de poor ten des doods zich ooit voor u geopend, en hebt gij de poorten der duisternis gezien? 18 Hebt gij vernomen hoe breed de aarde is? Zeg op, weet gij dit alles? 19 Welke is de weg naaide plaats waar het licht woont, en waar is het verblijf der duisternis — 20 dat gij hunnen grenspaal zoudt waarnemen, en opmerken de paden naar hun huis? 21 Wist gij dat gij op dien tijd zoudt geboren worden, en hoevele uwe dagen zijn zouden? 22 Zijt gij gekomen tot waar de sneeuw vandaan komt, en hebt gij gezien vanwaar de hagel komt, 23 dien ik ophoud voor den tijd der droefenis, en voor den dag van strijd en krijg? 2-11 Langs welken weg verdeelt zich het licht, en komt de oostenwind op over de aarde? 25 Wie heeft voor den plasregen een waterloop uitgegraven , en voor den bliksem en donder een weg, '2C dat het regent op het land waar niemand is, in de woestijn waargeen mensch is; 27 opdat hij de woestijn eii de wildernis vervulle, |
JOB 39.
1030
|
on liet gras doe uitspruiten ? 38 Wie is de vader van den regen , of wie lieeft de druppelen des dauws gebaard? 29 Uit wiens lijf is liet ijs gegaan, en wie heeft den rijm onder den hemel gebaard , 30 dat het water verborgen worde als onder steenen, en de oppervlakte der diepte bevrieze? 31 Kimt gij de banden van het Zevengesternte samenbinden, of de strikken des Orions losmaken? 33 Kunt gij de Morgenster tevoorschijnbrengen op haren tijd, en den Wagen met zijne kinderen voeren? 33 Weet gij hoe de hemel te regeeren is, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde vaststellen? 34 Kunt gij uwe stem in de wolken hoog opvoeren, dat de menigte des waters u bedekke ? 35 Kunt gij de bliksems uitlaten, dat zij heen varen en zeggen: Hier zijn wij? 36 Wie geeft do wijsheid in het verborgen ? Wie geeft verstandige gedachten? 37 Wie is zoo wijs dat hij dc wolken zou kunnen tellen? Wie kan de water-flesschen des hemels toestoppen , 38 als het stof begoten wordt dat het tezamenloopt, en de kluiten aan elkander kleven ? |
HOOFDSTUK 39. 1 Kunt gij voor de leeuwin hare prooi jagen, en do jonge leeuwen verzadigen, 3 dat zij zich nederleggen in hun leger, en rusten in het hol waar zij loeren? 3 Wie bereidt voor de raaf haar aas, als hare jongen tot God roepen, en dwalend vliegen als zij niet te eten hebben? 4 Weet gij den lijd wanneer de stcengeiten baren, en hebt gij gemerkt wanneer de hinden zwanger gaan? 5 Hebt gij geteld hare maanden wanneer zij vol worden, en weet gij den tijd wanneer zij baren? 6 Zij buigen zich als zij baren, en scheuren, en laten hare jongen uit. 7 Hare jongen worden vet, en groeien in liet koren, en gaan uit en komen niet weder tot haar. 8 Wie heeft den woudezel zoo vrij laten gaan, wie heeft de banden des wilden ezels losgemaakt, 9 dien ik het veld gaf tot een huis, en de woestijn tot eene woning? 10 Hij belacht het gewoel |
JOB
39.
1031
|
der stad, liet geroep des drijvers lioort liij niet. 11 Hij ziet naar de bergen waar zijne weide is, en zoekt waar het groen is. 12 Meent gij dat de eenhoorn ii zal dienen, en blijven zal aan uwe kribbe? 13 Kunt gij hem uw juk aanknoopen om de voren te maken? Zal hij achter n ploegen in de valleien? 11 Moogt gij u op hem verlaten daar hij zoo sterk is, en zult gij hem voor u laten arbeiden t 15 Moogt gij op hem betrouwen, dat hij uw zaad zal wederbrengen en in uwe schuur vergaderen? 16 De vederen der pauwen zijn schooner dan de vleugels eu vederen van den struisvogel, 17 die zijne eieren op de aarde verlaat en door de heete aarde laat uitbroeden: 18 hij vergeet dat zij kunnen vertreden worden, en dat een wild dier ze kan verbreken. 19 Hij wordt zoo hard tegen zijne jongen, alsof zij de zijne niet waren; hij acht het niet dat hij tevergeefs arbeidt. 20 Want God heeft hem de wijsheid onthouden, en heeft hem geen verstand medegedeeld. |
21 Ten tijde als hij opvliegt, verheft hij zich, en belacht beide paard en man. 22 Kunt gij het paard krachten geven, of met manen zijnen hals versieren? 23 Kunt gij het verschrikken als de sprinkhanen? Het gesnuif van zijn neus is verschrikkelijk. 31 Het stampt op de aarde en is moedig met kracht, en trekt uit den geharnaste tegemoet. 23 Het bespot de vrees en verschrikt niet, en vliedt niet voor het zwaard, 2G al klinkt ook de pijlkoker tegen hem, en glinstert spies en lans. 27 Het trilt en woedt en trappelt op den grond, en acht het geluid der trompet niet. 28 Als de trompet sterk klinkt, zoo hinnikt het: Hui! en ruikt den strijd van verre, het geschreeuw der vorsten en het gejuich. 29 Is het naar uw overleg dat de havik vliegt, en zijne vleugels uitspreidt tegen het zuiden? 30 Vliegt de arend op uw bevel zoohoog, dat hij zijn nest in de hoogte maakt? 31 In de steenrotsen woont hij, en blijft op de toppen, van de steenrotsen en in vaste plaatsen. |
JOE 40.
1032
|
33 Vandaar spoort hij zijne spijs op, en zijne oogen zien uit de verte. 33 Zijne jongen slorpen bloed; en waar een aas is, daar is hij. — 34 En de Heer antwoordde Job en sprak: 35 Wie met den Almachtige twisten wil, moest die hem niet overtuigen ? En wie God berispt, moet die het niet verantwoorden?— 36 Toen antwoordde Job den Heer en zeide; 37 Zie, ik ben te lichtvaardig geweest: wat zal ik antwoorden? Ik zal mijne hand op mijnen mond leggen. 38 Ik heb éénmaal gesproken, daarom wil ik niet meer antwoorden; nadezen zal ik het niet weder doen. HOOFDSTUK 40. 1 En de Heer antwoordde Job verder uit een onweder en sprak: 3 Gord uwe lendenen als een man: ik zal u vragen — leer mij. 3 Zoudt gij mijn oordeel tenietdoen en mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zoudt zijn? 4 Hebt gij een arm als God, en kunt gij meteene gelijke stem donderen als hij? |
5 Tersier u met pracht en verhef u, bekleed u prachtig en heerlijk. 6 Strooi den toorn uwer grimmigheid uit; aanschouw de hoogmoedigen waar zij zijn, en verootmoedig hen. 7 Ja aanschouw de hoogmoedigen waar zij zijn, en buig hen, en verdelg de goddeloozen waar zij zijn. 8 Verberg hen tezamen in de aarde, en omwind hunne pracht in het verborgen. 9 Zoo zal ik u óók prijzen, dat uwe rechterhand u helpen kan. 10 Zie, de behemoth, dien ik nevens u gemaakt heb, eet gras als een rund. 11 Zie, zijne kracht is in zijne lendenen, en zijn vermogen in de spieren zijns buiks. 13 Zijn staart strekt zich uit als een ceder, de aderen zijner schaamte zijn als gevlochten takken. 13 Zijne beenderen zijn als vast koper, zijne schonken zijn als ijzeren staven. 14 Hij is het eerste der werken Gods; die hem gemaakt heeft, die heeft hem ook zijn zwaard gegeven. 13 De bergen geven hem kruiden, waar al het wild gedierte dartelt. 16 Hij ligt gaarne in de schaduw, in het riet en in het slijk verborgen. |
JOB
-11.
1033
|
17 Het bosschage bedekt hem met zijne schaduw, en de wilgen der beek omringen hem. 18 Zie, hij slikt den stroom in en acht het niet groot; hem dunkt dat hij den .)or-daan zal verzwelgen met zijnen mond. 19 Nochtans vangt men hem voor zijne eigene oo-gen, en door valstrikken doorboort men hem den neus. 20 Kunt gij den leviathan optrekken met den visch-haak, en zijne tong met een strik vatten? 31 Kunt gij hem een haak in den neus slaan, en met eene lans hem de kaken doorboren? 23 Meent gij dat hij u veel smeeken zal of u vleien? S3 Meent gij dat hij een verbond met u zal maken, dat gij hem altoos tot een knecht zoudt mogen hebben? 34 Kunt gij met hem spelen als met een vogel, of hem binden tot spel uwer jongedochters? 35 Meent gij dat de metgezellen hem in stukken zullen snijden, opdat hij onder de kooplieden verdeeld worde? 26 Kunt gij het net vullen met zijne huid, en vischkorven met zijn hoofd? |
27 Als gij uwe hand aan hem slaat, zoo denk dat het een strijd is dien gij niet zult uitvoeren. 28 Zie, de hoop omtrent hem zal missen; en als hij iemand in het gezicht krijgt, dan schiet hij heen. HOOFDSTUK 41. 1 Niemand is zoo stout die hem durft tergen, — wie is het dan die voor mij zou kunnen bestaan? 3 Wie heeft mij tevoren iets gedaan, dat ik het hem vergelde? Het is het mijne wat onder alle hemelen is. 3 Daarenboven moet ik nu zeggen hoe groot, hoe machtig en welgeschapen hij is. 4 Wie kan zijn kleed ontdekken? En wie durft het wagen hom tusschen de tanden te grijpen? 3 Wie kan de kinnebakken zijns aangezichts opendoen ? Verschrikkelijk staan zijne tanden rondom. G Zijne trotsche schubben zijn als vaste schilden, vast en nauw in elkander gesloten. 7 De céne raakt aan de andere, dat geen wind er tusschen kan komen. 8 Do ééne is gehecht aan de andere, en zij houden |
JOB
1034
42,
|
zicli samen en zijn onscheidbaar. 9 Zijn niezen glinstert als een licht; zijne oogen zijn als de oogleden des dage-raads. 10 Uit zijnen mond komen fiikkels, en vurige vonken schieten er uit. 11 Uit zijnen neus gaat rook als van heete potten en ketels. 13 Zijn adem is als eene brandende kool, en uit zijnen mond gaan vlammen. 13 Hij heeft een sterken hals; en het is zijn lust als hij iets verderft. 14 De ledematen van zijn vleesch hangen aan elkander, en houden vast aan hem, dat hij niet vervallen kan. 15 Zijn hart is zoo hard als een steen, en vast als een stuk van den ondersten molensteen. 16 Als hij zich verheft, dan ontzetten zich de sterken; en als hij doorbreekt, dan is er geen genade. 17 Als men hem raakt met het zwaard, dan roert hij zich niet; of met de lans, speer of spies. 18 Hij acht ijzer als stroo, en koper als verrot hout. 19 Geen pijl zal hem verjagen , de slingersteenen zijn hem als stoppels. |
30 Den hamer acht hij als stoppels, en hij spot met het drillen der lans. 31 Onder hem liggen scherpe steenen; en hij schiet over de scherpe klippen heen als over slijk. 33 Hij maakt dat de diepe zee ziedt als een pot, en hij roert het door elkander gelijk men zalf mengt. 33 Hij maakt den weg-achter zich als een licht, hij maakt de diepte geheel grijs. 34 Op het land is niets met hem te vergelijken; hij is gemaakt om zonder vrees te zijn. 35 Hij veracht al wat hoog is, hij is een koning over alle trotsche dieren. HOOFDSTUK 42. 1 Toon antwoordde Job den Heer en sprak: 3 Ik erken dat gij alles vermoogt, en geen gedachte is u verborgen. 3 Hij is een onbesuisd man, die zijnen raad meent te verbergen; daarom beken ik dat ik onverstandig gesproken heb, hetgeen mij te hoog is en ik niet versta. 4 Hoor toch nu, zoo zal ik spreken; ik zal u vragen, leer mij. 5 Ik heb u met de ooren gehoord, en nu ziet u ook mijn oog. C Daarom beschuldig ik |
JOB 43.
1035
|
mij, cn doe boete in stof en aseli. — 7 Toen nu de Heer doze woorden tot Jol) gesproken had, zeide liij tot Elifaz van Teman: Mijn toorn is ontstoken tegen u en uwe • 1 •• twee vrienden, want gijlieden liebt niet recht van mij gesproken gelijk mijn knecht Jolj. 8 Neemt dan nu zeven varren en zeven rammen, en gaat heen tot mijnen knecht Job, en offert brandoffers voor ulieden, en laat mijn knecht Job voor u bidden, want hem wil ik aanzien, opdat ik li niet doe zien dat g\j dwaasheid begaan hebt; want gij hebt niet recht van mij gesproken gelijk mijn knecht Job. — 9 Toen gingen Elifaz van Teman, Bildad van Suah en Zofar van Naama heen, en deden gelijk do Heer hun gezegd had; en de Heer zag .lob aan. 1U En de Heer wendde de gevangenschap van Job, toen hij gebeden had voor zijne vrienden, en do Heer gaf hem dubbel zooveel als hij gehad had. |
11 En al zijne broeders en al zijne zusters, en allen die hem tevoren gekend hadden, kwamen töt hem en aten met hom in zijn huis, en zij keerden zicli tot hem, en troostten hem over al het kwaad dat de Heer over hem had laten komen, en elk gaf hem een stuk geld en een gouden voorhoofdband. 12 En de Heer zegende Job daarna meer dan tevoren, zoodat hij kreeg veer-tienduizend schapen en zesduizend kameelen en duizend juk runderen cn duizend ezelinnen. 13 En hij kreeg zeven zonen en drie dochters, li en noemde de eerste Jemima, de tweede Kezia en de derde Kerenhappuch. 15 En er werden zulke schoone vrouwen als de dochters van Job niet gevonden in het geheele land, en haar vader gaf haar een erfdeel onder hare broeders. 16 En Job leefde nadezen honderd en veertig jaar, en hij zag kinderen en kindskinderen tot in hot vierde geslacht. 17 En Job stierf oud en verzadigd van leven. |
1036
HET BOEK DER
PSALMEN.
|
PSALM 1. 1 Welgelukzalig is hij die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch treedt op den weg der zondaren, noch zit waar de spotters zitten, 2 maar zijnen lust heeft in de wet des Heeren, en van zijne wet spreekt dag en nacht. 3 Hij is gelijk een boom, geplant aan waterbeken, welke zijne vrucht brengt op zijnen tijd, en welks bladeren niet verwelken; want alwat hij doet gelukt hem. 4 Doch zóu zijn de goddeloozen niet, maar als kaf hetwelk de wind verstrooit. 5 Daarom bestaan de goddeloozen niet in het gericht, noch de zondaars in do gemeente der rechtvaardigen; 6 want de Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen leidt ten verderve. |
PSALM 2. 1 Wat razen de volken, en hoe spreken de lieden zoo lichtvaardig? 2 De koningen in het land staan op, en de vorston beraadslagen met elkander — tegen den Heer en tegen zijnen gezalfde, {zer/yendé]: 3 Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. 4 Maar hij die in den hemel woont belacht hen, de Heer bespot hen. 5 Dan spreekt hij tot hen in zijnen toorn, en verschrikt hen in zijne grimmigheid: 6 Ik, ik heb mijnen koning gesteld over Sion, mijnen heiligen berg. 7 Ik wil van zulk eene wijze prediken, dat de Heer tot mij gezegd heeft: Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u verwekt. 8 Eisch van mij, zoo zal ik u de volken tot een erfdeel geven, en de einden der aarde tot een eigendom. 0 Gij zult hen met een |
PSALM 3, 4,.
1037
|
ijzeren scliepter verslaan, als potten zult gij ze in stukken smijten. 10 Zoo laat u nu onderwijzen, gij koningen, en laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. 11 Dient den Heer met vrees, en verheugt u met beving. 12 Kust den zoon, dat hij niet toornig worde en gij omkomet op den weg; want zijn toorn zal straks ontbranden. Maar welgelukzalig allen die op hem vertrouwen. PSALM 3. 1 Een psalm van David, toen hij gevloden was voor zijnen zoon Absalom. — 3 Ach Heer, hoevele zijn mijne vijanden, en hoevelen zijn tegen mij opgestaan! 3 Velen zeggen van mijne ziel: Zij heeft geen hulp bij God. Sela. 4 Maar gij Heer zijt een schild voor mij, die mij tot eer stelt en mijn hoofd opricht. 5 Ik roep met mijne stem den Heer aan, zoo verhoort hij mij van zijnen heiligen berg. Sela. 6 Ik lig en slaap, en ontwaak weder; want de Heer beschermt mij. |
7. Ik vrees niet voor vele honderdduizenden die zich rondom tegen mij legeren. 8 Sta op Heer, en help mij, mijn God; want gij slaat al mijne vijanden op de kinnebak, en verbreekt de tanden der goddeloozen. 9 Bij den Heer vindt men hulp, en uwen zegen over uw volk. Sela. PSALM 4. 1 Een psalm van David om te zingen op een snarentuig. — 2 Yerhoor mij als ik roep, God mijner rechtvaardiging. Gij die mij troost in angst, wees mij genadig en verhoor mijn gebed. 3 Gij groote heeren, hoelang zal mijne eer geschonden worden? Hoe hebt gij de ijdelheid zoo lief, en jaagt de leugen na! Sela. 4 Erkent toch dat de Heer zich een gunsteling heeft afgezonderd; de Heer hoort als ik hem aanroep. 5 Wordt gij toornig, zoo zondigt niet; spreekt met uw hart op uwe legerstede, en weest stil. Sela. 6 Offert gerechtigheid, en hoopt op den Heer. 7 Velen zeggen: Hoe zou deze ons onderwijzen wat goed is? Maar, Heer, verhef gij over ons het licht uws aangezichts. |
|
1038 PS AL] 8 Gij verheugt mijn hart, hoewel gene veel wijn en koren hebben. 9 Ik lig en slaap geheel in vrede; want Heer, gij alleen helpt mij dat ik veilig woon. PSALM 5. 1 Een psalm van David om ' voortezingen voor het erf. — 3 Heer, hoor mijn woord, geef acht op mijne rede. 3 Verneem mijn roepen, mijn koning en mijn God; want tot u zal ik bidden. 4 Heer, wil toch vroeg mijne stem hooren; vroeg zal ik mij tot u schikken en naar u uitzien. 5 Want gij zijt geen God wien goddeloosheid behaagt; wie boos is blijft niet voor u; 6 de roemgierigen bestaan niet voor uwe .oogen, gij zijt een vijand van alle kwaaddoeners; 7 gij brengt de leugenaars om, de Heer heeft een afschuw van de bloedgierigen eu valsehen. 8 Maar ik zal in uw huis gaan door uwe groote goedertierenheid , en aanbidden voor uwen heiligen tempel in uwe vrees. 9 Heer, leid mij in uwe gerechtigheid, om mijner |
I 5, G. vijanden wil; richt uwen weg voor mijn aangezicht. 10 Want in hunnen mond is geen oprechtheid, hun biiinensto is verderf, hunne keel is een open graf , met hunne tongen vleien zij. 11 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vallen uit hunne raadslagen; stoot hen uit om hunne groote over^ tredingen, want zij zijn wrc-derspannig tegen u. 12 Laat allen die op u betrouwen zich verblijden; laat hen roemen eeuwiglijk, want gij beschermt hen; laat in u vroolijk zijn wie uwen naam liefhebben. 13 Want gij Heer zegent de rechtvaardigen, gij kroont hen met genade als met een schild. PSALM 6. 1 Een psalm van David om voorlezingen op acht snaren. — 3 Ach Heer, straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niet in uwe verbolgenheid. 3 Heer, wees mij genadig, want ik ben zwak; heel mij Heer, want mijn gebeente is verschrikt, 4 en mijne ziel is zeer beangst; ach Heer, hoelang nog? 3 Keer u Heer, en red |
f
PSALM 7.
1039
|
mijne ziel; lielp mij om uwer quot;'oedertierenheid wil. 6 Want in den dood gedenkt men u niet; wie zal in het graf u danken? 7 Ik ben moede van zuchten ; ik doe mijn bed zwemmen den geheelen nacht, en maak mijne legerstede nat met mijne tranen. 8 Mijne gedaante is vervallen van treuren en oud geworden; want ik word overal benauwd. 9 Wijkt van mij, gij kwaaddoeners ; want de Heer hoort mijn weenen: 10 de Heer hoort mijn smeeken, mijn gebed neemt do Heer aan. 11 Al mijne vijanden moeten te schande worden en zeer verschrikken, zij moeten schielijk terugkeeren en te schande worden. PSALM 7. 1 Davids klacht, die hij den Heer toezong wegens de woorden van den Moor, den Benjaminiet. — 3 Op u, Heer mijn God, vertrouw ik: help mij tegen al mijne vervolgers en red mij; 3 opdat zij niet als leeuwen mijne ziel grijpen, en verscheuren terwijl er geen verlosser is. |
4 Heer mijn God, heb ik dat gedaan, en is er onrecht in mijne handen; 5 heb ik kwaad vergolden aan hem die vreedzaam met mij leefde, (ja ik bevrijdde hem die mij zonder oorzaak vijandig was) ■—■ 6 zoo vervolge mijn vijand mijne ziel en grijpe ze, en trede mijn leven ter aarde, en legge mijne eer in het slot'. Sela. 7 Sta op Heer, in uwen toorn; verhef u over de grimmigheid mijner vijanden ; waak op over mij, gij die het gericht bevolen hebt; 8 opdat de lieden zich weder tot u vergaderen; en keer weder naar omhoog om hunnentwil. 9 De Heer is rechter over de lieden; richt mij. Heer, naar mijne gerechtigheid en vroomheid. 10 Lnat dc boosheid der goddeloozen een einde nemen, en bevestig do rechtvaardigen ; want gij, rechtvaardige God, beproeft de harten en nieren. 11 Mijn schild is bij God, die de vrome harten helpt. 12 God is een rechtvaardig rechter, en een God die dagelijks dreigt. 13 Wil men zich niet bekeeren, zoo heeft hij zijn zwaard gewet, en zijnen |
i
|
104.0 ps al: boog gespannen, en mikt, 14 en heeft er doodelijke schichten op gelegd, zijne pijlen heeft hij toegelicht om te verderven. 15 Zie, wie iets kwaads in den zin heeft, en zwanger gaat van ongeluk, zal teleurstelling baren. 16 Hij heeft een kuil gegraven en uitgedolven, maar valt in den kuil dien hij gemaakt heeft. 17 Zijne boosheid zal op zijn hoofd terugkomen, en zijn geweld op zijnen schedel vallen. 18 Ik dank den Heer wegens zijne gerechtigheid, en zal den naam van den Heer den Allerhoogste loven. PSALM 8. 1 Een psalm van David om voortezingen op de git-tith. — 2 Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam in alle landen, hoe prijkt uwe majesteit aan den hemel! 3 Uit den mond der jonge kinderen en zuigelingen hebt gij lof bereid, wegens uwe vijanden; opdat gij zoudt verdelgen den vijand en den wraakgierige. 4 Als ik de hemelen aanschouw , het werk uwer vingeren, de maan en de .1 8, 9. |
sterren die gij bereid hebt,—- 5 wat is de mensch dat gij aan hem denkt, en des menschen zoon dat gij op hem achtgeeft! 6 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt gij hem gekroond; 7 gij stelt hem tot een heer over de werken uwer handen, alles hebt gij onder zijne voeten gezet: 8 schapen en runderen altemaal, daarenboven ook de wilde dieren, 9 de vogelen onder den hemel en de visschen in de zee, en wat de zee doorwandelt. 10 Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam in alle landen! PSALM 9. 1 Een psalm van David, van de schoone jeugd, om voortezingen. — 3 Ik dank den Heer van ganscher harte, en verhaal al uwe wonderen. 3 Ik verheug mij en ben vroolijk in u, en loof uwen naam, o Allerhoogste: 4 dat gij mijne vijanden achterwaarts gedreven hebt, zij zijn gevallen en omgekomen voor uw aangezicht. 5 Want gij voert mijn |
PSALM 10.
1041
|
recht en mijne mk uit; gij zit op den troon, rechtvaardige Eechter. 6 Gij scheldt de volken, en brengt de goddeloozen om; hunnen naam verdelgt gij altoos en eeuwiglij k. 7 De zwaarden des vijands hebben een einde, de steden hebt gij omgekeerd, hunne gedachtenis is omgekomen met hen. 8 Maar de Heer blijft eeuwiglijk, hij heeft zijnen troon bereid ten gerichte. 9 Hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en zal de lieden re-geeren rechtmatiglijk. 10 De Heer is de beschutting des armen, eene beschutting in den nood. 11 Daarom hopen op u wie uwen naam kennen, want gij Heer verlaat niet wie u zoeken. 13 Looft den Heer die te Sion woont, verkondigt onder do lieden zijn doen. 13 Want hij gedenkt aan hen, en vraagt naar hun bloed; hij vergeet het geroep der armen niet. 14 Heer, wees mij genadig, zie mijne ellende aan onder de vijanden, gij die mij verheft uit de poorten des doods; |
15 opdat ik al uwen lof vermelde in de poorten der dochter van Sion, en vroo-lijk zij over uwe hulp. 16 Do volken zijn gezonken in den kuil dien zij toebereid hadden, hun voet is gevangen in het net dat zij gesteld hadden. 17 Zoo erkent men dat de Heer recht doet; de goddelooze is verstrikt in het werk zijner handen. Door het woord. Sela. 18 Och dat de goddeloozen ten afgrond mochten varen, alle volken die God vergeten! 19 Want hij zal den arme niet eeuwiglij k vergeten, en de hoop (Ier ellendigen zal niet voor altijd verloren zijn. 20 Heer, sta op; dat de meuschen de overhand niet krijgen; laat alle volken voor u geoordeeld worden. 21 Houd hen in streng ontzag, o Heer, opdat de volken erkennen dat zij menschen zijn. Sela. PSALM 10. 1 Heer, waarom treedt gij zoo verre, verbergt u in den tijd van nood? 2 Terwijl de goddelooze trotschelijk drijft, moet de ellendige lijden; zij hangen aan elkander en bedenken kwade streken. 3 Want de goddelooze |
PSALM 11.
1012
|
beroemt zich op zijnen moedwil, en de gierigaard zegent zich en lastert den Heer. 4 De goddelooze is zoo grootsch en toornig, dat hij naar niemand vraagt; hij denkt niet anders dan: Er is geen God. 5 Hij gaat altoos voort met zijn doen; uw^oordee-len zijn verre van hem; hij handelt trotschelijk met al- zijne vijanden. 0 Hij spreekt in zijn hart: Ik zal nimmer onderliggen, het zal nimmer nood hebben. 7 Zijnniondis vol van vloeken, valschheid en bedrog; zijne tong richt moeite en arbeid aan. 8 Hij zit in de hinderlaag-bij de hoeven; hij doodt de onschuldigen heimelijk; zijne oogen loeren op de armen. 9 Hij loert in het verborgen, gelijk een leeuw in het hol; hij loert om den ellendige te grijpen, en grijpt hem als hij hem in zijn net trekt. 10 Hij verslaat en drukt neder, en stoot den arme met geweld ter aarde. 11 Hij spreekt in zijn hart: God heeft het vergeten, hij heeft zijn aangezicht verborgen, hij zal het nimmer zien. |
13 Sta op Heere God, verhef uwe hand, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom zal de goddelooze God lasteren, en in zijn hart zeggen dat gij er iiiet naar vraagt? 14 Gij ziet het immers; want gij aanschouwt de ellende en den jammer, het staat in uwe handen; de armen verlaten zich op u, gij zijt de helper der weezen. 15 Verbreek den arm des goddeloozen, en zoek het kwaad tehuis; zoo zal men zijne goddeloosheid nimmer vinden. 16 De Heer is koning altoos en eenwiglijk; de volken moeten uit zijn land omkomen. 17 Het verlangen der ellendigen hoort gij Heer; hun hart is gewis dat uw oor daarop let, 18 dat gij den wees en den arme recht doet, opdat de mensch geen geweld meer plege op de aarde. PSALM 11. 1 Een psalm van David om voortezingen. — Ik vertrouw op den Heer; wat zegt gijlieden dan tot mijne ziel, dat zij vliegen moet als een vogel naar uw gebergte heen? 3 Want zie, de godde- |
|
PS AL A3 loozcu spannen den boog, en leggen hunne pijlen op de pees, om heimelijk de vromen daarmede te schieten. 3 Want zij rukken alle grondslagen omver; wat zou de rechtvaardige uitvoeren? 4 Pe Heer is in zijnen heiligen tempel, desHeeren troon is in den hemel; quot;zijne oogen zien daarop, zijne blikken beproeven de menschenk i nderen. 5 De Heer beproeft den rechtvaardige; zijne ziel haat den goddelooze en wie gaarne geweld oefent. ö Hij zal op de godde-loozen bliksemstralen, vuur en zwavel doen regenen, en zal hun een onweder ten loon geven. 7 De Heer is rechtvaardig, en heeft gerechtigheid lief; zijn aangezicht ziet op dengeen die oprecht is. PSALM 12. 1 Een psalm van David om voortezingen op acht snaren. —- 2 Help Heer; de heiligen zijn verminderd, en de ge-loovigen zijn weinig geworden ouder de kinderen der menschen. 3 De één spreekt met den ander onnutte dingen met 12, 13. 1043 |
vleiende lippen; en zij spreken met een dubbel hart. 4 De Heer moge toch uitroeien alle huichelarij, en de tong die groote dingen spreekt; 5 hen die zeggen: Onze tong zal de overhand hebben ; ons betaamt het te spreken: wie is heer over ons? 0 Dewijl dan de ellendi-gen verdrukt worden, en do armen zuchten, zoo wil ik opstaan, zegt de Heer; ik wil eeue hulp beschikken dat men vrijmoedig leeren zal. 7 De redenen des Heeren zijn louter, gelijk gelouterd zilver in een aarden smeltkroes, zevenmaal beproefd. 8 Gij Heer, wil hen toch bewaren, wil ons behoeden voor dit geslacht eeuwiglijk. 9 Want het wordt overal vol goddeloozen, waar zulke looze lieden onder de menschen heerschen. PSALM 13. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 2 Heer, hoelang zult gij mij geheel vergeten? Hoelang verbergt gij uw aangezicht voor mij? 3 Hoelang zal ik mij bekommeren in mijne ziel, en mij dagelijks beangstigen |
|
low PS AL IV in mijn luirt? Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verlieften? 1 Aanschouw toch en verhoor mij, Heer mijn God; verlicht mijne oogen, dat ik in den dood niet ontslape; 5 opdat mijn vijand zich niet heroeme dat hij mij machtig geworden is, en mijne tegenpartijders zich niet verhengen dat ik ter-nederlig. 6 Maar ik hoop daarop dat gij 'genadig zijt; mijn hart verheugt zich dat gij gaarne helpt; ik wil den Heere zingen, omdat hij mij weldoet. PSALM 14. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 2 De dwazen zeggen in hun hart: Er is geen God. Zij deugen niets en zijn een gruwel met hun doen, er is niemand die goeddoet. 3 De Heer schouwt uit den hemel op de menschen-kinderen, om te zien of iemand verstandig is en naar God vraagt: 4 allen zijn zij afgeweken, en altezamen bedorven, er is niemand die goeddoet, ook niet één. 5 Wil dan niemand der kwaaddoeners dat merken. |
14., 15. die mijn volk opeten om zich to voeden? Maar den Heer roepen zij niet aan. 6 Straks zijn zij bevreesd, want God is bij het geslacht der rechtvaardigen. 7 Gijlieden verijdelt den raad des armen, maar God is zijn toeverlaat. 8 Och dat Israëls verlossing uit Sion kwam en de Heer zijn gevangen volk deed wederkeeren! Dan zou Jakob vroolijk zijn en Israel zich verblijden. PSALM 15. 1 Een psalm van David. — 3 Heer, wie zal wonen in uwe tent, wie zal blijven op uwen heiligen berg? 3 Wie oprecht wandelt en recht doet, en van harte de waarheid spreekt; 4 wie met zijne tong niet lastert, en zijnen naaste geen kwaad doet, en zijnen naaste niet smaadt; 5 wie de goddeloozen niet acht, maar de godvruchti-gen eert; wie zweert tot zijn nadeel en het evenwel houdt; 6 wie zijn geld niet op woeker geeft, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige: wie dat doet, die zal blijven in eeuwigheid. |
|
PSALM PSALM 16. 1 Een gouden kleinood van David. — Bewaar mij, God, want ik vertrouw op u. 3 Ik lieb gezegd tot den Heer: Gij zijt de lieer, mijn hoogste goed! 3 Wat aangaat de lieili-gen die op de aarde zijn, en de heerlijken, aan die lieb ik al mijn behagen. 4 Maar degenen die eenen anderen naloopen, zullen groolTliartzeer hebben; ik wil hun drankofi'er van bloed niet oüeren, noch hunnen naam in mijnen mond voeren. 5 De Heer is mijn goed en mijn deel; gij onderhoudt mijn erfdeel. 6 Het meetsnoer is mij gevallen in liefelijke plaatsen, mij is een schoon erfdeel geworden. 7 Ik loof den Heer die mij geraden heeft; ook prikkelen mij mijne nieren bij nacht. 8 Ik heb den Heer altijd voor oogen; want hij is aan mijne rechterhand, daarom zal ik niet wankelen. 9 Dus verheugt zich mijn hart, en mijne eer is vroolijk; ook zal mijn vleesch veilig rusten. 10 Want gij zult mijne ziel niet in het doodenvijk 1G, 17. 1013 |
laten, en niet gedoogen dat uw heilige de verderving zie. 11 Gij maakt mij den weg des levens bekend; vóór li is vreugd in volheid, en liefelijkheid aan uwe rechterhand eeuwiglijk. PSALM 17. 1 Een gebed van David. — Heer, hoor [mtjite] rechtvaardiging , let op mijn geschrei, verneem mijn gebed , dat niet uit een valschen mond komt. 2 Spreek gij in mijne zaak, en zie gij op het recht. 3 Gij beproeft mijn hart en bezoekt het bij nacht, gij loutert mij en vindt niets: ik heb mij voorgenomen dat mijn mond niet zal overtreden. 4' Bij de daden der men-schen bewaarde ik mij door het woord uwer lipnen voorden weg des moordenaars; 5 ik onderhield mijnen gang op uwe paden, opdat mijne treden niet wankelden. 6 jSiu roep ik tot u, dat gij o God mij moogt ver-hooren; neig uwe ooren tot mij., hoor mijne rede. 7 Maak uwe goedertierenheid wonderbaar; gij redt degenen die op u vertrou-wen van hen die zich tegen uwe rechterhand stellen. |
PSALM 18.
1046
|
8 Behoed mij als den appel van liet oog, besclienn mij onder de schaduw uwer vleugelen, 9 tegen do goddeloozen die mij vernielen willen, tegen mijne vijanden die rondom naar mijn leven staan. 10 In hun vet zijn zij besloten , zij spreken met hunnen mond hoovaardig. 11 Waar wij gaar, omringen zij ons, hunne oogen richten zij daarheen om ons ter aarde te storten, 13 gelijk een leeuw die den roof begeert, als een jonge leeuw die in het hol zit. 13 Heer, sta op, overweldig hem en verneder hem; verlos mijne ziel van don goddelooze door uw zwaard, 14 van de lieden door uwe hand, Heer, van de lieden dezer wereld, die hun deel hebben in hun leven, welken gij den buik vult met uwe schatten, die kinderen in overvloed hebben, en hun oversdiot aan hunne telgeu nalaten. 15 Maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden als ik zal ontwaken naar uw beeld. |
PSALM 18. 1 Een psalm om voortezingen. Van David, den knecht des Heeren, die tot den Heer de woorden dezes lieds gesproken heeft, ten tijde toen de Heer hem gered had van de hand zijner vijanden en van de hand van Saul. Lus sprak hij: 2 Hartelijk lief heb ik u, Heer, mijne sterkte, 3 Heer, mijn steenrots, mijn burg, mijn verlosser, mijn God, mijn rots, op wien ik betrouw; mijn schild en de hoorn mijns heils, en mijne beschutting! 4 Ik wil don Heer loven en aanroepen, zoo word ik van mijne vijanden verlost. 5 Want banden des doods omvingen mij, en beken Eelials verschrikten mij; 6 banden der hel omgaven mij, strikken des doods overweldigden mij. 7 Als ik angst heb, roep ik den Heer aan, en verhef mijn geschrei tot mijnen God: dan verhoort h^j mijne stem uit zijnen tempel, en mijn geroep komt voor hem tot zijne ooren. 8 Le aarde beefde en werd bewogen, en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, toen hij toornig was. ü Lamp steeg op uit zijnen |
PS AL
M 18.
1047
|
I neus, en verterend vuur uit I zijnen mond, dat hetdaar-| van Ijliksemde. 10 Hij boog den hemel |en daalde neder, en don-| kerlieid was onder zijne | voeten. 11 En hij voer op een cherub en vloog heen, hij zweelde op de vleugelen des winds. 13 Zijne tent rondom hem was duisternis; zwarte dikke wolken, in welke hij verborgen was. 13 Van den glans voor zijn aangezicht verdeelden zich de wolken met hagel en bliksem. 14 En de Heer donderde in den hemel, en de Hoogste liet zijnen donder uit met hagel en bliksem. 15 Hij schoot zijne pijlen uit en verstrooide ze, hij liet het zeer bliksemen en verschrikte ze. 16 Toen zag men de kolken der zee, en de grond des aardbodems werd ontdekt , o Heer, van uw schelden, van den adem eu het snuiven van uwen neus. 17 Hij zond uit de hoogte en nam mij op, en trok mij uit groote wateren. 18 Hij verloste mij van mijne machtige vijanden, van mijne haters die sterker waren dan ik, |
19 die mij overweldigden ten tijde mijns ongevals, en de Heer werd mijn steun; 20 en hij voerde mij uit ;in de ruimte, hij rukte mij er uit, omdat hij welgevallen aan mij had. 21 De Heer doet wel aan mij naar mijne gerechtigheid, hij vergeldt mij naaide reinheid mijner handen; 22 want ik hond de wegen des Heeren, en ben niet goddeloos jegens mijnen God. 23 Want al zijne rechten j heb ik voor oogen, en zijne f geboden werp ik niet van mij; 24 en ik ben oprecht voor hem, en wacht mij voor zonde. 23 Daarom vergeldt de Heer mij naar mijne gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen, voor zijne oogen. '26 Bij den heilige zijt gij heilig, bij den vrome zijt gij vroom; 27 bij den reine zijt gij rein, en bij den verkeerde zijt gij verkeerd. 28 Want gij helpt het ellendige volk, en vernedert do trotsche oogen. 29 Want gij verlicht mijne lamp, de Heer mijn God maakt mijne duisternis licht. 30 .Ta met u kan ik krijgs- |
PSAL
1048
M 18.
|
volk verslaan, en met mijnen God over muren springen. 31 Gods wegen zijn volmaakt, de redenen des Hee-ren zijn doorlouterd; hij is een schild voor allen die aan hem zich toevertrouwen. 82 Want waar is een God behalve de Heer, of eene rots behalve onze God? 33 God rust mij too met kracht, en maakt mijne wegen volkomen. 34: Hij maakt mijne voeten als die der herten, en stelt mij op mijne hoogten. 33 Hij leert mijne handen strijden, en leert mijne armen een stalen boog spannen. 36 Ook geeft gij mij het schild uws heils, en uwe rechterhand sterkt mij; en wanneer gij mij verootmoedigt , zoo maakt gij mij groot. 37 Gij maakt ruimte onder mijnen voetstap, en mijne enkels dat zij niet wankelen. 38 Ik wil mijne vijanden najagen en hen grijpen, en niet omkeeren voordat ik ze omgebracht heb; 39 ik wil hen verslaan, en zij zullen mij niet wederstaal!; zij moeten onder mijne voeten vallen. 40 Gij kunt mij toerusten met sterkte tot den strijd, gij kunt aan mij onderwerpen wie zich tegen mij stellen. |
41 Gij geeft mij mijne vijanden in de vlucht, zoodat ik mijne haters verdelg. 43 Zij roepen, maar er is geen helper, tot den Heer, maar hij antwoordt hun niet. 43 Ik wil hen in stukken stooten als stof voor den wind, ik wil ze wegruimen als slijk op de straat. 44 Gij helpt mij tegen het twistgierige volk, en maakt mij tot een hoofd onder de volken; een volk hetwelk ik niet kende dient mij, 43 het hoort naar mij met gehoorzame ooren; ja vreemden hebben zich aan mij geveinsdelijk onderworpen. 46 Vreemden versmachten, en komen sidderend uit hunne vestingen. 47 De Heer leeft, en geloofd zij mijn rots; en de God mijns heils moet verheven worden: 48 de God die mij wraak geeft, en de volken onder mij dwingt; 49 die mij redt van mijne vijanden, en mij verhoogt boven degenen die zich tegen mij stellen; gij verlost mij van den geweldenaar. 50 Daarom wil ik u danken, Heer, onder de volken, en den lof uws naams zingen, |
PSALM 1'J, 2V.
1049
|
51 die zijnen konina; groot heil bewijst, en weldoet aan zijnen gezalfde, aan David en aan zijn zaad eeuwiglijk. PSALM 19. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 2 Da hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen. 3 De ééne dag zegt het den anderen, cn de ééne nacht maakt het den anderen bekend. 4 Er is geen spraak noch rede, waar men hunne stem niet hoort. 5 Hun richtsnoer gaat uit in alle landen, cn hunne redenen aan het einde der ■wereld; hij heeft voor de zon eene tent daarin gemaakt , G en zij treedt daaruit voort gelijk een bruidegom uit zijne kamer, en verheugt zich als ecu held om den weg te loopen. 7 Zij gaat op aan het einde des hemels, en loopt om tot weder aan datzelfde einde ; en niets blijft voor hare hitte verborgen. 8 Do wet des Heeren is volmaakt, en verkwikt de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis,' enquot;geeft den ccnvoudigiTverstand. |
9 De berelen des Heeren zijn recht7 en verblijden het hart; de geboden des Heeren zijn loutffr j en verlichten de oogen. 10 De vreeze des Heeren is rein, en blijft eeuwiglijk; de rechten des Heeren zijn waarachtig, altemaal rechtvaardig. 11 Zij zijn kostelijker dan goud, dan eene menigte van het fijnste goud; zij zijn zoeter dan honig en honigzeem. 13 Ook wordt uw knecht door haar vermaand; en wie haar houdt, die heeft groot loon. 13 Wie kan merken hoedikwijls hij faalt? Yergeef mij de verborgen feilen. 14 Bewaar uwen knecht ook voor de hoogmoedigen, dat zij niet over mij heer-schen; zoo zal ik oprecht zijn, en vrij blijven van groote zonde. 15 Laat u behagen de redenen mijns monds en het gesprek mijns harten, voor ii o Heer, mijn rots en mijn beschermer. PSALM 20. 1 Een psalm van David om voortezingen. ■—• 2 De Heer verhoore u in deu nood, de naam van •Jakobs God beschutte u. |
PSALM 31.
loso
|
3 Hij zeude u hulp uit liet heiligdom, en sterke u uit Sion; 4 hij gedenke aan al uwe spijsoffers, en uwe brand-otters mogen vet zijn. Sela. 5 lüj geve u wat uw hart begeert, en ver vuile al uwe raadslagen. 6 Wij roemen dat gij ons helpt, en in den naam onzes Gods steken wij de banieren op; de Heer ver-vulle al uwe begeerten. 7 Nu merk ik dat de Heer zijnen gezalfde helpt, en hem verhoort uit zijnen heiligen hemel; zijne rechterhand helpt met kracht. 8 Deze verlaten zich op wagens, die op paarden; maar wij denken aan den naam van den Heer onzen God. 9 Zij zijn nedergestort en gevallen, maar wij staan opgericht. 10 Help, Heer, den koning; verhoor ons als wij roepen. PSALM 21. 1 Een psalm van David om voortezingen. 2 Heer, de koning verheugt zich in uwe kracht, en hoe vroolijk is hij over uwe hulp! |
3 Gij geeft hem zijns harten wensch, en weigert niet hetgeen zijn mond bidt. Sela. 4 Want gij overlaadt hem met goede zegeningen, gij zet eene gouden kroon op zijn hoofd. 5 Hij bidt u om het leven, en gij geeft hem een lang leven, altoos en eeu-wiglijk. 6 Hij heeft groote eer door uwe hulp, lof en sieraad hebt gij hem toegelegd; 7 want gij stelt hem ten zegen eeuwiglij k, gij verheugt hem met vreugde voor uw aangezicht. 8 Want de koning hoopt op den Heer, en zal door de goedertierenheid des Hoog-sten vast blijven. 9 Uwe hand zal al uwe vijanden vinden, uwe rechterhand zal vinden die u haten. 10 Gij zult hen maken als een vurigen oven, als gij u vertoonen zult; do Heer zal ze verslinden in zijnen toorn, vuur zal hen verteren. 11 Hunne vrucht zult gij ombrengen van den aardbodem, en hun zaad van onder de kinderen der men-schen. 13 Want zij dachten u kwaadtedoen, en maakten aanslagen welke zij niet konden uitvoeren: |
PSALM 22.
1051
|
13 gij zult lien stellen tot een wit, met uwe pees zult gij aanleggen op hun aangezicht. 14 Heer, verhef u in uwe kracht, zoo zullen wij zin- aen en uwe macht loven. ö PSALM 22. 1 Een psalm, van David - om voortezingen. Van de ï hinde die vroeg gejaagd | wordt. — ^ (quot;2 Mijn God , mijn God ,j f waarom hebt gij mij ver^ j'laten; ik kerm, maar mijnel Lhulp is ver. / I 3 Mijn God, bij dag roep j ik, zoo antwoordt gij niet; [ en des nachts zwijg ik óók i niet. 1 4 Maar gij zijt heilig, gij die onder de lofgezangen van Israël woont. 5 Onze vaderen hoopten op u; en toen zij hoopten, hielpt gij hen uit; 6 tot u riepen zij en werden gered , zij hoopten op u en werden niet te schande. 17 Maar ik ben een worm en geen mensch, een spot der lieden en eene verachting des volks. ^7 Maar ik ben een worm en geen mensch, een spot der lieden en eene verachting des volks. ^ 8 Allen die mij zien bespotten mij, zij steken de jtong uit en schudden het (hoofd: 9 Hij klage het den Heer; dat die hem helpe on hem niet sela. hem . gij i op ; le- een eeu- eer sie-ege- ten ver-ia-de Dopt r de OOff- uwe ecli-e li i als ;ij u ■ zal ■ gij Ibo-van len- i u :tcn :on- |
redde, dewijl hij lust aan hem heeft. 10 Want gij hebt mij uit den moederschoot getogen, gij waart mijn toeverlaat toen ik nog aan de borst mijner moeder lag; 11 op u ben ik geworpen sinds mijne geboorte, gij zijt mijn God van den moederschoot af. 13 Wees niet verre van mij, daar de angst nabij en hier geen helper is. 13 Groote varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Hasan hebben mij omringd; 14 hunnen muil sperren zij tegen mij op, als een brallende en verscheurende leeuw. 15 Ik ben uitgegoten als water, al mijne beenderen hebben zich vanééngeschei-den; mijn hart is in mijn lijf als gesmolten was. 16 Mijne krachten zijn verdroogd als eene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en gij legt in het stof des doods mij neder. 17 Want honden hebben mij omringd, en een rot van boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorgravenquot;quot; * quot;TÏ Ik kan al mijne been- ■i |
=™5BE^==-
PSALM 23.
1053
|
(deren tellen, en zij aan-scliomven liet en zien met ovellust op mij.deren tellen, en zij aan-scliomven liet en zien met ovellust op mij. j 19 Zij dealen mijne klee-I deren onder ziet, en werpen - het lot over mijn gewaad. 20 Maar gij Heer, wees niet verre, mijne sterkte, haast u om mij te helpen. 21 lied mijne ziel van het zwaard, mijne eenige uit de macht der honden. 22 Help mij uit den muil van den leeuw, en red mij van den eenhoorn. I 23 Ik wil uwen naam | mijnen broederen prediken, ' ik wil u in de gemeente roemen. 21 Roemt den Heer, gij 1 die hem vreest; hem eere ! al het zaad van Jakob, en hem eerbiedige al het zaad i van Israël. 25 Want hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende des armen, en zijn aangezicht voor hem niet verborgen; en toen hij tot hein riep, hoorde hij het. 26 Ik wil u prijzen in de groote gemeente, ik wil mijne geloften betalen, voor degenen die hem vreezen. 27 De ellendigen zullen eten dat zij verzadigd worden, en die naar den Heer vragen zullen hem prijzen; hun hart leve eeuwiglijk. |
28 Alle einden der wereld zullen dit gedenken en zich tot den Heer bekeeren, en voor hem zullen alle geslachten der volken aanbidden; 29 want de Heer heeft het, rijk, en hij heerscht over de volken. 30 Al de vetten der aarde zullen eten en aanbidden; voor hem zullen allen de knieën buigen die in het stof liggen en die kommerlijk leven. . 31 Hij zal een geslacht hebben dat hem dient; van den Heer zal men verkondigen tot in verre tijden. 32 Zij zullen komen en zijne gerechtigheid prediken aan het volk dat geboren wordt, dat hij het doet. PSALM 23. 1 Een psalm van David. —• De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. 2 Hij weidt mij op eene groene landouw, en voert mij tot een versch water. 3 Hij verkwikt mijne ziel, en voert mij op de rechte straten om zijns naams wil. 4 En al wandelde ik in een duister dal, zoo vrees ik geen ongeluk, want gij zijt bij mij; uw stok en uw staf vertroosten mij. 5 Gij bereidt voor mij eene tafel tegenover mijne |
PSALM 34., 25.
1053
|
vijanden; gij zalft mijn hoofd met olie, en schenkt mij in tot overvloeiens toe. 6 Het goede en de barmhartigheid zullen mij volgen mijn leven lang, en ik zal blijven in het huis des Ilee-ren altoos. PSALM 24. 1 Een psalm van David.— De aarde is des Heeren en wat er op is, de werelden die er in wonen. 3 Want hij heeft haar aan de zee gegrond en aan de wateren gevestigd. 3 Wie zal op den berg des Heeren gaan, en wie zal staan in zijne heilige plaats? 4 Wie onschuldige handen heeft en rein van hart is, wie geen lust heeft aan de ij dele leer, en nietvalsche-lijk • zweert. 5 Die zal zegen van den Heer ontvangen, en gerechtigheid van den God zijns heils. 6 Dat is het geslacht dat naar hem vraagt, dat uw aangezicht zoekt, dat is Jakob. Sela. 7 Maakt de poorten wijd en de deuren in de wereld hoog, opdat de koning dei; eere intrekke. 8 Wie is deze koning der eere ? Het is de Heer, sterk |
en machtig, de Heer, machtig in den strijd. 9 Maakt de poorten wijd en de deuren in de wereld hoog, opdat de koning der eere intrekke. 10 Wie is deze koning-der eere? Het is de Heer Zebaoth, der hij is de koning-Sela. PSALM 25. 1 Een psalm van David.—■ Naar u Heer verlang ik. 3 Mijn God, ik hoop op u, laat mij niet te schande worden, opdat mijne vijanden zich niet over mij verheugen. 3 Want niemand wordt te schande die op u wacht, maar zij moeten te schande worden die trouweloos handelen. 4! Heer, toon mij uwe wegen en leer mij uwe paden. . 5 Leid mij in uwe waar-heid en leer mij, want gij ? zfTde God die mij helpt; } dagelijks wacht ik op u. C Gedenk, Heer, aan uwe barmhartigheid en aan uwe goedheid, die van eeuwigheid af geweest is. 7 Gedenk niet aan de zonden mijner jeugd noch aan mijne overtredingen; maar gedenk aan mij naar uwe barmhartigheid, om uwer goedheid wil. 8 De Heer is goed en |
PSALM 36.
.1054
|
recht; daarom onderwijst hij de zondaars in den weg. •J Hij leidt de ellendigen recht, en leert de ellendigen zijnen weg. /10 De wegen des Hee-ren zijn enkel goedheid en waarheid, voor degenen die zijn verbond en zijne getuigenissen houden..........10 De wegen des Hee-ren zijn enkel goedheid en waarheid, voor degenen die zijn verbond en zijne getuigenissen houden.......... 11 Om uws naams wil o Heer, vergeef mij mijne misdaad die groot is. 13 Wie is de man die den Heer vreest? Hij zal hem onderwijzen in den besten weg. 13 Zijne ziel zal in het goede wonen, en zijn zaad zal het land bezitten. 14 De verborgenheid des Heeren is voor degenen die hem vreezen, en zijn verbond laat hij hun weten. 15 Mijne oogen zien steeds oj) den Heer, want hij zal mijnen voet uit het net trekken. 16 Wend u tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. 17 De angst mijns harten is groot; voer mij uit mijne nooden. 18 Zie mijn jammer en mijne ellende aan, en vergeef mij al mijne zonden. /quot; 19 Zie hoevele mijne vij-! anden zijn, en hoe zij mij J haten uit wrevel. |
30 Bewaar mijne ziel en red mij; laat mij niet te schande worden, want ik vertrouw op u. 31 Dat vroomheid en oprechtheid mij behoeden; want ik wacht op u. 33 O God, verlos Israël uit al zijne nooden. PSALM 26. 1 Een psalm van David.—-Heer, beschik mij recht, want ik ben onschuldig; ik hoop op den Heer, daarom zal ik niet wankelen. 3 Beproef mij Heer, en onderzoek mij; louter mijne nieroö en mijn hart. ^ 3 Want uwe goedheid is , voor mijne oogen, en ik wan- j del in uwe waarheid,. I 4 Ik zif'niePbïj de ijfJjjls lieden, en ik heb geen gemeenschap met de valschen. 5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en zit niet bij de goddeloozen. 6 Ik wasch mijne handen in onschuld, en houd mij, Heer, bij uwen altaar, 7 waar men de stem der dankzegging hoort, en waar men predikt al uwe wonderen. S Heer, ik heb lief de plek van uw huis, en de plaats waar uwe eer woont. 9 Raap mijne ziel niet weg met de zondaren, noch mijn |
PSALM 27.
1055
|
leven met de bloeddorstigen, 10 die met kwade streken omgaan, en gaarne geschenken nemen. 11 Maar ik wandel onschuldig ; verlos mij en wees mij genadig. 12 Mijn voet gaat recht; ik zal u loven, o Heer, in de vergaderingen. PSALM 27. 1 Een psalm van David.— De Heer is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vreezen? De Heer is mijne levenskracht, voor wien zou ik beven? 2 Daarom, zoo de boozen, mijne tegenpartij ders en vijanden, mij naderen om mijn vleesch te eten, moeten zij struikelen en vallen. 3 Al legert zich een heir tegen mij, zoo vreest nochtans mijn hart niet; al ontstond er oorlog tegen mij, zoo verlaat ik mij op hem. 4 Eene zaak bid ik van den Heer, die had ik gaarne : dat ik in het huis des Heeren blijven mocht mijn leven lang, om den schoonen godsdienst des Heeren te aanschouwen, en zijnen tempel te bezoeken. 5 Want hij verschuilt mij in zijne hut ten dage des kwaads, hij verbergt mij heimelijk in zijne tent en verhoogt mij op eene steenrots. |
6 Ook zal hij nu mijn hoofd verheffen boven mijne vijanden die rondom mij zijn, en ik zal in zijne hut lot' offeren, ik zal voorden Heer zingen en lofzeggen. 7 Heer, hoor mijne stem als ik roep, wees mij genadig en verhoor mij. 8 Mijn hart houdt zich aan uw bevel: Zoekt mijn aangezicht; daarom zoek ik ook, Heer, uw aangezicht. !) Verberg uw aangezicht niet voor mij, en verstoot niet in toorn uwen knecht; want gij zijt mijne hulp: verlaat mij niet en trek de hand niet van mij af. God, mijn heil. 10 Ja vader en moeder mogen mij verlaten, de Heer neemt mij toch aan. 11 Heer, wijs mij uwen weg, en leid mij op de rechte baan, om mijner vijanden wil. 12 Geef mij niet over aan den wil mijner vijanden; want valsche getuigen staan tegen mij op, en doen mij onrecht zonder schroom. 13 Maar ik geloof toch dat .ik het goede des Heeren zien zal in het land der levenden. l't Wacht op den Heer, wees sterk en onversaagd; ja wacht op den Heer. |
PSALM 28, 29.
105(3
|
PSALM 28. 1 Een psalm van David.— Als ik tot u roep. Heer, mijn steenrots, zoo zwijg niet voor mij; opdat niet, indien gij zweegt, ik worde gelijk degenen die in den kuil dalen. 2 Hoor de stem mijns ï smeekens, wanneer ik tot u ;| schrei, wanneer ik mijne 1 handen ophef tot uw binnenste heiligdom. 3 Neem mij niet weg met de goddeloozen, met de kwaaddoeners, die vriende- [ lijk spreken met hunnen } naaste, en kwaad in het L hart hebben. 4 Geef hun naar hunne daad en naar hunne boosheid , geef hun naar de werken hunner handen, vergeld hun wat zij verdiend hebben. 5 Want zij willen geen acht slaan op het doen des Heeren noch op de werken zijner handen, daarom zal hij hen verwoesten en niet weder opbouwen. 0 Geloofd zij de Heer, want hij heeft de stem mijns smeekens verhoord. 7 De Heer is mijne sterkte en mijn schild; op hem hoopte mijn hart, en ik ben geholpen; en mijn hart is vroolijk, en ik zal hem danken met mijn lied. |
8 De Heer is hunne sterkte, hij is de sterkte die zijnen gezalfde helpt. 9 Help uw volk en zegen uw erfdeel, en weid en verhoog hen eeuwiglijk. PSALM 29. 1 Een psalm van David. — Brengt herwaarts aan den Heer, gij machtigen, brengt herwaarts aan den Heer eer en sterkte. 2 Brengt herwaarts aan den Heer de eer zijns naams, aanbidt den Heer in heilig sieraad. 3 Do stem des Heeren gaat over de wateren, de God der eere dondert; de Heer is op de groote wateren. 4 De stem des Heeren gaat met macht, de stem des Heeren gaat heerlijk. 5 De stem des Heeren verbreekt de cederen, de cederen Libanons verbreekt de Heer; 6 hij doet zc opspringen als kalveren, Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn. 7 De stem des Heeren .* houwt er vlammen vuurs j uit. 8 De stem des Heeren beweegt de woestijn, de stem des Heeren dqet de woestijn Kades beven. |
PSALM 30, 31.
1057
|
9 De stein des Heeren doet de hinden baren, en ontbladert de wouden; maar in zijnen tempel zal een ieder hem eere zeggen. 10 De Heer zit en richt teen zondvloed aan, ja de , Heer blijft koning- in eeuwigheid. 11 De Heer zal aan zijn f volk kracht geven, de lieer !i zal zijn volk zegenen met quot; vrede. s .=««*- PSALM 30. 1 Een palm, te zingen ter inwijding van Davids huis. — 3 Ik prijs u Heer, want gij hebt mij verhoogd, en niet toegelaten dat mijne vijanden zich over mij verheugen. 3 Heer mijn God, toen ik tot u riep, inaaktet gij mij gezond. 4 Heer, gij hebt mijne ziel uit het graf getogen, gij hebt mij in het leven behouden, toen anderen in het graf nedervoeren. 5 Gij heiligen, zingt don lof des Heeren, dankt en prijst zijne heiligheid. 6 Want zijn toorn duurt een oogenblik, maar zijne gunst een leven lang: des avonds vernacht het geween , maar des morgens is er vreugde. |
7 Ik zeide toen het mij welging: Ik zal nimmer ternederliggen; 8 want Heer, door uw welbehagen hadt gij mijnen berg sterk gemaakt; maar toen gij uw aangezicht verborgt, verschrikte ik. 9 Ik wil, Heer, tot u roepen, den Heer zal ik smeeken: 10 Wat nut is er aan mijn bloigt;d als ik dood ben? Zal het stof u ook danken , en uwe trouw verkondigen ? 11 Heer, hoor en wees mij genadig; Heer, wees mijn helper. 13 Gij hebt mij mijne klacht veranderd in een rei, gij hebt mijnen zak uitgetrokken, en mij met vreugde omgord; 13 opdat mijne eer uwen lof zinge en niet ophoude. Heer mijn God, ik zal u danken in eeuwigheid. PSALM 31. 1 Een psalm van David om voortezingen. —• ■3 Heer, op u vertrouw ik: laat mij nimmer te schande * worden, red mij door uwe gerechtigheid. 3 Neig uwe ooren tot mij, help mij schielijk; wees mij tot een sterke steenrots en O'l |
, ii
|
1058 PS AL tot een burg, om mij te redden. 4 Want gij zijt mijn steenrots en mijn burg; en om uws naams wil, wil mij tooli leiden en voeren; 5 wil mij toch uit het net trekken hetwelk zij mij gespannen hebben, want gij zijt mijne sterkte. 6 In uwe hand beveel ik mijnen geest; gij hebt mij verlost tleer, gij getrouwe God. 7 Ik haat hen die aan de iidele leer vasthouden, maar ik hoop op den Heer. 8 Ik verheug mij en ben vroolijk over uwe goedertierenheid, dat gij mijne ellende aanziet en den nood mijner ziel kent, 9 en mij niet overgeeft in de hand des vijands, maar mijne voeten stelt op eeue wijde ruimte. 10 Heer, wees mij genadig, want mij is 'bang; mijne gedaante is vervallen van treuren, alsook mijne ziel en mijn buik; 11 want mijn leven is afgenomen van droefenis, en mijn tijd van zuchten; mijne kracht is vervallen wegens mijne misdaad, en mijn gebeente is versmacht. 13 Het gaat mij zóó kwalijk, dat ik tot eene groote versmaadheid ben geworden |
M 31. bij mijne naburen, en tot een afkeer bij mijne bekenden; wie mij zien op de ^ straat vlieden voor mij. \ | 13 Ik ben in hun hart f | vergeten gelijk een doode, ! , | ik ben geworden als een f i gebroken vat. - ; 14 Ja velen scholden mij deerlijk, zoodat iedereen ■ mij schuwt; zij beraadslagen met elkander tegen mij, . -en denken mij het leven te benemen. 15 Maar ik, o Heer, hoop op u, en zeg: Gij zijt mijn God. 16 Mijne •tijden zijn in uwe band: red mij van de hand mijner vijanden en dergenen die mij vervolgen. ƒ 17 Laat uw aangezicht lichten over uwen knecht, help mij door uwe goedertierenheid. 18 Heer, laat mij niette , schande worden, want ik roep u aan; de goddeloozen moeten te schande worden, en tot stilzwijgen gebracht in het graf. 19 Verstom men moeten de valsohe monden, die tegen den rechtvaardige zoo wreed, hoogmoedig en smadelijk spreken. 20 Hoe groot is uwe goedheid, die gij weggelegd hebt voor degenen die u vreezen, die gij bewijst aan |
PSALM 32.
1059
|
degenen die onder de lieden op u vertrouwen! (31 Gij verbergt lien liei-melijt bij u tegen ieders hoogmoed, gij bedekt hen . in de hut tegen de twistzieke tongen. | 22 Geloofd zij de Heer, S dat hij mij zijne goedheid 31 Gij verbergt lien liei-melijt bij u tegen ieders hoogmoed, gij bedekt hen . in de hut tegen de twistzieke tongen. | 22 Geloofd zij de Heer, S dat hij mij zijne goedheid r zoo wonderbaar bewezen heeft in eene vaste stad. 23 Want ik sprak in mijne ïfioedeloosheid: Ik ben van voor uwe oogen verstooten: nochtans hoordet gij de stem raijns smeekeus toen ik tot u riep. 24 Bemint den Heer, alle zijne heiligen; de Heer be- / hoedt de geloovigen, en vergeldt rijkelijk dengeen die hoogmoedig handelt. 25 Weest welgemoed en onversaagd, gij allen die | den Heer verbeidt. / PSALM 32. 1 Eene onderwijzing van David. — Welgelukzalig hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2 Welgelukzalig is de mensch wien de Heer de misdaad niet toerekent, in £ wiens geest geen valsch-• heid 3 Toen ik het wilde verzwijgen, versmachtte mijn gebeente bij mijn dage-lijkseh gekerm; |
4 want uwe haud was dag en nacht zwaar op mij, zoodat mijn sap verdroogde gelijk het in den zomer dor wordt. Sela. 5 Daarom teken ilc u mijne zonde, en verheel mijne misdaad niet; ik sprak: Ik zal den Heer mijne overtredingen bekennen; toen vergaaft gij mij de misdaad mijner zonde. Sela. / 6 Daarom zullen u al de heiligen bidden ter rechter tijd; derhalve, wanneer groote watervloeden komen, zullen die hen niet raken. 7 Gij zijt mijne bescherming; wil mij toch voor angst behoeden, opdat ik, gered, vroolijk moge roemen. Sela. 8 Ik zal u onderwijzen ,-en u den weg toonen dien gij wandelen moet; ik zal n met mijne oogen leiden. 9 Weest niet als paarden' en muilezels, die niet verstandig zijn, welken men toom en gebit in den bek moet leggen, als zij tot u niet naderen willen. lü De*goddelooze heeft vele plagen; maar wie op den Heer hoopt, dien zal de goedertierenheid omrin-gen. 11 Verheugt u in den Heer én zijt vroolijk gij |
|
--l—i—i-i-li.'------------ 1060 PSAL rechtvaardigen, en roemt liem alle gij vromen. PSALM 33. 1 Verheugt u in den Heer, gij rechtvaardigen; de vromen moeten hem heerlijk prijzen. 2 Dankt den Heer met harpen, en zingt zijnen lof op het speeltuig van tien snaren. 3 Zingt hem een nieuw lied, speelt liefelijk op snarentuig met geschal. ;— 4 Want het woord des I Heeren is waarachtig, en j ■ wat hij toezegt dat houdt i-. . hij gewis. 5 Hij bemint de gerechtigheid en het gericht; de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren. 6 De hemel is door het woord des Heeren gemaakt, en al zijn heir door den adem zijns monds. 7 Hij houdt het water in de zee tezamen als in een lederen zak, en legt de diepte in het verborgen. 8 De geheele wereld vree-ze den Heer, en hem ontzie alwat op den aardbodem woont. 9 Want als hij spreekt zoo geschiedt het, als hij ge-gebiedt zoo staat het daar. 10 De Heer maakt den raad der volken teniet, en |
M 33. I verijdelt de gedachten der natiën. 11 Maar de raad des Heeren blijft eeuwiglijk, het voornemen zijns harten immer en altoos. f 12 Welgelukzalig is het volk welks God de Heer is, het volk hetwelk hij ' zich ten erfdeel verkoren heeft. 13 De Heer schouwt uit den hemel en ziet op alle kinderen der menschen, 14 van zijnen vasten troon ziet hij op allen die op dc aarde wonen; 15 hij buigt hun allen het hart, hij let op al hunne werken. 16 Een koning wordt niet behouden door zijne groo- i te macht, een reus niet gered door zijne groote kracht; 17 paarden helpen óók niet, en hunne groote sterkte redt niet. 18 Zie, het oog des Heeren is op degenen die hem vreezen, die op zijne goedheid hopen, 19 opdat hij hunne ziel redde van den dood, en ze voede in den duren tijd. 20 Onze ziel wacht op \ den Heer: hij is onze Imlp i en ons schild; 21 dus verheugt zich ons ! hart in hém, en vertrouwen j |
■
l'SAL
M 34.
1061
|
wij op zijnen heiligen naam. 33 Uwe goedheid o Heer zij over ons, gelijk wij op u hopen. PSALM 34. 1 Een psalm van David, toen hij zijn gelaat veranderd had voor Abimélech, die hem van zich dreef, en hij wegging. — 3 Ik wil den Heer loven te allen tijde; zijn lof zal altoos in mijnen mond zijn. 3 Mijne ziel zal zich beroemen in den Heer, dat de ellendigen het hooien en zich verheugen. 4 Prijst met mij den Heer, en laat ons met elkander zijnen naam verhoogen. 5 Toen ik den Heer zocht, antwoordde hij mij, en redde mij uit al mijne vrees. 6 Wie op hem zien en zich tot hem wenden, hun aangezicht wordt niet te schande. 7 Toen deze ellendige riep, verhoorde de Heer, en verloste hem uit al zijne noo-den. 8 De Engel des Heeren legert zich rondom degenen die hem vreezen, en verlost hen. 9 Smaakt en ziet hoe vriendelijk de Heer is; welgelukzalig hij die op hem vertrouwt. |
10 Vreest den Heer, gij zijne heiligen; want wie hem vreezen hebben geen gebrek. 11 De rijken moeten gebrek lijden en hongeren, maar wie den Heer zoeken hebben geen gebrek aan eenig goed. 13 Komt herwaarts kinderen , hoort naar mij: ik zal u de vreeze des Heeren leeren. 13 Wie is er die een goed leven begeert, en die gaarne goede dagen had? 14 Behoed uwe tong voor het kwade, en uwe lippen voor bedrog te spreken. 15 Sta af van het kwade en doe het goede, zoek den vrede en jaag dien na. 16 De oogen des Heeren letten op de rechtvaardigen, en zijne ooren op hun geroep; 17 maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaaddoen, om hunne gedachtenis uitte-roeien van de aarde. 18 quot;Wanneer [afe dvjerPj roepen, zoo hoort de Heer hen, en redt ze uit al hunnen nood. 19 De Heer is nabij degenen die gebroken van \ hart zijn, en helpt degenen dié een verslagen gemoed j hebben. 30 De rechtvaardige moet. |
PSALM 85.
1063
|
veel lijden, maar de Heer helpt hein uit dat alles. 31 Hij bewaart al zijne beenderen, dat niet één daarvan gebroken wordt. 23 Het ongeluk zal den goddcloozc dooden; en wie den rechtvaardige haten, zullen schuld hebben. 33 De Heer verlost de ziel zijner knechten; en allen die op hem vertrouwen , zullen geen schuld hebben. PSALM 35. 1 Een psalm van David. — Twist, Heer, met mijne twisters, strijd tegen mijne bestrijders. 3 Grijp het schild en het wapen, en maak u op om mij te helpen. 3 Strek voorwaarts de spies, en beschut mij tegen mijne vervolgers; zeg tot mijne ziel: Ik beu uwe hulp. 4' Mogen zij zich schamen en te schande worden die naar mijne ziel staan, mogen zij terugkeeren en schaamrood worden die mij kwaad gunnen. 5 Mogen zij worden als kaf voor den wind, en de Engel des Heeren drijvé hen voort. G Hun weg moge duister en glibberig worden , en de |
Engel des Heoren jage hen achterna. 7 Want zij hebben mij zonder ooizaak hun net gespannen om te verderven, en hebben onverdiend voor mijne ziel een kuil gegraven. 8 Hij moge onvoorziens overvallen worden; en zijn net, hetwelk hij verborgen heeFt, moge hem vangen, en hij daarin overvallen worden. 9 Maar mijne ziel moge zich verheugen in den Heer, en vroolijk zijn over zijne hulp. 10 Al mijn gebeente moge zeggen: Heer, wie is u gelijk, die den ellendige redt van dengeen die hem te sterk is, en den ellendige en arme van zijne beroovers. 11 Er treden snoode getuigen op, die betichten mij van hetgeen waaraan ik niet schuldig ben. 13 Zij doen mij kwaad voor goed, om mij in hartzeer te brengen. 13 Maar ik, toen zij krank waren, trok een zak aan; ik kwelde mij met vasten, en bad steeds van harte. 14 Ik hield mij alsof het mijn vriend en broeder ware, ik ging treurig als iemand die rouwdraagt over zijne moeder. |
PS AL
M 36.
1063
|
15 Maar üij verheugden zicli over mijne schade en verzamelden zich; de hinkenden verzamelden zich tegen mij, zonder mijne schuld; zij verscheurden mij en zwegen niet. 16 Met degenen die huichelen en spotten om des buiks wil, knersen zij met de tanden tegen mij. 17 Heer, hoelang zult gij toezien? lied toch mijne ziel uit hun geraas, en mijne eenige van de jonge leeuwen. 18 Ik zal u danken inde groote gemeente, en voor het gansche volk zal ik u roemen. 19 Laat zich niet over mij verblijden wie mij zonder reden vijandig zijn, noch met de oogen spotten wie onverdiend mij haten. 20 Want zij trachten schade te doen, en zoeken val-sche zaken tegen de stillen in het land; 21 zij sperren den mond t wijd open tegen inij, en zeggen: Zoo, zoo, dat zien wij gaarne! 22 lieer, gij ziet het, zwijg niet; Heer, wees niet verre van mij. 23 Ontwaak en waak op tot mijn recht, en tot mijne zaak, mijn God en Heer. 24 Heer mijn God, riclit |
mij naar uwe gerechtigheid, opdat zij zich over mij niet verblijden; 25 laat hen niet zeggen in hun hart: Zoo, zoo, dat wilden wij! Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden. 26 Mogen allen zich schamen en te schande worden die zich over mijn leed verblijden, mogen zij met schande en schaamte bekleed worden die zich tegen mij beroemen. 27 Mogen zij zioh beroemen en verblijden die mij gunnen dit ik recht behou-de, en altoos zeggen: De Heer zij hooggelootcl, die lust heet'l aan het heil van zijnen knecht. 28 Zoo zal mijne tong van uwe gerechtigheid spreken, en u dagelijks prijzen. l'ÖALM 36. 1 Een psalm van David den knecht des Heeren, om voortezingen. — 2 Het is uit den grond mijns harten dat ik van het doen der goddeloozeli spreek: Er is geen vreeze .Gods bij hen. 3 Zij vleien zichzelve onder elkander, om hunne kwade zaak te bevorderen en anderen hatelijk te maken. 4 Hunne gehcele leer is |
PSALM 37.
1064
|
schadelijk en gelogen, zij laten zicli ook niet onderwijzen om wat goeds te doen; 3 maar zij trachten op hunne legerstede naar schade, en staan vast op den kwaden weg, en schuwen geen kwaad. 6 Heer, uwe goedheid strekt zoo ver de hemel is, en uwe waarheid zoo wijd de wolken gaan; 7 uwe gerechtigheid staat als de bergen Gods, en uw recht als de diepe afgrond; Heer, gij helpt beide men-schen en vee. 8 Hoe dierbaar is uwe goedheid o God, dat de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht mogen nemen! 9 Zij worden dronken van de rijke goederen van uw huis, en gij drenkt hen met wellust als met een stroom. 10 Want bij u is de bron des levens, en in uw licht zien wij het licht. 11 Breid uwe goedheid uit over degenen die u kennen, en uwe gerechtigheid over de vromen. 13 Laat de hoogmoedigen mij niet vertreden, en de hand der goddeloozen ver-drijve mij niet. |
13 Maar laat hen, de kwaaddoeners, aldaar vallen, zoodat zij verstooten worden en niet blijven kunnen. PSALM 37. 1 Een psalm van David. —• Vertoorn u niet over de boozen, wees niet nijdig over de kwaaddoeners; 2 want gelijk het gras worden zij haast afgesneden,. en als het groene kruid zullen zij verwelken. 3 Hoop op den Heer en doe het goede; blijf in het land en jaag naar getrouwheid. 4 Heb uwen lust aan den 1 [eer, die zal u geven wat uw hart wenscht. 5 Beveel den Heer uwe wegen en hoop op hem: hij zal het wèl maken, 6 en zal uwe gerechtigheid tevoorschijnbrengen als het licht, en uw recht als den middag. 7 Wees stil voor den Heer en wacht op hem; vertoorn u niet over dengeen wiens moedwil gelukkig slaagt. 8 Sta af van toorn en verlaat de gramschap; verstoor u niet, zoodat gij ook het kwade doen zoudt. 9 Want de boozen worden uitgeroeid; maar wie den Heer verwachten, zullen het land beërven. 10 Het is nog maar een |
PSALM 37.
1065
|
kleine tijd en de goddelooze is niet meer; en als gij naar zijne plaats zult zien, zal hij weg zijn. 11 Maar de ellendigen zullen hot land beërven, en lust hebben in grooten vrede. 13 De goddelooze dreigt den rechtvaardige, en knerst met de tanden tegen hem; 13 maar tie Heer belacht hem, want hij ziet dat zijn dag komt. 14 De goddeloozen trekken het zwaard uit en spannen hunnen boog, om den ellendige en arme te vellen, en de vromen te slachten; 15 maar hun zwaard zal in hun eigen hart gaan, en hun boog zal in stukken breken. 16 Het weinige dat een rechtvaardige heeft is beter dan het groote goed veler goddeloozen; 17 want de arm der goddeloozen zal in stukken breken, maar de Heer ondersteunt de rechtvaardigen. 18 De Heer kent de dagen der vromen, en hun goed zal eeuwiglijk blijven. 19 Zij zullen niet te schande worden in den kwaden tijd, en in de duurte zullen zij genoeg hebben. |
20 Want de goddeloozen zullen omkomen; en de vijanden des Heeren, of zij al zijn als eene kostelijke landouw, zullen toch vergaan gelijk de rook vergaat. 21 De goddelooze neemt te leen en geeft niet weder, maar de rechtvaardige is barmhartig en mild. 22 Want zijne gezegenden beërven het land, maar zijne gevloekten worden uitgeroeid. 23 Van den Heer wordt de gang van zulk een man bevorderd, en hij heeft lust aan zijnen weg. 24 Yalt hij, zoo wordt hij niet weggeworpen, want de Heer vat hem bij de hand. 25 Ik ben jong geweest en ben oud geworden, en heb nog nooit den rechtvaardige verlaten gezien, noch zijn zaad om brood gaande. 26 Hij is altijd barmhartig en leent gaarne, en zijn zaad zal gezegend zijn. 27 Sta af van het kwade en doe het goede; zoo zult gij bestendig wonen. 28 Want de Heer heeft het recht lief, en verlaat .zijne heiligen niet: eeuwig-lijk worden zij bewaard; maar het zaad der goddeloozen zal uitgeroeid worden. 29 De rechtvaardigen be- |
PSALM 38.
1066
|
erven liet land, en blijven er eeuwiglijk in. 80 Do mond des rechtvaardigen spreekt wijsheid, en zijne tong leert wat recht is. 31 De wet zijns Gods is in zijn hart; zijne treden wankelen niet. 32 De goddelooze loert oj) den rechtvaardige, en zoekt hem te dooden; 3o maar de Heer laat hom niet in zijne hand, cn verdoemt hem niet wanneer hij geoordeeld wordt. 8-1: Wacht op den Heer en houd zijnen weg, zoo zal hij u verhoogen, dat gij het land beërft; gij zult het zien dat de goddeloozen uitgeroeid worden. 85 Ik heb eeneu goddelooze gezien, die was stout, en breidde zich uit en groeide als een laurierboom: — 36 toen men voorbijging, zie, toen was hij weg; ik vraagde naar hem, maar hij werd nergens gevonden. 37 Blijf vroom, en houd u wel; want denzulken zal het ten laatste welgaan. 38 Maar de overtreders worden verdelgd met elkander , en do goddeloozen worden ten laatste uitgeroeid. 39 Maar de Heer helpt de rechtvaardigen, hij is j hunne sterkte in den nood; |
40 en de Heer zal hen bijstaan en zal ze redden, hij zal ze van de goddeloozen redden en hen helpen, want zij vertrouwen op hem. PSALM 38. 1 Een psalm van David ter gedachtenis. — 3 Hoer, straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niet in uwe gramschap. 3 Want uwe pijlen steken iu mij, en uwe hand drukt mij. 4 Er is niets gezonds aan mijn lichaam wegens uwen toorn, en er is geen vrede in mijn gebeente wegens mijne zonde. 5 Want mijne zonden gaan over mijn hoofd, als een drukkende last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijne wonden stinken en vloeien van etter, vanwege mijne dwaasheid. 7 Ik ga krom en zeer gebukt , den geheelen dag ga ik treurig. 8 Want mijne lendenen verdorren geheel, en er is niets gezonds aan mijn lichaam. 9 Ik ben bezweken en zeer verbrijzeld, ik kerm van onrust mijns harten. 10 Heer, voor u is al mijne begeerte, en mijn |
PSAL
M 39.
1067
|
zucli ten is u niet verbor-gm. 11 Mijn liart beeft, mijne kracht heeft mij verlaten, en het lieht mijner oogen is niet bij mij. 12 Mijne metgezellen en vrienden staan tegenover mijne plaag, en mijne bloedverwanten staan van verre. 13 En die mij naar de ziel staan, spannen hunne strikken ; en die mij kwaad j gunnen, overleggen hoe zij schade doen zullen, en gaan onkel met listen om. 14 Maar ik moet zijn als een doove en niet hooren, en als een stomme die zijnen mond niet opendoet. 15 Ja ik moet zijn als iemand die niet hoort, en die geen tegenredenen in zijnen mond heelt. 16 Maar ik wacht. Heer, op n; gij Heer mijn God zult verliooren. 17 Daarom zeg ik; Hat zij zieh toch over mij niet verblijden, zich niet hooglijk tegen mij beroemen wanneer mijn voet wankelt! 18 Want ik ben tot wankelen gereed, en mijne smart is altoos vóór mij. 19 Daarom maak ik u mijne misdaad bekend, en bekommer mij over mijne zonde. |
20 Maar mijne vijanden leven en zijn machtig, die mij onbillijk haten zijn velen. 21 Eu zij, die mij kwaad doen voor goed, kanten zich tegen mij, omdat ik op het goede gesteld ben. 22 Verlaat mij niet. Heer; mijn God, wees niet verre van mij. 28 Haast u om mij bij-testaan, Heer, mijne hulp. PSALM 39. 1 Een psalm van David om voortezingen, voor 'het Icoor van] Jeduthim. — 2 Ik heb mij voorgenomen, dat ik mij zal wachten dat ik niet zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond betoomen, terwijl ik den god-delooze vóór mij zien moet. 3 Ik ben verstomd en slil, en zwijg van dc vreugd; ik moet mijn leed verkroppen. 4 Mijn hart is ontbrand in mijn lichaam; en als ik daaraan deuk, zoo word ik ontstoken. Toen sprak mijne tong; _ 5 Heer, leer mij toch dat het een einde met mij nemen moet, dat mijn leven een perk heeft en ik vanhier moet. 6 Zie, mijne dagen zijn een handbreed bij u, en mijn leven is als niets voorJi:1_ hoe geheel niets floten; |
|
1U6S P S A L menschen, die toet zoo zeker leven! Sela. 7 Zij gaan daarheen als eene schaduw, en maken zich veel ijdele onrust; zij vergaderen en weten niet wie het krijgen zal. 8 Nu Heer, waarmede zal ik mij troosten? Ik hoop op u. 9 Eed mij van al mijne zonden, en laat mij niet ten spot der dwazen worden. 10 Ik ïal zwijgen en mijnen mond niet opendoen; gij zult het wèl maken. 11 Wend uwe plaag van mij, want ik ben versmacht vanwege de straf uwer hand. 13 Wanneer gij iemand kastijdt over de zonde, zoo wordt zijne schoonheid verteerd als van motten. Ach hoe geheel niets zijn toch alle menschen! Sela. 13 Hoor mijn gebed, Heer, en verneem mijn roepen; zwijg niet over mijne tranen ; want ik ben een vree indeling bij u, en een uit-lander, gelijk al mijne vaderen. 14 Laat at' van mij, opdat ik mij verkwikke eer ik heenvaar en niet meer ben. PSALM 40. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 2 1b verwachtte den Heer, |
M 40. en hij neigde zich tot mij en hoorde mijn geschrei; 3 hij trok mij uit den moordkuil, uit het slijk en den modderpoel, en stelde mijne voeten op een rotssteen, en bevestigde mijne treden, 4 en heeft mij een nieuw lied in mijnen mond gegeven , om onzen God te loven. Dit zullen velen zien, en den Heer vreezen en op hem hopen. 5 Welgelukzalig hij die zijne hoop stelt op den Heer, en zich niet wendt tot de hoovaardigen en die met leugens omgaan. 6 Heer mijn God, groot zijn uwe wonderen en uwe beschikkingen over ons; niemand is u gelijk; ik wil ze verkondigen en daarvan spreken, hoewel zij niet te tellen zijn. 7 Offer en spijsoffer behagen u niet, maar deooren hebt gij mij geopend; gij wilt noch brandort'er noch zondoffer. 8 Toen sprak ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. ü Uwen wil, mijn God, doe ik gaarne; en uwe wet heb ik in mijn hart. 10 Ik wil verkondigen de gerechtigheid in de groote gemeente; zie, ik wil mij |
PSALM él.
106'J
|
den mond niet laten stoppen; Heer, dat weet gij. 11 Uwe gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart; van uwe waarheid en van uw heil spreek ik; ik verheel uwe goedheid en trouw niet voor degrootegemeente. 13 Maar gij Heer, wil toch uwe barmhartigheid niet van mij wenden; laat uwe goedheid en trouw mij gestadig behoeden. 13 Want mij hebben omgeven rampen zonder getal; mijne zonden hebben mij aangegrepen, dat ik ze niet zien mag; zij zijn meer dan de haren op mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten. 14 Laat het u behagen. Heer, mij te verlossen; haast u. Heer, mij te helpen. 15 Mogen zij zich schamen en te schande worden, die naar mijne ziel staan om ze te vernielen; mogen zij achterwaarts keeren en schaamrood worden, die mij kwaad gunnen. 16 Mogen zij in hunne schande verschrikken, die tot mij zeggen: Zoo, zoo! 17 Mogen zich verheugen en vroolijk zijn allen die naar ii vragen; en mogen wie uw heil beminnen gestadig zeggen: De Heer zij hooggeloofd. |
18 Want ik ben arm en ellendig, maar de Heer zorgt voor mij; gij zijt mijn helper en verlosser; o mijn God, vertoef niet. PSALM 41. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 3 Welgelukzalig is hij die zich den nooddruftige aantrekt : hem zal de Heer redden in den kwaden tijd. 8 De Heer zal hem bewaren en in het leven behouden, cn het hem laten welgaan op de aarde, en hem nooit aan zijne vijanden prijsgeven. 4 De Heer zal hem verkwikken op zijn ziekbed; in zijne krankheid zult gij zijn leger geheel veranderen. 5 Ik sprak: Heer, wees mij genadig; heel mijne ziel, want ik heb tegen u gezondigd. 6 Mijne vijanden spreken kwaad tegen mij: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan? 7 Zij komen om mij te bezoeken, en meenen het toch niet van harte; maar zij zoeken iets opdat zij lasteren mogen, en gaan naar-buiten om het uittestrooien. S Allen die mij haten mompelen samen tegen mij, en beramen kwaad over mij. 9 Zij hebben eene snoodheid over mij besloten: |
|
1070 PS AL quot;Wanneer hij ligt, zal hij niet weder opstaan. 10 Ook mijn vriend, dien ik vertrouwde, die mijn brood at, heft den voet tegen mij op. 11 Maar gij Heer, wees mij genadig en help mij op, zoo zal ik het hun vergelden. 13 Daaraan merk ik dat gij behagen aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet juichen zal. 13 Maar gij onderhoudt mij om mijner vroomheid wil, en stelt mij voor uw aangezicht eeuwiglijk. 14 Geloofd zij de Heer, Israels God, van nu af tot in eeuwigheid. Amen, amen. PSALM 42. 1 Eene onderwijzing voor de kinderen van Koraoh, om voortezingen. — 3 Gelijk een hert naar waterbronnen schreeuwt, zoo schreeuwt mijne ziel naar u o God. 3 Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God: wanneer zal ik daartoe komen dat ik Gods aangezicht aanschouwe ? 4 Mijne tranen zijn mijne spijs dag en nacht, dewijl men dagelijks tot mij zegt: Waar is nu uw God?' |
M 42. 5 Als ik daaraan gedenk, dan stort ik mijn hart uit bij mijzelven; want ik wilde gaarne heengaan met de schare, en met hen wandelen naar het huis van God, met vroolijkheid en lofgezang, onder de feestvierende menigte. G Wat bedroeft gij u, o mijne ziel, en zijt zoo onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal hem nog danken, dat hij mij helpt door zijn aangezicht. '7 Mijn God, mijne ziel is bedroefd in mij, daarom gedenk ik aan u uit het land aan den Jordaan, uit Hormon, uit het kleine gebergte. S Uwe vloeden ruischen daarheen, dat hier eene diepte en daar eene diepte bruist; lil uwe baren en golven gaan over mij. 9 l)e Heer heeft bij dag zijne goedheid beloofd, en des nachts zing ik hem, en ik bid tot den God mijns levens. 10 Ik zeg tot God: Mijne steenrots, waarom hebt gij mij vergeten? Waarom moet ik zoo treurig gaan, daar mijn vijand mij verdrukt? 11 Het is als een doodsteek in mijne beenderen, dat mijne vijanden mij smaden, als zij dagelijks tot |
|
PSAL1 mij zeggen: Waar is nu uw God? 13 Wat bedroeft gij u, o mijne ziel, en zijt zoo onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal liem nog danken, dat hij de Iralp mijns aangezichts en mijn God is. PSALM 43. 1 Doe mij reclit o God, en voer mijne zaak tegen een onlieilig volk, on red mij van den valsche en onrechtvaardige. 3 Want gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot gij mij? Waarom laat gij mij zoo treurig gaan, daar mijn vijand mij verdrukt? 3 Zend uw licht en uwe waarheid, opdat zij mij leiden, en mij brengen tot uwen heiligen berg en tot uwe woning; 4 en dat ik kome tot den altaar van God, tot den God die mijne vreugd en blijdschap is, en ik u op de harp love. God, mijn God! 5 Wat bedroeft gij u, o mijne ziel, en zijt zoo onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal hem nog danken, dat hij de hulp mijns aangezichts en mijn God is. |
; 43, 44. 1071 PSALM 44. 1 Eene onderwijzing voor de kinderen van Korach, om voortezingen. —• 3 God, wij hebben het met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verhaald, wat gij gedaan hebt in hunne tijden, van ouds af. 3 Gij hebt mot uwe hand de volken verdreven, maar hen hebt gij geplant; gij hebt de volken verdelgd, maar hen hebt gij uitgebreid. 4 Want zij hebben hot land niet ingenomen door hun zwaard, en hun arm hielp hen niet, maar uwe rechterhand, uw arm en het licht uws aangezichts; want gij hadt welbehagen aan hen. 5 God, gij zelf zijt mijn koning, gij die aan Jakob hulp belooft. 6 Door u willen wij onze vijanden nederstooten, in uwen naam willen wij vertreden wie zich tegen ons stellen. 7 Want ik verlaat mij niet op mijnen boog, cn mijn zwaard kan mij niet helpen; 8 maar gij verlost ons van onze vijanden, en maakt te schande wie ons haten. 9 Wij willen dagelijks |
l'SALM 45.
1073
|
roemen in God, en uwen naam prijzen eeuwiglijk. Sela. 10 Waarom verstoot gij ons clan nu, en laat ons te schande worden, en trekt niet uit met ons lieir? 11 Gij laat ons vlieden voor onzen vijand, dat ons berooven wie ons haten. 13 Gij geeft ons over als schapen ter slachting. en verstrooit ons onder de heidenen. 13 Gij verkoopt uw volk omniet, en neemt er niets voor. 14 Gij maakt ons tot smaad bij onze naburen, tot spot en hoon bij degenen die rondom ons zijn. 15 Gij maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, en dat de volken het hoofd over ons schudden. 16 Dagelijks is mijn smaad vóór mij, en mijn aangezicht is vol schaamte, 17 omdat ik de schenders en lasteraars hooren, en de vijanden en wraakgierigen zien moet. IS Dit alles is ons overkomen, en nochtans hebben wij u niet vergeten, noch trouweloos gehandeld tegen uw verbond. 19 Ons hart is niet afgevallen , noch onze gang geweken van uwen weg. |
30 dat gij ons zoo verslaat onder de draken, en ons bedekt met de schaduw des doods. 31 Zoo wij den naam on-zes Gods hadden vergeten, en onze handen opgeheven tot een vreemden god, 33 dat zou God wel vinden; want hij kent immers den grond des harten. 33 Om uwentwil worden-wij dagelijks gedood, en zijn geacht als slachtschapen. 34 Ontwaak Heer, waarom slaapt gij ? Waak op en verstoot ons niet zoo geheel. 35 Waarom verbergt gij uw aangezicht, en vergeet onze ellende en verdrukking ? ■ 36 Want onze ziel is gebogen ter aarde, onze buik kleeft aan den aardbodem. 37 Maak u op, help ons, en verlos ons om uwer goedheid wil. PSALM 45. 1 Eenc onderwijzing, een lied der liefde, voor de kinderen van Korach, om voortezingen. Tan de rozen. — 3 Mijn hart dicht een vroolijk lied; ik zal zingen van een koning; mijne tong-is als de stift eens vaardigen schrijvers. |
PSALM 4G.
1073
|
3 Gij zijt de sclioonste onder alle mensolienkinde-ren, lieftallig zijn uwe lippen; daarom zegent God u eeuvviglijk. 4 Gord uw zwaard aan uwe zijde, gij lield, en versier u schoon. 5 Het moge u gelukken in uw sieraad; trek uit om de waarheid te beschermen, en de ellendigen bij het recht te behouden; zoo zal uwe rechterhand u wonderen doen verrichten. 6 Uwe pijlen zijn scherp, zoodat volken voor u ne-dervallen; [zij treffeti] midden onder de vijanden des konings. 7 God, uw troon blijft altoos en eeuvviglijk, de schepter uws rijks is een rechtmatige schepter; 8 gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met de olie der vreugde boven uwe metgezellen. - 9 Uwe kleederen zijn en-j kei mirre, aloë en kassia, als gij uit de ivoren paleizen tevoorschijn treedt in uwe schoone pracht. 10 In uw sieraad gaan zelfs dochters van koningen ; en de bruid staat aan uwe rechterhand, in enkel kostelijk goud. |
11 Hoor o dochter, en zie daarop, en neig uw oor; vergeet uw volk en uws vaders huis; 13 zoo zal de koning lust hebben aan uwe schoonheid, want hij is uw heer, en gij zult hem onderworpen zijn. 13 De dochter van Tyrus zal met geschenken aldaar zijn, de rijken onder het volk zullen met geschenken uw aangezicht smeeken. li Pes konings dochter is louter pracht in het verborgen, zij is met gouden borduursel bekleed. 15 Men leidt haar in gestikte kleederen tot den koning; en hare speelnoo-ten, de maagden die haar volgen, leidt men tot u, 16 men leidt ze met vreugde en blijdschap, en zij gaan in des konings paleis. 17 In plaats van uwe vaderen [o Teming] zullen uwe zonen zijn, die zult gij tot vorsten stellen in de geheele wereld. 18 Ik wil uwen naam gedenken van kind tot kindskind : daarom zullen de volken u prijzen altoos en eeuwiglijk. PSALM 46. 1 Een lied voor de kinderen van Korach, om voor- |
PSALM 47.
1074
|
tezingen.' Van de jeugd. — 3 God is onze toeverlaat en sterkte, eene hulp in de groote nooden die ons ge-troften hebben. 8 Daarom vreezen wij niet, ofschoon de wereld onderging, en de liergen midden in de zee verzonken; 4 ofschoon de zee raasde en bruiste, en door hare onstuimigheid de bergen invielen. Sela. 5 Nochtans zal de stad Gods zich verblijden in hare fonteinen, waar do heilige woningen des Allerhoogsten zijn. C God is in haar midden, daarom zal zij vast blijven; God helpt haar eer de morgen aanbreekt. 7 Yolken moeten versagen en koninkrijken vallen; het aardrijk moet vergaan, wanneer hij zich laat hooien. 8 De lieer Zebaóth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela. 9 Komt herwaarts en aanschouwt de daden des Hee-i-en, die op de aarde zulke verwoestingen aanricht; 10 die de oorlogen stuit in de geheele wereld, die den boog verbreekt, .de spies in stukken slaat, en de wagens met vuur verbrandt. |
11 Weest stil. en erkent dat ik God ben; ik wil eer behalen onder de volken, ik wil eer behalen op de aarde. 13 De Heer Zebaöth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela. PSALM 47. 1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor-tezingen. — 2 Klapt in de handen, alle gij volken; juicht Gode met een jubelgezang. 3 Want de Heer, de Allerhoogste, is geducht, een groot koning over den ge-heelen aardbodem. 4 Hij zal de volken onder ons vernederen, en de natiën onder onze voeten. 5 Hij verkiest voor ons een erfdeel, de heerlijkheid van Jakob dien hij liefhad. Sela. 6 God trekt op onder gejuich, de Heer onder bazuingeschal. 7 Zingt lof, zingt Gode lof, zingt lof, zingt lof onzen koning. 8 Want God is koning op den geheelen aardbodem; zingt hem dan een gezang. 9 God is koning over de volken, God zit op zijnen heiligen troon. 10 De vorsten der volken zijn verzameld tot het volk |
|
I'S AL J vaii Abralmms God; want God is zeer verhoogd bij de scliilden op do aardo. PSALM 48. 1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. — 2 Groot is de Heer en hooggeroemd in do stad onzos Gods, op zijnen lieili-gen berg. 3 Do berg Siou is als eene sclioone spruit, waarover liet geheele land zich verheugt; aan de zijde tegen het noorden ligt de stad des groo-ten konings. *1 God is in hare paleizen, hij is er bekend als eene hooge beschutting. 5 Want zie, de koningen zijn vergaderd, en met elkander doorgetrokken: 6 zij hebben zich verwonderd toen zij dat zagen, zij hebben zich ontzet en zijn gevloden; 7 beving heeft hen aldaar aangegrepen, angst en wee als eener barende. 8 Gij verbrijzelt de schepen in de zee door den oostenwind. 9 Gelijk wij gehoord hebben, zoo zien wij het aan de stad van den Heer Ze-baóth, aan de stad onzes Gods; God onderhoudt haar eeuwiglijk. Sela. 10 God, wij overdenken [ 48, 49. 1075 |
uwe goedheid in uwen tempel. 11 God, gelijk uw naam is, zóó is ook uw roem tot aan het einde der wereld ; uwe rechterhand is vol gerechtigheid. 12 De berg Sion verheuge zich, en de dochters van Juda mogen vroolijk zijn, om uwer oordeelen wil. 13 Gaat rondom Sion van alle zijden, telt hare torens; 14 vestigt uwe aandacht op hare muren, en beschouwt hare paleizen, opdat men het verkondige aan de nakomelingen. 15 Want deze God is onze God altoos en eeuwiglijk, hij leidt ons tot aan den dood. PSALM 49. 1 Een psalm voor de kindereu van Korach, om voortezingen. — 3 Hoort toe, alle gij volken ; merkt op, gij allen die in dezen tijd leeft: 3 gij geringen en gij hee-ren, beide rijken en armen met elkander. 4 Mijn mond zal van wijsheid spreken, en mijn hart zal. verstandige dingen zeggen. 5 Wij willen eene goede spreuk hooren, en een fraai lied op de harp spelen. |
PSALM 5t).
1076
|
6 Waarom zou ik vreezen in kwade dagen, wanneer de boosheid mijner onderdrukkers mij omringt, 7 die zich verlaten op hun goed, en trotsch zijn op hunnen grooten rijkdom? 8 Niemand kan toch een broeder verlossen, noch iemand aan God een losgeld geven. 9 Want het kost teveel hunne ziel te verlossen, zoodat hij het moet laten blijven ceuwiglijk, 10 of hij ook al lang leeft en den kuil niet ziet. 11 Want men zal zien dat zulke wijzen toch sterven, en zoowel als de dwazen en zotten omkomen, en hun goed aan anderen moeten achterlaten. 12 Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen eeuwig duren, en hunne woningen van geslacht tot geslacht; en zij hebben groote eer op de aarde. 13 Nochtans kunnen zij niet blijven in hunne waardigheid, maar moeten vergaan gelijk het vee. 14 Dit hun doen is enkel dwaasheid, nochtans prijzen hunne nakomelingen het met hunnen mond. Sela. |
15 Zij liggen in het graf als schapen, de dood knaagt hen: maar do vromen zullen zeer spoedig over hen heer-schen; en hun trots moet vergaan, in het graf moeten zij blijven. 16 Maar God zal mijne ziel verlossen uit het geweld des grafs, want hij heeft mij aangenomen. Sela. 17 Laat u niet verbijsteren, wanneer iemand al rijk wordt, wanneer de heerlijkheid van zijn hnis groot wordt; 18 want hij zal in zijn sterven niets raedenemen, en zijne heerlijkheid zal hem niet achternavaren. 19 Maar hij troost zich met dit goede leven, en prijst het als iemand naar goede dagen tracht. 20 Zoo varen zij hunne vaderen achterna, en zien het licht nimmer weer. 21 In het kort: wanneer de mensch in waardigheid is, en geen verstand heeft, dan vaart hij heen gelijk het vee. PSALM 00. 1 Een psalm van Asaf. — God de Heer, de Machtige, spreekt, en roept de wereld op van den opgang-der zon tot aan haren onder-gang. 3 Uit Sion, de schoone, verschijnt God luisterrijk. 3 Ouzo God komt en hij |
PSALM 51.
1077
|
zwijgt niet; een verterend vuur gaat voor hem uit, en rondoni hem een groot onweder. 4 Hij roept hemel en aarde, opdat hij zijn volk riohte: 5 Vergadert mij mijne heiligen, die mijn verbond door oilers vernieuwen. 6 En de hemelen zullen zijne gerechtigheid verkondigen , want God is rechter. Sela. 7 Hoor, mijn volk, laat mij spreken; Israël, laat mij onder u getuigen: ik God, ben uw God. 8 quot;Vanwege uwe otters bestraf ik u niet, daar uwe brandotters altoos vóór mij zijn. 9 Ik wil van uw huis geen varren nemen, noch bokken uit uwe stallen; 10 want al het gedierte in het woud is het mijne, het vee op de bergen, waar zij bij duizenden gaan; 11 ik ken al het gevogelte op de bergen, alle gedierte op het veld is het mijne. 13 Ware het dat mij hongerde, ik behoefde het u niet te zeggen; want mijn is de aardbodem en alwat er op is. 13 Meent gij dat ikstic-renvleesoh eten of bokkenbloed drinken wil? |
14 Otter Gode dank, en beiaal den Allerhoogste uwe geloften. 15 En roep mij aan in den nood: zoo zal ik u redden , en gij zult mij prijzen. 16 Maar tot dengodde-looze spreekt God: Wat verkondigt gij mijne rechten, en neemt mijn verbond in uwen mond, 17 daar gij toch de kastijding haat en mijne woorden achter u werpt? 18 Wanneer gij een dief ziet, zoo loopt gij met hem, en hebt gemeenschap met de overspelers. 19 Uwen mond laat gij het kwade spreken, en uwe tong bedrijft valschheid. 20 Gij zit en spreekt tegen uwen broeder ; den zoon uwer moeder lastert gij. 21 Dit doet gij en ik zwijg; nu meent gij dat ik zijn zal als gij; maar ik zal u straften, en zal het u voor oogen stellen. 22 Merkt dit toch, gij die God vergeet, opdat ik niet wegrukke en er geen verlosser meer zij. 23 Wie dank ottert, die prijst mij; en wie den weg behartigt, dien zal ik Gods heil doen zien. PSALM 51. 1 Een psalm van David om voortezingen; |
PSAL
1078
M 51.
|
3 toen deprofeetNathau tot liem was gekomen, nadat liij tot Bathséba was insre-gaan. — 3 God, wees mij genadig naar uwe goedheid, delg mijne zonden uit naar uwe groote barmljartigheid. 4 Wasoli mij volkomen van mijne misdaad, en reinig mij van mijne zonde. 5 Want ik erken mijne misdaden, en mijne zonde is gestadig vóór mij. 6 ïegen u alleen heb ik gezondigd, en kwaad voor u gedaan; opdat gij recht behoudt in uwe woorden, en rein blijft in uwe gerich-ten. 7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en mijne moeder heeft mij in zonde ontvangen. 8 Zie, gij hebt lust aan de waarheid die in het verborgen ligt; gij laat mij weten de heimelijke wijsheid. 9 Ont zondig mij met hysop, opdat ik rein worde; wasch mij, opdat ik sneeuwwit worde. 10 Laat mij hooren vreugd en blijdschap, dat de beenderen vroolijk worden die gij verbrijzeld hebt. 11 Verberg uw aangezicht van mijne zonden, en verdelg al mijne misdaden. |
13 Schep in mij, o God, een rein hart, en geef mij een nieuwen vasten geest. 13 Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uwen Heiligen Geest niet van mij. 14 Troost mij weder met uwe hulp, en een vrijmoedige geest ondersteune mij. 15 Want ik zal aan de overtreders uwe wegen.lee-ren, dat de zondaars zich tot u bekeeren. 10 Verlos mij van de bloedschuld , o God, gij die mijn God en Heiland zijt, opdat mijne tong uwe gerechtigheid roeme. 17 Heer, open mijne lippen , opdat mijn mond uwen roem verkondige. 18 Want gij hebt geen lust aan oilers, ik wilde ze u anders gaarne geven; en brandofl'ers behagen u niet. 19 De oilers die Gode behagen zijn een verbroken geest; een beangst en verslagen hart zult gij o God niet verachten. 30 Doe wol aan Sion naar uwe goedheid, bouw de muren van Jeruzalem op. 31 Dan zullen u behagen de offers der gerechtigheid, de brandoffers en geheele offers; dan zal men varren op uwen altaar offeren. |
PSALM 32, 53.
1079
|
PSALM 52. 1 Eene onderwijzing van David 0111 voortezinn'en; 2 toen Doeg de Edoraiet gekomen was, en aan Saul te kennen gegeven en gezegd had: David is in Aclii-mélechs huis gekomen. — 3 Wat beroemt gij u, gij dwingeland, dat gij sclia-de kunt doen, daar toch Gods goedheid nog dagelijks duurt? 4 Uwe tong tracht naar schade en snijdt met leugens als een scherp scheermes. 5 Gij spreekt liever het kwade dan het goede, en laster dan waarheid. Sela. 6 Gij spreekt gaarne al-wat ten verderve dient, met eene valsche tong. 7 Daarom zal God u ook geheel en al ternederstorten en verslaan, u uit de hut rukken, en uit het land der levenden uitroeien. Sela. 8 En de rechtvaardigen zullen het zien en vreezen, en zullen over hem spotten: 9 Zie, dat is de man die God niet voor zijnen troost hield, maar zich verliet op zijnen grooten rijkdom, en machtig was om schade te doen. |
10 Maar ik zal blijven als een groene olijfboom in het huis Gods; ik verlaat mij op Gods goedheid altoos en eeuwiglijk. 11 Ik zal u eeuwig loven, want gij kunt het wèl maken , en zal wachten op uwen naam, want uwe heiligen hebben er vreugde aan. PSALM 53. 1 Eene onderwijzing van David, in het koor, om bij beurten voortezingen.— 2 De dwazen spreken in hun hart: Er is geen God. Zij deugen niets en zijn een gruwel geworden met hunne ondeugd, er is niemand die goeddoet. 3 God zag uit den hemel op de menschenkinderen, om te zien of iemand verstandig was, die naar God vroeg; 4 maar zij zijn allen al-gevallen, en altemaal bedorven, er is niemand die goeddoet, ook niet een. 5 Willen dan de kwaaddoeners zich niet laten gezeggen, zij die mijn volk opeten om zichzelve te voeden? God roepen zij niet aan. 6 quot;Straks zijn zij bevreesd, waar niets te vreezen is; want God verstrooit, de beenderen dergenen die u benauwen; gij maakt ze te |
PSALM ElI, 55.
1080
|
scliande, want smaadt lien. 7 Ocli dat de hulp uit Sion over Israël kwam en God zijn gevano-en volk verloste! Dan zou Jakob zich verheugen en Israël vroolijk zijn. PSALM 54. 1 Eene onderwijzing van David, om voortezingen op snarenspel; 3 toen die van Zif gekomen waren en tot Saul gezegd liadden: David heeft zich bij ons verborgen. — 3 Help mij, o God, door uwen naam, en doe mij recht door uwe macht. 4 God, verhoor mijn gebed, verneem de redenen mijns monds. 5 Want hoogmoedigen stellen zich tegen mij, en trotschen staan naar mijne ziel; zij hebben God niet voor oogen. Sela. 6 Zie, God staat mij bij, de Heer beschermt mijne ziel. 7 Hij zal mijnen vijanden hunne boosheid betalen; verdelg hen door uwe trouw. 8 Zoo zal ik u blijmoedig otters brengen, en uwen naam o Heer loven, omdat die zoo troostrijk is. 9 Want gij redt mij uit al mijnen nood, zoodat mijn God |
oog nederziet op mijne vijanden. PSALM 55. 1 Eene onderwijzing van David, om voortezingen op snarenspel. — 3 God, hoor mijn gebed, en verberg u niet voor mijn smeeken. 3 Geef acht op mij en verhoor mij, daar ik .zoo bitter klaag en kerm, 4 dat de vijand zoo schreeuwt, en de godde-looze onderdrukt; want zij willen mij kwaad aandoen, en zijn heftig vergramd op mij- 5 Mijn hart is beangst in mijn lichaam, en verschrikking ties doods is op mij gevallen. 6 Vrees en beving heeft mij aangegrepen, en siddering heeft mij overvallen. 7 Ik sprak: Och had ik vleugelen als de duiven, dat ik heenvliegen en ergens blijven kon! 8 Zie, dan zou ik mij ver-weg begeven, en in de woestijn blijven. Sela. 9 Ik zou mij haasten om te ontloopen voor den stormwind en het onweder. 10 Maak hunne tongen verdeeld, o Heer, en verdelg hen; want ik zie geweld en twist in de stad. |
I'S ALM 56.
1081
|
11 Dit gaat dag en nacht om binnen hare muren; moeite en arbeid is daarin. 12 Schade doen regeert daarin, liegen en bedriegen wijkt niet van hare stra- ; ten. 13 Zoo nog mijn vijand ^ mij schond, ik zou het ver-i dragen; en zoo mijn hater ' zich tegen mij verhief, ik zou mij voor hem verbergen. quot;li Maar gijzijthet, mijn metgezel j mijn vriend en mijn verwant; 15 wij, die vriendelijk tezamen waren, wij wandelden naar het huis Gods met de schare. 16 De dood verrasse hen, en zij mogen levend ten afgrond varen; want enkel boosheid is onder hunnen hoop. 17 Maar ik zal tot God roepen, en de Heer zal mij helpen. 18 's Avonds, 's morgens en 's middags zal ik klagen en kermen, en hij zal mijne stem hooren. 19 Hij verlost mijne ziel van degenen die mij bestrijden, en beschikt haar rust; want velen zijn er tegen mij. 30 God zal hooren, en hen verootmoedigen, hij die eeuwig blijft. Sela. Want |
zij worden niet anders en vreezen God niet. 21 quot;VYant zij slaan hunne handen aan zijne vreedza-men, en ontheiligen zijn verbond. 22 Hun mond is gladder dan boter, en zij hebben toch krijg in den zin; hunne woorden zijn zachter dan olie, en het zijn toch ont-bloote zwaarden. 23 Werp uwe bekommering op den Heer, die zal u verzorgen; hij zal den rechtvaardige niet eeuwig in onrust laten. 24 Maar, o God, gij zult hen nederstorten in den diepen kuil, de bloedgierigen en valschen zullen hun leven niet ter helft brengen. Maar ik hoop op u. PSALM 56. 1 Een gouden kleinood van David, toen de filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. De stomme duif in verre plaatsen. —■ 2 God, wees mij genadig, want menschen willen mij verslinden; dagelijks strijden zij en beangstigen mij. 3 Mijne vijanden verslinden mij dagelijks, want velen strijden tegen mij hoogmoediglijk. 4 Doch als ik vrees, dan hoop ik op u. |
PSALM 57.
1082
|
B Ik zal Gods woord roe-men ; op God zal ik hopen, en niet vreezen; wat zou vleescli mij doen? C Dagelijks doen zij mijne woorden geweld aan; al hunne gedachten zijn om mij kwaacltedoen. 7 Zij scholen samen en loeren , en geven acht op mijne treden, om mijne ziel te grijpen. 8 Wat zij kwaads doen, dat geschiedt vrijelijk. God, stort die lieden zonder genade terneder. 9 Tel mijne vlucht; vat mijne tranen in uwen zak; zonder twijfel gij telt ze. 10 Dan zullen mijne vijanden moeten terugkeeren; als ik roep, zoo zal ik gewaarworden dat gij mijn God zijt. 11 Ik zal Gods woord roemen, des Heeren woord zal ik prijzen. 13 Op God hoop ik en vrees niet: wat kunnen menschen mij doen? 13 God, ik heb u beloofd dat ik u danken zal. 14 Want gij hebt mijne ziel van den dood gered, mijne voeten van het glijden, dat ik wandelen kan voor God in het licht der levenden. |
PSALM 57. 1 Een gouden kleinood van David, om voortezingen; toen hij voor Saul vluchtte in de spelonk. Omdat hij niet omkwam. —■ 2 Wees mij genadig o God, wees mij genadig, want op ii vertrouwt mijne ziel, en onder de schaduw uwer vleugelen neem, ik toevlucht, totdat het ongeluk voorbij is. 3 Ik roep tot God den Allerhoogste, tof God die aan mijn jammer een einde maakt. 4 Hij zendt van den hemel en verlost mij van den smaad mijns verslinders. Sela. God zendt zijne goedheid en trouw. 5 Ik lig met mijne ziel onder de leeuwen; onder menschenkinderen dieop mij vlammen, wier tanden spiesen en pijlen, en wier tongen scherpe zwaarden zijn. G Verhef u, o God, boven den hemel; en uwe eer zij over de geheele wereld. 7 Zij spreiden netten voor mijnen gang, en drukken mijne ziel terneder; zij graven voor mij een kuil —-en vallen zelve daarin. Sela. 8 Mijn hart is bereid o God, mijn hart is bereid om te zingen en te loven. |
1
PSALM 58, 59.
1083
|
9 Wsiak op mijne eer, waak óp mijne luit en liarp; vroeg zal ik opwaken. 10 Heer, ik zal u danken onder de volken, ik zal uwen lof zingen onder de natiën; 11 want uwe goedheid is zoo wijd de hemel is, en uwe waarheid gaat zoo ver de wolken gaan. 13 Verhef u, o God , hoven den hemel; en uwe eer zij over de geheele wereld. PSALM 58. 1 Een gouden kleinood van David, om voortezingen. Omdat hij niet omkwam. — 3 Zijt gij dan stom, dat gij niet spreken wilt wat recht is, en vonnissen wat billijk is , o mensehenkinde-ren? 3 Ja moedwillig doet gij onreeht in het land, en gaat steeds voort met uwe handen geweld te bedrijven. 4 De goddeloozen zijn verkeerd van den moederschoot af, de leugenaars dolen van de geboorte af. 5 Hun woeden is als het woeden eener slang, als van eene doove adder die hare ooren toestopt, 6 opdat zij niet hoore de stem des toovenaars, des bezweerders die ervaren is in het belezen. |
7 God, verbreek hun de tanden in don mond; verbrijzel, Heer, de slagtanden der jonge leeuwen. 8 Zij zullen vergaan als water dat wegvliet; zij mikken met hunne pijlen, maar die breken in stukken. 9 Zij vergaan gelijk eene slak die versmelt, als do ontijdige geboorte eener vrouw zien zij de zon niet. 10 Eer uwe doornen rijp worden aan den doornstruik, zal uw toorn hen versch wegstormen. 11 De rechtvaardige zal zich verheugen als hij zulke wraak ziet, hij zal zijne voeten baden in het bloed des goddeloozen. 13 Dan zullen de lieden zeggen: Do rechtvaardige zal immers vrucht genieten, God is immers nog rechter op de aarde! PSALM 59. 1 Een gouden kleinood van David, om voortezingen. Omdat hij niet omkwam. Toen Saul gezonden had en zij zijn huis bewaakten om hem te dooden. — 3 Eed mij, o mijn God, van mijne vijanden; en beschut mij voor degenen die zich tegen mij stellen. 3 Eed mij van de kwaad- |
Bi
PSALM 60.
1084.
|
doeners, eu verlos mij van de bloedgierigen. 4 Want zie, Heer, zij loeren op mijne ziel, de sterken vergaderen zicli tegen mij, zonder mijne schuld en misdaad. 5 Zij vallen, zonder mijne sclmld, op mij aan, en rusten tegen mij zicli toe; waak op en ontmoet mij, en zie toe. G Gij Heer, God Zebaötli, God van Israël, waak op en bezoek alle heidenen; wees niemand van hen genadig, die zulke trouwelooze kwaaddoeners zijn. Sela. 7 Laat hen des avonds wederkeeren, en huilen als de honden, en in de stad rondloopen. 8 Zie, zij smalen kwaadaardig met hunnen mond; zwaarden zijn op hunne lippen, wie het ook zij die het hoore. 9 Maar gij Heer zult hen belachen, en al de heidenen bespotten. 10 Tegen hunne macht houd ik mij aan u, want God is mijne beschutting. 11 God betoont mij zijne goedheid rijkelijk. God doet mij nederzien oji mijne vijanden. 12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; maar verstrooi hen door uwe maoht, Heer, ons schild, en stort hen neder. |
13 Hunne leer is enkel zonde, en zij volharden in hunne hoovaardij, en spreken enkel vervloeking en leugentaal. 14 Verdelg hen zonder genade, verdelg hen dat zij niet meer zijn, dat men gewaarworde dat God heer-scher is in Jakob, tot aan de einden der wereld. Sela. 15 Laat hen des avonds wederkeeren, en huilen als de honden, en in de stad rondloopen; 16 laat hen hier en daar loopen om spijs, en vernachten zonder verzadigd te zijn. 17 Maar ik zal van uwe macht zingen, en des morgens uwe goedheid roemen; want gij zijt mijne beschutting, eene toevlucht in mijnen nood. 18 Ik zal uwen lof zingen, o mijne sterkte; want gij God zijt mijne beschutting en mijn genadige God. PSALM 60. 1 Een gouden kleinood van David, om voortezingen; van een gouden rozensie-raad; om [door het volle] geleerd te worden. 3 Toen hij gestreden had tegen de S\ riërs van Meso- |
PSALM 01.
1085
|
potamië en tegen de Syriërs van Zoba, toen Joab omkeerde en in het Zoutdal twaalfduizend man der Edo-mieten versloeg. — 3 God, gij die ons liadt verstooten en verstrooid, en toornig waart, troost ons nu weder. 4 Gij die het land hebt geschud en gescheurd, heel zijne breuk, want het is gespleten. 5 Ja gij hebt uw volk eene harde zaak doen ondervinden ; gij hebt ons een dronk wijn gegeven, dat wij tuimelden. 6 Maar gij hebt voor degenen die u vreezen een teeken gesteld, hetwelk zij oprichten en dat hen veilig maakt. Sela. 7 Opdat uwe geliefden bevrijd worden, zoo help nu met uwe rechterhand en verhoor ons. 8 God spreekt in zijn heiligdom, weshalve ik mij verblijd: Ik zal Sichem ver-deelen, en het dal Sukkoth afmeten; 9 Gilead is mijn, en mijn is Manasse, Efraïm is de macht mijns hoofds, Juda is mijn wetgever; 10 Moab is mijn waschvat; mijnen schosn strek ik uit over Edom; Eilistéa juicht mij toe. |
11 Wie zal mij voeren in eene vaste stad? Wie zal mij geleiden tot in Edom? 13 Zult gij het niet doen , o God, gij die ons verstooten hadt, en niet mede uittrokt. God, met ons heir? 13 Verleen ons bijstand in den nood, want menschen-hulp is van geen nut. 14 Met God zullen wij daden doen; hij zal onze vijanden onder den voet treden. PSALM 61. 1 Een psalm van David, om voortezingen op snarenspel. — 3 God, hoor mijn geschrei, en geef acht op mijn gebed. 3 Hierbeneden op de aarde roep ik tot u, wanneer mijn hart in angst is; wil mij toch voeren op eene hooge steenrots. 4 Want gij zijt mijn toeverlaat , een sterke toren tegen mijne vijanden. 5 Ik zal wonen in uwe hut eeuwiglijk, en toevlucht nemen onder uwe vleugelen. Sela. C Want gij o God hoort mijne geloften, gij beloont degenen die uwen naam vreezen. 7 Gij geeft den koning een lang leven, dat zijne |
PSALM 63, 63,
1080
|
jaren duren van geslacht tot geslacht, 8 dat hij altoos blijft zitten voor God; betoon hem goedertierenheid en trouw, dat die hem behoeden. 9 Zoo zal ik den lof nws naams zingen eeuwig-lijk, terwijl ik dagelijks mijne geloften betaal. lt; PSALM G2. 1 Een gebed van David, \yoor het kooi-] van Jedu-thun, om voortezingen. — ■!», 3 Mijne ziel is stil voor God die mij helpt. 3 Want hij is mijn rots, mijn hulp, mijn beschutting, zoodat geen val mij zal nederwerpen, hoe groot die ook zij. 4 Hoelang belaagt gij allen éénen man, om hem te dooden? Gij zijt als een hangende wand en een gescheurde muur. —-S Zij bedenken slechts hoe zij hem vernederen zullen, leggen zich toe op leugens, spreken goede woorden, maar vloeken in-hun hart. jr-eela. 6 Maar mijne ziel hoopt alleen op God, want van hem is mijne verwachting. 7 Hij is mijn rots, mijn hulp en mijn beschutting, zoodat ik niet wankelen zal. 8 Bij God is mijn heil, |
mijne eer ; de steenrots mijnor sterkte, mijn toeverlaat is God. quot;■) Hoopt op hem altijd,'quot;1 o lieden; schudt uw hart voor hem uit; God is ons een toeverlaat. Sela. '1*' 10 Maar de menschen zijn A immers als niets, groote lieden falen ook; zij wegen minder dan niets, zoovelen als er zijn. 11 Verlaat u niet op onrecht en roof; houdt u niet aan hetgeen niets is; valt u rijkdom toe, zoo hecht er uw hart niet aan. 12 God heeft één woord gesproken, dat heb ik meermalen gehoord: dat God alleen machtig is. 13 En gij Heer zijt genadig, en betaalt ieder naar zijn werk. PSALM 63. 1 Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was. — —' 3 God, gij zijt mijn God, vroeg zoek ik u; mijne ziel dorst naar u, mijn vleesch verlangt naar u, in een droog en dor land, waar geen water is. 3 Aldaar zie ik naar u in uw heiligdom, ik wilde gaarne aanschouwen uwe macht en heerlijkheid. 4 Want uwe goedheid is |
PSALM 64, 65. / JüSÏ
/■' S
|
beter dan liet leven; mijne lippen prijzen u. 5 Aldaar wilde ik u gaarne loven mijn ganse,he leven door, en mijne handen in uwen naam opheflen. 6 Pat zou mijns harten vreugd en blijdschap zijn, als ik u niet vroolrjken mond loven kon. 7 Als ik mij te bed leg. zoo denk ik aan u; als ik ontwaak, zoo spreek ik van u. 8 Want gij zijt mijn helper, en onder de schaduw uwer vleugelen roem ik. 9 Mijne ziel hangt u aan, uwe rechterhand onderhoudt niij- 10 Maar zij staan mij naar het leven om mij te overvallen: zij zullen nederwaarts varen onder de aarde; 11 zij zullen in het zwaard vallen, en den vossen ten deel worden. 13 Maar de koning verheugt zich in Gotl; wie bij hem zweert, zal geroemd worden; want de leugenmon-den zullen toegeitopt wot-den. PSALM 64. 1 Een psalm van David om voortezingen. — 2 God, hoor mijne stem als ik klaag; behoed mijn leven voor den gruwzamen vijand. ^ . .1. A , ■ /gt; i 'j f i |
3 Verberg mij voor de vergadering der boozen, voor den hoop der kwaacldoeners; 4 die hunne tongen scher- jt pen als een zwaard, die» met hunne vergiftige woor- | den mikken als met pijlen, 1 5 opdat zij heimelijk den vrome treilen; onverhoeds schieten zij op hem, en zonder eenigen schroom. 6 Zij zijn stout in hunne , kwade aanslagen, en spreken \ af hoe zij strikken zullen spannen, en zeggen: Wie kan ze zien? 7 Zij beramen euveldaden, en houden het geheim; zij zijn loos, en hebben listige streken. 8 Maar God zal hen ook onverhoeds treilen met een pijl, dat bet hun diepe wonden zal openen ; 0 hun eigen tong zal hen vellen, zoodat hen bespotten zal wie hen ziet. 10 En alle menschen die het zien, zullen zeggen; Dat heeft God gedaan! ei;e merken dat het zijn werkag] 11 Ds rechtvaardigen woiI len zich in den Heer verhe. gen, en op hem vertrouwen en alle vromen van hart zullen .zich beroemen. *quot;quot;quot; PSALM 65. Squot; / 4 1 Een psalm van David, een lied om voortezingen, — % |
1
|
1088 3 God, in jstiltej looft men ü te Sion; en tl betaalt men de geloften. — ---3 Gij verhoort het gebed, daarom komt alle vleesok tot u. . 4 Onze misdaad drukt ons zwaar; wil tocli onze zonden vergeven. quot;n 5 Welgelukzalig hij dien gij verkiest en tot u laat komen, opdat hij wonê in uwe voorhoven; die heeft rijken troost van uw huis, van uwen lieiligeiMempel. 1 6 Verhoor ons naar de wonderbare gerechtigheid, God, onze Heiland, gij die aller toeverlaat zijt op de aarde, en der ver gelegenén i naifde zee; 7 die Qe bergen bevestigt door uwe kracht, en toegerust zijt met macht; 8 gij die het bruisen der zee stilt, het bruisen harer golven en het razen der volken; 9 dat zij, die aan hare ein-iden wonen, zich ontzetten snrer uwe teekenen' Alwat P roert maakt gij vroolijk, Joo des morgens als des 7%v^-ds. Gij bezoekt het land, -enkt het, en maakt het rijk; Gods beek heeft loed van water; gij laat é ;oren wel gedijen, en t aldus het land. Vc K |
1 Een psalm, een lied om voortezingen. — Juicht Go- i de, gij gansche aarde, f j 3 Zingt Ter eer van zijnen naam, roemt hem heerlijk. 3 Zegt tot God; Hoe wonderbaar zijn uwe werken! Het zal uw vijanden mislukken wegens uwe groote macht. 4 Het geheele land aan-bidde u, het zinge uwen lof en love uwen naam. Sela. T PSALM 66. 11 Gij drenkt zijne voren, en bevochtigt het geploegde; met regen maakt gij het__ week, en zegent zijn gewas.vquot; 12 Gij kroont het jaar met ' uwe goedheid, en uwe voetstappen druipen van vettig-SjH held; ? 13 de weiden in de woestijn zijn ook zoo vet dat zij druipen , en de heuvels zijn rondom vroolijk. 11 Pe velden zijn vol schapen, en de landouwen staan bedekt met koren, zoodat men juicht en zingt. PSALM 66. S j •gt; Komt herwaarts en ziet % de quot;werken Gods, die zoo wonderbaar is in zijn doen ' onder de menschenkinderen.^' 6 Hij VCTÈnïcrèrt dë zee in het droge, dat men te voet j door het water gaat; deswege verheugen wij ons in hem. ' t?' heerscht met zijne fel |
ï
67- t Tot hem
1089
17 Tot hem riep ik met mijnen mond, en ik prees hem met mijne tong.
18 Zoo ik eenig onrecht voorhad in mijn hart, dan zou de Heer mij niet verhoeren.
19 Maar God verhoort
PSALM
Uiaclit eeuwiglijk; zijne oo-gen zien op de volken; de afvalligen zullen^zicli niet kunnen verlieffen. Sela. ,8 Looft, gij volken, onzen God, en doet zijnen roem alom ruchtbaar worden;
|
behoudt, en onze vosten niet laafquot;wankelen. '10 Want gij hebt ons wel beproefd, o God, gij hebt ons gelouterd gelijk men het zilver loutert; 11 gij hebt ons laten werpen in den toren, gij hebt een last gelegd op onze lendenen ; ■ 13 gij hebt menschen laten gaan over ons hoofd, wij zijn in vuur en water gekomen, maar gij hebt er ons ook weder uitgevoerd en ons verkwikt. 13 Daarom wil ik met brandoffers in uw huis gaan, en u mijne geloften betalen; 14 alzoo heb ik mijne lippen geopend, en mijn mond heeft gesproken in mijnen nood: 15 Ik zal u vette brand-ofl'ers offeren van rookende rammen, ik zal offeren runderen en bokken. Sela. 16 Komt herwaarts, hoort toe, gij allen die God vreest, ik zal verhalen hetgeen hij aan mijne ziel gedaan heeft. |
'smeeken. 20 Geloofd zij God, die .mijn gebed niet verwerpt, imoch zijne goedheid van mij 'afwendt. PSALM 67. 1 Een psalm, een lied om voortezingen op snaren* spel. — 2 God zij ons genadig en zegene ons, hij doe zijn aangezicht over ons lichten, sela, 3 opdat wij op de aarde zijnen weg erkennen, onïïer allo volken zijn heil. 4 Góïï, u loven de volken, ii loven alle volken. 5 De natiën verhemr quot; zich en juichen, omdfi^.!!6 de volken oordeelt mé™,' lijkheid, en de liedei?0'quot; de aarde regeert. Sela. . 6 God, u loven de vói1 ken, u loven alle volken. 7 ' Het land geeft zijn gewas; God, onze God, ze-gene ons. 8 God zegene ons, en al de wereld vreeze hen' 9 die onze ziel.in het leven (mij, en geeft acht op mijn |
PSALM 68.
iO'JO
|
PSALM 68. 1 Een psalm, een lied van David, om voortezingen. — 3 God staat op, opdat zijne vijanden verstrooid worden, en die hem haten voor hem vluchten. 3 Verdrijf hen gelijk de rook verdreven wordt; gelijk was versmelt voor het vuur, zoo mogen de god-deloozen omkomen voor God. 4 Maar de rechtvaardigen mogen zich verblijden, en vroolijk zijn voor God, en zich van harte verheugeu. t 5 Zingt Gode, looft zijnen naam; maakt een gebaanden weg voor hem die daar zacht heen vaart: zijn naam is Heer; en verheugt u voor hem, 6 die een vader der weezen is en een rechter der weduwen , hij is God, in zijne heilige woning; 7 een God die den eenza- •en het huis vol kinderen f'en 't, die de^ngevangeneiL sprir 'el't ter recMm- tyd, in m-.-'ffvalIigen laat blijven in dorre. God , toen gij voor uw volk uittrokt, toen gij daarheen gingt in de woestijn, sela, 9 toen beefde de aarde, en de hemelen dropen voor dezen God op Sinaï, voor |
dien God die Israels God is. 10 Maar nu geeft gij, God, • een genadigen regen; en uw erfdeel, dat dor is, verkwikt gij, 11 opdat uwe kudde daarin kunne wonen; God, gij laaft de ellendigen met uwe goederen. 12 De Heer geeft het woord door groote scharen van verkondigers eener blijde boodschap. 13 De koningen der heir-scharen zijn weggedreven; en zij die tehuisbleven dee-len den buit uit. Ié Wanneer gijlieden op het veld u nederlegt, glinstert het als de vleugels der duiven, die als zilver en goud blinken. 13 Wanneer de Almach-tige de koningen onder hen verstrooit, wordt het helder waar het donker is. 16 Gods berg is een vrucht- ' bare berg, een groot en vruchtbaar gebergte. 17 Wat huppelt gij groote bergen ? God heeft lust op dezen berg te wonen, ook zal de Heer daar altoos blijven. 18 De wagens Gods zijn vele duizendmaal duizenden; de Heer is onder hen, heilig als op Sinaï. 19 Gij zijt in de hoogte gevaren, en hebt gevange- oo quot;fv V du I H( 1 do -v. |
I
PSALM 68.
1091
|
nen gevoerd in'triomf; gij hebt geschenken ontvangen van menschen, zelfs van afvalligen, omaldaar te blijven, Heere God. 20 Geloofd zij de Heer dagelijks. God legt ons een last op, maar hij helpt ons ook. Sela. s*- 31 Wij hebben een God y die helpt; en bij den Heere i Heere is uitkomst tegen den dood. -- Maar God zal den kop zijner vijanden in stukken breken, mefTiunnen harigen «fjiedel, die in hunne zon-ien voortgaan. • quot;quot; '23 Dóch, spreekt de Heer, ik zal van de vetten eenige halen, uit de diepte der zee zal ik eenige halen; 24 daarom zal uw voet in het bloed der vijanden ge- • verfd worden, en uwe hon-• den zullen het likken. 25 Men ziet, o God, hoe gij daarheen trekt; hoe gij, mijn God en koning, daarheen trekt in het heilig- r dom. 26 De zangers gaan vooruit , daarna de speellieden, temidden der trommelende | maagden. 27 Looft God den Heer, in de ver;gt;quot; 'ering, voor de |
. fontein vi -Sraël. ! 28 Daar heerscht onder J hen de kleine stam Benjamin, de vorsten van .Tuda met hunne scharen, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali. 29 Uw God heeft uw rijk opgericht; wil toch bevestigen , o God, wat gij aan ons gewrocht hebt. 30 Om uws tempels wil te Jeruzalem zullen de koningen u geschenken brengen. 31 Scheld het gedierte in het riet, de menigte der stieren onder hunne kalveren , hen die stukken zilver vertreden; verstrooi de volken die gaarne oorlogen. 32 De vorsten van Egypte zullen komen, Mooreniand zal zijne handen uitstrekken tot God. 33 Gij koninkrijken dei-aarde , zingt Gode lof; prijst den Heer, sela, 31' hem die door den hemel vaart, welke is van den beginne af aan; zie, hij zal zijnen donder kracht geven. 35 Geeft Gode eer: zijne heerlijkheid is in Israël, en zijne macht in de wolken. 36 God is wonderbaar in zijn heiligdom; hij is de God van Israël, hij zal zijn volk macht en kracht geven. Geloofd zij God. |
i
PSALM 69.
1092
|
PSALM 69. 1 Een psalm van Davirl om voortezingen; van de rozen. — 2 God, help mij; want liet water is tot aan de ziel gekomen. 3 Ik zink in diepe modder waar geen grond is, ik ben in diepe wateren, en de vloed overstelpt mij. 4lt; Ik heb mij moede geroepen , mijne keel is heesoh, het gezicht vergaat mij, omdat ik zoolang moet wachten op mijnen God. 5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan ik haren op mijn hoofd heb; die mij onverdiend vijandig zijn en mij verderven, zijn machtig ; ik moet betalen hetgeen ik niet geroofd heb. 6 God, gij weet mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn u niet verborgen. 7 Laat in mij niet te schande worden wie u verwachten, Heer, Heer Zebaoth; laat in mij niet schaamrood worden wie u zoeken, God van Israël. 8 Want om uwentwil draag ik smaad, mijn aangezicht is bedekt met schande; 9 ik ben een vreemde geworden voor mijne broeders, en een onbekende voor de kinderen mijner moeder. |
10 Want ik ijver mij schier dood om uw huis, en de smaadredenen der ge- .: smaden vallen op mij. 11 En ik ween en vast bitterlijk, en men bespot mij nog daarenboven. 12 Ik heb een zak aange- i trokken, maar zij drijven » met mij temeer den spot; 13 die in de poort zitten praten van mij, en in de drinkgelagen zingt men van mij. 14 Maar ik bid. Heer, tot u, in den aangenaiquot;^quot; tijd, door uwe groote goeci-heicl o God: verhoor mij met uwe trouwe hulp. 15 Eed mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke; réd -mij van mijne haters en uit het diepe water; 16 opdat de watervloed mij niet overstelpe, en de diepte mij niet verslinde, en de mond des kuils niet over mij toega. 17 Yerhoor mij o Heer, want uwe goedheid is troostrijk; keer u tot mij, naar uwe groote barmhartigheid; 18 en verberg uw aangezicht niet voor uwen knecht; want mij is bang; verhoor mij spoedig. 19 Nader tot mijne ziel en verlos haar; om mijner vijanden wil, verlos mij. die |
PSALM 70.
1093
|
20 Gij kent mijne smaad-lieid, scliande en schaamte; mijne tegenparlijders zijn allen vóór u. 21 De smaad breekt mij het hart en krenkt mij; ik wacht of het iemand jammert, maar er is niemand, en op vertroosters, maar ik vind er geen. 22 En zij geven mij gal te eten, en edik te drinken in mijnen grooten dorst. 23 Hunne tafel moge voor hen tot een strik worden, tot eene vergelding en tot ,ü!fi' valstrik; r 34 hunne oogen mogen duister worden dat zij niet zien, en laat hunne lendenen altoos waggelen. 25 Stort uwe ongenade over hen uit, en do gloed uwe toorns grijpe hen aan. 26 Hunne woning moge woest worden, en er zij niemand die in hunne hutten woont. 27 Want zij vervolgen wien gij geslagen hebt, en roemen dat gij de uwen zeer slaat. 28 Laat hen vallen uit de ééne zonde in de andere, zoodat zij niet komen tot uwe gerechtigheid. 29 Delg hen uit het boek der levenden, zoodat zij met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. : |
30 Maar ik ben ellendig en in smart; God. uwe hulp beschutte mij. 31 Ik wil den naam Gods loven met een lied, en zal hem hooglijk eeren met danken. 32 Dit zal den Heer beter behagen dan varren, die hoornen en verdeelde klauwen hebben. 33 De ellendigen zien het en verheugen zich; en gij die God zoekt, dat dit uw hart verk wikke. 34 Want de Heer hoort de armen, en veracht zijne gevangenen niet. 35 Hem love hemel, aarde en zee en al wat zich daarin roert. 36 Want God zal Sion helpen, en de steden van Juda bouwen, opdat men aldaar wone en ze bezitte; 37 en het zaad zijner knechten zal ze beërven, en wie zijnen naam liefhebben zullen daarin wonen. PSALM 70. 1 Een psalm van David om voortezingen, tot eene gedachtenis. — 3 Haast u, o God, om mij te redden; Heer, om mij te helpen. 3 Mogen zij zich schamen en te schande worden die naar mijne ziel staan, mogen |
PSALM 71.
1094
|
zij terugkeeren en gehoond worden die mij kwaad wen-sclien. 4 Dat zij wederom te schande worden, die over mij schreeuwen: Zoo, zoo! 5 Verheugd en vroolijk mogen in u zijn wie naar u vragen; en wie uw heil liefhebben mogen altoos zeggen: Hooggeloofd zij God. 6 Maar ik ben ellendig en arm; God, haast u tot mij, want gij zijt mijn Helper en verlosser; mijn God, vertoef niet. PSALM 71. 1 Heer, ik betrouw op u; laat mij nimmer te schande worden. 3 Eed mij door uwe gerechtigheid en help mij uit, neig uwe ooren tot mij en hel]) mij. 3 Wees mij eene steenrots waarheen ik altoos vlieden kan, gij die toegezegd hebt mij te helpen; want gij zijt mijne steenrots en miju burg. 4 Mijn God, help mij uit de hand des goddeloozen, uit de hand des onrechtvaardi-gen en wreeden. 5 Want gij zijt mijn toeverlaat, Heere Heere, mijne hoop van mijne jeugd af. 6 Op u heb ik mij verlaten van mijne geboorte af; gij hebt mij uit den moederschoot getogen; in u was steeds mijn roem. »1.: |
7 Ik ben voor velen als een wonder, want gij zijt mij een sterke toeverlaat. 8 Laat mijn mond van uwen roem en uwen lof vol zijn, dagelijks. 9 Verwerp mij niet in mijnen ouderdom, verlaat mij niet wanneer ik zwak word. 10 Want mijne vijanden spreken tegen mij, en die op mijne ziel loeren beraadslagen met elkander, 11 en zeggen: God heeft hem verlaten; jaagt lie.quot; na en grijpt hem, want er is geen verlosser. 13 God, wees niet verre van mij; mijn God, haast u om mij te helpen. 13 Mogen zich schamen en omkomen wie tegen mijne ziel zijn, mogen zij niet schande en hoon overdekt worden die mijn ongeluk zoeken. 14 Maar ik zal altoos verbeiden, en uwen roem gestadig grooter maken. 15 Mijn mond zal uwe gerechtigheid verkondigen, dagelijks uw heil, ofschoon ik het alles niet tellen kan. 16 Ik ga voort in de krachten des Heeren Hee-ren; ik prijs uwe gerechtigheid alleen. 17 God, gij hebt mij van |
PSALM 12.
1095
|
jongs af geleerd; daarom verkondig ik uwe wonderen. 18 Verlaat mij ook niet, o God, in den ouderdom als ik grijs word, opdat ik uwen arm verkondige aan kindskinderen, en uwe kracht aan allen die nog komen zullen. 19 God, uwe gereclitig-lieid is hoog, gij die groote dingen doet; God, wie is u gelijk? 20 Gij liet mij vele en groote angsten wedervaren, en maakt mij weder levend, en haalt mij weder opwaarts uit de diepte der aarde. 31 Gij maakt mij zeer groot en troost mij weder. 23 Daarom dank ik u ook met de luit voor uwe trouw, mijn God; ik prijs u op de harp, o Heilige in Israël. 23 Mijne lippen en mijne ziel, die gij verlost hebt, zijn vroolijk en zingen u-wen lof. 241 Ook vermeldt mijne tong dagelijks uwe gerechtigheid, want schamen mogen zich en te schande worden wie mijn ongeluk zoeken. PSALM 72. 1 Voor Salomo. — God, geef uw gericht aan den koning, en uwe gerechtigheid aan 's konings zoon, |
3 opdat hij uw volk het recht aanbrenge, en uwe ellendigen redde. 3 Laat de bergen den vrede brengen aan het volk, en de heuvelen de gerechtigheid. 4 Hij zal het ellendige vo'k bij het recht behouden, en de armen helpen, en de lasteraars verbrij ielen. 5 Men zal u vreezen, zoolang er zon en maan zullen zijn, van kind tot kindskinderen. 6 Hij zal nederdalen als de regen op het veld, als de druppels die het land bevochtigen. 7 In zijnen tijd zal de rechtvaardige bloeien, en groote vrede, tot de maan niet meer zijn zal. 8 Hij zal heerschen van de céne zee tot de andere, en van de rivier af tot aan de einden der wereld toe. 9 Voor hem zullen zich buigen die in de woestijn zijn, en zijne vijanden zullen het stof likken. 10 De koningen aan de zee en op de eilanden zullen gcschenkcn brengen, de koningen uit rijk Arabic en Seba zullen gaven toevoeren. 11 Alle koningen zullen |
PSALM 73.
1096
|
ziek voor hom nederbui-gen, alle volken zullen liein dienen. 12 Want hij zal den arme redden die roept, en den ellendige die geen helper heeft. 13 Hij zal den geringe en arme genadig zijn, en de zielen der armen zal hij helpen. 14 Hij zal hunne zielen van het bedrog en geweld verlossen, en hun bloed zal dierbaar geacht worden bij hem. 15 Hij zal leven, en uien zal hem van het goud uit rijk Arabic geven, en men zal altoos voor hem bidden; dagelijks zal men hem loven. 16 Op de aarde bovenop de bergen zal het koren dik staan, zijne vrucht zal ruischen als op den Lil)a-non, en zal bloeien in de steden als het welig kruid der aarde. 17 Zijn naam zal eeuwig-lijk blijven; zoolang de zon duurt, zal zijn naam op de nakomelingen voortgeplant worden, en zij zullen door hem gezegend zijn; alle volken zullen hem prijzen. 18 Geloofd zij God de Heer, Israels God, die allcón wonderen doet; 19 en geloofd zij zijn heerlijke naam eeuwiglijk, en |
alle landen mogen van zijne ■ 'eer vol worden. Amen, amen. —■ 20 He gebeden van David den zoon van Isai hebben een einde. PSALM 73. 1 Een psalm van Asaf. — Israel heeft immei s God tot een troost, wie slechts rein van hart is. 3 Maar ik had schier gestruikeld met mijne voeten, mijne treden waren bijna uitgegleden. 3 VVant het verdroot mij vanwege de roemzuchtigen, toen ik zag dat het den god-deloozen zoo welging. 4 Want zij verkeeren niet in doodsgevaar, maar staan vast als een paleis. ö Zij zijn met in ongeluk gelijk andere lieden, en worden niet als andere menschen geplaagd. 6 Daarom omringt hen de trotschheid als eene halsketen, en het geweld bedekt hen als een gewaad. 7 Hun persoon is opgeblazen als een gemeste buik; het gelukt hun alles wat zij slechts denken. 8 Zij vernielen alles, en spreken er kwaad van, en spreken en lasteren hoogmoedig. 9 Hetgeen zij spreken, da |
PSALM 74
1097
|
moet als van don kemel af gesproken zijn; wat zij zeggen , dat moet gelden op de aarde. 10 Daarom valt hun het gemeene volk toe, en zij loo-pen naar hen toe bij hoopen, als water. 11 Zij zeggen: Hoe zou God naar hen vragen, en de Allerhoogste op hen acht geven ? 13 Zie, zóó zijn de goddo-loozen: zij zijn gelukkig in de wereld en worden rijk. 13 Zal bet dan. vergeefs zijn dat mijn hart onbestrafbaar leeft, en ik mijne handen in onschuld wasch? li Maar ik ben geplaagd dagelijks, en mijne straf is iederen morgen daar. 15 Ik had ook schier zoo gezegd als zij; maar neen, dan zou ik veroordeeld hebben al uwe kinderen die ooit geweest zijn. 16 Ik peinsde of ik het begrijpen kon, maar het was mij te zwaar; 17 totdat ik in Gods heiligdom ging, en lette op hun einde. 18 Want gij plaatst hen op gladde steilten, en stort hen tegrondc. 19 Hoe worden zij zoo plotseling vernietigd, zij gaan ouder en némen een einde met verschrikking! |
20 Als een droom wanneer men ontwaakt, zoo maakt gij Heer hun beeld in de slad versmaad. 21 Maar het doet mij in het harte leed, en steekt mij in mijne nieren, 23 cïat ik een dwaas moet zijn en niets weten, en als een redeloos dier voor u moet zijn. 33 Nochtans blijf ik steeds bij u, want gij houdt mij bij mijne rechterhand; 34 gij leidt mij naar uwen raad, en neemt mij eindelijk in heerlijkheid op. 25 Wanneer ik slechts u heb, zoo vraag ik niets naar hemel en aarde. 36 Al ware het ook dat mij lijf en ziel versmachtte, zoo zijt gij toch, o God, altijd de troost mijns harten en mijn deel. 37 Want zie, wie van u wijken zullen omkomen; gij roeit allen uit die van u afvallen. 2 8 Maar dit is mijne vreugd, dat ik mij nabij God houd, en den Hcere Heere tot mijn toeverlaat stel, om al uw doen te verkondigen. PSALM 74. 1 Eene onderwijzing van Asaf. — God, waarom verstoot gij ons zoo geheel, en |
PSALM 74-
1098
|
ontbrandt uw toorn tegen de schapen uwer weide? 3 Gedenk aan uwe gemeente , die gij van ouds verworven en u tot een erfdeel verlost hebt, aan den berg Sion waarop gij woont. 3 Treed op hen met voeten , en stoot hen geheel te-gronde : de vijand heeft alles vernield in het heiligdom. i Uwe wederpartijders brullen in uwe huizen, zij zetten hunne afgoden daarin. 5 Men ziet de opgeheven bijlen blinken, gelijk men in een woud houwt; 6 zij houwen al het beeldhouwwerk in stukken met bijlen en hamers. 7 Zij verbranden uw heiligdom , zij ontwijden de woning uws naams tot de aarde toe. 8 Zij zeggen in hun hart: Laat ons hen plunderen. Zij verbranden alle huizen Gods in het land. 9 Onze teekenen zien wij niet; geen profeet predikt meer, en geen leeraarleert ons meer. 10 Ach God, hoelang zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand uwen naam eeuwig lasteren? 11 Waarom wendt gij uwe hand af? Trek toch uwe rechterhand geheel uit uwen boezem. |
12 Maar God is mijn koning van ouds af, die alle hulp verleent welke op de aarde geschiedt. 13 Gij verdeelt de zee door uwe kracht, en verbreekt de koppen der draken in het water; 14 gij verslaat de koppen der walvisschen, en geeft ze tot spijs aan het volk in de woestijn. 13 Gij laat fonteinen en beken ontspringen, gij laat sterke stroomen uitdrogen. IC Dag en nacht zijn de uwe; gij maakt dat zon en gesternten hunneu vasten loop hebben. 17 Gij stelt aan elk land zijne grenzen; zomer en winter maakt gij. 18 Zoo gedenk toch daaraan , dat de vijand den Heer smaadt, en een dwaas volk uwen naam lastert. 19 quot;Wil toch aan het gedierte de ziel uwer tortelduif niet geven, en de schaar uwer ellendigen niet zoo geheel vergeten. 20 Gedenk aan het verbond ; want het land is overal jammerlijk overheerd, en de huizen zijn vol van geweld. 21 Laat de geringe niet met schande weggaan, want de armen en ellendigen roemen uwen naam. |
|
PSALM 33 Sta bp o God, en voer uwe zaak uit; gedenk aan den smaad die u dagelijks van de dwazen wedervaart. 33 Vergeet niet liet geroep uwer vijanden, het razen uwer wederpartijders wordt hoe langer hoe grooter. PSALM 75. 1 Een psalm, een lied van Asaf; omdat hij niet omkwam ; om voortezingen. — 3 Wij loven u, God, wij loven u, en verkondigen uwe wondoren, dat uw naam zoo nabij is. 3 „Te zijner tijd zal ik recht oordeelen. 4 Het land beeft, en allen die er in wonen; maar ik houd zijne zuilen vast.quot; Sela. 5 Ik sprak tot de trot-schen: Koemt zoo niet; en tot de gotldeloozen: Verheft u niet op maeht, 6 Verheft u dan niet zoozeer op uwe macht, spreekt niet halsstarrig, 7 dat het geen nood heeft, noch uit het oosten, noch uit het westen, noch uit het gebergte in de woestijn. 8 Want God is rechter, die dezen vernedert en genen verhoogt. 9 Want de Heer heeft een beker in de hand met ster-75, 76. 1099 |
ken wijn gevuld, hij schenkt daaruit, en alle goddeloozen moeten drinken en de hef uitslurpen. 10 Maar ik wil het verkondigen eeuwiglijk, en den God van Jakob loven. 11 Ja \zeide GW], ik wil alle geweld der goddeloozen verbreken, maar het vermogen des rechtvaardigen zal verhoogd worden. PSALM 7G. 1 Een psalm, een lied van Asaf, op snarenspel, om voor-tezingen. —- 3 God is in Juda bekend, in Israël is zijn naam heer-ïijfc; 3 in Salem is zijne tent, en zijne woning op Sion. 4 Aldaar verbreekt hij de pijlen des boogs, schild, zwaard en oorlogstuig. Sela. 5 Gij zijt heerlijker en machtiger dan het roofge-bergte. 0 De hoogmoedigen moeten beroofd worden en ontslapen , en al de krijgslieden moeten de handen laten zakken. 7 Van uw schelden, oGod van Jakob, zinken beide wagen en paard in slaap. 8 Gij zijt verschrikkelijk: wie kan voor u bestaan als gij toornig zijt? 9 Wanneer gij het oordeel |
tSALHI 77.
1100
|
laat hooren van den liemel, zoo verschrikt het aardrijk en wordt stil, 10 wanneer God ten gerichte opslaat, om alle ellen-digen op de aarde te helpen. Sela. 11 Wanneer menschen tegen u woeden, legt gij eer in; en als zij nog meer woeden, zijt gij ook nogtonge-rnst. 13 Doet geloften en betaalt ze den Heer uwen God, gij allen die rondom hem zijt; brengt geschenken aan den Hooggeduchte, 13 die den vorsten den moed beneemt, en vreese-lijk is voor de koningen der aarde. PSALM 77. 1 Een psalm van Asaf, yoor [liet koor wt«] Jeduthun, om voortezingen. —- 3 Ik roep met mijne stem tot God; tot God roep ik, en hij verhoort mij. 3 In den tijd van mijnen nood zoek ik den Heer; mijne hand is des nachts uitgestrekt en laat niet af, want mijne ziel wil zich niet laten troosten. 4 Als ik bedroefd ben, dan denk ik aan God ; wanneer mijn hart in angst is, dan spreek ik. Sela. |
5 Gij houdt mijne oogen wakende; ik ben zoo onmachtig dat ik niet spreken kan. G Ik deuk aan den ouden tijd, aan de voorledene jaren. 7 Ik denk des nachts aan mijn snarenspel, en spreek in mijn hart, en ik peins in mijn gemoed: 8 Zal dan de Heer eeuwig-lijk verstoolen, en geen genade meer betoonen? 9 Is het dan geheel uit met zijne goedheid, en heeft de belofte een einde? 10 Heeft God vergeten genadig te zijn, en zijne barmhartigheid uit toorn toegesloten ? Sela. 11 Maar echter sprak ik; Ik moet dit lijden; de rechterhand des Allerhoogsten kan alles veranderen. 13 Daarom gedenk ik aan de daden des Heeren,jaik gedenk aan uwe aloude wonderen , 13 en overpeins al uwe werken, en spreek van uw doen. 14 God, uw weg is heilig: waar is zulk een machtig God, als gij o God zijt ? 15 Gij zijt die God die wonderen doet; gij hebt uwe macht betoond onder de volken. 16 Gij hebt uw volk ver- |
|
lost door uwe maelit, tie kinderen van Jakob en Jozef. Sela. 17 De wateren zagen u o God, de wateren zagen u, en werden beangst; en de diepten werden beroerd. 18 De dikke wolken stortten water uit, de wolken donderden, en de stralen vlogen daarheen 19 Het donderde in den liemel; uwe bliksemstralen verlichtten den aardbodem; het aardrijk was ontzet en beefde er van. 20 Uw weg was in de zee, en uw pad in groote wateren , en men bespeurde echter uwen voet niet. 21 Gij leiddet uw volk gelijk eene kudde schapen, door de hand van Mozes en Aaron. PSALM 78. 1 Eene onderwijzing van Asaf. — Hoor, o mijn volk, naar mijne onderwijzing; neigt uwe ooren tot de redenen mijns monds. 2 Ik zal mijnen mond openen met diottspreuken, en oude verhalen uitspreken; 3 die wij gehoord hebben en weten, en die onze vaders ons verhaald hebben, 4 opdat wij ze niet verbergen zouden voor hunne kinderen die uaniaals ko- |
1101 men, verkondigende den roem des Heeren, en zijne macht en wonderen die hij gedaan heeft. 5 Hij richtte eene getuigenis op in Jakob, en gaf eene wet in Israël, welke hij onzen vaderen gebood aan hunne kinderen bekend-temaken, 6 opdat de nakomelingen die leeren mochten, en de kinderen die nog zouden geboren worden; en dat wanneer zij opgroeiden, zij die weder aan hunne kinderen verkondigen zouden, 7 en zij hunne hoop op God zonden stellen, en de daden Gods niet vergeten, en zijne geboden onderhouden, 8 en niet zouden zijn ala hunne vaderen: een afvallig en ongehoorzaam geslacht , welks hart niet vast was, en welks geest niet getrouw bleef aan God; 9 gelijk de kinderen van Etraïm, die geharnast den boog voerden, afvielen ten tijde des strijds. 10 Zij onderhielden Gods verbond niet, en wilden naar zijne wet niet wandelen, 11 maar vergaten zijne daden en zijne wonderen, welke hij hun getoond had. 12 Voor hunner vaderen p S A li H 78. |
PSALM 78.
1102
|
oog deed hij wonderen in Egypteland, in het veld van Zoan. 13 Hij deelde de zee en liet hen er doorgaan, en stelde het water als een muur. 14 Hij leidde hen bij dag door eene wolk, en bij nacht door lichtgevend vuur. 15 Hij spleet do steenrotsen in de woestijn, en drenkte hen met water in overvloed , 16 en liet beken uit de steenrots vlieten, dat zij afvloeiden als waterstroomen. 17 Maar nog gingen zij voort tegen hem te zondigen, en vertoornden den Allerhoogste in de woestijn, 18 en verzochten God in hun hart, begeerende spijs naar hunnen lust. 19 En zij spraken tot God en zeiden: Ja, zou God wel eene tafel kunnen bereiden in de woestijn? 20 Zie, hij heeft wel de steenrots geslagen, dat de wateren vloeiden en beken stroomden; maar hoe kan hij brood geven en aan zijn volk vleesch beschikken? 21 Toen nu de Heer dat hoorde, ontstak hij in toorn, en vuur ontbrandde over Jakob, en [zijn\ toorn kwam over Israël, |
22 omdat zij niet geloofden aan God, en niet hoopten op zijne hulp. 23 En hij gebood de wolken daarboven, en deed de deuren des hemels open, 24 en liet manna op hen regenen tot spijs, en gaf hun hemelbrood. 25 Zij aten engelenbrood; hij zond hun spijs in me-nigte; 26 hij liet den oostenwind waaien onder den hemel, on verwekte door zijne sterkte den zuidenwind, 27 en liet vleesch op hen regenen als stof, en vogels als zand aan de zee, 28 en liet ze vallen in hun leger, overal waar zij woonden. 29 Toen aten zij en werden verzadigd, en hij liet hen hunnen lust bevredigen. 30 Toen zij nu hunnen lust nog niet gestild hadden en zij er nog van aten, 31 kwam Gods toorn over hen, en doodde de voor-naamsten van hen, en sloeg de besten van Israël terneder. 32 Maar boven dat alles zondigden zij nog meer, en geloofden niet bij al zijne wonderen. 33 Daarom liet hij hen wegsterven dat zij niets verkregen, en zij moesten hun leven lang geplaagd zijn. |
I
PSALM 78.
]]03
|
8i Als hij lien doodde, zochten zij Uem, en keerden zich met ijver tot God, 35 en gedachten dat God hun rots was, en God de Allerhoogste hun verlosser. 36 Doch zij vleiden hem slechts met hunnen mond, en logen voor hem met hunne tong; 37 want hun hart was niet vast aan hem, en zij werden niet getrouw aan zijn verbond. 38 Maar hij was barmhartig, en vergat' de misdaad, en verdelgde hen niet, en wendde dikwijls zijnen toorn af, en deed niet zijnen geheelen toorn ontbranden; 39 want hij was indachtig dat zij vleesch waren, een wind die daarheen vaarten niet wederkomt. 40 Zij vertoornden hem zeer dikwijls in de woestijn, en ontrustten hem in de woestijn. 41 Zij verzochten God altoos weder, en stelden den Heilige in Israël een perk. 43 Zij dachten niet meer aan zijne hand, op dien dag toen hij hen van de vijanden verloste; 43 toen hij zijne teekenen gedaan had in Egypte, en zijne wonderen in het land van Zoan; |
44 toen hij hunne stroomen in bloed veranderde, hunne beken dat zij ze niet drinken konden; 45 toen hij ongedierte onder hen zond dat hen verteerde, en vorschen die hen verdierven, 40 en hun gewas aan de rupsen gaf, en hun zaad aan de sprinkhanen; 47 toen hij hunne wijnstokken met hagel sloeg, en hunne moerbezieboomen met hagelsteenen; 48 toen hij hun vee sloeg met hagel, en hunne kudden met vurige stralen; 49 toen hij Engelen des verderfs onder hen zond, in zijnen grimmigen toorn, en ze liet razen, woeden en leed doen; 50 toen hij zijnen toorn liet voortgaan, en hunne zielen van den dood niet verschoonde, en hun vee aan de pest liet sterven; 51 toen hij alle eerstgeborenen in Egypte sloeg, de eerste erfgenamen in de hutten van Cham, 53 en zijn volk liet uittrekken als schapen, en hen leidde als eene kudde in de woestijn; 53 en hij leidde hen veilig, dat zij niet vreesden, maar de zee bedekte hunne vijanden. 54 En hij bracht hen in |
PSALM 10.
1104-
|
zijne heilige grenzen, tot het gebergte door zijne rechterhand veroverd, 55 en verdreef de volken voor hen uit, en liet hen het erf uitdeelen, en liet de stommen Israels in hunne hutten wonen. 56 Maar zij verzochten en vertoornden God den Allerhoogste, en hielden zijne getuigenissen niet, 57 en vielen terug en verachtten alles gelijk hunne vaders, en weken af gelijk een verslapte boog, 58 en vertoornden hem met hunne hoogten, en tergden hem met hunne afgoden. 59 En toen God dat hoorde, ontstak hij in toorn en verwierp Israël zeer, 60 zoodat hij zijne woning te Silo verliet, de hut waarin hij onder do men-schen woonde; 61 en hij gaf hunne macht in de gevangenschap, en hunne heerlijkheid in de hand des vijands, 63 en gaf zijn volk over aan het zwaai'd, en ontstak in gramschap over zijn erfdeel. 63 Het vuur verteerde hunne jonge manschap, en Lnnno jongedochters moesten ongehuwd blijven. |
fi t Hunne priesters vielen door het zwaard, en hunne weduwen weenden niet. 65 En de Heer ontwaakte als uit den slaap, gelijk een sterke juicht die van den wijn komt; I 66 en hij sloeg zijne vijanden van achteren, en deed hun eene eeuwige schande aan. 6? Doch hij verwierp de hut van Jozef, en verkoos den stam van Efraïm niet; 68 maar hij verkoos den stam van Juda, eh dén berg Sion dien hij liefhad, 69 en bouwde zijn heiligdom hoog, als het aardrijk dat eeuwiglij k vaststaat. 70 En hij verkoos zijnen knecht David, en nam hem van de schaapskooien op; 71 van achter de zoogende schapen haalde hij hem-, opdat hij zijn volk Jakob weiden zoude en zijn erfdeel Israël. 72 Eu hij weidde hen ook met alle getrouwheid, en regeerde ze met alle naarstigheid. PSALM 79. 1 Een psalm van Asaf. —f Heer, volken zijn in uw erfdeel gevallen, zij hebben uwen heiligen tempel verontreinigd, en van Jeruzalem steenhoopen gemaakt. 1 1 S® |
PSALM 80,
1105
|
3 Zij hebben de lijken uwer knechten aan de vogelen des hemels te verslinden gegeven, en het vleeseh uwer heiligen aan de dieren in het land. 3 Zij hebben hun bloed vergoten rondom Jeruzalem als water, en er was niemand die hen begroef. 4 Wij zijn onzen naburen ^ tot een smaad geworden, tot een spot en hoon den-I genen die rondom ons zijn. i 5 Heer, hoelang zult gij J zoo geheel toornig zijn, en ■ uwen ijver als vuur laten ■ branden ? 0 Schud uwe grimmig-; lieid uit op de volken die 1 u niet kennen, en op koninkrijken die uwen naam | niet aanroepen. 7 Want zij hebben Jakob verslonden, en zijne huizen ^ verwoest. 8 Gedenk niet onze vo-. rige misdaden; ontferm u spoedig over ons, want wij zijn zeer verminderd. 9 Help ons, God onze helper, om de eer uws ; naams; red ons en vergeef . ons onze zonden, om uws 1 naams wil. 10 Waarom laat God de heidenen zeggen; Waar is nu hun God? Laat onder de heidenen voor onze oogen bekend worden de wraak |
over het bloed uwer knechten dat vergoten is. 11 Laat het zuchten dei-gevangenen voor u komen; behoud nog door uwen arni de kinderen des doods; 13 en vergeld onzen naburen zevenvoudig in hunnen boezem den smaad waarmede zij u Heer gesmaad hebben. 13 Maar wij, uw volk, de schapen uwer weide, danken u eeuwiglijk, en verkondigen uwen roem immer en altoos, PSALM SO, 1 Een psalm van Asaf; van het rozensieraad; om voortezingen. — 3 Gij herder van Israël, hoor; gij die Jozef leiddet als schapen; verschijn, gij die zit boven de cherubs. 3 Verhef uwe macht, gij die voor Efraïm, Benjamin en Munasse zijt, en kom ons te hulp. 4 God, troost ons, en laat uw aangezicht lichten, zoo worden wij genezen. 5 Heer, God Zebaóth, hoelang zult gij toornig zijn bij liet gebed uws volks? G Gij spijst hen niet tra-nenbrood, en drenkt hen met eene groote maat vol tranen. 7 Gij maakt ons tot een |
PSALM 81.
1106
|
twistappel onzer naburen, en onze vijanden bespotten ons. 8 God Zebaötb, troost ons, laat uw aangezicht lichten, zoo worden wij genezen. 9 Gij hebt een wijnstok uit Egypte gehaald, en hebt de heidenen verdreven en hem geplant; 10 gij hebt den grond voor hem bereid, en hem laten inwortelen, zoodat hij het land vervuld heeft. 11 Bergen zijn met zijne schaduw bedekt, en met zijne ranken de cederen Gods. 13 Gij hebt zijn gewas uitgebreid tot aan de zee, en zijne scheuten tot aan de rivier. 13 Waarom hebt gij zijne heining gebroken, dat ieder die voorbijgaat hem verscheurt ? 14 De wilde zwijnen hebben hem doorwroet, en de wilde dieren hebben hem verdorven. 15 God Zebaóth, keer toch weder; staar uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok. 16 Onderhoud hem dien uwe rechterhand geplant heeft, om den zoon dien gij u vast verkoren hebt. 17 Zie neder en scheld, opdat het branden en scheuren een einde neme. |
18 Uwe hand beschutte het volk uwer rechterhand, en de lieden die gij u vast verkoren hebt. 19 Zoo zullen wij niet van u afwijken; laat ons leven, zoo zullen wij uwen naam aanroepen. 20 Heer, God Zebaóth, troost ons; laat uw aangezicht lichten, zoo worden wij genezen. PSALM 81. 1 Op de gittith, om voortezingen. Van Asaf. — 2 Zingt vroolijk Gode die onze sterkte is; juicht den God van Jakob. 3 Neemt het speeltuig, en geeft herwaarts de trommels, liefelijke harpen en luiten. 4 Blaast de bazuinen op den dag der nieuwemaan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag. 5 Want dit is eene inzetting in Israël, en een recht van .Takobs God. 6 Dat heeft hij tot eene getuigenis gesteld onder Jozef, toen zij uit Egypte-land trokken, en eene vreemde spraak gehoord hadden; 7 toen ik hunnen schouder van den last ontslagen had, en hunne handen vau de potten bevrijd. |
PSALM 82, 88.
HOT
|
8 Toen gij mij in den nood aanriept, hielp ik u uit; ik verhoorde u uit de schuilplaatsen des donders; ik verzocht u aan het water der twisting. Sela. 9 Hoor, mijn volk, ik wil onder u getuigen; Israël, gij zult mij hooren. 10 Onder u zal geen ander god zijn, en gij zult geen vreemden god aanbidden. 11 Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland gevoerd heeft; die, als gij uwen mond wijd opendeedt, hem steeds vulde. 13 Maar mijn volk hoorde niét naar mijne stem, en Israël had geen lust aan mij. 13 Daarom heb ik hen gelaten in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden naar hunnen raad. 14 Wilde mijn volk mij gehoorzaam zijn, en Israël in mijne wegen wandelen, 15 dan zou ik hunne vijanden ras vernederen, en mijne hand tegen hunne wederpartijders wenden. 16 Die den Heer haten, zouden zich geveinsdelijk aan hem onderwerpen, maar hun tijd zou eeuwig duren. 17 En ik zou hen met de beste tarwe spijzen, en met honig uit de steenrotsen verzadigen. |
PSALM 82. 1 Een psalm van Asaf. —• God staat in de gemeente Gods, en is rechter onder de goden: 2 Hoelang zult gij onrechtvaardig richten, en den persoon der goddeloozen voortrekken ? Sela. 3 Doet recht den arme en den wees, en helpt den ellendige en behoeftige tot het recht; 4 redt den geringe en arme, en verlost hem uit het geweld der goddeloozen. 5 Maar zij laten zich niet gezeggen, en slaan er geen acht op; zij gaan altoos heen in de duisternis; daarom moeten alle grondvesten des lands wankelen. G Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, allen zonen des Allerhoogsten; 7 maar gij zult echter sterven als menschen, en gelijk een tiran tegronde-gaan. 8 God, sta op en richt het aardrijk; want gij zijt een heer over alle volken. PSALM 8o. 1 • Een psalm, een lied van Asaf. — 2 God, zwijg toch niet en wees niet stil; God, houd u niet als doof. |
PSALM Si.
1108
|
3 quot;Want zie, uwe vijanden razen, en die u haten steken het hoofd omhoog. 4 Zij smeden listige aanslagen tegen uw volk, en houden samen raad tegen uwe verborgenen. 5 Welaan, zeggen zij, laat pns hen uitroeien dat zij geen volk meer zijn, opdat aan Israels naam niet meer gedacht worde. 6 Want zij hebben zich met elkander vereenigd, en een verbond tegen u gemaakt : 7 de hutten der Eilomie-ten en Ismaëlieteu, der Moabieten en Hagarenen; 8 de Gebalieten, Ammonieten en Amalekieten; de Filistijnen met de inwoners van Tyrus; 9 Assur heeft zich óók bij hen gevoegd, en zij helpen de kinderen van Lot, Sela. 10 Doe hun als den Mi-dianieten, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 11 die verdelgd werden bij Endor, eu werden tot slijk op de aarde. 12 Maak hunne vorsten als Orel) en Zeëb, al hunne oversten als Zebah en Zal-munna, 13 die zeiden: Wij willen de huizen Gods bemachti-gen. |
14 God, maak hen gelijk het dwarrelend zand, gelijk stoppels voor den wind. 15 Gelijk een vuur het wond verbrandt, en gelijk eene vlam de bergen aansteekt , 16 vervolg hen alzóó met uw on weder, en verschrik hen met uwen wervelwind. 17 Bedek hun aangezicht met schaamte, opdat zij naar uwen naam mogen vragen. 18 Mogen zij zich schamen en verschrikken, altoos meer en meer, en te schande worden en omkomen: 19 zoo zullen zij erkennen, dat gij alleen, wiens naam Heer is, de Allerhoogste zijt in de geheele wereld. PSALM 81. 1 Een psalm voor de kiiir deren van Korach, om voortezingen op de gittith. — 2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen. Heer Zebaóth. 3 Mijne ziel verlangt en haakt naar de voorhoven des Heeren, mijn lichaam eu mijne ziel verheugen zich in den levenden God. 4 De musch zelfs heeft een huis gevonden, en de zwaluw haar nest waar zij hare jongen legt, namelijk bij uwe altaren. Heer Ze-baóth, mijn koning en mijn God. 5 Welgelukzalig zijn dege- |
PSALM 85.
1109
|
lien die in uw Luis wonen, en u altoos mo^en loven. Seia. 6 Welgelukzalig zijn die menscihen die u voor hunne sterkte kouden, en van harte u nawandelen. 7 Gaan zij door dorre dalen , zij achten die als waterbronnen, alsof een milde regen hen rijkelijk overdekte. 8 Zij behalen de ééne overwinning na de andere, zoo-dat men ziet dat de rechte God te Sion is. 9 Heer, God Zebaoth, hoor mijn gebed; verneem het, Jakobs God. Sela. 10 God, ons schild, zie neer, en aanschouw het aangezicht van uwen gezalfde. 11 Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik wil liever de deur bewaren van het huis mijns Gods, dan vertoeven in de hutten der god-deloozen. 12 Want God de Heer is zon en schild, de Heer geeft genade en eer, hij zal het goede den vromen niet onthouden. 13 Heer Zebaóth, welgelukzalig is de mensch die zich op u verlaat. PSALM 85. 1 Een psalm voor de kinderen van Koraeh, om voortezingen. — |
2 Heer, gij die eertijds uw land genadig zijt geweest, eu Jakobs gevangenen hebt verlost; 3 gij die eertijds de misdaad hebt vergeven aan uw volk, en al hunne zonden bedekt; sela; 4 gij die eertijds uwen gansehen toorn hebt inge-houden , en afgelaten van de hitte uwer grimmigheid, 5 troost ons, o God onze Heiland, en laat af van uwe ongenade over ons. 6 Wiit gij dan eeuwiglij k over ons toornig zijn, en uwe gramschap uitstrekken van geslacht tot ge-sla 'hl ? 7 Wilt gij ons dan niet weder verkwikken, opdat uw volk zich in u verheuge? 8 Heer, toon ons uwe genade, en help ons. 9 Och dat ik hooren mocht dat God de Heer sprak, dat hij vrede toezeide aan zijn volk eu aan zijne heiligen, opdat zij niet weder tot dwaasheid mochten komen. 10 Doch gewis is zijne hulp nabij degenen die hem vreezen, opdat in ons land eer wone. 11 . Dat goedertierenheid en trouw elkander ontmoeten , gerechtigheid en wede elkander kussen. 13 Dat waarheid uit de |
i
PSALM 86.
1110
|
aarde opwasse, en gerechtigheid van den hemel ne-derzie. 13 Ook zal de Heer ons het goede schenken, en ons land zijn gewas geven. 14 Gerechtigheid zal voor hem uitgaan en op den weg zijner voetstappen treden. PSALM 86. 1 Een gebed van David. — Heer, neig uwe ooren en verhoor mij, want ik ben ellendig en arm. 3 Bewaar mijne ziel, want ik ben onschuldig; help gij, mijn God, uwen knecht die zich op u verlaat. 3 Heer, wees mij genadig, daar ik dagelijks tot u roep. 4 Verheug de ziel van uwen knecht, want naar u Heer verlang ik. 5 Want gij o Heer zijt goed en genadig, van groote goedheid voor allen die u aanroepen. 6 Verneem, o Heer, mijn gebed, en geef acht op de stem mijns smeekens. 7 In den dood roep ik tot u: wil mij toch verhoeren. 8 Heer, niemand is u gelijk onder de goden, en niemand is er die doen kan zooals gij. |
9 Alle volken die gij gemaakt hebt, zullen komen en voor u aanbidden. Heer, en uwen naam eeren, 10 omdat gij zoo zijt, en wonderen doet, en alléén God zijt. 11 Wijs mij. Heer, uwen weg, opdat ik wandele in uwe waarheid; bewaar mijn hart bij het eenige, dat ik uwen naam vreeze. 12 Ik dank u, Heer mijn God, van ganscher harte, en eer uwen naam eeu-wiglijk; 13 want uwe goedheid is gij hebt uit den groot over mij, mijne ziel gered diepsten afgrond. 14 God, de hoogmoedigen stellen zich tegen mij, en de hoop der tirannen staat naar mijne ziel; zij hebben u niet voor oogen. 15 Maar gij Heere God zijt barmhartig en genadig, lankmoedig en van groote goedheid en trouw. 10 Wend u tot mij, wees mij genadig; sterk uwen knecht met uwe macht, en help den zoon uwer dienstmaagd. 17 Doe mij ten goede een teeken, opdat die mij haten het zien en zich schamen, dat gij mij bijstaat, Heer, en mij troost. groot |
PSALM 87, 88.
lill
|
PSALM 87. 1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Ko-rach. — Zij is rast gegrond op de heilige bergen. 2 De Heer bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob. 3 Heerlijke dingen worden in u gepredikt, o stad van God. Sela. 4 Ik zal laten prediken aan Rahab en Babel, opdat zij mij mogen kennen; zie, de Filistijnen en ;le ïyriërs benevens de Mooren zullen aldaar geboren worden. 5 Men zal van Sion zeggen, dat allerlei lieden aldaar geboren worden; en hij, de Allerhoogste, zal zelf haar bevestigen. 6 De Heer zal laten prediken in allerlei talen, dat die allen ook aldaar geboren zijn. Sela. 7 En de zangers, bij reien, zullen allen in u zingen om beurten. PSALM 88. 1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Ko-rach, om voortezingen; van ■ de zwakheid der ellendigen; eene onderwijzing van He-| man den Ezrahiet. — ; 2 Heere God, mijn Heiland, ik roep dag en nacht voor u: ?ij ge-■comen Heer, groot et, en - | uwen sle in • mijn lat ik mijn larte, eeu- lid is hebt den ligen ; , en ; staat bben God dig, oote wees ;wen , en fflst- ieen aten len, eer. |
3 laat mijn gebed voor u komen, neig uwe ooren tot mijn geschrei. 4 Want mijne ziel is vol jammer, en mijn leven s nabij het graf. 5 Ik ben geacht als degenen die ten grave dalen, ik ben als een man die geen hulp heeft; 6 ik lig onder dc dooden, verlaten als de verslagenen of die in het graf liggen, aan welke gij niet meer denkt, en (lie van uwe hand afgezonderd zijn. 7 Gij hebt mij nederwaarts in den kuil gelegd, in de duisternis en in de diepte. 8 Uwe gramschap drukt mij, en gij overstroomt mij met al uwe vloeden. Sela. 9 Mijne vrienden hebt gij van mij verwijderd, mij hun tot een gruwel en afgrijzen gemaakt; ik lig gevangen en kan er niet uitkomen. 10 Mijne gedaante is jammerlijk van ellende; ik roep u o Heer dagelijks aan, ik breid mijne handen tot u uit. 11' Zult gij dan aan dooden wonderen doen, of zullen de gestorvenen opstaan en u loven? Sela. 12 Zal men in de graven |
PSALM 89.
1112
|
uwe goedheid vermelden, en uwe trouw in het verderf? 13 Zullen dan xuve wonderen in de duisternis bekend worden, en uwe gerechtigheid in het land der vergetelheid ? l-i Maar ik roep tot u o Heer, en iniju gebed komt eiken morgen voor u. 15 Waarom, o Heer, verstoot gij mijne ziel, en verbergt uw aangezicht voor mij ? 16 Ik ben ellendig en machteloos, dat ik zoo ver-stooten ben; ik tors al uwe verschrikkingen en ben wanhopig. 17 Uwe gramschap gaat over mij, uwe verschrikkingen drukken mij. 18 Zij omgeven mij dagelijks als water, en omringen mij alle tegelijk. 19 Gij maakt dat mijne vrienden en metgezellen en mijne bekenden zich verre van mij begeven, wegens zulk eene ellende. PSALM 89. 1 Eene onderwijzing van Ethan den Ezrahiet. — 2 Ik wil zingen van de genade des Heeren eeuwig-lijk, en zijne waarheid verkondigen met mijnen mond immer en altoos. |
3 Want dus spreek ik; Er zal eene eeuwige genade ' opgaan, en gij zult uwe waarheid getrouwelijk houden in den hemel, gende]; 4 ik heb een verbond gesloten met mijnen uitverkorene, ik heb aan mijnen knecht David gezworen : 5 Ik zal u eeuwiglijk zaad geven, en uwen troon-bouwen immer en altoos. Sela. 6 De hemelen zullen, o Heer, uwe wonderen prijzen , en uwe waarheid in de gemeente der heiligen. 7 Want wie kan in den hemel den Heer gelijk geacht worden, en onder de zonen der goden den Heer gelijk zijn? S God is zeer machtig in de vergadering der heiligen, en wonderbaar boven allen die rondom hem staan. 9 Heer, God Zebaöth, wie is als gij, een machtig God, en uwe trouw is rondom u! 10 Gij heerscht over de woede der zee; gij stilt hare baren als zij zich ver-heti'en. 11 Gij veldet liahab neer, gij verstrooidet uwe vijanden door uw sterken arm. 13 Hemel en aarde zijn de uwe; gij hebt denaard- |
1
PSALM 89.
1118
|
^ ^: Ijodein gegrond, en wat ;emul(! J[aal-0p ig. : quot; quot;'f . 13 Noorden eu zuiden ' I1011quot; liebt gij geschapen; Tabor \.zeU- en Hermon juichen in uwen naam. 14 Gij hebt een machtigen arm; sterk is uwe hand, en uwe rechterhand is hoog. 15 Gerechtigheid en gelicht zijn de grondvesten van uwen troon, genade en waarheid zijn voor uw aangezicht. 16 Welgelukzalig is het volk dat juichen kan: Heer, zij zullen in het licht uws aangezichts wandelen. 17 Zij zullen zich dagelijks 'in uwen naam verheugen, ; en in uwe gerechtigheid heerlijk zijn. 18 Want gij zijt de roem hunner sterkte, en door uwe genade zult gij onzen hoorn vetiioogen. 19 Ue Heer is ons schild, en de Heilige in Israël is onze koning. 30 In dien tijd spraakt gij in een gezicht tot uwen heilige, en zeidet: Ik heb een held verwekt die helpen zal, ik heb een uitverkorene uit het volk verhoogd ; 31 ik heb mijnen knecht David gevonden, ik heb hem gezalfd met mijne heilige olie. |
33 Mijne hand zal hem bestendig ondersteunen, en mijn arm zal hem versterken. 33 De vijanden zullen hem niet overweldigen, eu de onrechtvaardigen zullen hem niet onderdrukken. 34 Maar ik zal zijne we-derpartijders slaan voor hem uit, en wie hem haten zal ik plagen. 35 Eu mijne waarheid en genade zullen bij hem zijn, en zijn hoorn zal in mijnen naam verhoogd worden. 30 Ik zal zijne hand uit» strekken tot aan de zee, en zijne rechterhand tot aan de groote rivier. 37 Hij zal mij noemen: Gij zijt mijn Yader, mijn God en mijn rots die mij helpt. 28 En ik zal hem tot eersten zoon maken, den hoogste onder de koningen der aarde. 29 Ik zal mijne genade voor hem eeuwiglij k behouden, en mijn verbond met hem zal vast blijven. 30 Ik zal hem eeuwiglijk zaad geven, en zijnen troon onderhouden zoolang de hemel duurt. 31 Maar indien zijne kinderen mijne wet verlaten en na'ir mijne rechten niet wandelen , |
PSALM 89.
1114
|
32 indien zij mijne inzettingen ontheiligen en mijne geboden niet onderliouden, 33 zoo zal ik hunne zonde met de roede bezoeken, en hunne misdaad met pla-gen. 34 Maar mijne genade zal ik niet van hem wenden, en mijne waarheid niet tot leugen maken. 35 Ik zal mijn verbond niet ontheiligen, en niet veranderen wat uit mijnen mond gegaan is. 36 Ik heb ééns gezworen bij mijne heiligheid: Ik zal aan David niet liegen. 37 Zijn zaad zal eeuwig zijn, en zijn troon voor mij gelijk de zon. 38 Gelijk de maan zal hij eeuwiglijk bevestigd zijn, en als de getuige in de wolken gewis zijn. Sela. 39 Maar nu verstoot en verwerpt gij uwen gezalfde, en zijt toornig op hem. 40 Gij versmaadt het verbond uws knechts, en werpt zijne kroon ter aarde. 41 Gij verscheurt al zijne muren, en laat zijne vestingen afbreken. 42 Allen die voorbijgaan berooven hem; hij is zijn naburen ten spot geworden. 43 Gij verhoogt de roch-terhand zijner wederpartij-ders, en verheugt al zijne vijanden. |
44 Ook hebt gij de kracht zijns zwaards weggenomen, en laat hem niet overwinnen in den strijd. 45 Gij verstoort zijne reinheid , en werpt zijnen troon ter aarde. 46 Gij verkort den tijd zijner jeugd, en bedekt hem met hoon. Sela. 47 Heer, hoelang zult gij u zoo geheel verbergen, en uwe gramschap als een vuur doen blaken? 48 Gedenk toch hoe kort mijn leven is; waarom zoudt gij alle menschen vergeefs geschapen hebben? 49 Waar is iemand die leeft en den dood niet ziet, die zijne ziel kan redden uit de macht des grafs ? Sela. 50 Heer, waar is uwe vorige genade, welke gij aan David gezworen hebt bij uwe trouw ? 51 Gedenk, Heer, aan den smaad uwer knechten, dien ik draag in mijnen boezem van zoovele volken; 52 met welken u. Heer, uwe vijanden smaden, met welken zij smaden de voetstappen van uwen gezalfde. 53 Geloofd zij de Heer eeuwiglijk. Amen, amen. |
|
T van Mozes den man Gods. — Heere God, gij zijt onze toevlucht immer en altoos. i 2 Eer de bergen werden, en de aarde en de wereld gescliapen waren, zijt gij o God van eeuwigheid tot eeuwigheid. 3 Gij doet de mensehen sterven, en spreekt: Komt weder gij menschenkinderen. 4 Want duizend jaren zijn voor u gelijk de dag van gisteren die voorbij is, en als eene nachtwaak. 5 Gij laat ze heenvaren als een stroom, en zij zijn gelijk een slaap, als gras dat spoedig verwelkt, G dat vroeg bloeit en schielijk verwelkt, en des avonds afgesneden wordt en verdort. 7 Het is uw toorn dat wij zoo vergaan, en uwe gramschap dat wij zoo verschrikt worden. 8 Want onze misdaden stelt gij u voor oogen, onze heimelijke zonden in het licht van uw aangezicht. 9 Zoo gaan al onze dagen daarheen in uwen toorn, wij brengen onze jaren door als een gesprek. 10 Ons leven duurt zeventigjaren; zoo het hoog komt. Een gebed |
1115 zijn het tachtig jaren; en als het kostelijk geweest is, is het moeite en arbeid geweest; want het vaart snel weg, als vlogen wij heen. 11 Maar wie gelooft het dat gij zoo toornig zijt, en wie vreest voor deze uwe grimmigheid? 13 Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij verstandig worden. 13 Heer, keer u toch weder tot ons, efi wees uw knechten genadig. 11 Vervul ons vroeg met uwe gunst, zoo willen wij roemen en vroolijk zijn ons leven lang. 15 Verblijd ons nu weder naar de dagen dat gij ons geplaagd hebt, naar de jaren dat wij ongeluk leden. 10 Toon aan uwe knechten uwe werken, en uwe eer aan hunne kinderen. 17 En de Heer onze God zij ons goedgunstig, en be-vordere het werk onzer handen bij ons, ja hét werk onzer handen moge hij bevorderen. PSALM 91. 1 Wie onder de bescherming' des Allerhoogsfen gezeten is, en onder de schaduw des Almachtigen blijft, 2 die zegt tot den Heer: Mijn toeverlaat en mijn PSALM 00, 91. PSALM 90. |
i
PSALM 93.
1116
|
burg, mijn God op wien ik lioop! 3 Gewis hij zal u redden uit den strik des jagers, en van het verderf der afgronden. 4 Hij zal u met zijne vlerken dekken, en uw toevoor-zicht zal zijn ondor zijne vleugelen; zijne trouw is n tot scherm en schild, 5 dat gij niet vreezen zult voor den schrik des nachts, voor de pijlen die bij dag vliegen, 6 voor de pest die in het duister waart, voor de ziekte die op den middag woedt. 7 Of er al duizend vallen aan uwe zijde, en tienduizend aan uwe rechterhand, u zal het niet treffen. 8 Ja gij zult met uwe oogen uwen lust zien, en aanschouwen hoe het den god-deloozen vergolden wordt. 9 Want de Heer is uw toevoorzicht, de Allerhoogste is uwe toevlucht: 10 u zal geen kwaad ontmoeten, en geen plaag zal tot uwe hut genaken. 11 Want hij heeft voor u zijn Engelen bevolen, dat zij u behoeden op al uwe wegen; 13 dat zij u op de handen dragen, en gij aan geen steen uwe voeten stoot. |
13 Op leeuwen en adders zult gij treden, en jonge leeuwen en draken vertrappen. 14 Hij begeert mij, dus wil ik hem uithelpen; hij kent mijnen naam, daarom wil ik hem beschutten. 15 Hij roept mij aan, dus wil ik hem verhooren; ik ben bij hem in den nood, ik zal hein daaruit verlossen en tot eer brengen. 16 Ik zal hem verzadigen met een lang leven, en zal hem mijn heil toonen. PSALM 92, 1 Een palm, een lied voor den sabbatdag. — 3 Het is een kostelijk ding, den Heer te danken, en uwen naam lof te zingen, o Allerhoogste; 3 des morgens uwe genade en des nachts uwe trouw te verkondigen, 4 op de tien snaren en de luit, met den klank der harp. 5 Want Heer, gij laat mij vroolijk zingen van uwe werken, en ik roem van de daden uwer handen. 6 Heer, hoe groot zijn uwe werken, hoe grondeloos diep uwe gedachten! 7 Een versfandelooze beseft dit niet, en een dwaas slaat er geen {icht op: 8 de soddeloozen a-roeien |
|
PSALM . 1 als Itet gras, en alle kwaaddoeners bloeien, totdat zij verdelgd worden in eeuwig-| heid. 9 Maiir gij o Heer zijt de ■Allerhoogste, en blijft eeu-' wiglijk. 10 Want zie, uwe vijanden o Heer, zie, uwe vijanden zullen omkomen; en allo kwaaddoeners moeten verstrooid worden. 11 Maar mijn hoorn zal verhoogd worden als die vaii een eenhoorn, en ik ben met versehe olie overgoten. 13 En mijn oog zal zijnen lust zien aan mijne vijanden, en mijn oor zal zijnen lust hooren aan de boozen die zich tegen mij stellen. 18 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen gelijk een ceder op den Libanon. 14 Wie in het huis des Heeren geplant zijn, zullen bloeien in de voorhoven on-zes Gods. 15 En of zij al oud worden, zij zullen nochtans bloeien, vruchtbaar en sappig zijn, 16 om te vermelden dat de Heer is onberispelijk: mijne rots, in wien geen onrecht is. cot |
93, 91. PSALM 93. 1 De Heer is koning en heerlijk versierd; de Heer is versierd en heeft een rijk begonnen, zoover de wereld is, en toebereid dat het blijven zal. 3 Van toen af staat uw troon bevestigd ; gij zelf zijt van eeuwigheid. 3 De waterstroomen verheffen , o Heer, de waterstroomen verhellen hun bruisen; de waterstroomen verheften hunne stuivende golven. 4 De baren der zee zijn groot, en bruisen geweldig; maar de Heer, hoogverheven, is nog grooter. 5 Uw woord is eene rechte leer; heiligheid is het sieraad van uw huis eeuwig-lijk. ^er PSALM 9-t. 1 Heere God, v-ts den wraak is, God.'S naams, wraak is, vers®gt;'en en komt rijk. noven. 2 Yerhc-lt den Heer in der woieraad; de geheele hoovni vreeze hem. dirJ Zegt onder de volken aat 'de Heer koning is en zijn rijk bereid heeft; zoover de wereld is zal zij blijven, en hij richt de volken in rechtvaardigheid. 1117 |
PSALM 92.
1116
|
burg-, mijn God op wien ik hoop! 8 Gewis hij zal u redden uit den strik des jagers, en van het verderf der afgronden. 4 Hij zal u met zijne vlerken dekken, en uw toevoor-zicht zal zijn onder zijne vleugelen; zijno trouw is u tot scherm en schild, 5 dat gij niet vreezen zult voor den schrik des nachts, voor de pijlen die bij dag vliegen, 6 voor de pest die in het duister waart, voor de ziekte die op den middag woedt. 7 Of er al duizend vallen aan uwe zijde, en tienduizend aan uwe rechterhand, u zal het niet treffen. 8 Ja gij zult met uwe oogen uwen lust zien, en aanschouwen hoe het den god-deloozen vergolden wordt. 9 Want de Heer is uw toevoorzicht, de Allerhoogste is uwe tor; vlucht; 10 u zal geen kwaad ontmoeten, en geen plaag zal tot uwe hut genaken. 11 Want hij heeft voor u zijn Engelen bevolen, dat zij u behoeden op al uwe wegen; 12 dat zij u op de handen dragen, en gij aan geen steen uwe voeten stoot. |
13 Op leeuwen en adders zult gij treden, en jonge leeuwen en draken vertrappen. 14 Hij begeert mij, dus wil ik hem uithelpen; hij kent mijnen naam, daarom wil ik hem beschutten. 15 Hij roept mij aan, dus wil ik hem verhooren; ik ben bij hem in den nood, ik zal hem daaruit verlossen en tot eer brengen. 16 Ik zal hem verzadigen met een lang leven, en zal hem mijn heil toonen. PSALM 92. 1 Een psalm, een lied voor den sabbatdag. — 3 Het is een koste! ijk ding, den Heer te danken, en uwen naam lof te zingen, o Allerhoogste; 3 des morgens uwe genade en des nachts uwe trouw te verkondigen, 4 op de tien snaren en de luit, met den klank der harp. 5 Want Heer, gij laat mij vroolijk zingen van uwe werken, en ik roem van de daden uwer handen. 6 Heer, hoe groot zijn uwe werken, hoe grondeloos diep uwe gedachten! 7 Een versrandelooze beseft dit niet, en een dwaas slaat er geen pcht op; 8 de goddeloozen groeien ials lt [doem verde lieid. 9 ] All®1 hvigl: 10 den ande allo vers 11 verh een ■ vers 12 lust en : hoo zich IE gro 'hij der 1' He blo zes 1 de bl( Pi? 1 de m os |
PSALM 93, 9i.
1117
|
als liet gras, en alle kwaad-[doeners bloeien, totdat zij |verdelgd worden in eeuwigheid. 9 Maar gij o Heer zijt de ïAllerhoogste, en blijft eeti- VP- 10 Want zie, uwe vijanden o Heer, zie, uwe vijanden zullen Omkomen; en alle kwaaddoeners moeten verstrooid worden. 11 Maar mijn hoorn zal verhoogd worden als die van een eenhoorn, en ik ben met ■ versohe olie overgoten. 12 En mijn oog zal zijnen lust zien-aan mijne vijanden, en mijn oor zal zijnen lust hooren aan de boozen die zich tegen mij stellen. 13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen gelijk een ceder o]) den Libanon. 14 Wie in het huis des jHeeren geplant zijn, zullen bloeien in de voorhoven on-zes Gods. 15 En of zij al oud worden, zij zullen nochtans bloeien, vruchtbaar en sappig zijn, 16 om te vermelden dat de Heer is onberispelijk: mijne rots, in wien geen onrecht is. i jonge ertrap- ij, dus m; hij aarom en. n, dns ffl; ik nood, 'lossen digen en zal 1 voor ding, , en 'gen, Bade iw te in de der laat uwe n de zijn loos be- aas ien I |
PSALM 93. 1 De Heer is koning en heerlijk versierd; de Heer is versierd en heeft een rijk begonnen, zoover de wereld is, en toebereid dat het blijven zal. 3 Van toen af staat uw troon bevestigd ; gij zelf zijt van eeuwigheid. 3 De waterstroomen verheffen , o Heer, de waterstroomen verheffen hun bruisen; de waterstroomen verheffen hunne stuivende golven. 4 De baren der zee zijn groot, en bruisen geweldig; maar de Heer, hoogverheven, is nog grooter. 5 Uw woord is eene rechte leer; heiligheid is het sieraad van uw huis eeuwig-lijk. PSALM 94. 1 Heere God, wiens de wraak is. God, wiens de wraak is, verschijn luister-rijk. 3 Verhef u, gij Rechter der wereld, vergeld den hoovaardigen wat zij verdienen. 3 Hoelang nog zullen de goddeloozen, o Heer, hoelang nog zullen de goddeloozen snoeven, 4 en trotschelijk spreken, |
PSAL
1118
M 95.
|
en alle kwaaddoeners zich beroemen ? 5 Heer, zij verslaan uw volk en plagen uw erfdeel. 6 Weduwen en vreemdelingen vermoorden zij, en dooden de weezen, 7 en zeggen: De Heer ziet het niet, en Jakobs God telt het niet. 8 Geeft toch acht, o gij onverstandigen onder het volk; en gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? 9 Die het oor geplant heeft, zou die niet hooren? Die het oog gemaakt heeft, zou die niet zien? 10 Die de volken kastijdt, zou die niet straffen, hij die de menschen leert hetgeen zij weten? 11 De Heer kent de gedachten der menschen dat zij ijdel zijn. 13 Welgelukzalig is hij, dien gij o Heer kastijdt en dien gij leert door uwe wet, 13 opdat hij rust hebbe als het kwalijk gaat, totdat den goddelooze de kuil bereid wordt. 14 Want de Heer zal zijn volk niet verstooten, noch zijn erfdeel verlaten; 15 maar recht moet altijd ■ recht blijven, en alle vrome harten zullen het achterna-volgen. |
16 Wie staat mij bij tegen de boosdoeners, wie treedt in mijne plaats tegen de werkers der ons:erechtia:-heid? 17 Ware de Heer mij niet te hulp gekomen, mijne ziel zou reeds in het stille l'jraf] rusten. 18 Ik sprak: Mijn voet heeft gestruikeld, maar uwe genade o Heer hield mij staande. 19 Ik had vele bekommernissen in mijn hart, maar uwe vertroostingen verkwikten mijne ziel. 20 Gij vereenigt u immers nooit met den zetel der gruwelen, die de wet kwalijk duidt. 31 Zij rusten zich toe tegen de ziel des rechtvaardigen , en verdoemen onschuldig bloed. 23 Maar de Heer is mijne beschutting, mijn God is de rots mijner toevlucht; 23 on hij zal hun onrecht op hen doen wederkeeren, en zal hen om hunne boosheid verdelgen; de Heer onze God zal hen verdelgen. PSALM 95. 1 Komt herwaarts, laat ons den Heer vroolijk loven, en juichen den rotssteen onzes heils ter eer. 2 Lant ons met lofgezang |
|
PSAL voor zijn aangezicht komen, en met snarenspel voor hem juichen. 3 Want de Heer is een groot God, en een groot koning boven alle goden. 4 Want in zijne hand is wat de aarde draagt, en de hoogten der bergen zijn ook zijne. 5 Zijn is dc zee, en liij Leeft ze gemaakt; en zijne handen hebben het droge bereid. 6 Komt laat ons aanbidden en knielen, en neder-vallen voor den Heer die ons gemaakt heeft. 7 Want hij is onze God, 'en wij zijn het volk zijner weide en de schapen zijner kudde. 8 Heden, daar gij zijne stem hoort, verhardt uwe harten niet, gelijk te Me-riba geschiedde, gelijk te Massa in de woestijn, 9 waar uwe vaderen mij verzochten en beproefden, maar ook mijn werk zagen, 10 dat ik veertig jaar moeite had met dit volk, en sprak: Het zijn lieden wier hart altoos den doolweg wil, en die mijne wegen niet willen kennen; 11 zoodat ik zwoer in mijnen toorn; Zij zullen tot mijne rust niet komen. |
M 06. 1119 JBSAXM 96. ; . GwrSièöfe 1 Zingt 'den Heer een nieuw lied, zingt den Heer, gij ganscjje aarde. 2 Zingt *'den Heer en looft zijnen naam; predikt den éénen dag na den anderen zijn heil. 3 Yermeldt onder de volken zijne eer, onder alle natiën zijne wonderen. 4 Want de Heer is groot en zeer te loven, wonderbaar boven alle goden. 5 Want alle goden der volken zijn afgoden, maar de Heer heeft den hemel gemaakt. 6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en sieraad in zijn heiligdom. 7 Gij volken, brengt herwaarts den Heere, brengt herwaarts den Heere eer en macht. 8 Brengt herwaarts den Heere de eer zijns naams, brengt geschenken en komt in zijne voorhoven. 9 Aanbidt den Heer in heilig sieraad ; de geheele wereld vreeze hem. 10 Zegt onder de volken dat'de Heer koning is en zijn rijk bereid heeft; zoover de wereld is zal zij blijven, en hij richt de volken in rechtvaardigheid. |
|
1120 11 De hemel verheuge zich en de aarde zij vroolijk, de zee bnüse en wat er in is. 13 Het veld zij vroolijk en alwat daarop is, en laat alle boomen in het woud roemen 13 voor den Heer, want hij komt, ja hij komt om het aardrijk te richten: hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en de volken met zijne waarheid. PSALM 97. 1 De Heer is koning; dat de aarde zich verblijde, en alle eilanden vroolijk zijn 3 Wolken en donkerheid ziju rondom hem, gerechtigheid en gericht zijn de grondvesten van zijnen troon. ■ 3 Vuur gaat voor hem uit, en steekt rondom zijne vijanden aan. 4 Zijne bliksemstralen lichten op den aardbodem, het aardrijk ziet ze en verschrikt. 5 Bergen smelten weg als was voor den Heer, voor den heerscher der gansche aarde. 6 De hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijnen luister. |
7 Schamen moeten zich allen die beelden dienen, en zich op afgoden beroemen; aanbidt hem, alle gij goden. 8 Sion hoort het en is verblijd, en de dochters van Jnda zijn vroolijk, Heer, over uwe regeering. 9 Want gij Heer zijt de Allerhoogste in alle landen, gij zijt ver verheven boven alle goden. 10 Gij die den Heer bemint, haat het kwade: hij bewaart de zielen zijner heiligen, uit de hand der god-deloozen zal hij ze redden. 11 Voor den rechtvaardige moet het licht altoos opgaan, en vreugd voor de vromen van hart. 13 Gij rechtvaardigen, verheugt u in den Heer, en dankt hem en prijst zijne heiligheid. PSALM 98. 1 Een psalm. — Zingt den Heer een nieuw lied, want hij doet wonderen; hij overwint met zijne rechterhand en met zijnen heiligen arm. 3 De Heer laat zijn heil verkondigen, voor de voir ken openbaart hij zijne gerechtigheid. 8 Hij gedenkt aan zijne genade en trouw jegens het huis van Israël; alle einden PSALM 97, 98. |
|
PSALM der wereld zien liet heil van onzen God. 4 Juicht den Heer, gij gansche aarde, zingt, roemt en looft. 5 Looft den Heer met harpen, met harpen en allerlei snarenspel, 6 met trompetten en bazuinen; juicht voor den Heer, den koning. 7 De zee bruise eu wat er in is, de aardbodem en wie daarop wonen. 8 Dat de waterstroonien een vroolijk geluid maken, en alle bergen juichen 9 voor den Heer, want hij komt om het aardrijk te richten: hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en de volken met recht. PSALM 99. 1 De Heer is koning, daarom beven de volken; hij zit op cherubs, daarom beweegt zich de wereld. 2 De Heer is groot te Sion, en hoogverheven boven alle volken. B Men prijze uw groeten en wonderbaren naam die heilig is. 4 In het rijk van dezen koning heeft men het recht lief. Gij geeft vroomheid, gij verordent gericht en rechtvaardigheid in Jakob. |
99, 100. 1121 5 Verheft den Heer onzen God, buigt u neder voor zijne voetbank; want hij is heilig. G Mozes en Aaron waren onder zijne priesters, en Sa-muël onder degenen die zijnen naam aanriepen; zij riepen tot den Heer en hij verhoorde hen. 7 Hij sprak met hen in eene wolk kolom: zij onderhielden zijne getuigenissen en geboden die hij hun gaf. 8 Heer onze God, gij ver-hoordet hen; gij God vergaart hun, maar straftet nochtans hun vergrijp. 9 Verhoogt den Heer onzen God, en buigt u neder voor zijnen heiligen berg, want de Heer onze God is heilig. PSALM 100. 1 Een lofpsalm. — Juicht den Heer, gij gansche aarde. 3 Dient den Heer met vreugde, komt voor zijn aangezicht met vroolijk geluid. 3 Erkent dat de Heer God is; hij heeft ons gemaakt, en niet wij zelve, tot zijn volk en tot schapen zijner weide. 4 Gaat in tot zijne poorten met lof, tot zijne voorhoven met lofgezang; looft hem, prijst zijnen naam. 5 Want de Heer is vriendelijk, zijne genade duurt |
36
|
1122 PSALM eeuwiglijk, en zijne trouw immer en altoos. PSALM 101. 1 Een psalm van David. — Van genade en recht zal ik zingen, en u o Heer lofzin-gen- 3 Ik handel voorzichtig en oprecht bij degenen die mij toebehooren, en wandel getrouwelijk in mijn huis. 3 Ik neem geen kwade zaak vóór mij; ik haat den overtreder, en laat hem niet bij mij blijven. 4 Een verkeerd hartmoet van mij wijken; den booze duld ik niet. 5 Wie van zijnen naaste heimelijk k waadspreek t, dien verdelg ik; ik mag hem niet die hoog van oogen en trotsch van hart is. 6 Mijne oogen zien naar de getrouwen in het land, opdat zij bij mij wonen; en ik heb gaarne vrome dienaars. 7 Valsche lieden houd ik niet in mijn huis; leugenaars zullen niet voor mij bestendig zijn. 8 Vroeg zal ik verdelgen alle goddeloozen in het land, om alle kwaaddoeners uitte-roeien uit de stad des Hee-ren. |
101, 102. PSALM 102. 1 Het gebed eens ellendi-gen, die bedroefd is en zijne klacht voor den Heer uitstort. — 2 Heer, hoor mijn gebed, on laat mijn roepen tot u komen. 3 Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uwe ooren tot mij in den nood; wanneer ik tot u roep, zoo verhoor mij schielijk. 4 Want mijne dagen zijn vergaan als een rook, en mijne beenderen zijn verbrand als een verbrand hout. 5 Mijn hart is nederge-slagen en verdord als gras, zoodat ik vergeet mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vleesch van kermen en zuchten. 7 Ik ben gelijk een roerdomp in de woestijn, ik ben als een steenuil in verwoeste steden. 8 Ik waak en ben als een eenzame vogel op het dak. 9 Dagelijks smaden mij mijne vijanden; en die mij bespotten zweren bij mij. 10 Want ik eet asch als brood, en meng mijnen drank met tranen, 11 wegers uw dreigen en uwen toorn, dat gij mij |
PSALM 103.
1123
|
opgeheven en weder op den grond nedergeworpen liebt. 13 Mijne dagen zijn vergaan als eene schaduw, en ik verder als gras. 13 Maar gij o Heer blijft eeuwig, en uwe gedachtenis immer en altoos. 14 Wil toch opstaan en u over Sion ontfermen; want het is tijd dat gij haar genadig zijt, en de ure is gekomen. 15 Want uwe knechten wilden gaarne dat zij ge- • bouwd werd, en zagen gaarne dat hare steenen en kalk bereitl werden, 1G opdat de heidenen den naam des Heeren vreezen mochten, en alle koningen der aarde uwe eer, 17 wanneer de Heer Sion Zal hebben opgebouwd, en verschijnen in zijne heerlijkheid. 18 Hij wendt zich tot het gebed der verlalenen, en versmaadt hun smeeken niet. 19 Dat worde opgeschreven voor de nakomelingen; en het volk, dat nog geschapen moet worden, zal den Heer loven; 20 want hij schouwt neder van zijne heilige hoogte, en de Heer ziet van den hemel af op de aarde, 31 om het zuchten der gevangenen te hooren, en |
vrijtemaken de kinderen des doods; 33 opdat zij te Sion prediken den naam des Heeren, en zijnen lof te Jeruzalem; 33 als de volken tezamen-komen, en de koninkrijken zich vereenigen, om den Heer te dienen. 34 Hij onderdrukt mijne kracht op den weg, hij verkort mijne dagen. 35 Ik zeg: O mijn God, neem mij niet weg in de helft mijner dagen; uwe jaren duren immer en altoos. 26 Gij hebt voorheen de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen: 37 zij zullen vergaan, maar gij blijft; zij zullen alle verouderen als een kleed, zij zullen veranderd worden als een gewaad, wanneer gij ze veranderen zult; 28 maar gij blijft gelijk gij zijt, en uwe jaren nemen geen einde. 39 De kinderen uwer knechten zullen blijven, en hun zaad zal voor u bestendig zijn. PSALM 103. 1 Een psalm van David. — Loof den Heer mijne ziel. |
1134 PSALM 103.
en alwat in mij is zijnen heiligen naam.
2 Loof den Heer mijne ziel, en verbeet niet wat hij ii goeds gedaan heeft;
3 die ii al uwe zonden vergeeft, en al uwe zwakheden geneest;
4 die uw leven van het verderf verlost, die u kroont met genade en banuhar-tigheid;
5 die uwen mond met het goede verzadigt, uwe jeugd vernieuwt als van een arend.
6 De Heer beschikt gerechtigheid en gericht aan allen (lie onrecht lijden.
7 Hij heeft zijne wegen aan Mozes laten weten,
aan de kinderen Israëls zijn doen.
8 Barmhartig en genadig is de Heer, geduldig en van groote goedheid,
9 Hij zal niet altoos twisten, nooli eeuwiglijk \dm toorn\ behouden.
10 Hij handelt niet met ons naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze misdaden.
11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde,
laat hij zijne genade machtig zijn over degenen die hem vreezen.
13 Zoo ver het oosten is van het westen, verwijdert
hij onze overtredingen van ons.
13 Gelijk een vader zich ontfermt over zijne kinderen, zoo ontfermt zich de Heer over degenen die liem vreezen.
14 Want hij weet welk maaksel wij zijn, en gedenkt er aan dat wij stof zijn.
15 Een mensch is in zijn leven gelijk het gras, hij
' bloeit gelijk eene bloem op het veld:
| 16 als de wind daarover heenwaait, is zij er niet I meer, en hare plaats kent , haar niet meer. | 17 Maar de genade des Heeren duurt van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die hem vreezen, zijne gerechtigheid tot op de kindskinderen;
18 bij degenen die zijn verbond houden, en aan zijne geboden denken om er naar te doen.
19 De Heer heeft zijnen troon in den hemel bereid, en zijn gebied heerscht over alles.
30 Looft den Heer, gij zijne Engelen, gij sterke helden die zijn bevel uitvoert , gij die hoort naar de stem zijns woords. j 31 Looft den Heer, al zijne heirscharen, gij zijne die-| naars die zijnen wil volvoert.
|
zij | |
|
se | |
|
de | |
|
1 | |
|
zie | |
|
zij | |
|
jes | |
|
gij | |
|
3 | |
|
he | |
|
br | |
|
ee | |
|
3 | |
|
ge | |
|
i |
op |
|
Wf | |
|
•i |
vllt; |
|
4 | |
|
to | |
|
vu | |
|
na | |
|
5 | |
|
op | |
|
J |
ve |
|
en 6 | |
|
lie | |
|
kl. | |
|
bo | |
|
7 | |
|
vlc | |
|
de Q | |
|
O de | |
|
ne | |
|
pk | |
|
na |
PSALM 104,
1125
|
23 Looft den Heer, al zijne werken, aan allo plaatsen zijner heersohappij. Loof den Heer mijne ziel. PSALM 104. 1 Loof den Heer mijne ziel; Heer mijn God, gij zijt zeer heerlijk , met majesteit en heerlijkheid zijt gij bekleed. 2 Het licht is uw kleed hetwelk gij aanhebt, gij breidt den hemel uit als een tapijt. 3 Gij maakt omhoog een gewelf van water; gij vaart op de wolken als op een wagen, en wandelt op de vleugelen des winds. 4 Gij maakt de winden tot uwe Engelen, en de vuurvlammen tot uwe dienaars. 5 Gij hebt het aardrijk op zijnen bodem gegrondvest, dat het blijve altoos en eeuwig. 6 Met de zee hadt gij het bedekt als met een kleed, en wateren stonden boven de bergen; 7 maar voor uw dreigen vloden zij, voor uwen (tonder voeren zij heen. 8 Zij rezen hoog boven de bergen, en vielen weder neder in de dalen, in de Elaats welke gij voor henlaats welke gij voor hen adt bereid. |
9 Gij hebt eene grens gesteld, daar komen zij niet over; zij mogen niet wederom het aardrijk bedekken. 10 Gij laat fonteinen ontspringen in de dalen, dat cle wateren tusschen de bergen heenvlieten, 11 opdat alle dieren des velds drinken, en het wild zijnen dorst lessche. 12 De vogelen des hemels zitten er bij , en zingen onder de takken. 13 Yan boven af bevochtigt gij do bergen: gij maakt het land vol vruchten welke gij beschikt. 14 Gij laat gras wassen voor het vee, en zaad tot nut der menschen; gij brengt brood uit de aarde voort, 15 en wijn die 's menschen hart verheugt, en maakt dat zijne gedaante schoon wordt van olie, en dat het brood des menschen hart versterkt; 10 dat de boomen des Heeren vol sap staan, de cederen Libanons die hij geplant heeft. 17 Aldaar nestelen de vogels, en de reigers wonen op-de dennen. 18 De hooge bergen zijn de toevlucht der steengeiten , en de steenkloven die der konijnen. |
PSALM 105.
1126
|
19 Gij maakt de maan om er het jaar naar te deelen; de zon weet hnren ondergang. 20 Gij maakt duisternis, dat het nacht wordt; dan gaat al het wild gedierte uit, 21 de jonge leeuwen die naar den roof brullen, en van God hunne spijs vragen. 22 Maar als de zon opgaat, maken zij zich wegen leggen zich in hunne holen. 23 Dan gaat de mensch uit tot zijnen arbeid, en tot zijn akkerwerk tot aan den avond. 24 Heer, wat zijn uwe werken groot en veel! Gij hebt ze alle wijselijk geschikt, en de aarde is vol van uwe goederen. 25 De zee, die zoo groot en wijd is, daar wemeit liet van groote en kleine dieren, zonder getal. 26 Daar gaan de schepen; daar zijn walvisschen, die gij gemaakt hebt om daarin te spelen. 27 Het wacht alles op u, dat gij hun spijs geeft op zijn tijd. 28 Als gij ze hun geeft, dan vergaderen zij ze; als gij uwe hand opendoet, dan worden zij met het goede verzadigd. |
39 Verbergt gij uw aangezicht , dan verschrikken zij; neemt gij hunnen adem weg, dan vergaan zij en worden wreder tot stof. 30 Laat gij uwen adem uit, dan worden zij geschapen, en gij vernieuwt de gedaante der aarde. 31 De heerlijkheid des Heeren is eeuwig; de Heer heeft een welbehagen aan zijne werken. 32 Ziet hij de aarde aan, dan beeft zij; roert hij de bergen aan, dan rooken zij. 33 Ik wil den Heer zingen mijn leven lang, en mijnen God loven zoolang ik ben. 34 Mijne rede moge hem welgevallig zijn; ik verheug mij in den Heer. 35 De zondaars moeten een einde nemen op de aarde, en de goddeloozen niet meer zijn. Loof den Heer mijne ziel. Hallelujah. PSALM 105. 1 Looft den Heer, predikt zijnen naam, maakt zijn doen bekend onder de volken. 2 Zingt van hem en looft hem, spreekt van al zijne wonderen. 3 Roemt zijnen heiligen naam; het hart dergenen |
PSALM 105.
1127
|
die den Heer zoeken verblijde zich. 4 Vraagt naar den Heer en naar zijne macht, zoekt zijn aangezicht altijd. 5 Gedenkt aan zijne wonderen die hij gedaan heeft, aan zijne wonderen en aan de gerichten zijns monds. 6 O zaad van zijnen knecht Abraham, kinderen van Jakob zijnen uitverkorene, 7 hij is de Heer onze God: hij oordeelt over de geheele wereld. 8 Hij gedenkt eeuwig-lijk aan zijn verbond, aan het woord hetwelk hij vastgesteld heeft tot in duizend geslachten; 9 \]iet verbond^ dat hij gemaakt heeft met Abraham, en aan zijnen eed met Isaük: 10 welken hij tuin Jakob bevestigd heeft tot een recht, en aan Israël tot een eeuwig verbond, 11 zeggende: U zal ik het land Kanaan geven tot het lot uws erfdeels, — 12 toen zij nog weinig en gering waren, en vreemdelingen daarin. 13 En zij trokken van het ééne volk tot het andere, en uit het ééne koninkrijk tot de andere natie: 14 hij liet aan niemand toe quot;ien te verdrukken, en te-strafte koningen om hunnentwil, [zeggende]: |
15 ïast mijne gewilfden niet aan, en doet mijn profeten geen leed. 16 En hij deed een duren tijd in het land komen, en onttrok allen voorraad van brood. 17 En hij zond een man voor hen uit, Jozef, die als knecht werd verkocht. 18 Zij kluisterden zijne voeten in den stok, zijn lichaam moest in ijzer liggen, 19 totdat zijn woord kwam, en de rede des Heeren hem had gelouterd. 20 Toen zond de koning heen en deed hem in vrijheid stellen, de heer over de volken beval hem loste-laten; 21 hij stelde hem tot heer over zijn huis, en totheer-scher over al zijne goederen, 22 opdat hij zijne vorsten zou onderwijzen naar zijnen lust, en zijn oudsten wijsheid leeren. 23 En Israël trok in Egypte, en Jakob werd een vreemdeling in het land van Cham. 24 En hij liet zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan zijne verdrukkers. 25 Hij verkeerde hun het hart, dat zij op zijn volk |
PSALM 106.
1128
|
vergramd werden, en zijne knechten niet list verdrukten. 26 Doch hij zond zijnen knecht Mozes, en Aaron dien hij verkoren had; 27 die deden zijne teekenen onder hen, en zijne wonderen in het land van Cham. 28 Hij liet duisternis komen en mankte het stikdonker; toen waren zij aan zijne woorden niet langer ongehoorzaam. 29 Hij veranderde hunne wateren in bloed, en doodde hunne visschen. 30 Hun land wemelde van vorsohen, zelfs in de kamers hunner koningen. 31 Hij sprak en er kwam ongedierte, luizen binnen al hunne grenspalen. 32 Hij gaf' hun hagel tot regen, vuurvlammen in hun land, 33 en sloeg hunne wijnstokken en vijgeboomen, en verbrak de boomen binnen hunne grenspalen. 34 Hij sprak en er kwamen sprinkhanen, en kevers zonder getal; 35 en zij aten al het gras op in hun land, en aten de vruchten van hun veld. 36 En hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, al hunne eerste erfgenamen. |
37 Hij voerde hen uit met zilver en goud; en er was geen gebrekkige onder hunne stammen. 88 Egypte werd vroolijk omdat zij uittrokken, want hunne vrees was op hen gevallen. 39 Hij breidde eene wolk uit tot eene bedekking, en een vuur om des nachts te lichten 4-0 Zij baden, en hij deed kwakkels komen, en hij verzadigde hen met brood van den hemel. 41 Hij opende eene steenrots , en er stroomden wateren uit, zoodat beken vloeiden in de dorre woestijn. 42 Want hij gedacht aan zijn heilig woord, tot Abraham zijnen knecht gesproken. 43 Alzoo voerde hij zijn volk uit met vreugde, en zijne uitverkorenen met blijdschap ; 44 en hij gaf hun de landen der volken, dat zij de goederen der natiën zouden erven; 45 opdat zij zijne rechten zouden onderhouden en zijne wetten bewaren. Hallelujah. PSALM 10G. 1 Hallelujah. Looft den Heer, want hij is vriendelijk , en zijne goedheid duurt eeuwig. |
PSALM 106,
1129
|
3 Wie kan de groote daden des Heeren uitspreken, en al zijne loffelijke werken prijzen? 3 quot;Welgelukzalig zijn ze die liet gebod onderhouden. die altoos recht doen. 4 Heer, gedenk aan mij, naar de genade die gij aan uw volk belootd hebt; betoon ons uwe hulp, 5 opdat wij de welvaart uwer uitverkorenen mogen zien, en ons verheugen dat het uw volk welgaat, en ons beroemen met uw erfdeel. 6 Wij hebben gezondigd, benevens onze vaderen, wij-hebben verkeerd gehandeld en zijn goddeloos geweest. 7 Onze vaderen in Egypte wilden op uwe wonderen geen acht geven, zij gedachten niet aan uwe groote goedheid, en waren onge-hooiYaam aan de zee, namelijk aan de Schelfzee. 8 Maar hij hielp hen om zijns naams wil, om zijne macht te betoonen; (.) en hij dreigde de Schelfzee, toen werd zij droog, en hij voerde hen door de diepte als door eeue woestijn, 10 en redde hen van de hand desgenen die hen haatte, en verloste hen van de hand des vijands; |
11 en de wateren bedekten hunne wederpartijders, zoodat er niet één overbleef. 12 Toen geloofden zij aan zijne woorden, en zongen zijnen lof. 13 Maar zij vergaten weldra zijne werken, en verbeidden zijnen raad niet; 14 en zij werden belust in de woestijn , en verzochten God in de wildernis. 15 En hij gaf hun hunne bede, en zond hun genoeg, totdat zij er van walgden. 16 En zij stonden tegen Mozes op in het leger, tegen Aiiron den geheiligde des Heeren: 17 do aarde opende zich en verslond Dathan, en overdekte liet rot van Abi-ram; 18 en vuur werd onder hun rot, ontstoken, en eene vlam verteerde de goddelno-zen. 19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en aanbaden hot gegoten beeld, 20 en zij veranderden hunne Eere in de gelijkenis van een stier die gras eet. 31 Zij vergaten God, hunnen Heiland, die in Egypte zulke groote d ingen gedaan had,. 22 wonderen in het land van Cham, geduchte daden aan de Schelfzee. 23 En hij sprak van hen |
M 106.
PS AL
1130
|
te verdelgen, had nietMo-zes, zijn uitverkorene, zich voor zijn aangezicht in de bres gesteld, om zijne gramschap aftewenden, dat hij hen niet geheel vernielde. 24 En zij verachtten het gewenschte land; zij geloofden zijn woord niet, 25 en murmureerden in hunne hutten; zij hoorden niet naar de stem des Heeren. 26 En hij hief zijne hand tegen hen op, om hen ter-nederteslaan in de woestijn, 27 en hun kroost te werpen onder de volken, en ze te verstrooien in de landen. 28 En zij hingen Baill-Peor aan, en aten van de ofl'ers der dooden, 29 en vertoornden hem met hun doen, zoodateene plaag onder hen uitbrak. 30 Doch Pinehas trad toe en beslechtte de zaak, toen werd de plaag gestuit; 31 en het werd hem tot gerechtigheid gerekend altoos en eeuwiglijk. 33 En zij vertoornden hem aan het water der twisting, en zij plaagden Mozes zeer ; 33 want zij bedroefden zijn hart, zoolat hem eenige woorden ontvielen. 34 Ook verdelgden zij de volken niet, gelijk de Heer het hun geboden had; |
35 maar zij vermengden zich met de heidenen,'en leerden hunne werken, 36 en dienden hunne afgoden, die hun ten valstrik werden, 37 en zij offerden hunne zonen en hunne dochters aan de wreede godheden op, 38 en vergoten onschuldig bloed, het bloed hunner zonen en hunner dochter^, die zij ofterden aan de afgoden van Kanaün, zoodat het land met bloedschulden bevlekt werd. 39 En zij verontreinigden zich met hunne werken, en hoereerden met hun doen. 40 Toen ontstak de toorn des Heeren over zijn volk, en hij kreeg een afschuw van zijn erfdeel; 41 en hij gaf hen in de hand der heidenen, dat degenen over hen heerschten die vergramd op hen waren ; 42 en hunne vijanden benauwden hen, en zij werden verootmoedigd onder hunne handen. 43 Hij verloste hen dikwijls, maar zij vertoornden hem met hun voornemen, en werden weinig wegens hunne misdaad. 44 En hij zag hunnen nood aan toen hij hunne klachten hoorde, |
PSALM 107.
1131
|
45 en hij gedacht aan zijn verbond met hen gemaakt, en het berouwde hem naar zijne groote goedheid; 4fi en hij deed hun barmhartigheid wedervaren voor het gezicht van allen die hen gevangen hadden. 47 Help ons, Heer onze God, en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij uwen heiligen naam danken, en uwen lof roemen. 48 Geloofd zij de Heer, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en al het volk zegge amen. Hallelujah. PSALM 107. 1 Looft den Heer, want hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt eeuwig. 2 üat zij dit zeggen die verlost zijn door den Heer, die hij uit den nood verlost heeft, 3 en die hij uit de landen tezamengebracht heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee; 4 die dwalende gingen in de woestijn, op een onge-baanden weg, en geen stad vonden waar zij wonen konden. 5 Zij waren hongerig en dorstig, zoodat hunne zielen versmachtten. |
6 En zij riepen tot den Heer in hunnen nood, en hij redde hen uit hunne angsten, 7 en voerde hen op den rechten weg, opdat zij gingen naar eene stad waar zij wonen konden. 8 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen die hij aan de menschenkinderen doet; 9 dat hij de dorstige ziel verzadigt, en de hongerige ziel met het goede vervult; 10 die zitten moesten in de duisternis en donkerheid, gevangen in dwang en ijzer, 11 omdat zij aan Gods geboden ongehoorzaam geweest waren, en de wet des Aller-hoogsten geschonden hadden. 12 Daarom moest hun hart met ongeluk geplaagd worden, dat zij daar lagen en niemand hen hielp, 13 en zij tot den Heer riepen in hunnen nood, en hij hen hielp uit hunne angsten, 14 en hen voerde uit de duisternis en donkerheid, en hunne banden verscheurde. 15 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen die hij aan de menschenkinderen doet; |
PSALM 107.
1132
|
16 dat hij de koperen deuren verbrak, en de ijzeren grendels in stukken sloeg. 17 De dwazen, die geplaagd waren om hunne overtredingen en om hunne zonden! 18 Zij hadden een walg van alle spijs, en werden doodkrank. 19 Doch zij riepen tot den Heer in hunnen nood, en hij hielp hen uit hunne angsten, 20 en zond hun zijn woord, en maakte hen gezond, en redde hen dat zij niet stierven. 21 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen die hij aan de nienschenkiuderen doet, 22 en dank ofl'eren, en zijne' werken met vreugde vermelden. 23 Die met schepen op de zee voeren, en hunnen handel op groote wateren dreven ; 24 die de werken des Hee-ren ondervonden hebben, en zijne wonderen in de zee; 25 toen hij sprak en een stormwind verwekte, dat de baren zicli verhieven, 26 en naar den hemel opvoeren, en in den algrond daalden, dat hunne ziel van angst versaagde, |
27 dat zij tuimelden en waggelden als dronken, en geen raad meer wisten, 28 en tot den Heer riepen in hunnen nood, en hij hen uit hunne angsten voerde, 29 en het onweder stilde, dat de baren zich leiden, 30 en zij blijde werden dat het stil geworden was, en hij hen aan land bracht naar hunnen wensch. 31 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, eu voor zijne wonderen die hij aan de menschenkinde-ren doet, 32 en hem in de gemeente prijzen en bij de ouden roemen. 33 Hij is het die beken deed verdrogen en waterbronnen verloopen, 3-1! zondat een vruchtbaar land niets droeg, wegens de boosheid dergenen die daarin woonden. 35 Hij maakte het droge wederom waterrijk, en in het dorre land waterbronnen , 36 eu deed de hongerigen aldaar wonen, opdat zij eene stad bereidden waar zij wonen konden, 37 en akkers bezaaien on wijnbergen planten mochten, en de jaarlijksche vruchten inzamelen. 38 En hij zegende hen, |
PSALM 108, 109.
1188
|
dat zij zich zeer vermenigvuldigden , en gaf hun veel vee. 39 Daiirom werden zij onderdrukt en tenonde.rge-braoht door het kwade, dat hen gedwongen en gedrongen had; 40 toen verachting op de vorsten uitgeschud was, dat zij moesten dwalen waar het woest was. 41 Maar hij beschutte den arme voor ellende, en vermeerderde hun geslacht als eene kudde. 43 Dit zullen de vromen zien en zich verblijden, maar alle boosheid zal verstomd staan. 43 Wie is wijs? die geve hierop acht; zoo zullen zij merken hoevele weldaden de Heer bewijst. PSALM 108. 1 Een psalm, een lied van David. —■ 2 God, mijn hart is bereid, ik wil zingen en dichten , mijne eer ook. 3 Waak bp mijne luit en harp; vroeg zal ik opwaken. 4 Ik zal ii danken Heer, onder de volken, ik zal uwen lof zingen onder de natiën; 5 want uwe goedheid strekt zoo ver de hemel is, en uwe waarheid zoo wijd de wolken gaan. |
6 Verhef u, o God, boven den hemel; en uwe eer zij over de gelieele wereld. 7 Opdat uwe gelieitle vrienden bevrijd worden, zoo help nu met uwe rechterhand en verhoor mij. 8 God spreekt in zijn heiligdom , weshalve ik mij verblijd; Ik zal Sichem verdeden, en het dal Sukkoth afmeten ; 9 Gilead is mijn , en mijn is Manasse; Efraïm is de macht mijns hoofds, Juda is mijn wetgever; 10 Moab is mijn wasch-vat; mijnen schoen strek ik uit over Edom; Eilistea juicht mij toe. 11 Wie zal mij voeren in eene vaste stad? Wie zal mij geleiden tot in Eilom? 13 Zult gij het niet doen, 0 God, gij die ons verstoeten hadt, en niet mede uit-trokt. God, met ons heir? 13 Verleen ons bijstand in den nood, want men-schenhulp is van geen nut. 14 Met God zullen wij daden doen; hij zal onze vijanden onder den voet treden. PSALM 109. | 1 Een psalm van David 1 om voortezingen. — |
PSALM 109.
1134
|
3 God, mijn roam, zwijg niet. Want zij hebben hun goddeloozen en valschen mond tegen mij geopend, en spreken tegen mij met eene valsche tong; 3 zij spreken vergiftig tegen mij overal, en strijden tegen mij zonder oorzaak. 4 Ter belooning van mijne liefde zijn zij tegen mij; maar ik, ik bid. 5 Zij bewijzen mij kwaad voor goed, en haat voor liefde. 6 Stel den goddelooze over hem, en een satan moge staan aan zijne rechterhand. 7 Wie zich door hem laat richten, die moge schuldig uitgaan, en zijn gebed moge tot zonde zijn. 8 Zijne dagen mogen weinig worden, en een ander moge zijn ambt ontvangen. 9 Zijne kinderen mogen weezen worden, en zijne vrouw weduwe; 10 zijne kinderen mogen gaan zwerven en bedelen, en \7innne nooddruf(\ zoeken uit hunne verwoeste plaatsen. 11 De woekeraar moge uitzuigen alwat hij heeft, en vreemden mogen zijne goederen rooven. 12 Niemand moge hem goeddoen, en niemand ont-ferme zich over zijne weezen. |
13 Zijne nakomelingen mogen uitgeroeid worden, hun naam moge in het volgende geslacht verdelgd worden. 14 Aan de misdaad zijner vaderen moge gedacht worden bij den Heer, en de zonde zijner moeder moge niet uitgedelgd worden; 15 de Heer houde hen steeds in het oog, en hunne gedachtenis moge uitgeroeid worden van de aarde: 16 omdat hij in 't geheel geen barmhartigheid had, maar den ellendige en arme en den bedroefde vervolgde om hem te dooden. 17 En hij heeft den vloek bemind, die zal hem ook overkomen; hij wilde den zegen niet, dus zal die ook verre van hem blijven. 18 Hij trok den vloek aan als zijn kleed, en die zal in zijn binnenste gaan als water, en als olie in zijne beenderen. 19 Zoo worde die hem als het kleed hetwelk hij aanheeft, en als de gordel met welken hij zich altijd omgordt. 20 Zoo geschiede hun van den Heer; hun, die tegen mij zijn, en kwaad spreken tegen mijne ziel. 21 Maar gij Heere Heere, wees gij met mij om uws naams wil; red mij, want |
PSALM 110.
1135
|
uwe genade ia mijn troost. 32 Want ik ben arm en ellendig; mijn hart is verslagen in mij. 23 Ik vaar heen als ee-ne schaduw die verdreven wordt, en word verjaagd gelijk de sprinkhanen. 24 Mijne knieën zijn zwak van vasten, en mijn vleesch is mager en heeft geen vet. 25 En ik moet hun ten spot zijn; wanneer zij mij zien, schudden zij hun hoofd. 26 Sta mij bij. Heer mijn God, help mij naar uwe genade; 27 opdat zij bevinden dat dit uwe hand is, dat gij Heer het doet. 28 Vloeken zij, zoo zegen gij; stellen zij zich tegen mij, zoo mogen zij te schande worden, en uw knecht moge zich verblijden. 29 Mijne wederpartijders mogen met smaad worden bekleed, en met hunne schande zich dekken als met een rok. 30 Ik zal den Heer hooglijk prijzen met mijnen mond, en hem roemen in het midden der menigte. 31 Want hij staat den arme ter rechterhand, om hem te verlossen van degenen die zijn leven ver-oordeelen. |
PSALM 110. 1 Een psalm van David.— De Heer sprak tot mijnen Heer: Zet u aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden leg tot eene voetbank uwer voeten. 2 De Heer zal uit Sion zenden den schepter uws rijks; Heersch in het midden uwer vijanden. 3 Na uwe overwinning zal uw volk gewillig oö'e-ren in heilig sieraad; uwe kinderen worden u geboren gelijk de dauw uit den dageraad. 4 De Heer heeft gezworen, en het zal hem niet berouwen: Gij zijt priester eeuwiglijk, naar de wijze van Melchizédek. 5 De Heer is aan uwe rechterhand, ten tijde zijns toorns zal hij koningen verslaan. 6 Hij zal gerichten oefenen onder de volken; hij zal eene groote slachting aanrichten; hij zal verslaan het hoofd over groote landen. 7 Hij zal drinken uit eene beek op den weg; daarna zal hij het hoofd weder opheffen. |
|
1136 PSALM PSALM m. 1 Hallelujah. Ik zal den Heer loven van ganscher harte, in den raad der vromen en in de gemeente. 3 Groot zijn de werken des Heeren, van allen geacht die er lust aan hebben. 3 Wat hij verordent, is loftëlijk en heerlijk, en zijne gerechtigheid blijft eeuwig. 4 Hij heeft eene gedachtenis zijner wonderen gesticht, hij, de genadige en barmhartige Heer. 5 Hij geeft spijs aan degenen die hem vreezen, hij gedenkt eeuwig aan zijn verbond. 6 Hij laat zijne machtige daden verkondigen aan zijn volk, om hun te geven bet erfdeel der volken. 7 De werken zijner handen zijn waarheid en recht, al zijne geboden zijn bestendig ; 8 zij worden altoos en eeuwig onderhouden, geschiedende in getrouwheid en oprechtheid. 9 Hij zendt eene verlossing aan zijn volk; hij belooft dat zijn verbond eeuwig blijven zal; zijn naam is heilig en geducht. 10 De vreeze des Heeren is het begin der wijsheid; |
111, 113. dit is het rechte verstand; wie er naar doet, diens lof blijft eeuwig. PSALM 112. 1 Hallelujah. Welgelukzalig is hij die den Heer vreest, die grooten lust heeft aan zijne geboden. 3 Diens zaad zal vermogend zijn op de aarde; het geslacht der vromen zal gezegend zijn. 3 Bijkdom en overvloed zal zijn in hun huis; en hunne gerechtigheid blijft eeuwig. 4 Den vromen gaat het licht op in de duisternis, van den genadige, barmhartige en rechtvaardige. 5 Welgelukzalig is hij die barmhartig is en gaarne leent, en zijne zaken verricht zonder dat hij iemand onrecht doet. 0 Want hij zal eeuwig blijven; de rechtvaardige wordt nimmer vergeten. 7 Als er eene plaag komen zal, zoo vreest hij niet; zijn hart vertrouwt onwankelbaar op den Heer. 8 Zijn hart is gerust cn vreest niet, daar hij zijnen lust zal zien aan zijne vijanden. 9 Hij strooit uit, en geeft den armen; zijne gerechtigheid blijft eeuwig; zijn |
|
PSALM 11 hoorn wordt verhoogd met eer. 10 De goddelooze zal het zien en het zal hem verdrieten; hij zal op zijne tanden knersen en vergaan; want der goildeloozen begeerte zal tenietgaan. PSALM 113. ■1 Hallelujah. Looft, gij knechten des Heeren, looft den naam des Heeren. 2 Geloofd zij de naam des Heeren, van nu af tot in eeuwigheid. 3 Van den opgang der zon tot haren ondergang zij de naam des Heeren geloofd. 4 Hoog boven alle volken is de Heer; zijne eer gaat zoover de hemel is. 5 Wie is als de Heer onze God, die zoo hoog gezeten is, 6 en echter ziet op het nederige, in den hemel en op de aarde; 7 die den geringe opricht uit het stof, en den arme verhoogt uit het slijk, 8 om hem te zetten nevens de vorsten, nevens de vorsten zijns volks; 9 die de onvruchtbare in het huis doet wonen, zoodat zij eene blijde moeder van kinderen wordt. Hallelujah . |
J, 114, 113. 1137 PSALM 114. 1 ïoen Israël uit Egypte trok, Jakobs huis uit het vreemde volk, 3 toen werd Juda zijn heiligdom, Israël zijne heerschappij. 3 De zee zag het en vlood, de Jordaan keerde terug. 4 De bergen huppelden als lammeren, de heuvelen als jonge schapen. 5 Wat overkwam u gij zee dat gij vloodt, gij Jordaan dat gij terugkeerdet, 6 gij bergen dat gij huppelde t als lammeren, gij heuvels als jonge schapen? 7 De aarde beefde voor den Heer, voor Jakobs God; S die de steenrots veranderde in een vloed, de kei-steenen in wateramp;nteinen. PSALM 115. 1 Niet ons o Heer, niet ons, maar uwen naam geef eer, om uwer genade en waarheid wil. 2 W7aarom zouden de volken zeggen: Waar is nu hun God? 3 Onze God is in den hemel, hij kan doen alwat hij- wil. 4 Maar hunne afgoden zijn zilver en goud, door men-sehenhanden gemaakt. 5 Zij hebben monden en |
PSALM 11G.
1138
|
spreken niet, zij hebben oogen en zien niet; 6 zij hebben ooren en hooren niet, zij hebben neuzen en ruiken niet; 7 zij hebben handen en grijpen niet, voeten hebben zij en gaan niet, en spreken niet door hunne keel. 8 Wie hen maken, mogen óók zoo worden, en allen die op hen vertrouwen. 9 Maar Israël vertrouwe op den Heer; die is hunne hulp en hun schild. 10 Aarons huis vertrouwe op den Heer; die is hunne hulp en hun schild. 11 Dat zij die den Heer vreezen vertrouwen op den Heer; die is hunne hulp en hun schild. 13 De Heer heeft aan ons gediicht; hij zegene ons, hij zegene Israels huis, hij ze-gene het huis van Aiiron. 13 Hij zegene wie den Heer vreezen, beide geringen en grooten. li De Heer zegene u meer en meer, u en uwe kinderen. 15 Gij zijt de gezegenden des Heeren, die hemel en aarde uemaakt heeft. 16 De hemelen zijn des Heeren, maar de aarde heeft hij den menschenkiuderen gegeven. |
17 Heer, de dooden kunnen u niet loven, noch die nederwaarts dalen in de stilte; 18 maar wij loven den Heer van nu af tot in eeuwigheid. Hallelujah. PSALM 116. 1 Het is mij lief, dat de Heer mijne stem en mijn smeeken hoort; 2 dat hij zijn oor tot mij neigt; daarom zal ik hem aanroepen mijn leven lang. 3 Banden des doods hadden mij omvangen, en angsten des graf's hadden mij getroffen; ik kwam in jammer en nood. 4 Maar ik riep den naam des Heeren aan: O Heer, red mijne ziel. 5 De Heer is genadig en rechtvaardig, en onze God is barmhartig. 6 De Heer behoedt de eenvoudigen; loen ik te-gronde zou gaan, verloste hij mij. 7 Wees nu weder tevreden, o mijne ziel, want de Heer doet u wèl. 8 Ja gij hebt mijne ziel van den dood gered, mijn oog van tranen, mijnen voet van uitglijden. 9 Ik zal wandelen voor den Heer, in het land dei-levenden. 10 Ik geloofde, daarom |
|
PSALM sprak ik; ik word zeer geplaagd. 11 Ik sprak in mijnen angst; De inenschen zijn allen leugenaars. 13 Hoe zal ik den Heer vergelden al zijne weldaden die hii aan mii bewezen heeft? 13 Ik zal den beker dei-erkentelijkheid nemen en den naam des Heeren aanroepen. l i Ik zal den Heer mijne geloften betalen in de tegenwoordigheid van al zijn volk. 15 De dood zijner heiligen is dierbaar gehouden bij den Heer. 16 O Heer, ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, de zoon uwer dienstmaagd; gij hebt mijne banden losgemaakt. 17 U zal ik het dankoffer offeren, en den naam des Hee r en verkond igen. 18 Ik zal den Heer mijne geloften betalen, in de tegenwoordigheid van al zijn volk, 19 in de voorhoven van het huis des Heeren, in u, o Jeruzalem. Hallelujah. PSALM 117. 1 Looft den Heer alle volken, prijst hem alle natiën ; |
117, 118. 1130 2 want zijne genade en trouw zijn machtig over ons tot in eeuwigheid. Hallelujah. ' PSALM 118. 1 Looft den Heer, want hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. 2 Nu zegge Israël: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. 3 Nu zegge Aarons huis: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. 4 Nu zeggen die den Heer vreezen: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. 5 In den angst riep ik den Heer aan, en de Heer verhoorde mij en troostte mij. 6 De Heer is met mij, daarom vrees ik niet: wat kunnen menschen mij doen? 7 De Heer is met mij om mij te helpen, en ik zal mijnen lust zien aan mijne vijanden. 8 Het is goed op den Heer te vertrouwen, en zich niet op menschen te verlaten ; 9. het is goed op den Heer te vertrouwen, en zich niet op vorsten te verlaten. 10 Al de heidenen omringen mij, maar in den |
PSALM 119.
114U
|
naam des Heeren wil ik hen in stukkon houwen. 11 Zij omringen mij overal, maar in den naam des Heeren wil ik hen in stukken houwen. 13 Zij omringen mij als bijen, zij branden als een doornenvuur, maar in den naam des Heeren wil ik hen in stukken houwen. 13 Men stoot mij, opdat ik zoude vallen; maar de Heer helpt mij. 11 De Heer is mijne kracht en mijn lied, want hij is mijn heil. 15 Met vreugde zingt men in de hutten der rechtvaardigen van de overwinningen ; de rechterhand des Heeren behaalt de overwinning. 16 De rechterhand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren behaalt de overwinning. 17 Ik zal niet sterven maar leven, en de werken des Heeren verkondigen. 18 Do Heer kastijdt mij wel, maar hij geeft mij aan den dood niet over. 19 Doet mij de poorten der. gerechtigheid open, oprlat ik daardoor inga en den Heer love. 30 Dit is de poort des Heeren, waardoor de rechtvaardigen ingaan. |
31 Ik loof u, dat gij mij erhoord hebt en mij helpt 3 Do steen dien de bomv^ lieden verwierpen, is tot een hoeksteen geworden; 38 dit is van den Heer geschied, en het is een wonder in onze oogen. 21 Dit is de dag' dien de Heer gemaakt heeft; verheugen wij ons daarop en zijn wij vroolijk. 35 O Heer, help; oHeer, laat het wèl gelukken. 3G Geloofd zij die daar komt in den naam des Heeren. Wij zegenen u, gij die van het huis des Heeren zijt. 37 De Heer is God, die ons verlicht. Versiert het feest met meitakken, tot aan de hoornen des altaars. 38 Gij zijt mijn God, en ik loof u; mijn God, ik zal u prijzen. 39 Looft den Heer, want hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. psalm na. 1 Welgelukzalig zijn degenen die oprecht leven, die wandelen volgens de wet des Heeren. 3 quot;Welgelukzalig wie zijne getuigenissen onderhouden, en hem zoeken van gan-scher harte; |
PSALM 119.
1141
|
3 want wie op zijne wegen wandelen, doen geen kwaad. 4 Gij hebt bevolen uwe geboden vlijtig te liouden. 5 O dat mijn leven uwe rechten met ernst onderhield ! 6 Wanneer ik op al uwe geboden zie, dan word ik niet te schande. 7 Ik dank u met een oprecht hart, dat gij mij de rechten uwer gerechtigheid leert. 8 Uwe rechten zal ik onderhouden ; verlaat mij niet geheel. 9 Hoe zal een jongeling zijnen weg onbestrafbaar gaan? Als hij zich houdt aan uwe woorden.- 10 Ik zoek u van gan-scher harte: laat mij niet afdwalen van uwe geboden, 11 Ik bewaar uw woord in mijn hart, opdat ik niet tegen u zondige. 12 Geloofd zijt gij o Heer; leer mij uwe rechten. 13 Ik zal al de rechten uws monds met mijne lippen vermelden. 1-t Ik verheug mij wegens uwe getuigenissen meer dan wegens allerlei rijkdom. 15 Ik spreek van hetgeen gij bevolen hebt, en zie op uwe wegen. |
1G Ik heb lust in uwe rechten, en vergeet uwe woorden niet. 17 Doe wèl aan uwen knecht , opdat ik leve en uw woord houde. 18 Open mij de oogen, opdat ik de wonderen uwer wet zie. 19 Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uwe geboden niet voor mij. 2ü Mijne ziel bezwijkt van verlangen naar uwe rechten te allen tijde, 21 Gij bedreigt de hoo-vaardigen, de gevloekten, die van uwe geboden afdwalen. 22 Wend smaad en verachting van mij af, want ik onderhoud uwe getuigenissen. 23 De vorsten zitten ook en spreken tegen mij, maar uw knecht spreekt van uwe rechten. 24 Ik heb lust in uwe getuigenissen; die zijn mijne raadslieden. 25 Mijne ziel ligt in het stof: verkwik mij naar uw woord. 26 ik leg mijne wegen open, en gij verhoort mij; leer mij uwe rechten. 27 Onderwijs mij den weg uwer bevelen, zoo zal ik spreken van uwe wonderen. 28 Ik kwel mij dat mij |
PSALM 119.
114-3
|
liet hart versmacht: sterk mij naar uw woord. 29 Wend van mij af den valschen weg, en vergun mij genadig uwe wet. 30 Ik heb den weg der waarheid verkoren, uwe rechten heb ik mij voorgesteld. 31 Ik ben gehecht aan uwe getuigenissen; Heer, laat mij niet te schande worden. 32 Als gij mijn hart troost, zoo loop ik den weg uwer gelroden. 33 Wijs mij. Heer, den weg uwer rechten, opdat ik ze beware ten einde toe. Si Onderwijs mij, opdat ik uwe wet beware, en ze houde van ganscher harte. 35 Doe mij treden op het pad uwer geboden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot uwe getuigenissen, en niet tot gieriifheid. 37 Wend mijne oogen af, dat zij niet zien naar de ijdele leer, maar verkwik mij op uwen weg. 38 Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die aan uwe vreeze is verknocht. 39 Wend van mij af den smaad dien ik schuw, want uwe rechten zijn liefelijk. |
40 Zie, ik begeer uwe bevelen: verkwik mij met uwe gerechtigheid. 41 Heer, laat mij uwe genade ervaren, uwe hulp, naar uwe belofte; 43 opdat ik mijnen lasteraar kunne antwoorden; want ik verlaat mij op uw woord. 43 Neem het woord der waarheid toch niet uit mijnen mond, want ik hoop op uwe rechten. 44 Ik zal uwe wet gestadig onderhouden, altoos en eeuwig. 45 Ik wandel welgemoed, want ik onderzoek uwe bevelen. 46 Voor koningen spreek ik van uwe getuigenissen, en schaam mij die niet. 47 Ik heb lust aan uwe geboden, en zij zijn mij lief. 48 Ik hef mijne handen op tnt uwe geboden die mij lief zijn, en spreek van uwe rechten. 49 Ged enk aan uwen knecht volgens uwe toezegging, op welke gij mij laat hopen. 50 Dit is mijn troost in mijne ellende, want uw woord verkwikt mij. 51 De hoovaardigen drijven den spot met mij, nochtans wijk ik niet van .uwe wet. 52 Heer, wanneer ik gedenk hoe gij geoordeeld hebt |
PSA-LM 119.
1143
|
van oudsher, dan word ik getroost. 53 Ik ben ontstoken over de goddeloozen die uwe wet verlaten. 54 Uwe rechten zijn mijn lied in het huis mijner vreemdelingschap. 55 Heer, des nachts gedenk ik aan uwen naam, en onderhoud uwe wet. 56 Dit is mijn schat, dat ik uwe bevelen onderhoud. 57 Ik heb gezegd: Heer, dit zal mijn erfdeel zijn, dat ik uwe woorden onderhoud. 58 Ik smeek voor uw aangezicht van ganscher harte, wees mij genadig naar uwe toezegging. 59 Ik overdenk mijne wegen, en keer mijne voeten tot uwe getuigenissen. 60 Ik haast mij en verzuim niet uwe geboden te onderhouden. 61 Het rot der goddeloozen berooft mij, maar ik vergeet uwe wet niet. 62 Te middernacht sta ik op, om u te loven voor de rechten uwer gerechtigheid. 63 Ik houd mij bij degenen die u vreezen en uw bevel onderhonden. 64 Heer, de aarde is vol van uwe goedheid; leer mij uwe rechten. |
65 Gij doet uwen knecht wèl, o Heer, naar uwe belofte. 66 Leer mij heilzame zeden en kennis, want ik geloof aan uwe geboden. 67 Eer ik verootmoedigd werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw woord. 68 Gij zijt goedertieren en vriendelijk; leer mij uwe rechten. 69 De hoovaardigen verdichten leugens tegen mij, maar ik onderhoud uwe bevelen van ganscher harte. 70 Hun hart is als met vet omtogen, maar ik heb lust aan uwe wet. 71 Het is mij lief dat gij mij verootmoedigd hebt, opdat ik uwe rechten leerde. 73 De wet uws monds is mij liever dan vele duizend stukken goud en zilver. 73 Uwe hand heeft mij gemaakt en bereid; onderwijs mij, opdat ik uwe geboden leere. 74 Wie u vreezen, zullen op mij zien en zich verblijden , want ik hoop op uwe belofte. 75 Heer, ik weet dat uwe oordeelen rechtvaardig zijn, en dat gij mij met getrouwheid hebt verootmoedigd. 70 Uwe genade moge mijn troost zijn, zooals gij uwen knecht hebt beloofd. 77 Laat mij uwe barmhar- |
M 110.
PS AL
1144
|
tigheid ervaren, opdat ik leve; want ik heb lust aan uwe wet. 78 Ooh dat de lioovaar-digen, die mij met leugens onderdrukken, te schande mochten worden, daar ik slechts spreek van uwe bevelen. 79 Och dat zich tot mij mochten keeren wie u vreezen en uwe getuigenissen kennen! 80 Mijn hart blijve oprecht in uwe rechten, oprlat ik niet te schande worde. 81 Mijne ziel verlangt naar Uw heil; ik hoop op uwe belofte. 82 Mi] neoogen zien smachtend uit naar uwe toezegging, en ik spreek: Wanneer vertroost gij mij? 83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; echter vergeet ik uwe rechten niet. 84 Hoelang zal uw knecht wachten? Wanneer zult gij gericht houden over mijne vervolgers? 85 De hoovaardigen graven mij kuilen; zij doen niet naar uwe wet. 86 Uwe geboden zijn enkel waarheid; zij vervolgen mij met leugens, help mij. 87 Zij hebben mij bijna verdelgd van de aarde, maar ik verlaat uwe bevelen niet. |
88 Yerkwik mij door uwe genade, opdat ik de getuigenissen uws mondshoude. 89 Heer, uw woord blijft eeuwig in den hemel. 90 Uwe trouw duurt van geslacht tot geslacht; gij hebt de aarde bereid, en zij slaat onwankelbaar; 91 het staat alles nog heden volgens uwe verorde--ning, want alles moet u dienen. 93 Indien uwe wet mijn troost niet was geweest, ik ware al lang vergaan in mijne ellende. 93 Uwe bevelen zal ik nooit vergeten, want daarmede verkwikt gij mij. 94 Ik ben de uwe, help mij dus; want ik vraag naar uwe bevelen. 95 De goddeloozen loeren op mij om mij omtebrengen, maar ik let op uwe getuigenissen. 96 Ik heb aan alle dingen een einde gezien, maar uw gebod is bestendig. 97 Hoe lief heb ik uwe wet! Dagelijks overpeins ik haar. 98 Gij maakt mij door uw gebod veel wijzer dan mijne vijanden, want het is eeuwig mijn schat. 99 Ik ben geleerder dan al mijne leeraars, want |
PSALM 119.
1145
|
uwe getttigenissen zijn mijne overdenking; 100 ik ben schranderder dan de ouden, want ik onderhoud uwe bevelen. 101 Ik bewaar mijnen voet voor alle kwade wegen, om mij te houden aan uw woord. 102 Ik wijk niet van uwe rechten, want gij onderwijst mij. 103 Uw woord is mijnen mond zoeter dan honig 104 Uw woord maakt mij verstandig; daarom haat ik alle valsche wegen. 105 Uw woord is eene lamp voor mijnen voet en een licht op mijnen weg. 106 Ik zweer, en zal liet houden, dat ik de rechten uwer gerechtigheid onderhouden zal. 107 Ik ben zeer bedrukt: Heer, verkwik mij naar uw woord. 108 Laat, o Heer, het vrijwillige oft'er mijns monds u behagen, en leer mij uwe rechten. 109 Ik draag mijne ziel altoos in mijne handen, en ik vergeet uwe wet niet; 110 de goddeloozen leggen mij strikken, maar ik dwaal niet af van uwe geboden; 111 uwe getuigenissen zijn mijn eeuwig erfdeel, want zij zijn de blijdschap mijns harten; |
113 ik neig mijn hart om te doen naar uwe rechten, altoos en eeuwig. 113 Ik haat de wargeesten , maar bemin uwe wet. 114 Gij zijt mijne bescherming en mijn schild; ik hoop op uw woord. 115 Wijkt van mij gij boosdoeners; ik wil de geboden mijns Gods onderhouden. 116 Onderhoud mij door uw woord, opdat ik leve; en laat mij niet te schande worden in mijne hoop. 117 Sterk mij, opdat ik gered worde; zoo zal ik steeds mijnen lust hebben aan uwe rechten. 118 Gij vertreedt al degenen die van uwe rechten afdwalen, en hunne bedriegerij is niets dan leugen. 119 Alle goddeloozen der aarde werpt gij weg als schuim, daarom bemin ik uwe getuigenissen. 120 Ik vrees voor u dat mij de huid rilt, en ik sidder voor uwe oordeelen. 121 Ik betracht recht en gerechtigheid; geef mij daarom niet over aan degenen die \('ij geweld willen aandoen. 122 Bescherm uwen knecht en troost hem, opdat de hoo-vaardigen mij geen geweld doen. |
PSALM 119.
1146
|
123 Mijne oogen zien smachtend naar uw heil en naar het woord uwer gerechtigheid. 124 Handel met uwen knecht naar uwe genade, en leer mij uwe rechten. 135 Ik ben uw knecht, onderwijs mij, opdat ik uwe getuigenissen kenne. 126 Het is tijd dat de Heer toetreedt: zij hebben uwe wet verscheurd. 137 Daarom bemin ik uwe geboden ver boven goud, ja boven het fijnste goud. 138 Daarom houd ik al uwe bevelen voor recht; ik haat eiken valschen weg. quot;f^ 139 Uwe getuigenissen zijn wonderbaar, daarom onderhoudt mijne ziel die. r' 130 Wanneer uw woord geopend wordt, verlicht het, | en maakt de eenvoudigen verstandig.' 130 Wanneer uw woord geopend wordt, verlicht het, | en maakt de eenvoudigen verstandig. 131 Ik doe mijnen mond open, en begeer uwe geboden, want ik verlang er naar. 132 Wend u tot mij, en ontferm u over mij, gelijk gij pleegt te handelen met degenen die uwen naam beminnen. 133 Laat mijne treden vast zijn in uw woord, en laat geen onrecht over mij heerschen. 134 Verlos mij van het |
geweld der menschen, zoo zal ik uwe bevelen onderhouden. 135 Laat uw aangezicht lichten over uwen knecht, en leer mij uwe rechten. 136 Mijne oogen vlieten van water, omdat men uwe wet niet onderhoudt. 137 Heer, gij zijt rechtvaardig, en uw woord is recht. 138 Gij hebt de rech tvaardigheid uwer getuigenissen en de waarheid nadrukkelijk geboden. 139 Ik heb mij bijna dood geijverd, omdat mijne we-derpartijders uwe woorden vergeten. 140 Uw woord is welbe- Êroefel, en uw knecht heeftroefel, en uw knecht heeft et lief. 141 Ik ben gering en ver- lt; acht, maar ik vergeet uwe bevelen niet. 143 Uwe gerechtigheid is eene eeuwige gerechtigheid, en uwe wet is waarheid. 143 Angst en nood hebben mij getroflen, doch uwe geboden zijn mijne verlustiging. 144 De gerechtigheid uwer getuigenissen is eeuwig; onderwijs mij, zoo zal ik leven. 145 Ik roep van ganscher harte; verhoor mij Heer, opdat ik uwe rechten onder-houde. |
|
PSAL 146 Ik roep tot u: help zoo mjj ^ opdat jjj uwe getuige- quot; nissen betrachte. , 147 Ik kom vroeg en jam- f3*1' mer; op uwe belofte koop ht' ik. '• 148 Vroeg ontwaak ik, n opdat ik spreke van uw we woord. , , 149 Hoor mijne stem naar . uwe genade; Heer, verkwik mij naar uwe rechten. 150 Mijne boosaardige ver-lrquot; volgers zijn nabij, maar zij zijn verre van uwe wet. ^ 151 Heer, gij zijt nabij, , en al uwe geboden zijn enkel waarheid. 153 Maar ik weet vanouds, dat gij uwe getuigenissen eeuwig hebt gegrond. 153 Zie mijne ellende aan, en help mij uit, want ik vergeet uwe wet niet. f. X54 Yoev mijne zaak uit en verlos mij; verkwik mij door uw woord. 3 155 Het heil is verre van ' de goddeloozen, want zij achten uwe rechten niet. 150 Heer, uwe barmhartigheid is groot; verkwik mij naar uwe rechten. 157 Mijne vervolgers en wederpartijders zijn vele, maar ik wijk niet van uwe getuigenissen. 158 Ik zie de verachters, en het doet mij wee dat zij uw -woord niet houden. |
M 119. 1147 159 Zie, ik bemin uwe bevelen; Ileerr verkwik mij naar uwe genade. 160 Uw woord is niets dan waarheid, en alle rechten uwer gerechtigheid duren eeuwig. 101 De vorsten vervolgen mij zonder oorzaak, en mijn hart vreest voor uwe woorden. 102 Ik verheug mij over uw woord, als een die een grooten buit verkrijgt. 103 De leugens haat ik en heb er een afkeer van, maar uwe wet heb ik lief. 104 Ik loof u zevenmaal 's daags om de bevelen uwer gerechtigheid. 105 Wie uwe wet beminnen hebben grooten vrede, en zullen niet struikelen. 100 Heer, ik wacht op uw heil en doe naar uwe geboden. 107 Mijne ziel houdt uwe getuigenissen, en ik bemin ze zeer. 168 Ik onderhoud uwe bevelen en uwe getuigenissen, want al mijne wegen zijn vóór u. 109 Heer, laat mijn klagen voor u komen, en onderwijs -mij naar uw woord. 170 Laat mijn smeeken voor u komen, red mij naar uw woord. 171 Mijne lippen zullen |
PSALM 120, 121, 132.
1148
|
loven, als gij mij mve rechten leert 173 Mijne tong zal gewagen van mv woord, want al uwe geboden zijn recht. 173 Laat uwe hand mij ondersteunen, want ik heb uwe bevelen verkozen boven alles. 17 4 Heer, ik verlang naar uw heil, en heb lust aan uwe wet. 175 Laat mijne ziel leven, opdat zij u love, en laat uwe rechten mij helpen. 176 Ik ben als een verdwaald en verloren schaap: zoek uwen knecht op,-want ik vergeet uwe geboden niet. PSALM 120. 1 Een lied in hethooge koor. —• Ik roep tot den Heer in mijnen nood, en hij verhoort mij. 3 Heer, red mijne ziel van de bedrieglijke lippen en van de valsche tongen. 3 Wat kan de valsche tong u doen, en wat kan zij uitvoeren? 4 Zij is als de scherpe pijten eens geweldenaars, als vuur in jeneverhout. 5 Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, ik moet wonen in de hutten van Kedar. |
6 Het valt mijne ziel lang te wonen bij degenen die den vrede haten. 7 Ik houd vrede; maar spreek ik, dan beginnen zij strijd. PSALM 121. 1 Een lied in het hooge koor. — Ik hef mijne oogen op tot de bergen, vanwaar mijne hulp moet komen. ' 3 Mijne hulp komt van den Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. 3 Hij zal uwen voet niet laten glijden, en die u behoedt slaapt niet. 4 Zie, de behoeder Israels slaapt noch sluimert. 5 De Heer behoedt u, de Heer is uwe schaduw aan uwe rechterhand; 6 opdat u bij dag de zon niet steke, noch de maan bij nacht. 7 De Heer behoede u voor alle kwaad, hij behoede uwe ziel. 8 De Heer behoede uwen uitgang ,en ingang, van nu af tot in eeuwigheid. PSALM 122. 1 Een lied van David, in het hooge koor. — Ik verheug mij omdat mij gezegd is: Lnat ons in het huis des.Heeren gaan; 3 en dat onze voeten zul- |
PSALM 133, 124.
1140
|
len staan in uwe poorten o Jeruzalem. 3 Jeruzalem is gebouwd, opdat er eene stad zij waar men zal samenkomen: 4 waarheen de stammen zullen opgaan, namelijk de stammen des Heeren, om te prediken voor liet volk Israël, om den naam des Heeren te loven. 5 Want aldaar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van Davids huis. 6 Wenscht Jeruzalem geluk ; het moge welgaan dengenen die u beminnen. 7 Yrede moge zijn binnen uwe muren, en geluk in uwe paleizen. 8 Om mijne broederen en vrienden zal ik u vrede wenschen. 9 Om het huis van den Heer onzen God zal ik uw heil zoeken. PSALM 123. 1 Een lied in het hooge koor. — Ik hef mijne oogen op tot u die in den hemel gezeten zijt. 3 Zie, gelijk de oogen der knechten op de handen hunner heeren, gelijk de oogen der dienstmaagd op de linnden harer vrouw zien, zoo zien onze oogen op den Heer onzen God, totdat hij ons genadig worde. |
3 Wees ons genadig Heer, wees ons genadig, want wij zijn overstelpt met verachting ; 4 onze ziel is overstelpt met de bespotting der hoog-moedigen, en met de verachting der hoovaardigen. PSALM 124. 1 Een lied van David, in het hooge koor. — Was de Heer niet met ons geweest, — zoo spreke Israël nu, — 3 was de Heer niet met ons geweest toen de men-schen zich tegen ons stelden , 3 dan hadden zij ons levend verslonden toen hun toorn tegen ons ontbrandde; 4 dan hadden wateren ons overstelpt, en stroomen zouden over onze. ziel gegaan zijn; 5 de wateren zouden alte hoog over onze ziel gegaan zijn. 6 Geloofd zij de Heer, dat hij ons niet overgaf ten roof in hunne tanden. 7 Onze ziel is ontkomen gelijk een vogel aan den strik des vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn vrij. 8 Onze hulp bestaat in den naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft. |
IF
PSALM 125, 120, 137.
1130
|
PSALM 125. 1 Een lied in liet liooge koor. — Wie op den Heer hopen, zullen niet vallen, maar eeuwig blijven als de berg Sion. 2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; en de Heer is rondom zijn volk, van nu af tot in eeuwigheid. 3 Want de schepter der goddeloozen zal niet blijven over het erfdeel der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne hand niet uitstrekken tot ongerechtigheid. 4 Heer, doe wel aan de goeden en vromen van hart. 5 Maar wie afwijken op hunne kromme wegen, die verdelge de Heer met de kwaaddoeners; maar vrede zij over Israël. PSALM 126. 1 Een lied in het hooge koor. — Wanneer de Heer Sions gevangenen verlossen zal, zal het ons zijn alsof wij droomen. 2 Dan zal onze mond vol lachen en onze tong vol gejuich zijn; dan zal men zeggen onder de heidenen: De Heer heeft groote dingen aan hen gedaan. 3 De Heer heeft groote |
dingen aan ons gedaan, dies zijn wij vroolijk. 4 Heer, wend onze gevangenschap, gelijk gij de wateren in het zuiden verdroogd hebt. 3 L Wie met tranen zaaien I zullen met vreugde maaien. 6 Zij gaan lieen en weeJ nen, en dragen edel zaad^ ƒ en komen met vreugde, en / brengen hunne schoven. / PSALM 127. 1 Een lied van Salomo, in het hooge koor. — Zoo de Heer het huis niet bouwt, zoo arbeiden vergeefs wie daaraan bouwen; zoo de Heer de stad niet bewaart, zoo waakt de wachter vergeefs. 2 Het is vergeefs dat gij vroeg opstaat, en laat opblijft, en uw brood met zorgen eet; want hij geeft het zijn vrienden inden slaap. 3 Zie, kinderen zijn eene gave des Heeren, en des lichaams vrucht is een geschenk. 4 Gelijk de pijlen in de hand eens helds, zóó zijn de zonen der jeugd: 5 gelukkig is hij die zijnen koker daarvan vol heeft, zij worden niet te schande als zij met hunne vijanden een geschil hebben in de poort. 3n,4 / ee ƒ 'K I |
X...
|
PSALM 11 PSALM 128. 1 Een lied in het hooge koor. — Welgelukzalig is hij die den Heer vreest, en op zijne wegen wandelt. 3 Gij zult u voeden van den arbeid uwer handen; gij zult gelukkig zijn, het zal u welgaan. 3 Uwe huisvrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok rondom uw huis, uwe kinderen als olijftakken rondom uwe tafel. 4 Zie, zóó wordt de man gezegend die den Heer vreest. 5 De Heer zal u zegenen uit Sion, dat gij ziet het geluk van Jeruzalem uw leven lang, 6 en uwe kindskinderen ziet. Yrede zij over Israël. PSALM 129. 1 Een lied in het hooge koor. — Zij hebben mij dikwijls gedrongen van mijne jeugd af aan, — zoo spreke Israël nu, — 3 zij hebben mij dikwijls gedrongen van mijne jeugd af aan, maar zij hebben mij niet overmocht. 3 De ploegers hebben op mijnen rug geploegd, en hunne voren lang getrokken. 4 De Heer, die rechtvaardig is, heeft de koorden 18, 139, 130. 1131 |
der goddeloozen verbroken. 5 Och dat zij toch te schande wierden en terugweken, allen die Sion haten. 6 Och dat zij wierden als het gras op de daken, hetwelk verdort eer men het uittrekt, 7 waarmede de maaier zijne hand niet vult, noch de gar venbinder zijnen arm, 8 terwijl zij die voorbijgaan niet zeggen: De zegen des Heeren zij over u, wij zegenen u in den naam des Heeren. PSALM 130. 1 Een lied in het hooge koor. •—- Uit de diepte, o Heer, roep ik tot u: 3 Heer, hoor mijne stem; laat uwe ooren acht geven op de stem mijns smeekens. 3 Zoo gij o Heer de zonden wilt toerekenen, Heer, wie kan dan bestaan? 4 Maar bij u is vergeving, opdat men u vreeze. 5 Ik verwacht den Heer, mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn vvoord. 6 Mijne ziel wacht op den Heer, van de ééne morgen-wake. tot de andere. 7 Israël hope op den Heer; want bij den Heer is genade, en bij hem is velerlei verlossing. |
|
1152 PSALM 8 en hij zal Israël verlossen uit al zijne zonden. PSALM 131. 1 Een lied van David, in het hooge koor. —- Heer, mijn hart is niet hoovaar-dig en mijne oogen zijn niet hoogmoedig; en ik wandel niet in groote dingen die mij te hoog zijn. 2 Als ik mijne ziel niet eiien hield en stil, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! Zóó was mijne ziel gespeend in mij. 3 Israël hope op den Heer van nu af tot in eeuwigheid. PSALM 13-2. 1 Een lied in het hooge koor. — Gedenk, Heer, aan David, en aan al zijn lijden; 2 die den Heer zwoer, en gelofte deed aan den Machtige van Jakob: 3 Ik wil niet in de hut van mijn huis gaan, noch de sponde mijner legerstede beklimmen; 4 ik wil aan mijne oogen geen slaap gunnen, aan mijne oogleden geen sluime-ring, 5' tot ik een vast verblijf vinde voor den Heer, eene woning voor den Machtige van Jakob. 6 Zie, wij hoorden van 131, 132. |
haar in Efratha, wij hebben haar gevonden op de velden des wouds. 7 Wij willen in zijne woning gaan, en aanbidden voor de voetbank zijner voeten. 8 Heer, maak u op tot uwe rust, gij en de ark uwei»-macht. 9 Laat uwe priesters zich beklceden met gerechtig-lieid, en uwe heiligen zich verheugen. 10 Neem niet weg de regeering uws gezalfden, ter-wille van uwen knecht David. 11 De Heer heeft David een waarachtigen eed gezworen, daarvan zal hij niet wijken: Ik wil do vrucht uws lichaams op uwen troon zetten. 12 Indien uwe kinderen mijn verbond houden en mijne getuigenis die ik hun leeren zal, zoo zullen ook hunne kinderen op uwen troon zitten eeuwiglijk. 13 Want de Heer heeft Sion verkoren, en heeft lust aldaar te wonen. 14 Dit is mijne rust eeuwiglijk , hier wil ik wonen, want dit behaagt mij. 15 Ik zal hare spijs zegenen , en haren armen brood genoeg geven. 16 Hare priesters zal ik |
PSALM 133, 134, 135.
1153
|
met heil bekleeden, en liare heiligen zulleu vroolijk zijn. 17 Aldaar zal opgaan de hoorn van David; ik heb voor mijnen gezalfde eene lamp toegericht; 18 zijne vijanden zal ik met schande bekleeden, maar op hem zal zijne kroon schitteren. PSALM 133. 1 Een lied van David, in het hooge koor. — Zie,lioe goed en liefelijk is het dat broeders eendrachtig bij elkander wonen. 3 Het is gelijk de kostelijke balsem, die van Aiirons hoofd afvloeit op zijn gehee-len baard, die afdaalt tot op zijn gewaad; 3 gelijk de dauw van Her-raon, die op Sions bergen nederdaalt; want daar belooft de Heer den zegen en het leven altoos en eeuwiglijk. PSALM 134. 1 Een lied in het hooge koor. — Zie, looft den Heer, alle knechten des Heeren, gij die des nachts in liet huis des Heeren staat. 2 Heft uwe handen op naar het heiligdom en looft den Heer. 3 De Heer zegene u uit Sion, hij die hemel en aarde gemaakt heeft. |
PSALM 135. 1 Hallelujah. Ijooft den naam des Heeren; looft, gij knechten des Heeren, 3 gij die in het huis des Heeren staat, in de voorhoven van het huis onzes Gods. 3 Looft den Heer, want de Heer is goed; zingt den lof zijns naams, want hij is vriendelijk. I De Heer heeft zich Jakob uitverkoren, Israël tot zijn eigendom. 5 Ja ik weet dat de Heer groot is, en onze Heer boven alle goden. 6 Alwat hij wil, dat doet hij, in den hemel en op de aarde, in de zeeën en in alle diepten; 7 die de wolken laat opgaan van het einde der aarde, die de bliksemstralen met den regen maakt, die den wind laat komen uit heimelijke plaatsen; 8 die de eerstgeborenen sloeg in Egypte, zoo van menschen als van vee, 9 en zijne teekenen en wonderen liet komen over u o Egypteland, over Earao en al zijne knechten; 10 'die vele volken sloeg, en machtige koningen doodde: II Sihon den koning der Amorieten, en Og den ko- |
37
PSALM 136.
1154
|
ning' van Basau, en alle koninkrijken in Kanailn; 13 on hij gaf him land lot een erfdeel, tot een erfdeel aan zijn volk Israël. 13 Heer, uw naam duurt eeuwig; uwe gedachtenis, Heer, duurt immer en altoos. 14 Want de Heer zal zijn volk richten, en zijn knechten genadig zijn. 15 De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, door menschenhanden gemaakt. 16 Zij hebben monden en spreken niet, zij hebben oogen en zien niet, 17 zij hebben ooren en hoo-ren niet, ook is er geen adem in hunnen mond. 18 Wie zo maken mogen ook zoo worden, en allen die er op vertrouwen. 19 Het huis van Israël love den Heer; looft den Heer, gij huis van Aaron; 20 gij huis van Levi, looft den Heer; gij die den Heer vreest, looft den Heer. 31 Geloofd zij de Heer uit Sion, hij die te Jeruzalem woont. Hallelujah. PSALM 136. 1 Looft den Heer, want hij is goed, waut zijne goedheid duurt eeuwig. |
3 Looft den God aller goden , want zijne goedheid duurt eeuwig. 3 Looft den Heer aller hee-ren, want zijne goedheid duurt eeuwig; 4 die alléén groote wonderen doet, want zijne goedheid duurt eeuwig; 5 de de hemelen met wijsheid gemaakt heeft, want zijne goedheid duurt eeu? wig; _ 6 die de aarde over het water uitgebreid heeft, want zijne goedheid duurt eeuwig; _ 7 die groote lichten gemaakt heeft, want zijne goedheid duurt eeuwig: 8 de zon om den dag te besturen, want zijne goedheid duurt eeuwig; 9 de maan en de sterren om den nacht te besturen, want zijne goedheid duurt eeuwig; • 10 die Egypte sloeg in hare eerstgeborenen, want zijne goedheid duurt eeu-wig, 11 en Israël daaruit leidde, want zijne goedheid duurt eeuwig, 13 door een machtige hand en een uitgestrekten arm, want zijne goedheid duurt eeuwig; 13 die de Schelfzee in twee deelen deelde, want zijne goedheid duurt eeuwig. |
x'SALM 137.
1133
|
14gt; en Israël daardoor liet gaan, want zijne goedheid duurt eeuwig; 13 die Farao en zijn lieir in de Selielfzee stortte, want zijne goedheid duurt eeu-wig; IC die zijn volk leidde dooide woestijn, want zijne goedheid duurt eeuwig; 17 die groote koningen sloeg, want zijne góedheid dnurt eeuwig, 18 en machtige koningen doodde, want zijne goedheid duurt eeuwig: 19 Sihon den koning der Amorieten, want zijne goedheid duurt eeuwig, 20 en Og den koning van Basan, want zijne goedheid duurt eeuwig, 21 en hun land tot een erfdeel gaf, want zijne goedheid duurt eeuwig, 22 tot een erfdeel aan zijnen knecht Israël, want zijne goedheid duurt eeuwig; 23 die aan ons gedacht toen wij onderdrukt waren, want zijne goedheid duurt eeuwig, 24 en ons verloste van onze vijanden, want zijne goedheid duurt eeuwig; 25 die spijs geeft aan alle vleesch, want zijne goedheid duurt eeuwig. 26 Looft den God des hemels, want zijne goedheid duurt eeuwig. |
PSALM 137. 1 Aan de wateren van Ba-bel z;iten wij, en weenden als wij gedachten aan Sion. 3 Onze harpen hingen wij aan de wilgen die daarin zijn; 3 want daar bevalen zij, die ons gevangen hielden, ons te zingen, en in ons leed vroolijk te zijn, ^zeg-gendtf -. Zingt ons toch een van Sions liederen. 4 Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in vreemde landen? 5 Indien ik u o Jeruzalem vergeet, zoo worde mijne rechterhand vergeten; 0 mijne tong moge aan mijn gehemelte kleven, indien ik aan u niet gedenk, indien ik Jeruzalem niet mijne hoogste vreugd laat zijn. 7 Heer, vergeld aan de kinderen van Edom den dag van Jeruzalems ongeluk, die zeggen: Slecht haar, slecht haar, tot op haren grondslag toe. 8 Gij verwoeste dochter Labels, gelukkig hij die u vergeldt alwat gij aan ons gedaan hebt; 9 gelukkig hij die uwe jonge kinderen neemt en ze aan de rots verplettert. |
PSALM 138, lb.
1156
|
PSALM 138. 1 Van David. — Ik loof u van ganscher liarte, voor de goden wil ik uwen lof zingen. 3 Ik Kil aanbidden voor uwen heiligen tempel, en uwen naam loven, voor uwe goedheid en trouw; want gij hebt uwen naam boven alles heerlijk gemaakt door uwe belofte. 3 Wanneer ik u aanroep, verhoort gij mij, en geeft aan mijne ziel groote kracht. 4 Heer, alle koningen der aarde loven u, omdat zij het woord uws monds hooren; 5 en zij bezingen de wegen des Heeren, dat de heerlijkheid des Heeren groot is. 6 Want de Heer is hoog, en ziet op het nederige, en kent de hoovaardigen van verre. 7 Als ik wandel in het midden van den angst, verkwikt gij mij, en strekt uwe hand uit tegen den toorn mijner vijanden, en helpt mij met uwe rechterhand. 8 De Heer zal er een einde aan maken om mijnentwil; Heer, uwe goedheid is eeuwig ; wil toch het werk uwer handen niet verlaten. ill m |
PSALM 139. 1 Een psalm van David om voortezingen. — Heer, gij doorgrondt mij en kent mij- 2 Hetzij ik zit of opsta, zoo weet gij het; gij verstaat mijne gedachten van verre. 3 Hetzij ik ga of lig, zoo zijt gij rondom mij, en ziet al mijne wegen. 4 Want zie, geen woord is er op mijne tong, of gij Heer weet het alles. 5 Gij beschikt wat ik voor of na doe, en houdt uwe hand over mij. 6 Zulke kennis is mij te wonderbaar en te hoog, ik kan ze niet bereiken. 7 Waar zou ik heengaan voor uwen geest, en waar zou ik heenvlieden voor uw aangezicht? 8 Voer ik op ten hemel, gij zijt daar; spreidde ik mijn leger in den afgrond, zie, gij zijt ook daar; 9 nam ik de vleugelen des dageraads, en bleef aan het uiterste der zee, 10 ook daar zou uwe hand mij geleiden, en uwe rechterhand mij houden. 11 Sprak ik: Duisternis moge mij bedekken, dan zou de nacht rondom mij licht zijn. |
PSALM 140.
1157
|
13 Want ook de duisternis verdonkert niets voor n, de nadit zelfs lielit als de dag, de duisternis is als het licht. 13 Want gij hebt mijne nieren in uwe macht; in den moederschoot waart gij over mij. 14 Ik loof u dat ik wonderbaar gemaakt ben; wonderbaar zijn uwe werken, en dit erkent mijne ziel zeer goed. 15 Mijn gebeente was u niet verholen, toen ik in het verborgen gemaakt werd, toen ik gevormd werd onder in de aarde. IC Uwe oogen zagen mij toen ik nog onbereid was; en alle dagen waren in uw boek geschreven, die nog worden moesten, waarvan nog geen aanwezig was. 17 Maar hoe kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten 1 Wat zijn ze eene groote som! 18 Zoude ik ze tellen, zij zouden meer zijn dan het zand; als ik ontwaak, ben ik nog bij u. 19 Ach God, dat gij de goddeloozen dooddet, en dat de bloedgierigen van mij wijken mochten! 20 Want zij spreken lasterlijk van u, en uwe vijanden verheffen zich zonder oorzaak. |
21 Ik haat immers, Heer, wie u haten, en ik heb een afkeer van hen die zich tegen u stellen. 22 Ik haat hen recht ernstig, daarom zijn ze mij vijandig. 23 Doorgrond mij o God, en ken mijn hart; beproef mij en keu mijne overleggingen ; 24 en zie of ik op een kwaden weg ben, en leid mij op den eeuwigen weg. PSALM 140. 1 Een psalm van David om voortezingen. •—- 2 lied mij, Heer, van de boo/.e menschen, behoed mij voor de lieden des go weids; 3 die in hun hart kwaad denken, en dagelijks strijd verwekken. 4 Zij scherpen hunne tong als eene slang, adderengif is onder hunne lippen. Sela. 5 Eewaar mij, o Heer, voor de hand der goddeloozen; behoed mij voor de lieden des gewelds, die mijne voeten onder mij zoeken wegtestooten. G De hoovaardigen leggen mij strikken en spreiden touwen uit, mij tot een net; zij spannen mij valstrikken op den weg. Sela. 7 Maar ik zeg tot den Heer: Gij zijt mijn God; |
PSALM 141.
1158
|
Heer, verneem de stem mijns smeekens. 8 Heore Heore, mijne sterke hulp, gij beschermt mijn hoofil ten tijde des strijds. 9 Heer, geef don godde-looze zijne begeerten niet, sterk zijne moedwilligheid niet: zij mochten zich des-vege verhellen. Sela. 10 Het ongeluk, over hetwelk mijne vijanden beraadslagen , moge op hun hoofd vallen. 11 Hij zal kolen vuur over hen uitstorten; hij zal hen met vuur diep in de aarde slaan, dat zij niet weder opstaan. 13 Een booze mond zal geen geluk hebben op aarde, en een boos man des ge-welds zal verjaagd en gestort Worden. 13 Want ik weet dat de Heer de zaak des ellendigen en het recht der armen zal uitvoeren. 14 Ook zullen de rechtvaardigen uwen naam loven, en dé vromen zullen voor uw aangezicht blijven. PSALM 141. 1 Een psalm van David. — Heer, ik roep tot u, haast u tot mij, verneem mijne stem wanneer ik tot u roep. |
2 Mijn gebed moge u behagen als een reukofter, het opheffen mijner handen als het avondoffer. 3 Heer, behoed mijnen mond, en bewaar mijne lippen. 4 Neig nooit mijn hart tot iets kwaads, om een goddeloos leven te leiden met de kwaaddoeners; en laat mij nooit eten van hetgeen hun behaagt. 5 De rechtvaardige sla mij vriendelijk en bestrafte mij; het zal mij eene weldaad zijn, als een balsem op mijn hoofd; ja ik bid steeds dat zij mij geen schade doen. 6 Hunne rechters zijn vrij heengegaan langs de zijde der steenrots, en hebben mijne leer gehoord, dat zij liefelijk is. 7 Ons gebeente ligt verstrooid om het graf heen, gelijk iemand die het land doorklooft en doorwroet. 8 AYant op u, Heere Heere, zien mijne oogen; ik vertrouw op u, verstoot mijne ziel niet. 9 Bewaar mij voor den strik dien zij mij gespannen hebben, voor de valstrikken der kwaaddoeners. 10 Dat de goddeloozen in hun eigen net vallen met elkander, maar ik altoos voorbijga. |
|
PSALM PSALM 14-2. 1 Eeue onderwijzing van David, toen hij in de spelonk was. Een gebed. — 2 Ik roep tot den Heer met mijne stom, ik smeek den Heer met mijne stem; 3 ik stort mijne klacht voor hem uit, ik maak hem mijnen nood bekend. 4 Als mijn geest in angst is, neemt gij n mijner aan; zij spannen mij strikken op den weg dien ik ga. 5 Aansclionw ik ter rechterhand en zie, daar wil niemand mij kennen; ik kan niet ontvlieden, niemand neemt zich mijner ziel aan. 6 Heer, tot u roep ik en zeg: Gij zij t mijne toevlucht, mijn deel in het land der levenden. 7 Geef aclit op mijn klagen , want ik word zeer geplaagd; red mij van mijne vervolgers, want zij zijn mij te maclitig. • 8 Voer mijne ziel uit den kerker, opdat ik uwen naam love; de rechtvaardigen zullen zich tot mij vergaderen , wanneer gij mij goeddoet. PSALM 143. 1 Een psalm vanDavid. — Heer, verhoor mijn gebed, •verneem mijn smeekennaar 142, 143. 11S9 |
uwe waarheid, verhoor mij naar uwe gerechtigheid; 2 en ga niet in het gericht met uwen knecht, want voor u is geen levend mensch rechtvaardig. 3 Want de vijand vervolgt mijne ziel, en vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in het duister, gelijk de sedert lang gestorvenen. 4 En mijn geest in mij is beangst, mijn hart in mijn lijf is verteerd. 5 Ik gedenk aan de ver-ledene tijden, ik spreek van al ixwe daden, en overpeins de werken uwer handen. 6 Ik breid mijne handen tot u uit, mijne ziel dorst naar u gelijk een dor land. Sela. 7 Heer, verhoor mij schielijk, mijn geest vergaat; verberg uw aangezicht niet voor mij, opdat ik niet gelijk worde aan degenen die in den kuil dalen. 8 Laat mij vroeg uwe genade vernemen, want ik vertrouw op u; maak mij den weg bekend dien ik moet gaan, want ik verlang naar u. « lied mij, Heer, van mijne vijanden; tot u neem ik mijne toevlucht. 10 Loer mij doen naar nw welbehagen, want gij |
M 144.
PSAL
1160
|
zijt mijn God; xiw goede Geest leide mij op eon eflen baan. 11 Heer, verkwik mij om uws naams wil, voer mijne ziel uit den nood naar uwe gerechtigheid. 12 En verniel mijne vijanden naar uwe goedheid, en breng allen om, die mijne ziel beangstigen; want ik ben uw knecht. PSALM 144. 1 Van David. — Geloofd zij de Heer, mijn rots, die mijne handen leert strijden, en mijne vuisten oorlogen; 2 mijn weldoener en mijn burg, mijn beschutting en mijn verlosser, mijn schild waarop ik vertrouw; die mijn volk aan mij onderwerpt. 3 Heer, wat is de mensch dat gij u zijner aanneemt, en des menschen zoon dat gij acht op hem slaat? 4 Immers is de mensch als niets, zijn tijd gaat voorbij als eene schaduw. 5 Heer, buig uwe hemelen en daal neder; roer de bergen aan dat zij rooken. 6 TVerp den bliksem en verstrooi ze, zend uwe stralen uit en verschrik ze. |
7 Strek uwe hand uit van de hoogte, en verlos mij en red mij uit groote wateren, uit do hand der vreemde kinderen, 8 wier leer niet nut is en wier werken valsch zijn. 9 God, ik wil n een nieuw lied zingen, ik zal voor u spelen op de luit van tien snaren; 10 u die aan koningen de overwinning geeft, en uwen knecht David verlost vail het moorddadige zwaard der boozen. 11 Verlos mij ook en red mij van de hand der vreemde kinderen, wier leer niet nut is en wier werken valsch zijn. 12 Dat onze zonen opwassen in hunne jeugd als planten, en onze dochters als uitgehouwen standbeelden, gelijk zij in de paleizen staan. 13 Dat onze voorraadkamers vol zijn, en voorraad bij voorraad uitleveren; dat onze schapen duizend en honderdduizend dragen op onze hoeven. 14 Dat onze ossen veel arbeid voortbrengen; dat er geen schade, geen verlies noch klacht op onze straten zij. 15 Welgelukzalig is het volk waarmede het alzoo gaat, welgelukzalig is het volk welks God de Heer is. |
|
PSALM PSALM 145. L Een lofzang vanDavid.— Ik wil u verlioogen, o miju God, o koning, en uwen naam loven altoos en een-wiglijk. 2 Ik zal u dagelijks loven, en uwen naam roemen altoos en eeuwiglijk. 3 De Heer is groot en zeer te loven, en zijne grootheid is onuitsprekelijk. 4 Kindskinderen zullen uwe werken prijzen, en van uwe macht spreken. 5 Ik zal spreken van uwe heerlijk schoone pracht, en van uwe wonderen; 6 opdat men spreke van uwe heerlijke daden, en dat men uwe heerlijkheid verkondige; 7 dat men uwe groote goedheid prijze, en uwe gerechtigheid roeme. 8 Genadig en barmhartig is de Heer, lankmoedig en van groote goedertierenheid. 9 De Heer is jegens allen goedertieren, en ontfermt zich over al zijne werken. 10 Al uwe werken zullen u prijzen. Heer, en uwe heiligen zullen u loven, 11 cn de eer uws ko-ninkrijks roemen, en spreken van uwe macht; 13 opdat aan de men-schenkinderen uwe macht 145, 140. 1101 |
bekendgemaakt worde, en de heerlijke pracht van uw koninkrijk. 13 Uw rijk is een eeuwig-rijk, uwe heerschappij duurt immer en altoos. 14 De Heer onderhoudt allen die vallen, en richt allen op die ternedergesla-gen zijn. 15 Aller oogen wachten op u, en gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd. 16 Gij doet uwe hand open en verzadigt alles wat leeft, met welbehagen. 17 De Heer is rechtvaardig in al zijne wegen, en heilig in al zijne werken. 18 De Heer is nabij allen die hem aanroepen, allen die hem met ernst aanroepen. 19 Hij doet wat de godvree-zenden begeeren, en hoort hun geschrei en helpt hen. 20 De Heer behoedt allen die hem liefhebben, en zal alle goddeloozen verdelgen. 21 Mijn mond zal den lof des Heeren verkondigen, en alle vleesch love zijnen heiligen naam altoos en eeuwiglijk. . PSALM 146. 1 Hallelujah. Loof den Heer, mijne ziel. 2 Ik zal den Heer loven zoolang ik leef, en voor |
|
1162 TSAL mijnen God lofzingen zoolang ik ben. 3 Verlaat u niet op vorsten; zij zijn menschen die niet kunnen helpen. -1 Want des menschen geest moet vanhier, en hij moet weder tot aarde -worden: alsdan zijn al zijne aanslagen verloren. 5 Welgelukzalig is hij wiens hulp Jakobs God is, wiens hoop is op den Heer zijnen God; 6 die hemel, aarde, zee, en al wat er in is, gemaakt heeft; die woord houdt eeuwiglij k: 7 die recht doet aan degenen die geweld lijden; die de hongerigen spijst. De Heer verlost de gevangenen ; 8 de Heer maakt de blinden ziende; de Heer richt op wie ternedergeslagen zijn; de Heer bemint de rechtvaardigen ; 9 de Heer behoedt de vreemdelingen en weezen, en onderhoudt de weduwen; maar den weg der godde-loozen keert hij om. 10 He Heer is koning eeuwiglijk; uw God, o Sion, immer en altoos. Hallelujah. PSALM 147. 1 Looft den Heer; want onzen God te loven is een |
M 147. kostelijk ding, zijn lof is liefelijk en schoon. 2 He Heer bouwt Jeruzalem, en brengt de verjaagden van Israël tezamen. 3 Hij geneest de gebro-kenen van hart, en verbindt hunne wonden. 4 Hij telt de sterren, en noemt ze alle bij name. 5 Onze Heer is groot en van groote kracht, en het is onbegrijpelijk hoe hij regeert. 6 De Heer richt de el-lendigen op, en stoot de goddeloozen tegronde. 7 Zingt bij beurten den lof des Heeren, en looft onzen God met harpen: 8 die den hemel met wolken bedekt, en regen geeft op de aarde; die het gras op de bergen laat wassen; !) die aan het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij tot hem roepen. 10 Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards, noch behagen aan de beenen des mans: 11 de lieer heeft behagen aan degenen die hem vreezen, die op zijne goedheid hopen. 12 Jeruzalem, prijs den Heer; Sion, loof uwen God. 13 Want hij maakt de grendels uwer poorten vast, |
|
en zegent uwe kinderen daarbinnen. 14 Hij beschikt aan uwe grenzen vrede, en verzadigt u met de beste tarwe. 15 Hij zendt zijn bevel uit op aarde, en zijn woord loopt snel. 16 Hij geeft sneeuw als wol, hij strooit den rijm als asch. 17 Hij werpt zijne hagel-■steenen als brokken: wie kan zijne koude uitstaan? 18 Hij spreekt, en het smelt; hij doet zijnen wind waaien, en het ontdooit. 19 Hij maakt aan Jakob zijn woord bekend, aan Israël zijne instellingen en rechten. 20 Zóó doet hij aan geen ander volk, en laat aan hen zijne rechten niet weten. Hallelujah. PSALM 148. 1 Hallelujah. Looft, gij hemelen , den Heer; looft hem in de hoogte. 2 Looft hem al zijne Engelen, looft hem al zijne heirscharen. 3 Looft hem zon en maan, looft hem al gij lichtende sterren. 4 Looft hem gij hemelen overal, en gij wateren die boven aan den hemel zijt. 5 Laat zo den naam des |
1163 Heeren loven; want hij gebiedt, en het wordt geschapen. 6 Hij onderhoudt ze altoos en eeuwiglijk; hij stelt ze eene orde, dat zij niet anders kunnen gaan. 7 Looft den Heer op de aarde; gij walvisschen en alle diepten; 8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwinden die zijn hevel uitvoert; 9 gij bergen en alle heuvels, vruchtbare boomen en alle cederen; 10 gij dieren en al het vee, gewormte en vogels; 11 gij koningen der aarde en alle lieden, vorsten en alle rechters op de aarde; 12 jongelingen en ook maagden, ouden en kinderen samen: 13 dat zij den naam des Heeren loven, want zijn naam alleen is hoogverheven, zijn lof gaat zoover hemel en aarde is. 14 En hij verhoogt den hoorn zijns volks: al zijne heiligen zullen loven, de kinderen Israels, hot volk dat hem dient. Hallelujah. PSALM 149. 1 Hallelujah. Zingt den Heer ?en nieuw lied., de gemeente der heiligen love hem. PSALM 148, 149. |
1164 PSALM 150, SPREUKEN 1.
|
3 Pat Israel zich verheuge in dengeen die hem gemaakt heeft, de kinderen van Sion vroolijk zijn over hunnen konin»'. 3 Dat zij zijnen naam loven in reien, met trommels en harpen voor hem spelen. 4 Want de Heer heeft een welbehagen aan zijn volk, hij helpt de ellendigen heer-lijk. 5 Dat de heiligen vroolijk zijn en prijzen, en roemen op hunne legersteden. 6 Hun mond zal God ver-hooien, en zij zullen scherpe zwaarden in hunne handen hebben, 7 om wraak te oefenen onder de heidenen, straf onder de volken; 8 om hunne koningen te binden met ketenen, en hunne edelen met ijzeren boeien; |
1) om hun te doen naar het recht waarvan geschreven is. Zulk eene eer zullen al zijne heiligen hebben. Hallelujah. PSALM 150. 1 Hallelujah. Looft den Heer in zijn heiligdom, looft hem in het uitspansel zijner macht. 3 Looft hem in zijne daden , looft hem in zijne groote heerlijkheid. 3 Looft hem met bazuinen, looft hem met luiten en harpen. 4 Looft hem met trommels en reien, looft hem met snaren- en orgelspel. 5 Looft hem met heldere cimbalen, looft hem met welklinkende cimbalen. 6 Al wat adem heeft love den Heer. Hallelujah. |
DE
SPREUKEN VAN SALOMO.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit zijn de spreuken van Salomo den koning van Israël, den zoon van David; |
2 om te leeren wijsheid, tucht en verstand, 3 kloekheid, gerechtig- |
8PEEUKEN 1.
1165
|
heid, oprechtheid en billijkheid; 4 opdat de eenvoudig'on schrander, en de jongelingen verstandig en voorzichtig worden. 5 Wie wijs is, die hoore toe en verbetere zich; en wie verstandig is, die late zich raden, 6 opdat hij spreuken en hare uitlegging verstaan moge, de leering der wijzen en hunne gelijkenissen. 7 De vreeze des Heeren is het begin der wetenschap; het zijn dwazen die wijsheid en tunht verachten. 8 Mijn zoon, hoor naar de tucht uws vaders, en verlaat het gebod uwer moeder niet; 9 want zij zijn een schoone krans voor uw hoofd, en eene keten aan uwen hals. 10 Mijn zoon, als ondeugende menschen u lokken, zoo volg niet. 11 Als zij zeggen: Ga met ons, wij willen op bloed loeren, en den onschuldige zonder oorzaak lagen leggen; 12 wij zullen hen levend verslinden, gelijk het graf, en de vromen als wie nederwaarts in den kuil dalen; 13 wij zullen veel goed verzamelen, wij zullen onze huizen met roof vullen; |
14 waag het met ons, wij allen zullen slechts eénen buidel hebben: —• 15 mijn zoon, wandelden weg niet met hen, weer uwen voet van hun pad. 1G Want hunne voeten loopen tot het kwaad, en haasten zich om bloed te storten. 17 Want het is tevergeefs het net uittespreiden voor de oogen der vogels; 18 ook loeren zij zelve onder elkander op hun bloed, en de een staat den ander naar het leven. 19 Zóó doen alle gierigcn, dat de één den ander het leven beneemt. 20 De wijsheid roept openlijk daarbuiten, en laat zich hooreu op de straten; 21 zij roept in de deur der poort vooraan onder het volk, zij spreekt hare woorden in de stad: 22 Hoelang, o gij dwazen, zult gij dwaas zijn, en zullen de spotters lust tot spotternij hebben, en de ver-standeloozen de leering haten? 23 Keert u tot mijne onderwijzing; zie, ik zal voor u mijnen geest uitstorten, en u mijne woorden bekendmaken, 24 Dewijl ik dan roep en gij weigert, mijne hand uit- |
SPREUKEN 3.
1166
|
strek en niemand daarop acht geeft, 25 en gij al mijnen raad verwerpt en mijn onder-riclit niet wilt: 26 zoo zal ik ook lachen in uw ongeval, en u bespotten als hetgeen gij vreest komt, 27 als hetgeen gij vreest over ii komt gelijk een storm, en uw ongeval als een onweder; als u angst en nood overkomt. 28 Dan zullen zij tct mij roepen maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij vroeg zoeken maar niet vinden. 29 Omdat zij de leering haatten en de vreeze des Heeren niet verkozen, 80 in mijnen raad niet bewilligden en al mijne tucht versmaadden, 31 zoo zullen zij eten van de vruchten van hun doen, en van hunne raadslagen verzadigd worden. 33 De afwijking der dwazen doodt hen, en het geluk der verstandeloozen brengt hen om; 33 maar wie naar mij hoort zal veilig blijven, en genoeg hebben, en geen ongeluk vreezen. HOOFDSTUK 2. 1 Mijn zoon, wilt gij mijne redenen aannemen en mijne geboden bij u behouden, |
3 zoo laat uwe ooren op de wijsheid acht geven, en neig uw hart met vlijt daartoe. 3 Want zoo gij daar vlijtig om roept en om bidt, 4 zoo gij haar zoekt als zilver en haar naspoort als schatten, 5 dan zult gij de vreeze des Heeren verstaan en de kennisse Gods vinden. 6 Want de Heer geeft-wijsheid, en uit zijnen mond komt kennis en verstand. 7 Hij laat het den oprechten gelukken, en beschermt de vromen; 8 hij behoedt degenen die recht doen, en bewaart den weg zijner heiligen. 9 Dan zult gij kennen gerechtigheid en recht en vroomheid, en allen goeden weg. 10 Indien de wijsheid u ter harte gaat, dat gij gaarne leert, 11 zoo zal de goede raad u bewaren, en het verstand zal u behoeden: 13 dat gij niet geraakt op den weg der boozen, noeh onder hen die verkeerdheid spreken, 13 die de rechte baan verlaten en op duistere wegen wandelen, |
SPREUKEN 3.
1167
|
14 die zich verblijden in kwaaddoen, en vroolijk zijn in hnn kwaad verkeerd gedrag; 15 die hunnen weg ver-keeren, en afwijken in hunne sporen; 16 dat gij niet geraakt aan eens anders vrouw, die de uwe niet is, die gladde woorden spreekt, 17 en den man harer jeugd verlaat, en het verbond haars Gods vergeet; 18 want haar huis helt naar den dood, en hare gangen tot de schimmen: 19 allen die tot haar ingaan komen niet weder terug, en vinden den weg des levens niet meer. 20 Wandel dus op den goeden weg, en blijf' op de rechte baan. 21 AVant de rechtvaardigen zullen in het land wonen, en de vromen zullen daarin blijven; 23 maar de goddeloozen worden uit het land uitgeroeid , en de afvalligen worden daaruit verdelgd. HOOFDSTUK 3. 1 Mijn zoon, vergeet mijne wet niet, en uw hart beware mijne geboden. 2 Want zij zullen u een lang leven en goede ja ren en vrede brengen. |
3 Laat goedheid en trouw u niet verlaten: hang ze aan uwen hals, en schrijf ze op de tafel uws harten; 4 zoo zult gij gunst en wijsheid vinden, (lie Gode en menschen behaagt. 5 Verlaat u op (ten Heer van ganscher harte, en ver-laat u niet op uw verstand. 6 Gedenk aan hem op al uwe wegen, zoo zal hij u recht leiden. 7 Wees niet wijs in uwe eigene oogen, maar vrees den Heer en wijk van het kwaad: 8 dit zal voor uw lichaam gezond zijn, en uwe beenderen verkwikken. 9 Eer den Heet' van uw goed en van de eerstelingen van al uwe inkomsten, 10 zoo zullen uwe schuren vol worden en uwe wijnpersen van most overloopen. 11 Mijn zoon, verwerp de tucht des Heeren niet, en word niet verdrietig over zijne kastijding; 12 want wien de Heer liefheeft, dien kastijdt hij, en hij heeft een welbehagen aan hem, gelijk een vader aan den zoon. 13 Welgelukzalig is de mensch die wijsheid vindt, en de Inensch die verstand krijgt; |
SPEEUKEN 3.
nes
|
14 want het is beter haar te verwerven dan zilver, en hare inkomst is beter dan goud: 15 zij is edeler dan paar-len, en al wat gij moogt wenschen is bij haar niet te vergelijken; lö een lang leven is aan hare rechterhand, aan hare linkerhand is rijkdom en eer; 17 hare wegen zijn liefelijke wegen, en al hare paden zijn vrede; 18 zij is een boom des levens voor allen die haar aangrijpen , en zalig zijn zij die haar vasthouden. 19 Want de Heer heeft de aarde door wijsheid gegrond, en door zijnen raad de hemelen bereid; 30 door zijne wijsheid zijn de diepten gespleten, en de wolken van dauw druipende gemaakt. 21 Mijn zoon, laat ze niet van uwe oogen wijken, zoo zult gij gelukzalig en wijs worden; 32 dat zal het leven uwei-ziel zijn, en uw mond zal aangenaam zijn. 33 Dan zult gij veilig wandelen op uwen weg, zoodat gij uwen voet niet stooten zult. |
34 Legt gij u neder, zoo zult gij niet vreezen, en uw slaap zal zoet zijn, 35 dat gij niet behoeft te vreezen voor eene schielijke verschrikking, noch voor den storm der goddeloozen als hij komt; 20 want de Heer is uw toeverlaat, hij behoedt uwen voet dat hij niet gevangen wordt. 27 Weiger niet den nood-druftigen goedtedoen, indien uwe hand van God ontvangen heeft om het te doen. 28 Zeg niet tot uwen vriend: Ga heen en kom weder, morgen zal ik u geven , indien gij het wèl hebt. 29 Smeed geen kwaad tegen uwen vriend, die met vol vertrouwen bij u woont. 30 Twist niet met iemand zonder oorzaak, zoo hij u geen leed gedaan heeft. _ 31 Ontbrand niet in naijver jegens den man des ge-welds, en verkies geen van zijne wegen; 32 want de Heer heeft een afgrijzen van de afvalligen, maar zijne verborgenheid is bij de vromen; 33 in het huis des goddeloozen is de vloek des Hee-ren, maar het huis der rechtvaardigen wordt gezegend. 34 Hij zal de spotters bespotten , maar den ootmoe- |
S P K, E U
KEN 4.
1169
|
digen zal hij genade geven; 35 de wijzen zullen eer beërven, maar wanneer de dwazen hoog komen, zoo worden zij toch te schande. HOOFDSTUK 4. 1 Hoort, kinderen, de onderwijzing eens vaders; en merkt op om te leeren en verstandig te worden. 3 Want ik geef' u eene heilzame leer; verlaat mijne wet niet. 3 Ik toch was mijns vaders zoon, teeder, en als een éénig kind voor mijne moeder. 4 En hij leerde mij en sprak: Laat uw hart mijne woorden aannemen; onderhoud mijne geboden, zoo zult gij leven. 5 Neem wijsheid aan, neem verstand aan ; vergeet niet en verlaat niet de bevelen mijns monds. 6 Yerlaat ze niet, zoo zullen zij ii behoeden; heb ze lief, zoo zullen zij u behouden. 7 Want het begin der wijsheid is, als men ze gaarne hoort, en de wetenschap liever heeft dan alle goederen. 8 Acht ze hoog, zoo zal zij u verhoogen, en zal u tot eer brengen indien gij ze omhelst; |
9 zij zal uw hoofd aangenaam maken, en zal u versieren met eene schoone kroon. 10 Hoor, mijn zoon, en neem mijne redenen aan, zoo zullen uwe jaren vele worden. 11 Ik wil u op den weg der wijsheid voeren, ik wil u op de rechte baan leiden; 13 opdat, wanneer gij gaat, uw gang u niet zuur valle, en als gij loopt gij niet struikelt. 13 Laat van de tucht niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. 14 Kom niet op het pad der goddeloozen, en treed niet op den weg der boo-zen: 15 laat hem varen , ga er niet op, wijk van hem en ga voorbij. 16 Want zij slapen niet voordat zij kwaad gedaan hebben, en zij rusten niet voordat zij schade hebben gesticht; 17 want zij eten het brood der goddeloosheid, en drinken den wijn der geweldenarij. 18 Maarhet pad der rechtvaardigen glinstert als een licht dat voortgaat, eu licht tot op den vollen dag. I 19 Doch de wegdergod-I deloozen is donker beid, zij |
SPREUKEN 5.
1170
|
weten niet waar zij vallen zullen. 20 Mijn zoon, geef acht op mijne woorden, en neig uw oor tot mijne redenen; 31 laat ze niet uit uwe oogen wijken, behoud ze in uw hart; 32 want zij zijn het leven voor degenen die ze betrachten, eu eene artsenij voor hun geheele lichaam. 33 Behoed uw hart met alle naarstigheid, want daaruit gaat het leven. Si Doe van u weg den valschen mond, en laat den lastermond verre van u zijn. 35 Laat uwe oogen recht voor u uit zien, en uwe oogleden recht voor u heen zien. 36 Laat uw voet rechttoe gaan, zoo gaat gij zeker. 37 Wijk niet ter reohter-nooh ter linkerhand; wend uwen voet van het kwaad. HOOFDSTUK 5. 1 Mijn zoon, geef acht op mijne wijsheid, neig uw oor tot mijne leer; 3 opdat gij goeden raad behoudt, en uw mond wete onderscheid te maken. 3 Want de lippen der vreemde vrouw zijn zoet als honigzeem, en hare keel is gladder dan olie, é maar daarna bitter als alsem, en scherp als een tweesnijdend zwaard; |
5 hare voeten gaan nederwaarts naar den dood, hare gangen loopen uit ojd het grat- „ 6 Zij gaat niet gewis op den weg des levens; hare treden zijn ongestadig, zoodat zij niet weet waar zij gaat. 7 Zoo hoort nu naar mij, kinderen, en -wijkt niet van de redenen mijns monds. 8 Houd uwen weg verre van haar, en genaak niet tot de deur van haar huis; 9 opdat gij den vreemden uwe eer niet geeft, en uwe jaren den wreede; 10 opdat vreemden zich idet verzadigen met uw vermogen, en uw arbeid niet in eens anders huis zij, 11 en gij daarna moet zuchten als gij uw lichaam en goed verteerd hebt, 13 en zeggen: Ach, hoe hel) ik de tucht gehaat, en hoe heeft mijn hart de bestraffing versmaad, 13 en ik heb niet gehoord naar de stem mijner leeraars, en mijn oor niet geneigd tot degenen die mij onderricht gaven! 11 Ik ben bijna in het uiterste ongeluk voor alle |
SPREUKEN 6.
1171
|
lieden en al liet volk neergezonken . 13 Drink water uit uw eigen bak, en vloeden uit uw eigen wel; 16 laat uwe fonteinen naar-buiten uitvloeien, en de waterbeken op de straten; 17 maar dat gij ze alléén hebt, en geen vreemden toet u. 18 Uwe fontein zij gezegend , en verheug u over de huisvrouw uwer jeugd: 19 zij is liefelijk als eene hinde en beminnelijk als eene ree; dat hare liefde u altijd verzadige, en verlustig u altoos in hare lietde. 20 Mijn zoon, waarom zoudt gij u aan eene vreemde verlustigen, en eene andere omhelzen? 21 Want elks wegen ziju aanstonds voor den Heer, die aller gangen meet: 22 de misdaad des godde-loozen zal hem vangen, en hij zal met den strik zijner zonde gehouden worden; 23 hij zal sterven omdat hij zich niet heeft willen laten onderwijzen, en om zijne groote dwaasheid zal het hem niet welgaan. HOOFDSTUK 6. 1 Mijn zoon, wordt gij borg voor uwen naaste, en hebt gij uwe hand bij een vreemde verplicht, |
2 zoo zijt gij verstrikt door de redenen uws monds, en door de redenen uws monds gevangen. 3 Zoo doe toch, mijn zoon, aldus, en red u; want gij zijt uwen naaste in de handen gekomen; haast u, dring en drijf uwen naaste. 4 Laat uwe oogen niet slapen, noch uwe oogleden sluimeren; 5 red u gelijk eene ree van de hand [des jagers], en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6 Ga tot de mier gij luiaard, zie hare handelwijze aan en word wijs. 7 Hoewel zij geen vorst noch hoofdman noch heer-scher heeft, 8 bereidt zij nochtans haar brood in den zomer, en vergadert hare spijs in den oogst. 9 Hoelang ligt gij o luiaard ? Wanneer zult gij opstaan van uwen slaap ? 10 Ja, slaap nog een weinig, sluimer een weinig, sla de handen een weinig samen om te slapen: 11 zoo zal de armoede u verrassen gelijk een wandelaar, en het gebrek als een gewapend man. 13 Een deugniet is de |
SPEEUKEN 0.
1173
|
valsclie man, die met een verkeerden mond daarheen gaat. 13 Hij wenkt met de oogen, geeft teekens met de voeten, wijst met de vingers, 14 bedenkt altijd wat kwaads en verkeerds in zijn hart, en berokkent twist. 15 Daarom zal zijn ongeval hem onverhoeds overkomen, en hij zal schielijk verbroken worden, zoodat er geen heelen aan is. 16 Deze zes dingen haat de Heer, en van het zevende heeft hij een afgrijzen: 17 trotsche oogen, eene valsche tong, handen die onschuldig bloed vergieten, 18 een hart dat met kwade streken omgaat, voeten die snel zijn om schade te doen, 19 een valsche getuige die vermetel leugens spreekt, en wie twist tusschen broeders berokkent. 20 Mijn zoon, bewaar de geboden uws vaders, en laat niet varen de wet uwer moeder; 31 bind ze steeds op uw . hart, en hang ze aan uwen hals: 23 dat zij u geleiden als gij gaat, dat zij u bewaren als gij u nederlegt, dat zij u nog toespreken ala gij ontwaakt. gebod |
23 Want het eene lamp, en de wet een licht, en de bestraffing der tucht is een weg des levens , 24 opdat gij bewaard wordt voor de booze vrouw, voor het vleien der vreemde tong. 25 Begeer hare schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met hare oogleden. 26 Want eene hoer brengt iemand tot broodsgebrek, maar eens anders vrouw verstrikt het edele leven. 27 Kan ook iemand vuur in zijnen boezem houden, dat zijne kleederen niet verbranden ? 28 Zou iemand op kolen gaan, en zijne voeten niet verschroeien? 29 Zóó gaat het dengeen die tot zijns naasten huisvrouw gaat: niemand blijft ongestraft die haar aanraakt. 30 Men laat den dief niet ongestraft, die steelt om zich te verzadigen als hij honger heeft; 31 wordt hij betrapt, hij moet het zevenvoudig wedergeven, al het goed in zijn huis moet hij geven. 32 Maar wie met eens anders vrouw overspel doet, die is zinneloos; hij brengt zijn leven in het verderf. |
SPEEUKEN 7.
1173
|
33 Daarenboven treft hem jammer en schande, en zijn smaad wordt niet uitge-wischt. 34 Want de minneijver des mans is grimmig, en hij verschoont niet ten tijde der wraak; 35 geen losprijs komt bij hem in aanmerking, en hij neemt dien niet aan, al wilt gij veel schenken. HOOFDSTUK 7. 1 Mijn zoon, behoud mijne redenen, en bewaar mijne geboden bij u; 2 behoud mijne geboden, zoo zult gij leven, en mijne wet als uwen oogappel. 3 Bind ze aan uwe vingers, schrijf ze op de tafel uws harten. 4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijne zuster, en noem het verstand uwen boezemvriend: 5 opdat gij behoed wordt voor do vreemde, voor eens anders vrouw die vleiende woorden spi'eekt. 6 Want door het venster van mijn huis, door het traliewerk, zag ik eens uit, 7 en ik zag onder de onbezonnenen, ik werd gewaar onder de jongelieden een jongeling beroofd van zinnen; |
8 die ging op de straat aan haren hoek, en trad op den weg van haar huis, 9 in de schemering, op den avond des daags, toen het nacht werd en donker was. 10 En zie, toen ontmoette hem eene vrouw in hoe-renversiersel, en listig, 11 wild en ongebonden, zoodat hare voeten in huis niet konden blijven; 13 nu was zij buiten, dan op de straat, en loerde aan alle hoeken. 13 En zij greep hem aan en kuste hem onbeschaamd, en sprak tot hem: 14 Ik heb heden voor mij dankoffers betaald, en aan mijne geloften voldaan; 13 daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht vroeg te zoeken, en ik heb u gevonden; 16 ik heb mijn bed fraai versierd met bonte tapijten uit Egypte; 17 ik heb mijne legerstede met mirre, aloë en kaneel besprengd : 18 kom, laat ons dronken worden van het boeleeren tot den morgen toe, en laat ons vroolijk zijn in minvermaak ; 19 want de man is niet tehuis, iiij is een verren weg getogen, 20 liij heeft den geldbuidel |
SPKEUKEN 8.
117'i
|
met zich genomen, en zal eerst op liet feest weder huiswaarts keeren. 21 Zij overreedde hem met vele woorden, en overwon hem met haar vleienden Inond: 22 hij volgde haar terstond , gelijk een os tot de slachtbank geleid wordt, en als tot de boeien waarmede men de dwazen tuchtigt, — 23 totdat zij hem met den pijl de lever doorboorde, gelijk een vogel tot den strik zich haast en niet weet dat het hem het leven kost. 24 Zoo hoort nu naar mij, kinderen, en geeft acht op de redenen mijns monds. 25 Laat uw hart niet afwijken tot haren weg, en dool niet op hare baan; 26 want zij heeft velen gewond en ternedergeveld, en allerlei machtigen zijn door haar gedood: 27 haar huis is de weg naar het graf, waar men nederwaarts daalt in de bin-nenkameren des doods. HOOFDSTUK 8. 1 Roept de wijsheid niet, en laat de wetenschap zich niet hooren? 3 Openlijk aan den weg en aan de straten staat zij; 3 aan de poorten bij de stad, waar men ter deur ingaat, daar roept zij overluid : |
4 O mannen, ik roep tot u, en verhef mijne stem tot de kinderen der men-schen. 5 Leert, gij eenvoudigen, kloekzinnigheid; en gij dwazen, neemt die ter harte. 6 Hoort, want ik zal spreken hetgeen edel is, en lee-ren wat recht is; 7 want mijn mond zal de waarheid spreken, en mijne lippen zullen haten hetgeen goddeloos is; 8 alle redenen mijnsmonds zijn rechtvaardig, er is niets verkeerds noch bedrieglijks in; ■ 9 zij zijn alle onbewimpeld voor degenen die ze verstaan, en rechtmatig voor degenen die ze w illen aannemen. 1U Neemt mijne tucht liever aan dan zilver, en acht de leer hooger dan kostelijk goud. 11 Want wijsheid is beter dan paarlen, en alles wat men wenschen mag is bij haar niet te vergelijken. 12 Ik, de wijsheid, woon bij de schranderheid, en ik weet goeden raad te geven. 13 Ue vreeze des Heeren haat het kwade, de hoo-vaardigheid, den hoogmoed |
SPEEUK EN 8.
1173
|
en allen kwaden weg; en I ik ben deu verkeerden mond vijandig. 11 Eij mij is beide raad en daad, ik heb verstand en macht. 13 Door mij regeeren de koningen en maken de vorsten rechtvaardige wetten, 16 door mij heerschen de vorsten en alle overheden op aarde. 17 Ik heb lief wie mij liefhebben; en wie mij vroeg zoeken, vinden mij. 18 Eijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid. 19 Mijne vrucht is beter dan goud, dan het lijnste goud, en mijne opbrengst is beter dan uitgelezen zilver. 20 Ik doe wandelen op den rechten weg, op de straten des rechts; 31 opdat ik aan hen die mij liefhebben schenke wat bestendig is, en hunne schatten vol make. 23 De Heer bezat mij in liet begin zijner wegen; eer hij iets maakte, was ik er. 33 Ik ben voortgebracht van eeuwigheid, van den aanvang, eer de wereld was. 3-i Toen de diepten nog niet waren, was ik geboren, toen aan de fonteinen nog geen water ontsprong; |
25 eer de bergen gegrondvest waren, vóór alle heuvelen was ik geboren: 30 hij had de aarde nog niet gemaakt en wat daarop is, noch de bergen des aardbodems. 27 Toen hij de hemelen bereidde, was ik aldaar; toen hij de diepte met zijn perk omvatte, 38 toenliij de wolken daarboven vestigde, toen hij de fonteinen der diepte grondvestte. 39 toen hij der zee haar perk stelde, dat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden, toen hij de grondslagen der aarde vestte: 30 toen was ik voedsterling bij hem, en verlustigde hem dagelijks, en vermaakte mij voor zijn aangezicht altoos, 31 en speelde op zijnen aardbodem, en mijn lust was aan de menschenkinde-ren. 33 Zoo hoort nu naar mij , kinderen: welgelukzalig zijn zij die mijne wegen bewaren. 33 Hoort de tucht en wordt wijs, en laat ze niet varen. 31 Welgelukzalig is de mensch die naar mij hoort, |
SPREUKEN 9.
1176
|
dat hij dagelijks aan mijne poort waakt, dat hij wacht houdt aan de posten mijner deur. 35 Wie mij vindt, die vindt het leven, en zal welbehagen bij den Heer verkrijgen; 36 maar wie tegen mij zondigt, die kwetst zijne ziel; allen die mij haten hebben den dood lief. HOOFDSTUK 9. 1 De wijsheid bouwde haar huis, en hieuw zeven pilaren, 3 slachtte haar vee, en droeg haren wijn op, en bereidde hare tafel, 3 en zond bare dienstmaagden uit om te noodigen op de hoogste plaatsen der stad: 4 Wie eenvoudig is, die keere zich herwaarts. En tot den verstandelooze sprak zij: 5 Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn dien ik schenk; 6 verlaat de dwaasheid, zoo zult gij leven; en zet uwen voet op den weg des verstands. 7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt slechts schande , en wie den goddelooze bestraft, zal gehoond worden: |
8 bestraf den spotter niet, hij zal u haten; bestraf den wijze, die zal u lief hebben ; 9 onderricht den wijze, en hij zal nog wijzer worden; leer den rechtvaardige, en hij zal in de leer toenemen. 10 De vreeze des Heeren is het begin der wijsheid, en de kennis van het heilige is verstand. 11 Want door mij zullen uwe dagen vele worden, en de jaren uws levens zullen vermeerderd worden. 12 Zijt gij wijs, gij zijt voor uzelven wijs; zijt gij een spotter, gij zult het alléén dragen. 13 Er is eene zotte vrouw, woelachtig, de ongebondenheid zelve, en zij weet niets; 14 die zit in de deur van haar huis, en haar stoel is op de hoogten der stad, 15 om te noodigen allen die voorbijgaan, en die op den rechten weg wandelen: 16 Wie is eenvoudig, die keere zich herwaarts. En tot den verstandelooze spreekt zij: 17 Gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. 18 Maar hij weet niet dat aldaar dooden zijn, en hare genoodigden \mnzitttn\ in de diepte des grats. 1110. ] de vr |
SPREUKEN 10.
1177
|
HOOFDSTUK 10. 1 De spreuken van Salomo. — Een wijze zoon is de vreugd zijns vaders, maar een dwaze zoon is de droefheid zijner moeder. 2 Onrechtvaardig goed quot;baat niet, maar gerechtigheid redt van den dood. 3 De Heer laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren , maar hetgeen de god-deloozen verlangen, datstoot hij van hen weg. ■i Eene trage hand maakt arm, maar de hand der vlij-tigeu maakt rijk. 5 Wie in den zomer vergadert, die is verstandig; maar wie in den oogst slaapt, die wordt te schande. 6 De zegeningen zijn op het hoofd ties rechtvaardigen, maar geweld zal den mond der goddeloozen overdekken. 7 De nagedachtenis des rechtvaardigen blijft in zegening , maar de naam der goddeloozen zal verrotten. S Wie wijs van hart is, die neemt de geboden aan; maar wie dwaas van lippen is, die loopt in zijn verderf. 9 Wie onschuldig leeft, die leeft gerust; maar wie verkeerd is op zijne wegen, die zal openhaar gemaakt worden. |
10 Wie met de oogen wenkt, die zal onheil aanrichten; en wie dwaas van lippen is, die loopt in zijn verderf. 11 De mond des rechtvaardigen is eene levende fontein, maar geweld zal den mond der goddeloozen overdekken. 13 Haat verwekt twist, maar liefde bedekt alle overtredingen. 13 Op de lippen des verstand igen vindt men wijsheid , maar de roede is voor den rug des verstandeloo-zen. l-t De wijzen bewaren de leer, maar de mond der dwazen is nabij de verwoesting. 15 Het goed des rijken is hem eene sterke vesting, maar de armoede maakt de geringen bloohartig. 16 De rechtvaardige gebruikt zijn werkloon ten leven, maar de goddelooze gebruikt zijne inkomst tot zonde. 17 Tucht te bewaren is de weg tot het leven; maar wie de terechtwijzing verlaat, die blijft dolen. 18 Yalsche lippen verbergen den haat; en wie openlijk lastert, die is een dwaas. 19 Waar vele woorden zijn, |
w
SPREUKEN 11.
1178
|
daar ontbreekt het aan geen zonde; maar wie zijne lippen bedwingt , die is verstandig. 20 De tong des rechtvaardigen is kostelijk zilver, maar het hart der goddeloozen is weinig waard. 21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen, maaide dwazen sterven door gebrek aan verstand. 22 De zegen des Heeren maakt rijk, zonder smart. 23 Het is voor den dwaas een spel, kwaadtedoen; maar Voor den wijze, verstandig te handelen. 24 Wat de goddelooze vreest, dat zal hem overkomen; en wat de rechtvaardigen begeeren, dat wordt hun gegeven. 25 De goddelooze is als een onweder dat voorbijgaat en niet meer is, maar de rechtvaardige bestaat eeuwiglij k. 20 \Tat edik voor de tanden en rook voor deoogen is, dat is de luiaard voor degenen die hem zenden. 27 De vreeze des Heeren vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddeloozen worden verkort. 28 Het verwachten der 'rechtvaardigen zal vreugd worden, maar de hoop der goddeloozen zal vergaan. |
39 De weg des Heeren is eene sterkte voor den vrome, maar eene verschrikking voor de kwaaddoeners. 30 De rechtvaardige wordt nimmer verstooten, maar de goddeloozen zullen in het land niet blijven. 31 De mond des rechtvaardigen brengt wijsheid voort, maar de tong der verkeerden wordt uitgeroeid. 32 De lippen des rechtvaardigen leeren heilzame dingen, maar de mond der goddeloozen wat verkeerd is. HOOFDSTUK 11. 1 Eene valsche weegschaal is den Heer een gruwel, maar een volkomen gewicht is zijn welbehagen. 2 Waar hoovaardigheid binnenkomt, daar komt ook versmading binnen; maar wijsheid is bij de geloovi-gen. 3 De onschuld zal de vromen geleiden, maar de boosheid zal de verachters in het onheil storten. 4 quot;Vermogen baat niet ten dage des toorns, maar gerechtigheid redt van den dood. 5 De gerechtigheid des vromen maakt zijnen weg ellen, maar de goddelooze zal vallen door zijne goddeloosheid. |
SPREUKEN 11.
1179
|
6 Ds gerechtigheid der vromen zal hen redden, maar de verachters worden gevangen in hunne boosheid. 7 Als de goddelooze mensch sterft, is zijne hoop verloren; en tie verwachting der on-rechtvaardigen wordt teniet. 8 ])e rechtvaardige wordt uit den nood verlost, en de goddelooze komt in zijne plaats. 9 Door den mond des huichelaars wordt zijn naaste verdorven, maar door bedachtzaamheid worden de rechtvaardigen bevrijd. 10 Eene stad verblijdt zich als het de rechtvaardigen welgaat, en als de goddelooze u omkomen wordt men vroolijk. 11 Door de zegenspreking der vromen wordt eene stad verhoogd, maar door den mond der goddeloozen wordt zij verwoest. 13 Wie zijnen naaste smaadt, die is verstandeloos; maar een verstandig man zwijgt stil. 13 Een kwaadspreker verraadt wat hij heimelijk weet; maar wie getrouw van hart is, die verbergt het. 11. Waar geen raad is, gaat het volk tegronde; maar waar vele raadslieden zijn, daar is behoud. |
13 Wie voor een vreemde borg staat, die zal schade hebben; maar wie zich voor beloven wacht, die is zeker. lö Eene beminnelijke vrouw bewaart de eer, gelijk de geweldenaars den rijkdom bewaren. 17 Een goedertieren man doet zijn eigen lichaam goed, maar eeti onbarmhartig man bedroeft zijn eigen vleesch en bloed. 18 De arbeid des goddeloozen zal mislukken; maar wie gerechtigheid zaait, die heeft duurzaam loon. 19 Want gerechtigheid bevordert het leven, maar het kwade najagen bevordertden dood. 20 Do Heer heeft een afschuw van de verkeerden van hart, maar een welbehagen aan de vromen. 21 De booze blijft niet ongestraft van hand tot hand, maar het zaad der rechtvaardigen zal gered worden. 23 Eene schoone vrouw zonder tucht is als een zwijn met een gouden neusring. 23 De wensch der rechtvaardigen kan slechts wel gelukken, maar de hoop der goddeloozen wordt ongeluk. 34 De een deelt uit, en heeft altoos meer; een ander spaart waar hij niet moest, en wordt armer. 33 De ziel die rijkelijk ze- |
SPREUKEN 12.
1180
|
gent, wordt vet gemaakt; en wie rijkelijk drenkt, die zal óók gedrenkt worden. 26 Wie koren inhoudt, dien vloeken de lieden; maar zegening komt over dengeen die het verkoopt. 37 Wie liet goede zoekt, dien wedervaart wat goeds; maar wie naar ongeluk tracht, dien zal het overkomen. 28 Wie zich op zijnen rijkdom verlaat, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als een blad. 39 Wie zijn eigen huis beroert, die zal wind ten erfdeel verkrijgen; en een dwaas moet des wijzen knecht zijn. 30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens, en een wijs man neemt de harten in. 31 Zoo de rechtvaardige op de aarde boeten moet, hoeveeltemeer de goddelooze en de zondaar! HOOFDSTUK 12. 1 Wie zich gaarne laat bestraften, die zal verstandig worden; maar wie ongestraft wil zijn, die is redeloos. 3 Wie vroom is, die verkrijgt troost van den Heer; maar den roekelooze veroordeelt hij. |
3 Goddeloosheid bevestigt den mensch niet, maar de wortel der rechtvaardigen zal blijven. 4 Eene vlijtige vrouw is de kroon haars mans, maar eene achtelooze is bederf in zijne beenderen. 5 Wat de rechtvaardigen overleggen, dat is recht; maar wat de goddeloozen beraadslagen, dat is bedrog. 6 De woorden der goddeloozen zijn op bloedvergieten gericht, maar de mond der vromen redt hen. 7 De goddeloozen worden omvergeworpen en zullen niet meer zijn, maar het huis der rechtvaardigen staat vast. 8 De raad van een wijs man wordt geprezen, maar de verkeerden van hart worden te schande. 9 Wie gering is en het zijne waarneemt, die is beter dan een die .groot wil zijn maar wien het aan brood ontbreekt. 10 De rechtvaardige ontfermt zich over zijn vee, maar het hart der goddeloozen is onbarmhartig. 11 Wie zijnen akker bouwt, die zal brood in overvloed hebben; maar wie onnoo-dige zaken nagaat, die heeft gebrek aan verstand. 13 De lust des goddeloozen is schade te doen, maar |
SPEEUKEN 13.
1181
|
de wortel der rechtvaardigen zal vruch-t dragen. 13 De booze wordt in den strik zijner eigene woorden gevangen, maar de rechtvaardige ontgaat den angst. 14 Veel goeds ontvangt iemand door de vrucht zijns monds, en den mensch wordt vergolden naardat zijne handen verdiend hebben. 15 Den dwaze behaagt zijn weg; maar wie naar raad hoort, die is wijs. 16 Een dwaas laat zijnen toorn oogenblikkelijk zien; maar wie verstandig is, die verbergt den smaad. 17 Wie waarachtig is, die zegt openlijk hetgeen recht is; maar een valsch getuige bedriegt. 18 quot;VVie onvoorzichtig uitvaart, die steekt als een dolk; maar de tong der wijzen is heilzaam. 19 Een waarachtige mond bestaat eeuwiglijk, maar de valsche tong bestaat niet lang. 2-0 Zij die kwaad smeden bedriegen, maar wie tot vrede raden maken vreugd. 21 Den rechtvaardige zal geen leed geschieden, maar de goddeloozen zullen volon ongeluk hebben. 22 Valsche monden zijn den Heer een gruwel, maar wie getrouw handelen behagen hem. |
23 Een verstandig man verbergt hetgeen hij weet, maar het hart der dwazen roept zijne dwaasheid uit. 24 De vlijtige hand zal heerschen, maar wie traag is zal schatting moeten betalen. 25 Zorg in het hart krenkt, maar een vriendelijk woord verblijdt. 20 De rechtvaardige heeft het beter dan zijn naaste, maar de weg der goddeloozen verleidt hen. 27 Eenen trage gelukt zijn handel niet, maar een naarstig mensch wordt rijk. 28 Op den weg der gerechtigheid is het leven, en op het gebaande pad is geen dood. HOOFDSTUK 13. 1 Een wijze zoon laat zich door den vader tuchtigen, maar een spotter hoort de bestraffing niet. 2 Van de vrucht des monds geniet men het goede, maar de verachters verzadigen zich met geweld. 3 Wie zijnen mond bewaart, die bewaart zijn leven; maar wie met zijnen mond uitvaart, die komt in verschrikking. 4 De luiaard begeert en verkrijgt het toch niet, maar |
SPEEUKEN 13.
1182
|
de naarstigen bekomen genoeg. 5 De rechtvaardige liaat de leugen, maar de godde-looze schend ten smaadt zich-zelven. 6 De gerechtigheid behoedt den onschuldige, maaide goddeloosheid maakt den weg der zonde glibberig. 7 Menigeen vertoont zich rijk en heeft niemendal, en menigeen vertoont zich arm bij veel goed. 8 Met rijkdom kan iemrnd zijn leven redden, maar de arme hoort het schelden niet. 9 Het licht der rechtvaardigen brandt vroolijk, maaide lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden. 10 Onder de hoovaardigen is altoos twist, maar de wijsheid maakt verstandige lieden. 11 Rijkdom wordt weinig-wanneer men hem verkwist; maar wat men tezamen-houdt, dat wordt groot. 12 De hoop die vertoeft benauwt het hart, maar de begeerte die vervuld wordt is een boom des levens. 13 Wie het woord veracht, die verderft zichzel-ven; maar wie het gebod vreest, dien wordt het vergolden. 14 De leer des wijzen is eene bronwel des levens, om te vermijden de strike ken des doods. |
15 Een goede raad is aan-genaam, maar de weg der trouweloozen brengt hartzeer. 16 Een verstandig man handelt met wetenschap, maar een dwaas spreidt zijne zotheid ten toon. 17 Een goddclooze bode brengt ongeluk, maar een trouwe gezant is heilzaam. 18 Wie de tucht laat varen, die heeft armoede en schande; maar wie zich gaarne laat bestrallen zal tot eer komen. 19 De begeerte die vervuld wordt doet het hart goed, maar wie het kwade mijdt is den dwazen een gruwel. 20 Wie met wijzen omgaat, die wordt wijs; maar wie een metgezel der dwazen is, die zal ongeluk hebben. 21 Ongeluk vervolgt de zondaars, maar den rechtvaardigen wordt het goede vergolden. 22 De goede zal zijne kindskinderen doen erven, maar het goed des zondaars wordt voor den rechtvaardige bewaard. 23 Er is veel spijs in de voren der armen, maar wie onrecht doen verderven. |
SPREUKEN 14.
1183
|
24 Wie zijne roede spaart, die haat zijnen zoon; maar wie hem liefheeft, die tuchtigt hem vroeg. 25 De rechtvaardige eet zoodat zijne ziel verzadigd wordt, maar de buik der goddeloozen heeft nimmer genoeg. HOOFDSTUK 14. 1 Door wijze vrouwen wordt het huis gebouwd, maar eene dwaze breekt het af met 'haar doen. 3 Wie den Heer vreest, die gaat op de rechte baan; maar wie hem veracht, die wijkt van zijnen weg. 3 In den mond des dwazen is eene geeselroede der trotschheid, maar de wijzen bewaren hunnen mond. 4 Waar geen runderen zijn, daar is de kribbe ledig; maar waar de os werkende is, daar zijn vele inkomsten. 5 Een getrouw getuige liegt niet, maar een valsch getuige spreekt stoutelijk leugens. 6 De spotter zoekt wijsheid en vindt ze niet, maar voor den verstandige is de kennis licht. 7 Ga weg van den zot, want gij leert niets 'van hem. |
8 Dit is de wijsheid des verstandigen, dat hij op zijnen weg let; maar dit is de dwaasheid der zotten, dat het enkel bedrog met hen is. 9 De zotten drijven spotternij met de zonde, maar de vromen hebben lust aan de vromen. 10 Wanneer het hart treurig is, helpt geen uitwen' dige vreugd. 11 Het huis der goddeloozen wordt verdelgd, maaide hut der vromen zal bloeien. 13 Menigeen heeft welbehagen aan een weg, maar eindelijk brengt hij hem tot den dood. 13 Na het lachen komt treuren, komt verdriet 14 Een bedrieglijk raensch zal het gaan naar zijnen weg, maar een vroom man naar hetgeen hem toekomt. 15 Een onnoozele gelooft alles, maar een verstandige geeft acht op zijnen gang. IC Een wijze vreest en vermijdt het kwaad, maar de dwaas spat roekeloos uit en is zorgeloos. 17 Wie haastig is tot toorn doet dwaasheden, maar een bedachtzame haat het. 18 De dwazen erven onkunde, maar voorzichtig te : en na de vreugd |
SPREUKEN 15.
1184
|
lianrlelen is de kroon dei-vers tandigen. 19 De boozen moeten zich buigen voor de goeden, en de goddeloozen in de poorten des reolitvaardigen. 20 Een arme wordt zelfs van zijnen naaste gehaat, maar de rijken hebben vele vrienden. 31 De zondaar veracht zijnen naaste, maar welg-e-lukzalig is hij die zich over de ellendigen ontfermt. 33 Wie met kwade streken omgaan zullen falen; maar hun, die wat goeds denken, zal vertrouwen en liefde wedervaren. 33 Waar men arbeidt, daar is genoeg; maar waar men met ijdele woorden omgaat, daar is gebrek. 34 Slechts den mjzen strekt rijkdom tot eene kroon, maar der dwazen vermogen blijft dwaasheid. 35 Een getrouw getuige redt het leven, maar een valsch getuige brengt ten val. 36 Wie den Heer vreest, die heeft eene veilige vesting, en zijne kinderen worden ook beschermd. 37 De vreeze des Heeren is eene bronwel des levens, om de strikken des doods te mijden. 38 In menigte van volk |
is des konings heerlijkheid, maar in gebrek aan volk is des vorsten ondergang. 39 Wie lankmoedig is, die is wijs; maar wie haastig is, die openbaart zijne dwaasheid. 30 Een welwillend hart is het leven des lichaams, maar nijd is bederf in de beenderen. 31 Wie den geringe geweld aandoet, lastert diens . Maker; maar wie zich over den arme ontfermt, die eert God. 32 De goddelooze houdt geen stand in zijn ongeluk, maar de rechtvaardige is zelfs in zijnen dood kloekmoedig. 33 In het hart des ver-standigen blijft de wijsheid rusten, maar bij de dwazen wordt zij openbaar. 31. Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is liet verderf der lieden. 35 Een verstandig knecht behaagt den koning, maar een schandelijken knecht is hij vijandig. HOOFDSTUK 15. 1 Eeu zacht antwoord stilt den toorn, maar een hard woord voert de gramschap ten top. 3 De tong der wijzen maakt de leer liefelijk, maar |
SPEEUKEN 15.
1185
|
de mond der dwazen welt enkel dwaasheid op. 3 De oogen des Heeren zijn aan alle plaatsen, be-scliouwende beide de boozen en de goeden. 4 Eene heilzame tong is een boom des levens, maar eene leugenachtige verwekt hartzeer. 5 Een dwaas versmaadt de tucht zijns vaders; maar wie de bestraffing aanneemt, die zal verstandig worden. 6 In het huis des rechtvaardigen is welvaart genoeg , maar in des goddeloo-zen inkomst is verderf. 7 De mond der wijzen strooit goeden raad uit, maar het hart der zotten is niet alzoo. 8 Het offer der goddeloo-zen is den Heer een gruwel, maar het gebed der vromen is hem aangenaam. 9 De weg des goddel oozen is den Hoer een gruwel, maar wie de gerechtigheid najaagt, die wordt bemind. 10 Het is eene kwade tucht den weg te verlaten; en wie de bestraffing haat, die moet sterven. 11 Zelfs het graf en het verderf ligt open voor den Heer: hoeveeltemeer de harten der menschon! 12 De spotter bemint dengeen niet die hem bestraft, hij gaat den wijzen uit den weg. |
13 Een vroolijk hart maakt een vroolijk aangezicht; maar als het hart bekommerd is, zinkt ook de moed. 14 Een verstandig hart zoekt kennis, maar de dwazen zien uit naar dwaasheden. 15 Een bedroefde heeft nimmer een goeden dag, maar goede moed is een dagelij ksche maaltijd. 16 Beter is een weinig in de vreeze des Heeren, dan een groote schat waar onrust bij is. 17 Beter is een gerecht van moes met liefde, dan een gemeste os met haat. 18 Een toornig man richt gekijf aan, maar een lankmoedige stilt den twist. 19 De weg des luiaards is als eene doornheg, maar de weg der vromen is gebaand. 20 Een wijze zoon verblijdt den vader, maar een dwaas mensch is tot schande zijner moeder. 21 Den dwaze is de dwaasheid eene blijdschap, maar een verstandig man blijft op den rechten weg. 22 Ontwerpen gaan teniet waar geen raad is; maar waar vele raadgevers zijn, daar komen zij tot stand. |
38
|
1186 SPEEU] 33 Het strekt iemand tot vreugd als men liem recht antwoordt, en een woord op zijn tijd is zeer liefelijk. 24 De weg des levens gaat opwaarts om verstandig te maken, opdat hij afwijke van liet graf benedenwaarts. 35 De Heer zal het huis der hoovaardigen afbreken, maar den grenspaal der weduwe zal hij bevestigen. 36 De aanslagen desboos-aardigen zijn den Heer een gruwel, maar de reinen spreken liefelijk. 37 De gierige veretoort zijn eigen huis, maar wie geschenken haat zal leven. 38 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich om té antwoorden, maar de mond der goddcloozen welt louter kwaad op. 39 De Heer is ver van de goddcloozen, maar het gebed der rechtvaardigen verhoort hij. 30 Een vriendelijke blik verblijdt het hart, en een goed gerucht maakt het gebeente vet. 31 Wiens oor naar heilzame bestraffing hoort, die mag onder de wijzen wonen. 33 Wie zich niet laat onderwijzen , die maakt zichzelf verachtelijk; maar wie aan de bestraffing gehoor |
CEN 16. I geeft, die wordt verstan-dig. 33 Dc vreeze des Heeren is de onderrichting tot wijsheid; en alvorens men tot eer komt, moet men verne- » derd worden. HOOFDSTUK 10. 1 De mensch neemt zich wel iets voor in het hart, maar van den Heer komt wat de tong spreken zal. 3 Een ieder dunken zijne , ' -wegen rein te zijn, maar A de Heer weegt de geesten.'! 3 Beveel den Heer uwe werken, zoo zullen uwe voornemens gelukken. De Heer heeft alles gewrocht om aan zijnen aanleg te beantwoorden, zoo ook ^ den goddelooze voor den kwaden dag. 5 Een hoovaardig hart ia den Heer een gruwel, en zal niet ongestraft blijven, al ware het ook dat zij allen elkander aanhingen. 6 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend , en door de vreeze des Heeren mijdt men het kwade. 7 Ms iemands wegen den Heer behagen, maakt hij zelfs zijne vijanden hem tot vrienden. 8 Beter ia weinig met rechtvaardigheid, dan veel- |
|
SP11EU: Leid der inkomsten met on-reelit. 'J Het hart des mensclien neemt zijnen weg voor, ranar tie Heer alleen geeft dat liij voortgaat. 10 Godspraak is op de lippen des konings, zijn mond zal niet falen in liet gericht. 11 Eeclite waag en solia-len zijn des Heeren, en alle weegsteenen in den buitlel zijn zijn werk. 12 Dat koningen onreolit-vaardig handelen is een gruwel, want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. 13 Eecht raden behaagt den koningen; en wie recht raadt, die wordt bemind. li De gramschap des konings is een bode des doods, maar een wijs man zal hem bevredigen. 13 In een vriendelijken blik des konings is het leven, en zijne genade is als een avondregen. 16 Neem do wijsheid aan, want zij is beter dan goud; en verstand hebben is edeler dan zilver. 17 De weg der vromen mijdt het kwade; en wie zijnen weg bewaart, die bewaart zijn leven. 18 Wie tegronde zal gaan, die wordt tevoren hoog- |
:EN 16. 1187 moedig; een hoovaardigen trotsch gemoed komt vóór den val. li) liet is beter nederig van gemoed te zijn met de ellendigen, dan buit te dee-len met de hoovaardigen. 20 Wie eene zaak verstandig overlegt, die vindt geluk ; en welgelukzalig is hij die zich op den Heer verlaat. 31 Een verstandige wordt gehouden voor een wijs man, en stichtelijke redenen bevorderen de kennis. 22 Het verstand is eene levende fontein voordengeen die het bezit, maar het onderwijs der dwazen is dwaasheid. 23 Een wijs hart spreekt verstandig, en bevordert de kennis. 24 Vriendelijke redenen zijn honigzeem, zij troosten de ziel en zijn artsenij voor het gebeente. 23 Menigeen heeft welbehagen iian een weg, maar het uiterste daarvan leidt tot den dood. 26 De honger des arbeiders helpt hem arbeiden, want zijn mond drijft hem aan. 27 Eenkwaadaardigmensch graaft naar ongeluk, en in zijnen mond brandt vuur. 28 Een verkeerd mensch |
SPREUKEN 17.
11S8
|
maakt twist, cn een kwaadspreker maakt vrienden oneens. 29 Een man des gewelds lokt zijnen naaste, en leidt hem op een weg die niet goed is. 30 Wie met de oogen wenkt, die bedenkt niets goeds; en wie met de lippen teekens geeft, die volbrengt het kwaad. 31 Grijze haren, die op den weg der gerechtigheid gevonden worden, zijneene kroon der eer. 32 Een lankmoedige is beter dan een sterke, en wie meester over zijngemoed is, is beter dan wie eene stad verovert. 33 Het lot wordt in den buidel geworpen, maar het valt zooals de lieer wil. HOOFDSTUK 17. 1 Eene droge bete, doeh met rust, is beter dan een huis vol slachtvee met twist. 2 Een vlijtige knecht zal heerschen over een zoon die tot schande verstrekt, en zal onder de broeders een erfdeel verkrijgen. 3 Gelijk het vuur het zilver en de oven het goud beproeft, al zoo beproeft de Heer de harten. |
4 Een kwaaddoener geeft acht op kwade monden, en een valsche hoort gaarne naar schadelijke tongen. 5 Wie den behoeftige bespot, die hoont zijnen Maker; en wie zich over zijn ongeval verblijdt, die zal niet ongestraft blijven. G De kroon der ouden zijn kindskinderen, en de eer der kinderen zijn hunne vaders. 7 Het past een dwaas niet van hooge dingen te spreken , veel minder een vorst dat hij gaarne liegt. 8 Wie geschenken kan geven, voor dien is het als een edelgesteente: waarheen hij zich keert, wordt hij wijs geacht. 9 Wie zonde toedekt, die maakt vriendschap; maar wie de zaak weder ophaalt, die maakt vrienden oneens. 10 Een verwijt treft den verstandige dieper dan honderd slagen den dwaas. 11 Een bitter mensch tracht schade te doen, maar een wreede engel zal over hem komen. 12 Het is beter eene berin te ontmoeten waaraan de jongen ontroofd zijn, dan een zot in zijne dwaasheid. 13 Wie goed met kwaad vergeldt, van diens huis zal het kwaad niet aflaten. 14 Wie twist begint, is |
SPREUKEN 18.
1189
|
als een die den dam opent voor liet water; sta dan af van den twist eer hij te hevig wordt. 15 Wie den goddelooze vrijspreekt en wie den rechtvaardige veroordeelt, die zijn beide den Heer een gruwel. 16 Wat haat den dwaas geld in de hand om wijsheid te koopen, daar hij toch geen verstand heeft? 17 Een vriend heeft altijd lief, en in den nood wordt een broeder geboren. 18 Het is een onbezonnen mensch die bij de hand belooft, en borg wordt voor zijnen naaste. 19 Wie twist liefheeft, heeft zonde lief; en wie zijne deur hoog maakt, die zoekt ondergang. 20 Een verkeerd hart vindt het goede niet; en wie eene verkeerde tong heeft, die zal in ongeluk vallen. 21 Wie eenen verstande-looze verwekt, die heeft kwelling; en de vader van een dwaas heeft geen vreugd. 22 Een vroolijk hart maakt het leven aangenaam, maar een bedroefd gemoed doet het gebeente verdorren. 23 De goddelooze neemt gaarne heimelijk geschenken, om den weg des rechts te verkeeren. |
24i In het gelaat van den verstandige is wijsheid, maar een dwaas werpt de oogen heen en weder. 25 Een dwaze zoon is zijns vaders hartzeer, en de droefheid zijner moeder die hem gebaard heeft. 26 Het betaamt niet den rechtvaardige te straffen, den brave te slaan over een rechtvaardig oordeel. 27 Wie kennis bezit, die matigt zijne redenen, en een verstandig man is niet haastig van geest. 28 Ware het dat een dwaas zweeg, zoo zou hij ook voor wijs gehouden worden, en voor verstandig indien hij den mond toehield. HOOFDSTUK 18. 1 Wie zich afzondert, die zoekt iets naar zijnen zin, en stelt zich tegen alles wat goed is. 2 Een dwaas heeft geen behagen in verstand, maar daarin dat hij zijn hart ontdekt. 3 Waar de goddelooze heenkomt,' daar komt ook verachting, en smaad met hoon. 4 Des menschen woorden zijn gelijk aan diepe wateren,. maar de bronwel der wijsheid is een volle stroom. 5 Het is niet goed den |
SPREUKEN 18.
1190
|
persoon des goddeloozen te ncliten, om den rechtvaardige in liet gericht te drukken. G De lippen des dwazen brengen twist voort, en zijn mond roept om slagen. 7 Do mond des dwazen benadeelt hem zeiven, en zijne lippen vangen zijne eigene ziel. 8 De woorden des kwaadsprekers zijn als slagen, en zij gaan tot in het binnenste van het hart, 9 Wie traag is in zijnen arbeid, die is een broeder desgenen die het zijne doorbrengt. 10 De naam des Heeren is een vaste burg: de rechtvaardige vlucht daarheen en wordt beschermd. 11 Het goed des rijken is voor hem eene sterke stad, en als een hooge muur in zijne verbeelding. 12 Wanneer iemand te-gronde zal gaan, wordt zijn hart tevoren hoovaardig; en eer men tot eere komt, moet men vernederd worden. 13 Wie antwoordt eer hij hoort, dien is het dwaasheid en schande. 14 Wie een vroolijk hart heeft, die weet zich in zijn lijden te schikken; maalais de moed ternedergesla-gen is, wie kan het dan |
uitstaan? 15 Het hart des verstan-digen verkrijgt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt de kennis op. 1G Eens menschen geschenk maakt hem welkom, en leidt hem voor het aangezicht tier grooten. 17 Wie de eerste is in zijn twistgeding, die schijnt altijd recht te hebben; maar komt zijn naaste, dan onderzoekt men hem. 18 Het lot doet den twist ophouden, en beslist tus-schen machtigen. 19 Een broeder die vertoornd is houdt zich harder dan eene sterke stad, eu twisten zijn als de grendel aan een paleis. 20 Aan ieder wordt vergolden ntiar hetgeen zijn mond gesproken heeft, en hij wordt verzadigd van de vrucht zijner lippen. 21 Dood en leven staan in de macht der tong; wie ze liefheeft, die zal van hare vrucht eten. 22 Wie eene huisvrouw gevonden heeft, die heeft wat goeds gevonden, en heeft welgevallen verworven bij den Heer. 23 Een arm man spreekt smeekende, een rijk man antwoordt stoutmoedig. |
SPKEUKEN 19.
1191
|
'24 Wie vele vrienden quot;heeft, die moet tegrondegaan; maar een liefhebbend vriend kleeft sterker aan dan een broeder. HOOFDSTUK 19. 1 Een arme die in zijne vroomheid wandelt, is beter dan een verkeerde van lippen die toch een dwaas is. 3 Waar men niet handelt met verstand, daar gaat liet niet wèl; en wie snel is met de voeten, die valt lielit. 'ó De dwaasheid eens men-sclien verkeert zijnen weg, zoodat zijn hart tegen den Heer toornig wordt. 4 Rijkdom maakt vele vrienden, maar de arme wordt van zijnen vriend verlaten. 5 Een valsche getuige blijft niet ongestraft; en wie vermetel leugens spreekt, die zal het niet ontloopen. C Velen vleien den persoon des vorsten, en een ieder is een vriend desgenen die geschenken geeft. 7 De arme wordt gehaat van al zijne broeders, ja zelfs zijne vrienden verwijderen zich ver van hem; en wie zich op woorden verlaat, die verkrijgt niets. |
8 Wie verstandig is, die heeft zijne ziel lief; en de schrandere vindt wat goeds. 9 Een valsche getuige blijft niet ongestraft; en wie vermetel leugens spreekt, die zal omkomen. 10 Voor den dwaas past het niet goede dagen te hebben: veelmin een knecht, te heerschen over vorsten. 11 Wie lankmoedig is, die is een wijs mensch; en het is hem eene eer, dat hij ongelijk verdragen kan. 12 De ongenade des ko-nings is als het brullen van een jongen leeuw, maar zijne genade is als dauw O]) het gras. ■ 13 Een onverstandige zoon is zijns vaders hartzeer, en eene kijfachtige vronw is als een gestadig druipend lek. 14 Huis en goed erft men van do ouders, maar eene verstandige vrouw komt van den Heer. 15 Luiheid doet in diepen slaap vallen, en eene trage ziel zal honger lijden. 1G Wie het gebod bewaart, die bewaart zijn leven; maar wie zijnen weg veronachtzaamt, die zal sterven. 17. Wie zich over den arme ontfermt, die leent den Heer; die zal hem het goede wedervergelden. |
KEN 20.
1193
SPEEU
|
IS Kastijd uwen zoon terwijl er nog hoop is, maar laat uwe ziel niet bewogen worden om liem te dooden. 19 Want groote hevigheid brengt schade; daarom, Laat gij hem los, zoo kunt gij hem nog meer tuchtigen. 20 Hoor naar raad en neem onderwijs aan, opdat gij eindelijk wijs moogt worden. 31 Vele ontwerpen zijn in het hart eens mans, maar de raad des Heeren houdt stand. 23 Het wenschelijke in den mensch.is zijne weldadigheid , en de arme is beter dan de leugenaar. 33 De vreeze des Heeren bevordert het leven; en hij zal vergenoegd blijven, zoodat geen kwaad hem bezoeken zal. 34 De luiaard steekt zijne hand in den pot, en brengt ze niet weder tot den mond. 35 Slaat men den spotter, zoo wordt de onverstandige wijs; bestraft men een verstandige, zoo verkrijgt hij nog meer wetenschap. 26 Wie den vader ontrust en de mosder verjaagt, die is een kind dat beschaamd maakt en tot schande strekt. 27 Laat gij na, mijn zoon, de onderrichting te'hooi en, zoo dwaalt gij geheel van verstandige leering af. |
28 Een valsche getuige bespot liet recht, en de mond der goddeloozen verslindt het onrecht. 29 Den spotter zijn straffen bereid, en slagen voorden rug der dwazen. HOOFDSTUK 20. 1 De wijn maakt spotters, en sterke drank maakt twistzoekers; wie daartoe at-dwaalt, die wordt nimmer wijs. 2 De gramschap des ko-nings is als het brullen eens jongen leeuws; wie hem vertoornt, die zondigt tegen zijn leven. 3 Het is den man eene eer van het twisten aftela-teu; maar wie gaarne twist, die is een dwaas. 4 Wil de luiaard niet ploegen wegens de koude, clan moet hij in den oogst bedelen, en zal niets verkrijgen. 5 De beraadslaging in het hart eens mans is als diepe wateren, maar een verstandige kan merken wat hij bedoelt. ö Onder de menigte der menschen roemt elk zijne dienstvaardigheid, maai- wie zal iemand vinden die recht trouwhartig is? |
SP KEUKEN 20.
1193
|
7 Een rechtvaardige die in /ijno vroomheid wandelt, diens kinderen zal het na hem welgaan. 8 Een koning die op den troon zit om te oordeelen, zift met zijn oog alleen al het kwaad. 9 Wie kan zeggen: Ik ben rein in mijn hart en zuiver van zonde? 10 Tweeërlei gewicht en maat is beide tien Heer een gruwel. 11 Reeds kent men een jongen aan zijn doen, of hij vroom en eerlijk worden zal. 13 Een oor dat hoort en een oog dat ziet maakt de Heer beide. 13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; laat uwe oogen wakker zijn, zoo zult gij brood genoeg hebben. 14 Kwaad, kwaad ! zegt men als men het heeft; maar is men het kwijt, dan prijst men het. 15 Er is goud en er zijn vele paarlen, maar een verstandige mond is een edel kleinood. 16 Wie voor een ander borg wordt, neem diens kleed en neem pand van hem voor de onbekenden. 17 Brood der bedriegerij moge zoet smaken, daarna zal de mond vervuld worden met zandgruis. |
18 Aanslagen gelukken als men ze met beraad te-werkstelt, en den oorlog moet men met kloekheid voeren. 19 Maak u niet gemeen met hom die geheimen openbaart , noch met den kwaadspreker , noch met den val-schen mond. 20 AAïe zijnen vader en zijne moeder vloekt, diens lamp zal uitgebluscht worden in het midden der duisternis. 21 Een erfgoed waar men in den beginne zeer naar haakt, zal ten laatste niet gezegend zijn. 23 Zeg niet: Ik wil het kwaad vergelden; wacht op den Heer , die zal u recht verschaffen. 23 Tweeërlei gewicht is den Heer een gruwel, en eene valsche weegschaal is niet goed. 24 Des menschen gangen zijn van den Heer, hoe zou dan de mensch zijnen weg verstaan ? 35 Het is een strik voor den mensch, iets voor heilig te verklaren, en eerst na gedane geloften te onderzoeken. 36 Een wijs koning ver-1 strooit de goddeloozen, en |
SPREUKEN 21.
1194
|
brengt liet rad over hen. 27 Do geest des mensclien is eene lamp des Heeren, die alle scliiiilhoeken van liet liart doorzoekt. 38 Yroomheid eu trouw beveiligen den koning, en zijn troon lioudt stand dooi-vi'oomlieid. 39 De sterkte der jongelingen is Itun roem, en grijs haar is der ouden sieraad. 30 Men moet de boos-aardigen tekeergaan met scherpe geeselstriemen, met doordringende slagen die men voelt. HOOFDSTUK 21. 1 Het hart des konings is in de hand des Heeren als waterleidingen, hij wendt het waarheen hij wil. 3 Ieder dunkt zijn weg goed te zijn, maar de Heer alleen weegt de harten. Jlecht vaardigheid en recht te doen is den Heer aangenamer dan offer. •li Hoovaardigheid der oo-gen en trotscliheid van gemoed on de lamp der god-deloozen zijn zonde. 5 Het overleg eens naar-stigen brengt overvloed; maar wie zich overijlt, die zal gebrek lijden. C Wie schatten vergadert met bedrog, die zal falen, en vallen ouder degenen die zijnen dood zoeken. |
7 Het geweld der godde-loozcn zal hen verschrikken, want zij wilden niet doen hetgeen recht was. 8 De weg des schuldigen is verkeerd, maar het werk des schuldeloozen is recht. 9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan bij eene kijfachtige vrouw in hetzelfde huis. 10 De ziel des goddeloo-zen wenscht het kwaad, en gunt zijnen naaste niets. 11 Als de spotter bestraft wordt, worden de onver-standigen wijs; en als men een wijze onderricht, wordt hij nog verstandiger. 12 De rechtvaardige gedraagt zich wijs omtrent het huis des goddeloozen, maar de goddeloozen denken alleen om schade te doen. 13 Wie zijne ooren toestopt voor liet gekerm des armen, die zal óók roepen en niet verboord worden. 14 Eene heimelijke gave stilt den toorn, eu een geschenk in den schoot de hevige gramschap. 13 Het is den rechtvaardige eene blijdschap te doen hetgeen recht is, maar voor kwaaddoeners verschrikking. 1G Een menscli die van |
|
speeu: den weg der wijsheid afdwaalt, zal blijven in de vergaderino- der doodon. 17 Wie gaarne in wellust leeft, die zal gebrek lijden; en wie wijn en olie bemint, die wordt niet rijk. 18 De goddelooze moet voor den rechtvaardige gegeven worden, en de Terachter voor do vromen. 19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij eene kijfachtige en toornige vrouw. 20 In het huis des wijzen is een kostelijke schat en olie, maar een dwaas mensch verslindt dien ras. 31 Wie de barmhartigheid en weldadigheid najaagt, die vindt leven, barmhartigheid en eer. 33 Een wijze verwint de stad der sterken, en werpt hunne zekerste macht neder. 33 Wie zijnen mond en zijne tong bewaart, die bewaart zijne ziel voor angst. 2-1 Wie hoovaardig en vermetel is, heet een valsch mensch, die in den toorn hoovaardigheid betoont. 25 De luiaard sterft onder zijne wcnschen, want zijne handen willen niets doen. 26 Do begeerlijkheid wenscht dagelijks, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terng. |
CEN 23. 1105 27 Het offer der godde-loozen is een gruwel, hoe-veeltemeer als men het met een schandelijk voornemen brengt. 28 Een leugenachtig getuige zal omkomen, en de man die het hoort zal spreken tot zegepraal der waarheid. 39 Dc goddelooze sterkt zijn aangezicht; maar wie vroom is, die maakt zijnen weg vast. 30 Er helpt geen wijsheid, geen verstand, geen raad tegen den Heer. 31 Het paard wordt tot den dag des strijds bereid, maar de overwinning komt van den Heer. HOOFDSTUK 22. 1 Een goede naam is kostelijker dan groote rijkdom, en gunst beter dan zilver en goud. 2 Eijken en armen ontmoeten elkander, de Heer heeft hen allen gemaakt. 3 Dc verstandige ziet het ongeluk en verbergt zich, dc verstandeloozen gaan voort en moeten boeten. 4 Waar men lijdt in de vreeze des Heeren, daar is rijkdom, eer en leven. 5 Doornen en valstrikken zijn op den weg des arg- |
SPREUKEN 23.
1196
|
listigen; maar wie zicli daarvan verwijdert, die bewaart zijn leven. 6 Gelijk men een jongen gewent, zoo laat liij daarvan niet af als hij oud wordt. 7 De rijke heersclit over de armen; en wie te leen neemt, die is des leeners knecht. 8 Wie onrecht zaait, die zal moeite maaien; en de stok zijner verbolgenheid zal verbroken zijn. 9 Wie goedertieren van oog is, die wordt gezegend; want hij geeft van zijn brood aan den arme. 10 Drijf den spotter uit, zoo gaat het gekijf weg, zoo houdt de twist en de versmading op. 11 Wie rein van hart en aangenaam van lippen is, diens vriend is dc koning. 13 De oogen des Heeren bewaren de wetenschap, maar de woorden des trou-weloozen verijdelt hij. 13 De luiaard zegt: Daarbuiten is een leeuw, ik mocht gedood worden op de straat. 14 De mond van eerlooze vrouwen is een diepe kuil; wien de Heer ongenadig is, die valt er in. |
15 Dwaasheid steekt den jongen in het hart, maar de roede der kastijding zal ze verre van hem drijven. 1G Wie den arme onrecht doet om zijn goed te vermeerderen, en den rijke geeft, komt tot gebrek. — 17 Neig uwe ooren en hoor de woorden der wijzen, en neem mijne leer ter harte; 18 want het zal u goed zijn als gij ze bij u zult behouden, en zij zullen al-tezamen op uwe lippen zijn. 19 Dal uwe hoop zij op den Heer; dit moet ik u dagelijks vermanen, u ten goede. 20 Heb ik het u niet voorheen voorgeschreven, met allerlei raad en onderricht , 31 om u een vasten grond der waarheid bekendtema-ken, opdat gij een juist antwoord kunt wederbren-gen aan hen die u zenden? 33 lieroof den arme niet omdat hij arm is, en onderdruk den ellendige niet in de poort; 23 want de Heer zal hunne zaak handhaven, en zal dengenen die hen berooven het leven rooven. 2-1 Maak geen vriendschap met een toornige, en houd u niet bij een vergramde: 25 gij mocht zijnen weg |
SPEEUKEN 23.
1197
|
leeren en een strik spannen voor uwe ziel. 26 Wees niet onder degenen die hunne hand verplichten, en voor schulden borg blijven; 27 want zoo gij niet hebt om te betalen, zal men uw bed van onder u wegnemen. 28 Zet de oude palen niet terug, welke uwe vaderen gemaakt hebben. 29 Ziet gij een man vlijtig in zijn werk, die zal voor koningen gesteld worden, en hij zal niet voor onaanzienlijken staan. HOOFDSTUK 23. 1 Als gij zit en eet met een heerscher, geef dan acht op wien gij voor u hebt; 2 en zet een mes op uwe keel, indien gij een gulzig mensch zijt: 3 wees niet begeerig naar zijne lekkernijen , want liet is een bedrieglijk brood 4 Vermoei u niet om rijk te worden, en sta af van uwe geslepenheid: 5 laat uwe oogen zich niet wenden naar hetgeen gij niet hebben kunt, want het maakt zich vleugels gelijk een arend die naar den hemel vliegt. |
6 Eet geen brood bij een die nijdig is, en begeer niets van zijne smakelijke spijs; 7 want gelijk hij inwendig overlegd heeft, zoo zegt hij tot u; Eet en drink; maar zijn hart is toch niet voor u; 8 uwe bete die gij gegeten hebt zal u eens walgen, en gij zult uwe vriendelijke woorden verkwist hebben. 9 Spreek niet voor de ooren van den dwaas, want hij veracht de wijsheid uwer redenen. 10 Zet de oude palen niet terug, en ga niet op den akker der weezen; 11 want hun verlosser is machtig, die zal hunne zaak tegen u uitvoeren. 12 Neig uw hart tot de onderrichting, en uwe ooren tot verstandige redenen. 13 Hond niet op den jongen te kastijden; want als gij hem met de roede slaat, zal hij niet sterven: 14 gij slaat hem met de roede, maar gij redt zijne ziel van den dood. 15 Mijn zoon, indien uw hart wijs is, dan verblijdt zich mijn hart ook; lö en mijne nieren zijn vroolijk, als uwe lippen spreken hetgeen recht is. 17 Uw hart zij niet wangunstig over de zondaren, |
KEN 24.
1198
SPEEU
|
maar wees dagelijks in de vreeze des Heeven; 18 want het zal n later goed zijn, en uwe verwachting- zal niet verijdeld worden. 19 Hoor, mijn zoon, en wees wijs, en zet uw hart op den rechten weg. 20 Wees niet onder de dronkaards en brassers; 21 want de dronkaards en brassers verarmen, en een slaperige moet gescheurde kleederen dragen. 22 Hoor naar uwen vader die u verwekt heeft, en veracht uwe moeder niet als zij oud wordt. 23 Koop waarheid, en verkoop haar niet; wijsheid, tucht en wetenschap. 21- De vader eens rechtvaardigen verblijdt zich; en wie eeu wijzen zoon verwekt heeft, die verheugt zich in hem: 35 dat dan uw vader en uwe moeder zich verblijden, en zij die u gebaard heeft vroolijk zij. 26 Mijn zoon, geef mij uw hart, en laat mijne wegen aan uwe oogen 'behagen ; 27 want eene hoer is een diepe kuil, en eene overspeelster is een enge put; 28 ook loert zij als een roover, en de dartelen onder de menschen vergadert zij tot zich. |
29 Waar is wee, waar is leed, waar is twist, waar is klagen, waar zijn wonden zonder oorzaak, waar zijn ontstoken oogen? 30 Daar waar men hij den wijn vertoeft, en komt om uittedrinken hetgeen ingeschonken wordt. 31 Zie den wijn niet aan dat hij zoo rood is, en in den beker zoo schoon staat: hij gaat er glad in, 32 maar daarna bijt hij als eene slang, en steekt als eene adder; 33 dan zullen uwe oogen naar andere vrouwen zien, en uw hart zal verkeerde dingen spreken; 34 en gij zult zijn als een die midden in do zee slaapt, en gelijk een die bovenop den mast slaapt. 35 Zij slaan mij, \znlt gij zeggeti], maar ik heb geen smart; zij beuken mij, maar ik voel het niet: wanneer zal ik ontwaken om weder opnieuw te beginnen? HOOFDSTUK 24. 1 Wees niet wangunstig over de booze menschen, en heb geen lust om bij hen te zijn; 2 want hun hart tracht |
SPREUKEN 24.
1199
|
naar sclmde, en hunne lippen raden tot ongeluk. 3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstand bevestigd; 4 door verstandige huishouding worden de kamers vol van allerlei kostelijken en liefelijken rijkdom. 5 Een wijs man is sterk, en een verstandig man is machtig van krachten. 6 Met wijs beleid moet men den oorlog voeren; en waar vele raadgevers zijn, daar is de overwinning. 7 De wijsheid is voor den dwaas te hoog, hij durft zijnen mond niet opendoen in de poort. 8 Wie brengt zichzelven schade toe? Den arglistigen bedrieger mag men dus noemen, 9 Het overleg der dwaasheid is zonde, en de spotter is een gruwel voor de lieden. 10 Wie niet standvastig is in den nood, die is niet sterk. 11 Eed degenen die men dooden wil, en onttrek u niet aan degenen die men wil ombrengen. 13 Zegt gij: Wij wisten het niet, meent gij niet dat hij die de harten kent het merkt, en die op de zielen acht geeft het weet, en den mensch vergeldt naar zijn werk ? |
13 Eet honig mijn zoon, want het is goed, en honigzeem is zoet in uwe keel. 11 Zoo ook leer de wijsheid voor uwe ziel: als gij ze vindt, zal het u daarna welgaan, en uwe hoop zal niet verijdeld worden. 15 Loer niet als een god-delooze op het huis des rechtvaardigen, verstoor zijne rust niet; 16 want de rechtvaardige valt zevenmaal en staat weder op, maar de godde-loozen verzinken in het ongeluk. 17 Verblijd u niet over den val van uwen vijand, en uw hart zij niet vroolijk over zijn ongeluk, 18 opdat de Heer het niet zie, en het hem mishage, en hij zijnen toorn van hem afwende. 19 Word niet toornig op de kwaaddoeners, en niet naijverig op de goddeloo-zen; 30 want de kwaaddoener heeft niets te hopen, en de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden. 31 Mijn kind, vrees den Heer en den koning, meng ii niet onder de oproerigen; 22 want hun ongeval zal |
SPREUKEN 25.
1200
|
schielijk opdagen, en wie weet wanneer beider wraakoefening komt ? — 23 Ook deze [spreuken^ zijn van de wijzen. — Het aanzien des persoons in het gericht is niet goed. 24 Wie tot den schuldige zegt: Gij zijt rechtvaardig, dien vloeken de lieden, dien treft de haat des volks; 25 maar wie hem bestraffen, zijn welgevallig, en een rijke zegen komt op hen. 20 Een gepast antwoord is als een liefelijke kus. 27 Beschik uw werk daarbuiten, en bearbeid uwen akker: bouw daarna uw huis. 28 Wees geen getuige tegen uwen naaste zonder oorzaak, en bedrieg niet met uwen mond. 29 Zeg niet: Gelijk men mij doet, zóó zal ik weder-doen, en aan ieder zijn werk vergelden. 30 Ik ging voorbij den akker des luiaards, en voorbij den wijnberg van een verstandeloos mensch; 31 en zie, er waren niets dan netels op, en hij stond vol distels, en de muur was omgevallen. 32 Toen ik dat zag, nam ik hot ter harte, en aanschouwde het, en trok er leering' uit: |
33 Gij wilt een weinig slapen, en een weinigsluimeren, en een weinig de handen samenvouwen om te rusten; 34 maat- de armoede zal u overvallen als een wandelaar, en het gebrek als een gewapend man. HOOFDSTUK 25. 1 Ook dit zijn spreuken van Salomo, welke de mannen van Hizkia den koning van Juda uitgeschreven hebben. — 2 Het is Gods eer eene zaak te verbergen, maar de eer der koningen is eene zaak te onderzoeken. 3 De hoogte des hemels, en de diepte der aarde, en het hart der koningen zijn niet te doorgronden. 4 Men doe het schuim vau het zilver weg, zoo wordt er een rein vat uit: 5 men doe den goddelooze weg van den koning, zoo wordt zijn troon door gerechtigheid bevestigd. 6 Praal niet voor den koning, en treed niet in de plaats der grooten; 7 want het is beter dat men tot u zegt: Treed hier opwaarts, dan dat men u vernedert voor het aangezicht van den vorst op wien uwe oogen gezien hebben. |
KEN 25.
SPEEU
1301
|
8 Vaar niet haastig uit om te kijven; want wat zult gij daarna doen, als uw naaste u beschaamd doet staan ? 9 Eepleit uwe zaak met uwen naaste, maar openbaar eens anders geheim niet; 10 opdat hij, het hoerende, ook uwe schande niet openbare, en uw kwaad gerucht nimmer ophoude. 11 Een woord, op zijn tijd gesproken, is als gouden appelen in zilveren schalen. 13 Gelijk een gouden voor-hoofdsband en een gouden halssieraad, zoo is de bestraffing des wijzen voor het opmerkzame oor. 13 Gelijk de verkoeling-der sneeuw ten tijde van den oogst, zoo is een getrouwe bode voor wie hem gezonden heeft; en hij verkwikt de ziel zijns heeren. 14 Wie veel belooft, maar het niet houdt, die is als wolken en wind zonder regen. 15 Door lankmoedigheid wordt een vorst verzoend, en eene. zachte tong breekt de hardheid. 16 Vindt gij honig, zoo eet er niet meer van dan genoeg is, opdat gij niet oververzadigd wordt en het weder uitspuwt. |
17 Richt uwen voet spaarzaam naar het huis van uwen vriend: hij mocht u moede worden en u haten. 18 Wie tegen zijnen naaste eene valsche getuigenis spreekt, die is een hamer en een zwaard en een scherpe pijl- 19 Het vertrouwen op een trouwelooze ten tijde van nood is als een gebroken tand en een wankelende voet. 30 Wie een treurend hart liedjes voorzingt, die is als een gescheurd kleed inden winter, of als edik op pot-asch. 31 Hongert uw vijand, zoo spijzig hem met brood; heeft hij dorst, zoo drenk hem met water: 33 zoo zult gij gloeiende kolen op zijn hooid ophoo-pen, en de Heer zal het u vergelden. 33 l)e noordenwind baart regen, zoo ook de heimelijke tong een zuur gezicht. 34i Het is beter op een hoek van het dak te zitten, dan bij eene kijfachtige vrouw in hetzelfde huis. 25 Een goed gerucht uit verre landen is als kond water voor eene dorstige ziel.' 26 Een rechtvaardige, die in de tegenwoordigheid eens |
SPREUKEN 26.
1203
|
goddeloozen valt, is als eene troebele fontein en eene be-dorvene wel. 27 Teveel honig eten is niet goed; en wie moeie-lijke dingen onderzoekt, dien wordt het tot last. 28 Equot;ii man die zijnen geest niet kan inhouden is als een open stad zonder muren. HOOFDSTUK 26. 1 Gelijk de sneeuw ii' den zomer en de regen in den oogst, zóó voegt den dwaas de eer niet. 2 Gelijk een vogel daarheen zweeft, en eene zwaluw vliegt, zóó treft een onverdiende vloek niet. :i Eene zweep voor het paard, een toom voor den ezel, en eene roede voor den rug der zotten. 4 Antwoord den zot niet naar zijne dwaasheid, opdat ook gij hein niet gelijk wordt. 5 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid, opdat hij niet wijs zij in zijne oogen. C Wie eene zaak dooreen dwazen bode laat verrichten, die is als een die aan de voeten lam is en schade krijgt. 7 Gelijk eenen kreupele het dansen, zoo past het den zot van wijsheid te spreken. |
8 Wie eenen dwaas eer aandoet, die is als iemand die een edelgesteente op een steenhoop werpt. 9 Eene spreuk in den mond van een dwaas is als een opgeheven doorntak in de hand eens dronkaards. 10 Een goede meester maakt een ding recht; maar wie een dwaas huurt, dien wordt het bedorven. 11 Gelijk een hond zijn uitbraaksel weder eet, zoo is de zot die zijne dwaasheid weder bedrijft. 12 Ziet gij iemand die zich inbeeldt dat hij wijs is, zoo is van een dwaas meer verwachting dan van hem. 13 De luiaard zegt: Er is een jonge leeuw op den weg, ja een leeuw op de straten. U Een luiaard keert zich om op zijn bed, gelijk de deur in het hengsel. 15 De luiaard steekt zijne hand in den pot, en het I valt hem zuur die weder aan den mond te brengen. 16 Een luiaard is wijzer in zijne oogen, dan zeven die verstandig spreken. 17 Wie voorbijgaat en zich mengt in een vreem- | den twist, die is als een die |
SPREUKEN 37.
1203
|
een hond bij de ooren trekt. 18 Gelijk een die heimelijk met schichtenen pijlen sciiiet en doodt, 19 zóó doet een valsch mensoh met zijnen naaste, en zegt: Ik heb geschertst. 30 Als er geen hout meer is, gaat het vmir uit; eu als de kwaadspreker weg is, zoo houdt de twist op. 31 Gelijk de brandende kool de doove kool, en het vuni- het hout, zoo ontsteekt een kijfachtig man den twist. 33 De woorden des kwaadsprekers zijn als slagen, en zij gaan door het hart. 33 Een vergiftige mond en een boosaardig hart zijn als eene potscherf, met schuim, van zilver overtrokken. 3-i Wie haat draagt, die houdt zich vreemd met zijne lippen, maar in zijn binnenste smeedt hij bedrog; 35 als hij zijne stem vriendelijk maakt, geloof hem dan niet, want er zijn zeven gruwelen in zijn hart. 30 Wie den haat geheim houdt om schade te doen, diens boosheid zal voor de gemeente openbaar worden. 37 Wie een kuil maakt, die zal er invallen; en wie een steen wentelt, op dien zal hij komen. |
38 Eene valsche tong haat dengeen die hem bestraft, en een gladde mond richt verderf aan. HOOFDSTUK 27. 1 Eeroem u niet op den dag van morgen, want gij weet niet wat heden gebeuren kan. 3 Dat een ander uprijze, en niet uw eigen mond; een vreemde, en niet uwe eigene lippen. 3 Steen is zwaar, en zand is een last, maar de toorn van een dwaas is zwaarder dan die beide. -t Toorn is een woedend ding, en gramschap is onstuimig, maar wie kan voor den nijd bestaan? 5 Openbare bestraffing is beter dan liefde die zieh verbergt. 0 Slagen, door een vriend toegebracht, zijn bewijzen van trouw; maar de kussen des vijands zijn giftig. 7 Eene ziel die verzadigd is vertreedt zelfs honigzeem, maar voor eene hongerige ziel is al het bittere zoet. 8 Gelijk een vogel die buiten zijn nest omzwerft, zóó is een man die omzwerft buiten zijne plaats. 9 Balsem en reukwerk vervtoolijken het hart: maar een vriend is, wegens den raad, voor de ziel liefelijk. |
«! . -J-
SPEEUKEN 27.
1304
|
10 Verlaat uwen vriend en uvvs vaders vriend niet, en g'a niet in het huis mvs broeders als het u kwalijk gaat; want een gebuur die nabij is, is beter dan een broeder die ver is. 11 Wees wijs mijn zoon, en verblijd mijn hart; dan zal ik antwoorden dengeen die mij hoont. 13 Een verstandige ziet het ongeluk en verbergt zich, maar de dwazen gaan voort en lijden schade. 13 Neem dien zijn kleed, die voor een ander borg wordt; en neem pand van hem voor een vreemde. 14 Wie zijnen naaste met eene luide stem zegent, en daartoe op den vroegen morgen opstaat, dien wordt het als een vloek gerekend. 15 Eene kijfachtige vrouw en een gestadig druipend lek, als het zeer regent, worden terecht bij elkander vergeleken: lt3 wie haar bedwingt, die kan den wind bedwingen, of olie met de hand vatten. 17 Het céne mes scherpt het andere; zoo scherpt ook de eéne mensch den anderen. 18 Wie zijnen vijgeboom bewaart, die eet vruchten daarvan; en wie zijnen heer getrouw dient, die wordt geëerd. |
19 Gelijk in het water het schijnsel is van het aangezicht, zóu is het hart de spiegel van den mensch. 30 Het graf en het verderf worden nooit verzadigd : zoo worden ook de oogen der menschen nooit verzadigd. 31 Een man wordt beproefd door den mond des-genen die hem looft, gelijk' het zilver in den smeltkroes en het goud in den oven. 33 Al stampte men den dwaas in een mortier met een stamper gelijk gort, zijne dwaasheid zou nochtans niet van hem wijken. 33 Geef acht op uwe soha-pen, en neem uwe kudde waar; 34 want geen goed duurt eeuwig, geen kroon duurt immer en altoos. 35 Het gras is opgegaan, en het jonge gras is voorhanden, en het kruid wordt op de bergen verzameld; 36 de lammeren kleeden u, en de bokken geven u het akkergeld; 37 gij hebt geitenmelk genoeg tot spijs voor uw huis en tot voedsel uwer maagden. |
SPEEUKEN 28.
120S
|
HOOFDSTUK 28. 1 De gocldelooze vliedt en niemand jaagt hem, maaide rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw. 3 Als het land oproerig is, zijn er vele opperhoofden; maar waar een volk verstandig en kundig is, daar duurt het lang. 3 Een arm man die de geringen verdrukt, is een regen die alles wegvaagt zoodat er geen brood is. 4 Wie de wet verlaten, prijzen den goddelooze; maar wie ze bewaren, zijn at'kee-rig van hem. 5 Booze mensehen geven geen acht op het recht; maar wie naar den Heer vragen, letten op alles. 6 Een arm man die in zijne vroomheid wandelt, is beter dan een rijk man die verkeerde wegen gaat. 7 Wie de wet bewaart is een verstandige zoon; maar wie met brassers omgaat, die doet zijnen vader schande aan. 8 Wie zijn goed vermeerdert met woeker en overwinst, die vergadert dat voor dengeen die den arme genegen is. 9 Wie zijn oor afwendt om naar de wet niet te hooren, diens gebed is een gruwel. |
10 Wie de vromen verleidt op een kwaden weg, die zal in zijn eigen kuil vallen; maar de vromen zullen het goede beërven. 11 Een rijk man beeldt zich in dat hij wijs is, maar een arm verstandig man doorgrondt hem. 13 Als de rechtvaardigen de overhand hebben, gaat het zeer wel; maar als de goddeloozen opkomen, verbergen zich de lieden. 13 Wie zijne misdaden verbergt, dien zal het niet gelukken; maar wie ze bekent en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen. l-l Welgelukzalig is hij die altoos vreest; maar wie halsstarrig is, die zal in ongeluk vallen. 15 Een goddelooze die over een arm volk regeert, die is gelijk een brullende leeuw en een hongerige beer. 1G Als een vorst zonder verstand is, geschiedt er veel onrecht; maar wie de gierigheid haat, die zal lang leven. 17 Een mensch, die aan het bloed eener ziel schuldig is, zal naar het graf vlieden: een ander grijpe hem niet. |
SPEEUKEN 3'J.
1206
|
18 Wie oprecht wandelt, die zal behouden worden; maar wie twee wcg-en kiest, die zal op den éénen vallen. lü Wie zijnen akker bouwt, die zal brood genoeg heb-'ben; maar wie den lediggang nawandelt, die zal armoede genoeg' hebben. 20 Een getrouw man wordt rijkelijk gezegend; maar wie zich haast om rijk to worden, die zal niet onschuldig blijven. 21 De personen aaatezien in het gericht is niet goed, en toch zal menigeen om een stuk brood een booswicht worden. 22 Wie zich haast tot den rijkdom en nijdig is, die merkt niet dat hem ongeval ontmoeten zal. 23 Wie een mensch bestraft, die zal naderhand gunst vinden, meer dan wie vleit. 24 Wie zijnen vader of zijne moeder berooft, en zegt dat het geen zonde is, die is een metgezel des struikroovers. 23 Een hoovaardige veroorzaakt gekijf; maar wie zich op den lieer verlaat, die verkrijgt welvaart. 26 Wie zich op zijn hart verlaat, die is een dwaas; maar wie met wijsheid wandelt, die zal ontkomen. |
27 Wie den arme geeft zal geen gebrek hebben; maar wie zijne oogen sluit, die laadt grooten vloek op zich. 28 Als de goddeloozen opkomen, dan verbergen zich de menschen; maalais zij omkomen, vermeerderen de rechtvaardigen. HOOFDSTUK 29. 1 Wie tegen de bestraffing halsstarrig is, die zal schielijk verderven zonder eenige hulp. 2 Wanneer er vele rechtvaardigen zijn, verblijdt zich het volk; maar als de god-delooze heerscht, zucht het volk. 3 Wie wijsheid liefheeft, die verblijdt zijnen vader; maar wie hoeren onderhoudt, die raakt zijn goed kwijt. 4 Een koning richt het land op door het recht; maar die geschenken bemint, verderft het. 5 Wie zijnen naaste vleit, die spreidt een net uit voor zijne voetstappen. 6 Als een kwaad mensch zondigt, verstrikt hij zich-zelven; maar een rechtvaardige verheugt zich en heeft blijdschap. 7 De rechtvaardige neemt kennis van de zaak der |
SPREUKEN 29.
1207
|
armen, de goddeloozen slaan op dat onderzoek geen acht. 8 Spotters kunnen eene stad in ongeluk brengen, maar de wijzen doen den toorn bedaren. 9 Wanneer een wijs man met een dwaas, hetzij hij toornig is of lacht, in een twistgeding komt, clan heeft hij nooit rust. 10 De bloedgierigen haten den vrome, maar de rechtvaardigen zoeken zijne ziel. 11 Een dwaas schudt zijnen geest ten eenenmale uit, maar een wijs man houdt hem in. 12 Een heer die aan leugens lust heeft, diens dienaars zijn altemaal goddeloos. 13 De arme en rijke ontmoeten elkander, maar beider oogen verlicht de Heer. 11 Een koning dio de armen getrouw oordeelt, diens troon zal eeuwig bestaan. 15 De roede en de bestraffing brengen wijsheid voort; maar een jongen, aan ziclizelveu overgelaten, doet zijne moeder schande aan. 10 Waar vele goddeloozen zijn, daar zijn vele zonden; maar de rechtvaardigen zullen hunnen val beleven. |
17 Tuchtig uwen zoon, zoo zal hij u rust geven, hij zal uwe ziel vermaak aandoen. 18 Als de profetie ophoudt, wordt het volk wild en woest; maar welgelukzalig is het, zoo het dequot; wet in waarde houdt. 19 Een knecht laat zich met woorden niet ouder-richten, die, hoewel hij het verstaat, nochtans geen antwoord geeft. 20 Ziet gij iemand die snel is om te spreken, dan is er van een dwaas meer verwachting' dan van hem. 21 Wanneer een knecht van jongs af verwend wordt, zoo wil hij naderhand een jonker zijn. 22 Een toornig man richt gekijf aan, en een oploo-pende doet vele zonden. 23 De hoovaardij des men-schen zal hem ternederstor-ten, maar do ootmoedige zal eer ontvangen. 24 Wie met een dief deelt, die haat zijne ziel: hij hoorde een eed en gaf het niet te kennen. 23 Menschenvrees bi-engt tot den val; maar wie zich j op den Heer verlaat, die wordt beveiligd. 26 Velen zoeken het aan-i gezicht van den vorst, maar j ieders gericht komt van den i Heer. |
SPREUKEN 30.
1208
|
27 Een onrechtvaardig man is den rechtvaardige een gruwel, en wie oprecht van weg is, is den godde-looze een gruwel. HOOFDSTUK 30. 1 Dit zijn de woorden van Agur den zoon van .laké; de leering en spreuk dezes mans tot Ithicl, tot Ithiël en Uchal.—- 2 Ik ben redeloozer dan iemand, en mensoheuver-stand is niet bij mij; 3 ik heb geen wijsheid geleerd, en wat heilig is weet ik niet. 4 Wie vaart opwaarts ten hemel en daalt neder? Wie vat den wind in zijne handen? Wie bindt de wateren in een kleed? Wie heeft al de einden des aardrijks gesteld? Hoe heet hij, en hoe heet zijn zoon? Weet gij dat? 5 Alle woorden Gods zijn gelouterd; hij is een schild voor allen die op hem vertrouwen. 6 Yoeg niets tot zijne woorden toe, opdat hij u niet strafte en gij leugenachtig bevonden wordt. 7 ïwee dingen bid ik van u, wil mij die toch niet weigeren eer ik sterf: |
8 laat afgoderij en leugentaal verre van mij zijn;geef mij geen armoede o rijkdom, maar laat mij mijn bescheiden deel spijs tot mij nemen: 9 ik mocht anders, als ik oververzadigd werd, [tt] verloochenen en zeggen: Wie is de Heer? of als ik te arm werd, mocht ik stelen en mij aan den naam mijns Gods vergrijpen. 10 Spreek geen kwaad van den knecht bij zijnen heer: hij mocht u vloeken, en gij zelf zoudt de schuld dra-gen. 11 Er is een geslacht dat zijnen vader vloekt en zijne moeder niet zegent; 12 een geslacht dat zich inbeeldt rein te zijn, en nochtans van zijn drek niet gewasschen is; 13 een geslacht dat zijne oogen hoog draagt en zijne oogleden verheft; 14 een geslacht dat zwaarden tot tanden, en messen tot baktanden heeft, om de ellendigen in het land en de armen onder de lieden te verslinden. 15 De bloedzuiger heeft twee dochters: breng herwaarts , breng herwaarts! Drie dingen worden niet verzadigd, en het vierde zegt nooit: Het is genoeg: — 16 het graf, de gesloten moederschoot, een grond |
SPREUKEN 31.
1209
|
van water nooit verzadigd, en liet vuur zegt nooit: Het is genoeg. 17 Een oog dat den vader bespot en de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat mogen de raven aan de beek uitpikken, en de jonge arenden opeten. 18 Drie dingen zijn mij te wonderbaar, en het vierde weet ik niet: 19 de weg des adelaars in den hemel, de weg dei-slang op eene steenrots, de weg van een schip midden in de zee, en de weg eens mans bij eene maagd. 20 Alzoo is de weg dei-overspelige vrouw: zij eet en wisoht haren mond at', en zegt: Ik heb geen kwaad gedaan. 21 Een land wordt door drie dingen ontrust, en het vierde kan het niet dra-gen: 22 door een knecht als hij bewind voert, door een dwaas als hij oververzadigd is, 23 door eene hatelijke vrouw als zij getrouwd wordt, en door eene dienstmaagd .als zij hare vrouw beheerscht. 24 Deze vier zijn klein op de aarde, maar schranderder dan de wijzen: |
25 de mieren, een zwak volk, maar die hare spijs bereiden in den zomer; 26 de konijnen, een machteloos volk, en die hun huis in de steenrotsen maken; 27 de sprinkhanen, die geen koning hebben, en die nochtans uittrekken bij ge-heele hoopen; 28 do spin, die met hare handen werkt, en in de paleizen der koningen is. 29 Drie hebben een fraaien tred, en het vierde een frnaieu gang: 30 de leeuw, machtig onder de dieren, en die voor niemand omkeert, 31 de hazenwind van goede lendenen, en de ram, en een koning tegen wien zich niemand durft stellen. 32 Hebt gij dwaas gedaan met u te verheflen, en iets kwaads voorgehad, zoo leg de hand op den mond. 33 Als men melk karnt, maakt men boter daarvan; en wie den neus hard snuit, die dwingt er bloed uit; en wie den toorn verwekt, die brengt twist voort. HOOFDSTUK 31. 1 Dit zijn de woorden van den koning Lemuel, de leering waarmede zijne moeder hem onderwees. — 2 O mijn uitverkorene, |
SPEEUKEN 31.
1210
|
o gij 20011 mijns sclioots, o mijn gewensohtc zoon, 3 geef nan de vrouwen uw vermogen niet, en ga de wegen niet op welke koningen zich verderven. 4 Het komt den koningen niet toe, o Lemuel, het komt den koningen niet toe wijn te drinken, noch den vorsten sterken drank: 5 opdat zij niet drinken, en het recht vergeten, en de zaken der ellendige lieden veranderen. G Geef sterken drank dengenen die omkomen zullen, en wijn aan bedroefde zielen; 7 opdat zij drinken, en hunne ellende vergeten, en hun ongeluk niet meer gedenken. 8 Poe uwen mond open voor don stomme, en voor de zaak van allen die verlaten zijn; 9 doe uwen mond open, en oordeel recht, en wreek den ellendige en arme. — 10 Wien is eene deugdzame vrouw verleend? Zij is veel edeler dan kostelijke paarlen. 11 Haars mans hart mag zich op haar verlaten, en geen nering zal hem ontbreken. 13 Zij doet hom goed en geen kwaad, haar leven lang. |
13 Zij gaat met wol en vlas om, en arbeidt gaarne met hare handen. 14 Zij is als een koopmansschip, dat zijne waren van verre brengt. 15 Zij staat op als het nog nacht is, en geeft voedsel aan haar huis, en de bepaalde taak aan hare dienstmaagden. 16 Zij denkt om een akker en verkrijgt dien , zij plant een wijngaard van de vruchten harer handen. 17 Zij gordt hare lendenen vast, en sterkt hare armen. 18 Zij merkt dat haar handel voordeel brengt; hare lamp gaat des nachts niet uit. 19 Zij strekt hare hand uit naar het spinrokken, en hare vingers vatten de spil. 20 Zij breidt hare handen uit tot de armen, en steekt hare hand uit naar de be-hoeftigen. 21 Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw, want haar geheele huis heeft dubbele kleederen. 2;2 Zij maakt voor zich tapijtsieraad, witte»zijde en purper is haar kleed. 23 Haar man is vermaard in de poorten, als hij zit bij de oudsten des lands. 24 Zij maakt fijn lijnwaad |
PKEDIKEE 1.
1211
|
en verkoopt Let, en levert gordels aan dun kramer. 25 Haar sieraad is dat zij zindelijk en naarstig is, en zij lacht den aankomenden dag tegemoet. 26 Zij doet haren mond open met wijsheid, en op hare tong is heilzame leer. 37 Zij ziet hoe het in haar huis toegaat, en eet haar brood niet met luiheid. 28 Hare zonen komen op en . prijzen haar gelukkig. |
haar man vermeldt haren lof: 29 Yele dochters waren deugdzaam en goed, maar gij overtreft die allen. 30 Bevalligheid is bedrog, en schoonheid ijdelheid, maar eene vrouw die den Heer vreest , verdient geprezen te worden. 31 Zij zal geroemd worden vanwege de vruchten harer handen, en hare werken zullen haar loven in de poorten. |
DE
PREDIKER VAN SALOMO.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit zijn de woorden van den prediker, den zoon van David, koning fe Jeruzalem. — 2 Het is alles gansch ijdel, zegt de prediker, het is alles gansch ijdel. 3 Wat heeft de mensch toch van al zijne moeite welke hij doet onder de zon ? 4 Het ccne geslacht gaat, het andere komt, maar de aarde blijft eeuwig. |
5 De zon gaat op en zij gaat onder, en loopt naar liare plaats om aldaar weder optegaan. 6 De wind trekt naar het zuiden, en loopt om naar het noorden , en komt weder aan de plaats waar hij begon. 7 Alle wateren loopen in de zee, nochtans wordt de zee niet voller; naar de plaats vanwaar zij vloeien, I vloeien zij weder toe. I 8 Al het doen is zoo vol |
PEEDIKEE 3.
1212
|
moeite, dat niemand liet uitspreken kan; liet oog ziet zicli nimmer zat, en het oor hoort zich nimmer zat. 9 Wat is het dat geschied is? Juist hetzelfde wat hierna geschieden zal. Wat is het dat men gedaan heeft? Juist hetzelfde wat men hierna weder doen, zal; en niets nieuws geschiedt er onder de zon. 10 Geschiedt er ook iets waarvan men zou kunnen zeggen: Zie, het is nieuw? Want het is tevoren ook geschied, in verledene tijden die vóór ons geweest zijn. 11 Men herdenkt niet hoe het tevoren geweest is; al-zoo zal men ook hetgeen hierna komt niet herdenken bij degenen die daarna zijn zullen. 13 Ik prediker was koning over Israël te Jeruzalem, 13 cn ik stelde mijn hart om te zoeken en verstandig natesporen alles wat men onder den hemel doet, die onzalige moeite die God den kinderen dermenschen heeft toegeschikt om zich daarmede te kwellen; 14 ik zag al de werken aan die onder de zon geschieden, — en zie, alles was ijdelheid cn kwelling-des geestes: |
15 het kromme kan niet recht worden, en wat ontbreekt kan niet geteld worden. 16 Ik sprak in mijn hart: Zie, ik ben heerlijk geworden , en heb meer wijsheid verzameld dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn, en mijn hart heeft veel geleerd en ondervonden ; 17 en ik stelde ook mijn hart daartoe, om wijsheid en wetenschap, onzinnigheid en dwaasheid te kennen, — maar ik werd gewaar dat ook dit kwelling des geestes is; 18 want waar veel wijsheid is, is veel verdriet, en wie veel leeren wil, moet veel lijden. HOOFDSTUK 2. 1 Ik sprak in mijn hart: Welaan, ik zal vroolijk leven en goede dagen hebben; maar zie, dit was óók ijdelheid. 3 Ik sprak tot het lachen; Gij zijt dwaas, en tot de vreugd: Wat doet gij? 3 Toen dacht ik in mijn hart, mijn lichaam van den wijn 'aftetrekken, en mijn hart tot de wijsheid te leiden, om te begrijpen wat dwaasheid zij, totdat ik leerde wat den menschen goed was om te doen onder den |
PEEDIKEE 3.
1313
|
liemel gedurende de dagen huns levens. 4 Ik deed groote dingen, ik bouwde huizen, ik plantte wijnbergen; 5 ik maakte mij tuinen en lusthoven, en plantte allerlei vruchtbare boomen daarin; 6 ik maakte mij vijvers om daaruit de wouden dei-groene boomen te bevochtigen ; 7 ik had knechten en maagden- en huisgezin; ik had een grooter menigte van runderen en schapen dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren; 8 ik vergaderde mij ook zilver en goud, en van de koningen en landen een schat; ik bestelde mij zangers en «angeressen en wellustigheden der menschen, allerlei snarenspel; 9 en ik nam toe boven allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren, ook bleef de wijsheid bij mij; 10 en alwat mijne oogen wenschten, liet ik hun toe, en onthield mijn hart geen vreugd, zoodat het vroolijk was over al mijnen arbeid, en dat hield ik voor mijn deel van al ■ mijn werk. 11 Maar toen ik al mijne werken aanzag die mijne handen gemaakt hadden, en al de moeite die ik gehad had, zie, toen was alles ijdelheid en kwelling des geestes, en niets meer onder lt;le zon. |
13 Toen wendde ik mij om te zien de wijsheid, ook de onzinnigheid en dwaasheid; want hoe zou een mensch, die den koning opvolgen zal, doen hetgeen reeds vóór hem gedaan is? 13 Toen zag ik dat de wijsheid de dwaasheid teboven-ging, gelijk het licht de duisternis; 14 dat den wijze zijne oogen in het hoofd staan, maar dat de dwazen in de duisternis gaan; en ik merkte evenwel dat het den één gaat als den ander. 15 Toen dacht ik in mijn hart: Dewijl het den dwaas gaat als mij, waarom heb ik dan naar wijsheid gestaan? en ik dacht in mijn hart dat ook dit ijdelheid was; 16 want men denkt aan den wijze niet altoos, evenmin als aan den dwaasquot;; en in de toekomende dagen wordt alles vergeten, en zooals de wijze sterft, sterft ook de dwaas. 17 Daarom verdroot het mij te leven; want mij mishaagde hetgeen onder de zon geschiedt, dat het zoo geheel ijdelheid en kwelling des geestes is; |
PREDIKEK 3.
12 U.
|
18 en mij verdroot al mijn arbeid dien ik had onder de zon, omdat, ik dien moest achterlaten aan een mensch die na mij wezen zou, 19 want wie weet of hij wijs zal zijn of dwaas? en nochtans zal hij lieer zijn over al mijnen arbeid dien ik met zooveel wijsheid gedaan heb onder de zon:— dit is ook ijdellieid. 20 Daarom wendde ik mij, opdat mijn hart zou afstaan van al den arbeid dien ik bearbeid had onder de zon; 31 want al heeft een mensch zijnen arbeid met wijsheid, met wetenschap en geschiktheid tot stand gebracht, hij moet dien aan een ander tot een erfdeel overlaten, die er niet aan gearbeid heeft: — dit is óók ijdelheid en een groot verdriet. 32 Want wat heeft de mensch anders van al zijnen arbeid en van de moeite zijns harten, die hij heeft onder de zon, 33 dan zijn leven lang smarten, met kwelling en verdriet, dat zelfs des nachts zijn hart niet rust? — dit voorwaar is ijdelheid. 34 Is het dan voor den mensch niet heter dat hij eet en drinkt, en zijne ziel vroo-lijk is in zijnen arbeid? Doch ik heb gezien dat zulks van de hand van God komt; |
35 (want wie heeft vroolij-ker gegeten en zich meer vermaakt dan ik?) 36 want den mensch die hem behaagt, geeft hij wijsheid, verstand en vreugd; maar aan den zondaar geeft hij ongeluk, dat hij vergadert en oplegt, en het toch gegeven wordt aan dengeen die Gode behaagt: — ook dit is ijdelheid en kwelling des geestes. HOOFDSTUK 3. 1 Ieder ding heeft zijn bepaalden tijd, en elke zaak onder den hemel heeft hare ure: 3 geboren worden heeft zijn tijd, en sterven heeft zijn tijd ; planten heeft zijn tijd , en het geplante uitroeien heeft zijn tijd; 3 wonden heeft zijn tijd, en heelen heeft, zijn tijd; breken heeft zijn tijd, en bouwen heeft zijn tijd; 4 weenen heeft zijn tijd, en lachen heeft zijn tijd; klagen heeft zijn tijd, en dansen heeft zijn tijd; 5 steenen verstrooien heeft zijn tijd, en steenen vergaderen lieeft zijn tijd; omhelzen heeft zijn tijd, en |
l'REDIKEU 3.
1215
|
verre zijn van omhelzen heeft zijn tijd; 6 zoeken heeft zijn tijd, en verliezen heeft zijn tijd; bewaren heeft zijn tijd, en wegwerpen lieeft zijn tijd; 7 scheuren heeft zijn tijd, en verstellen heeft zijn tijd; zwijgen heeft zijn tijd, en spreken heeft zijn tijd; 8 liefhebben heeft zijn tijd, en haten heeft zijn tijd; oorlogen heeft zijn tijd, en vrede heeft zijn tijd: —- 9 men arbeide hoe men wil, wat voordeel heeft men er toch van? 10 Daaruit zag ik de moeite die God den menschen heeft opgelegd, dat zij daarmede geplaagd worden; 11 doch bij maakt alles wel op zijn tijd, ook heeft hij het eeuwige in hunne harten gelegd, uitgenomen dat de mensch liet werk hetwelk God doet uiet kan begrijpen , noch het begin, noch het einde. 12 Daarom merkte ik dat er niets beters voor hen is , vh' vroolijk te zijnenzich-*gt;itogt;?n wat te goed te doen v m zijn leven; 13 ook dat eenig mensch eet en drinkt en welgemoed is in al zijnen arbeid, dat is eene gave van God. 14 Ik merkte dat alwat God doet bestendig is, men |
kan er niets aan toevoegen noch afdoen, en dat doet God opdat men hem vreeze: 15 wat geschied is, was al voorlang, en wat geschieden zal, is reeds geweest; maar God zoekt alleenlijk hoe het een op het ander volgen zal. 1G Yerder zag ik onder de zon eene plaats des ge-richts, en aldaar was goddeloosheid ; en eene plaats der gerechtigheid, en aldaar was goddeloosheid. 17 Toen dacht ik in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddelooze oordcelen; want elke zaak en elke verrichting heeft haren tijd. 18 Ik sprak in mijn hart van den toestand der menschen, dat God hen beproeft, en hun doet zien dat zij op zichzelve zijn als het vee. 1!) Want het gaat den mensch als het vee: gelijk dit sterft, zoo sterft hij óók, en zij hebben allen éénerlei adem, en dc mensch heeft niets meer dan het vee, want het is alles ijdel-heid; 20 alles gaat naar ééne plaats, alles is van stof gemaakt en wordt weder tot stof.- 21 AVie weet het, of de adem der menschen op- |
|
1216 PEE Dl waarts gaat, en de adem van liet vee nederwaarts daalt in de aarde? 23 Daarom zeg ik dat er niets beters is dau dat een mensch vroolijk zij in zijnen arbeid, want dit is zijn deel; want wie zal hem zoover brengen dat kij ziet wat na hem geschieden zal? HOOFDSTUK 4. 1 Daarna wendde ik mij en beschouwde allen die onrecht lijden onder de zon; en zie, daar waren tranen dergenen die onrecht leden en geen trooster hadden; en die hun onrecht deden waren machtig, zoodat zij geen trooster konden hebben. 2 Toen prees ik de doo-den die alreeds gestorven waren, meer dan de levenden die het leven nog hadden; 3 en wie nog niet is, is beter dan die beiden, dewijl hij het niet gewaar wordt wat onder de zon geschiedt. 4 Ik zag den arbeid aan en de geschiktheid in alle zaken; daar benijdde de een den ander: — dit is immers ook ijdelheid en kwelling des geestes. 5 Een dwaas slaat zijne handen in elkander, en verteert zijn vleesch: • |
EC EE 4. 6 beter is een handvol met rust dan beide vuisten vol met verdriet en kwelling des geestes. 7 Daarna wendde ik mij en zag nog eene andere ijdelheid onder de zon: 8 er is een alléén, en geen ander bij hem, en heeft noch kind noch broeder; nochtans is er geen einde aan zijnen arbeid, en zijne oogen worden van rijkdom niet verzadigd, en [Iiij zegt nief\i Voor wien arbeid ik toch en doe mijne ziel gebrek hebben aan het goede? — Ook dit is ijdelheid en eene verdrietelijke moeite. 9 Dus zijn immers twee beter dan één, want zij genieten toch hunnen arbeid wol; 10 valt één van hen, dan helpt zijn gezel hem op; maar wee dengeen die alléén is: als hij valt, is er geen tweede die hem ophelpt. 11 Ook als twee bij elkander liggen, verwarmen zij zich; maar hoe kan één alleen warm worden? 12 Eén kan o verwei cl ■■gt;'d worden, maar twee kmj^n wederstand bieden; en een drievoudig snoer wordt niet licht verbroken. 13 Een arm jongeling die wijs is, is beter dan een oude en dwaze koning die zich niet meer laat raden; |
|
. PR ED I 14 want er komt wel iemand uit de gevangenis tot liet koningschap, en een die in zijn koninkrijk geboren is wordt arm. 15 Ook zag ik dat alle levenden onder de zon wandelen met den jongeling die in des eersten plaats zal komen ; 16 en aan liet volk dat' vóór hem ging was geen einde, ook dat hem volgde werd over hem toch niet verblijd;'—■ ook dit is immers ijdelheid en kwelling des geestes. •—■ 17 Bewaar uwen voet als gij ten huize Gods gaat, en kom om te hooren; dit is beter dan het ofl'er der dwazen , want zij weten niet wat kwaad zij doen. HOOFDSTUK 5. I „tl Wees niet snel met uwen «mond, en laat uw hart zich Iniet haasten om iets te spre-fken voor God; want God jas in den hemel en gij zijt | op de aarde: daarom laat | uwe woorden weinige zijn; ' 'quot;3 want waar veel zorg is, daar ontstaan droomen, en waar vele woorden zijn, daar hoort men den dwaas. 3 Wanneer gij Gode eene gelofte doet, zoo laat niet na ze te houden; want hij |
KEE 5. heeft geen behagen aan de dwazen, volbreng dan wat gij belooft. 4 Het is beter dat gij niet belooft, dan dat gij niet houdt hetgeen gij belooft. 5 Laat uwen mond niet toe dat hij uw vleesch verleide , en zeg voor den Engel niet: Ik ben onschuldig. God 'mocht toornig worden over uwe stem, en alle werken uwer handen verderven. 6 Waar vele droomen zijn, daar is ijdelheid, en waar vele woorden zijn óók; maar gij, vrees God. 7 Ziet gij den arme verdrukt, en recht en gerechtigheid in het land wegge-roofd, zoo verwonder u daar niet over; want er is nog een hooger hoeder boven den hooge, en er zijn nog hooger boven die beiden. 8 Het beste des aardrijks is voor allen, de koning zelf wordt van den akker gediend. 9 Wie geld liefheeft, die wordt van geld nimmer verzadigd; en wie rijkdom liefheeft, die zal er geen nuttigheid van hebben:-—dat is óók ijdelheid. 10 Want waar veel goed is, daar zijn velen die het eten; en wat baat het hem die liet heeft, dan dat hij 1217 |
1
|
1318 PEED I liet met zijne oogen aanziet? 11 Wie arbeidt, voor dien is de slaap zoet, liij liebbe weinig of veel gegeten; maar de overvloed van den rijke laat hem niet slapen. 13 Het is eene kwade plaag die ik zag onder de zon: rijkdom door zijnen bezitter bewaard tot ziin verderf. 13 Want rijkdom vergaat met groot jammer; en voor den zoon dien men verwekt heeft, houdt men niets over in zijne hand. 14 Gelijk men naakt nit den moederschoot gekomen is, zoo gaat men weder heen gelijk men gekomen is, en neemt niet zóóveel mede van zijnen arbeid, als men met tie hand kan wegdra-gen. 15 Dit is eene kwade plaag, dat men heengaat gelijk men gekomen is; en wat voordeel is het dan, dat men in den wind gearbeid hoeft? 16 Zijn leven lang heeft hij in' duisternis gegeten, en in groote kwelling en krankheid en treurigheid. 17 Zoo zie ik het dan voor goed aan dat hij gelukkig is, die vroolijk eet en drinkt, en welgemoed is in al zijnen arbeid dien hij doet onder de zon, gedurende |
KEK 6. •, '\ amp; het leven 3at God hém gééft; ^ want dit is zijn deel. 18 Maar ook als :God aan 111 een mensch rijkdom geeft, en goederen, en tevens de macht om daarvan -te éten en te drinken voor zijn deel, , en vroolijk te zijn in zijnen arbeid, dat is eene gave Gods; S 19 want hij denkt niet I veel aan de dagen zijns le- HOOmSÏSS-G. en dat veel plaats heeft onder de mensohen:- ^ 3 iëmand .wien God dom, goederen en aanzien gegeven heeft, en wien niets ontbreekt van alwat zijn hart begeert, en wien God nochtans de macht niet geeft om hot te genieten, maar een ander verteert het: —■ dit is ijdelheid en eene kwade plaag. 3 Al verwekte iemand honderd kinderen, en leefde zoolang dat hij vele jaren telde, en zijne ziel verzadigde zich van dat goed niet en hij bleef zonder graf, —■ van dien zeg ik dat eene ontijdige geboorte béter is dan bij; 4 want in ijdelheid komt |
|
zijquot;,* fen in duisternis gaat zij heeft en haar naam blijft in'iftlistemis bedekt ; 5; oo^; heeft zij de zon niet gezien-, en niets geweten, en heeft.meer rust dan hij. G Al deefde hij ook tweeduizend jaren, zoo is hij tóch quot;nimmer welgemoed: gaat niet alles naar ééne plaats'heen? Al de arbeid des men--jjjphen is voor zijnen mond: .feu nochtans wordt do be-geertfwjjiet vervuld. 8 WSÏfc wat heeft de wijze meer dffii de zot? Wat onderstaat zich de arme, dat onder de levenden wil ..zijn? 9 HetJs beter, het tegenwoordige goed te gebruiken, dan over ander te denken: — dit is óók ijdelheid en kwelling .(Jes geestes. • 10 Wat isquot; het of iemand al hoogberoemd is ? Men weet nochtans dat hij een mensch is; en hij kan niet richten met wie hem te machtig fs. 11 Daar dan de ijdele dingen vele zijn, wat heeft een mensch er toch van? 12 Want wie weet wat den mensch nut is in het leven , gedurende de dagen van het leven zijner ijdelheid, die heengaan als eene schaduw? Of wie zal den |
HOOFDSTUK 7. 1 Een goede naam is beter dan goede zalf, en de dag des doods dan de dag der geboorte. 2 Het is beter in het klaaghuis te gaan, dan in het huis des maaltijds; want daarin is het einde aller menschen, en de levende neemt het ter harte. 3 Treuren is beter dan lachen, want door treuren wordt het hart verbeterd; 4- het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der dwazen in het huis der vreugde. 5 Het is beter de bestraffing des wijzen te hooren, dan te hooren het gezang der dwazen; C want het lachen van den dwaas is gelijk het kraken der doornen onder een pot: dit is óók ijdelheid. 7 Geweldenarij kan ook eenen wijze woedend maken, en het geschenk bederft het hart. 8 Het einde van een ding is beter dan zijn begin; een geduldige geest is beter dan ëenTToóge geest.^ 9 Wees niet, snel van gemoed om toornig te worden, PEEDIKEE 7. 1319 mensch zeggen wat na hem komen zal onder de zon? |
PEE Dl KEK 7.
•X.
1220
|
quot;want 3e toorn rust n hart der dwazen. 10 Zeg niet: Waarom waren de vorige dagen beter dan deze? want gij vraagt dat niet wijselijk^ - 11 Wijsheid is goed met een ertdeel, en maakt dat men zich over de zon verheugen kan. 12 Want gelijk de wijsheid beschermt, zoo beschermt het geld ook; maar de wijsheid geeft haren bezitters het leven. 13 Zie cfe werken Gods aan; want wie kan recht maken hetgeen hij krom gemaakt heeft? 14 Wees vroolijk op den goeden dag, maar neem den kwaden dag ook, voor lief; want dezen maakt God benevens genen, opdat de mensch niet weten zoude wat toekomende is. 15 Allerlei heb ik gezien gedurende den tijd mijner ijdelheid. Er is een rechtvaardige die omkomt in zijne gerechtigheid, en er is een goddelooze die lang leeft in zijne boosheid. 16 Wees niet alte rechtvaardig noch alte wijs, opdat gij u niet verderft. 17 Wees niet alte goddeloos en word geen dwaas, opdat gij niet sterft vóór uwen t\jd. |
' 18 Het is goed da- gij an het één vasthoudt, en van het ander de hand niet aftrekt; want wie God vreest, die ontgaat dit alles: 19 de. wijsheid sterkt den wijze meer dan tien bevel-hebbers die' in de stad zijn. 20 Maar er is geen mensch op aarde, die goeddoet en niet zondigt. 21 Neem ook met ter ' harte alles wat men spreekt, opdat gij niet moet Jworen dat uw knecht u vloekt; 22 want uw hart weet, dat gij ook anderen dikwijls gevloekt hebt. 23 Dit alles heb ik met de wijsheid beproefd; ik dacht: Ik wil wijs worden; maar zij was nog verre van mij. 24 Wat ver af en zeer diep is, wie kan dat vinden ? 25 Ik keerde mijn hart, om wijsheid en kunst te weten en natesporen en te zoeken, om de dwaasheid der goddeloozen en de dwaling der onzinnigen te verstaan ; 20 en ik vond dat eene vrouw, wier hart een net en een strik is, en wier handen banden zijn, bitterder is dan de dood: wie Gode behaagt, die zal haar ontkomen, maar de zon- |
PREDIKER 8.
1321
|
daar wordt door haar gevangen. 37 Zie, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het één na het ander, opdat ik de oplossing mocht vinden; 38 en mijne ziel zoekt nog, en heeft ze niet gevonden : onder duizend heb ik één man gevonden, maar eene vrouw heb ik onder die allen niet gevonden. quot; 29 Alleen beschouw dit: ik heb gevonden dat God den mensch récht gemaakt heeft, maar zij zoeken vele kunsten. HOOFDSTUK 8. 1 Wie is zoo wijs, en wie kan dit uitleggen? De wijsheid eens menschen heldert zijn aangezicht op, maar wie stuursch is, die wordt gehaat. 2 Houd het bevel des ko-nings en den eed Gods. 3 Haast u niet om van zijn aangezicht wegtegaan, en blijf niet bij eene kwade zaak; want hij doet alwat hem gelust. 4 In des konings uitspraak is kracht; en wie kan tot hem zeggen: Wat doet gij? |
5 Wie het gebod houdt, die zal niets kwaads gewaarworden ; maar het hart eens wijzen weet tijd en wijs. 6 Want elk voornemen heeft zijnen tijd en zijne wijs, en daarom is het dat er zooveel ongeluk bij den mensch is; 7 want hij weet niet wat er geweest is, en wie zal hem zeggen wat er worden zal? 8 Een mensch heeft geen macht over den adem, om den adem terugtehouden, en hij heeft geen macht over den dag des doods, en hij wordt niet vrijgelaten in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid den goddelooze niet redden. 9 Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart richtte tot alle werken die onder de zon geschieden, ten tijde dat de ééne mensch over den anderen heerscht, hem tot ongeluk. 10 En daar zag ik god-deloozen die begraven werden ; en zij die medegingen, kwamen zelfs uit de heilige plaats; maar die recht gedaan hadden, werden vergeten in de stad: — dit is óók ijdelheid. 11 Omdat het oordeel over de booze werken niet schielijk geschiedt, daardoor wordt het hart det |
1233 PEEDIKER 9.
|
menschen vol om kwaad todoen. 13 Ofschoon een zondaar honderdmaal kwaaddoet en nochtans lang leeft, zoo weet ik echter dat het hun zal welgaan die God vreezen, die zijn aangezicht ontzien; 13 maar den goddeloozen zal het niet welgaan; en zij zullen gelijk eene schaduw niet lang leven, die voor God niet vreezon. f14 Er is nog eene ijdelheid 14 Er is nog eene ijdelheid ! die op de aarde geschiedt: J er zijn rechtvaardigen wien i| het gaat als hadden zij i werken der goddeloozen, en er zijn goddeloozen wien • het gaat als hadden zij werken der rechtvaardi-: | gen: — dit, zeg ik, is ook i( ijdelheid. 15 Daarom prees ik de vreugd, omdat de mensch niets beters heeft onder de zon dan te eten en te drinken en vroolijk te zijn, want dit blijft hem van zijnen arbeid, al de dagen zijns levens die God hem geeft onder de zon. 16 Ik stelde mijn hart om wijsheid te weten, en de moeite te aanschouwen die op aarde geschiedt, zoodat men menigmaal dag noch nacht den slaap ziet met zjjne oogen; |
17 en ik zag al het werk van God, dat de mensch het werk dat onder de zon geschiedt niet doorgronden kan; en hoe meer de mensch arbeidt om te zoeken, hoe minder hij het vinden zal; of hij al zegt: Ik ben wijs en weet het, hij kan het echter niet uitvinden. * HOOFDSTUK 9. 1 Dit alles heb ik ter harte genomen, om dit alles te onderzoeken, dat de rechtvaardigen en de wijzen met hunne werken in do hand van God zijn; ook kent de mensch de liefde of den haat niet van alwat voor zijne oogen is; 3 het gaat den één gelijk den ander, den rechtvaardige gelijk den goddelooze, den goede en reine gelijk den onreine, hem die offert gelijk hem die niet offert; gelijk het den goede gaat, zoo gaat het ook den zondaar; gelijk het hem gaat die lichtvaardig zweert, zoo gaat het ook hem die den eed vreest. 3 Dit is een groot kwaad onder alles wat onder de zon geschiedt, dat het den één gaat gelijk den ander; alsook, dat het hart der menschen vol kwaad is, en dat er allerlei onzinnighe- |
|
PEED I den zijn in hun hart, terwijl zij leven, en dat zij eindelijk moeten sterven. 4 Want bij alle levenden is hetgeen men wenscht, namelijk de hoop; want een levende hond is beter dan een doodo leeuw; IJ 5 want de levenden weten | dat zij sterven moeten, maar t tie dooden weten niemendal, li zij verwerven ook metsmêêr, f wantTlmfme gedaclïtenis is f veigeten, ■ C zoodat men hen niet I meer bemint noch haat noch ï benijdt, en zij hebben geen I deel meer Th de wereld t aan alles wat onder de zon I gescluecff. 7 Zoo ga dan heen, en eet uw brood met vreugde en drink uwen wijn met goeden moed; want uw werk behaagt Gode. 8 Laat uwe kleederen altijd wit zijn, en de balsem op uw hoofd outbroke niet. 9 Geniet het leven met uwe vrouw die gij liefhebt, zoolang gij het ijdele leven hebt, hetwelk God u onder de zon gegeven heeft, zoolang uw ijdcl leven duurt; want dit is uw deel in dit leven en van uwen arbeid dien gij doet onder de zon. ^ 10 Al wat u voorkomt om l*te doen, doe dat spoedig; f want in het graf, waar gij |
KEE 9. 1223 heengaat, is geen werk noch | overleg noch wetenschap i ntüjjT wijsheid. — 11 Ik ieerde mij en zag hoe het onder de zon toegaat, dat tot het loopen de snelheid niet helpt, noch tot deu strijd de sterkte, noch tot de nering de geschiktheid , noch tot den rijkdom do scbranderheid, noch om aangenaam' te zijn de kennis, maar dat het alles ligt aan den tijd en het geluk. 12 Ook weet de mensch zijnen tijd niet; maar gelijk do visscheu gevangen worden met een schadelijken angel, en gelijk de vogels met een strik gevangen worden, zoo worden ook de menschen weggerukt in den kwaden tijd, wanneer die hen onverhoeds overvalt. 13 Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij scheen mij groot toe: 11 dat er eeue kleine stad was, en weinig menschen daarin; en een groot koning kwam en belegerde ze, en bouwde er groote bolwerken om; 15 en daarin werd gevor den een arm wijs lu9ü, die deze stad door zijne wijsheid kon redden, en geen mensch dacht aan dezen armen man. |
PKEbiKEE 10.
1234
|
16 Toen sprak ik: Wijsheid is immers beter clan sterkte. Nochtans werd de wijsheid des armen veracht, en aan zijne woorden werd geen gehoor gegeven. 17 De stille woorden der wijzen gelden meer dan het geroep van een heerscher onder de dwazen. 18 Want de wijsheid is beter dan harnas, maar een éénig zondaar bederft veel goeds. ' HOOFDSTUK 10. 1 Eene schadelijke vlieg bederft goede zalf: alzoo een weinig dwaasheid dat wat kostelijk is aan wijsheid en eer. 3 Het hart van den wijze is aan zijne rechter-, maar het hart van den dwaas is aan zijne linkerhand. 3 Al is de dwaas zelf dwaas in zijn doen, nochtans houdt hij iedereen voor dwaas. f4 Wanneer de trotschheid van een machtige voortgaat tegen uwen wil, zoo laat u niet ontstellen; want toegeven voorkomt groot ongeluk.4 Wanneer de trotschheid van een machtige voortgaat tegen uwen wil, zoo laat u niet ontstellen; want toegeven voorkomt groot ongeluk. Tr*''quot; quot;öbeen onë'e^u^ (welkwelk1 ^quot;zag onder de zon, namelijk het onverstand hetwelk onder de machtigen gemeen is: |
6 dat een dwaas geplaatst | wordt in hooge eereposten, 1 en de rijken beneden zitten; f 7 ik zag knechten te paard, en vorsten te voet j gaan als knechten. 8 Wie een kuil graaft, die * zal er zelf invallen; en wie de heining doorbreekt, dien zal eene slang bijten. , l 9 Wie steenen weg wen-1 f telt, die zal er moeite mede * hebben; en wie hout klooft, die zal er door gekwetst worden. 10 Als ijzer stomp wordt en aan de snede ongeslepen blijft, dan moet men het met kracht weder scherpen; zoo volgt ook wijsheid de naarstigheid.. . ..... ...........„ . 'Tl Een prater is niet beter 'W fdan eene slang, die bijt eer IJ ide bezwering geschied is. T» ' T3 De woorden üff' den mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hem zeiven; 13 het begin zijner woorden is dwaasheid, en het einde is schadelijke razernij. 14 Een dwaas gebruikt vele woorden; want de mensch weet niet wat er geweest is, en wie zal hem zeggen wat er na hem worden zal? 15 De arbeid der dwazen |
PREDIKEE 11.
1225
|
valt hun zuur, omdat zij niet eens weten naar de stad te gaan. 16 Wee u o land, welks koning een kind is en welks vorsten in den morgenstond eten. 17 Heil u o land, welks koning edel is en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot versterking en niet tot lust. . 18 Door luiheid zakken de balken, en door trage handen wordt het huis dóór-lekkende. 19 Men richt maaltijden aan om te lachen, en wijn vervroolijkt de levenden, en het geld moet hun alles teweegbrengen. 20 Vloek den koning niet, zelfs niet in uw hart, en vloek den rijke niet in uw slaapvertrek; want het gevogelte des hemels zou uwe stem wegvoeren, en het gevleugelde uw woord bekendmaken. HOOFDSTUK 11. 1 Werp uw brood op het water, zoo zult gij het vinden na langen tijd. 2 Verdeel het onder zeven of acht, want gij weet niet wat ongeluk op de aarde komen kali. 3 Als de wolken vol zijn, geven zij regen op de aarde; P |
en als de boom valt, hij valle tegen het zuiden of noorden, op welke plaats hij valt, daar zal hij liggen. 4 Wie op den wind acht geeft, die zaait niet; en wie naar de wolken ziet, die maait niet. 5 Gelijk gij den weg des winds niet weet, noch hoe de beenderen in den moederschoot bereid worden, alzoo kunt gij ook het werk van God niet weten, die het alles maakt. 6 Zaai vroeg uw zaad, en trek uwe hand des avonds niet af; want gij weet niet of dit of dat gelukken zal, en zoo het beide gelukte, ware het destebeter. 7 Het licht is zoet, en het is den oogen goed de zon te zien. 8 Al is het dat een niensch langen tijd leeft, en vroolijk is in alle dingen, zoo denkt hij toch slechts aan de kwade dagen, dat zij zoovele zijn; want alwat hem ontmoet is, is ijdelheid. 9 Verblijd u o jongeling in uwe jeugd, en laat uw hart vroolijk zijn in uwe jeugd, en doe wat uw hart gelust en aan uwe oogen behaagt, — maar weet dat God u om dit alles voor het gericht zal doen komen. lü Doe de treurigheid |
mm
PREDIKEK 12.
1226
|
uit uw liart, en weer liet kwaad van uw lichaam; want de kindsheid en de jeugd zijn ijdelheid. HOOFDSTUK 12. 1 Gedenk aan uwen Schepper in uwe jeugd, eer de kwade dagen komen en de jaren genaken, van welke gij zeggen zult: Zij behagen mij niet; — 2 eer de zon en het licht, de maan en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen; 3 ten tijde wanneer de wachters in het huis beven, en de sterken zich krommen , en de maalsters ledig staan omdat zij zoo weinig geworden zijn, en de gezichten door de vensters verduisterd worden, 4 en de beide deuren naar de straat gesloten worden, dat het geluid des molens zacht wordt, en men met het zingen der vogels ontwaakt, maar alle dochters des gezangs zich buigen; 5 als men vreest voor hetJ geen hoog is , en er verschrikkingen zijn op den weg; als de amandelboom bloeit, en de sprinkhaan zichzelf een last is, en alle lust vergaat: zoo gaat de mensch heen alwaar hij eeuwig blijft, en de klagers gaan om door de straat; |
6 eerdat de zilveren koord wordt vanééngereten, en de gouden schaal in stukken breekt, en de emmer aan de bron lek wordt, en het rad aan den bornput gebroken wordt; 7 want het stof moet weder tot do aarde keeren gelijk het geweest is, en de geest weder tot God die hem gegeven heeft. 8 Het is alles gansch ijdel, j sprak de prediker; het is j alles gansch ijdel. — 9 Deze prediker was niet alleen wijs, maar leerde ook het volk goede leering, en merkte op en onderzocht, en stelde vele spreuken in orde. 10 Hij zocht om aangename woorden te vinden, en schreef de woorden der waarheid recht. 11 Deze woorden der wijzen zijn als spiesen en nagels, geschreven door de eesters der verzamelingen. Sen gegeven van den opper-S 'sten nefaer. quot; 'TS wacti zoon, voor hetgeen dsuiu-buiten is; want het veie liSe^en maken heeft geen eiiicle, en veel lezen maakt hëï lichaam moede. 13 Laat ons de slotsom u, mijn |
■■
T
HOOGLIED 1. 1227
van alle leering hooven: 1 14 want God zal alle werk L-Vrees Tlud en houd zijnel voor het gericht quot;TJrengen {gehoden, want dit is des|wat verborgen is, hetzij
;oed hlSÈij Kwaad.
'mSBfchen alles;
■ tser^ik,
HET
HOOGLIED
VAN SALOMO.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Het hooglied van Salomo. — 3 Hij kusse mij met den kus zijns monds, want uwe liefde is liefelijker dan wijn. 3 Dat men uwe goede zalf ruike; uw naam is eene uitgestorte zalf, daarom hebben de maagden u lief: 4 trek mij, wij zullen u gewillig volgen. De koning-leidde mij in zijne kamer; wij verheugen ons en zijn vroolijk over u; wij denken aan uwe liefde meer dan aan den wijn: de vromen hebben u lief. — 5 — Zwart ben ik, maar liefelijk, gij dochters van Jeruzalem, gelijk de hutten van Kedar, gelijk de tapijten van Salomo. |
G Ziet mij niet aan, omdat ik zoo zwart ben, want de zon heeft mij zoo verbrand; de kinderen mijner moeder zijn toornig op mij, men heeft mij tot hoedster der wijngaarden gesteld; maar mijnen wijngaard, dien ik had, heb ik niet gehoed. 7 Zeg mij, gij dien mijne ziel lief heeft, waar gij weidt, waar gij rust op den middag, opdat ik niet herwaarts en derwaarts behoeve te gaan bij de kudden uwer gezellen. — S — Weet gij hot niet, ■' gij schoonste onder de vrouwen, zoo ga uit op de voetstappen der schapen, en \ \jreid uwe bokken bij de hutten der herders. — 9 — Ik vergelijk u, mijne |
1228 HOOGLIED 2.
|
vriendin, bij mijne paarden aan de wagens van Farao. 10 Uwe wangen staan liefelijk in de snoeren, en uw hals in de ketenen. 11 Wij willen u gouden snoeren maken met zilveren stipjes. —- 13 — Toen de koning zich herwaarts wendde, gaf mijn nardus zijnen geur. 13 Mijn vriend is mij een bundeltje mirre dat tusschen mijne borsten hangt. 14 Mijn vriend is mij eene druif van Kofer in de wijnbergen te Engcdi. — 15 — Zie, mijne vriendin, gij zijt schoon, schoon zijt gij, uwe oogen zijn als dui-venoogen. — 16 — Zie, mijn vriend, gij zijt schoon en liefelijk; ook groent onze sponde. — 17 — De balken onzer huizen zijn cederen, onze wanden van cypressenhout. —■ HOOFDSTUK 2. 1 — Ik beu eene bloem te Saron, en eene roos in het dal. — 2 — Gelijk eene roos onder de doornen, zóó is mijne vriendin onder de dochters. —- 3 — Gelijk een appelboom onder de wilde boomen, zóó is mijn vriend onder de zonen: ik zit onder de schaduw van dien ik begeer, en zijne vrucht is zoet voor mijn gehemelte. |
4 Hij voert mij in het vertrek des wijns, en de liefde is zijne banier over mij- 5 Hij verkwikt mij met bloemen, en laaft mij met appelen, want ik beu krank van liefde. 6 Zijne linkerhand ligt onder mijn hoofd, en zijne rechterhand omhelst mij. 7 Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, bij de reeën of bij de hinden op het veld, dat gij mijne vriendin niet opwekt noch stoort voordat het haar zelve behaagt. — 8 Daar is de stem mijns vriends: zie, hij komt, en huppelt op de bergen, en springt op de heuvelen. 9 Mijn vriend is als een ree of als een jong hert; zie, hij staat achter onzen muur, en ziet door het venster, en tuurt door de traliën. 10 Mijn vriend spreekt en zegt tot mij: Sta op mijne vriendin, mijne schoone, en kom herwaarts. 11 Want zie, de winter is voorbij, de regen is over en komt niet weer; 12 de bloemen zijn uitgekomen in het land, de lente |
HOOGLIEB 3.
1229
|
is genaderd, en de tortelduif laat zich hooren op ons land; 13 de vijgeboom heeft knoppen gekregen, de wijnstokken botten uit en geven hunnen geur: sta op mijne vriendin, en kom, mijne schoone, kom herwaarts, li Mijne duif in de gaten der steenrotsen, in de steen-kloven, toon mij uwe gestalte, laat mij uwe stem hooren, want uwe stem is zoet en uwe gestalte liete- m fc- is Vangt ons die vossen, die kleine vossen, die de wijngaarden bederven; want onze wijngaarden zijn uitgebot. 10 Mijn vriend is mijn, en ik ben zijn, onder de rozen weidt hij 17 totdat de dag koel wordt en de schaduw wijkt: keer om, wees als een ree,mijn vriend, of als een jong hert op de bergen der afscheiding. HOOFDSTUK 3. 1 Ik zocht des nachts op mijne legerstede hem dien mijne ziel liefheeft, ik zocht hem, maar ik vond hem niet. 2 Ik wil opstaan en in de stad omgaan, op de straten en in de stegen, en hem zoeken dien mijne ziel liefheeft; ik zocht hem, maar ik vond hem niet. |
3 De wachters, die in de stad omgaan, vonden mij: Hebt gij hem niet gezien, dien mijne ziel liefheeft? 4 ïoen ik een weinig voorbij hen kwam, vond ik hem dien mijne ziel liefheeft: ik hield hem vast en wilde hem niet verlaten, voordat ik hem bracht in het huis mijner moeder, in de benedenkamer van haar die mij gebaard heeft. 5 Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, bij de reeën ofhindenophetveld, dat gij mijne vriendin niet opwekt noch stoort voordat het haar zelve behaagt. —- 6 — Wie is zij die opwaarts gaat uit de woestijn, als een recht opgaande rook, omwasemd van mirre en wierook en allerlei geur des kruidmengers? 7 Zie, rondom het bed van Salomo staan zestig helden uit de helden Israels; 8 zij houden allen zwaarden, en zijn geschikt ten strijde; elk heeft zijn zwaard aaij zijne heup, vanwege den schrik des nachts. 9 De koning Salomo liet zich een draagzetel maken van Libanons hout. 10 Deszelfs pilaren waren |
HOOGLIED 4.
1230
|
van zilver, liet bedeksel was van goud, de zitplaats purper : de bodem middenin was heerlijk geplaveid door de liefde der dochters van Jeruzalem. 11 Gaat uit en ziet, gij dochters van Sion, den koning Salomo, met de kroon met welke zijne moeder hem gekroond heeft op den dag zijner bruiloft en op den dag der vreugde zijns harten. — HOOFDSTUK 4, 1 —- Zie, mijne vriendin, gij zijt schoon; zie, schoon zijt gij: uwe oogen zijn als duivenoogen tusschen uwe vlechten, uw haar is als eene kudde geiten die het gebergte van Gilead afscheren. 3 Uwe tanden zijn als eene kudde pas geschoren lammeren, die uit het wed komen , die alle tweelingen dragen, en waaronder geen onvruchtbaar is. 3 Uwe lippen zijn als een rozerood snoer, en uwe stem is liefelijk; uwe wangen zijn als een doorgesneden granaatappel tusschen uwe vlechten. 4 Uw hals is als de toren van David, tot wapenpraal gebouwd, waaraan duizend schilden hangen, en allerlei wapenen der helden. |
5 Uwe twee borsten zijn als twee jonge tweelingreeën, die onder de rozen weiden. G Totdat de dag koel wordt en de schaduw wijkt, wil ik gaan naar den mirreberg en naar den wierookheu-vel. 7 Geheel zijt gij schoon, mijne vriendin, en er is geen vlek aan u. 8 Kom met mij van den Libanon af, o bruid, kom met mij van den Libanon af; ga voort, treed herwaarts van de hoogte van Amana, van de hoogte van Senir en Hermon, de woningen dei-leeuwen , de bergen der luipaarden. 9 Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, o bruid, met één van uwe oogen, en met één van uwe halsketenen. 10 Hoe schoon is uwe liefde, mijne zuster, o bruid; uwe liefde is zoeter dan wijn, en de geur uwer zalf overtreft alle kruiden. 11 Uwe lippen, o bruid, zijn als druipend honigzeem; honig en melk zijn onder uwe tong, en de geur uwer kleederen is als de geur van Libanon. 13 Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, een |
HOOGLIED 5.
1231
|
besloten bronwel, een verzegelde bornput. 13 Uw gewas is als een lusthof van granaatappelen, met edele vruchten, Cyprus en nardus, 14 nardus met safi'raan, kalmus en kaneel, met al- i lerlei wierookplanten, mirre en aloë, met al de beste kruiden; 15 gelijk eene hoffontein, 'gelijk een bornput van levend water dat van Libanon afstroomt. — 16 — Sta op o noordenwind , en kom o zuidenwind, en waai door mijnen hof, dat hij vloeie van specerijen. O dat mijn vriend kome in zijnen hof, en ete van zijne edele vruchten. — HOOFDSTUK 5. 1 — Ik kom, mijne zuster , o bruid, in mijnen hof; ik heb mijne mirre benevens mijne specerijen geplukt, ik heb van mijne honigraat benevens mijnen honig gegeten, ik heb van mijnen wijn en van mijne melk gedronken. Eet, mijne beminden, en drinkt, mijne vrienden, en wordt dronken. — 2 — Ik sliep, maar mijn hart waakte; daar was de stem mijns vriends die aanklopte : Doe mij open, mijne |
vriendin, mijne zuster, mijne duif, mijne volmaakte; want mijn hoofd is vol van dauw, en mijne haarlokken van nachtdruppels. 3 Ik heb mijn kleed uitgetrokken, hoe kan ik het weder aantrekken? Ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zou ik ze weder bezoedelen? 4 Maar mijn vriend stak zijne hand door de opening der deur, en mijn binnenste werd ontroerd om zijnentwil. 5 Toen stond ik op om mijnen vriend opentecloen; mijne handen dropen van mirre, en mirre liep langs mijne vingers aan den grendel van het slot. G En toen ik mijnen vriend opengedaan had, was hij weg en heengegaan. Toen bezweek mijne ziel om hetgeen hij gesproken had, ik zocht hem, maar ik vond hem niet; ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet. 7 Do wachters die in de stad omgaan, vonden mij, zij sloegen en wondden mij, de wachters op den muur ontnamen mij mijnen sluier. 8 • Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, vindt gij mijnen vriend, zoo zegt hem dat ik van liefde krank ben. — |
|
1233 HOOG! 9 —- Wat is uw vriend boven andere vrienden, o gij schoonste onder de vrouwen? Wat is uw vriend boven andere vrienden, dat gij ons zoo bezworen hebt? — 10 — Mijn vriend is blank en rood, uitmuntende boven vele duizenden. 11 Zijn hoofd is van het fijnste goud; zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf; 12 zijne oogen zijn als dui-venoogen aan de waterbeken, met melk gewasschen, staande in de volheid; 13 zijne wangen zijn als geurige bloembedden, als heuvels van specerijen; zijne lippen zijn als rozen die van vloeiende mirre drui-Pen; 14 zijne handen zijn als gouden ringen, vol turkooizen ; zijn lichaam is als zuiver ivoor, met saffieren versierd; 15 zijne beenen zijn als marmeren zuilen, gegrond op gouden voetstukken; zijne gestalte is als de Libanon, heerlijk als de cederen; 16 zijue keel is zoet en geheel liefelijk. Zóó is mijn beminde, zóó is mijn vriend, o dochters van Jeruzalem. — |
IED 6. HOOFDSTUK 6. 1 — Waar is uw vriend dan heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waar heeft uw vriend zich heen-gewend ? Zoo willen wij hem met u zoeken. — 3 — Mijn vriend is heengegaan naar zijnen hof, naar cle geurige bloembedden, om te weiden in de hoven, en rozen te plukken. 3 Mijn vriend is mijn, en ik ben zijn, hij die onder do rozen weidt. —• 4 — Gij zijt schoon, mijne vriendin, als Tirza, liefelijk als Jeruzalem, verschrikkelijk als eene slagorde. 5 Wend uwe oogen van mij, want zij ontroeren mij. Uwe haren zijn als eene kudde geiten die het gebergte van Gilead afscheren. 6 Uwe tanden zijn als eene kudde schapen die uit het wed komen, die alle tweelingen dragen, en waarvan geen onvruchtbaar is. 7 Uwe wangen zijn als een doorgesneden granaatappel tusschen uwe vlechten. 8 Er zijn zestig koninginnen , en tachtig bijwijven, en de maagden zijn zonder getal; |
HOOGLIED 7.
1233
|
9 maar céne is mijne duif, mijne volmaakte, zij is de liefste en de uitverkorene harer moeder. ïoen de dochters haar zagen, prezen zij haar gelukzalig, de koninginnen en bijwijven loofden haar. — 10 — Wie is zij die aanbreekt als de dageraad, schoon als de maan, rein als de zon, verschrikkelijk als eene slagorde? — 11 —• Ik ben in den notenhof gegaan om het groen der vallei te beschouwen, om to zien of de wijnstok bloeide, of de granaatappel-boomen groenden. 13 Eer ik het wist, zag ik mij op den wagen van Amminadib gesteld. — 13 — Keer weder, keer weder o Sulammith; keer weder, keer weder, opdat wij u aanschouwen. — Wat ziet gij Sulammith aan? Zij is als de rei van Mahanaïm.— HOOFDSTUK 7. 1 — Hoe sclioon is uw gang in het kostbaar schoeisel. gij vorstendochter; uwe lendenen staan gelijk aan elkander, als twee snoeren welke de hand des meesters gemaakt heeft; 3 uw navol is als een ronde beker, wien nimmer drank ontbreekt; uw buik is als een tarwehoop, rondom met rozen bestoken; |
3 uwe twee borsten zijn als twee jonge tweelingen van eene ree; 4 uw hals is als een ivoren toren; uwe oogen zijn als de vijvers van Hesbon, aan de poort Bath-Kabbim; uw neus is als de toren van den Libanon, die tegen Damascus ziet; 5 uw hoofd verheft zich op u als do Kar mei; het haar op uw hoofd is gelijk het purper des konings, golvend samengebonden. 6 Hoe schoon en hoe liefelijk zijt gij o beminde, vol bekoorlijkheden! 7 Uwe lengte is als een palmboom, en uwe borsten zijn als druiventrossen. 8 Ik sprak: Ik moet op den palmboom klimmen en zijne takken grijpen; laat uwe borsten zijn als druiventrossen aan den wijnstok, en de adem van uwen neus als oranjegeur, 9 en uwe keel als goede wijn — die mijnen vriend glad ingaat, en de lippen der slapenden doet spreken. 10 Mijn vriend is mijn, en. naar mij is al zijn verlangen. 11 Kom mijn vriend, laat ons uitgaan naar het veld, en op het land blijven; |
HOOGLIED 8.
1234
|
13 opdat wij vroeg lieen-gaan naar de wijnbergen, om te zien of de wijnstok bloeit en uitgebot is, of de granaatappelboomen uitgebot zijn. — Daar zal ik u al mijne liefde geven. 13 De leliën geven geur, en voor onze deur zijn allerlei edele vruchten; mijn vriend, ik heb beide nieuwe en oude voor u bewaard. HOOFDSTUK 8. 1 O waart gij mij als een broeder, gezoogd aan de borsten mijner moeder; dat ik u vond op de straat, en ik li dan kussen mocht cn niemand mij beschimpte! 2 Ik zou u leiden, en u brengen in het huis mijner moeder, daar gij mij leeren zoudt; daar zou ik u drenken met wijn van specerijen, en met den most mijner granaatappelen. 3 Zijne linkerhand ligt onder mijn hoofd, en zijne rechterhand omhelst mij. 4 Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, dat gij mijne beminde niet opwekt noch stoort voordat het haar zelve behaagt. —• 5 — Wie is zij die opkomt uit de woestijn, geleund op haren vriend ? — Onder den appelboom wekte ik u, alwaar uwe moeder u gebaard heeft, alwaar nwe moeder u ter wereld heeft gebracht. |
6 Druk mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm; want de liefde is sterk als de dood, en de minneijver is onver-winnelijk als het graf, zijn gloed is vurig en eene vlam des Heeren; 7 zoodat ook vele wateren die liefde niet kunnen uit-blusschen, noch stroomen haar overstelpen: al wilde iemand al het goed in zijn huis voor die liefde geven, het zou alles niet gelden. 8 Wij hebben eene jonge zuster die nog geen borsten heeft; wat zullen wij met onze zuster doen als men naar haar begint te vragen ? 9 Is zij een muur, dan zullen wij zilveren bolwerken op haar bouwen; is zij eene deur, dan zullen wij haar insluiten met ce-derplankcn. 10 Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als torens; en nochtans ben ik voor zijne oogen geworden als eene die vrede vindt. 11 Salomo heeft een wijngaard te Baiil-Hamon; hij gaf dien wijngaard aan de hoeders, dat elk voor des- |
|
JE SA zelfs vrucht opbracht duizend zilverlingen. 12 Mijn eigen wijngaard is voor mij. Voor u, Salo-mo, zijn die duizend, maar tweehonderd voor de hoeders die de vruchten hoeden. —■ |
JA 1. 13 — de hoven, laat mij uwe stem hooren; de spselgenoo-ten luisteren reeds. •— 14 ■—• Kom schielijk mijn vriend, en wees als een ree of een jong hert op de bergen der specerijen. 1335 Gij die woont in |
DE PEOFEET
J E S A J A.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is het gezicht van Jesnja don zoon van Amoz, hetwelk hij zag aangaande Juda en Jeruzalem, ten tijde van Uzzia, Jotliam, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda. —- 3 Hoort gij hemelen; en gij aarde, neem ter oore; want de Heer spreekt: Ik heb kinderen opgevoed en groot gemaakt, en zij zijn van mij afgevallen. 3 Een os kent zijnen meester, en een ezel de kribbe van zijnen heer; maar Israël kent het niet, en mijn volk neemt het niet in acht. |
4 Wee het zondige volk, het volk van groote misdaad, dat boosaardige zaad, die ondeugende kinderen, die den Heer verlaten, den Heilige van Israël lasteren, en terugwijken. 5 Waartoe zoudt gij nog meer geslagen worden? Gij zoudt slechts destemeer afwijken. Het geheele hoofd is krank, liet geheele hart is mat; G van de voetzool af tot het hootd toe is niets gezonds aan hen, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden noch met olie verzacht zijn. 7 Uw land is woest, uwe steden zijn met vuur verbrand , vreemden verteren uwe akkers voor uwe oogen, en het is woest, gelijk het- |
p
JESAJA 1.
1336
|
geen door vreemden vernield is. 8 En de dochter Sions is oyergebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachtleger in den komkommerhof, als eene ingeslotene stad. 9 Indien de Heer Zebaöth ons niet een gering overblijfsel had gelaten, wij waren als Sodom en gelijk Gomorra. 10 Hoort het woord des Heeren, gij vorsten van Sodom; neemt ter oore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra. 11 Wat baat mij de menigte uwer ofl'ers? spreekt de Heer; ik ben verzadigd van de brandofl'ers der rammen en van het vet van het gemeste [vee], en heb geen lust aan liet bloed der varren, der lammeren en der bokken. 12 Of gij al komt om voor mij te verschijnen, wie eischt dit van uwe handen, dat gij mijnen voorhof betreedt? 13 Brengt niet meer zoo tevergeefs spijsoffers; het reukwerk is mij een gruwel, de nieuwemaanfeesten en de sabbatten, op welke gij samenkomt, en moeite en angst hebt, kan ik niet dulden. |
14 Mijne ziel haat uwe nieuwemaanfeesten en hoogtijden; zij zijn mij tot een last, ik ben moede die te dragen. 15 En of gij al uwe handen uitbreidt, zoo verberg ik nochtans mijne oogen voor u; en of gij al veel bidt, zoo hoor ik u toch niet, want uwe handen zijn vol bloed. 16 Wascht u, reinigt u, doet uw boos gedrag van voor mijne oogen weg, laat af van het kwaad; 17 leert het goede doen, tracht naar recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, en helpt de zaak der weduw. 18 Komt dan en laat ons tezamen richten, spreekt de Heer: al waren uwe zonden dan bloedrood, zij zullen nochtans sneeuwwit worden; en al waren zij rood als karmozijn, zij zullen nochtans als wol worden. 19 Wilt gij naar mij hoeren, zoo zult gij het goede des lands genieten; 20 maar weigert gij en zijt gij ongehoorzaam, dan zult gij door het zwaard verteerd worden; want de mond des Heeren heeft het gesproken. 21 Hoe komt het dat de getrouwe stad tot eene hoer |
JESAJA 3.
1237
|
geworden is? Zij was vol van recht; gerechtigheid woonde daarin, maar nu moordenaars. 22 Uw zilver is schuim geworden, eu uw wijn is met water vermengd. 23 Uwe vorsten zijn afvalligen en metgezellen van dieven, zij nemen allen gaarne geschenken en jagen naar giften: den wees doen zij geen recht, en de zaak der weduw komt niet voor hen. 24 Daarom spreekt de Heer, de Heer Zebaóth, de Machtige in Israël: O wee, ik zal mijnen moed koelen aan mijne vijanden, ik zal mij wreken aan mijne tegenstrevers. 25 En ik zal mijne hand tegen u keeren, en uw schuim op het zuiverst afscheiden , en al uw tin wegdoen, 20 en zal u weder rechters geven als voorheen, eu raads-heeren als in het begin. Dan zult gij weder eene stad der gerechtigheid, eene getrouwe stad genoemd worden. 27 Sion zal door recht verlost worden, en hare gevangenen door gerechtigheid. 28 Maar de overtreders en zondaars zullen altezamen verbroken worden, eu wie den Heer verlaten zullen omkomen. |
29 Dan zullen zij beschaamd worden over de eiken in welke gij lust hadt, en schaamrood worden over de hoven die gij verkoren hebt; 30 wanneer gij zijn zult als een eik met dorre bladeren, en als een hof zonder water. 31 Dan zal de sterke zijn als vlas, en zijn werk als eene vonk, en beiden zullen tezamen branden, zoodat niemand het blusschen kan. HOOFDSTUK 2. 1 Dit is het wat Jesaja de zoon van Amoz zag aangaande Juda en Jeruzalem. —- 2 De berg op welken het huis des Heeren is zal in den laatsten tijd hooger zijn dan alle bergen, en boven alle heuvelen verheven worden, en alle volken zullen derwaarts stroomen; 3 en vele natiën zullen heengaan en zeggen: Komt laat ons op den berg des Heeren gaan, tot het huis van Jakobs God, opdat hij ons zijne wegen leere en wij wandelen op zijne paden; want van Sion zal de wet uitgaan, en hetquot;\TOord~(Ies Heeren van JerüzalemT 4 En hij zal richten onder de volken , en vele natiën bestraflen; dan zullen |
JESAJA 2.
' 123S
|
zij hunne zwaarden tot ploegijzers en hunne spiesen tot 'sikkels maken; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheö'en, en zij zullen voortaan niet meer leeren oorlogen, 5 Komt dan nu, gij In^s van Jakob, laat ons wandelen in het licht des Heeren. ö Maar gij hebt uw volk, et huis van Jakob, verstoo-ten; want zij bedrijven [de goddeloosheid] meer dan die Van het oosten, en zijn wichelaars gelijk de Filistijnen, en hebben behagen in de kinderen der vreemden. 7 Hun land is vol zilver en goud, en aan hunne schatten is geen einde; hun land is vol paarden, en aan hunne wagens is geen einde. 8 Ook is hun land vol afgoden , en zij aanbidden het werk hunner handen , hetwelk hunne vingers gemaakt hebben. 9 Daar buigt zich de geringe neder, daar veroot-moedigen zich de aanzienlijken ; dit zult gij hun niet vergeven. lü Ga naar de steenrots en verberg u in de aarde, voor den schrik des Heeren en voor zijne heerlijke majesteit. |
11 Want de hoogheid van der menschen oogen zal vernederd, en der lieden trotsch-heid gebogen worden, en de Heer alleen zal hoog zijn in dien tijd. 12 Want de daa: des Hee ren alles wat Zebaöth zal gaan over hoovaardig en hoog, en over. alles wat verheven is, opdat het vernederd worde; 13 ook over alle hooge en verheven cederen op 'den Libanon, en over alle eiken van Basan; 14 over alle hooge bergen, en over alle verheven heuvelen ; 15 over alle hooge torens, en over alle vaste muren; 16 over alle schepen van Tarsis, en over allen koste-lijken arbeid: 17 zoodat alle hoogheid der menschen vernederd en alle trotschheid der lieden gebogen worde, en de Heer alleen hoog zij in dien tijd, 18 en met de algoden zal het geheel uit zijn. 19 Dan zal men in de holen der steenrotsen gaan en in de kloven der aarde, voor den schrik des Heeren en voor zijne heerlijke majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken. 20 In dien tijd zal ieder zijne zilveren en gouden afgoden , die hij zich had laten |
T
J ESA JA 3.
1239
|
maken om ze te aanbidden, wegwerpen in de holen dei-mollen en voor de vleder-muiüen, 31 om te gaan in de reten en kloven der steenrotsen, ' voor den schrik des Heeren en voor zijne heerlijke majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken. ■'32 Zoo laat nu af van den menscb , in wiens neus adem is; want hoe hoog is hij te achten? HOOFDSTUK 3. 1 Want zie, de Heer, de Heer Zebaóth, zal van Jeruzalem en Juda wegnemen allerlei voorraad, allen voorraad van brood en allen voorraad van water; 2 helden en krijgsvolk, rechters, profeten, waarzeggers en oudsten; 3 hoofdlieden over vijftig en aanzienlijke lieden, raadslieden, en wijze werkmeesters en schrandere welsprekende mannen. 4 En ik zal hun jongelingen tot vorsten geven, en kinderen zullen over hen heerschen. 5 En het volk zal de één den ander en elk zijnen naaste verdrukken, en de jongeling zal zich verheffen tegen |
den oude, en de verachte tegen den aanzienlijke. 6 Dan zal iemand zijnen ^ broeder uit zijns vaders huis aangrijpen, [en zeggen\\ Gij hebt kleederen, wees onze vorst; herstel dit verval. 7 Maar hij, hij zal in dien tijd zweren, en zeggen: Ik ben geen heelmeester, er is noch brood noch kleed in mijn huis: stelt mij niet tot vorst over het volk. 8 Want Jeruzalem neigt ten val en Juda ligt terneder, dewijl hunne tong en hun doen tegen den Heer is, dat zij de oogen zijner majesteit wederstreven. '.) Zij schamen zich niet over hun doen, en beroemen zich op hunne zonde, gelijk die te Sodom, en verbergen ze niet. Wee hun! zij brengen zichzelve in alle ongeluk. 10 Verkondigt den rechtvaardigen dat zij het goed zullen hebben, want de vruchten hunner werken zullen zij eten; 11 maar wee den godde- V loozen, het zal hun kwalijk gaan, en hun zal vergolden ■ worden gelijk zij verdie-nen. 12 Kinderen zijn de drij- x# vers van mijn volk, en vrou- ^ wen heerschen daarover. _ yf Mijn volk, uwe loidsliccleïT verleiden u, en verderven gt;# i -h |
|
1240 den weg op welken gij gaan f moet. 13 Maar de Heer staat daar om te ricliten, en is opgetreden om de volken te vonnissen; ---- \ Tl én~de Heer komt ten gerichte tegen de oudsten zijns volks en tc^endeszeTts vorsten; want gij liebt den 1 wijnberg- bedorven, i roof der huizen. 15 Waarom vertreedt gij quot;__olk, en verbriizelt persoon der ellendigen? spreekt de Heer, de Heer Zsbaóth. 16 En de Heer spreekt: Daarom dat de.dockters van Sion lionvaardiquot;; zijn, en met opgerichten quot;Hals, met ge-blankette aangezichten en al trippelende daarheen tre- • den, en kostelijke schoenen aan hare voeten hebben: 17 zoo zal Je Heer den schedel der dochters van Sion kaal maken, en de Heer zal haar tooisel wegnemen. 18 In dien tijd zal de Heer het sieraad aan de kostelijke schoenen wegnemen, de haakjes en de spangen, 19 de ketentjes, de armbanden, de sluiers, 20 de hoofdversiersels, de koorden, de snoertjes, de reukballetjes, de oorringen, i en de armen is m uwe |
21 de ringen, de haarbanden, 22 de feestkleederen, de gewaden, de mantels, de beursjes, 23 de spiegels, de lubben, de boorden en de tabbaards; 24 en er zal stank in plaats van goeden reuk wezen, en een losse band in plaats van een gordel, en kaalheid in plaats van schoon gekruld haar, en in plaats van een wijd kleed een enge zak, in plaats van uwe schopnheid een verbrand gelaat. 25 Uwe mannen zullen door het zwaard vallen en we helden in den krijg; 26 en hare poorten zullen treuren en klagen, en zij zal jammerlijk op de aarde nederzitten. HOOFDSTUK 4. 1 In dien tijd zullen zeven vrouwen éénen man aangrij pen, en zeggen; Wij zullen onszelve voeden en kleeden laat ons slechts naar uwen naam genoemd worden, opdat onze smaad van ons ge , nomen worde. ^ 2 In dien tijd zal de Spruit des Heeren lief en dierbaar zijn, en de vrucht des lands heerlijk en schoon voor degenen die behouden worden in Israël. 3 En wie overgebleven zal -4 JESAJ A 4. 'f i f : |
JESxVJA 5.
1241
|
zijn te Sion en overgelaten te Jeruzalem, die zal heilig heeten, alwie aangeschreven is onder de levenden te Jeruzalem. ■i Dan zal de Heer de onreinheid van Sions dochters afvvasschen, en de bloedschulden van Jeruzalem van haar verdrijven, door den Geest, die richten en een vuur onlsteken zal. 5 En de Heer zal over alle woningen van den berg Sion, en over al hare vergaderplaatsen , eene rookwolk scheppen bij dag, en een vuurglans die vlammen zal bij nacht, want er zal eene bescherming zijn over alles wat heerlijk is. 6 En er zal eene hut zijn tot eene schaduw bij dag tegen de hitte, en eene toevlucht en verberging tegen onweder en regen. HOOFDSTUK 5. 1 AVelaan, ik wil zingen een lied van mijnen gelieide, een lied van den wijngaard mijns vriends: Mijn geliefde heeft een wijngaard op een vetten heuvel, 3 en hij heeft dien omtuind en van steenen gezuiverd, en edele wijnstokken daarin geplant; hij bouwde ook een toren in deszelfs midden, en groef eene wijnpers daarin, en verwachtte dat hij goede druiven zou voortbrengen , maar hij bracht wilde druiven voort. |
3 Nu oordeelt, gij burgers van Jeruzalem en gij mannen van Jnda, tusschen mij en mijnen wijngaard. 4 Wat zou men toch aan mijnen wijngaard meerdoen, hetwelk ik er niet aan gedaan heb? Waarom heeft hij dan wilde druiven voortgebracht, toen ik verwachtte dat hij goede druiven voortbrengen zou? 5 Welaan, ik zal n too-nen wat ik met mijnen wijngaard doen zal: zijne om-tuining zal worden weggenomen , dat hij verwoest zal worden, en zijn muur zal worden vernield, dat hij vertreden zal worden. G Ik zal hem woest laten liggen, dat hij niet besnoeid noch behakt zal worden, maar dat er distels en doornen op wassen; en ik zal de wolken gebieden dat zij op hem niet meer regenen. 7 De wijngaard des Hee-ren Zebaoth nu is het huis Israels, en de mannen van Jnda zijn zijne liefelijke ranken : hij wachtte naar recht, maar zie, er is bloedstorting , naar gerechtigheid, maar zie, er is groot geschrei. |
mm
JESAJA 5.
1242
|
8 Wee dengenen die het ééne huis nan het andere trekken, en den éënen akker aan, den anderen voegen , totdat er geen ruimte meer is en zij alleen het land bezitten. 9 Voor mijne ooren heeft de Heer Zebaöth gesproken: Zie toe, of niet die vele huizen zullen woest worden, en die groote en schoone ledig zullen staan. 10 Want wijngaarden van tien akkers zullen slechts één bath geven, eu een homer zaad zal slechts een efa geven. 11 Wee dengenen die des morgens vroeg op zijn om zich op het drinken toete-leggen, en tot in den nacht zitten, totdat de wijn hen verhit, 13 en harpen, luiten, trommels, fluiten en wijn hebben in hunne weelde, en niet zien op het werk des Heeren, en niet letten op het maaksel zijner handen. 13 Daarom zal mijn volk onverhoeds moeten weggevoerd worden, en hunne aanzienlijken zullen honger lijden, en hun gemeene volk zal dorst lijden. 11 Daarom zal het graf zijne keel wijd opendoen en den muil opsperren zonder maat, opdat daarin nederdalen zoowel hunne aanzienlijken . als geringen, zoowel hunne rijken ais wellusti-gen; |
15 opdat ieder zich moge nederbuigen, en ieder verootmoedigd worde, en de oogen der hoovaardigen vernederd worden. 16 Zoo wordt de Heer Zebaöth verhoogd door het recht, en God do Heilige wordt geheiligd door ge-rechtigheid. 17 Dan zullen de lammeren weiden naar hunne wijze , en vreemdelingen zullen zich voeden van de vette, nu verwoeste plaatsen. 18 Wee dengenen die zich samenkoppelen met listige koorden om onrecht te doen, en met wagentouwen om te zondigen, 19 en zeggen: Laat zijn werk spoedig en schielijk komen, opdat wij het nog mogén zien; laat herwaarts naderen en komen de raad van den Heilige Israels, opdat wij het gewaarworden. 20 Wee dengenen die het kwade goed en het goede kwaad noemen, die van duisternis licht en van licht duisternis maken, die van zuur zoet en van zoet zuur maken. 21 Wee dengenen die wijs zijn in hunne eigene oogen |
JESAJA 6.
1243
|
en ziclizelve voor verstandig houden. 22 Wee dengenen die helden zijn in wijn te zwelgen, en dappere lieden in zich vol te drinken; 23 die den goddelooze recht spreken voor geschenken, en het recht der rechtvaardigen van hen wenden. 24 Daarom, gelijk de vlam des vuurs stroo verteert, en de gloed stoppels wegneemt, alzoo zal hun wortel vermolmen , en hunne spruiten zullen wegvliegen als stof; want zij verachten de wet des Heeren Zebaöth, en lasteren de woorden van den Heilige Israels. 25 Daarom is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij strekt zijne hand over hen uit en slaat ze, dat de bergen beven, en hunne lijken zijn als vuilnis op de straten. In dit alles houdt zijn toorn niet op, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 26 Want hij zal eene banier opwerpen ver onder de volken, en zo samenbrengen van hét einde der aarde; en zie, schielijk en snel komen zij aan. 27 En geen onder hen is moede of zwak, niemand sluimert noch slaapt, niemand gaat de gordel zijner lendenen los, en niemands schoen riem wordt ontbonden. |
38 Hunne pijlen zijn scherp, en al hunne bogen gespannen; de hoeven hunner paarden zijn als rotsen, en hunne wagenraderen als een stormwind; 29 zij brullen als leeuwen, en brullen als de jonge leeuwen; zij zullen razen, en den roof aangrijpen en wegvoeren , zoodat niemand redden zal. 30 En het zal in dien tijd over hen bulderen als de zee. Dan zal men het land aanzien, en zie, het is duister van angst, en het licht van boven schijnt niet meer over hen. HOOFDSTUK 6. 1 In het jaar toen de koning Uzzia stierf zag ik den Heer zitten op een hoogen en verheven troon, en de slippen zijns gewaads vervulden den tempel; 2 serafs stonden om hem heen, elk had zes vleugels: met twee bedekten zij hun aangezicht, met twee bedekten zij hunne voeten, en met twee vlogen zij. 3 .En de één riep den ander toe en sprak: Heilig, heilig, heilig is de Heer Zebaöth, alle landen zijn vol van zijne eer. |
|
1244 4 De posten der drempels beefden van de stem huns geroeps, en het huis werd vol rook. 5 Toen sprak ik: Wee mij, ik verga; want ik ben onrein van lippen, en woon onder een volk onrein van lippen; en ik heb den koning, den Heer Zebaóth, met mijne oogen gezien. 6 Toen vloog een van de serafs tot mij, die had in zijne hand eene gloeiende kool, die hij met de tang van den altaar genomen had; 7 en hij roerde mijnen mond daarmede aan, en sprak: Zie, hiermede zijn uwe lippen aangeroerd, opdat uwe misdaad van u genomen worde en uwe zonde verzoend zij. 8 En ik hoorde de stem des Heeren, zeggende: Wien zal ik zenden, wie zal onze bode. zijn? Toen zeide ik: Zie hier ben ik, zend mij. 9 En bij sprak: Ga heen en zeg tot dit volk: Hoo-rende hoort het maar verstaat het niet, en ziende ziet het maar merkt bet niet. 10 Verstok het hart dezes volks, en laat hunne ooren dik zijn, en verblind hunne oogen, dat zij niet zien met hunne oogen, noch hooren met hunne ooren, noch verstaan met hun hart, noch zich bekeeren en genezen. |
11 Toen zeide ik: Heer, tot hoelang? En hij sprak: Totdat de steden verwoest zijn zonder inwoners, en de huizen zonder lieden, en het veld geheel woest ligt. 13 Want de Heer zal de lieden ver wegvoeren, dat het land zeer verlaten wordt. 13 Echter zal nog bet tien-dedeel daarin blijven, en dit zal nog doorlouterd worden, en, gelijk een eik en eene linde, die nog een stam behouden hoewel hunne bladeren afgestooten worden, zoo blijft hun ook een stam, het heilige zaad. HOOFDSTUK 7. 1 Het geschiedde ten tijde van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van üzzla, den koning van Juda, dat Kezin de koning van Syrië, en Pekah de zoon van Ee-malia, de koning van Israël, optrokken naar Jeruzalem, om daartegen te strijden; maar zij konden het niet bemachtigen. 2 Toen werd aan Davids huis geboodschapt: De Sy-riërs verlaten zich op Efra-im. Toen beefde zijn hart en het hart zijns volks gelijk de boomen in het woud beven van den wind. JESAJA 7. 3 5 Jesaj; gemc Sche; de v oppe weg Iers; 4 £ en quot;v uw voor Vuui den van zoor 5 i een heb zooi 6 tot en en daa 7 Hw bes der |
■e—V
JESAJA 7.
1245
|
3 Maar de Heer sprak tot Jesaja: Ga lieen , Achaz tegemoet , gij en uw zoon Schear-Jaaclmb, aan het einde van de waterleiding des oppersten vijvers, aan den weg bij den akker des vollers; 4 en zeg tot hem: Bedaar en wees stil, vrees niet en uw hart zij niet versaagd vpor deze twee rookende Vuurbranden, namelijk voor den toorn van Eezin en van de Syriërs en van den zoon van Eemalia, 5 omdat de Syriërs tegen u een kwaden aanslag gemaakt hebben met Efraïm en den zoon van Remalia, en zeggen: 6 Wij willen optrekken tot Juda en het benauwen, en het onder ons verdeelen, en den zoon van Tabeël daarin tot koning stellen. 7 Want aldus spreekt de Heere Heere: Het zal niet bestaan noch alzoo geschieden ; 8 maar gelijk Damascus het hoofd van Syrië is, zoo zal Eezin het hoofd van Damascus zijn, en over vijfenzestig jaar zal het met Efraïm uit zijn, dat het geen volk meer is; 9 en gelijk Samarië het hoofd is van Efraïm, zoo zal de zoon van Eemalia het hoofd van Samarië zijn. Heer, sprak: rwoest , en de en het zal de i, dat wordt, st tienen dit n'den, i eene im be-e hla-)rden, stam, i tijde ii van üzzia, i, dat Syrië, n Ee-[sraël, alom, ijden; t niet )avids e Sy-Efra-hart :s ge-woud |
Indien gij niet gelooft, gij zult voorzeker niet bevestigd worden. 10 En de Heer sprak verder tot Achaz, zeggende: 11 Eisch u een teeken van den Heer uwen God, hetzij beneden in de diepte of boven in de hoogte. 13 Maar Achaz sprak: Ik wil het niet eischen, opdat ik den Heer niet verzoeke. 13 Toen sprak hij: Welaan, hoort dan, gij huis van David; is het ulieden niet genoeg dat gij de men-schen kwelt, moet gij ook mijnen God kwellen? 11 Daarom zal de Heer zelf ulieden een teeken geven. Zie, eene maagd is zwanger, en zal een zoon baren, dien zal zij noemen Immanuël. 15 Melk en honig zalmen eten, totdat hij weet het kwade te verwerpen en het goede te kiezen; 16 doch eer dit jongsken zal weten het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal dat land, waarvan gij een afgrijzen hebt, verlaten zijn van zijne twee koningen. 17. Maar de Heer zal over u en over uw volk en over uws vaders huis dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn sedert den tijd |
|
1240 dat Efraïm van Juda gescheiden is door den koning van Assyrië. 18 Want in dien tijd zal de Heer herwaarts lokken de vliegen die aan het einde der wateren van Egypte zijn, en de bijen die in liet land van Assur zijn, 19 dat zij komen en zich alle nederlaten in de woeste valleien en in de kloven der rotsen, op alle heggen en in alle bossohen. 20 In dien tijd zal de Heer het haar van het linol'd en de voeten afscheren, en den baard wegnemen, door een gehuurd scheermes, namelijk door degenen die aan de overzijde der rivier zijn, door den koning van Assyrië. 31 Ook zal in dien tijd een man eene jonge koe en twee jonge schapen houden, 22 en hij zal zóóveel te melken hebben dat hij boter eten zal; want wie in het land overblijven zal, die zal melk en honig eten. 23 Ook zal het in dien tijd geschieden dat waar nu duizend wijnstokken staan, duizend zilverlingen waard, doornen en distels zullen groeien, |
24 zoodat men met pijlen en bogen daarheen moet gaan; want in het geheele land zullen doornen en distels zijn, 23 zoodat men ook tot al de bergen, die men met houweelen pleegt omtehak-ken, niet kan komen uit vrees voor de doornen en distels; maar men zal daarop runderen drijven en ze door schapen laten vertreden. HOOFDSTUK 8. 1 En de Heer sprak tot mij: Neem u eene groote rol, en schrijf daarop met menschenschrift: Roof haast, buit spoedig. 2 En ik nam tot mij getrouwe getuigen, den priester Una en Zacharia den zoon van Jeberechja. 3 En ik ging tot de profetes, die werd zwanger en baarde een zoon; en de Heer sprak tot mij: Noem hem: Roof haast, buit spoedig. 4 'Want eer dat jongsken roepen kan: Lieve vader, lieve moeder! zal de macht van Damascus en de buit van Samarië weggedragen worden voor het aangezicht des konings van Assyrië. 5 En de Heer sprak verder tot mij, zeggende: 6 Dewijl dit volk veracht het water te Silóah dat I 11 p .TESAJA 8. w zac is va: 7 ovlt; ge tei na As he be O in ni( da ha ge lai lei c m di lai na ru vl ] le, w k( G B lï quot;W w V' |
quot;T
JESAJA 8.
1247
|
zachtjes vloeit, en er gejuich is bij Eezin en den zoon van Kemalia: 7 zie, zoo zal de Heer over hen doen komen de geweldige en machtige wateren der groote rivier, namelijk den koning van Assyrië en al zijne heerlijkheid, dat zij over al hunne beddingen stroomen en over ■ quot;W Wnioevers 8aan' _ oiu zullen inbreken in Juda^cii' het overstroo-men en er overheengaan, dat zij reiken tot aan den hals, en zullen hunne vleugels uitbreiden, dat zij uw land, o Immanuël, vervullen , zoo wijd het is. 9 Weest boos o volken, maar neemt tie vlucht; hoort dit gij allen tlie uit verre landen zijt, rust u toe, maar neemt de vlucht, rust u toe, maar neemt de vlucht. 10 Wat raadslag gij overlegt, daarvan wordt niets; wat woord gij spreekt, het komt niet tot stand; want God is met ons. 11 Want aldus spreekt de Heer tot mij, als vatte hij mij bij de hand, en onderwees mij, dat ik niet zou wandelen op den weg dezes volks, zeggende: |
13 Gijlieden zult niet alles verbond noemen, wat dit volk verbond noemt; en vreest niet zoo gelijk zij doen, en verschrikt niet; 13 maar heiligt den Heer Zebaoth, hij zij uwe vrees en uwe verschrikking. 14 Dan zal hij u tot eene heiliging zijn, maar tot een steen des aanstoots en tot een rots der ergernis voor de beide huizen Israels, tot een strik en tot een val voor de burgers van Jeruzalem; 15 dat velen van hen zich daaraan slooten en vallen, en gewond, verstrikt en gevangen worden. —■ 1G É,ol de getuigenis tezamen, verzegel de wet voor mijne leerlingen. 17 Daarom zal ik wachten op den Heer, die zijn aangezicht verborgen heeft voor Jakobs huis; ja ik verwacht hem. 18 Zie hier ben ik en de kinderen die de Heer mij gegeven heeft tot teekenen en wonderen in Israel, de Heer Zebaoth die op den berg Sion woont. 19 Als zij dan tot u zeggen : Gijlieden moet de waarzeggers en wichelaars vragen, die prevelen en mompelen; zoo zegt: Zal niet elk volk zijnen God vragen? Of zal men de dooden voor de levenden vragen? |
JESAJA 9.
12i8
|
20 Naar de wet en naar de getuigenis! Indien zij dat niet zeggen, zoo zullen zij den dageraad niet hebben, 31 maar zij zullen in het land rondom gaan, zwaar gedrukt en hongerig; en als zij honger lijden, zullen zij toornig worden, en vloeken op hunnen koning en hunnen God; en zij zullen naar omhoog staren, 22 en zullen de aarde aanzien, en niets vinden dan droefenis en duisternis; want zij zijn verbijsterd door angst, en gaan dwalend in het duister. 23 Want het zal wel een andere angst zijn die hen benauwen zal, dan het in den verleden tijd was, toen het lichtelijk toeging in het land van Zebulon en in het land van Naftali, en naderhand zwaarder werd aan den weg op deze zijde van den Jordaan, in GaÜléa der heidenen. HOOFDSTUK 9. 1 Het volk dat in de duisternis wandelt ziet een groot licht, en over degenen die in het duistere land wonen schijnt het helder, |
2 Gij hebt dit volk in aantal groot gemaakt, maar niet in vreugde; doch voor u zal men zich verblijden, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men vroolijk is als men den buit uitdeelt. 3 Want gij hebt het juk van hunnen last, en de roede van hunne schouders, en den stok van hunne drijvers verbroken, abJjl van Midian, 4 toen de geS^raTwapen-rusting met siddering aangegespt , en het bloedig kleed verbrand en door vuur verteerd werd. 5 Want ons is een kind geboren, een zoon is ons gegeven, wiens heerschappij op zijnen schouder is; en zijn naam is: Wonderbaar, Eaad , Kracht, Held, eeuwige Vader, Vredevorst. 6 Aan de grootheid zijner heerschappij en aan den vrede zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, opdat hij het bevestige en versterke met gericht en gerechtigheid , van nu af tot in eeuwigheid. Ite ijver des Heeren Zebaóth zal dat doen. 7 De Heer heeft een woord gezonden tegen Jakob, en het is in Israël gevallen. 8 Dus zullen zij het ge- |
f •u ^ '
JESAJA 9.
1249
|
waarworden, liet gansclie volk Efraïra, en de burgers van Samarie, die in hoogmoed en trotse hheid zeggen: 9 Tiehelsteenen zijn gevallen, maar wij willen liet met gehouwen steenen weder bouwen; men heeft wilde vijgeboomen afgehouwen, wij willen cederen , in de plaats zetten. 10 Want de Heer zallle-zins tegenpartijders tegen hem verhellen, en zijne vijanden tegen hem wapenen , 11 de Syriërs van voren en de Filistijnen van achteren , dat zij Israël verslinden met vollen mond. In dit alles houdt zijn toorn nog niet op, maar zijne hand blijft steeds uitgestrekt. 13 Nochtans keert het volk zich niet tot dengeen die hen slaat, en zij vragen niet naar den Heer Ze-baöth. 13 Daarom zal de Heer afhouwen uit Israël het hoofd en den staart, den tak en den stronk, op éénen dag. 14 (De ouden en de aanzienlijke lieden zijn hethoofd, de profeten die leugen lee-ren zijn de staart.) 13 Want de leidslieden van dit volk zijn verleiders, en wie zich door hen laten leiden zijn verloren. |
16 Daarom zal de Heer zich over hunne jonge manschap niet verblijden, noch over hunne weezen en weduwen zich ontfermen; want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners, en ieders mond spreekt dwaasheid. In dit alles houdt zijn toorn nog niet op, maar zijne hand blijft steeds uitgestrekt. 17 Want de goddeloosheid brandt als een vuur, en verteert doornen en distels, en ontsteekt de struiken van het dichte woud, en geeft hoogen rook. 18 Vanwege den toorn des Heeren Zebaóth is het land verduisterd, en is het volk als spijs voor het vuur: de één verschoont den ander niet. 19 Roeven zij ter rechterhand , zij lijden honger; verslinden zij ter linkerhand, zij worden niet verzadigd; elk verslindt het vleesch van zijn eigen arm, 30 Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, maar tezamen zijn zij tegen Juda. In dat alles houdt zijn toom niet op, maar zijne hand blijft steeds uitgestrekt. |
40
|
1250 JESA, HOOFDSTUK 10. 1 Wee dengenen die slecli-te wetten maken en die onrechtvaardige vonnissen vellen, 2 opdat zij de zaken der armen buigen, en geweld oefenen in het recht der el-lendigen onder mijn volk, dat de weduwen hun buit en de weezen hunne prooi mogen zijn. 3 Maar wat zult gij doen ten dage der verzoeking en des ongeluks, dat van verre aankomt? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uwe heerlijkheid laten, ' 'Jgt; opdat zij zich niet buigen onder de gevangenen, en niet vallen onder de verslagenen? In dit alles houdt zijn toorn op, maar zijne hand blijft steeds uitgestrekt. — 5 Wee Assur, die de roede mijns toorns, en in wiens hand de stok mijner gramschap is. 6 Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en hem bevel geven tegen het volk mijns toorns, opdat hij het beroove en den buit uitdeele, en het ver-trede als slijk op de straat; 7 hoewel hij het zoo |
FA 10. niet meende en zijn hart het zoo niet overleide, maar zijn hart was om nog vele volken te verdelgen enuit-teroeien. 8 Want hij spreekt; Zijn mijne vorsten niet allen koningen ? 9 Is Kalno niet als Karke-mis? Is Hamath niet als Arpad? Is Samarië niet gelijk Damascus? 10 Gelijk mijne handko-ninkrijken der afgoden heeft ' bemachtigd, wier afgoden sterker waren dan die van Jeruzalem en van Sania-rie, 11 zou ik aan Jeruzalem en hare afgoden niet doen gelijk ik aan Samarië en hare afgoden gedaan heb? 12 Maar als de Heer al zijne werken zal uitgevoerd hebben op den berg Sion en te Jeruzalem, zal ik te-huiszoeken de vrucht des hoogmoedigen konings van Assyrië en de pracht zijner hoovaardige oogen, 13 omdat hij zegt: Ik heb het door de kracht mijner handen uitgevoerd, en door mijne wijsheid, want ik ben verstandig; ik heb de landen anders verdeeld, en hunne inkomsten geroofd, en als ; een machtige de inwoners ter aarde geworpen; 14 en mijne hand heeft |
JESAJA 10.
1351
|
de volken gevonden akeen vogelnest, zoodat ik alle landen lieb samengeraapt gel ijk men eieren raapt die verlaten zijn, en geen was er die een vleugel verroerde of den bek opendeed en piepte. 15 Mag ook eene bijl zicli beroemen tegen dengeen die er mede houwt, of'eene zaag zich verheffen tegen dengeen die haar trekt? Alsof de staf bewoog die hem zwaait, en de stok ophief hem die geen hout is! 16 Daarom zal de Heer, de Heer Zebaöth, onder zijne vetgemesten de tering zenden, en zijne heerlijkheid zal hij aansteken, dat zij branden zal als een vuur; 17 en het licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot eene vlam, die zijne doornen en distels zal aansteken en verteren op één dag; 18 en de heerlijkheid zijns wouds en zijns velds zal tenietgaan , van de ziel af tot op het yleesch; het zal alles vergaan en verdwijnen, 19 zoodat de overgebleven boomen zijns wouds kunnen geteld worden, en een jongen ze kan opschrijven. |
20 In dien tijd zullen de overgeblevenen van Israël, en die behouden worden van Jakobs huis, zich niet meer verlaten op dengeen die hen slaat, maar zij zullen zich verlaten op den Heer, den Heilige van Israël, oprechtelijk. 21 De overgeblevenen zullen zich bekeeren, ja de overgeblevenen van Jakob, tot God den Machtige. 22 Want ofschoon uw volk o Israël is als het zand aan de zee, zoo zullen toch deszelfs overgeblevenen bekeerd worden; want de verdelging is vast besloten, komende overvloedig door gerechtigheid. 23 Want de Heer, de Heer Zebaöth, zal eene verdelging teweegbrengen, en heeft ze vast besloten, in het geheele land. 24 Daarom spreekt de Heer, de Heer Zebaóth: Vrees niet, mijn volk, gij die op Sion woont, voor Assur; hij zal u met den stok slaan, en zijnen staf tegen u opheffen als in Egypte. 25 Maar het is nog om een zeer kleinen tijd te doen, dan zal mijne ongenade en gramschap een einde hebben in hunnen ondergang. 26 Dan zal de Heer Zebaöth een geesel over hem verwekken, gelijk bij het verslaan van Midian op de |
JESAJA 11.
1352
|
rots Oreb, en zal zijnen staf, dien hij aan de zee gebruikte, opheffen als in Egypte. 27 Op dien tijd zal zijn last van uwe schouders wijken, en zijn juk van uwen hals; want het juk zal verrotten wegens de vettigheid. 28 Hij komt naar Ajjath, hij trekt door Migron, en te Michmas legt hij zijne toerusting af. 29 Zij trekken door de engte, te Geba houden zij hun nachtleger, Eama verschrikt, Gibea Sauls vlucht. 30 Gij dochter van Gal-lim, roep met luider stem; doe ze hooren tot Laïs toe, gij rampzalig Anathoth. 31 Madmena wijkt, de burgers van Gebim vluchten. 32 Hij blijft nog een dag te Nob, zoo zal hij zijne hand roeren tegen den berg der dochter van Sion, tegen den heuvel van Jeruzalem. 33 Zie, de Heer, de Heer Zebaöth, zal de takken met macht afhouwen, en wat hoog opgericht staat afkorten, zoodat de hoogen vernederd worden; 34 en het dichte woud zal met ijzer omvergehouwen worden, en de Libanon zal vallen door den Mach-tiare. |
HOOFDSTUK 11. 1 En er zal een rijsje voortkomen uit den stam van Isai, en een scheut uit zijnen wortel vracht voortbrengen ; 2 en op hem zal rusten de Geest des Heeren, de geest der wijsheid en des verstands, de geest des raads en der sterkte, de geest der kennis en der vreeze des Heeren. 3 En zijn ruiken zal zijn in de vreeze des Heeren; hij zal niet richten naar hetgeen zijne oogen zien, noch straften naar hetgeen zijne ooren hooren, 4 maar hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de ellendigen in het land met gericht straften; en hij zal met den staf zijns monds de aarde slaan, en met den adem zijner lippen den goddelooze doo-den; 5 gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn, en waarheid de gordel zijner heupen. 6 De wolven zullen bij de lammeren wonen, en de luipaard bij de bokken liggen ; een klein jongsken zal kalveren en jonge leeuwen en meat vee tezamen drijven; |
m
|
7 koeien en berinnen zullen ter weide gaan, dat hare jongen bij elkander liggen, en de leeuwen zullen stroo eten gelijk de ossen; 8 en een zuigeling zal zijnen lust kebben aan liet hol /der adders, en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk. 9 Men zal nergens leed doen noeh verderven op mijnen heiligen berg; want het land zal vol zijn van de kennis des Heeren, als met water der zee bedekt. 10 En het zal geschieden in dien tijd, dat de wortel van Isai tot eene banier der volken zal opgericht staan; naar dien zullen de heidenen vragen, en zijne rustplaats zal heerlijk zijn. 11 En de Heer zal in dien tijd ten tweeden male zijne hand uitstrekken, opdat hij het overblijfsel zijns volks verkrijge, hetwelk overgebleven is van de Assyriërs, Egyptenaars, Pathros, Moo-renland, de Elamieten, Si-near, Hamath, en van de eilanden der zee; 13 en hij zal eene banier onder de heidenen oprichten, en de verjaagden van Israël tezamenbrengen, en de verstrooiden uit Juda tot elkan- |
1353 der voeren van de vier stre- ■ ken des aardrijks. 13 En de nijd tegen Etraïm zal ophouden, en de vijanden van Juda zullen uitgeroeid worden: Efraïm zal Juda niet meer benijden , en Juda niet meer tegen Efraïm zijn; li maar zij zullen den Filistijnen op den hals zijn tegen het westen, en al degenen die tegen het oosten wonen berooven; aan Edom en Moab zullen zij hunne handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. 15 En de Heer zal den stroom der zee van Egypte verbannen, en zal zijne hand laten gaan over het water met zijnen sterken wind, en de zeven stroomen slaan, dat men met schoenen daardoor kan gaan; 16 en er zal eene baan zijn voor het overblijfsel zijns volks dat overgebleven is van de Assyriërs, gelijk ervoor Israël was ten tijde toen zij uit Egypteland trofc ken. HOOFDSTUK 12, 1 Op dien tijd zult gij heggen: Ik dank u Heer, dat gij toornig op mij geweest zijt, en uw toorn gekeerd is, en g\j mij troosti JESAJA 12. |
w
JESAJA 13.
1254
|
2 Zie, God is mijn heil, ik ben gerust en vrees niet; want de Heere Heere is mijne sterkte en mijn lied, en hij is mijn heil. 3 Gij zult met vreugde water scheppen uit de heilfonteinen , 4 en zult zeggen op dien tijd: Dankt den Heer, predikt zijnen naam, maakt onder de volken zijne daden bekend, verkondigt dat zijn naam zoo hoogverheven is. 5 Zingt den lof des Hee-ren, want hij heeft zich heerlijk betoond; het zij bekend in alle landen. 6 Juich en roem gij inwoonster van Sion, want de Heilige van Israël is groot in het midden van u. HOOFDSTUK 13. 1 Dit is de last tegen Babel, die aan Jesaja den zoon van Amoz is opgedragen. — 2 Plant eene banier op een hoogen berg, roept vrijmoedig tot hen, zwaait met de hand, dat zij intrekken door de poorten der vorsten. 3 Ik heb bevel gegeven aan mijne geheiligden, ik heb mijne helden, die vroo-lijk waren om mijne hoogheid, geroepen tot mijnen toorn. |
4 Er is een gedruisch op de bergen als van een groot volk, een gedruisch der koninkrijken van samenverga-derde volken: de Heer Ze-baoth rust een heir uit tot den strijd; 5 zij komen uit verre landen , van het einde des hemels, ja de Heer zelf en de werktuigen zijns toorns, om het geheele land te verderven. 6 Jammert overluid, want de dag des Heeren is nabij , hij komt als eene verwoesting van den Almachtige. 7 Daarom zullen alle handen slap zijn en aller men-schen hart zal versmelten; 8 verschrikking, angst en smarten zullen hen aangrijpen, het zal hun bang zijn als eene barende vrouw, de één zal den ander ontsteld aanzien, vuurrood zullen hunne aangezichten zijn, 9 Zie, de dag des Heeren komt, gruwelijk, toornig en vergramd, om het land te verwoesten, en de zondaars daaruit te verdelgen. 10 De sterren des hemels en van zijnen Orion schijnen niet helder; de zon gaat duister op, en de maan schijnt donker. 11 Ik wil den aardbodem |
JESAJA 14
1255
|
bezoeken wegens zijne boosheid , en de goddeloozen over kunne ondeugd, en wil aan den hoogmoed der trotschen een einde maken, en de hoovaardij der geweldigen vernederen; 13 zoodat een man duurder zijn zal dan lijn goud, en een mensch meer waard dan goudstukken van Olir. 13 Daarom zal ik den hemel bewegen, dat de aarde van hare plaats beven zal, door de gramschap des Heeren Zebaoth, en door den dag zijns toorns. 14 En zij zullen zijn als ■een verjaagde ree, en als eene kudde zonder herder, zoodat ieder tot zijn volk naarhuis keeren en ieder naar zijn land vluchten zal. 15 Wie zich daar laat vinden , die wordt doorstoken ; en wie daarbij is, die zal door het zwaard vallen; 16 ook zullen hunne kinderen voor hunne oogen verpletterd, hunne huizen geplunderd, hunne vrouwen geschonden worden. 17 Want zie, ik wil de Mediërs over hen verwekken, die geen zilver achten en geen goud begee-ren, |
18 maar die de jongelingen met de bogen doorschieten , en over de vruchten des lichaams zich niet ontfermen, noch de kinderen verschoonen. 1'J Alzoo zal Babel, de luister der koninkrijken, de pracht en hoogmoed der Chaldeën, omgekeerd worden door God, gelijk Sodom en Gomorra; 20 zoodat men aldaar voortaan niet meer wonen noch iemand aldaar blijven zal, immer of ooit; dat ook de Arabieren aldaar geen hutten zullen maken, noch de herders aldaar kooien zullen opslaan; 21 maar wilde dieren der woestijnen zullen zich aldaar legeren, en hunne huizen zullen vol schrikkelijke gedierten zijn, en struisen zullen daar wonen, en veld-geesten zullen daar huppelen, 22 en 'uilen in hunne paleizen zingen, en draken in de lustverblijven: haar tijd zal welhaast komen, en hare dagen zullen niet uitgesteld worden. HOOFDSTUK 14. 1 Want de Heer zal zich over Jakob ontfermen, en Israël nog verkiezen, en hij zal hen in hun land herstellen; en vreemdelingen zullen zich tot hen vervoe- |
JESAJA 14.
1336
|
quot;gen en Jakobs kuis aanhangen; 3 en de volken zullen hen aannemen en aan hunne plaats brengen, zoodat het huis Israels hen bezitten zal in het land des Heeren tot knechten en dienstmaagden; en zij zullen gevankelijk wegvoeren degenen door wie zij gevangen waren, en heerschen over Imnne drijvers. 3 En in dien tijd, wanneer de Heer u rust zal geven van uw jammer en verdriet, en van de harde dienstbaarheid waarin gij geweest zijt, 4 dan zult gij dit lied aan-hefl'en tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe is het met den drijver zoo geheel uit, hoe heeft de afperser een einde! 5 De Heer heeft den stok der goddeloozen gebroken, de roede der overheerschers, 6 die de volken sloeg in verbolgenheid zonder ophouden , die met woede heersch-te over de natiën, en ze vervolgde zonder barmhartigheid. 7 Nu rast immers de ge-heele wereld, en is stil, en juicht vroolijk; 8 ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen op den Libanon, zeggende: Sinds gij daar ne-derligt, komt niemand op om ons aftehouwen. — |
9 Het graf hieronder sidderde om u, om u tege-moettegaan toen gij kwaamt; het wekte om u dedooden op, alle bokken der aarde, en het gebood alle koningen der volken van hunne tronen optestaan; 10 dat die allen, de één na den ander, zullen spreken en tot ii zeggen: Gij zijt óók geslagen gelijk wij, en het gaat u als ons; 11 uwe pracht is nedergedaald ten grave, met het geklank uwer harpen; motten zullen uw bed zijn, en wormen uw bedeksel. — 13 Hoe zijt gij van den hemel gevallen, gij schoone morgenster! Hoe zijt gij ter aarde geveld, gij die de volken krenktet! 13 Gij dacht in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, en mijnen troon boven de sterren Gods verhoogen, ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van liet noorden; 14 ik zal boven de hooge wolken varen, en den Allerhoogste gelijk zijn. — 15 Ja ten afgrond zijt gij nedergeworpen, in het allerdiepste van den afgrond. 16 Wie u ziet, zalu aan- |
JESAJA 14.
1357
|
schouwen en op u letten, en zeggen: Is dat die man die de aarde deed sidderen en de koninkrijken deed beven, 17 die den aardbodem tot eene woestijn maakte en de steden daarop slechtte, en zijne gevangenen niet los gaf? — 18 Het is waar, alle koningen der volken liggen met eere neder, elk in zijn huis; 19 maar gij zij t weggeworpen uit uw graf, als een verachte tak, bekleed met doodgeslagenen die met het zwaard doorstoken zijn, die nederdalen in densteenkuil des grafs, als een vertreden aas. 20 Gij zult niet met hen begraven worden, want gij hebt uw land verdorven en uw volk verslagen: men zal aan het zaad der boosaardi-gen nooit gedenken. 21 Maakt u gereed om zijne kinderen te slachten, om de misdaad hunner vaderen, dat zij niet opstaan noch het land beërven, noch den aardbodem vol steden maken. 22 En ik wil over hen opstaan, spreekt de Heer Zebaöth, en te Babel uitroeien hunne gedachtenis, hunne overgebleven neven en nakomelingen, spreekt de Heer; |
23 en ik wil het maken tot een erfdeel voorde egels, en tot een waterpoel, en wil het met een bezem des verderfs uitvegen, spreekt, de Heer Zebaöth. 24 De Heer Zebaöth heeft gezworen en gezegd: Yoor-waar het zal gaan zooals ik het overlegd heb, en het zal blijven zooals ik het heb beraadslaagd ; 25 dat Assur in mijn land verbrijzeld zal worden en ik hem op mijne bergen vertreden zal, opdat zijn j uk van hen genomen worde en zijn last van hunnen schouder wijke. 36 Dit is de raadslag, besloten over alle landen, en dit is de uitgestrekte hand over alle volken. 27 Want de Heer Zebaöth heeft het besloten; wie zal het weren? En zijne hand is uitgestrekt: wie zal die afwenden? —■ 28 In het jaar toen de koning Achaz stierf, was dit de last. — 29 Verheug u niet, gij geheel Filistijnenland, omdat de roede die u sloeg gebroken is; want uit den wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en hare vrucht zal een vurige vliegende draak zijn, |
p-l I
J ESA JA 15.
1258
|
30 Want de eerstgeborenen der nooddruftigen zullen weiden, en de armen veilig rusten; maar uwen wortel zal ik door den honger dooden, en uwe overgeblevenen doen ombrengen. 31 Kerm o poort, jammer o stad; liet gelieele Filistij-nenland gaat tegronde; want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijne tenten. 32 En wat zal men den boden der volken over en weder zeggen? De Heer heeft Sion bevestigd, en de ellendigen zijns volks zullen aldaar eene toevlucht hebben. HOOFDSTUK 15. 1 Dit is de last aangaande Moab. — In den nacht komt de verwoesting over Ar-Moab, zij is weg; in den nacht komt de verwoesting over Kir-Moab, zij is weg. _ 2 Zij gaan opwaarts naar Baith en Dibon tot de altaren, om te weenen, om te jammeren over Nebo en Medeba in Moab; elks hoofd is geschoren, elks baard is afgesneden; |
3 op hunne straten gaan zij met zakken omgord, zij jammeren allen op hunne daken en straten, en gaan daar weenende af. 4 Hesbon en Elealé schreien, dat men het te Jahaz hoort; daarom kermen de gewapenden in Moab, want hunne zielen zijn moedeloos. 5 Mijn hart schreit over Moab, welks vluchtelingen vlieden tot Zoar, tot Eglath-Selisia toe; want zij gaan op naar Luhitb en weenen, en tot op den weg naar Horonaïm ontstaat een jam-mergekrijt. G Want de wateren te Nimrim verdrogen, zoodat het gras verdort, en het jeugdig kruid verwelkt, en geen plant meer groent. 7 Want het goed dat zij verzameld en het volk dat zij toegerust hebben, voert men over de wilgenbeek. 8 Het geschrei weergalmt rondom in de grenspalen van Moab, zij jammeren tot Eglaïm toe, en zij jammeren bij de bron Elim. 9 Want de wateren te Dimon zijn vol bloed, ook znl ik over Dimon nog meer laten komen, en een leeuw over de ontkomenen van Moab en over de overgeblevenen des lands. |
JESAJA 16.
1SS9
|
HOOFDSTUK 16. 1 Gij landbelieersoher, zend lammeren van Sela af uit de woestijn tot den berg der dochter Sions. 3 Maar gelijk een vogel wegvliegt die uit het nest gedreven wordt, zoo zullen de dochters van Moab zijn, wanneer zij aan de Arnon overvaren. 3 Vergader den raad, houd gericht, maak uwe schaduw op den middag als die des nachts; verberg de verjaagden, en verraad de vluchtenden niet. 4 Laat mijne verjaagden bij u huisvesten; wees hun, o Moab, eene bescherming tegen den verwoester; zoo zal de drijver een einde nemen, de verwoester ophouden , en de vernieler aflaten in het land; 5 en er zal een troon bereid worden uit genade, opdat daarop zitte in getrouwheid, in de hut van David, een heerscher, die vraagt naar hetgeen recht is, en gerechtigheid bevordert. 6 Doch wij hooren van Moabs hoogmoed dat die zeer groot is; dat zijn hoogmoed, zijne hoovaardij en zijn toorn grooter is dan hunne macht. |
7 Daarom zal de éénè Moabiet over den anderen jammeren, zij zullen allen jammeren; over de grondvesten der stad Kir-Harc-seth zullen zij zuchten; ach, zij liggen. 8 Want Hesbon is een woest veld geworden, de wijnstok te Sibma is bedorven , de beheerschers der volken hebben zijne edele ranken verpletterd, die reikten tot Jaëzer toe, en zich uitstrekten tot in de woestijn ; zijne scheuten die zich uitbreidden, en reikten tot over de zee. 0 Daarom ween ik over Jaëzer en over den wijnstok te Sibma, en ik vergiet vele tranen om Hesbon en Elealé; want er is geen gezang meer in uwen zomer en in uwen oogst, 10 de vreugde en blijdschap in het veld houdt op, in de wijnbergen juicht en roept men niet meer, men perst geen wijn uit in de wijnpersen: ik heb nan het gezang een einde gemaakt. 11 Daarom is mijn hart bewogen over Moab als eene harp, en mijn binnenste over Kir-Heres. 13 Dan zal het openbaar worden, hoe Moab moede is bij de altaren, en hoe hij tot zijn heiligdom gegaan |
JESAJA 17.
1260
|
is om te bidden, en nochtans niets uitgerich.t heeft. 13 Dit is het woord hetwelk de Heer voorlang tegen Moab gesproken heeft. 14 Maar nu spreekt de Heer, zeggende: Binnen drie jaren, gelijk eens dag-looners jaren zijn, zal Moabs heerlijkheid verminderd worden met al die groote menigte, en het overschot zal klein, gering en onmachtig zijn. HOOFDSTUK 17. 1 Dit is de last aangaande Damascus. —• Zie, Damascus zal geen stad meer zijn, maar een vervallen steenhoop; 2 de steden van Aroër zullen verlaten zijn, zoodat de kudden aldaar weiden, die niemand wegjagen zal. 3 En het zal met de vesting van Efraïm uit zijn, en met het koninkrijk van Damascus, en het overige van Syrië zal zijn als de heerlijkheid der kinderen van Israel, spreekt de Heer Zebaöth. 4 In dien tijd zal de heerlijkheid van Jakob gering zijn, en zijn vet lichaam zal mager zijn. 5 Want het zal dan gaan gelijk wanneer iemand koren inzamelt in den oogst, of iemand met zijnen arm |
6 en eene nalezing daarin ec bleef, gelijk wanneer men v( een olijfboom schudt, dat sr er twee of drie olijven bo- h' ven in den top blijven, of 7 In dien tijd zal de re mensch zich houden aan dengeen die hem gemaakt heeft, en zijne oogen zullen ü' op den Heilige van Israël h' zien; h 8 en hij zal zich niet meer V( houden aan de altaren die d' zijne handen gemaakt heb- 61 ben, en niet zien naar het- l1 geen zijne vingers gewrocht hebben, naar de bosschen 21 noch beelden. e] 9 In dien tijd zullen de zi steden hunner sterkte zijn als een verlaten tak en telg, h die verlaten werd voor het 0 aangezicht der kinderen Is-raëls, en zullen woest zijn. 10 Want gij hebt den God uwer sterkte; daarom zult w gij wel liefelijke planten |
JESAJA 18.
1261
|
i arm H Als gij ze geplant hebt, gelijk zult gij ze wel verzorgen, i op- opdat uw zaad vroeg wasse; ifaïm, maar in den oogst, als gij laarin een l'oop schoven moest er- men ven, zult gij daarvoor de ) dat smarten eens bedroefden ti bo- hebben. — n, of 12 Wee der menigte van ruch- zoogroot een volk! 'Het zal ngen, bruisen als de zee, en het 'God gedruisch der lieden zal woeden gelijk groote wate- I de ren woeden; aan 13 ja gelijk groote wate- naakt i'en woeden, alzoo zullen de uilen lieden woeden, — hij zal braël hen dreigen en zij zullen ver heen vlieden, en hij zal hen meer verjagen gelijk het stof op i die de bergen voor den wind, heb- en als een wervelwind voor • het- het onweder. rocht 14 Omtrent den avond, ichen zie, zoo is er verschrikking; en eer het morgen wordt, ti de zijn zij. niet meer. Dit is het zijn deel van onze beroovers en telg, het erfdeel dergenen die • het ons het onze ontnemen. II .Isquot; HOOFDSTUK 18. zijn. God 1 Wee het land dat on- niet der de zeilen in de schaduw irots vaart, aan deze zijde der zult wateren van Moorenland; nten 2 dat gezanten zendt over het d0 266 gt; 611 in schepen van laid riet op de wateren vaart. Gaat heen gij snelle boden, |
tot het volk dat verscheurd en geplunderd is, tot het volk dat afgrijslijker is dan eenig ander, tot het volk dat hier en daar uitgemeten en vertreden is, welks land de vloeden over-stroomen. 3 Gij allen die op de aarde woont en die in het land zit, zult zien hoe men de banier op de bergen zal planten, en hooren hoe men de trompet zal steken. 4 Want dus spreekt de Heer tot mij: Ik zal stil zijn en in mijne woning toezien; gelijk de hitte die den regen uitdroogt, en gelijk eene dauwwolk in de hitte van den oogst. 5 Want voor den oogst zal het gewas athemen, en de onrijpe vrucht in den bloesem verdorren, dat men de stelen met snoeimessen moet afsnijden, en de wijnranken wegdoen en afhouwen ; 6 dat men het tezamen moet laten liggen voor de vogels op de bergen en voor de dieren in het land; dat des zomers de vogels daarin nestelen, en des winters allerlei dieren in het land daarin liggen. 7 In dien tijd zal het verscheurde en geplunderde volk, dat afgrijslijker is |
JA 19.
1862
JESA
|
dan eenig ander, dat Weien daar afgemeten en vertreden is, welks land de vloeden overstroomen, geschenken brengen aan den Heer Zebaöth, tot de plaats waar de naam des Heeren Zebaöth is, den berg Sion. HOOFDSTUK 19. 1 Dit is de last aangaande Egypte. —■ Zie, de Heer zal op eene snelle wolk varen en in Egypte komen; dan zullen de afgoden van Egypte voor hem beven, en het hart der Egyptenaars zal smelten in hun binnenste. 3 Want ik zal de Egyptenaars tegen elkander aanhitsen, dat de ééne broeder tegen den anderen, de ééne vriend tegen den anderen, de ééne stad tegen de andere, het ééne rijk tegen het andere strijden zal. 3 En de moed der Egyptenaars zal onder hen vergaan , en ik zal hunne raadslagen tenietdoen; dan zullen zij hunne afgoden raadplegen , en de bezweerders, de waarzeggers en wichelaars ; 4 maar ik zal de Egyptenaars overgeven in de hand van gruwzame heeren, een gestreng koning zal over hen heerschen, spreekt de ve: |
Heer, de Heer Zebaöth. te' 5 Én het water in het 1 meer zal verdrogen, ook Zo zal de stroom verzanden en wc verdwijnen; zijl 6 en de vloeden zullen de verloopen, dat de meren dv aan de dammen klein en 1 droog zullen worden, het ee riet en de biezen verwei- ui ken; » do 7 en het gras aan de wa- gê teren zal verdrogen, en al m( het zaad aan het water zal 1 verwelken en tenietgaan. wc 8 En de visschers zullen of treuren, en allen die de an- vo gels in het water werpen 1 zullen klagen, en wie net- E; ten uitwerpen in het water wc zullen bedroefd zijn; sc 9 ook zullen beschaamd ba staan wie fijn vlas verwer- wi ken en witte stof weven; 1 10 en de weefgetouwen vc zullen verbroken worden, en w allen die om loon arbeiden ve bedroefd zijn. ra 11 De vorsten van Zoan di zijn dwazen, de raadgevers hlt; van Earao zijn in den raad 1 onverstandig geworden. Hoe st zegt gij dan tot Farao: Ik k( ben een zoon der wijzen, zv en heb mijne afkomst van öt oude koningen ? te 12 Waar zijn dan nu uwe wijzen ? Dat zij het u ver- ec kondigen en te kennen ge- ch |
JESAJA 19,
1263
|
de ven, wat de Heer Zebaötli tegen Egypte besloten heeft, iet 13 Maar de vorsten van iok Zoan zijn tot dwazen geen worden, de vorsten van Nof zijn bedrogen, de hoofden en der stammen doen Egypte ■en dwalen. en 14 Want de Heer heeft iet een zwijmelgeest onder hen el- uitgegoten, dat zij Egypte doen dwalen in al zijn doen, ra- gelijk een dronkaard tui-al melt in zijn spuwsel; «1 15 en Egypte zal geen werk meer hebben, dat hoofd en of staart, tak of stronk ,n- voortbrengen kan. en 16 In (Hen tijd zullen de ït- Egyptenaars zijn als vrou-er wen, en vreezen en verschrikken , als de Heer Zeul baoth de hand over hen be-31- wegen zal; n; 17 en Egypte zal vreezen en voor het land Juda, zoodat, en wie daaraan denkt, daarvoor en versolu-ikken zal wegens den raad des Heeren Zebaóth an dien hij daarover besloten srs heeft. ad 18 In dien tijd zullen vijf oe steden in Egypteland spre-I k ken de taal van Kanaün, en n, zweren bij den Heer Zsba- m óth : één daarvan zal hee- ten Ir-Héres. ve 19 Te dier tijd zal er ir- een altaar des Heeren mid- ;e- den in Egypteland zijn, en |
een gedenkzuil voor den Heer aan den grenspaal; 30 welke zijn zal tot een teeken en eene getuigenis voor den Heer Zebaöth in Egypteland; want zij zullen tot den Heer roepen over de verdrukkers; dan zal hij hun een heiland en meester zenden, die hen verlossen zal. 21 Want de Heer zal den Egyptenaars bekend worden, en de Egyptenaars zullen den Heer kennen in dien tijd, en zullen hem dienen met slachtofièr en spijsoifer, en zij zullen den Heer geloften doen en betalen. 22 En de Heer zal de Egyptenaars slaan en genezen, want zij zullen zich tot den Heer bekeeren, en hij zal zich van hen laten verbidden en hen genezen. 23 In dien tijd zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië, zoodat de Assyriërs in Egypte en de Egyptenaars in Assyrië zullen komen, en de Egyptenaars benevens de Assyriërs God zullen dienen. 24 In dien tijil zal Israël zelf de derde zijn met de Egyptenaars en Assyriërs, een' zegen in het midden des lands; 25 want de Heer Zebaoth zal hen zegenen, zeggende: |
JESAJA 20, 21.
|
Gezegend zijt gij Egypte, mijn volk, en gij Assur, liet werk mijner handen--- Israël, mijn erfdeel. HOOFDSTUK 20. 1 In het jaar toen Tartan voor Asdod kwam, waarheen Sargon de koning van Assyriü hem gezonden had, en tegen Asdod oorlog voerde en het innam, 3 in dien tijd sprak de Heer door Jesaja den zoon van Amoz, zeggende; Ga heen en doe den zak van uwe lendenen af, en trek uwe schoenen uit van uwe voeten. En hij deed alzoo, en ging ontkleed en barrevoets. 3 Toen sprak de Heer: Gelijk mijn knecht Jesaja ontkleed en barrevoets daarheen gaat, tot een teeken en eene voorbed uiding van hetgeen binnen drie jaren over Egypte en Moorenland komen zal, 4 alzoo zal de koning van Assyrië voortdrijven het gevangen Egypte en het verdreven Moorenland, zoowel jongen als ouden, ontkleed en barrevoets, ja schandelijk ontbloot, ten smaad van Egypte. |
5 En zij zullen verschrikken en beschaamd staan wegens Moorenland, op hetwelk zij zich verlieten; en Moorenland wegens Egypte, waarop zij zich beroemden. 6 En de inwoners dezer eilanden zullen op dien tijd zeggen: Is dit onze toevlucht, tot welke wij vloden om hulp, om gered te worden van den koning van Assyrië? Hoe zullen wij het nu ontvlieden? HOOFDSTUK 21. 1 1 Dit is de last aangaande de woestijn aan de zee. — Gelijk een onweder van het zuiden komt dat alles vernielt, zoo komt het uit de woestijn, uit een gruwzaam land. 2 Want mij is een hard gezicht geopenbaard: de ééne verachter komt tegen den anderen, de ééne verwoester tegen den anderen. Trek op, Elam; beleger ze, Medië: ik wil aan al het zuchten een einde maken. 3 Daarom zijn mijne lendenen vol smart, en angst heeft mij aangetast, als de angst eener barende; ik krom mij als ik het hoor, en verschrik als ik het aanzie; 4 mijn hart siddert, ontzetting grijpt mij aan, ik kan er niet van rusten in den gewenschten nacht. 5 Ja richt de tafel aan, |
JESAJA 32.
1265
|
laat waken op den waclit-toren; eet, drinkt; maakt ii op gij Torsten, zalft ket schild. 6 Want de Heer zegt tot mij aldus; Ga lieen, stel een wachter die toezie en het bekendmake. 7 En hij zag wagens met ruiters rijden, en wagens met ezels en kameelen; en hij gat' er acht op met groote vlijt. 8 En hij riep als een leeuw: Heer, ik sta op den wachttoren gestadig bij dag, en zet mij op mijne hoede den geheelen nacht: 9 en zie, er komt een die op een wagen rijdt, die heft aan en zegt: Babel is gevallen, zij is gevallen, en alle beelden harer goden zijn ter aarde geslagen. 10 O mijn dorschvloer op welken ik dorsch, wat ik gehoord heb van den Heer Zebaoth, den God van Israël , dat verkondig ik u. — 11 Dit is de last aangaande Duma. — Men roept tot mij uit Seïr: Wachter, is de nacht haast om ? Wachter, is de nacht haast om? 12 En de wachter zegt: Al komt de morgen, zoo zal het nochtans nacht zijn; en of gij al vraagt, zoo zult gij toch wederkomen en wederom vragen. — |
13 Dit is de last aangaande Arabic. — Gij zult in het woud van Arabië wonen, gij die op den weg naar Dedanim zijt. 14 Brengt den dorstige water tegemoet; gij die woont in het land van ïema, biedt den vluchtende brood aan; 15 want zij vluchten voor het zwaard, ja voor het bloote zwaard, voor den gespannen boog, voor den grooten strijd. 16 Want aldus spreekt de Heer tot mij: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens daglooners zijn, zal al de heerlijkheid van Kedar tenietgaan; 17 en de overgebleven boogschutters, de helden te Kedar, zullen weinig in getal zijn; want de Heer, de God van Israël, heeft het gesproken. HOOFDSTUK 22. 1 Dit is de last aangaande het dal des gezichts. —-Wat is u nu, dat alles op de daken klimt? 2 Gij waart vol gedruisch, eene stad vol volk, eene vroolijke stad. Uwe verslagénen zijn niet met het zwaard verslagen en niet in den strijd gestorven; 3 maar al uwe hoofdlieden |
JESAJA 22.
1266
|
zijn voor den boog weggekeken; allen die men in u gevonden heeft, zijn tezamen gebonden, van verre zijn zij gevlucht. 4 Daarom zeg ik; Wendt u van mij weg, laat mij bitterlijk weenen, bemoeit u niet om mij te troosten over de verwoesting der dochter mijns volks; 5 want het is een dag der beroering en der vertreding en der verwarring van den Heer, den Heer Zebaöth, in het dal des gezichts, vanwege het ondergraven van den muur en het geschrei naar het gebergte toe. 6 Want Elam komt, pijlkokers dragende, met wagens , lieden en ruiters; en Kir glinstert met de schilden ; 7 en liet zal geschieden dat uwe uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich zullen legeren voor de poorten. 8 Dan zal het voorhangsel van Juda ontbloot worden, zoodat men in dien tijd zien zal naar het krijgsgereedschap in het huis des wouds; 9 en gij zult vele sclieu-ren aan de stad van David zien, en zult het water in den ondereten vijver moeten vergaderen, |
10 gij zult ook de huizen te Jeruzalem tellen, ja gij graf zult de huizen afbreken om houw 11 en gij zult eene gracht make ouden vijvers: nochtans ziet ke \ beschikt heeft, en geeft geen 18 de Heer Zebaöth, op dien koste tijd laten roepen, dat men gij s 13 Zie, enkel vreugde en amb blijdschap is er met runde- 20 ren te dooden, schapen te roep slachten, vleesch te eten, kim wijn te drinken, en te zeg- 21 gen: Laat ons eten en drin- rok ken, wij sterven toch morgen, met 14 Dit is voor de ooren en i des Heeren Zebaöth open- gev( baar; ziet toe of u deze vadt misdaad zal vergeven wor- Jen; den totdat gij sterft! spreekt Jud de Heer, de Heer Ze- 22 baöth. — van 13 Aldus spi-eekt de Heer, zijn tot den schatmeester, Sebna toes den hofmeester, \en zey tot en hmï\: 2ü wien hebt gij hier, dat gij pla |
JISAJA 23.
1267
|
a gij graf in de hoogte laat uit- n om li ouwen, die zich eene wo- ; ning in de steenrots laat racht maken ? 3eide 17 Zie, de Heer zal u • des wegwerpen, gelijk een ster- i ziet ke wegwerpt , en u gau- dit schelijk overdekken; geen 18 en hij zal n wegrollen van als een bal naar een uitgestrekt land; daar zult gij [eer, sterven, daar zullen uwe dien kos'telijke wagens blijven, men gij schandvlek van het huis zich uws heeren. trek- 19 En ik zal u van uwen post verstooten, en van uw e en ambt zal ik u afzetten, inde- 20 En op dien tijd zal ik n te roepen mijnen knecht Elja- :ten, kim, den zoon van Hilkia; zeg- 21 en ik zal hem uwen Irin- rok aantrekken, en hem ■gen. met uwen gordel gorden, oren en uwe macht in zijne hand •pen- geven, opdat hij tot een deze vader zij den inwoners vau wor- Jeruzalem en den huize van eekt Juda; Ze- 22 en ik zal de sleutels van het huis van David op teer, zijnen schouder leggen, op- leen dat hij opendoe en niemand )bna toesluite, en hij toesluite 7 tot en niemand opendoe; 23 en ik zal hem als een r of nagel steken aan eene vaste t gij plaats, en hij zal den stoel uit- der eere hebben in zijns zijn vaders huis, |
24 opdat men aan hem hange al de heerlijkheid van zijns vaders huis, de kinderen en kindskinderen, al het kleine gereedschap, zoowel de drinkvaten als allerlei snarenspel. 25 In dien tijd, spreekt de Heer Zebaoth, zal die nagel weggenomen worden, die in eene vaste plaats gehecht was; opdat hij in stukken breke en valle, en wat hij droeg verbrijzeld worde; aldus heeft de Heer gesproken. HOOFDSTUK 23. 1 Dit is de last aangaande Tyrus. —• Jammert gij schepen van Tarsis, want zij is verwoest, zoodat er geen huis meer is, noch iemand derwaarts trekt; uit het land der Kittecrs zullen zij dat gewaarworden. 2 De inwoners der eilanden zijn stil geworden; de kooplieden te Sidon, die over de zee trokken, vervulden u; 3 en wat er van vruchten bij Sihor en van koren aan het water wies, bracht men over groote wateren tot haar in; en gij waart de markt (Ier volken geworden. 4 Gij moogt wel verschrikken, Sidon; want de zee, |
I
JESAJA 23.
1268
|
ja de vesting aan de zee, spreekt: Ik ben niet meer zwanger, ik baar niet meer, ook voed ik geen jongelingen op en breng geen jouge-dooliters groot. 5 Zooals men verschrikte toen men van Egypte hoorde, zoo zal men ook verschrikken als men van ïy-rus hooren zal. 6 Vaart heen naar Tarsis, jammert, gij inwoners der eilanden. 7 Is dat uwe vroolijke stad, die zich vanwege hare oudheid beroemt? Hare eigene voeten zullen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeeren. 8 Wie heeft dit beraadslaagd over ïyrus, diekro-nen-uitdeelster, wier kooplieden vorsten, en wier kramers de heerlijksten in het land waren? 9 De Heer Zsbaóth heeft het alzoo beraadslaagd, om al de pracht der weelde te verzwakken, en al de heerlijken in het land verachtelijk te maken. 10 Ga heen door uw land als door een stroom, o dochter van Tarais; er is geen gordel meer. 11 Hij strekt zijne hand uit over de zee, en hij verschrikt de koninkrijken; de Heer geeft bevel tegen |
Kanaiin, om al deszelfs sterkten te verdelgen, 12 en zegt: Gij zult niet meer vroolijk zijn, gij geschonden maagd, gij dochter van Sidon. Maak u op en trek voort naar Kittim: ook daar zult gij geen rust hebben. — 13 Zie, het land der Chaldecn: dit volk was er niet, maar Assur heeft het gesticht voor de bewoners der woestijn; zij hebben daarin vaste torens opgericht en paleizen opgebouwd, maar het is gesteld tot een puinhoop. 14 Jammert gij schepen van ïarsis, want uwe sterkte is vernield. 15 In dien tijd zal Tyrus vergeten worden zeventig jaar, zoolang als een koning leven kan; maar na zeventig jaar zal men van Tyrus een straatlied zingen: 16 Neem de harp, ga in de stad rond, gij vergeten hoer, speel zoo goed gij kunt, en zing vrijmoedig, opdat aan u weder gedacht worde. 17 Want na zeventig jaar zal de Heer Tyrus bezoeken , dat zij wederkomen zal tot haar hoerenloon, en hoererij bedrijven met al de koninkrijken der aarde. 18 Maar haar koopgoed |
JESAJA 24.
1269
|
en hoerenloon zal den Heere heilig zijn, men zal het niet tot den schat vergaderen noch verbergen; maar die voor den Heer wonen, zullen haar koopgoed hebben , opdat zij eten en verzadigd worden en welbe-kleed zijn. HOOFDSTUK 34. 1 Zie, de Heer maakt het land ledig en woest, en hij vernielt wat er in is, en verstrooit zijne inwoners; 2 en het gaat den priester als het volk, den heer als den knecht, de vrouw als de dienstmaagd, den ver-kooper als den kooper, den leener als hem die borgt, den schuldeischer als den schuldenaar; 3 en het land zal gansche-lijk ledig en beroofd zijn, want de Heer heeft dit gesproken. 4 Het land staat jammerlijk en verdorven, de aardbodem kwijnt en bederft; de hoogsten des volks in het land kwijnen weg. 5 Het land is ontheiligd door zijne ingezetenen, want zij overtreden de wet, en veranderen de geboden, en laten het eeuwig verbond varen: |
6 daarom verteert do vloek het land, want zij die daarin wonen verdienen het; daarom verdorren de inwoners des lands, zoodat er weinig menschen overblijven. 7 De most verdwijnt, de wijnstok versmacht, en allen die van harte vroolijk waren zuchten; 8 de vreugde der trommels rust, het gejuich der vroolijken is uit, en de vreugde der harp heeft een einde; 9 men zingt niet bij het wijn drinken, en de goede drank smaakt bitter aan wie hem drinken; 10 de ledige stad ligt in puin, al de huizen zijn toegesloten , zoodat er niemand ingaat; 11 men klaagt over den wijn op de straten, alle vreugd is weg, alle blijdschap des lands is heengetrokken : 12 niets dan verwoesting is in de stad overgebleven, en de poorten zijn met geweld verbroken. 13 Want het gaat in het land en onder het volk eveneens toe, als wanneer een olijfboom leeggeplukt is, wanneer men nalezing houdt als de wijnoogst geëindigd is. 14 Zij zijn het die hunne stem verhefl'en, en roemen en juichen van de zee af, |
JESAJA 25.
1270
|
over de heerlijkheid des Heeren. 15 Prijst dan nu den Heer in de valleien, aan de kusten der zee den naam van den Heer, den God van Israël. 16 Wij hooren lofzangen van het einde der aarde, om den Rechtvaardige te eeren. Doch ik moet zeggen; Hoe ongelukkig ben ik, hoe ongelukkig ben ik 1 wee mij! Want do verachters verachten, ja de verachters verachten. 17 Daarom komt over u, o inwoners des lands, verschrikking, kuil en strik. 18 En of er al iemand ontvlood voor de stem der verschrikking, zoo zal hij echter in den kuil vallen; al komt hij uit den kuil, zoo zal hij nochtans in den strik gevangen worden; want de vensters in de hoogte zijn geopend, en de grondvesten (Ier aarde beven; 19 het zal in het land kwalijk gaan en niets gelukken, en het zal vervallen. 30 Het land zal tuimelen als een dronkaard, en weggevoerd worden als ccne nachthut; want zijne misdaad drukt het, dat het vallen moet, en het zal niet wedeiMjpkomen. |
21 In dien tijd zal de Heer bezoeken het heir der hoogte in de hoogte, en de koningen der aarde die op de aarde zijn; 33 opdat zij, geboeid, verzameld worden in den kuil, en gesloten worden in eene gevangenis, en na langen tijd weder bezocht worden. 33 En de maan zal zich schamen en de zon zal schaamrood staan, als de Heer Zebaöth Koning zal zijn op den berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijne oudsten heerlijkheid zijn zal. HOOFDSTUK 25. 1 Heer, gij zijt mijn God; u prijs ik, uwen naam zal ik loven, want gij doet wonderen; uwe raadslagen van ouds af zijn getrouw en waarachtig. 3 Want gij maakt de stad tot een steenhoop, de vaste stad tot vervallen puin, het paleis der vreemdelingen dat het geen stad meer is, en nimmer herbouwd zal worden. 3 Daarom eert u een machtig volk, steden der geweldige natiën vreezen u. 4 Want gij zijt de sterkte der geringen, de sterkte der armen in droefenis, eene toevlucht tegen het |
JESAJA 26.
1371
|
onweder, eene schaduw voor de hitte, als de geweldigen woeden, gelijk een onweder tegen een muur. 5 Gij zult de onstuimigheid der vreemdelingen, gelijk de hitte in eene dorre plaats, vernederen; en gelijk de hitte voor de schaduw eener dikke wolk, zult gij het vreugdegezang der geweldenaren verminderen. quot;6 En de Heer Zebaóth zal op dezen berg een vetten maaltijd toebereiden voor alle volken, een maaltijd van zuiveren wijn, van vet, van merg, van wijn waar geen hef in is. 7 En hij zal op dezen berg het windsel wegdoen, waarmede alle volken omwonden zijn, en het bedeksel waarmede alle natiën bedekt zijn ; 8 want hij zal den dood verslinden eeuwiglijk, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwis-schen, en zal de versmaad-heid zijns volks in alle landen wegnemen; want de Heer heeft het gesproken. 9 In dien tijd zal men zeggen: Zie, deze is onze God op wien wij wachten, en hij zal ons helpen; deze is de Heer dien wij verwachten , opdat wij ons verheugen en vroolijk zijn in zijn heil. |
10 Want de hand des Heeren rust op dezen berg, en Moab zal onder hem ge-dorscht worden, gelijk het stroo gedorscht wordt tot mest. 11 En hij zal zijne handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk een zwemmer zijne handen uitbreidt om te zwemmen, en hij zal hunne pracht vernederen tegelijk met de listen hunner handen. 13 En de hooge vesten uwer muren zal hij buigen, vernederen en in het stof der aarde werpen. HOOFDSTOK 2G. 1 In dien tijd zal men dit lied zingen in het land van Juda: Wij hebben eene vaste stad; muren en schansen maakt hij tot heil. 3 Doet de poorten open, opdat het rechtvaardige volk daarbinnen trede, hetwelk trouw en deugd bewaart. 8 Gij onderhoudt steeds vrede, volgens zekere toezegging; want op u mag men zich verlaten. 4 Daarom verlaat u op den Heer eeuwiglijk, want de Heere Heere is eene steenrots eeuwiglijk; 5 hij buigt degenen die in de hoogte wonen, de hooge stad vernedert hij, ja hij |
JESAJA 36.
1272
|
stoot ze tot de aarde toe, dat zij in liet stof ligt, 6 dat zij met voeten vertreden wordt, ja met de voeten der armen, met de hielen der geringen. 7 Maar de weg der reclit-vaardigen is geheel eften, het pad der rechtvaardigen maakt gij recht. 8 Want wij wachten op u Heer, op den weg uws rechts; tot uwen naam en tot uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel. 9 Van harte begeer ik u des nachts, ook met mijnen geest in het binnenste van mij zoek ik u; want wanneer uwe oordeelen in het land gaan, leeren de bewoners des aardbodems gerechtigheid. 10 Maar al wordt den quot;goddeloozen genade aangeboden, zoo leeren zij nochtans geen gerechtigheid, maar doen slechts kwaad in het land van louter recht; want zij zien de heerlijkheid des Heeren niet. 11 Heer, uwe hand is verhoogd, dat zien zij niet; maar als zij het zullen zien, zullen zij beschaamd worden wegens den ijver over uw volk; ook zult gij hen verteren met het vuur waarmede gij uwe vijanden verteert. |
12 Maar ons, Heer, zult gij vrede beschikken; want alles wat wij uitvoeren, hebt gij ons gegeven. 13 Heer onze God, er hebben wel andere heeren over ons geheerscht dan gij, maar wij gedenken nochtans aan u alléén en aan uwen naam. 14 De dooden worden niet weder levend, de overledenen staan niet weder op; want gij hebt hen bezocht en verdelgd, en al hunne gedachtenis tenietgedaan. 15 Gij o Heer hebt dit volk vermeerderd, gij hebt dit volk vermeerderd en uzelven verheerlijkt: alle grenzen des lands hebt gij ver uitgebreid. 16 Heer, wanneer er droefenis is, zoekt men u; als gij hen kastijdt, roepen zij angstig. 17 Gelijk eene zwangere vrouw, als zij welhaast baren zal, beangst is, en in hare smarten kermt, zóó ging het ons ook, Heer, voor uw aangezicht. 18 Wij waren ook zwanger en waren beangst, dat wij nauwelijks ademhaalden; wij kenden het land niet helpen, en er werden geen bewoners des aardbodems geboren. 19 Maar uwe dooden zul- |
JESAJA 27.
1273
|
len leven, ook mijn lichaam zal opstaan; waakt op en roerat, gij die onder de aarde ligt, want uw dauw is een dauw des groenen velds, en het land derdoo-den zult gij temederwerpen. 20 Ga heen, mijn volk, in uwe kamer, en sluit de deur achter u toe; verberg u een klein oogenblik, totdat de toorn overga. 21 Want zie, de Heer zal uitgaan van zijne plaats, om de boosheid van de inwoners det lands over hen te bezoeken, dat het land- zijne bloedschulden zal openbaren, en niet langer bedekt houden wie daarin gedood zijn. HOOFDSTUK 27. 1 In dien tijd zal de Heer met zijn streng, groot en machtig zwaard bezoeken, zoo den leviathan die eene rechte slang, als den leviathan die eene kronkelende slang is, en zal de draken in de zee dooden. 2 lu dien tijd zal men zingen van den wijngaard des besten wijns: 3 Ik, de Heer, behoed hem en bevochtig hem gedurig; opdat men zijne bladeren niet misse, zal ik hem dag en nacht behoeden. |
*1 Zou ik niet toornig worden? O dat ik met de doornen en distels mocht oorlogen ! zoo zou ik onder hen springen en ze alle tegelijk aansteken. 5 Of zij moesten mijne bescherming aangrijpen, en vrede met mij maken, vrede met mij maken. 6 Het zal er eens toe komen, dat Jakob wortels zal schieten, en Israël zal bloeien en groeien, zoodat zij den aardbodem met vruchten vervullen. 7 Hij wordt immers niet geslagen gelijk zijne vijanden hem sloegen, en wordt niet gedood gelijk zijne vijanden gedood werden. 8 Maar gij richt hen met mate en laat ze vrij, als gij hen bedroefd hebt met uwen harden wind, namelijk met den oostenwind. 9 Daarom zal ook hierdoor de zonde van Jakob ophouden; en dit is de vrucht daarvan, dat zijne zonden weggedaan worden, dat hij al de steenen des altaars maakt als steenen tot asch gestooten, dat er geen bosschen noch beelden meer overblijven. 10 Want de vaste stad mo'et onbewoond liggen, de sohoone huizen moeten eenzaam en verlaten worden als eene woestijn, zoodat |
JESAJA 28.
im
|
de kalveren daar weiden en rusten en aldaar de jonge scheuten afeten zullen. 11 Hare takken zullen vanwege de dorheid breken, zoodat de vrouwen zullen komen en vuur daarvan aanleggen ; want het is een onverstandig volk, daarom zal hij die hen gemaakt heeft zich ook over hen niet ontfermen, en die heu geschapen heeft zal hun niet genadig zijn. 13 In dien tijd zal de Heer dorschen van den oever des waters af tot aan de beek van Egypte toe; en gij, kinderen Israels, zult verzameld worden, de cén na den ander. 13 In dien tijd zal men met eene groote bazuin blazen; dan zullen komen de verdoolden in het land van Assur, en de verdrevenen in het land van Egypte, en zullen den Heer aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem. HOOFDSTUK; 28. 1 W eo der hoovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, der verwelkte bloem harer liefelijke heerlijkheid, op het hootdder vruchtbare vallei dergenen die van den wijn tuimelden. |
3 Zie, een sterke en machtige komt van den Heer, gelijk een hagelbui, een schadelijk omveder; gelijk een watervloed die heftig uitbreekt, werpt hij ze met geweld ter aarde neder; 3 opdat de hoovaardige kroon der dronkenen van Efraïm met voeten vertreden worde, 4 en de verwelkte bloem harer liefelijke heerlijkheid, op het hoofd der vruchtbare vallei, zoude zijn als eene vroeg rijpende vrucht voor den zomer, die iemand nauwelijks ziet, of hij verslindt ze zoodra hij ze in zijne hand heeft. 5 In dien tijd zal de Heer Zebaóth eene liefelijke kroon en een heerlijke krans zijn voor de overgeblevenen zijns volks, 6 en een geest des rechts hun die ten gerichte zitten, en eene sterkte hun die den strijd afwenden tot voorde poort toe. 7 Maar deze zijn ook van den wijn onzinnig geworden, en tuimelen van den sterken drank, want zoowel de priesters als do profeten zijn onzinnig van den sterken drank, zij zijn in den wijn versmoord, en tuimelen van sterken drank, zij zijn onzinnig in het profeteeren, en braken de vonnissen uit; |
JESAJA 28.
1^75
|
8 want alle tafels zijn vol uitspuwsel en vuiligheid aan alle plaatsen. 9 Wien zal hij clan de kennis leeren, men zal hij de prediking te verstaan geven? Den gespeenc len van de m elk, hun die pas van de borst afgewend zijn? 10 Want zij zeggen: Gebied hier, gebied daar; gebied hier, gebied daar; wacht quot;hier, wacht daar; wacht hier, wacht daar; hier een weinig, daar een weinig. 11 Daarom zal hij met bespottelijke lippen en met eene andere tong spreken tot dit volk, 12 tot hetwelk hij zei-de: Zóó heeft men rust, zóó verkwikt men de vermoeiden, zóó wordt men stil; — maar zij hebben niet willen hooren. 13 Daarom zij hun dan het woord des Heeren ook aldus: Gebied hier, gebied daar; gebied hier, gebied daar; wacht hier, wacht daar; wacht hier, wacht daar; hier een weinig, daar een weinig; dat zij zullen heengaan en achterwaarts vallen, en gewond, verstrikt en gevangen worden. 14 Hoort dan nu het woord des Heeren, gij spotters, gij die heerscht over dit volk dat te Jeruzalem is. |
15 Want gij zegt: Wij hebben met den dood een verbond, en met het graf een verdrag aangegaan: wanneer er een vloed aankomt, zal hij ons niet treffen; want wij hebben de leugen ons tot eene toevlucht, en de huichelarij ons ter bescherming gemaakt. 16 Daarom spreekt de Heere Heere: Zie, ik leg in Sion een grondsteen, een beproefden steen, een koste-lijken hoeksteen, die wèl gegrondvest is: wie gelooft, die behoeft niet te vlieden. 17 En ik zal het recht tot een meetsnoer, en de gerechtigheid tot een gewicht maken; dan zal de hagel de valsche toevlucht wegdrijven, en de wateren zullen de bescherming wegspoelen ; 18 opdat uw verbond met den dood los worde, en uw verdrag met het graf geen stand houde; en wanneer er een vloed aankomt, zoo zal hij ii overstroomen, 19 zoodra hij aankomt zal hij u wegnemen; komt hij des morgens, zoo geschiedt het des morgens, alzóó ook als hij komt bij dag of bij nacht; want de aanvechting alleen leert op het woord acht geven. 20 En het bed zal zoo |
IP
JESAJA 29.
1276
|
eng zijn , dat er niets overschiet, en het dek zoo kort, dat men zich daaronder voegen moet. 31 Want de Heer zal zich opmaken als op den berg Perazim, en toornig zijn als in het dal van Gibeon, om zijn werk te doen op eene andere wijze, en om zijnen arbeid te doen op eene vreemde wijze. 22 Zoo laat nu uw spotten na, opdat uwe banden niet nog vaster worden; want ik heb van een verderven en omkeeren gehoord, hetwelk van den Heer, den Heer Zebaoth, geschieden zal over de geheele wereld. 23 Neemt ter oore en hoort mijne stem, merkt op en hoort mijne woorden: 24 Ploegt of braakt of bearbeidt ook een akkerman zijnen akker altoos tot zaad? 25 Is het niet zóó? wanneer hij dien effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikke, werpt er komijn in, of zaait tarwe en gerst, alles waar hij het hebben wil, of spelt aan zijne plaats. 26 En hij bearbeidt hem recht, zooals zijn God hem geleerd heeft. |
27 Want men dorscht de wikke niet met dendorsoh-wagen, ook laat men het wagenrad niét over den komijn gaan; maar de wikke slaat men uit met een staf, en den komijn met een stok. 28 Men maalt het, opdat het brood worde, en dorscht het niet geheel tot niet, als men het met wagenraderen en paarden uitdorscht. 29 Dit geschiedt óók van den Heer Zebaoth; want zijn raad is wonderbaar, en hij voert het heerlijk uit. HOOFDSTUK 29. 1 Wee Ariël, Ariöl, gij stad van Davids leger; gij houdt jaargetijden en viert feesten, 3 maar ik zal Ariël benauwen, dat zij treurig en jammerlijk zal zijn, en zij zal mij gewis zijn als Aricl. 3 Want ik zal u rondom belegeren, en zal u benauwen met bolwerken, en zal wallen rondom u laten opwerpen. 4 Dan zult gij vernederd worden, en uit de aarde spreken, en uit het stof zal uwe spraak zijn, dat uwe stem zijn zal als die eens toovenaars uit de aarde, en uit het stof zal uwe spraak lispelen. 5 En de menigte uwer vijanden zal zijn ala dun |
JESAJA 29.
1277
|
stof, e; -de menigte der geweldenaars als vliegend kaf, en het zal onvoorziens in een oogenblik geschieden. 6 Want gij zult van den Heer Zebaöth bezocht worden met onweder en aardbeving en grooten donder, met wervelwind en onweder en met vlammen van verterend vuur; ■ 7 en gelijk een nachtgezicht in den droom, zal die menigte der volken zijn die tegen Ariël strijden, allen die tegen haar en hare bolwerken strijden en haar benauwen zullen. 8 Want gelijk een hongerige droomt dat hij eet, maar als hij ontwaakt nog ledig is; of gelijk een dorstige droomt dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt nog mat en dorstig is: zóó zal de menigte dier volken zijn die tegen den berg Sion strijden. 9 Vertoeft en verbaast u; verblindt u en wordt dronken, doch niet van wijn; tuimelt, doch niet van sterken drank. |
10 Want do Heer heeft een geest van diepen slaap over u uitgestort, en uwe oogen vast gesloten; uwe profeten en hoofden en de kieners heeft hij verblind, 11 zoodat alle gezichten [der profeten] u zijn zullen als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan een die lezen kan, zeggende: Eilieve lees dit, maar hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld; 13 of gelijk wanneer men het geeft aan een die niet lezen kan, zeggende: Eilieve lees dit, maar hij zegt: Ik kan niet lezen. 13 En de Heer spreekt: Daarom dat dit volk tot mij genaakt met den mond, en met de lippen mij eert, maar hun hart verre van mij is, en zij mij vreezen naar menschengeboden welke zij leeren, 14 daarom zal ik ook wonderlijk met dit volk omgaan , geheel vreemd en wonderbaar; zoodat de wijsheid hunner wijzen zal verloren gaan, en het verstand hunner verstandigen zal verblind worden. 15 Wee dengenen die zich voor den Heer willen versteken, om hun voornemen te verbergen; en die hunne werken in het duister houden, en zeggen: Wie ziet ons en wie kent ons? 16 Hoe zijt gijlieden zoo verkeerd ? alsof het leem geacht werd pottenbakker te zijn, én een werk van |
JESAJA 30,
1378
|
zijnen maker zeide: Hij heeft mij niet gemaakt, en een maaksel van zijnen pottenbakker zeide: Hij kent mij niet. 17 Welaan, het is nog om een kleinen tijd te doen, zoo zal de Libanon een veld worden, en het veld zal een woud geacht worden. 18 Want in dien tijd zullen de dooven hoeren de woorden des Iweks, en de Oogen der blinden zullen uit het donker en de duisternis zien, 19 en de ellendigen zullen weder blijdschap smaken in den Heer, en de behoefti-gen onder de menschen zullen vroolijk zijn in den Heilige van Israël: 30 wanneer de geweldenaars een einde zullen hebben , en het met de spotters gedaan is, en allen verdelgd zullen zijn die waken om moeite aanterichten, 31 die de lieden schuldig Verklaren om een woord, en strikken leggen dengene die hen bestraft in de poort, en door leugens wijken van hec recht. 33 Daarom spreekt de Heer, die Abraham verlost heeft, tot Jakobs huis: Jakob zal lliet meer te schande worden, en zijn aangezicht zal eich niet meer schamen; |
23 want als zij zkji zullen hunne kinderen, de werken mijner handen onder hen, zoo zullen zij mijnen naam heiligen, en zullen den Heilige in Jakob heiligen en den God van Israël vreezen. 34 Want zij die een verdwaalden geest hebben, zullen verstandig worden, en de tegenstrevers zullen onderricht aannemen. HOOFDSTUK 30. 1 Wee den afvalligen kinderen, spreekt de Heer, die zonder mij raadslagen, en zonder mijnen Geest bescherming zoeken, om de ééne zonde op de andere te hoopen; 3 die aftrekken naar E-gypte, zonder mijnen mond te vragen, om zich te versterken met de macht van Farao, en zich te beschermen onder de schaduw van Egypte. 3 Doch Farao's sterkte zal U tot schande verstrekken, en de bescherming onder de schaduw van Egypte tot hoon. 4 Hunne vorsten zijn wel te Zoan geweest, en hunne gezanten tot naar Hanes gekomen, 5 maar zij moeten echter allen te schande worden wegens het volk dat hun |
.JA 30.
1379
|
geen tot hulp voordeel, schande en spot kan zijn. 0 Dit is de last der dieren die zuidwaarts trekken, waar leeuwen en leeuwinnen zijn, ja adders en vurige vliegende draken, in het land van droefenis en van angst; zij voeren hunne goederen op den rug dei-veulens, en hunne schatten op de bulten der kameelen tot het volk dat hun geen nut kan doen. 7 Want Egypte is niets, en zijne hulp is vruchteloos; daarom predik ik daarvan aldus: Eahab zal stil daarbij zitten. 8 Ga dan nu heen, en schrijf het hun voor op eene tafel en teeken het op in een boek, opdat het voortaan blijve tot in eeuwigheid. 9 Want het is een ongehoorzaam volk, het zijn verbasterde kinderen, kinderen die de wet des Heeren niet hooren willen, 10 maar tot de zieners zeggen: Gij moet niet zien, en tot de profeten: Gij moet ons niet profeteeren hetgeen recht is, maar predikt ons wat ons aangenaam is, voorspelt ons hetgeen ons begoochelt; : en niet eemg lits tot |
11 wijkt van den weg, wendt u af van de baan, doet weg vau ons den Heilige van Israël. 13 Daarom spreekt de Heilige van Israël aldus: Dewijl gij dan dit woord verwerpt, en u op geweld en moedwil verlaat, en daarop steunt; 13 zoo zal u deze misdaad zijn gelijk eene scheur in een hoogen muur, wanneer hij begint uittewijken, die schielijk onvoorziens instort; 14 gelijk een pot verbrijzeld wordt, dien men zonder verschooning in stukken breekt, zoodat men van zijne stukken geen scherf vindt waarin men vuur kan halen van den haard, of water scheppen uit een bornput. 15 Want dus spreekt de Heere Heere, de Heilige van Israël: Wanneer gij stil bleeft, zoudt gij geholpen worden, door stil zijn en hopen zoudt gij sterk zijn; doch gij wilt niet, IC maar zegt: Neen maar op paarden willen wij vlieden: — daarom zult gij ook vlieden; en: Op snelle dieren willen wij rijden: — daarom zullen uwe vervolgers snel zijn; 17 want duizend van u zullen vlieden door het drei- |
JESAJ.
1280
|
gen van een enkele, ja voor vijf zult gij allen vlieden, totdat gij overblijft als een mastboom bovenop een berg, en als eene banier bovenop een heuvel. 18 Daarom toeft de Heer sleclits, opdat hij u genadig zij; en hij heeft zich opgemaakt, om zich over u te ontfermen; want de Heer is een God des gerichts: welgelukzalig allen die hem verwachten. 19 Want het volk van Sion zal te Jeruzalem wonen: gij zult niet langer weenen, hij zal u genadig zijn als gij roept, hij zal u antwoorden zoodra hij het hoort. 30 En de Heer zal u brood der droefenis en water der verdrukking geven, doch uwe leeraars zullen niet meer wegvlieden, maar uwe oogen zullen uwe leeraars aanschouwen; 21 en uwe ooren zullen hooren het woord dergenen die achter u zijn, zeggende: Dit is de weg, wandelt daarop, en wijkt noch ter rechter- noch ter linkerhand. 32 Dan zult gij voor onrein houden uwe verzilverde afgoden, en de gouden kleederen uwer beelden, en zult ze wegwerpen als een |
verfoeise^^^^^pifc,i zeggen: 38 liij aan uw zaad, hetwelk gij op den akker gezaaid hebt, regen geven, en brood van de opbrengsten des akkers, en wel overvloedig genoeg; en uw vee zal in dien tijd grazen in wijd uitgestrekte landouwen; 34 de ossen en veulens, die den akker bouwen, zullen gemengd voeder eten, hetwelk gereinigd is met de werpschoft'el en de wan. 35 En er zullen op alle groote bergen en op alle hooge heuvels gedeelde wa-terstroomen zijn, ten tijde der groote slachting, wanneer de torens vallen zullen. 36 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenmaal helderder zijn dan nu, ten tijde als de Heer de breuk zijns volks verbinden en hunne wonden hee-len zal. 37 Zie, de naam des Hee-ren komt van verre, zijn toorn brandt en is zeer zwaar; zijne lippen zijn vol gramschap en zijne tong is als een verterend vuur, 38 en zijn adem als een watervloed die tot aan den hals reikt, om de heidenen |
SAJA 31.
1281
|
te vers^^^^^Hplat zij tenietgaan ,CT^^j)lken met een toom in hunne kinnebakken heen en weder te drijven. 29 Dan zult gijlieden zingen, gelijk in den nacht van een heilig feest, en u van harte verheugen, als wanneer men met pijpen gaat tot den berg desHee-ren, tot de rots van Israël. 30 En de Heer zal zijne heerlijke stem doen hooren en zijnen ui;;gest rekten arm doen zien, in dreigenden toorn en met vlammen van verterend vuur, met stralen en met sterken regen en met hagel. 31 Want Assur zal verschrikken voor de stem des Heeren, die hem met de roede slaat. 32 En waar de roede zal doordringen en treffen, welke de Heer over hem brengen zal, daar zal men zijn met trommels en harpen, en overal tegen hen strijden. 33 Want de kuil is van gisteren af bereid, ja hij is ook voor den koning bereid, diep en wijd genoeg; ook is woning daarin, vuur en hout in menigte: de adem des Heeren zal hem aansteken als een stroom van zwavel. |
HOOFDSTUK 31. 1 Wee dengenen die aftrekken naar Egypte om hulp, en zich verlaten op paarden, en hopen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat zij sterk zijn, en zich niet houden aan den Heilige van Israël, en niet vragen naaiden Heer. 2 Maar hij nochtans is óók wijs, en zal het ongeluk doen komen, en zijne woorden niet terugnemen; maar hij zal zich opmaken tegen het huis der boozen en tegen de hulp der kwaaddoeners. 3 Want de Egyptenaars zijn menschen en geen God, en hunne paarden zijn vleesch en geen geest; en de Heer zal zijne hand uitstrekken , opdat de helper struikele, en die geholpen wordt valle, en aUen tezamen omkomen. 4 Want dus spreekt de Heer tot mij; Gelijk een leeuw en een jonge leeuw brult over zijne prooi, en, als de menigte der herders hem toeschreeuwt, niet verschrikt voor hun geschreeuw en voor hunne menigte niet bevreesd is, zóó zal de Heer Zebaóth nederdalen om te |
41
•JESAJA
1383
|
strijden op dén berg Sion en op zijnen heuvel. 5 En de Heer Zebaöth zal Jeruzalem beschermen gelijk de vogels doen met de vleugels, beschermen en verlossen, uithelpen en redden. ö Keert weder tot hem, gij kinderen Israëls, gij die zoover van hem afeeweken zijt. 7 Want in dien tijd zal elk' zijne zilveren en gouden afgoden wegwerpen, die uwe handen u gemaakt hebben tot zonde. 8 En Assur zal vallen — niet door eens mans zwaard, en zal verslonden worden — niet door eens menschen zwaard; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijne jonge manschap zal cijnsbaar worden; 9 en hij zal zijne steenrots uit vrees voorbijtrekken, en zijne vorsten zullen voor de banier de vlucht nemen, spreekt de Heer, die op Sion zijn vuur en te Jeruzalem zijne haardstede heeft. HOOFDSTUK 32. 1 Zie, een koning zal re-geeren in gerechtigheid, en vorsten zullen lieerschen naar het recht; 3 dat elk hunner zijn zal als een die voor den wind |
bewaart, den plasreg waterbekelr aan eene dorre plaats, als de schaduw eener groote steenrots in een droog land. 3 En de oogen der zienden zullen zich niet laten verblinden, en de ooren der toehoorders zullen opmerken. 4 En de onvoorzichtigen zullen wetenschap _ leeren, en de tong der stamelenden' zal vaardig en zuiver spreken. 5 Do dwaas zal niet meer edel worden genoemd, noch de gierigaard grootmoedig; 6 want een dwaas spreekt dwaasheid en zijn hart gaat met ongeluk om, opdat hij huichelarij plege, en spreke van den Heer hetgeen valsch is, opdat hij hongerige zielen late verhongeren, en den dorstigen het drinken belette; 7 en de geheele handel eens gierigaards is kwaad, hij vindt verdichtsels om de ellendigen te verderven met valsche woorden, en het recht als de arme spreekt. 8 Maar de edelen zullen edele gedachten hebben, en bestaan op hetgeen edel is. 9 Staat op, gij zorgelooze vrouwen, hoort mijne stem; gij dochters die zoo gerust |
|
zijt, rede ter oore. __ 10 Na jaaF' en dag zult gij, die gerust zijt, beven; want er zal geen wijnoogst zijn, ook zal er geen inzameling komen. 11 Verschrikt, gij zorge-looze vrouwen; beeft, gij die zoo gerust zijt; legt het gewaad af, ontbloot u, en ömgordt de lendenen. 12 Men zal klagen over de akkers, ja over de liefelijke akkers, over de vruchtbare wijnstokken; 13 want op den akker mijns volks zullen doornen en distels groeien, alsook in al de lustgebouwen der vroolijke stad. 14 Want de paleizen zullen verlaten zijn, en de menigte in de stad zal eenzaam zijn; zoodat de torens en vestingen eeuwige holen worden, voor het wild tot vreugde, voor de kudde tot eene weide; 15 zoolang totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte: dan zal de woestijn tot een akker worden , en de akker voor een woud gerekend worden; 16 en het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid op den akker haren zetel vestigen; 17 en de vrucht der ge1288 |
rechtigheid zal vrede zijn, en het nut der gerechtigheid zal eeuwige stilte en zekerheid zijn, 18 zoodat mijn volk in huizen des vredes wonen zal, in verzekerde woningen en in veilige rust. 19 Maar hagel zal het woud vellen, en de stad daarbeneden zal vernederd zijn. 20 Welgelukzalig zijt gij die overal aan de wateren zaait, want daar moogt gij de voeten uwer ossen en ezels heendrijven. HOOFDSTUK 33. 1 Wee u gij verwoester, meent gij dat gij niet zult verwoest worden? En gij verachter, meent gij dat men u niet verachten zal? Als gij het verwoesten hebt voltooid, zult gij ook verwoest worden; als gij het verachten hebt voleindigd, zal men u weder verachten. 2 Heer, wees ons genadig, want wij wachten op u; wees onze arm eiken morgen, ja ons heil in den tijd der droefenis. 3 Laat de volken wegvlie-den voor het groote ge-druisch, en de natiën verstrooid worden als gij u verhoogt. |
JESAJA
1284
|
4 Dan zal men uwen buit opzamelen gelijk men de sprinkhanen opzamelt, en gelijk de kevers verjaagd worden als men ze overvalt. 3 De Heer is verheven, want hij woont in de hoogte; hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid. 6 Daarom zullen wijsheid en kennis de zekerheid zijn van uwe tijden en van uw heil, en de vreeze des Hee-ren zal hun schat zijn. 7 Zie, hunne boden roepen daarbuiten, en de gezanten des vredes weenen bitterlijk, [_en zeg gen \: 8 De paden zijn woest, niemand gaat meer op den weg; hij houdt noch trouw noch woord, hij verwerpt de steden, en acht de lieden niet. 9 Het land ligt beklaag-lijk en jammerlijk; de Libanon staat schandelijk afgehouwen; Saron is als een vlak veld, en Basan en Karmel zijn verwoest. 10 Nu wil ik mij opmaken, spreekt de Heer, nu zal ik mij verheflen, nu zal ik in mijne hoogheid komen. 11 Van stroo gaat gijlieden zwanger, stoppels baart gij; het vuur zal u met uwen moed verteren; |
13 want zullen als kalk vl^HBr vvorden, gelijk men «^afgehouwen doornen met vuur aansteekt. 13 Zoo hoort nu, gij die verre zijt, wat ik gedaan heb; en gij die nabij zijt, erkent mijne macht. 14 De zondaars te Sion zijn verschrikt, siddering-heeft de huichelaars aangegrepen , [e» zij zeggeii]: Wie is er onder' ons die bij een verterend vuur kan wonen, wie is er onder ons die wonen kan bij den eeuwigen gloed? — 15 Wie in gerechtigheid wandelt en spreekt hetgeen recht is, wie het onrecht haat en de gierigheid, wie zijne handen weerhoudt dat hij geen geschenken neme, wie zijne ooren toestopt dat hij geen bloedschulden hoo-re, en zijne oogen toehoudt dat hij niets kwaads aan-schouwe: 16 die zal in de hoogte wonen, en steenrotsen zullen zijne vesting en beschutting zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn water faalt nooit. 17 Uwe oogen zullen den koning zien in zijnen luister, gij zult het land wijd gemaakt zien; 18 zoodat uw hart zich verwonderen zal, [zeggende]: |
|
Waar schrijvers, waar zijiW^Kaden, waar zijn de kanseliers? 19 Daarenboven zult gij dat sterke volk niet meer zien, een volk dat zoo diep van spraak is dat men ze nauwelijks hooren kan, en zoo onduidelijk van tong dat men ze niet verstaan kan. 20 Aanschouw Sion, de stad onzer bijéénkomsten: uwe oogen zullen Jeruzalem zien, eene verzekerde woning , eene hut die niet weggevoerd wordt, wier pennen nimmermeer zullen uitgetrokken worden, en van welker zeelen geen verscheurd wordt; 21 want de Heer zal aldaar bij ons machtig zijn, en daar zullen wijde watergrachten zijn, zoodat er geen schuit met riemen door kan varen, noch galeien kunnen oversteken. 22 Want de Heer is onze Eechter, de Heer is onze Meester, de Heer is onze Koning, hij, hij zal ons helpen. 23 Dat zij hunne touwen spannen, zij zullen toch niet houden; alzoo zullen zij ook de vlaggen op den mast niet uitsteken; dan zal er onmetelijke buit uitgedeeld worden, zoodat zelfs lammen rooven zullen; |
1285 24 en geen inwoner zal zeggen: Ik ben zwak, want het volk dat daarin woont zal vergeving van zonde erlangen. HOOFDSTUK 34. 1 Komt herwaarts gij volken, en hoort; gij natiën, merkt op; de aarde luistere en wat daarop is, de wereld en al hare voortbrengselen. 2 Want de Heer is toornig op alle volken, en vergramd op al hun heir; hij zal ze verbannen en ter slachting overleveren; 3 en hunne verslagenen zullen weggeworpen worden, dat de stank van hunne lichamen zal opgaan, en de bergen van hun bloed zullen druipen; 4 en al het heir des hemels zal tanen, en de hemel zal samenserold worden als een boek, en al zijn heir zal verwelken gelijk een blad aan den wijnstok verwelkt, en gelijk een dor blad aan den vijgeboom. 5 quot;Want mijn zwaard is dronken in den hemel, en zie, het zal nederdalen op Edom, en over het verbannen volk tot straf. 6 Het zwaard des Heeren is vol bloed en kleeft van vet, van het bloed der lam- |
JESAJA 3a
1286
|
meren en bokken, van liet vet der nieren uit de rammen; want de Heer heeft een slaohtofl'er te Bozra, en eene groote slachting in het land van Edom. 7 Daar zullen de eenhoor-nen met hen afgevoerd worden, en de varren met de gemeste ossen; want hun land zal dronken worden van het bloed, en de grond gemest worden van hun vet. 8 Want het is de dag der wraak des Heeren, en het jaar der vergelding om Sion recht te doen wedervaren. 9 Dan zullen hunne beken in pek veranderd worden, en hun grond in zwavel, ja hun land zal als brandend pek worden, 10 dat noch des daags noch des nachts wordt uit-gebluscht, maar eeuwig zal zijn rook opgaan, en het zal immer en altoos woest zijn, zoodat er in eeuwigheid niemand doorgaat; 11 maar roerdompen en egels zullen het in bezit hebben, nachtuilen en raven zullen er wonen; en hij zal er over uitstrekken het meetsnoer der verwoesting en het richtlood der leegheid, •-13 zoodat hunne heeren heeten moeten heeren zonder land, vor |
sten een en^^Koben. 13 En in hunne paleizen zullen doornen groeien, netels en distels in hunne kasteden; en het zal eene woning der draken zijn, en eene weide voor de struisen. 14 Daar zullen marters en gieren onder elkander loopen, en de eene veld-duivel zal den anderen ontmoeten; het nachtgedrochtquot; zal ook aldaar herbergen, en zijne rust aldaar vinden; 15 de nachtraaf zal aldaar nestelen en broeden en koesteren onder hare schaduw; ook zullen de wouwen aldaar tezamenkomen. 16 Zoekt nu in het bock des Heeren en leest; het zal niet aan één van deze ontbreken, ook mist men het éene noch het andere; want hij is het die door mijnen mond gebiedt, en zijn Geest is het die het tezamenbrengt. 17 Hij werpt het lot over hen, en zijne hand deelt het onder hen met het meetsnoer uit, dat zij daarin erven eeuwiglijk, en daarin blijven immer en altoos. HOOFDSTUK 35. 1 De woestijn en de eenzame plaatsen zullen zich verheugen, en de vlakte |
JESAJA 36.
128?
|
zal vroolijk staan en bloeien als de leliën, 2 zij zal bloeien en vroolijk staan in alle vreugde en juichen: de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Kar-mel en Saron; zij zien de heerlijkheid des Heeren, den luister onzes Gods. 3 Versterkt de vermoeide handen, en verkwikt de wankelende knieën. 4 Zegt tot de versaagde harten: Zijt gerust, vreest niet; zie, uw God komt tot wraak; God, die vergeldt, komt en zal u helpen. 5 Alsdan zullen de oogen der blinden opengedaan, en de ooren der dooven geopend worden; 6 dan zullen de lammen springen gelijk een hert, en de tong der stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren opwellen, en beken in de wildernis; 7 en waar het tevoren droog geweest is, daar zullen vijvers staan; en waar het dor geweest is, daar zullen springwellen der wateren zijn; waar tevoren slapgen gelegen hebben, daar zullen gras, riet en biezen zijn. |
' 8 En aldaar zal eene baan zijn en een weg, die de heilige weg zal genoemd worden: geen onreine zal daarop gaan, en hij zal voor hen zijn om daarop te gaan, zoodat ook de dwazen niet dwalen kunnen. 9 Daar zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend dier zal er op treden noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. 10 De vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn; vreugd en blijdschap zullen hun tebeurtvallen, en smart en zuchten zullen gevloden zijn. HOOFDSTUK 3G. 1 En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkia, dat Sanhe-rib de koning van Assyrië optrok tegen alle vaste (steden van Juda en ze innam. 2 En de koning van Assyrië zond Kabsaké van La-chis naar Jeruzalem tot den koning Hizkia, met eene groote macht; en hij trad aan tie waterleiding van den bovensten vijver, aan den weg bij den akker des vollers. |
JUS A J A 36.
1388
|
3 En tot hem ging uit Elja-kim de zoon van liilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf, de kanselier. 4 En Èabsake zeide tot hen: Zegt toch aan Hizkia: Dus spreekt de groote koning, de koning van Assy rië: Wat is dat voor een steun waarop gij u verlaat? 5 Ik acht dat gij u laat bepraten, dat gij nog wel raad en macht hebt om te strijden. Maar op wien verlaat gij u dan toch, dat gij van mij afvallig zijt geworden? 6 Verlaat gij u op den gebroken rietstaf, op Egypte? welke, zoo iemand daarop leunt, hem in de hand gaan en ze doorboren zal: alzoo is Farao de koning van Egypte voor allen die op hem vertrouwen. 7 Of zoo gij tot mij wilt zeggen: Wij verlaten ons op den Heer onzen God: — is hij het niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggedaan, en tot Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dezen altaar zult gij u neder-buigen? 8 Welaan, ga dan eene weddenschap aan met mijnen heer den koning van Assyrië: ik wil u tweeduizend paarden geven, zoo gij voor u daarop ruiters leve- 1 |
ren kunt. La 9 Hoe zoudt gij dan het de aangezicht kunnen tekeer- rei gaan van een enkelen hoofd- 1 man uit de geringste knech- ni ten mijns heeren? En gij de verlaat u op Egypte om de H wagens en de ruiters! de 10 Daarenboven, meent de gij dat ik zonder den Heer ge ben opgetrokken in dit land ' ] om net te verderven? De ni Heer sprak tot mij; Trek ni op in dit land en verderf m het. to 11 Maar Eljakim en Seb- v£ na en Joah zeiden tot Rabsa- zi ké: Spreek toch met uwe ie knechten in het Syrisch, 12 Toen zeide Eabsaké: Meent gij dat mijn heer mij v( den te spreken, en niet veel- k den muur zitten, dat zij met v; u hun eigen uitwerpsel eten 13 En Eabsaké stond en S riep overluid in het Joodsch, n en sprak: Hoort de woor- p den des grooten konings, des konings van Assyrië. d |
JESAJA 37.
1280
|
14 Dus zegt de koning: Laat Hizki'a u niet misleiden, want hij kan u niet redden. 15 En laat ook HizMa u niet doen vertrouwen op den Heer, zeggende: De Keer zal ons redden, en deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden. 16 Hoort naar Hizkia niet; want dus zegt de koning van Assyrië: Neemt mijne genade aan en gaat tot mij uit, en eet ieder van zijn wijnstok en van zijn vijgeboom, en drinkt ieder uit zijn bornput; 17 totdat ik kom en u overbreng in een land gelijk uw land is, een land waarin koren en most is, een land waarin brood en wijngaarden zijn. 18 Laat Hizkia u niet verleiden, zeggende: De Heer zal ons verlossen. Hebben dan de goden der volken ieder zijn land gered uit de hand des konings van Assyrië? 19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad ? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij.Sa-marië uit mijne hand gered? |
20 Wie onder al de goden dezer landen heeft zijn land gered uit mijne hand, dat de Heer Jeruzalem uit mijne hand zou redden? 21 En zij zwegen stil en antwoordden hem geen woord; want de koning had geboden en gezegd: Antwoordt hem niets. 22 Toen kwamen Eljakim de zoon van Hilkui, de hofmeester , en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf, de kanselier, met gescheurde kleederen tot Hizkia , en gaven hem de woorden van Babsaké te kennen. HOOFDSTUK 37. 1 Toen nu de koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijne kleederen en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des Hee-ren. 2 En hij zond Eljakim den hofmeester, en Sebna deu schrijver, tezamen met de oudste priesters, met zakken bedekt, tot den profeet Je-saja , den zoon van Amoz, 3 om tot hem te zeggen: Dus spreekt Hizkia: Dit is een dag van droefenis, van scheldwoorden en van lastering; want het gaat eveneens als wanneer de kinderen tot aan de geboorte gekomen zijn, en er geen kracht is om te baren. 4 Dat toch de Heer uw |
|
1290 God hooren wilde de woorden van Rabsake, dien zijn heer de koning van Assy-rië gezonden Leeft om den levenden God te lasteren en te schelden met zulke woorden als de Heer uw God gehoord heeft. Wil toch uw gebed opheften voor de overgeblevenen die nog voorhanden zijn. 5 En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6 Jesaja nu zeide tot hen: Zegt aldus tot uwen heer: Zóó spreekt de Heer: Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, met welke de dienaren van den koning van Assyrië mij gelasterd hebben. 7 Zie, ik zal een geest in hem geven, dat, wanneer hij een gerucht zal hooren, hij weder zal keeren in zijn land; en ik zal hem door het zwaard vellen in zijn land. 8 Toen nu Rabsaké wederkwam , vond hij den koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Eu er kwam een gerucht van Tirhaka den koning der Mooren , zeggende: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden. Toen hij dit nu hoorde, zond hij boden tot Hizkia en zeide: |
10 Zegt aldus tot Hizkia den koning van Juda: Laat u niet misleidendoor uwen God, op wien gij u verlaat, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden. 11 Zie, gij hebt gehoord wat de koningen- van Assyrië gedaan hebben aan alle landen, hoe zij die verbannen hebben; en zoudt gij gered worden? 12 Hebben dan de goden der volken de landen gered, welke mijne vaderen verdorven hebben, als Gozan, Haran, Eezef en de kinderen van Eden te Telassar? 13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaïm, van Hena en Ivva? 14 En toen Hizkia den brief van de boden ontvangen en gelezen had, ging hij op in het huis des Hee-ren, en spreidde dien uit voor den Heer. 15 En Hizkia bad tot den Heer, zeggende: 10 Heer Zebaöth, God van Israël, gij die boven de cherubs zit, gij zijt alléén God over al de koninkrijken der aarde, gij hebt JESAJA 37. |
ESAJA 37.
1291
|
den hemel en de aarde gemaakt. 17 Heer, neig uwe ooren en hoor, Heer, doe uwe oogen open en zie; hoor al de woorden van Sanherib, die hij gezonden heeft om den levenden God te hoo-nen. 18 Het is waar, Heer, de koningen van Assyrië hebben al de koninkrijken en hunne landen verwoest, 19 en hebben hunne goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van menschenhan-den, hout en steen; daarom hebben zij zo vernield. 20 Maar gij, Heer onze God, help ons uit zijne hand, opdat alle koninkrijken der aarde gewaarworden dat gij alléén de Heer zijt. 21 Toen zond Jesaja de zoon van Amoz totHizkfa, en liet aan hem zeggen: Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Wat gij van mij gebeden hebt aangaande Sanherib den koning van Assyrië, \dat heb ik gehoord]. 22 Dit is het woord dat de Heer tegen hem spreekt: De jonkvrouw de dochter Sions veracht u en bespot u, en de dochter Jeruzalems schudt het hoofd over u. |
23 quot;Wien hebt gij gehoond en gelasterd, tegen wien hebt gij uwe stem verheven? Gij heft immers uwe oogen omhoog tegen den Heilige van Israël. 24 Door uwe knechten hebt gij den Heer gehoond, en gezegd: Ik ben met de menigte ndjner wagens herwaarts opgetrokken op de hoogte der bergen, op de zijden van den Libanon; en ik heb zijne hooge cederen, zijne uitgelezen dennen afgehouwen, en ben op de hoogte gekom en, aan het einde van zijn boschrijken Karmel. 35 Ik heb gegraven en de wateren uitgedronken, en heb met mijne voetzolen al de stroomen uitgedroogd. 26 Hebt gij niet gehoord dat ik eertijds zoo gedaan en van ouds af zoo gehandeld heb? En nu doe ik ook alzoo, dat vaste steden verwoest worden tot steen-hoopen, 37 en hare inwoners zwak gemaakt en bevreesd worden, en beschaamd staan, en tot veldgras worden, en tot groen kruid; als het gras op de daken, dat verdort eer het rijp wordt. 28 Maar ik ken uw zitten, uwen uit- en ingang, en uw woeden tegen mij. |
JESAJA 38.
1292
|
29 Omdat gij dan tegen mij woedt, en uwe trotsch-lieid mij ter core gekomen is, zoo zal ik u een ring in den neus wringen, en een gebit in uwen mond, en zal u dien weg weder naarhuis voeren langs welken gij gekomen zijt. 30 En dit zij u tot een teeken: Eet in dit jaar liet nagewas, in liet tweedejaar wat vanzelf uitspruit; zaait en maait in het derdejaar, plant wijngaarden en eet hunne vruchten. 31 Want de outkoraenen van het huis vanJuda,die er overblijven, zullen wederom nederwaarts wortels schieten en opwaarts vruchten dragen. 32 Want van Jeruzalem zullen uitgaan die overgebleven zijn, en de ontko-menen van den berg Sion; de ijver van den Heer Ze-haótli zal dit doen. 33 Daarom spreekt de Heer aangaande den koning van Assyrië aldus: Hij zal in deze stad niet komen, en zal ook geen pijl daarin schieten, en zal met geen schild haar naderen, en zal er geen wal tegen opwer- Fn; . 34 maar den weg dien hij gekomen is zal hij terug-keeren, zoodat hij in deze stad niet komen zal, spreekt de Heer. |
35 Want ik zal deze stad beschermen, opdat ik haar helpe, om mijnentwil en om mijns dienaars Davids wil. 36 Toen ging de Engel des Heeren uit en sloeg in het Assyrische leger honderdvijfentachtigduizend man; en toen zij des morgens vroeg opstonden, zie, toen lagen er overal doode lichamen. 37 En de koning van Assyrië, Sanherib, brak op en trok heen, en keerde weder naarhuis, en bleef te Nine vé. 38 En het geschiedde toen hij aanbad in het huis van Nisrocli zijnen god, dat zijne zonen Adrammélech en Sarézer hem sloegen met het zwaard; en zij vloden in het land Ararat, en zijn zoon Esar-Haddon werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 38. 1 Op dien tijd werd Hiz-kia doodelijk krank; en de profeet Jesaja de zoon van Amoz kwam tot hem, en zeide tot hem: Dus spreekt de Heer: Bestel uw huis, want gij zult sterven en niet levend blijven. 3 Toen keerde Hizkia zijn |
JESAJA 38.
1293
|
aangezicht naar den wand toe, en bad tot den Heer, 3 en sprak: Gedenk toch, o Heer, dat ik voor u gewandeld heb met getrouwheid en met een volkomen hart, en gedaan heb hetgeen goed was in uwe oogen. En Hizlda weende zeer. 4 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Je-saja, zeggende: 5 Ga heen en zeg aan Hizkia: Dus spreekt de Heer, de God van uwen vader David: Ik heb uw gebed gehoord en uwe tranen gezien: zie, ik zal nog vijftien jaar aan uwe dagen toevoegen, 6 en zal u en deze stad redden uit de hand des ko-nings van Assyric, en ik zal deze stad beschermen. 7 En heb dit fot een tee-ken voor u van den Heer, dat de Heer doen zal hetgeen hij gesproknu heeft: 8 zie, ik zal de schaduw aan den zonnewijzer van Achaz tien graden achterwaarts doen keeren, over welke zij geloopen is. —-En de zon keerde tien graden terug aan den wijzer, over welke zij geloopen was. 9 Dit is het geschrift van Hizkia den koning van Ju-da, toen hij krank geweest en van zijne krankheid hersteld was. |
10 Ik sprak, toen mijn tijd uit was: Nu moet ik tot de poorten des grafs varen, nu ik gedacht had nog langer te leven. 11 Ik sprak: Nu zal ik niet meer den Heer zien, den Heer, in het land der levenden; nu zal ik niet meerde menschen aanschouwen, bij degenen die hunnen tijd uitleven. 12 Mijn tijd is heen en van mij weggevoerd gelijk eene herdershut, en ik heb mijn leven als een wever afgeweven; hij zal mij afsnijden van den weversdraad, Tan den nacht tot den dag zult gij een einde aan mij gemaakt hebben. 13 Ik dacht: Mocht ik tot morgen toe leven; maar hij brak mij al de beenderen, gelijk een leeuw; want van den nacht tot den dag zult gij een einde aan mij gemaakt hebben. 14 Ik piepte gelijk een kraanvogel of eené zwaluw, eu ik kirde als eene duif; mijne oogen dreigden te breken. Heer, mij is bang, wees mijn borg. 15 Wat zal ik nu zeggen? Wat hij mij toegezegd heeft, dat heeft hij volbracht. Ik zal mij ontzien mijn leven |
JESA J A 39.
1394
|
lang, wegens de bittere droefenis mijner ziel. 16 Heer, daarbij leeft men, en in dit alles is bet leven mijns geestes, dat gij mij bersteld en in bet leven teruggeroepen bebt. 17 Zie, om troost was ik zeer verlegen; maar gij bebt u mijne ziel hartelijk aangetrokken, opdat zij niet verderven zoude; ja al mijne zonden bebt gij aebter uwen rug geworpen. 18 Want bet graf looft u niet, ook prijst de dood u niet; en wie in den kuil nederdalen, waobten niet meer op uwe trouw; 19 maar alleen die leven, loven u, gelijk ik nu doe; de vader zal den kinderen uwe trouw verkondigen. 20 De Heer is mijn helper geweest, daarom zullen wij op mijn speeltuig spelen , zoolang wij leven, in bet buis des Heeren. 21 En Jesaja beval dat men eene pleister van vijgen zou nemen en op zijn gezwel leggen, opdat bij genezen zou worden. 22 En Hizkïa zeide: Wat zal bet teeken zijn, dat ik in het huis des Heeren zal opgaan ? |
HOOFDSTUK 39. 1 In dien tijd zond Me-rodaeb-Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en geschenken aan Hizkïa; want hij had gehoord dat hij krank geweest en weder gezond geworden was. 2 Daarover verblijdde zich Hizkia, en toopde bun zijn schatbuis, bet zilverquot; en goud, en de specerijen, den kostelijken balsem, en al zijne wapenbuizen, en al den schat dien bij had: niets was er dat Hizkia hun niet toonde, in zijn buis en in zijne heerschappij. 3 Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia , en sprak tot hem: Wat zeggen deze mannen, en vanwaar komen zij tot u? Hizkia sprak: Zij komen tot mij uit verre landen, uit Babel. ■1 En hij zeide: Wat hebben zij in uw buis gezien ? En Hizkia zeide: Zij hebben gezien alwat in mijn buis is, en er is niets in mijne schatten dat ik bun niet heb doen zien. 5 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des Heeren Zebaóth: 6 Zie, de tijd komt, dat alwat in uw buis is, en |
T
JESAJA 40.
1295
|
wat uwe vaderen verzameld Lebben tot op dezen dag toe, naar Babel zal weggevoerd worden, zoodat er niets overblijven zal, spreekt de Heer. 7 Daarenboven zullen zij uwe kinderen, die uit u voortkomen zullen, die gij verwekken zult, nemen om kamerdienaars te zijn aan liet hof des konings van Babel. 8 En Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des Hoeren is goed dat gij gesproken hebt. Voorts zeide hij: Er zij slechts vrede en trouw terwijl ik leef. HOOFDSTUK 40. 1 Troost, troost mijn volk, spreekt uw God. 2 Spreekt met Jeruzalem vriendelijk, en predikt haar dat haar strijd een einde heeft, dat hare misdaad vergeven is, en dat zij dubbel ontvangen heeft van de hand des Heeren voor al hare zonden. 3 Er is eene stem eens predikers in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren , maakt op het veld eene ett'ene baan voor onzen God. |
4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvels zullen vernederd worden; en wat ongelijk is, dat zal elten, en wat hobbelig is, dat zal vlak worden. 3 Want de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vleesoh tegelijk zal zien dat de mond des Heeren het gesproken heeft. 6 Eene stem zeide: Predik. En ik zeide: Wat zal ik prediken? — Alle vleeseh is gras, en al zijne bevalligheid is als eene bloem des velds: 7 het gras verdort, de bloem verwelkt, als de adem des Heeren daarop blaast; voorwaar het volk is gras. • 8 Het gras verdort, de bloem verwelkt; maar het woord onzes Gods blijft in eeuwigheid. 9 Gij Sions heilherauten, klimt op een hoogen berg; gij heilherauten van Jeruzalem , verheft uwe stem met macht, verheft ze en vreest niet; zegt tot de steden van Juda: Zie hier is uw God. 10 Want zie, de Heere Hee- _ re komt met kracht, en zijn arm zal heerschen; zie, zijn loon is met hem, en zijne vergelding gaat voor hem uit. 11 Hij zal zijne kudde ^ weiden gelijk een herder, |
JESAJA 40.
1296
|
hij zal de lammeren in zijne armen vergaderen en in zijnen schoot dragen, en de zoogende schapen zachtkens leiden. 12 Wie meet de wateren met de vuist en vat den hemel met eene span, en omgrijpt de aarde met een drieling, en weegt de bergen met een gewicht en de heuvelen met eene weegschaal? 13 Wie onderricht den Geest des Heeren, en welke raadgever onderwijst hem? 14 Wien vraagt hij om raad, die hem verstand zou geven, en hem leeren den . weg des rechts? die hem wetenschap zou leeren, en hem bekendmaken den weg des verstands? 15 Zie, de volken zijn [amp;)' heirï] geacht als een druppel die in den emmer blijft, en als een scherfje dat in de weegschaal blijft; zie, de eilanden zijn als stof; 16 de Libanon zou te weinig zijn tot een vuur, en zijne dieren te weinig tot een brandofler; 17 alle volken zijn als niets bij hem, minder dan niets en ijdelheid bij hem geacht. 18 Naar wien zult gij dim God afbeelden, of welk eene gelijkenis op hem toepassen? |
19 De meester giet een beeld, en de goudsmid verguldt het, en maakt er zilveren ketentjes aan. 20 Wie slechts een arm hefofier kan geven, die kiest een hout uit dat niet verrot , en zoekt een kundigen meester op, om hem een beeld te uereiden dat bestand zij. 21 Weet gij het dan niet, hebt gij het niet gehoord, is het u niet van den beginne af bekendgemaakt, hebt gij niet gelet op de grondvesten der aarde? 22 Hij zit boven den aardkloot , en die daarop wonen zijn als sprinkhanen; hij is het die den hemel uitspant als een zeil, en hem uitbreidt als eene tent waarin men w7oont; 23 die de vorsten tot niets en de rechters der aarde tot ijdelheid maakt, 24 als had hun stam noch plant, noch zaad, noch wortels in de aarde; zoodat zij als hij er op blaast verdorren , en een wervelwind hen als stoppels wegvoert. 35 Naar wien wilt gij mij dan afbeelden, aan wien ik gelijk zou zijn? spreekt de Heilige. 2G Heft uwe oogen op in |
JESAJA 41.
1297
|
de hoogte, en ziet: wie heeft deze dingen geschapen , en voert hun heir uit bij getal? die ze alle bij name roept; zijn vermogen is zóó sterk, zijne kracht zóó groot, dat er niet één van gemist wordt. 27 Waarom spreekt gij dan o Jakob, en zegt o Israël: Mijn weg is den Heer verborgen , en mijn recht gaat voor mijnen God voorbij? 28 Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? De Heer, de eeuwige God, die de einden der aarde geschapen heeft, wordt niet moede noch mat; zijn verstand is ondoorgrondelijk. 29 Hij kracht, en vermeerdert de sterkte bij den machte-looze. 30 Jongen kunnen moede en mat worden, en de jongelingen struikelen en vallen; 31 maar wie op den Heer wachten, verkrijgen nieuwe kracht, dat zij opvaren met vleugelen als de arenden, dat zij loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden. HOOFDSTUK 41.. 1 Zwijgt stil voor mij, gij eilanden, en dat de volken zich versterken; laat hen geeft den moede |
toetreden, en dan spreken; wij zullen tezamen richten. 2 Wie heeft dien rechtvaardige uit het oosten verwekt? Wie riep hem dat hij ging? Wie gaf volken en koningen aan hem over, dat hij hen machtig werd, en gaf ze aan zijn zwaard als stof, en aan zijnen boog als verstrooide stoppels, 3 dat hij hen achterna-joeg, en voorttrok in vrede, op een weg dien zijn voet nooit betrad? 4 Wie deed dit en vol-voerde het, en riep alle menschen van den beginne af? Ik ben het, de Heer, . de eerste en de laatste. 5 Toen de eilanden dat \ zagen, vreesden zij, en de einden der aarde verschrikten , zij naderden en traden toe. G De één hielp den ander, en zeide tot zijnen naaste: Houd moed. 7 De timmerman nam den goudsmid bij zich, en zij maakten met den hamer het blik glad op het aanbeeld , zeggende: Dat zal fraai staan; en zij hechtten het met nagels vast, opdat het niet zoude wankelen. 8 Gij clan Israël mijn knecht, Jakob dien ik verkoren heb, gij zaad van Abraham mijnen vriend; |
JESAJA 41.
1298
|
9 gij dien ik gegrepen hel) van de einden der aarde, en geroepen van hare grenzen, en tot u gezegd heb: Gij zult mijn knecht zijn, u heb ik uitverkoren, en verwerp u niet: — 10 vrees niet, ik ben met u; wijk niet, want ik ben uw God; ik sterk vi, ook help ik u, ik onderhoud u door de rechterhand mijner gerechtigheid. 11 Zie, beschaamd en te schande zullen worden allen die toornig op u zijn; zij zullen worden als niets, en de lieden die met u twisten zullen omkomen, 13 zoodat gij naar hen zult vragen en ze niet vinden; de lieden die met u twisten, zullen worden als niets, en de lieden die tegen u strijden, zullen een 4 einde hebben. 13 Want ik ben de Heer uw God, die uwe rechterhand sterk, en tot u zeg: Vrees niet, ik help u. 14 Vrees dan niet, gij wormpje van Jakob, gij arme hoop van Israël. Ik help u, spreekt de Heer, en uw Verlosser, de Heilige van Israël. 13 Zie, ik heb u tot een schei-pen nieuwen dorsch-wagen gemaakt, die pennen heeft, dat gij bergen zoudt kunnen in stukken dorsohen en vermalen, en heuvelen in kaf veranderen; |
16 gij zult ze verstrooien, dat de wind ze wegvoert en de wervelwind ze verwaait; maar gij zult vroo-lijk zijn in den Heer, en zult u beroemen op den Heilige van Israël. 17 De verdrukten en armen zoeken water, en het is er niet; hunne tong' verdroogt van dorst; maar ik de Heer zal hen verhooren, ik de God van Israël zal hen niet verlaten; 18 ik zal waterstroomen op de hoogten openen, en fonteinen midden op de velden; ik zal de woestijn maken tot eene zee van water, en het dorre land tot waterwellen; 19 ik zal in de woestijn ceder-, vure-, mirte- en olijfboomen planten, ik zal pp de velden denne-, beuke-Jsn buxboomen tegelijk zetten; J 20 opdat men zie en er-kenne en merke en tegelijk versta, dat de hand des Heeren dit gedaan heeft en dat de Heilige van Israël dit geschapen heeft. 21 Zoo brengt dan uwe twistzaak voor, spreekt de Heer; brengt herwaarts waarop gij vertrouwt, spreekt Jakobs Koning. |
JESAJA 43.
1299
|
32 Dat zij herwaarts toetreden en ons verkondigen wat toekomende is; verkondigt ons en profeteert het vorige, laat ons daarop letten met ons hart, en merken hoe het later gaan zal; of doet ons hooren wat toekomende is. 33 Verkondigt ons wat hierna komen zal, zoo zullen -wij merken dat gij goden zijt; doet tenminste eenig goed of kwaad, zoo zullen wij verbaasd staan als wij het zien. 24 Zie, gijlieden zijt niets, en uw doen is enkel nietigheid, en die u verkiest is een gruwel. 25 Maar ik verwek eenen van het noorden, en hij komt van den opgang der zon; bij zal hun mijnen naam prediken, en zal geweldigen vertreden als leem, en zal het slijk treden gelijk een pottenbakker. 36 Wie kan iets verkondigen van het begin , zoo zullen wij het vernemen; of profeteeren lang tevoren, zoo zullen wij zeggen: Gij spreekt recht. Maar er was geen verkondiger, niemand die iets hooren liet, niemand hoorde een woord van u. 27 Ik ben de eerste die tot Sion zeg: Zie, daar is het. En ik geef Jeruzalem predikers. |
38 Want ik zag toe, maar er was niemand, en zag onder hen, maar er was geen raadgever; ik vraagde hun, maar zij antwoordden niets. 39 Zie, hun doen is alte-maal ijdelheid en niets, hunne afgoden zijn wind en nietigheid. HOOFDSTUK 42. 1 Zie, dit is mijn knecht dien ik ondersteun, en mijn uitverkorene aan wien mijne ziel een welbehagen heeft. Ik heb hem mijnen Geest gegeven, hij zal het recht onder de volken brengen. 2 Hij zal niet schreeuwen noch roepen, en men zal zijne stem niet hooren op de straten. 3 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblusschen; hij zal het recht in waarheid voortbrengen. 4 Hij zal niet moedeloos noch mat worden, totdat hij het recht op de aarde zal bevestigd hebben, en de eilanden zullen op zijne wet wachten. 5 Dus spreekt God de Heer, die de hemelen schiep |
JESAJA 42.
1300
|
en uitbreidde, die de aarde heeft gemaakt en haar ge-was, die den adem geeft aan de volken die er op zijn, en den geest aan hen die er op wandelen: r*1- 6 Ik de Heer heb u geroepen met gerechtigheid, en heb u bij uwe hand gevat, en heb u behoed; en ik heb u den volke gegeven tot een verbond, den heidenen tot een licht, 7 om de oogen der blinden te openen, en de gevangenen uit de gevangenis te voeren; en die in de duisternis zitten, uit het gevangenhuis. «ssss, 8 Ik ben de Heer, dat is mijn naam, en ik wil mijne eer aan geen ander geven, noch mijnen roem den afgoden. 9 Zie, wat komen zou, dat is gekomen, en nu kondig ik nieuwe dingen aan, eer zij uitspruiten doe ik ze u hooren. 10 Zingt den Heer een nieuw lied, zijnen roem aan de einden der wereld; gij die de zee bevaart en wat daarin is, en gij die de eilanden bewoont. 11 Dat de woestijn met hare steden hare stem ver-heffe , de dorpen door Kedar bewoond; dat juichen wie in de rotssteenen wonen, en |
dat zij roepen van de hoogten der bergen! 13 Dat zij den Heere de eer geven, en zijnen roem ;in de eilanden verkondingen ! 13 De Heer zal uittrekken als een held, hij zal zijnen ijver opwekken als een krijgsman ; nij zal juichen en een groot krijgsgeschreeuw maken, hij zal.zijne vijanden overweldigen. 14 Ik zweeg wel een tijdlang , en was stil en onthield mij; maar nu zal ik het uitschreeuwen als eene barende , ik zal ze verwoesten en allen verslinden; 15 ik zal de bergen en de heuvelen verwoesten, en al hun gras doen verdorren; ik zal de waterstroomen tot eilanden maken, en de zeeën uitdrogen; 16 de blinden zal ik langs ' een weg leiden dien zij niet kenden, ik zal hen voeren op paden die zij niet wisten, ik zal de duisternis voor hen uit tot een licht, en het hobbelige effen maken: dit zal ik hun doen, en zal ze niet verlaten. 17 Maar wie zich op de afgoden verlaten, en tot gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden, die zullen achterwaarts wijken en te schande worden. 18 aansc blinc 19 mijn doof ik a als blim Heei 30 z\) ren. 31 hem rech zijne gevt 33 gep] allei en genl rooi red( niei der 3S den opn na 34 plu Isrf niei teg. het nie |
JESAJA 43.
1301
|
loog- 18 Hoort, gij dooven;en aanschouwt en ziet, gij e de blinden. roem 19 Wie is zoo blind als Midi- mijn knecht, en wie is zoo doof gelijk mijn bode dien kken ik zend? Wie is zoo blind ijnen als de volmaakte, ja zoo rijgs- blind als de knecht des i een Heeren ? ma- 30 Men predikt wel veel, nden maar zij houden het niet; men zegt hun genoeg, maar tijd- zij willen het niet hoo-lield ren. , uit- 3 L Nochtans wil do Heer iren- hem weldoen om zijner gein en rechtigheid wil, en hem zijne groote en heerlijke wet in de geven. m al 33 Het is een beroofd en ren; geplunderd volk, zij zijn i tot allen verstrikt in de holen eecn en verstoken in de gevangenhuizen, zij zijn tot een angs quot;* roof geworden en er is geen niet 1 redder, geplunderd en er is eren niemand die zegt: Geef weiten, der. hen 33 Wie is er onder ulie-het den die ter oore neemt, dio dit opmerkt en hoort wat hier-d ze : na komt? 34 Wie heeft Jakob ter ) de plundering overgegeven, en tot Israël aan de roovers? Heeft Gij niet de Heer het gedaan, Hen tegen wien wij gezondigd i tc hebben? Doch zij wilden niet wandelen op zijne wegen, en hoorden niet naar |
zijne wet. 35 Daarom heeft hij over hen uitgeschud de grimmigheid zijns toorns, en des oorlogs geweld, en heeft hen rondom in vlam gezet, maar zij merkten het niet; en hij heeft hen verteerd, maar zij namen het niet ter harte. HOOFDSTUK 43. 1 En nu spreekt de Heer, die u geschapen heeft o Jakob, en u gemaakt heeft o Israël: quot;Vrees niet, want ik heb u verlost, ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt de mijne. 3 Als gij door het water gaat, zoo zal ik bij u zijn, dat de stroomen u niet zullen overstelpen; en als gij in het vuur gaat, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet verteren. 3 Want ik ben de Heer uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; ik heb Egypte, Moorenland en Se-ba in uwe plaats tot eene verzoening gegeven. 4 Dewijl gij waardig in mijne oogen geacht zijt, zoo moogt gij ook heerlijk zijn, en ik heb u lief; daarom geef ik menschen in uwe plaats, en volken voor uwe ziel. 5 Vrees dan niet, want ik |
JESAJA 43,
1302
|
ben met u; ik zal uw zaad van het oosten brengen, en zal u van het westen verzamelen , 6 en zal zeggen tot het noorden: Geef herwaarts, en tot het zuiden: Houd niet terug, breng mij mijne zonen van verre en mijne dochters van het einde der aarde, 7 allen die naar mijnen naam genoemd zijn, en die ik geschapen heb tot mijne heerlijkheid, die ik bereid en gemaakt heb. 8 Breng vóór het volk dat blind is, schoon het oogen heeft, en die doof zijn, schoon zij ooren hebben. 9 Laat alle volken in menigte tezamenkomen, en de natiën zich verzamelen. Wie is er onder hen die dat verkondigen kan, en ons vooraf doen hooren wat er geschieden zal ? Dat zij hunne getuigen voorbrengen, en zich rechtvaardigen, zoo zal men het hooren en zeggen: Het is waarheid. 10 Maar gijlieden zijt mijne getuigen, spreekt de Heer, en mijn knecht dien ik verkoren heb, opdat gij het weet, en mij gelooft, en verstaat dat ik het ben; vóór mij is geen God gemaakt, ook zal er na mij geen zijn: 11 ik, ik ben de Heer, en er is geen Heiland buiten mij. |
13 Ik heb het verkondigd, en heb ook geholpen, en heb het u doen hooren, en geen vreemde god was er onder u; gij zijt mijne getuigen, spreekt de Heer, dat ik God ben. 13 Ook ben ik vóór het begin der dagen, en niemand is er die uit mijnequot; hand redden kan; wat ik werk, wie kan dat keeren? 14 Dus spreekt de Heer, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Om uwentwil heb ik naar Babel gezonden, en heb al de grendels nedergestooten, en de klagende Chaldeën in de schepen gejaagd. 15 Ik ben de Heer, uw Heilige; ik, die Israël geschapen heb, ben uw Koning. 16 Dus spreekt de Heer, die in de zee een weg en in de geweldige wateren eene baan bereidde; 17 die wagens en paarden, heir en macht deed opkomen, dat zij op een hoop daar nederlagen en niet weder opstonden, dat zij nit-gebluscht waren, gelijk eene vlaswiek uitgaat: 18 Gedenkt niet meer aan het oude, en let niet meer op het voorledene; |
JESAJA 44.
1303
|
19 want zie, ik zal wat nieuws verrichten, nu zal liet uitspruiten: zoudt gij liet niet gewaarworden? Ja in de woestijn zal ik een weg maken, en waterstroo-men in de wildernis, 30 dat het gedierte op het veld, de draken en struisen mij prijzen; want ik zal water in de woestijn, en stroomen in de wildernis geven, om mijn volk, mijne uitverkorenen te drenken. 31 Dit volk heb ik mij bereid, het zal mijnen roem verkondigen. 33 Niet dat gij mij hadt geroepen o Jakob, of dat gij u om mij vermoeid hadt o Israël! 33 Mij hebt gij niet gebracht de schapen uwer brandolfers , noch met uwe slachtoffers mij geëerd; en ik heb geen lust gehad in uwen dienst, en heb u niet vermoeid met wierook. 34 Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, mij niet verzadigd met het vet uwer slachtotlers. Neen, met uwe zonden hebt gij mij moeite verwekt, en met uwe misdaden hebt gij mij vermoeid. 35 Ik, ik delg uwe overtredingen uit om mijnentwil, en gedenk niet meer aan uwe zonden. |
36 Maak mij indachtig' laat ons samen richten' breng bij, waarmede gij u rechtvaardigen wilt. 37 Uwe voorouders hebben gezondigd, en uwe leeraars hebben tegen mij misdaan: 38 daarom heb ik de vorsten des heiligdoms ontheiligd , en heb Jakob tot eene verbanning gemaakt, en Israël tot hoon. HOOFDSTUK 44. 1 Hoor dan nu, mijn knecht Jakob, en Israël dien ik verkoren heb. 3 Dus spreekt de Heer, die u gemaakt en bereid heeft, en die u bijstaat van den moederschoot af: quot;Vrees niet, mijn knecht Jakob, en gij vrome dien ik verkoren heb; 3 want ik zal water gieten op de dorstigen en stroomen op het droge, ik zal mijnen Geest uitgieten op uw zaad, en mijnen zegen op uwe nakomelingen, 4 zoodat zij wassen zullen als gras, als de wilgen aan de waterbeken. 5 Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren; en gene zal zich noemen met den naam Jakob, en deze zal met zijne hand schrijven: |
J ESA J A 44.
1304
|
„Voor den Heer!quot; en zal den toenaam Israël aannemen. 6 Dus spreekt de Heer, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de Heer Ze-baóth: Ik ben de eerste en ik ben de laatste, en buiten mij is er geen Gotl. 7 En wie is mij gelijk, die roepen en verkondigen en liet mij bereiden zal; ik, die van het begin der wereld af een volk gesteld heb; of dat zij het toekomende en hetgeen gebeuren zal verkondigen? 8 Vreest dan niet en verschrikt niet; heb ik het u niet van dien tijd af doen hooren en het verkondigd ? Want gij zijt mijne getuigen of er een God is buiten mij. Er is geen andere steenrots, ik ken er geen. 9 De afgodenmakers zijn allen ijdel, en hunne kunstige werken zijn van geen nut; zij zelve zijn hunne getuigen: zij zien niets en merken ook niets, daarom moeten zij te schande worden. 10 Wie zijn zij die een god maken, en beelden gieten die geen nut doen? 11 Zie, al hunne metgezellen worden te schande; want de werkmeesters zelve zijn niet meer dan menschen: al kwamen zij ook allen tezamen , moeten zij nochtans vreezen en te schande worden. |
13 De één smeedt het ijzer met de tang, arbeidt in den gloed, en bereidt het met hamers, en bewerkt het met al de kracht zijns arms; hij lijdt ook honger totdat hij niet meer kan, drinkt ook geen water totdat hij mat wordt. 13 De ander timmert hout, en meet het met het richtsnoer, en teekent het af met de stift, en bearbeidt het met den beitel, en teekent het met den passer af, en maakt het naar de gedaante eens mans, als een schoon menschenbeeld, om in een tempel te wonen. 14 Hij gaat er wakker aan onder de boomen in het woud, om cederen aftehou-wen, en neemt beuken en eiken; hij plant een olmboom, dien de regen doet groeien, 15 en die den lieden brandstof geeft, om daarvan te nemen en zich daarbij te warmen, of dien hij ontsteekt om er brood op te bakken; — van datzelfde maakt hij een god en buigt er zich voor neder, hij maakt er een beeld van waarvoor hij knielt. 16 De helft verbrandt hij |
JESAJA. 44.
1305
|
in het vuur, bij de helft eet hij vleesch, hij braadt er zijn gebraad op en verzadigt zich, ook warmt hij er zich bij en zegt: Ha, ik ben warm geworden, ik verlustig mij aan het vuur: — 17 maar het pverige maakt hij tot een god, tot zijn beeld, waarvoor hij knielt en neder valt, en dat hij aanbidt, en zegt: Help mij, want gij zijt mijn god. 18 Zij weten niets en verstaan niets, want hunne oogen zijn zoo verblind dat zij niet zien, en hunne harten dat zij het niet begrij- Pen; 19 en zij overleggen met in hun hart, en geen verstand noch oordeel is er om te denken: Ik heb de helft met vuur verbrand, en op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, en vleesch gebraden en gegeten: en zoude ik het overige tot een verfoeisel maken, en knielen voor een houten blok? 30 Hij verblijdt zich met asch, het bedrogen hart leidt hem terzijde af, zoodat hij zijne ziel niet redden kan, noch denken: Is het ook bedriegerij wat mijne rechterhand bedrijft? 31 Gedenk daaraan o Jakob, en Israël, dat gij mijn knecht zijt; ik heb n bereid , opdat gij mijn knecht zoudt zijn; gij Israël, vergeet mij dan niet. |
33 Ik delg uwe misdaden uit als eene wolk, en uwe zonden als een nevel: keer tot mij weder, want ik verlos u. 33 Juicht gij hemelen, want de Heer heeft het gedaan ; galm uit, gij aarde beneden; gij bergen, zijt vroolijk met gejuich, gij woud en alle boomen daarin, want de Heer heeft Jakob verlost en is heerlijk in Israël. 34 Aldus spreekt de Heer, uw Verlosser, die u bereid heeft van den moederschoot af: Ik ben de Heer, die alles doe, die den hemel uitspan alleen, en de aarde uitbreid zonder medehelpers; 35 die de teekenen der waarzeggers vernietig, en de wichelaars zinneloos maak; die de wijzen achterwaarts doe keeren, en hunne kunst tot dwaasheid maak; 36 maar die het woord mijns knechts bevestig, en den raad mijner boden volbreng; die tot Jeruzalem zeg: Word bewoond, en tot de steden van Juda; Wordt gebouwd, en die hare puinhoopen opricht; 37 ik die tot de diepte |
JESAJA 43,
1306
|
zog: Verdroog, en uwe stroomen doe verscliroeien; 28 ik die van Kores zeg: Hij is mijn herder, en hij zal al mijnen wil volbrengen, en zal tot Jeruzalem zeggen: Word gebouwd, en tot den tempel: Word gegrondvest. HOOFDSTUK 45. 1 Dus spreekt de Heer aangaande Kores, quot;ijnen gezalfde: Hij is het dien ik bij zijne rechterhand vat, opdat ik de volken voor hem nederwerpe, en den koningen het zwaard afgor-de; opdat voor hem alle deuren geopend worden, en geen poorten voor hem toegesloten blijven. 3 Ik zal voor u uitgaan, en het hobbelige eli'en maken ; ik zal de koperen deuren in stukken slaan, en de ijzeren grendels verbreken, 3 en zal u geven de heimelijke schatten, en de verborgen kleinoodiën; opdat gij erkent dat ik, de Heer, de God van Israël, u bij uwen naam genoemd heb, 4 terwille van Jakob mijnen knecht en van Israël mijnen uitverkorene; ja ik riep u bij uwen naam, en noemde u, toen gij mij nog niet kendet. |
5 Ik ben de Heer, en niemand anders; geen God is er dan ik alleen. Ik heb u toegerust toen gij mij nog niet kendet, 6 opdat men ondervinde, zoo van den opgang der zon als van haren ondergang , dat er buiten mij geen [GW] is; ik beu de Heer, en niemand anders; 7 ik, die het licht niaak en de duisternis schep, die vrede geef en het kwade schep; ik, de Heer, ben het die dat alles doe. 8 Druppelt, gij hemelen, van boven af; en stroomt, o wolken, gerechtigheid neder; de aarde opene zich en brenge heil voort, en doe gerechtigheid mede opwassen : ik, de Heer, schep het. 9 quot;Wee hem die met zijnen Schepper twist, de scherf met den pottenbakker des leems. Zegt ook het leem tot zijnen pottenbakker: Wat doet gij ? en uw werk: Hij heeft geen handen? 10 Wee hem die tot den vader zegt: Waarom hebt gij mij verwekt? en tot zijne moeder: Waarom baar-det gij? 11 Dus spreekt de Heer, de Heilige van Israël, en hun Meester: Zal men van mij eischen wat gebeuren |
JESAJA 45.
1307
|
moet, en aangaande mijne kinderen, het werk mijner handen, mij bevelen geven? 13 Ik heb de aarde gemaakt, en den menseh daarop geschapen; ik ben het wiens handen den hemel uitgebreid hebben, en ik geef bevel aan al zijn heir; 13 ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijne wegen zal ik eften maken; hij zal mijne stad bouwen, en mijne gevangenen loslaten, niet voor geld noch geschenken, spreekt de Heer Zebaoth. Ié Dus spreekt de Heer: De handel der Egyptenaars en het gewin van de Moo-ren en Sabeërs, die rijzige lieden, zullen tot u overkomen en uwe zijn; zij zullen u volgen, in boeien zullen zij gaan, en voor u nedervallen, en u smeeken; want God is met u, en er is anders geen God meer. 15 Voorwaar gij zijt een verborgen God, gij Israels God en Heiland. 16 Maar wie afgodsbeelden maken, moeten allen beschaamd en te schande worden, en met elkander schaamrood heengaan. 17 Maar Israel wordt verlost door den Heer met eene eeuwige verlossing, gij wordt niet beschaamd noch. |
te schande in alle eeuwigheid. 18 Want dus spreekt de Heer, die den hemel geschapen heeft, de God die de aarde gemaakt en haar bereid en bevestigd heeft; die haar niet gemaakt heeft opdat zij ledig zoude zijn, maar toebereid opdat men daarop wonen zoude: Ik ben de Heer, en niemand anders; 19 ik heb niet in het verborgen gesproken in eene donkere plaats der aarde, ik heb tot Jakobs zaad niet tevergeefs gezegd: Zoekt mij; want ik ben de Heer, die spreek hetgeen waarachtig, en verkondig hetgeen recht is. 20 Dat zich vergaderen en tezamen toetreden de helden der volken, die niets weten, en hunne houten afgodsbeelden voortsleepen, en een god aanbidden die niet helpen kan. 21 Verkondigt het en voegt u hierheen, beraadslaagt tezamen: wie heeft dit doen hooren van de vroegste tijden af, en vanouds reeds bekendgemaakt? Heb ik het niet gedaan, de Heer? Neen er is geen God behalve ik, een rechtvaardig God en een Heiland is er niet buiten mij. |
.
JESAJA
1308
|
33 Wendt u naar mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde; want ik ben God, en niemand meer. 23 Ik zweer bij mijzelven, en een woord dat waarachtig is gaat uit mijnen mond, daarbij zal het blijven: voor mij zullen alle knieën zich buigen, en alle tongen zullen zweren, 24 en zeggen: In den Heer is gerechtigheid en sterkte; tot hem moet men komen, maar allen die hem tegenstaan moeten te schande worden; 25 want in den Heer wordt gerechtvaardigd en zal zich beroemen al het zaad van Israël. HOOFDSTUK 46. 1 Bel is nedergebogen, Nebo is gevallen, hunne beelden zijn op de dieren en het lastvee als pakken geladen , zoodat zij zich moede dragen aan den last; 3 ja zij vallen en buigen zich altezamen, zij kunnen den last niet wegbrengen, maar moeten zelve mede in gevangenschap gaan. — 8 Hoort naar mij, gij huis van Jakob, en al de overgeblevenen van het huis van Israël; gij die door mij gedragen zijt van de geboorte af, en opgenomen van den moederschoot af; |
4 ja ik zal u dragen tot in den ouderdom toe, en totdat gij grijs wordt zal ik het doen; ik zal [V] steunen en dragen en redden. 5 Naar wien zoudt gij mij afbeelden, en bij wien mij vergelijken? Naar wien zoudt gij mij meten, dien ik gelijk zoude zijn? 6 Zij schudden het goud uit de beurs, en wegen het zilver toe met de schaal, en huren een goudsmid, om daarvan een god te maken, voor wien zij knielen en zich nederbuigen; 7 zij heften hem op den schouder, en dragen hem en zetten hem aan zijne plaats: daar staat hij, en komt niet van zijne plek; roept iemand tot hem, zoo antwoordt hij niet, en helpt hem niet uit zijnen nood. 8 Gedenkt hieraan en zijt kloek; neemt dit ter harte, gij overtreders. 9 Gedenkt aan het voor-ledene van ouds af, dat ik God ben, en niemand meer; een God wiens gelijke nergens is: 10 ik die tevoren verkondig hetgeen hierna komen zal, en vooraf hetgeen nog niet aanwezig is, en zeg: Mijn raad zal bestaan, en |
JESAJA 47.
1309
|
ik doe alles wat mij behaagt; •— 11 ik die een roofvogel roep uit het oosten, en een man die mijnen raad doet uit verren lande; wat ik zeg, dat zal ik ook doen komen; wat ik denk, dat zal ik ook volvoeren. 12 Hoort naar mij, gij on-buigzamen van hart, gij die -verre zijt van de gerechtigheid: 13 ik heb mijne gerechtigheid nabij gebracht, zij is niet meer ver, en mijn heil vertoeft niet; want ik zal op Sion heil geven, en aan Israël mijne heerlijkheid. HOOFDSTUK 47. 1 Daal neder, jonkvrouw, gij dochter van Babel, zet u in het stof, zet u op de aarde; want de dochter der Chaldeën heeft geen troon meer, men zal u niet meer de teedere en wellustige noemen. 3 Neem den molen en maal meel; ontvlecht uwe haarlokken, ontbloot den voet, ontdek den schenkel, waad door het water, 3 opdat uwe schaamte ontdekt en uwe schande gezien worde; ik zal mij wreken, en mij door niemand laten verbidden. |
4 Onze Verlosser is hg wiens naam is Heer Ze-baoth, de Heilige van Israël. 5 Zet u in de stilte, ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeën; want gij zult niet meer beheerscheres der koninkrijken worden genoemd. 6 Want toen ik op mijn volk toornig was, gaf ik mijn erfdeel ontheiligd in uwe hand; maar gij beweest hun geen barmhartigheid, ook den ouden maaktet gij uw juk alte zwaar, 7 en dacht: Ik zal koningin zijn eeuwiglijk. Doch gij hebt dit niet ter harte genomen, noch daaraan gedacht, dat het zulk een einde nemen zou. 8 Hoor dan nu dit, gij die in weelde leeft en zoo gerust zit, en in uw hart zegt: Wat ik ben, dat is niemand meer; ik zal geen weduw worden noch onvruchtbaar blijven: — 9 maar die beide zullen u overkomen, schielijk, op één dag, kinderloosheid en weduwschap ; in volle mate zullen zij u overkomen, in spijt van de menigte uwer toóverijen en de veelheid uwer bezweringen. 10 Want gij hebt u op uwe boosheid verlaten, toen gij dacht: Men ziet mij niet. |
■
JESAJA 48.
1310
|
Uwe wijsheid en kunst heeft u ternedergestort; gij spraakt in uw hart: Wat ik ben, dat is niemand meer. 11 Daarom zal over u een ongeluk komen, welks dageraad gij niet weten zult; en een verderf zal u overvallen , dat gij niet zult kunnen verzoenen; en er zal plotseling eene verwoesting over u komen, die gij niet vermoedt. 12 Treed dan nu op met uwe bezweringen en met de menigte uwer tooverijen, met welke gij u van jongs af bemoeid hebt: misschien zult gij u voordeel kunnen verschaften, misschien u kunnen sterken. 13 Gij zijt vermoeid van de menigte uwer raadslagen: laat herwaarts treden en u helpen die den loop des hemels waarnemen, die naaide sterren kijken, die naaide maanden berekenen wat u overkomen zal. 14 Zie, zij zijn als stoppels welke het vuur verbrandt; zij kunnen hun leven niet redden iiit de vlam; want het zal geen gloed zijn waarbij men zich warmen, noch een vuur waarbij men zitten kan. |
15 Alzoó zullen zij u zijn met wie gij u bemoeid iiebt, met wie gij van uwe jeugd af aan gehandeld hebt, elk zal zijns weegs dwalen, en er is niemand die u redden kan, HOOFDSTUK 48. 1 Hoort dit, gij huis van Jakob, gij die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit Juda's bron gevloten zijt; gij die zweert bij den naam des Heeren, en den God van Israël vermeldt, doch niet in waarheid en oprechtheid; 3 ja zij noemen zich naaide heilige stad, en steunen op den God van Israël, wiens naam is Heer Zebaöth. 3 Het toekomende heb ik tevoren verkondigd, uit mijnen mond is het voortgekomen, en ik heb het [«] laten zeggen; ik heb het schielijk gedaan en het kwam. 4 Want ik weet dat gij onbuigzaam zijt, en uw nek eene ijzeren spier, en uw voorhoofd koper is. 5 Ik heb het u lang tevoren verkondigd, en heb het u laten zeggen eer het gekomen is; opdat gij niet zoudt zeggen: Mijn afgod heeft het gedaan, en mijn gesneden beeld en afgod heeft het bevolen. 6 Dit alles hoort gij, en ziet het, en hebt het nochtans niet verkondigd. Van |
T
JESAJA
1311
|
nu af doe ik u nieuwe dingen liooren, en iets verborgens dat gij niet wist; . 7 nu eerst is het geschapen, en niet van voorlang; gij hebt niet één dag tevoren daarvan gehoord, opdat gij niet zeggen zoudt: Zie, dat wist ik wel. 8 Want gij hoordet het niet, en wist het ook niet, en uw oor was voorheen daarvoor niet geopend; want ik wist dat gij geheel trouweloos zoudt zijn, en van den moederschoot af de weerspannige genoemd zijt. 9 Daarom ben ik om mijnentwil lankmoedig, en om mijns roems wil zal ik mij, u ten goede, bedwingen, dat gij niet uitgeroeid wordt. 10 Zie, ik zal ïi louteren, echter niet als zilver, maar ik zal u beproeven in den smeltkroes der ellende. 11 Om mijnentwil, ja om mijnentwil zal ik het doen, opdat ik niet gelasterd worde; want ik wil mijne eer aan geen ander geven. 13 Hoor naar mij, o Jakob, en gij Israël, mijn geroepene. Ik bon het, ik ben do eerste, en ook de laatste; 13 mijne Land heeft den aardbodem gegrondvest, en mijne rechterhand heeft den hemel uitgespannen: wanneer ik ze roep, staan zij tezamen daar. |
14 Vergadert u allen en hoort: wie is er onder hen die deze dingen kon aankondigen ? l)e Heer heeft hem lief, daarom zal hij zijnen wil tegen Babel volbrengen, en zijn arm zal tegen de Chaldeën zijn. 15 Ik, ik heb het gezegd, ik heb hem geroepen, ik zal hem ook doen komen, en ziin weg zal voorspoedig zijn. 16 Treedt herwaarts tot mij en hoort dit: Ik heb het niet in het verborgen tevoren gesproken; van dien tijd af dat het gesproken werd, was ik daar; en nu zendt mij do Heere Heere en zijn Geest. 17 Aldus spreekt de Heer, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben de Heer uw God, die u leer hetgeen nuttig is, en u leid op den weg dien gij gaan moet. 18 Och dat gij op mijne geboden acht gaaft: uwe welvaart zou zijn als een waterstroom, en uwe gerechtigheid als de golven dér zee; 19 en uw zaad zou zijn als het zand, en de vrucht uws lichaams als het gruis der beken; zijn naam zou |
■
JESAJA 49.
1313
|
nooit worden uitgeroeid noch verdelgd voor mijn aangezicht. 30 Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeën, verkondigt met een vroolijk geluid en laat het hoorer., galmt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De Heer heeft zijnen knecht Jakob verlost. 21 Zij leden geen dorst, toen hij hen 1eidde in de woestijn; hij liet hun water uit de steenrots stroo-men; hij scheurde de steenrots , dat het water er uitvloeide. 33 Maar de goddeloozen, spreekt de Heer, hebben geen vrede. HOOFDSTUK 49. 1 Hoort naar mij, gij eilanden; en gij volken in verre landen, merkt op. De Heer heeft mij geroepen van den moederschoot af, hij heeft mijnen naam vermeld toen ik nog ongeboren was, 3 en heeft mijnen mond gemaakt tot een scherp zwaard, met de schaduw zijner hand heeft hij mij bedekt; hij heeft mij tot een glinsterenden pijl gemaakt, en mij in zijnen pijlkoker verborgen; |
3 en hij heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn knecht, door wien ik aan Israël wil verheerlijkt worden. 4 Maar ik dacht: Ik arbeidde tevergeefs, en verspilde mijne kracht ijdel en onnut: alhoewel mijne zaak des Heeren, en mijn ambt mijns Gods is. 5 En nu spreekt de Heer, die mij van den moederschoot af tot zijnen knecht bereid heeft, om Jakob tot hem te bekeeren, (en opdat Israël niet weggeraapt worde, daarom ben ik dierbaar voor den Heer, en is mijn God mijne sterkte), 6 zoo spreekt hij: Het is te gering dat gij mijn knecht zoudt zijn, ora de stammen van Jakob opterichten en het verwaarloosde in Israël te herstellen; maar ik heb u ook tot een licht dei-heidenen gesteld, opdat gij mijn heil zoudt zijn tot aan het einde der aarde. 7 Dus spreekt de Heer, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot hem van wien het volk een afschuw heeft, tot dien knecht der overheer-schers : Koningen zullen het zien en opstaan, en vorsten zullen aanbidden, om des Heeren wil die getrouw is, om den Heilige van Israël die u heeft uitverkoren. |
JESAJA 49.
1313
|
8 Dus spreekt de Heer: Ik heb u verhoord in den genadigen tijd, en heb u ten dage des heils geholpen ; en ik heb u behoed, en tot een verbond onder het volk gesteld; opdat gij het land zoudt oprichten, en de verwoeste erven doen innemen; 9 om te zeggen tot de gevangenen: Gaat uit, en tot hen die in de duisternis zijn: Komt aan het licht; opdat zij grazen aan alle wegen, en op alle heuvels hunne weide hebben. 10 Zij zullen noch hongeren noch dorsten, geen hitte noch zon zal hen steken; want hun Ontfermer zal hen leiden, en zal hen aan waterwellen voeren; 11 ik wil al mijne bergen tot een weg maken, en mijne paden zullen gebaand zijn. 12 Zie, deze zullen van verre komen, en zie, gene van het noorden; deze van de zee, en gene uit het land van Sinim. 13 Juicht gij hemelen, verheug u gij aarde; looft, gij bergen, met gejuich; want de Heer heeft zijn volk vertroost, en ontfermt zich over zijne ellendigen. 14 Doch Sion zegt: De Heer heeft mij verlaten, do Heer heeft mij vergeten. — |
15 Kan ook eene vrouw haar kind vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over den zoon haars sehoots? En al kon zij dien vergeten, zoo zal ik nochtans u niet vergeten. 16 Zie, in beide handpalmen heb ik u geteekend, uwe muren zijn gestadig vóór mij. 17 Uwe bouwmeesters zullen zich haasten, maar uwe verdervers en verwoesters zullen zich verwijderen. 18 Hef uwe oogen op rondom en zie, deze allen komen verzameld tot u. Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heer, gij zult met hen als met een sieraad bekleed worden, gelijk eene bruid u met hen versieren; 19 want uw woest, verstoord en bedorven land zal u te eng worden om er in te wonen, als uwe verdervers verre van u zijn zullen; 30 zoodat gij, die weleer kinderloos waart, uwe zonen zult hooren zeggen: De ruimte is mij te nauw, maak ruimte voor mij, dat ik wonen kan. 21 En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze verwekt? Ik was kinderloos, eenzaam, verdreven 42 |
JESAJA 50,
1314
|
en verstooten; wie heeft deze voor mij opgevoed? Zie, ik was alléén overgelaten , vanwaar dan toch zijn deze? — 32 Dns spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal mijne hand tot de heidenen op-heften , en onder de volken mijne banier opsteken; dan zullen zij uwe zonen brengen op den arm, en uwe dochters op de schouders aandragen; 33 en koningen zullen uwe voedsterheeren, en vorstinnen uwe zoogsters zijn; zij zullen voor u nedervallen op het aangezicht ter aarde, en het stof van uwe voeten likken; dan zult gij bevinden dat ik de Hebr ben, dat niet te schande worden wie op mij wachten. 34 Kan men ook een held zijne prooi ontnemen, of kan men den geweldenaar zijne gevangenen ontvoeren? 35 Doch aldus spreekt de Heer: Nu zullen de gevangenen den held ontnomen worden, en de prooi des geweldenaars zal hem ontvoerd worden, en ik zal met uwe twisters twisten, en uwe zonen helpen; |
26 en ik zal uwe verslin-ders spijzen met hun eigen vleesch, en zij zullen van hun eigen bloed, als van zoeten wijn, dronken worden ; en alle vleesch zal gewaarworden dat ik de Heer uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob. HOOFDSTUK 50. 1 l)us spreekt de Heer: Waar is de scheidbrief uwer moeder, quot;waarmede ik haar heb weggezonden ? Of waar is mijn schuldeischer aan wien ik u verkocht heb? Zie, gij zijt om uwe zonden verkocht, en uwe moeder is wegens uwe overtredingen weggezonden. 3 Waarom, als ik kwam, was er niemand, en antwoordde niemand als ik riep? Is mijne hand nu zoo kort geworden dat zij niet verlossen kan, of is er geen kracht in mij om te redden ? Zie, door mijn dreigen maak ik de zee droog, en maak de rivieren tot dorren grond, dat hare visschen wegens gebrek aan water stinken j en van dorst sterven; 3 ik bekleed den hemel met donkerheid, en geef rouwgewaad tot zijn bedek-sel. 4 De Heere Heere heeft mij eene bespraakte tong gegeven, opdat ik wete met de vermoeiden te spreken ter rechter tijd; hij wekt |
J1SAJA SI,
1315
|
mij eiken morgen, hij wekt mij liet oor, zoodat ik hoor als een leerling. 3 Da Heero Heere beeft mij liet oor geopend, en ik ben niet ongehoorzaam, en ga niet aphterwaarta. 6 Ik hield mijnen rug toe dengenen die mij sloegen, en mijne wangen dengenen die mij den baard uitplukten; mijn aangezicht verborg ik niet voor smaadheid en speeksel. 7 Want de Heere Heere helpt mij, daarom word ik niet te schande; daarom heb ik mijn aangezicht aangeboden als een keisteen, want ik weet dat ik niet te schande zal worden. 8 Hij is nabij die mij recht spreekt; wie zal met mij twisten? Laat ons tot elkander treden; wie heeft eene rechtzaak tegen mij? hij kome herwaarts tot mij. 9 Zie, de Heere Heere helpt mij, wie zal mij dan veroordeelen? Zie, zij zullen allen als een kleed verouderen, de motten zullen hen opeten. 10 Wie is er onder udie den Heer vreest, die aan de stem van zijnen knecht gehoor geeft? Als hij in het duister wandelt en geen licht hem beschijnt, dat hij ■vertrouwe op den naam des |
Heeren en zich verlate op zijnen God. 11 Zie, gij allen die een vuur ontsteekt, en u met vlammen toerust, wandelt in het licht uws vuurs, en in de vlam die gij ontstoken hebt. Doch ditwederr vaart u van mijne hand, dat gij in smart zult liggen. HOOFDSTUK 51. 1 Hoort naar mij, gij die de gerechtigheid najaagt, die den Heer zoekt: aanschouwt de steenrots waar-r uit gij gehouwen, en de steengroeve waaruit gij gegraven zijt; 2 aanschouwt Abraham uwen vader, en Sara die u gebaard heeft; want ik riep hem toen hij nog alléén was, en zegende hem, en vermenigvuldigde hem. 3 Zoo zal ook de Heer Sion troosten, hij zal troosten al hare woeste plaatsen, en hare woestijnen maken tot lusthoven, en hare velden tot een hof des Heeren; zoodat men er blijdschap en vreugd in vinden zal, danken lofgezang. 4 Geeft acht op mij, mijn volk; hoort naar mij, mijne lieden; want van mij zal eene wet uitgaan, en mijn recht zal ik tot een licht der volken stellen. |
JA 51,
JESA
1316
|
5 Want mijne gerechtigheid is nabij, mijn heil trekt uit, en mijn arm zal de volken richten; de eilanden wachten op mij, en verbeiden mijnen arm. 6 Heft uwe oogen op naaiden hemel, en aanschouwt de aarde beneden; voorwaar de hemel zal als een rook vergaan, en de aarde als een kleed verouderen, en die er op wonen zullen sterven als deze; maar mijn heil blijft eeuwig, en mijne gerechtigheid zal niet vernietigd worden. 7 Hoort naar mij, gij die de gerechtigheid kent, gij volk in welks hart mijne wet is, vreest niet als de lieden u smaden, en ontzet u niet als zij u vloeken; 8 want de motten zullen hen verteren als een kleed, en de wormen zullen hen opeten als wol; maar mijne gerechtigheid blijft eeuwig, en mijn heil immer en altoos. 9 quot;Waak op , waak op, bekleed u met macht, gij arm des Heeren , waak op als eertijds, van onds af; zijt gij het niet die Eahab vernield , en den draak gewond hebt? 10 Zijt gij het niet die de zee der groote diepe wateren uitdroogdet, die den grond der zee tot een weg maaktet, opdat de verlosten er doorgingen? |
11 Alzoo zullen de verlosten des Heeren wederkee-ren en met roem tot Sion komen, en eeuwige vreugd zal op hun hoofd zijn; blijdschap en vreugd zullen zij aangrijpen, droefenis en klacht zal van hen wegvlie-den. 12 Ik, ik ben uw Trooster : wie zijt gij dan dat gij voor menschen vreest, die immers sterven, en voor menschenkinderen die het gras gelijk zijn, 13 en dat gij den Heer vergeet die u gemaakt heeft, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest, en gestadig , dag aan dag, vreest voor de gramschap van den verdrukker, als hij voorneemt te verderven? Waar is dan de gramschap van den verdrukker? 14 Snel zal de gekluisterde ontboeid worden, hij zal niet sterven in den kuil, zelfs zal hij aan brood geen gebrek lijden. 15 Want ik ben de Heer uw God, die de zee beweeg, dat hare golven woeden; wiens naam is HeerZebaóth. 16 Ik leg mijn woord in uwen mond, en bedek u onder de schaduw mijner han- |
JESAJA 52.
1317
|
den, opdat ik den hemel plante en de aarde grondveste, en tot Sion zegge; Gij zijt mijn volk. 17 Ontwaak, ontwaak, sta op, Jeruzalem, gij die uit de hand des Heeren den kelk zijner gramschap gedronken hebt; de hef des zvvijmelbekers hebt gij uitgedronken en geledigd. 18 Eu was niemand die haar leidcte, van al de kinderen die zij gebaard heeft; niemand die' haar bij do hand nam, van al de kinderen die zij heeft grootgebracht. 19 Deze twee dingen zijn u wedervaren: wie had medelijden met ii? Verwoesting en vernieling, honger en zwaard: wie was er die u troostte? 20 Uwe kinderen waren versmacht, zij lagen op alle straten, als een wilde os in den strik, vol van den toorn des Heeren en van de bedreiging uws Gods. 21 Derhalve hoor dit,gij ellendige, en die dronken zijt, maar niet van wijn: 22 dus spreekt uw Heer-scher, de Heer en uw God, die zijn volk wreekt: Zie, ik neem den zwijmelbeker uit uwe hand, de hef van den kelk mijner gramschap, gij zult dien voortaan niet meer drinken; |
23 maar ik zal hem aan uwe onderdrukkers in de hand geven, die tot uwe ziel zeiden: Buig u neder, opdat wij over u heengaan; en leg uwen rug tot een bodem en tot eene straat, opdat men er overheen loope. IIOOFDSTUJC 52. 1 Waak op, waak op, bekleed u niet uwen roem, o Sion; versier u heerlijk, gij heilige stad Jeruzalem, want voortaan zal geen onbesnedene of onreine in u komen. 2 Schud af het stof, sta op, gij gevangen Jeruzalem, maak los de boeien van uwen hals, gij gevangen dochter van Sion. 3 Want dus spreekt de Heer: Gij zijt omniet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden. 4 Ja dus zegt de Heere Heere: Mijn volk trok eertijds af naar Egypte om aldaar als gast te zijn, en Assur heeft het zonder oorzaak geweld aangedaan. 5 En nu, wat staat mij te doen ? spreekt de Heer; mijn volk is omniet weggevoerd, zijne beheerschers maken enkel gekerm, spreekt de Heer, en mijn naam wordt |
1 f
1318 JESAJA 53.
|
gestadig, dag aan dag, gelasterd. 6 Daarom zal mijn volk mijnen naam kennen in dien tijd; want zie, ik zal zelf spreken. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dier boden die vrede verkondigen, die liet goede prediken en lieil aankondigen, die tot Sion zeggen: Uw God is Koning. 8 Uwe wachters roepen luidkeels met hunne stem, en juichen met elkander; want men zal het met de oogen zien, dat de Heer tot Sion wederkeert. 0 Laat vroolijk zijn en met elkander juichen de woeste plaatsen van Jeruzalem ; want de Heer heeft zijn volk getroost, en Jeruzalem verlost; 10 de Heer heeft zijnen heiligen arm geopenbaard voor de oogen van alle volken, dat alle einden der aarde zien het heil van onzen God. 11 Wijkt, wijkt, trekt uit vandaar, en raakt niets aan dat onrein is; gaat uit van haar, reinigt u, gij die des Heeren gereedscbap draagt; 13 want gij zult niet met overijling uittrekken, noch vluchtende heengaan; want de Heer zal voor u uittrekken , en de God van Israël zal uwe achterhoede zijn. — |
13 Zie, mijn knecht zal wijselijk .handelen, en hij zal verhoogd en zeer hoog verheven zijn. 14 Gelijk velen zich aan hem ergeren zullen, — zoo jammerlijk is zijne gedaante, meer dan van eenig mensch, en zijn gelaat, meer dan van eeiiig menschen-kind, — 15 alzoo zal hij vele volken verblijden, dat ook koningen hunnen mond over hem zullen toehouden; want wien niets daarvan verkondigd was, die zullen het zien, en wie daarvan niets gehoord hebben, die zullen het vernemen. HOOFDSTUK 53. 1 Wie gelooft onze prediking , en wien wordt de arm des Heeren geopenbaard ? 2 Hij schiet voor hem op gelijk een rijsje, en als een wortel uit een dorren grond: hij had geen gedaante noch schoonheid; wij zagen hem aan, maar er was geen gestalte aan hem, die ons zou behaagd hebben. 3 Hij was de allerveracht-ste en onwaardigste, een man van smarten en ellenden; hij was zoo veracht |
J EB A J A 54.
1319
|
dat men liet aangezicht voor hem bedekte, en wij hebben hem niets geacht. 4 Doch hij clroeg onze ellenden, en torste onze smarten; maar wij hielden hem voor eenen geplaagde, die door God geslagen en vernederd was. 5 Maar hij is om onze misdaden gewond, en om onze zonden geslagen; de straf lag op hem, opdat wij vrede zouden hebben, en door zijne wonden zijn wij genezen. C Wij allen dwaalden als schapen, elk keerde zich. zijns weegs; maar de Heer wierp de zonde van ons allen op hem. 7 Toen hij gestraft en mishandeld werd, deed hij zijnen mond niet open: gelijk een lam dat ter slachting geleid wordt, en gelijk een schaap dat verstomt voor zijne scheerders, zoo deed ook hij zijnen mond niet open. 8 Maar hij is uit den angst en uit het gericht genomen, en wie kan de lengte zijns levens uitspreken? Want hij is uit het land der levenden weggerukt, toen hij om de misdaad mijns volks geplaagd werd. |
9 Men wilde hem begraven als de goddeloozen, maar hij is in zijnen dood geweest als een rijke, omdat hij niemand onrecht gedaan heeft, noch bedrog-in zijnen mond geweest is. 10 Maar de Heer wilde hem alzoo verbrijzelen en ellendig doen worden: als hij zijn leven tot een schuldoffer zal gegeven hebben, zal hij zaad zien, en in lengte leven, en het voornemen des Heeren zal door zijne hand volvoerd worden. 11 Omdat zijne ziel smart gehad heeft , zal hij zijnen lust zien en verzadigd worden; en door zijne kennis zal hij, mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want hij draagt hunne zonden. 13 Daarom zal ik hem eene groote menigte ten deel geven, en hij zal machtigen tot een roof hebben, daarom dat hij zijn leven in den dood gegeven heeft, en den kwaaddoeners gelijk gerekend werd, en dat hij de zonden van .velen gedragen en voor de overtreders gebeden heeft. HOOFDSTUK -^11 .nten, en 1 Juich, gij onjjiet mijne gij die niet J de Heer; verblijd _ Jóohoog de hemel juich, f de aarde, zóóveel |
|
1318 JESA gestadig, dag aan dag, gelasterd. 6 Daarom zal mijn volk mijnen naam kennen in dien tijd; want zie, ik zal zelf spreken. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dier Loden die vrede verkondigen, die het goede prediken en heil aankondigen, die tot Sion zeggen: Uw God is Koning. 8 Uwe wachters roepen luidkeels met hunne stem, en juichen met elkander; want men zal het met de oogcn zien, dat de Heer tot Sion wederkeert. 9 Laat vroolijk zijn en met elkander juichen de woeste plaatsen van Jeruzalem ; want de Heer heeft zijn volk getroost, en Jeruzalem verlost; 10 de Heer heeft zijnen heiligen arm geopenbaard voor de oogen van alle volken, dat alle einden der aarde zien het heil van onzen God. 11 Wijkt, wijkt, trekt uit vandaar, en raakt niets aan dat onrein is; gaat uit van haar, reinigt u, gij die des Heeren gereedschap draagt; 13 want gij zult niet met overijling uittrekken, noch vluchtende heengaan; want de Heer zal voor u uittrek- |
■ ^ f A 53. keu, en de God van Israël zal uwe achterhoede zijn. — 13 Zie, mijn knecht zal wijselijk .handelen, en hij zal verhoogd eu zeer hoog verheven zijn. I t Gelijk velen zich aan hem ergeren zullen, — zoo jammerlijk is zijne gedaan^ te, meer dan van eenig mensch, en zijn gelaat, meer dan van eenig menschen-kind, — 15 alzoo zal hij vele voir ken verblijden, dat ook koningen hunnen mond over hem zullen toehouden; want wien niets daarvan verkondigd was, die zullen het zien, en wie daarvan niets gehoord hebben, die zullen het vernemen. HOOFDSTUK 53. 1 Wie gelooft onze prediking, en wien wordt de arm des Heeren geopenbaard ? 2 Hij schiet voor hem op gelijk een rijsje, en als een wortel uit een dorren grond: hij had geen gedaante noch schoonheid; wij zagen hem aan, maar er was geen gestalte aan hem, die ons zou hehaagd hebben. 3 Hij was de allerveracht-ste en onwaardigste, een man van smarten en ellenden; hij was zoo veracht |
JESAJA 54.
1319
|
dat men liet aangeziclit voor hem bedekte, en wij hebben hem niets geacht. 4 Doch hij droeg onze ellenden, en torste onze smarten; maar wij hielden hem voor eenen geplaagde, die door God geslagen en vernederd was. 3 Maar hij is om onze misdaden gewond, en om onze zonden geslagen; de straf lag op hem, opdat wij vrede zouden hebben, en door zijne wonden zijn wij genezen. 0 Wij allen dwaalden als schapen, elk keerde zich zijnsweegs; maar de Heer wierp de zonde van ons allen op hem. 7 Toen hij gestraft en mishandeld werd, deed hij zijnen mond niet open: gelijk een lam dat ter slachting geleid wordt, en gelijk een schaap dat verstomt voor zijne scheerders, zoo deed ook hij zijnen mond niet open. 8 Maar hij is uit den angst en uit het gericht genomen, en wie kan de lengte zijns levens uitspreken? Want hij is uit het land der levenden weggerukt, toen hij om de misdaad mijns volks geplaagd werd. |
9 Men wilde hem begraven als de goddeloozen, maar hij is in zijnen dood geweest als een rijke, omdat hij niemand onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is. 10 Maar de Heer wilde hem alzoo verbrijzelen en ellendig doen worden: als hij zijn leven tot een schuldotter zal gegeven hebben, zal hij zaad zien, en in lengte leven, en het voornemen des Heeren zal door zijne hand volvoerd worden. 11 Omdat zijne ziel smart gehad heeft, zal hij zijnen lust zien en verzadigd worden; en door zijne kennis zal hij, mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want hij draagt hunne zonden. 13 Daarom zal ik hem eene groote menigte ten deel geven, en hij zal machtigen tot een roof hebben, daarom dat hij zijn leven in den dood gegeven heeft, en den kwaaddoeners gelijk gerekend werd, en dat hij de zonden van velen gedragen en voor de overtreders gebeden heeft. HOOFDSTUK 54. 1 Juich, gij onvruchtbare, gij die niet hebt gebaard; verblijd u met roem en juich, gij die niet zwanger |
JESAJA 54.
1320
|
werdt; want dc eenzame heeft meer kinderen dan die een man heeft, spreekt de Heer. 3 Maak de ruimte uwer hutten wijder, en breid de gordijnen uwer tenten verder uit, ontzie liet niet; rek uwe koorden langer uit, en sla uwe pennen vaster in. 3 Want gij zult u uitbreiden ter rechter- en ter linkerhand, en uw zaad zal de heidenen erven, en in de verwoeste steden wonen. 4 Vrees niet, want gij zult niet te schande worden ; word niet schaamrood, want gij zult niet tot spot worden; maar gij zult de schande van uw jonkvrouwschap vergeten, en aan den smaad van uw weduwschap niet meer gedenken. 5 Want die u gemaakt heeft, wordt uw man: Heer Zebaoth is zijn naam; en uw Verlosser is de Heilige van Israël, die de God der gansche aarde genoemd wordt. 6 Want de Heer heeft u laten roepen als eene verlatene en van harte bedroefde vrouw, en gelijk eene jonge vrouw die vevstooten is, spreekt uw God. |
7 Ik heb u een klein oogenblik verlaten, maar met groote barmhartigheid neem ik u weder tot mij; 8 ik heb mijn aangezicht in een oogenblik van toorn een weinig voor u verborgen, maar mot eeuwige genade zal ik mij over u ontfermen, spreekt de Heer uw Verlosser. 9 Want het zal met mij zijn als in de dagen van Noach, toen ik zwoer dat-de wateren van Noach niet meer over den aardbodem zouden gaan: alzóo heb ik gezworen dat ik op u niet meer toornig zijn noch u schelden zal. 10 Want bergen mogen wijken, en heuvelen wankelen; maar mijne genade zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heer uw Ontfermer. 11 Gij ellendige, over wie alle onweders gaan, gij troostelooze, zie, ik zal uwe steenen tot een sieraad leggen , en zal uwen grond met saftieren bedekken, 13 en uwe vensters van kristal maken, en uwe poorten van robijnen, en al uwe grenspalen van uitgezochte steenen. 13 En al uwe kinderen zullen van den Heer geleerd, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn. |
J E S A J A 55.
1321
|
14 Gij zult door gerecli-tiglieid bevestigd worden; gij zult verre zijn van geweld en onrecht, zoodat gij daarvoor niet behoeft te vreezen, en van verschrikking, want tot u zal zij niet genaken. 15 Zie, wie wil tegen u samenrotten en u overvallen, als zij zonder mij samenrotten ? 16 Zie, ik hel) den smid geschapen, die de kolen in het vuur aanblaast, en een wapentuig maakt door zijn werk; maar ik schep ook den verdelger ter vernieling. 17 Want alle wapentuig dat tegen u bereid wordt, zal niet slagen; en elke tong die zich tegen u verheft in het gericht, zult gij veroordeelen: dit is het erfdeel van de knechten des Heeren, en hunne rechtvaardiging door mij, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 55. 1 O allen die dorstig zijt, komt tot het water; en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt en koopt zonder geld en omniet wijn en melk. |
2 Waarom weegt gij uw geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen u niet verzadigen kan ? Hoort toch naar mij, en eet het goede, zoo zal uwe ziel in overvloed zich verlustigen. 3 Neigt uwe ooren en komt tot mij, en hoort, zoo zal uwe ziel leven; want ik zal met u een eeuwig verbond maken, de heilbeloften Davids die gewis zijn. 4 Zie, ik heb hem den volken ten getuige gesteld, tot een vorst en gebieder der volken, [zeggende]-- 5 Zie, gij zult volken roepen die gij niet kent; en volken die u niet kennen zullen tot u loopen, ter-wille van den Heer uwen God, en terwille van den Heilige van Israël, die u verheerlijkt. G Zoekt den Heer terwijl hij te vinden is, roept hem aan terwijl hij nabij is. 7 De goddelooze verlate zijnen weg, en de kwaaddoener zijne gedachten, en bekeere zich tot den Heer, zoo zal hij zich over hem ontfermen, en tot onzen God, want bij, hem is veel vergeving. 8 Want mijne gedachten zijn niet uwe gedachten, en uwe wegen zijn niet mijne wegen, spreekt de Heer; 9 maar zoohoog de hemel is boven de aarde, zóóveel |
J E S A J A 56.
1332
|
hoogei' zijn ook mijne wegen dan uwe wegen, en mijne gedachten dan uwe gedachten. 10 Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdalen, en niet weder daarheen komen, maar het aardrijk bevochtigen en het vruchtbaar en groeizaam maken, dat het zaad geve om te zaaien en brood om te eten: 11 alzoo zal het woord dat uit mijnen mond gaat óók zijn: het zal niet ledig tot mij wederkomen, maar volvoeren hetgeen mij behaagt, en voorspoedig zijn in hetgeen waartoe ik het zend. 13 Want gij zult in vreugde uittrekken, en in vrede daarheen gaan: bergen en heuvelen zullen voor u een vroolijk geluid maken met gejuich, en alle boomen op het veld zullen in de handen klappen. 13 Dennen zullen in plaats van doornen groeien, en mirten in plaats van distels; en den Heer zal het tot een naam en een eeuwig teekeu zijn dat niet uitgeroeid zal worden. HOOFDSTUK 5G. 1 Dus spreekt de Heer: Onderhoudt het recht en betracht de gerechtigheid; |
want mijn heil is nabij om te komen , en mijne gerechtigheid om geopenbaard te worden. 3 Welgelukzalig is de mensch die dat doet, en des menschen kind dat zich hieraan vasthoudt, die den sabbat waarneemt en niet ontheiligt, en zijne hand behoedt dat hij geen kwaad. doet. 3 En de vreemdeling, die zich tot den Heer gevoegd heeft, zal niet zeggen: De Heer zal mij van zijn volk afscheiden; en de gesnedene zal niet zeggen: Zie, ik ben een dorre boom. 4 Want dus spreekt de Heer: Ook de gesnedenen die mijne sabbatten houden, en verkiezen wat mij behaagt, en vasthouden aan mijn verbond: 5 hun zal ik in mijn huis en binnen mijne muren eene plaats geven, en een beteren naam dan van zonen en dochters; een eeuwigen naam zal ik hun geven, die niet vergaan zal. 6 En de kinderen der vreemdelingen, die zich tot den Heer gevoegd hebben om hem te dienen en zijnen naam lieftehebben, opdat zij zijne knechten zijn: allen die den sabbat waarnemen, dat zij dien niet ontheili- |
JESAJA 57.
|
gen, en vasthouden aati mijn verbond, ï die zal ik tot mijnen heiligen berg brengen, en zal hen verheugen in mijn bedehuis, en hunne brand-ofiers en slachtoflers zullen mij aangenaam zijn op mijnen altaar; want mijn huis is genoemd een bedehuis voor alle volken. 8 De Heere Heere, die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal er nog meer vergaderen tot de menigte dergenen die vergaderd zijn. —- 9 Al gij gedierte op het veld, komt en eet; ja al gij gedierte in het woud. 10 Al hunne wachters zijn blind en weten niets, het zijn allen stomme honden die niet blaffen kunnen; zij zijn lui, liggen daar neder, en slapen gaarne. 11 Maar het zijn gulzige honden, die nooit verzadigd kunnen worden; zij zijn herders die geen verstand hebben, elk keert zich zijns weegs, elk bedrijft gierigheid voor zich naar zijnen staat. 12 Komt herwaarts, [peggen zif\, laat ons wijn halen en ons vol drinken, en het zal morgen zijn als he-deti, ja nog sterker en overdadiger. |
HOOFDSttTK 57. 1 De rechtvaardige komt om, en niemand is er die het ter harte neemt; en de heilige lieden worden weg-geraapt, en niemand let er op; doch de rechtvaardigen worden weggeraapt vóór het ongeluk; 2 en die recht voor zich heen gewandeld hebben, komen tot den vrede, en rusten in hunne kamers. 3 Maar gij, komt nader herwaarts, gij kinderen der wichelaarster, gij zaad des overspels en der hoererij. 4 Aan wien zult gij nu uwen lust hebben, tegen wien zult gij nu den mond wijd opsperren en de tong lang uitsteken? Zijt gij niet kinderen der overtreding, en een bastaardzaad? 5 die met de afgoden uwe blakende lusten boet onder alle groen geboomte, en de kinderen slacht aan de beken, onder in de kloven der rotsen. 6 In de gladde plaatsen der valleien [slacJd gij'] uw deelj hen, hen die u toegedeeld zijn; en daarbij plengt gij nog drankoffer en ottert spijsoffer: zou ik mij dit getroosten? 7 Gij maakt uwe legerstede op een hoogen en |
JA 57,
JESA
1334
|
verheven berg, en gaat aldaar ook opwaarts om te ofleren; 8 en achter de deur en de posten zet gij uwe gedachtenis, want gij wendt u van mij af en gaat opwaarts, en maakt uwe legerstede wijd, en verbindt u met hen; gij hebt hunne legersteden lief, waar gij ze ziet. 9 Gij verschijnt met olie voor den koning, en hebt menigerlei kruiden, en zendt uwe gezanten ver heen, en vernedert u tot in den afgrond. 10 Gij vermoeit u door de veelheid uwer wegen, en zegt niet: Ik zal het laten; maar gij voelt nog leven in uwe hand, daarom wordt gij niet moede. 11 Maar voor wien zijt gij zoo zorgvuldig en bevreesd? Want gij gaat met leugens om, en deukt aan mij niet, en neemt het niet ter harte. (Jij meent dat ik altoos zwijgen zal, en daarom vreest gij mij niet. 12 Maar ik zal uwe gerechtigheid bekendmaken, en uwe werken, dat zij u geen nut zullen doen. 13 Wanneer gij roepen zult, laat dan uwe menigte u helpen; doch de wind zal ze allen wegvoeren, een damp zal ze wegnemen. |
Maar wie op mij betrouwt, die zal het land beërven en mijnen heiligen berg bezitten ; 14 en hij zal zeggen: Maakt baan, maakt baan, ruimt den weg, neemt den aanstoot uit den weg mijns volks. 15 Want aldus zegt de Hooge en Verhevene, die in eeuwigheid woont, mens naam heilig is: Ik, die in de hoogte en in het heiligdom woon, maar ook bij de verslagenen en ootmoe-digen van geest, om te verkwikken den geest der verootmoedigden en het hart der verslagenen, — 16 ik zal niet altoos twisten en niet eindeloos toornig zijn; want als hun geest voor mijn aangezicht zou bezwijken, zal ik hun adem scheppen. 17 Ik was toornig over de ondeugd hunner gierigheid , en sloeg hen; ik verborg mij en was toornig; maar zij bleven evenwel den weg huns harten gaan. 18 Maar toen ik hunne wegen aanzag, genas ik hen; en ik leidde hen, en gaf hun weder troost, en dengenen die over henrouw-droegen. 19 Ik zal de vrucht dei-lippen scheppen; vrede, |
JESAJA 58.
1333
|
vrede hun die ver en hun die nabij zijn, spreekt de Heer, en ik zal hen genezen. 30 Maar de goddeloozen zijn als eene onstuimige zee die niet stil kan zijn, en wier golven slijk en modder opwerpen; 31 de goddeloozen hebben geen vrede, spreekt mijn God. HOOFDSTUK 58. 1 Eoep luidkeels, weerhoud u niet, verhef uwe stem als eene bazuin, en maak aan mijn volk hunne overtreding bekend, en aan Jakobs huis hunne zonden. 3 Zij zoeken mij dagelijks, en willen mijne wegen weten, als een volk dat de gerechtigheid betracht en het recht zijns Gods niet verlaat; zij vragen mij naar het recht, en hebben lust om tot God te naderen. 3 Waarom vasten wij en gij ziet het niet, waarom kwellen wij ons lichaam en gij merkt het niet ? Zie, als gijlieden vast, zoo doet gij wat gij wilt, en drijft al uwen arbeid. 4 Zie, gij vast om te twisten en te kijven, en slaat goddeloos met de vuist: vast niet zoo gelijk gij nu doet, om uwe stem te doen hoeren in de hoogte. |
5 Zou dit een vasten zijn hetwelk ik verkies, dat een mensch zijn lichaam een dag kwelt, dat zijn hoofd hangt als eene bies, en hij op een zak en in de asch ligt? Zoudt gij dit een vasten noemen, en een dag den Heere aangenaam? 6 Maar dit is een vasten hetwelk ik verkies: maak los wie gij door onrecht gebonden hebt, ontsla wie gij bezwaart, laat vrij wie gij drukt, en verbreek alle juk. 7 Breek den hongerige uw brood, en breng degenen die in ellende zijn in uw huis; ziet gij een naakte, zoo bekleed hem, en onttrek u niet aan uw vleesch. 8 Alsdan zal uw licht aanbreken als de dageraad, en uwe genezing zal snel uitspruiten , uwe gerechtigheid zal voor u uitgaan, en do heerlijkheid des Heeren zal uwe achterhoede zijn. 9 Dan zult gij roepen en de Heer zal u antwoorden; als gij schreien-zult, zal hij zeggen: Zie hier ben ik. — Is het dat gij niemand onder u zult bezwaren, noch met vingers wijzen, noch het kwade spreken, 10 en den hongerige uw |
JESAJA 59.
1336
|
hart zult laten vinden; eti de ellendige ziel verzadigen; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uwe donkerheid zal zijn als de middag; 11 en de Heer zal ü bestendig geleiden, en uwe Kiel verzadigen in de droogte, en uw gebeente versterken ; en gij tuit zijn als een welbesproeide hof, en als eene bronader wier water nimmer ontbreekt. 12 En wat lang woest gelegen heeft, dat zal door u herbouwd worden; en gij zult een grond leggen die immer en altoos blijven zal, eu gij zult genoemd worden: Die de bressen toemaakt en de wegen verbetert, dat men daar wonen kan. 13 Is het dat gij uwen voet weerhoudt van op den sabbat te doen hetgeen u behaagt, op mijnen heiligen dag, zoo zal het een aangename sabbat genoemd worden , om den Heer te heiligen en te prijzen; want dan zult gij hem prijzen, wanneer gij niet gaat uwe wegen, noch gevonden wordt in hetgeen u behaagt, noch daarvan spreekt. 14 Dan zult gij u in den Heer verlustigen, en ik zal u doen zweven over de hoogten des lands, en Zal u |
spijzen met het erfdeel vah uwen vader Jakob; want de mond des Heereu heeft het gesproken. HOOFDSTUK 59. 1 Zie, de hand des Heeren is niet verkort, dat hij niet zou kunnen helpen, en zijne ooren zijn niet. zwaar geworden, dat hij niet zöü kunnen hooren; 3 maar uwe ondeugden scheiden u en uwen God van elkander, en uwe zonden doen hem het aangezicht voor u verbergen, dat gij niet gehoord wordt. 3 Want uwe handen zijn met bloed bevlekt, en uwe vingers met ondeugd; uwe lippen spreken valschheid, uwe tong onrecht. 4 Niemand is er die van de gerechtigheid predikt, of getrouw oordeelt: men vertrouwt op ijdelheid en spreekt niets deugdelijks ^ van ongeluk zijn zij zwanger en baren moeite. 5 Zij broeden basiliskus-eieren uit, en weven spinne-webben: eet men Van hunne eieren, dan moet men sterven, en vertreedt men ze, dan komt er eene adder uit. 6 Hun spinneweb deugt niet tot kleederen, en hun |
JESAJA 59.
1337
|
weefsel deugt niet tot een dek; want hnn werk is moeite, en in hunne handen is moedwil. 7 Hunne voeten loopen tot het kwade, en zijn snel om onschuldig bloed te vergieten ; hunne gedachten zijn moeite, hun weg is niets dan verderf en schade. 8 Den weg van vrede kennen zij niet, en geen recht is er in hunne gangen ; zij maken hunne paden verkeerd, wie daarop gaat, die heeft nooit vrede. 9 Daarom is het recht verre van ons, en wij verkrijgen de gerechtigheid niet; wij wachten op het licht, maar zie, het is duister; op den glans, en zie, wij wandelen in het donker. 10 Wij tasten als blinden naar den wand; ja als wie geen oogen hebben, tasten wij rond; wij stooten ons op den middag als in de schemering, in volle gezondheid zijn wij den doo-den gelijk. 11 Wij brommen allen gelijk de beren, en kirren als de duiven; want wij wachten op het recht, maar het is er niet, op het heil, en het is verre van ons. |
12 Want onze misdrijven voor n zijn vele, en onze zonden getuigen tegen ons; onze misdrijven zijn wij ons bewust, en onze zonden kennen wij: 13 het overtreden en het liegen tegen den Heer, en het terugwijken van onzen God; het spreken van geweld en ongehoorzaamheid, en het opbruisen en dichten van valsche woorden uit het hart. 14 Daarom is ook het recht teruggeweken, en de gerechtigheid staat van verre ; want de trouw st ruikelt op de straat, en het recht heeft geen toegang; 15 en de waarheid is weg, en wie van het kwade wijkt, die moet ieders roof zijn. — Dit ziet de Heer, en het behaagt hem kwalijk dat er geen recht is; lü en hij ziet dat er niemand is, en is verwonderd dat niemand voor hen optreedt: daarom helpt hij zich-zelven met zijn eigen arm, en zijne gerechtigheid ondersteunt hem. 17 Want hij doet gerechtigheid aan als een pantser, en zet een helm des heils op zijn hoofd, en rust zich toe tot wraak, en kleedt zich met ijver als met een gewaad, 18 als die zijn tegenpar-tijders vergelden en zijn |
J ES A JA 60.
1328
|
vijanden met verbolgeulieid betalen zal, ja den eilanden zal hij betalen; 19 opdat de naam des Heeren gevreesd worde van den ondergang der zon af, en zijne lieeiiijkheid van haren opgang. Als de vijand komen zal gelijk een opgehouden stroom, zal de adem des Heeren hem gelijk een stormwind voortdrijven. 20 Alzoo zal er te Sion een Verlosser komen, namelijk voor hen die zich bekeeren van de zonde van Jakob, spreekt de Heer. 21 En dit verbond maak ik met hen, spreekt de Heer: mijn Geest die op u is, en mijne woorden die ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, noch van den mond uwer kindskinderen, spreekt de Heer, van nu af tot in eeuwigheid. HOOFDSTUK GO. 1 Waak op, word licht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. 2 Want zie, cluisternis bedekt het aardrijk, en donkerheid de volken; maar over u gaat de Heer op. |
en zijne heerlijkheid schijnt over u. 3 En de volken zullen in uw licht wandelen, en koningen in den glans die over u opgaat. 4 Hef uwe oogen op en zie rondom: deze allen verzameld komen tot u; uwe zonen zullen van verre komen, en uwe dochters aan uwe zijde opgevoed worden. 5 Dan zult gij uwen lust zien en uitbreken, en uw hart zal zich verwonderen en uitbreiden, als de menigte aan de zee zich tot u bekeert, en de macht der volken tot u komt. 6 De menigte der kamee-len zal u bedekken, de snelle kameelen van Midi-an en Efa; zij allen uit Scheba zullen komen, goud en wierook brengen, en des Heeren lof verkondigen. 7 Alle kudden vanKedar zullen tot u verzameld worden, en de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen welgevallig op mijnen altaar geofferd worden, en ik zal het huis mij ner heerlij kheid versieren. 8 Wie zijn zij die daar komen aangevlogen als de wolken, en gelijk de duiven naar hare vensters? 9 De eilanden wachten op mij, ook de schepen |
JESAJA 60.
1339
|
van Tarsis gelijk weleer, om u zonen van verre toe-tebrengen, benevens liun zilver en goud, tot den naam van den Heer uwen God, en tot den Heilige van Israël, die u verheerlijkt. 10 Yreemdelingen zullen uwe muren bouwen, en hunne koningen zullen u dienen; want in mijnen toorn heb ik u geslagen, maar in mijne genade ontferm ik mij over u. 11 En uwe poorten zullen altijd openstaan, zij zullen noch bij dag noch bij nacht toegesloten worden; opdat de menigte der volken tot u gebracht en hunne koningen herwaarts gevoerd worden. 13 Want de volken of koninkrijken die u niet dienen willen, zullen omkomen, en \Jiet land] dier volken zal verwoest worden. 13 De heerlijkheid van den Libanon zal tot u komen , de denne-, de beuke-en de buxboom tegader, om de plaats mijns heilig-doms te versieren; want ik zal de plaats mijner voeten heerlijk maken. |
14 Ook zullen neergebogen tot u komen, die u onderdrukt hebben; en allen die u gelasterd hebben, zullen voor uwe voeten ne-dervallen, en zullen u noemen de stad des Heeren, het Sion van den Heilige Israels. 15 Want omdat gij de verlatene en gehate zijt geweest, waar niemand doorging, zal ik u stellen tot eeuwigen luister, en tot vreugde voor altoos; 16 zoodat gij zult zuigen de melk der volken, en de borsten der koningen u zullen zoogen; opdat gij gewaarwordt dat ik, de Heer, uw Heiland ben, en ik, de Machtige van Jakob, uw Yerlosser ben. 17 Ik zal goud in plaats van koper, en zilver in plaats van ijzer brengen, en koper in plaats van hout, en ijzer in plaats van steenen; en ik zal uwe overheden vreedzaam maken , en uwe heerschers rechtvaardig. 18 Men zal vau geen geweld meer hooren in uw land, noch van schade of verderf binnen uwe grenzen; maar uwe muren zullen heil, en uwe poorten lof genoemd worden. 19 De zon zal u des daags niet meer lichten, en de glans der maan zal u niet meer beschijnen; maar de Heer zal u tot |
.TESAJA 61.
1330
|
een eeuwig licht, en uw God u tot luister zijn. 30 Uwe zon zal niet meer ondergaan, en uwe maan niet meer verduisteren; want de Heer zal u tot een eeuwig liclit zijn, en de dagen uws verdriets zullen een einde hebben. 21 En uw volk, het zullen allen rechtvaardigen zijn, en zij zullen het aardrijk eeuwiglijk bezitten, als eene spruit door mij geplant, en een werk mijner handen, mij tot prijs. 32 Uit den kleinste zullen duizend worden, en uit den geringste een machtig volk: ik, de Heer, zal dit op zijn tijd snel volvoeren. HOOFDSTUK 61. 1 l)e Geest des Heeren Heeren is op mij, dewijl de Heer mij gezalfd heeft om den ellendigen heil te verkondigen; hij heeft mij gezonden om de gebroke-nen van hart te verbinden, om den gevangenen bevrijding te prediken, en den gebondeuen slaking hunner boeien; 2 om een genadig jaar des Heeren te prediken, en een dag der wraak van onzen God; om alle treurenden te troosten, 3 om den treurenden te |
Sion te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor aseli, vreugde-olie voor treurigheid, en kleederen des lot's voor een bedroefden geest; opdat zij genoemd worden boomen der gerechtigheid, planten des Heeren, hem tot prijs. 4 Zij zullen de oude puin-hoopen herbouwen, en wat tevoren vernield lag weder oprichten; zij zullen de verwoeste steden vernieuwen, die eeuwen lang verstoord gelegen hebben. 5 Vreemdelingen zullen u ten dienste staan en uwe kudden weiden, en buitenlanders zullen uwe akkerlieden en wijngaardeniers zijn; 0 maar gij zult priesters des Heeren heeten, en men zal u dienaren onzes Gods noemen; en gij zult de goederen der volken eten, en op hunne heerlijkheid u beroemen. 7 In plaats van uwe ver-smaadheid zal dubbele [ee?*] komen, en in plaats van schande zullen zij vroolijk zijn op hunne akkers; want zij zullen het dubbele bezitten in hun land, zij zullen eeuwige blijdschap hebben. 8 Want ik ben de Heer die het recht liefheb, en |
SS.
JESAJA 63.
1381
|
geroofde brandoffers haat) en zal besoliikken dat hun arbeid gewis zal zijn; en ik zal een eeuwig verbond met hen maken. 9 En hun zaad zal kenbaar zijn onder de volken t en hunne nakomelingen in het midden der volken; zoodat wie hen zien zal, die zal ze kennen, dat zij een zaad zijn, gezegend van den Heer. 10 Ik verheug mij in den Heer, en mijne ziel is vroo-lijk in mijnen God; want hij heeft mij kleederen des heils aangetrokken, en met den rok der gerechtigheid bekleed; gelijk een bruidegom met feestelijk sieraad versierd, en gelijk eene bruid zich met hare klei-noodiön tooit. 11 Want gelijk een gewas in de aarde voortspruit, en het zaad in den hof opgaat, zoo zal gerechtigheid en roem voor allo volken opgaan van den Heere Heere. HOOFDSTUK 62. 1 Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeru-zolems wil zal ik mij niet inhouden, totdat haar recht aanbreekt als een glans, en haar heil ontstoken wordt als eene brandende fakkel; |
3 opdat de volken uwe gerechtigheid zien, en alle koningen uwe heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, dien de mond des Heeren noemen zal. 3 En gij zult eene sehoone kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods. 4 Men zal u niet meer de verlatene, noch uw land . eone verwoesting noemen; maar gij zult genoemd worden: mijn lust is aanhaar) en uw land; mijn beminde; want de Heer heeft lust aan u, en uw land heeft een minnaar. 5 Want gelijk een min' naar eene beminde liefheeft, zoo zal hij die u herstelt ü liefhebben; en gelijk een bruidegom zich verheugt over de bruid, zoo zal uw God zich over u verheugen. 6 O Jeruzalem, ik zal wachters op uwe muren stellen, die den geheelen dag en den geheelen nacht niet zullen zwijgen, en die van den Heer gewagen zullen, opdat bij ulieden geen stilzwijgen zij, 7 en gij van hem niet zwijgt, voordat Jeruzalem bevestigd en gesteld wordt tot een lof op aarde. 8 De Heer heeft gezworen bij zijne rechterhand en |
JESAJA 63.
1333
|
bij den arm zijner sterkte: Ik wil uw koren niet meer aan uwe vijanden te eten geven, en vreemdelingen uwen most, waaraan gij gearbeid hebt, niet laten drinken; 9 maar wie het inoogsten, zullen het ook eten, en den Heer roemen; en wie hem inzamelen, zullen hem drin- . ken in de voorhoven mijns heiligdoms. 10 Gaat heen, gaat heen door de poorten, bereidt voor het volk den weg; maakt baan, maakt baan, ruimt de steenen uit den weg, steekt eene banier op onder de volken. 11 Zie, de Heer laat zich hooren tot aan het einde der aarde; Zegt aan de dochter Sions: Zie, uw heil komt; zie, zijn loon is met hem, en zijne vergelding is vóór hem. 12 Men zal hen noemen het heilige volk, de verlosten des Heeren; en u zal men heeten de gezochte, de stad die niet verlaten wordt. HOOFDSTUK 63. 1 Wie is hij die van Edom komt, met roodachtige kleederen van Bozra? die zoo versierd is in zijne kleederen, en daarheen treedt in zijne groote kracht? — Ik ben het, die in gerechtigheid spreek, en machtig beu in het helpen. —■ |
2 Waarom is dan uw gewaad zoo rood, en uw kleed als van een die de wijnpers treedt? -— 3 Ik treed de wijnpers alléén, en er is niemand onder de volken met mij; ik heb ze geperst in mijnen toorn en vertreden in mijne grimmigheid; toen is hun bloed op mijne kleederen gespt, en ik heb mijnge-heele gewaad bezoedeld. 4 Want ik heb mij een dag der wraak bestemd, en het jaar mijner verlosten is gekomen; 5 en ik zag om en er was geen helper; en ik was in verschrikking, en niemand ondersteunde mij; maar mijn eigen arm moest mij helpen, en mijn toorn ondersteunde mij. 6 Daarom heb ik de volken vertreden in mijnen toorn, en heb ze dronken gemaakt in mijne grimmigheid , en hun bloed deed ik ter aarde stroomen. — 7 Ik wil van de goedertierenheid des Heeren gewagen , en van den lof des Heeren, naar alles wat de Heer ons gedaan heeft, en naar de groote goedheid, |
JESAJA 63.
1333
|
aan het huis Tan Israël bewezen, die hij hun gedaan heeft naar zijne barmhartigheid en groote goedertierenheid. 8 Want hij sprak: Zij zijn immers mijn volk, kinderen die niet liegen zullen. Daarom was hij hun Heiland geworden. 9 Wie hen beangstigde, die beangstigde hem óók; maar de Engel zijns aangeziehts hielp hen; hij verloste hen omdat hij hen liefhad en hen verschoonde, hij nam hen op en droeg hen aide dagen van eertijds. 10 Maar zij verbitterden en ontrustten zijnen Heiligen Geest: daarom werd hij hun ten vijand en streed tegen hen. 11 Maar hij gedacht dan weder aan den verleden tijd, aan Mozes en aan zijn volk: waar is hij nu die hen uit de zee leidde, met de herders zijner kudde? Waar is hij die zijnen Heiligen Geest onder hen gaf, 13 die Mozes bij de rechterhand leidde door zijnen heerlijken arm; die de wateren voor hen uit van elkander deelde, om zich een eeuwigen naam te maken, 13 die hen voerde door de diepten, gelijk do paarden in de vlakte zonder struikelen? |
14 Gelijk het vee dat afgaat naar het veld, heeft hun de Geest des Heeren rust gegeven. Zóó hebt gij ook uw volk geleid, om u een heerlijken naam te maken. 15 Staar dan nu van den hemel, en zie neder uit uwe heilige en heerlijke woning: waar is nu uw ijver en uwe macht? Uwe groote liefderijke barmhartigheid houdt zich hard jegens mij. 16 Gij zijt immers onze Vader; want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet, maar gij Heer zijt onze Vader en onze Verlosser, van ouds af is dit uw naam. 17 Heer, waarom laat gij ons dwalen van uwe wegen, en verstokt ons hart dat wij u niet vreezen? Keer weder, tenville van uwe knechten, tenville van de stammen uws erfdeels: 18 zij bezitten uw heilig volk bijna geheel, onzewe-derpartijders vertreden uw heiligdom; 19 wij zijn geworden als hadt gij nimmer over ons geheerscht, als waren wij nooit naar uwen naam genoemd. |
JES A J A 641 65.
1884
|
IIOOFDSTtJK 64. 1 Och dat gij den hemel selieurdet en nederdaaldet, dat dö betgen voor u wegsmolten , 2 gelijk beet water door een krachtig vuur ziedt; opdat uw naam bekend wierd onder uwe vijanden, en de volken voor u beefden; 3 toen gij wonderen deedt, die men niet verwachten kon; toen gij nederdaaldet, en de bergen voor u wegsmolten : 4 gelijk vanouds niet vernomen noch met ooren gehoord is, ook geen oog gezien heeft, behalve gij o God j wat hun geschiedt die op hem wachten. 5 Gij ontmoet den vroo-lijke die gerechtigheid oefent, en hen die op uwe wegen aan u gedenken; zie, gij waart wel toornig toen wij zondigden, en lang daarbij bleven, maar wij werden nochtans behouden. 6 Maar nu zijn wij allen tezamen als de onreinen, en al onze gerechtigheid is als een bezoedeld kleed; wij zijn allen verwelkt als de bladeren, en onze zonden voeren ons wes geliik de wind; |
7 niemand roept uwen naftm aanj of staat of) om zich aan u vasttehouden; daarom verbergt gij uw aangezicht voor ons, en laat ons versmachten in onze zondem 8 Maar nu Heer, gij zijt onze Vader; wij zijn het leem, en gij zijt onze .pottenbakker , en wij allen zijn het werk uwer handen. 9 Heer, wees niet alté toornig, en gedenk niet eeuwig aan onze zonde; zie toch aan, dat wij allen uw volk zijn. 10 De steden uws hei-ligdoms zijn eene woestijn, Sion is eene woestijn geworden, Jeruzalem ligt verwoest ; 11 hét huis onzes beilig-doms en onzer heerlijkheid, in hetwelk onze vaderen u loofden, is met vuur verbrand , en al wat wij schoons hadtien is vernield: 13 Heer, kunt gij bij dit alles zoo hard zijn^ en zwijgen, en ons zoozeer terne-derslaan ? HOOFDSTUK 65. 1 Ik word gevonden van degenen die naar mij niet vraagden, ik word gevonden van degenen die mij niet zochten; en tot de volken die mijnen naam niet |
JESAJA 65.
1385
|
I om aanriepen, zeg ik: Zie hier ;len; ben ik, liier ben ik. aan- . 3 Want ik breid mijne laat handen den geheelen dag onze uit tot een ongehoorzaam volk, dat naar eigen gedaoh-I zijt ten wandelt, op een weg het die idet goed is. pot- 3 Een volk dat mij ont-zijn : rast is gestadig voor mijn t. | aangezicht; het oftert inde altë hoven, en wierookt op de niet tichelsteenen; ; zie 4 het woont in de graven, uw en onthoudt zich in de holen; zij eten zwijnen vleesch, hei- en hebben gruwelspijzen in ijn, hunne potten; ge- 5 en zij zeggen: Hond u ver- bij uzelven, en genaak mij niet, want ik ben u heilig, lig- Deze zullen een rook wor-ïid, den in mijnen toorn, een m u vuur dat den geheelen dag rer- branden zal. ions 6 Zie, dat staat geschreven voor mijn aangezicht: dit ik zal niet zwijgen, maar ivij- het vergelden, ja in hunnen •ne- boezem zal ik het vergelden, 7 zoowel hunne misdaad als de misdaad hunner vaderen, spreekt de Heer, die op de bergen gewierookt van en mij op de heuvelen ge-liet schonden hebben: ik zal hun on- het loon hunner vorige da-mij den in hunnen boezem toerol- ; meten. liet 8 Dus spreekt de Heer: |
Gelijk wanneer men most vindt in een druiventros, en zegt: Bederf hem niet, er is nog zegen in: alzoo zal ik doen om mijner knechten wil, dat ik het niet altemaal verderve; 9 maar ik zal nog uit Jakob een zaad voortbrengen, en uit Juda een die mijnen berg bezitten zal; want mijne uitverkorenen zullen dien bezitten, en mijne knechten zullen aldaar wonen; 10 en Saron zal weder eene kooi voor de kudden worden, en het dal van Achor een veeleger voor mijn volk dat mij zoekt. 11 Maar gij die den Heer verlaat, en mijnen heiligen berg vergeet, en eene tafel aanricht voor Gad, en den beker vult van het drank-ofler voor Meni: 13 ja ten zwaarde zal ik u tellen, dat gij u allen zult moeten bukken ter slachting, omdat ik riep en gij niet antwoorddet, omdat ik sprak en gij niet hoordet, maar deedt wat kwaad was in mijne oogen, en verkoost hetgeen mij niet behaagde. 13 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, mijne knechten zullen eten, maar gij zult honger lijden; |
JESAJA 65.
1336
|
zie, mijne knechten zullen drinken, maar gij zult dorst lijden; zie, mijne knecliten zullen vroolijk zijn, maar gij zult te schande worden; 14 zie, mijne knechten zullen van goeder harte juichen, maar gij zult van hartzeer schreien en van jammer kermen; 15 en gij zult uwen naam mijnen uitverkorenen tot een vloek achterlaten; en de Heere Heere zal u doo-den, en zijne knechten met een anderen naam noemen; 16 zoodat wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich in den waaraohtigen God zegenen; en wie zweren zal op aarde, die zal bij den waaraohtigen God zweren; want de vorige angsten zijn vergeten, en zijn voor mijne oogen verborgen. 17 Want zie, ik zal een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde scheppen, zoodat men de vorige niet meer gedenken zal, noch in het hart laten opkomen. 18 Ja weest vroolijk en verheugt u tot in eeuwigheid om hetgeen ik scheppen zal; want zie, ik zal vreugde scheppen voor Jeruzalem, en blijdschap voor haar volk; |
19 ik zelf zal vroolijk zijn over Jeruzalem en mij verheugen over mijn volk, en in haar zal niet meer gehoord worden eene stem des geweens noch eene stem des geklags. 20 Daar zullen niet meer zijn kinderen die hunne dagen niet bereiken, noch ouden die hunne jaren niet vervullen; maar de jongeling zal sterven honderd jaar oud zijnde, en de zondaar van honderd jaar zal vervloekt zijn. 21 Zij zullen huizen bouwen en bewonen, zij zullen wijnbergen planten en daarvan de vruchten eten; 22 zij zullen niet bouwen opdat een ander het be-wone, en niet planten opdat een ander het ete; want de dagen mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en het werk hunner handen zal oud worden bij mijne uitverkorenen ; 23 zij zullen niet tevergeefs arbeiden noch ontijdige geboorten baren, want zij zijn het zaad van geze-genden des Heeren, en hunne nakomelingen met hen. 24 En het zal geschieden eer zij roepen, dat ik hun zal antwoorden; terwijl zij nog spreken, heb ik hen reeds verhoord. 25 De wolf en het lam zullen leeuw het i aarde geen : (lerve 1 heilig | Heer, ] 1 J | De 1 en d mijne is hei kunn is de , zou? 12 ] 3 gema : de ¥ 1' ellen slage vrees' ellen slage vrees 3 quot; is al dood fert, een spijsi een wie als prijs hun] hun; hun 4 i kiez ten, |
JESAJA 66.
183 7
|
zullen samen weiden, de leeuw zal stroo eten gelijk liet rund, en de slang zal aarde eten; en men zal geen leed doen noch verderven op mijn geheelen lieiligen berg, spreekt de Heer. HOOFDSTUK GG. 1 Dus spreekt de Heer: De liemel is mijn troon, en do aarde de voetbank mijner voeten: welk huis is het dan dat gij mij zoudt kunnen bouwen, of welke is de plaats waar ik rusten zou? 3 Mijne hand heeft alles gemaakt wat er is, spreekt de Heer; doch ik zie den ellendige aan, en den ver-slagene van geest, en die vreest voor mijn woord. 3 Wie een os slacht, die is als iemand die een man doodt; wie een schaap offert, die is als iemand die een hond afmaakt; wie spijsoiier brengt , die is als een die zwijncnbloed ottert; wie wierook brandt, die is als een die het onrecht prijst. Deze verkiezen ook hunne eigene wegen, en hunne ziel heeft lust aan hunne gruwelen: |
4 daarom zal ik ook verkiezen hetgeen zij bespotten, en wat zij vreezen zal ik over hen doen komen, omdat ik riep en niemand antwoordde, dat ik quot;sprak en zij niet hoorden, maar deden hetgeen kwaad was in mijne oogen, en verkozen hetgeen mij mishaagde. 5 Hoort het woord des Heeren, gij die vreest voor zijn woord: uwe broeders die u haten, en u verbannen om mijns naams wil, en zeggen: Laat zien hoe heerlijk de Heer is, laat hem verschijnen tot uwe vreugde, — die zullen to schande worden. 6 Want men zal hooreu eene stem van gedruisch in de stad, eene stem uit den tempel, eene stem des Heeren, die zijn vijanden vergeldt. 7 Zij baart eer zij weeën krijgt, zij is van een jongs-ken verlost eer barensnood haar aankwam. 8 Wie heeft ooit zoo iets gehoord, wie heeft ooit zoo iets gezien? Kan ook een land geboren worden op één dag, een volk worden voortgebracht op één sfond? Nu heeft nochtans Sion hare kinderen zonder weeën gebaard. 9 Zon ik dan anderen de baarmoeder breken, en zelf ook niet baren? spreekt de Heer; zou ik anderen laten |
JESAJA 66.
1338
|
baren, en zelf toegesloten zijn? zegt uw God. 10 Verblijdt u met Jeruzalem, en weest vroolijk over haar, gij allen die liaar lief hebt; verheugt u met haar, gij allen die over haar treurig geweest zijt; 11 want gij zult daarvoor zuigen en verzadigd worden uit de borsten van hare vertroosting, gij zult daarvoor gelaafd worden eu u verlustigen in de volheid van haren luister. 13 Want dus spreekt de Heer: Zie, ik breid den vrede over haar uit als een waterstroom, en de heerlijkheid der volken als eene overvloeiende beek: dan zult gij zuigen, en op den arm gedragen worden, en op de knieën zal men u vriendelijk houden. 13 Ik zal u troosten als een' die door zijne moeder getroost wordt; ja gij zult door Jeruzalem getroost worden. 14 Gij zult het zien, en uw hart zal zich verheugen, en uw gebeente zal groenen als gras; dan zal de hand des Heeren bekend worden aan zijne knechten, en zijn toorn aan zijne vijanden. |
15 Want zie, de Heer zal komen met vuur, en zijne wagens zijn als het onwe-der, opdat hij vergelde in de grimmigheid zijns toorns, en zijn dreigen zij als vuurvlammen ; 16 want de Heer zal met vuur en met zijn zwaard gericht houden tegen alle vleesch, en de gedooden des Heeren zullen velen zijn. 17 Wie zichzelve heiligen j en reinigen in de hoven,; achter éénen daar in het midden, etende zwijnenvleesch en allerlei verfoeisel, zelfs muizen, — die zullen tezamen weggeraa.pt worden, spreekt de Heer. 18 Want ik zal komen en hunne werken en gedachten vergaderen, tezamen met alle volken en tongen, dat zij komen en mijne heerlijkheid zien. 19 En ik zal een teekén onder hen oprichten, en sommigen dergenen die gered zijn zenden tot de volken, naar Tarsis, Pid en Lud, tot de boogschutters, naar Tubal en Ja van, naaide afgelegenste gewesten, die nimmer van mij gehoord en mijne heerlijkheid nooit gezien hebben; en zij zullen mijne heerlijkheid onder de volken verkondigen. 30 En zij zullen al uwe broeders uit alle volken herwaarts brengen, den Heer tot een spijsolter, op paarden en w muile meele nen de E Israël vaten des 1 31 pries spree 33 hemt die i zulle zichi 1 Jem kia tho jan 3 He var An in re^ 3 |
JEREMIA 1.
1839
|
en wag«ns, op rosbaren, op muilezels en op snelle kn-meelen, naar Jeruzalem, mijnen heiligen berg, spreekt de lieer, gelijk de kinderen Israels liet spijsoffer in reine vaten brengen tot liet huis des Heeren. 81 En ook uit hen zal ik priesters en Levieten nemen, spreekt de Heer. 33 Want gelijk die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die ik maken zal, bestendig zullen zijn voor mijn aangezicht , spreekt de Heer, zóó zal ook uw zaad en uw naam bestendig zijn. |
33 En alle vleesch zal van de écne maand tot de andere , en van den éenen sabbat tot den anderen komen, om te aanbidden voor mij, spreekt de Heer. quot;21 En zij zullen uitgaan en de doode lichamen der lieden zien die tegen mij gezondigd hebben; hoe hun worm niet sterft en hun vuur niet uitgebluscht wordt, en zij tot een gruwel zijn voor alle vleesch. |
DE PROFEET
JEREMIA.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit zijn de woorden van Jeremia den zoon van Hil-kia, uit de priesters te Ana-thoth in het land van Benjamin ; 3 tot wien het woord des Heeren geschiedde ten tijde van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regeering; |
3 alsook daarna in de dagen van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda, tot aan het einde van het elfde jaar van Zedekla den zoon van Josia, den koning van Juda, tot op de gevangenschap van Jeruzalem in de vijfde maand.—■ 4 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende : 5 Ik kende u eer ik u in den moederschoot vormde, en zonderde u af eer gy ge- |
JEEEMIA 1.
1340
|
boren werdt, en ik stelde u tot een profeet onder de ■volken. 6 Doch ik zeide: Ach Heere Heere, ik kan niet prediken, want ik ben te jong. 7 Maar de Heer sprak tot mij: Zeg niet: Ik ben te jong; maar gij zult gaan waarheen ik n zend, en prediken wat ik u gelast: 8 vrees niet voor hen, want ik ben met u en zal u redden, spreekt de Heer. 9 En de Heer strekte zijne hand uit en roerde mijnen mond aan, eu hij sprak tot mij: Zie, ik leg mijne woorden in uwen mond; 10 zie, ik stel u op dezen dag over allerlei volken en koninkrijken, om uitteroei-en, aftebreken, te vernielen en te bederven, ook om op-tebouwen en te planten. 11 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende: Jeremia, wat ziet gij-' En ik zeide: Ik zie een wakkeren staf. 13 En de Heer sprak tot mij: Gij hebt wèl gezien; want ik zal wakker zijn over mijn Voord om het te doen. laEu her woord des Hee-ren geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? Ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, van het noorden herwaarts. |
14 En de Heer sprak tot mij: Van het noorden zal het ongeluk uitbreken over allen die in het land wonen. 15 Want zie, ik zal alle vorsten der koninkrijken van het noorden oproepen, spreekt de Heer, dat zij zullen komen en hunne tronen zetten tot voor de'poorten van Jeruzalem, en rondom de muren heen, en voor alle steden van Juda; 16 en ik zal mijn oordeel over hen laten gaan vanwege al hunne boosheid, dat zij mij verlaten en anderen goden wierooken, en de werken hunner handen aanbidden. 17 Gord dan nu uwe lendenen en maak u op, en predik hun alwat ik u gelasten zal: vrees niet voor hen, opdat ik u voor hun aangezicht niet versla. 18 Want ik zal u heden maken tot eene vaste stad, tot eene ijzeren zuil, tot een koperen muur, in het ge-heele land: tegen de koningen van Juda, tegen zijne vorsten, tegen zijne priesters , en tegen het volk des lands; 19 zoodat, schoon zij tegen u strijden, zij nochtans niets zullen vermogen tegen u; want ik ben met u, spreekt de Heer, om u te redden. zeggi ^ 2 G lijkl ; Dus | herd delijl ; lieve imij in h zaait l 3 ' eene eerst wildi dig overl Heer 4 ; Heer en f huis 5 ( j Wat i uwe den, ken deld( werd 6 i Waai uit I ons tijn, land land |
JEREMIA 2.
1341
|
HOOFDSTUK 2. 1 En liet woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Ga heen en predik openlijk te Jeruzalem, zeggende: i Dus spreekt de Heer: Ik ' herdenk dat gij eene^.vriendelijke jongedoehter en eene lieve bruid waart, toen gij mij volgdet in de woestijn, in het land waar men niets zaait; : 3 toen Israël den Heer eene heiligheid was, en zijne eerste vrucht; wie haar eten wilden, werden voor schuldig gehouden, en ongeluk overkwam hen, spreekt de Heer. 4 Hoort het woord des Heeven, gij huis van Jakob, en huis van Israël: 5 dus spreekt de Heer: Wat onrecht hebben toch uwe vaderen in mij gevonden, dat zij van mij afweken en de ijdelheid nawandelden , zoodat zij zelve ijdel werden, 6 en niet eens dachten: Waar is de Heer, die ons uit Egypteland voerde, en ons leidde door de woestijn , een woest ongebaand land, een dor en duister , land, een land waar niemand wandelt en mensch woont? c tot i zal over men. alle ijken ipen, ,t zij tro-poor-'ond-voor rdeel wege at zij ngo-wer-nbid- 3 len-i, en u ge-voor hun leden stad, )t een it ge-onin-zijne pries-Ik des tegen niets n u; ireekt dden. alle geslachten van het |
7 En ik bracht u in een goed land, om zijne vruchten en gaven te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij mijn land, en maaktet mijn erfdeel tot een gruwel. 8 De priesters dachten niet: Waar is de Heer ? en de handhavers der wet erkenden mij niet; en de herders leidden de lieden van mij af; en de profeten profeteerden van Baal, en hingen de onnutte afgoden aan. 9 Daarom moet ik nu nog met u en met uwe kindskinderen twisten, spreekt de Heer. 10 Gaat heen naar de eilanden der Kitteërs en ziet toe, of zendt naar Ke-dar en let met vlijt op, en aanschouwt of het aldaar ook zoo toegaat: 11 of de heidenen ook van goden veranderen, hoewel het immers geen goden zijn? Maar mijn volk heeft zijne heerlijkheid veranderd^ in een onnutten afgod. * 12 Zou niet de hemel deswege zich ontzetten, verschrikken en zeer beven? spreekt de Heer. 13 Want mijn volk doet een dubbele zonde: mij, de geen |
JEREMIA 3.
1343
|
levende wel, verlaten zij, en maken zich hier en daar uitgehouwen putten, die vol gaten zijn en geen water houden. 14 Is dan Israel een knecht of een lijfeigene, dat hij ieders roof moet zijn? 15 Want de leeuwen brulden over hem , en verhieven hunne stem, en verwoestten zijn land; zijne steden zijn verbrand, zoodat er niemand meer in woont. 16 Daarenboven verbrijzelen die van Nof en Tach-ftines u het hoofd. 17 Dit veroorzaakt gij u-zelf, doordien gij den Heer uwen God verlaat, zoodikwijls hij u wil leiden op den rechten weg. 18 Wat helpt het u dat gij naar Egypte trekt, om het water van Sihor te drinken? En wat baat het u dat gij naar Assyrië trekt, om het water van den Frath te drinken? 19 Het is uwer boosheid schuld dat gij zoo gekastijd wordt, en uwer ongehoorzaamheid dat gij zoo gestraft wordt; want zoo moet gij gewaarworden en bevinden wat al jammer en hartzeer het aanbrengt, dat gij den Heer uwen God verlaat en hem niet vreest, spreekt de Heer, de Heer Zebauth. |
20 Doch gij hebt reeds vanouds uw juk verbroken en uwe banden verscheurd, en gezegd: Ik wil zoo niet onderworpen zijn; „en op alle hooge heuvelen en onder alle groene boomen liept , gij de hoererij na. 21 Maar ik had u geplant als een edelen wijnstok, ge-r-heel uit onvervalscht zaad: hoe zijt gij dan veranderd in een bitteren wilden wijnstok ? 22 Want al wiescht gij u met salpeter, en deedtveel loog daarbij, zoo blijft gij door uwe ondeugd toch vuil voor mij, spreekt de Heere Heere. 23 Hoe durft gij dan zeggen: Tk ben niet onrein, ik hang de Baiils niet aan? Zie uw gedrag in het dal, en bedenk wat gij gedaan hebt; gij loopt alom gelijk eene tochtige kameelin, 24 en gelijk een wild in de woestijn pleegt te doen, als het van groote tochtigheid snakt en loopt, dat niemand het ophouden kan; allen die haar zoeken, zullen om haar niet smachten, in den bronsttijd zullen zij haar vinden. 25 Houd toch op, en loop u niet zoo dorstig. Maar gij zegt: Er is niets aan te doen, ik moet met de vreem- |
JEKEMIA 2.
1343
|
delingen boeleeren en hen naloopen. 36 Gelijk een dief te schande wordt als hij betrapt wordt, zóó zal het huis Israels te schande worden, benevens hunne koningen, vorsten, priesters en profeten ; 27 die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en tot een steen: Gij hebt mij verwekt; want zij kee-ren mij den rug toe, en niet het aangezicht; maalais de nood aankomt, dan zeggen zij: Sta op en help ons. 28 Maar waar zijn nu uwe goden die gij u gemaakt hebt? Dat zij opstaan en u helpen ten tijde van uwen nood; want zooveel steden, zooveel goden hebt gij, o Juda. 29 Wat wilt gij nog richten met mij? Gij allen zijt van mij afgevallen, spreekt de Heer. 30 Al mijne slagen zijn vruchteloos aan uwe kinderen, zij nemen immers de tucht niet aan; uw eigen zwaard verslindt uwe profeten als een woedende leeuw. 31 Gij boos geslacht, let toch op het woord des liee-ren; Een ik dan voor Israël eene woestijn geweest of een eenzaam land? Waarom zegt dan mijn volk: Wij zijn heeren, tot u willen wij niet meer komen? —• |
32 Immers vergeet eene jonkvrouw hare versiersels niet, noch eene bruid haren sluier; maar mijn volk vergeet mij eeuwiglijk. 33 Hoe schoon versiert gij uw doen, om u bij mij bemind te maken! Maar ouder zulk een schijn bedrijft gij hoe langer hoe meer boosheid. 34 Daarenboven vindt men het bloed der onschuldige armen bij u aan alle plaatsen, en gij hebt die niet in het doorgraven maar in het openbaar gevonden: 35 nochtans zegt gij: Waarlijk ik ben onschuldig, hij keere zijnen toorn van mij af. Zie, ik zal met u richten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd. 36 Hoe wijkt gij toch zoo gedurig af, gaande nu her-dan derwaarts? Maar gij zult ook door Egypte te schande worden, gelijk gij te schande geworden zijt door Assyrië. 37 Ook vandaar zult gij moeten wegtrekken met de handen op uw hoofd; want de Heer zal uwe hoop doen missen, en het zal u bij hen niet gelukken. |
JEREMIA 3.
1344
|
HOOFDSTUK 3. 1 En [de Heer] spreekt: Wanneer een man zich van zijne vrouw laat scheiden, en zij gaat van hem en neemt een anderen man, zal hij haar ook weder aannemen? Zou het land daardoor niet verontreinigd worden ? Maar gij, die met vele boeleerdere gehoereerd hebt, komt nochtans weder tot mij, spreekt de Heer. 3 Hef uwe oogen op naaide hoogten, en zie, hoe gij overal hoererij bedrijft: gij zit aan de wegen en wacht op hen, als een Arabier in de woestijn, en gij verontreinigt het land met uwe hoererijen en met uwe boosheid. 3 Daarom moet ook de vroege regen uitblijven, en geen spade regen komen; gij hebt een hoeren voorhoofd, en wilt u niet meer schamen; 4 en gij roept evenwel tot mij; Lieve vader, gij echtvriend mijner jeugd! 5 Zal hij dan eeuwiglijk [den toorn] behouden, en van de gramschap niet afstaan? Zie, zoo spreekt gij en bedrijft louter boosheid, en laat er u niet van af-keeren. — |
6 En de Heer sprak tot mij ten tijde van den koning Josia: Hebt gij ook gezien wat Israël, de afvallige , deed ? Zij ging heen op alle hooge bergen, en onder alle groene boomen, en bedreef aldaar hoererij. 7 En ik sprak toen zij dat alles gedaan had: Bekeer u tot mij;' maar zij bekeerde zich niet. £n hoewel hare zuster Juda, de verstokte, gezien heeft, 8 hoe ik het overspel van het afvallige Israël gestraft en haar verlaten en haar een scheidbrief gegeven heb, nochtans vreest het verstokte Juda, hare zuster, niet, maar gaat heen en bedrijft zelve óók hoererij; 9 en door het gerucht barer hoererij is het land verontreinigd, want zij bedrijft overspel met steen en met hout. 10 En na dit alles bekeert hare zuster, het verstokte Juda, zich niet van gan-scher harte tot mij, maar geveinsdelijk, spreekt de Heer. 11 En de Heer sprak tot mij: Het afvallige Israël is vroom in vergelijking van het verstokte Juda. 12 Ga heen en roep deze woorden uit naar het noorden toe, en zeg: Keer weder, gij afvallig Israël, |
JEEEMIA 3.
1345
|
spreekt de Heer, zoo zal ik mijn aangezicht niet tegen u veranderen; wantik ben barmhartig, spreekt de Heer, en zal niet eeuwig [den toorn?- behouden. 13 Beken slechts uwe misdaad , dat gij tegen den Heer uwen God gezondigd hebt, en her- en derwaarts zijt geloopen tot vreemde ïgodeii?, onder alle groene boomen, en aan mijne stem niet gehoorzaam zijt geweest, spreekt de Heer. 14 Bekeert u, gij afvallige kinderen, spreekt de Heer; want ik zal u trouwen, en zal u weder aannemen, [al ware het sléchts] één uit elke stad en twee uit ieder geslacht, en ik zal ubrengen naar Sion; 15 en ik zal u herders geven naar mijn hart, die u weiden zullen met wetenschap en verstand. 16 En het zal geschieden als gij gewassen en vermenigvuldigd zult zijn in het land, in dien tijd, spreekt de Heer, zal men niet meer spreken van de ark des verbonds des Heeren, ook niet meer daaraan gedenken noch daarvan prediken, noch haar bezoeken, noch aldaar meer offeren. |
17 In dien tijd zal men Jeruzalem noemen den troon des Heeren, en alle volken zullen zich derwaarts vergaderen te Jeruzalem, om des Heeren naams wil, en zullen niet meer wandelen naar de gedachten van hun boos hart. 18 In dien tijd zal het huis van Juda gaan met het huis van Israël, en zij zullen met elkander van het noorden komen in het land hetwelk ik uwen vaderen tot een erfdeel gegeven heb. 19 En ik zeide; Hoe zal ik ii zetten onder de kinderen? Ik zal u geven een aangenaam land, een schoon erfdeel, het uitstekendst sieraad der volken. Ook zeide ik: Dan zult gij mij Vader noemen, en niet meer van mij wijken. 20 Maar het huis van Israël verlaat mij trouweloos, gelijk eene vrouw haren echtvriend trouweloos verlaat , spreekt de Heer. 21 Daarom zal men hoo-ren op de hoogten een klaaglijk gekerm en geween der kinderen Israëls, dat zij kwaadgedaan en den Heer hunnen God vergeten hebben. 22 Keert derhalve weder, gij afvallige kinderen, zoo zal ik u genezen van uwe ongehoorzaamheid. — Zie, wij komen tot u, want gij zijt de Heer onze God. |
43
JEEEMIA 4.
134,0
|
33 Voorwaar liét is niets dan bedrog met de lieuve-len en met al de bergen; voorwaar Israël heeft geen hulp dan bij den Heer onzen God. 34 En de arbeid onzer vaderen is van onze jeugd af met schande vergaan, hunne schapen en runderen, zonen en dochters. 35 Want waarop wij ons verlieten, dat is ons nu niets dan schande; en waarmede wij ons troostten, daarover moeten wij ons nu schamen; want wij zondigden tegen den Heer onzen God, zoowel wij als onze vaders, van onze jeugd af, zelfs tot op dezen dag, en wij hoorden niet naar de stem vau den Heer onzen God. HOOFDSTUK 4. 1 Israël, wilt gij u be-keeren, spreekt de Heer, zoo bekeer u tot mij; en zoo gij uwe gruwelen wegdoet van voor mijn aangezicht, zoo zult gij niet verdreven worden. 3 Alsdan zult gij, zonder geveinsdheid, getrouw en oprecht zweren: Zoo waarachtig de Heer leeft! en de volken zullen zich in hem zegenen en zich op hem beroemen. 3 Want dus spreekt de |
Heer tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u een nieuwen akker , en zaait niet onder de doornen. 4 Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuid uwer harten, gij mannen van Juda en gij inwoners van Jeruzalem; opdat mijne gramschap niet uitbarste als een vuur, en brande wegens uwe boosheid, zoodat niemand het blusschen kan. 5 Ja verkondigt in Juda en roept luidkeels te Jeruzalem, en zegt: Blaast met de bazuin in het land; roept met «me luide \dem\ en zegt: Verzamelt u, en laat ons naar de vaste steden trekken. 6 Eicht eene banier op te Sion, loopt methoopen, en vertoeft niet; want ik breng een ongeluk en een groote ellende herwaarts van het noorden: 7 de leeuw springt op uit zijne struiken, en de vernieler der volken trekt op uit zijne plaats, om uw land te verwoesten en uwe steden te verbranden, dat er niemand in wonen zal. 8 Derhalve trekt zakken aan, klaagt en kermt; want de verbolgen toorn des 1 leeren wendt zich niet van ons af. |
JEREMIA 4.
1347
|
9 In dien tijd, spreekt de Heer, zal den koning en den vorsten liet liart ontzinken, de priesters zullen verbaasd staan en de profeten versclirikt zijn. 10 Ik nu zeide: Acli Heere Heere, gij hebt dit volk en Jeruzalem grootelijks doen misleiden, toen men zeide: Het zal vrede bij u zijn — daar nochtans het zwaard tot aan de ziel is doorgedrongen. 11 In dien tijd zal men tot dit volk eti tot Jeruzalem zeggen: Daar komt een verzengende wind over het gebergte herwaarts uit de woestijn, den weg op naar de dochter mijns volks: geen \toindi\ om te wannen of te zuiveren; 13 neen, er komt een wind die hun te sterk zal zijn. Nu zal ik óók met hen richten. 13 Zie, hij komt op als de wolken, en zijne wagens zijn als een dwarrelwind, zijne paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, wij zijn vernield. 14 Wasch dan nu, o'Jeruzalem, uw hart van de boosheid, opdat gij geholpen wordt: hoelang zullen ijdele overleggingen bij u huisvesten? |
15 Want er komt een geroep van Dan, en eene kwade boodschap van het gebergte van Efraïm. 16 De volken roemen, en het is tot Jeruzalem toe ruchtbaar geworden, dat er hoeders uit verre landen komen , en hunne stem verheffen tegen de steden van Juda ; 17 zij zullen haar van rondom belegeren als de hoeders op het veld, want zij hebben mij vertoornd, spreekt de Heer. 18 Dit hebt gij tot loon voor uw bedrijf en doen; dan zal uw hart gevoelen hoegroot uwe boosheid is. 19 Hoezeer ben ik beangst ! Mijn hart klopt mij in het lichaam, en ik heb geen rust; want mijne ziel hoort het geluid der bazuinen en het krijgsgeschreeuw. 20 En de ééne nederlaag op de andere roept men uit; want het geheele land wordt verwoest; schielijk worden mijne hutten en mijne tenten vernield. 31 Hoelang zal ik toch de banier zien, en het geluid der bazuin hooren? — 33 Maar mijn volk is onzinnig, en zij gelooven mij niet; dwaas zijn zij, en achten het niet; zij zijn wijs genoeg om kwaadtedoen, maar goedtedoen, dat willen zij niet leeren. |
JEEEMIA 5.
1348
|
33 Ik zag het land aan, en. zie, het was woest en ledig; en naar den hemel, en hij was duister; 24 ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden, en al de heuvelen sidderden; 25 ik zag, en zie, er was geen menseh, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen ; 26 ik zag, en zie, het vruchtbare veld was eene woestijn, en al zijne steden waren afgebroken, door den Heer, door zijnen grim-migen toorn. 27 Want dus spreekt de Heer: Het geheele land zal woest worden; doch ik zal het niet geheel verdelgen. 28 Daarom zal het land droêvig en de hemel daarboven treurig zijn; want ik heb het gesproken, en vast besloten, en het zal mij niet berouwen, en ik zal ook daarvan niet aflaten. 29 Al de steden zullen op het geroep der ruiters en der boogschutters vluchten, en zich in de dikke bosschen en op de steenrotsen begeven; alle steden zullen verlaten staan, zoodat niemand er in wonen zal. 30 Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Al kleedt gij u met purper, en al versiert gij u met gouden klei- l |
noodiën, en al blanket gij i uw aangezicht, gij zult u ^ nochtans tevergeefs aldus versieren; want uwe boe-leerders verachten u, zij zullen u naar het leven , staan. 31 Want ik hoor eene stem als van eene barende, ■ een angstgeschrei als van (| eene die voor 't eerst in barensnood is; de stem dei-dochter van Sion, die klaagt en de handen uitbreidt, ^ [zegyende]: Wee mij, ik moet bijna vergaan vanwege de moordenaars. \ HOOFDSTUK 5. 1 1 Gaat om door de straten van Jeruzalem, en ziet toe en verneemt toch en zoekt op hare straten, of gij iemand vindt die recht doet en naar trouw vraagt: zoo zal ik haar genadig zijn. 2 En of zij al zeggen: Bij den levenden Heer, zoo zweren zij nochtans valsche-lijk. 3 O Heer, uwe oogen zien immers naar de trouw ? Gij slaat hen, maar zij voelen het niet; gij plaagt' hen, maar zij verbeteren zich niet; zij hebben een gelaat harder dan eene steenrotsj en willen zich uiet bekee-ren. |
JEEEMIA 5.
1349
|
4 Maar ik dacht: Waarlijk deze arme lioop is onverstandig , zij kennen ook den weg des Heeren niet, noch het recht van hunnen God; 5 ik zal tot de vermogenden gaan en met hen spreken, die zullen toch den weg des Heeren en het recht van hunnen God kennen: — doch ook zij hadden alteza-men het juk verbroken eu de banden verscheurd. 6 Daarom zal de leeuw die uit het bosch komt hen verscheuren, en de wolf'uit de woestijn zal hen verderven , en de luipaard zal op hunne steden loeren, allen die er uitgaan zal hij verslinden; want hunne zonden zijn menigvuldig, en zij blijven verstokt in hunne ongehoorzaamheid. 7 Hoe zou ik u dan genadig kunnen zijn, dewijl uwe kinderen mij verlaten, en zweren bij wie geen God is? Eu nu ik hen verzadigd heb, bedrijven zij overspel, en loopen in de verblijven der ontucht; 8 ieder hunkert naar-zijns naasten huisvrouw, zij zwerven rond als welgevoede hengsten: 9 zou ik hen daarvoor niet bezoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit? |
10 Bestormt hare muren en werpt ze omver; maar verderft ze niet geheel; neemt hare wijnranken weg, want zij zijn des Heeren niet; 11 want zij verachten mij, zoowel het huis van Israël als het huis van Juda, spreekt de Heer. 12 Zij verloochenen den Heer, en zeggen: Hij is het niet, en het zal ons zoo kwalijk niet gaan, zwaard en honger zullen wij niet zien; 13 ja de profeten zijn louter wind, ook hebben zij het woord Gods niet; hun zeiven moge het zoo gaan. 14 Daarom, dewijl gij zulke woorden spreekt, zie, zoo zegt de Heer, de God Zebaóth, aldus: Ik zal mijne woorden in uwen mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. 15 Zie, spreekt de Heer, ik zal over u, o huis van Israël, brengen een volk van verre: een machtig volk, een volk van oude afkomst, een volk welks taal gij niet kent, noch verstaat wat zij spreken. 16 Hunne pijlkokers zijn open grafsteden; het zijn allen helden. 17 Zij zullen uwen oogst |
JEKEMIA 5.
1350
en uw brood verteren, zij zullen uwe zonen en dooli- 1 ters eten, zij zullen uwe schapen en runderen verslinden, zij zullen uwe wijnstokken en vijgeboomen afeten, uwe vaste steden op welke gij u verlaat zullen zij met bet zwaard vernielen.
18 Doch ook in die dagen, spreekt de Heer, zal ik u niet geheel verdelgen.
19 En als zij zeggen: Waarom doet de Heer onze God ons dit alles? zoo zult gij hun antwoorden: Gelijk gijlieden mij verlaat en vreemde goden dient in uw eigen land, zult gij ook vreemdelingen dienen in een land dat bet uwe niet is.
20 Dit zult gij verkondigen aan Jakobs buis, en prediken in Juda, zeggende:
21 Hoort nu toe, gij dwaaa volk dat geen verstand heeft, dat oogen heeft en niet ziet, dat ooren beeft en niet boort:
22 Zult gijlieden mij niet vreezen, spreekt de Heer, en voor mijn aangezicht niet beven ? Ik, die der zee bet zand tot een oever stel, tot een altijddurend perk, dat zij niet gyersch rijden zal; en of zij ziob al beweegt , zoo vermag zij nochtans niets; en of bare gol-
| ven al bruisen, zoo zullen ' zij daar toch niet overgaan.
23 Maar dit volk beeft een afvallig en ongehoor-zaam hart, zij blijven afvallig en gaan hunnen weg,
24 en zeggen niet eensin bun hart: Laat ons toch den Heer onzen -God vreezen , die ons ter rechter tijd vroegen regen en spaden regen geeft, en jaarlijks ons den oogst getrouw bewaart.
25 Maar uwe misdaden verhinderen dit, en uwe zonden wenden dat goede van u af.
26 Want men vindt onder mijn volk goddeloozen, die den lieden lagen leggen, en valstrikken bereiden om hen te vangen, gelijk de vogelvangers doen met de slagnetten;
27 en hunne huizen zyn vol bedrog, gelijk eene vogelkooi vol lokvogels is: (laardoor worden zij machtig en rijk,
28 vet en glad, zij gaan met kwade streken om, en doen geen recht; de zaak van den wees bevorderen zij niet, en het gaat bun wèl; ook bandhaven zij het recht der armen niet.
29 Zou ik dit dan niet bezoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit?
J ERE MI A G.
1351
|
30 Het is gruwelijk en verschrikkelijk wat in dit land geschiedt: 31 de profeten leeren valscli, en de priesters lieer-schen in kun ambt, en mijn volk heeft het gaarne alzoo; maar hoe zal het u daarvoor ten laatste gaan ? HOOFDSTUK 6. 1 Loopt met hoopen, p;ij kinderen Benjamins, uit Jeruzalem , en blaast de bazuinen te ïekoa, en steekt eene banier op te Beth-Kérem; want een ongeluk komt herwaarts van het noorden , en een groote ellende. 3 De dochter van Sion is als eene schoone aangename landouw, 3 maar er zullen herders met hunne kudden tot haar komen, die zullen tenten rondom tegen haar opslaan, en zullen elk zijne plaats afweiden. ■1 Eust u ten oorlog tegen haar; welaan, laat ons optrekken terwijl het nog hoog dag is; zie, het wordt avond, en de schaduwen worden lang. 5 Welaan, laat ons wakker zijn, al zouden wij bij nacht optrekken, en hare paleizen verderven. |
ö Want dus spreekt de Heer Zebaoth: Houwt boo-men af en maakt bolwerken tegen Jeruzalem; want zij is de stad die bezocht zal worden, er is toch niets dan onrecht binnen hare muren. 7 Want gelijk een bornput zijn water opgeeft, zóó welt zij ook hare boosheid op; geweld en verwoesting hoort men in haar, en haar moorden en slaan is dagelijks vóór mij. 8 Verbeter u, Jeruzalem, eer mijn hart zich van u wendt, en ik u tot een woest land maak, waarin niemand woont. 9 Dus spreekt de Heer Zebaoth; Wat van Israël overgebleven is, moet ook, gelijk een wijngaard, geheel afgelezen worden: de wijnlezer zal het één na het ander in de korven werpen. 10 Tot wien zal ik toch spreken en betuigen, dat zij hooren zullen? Zie, hunne ooren zijn onbesneden, zij willen het niet hooren; zie, zij houden het woord des Heeren voor een spot, en begeeren het niet. 11 Daarom ben ik zoo vol van het dreigen des Heeren, dat ik het niet inhouden kan. Stort het uit, zoowel over de kinderen op de straten, als waar zich jongelingen saam vergaderen; want zoo man als vrouw, |
JEE E MIA 6.
1353
|
de ouden en die vol van dagen zijn, zullen gevangengenomen worden; 13 hunne huizen zullen net deel der vreemdelingen worden, tezamen met de akkers en vrouwen; want ik zal mijne hand uitstrekken over de bewoners des lands, spreekt de Heer. 13 Want zij allen bedrijven gierigheid, beide klein en groot, en de profeten en de priesters, allen tezamen, leeren valschen godsdienst, 14 en troosten mijn volk in hun ongeval, dat zij het licht zullen achten, zeggende: Vrede, vrede, en er is toch geen vrede. 15 Daarom zullen zij te schande worden, dewijl zij zulke gruwelen bedrijven, hoewel zij ongeschonden willen zijn en zich niet willen schamen; daarom zullen zij overhoop vallen; en als ik hen bezoeken zal, zoo zullen zij bezwijken, spreekt de Heer. 16 Dus spreekt de Heer: Staat stil bij de wegen en ziet toe, en vraagt naar de vorige wegen, waar toch de goede weg is; bewandelt dien, zoo zult gij rust vinden voor uwe zielen; maar zij zeggen: Wij willen het niet doen. |
17 Ik heb wachters over u gesteld, [zeg/jende]: Geeft acht op het geluid der bazuinen ; maar zij zeggen: Wij willen het niet doen. 18 Daarom hoort, gij volken, en verneemt altezamen wat onder hen plaats heeft; 19 gij aarde, hoor toe: zie, ik zal een ongeluk ovei dit volk brengen, namélijk hun verdiende loon; dewijl zij op mijne woorden geen acht geven, en mijne wet verwerpen. 30 Wat baat de wierook die uit rijk Arabië, en de goede kaneel die uit verre landen komt? Uwe brand-oflers zijn mij niet aangenaam, en uwe slachtoffers behagen mij niet. 31 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik zal voor dit volk een aanstoot stellen, waaraan beide vaders en kinderen met elkander zich stooten zullen, en geburen en vrienden tezamen zullen omkomen. 23 Dus spreekt de Heer: Zie, een volk zal komen van het noorden, en een groot volk zal zich verheffen van 'saardrijks uitersten; 23 die bogen en schilden voeren, zij zijn wreed en zonder barmhartigheid; zij bruisen als eene onstuimige zee, en rijden op paarden, |
JEKEMIA 7.
1353
|
toegerust als krijgslieden, tegen u o dochter van Sion. 24 Als wij van hen zullen hooren, zullen onze handen slap worden, angst en weedom zal ons aangrijpen als eene barende vrouw. 25 Niemand ga toch uit op den akker, en niemand ga op den weg; want het is overal onveilig wegens het zwaard des vijands. 26 O dochter mijns volks, trek een zak aan en leg u in de asch; draag rouw als over een éénigen zoon, en klaag als wie zeer bedroefd zijn; want de ver-derver komt snel over ons. 27 Ik heb u onder mijn volk gesteld als een die goud moet toetsen, opdat gij hunnen weg zoudt weten en beproeven. 28 Zij zijn allen tezamen afvalligen, en wandelen trouweloos; zij zijn enkel koper en ijzer, allen boosdoeners. 29 De blaasbalg is verbrand, het lood verd\yijiit; het smelten is tevergeefs, want het kwaad is er niet van aftescheiden. 30 Daarom noemt men hen ook verworpen zilver, want de Heer heeft hen verworpen. |
HOOFDSTUK 7. 1 Dit is het woord hetwelk van den Heer tot Je-remia geschiedde, zeggende: 3 Treed in de poort van het huis des Heeren, en predik aldaar dit woord, en zeg: Hoort het woord des Heeren, geheel Juda, gij die tot deze poorten ingaat om den Heer te aanbidden. 3 Dus spreekt de Heer Zebaoth, Israels God: Yer-betert uw leven en doen, zoo zal ik u gerust doen wonen aan deze plaats. 4 Yerlaat u niet op val-sche woorden, als zij zeggen : Hier is des Heeren tempel, hier is des Heeren tempel, hier is des Heeren tempel. 5 Maar verbetert uw leven en gedrag, dat de één tien ander recht doet, C eu gij de vreemdelingen, weezen en weduwen niet verdrukt, en geen onschuldig bloed vergiet in deze plaats, en geen andere goden nawandelt tot uwe eigene schade: 7 zoo zal ik u altoos en eeuwig doen wonen aan deze plaats, in het land hetwelk ik uwen vaderen gegeven heb. 8 Maar nu verlaat gij u |
JEKEMIA 7.
1854
|
op valsclie woorden die geen nut doen. 9 Daarenboven zijt gij dieven, moordenaars, overspe-lers en raeineedigeti, en wierookt voor Baiil, en volgt vreemde niet kent, — 10 en dan komt gij en treedt vóór mij in dit huis dat naar mijnen niiani genoemd is, en zegt: Het heeft geen nood met ons, terwijl wij zulke gruwelen doen. 11 Houdt gij dan dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, voor eene moordenaarsspelonk ? Zie, ik zie het wel, spreekt de Heer. 13 Gaat slechts naar mijnen zetel te Silo, alwaar voordezen mijn naam gewoond heeft, en ziet wat ik aldaar gedaan heb vanwege de boosheid van mijn volk Israël. 13 Dewijl gij dan nu zulke daden bedrijft, spreekt de Heer, en ik gestadig tot u laat prediken, en gij niet hooren wilt, en ik tot u roep, maar gij niet antwoorden wilt: 14 zoo zal ik aan dit huis dat naar mijnen naam genoemd is, waarop gij u verlaat, en aan deze plaats die ik u en uwen vaderen gegeven heb, eveneens doen gelijk ik aan Silo gedaan heb, goden na die gij |
15 en ik zal u van mijn aangezicht wegwerpen, gelijk ik al uwe broeders, het geheele zaad van Efraïm, weggeworpen heb. 16 Gij nu zult voor dit volk niet bidden, en zult voor hen geen klacht noch bede inbrengen, ook niet voor hen bij mij spreken; want ik zou u niet hooren. 17 Of ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? 18 De kinderen zoeken hout op, en de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te bakken voor de koningin des hemels, en plengen drankoffers voor vreemde goden, opdat zij mij verdriet aandoen. 19 Maar zij zullen daarmede niet mij, spreekt de Heer, maar ziehzelven verdriet aandoen, en zullen te schande worden. 20 Daarom spreekt de Heere Heere: Zie, mijn toorn en mijne grimmigheid is uitgestort over deze plaats, over menschen en vee, over de boomen op het veld en over de vruchten van het land; en die zal ontbranden, dat niemand hem uit-blusschen zal. |
JEREMIA 7.
1355
|
31 Dus spreekt de Heer Zsbaotli, Israels God: Voegt vrij uwe brandoffers en slachtoflers bijéén, en eet vleesch. 23 Ik heb immers tot uwe vaderen, teu dage toen ik ze uit Egypteland voerde, niet gesproken nocli hun iets geboden van brand-oli'ers of slachtoffers; 33 maar dit gebood ik hun, zeggende: Hoort naar mijn woord, zoo zal ik uw Goil zijn en gij zult mijn volk zijn; en bewandelt al de wegen die ik u gebied, opdat het u welga. 24 Maar zij wilden niet hooren noch hunne ooren daartoe neigen, maar wandelden naar hun eigen raad en naar het goeddunken hunner booze harten, en keerden mij den rug en niet het aangezicht toe. 35 Ja van dien dag af dat ik uwe vaderen uit Egypteland gevoerd heb, tot op dezen dag toe, heb ik gestadig tot u gezonden al mijne knechten de profeten. 36 Maar zij willen mij niet hooren noch hunne ooren daartoe neigen, maar zij zijn hardnekkig, en maken het erger dan hunne vaderen. |
37 En hoewel gij hun dit alles zegt, zoo zullen zij u nochtans niet hooren; en of gij al tot hen roept, zoo zullen zij u toch niet antwoorden. 38 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk dat den Heer zijnen God niet hooren noch zich verbeteren wil; de trouw is weg en uitgeroeid uit hunnenmond. 39 Snijd uwe haren af en werp ze van u, en weeklaag op de hoogten; want de Heer heeft dit geslacht, over hetwelk hij toornig is, verworpen en verstooten. 30 Want de kinderen van Juda doen kwaad voor mijne oogen, spreekt de Heer: zij steUen hunne gruwelen in het huis dat naar mijnen naam genoemd is, om het te verontreinigen; 31 en zij bouwen de altaren van Tofeth, in het dal van Een-Hinnom, om hunne zonen en dochters te verbranden , hetgeen ik nooit geboden noch in den zin genomen heb. 33 Daarom zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat men het niet meer Tofeth heeten zal, of dal van Een-Hinnom, maar moorddal; en men zal hen in Tofeth moeten begraven, omdat er anders geen ruimte meer zijn zal; 33 en de doode lichamen |
JEREMIA 8.
1356
|
van dit volk zullen aan de vogels des liemels en aan de dieren der aarde tot spijs verstrekken, en niemand zal ze verjagen; 34 en ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem doen ophouden het gejuich van vreugde en van blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid; want het land zal woest zijn. HOOFDSTUK 8. 1 In dien tijd, spreekt de Heer, zal men de beenderen der koningen van Juda, de beenderen hunner vorsten, de beenderen der priesters, de beenderen der profeten en de beenderen der inwoners van Jeruzalem uit hunne graven halen; 2 en men zal ze ten toon spreiden voor de zon en de maan en al het heir des hemels, dat zij liefgehad, dat zij gediend en nagewandeld en dat zij gezocht en aangebeden hebben; zij zullen niet weder verzameld en begraven worden, maar tot mest op den aardbodem zijn. 3 En al de overgeblevenen van dit boos geslacht, aan welke plaats zij ook zijn, waarheen ik hen zal verstoeten hebben, zullen veel liever dood dan levend willen zijn, spreekt de Heer Zebaóth. |
4 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heer: Waar is iemand die als hij valt niet gaarne weder zou opstaan ? Waar is iemand die als hij dwaalt niet gaarne weder terecht zou komen? 5 Maar dit volk te Jeruzalem gaat altoos dwalende voort; zij kleven den valschen godsdienst zóó vast aan, dat zij er zich niet van willen laten aftrekken. 6 Ik zie en hoor dat zij niets goeds leeren; niemand is er wien zijne boosheid leed doet, en die zegt: Wat heb ik gedaan? Zij loopen allen hunnen loop als een hengst naar den strijd. 7 Zelfs de ooievaar onder den hemel weet zijnen tijd, de tortel en kraanvogel en zwaluw kennen hunnen tijd wanneer zij zullen wederkomen ; maar mijn volk wil het recht des Heeren niet kennen. 8 Hoe durft gij dan zeggen: Wij weten wat recht is, en hebben de heilige schrift vóór ons ? Het is im- ; mers niets dan leugen wat uwe schriftgeleerden voorstellen ; 9 daarom moeten zulke leeraars te schande, verschrikt en gevangen worden; |
JEEEMIA 8.
1357
|
want wat goeds kunnen zij leeren, dewijl zij het woord des Heeren verwerpen? 10 Daarom zal ik hunne vrouwen den vreemdelingen geven, en hunne akkers aan degenen die hen verjagen zullen; want zij allen bedrijven gierigheid, beide klein en groot, en priesters en profeten leeren een val-sohen godsdienst, 11 en troosten mijn volk in hun ongeluk, dat zij het licht zullen tellen, zeggende: Arrede, vrede, en er is toch geen vrede. 12 Daarom zullen zij te schande worden, omdat zij zulke gruwelen bedrij ven, hoewel zij niet blozen en zich niet willen schamen; daarom moeten zij overhoop vallen; en als ik hen bezoeken zal, zullen zij va IJ en, spreekt ile llesr. 13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de Heer; er zijn geen druiven aan den wijnstok en geen vijgen aan den vijgeboom, ja de bladeren zijn verwelkt; dus zal ik hen overgeven aan degenen die hen vertreden zullen. 14 Waarom blijven wij dan zitten? Ja verzamelt u, en laat ons in de vaste steden trekken, en aldaar op hulp wachten; want de Heer onze |
God zal ons helpen met een bitteren drank, omdat wij zondigden tegen den Heer. 15 Ja verlaat u daarop dat het geen nood zal hebben — er is immers niets goeds; en dat gij zult genezen — er is immers niets dan verschrikking. 16 Men hoort hunne paarden reeds snuiven te Dan , en hunne hengsten brie-schen, dat het geheele land daarvan beeft; en zij komen herwaarts, en zullen het land vernielen met alwat er in is, de stad en allen die er in wonen. 17 Want zie, ik zal slangen en basilisken onder u zenden, die niet bezworen zijn; die zullen u steken,quot; spreekt de Heer. 18 Mijne verkwikking is slechts in klagen, mijn hart kwijnt in mij weg. 19 Zie, de dochter mijns volks zal jammeren uit verreu lande: Wil dan de Heer niet meer op Sion zijn, of zal zij geen koning meer hebben? — Waarom hebben zij mij zoo vertoornd met hunne beelden en vreemde onnutte diensten? — 20 De oogst is voorbijgegaan , de zomer is weg: ons is geen hulp wedervaren. 21 Het jammert mij zeer, dat mijn volk zoo verdor- |
JEllEMIA 9.
1358
|
ven is; ik kwel en ontzet mij. 23 Is er dan geen balsem in Gilead, of is er geen heelmeester aldaar? Waarom is er voor de dochter mijns volks geen genezing ? HOOFDSTUK 9. 1 Och dat ik water genoeg in mijn hoofd had, en mijne oogen tranenwellen waren, opdat ik dag en nacht kon-de weenen over de ontheiligden der dochter mijns volks! 3 Och dat ik eene herberg had in de woestijn, zoo zoude ik mijn volk verlaten en van hen wegtrekken, want het zijn enkel over-'spelers en een trouwelooze hoop; 3 zij schieten met deu boog hunner tong enkel leugens en geen waarheid, en maken zich geweldig in het land; en zij gaan van de ééne boosheid tot de andere, en achten mij niet, spreekt de Heer. 4 Ieder wachte zich voor zijnen vriend, en vertrouwe ook zijnen broeder niet; want de ééne broeder onderdrukt den anderen, en de ééne vriend verraadt den anderen; |
5 de ééne vriend handelt bedrieglijk met den ande-spreken geen zij benaarstigen zich, dat de één den ander bedriegt, en het is hun leed dat zij het niet erger kunnen maken. 6 Het is overal enkel bedrog onder hen, en door bedrog weigeren zij ook mij te erkennen,' spreekt- de lieer. 7 Daarom spreekt de Heer Zebaóth aldus: Zie, ik zal hen louteren en beproeven; want wat zal ik anders doen, dewijl mijn volk zoo bedrieglijk tewerkgaat? 8 Hunne valsche tongen zijn moordpijlen; met hunnen mond spreken zij vriendelijk tot tien naaste, maar in het hart loeren zij op hem: 9 zou ik hun dit dan niet tehuiszoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit? 10 Over de bergen zal ik eene rouw- en weeklacht aanheffen, en een klaaglied over de herdershutten, der woestijn; want zij zijn afgebrand , (lat niemand er meer doortrekt, en dat men ook geen geblaat der kudde meer hoort; zoowel het gevogelte des hemels als het vee, het is alles weg. 11 En ik zal Jeruzalem zij waarachtig woord |
JEEEMIA 9.
1359
|
tot oen steenhoop en tot eene woning der draken maken, en zal de steden van Juda woest maken, dat er niemand in wonen zal. 12 Dat nu iemand wijs ware en liet ter liarte name, en verkondigde wat de mond des Heeren tot hem zegt, waarom het land bedorven en verwoest wordt als eene woestijn waar niemand wandelt. 13 En de Heer sprak: Het is omdat zij mijne wet verlaten, die ik voor hun aangezicht gegeven heb, en niet hooren naar mijne woorden en er ook niet naar leven, 1-i maar huns harten goeddunken en de Basils volgen, gelijk hunne vaders hun geleerd hebben. 15 Daarom spreekt de Heer Zebaoth, Israels God, aldus: Zie, ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken; 16 ik zal hen verstrooien onder de volken, die noch zij noch hunne vaders gekend hebben; en ik 'zal het zwaard achter hen zenden, totdat het met hen gedaan zal. zijn. 17 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Beschikt en bestelt klaagsters, dat zij komevg en zendt om vrouwen, in de klaagkunst ervaren, dat zij komen, |
18 dat zij spoedig over ons eene weeklacht aanhefl'en; opdat onze oogen van tranen overloopen, en onze oogleden van water wegvloeien; 19 opdat men een klaaglijk gekerm hoore in Sion: Ach hoe geheel zijn wij vernield en te schande geworden , wij moeten het land ruimen, want zij hebben onze woningen omvergeworpen. — 20 Hoort dan nu het woord des Heeren, gij wouwen, en neemt ter oore het woord zijns monds: leert uwe dochters weenen, en de ééne leere de andere klagen. 21 De dood is in onze vensters ingeklommen en in onze paleizen gekomen, om de kinderen te vermoorden op de straten, en de jongelingen op de markten. 22 Zeg: Dus spreekt de Heer: De doode lichamen der menschen zullen liggen als mest op het veld, en als de schoven achter. 'ies maaier, welke niemat aan zamelt. ..et is in nie- 23 Dus sunt, hoe hij zal Een wüti en zijnen gang op ?ien. 1 24 Kastijd mij Heer, doch met mate, en niet in uwe |
JEEEMIA 9.
1858
|
ven is; ik kwel en ontzet mij. 23 Is er dan geen balsem in Gilead, of is er geen heelmeester aldaar? Waarom is er voor de dochter mijns volks geen genezing ? HOOFDSTUK 9. 1 Och dat ik water genoeg in mijn hoofd had, en mijne oogen tranenwellen waren, opdat ik dag' en nacht kon-de weenen over de ontheiligden der dochter mijns volks! 3 Och dat ik eene herberg had in de woestijn, zoo zoude ik mijn volk verlaten en van hen wegtrekken, want het zijn enkel over-'spelers en een trouwelooze hoop; 3 zij schieten met den boog hunner tong enkel leugens en geen waarheid, en maken zich geweldig in het land; en zij gaan van de ééne boosheid tot de andere, en achten mij niet, spreekt de Heer. 4 Ieder wachte zich voor zijnen vriend, en vertrouwe ook zijnen broeder niet; want de ééne broeder onderdrukt den anderen, en de ééne vriend verraadt den anderen; |
5 de ééne vriend handelt bedrieglijk met den anderen, en zij spreken geen waarachtig woord; zij benaarstigen zich, dat de één den ander bedriegt, en het is hun leed dat zij het niet erger kunnen maken. 6 Het is overal enkel bedrog onder hen, en door bedrog weigeren zij ook mij te erkennen j spreekt de Heer. 7 Daarom spreekt dc Heer Zebaóth aldus: Zie, ik zal hen louteren en beproeven; want wat zal ik anders doen, dewijl mijn volk zoo bedrieglijk tewerkgaat? 8 Hunne valsche tongen zijn moordpijlen; met hunnen mond spreken zij vriendelijk tot den naaste, maar in het hart loeren zij op hem: 9 zou ik hun dit dan niet tehuiszoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit? 10 Over de bergen zal ik eene rouw- en weeklacht aanheften, en een klaaglied over de herdershutten, dei-woestijn; want zij zijn afgebrand , dat niemand er meer doortrekt, en dat men ook geen geblaat der kudde meer hoort; zoowel het gevogelte des hemels als het vee, het is alles weg. 11 En ik zal Jeruzalem |
JEKEMIA 9.
1359
|
tot oen steenhoop en tot eene woning der draken maken, en zal de steden van Juda woest maken, dat er niemand, in wonen zal. 12 Dat nu iemand wijs ware en liet ter liarte name, en verkondigde wat de mond des Heeren tot hem zegt, waarom het land bedorven en verwoest wordt als eene woestijn waar niemand wandelt. 13 En de Heer sprak: Het is omdat zij mijne wet verlaten, die ik voor hun aangezicht gegeven heb, en niet hooren naar mijne woorden en er ook niet naar leven, lli maar huns harten goeddunken en de Baals volgen, gelijk hunne vaders hun geleerd hebben. 15 Daarom spreekt de Heer Zebaóth, Israels God, aldus: Zie, ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken; 16 ik zal hen verstrooien onder de volken, die noch zij noch hunne vaders gekend hebben; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat het met hen gedaan zal zijn. 17 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Beschikt en bestelt klaagsters, dat zij komen; |
en zendt om vrouwen, in de klaagkunst ervaren, dat zij komen, 18 dat zij spoedig over ons eene weeklacht aanheffen; opdat onze oogen van tranen overloopen, en onze oogleden van water wegvloeien ; 19 opdat men een klaaglijk gekerm hoore in Sion: Acli hoe geheel zijn wij vernield en te schande geworden , wij moeten het land ruimen , want zij hebben onze woningen omvergeworpen. — 30 Hoort dan nu het woord des Heeren, gij wouwen, en neemt ter oore het woord zijns monds: leert uwe dochters weenen, en de eene leere de andere klagen. 21 De dood is in onze vensters ingeklommen en in onze paleizen gekomen, om de kinderen te vermoorden op de straten, en de jongelingen op de markten. 23 Zeg: Dus spreekt de Heer: De doode lichamen der menschen zullen liggen als mest op het veld, en als de schoven achter den maaier, welke niemand opzamelt. 33 Dus spreekt de Heer: Een wijze beroeme zich niet op zijne wijsheid, een sterke beroeme zich niet op zijne sterkte, een rijke beroeme |
JEREMIA 10.
1360
|
zich niet op zijnen rijkdom; 24 maar wie zich beroemen wil, die beroeme zich daarop, dat hij mij kent, en weet dat ik de Heer ben, die barmhartigheid, recht en gerechtigheid oefen op anrde; want dat behaagt mij, spreekt de Heer. 35 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik bezoeken zal al de besnede-nen en de onbesnedenen: 36 Egypte, Juda, Edom, de kinderen Amnions, Moab, en allen die zich de slapen gladscheren en de woestijn bewonen; want al die volken hebben onbesneden voorhuiden, maar het geheele huis van Israël heeft een onbesneden hart. HOOFDSTUK 10. 1 Hoort wat de Heer tot ulieden spreekt, o huis van Israël. 2 Dus spreekt de Heer: Gij zult den godsdienst dei-heidenen niet leeren, en zult niet vreezen voor de teekenen des hemels, zoo-als de heidenen vreezen. 3 Want de inzettingen der heidenen zijn ijdelheid; hout houwen zij af in het woud, en de werkmeester bearbeidt het met de bijl; |
4 hij versiert het met zilver en goud, en maakt het met nagels en hamers vast, opdat het niet omvalle. 5 Het zijn immers niets dan overtrokken pilaren, zij kunnen niet spreken; ook moet men ze dragen, want zij kunnen niet gaan: daarom zult gij voor hen niet vreezen, want zij. kunnen noch hetyen noch schade doen. 6 Maar u o Heer is niemand gelijk; gij zijt groot, en uw naam is groot, en gij kunt het met de daad bewijzen. 7 Wie zou u niet vreezen, gij Koning der volken? U behoorde men immers to gehoorzamen; want onder alle wijzen der volken en in allo koninkrijken is niets aan u gelijk. 8 Zij zijn allen dwaas en verstandeloos: immers moet een stuk hout een ijdele godsdienst zijn. 9 Geslagen zilver brengt men van Tarsis herwaarts, en goud uit Ufaz, door den werkmeester en goudsmid bereid; hemelsblauw en purper trekt men hem aan, en het is alles het werk dei-wijzen. 10 Maar de Heer is de rechte God, een levend God, een eeuwig Koning; voor zijnen toom beeft de aarde, |
1.
JEEEMIA 10.
1361
|
en de volken kunnen zijn dreigen niet weerstaan. 11 Spreekt dan nu tot hen aldus: De goden die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, moeten verdelgd worden van de aarde en van onder den hemel. 12 Maar hij heeft de aarde door zijne kracht gemaakt, en den wereldkloot bereid door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door zijn verstand. 13 Als hij dondert, dan is er overvloed van water onder den hemel, en hij trekt den nevel op van het einde der aarde; hij maakt de bliksemstralen bij den regen, en brengt den wind voort uit verborgen plaatsen. 14 Alle mensehen zijn dwazen met hunne kunst, en alle goudsmeden staan beschaamd met hunne beelden; want hunne afgoden zijn bedriegerij, en hebben geen leven: 15 het is enkel ijdelheid en een werk der begoocheling, zij moeten omkomen als zij bezocht worden. 16 Maar zoo is h'ij niet, die Jakobs deel is; maar hij is het die alles geschapen heeft, en Israël is zijn erfdeel: zijn naam is Heer Zebaóth. |
17 Doe uwen handel weg uit het land, gij die in de vaste stad woont; 18 want dus spreekt de Heer: Zie, ik wil de inwoners des lands op eenmaal wegslingeren; ik zal hen benauwen, dat zij het voelen zullen. 19 Wee mij vanwege mijn jammer en hartzeer; maar ik denk: Het is mijne plaag, ik moet zo lijden. 20 Mijne hut is verwoest, en al mijne touwen zijn losgereten; mijne kinderen zijn weggegaan en zijn niet meer; niemand richt mijne hut weder op, en niemand spant mijne tent weder uit; 21 want de herders zijn dwaas geworden en vragen niet naar den Heer, daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en al hunne kudden zijn verstrooid. 22 Zie, er komt een gerucht , eene groote verschrikking uit het land van het noorden: dat de steden van Juda verwoest en tot eene woning der draken zullen worden. 23 Ik weet Heer, dat des mensehen weg niet aan hem staat; en het is in nie-mands macht, hoe hij zal wandelen en zijnen gang richten. 24 Kastijd mij Heer, doch met mate, en niet in uwe |
JEKEMIA 11.
1362
|
gramscliap, opdat gij mij niet vernietigt. 25 Maar stort uwen toorn uit op de heidenen die u niet kennen, en op de geslachten die uwen naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob verteerd en verslonden, zij hebben hem weggenomen en zijne woning verwoest. HOOFDSTUK 11. 1 Dit is het woord dat van den Heer tot Jeremia geschiedde, zeggende: 3 Hoor de woorden van dit verbond, opdat gij ze aan de mannen van Juda en aan de inwoners van Jeruzalem verkondigt; 8 en zeg tot hen: Dus spreekt de Heer, Israels God: Vervloekt is hij die niet hoort naar de woorden van dit verbond, 4 hetwelk ik uwen vaderen geboden heb, ten dage toen ik hen uit Egypteland voerde, uit den ijzeroven, zeggende: Hoort naar mijne stem, en doet zooals ik u geboden heb; zoo zult gij mijn volk zijn en ik zal uw God zijn; 3 opdat ik den eed houde dien ik uwen vaderen gezworen heb, dat ik hun geven zoude een land waarin melk en honig vloeit. |
gelijk het te dezen dage is. —Toen antwoordde ik en zeide: Heer, het zij zoo. 6 En de Heer sprak tot mij: Predik al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem , zeggende: Hoort de woorden van dit verbond en doet er naar. 7 Want ik heb uw vaderen betuigd van dien dag af dat ik hen uit Egypteland voerde, tot op dezen dag toe, en betuigde al vroeg, zeggende: Hoort naar mijne stem. 8 Maar zij gaven geen gehoor en neigden ook hunne ooren niet, maar elk wandelde naar het goeddunken van zijn boos hart: daarom heb ik ook over hen gebracht al de woorden van dit verbond, hetwelk ik hun heb geboden te betrachten doch naar hetwelk zij niet gedaan hebben. 9 En de Heer sprak tot mij: Ik weet wel hoe die van Juda en Jeruzalem zich tezamen verbinden: 10 zij keeren zich tot de zonden hunner voorvaderen, die óók niet wilden hooren naar mijne woorden, en óók andere goden navolgden en dienden; zoo hebben het huis van Israël en het huis |
JEEEMIA 11.
1363
|
van Juda mijn verbond verbroken , hetwelk ik met hunne vaderen gemaakt : heb. 11 Daarom spreekt de Heer: Zie, ik zal een ongeluk over hen brengen, hetwelk zij niet zullen kunnen ontgaan; en als zij dan tot mij roepen, zal ik naar hen niet hooren. 13 Dat dan de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan en roepen tot de goden voor welke zij gewierookt hebben; maar zij zullen hen niet kunnen helpen in hunnen nood. 13 Want zoovele steden, zoovele goden hebt gij o Juda; en zoovele straten er te Jeruzalem zijn, zoovele schandaltaren hebt gij opgericht, om Eaill te wie-rooken. 14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen smeeking noch gebed voor hen op; want ik zal niet hooren als zij tot mij roepen zullen in hunnen nood. 15 Wat hebben mijne vrienden in mijn huis te doen? Zij bedrijven allen dien gruwel, en meenen dat liet heilige vleesoh het van hen zal nemen; en als zij kwaaddoen, verheugen zij zioh daarover. |
16 De Heer noemde u een groenen, sehoonen, vruchtbaren olijfboom; maar nu heeft hij met groot ge-druisoh een vuur daaromheen ontstoken, dat zij no takken vergaan moeten; 17 want deHeerZebaoth, die u geplant heeft, heeft u een ongeluk gedreigd om de boosheid van het huis van Israël en het huis van Juda, die zij daarmede bedrijven, dat zij mij vertoornen en Baal wierooken. 18 De Heer heeft het mij geopenbaard, opdat ik het wete, en vertoont mij hun boos bedrijf. 19 Ach, ik was als een argeloos lam dat ter slachtbank geleid wordt; en ik wist niet dat zij een aanslag tegen mij hadden, zeggende: Laat ons den boom met zijne vruchten verderven, en hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan zijn naam niet meer gedacht worde. 30 Maar gij Heer Zebaóth, rechtvaardige Hechter, die nieren en harten beproeft, laat mij uwe wraak over hen zien, want ik heb u mijne zaak aanbevolen. 31 Daarom spreekt de Heer aldus tot tie mannen van Anathoth, die u naar het leven staan, zeggen- |
JEKEMIA 12.
1364
|
de: Profeteer niet in den naam des Heeren, zoo gij niet door onze handen wilt sterven; — 22 daarom spreekt de Heer Zebaoth aldus: Zie, ik zal hen bezoeken; hunne jonge manschap zal met het zwaard g-edood worden, en hunne zonen en dochters zullen van honger sterven, 23 dat er niets van hen zal overblijven; want ik zal over de mannen van Anathoth ongeluk doen komen, in het jaar waarin zij zullen bezocht worden. HOOFDSTUK 12. 1 Heer, of ik al met u richten wilde, zoo behoudt gij toch recht; evenwel moet ik van het recht met u spreken. Waarom gaat het toch den goddeloozen zoo wèl, en hebben de verachters overvloed van alles? 2 Gij hebt hen geplant, dat zij inwortelen, ook wassen zij en dragen vrucht. Gij zijt wel nabij in hunnen mond, maar ver van hunne nieren. 3 Maar gij Heer kent mij, en ziet mij, en beproeft mijn hart voor \i. Drijf hen weg als schapen, opdat zij geslacht worden; en spaar ze voor den dag der dooding. |
4 Hoelang zal toch het land zoo jammerlijk staan, en het gras op het veld overal verdorren, om de boosheid der inwoners, zoodat er geen vee noch vogels meer zijn? Want zij zeggen: Hij ziet niet hoe het met ons zal afloopen. 5 Als zij die te voet gaan u moede maken, hoe zal het n dan gaan als gij met de ruiters loopen zult? En zoo gij slechts moed hebt in een land waar het vrede is, wat zult gij dan doen in de verheffing van den Jordaan ? 6 Want zelfs verachten u uwe broeders en uws vaders huis, en roepen vreeselijk over u; daarom vertrouw niet op hen, al spreken zij vriendelijk met u. 7 Daarom heb ik mijn huis verlaten, en mijn erfdeel verstooten, en hetgeen mijne ziel beminde heb ik in de hand der vijanden overgeleverd. 8 Mijne erfenis is mij geworden als een leeuw in het woud, en brult tegen mij; daarom ben ik toornig op haar geworden. 9 Mijne erfenis is als een gesprenkelde vogel, om welken zich de vogels verzamelen. Welaan verzamelt u, alle wild gedierte des velds; komt en verslindt. |
JEREMIA 13.
1365
|
10 Herders in in enig te hebben mijnen wijngaard verdorven en mijnen akker vertreden; zij hebben mijnen schoonen akker tot eene woestijn gemaakt, 11 tot eene woeste wildernis; ik zie alreeds hoe jammerlijk hij verwoest is; ja j het geheele land is woest, en niemand wil het ter harte nemen. 12 Want de verwoesters kome'i herwaarts over alle heuvels der woestijn, en het zwaard des Heeren verteert van het éene einde des lands tot aan het andere; en geen vleesch zal vrede hebben. 13 Zij zaaien tarwe, maar distels zullen zij maaien; en wat zij winnen, komt hun niet ten goede: zij zullen van hunne inkomsten niet verblijd worden, wegens den grooten toorn des Heeren. 11 Dus spreekt de Heer; ' Aangaande al mijne booze naburen, die mijn erfdeel ^ aantasten, hetwelk ik aan . mijn volk Israël heb uitge-: deeld; zie, ik zal hen uit het land wegrukken ,■ en het huis van Juda wegrukken I uit het midden van hen; I 15 maar als ik hen heb weggerukt, zal ik mij weder over lien ontfermen, en zal een ieder weder tot zijn |
erfdeel en in zijn land bren- gen. 16 En het zal geschieden, zoo zij van mijn volk leeren zullen te zweren bij mijnen naam: Zoo waarachtig de Heer leeft, gelijk zij voorheen mijn volk geleerd hebban te zweren bij Baal, — zoo zullen zij weder onder mijn volk gebouwd worden. 17 Maar indien zij niet willen hooren, zal ik zoodanig volk uitroeien en verdelgen, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 13. 1 Dus sprak de Heer tot mij: Ga heen en koop u een linnen gordel, en gord daarmede uwe lendenen; doch maak hem niet nat. 2 En ik kocht een gordel naar het bevel des Heeren, en gordde dien om mijne lendenen. 3 Toen geschiedde het woord des Heeren andermaal tot mij, zeggende: 4 Neem den gordel dien gij gekocht en om uwe lendenen gegord hebt, en sta op en ga heen naar den Prath, en verberg hem aldaar in eene steenkloof. 5 En ik ging heen en verstak hem bij den Erath, zooals de Heer mij geboden had. 6 En na een langen tijd |
JEllEMIA 13.
1366
|
sprak de Heer tot mij; Sta op en ga heen naar den ïrath, en haal den gordel weder, dien ik u beval aldaar te versteken. 7 En ik ging naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats alwaar ik hem verstoken had; en zie, de gordel was bedorven, dat hij niet meer deugde. 8 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 9 Dus spreekt de Heer: Alzoo wil ik ook bederven de heerlijkheid van Juda en Jeruzalem. 10 Dit booze volk, dat mijne woorden niet liooren wil, dat wandelt naar het goeddunken zijns harten, en andere goden navolgt om die te dienen en te aanbidden , dat zal worden als deze gordel die niet meer deugt. 1L Want gelijk een man den gordel om zijne lendenen bindt, zóó heb ik, spreekt de Heer, het ge-heele huis van Israël en het geheele huis van Juda om mij gegord, opdat zij mij zouden zijn tot een volk en tot een naam en tot lof en eer; maar zij willen niet hooren. |
12 Derhalve zeg hun nu dit woord: Dus spreekt de Heer, Israels God: Alle kruiken zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Wie weet dat niet, dat men alle kruiken met wijn zal vullen? 13 Maar zeg dan tot hen: Dus spreekt de Heer: Zie, ik zal allen- die in dit land wonen, de koningen die op Davids troon zitten, depriesters en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem vol maken, dat zij dronken zullen worden; M en ik zal den één met den ander, de vaders benevens de kinderen verstrooien , spreekt de Heer, en zal noch verschoonen noch sparen noch mij ontfermen, dat ik hen niet verderven zou. 15 Hoort derhalve en merkt op, en verheft u niet; want de Heer heeft het gesproken. 16 Geeft den Heer uwen God de eer, voordat het duister wordt, en eer uwe voeten aan de donkere bergen zich stooten; dat gij wacht naar licht, daar hij het nochtans tot dikke duisternis zal maken. 17 Maar wilt gij dat niet hooren, zoo zal mijne ziel in het verborgen weenen over zulke hoovaardij; mijne oogen zullen van tranen |
JEREMIA 14.
1367
|
vloeien, omdat de kudde des Heeren weggevoerd. 18 Zeg aan den koning en aan de vorstin: Zet u lager; want de kroon uwer lieerlijklieid is van uw hoofd gevallen. 19 De steden tegen liet zuiden zijn gesloten, en niemand is er die ze opendoet; geheel Juda is weggevoerd, geheel en al weggevoerd. 20 Hef uwe oogen op en zie hoe men van liet noorden herwaarts komt; waar is nu de kudde die u toevertrouwd was, uwe heerlijke kudde? '31 Wat zult gij zeggen wanneer hij u zoo bezoeken | zal? want gij hebt ze gewend vorsten en hoofden over u te willen zijn. Zie toe, zal niet angst u aangrijpen als eene vrouw in barensnood ? 33 Als gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom overkomt mij dit toch ? — om de menigte uwer misdaden zijn uwe zoomen opgetild, en uwe hielen met geweld ontbloot. 33 Kan ook een Moor zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Dan kunt gij ook goeddoen, gij die aan het kwaad gewend zijt. gevankelijk wordt |
34 Daarom zal ik hen verstrooien als stoppels die door den wind der woestijn weggewaaid worden. 35 Dit zal uw loon zijn, en uw deel hetwelk ik u toegemeten heb, spreekt de Heer; omdat gij mij vergeten hebt en u op leugens verlaat: 36 daarom zal ik uwe zoomen hoog ontdekken tegen u, dat men uwe schande zien zal. 37 Want uw overspel en uw hunkeren, uwe onbeschaamde hoererij en quot;uwe gruwelen, op de heuvelen in het open veld gepleegd, heb ik gezien: wee u Jeruzalem , wanneer zult gij toch eens gereinigd worden? HOOFDSTUK 14. 1 Dit is het woord het-werk de Heer tot Jeremia sprak aangaande de groote droogte. •— 3 Juda ligt jammerlijk, en zijne poorten kwijnen; het staat beklaaglijk op het land, en te Jeruzalem is eene groote droogte. 3 De grooten zenden de kleinen om water; maar als zij tot de bron komen, vinden zij geen water, en brengen hunne vaten ledig weder; zij gaan treurig en |
JEEEMIA 14.
1368
|
bedroefd, en omwinden hun hoofd, 4 omdat de aarde gespleten is, dewijl liet niet regent op het aardrijk; de akkerlieden gaan treurig, en omwinden hun hoofd. 5 Zelfs de hinden die op het veld werpen, verlaten hare jongen omdat er geen gras wast. 6 Het wild gedierte staat op de hoogten, het snakt en snuift als de draken, en versmacht omdat er geen kruid wast. 7 O Heer, onze misdaden hebben het immers verdiend, maar help nochtans om uws naams wil; ja onze ongehoorzaamheid is groot, waarmede wij tegen u gezondigd hebben. 8 Gij zijt Israëls troost, en hun helper in den nood; waarom stelt gij u alsof gij een gast waart in dit land, een vreemdeling die slechts den nacht daarin doorbrengt? 9 Waarom stelt gij u als een man die overweldigd is, als een held die niet helpen kan? Gij zijt immers nog onder ons, o Heer, en wij zijn naar uwen naam genoemd: verlaat ons niet. |
10 Dus spreekt de Heer aangaande dit voik: Zij loo-pen gaarne heen en weder, en blijven niet gaarne tehuis; daarom is de Heer hun niet genegen, maar nu is hij hunne misdaad gedachtig, en wil hunne zonden bezoeken. 11 En de Heer sprak tot mij: Gij zult niet voor dit volk om genade bidden; 13 want of zij al vasten, zoo zal ik toch naar hun smeeken niet hooren; en of zij al brandoffer en spijsoffer brengen, zoo behagen zij mij toch niet, maar ik zal hen door het zwaard en door den honger en de pest verteren. -— 13 Toen sprak ik: Ach Heere Heere, zie, de profeten zeggen tot hen: Gij zult geen zwaard zien en geen duurte onder n hebben, maar ik zal u goeden vrede geven in deze plaats. — 14 En de Heer sprak tot mij: Die profeten profeteeren valsch in mijnen naam, ik heb hen niet gezonden en hun niets bevolen en niets tot hen gesproken: zij prediken ulieden valsche gezichten , waarzeggerij en nietigheid, en bedrog huns harten. 15 Daarom, dus spreekt de Heer: Aangaande de profeten die in mijnen naam profeteeren, ofschoon ik hen niet gezonden heb, en die |
JEEEMIA 15.
1369
|
nochtans prediken, dat geen zwaard noch duurte in dit land komen zal, — die profeten zullen door liet zwaard en door den honger omkomen. 16 En het volk voor hetwelk zij profeteeren, zal vanwege het zwaard en den honger te Jeruzalem hier en daar liggen, en niemand zal hen begraven, zoo ook hunne vrouwen en zonen en dochters; en ik zal hunne eigene boosheid over hen uitstorten. 17 En gij zult dit woord tot hen zeggen: Mijne oo-gen vloeien van tranen dag en nacht, ja onophoudelijk; want de jonkvrouw, de dochter mijns volks, is afgrijslijk geplaagd en jammerlijk geslagen. 18 Ga ik uit op het veld, zie, daar liggen de verslagenen van het zwaard; kom ik in de stad, zie, daar liggen zij die van honger versmacht zijn; want zoowel de profeten als de priesters loopen om in het land en zij weten niet waarheen. 19 Hebt gij dan Juda geheel verworpen, of heeft uwe ziel een walg van Sion ? Waarom hebt gij ons zoo geslagen, dat niemand ons genezen kan? Wij hoopten dat het vrede zou worden, maar er komt niets goeds; wij hoopten dat wij zouden genezen worden, maar zie, er is verschrikking. |
20 Heer, wij erkennen onze goddeloosheid en onzer vaderen misdaad, dat wij tegen u gezondigd hebben. 21 Maar om uws naams wil, versmaad ons niet; laat den troon uwer heerlijkheid niet ontluisterd worden ; gedenk toch aan uw verbond met ons, en laat het niet ophouden. 22 Immers is er niemand onder de afgoden der volken , die regen kan geven; ook kan de hemel niet regenen : gij zijt de Heer onze God, op wien wij hopen, want gij alleen kunt dit alles doen. HOOFDSTUK 15. 1 Doch de Heer sprak tot mij: Al was het dat Mozes en Samuël vóór mij stonden, nog zou ik geen hart hebben voor dit volk: drijf hen van mij weg en laat ze heengaan. 2 En wanneer zij tot u zeggen: Waarheen zullen wij gaan ? zoo zeg tot hen: Dus spreekt de Heer: Wien de pest treft, dien trelte zij; wien het zwaard treft, dien trelie het; wien de honger treft, dien trefle |
|
1370 hij; wion de gevangenis treft, dien treit'e zij. 3 Want ik zal lien met vierderlei plagen bezoeken , spreekt de Heer: met liet zwaard, dat zij gedood worden ; met lionden, die hen wegsleepen zullen; met vogelen des hemels en niet het gedierte der aarde, dat zij verslonden en vernield zullen worden. 4 Eu ik zal hen voor alle koninkrijken der narde tot oen schrikbeeld stellen, om Manasse den zoon van Hiz-kfa, den koning van Juda, om hetgeen hij in Jeruzalem gedaan heeft. 5 Wie zal zich dan over ii ontfermen, Jeruzalem ? Wie zal dan medelijden met u hebben? Wie zal dan heengaan en naar uw welzijn vragen? 6 Gij hebt mij verlaten, spreekt de Heer, en zij t van mij afgevallen: daarom heb ik mijne hand tegen u uitgestrekt om u te verderven ; ik ben des ontfermens moede geworden. 7 Ik wil hen met de wan ten lande uitwannen; en ik zal mijn volk, dat zich van hun doen niet bekeeren wil, tot kinderloozen maken en ombrengen. |
8 Hunne weduwen zullen meer worden dan het zand aan de zee; ik zal over de moeder des jongelings doen komen een openbaren verder ver, en de stad schielijk en onvoorziens doen overvallen ; 9 dat degene die zeven kinderen heeft, ellendig zal zijn en van harte zal zuchten; want hare zoii zal op den vollen dag ondergaan, dat zoowel haar roem als hare vreugd een einde hebben zal; en de overigen zal ik aan het zwaard overgeven voor iiet aangezicht hunner vijanden, spreekt de Heer. 10 Ach mijne moeder, dat gij mij gebaard hebt, tegen wien een ieder twist en krakeelt in het geheele land! Ik heb immers niet op woeker gegeven noch genomen , en nochtans vloekt mij iedereen. — 11 De Heer sprak: Welaan, ik zal sommigen onder u doen overblijven, dezen zal het weder welgaan; en ik zal u te hulp komen in den nood en den angst onder de vijanden. 12 Meent gij dat er ergens een ijzer is, dat het ijzer en koper van het noorden zon kunnen verbreken? 13 Maar ik zal uw goed en uwe schatten ten roof geven, dat gij er niets voor JEEEMIA 15. krija uwe al u hebt 14 vijar land wan toon 15 het; neen ons neen toon wan uwe 16 ons vind vreu hart naar Hee 17 bij : heus wij ii t staa toor 18 onze onze dig, kan als wil 19 aldi |
JEEEMIA .16.
1371
|
krijgen zult; en dit om al uwe zouden, die gij in al uwe grenspalen begaan hebt. 14 En ik zal u tot uwe vijanden overbrengen, in een land hetwelk gij niet kent; want het vuur is in mijnen toorn over u aangegaan. 15 Ach Heer, gij weet het; gedenk aan ons en neem ons aan, en wreek ons op onze vervolgers; neem ons op, en stel uwen toorn over hen niet uit; want gij weet dat wij om uwentwil versmaad worden. IC Intusschen onderhoudt ons uw woord, als wij het vinden, en uw woord is de vreugd en troost van ons hart; want wij zijn immers naar uwen naam genoemd, Heer, fiod Zebaóth. 17 Wij voegen ons niet bij de spotters, noch verheugen ons met hen; maar wij blijven afgezonderd, om u ten dienste te kunnen staan; want gij zijt zeer toornig op ons. 18 Waarom duurt toch onze smart zoo lang, eh zijn onze wonden zoo kwaadaardig, dat niemand ze heelen kan? Gij zijt ons geworden als eene bron die niet meer wil opwellen. |
19 Hierop sprak de Heer aldus: Is het dat gij u aan mij houdt, zoo zal ik mij aan u houden, en gij zult mijn prediker blijven; en zoo gij de vromen leert zich aftezonderen van de boo-zen, zoo zult gij als \wel-c-er] mijn mond zijn; en in plaats dat gij tot hen terugkeert, moeten zij tot u terugkeeren. 20 Want ik heb u tegen dit volk tot een vasten koperen muur gemaakt; zoo zij al tegen u strijden, zoo zullen zij u echter niet overmogen; want ik ben met u, om u te helpen en u te redden, spreekt de Heer; 31 en ik zal u ook redden uit de hand der boozen, en u verlossen uit de hand der geweldenaars. HOOFDSTUK 16. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende; 3 Gij zult u geen vrouw nemen, noch zonen of dochters verwekken in deze plaats; 3 want dus spreekt de Heer aangaande de zonen en dochters die in deze plaat? geboren worden, aangaan de hunne moeders die hen baarden en aangaande hunne vaders die hen verwekten in dit land: |
JEEEM1A 16.
1372
|
4 Zij zullen aan smartelijke krankheden sterven, en niet beklaagd noch begraven worden, maar zij zullen tot mest op het land worden, en zij zullen door het zwaard en den honger omkomen, en hunne doode lichamen zullen den vogelen des hemels en den dieren der aarde tot spijs zijn. 5 Want dus spreekt de Heer: Gij zult niet in het treurbuis gaan, en zult ook nergens heengaan tot rouwbeklag, noch medelijden met hen hebben, want ik heb mijnen vrede van dit volk weggenomen, spreekt de Heer, mijne genade en barmhartigheid tevens; 6 zoodat beide groot en klein in dit land zullen sterven , en niet begraven noch beklaagd worden, eu niemand zal zich om hunnentwil insnijden noch kaalsche-ren. 7 Ook zal men onderhen geen uitdeeling doen met betrekking tot den rouw, om hen te troosten over een gestorvene, noch hun te drinken geven uitdentroost-beker over iemands vader of moeder. 8 Ook zult gij in geen drinkhuis gaan om met hen aantezitten, om te eten en te drinken. |
9 Want dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God: Zie, ik zal van deze plaats voor uwe oogen en bij uw leven doen ophouden de stem der vreugde en der blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid. 10 £n als ' gij aan dit volk dit alles zult gezegd hebben, en zij dan tot u zeggen zullen: Waarom spreekt de Heer over ons al dit groote ongeluk uit? Welke is de misdaad en de zonde waarmede wij tegen den Heer onzen God gezondigd hebben? — 11 dan zult gij tot hen zeggen; Omdat uwe vaders mij verlaten hebben, spreekt de Heer, en andere goden nagevolgd en die gediend en aangebeden, maar mij verlaten en mijne wet niet onderhouden hebben; 12 en omdat gij nog erger doet dan uwe vaders; want zie, ieder leeft naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar mij niet te hooren. 13 Daarom zal ik u uit dit land stooten in een land hetwelk gij niet gekend hebt noch uwe vaders; daar moogt gij dan, dag en nacht, andere goden dienen; want ik zal u geen genade bewijzen. |
JEE EM IA 17.
1373
|
14 Derhalve zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat men niet meer zeggen zal: Zoo waarachtig de Heer leeft die de kinderen Is-raëls uit Egypteland gevoerd heeft, 15 maar: Zoo waarachtig de Heer leeft die de kinderen Israels gevoerd heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen waarheen hij hen gedreven heeft; want ik zal hen we-derbrengen in hun land hetwelk ik hunnen vaderen gegeven heb. 16 Zie, ik zal vele vis-schers uitzenden, spreekt de Heer, die zullen hen op-visschen; en daarna zal ik vele jagers uitzenden, die zullen hen vangen op alle bergen en op alle heuvelen en in alle steenkloven. 17 Want mijne oogen zien op al hunne wegen, zoodat zij zich voor mij niet verbergen kunnen; en hunne misdaad is voor mijne oogen niet verborgen. 18 Maar ik zal eerst hunne misdaad en zonde dubbel betalen, omdat zij mijn land met de doode lichamen hunner afeoden verontreinigd en mijn erfdeel met hunne gruwelen vervuld hebben. |
19 Heer, gij zijt mijne sterkte en kracht, en mijne toevlucht in den nood; de volken zullen tot u komen van het einde der aarde, en zeggen: Onze vaders hebben valsche en nietige goden gehad, die geen nut konden doen. 20 Hoe zou een mensch zich goden kunnen maken? Het zijn toch geen goden.— 31 Derhalve zie, nu zal ik hen leeren, en mijne hand en macht hun bekendmaken; en zij zullen gewaarworden dat mijn naam Heer is. HOOFDSTUK 17. 1 De zonde van Juda is geschreven met eene ijzeren stift en met de punt eens diamants, en gegraveerd op de tafel huns harten, als op de hoornen uwer altaren; 2 terwijl hunne kinderen nog gedenken aan deze altaren, en aan de bosschen bij het groen geboomte, op de hooge bergen. 3 Maar ik zal uwe hoogten, zoo op de bergen als in de velden, benevens uwe have en al uwe schatten ten rnof geven, om de zonde in al uwe grenspalen begaan. 4 En gij zult verstooten worden uit uw erfdeel dat |
|
137i J E R E1 ik ü gegeven heb, en ik zal u tot knechten uwer vijanden maken in een land dat gij niet kent ; want gij hebt een vuur mijns toorns ontstoken, dat eeuwig branden zal. 5 Dus spreekt de Heer: Vervloekt is de man die zich op menschen verlaat, en op vleesch steunt, terwijl zijn hart van den Heer afwijkt; 6 want hij zal zijn als de heidestruik in do woestijn, die het niet gevoelt wanneer het goede komt, maar zal blijven in de dorheid der woestijn, in een onvruchtbaar land waar niemand woont. 7 Maar gezegend is de man die zich op den Heer verlaat, en wiens toeverlaat de Heer is; 8 want hij zal zijn als een boom die aan het water geplant is, en ingeworteld aan eene beek, en die het niet gevoelt als er hitte ontstaat, want zijne bladeren blijven groen, en hij bekommert zich niet als er een dor jaar komt, maar brengt vruchten voort zonder ophouden. 9 Het hart is een trotsch, een versaagd ding; wie kan het doorgronden? 10 Ik de Heer doorgrond |
[IA 17. het hart en beproef de nieren, om een ieder te geven naar zijn doen, naar de vruchten zijner werken. 11 Want gelijk een vogel die, eieren uitbroedt welke hij niet gelegd heeft, zoo is hij die door onrecht goed vergadert; want hij.' moet het verlaten als hij dit het minst verwacht, en zal nog in het einde ten spot worden. 12 Een troon der heerlijkheid , eene hoogte van ouds af, is de plaats onzes heiligdoms. 13 Want, Heer, gij zijt Israels hoop; allen die u verlaten moeten te schande worden, en de afvalligen moeten in het stof geschreven worden; want zij verlaten den Heer, de bron des levenden waters. 14 Genees mij Heer, zoo word ik genezen; help mij, zoo ben ik geholpen; want gij zijt mijn roem. 15 Zie, zij zeggen tot mij : | Waar is dan het woord des j Heeren? Laat het nu toch i komen. 16 Maar ik heb mij echter niet onttrokken u als herder te volgen; ook heb ik den ongeluksdag niet begeerd, dat weet gij; wat ik gepredikt heb, dat is voor uw aangezicht geweest. 1' nie kin noc 15 woi ma ver laa ove bre bel 1! tot de wel da de 3( het koi liee var dez 2; We lasi de 2: uw dat ma zoo bo( 2: en nie ki§ hoi tel |
JEKEMIA 17.
|
17 Wees gij mij sleolits niet tot eene verschrikking, mijn toeverlaat in den nood! 18 Laat hen te schande worden die mij vervolgen, maar mij niet; laat hen verschrikken, maar mij niet; laat den dag des ongeluks over hen komen, en verbreek hen met eene dubbele verbreking. — 19 Dus spreekt de Heer tot mij: Ga heen en sta in de poort des volks, door welke de koningen van Ju-da uit- en ingaan, en in al de poorten van Jeruzalem; 30 en zeg tot hen: Hoort het woord des Heeren, gij koningen van Juda, en geheel Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat: 21 dus spreekt de Heer: Wacht u en draagt geen last op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem; 23 en voert geen last uit uwe huizen op den sabbatdag, en doet geen arbeid; maar heiligt den sabbatdag, zooals ik uwen vaderen geboden heb, 23 maar zij hoorden niet en neigden hunne ooren niet, maar bleven hardnekkig, om mij toch niet te hooren noch de tucht aan-teuemen. |
24 Indien gij mij zult hooren, spreekt de Heer, dat gij geen last door deze stadspoorten inbrengt op den sabbatdag, maar dien heiligt, zoodat gij geen werk daarop verricht: 25 zoo zullen ook door deze stadspoorten uit- en ingaan koningen en vorsten die op Davids troon zitten, en op wagens en paarden rijden, zij en hunne vorsten, allen die in Juda en te Jeruzalem wonen; en deze stad zal eeuwiglijk bewoond worden. 26 En er zullen komen uit de steden van Juda en uit de plaatsen rondom Jeruzalem en uit het land Benjamin, uit do laagte en van het gebergte en van het zuiden, die brandoiïer, slachtoffer, spijsoffer, wie-, rook en lofoffer zullen brengen tot het huis des Heeren. 27 Maar is het dat gij naar mij niet zult hooren om den sabbatdag te heiligen, en geen last intebren-gen door de poorten van Jeruzalem op den sabbatdag, zoo zal ik een vuur in uwe poorten ontsteken, dat de huizen te Jeruzalem zal vertereu en niet uitgebluscht worden. |
JEEEMIA 18.
1376
|
HOOFDSTUK 18. 1 Dit is het woord flat van den Heer tot Jeremia geschied is, zeggende: 3 Maak u op en ga af naar het huis des pottenbakkers , aldaar zal ik u mijne woorden doen hoo-ren. — 3 En ik ging af naar het huis des pottenbakkers, en zie, hij arbeidde juist op de schijven; 4 en de pot, dien hij van het leem maakte, mislukte hem onder de hand; toen maakte hij daarvan weder een anderen pot, zooals het hem behaagde. 5 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 6 Kan ik niet, evenals deze pottenbakker, ook met u handelen, o huis van Israël? spreekt de Heer: zie, gelijk net leem is in des pottenbakkers hand, zóó zijt gijlieden in mijne hand, o huis van Israël. 7 Schielijk spreek ik tot een volk of koninkrijk, dat ik het uitroeien en verbreken en verderven zal; 8 maar als dit volk, over hetwelk ik dat gesproken heb, zich bekeert van zijne boosheid, dan zal mij ook berouwen het ongeluk dat ik gedacht had het aante-doen. |
9 En schielijk spreek ik over een volk of koninkrijk, dat ik het bouwen en planten zal; 10 maar als het dan kwaad-doet voor mijne oogen, zoodat het naar mijne stem niet hoort, dan zal mij ook' berouwen het goede dat ik beloofd had het aantedoen. 11 Zeg dan nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: T)us spreekt de Heer: Zie, ik bereid ongeluk tegen u, en smeed overleggingen tegen u: bekeert u toch elk van zijnen boozen weg, en verbetert uw doen en uwen wandel. 12 Maar zij zeggen: Er zal niets van worden; wij willen naar onze gedachten wandelen, en elk zal doen naar het goeddunken van zijn boos hart. 18 Daarom spreekt de Heer aldus: Vraagt toch onder de volken: wie heeft ooit zoo iets gehoord, dat de jonkvrouw Israëls zulk een afgrijslijk werk bedrijft? 14 quot;Blijft wel de sneeuw, die van den Libanon afkomt , langer op de steenen in het veld, vloeit wel het stroomende water sneller, 15 dan mijn volk mij |
l
JEEEMIA 19.
1377
|
heeft vergeten? Zij wieroo-ken den goden, en richten altoos ergernis op hunne wegen aan, en wandelen op ongebaande paden; 16 opdat hun land tot eene woestijn worde, hun tot eene eeuwige schande, zoodat alwie daar voorbijgaat -zich verwondert en het hoofd schudt. 17 Ik zal hen als door een oostenwind verstrooien voor het aangezicht hunner vijanden, ik wil hun den rug en niet het aangezicht laten zien, als zij verderven. 18 Toen zeiden zij: Korat en laat ons aanslagen smeden tegen Jeremia; want de priesters kunnen niet dwalen in de wet, en de wijzen kunnen niet missen met raadgeven, en de profeten kunnen niet verkeerd leeren, - Komt en laat ons ] ~ -i verslaan met de tong, quot;■-tliet luisteren naar al oijne woorden. 19 Heer, sla acht op mij, en hoor de stem mijner tegenpartijders. 20 Zal men dan goed met kwaad vergelden? want zij hebben voor mijne ziel een kuil gegraven Gedenk toch dat ik voor u gestaan heb om voor hen ten beste te spreken, en uwe verbolgenheid van hen aftewenden. |
21 Straf dan nu hunne zonen met honger, en laat hen vallen in het zwaard; dat hunne vrouwen kinderloos en weduwen worden, en hunne mannen door den dood omkomen, en hunne jongelingen in den strijd door het zwaard getroiien worden. 22 Dat er een geschreeuw uit hunne huizeii gehoord worde, wanneer gij onverhoeds krijgsvolk over hen doet komen; want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, en strikken voor mijne voeten gelegd. 23 En dewijl gij Heer al hunne aanslagen tegen mij weet, dat zij mij willen dooden, zoo vergeef hun hunne misdaad niet, en laat hunne zonde niet uitgedelgd worden voor u, maar laat hen voor u ternedergeveld worden; handel alzoo met hen ten tijde uws toorns. HOOFDSTUK 19. 1 Dus spreekt de Heer: Ga heen, met eeuigen van de oudsten des volks en van de oudste priesters, en koop eene aarden kruik van den pottenbakker; 2 en ga uit naar het dal van Ben-Hinnom, dat vóór de Tichelpoort ligt, en |
44
JEKEMIA 19.
1378
|
predik aldaar de woorden die ik tot u spreek, 3 en zeg: Hoort het woord des Heeren, gij koningen van Juda en gij inwoners van Jeruzalem: dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God: Zie, ik zal een ongeluk brengen over deze plaats, waarvan een ieder die het hooren zal de ooren zullen klinken; 4 dewijl zij mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en anderen goden aldaar gewierookt hebben, die zij noch hunne vaderen noch de koningen van Juda gekend hebben, en deze plaats met onschuldig bloed hebben vervuld; 5 want zij hebben voor Baid hoogten gebouwd, om hunne kinderen te verbranden, Baal tot brandoffers; hetgeen ik hun niet geboden en waarvan ik niet gesproken heb, en dat nooit in mijn hart is opgekomen. 6 Daarom zie, de tijd zal komen, spreekt de Heer, dat men deze plaats niet meer noemen zal Tofeth of dal van Ben-Hinnom, maar moorddal; 7 want ik zal den raad van Juda en Jeruzalem te dezer plaatse vernietigen, en zal hen door het zwaard doen vullen voor het aangezicht hunner vijanden en in de hand dergenen die hun naar het leven staan; en ik zal hunne doode lichamen aan de vogels des hemels en de dieren der aarde ter verslinding geven. |
8 En ik zal deze stad woest en tot een spot maken; zoodat allen die er voorbijgaan zich verwonderen zullen, en haar nog beschimpen in hare plagen. 9 Ik zal hen het vleesch hunner zonen en dochters doen eten, en de één zal des anderen vleesch eten, in den nood en angst met welke hunne vijanden en die hen naar het leven staan hen benauwen zullen. 10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de oogen der mannen die met u gegaan zijn, 11 en tot hen zeggen: Dus spreekt de Hca- Zebaóth : Zooals men ee^. pottenbakkersvat verbrer dat niet weder heel Ka«. worden, zóó zal ik dit volk en deze stad ook verbreken; en men zal hen in ïofeth begraven, dewijl er geen plaats voor begraven meer zijn zal. 12 Alzoo zal ik met deze plaats en hare inwoners doen, spreekt de Heer, dat deze stad worden zal als Tofeth. |
JEREM1A 20.
1379
|
13 Ook zullen de huizen van Jeruzalem en de 1 luizen der koningen van Juda even zoo onrein worden als de plaatsen van Totetli; al die huizen op welker daken zij aan al liet lieir des liemels gewierookt en aan vreemde goden drankoft'ers geofferd hebben. —- 14 Ea toen Jeremia weder van Tofeth kwam, waarheen de Heer hem gezonden had om teprofeteeren, trad hij in het voorhof van het huis des lieeren, en sprak tot al het volk: 15 Dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God: Zie, ik zal over deze stad, en over al hare steden, al het ongeluk brengen hetwelk ik tegen haar gesproken heb, omdat zij hardnekkig zijn en naar mijne woorden niet willen hooren. HOOFDSTUK 20. 1 Toen nu Paslmr de zoon van Immer, de priester, die tot overste in het huis des Heeren gesteld was, Jeremia deze woorden hoorde profeteeren, 2 sloeg hij den profeet Jeremia, en wierp hem in de gevangenis, welke is in het bovenste der poort van Benjamin die aan het huis des Heeren is. |
3 En toen het morgen werd, haalde Pashur Jeremia uit de gevangenis. Toen sprak Jeremia tot hem: De Heer noemt u voortaan niet Pashur, maar Magor-mis-sabib (schrik van rondom). 4 Want dus spreekt de Heer: Zie, ik wil u met al uwe vrienden aan de vrees overgeven, en zij zullen door het zwaard hunner vijanden vallen, dat uwe oogen het zien zullen; en ik zal geheel Juda in de band des konings van Ikbel overgeven, die zal hen wegvoeren naar Babel en met het zwaard dooden. 5 Ook zal ik al de goederen dezer stad, met al haren arbeid, en al hare kleinoodiën, en al de schatten der koningen van Juda, in de hand hunner vijanden geven, die ze zullen rooven en wegvoeren en naar Babel brengen. 6 En gij Pashur zult met al uwe huisgenooten in ge-, vangenschap gaan, en naar Babel komen; aldaar zult gij sterven en begraven worden', met al uwe vrienden voor wie gij leugens geprofeteerd hebt. 7 Heer, gij hebt mij overreed en ik heb mij laten overreden, gij zijt mij te sterk geweest en hebt over |
rit
JEEEMIA 21.
1380
|
mocht; maar ik ben daarover ten spot geworden dagelijks, en iedereen beschimpt mij. 8 Want sedert ik gesproken , geroepen en gepredikt heb van de plaag en verwoesting, is het woord des Heeren mij ten hoon en spot geworden dagelijks. 9 Toen dacht ik: Ik wil er niet meer van gewagen, en niet meer in zijnen naam prediken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, in mijn gebeente besloten, dat ik het niet verdragen kon, en bijna vergaan was. 10 Want ik hoor dat velen mij schelden: Het is schrik van rondom, klaagt hem aan; wij willen hem aanklagen, zeggen al mijne vrienden en gezellen, of wij hem zullen kunnen naderen, en aan hem kunnen komen, en ons aan hem wreken. 11 Maar de Heer is met mij als een sterke held, daarom zullen mijne vervolgers vallen en niet de overhand hebben; te schande worden zij geheel en al, omdat zij zoo dwaas handelen ; eeuwig zal de schande zijn, men zal die niet vergeten. |
12 En nu, Heer Zebaoth, gij dié den rechtvaardige beproeft, nieren en harten ziet, laat mij uwe wraak aan hen zien, want ik heb u mijne zaak bevolen. 13 Zingt den Heer, roemt den Heer, die het leven des weerloozen uit de hand der boosdoeners redt. 1 i Vervloekt zij de dag op welken ik geboren ben, de dag op welken mijne moeder mij baarde zij niet gezegend. 15 Vervloekt zij hij die mijnen vader de goede boodschap bracht, zeggende: Gij hebt een jongen zoon, verblijd u over hem. 16 Dat die man zij als de steden welke de Heer heeft omgekeerd zonder zich te ontfermen; hij hoore des morgens gejammer en des middags gekerm; 17 dat hij mij niet gedood heeft in den moederschoot, of dat mijne moeder mijn graf geweest ware, en haar schoot voor eeuwig ware zwanger gebleven. 18 Waarom ben ik uit den moederschoot voortgekomen, om jammer en ellende te zien, en mijne dagen in schande doortebren-gen? HOOFDSTUK 21. 1 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde |
JEREMIA 21.
1381
|
tot Jeremia, toen de koning Zedekia tot hem zond Pashur den zoon van Mal-kia, en Zefanja den zoon van Maaseja, den priester, zeggende: 2 Vraag toch den Heer voor ons, want Nebukadre-zar de koning van Babel strijdt tegen ons: dat de Heer toch inet ons handele naar al zijne wonderen, opdat hij van ons wegtrekke. 3 En Jeremia sprak tot hen: Zegt tot Zedekia: 4 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Zie, ik zal de wapenen terugwenden welke gij in uwe handen hebt, met welke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeën, die u van buiten aan den muur belegerd hebben; en ik zal ze oj) een hoop verzamelen midden in de stad. 5 En ik zelf zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja met gramschap en gloed des toorns en groote verbolgenheid. 6 En ik zal de ingezetenen dezer stad slaan, zoo menschen als vee, dat zij sterven zullen door eene zware pest. |
7 En daarna, spreekt de Heer, zal ik Zedekia den koning van Juda, benevens zijne knechten en het volk dat in deze stad van de pest, het zwaard en den honger overblijven zal, geven in de hand van Nebu-kadrezar den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen die hun naar het leven staan; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards, zoodat er geen verschooning noch genade noch barmhartigheid zijn zal. 8 En zeg tot dit volk: Dus spreekt de Heer: Zie, ik leg u vóór den weg des levens en den weg des doods: 9 wie in deze stad blijft, die zal sterven door het zwaard of door den honger of door de pest; maar wie uitgaat tot de Chaldeën die ulieden belegeren, die zal in leven blijven, en zal zijn leven als een buit behouden. 10 Want ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gesteld tot ongeluk, en niet ten goede, spreekt de Heer: zij zal den koning van Babel overgegeven worden, om ze met vuur te verbranden. 11 En hoort ook het woord des Heeren aangaande het huis des konings van Juda; 13 gij huis van David, dus spreekt de Heer: Houd' |
JEREMIA 23.
1383
|
des morgens gericht, en verlost den beroofde uit de lumd des geweldenaars; opdat mijne gramschap niet uitvare als een vuur, en zóó brande dat niemand het blussehen kan, om uwe kwade werken. 13 Zie, spreekt de Heer, ik zal tegen u [strijdegt;ï\, die in de laagte, op de steenrots en op de vlakte woont, en zegt: Wie zou ons overvallen of in onze sterkten komen? 14 Ik zal ulieden bezoeken, spreekt de Heer, naar de vrucht van uw doen; ik zal een vuur ontsteken in uw woud, dat idles rondom verteren zal. HOOFDSTUK 22. 1 Dus spreekt de Heer: Ga af naar het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord, 3 en zeg: Hoor het woord des Heeren, gij koning van Juda, die op Davids troon zit; gij en uwe knechten en uw volk, allen die ingaan door deze poorten: 3 dus spreekt de Heer: Houdt recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des geweldenaars; en onderdrukt de vreemdelingen, weezen en weduwen niet, en doet niemand geweld, en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats. |
4 Want indien gijlieden dit doen zult, zoo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, die op Davids, i troon zitten , rijdende op wagens en paarden, ; met iliunne_ knechten en hun volk; 5 maar indien gij naar deze woorden niet hooren zult, dan heb ik bij mijzei ven gezworen, spreekt de Heer, dat dit huis vernield zal worden. 6 Want dus spreekt de Heer aangaande liet huis des konings van Juda: Gilead zijt gij mij, het lioofd des Libanons: zie toe dat ik u niet tot eene woestijn make, en als steden zonder inwoners! 7 Want ik heb verdervers tegen u besteld, elk met zijne wapenen; die zullen uwe uitgelezen cederen om-verhouwen en in het vuur werpen. 8 Dan zullen vele volken deze stad voorbijgaan, en onder elkander zeggen: Waarom heeft de Heer met deze groote stad zóó gehandeld ? 9 En men zal antwoorden: Omdat zij het verbond van den Heer hunnen God ver- |
J E RE M I A 23.
1383
|
Laten, en andere goden aangebeden en die gediend hebben. 10 Weent niet langer over den doode, en rouwklaagt niet meer over liem; maar weent over dengeen die heentrekt, want hij zal nooit wederkomen en zijn quot;vaderland niet meer zien. 11 Want dus spreekt de Heer aangaande Sallum den zoon van Josia, den koning van Juda, die in do plaats van zijnen vader Josia regeerde, die van deze plaats uitgetrokken is; Hij zal niet weder herwaarts komen, 13 maar hij zal sterven in die plaats waarheen hij gevankelijk is weggevoerd, en hij zal dit land niet wederzien. 13 Wee dengeen die zijn huis met ongerechtigheid bouwt, en zijne zalen met onrecht; die zijnen naaste omniet laat arbeiden, en hem zijn loon niet geeft, 11 en zegt: Ik zal mij een groot huis bouwen en ruime paleizen, en zich vensters daarin laat uithouwen, en het met cederhout laat be-schieten en met menie beschilderen. 15 Meent gij dat gij koning zijt, om met cederhout te pronken? Heeft uw vader ook niet gegeten en gedronken; en hij oefende nochtans recht en gerechtigheid , en het ging hem toen wèl; |
16 hij handhaafde het recht van den ellendige en arme, en het ging hem toen wèl. Is dit niet mij recht kennen? spreekt de Heer. 17 Maar uwe oogen en uw hart zijn niet gesteld dan op uwe gierigheid, om onschuldig bloed te vergieten, te onderdrukken en overlast te doen. 18 Daarom spreekt de lieer aldus van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda: Men zal over hem niet rouwklagen: Ach mijn broeder, ach mijne zuster! men zal over hem niet rouwklagen: Ach heer, ach edele! 19 Hij zal als een ezel begraven worden, weggesleept en naarbuiten geworpen worden voor de poorten van Jeruzalem. 30 Ga dan heen op den Libanon en roep, en laat u hooren te Basan, en roep van Abarim; want al uwe vrienden zijn jammerlijk omgebracht. 31 Ik heb het u tevoren gezegd, toen het nog wèl met u stond; maar gij zei-det: Ik wil niet hooren. |
JEREMIA 33.
1384
|
Zóó hebt gij al de dagen liws levens gedaan, dat gij naar mijne stem niet gehoord hebt. 22 De wind zal al uwe herders weiden, en uwe vrienden zullen gevankelijk wegtrekken; dan zult gij beschaamd en te sahande worden vanwege al uwe boosheid. 23 Gij die op den Libanon woont en in cederen genesteld zijt, hoe schoon zult gij er uitzien als de smarten en weeën u zullen aangrijpen als van eene in barensnood! 24 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heer, al ware het dat Konia, de zoon van Jojakim den koning van Juda, een zegelring aan mijne rechterhand was, zoo zou ik u toch vandaar wegrukken. 25 Ja ik zal u geven in de hand dergenen die u naar het leven staan en voor wie gij vreest, in de hand van Nebukadrezar den koning van Babel, en in de hand der Chaldeën; 36 en ik zal u, en uwe moeder die u gebaard heeft, naar een ander land drijven, dat uw vaderland niet is, en daar zult gij sterven; 37 en naar het land waarnaar zij hartelijk verlangen, zullen zij niet weder-keeren. |
38 Welk een ellendig, veracht , verstooten man is Konia ! een onwaardig vat! Ach hoe is hij met zijn zaad verdreven, en naar een onbekend land heengeworpen! 29 O land, land, land, hoor des Heeren woord: 30 dus spreekt de Heer: Schrijft dezen man op als een kinderlooze, een man wien het al de dagen zijns levens niet wèl zal gaan; want hij zal het geluk niet hebben, dat voortaan iemand van zijn zaad op Davids troon zitten en in Juda heerschen zal. HOOFDSTUK 23. 1 Wee den herders die de schapen mijner weide ombrengen en verstrooien, spreekt de Heer. 2 Daarom spreekt de Heer, Israels God, aldus aangaande de herders die mijn volk weiden: Gij hebt mijne kudde verstrooid en ze verstooten en niet bezocht: zie, ik zal u bezoeken vanwege uwe booze handelingen, spreekt de Heer. 3 Doch ik zal de overgeblevenen mijner kudde vergaderen uit alle landen waarheen ik ze weggedreven heb, en ik zal ze wederbrengeu |
J E E E MIA 33.
1385
|
tot hunne kooien, dat zij zullen wassen en vermenigvuldigd worden; ■i en ik zal herders over hen stellen die hen weiden zullen, dat zij niet meer zullen vreezen noch verschrikken, noch vermist worden, spreekt de Heer. 5 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik David eene rechtvaardige Spruit zal verwekken ; die zal een koning-zijn die wèl regeeren zal, en recht en gerechtigheid oefenen op de aarde. 6 In zijnen tijd zal Juda geholpen worden en Israël veilig wonen; en dit zal zijn naam zijn waarmede men hem noemen zal: De Heer is onze gerechtigheid. 7 Derhalve zie, de tijd zal komen, spreekt de Heer, dat men niet meer zeggen zal: Zoo waarachtig de Heer leeft die de kinderen Israels uit Egypteland gevoerd heeft, 8 maar: Zoo waarachtig de Heer leeft die het zaad van het huis Israels heeft uitgevoerd en gebracht uit het land van het noorden, en viit al de landen waarheen ik hen weggedreven heb; want zij zullen in hun land wonen. — |
9 Over de profeten. — Mijn hart dreigt in mijn lichaam te breken, al mijne beenderen sidderen, ik ben als een dronken man en als een die van wijn tuimelt, vanwege den Heer en vanwege zijne heilige woorden; 10 omdat het land vol overspelers is, omdat het land vanwege den vloek zoo jammerlijk staat, en de landouwen in de woestijn verdorren ; want hun leven is boos en hunne regeering deugt niet. 11 Want zoo profeten als priesters zijn huichelaars, en ik vind ook in mijn huis hunne boosheid, spreekt de Heer. 13 Daarom is hun weg voor hen als eene gladde steilte in het donker, waar zij uitglijden en vallen; want ik zal ongeluk over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de Heer. 13 In de profeten van Sa-marië zag ik dwaasheid, dat zij door BaÉll profeteerden en mijn volk Israël verleidden; 14 maar in de profeten van Jeruzalem zie ik gruwelen, dijt zij overspel bedrijven, en met leugens omgaan, en de boozen versterken, opdat niemand zich bekeere van zijne boosheid; zij zijn allen voor mij als Sodom, en hare inwoners als Gomorra. 13 Daarom spreekt de |
JEREMIA 23.
1386
|
Heer Zebaöth aangaande die profeten aldus: Zie, ik zal lien met alsem spijzen en met gal drenken; want van de profeten van Jeruzalem heeft zich huichelarij verspreid in het geheele land. 16 Dus spreekt de Heer Zebaöth: Hoort niet naar de woorden der profeten die u pi'ofeteeren; zij aedriegen u, want zij prediken de ingeving huns harten, en niet wat uit den mond des Heeren is; 17 zij zeggen tot degenen die mij lasteren: De Heer heeft het gesproken, het zal idieden welgaan; en tot allen die naar huns harten goeddunken wandelen zeggen zij: Ulieden zal geen ongeluk overkomen. 18 Want wie heeft in den raad des Heeren gestaan, en zijn woord gezien of gehoord? Wie kan zijn woord vernemen of hooren? 19 Zie, er zal een onwe-der des Heeren met grimmigheid komen, en een verschrikkelijk onweder op het hoofd der goddeloozen losbarsten. 20 Eu de toorn des Heeren zal niet ophouden, totdat hij zal gedaan en uitgevoerd hebben wat hij in den zin heeft: dan zult gij het wel gewaarworden. |
21 Ik heb die profeten uiet gezonden, en nochtans liepen zij; ik sprak niet tot hen, en nochtans profeteerden zij- 22 Want indien zij bij mijnen raad gebleven waren , en mijne woorden aan mijn volk gepredikt hadden, zij zouden hen van hunne boosheid en van hunnen kwaden weg bekeerd hebben. 23 Ben ik dan een God van nabij, spreekt de Heer, en uiet een God van verre? 24 Zou iemand zich zoo heimelijk kunnen verbergen, dat ik hem niet zou zien? spreekt de Heer; ben ik het niet die hemel en aarde vervul? spreekt de Heer. 25 Ik hoor het wel wat de profeten prediken, die leugen profeteeren in mijnen naam, zeggende: Ik heb gedroomd , ik heb gedroomd. 26 Wanneer zullen foch de profeten ophouden, die leugen voorspellen en de bedriegerij hunner harten profeteeren, 27 die willen dat mijn volk mijnen naam vergeten zal door hunne droomen die zij de écu den ander verhalen, zooals hunne vaderen mijnen naam wegens Ba al vergaten. 28 Een profeet die droo- |
JEREMIA 23.
1387
|
men heeft, predike die droo-men; en wie mijn woord heeft, predike mijn woord naar waarheid. Wat overeenkomst heeft stroo met tarwe? spreekt de Heer. 29 Is mijn woord niet als een vuur, spreekt de Heer, . en als een hamer die steenrotsen vermorzelt? 30 Daarom zie, ik zal tegen de profeten zijn, spreekt de Heer, die mijne worden stelen de één van den ander; 31 zie, ik zal tegen de profeten zijn, spreekt de Heer, die hun eigen woord voeren en zeggen: Hij heeft het gezegd. 33 Zie, ik zal tegen degenen zijn, die valsolic droo-men profeteeren, spreekt de Heer, en die ze prediken, en mijn volk verleiden met hunne leugens en looze streken : daar ik hen nochtans niet gezonden en Imn niets bevolen heb, en zij ook aan dit volk geen nut doen, spreekt de Heer. 33 Wanneer dan dit volk of een profeet of een priester u vragen zal, zeggende: Welke is de last des Hee-ren? zoo zult gij tot hen zeggen: Wat de last is? dat ik u zal wegwerpen, spreekt de Heer. |
34 En indien een profeet of priester of het volk zeggen zal: Hit is de last des Heeren, — dien zal ik bezoeken en zijn huis ook. 35 Maai- alzóo zult gij zeggen de één tot den ander en onder elkander: Wat antwoordt de Heer en wat spreekt de Heer? 36 En noemt het niet meer den last des Heeren; want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij de woorden van den levenden God, den Heer Zebaoth, onzen God, verdraaid hebt. 3 7 Daarom zult gij tot den profeet aldus zeggen: Wat antwoordde de Heer u en wat sprak de Heer? 38 Maar dewijl gij zegt: De last des Heeren, daarom spreekt de Heer aldus: Omdat gij dit woord den last des Heeren noemt, en ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult het niet noemen den last des Heeren: - 39 zie, zoo zal ik u wegnemen, en u, benevens de stad die ik u en uwen vaderen gegeven heb, van voor mijn aangezicht wegwerpen ; 40 en ik zal u eeuwige schande en eeuwigen smaad aandoen, die nimmer zal vergeten worden. |
JEREMIA 24.
1388
|
HOOFDSTUK 24. 1 Zie, de Heer vertoonde mij twee korven met vijgen, gesteld vóór den tempel des Heeren; nadat Nebukadre-zar, de koning van Babel, Jechonia den zoon van Jo-jakim, den koning van Juda, gevankelijk had weggevoerd, benevens de vorsten van Juda, en de timmerlieden en de smeden, en lien van Jeruzalem naar Babel had gebracht. 3 In den éénen korf waren zeer goede vijgen, gelijk de vroege vijgen zijn; in den anderen korf waren zeer slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet gegeten konden worden. 3 En de Heer sprak tot mij: Jeremia, wat ziet gij ? Toen zeide ik; Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zijn zeer slecht, zoodat zij vanwege hare slechtheid niet gegeten kunnen worden. 4 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 5 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Gelijk die goede vijgen, alzóó zal ik erkennen de gevangenen van Juda, die ik uit deze plaats heb doen trekken naar het land der Chaldeën; |
6 en ik zal hen genadig aanzien, en zal hen weder-brengen in dit land; en ik zal hen bouwen en niet afbreken, en zal hen planten en niet uitroeien; 7 en ik zal hun een hart geven, dat zij mij kennen zullen dat ik de Heer ben; en zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, want zij zullen zich van ganscher harte tot mij be-keeren. 8 Maar gelijk die slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet kunnen gegeten worden, alzóó, spreekt de Heer, zal ik Zedekia maken, den koning van Juda, benevens zijne vorsten, en wat er overgebleven is te Jeruzalem, en de overgeblevenen in dit land en die in Egypteland wonen; 9 en ik zal hen tot een schrikbeeld van ongeluk stellen voor alle koninkrijken der aarde, dat zij te schande zullen worden, tot een spreekwoord, tot eene schimprede en tot een vloek, aan alle plaatsen waarheen ik hen wegdrijven zal; 10 en ik zal het zwaard, den honger en de pest onder hen zenden, totdat zij omkomen van het land hetwelk ik hun en hunnen vaderen gegeven heb, |
JEEEMIA 25.
1389
|
HOOFDSTUK 25. 1 Dit is het woord dat tot Jeremia geschiedde aangaande het geheele volk van Juda, in het vierde jaar van JqjakiiD den zoon van Josia, den koning van Juda, dat is het eerste jaar van Nebukadrezar den koning van Babsl; 2 hetwelk de profeet Jeremia sprak tot al het volk van Juda en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende : 3 Sedert het dertiende jaar van Josia, den zoon van Ara on, koning van Juda, is het woord des Heeren tot mij geschied tot op dezen dag toe; en ik heb nlieden nu drieëntwintig jaar vroeg en laat gepredikt, maar gij hebt nooit willen hooren. 4 Ook heeft de Heer tot u gezonden al zijne knechten de profeten, vroeg en laat; maar gij hebt nooit willen hooren, noch uwe ooren geneigd om te hooren, 5 als zij spraken: Bekeert u toch een ieder van zijnen boozen weg eu van uwe kwade handelingen, zoo zult gij in het land, hetwelk de Heer u en uwen vaderen gegeven heeft, altoos en eeuwiglijk blijven; |
6 volgt geen andere goden om hen te dienen en te aanbidden, opdat gij mij niet vertoornt door het werk uwer handen, en ik een ongeluk over u brenge. 7 Maar gij wildet mij geen gehoor geven, spreekt de Heer, zoodat gij mij ver-toorndet door het werk uwer handen, tot uw eigen ongeluk. 8 Daarom spreekt de Heer Zebaóth aldus: Dewijl gij dan naar mijne woorden niet hooren wilt, 9 zie, zoo zal ik uitzenden en alle volken van het noorden laten komen, spreekt de Heer, en tot mijnen knecht Nebukadrezar den koning van Babel, en zal hen brengen over dit land en over degenen die daarin wonen, en over al deze volken die rondom liggen; en ik zal hen verbannen en vernielen, en hen tot spot en tot eene eeuwige woestijn maken. 10 En ik znl daaruit doen vergaan al het vroolijke gezang, de stem des bruidegoms en der bruid, het geluid des molens en het licht der lamp; 11 en dit gelieele land zal woest en vernield worden. |
JEKEMTA 25.
1390
|
en deze volken zullen den koning van Dabei dienen zeventig jaar. 12 Maar als Je zeventig jaar om zijn, zal ik den koning van Babel bezoeken, en al dit volk, spreekt de Heer, wegens hunne misdaad, daarbeneveus het land der Chaldeën; en ik zal het tot eene eeuwige woestijn maken. 13 Alzoo zal ik over dit land brengen al mijne woorden die ik daartegen gesproken heb, naar alles wat in dit boek geschreven is, hetwelk Jeremia geprofeteerd heeft over alle volken. 14 Want ook hen zullen machtige volken en groote koningen doen dienen, en ik zal hun vergelden naar hunne verdiensten en naaide werken hunner handen. 15 Want dus spreekt de Heer, Israëls God, tot mij: Neem dezen beker van den wijn der gramschap van mijne hand, en schenk daaruit aan alle volken tot welke ik u zend; 16 dat zij drinken, tuimelen en onzinnig worden, wegens het zwaard hetwelk ik onder hen zenden zal. — 17 En ik nam den beker van de hand des Heeren, en gaf daaruit te drinken aan alle volken tot welke de. Heer mij zond: |
18 Jeruzalem en de steden van Juda, en hare koningen en vorsten, dat zij woest en vernield zullen liggen, en een spot en vloek zijn, gelijk het heden ten dage is; 19 ook Farao den koning van Egypte, en zijne knechten, zijne vorsten en al zijn volk; 20 en alle landen tegen het westen, alle koningen in het land Uz, alle koningen in het land der Filistijnen, en Askelon, Gaza, Ekron en de overgeblevenen van Asdod; 21 Edom en Moab en de kinderen Ammons; 22 en alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon, en de koningen in de eilanden die aan gene zijde der zee zijn; 23 Dedan, Tema en Buz, en alle vorsten in die plaatsen; 24 alle koningen van Arabic, en alle koningen tegen het westen, die in de woestijn wonen; 25 alle koningen van Zim-ri, alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië; 26 alle koningen tegen het noorden, zoowel die nabij als die verre zijn, |
J EE EM IA 25.
1391
|
den één zoowel als den ander; en alle koninkrijken der aarde die op denaardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken. 37 Gij zult dan tot hen zeggen: Dus spreekt de Heer Zebaöth, Israels God; Drinkt dat gij dronken wordt en spuwt, en nedervalt en niet weder opstaat, vanwege het zwaard dat ik onder u zend. 28 En wanneer zij den beker niet van uwe hand willen nemen om te drinken, zoo zeg tot hen: Aldus spreekt de Heer Zebaöth: Gij zult en moet drinken; 29 want zie , in de stad die naar mijnen naam genoemd is, begin ik te plagen , en zoudt gij ongestraft blijven? Gij zult niet ongestraft blijven; want ik roep liet zwaard over allen die op de aarde wonen, spreekt de Heer Zebaóth. — 30 En gij zult hun al deze woorden profeteeren, en zeg tot hen: De Heer zal brullen uit de hoogte,, en zijnen donder laten hoo-reu uit zijne heilige woning; hij zal brullen tegen zijne woonstede; hij zal een lied der wijnpers-treders zingen tegen alle inwoners des lands, 31 welks weergalm klinken zal tot aan des aard-rijks einde; want de Heer heeft te richten met de volken, en zal met alle vleesoh gericht houden: de goddeloozen zal hij aan het zwaard overgeven, spreekt de Heer. |
33 Dus spreekt de Heer Zebaöth: Zie, er zal eene plaag komen van het ócne volk tot het andere, en een groot onweder zal verwekt worden van de zijden des lands. 33 Dan zullen de verslagenen van den Heer in (lien tijd liggen van het éene einde der aarde tot aan het andere einde; die zullen niet beklaagd nocli opgenomen noch begraven worden, maar zij moeten op het veld liggen en tot niest worden. 34. Kermt nu, gij herders, en jammert ; wentelt u in het stof, gij voorgangers der kudde; want de tijdis gekomen dat gij geslacht en verstrooid zult worden, en vallen zult als een kostbaar vat; 35 en de herders zullen niet kunnen ontvlieden, en de voorgangers der kudde zullen het niet kunnen ont-loopen. 36 Daar zullen dan de |
JEREMIA 26.
1392
|
herders jammeren, en de voorgangers der kudde zullen kermen, omdat de Heer hunne weide zoo verwoest heeft, 37 en omdat hunne landouwen, die zoo wèl stonden , verdorven zijn wegens den grimmigen toorn des Heeren: 38 hij heeft zijne hut verlaten als een jonge leeuw; en zoo is hun land vernield, wegens den toorn des ver-dervers en wegens zijnen grimmigen toorn. HOOFDSTUK 26. 1 In het begin der regeering van Jojakim den zoon van Josla, den koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heer, zeggende: 2 Dus spreekt de Heer: Treed in het voorhof van het huis des Heeren, en predik aan alle steden van Juda, die ingaan om te aanbidden in het huis des Heeren, al de woorden die ik u bevolen heb hun te zeggen; doe er niets af: 3 of zij misschien zullen hooren, en zich bekeeren elk van zijnen kwaden weg; opdat mij ook berouwe het kwaad dat ik hun denk te doen om hunnen boozen wandel. |
4 Zeg dan tot hen: Dus spreekt de Heer: Indien gij naar mij niet hooren zult, dat gij wandelt iu mijne wet die ik u voorgelegd heb, 5 dat gij hoort naar de woorden van mijne knechten de profeten, die ik vroeg en laat tot u gezonden heb,, doch die gij niet hooren wildet: 6 zoo zal ik met dit huis doen als met Silo, en deze stad tot een vloek stellen voor alle volken der aarde. 7 Toen nu de priesters, de profeten en al het volk Jeremia deze woorden hoorden spreken in het huis des Heeren, 8 en Jeremia alles had uitgesproken wat de Heer hem bevolen had tot het gansche volk te zeggen, grepen hem de priesters en de profeten en al het Ik, zeggende: Gij moet sterven. 9 Waarom durft gij pro-feteeren in den naam des Heeren, zeggende: Het zal dit huis gaan als Silo, en deze stad zal zoo woest worden dat er niemand meer in woont? — En al het volk vergaderde zich in het huis des Heeren tegen Jeremia. 10 Als nu de vorsten van Juda dit hoorden, gingen zij uit het huis des konings |
JEKEMIA 36.
1393
|
op in liet huis des Heeren, en zetteden zich voor de nieuwe poort [van liet huis] des Heeren. 11 En de priesters en profeten zeiden tot de vorsten en tot al het volk: Deze is des doods schuldig, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk gij met uwe ooren gehoord hebt. 12 Maar Jeremia sprak tot al de vorsten en tot al het volk: De Heer heeft mij gezonden, opdat ik dit alles wat gij gehoord hebt zou profeteeren tegen dit huis en tegen deze stad. 13 quot;Verbetert dan nu uw doen en uwen wandel, en hoort naar de stem van den Heer uwen God; zoo zal den Heer ook berouwen het kwaad dat hij tegen u gesproken heeft. 14 Zie, ik beu in uwe handen: gij kunt met mij doen zooals het u recht en goed dunkt; 15 maar gij moet weten, dat indien gij mij doodt, gij onschuldig bloed zult brengen over u, over deze stad en over hare inwoners; want waarlijk de Heer heeft mij tot u gezonden opdat ik dit alles voor uwe ooren spreken zoude. |
16 Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en de profeten: Deze is des doods niet schuldig, want hij heeft in den naam van den Heer onzen God tot ons gesproken. 17 En eenigen van de oudsten des lands stonden op en spraken tot de ge-heele menigte des volks, zeggende: 18 ïen tijde van Hizki'a den koning van Juda was er een profeet, Micha van Moréseth, die sprak tot al het volk van Juda, zeggende: Dus spreekt de Heer-Zebaoth: Sion zal als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot een steenhoop worden, en de berg van het huis des Heeren tot hoogten des wonds. 19 Nochtans liet Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem daarvoor niet dooden, ja zij vreesden veelmeer den Heer en baden voor den Heer; toen berouwde ook den Heer het kwaad dat hij tegen hen gesproken had. Dus zouden wij dan een groot kwaad doen tegen onze zielen. 20 Ook was er een die in den naam des Heeren profeteerde, Una de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, zooals Jeremia. |
JE REM IA 27.
1394
|
31 En toen de koning Jojakim, en al zijne aanzienlijken en al de vorsten, zijne woorden hoorden, wilde de koning liem laten dooden; docli Una vernam het, werd bevreesd en vluchtte, en kwam in Egypte. 23 En de koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan den zoon van Ach-bor, en andere mannen met hem; 23 die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot den koning Jojakim; en deze liet hem met het zwaard' dooden, en deed zijn dood lichaam werpen in de gemeene begraafplaatsen. — 24 Maar de hand van Ahikam den zoon van Sa-fan was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand des volks om hem te dooden. HOOFDSTUK 27. 1 In het begin der regeering van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Jnda, geschiedde dit woord van den Heer tot Jeremia, zeggende: 2 Dus spreekt de Heer tot mij: Maak u touwen en jukken, en hang één daarvan aan uwen hals; |
3 en zend ze aan den koning van Edom, aan den koning van Moab, aan den k.oning der kinderen Amnions, aan den koning van Tyrus, en aan den koning van Sidon, door de boden die tot Zedekia, den koning van Juda, te Jenualem gekomen zijn; t 4 en beveel hun dat zij aan hunne heeren zeggen: Dus spreekt de Heer Zeba-óth, Israels God: Zóó zult gij tot uwe heeren zeggen: 5 Ik heb de aarde gemaakt, en de menschen, en het vee dat op de aarde is, door mijne groote kracht en mijn uitgestrekten arm; en ik geef ze aan wien ik wil. 6 En nu heb ik al deze landen gegeven in de hand van mijnen knecht Nebu-kadnezar, den koning van Babel, en heb hem ook de wilde dieren op het veld gegeven om hem dienstbaar te zijn. 7 En alle volken zullen hem dienen, en zijnen zoon en den zoon zijns zoons, totdat ook de tijd zijns lands zal komen; want vele volken en groote koningen zullen hem dienen. 8 M aar welk volk en koninkrijk den koning van Babel, Nebukadnezar, niet dienen wil, en zijnen hals |
.TEKEMIA 37.
1395
|
niet wil buigen onder bet juk des konings vanBabel, dat volk zal ik bezoeken met liet zwaard, den honger en de pest, spreekt de Heer, totdat ik het door zijne hand verniel. 9 Derhalve hoort niet naar uwe profeten, waarzeggers, droomuitleggers, wichelaars en toovenaars, die tot u zeggen: Gij zult den koning van Babel niet dienen. 10 Want zij profeteeren u leugen, om n ver uit het land te brengen, en opdat ik u uitstoote en gij om-komet. 11 Maar het volk dat zijnen hals gewillig zal buigen onder het juk des konings van Babel, en hem dient, dat zal ik in zijn land laten, om het te bouwen en te bewonen, spreekt de Heer. 12 En ik zeide dit alles tot Zedekia den koning van Juda, eu sprak: Buigt den hals onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zoo zult gij leven. 13 Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard, den honger en de pest, zooals de Heer gesproken heeft over elk volk dat den koning van Babel niet wil dienen? |
14 Daarom hoort niet naar de woorden der profeten die tot u zeggen: Gij zult den koning van Babel niet moeten dienen. 15 Want zij profeteeren u leugen, en ik heb hen niet gezonden, spreekt de Heer, en zij profeteeren leugen in mijnen naam, opdat ik u uitstoote en gij omkomet, tezamen met de profeten die voor u profeteeren. 16 En tot de priesters en tot al dit volk sprak ik, zeggende: Dus spreekt de Heer: Hoort niet naar de woorden uwer profeten die u profeteeren, zeggende: Zie, de vaten van het hitis des Heeren zullen nu haast van Babel weder herwaarts komen ; want zij profeteeren u leugen. 17 Hoort niet naar hen, maar dient den koning van Babel, zoo zult gij leven: waarom zou deze stad tot eene woestijn worden? 18 Maar zijn zij profeten, en hebben zij het woord des Heeren, laat hen dan den Heer Zebaoth verbidden , dat de overgebleven vaten in het huis des Heeren , en in het huis des konings van Juda en in Jeruzalem , niet mede naar Babel komen. 19 Want aldus spreekt |
JEEEMIA 38
1396
|
de Heer Zebaóth aangaande de pilaren en aangaande de Jcoperen] zee en aangaande liet gestoelte en aangaande de vaten die nog overgebleven zijn in deze stad, 20 die Nebukadnezar de koning van Babel niet wegnam , toen hij .Teclionia den zoon van Jojakim, den koning van Jnda, van Jeruzalem wegvoerde naar Ba-bel , benevens alle vorsten van Jnda en Jeruzalem; — 31 aldus spreekt de Heer Zebaóth, Israëls God, aangaande de vaten die nog overgebleven zijn in het huis des Heeren en in het huis des konings vanJudaenin Jeruzalem: 22 Zij zullen naar Babel gevoerd worden, en aldaar blijven tot op den dag dat ik ze bezoeken zal, spreekt de Heer; dan zal ik ze wederom aan deze plaats doen brengen. HOOFDSTUK 28. 1 En in hetzelfde jaar, in het begin der regeering van Zedekia den koning van Jnda, in de vijfde maand des vierden jaars, sprak Ha-nanja de zoon van Azzur de profeet van Gibeon, tot mij in het huis des Heeren, in tegenwoordigheid van de priesters en van het gansche volk, zeggende: |
2 Dus spreekt de Heer Zebaóth, Israëls God, zeggende : Ik heb het juk des konings van Babel verbroken; 3 en eer twee jaren om zijn, zal ik al de vaten van het huis des Heeren, die Nebukadnezar de koning van Babel van deze plaatsquot; weggenomen en naar Babel gevoerd heeft, weder in deze plaats brengen; 4 en ook Jechonia den zoon van Jojakim, den koning van Juda, en al de gevangenen uit Juda die naar Babel gevoerd zijn, zal ik weder aan deze plaats brengen, spreekt de Heer; want ik zal het juk des konings van Babel verbreken. 5 ïoen sprak de profeet Jeremia tot den profeet Hananja, in tegenwoordigheid van de priesters en van het gansche volk hetwelk in het huis des Heeren stond, 6 en zeide: Amen, alzoo doe de Heer; de Heer beves-tige uw woord hetwelk gij geprofeteerd hebt, dat hij de vaten van het huis des Heeren van Babel weder-brenge aan deze plaats, tezamen met al de gevangenen. 7 Maar hoor nu ook dit woord, hetwelk ik voor uwe ooren spreek, en voor de |
JEEEMIA 29.
1397
|
ooren des ganschen volks: 8 De profeten die vóór mij en voor u geweest zijn, van ouds af, hebben tegen vele landen en groote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van ongeluk en van pest; 9 maar als een profeet van vrede profeteert, dien zal men kennen of de Heer hem waarlijk gezonden heeft, wanneer zijn woord vervuld wordt. 10 Toen nam de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jere-mia, en verbrak het; 11 en Hananja sprak in tegenwoordigheid des ganschen volks, zeggende: Dus spreekt de Heer: Aldus zal ik het juk van Nebu-kadnezar den koning van Babel verbreken, eer twee jaren om zijn, van den hals aller volken. —ïoen ging de profeet Jeremia zijnsweegs. 12 En het woord des Hee-ren geschiedde tot Jeremia, — nadat de profeet Hananja het juk verbroken had van den hals van den profeet Jeremia — zeggende: 13 Ga heen en zeg tot Hananja; Dns spreekt de Heer: Gij hebt het houten juk verbroken: maak dan nu in plaats daarvan een ijzeren juk. |
14 Want dus spreekt de Heer Zebaóth, Israëls God: Een ijzeren juk heb ik al dezen volken aan den hals gehangen, om Nebukadnezar den koning van Babel te dienen; ja dienen moeten zij hem, want ik heb hem zelfs de wilde dieren gegeven. 15 En de profeet Jeremia sprak tot den profeet Hananja : Hoor nu, Hananja: de Heer heeft u niet gezonden , en gij hebt gemaakt dat dit volk zich op leugen verlaat. 16 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik zal u van den aardbodem wegnemen; dit jaar zult gij sterven , want gij hebt hen met uwe woorden van den Heer afgewend. — 17 Alzoo stierf de profeet Hananja in datzelfde jaar in de zevende maand. HOOFDSTUK 29. 1 Dit zijn de woorden van den brief dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem aan de voornaamsten der oudsten die weggevoerd waren, en aan de priesters , de profeten, en het gansche volk hetwelk Nebukadnezar van Jeruzalem had weggevoerd naar Babel, 2 (nadat de koning Jecho- |
JEEEMIA 29.
1398
|
nia, eu de vorstin, met de kamerdienaars, de vorsten van Juda en Jeruzalem, benevens de timmerlieden en smeden van Jeruzalem weg waren), 3 door Elasa den zoon van Safan en Gemarja den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Ba-bel zond tot Nebukadnezar den koning van Babel; zeggende : 4 Dus spreekt de Heer Zebaoth, Israels God, tot al de gevangenen die ik heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5 Bouwt huizen en bewoont ze, plant hoven en eet er de vrachten van; 6 neemt vrouwen en verwekt zonen en dochters; neemt vrouwen voor uwe zonen, en geeft mannen aan uwe dochters, opdat zij zonen en dochters baren; vermenigvuldigt u aldaar, opdat er van u niet weinigen zijn. 7 En zoekt het beste dei-stad naar welke ik u heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heer; want als het haar welgaat, gaat het u óók wel. 8 Want dus spreekt de Heer Zebaoth, Israels God: Jjaat de profeten, die bij n zijn, en de waarzeggers u niet bedriegen; en hoort niet naar uwe droomen welke gij droomt; |
9 want zij profeteeren u leugen in mijnen naam ; ik heb hen niet gezonden, spreekt de Heer. 10 Want dus spreekt de Heer: Wanneer aan Babel zeventig jaren zullen vervuld zijn, zoo zal ik ulieden bezoeken , en zal mijn genadig woord over u tot stand brengen, om u wedertebren-gen aan deze plaats. 11 Want ik weet welke gedachten ik over u heb, spreekt de Heer, namelijk gedachten van vrede en niet van leed, om u te geven het einde dat gij verwacht. 12 En gij zult mij aanroepen en voortgaan tot mij te bidden, en ik zal u verhoeren : 13 indien gij mij zult zoeken, zult gij mij vinden, wanneer gij mij zoekt van ganscher harte; 14 ja ik zal mij van u laten vinden, spreekt de Heer, en zal uwe gevangenschap wenden, en u vergaderen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen ik u heb weggedreven, spreekt de Heer, en za.1 u wederbrengen aan deze plaats vanwaar ik u heb doen wegvoeren, 16 omdat gij zegt dat de leer eeft 1 16» hldus i |die op aangaa deze s ders d kelijk 17 a Zebaö honge zendei vijgen slecht nen i 18 ( jagen , hong( zal h ken d j beeld vloek en t( alle i zal v 19 mijm den, ik n feten gezoi det Heei 20 vanl die i bel! gij |
J ER EM IA 29.
1399
|
Leer n profeten verwekt eeft te Babel. 16 Daarom spreekt de Heer ti ld us aangaande tien konin»' jdie op Davids troon zit, en aangaande al het volk dat in deze stad woont, uwe broeders die niet met u gevankelijk zijn uitgetrokken; 17 aldus spreekt de Heer Zebaoth: Zie, ik zal zwaard, honger en pest onder lien zenden, en zal met hen omgaan als met die slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet gegeten kunnen worden; 18 en ik zal hen achterna-jagen met het zwaard , den j honger en de pest; en ik zal hen voor alle koninkrij-1 ken der aarde tot een schrikbeeld stellen, en tot een vloek en tot eene ontzetting en tot hoon en spot onder alle volken waarheen ik hen zal wegdrijven; 19 daarom dat zij naar mijne woorden niet hoorden , spreekt de Heer, toen ik mijne knechten de profeten vroeg en laat tot hen : gezonden heb, maar gij wil-det niet hooren , spreekt de Heer. 30 Doch gij allen die gevankelijk weggevoerd zijt, die ik uit Jeruzalem naar Ba-bel heb doen trekken, hoort gij het woord des Heeren: mort wel- sn u ; ik len, fc de abel raid i be-fulig tand ren- elke teb, slijk niet het roe-ij te 100- zoe-en, van iten , en 'en-uit lat- reg-'61') na,n beb de |
21 dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God, aangaande Achab den zoon van Kolaja, en aangaande Zede-k\a den zoon van Maaseja, die ulieden leugen profetee-ren in mijnen naam: Zie, ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar den koning van Babel, die zal hen voor uwe oogen verslaan, 22 dat men van hen een vloek zal maken onder al de gevangenen van Juda die in Babel zijn, en zeggen: De Heer doe aan u gelijk aan Zedekia en aan Achab, die do koning van Babel op het vuur liet braden; 23 daarom dat zij eene dwaasheid in Israël begingen, en overspel bedreven met vrouwen van anderen, en leugen predikten in mijnen naam, hetgeen ik hun niet bevolen had; dit weet ik, en getuig het, spreekt de Heer. 24 En tot Semaja van Ne-helam zult gij zeggen: 25 Dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God: Omdat gij onder uwen naam brieven hebt gezonden aan al het volk dat te Jeruzalem is, en aan den priester Ze-tanja, den zoon van Maaseja, en al de priesters, zeggende : 20 De Heer heeft u tot |
J ER EM IA 30.
1400
|
priester gesteld in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in het huis des Heeren over alle onzinnigen en profeteerders, dat gij hen in de gevangenis en in de boeien zoudt zetten: — 27 nu dan, waarom bestraft gij Jeremia van Ana-thoth niet, die voor u profeteert , 38 omdat hij tot ons naar Babel gezonden heeft, zeggende : Het zal nog Lang duren; bouwt huizen en bewoont ze, en plant hoven en eet er de vruchten van? — 29 Want de priester Ze-fanja had dezen brief gelezen voor de ooren van den profeet Jeremia. 30 Daarom geschiedde het woord des Heeren tot Jeremia, zeggende: 31 Zend heen tot al de gevangenen, en laat hun zeggen: Dus spreekt de Heer aangaande Semaja van Ne-helam: Omdat Semaja voor ulieden profeteert, en ik hem toch niet gezonden heb, en maakt dat gij op leugens vertrouwt, 32 daarom spreekt de Heer: Zie, ik zal Semaja van Nehelam bezoeken, benevens zijn zaad, dat niemand van de zijnen onder dit volk zal blijven, noch het goede zien hetwelk ik aan mijn volk zal doen, spreekt de Heer; want hij heeft hen met zijne woorden afgewend van den Heer. |
HOOFDSTUK 30. 1 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde tot Jeremia: 2 Dus spreekt de Heer, Tsraëls God; Schrijf al de woorden, die ik tot u spreek, in een boek. 3 Want zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik de gevangenschap van mijn volk, van Israël en Juda, wenden zal, spreekt de Heer, en ik zal hen wederbrengen in het land hetwelk ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen liet erfelijk bezitten. 4 En dit zijn de woorden die de Heer sprak aangaande Israël en aangaande Juda: 5 Aldus spreekt de Heer: Wij hooren eene stem der verschrikking, er is niets dan vrees en geen vrede. 0 Onderzoekt toch en ziet, of ooit een man kinderen baarde? Hoe komt het dan, dat ik alle mannen zie met de handen op de lendenen, gelijk vrouwen in barensnood , en dat alle aangezichten zoo bleek zijn? 7 Ach het is een zoogroote |
JEREMIA 30.
1401
|
dag, dat zijnsgelijke niet geweest is, en een tijd van angst in Jakob: nochtans zal hij daaruit geholpen i worden. 8 Want het zal geschieden in dien tijd, spreekt de Heer Zebaóth, dat ik zijn juk van uwen hals verbreken en uwe banden verscheuren zal, en geen vreemden zullen hem aan zich dienstbaar maken; 9 maar zij zullen den Heer hunnen God dienen, en hunnen koning David dien ik hun verwekken zal. 10 Daarom vrees niet, mijn knecht Jakob, spreekt de Heer, en ontzet u niet, Israël; want zie, ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenschap; en Jakob zal wederkomen en in rust en vrede leven, en er zal niemand zijn die hen verschrikken zal. 11 Want ik ben met u, spreekt de Heer, om u te helpen; ik zal wel een einde maken aan alle volken waarheen ik u verstrooid heb, maar aan u zal ik geen einde maken, maar ik zal u kastijden met mate, opdat gij u niet onschuldig houdt. 13 Want aldus spreekt de Heer: Uwe schade is ongeneeslijk , en uwe wonden zijn onheelbaar; |
13 niemand trekt zich uwe zaak aan om ze te genezen, niemand kan u heelen; 14 allen die het met u hielden vergeten u, zij vragen niet meer naar u; want ik heb u geslagen alsof ik een vijand sloeg, met onbarmhartige geeseling, om uwe groote misdaad en om uwe zware zonden. 15 Wat jammert gij dan over uwe wond en over uwe ondraaglijke smart? Ik heb u dat immers gedaan om uwe groote misdaad en om uwe zware zonden. 1G Nochtans, allen die u verslonden hebben, zullen eens verslonden worden; en allen die u benauwd hebben, zij allen zullen gevangen worden; en allen die u beroofd hebben, zullen zelve beroofd worden; en allen die u geplunderd hebben, zullen ook geplunderd worden ; 17 want u zal ik weder gezond maken en u van uwe wonden genezen, spreekt de Heer, omdat men u noemde de verstootene, Sion, waar niemand naar vraagt. 18 Dus spreekt de Heer: Zie, ik zal de gevangenschap van Jakobs tenten wenden, en mij over zijne |
JEEEMIA 31.
1402
|
woningen ontfermen; en de stnd zal op Lare heuvels herbouwd worden, en de tempel zal staan als tevoren. 19 Eu lof- en vreugdegezang zal vandaar uitgaan; want ik zal hen vermeerderen en niet verminderen, ik zal hen heerlijk en niet gering maken. 20 Zijne zonen zullen zijn als voorheen, eu zijne gemeente zal voor mij bestaan; want ik zal bezoeken allen die hem plagen. 21 En zijn vorst zal uit hem voortkomen, en zijn heerscher van hem uitgaan; en ik zal hem doen naderen en hij zal tot mij naderen; want wie is hij die met een gewillig hart tot mij komt ? spreekt de Heer. 22 En gij zult mijn volk zijn en ik zal uw God zijn. 23 Zie, er zal een on weder des Heeren komen met grimmigheid, een schrikkelijk onweder zal op het hoofd der goddeloozen losbarsten. 24 De grimmige toorn des Heeren zal niet ophouden, voordat hij doet en uitvoert wat hij in den zin heeft: in den laatsten tijd zult gij dat gewaarworden. |
HOOFDSTUK 31. 1 In dien tijd, spreekt de Heer, zal ik de God zijn van alle geslachten van Israël , en zij zullen mijn volk zijn. 2 Dus spreekt de Heer: Het volk dat overgebleven is van het zwaard heeft genade gevonden, \_als roeleer] in de woestijn, toen Israël heentrok tot zijne rust. o He Heer is mij verschenen van verre. Ik heb u eeuwig liefgehad, daarom iieb ik u tot mij getrokken uit enkel goedertierenheid. 4 Ik wil u weder bouwen, dat gij gebouwd zult hee-teu, o jonkvrouw Israels; gij zult nog vroolijk trommelen , en uitgaan ten rei; 5 gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samarië; planten zal men, en ook hunne vruchten eten. 6 Want de tijd zal komen dat de wachters aan het gebergte van Efraïm zullen roepen: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot den Heer onzen God. 7 Want aldus spreekt de Heer; Springt op over Jakob met vreugde, en juicht aan het hoofd der volken; roept overluid, roemt, eu zegt: Heer, geef heil aan |
JEEEMIA 31.
1403
|
uw volk, aan het overgeblevene van Israël. 8 Zie, ik Kil lien voeren uit liet land van liet noorden , en zal hen verzamelen van de einden der aarde: Minden en lammen, zwangere en barende vrouwen; zoodat eene groote menigte weder herwaarts komen zal. 9 Zij zullen komen, wee-nende en biddende; ik zal hen leiden, ja ik zal hen leiden aan waterbeken, op een rechten weg. dat zij zich niet stooten; want ik ben Israels Vader, en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon. 10 Gij volken, hoort het woord des Heeren, en verkondigt het in de verste eilanden, en zegt; Die Israël verstrooid heeft, die zal het ook weder verzamelen, en zal het hoeden als een herder zijne kudde. 11 Want de Heer zalJa-kob verlossen, en van de hand des machtigen redden. 13 En zij zullen komen en op de hoogte te Sion juichen, en zij zullen zich in menigte vergaderen tot des Heeren gaven, tot het koren, den most, de olie, en tot de jonge schapen en runderen; zoodat hunne ziel zal zijn als een waterrijke hof, en zij niet meer bekommerd zullen zijn. |
13 Alsdan zullen de jonkvrouwen vroolijk zijn in reien, ook jongelingen en ouden tegader; want ik zal hunne treurigheid iu vreugde veranderen, en zal hen troosten en hen verblijden na hunne droefenis; lli en ik zal het hart der priesters vol vreugde maken, en mijn volk zal de volheid mijner gaven hebben, spreekt de Heer. 15 Dus spreekt de Heer: Men hoort eene klaaglijke stem en een bitter geween te Eama: Eachel weent over hare kinderen, en wil zich niet laten troosten over hare kinderen, want het is uit met hen. 16 Maar de Heer spreekt aldus: Staak uw kermen en weenen, en de tranen uwer oogen; want uw jammer zal vergolden worden, spreekt de Heer; zij zullen wederkomen uit des vijands land; 17 en uwe nakomelingen hebben veel goeds te verwachten, spreekt de Heer; want [mee] kinderen zullen wederkomen in hun land. 18 Ik heb wel gehoord hoe Efraïm klaagt: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben ook getuchtigd als een dartel kalf. Bekeer mij, zoo word ik bekeerd ; want gij Heer zijt mijn God. |
JEEEMIA 31.
1404
|
19 Narlat ik bekeerd ben, doe ik boete; nadat ik verstandig gemaakt ben, sla ik mij op de lieup; want ik ben te schande geworden en sta scliaamrood, dat ik de schande mijner jeugd moet dragen. 20 Is niet Efraïm mijn dierbare zoon en mijn troetelkind? Want ik gedenk er aan, wat ik hem heb toegezegd; daarom breekt mij het hart over hem, dat ik mij over hem ontfermen moet, spreekt de Heer. 31 Eicht u gedenkteekens op, stel u herinneringszni-len; zet uw hart op de gebaande wegen op welke gij gewandeld hebt, keer weder o jonkvrouw Israels, keer weder tot uwe steden. 22 Hoelang zult gij ronddwalen, gij afvallige dochter? Voorwaar de Heer zal iets nieuws op aarde scheppen : de vrouw zal den man zoeken. 23 Dus spreekt de Heer Zebaóth, Israëls God: Als ik hunne gevangenschap wenden zal, zal men in het land van Juda en in zijne steden weder dit woord spreken; De Heer zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij heilige berg. |
24 En juda zal daarin wonen, benevens al zijne steden, ook akkerlieden en die de kudden weiden; 25 want ik zal de vermoeide zielen verkwikken en de bekommerde zielen verzadigen. •— 26 Hierop ontwaakte ik en zag rond, en had een zoeten slaap gehad. 27 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal, beide met menschen en vee; 28 en gelijk ik over hen gewaakt heb om uitteruk-ken , te verscheuren, afte-breken, te verderven en te plagen, alzóó zal ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heer. 29 In dien tijd zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden ; 30 maar een ieder zal om zijn eigen misdrijf sterven, en ieder mensoh die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen stomp worden. 31 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken: 32 niet gelijk het verbond |
JEEEMIA 33.
1405
|
geweest is dat ik met hunne vaderen gemaakt heb, toen ik hen bij de hand nam om ze uit Egypteland te voeren, welk verbond zij niet gehouden hebben, waarom ik hen dwingen moest, spreekt de Heer; 33 maar dit zal het verbond zijn hetwelk ik met het huis van Israël maken zal na dezen tijd, spreekt de Heer: ik zal mijne wet in hun hart geven en in hun binnenste schrijven, en zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn; 34 en zij zullen niet meer de één den ander noch de ééne broeder den anderen vermanen, zeggende: Erken den Heer; maar zij zullen mij allen kennen, beide klein en groot, spreekt de Heer, want ik zal hun hunne misdaad vergeven en hunne zonde nooit meer gedenken. 35 Dus spreekt de Heer, die de zon tot een licht geeft des daags, en de maan en de sterren naar haren loop tot een licht des nachts; die de zee beweegt dat hare golven woeden. Heer Zebaóth is zijn naam: 36 Indien deze ordeningen zullen ophouden voor mijn aangezicht, spreekt de Heer, zoo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk meer zal zijn voor mijn aangezicht eeuwiglijk. |
37 Dus spreekt de Heer: Wanneer men den hemel hierboven kan meten, en de diepte der aarde beneden doorgronden, dan zal ik ook het geheele zaad van Israël verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heer. 38 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat de stad des Heeren zal gebouwd worden, van den toren Ha-naneël af tot aan de Hoek-poort toe; 39 en het meetsnoer zal vandaar verder uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich wenden naar Goath; 40 en het geheele dal der doode lichamen en der asch, en het geheele vlakke veld tot aan de beek Kidron, tot den hoek der Paarden-poort, tegen het oosten, zal den Heere heilig zijn, dat het nimmer zal verwoest noch afgebroken worden. HOOFDSTUK 32. 1 Dit is het woord dat van ' den Heer geschiedde tot Jeremia, in het tiende jaar van Zedekia den koning van Juda, dat is het achttiende jaar van Nebu-kadnezar. |
JEEEMIA 33.
1406
|
2 Te dier tijd belegerde het lieir des konings van Babel Jeruzalem, en de profeet Jeremia zat gevangen in liet voorhof der gevangenis, in het huis (les konings van Juda; 3 alwaar Zedekia de koning van Juda hem had laten opsluiten , zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende : Dus spreekt de Heer: Zie, ik geef deze stad over in de handen des konings van Babel, en hij zal ze innemen; 4- en Zedekia de koning van Juda zal de Chaldeën niet ontvluchten, maar ik zal hem in de hand des konings van Babel overleveren, dat hij van mond tot mond met hem spreken en hem met zijne oogen zien zal; 5 en hij zal Zedekia naar Babel voeren, aldaar zal hij ook blijven totdat ik hem bezoek, spreekt de Heer; want al is het dat gijlieden tegen de Chaldeën strijdt, gij zult echter geen geluk hebben. 6 En Jeremia zeide: Het woord des Heeren is tot mij geschied, zeggende: 7 Zie, Hanameiil, de zoon van Salluin uwen oom, komt tot u, en zal zeggen: Koop toch mijnen akker te Ana-thoth, want gij hebt het naaste recht van bloedverwantschap om hem te koo-pen. |
8 Alzoo kwam Hanameël, mijns ooms zoon, gelijk de Heer gezegd had, tot mij in het voorhof der gevangenis, en zeide tot mij: Koop mijnen akker te Anathoth iu het land van Benjamin; want gij hebt het recht van erflos-sing daartoe, en gij zijt de naaste, koop hem toch. Toen merkte ik dat dit het woord des Heeren was. 9 En ik kocht den akker te Anathoth van Hanameël, mijns ooms zoon, en woog hem het geld toe, zeven sikkels en tien zilverlingen. 10 En ik schreef een brief en verzegelde dien, en nam getuigen daarbij, en woog het geld toe op eene schaal, 11 en nam tot mij den verzegelden koopbrief, naar het recht en de gewoonte, en een open afschrift, 12 en gaf den koopbrief aan Barueh, den zoon van Neria den zoon vanMahseja, in tegenwoordigheid van Hanameël, mijnen neef, en van de getuigen die in den koopbrief geschreven stonden, en van al de Joden die in het voorhof der gevangenis woonden. 18 En ik beval liiruch in hunne tegenwoordigheid, zeggende; |
.TERE Ml A 33.
1407
|
14 Dus spreekt de Heer Zebaótli, Israels Goil: Neem deze brieven, den verzegelden koopbrief met dit open afschrift, en leg ze in een aarden vat, opdat zij lang mogen duren. 15 Want dus spreekt de Heer Zebaotli, Israels God: Huizen, akkers en wijngaarden zullen nog gekocht worden in dit land. 1G En toen ik den koopbrief aan Earueli den zoon van Neria gegeven had, bad ik tot den Heer, zeggende: 17 Ach Heere Heere, zie, gij hebt hemel en aarde gemaakt door uwe grdote kracht en door uw uitge-strekten arm, en geen ding is voor u onmogelijk. 18 Gij die weldoet aan vele duizenden, en de misdaad der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; gij groote en sterke God, wiens naam is Heer Zsbaöth, 19 groot van raad en machtig van daad, wiens oogen openstaan over alle wegen van de kinderen der men-schen, om ieder te geven naar zijnen wandel en naar de vrucht van zijn doen; 30 gij die in Egypteland teekenen en wonderen gedaan hebt tot op dezen dag, zoo aan Israël als aan andere menschen, en u een naam hebt gemaakt gelijk het te dezen dage is, |
31 en uw volk Israël uit Egypteland hebt gevoerd door teekenen en wonderen, door een machtige hand en door een uitgestrekten arm en door groote verschrikking, 33 en hun dit land hebt gegeven, hetwelk gij hunnen vaderen gezworen hadt hun te zullen geven, een land waarin melk en honig vloeit; 33 en als zij daarin kwamen en het bezaten, hoorden zij niet naar uwe stem en wandelden ook uiet naar uwe wet; en al wat gij hun geboodt dat zij doen zouden , dat lieten zij na: waarom gij hun ook al dit ongeluk deedt overkomen. 34 Zie, deze stad is belegerd, om ingenomen en door het zwaard, den honger en de pest in de hand (Ier Chaldeën, die tegen haa strijden, overgegeven te wor den; en zooals gij gesproken hebt, zoo gaat het, en gij aanschouwt het, —• 35 en, Heere Heere, gij zegt tot mij: Koop u dezen akker voor geld, en neem getuigen daarbij; daar de stad in de hand der Chaldeën zal overgegeven worden! |
JÊREMIA 32.
uos
|
36 En het woord des Heeren geschiedde tot Je-remia, zeggende: 27 Zie, ik, de Heer, ben een God van alle vleesch: zou mij iets onmogelijk zijn ? 28 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik geef deze stad over in de hand der Chaldeën en in de hand van Nebukad rezar dan koning van Babel, en hij zal ze innemen; 29 en de Chaldeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en zij zullen haar met vuur aansteken en verbranden, met de huizen op welker daken zij Baiil gewierookt en anderen goden drankotfers geoflerd hebben, om mij te vertoornen. 30 Want de kinderen Israels en de kinderen van Juda hebben nooit anders gedaan dan hetgeen mij mishaagt, en de kinderen Israels hebben mij vertoornd door het werk hunner handen, spreekt de Heer; 31 want sedert dien tijd dat deze stad gebouwd is, tot op dezen dag toe, heeft zij mij toornig en grimmig gemaakt; zoodat ik ze van voor mijn aangezicht moet wegdoen, |
32 om al de boosheid der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, die zij bedreven hebben om mij te vertoornen: hunne koningen, vorsten, priesters en profeten, en die in Juda en te Jeruzalem wonen. 33 Zelfs hebben zij mij den rug en niet het aangezicht toegekeerd, niettegenstaande ik hen gestadig liet onderwijzen, maar zij wilden niet hooren noch zich verbeteren ; 34 daarenboven hebben zij hunne gruwelen geplaatst in het huis dat naar mijnen naam genoemd is, om het te verontreinigen, 35 en hebben de hoogten van Baal gebouwd in het dal van Ben-Hinnom, om hunne zonen en dochters voor Molech te verbranden; waarvan ik hun niets geboden heb en dat mij nooit in den zin is gekomen, dat zij zulke gruwelen zouden doen, om Juda tot zonde te verleiden. 36 En nu, derhalve spreekt de Heer, Israëls God, aldus aangaande deze stad, van welke gij zegt, dat zij door het zwaard en den honger en de pest in de hand (les konings van Babel zal worden overgegeven: 37 Zie, ik zal hen vergaderen uit alle landen waarheen ik hen heb weggedreven door mijnen grooten |
JEEEMIA 33.
1409
|
toorn, door mijne grimmigheid en onbarmhartiglieid; en ik zal hen wederbrengen aan deze plaats, dat zij veilig zullen wonen; 38 en zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, 39 en zal hun cénerlei hart en gedrag geven, dat zij mij vreezen zullen hun leven lang, opdat het hun en huii kinderen na hen welga. 40 En ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat ik niet zal ophouden hun goedtedoen; en ik zal hun mijne vrees in het hart geven, dat zij niet van mij afwijken. 41 En het zal mijn vermaak zijn dat ik hun zal goeddoen; en ik zal hen in dit land planten oprechte-lijk, met mijn gauscne hart en ziel. 42 Want dus spreekt de Heer; Gelijk ik over dit volk heb laten komen al dit groote ongeluk, zóó zal ik ook al het goede over hen laten komen, hetwelk ik hun heb toegezegd. |
43 En er zullen weder akkers gekocht worden in dit land, van hetwelk gij zult zeggen dat het woest is, en geen mensch noch dier er in is, als het inde hand der Chaldeën zal overgegeven zijn: 44 nochtans zal men weder akkers voor geld koopen, en ze beschrijven, verzegelen en doen betuigen in het land van Benjamin en rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, in de steden op het gebergte, in de steden der vlakte, en in de steden tegen het zuiden; want ik zal hunne gevangenschap wenden, spreekt tie Heer. HOOFDSTUK 33. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot Jeremia ten tweeden male, toen hij nog in het voorhof der gevangenis was opgesloten, zeggende: 2 Dus spreekt de Heer, die het doet, die het toebereidt en uitvoert, Heer is zijn naam: 3 Eoep tot mij, en ik zal u antwoorden, en ik zal u bekendmaken groote en machtige dingen die gij niet weet. 4 Want dus spreekt de Heer, Israels God, aangaande de huizen der koningen van Juda, die afgebroken zijn om bolwerken te maken tot verwering: 5 Zij die opkomen om tegen de Chaldeën te strijden, zullen ze vervullen met de doode lichamen dergenen die ik in mijnen toorn en in |
43
JEREMIA 83.
1410
|
mijne grimmigheid verslaan zal, want ik heb om al hunne booslieid mijn aangezicht voor deze stad verborgen. 6 Zie, ik zal ze heelen en gezondmaken, en ik zal hun een overvloed van vrede en trouw doen genieten. 7 Want ik zal de gevangenschap van Juda en de gevangenschap van Israël wenden, en zal hen bouwen als voorheen; 8 en ik zal hen reinigen van alle misdaad waarmede zij tegen mij gezondigd hebben, en zal hun vergeven alle ongerechtigheden waarmede zij tegen mij gezondigd en zich trouweloos tegen mij gedragen hebben; 9 en dit zal mij zijn tot een blijden naam , tot roem en lof onder alle volken der aarde, als zij hooren zullen al het goede dat ik hun doe, en zich verwonderen en ontzetten zullen over al het goede en over al den vrede dien ik hun geven zal. 10 Dus spreekt de Heer: In deze plaats, van welke gij [eerlang] zeggen zult; Zij .is woest, zoodat geen mensch noch dier daarin gevonden wordt; — in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zoo verwoept zijn dat er geen mensch noch inwoner noch dier in is, — |
11 daar zal men weder hooren een gejuich van vreugde en blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid, en de stem dergenen die zeggen: Dankt den Heer Zebaótli, omdat hij zoo genadig is, en altijd goeddoet; en dergenen (lie dankofler brengen tot het huis des Heeren; want ik zal de gevangenschap des lands wenden gelijk eertijds, spreekt de Heer. 12 Dus spreekt de Heer Zebaöth: In deze plaats, die zoo woest is dat er noch mensch noch dier in is, en in al hare steden, daar zullen weder huizen zijn van herders die kudden weiden; 13 in de steden op het gebergte en in de steden der vlakte en in de steden tegen het zuiden, en in het land van Benjamin en rondom Jeruzalem en in de steden van ,1 uda, daar zullen weder de getelde kudden uiten ingaan, spreekt de Heer. 14 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik het genadige woord tot stand zal brengen, hetwelk ik aan het huis van Israël en aim het huis van Juda heb toegezegd. 15 In die dagen en op dien tijd zal ik David eene rechtvaardige Spruit doen opgaf recht het 1 1G geho' zalen zal 1 is on 17 Heer sen ( zittel huis 18 sen en ] die spijs* offer 19 20 ludi den oplv nacl 21 bom • Dav I geer kon met ters 22 des liet kan vul vid |
|
opgaan, die recht en gerechtigheid zal oefenen in het land. 1G Op dien tijd zalJuda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen; en men zal hem noemen: de Heer is onze gerechtigheid. 17 Want dus spreekt de Heer: Het zal nooit missen of er zal een van David zitten op den troon van het huis Israels; 18 ook zal het nooit missen of er zullen priesters en Levieten vóór mij zijn, die drankoflër offeren en spijsofler ontsteken enslacht-olier offeren eeuwiglij k. 19 En het woord des Hee-ren geschiedde tot Jeremia, zeggende: 20 Dus spreekt de Heer: Indien mijn verbond met den dag en den nacht zal ophouden, dat er geen dag en nacht meer zij op zijnen tijd, 31 zoo zal ook mijn verbond met mijnen knecht David ophouden, dat hij geen zoon zal hebben tot koning op zijnen troon ; en met de Levieten en de priesters , mijne dienaars. 23 Gelijk men het heir des hemels niet tellen noch liet zand der zee meten kan, alzoó zal ik vermenigvuldigen het zaad van David mijnen knecht, en de weder van p, de 3n der genen Heer! 00 gekloet ; , kofler ; s des le ge-: wen-)reekt i Heer laats, noch is, en r zul- 1 van iden; ; ) het | teden teden i het rond-e ste-n weidt- , Seer. 1 omt, k het : stand c aan i aan ) toe- n op eene doen |
1411 Levieten die mij dienen. 33 En het woord des Hee-ren geschiedde tot Jeremia, zeggende; 24 Hebt gij niet opgelet wat dit volk spreekt, zeggende: De Heer heeft de twee geslachten verworpen, die hij verkoren had? En zij lasteren mijn volk, zoodat het in hunne oogen geen volk meer is. 35 Dus spreekt de Heer: Indien ik niet zal houden mijn verbond met dag en nacht, noch de ordening-des hemels en der aarde, 26 zoo zal ik ook verwerpen het zaad van Jakob eii van mijnen knecht David, dat ik uit hun zaad geen heerscher over het zaad van Abraham, Isaiik en Jakob neme; want ik zal hunne gevangenschap wenden en mij over hen ontfermen. HOOFDSTUK 34. 1 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, toen Nebukad-nezar de koning van Babel, met al zijn heir, en met al de- koninkrijken der aarde die onder zijne heerschappij waren, en met al de volken, tegen Jeruzalem streed, en tegen al hare steden; zeggende: 2 Dus spreekt de Heer, JEEEMIA 34. |
JEREMIA 34.
1412
|
Israëls God: Ga heen en spreek tot Zedekia den koning van Juda, en zeg tot liem: Dus spreekt de Heer: Zie, ik zal deze stad in de hand des konings van Ba-bel overgeven, en hij zal ze met vuur verbranden; 3 en gij zult zijne hand niet ontkomen, maar gegrepen en in zijne hand overgegeven worden, dat gij hem met uwe oogen zien en van mond tot mond met hem spreken zult, en te Babel komen. 4 Hoor dan toch, o Zedekia, koning van Juda, het woord des Heeren; dus spreekt de Heer van n: Gij zult niet door het zwaard sterven, 5 maar in vrede zult gij sterven; en gelijk men voor uwe vaderen, de vorige koningen, die vóór u geweest zijn, gebrand heeft, zóó zal men ook voor u branden en over u weeklagen : Ach heer. Want ik heb het gesproken, spreekt de Heer. 6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia den koning van Juda, te Jeruzalem, 7 terwijl het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem en tegen alle overgebleven steden van |
Juda, tegen Lachis en Aze-ka; want deze waren de vaste steden die van de steden van Juda nog waren overgebleven. — 8 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met al het volk te Jeruzalem, om eene onderlinge vrijlating uitte-roepen; 9 dat ieder zijnen knecht en ieder zijne dienstmaagd, die Hebrecr of Hebreïn was, zou vrijlaten; zoodat niemand zich van een Jood, zijnen broeder, zou doen dienen. 10 Toen gaven alle vorsten gehoor en al het volk, zoodat zij traden in dat verbond, dat ieder zijnen knecht en zijne dienstmaagd zou vrijlaten, en zich niet verder van ben laten dienen; en zij lieten hen vrij. 11 Maar daarna eischten zij de knechten en dienstmaagden, die zij vrijgelaten hadden, weder terug, en dwongen hen om weder knechten en dienstmaagden te zijn. 13 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Jeremia van den Heer, zeggende : 13 Dus spreekt de Heer, Israe verbi vade Egyi huis 14 zijn, broe is, -( koel dien heer ren | en } niet 15 hed( wat eene pen, te, gem huis Sen1 16 en en i en ; wel dat dwi kne te li aid nas uit nei nas spt |
JEEEMIA 34.
1413
|
Israels God: Ik heb een verbond gemaakt met uwe vaderen, toen ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis voerde, zeggende: 14 Als zeven jaren om zijn, zoo zult gij elk zijnen broeder, die een Hebreer is, -en zichzelven aan u verkocht en u zes jaren gediend heeft, vrij van u laten heengaan. Maar uwe vaderen gehoorzaamden mij niet en zij neigden hunne ooren niet. 15 Zoo hadt gijlieden u heden bekeerd en gedaan wat mij behaagde, dat gij eene vrijlating liet uitroepen, ieder voor zijnen naaste, en een verbond hebt gemaakt voor mij, in het huis dat naar mijnen naam genoemd is; 16 maar gij zijt omgekeerd en ontheiligt mijnen naam, en ieder eischt zijnen knecht en zijne dienstmaagd terug, welke gij hadt vrijgelaten, dat zij vrij waren; en gij dwingt hen om weder uwe knechten en dienstmaagden te zijn. 17 Daarom spreekt de Heer aldus: Gijlieden hoort niet naar mij, om eene vrijlating uitteroepen, ieder voor zijnen broeder en voor zijnen naaste: zie, zoo roep Jk, spreekt de Heer, voor u eene vrijlating uit tot het zwaard, tot de pest en tot den honger, en ik zal u tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken der aarde. |
18 En ik zal de lieden die mijn verbond overtreden, en de woorden van het verbond hetwelk zij voor mijn aangezicht gemaakt hebben niet houden, gelijk maken aan het kalf hetwelk zij in twee stukken gedeeld hebben, en tusschen welke stukken zij doorgegaan zijn: 19 de vorsten van Juda, de vorsten van Jeruzalem, de kamerdienaars, tie priesters, en al het volk in het land, die tusschen de stukken des kalfs zijn doorgegaan. 20 En ik zal hen overleveren in de hand hunner vijanden en dergenen die naar hun leven staan, opdat hunne lichamen aan de vogels des hemels en de dieren der aarde tot spijs worden. 21 Ook Zedekia, den koning- van Juda, en zijne vorsten zal ik overleveren in de hand hunner vijanden en dergenen die naar hun leven staan, en in de hand van het heir des konings van Babel, hetwelk [nu] van ulieden is afgetrokken. |
JEREMIA 35.
1414
|
32 Zie, ik zal bevel geven, spreekt de Heer, en zal lien weder voor deze stad brengen, en zij zullen tegen baar strijden en zullen ze innemen en met vuur verbranden; en ik zal de steden van Juda verwoesten, dat er niemand meer wonen zal. HOOFDSTUK 35. 1 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, ten tijde van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende: 3 Ga heen tot het huis der Eechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis des Heeren, in een der vertrekken, en schenk hun wijn in. 3 Toen nam ik Jaiizanja, den zoon van Jeremia den zoon van Habazzinja, en zijne broeders en al zijne zonen, en het geheele huis der Rechabieten, 4 en ik leidde hen in het huis des Heeren, in het vertrek der kinderen van Hanan den zoon van Jig-dalja, den man Gods, dat nevens het vertrek der vorsten is, boven het vertrek van Maaseja den zoon van Sallum, den deurwachter; |
5 en ik zette den kinderen van het huis der Eechabieten bekers vol wijn en schalen voor, en sprak tot hen: Drinkt wijn. 6 Maar zij antwoordden: Wij drinken geen wijn; want onze vader Jonadab, de zoon van Rechab , heeft ons geboden, zeggende: Gij en uwe kinderen zult nooit wijn drinken, 7 en geen huis bouwen, geen zaad zaaien, geen wijn-gaard planten noch bezitten , maar zult in tenten wonen uw leven lang, opdat gij lang moogt leven in het land waarin gij als vreemdelingen verkeert. — 8 Alzoo hooren wij naar de stem van onzen vader Jonadab, den zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft; zoodat wij geen wijn drinken ons leven lang, wij, noch onze vrouwen, noch onze zonen, noch onze dochters; 9 en wij bouwen ook geen huizen om in te wonen; en hebben geen wijngaarden noch akkers noch zaad, 10 maar wonen in tenten, en hooren en doen naar alles wat onze vader Jonadab ons geboden heeft. 11 Toen nu Nebukadrezar de koning van Babel optrok naar dit land, zeiden wij: Komt, laat ons naar : Jerui het der ! 1 zoo 1 ■ 13 i WOOI 1 remi ; 13 Zeba ; heen 1 van ners gij 1 om hooi | 14 nads i chal derf zij ! ken. zij ( dezt hun en tot geh IE laat knc late var ver vol om gij we ge; del no |
I
J E E E MIA 36.
1413
|
Jeruzalem trekken vanwege het heir der Clialdecn en der Syriërs; en wij zijn al-zoo te Jeruzalem gebleven. 12 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Je-remia, zeggende: 13 Dus spreekt de Heer Zebaöth, Israels God: Ga heen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gij u dan niet verbeteren om naar mijne woorden te hooren? spreekt de Heer. 14 De woorden van Jo-nadab den zoon van Ee-chab, welke hij zijnen kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, worden gehouden; want zij drinken geen wijn tot op dozen dag, omdat zij naar huns vaders gebod hooren: en ik heb vroeg en laat tot u gesproken, maar gij gehoorzaamdet mij niet. 15 Ook heb ik vroeg en laat tot u gezonden al mijne knechten de profeten, en laten zeggen: Bekeert u elk van zijnen kwaden weg, en verbetert uwen wandel, en volgt geen andere goden na om hen te dienen, zoo zult gij in het land blijven hetwelk ik u en uwen vaderen gegeven heb; maar gij wil-det uwe ooren niet neigen noch mij gehoorzamen. x Ee-wijn sprak I den; want zoon s ge- : luwe wijn I |
16 Daar dan de kinderen van Jonadab den zoon van Eechab huns vaders bevel, hetwelk hij hun geboden heeft, gehouden liebl)en, maar dit volk naar mij niet heeft gehoord, 17 daarom spreekt de Heer, de God Zebaöth, Israels God, aldus: Zie, ik zal over Juda en over al de inwoners van Jeruzalem al het ongeluk brengen hetwelk ik tegen hen gesproken heb, omdat ik tot hen gesproken heb maar zij niet hooren wilden, en ik tot hen geroepen heb maar zij mij niet wilden antwoorden. 18 En tot het huis der Eechabieten sprak Jeremia: Das spreekt de Heer Zebaöth, Israels God: Omdat gij het gebod van uwen vader Jonadab gehoorzaamd en al zijne geboden onderhouden, en alles gedaan hebt wat hij u geboden heeft, 19 daarom spreekt de Heer Zebaöth, Israels God, aldus: Het zal Jonadab den zoon van Eechab nooit missen dat er iemand van de zijnen vóór mij zal staan te allen dage. HOOFDSTUK 36. 1 In het vierde jaar van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jere- |
JEEEMIA 36.
1416
|
mia van den Heer, zeggende: 3 Neem eene boekrol, en schrijf daarop al de woorden die ik tot u gesproken heb aangaande Israël, aangaande Juda, en aangaande aUe volken, van dien tijd af dat ik tot u gesproken heb, van den tijd van Josia af, tot op dezen dag toe. 3 Misschien zal het huis van Juda, als zij hooren al het ongeluk dat ik hun denk te doen, zich bekeeren, elk van zijnen kwaden weg, opdat ik hunne misdaad en zonde vergeve. 4 Toen riep Jeremia Ba-ruch den zoon van Neria; en Baruch schreef uit den mond van Jeremia al de woorden des Heeren, die hij tot hem gesproken had, in eene boekrol. 5 En Jeremia gebood Baruch en sprak: Ik ben gevangen, zoodat ik niet in het huls des Heeren kan gaan; 6 maar ga gij daarin en lees de rol, waarin gij de woorden des Heeren uit mijnen mond hebt opgeschreven, voor het volk, in het huis des Heeren, op den vastendag ; en gij zult ze ook lezen voor de ooren van geheel Juda, die uit hunne steden zullen komen: |
7 misschien zullen zij zich met bidden voor den Heer verootmoedigen, en zich bekeeren , elk van zijnen kwaden weg; want groot is de toorn en de gramschap welke de Heer tegen dit volk heeft uitgesproken. — 8 En Baruch de zoon van Neria deed alles wat de .profeet Jeremia hem bevolen had, dat hij de woorden des Heeren uit dat boek las in het huis des Heeren. 9 En het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda, in de negende maand, dat men tot een vasten voor den Heer opriep al het volk te Jeruzalem en al het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam. 10 En Baruch las uit het boek de woorden van Jeremia, in het huis des Heeren , in het vertrek van Ge-marja den zoon van Safan, den kanselier, in het bovenste voorhof, aan de nieuwe poort van het huis des Heeren, voor al het volk. 11 En toen Michaju, de zoon van Gemarja den zoon van Safan, al de woorden des Heeren gehoord had uit dat boek, 12 ging bij af naar des konings huis, in het vertrek des kanseliers; en zie, |
JEEEMIA 36.
1417
|
daar zaten al de vorsten: Elisama de kanselier, Delaja de zoon van Semaja, Elna-than de zoon van Achbor, Gemarja de zoon van Safan, en Zet lek ia de zoon van Ha-nanja, en al de vorsten. 13 En Michaj u maakte hun bekend al de woorden die hij gehoord had, toen Ba-rnch uit dat boek las voor de ooren van het volk. 14 Toen zonden al de vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja, den zoon van Seleraja, den zoon van Ku-schi, tot Baruch, en lieten aan hem zeggen: Neem de rol, waaruit gij voor het volk gelezen hebt, met u en kom. En Baruch de zoon van Neria nam de rol met zich en kwam tot hen. 15 En zij zeiden tot hem: Zet u neder en lees ze voor onze ooren. En Baruch las voor hunne ooren. 16 En als zij al die woorden hoorden, verschrikten zij, de één zoowel als de ander, en zeiden tot Baruch: Wij zullen al deze woorden den koning te kennen geven. 17 En zij vraagden Baruch: Zeg ons, hoe hebt gij al deze woorden uit zijnen mond opgeschreven? |
18 En Baruch zeide tot hen: Uit zijnen mond zeide hij mij al deze woorden voor, en ik schreef ze met inkt in dit boek. 19 Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen en verberg u, gij en Jeremia, opdat niemand wete waar gijlieden zijt. 20 En zij gingen in tot den koning in het voorhof, maar de rol lieten zij bewaren in de kamer van Elisama den kanselier; en zij verhaalden den koningquot; al die woorden. 21 Toen zond de koning Jehudi om de rol te halen, en hij nam ze uit de kamer van Elisama den kanselier; en Jehudi las voor den koning en voor al de vorsten die bij den koning stonden. 22 De koning nu zat in het wintervertrek, in de negende maand, voor de haardstede. 23 En toen Jehudi drie of vier hoofdstukken gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze op het vuur dat in de haardstede was, totdat de rol geheel verbrand was in het vuur. 24 En niemand ontstelde noch scheurde zijne kleederen, noch de koning noch iemand zijner knechten, daar zij nochtans al deze woorden gehoord hadden; |
JEREMIA 37.
1418
|
35 hoewel Elnathan, Delaja en Gemarja den koning baden, dat hij de rol niet zou verbranden, zoo gaf hij hun echter geen gehoor. 36 Daarenboven gebood de koning Jerahmeöl den zoon van Hammélech, en Seraja den zoon van Azriül, en Se-lemja den zoon van Abdeöl, dat zij Baruch den schrijver en Jeremia den profeet zouden gevangennemen. Maar de Heer liad hen verborgen. 37 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden, die Baruch uit den mond van Jeremia had opgeschreven, verbrand had, zeggende: 38 Neem weder eene andere rol, en schrijf daarop al de vorige woorden, die op de eerste rol stonden, welke Jojakim de koning van Juda verbrand heeft. 39 En tot Jojakim den koning van Juda zult gij zeggen: Dus spreekt de Heer; Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: quot;Waarom hebt gij daarop geschreven, dat de koning van Eabel zal komen en dit land zal verderven, en maken dat er noch mensch noch dier in over zij? |
30 Daarom spreekt de Heer aangaande Jojakim den koning van Juda aldus: Nie- , mand van de zijnen zal op Davids troon zitten; en zijn lichaam zal weggeworpen worden, bij dag in de hitte en des nachts in de koude; 31 en ik zal hem en zijn zaad en zijne knechten wegens hunne misdaad, bezoeken , en ik zal over hen en over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het ongeluk brengen hetwelk ik tot hen gesproken heb, omdat zij niet gehoorzaamd hebben. 33 Toen nam Jeremia eene andere rol, en gaf die aan Baruch den zoon van Neria, den schrijver; die schreef daarop, uit den mond van Jeremia, al de woorden van het boek hetwelk Jojakim de koning van Juda door het vuur had doen verbranden ; en daarbij werden nog vele andere woorden gevoegd. HOOFDSTUK 37. 1 En Zedekia de zoon van Josia werd koning in de plaats van Konia, Jojakims zoon; want Nebukadrezar de koning van Babel stelde hem aan tot koning in het land van Juda. 2 Maar hij en zijne knechten en het volk in het land hoorden niet naar de woor- |
J EE, EM IA 87.
1419
|
den des Heeren , die hij door den profeet Jeremia sprak. 3 Nochtans zond de koning Zedekia Juchal den zoon van Selemja, en Ze-fanja den zoon van Maaseja, den priester, tot den profeet Jeremia, en liet aan hem zeggen: Bid toch tot den Heer onzen God voor ons. 4 Want Jeremia ging onder het volk nog uit en in, en men had hem nog niet in de gevangenis gezet. 5 En Farao's heir was uit Egypte opgetrokken; en de Chaldeën, die voor Jeruzalem gelegen hadden, waren, dat gerucht gehoord heh-bendo, van voor Jeruzalem opgebroken. 6 En het woord des Heeren geschiedde tot den profeet Jeremia, zeggende: 7 Dus spreekt de Heer, Israels Godt Zegt tot den koning van Juda, die u tot mij gezonden heeft om mij te vragen, aldus: Zie, Farao's heir, dat u tot hulp uitgetrokken is, zal weder naarhuis, naar Egypte, te-rugkeeren; 8 en de Chaldeën zullen wederkomen en tegen deze stad strijden, en zullen haar innemen en met vuur verbranden. Mc-!al op in zijn orpen lutte oude; i zijn i we-5ezoe-en en Jeru-tnnen geluk t hen it zij bben. eene ; aan ena, lireef van i i van : ikim I door jran-1 nog Ere van : de dms ezar elde liet ecli-and oor |
9 Daarom spreekt de Heer aldus: Bedriegt uwe zielen niet met te denken: De Chaldeën zullen van ons aftrekken: — zij zullen idet aftrekken. 10 Want al sloegt gij ook het geheele heir der Chaldeën die tegen u strijden, en er bleven van hen slechts eenigen over die gewond lagen, zoo zouden deze, elk in zijne tent, nog opstaan en deze stad möt vuur verbranden. 11 Als nu het heir der Chaldeën van voor Jeruzalem was opgebroken vanwege het heir van Farao, 13 ging Jeremia uit Jeruzalem , eh wilde naar het land van Benjamin gaan, om vandaar te ontkomen door het midden- des volks. 13 Doch toen hij onder de poort van Benjamin kwam , was daar iemand gesteld tot poortwachter, wiens naam was Jeria, de zoon van Selemja den zoon van Hananja; die greep den profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt over-Ipopen tot de Chaldeën. 14 Doch Jeremia zeide: Het is nietwaar, ik wil niet tot de Chaldeën overloopen. Maar Jeria wilde niet naar hem hooren, en vatte Jeremia en bracht hem tot de vorsten. |
JEKEMIA 38.
1420
|
15 En de vorsten werden toornig op Jeremia, en lieten hem slaan, en wierpen hem in de gevangenis, in het huis van Jonathan den schrijver, hetwelk zij tot een gevangenhuis hadden ingericht. 16 Alzoo kwam Jeremia in den kuil der gevangenis, en lag aldaar een langen tijd. 17 En de koning Zedekia zond heen en liet hem halen, en ondervroeg hem in zijn huis heimelijk, en zeide: Is er ook eenig woord vanwege den Heer? En Jeremia zei-de: Ja; gij zult in de hand des konings van Babel overgeleverd worden. 18 Voorts sprak Jeremia tot den koning Zedekia: Wat heb ik tegen u of tegen uwe knechten of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in de gevangenis geworpen hebt? 19 quot;Waar zijn nu uwe profeten die u profeteerden, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen ü noch tegen dit land optrekken? 20 En nu, mijn heer koning, hoor mij, en laat mijne bede bij u gelden, en laat mij niet weder in het huis van Jonathan den schrijver brengen, opdat ik aldaar niet sterve. 21 Toen beval de koning |
in het voorhof der gevange- llen nis bewaren zou, en hij liet ms\ brood geven uit de Bakker- quJj der stad was opgeteerd. Al- ; zeicl zoo bleef Jeremia in het i ham 1 En Sefatja de zoon van : yan Mattan, en Gedalja dezoon jjai] van Pashur, en Juchal de ; (|er zoon van Selemja, en Pas- ]lelI] hur de zoon van Malkia, hoorden de woorden welke maa Jeremia tot al het volk jere sprak, zeggende: 7 2 Dus spreekt de Heer: ([e Wie in deze stad blijft, die jn zal door het zwaard, den honger of de pest omkomen; maar wie naarbuiten gaat tot de Chaldeën, die zal van behouden blijven, hij zal er ; g zijn leven als een buit van ^et afbrengen. ; SpK 3 Want aldus spreekt de oen Heer: Deze stad zal overge- 9 leverd worden aan het heir mal des konings van Babel, en mej hij zal ze innemen. ([^ 4 ïoen zeiden de vorsten ]ie]j tot den koning: Laat toch yj dezen man dooden; want ven op die wijze ontmoedigt hij o-ee: de krijgslieden die nog over- ^ gebleven zijn in deze stad, (|en desgelijks ook al het volk, zeg. |
JEEEMIA 38.
1421
|
dewijl hij zulke woorden tot hen zegt; want deze man zoskt niet wat dit volk tot vrede maar alleen wat tot onheil strekt. 5 En de koning Zedeki'a zeide: Zie, hij is in uwe hand, want de koning vermag niets tegen u. 6 Toen namen zij Jeremia, en wierpen hem in den kuil van Malkia den zoon van Hammelech, in het voorhof der gevangenis, en lieten hem met touwen af in den kuil, in welken geen water maar enkel slijk was; en Jeremia zonk in de modder. 7 Doch toen Ebed-Mélech de Moor, een kamerdienaar in 's konings huis, hoorde dat men Jeremia in den kuil geworpen had, en de koning juist zat in de poort van Benjamin, 8 ging Ebed-Mélech uit het huis des konings, en sprak tot den koning, zeggende : 9 Mijn heer koning, deze mannen handelen kwalijk met den profeet Jeremia, dat zij hem in den kuil hebben geworpen, waarin hij van honger moet sterven; want in de stad is geen brood meer. |
10 Toen gebood de koning den Moor Ebed-Mélech, zeggende: Neem dertig van deze mannen met u, en haal den profeet Jeremia uit den kuil, eer hij sterft. 11 En Ebed-Mélech nam de mannen met zich, en ging in het huis des konings , onder de schatkamer, en nam aldaar verscheurde en versleten oude kleeding-stukken , en liet ze met touwen af tot Jeremia in den kuil. 13 En Ebed-Mélech de Moor zeide tot Jeremia: Leg nu deze verscheurde en versleten oude kleeding-stukken onder de oksels uwer armen, onder het touw. En Jeremia deed alzoo. 13 En zij trokken Jeremia op uit den kuil met de touwen; en Jeremia bleef alzoo in het voorhof der gevangenis. 14 En de koning Zedeki'a zond heen en liet den profeet Jeremia tot zich halen , in den derden ingang van het huis des Hoeren; en de koning zeide tot Jeremia: Ik zal u wat vragen, maar verheel mij niets. .15 En Jeremia sprak tot Zedekia: Als ik het u zeg, zult gij mij toch dooden; en al geef ik u raad, gij zult nochtans naar mij niet hooren. 16 Toen zwoer de koning Zedekia aan Jeremia in het |
|
1422 geheim, zeggende: Zoo waarachtig cle Heer leeft, die ons deze ziel gemaakt heeft, ik zal u niet dooden, u ook niet overgeven in de hand der mannen die naar uw leven staan. 17 En Jeremia sprak tot Zedekia: Dus spreekt de Heer, de God Zebaoth , Is-raëls God: Wanneer gij tot de vorsten des konings van Babel zult uitgaan, zoo zult gij in het leven blijven, en deze stad zal niet met vuur verbrand worden, maar gij en uw huis zult het leven behouden. IS Maar indien gij niet zult uitgaan tot de vorsten des konings van Babel, zoo zal deze stad in de hand der Chaldecn worden overgeleverd, en zij zullen ze met vuur verbranden; en gij zult ook uit hunne hand niet ontkomen. 19 Toen zeide de koning Zedekia tot Jeremia: Maar ik vrees dat ik aan de Joden, die tot de Chaldeën zijn overgeloopen, zal overgeleverd worden, en dat die hunnen moedwil met mij drijven zullen. 20 Doch Jeremia zeide: Men zal [«quot;! niet overleveren ; gehoorzaam toch de stem des Heeren, welke ik u zeg, zoo zal het u welgaan en gij zult in het leven blijven. |
21 Maar indien gij niet zult uitgaan, dan is dit het woord hetwelk de Heer mij geopenbaard heeft: 22 Zie, al de vrouwen die er nog zijn in het huis des konings van Juda, zullen naarbuiten gebracht worden tot de vorsten des konings van Babel; die zullen dan tot u zeggen: Ach, uwe troosters hebben u opgestookt en verleid: nu uwe voeten in het slijk gezonken zijn, laten zij u zitten. 33 Dus zullen dan al uwe vrouwen en kinderen naarbuiten gebracht worden tot de Chaldeën, en gij zelf zult uit hunne hand niet ontkomen, maar gij zult door den koning van Babel gevat en deze stad zal met vuur verbrand worden. 24 Toen zeide Zedekia tot Jeremia: Dat niemand iets van deze woorden wete, dan zult gij niet sterven. 35 En zoo de vorsten het vernemen mochten dat ik met u gesproken heb, en tot u komen en zeggen: Zeg ons, wat hebt gij met den koning gesproken V Verheel het ons niet, dan zullen wij u niet dooden; en wat heeft de koning met u gesjwoken? ■— JEElklA 38. 36 heb dat 1 laten huis 27 vorst dervi hun bevol van i verne 38 het 1 tot i zalen i ; Jeru; wanl van Juda kwaï ning sche en z 3 . Zedf dag men 3 kon: naai ondi nan San: opp San |
JEEEMIA 39.
1423
|
36 zeg dan tot hen: Ik heb den koning gebeden, dat hij mij niet weder zou laten brengen in Jonathans huis om aldaar te sterven. 27 Toen kwamen al de vorsten tot Jeremia en ondervroegen hem, en hij zeide hun gelijk de koning hem bevolen had; toen lieten zij van hem af, omdat zij niets vernemen konden. 28 En Jeremia bleef in het voorhof der gevangenis tot op den dag dat Jeruzalem veroverd werd. HOOFDSTUK 39. naar-m tot zelf niet zult Babel l met i. fa tot l iets , dan n het it ik i, en Sen: met Yer-i zul-i; en net u 1 En het geschiedde dat Jeruzalem, veroverd werd; want in het negende jaar van Zedekia den koning van | Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar deko-ning van Babel, en zijn gan-I sehe heir, voor Jeruzalem, : en zij belegerden het. 2 En in het elfde jaar van Zedekia, op den negenden dag der vierde maand, brak men in de stad. 3 En al de vorsten des konings van Babel trokken naarbinnen, en hielden stil onder de middelste poort, namelij k N ergal-Sarézer Samgar-Nebu, Sarsechim de opperkamerdienaar, Nergal-Sarézer de hofmeester, en al de overige vorsten des konings van Babel. iet le- ij niet ïit het er mij en die lis des zullen orden mings u dan uwe opge-i uwe! )nken i. [ uwe |
I- Als nu Zedekia, de koning van Juda, benevens zijne krijgslieden hen zagen, vluchtten zij bij nacht de stad uit, langs den weg van des konings hof, door de poort tusschen de twee muren, en trokken over het veld heen. 5 Maar het heir der Ghal-decn joeg hen na; en zij achterhaalden Zedekia in het veld bij Jericho; en zij namen hem gevangen, en brachten hem tot Nebukad-nezar den koning van Babel, naar Eibla in het land van Hainath; en hij sprak het vonnis over hem. uit. 6 En de koning van Babel liet de zonen van Zedekia voor zijne oogen dooden te Eibla, ook doodde hij al de vorsten van Juda; 7 en Zedekia liet hij de oogen uitsteken, en hem met ketenen binden, om hem naar Babel te doen voeren. 8 En de Chaldeën verbrandden het huis des konings , alsook de huizen der inwoners, en braken de muren van Jeruzalem af. 9 En wat er nog van het volk in de stad was overgebleven, en die tot hen waren overgeloopen, die |
J E E E M IA 40.
1434
|
voerde Nebuzaradan, de hoofdman, allen tezamen gevankelijk naar Babel. 10 Maar van het geringe volk, die niets bezaten, liet Nebuzaradan de hoofdman in dien tijd nog eenigenin het land van Juda, en gaf hun wijnbergen en akkers. 11 Nebukadnezar nu, de koning van Babel, had Nebuzaradan den hoofdman bevolen aangaande Jeremia, zeggende: 12 Neem hem, en draag zorg voor hem, en doe hem geen leed; maar gelijk hij het van u begeert, maak het zóó met hem. 13 Toen zond Nebuzaradan de hoofdman, en Ne-busazban de opperkamerdienaar, en Nergal-Sarézer de hofmeester, en al de vorsten des konings van Babel heen, 14 en zij lieten Jeremia halen uit het voorhof der gevangenis, en vertrouwden hem toe aan Gedalja, den zoon van Ahikam denzoon van Safan, dat hij hem naar-buiten in zijn huis zou voeren: aldus verkeerde hij in het midden des volks. 15 Ook was het woord des Heeren geschied tot Jeremia, terwijl hij nog in het voorhof der gevangenis gevangen was, zeggende: 16 Ga heen tot zeg |
Ebed-Mélech den Moor: Dus spreekt de HeerZeba-óth, Israels God: Zie, ik zal mijne woorden laten komen over deze stad ten kwade en niet ten goede, en gij zult het zien in dien tijd. 17 Maar ii zal ik redden in dien tijd, spreekt de Heer; en gij zult niet worden overgeleverd in de hand der mannen voor welke gij vreest; 18 want ik zal er u van afhelpen, dat gij niet door het zwaard zult vallen, maar gij zult uw leven als een buit daarvan afbrengen, omdat gij op mij vertrouwd hebt, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 40. 1 Dit is het woord dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, toen Nebuzaradan de hoofdman hem van Eama had weggezonden; want hij was ook met ketenen gebonden geweest onder al degenen die te Jeruzalem en in Juda gevangen waren, opdat men hen naar Babel zou wegvoeren. 3 Als dan nu de hoofdman Jeremia tot zich had genomen, zeide hij tot hem: De Heer uw God heeft dit onheil over deze plaats gesproken , 3 en hij heeft het ook doen |
J E R E M IA 40.
1425
|
komen en gedaan gelijk hij gesproken heeft; want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heer, en aan zijne stem geen gehoor gegeven: daarom is ii dit geschied. 4 En nu, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen met welke uwe handen gebonden waren: indien het ii nu behaagt met mij naar Babel te trekken, zoo kom, ik zal voor u zorg dragen; maar indien het u niet behaagt met mij naar Babel te trekken, zoo laat het; zie, het geheele land is voor uw aangezicht: waar het u goeddunkt en u behaagt , trek derwaarts heen. 5 En dewijl er geen we-derkeeren zal zijn, zoo begeef gij ii tot Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van Satan, dien de koning van Babel gesteld heeft over de steden van Juda, en blijf bij hem in liet midden des volks; of ga elders heen, waar het u behaagt.—En de hoofdman gaf hem teerkost en geschenken, en liet hem gaan. 6 Alzoo kwam Jeremia tot Gedalja den zoon van Ahikam te Mizpa, en hij bleef bij hem in het midden van het volk dat in het land nog overgebleven was. |
7 Toen nu de hoofdlieden die in het veld waren, benevens hun volk, vernamen dat de koning van Babel Gedalja den zoon van Ahikam over het land gesteld had, over de mannen en vrouwen en kinderen en de geringsten des lands, die niet naar Babel gevoerd waren : 8 zoo kwamen zij tot Gedalja te Mizpa, namelijk Is-maël de zoon van Nethanja, Johanan en Jonathan de zonen van Kareah, en Seraja de zoon van Tanhümeth, en de zonen van Efai den Ne-tofathiet, en Jezanja de zoon van een Maiichathiet, benevens hunne manschappen. 9 En Gedalja, de zoon van Ahikam den zoon van Safan, zwoer hun en hunnen manschappen, zeggende: Vreest niet den Chal-deën onderdanig te zijn, blijft in het land en weest den koning van Babel onderdanig, zoo zal het u welgaan. 10 Zie, ik woon hier te Mizpa, om de Chaldeën die tot ons komen te dienen: derhalve zamelt wijn en vijgen en olie, en doet ze in vaten, en woont in uwe steden die gij in bezit genomen hebt. 11 Zoo ook al de Joden die in het land van Moab en onder de kinderen Am- |
J EEEMIA 41.
1426
|
moiis en in Edom en in alle andere landen waren, als zij hoorden dat de koning van Babel eenigen van Juda had laten overblijven, en dat hij Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van Safan, over hen gesteld had: 13 zoo kwamen zij allen weder uit alle plaatsen waarheen zij verdreven waren, in het land van Juda tot Gedalja te Mizpa, en zij zamelden zeer veel wijn en zomervruchten. 13 En Johanan de zoon van Karéah, benevens al de hoofdlieden die in het veld waren, kwamen tot Gedalja te. Mizpa, 14 en zeiden tot hem: Weet gij wel dat Baalis, de koning der kinderen Ammons, Ismaël den zoon van Nethanja heeft uitgezonden om u te dooden? Maar Gedalja de zoon van Ahikam wilde hen nietge-looven. 15 Toen sprak Johanan de zoon van Karéah tot Gedalja in het geheim te Mizpa : Laat mij toch heengaan en Ismaël den zoon van Nethanja dooden, dat niemand het gewaar zal worden: waarom zou hij u doodslaan, dat alle Joden, die tot u verzameld zijn, verstrooid zouden worden, en die nog van Juda overgebleven zijn omkomen ? |
16 Maar Gedalja de zoon van Ahikam zeide tot Johanan den zoon van Karéah: Gij zult dat niet doen, want het is niet waar wat gij van Ismaël zegt. HOOFDSTUK 41. 1 In de zevende maand nu kwam Ismaël, de zoon van Nethanja den zoon van Eli-sama, zijnde van koninklijk geslacht, benevens de oversten des konings, en tien mannen met hem, tot Gedalja den zoon van Ahikam te Mizpa; en zij aten aldaar te Mizpa met elkander. 3 En Ismaël de zoon van Nethanja maakte zich op, benevens de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van Safan, dien de koning van Babel over het land gesteld had, met het zwaard; en hij doodde hem. 3 Daarenboven versloeg Ismaël al de Joden die bij Gedalja te Mizpa waren, en de Chaldeën die zij aldaar vonden, en alle krijgslieden. 4 Des anderen daags nu nadat Gedalja doodgeslagen |
JËKEMIA 41.
1427
|
was, toen nog niemand het wist, 5 kwamen er tachtig mannen van Sichem, van Silo en van Samarië; die hadden de baarden afgeschoren en hunne kleederen gescheurd en zichzelven insnijdingen gemaakt, en zij droegen spijsoffer en wierook met zich, om het te brengen in het huis des Heeren. 6 En Ismacl de zoon van Nethanja ging uit van Miz-pa, hun tegemoet, al wee-nende; en als hij nabij hen kwam, zeide hij tot hen; Gij zult tot Gedalja den zóón van Ahikam komen. 7 Maar als zij midden in do stad kwamen, vermoordde hen Ismacl de zoon van Nethanja, eu de mannen die bij hem waren, [«« wierp Jieri] in den kuil. 8 Echter waren er tien mannen onder, die tot Ismacl zeiden; Dood ons niet, want wij hebben schatten in den akker verborgen van tarwe, gerst, olie en honig. Toen hield hij op en doodde hen niet met de anderen. 9 De kuil nu waarin Ismaël de doode lichamen wierp der mannen die hij nevens Gedalja doodgeslagen had, is dezelfde dien de koning Asa had doen maken wegens Baësa den koning van Israël ; dézen vulde 'Ismacl de zoon van Nethanja met de gedooden. |
10 En wat er nog van het overgebleven volk te Mizpa was, benevens de dochters des konings, voerde Ismacl de zoon van Nethanja gevankelijk weg, ja al het overige volk te Mizpa, over hetwelk Nebuza-radan de hoofdman Gedalja den zoon van Ahikam gesteld had; en hij trok heen en wilde overgaan tot de kinderen Ammons. 11 Maar toen Johanan de zoon van Karcah, en al de hoofdlieden des heirs die bij hem waren, al het kwaad vernamen dat Ismaël de zoon van Nethanja bedreven had, 13 namen zij tot zich al de mannen, en trokken op om tegen Ismaël den zoon van Nethanja te strijden; en zij troffen hem aan bij het groote water te Gibeon. 13 Toen nu al het volk dat bij Ismacl was Johanan den zoon van Karéah en al de hoofdlieden des heirs zag, die bij hem waren, verheugden zij zich; 14 en al het volk hetwelk Ismaël van Mizpa weggevoerd had wendde zich om en ging over tot Johanan den zoon van Karéah. 15 Maar Ismacl do zoon |
JEEEMIA 43.
1438
|
van Nethanja ontkwam Jo-hanan met aoM mannen, en trok heen tot de kinderen Amnions. 16 En Jolianan de zoon van Kareah, benevens al de hoofdlieden des heirs die bij hem waren, namen al het overige volk, hetwelk zij wedergebracht hadden van Ismaël den zoon van Nethanja, uit Mizna tot zich, nadat Gedalja de zoon van Ahikam gedood was; namelijk krijgslieden, vrouwen en kinderen, en kamerdienaars, die zij van Gibe-on hadden weggebracht; 17 en zij trokken heen en namen hunnen intrek in het verblijf bij Kimham, nabij Bethlehem, en wilden naar Egypte trekken, 18 wegens de Chaldeën; want zij vreesden voor hen, omdat Ismaël de zoon van Nethanja Gedalja den zoon van Ahikam gedood had, dien de koning van Babel over het land had gesteld. HOOFDSTUK 42. 1 Toen traden al de hoofdlieden des heirs tos, ook Johanan de zoon van Kareah, en Jezanja de zoon van Hosaja, benevens al het volk, zoo klein als groot, |
3 en zeiden tot den profeet Jeremia: Laat toch ons gebed bij u gelden, en bid voor ons tot den Heer uwen God voor al deze overgeblevenen; want van ons zijn er weinigen overgebleven uit velen, gelijk gij ons ziet met uwe oogen: 3 opdat de Heer uw God ons bekendmake, waarheen wij trekken en wat wij doen moeten. 4 En de profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; zie, ik zal tot den Heer uwen God bidden, zooals gij gezegd hebt; en alwat de Heer u antwoorden zal, dat zal ik u bekendmaken, en zal u niets verzwijgen. 5 En zij zeiden tot Jeremia: De Heer zij een gewis en waarachtig getuige tusschen ons, indien wij niet doen zullen alwat de Heer uw God ons door u bevelen zal! 6 hetzij goed of kwaad, wij zullen hooren naar de stem van den Heer onzen God, tot wien wij u zenden, opdat hel ons welga als wij naar de stem van den Heer onzen God hooren. 7 En na tien dagen geschiedde het woord des Heeren tot Jeremia. 8 Toen riep hij Johanan den zoon van Kareah, en |
JEEEMIA 43.
1429
|
al de koofdlieden des heirs die bij hem waren, en al het volk, zoo klein als groot, 9 en zeide tot hen; Dus spreekt do Heer, Israëls God, tot wien gij mij gezonden hebt om uw gebed voor hem te brengen: 10 Indien gijlieden in dit land zult blijven, zoo zal ik u bouwen en niet afbreken , ik zal u planten en niet uitroeien; want mij heeft alreeds berouwd het kwaad dat ik u heb aangedaan. 11 Gij zult niet vreezen voor den koning van Babel, voor wien gij vreest, spreekt de Heer; gij zult voor hem niet vreezen, want ik zal met u zijn, om u te helpen en n van zijne hand te bevrijden; 12 en ik zal barmhartigheid jegens u opwekken, dat hij zich over u zal ontfermen en u wederbrengen in uw land. 13 Maar indien gij zult zeggen: Wij willen in dit land niet blijven, zoodat gij niet hoort naar de stem van den Heer uwen God, 14 zeggende: Neen maar wij willen naar Egypteland trekken, waar wij geen oorlog zullen zien noch het geluid der bazuin zullen hooren, en niet hongeren sullen naar brood; aldaar willen wij blijven: — |
15 nu dan, zoo hoort naar het woord des Heeren, gij overgeblevenen van Juda; dus spreekt de Heer Zebaoth, Israëls God: Indien gij uw aangezicht zult stellen om naar Egypteland te trekken, en aldaar uw verblijf te hebben, 16 zoo zal het zwaard voor hetwelk gij vreest u treilen in Egypteland, en de honger waarvoor gij bezorgd zijt zal gestadig achter u zijn in Egypte; en gij zult aldaar sterven. 17 Zoo zullen alle mannen zijn die hun aangezicht stellen om naar Egypte te trekken, en aldaar hun verblijf te hebben; zij zullen sterven door het zwaard, den honger en de pest; en niemand zal overblijven noch het kwaad ontkomen dat ik over hen brengen zal. 18 Want dus spreekt de Heer Zebaoth, Israëls God: Gelijk mijn toorn en mijne verbolgenheid over de inwoners van Jeruzalem werd uitgestort, zóó zal die zich ook over u uitstorten indien gij naar Egypte trekt, zoodat gij zijn zult tot een vloek, tot eene verwoesting, tot eene vervloeking en versma- |
JEREMIA 43.
1430
|
tling, en gij deze plaats niet meer zien zult. 19 Het woord des Heeren geldt u, o gij overgeblevenen van Juda; Gaat niet naar Egypte, en weet dat ik heden tegen u getuigd lieb. 20 quot;Voorzeker gij hebt uzel-ve bedrogen; want gij hebt mij gezonden tot den Heer uwen God, zeggende: Bid tot den Heer onzen God voor ons, en al wat de Heer onze God zeggen zal, maak ons dat bekend, wij zullen er naar doen. 21 Dit nu heb ik u heden bekendgemaakt; maar gij wilt naar de stem van den Heer uwen God niethooren, noch naar al hetgeen hij door mij aan u bevolen heeft. 22 Zoo zult gij nu weten, dat gij door het zwaard, den honger en de pest zult sterven , ter plaatse waarheen gij denkt te trekken om aldaar uw verblijf te hebben. HOOFDSTUK 43. 1 Toen nu Jeremia al de woorden van den Heerliun-nen God had uitgesproken tot al het volk, gelijk de Heer hun God door hem al dip woorden aanhenbevolen had, |
2 zoo sprak Azarja de zoon van Hosaja, en Johanan de zoon van Karéah, en al die trotsche mannen, tot Jeremia: Gij liegt, de Heer onze God heeft u niet gezonden om te zeggen; Gij moet niet naar Egypte trekken, om aldaar uw verblijf te hebben; 8 maar Baruch de zoon van Neria heeft u tegen ons opgestookt , om ons overtele-veren in de hand der Chal-deën, dat zij ons dooden of gevankelijk wegvoeren naar Babel. 4 Alzoo hoorden Johanan de ft)on van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs, met al het volk, naar de stem des Heeren niet, om in het land van Juda te blijven; 5 maar Johanan de zoon van Karéah en al de hoofdlieden des heirs namen tot zich al de overgeblevenen van Juda, die uit alle volken, tot welke zij waren gevlucht, wedergekomen waren om zich in het land van Juda nedertezetten; G de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, benevens des konings dochters, èn alle zielen die Nebuzara-dan de hoofdman bij Gedal-ja, den zoon van Ahikam den zoon van Safan, had achtergelaten; ook den profeet Jeremia, en Baruch den zoon van Neria. 7 En zij trokken naar Egyp-teland, want zij wilden naar |
.IEEEMIA 44.
1431
|
de stem des Heeren niet liooreu; en zij kwamen te Tachpanhes. 8 Toen geschiedde liet woord des Heeren tot Jere-mia te Tactpanlies, zeggende: 9 Neem groote steenen, en verberg ze in den ticlieloven die voor de deur van Farao's liuis te Taehpanlies is, dat de mannen van Juda liet zien; 10 en zeg tot hen: Dus spreekt de Heer Zebaótli, Israëls God: Zie, ik zal heenzenden en mijnen kneclit Nebukadrezar den koning van Babel ontbieden, en zal zijnen troon bovenop deze steenen zetten, die ik verborgen lieb, en hij zal zijne tent daarover uitspannen. 11 En liij zal komen en Egypteland slaan; en wieu de dood treft, dien treffe hij; wien de gevangenis, die worde gevankelijk weggevoerd; wieu het zwaard, (lie valle door het zwaard. 12 En ik zal de huizen der goden van Egypte met vuur aansteken, opdat hij ze verbrande en wegvoere; en hij zal Egypteland overdekken, gelijk een herder zich inet zijn kleed bedekt, en in vrede vandaar vertrekken. |
13 En hij zal de opgerichte zuilen te Beth-Semes in Egypteland verbreken, en de huizen der afgoden van Egypte zal hij niet vuur verbranden. HOOFDSTUK 44. 1 Dit is het woord dat tot Jeremia geschiedde aan alle Joden die in Egypteland woonden, namelijk die te Migdol, te Tachpanhes, te Nof en in het land Pa-thros woonden, zeggende: 2 Dus spreekt de Heer Zebaöth, Israels God: Gij hebt gezien al het kwaad dat ik heb doen komen over Jeruzalem en over idle steden van Juda; en zie, heden ten dage zijn zij woest en niemand woont daarin: 3 vanwege hnnne boosheid die zij bedreven, omdat zij mij vertoornden, en heengingen en wierookten en andere goden dienden, die noch zij noch gij noch uwe vaderen gekend hebben. 4 En ik zond tot u vroeg en laat al mijne knechten de profeten, en liet aan u zeggen: Doet toch zulke gruwelen niet die ik haat; 5 maar zij gaven geen gehoor, noch neigden hunne ooren, om zich van hunne boosheid te bekeeren en |
J EE EMI A 44.
1432
|
voor geen andere wierooken. 6 Daarom werd ook mijn toorn en mijne verbolgenheid uitgestort, en ontstak over de steden van Juda en over de straten van Jeruzalem; zoodat zij tot eene woestijn en tot eene eenzaamheid geworden zijn, gelijk het heden ten dage is. 7 Nu dan, dus spreekt de Heer, de God Zebaoth, Israels God: 'Waarom doet gij toch zulk een groot kwaad tegen uw eigen leven, opdat van u uitgeroeid worde man en vrouw, kind en zuigeling uit Juda, en er niets van u overblij-ve? 8 dat gij mij zoo vertoornt door de werken uwer handen, en wierookt voor andere goden in Egypteland, naar hetwelk gij heengetrokken zijt om aldaar als vreemdelingen uw verblijf te hebben; opdat gij uitgeroeid en tot een vloek en eene versmaadheid wordet onder alle volken der aarde? 9 Hebt gij vergeten het kwaad uwer vaderen, het kwaad der koningen van Juda, het kwaad hunner vrouwen, alsook uw eigen kwaad, en het kwaad uwer vrouwen, hetwelk zij ge ïoden te |
daan hebben in het land van Juda en op de straten van Jeruzalem? 10 Nochtans zijn zij tot op dezen dag niet verootmoedigd ; zij vreezen ook niet, en wandelen niet naar mijne wet en mijne rechten, die ik u en uwen vaderen gegeven heb. 11 Daarom spreekt de Heer Zebaoth, Israels God, aldus: Zie, ik zal mijn aangezicht tegen ulieden stellen tot ongeluk, en geheel Juda zal uitgeroeid worden; 13 cn ik zal de overgeblevenen van Juda wegnemen , die hun aangezicht gesteld hebben om naar Egypteland te trekken , en aldaar als vreemdelingen verblijf te hebben; want zij zullen allen omkomen in Egypteland, door het zwaard zullen zij vallen, en dooiden honger zullen zij vergaan, zoowel klein als groot; zij zullen door het zwaard en door den honger sterven , en zullen tot een vloek, tot eene verwoesting, tot eene vervloeking en tot eene versmading worden. 13 En ik zal ook de inwoners van Egypteland met het zwaard, den honger en de pest bezoeken, gelijk ik Jeruzalem gedaan heb ; |
J EE EM
IA 44.
1433
|
land 14 zoodat niemand van de aten overgeblevenen van Juda zal ontkomen noch overblij-tot yen, die herwaarts geko-oot- men zijn om in Egypteland ook als vreemdelingen verblijf laar te liebben, niemand die soli- terug zal keeren naar liet -va- land van Juda, waarheen zij zoo gaarne wilden wede derkeeren om er te wonen; od, neen niemand zal weder-mn- keeren, behalve wie ontko-stel- men zullen. lieel 15 Toen antwoordden Je- cor- remia alle mannen die wisten dat hunne vrouwen an- rge- deren goden wierookten, en pe- alle vrouwen die in groote icht menigte daar stonden, be- laar nevens al het volk dat in en Egypteland in Pathros woon- gen de, zeggende; tzij 16 Aangaande het woord in dat gij in den naam des ard Heeren tot ons gesproken oor hebt, — wij willen u geen .'er- gehoor geven; 301; 17 maar wij zullen doen ard naar al hetgeen uit onzen ter- mond gaat, en zullen voor «k, de koningin des hemels tot wierooken en voor . haar ene drankofl'ers plengen l zooals wij en onze vaderen, onze in- koningen en vorsten gedaan net liebben in de steden van en Juda en op de straten van ik Jeruzalem: toen hadden wij ook brood genoeg, en het |
ging ons wèl en wij zagen geen ongeluk. 18 Maar sedert dien tijd dat wij opgehouden hebben voor de koningin des hemels te wierooken en haar drankoflers te offeren, hebben wij aan alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd. 19 En ook wanneer wij voor de koningin des hemels wierooken en haar drankofl'ers plengen, doen wij dat immers niet zonder bewilliging onzer mannen, dat wij haar offerkoeken bereiden en drankoflers plengen, om hun verdriet aan-tedoen. 20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, zoo tot de mannen als tot de vrouwen, en tot al het volk dat hem zoo geantwoord had, zeggende ; 21 Ik meen dat de Heer gedacht heeft aan het wierooken dat gij in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem gedaan hebt, gij en uwe vaderen, uwe koningen en vorsten, en al het volk in het land, en dat hij dit ter harte genomen heeft, 23 zoodat hij niet meer verdragen kon uwen kwaden wandel eu de gruwelen |
JEREMIA 44.
1434
|
die gij defedt; daarom is ook uw land tot eene woestijn, tot eene verwoesting en tot een vloek geworden, dat er niemand in woont, gelijk het heden ten dage is. 33 Daarom dewijl gij gewierookt hebt, en tegen den Heer gezondigd, en naar de stem des Heeren niet gehoord, en naar zijne wet, zijne rechten en getuigenissen niet gewandeld hebt, daarom is u ook dit ongeluk overkomen, gelijk het heden ten dage is. 24 En Jeremia zeide tot al het volk en tot al de vrouwen: Hoort het woord des Heeren, gij allen van Juda die in Egypteland zijt: 25 dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God, zeggende: Gij en uwe vrouwen hebt niet uwen mond gesproken, en met uwe handen volbracht wat gij zei-det: Wij zullen onze geloften houden, die wij beloofd hebben aan de koningin des hemels, dat wij haar wierooken, en drank-ofters voor haar plengen zullen: — voorwaar gij hebt uwe geloften vervuld, gij hebt uwe geloften ten volle gehouden. |
26 Hoort dan nu het woord des Heeren, gij allen van Juda die in Egypteland woont: Zie, ik zweer bij mijnen grooten naam, spreekt de Heer, dat mijn naam niet meer door den mond van eenig mensch uit Juda zal genoemd worden in geheel quot;Egypteland, zeggende: Zoo waarachtig de Heer leeft! 27 Zie, ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; zoodat alwie van Juda in Egypteland is, door het zwaard en den honger zal omkomen, totdat het een einde met hen heeft. 28 En die het zwaard ontkomen, en uit Egypteland haar het land van Juda zullen wederkeeren, zullen weinig in getal zijn; en alzoo zullen dan al de overgeblevenen van Juda, die in Egypteland getrokken waren om aldaar als vreemdelingen verblijf te hebben, vernemen wiens woord waar geworden is, het mijne of het hunne. 29 En tot een teeken, spreekt de Heer, dat ik u aan deze plaats bezoeken zal, opdat gij weten moogt dat mijn woord gewisselijk waar zal worden, u tot ongeluk, 30 zoo spreekt de Heer aldus: Zie, ik zal Farao Hofra den koning van Egypte overgeven in de hand zijner vijanden en dergenen |
JEBÏMiïA 45, 46.
1435
|
die naar zijn leven staan, gelijk ik Zedekia den koning van Juda heb overgeleverd in de hand van Ne-bukadrezar den koning van Babel, zijnen vijand en die naar zijn leven stond. HOOFDSTUK 45. 1 Dit is het woord hetwelk de. profeet Jeremia sprak tot Baruch den zoon van Neria, toen hij deze woorden uit den mond vau Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Joja-kim den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende : 3 Dus spreekt de Heer Zebaóth, Israels God, aangaande u o Baruch. 3 Gij zegt: Wee mij, de Heer heeft jammer aan mijne smart toegevoegd; ik zucht mij moede en vind geen rust. 4 Zeg tot hem aldus: Zoo spreekt de Heer: Zie, hetgeen ik gebouwd heb, dat breek ik af, en hetgeen ik geplant heb, dat roei ik uit, ja zelfs dit gansche land: 5 en gij zoudt voor u groote dingen begeeren? Begeer ze niet; want zie, ik zal ongeluk doen komen over alle vleesch, spreekt de Heer; maar u zal ik uwe ziel tot een buit geven,, aan elke plaats waarheen gij u begeven zult. |
HOOFDSTUK 46. 1 Dit is het woord des Heeren dat tot den profeet Jeremia geschiedde aangaande de volken. 3 Betrellende Egypte. Aangaande het heir van Farao Necho den koning yan Egypte, dat aan de rivier Frath bij Karkemis stond, hetwelk de koning van Ba-bel, Nebukadrezar, sloeg in het vierde jaar van Joja-kim den zoon van Josia, den koning van Juda. — 3 Maakt schild en rondas gereed, en rukt aan ten strijde. 4 Spant de paarden aan, en laat de ruiters opzitten; zet de helmen op, en scherpt de spiesen, trekt de pantsers aan. 5 Hoe komt het dat ik hen versaagd en achterwaarts geweken zie? Hunne helden zijn verslagen, en zij vluchten, dat zij zelfs niet omzien : er js schrik van rondom, spreekt de Heer. C De snelle kan niet ontvlieden en de sterke niet ontkomen; tegen het noorden, aan de rivier Frath, zijn zij gevallen en ternq-dergeveld. |
J E R E MIA '• 46.
1436
|
7 Waar is bij nu die optrok als een stroom, wiens golven zicli verhieven als die van het water? 8 Egypte trok op als een stroom, en zijne golven verhieven zich als die van het water; en hij zeide: Ik zal opkomen, het land bedekken, ea de stad verderven met degenen die er in wonen. 9 Welaan, trekt op met paarden, rent met wagens; dat de helden uittrekken, de Mooren en die van Put, die het schild voeren, en de schutters uit Lydië. 10 Want dit is de dag des Heeren, des Heeren Zeba-öth, een dag der wraak, om zich te wreken aan zijne vijanden, daar het zwaard zal verslinden en van hun bloed verzadigd en dronken worden; want zij moeten den Heere Heere Zebaoth een slachtofl'er worden in het land tégen het noorden, aan de rivier ïrath. 11 Ga op naar Gilead en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte: het is tevergeefs dat gij vele geneesmiddelen gebruikt, gij wordt toch niet genezen. 12 Uwe schande is onder de volken ruchtbaar geworden, het land is vervuld van uw gekerm; want de ééne held valt over den anderen , en zij liggen beiden terneder. — |
13 Dit is het woord des Heeren hetwelk hij tot den profeet Jeremia sprak, dat Nebukadrezar de koning van Babel in aantocht was om Egyptelfind te slaan.—• 14 Verkondigt het in Egypte en maakt het bekend te Migdol, meldt het te Nof en te Tachpanhes, en zegt: Stelt u teweer, want het zwaard verslindt wat rondom u is. 15 Hoe komt het dat uwe helden ter aarde vallen , en niet kunnen standhouden?— de Heer heeft hen terneder-geveld; 16 hij maakt dat er velen van hen vallen , dat de één met den ander ternederligt, terwijl zij zeggen: Komt, laat ons wederkeeren tot ons volk en naar ons vaderland, vanwege het zwaard des dwingelands. 1? Haar riep men: Farao de koning van Egypte is verdelgd, hij heeft zijne tenten achtergelaten. 18 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Koning wiens naam is Heer Zebaólh, hij zal optrekken, gelijk de berg Tabor is onder de bergen, en gèlijk Eamel aan de zee. |
11
JEEEMIA 47.
1437
|
19 Vervaardig u het gewaad der ballingschap, gij inwoonster, dochter van Egypte; want Nofzal woest en verbrand worden, dat er niemand in wonen zal. 20 Egypte is eene zeer schoone vaars; maar van het noorden komt de slachter. 31 Ook hare gehuurde knechten in haar midden zijn als gemeste kalveren, maar ook zij moeten den rug wenden, met elkander vluchten, en zullen niet standhouden; want de dag huns ongeluks zal hen overkomen , de tijd hunner bezoeking. 22 Haar geluid gaat voort als dat van eene slang; want zij komen met krijgsmacht, en brengen bijlen over haar als om hout te vellen. 23 Zij zullen haar woud omhouwen, spreekt de Heer, schoon het niet te tellen is; want zij zijn meer dan de sprinkhanen, zoodat men ze niet tellen kan. 24 De dochter van Egypte staat beschaamd, want zij is in de hand van het volk van het noorden overgeleverd. 25 De Heer Zebaoth, Israels God, spreekt; Zie, ik zal bezoeken den regeerder van No, en Farao, en Egypte , benevens hare goden en koningen, ook Farao met allen die op hem vertrouwen ; |
26 en ik zal hen overgeven in de hand dergenen die naar hun leven staan, en in de hand van Nebu-kadrezar den koning van Babel en zijne knechten; en daarna zal het weder bewoond worden als vanouds, spreekt de Heer. 27 Maar gij mijn knecht Jakob, vrees niet; en gij Israël, versaag niet; want zie, ik zal u redden uit verre landen, en uw zaad uit het land zijner gevangenschap ; en Jakob zal wederkomen en vrede genieten en overvloed hebben, en niemand zal hem verschrikken. 28 Daarom vrees niet, Jakob, mijn knecht, spreekt de Heer, want ik ben met u; aan alle volken waarheen ik u verdreven heb zal ik een einde maken, maar met u zal ik geen einde maken; maar ik zal u kastijden met mate, opdat ik u niet ongestraft late. HOOFDSTUK 47. 1 Dit is het woord des Heeren dat tot den profeet Jeremia geschiedde aana-aail- |
|
1438 de de Eilistijnea, eer Farao Gaza overwon. — 2 Dus spreekt de Heer: Zie, er komen wateren herwaarts van liet noorden, die tot een overstroomenden vloed zullen worden, en liet land en alles wat er in is, zoo de steden als die erin wonen, wegdrijven zullen; dat de lieden kermen en al de inwoners in het land jammeren zullen, 3 vanwege het gedruiscli liunner sterke paarden die daar lieéip.dra,ven, en liet gerammel lammer wagens, en liet geraas luinner raderen; dat de vaders niet zullen omzien naai' de kinderen, zoo versaagd zullen zij zijn, 4 vamvege den dag die komt om alle Filistijnen te vernielen, en om Tyrus en Sidon benevens hunne andere helpers uitteroeien; want de Heer zal de Filistijnen , het overblijfsel van het eiland Kaftor, vernielen. 5 Gaz£\ zal kaal worden; en Askelon, benevens liet overgeblevene in hunne dalen , tegrondegaan. Hoelang zult gij n nog insnijdingen maken ? 6 O gij zwaard des Hee-ren, wanneer zult gij touh stilhouden? Keer weder in uwe scheede, rust en wees stil. |
7 Maar hop kunt gij stilhouden , dewijl de Heer u bevel gegeven heeft tegen Askelon, en u tegen de zeehaven heeft bestemd? HOOFDSTUK 48. 1 Aangaande Moab. — Dus spreekt de Heer Ze-baöth, Israels God: Wee de stad Nebo, want zij is vernield en te schande geworden ; Kirjathaïm is veroverd ; Misgab is te schande geworden en verplet. 3 De roem van Moab over Hesbon is uit; want men bedenkt kvyaad tegen haar; Komt, laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij. En gij, Madmen, moet óók verdorven worden, het zwaard zal achter u komen. 3 Men hoort een gejammer uit Horonaïm over verwoesting en groot ongeluk. 4 Moab is verslagen; men hoort zijne jongelieden kermen; 5 men gaat met geween den weg op naar Luhith, en de vijanden liooren een jammerkreet op den weg van Horonaïm af. 6 Maakt u weg, redt uw leven; maar gij zult zijn als de heidestruik in de woes-tiju. 7 Omdat gjj u op uwe JEEEMIA |
m
JEEEMIA 48.
1439
|
gebouwen verlaat en op uwe schatten, zult gij óók veroverd worden, en Kamos zal gevankelijk weggevoerd worden, met zijne priesters en vorsten. 8 Want de verwoester zal over alle steden komen, dat niet één stad ontkomen zal; zoowel de dalen zullen verdorven als hot vlakke veld vernield worden; want de Heer heeft het gezegd. 9 Geeft Moab vleugels, hij zal uitgaan als vloog hij; en zijne steden zullen woest liggen, dat er niemand in wonen zal. 10 Vervloekt zij -wie het werk des Heeren met traagheid doet, vervloekt zij wie zijn zwaard weerhoudt van bloed [te vergieten]. 11 Moab is van zijne jeugd af onaangeroerd geweest, en heeft op zijne hefie stilgelegen; hij is nooit uit het ééne vat in het andere overgegoten, en is nooit gevankelijk weggevoerd: daarom is zijn smaak bij hem gebleven, en zijn geur niet veranderd geworden. 13 Daarom zie, spreekt de Heer, de tijd komt, dat ik hem overgieters zal zenden, die hem overgieten zullen, en zijne vaten ledigen, en zijne kruiken in stukken slaan; |
13 en Moab zal wegens Kamos te schande worden, gelijk het huis van Israël wegens Beth-El te schande geworden is, waarop zij zich verlieten. 14 Hoe durft gij zeggen: Wij zijn helden, dappere krijgslieden ? 15 Moab moet vernield, en zijne steden beklommen, en zijne beste manschap ter slachtbank afgevoerd worden, spreekt de Koning wiens naam is Heer Ze-baóth. 16 Moabs ongeluk zal schielijk komen, en zijn ondergang spoedt haastig aan. 17 Weeklaagt over hem, gij allen die rondom hem woont en zijnen naam kent; en zegt; Hoe is die sterke staf, die heerlijke schepter verbroken? 18 Daal neder van uwe heerlijkheid, gij dochter die te Dibon woont, en zit in het dorre; want de verwoester van Moab zal tegen u opkomen, en uwe vestingen vernielen. 19 Treed op de straten en zie toe, gij inwoonster van Arocr; vraag degenen die vluchten en ontloopen, en zeg: Hoe gaat het? . 20 Moab is verwoest en verdorven; jammert en kermt, maakt het langs de |
JEREMIA 48.
1440
|
Arnon bekend, dat Moab vernield is. 21 De straf is over liet vlakke land gegaan, over Holon, Jaliza, Mefaath, 33 Dibon, Nebo, Betb-Diblathaïm, 33 Kirjatbaïm, Beth-Ga-mul, Betb-Meon, 34 Keriotb, Bozra, en over alle steden in bet land van Moab, die veraf en die nabij zijn. 35 Moabs hoorn is afgehouwen en zijn arm is verbroken, spreekt de Heer. 36 Maakt hem dronken, want hij heeft zich tegen den Heer verheven; opdat hij zich wentele in zijn uit-spuwsel, en tot eene bespotting worde. 37 Want Israël heeft tot eene bespotting moeten zijn, als ware hij onder de dieven gevonden; en dewijl gij zoo tegen hem spreekt, zult gij ook weg moeten. 38 Gij inwoners van Moab, verlaat de steden en woont in de steenrotsen, en doet als de duiven die nestelen in de kloven aan den ingang der holen. 39 Men heeft gezegd van den hoogmoedigen Moab, dat hij zeer vermetel is, hoovaardig, hoogmoedig , trotsch en laatdunkend. 30 Maar de Heer spreekt: |
Ik ken zijnen toorn wel, dat hij niet zooveel vermag, en zich onderstaat om meer te doen dan zijn vermogen is. 31 Daarom moet ik over Moab jammeren, en over geheel Moab kermen, en over de lieden van Ku-Hé-res klagen.' 33 Ik moet over u, Jaëzer, gij wijnstok van Sibma, wee-nen; want uwe wijnranken verspreidden zich over de zee, en reikten tot aan de zee van Jaëzer: de vernieler is in uwen oogst en in uwe wijnlezing gevallen. 33 De vreugd en blijdschap is uit het veld weg en uit het land van Moab, en men zal geen wijn meer persen , de wijntreder zal zijn lied niet meer zingen, 34 vanwege het noodgeschrei uit Hesbon, hetwelk tot Elealé, tot Jahaz toe klinkt; van Zoar af tot aan Horonaïm, die driejarige vaars; want ook de wateren van Nimrim zullen verdrogen. 35 En ik zal, spreekt de Heer, in Moab een einde maken aan het offeren op de hoogten en aan het wie-rooken voor hunne goden. 36 Daarom heft mijn hart over Moab de klaagtonen der fluiten aan, ja over de lieden van Kir-Héres heft |
JEEEMIA 49.
1441
|
mijn hart de klaagtonen der fluiten aan; want het laatste overschot dat zij verzameld hadden, gaat verloren. 37 Alle hoofden zullen kaal zijn, en alle baarden afgeschoren; alle handen ingesneden, en elk zal zakken aanhebben; 38 op alle daken en straten in Moab zal men klagen ; want ik heb Moab verbroken als een onwaardig vat, spreekt de Heer. 39 Ach hoe is hij verdorven ! hoe kermen zij! hoe schandelijk hangen hunne hoofden! Ja Moab is tot eene bespotting en tot eene verschrikking geworden voor allen die rondom hem wonen. 40 Want dus spreekt de Heer: Zie, hij vliegt heen als een arend, en breidt zijne vleugels over Moab uit: 41 Kerioth is veroverd, de vaste steden zijn ingenomen, en het hart der helden van Moab zal in dien tijd zijn'als het hart van eene vrouw in barensnood ; 42 want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk meer zijn zal, omdat hij zich tegen den Heer verheven heeft. |
43 Schrik en kuil en strik komen over u, o inwoners van Moab, spreekt de Heer: 44 wie den schrik ontvliedt, die zal in den kuil vallen, en wie uit den kuil opklimt , die zal in den strik gevangen worden; want ik zal over Moab doen komen het jaar zijner bezoeking, spreekt de Heer. 43 De uit den slag ont-vlodenen zullen toevlucht zoeken te Hesbon, maar er zal een vuur uit Hesbon eu eene vlam uit Sihon gaan, die Moabs slapen en den schedel der oorlogsgezijiden verteren zal. 46 Wee u Moab, verloren is het volk van Kamos; want men heeft uwe zonen en dochters genomen en gevankelijk weggevoerd. 47 Maar in den toekomenden tijd zal ik de gevangenschap van Moab wenden, spreekt de Heer. — Tot hiertoe de straf over Moab. HOOFDSTUK 49. 1 Aangaande de kinderen Ammons spreekt de Heer aldus: Heeft dan Israël geen kinderen, heeft hij geen erfgenaam? Waarom bezit dan Malkam het land van Gad, en woont zijn volk in deszelfs steden? —- 3 Daarom zie, de tijd komt, |
46
JEEEMIA 49.
1443
|
spreekt de Heer, dat ik een krijgsgesclireeuw zal doen hooren tegen Eabba der kinderen Amnions, dat zij op een lioop woest zal liggen, en hare onderlioo-rige plaatsen zullen met vnnr aangestoken worden;, maar Israël zal bezitten wie hem bezaten, spreekt de Heer. 3 Jammer o Hesbon, want Ai is vernield; kermt gij dochters van Eabba, en trekt zakken aan, klaagt en loopt rondom op de muren; want Malkam wordt gevankelijk weggevoerd met zijne priesters en vorsten tegader. 4 Wat roemt gij op uwe landouwen? Uwe landouwen zijn verdronken, gij onge- • hoorzame dochter, gij die u op uwe schatten verlaat, zeggende in uw hart: Wie durft mij genaken? 5 Zie, spreekt de Heere Heere Zebaóth, ik zal verschrikking over u brengen, boven allen die rondom u wonen; opdat een ieder voor zich heen weggevoerd worde, en er niemand zij die de vluchtenden verzamelt. 6 Maar daarna zal ik de gevangenschap der kinderen Ammons weder wenden, spreekt de Heer. — |
7 Aangaande Edom.— Dus spreekt de Heer Zebaöth: Is er dan geen wijsheid | meer in Teman ? Is er geen raad meer bij de schrande-ren, is hunne wijsheid te-nietgegaan ? 8 Vliedt, wendt u en verbergt u diep, inwoners van Dedan; want ik doe een ongeluk over Esau komen, den tijd zijner bezoeking. 9 Er zullen wijnlezers over ii komen, die u geen nalezing overlaten; of dieven zullen bij nacht over u komen, die zullen verderven zooveel hun genoeg is. 10 Maar ik heb Esauont- • bloot, en zijne verborgen schuilplaatsen ontdekt, dat hij zich niet verschuilen i kan; zijn zaad, zijnebroe- ! ders en zijne geburen zijn , vernield, dat geen van hen ; meer over is. 11 Doch wat er overblijft j van uwe weezen, zal ik in het leven behouden; en uwe weduwen zullen op mij ver- ; trouwen. 12 Want dus spreekt de j Heer: Zie, zelfs zij die niet verschuldigd zijn den kelk te drinken, moeten dien nochtans drinken: en zoudt gij ongestraft blijven? Gij zult niet ongestraft blijven, maar óók drinken. 13 Want ik heb bij mij- |
JEREMIA 49.
1443
|
zei ven gezworen, spreekt de Heer, dat IJozra eene verwoesting, eene versmaad-lieid, een puinhoop en vloek zal wezen, en al hare steden eene eeuwige woestijn zullen worden. 14 Ik heb gehoord van den Heer, dat er eene boodschap onder de volken gezonden is: Yergadert u en komt herwaarts tegen haar, maakt u op tot den strijd. 15 Want zie, ik heb u klein gemaakt onder de volken, en veracht onder de menschen; 16 uwe trotschheid en uws harten hoogmoed heeft u bedrogen, gij die in de kloven der steenrotsen woont en op hooge gebergten: al ware het ook, dat gij uw nest zoo hoog maaktet als de arend, nochtans zal ik u vandaar ternederwerpen, spreekt de Heer. 17 Alzoo zal Edom woest worden, dat allen die ei-voorbijgaan zich verwonderen en llniten zullen over al hare plagen. 18 Gelijk Sodom' en Go-morra en al hare omstreken omgekeerd zijn, spreekt de Heer, zoo zal niemand aldaar wonen, geen mensch daarin verkeeren. |
19 Want zie, hij komt herwaarts op, als een leeuw van de verheffing des Jordaans , tegen de vaste woonsteden; want ik zal hem vandaar herwaarts doen loo-pen; en wie weet wie de ver-korene is, dien ik tegen u toerusten zal? Want wie is mij gelijk, wie zal mij iets voorschrijven, en wie is de herder die mij kan tegenstaan? 20 Hoort dan nu den raadslag des Heeren over Edom, en zijne gedachten over de inwoners van Te-man: Ziet toe of niet de herdersjongens hen zullen wegsleepen en hunne woning-vernielen. 31 De aarde zal beven van het geluid huns vals, en hun angstgeschrei zal men aan de Schelfzee hooren. 33 Zie, hij vliegt opwaarts als een arend, en zal zijne vleugels uitbreiden over Bozra, en in dien tijd zal het hart der helden van Edom zijn als het hart eenervrouw in barensnood.—• 33Aangaande Damascus.— Hamath en Arpad staan beschaamd; zij zijn versaagd, want zij hooren een kwaad gerucht; die aan de zee wonen zijn zoo verschrikt dat zij geen rust kunnen hebben. 34 Damascus is versaagd en neemt de vlucht, zij |
JEEEMIA 49.
1444
|
siddert, en is in angst en smarten als eene vrouw in barensnood. 25 Hoe verlaten is zij nu, die vermaarde en vroolijke stad! 26 Daarom zal hare jonge manschap op hare straten ternederliggen, en al hare krijgslieden zullen tegronde-gaan in dien tijd, spreekt de Heer Zebaöth; 37 en ik zal de muren van Damascus met vuur aansteken, dat het de paleizen van Benhadad verteren zal. —■ 28 Aangaande Kedar en de koninkrijken vanHazor, die Nebukadrezar de koning van Babel overwon. — Dus spreekt de Heer: Maakt u op, trekt uit tegen Kedar en vernielt de kinderen van het oosten. 29 Men zal hunne hutten en kudden wegnemen; hunne tenten, al hun gereedschap, en 'de kameelen zullen zij wegvoeren, en men zal tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! 30 Vliedt, maakt u spoedig weg, verbergt u diep, gij inwoners van Hazor, spreekt de Heer; want Nebukadrezar de koning van Babel heeft een raadslag tegen u en eene gedachte tegen u overlegd. |
31 Maakt u op, trekt uit tegen een volk dat zorgeloos is en gerust woont, spreekt de Heer; zij hebben noch deuren noch grendels, en wonen op zichzelve. 82 Hunne kameelen zullen geroofd, en de menigte van hun vee zal weggenomen worden; en ik zal hen verstrooien in alle winden, hen die zich de slapen glad-scheren; en van alle plaatsen zal ik het verderf over hen brengen, spreekt de Heer, 33 zoodat Hazor eene woning der draken en eene eeuwige woestijn zal worden, dat niemand aldaar wonen en geen mensch daarin ver-keeren zal. — 34 Dit is het woord des Heeren dat tot den profeet Jeremia geschiedde aangaande Elam, in het begin der regeering van Zedekia den koning van Juda, zeggende: 35 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Zie, ik zal den boog van Elam verbreken, hunne voornaamste macht; 36 en ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over hen brengen, en zal hen in al die winden verstrooien, dat er geen volk zijn zal waarheen Elams verdrevenen niet zullen komen. 37 En ik zal Elam ver» |
JEEEMIA 50.
1445
|
saagd maken voor hunne vijanden en voor degenen die naar hun leven staan; en ik zal ongeluk over hen brengen, den heeten gloed mijns toorns, spreekt de Heer; en ik zal het zwaard hun achternazenden, totdat ik hen verdelgd zal hebben. 38 Mijnen troon zal ik in Elam stellen, en zal beide den koning en de vorsten aldaar ombrengen, spreekt de Heer. 39 Maar in den toekomenden tijd zal ik de gevangenschap van Elam weder wenden, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 50. 1 Dit is het woord hetwelk de Heer door den Êrofeet Jeremia gesprokenrofeet Jeremia gesproken eeft aangaande Babel, aangaande het land der Chal-deën: 3 Verkondigt onder de volken en maakt het ruchtbaar ; richt eene banier op, maakt ruchtbaar, en verzwijgt het niet, en zegt: Babel is ingenomen, Bel staat beschaamd, Merodach is verpletterd, hare afgoden staan verlegen, en hare goden zijn verpletterd. |
3 Want er trekt een volk van het noorden tegen haar op, dat haar land tot eene woestijn zal maken, dat er niemand in wonen zal, maar beide menschen en vee zullen vandaar vlieden. 4 In die dagen en op dien tijd, spreekt de Heer, zullen de kinderen Israëls komen met de kinderen van Juda, en weenende heentrekken en den Heer hunnen God zoeken. 5 Zij zullen vragen naar den weg naar Sion, en zich derwaarts keeren: Komt en hechten wij ons aan den Heer met een eeuwig verbond , dat nooit vergeten zal worden. 6 quot;Want mijn volk is als eene dwalende kudde, hunne herders hebben hen verleid en op de bergen doen dolen, dat zij van de bergen op de heuvels gegaan zijn, en hunne kooien vergeten hebben; 7 alwie hen vonden, die verslonden hen, en hunne vijanden zeiden: Wij hebben geen schuld, omdat zij gezondigd hebben tegen den Heer in de woning der gerechtigheid, en tegen den Heer, die de hoop hunner vaderen was. 8 Yliedt uit Babel, en trekt uit het land der Chal-deën, en stelt u als de bokken die vóór de kudde uit-gaani |
JE EE MIA 50,
1446
|
9 Want zie, ik zal groote volken bij menigte uit liet land van het noorden verwekken , en tegen Babel opvoeren , die zich tegen haar zulleii toerusten, door welke zij ook zal ingenomen worden; hunne pijlen zijn als die eens kloeken helds, die nimmer mist. 10 En het land der Chal-deën zal tot een roof worden, dat allen die het be-rooven volop zullen hebben, spreekt de Heer. 11 Immers gij verblijdt en beroemt u dat gij mijn erfdeel geplunderd hebt; immers gij springt op als de gemeste kalveren, en hinnikt als de hengsten. 13 Uwe moeder staat groo-telijks beschaamd; die u gebaard heeft is tot eene bespotting geworden; zie, onder de volken is zij de minste, woest, dor en eenzaam; 13 vanwege den toorn des Heeren moet zij onbewoond en geheel woest blijven, zoodat allen die voor Babel voorbijgaan zich zuilen verwonderen en fluiten over al hare plagen. 14 Rust u toe tegen Babel rondom, gij allen die den boog spant; schiet in haar, spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den Heer gezondigd. |
15 Juicht over haar rond* om, zij moet zich overgeven; hare grondvesten zijn gevallen, hare muren zijn afgebroken ; want dit is de wraak des Heeren, wreekt u aan haar, doet haar zooals zij gedaan heeft. 16 Eoeit uit van Babel den zaaier en den maaier in den oogsttijd; dat ieder vanwege het vernielend zwaard zich tot zijn volk keere, en ieder naar zijn land vliede. 17 Israël heeft moeten zijn eene verstrooide kudde, welke de leeuwen veijaagd hebben; eerst verslond hen de koning van Assyric, daarna overweldigde hen Ne-bukadnezar de koning van Babel. 18 Daarom spreekt de Heer Zebaóth, Israels God, aldus: Zie, ik zal den koning van Babel bezoeken en zijn land, gelijk ik den koning van Assyrië bezocht heb; 19 en Israël zal ik weder tot zijne woning brengen, dat zij op Karmel en Basan weiden, en hunne ziel zal op het gebergte van Efraïm en in Gilead verzadigd worden. quot;20 In die dagen en in dien tijd zal men naar Israels misdaad zoeken, spreekt de Heer, maar zij zal er |
JEEEMIA 50.
1447
|
niet zijn, en naar de zonde van Juda, maar men zal ze niet vinden; want ik zal ze vergeven dengenen die ik zal laten overblijven. 31 Trek op tegen bet land dat alles verbitterd beeft, en tegen de inwoners der bezoeking; verwoest en verban bunne nakomelingen, spreekt de Heer, en doe allss wat ik u bevolen heb. 32 Er is een krijgsgeroep in het land, en eene groote ramp. 23 Hoe is de hamer der gelieele wereld verbroken en in stukken geslagen, hoe is Babel toteen scb riktooneel geworden onder de volken 1 34 Ik heb u een strik gelegd, o Eabel, daarom zijt gij ook gevangen eer gij het vermoeddet; gij zijt gevonden eu gegrepen, want gij hebt den Heer getergd. 25 De Heer beeft zijne sehatkamer opengedaan, en de wapenen zijns toornsdaaruit tevoorsohijngebracht; want dit heeft de Heers Heere Zebaöth in het land der Chaldeën uitgevoerd. 3G Komt op tegen haar van het einde, opent hare korenhuizen, werpt ze overhoop en verbant ze, dat haar niets overblijve. |
27 Doodt al hare runderen, voert ze af ter slachtbank; wee hun, want hun ilag is gekomen, de tijd hunner bezoeking. 38 Er is eene stem der gevluehten en dergenen die ontkomen zijn uit het land van Babel, opdat zij te Sion verkondigen de wraak van den Heer onzen God, de wraak wegens zijnen tempel. 29 lioept velen tegen Babel ; belegert haar van rondom, alle gij boogschutters; en laat niemand ontkomen; vergeldt haar zooals zij verdiend heeft, doet haar zooals zij gedaan heeft; want zij heeft trotsch gehandeld tegen den Heer, den Heilige van Israël. 30 Daarom zal liare jonge manschap vallen op hare straten, en al hare krijgslieden zullen tegrondegaan in dien tijd, spreekt de Heer. 81 Zie, gij trotsche, ik wil aan u, spreekt de Heer, de Heer Zebaoth; want uw dag is gekomen, de tijd uwer bezoeking. 32 Dan zal de trotsche zich stooten en vallen, zonder dat iemand hem opricht; ik zal zijne steden met vuur aansteken, dat alles wat rondom hem is verteren zal. 33 Dus spreekt de Heer Zebaoth: De kinderen van |
JEE E MIA 50.
1448
|
Israël en de kinderen van Juda moeten geweld en onrecht lijden; allen die hen gevankelijk weggevoerd hebben, houden hen vast en willen hen niet loslaten. 34 Doch hun verlosser is sterk, wiens naam is Heer Zebaoth; die zal hunne zaak zóó uitvoeren, dat hij het land zal doen beven en de inwoners van Babel zal doen sidderen. 35 Het zwaard zal komen, spreekt de Heer, over de Chaldeën, en over de inwoners van Babel, en over hare vorsten, en over hare wijzen; 36 het zwaard zal komen over hare profeteerders, dat zij dwaas worden; het zwaard zal komen over hare sterken, dat zij versagen; 37 het zwaard zal komen over hare paarden en wagens , en over den geheelen gemengden hoop die er in is, dat zij tot vrouwen zullen worden; het zwaard zal komen over hare schatten, dat zij geplunderd worden; 38 droogte zal komen over hare wateren, zoodat zij uitdrogen; want het is een land van afgodsbeelden, en zij roemen op hunne verschrikkelijke [af(/odsbeelden\ |
39 Daarom zullen er al de wilde dieren en uilen in wonen, en de jonge struisvogels er hun verblijf houden; het zal nimmer bewoond worden, en niemand zal daarin blijven immer en altoos: 40 gelijk God Sodom en Gomorra met hare omstreken heeft omgekeeitl, spreekt de Heer, dat niemand daarin woont eu geen mensch aldaar huisvest. 41 Zie, er komt een volk van het noorden af; vele volken en vele koningen zullen van de einden der aarde zich opmaken. 43 Zij hebben bogen en schilden, zij zijn wreed en onbarmhartig; hunne stem is als het bruisen der zee; zij rijden op paarden, toegerust als krijgslieden, tegen u o dochter van Babel. 43 Als de koning van Babel hun gerucht hooren zal, zullen hem de vuisten slap worden, hij zal zoo beangst en bang worden als eene vrouw in barensnood. 44 Zie, hij komt op, als een leeuw uit de verheffing des Jordaans, tegen de vaste woning; want ik zal hem vandaar herwaarts doen loo-pen; en wie weet wie de verkorene is, dien ik tegen haar toerusten zal? Want wie is mij gelijk, wie zal mij ieta voorschrijven, en |
JEREMIA 51,
1449
|
wie is de herder die mij kan tegenstaan? 45 Hoort dan nu den raadslag des Heeren over Babel, en zijne gedachten over het land der Chaldeën: Ziet toe ot' niet de herdersjongens hen zullen wegsleepen en hunne woning vernielen. 46 De aarde zal beven van het geschreeuw, en het zal onder de volken ruchtbaar worden, als Babel is ingenomen. HOOFDSTUK 51. 1 Dus spreekt de Heer; Zie, ik zal een verdervenden wind verwekken tegen Babel en tegen hare inwoners, die zich tegen mij gesteld hebben; 3 ik zal ook wanners naar Babel zenden, die haar wannen en haar land ledigen zullen, die overal rondom haar zijn ten dage haars ongeluks. 3 Want hare schutters zullen niet schieten, en hare geharnasten zullen zich niet kunnen weren; verschoont dan nu hare jonge manschap niet, verbant al haar heir: 4 dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeën, en de doorstokenen op hare straten. |
5 Want Israël en Juda zullen niet in weduwschap gelaten worden door hunnen God, den Heer Zebaoth; want hunlieder land heeft de schuld vol gemaakt tegen den Heilige van Israël. G Vliedt uit Babel, opdat ieder zijne ziel redde, en gij niet mede omkomt in hare misdaad; want de tijd der wraak des Heeren is daar: hij is een vergelder en zal haar betalen. 7 Een gouden kelk was Babel, die de geheele wereld dronken gemaakt heeft, in de hand (les Heeren; de volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken van zinnen beroofd geworden. 8 Hoe schielijk is Babel gevallen en verpletterd! Jammert over haar, neemt ook zalf voor hare wonden, of zij misschien mocht genezen worden. —■ 9 Wij hebben Babel geneesmiddelen toegediend, maar zij is niet te genezen; laat haar dan varen, en laat ons ieder naar zijn land trekken; want hare straf reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de wolken. 10 De Heer heeft onze gerechtigheid aan 't licht gebracht; komt, laat ons te Sion de werken van den |
JEREMIA 51.
1450
|
Heer onzen God vermelden. 11 Wet de pijlen, en maakt de schilden gereed; de Heer heeft den moed der koningen van Medio opgewekt; want zijne gedachten zijn tegen liabel, om haar te verderven; want dit is de wraak desHeeren, de wraak over zijnen tempel. 13 Plant nu de banieren op de muren van 1 Sabel, neemt de wacht waar, stelt posten uit, legt hinderlagen; want de Heer heeft iets voorgenomen, en hij doet ook wat hij tegen de inwoners van Babel gesproken heeft. 13 Gij die aan groote wateren woont en groote schatten hebt, uw einde is gekomen, en uwe gierigheid is uit. 14 De Heer Zebaöth heeft bij zijne ziel gezworen: Ik zal u met menschen vervullen als waren het kevers, die zullen een vreugdekreet over u aanheffen. 15 Die de aarde door zijne kracht gemaakt heeft, en den wereldkloot door zijne wijsheid bereid, on den hemel door zijn verstand heeft uitgespannen. |
16 Als hij dondert, dan is er eene menigte van water onder den hemel; hij trekt de nevels op van het einde der aarde; hij maakt de bliksemstralen met den regen, en laat den wind komen uit verborgen plaatsen. 17 Alle menschen zijn dwazen met hunne kunst, en alle goudsmeden staan beschaamd met hunne beelden; want hunne afgoden zijn bedriegerij, en zij hebben geen leven: IS zij zijn ijdelheid, een werk der verleiding, zij moeten omkomen als zij bezocht worden. 19 Maar zóó is hij niet die Jakobs schat is, want hij is het die alle dingen maakt, en Israël is de stam zijner erfenis: Heer Zebaóth is zijn naam. 20 Gij zijt mijn hamer, mijne oorlogswapenen; door u heb ik volken verbrijzeld en koninkrijken vernield; 21 ik heb door u paarden en ruiters verpletterd, ik heb door u wagens en die daarop rijden verbrijzeld; 22 ik heb door u mannen en vrouwen verbrijzeld, ik heb door u ouden en jongen verbrijzeld, ik heb door u jongelingen en jonkvrouwen verbrijzeld; 23 ik heb door u herders en kudden verbrijzeld, ik heb door u landlieden en jukken verbrijzeld, ik heb |
JEREMIA 31.
1451
|
door u vorsten en overheden verbrijzeld. 24 En ik zal nu aan Ba-bel en aan alle inwoners van Chaldéa vergelden al hunne boosheid, die zij aan Sion begaan hebben voor uwe oogen, spreekt de Heer. 25 Zie, ik wil aan u, gij al vernielende berg, gij die de gansdie aarde verderft, spreekt de Heer; ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u van de steenrotsen afwentelen, en zal een uitgebranden berg van u maken, 26 zoodat men noch hoeksteen noch grondsteen van u zal kunnen nemen, maar eene eeuwige woestijn zult gij zijn, spreekt de Heer. 37 Verheft de banieren in het land, blaast de bazuinen onder de volken, heiligt de volken tegen haar, roept tegen haar samen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt hoofdlieden tegen haar; brengt paarden opwaarts, als keverawermen; • 28 heiligt de volken tegen haar, de koningen van Me-die, benevens al hunne vorsten en overheden, en het geheele land hunner heerschappij ; |
29 opdat het land beve en verschrikke; want de overleggingen des Heeren zullen vervuld worden tegen Babel, dat hij het land Eabel tot eene woestijn zal maken, waarin niemand woont. 30 De helden van Babel zullen niet durven te velde trekken, maar blijven in de vestingen; hunne sterkte ia weg, en zij zijn als vrouwen geworden; hare woningen zijn aangestoken, en hare grendels verbroken. 31 Hier loopt er een en daar een den ander tegemoet, en de eene boodschap vervangt de andere, om den koning van Babel te boodschappen dat zijne stad ingenomen is tot aan de uiterste einden toe, 32 en dat de overtochten bemachtigd en de rietpoelen uitgebrand zijn, en dat de krijgslieden bloohartig zijn geworden. 33 Want dus spreekt de Heer Zebaöth, Israels God : Be dochter van Babel is als een dorschvloer als men er op dorscht; haar oogsttijd zal spoedig komen. 34 Nebukadrezar de koning van Babel heeft mij verteerd en omgebracht, hij heeft mij als een ledig vat gemaakt, hij heeft mij verslonden als een draak, bij heeft zijn buik gevuld met |
JEREMIA 51,
1452
|
mijne lekkernijen; hij heeft mij verstoeten. 35 Maar nu kome de moedwil, die mij en mijn vleesch aangedaan is, over Babel, spreke de inwoonster van Sion; en mijn bloed over de inwoners van Chal-déa, spreke Jeruzalem. 3Ü Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik zal uwe zaak voeren en u wreken; ik zal hare zee droogmaken en hare springbronnen doen uitdrogen; 37 en Babel zal tot een puinhoop en tot eene woning der draken worden, tot eene verwoesting en tot eene beschimping, dat er niemand in wonen zal. 38 Zij zullen tezamen brullen als de leeuwen, en schreeuwen als de jonge leeuwen. 39 Ik zal hen met hunnen drank in de hitte zetten , en zal hen dronken maken, dat zij vroolijk worden, en den eeuwigen slaap slapen, van welken zij nooit weder zullen ontwaken, spreekt de Heer. 40 Ik zal hen afvoeren als lammeren ter slachtbank, als rammen en als bokken. 41 Hoe is Sesach veroverd, en de roem der ge-heele wereld ingenomen! Hoe is Babel tot eene verwoesting geworden onder de volken! |
42 Eene zee is over Babel gegaan, en door de veelheid harer golven is zij bedekt; 43 hare steden zijn tot eene woestijn en tot een dor eenzaam land geworden, tot een land waarin niemand woont en waar geen mensch doortrekt. 44 Want ik heb Bel te Babel bezocht, en heb uit zijne keel gerukt hetgeen hij verslonden had; en de volken zullen niet meer tot hem loopen, want ook de muren van Babel zijn gevallen. 45 Trekt er uit, mijn volk, en redt een ieder zijne ziel vanwege den grimmigen toorn des Heeren: 46 uw hart mocht anders week worden en versagen vanwege het gerucht hetwelk men in het land hoo-ren zal; want er zal een gerucht gaan in dit jaar, en daarna in het andere jaar; ook zal er geweld zijn in het land, en de ééne vorst zal tegen den anderen zijn. 47 Want zie, de tijd komt, dat ik de afgoden te Babel zal bezoeken, en haar geheele land zal te schande worden, en hare verslagenen zullen in het midden van haar liggen. |
JEEEMIA 51.
1453
|
48 Hemel en aarde en al wat er in is zullen juichen over Babel, dat hare vernielers van het noorden gekomen zijn, spreekt de Heer. 49 En gelijk Babel in Israël de verslagenen heeft ternedergeveld, zoo zullen te Babel de verslagenen ternedergeveld worden in het geheele land. 50 Trekt dan nu heen, gij die het zwaard ontkomen zijt, en vertoeft niet; gedenkt aan den Heer in verren lande, en laat Jeruzalem in uw hart zijn. 51 Wij waren te schande geworden, toen wij de ver-smaadheid hooren moesten, en schande bedekte óns aangezicht, dat vreemden tot het heiligdom van het huis des Heeren waren ingedrongen: - 53 daarom zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat ik hare afgoden bezoeken zal; in het geheele land zullen de doodelijk gewonden zuchten. 53 En al klom Babel opwaarts naar den hemel, en maakte hare macht in de hoogte vast, zoo zullen nochtans van mijnentwege ver-vvoesters over haar komen, spreekt de Heer. 54 Men hoort een gekerm te Babel, en een groot gejammer in het land der Chaldeën; |
55 want de Heer verwoest Babel, hij verderft ze met zulk een groot geschreeuw en gewoel, dat hunne golven bruisen als de groote wateren. 56 Want de verwoester is over Babel gekomen; hare helden worden gevangen, hunne bogen worden verbroken; want de God der wraak, de Heer, betaalt haar. 57 Ik zal hare vorsten en wijzen, hare overheden, hoofdlieden en krijgslieden dronken maken, dat zij een eeuwigen slaap zullen slapen, waaruit zij nooit weder ontwaken zullen, spreekt de Koning wiens naam is Heer Zebaoth. 58 Dus spreekt de Heer Zebaoth: De breede muren van Babel zullen ondergraven , en hare hooge poorten met vuur aangestoken worden; opdat de arbeid der volken verloren zij, en verbrand worde hetgeen de volken met moeite opgebouwd hebben. — 59 Dit is het woord hetwelk de profeet Jeremia beval aan Se ra ja, den zoon van Neria den zoon van Mahseja, toen .hij met Ze-dekia den koning van Juda |
JEEEMIA 52.
1454
|
naar Biibel trok, in het vierde jaar zijner regeering. En Seraja was een vreedzaam vorst. 60 En Jeremia schreef al het ongeluk, hetwelk Babel zon overkomen, in een boek, namelijk al deze woorden die tegen Babel geschreven rijn. 61 En Jeremia sprak tot Seraja: Als gij te Kabel komt, zoo zie toe en lees al deze woorden, 62 en zeg; Heer, gij hebt gesproken tegen deze plaats, dat gij ze zult uitroeien, zoodat niemand aldaar wone, noch mensch noch vee, maar dat zij eenwiglijk woest zal zijn. 63 En als gij dit boek zult uitgelezen hebben, zult gij een steen daaraan binden en het in den Frath werpen, 64 en zeggen; Zóó zal Ba-bel zinken, en niet weder opkomen van liet ongeluk hetwelk ik over haar brengen zal, maar vergaan. — Tot dusver de woorden van Jeremia. HOOFDSTUK 52. 1 Zedekia was éénentwintig jaar oud toen hij koning werd, cn hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Harautal de dochter van Jeremia , uit Libna. |
2 En hij deed hetgeen den Heer kwalijk behaagde, zooals Jqjakim gedaan had. 3 Want het geschiedde wegens den toom des Hee-ren tegen Jeruzalem en Juda, totdat hij hen van zijn aangezicht zou verwerpen. En Zedekia viel af van den koning van Babel. 4 In het negende jaar nu zijner regecring, op den tienden dag der tiende maand, kwam Nebukadrezar de koning van Babel met zijn geheele heir tegen Jeruzalem, en belegerde het; en zij maakten er eene schans rondom. 5 Alzoo bleef de stad belegerd tot in het eltde jaar van den koning Zedekia. 6 Op den negenden dag nu der vierde maand nam de honger in de stad de overhand, en het volk van het land had niets meer te eten; 7 toen brak men in de sfad, en al de krijgslieden namen de vlucht en trokken bij nacht uit de stad, langs (len weg naar de poort, tusschen de twee muren bij des konings hof; de Chal-deën nu lagen rondom de stad. En als zij langs den weg door het veld trokken, 8 joeg het heir der Chal-decn den koning na, en |
JEEEMIA 52. 1465
15 Het arme volk nu, en het volk dat nog in de stad overig was, en wie den koning van liabel toevielen, en den overigen grooten hoop, voerde Nebuzaradan de hoofdman gevankelijk weg.
10 En van het arme volk op het land liet Nebuzara-. dan de hoofdman eenigen blijven tot wijngaardeniers en akkerlieden.
17 En de koperen pilaren aan het huis des Heeren, en de stellingen, en de ko-peren zee aan het huis des Heeren, verbraken de Chaldeën, en voerden al het koper daarvan naar Babel,
18 En de ketels, asoh« schoppen, messen, bekkens, schalen, eu al de koperen vaten welke men bij den dienst gebruikte, namen zij weg,
19 Ook nam de hoofdman wat goud en zilver was aan de bekers, rook pannen, bekkens , ketels, kandelaars, lepels en schalen.
20 De twee pilaren, de céne zee, de twaalf koperen runderen die in de plaats van de stellingen stonden, welke de koning Salomo had laten maken voor het huis des Heeren: het koper van al dat gereedschap was niet te wegen.
21 En elk der twee pila-
ii den zoo-id.
iedde Hee-
ii en i van rwer-el af fabel, ar nu . tien-land, e kozijn
iniza-t; en clians
cl be-e. jaar da. i dag nam id de k van ;er te
in de ieden trok-stad, loort, sn bij Chal-
iii de 5 den kken, Chal-
acliterhaalde Zedekia in het veld bij Jericho; toen verstrooide zicli al zijn lieir.
ü En zij grepen den koning, en brachten hem opwaarts tot den koning van Babel te Eibla in het land van Hamath, en hij sprak het oordeel over hem uit.
10 Aldaar liet de koning van Eabel de zonen van Zedekia voor zijne oogen slachten, en ook al de vorsten van Juda slachtte hij te Eibla;
11 en Zedekia liet hij de oogen uitsteken, eu liet hem met twee ketenen binden, en de koning van Babel voerde hem naar Babel, en zette hem in de gevangenis totdat hij stierf.
12 Op den tienden dag der vijfde maand, in het negentiende jaar van Nebukad-rezar den koning van Babel , kwam Nebuzaradan de hoofdman, die gestadig bij den koning van Babel was, te Jeruzalem;
13 en hij verbrandde het huis des Hoeren en .het huis des konings, en al de huizen van Jeruzalem; ook alle groote huizen verbrandde hij met vuur;
i 14 en het geheele heir der Chaldeën, dat bij den hoofdman was, brak al de muren te Jeruzalem rondom af.
JEREMIA 53.
1456
|
ren was achttien el lioog, en een snoer van twaalf el lang omving ze, en elk was vier vingers dik, en van binnen hol; 33 en op elk stond een koperen knop, vijf el hoog; en netten en granaatappelen waren aan eiken knop rondom , alles van koper; en de ééne pilaar was als de andere , en de granaatappelen ook. 33 Zesennegentig granaatappelen waren daaraan, en honderd granaatappelen waren aan een net rondom. 34 En de hoofdman nam den priester Seraja van den eersten rang, en den priester Zefanja van den tweeden rang, en drie deurwachters; 35 en éénen kamerdienaar uit de stad, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen die bij den koning zijn moesten , die in de stad gevonden werden; daarbij Sofer den krijgsoverste, die het landvolk tot den krijgsdienst opschreef; en zestig mannen van het landvolk , die in de stad gevonden werden; 36 die nam Nebuzaradan de hoofdman, en bracht ten tot den koning van Ba-bel te Eibla, |
37 en de koning vanBabel sloeg hen dood te Eibla in het land Hamath. Aldus werd Juda uit zijn land weggevoerd. 38 Dit is het volk dat Nebukadrezar weggevoerd heeft: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Joden; 39 en in het achttiende jaar van Nebukadrezar,achthonderd tweeëndertig zielen uit Jeruzalem; 30 en in het drieëntwintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan de hoofdman zevenhonderd vijfenveertig zielen weg uit Ju-da: allen tezamen vierduizend zeshonderd zielen. 31 En in het zevenendertigste jaar nadat Jojachin de koning van Juda weggevoerd was, op den vijfentwintigsten dag der twaalfde maand, verhief Evil-Mero-dach de koning van Babel, in het jaar dat hij koning werd, het hoofd van Jojachin den koning van Juda, en liet hem uit de gevangenis; 33 en hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijnen stoel boven den stoel der koningen die bij hem te Babel waren; 33 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenschap, en hij at gestadig bij hem, zijn leven lang; 34 onde van |
KLAAGLIEDEEEN 1.
1457
|
34 en hem werd een vast onderhoud van den koning land van JBahel gegeven, gelijk |
het hem toegekend was, al de dagen zijns levens, tot aan zijn einde. |
DE
KLAAGLIEDEEEN VAN JEREMIA.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Hoe ligt de stad, die vol volk was, zoo woest; zij is als eene weduwe; zij die eene vorstin onder de volken, eene koningin in de landen was, moet nu dienen. 3 Zij weent des nachts, dat haar de tranen langs de wangen loopen; niemand is er onder al hare vrienden die haar troost, al hare naburen handelen trouweloos met haar, en zijn hare vijanden geworden. 3 Juda is gevankelijk weggevoerd in ellende en zware dienstbaarheid; het woont onder de volken, en vindt geen rust; al zijne vervolgers behandelen het kwalijk. |
4 De wegen naar Sion liggen woest, want niemand komt tot het feest; al hare poorten staan ledig, hare priesters zuchten, hare jonkvrouwen zien er jammerlijk uit, en zij zelve is bedroefd. 5 Hare tegenpartijders hebben de overhand, haar vijanden gaat het wel; want de Heer heeft haar vol jammer gemaakt wegens bare groote zonde; en hare kinderen zijn gevankelijk voor de vijanden uitgetrokken. G Al het sieraad van Sions dochter is weg; hare vorsten zijn als de herten die geen weide vinden, en afgemat voor den vervolger uitgaan. 7 Jeruzalem gedenkt in dezen tijd hoe ellendig en verlaten zij is, en hoeveel goeds zij van ouds af gehad heeft; hoe haar volk terne-derligt onder de vijanden, en niemand haar helpt: hare vijanden zien haar aan, en |
KLAAGLIEDEKEN 1.
1438
|
spotten met hare rustdagen. 8 Jeruzalem heeft gezondigd, daarom moet zij zijn gelijk eenc onreine; allen die haar eerden, versmaden haar nu, dewijl zij hare schande zien; maar zij zucht, en heeft zich omgekeerd. 9 Hare onreinheid kleeft aan hare zoomen, zij had het niet gedacht dat het haar ten laatste zoo gaan zou; zij is schrikkelijk diep gedaald, en heeft niemand die haar troost. Ach Heer, zie mijne ellende aan, want de vijand is zeer overmoedig. 10 He vijand heeft zijne hand aan al hare kleinoo-diën gelegd; ja zij moest het aanzien (lat de heidenen in haar heiligdom gingen, van welke gij geboden hadt dat zij in uwe gemeente niet komen zouden. 11 Al haar. volk zucht, en gaat om brood; zij geven hunne kleinoodicn voor spijs om de ziel te verkwikken. Ach Heer, zie toch en aanschouw hoe verachtelijk ik geworden ben. 12 U allen zeg ik, gij die voorbijgaat: Aanschouwt toch en ziet of er eene smart is gelijk aan de smart die mij getrollen heeft; want de Heer heeft mij vol jammer gemaakt op den dag van zijnen grimmigen toorn. |
13 Hij heeft een vuur gezonden uit de hoogte in mijne beenderen, en het geweldig laten worden; hij heeft voor mijne voeten een net gesteld, en mij achter-wfiarts gedreven; hij heeft mij tot eene woestijn gemaakt, dat ik dagelijks treuren moet. 14 Door zijne straf zijn mijne zware zonden ontwaakt, en in menigte mij op den hals gelegd, zoodat mij al mijne kracht vergaan is; de Heer heeft mij zoo toe-gericht, dat ik niet kan opkomen. 15 De Heer heeft al mijne holden, die ik had, ter aarde vertrapt; hij heeft over mij eene bijéénkomst doen uitroepen, om mijne jonge manschap te verderven ; de Heer heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden. 16 Daarom ween ik, en mijne oogen vloeien van water, omdat de trooster, die mijne ziel verkwikken zou, verre van mij is; mijne kinderen zijn weg, want de vijand heeft de overhand gekregen. 17 Sion strekt hare handen uit, en er is niemand die haar vertroost; de Heer heeft aan Jakobs vijanden rondom hem geboden, dat Jeruz zijn i 181 want gehoi alle mijnlt; doch gen gegai I 19 toe, hedn ouds 1 ; smac broo ' verk • 20 hoe binn hart wan droe zwa; de c maa 21 maa al mijl zich de roe] zal 2S VOO toe mis wai en |
KLAAGLIEDEREN 2.
1450
|
Jeruzalem onder lien moet zijn als oene onreine. 18 De Heer is rechtvaardig, want ik beu zijnen mond ongehoorzaam geweest; hoort, alle volken, en aanschouwt mijne smart; mijne jonge-dochters en mijne jongelingen zijn in gevangenschap gegaan. 1'J Ik riep mijn vrienden toe, maar zij hebben mij bedrogen; mijne priesters en oudsten zijn in de stad versmacht; want zij gaan om brood. opdat zij hunne ziel verkwikken. 30 Ach Heer, zie toch hoe benauwd ik ben, mijn binnenste doet wee, mijn hart keert zich in mij om, want ik ben zeer diep bedroefd ; van buiten heeft het zwaard eh van binnen heeft de dood mij kinderloos gemaakt. 21 Men hoort hoe ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijne vijanden hooren mijn ongeluk, cn verheugen zich dat gij dit doet. Dat de dag kome dien gij uitroept, dat het hun gaan zal zooals mij. 22 Laat al hunne boosheid vóór u komen, eu richt hen toe zooals gij mij om al mijne misdaad toegelicht hebt; want mijne zuchtenzijn vele en mijn hart is bedroefd. |
HOOFDSTUK 2. 1 Hoe heeft de Heer de dochter van Sion met zijnen toorn omwolkt! Hij heeft Israels heerlijkheid van den hemel ter aarde geworpen; hij heeft niet gedacht aan zijne voetbank ten dage zijns toorns. 3 De Heer heeft alle woningen van .lakob zonder barmhartigheid verdelgd, hij heeft de vestingen van Ju-da's dochter afgebroken in zijne grimmigheid en ze geslecht ; hij heeft haar koninkrijk en hare vorsten ontheiligd. 3 Hij heeft den geheelen hoorn van Israël in zijnen grimmigen toorn verbroken, hij heeft' zijne rechterhand teruggetrokken toen de vijand kwam, en heeft in Jakob een vuur ontstoken dat van rondom verteert. 4 Hij heeft zijnen boog gespannen als een vijand, zijne rechterhand heeft hij gevoerd als een tegenpartijder , en heeft omgebracht alwat aangenaam was om aantezien, en zijne grimmigheid uitgestort als een vuur in de hut der dochter van Sion. 5 De Heer is als een vijand; hij heeft Israël verdelgd ; hij heeft al zijne |
KLAAGLIEDEEEN 2.
1460
|
paleizen verdelgd, en heeft zijne vestingen vernield; hij heeft de dochter van Juda met klachten en leed vervuld. 6 Hij heeft zijne tent omgewroet als een hof, en zijne woning vernield; de Heer heeft Sion feestdag en sabbat doen vergeten, en in zijnen grimmigen toorn den koning en den priester smadelijk verworpen. 7 De Heer heeft zijnen altaar verworpen, zijn heiligdom verbannen; hij heeft de muren harer paleizen overgegeven in de handen des vijands, dat zij in het huis des Heeren gejuicht hebben als op een feest-dag. 8 De Heer heeft gedacht de muren van Sions dochter te vernielen, hij heeft het meetsnoer getrokken, en zijne hand niet afgewend voordat hij ze verdelgd had; de borstweringen staan droevig , en de muur ligt jammerlijk terneder. 9 Hare poorten liggen diep in de aarde, hij heeft hare grendels verbroken en vernield; haar koning en hare vorsten zijn onder de heidenen , waar zij de wet niet kunnen waarnemen, en hare profeten geen gezicht meer hebben van den Heer. |
10 De oudsten van Sions dochter liggen op de aarde en zwijgen stil, zij werpen stof op hunne hoofden en hebben zakken aangetrokken; de jonkvrouwen van Jeruzalem laten hare hoofden terneder hangen. 11 Ik heb mijne oogen bijna uitgeweend, mijn binnenste doet wee; mijn lever is op de aarde uitgeschud over den jammer der dochter mijns volks, omdat de zuigelingen en onmondigen op de straten der stad versmachten ; 13 zij zeggen tot hunne moeders: Waar is brood en wijn? Zij versmachten op de straten der stad als doode-lijk gewonden, en geven den geest in de armen hunner moeders. 13 O dochter van Jeruzalem, wat zal ik van u getuigen , en waarbij zal ik u vergelijken? O jonkvrouw, dochter van Sion, waarmede zal ik u vergelijken, opdat ik u trooste? Want uwe breuk is zoogroot als eene zee, wie kan u heelen ? 14 Uwe profeten hebben u ijdele en dwaze gezichten gepredikt, en uwe misdaad u niet geopenbaard, waarmede zij uwe gevangenschap zouden afgewend hebben; maar zij hebben u ijdele |
KLAAGLIEDEEEN 3.
1461
|
prediking gepredikt en u verleid. 15 Allen die voorbijgaan klappen in de handen, fluiten en schudden het hoofd over de dochter van Jeruzalem: Is dit die stad van welke men zeide: Zij is de allerschoonste, over welke de geheele wereld zich verblijdt ? 16 Al uwe vijanden sperren hunnen mond tegen u op, zij fluiten en laten u de tanden zien, en zeggen: Wij hebben ze verdelgd; ha, dit is de dag dien wij begeerd hebben, wij hebben het verkregen, wij hebben het beleefd. 17 De Heer heeft gedaan hetgeen hij voorhad, hij heeft zijn woord vervuld hetwelk hij lang tevoren gesproken had, hij heeft zonder barmhartigheid vernield; hij heeft den vijand overu verblijd, en den hoorn van uwe tegenpartijders verhoogd. 18 Hun hart kreet tot den Heer: O muur van Sions dochter, laat dag eri nacht tranen afvloeien als eene beek; houd niet op, en uw oogappel geve zich geen rust. |
19 Sta bij nacht op en jammer, schud uw hart in de eerste morgenwake voor den Heer uit als water; hef uwe handen tot hem op voor het leven uwer jonge kindederen, die van honger versmachten aan den ingang van alle straten. 20 Heer, aanschouw en zie toch wie gij zoo verdorven hebt: zullen dan vrouwen hare vrucht eten, de kinderkens die op de armen gedragen worden? Zullen dan de priesters en profeten in het heiligdom des Hee-ren gedood worden? 21 De jongen en de ouden liggen in de straten ter aarde, mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn door het zwaard gevallen; gij hebt gedood op den dag uws toorns, gij hebt zonder barmhartigheid geslacht. 23 Gij hebt mijne vijanden van rondom saamgeroepen als tot een feestdag, dat er niemand in den dag van den toorn des Heeren ontkomen noch overgebleven is; wie ik opgevoed en grootgebracht heb, heeft de vijand verdelgd. HOOFDSTUK 3. 1 Ik ben een ellendig man, die de roede zijner grimmigheid zien moet. 2 Hij heeft mij gevoerd en doen gaan in de duisternis , en niet in het licht. |
KLAAGLIEDEREN 3.
1463
|
3 Hij heeft zich tegen mij gewend, en bij herhaling zijne hand tegen mij gekeerd. 4 Hij heeft mijn vleeseh en mijne huid oud gemaakt, en mijn gebeente versla-gen. 5 Hij heeft vestingwerken tegen mij gebouwd, en mij met gal en moeite omringd. 6 Hij heeft mij in de duisternis gelegd, als degenen die sinds lang dood zijn. 7 Hij heeft mij ommuurd dat ik er niet uit kan, en heeft mij in harde boeien gelegd. 8 En of ik al roep en schreeuw, zoo stopt hij de ooren toe voor mijn gebed. 9 Hij heeft mijnen weg versperd met uitgehouwen steenen, en mijne paden verkeerd. 10 Hij heeft op mij geloerd als een beer, als een leeuw in het verborgen. 11 Hij laat mij den weg missen; hij heeft mij in stukken gescheurd en vernietigd. 12 Hij heeft zijnen boog gespannen, en mij voor zijne pijlen tot doelwit gesteld. 13 Hij heeft pijlen uit zijnen pijlkoker tot mijne nieren doen doordringen. 14 Ik ben eene bespotting-voor al mijn volk en dagelijks hun spotlied. |
15 Hij heeft mij met bitterheid verzadigd, en met alsem gedrenkt. 16 Hij heeft met zand-steentjes mijne tanden verbrijzeld , hij wentelt mij in de asch. 17 De vrede is uit mijne ziel verdreven, ik moetquot; het goede vergeten. 18 Ik moet zeggen: Mijne kracht ligt terneder, alsook mijne hoop op den Heer. 19 Gedenk toch dat ik zoo ellendig en verlaten ben, met alsem en gal gedrenkt. 20 Mijne ziel gedenkt er nog tezeer aan, en stort zich in mij uit. 21 Dit neem ik ter harte, hierom hoop ik nog. 22 De goedertierenheid des Heeren is het, dat het nog niet geheel met ons uit is; zijiie barmhartigheid heeft nog geen einde; 23 zij is eiken morgen nieuw, en uwe trouw is groot. 24 De Heer is mijn deel, spreekt mijne ziel, daarom zal ik op hem hopen. 25 Want de Heer is goed voor hen die op hem wachten , voor de ziel die naar hem vraagt. 26 Het is goed geduldig te zijn, en op de hulp des Heeren te hopen. 27 Het is goed voor een |
KLAAGLIEDEKEN 3.
1463
|
man, dat luj liet juk draagt van zijne jeugd af. 28 llij zal eenzaam en stil zijn, als liem iets overkomt. 29 Hij zal zijnen mond in het stof steken; misschien is er nog hoop. 30 Hij zal zich op de wang laten slaan, en veel smaad laten aandoen. 31 Want de Heer verstoot niet eeuwiglijk; 33 hij bedroeft wel, doch ontfermt zich weder naar zijne heid 33 want hij plaagt en bedroeft de menschen niet van harte. 34 Als men alle gevangenen op de aarde onder de voeten vertreedt, 35 en eens mans vecht voor den Allerhoogste buigt, 36 en eens menschen zaak verkeert — zou de Heer het niet zien? 37 Wie durft dan zeggen dat iets geschied t zonder des Heeren bevel? 38 Komt niet het kwade en het goede uit den mond des Allerhoogsten? 89 Hoe klagen dan de lieden in het leven zoo? Een ider [klagé] over zijne zonden. 40 Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en ons tot den Heer bekeeren. groote goedertieren |
41 Laat ons onze harten en tevens de handen opheffen tot God in den hemel. 42 Wij, wij hebben gezondigd en zijn ongehoorzaam geweest, daarom hebt gij niet verschoond. 43 Gij hebt ons met toorn bedekt en ons vervolgd; zonder barmhartigheid hebt gij gedood. 44 Gij hebt u met eene wolk bedekt, waar geen gebed kan dóórdringen. 45 Gij hebt ons tot een uitvaagsel en tot vuilnis gemaakt onder de volken. 46 Al onze vijanden sperren den mond tegen ons op. 47 Wij worden verdrukt en geplaagd met verschrikking en angst. 48 Mijne oogeu stroomen als waterbeken, wegens den jammer der dochter mijns volks. 49 Mijne oogen vloeien zonder ophouden, want er is geen rust, 50 totdat de Heer van den hemel nederzie en het aan-schouwe. 51 Mijn oog put mijn leven uit, wegens de dochters mijner stad. 52 Mijne vijanden hebben mij zonder oorzaak gejaagd als een vogel. 53 Zij hebben mijn leven |
KLAAGLIEDEEEN 4.
1464
|
in eeti kuil omgebracht, en steenen op mij geworpen. 54 De wateren vloeiden mij over het hoofd; ik sprak: Nu is het met mij gedaan. 55 Maar ik riep uwen naam aan, Heer, uit den diepen kuil; 56 gij hoordet mijne stem: verberg uwe ooren niet voor mijn zuchten en voor mijn schreien. 57 Nader tot mij als ik u aanroep, en zeg: Vrees niet. 58 Voer gij Heer de zaak mijner ziel uit, en verlos mijn leven. 59 Heer, aanschouw wat al onrecht mij geschiedt, en help mij tot mijn recht. 60 Gij ziet al hunne wraak en al hunne gedachten tegen mij. 61 Heer, gij hoort hunne versmading en al hunne gedachten over mij; 63 de taal mijner tegen-partijders, en hnnne voornemens tegen mij dagelijks. 63 Aanschouw toch: wanneer zij nederzitten of opstaan, zingen zij van mij een spotlied. 64 Vergeld hun, o Heer, gelijk zij verdiend hebben. 65 Laat hun het hart verschrikken , en uw vloek zij over hen. |
66 Vervolg hen met grimmigheid , en verdelg hen van onder den hemel des Heeren. HOOFDSTUK 4. 1 Hoe is het goud zoo verdonkerd, het fijne goud zoo onkenbaar geworden! De steenen des heiligdoms liggen vooraan op alle straten verstrooid. 2 De edele kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij geacht als aarden potten, welke een pottenbakker maakt! 3 De jakhalzen geven aan hare jongen de borst en zoogen ze; maar de dochter mijns volks is onbarmhartig gelijk een struisvogel in de woestijn. 4 Den zuigeling kleeft de tong aan het gehemelte van dorst; de jonge kinderen eischen brood, en niemand is er die het hun mededeelt. 5 Wie lekkernijen aten, versmachten op de straten; wie in zijde opgevoed zijn, moeten in het slijk liggen. 6 De misdaad der dochter mijns volks is grooter dan de zonde van Sodom, dat schielijk omgekeerd werd, en waar geen hand bij kwam. 7 Hare nazireërs waren reiner dan sneeuw en zuiverder dan melk, hunne |
KLAAGLIEDEREN 4.
1465
|
gedaante was roodachtiger dan koralen, hun aangezicht als saffier; 8 maar nu is hunne gedaante donker van zwartheid, dat men hen op de straten niet meer kent; hunne huid hangt aan de beenderen, en zij zijn zoo dor als een hout. 9 De-verslagenen door het zwaard waren gelukkiger dan wie van honger stierven ; omdatzij die versmachtten, als doorstoken werden door het gebrek aan vruchten des akkers. 10 De barmhartigste vrouwen hebben hare eigene kinderen zelve moeten koken, opdat zij iets te eten hadden in den jammer der dochter mijns volks. 11 De Heer heeft zijne grimmigheid volbracht, hij heeft zijnen grimmigen toorn uitgestort, en hij heeft te Sion een vuur ontstoken dat ook hare grondslagen verteerd heeft. 13 De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de lieden in de wereld, dat de tegenpartijder en vijand de poorten van Jeruzalem zou binnentrekken. |
13 Maar het is geschied wegens de zonden van hare profeten en om de misdaden van hare priesters, die daarin het bloed der rechtvaardigen vergoten. 14 Zij gingen herwaarts en derwaarts op de straten als blinden, en waren met bloed besmet, zoodat men ook hunne kleederen niet kon aanraken. 15 Men riep van hen: Wijkt, hij is onrein, wijkt, wijkt, raakt niet aan! Want zij schuwden hen en meden ze, dat men ook onder de volken zeide: Zij zullen er niet lang blijven. 16 Daarom heeft de toorn des Heeren hen verstrooid, en hij wil ze niet meer aanzien, dewijl zij de priesters niet eerden, en aan de oudsten geen barmhartigheid bewezen. — 17 Nog zagen onze oogen uit naar onze ijdele hulp, totdat zij moede werden; wij zagen uit naar een volk dat niet helpen kon. 18 Men joeg ons na, dat wij op onze straten niet durfden gaan; toen naderde ons einde, onze dagen waren vol, ach ons einde was gekomen. 19 Onze'vervolgers waren sneller dan de arenden onder den hemel, op de bergen hebben zij ons vervolgd, en in de woestijn op ons geloerd. |
KLAAGLIEDEEEN 5.
1466
|
2ü De gezalfde des Ileeren, die onze troost was, is gevangengenomen toen zij ons vernielden; met wien wij ons troostten, dat wij onder zijne schaduw zouden leven onder de volken. -— 21 Verblijd u en wees vroolijk, gij docliter van Edom, gij (lie woont in het land Uz: — de beker zal ook aan u komen, gij moet óók dronken en ontbloot worden. 33 Uwe misdaad is ten einde, dochter van Sion: hij zal u niet meer laten wegvoeren; uwe misdaad, dochter van Edom, zal hij bezoeken, uwe zonden zal hij ontdekken. HOOFDSTUK 5. 1 Gedenk, Heer, hoe het ons gaat; aanschouw en zie onzen smaad aan. 3 Ons erf is den vreemden ten deel geworden, en onze huizen den uitlanders. 3 Wij zijn weezen en hebben geen vader, onze moeders zijn als weduwen. 4 Ons water moeten wij voor geld drinken, ons hout wordt ons tegen betaling gebracht. 5 Men drijft ons over den hals; en of wij al moede zijn, zoo laat men ons nochtans geen rust. |
6 Wij hebben ons aan Egypte en Assyrië moeten overgeven, opdat wij brood genoeg zouden te eten hebben. 7 Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer, en wij moeten hunne mis-daad ontgelden. 8 Knechten heerschen over ons, en er is niemand die ons redt uit hunne hand. 9 Wij moeten ons brood met gevaar van ons leven halen, wegens het zwaard der woestijn. 10 Onze huid is verbrand als in den oven, wegens den gruwelijken honger. 11 Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonkvrouwen in de steden van Juda. 13 De vorsten zijn door hen opgehangen, en de personen der ouden heeft men niet geëerd. 13 De jongelingen hebben molensteenen moeten dragen, en de jonge knapen bezweken onder het hout-dragen. 14 De ouden zitten niet meer in de poort, en de jongelingen hebben hun snarenspel gestaakt. 15 De vreugd onzes harten is ten einde, onze rei is in weeklagen veranderd. 16 Do kroon onzes hoofds |
EZECHIËL 1.
1467
|
is afgevallen; wee ons dat wij zoo gezondig-d hebben! 17 Daarom is ook ons hart bedroefd, en zijn onze oogen duister geworden: 18 wegens den bergSion, dat hij zoo woest ligt, en de vossen er over loopen. — 19 Maar gij Heer, gij die eeuwig blijft, en uw troon altoos en eeuwig. |
20 waarom wilt gij ons geheel vergeten, en ons zoolang verlaten? 31 Heer, breng ons weder tot u, opdat wij weder-keeren; vernieuw onze dagen als vanouds. 32 Want zoudt gij ons verworpen hebben, en zoozeer op ons vertoornd zijn? |
DE FKOFEET
EZECHIËL.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In het dertigste jaar, op den vijfden dag der vierde maand, als ik onder de gevangenen aan de rivier Kebar was, deed de hemel zich open, en God toonde mij gezichten. 2 Die vijfde dag der maand was juist in het vijfde jaar nadat koning. JojacMn gevankelijk was weggevoerd. 3 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Eze-chicl den zoon van den priester Buzi, in het land der Chaldeën, aan de rivier Kebar; aldaar kwam de hand des Heeren op hem. |
4 En ik zag, en zie, er kwam een onstuimige wind van het noorden af, met eene groote wolk vol vuur, dat overal rondom glinsterde ; en midden in dat vuur was het helder als licht; 5 en daar binnen in was de gedaante van vier dieren, en de gedaante van een onder hen was als van een mensch. 6 En elk had vier aangezichten en vier vleugels; 7 en hunne voeten stonden rechtop, en hunne voeten waren als runderhoeven en glinsterden als gepolijst koper; 8 en zij hadden menschen- I |
EZECHIËL 1.
1468
|
handen onder hunne vleugels , aan hunne vier zijden; want zij hadden alle vier hunne aangezichten en hunne vleugels. 9 En deze vleugels waren de ééne aan den andere; en als zij gingen, behoefden zij zich niet omtewenden, maar waarheen zij gingen, gingen zij recht voor zich heen. 10 Hunne aangezichten ter rechterzijde waren gelijk van een mensch en van een leeuw, maar ter linkerzijde waren hunne aangezichten gelijk van een rund en van een arend; zóó hadden zij het alle vier. 11 En hunne aangezichten en vleugels waren bovenwaarts verdeeld, dat altoos twee vleugels tezamensloe-gen, en zij met twee vleugels hun lichaam bedekten. 12 Waar zij ook heengingen, daar gingen zij recht voor zich heen; zij gingen waarheen de wind was, en behoefden zich niet omtewenden als zij gingen. 13 En de dieren zagen er uit als brandende vuurkolen, en als fakkels die tusschen de dieren waren; en het vuur gaf een glans van zich, en uit het vuur kwam bliksem voort. |
14 De dieren nu liepen heen en weder als bliksemschichten. 15 Als ik deze dieren zag zie, toen stond er een rad op de aarde bij de vier dieren, en het zag er uit als vier raderen. 16 En deze raderen waren gelijk turkoois, en zij waren alle vier het éóne als het andere ; en zij zagen er uit alsof het ééne rad in het andere was. 17 Als zij gaan zouden, konden zij van hunne vier zijden gaan, en zij behoefden zich niet omtewenden als zij gingen. 18 Hunne velgen waren hoog en verschrikkelijk; want hunne velgen waren vol oo-gen rondom aan hunne vier zijden. 19 En als de dieren gingen , gingen de raderen tevens met hen; en als de dieren zich van de aarde ophieven, zoo hieven de raderen zich óók op ; 20 waarheen de wind ging, daar gingen zij óók heen, en de raderen hieven zich tevens met hen op, want er was een levende wind in de raderen; 21 als die gingen, gingen deze óók; als die stonden, stonden deze óók; en als die zich ophieven van dfl aarde ren c er in |
EZECHIËL 2.
1469
|
aarde, hieven zich de raderen ook met hen op, want er was een levende wind in de raderen. 22 En boven de hoofden der dieren was als een hemel, als kristal, verschrikkelijk, recht boven hen uitgebreid ; 23 zoodat onder den hemel hunne vleugels de ééne recht tegen den andere stonden, en elks lichaam bedekten twee vleugels. 34 En ik hoorde de vleugels ruischen als groote wateren, en als een geluid des Almachtigen, wanneer zij gingen, en als het ge-druisch van een heir; maar als zij stilstonden, lieten zij de vleugels neder. 35 En als zij stilstonden en de vleugels nederlieten, donderde het uit den hemel boven hunne hoofden. 26 En boven den hemel, die boven hunne hoofden was, was als een saffier, gelijk een troon; en op dien troon zat een, van gedaante als een mensch; 27 en ik zag, en het was helder als licht, en daar binnen was de gedaante als een vuur rondom; van zijne lendenen opwaarts en nederwaarts zag ik het als vuur glinsteren rondom: |
88 gelijk de gedaante des regenboogs in de wolken, als het geregend heeft, zóó glinsterde het rondom, dit was het aanzien der heerlijkheid des Hoeren. En als ik het gezien had, viel ik op mijn aangezicht, en hoorde de stem van iemand die sprak. liepen ksem- n zag, n rad vier lit als ivaren ivareu letan-it als-ande- nden, e vier lefden als zij varen ; want ol oo- b vier i gin-3n te-Is de aarde le raging, lieen, zich want wind ingen iden, n als n de HOOFDSTUK 2. 1 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, sta op uwe voeten, zoo zal ik tot u spreken. 2 En als hij zoo tot mij sprak, werd ik weder verkwikt, en stond op mijne voeten, en ik hoorde hem aan die tot mij sprak; 3 en hij sprak tot mij: Gij menschenkind, ik zend u lot de kinderen Israels, tot de afvallige volken die van mij afvallig zijn geworden , zij en hunne vaderen hebben tot op dezen zelfden dag tegen mij gehandeld. 4 Maar deze kinderen, tot wie ik u zend, hebben harde hoofden en verstokte harten; tot die zult gij zeggen : Dus spreekt de Heere Heere. 5 Hetzij dat zij hooren, hetzij dat zij het laten, — want zij zijn een ongehoorzaam huis,— zij zullen noclis |
EZ ECHIEL 3.
1470
|
tans weten dat er een profeet onder hen is. 6 En gij mensohenkind zult voor hen niet vreezen, noch. voor hunne woorden vreezen, al zijn er weerbarstige en stekende doornen bij u eu al woont gij onder schorpioenen; gij zult niet vreezen voor hunne woorden, noch u voor hun aangezicht ontzetten, niettegenstaande zij een ongehoorzaam huis zijn. 7 Maar gij zult mijn woord tot hen spreken, hetzij dat zij hooren, hetzij dat zij liet laten; want het is een ongehoorzaam volk. 8 Maar gij menschenkind, hoor gij hetgeen ik tot u spreken zal, en wees niet ongehoorzaam, gelijk dat ongehoorzame huis is; doe uwen mond open, en eet hetgeen ik u geven zal. 9 En ik zag, en zie, er was eene hand tot mij uitgestrekt , en zie, daarin was de rol eens boeks; 10 die spreidde hij voor mij uit, en zij was beschreven van buiten en van binnen, en er stonden treurliederen , gejammer en weeklacht in geschreven. HOOFDSTUK 3. |
1 En hij sprak tot mij; Gij menschenkind, eet hetgeen daar vóór u is, namelijk deze rol, en ga heen, en spreek tot liet huis van Israël. 3 Toen deed ik mijnen mond open en hij gaf mij de rol te eten, 3 en sprak tot mij: Gij menschenkind, gij moet met deze rol, die ik u geef, uw lijf voeden, en uw buik daarmede vullen. Toen at ik ze, en zij was in mijnen mond zoo zoet als honig. 4 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, ga heen tot het huis van Israël, en predik hun mijn woord. 5 Want ik zend u niet tot een volk dat eene vreemde taal en eene onbekende spraak heeft, maar tot het huis van Israël; 6 niet tot velerlei volken die eene vreemde taal en eene onbekende spraak hebben, wier woorden gij niet verstaan kunt; en zoo ik u tot hen zond, zij zouden gaarne naar u hooren. 7 Maar het huis van Israël zal niet naar u hooren, want zij willen mij zeiven niet hooren; want het ge^ heele huis van Israël heeft harde voorhoofden en v( stokte harten. 8 Maar evenwel heb ik uw aangezicht hard gemaakt tegen hun aangezicht, en |
EZECHIËL
1471
|
uw vooi-lioofil tegen liun voorhoofd; 9 ja ik hel) uw voorhoofd zoo hard gemaakt als een diamant, die harder dan eene steenrots is: daarom vrees niet en ontzet u ook niet voor hen, omdat zij zulk een ongehoorzaam huis zijn. 10 En hij sprak tot mij; Gij riienschenkind, al mijne woorden die ik tot u zeg, houd die vast in uw hart, en neem ze ter oore; 11 en ga heen tot de gevangenen uws volks, en spreek tot hen en zeg tot hen; Dus spreekt de Heere Heere, •— hetzij dat zij hoorei) , hetzij dat zij het laten. 12 En een wind nam mij op, en ik hoorde achter mij een geluid als van eene groote aardbeving: Geloofd zij de Tieerlijkheid des Hee-ren van uit zijnen zetel. 13 En het was een ge-ruisch van de vleugels der dieren, die tegen elkander klapwiekten, en ook het gerammel der raderen tegelijk daarmede, en het geluid van eene groote aardbeving. 14 Alzoo nam de wind mij op en voerde mij weg, en ik voer daarheen, en verschrikte zeer; maar de hand des Heeren hield mij vast. |
15 En ik kwam tot de gevangenen die aan de rivier Kebar woonden, te Tel-Abib, en zette mij bij degenen die daar zaten, en bleef aldaar onder hen zeven dagen, geheel verslagen. 16 En toen de zeven dagen om waren, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 17 Gij mensclienkind, ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; gij zult uit mijnen mond het woord hooren, en hen van mijnentwege waarschuwen. 18 Als ik tot den godde-looze zeg: Gij moet den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en zegt het hem niet, opdat de goddelooze zich voor zijn goddeloozen wandel waclite, dat hij in het leven bl ij ve, zoo zal de goddelooze wegens zijne zonde sterven, maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. 19 Maar is het dat gij den goddelooze waarschuwt, en hij zich niet bekeert van zijne boosheid en zijn goddeloozen wandel, zoo zal hij wegens zijne zonde sterven, maar gij hebt uwe ziel gered. 20 En als een rechtvaar- |
EZECHIËL 4.
1473
|
dige zicli TOn zijne gerechtigheid afwendt en kwaad-doet, zoo zal ik hem een struikelblok voorwerpen, dat hij sterven moet; want dewijl gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij wegens zijne zonde moeten sterren, en de gerechtigheid die hij beoefend heeft zal niet aangezien worden; maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. 21 Maar indien gij den rechtvaardige waarschuwt dat hij niet zondige, en hij zondigt ook niet, zoo zal hij leven, want hij heeft zich laten waarschuwen; en gij hebt uwe ziel gered. 22 En aldaar kwam de hand des Heeren op mij, en hij sprak tot inij: Sta op en ga uit naar het veld , daar zal ik met u spreken. 23 En ik stond op en ging uit naar het veld, en zie, toen stond de heerlijkheid des Heeren aldaar, zooals ik ze aan de rivier Kebar gezien had; en ik viel neder op mijn aangezicht. 24 En ik werd verkwikt en stelde mij op mijne voeten , en hij sprak tot mij en zeide tot mij: Ga heen, en sluit u op binnen in uw huis. 23 En u, menschenkind , |
zie, u zal men touwen aandoen , en u daarmede binden , opdat gij tot hen niet zoudt uitgaan. 26 En ik zal u de tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij verstommen zult, en hen niet meer zult kunnen bestraften; want het is een ongehoorzaam huis. 27 Maar als ik met u spreken zal, zal ik u den mond openen, dat gij tot hen zult zeggen: Dus spreekt de Heere Heere: wie het hoo-ren wil die hoore het, en wie het laten wil die late het; want het is een ongehoorzaam huis. HOOFDSTUK 4. 1 Gij nu, menschenkind, i neem een tichelsteen, leg hem vóór u, en ontwerp daarop de stad Jeruzalem; 2 en maak er eené belegering rondom, en bouw er een bolwerk tegen, en werp er een wal omheen, en omring ze met een heirleger, en stel stormrammen rondom haar heen. 3 Voorts neem voor u eene ijzeren pan, laat die verstrekken tot een ijzeren muur tusschen u en de stad; en stel uw aangezicht tegen haar, en beleger ze. Dit zij een teeken voor het huis van Israël. |
EZECHIËL 4.
1473
|
4 Gij zult u ook op uwe linkerzijde leggen, en de misdaad van het huis Israels daarop leggen; zooveel dagen gij daarop ligt,zoolang zult gij ook hunne misdaad dragen. 5 Want ik zal n de jaren hunner misdaad maken naar het getal der dagen, namelijk driehonderd negentig dagen; zoolang zult gij de misdaad van het huis Is-raëls dragen. 6 En als gij dat verricht hebt, zoo zult gij u op uwe rechterzijde leggen, en zult de misdaad van het huis van Juda dragen veertig dagen lang; want ik geef u hier ook telkens een dag voor een jaar. 7 En. stel uw aangezicht en uw ontblooten arm tegen het belegerde Jeruzalem, en profeteer tegen haar. 8 En zie, ik zal u touwen aandoen, dat gij u niet kunt omkeeren van de ééne zijde op de andere, totdat gij de dagen uwer belegering voleindigd hebt. 9 Neem dan ook tot u tarwe, gerst, boonen, linzen, gierst en spelt, en doe dat altezamen in één vat, en maak er u zooveel brooden van als gij dagen op uwe zijde zult liggen, opdat gij driehonderd negentig dagen daarvan te eten hebt; |
10 zoodat uwe spijs, die gij dagelijks eten zult, twintig sikkels zwaar zal zijn; deze zult gij van den éénen tijd tot den anderen eten. 11 Het water zult gij ook bij de maat drinken, namelijk het zesdedeel van een hin; en dat zult gij ook van den éénen tijd tot den anderen drinken. 12 Gerstekoeken zult gij eten, die gij voor hunne oogen zult bakken op drek die van menschen uitgaat. 13 En de Heer sprak: Aldus zullen de kinderen Israels hun brood verontreinigd eten onder de volken waarheen ik hen drijven zal. 14 En ik zeide: Ach Heere Heere, zie, mijne ziel heeft zich nog nooit verontreinigd ; want ik heb van mijne jeugd af tot op dezen tijd toe geen aas noch hetgeen verscheurd is gegeten, en nooit is er onrein vleesch in mijnen mond gekomen. 15 Maar hij sprak tot mij: Zie, ik wil u koemest voor menschendrek toestaan, waarop gij uw brood bereiden zult. 16 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, zie, ik zal den voorraad van brood te Jeruzalem wegnemen, |
47
EZ EC HIÜL 5.
HU
|
zootlat zij het brood moeten eten bij bet gewicht en met kommer, en het water bij de niaat met kommer drinken; 17 totdat het aan brood en water geheel ontbreken zal, en do één met den ander treuren zal, en zij in hunne misdaad versmachten zullen. HOOFDSTUK 5. 1 En gij menschenldnd, neem een mes, scherp als een scheermes, en strijk daarmede over uw hoofd en uwen baard; en neem eene weegschaal, en verdeel daarmede afyescJioren haar1;: 3 een derdedeel zult gij met vuur verbranden midden in de stad, als de dagen der belegering ten einde zijn; en neem het andere derdedeel, en sla met het zwaard daarin rond; en strooi het laatste derdedeel in den wind, opdat ik het zwaard achter hen uittrekke. 3 En neem een klein weinig daarvan, en bind .het in de slip van uwen mantel. , 4 En neem wederom iets daarvan, en werp hst in het vuur, en verbrand het met vuur: daaruit zal een vuur ontstaan over het ge-heele huis van Israël, |
5 Dus spreekt de Heere Heere: Dit Jeruzalem heb ik onder de volken gesteld, en landen er rondom; 6 maar het heeft mijne wet veranderd ingoddeloo-za leer meer dan de volken, en mijne rechten meer dan de landen die er rondom liggen; want zij verwerpen mijne wet, en willen niet leven naar mijne rechten. 7 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Dewijl gij dit meer doet dan de volken die rondom u zijn, en naar mijne geboden niet leeft en naar mijne rechten niet doet, maar naar de wijze der volken die rondom u zijn, S zoo spreekt de lleere Heere aldus: Zie, ook ik wil aan u; en ik zal hét recht over u laten gaan, dat de volken het zien zullen; 9 en ik zal zóó met u handelen als ik nooit gedaan heb , en voortaan niet doen zal, vanwege al uwe gruwelen ; 10 dat onder u de vaders hunnè kinderen en de kinderen hunne vaders zullen eten; en ik zal dat recht over u laten gaan, dat al uwe overgeblevenen in alle winden verstrooid zullen worden. 11 Daarom, zoo wamach- |
EZECHIËL 6.
1475
|
tig ik leef, spreekt de Heere Heere, dewijl gij mijn liei-ligdom met al uwe gruwelen en met al uwe afgoden verontreinigd hebt, zoo zal ik u ook verslaan, en mijn oog zal u niet verschoonen, en ik zal niet genadig zijn. 13 Uw derdedeel zal dooide pest sterven, en dooiden honger omkomen; en het andere derdedeel zal door het zwaard vallen rondom u heen; en liet laatste derdedeel zal ik in alle winden verstrooien, en het zwaard achter hen uittrekken. 13 Alzoo zal mijn toorn volbracht en mijne verbolgenheid over hen uitgevoerd worden, om mijnen moed te koelen; en zij zullen gewaarworden dat ik, de Heer, in mijnen ijver gesproken heb, als ik mijne gramschap aan hen volbracht heb. ' 14 Ik zal u tot eene verwoesting en tot eene ver-smaadheid stellen voor de volken die rondom u zijn, Voor de oogen van al dege-tien die voorbijgaan. 15 En gij zult eene ver-smaadheid, een hoon, eene waarschuwing en een schrikbeeld zijn voor de volken die 'rondom u zijn, als ik het ïeoht over u zal laten gaan in toorn, verbolgenheid en straften der gramschap, — dit zeg ik, de Heer, — |
1G en als ik de booze pijlen des hongers onder hen schieten zal, die verderfelijk zullen zijn, en ik ze afschieten zal om u te verderven, en den honger over u altoos grooter laat worden en den voorraad van brood wegneem. 17 Ja honger en booze wilde dieren zal ik onder u zenden, die zullen u kinderloos maken; en pest en bloed zal onder u heerschen, en ik zal liet zwaard over u brengen: ik, de Heer, heb het gezegd. HOOFDSTUK 6. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot ni\j, zeggende : 2 Gij menschenkind, keer uw aangezicht tegen de bergen van Israël en profeteer daartegen, 3 en zeg: Gij bergen van Israel, hoort het woord des Heeren 1 leeren; dus spreekt de Heere Heere, zoo tot de bergen als tot de heuvelen, zoo tot de beken als tot de dalen: Zie, ik zal het zwaard over u brengen, en uwe hoogten verdelgen; ' 4 zoodat uwe altaren verwoest en uwe afgoden verbroken zullen worden, en ik |
EZECHIEL 6.
1476
|
zal uwe licliamen voor de beelden laten doodslaan; 5 ja ik zal de lichamen der kinderen Israëls voor uwe beelden ternedervellen, en zal uwe beenderen rondom uwe altaren verstrooien. 6 Waar gij ook woont, daar zullende steden totpuinboo-pen en de hoogten tot wildernissen worden; want men zal uwe altaren woest en tot puinhoopen maken, en uwe afgoden verbreken en vernietigen , en uwe beelden verslaan en uwe werken verdelgen ; 7 en de verslagenen zullen onder u liggen, dat gij gewaarwordt dat ik de Heer ben. 8 Maar ik zal eenigen van u laten overblijven, die het zwaard ontgaan zullen onder de volken, wanneer ik u in de landen verstrooid heb. 9 Deze uwe overgeblevenen zullen dan aan mij gedenken onder de volken alwaar zij gevangen moeten zijn, als ik hun overspelig hart, dat van mij afgeweken is, en hunne overspelige oogen, die naar hunne afgoden hebben gezien, zal verslagen hebben; en de boosheid zal hun berouwen, die zij door al hunne gruwelen begaan ïiebben. |
10 En zij zullen bevinden dat ik de Heer ben, en niet tevergeefs gesproken heb dat ik hun dit ongeluk zou aandoen. 11 Dus spreekt de Heere Heere: Sla uwe handen tezamen en stamp met uwe voeten, en zeg wee! over alle gruwelen der boosheid van liet huis Israëls; weshalve zij door het zwaard, den honger en de pest zullen vallen: 13 wie veraf is zal dooide pest sterven, en wie nabij is zal door het zwaard vallen; maar wie overblijft en daarvoor behoed is, die zal van honger sterven: alzoo zal ik mijne verbolgenheid onder hen volbrengen; 13 zoodnt gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben, als hunne verslagenen onder de afgoden zullen liggen rondom hunne altaren, bovenop alle heuvelen en bovenop alle bergen, en onder alle groene boomen en onder alle dichte eiken, de plaatsen waar zij voor al hunne afgoden liet reukofièr brachten. 14 Ik zal mijne hand tegen hen uitstrekken en het land woest en eenzaam maken, van de woestijn af tot aan Dibla toe, waar zij ook wonen; en zij zullen bevinden dat ik de Heer ben. |
EZECHIËL 7.
1477
|
HOOFDSTUK 7. 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij menschenkind, dus spreekt de Heere Heere aangaande het land van Israël: Het einde komt, liet einde over al de vier gewesten des lands. 3 Nu komt liet einde over u; want ik zal mijne verbolgenheid over u zenden, en zal u richten gelijk gij verdiend hebt, en zal u geven wat aan al uwe gruwelen toekomt; 4 mijn oog zal unietver-schoouen en ik zal u niet sparen, maar ik zal u geven gelijk gij verdiend hebt, en uwe gruwelen zullen over u komen, opdat gij bevindt dat ik de Heer ben. 5 Dus spreekt de Heere Heere: Zie, het ééne ongeluk komt op het andere; G het einde is gekomen, gekomen is het einde, het is ontwaakt over u; zie, het is gekomen. 7 Het gaat alreeds op, en het breekt aan over u, gij inwoners des lands; de tijd komt, de dag van jammer is nabij, wanneer geen gezang op de bergen meer zijn za). |
8 Nu wil ik welhaast mijne verbolgenheid over u uitstorten en mijnen toorn aan u volbrengen, en ik zal u richten gelijk gij verdiend hebt, en u geven wat al uwen gruwelen toekomt; 9 mijn oog zal u niet ver-schoonen en ik zal u niet genadig zijn, maar ik zal u geven gelijk gij verdiend hebt, en uwe gruwelen zullen over u komen, dat gij bevinden zult dat ik, de Heer, het ben die u slaat. 10 Zie, do dag, zie, hij komt, hij breekt aan; de roede bloeit, en de hoovaar-di] groent; 11 de geweldenaar heeft zich opgemaakt tot eene roede over de goddeloozen, dat niets van hen noch van hun volk noch van hunne menigte troost zal hebben. 13 Daarom komt de tijd en is de dag genaakt: de kooper verblijde zich niet, en de verkooper treure niet; want de toorn komt over hunne geheele menigte. 13 Daarom zal de verkooper tot zijn verkocht goed niet wederkeeren, want wie leeft, die zal het hebben; want de profetie over hunne geheele menigte zal niet terugkeeren, niemand zal zijn leven behouden vanwege zijne misdaad. 14 Laat hen de bazuin blazen en alles gereedmaken; er zal toch niemand teri |
EZECHIÜL 5.
an
|
zoodat zij liet brood moeten eten bij liet gewicht en met kommer, en het water bij de maat met kommer drinken; 17 totdat het aan brood en water geheel ontbreken zal, en de één met den ander treuren zal, eu zij iu hunne misdaad versmachten zullen. HOOFDSTUK 5. 1 En gij menschenkind, neem een mes, scherp als een scheermes, eu strijk daarmede over uw hoofd en uwen baard; en neem eene weegschaal, en verdeel daarmede [/iet afijesclioren haaf: 3 een derdedeel zult gij met vuur- verbranden midden in de stad, als de dagen der belegering ten einde zijn; en neem het andere derdedeel, eu sla met het zwaard daarin rond; en strooi het laatste derdedeel in den wind, opdat ik het zwaard achter hen uittrekke. 3 En neem een klein weinig daarvan, en bind .het in de slip van uwen mantel. , l Eu neem wederom iets daarvan, cn werp het in het vuur, en verbrand het met vuur: daaruit zul een vuur ontstaan over het ge-heele huis van Israël, |
5 Dus spreekt de Heere Heere: Dit Jeruzalem heb ik onder de volken gesteld, en landen er rondom; 6 maar het heeft mijne wet veranderd ingoddeloo-ze leer meer dan de volken, en mijne rechten meer dan de landen die er rondom liggen; want zij verwerpen mijne wet, en willen niet leven naar mijne rechten. 7 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Dewijl gij dit meer doet dan de volken die rondom u zijn, en naar mijne geboden niet leeft en naar mijne rechten niet doet, maar naar de wijze der volken die rondom u zijn, S zoo spreekt de lleere Heere aldus: Zie, ook ik wil aan u; en ik zal hét recht over u laten gaan, dat de volken het zien zullen; 9 en ik zal zóó met u handelen als ik nooit gedaan heb , en voortaan niet doen zal welen; 10 dat onder u de vaders hunnè kinderen en de kinderen hunne vaders zullen eten; en ik zal dat recht over u laten gaan, dat al uwe overgeblevenen in alle winden verstrooid zullen worden. 11 Daarom, zoo waarach- vanwege al uwe gru- |
EZECHIËL 6.
14.75
|
tig ik leef, spreekt de Heere Heere, dewijl gij mijn heiligdom met al uwe gruwelen en met al uwe afgoden verontreinigd hebt, zoo zal ik u ook verslaan, en mijn öog zal u niet verschoonen, en ik zal niet genadig zijn. 13 TJw derdedeel zal dooide pest sterven, en door .(len honger omkomen; en het andere derdedeel zal door het zwaard vallen rondom u heen; en het laatste derdedeel zal ik iu alle winden verstrooien, en liet zwaard achter hen uittrekken. 13 Alzoo zal mijn toorn volbracht en mijne verbolgenheid over hen uitgevoerd worden, om mijnen moed te koelen; eu zij zullen gewaarworden dat ik, de Heer, in mijnen ijver gesproken heb, als ik mijne gramschap aan hen volbracht heb. ' 14 Ik zal n tot eene verwoesting en tot eene ver-smaadheid stellen voor de volken die rondom u zijn. Voor de oogen Van al degenen die voorbijgaan. 15 En gij zult eene ver-smaadheid, een hoon, eene waarschuwing en een schrikbeeld zijn voor de volken liie rondom u zijn, als ik het techt over u zal laten gaan in toorn, verbolgenheid en straften der gramschap, — dit zeg ik, de Heer, —• |
10 en als ik de booze pijlen des hongers onder hen schieten zal, die verderfelijk zullen zijn, en ik ze afschieten zal om u te verderven, en den honger over u altoos grooter laat worden en den voorraad van brood wegneem. 17 Ja honger en booze wilde dieren zal ik onder u zenden, die zullen u kinderloos maken; en pest en bloed zal onder u heersehen, en ik zal het zwaard over u brengen: ik, de Heer, heb hot gezegd. HOOFDSTUK 6. 1 En het woord des llee-ren geschiedde tot ni\j, zeggende : 3 Gij menschenkind, keer uw aangezicht tegen de bergen vau Israël en profeteer daartegen, 3 en zeg: Gij bergen van Israël, hoort het woord des Heeren Ileeren; dus spreekt de Heere Heere, zoo tot de bergen als tot do heuvelen, zoo tot de beken als tot de dalen: Zie, ik zal het zwaard over u brengen, en uwe hoogten verdelgen; ' 4 zoodat uwe altaren verwoest en uwe afgodeti verbroken zullen worden, en ik |
EZECHIËL 6.
1476
|
zal uwe lichamen voor de beelden laten doodslaan; 5 ja ik zal de licliamen der kinderen Israels voor uwe beelden ternedervellen, en zal uwe beenderen rondom uwe altaren verstrooien. 6 Waar gij ook woont, daar zullen de steden totpumhoo-pen en de hoogten tot wildernissen worden; want men zal uwe altaren woest en tot puinhoopen maken, en uwe atgoden verbreken en vernietigen , en uwe beelden verslaan en uwe werken verdelgen ; 7 en de verslagenen zullen onder u liggen, dat gij gewaarwordt dat ik de Heer ben. 8 Maar ik zal eenigen van u laten overblijven, die het zwaard ontgaan zullen onder de volken, wanneer ik u in de landen verstrooid heb. 9 Deze uwe overgeblevenen zullen dan aan mij gedenken onder de volken alwaar zij gevangen moeten zijn, als ik hun overspelig hart, dat van mij afgeweken is, en hunne overspelige oogen, die naar hunne afgoden hebben gezien, zal verslagen hebben; en de boosheid zal hun berouwen, die zij door al hunne gruwelen begaan hebben. |
10 En zij zullen bevinden dat ik de Heer ben, en niet tevergeefs gesproken heb dat \ ik hun dit ongeluk zou aan- 0-(gt; doen. 0 J 11 Dus spreekt de Heere Sp Heere: Sla uwe handen te- o-a zamen en stamp met uwe J[ voeten, en zeg wee! over o\ alle gruwelen der boosheid ]a van het huis Israels; weshal- * ve zij door het zwaard, den u honger en de pest zullen val- o-( len; za 13 wie veraf is zal door (| de pest sterven, en wie nabij w is zal door het zwaard vallen; tc maar wie overblijft en daarvoor behoed is, die zal van S( honger sterven: alzoo zal ik S] mijne verbolgenheid onder o-hen volbrengen; ^ 13 zoodat gij zult gewaar- ^ worden dat ik de Heer ben, (j als hunne verslagenen onder de afgoden zullen liggen j rondom hunne altaren, bo- ] venop alle heuvelen en bovenop alle bergen, en onder o alle groene boomen en onder j alle dichte eiken, de plaatsen j waar zij voor al hunne afgoden het reukolïer brachten. ] 14 Ik zal mijne hand tegen j hen uitstrekken en het land l woest en eenzaam maken, , van de woestijn af tot aan , Dibla toe, waar zij ook wonen; en zij zullen bevinden dat ik de Heer ben, |
EZECHIËL 7.
1477
|
HOOFDSTUK 7, 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij menschenkind, dus spreekt de Heere Heere aangaande het land van Israël: Het einde komt, liet einde over al de vier gewesten des lands. 3 Nu komt het einde over u; want ik zal mijne verbolgenheid over u zenden, en zal richten gelijk gij verdiend hebt, en zal u geven wat aan al uwe gruwelen toekomt; 4 mijn oog zal unietver-schoonen eu ik zal u niet sparen, maar ik zal u geven gelijk gij verdiend hebt, en uwe gruwelen zullen over u komen, opdat gij bevindt dat ik de Heer ben. 5 Dus spreekt de Heere Heere: Zie, het ééne ongeluk komt op het andere; G het einde is gekomen, gekomen is het einde, het is ontwaakt over u; zie, het is gekomen. 7 Het gaat alreeds op, en het breekt aan over u, gij inwoners des lands; de tijd komt, de dag van jammer is nabij, wanneer geen gezang op de bergen meer zijn zal. |
8 Nu wil ik welhaast mijne verbolgenheid over u uitstorten en mijnen toorn aan u volbrengen, en ik zal u richten gelijk gij verdiend hebt, en u geven wat al uwen gruwelen toekomt; 9 mijn oog zal u niet ver-schoonen en ik zal u niet ;enadig zijn, maar ik zal u geven gelijk gij verdiend hebt, en uwe gruwelen zullen over u komen, dat gij bevinden zult dat ik, de Heer, het ben die u slaat. 10 Zie, de dag, zie, hij komt, hij breekt aan; de roede bloeit, en de hoovaar-dij groent; 11 de geweldenaar heeft zich opgemaakt tot eene roede over do goddeloozen, dat niets van hen noch van hun volk noch van hunne menigte troost zal hebben. 13 Daarom komt de tijd en is de dag genaakt: de kooper verblijde zich niet, en de verkooper treure niet; want de toorn komt over hunne geheele menigte. 13 Daarom zal de verkooper tot zijn verkocht goed niet wederkeeren, want wie leeft, die zal het hebben; want de profetie over hunne geheele menigte zal niet terugkeeren, niemand zal zijn leven behouden vanwege zijne misdaad. 14 Laat hen de bazuin blazen en alles gereedmaken; er zal toch niemand teri |
EZECH1ËL 1.
1478
|
strijde uittrekken; want mijne verbolgenlieid gnat over hunne geheele menigte. 15 Op de straten gaat het zwaard, in de huizen gaat de pest en de honger; wie op het veld is, die zal door het zwaard sterven, en wie in de stad ia, dien zullen de pest en de honger verslinden. 16 En wie van hen ontkomen, dwalen om op de gebergten als de duiven dei-valleien , allen zuchtende, ieder over zijne misdaad. 17 Alle handen zullen slap ■worden, en alle knieën zullen zoo onvast zijn als Water. 18 En zij zullen zakken omgorden, en met doodschrik overstort zijn, en alle aangezichten zullen er jammerlijk uitzien, en alle hoofden zullen kaal zijn. 19 Zij zullen hun zilver buiten op de straten wegwerpen , en hun goud als vuilnis achten; want hun zilver en goud zal hen niet redden ten dage van den toorn des Heeren, zij zullen hunne zielen daarvan niet verzadigen noch hunnen buik daarmede vullen; want het is de aanstoot geweest tot hunne misdaad. |
30 Zij hebben van hunne edele kleinoodicn, met welke zij hoovanrdij bedreven, beelden hunner gruwelen en verfoeisels gemaakt: daarom zal ik hun die tot vuilnis maken, 21 en ik zal het den vreemden in de handen overgeven, dat die het rooven, en den goddeloozen op aarde tot een buit, dat die het ontheiligen zullen. 33 Ik zal mijn aangezicht van hen afwenden, als zij mijnen schat ontheiligen zullen; ja roovers zullen er op aankomen en hem ontheiligen. 33 Maak de keten, omdat het land vol is van bloedschulden, en de stad vol van geweldenarij. 34i Daarom zal ik de ergste der volken doen komen, dat zij hunne huizen zullen innemen; en ik zal aan de hoovaardij der aanzienlijken een einde maken, en hunne geheiligden ontheiligen. 35 De uitroeier komt; dan zullen zij vrede zoeken maar hij zal er niet zijn; 26 het ééne ongeluk zal op het andere komen, het ééne gerucht op het andere; dan zullen zij een gezicht bij de profeten zoeken, maar er zal noch wet bij de priesters noch raad bij de oudsten meer zijn; 37 de koning zal bedroefd zijn, en de vorsten zullen |
■
ÊZECHIËL 8.
1479
|
treurig gekleed zijn, en de lianden des volks in het land zullen versaagd zijn; ik zal hun doen gelijk zij geleefd hebben, en zul hen richten gelijk zij verdiend hebben; opdat zij bevinden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 8. 1 En het geschiedde in Let zesde jaar op den vijfden dag der zesde maand, dat ik zat in mijn huis, en de oudsten van Juda zaten vóór mij; en aldaar kwam de hand des Heeren Heeren op mij. 2 En zie, ik zag eene gedaante als van vuur, hetwelk was van zijne lendenen af nederwaarts , en boven zijne lendenen opwaarts was het helder als licht. 3 En hij stak de gelijkenis eener hand uit en greep mij bij hethaarmijns hoofds; toon nam een wind mij op tusschen den hemel en de aarde, en bracht mij naar Jeruzalem, in een goddelijk gezicht, tot de binnenste poort die tegen het noorden is; daar was de zitplaats van het beeld dat ijverzucht verwekt had. 4 En zie, aldaar was de heerlijkheid van den God Israels, gelijk ik ze voorheen gezien had in het veld. |
5 En hij sprak tot mij; Gij menschenkind', hef uwe oogen op tegen het noorden. En als ik mijne oogen ophief tegen het noorden, zie, toen zat tegen het noorden hot beeld der ijverzucht, bij de poort des altaars, in den ingang. 6 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, ziet gij wat deze doen, de groote gruwelen die het huis van Israël aldaar bedrijft, opdat zij mij vau mijn heiligdom verwijderen? Maar gij zult nog andere groote gruwelen zien. 7 En hij voerde mij tot de poort van het voorhof; toen zag ik, en zie, er was een gat in den muur. 8 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind , graaf door dien muur. En als ik door dien muur groef, zie, er was eene deur. ü En hij sprak tot mij: Ga daarin, en zie de booze gruwelen die zij aldaar plegen. 10 En als ik daar inkwam en zag, zie, toen waren er allerlei beeltenissen van wormen en dieren, ver-foeielijke dieren, en allerlei afgoden van het huis Israels, overal rondom aan den muur geschilderd; 11 voor welke stonden ze' |
EZECHIËL 9.
1480
|
ventig mannen van de oudsten van' het huis Israels, en Jailzanja de zoon van Sa-fan stond ook onder hen; en elk had zijn reukwerk in de hand, en een dikke nevel ging op van het reukwerk. 13 En hij sprak tot mij: Menschenkind, ziet gij wat de oudsten van het huis Israëls doen in de duisternis, ieder in zijne gebeeld-werkte binnenkamer? Want zij zeggen: De Heer ziet ons niet, de Heer heeft dit land verlaten. 13 En hij sprak tot mij: Gij zult nog andere groote gruwelen zien, die zij bedrijven. 14 En hij voerde mij tot de poort van het huis des Heeren, die tegen het noorden is; en zie, daar zaten vrouwen die Tammuz beweenden. 15 En hij sprak tot mij: Menschenkind, ziet gij dat? Maar gij zult nog grooter gruwelen zien dan deze. 16 En hij voerde mij in het binnenste hof van het huis des Heeren, en zie, voor de deur van den tempel des Heeren, tusschen het voorhuis en den altaar, waren omtrent vijfentwintig mannen , die hunnen rug tegen den tempel des Heeren en hunne aangezichten tegen het oosten gekeerd hadden, en zij bogen zich neder naar den opgang der zon. |
17 En hij sprak tot mij; Menschenkind, ziet gij dat? Is het voor het huis van Juda te weinig dat zij deze gruwelen hier plegen? Als zij in het geheele land niets dan moedwil en onrecht bedreven hebben, keefen zij zich om mij tot toorn te verwekken; en zie, zij houden wijnranken voor hunnen neus. 18 Daarom zal ik ook tegen hen met verbolgenheid handelen, en mijn oog zal hen niet versehoonen, en ik zal niet genadig zijn; en of zij al met eene luide stem voor mijne ooren roepen, ik zal hen nochtans niet hoo-ren. HOOFDSTUK 9. 1 Daarom riep hij met eene luide stem voor mijne ooren, zeggende: Laat de bezoeking der stad komen, en élk hebbe zijn vernielend wapentuig in zijne hand. 3 En zie, zes mannen kwamen op den weg van de bovenste poort af, die tegen het noorden is, en elk had een verdelgend wapen in zijne hand; maar één was er onder hen, die was met linnen bekleed, enhad schrijf- |
EZECHIÈL 10.
1481
|
gereedschap aan zijne zijde; en zij gingen naarbinnen, en traden nevens den koperen altaar. 3 En de heerlijkheid van den God Israels hief zich op van boven den cherub waarop zij was, naar den drempel van het huis; en hij riep dengeen die met linnen bekleed was en het schrijfgereedschap aan zijne zijde had; 4 en de Heer sprak tot hem: Ga door de stad Jeruzalem, en geef een teeken aan de voorhoofden der lieden die zuchten en jammeren over al de gruwelen die daarin geschieden. 5 Maar tot de anderen sprak hij voor mijne ooren: Gaat dezen achterna door de stad, en doodt; uwe oogen zullen niet yerschoonen noch ontzien; 6 doodt ouden, jongelingen , jongedochters, kinder-kens en vrouwen altezamen; maar niemand van hen die het teeken aan zich hebben, zult gij aanraken; en begint bij mijn heiligdom.— En zij begonnen bij de oude lieden die vóór het huis waren. 7 En hij sprak tot hen: Verontreinigt het huis, en maakt de voorhoven vol doo-de lichamen, [eri] gaat 'dati] naarbuiten. En zij gingen naarbuiten en doodden in de stad. |
8 En als zij de slachting volbracht hadden, was ik nog overgebleven; en ik viel op mijn aangezicht en riep, en sprak: Ach Heere Heere, zult gij dan al de overgeblevenen van Israël verderven, dat gij uwen toorn zoo uitstort over Jeruzalem? !) En hij sprak tot mij; De misdaad van het huis van Israël en Juda is al te groot, er is niets dan geweldenarij in het land en onrecht in de stad; want zij zeggen: De Heer heeft het land verlaten, en de Heer ziet ons niet. 10 Daarom zal mijn oog ook niet versohoonen en ik zal niet genadig zijn, maar ik zal hunne daden op hun hoofd doen nederkomen. 11 Eu zie, de man die met linnen bekleed was, en het schrijfgereedschap aan zijne zijde had, antwoordde, zeggende: Ik heb gedaan zooals gij mij geboden hebt. HOOFDSTUK 10. '1 En ik zag, en zie, aan den hemel boven het hoofd der cherubs was de gedaante als een saffier, en daarboven was als een troon, op welken hij verscheen. |
EKECHIËL 10.
1482.
|
3 En liij sprak tot den man met linnen bekleed, zeggende; Ga tussohen de faderen, tot onder den cherub, en neem de handen vol van de gloeiende kolen die tussohen de cherubs zijn, en strooi ze over de stad. En hij ging heen voor mijne oogeu. 3 En de cherubs stonden ter rechterzijde van het huis, toen de man derwaarts ging; en het voorhof werd van binnen vol nevel. 4 En de heerlijkheid des Heeren verhief zich van boven den cherub naar den drempel van het huis; en het luxis werd vol nevel, en het voorhof Was vol van den glans der heerlijkheid des Heeren; 5 en men hoorde de vleugels der cherubs ruischen tot buiten voor het voorhof, als de stem des almach-tigen Gods wanneer hij spreekt. 6 En als hij den man met linnen bekleed geboden had, zeggende: Neem het vuur van tusschen de raderen ouder de cherubs, ging hij in en stond bij het rad. 7 En de cherub strekte zijne hand uit van tusschen de cherubs naar het vuur dat tusschen de cherubs was, en nam daarvan en gaf het den man in linnen gekleed in de handen; deze nam het aan en ging naar-' buiten, |
S En er verscheen aan de cherubs de gelijkenis van eene menschenhand onder hunne vleugels. 9 En ik zag, en zie, vier raderen stonden bij de cherubs, bij eiken cherub eert rad; en de raderen zagen er uit als turkoois. 10 En zij waren alle vier het één als liet ander, alsof het ééne rad in het andere was. 11 Als die gaan zouden, konden zij naar alle vier hunne zijden gaan, en behoefden zich niet omtewen-deu als zij gingen; maar waarheen het eerste ging, daar gingen zij achterna, en behoeiden zich niet om-te wenden. 12 Hun gelieele lichaam hu, benevens hunne ruggen, handen en vleugels, alsook de raderen, waren vol oogen rondom; de vier hadden elk hunne raderen. 13 Eu tot de raderen werd voor mijne ooren geroepen: Galgal! 14 En elk \iler cJieruhs] had vier aangezichten: het eerste aangezicht was van een cherub, het tweede dat van een mensöli, het |
EZEOHIËL U.
1483;
|
derde datj van een leeuw, het vierde dat van een arend. 15 En de cherubs zweefden omhoog; en het waren dezelfde dieren die ik gezien had aan de rivier Ke-bar. 16 En als do cherubs gingen , gingen de raderen tevens met hen; eu als de cherubs hunne vleugels ophieven om zich van de aarde opteheflen, keerden de raderen zich ook niet van hen. 17 Als deze stonden, stonden zij óók; hieven deze zich op, zij hieven zich óók op; want er was een levende wind in hen. IS En de heerlijkheid des Heeren ging weder uit van den drempel van het huis, en stelde zich boven tie cherubs. 19 Toen hieven de cherubs hunne vleugels op, en stegen op van de aarde voor mijne oogen; en als zij heengingen, gingen de raderen tevens met hen; en zij stonden in de poort van liet huis des Heeren tegen het oosten, cu de heerlijkheid van Israels God was boven over hen. 20 Dit waren dezelfde dieren die ik onder den God van Israël gezien had aan de rivier Kebar; en int merkte ik dat het cherubs waren. |
31 Elk van hen had vier aangezichten en vier vleu^ gels, en onder de vleugels was de gelijkenis van men-schenhanden; 23 en de gedaante van limine aangezichten was dezelfde als die ik aan de rivier Kebar gezien had; en zij gingen recht voor zich heen. HOOFDSTUK 11. 1 En een wind hief mij op eu bracht mij tot de poort van het huis des Heeren die oostwaarts ziet; en zie, onder de poort waren vijfentwintig mannen, en ik zag onder hen Jaiizanja den zoon van Azzur, en l'elutja den zoon van Benaja, vorsten des volks. 2 En hij sprak tot mij: Menschenkind, dit zijn de mannen die ongerechtigheid bedenken, en verderfelijke» raad geven in deze stad; 3 want zij zeggen: Het is niet zoo nabij; laat ons slechts huizen bouwen; zij is de pot, en wij zijn het vleesch. •1 Daarom zult gij menschenkind tegen hen profe-teereu. 5 En de Geest des Heeren |
|
1484 kwam op mij, en sprak tot mij: Spreek: Dus zegt de Heer: Gij hebt aldus gesproken , gij Imis van Israël; en de gedachten van uwen geest ken ik wel. 6 Gij hebt velen verslagen in deze stad, en hare straten liggen vol dooden: 7 daarom spreekt de Heere Heere aldus: Die gij binnen gedood hebt, die zijn het vleesch, en zij is de pot; maar gij moet er uit. 8 Het zwaard, voor hetwelk gij vreest, zal ik over u brengen, spreekt de Heere Heere. 9 Ik zal u vandaar uitdrijven, en u in de hand van vreemden overleveren; aldus zal ik recht onder u doen. 10 Gij zult door het zwaard vallen; in de grenspalen van Israël zal ik u richten, en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 11 Maar deze stad zal u niet tot een pot zijn, dat gij het vleesch daarin zoudt zijn; maar in de grenspalen van Israël zal ik u richten, 12 en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben, omdat gij naar mijne geboden niet gewandeld en mijne rechten niet onderhouden, maar naar de wijze der volken die rondom u zijn gedaan hebt. |
13 En toen ik zoo profeteerde, stierf Pelatja de zoon van Benaja. Toen viel ik op mijn aangezicht en riep met eene luide stem, en sprak: Ach Heere Heere, zult gij dan aan de overgeblevenen van Israël geheel een einde maken? 14 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 15 Gij menschenkind, uwe broeders en naaste vrienden, en het geheele huis van Israël, zij die nog te Jeruzalem wonen, zeggen onder elkander: Gene zijn van den Heer ver weggevlucht, maar wij hebben het land in bezit. 16 Daarom zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Al heb ik hen ver onder de volken weggevoerd, en in de landen verstrooid, nochtans zal ik welhaast hun Heiland zijn in de landen waarheen zij gekomen zijn. 17 Daarom zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal u vergaderen uit de volken en zal u verzamelen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, en zal u het land van Israël geven; 18 daarin ■ zullen zij komen, en al hunne verfoei- EZECHIËL 11. |
EZECHIËL 12.
1483
|
selen en gruwelen daaruit wegdoen. 19 En ik zal hun een eendrachtig hart geven, en een nieuwen geest in hun binnenste verwekken; en ik zal het steenen hart uit hun lichaam wegnemen, en hun een hart van vleesch geven, 30 opdat zij in mijne inzettingen wandelen, en mijne rechten onderhouden en er naar doen; en zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21 Maar hun die naar huns harten verfoeiselen en gruwelen wandelen, zal ik hunne daden op het hoofd doen nederkomen, spreekt de HeerefHeere. 22 Toen hieven de cherubs hunne vleugels op, en de raderen gingen tevens met hen; en de heerlijkheid van den God Israëls was bovenop hen. 23 En de heerlijkheid des Heeren verhief zich uit de stad, en stelde zich op den berg die tegen het oosten voor de stad ligt. 24 En een wind hief mij op, en bracht mij in een gezicht en door den Geest Gods in Clialdéa tot de gevangenen; en het gezicht dat ik gezien had verdween voor mij. |
25 En ik zeide tot de gevangenen al de woorden des Heeren die hij mij getoond had. HOOFDSTUK 12. 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, gij woont iu het midden van een ongehoorzaam huis, dat wel oogen heeft om te zien, maar niet wil zien, ooren om te hooren, maar niet wil hooren; want het is een ongehoorzaam huis. 3 Daarom gij menschenkind, neem uw reisgereedschap bij elkander, en trek bij klaren dag weg voor hunne oogen; van uwe plaats moet gij vertrekken naar eene andere plaats voor hunne oogen; misschien zullen zij het opmerken, dat zij een ongehoorzaam huis zijn. 4 En gij moet uw gereedschap daaruit brengen, als reisgereedschap bij klaren dag voor hunne oogen; en gij moet omtrent den avond uittrekken voor hunne oogen , gelijk men uittrekt als men in ballingschap gaat. 5 En | gij'moet door den muur breken voor hunne |
EZEGHIËL 12.
1486
|
oogen, en daardoor uittrekken. 6 En gij moet liet op uwe schouders nemen voor hunne oogen, en als het donker wordt uitdragen; mv aangezicht moet gij bedekken dat gij het land niet ziet; want ik heb u gesteld tot een teeken voor het huis van Israël. 7 En ik deed gelijk mij bevolen was, en bracht er mijn gereedschap uit, als reisgereedschap bij klaren dag; en omtrent den avond brak ik met de hand dooiden muur, en als het donker begon te worden, nam ik het op mijnen schouder en droeg het uit voor hunne oogen. 8 En des morgens vroeg geschiedde het woord des Hoeren tot mij, zeggende: 9 Mensohenkind, beeft het huis van Israël, dat ongehoorzame huis, niet tot u gezegd: Wat doet gij? 10 Zeg dan tot hen: Dus spreekt de Heere Hee re: Deze last betreft den vorst te Jeruzalem, en het ge-heele huis van Israël dat daarbinnen is. 11 Zeg: Ik ben uliedeu tot een teeken: gelijk ik gedaan heb, zóó zal hun gedaan worden, dat zij vertrekken moeten en gevankelijk weggevoerd worden. |
12 Hun vorst zal \Jiel reisyereedsc7iap] op den schouder dragen in het donker , en moet uittrekken door den muur welken zij doorbreken zullen, om daardoor uittegaan; zijn aangezicht zal bedekt worden, opdat hij met zijn oog het land niet zie. 13 Ik zal ook mijn net over hem werpen, dat hij in mijn jachtgaren gevangen worde; eu ik zal hem naar Eabel brengen in het land der Chaldeën, hetwelk hij echter niet zien zal, schoon hij aldaar zal sterven. 14 En allen die rondom hem zijn, zijne helpers, en zijn geheelen aanhang, zal ik in alle winden verstrooien, en het zwaard achter hen uittrekken. 15 Alzoo zullen zij bevinden dat ik de Heer ben, als ik hen onder de volken wegwerpen en in de landen verstrooien zal. lö Maar ik zal eenige weinigen van hen doen overblijven van het zwaard, den honger en de pest; die zullen al hunne gruwelen verhalen onder de volken tot welke zij komen zullen, en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. 17 Eu het woord dea |
EZ EC Hl ÉL 13.
1487
|
Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 18 Gij mensclienkind, gij zult uw brood eten niet beven, en uw water drinken met siddering en zorg. 19 En zeg tot het Tolk in het land: Dus spreekt de Heere Heere aangaande 'de inwoners van Jeruzalem, in het land van Israël: zij moeten hun brood eten met zorg, en hun water drinken in ellende; want het land zal woest worden, en niets daarin overig zijn, wegens de boosheid van alle inwoners. 20 En de steden die bewoond zijn zullen verwoest, en liet land zal eenzaam worden; alzoo zult gij bevinden dat ik de Heer ben. 21 Eu het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 32 Gij mensclienkind, wat voor een spreekwoord hebt gijlieden in het land van Israël, zeggende: Dewijl het zoolang uitblijft, zal er van de profetie niets worden. 23 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal dat spreekwoord doen ophouden, dat men het niet meer gebruiken zal in Israël. En zeg tot hen: De tijd is nabij, en de vervulling van alle profetie. |
24- Want gij zult nu voortaan gewaarworden, dat geen gezicht missen en geen profetie liegen zal tegen het huis Israëls. 2 3 Want ik ben de Heer; wat ik spreek, dat zal geschieden en niet langer verschoven worden; maar in uwen tijd, o ongehoorzaam huis, zal ik doen hetgeen ik spreek, spreekt de Heere Heere. 26 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 27 Gij mensclienkind , zie, het huis Israëls zegt: Het gezicht hetwelk deze ziet is voor lange dagen, en hij profeteert van een tijd die nog veraf is. 28 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Hetgeen ik spreek zal niet langer verschoven worden, maar het zal geschieden, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 13. 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij mensehenkind, profe-'teer tegen de profeten van Israël, en zeg tot degenen die uit hun eigen hart pro-feteeren: Hoort het woord des Heeren; , 3 dus spreekt de Heere |
EZECHIEL 13.
1488
|
Heere: Wee den onzinnigen profeten, die hun eigen geest volgen, en nooit gezichten gehad hebben. 4 O Israël, uwe profeten zijn als de vossen in de woestijnen; 5 zij staan niet in de bressen, en maken zich niet tot eene heining rondom het huis van Israël, en staan niet in den strijd ten dage des Heeren. 0 Hun gezicht is niets, en hun profeteeren is al-temaal leugen. Zij zeggen: De Heer heeft het gesproken , daar de Heer hen nochtans niet gezonden heeft; en zij bemoeien zich om hunne zaak staande te houden. 7 Is het niet zoo, dat uw gezicht niets is, en uw profeteeren altemaal leugen? en nochtans zegt gij: De Heer heeft het gesproken, daar ik het niet gesproken heb. 8 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Dewijl gij predikt hetgeen waar niets van wordt, en leugens profeteert, zoo wil ik aan u, spreekt de Heere Heere; |
9 en mijne hand zal komen over de profeten die prediken hetgeen waar niets van wordt, en leugens profeteeren; zij zullen in de vergadering mijns volks niet zijn, en niet onder het getal van het huis Israëls aangeschreven worden, noch in het land van Israël komen; en gij zult gewaarworden dat ik de Heere Heere ben; 10 daarom dat zij mijn volk verleiden, zeggende: Yrede, terwijl er quot;nochtans geen vrede is: het volk bouwt een muur, en zij bepleisteren hem met losse kalk. 11 Zeg fot die pleisteraars die met losse kalk pleisteren, dat hij afvallen zal; want een plasregen zal komen, en groote hagelstee-nen zullen vallen, die hem ternedervellen; en een wervelwind zal hem scheuren. 12 Zie, zoo zal die muur instorten, en men zal dan tot u zeggen: Waar is nu het gepleisterde hetwelk gij gepleisterd hebt? 13 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal een wervelwind doen losbreken in mijne verbolgenheid, en een plasregen in mijnen toorn, en groote bagelsteenen in mijne gramschap, die zullen alles omverwerpen. 14 Alzoo zal ik den muur omverwerpen, dien gij met losse kalk gepleisterd hebt, en ik zal hem ter aarde nede gron hij i omk dat 15 bolg den hem tere: De die 16 van zale vree noc' sprf 17 stel doe uit en IS de kus der luw jon ziel nu vol loo 1! . on( hai ■ brc zie die ' en |
EZECHIËL 14.
1489
|
nedersmijten, dat men zijne grondslagen zal zien; dat hij valt, en gij ook daarbij omkomt, en gewaarwordt dat ik de Heer ben. 15 Alzoo zal ik mijne ver-: bolgenheid volbrengen aan den muur en aan hen die hem met losse kalk pleisteren, en zal tot u zeggen: De muur is niet meer, noch die hem bepleisterden. 16 Dit zijn de profeten van Israël, die van Jeruzalem profeteerden en van vrede predikten, terwijl er nochtans geen vrede was, spreekt de Heere Heere. 17 En gij menschenkind, stel uw aangezicht tegen de dochters van uw volk, die uit haar liart profeteeren, en profeteer tegen haar, 18 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Wee u die kussens maakt voor de lieden onder de armen, en peluwen voor de hoofden van jongen en ouden, om de ] zielen te vangen. Als gij nu de zielen onder mijn volk gevangen hebt, zoo belooft gij daaraan het leven. 19 En gij ontheiligt mij ^ onder mijn volk voor een i handvol gerst of een bete 'brodfts, hierdoor dat quot;gij zieTéh ter dood veroordeelt i die niet moesten sterven, en in het leven behoudt :s niet etge-sraëls noch 1 ko-waar-ETeere mijn 3nde: htans volk n zij losse raars pleis-zal; l ko-Istee-liem wer-iren. nuur dan 5 nu kgij [eere rvel-mij-een lorn, i in dien inur met lebt, arde |
wie niet leven moesten, door uw liegen voor mijn volk dat gaarne de leugen hoort. 20 Daarom spreekt de Heere Heere: Zie, ik wil aan uwe kussens, waarmede gij de zielen vangt en vertroost; en ik zal ze van uwe armen wegscheuren, en de zielen, die gij vangt en vertroost, vrijmaken. 31 En ik zal uwe peluwen verscheuren, en mijn volk uit uwe hand redden, dat gij ze niet meer vangen zult; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 33 Omdat gij het hart der rechtvaardigen valsche-lijk bedroeft, die ik niet bedroefd heb, en de handen der goddeloozen hebt gesterkt , dat zij zich van hun kwaaddoen niet bekeeren, opdat zij in het leven mochten blijven, ■— 33 daarom zult gij niet meer onnutte leer prediken noch profeteeren, maar ik zal mijn volk uit uwe hand redden, en gij zult bevinden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 14. 1 En er kwamen eenigen der oudsten van Israël tot mij, en zetteden zich voor mij neder. |
vw
7
ÉZECHtËL 14.
1490
|
3 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 3 Menschenkind, deze lieden hangen met hun hart hunne afgoden aan, en stellen den aanstoot hunner misdaad voor hun aangezicht: zou ik hun dan antwoorden als zii mij vragen? 4 Daarom spreek tot hen en zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Wie uit het huis Israels met zijn hart zijnen afgod aanhangt, en den aanstoot zijner misdaad voor zijn aangezicht stelt, en tot den profeet komt, — ik de Heer zal hem antwoorden, gelijk hij verdiend heeft met zijne gtoote afgoderij; 5 opdat het huis Israels in het hart gevoele, hoe zij allen Van mij afgeweken zijn door afgoderij. G Daarom zult gij tot het huis Vein Israël zeggen: Dus spreekt de Heere Heere: Keert en wendt u af van uwe afgoderij, en wendt uw aangezicht van al uwe gruwelen. 7 Want eiken mensch uit het huis Israels, of eiken vreemdeling die in Israël woont, die van mij afwijkt, en met zijn hart zijne afgoden aanhangt, en den aanstoot zijner misdaad voor zijn aangezicht stelt, en tot den profeet komt om door hem mij te vragen, dien zal ik, de Heer, zelf antwoorden ; |
8 en ik zal mijn aangezicht tegen dien man stellen, en zal hem verderven, dat hij tot een teeken en spreekwoord worde; en ik zal hem uit mijn volk uitroeien, datquot; gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 9 Maar indien een bedrogen profeet iets spreekt, dien zal ik, de Heer, wederom laten bedrogen worden, en ik zal mijne hand over hem uitstrekken, en hem uit mijn volk Israël uitroeien. 10 Alzoo zullen zij beiden hunne misdaad dragen: gelijk de misdaad des vragers, zoo zal ook de misdaad des profeten zijn; 11 opdat zij niet meer het huis van Israël van mij afleiden, en zich niet meer verontreinigen met al hunne overtredingen; maar zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, spreekt de Heere Heere. -— 13 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende ; 13 Gij menschenkind, als een land tegen mij zondigt, en daarenboven mij ver- |
EZECHIËL 14,
im.
|
smaadt, ?.oo zal ik mijne hand daarover uitstrekken, en den staf des broods wegnemen , en zal er duurte in zenden, om beide mensclien en vee uitteroeien. )t 14 En al fllTFe liet dan ook ilat de drie mannen, Noacli, Daniël en Job, daariff waren*4 zoo zöïïclen zij alleen hunne eigene ziel redden door hunne gerechtigheid, spreekt de Heere Heere. 15 En indien ik wilde dieren in het land bracht, die de lieden wegruimden, en het verwoestten, dat er niemand doortrekken kon vanwege het gedierte; 16 en deze drie mannen daar ook waren, — zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, zij zouden noch zonen noch dochters redden, maar alleen zich-zelve; en het land zon tot eene woestenij worden. ' 17 Of zoo ik het zwaard deed komen over het land, en zeide: Zwaard, ga door het land, en alzoo beide mensclien en vee zou uitroeien ; 18 en ile drie mannen daarin waren, — zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, zij zouden noch zonen noch dochters kunnen redden, nuuir zij alleen zouden gered worden. en tot door dien F ant' ezicht ■n, en at liij ireek-l hem , datquot; i dat ;ers, j l des |
19 Of zoo ik de pest in het land zon zenden, en mijne verbolgenheid daarover uitgieten, en bloed storten, zoodat ik beide mensclien en vee uitroeide; 20 en Noach, Daniël en Job daarin waren, — zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, zij zouden noch zonen noch dochters, maar alken hunne eigeno ziel door 'hunne gerechtigheid redden. 31 Want dus spreekt de Heere Heere: Zoo ik mijne vier booze strallen, als zwaard, honger, wild gedierte en pest, over Jeruzalem zenueii zou, dat ik daaruit uitroeide zoowel de mensclien als het vee: 23 zie, zoo zullen eenigen, daarin overgebleven, ontkomen , die zonen en dochters daaruit brengen zullen, en tot u herwaarts komen, dat gij zien zult hoe het hun gaat, en u troosten wegens het ongeluk hetwelk ik over Jeruzalem heb gebracht, benevens alwat ik over haar heb doen komen. 23 Zij zullen uw troost 'zijn, als gij zien zult hoe het hun gaat, en zult bevinden dut ik niet zonder oorzaak gedaan heb hetgeen ik daarin gedaan heb, spreekt de Heere Heere. |
1492
|
HOOFDSTUK 15. 1 En het woord tlesHee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, wat is het hout van den wijnstok boven ander hout, of een wijnrank boven ander hout in het woud? 3 Neemt men het ook en maakt men er iets van, of' maakt men ook een nagel daarvan, aan welken men iets kan hangen? 4 Zie, men werpt het in het vuur, opdat het verteerd worde, dat het vuur zijne beide einden vertere, en zijn midden verbrande: waartoe zou het dan deugen? 5 Zie, toen het nog gaaf was, kon men niets daarvan maken; hoeveelteminderkan er nu iets van gemaakt worden , daar het vuur het verteerd en verbrand heeft? 6 Daarom spreekt de Hee-re Heere aldus: Gelijk ik het hout van den wijnstok met het andere hout in het woud aan het vuur te verteren geef, zóó zal ik met de inwoners van Jeruzalem ook omgaan; 7 en ik zal mijn aangezicht tegen hen stellen, dat zij het vuur niet ontgaan zullen , maar het vuur zal hen verteren; en gij zult bevin-als ik mijn aangezicht tegen hen stellen zal; |
8 en ik zal het land woest maken, omdat zij mij versmaden, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 16. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij menschenkind, maak aan de stad Jeruzalem hare gruwelen bekend, 3 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere tot Jeruzalem: Uw geslacht en uwe geboorte is uit het land der Kanaiinieten, uw vader uit de Amo rieten en uwe moeder uit de Hethieten. 4 Uwe geboorte is aldus geweest: uw navel is niet afgesneden toen gij geboren werdt; ook heeft men u niet met water gewasschen, opdat gij rein mocht worden, noch met zout gewreven, wonden; 5 niemand bekommerde zich om u, dat hij zich over u zou ontfermd hebben , om een van die dingen aan u te doen, maar gij werdt op- het veld geworpen, zóó veracht was uwe ziel, toen gij geboren werdt. EZECHIËL 15, 16. den dat ik de Heer ben, noch in windsels ge- |
|
6 Maar ik ging u voorbij, en zag u in uw bloed liggen, en sprak tot u toen gij zoo in uw bloed laagt: Gij zult leven; ja tot u sprak ik toen gij zoo in uw bloed laagt: Gij zult leven. 7 En ik heb u opgevoed en groot laten worden, als een gewas op het veld, en gij waart nu toegenomen en groot en schoon geworden: uwe borsten waren gegroeid, en gij hadt schoon lang haar gekregen; maar gij waart nog naakt en beschaamd. 8 En ik ging u voorbij, en zag u aan, en zie, het was uw tijd derminnekoo-zerij; toen breidde ik de slip van mijn kleed over vi uit en bedekte uwe naaktheid; en ik verlooide mij aan u, en begaf mij met u in een verbond, spreekt de Heere Heere, dat gij de mijne zoudt zijn. 9 En ik baadde u met water, en wiesch u van uw bloed, en zalfde u met balsem , 10 en bekleedde n met gestikte kleederen, en trok u bont-lederen schoenen aan; ik gaf u lijne linnen kleederen en zijden sluiers, 11 en versierde u met klei-noodiën, en deed armringen aan uwe armen en eene keten aan uwen hals, |
1493 12 en deed een versiersel aan uw voorhoofd en ringen in uwe ooren, en eene schoone kroon op uw hoofd. 13 Zoo waart gij versierd met enkel goud en zilver, en gekleed met enkel lijnwaad, zijde en gestikt werk; gij at ook enkel meelbloem, honig en olie, en werdt bovenmate schoon, en ver-kreegt het koninkrijk. 14- En uw roem werd ruchtbaar onder de volken vanwege uwe schoonheid, die geheel volmaakt was door het sieraad dat ik u aangedaan had, spreekt de Heere Heere. 15 Maar gij verliet u op uwe schoonheid, en dewijl gij zoo vermaard waart, be-dreeft gij hoererij, zoodat gij u met een ieder die voorbijging gemeenzaam maak-tet en zijnen wil deedt. 16 En gij naamt van uwe kleederen, en maaktet u daarvan bonte altaren, en bedreeft uwe hoererij daarop , zooals nooit geschied is noch geschieden zal. 17 Gij naamt ook uw schoon gereedschap, hetwelk ik u van mijn goud en zilver gegeven had, en maaktet u mansbeelden daarvan, en bedreeft uwe hoererij daarmede, 18 en naamt uwe gestikte EZECHIËL 16. |
ezechiKL 10.
149i
|
kleederen en bedektet ze daarmede, en mijne olie en mijn reukwerk leidet gij hun voor; 19 en mijne spijs die ik ij te eten gegeven hiul, meelbloem, olie en honig, leidet gij hun vóór tot een liefelyken reuk. — Ja het kwam zóóver, spreekt de Heere lieere, 20 dat gij uwe zonen en dochters, die gij mij gebaard hadt, muunt, eu ze hun oilèrdet om ze te verteren: meent gij dan dat het iets gerings is met uwe hoererij, 21 (lat gij mijne kinderen slacht en ze voor hen laat verbranden? 22 En onder al uwe gruwelen en hoererij hebt gij nooit gedacht aan den tijd uwer jeugd, hoe bloot en naakt gij waart, en in uw bloed laagt. 23 Boven al deze uwe boosheid, (wee, wee u! spreekt de lieere Heere), 21 bouwdet gij u bordee-len, en maaktet u hoogten op alle straten; 25 en aan den ingang van alle straten bouwdet gij uwe hoogten, en maaktet uwe schoonheid tot enkel gruwel, en gaaft u prijs aan allen die voorbijgingen, en bedreeft groote hoererij. |
26 Eerstelijk bedreeft gij hoererij met de kinderen van Egypte, uwe naburen, die groot van lichaam zijn, en bedreeft groote hoererij, om mij tot toorn te verwekken. 27 Maar ik strekte mijne hand tegen u uit, en verminderde uw bescheiden deel, en gaf u over aan den wil van uwe vijandinnen , de dochters der Filistijnen, die zich schaamden over uw schandelijk bedrijf. 28 Daarna bedreeft gij hoererij met de kinderen van Assur, en kondt daarvan niet verzadigd worden; ja, toen gij met hen hoererij bedreven hadt, en daarvan niet kondt verzadigd worden, 29 maaktet gij de hoererij nog meer in het land Ka-, nailn tot in Chaldca toe; nochtans kondt gij daarvan óók niet verzadigd worden. 30 Hoe zal ik toch uw hart besnijden, spreekt de Heere Heere, dewijl gij de werken doet van de aller-onbeschaamdste boeleerster, 31 hiermede dat gij uwe bordeelen bouwdet aan den ingang van alle straten, en uwe hoogten maaktet in alle wijken. Daarenboven waart gij niet gelijk eene andere hoer, die men met geld moet koopen, 32 speel ham 33 hoen maai boeh schei u k( om drijv 34 aan vroti dew maa men zoo deel 35 hooi 30 Hee mili uwe reri ontl afg( het kin ferl 3' uw me vei ger hie en u ter |
EfcEOHtËL 16,
1405
|
32 noch gelijk de overspeelster, die in plaats van haren man anderen toelaat; 33 want aan alle andere hoeren geeft men geld, maar gij geeft aan al uwe boeleerdere geld toe en beschenkt hen, opdat zij tot ii komen van alle kanten om met u hoererij te bedrijven. 34 En het tegendeel wordt nan u bevonden van andere vrouwen, met uwe hoererij; dewijl men u niet naloopt, maar gij geldt toegeeft, en men u geen geld geeft, zoo bedrijft gij het tegendeel. 35 Daarom, boeleerster, hoor het woord des Heeren; 30 dus spreekt de Heere Heere: Dewijl gij dan zoo mildelijk geld toegeeft, en uwe schaamte door uwe hoererij voor uwe minnaars ontbloot, en voor al de afgoden uwer gruwelen, en het bloed vergiet van uwe kinderen die gij hun offert, — 37 daarom zie, ik zal al uwe minnaars vergaderen met wie gij wellust bedreven hebt, benevens al degenen die gij voor vrienden hieldt, met uwe vijanden; en ik zal hen beiden tegen u vergaderen van alle kanten, en zal voor hen uwe schaamte geheel ontblooten, dat zij Uwe schaamte geheel zullen zien. |
38 Eu ik zal het recht der overspeelsters en der bloedvergietsters over u brengen, en zal uw bloed storten met grimmigheid en minnenijver; 39 en ik zal u in hunne handen overleveren, dat zij uwe bordeeien afbreken en uwe hoogten omverrukken, en uwe kleederen uittrekken, en uwen opschik u ontnemen, en u naakt en bloot laten zitten; 40 en zij zullen een menigte lieden over u brengen, die u steenigen en met hunne zwaarden doorhouwen , 41 en uwe huizen met vuur verbranden, en U uw recht doen voor de oogen van vele vrouwen. Zoo zal ik aan uwe hoererij een einde maken, dat gij niet meer geld zult toegeven; 43 en ik zal mijnen moed aan u koelen, en mijnen minnenijver aan u verzadigen, opdat ik ruste en niet me'er behoeve toornig te zijn. 43 Omdat gij niet gedacht hebt aan den tijd uwer jeugd, maar mij met dat alles vertoornd hebt, daarom zal ik ook al Uwe daden |
EZECHIËL 16.
1496
|
op uw hoofd doen neder-komen, spreekt de Heere Heere, hoewel ik daarmede niet gedaan heb naar de schandelijkheid uwer gruwelen. 44 Zie, al degenen die spreekwoorden plegen te gebruiken, zullen van u dit spreekwoord zeggen: Zoo moeder, zoo dochter. 45 Gij zijt de dochter uwer moeder, die haren man en hare kinderen verstoot, en zijt eene zuster uwer zusters, die hare mannen en hare kinderen verstoo-ten: uwe moeder was uit de Hethieten en uw vader een Amoriet; 46 Samarië was uwe oudere zuster, met hare dochters, die aan uwe linkerhand woonde, en Sodom was uwe jongere zuster, met hare dochters, die aan uwe rechterhand woonde. 47 Hoewel gij niet geleefd hebt zooals zij, noch gedaan naar hare gruwelen — het scheelt niet veel of gij hebt het erger gemaakt dat zij in al uw doen. 48 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, Sodom uwe zuster, met hare dochters, heeft niet gedaan gelijk gij en uwe dochters. |
49 Zie, dit was de misdaad van uwe zuster Sodom: hoo-vaardij en overvloed van alles en ongestoorde rust, die zij en hare dochters hadden; doch den arme en nooddruftige hielpen zij niet; 50 en zij waren trotsch en deden gruwelen voor mijne oogen: daarom heb ik ze ook weggedaan, toen ik het begon te zien. 51 Ook heeft Samarië niet de helft uwer zonden gedaan, maar gij hebt uwe gruwelen zooveel meer dan zij gedaan, dat gij uwe zusters vroom gemaakt hebt in vergelijking van al uwe gruwelen die gij bedreven hebt. 52 Draag dan nu ook uwe schande, gij die uwe zusters vroom maakt door uwe zonden, daar gij grooter gruwelen bedreven hebt dan zij, en ze vromer maakt dan gij zijt: wees gij dan nu ook schaamrood en draag uwe schande, dewijl gij uwe zustere vroom gemaakt hebt. 53 Maar ik zal hare gevangenschap wenden, namelijk de gevangenschap van Sodom en van hare dochters , en de gevangenschap van Samarië en van hare dochters, en de gevangenschap uwer gevangenen die onder haar zijn; 54 opdat gij uwe schande en uwen hoon draagt, om |
EZECHIEL 17.
1497
|
al hetgeen gij gedaan hebt, terwijl gij haar tot troost verstrekt. 55 En als uwe zusters, Sodom en hare dochters, zullen bekeerd worden gelijk zij tevoren geweest zijn, en Samariü en hare dochters zullen bekeerd worden gelijk zij tevoren geweest zijn, dan zult ook gij en uwe dochters bekeerd worden gelijk gij tevoren geweest zijt; 56 en toch was de naam uwer zuster Sodom uit uwen mond niet gehoord ten tijde uws hoogmoeds, 57 toen uwe boosheid nog niet ontdekt was, gelijk ten tijde toen de dochters van Syrië en de dochters der lulls tij nen u overal schonden en verachtten van rondom; 58 toen gij uwe schanddaden en gruwelen moest dragen, spreekt de Heere Heere. 59 Want aldus spreekt de Heere Heere: Ik zal u doen gelijk gij gedaan bebt, omdat gij den eed veracht en het verbond verbroken hebt. 60 Nochtans zal ik gedenken aan mijn verbond hetwelk ik met u gemaakt heb ten tijde uwer jeugd, en zal met u een eeuwig verbond oprichten. |
61 Dan zult gij aan uwe wegen gedenken en u schamen , als gij uwe oudere en jongere zusters tot u nemen zult, die ik u tot doch te re geven zal, schoon niet uit hoofde van uw verbond; 63 maar ik zal mijn verbond met u oprichten, dat gij bevinden zult dat ik de Heer ben; 63 opdat gij daaraan gedenkt en u schaamt, en vanwege de schande uwen mond niet meer opent, wanneer ik u alles vergeven zal wat gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 17. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, stel aan het huis van Israël een raadsel voor en eene gelijkenis , 3 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Een groote arend, met groote vleugels en lange vlerken, en vol bonte vederen, kwam op den Libanon, en nam den top van een ceder weg, 4 en brak den oppersten tak af, en voerde dien in een land van koophandel en zette hem in eene stad van kooplieden. 5 Ook nam hij zaad uit dat land en zaaide het op een goeden akker, waar veel |
EZECHIËIv 17.
1498
|
water was, en wierp het los Leen; 6 en het wies, en werd een uitgebreide wijnstok, doch laag van stam; want zijiie wijnranken bogen zich naar hem, en zijne wortels waren onder hem, eu het werd een wijnstok die ranken en scheuten kreeg. 7 En er was een andere groote arend j met groote vleugels en vol vederen; en zie, de wijnstok boog zijne wortels naar dezen arend, en strekte zijne ranken naar hem uit, om door hem bevochtigd te worden op de plaats waar hij geplant was. 8 En hij was nochtans op een goeden grond aan vele wateren geplant, zoodat hij wel takken had kunnen voortbrengen, en vruchten dragen, en een heerlijke wijnstok worden. 9 Spreek dan nu: Aldus zegt de Heere Heere: Zou hij gedijen ? Ja men zal zijne wortels uitroeien en zijne vruchten afrukken, en hij zal verdorren, zoodat al de bladeren van zijn gewas verdorren zullen; en dat zal niet geschieden door een sterken arm noch door veel volk, dat men hem van zijne wortels wegneemt. |
10 Zie, hij is wel geplant, maar zou h\j gedijen ? Ja zoodra de oostenwind hem zal aanraken, zal hij verdorren op de plaats waar hij wast. i 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 13 Zeg toch tot dat ongehoorzame huis: Weet gij niet wat dit is? En zeg: Zie, de koning van Babel kwam te Jeruzalem aan, en nam haren koning en hare vorsten , en voerde hen weg tot zich naar 15abel, 13 en nam van het koninklijke zaad en maakte een verbond daarmede, en nam een eed van hem; maar de aanzienlijken in het land nam hij weg; LI opdat het koninkrijk ootmoedig zou blijven en zich niet verhellen, opdat zijn verbond zou gehouden worden en in stand blijven. 15 Maar dat zaad viel van hem al', en zond zijne gezanten naar Egypte, dat men hem paarden en veel volk zou toezenden. Kan hij gedijen , kan hij ontkomen die zoo doet? En kan hij die het verbond breekt vrijkomen? 1G Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere; in de plaats des konings die hem tot koning gesteld heeft, wiens eed hij veracht en wiens verbond liy verbroken |
|
heeft, diiar zal liij sterven, namelijk te l'abol. 17 Ook zal Farno liem niet bijstaan in den oorlog met een groot heir en veel volk, als men den wal zal opwerpen en de bolwerken bouwen, dat er veel men-schen omgebracht worden. 18 Want dewijl hij den eed veracht en het verbond verbroken heeft, op hetwelk hij zijne hand gegeven heeft, en dat alles doet, zoo zal hij het niet ontkomen. 1!) Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zoo waarachtig ik leef, zal ik mijnen eed dien hij veracht heeft, en mijn verbond hetwelk hij verbroken heeft, op zijn hoofd brengen. 20 Want ik zal mijn net over hem werpen, en hij moet in mijn jachtgaren gevangen worden; en ik zal hom naar Babel brengen, en zal aldaar met hem richten , omdat hij zich zoo aan mij vergrepen heeft. '21 En al zijne vluchtelingen, die hem aanhingen, zullen door het zwaard vallen, en hun overschot zal in alle winden verstrooid Worden, en gij zult gewaarworden dat ik de Heer het gesproken heb. 2'i Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal ook van den |
1499 top des hoogen cederbooms nemen, en boven van zijne takken een teeder rijsje breken , en zal dat op den heuveltop eens hoogen bergs planten; 23 namelijk op den hoogen berg van Israel zal ik het planten, opdat het takken krijge en vruchten voort-brenge, en een heerlijke cederboom worde, zoodat allerlei gevogelte onder hem wonen en onder de schaduw zijner takken blijven zal. 34. En alle boomen des velds zullen bevinden dat ik, de Heer, den hoogen boom vernederd en den lagen boom verhoogd heb, den groenen boom verdroogd èn den dorren boom groen gemaakt heb: ik, de Heer, spreek het cn doe het ook. HOOFDSTUK 18. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Wat gebruikt gijlieden onder u in het land van Israël dit spreekwoord, zeg-' gende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, maar den kinderen zijn de tanden daarvan stomp geworden. 3 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, dit spreekwoord zal niet EZ EC HIEL 18. |
EZECHIËL 18.
1500
|
meer onder u in zwang zijn in Israël; 4 want zie, alle zielen zijn de mijne; de ziel des vaders is zoowel de mijne als de ziel des zoons; de ziel die zondigt, die zal sterven. 5 Wanneer nu iemand vroom is en recht en wèl doet, 6 die op de bergen niet eet, en zijne oogen niet opheft tot de afgoden van het huis Israels, noch zijns naasten huisvrouw bevlekt, en niet bij eene vrouw ligt in hare zuivering; 7 die niemand verdrukt, en den schuldenaar zijn pand wedergeeft; die niemand met geweld iets ontneemt; die den hongerige zijn brood mededeelt en den naakte bekleedt; 8 die geen woeker bedrijft, die niemand overeischt; die zijne hand van het onrecht afkeert; die tussohen de lieden recht oordeelt; 9 die naar mijne rechten wandelt en mijne geboden •onderhoudt, dat hij er oprecht naar doet: —• die is een vroom quot;man, hij zal het leven hebben, spreekt de Heere Heere. 10 Maar als hij een zoon verwekt die een kwaaddoener wordt, die bloed vergiet of een van die dingen doet |
11 waarvan \de vader] er geen gedaan beeft, en op de bergen eet, en zijns naasten huisvrouw bevlekt, 12 de armen en ellendigen verdrukt, met geweld iets ontneemt, het pand niet wedergeeft, zijne oogen tót de afgoden opheft met welke hij gruwel bedrijft, 13 op woeker geeft en overeischt, — zou die leven? Hij zal niet leven; maar dewijl hij al die gruwelen gedaan heeft, zal hij den dood sterven, zijn bloed zal op hem zijn. 14 Maar indien hij een zoon verwekt die al de zonden ziet welke zijn vader doet, en zich er voor wacht en zoo niet doet, 15 niet eet op de bergen, zijne oogen niet opheft tot de afgoden van het huis Israels, zijns naasten huisvrouw niet bevlekt, 16 niemand verdrukt, het pand niet behoudt, niet met geweld iets ontneemt, zijn brood den hongerige mededeelt en den naakte bekleedt, 17 zijne hand van het onrecht afkeert, geen woeker noch overeisching neemt, maar mijne geboden onderhoudt en naar mijne rechten leeft: — die zal niet |
EZECHIËL 18.
1S01
|
sterven om de misdaad zijns vaders, maar leven. 18 Maar zijn vader, die geweld en onrecht geoefend, en onder zijn volk gedaan heeft wat niet goed is, zie, die zal sterven om zijne eigene misdaad. 19 Nu zegt gij: In hoever zal dan de zoon de misdaad zijns vaders niet dragen ? — Wanneer hij recht en wol gedaan en al mijne rechten onderhouden en gedaan heeft, dan zal hij leven. 20 Want de ziel die zondigt , die zal sterven: de zoon zal niet dragen de misdaad des vaders, en de vader zal niet dragen de mis-daad des zoons; maar de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de ongerechtigheid des on-rechtvaardigen zal op hem zijn. 21 Maar is het dat de god-delooze zich bekeert van al zijne zonden die hij gedaan heeft, en al mijne rechten onderhoudt en recht en wèl doet, dan zal hij leven en niet sterven; 22 aan al zijne overtredingen die hij gedaan heeft zal niet meer gedacht worden, maar hij zal leven wegens de gerechtigheid die hij gedaan heeft, |
33 Meent gij dat ik behagen heb aan den dood des goddeloozen, spreekt de Heere Heere, en niet veelmeer dat hij zich bekeere van zijn doen en leve? 24 En als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en kwaaddoet, en leeft naar al de gruwelen die een goddelooze doet, zou die leven ? Ja aan al zijne gerechtigheid die hij gedaan heeft zal niet meer gedacht worden, maar in zijne overtreding en zonde die hij gedaan heeft zal hij sterven. 25 Toch zegt gij: De Heer handelt niet recht. Hoort dan nu, gij huis van Israël, is het niet zoo dat ik recht heb en gij onrecht hebt? 26 Want als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en kwaaddoet, dan moet hij sterven: hij moet wegens zijne boosheid die hij gedaan heeft sterven. 27 Daarentegen als de goddelooze zich afkeert van zijne ongerechtigheid die hij gedaan heeft, en nu recht en wèl doet, dan zal hij zijne ziel in het leven behouden; 38 want dewijl hij toeziet en zich bekeert van al zijne boosheid die hij gedaan heeft, zoo zal hij leven en niet sterven. 29 Nochtans zegt het huis van Israël: De Heer handelt |
EZECHIËL 10.
1502
|
Vliet recht. Zou ik onrecht hebben? Gij huis vim Israël hebt onrecht. 30 Daarom zal ik u richten, gij huis van Israël, een ieder naar zijn doen, spreekt lie Heere Heere. Derhalve bekeert u van al uwe overtredingen , opdat de misdaad u niet langer ten struikelblok zij. 31 Werpt van u al uwe overtredingen met welke gij overtreden hebt, en vormt \i een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven o huis van Israël? 33 Want ik heb geen behagen aan den dood des stervenden, spreekt de Heere Heere: daarom bekeert u, zoo zult gij leven. HOOFDSTUK 19. 1 Gij nu, hef eene weeklacht aan over de vorsten van Israël, 3 en zeg: Waarom ligt uwe moeder, de leeuwin, onder de leeuwinnen, en brengt hare jongen op ouder de jonge leeuwen? 3 En een van hare jongen bracht zij op, en die werd een leeuw; die gewende zich om menschen te verscheuren en te verslinden. |
4 Toen de volken dit van hem hoorden, vingen zij hem in hun kuil, en voerden hem aan ketenen naar E'i'vp-teland. 5 Toen nu de moeder zag dat hare hoop verloren was, nadat zij lang gehoopt had, zoo nam zij weder een van hare jongen, en bracht dien groot tot een leeuw. 0 Toen deze onder de leeuwinnen wandelde, werd hij een bloedgierige leeuw, die zich ook gewende om menschen te verscheuren en te verslinden; 7 hij outeerde hunne weduwen , en verwoestte hunne steden; zoodat het land, en wat daarin was, voor de stem zijns gebruis zich ontzette. 8 Toen begaven de volken zich uit alle landen rondom hem heen, en wierpen een net over hem, en vingen hem in hun kuil, 9 en wierpen hem gel wilden in een traliehok, en voerden hem tot den koning van Babel; en men liet hem bewaren, dat zijne stem niet meer gehoord werd op de bergen van Israël. 10 Uwe moeder was als een wijnstok, zooals gij, aan het water geplant; en zijne vrucht en ranken wiesen wegens overvloed van water, 11 dat z\jne ranken zóu |
EZECHIÉL 30.
1503
|
stei'k werden clat zij tot koninklijke scliepters geschikt waren, en liij werd zeer hoog onder de ranken; en als men zag dat hij zoo hoog ■was, en vele ranken had, 12 werd hij in grimmigheid uitgerukt en ter aarde geworpen; de oostenwind verdroogde zijne vrucht, en zijne sterke ranken werden verbroken, zoodat zij verdorden en verbrand werden. . 13 En nu is hij geplant in jle woestijn, in een dor en dorstig land; 14 er is een vuur uitgegaan van zijne sterke ranken, dat zijne vrucht verteert , dat in hem geen rank meer is tot een koningsschepter. — Dit is de weeklacht, en tot eene weeklacht is het geworden. HOOFDSTUK 20. 1 En het geschiedde in het zevende jaar, op den tienden dag der vijfde maand, dat er eenigen uit de oudsten van Israël kwamen om den Heer te vragen; en zij zetteden zich voor mij neder. 2 Toen geschiedde het woord des lleeren tot mij, zeggende: |
3 Gij menschenkind, zeg tot de oudsten van Israël en spreek tot hen; Dus spreekt de Heere Heere; Zijt gij gekomen om mij te vragen? Zoo waarachtig ik leef, ik wil door u niet gevraagd worden, spreekt de Heere Heere. 1 Maar wilt gij hen bestrallen, gij menschenkind, zoo moogt gij hen aldus bestrallen: maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend, 5 en zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Ten tijde toen ik Israël verkoos, hief ik mijne hand op tot het zaad van Jakobs huis, en maakte mij aan hen bekend in Egypteland; ja ik hief mijne hand tot hen op, zeggende: Ik ben de Heer uw God. 6 Maar ik hief terzelfder tijd mijne hand op om hen te voeren uit Egypteland naar een land hetwelk ik voor hen uitgezocht had, dat van melk en honig vloeit, hetwelk het sieraad is van alle landen: 7 en ik sprak tot henj Ieder werpe de gruwelen zijner opgen weg, en verontreinigt u niet aan do afgoden van Egypte; want ik ben de Heer uw God. 8 Maar zij waren mij ongehoorzaam en wilden naar mij niet hooren; niemand van hen wierp de gruwelen |
EZECH1ÉL 20.
1504
|
zijner oogen weg, en zij verlieten de afgoden van Egypte niet. Toen daclit ik mijne grimmigheid over hen uittestorten, en al mijnen toorn over hen te laten gaan, in het midden van Egypteland. 9 Maar ik liet het om mijns naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierd in de oogen der volken onder welke zij waren, voor wier oogen ik mij aan hen bekend zou maken, door hen uittevoe-ren uit Egypteland. 10 En als ik hen uit Egypteland gevoerd en in de woestijn gebracht had, 11 gaf ik hun mijne geboden en leerde hun mijne rechten, door welke de jnensch leeft, die ze houdt* ^vl2 Ik gaf hun ook mijne' sabbatten tot een teeken tusschen mij en hen, opdat i zij leeren zouden dat ik de | Heer ben die hen heilig. /quot; '• x' 13 Maar het huis van Israël was mij ongehoorzaam, ook in de woestijn ; en zij leefden niet naar mijne geboden, en verachtten mijne rechten, door welke de mensch leeft, die ze houdt; en zij ontheiligden mijne sabbatten zeer. Toen dacht ik mijne grimmigheid over hen uittestorten in de woestijn, |
en hen geheel te verdelgen. 14 Maar ik liet het om mijns naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierd in de oogen der volken voor wier oogen ik hen uitgevoerd had. 15 En ik hief ook mijne hand tegen hen op in de woestijn , dat ik hen niet zou brengen in het land hetwelk ik hun gegeven had, dat van melk en honig vloeit, hetwelk het sieraad is van alle landen: 16 omdat zij mijne rechten veracht en naar mijne geboden niet geleefd en mijne sabbatten ontheiligd hadden; want zij wandelden de afgoden huns harten na. 17 Doch mijn oog verschoonde hen, dat ik hen niet verdelgde noch geheel ombracht in de woestijn. 18 En ik sprak tot hunne kinderen in de woestijn: Gij zult naar de geboden uwer vaderen niet leven, en hunne rechten niet houden, en u aan hunne afgoden niet verontreinigen. 19 Want ik ben de Heer uw God; naar mijne geboden zult gij leven, mijne rechten zult gij onderhouden en er naar doen; ^ 20 en mijne sabbatten zult jij heiligen, opdat zij een teeken zijn tusschen mij en |
EZECHIËL 20.
I
1505
|
u, opdat gij weet dat ik de Heer uw God ben. ƒ 21 Maar de kinderen waren mij óók ongehoorzaam; zij leefden naar mijne geboden niet, onderhielden ook mijne rechten niet,dat zij er naar deden, door welke de mensch leeft, die ze houdt; en zij ontheiligden mijne sabbatten. Toen dacht ik mijne grimmigheid over hen uittestorten, en al mijnen toorn over hen te laten gaan in de woestijn. 22 Doch ik wendde mijne hand, en liet het om mijns naams wil, opdat hij niet ontheiligd zou worden in de oogen der volken voor wier oogen ik hen uitgevoerd had. 23 Ook hief ik mijne hand tegen hen op in de woestijn, om ze te verstrooien onder de volken en hen te verspreiden in de landen; 34 omdat zij mijne geboden niet gehouden en mijne rechten veracht en mijne sabbatten ontheiligd hadden, en naar de afgoden hunner vaderen zagen. 25 Daarom gaf ik hen over aan inzettingen die niet goed waren en aan rechten waarbij zij geen leven konden hebben, |
26 en verwierp hen met hnnne oflers, toen zij alle eerstgeborenen door het vuur verbrandden, opdat ik hen zou vernielen en zij weten zouden dat ik de Heer ben. 27 Daarom menschenkind, spreek tot het huis van Israël en zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Uwe vaderen hebben mij nog verder gelasterd en getrotseerd; 28 want toen ik hen in het land gebracht had waarover ik mijne hand opgeheven had om het hun te geven, alwaar zij een hoogen heuvel of dichten boom in het gezicht kregen, daar otterden zij hunne offers, en brachten hunne tergende gaven daarheen; zij wierookten aldaar hunnen liefelijken reuk, en plengden aldaar hunne drankoffers. 29 Maar ik sprak tot hen: Wat zal toch de hoogte waar gij naartoe gaat? En alzoo heet ze ook de hoogte tot op dezen dag. 30 Daarom zeg tot het huis van Israël: Dus spreekt de Heere Heere: Gij verontreinigt u met de daden uwer vaderen, en bedrijft hoererij met himne gruwelen, 31 en verontreinigt u aan uwe afgoden, aan welke gij uwe gaven offert, als gij uwe zonen en dochters door het vuur verbrandt, tot op den dag van heden — en |
48
|
1506 EZKCH ik zou mij door u, o huis Israëls, laten vragen? Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, ik wil door ii niet gevraagd worden. 33 Daarenboven, of gij al denkt: Wij zullen doen gelijk de volken, «n, gelijk andere'lieden in de landen, liout en steen aanbidden, — dat zal u mislukken. 33 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, ik zal over u heersolien met sterke band en met uitgestrekte» arm en met uitge-•storte grimmiglieid. 34 En ik zal u uit de volken voeren, en vergaderen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, niet sterke hand en met uitgest rekten arm en met uitgestorte grimmigheid. 35 En ik zal u brengen in de woestijn der volken, en aldaar met u richten van aangezicht tot aange* zicht; 36 gelijk ik met uwe vaderen gericht heb in de woestijn van Egypte, alzoó zal ik ook met u richten, spreekt de Heere Heere; 37 ik zal u onder dc roede doen doorgaan, en u in de banden des verbonds dwingen. 38 En ik zal de afvalligen en die tegen mij overtreden |
IËL 30. yan ji afzonderen, ja uit het land waarin gij nu huisvest zal ik hen uitvoeren, en in het land van Israel niet laten komen; zoo zult gij weten dat ik de Heer ben. 39 Derhalve gij huis van Israël, dus spreekt de Heere Heere: Dewijl gij dan toch ; naar mij niet wilt hooren, zoo gaat heen en dient elk i zijnen afgod; doch schendt voortaan mijnen heiligen ; naam niet met uwe offers en ; afgoden. 40 Want dus spreekt de ' Heere Heere: Op mijnen j heiligen berg, op den hoogen I berg van Israël, daar zal het geheele huis van Israël, en ] allen die in het land zijn, , mij dienen; aldaar zullen zij j mij aangenaam zijn, en aldaar zal ik uwe hefoffers en de i eerstelingen uwer offers ei-schen, benevens alwat gij mij heiligt: 41 gij zidt mij aangenaam zijn met den liefelijken reuk, wanneer ik u uit de volken brengen en uit de landen vergaderen zal, waarheen gij verstrooid zijt; en ik zal in u geheiligd worden voor de oogen der volken; 43 en gij zult bevinden dat ik de Heer ben, als ik u in het land van Israël gebracht heb, in het land waarover ik mijne hand heb opge- |
EZEGHIËL 21.
1BÜ7
|
heven om het uwen vaderen te geven. 43 Aldaar zult gij gedenken aan uwe wegen en aan al uw doen waardoor gij verontreinigd zijt, en gij zult een misnoegen hebben in al uwe boosheid die gij gedaan hebt. 41 En gij zult bevinden dat ik de Heer ben, als ik met u handel om mijns naams wil, en niet naar uwe kwade wegen noch naar uwe verdorven handelingen, o huis Israels, spreekt de Heere Heere. — 45 En het woord des Hee-! ren geschiedde tot mij, zeggende : 46 Gij menschenkind, stel uw aangezicht naar den weg van het zuiden, en profeteer tegen het zuiden, en profeteer tegen het woud des velds naar het zuiden toe, 47 en zeg tot het woud van het zuiden: Hoor het woord des Heeren; dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal een vuur in u ontsteken, dat zal verteren beide groene en dorre boo-men, zoodat men zijne vlam niet zal kunnen blusschen, en alles wat van het zuiden tot het noorden toe staat zal verbrand worden; 48 en alle vleesoh zal zien dat ik, de Heer, dat aangestoken heb, en dat niemand het kan blusschen. |
49 En ik zeide: Ach Heere Heere, zij zullen van mij zeggen; Deze spreekt enkel bellek te woorden. HOOFDSTUK 21. 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende ; 2 Gij menschenkind, keer uw aangezicht tegen Jeruzalem, en profeteer tegen do heiligdommen, en profeteer tegen liet land van Israël, 3 en zeg tot het land van Israël: 1 )us spreekt de Heer: Zie, ik wil aan u, ik zal mijn zwaard uit descheede trekken, en zal in u uitroeien beide rechtvaardigen en on recht vaardigen; 4 dewijl ik dan beide rechtvaardigen en onrechtvaardi-gen in u uitroeien zal, zoo zal mijn zwaard uit de schepde uitgaan voor alle vleesoh, van het zuiden af tot het noorden toe; 5 en alle vleesch zal gewaarworden dat ik, de Heer, mijn zwaard uit do scheede getrokken heb, en het zal niet weder worden ingestoken. 6 En gij menschenkind zult zuchten, dat u de lendenen kraken; ja gij zult |
EZECHIEL 21.
1508
|
bitter zuchten voor hunne oogen. 7 En als zij tot u zullen zeggen: Waarom zucht gij? zoo zult gij zeggen: Over het gerucht dat gekomen is; want alle harten zullen daarbij versagen, en alle handen zinken, allen zal de moed ontvallen, en aller knieën zullen, als water bewogen worden; zie, het komt en het zal geschieden, spreekt de Heere Heere. 8 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 9 Gij menschenkind, profeteer en zeg: Dus spreekt de Heer: Zeg: Het zwaard, ja het zwaard is gescherpt en gepolijst; 10 het is gescherpt om te slachten, het is gepolijst om te flikkeren; zij zeggen: O hoe vroolijk zullen wij zijn, al maakte hij alle boomen tot roeden voor zijne boosaardige kinderen! 11 Maar hij heeft een zwaard te polijsten gegeven, om het aantegrijpen; het is gescherpt en gepolijst, om het den doodslager in de handen te geven. 13 Jammer en kerm gij menschenkind; want het gaat over mijn volk, en over alle vorsten van Israël, die,benevens mijn volk, tot het zwaard vergaderd zijn; daarom sla op de heup. |
13 Want de proef is doorgestaan — wat heeft het geholpen? De roede helpt niet voor die boosaardige kinderen, spreekt de Heere Heere. 14 En gij menschenkind, profeteer en sla uwe handen tezamen; want het zwaard zal tweemaal, ja het zal driemaal treilen; een slagzwaard is het, een zwaard van groo-te slachting, zoodat het ook treffen zal in de kamers waarheen zij vluchten. 15 Ik zal het zwaard doen klinken, dat de harten versagen , en velen zullen vallen aan al hunne poorten. O hoe flikkert het en is het gescherpt ter slachting! 16 Houw terneder, beide ter rechter- en ter linkerzijde, wat u voorkomt. 17 Daar zal ik dan zelf mijne handen samenklappen, en mijne gramschap stellen; ik de Heer heb het gezegd. 18 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 19 Gij menschenkind, tee-ken u twee wegen af, langs welke het zwaard des ko-nings van Babel gaan kan; zij moeten beide van één land uitgaan; en stel een teeken aan den ingang van |
|
quot; ECH eiken weg naar de sta.-waarheen het wijzen zal; 30 en teeken den eenen weg zoo, dat het zwaard komt naar Kabba der kinderen Ammons, en [_den anderen] in Juda, naar de vaste stad Jeruzalem. 31 Want de koning van Ba-bel zal zich aan de wegscheiding stellen, aan den ingang (Ier twee wegen, om zich te laten waarzeggen, met de pijlen om het lot te schieten, zijnen afgod te vragen en de lever te bezien. 23 En de waarzegging zal op de rechterzijde naar Jeruzalem duiden, dat hij stormrammen zal aanvoeren, en bressen maken, en ze met een groot geschreeuw overvallen in het moorden; en dat hij stormrammen zal aanvoeren tegen de poorten, en aldaar een wal opwerpen en bolwerken bouwen. 33 Doch zulk esne waarzegging zal hun valsch dunken , omdat zij met eeda verbonden zijn; echter zal hij hunne misdaad gedenken, waarvoor zij gegrepen zullen worden. 34 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Omdat aan u gedacht wordt wegens uwe misdaad, en uwe ongehoorzaamheid geopenbaard |
I Ë L 22, I Heere Heere aldus: Dewijl ^ dan allen schuim zijt züu giramp;i Tzie' f0 zal ik pen worden!1111 em verSa- 35 En gij vorst ^ , raël, gij die verdoemil Ï0.T veroordeeld zijt, wiens dag aanbreken zal ten tijde hunner laatste misdaad, 3G dus spreekt de Heere Heere: Doe weg het hoofdsieraad, en neem afde kroon; want noch hoofdsieraad noch kroon zal blijven; maar wie zich verhoogd heeft zal vernederd worden, en wie zich vernederd heeft zal verhoogd worden. 37 Ik zal de kroon teniet, teniet, tenietdoen, totdat hij komt die er recht op heeft, dien zal ik ze geven. — 2S Eu gij menschenkind, profeteer en zeg: Dus spreekt de Heere Heere aangaande de kinderen Aramons en aangaande hunne versmaadheid; ja zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken om te slachten, het is gepolijst om te dooden en te flikkeren; ' 39 omdat gij u valsche gezichten voorzeggen en leugens prediken laat, opdat gij ook overgegeven wordt onder de verslagene goddeloozen, wier dag aanbrak ten tijde hunner laatste misdaad. 1511 |
EZECHIËL 21.
1508
|
bitter zuchten voor hunne oogen. 7 En als zij tot u zullen zeggen: Waarom zucht gij? zoo zult gij zeggen: Over het gerucht dat gekomen is; want alle harten zullen daarbij versagen, en alle handen zinken, allen zal de moed ontvallen, en aller knieën zullen, als water bewogen worden; zie, het komt en het zal geschieden, spreekt de Heere Heere. 8 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 9 Gij menschenkind, profeteer en zeg: Dus spreekt de Heer: Zeg: Het zwaard, ja het zwaard is gescherpt en gepolijst; 10 het is gescherpt om te slachten, het is gepolijst om te flikkeren; zij zeggen: O hoe vroolijk zullen wij zijn, al maakte hij alle hoornen tot roeden voor zijne boosaardige kinderen! 11 Maar hij heeft een zwaard te polijsten gegeven, om het aantegrijpen; het is gescherpt en gepolijst, om het den doodslager in de handen te geven. 13 Jammer en kerm gij menschenkind; want het gaat over mijn volk, en over alle vorsten van Israël, die, benevens mijn volk, tot het zwaard vergaderd zijn; daarom sla op de heup. |
13 quot;Want de proef is doorgestaan — wat heeft het geholpen? De roede helpt niet voor die boosaardige kinderen, spreekt de Heere Heere. 14 En gij menschenkind, profeteer en sla uwe handen tezamen; want het zwaard zal tweemaal, ja het zal driemaal treilen; een slagzwaard is het, een zwaard van groo-te slachting, zoodat het ook treffen zal in de kamers waarheen zij vluchten. 15 Ik zal het zwaard doen klinken, dat de harten versagen , en velen zullen vallen aan al hunne poorten. O hoe flikkert het en is het gescherpt ter slachting! 16 Houw terneder, beide ter rechter- en ter linkerzijde, wat u voorkomt. 17 Daar zal ik dan zelf mijne handen samenklappen, en mijne gramschap stellen; ik de Heer heb het gezegd. 18 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 19 Gij menschenkind, tee-ken u twee wegen af, langs welke het zwaard des ko-nings van Babel gaan kan; zij moeten beide van één land uitgaan; en stel een teeken aan den ingang van |
EZECHIËL 21.
1509
|
eiken weg naar de stad, waarheen het wijzen zal; 30 en teeken den éénen weg zoo, dat het zwaard komt naar Eabba der kinderen Ammons, en [dun anderen] in Juda, naar de vaste stad Jeruzalem. 21 Want de koning van Ba-bel zal zich aan de wegscheiding stellen, aan den ingang (Ier twee wegen, om zich te laten waarzeggen, met de pijlen om het lot te schieten, zijnen afgod te vragen en de lever te bezien. 22 En de waarzegging zal op de rechterzijde naar Jeruzalem duiden, dat hij stormrammen zal aanvoeren, en bressen maken, en ze met een groot geschreeuw overvallen in het moorden; en dat hij stormrammen zal aanvoeren tegen de poorten, en aldaar een wal opwerpen en bolwerken bonwen. 23 Doch zulk eene waarzegging zal hun valseh dunken, omdat zij met eede verbonden zijn; echter zal hij hunne misdaad gedenken, waarvoor zij gegrepen zullen worden. 24 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Omdat aan u gedacht wordt wegens uwe misdaad, en uwe ongehoorzaamheid geopenbaard is, zoodat men uwe zonden ziet in al uw doen, ja omdat aan u gedacht wordt, zult gij met geweld gegrepen worden. |
25 En gij vorst van Israël, gij die verdoemd en veroordeeld zijt, wiens dag aanbreken zal ten tijde hunner laatste misdaad, 26 dus spreekt de Heere Heere: Doe weg het hoofdsieraad, en neem af de kroon; want noch hoofdsieraad noch kroon zal blijven; maar wie zich verhoogd heeft zal vernederd worden, en wie zich vernederd heeft zal verhoogd worden. 27 Ik zal de kroon teniet , teniet, tenietdoen, totdat hij komt die er recht op heeft, dien zal ik ze geven. —- 28 En gij menschenkind, profeteer en zeg: Dus spreekt de Heere Heere aangaande de kinderen Ammons en aangaande hunne versmaadheid; ja zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken om te slachten, het is gepolijst om te dooden en te flikkeren; 29 omdat gij u valsche gezichten voorzeggen en leugens prediken laat, opdat gij ook overgegeven wordt onder de verslagene goddeloozen, wier dag aanbrak ten tijde hunner laatste misdaad. |
EZ ECU
T ËL 22.
1510
|
30 En al wordt het weder in de scheed e gestoken, zoo zal ik u nochtans richten in de plants waar gii geschapen en in het land waar gij geboren zijt; __ 31 en ik zal mijnen toorn over u uitstorten, ik zal het vunr mijner grimmigheid tegen u aanblazen, en mi! u overleveren in de hand dergenen die branden en verderf smeden; 32 gij zidt het vunr tot spijs verstrekken, en uw bloed zal in het land vergoten worden, en men zal aan u niet meer gedenken, want ik de Heer heb het gesproken. HOOFDSTUK 22. 1 En het woord des Hec-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, zoudt gij de bloedstad niet bestraften? Ja maak haar al hare gruwelen bekend, 3 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere: O stad, gij die het bloed der uwen vergiet, opdat uw tijd kome, en gij die afgoden tegen uzelve maakt, om u te verontreinigen, 4 gij maakt u schuldig aan het bloed hetwelk gij rergiet, en verontreinigt u aan de afgoden die gij maakt; |
5 zoowel van nabij als van ( verre zullen zij n bespotten,. dat gij een geschand vlekten '( ellende moeten lijden. 6 Zie, de vorsten van Is- j raël, elk is machtig in u 7 Yader en moeder ver- , achten zij, den vreemdelin- ] gen doen zij geweld en on- j recht, de weduwen en wee- j zen schenden zij. i , 8 Gij veracht mijne hei- J ligdommen, en ontheiligt mijne sabbatten. ■ s 9 In u zijn verraders om , bloed te vergieten; zij eten , op de bergen, en handelen . moedwillig in u; 10 zij ontblooten de naakt- . heid der vaders, en ver- , krachten de vrouwen gedurende hare zuivering, 11 en bedrijven onder elk- j ander gruwelen, de eéne , vriend met de huisvrouw des anderen; zij schenden hunne schoondochters met allen moedwil; zij verkrachten hunne eigene zusters, huns vaders dochters; 12 zij nemen geschenken |
|
EZ ECH aan om bloed te vergieten; gij woekert en ovoreischt de één don ander, en bedrijft gierigheid tegen uwen naaste, en doet de één den ander geweld aan; maar mij hebt gij vergeten, spreekt de Heere Heere. 13 Zie, ik sla mijne lian-den samen over de gierigheid die gij bedrijft, en over het bloed dat in u vergoten is: 11 meent gij dat uw hart het zal kunnen uitstaan of uwe handen het nullen kunnen verdragen, ten tijde als ik het aan u volbrengen zal? Ik, de Heer, heb het gesproken en zal het ook doen; 15 want ik zal u verstrooien onder de volken en u wegwerpen in de landen, en zal een einde maken aan uwe onreinheid: 1G dat gij bij de volken zult vervloekt geacht zijn, en gewaarworden dat ik de Heer ben. 17 En het woord des llee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 18 Gij menschenkind, het huis Israels is mij tot schuim geworden; zij allen zijn koper, tin, ijzer en lood; in den oven zijn zij zilverslakken geworden. 19 Daarom spreekt de |
IËL 22. 1511 Heere Heere aldus: Dewijl gij dan allen schuim zijt geworden, zie, zoo zal ik u allen in Jeruzalem vergaderen ; 20 gelijk men zilver, koper, ijzer, lood en tin bij elkander doet in een oven, onder welken men een vuur aanblaast om het te smelten , zóó zal ik u ook iu mijnen toorn en in mijne grimmigheid bij elkander doen, er inleggen en smelten ; 21 ja ik zal u vergaderen, en het vuur mijns toorns rondom u aanblazen, dat gij daarin zult gesmolten worden ; 22 gelijk het zilver smelt in den oven, zóó zult gij ook daarin gesmolten worden, en gij zult gewaarworden dat ik, de Heer, mijne grimmigheid over u heb uitgestort. 23 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 21 Gij menschenkind, zog tot baar: Gij zijt een land dat' niet te reinigen is en niet beregend wordt ten tijde des toorns. 20 Do profeten die er in zijn, zijn saamgerot om de zielen te verslinden, gelijk een brullende leeuw als hij rooft; zij schrapen geld en |
IËL S3.
EZECH
1512
|
goed tot zicli, en vermenigvuldigen de weduwen in haar. 36 Hare priesters verachten mijne wet moedwillig, en ontheiligen mijn heiligdom; zij maken tusschen het heilige en onheilige geen onderscheid, en leéren niet wat rein of onrein is, en nemen mijne sabbatten niet waar, en ik word onder hen ontheiligd. 37 Hare vorsten zijn in haar als verscheurende wolven, om bloed te vergieten en de zielen omtebrengen wegens hunne gierigheid; 38 en hare profeten pleisteren met losse kalk, prediken ijdele dingen en voorzeggen hun leugens, zeggende : Dus spreekt de Hee-re Heere, daar de Heer het nochtans niet gesproken heeft. 39 Het volk in het land oefent geweld, en zij rooven onbeschroomd, en schenden de armen en ellendigen, en doen den vreemdelingen geweld en onrecht aan. 30 Ik zocht onder hen of iemand een muur opwierp, en voor het land in de bres stond tegen mij, opdat ik het niet zou verderven; maar ik vond niemand. |
31 Daarom stortte ik mijnen toorn uit over hen, en met het vuur mijner grimmigheid maakte ik aan hen een einde; en ik deed al-zoo hunne daden op hun hoofd nederkomen, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 23. 1 En het woord des Heé-ren geschiedde tot mij, zeggende : 3 Gij menschenkind, er waren twee vrouwen, dochters van ccne moeder. 3 Deze bedreven in hare jeugd hoererij in Egypte; daar lieten zij hare borsten aanvatten en de tepels van haren maagdelijken staat betasten. 4 De oudste was genaamd Ohola en hare zuster Oho-liba; en ik nam haar ten huwelijk, en zij baarden mij zonen en dochters; en Ohola is Samarië, en Oholiba Jeruzalem. 5 En Ohola bedreef hoererij, toen ik haar genomen had, en zij werd verliefd op hare boeleerders, op de Assyricrs die tot haar kwamen, 6 op de vorsten en heeren die in zijde gekleed waren, allen schoone jongelingen, te paard zittende ruiters. 7 En zij boeleerde met alle schoone jongelingen uit Assyric, en verontreinigde |
IËL 23.
EZECH
1513
|
zich met al hunne afgoden, waarop zij ook verliefd raakte. 8 Daarenboven verliet zij ook hare hoererij met die van Egypte niet, die in hare vroege jeugd bij haar gelegen en de borsten van haren maagdelijken staat betast en groote hoererij met haar bedreven hadden. 9 Toen gaf ik haar over in de hand van hare bos-leerders, de kinderen van Assur waarop zij zoo verliefd was geweest. 10 Deze ontdekten hare schaamte, en namen hare zonen en dochters weg, en haar doodden zij met het zwaard; en haar naam werd berucht onder do vrouwen, toen zij gestraft was. 11 Als nu hare zuster Oholiba dat zag, ontstak zij nog veel erger dan zij, en bedreef meer hoererij dan hare zuster, 12 en werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en heeren die tot haar kwamen, welgekleed, te paard zittende ruiters en al de schoonste jongelingen. 13 Toen zag ik dat zij beiden op éénerlei wijze verontreinigd waren. 14 Maar deze bedreef nog meer hoererij; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag met roode verf, afbeeldingen van Chal-deën, |
15 de lendenen omgord en bonte hoeden op het hoofd, en allen het aanzien hebbende van vermogende lieden, gelijk de kinderen van Babel en de Chaldeën zijn in hun vaderland, 16 zoo werd zij op hen verliefd zoodra zij hen gewaarwerd, en zond boden tot hen naar Chaldéa. 17 Als nu de kinderen van Babel tot haar kwamen om bij haar te slapen, volgens den minnelust, verontreinigden zij haar door hunne hoererij; en zij verontreinigde zich met hen, zoodat zij hen moede werd. 18 En toen nu hare hoererij en schaamte zoo geheel openbaar was, kreeg ik ook een afkeer van haar, gelijk ik hare zuster ook was moede geworden. 19 Doch zij bedreef hare hoererij hoe langer hoe meer, en gedacht aan den tijd barer jeugd, toen zij in Egyp-teland hoererij bedreven had; 20 en zij werd verliefd op hare boeleerdere, wier onstuimige dVift was als die der ezels en hengsten. 21 Alzoo herdacht gij de onkuischheid uwer jeugd, toen u in Egypte de bor- |
EZECHIËL 23.
1511
|
sten aangevat en de tepels bétast werden. 23 Daarom, Oholiba, dus spreekt de Ileere Heere: Zie, ik zal uwe boeleerders, die gij moede zijt geworden, tegen u verwekken, en zal hen van rondom tegen u opbrengen: 23 de kinderen van Babel én alle Chaldeën, benevens de hoofdlieden, vorsten en heeren, en al de Assyriörs met hen, de schoone jongelingen, allen vorsten en heeren, ridders en edelen, allen ruiters te paard. 24 En die zullen tegen u opkomen, toegerust met wagens en f inters, en met eene grobte menigte volk; zij zullen u van rondom belegeren met rondassen, schilden en helmen, en ik z:il him hetgerioht aanbevelen, dat zij u richten zullen naar hun recht; 25 en ik znl mijnen min-nenijver over u laten gaan, dat zij onbarmhartig met u zullen bandelen; zij zullen u heus en ooren afsnijdeti, en wat er overblijft zal door het zwaard vallen; zij zullen uwe zönen en dochters wegnemen, en het overige met vuur verbranden; 20 zij zullen u uwe klee-deren uittrekken en uw sieraad weo-nemen. |
27 Alzoo zal ik een einde maken aan uwe onkuisch-heid, en aan uwe hoererij met Egypteland, dat gij u-.ve oogen niet meer tot hen opheffen en aan Egypte niet meer gedenken znit. 28 Want dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal u overleveren aan degenen van wie uwe ziel nfkeerig geworden is. 2fl Deze Zullen als vijanden met u handelen, en alles rooven wat gij verworven liebt, en u naakt en bloot laten, dat uwe schaamte ontdekt zal worden, benevens uwe onkuiscliheid en hoererij. 30 Dit alles zal u geschieden om uwe hoererij die gij bedreeft met do heidenen, met wier afgoden gij u verontreinigd hebt: 31 gij hebt op den weg uwer zuster gewandeld, daarom geef ik u ook haren beker in de hand. 32 Dus spreekt de Heere Heere: Gij zult den beker uwer zuster drinken, zoo diep en wijd als hij is: gij zult tot zulk een grootett spot en hoon worden, dat liet onverdraaglijk zal zijn. 33 Gij zult ü dronken drinken van sterken drank Bn jammer; want de beker uwer zuster Samarië is een |
KZEOHIËL 23,
1515
|
beker van jammer en droef-lieid; 3i dien zult gij sclioon uitdrinken, daarna de scherven in stukken smijten, en uwe borsten openrijten; want ik heb het gesproken, spreekt de Heere Heere. 35 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Omdat gij mij vergeten en mij achter uwen rug geworpen hebt, zoo draag nu ook uwe onkuisch-heid en uwe hoererij. 36 En de Heer sprak tot mij: Gij menschenkind, wilt gij Ohola en Oholiba niet bestraften, en haar hare gruwelen niet bekendmaken, 37 dat zij met de afgoden overspel bedreven, en bloed vergoten, en het huwelijk gebroken hebben; daarenboven verbrandden zij hare kinderen, die zij mij gebaard hadden, hun tot een otter. 38 Ook dit nog hebben zij tegen mij bedreven : zij hebben op dien tijd mijne heiligdommen verontreinigd en mijne sabbatten ontheiligd; 39 want als zij hare kinderen aan hare afgoden geslacht hadden, gingen zij op denzelfden dag in mijn heiligdom om het te ontheiligen ; zie, dat hebben zij in mijn huis gedaan. |
40 Ook hebt gij boden gezonden naar de lieden die uit verre landen zouden komen ; en zie, toen die kwamen , gingt gij u baden, en u blanketten, en u versieren met sieraad, hun ter eer; 'il en gij zat op een sierlijk bed, voor hetwelkeene tafel toegericht stond; op deze wierooktet gij en ofler-det mijne olie. 42 Toen ontstond er een groot vreugdegejuich; en zij gaven den lieden, die overal uit de menigte des volks en uit de woestijn gekomen waren, sieraad aan hunne armen en schoone kronen op hunne hoofden. 43 Ik nu dacht: Zij is het overspel gewend van ouds af, zij kan de hoererij niet laten; 44 want men gaat tot haar in gelijk men tot eene hoer uit- en ingaat, evenzoo gaat men in tot Ohola en Oholiba, die onkuische vrouwen. 45 Daarom zullen de mannen die het recht volbrengen haar strail'en, zoouls men de overspeelsters en bloed-vergietsters behoort te straffen; want zij zijn overspeelsters , en hare handen zijn vol bloed. 4U Want aldus spreekt de Heere Heere: Ik voer eene groote menigte tegen haar herwaarts op, en geef ze |
EZECHIËL 34.
1516
|
tot plundering en tot roof; 47 en de vergadering zal ze steenigen en met zwaarden doorsteken, en hare zonen en dochters dooden, en hare huizen met vuur verbranden. 48 Alzoo zal ik een einde maken aan de onkuischheid in het land, dat al de vrouwen zich daaraan spiegelen zullen, en zulke onkuischheid niet nadoen: 49 alzoo zal men uwe onkuischheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer afgoden dragen, opdat gij gewaarwordt dat ik de Heere Heere ben. HOOFDSTUK 24. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij in het negende jaar, op den tienden dag der tiende maand, zeggende: 3 Gij menschenkind, schrijf dezen dag aan, ja dezen zelfden dag; want de koning van Babel legert zich op dezen zelfden dag voor Jeruzalem. 3 En stel aan dit ongehoorzame volk eene gelijkenis voor, en zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Zet een pot op het vuur, zet hem op het vuur en giet er water in. |
4 Doe de stukken er gezamenlijk in, die er in moeten: de beste stukken, de lendenen en schouders; en vul hem met de beste merg-beenderen. 5 Neem het beste der kudde, en stook er een vuur onder, om de mergbeende-ren te koken; en laat het wèl zieden, dat ook de beenderen daarin gekookt worden. ö Daarom spreekt de Heere Heere aldus: O welk eene moorddadige stad, die zulk een pot is, waaraan het aangebrande kleeft en er niet van afgaat! Doe het ééne stuk na het andere daaruit, eu gij behoeft er niet om te loten, welk er het eerst zal uitgaan. 7 Want haar bloed is er in, hetwelk zij op eene naakte steenrots en niet op de aarde vergoten heeft, alwaar men het nog met aarde had kunnen bedekken. 8 En ik heb haar daarom ook dat bloed op eene naakte steenrots doen storten, teneinde het niet bedekt zou worden, opdat de grimmigheid over haar zou komen , en het gewroken worden. 9 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: O gij moorddadige stad, die ik tot een groot vuur zal maken! |
EZECHIËL 24.
1517
|
10 Draag nog meer hout aan, ontsteek het vuur, opdat het vleesch gaar worde, en kruid liet wol, dat ook de beenderen verbranden. 11 Zet den pot daarna ledig op de kolen, dat hij heet worde, en zijn koper dóórgloeie, of' misschien zijne onreinheid versmelte en het aangebrande er afga. 13 Maar het aangebrande, hoezeer het brande , wil er niet afgaan; want het is te-zeer aangebrand, het moet in het vuur versmelten. 13 Uwe onreinheid is zoo verhard, dat, hoe gaarne ik u wilde reinigen, gij u nochtans niet wilt laten reinigen van uwe onreinheid; daarom kunt gij voortaan niet weder rein worden, voordat mijne grimmigheid zich aan u gekoeld zal hebben. 11 Ik de Heer heb het gesproken, het zal komen, ik zal het doen en niet uitstellen , ik zal niet verschoo-nen noch het mij Laten berouwen ; men zal u richten naardat gij geleefd en gedaan hebt, spreekt de Hee-re Heere. 15 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : |
16 Gij menschenkind, zie, ik zal u door eene plaag den wellust uwer oogen benemen; maar gij zult niet klagen noch weenen, zelfs geen traan zal er bij u te-vooisehijnkomen. 17 Heimelijk moogt gij zuchten, maar geen dooden-rouw maken; gij moet uw sieraad aandoen, en uwe schoenen aantrekken; gij moogt uwen mond niet bewinden en het rouwbrood niet eten. 18 En als ik des morgens vroeg tot het volk sprak, stierf op den avond mijne huisvrouw; en ik deed den anderen morgen zooals mij bevolen was; 19 en het volk zeide tot mij: Wilt gij ons dan niet te kennen geven wat hetgeen gij doet beduidt? 20 En ik zeide tot hen: He Heer heeft met mij gesproken, zeggende: 21 Zeg aan het huis Israels, dat de Heere Heere aldus spreekt: Zie, ik zal mijn heiligdom, uw hoog-sten troost, den lust uwer oogen en den wensch uws harten, ontheiligen; en uwe Zonen en dochters, die gij verlaten moet, zullen door het zwaard vallen. 22 En gij moet doen gelijk ik gedaan heb: uwen mond zult gij niet bewinden, en het rouwbrood niet eten, 23 maar uw sieraad op uw |
EZECHIËL 25.
1518
|
hoofd zetten, en uwe schoenen aantrekken; gij zult niet klagen noch weenen, maar wegens uwe zonden versmachten en onder elkander zuchten. 24 En alzoo zal Ezechiël ulieden tot een voorbeduidend teeken zijn, aatgij doen moet gelijk hij gedaan heeft, als het nu komen zal; opdat gij gewaarwordt dat ik de Heere Heere ben. 2 5 En gij menschenkind, in dien tijd, als ik van hen zal wegnemen hunne macht en hunnen troost, den last hunner oogen en den wensch huns harten, hunne zonen en dochters, 26 ja in dien tijd zal een die ontkomen is tot u komen , en zal het u bekendmaken. 27 In dien tijd zal u de mond geopend wordendoor dengeen die ontkomen is, dat gij zult spreken en niet meer zwijgen; want gij zult hun tot een voorbeduidend teeken zijn, totdat zij gewaarworden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 25. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, keer uw aangezicht tegen de kinderen Ammons en profeteer tegen hen; |
3 en zeg tot de kinderen Aminons: Hoort het woord des Heeren Heeren; dus spreekt de Heere Heere: Omdat gij over mijn heiligdom gezegd hebt: Ha, het is ontheiligd! en over het land van Israël: Het is verwoest ! en over het huis van Juda: Het is gevankelijk weggevoerd! — 4 daarom zie, ik zal u aan de kinderen van het oosten overgeven, dat zij hunne sterkten in u bouwen en hunne woningen in u opslaan; uwe vruchten zullen zij opeten en uwe melk zullen zij drinken. 5 Eu ik zal Eabba tot een kameelenstal maken, en de kinderen Ammons tot schaapskooien; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 6 Want dus spreekt de Heere Heere: Omdat gij in 'uwe handen geklapt en met uwe voeten gestampt, en u oyer hel land van Israël van ganscher harte smadelijk verheugd hebt: 7 daarom zie, ik zal mijne hand over u uitstrekken en u den volken tot een roof geven, en u uit de volken uitroeien en uit de landen ombrengen, en u verdelgen, |
EZECHTËL 36.
1519
|
opdat gij gewaarwordt dat ik de Heer ben. 8 Dus spreekt de Heere Heere: Omdat Moab en Seïr zeggen: Zie, het huis van Juda is als alle andere volken: 9 zie, zoo zal ik Moab de zijde openen , namelijk zijne steden die aan de grenzen liggen, het sieraad des lands, Beth-.lesimoth, Baal-Meon en Kirjathaïm, 10 voor de kinderen van het oosten, benevens de kinderen A rmnons, die ik hun töt een erfdeel gegeven heb, opdat men aan de kinderen Amnions niet meer gedenke onder de volken; 11 ook over Moab zal ik het recht laten gaan, en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. 13 Dus spreekt de Heere Heere: Omdat Edom zich aan het huis van Juda gewroken heeft, en zij zichzel-ve dikwijls schuldig gemaakt hebben door zich aan hen te wreken, 13 daarom spreekt de Heere Heere aldus: Ik zal mijne hand uitstrekken over Edom, en zal vandaar uitroeien mensch en vee; en ik zal het tot puinhoopen maken van Teman af tot Dedan toe, en hen door het zwaard ternedervellen; |
14 en ik zal mij weder aan Edom wreken door mijn volk Israël, en zij zullen met Edom handelen overeenkomstig mijnen toorn en mijne grimmigheid, zoodat zij mijne wraaak zullen gewaarworden , spreekt de Heere Heere. 15 Dus spreekt de Heere Heere: Omdat de Eilistij-nen zich gewroken en den ouden haat geboet hebben , met allen moedwil, tot verderf van mijn volk, 16 daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik zal mijne hand uitstrekken over de Filistijnen, en de Kere-thieten uitroeien, en de overgeblevenen aan de zeekust ombrengen; 17 en ik zal geduchte wraak aan hen oefenen, en hen met grimmigheid straffen, zoodat zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik mijne wraak aan hen geoefend zal hebben. HOOFDSTUK 2G. 1 En in het elfde jaar, op den eersten dag der eerste maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 2 Gij menschenkind, omdat ïyrus van .Teruzalem gezegd heeft: Ha, do poort (Ier volken is verbroken, zij is |
EZECHIËL 26.
1520
|
tot mij overgebracht; ik zal vol worden, nu zij woest is, — 3 daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik wil aan u, Tyrus, en ik zal vele volken tegen u opbrengen, gelijk eene zee zich verheft met hare golven. 4 Die zullen de muren van ïvrus verderven en hare torens afbreken; ja ik zal ook het stof voor naar wegvegen, en zal haar maken tot eene naakte steenrots, 5 en tot eene plaats waar men viseImetten uitspreidt in de zee; want ik heb het gezegd, spreekt de Heere Heere; en zij zal den volken tot een roof worden. G En hare dochters, die op het veld liggen, zullen door het zwaard gedood worden; en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. 7 Want dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal over Tyrus brengen Nebu-kadrezar den koning van Babel, van het noorden af, die een koning aller koningen is, met paarden, wagens, ruiters, en met eene groote menigte volk. 8 I)ie zal uwe dochters, die op het veld liggen, met het zwaard dooden, en tegen u zal hij bolwerken opwerpen en een wal maken. |
en schilden tegen u toerusten; 9 hij zal met stormrammen uwe muren omverstooten, en uwe torens met zijne wapenen omverrukken. 10 Het stof van de menigte zijner paarden zal u bedekken; ook zullen uwe muren beven van het ge-druisch zijner ruiters, raderen en paarden, als hij door uwe poorten zal intrekken gelijk men in een doorgebroken stad pleegt intetrekken. 11 Hij zal met de hoeven zijner paarden al uwe straten vertreden, uw volk zal hij met het zwaard dooden, en uwe sterke pilaren ter aarde nederrukken; 12 zij zullen uw goed roo-ven en uwe kostbare waren plunderen, uwe muren zullen zij afbreken en uwe schoone huizen omverrukken ; en zij zullen uwe stee-nen, uw hout en uw stof in het water werpen. 13 Zoo zal ik aan het geluid uws gezangs een einde maken, dat men hetgeklank uwer harpen niet meer hoo-ren zal. 14 En ik zal eene naakte steenrots van u maken, en eene plaats waar men visch-netten uitspreidt, dat gij niet meer gebouwd zult worden; want ik ben de |
IËL 27.
EZECH
1521
|
Heer, die dat spreek, zegt de Heere Heere. 15 Dus spreekt de Heere Heere tot Tyrus: Zie of niet de eilanden zullen beven van het geluid uws vals, en bij het gekerm der gewonden die in u zullen vermoord worden. IC Alle vorsten aan de zee zullen van hunne zetels aftreden, en hunne gewaden van zich wegdoen, en hunne gestikte kleederen uittrekken ; zij zullen in rouwgewaden gaan, en op de aarde zitten, en zullen verschrikken en zich ontzetten over uwen schielijken val; 17 zij zullen een klaaglied over u aanheffen, eu van ii zeggen: Ach hoe zijt gij geheel woest geworden, gij vermaarde stad, gij die aan de zee laagt, en zoo machtig waart ter zee, benevens uwe inwoners, dat het ge-heele land voor u moest vreezeu! 18 Ach hoe ontzetten zich de eilanden over uwen val, ja de eilanden in de zee verschrikken over uwen ondergang ! 19 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal u tot eene woeste stad maken, gelijk andere steden in welke niemand woont, en een grooten vloed over u doen komen, dat de groote wateren u zullen bedekken. |
20 En ik zal u terneder-werpen bij degenen die in den kuil dalen, tot de lang voorheen gestorvenen; ik zal u in het onderste der aarde doen vallen, en u gelijk eene eeuwige woestijn maken, met degenen die in den kuil dalen, opdat niemand in u wone; terwijl ik luister geef in het land der levenden. 21 Ja tot een schrik zal ik u maken, dat gij niet meer zijn zult; en als men naar u vraagt , dat men u eeuwiglijk niet meer vinden kan, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 27. 1 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij menschenkind, hef eene rouwklacht aan over Tyrus; 3 en zeg tot Tyrus, dat vooraan de zee ligt, en met vele eilanden der volken handelt: Dus spreekt de Heere Heere: O Tyrus, gij zegt: Ik ben de allerschoonste. 4 Uwe grenspalen zijn midden in de zee, en uwe bouwlieden hebben u op het allerschoonst bereid; 5 zij hebben al uw plankwerk van Senirs dennen gemaakt , de cederen van den Libanon genomen om uwe |
EZ EC HIEL 27.
1523
|
mastboomen daarvan te maken , 6 en uwe riemen van eiken nit Basan, en uwe roeibanken van elpenbeen, en de kostelijke gestoelten uit de eilanden der Kitteërs; 7 uw zeildoek was van gestikte zijde uit Egypte, u tot eene banier, en uw tentverdek van liemels-blauw en purper uit de eilanden van Elisa. 8 De inwoners van Sidon en Arvad waren uwe roeiers, en gij hadt geschikte lieden te Tyfus om te varen; 9 de oudsten en scLran-dersten van Gebal moesten uwe seliepen timmeren, alle schepen der zee en hun scheepsvolk vond men bij u; die dreven uwen handel. 10 Die uit Perzie, Lydië en Libye waren uw krijgsvolk, die hunne schilden en helmen in u ophingen, en voegden u luister toe; 11 die van Arvad waren onder uw heir op uwe muren rondom, en de Gamma-dieten op uwe torens; die hebben hunne schilden overal aan uwe muren opgehangen , en uwe schoonheid volkomen gemaakt. 13 Tarsis dreef koophandel met n; en allerlei waren, zilver, ijzer, tin en lood werden op uwe markten gebracht. |
13 Javan, Tubal en Mesech hebben met u gehandeld, en hebben u lijfeigenen en koper op uwe markten gebracht. 14 Die van Togarma hebben u trek- en rijpaarden en muilezels op uwe markten gebracht. 15 Die van Dedan zijn uwe kooplieden geweest, en gij hebt overal in de eilanden gehandeld; die hebben elpenbeen en ebbenhout aan u verkocht. 16 De Syriërs hebben uw werk hetwelk gij gemaakt hebt bij u gehaald, en robijnen, purper, tapijten, zijde en fluweel en koralen op uwe markten gebracht. 17 Juda en het land van Israël hebben ook met u gehandeld, en hebben u tarwe van Minnith, en gebak , en honig, en olie, en mastik op uwe markten gebracht. 18 Ook heeft Damascus uw werk en allerlei waren bij U gehaald, voor wijn van Helbon en kostelijke wol. 19 Yedan en .lavan en Meüzal hebben ook op uwe markten gebracht ijzerwerk, kassia en kalmus, om daarmede te handelen. 20 Dedan heeft met u ge- |
EZECHIËL 27.
m-i
|
liandeld in (lekken waarop men zit. 31 Arabiü en al de vorsten van Keclar dreven niet n handel in schapen, rammen en bokken. 32 De kooplieden van Seheba en Raëma hebben met n gehandeld, en allerlei kostelijke specerijen en edelgesteenten en goud op uwe markten gebracht. 33 Haran en Kaunc en Eden, benevens de kooplieden uit Ssheba, Assur en Kibnad, zijn ook uwe kooplieden geweest; 24 die allen hebben met u gehandeld in kostelijk gewaad, in zijde en keurig bewerkte stollen, die zij in kostelijke kisten, van cederhout gemaakt, en welbe-waard, op uwe markten gevoerd hebben. 35 De schepen vanTarsis zijn de voornaamste op uwe markten geweest; akoozijt gij zeer rijk en heerlijk geworden in het midden der zee. 36 Maar uwe roeiers hebben u op machtige wateren gevoerd, en een oostenwind verbrijzelde u in het midden der zee; |
37 zoodat uwe waren, kooplieden, handelaars, schippers, zeelieden, en die uwe schepen maakten, en ruilhandeldrijvers, en al uwe krijgslieden, en al het volk dat in u is, midden in de zee zullen omkomen, ten tijde als gij tegrondegaat; 38 dat ook de havens zullen beven van het gejammer uwer scheepslieden; 3'J en allen die de riemen hanteeren, benevens liet scheepsvolk en de stuurlieden , zullen uit de schepen aan het land treden, 30 en luidkeels over u roepen en bitterlijk jammeren , en zij zullen stof op limine hoofden werpen, en zich in asch wentelen; 31 zij zullen zich kaal scheren om u, en zich zakken omgorden, en van harte bitterlijk om u weenen en treuren; 33 en zij zullen kermende een klaaglied over u aan-lieiïen: Ach, wie is ooit op de zee zoo stil geworden als gij o Tyrns! 33 Toen gij uwen handel ter zee dreeft, maaktet gij vele landen rijk; ja niet de menigte uwer waren en uwer koopmanschappen maaktet gij de koningen der aarde i'ijk; 31 maar nu zijt gij door de zee in de diepte der wateren gestort, zoodat uw handel, en al uw volk dat in u was, ver «'aan is. |
EZEOHIËL 38.
1524
|
35 Allen die op de eilanden wonen, verschrikken over u; en hunne koningen ontzetten zich en zien er geheel ontroerd uit. 36 De kooplieden in de landen fluiten u aan, dat gij zoo schielijk zijt tegron-degegaan, en niet weder kunt opkomen. HOOFDSTUK 28. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, zeg tot den vorst van Tyrus: Dus spreekt de Heere Heere: Omdat uw hart zich verheft, en gij zegt: Ik ben God, ik zit op den troon Gods midden in de zee: daar gij toch een mensch en geen god zijt, en echter uw hart zich verheft als het hart van een god; — 3 zie, gij acht u verstandiger dan Daniël, dat u niets verborgen zou zijn, 4 en dat gij door uwe wijsheid en uwquot; verstand die macht teweeggebracht en schatten van gouden zilver vergaderd hebt, 5 en door uwe groote wijsheid en handel zoogroo-te macht verkregen hebt: daarvan zijt gij zoo trotsch geworden, omdat gij zoo machtig zijt : — |
6 daarom spreekt de Heere Heere aldus; Dewijl dan uw hart zich verheft als het hart eens gods, 7 daarom zie, ik zal vreemden tegen u zenden, de geweldenaars der volken; die zullen hunne zwaarden uittrekken tegen uwe schoo-ne wijsheid, en uwe groote eer te schande maken; 8 zij zullen u nederwaarts in den kuil stooten, dat gij in het midden der zee zult sterven als de verslagenen. 9 Zie toe, of gij dan ook voor het aangezicht van uwen doodslager zult zeggen: Ik ben een god, daar gij immers geen god , maar een mensch en in de hand uws doodslagers zijt. 10 Gij zult sterven als de onbesnedenen, door de hand van vreemden; want ik heb het gesproken , spreekt de Heere Heere. 11 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 12 Gij menschenkind, lief eene rouwklacht aan over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Dus spreekt de Heere Heere: Gij zijt een zuivere zegelring, vol van wijsheid, en zeer schoon; 13 gij zijt in den lusthof Gods, en met allerlei edelgesteenten versierd, met |
EZECHIEL 38.
153S
|
3 sardis, topaas, diamant, tur-i koois, onyx, jaspis, saffier, s amethyst, smaragd en goud; ten dage toen gij geschapen werdt, was bij u muziek s van trommels en fluiten; ; dit alles werd u toegeschikt. i 14 Gij zijt als een cherub die zich wijd uitbreidt en b bescherming geeft; en ik heb n op den heiligen berg s Gods gesteld, dat gij onder rj vurige steenen wandeldet; t I 15 en gij waart zonder gebrek in uw doen van den c dag toen gij geschapen i werdt, — zoolang totdat er misdaad in u gevonden r werd. r 16 Want gij zijt van bin-l nen vol geweldenarij geworden, vanwege uwen uitge-b breiden handel, en hebt i gezondigd; daarom zal ik u b nederstorten van den berg e Gods, en zal u, den over-schaduwenden cherub, uit s de vurige steenen wegdoen. , 17 En dewijl uw hart zich verheft omdat gij zoo schoon if zijt, en gij u door uwe r wijsheid hebt laten bedriegen i in uwe pracht, daarom wil t ik u ter aarde storten, en t een schouwspel van u ma-1 ken voor de koningen. ; 18 Want gij hebt uw hei-f ligdom verdorven met uwe groote misdaden en uwen t verkeerden handel; daarom zal ik een vuur uit u laten opgaan dat n verteren zal, en ik zal u tot asch maken op de aarde, voor het oog' der geheele wereld. |
li) Allen die u kennen onder de volken, zullen zich over ii ontzetten, dat gij zoo schielijk zijt tegronde-gegaan, en nooit weder kunt opkomen. — 20 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 21 Gij menschenkind, stel uw aangezicht tegen Sidon en profeteer tegen haar, 22 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik wil aan u, Sidon, en zal eer aan u behalen; opdat men gewaarworde dat ik de Heer ben, als ik het recht over haar doe gaan, en aan haar betoon dat ik heilig ben. 23 En ik zal pest en bloedstorting in haar zenden op hare straten, en er zullen doodelijk gewonden in haar vallen, door het zwaard dat overal tegen haar gaan zal; en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. 24 En voortaan zullen voor het huis Israels geen stekende doornen noch kwetsende distels meer blijven, onder allen rondom die hen teisterden; opdat zij gewaar- |
EZECH1ËL 29.
1526
|
worden dat ik de Heers Heere ben. 25 Dus spreekt de Heere Heere; Als ik het liuis Israels weder vergaderen zal uit de volken waarheen zij verstrooid zijn. zoo zal ik voor de oogen der volken aan hen betoonen dat ik heilig ben, en zij zullen in hun land wonen hetwelk ik mijnen knecht Jakob gegeven heb; 2ö en zij zullen daarin veilig wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten, ja veilig zullen zij wonen, als ik het recht zal doen gaau over al hunne vijanden rondom; en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer hun God ben. HOOFDSTUK 20. 1 In het tiende jaar, op den twaalfden dag' der tiende maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende; 2 Gij meuscheiikind, stel uw aangezicht tegen Farao den koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen geheel Egypteland; 3 en zeg; Dos spreekt de Heere Heere: Zie, ik wil aan u o larao, koning van Egypte, gij groote draak, gij die in uwe rivier ligt en zegt: De stroom is de mijne, en ik heb hem voor mij gemaakt. |
4 Maar ik zal u een gebit in den mond leggen, en de visschen in uwe wateren aan uwe schubben doen hangen, en ik zal u uit uwen stroom uittrekken, en alle visschen iu uwe wateren zullen aan uwe schubben blijven hangen; 5 ik zal u en al de visschen uit uwe wateren in de woestijn wegwerpen; gij zult op het land vallen , en niet weder opgezocht noch verzameld worden, maar voor de dieren op het land en de vogels des hemels zult gij tot aas worden. 6 En allen die in Egypte wonen zullen bevinden dat ik de Heer ben, omdat zij voor het huis van Israel een rietstaf geweest zijn: 7 als zij hem in de hand namen, zoo brak hij en stak hen door de zijden; en als zij daarop leunden, zoo verbrak hij en stak hen in de lendenen. S Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik zal het zwaard over u brengen en beide menschen en vee van u lutroeien; ü en Egypteland zal tot eene verwoesting en wildernis worden, en zij zullen gewaarworden dat ik de Heei De i en il maal 10 woes van tot Moo 11 mens nen ; 13 woes woes dén ande veert de I onde den 13 Heer tig zal i der ken stroo 11 schaj en h van tvelk zij zi konii 15 zijn rijke |
E Z E C It [ K L 29.
1527
|
Heer ben; omdat liij zegt: De waterstroom is de mijne, en ik ben liet die liem gemaakt heeft. 10 Daarom zie, ik wil aan u en aan uwe waterstroo-men, en ik zal Egyptelaiid woest en eenzaam maken, van den toren te Syeno af tot aan de grenzen van Moorenland, 11 dat er noch vee nooli menschen in zijn of aldaar wonen zullen veertig jaar lang; 13 want ik zal Egypteland veest maken als andere verwoeste landen, en zijne steden woest laten liggen als andere verwoeste steden, veertig jaar lang; en ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de volken, en in de landen zal ik lien verspreiden. 13 Doch aldus spreekt de Heere Heere: Wanneer veertig jaren zullen om zijn, zal ik de Egyptenaars weder verzamelen uit de volken onder welke zij verstrooid zijn, 14 en ik zal de gevangenschap van Egypte wenden, en hen weder in het land van Pathros brengen, hetwelk Iran vaderland is; en zij zullen- aldaar een klein koninkrijk zijn. |
15 Want zij zullen klein zijn tegen andere koninkrijken, en niet meer heer-schen over de volken; en ik zal hen verminderen, dat zij niet over.de volken heerschen zullen; bit de en m- ren ille •en gt;611 ds- in g'j en )eli 301' en ult pte Sat zij 3en md tak als rer-de «re liet en van tot ler-llen de 16 opdat het huis Israels zich niet meer op hen verlate en zondige door hen aantehangen; en zij zullen bevinden dat ik de Heere Heere ben. —• 17 En in het zevenentwintigste jaar, op den eersten dag der eerste maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende; 18 Gij menschenkind, Ne-bukadrezrtr de koning van Babel heeft zijn heir een zwaar werk laten doen tegen Tyrus, zoodat alle hoof-(len kaal en alle zijden afgeschaafd waren, en zijn arbeid voor Tyrus is noch aan hem noch aan zijn heir beloond geworden. 19 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik zal aan Nebukadrezar, den koning van Eabel, Egypteland geven, dat hij al hun goed wegnemen en hen be-rooven en plunderen zal, opdat hij aan zijn heir de belooning geve: 20 het land van Egypte zal ik hem geven voor zijnen arbeid dien hij daaraan gedaan heeft; want zij hebben mij gediend, spreekt de Heere Heere. |
EZECHIÊL 30.
1528
|
21 In dien tijd zal ik den hoorn van het huis Israels doen uitspruiten, en ik zal uwen mond onder hen opendoen, opdat zij ondervinden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 30. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, profeteer en zeg: Dns spreekt de Heere Heere: Jammert: Wee die dag! 3 Want de dag is nabij, ja de dag des Heeren is nabij, een duistere dag, de tijd der volken is daar, 4 en het zwaard zal over Egypte komen, en Mooren-land zal verschrikken, als de verslagenen in Egypte vallen, en hun volk wordt weggevoerd en hunne grondvesten omvergerukt worden; 5 Moorenland, en Libye, en Lydië, en de geheele gemengde hoop, en Knb, en die uit het land des ver-bonds zijn, zullen met hen door het zwaard vallen. 6 Dus spreekt de Heer: De besohermheeren van Egvpte zullen vallen, en de lioo-vaardij hunner macht zal terjiederstorten: van den toren te Syene af zullen zij door het zwaard vallen, spreekt de Heere Heere; |
7 en zij zullen in het mid den der woeste landen ver woest worden, en hunne steden zullen onder andere verwoeste steden woest liggen; 8 opdat zij gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik een vuur in Egypte maak, zoodat allen die hen helpen vernield worden. 9 In dien tijd zullen er boden van mij uitgaan in schepen, om Moorenland, dat nu zoo zorgeloos is, te verschrikken; en er zal een schrik onder hen zijn, gelijk het in Egypte toeging toen hun tijd kwam; want zie, hij komt gewis. 10 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal de menigte in Egypte wegnemen door Nebukadrezar den koning van Babel; 11 hij, en zijn volk met hem , de geweldenaars d volken, zijn aangevoerd om het land te verderven, en zij zullen hunne zwaarden uittrekken tegen Egypte, dat het land overal vol verslagenen zal zijn; 12 en ik zal de waterstroo-inen droogmaken, en het land aan booze lieden ver-koopen, en ik zal het land en wat er in is door vreemden verwoesten: ik de Heer heb het gesproken. |
EZECHIEL 30.
1529
|
18 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal de afgoden te Nof uitroeien en de afgoden verdelgen; ook zal Egypte geen vorst meer heb-Len, en ik zal een sckrik in Egypteland zenden. 14 Ik zal Path ros woest maken, en een vuur te Zoan ontsteken, en liet recht over No doen gaan. 15 En ik zal mijne gramschap uitstorten over Sin, de sterkte van Egypte, en zal de menigte van No uitroeien. 16 Ik zal een vuur in Egypte ontsteken, en Sin zal beangst en bang worden, en No zal verscheurd, en Nof dagelijks beangst worden. 17 De jongelingen van On en Pibéseth zullen door het zwaard vallen, en de vrouwen gevankelijk weggevoerd worden. 18 Tachpanhes zal een donkeren dag hebben, als ik het juk van Egypte verbreken zal, opdat de trotsch-heid harer macht een einde hebbe; zij zal met wolken bedekt worden, en hare dochters zullen gevankelijk worden weggevoerd. 19 En ik zal het recht over Egypte doen gaan, opdat men gewaarworde dat ik de Heer ben. — |
20 En in het elfde jaar, op den zevenden dag der eerste maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 21 Gij menschenkind, ik zal den arm van Farao den koning van Egypte verbreken, en zie, hij zal niet verbonden worden dat hij genezen kan, noch met zwachtels omwonden worden dat hij tot vorige sterkte kome, om het zwaard te kunnen vatten. 22 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik wil aan Farao den koning van Egypte, eu zal zijne armen verbreken, zoo den sterke als den zwakke, dat hem het zwaard uit de hand zal vallen; 23 en ik zal de Egypte-naars onder de volken verstrooien en in de landen verspreiden. 2-1 Maar de armen des konings van Babel zal ik versterken, en hem mijn zwaard in de hand geven; en ik zal Farao's armen verbreken, dat hij voor hem zal kermen als een doode-lijk gewonde. 25 Ja, ik zal de armen des konings van Babel versterken, dat Farao's armen krachteloos nederzinken; opdat zij gewaarworden dat ik |
EZEiCHIEL ,31.
1530
|
de Heer ben, als ik mijn aard den koning van Ba-bel in de hand geef, opdat bij liet over Egypteland uitstrekke, 36 en ik de Egyptenaars onder de volken verstrooie en in de landen verspreide, opdat zij gewaarworden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 31. 1 En in liet elfde jaar, op den eersten dag der derde maand, geschiedde liet woord des Heeren tot mij, zeggende: 2 Gij mensclienkind, zeg tot Earao den koning van Egypte, en tot al zijn volk: quot;VVien meent gij dan dat gij gelijk zijt in uwe heerlijkheid? 3 Zie, Assur was als een cederboom op den Libanon, schoon van takken en dicht van loof en zeer hoog, zoodat zijn top hoog stond onder groote dichte takken. 4 De wateren maakten hem groot, en de diepte deed hem hoog opschieten; zijne stroomen gingen rondom zijnen stam, en zijne beken tot alle boomen des velds. 5 Daarom is hij hooger geworden dan alle boomen des velds, en hij kreeg vele tokken en lange scheuten; |
want hij had water genoeg om zich uittebreiden. ü Alle vogels des hemels nestelden op zijne takken, en alle dieren des velds kregen jongen onder zijne scheuten; en onder zijne schaduw woonden alle machtige volken. 7 Hij had schoone, groote en lange takken, want zijne wortels hadden overvloed van water; 8 en geen cederboom in Gods hof was aan hem gelijk, en de dennen waren met zijne takken niet te vergelijken, en de platanen waren niets tegen zijne scheuten; ja hij was zoo schoon als geen boom in Gods hof. 9 Ik heb hem zoo schoon gemaakt, dat hij zoovele takken kreeg, zoodat alle bekoorlijke boomen in Gods hof hein benijdden. 10 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Dewijl hij zoo hoog geworden is en zijn top onder hooge, dikke scheuten stond, en zijn hart zich verhief omdat hij zoo hoog was, 11 daarom gaf ik hem over in de hand van het machtigste der volken, dat het met hem naar willekeur handelde, en hem verdreef, zooals hij verdiend had heid; 12 denaf uitroi den; op d daler ten alle dat van wegs ten, 13 mels stam des i laa'ei li boor vanv verh oiuk ten aan bovlt; vorl allei aan wor sclit den 15 He( ten ik i om en rug |
EZECHIËL 31.
1381
|
had met zijne goddeloosheid.; 13 dat vreemden, geweldenaars der volken, hem uitroeiden en hem verstrooiden; en dat zijne takken op de bergen en in alle dalen lagen, en zijne scheuten verbroken lagen aan alle beken in het land; zoodat alle volken der aarde van onder zijne schaduw weggingen en hem verlieten, 13 en alle vogels des hemels op zijn omgevallen stam zaten, en alle dieren des velds onder zijne takken lagen; 11 opdat voortaan geen boom aan het water zich vanwege zijne hoogte meer verhefie, omdat zijn top onder groote, dikke scheuten staat; en geen boom aan het water zich meer boven een anderen boom verhefie; want zij moeten allen onder de aardo en aan den dood overgegeven worden, gelijk andere men-schen die in den kuil nederdalen. 15 Dus spreekt do Heere Heere: In dien tijd als hij ten grave nederdaalde deed ik rouw bedrijven; ik stopte om hem do waterbron toe, en hield hare stroomen terug, dat de groote wateren niet konden loopen; en ik maakte dat wegens hem de Libanon treurde, en alle boomen des velds verdorden. |
16 Ik verschrikte de volken toen zij hem hoorden vallen, toen ik hem nederwaarts stiet in het graf, met degenen die in den kuil dalen; en alle bekoorlijke boomen in het onderaard-scho land, de edelste en beste op den Libanon, en alle die aan het water gestaan hadden, gunden het hem wel. 17 Want ook deze waren met hem nederwaarts gedaald ten grave, bij de verslagenen door het zwaard; dewijl zij onder de schaduw van zijnen arm gewoond hadden in het midden dei-volken. 18 Hoe groot meent gij dan dat gij zij I, met uwe pracht en heerlijkheid, onder de bekoorlijke boomen? Want gij zult met de bekoorlijke boomen onder de aaide nederdalen, en liggen onder de onbesnedenen die door het zwaard verslagen zijn. Zóó zal het Farao gaan mot al zijn volk, spreekt de Heere Heere. |
EZECHIËL 33.
1532
|
HOOFDSTUK 32. 1 En in het twaalfde jaar, op den eersten dag dei-twaalfde maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 3 Gij menschenkind, hef een klaaglied aan over Farao den koning van Egypte, en zeg tot liem: Gij zijt als een leeuw onder de volken, en gelijk een zeedraak; gij springt in uwe stroomen, en beroert het water met uwe voeten, en maakt zijne stroomen tot slijk. 3 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal mijn net over u uitwerpen door eene menigte van machtige volken, die zullen u in mijn garen jagen; '1 en ik zal u op het land halen, en op het veld wer- £en, dat al de vogels desen, dat al de vogels des emels op u zullen zitten, en al de dieren der aarde van u verzadigd worden; 5 en ik zal uw aas op de bergen werpen, en met uwe hoogte de dalen vervullen; 6 het land waarin gij zwemt zal ik van uw bloed rood maken tot aan de bergen toe, dat de beken vol van u worden. 7 En als gij geheel weg zijt, zal ik den hemel bedekken en zijne sterren verduisteren, en de zon met wolken overtrekken, en de maan zal niet schijnen; |
8 al de lichten aan den hemel zal ik wegens u laten donker worden, en zal duisternis in uw land maken, spreekt de Heere -Heere. . 9 Ook zal ik het hart van vele volken verschrikt maken, als ik uwe plaag doe weten aan natiën en landen die gij niet kent, 10 vele volken zullen zich over u ontzetten, en hunne koningen zullen een afgrijzen van u hebben, als ik mijn zwaard hun in deoo gen laat blinken; en zij zullen schielijk verschrikken, dat hun het hart ontzinken zal wegens uwen val. 11 Want dus spreekt de Heere Heere: Het zwaard des konings van Babel zal u treffen. 13 En ik zal uw volk ter-nedervellen door het zwaard der helden, en door allerlei geweldenaars der volken; die zullen de heerlijkheid van Egypte vernielen, dat al haar volk verdelgd zal worden. 13 En ik zal al haar vee doen omkomen in de groo-te wateren, dat geen meu-schenvoet noch beestenklauw ze meer beroeren zal. 14 Dan zal ik hunne wa-» |
EZECHIËL 32.
1533
|
teren doen bezinken, en hunne stroomen doen vloeien als olie, spreekt de Heere Heere: 15 als ik het land van Egypte verwoest, en alwat in het land is eenzaam gemaakt, en allen die er in wonen zal verslagen hebben, dan zullen zij gewaarworden dat ik de Heer ben. 16 Dit zal het klaaglied zijn dat men zingen zal, ja vele dochters der volken zullen dit klaaglied aanheffen , over Egypte en al haar volk zal men het zingen, spreekt de Heere Heere. — 17 En in het twaalfde jaar, op den vijftienden dag van dezelfde maand, geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: IS Gij menscheakind, beween het volk van Egypte, en stoot hen met de dochters der machtige volken nederwaarts onder de aarde, bij degenen die in den kuil dalen. 19 Zijt gij aangenamer dan iemand anders ? Daal neder en leg u bij de onbssnedenen. 20 Zij zullen vallen onder de verslagenen door het zwaard; het zwaard is alreeds gevat en uitgetrokken over al haar volk. |
21 In het doodenrijk zullen hem toespreken de sterke helden, met hunne helpers , die allen nedergedaald zijn, en daar liggen onder de onbesnedenen en verslagenen door het zwaard. 22 Aldaar ligt Assur met al zijn volk rondom begraven, die allen verslagen endoor het zwaard gevallen zijn; 23 hunne graven zijn diep in den kuil, en zijn volk ligt overal rondom begraven; zij allen zijn verslagenen en door het zwaard gevelden, voor wie de ge-heele wereld vreesde. 24- Daitr ligt ook Elam met al zijn volk rondom begraven; allen zijn verslagenen en door het zwaard gevelden, en zijn nederge-daald als de onbesnedenen onder de aarde, voor wie ook do geheele wereld vreesde; en zij moeten hunne schande dragen met degenen die in den kuil nederdalen. 25 Men heeft hem onder de verslagenen gelegd met al zijn volk, en zij liggen rondom begraven; zij zijn allen onbesnedenen en verslagenen door het zwaard, niettegenstaande de geheele wereld voor hen moest vreezen; en zij moeten hunne schande dragen met degenen die in den kuil nederdalen, en onder de verslagenen bl^j- |
EZEGHIËL 33.
1534
|
26 Di'uir liggen Mesech en Tubal met hunne gansche menigte rondom begraven; zij allen zijn onbesnedenen en door het zwaard verslagenen, niettegenstaande de geheelo wereld voor hen moest vreezen. 37 En alle findere helden, die onder de onbesnedenen gevallen en met al hunne oorlogswapenen ten grave nedergedaald zijn, en hunne zwaarden onder hunne hoofden hebben moeten leggen, en wier misdaad over hun gebeente gekomen is, die echter ook gevreesde helden waren in de geheele wereld — al zóó moeten zij liggen. 28 Zoo zult gij ook onder de onbesnedenen verpletterd worden, en zult liggen onder degenen die door het zwaard verslagen zijn. 29 Daar ligt ook Edom, met zijne koningen en al zijne vorsten , onder de verslagenen door het zwaard, en onder de onbesnedenen, met anderen die in den kuil daalden, en die nochtans machtig geweest zijn. |
oO Ja alle vorsten van het noorden moeten derwaarts, en alle Sidoniërs die met de verslagenen nedergedaald zijn; en hunne vreeselijke macht is te schande geworden, zij moeten liggen onder de onbesnedenen en onder degenen die door het zwaard verslagen zijn, en hunne schande dragen met degenen die in den kuil daalden. 31 Hen zal Farao zien,-en zich troosten over al zijn volk, die onder hem door het zwaard verslagen zijn, en over zijn geheele heir, spreekt de Heere Heere. 3 2 Want do geheele wereld zal ook eens voor mij vreezen, omdat Farao en zijne gansche menigte zal liggen onder de onbesnedenen en door het zwaard verslagenen, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 33. 1 Eu het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, spreek tot uw volk en zeg tot hen: Wanneer ik een zwaard over het land breng, en het volk in het land neemt een man uit zijn midden, en zij stollen hom tot hunnen wachter; 3 cn hij ziet het zwaard komen over het land, en blaast de trompet en waarschuwt het volk: 4' wie dan het geluid der trompet hoort, maar zich niet wil laten waarschuwen, |
li Z E C li 1Ë L 33.
1535
|
en liet zwaard komt en neemt hem weg, — diens bloed is op zijn hoofd; 5 want hij heeft het geluid der trompet gehoord maar heeft zich niet laten waarschuwen, daarom zal zijn bloed op hem zijn; maar wie zich laat waarschuwen, die zal zijn leven behouden. G Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, en de trompet niet blaast noch zijn volk waarschuwt, en het zwaard komt en er eenigen wegneemt, —deze worden wel wegens hunne zonde weggenomen, maar hun bloed zal ik van de hand des wachtere eischen. 7 En nu menschenkind, ik heb u tot een wachter gesteld over hot huis van Israël; wanneer gij iets uit mijnen mond hoort, dat gij hen van mijnentwege waarschuwen zult. 8 Als ik nu tot den god-delooze zeg: Gij goddelooze zult den dood sterven! en gij zegt hem dat niet, opdat de goddelooze zich late waarschuwen voor zijn doen, zoo zal de goddelooze wel wegens zijne snoodheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. |
9 Maar wanneer gij den goddelooze waarschuwt voor zijn doen, dat hij zich daarvan bekeere, en hij zich niet wil bekeeren van zijn doen, zoo zal hij wegens zijne zonde sterven, ,en gij hebt uwe ziel gered. 10 Gij dan menschenkind, zeg tot het huis van Israël: Gijlieden spreekt aldus: Onze zonden en misdaden liggen op ons, dat wij daaronder vergaan: hoe zouden wij dan kunnen leven? 11 Zeg dan tot hen: Zoo waarachtig ik loef, spreekt de Heere Heere, ik heb geen behagen in den dood des goddéloozen, maar daarin dat de goddelooze zich bekeere van zijn doen en leve. i 'ekeert u dan toch nu van uw kwaaddoen, want waarom zoudt gij sterven, gij huis van Israël? 12 Gij dan menschenkind, zeg tot uw volk: Indien eeu rechtvaardige kwaad-doet, het zal hem niet helpen dat hij vroom geweest is; en indien een goddelooze vroom wordt, het zal hem niet schaden dat liij ■ goddeloos geweest is; ook kan do rechtvaardige niet leven als hij zondigt. 13 Want als ik tot den rechtvaardige zeg dat hij leven zal, en hij verlaat zich op zijne gerechtigheid en doet kwaad, zoo zal al zijne vroomheid niet gerekend |
EZECHIËL 33.
1536
|
worden, maar hij zal sterven in zijne boosheidjdie hij bedreef. 14 En als ik tot den god-delooze zeg dat hij sterven zal, en hij bekeert zich van zijne zonde en doet hetgeen recht en goed is, 15 zoodat de goddelooze het pand wedergeeft, en betaalt wat hij geroofd heeft, en naar het woord des levens wandelt, dat hij geen kwaad doet, zoo zal hij leven en niet sterven; 1(3 al zijne zonden die hij gedaan heeft zullen niet gerekend worden, want hij doet nu hetgeen recht en goed is: daarom zal hij leven. 17 Nochtans zegt uw volk: De Heer oordeelt niet recht — terwijl zij zelve onrecht hebben. 18 Want als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid, en kwaad-doet, zoo sterft hij immers billjjk daarom; 19 en als de goddelooze zich bekeert van zijne boosheid , en doet hetgeen recht en goed is, dan moet hij immers billijk leven. 20 Nochtans zegt gij: De Heer oordeelt niet recht! daar ik toch ulieden, o huis Israels, ieder naar zijne wegen oordeel. —■ |
21 En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevangenschap , op den vijfden dag der tiende maand, dat er een tot mij kwam die van Jeruzalem ontloopen was, zeggende: De stad is geslagen. 22 En de hand des Heeren was op mij des avonds eer de ontloopene kwam, en opende mij den mond, totdat hij des morgens tot mij kwam, en opende mij den mond zoodat ik niet meer zweeg. 23 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende : 21 Gij menschenkind, de inwoners der woestijn in het land van Israël zeggen aldus: Abraham was een éénig man, en erfde dit land; maar wij zijn velen: dus is het immers billijker dat wij het land hebben. 25 Daarom zeg tot hen : Dus spreekt de Heere Hee-re: Gij eet met bloed, en heft uwe oogen op tot de afgoden, en vergiet bloed: en meent gij dat gij het land zult bezitten? 26 Ja gij verlaat u op uw zwaard, en bedrijft gruwelen, en de een schendt des anders huisvrouw: en meent gij dat gij het land zult bezitten? |
EZECHIËL 34.
1537
|
27 Zeg dan alzootothen: Dus spreekt de Heers Heere: Zoo waarachtig ik leef, allen die in de woestijn wonen, zullen door het zwaard vallen; en wat op het veld is, zal ik aan de dieren te verslinden geven; eu wie in de vestingen en holen zijn, zullen door de pest sterven. 38 Want ik zal het land geheel verwoesten, en aan zijne hoovaardij en macht een einde maken; dat het gebergte van Israël zoo woest zal worden. dat er niemand over zal trekken; 39 en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik het land geheel verwoest heb, om al hunne gruwelen die zij bedreven hebben. 30 En gij menschenkind, uw volk spreekt van uaan de muren en voor de deuren der huizen, en de één zegt tot den ander: Komt toch en laat ons hooren wat de Heer spreekt. 31 En zij zullen tot u komen in de vergadering,' en voor u zitten als mijn volk, en zullen uwe woorden hooren, maar er niet naar doen; want zij maken teekenen van bewondering met hunnen mond, maar leven echter voort in hunne gierigheid. |
33 En zie, gij moet hun als een spotlied zijn, hetgeen zij gaarne zingen en spelen zullen: alzoo zullen zij uwe woorden hooren, en er niet naar doen. 33 Maar als het komt hetgeen komen zal, zie, dan zullen zij gewaarworden dat er een proleet onder hen geweest is. HOOFDSTUK 34. 1 En het woord desHee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 2 Gij menschenkind, profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen; Dus spreekt de Heere Heere: Wee den herders van Israël, die zichzelve weiden! Moeten niet herders de kudde weiden? 3 Maar gij verslindt het vet en bekleedt u met de wol, en slacht het gemeste, maar de schapen wilt gij niet weiden; 4 de zwakken sterkt gij niet, en de kranken heelt gij niet, het gewonde verbindt gij niet, het verdwaalde brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet op; maar gij heerscht streng en hard over hen. 5 En mijne schapen zijn verstrooid als die geen herder hebben, en zijn voor al |
49
EZECHI-ËL 84.
1538
|
het wild gedierte tot spijs geworden en gelieel verstrooid , 6 en gaan dwalende lieen en weder op de bergen en op alle hooge heuvelen, ja in het geheele land zijn zij quot;verstrooid, en niemand is er die er naar vraagt of er acht op geeft. 7 Daarom gij herders, hoort het woord des Hee-ren: 8 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, dewijl gij mijne schapen tot een roof, en mijne kudde aan al het wild gedierte tot spijs laat worden, dewijl zij geen herder hebben en mijne 'herders naar mijne kudde quot;niet vragen, maar zulke herders zijn, die zichzelve weiden en mijne schapen niet willen weiden: 9 daarom gij herders, hoort het woord des Heeren; 10 dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik wil aan de 'herders, en ik zal mijne kuddo van hunne handen eischen, en zal het met hen ten einde maken, dat zij geen herders meer zullen zijn en zichzelve niet meer zullen weiden; ik zal mijne schapen redden uit hunnen mond, dat zij zo voortaan niet meer zullen verslinden. 11 Want dus spreekt de |
Heere Heere: Zie, ik zal zelf naar mijne kudde vragen en ze opzoeken; — 12 gelijk een herder zijne schapen opzoekt, als hij zich onder zijne verstrooide kudde bevindt, zóó zalJk mijne schapen zoeken, en ik zalquot; ze redden uit al de plaatsen waarheen zij verstrooid waren ten tijde toen het donker en duister was; 13 ik zal ze van alle volken uitvoeren en uit alle landen vergaderen, en zal ze in hun land brengen; daar zal ik ze weiden op de bergen van Israël, en in alle landouwen, en aan alle bewoonbare oorden des lands; 14 ik zal ze in de beste weiden voeren, en hunne kooien zullen op de hooge bergen van Israël staan; aldaar zullen zij in zachte kooien liggen, en vette weiden hebben op de bergen van Israël. 15 Ik zelf zal mijne scha- -j pen weiden, en ik zal ze j doen nederliggen, spreekt j de Heere Heere; 16 ik zal het verlorene weder opzoeken, en het verdwaalde wederbrengen, en het gewonde verbinden, en het zwakke versterken; maar wat vet en sterk is, dat zal ik verdelgen; en ik zal |
1ËL 34.
EZECH
1539
|
zo weiden naar billijklieid. 17 Maar tot u, mijne kudde, spreekt de Heere Heere aldus: Zie, ik zal richten tussclien schaap en schaap, en tusschen de rammen en de bokken. 18 Is het niet genoeg dat gij eene zoo goede weide hebt, moet gij nog het overschot uwer weide met voeten treden? en dat gij zulke schoone bronnen hebt om te drinken, moet gij dan het overige met uwe voeten troebel maken? 19 dat mijne schapen moeten eten hetgeen gij met uwe voeten vertreden hebt, en drinken hetgeen gij met uwe voeten hebt troebel gemaakt ? 20 Daarom spreekt do Heere Heere aldus tot hen: Zie , ik zal richten tusschen de vette en de magere schapen. 31 Omdat gij achteruitslaat met de voeten, en de zwakken van n stoot met uwe hoornen, totdat gij ze alle van u hebt uitgedreven en verstrooid, 23 daarom zal ik mijne schapen helpen, dat zij niet meer ten roof zullen worden; en ik zal richten tusschen schaap en schaap. 33 En ik zal hun een éénigen herder verwekken. |
die hen weiden zal, mijn knecht David, die zal hen weiden en zal hun herder zijn; 2-1 en ik de lieer zal hun God zijn, en mijn knecht David de vorst onder hen: dit zeg ik, de Heer. 25 En ik zal een verbond van vrede met hen maken, en al het verslindend gedierte uit het land uitroeien, zoodat zij veilig in de woestijn zullen wonen en in de bossehen slapen. 30 Ik zal hen en al mijne heuvelen rondom zegenen, en op hen doen regenen ter rechter tijd; zegenvolle regenvlagen zullen het zijn; 27 dat de boonien op het veld hunne vruchten dragen , en het land zijn gewas geven zal; en zij zullen veilig in hun land wonen, en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik hun juk verbroken, en hen gered zal hebben uit de hand dergenen die zij moesten dienen. 28 En zij zullen den volken niet meer tot een roof worden, en geen dier der aarde zal hen meer verslinden; maar zij zullen veilig wonen zonder eenige vrees. 29 En ik zal hun eene vermaarde plant verwekken, dat zij niet meer honger zul- |
1540 EZECHIËL 35.
|
len lijden in het land, en den smaad der volken niet meer zullen dragen; 30 en zij zullen gewaarworden dat ik, de Heer hun God, bij hen ben, en dat zij, het huis Israels, mijn volk zijn, spreekt de Heere Heere. 31 Ja gij menschen zult de kudde mijner weide zijn , en ik zal uw God zijn, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 35. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende ; 3 Gij menschenkind, stel uw aangezicht tegen het gebergte van Seïr, en profeteer daartegen, 3 en zeg: Dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik wil aan u o gebergte van Seïr, en ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u geheel woest maken; 4 ik zal uwe steden eenzaam maken, dat gij tot eene woestijn zult worden: zoo zult gij gewaarworden dat ik de Heer ben. 5 Omdat gij eene eeuwige vijandschap koestert tegen de kinderen Israels, en hen in het zwaard dreeft toen het hun kwalijk ging, ten tijde van hun laatste misdrijf, |
6 daarom zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, zal ik u ook doen bloeden, en gij zult het bloed niet ontloopen; dewijl gij aan bloed lust hebt, zult gij het bloed niet ontloopen. 7 En ik zal het gebergte van Seïr woest en eenzaam maken, dat er niemand wandelen noch gaan zal; 8 en ik zal zijne bergen en alle heuvelen, dalen en alle laagten vol dooden maken, die door het zwaard verslagen liggen; 9 ja tot eene eeuwige verwoesting zal ik u maken, dat niemand in uwe steden wonen zal; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 10 En omdat gij zegt: Deze twee volken met de beide landen zullen de mijne worden, en wij zullen ze innemen, hoewel de Heer daar woont: 11 daarom zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere Heere, zal ik naar uwen toom en haat met u handelen, gelijk gij met hen gehandeld hebt uit enkel haat; en ik zal bij hen bekend worden als ik u gestraft heb. 13 En gij zult gewaarworden dat ik, de Heer, al uwe lasteringen gehoord heb, die gij gesproken hebt |
EZECHIËL 36. 1541
|
tegen het gebergte van Israël, zeggende; Het is alles verwoest en ons gegeven om te verderven. 13 En gij hebt u tegen mij beroemd, en hevig tegen mij gesproken: dat heb ik gehoord. 14 Dus spreekt nn de Heere Heere: Ik zal u tot eene woestijn maken, wanneer al het land zich verheugen zal. 15 Gelijk gij u verheugd hebt over het erfdeel van het huis Israëls, dat het woest is geworden, evenzoo zal ik met u doen, dat het gebergte van Seïr woest zal zijn, benevens geheel Edom: dan zullen zij gewaarworden dat ik de lieer ben. HOOFDSTUK 3G. 1 En gij mensohenkind, profeteer tot de bergen van Israël en zeg: Hoort het woord des Heeren, gij bergen van Israël; 3 dus spreekt de Heere Heere: Omdat de vijand over ii roemt: Ha, de eeuwige hoogten zijn nu ons erfdeel geworden: 3 daarom profeteer en zeg: Dus spreekt de Heere Heere; Dewijl men u overal verwoest en verdelgt, en gij den overgebleven volken ten erfdeel geworden zijt, en gij op de tong der lieden gekomen en in een kwaad gerucht gebracht zijt: |
4 daarom hoort, gij bergen van Israël, het woord des Heeren Heeren. Dus spreekt de Heere Heere, zoo tot de bergen als tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen, tot de eenzame woestijnen en verlaten steden , die den overgebleven volken in het rond tot een roof en eene bespotting zijn geworden; 5 ja dus spreekt de Heere Heere: Ik heb in mijnen vurigen ijver gesproken tegen de overgebleven volken en tegen geheel Edom, die mijn land ingenomen hebben , met uitgelaten vreugde des harten, en met een hoo-nend gelach, om het te verwoesten en te plunderen. 6 Daarom profeteer aangaande het land van Israël, en zeg tot de bergen en heuvelen, tot de beken en da len; Dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik heb in mijnen ijver en in mijne grimmigheid gesproken, dewijl gij de versmaadheid der volken moet dragen: 7 daarom spreekt de Heere Heere aldus: Ik hef mijne hand op, dat uwe naburen, de volken rondom, hunne schande zullen dragen. 8 Maar gij bergen van Israël, zult weder groene |
EZEOHIEL 86.
1543
|
takken dragen en uwe vroeh-ten voortbrengen voor mijn volk Israël, en het zal eerlang geschieden. 9 Want zie, ik zal mij weder tot u wenden en u aanzien, dat gij gebouwd en bezaaid zult worden; 10 en ik zal de lieden op u Termenigvuldigen, het ge-heele huis van Israël, geheel en al; en de steden zullen weder bewoond, en de woestijnen bebouwd worden. 11 Ja ik zal op u de meu-schen en het vee vermenigvuldigen , dat gij u vermeerderen en wassen zult; en ik zal u weder doen bewonen als in vorige tijden, en zal u meer goeds doen dan ooit tevoren, en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 12 Ik zal u toebrengen lieden die mijn volk Israël zullen zijn; die zullen u bezitten, en gij zult hun erfdeel zijn, en zult niet meer zonder erfgenamen wezen. 13 Dus spreekt de Heere Heere:' Dewijl men van u zegt: Gij hebt menschen verslonden, en hebt uw volk zonder erfgenamen gemaakt: 14 daarom zult gij niet meer menschen verslinden en uw volk zonder erfgenamen maken, spreekt de Heere Heere; |
15 en ik zal u niet meer laten hooren den smaad dei-volken, en gij zvdt de bespotting der volken niet meer dragen, en zult uw volk niet meer zonder erfgenamen maken, spreekt de - Heere Heere. 16 En het woord des Hee-ren geschiedde verder tot mij; 17 Gij menschenkind, het huis van Israël, toen zij in hun land woonden en het verontreinigden met hun gedrag en daden, dat hun gedrag voor mij was als de onreinheid eener vrouw in hare zuivering, 18 toen stortte ik mijne verbolgenheid over hen uit, vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden , toon zij het verontreinigden met hunne afgoden; 19 en ik verstrooide hen onder de volken en verspreidde hen in de landen, en oordeelde hen naar hun gedrag en daden. 20 En toen zij tot de volken kwamen, gedroegen zij zich als deze, en ontheiligden mijnen heiligen naam, zoodat men van hen zeide: Is dat het volk des Heeren ? en zij hebben uit hun land moeten trekken? 21 Maar ik verschoonde hen om mijnen heiligen naam, dien het huis van |
EZECHIËL 86.
1543
|
Israël ontheiligde onder de volken tot welke zij kwamen. 32 Daarom zult gij tot het huis van Israël zeggen: Dus spreekt de Heere Heere: Ik doe het niet om uwentwil, o huis van Israël, maar om mijnen heiligen naam, dien gij ontheiligd hebt onder de volken tot welke gij gekomen zijt. 28 Want ik zal mijnen grooten naam, die onder de volken ontheiligd is, dien gij onder hen ontheiligd hebt, heilig maken; en de volken zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, spreekt de Heere Heere, als ik mij voor hunne oogen aan u betoon dat ik heilig ben, 24 Want ik zal u uit de volken halen en u ■gt;vit alle landen vergaderen, eh weder in uw land brengen, r 25 En ik zal rein water over u sprengen, dat gij rein wordt van al uwe onreinheid, en van al uwe afgoden zal ik u reinigen. 26 En ik zal een nieuw hart en een nieuwen geest in u geven; en ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en u een hart van vleesch geven. |
27 En ik zal mijnen Geest in u geven, en zal lieden van u maken, die naar mijne geboden wandelen en mijne rechten onderhouden en er naar doen. 28 En gij zult wonen in het land hetwelk ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult mijn volk zijn en ik zal uw üod zijn. 29 Ik zal u van al uwe onreinheid verlossen, en zal het koren gebieden en zal het vermenigvuldigen, en zal geen duurte over u doen komen; 80 ik zal de vruchten op de boomen en het gewas op het veld vermenigvuldigen, opdat de volken n niet meer bespotten wegens de duurte. 81 Alsdan zult gij aan uwe boosheid gedenken en aan uw doen dat niet goed was, en uwe zonden en afgoderijen zullen u berouwen. 82 Dit zal ik doen, niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere, dit zij u bekend; maar gij zult u moeten schamen en schaamrood worden over uw doen, o gij huis van Israël. 88 Dus spreekt de Heere Heere: Ten tijde als ik u reinigen zal van al uwe zonden, dan zal ik de steden weder bezetten, en de woeste plaatsen zullen weder bebouwd worden; |
.EZECHIËL 37.
154.4
|
34 het verwoeste land zal weder geploegd worden, in plaats dat hei verwoest was voor het oog van allen die er doortrokken. 35 Die zullen zeggen: Dit land was verwoest, en nu is het als een lusthof; en deze steden waren vernield, eenzaam en verwoest, en staan nu vast gebouwd. 36 En de overgebleven volken rondom u zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, die opbouw hetgeen vernield, en beplant hetgeen verwoest was: ik, de Heer, zeg het en zal het ook doen. 37 Dus spreekt de Heere Heere: Ik zal mij weder daarin laten vragen van het huis Israels, als ik hun dit doen zal; en ik zal hen vermenigvuldigen als eene kudde van menschen; 38 als eene heilige kudde, als eene kudde te Jeruzalem op hunne feesten, zóó zullen de verwoeste steden vol kudden van menschen worden, en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 37. 1 En de hand des Heeren kwam op mij, en voerde mij uit in den geest des Heeren, en stelde mij op |
een open veld, dat vol beenderen lag; 2 en hij voerde mij daar rond, en zie, er lagen zeer vele beenderen op het veld, en zie, zij waren zeer verdord. 3 En hij sprak tot mij;. Gij menschenkind, meent gij ook dat deze beenderen weder levend zullen worden? En ik zeide: Heere Heere, dat weet gij. 4 En hij sprak tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg: Gij verdorde beenderen, hoort het woord des Heeren; 5 dus spreekt de Heere Heere tot deze beenderen: Zie, ik zal een adem in u | brengen, datquot;gij levend zult ■ worden; 6 ik zal u pezen geven, en ■ vleestu op u doen groeien, en u met eene huid overtrekken ; en ik zal u adem | geven, dat gij weder lévend ' wordt; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben. 7 En ik profeteerde gelijk mij bevolen was, en zie, toen ruisehte het als ik profeteerde, en zie, het roerde zich, en de beenderen kwamen weder tezamen, elk tot zijn gebeente; 8 en ik zag, en zie, er wiesen pezen en vleeseh op, en hij overtrok ze met |
IËL 37.
EZECH
1545
|
eene huid; maai- er was nog geen adem in. 9 En hij sprak tot mij: Profeteer tot den wind, profeteer gij menschenkind, en zeg tot den wind: Dus spreekt de Heere Heere: Wind, kom herwaarts uit dé vier streken, en blaas deze dood en aan, opdat zij weder levend worden. — 10 En ik profeteerde gelijk hij mij bevolen had. Toen kwam er adem in hen, en zij werden weder levend en stonden op hunne voeten; en zij waren een zeer groot heir. 11 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, deze beenderen zijn het geheele huis Israëls; zie, nu zeggen zij: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren, en het is uit met ons. 12 Daarom profeteer en zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal uwe graven openen, en zal u, mijn volk, daaruit halen; en ik zal u in het land van Israël brengen; 13 en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben, als ik uwe graven geopend, en u, mijn volk, daaruit gebracht heb; |
14 en ik zal mijnen Geest in u geven, dat gij weder leven zult, en zal u in uw land vestigen; en gij zult gewaarworden dat ik de Heer ben: ik spreek het en zal liet ook doen, spreekt de Heer. — 15 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 16 Gij menschenkind, neem ii een hout en schrijf daarop r Voor Juda, en de kinderen van Israël, die hun toegedaan zijn. En neem nog een hout en schrijf daarop: quot;Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het geheele huis van Israël, die hun toegedaan zijn. 17 En houd het eéne bij het andere, opdat het één hout worde in uwe hand. 18 Als nu uw volk tot u zal spreken, zeggende: Wilt gij ons niet te kennen geven, wat gij daarmede meent? 19 zoo zeg tot hen: Dus spreekt de Heere Heere: Zie, ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand is, en der stammen van Israël, die hun toegedaan zijn, nemen, en ik zal ze bij het hout van Juda voegen, en er één hout van maken, en zij zullen één zijn in mijne hand. 20 Dus zult gij de houten , op welke gij geschreven hebt, in uwe hand houden voor hunne oogen. |
EZECHIËL 38.
1546
|
21 en zult clan tot hen zeggen; Dus spreekt de Hee-re Heere: Zie, • ik zal de kinderen Israels halen uit de volken tot welke zij getrokken zijn, en ik zal hen overal vergaderen , en zal ze weder in hun land brengen; 23 en ik zal een éénig volk van hen maken in het land op het gebergte van Israël, en zij zullen allen tezamen een éénigen koning hebben, en zullen niet meer twee volken noch in twee koninkrijken verdeeld zijn; 23 zij zullen zich ook niet meer verontreinigen met hunne afgoden en gruwelen en allerlei zonden, ik zal hen verlossen uit al de plaatsen waar zij gezondigd hebben , en zal ze reinigen, en zij zullen mijn volk zijnen ik zal him God zijn. 24 En mijn knecht David zal hun koning en hun aller eenige herder zijn; en zij zullen wandelen naar mijne rechten, en mijne geboden onderhouden en er naar doen. 25 En zij zullen wonen in het land hetwelk ik mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaderen gewoond hebben; zij en hunne kinderen en kindskinderen zullen daarin wonen eeuwiglijk, en mijn knecht David zal |
eeuwiglijk hun vorst zijn» 26 Én ik zal met hen een ^ verbond van vrede sluiten, dat zal een eeuwig verbond zijn met hen; en ik zal ze ® behouden en vermenigvul- j digen, en mijn heiligdom zal onder hen zij n eeuwiglijk; 27 en ik zal onder hen wo- 11 nen en zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn; § 28 zoodat ook de volken ^ zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, die Israel hei- ligmaak, als mijn heiligdom 8 onder hen zijn zal. E ren geschiedde tot mij, zeg- 11 Magog, den oppersten vorst v van Mesech en Tubal, en 3 en zeg: Dus spreekt de s Heere Heere: Zie, ik wil ® aan u o Gog, gij die de ] opperste vorst van Mesech e cn Tubal zijt; 4 zie, ik zal u omwenden, voeren met al uw heir, met quot; uwe paarden en ruiters die allen welgekleed zijn, en |
EZECHIÜL 38.
1547
|
5 Gij voert metuPerzen, Mooren en Libyers, die allen schild en lielm dragen; 6 daarbenevens Gomer en al zijn lieir, het huis van ïogarma dat tegen het noorden ligt, met al zijn heir; ja gij voert een groot volk •met u. 7 Welaan, rast u wol toe, gij en uwe geheele menigte die bij u is, en wees gij hun hoofdman. 8 Na een langen tijd zult gij opgeroepen worden, in den laatsten tijd zult gij komen in het land dat van het zwaard teruggebracht en uit vele volken tezamengckotnen is, op de bergen van Israël, zoolang tot verwoesting gesteld: die uitgevoerd zijn uit vele volken, en allen veilig wonen. 9 Gij zult optrekken en aankomen met groote onstuimigheid , en zult zijn als eene wolk om het land te bedekken, gij en al uw heir, en een groot volk met u. lü Dus spreekt de Heere Heere; In dien tijd zult gij een voornemen hebben, en kwaad in uw hart smeden; 11 en gij zult denken: Ik zal het land zonder muren ■overvallen, en komen over degenen die stil en gerust wonen, die allen zonder muren zitten, en grendels noch poorten hebben; |
13 om te rooven en te plunderen, en uwe hand te laten gaan over de verwoeste plaatsen die weder bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de natiën vergaderd is, en have en goederen verkregen heeft, en midden in het land woont. 13 Scheba, Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle geweldenaars die er zijn, zullen tot u zeggen: Zijt gij gekomen om te rooven? hebt gij uwe menigte verzameld, om te plunderen, om zilver en goud wegtenemen, en vee en goederen te vergaderen, en grooten buit te maken? 14 Daarom profeteer, gij menschenkind, en zeg tot Gog: Dus spreekt de Heere Heere: Is het niet zoo,dat gij er op letten zult als mijn volk Israël gerust zal wonen? 15 Dan zult gij komen uit uwe plaats, van de einden tegen het noorden, gij en een gwot volk met n, allen te' paard, eene groote menigte en een machtig heir; 16 en gij zult optrekken tegen mijn volk Israël als eene wolk, om het land te bedekken: dit zal in den laatsten tijd geschieden, en ik zal u daarom in mijn |
EZECHIËL 39.
1548
|
land voeren, opdat de volken mij kennen zouden, als ik aan u o Gog voor hunne oogen zal geheiligd worden. 17 Dus spreekt de Heere Heere: Gij zijt het van wien ik in verleden tijden, door mijne dienaren de profeten van Israël, die in dien tijd profeteerden, gezegd heb, dat ik u tegen hen zou aanvoeren. 18 En het zal geschieden op dien tijd, als Gog zal komen tegen het land van Israël, spreekt de Heere Heere, dat mijn toorn zal oprijzen in mijne verbolgenheid. 19 En ik spreek dit in mijnen ijver en in het vuur mijns toorns, dat in dien tijd eene groote siddering zal zijn in het land van Israël, 20 zoodat de visscheu in de zee, de vogels onder den hemel, het vee op het veld, en alwat zich roert en beweegt op het land , en alle mensohen die op de aarde zijn, zullen beven voor mijn aangezicht, en de bergen zullen wegzinken, en de rotsen en al de muren zullen ter aarde nedervallen; 31 en ik zal het zwaard over hem inroepen op al mijne bergen, spreekt de Heere Heere, dat ieders zwaard tegen zijnen broeder zal zijn. |
22 En ik zal hem richten door pest en door bloed, en zal doen regenen een plasregen met hagelsteenen, vuur en zwavel, over hem en zijn heir en over het groote volk dat met hem is. 23 Alzoo zal ik heerlijk, heilig en bekend worden voor de oogen van vele volken, dat zij gewaar zullen worden dat ik de Heer ben. HOOFDSTUK 39. 1 En gij menschenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Dus spreekt de Heere Heere; Zie, ik wil aan u o Gog, gij die de opperste vorst van Mesech en Tubal zijt; 2 zie, ik zal u omwenden, en u voortdrijven, en van de einden van het noorden brengen; en ik zal u op de bergen van Israël doen komen, 3 en zal u den boog uit uwe linkerhand slaan, en uwe pijlen uit uwe rechterhand werpen. 4 Op de bergen van Israël zult gij nedergeveld worden, gij met al uw heir en met het volk dat bij u is; en ik zal u aan de roofvogels , aan vogels van allerlei |
EZECHIEL 39.
1549
|
soort en aan de dieren des velds tot spijs geven. 5 Gij zult op het veld ternederliggen; want ik, de Heere Heere, heb het gezegd. 6 En ik zal vuur werpen over Magog, en over degenen quot;die gerust op de eilanden wonen; en zij zullen gewaarworden dat ik de Heer ben. 7 Want ik zal mijnen heiligen naam bekendmaken onder mijn volk Israël, en zal mijnen heiligen naam niet langer laten schenden; en de volken zullen gewaarworden dat ik de Heer ben, de Heilige in Israël. 8 Zie, het is alreeds gekomen en geschied, spreekt de Heere Heere: dit is de dag van welken ik gesproken heb. 9 En de ingezetenen der steden van Israël zullen uitgaan, en vuur stoken, en verbranden de wapenen, schilden, rondassen, bogen, pijlen, handstaven en lange spiesen; en zij zullen vuur daarvan stoken zeven jaar lang, 10 zoodat zij geen hout op het veld behoeven te halen noch in het woud te houwen, maar van de wapenen zullen zij vuur stoken; en zij zullen berooven wie hen beroofden , en plunderen wie hen plunderden, spreekt de Heere Heere. |
11 En het zal in dien tijd geschieden dat ik Gog aldaar eene grafstede zal geven in Israël, het dal der reizigers ten oosten der zee; zoodat degenen die daar voorbijgaan zich daarvoor schuwen zullen, omdat men aldaar Gog met zijne menigte begraven heeft; en het zal genoemd worden het dal van Gogs menigte. 13 En het huis van Israël zal ze begraven zeven maanden lang, opdat het land gezuiverd worde; IS ja al het volk in het land zal aan het begraven gaan, en zij zullen roem daarvan hebben, dat ik te dien dage mijne heerlijkheid betoond heb, spreekt de Heere Heere. 14 En zij zullen mannen afzonderen die gestadig door het land gaan, bij zich hebbende doodgravers, om de overigen op het land te begraven , opdat het gezuiverd worde;. na zeven maanden zullen zij onderzoek doen; 15 en zij die in het land rondgaan, en ergens men-schenbeenderen zien, zullen daarbij een merkteeken oprichten, totdat de doodgravers het ook in het dal van Gogs menigte begraven. |
ÉZECIttËL 39,
1550
|
16 Zoo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzoo zullen zij het land zuiveren. 17 Nu gij mensclieukind, dus spreekt de Heere Heere; Zeg tot de vogels van allerlei soort en tot alle dieren des velds: Vergadert u en komt, verzamelt u van rondom tot mijn slachtoffer hetwelk ik voor u slacht, een groot slachtoffer op de bergen van Israël, en eet vleesch en drinkt bloed; 18 het vleescli der sterken zult gij eten, en het bloed der vorsten op de aarde zult gij drinken; dei' rammen, der hamels, der bokken, der ossen, allen gemeste dieren van Basan; 19 en gij zult vet eten dat gij vol wordt, en bloed drinken dat gij dronken wordt, van het slachtoffer hetwelk ik voor u geslacht heb. 30 Verzadigt u dan aan mijne tafel, van paarden en ruiters, van helden en allerlei krijgslieden, spreekt de Heere Heere. 31 En ik zal mijne heerlijkheid onder de volken brengen, opdat alle volken mijne gerichten zien die ik heb laten gaan, en mijne hand die ik aan hen geleed heb; |
33 en het huis Israels be-vinde dat ik de Heer hun God'ben, van dien dag^af en voortaan. 33 En de volken zullen gewaarworden, dat het huis Israels wegens hunne misdaad weggevoerd is, en omdat zij zich aan mij bezondigd hadden: daarom heb ik mijn aangezicht voor hen verborgen, en heb ze overgegeven in de hand hunner vijanden, zoodat zij allen door het zwaard moesten vallen. 34 Ik heb met hen gehandeld zooals hunne zonden en overtredingen verdiend hebben, en ik heb alzoo mijn aangezicht voor hen verborgen. 35 Daarom zóó spreekt de Heere Heere: Nu zal ik de gevangenschap van Jakob wenden, en mij over het geheele huis van Israël ontfermen, en voor mijnen heiligen naam ijveren. 36 Dan zullen zij hun smaad en al hunne zonde •gedragen hebben, waarme-de zij tegen mij gezondigd hebben, als zij veilig in hun land wonen, dat niemand hen verschrikt; 37 als ik hen uit de volken wedergebracht en uit de landen hunner vijanden vergaderd heb, en ik aan hen |
■■
EZ EC HIEL -WJ.
1531
|
geheiligd geworden ben voor de oogen veler volken. 38 Alzoo zullen zij gewaarworden dat ik de Heer liun God ben, en dat ik lien lieb doen wegvoeren onder de volken, eu hen weder in. hun land heb verzameld, en niet één van hen aldaar gelaten heb; 29 en ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, want ik heb mijnen Geest over het Imis van Israël uitgestort, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 40. 1 In het vijfentwintigste jaar van onze gevangenschap, in het begin des jaars op den tienden dag der maand, dat is het veertiende jaar nadat de stad vernield was, juist op dien dag kwam de hand des Heeren op mij, en voerde mij derwaarts, 3 door goddelijke gezichten , in het land van Israël, en stelde mij op een zeer hoogen berg; daarop was als het gebouw eener stad tegen het zuiden. 3 En toen hij mij daarheen gebracht had, zie, zoo was er een man wiens gedaante was als koper, die had een linnen snoer en eene meetroede in zijne hand; en hij stond onder de poort. |
4 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, zie en hoor naarstig toe, en let nauwkeurig op alles wat ik u toonen zal; want daarom zijt gij herwaarts ge^ bracht, opdat ik u dit zoude toonen, en dat gij dit alles, wat gij hier ziet, zoudt verkondigen aan het huis van Israël. o En zie, er ging een muur buiten het huis rondom, en de man had de meetroede in de hand, die was zes el lang, elke el was een handbreed langer dan een gewone el; en hij mat het gebouw in de breedte één roede, en in de hoogte ook één roede. o En hij kwam tot de poort die tegen het oosten lag, en klom bij hare trappen op, en mat de drempels der poort, eiken drempel één roede breed; 7 en de vertrekken mat hij ook, naar de lengte één, roede en naar de breedte één roede, en de plaats tusschen de vertrekken was vijf el breed; en hij mat ook den drempel van de poort, nevens het voorhuis van binnen , één roede. 8 En hij mat het voorhuis der poort van binnen één roede. 9 En hij mat het voor- |
|
1552 Imis der poort acht el, en zijne zuilen twee el, en het voorhuis der poort van binnen. 10 En de vertrekken waren aan elke zijde drie aan de poort tegen het oosten, het eene zoo wijd als het andere; en aan beide zijden stonden zuilen, die. waren evengroot. 11 Daarna mat hij de wijdte van de deur der poort tien el, en de lengte der poort dertien el. 12 En vóóraan de vertrekken was eene plaats aan beide zijden, elk van één el; maar de vertrekken waren elk van zes el aan beide zijden. 13 Ook mat hij de poort, van het dak des vertreks af tot aan het dak der poort vijfentwintig el breed; en de ééne deur stond tegenover de andere. 14 Ook maakte hij een zuilengang van zestig el, en voor elke zuil een voorhof rondom de poort; 15 en tot aan het voorhuis der binnenste poort, waardoor men ingaat, waren vijftig el. 16 En er waren enge venstertjes aan de vertrekken, en zuilen binnenwaarts rondom de poort; en zoowaren er ook vensters van binnen rondom de voorhuizen, en rondom de zuilen was palm-lofwerk. |
17 En hij voerde mij verder naar het buitenste voorhof, en zie, daar waren kamers en een plaveisel gemaakt rondom het voorhof; en dertig kamers waren er op het plaveisel. 18 En het hoogste plaveisel aan de poorten was zoolang als de poorten waren aan het binnenste plaveisel. 19 En hij mat de breedte van de benedenste poort voor het binnenste voorhof, van buiten, honderd el, zoo oostwaarts als noordwaarts. 20 Alzoo raat hij ook de poort die tegen het noorden stond, aan het buitenste voorhof, naar de lengte en breedte; 21 die had ook aan elke zijde drie vertrekken, en had ook hare zuilen en voorhuizen juist zoogroot als aan de eerste poort: vijftig el de lengte, en vijfentwintig el de breedte. 22 En zij had ook hare vensters en hare voorhuizen en hare palm-lofwerken zooals de poort tegen het oosten, en had zeven trappen welke men opging, en had daarvóór hare voorhuizen. 23 En de poort van het binnenste voorhof was te- EZEGHIËL 40. |
EZECHIËL 40.
1553
|
genover de poort die naar het noorden en oosten stond, en hij mat honderd el van de ééne poort tot de andere. 34 Daarna voerde hij mij tegen het zuiden, en zie, daar was ook eene poort tegen het zuiden; en hij mat hare zuilen en voorhuizen, zooals de andere; 35 die had ook vensters en voorhuizen rondom, zooals de vorige vensters: vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 36 En er waren ook zeven trappen naarboven toe, en een voorhuis daarvóór, en palm-lofwerk aan hare zuilen op elke zijde. 37 En hij mat ook de poort van het binnenste voorhof naar het zuiden toe, honderd el van de céne zuiderpoort tot de andere. 38 En hij voerde mij verder door de zuiderpoort in het binnenste voorhof, en mat de zuiderpoort juist zoogroot als de andere; 39 ook hare vertrekken, zuilen en voorhuizen; en met de vensters en voorhuizen daaraan rondom, juist zoogroot als de eerste, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 30 En er ging een voorhuis rondom, vijfentwintig-el lang en vijf el breed; |
31 het was vooraan tegen het buitenste voorhof, en had ook palm-lofwerk op de zuilen, en er waren acht trappen om optegaan. 33 Daarna voerde hij mij naar de binnenste poort tegen het oosten, en hij mat haar juist zoogroot als de andere; 33 en hare vertrekken, zuilen en voorhuizen, en hare vensters en voorhuizen rondom, juist zoogroot als de andere, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 34 En zij had ook een voorhuis tegen het buitenste voorhof, en palm-lofwerk op de zuilen aan beide zijden, en acht trappen opwaarts. 35 Daarna voerde hij mij naar de poort tegen het noorden, die mat hij juist zoogroot als de andere; 36 en hare vertrekken, zuilen en voorhuizen, en hare vensters en voorhuizen rondom, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 37 En zij had ook een voorhuis tegen het buitenste voorhof, en palm-lofwerk op de zuilen aan beide zijden, en acht trappen opwaarts. 38 En beneden aan de zuilen van elke poort was eene kamer met eene deur, in welke men het brand-olt'er wiesch. |
M
EZECHIËL 41.
1554
|
39 Ea in liet voorhuis, voor de poort, stonden aan elke zijde twee tafels, om daarop de brandoffers, zondoffers ensclmldoffers te slachten. 40 En van buiten, aan de zijde waar men opgaat naar de noorderpoort, stonden óók twee tafels; en aan de andere zijde, onder het voorhuis der poort, óók twee tafels. 41 Alzoo stonden aan elke zijde voor de poort vier tafels , dat zijn acht tafels tezamen, op welke men slachtte. 42 En de vier tafels, voor het brandofler gemaakt, war ren gehouwen steenen, elk anderhalve el lang en breed. waarop el hoog men allerlei gereedschap leide, waarmede men het brandoffer en het slachtoffer slachtte. 43 En er waren lijsten rondom binnenwaarts gebogen, een handbreed hoog; en op de tafels zou men het offervleeseh leggen. 44 En buiten, voor de binnenste poort, waren kamers voor de zangers, in het binnenste voorhof; de ééne, aan de zijde nevens de noorderpoort, zag naar het zuiden toe; de andere, aan de zijde tegen het oosten, zag naar het noorden toe. |
45 En hij sprak tot mij: Deze kamer tegen het zuiden behoort aan de priesters die in het huis dienen; 46 maar de kamer tegen het noorden behoort aan de priesters die den altaar bedienen, dit zijn de zonen van Zadok, die alléén uit de kinderen van Levi tot den Heer naderen om hem te dienen. — 47 En hij mat de plaats van het huis, honderd el lang en honderd el breed in het vierkant; en de altaar stond recht voor het huis. 48 En hij voerde mij in het voorportaal des huizes, en mat het voorhuis, vijf el aan elke zijde, en de poort drie el wijd aan elke zijde; 49 het voorhuis was twintig el lang en elf el wijd, en het had trappen welke men opging, en pilaren stonden beneden aan de zuilen, aan elke zijde één. HOOFDSTUK 41. 1 Daarna voerde hij mij binnen in den tempel, en mat de zuilen van de muren ; die waren aan elke zijde zes el wijd, zoo wijd als het huis was; |
EEEGHIËL 41.
1555
|
3 en de deur was tien el wijd, en de muren aan beide zijden van de deur waren elk vijf el breed; en hij mat de ruimte, die was veertig- el in de lengte en twintig el in de breedte. 3 En hij ging naarbinnen en mat den post van de deur twee el, en de deur was zes el, en de wijdte van de deur zeven el. 4 En hij mat twintig el in de lengte en twintig el in de breedte vóóraan den tempel; en hij sprak tot mij: l)it is het allerheiligste. 5 En hij mat den muur van het huis, zes el hoog; daarop waren rondom overal gangen, gedeeld in vertrekken, die warenquot; overal vier el wijd. 6 En van die vertrekken waren aan elke zijde drieendertig, het ééne aan het andere, en rondom stonden overal pilaren die ze droegen, beneden bij de muren van het huis. 7 De galerijen waren, hoe hooger men opklom, telkens wijder; want men kon langs deze het huis bovenop rondgaan, en hoe hooger men kwam, hoe wijder de omgangen werden; en uit de benedenste ging men op naar de middelste, en uit de middelste naar de bovenste ; |
8 en de ééne stond telkens zes el boven de andere. 9 En de wijdte van de bovenste gang was vijf el, en de pilaren droegen de gangen van het huis. 10 En van den éénen muur des huizes tot aan den anderen was eene wijdte van twintig el. 11 En er waren twee deuren aan de wenteltrap, de ééne tegen het noorden, de andere tegen het zuiden; en de wenteltrap was vijf el wijd. 13 En de muur tegen het westen was vijtenzeven* tig el breed en negentig el lang. 13 En hij mat de lengte van het huis, die was honderd el, met den muur en wat daaraan was. 14 En de wijdte vóóraan het huis tegen het oosten, met alwat daaraan was, was óók honderd el. 15 En hij mat de lengte van het gebouw, met alwat daaraan was; van den éénen hoek tot den anderen was aan elke zijde honderd el, met den binnensten tempel en de voorhuizen in het voorhof; 16 benevens de deuren, vensters, hoeken, en de drie |
EZECHIEL 43.
1556
|
gangen, en het plankwerk rondom overal. 17 Hij mat ook hoe hoog het was van den grond af tot de vensters toe, en hoe breed de vensters waren, en mat van de poort af tot het allerheiligste toe, van binnen en van buiten rondom. 18 En aan het geheele huis rondom, van beneden af tot boven toe, aan de deur en aan de muren, waren cherubs, en tusschen de cherubs was palm-lofwerk gemaakt; en elke cherub had twee aangezichten, 19 aan de ééne zijde als eens menschen aangezicht, aan de andere zijde als het aangezicht van een leeuw. 30 Van den grond af tot omhoog boven de deur waren de cherubs en de palmen gesneden, desgelijks aan den wand des tempels. 31 De deurposten des tempels waren vierkant; en het voorste deel des heiligdoms was van dezelfde gedaante. 33 En de houten altaar was drie el hoog, en twee el lang en breed; en zijne hoeken en al zijne zijden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel die vóór den Heer zal staan. |
33 En de deur, zoo van den tempel als van het allerheiligste, had twee bladen, 24 die men open en toe deed. 35 En daaraan waren ook cherubs en palm-lofwerk, zooals aan de wanden; en er waren sterke grendels voor, tegen het voorhuis. 36 En er waren enge vensters en veel palm-lofwerk rondom, aan het voorhuis en aan de wanden. HOOFDSTUK 42. 1 En hij voerde mij uit tot het buitenste voorhof, tegen het noorden, onder de kamers die tegenover het gebouw, dat aan den tempel was, en tegenover den tempel naar het noorden waren; 3 welke plaats honderd el lang was van de poort af tegen het noorden, en vijftig el breed. 3 Twintig el waren tegen het binnenste voorhof en tegen het plaveisel in het buitenste voorhof, en dertig el van den éénen hoek tot den anderen toe. 4 En van binnen, vóór de kamers, was eene plaats, tien el breed, vóór de deuren der kamers; die waren altemaal naar het noorden. 5 En boven deze kamers |
EZECHIËL 42.
1557
|
waren andere nauwere kamers, want de ruimte op de benedenste en middelste kamers was niet groot; 6 want het was drie verdiepingen hoog, en zij hadden echter geen pilaren, gelijk de voorhoven pilaren hadden; maar zij waren slechts op elkander gezet. 7 En het buitenste voorhof was omringd met een muur, aan welken de kamers waren; die was vijftig el lang. 8 En de kamers waren na elkander ook vijftig el lang aan het buitenste voorhof; maar de ruimte vóór den tempel was honderd el lang. 9 En beneden, voor de kamers, was eene plaats tegen het oosten, waarmede men uit het buitenste voorhof ging. 10 En aan den muur, van het oosten af, waren ook kamers ; 11 en daarvóór was ook eene plaats zooals vóór de kamers tegen het noorden, en het was altemaal gelijk, naar de lengte, breedte en alwat er aan was, gelijk aan die andere tevoren. 12 En tegen het zuiden waren ook evenzulke kamers met hare deuren, en voor de plaats was de deur tegen het zuiden, tot welke men komt van den muur die tegen het oosten is. |
13 En hij sprak tot mij: De kamers tegen het noorden en de kamers tegen het zuiden, tegenover den tempel, behooren tot het heiligdom, in hetwelk de priesters eten als zij den Heer het allerheiligste olfer offeren; en zij zullen de allerheiligste offers, het spijsoffer, zondoffer en schuld-ofler, daarin leggen; want het is eene heilige plaats. 14 En als de priesters daar ingaan, zullen zij niet weder uit het heiligdom gaan in het buitenste voorhof, maar zullen eerst hunne kleederen, waarin zij gediend hebben, in die kamers wegleggen, want zij zijn heilig; en zij zullen hunne andere kleederen aantrekken, en alsdan daaruit gaan tot het volk. 15 En toen hij het geheele huis van binnen gemeten had, voerde hij mij uit naar de poort tegen het oosten, en mat die overal, rondom. 1G ïegen het oosten mat hij vijfhonderd roeden lang, rondom; 17 en tegen het noorden mat hij óók vijfhonderd roeden lang, rondom; |
E55EGHIËL 43.
1558
|
18 desgelijks tegen ket zuiden óók vijfhonderd roeden; 19 en toen hij kwam tegen het westen, mat hij óók vijfhonderd roeden lang. SO Alzoo had de muur, dien hij gemeten had, in het vierkant, op elke zijde rondom, vijfhonderd roeden; opdat het heilige van het onheilige onderscheiden y.oude zijn. HOOFDSTUK 43. 1 En hij voerde mij naaide poort tegen het oosten. 3 En zie, de heerlijkheid van den God Israels kwam van het oosten, en zij bruiste gelijk een groot water bruist, en het werd zeer licht op de aarde van zijne heerlijkheid; 3 en het was evenals het gezicht dat ik gezien had aan de rivier Kebar, toen ik kwam bij de verdelging der stad. Toen viel ik neder op mijn aangezicht. 4 En de heerlijkheid des Heeren kwam in het huis door de poort tegen het oosten. 5 Toen nam een wind mij op en bracht mij in het binnenste voorhof, en zie, de heerlijkheid des Heeren vervulde het huis. |
0 En ik hoorde met mij spreken uit het huis, terwijl de man nevens mij stond; 7 en hij sprak tot mij: Gij menschenkind, dat is de plaats mijns troons en de plaats mijner voetzolen, in welke ik eeuwiglijk wonen zal onder de kinderen Israels; en het huis Israels zal niet meer mijnen heiligen naam verontreinigen, noch zij noch hunne koningen , door hunne hoererij en door de doode lichamen hunner koningen op hunne hoogten; 8 die hunne drempels aan mijne drempels, en hunne posten aan mijne posten gezet hebben, dat er slechts een muur tusschen mij en hen was; en alzoo mijnen heiligen naam verontreinigd hebben door de gruwelen die zij bedreven; daarom heb ik hen ook in mijnen toorn verteerd. ^ Maar nu zullen zij hunne hoererij en de doode lichamen hunner koningen verre van mij wegdoen, en ik zal eeuwiglijk onder hen wonen. 10 En gij menschenkind, wijs het huis van Israël den tempel aan, opdat zij zich schamen over hunne misdaad; en laat hen een model daarvan afmeten. 11 En als zij zich nu scha- |
EZECHIEL 43i
1559
|
men wegens al lietgeen zij gedaan hebben, zoo vertoon hun de gedaante en het model van het huis, en zijne uitgangen en ingangen, en al zijne gedaanten en inrichtingen , ja al zijne gedaanten en voorschriften; en schrijf het hun voor, opdat zij al zijne gedaanten en voorschriften in acht nemen en zich daarnaar richten. 13 Dit zal de wet van het huis zijn: op de hoogte van den berg, zoover het dien beslaat, zal een allerheiligste zijn: .dit is de wet aangaande het huis. 13 En dit is de maat van den altaar, naar de el, welke een handbreed langer is dan een gewone el: zijn voet is een el hoog en een el breed; en de altaar strekt opwaarts tot aan den rand, die één span breed is rondom ; en dit is zijne hoogte. 14 En van den voet op den grond af tot aan het onderste afzetsel, twee el hoog en één el breed; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier el hoog en één el breed; 15 en de Harël vier el hoog; en van den Ariël opwaarts zijn de vier hoornen. |
16 De Ariël nu was twaalf el lang en twaalf el breed in het vierkant. 17 En het bovenste afzetsel was veertien el lang en veertien el breed in het vierkant; en een rand ginger overal rondom, een halve el breed; en zijn voet was een el hoog; en zijne trappen waren naar het oosten toe. 18 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, dus spreekt de Heere Heere: Dit zullen de rechten des altaars zijn, ten dage als hij gemaakt zal zijn, om er brandoffer op te leggen en bloed O]) te sprengen. 19 Eu aan de priesters van Levi, uit het zaad van Zadok, die voor mij verschijnen om mij te dienen, spreekt de Heere Heere, zult gij een jongen var geven tot een zondoffer; 30 en van zijn bloed zult gij nemen, en zijne vier hoornen en de vier hoeken van liet bovenste afzetsel en de lijsten rondom daarmede besprengen; zoo zult gij hem ontzondigen en verzoenen. 31 En gij zult den var des zondoffers nemen, en hem verbranden aan eene plaats van het huis, die daartoe bestemd is buiten het heiligdom. |
EZECHIEL 44.
1560
|
32 En op den tweeden dag zult gij een geitebok ofteren die zonder gebrek is, tot een zondoffer; en zij zullen den altaar daarmede ontzondigen, gelijk hij met den var ontzondigd is. 23 En als het ontzondigen volbracht zal zijn, zult gij een jongen var ofteren die zonder gebrek is, en een ram van de kudde zonder gebrek, 24 en zult ze beide voor den Heer offeren, en de priesters zullen er zout op strooien, en zullen ze alzoo offeren, den Heer tot een brandoffer. 25 Alzoo zult gij zeven dagen na elkander dagelijks een bok tot een zondotter otteren; en zij zullen een jongen var en een ram van de kudde, die beide zonder gebrek zijn, otteren. 26 Alzoo zal men zeven dagen lang den altaar verzoenen en hem reinigen, en zijne handen vullen. 27 En na deze dagen zullen de priesters, op den achtsten dag en voortaan, op den altaar uwe brandoffers en uwe dankoffers otteren; zoo zal ik u genadig zijn, spreekt do Heere Heere. |
HOOFDSTUK 44. 1 En hij voerde mij weder naar de poort van het buitenste heiligdom tegen het oosten; en die was gesloten. 2 En de Heer sprak tot mij: Deze poort zal gesloten blijven, en niet geopend worden, en niemand zal er doorgaan, want de Heer, de God van Israël, is er doorgegaan: daarom zal zij gesloten blijven. 3 Doch wat den vorst betreft, hij, de vorst, zal daarin mogen zitten, om het brood te eten voor den Heer; door het voorhuis zal hij ingaan, en daardoor weder uitgaan. 4 Daarna voerde hij mij naar de poort tegen het noorden, vóór het huis; en ik zag, en zie, het huis des Heeren werd vol van de heerlijkheid des Heeren; en ik viel op mijn aangezicht. 5 En de Heer sprak tot mij: Gij menschenkind, merk nauwkeurig op, en zie, en hoor naarstig naar alles wat ik u zeggen zal, van al de rechten en wetten in het huis des Heeren; en geef wèl acht, hoe men daar zal ingaan, en op alle uitgangen des heiligdoms. ö En zeg tot het onge- |
EZECHIEL 44.
1561
|
hoorzame huis van Israël; Dus spreekt de Heere Hee-re: Gij maakt het te erg, gij huis van Israël, met al uwe gruwelen. 7 Want gij brengt vreemde lieden, die onbesneden van hart en onbesneden van vleesch zijn, in mijn heiligdom, — waardoor gij mijn huis ontheiligt, als gij mijn brood, het vet en het bloed ofl'ert, — en verbreekt alzoo mijn verbond door al uwe gruwelen; 8 en gij hebt de wacht mijns heüigdoms niet waargenomen, maar anderen in uwe plaats tot wacliters in mijn heiligdom gesteld. 9 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Er zal geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van vleesch, in mijn heiligdom komen, uit al de vreemdelingen die onder de kinderen Israels zijn. 10 Ja al waren het ook Levieten, die van mij geweken zijn, en met Israël van mij zijn afgedwaald naar hunne afgoden, zoo zullen zij echter hunne zonde dra-gen: .. 11 zij zullen in mijn heiligdom slechts dienen, en de wacht hebben aau de deuren van het huis, en het huis bedienen, en slechts het brandoffer en andere oliers die het volk toebrengt slachten, en voor de priesters staan om hen te dienen. |
12 Omdat zij hen ook gediend hebben voor het aangezicht hunner afgoden, en aan het huis van Israël eene aanleiding tot zonde gegeven hebben, daarom heb ik mijne hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere Heere, dat zij hunne zonde zullen dragen; 13 en zij zullen niet tot mij naderen om mij het priestérambt te bedienen, noch komen tot een van mijne heiligdommen, tot het allerheiligste, maar zullen hunne schande dragen en hunne gruwelen die zij bedreven hebben. 14 Daarom zal ik hen tot wachters stellen, en tot alle ander dienstwerk van het huis, en tot alles wat men daarin te verrichten heeft. 15 Maar de priesters uit de Levieten, de zonen van Zadok, die de wacht mijns heüigdoms hebben blijven waarnemen toen de kinderen Israëls van mij afvielen, die zullen voor mij verschijnen en mij dienen, en vóór mij staan om mij het vet en het bloed te ofieren, spreekt de Heere Heere; 16 zij zullen ingaan in |
EZECHIËL 44.
1563
|
mijn heiligdom, en zij zullen voor mijne tafel treden om mij te dienen en mijne wacht waartenemen, 17 En als zij de poorten van het binnenste voorhof zullen intreden, zullen zij linnen kleederen aantrekken , en niets van wol aanhebben, als zij binnen de poort van het binnenste voorhof dienen. 18 En zij zullen versiersels van linnen op hun hoofd hebben, en linnen onderkleederen om hunne lendenen , en zullen ziet niet gorden in het zweet. 19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, tot het volk, zullen zij de kleederen in welke zij gediend hebben uittrekken, en ze in de kamers van het heiligdom leggen, en andere kleederen aantrekken, en in hutme eigene kleederen het volk niet heiligen. 20 Hun hoofil zullen zij niet kaal scheren, en ook de haren niet lang laten groeien; maar zij zullen hunne hoofden behoorlijk omwinden. 21 En geen priester zal ivijn drinken, als zij in het binnenste voorhof moeten ingaan. |
22 En zij zullen geenwe-duw noch verstootenc ten huwelijk nemen, maar maagden uit het zaad van het huis Israels, of eens priesters nagelaten weduw. 3ij En zij zullen mijn volk leeren, opdat het wete onderscheid te maken tusschen heilig en onheilig, én tusschen rein en onrein. 34 En als er eene zaak voor hen komt, zullen zij staan en richten, en naar mijne wetten uitspraak doen; en zij zullen mijne geboden en inzettingen op al mijne feesten onderhouden, en mijne sabbatten heiligen. 35 En zij zullen tot geen doode gaan en zich verontreinigen , dan alleen tot vader of moeder, zoon of dochter, broeder of zuster die nog geen man gehad heeft; om hen mogen zij zich verontreinigen. 30 En na zijne reiniging zal men hem zeven dagen tellen. 37 En als hij weder het heiligdom ingaat, in het binnenste voorhof, om in het heiligdom te dienen, zoo zal hij zijn zondoiiér oflé-ren, spreekt de HeereHeere. 38 Het erfdeel nu, hetwelk zij hebben zullen, dat zal ik zelf zijn; daarom zult gij hun geen eigen land geven in Israël, erfdeel. want ik ben hun |
EZECHIEL 45.
1563
|
29 Zij zullen hun onderhoud hebben van het spijsoffer, zondoffer en schuldoffer; en al het verbannene in Israël zal het hunne zijn. 30 En alle eerste vruchten en de eerstelingen van alle hefoffers zullen het deel der priesters zijn; gij zult ook den priesters de eerstelingen geven van al wal. men eet, opdat de zegen in uw huis blijve. 31 Maar wat een aas of wat verscheurd is, hetzij van vogels of van dieren, dat zullen de priesters niet eten. HOOFDSTUK 45. 1 Als gij nu het land door het lot uitdeelt, zoo zult gij een hefoffer van het land afzonderen, dat den Heere heilig zal zijn, vijfentwintigduizend roeden lang en tienduizend breed ; deze plaats zal heilig zijn zoover zij strekt. 3 En daarvan zullen tot het heiligdom komen telkens vijfhonderd roeden in het vierkant, en daarenboven een open plaats rondom vijftig el. 3 En op de plaats die vijfentwintigduizend roeden lang en tienduizend breed is, zal het heiligdom staan met het allerheiligste. |
4 En het overige van het geheiligde land zal den priesters toebehooren, die in het heiligdom dienen, en voor den Heer verschijnen ora hem te dienen, dat zij ruimte tot huizen hebben; en het zal ook heilig zijn. 5 3)e Levieten, die voor liet huis dienen, zullen óók tot hun deel vijfentwintigduizend roeden lang en tienduizend breed hebben, voor twintig vertrekken. 6 En ten behoeve der s'ad zult gij ook eene plaats laten, vijfduizend roeden breed en vij fentwintigduizend lang, bij de afgezonderde plaats van het heiligdom; dit zal voor het geheele huis van Israël zijn. 7 En den vorst zult gij ook eene plaats geven aan beide zijden, tusschen de plaats der priesters en tusschen de plaats dor stad, tegen het westen en tegen het oosten; en zij zullen beide tegen het oosten en tegen het westen evenlang zijn. 8 Dit zal zijn eigen deel zijn in Israël, opdat mijne vorsten aan mijn volk niet meer het zijne ontnemen, maar het land aan liet huis Israels laten voor hunne stammen. 9 quot;Want dus spreekt de |
|
1564 EZECH Heere Heere: Het lieeft lang genoeg geduurd, o vorsten vati Lsraël; houdt op met geweld en verstoring, en doet hetgeen recht en goed is; en doet weg van mijn volk uwe afpersingen,spreekt de Heere Heere. 10 Gij zult recht gewicht en rechte schepels en eer.e rechte maat hebben; 11 efa en bath zullen gelijk zijn, zoodat een bath het tiendedeel van een homer houde, en een efa óók het tiendedeel van een homer; want naar den homer zal men ze beide meten. 13 En de sikkel zal twintig gera doen; en een mina maakt twintig sikkels of vijfentwintig sikkels of vijftien sikkels. 13 Dit nu zal het hefoffer zijn dat gij heflén zult: het zesdedeel van een efa van een homer tarwe, en het zesdedeel van een efa van een homer gerst. 14 En van de olie zult gij geven een bath, telkens een tiende gedeelte van een bath van elke kor, en het tiende gedeelte van een homer ; want tien bath maken een homer. 15 En telkens één lam van elke tweehonderd schapen der kudde in de weide van Israël, tot spijsoti'er en brand- |
IËL 45. offer en tot dankofters, ter verzoening voor hen, spreekt de Heere Heere. 16 Al het volk in het land zal dat hefoffer tot den vorst van Israël brengen. 17 En de vorst zal zijn brandoffer, spijsoffer en drank offer offeren op de feesten, nieuwemaandagen en sabbatten, en op al de hoogtijden van het huis Is-raëls; alsook zondoffer en spijsoffer, brandoffer en dankoffers offeren, tot verzoening voor het huis van Israël. 18 Dus spreekt de Heere Heere: Op den eersten dag der eerste maand zult gij nemen een jongen var, die zonder gebrek is, en het heiligdom ontzondigen. 19 En de priester zal van het bloed des zondofiers nemen, en daarmede de posten van het huis besprengen , en de vier hoeken van den omgang des altaars, benevens de posten der poort van het binnenste voorhof. 20 Alzoó zult gij ook doen op den zevenden dag van die maand, voor dengeen die afgedwaald of verleid is, opdat gij het huis ontzondigt. 31 Op den veertienden dag der eerste maand zult gij het pascha houden, en het |
EZECHIËL 46.
1563
|
zeven dagen vieren, en ongezuurd brood eten. 23 En op denzelfden dag zal de vorst voor zichzelven en voor al het volk des lands een var tot een zondoffer offeren. 33 En gedurende de zeven dagen van het feest zal hij den Heere dagelijks een brandoffer offeren, telkens zeven varren en zeven rammen die zonder gebrek zijn, en telkens een geitebok tot een zondoffer. 34 En tot een spijsoffer zal hij telkens een efa bij een var en een efa bij een ram offeren, en telkens een hin olie bij een efa. 35 Op den vijftienden dag der zevende maand zal hij het feest op gelijke wijze zeven dagen vieren, en evenzoo doen met het zondoffer, brandoffer, spijsoffer, en met de olie. HOOFDSTUK 46. 1 Dus spreekt de Heere Heere: De poort van het binnenste voorhof oostwaarts zal op de zes werkdagen gesloten zijn, maar op den sabbatdag en op den dag der nieuwemaan zal men ze opendoen. |
3 En de vorst zal langs den weg van het voorhuis der poort derwaarts komen, en buiten bij de posten der poort blijven staan; en de priesters zullen zijn brandoffer en zijn dankofler offeren, en hij zal aanbidden op den drempel der poort, en daarna weder uitgaan; doch de poort zal open blijven tot den avond. 3 Desgelijks zal het volk des lands aanbidden voor de deur dier poort voor den Heer, op de sabbatten en nieuwemaanfeesten. 4 En het brandoffer, hetwelk de vorst voor den Heer zal offeren op den sabbatdag, zal zijn zes lammeren die zonder gebrek zijn, en een ram zonder gebrek; 5 en telkens een efa tot een spijsofler bij eiken ram, maar bij de lammeren zooveel zijne hand vermag tot een spijsofler; en telkens een hin olie bij iedere efa. 6 En op den dag der nieuwemaan zal hij een jongen var ofl'eren, die zonder gebrek is, en zes lammeren en een ram, ook zonder gebrek; 7 en telkens een efa bij een var en een eta bij een ram tot een spijsofler, maar bij de lammeren zooveel zijne hand vermag; en telkens een hin olie bij iedere efa. 8 En als de vorst ingaat, zal hij door het voorhuis |
EZECHIËli 16,
1566
|
der poort ingaan, en langs denzelfden weg weder uitgaan. 9 Maar liet volk des lands, dat voor den Heer verschijnt op de hoogtijden, en door de poort tegen het noorden ingaat ora te aanbidden, dat zal door de zuiderpoort weder uitgaan; en wie dooide zuiderpoort ingaan, zullen de noorderpoort weder uitgaan; en zij zullen niet weder de poort uitgaan, door welke zij ingegaan zijn, maar door de tegenovergestelde uitgaan. 10 De vorst nu zal met hen tegelijk in- en uitgaan. 11 Én op de feestdagen en hoogtijden zal men tot een spijsoffer telkens bij een var een efa en telkens bij een ram een efa olïeren, en bij de lammeren zooveel zijne hand vermag; en telkens een hin olie hij iedere efa. 13 En als de vorst een vrijwilligbrandofler of dank-olier den Heere wil offeren, dan zal men hem de poort oostwaarts opendoen, opdat hij zijn brandofier en dankoffer oflere, zooals hij anders op den sabbat pleegt te offeren; en als hij weder uitgaat, zal men de poort achter hem sluiten. |
13 En hy zfil den Heer dagelijks een brandoffer offeren , een eenjarig lam zonder gebrek; dit zal hij eiken morgen offeren. 14 En hij zal eiken morgen daar bijdoen het zesde-deel van een efa tot een spijsoffer, en een derdedeel van een hin olie om de meelbloem te bedruipen, den-Heere tot een spijsoffer; dit zal eene eeuwige wet zijn van het dagelijksch offer. 15 En alzoo zullen zij het lam niet het spijsoffer en de olie eiken morgen offeren tot een dagelijksch brandoffer. 16 Dus spreekt de Heere, Heere: Indien de vorst aan een zijner zonen een geschenk van zijn erfdeel geeft, dat zal voor zijne zonen blijven, zij zullen het erfelijk bezitten. 17 Maar wanneer hij van zijn erfdeel iets schenkt aan een zijner knechten, zoo zullen zij dat bezitten tot het vrijjaar toe; en alsdan zal het toj: den vorst wederkee-ren, want zijn deel zal alleen op zijne zonen komen. 18 Ook zal de vorst het volk niets ontnemen van hun erfdeel, noch hen uit hunne eigene goederen ver-stooten , maar zal zijn eigen goed en erfdeel door zijne kinderen laten erven; opdat mijn volk niet meer ver- |
EZECHIËL 47.
1567
|
strooid worde, elk uit zijne vaste bezitting. 19 En hij voerde mij onder den ingang aan de zijde van de poort tegen liet noorden , tot de kamers van het heiligdom, die den priesters toebehoorden, en zie, daar was eene plaats in een hoek naar het westen toe. 20 En hij sprak tot mij: Dit is de plaats waar de priesters het sehnldoflér en net zondofler koken en het spijsoffer bakken zullen; opdat zij het niet in het buitenste voorhof behoeven te dragen, om het volk te heiligen. 31 Daarna voerde hij mij uit in het buitenste voorhof, en beval mij in de vier hoeken des voorhofs te gaan; en zie, in elk der vier hoeken was een ander voorholje 23 om te wierooken, veertig el lang en dertig el 'breed, alle vier van éénerlei maat. 23 En er ging een muur rondom alle vier; ook waren er 'haardsteden rondom gemaakt, beneden aan domuien. 24 En hij sprak tot mij: Dit is de keuken in welke de dienaars van het huis zullen koken wat het volk ofiert. |
HOOFDSTUK 47. 1 En hij voerde mij weder naar de deur des tempels, en zie, er vloeide water uit, van onder den drempel des tempels naar het oosten; want de deur des tempels was ook tegen het oosten; en het water liep aan de rechterzijde van den tempel langs den altaar heen naar het zuiden toe. 3 En hij voerde mij naar-buiten door de noorderpoort, en hij leidde mij buiten om naar de buitenpoort, die oostwaarts zag; en zie, het water sprong daaruit van de rechterzijde. 3 En die man ging vandaar uit naar het oosten, en had een meetsnoer in de hand; en hij mat duizend el, en voerde mij door het water, totdat het mij aan de enkels kwam. 4 En hij mat nog eens duizend el, en voorde mij door het water, totdat het mij aan de knieën kwam; ei^. hij mat nog duizend el en liet mij er doorgaan, ^ van het mij aan de Ifhetoos- V1™' . , ,lt;in strekken; 5 l oen inat n (|aarvan ^ z®lld 'r1' e?om staan. diep ciat tarvan zult gij voor kon dooleer een bonter we- K.A 5Ü |
EZECHIËLi 16,
1566
|
der poort ingaan, en langs denzelfden weg weder uiU gaan, 9 Maar liet volk des lands, dat voor den Heer verscliijnt op de hoogtijden, en door de poort tegen het noorden ingaat om te aanbidden, dat zal door de zuiderpoort ■vveder uitgaan; on '.vie dooide zuiderpoort ingaan, zullen de noorderpoort weder uitgaan; en zij zullen niet weder de poort uitgaan, door welke zij ingegaan zijn, maar door de tegenovergestelde uitgaan. 10 De vorst nu zal mot hen tegelijk in- en uitgaan. 11 En op de feestdagen en hoogtijden zal men tot een spijsoffer telkens bij een var een efa en telkens bij een ram een efaolferen, en hij de lammeren zooveel zijne hand vermag; en telkens een hin olie bij iedere efa. 13 En als de vorst een' vrijwillig brandofier of dankoffer den Heere wil offeren, dan zal men hem de poort oostwaarts opendoen, opdat hij zijn brandoffer en dankoffer oflere, zooals hij anders op den sabbat pleegt te offeren; en als hij weder uitgaat, zal men de poort achter hem sluiten. |
13 En hy zal den Heer dagelijks een brandoffer of- stroo feren, een eenjarig lam zon-1 vaste der gebrek; dit zal hij elkeni 19 morgen offeren. 11' En hij zal eiken mor- van gen daar bijdoen het zesde- den, deel van een efa tot een; heili spijsoffer, en een derdedeel'; toebi van een hin olie om de meel- was bloem te bedruipen, -den naar Heere tot een spijsoffer; dit 30 zal eene eeuwige wet zijn Dit van het dagelij ksch offer, wie- 15 En alzoo zullen zij het het lam met het spijsoffer en de spijs olie eiken morgen offeren tot dat een dagelijksch brandoffer. • tens 16 Dus spreekt de Heere dras Heere: Indien de vorst aan lige een zijner zonen een geschenk 31 van zijn erfdeel geeft, dat: uit zal voor zijne zonen blijven, en zij zullen het erfelijk bezit- hoe' ten. ; en 17 Maar wanneer hij van ken zijn erfdeel iets schenkt aan 22 een zijner knechten, zoo zul- tig len zij dat bezitten tot het vrijjaar toe; en alsdan zal het tot den vorst wederkcc-ven, want zijn deel zal alleen op zijne zonen komen. 18 Ook zal de vorst het volk niets ontnemen van hun erfdeel, noch hen uit hunne eigene goederen verstoeten , maar zal zijn eigen goed en erfdeel door zijne kinderen laten erven; opdat mijn volk niet meer ver- der i bre lei 3; ron er ma rer 3' Di de zul otï |
EZECHIÉL 47.
1567
|
strooid worde, elk uit zijne vaste bezitting. 19 En hij voerde mij onder den ingang aan de zijde van de poort tegen liet noorden , tot de kamers van het heiligdom, die den priesters toebehoorden, en zie, daar was eene plaats in een hoek naar het westen toe. 20 En hij sprak tot mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondofler koken en het spijsoffer bakken zullen; opdat zij het niet in het buitenste voorhof behoeven te dragen, om het volk te heiligen. 31 Daarna voerde hij mij uit in het buitenste voorhof, en beval mij in de vier hoeken des voorhofs te gaan; en zie, in elk der vier hoeken was een ander voorhof je 33 om te wierooken, veertig el lang en dertig el breed, alle vier van éénerlei maat. 33 En er ging een muur rondom alle vier; ook waren er haardsteden rondom gemaakt, beneden aan de muren. 34 En hij sprak tot mij: Dit is de keuken in welke de dienaars van het huis zullen koken wat het volk ofiert. |
HOOFDSTUK 47. 1 En hij voerde mij weder naar de deur des tempels, en zie, er vloeide water uit, van onder den drempel des tempels naar het oosten; want de deur des tempels was ook tegen het oosten; en het water liep aan de rechterzijde van den tempel langs den altaar heen naar het zuiden toe. 3 En hij voerde mij naar-buiten door de noorderpoort, en hij leidde mij buiten öm naar de buitenpoort, die oostwaarts zag; en zie, het water sprong daaruit van de rechterzijde. 3 En die man ging vandaar uit naar het oosten, en had een meetsnoer in de hand; en hij mat duizend el, en voerde mij door het water, totdat het mij aan de enkels kwam. 4 En hij mat nog eens duizend el, en voerde mij door het water, totdat het mij aan de knieen kwam; en hij mat nog duizend el, en liet mij er doorgaan, totdat het mij aan de lendenen kwam. 5 Toen mat hij nog duizend el, en het werd zoo diep dat ik er niet meer kon doorgaan; want het water werd zoo hoog, dat men |
EZECHIEL 47.
1368
|
er door zwemmen moest, en men kon het niet doorwaden. 6 En hij sprak tot mij: Gij menschenkind, hebt gij dit gezien? En hij voerde mij weder terug langs den oever der beek. 7 En zie, er stonden zeer vele boomen aan den oever op beide zijden. 8 En hij sprak tot mij: Dit water, dat naar het oosten toe uitvloeit, zal door het vlakke veld looien in de zee, en van de eéne zee in de andere; en als het derwaarts in de zee komt, dan zullen hare wateren gezond worden. 9 Ja, al hetgeen daarin leeft en wemelt, waarheen deze stroomen komen, dat zal leven; en er zullen vele vissehen in zijn; en het zal altemaal gezond worden en leven, waarheen deze stroom komt. 10 En de vissehers zullen daarbij staan, van Engédi af tot Enëglaïm toe zal men de vischnetten uitspreiden; want aldaar zullen zeer vele vissehen zijn, zooals in de groote zee. 11 Doch de vijvers en poelen daarbij zullen niet gezond worden, maar zout blijven. |
12 En aan dezen stroom, aan den oever van weerszijden, zullen allerlei vruchtbare boomen groeien, waarvan de bladeren niet zullen verwelken noch de vruchten verrotten; en zij zullen alle maanden nieuwe vruchten voortbrengen, want het water vloeit hun toe uit het heiligdom; hunne vrucht zal tot spijs dienen, en hunne bladeren tot genezing. — 13 Dus spreekt de Heere Heere: Dit zijn de grenspalen naar welke gij het land onder elkander verdeelen zult, onder de twaalf stammen van Israël: voor Jozef twee deelen. 14 En gij zult hetnitdee-len aan den één als aan den ander; want ik heb mijne hand opgeheven, om het land aan uwe vaderen en u ten erfdeel te geven. 13 Dit nu is de grenspaal van het land: tegen het noorden, van de groote zee af, van Hethlon tot naar Zedad; 16 Hamath, Berotha, Sib-raïm, hetwelk aan Damascus en Hamath grenst; en Hazer-Hattichon, hetwelk aan Hauran grenst. 17 Dit zal de grenspaal zijn van de zee af tot aan Ha-zer-Enon toe; en Damascus en Hamath zullen het einde zijn tegen het noorden. 18 En den grenspaal tegen het oosten zult gij meten |
EZECHIËL 48
1569
|
tusschen Hauran en Damascus , en tussclien Gilead, en tusschen het land van Israël aan den Jordaan benedenwaarts, tot aan de zee tegen het oosten: dit zal de grenspaal tegen het oosten zijn. 19 En de grenspaal tegen het zuiden is van Tamar af tot aan het twistwater te Kades toe, en tegen het water aan de groote zee: dit zal de grenspaal tegen het zuiden zijn. 20 En de grenspaal tegen het westen is van de groote zee af, rechtuit, tot Hamath toe: dit is de grenspaal tegen het westen. 31 Aldus zult gij het land verdoelen onder de stammen van Israël. 32 En als gij het lot werpt om het land onder u te ver-deelen, zoo zult gij de vreemdelingen die bij u wonen, en die kinderen onder u verwekt hebben, houden als inboorlingen onder de kinderen Israels. 23 En zij zullen ook hun deel aan het land hebben, elk in den stam in welken hij woont, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 48. |
1 Dit zijn de namen der stammen. Van het noorden, van Hethlon naar Hamath, en Hazar-Enon, en van Damascus naar Hamath, dit zal Dan tot zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 3 Naast Dan zal Aser zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 3 Naast Aser zal Naftali zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 4 Naast Naftali zal Manasse zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 5 Naast Manasse zal Efraïm zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 6 Naast Efraïm zal Euben zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 7 Naast Euben zal Juda zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe. 8 En naast Juda zult gij een deel afzonderen, van het oosten af naar het westen toe, hetwelk vijfentwintigduizend roeden breed en lang zal zijn, als een vau die deelen die van het oosten tot het westen strekken; in het midden daarvan zal het heiligdom staan. 9 En daarvan zult gij voor den Heer een deel afzon- |
50
EZECHIËL 48.
1570
|
deren, vijfentwintigduizend roeden lang en tienduizend roeden breed, 10 en dat heilige deel zal voor de priesters zijn, vijfentwintigduizend roeden lang noordwaarts en zuidwaarts, eu tienduizend breed oostwaarts en westwaarts; en het heiligdom des Hceren zal in het midden staan. 11 Dit zal geheiligd zijn voor de priesters uit de zonen van Zadok, die mijne wacht hebben blijven waarnemen, en niet met de kinderen Israels zijn afgevallen, gelijk de Levieten afgevallen zijn. 13 En alzoo zal dit afgezonderde deel des lands hun eigendom zijn, in hetwelk het allerheiligste is aan den grenspaal der Levieten. 13 Ook de Levieten zullen naast den grenspaal der priesters vijfentwintigduizend roeden in de lengte en tienduizend in de breedte hebben; want alle lengte zal vijfentwintigduizend, en de breedte tienduizend roeden houden. 14 En zij zullen niets daarvan verknopen noch verwisselen noch overdragen; want het is de eersteling des lands, en den Heere geheiligd. |
15 Maar de overige vijfduizend roeden in de breed- a te, tegen de vijfentwintig- lt;' duizend roeden in de lengte, ï dit zal ongewijde grond zijn, e voor de stad tot woonplaats en voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan staan. 16 En dit zal hare maat zijn: vierduizend vijfhonderd roeden naar het noorden en naar het zuiden toe, desgelijks naar het oosten en naar het westen óók i vierduizend vijfhonderd. 17 En de voorstad zal beslaan tweehonderd vijftig roeden naar het noorden en naar het zuiden toe, desgelijks ook naar het oosten en naar het westen tweehonderd vijftig roeden. 18 Het overige nu van de lengte, naast het afgezonderde en geheiligde, tienduizend roeden naar het oosten en naar het westen toe, dit behoort tot onderhoud dergenen die in de stad arbeiden. 19 En de arbeiders dei-stad zullen arbeiden uit al de stammen van Israël. 30 De geheele afzondering der vijfentwintigduizend roeden in het vierkant zal eene geheiligde afzondering zijn voor de stad tot een eigendom. 31 En wat er nog over is |
|
EZEGH aan beide zijden, naast het afgezonderde heilige deel en het deel naast da stad, vijfentwintigduizend roeden naar het oosten en naar het westen toe, dit zal alte-maal voor den vorst zijn; en het afgezonderde heilige deel en het huis des lieilig-doms zal in het midden daarvan zijn. 23 Wat er nu tussohen ligt, tussohen liet deel dei-Levieten en liet deel der stad, en tussohen den grenspaal van Juda en den grenspaal van Benjamin, dat zal voor den vorst zijn. 23 Daarna zullen de andere stammen volgen: Benjamin zal zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe; 24 en naast den grenspaal van Benjamin zal Simeon zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe; 25 naast den grenspaal van Simeon zal Issaschar zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe; 26 naast den grenspaal van Issaschar zal Zebolon zijn deel hebben, van het oosten af naar het westen toe; 27 naast den grenspaal van Zebulon zal Gad zijn deel |
[EL 48. 1571 hebben, van het oosten af naar het westen toe; 28 en naast Gad is de grenspaal naar liet zuiden toe, van ïamar af tot aan het twistwater te Kades toe, en tegen het water aan de groote zee. 29 Alzoo zal het land uitgedeeld worden tot een erfdeel onder de stammen van Israël, en dit zal hun erfdeel zijn, spreekt de Heere Heere. 30 En dit zal de wijdte der stad zijn: vierduizend vijfhonderd roeden naar het noorden toe, 31 en de poorten der stad zullen naar de namen der stammen van Israël genoemd worden, drie poorten naar het noorden toe: de eerste poort Ruben, de tweede Juda, de derde Levi. 33 Alzoo ook naar het oosten toe vierduizend vijfhonderd roeden, en ook drie poorten: de eerste poort Jozef, de tweede Benjamin, de derde Dan. 33 Naar het zuiden toe ook zoo: vierduizend vijf-hqnderd roeden, en ook drie poorten: de eerste poort Simeon, de tweede Issaschar, de derde Zebulon. 34 Alzoo ook naar het westen toe: vierduizend vijfhonderd roeden, en drie |
DANIËL 1.
omtrek achttienduizend roeden zijn; en alsdan zal de stad genoemd worden: de Heer is aldaar.
35 Alzoo zal de geheele
DE PROFEET
DANIËL.
1572
poorten: de eerste poort Gad, de tweede Aser, de derde Naftali.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In liet derde jaar der regeering van Jojakim den koning van Juda kwam Ne-bukadnezar de koning van Babel voor Jeruzalem en belegerde het. 3 En de Heer gaf Jojakim den koning van Juda in zijne hand, en eenige vaten van het huis Gods; deze liet hij voeren in het land Sinear, naar het huis zijns gods, en bracht de vaten in de schatkamer zijns gods. 3 En de koning zeide tot Aspenaz, zijn oppersten kamerdienaar, dat liij eenigen uit de kinderen Israëls, van koninklijken stam en van de rijksgrooten, zou medevoeren , |
4 jongelingen die niet gebrekkig waren, maar schoon. Vernuftig, wijs, schrander en verstandig, die bekwaam waren in 'skonings hof te dienen; en dat men hen onderwijzen zou in het schrift en de taal der Chaldeën. 5 En de koning bepaalde voor hen, wat men hun van zijne spijs, en van den wijn dien hij zelf dronk, eiken dag zou geven; opdat zij alzoo drie jaren opgevoed zijnde, daarna voor den koning zouden dienen. 6 Onder deze waren Daniël, Hananja, Misaël en Azarja, uit de kinderen van Juda. 7 En de opperste kamerdienaar gaf hun namen, en noemde Daniël Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misaël Mesach, en Azarja Abednego. 8 Daniël nu besloot in zijn hart, dat hij zich met de spijs des konings, en met |
|
dan: den wijn dien hij zelf dronk, niet zou verontreinigen; en hij verzocht den oppersten kamerdienaar, dat het hem vergund zou worden zich niet te verontreinigen. 9 En God gaf Daniël, dat de opperste kamerdienaar hem gunstig en genadig , werd. 10 Nochtans zeide deze tot hem: Ik vrees voor mijnen heer den koning, die u uwe spijs en uwen drank besteld heeft; indien hij zag dat uwe aangezichten treuriger waren dan die der andere jongelingen van uwen ouderdom, dan zoudt gij mijn hoofd bij den koning in gevaar brengen. 11 Toen sprak Daniël tot Melzar, aan wiens zorg de opperste kamerdienaar Daniël, Hananja, Misaël en Azarja had toevertrouwd: 12 Neem slechts de proef met uwe knechten tien dagen lang, en men geve ons moeskruid te eten en water te drinken; 13 en bezie dan in uwe tegenwoordigheid onze gedaanten en de gedaante der jongelingen die van des ko-nings spijs eten, en dos alsdan met uwe knechten naar hetgeen gij bevinden zult. 14 En hij hoorde naar hen |
EL 1. 1573 in deze zaak, en hij beproefde het met hen tien dagen lang. 15 En na die tien dagen waren zij schooner en beter in het vleesch dan al de jongelingen die van de spijs des konings aten. 16 Toen deed Melzar de voor hen bestemde spijs en drank weg, en gaf hun moeskruid. 17 En God verleende aan deze vier jongelingen kennis en verstand in allerlei schrift en wetenschap, en Daniël gaf hij verstand in alle gezichten en droomen. 18 En als de tijd om was waarna de koning bepaald had dat zij tot hem moesten gebracht worden, zoo bracht de opperste kamerdienaar hen voor Nebukad-nezar, 19 en de koning sprak met hen; en er werd onder hen allen geen gevonden, die Daniël, Hananja, Misaël en Azarja gelijk was; en zij werden 's konings dienaars. 30 En de koning bevond hen, in alle zaken waarover hij hen ondervroeg, tienmaal kundiger en verstandiger dan alle sterrenwichelaars en wijzen in zijn geheele rijk. 31 En Daniël bleef tot in |
|
HOOFDSTUK 2. 1 In liet tweede jaar der regeering van Nelmkadim-zar, had Nebukadnezar een droom waarvan hij ver-sohrikte, uoodat hij ontwaakte. 3 En hij gebood alle sterrenwichelaars en wijzen en too venaars en Ghaldeën bijéén teroepen, opdat zij den koning zijnen droom zouden zeggen; en zij kwamen en traden voor den koning. 3 Eu de koning sprak tot hen: Ik heb een droom gehad, die heeft mij verschrikt ; en ik wilde gaarne weten wat voor een droom het geweest is. 4 Toen spraken de Ghaldeën tot den koning in liet Syrisch: Heer koning, God verleene u oen lang leven; zeg uwen knechten den droom, zoo zullen wij hem uitleggen. 5 De koning antwoordde en sprak tot de Ghaldeën: Het is mij ontgaan: indien gij mij den droom niet zult te kennen geven en verklaren, zult gij geheel en al omkomen, en uwe huizen zullen tot een puinhoop gemaakt worden; |
6 maar indien gij m\j den droom zult te kennen geven en uitleggen, zoo zult gy geschenken, gaven en groote eer van mij ontvangen: derhalve zegt mij den droom en zijne beteekenis. 1574 DANlBL 8. het eerste jaar van den koning Koies. 7 Zij antwoordden weder en zeiden: Dat de koning zijnen knechten den droom verhale, zoo zullen wij dien verklaren. 8 De koning antwoordde en sprak: Ik zie duidelijk dat gij uitstel zoekt, vermits gij bespeurt dat het mij ontgaan is; 9 maar indien gij mij den droom niet zegt, is uw vonnis hetzelfde alsof gij onder-nomen hadt leugens en verdichtsels voor mij te spreken, totdat de tijd verloopen zal zijn: daarom zegt mij den droom, dan kan ik merken dat gij ook de beteekenis treft. 10 ïoen antwoordden de Ghaldeën voor den koning, en spraken tot hem: Er is geen mensch op de aarde die zeggen kan hetgeen de koning eischt; ook is er geen koning, hoe groot of machtig hij ook zijn moge, die zoo iets ooit van eenigen sterrenwichelaar, wijze of Ghaldeër vergt; 11 want hetgeen de koning eiseht is te hoog, en er is ook geen ander die het voor |
Sl
|
DA NI den koning zeggen knn dan de goden, die niet bij de menschen wonen. 13 ïoen werd de koning zeer toornig, en beval al de wijzen van Babel omte-brengen. 13 En het vonnis ging uit, dat men de wijzen zou dooden; en men zocht ook Daniël en zijne metgezellen om zo te dooden. 14 Toen bracht Daniël een verstandig voorstel in bij Arjooh, den oppersten rechter dos konings, die uitgegaan was om do wijzen van Babel te dooden; 15 en hij begon en sprak tot Aijoch, des konings gemachtigde : quot;Waarom is zulk een streng vonnis van den koning uitgegaan? En Ar-joch gaf het aan Daniel te kennen. 16 Toen ging Daniël op, en bad den koning dat hij hem uitstel wilde geven, opdat hij den koning de be teekenis mocht zeggen. 17 En Daniël ging naar zijn huis, en gaf dat aan zijne metgezellen, Hananja, Misaël en Azarja, to kennen , 18 opdat zij den God des hemels om genade zouden smeeken aangaande, deze verborgen zaak, dat Daniël en zijne metgezellen niet met |
ËL 3. 1575 de andere wijzen van Babel mochten omkomen. '19 Toen werd aan Daniël deze verborgen zaak door eei; gezicht des nachts ge-opeiibaard; daarover loofde Daniël den God des hemels; 20 Daniël begon en sprak: Gelco-fd zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid , want zijn is de wijsheid en do macht. 21 Hij verandert tijden en gelegenheden, hij zet koningen af en stelt koningen aan, hij geeft don wijzen hunne wijsheid, en den ver-standigeu hnn verstand; 22 hij openbaart wat diep verborgen is, hij weet wat in de duisternis ligt, want bij hem is enkel licht. 33 Ik dank en loof u. God mijnor vaderen, dat gij mij wijsheid en macht verleent, en mij nu geoperi* baard hebt hetgeen wij van u gebeden hebben; want gij hebt ons des konings zaak geopenbaard. 24 Toen ging Daniël op tot Arjoch, die van don koning bevel had om de wijzen van Babel omtebrengen, en sprak tot hom aldus: Gij zult de wijzen van Babel niet ombrengen; maat breng mij binnen bij den koning, ik zal den koning de betee-kenis zeggen. |
DANIËL 2.
1576
|
35 Toen haastte Arjocii zich om Daniël voor den koning te brengen, en sprak tot hem aldus: Onder de gevangenen uit Juda is er een gevonden, die den koning de beteekenis kan zeggen. 26 De koning antwoordde en sprak tot Daniël, ook Beltsazar genaamd: Zijt gij degeen die mij den droom, dien ik gezien heben zijne beteekenis kan te kennen geven ? 27 Daniël antwoordde den koning en spraik: De verborgen zaak, die de koning eischt van de wijzen, geleerden, sterrenwichelaars en waarzeggers, staat het niet in hun vermogen den koning-te zeggen; 38 maar God in den Kemel , die kan de verborgen ivj^en openbaren; die herft den koning jSe'tmfcrfinezar te kennen gegeven wat in de toekomende tijden geschieden zal. Uw droom en uwe gezichten toen gij sliept zijn deze: 29 gij o koning dacht op uw leger, hoe het toch hierna zou gaan; en hij die verborgen zaken openbaart, heeft u te kennen gegeven hoe het gaan zal. 30 Nu is mij die verborgen zaak geopenbaard, niet |
door mijne wijsheid, als ware zij grooter dan van allen die leven, maar opdat den koning de beteekenis zou worden te kennen gegeven, en gij de gedachten van uw hart zoudt gewaarworden. 31 Gij o koning zaagt, en zie, een zeer groot en hoog beeld stond tegenoveru,-en het was verschrikkelijk om aantezien. 83 Het hoofd van dat beeld was van fijn goud, zijne borst en armen waren van zilver, zijn buik en zijne lendenen waren van koper, 33 zijne schenkels waren van ijzer, zijne voeten waren ten deele van ijzer en ten deele van leem. ! 34 Dit zaagt gij aan, tot- ^ dat er een steen zich los- \ scheurde zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten, die van ijzer en leem \ waren, en vergruisde die.— /35 Toen werden tezamen H vergruisd het ijzer, leem, ji koper, zilver en goud, en V werden als kaf op de dorsch-vloeren in den zomer, en de wind waaide ze weg, dat men ze nergens meer vinden kon; maar de steen die het beeld sloeg wercTlot een grooten berg, zoodat hij de geheele aarde vervulde. —' 36 Dit is de droom; nu |
ËL 3.
DAN I
1577
|
zullen wij de beteekenis voor den koning zeggen. 37 Gij koning zijt een koning der koningen, wien do God des hemels het koninkrijk, de macht, de sterkte en de eer gegeven heeft; 38 en overal waar lieden wonen, en waar dieren des velds en vogels des hemels zich ophouden, heeft hij alles in uwe hand gegeven en aan uwe heerschappij onderworpen ; gij zijt dat gouden hoofd. 39 Na u zal er een ander koninkrijk opkomen, minder dan het uwe; daarna het derde koninkrijk, dat van koper is, dat zal over alle landen heerschen. 40 Het vierde zal hard zijn als ijzer; want gelijk ijzer alles vergruist en klein maakt, ja gelijk ijzer alles verbrijzelt, zoo zal het alles vergruizen en verbrijzelen. 41 Maar wat aangaat dat gij gezien hebt de voeten en de teenen ten deele van leem en ten deele van ijzer: dat zal een verdeeld koninkrijk zijn, doch er zal van de vastheid des ijzers inblij-ven, gelijk gij gezien hebt ijzer met leem vermengd. 43 En dat de teenen aan zijne voeten ten deele ijzer en ten deele leem zijn; dat zal ten deele een sterk en ten deele een zwak rijk zijn. |
43 En dat gij gezien hebt ijzer met leem vermengd, zoo zullen zij zich wel door onderlinge huwelijken vermengen , maar zij zullen zich echter niet aan elkander hechten, gelijk zich het ijzer met het leem niet vermengt. 44 Doch ten tijde van die koninkrijken zal de God des hemels een koninkrijk oprichten , dat nimmermeer verstoord zal worden, en ziju koninkrijk zal op geen ander volk komen; het zal al deze koninkrijken vergruizen en vernielen, maar zelf zal het eeuwig blijven. 45 Gelijk gij gezien hebt een steen, zonder handen van den berg afgescheurd, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vergruisde: alzoo heeft de groote God den koning te kennen gegeven hoe het hierna gaan zal. Dit is de droom voorzeker, en zijne beteekenis is gewis. 46 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht en aanbad Daniël, en beval dat men hem spijsoffer en reukoffer zoubren-gen. 47 En de koning antwoordde Daniël en sprak: Er is geen twijfel aan, dat uw |
DANIEL 3.
1578
|
God eeu God boven alle go-den is eu een Heer boven alle koningen, die verborgen dingen kan openbaren, dewijl gij deze verborgen zaak hebt kunnen openbaren. 48 En de koning verlioogde Daniël, en gaf liem groote en vele geschenken, en maakte hem tot een vorst over het geheele land van Babel, en stelde hem tot een overste over al de wijzen van Babel. 49 Doch Daniël bad den koning, dat hij over de landschappen van Babel zou stellen Sadrach, Mesach en Abednego; en Daniël bleef aan het hof des konings. HOOFDSTUK 3. 1 De koning Nebukadne-zar liet eeu gouden beeld maken, zestig el hoog eu zes el breed, en liet het zetten in het land van Babel, in het dal Dura. 2 En de koning Nebukad-uezar zond naar de vorsten, heeren, landvoogden, rechters, voogden, raadsheeren, ambtlieden en alle gezagvoerders in het land , dat zij tezamen zonden komen, om het beeld te wijden hetwelk de koning Nebukadnezar had doen oprichten. |
3 Toen kwamen tezamen de vorsten, heeren, landvoogden , rechters, voogden, raadsheeren, ambtlieden en alle gezagvoerders in het land, om het beeld te wijden dat de koning Nebukadnezar had doen oprichten; en zij moesten voor het beeld treden dat Nebukadnezar had doen oprichten. 4 Eu een heraut riep overluid: Laat u dit gezegd zijn, gij volken, natiën en tongen: 5 als gij zult liooren het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, zoo zult gij ne-dervallen en het gouden beeld aanbidden, hetwelk do koning Nebukadnezar heeft doen oprichten; G en wie alsdan niet ne-dervalt en aanbidt, die zal terstond iu den gloeienden oven geworpen worden. —- 7 ïoeu zij nu hoorden het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters en alle andere speeltuigen, vielen alle volken, natiën en tongen neder, en aanbaden het gouden beeld hetwelk de koning Nebukadnezar had doen oprichten. 8 Doch ook terzelfder tijd traden eenige Chaldeeuw-sche mannen toe, en klaagden de Joden aan; |
|
DAN I 9 7,ij spraken en zeiden tot den koning Nebnkadne-zar: God verleene u een lang leven. 10 Gij o koning hebt een gebod laten uitgaan, dat alle mensclien, als zij hoo-ren zouden liet geluid der bazuinen, trompetten, harpen , vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, zouden nedervallen en het gouden beeld aanbidden; 11 en wie niet nederviel en aanbad, die Zou in den gloeienden oven geworpen worden. 13 Nu zijn er Joodsche mannen, die gij over de ambten in het land van Babel hebt gesteld,Sadrach,Mesacli en Abednego; deze verachten uw gebod, en eeren uwe goden niet, en aanbidden het gouden beeld niet, hetwelk gij hebt doen oprichten. 13 Toen beval Nebukad-iiezar in toorn en grimmigheid , dat men Sadrach, Mesach en Abednego vóór hem zou stellen; en die mannen werden voor den kolling gesteld. 14 Toen hief Nebukadne-zar aan en sprak tot hen; Sadrach, Mesach en Abednego, hebt gij met opzet mijne goden niet geëerd, en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aangebeden? |
ël 3. \m 15 Welaan nlaakt u gereed , zoodra gij zult hooreli het geluid dar bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, zoo valt neder en aanbidt het beeld hetwelk ik heb laten maken: indien gij het niet zult aanbidden, zult gij terstond in den gloeienden oven geworpen worden, — laat zien wie de God is, die u uit mijne hand zal verlossen! 10 Toen spraken Sadrach j Mesach en Abednego, en zeiden tot den koning Ne-bukadnezar: Het is niet noodig dat wij u daarop antwoorden. 17 Zie, onze God, dien wij eeren , kan ons wel verlossen uit den gloeienden oven, ook uit uwe hand o koning kan hij ons verlossen. 18 En indien niet, zoo zij u bekend o koning, dat wij evenwel uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld aanbidden dat gij hebt doen oprichten. 19 Toen werd Nobukad-nezar vol grimmigheid, en zijn geheele aangezicht veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abednego; en hij beval dat men den oven zevenmaal heeter zou maken dan men anders gewoon was te doen. |
1580 DANIËL 3.
|
30 En hij gebood eenigen der sterkste krijgslieden die onder zijn heir waren, dat zij Sadrach, Mesacli en Abednego zouden binden en in den gloeienden oven werpen. 31 Alzoo werden deze mannen in hunne mantels, schoenen, hoeden en andere kleederen gebonden, en in den gloeienden oven geworpen. 32 Want des konings gebod moest men terstond volvoeren, en men stookte het vuur in den oven zoo heet, dat de mannen, die Sadrach, Mesach en Abednego zouden verbranden, door de vlam des vuurs gedood werden. 23 De drie mannen nu, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen in den gloeienden oven gelijk zij gebonden waren. 34 Toen ontzette de koning Nebukadnezar zich en stond schielijk op, en zeide tot zijne raadsheeren: Hebben wij niet drie mannen gebonden in het vuur doen werpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Ja heer koning. 35 Hij antwoordde en sprak: Nochtans zie ik vier mannen los in het vuur gaan, en er is geen letsel aan hen; |
en de vierde is als een zoon der goden. 26 En Nebukadnezar trad toe voor het hol van den gloeienden oven, en sprak: Sadrach, Mesach en Abednego , gij knechten des aller-hoogsten Gods, gaat uiten komt hier. Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abednego uit het midden des vuurs. 27 En de vorsten, hee-ren, voogden en raadsheeren des konings kwamen tezamen, en zagen dat het vuur geen macht op de lichamen dezer mannen had gehad , en dat het baar hunner hoofden niet verzengd en hunne mantels niet beschadigd waren, ja men kon zelfs geen brand aan hen ruiken. 28 Toen antwoordde Nebukadnezar en sprak: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijnen Engel gezonden en zijne knechten gered heeft, die op hem vertrouwd, en des konings gebod niet gehouden, maar hunne lichamen overgegeven hebben, dat zij geen god eeren noch aanbidden wilden dan hunnen God alleen. 29 Zoo zij nu dit mijn gebod: Wie onder alle volken , natiën en tongen, den |
DANIËL 4
1581
|
God van Sadrach; Mesach en Abednego lastert, die zal omkomen, en zijn huis zal een pninlioop worden; want er is geen andere god die zóó kan redden als deze. •—• 30 En de koning gaf Sadrach , Mesach en Abednego een groot gezag in het land van Babel. HOOFDSTUK 4. 1 De koning Nebukadne-zar aan alle volken, natiën en tongen, die op den ge-heelen aardbodem wonen: God geve u veel vrede. 2 Ik zie het voor goed aan, dat ik verkondig de teekenen en wonderen die God de Allerhoogste aan mij gedaan heeft. 3 quot;Want zijne teekenen zijn groot en zijne wonderen zijn machtig, en zijn rijk is een eeuwig rijk en zijne heerschappij duurt immer en altoos. 4 Ik Nebukadnezar, toen ik goede rust had in mijn huis, en het goed gesteld was in mijn hof, 5 zag een droom en verschrikte; en de gedachten die ik op mijn leger had over het gezicht hetwelk ik gezien had, bedroefden mij. |
6 En ik beval dat al de wijzen van Babel vóór mij zouden gebracht worden, opdat zij mij zouden zeggen wat die droom beduidde. 7 Toen bracht men de sterrenwichelaars, wijzen, Chaldeën en waarzeggers; en ik verhaalde den droom voor hen, maar zij konden mij niet zeggen wat hij beduidde : 8 totdat ten laatste Daniël vóór mij kwam, die Beltsa-zar heet, naar den naam mijns gods, die den geest der heilige goden heeft; en ik verhaalde voor hem den droom: 9 Eeltsazar, gij overste onder de sterrenwichelaars, van wien ik weet dat gij den geest der heilige goden hebt, en dat u niets verborgen is, zeg het gezicht mijns drooms dien ik gezien heb, en wat hij beduidt. 10 En dit is het gezicht hetwelk ik gezien heb op mijn leger: zie, er stond een boom midden in het land, die was zeer hoog, 11 groot en dik; zijne hoogte reikte tot aan den hemel, en hij breidde zich uit tot aan het einde des geheelen Lands. 12 Zijne takken waren schoon en droegen vele vruchten, en er was spijs aan voor allen; alle dieren des velds vonden schaduw |
DANIËL 4.
18S2
|
onder liem, en de vogels des hemels znten op zijne takken, en alle vleescli voedde zich van hem. 13 En ik zag een geziclit op mijn leger, en zie, een heilige -waeliter kwam van den hemel af, 14 die riep overluid aldus, zeggende: Houwt dien boom om en kapt hem de takken af, en stroopt hem het loof af en verstrooit zijne vruchten , dat de dieren, die onder hem liggen, wregloopen, cn de vogels van zijne takken wegvliegen; 15 doch laat den stam met zijne wortels in de aarde blijven, maar in ijzeren en koperen ketenen op het veld in het gras; hij zal onder den dauw des hemels liggen en nat worden, en zal zich voeden met de dieren van de kruiden der aarde. 16 En het menschenhart zal van hem genomen, en hem zal een dierenhart gegeven worden, totdat zeven tijden over hem zijn voorbijgegaan. 17 Dit is in den raad der wachters besloten, en in het gesprek der heiligen beraadslaagd ; opdat de levenden erkennen dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der menschen, en Ze geeft aan wien hij wil. |
en de nederigen daartoe verhoogt. 18 Zulk een droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien; gij nu Beltsazar, zeg wat hij beduidt; want al de wijzen in mijn konink' rijk kunnen mij niet bekendmaken wat hij beduidt, maar gij kunt het wel, want de geest der heilige goden is in u. 19 Toen ontzette zich Daniël, die anders Beltsazar heet, een uur lang, en zijne gedachten bal roeiden hem; maar de koning sprak; Beltsazar , laat de droom en zijne beteekenis u niet bedroeven. Beltsazar antwoordde en sprak: Ach mijn heer, dat toch de droom uwe vijanden en zijne beteekenis uwe wederpartij ders gold! 20 De boom dien gij gezien hebt, die groot en dik was, en welks hoogte tot aan den hemel reikte, en die zich over het geheele land uitbreidde, 21 en welks takken schoon en welks vruchten vele waren , waar spijs voor allen aan was, zoodat de dieren des velds onder hem woonden en de vogels des hemels op zijne takken zaten , — 22 (lat zijt gij o koningt gij die zoo groot en machtig zijt; want uwe macht is |
DANIËL 4.
1583
|
groot en reikt tot aan den hemel, en uwe heerschappij gaat tot aan liet einde der wereld. 33 En dat de koning een heiligen wachter gezien heeft, die van den hemel nederdaalde enzeide: Houwt dien boom omver en verderft hem, doch laat den stam met zijne wortels in de aarde blijven, maar in ijzeren en koperen ketenen op het veld in het gras, en onder den dauw des hemels liggen en nat worden, en met de dieren des velds zijn deel hebben , totdat zeven tijden over hem zijn voorbijgegaan; — 34 dit is de beteekenis, heer koning, en deze raad des Allerhoogsten gaat over mijnen heer den koning: 35 Men zal u van de men-schen verstooten, en gij moet bij do dieren des velds blijven, en men zal u gras laten eten als de ossen, eu gij zult onder den dauw des hemels liggen en nat worden, totdat zeven j tijden over u zijn voorbijgegaan; opdat gij erkent dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der menschen, en ze geeft aan wien hij wil. 26 En dat er gezegd is, dat men evenwel den stam met de wortels des booms |
zou laten blijven: — uw koninkrijk zal u blijven, nadat gij zult erkend hebben de macht in den hemel. 27 Daarom, heer koning, laat u mijn raad behagen, en maak u los van uwe zonden door gerechtigheid, en vrij van uw misdrijf door weldaad aan de armen; zoo zal hij geduld hebben met uwe zonden. 28 Dit alles wedervoer den koning Nebukadnezar. 29 Want na twaalf maanden, toen de koning op den koninklijken burg van Babel wandelde, 30 hief hij aan en sprak: Dit is het groote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk huis door mijne groote macht, ter eer mijner heerlijkheid. 31 Eer de koning deze woorden uitgesproken had, viel eene stem van den hemel: U o koning Nebukadnezar wordt aangezegd: Uw koninkrijk zal van u genomen worden; 32 en men zal u van de menschen verstooten; en gij zult bij de dieren des velds blijven; gras zal men u laten eten als do ossen, totdat zeven tijden over u zijn voorbijgegaan; opdat gij erkent dat de Allerhoogste macht heeft over de ko- |
DANIËL 5.
1584
|
ninkrijken der menschen, en ze geeft aan wien hij wil. —- 33 quot;Van stonde aan werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, en hij werd van do menschen verstoo-ten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam lag onder den dauw des hemels en werd nat, totdat zijn haar wies als arendsvederen en zijne nagels werden als vogelklauwen. 34 Na dien tijd hief ik, Nebukadnezar, mijne oogen op ten hemel, en mijn verstand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, ik prees en eerde hem die eeuwig leeft, wiens macht eeuwig is, en wiens rijk immer en altoos duurt; 35 bij wien allen, die op de aarde wonen, als niets te achten zijn; hij maakt het gelijk hij wil beide met de krachten in den hemel en met hen die op de aarde wonen, en niemand kan zijne hand weren, noch tot hem zeggen: Wat doet gij ? 36 Op dien tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam ik tot mijne koninklijke eer, tot mijne heerlijkheid en tot mijne gestalte, en mijne raadsheeren en machtigen zochten mij, en ik werd weder in mijn koninkrijk gesteld, en ik verkreeg nog grooter heerlijkheid. |
37 Daarom loof ik, Nebukadnezar, en verhoog en prijs den koning des hemels; want al zijn doen is waarheid en zijne wegen zijn recht, en wie trotsch is, dien kan hij verootmoedigen. HOOFDSTUK 5. 1 De koning Belsazar maakte een heerlijken maaltijd voor zijne duizend hoofdlieden, en dronk zich vol met hen. 3 En als hij dronken was, liet hij de gouden en zilveren vaten voorbrengen, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel te Jeruzalem had weggevoerd; opdat de koning met zijne machtigen, met zijne vrouwen en met zijne bijwijven daaruit drinken zoude. 3 Alzoo werden voorgebracht de gouden vaten die uit den tempel, uit het huis Gods te Jeruzalem, genomen waren; en de koning, zijne machtigen, zijne vrouwen en bijwijven dronken daaruit. 4 En toen zij alzoo dronken, loofden zij de gouden, zilveren, koperen, ijzeren, houten en steenen goden. |
DANIEL 5.
1585
|
5 Terzelfder ure kwamen er vingers als van eene mensclienhand, die schreven tegenover den kandelaar, op den witgepleisterden wand in de koninklijke zaal, en de koning werd de hand gewaar die daar schreef. 6 Toen verbleekte het gelaat des konings, en zijne gedachten verschrikten hem, dat hem de lendenen beefden en de beenen sidderden; 7 en de koning riep overluid, dat men de wijzen, Chaldeën en waarzeggers zou brengen, en liet aan de wijzen van Babel zeggen: Wie dit schrift lezen, en zeggen kan wat het beduidt, die zal met purper gekleed worden, en eene gouden keten aan den hals dragen, en de derde heer-scher in mijn koninkrijk zijn. 8 Toen werden al de wijzen des konings gebracht; maar zij konden noch het schrift lezen, noch de be-teekenis den koning bekendmaken. 9 Daarover verschrikte de koning Belsazar nog meer, en verloor geheel zijne houding, en zijne machtigen werden beangst. |
10 Toen trad de koningin, vanwege deze zaak van den koning en zijne machtigen, in de zaal op en sprak: Heer koning. God verleene u een lang leven. Laat uwe gedachten u niet zoo verschrikken, en verander uw gelaat zoo niet: 11 er is een man in nw koninkrijk, die den geest der heilige goden heeft; want in uws vaders tijden werd bij hem verlichting gevonden, schranderheid en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; en uw vader, de koning Nebukadnezar, stelde hem over de sterrenwichelaars , wijzen, Chaldeën en waarzeggers, 13 omdat een hooge geest in hem gevonden werd, benevens verstand en schranderheid om droomen uitteleggen , donkere spreuken te raden, en verborgen dingen te openbaren, namelijk Daniël, dien de koning Beltsazar liet noemen: zoo roepe men nu Daniël, die zal zeggen wat het beduidt. 13 Toen werd Daniël voor den koning gebracht; en de koning sprak tot Daniël: Zijt gij die Daniël, een der gevangenen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda hier gebracht heeft? 14 Ik heb van u hooien zeggen, dat gij den geest |
DANIEL 5.
1386
|
der goden hebt, en dat er verlichting, verstand cn hoo-ge wijsheid bij u gevonden wordt. 15 Nu heb ik voor mij laten ontbieden de verstan-digen en wijzen, dat zij dit schrift zouden lezen, en mij bekendmaken wat het beduidt; en zij kunnen mij niet zeggen wat het beduidt. 16 Maar van u hoor ik, dat gij de verklaringen kunt geven, en het verborgene openbaren; indien gij nu dit schrift kunt lezen, en mij te kennen geven wat het beduidt, zoo zult gij met purper gekleed worden, en eene gouden keten aan uwen hals dragen, en de derde heerscher in mijn koninkrijk zijn. 17 Toen hief Daniël aan en sprak tot den koning: Behoud uwe gaven voor u-zelven, en geef uwe geschenken aan een ander: ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en hem bekendmaken wat het beduidt. 18 Heer koning, God de Allerhoogste heeft uwen vader Nebukaduezar koninkrijk en macht en eer en heerlijkheid gegeven; |
19 en vanwege deze macht die hem gegeven was, vreesden en ontzagen hem alle volken, natiën en tongen: hij doodde wien hij wilde, hij sloeg wien hij wilde, hij verhoogde wien hij wilde, hij vernederde wien hij wilde. 20 Maar toen zijn hart zich verhief en hij trotsch en hoogmoedig werd, werd hij van den koninklijken troon gestooten, en verloor zijne heerlijkheid; 21 en hij werd van uit de menscheu verstooten, en zijn hart werd den dieren gelijk, en hij moest bij het wild loepen, en at gras gelijk de ossen, en zijn lichaam lag onder den dauw des hemels en werd nat: totdat hij leerde dat God, de Allerhoogste, macht heeft over de koninkrijken der inenschen, en ze geeft aan wien hij wil. 22 En gij Belsazar, zijn zoon, hebt uw hart niet vernederd, hoewel gij dit alles weet, 23 maar hebt u verheven tegen den Heer des hemels, en de vaten van zijn huis heeft men vóór u moeten brengen, en gij, uwe machtigen, uwe vrouwen, uwe bijwijven hebben daaruit gedronken , daarbij de zilveren, gouden, koperen, ijzeren, houten e}i steenen goden |
DANIËL 6.
158Ï
|
geprezen, die noch zien noch hooren noch voelen; maar (lien God, die uwen adem en al uwe wegen in zij tie hand heeft, hebt gij niet geëerd: —* 34 daarom is deze hand van hem gezonden, en dit schrift dat daar geteekend staat. 35 Dit nu is het schrift, aldaar geteekend zijnde: Mene mené tekèl ufar-sin. 36 En dit is do uitlegging der woorden: Mené, dat is; God heeft uw koninkrijk geteld en er een einde aan gemaakt; 37 tekèl, dat is: men heeft u in eene weegschaal gewogen en gij ziit te licht bevonden; 38 perès, dat is: uw koninkrijk is verdeeld enden Meden en Perzen gegeven. 39 Toen beval Belsazar dat men Daniël met purper zou bekleeden, en eene gouden keten om zijnen hals doen, en liet van hem verkondigen , dat hij de derde heerscher in het koninkrijk zou zijn. •—■ 30 In denzclfden nacht werd Belsazar de koning der Chaldeën gedood. HOOFDSTUK 0. 1 En Darius uit Medië aanvaardde het rijk toen hij |
tweeënzestig jaar oud was. 3 En Darius vond goed, honderd en twintig landvoogden te stellen over het geheele koninkrijk. 3 Over hen stelde hij drie vorsten, waarvan Daniël ócn was, aan welke deze landvoogden rekenschap moesten geven, opdat de koning geen nadeel leed. 4 Daniël nu overtrof al deze vorsten en landvoogden , want er was een hoo-ge geest in hom; daarom was de koning bedacht om hem over het geheele koninkrijk te stellen. 5 Derhalve trachtten de vorsten en landvoogden eene znak tegen Daniël te vinden , die tegen het koninkrijk was; maar zij konden geen zaak noch misdaad vinden , want hij was getrouw, zoodat men geen schuld noch misdaad aan hem vinden kon. 6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen geen zaak tegen Daniël vinden dan alleen in zijnen godsdienst. 7 Toen kwamen deze vorsten en landvoogden in menigte voor den koning, en zeiden tot hem aldus: Heer koning Darius, God ver-leene u een lang leven. 8 De vorsten des konink-rijks, al de heeren, de land- |
é
DANIEL 6.
1588
|
voogden, de raadsheeren en hoofdlieden hebben beraadslaagd, dat men een koninklijk bevel late uitgaan en een streng gebod stelle, dat wie in dertig dagen iets bidden zal van eenigen god of mensch, behalve van u o koning, in den kuil der leeuwen zal geworpen worden. 9 Derhalve o koning, zult gij dit gebod bevestigen en onderschrijven, opdat het niet weder veranderd worde , naar het recht der Meden en Perzen, hetwelk niet mag herroepen worden. — 10 Alzoo onderschreef de koning Darius dit geschrift en bevel. 11 Toen nu Daniël vernam dat zulk een gebod onderteekend was, ging hij op in zijn huis, — hij nu had in zijne opperzaal open vensters naar de zijde van Jeruzalem, — en hij knielde driemaal 's daags op zijne knieën, en bad, loofde en dankte zijnen God, gelijk hij voorheen gedaan had. 13 Toen kwamen deze mannen in menigte, en vonden Daniël biddende en smeekende voor zijnen God. 13 En zij traden toe, en spraken voor den koning van des konings gebod; |
Heer koning, hebt gij niet een gebod onderteekend, dat alwie in dertig dagen iets zal bidden van eenigen god of mensch, behalve van u o koning, in den kuil der leeuwen zal geworpen worden? De koning antwoordde en sprak: Het is waar, en een recht der Meden en Perzen, dat niet te herroepen is. 14 Toen antwoordden en zeiden zij tot den koning: Daniël, een der gevangenen uit Juda, acht noch u noch uw gebod hetwelk gij ge-teekend hebt, want hij bidt driemaal 's daags. 15 Toen de koning dat hoorde, werd hij zeer bedroefd, en deed groote naarstigheid om Daniël te verlossen; totdat de zon onderging, zocht hij hoe hij hem zou kunnen redden. 16 Maar die mannen kwamen in menigte tot den koning, en zeiden tot hem: Gij weet, heer koning, dat het een recht der Meden en Perzen is, dat al de geboden en bevelen, welke de koning besloten heeft, niet kunnen herroepen worden. 17 Toen beval de koning dat men Daniël zou voorbrengen, en zij wierpen hem in den kuil der leeuwen; |
DANIËL 6.
1589
|
de koning zeide tot Daniël: Uw God dien gij zonder ophouden dient, die helpe u. 18 En zij bracliten een steen, dien zij leiden op den mond des kuils; dezen verzegelde de koning met zijn eigen zegelring en met den zegelring zijner machtigen , opdat niets ten aanzien van Daniël mocht veranderd worden. 19 En de koning ging heen op zijnen burg, en bleef zonder eten, en liet geen spijs voor zich brengen, en hij kon ook niet slapen. 20 Des morgens vroeg, als de dag aanbrak, stond de koning op, en ging met spoed naar den kuil waaide leeuwen in waren. 21 En als hij bij den kuil kwam, riep hij Daniël toe met eene klagende stem; en de koning sprak tot Daniël: Daniël, gij knecht des levenden Gods, heeft uw God, dien gij zonder ophouden dient, u ook kunnen verlossen van de leeuwen? 22 En Daniël sprak tot den koning: Heer koning. God verleene u een lang leven: |
23 mijn God heeft zijnen Engel gezonden, die den muil der leeuwen heeft toegesloten, dat zij mij geen leed gedaan hebben; want voor hem ben ik onschuldig bevonden; ook heb ik tegen u, heer koning, niets misdaan. 34 Toen werd de koning zeer blijde, en liet Daniël uit den kuil trekken; en zij trokken Daniël op uit den kuil, en men bespeurde geen letsel aan hem, want hij had op zijnen God vertrouwd. 25 Toen beval de koning om de mannen, die Daniël beschuldigd hadden, voor-tebrengen en in den kuil der leeuwen te werpen, benevens hunne kinderen en vrouwen; en eer zij beneden op den bodem neder-kwamen, grepen de leeuwen hen, en vermorzelden al hunne beenderen. 26 Toen liet de koning Darius schrijven aan alle volken, natiën en tongen: God gtve u veel vrede. 27 Dit is mijn bevel, dat men, in de geheele heerschappij mijns koninkrijks, Damëls God zal vreezen en ontzien; want hij is de levende God, die eeuwig blijft, en zijn koninkrijk is onvergankelijk, en zijne heerschappij heeft geen einde; 28 hij is een verlosser en helper in den nood, en hij doet teekenen en wonderen, |
|
1590 beide in don hemel en op de aarde; hij heeft Daniël van de leeuwen verlost. 29 En Daniël werd machtig onder de regeering van Darius en ook onder de regeering van Kores den Perziër. HOOFDSTUK 7. 1 In het eerste jaar van Belsazar den koning van iïabel had Daniël een droom en gezichten op zijn leger; en hij schreef dien droom op, en vermeldde hem aldus : 3 Ik Daniël zag een gezicht in den nacht, en zie, de vier winden des hemels stormden tegen elkander op de groote zee. 8 En vier groote dieren klommen op uit de zee, het ééne anders dan het andere; 4 het eerste was als een leeuw, en had vleugels als van een arend; ik zag toe, totdat zijne vleugels waren uitgeplukt, en het werd van de aarde opgenomen, en het stond op zijne voeten als een mensch, en aan hetzelve werd eenmenschen-hart gegeven. 5 En zie, het tweede dier daarna was als een beer, en stond op de ecne zijde, en het had in zijnen muil tusschen zijne tanden drie groote lange tanden; en men zeide tot hem: Sta op en eet veel vleesch. |
6 Nadezen zag ik, en zie, een ander dier, als een luipaard, had vier vleugels, gelijk van een vogel, op zijnen rug; en dit dier had vier hooftlen, en aan hetzelve werd heerschappij'gegeven. 7 Nadezen zag ik in dit gezicht bij nacht, en zie, het vierde dier was gruwelijk eu verschrikkelijk en zeer sterk, en het had groote ijzeren tanden, het at rondom en verbrijzelde, en het overige vertrad het met zijne voeten; het was ook geheel anders dan de vorige; en het had tien hoornen. 8 Als ik nu de hoornen aanzag, zie, toen kwam een andere kleine hoorn daar-tusschen op, door welken drie der vorige hoornen werden uitgerukt; en zie, die hoorn had oogen als men-schenoogen, en een mond die groote dingen sprak. 9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Onvergankelijke van dagen zette zich neder; diens kleed was wit als sneeuw, en het haar op zijn hoofd als reine wol; vlammend DANIËL 7. |
DANIËL 7.
1591
|
vuur was zijn troon, waarvan de raderen brandden van vuur; 10 en van liem ging een lange vurige straal uit, duizendmaal duizend dienden hem, en tienduizend maal tienduizend stonden vuur liem; het gericht werd gehouden en de boeken werden geopend. 11 Toen zag ik toe, wegens de grootsprekende woorden die deze hoorn sprak; ik zag toe, totdat dit dier gedood werd, en zijn lichaam vernield en in het vuur geworpen werd; 13 ook aan de overige dieren werd hunne heer-schappij ontnomen; want tijd en uur was hun bestemd, hoelang elk duren zou. 13 Ik zag in dit gezicht des nachts, en zie, er kwam een in de wolken des hemels , als eens meuschen zoon, tot den Onvergankelijke van dagen, en hij werd vóór hem gebracht; 14 en die gaf hem heerschappij , eer en het rijk, dat allo volken, natiën eu tongen hem dienen zouden; zijne heerschappij is eeuwig en vergaat nooit, en zijn koninkrijk heeft geen einde. |
15 Ik Daniël ontzette mij daarvan, en dat gezicht verschrikte mij. lö En ik ging tot een dergenen die daar stonden, en bad hem dat Lij mij van dat alles een zeker bericht zou geven; en hij sprak tot mij, en gaf mij te kennen wat het beduidde : 17 Deze vier groote dieren zijn vier rijken, die op de aarde komen zullen. 18 Maar de heiligen des Hpogsten zullen het rijk innemen, en zullen het altoos en eeuwiglijk bezitten. 19 Daarna verlangde ik naar een zeker bericht aangaande het vierde dier, dat geheel anders was dan al de andere, dat verschrikkelijke , dat ijzeren tanden en koperen klauwen had, dat rondom zich at en verbrijzelde , en het overige met zijne voeten vertrad; 20 en aangaande de tien hoornen op zijn hoofd, eu dien anderen die voortkwam , door welken er drie afvielen, dien hoorn namelijk die oogen had en een mond die groote dingen sprak, en grooter was dan die nevens hem waren. 21 En ik zag dien hoorn strijden tegen de heiligen, en hij behaalde de overwinning op hen. |
DANIËL 8.
1592
|
23 totdat de Onvergankelijke van dagen kwam, en het gericht hield voor de heiligen des Hoogsten, en de tijd kwam dat de heiligen het rijk innamen. 23 Toen sprak hij aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk zijn op aarde, hetwelk machtiger zal zijn dan alle rijken; het zal alle landen verslinden, vertreden, en verbrijzelen. 24 De tien hoornen beduiden tien koningen die uit dat rijk zullen opstaan; maar na hen zal een ander opkomen, die zal machtiger zijn dan een der vorigen, en zal „drie koningen vernederen. ! ' 25 Hij zal den Hoogste , lasteren, en de heiligen des Hoogsten verdrukken, en hij zal zich onderstaan om de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijne hand overgegeven wor-i den voor een tijd en twee | tijden en een deel des tijds. 26 Daarna zal het gericht gehouden worden; dan zal men zijne heerschappij wegnemen, dat hij verdelgden vernield worde tot volein-dens toe. 27 Maar het rijk, de hi er-schappij en de macht onder den geheelen hemel zal aan het heilige volk des Hoogsten gegeven worden, wiens rijk |
eeuwig is, en alle heerschappijen zullen hem dienen en gehoorzamen. 28 Dit was het einde dezer rede. Ik Daniël nu werd zeer bedroefd door mijne gedachten, en mijne gedaante verviel; echter behield ik dat woord in mijn hart. HOOFDSTUK 8. 1 In het derde jaar der regeering van den koning Belsazar verscheen mij, Daniël , een gezicht, na datgene hetwelk mij in het eerst verschenen was. 2 Ik nu was, toen ik dat gezicht zag, op den burg Susan, in het land Elam, aan de rivier Ulai. 3 En ik hief mijne oogen op en zag, en zie, vóór die rivier stond een ram die twee hooge hoornen had, doch de céne was hooger dan de andere, en de hoogste kwam het laatst op. 4 Ik zag dat die ram met de hoornen stiet naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden; en geen dier kon tegen hem standhouden , noch uit zijne macht gered worden; en hij deed wat hij wilde en maakte zich groot. 5 En terwijl ik daarop lette, zie, toen kwam er een geitebok van het westen |
DANIËL
1593
|
op over de geheele aarde, en hij raakte de aarde niet aan; en die bok Imd een aanzienlijken lioorn tussohen zijne oogen. 6 En hij kwam tot den ram die twee hoornen had, dien ik zag staan vóór de rivier, en hij liep in zijnen toorn geweldig op hem aan; 7 en ik zag dat hij zeer dicht bij den ram kwam, en zich tegen hem vertoornde, en den ram stiet, en zijne twee hoornen verbrak; en de ram had geen kracht om tegen hem te kunnen standhonden, maar hij wierp hem ter aarde en vertrad hem, en niemand kon den ram uit zijne macht redden. En de geitebok werd zeer groot; en toen hij op :het sterkst geworden was, ^brak die groote hoorn, en in zijne plaats kwamen vier andere aanzienlijke op, naar de vier winden des hemels. !) En uit een daarvan kwam een kleine hoorn voort, die werd zeer groot, tegen het zuiden, tegen het oosten, en tegen het gewenschte ■land. 10 En hij groeide tot aan het heir des hemels, en hij wierp er eenigen van dat heir, namelijk van de sterren , ter aarde neder en vertrad ze; |
11 ja hij groeide tot aan h den vorst van dat heir, en nam van hem weg het dar ' gelijksch offer. en vernielae de woning zijns heihgdoms. S 12 Maar hem weradie ^ macht gegeven tegen het gt;: dagelijksch oflirr wegens de zonde; hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij deed gelukte hem. 13 Toen hoorde ik een heilige spreken, en deze heilige zeide tot een anderen die sprak: IjfopjamizaltocTf dat gezicht vfmTiet dage- i lijksch offer en van de zon- 1 dc duren, om welke deze verwoesting geschiedt, dat : beide het heiligdom en het -heir vertreden worden? Tï En hij antwoordde mij: Het zijn tweeduizend en1^ driehonderd dagen, te rekenen van den avond af tot den morgen toe: dan zal het heiligdom weder gereinigd worden. 15 En toen ik, Daniël, dat gezicht zag en het zocht te verstaan, zie, toen stond er een vóór mij in de gedaante eens mans. 16 En ik hoorde tusschen Ulai de stem eens menschen, die riep en sprak: Gabriël, leg dezen het gezicht uit, opdat hij het versta. 17 En hij kwam zeer dicht bij mij; ik nu verschrikte |
m
DANIËL Cv
1594
|
toen hij kwam, en viel opl mijn aangezicht. Maar liij zeide tot mij: Gij menschen-kind, merk op; want dit gezicht behoort tot den tiid VM^Ifet einde. 18 En^tRsquot; hij met mij sprak, viel ik in onmacht op mijn aangezicht ter aarde ; maar hij raakte mij aan en richtte mij op, dat ik stond. L 19 En hij sprak; Zie, ik wil u te kennen geven hoe het gaan zal in den kaatsten tijd van den toornfwant liet einde heeft zyrTbestem-den tijd.' 20 l)e ram dien gij gezien hebt, met de twee hoornen, zijn de koningen van Medic en Perzië. 31 En do geitebok is de koning van Griekenland; de groote hoorn tusschen zijne oogen is do eerste koning. 23 En dat er vier in zijne plaats stonden toon hij verbroken was, beduidt dat er vier koninkrijken uit dat vplk zullen ontstaan, echter met zoo machtig als hij was. i 33 Na deze koninkrijken, als de overtreders de overhand zullen nemen, zal er een wreed en arglistig koning opstaan; zi]n: 24' die zal machtig |
nochtans niet door zijne kraqhtt; hij zal wonderbare verwoesting aanrichten, en het zal hem gelukken dat hij het uitvoert; hij zal de machtigen benevens het heilige volk vernielen; 35 en door zijne schranderheid zal hem de bedriegerij gelukken, en hij zal zich in zijn hart verbetten, en in vollen vrede zal hij velen vernielen, en hij zal opstaan tegen den Torst aller vorsten; maar hij zal zonder hand verbroken worden. / 26 Dit gezicht van den avond en den morgen, wat daarvan gezegd is, dat is waar; gij nu zult dit gezicht verborgen houden, want het is nog een lange tijd. 27 En ik,quot;Daniël, werd zwak, en lag eenige dagen krank; daarna stond ik op on verrichtte 's konings zaken, en verwonderde mij over dat gezicht; en er was niemand die het merkte. HOOFDSTUK 9. 1 In het eerste jaar van Darius den zoon vanAlms-veros, uit den stam der Meden, die koning werd over het koninkrijk derChal-deën; 2 in het eerste jaar zijner regeering merkte ik, Daniël, in de boeken het getal der jaren op'van welke dè Heer |
DANIËL 9.
159B
|
gesproken Uad tot den profeet Jeremia, dat'Jeruzalem zeventig jarejwvoest zou liggen. . , S En ik keerde mij tot God den Heer, om te bidden en te ameeken, met vasten in zak en asoh; 4 en ik bad tot den Heer mijnen God en deed stbuld-belijdenis en sprak: Aelx Heer, gij groote en geducli-te God, gij die het verbond en de genade lioucft^aan hen die quot;u liefhebben en uwe geboden onderhouden: 5 wijTO^n gezondigd en onrecht gedaan, wij zijn goddeloos geweest en afvallig geworden, wij zijn van uwe geboden en rechten af-geweken; 6 wij hoorden niet naar uwe kneeliten de profeten, die in uwen naam spraken tot onze koningen, vorsten en vaders, en tot het gan-sohe volk in het land. 7 Gij Heer zijt rechtvaardig, maar wij moeten ons schamen; gelijk het fttj gaat met de mannen van Juda, met die van Jeruzalem en met geheel Israël, beide die nabij en die verre zijn, in alle landen waarheen gij hen verstooten hebt wegens hunne misdaad welke zij tegen u begaan hebben. |
8 Ja Heer, wij, onze koningen , onse vorsten en onze vaders moeten ons schamen, omdat wij tegen u gezondigd hebben. 'J Maar bij u, Heer onze God, is bannïïartigheid en vergeving, ofschoon quot;wij afvallig zijn geworden; 10 en wij hoorden niet naar de stem van den Heer onzen God, om te wandelen naar zijne wet, die hij ons voorleidè (Kor zijne knechten de profeten. 11 Ja geheel Israël overtrad uwe \vet, en zij weken af, dat zij 'naar uwe stem niet hoorden: daarom treft ons ook de vjgek en die Igeschrpven quot;staat fin de wet 'Wn Alozes (TeTfknociit Gods, omdat wij tegen hem gezondigd hebben; 12 en hij heeft zijne woorden gehouden, die hij tegen ons gesproken heeft en tegen onze rechters die ons richten zouden, dat hij over ons zulk een groot ongeluk heeft doen komen, zoodat nimmer onder den geheelen hemel geschied is gelijk aan Jeruzalem is geschied. 13 Gelijk geschreven staat in de wet van Mozes, zoo is al dat ongeluk over ons gekomen; wij baden ook niet voor den Heer onzen God, opdat wij ons van onze zouden bekeeren modi- |
DANIËL 9.
1596
|
ten, en acht geven op ujve waarheicir quot;BtSröm is de Heer ook ontwaakt, om dit ongeluk over ons te brengen; want de Heer onze God is rechtvaardig in al zijne werken die hij doet, maar wij hoorden naar zijne stem niet. 15 En nu, Heer onze God, gij die uw volk uit Egyp-teland gevoerd hebt met een sterke hand, en u een naam hebt gemaakt gelijk hij nu is: ja, wij hebben gezondigd en zijn goddeloos geweest. 16 Ach Heer, om al uwe gerechtigheid, wend toch uwen toorn en uwe grimmigheid af van uwe stad Jeruzalem en van uwen heiligen berg; want wegens onze zon vaderen draagt Jeruzalem eu uw volk versmaadheid bij allen die rondom ons zijn. 17 En nu, o onze God, hoor het gebed uws knechts en zijne smeekingen, euzie uw heiligdom dat verwoest is genadig aan, om des Hee-ren wil. 18 Neig uwe ooren, o mijn God, en hoor; open uwe oogen en zie hoe wij verwoest zijn, en de stad die naar uwen naam genoemd is; want wij liggen met ons gebed voor u, niet op onze gerechtigheid, maar op uwe groote barmhartigheid. |
19 Ach Heer, hoor; ach Heer, wees genadig; ach Heer, merk op en doe het, en vertoef niet, om mvszelfs wil o mijn God ; want uwe stad en uw volk zijn naar uwen naam genoemd. —■ 20 Terwijl ik nog zoo sprak en bad, en mijjie zonde en de zonde van mijn volk Israël bekende, en met mijn gebed voor den Heer mijnen God lag, vanwege den heiligen berg mijns Gods; 31 terwijl ik nog sprak in mijn gebed, vloog tot mij de man Gabriel, dien ik voorheen gezien had in het gezicht, en raakte mij aan, omtrent den tijd van het den en de misdaad onzeH favondoli'ei' fi, ü Sy^'T^ónderrichtte mij, en sprak tot mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u te onderrichten. 23 Want toen gij bcgont te bidden, ging dit Mvef uit, en ik kom om KeTu 'fc kennen te geven, want gij zijt een geliefde; geef dan , nu acht op dit woord, opdat gij dit gezicht. verstaat. /24 Zeventig weKen zijn ; bestemd over uw volk en 1 over uwe heilige stad; dan zal de overtreding geweerd, en de zonde verzegeld, en de misdaad verzoend, en de | |
|
het 'iïïïéHiéiligste gezalfd worden. 33 Zoo weet nu en geef acht: van dien tijd af als het bevel uitgaat, dat Jeruzalem zal herbouwd worden, tot op den vorst Messias, zijn zeven weten en tweeënzestig weten: dan zullen de straten en muren herbouwd worden, hoewel in een benauwden tijd. 36 En na die tweeënzestig weken zal de Messias uffgeroétdquot; worden en niet meer zijn; en het volk van een vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, dat het een einde zal nemen als door een vloed; en tot het einde van den striid toe zal het woest blijvem ............. ^67 En hij zal velen het verbond versterken ééne week lang; en midden in de wegk zal het slaclitoiler en spusqfter ophouden; en bij de vfeugels zullen staan gruwelen der verwoesting, en het is besloten dat onherstelbare vernieling zal uitgestort worden over den verwoester. / v* |
10. 1597 HOOFDSTUK 10. , 1 In het derde jaar van Kores den koning van Perzië [werd aan Daniël, ook Belt-sazar genaamd, eene zaak geopenbaard, die waarachtig is en van groot belang; en hij gaf er acht op en verstond het gezicht. 3 In dien tijd was ik, Daniël, treurig drie weken lang; 3 ik at geen aangename spijs, vleesch en wijn kwam niet in mijnen mond, ook zalfde ik mij nooit, totdat die drie weken om waren. 4 Op den vierentwintigsten dag der eerste maand was ik bij de groote rivier Hiddékel, 5 en hief mijne oogen op en zag, en zie, daar stond een man in linnen gekleed, en had een gouden gordel om zijne lendenen; 6 zijn lichaam was als een turkoois, zijn aangezicht was den bliksem gelijk, zijne oogen waren als vurige fakkels , zijne armen en voeten als gepolijst koper, en zijne stem was als van een groot gedruisch. 7 Ik nu, Daniël, zag alléén dat gezicht, en de mannen die bij mij waren zagen het niet; echter viel op DANIEL jpeuwige gereclitigheid aangebracht, en de gezichten en profetieën verzegeld, en |
DANIËL 10,
1598
|
hen eene groote verschrikking, zoodat zij vloden en zich verborgen. 8 En ik bleef alléén en zag dit groote gezicht, en er Weef geen kracht in mij, en mijn gelaat werd bleek, en ik had geen kracht meer. 9 En ik hoorde zijne woorden ; en toen ik die hoorde, viel ik bedwelmd neder op mijn aangezicht ter aarde. lü En zie, eene hand raakte mij aan, en hielp mij op de knieën en op de handen. 11 En hij sprak tot mij: Daniël, gij lieveling, merk de woorden op die ik tot U spreken zal, en richt u op, want ik ben nu lot u gezonden. En toen hij zoo to\ mij sprak, richtte ik mij pp en beefde zeer. 12 En hij sprak tot mij: Vrees niet Daniël; want van den eersten dag af dat gij n\v hart steldet om te verstaan, en n te verootmoedigen voor uwen God, zijn uwe woorden verhoord, en ik ben om uwentwil geko- JÏ10U. 13 Maar de vorst van het koninkrijk van Perzic heeft mij éénentwintig dagen tegenstand geboden, en zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp; toen behield ik de overwinning over den ko» ning van Perzic. |
14 Maar nu kom ik om u te berichten, hoe het uw volk hierna gaan zal; want het gezicht zal eerst na eeni-gen tijd vervuld worden. 15 En als hij zoo tot my sprak, boog ik mijn aangezicht ter narde en zweeg stil. 16 En zie, een gelijk een mensch raakte mijne lippen aan: toen deed ik mijnen mond open en sprak en zeide lot dengeen die vopr mij stond: Mijn Heer, mijne gewrichten beven mij van dat gezicht, en ik heb geen kracht meer; 17 en hoe kan de knecht mijns Heeren met mijnen Heer spreken, dewijl er geen kracht meer in mij is, en ik ook geen adem meer heb? 18 Toen raakte een in de gedaante van een mensch mij wederom aan, en versterkte mij, 19 en sprak: Vrees niet gij lieveling, vrede zij met u, schep moed, schep moed. En terwijl hij aldus tot mij sprak, gevoelde ik mij gesterkt en zeide: Dat mijn Heer spreke, want gij hebt mij versterkt. 20 En hij sprak: Weet gij ook waarom ik tot u gekomen ben? Nu zal ik wederkeeren en met den |
DANIËL 11.
1599
|
vorst van Perzië strijden; en als ik zal uitgegaan zijn , zie, dan zal de vorst van Griekenland komen. 3 L Doch ik zal u te kennen geven wat er geschreven is, hetwelk waarachtig geschieden zal; en er is niemand die mij helpt tegen hen, dan uw vorst Michael. HOOFDSTUK 11. 1 Ook ik stond hem bij in het eerste jaar van Darius den Mediër, om hem te helpen en te versterken. 3 En mi zal ik u te kennen geven hetgeen waarachtig geschieden zal. Zie, er zullen nog drie koningen in Perzië opstaan, en de vierde zal grooten rijkdom hebben, meer dan allen; en als hij in zijnen rijkdom op het machtigst is, zal hij alles verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. 3 Daarna zal er een machtig koning opstaan, en met groote macht heersdien; en wat hij wil, dat zal hij uitvoeren. 4 En als hij op het hoogste gekomen is, zal zijn rijk verbroken en in de vier winden des hemels verdeeld worden, doch niet onder zijne nakomelingen, ook niet met zulk eene macht als de zijne geweest is; want zijn rijk zal uitgeroeid en aan vreemden ten deel worden. |
5 En de koning van het zuiden, die een van zijne vorsten is, zal machtig worden; maar tegen dien zal er ook een machtig zijn en heerschen, en zijne heerschappij zal groot zijn. 6 En na eenige jaren zullen zij zich met elkander vermaagschappen, en de dochter des konings van het zuiden zal komen tot den koning van het noorden, om alles te vereffenen; maar de macht des arms zal haar niet bijblijven, ook zal haar zaad geen stand houden, maar zij zal overgeleverd worden, tegelijk met degenen die haar gebracht hebben en haar kind, en dengeen die haar een wijle tijds machtig gemaakt heeft. 7 Maar een der spruiten van haren stam zal opkomen, die zal komen met een machtig heir, en den koning van het noorden in zijne sterkten overvallen, en hij zal het uitvoeren en de overwinning behalen. 8 Ook zal hij hunne goden en beelden, benevens de kostelijke kleinoodicn, zoo van zilver als goud, wegvoeren naar Egypte, en eenige jaren staande blijven te- |
DANIEL 11.
1(500
|
gen den koning van het noorden. 9 En als hij in diens koninkrijk ingerukt is, zal hij toch wederom naar zijn land moeten terugtrekken. 10 Maar zijne zonen zullen toornig worden, en groote heirlegers bijeenbrengen; en eeii van hen zal komen, en als een vloed daarheen vloeien, en genen wederom vóór zijne sterkten tergen. 11 Dan zal de koning van het zuiden toornig worden en uittrekken, en tegen den koning van het noorden strijden, en zal zulk eene groote menigte bijéénbren-gen, dat die andere menigte in zijne hand zal gegeven worden. 12 En hij zal die menigte wegvoeren, daarover zal zijn hart zich verheflen, omdat hij zoovele duizenden ter-nedergeveld heeft. Maar daarmede zal hij hen toch niet overweldigen; 13 want de koning van het noorden zal wederom eene menigte, grooter dan de vorige was, bijeenbrengen, en na eenige jaren zal hij optrekken met een groot heirleger en met vele lastdieren. |
14 En in dien tijd zullen velen zich aankanten tegen den koning van het zuiden; ook zullen eenige afvalligen uit uw volk opstaan om de profetie te vervullen, maar zullen ten val geraken. 15 Alzoo zal de koning van het noorden optrekken, en wallen opwerpen, en vaste steden innemen; - en de heiren van het zuiden zullen het niet kunnen beletten, en zijn beste volk zal geen tegenstand kunnen bieden. 16 Maar hij zal, als hij tegen hem komt, zijnen wil doen, en niemand zal hem kunnen weerstaan; hij zal ook in het gewenschte land komen, en zal het uitvoeren door zijne hand. 17 Daarna zal hij zijn aangezicht stellen om met de macht van zijn geheele koninkrijk te komen ; doch hij zal zich met hem verzoenen, en zal hem zijne dochter ten huwelijk geven , maar om hem te verderven; doch het zal hem niet gelukken en er zal niets van worden. 18 Daarna zal hij zich keeren tot de eilanden, en er vele van overwinnen; maar een veldheer zal zijne versmading doen ophouden, en die versmading op hem zeiven doen terugkeeren. |
DANIËL 11.
1601
|
19 Alzoo zal hij zicli weder keeren naar de sterkten zijns lands, en hij zal struikelen en vallen, dat men hem nergens meer vinden zal. 20 En in zijne plaats zal er een opstaan, die eenen geldafperser in koninklijke pracht zal doen doortrekken; maar na weinige dagen zal hij verbroken worden , nochtans niet door toorn noch door oorlog. 21 En in zijne plaats zal er een verachte opstaan, voor wien de heerlijkheid des koninkrijks niet bestemd was; die zal komen, en het zal hem gelukken, en hij zal het koninkrijk met zoete woorden innemen. 33 En de heiren, die gelijk een vloed daarheen vloeien, zullen door hem als door een vloed overvallen en verbroken worden; alsook de vorst met wien het verbond gemaakt was. 33 Want nadat hij met hem vermaagschapt is, zal hij arglistig met hem handelen, en zal optrekken, en met weinig volk hem overweldigen. |
34 En het zal hem gelukken, dat hij in de beste steden des lands komen zal, en zal doen hetgeen zijne vaders en zijne voorouders niet gedaan hebben, met rooven , plunderen en buitmaken; en hij zal naar de allersterkste steden staan; dit alles echter slechts voor een tijd. 35 En hij zal zijne macht en zijn hart tegen den koning van het zuiden richten met een groot heirle-ger; dan zal de koning van het zuiden getergd worden tot den strijd, met een groot en machtig heir-leger; maar hij zal geen stand houden, want men zal verraad tegen hem smeden. 26 En zelfs die zijn brood eten, zullen hem helpen verderven, en zijn heir overvallen, zoodat er zeer velen verslagen worden. 37 En beide deze koningen zullen bedacht zijn in hun hart, hoe zij elkander schade zullen doen, en zullen echter, aan éene tafel zittende, leugen tot elkander spreken; maar het zal hun mislukken, want het einde is nog tot een anderen tijd bestemd. 38 Daarna zal hij weder naarliuis trekken met groote goederen, en zijn hart wenden tegen het heilig verbond ; als hij dit uitgevoerd |
31
DANIËL 11,
1603
|
heeft, zal hij weder terug-keeren naar zijn land. 29 Daarna zal hij op een bekwamen tijd weder tegen het zuiden optrekken; echter zal liet hem deze Laatste maal niet gelukken, gelijk de eerste maal. 30 Want er zullen schepen uit Kittim tegen hem komen, dat hij versagen zal en weder moet terug-keeren; dan zal hij tegen het heilig verbond toornig worden, en zal het uitvoeren; en hij zal omzien en tot ziek trekken degenen die het heilig verbond verlaten. 31 En zijne heiren zullen daar staan, die liet heiligdom in de vesting ontheiligen, en het dagelijkseh oller wegdoen, en een gruwel der verwoesting oprichten. 33 En hij zal de godde-loozen, die het verbond overtreden, doen huichelen, en hun goede woorden geven ; maar hot volk, (lat zijnen God kont, zal moed grijpen en het uitvoeren. 33 En do verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen; doch zij zullen vallen door het zwaard, door het vuur, door ballingschap, en door beroo-ving, een tijdlang. |
34 En als zij zullen vallen , zullen zij evenwel nog eene kleine hulp ontvangen ; doch velen zullen zich bedrieglijk bij hen voegen. 35 En van de verstandigen zullen er eenigen vallen, opdat zij beproefd, rein en louter worden, .totdat het een einde zal hebben; want er is nog een andere tijd voorhanden. 36 En deze koning zal doen wat hij wil, en zal zichzelven verhellen en opwerpen tegen alles wat god is, en tegen den God aller goden zal hij lastertaal spreken; en liet zal hem gelukken, totdat de toorn zal voleindigd zijn; want het is vast besloten en zal geschieden. 37 En den God zijner vaderen zal hij niet achten; hij zal noch vrouwenliefde nooli eenigen god achten; want bij zal zich boven alles verhellen. 38 Maar in diens plaats zal hij zijnen god Maüzzim eeren; want hij zal een god, van welken zijne vaderen niets geweten hebben, eeren met goud, zilver, edelgesteenten en kleinqodiën. 39 En hij zal de vestingen versterken met dien vreemden god; en dengenen die dezen erkennen, |
DANIËL 12.
Ifi03
|
zal liij grooto eor aandoen, en hen tot lieeren maken over groote goederen, en hun land toedeelen tot belooning. 40 Èn op den tijd van het einde ml de koning van het zuiden met de hoornen tegen hom stooten; en de koning van het noorden zal tegen hem aanrukken met wagens, ruiters en vele schepen; en hij zal in de landen vallen, en die verderven en doortrekken. 41 Hij zal ook in het gewenschte land vallen, en velen zullen omkomen; doch deze zullen ixit zijne hand ontkomen: Edom , Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons. 43 En hij zal zijne maclit in de landen zenden, en Egypte zal hem niet ontkomen ; 43 maar hij zal heerschen over de gouden en zilveren schatten, en over alle klei-noodiün van Egypte; en Libyers en Mooren zullen in zijn leger zijn. 44 Maar een gerucht uit het oosten en noorden zal hem verschrikken, en liij zal met groote grimmigheid uittrekken, met het voornemen om velen te verwoesten en te vernielen; |
45 en hij zal zijne koninklijke tent opslaan usschen de zeeën tegen den heerlijken heiligen berg, totdat liet met hem een einde neemt, en niemand zal hem lielpen. HOOFDSTUK 12. 1 In dien tijd zal de groo-té vorst Michael, die uw volk voorstaat, zich opmaken ; want het zal zulk een droevige tijd zijn, als er nog rfet geweest is sedert dat et een volk bestond, tot op dezen tijd toe; doch in dien tijd zal uw volk verlost worden , allen die in het boek geschreven staan. 3 En velen dergenen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, sommigen tot een eeuwig leven, en sommigen tot eeuwige ver-sraaadheid en schande. 3 De leeraars nu zullen lichten als des hemels glans, en die velen tot gerechtigheid geleid hebben als de sterren altoos en eeuwiglijk.„ .)4 En nu Daniël, verberg deze woorden en voj^ggel dit geschrift, tot op den Lnatsten tijd: dan zullen ve-ouderzqekeu, fïï groote wijsheid daarin vinden?'— 5 En ik, Daniël, zag, en zie, er stonden nog tweo |
|
1604 anderen, de één op dezen oever der rivier en de ander op genen oever. 6 En hij sprak tot den man, met linnen bekleed, die bovenop bet water was: Hoelang zal het duren tot deze wonderbare dingen een einde zullen hebben? 7 En ik luisterde naar dien man, met linnen bekleed, die bovenop het water was, en hij hiel zijne rechter- en linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij hem die eeuwig leeft, dat liet eèn tijd en twee tijden en efn hal ven tijd zou ctüren; en als de verstrooiing van liet heilige volk een einde zou hebben, dat dan dit alles voleindigd zon worden. 8 En ik hoorde dit, maar ik verstond het niet, en zeide: Mijn Heer, hoe zal het daarna gaan? 9 Maar hij sprak: Ga |
verborgen en verzegeld op-ctetT quot;Ëatsten^STquot; 10 VeleTTziBfên gereinigd, gelouterd en beproefd worden ; en de goddeloozen zullen een goddeloos gedrag houden, en de goddeloozen . zullen het niet achten, maar de verstandigen zullen- het achten.' ' 11 En van dien tijd af,} dat het dagelij ksch offer weggedaan en er een gruwel der verwoesting geplaatst wordt, zullen duizend tweehonderd en negentig dagen zijn. V 12 Welgelukzalig is hij die verbeidt en bereikt duizend driehonderd vijfendertig dagen. 13 Maar gij Daniël, ga heen totdat het einde komt, en rust, om optesfaSn tot uw (Teel aan het eincte der dïïgenT .taSSSe- DANIËL 12. heen, Daniël; want het is ' tot |
HOSEA 1.
DE PROFEET
HOSEA.
1603
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is he: woord des Heeren, dat geschied is tot Hoséa den zoon van Beëri, ten tijde van Uzzia, Jo-tham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda, en ten tijde van Jerobeam den zoon van Joas, koning van Israël. 3 Toen de Heer begon te spreken door Hoséa, zeide de Heer tot hem: Ga heen, en neem u eene hoer tot vrouw, en [dé] hoerekinde-ren \_met haar]; want het geheele land hoereert en wendt zich af van den Heer. 3 En hij ging heen en nam Gomer, de dochter van Diblaïm; en zij werd zwanger , en baarde hem een zoon. 4 En de Heer sprak tot hem: Noem hem Jizreël; want het is nog om een kleinen tijd te doen, zoo zal ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal aan het koninkrijk van het huis Israels een einde maken. |
5 In dien tijd zal ik den boog van Israël verbreken in het dal van Jizreël. 6 En zij werd wederom zwanger, en baarde eene dochter; en hij sprak tot hem: Noem haar Lo-Eu-hama; want ik zal mij niet langer over het huis Israëls ontfermen, maar ik zal hen wegwerpen. 7 Maar ik zal mij ontfermen over het huis van Juda, en zal hen helpen door den Heer hunnen God; maar ik zal hen niet helpen door boog, zwaard of strijd, door paarden of ruiters. 8 En als zij Lo-Ruhama gespeend had, werd zij weder zwanger en baarde een zoon. 9 En hij sprak: Noem hem Lo-Ammi; want gijlieden zijt mijn volk niet, en ik zal ook de uwe niet zijn. 10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn aW |
HO SÉ A 3.
1606
|
het zand aan de zee, hetwelk men noch meten noch tellen kan; en het zal geschieden dat ter plaatse waar men tot hen gezegd heeft: Gijlieden zijt niet mijn volk, men tot hen zeggen zal: Gij kinderen des levenden Gods. 11 Want de kinderen van Jnda en de kinderen van Israël zullen tezamenkomen, en zullen met elkander één hoofd over zich stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal een groote dag zijn. 12 Zegt tot uwe broeders dat zij mijn volk zijn, en tot uwe zuster dat zij in genade is. HOOFDSTUK 2. 1 Spreekt het oordeel over uwe moeder, dat zij mijne vrouw niet meer is en ik haar man niet meer ben; beveelt haar dat zij hare hoererij van zich wegdoe, en haar overspel van hare borsten, 2 opdat ik haar niet naakt uitkleede, en haar stelle zooals zij was toen zij geboren werd, en ik haar niet make tot eene woestijn en tot een dor land, en haar van dorst doe sterven, |
3 en raij over hare kinderen niet ontferme, omdat het hoerekinderen zijn. 4 Want hunne moeder is eene hoer, en die hen gebaard heeft gedraagt zich schandelijk, en zegt: Ik zal mijne boeleerders naloopen, die inij brood, water, wol, linnen, olie en drank geven. 5 Daarom zie, ik zal uwen weg met doornen omtuinen, en er eene schutting voortrekken , zoodat zij hare paden niet meer vinden zal; 0 en als zij hare boeleerders naloopt, zal zij die niet achterhalen, en als zij hen zoekt, zal zij hen niet kunnen vinden, en moeten zeggen : Ik zal tot mijnen vorigen man wederkeeren, bij wien ik liet beter had dan ik het nu heb. 7 Doch zij wil niet erkennen dat ik het was die haar koren, most en olie gaf, en haar zilver en goud vermenigvuldigde, hetwelk zij aan Baal ten koste legden. 8 Daarom zal ik haar mijn koren en mijnen most weder ontnemen op zijnen tijd, en haar mijne wol en mijn linnen onttrekken, waarmede zij hare naaktheid bedekte; 9 en nu, ik zal hare schande ontdekken voor de oogen |
IIO Ö £1A 2,
1607
|
barer boeleerders, en niemand zal haar uit mijne hand redden. 10 En ik zal een einde maken aan al hare vreugd, aan hare feesten, nieuwe-maandagen, sabbatten, en aan al hare hoogtijden. 11 Ik zal hare wijnstokken en vijgeboomen woest maken, dewijl zij zegt: Dit is mijn loon dat mijne boeleerders mij geven; ja ik zal er een woud van maken , hetwelk de wilde dieren zullen afeten. 12 Zoo zal ik aan haar bezoeken de dagen van Baül, welken zij reukofler offerde, toen zij zich versierde met voorhootlspansels en halsketentjes, en hare boeleerders naliep maar mij vergat, -spreekt de Heer. 13 Doch zie, ik zal haar lokken en haar in eene woestijn voeren, en daar vriendelijk met haar spreken ; 1-1 daarna zal ik haar geven hare wijngaarden, en het dal Achor, tot een ingang der hoop; en zij zal aldaar zingen als ten tijde barer jeugd, toen zij uit Egypteland optrok. . 15 Alsdan, spreekt de Heer, zult gij mij noemen: Mijn man, en mij niet meer noemen: Mijn Baiil, 1G Want ik zal de Baaisnamen uit haren mond wegdoen , dat men aan die namen niet meer gedenken zal. |
17 En ik zal in dien tijd voor hen een verbond maken met de dieren des velds, met de vogels des hemels, en met het gewormte dei-aarde; en ik zal boog,zwaard en oorlog van het land verbreken , en zal hen veilig doen wonen. 18 Ik zal mij aan u verloven in eeuwigheid, ik zal mij aan u verloven naar gerechtigheid en recht, in genade en barmhartigheid; 19 ja ik zal mij aan u verloven met ware trouw, en gij zult den Heer kennen. 20 In dien tijd, spreekt de Heer, zal ik verhooren; ik zal den hemel verhooren, en de hemel zal de aarde verhooren; 21 en de aarde zal het koren, den most en de olie verhooren, en die zullen Jizrecl verhooren; 22 en ik zal ze mij op de aarde zaaien, en mij ontfermen over degene die in ongenade was, en zeggen tot hem die mijn volk niet was: Gij zijt mijn volk; en hij zal zeggen: Gij zijt mijn God. |
HOSEA 3, 4.
1608
|
HOOFDSTUK 3. 1 En de Heer sprak tot mij; Ga nog eens heen en bemin eene hoeraclitige en overspelige vrouw; gelijk de Heer de kinderen Israels beminde, maar zij keerden zich tot andere goden, en beminden de dmivenklompen. 3 En ik werd het niet haar eens voor vijftien zilverlingen en anderhalve homer gerst. 3 En ik zeide tot haar: Houd n een tijdlang bij mij, en hoereer niet, en laat geen ander tot u; en ik zal mij ook bij u houden. ■1 quot;Want de kinderen Israels zullen een langen tijd zonder koning, zonder vorst, zonder ofter, zonder altaar, zonder lijfrok en zonder heiligdom blijven. 5 Daarna zullen de kinderen Israëls zich bekeeren, en den Heer hunnen God, en hunnen koning David zoeken, en zullen den Heer en zijne genade eeren in den laatsten tijd. HOOFDSTUK 4. 1 Hoort, gij kinderen Israëls, het woord des Hee-ren; want de Heer heeft een twistgeding met de inwoners des lands, dat er geen trouw noch liefde noch kennis van God in het land is; |
2 maar godslastering, liegen, moorden, stelen en overspel bedrijven heeft de overhand genomen, en de eene bloedschuld volgt op de andere. 3 Daarom zal het land ■ jammerlijk staan, en zal het allen inwoners kwalijk gaan; want ook de dieren des velds en de vogels des hemels en de visschen in de zee zullen weggeraapt worden. 4 Doch dat niemand twiste noch iemand bestrafte; want uw volk is als degenen die met den priester twisten. 5 Daarom zult gij bij dag-vallen , en de profeet zal des nachts met u vallen; alzoo zal ik uwe moeder verdelgen. 6 Het is gedaan met mijn volk, omdat het niet leeren wil; want gij verwerpt Gods woord, daarom zal ik u ook verwerpen, dat gij mijn priester niet zult zijn; gij vergeet de wet uws Gods , daarom zal ik ook uwe kinderen vergeten. 7 Hoe menigvuldiger zij worden, zooveeltemeer zondigen zij tegen mij: daarom zal ik hunne eer in schande veranderen. |
HOSÉA 5.
1609
|
8 Zij verslinden de zondoffers mijns volks, en zijn begeerig naar hunne zonden: 9 daarom, zoo volk zoo priester; want ik zal lum doen bezoeken, en hen vergelden naardat zij verdienen; 10 dat zij zullen eten en niet verzadigd worden, hoererij bedrijven en het zal hun niet gelukken, omdat zij den Heer verlaten hebben en hem niet achten. 11 Hoererij, wijn en most benemen het verstand. 13 Mijn volk raadpleegt zijn hout, en zijn staf moet het hem bekendmaken; want een geest der hoererij verleidt hen, dat zij tegen hunnen God hoererij bedrijven. 13 Bovenop de bergen offeren zij, en op de heuvelen wierooken zij, onder de eiken, linden en beuken, want die hebben fraaie schaduwen; daarom zullen uwe dochters ook tot hoeren, en uwe schoondochters toto verspeelsters worden. 14 En ik zal het ook niet straiten, als uwe dochters eu schoondochters geschonden en tot hoeren worden; dewijl gij een anderen godsdienst aanricht met de hoeren , en offert met de snoodste hoeren; want het dwaze volk wil geslagen zijn. |
15 Wilt gij dan, o Israël, hoereeren, dat dan toch Ju-da zich niet schuldig makel Gaat niet naar Gilgal, en komt niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zoo waarachtig de Heer leeft! 16 Want Israël loopt als eene dolle koe: dus zal de Heer hen ook laten weiden als een lam in de verbijste-ring. 17 Want Efraïm heeft zich tot de afgoden vervoegd : laat hem heen varen 1 18 Zij hebben zich tot gulzigheid en hoererij begeven; hunne heeren hebben er lust in, schande aanterichten. 19 De wind met zijne vleugels zal hen gebonden wegdrijven, en zij moeten wegens hun ofter te schande worden. HOOFDSTUK 5. 1 Hoort nu dit gij priesters, en merkt bp gij huis van Israël, en neemt ter oore gij huis des konings; want er zal eene straf gaan over u, die een valstrik te Mizpa en een uitgespannen net op Tabor geworden zijt. 3 Afwijkende zoeken zij diepten om te slachten; daarom moet ik hen allen straften. 3 Ik ken Efraïm wel, en Israël is voor mij niet ver- |
HOSÉA G.
1610
|
borgen: dat gij Efraïm nu ook hoereert, en Israël zich verontreinigt. 4 Zij zijn niet bedacht oin zich te keeren tot hunnen God; want zij hebben een hoerengeest in hun hart, en kennen den Heer niet. 5 Daarom zal Israels hoo-vaardij voor hun aangezicht verootmoedigd worden, en Israël en Efraïm zullen beiden vallen wegens hunne misdaad, ook zal Judamet hen vallen. C Alsdan zullen zij komen met hunne schapen en runderen , om den lieer te zoeken , maar hem niet vinden; want hij is van hen afgeweken. 7 Zij zijn den Heer ontrouw geworden, en verwekken vreemde kinderen; daarom zal ook de nieuwe maand hen verteren met hun erfdeel. 8 Ja blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Eama; ja roept luid te Beth-Aven: Achter u o Benjamin! 9 Want Efraïm zal tot eeue woestijn worden ten tijde als ik ze straffen zal, hetgeen ik onder de stammen Israels heb bekendgemaakt en gewis zal doen gebeuren. 10 De vorsten van Juda zijn als degenen die degrens-palen achteruitzetten: daarom zal ik mijnen toorn over hen uitstorten als water. |
11 Efraïm lijdt geweld en wordt geplaagd; daarin geschiedt hem recht, want hij heeft zich begeven tot [inen-schen-] geboden: 13 ik ben voor Efraïm eene mot, en voor het huis van Juda een knagende worm.-' 13 En toen Efraïin zijne krankheid, en Juda zijne wond gevoelde, zoo trok Efraïm heen naar Assur, en zond tot den koning Jareb; maar hij kon u niet helpen, noch uwe wond heelen; 14 want ik ben voor Efraïm als een leeuw, en voor het huis Juda als een jonge leeuw; ik, ik verscheur hen en ga heen, ik voer hen weg en niemand kan hen redden; 15 ik zal wederom naar mijne plaats gaan, totdat zij hunne schuld bekennen en mijn aangezicht zoeken: als het hun kwalijk gaat, zullen zij mij met ernst zoeken. HOOFDSTUK G. 1 Komt, wij willen weder-keeren tot den Heer; want hij heeft ons verscheurd, hij zal ons ook genezen; hij heeft ons geslagen, hij zal ons ook verbinden. 3 Hij zal ons doen herle- |
HOSEA 7.
1611
|
ven na twee dagen, op den derden dag zal hij ons oprichten, dat wij voor hem zullen leven. 3 Dan zullen wij verstandig zijn, en ons bevlijtigen om den Heer te kennen; want hij zal voor ons aanbreken als de schoone dageraad , en zal tot ons komen als een regen, als een spade regen die het land besproeit. 4 Wat zal ik u doen o Efraïm, wat zal ik u doen o Juda? want uwe vroomheid is als eene morgenwolk, en als de vroege dauw die verdwijnt. 5 Daarom sla ik hen dooide profeten, en dood hen door de redenen mijnsmonds; opdat uw oordeel aan het licht kome. C Want ik heb lust aan vroomheid en niet aan oiler, en aan kennis van God, meer dan aan brandoffers; 7 maar zij overtreden het verbond als Adam, daarmede verachten zij mij. 8 Gilead is eene stad vol van ■wafgoderij en bloedschulden. 9 En de priesters zijn als de straatroovers die op de menschen loeren; zij moorden op den weg die naar Sichem gaat, want zij plegen schandelijke daden. 10 Ik zie afgrijslijkheden in het huis van Israël; want |
Efraïm hoereert, en Israël verontreinigt zich. 11 Maar Juda zal nog een oogst voor zich hebben, als ik de gevangenschap mijns volks zal wenden. HOOFDSTUK 7. 1 Als ik Israël genezen wil, wordt de zonde van Efraïm ontdekt, endc boosheid van Samarië; want zij plegen bedrog, de dief sluipt binnen, en de roover stroopt oji de straat; 3 nochtans willen zij niet weten dat ik al hunne boosheid opmerk, en toch omringen hen hunne werken, zij zijn voor mijn aangezicht. 3 Zij verblijden den koning door hunne boosheid, en de vorsten door hunne leugens. i Zij zijn allen o verspelers, als een oven dien de bakker heet maakt, als hij gekneed heeft, en het deeg laat door-zuren en rijzen. 5 Heden is het de dag onzes konings, de vorsten beginnen van den wijn verhit te worden; hij reikt den spotters de hand toe. G Want gelijk een oven vullen zij hun hart met listige aanslagen; hun bakker slaapt den geheelen nacht, en des morgens brandt [de oven1 als eene vlam. |
HOSÉA 8.
1612
|
7 Zij allen zijn zoo heet als een gestookte oven, en verteren hunne rechters; al hunne koningen vallen, er is niemand onder hen die mij aanroept. 8 Efraïm wordt onder de volken vermengd, Efraïm is als een koek die niet omgekeerd is: 9 vreemden verteren zijne kracht, nog wil hij het niet merken; ook heeft hij grijze haren gekregen, en nog wil hij het niet merken. 10 En hoewel Israels hoo-vaardij voor hunne oogen verootmoedigd is, nochtans bekeeren zij zich niet tot den Heer hunnen God, vragen ook niet naar hem in dit alles. 11 Want Efraïm is als eene eenvoudige duif zonder verstand; nu roepen zij Egypte in, dan loopen zij naar Assur. 13 Maar terwijl zij hier en daar heenloopen, zal ik mijn net over hen werpen, en hen nederwaarts rukken als de vogels des hemels, ik zal hen straffen, gelijk hun verkondigd is in hunne vergadering 13 Wee hun, dat zij van mij wijken; zij moeten vernield worden, want zij zijn afvallig van mij geworden. Ja ik wilde hen wel verlossen, wanneer zij geen leugens tegen mij spraken; |
Ié ook roepen zij mij niet aan van harte, maar jammeren op hunne legersteden; zij verzamelen zich om koren en most, en mij zijn zij ongehoorzaam. 15 Ik moge hen tuchtigen, ik moge hunnen arm sterken , zij bedenken altijd kwaad tegen mij; 16 zij bekeeren zich toch niet recht, maar zijn als een bedrieglijke boog; daarom zullen hunne vorsten door het zwaard vallen, vanwege de gramschap hunner tong, tot hunne bespotting in Egypteland. HOOFDSTUK 8. 1 Neem de bazuin voor uwen mond, en kom als een arend over het huis des Heeren; want zij hebben mijn verbond overtreden, en zijn van mijne wet afvallig geworden. 3 Dan zullen zij tot mij roepen: Gij zijt mijn God; wij, Israël, wij kennen u. 3 Israel verwerpt het goede, daarom moet de vijand hem vervolgen. 4 Zij maken koningen, doch buiten mij; zij stellen vorsten aan, van welke ik niets weet; van hun zilver en goud maken zij afgoden, |
HOSÉA 9.
1613
|
opdat zij uitgeroeid worden. 5 Uw kalf, Samarie, is verfoeielijk; mijn toorn is over hen ontstoken: liet kan niet lang duren of zij moeten gestraft worden. 6 Want het kalf is uit Israël voortgekomen, en een werkmeester heeft het gemaakt, en het kan immers geen god zijn; daarom zal het kalf van Samariö tot stof worden. 7 Want zij zaaien wind en zullen onweder oogsten; hun zaad zal niet opkomen, en schoon het opschoot, hun gewas zal geen meel geven; en al gaf het dat, zoo zullen toch vreemden het verslinden. 8 Israël wordt ingezwolgen; heidenen gaan met hen om als met een veracht vat; 9 omdat zij heenloopen naar Assur, gelijk een wild dier in de verbijstering; Efraïm beschenkt de boeleerdere , 10 en geeft den heidenen schatting; diezelfde heidenen zal ik nu togen hen verzamelen; zij zullen den last des konings en der vorsten haast moede worden. 11 Want Efraïm beeft vele altaren gemaakt om te zondigen , dus zullen de altaren hem ook tot zonde verstrekken. |
12 Of ik hem al veel van mijne wet schrijf, zoo wordt het toch geacht als eene vreemde leer. 13 Zij brengen mij mijne offergaven, slachten vleesch en eten het, doch de Heer heeft geen welbehagen daaraan , maar hij zal hunne misdaad gedenken en hunne zonden bezoeken, en zij zullen naar Egypte wederkee-ren. 14 Israël vergeet zijnen Schepper, en bouwt paleizen; ook maakt Juda vele vaste steden; maar ik zal een vuur in beider steden zenden, dat hunne huizen verteren zal. HOOFDSTUK 9. 1 Gij behoeft u niet te verblijden, Israël, noch te roemen, gelijk de volken; want gij hoereert tegen uwen God, daarmede zoekt gij hoerenloon op alle dorsch-vloeren des korens. 3 Daarom zullen de dorsch-vloeren en de wijnpersen hen niet voeden, en de most zal hen teleurstellen. 3 Zij zullen niet blijven in het land des Heeren, maar Efraïm moet naar Egypte wederkeeren, en moet in Assyrië eten hetgeen onrein is. |
HOSE A 9.
1614
|
4 Dam- plengen zij den Heer geen drankotfers van wijn, en lumne offers behagen hem niet; als brood der treurenden zullen zij hun zijn, waardoor allen verontreinigd worden die er van eten; want hun brood is slechts voor hen zelve, en liet zal niet in het huis des Heeren gebracht worden. 5 Wat wilt gij dan op de hoogtijden en op de feestdagen des Heeren doen? 6 Zie, zij moeten weg wegens de vernieling; Egypte zal hen verzamelen, en Mof zal hen begraven; distels zullen wassen waar nu het zilver hunner lieve afgoden staat, en doornen in hunne woningen. 7 De tijd der bezoeking-is gekomen, de tijd der vergelding; dit zal Israël gewaarworden : de profeten zijn dwazen, en die ingevingen voorwenden zijn onzinnig; wegens uwe groote misdaad is de haat ook groot. 8 De wachters van Efraïm hielden zich weleer aan mijnen God; maar nu zijn zij profeten die valstrikken leggen op al hunne wegen, door de gehate afgoderij in het huis huns Gods. 9 Zij verderven het te diep, gelijk ten tijde van Gibea: daarom zal hij hunne misdaad gedenken, en hunne zonden bezoeken. |
10 Ik vond Israël in de woestijn als druiven, en zag uwe vaderen als de eerste vijgen aan den vijgeboom; maar naderhand gingen zij tot Baal-Peor, en verloofden zich aan den schandelijken afgod, en werden even gruwelijk als hun boeleerder. 11 Daarom zal de heerlijkheid van Efraïm als een vogel wegvliegen, dat zij noch baren noch dragen noch zwanger worden zullen. 13 En of zij hunne kinderen al grootbrachten, zoo zal ik hen echter zonder kinderen doen zijn, dat zij geen volk meer zijn zullen; en wee over hen als ik van hen zal geweken zijn! 13 Efraïm, als ik het aanzie , is geplant in eene liefelijke woonplaats gelijk Ty-rus, maar moet nu zelf zijne kinderen tot den doodslager uitbrengen. 14 Heer, geef hun — maar wat zult gij hun geven? Geef hun onvruchtbare schooten en uitgedroogde borsten. 13 Al hunne boosheid geschiedt te Gilgal, aldaar ben ik hun vijand; en ik zal hen ook wegens hun kwaaddoen uit mijn huis stooten, en hun geen barmhartigheid |
HOSE
1615
A 10.
|
meer bewijzen; want al hunne vorsten zijn afvallig. 16 Efraïm is geslagen, liim wortel is verdord, dat zij geen vrucht meer dragen kunnen; en of zij al baren mochten, zoo zal ik nochtans de geliefde vrucht huns schoots dooden. - 17 Mijn God zal hen verwerpen omdat zij liem niet willen hooren, en zij moeten onder de volken gaan dwalen. HOOFDSTUK 10. 1 Israël is een wijd uitgespreide wijnstok, zijne vrucht is ook evenzoo; maar zooveel vruchten hij had, zooveel altaren had hij gemaakt; waar het land het best was, daar richtte hij de schoonste beelden op. 2 Hun hart is verdeeld, nu zullen zij hunne schuld vinden; hunne altaren zullen verbroken, en hunne beelden zullen vernield worden. 3 Alsdan zullen zij moeten zeggen: Wij hebben geen koning; want wij vreesden den Heer niet: wat kan de koning ons nu helpen? 4 Zij zwoeren tevergeefs, en maakten een verbom!; daarom zal hetoordeelgroei-en als een vergiftig kruid in de voren des velds. |
5 De inwoners van Samarië zijn in angst voor het groo-te kalf van Beth-Aven; want zijn volk treurt om hetzelve, over hetwelk nochtans zijne afgodspriesters zich plegen te verheugen wegens zijne heerlijkheid; want het is van hen weggevoerd. 6 Ja het is naar Assyrië gebracht, tot een geschenk voor den koning Jareb: alzoo moet Efraïm schande behalen, en Israël beschaamd staan over zijnen raadslag; 7 want de koning van Samarië is vergaan als schuim op het water; 8 de hoogten van Aven zijn verdelgd, met welke Israël zich bezondigde; distels en doornen wassen op hunne altaren; en zij zullen zeggen: Gij bergen, bedekt ons, en gij heuvelen, valt op ons. 'J Israël, sedert de dagen van Gibea hebt gij gezondigd ; daar stonden zij stil; een zwaarder krijg dan to Gibea tegen de kinderen der verkeerdheid zal hen bereiken. 10 Ik zal hen tuchtigen naar mijnen wensch, dat er volken tegen hen zullen verzameld worden, als ik hen straften zal wegens hunne twee zonden. 11 Efraïm is eene vaars die gaarne dorscht, ik zal |
HOSEA 11.
1616
|
over haren schoonen hals heengaan; ik zal Efraïm inspannen, Juda zal ploegen en Jakob eggen. 12 Daarom zaait tot gerechtigheid, en maait tot weldadigheid, en ontgint u een akker die braak ligt; want het is tijd den Heer te zoeken, opdat hij kome en gerechtigheid over u doe regenen. 13 Want gij ploegt boosheid, en maait euveldaad, en eet de vruchten der leugen ; dewijl gij u dan verlaat op uw doen, en op de menigte uwer helden, 14 zoo zal er groot ge-druiscli ontstaan onder uw volk, en al uwe vestingen zullen vernield worden ^gelijk Salman Beth-Arbel verwoestte ten tijde des strijds, toen de moeder met de kinderen verpletterd werd. 15 Evenzoo zal het ulieden te Beth-El ook gaan wegens uwe groote boosheid, zoodat de koning van Israël als de dag aanbreekt verdelgd wordt. HOOFDSTUK 11. 1 Toen Israël jong was, had ik hem liet', en riep hem, mijnen zoon, uit Egypte. 2 Maar als men hen nu roept, begeven zij zich weg. |
en offeren aan de Baals, en wierooken voor de beelden. 3 Ik nam Efraïm bij zijne armen, en leidde hem; maar zij erkenden het niet dat ik hen. genas. 4 Ik liet hen met men-schelijke banden trekken, met koorden der lietde, en hielp hen het j uk aan hunnen hals dragen, en gaf hun voeder. 5 Hij zal niet weder naar Egypte keeren, maar Assur, die zal zijn koning zijn; want zij willen zich niet bekeeren. 6 Daarom zal het zwaard over hunne steden komen, en zal hunne grendels verteren en verslinden wegens hun voornemen. 7 Mijn volk is moede zich tot mij te keeren; en hoe men hun predike, niemand richt zich op. 8 Wat zal ik van u maken, Efraïm, zal ik u beschutten Israël? Zou ik niet billijk een Adama van u maken, en u aan Zeboïm gelijkstellen? Maar mijn hart is anders gezind, mijne barmhartigheid is ontstoken; 9 zoodat ik niet doen zal naar mijnen hevigen toorn, noch mij keeren om Efraïm geheel te verderven; want ik ben God en niet een mensch, en ben de Heilige |
HO SE A 13.
1617
|
onder u; echter wil ik niet in de stad komen. 10 Alsdan zal men den Heer volgen, en hij zal brullen als een leeuw; en als hij brullen zal, zullen de zonen bevende toesnellen uit het westen, 11 zij zullen bevende toesnellen als een vogel uit Egypte en als eene duif uit het land van Assur, en ik zal hen in hunne huizen doen wronen, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 12. 1 In Efraïm is overal leugen tegen mij, en in het huis van Israël valsche godsdienst; maar Juda houdt nog vast aan God, en is den heiligen getrouw. 2 Efraïm voedt zich met wind, en loopt den oostenwind na; hij vermeerdert dagelijks de afgoderij en het onheil; zij maken niet Assur een verbond, en brengen olie naar Egypte. 3 Daarom zal de Heelde zaak van Juda uitvoeren , en Jakob bezoeken naar zijn doen, en hem vergelden naar zijne verdiensten. 4 Hij heeft in den moederschoot zijnen broeder bij de verze gehouden, en heeft uit alle kracht met God geworsteld; |
5 hij worstelde met den Engel en overwon, want hij weende en bad hem; te Beth-El heeft hij hem gevonden, en aldaar heeft hij met ons gesproken. 6 De Heer nu is de God Zebaótli, zijn naam is Heer. 7 Bekeer u dan tot uwen God, oefen barmhartigheid en recht, en hoop gestadig op uwen God. 8 Maar de koopman heeft eene valsche schaal in zijne hand, en bedriegt gaarne. 9 Nochtans zegt Efraïm: Ik ben rijk, ik heb genoeg; in al mijnen arbeid zal men geen onrecht vinden, iets wat zonde is. 10 Maar ik, de Heer, ben uw God van Egypte-land af; ik, die u nog in hutten laat wonen, zooals men op den feesttijd pleegt te doen; 11 en ik spreek door de profeten, en ik ben het die zoovele profetieën geef, en door de profeten mij doe kennen. 13 In Gilead is afgoderij, en te Gilgal offeren zij ossen tevergeefs; zij hebben zooveel altaren als er ko-renhoopen op het veld staan. 13 Jakob moest vluchten naar het land van Syrië, |
-
HO SE A 13.
1618
|
en Israël moest om eene vrouw dienen, om eene vrouw werd hij hoeder der kudde; 14 maar naderhand voerde de Heer Israël uit Egypte door een profeet, en liet hem hoeden door een profeet. 15 Maar nu vertoornt Efraïm hem zeer bitter: daarom zal hij zijn bloed op hem doen komen, en zijn Heer zal hem zijnen smaad vergelden. HOOFDSTUK 13. 1 Toen Efraïm nog gebrekkig sprak, werd hij in Israël verheven; daarna bezondigden zij zich door Baal, en werden deswege gedood. 2 Maar nu vermeerderen zij de zonden zeer, en maken van hun zilver beelden, zooals zij het versieren kunnen , namelijk afgoden, die immers niets dan smids-werk zijn: toch prediken zij daarvan: AVie de kalveren kussen wil, die moet menschen offeren. 3 Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk en als een vroegkoinende dauw, ja gelijk het kaf dat van den dorschvloer weggewaaid wordt, en als de rook die uit den schoorsteen wordt weggevoerd. |
4 Maar ik ben de Heer uw God van Egypteland af; en gij moest immers geen anderen god kennen dan mij, en geen heiland behalve mij alleen. 5 Ik nam mij immers uwer aan in de woestijn, in het dorre land; 0 maar toen zij geweid waren, zoodat zij verzadigd waren geworden en genoeg hadden, verhief zich hun hart; daarom vergaten zij mij. 7 Daarom werd ik ook tegen hen als een leeuw, eu als een luipaard op den weg loerde ik op hen. 8 Ik viel op hen aan als eene berin aan wie hare jongen ontnomen zijn, en verscheurde hun verstokt hart, en verslond hen aldaar als eene leeuwin; de wilde dieren verscheurden hen. 9 Israël, gij brengt u in ongeluk; want uw heil staat alleen bij mij. 10 Waar is uw koning heen, die u zou kunnen helpen in al uwe steden? En uwe rechters, van welke gij zeidet: Geef mij koningen en vorsten? 11 Nu, ik gaf u een koning in mijnen toorn, en zal hem u ontnemen in mijne verbolgenheid. |
HOSEA 14.
1619
|
12 De misdtuitl van Efraïm is samengebonden, en hunne zonde is behouden; 13 zij zullen weeën krijgen als eene barende; want het zijn onverstandige kinderen, de tijd zal komen 1 dat zij het niet zullen knn-, nen uitstaan wegens den yammer der kinderen. 14 Maar ik zal hen uit Ihet graf verlossen en van den dood redden; dood, ik zal u een gif zijn; graf, ik zal u eene pest zijn; berouw is voor mijne oogen verborgen, 15 Want hij zal onder zijne broeders vrucht voortbrengen ; er zal een oostenwind komen, de Heer zal ■ uit de woestijn opkomen en hunne fontein uitdrogen, en hunne bron doen verdrogen: die zal den schat van al zijn kostbaar huisraad rooven. HOOFDSTUK 14. 1 Samarië zal woest worden, want zij zijn hunnen God ongehoorzaam geweest; zij zullen door het zwaard vallen, en hunne jonge kinderen zullen verpletterd, en hunne zwangere vrouwen opengereten worden. 3 Bekeer u, o Israël, tot den Heer uwen God; want gij zijt gevallen wegens uwe misdaad. |
3 Neemt deze woorden met u, en bekeert u tot den Heer, en zegt tot hem: Vergeef ons alle zouden en doe ons wel, zoo zullen wij de varren onzer lippen ofieren. 4 Assur zal ons niet helpen , en wij zullen niet meer op paarden rijden, ook niet meer zeggen tot de werken onzer handen: Gij zijt onze god. Maallaat de weezen bij u barmhartigheid vinden. 3 Zoo zal ik hen van hunne afkeerigheid weder genezen, van ganscher harte zal ik hen liefhebben; dan zal mijn toorn van hen wijken. 6 Ik zal voor Israël als een dauw zijn, dat hij zal bloeien gelijk eene lelie, en zijne wortels zal uitslaan als de Libanon; 7 en zijne takken zullen zich uitspreiden, dat hij zoo schoon zal zijn als een olijfboom, en hij zal zoo goeden geur geven als de Libanon; 8 en zij zullen weder onder zijne schaduw zitten; met koren zullen zij zich voeden, en bloeien als een wijnstok; zijne gedachtenis zai zijn als tie wijn van den Libanon. |
JOËL 1.
1630
|
9 Efraïm, wat baten mij voortaan de afgoden? Ik zal hem verhooren en geleiden, ik zal zijn als een groenende denneboom; door mij wordt er steeds vrucht aan u gevonden. |
10 Wie is wijs? dat hij dit versta! Wie schrander? dat hij dit opmerkel Want de wegen des Heeren zijn recht, en de rechtvaardigen wandelen daarop, maar de overtreders vallen op die wegen. |
DE PEOFEET
J O Ë L.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is het woord des Heeren hetwelk geschied is tot Joël den zoon van Pe-thuël. — 2 Hoort dit gij oudsten, en merkt op, alle inwoners des lands, of iets dergelijks geschied is in uwe tijden, of in de tijden uwer vaderen ; 3 verhaalt er van aan uwe kinderen, en laat uwe kin-ren het aan hunne kinderen zeggen, en de kinderen van deze aan hunne nakomelingen. 4 Wat de rupsen overlaten, dat eten de sprinkhanen af; en wat de sprinkhanen overlaten, dat eten de kevers af; en wat de kevers overlaten, dat eet het kruidgewormte af. |
5 Waakt óp gij dronke-nen en weent, en jammert alle gij wijndrinkers, vanwege den most; want hij is van uwen mond weggenomen. 6 Want er trekt een volk op in mijn land, machtig en zonder getal; het heeft tanden als van leeuwen, en slagtanden als van leeuwinnen ; 7 dat verwoest mijnen wijnstok en stroopt mijnen vijgeboom af; het schilt hem af en werpt hem neder, dat zijne takken wit zijn. 8 Kerm als eene jonkvrouw die rouwgewaad aan- |
JOËL 2.
1621
|
trekt over haren bruidegom. 9 Want het spijsofler en drankofl'er is weg van het huis des Heeren; en de priesters, de dienaars des Heeren, treuren. 10 Het veld is verwoest, en de akker treurt; het koren is verbroken, de wijn is verdroogd, en de olie is verwelkt. 11 De akkerlieden zien er jammerlijk uit, en de wijngaardeniers kermen om de tarwe en om de gerst, omdat van den oogst op het veld niets worden kan. 12 Ook is de wijnstok verdroogd en de vijgeboom verwelkt, daarenboven zijn de granaatboomen, palm-boomen , appelboomen en alle boomen op het veld verdord; want de vreugd der menschen is tot jammer geworden. 13 Omgordt u en klaagt gij priesters, kermt gij dienaars van den altaar; treedt binnen en trekt rouwge-waad aan, gij dienaars van mijnen God; want het spijsoffer en drankofler is weg van het huis uvvs Gods. 14 Heiligt een vasten, de gemeente bijéén. vergadert de oudsten en alle inwoners des lands tot het huis van den Heer uwen God, en roept tot den Heer. |
15 Wee die dag! want de dag des Heeren is nabij, en komt als een verderf van den Almachtige. 16 Wij zien immers dat de spijs voor onze oogen is weggenomen; en van het huis onzes Gods vreugd eu blijdschap. 17 Het zaad is onder de aarde verrot, de korenhuizen staan woest, de schuren vervallen, want het graan is verdorven. 18 O hoe zucht het vee! De runderen zien er droevig uit, want zij hebben geen weide; en de schapen versmachten. 19 Heer, u roep ik aan; want het vuur heeft de landouwen in de woestijn verbrand, en de vlam heeft alle boomen op den akker aangestoken. 20 Ook schreeuwen de wilde dieren tot u; want de waterbeken zijn uitgedroogd, en het vuur heeft de landouwen in de woestijn verbrand. HOOFDSTUK 2. \ 1 Blaast' de bazuin op Sion, roept op mijnen heiligen berg; dat alle inwoners des lands beven, want de dag des Heeren komt en is nabij. 2 Een duistere dag, een |
JOËL 2.
1632
|
donkere dag, een bewolkte dng, een nevelachtige dag, gelijk de dageraad zloli uitspreidt over de bergen; een groot en machtig volk, gelijk tevoren niet geweest is, en voortaan niet zijn zal ten eeuwigen tijde, immer en altoos. 3 Een verterend vuur gaat voor hen uit, en achter hen eene brandende vlam; het land is vóór hen als een lusthof, maar achter hen als eene woeste wildernis, en niemand zal hen ontkomen. 4 Zij zien er uit als paarden , en rennen als ruiters; 5 zij springen daarheen bovenop de bergen, gelijk wagens rammelen, en gelijk eene vlam flikkert in het stroo; als een machtig volk dat toegerust is tot den strijd. 6 De volken ontzetten zich voor hen, aller aangezichten verliezen hunne kleur. 7 Zij loopen als reuzen, en beklimmen de muren als krijgslieden; ieder gaat recht voor zich uit op zijnen weg, en zij wijken niet af van hunne paden; 8 de één verhindert den ander niet, maar elk trekt op zijn eigen pad daarheen; zij vallen op wapenen aan en worden niet gewond. |
9 Zij zwerven overal in de stad, loopen op de muren, en klimmen in de huizen, en door de vensters komen zij in als een dief. 10 Voor hen siddert de aarde en beeft de hemel; de zon on de maan worden duister, en de sterren weer--houden haren glans. 11 En do Heer laat zijnen donder voor zijn heir uitgaan; want zijn heir, dat zijn bevel zal uitvoeren, is zeer groot en machtig; ja de dag des Heeren is groot en zeer verschrikkelijk, en wie kan hem verdragen? 12 Dus spreekt nu de Heer: Bekeert u tot mij van ganscher harte, met vasten, met weenen, met klagen; ____ 13 scheurt uwe harten en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heer uwen God; want hij is genadig, barmhartig, lankmoedig en van groote goedheid, en het kwaad berouwt hem welhaast : 14 wie weet, het mocht hem wederom berouwen, en hij een zegen achter zich laten, om spijsofler en drank-ofler te offeren voor den Heer uwen God. ? 15 Blaast de bazuinen op :Sion, heiligt een vasten, jdene over zijn 19 woo voli mos zenc i aan u II ken der 3( het var eer sto nas acl ste |
JOEL 3,
1633
|
roept de gemeente tezamen; ^16 verzamelt liet volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, brengt bijéén de jonge kinderen en de zuigelingen; de bruidegom ga uit zijne kamer, en de bruid uit haar vertrek. 17 Dat de priesters, de jdienaars des Ileeren, wec-nen tusschen het voorhuis en den altaar, en zeggen: ■Heer, verschoon uw volk, !en laat uw erfdeel niet te ■schande worden, dat de hei-'denen met hen zouden spotten; waarom zou men onder de volken zeggen: Waar lis nu hun God? ' 18 Zoo zal dan de Heer iover zijn land ijveren, en ■zijn volk verschooneu; 19 en de Heer zal antwoorden en zeggen tot zijn volk: Zie, ik zal u koren, most en olie in overvloed zenden, dat gij er genoeg aan zult hebben; en ik zal ii niet meer ouder de volken te schande laten worden. 30 En ik zal don van het noorden gekomene ver van ti drijven, en hem in een dor en woest land ver-stooten, zijne voorhoede naar de oostzee en zijne achterhoede naar de uiterste zee toe; hij zal verrotten en stinken: zoo zal hij groote daden doen. |
31 Vrees niet o land, maar wees vroolijk en welgemoed ; want de Heer doet groote daden. 33 Vreest niet gij dieren des velds, want de woningen in de woestijn zullen groenen, en de boomen hunne vruchten voortbrengen, en de vijgeboom en de wijnstok zullen hun vermogen geven. 33 En gij kinderen Sions, verheugt u en zijt vroolijk in den Heer uwen God; want hij zal u een leeraar tot gerechtigheid geven, en u den vroegen regen en spaden regen nederzenden gelijk voorheen; 34 dat de dorsehvloeren vol koron zullen zijn, en de perskuipen overvloed van most en olie zullen hebben. 35 En ik zal u de jaren vergoeden, welke de sprinkhanen, de kevers, het kruid-gewormte en de rupsen, mijn groot heir dat ik onder u gezonden had, hebben afgegeten; 26 en gij zult genoeg te eten hebben, en den naam van den Heer uwen God prijzen, die wonderen onder u gedaan heeft; en mijn volk zal niet meer te schande worden. |
JOEL 3.
1634
|
37 En gijlieden zult gewaarworden dat ik in liet i midden van Israël ben, en dat ik de Heer uw God ben, en niemand meer; en mijn volk zal voortaan niet te scliande worden. 38 En nadezen zal ik mijnen Geest uitstorten over alle vleesch, en uwe zonen en dochters zullen profe-teeren; uwe oudsten zullen droomen hebben, en uwe jongelingen zullen gezichten zien; 39 ook zal ik in dien tijd op de dienstknechten en de dienstmaagden mijnen Geest uitstorten, 30 en zal wonderteekenen geven in den hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. 31 De zon zal in duisternis, en de maan in bloed veranderd worden, eer de groote en verschrikkelijke dag des Heeren komt. 33 En het zal geschieden, dat alwie den naam des Heeren zal aanroepen, behouden zal worden; want op den Sion en te Jeruzalem Kil eene redding zijn, gelijk de Heer gezegd heeft, ook bij de verstrooiden die de Heer zal roepen. 1 |
HOOFDSTUK 3. 1 Doch zie, in die dagen en in dien tijd, als ik de gevangenschap van Juda en Jeruzalem zal wenden, 3 dan zal ik alle volken vergaderen, en hen naar het dal van Josafat afvoeren; en ik zal aldaar met hen richten aangaande mijn volk en mijn erfdeel Israël, hetwelk zij onder de volken verstrooid hebben; en zij hebben mijn land onder zich gedeeld, 3 en het lot over mijn volk geworpen, en hebben jongskens voor hoerenloon gegeven, en jonge maagden voor wijn verkocht om te drinken. 4 En gij Tyrus en Sidon en alle grenspalen der Eilis-tijnen, wat hebt gij met mij te doen? Wilt gij mij tergen? Welaan, zoo gij mij tergt, zal ik het u schielijk en ras weder op uw eigen hoofd vergelden, 5 gij die mijn zilver en goud en mijne schoone kleinoodiën weggenomen en in uwe tempels gebracht hebt, 6 daarenboven ook de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht hebt aan de Grieken, om hen ver van hunne grenzen te verwijderen. |
JOEL 3.
1623
|
7 Zie, ik zal lien opwekken uit de plaats waarheen gij hen verkocht hebt, en ik zal het u vergelden op uw hoofd; 8 en ik zal uwe zonen en dochters weder verkoo-pen in de hand der kinderen van Juda, die zullen hen aan de inwoners van rijk Arabië, een volk in verre landen, verkoopen; want de Heer heeft het gesproken. 9 Roept dit uit onder de volken: Heiligt een strijd; wekt de helden op, laat al de krijgslieden herwaarts komen en optrekken. 10 Maakt van uwe ploegijzers zwaarden, en van uwe sikkels spiesen; de zwakke zelfs zegge: Ik ben sterk. 11 Komt met hoopen tezamen , alle volken van rondom, en vergadert u; daar zal de Heer uwe helden neder vellen. 12 Dat de volken zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; daar zal ik zitten om alle volken van rondom te richten. 13 Zwaait de sikkel, want de oogst is rijp; komt af, want de pers is vol en de perskuip loopt over; want hunne boosheid is groot. |
14 Hoopen bij hoopen liggen in het dal der dor-sching; want de dag des Heeren is nabij in het dal der dorsching. 15 De zon en de maan zullen verduisteren, en de sterren zullen haren glans weerhouden. 16 En de Heer zal brullen uit Sion, en uit Jeruzalem zijne stem doen hoo-ren, dat heiuel en aarde zullen beven; maar de Heer zal voor zijn volk eene toevlucht zijn, en eene sterkte voor de kinderen Israels; 17 en gij zult gewaarworden dat ik, de Heer uw God, op Sion , mijnen heiligen berg, woon; alsdan zal Jeruzalem heilig zijn, en geen vreemdeling zal er meer door wandelen. 18 In dien tijd zullen de bergen van zoeten wijn druipen, en de heuvelen van melk vloeien , en alle beken in Juda zullen van water stroomen; en er zal eene bronwel van het huis des Heeren uitgaan, die het dal Sittim zal besproeien. 19 Maar Egypte zal woest zijn, en Edom eene woeste wildernis worden, wegens den moedwil aan de kinderen van Juda bedreven, dat zij onschuldig bloed in hun land vergoten hebben. 20 Maar Juda zal eeuwig |
1636 AMOS 1.
bewoond worden, en Jeruzalem immer en altoos;
21 en ik zal hun bloed
niet ongewroken laten, en de Heer zal wonen op Sion.
DE PROFEET
A M O S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is liet wat Amos, die onder de herders van Tekoa was, gezien heeft aangaande Israël, ten tijde van Üzzfa den koning van Juda, en van Jerobeam den zoon van Joas, den koning van Israel, twee jaren vóór de aardbeving. 2 En hij sprak: De Heer zal brullen uit Sion, en uit Jeruzalem zijne'stem doen hooren; zoodat de landouwen der herders jammerlijk zullen staan, en de kruin van Karmel zal verdorren. 3 Dus spreekt de Heer: Wegens drie en vier overtredingen van Damascus zal ik het niet verschoonen; omdat zij Gileacl met ijzeren dorsch wagens gedorsoht hebben. |
4 Daarom zal ik een vuur zenden in het huis van Ha-zaël, hetwelk de paleizen van Benhadad verteren zal. 5 En ik zal de grendels van Damascus verbreken; en de inwoners van het dal Aven, en hem die den schep-ter houdt, uit het lusthuis uitroeien, dat het volk van Syrië naar Kir zal weggevoerd worden, spreekt de Heer. 6 Dus spreekt de Heer: quot;Wegens drie en vier overtredingen van Gaza zal ik het niet verschoonen; omdat zij een groot getal gevangenen weggevoerd, en in de handen van Edom overgeleverd hebben. 7 Daarom zal ik een vuur in de muren van Gaza zenden , hetwelk zijne paleizen verteren zal; 8 en ik zal de inwoners van Asdod , en hem die den schepter houdt uit Askelon uitroeien, en mijne hand |
AMOS 3.
1627
|
tegen Ekron wenden, zoodat omkomen zal hetgeen nog van de filistijnen overgebleven is, spreekt de Heere Heere. 9 Dus spreekt de Heer: Wegens drie en vier overtredingen van Tyrus zal ik het niet verschoonen; omdat zij een groot getal gevangenen in de handen van Edom overgeleverd, en niet gedacht hebben aan het verbond der broeders. 10 Daarom zal ik een vuur in de muren van ïyrus zenden, hetwelk zijne paleizen verteren zal. 11 Dus spreekt de Heer; Wegens drie en vier overtredingen van Edom zal ik hem niet verschoonen; omdat hij zijnen broeder met het zwaard vervolgd, en naar het verderf zijner naaste bloedverwantschap getracht heeft; omdat hij in zijnen toorn altoos verscheurt, en zijne verbolgenheid eeuwig-lijk behoudt. 13 Daarom zal ik een vuur zenden in Teman, hetwelk de paleizen van Bozra verteren zal. 13 Dus spreekt de Heer; Wegens drie en vier overtredingen der kinderen van Ammon zal ik ze niet verschoonen; omdat zij de zwangere vrouwen in Gilend opengereten hebben, om hunne grenspalen wijder uittezet-ten. |
14 Daarom zal ik een vuur ontsteken in de muren van Kabba, hetwelk zijne paleizen verteren zal, als men roepen zal ten tijde van den strijd, en als het onwe-der zal komen ten tijde van den storm. 15 Dan zal hun koning, tegelijk met zijne vorsten, gevankelijk weggevoerd worden , spreekt de Heer. HOOFDSTUK 2. 1 Dus spreekt de Heen-Wegens drie en vier overtredingen van Moab zal ik hem niet verschoonen ; omdat zij de beenderen des ko-nings van Edom tot ascli verbrand hebben. 2 Daarom zal ik een vuur zenden in Moab, hetwelk de paleizen van Kerioth verteren zal; en Moab zal sterven onder het gedruisch en geschreeuw en het geluid (let' bazuin. '6 En ik zal den rechter onder hen uitroeien, en al hunne vorsten met hem doo-den, spreekt de Heer. 4 Dus spreekt de Heer; Wegens drie en vier overtredingen van Juda zal ik hemniet verschoonen; omdat zij de wet dea Heeren ver- |
AMOS 3.
1628
|
acht en zijne rechten niet onderhouden hebben, daar zij zich door hunne leugens lieten verleiden, die hunne vaderen reeds nawandelden. 5 Daarom zal ik een vuur in Juda zenden, hetwelk de paleizen van Jeruzalem verteren zal. 6 Dus spreekt de Heer: Wegens drie en vier overtredingen van Israël zal ik het niet verschoonen; omdat zij de rechtvaardigen voor geld en de armen vooreen schoeisel verkoopen; 7 zij treden het hoofd der armen in het slijk, en verdraaien de zaak der hulpe-loozen; de zoon en de vader gaan tot eene jongedoohter, opdat zij mijnen heiligen naam ontheiligen; 8 en bij alle altaren brassen zij van verpande kleederen, en drinken in het huis hunner goden den wijn dergenen die geboet hebben. 9 Nu heb ik immers den Amoriet van voor hun aangezicht verdelgd, die zoo hoog was als de cederen, en zoo sterk als de eiken; en ik verdelgde van boven zijne vrucht en van ónderen zijne wortels. 10 Ook heb ik u uit Egyp-teland gevoerd, en veertig jaar in de woestijn geleid, opdat gij het land der Amo-neten bezitten zoudt; |
11 en ik heb uit uwe zonen profeten voortgebracht, en nazireërs uit uwe jongelingen: is het niet zoo, o kinderen Israëls? spreekt de Heer. 12 Maar gij geeft aan de nazireërs wijn te drinken, en gebiedt den profeten, zeggende : Gij zult niet profe-teeren. 13 Zie, ik zal u drukken gelijk een wagen vol schoven drukt; 14 zoodat hij die snel is niet zal ontvlieden, noch de sterke iets vermogen, en de machtige zijn leven niet zal kunnen redden; 15 en de boogschutters zullen geen stand houden, en wie snel loopen kan zal niet ontloopen, en hij die rijdt zal zijn leven niet redden; 16 en wie onder de helden de kloekmoedigste is, zal naakt ontvluchten in dien tijd, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 3. 1 Hoort wat de Heer tot u spreekt, gij kinderen Israëls, tot het gansche geslacht hetwelk ik uit Egyp-teland gevoerd heb, zeggende: 2 Uit alle geslachten deï |
AMOS 4.
1629
|
aarde heb ik ulieden alleen gekend: daarom zal ik u ook bezoeken over al uwe misdaden. 3 Kunnen ook twee tezamen wandelen tenzij zebij-ééngekomen zijn? 4 Brult ook een leeuw m het woud als hij geen prooi heeft? Schreeuwt ook een jonge leeuw uit zijn hol, tenzij hij iets gevangen heeft? 5 Valt ook een vogel in den strik op de aarde, als er geen vogelvanger is ? Neemt men ook den strik van de aarde op, als men nog niets gevangen heeft? 6 Blaast men ook de bazuin in eene stad, dat het volk zich niet ontzet? Is er ook een ongeluk in de stad, hetwelk de Heer niet doet? 7 Neen, de Heere Heere doet niets zonder zijn verborgen raad aan de profeten zijne knechten te openbaren. 8 De leeuw bralt — wie zou niet vreezen ? De Heere Heere spreekt —■ wie zou niet proieteeren? 9 Verkondigt in de paleizen te Asdod en in de paleizen van Egypteland, en zegt: Vergadert u op de bergen van Samarië, en ziet welk een groot jammerge-schrei en onrecht daar is. |
10 Zij achten geen recht, spreekt de Heer: zij vergaderen schatten van geweld en roof in hunne paleizen. 11 Daarom spreekt de Heere Heere aldus: Men zal dit land rondom belegeren, en u van uwe macht nederwaarts rukken, en uwe huizen plunderen. 13 Dus spreekt de Heere: Gelijk een herder twee schenkels of een stuk van een oor den leeuw uit den muil rukt, zóó zullen de kinderen Israels, die te Samarië wonen , gered worden, ineen hoek des beds, onder de sprei der sponde. 13 Hoort en betuigt in het huis van Jakob, spreekt de Heere Heere, de God Zebaóth: 14 in dien tijd, als ik de zonden van Israël bezoeken zal, zal ik de altaren te Beth-El bezoeken, en de hoornen des altaars afbreken, dat zij ter aarde zullen vallen; 15 en ik zal beide het winterverblijf en het zomerverblijf verwoesten, en de ivoren huizen zullen vergaan en de trotsche huizen verdorven worden, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 4. 1 Hoort dit woord, gij koeien van Basan, gij die |
AMOS 4.
1680
|
op den berg Van Samariü zijt, en den nooddruftigen onrecht doet, en de armen Vertrapt, en tot uwe heeren zegt; Breng herwaarts, laat ons drinken. 2 Da Heere Heere heeft gezworen bij zijne heiligheid: Zie, de tijd komt over u, dat men n zal ophalen met angels, en uwe nakomelingen met vischhaken; 3 en gijlieden zult door de bressen uitgaan, ieder voor zich uit, en naar Harmon weggeworpen worden, spreekt de Heer. 't Ja komt herwaartsnaar Beth-El, en bedrijft zonde te Gilgal, opdat gij de zonde vermenigvuldigt; en brengt uwe offers des morgens, en uwe tienden om den derden dag; 5 en wierookt van het zuurdeeg tot een dankoffer, en roept vrijwillige offers uit, en verkondigt het; want zoo hebt gij het gaarne , gij kinderen Israels, spreekt de Heere Heere. 6 Daarom heb ik ulieden ook in in al uwe steden ledige tanden gegeven, en gebrek aan brood in al uwe plaatsen: nochtans bekeer-det gij u niet tot mij, spreekt de Heer. |
7 Ook heb ik den regen Van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren voor den Oogst; en ik liet regenen op de céne stad, en O)) de andere stad liet ik niet regenen; de ééne akker werd beregend, en de andere akker, die niet beregend werd, verdorde; 8 en uit twee, drie steden trok men naar ééne stad heen om water te drinken, en kon het niet genoeg vinden: nochtans bekeerdet gij u niet tot mij, spreekt de Heer. 9 Ik plaagde ulieden met dorren tijd en met koren-brand , ook aten de rupsen alles op wat in uwe hoven en wijngaarden, op uwe vijgeboomen en olijfboomen wies: nochtans bekeerdet gij u niet tot mij, spreekt de Heer. 10 Ik zond de pest onder ulieden, gelijk in Egypte; ik doodde uwe jonge manschap door het zwaard, en liet uwe paarden gevankelijk wegvoeren; ik liet den stank van uw heirleger opgaan tot in uwe neuzen: nochtans bekeerdet gij uniet tot mij, spreekt de Heer. 11 Ik keerde sommigen onder ulieden om, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, dat gij waart als een brandhout dat uit het vuur gerukt wordt: noch- |
AMOS 5.
1631
|
tans Tjekeerdet gij u niet tot mij, spreekt de Heer. 13 Daarom zal ik u voortaan alzoó doen, o Israël; dewijl ik u dan alzoó doen zal, zoo maak u gereed o Israel , en ontmoet uwen God. 13 Want zie, hij is liet die de bergen maakt, den wind schept, en den mensch te' kennen geeft wat hij spreken zal; hij maakt den dageraad en de duisternis, hij treedt op de hoogten dei-aarde; zijn naam is Heer, God Zehaöth. HOOFDSTUK 5. 1 Hoort, gij huis van Israël, dit woord; want ik moet dit klaaglied over u aanheffen. 3 De jonkvrouw Israëls is gevallen, dat zij niet weder zal opstaan; zij is ter aarde gestooten, en er is niemand die haar ophelpt. 3 Want dus spreekt de Heerc Heere: De stad waar duizend uitgaan zal honderd overhouden, en die waar honderd uitgaan zal tien overhouden, in het huis van Israël. ■i Daarom zóó spreekt de Heer tot het huis van Israël: Zoekt mij, zoo zult gij leven. |
5 Zoekt niet Beth-El, en gaat niet naar Gilgal, cn trekt niet naar Ber-Seba; want Gilgal zal gevankelijk weggevoerd worden, cn Beth-El zal Beth-Aven worden. 6 Zoekt den Heer, zoo zult gij leven, opdat niet een vuur in het huis van Jozef de overhand nemo, dat het verteert, en niemand het blussche in Beth-El: 7 gij die het recht in alsem verkeert, en de gerechtigheid ter aarde stoot! 8 Hij maakt het Zevengesternte en den Orion, die de duisternis in den morgen verkeert, en den dag tot nacht verduistert; die het water der zee roept, en het uitgiet op den aardbodem: zijn naam is Heer. 9 Hij richt over den sterke eene verwoesting aan, en brengt verwoesting over de vaste stad. 10 Zij haten dengeen die hen in de poort bestraft, en verfoeien dengeen die heilzaam leert. 11 Daarom dat gij de armen onderdrukt, en het koren met groote lasten van hen neemt, zoo zult gij niet wonën in de huizen die gij van uitgehouwen steenen gebouwd hebt, en den wijn niet drinken (lien gij op de fraaie wijnbergen geplant hebt. |
AMOS 5.
1632
|
13 Want ik weet uwe overtredingen die vele zijn, en uwe zonden die zwaar zijn; boe gij de rechtvaardigen benauwt, en bloedgeld neemt, en de armen in de poort onderdrukt. 13 Daarom moet de verstandige in dien tijd zwijgen; want het is een booze tijd. 14 Zoekt bet gcede en niet het kwade, opdat gij leven moogt; zóó zal de Heer, de God Zebaotb, bij u zijn, gelijk gij roemt. 15 Haat het kwade en hebt het goede lief, bestelt het recht in de poort; zoo zal de Heer, de God Ze-baóth, den overgeblevenen van Jozef genadig zijn. 16 Daarom zóó spreekt de Heer, de God Zebaöth, de Heer: In alle wijken zal weeklacht zijn, en op alle straten zal men zeggen: Wee, wee! en men zal den akkerman tot treuren roepen, en wie weenen kan tot weeklagen; 17 in alle wijngaarden zal weeklacht zijn; want ik zal door het midden van u trekken, spreekt de Heer. 18 Wee hun die naar den dag des Heeren verlangen! Wat zal die dag u wezen? De dag des Heeren is duisternis en geen licht. |
19 Gelijk wanneer iemand voor een leeuw vlood, en een beer ontmoette hem; en alsof iemand in een huis kwam, en leunde met de hand aan den wand, en eene slang beet hem. 20 Want de dag des Heeren zal immers duister en niet licht zijn, donker en niet helder. 21 Ik haat uwe feestdagen en veracht ze, en ik mag uwe verbodsdagen niet rai-ken. 22 Ja of gij mij al brandoffers en spijsoffers offert, zoo heb ik er geen behagen aan; ook mag ik uwe vette dankoffers niet aanzien. 23 Doe weg van mij het getier uwer liederen; ik mag uw snarenspel niet hooren. 24 McUir het recht zal geopenbaard worden als water, en de gerechtigheid als een sterke stroom. 25 Hebt gij, o huis van Israël, mij wel slachtoffers en spijsoffers geofferd inde woestijn, veertig jaar lang? 26 Gij droegt de tent van Molech en Kiun, uwe beelden, de ster uwer goden die gij uzelven gemaakt hadt. 27 Zoo wil ik u vanhier tot ver boven Damascus laten wegvoeren, spreekt de Heer wiens naam is God Zebaóth. |
AMOS 6.
1683
|
HOOFDSTUK 6. 1 Wee hun die gerust zijn op Sion, en die zich op den berg van Samarië verlaten ; den voornaamsten van den eersteling der volken, tot wie het huis van Israël heengaat. 3 Gaat heen naar Kalne en ziet toe, en gaat vandaar naar Hamath, de groote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen: of'zij beter dan deze koninkrijken zijn, en hunne grenspalen grooter dan uwe grenspalen? 3 Gij die u ver acht van den kwaden dag, en altoos tracht naar den tijd des gewelds, 4 en slaapt op ivoren legersteden, en weelde bedrijft op uwe bedden; gij eet de lammeren uit de kudde, en de gemeste kalveren, 5 en speelt op de luit, en dicht u liederen gelijk David, 6 en drinkt wijn uit schalen , en zalft u met de edelste zalven, en bekommert u niet over het onheil van Jozef. 7 Daarom zullen zij nu ook gaan aan het hoofd dergenen die gevankelijk weggevoerd worden, en het slempen der weelderigen zal ophouden. |
8 Want de Heere Heere heeft gezworen bij zijne ziel; zoo spreekt de Heer, de God Zebaöth: Mij verdriet de hoovaardij van Jakob, en ik ben op hunne paleizen vertoornd; en ik zal de stad overgeven met alwat er in is. 9 En of er al tien mannen in een huis overbleven, zullen zij toch sterven; 10 zoodat de naaste bloedverwant elk van hen zal opnemen om hem te verbranden , of die de beenderen uit het huis draagt, en zal zeggen tot dengeen die in de vertrekken van het huis is: Zijn er ook nog meer van hen over? En deze zal antwoorden: Zij zijn altemaal weg. En hij zal zeggen: Wees. tevreden; want zij wilden niet dat men den naam des Heeren gedenken zou. 11 Want zie, de Heer heeft geboden dat men de groote huizen zal slaan, dat zij reten krijgen, en de kleine huizen, dat zij splijten. 12 Wie kan met paarden rennen of met ossen ploegen' op de steenrotsen? Voorwaar gij verkeert het recht in gal, en de vrucht der gerechtigheid in alsem, 13 en troost u met nietige dingen, en zegt: Zijn wij |
52
AMOS 7.
1634
|
clan niet sterk genoeg met onze hoornen? 14 Daarom zie, ik zal tegen u, o Imis van Israël, een volk verwekken, spreekt de Heer, de God Zebaóth, dat zal ii beangstigen van de plaats af waar men naar Hamath gaat, tot aan de beek in de woestijn. HOOFDSTUK 7. 1 De Heere Heere toonde mij een gezicht, en zie, hij bracht sprinkhanen voort in het begin, toen het nagras opging; en zie, het nagras stond, nadat de koning zijne schapen had laten scheren. 2 Als zij nu het kruid op het veld geheel zouden hebben afgegeten, sprak ik : Ach Heere Heere, wees genadig: wie zal Jakob weder ophelpen? want hij is immers gering. 3 Toen berouwde het den Heer, en hij sprak: Welaan , het zal niet geschieden. 4 De Heere Heere toonde mij een gezicht, en zie, de Heere Heere riep het vuur, om daarmede te straften; dat zou de groote diepte verteren, en het verteerde reeds een gedeelte. 5 Toen sprak ik: Ach Heere Heere, houd op: wie zal Jakob weder ophelpen? want hij is immers gering. |
6 Toen berouwde den Heer dat ook, en de Heere Heere sprak: Het zal óók niet geschieden. 7 Toen toonde hij mij dit gezicht, en zie, de fleer stond op een muur, met een paslood gemeten, en hij had een paslood in zijne hand; 8 en de Heer sprak tot mij: Wat ziet gij Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen sprak de Heer tot mij: Zie, ik zal een paslood trekken midden door mijn volk Israël, en het niet meer voorbijzien; 9 maar de hoogten van Isaak zullen verwoest, en de heiligdommen van Israël vernield worden, eu ik zal mij met het zwaard opmaken tegen het huis van Je-robeam. 10 Toen zond Amazia, de priester van Beth-El, tot Jerobeam den koning van Israël, en liet aan hem zeggen: Amos verwekt opstand tegen u in het huis van Israël; het land kan zijne woorden niet dulden; 11 want dus spreekt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal uit zijn land gevankelijk weggevoerd worden. 12 En Amazia zeide tot Amos: Gij ziener, ga heen |
AMOS 8.
1635
|
en vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar; 13 en profeteer niet meer te Beth-El, want liet is liet heiligdom des konings en het huis des koninkrijks. 14 Toen antwoordde Amos en zeide tot Amazia: Ik ben geen profeet noch eens profeten zoon, maar ik ben een herder die wilde vijgen lees; 15 en de Heer nam mij van de kudde, en sprak tot mij: Ga heen en profeteer aan mijn volk Israël. 16 Zoo hoor nu het woord des Heeren. Gij zegt: Profeteer niet tegen Israël, en spreek niet tegen het huis van Isailk, 17 Daarom spreekt de Hoer aldus: Uwe vrouw zal in de stad tot eene hoer worden, en uwe zonen en dochters zullen door het zwaard vallen, en uw akker zal door het meetsnoer verdeeld worden; en gij zult op een onreincn grond sterven, en Israël zal uit zijn land verdreven worden. HOOFDSTUK 8. 1 De Heere Heere toonde mij een gezicht, en zie, er stond een korf met fruit. |
3 En hij sprak: Wat ziet gij Amos? En ik antwoordde: Een korf met fruit, ïoen sprak de Heer tot mij: Het einde ia gekomen voor mijn volk Israël, ik zal het niet meer voorbijzien. 8 En de liederen des tempels zullen te dien tijde in jammerklachten verkeerd worden, spreekt de Heere Heere: vele doode lichamen zullen er liggen aan alle plaatsen, die men heimelijk zal wegdragen. 4 Hoort dit, gij die de armen onderdrukt, en do ellendigen in het land verderft , 5 zeggende: Wanneer zal dan de nieuwemaan voorbij zijn, dat wij graan verkoo-pen, en de sabbat dat wij koren kunnen slijten, en de efa verkleinen, en den sikkel vergrooten, en de weegschaal vervalschen ? 6 dat wij de armen voor geld kunnen koopen, en de behoeftigen voor een schoeisel , en kaf voor koren ver-koopen? 7 De Heer heeft gezworen bij de heerlijkheid van Jakob : Voorwaar ik zal hunne werken in eeuwigheid niet vergeten. 8 Zou om dit alles niet het land moeten beven, en alwie daarin woont moeten treuren? Ja het zal geheel |
AMOS 9.
1636
|
als in een stroom verzwolgen worden, weggevoerd en overstroomd als door de rivier van Egypte. 9 In dien tijd, spreekt de Heere Heere, zal ik de zon op den middag doen ondergaan , en het land bij lichten dag doen duister worden; 10 ik zal uwe feesten in treurgezang en al uwe liederen in weeklacht veranderen, ik zal om alle lendenen den zak brengen en alle hoofden kaal maken, en zal hun een rouw beschikken gelijk men over een eenigen zoon heeft, en zij zullen een jammerlijk einde nemen. 11 Zie, de tijd komt, spreekt de Heere Heere, dat ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om het woord des Heeren te hooren; 13 dat zij heen en weder van de éene zee tot de andere , van het noorden naar het oosten zullen omloopen, en het woord des Heeren zoeken, en toch niet vinden. 13 In dien tijd zullen de schoone jongedochters en jongelingen versmachten van dorst; |
14 die nu zweren bij den vloek van Samarië, en zeggen : Zoo waarachtig uw God van Dan leeft, en zoo waarachtig deeeredienstvan Ber-Séba bestaat! want zij zullen zóó vallen dat zij niet weder kunnen opstaan. HOOFDSTUK 9. 1 Ik zag den Heer op den altaar staan, en hij sprak: Sla aan den knop, dat dè posten beven; want hunne gierigheid zal hun allen op het hoofd komen, en ik zal hunne nakomelingen met het zwaard dooden, dat er niemand ontvlieden noch ontkomen zal. 3 Al begroeven zij zich in het graf, zoo zal nochtans mijne hand hen vandaar halen; en al voeren zij ten hemel, zoo zal ik ze toch ternederstooten; 3 en al verborgen zij zich bovenop den berg Karmel, zoo zal ik hen nochtans aldaar zoeken en daar afhalen ; en al verscholen zij zich voor mijne oogen op den bodem der zee, zoo zal ik toch de slangen bevelen dat ze hen aldaar zullen bijten; 4 en al gingen zij gevankelijk voor hunne vijanden uit, zoo zal ik echter aan het zwaard bevelen dat het |
AMOS 9.
1637
|
hen aldaar dooden zal; want ik zal mijne oogen over hen houden tot ongeluk en niet ten goede. 5 Want de Heere Heere Zebaoth is het die de aarde aanroert en zij versmelt, en al hare ingezetenen treuren; dat zij geheel verzwolgen zijn als door water, en overstroomd worden als dooide rivier van Egypte. .6 Hij is het die zijne' opperzalen in den hemel bouwt, en zijne gewelven op de aarde grondvest; hij roept het water der zee, en giet het op het aardrijk: zijn naam is Heer. 7 Zijt gij, kinderen van Israël, mij niet als de Moo-ren? spreekt de Heer; heb ik niet Israël uit Egypteland gevoerd, en de Filistijnen uit Kaftor, en de Syriërs uit Kir? 8 Zie, de oogen des Hee-ren Heeren zien op dit zondig koninkrijk, opdat ik het van den aardbodem geheel verdelge; hoewel ik het huis van Jakob niet geheel verdelgen zal, spreekt de Heer. 9 Want zie, ik zal bevelen en het huis Israëls doen ziften onder alle volken, gelijk men zift met eene zeef; en geen korrel zal op de aarde vallen. |
10 Alle zondaars onder mijn volk zullen door het zwaard sterven, die zeggen: Het ongeluk zal niet zoo nabij zijn noch ons ontmoeten. 11 In dien tijd zal ik de vervallen hut van David wederoprichten, en hare reten dichtmaken, en wat afgebroken is wederoprichten, en zal ze bouwen zooals zij eertijds geweest is: 13 opdat zij de overgeblevenen van Edom bezitten, en de overgeblevenen onder alle volken die naar mijnen naam genoemd zijn, spreekt de Heer die dit doen zal. 13 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat men tegelijk ploegen en oogsten, en tegelijk den wijn persen en zaaien zal, en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en alle heuvelen zullen vruchtbaar zijn; 14 want ik zal de gevangenschap van mijn volk Israël wenden, dat zij de woeste steden zullen bouwen en bewonen, wijngaarden planten en wijn daarvan drinken, hoven aanleggen en vruchten daaruit eten; 15 want ik zal ze in hun land planten, dat zij niet meer uitgeroeid zullen worden uit hun land hetwelk ik hun geven zal, spreekt de Heer uw God. |
OBADJA.
DE PEÖFEET
OBADJA.
1688
|
1 Dit is het gezicht van Olmlja. — Dus spreekt de Heere Heere aangaande Edom: Wij hebben van den Heer de mare gehoord, hoe een gezant is rondgezonden onder de volken: Staat op, en laat óns tegen hen strijden. 3 Zie, ik heb u gering gemaakt onder de volken, en zeer veracht; 3 de hoogmoed uws harten heeft u bedrogen. Dewijl gij in de kloven der steenrotsen woont, in uwe hooge kasteelen, spreekt gij in uw hart: Wie wil mij ter aarde nederstoïten ? 4 Al voert gij dan ook in de hoogte als een arend, en maaktet uw nest tusschen de sterren, nochtans zal ik u vandaar nederstorten, spreekt de Heer. 5 Als er dieven of nacht-roovers tot n zullen komen, hoe zult gij dan tegronde-gericht worden! Ja zij zullen genoog stelen; en als er wijn lezei-s tot u zullen komen, zullen zij u geen na-leziriquot;- overlaten. |
6 Hoe zullen zij dan Esau nasporen, en zijne schatten zoeken! 7 Al uwe eigene bondge-nootcn zullen u het-land uitstooten; de lieden, op wie gij uwen troost steldet, zullen u bedriegen en overweldigen; die uw brood eten zullen ii verraden, eer gij het zult merken. 8 Zie toe, spreekt de Heer, of ik niet te dien tijde de wijzen uit Edom zal verdelgen , en het verstand op het gebergte van Esau; 1) en uwe helden o Teman zullen versaagd zijn, en allen op het gebergte van Esau zullen door moord uitgeroeid worden. 10 Om het geweld, uwen broeder Jakob aangedaan, zal schande u bedekken, en gij zult voor eeuwig uitgeroeid worden. 11 Ten tijde dat gij tegenover hem stondt, toen vreemden zijn heir gevankelijk wegvoerden, en idtlanders zijne poorten binnentrokken en over Jeruzalem het lot |
OBAD JA.
1639
|
wierpen, toen waart gij ook als een van hen. 13 Gij zult niet meer zoo uwen lust zien aan uwen broeder ten tijde zijner ellende , en zult u niet verheugen over de kinderen van Juda ten tijde van hunnen ondergang, cu zult met uwen mond niet zoo trotsch spreken ten tijde van hunnen angst. 13 Gij zult niet ter poort mijns volks intrekken ten tijde van hun jammer, gij zult uwen lust niet zien aan hun ongeluk ten tijde van hun jammer, gij zult niet tegen hun heir zenden ten tijde van hun jammer; 14 gij zult niet staan op de wegscheidingen om zijne ontkomenen te vermoorden, gij zult zijne ontvluchten niet verraden ten tijde van don angst. 15 Want de dngdesllee-ren is nabij over alle volken: gelijk gij gedaan hebt, zoo zal ii weder geschieden, cn gelijk gij verdiend hebt, zoo zal het op uw hoofd wederkomen. 16 Voorzeker, gelijk gijlieden op mijnen heiligen berg gedronken hebt, zoo zullen al die volken dagelijks drinken, ja zij zullen drinken en zwelgen, totdat zij zijn alsof zij nooit geweest waren. |
17 Maar op den berg Sion zullen nog eenigen gered worden, en hij zal ten heiligdom wezen, en het huis van Jakob zal zijn erfgoed weder bezitten. IS En het huis van Jakob zal een vuur worden, en het huis van Jozef eene vlam; maar het huis van Esau zal stroo wezen, dat zij aansteken en verteren zullen, zoodat van Esau's huis niets zal overblijven; want de Heer heeft hot gesproken. 19 En die van het zuiden zullen het gebergte van Esau bezitten , en die in de laagte de Eilistijnen, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samarië bezitten, en Benjamin het gebergte Gilead; 20 en de verdrevenen van dit heir der kinderen Israels, die onder de Kanaanieten zijn tot Zarfath toe; en de verdrevenen der slad Jeruzalem, die te Sefarad zijn, zullen de steden tegen het zuiden bezitten. 31 Eu er zullen verlossers opstaan op den berg Sion, om het gebergte van Esau te richten; en het koninkrijk zal des Heeren zijn. |
JONA 1.
DE PEOFEET
JONA.
1640
|
HOOFDSTUK 1. 1 Het woord des Heeren geschiedde tot Jona denzoon van Amittai, zeggende: 3 Maak u cp en ga naar de groote stad Ninevé, en predik tegen haar; want nare boosheid is opgeklommen voor mij. 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten voor den Heer naar Tarsis; en hij ging af naar Jafo, en als hij een schip vond dat naar Tarsis ging, betaalde hij de vracht en trad daarin, om met hen naar Tarsis te varen, van voor het aangezicht des Heeren. 4 Toen deed de Heer een hevigen wind opsteken op de zee, en een groot onwe-der verhief zich op de zee, zoodat men meende dat het schip zou aan stukken slaan. 5 En de scheepslieden waren bevreesd, en riepen elk tot zijnen god; en zij wierpen de koopwaren die in het schip waren in de zee, opdat het lichter wierd; maar Jona was beneden in het schip afgeklommen, en lag en sliep. |
6 Toen trad de schipper tot hem en sprak tot hem: Hoe, slaapt gij? Sta op, roep uwen God aan, of misschien die God aan ons wil gedenken, dat wij niet vergaan. 7 En de één sprak tot den ander: Komt, wij zullen liet lot werpen, opdat wij gewaarworden om wiens wil het ons zoo kwalijk gaat. En toen zij het lot wierpen, viel het op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hem : Zeg ons, zijt gij het om wiens wil het ons zoo kwalijk gaat? Wat is uwe hanteering en vanwaar komt gij? Welk is uw land en van wat volk zijt gij? 9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebrecr, en vrees den Heer, den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft. 10 Toen vreesden die He- |
JON A 3.
1641
|
■■ den zeer, en zeiden tot hem: quot;Waarom hebt gij dit dan gedaan ? Want zij wisten nu ■ dat hij voor den Heer vl uolit-; te, vermits hij het hun gezegd had. 11 Toen zeiden zij tot hein: Wat zullen wij met u doen, dat de zee voor ons stil maar worde? Want de zee werd ; het hoe langer hoe onstuimiger. i lag 12 Hij sprak tot hen: Neemt mij en werpt mij pper in de zee, zoo zal de zee iem: voor u stil worden; want op, ik weet dat om mijnentwil , of dit groote onweder u over-ons komt. niet 13 En de lieden roeiden om weder aan het land te den komen, maar zij konden Hen niet, want de zee werd hun wij hoe langer hoe onstuimiger, wil 14 Toen riepen zij tot En den Heer en spraken: Ach piel Heer, laat ons niet vergaan om het leven dezes mans, m: en reken ons geen onschul-om dig bloed toe; want gij Heer va- doet zooals het u behaagt, m- 15 En zij namen Jona en gt;ij? wierpen hem in de zee; toen ari werd de zee stil van hare verbolgenheid, ii: 16 En die lieden vreesden en den Heer zeer, en deden xl I den Heer ofleranden en ge-;n loften. 17 De Heer nu beschikte e- een grooteu visch, die Jona |
inzwolg; en Jona was in den buik van den visch drie dagen en drie nachten. HOOFDSTUK 2. 1 En Jona bad in den buik van den visch tot den Heer zijnen God, 2 en sprak: Ik riep in mijnen angst tot den Heer, en hij antwoordde mij; ik kermde uit het bimienste des grafs, en gij hoordet mijne stem; 3 want gij wierpt mij in de diepte, midden in de zee, dat de vloeden mij omgaven, al uwe baren en golven gingen over mij, 4 zoodat ik dacht dat ik van voor uwe oogen was verstooten, en dat ik uwen heiligen tempel niet meer zou zien. 5 De wateren omgaven mij tot aan miin leven, de diepte omringde mij; het zeewier bedekte mijn hoofd. 6 Ik zonk nederwaarts tot aan de grondvesten der bergen , do aarde had hare grendels voor eeuwig achter mij [toegesloten]-, maar gij hebt mijn leven uit het verderf gered. Heer mijn God. 7 Toen mijne ziel in mij versaagde, dacht ik aan den Heer, en mijn gebed kwam |
|
1642 .T O N tot u in uwen heiligen tempel. 8 Wie de nietige ij delheden aankleven, verlaten hunnen weldoener; 9 maar ik zal u offeren met dankzegging, ik zal mijne geloften betalen. Het heil is des Heeren. 10 En de lieer sprak tot den visoh, en hij spuwde Jona uit op het land. HOOFDSTUK 3. 1 En het woord des Heeren geschiedde ten tweeden male tot Jona, zeggende: 3 Maak u op, ga in de groote stad Ninevc, en predik tegen haar de prediking die ik n gebied. 3 Toen maakte Jona zich op en ging heen naar Ni-nevé, gelijk de Heer gezegd had. iSTineve nu was eene groote stad Gods, drie dagreizen in den omtrek. 4 En als Jona begon dooide stad te gaan, éénedagreis , predikte hij en sprak: Nog veertig dagen, dan zal Nineve vergaan. 5 Toen geloofden de lieden te Nineve aan God, en zij lieten een vasten uitroepen, en trokken zakken aan, beide groot en klein. 6 En toen dat den koning van Nineve ter oore kwam, stond hij op van zijnen troon, 3, 4. |
en leide zijn purper af, en bedekte zich met een zak, en zette zich neder in de aseh; 7 en men liet uitroepen en zeggen te Nineve op bevel van den koning en zijne machtigen, aldus: Noch menschen noch vee, noch ossen noch schapen, zullen iets nuttigen, men zal ze niet laten weiden noch water drinken; 8 en beide menschen en vee zullen met zakken bedekt zijn, en sterk tot God roepen; en ieder bekeere zich van zijn kwaad gedrag en van het geweld zijner handen: 9 wie weet. God mocht zich keeren en berouw hebben, en zich wenden van zijnen grimmigen toorn, zoodat wij niet omkomen! 10 En toen God hunne werken zag, dat zij zich bekeerden van hun kwaad gedrag, berouwde hem het kwaad dat hij gesproken had hun te zullen doen, en hij deed het niet. HOOFDSTUK 4. 1 Dit verdroot Jona zeer, en hij word toornig, 3 en riep tot den Heer en sprak: Ach Heer, was dit niet hetgeen ik gezegd heb toen ik nog in mijn land |
JO NA -1.
1643
|
was? Daarom wilde ik liet voorkomen, vlufihtende naar ïarsis; want ik weet dat gij genadig, barmhartig, lankmoedig en van groote goedertierenheid zijt, en u liet kwaad laat berouwen. 3 Neem dan toeli nu, Heer, mijne ziel van mij, want ik wil liever dood zijn dan leven. 4 Maar do Heer sprak: Meent gij dat gij billijk toornig zijt? 5 En Jona ging de stad uit en zette zich tegen liet oosten der stad, en maakte zich aldaar eenehut, onder welke hij zich in de schaduw nederzette, totdat hij zag wat de stad wedervaren zou. 0 En God de Heer beschikte eene kauwoerde, die schoot op over Joua. dat zy schaduw gaf over zijn hoofd, en hem bevrijdde van zijn verdriet; en Jona verblijdde zich zeer over de kauwoerde. |
7 Maar de Heer beschikte des morgens, als de dageraad aanbrak, een worm, die stak de kauwoerde dat zij verdorde; 8 en toen de zon opgegaan was, beschikte God een drogen oostenwind; en de zon stak Jona op het hoofd, dat hij mat werd; toen wenschte hij zijne ziel den dood, en sprak: Ik wil liever dood zijn dan leven. 9 Toen zeide God tot Jona: Meent gij dat gij billijk toornig zijt wegens de kauwoerde? En hij sprak billijk ben ik toornig tot den dood toe. 10 En de Heer sprak: U jammerde de kauwoerde, aan welke gij niet gearbeid hebt en gij hebt ze ook niet doen opgroeien, die in één nacht opschoot en in één nacht verdorde; 11 en mij zou Ninevé niet jammeren, die groote stad, waarin meer dan honderd-twintigduizem l meuschen zijn die geen onderscheid weten tusschen hetgeen rechts of links is, daarenboven ook veel vee? |
10
MICHA 1.
DE PROFEET
MICHA.
1644
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is het woord des Heeren, dat tot Micliavan Morésetli geschiedde, ten tijde van Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda; hetwelk hij gesproken heeft aangaande Samarië en Jeruzalem. — 2 Hoort alle volken; merk op, o aarde en al wat erin is; want God de Heer heeft met ii te spreken, ja de Heer uit zijnen heiligen tempel. 3 Want zie, de Heer zal uitgaan uit zijne plaats, en nederdalen en treden op de hoogten der aarde; 4 dat de bergen onder hem zullen smelten en de dalen scheuren, gelijk was voor het vuur versmelt, gelijk de wateren die nederwaarts vloeien; 5 dit alles om de overtreding van Jakob en om de zonden van het huis Israels. Welke is Jakobs overtreding? Is het niet Samarië? Welke zijn de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem ? |
6 Daarom zal ik Samarië maken tot een steenhoop in het veld, dien men om de wijngaarden legt; ik zal hare steenen in de dalen ne-derrukken, en zal hare grondslagen ontblooten. 7 Al hare afgoden zullen verbroken, en al haar hoe-renloon zal met vuur verbrand worden; en ik zal al haar beeldwerk verwoesten; want het is uit hoe-renloon vergaderd, en zal ook weder tot hoerenloon worden. 8 Daarom moet ik klagen en jammeren, ik moet beroofd en naakt gaan, ik moet klagen gelijk de draken en treuren gelijk de struisvogels; 9 want er is geen raad voor hare plaag, nademaal zij ook in Juda komen, en tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem, reiken zal. |
MICHA 2.
1645
|
10 Verkondigt het niette Gath, men hoore u niet weenen; maar gaat in de treurkamer en zit in het stof. 11 Gij schoone stad, gij moet weg met alle schande; de inwoonster van Zaanan zal niet uittrekken; Beth-Haë-zel is in ellende, zij neemt haar verblijf van u weg; 12 de bedroefde stad is niet machtig zichzelve te troosten, want het ongeluk komt van den Heer tot aan de poorten van Jeruzalem. 13 Gij stad Lachis, span de snelle dieren aan en rijd weg; want gij zijt het begin der zonde van Sions dochter, en ia u zijn de overtredingen van Israël gevonden. 14 Daarom zult gij, zoowel als Gath, gevangenen moeten geven; het zal der stad Achzib met de koningen van Israël mislukken. 15 Gij inwoonster van Ma-resa, ik wil u tot den rechten erfgenaam brengen, en de heerlijkheid van Israël zal komen tot Adullam toe. 16 Laat de haren afscheren en ga kaal om uwe geliefde kinderen, maak u geheel kaal gelijk een arend; want zij zijn gevankelijk van u weggevoerd. |
HOOFDSTUK 2. 1 Wee hun die schade trachten te doen en snoodheid beramen op hunne legersteden , opdat zij het vroeg als het dag wordt volbrengen, dewijl zij de macht hebben. 2 Zij brengen akkers aan zich, en nemen de huizen weg die zij begeeren: alzoo bedrijven zij geweld aan ieders huis en aan ieders erf. 8 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik denk kwaad over dit geslacht, waaruit gij uwen hals niet zult trekken , noch stoutmoediggaan; want het zal een booze tijd zijn. 4 ïe dien dage zal men een spreekwoord van u maken , en een klaagzang zingen, en zeggen: Het is uit met ons, wij zijn vernield; het land mijns volks krijgt een vreemden heer! wanneer zal hij ons de akkers weer toedeelen, die hij ons ontnomen heeft? 5 Voorwaar, gij zult geen deel behouden in de gemeente des Heeren. 6 Zij zeggen: Profeteert niet; want dat profeteeren raakt ons niet; wij zullen niet zoo te schande worden. 7 Het huis van Jakob troost zich aldus: Meent |
MIG HA 3.
1646
|
gij daf de Geest des Heeren verkort is? Zou liij dat willen doen? Maar zijn dan mijne woorden niet vriendelijk voor den vrome? 8 Maar mijn volk keeft zich aangesteld als een vijand ; want zij roeven beide rok en mantel van lien die gerust beengaan, als keerden zij uit den strijd terug. 9 Gij hebt de vrouwen mijns volks verdreven uit de huizen harer verlustiging , en neemt gestadig mijn sieraad van hare jonge kinderen. 10 Daarom maakt u op, gij moet weg, gij zult hier niet blijven; wegens hunne onreinheid zullen zij verdorven worden met een groot verderf. 11 Indien ik een dwaalgeest was en een leugenprediker, en predikte boe zij drinken en zwelgen moesten, dan was ik een prediker voor dit volk. 13 Voorzeker zal ik u o Jakob geheel verzamelen, en de overgeblevenen van Israël bijeenbrengen; ik zal ze, gelijk de schapen, niet elkander in een vasten stal doen; en gelijk eene kudde in hare kooien, dat het van menschen wemelen zal. |
13 Er zal een doorbreker voor hen optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort uit- en intrekken, en hun koning zal voor hen uitgaan, en de Heer aan hunne spits. HOOFDSTUK 3. 1 En ik sprak: Hoort toch, gij hoofden van Jakobs huis en gij vorsten van het huis Israels: zijt gij het niet die bet recht behoordet te weten ? 2 Maar gij haat het goede en hebt het kwade lief; gij scheurt bun de huid af, en het vleeseb van hunne beenderen , 3 en eet bet vleeseb mijns volks; en als gij hun de huid afgestroopt hebt, zoo breekt gij hun ook de beenderen , en gij snijdt het vanéén als in een pot en als vleeseb in een ketel. 4 Daarom als gij nu tot den Heer roepen zult, zoo zal hij u niet verhooren, maar zal zijn aangezicht voor u verbergen in dien tijd, gelijk gij met uw kwaad gedrag verdiend helit. 5 Dus spreekt de Heer aangaande de profeten die mijn volk verleiden: Als men hun wat te eten geeft, dan roepen zij vrede! maar als men hun niets in den mond geeft, dan roepen zij: Er zal oorlog opkomen. |
MICHA 4.
1647
|
6 Daarom zal uw gezicht tot nacht, en uwe waarzeggende voorspelling tot duisternis worden; de zon zal over deze profeten ondergaan, en de dag over hen duister worden; 7 en de zieners zullen te schande en de waarzeggers tot eene bespotting worden, en zij zullen allen hunnen mond bewinden, want er zal geen antwoord van God zijn. 8 Maar ik, ik ben vol kracht, vol Geest des Hee-ren, vol recht en sterkte, om Jakob zijne overtreding en Israël zijne zonde be-kendtemaken. 9 Hoort dan dit, gij hoofden van het huis Jakobs en gij vorsten van het huis Israels, gij die het recht versmaadt en alwat recht is verkeert, 10 gij die Sion bouwt op bloed en Jeruzalem op onrecht. 11 Hare hoofden richten om geschenken, hare priesters leeren om loon, en hare profeten zeggen waar om geld: en nochtans verlaten zij zich op den Heer, zeggende: Is de Heer niet onder ons? Geen ongeluk kan ons overkomen. |
13 Daarom zal Sion om uwentwil als een veld geploegd, en Jeruzalem tot een steenhoop, en de berg des tempels tot eene woeste hoogte worden. I HOOFDSTUK 4. 1 Maar in de laatste dagen zal de berg, op welken het huis des Heeren is, vast staan, hooger dan alle bergen, en boven de heuvelen verheven zijn, en de volken zullen derwaarts stroomen; 3 en vele natiën zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren en tot het huis van Jakobs God, opdat hij ons zijne wegen leere en wij op zijne paden wandelen; want van Sion zal de wet uitgaan, en het woord des Heeren van Jeruzalem. 3 En hij zal richten ender groote volken, en vele natiën bestraii'en in verre landen; dan zullen zij hunne zwaarden tot ploegijzers en hunne spiesen tot sikkels maken; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheffen, en zij zullen voortaan niet meer leeren oorlogen; 4 een ieder zal onder zijn wijnstok en vijgeboom wonen zonder schroom, want de mond des Heeren Ze- |
J ON A 3, 4.
1643
|
tot u in uwen heiligen tempel. 8 Wie de nietige ijdelhe-den aankleven, verlaten linn-nen weldoener; 9 maar ik zal u offeren met dankzegging, ik zal mijne geloften betalen. Het heil is des Heeren. 10 En de lieer sprak tot den visoh, en hij spuwde Jona uit op het land. HOOFDSTUK 3. 1 En het woord des Heeren geschiedde ten tweeden male tot Jona, zeggende: 3 Maak u op, ga in de groots stad Nineve, en predik tegen haar de prediking die ik u gebied. 3 Toen maakte Jona zioh op en ging heen naar Nineve, gelijk de Heer gezegd had. Ninevé nu was eene groote stad Gods, drie dagreizen in den omtrek. 4 En als Jona begon dooide stad te gaan, ééne dagreis , predikte hij en sprak: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé vergaan. 5 Toen geloofden de lieden te Ninevé aan God, en zij lieten een vasten uitroepen, en trokken zakken aan, beide groot en klein. |
6 En toen dat den koning van Ninevé ter oore kwam, stond hij op van zijnen troon, en leide zijn purper af, en bedekte zich met een zak, en zette zich neder in de asch; 7 en men liet uitroepen en zeggen te Ninevé op bevel van den koning en zijne machtigen, aldus; Noch menschen noch vee, noch ossen noch schapen, zullen iets nuttigen, men zal ze niet laten weiden noch water drinken; 8 en beide menschen en vee zullen met zakken bedekt zijn, en sterk tot God roepen; en ieder bekeere zich van zijn kwaad gedragen van het geweld zijner handen: 9 wie weet. God mocht zich keeren en berouw hebben , en zich wenden van zijnen grimmigen toorn, zoodat wij niet omkomen! 10 En toen God hunne werken zag, dat zij zich bekeerden van hun kwaad gedrag, berouwde hem het kwaad dat hij gesproken had hun te zullen doen, en hij deed het niet. HOOFDSTUK 4. 1 Dit verdroot Jona zeer, en hij werd toornig, 3 en riep tot den Heer en sprak: Ach Heer, was dit niet hetgeen ik gezegd heb toen ik nog in mijn land |
JONA 4gt;.
1643
|
was? Daarom wilde ik het voorkomen, vluchtende naar Tarsis; want ik weet dat gij genadig, barmhartig, lankmoedig en van groote goedertierenheid zijt, en u het kwaad laat berouwen. 3 Neem dan toch nu, Heer, mijne ziel viin mij, want ik wil liever dood zijn dan leven. 4 Maar do Heer sprak: Meent gij dat gij billijk toornig zijt? 3 En Jona ging de stad uit en zette zich tegen het oosten der stad, en maakte zich aldaar eenehut, onder welke hij zich in de schaduw nederzette, totdat hij zag wat de stad wedervaren zou. 6 En God de Heer beschikte eene kauwoerde, die schoot op over Jona, dat zij schaduw gaf over zijn hoofd, en hem bevrijdde van zijn verdriet; en Jona verblijdde zich zeer over de kauwoerde. |
7 Maar de Heer beschikte des morgens, als de dageraad aanbrak, een worm, die stak de kauwoerde dat zij verdorde; 8 en toen de zon opgegaan was, beschikte God een drogen oostenwind; en de zon stak Jona op het hoofd, dat hij mat werd; toen wenschte hij zijne ziel den dood, en sprak: Ik wil liever dood zijn dan leven. 9 Toen zeide God tot Jona; Meent gij dat gij billijk toornig zijt wegens de kauwoerde ? En hij sprak: Billijk ben ik toornig tot den dood toe. lü En de Heer sprak: U jammerde de kauwoerde, aan welke gij niet gearbeid hebt en gij hebt ze ook niet doen opgroeien, die in één nacht opschoot en in één nacht verdorde: 11 en mij zou Ninevé niet jammeren, die groote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend menschen zijn die geen onderscheid weten tusschen hetgeen rechts of links is, daarenboven ook veel vee? |
MIOHA 1.
DE PEOFEET
MICH A.
1644
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is het woord des Heeren, dat tot Michavan Moréseth geschiedde, ten tijde van Jotham, Achaz, Ilizkia, koningen van Juda; hetwelk hij gesproken heeft aangaande Samarië en Jeruzalem. — 3 Hoort alle volken; merk op, o aarde en alwat erin is; want God de Heer heeft met u te spreken, ja de Heer uit zijnen heiligen tempel. 3 Want zie, de Heer zal uitgaan uit zijne plaats, en nederdalen en treden op de hoogten der aarde; 4 dat de bergen onder hem zullen smelten en de dalen scheuren, gelijk was voor het vuur versmelt, gelijk de wateren die nederwaarts vloeien: 5 dit alles om de overtreding van Jakob en om de zonden van het huis Israels. Welke is Jakobs overtreding? Is het niet Samarië? Welke zijn de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? |
6 Daarom zal ik Samarië maken tot een steenhoop in het veld, dien men om de wijngaarden legt; ik zal hare steenen in de dalen ne-derrukken, en zal hare grondslagen ontblooten. 7 AI hare afgoden zullen verbroken, en al haar hoe-renloon zal met vuur verbrand worden; en ik zal al haar beeldwerk verwoesten; want het is uit hoe-renloon vergaderd, en zal ook weder tot hoerenloon worden. 8 Daarom moet ik klagen en jammeren, ik moet beroofd en naakt gaan, ik moet klagen gelijk de draken en treuren gelijk de strais-vogels; 9 want er is geen raad voor hare plaag, nademaal zij ook in Juda komen, en tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem, reiken zal. |
MICHA 3.
1645
|
10 Verkondigt het niette Gath, men hoore u niet weenen; maar gaat in de treurkamer en zit in het stof. 11 Gij schoone stad, gij moet weg met alle schande; de inwoonster van Zaanan zal niet uittrekken; Beth-Hac-zel is in ellende, zij neemt haar verblijf van u weg; 13 de bedroefde stad is niet machtig zichzelve te troosten, want het ongeluk komt van den Heer tot aan de poorten van Jeruzalem. 13 Gij stad Lachis, span de snelle dieren aan en rijd weg; want gij zijt het begin der zonde van Sions dochter, en in u zijn de overtredingen van Israël gevonden. 14 Daarom zult gij, zoowel als Gath, gevangenen moeten geven; het zal der stad Achzib met de koningen van Israël mislukken. 15 Gij inwoonster van Ma-resa, ik wil u tot den rechten erfgenaam brengen, en de heerlijkheid van Israël zal komen tot Adullam toe. 16 Laat de haren afscheren en ga kaal om uwe geliefde kinderen, maak u geheel kaal gelijk een arend; want zij zijn gevankelijk van u weggevoerd. |
HOOFDSTUK 2. 1 Wee hun die schade trachten te doen en snoodheid beramen op hunne legersteden , opclat zij het vroeg als het dag wordt volbrengen, dewijl zij de macht hebben. 3 Zij brengen akkers aan zich, en nemen de huizen weg die zij begeeren: alzoo bedrijven zij geweld aan ieders huis en aan ieders erf. 3 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, ik denk kwaad over dit geslacht, waaruit gij uwen hals niet zult trekken , noch stoutmoedig gaan; want het zal een booze tijd zijn. 4 ïe dien dage zal men een spreekwoord van u maken , en een klaagzang zingen , en zeggen: Het is uit met ons, wij zijn vernield; het land mijns volks krijgt een vreemden heer! wanneer zal hij ons de akkers weer toedeelen, die hij ons ontnomen heeft? 5 Voorwaar, gij zult geen deel behouden in de gemeente des Heeren. 6 Zij zeggen: Profeteert niet; want dat profeteeren raakt ons niet; wij zullen niet zoo te schande worden. 7 Het huis van Jakob troost zich aldus: Meent |
MIGHA 3.
1646
|
gij (Lat de Geest des Heeren verkort is? Zou hij dat willen doen? Maar zijn dan mijne woorden niet vriendelijk voor den vrome? 8 Maar mijn volk lieeft zicli aangesteld als een vijand ; want zij rooven beide rok en mantel van hen die gerust heengaan, als keerden zij viit den strijd terug. 9 Gij hebt de vrouwen mijns volks verdreven uit de huizen harer verlustiging, en neemt gestadig mijn sieraad van hare jonge kinderen. 10 Daarom maakt u op, gij moet weg, gij zult hier niet blijven; wegens hunne onreinheid zullen zij verdorven worden met een groot verderf. 11 Indien ik een dwaalgeest was en een leugenprediker, en predikte hoe zij drinken en zwelgen moesten, dan was ik een prediker voor dit volk. 13 Voorzeker zal ik u o Jakob geheel verzamelen, en de overgeblevenen van Israël bijeenbrengen; ik zal ze, gelijk de schapen, met elkander in een vasten stal doen; en gelijk eene kudde in hare kooien, dat het van menschen wemelen zal. |
13 Er zal een doorbreker voor hen optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort uit- en intrekken, en hun koning zal voor hen uitgaan, en de Heer aan hunne spits. HOOFDSTUK 3. 1 En ik sprak: Hoort toch, gij hoofden van Jakobs huis en gij voreten van het huis Israels: zijt gij het niet die het recht behoordet te weten ? 3 Maar gij haat het goede en hebt het kwade lief; gij scheurt hun de huid af, en het vleesch van hunne beenderen , 3 en eet het vleesch mijns volks; en als gij hun de huid afgestroopt hebt, zoo breekt gij hun ook de beenderen , en gij snijdt het vanéén als in een pot en als vleesch in eeu ketel. 4 Daarom als gij nu tot den lieer roepen zult, zoo zal hij u niet verhooren, maar zal zijn aangezicht voor u verbergen in dien tijd, gelijk gij met uw kwaad gedrag verdiend hebt. 5 Dus spreekt de Heer aangaande de profeten die mijn volk verleiden: Als men hun wat te eten geeft, dan roepen zij vrede! maar als men hun niets in den mond geeft, dan roepen z^j: Er zal oorlog opkomen. |
MICHA 4.
1647
|
6 Daarom zal uw gezicht tot naolit, en uwe waarzeggende voorspelling tot duisternis worden; de zon zal over deze profeten ondergaan, en de dag over ben duister worden; 7 en de zieners zullen te schande en de waarzeggers tot eene bespotting worden, en zij zullen allen hunnen mond bewinden, want er zal geen antwoord van God zijn. 8 Maar ik, ik ben vol kracht, vol Geest des llee-ren, vol recht en sterkte, om Jakob zijne overtreding en Israël zijne zonde be-kendtemaken. 9 Hoort dan dit, gij hoofden van het huis Jakobs en gij vorsten van het huis Israels, gij die het reeht versmaadt en alwat recht is verkeert, 10 gij die Sion bouwt op bloed en Jeruzalem op onrecht. 11 Hare hoofden richten om geschenken, hare priesters leeren om loon, en hare profeten zeggen waar om geld: en nochtans verlaten zij zich op den Heer, zeggende: Is de Heer niet onder ons? Geen ongeluk kan ons overkomen. |
13 Daarom zal Sion om uwentwil als een veld geploegd, en Jeruzalem tot een steenhoop, en de berg des tempels tot eene woeste hoogte worden. HOOFDSTUK 4. 1 Maar in de laatste dagen zal de berg, op welken het huis des Heeren is, vast staan, liooger dan alle bergen, en boven de heuvelen verheven zijn, en de volken zullen derwaarts stroomen; 3 en vele natiën zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren en tot het huis van Jakobs God, opdat hij ons zijne wegen leere en wij op zijne paden wandelen; want van Sion zal de wet uitgaan, en het woord des Heeren van Jeruzalem. 3 En hij zal richten ender groote volken, en vele natiën bestraffen in verre landen; dan zullen zij hunne zwaarden tot ploegijzers en hunne spiesen tot sikkels maken; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheffen, eu zij zullen voortaan niet meer leeren oorlogen; 4 een ieder zal onder zijn wijnstok en vijgeboom wonen zonder schroom, want de mond des Heeren Ze- |
MIOHA 5.
1648
|
baóth heeft het gesproken. 5 Want ieder volk wan-dele in den naam zijns gods, wij zullen wandelen in den naam van den Heer onzen God, altoos en eeuwiglijk. 6 In dien tijd, spreekt de Heer, zal ik het kreupele vergaderen, en het verstoo-tene bijeenbrengen, allen die ik voorheen geplaagd heb; 7 en ik zal het kreupele maken tot een overblijfsel, en het verstootene tot een groot volk; en de Heer zal koning over hen zijn op den berg Sion, van nu af tot in eeuwigheid. 8 En gij toren Eder, sterkte van Sions dochter, uw luister zal komen, ja tot u zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk van Je-ruzalems dochter. 9 Waarom maakt gij zulk een geschreeuw? Is de koning niet bij u, en zijn uwe raadgevers allen weg, dat u de weeën overvallen als eene barende? 10 Lijd toch die weeën en kerm, gij dochter van Sion, als eene in barensnood ; want gij moet de stad verlaten en op het veld wonen, en heengaan tot Babel toe; maar gij zult echter vandaar weder verlost worden, aldaar zal de |
Heer u verlossen van uwe vijanden. 11 Want schoon vele volken tegen u samenrotten, en roepen: Zij is verbannen, wij zullen onzen lust aan Sion zien: 12 zoo weten zij toch de gedachten des Heeren niet en merken zijnen raadslag niet, dat hij ze heeft samengebracht als schoven op den dorschvloer. 13 Daarom maak u op en dorsch, gij dochter van Sion, want ik zal u ijzeren hoornen en koperen klauwen maken, en gij zult vele volken verpletteren; en hun gewin zult gij den Heere verbannen, en hunne have den Heerscher der geheele wereld. 14 Dan zult gij rooven en plunderen, gij plunderaarster, dat men ons belegere, en den rechter van Israël met de roede sla op de kinnebak. HOOFDSTUK 5. 1 En gij Bethlehem Efra-tha, al zijt gij klein onder de duizenden van Jvida, uit u zal mij voortkomen die in Israël Heer zal zijn, wiens uitgang van het begin en van eeuwigheid af geweest is. 3 Ondertusschen zal hij |
MIC HA 6.
1649
|
hen plagen tot den tijd toe dat zij, die baren zal, gebaard zal hebben; dan zullen de overgeblevenen zijner broeders wederkeeren tot de kinderen Israels. 3 En hij zal optreden en weiden in de kracht des Heeren, en in de overwinning des naams van den Heer zijnen God; en zij zullen zich vestigen, daar hij in dien tijd heerlijk zal worden zoo wijd als de wereld is. 4 Door hem zullen wij ook vrede hebben; en komt Assur in ons land, en vertreedt hij onze paleizen, dan zullen wij zeven herders en acht vorsten uit het volk tegen liem stellen, 5 die het land van Assur verderven zullen met het zwaard, en het land van Nimrod met hunne ont-bloote wapenen: alzoo zullen wij van Assur verlost worden, als hij in ons land zal komen en onzen grenspaal zal betreden. 6 De overgeblevenen van Jakob zullen ook onder vele volken zijn als een dauw van den Heer, en als de druppels op het gras, die op niemand wacht en geen menschen verbeidt; |
7 ja de overgeblevenen van Jakob onder de volken zullen in het midden van vele volken zijn gelijk een leeuw onder de dieren in het woud, gelijk een jonge leeuw onder eene kudde schapen, dien niemand weren kan, als hij aanvalt, vertreedt en verscheurt. 8 Want uwe hand zal de overwinning hebben tegen al uwe wederpartij ders; al uwe vijanden zullen uitgeroeid worden. 9 Te dien tijde, spreekt de Heer, zal ik uwe paarden van u wegdoen, en uwe wagens vernielen; 10 en ik zal de steden uws lands uitroeien, en al uwe sterkten verbreken; 11 en ik zal de toovenaars bij u uitroeien, dat er geen wichelaars bij u blijven zullen ; 13 ik zal uwe beelden en afgoden van u uitroeien, dat gij niet meer zult aanbidden het werk uwer handen; 13 en ik zal uwe gewijde bosschen wegdoen, en uwe steden vernielen; 14 en ik zal wraak oefenen met grimmigheid en toorn aan alle volken die geen gehoor willen geven. ' HOOFDSTUK 6. 1 Hoort nu wat de Heer zegt: Maak u op en twist |
MICHA 6.
1650
|
ten aanhoore der bergen, en laat de heuvelen uwe stem liooren. 3 Hoort, gij bergen, en gij sterke grondvesten dei-aarde , boe de Heer twisten wil; want de Heer wil met zijn volk twisten, en zal met Israël in het recht treden. 3 Wat heb ik u gedaan, mijn volk, en waarmede heb ik u beleedigd? Zeg mij dat. 4 Ik heb n immers uit Egypteland gevoerd en uit het diensthuis verlost, en Mozes, Ailron en Mirjam voor u uitgezonden. 5 Mijn volk, gedenk toch wat Balak de koning van Moab in den zin had, en wat Bileam de zoon van Beor hem antwoordde, van Sittim af tot Gilgal toe: daaraan moest gij immers bemerken dat de Heer u alles goeds gedaan heeft. G Waarmede zal ik den Heer ontmoeten, mij neder-bnigen voor den hoogen God ? Zal ik met brandoffers en éénjarige kalveren hem ontmoeten ? 7 Meent gij dat de Heer behagen heeft aan vele dni-zende rammen, of aan olie, al waren het zelfs ontelbare stroomen? Of zal ik mijnen eersten zoon voor mijne overtreding geven, of de vrucht mijns lichaams voor de zonde mijner ziel? |
8 Heti wat Heer van u eischt: namelijk Gods woord houden, en liefde oefenen, en ootmoedig zijn voor uwen God. —■ 9 De stem des Heeren zal door de stad roepen (wie uwen naam vreest, dien zal het gelukken); Hoort de roede, en wie dit beschikt heeft. 10 Is er nog onrechtvaardig goed in het huis des goddeloozen, en de gehate kleine efa? 11 Of zou ik de valsche weegschaal en de bedrieglijke weegsteenen in den buidel voor recht houden? 12 door welke hare rijke lieden veel onrecht doen, en hare inwoners met leugens omgaan; en zij hebben valsche tongen in hunnen mond. 13 Daarom zal ik ook beginnen u te plagen, en u om uwe zonden woest maken. 11 Gij zult niet genoeg te eten hebben en zult versmachten; en wat gij aangrijpt, zult gij toch niet ontvoeren; en water afkomt, zal ik toch aan het zwaard overleveren. |
MICH A 7.
1651
|
15 Gij zult zaaien maarniet maaien, gij zult olie persen maar u daarmede niet zalven, en gij zult most persen maar geen wijn drinken. 16 Want men volgt liet gedrag van Omri, en al de werken van Acliabs liuis, en wandelt naar hunnen raad: daarom zal ik u tot eene verwoesting maken, en liare inwoners dat men ze zal beseliimpen; en gij zult de versmaadheid mijns volks dragen. HOOFDSTUK 7. 1 Ach, het gaat mij als een die in den wijnberg naleest, waar men geen druiven vindt om te eten; en ik wilde nochtans gaarne van do beste vruchten hebben. 3 De vrome lieden zijn weg uit het land, en rechtvaardigen zijn er niet meer onder de lieden; allen loeren zij op bloed, ieder maakt jacht op den ander, om hem te verderven met het net. o Zij meenen dat zij wol daaraan doen als zij kwaaddoen; wat de vorst begeert, dat spreekt de rechter, opdat hij hem wederdienst zoude doen; de machtigen geven raad naar hunnen moedwil, om schade te doen, en draaien het zooals zij willen. |
4 De beste onder hen is als een doorn, en de braafste als eene doornhaag; maalais de dag uwer predikers zal komen, als gij bezocht zult worden, dan zullen zij niet weten waarheen. 5 Niemand geloove zijnen naaste, niemand verlate zich op een boezemvriend; bewaar de deur uws monds voor haar die in uwe armen slaapt. ö Want de zoon veracht den vader, de dochter stelt zich tegen de moeder, de schoondochter is tegen de schoonmoeder, en 's men-schen vijanden zijn zijne eigene huisgenooten. 7 Maar ik wil op den Heer zien, en op den God mijns heils wachten; mijn God zal mij hooren. 8 Verblijd u niet, mijne vijandin, omdat ik terneder-lig: ik zal weder opkomen; en of ik al in het duister zit, zoo is echter de Heer mijn licht. 9 Ik wil den toorn des Heeren dragen , want ik heb tegen hem gezondigd; totdat hij mijne zaak uitvoert en mij recht beschikt: hij zal mij aan het licht brengen , dat ik mijnen lust aan zijne genade zien zal. 10 Mijne vijandin zal het moeten zien, en geheel be- |
MICHA 7.
1652
|
schaamd staan, die nu tot mij zegt: Waar is de Heer uw God? Mijne oogen zullen het zien, dat zij als slijk op de straat vertreden wordt. 11 In dien tijd zullen uwe muren gebouwd worden, en Gods woord zal van verre komen. 13 En in dien tijd zullen zij van Assur en uit de vaste steden tot u komen, van de vaste steden af tot aan het water, van de eene zee tot de andere, van het céne dere. 13 Want dit land zal verwoest worden om zijner inwoners wil: dat zal de vrucht hunner werken zijn. 14 Gij echter, weid uw volk met uwen staf, de kudde uws erfdeels, die beide in het woud alleen en op het veld wonen; laat hen in Basan en Gilead weiden als van ouds af. 15 Ik zal hun wonderen laten zien, gelijk ten tijde toen zij uit Egypteland trokken; gebergte tot het an- |
16 dat de volken het zien, en al hunne machtigen zich schamen zullen; en dat zij de hand op hunnen mond leggen, en hunneooren toehouden ; 17 zij zullen stof likken als, de slangen, en gelijk het gewormte der aarde sidderen in hunne holen; zij zullen vreezen voor den Heer onzen God., en zich voor u ontzetten. 18 Waar is een God gelijk gij, die de zonden vergeeft en de misdaad kwijtscheldt den overgeblevenen zijns erfdeels, die zijnen toorn niet eeu wiglij k behoudt, maar barmhartig is? 19 Hij zal zich weder over ons ontfermen, onze misdaden uitdelgen, en al onze zonden in de diepten der zee werpen. 20 Gij zult Jakob uwe trouw en Abraham de genade houden, gelijk gij onzen vaderen vóór langen tijd gezworen hebt. |
I li
s
NAHUM 1.
1653
DE PEOEEEÏ
NAHUM.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is de last aangaande Ninevé. Het boek der profetie van ISl ahum van Elkos. 3 De Heer is een ijverig God en een wreker; ja een wreker is de Heer, en toornig ; de Heer is een wreker voor zijne tegenpartijders, en die [den toorn] jegens zijne vijanden behoudt. 3 De Heer is lankmoedig, doch van groote kracht, voor wien niemand onschuldig is. Hij is de Heer, wiens wegen in het onwe-der en den storm zijn, en de wolken zijn het stof zijner voeten; 4 die de zee dreigt en droog maakt, en alle rivieren doet uitdrogen; Basan en Karmel versmachten, en wat op den berg Libanon bloeit verwelkt. 5 De bergen sidderen voor hem, en de heuvelen ver-t smelten; het aardrijk beeft voor hem, en de wereld en allen die er in wonen. |
6 Wie kan voor zijnen toorn standhouden, en wie kan voor zijne gramschap blijven? Zijn toorn brandt als vuur, en de rotsen springen vanéén voor hem. 7 De Heer is goedertieren, en een toevlucht in den tijd van nood, en hij kent degenen die op hem vertrouwen. 8 Gelijk een vloed die alles overstroomt, zoo maakt hij aan zijne tegenstanders een einde, en zijne vijanden vervolgt hij met duisternis. 9 Wat overlegt gij tegen den Heer ? Hij zal het toch ten einde maken; het ongeluk zal niet tweemaal komen. 10 Want gelijk de doornen , die nog in elkander wassen en in het beste sap zijn, verbrand worden als geheel verdord stroo, 11 alzoo zal de snoode raadslag zijn die van u komt, en kwaad tegen den Heer beraamt. 12 Dus spreekt de Heer; |
NAHUM 2.
1654
|
Zij mogen zoo toegerust en maclitig komen als zij willen , zij zullen echter omge-houwen worden en daarheen varen: ik heb u verootmoedigd, maar ik zal u niet wederom verootmoedigen, 13 Alsdan zal ik zijn juk, hetwelk gij draagt, verbreken, en uwe banden verscheuren. li- Doch wegens u heeft de Heer geboden, dat van het zaad uws naams niemand meer zal overblijven: uit het huis uws gods zal ik u uitroeien, de afgoden en beelden zal ik u tot een graf maken; want gij zijt tenietgegaan. 15 Zie, op de bergen komen de voeten van een goeden bode, die vrede predikt: houd uwe feestdagen o Juda, en betaal uwe geloften; want de snoode zal niet meer over u komen, hij is geheel uitgeroeid. HOOFDSTUK 2. 1 De verstrooier zal tegen u optrekken, en de vesting belegeren; doch stel posten uit op de straten, rust vi wol toe, en versterk u op het krachtigst; 2 want de Heer zal de hoovaardij van Jakob vergelden als de hoovaardij van |
Israël, want de aflezers zullen ze aflezen en hunne edele wijnranken verderven. 3 De schilden zijner helden zijn rood, zijn legervolk ziet ais purper uit, zijne wagens lichten als vuur als hij slag wil leveren, hunne spiesen beven. 4 De wagens rollen langs de wegen, en rammelen op de straten; hunne gedaanten zijn als fakkels,- zij rijden door elkander heen als bliksemschichten. 5 Hij zal aan zijne gezaghebbers gedenken, echter zullen zij vallen, waar zij ook heen willen: zij zullen heensnellen naar den muur toe, en tot het beschutsel waaronder zij veilig zijn. G Maar evenwel worden de poorten der wateren geopend , en het paleis zal ondergaan. 7 De koningin zal gevankelijk weggevoerd worden; en hare dienstmaagden zulle n zuchten als duiven, en op hare borsten slaan. 8 En Ninevc is als een vijver vol water, maar het zal moeten wegvloeien. Staat,' staat! [zullen zij roepen], maar niemand zal zich om-keeren. 9 Eooft dan nu zilver, rooft goud; want hier zijn schatten zonder einde, me- |
NAHUM 3.
1655
|
nigte van allerlei kostelijke kleiiioodiün. 10 Maar nu moet zij schoon afgelezen en geplunderd worden , dat hun hart moet versagen , de knieën wankelen, alle lendenen sidderen, en aller aangezichten hunne kleur verliezen. 11 Waar is nu de woning der leeuwen, en de weide der jonge leeuwen, waaide leeuw en de leeuwin met de jonge leeuwen wandelden, en niemand ze durfde ontrusten ? 12 De leeuw roofde genoeg voor zijne jongen, en worgde voor zijne leeuwinnen; zijne holen vervulde hij met roof, en zijne woningen met hetgeen hij verscheurd had. 13 Zie, ik zal u aantasten, spreekt de Heer Ze-baöth, en uwe wagens in den rook aansteken, en het zwaard zal uwe jonge leeuwen verslinden; en ik zal aan uwe rooverijen een einde maken op de aarde, dat men de stem uwer boden niet meer hooren zal. HOOFDSTUK 3. 1 Wee der moorddadige stad, die vol leugens en roo-verij is, en van het roovgn niet wil aflaten! |
3 Daar zal men de zwee-pen hooren klappen en de raderen rammelen, de paarden trappelen en de wagens rollen. 3 Hij brengt ruiters op met glinsterende zwaarden en met bliksemende spiesen; er liggen vele verslagenen en een groote menigte van doode lichamen, zoodat zij zonder getal zijn en men over hunne lijken struikelt: '1 dat altemaal wegens de groote hoererijen van die bevallige hoer, die met too-verij omgaat, die met hare hoererij de volken en met hare tooverij landen en volken verworven heeft. 5 Zie, ik zal uaantasten, spreekt de Heer Zebaöth; ik zal uwe zoomen optillen tot boven uw aangezicht, en zal aan de volken uwe naaktheid en aan de koninkrijken uwe schande toonen; 6 ik zal u zeer afschuwelijk maken, cnuschenden, en u tot een verfoeisel stellen; 7 dat allen die u zien van u vluchten zullen, en zeggen: Ninevc is vernield, wie zal medelijden met haar hebben ? Waar zal ik troosters voor u zoeken? 8 Meent gij dat gij beter zijt dan No-Amon, dat aan de wateren lag en van water omringd was, welker muren en vesting de zee was? |
NAHUM 3.
1656
|
9 Moorenland en Egypte waren hare ontelbare macht, Put en Libye waren haar tot hulp: 10 nochtans heeft zij verdreven moeten worden, en gevankelijk wegtrekken, en hare kinderen zijn op alle straten verslagen geworden, en over hare aanzienlijken wierp men het lot, en al hare gezaghebbers werden in ketenen en boeien ge-legd- 11 Zoo moet gij óók dronken worden, en u verbergen, en eene toevlucht zoeken bij den vijand. 12 Al uwe vaste steden zijn als vijgeboomen met rijpe vijgen, zoodat, als men ze schudt, zij dengeen in den mond vallen, die ze eet. 13 Zie, uw volk zal tot vrouwen worden onder u, en de poorten van uw land zullen voor uwe vijanden geopend worden, en het vuur zal uwe grendels verteren. 14 Verzamel u water voor het beleg; versterk uwe vestingen, vorm de klei en treed het leem, en maak sterke tichels. |
15 Maar het vuur zal u verteren en het zwaard u dooden, het zal u afeten als de kevers, het zal u overvallen als de kevers, het zal u overvallen als de sprinkhanen. 16 Gij hebt meer gehuurde benden dan er sterren aan den hemel zijn; maar zij zullen zich uitbreiden als de kevers, en wegvliegen. 17 Uwe bevelhebbers zijn zoovelen als de sprinkhanen , en uwe hoofdlieden als de kevers, die zich aan de heiningen legeren in de koude dagen; maar als de zon opgaat, dan vliegen zij weg, zoodat men niet weet waar zij blijven. 18 Uwe herders zullen slapen, o koning van Assur, uwe vermogenden zullen zich nederleggen; en uw volk zal op de bergen verstrooid zijn, en niemand zal ze vergaderen. 19 Niemand zal over uwe schande treuren, noch zich om uwe plaag bekommeren; maar allen die de mare van u hooren, zullen over u in de handen klappen; want wien heeft uwe boosheid niet zonder ophouden aangerand? |
HABAKUK 1.
1657
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is de last die aau den profeet Habakuk geopenbaard is. — 2 Heer, hoelang moet ik kermen en gij wilt niet lioo-ren, hoelang moet ik tot u roepen over geweld, en gij wilt niet helpen? 3 Waarom doet gij mij moeite en kommer zien? Waarom toont gij mij roof en geweld rondom mij ? Geweld gaat boven recht! 4 Daarom verslapt de wet, en geen rechte zaak kan het winnen; want de goddeloo-ze benadeelt den rechtvaardige , daarom gaan er verkeerde vonnissen. 5 Ziet rond onder de volken, aanschouwt en verwondert ii; want ik zal iets doen in uwe tijden, hetwelk gij niet gelooven zult als men daarvan spreken zal. 6 Want zie, ik zal do Chaldeën verwekken, een stout en snel volk, dat zal trekken zoover als het land strekt, om woningen inte-nemen die hun niet toebe-hooren. arc! u ;en als over-iet zal )rink- liuur-n aan j z ui-Is de |
7 Het zal verschrikkelijk zijn en geducht, dat zij gebieden en dwingen zooals zij willen. S Hunne paarden zijn sneller dan de luipaarden, vuriger dan de avondwolven; hunne ruiters trekken in groote menigte van verre op alsof zij vlogen, gelijk arenden ijlen tot het aas. 9 Zij komen allen tezamen om schade te doen; waarheen zij willen, daar breken zij dóór als een oostenwind, en zullen gevangenen tezamen-rapen als zand. 10 Zij zullen koningen bespotten , en vorsten zullen zij belachen; alle vestingen zullen hun tot spotternij zijn, want zij zullen bolwerken maken en ze veroveren. 11 Dan zullen zij in overmoed toenemen, zullen voortvaren en zich schuldig maken; dan zal hunne macht hun ten god zijn. DE PROFEET HABAKUK. |
HABAKUK 2.
1658
|
13 Maar gij Heer mijn God, mijn Heilige, gij (lie van eeuwigheid af zijt, laat ons niet sterven! maar dat zij ons, o Heer, slechts tot eene straf zijn; en dat zij, o onze rots, ons slechts tuchtigen ! 13 Uwe oogen zijn rein, zoodat gij het kwaad niet moogt zien, en geen jammer kunt aanzien; waarom ziet gij dan de verachters aan, en zwijgt als de goddelooze dengeen verslindt die vromer is clan hij? 14 en gij laat de menschen gaan als de visschen in de zee, als het gewormte dat geen heerschar heeft? 15 Zij halen het altemaal met den angel op, en vangen het met hun net, en verzamelen het met hun garen: daarover verheugen zij zich en zijn vroolijk, 16 daarom otteren zij aan hun net en wierooken aan hun garen, dewijl daardoor hun deel zoo vet en hunne spijs zoo overvloedig geworden is. 17 Derhalve werpen zij hun net nog altoos uit, en willen niet ophouden menschen te dooden. HOOFDSTUK 2. |
1 Hier sta ik op mijne wacht en treed op mijne vesting, en sta op den uitkijk, om te zien wat mij gezegd zal worden, en wat ik antwoorden zal aan hem die mij bestraft. 2 En de Heer antwoordt mij en zegt: Schrijf het gezicht op, en graveer het op tafelen, opdat wie voorbijgaat het leze. 3 De profetie zal immers-nog een bestemden tijd vertoeven, maar zal eindelijk onverhinderd aan den dag komen en niet uitblijven: of zij al vertoeft, zoo verbeid haar, zij zal gewis komen en niet uitblijven. 4 Zie, -wie er geen acht op slaat, diens ziel is niet wèl gesteld; maar de rechtvaardige zal leven door zijn geloof. 5 Maar de wijn bedriegt den trotschen man, dat hij niet blijven kan; die zijne ziel wijd opendoet als het graf, en eveneens is als de dood die niet te verzadigen is, maar alle natiën tot zich sleept en alle volken tot zich verzamelt. 6 Maar zie toe, of niet die allen eene spreuk op hem zullen toepassen en een raadsel en spreekwoord, en zeggen zullen: quot;Wee dengeen die zijn goed vermeerdert met vreemd goed 1 — hoelang zal het duren? — hij |
HABAKUK 2.
1659
|
laadt slechts veel schulden op zich. 7 O hoe onverhoeds zullen opstaan die uwe schuld vorderen, en ontwaken die u beroeren; en gij zult hun tot een buit worden! 8 Want hebt gij vele volken beroofd, zoo zullen u weder berooven alle overgeblevenen van de volken, om het vergoten menschen-bloed, en om het geweld, gepleegd aan het land, aan de stad, en aan allen die daarin wonen. 9 Wee dengeen die winst ophoopt tot ongeluk van zijn huis, opdat hij zijn nest in de hoogte legge om het ongeluk te ontkomen. 10 Uw raadslag zal tot schande van uw huis uitvallen; want gij hebt vele volken verslagen, en hebt gezondigd tegen uzelven. 11 Want ook de steenen in den muur zullen roepen, en de balken aan de zoldering zullen antwoorden. 12 Wee dengeen die de stad bouwt op bloed, en de stad op onrecht grondvest. 13 Zie, is dit niet van den Heer Zebaoth [heslo-teriyï wat de volken gearbeid hebben, dat zal met vuur verbrand worden, en waarmede de natiën zich vermoeid hebben, dat zal verloren gaan. |
14 Want de aarde zal vol worden van de kennis der heerlijkheid des Heeren , gelijk het water den bodem tier zee bedekt. 15 Wee u die uwen naaste inschenkt, en uwe gramschap daaronder mengt, en hem dronken maakt, om zijne schande te aanschouwen. 10 Men zal u ook verzadigen met schande in plaats van eer; drink gij dan nu ook, dat gij ontbloot wordt; want de beker in de rechterhand des Heeren zal tot u rondgaan, en gij zult met schandelijk uitspuwsel uwe heerlijkheid bezoedelen. 17 Want het geweld, op den Libanon gepleegd, zal u overvallen, en de verstoorde dieren zullen u verschrikken, om het vergoten menschenbloed, en om het geweld bedreven in het land en in de stad en aan allen die daarin wonen. 18 Wat zal dan het gesneden beeld helpen — de kunstenaar immers heeft het gebeeldhouwd! en het gegoten beeld — het is immers een leugenleeraar! Kan de kunstenaar op zijn gewrocht vertrouwen, als hij de stomme afgoden maakt? |
HABAKUK 3.
1660
|
19 Wee dengeen die tot een hout zegt: Waak op! en tot den zwijgenden steen: Sta op! Zou die hem lee-ren? Zie, hij is met goud en zilver overtrokken, en geen adem is in hem. 30 Maar de Heer is in zijnen heiligen tempel: voor hem zwijge de gansche wereld. HOOFDSTUK 3. 1 Dit is het gebed van den profeet Habakuk voor de onschuldigen. — 2 Heer, ik heb de mare van u gehoord, ik ontzet mij. Heer, houd uw werk levend in het midden der jaren, en laat het bekend worden in het midden der jaren; als er droefenis is, zoo gedenk aan barmhartigheid. 3 God kwam van ïeman, en de Heilige van het gebergte Paran. Sela. De hemel was vol van zijnen lof, en de aarde van zijne eer. 4 Zijn glans was als licht, stralen gingen van zijne hand; aldaarwas zijne macht verborgen. 5 Vóór hem ging de pest; en de plaag ging uit, waar hij heentrad. |
6 Hij stond en mat het land, hij zag toe en verstrooide de volken, dat de eeuwige bergen vermorzeld werden, en de eeuwige heuvelen moesten wegzinken ; als in de oude dagen ging hij daarheen. ï Ik zag de hutten der Mooren door angst overstelpt , en de tenten der Midianieten sidderen. 8 Waart gij niet toornig, o Heer, tegen den vloed? Was uwe verbolgenheid niet tegen de wateren, en uw toorn tegen de zee, toen gij op uwe paarden reedt, en uwe wagens de overwinning behaalden? 9 Gij bracht den boog-tevoorschijn, gelijk gij gezworen hadt aan de stammen. Sela. En gij deeldet de stroomen in het land. 10 De bergen zagen u en werden beangst; de waterstroom voer daarheen, de diepte liet zich hooren, de hoogte hief de handen op. 11 Zon en maan stonden stil; uwe pijlen vlogen met stralen daarheen, en uwe speren met het schitteren van den bliksem. 12 Gij vertradt het land in toorn, en dorschtet de volken in verbolgenheid. 13 Gij trokt uit om uw volk te helpen, te helpen uwen gezalfde; gij versloegt het hoofd in het huis der god- |
ZEFANJA 1.
1661
|
deloozen, en ontbloottet de grondvesten tot aan den hals. Sela. 14 Gij versloegt met zijnen staf het hoofd zijner benden , die als een onweder kwamen om mij te verstrooien, en zich verheugden alsof zij den ellendige in het verborgen verslonden. 15 Gij betradt met uwe paarden de zee, het slijk van groote wateren. 16 Dewijl ik dat hoor, zoo ben ik in mijn binnenste ontroerd, mijne lippen beven op die stem, bederf komt in mijn gebeente , en ik ben ontroerd in mijne plaats; dat ik rusten mocht ten tijde der droefenis, als hij zal optrekken tot het volk dat ons bestrijdt. |
17 Want de vijgeboom bloeit niet, en geen gewas is er aan de wijnstokken; de arbeid aan den olijfboom baat niet, en de akkers brengen geen voedsel voort; de schapen worden uit de kooien weggerukt, en geen runderen zijn in de stallen. 18 Nochtans wil ik mij verheugen in den Heer, en vroolijk zijn in den God mijns heils. 19 Want de Heere Heere is mijne kracht, en hij zal mijne voeten maken als de voeten der hinden, en hij zal mij in de hoogte voeren, dat ik zingen zal op mijn snarenspel. |
DE PROFEET
ZEFANJA.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is het woord des Heeren hetwelk geschiedde tot Zefanja, den zoon van Kuschi, den zoon van Ge-dalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; ten tijde • van Josia den zoon van Amon, koning van Juda. |
3 Ik zal alles uit het land wegnemen, spreekt de Heer; 3 ik zal beide menschen en vee, de vogels des he» |
i
ZEFANJA 1.
1662
|
mels en de visschen in de zee, wegnemen, en de ergernissen met de goddeloo-zen;ja ik zal de menschen uitroeien uit liet land, spreekt de Heer. 4 Ik zal mijne hand uitstrekken over Juda en over allen die te Jeruzalem wonen, en ik zal liet overige van Baiil uitroeien, daarenboven den naam der afgodspriesters en der priesters uit deze plaats; 5 en hen die op de daken het lieir des hemels aanbidden, die het aanbidden, en nochtans zweren bij den Heer, en tevens bij Malkam; 6 en die van den Heer afvallen, en die naar den Heer niet vragen en hem niet achten. 7 Zijt stil voor den Heere Heere, want de dag des Heeren is nabij; want de Heer heeft een slachtoffer toebereid , en zijne gasten reeds genoodigd. 8 En op den dag van het slachtoffer des Heeren zal ik bezoeken de vorsten, en des konings zonen, en allen die zich kleeden in vreemd gewaad; 9 ook zal ik in dien tijd bezoeken allen die over den drempel springen, die het huis hunner heeren vervullen met roof en bedrog. |
10 In dien tijd, spreekt de Heer, zal zich een luid geschreeuw verhefien van de Vischpoort af, en een gekerm van de tweede poort, en een groot gejammer op de heuvelen. 11 Kermt, gij ingezetenen van Machtesch, want al het volk van koophandel is weg, en allen die 'geld vergaderen zijn uitgeroeid. 12 In dien tijd zal ik Jeruzalem met lampen doorzoeken, en zal de lieden bezoeken die op hunne heii'e liggen, en in hun hart zeggen: De Heer zal noch goed noch kwaad doen. 18 En hunne goederen zullen tot een roof worden, en hunne huizen tot eene verwoesting; zij zullen huizen bouwen en er niet in wonen, zij zullen wijngaarden planten en geen wijn daarvan drinken. 14 Want de groote dag des Heeren is nabij, hij is nabij en spoedt aan: als het geroep van den dag-des Heeren komen zal, alsdan zullen de helden bitter kermen. 15 Want deze dag is een dag van gramschap, een dag van droefenis en angst, een dag van onweder en onstuimigheid, eon dag van duisternis en donkerheid, een |
ZE FAN J A 2.
1663
|
dag van wolken en nevel, 16 een dag der bazuin en der trompet tegen de vaste steden en hooge burchten. 17 It zal de lieden beangstigen, dat zij rondom zullen gaan als blinden, omdat zij tegen den Heer gezondigd hebben; en hun bloed zal uitgestort worden als stof, en liun lichaam als slijk. 18 Hun zilver en goud zal hen niet kunnen redden op den dag van den toorn des Heeren, maar het ge-heele land zal door het vuur zijns ijvers verteerd worden; want hij zal schielijk een einde maken aan allen die in het land wonen. HOOFDSTUK 2. 1 Vergadert u en komt herwaarts, o gehaat volk: 3 eer het oordeel uitgaat, dat gij als het kaf bij dag vervliegt; eer de verbolgen toorn des Heeren over n komt, eer do dag van den toorn des Heeren over u komt. 3 Zoekt den Heer, o alle gij nederigen in het land, gij die zijne rechten nog houdt. Zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoedigheid, opdat gij op den dag van den toorn des Heeren verborgen moogt worden. |
4 Want Gaza zal verlaten worden, en Askelon verwoest; Asdod zal op den middag verdreven worden, en Ekrou uitgerukt. 5 Wee dengenen die langs de zee wonen, den krijgshelden: het woord des Heeren zal over u komen, o Eanaan, land der Filistijnen, want ik zal u verdelgen, dat cr niemand meer wonen zal. 6 Er zullen langs de zee enkel herderswoningen en schaapskooien zijn; 7 en het zal den overgeblevenen van het huis van Juda ten deel worden, dat zij daarop zullen weiden; des avonds zullen zij zich in de huizen van Askelon legeren, als de Heer hun God hen wederom bezocht en hunne gevangenschap gewend heeft. 8 Ik heb de versmaadheid van Moab en het lasteren der kinderen Amnions gehoord , hoe zij mijn volk gesmaad en zijnen grenspaal geschonden hebben. 9 Daarom, zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heer Zebaoth, Israels God: Moab zal als Sodom worden, en de kinderen Ammons als Gomorra, als eene netel-heide en eene zoutgroeve en eene eeuwige verwoes- |
ZEIquot; AN J A 3.
1664
|
ting; het overscliot van mijn volk zal ze rooven, en de overgeblevenen mijns volks zullen ze erven. 10 Dat zal hen overkomen wegens hunne hoovaardij, omdat zij het volk van den Heer Zebaóth gesmaad en zich beroemd hebben. 11 Vreeselijk zal de Heer tegen hen zijn, want hij zal alle goden der aarde verdelgen; en alle volken der eilanden zullen hem aanbidden, elk uit zijne plaats. 12 Ook gij Mooren zult door mijn zwaard verslagen worden. 13 En hij zal zijne hand uitstrekken over het noorden, en Assur verdelgen, en Ninevé zal hij eenzaam maken, dor als eene woestijn; 14 dat zich daarin de kudden zullen legeren, dieren van allerlei geslachten; ook zullen er roerdompen en egels wonen op hare torens, [de raaf\ zal Krassen in de vensters; de drempel zal met puin bedolven, en het cederen tafelwerk afgerukt zijn. 15 Dit is de vroolijke stad die zoo gerust woonde, en in haar hart sprak: Ik ben het, en buiten mij is er geen meer; hoe is zij zoo woest geworden, dat de dieren er in wonen, en wie voorbijgaat haar uitfluit en in de handen over haar klapt. |
HOOFDSTUK 3. 1 Wee de ijselijke en bezoedelde , de onderdrukkende stad! 3 Zij wil geen gehoor geven, noch zich laten tuchtigen ; zij wil op den Heer niet vertrouwen, noch tot haren God naderen. 3 Hare vorsten in het midden van haar zijn brullende leeuwen, en hare rechters avondwolven die niets tot op den morgen laten overblijven; 4 hare profeten zijn lichtvaardig en schaamtelooze bedriegers; hare priesters ontheiligen het heiligdom, en verdraaien de wet moedwillig. 5 Maar de Heer, de Kecht-vaardige, die in haar midden is, doet geen onrecht; hij brengt eiken morgen zijn recht aan het licht en houdt niet op; doch ondeugende lieden weten van geen schaamte. 6 Ik heb volken uitgeroeid, en hunne burchten vernield; ik heb hunne landwegen zoo woest gemaakt, dat niemand daarop gaat; |
ZEFANJA 3.
1665
|
hunne steden zijn verstoord, zoodat niemand meer daarin woont. 7 Ik liet aan u zeggen dat gij mij moest vreezen en u laten tuchtigen; dan zou hare woning niet uitgeroeid worden, en geen van die dingen komen, met welke ik haar bezoeken zal; doch zij beijveren zich slechts om allerlei boosheid te oefenen. 8 Daarom, spreekt de Heer, moet gij mij verwachten, als ik mij opmaak op zijnen tijd; als ik richten zal, en de volken verzamelen, en de koninkrijken bijeenbrengen, om mijnen toorn over hen uittestorten, ja al den toorn mijner grimmigheid; want de geheele wereld zal door het vuur mijns ij vers verteerd worden. 9 Dan zal ik den volken reine lippen verleenen, dat zij allen den naam des Hee-ren aanroepen, en hem eendrachtig (Tienen. 10 Van gene zijde der stroomen van Moorenland zullen mijne aanbidders, mijne verstrooiden, mij ofter-gaven brengen. 11 In dien tijd zult gij u niet meer schamen over al uwe handelingen waarmede gij tegen mij overtreden hebt; want ik zal uit het midden van u wegdoen wie zich juichende beroemen, dat gij u niet meer boo vaardig zult verheffen op mijnen heiligen berg; |
13 ik zal in ulaten overblijven een arm gering volk, die zullen op den naam des Heeren vertrouwen. 13 De overgeblevenen van Israël zullen geen kwaad doen noch leugen spreken, en men zal in hunnen mond geen bedrieglijke tong vinden , maar zij zullen weiden en rusten zonder eenige vrees. 14 Juich gij dochter van Sion, roep o Israël; verheug u en wees vroolijk van ganscher harte, o dochter van Jeruzalem; 15 want de Heer heeft uwe straf weggenomen en uwe vijanden afgewend; de Heer, de Koning van Israël, is bij u, zoodat gij voor geen ongeluk meer behoeft te vreezen. IG In dien tijd zal men zeggen tot Jeruzalem: Vrees niet, en tot Sion: Laat uwe handen niet slap worden. 17 Want de Heer uw God is- bij u, een machtige Heiland; hij zal zich over u verheugen, en vriendelijk jegens u zijn, en u vergeven; hij zal over u vroolijk zijn met gejuich. |
53
HAGGAI 1.
1666
|
18 Degenen die door inzettingen beangst waren, rail ik verzamelen, dewijl zij van u zijn; welke inzettingen Inm tot last waren, van welke zij versmaadheid hadden. 19 Zie, ik zal in dien tijd aan allen die u beleedigen een einde maken; ik zal de hinkenden helpen en de verstootenen verzamelen, en ik zal .hen tot lof en eer maken in alle landen in welke men ze veracht. |
30 In dien tijd zal ik u hier inbrengen, en n in dien tijd verzamelen; want ik zal u tot lof en eer maken onder al de volken der aarde, als ik uwe gevangenschap wenden zal voor uwe oogen ,' spreekt de Heer. |
DE PROFEET
H A G G A I
|
HOOFDSTUK 1. 1 In het tweede jaar van den koning Darius in de zesde maand op den eersten dag der maand geschiedde het woord des Heeren dooiden profeet Haggai tot Ze-rubbabel den zoon van Seal-tiël, landvoogd van Juda, en tot Jozua den zoon van Jozadak, den hoogepriester, ■zeggende; 3 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen om het huis des Heeren op-tebouwen. |
3 En het woord des Heeren geschiedde door den profeet Haggai, zeggende: 4 Is het voor u wel de tijd om in gewelfrle huizen te wonen, terwijl dit huis woest is? 5 Nu dan, dus spreekt de Heer Zebaoth: Ziet hoe hot n gaat. 6 Gij zaait veel, en brengt weinig in; gij eet, en wordt echter niet verzadigd; gij drinkt, en wordt echter niet dronken; gij kleedt u, en kunt u echter niet verwarmen; en wie geld verdient, die legt het in een buidel die vol gaten is. |
HAGGAI 2.
1667
|
7 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Ziet hoe het u gaat. 8 Gaat heen op het gebergte en haalt hout, en bouwt dit huis; dat zal mij aangenaam zijn, en ik zal verheerlijkt worden, spreekt de Heer. 9 Want gij verwacht veel, en zie, er komt weinig; en of gij het al tehuisbrengt, zoo doe ik het toch verstuiven. Waarom dit? spreekt de Heer Zebaoth: daarom dat mijn huis woest ligt, en ieder slechts zorgt voor zijn eigen huis. 10 Daarom heeft de hemel u den dauw onthouden, en het aardrijk zijn gewas; 11 en ik heb de dorheid geroepen beide over land en bergen, over koren, most, olie, en over alles wat uit de aarde komt; ook over menschen en vee, en over allen arbeid der handen. 13 Toen hoorde Zerubba-bel de zoon van Sealtiël, en Jozua de zoon vanJozadak, de hoogepriester, en alle overgeblevenen des volks, naaide stem van den Heer hunnen God, en naar de woorden van den profeet Haggai, zooals de Heer hun God hem gezonden had; en het Volk vreesde voor den Heer. |
13 Toen sprak Haggai, de gezant des Heeren, die de boodschap des Heeren had aan het volk: Ik ben met ulieden, spreekt de Heer. 14 En de Heer verwekte den geest van Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den landvoogd van Juda, en den geest van Jozua den zoon van Jozadak, den hoogepriester , en den geest van het geheole overgeblevene volk, dat zij kwamen en arbeidden aan het huis van den Heer Zebaöth, hunnen God, 15 op den vierentwintigsten dag der zesde maand in het tweede jaar van den koning Darius. HOOFDSTUK 2. 1 Opden cénentwintigsten dag der zevende maand geschiedde het woord des Heeren door den profeet Haggai, zeggende: 3 Spreek tot Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den landvoogd van Juda en tot Jozua den zoon van Jozadak, den hoogepriester, en tot het overgeblevene volk, zeggende: 3 Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijne vorige heerlijkheid gezien heeft? Eu hoe ziet gij het nu ? Is het niet too. |
HAGGAI 3.
1668
|
dat het ulieden dunkt niets te zijn? 4 En nu Zembbabel, heb goeden moed, spreekt de Heer, en heb goeden moed, Jozua, gij zoon van Joza-dak, gij hoogepriester; hebt goeden moed gij allen, volk des lands, spreekt de Heer, en arbeidt; want ik ben met u, spreekt de Heer Zebaoth. 5 Naar het woord volgens hetwelk ik een verbond met u maakte toen gij uit Egypte trokt, zal mijn Geest ook onder ulieden blijven: vreest niet. 6 Want dus spreekt de Heer Zebaoth: Nog een kleine tijd, en ik zal den hemel en de aarde, de zee en het droge beroeren, 7 ja alle volken zal ik beroeren ; alsdan zal komen de troost van alle volken, en ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, spreekt de Heer Zebaoth. 8 Want mijn is beide zilver en goud, spreekt de Heer Zebaoth. 9 De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden dan die van het eerste geweest is, spreekt de Heer Zebaoth; en ik zal vrede geven aan deze plaats, spreekt de Heer Zebaoth. —■ |
10 Op den vierentwintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius geschiedde het woord des Heeren tot den profeet Haggai, zeggende: 11 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Vraag de priesters naar de wet, zeggende : 12 Indien iemand heilig vleesch droeg in de slip zijns kleeds, en daarna-met de-slip het brood aanraakte, of het moes, of den wijn, of de olie, of wat voor spijs het ook zij, zou het dan ook heilig worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Neen. 13 En Haggai sprak: Zoo iemand, onrein zijnde van een doode, iets van die dingen aanraakte, zou het onrein worden? De priesters antwoordden en zeiden: Het zou onrein worden. 14 Toen antwoordde Haggai en sprak: Aldus is dit volk en is deze natie ook voor mij, spreekt de Heer, en al het werk hunner handen , en wat zij offeren, dat is onrein. 15 En nu, ziet hoe het u gegaan is van dezen dag af en tevoren, eer nog een steen op den anderen gelegd werd aan den tempel des Heeren; 16 dat als er iemand tot een korenhoop kwam die |
ZACHA
1669
KI A 1.
|
twintig maten houden moest, zoo waren er slechts tien; kwam hij tot de wijnpers en meende vijftig aam te scheppen, zoo waren er slechts twintio-, 17 Want ik plaagde u met dorheid, korenbrand en hagel in al uwen arbeid: nochtans keerdet gij u niet tot mij, spreekt de Hoer. 18 Let er dan op, van dezen dag af en tevoren, van den vierentwintigsten dag der negende maand af, tot op den dag dat de grondslagen van den tempel des Heeren gelegd werden ; let er op. 19 Want het zaad ligt nog in de schuur; ook draagt er nog niets, geen wijnstok, vijgeboom, granaatappelboom noch olijfboom.; maar van dezen dag af zal ik zegen geven. — |
20 En het woord des Heeren geschiedde ten tweeden male tot Haggai, op den vierentwintigsten dag der maand, zeggende: 21 Spreek tot Zerubbabel den landvoogd van Juda, zeggende: Ik zal hemel en aarde beroeren; 22 en ik zal den troon der koninkrijken omkeeren, en de machtige koninkrijken der volken verdelgen; en ik zal beide de wagens en hunne ruiters omkeeren, zoodat paard en man terneder zullen vallen, elk door het zwaard des anderen. 23 In dien tijd, spreekt de Heer Zebaoth, zal ik u Zerubbabel, zoon van Seal-tiël, mijn knecht, nemen, spreekt de Heer, en zal n houden als een zegelring; want ii heb ik uitverkoren, spreekt de Heer Zebaoth. |
DE PROFEET
ZACHARIA.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In de achtste maand van het tweede jaar van |
Darius geschiedde het woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja den zoon van Iddo, den profeet, zeggende: |
Z ACH AKI A 1.
1670
|
3 De Heer is toornig geweest op uwe vaderen. 3 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heer Ze-baötli: Keert u tot mij, spreekt de Heer Zebauth, zoo zal ik mij tot ulieden keeren, spreekt de Heer Zebaoth. 4 VVeest niet gelijk uwe vaderen, aan wie de vorige profeten predikten, zeggende: Dus spreekt de Heer Zebaoth: Keert u van uwe kwade wegen en van uwe booze handelingen, maar zij hoorden er niet naar en gaven geen acht op mij, spreekt de Heer. 5 Waar zijn nu uwe vaderen en de profeten? Leven zij ook nog? 6 Is het niet zoo, dat mijne woorden en mijne instellingen, die ik door mijne knechten de profeten heb geboden, uwe vaderen getroffen hebben, zoodat zij wederkeerende zeiden: Zooals de Heer Zebaoth voorgenomen had ons te doen naardat wij wandelden en handelden, zóó heeft hij ons ook gedaan? — 7 Op den vierentwintig-sten dag der elfde maand — dat is de maand Sebat — in het tweede jaar van Darius geschiedde het woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja den zoon van Iddo, den profeet, |
zeggende: 8 Ik zag in den nacht, en zie, een man zat op een rood paard, en hij hield stil onder de mirten in de landouw; en achter hem waren roode, bruine en witte paarden. 9 En ik zeide: Mijn Heer, wat beduiden deze? En de Engel die met mij sprak zeide tot mij: Ik zal u too-nen wat deze beduiden. lü En de man die onder de mirten stilhield antwoordde en zeide: Deze zijn het die de Heer heeft uitgezonden om het land doortetrekken. 11 En zij antwoordden den Engel des Heeren die onder de mirten stilhield, en zeiden: Wij zijn door het land getrokken, en zie, alle landen zijn stil. 13 Toen antwoordde de Engel des Heeren en zeide: Heer Zebaoth, hoelang nog zult gij u niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke gij toornig zijt geweest reeds zeventig jaar lang? 13 En de Heer antwoordde den Engel, die met mij sprak, vriendelijke woorden en troostrijke woorden. 14 En de Engel die met |
ZACHAE1A 2.
1671
|
mij sprak zeide tot mij: Predik, zeggende: Dus spreekt de lieer Zebaötli: Ik ijver zeer voor Jeruzalem en Sion; 15 maar ik ben zeer toornig op de trotsclie volken; want ik was sleclits een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen. 16 Daarom spreekt de lieer aldus: Ik zal mij weder tot Jeruzalem keeren met barmhartigheid; en mijn huis zal daar gebouwd worden, spreekt de Heer Zebaoth, ook zal het meetsnoer over Jeruzalem getrokken worden. 17 En predik verder, zeggende : Dus spreekt de Heer Zehaöth: Het zal mijn steden weder welgaan, en de Heer zal Sion weder vertroosten en zal Jeruzalem weder verkiezen. 18 En ik hief mijne oogen op en zag, en zie, daar waren vier hoornen. 19 En ik zeide tot den Engel die met mij sprak: Wat beduiden deze? En hij zeide tot mij: Het zijn de hoornen die Juda, Israël en Jeruzalem verdrukt hebben. 30 En de Heer toonde mij vier smeden. |
31 Toen zeide ik: Wat zullen die doen? En hij zeide: Dit zijn de hoornen die Juda zoo verdrukt hebben , dat niemand zijn hoofd heeft kmmen opheflen; maar nu zijn deze gekomen om hen te verschrikken, om de hoornen der volken aftcstoo-ten, die den hoorn tegen het land Juda verheven hebben om het te verdrukken. HOOFDSTUK 2. 1 En ik hief mijne oogen op en zag, en zie, een man had een meetsnoer in de hand. 3 En ik zeide: Waar gaat gij heen? En hij sprak tot mij: Om Jeruzalem te meten , en te zien hoe lang en breed het zijn zal. 3 En zie, toen de Engel die met mij sprak uitging, ging een andere Engel uit, hem tegemoet; -1 tot dien sprak hij: Loop dien jongeling achterna, en spreek tot hem en zeg: Jeruzalem zal bewoond worden zonder muren, wegens de groote menigte van men-schen en vee die er iu zal zijn; 5 en ik zal haar, spreekt de Heer, tot een vurigen muur zijn rondom, en ik zal mij in haar midden heerlijk betoonen. 6 Op, op! vliedt uit het noorderland., spreekt de 'Heer; want ik heb u naaide vier winden des ïiemels |
ZACHAllIA 3.
1673
|
verstrooid, spreekt de Heer. 7 Op, Sion! ontloop, gij die nog bij de dochter van Babel woont! 8 Want dus spreekt de Heer Zebaótli: Hij heeft mij gezonden tot de volken die ulieden beroofd hebben ; hunne macht heeft een einde; wie u aantast, die tast zijnen oogappel aan. 9 Want zie, ik zal mijne hand over hen bewegen, dat zij een roof zullen worden voor degenen die hen gediend hebben: zoo zult gij gewaarworden dat de Heer Zebaoth mij gezonden heeft. 10 Verheug u en wees vroolijk, gij dochter van Sion; want zie, ik kom en zal bij u wonen, spreekt de Heer; 11 en vele volken zullen in dien tijd den Heere toegevoegd worden, en zij zullen mijn volk zijn, en ik zal bij u wonen; en gij zult gewaarworden dat de Heer Zebaoth mij tot u gezonden heeft. 13 En de Heer zal Juda erven voor zijn deel inliet heilige land, en hij zalJe-ruzalem weder verkiezen. 13 Alle vleesch zij stil voor den Heer, want hij heeft zich opgemaakt uit zijne heilige woning. |
HOOFDSTUK 3. 1 En mij werd getoond de hoogepriester Jozua staande voor den Engel des Hee-ren, en de satan stond aan zijne rechterhand om hem te wederstaan. 3 En de Heer zeide tot den satan: De Heer schelde u gij satan, ja de Heer, die Jeruzalem verkoren heeft, schelde u: is deze niet een brandhout dat uit het vuur is gered? 3 En Jozua had onreine kleederen aan, en stond voor den Engel. 4 Deze nu antwoordde en sprak tot degenen die vóór hem stonden: Doet de onreine kleederen van hem weg. En tot hem sprak hij: Zie, ik heb uwe zonde van u weggenomen, en heb u feestkleederen aangetrokken. 5 En hij zeide: Zet een reinen hoed op zijn hoofd. En zij zetteden een reinen hoed op zijn hoofd, en trokken hem kleederen aan; en de Engel des Heeren stond daarbij. 6 En de Engel des Heeren betuigde aan Jozua, zeggende: 7 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Indien gij op mijne wegen zidt wandelenen mijne wacht waarnemen, zoo |
ZACHAE.IA 4.
1673
|
zult gij mijn huis regeeren en mijne hoven bewaren, en ik zal u geven uit degenen die hier staan, dat zij u geleiden zullen.' 8 Hoor toe, Jozua, gij hoogepriester, gij en uwe vrienden die vóór uzitten, want zij zijn enkel wonder-teekenen; want zie, ik zal mijnen knecht, de Spruit, doen komen. 9 Want zie, op dien céni-gen steen, dien ik voor Jozua gelegd heb, zullen zeven oogen zijn; zie, ik zal zijn graveersel graveeren, spreekt de Heer Zebaöth, en ik zal de zonde dezes lands wegnemen op ccnen dag. 10 In dien tijd, spreekt de Heer Zebaoth, zal de één den ander noodigen onder den wijnstok en onder den vijgeboom. HOOFDSTUK 4. 1 En de Engel die met mij sprak kwam weder, en wekte mij op gelijk iemand van den slaap opgewekt wordt; 2 en hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Zie, ik zie een kandelaar, geheel van goud, met eene oliesohaal daarbovenop, aan welken zeven lampen zijn, en zeven uitstortbuizen, welke gaan naar het boveneinde; __, |
3 en twee olijfboomen daarbij, de ééne ter rechterzijde van de schaal en de andere ter linkerzijde. 4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak: Mijn Heer, wat beduiden deze? 5 En de Engel die met mij sprak antwoordde en zeide tot mij: Weet gij niet wat dit is? En ik zeide: Neen mijn Heer. 6 En hij antwoordde en sprak tot mij: Dit is het woord des Heeren tot Ze-rubbabel: Het zal niet door een heir of door kracht, maar door mijnen Geest geschieden, spreekt de Heer Zebaöth. 7 Wie zijt gij grooteberg? Gij moet nochtans voor Ze-mbbabel een vlak veld zijn; en hij zal den eersten steen tevoorschijnbrengen, dat men roepen zal: Veel geluk, veel geluk! 8 En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende : 9 De handen van Zerub-babel hebben dit huis gegrond, zijne handen zullen het ook voltooien, opdat gij gewaarwordt dat de Heer mij tot u gezonden heeft. 10 Want wie is er die den |
Z ACH ARIA 5.
1674
|
dag der kleine \leginselen\ veracht? Zij zullen ziet verblijden, als zij dien steen zien in. Zernbbabels hand ; die zeven oogen des Heeren, die het geheels land door-loopen. 11 En ik antwoordde en zeide tot hem: Wat zijn die twee olijf boomen ter rechter- en ter linkerzijde van den kandelaar? 13 En ik antwoordde en zeide andermaal tot hem: Wat zijn die twee takken der olijfboomen, staande bij de twee gouden pijpen van den gouden kandelaar, waardoor zij hun vocht in den gouden kandelaar uitgieten ? 13 En hij zeide tot mij: Weet gij niet wat die beduiden? En ik zeide: Neen mijn Heer. 14 En hij zeide: Dit zijn de twee gezalfde spruiten die voor den Heerscher der geheele aarde staan. HOOFDSTUK 5. 1 En ik hief mijne oogen weder op en zag, en zie, daar was eene vliegende boekrol. 3 En hij sprak tot mij : Wrat ziet gij? En ik zeide: Ik zie eene vliegende boekrol, die is twintig el lang en tien el breed. 3 En hij zeide tot mij; |
Dit is de vloek die over het geheele land uitgaat; want alle dieven zullen volgens deze rol gestraft, en allen meineedigen zrtl volgens deze rol vergolden worden. 4 Ik wil den vloek voortbrengen, spreekt de Heer Zebaoth, dat hij komen zal over het huis van den dief en over het huis dergenen die bij mijnen naam val-schelijk zweren, en hij zal blijven in hun huis, en zal het verteren, zoo hout als steenen. 5 En de Engel die met mij sprak ging uit en zeide tot mij: Hef uwe oogen op en zie, wat gaat daaruit? 6 En ik zeide: Wat is dit? En hij sprak: Een efa gaat daaruit. En hij zeide: Dit is hunne gedaante in het geheele land. 7 En zie, men lichtte een deksel van lood op; en er was eene vrouw, die zat in het midden der efa. 8 En hij zeide: Dit is de goddeloosheid. En hij wierp haar midden in de efa,en wierp den klomp lood bovenop haren mond. 9 En ik Idef mijne oogen op en zag, en zie, twee vrouwen gingen er uit, en hadden vleugels welke de wind dreef, en de vleugels waren als ooievaarsvlengels; |
ZACHAEIA 6.
1675
|
I en zij voerden de efa tus-1 selien aarde en hemel. 10 En ik zeide tot den Engel die met mij sprak: Waar voeren deze de efn heen ? 11 En hij zeide tot mij: Om voor haar een huis te stichten in het land Sinear; daar zal zij gevestigd en gesteld worden op haar grondstuk. HOOFDSTUK G. 1 En ik hief mijne oogen weder op en zag, en zie, daar waren vier wagens, die kwamen van tusschen twee bergen tevoorschijn; en die bergen waren van koper. 2 Aan den eersten wagen waren roode paarden, aan den tweeden wagen waren zwarte paarden, 3 aan den derden wagen ; waren witte paarden, aan 4 den vierden wagen waren gevlekte moedige paarden. 4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak: Mijn Heer, wat beduiden deze? 5 De Engel antwoordde en sprak tot mij: Dit zijn de vier winden des hemels, die uitgaan van waar zij j stonden voor den Heerscher aller landen. |
6 De zwarte paarden die , aan den écnen waren gingen naar het noorden, en de witte gingen hen achterna, en de gevlekte gingen naar het zuiden. 7 En de moedige gingen en vertrokken, om door het geheele land te trekken; want hij zeide: Gaat heen en trekt door het land. En zij trokken door het land. 8 En hij riep mij en sprak tot mij, zeggende: Zie, die naar het noorden trekken, doen mijnen Geest maten op het land van het noorden.— 9 En het woord desHee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 10 Neem van de gevangenen die uit Babel gekomen zijn, namelijk van Heldai, van Tobia en van Jedaja; en kom ook op denzelfden dag, en ga in het huis van Josla den zoon van Zefanja. 11 Neem zilver en goud en maak kronen, en zet ze op het hoofd van Jozua den zoon van Jozadak, den hoogepriester; ,13 en zeg tot hem: Dus spreekt de Heer Zebaoth: Zie, daar is een man wiens naam Spruit is; want uit zijnen grond zal hij opsprui-ten, en hij zal den tempel des Heereu bouwen; 13 ja hij zal den tempel des Heeren bouwen, en zal |
|
1676 ZACHj' sieraad dragen, en zal zitten en heersehen op zijnen troon, hij zal ook priester zijn op zijnen troon, en er zal vrede tussolien die beide [bedieningen'] zijn. 14 En deze kronen zullen voor Helem, Tolna, Jedaja, en Hen den zoon van Ze-fanja, tot eene gedaclitenis zijn in den tempel des Hee-ren. 15 En van verre zullen komen die aan den tempel des Heeren bouwen zullen; dan zult gij gewaarworden dat de Heer Zebaóth mij tot u gezonden heeft. En dit zal geschieden, indien gij zult hooren naar de stem van den Heer uwen God. HOOFDSTUK 7. 1 En in het vierde jaar van den koning Darius geschiedde het woord des Heeren tot Zacharia, op den vierden dag der negende maand, genaamd Kisleu; 3 toen Sarézer en Regem-Mélech benevens hunne lieden gezonden werden naar het huis Gods, om te aanbidden voor den Heer; 3 om de priesters, die rondom het huis des Heeren Zebaöth waren, en de profeten te vragen: Moet ik ook nog weenen in de vijfde maand, en mij onthouden. |
EI A 7. gelijk ik nu eenige jaren gedaan heb? 4 En het woord des Heeren Zebaöth geschiedde tot mij, zeggende: 5 Zeg tot al het volk in het land en tot de priesters, en spreek: Toen gij vasttet en rouwdroegt in de vijfde en zevende maand, gedurende deze zeventig jaar, hebt gij toen voor mij gevast? 6 Of toen gij at en dronkt, hebt gij niet voor uzelve gegeten en gedronken? 7 Is dit niet hetgeen de Heer liet prediken door de vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en in rust was, benevens hare steden rondom, en toen er lieden woonden beide tegen het zuiden en in de laagte? 8 En het woord des Heeren geschiedde tot Zacharia, zeggende: 9 Dus spreekt de Heer Zebaöth: VVeest rechtvaardig in uw vonnis-spreken, en ieder bewijze aan zijnen broeder goedertierenheid en barmhartigheid; 10 en doet geen om-echt aan weduwen, weezen, vreemdelingen en armen; en niemand overlegge iets kwaads in zijn hart tegen zijnen broeder. 11 Maar zij wilden niet |
ZACHARIA 8.
1677
|
Opmerken, ea keerden mij den rug toe; en zij verstokten hunne ooren, dat zij niet koorden; 13 en zij maakten hun hart als diamant, dat zij niet hoorden naar de wet en de woorden welke de Heer Zebaóth zond door zijnen Geest, door de vorige profeten: weshalve er zoo-groote toorn van den Heer Zebaoth gekomen is. 13 Maar het is geschied, dat gelijk zij niet hoorden toen er gepredikt werd, ik ook niet wilde hooren toen zij riepen, spreekt de Heer Zebaoth. 14 Daarom heb ik hen verstrooid onder allo volken die zij niet kenden, en het land is achter hen woest gebleven, dat er niemand in wandelde noch woonde; en het heerlijke land is in eene woestenij verkeerd. HOOFDSTUK 8. 1 En het woord des Hee-ren geschiedde tot mij, zeggende : 3 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Ik heb zeer over Sion geijverd, ja in grooten toorn heb ik over naar geijverd. 3 Dus spreekt de Heer: Ik zal wederkeeren tot Sion, en wil te Jeruzalem wonen; |
en Jeruzalem zal de getrouwe stad genoemd worden , en de berg des Heeren Zebaoth berg der heiligheid. 4 Dus spreekt de Heer Zebaoth: Er zullen nog voortaan in de straten te Jeruzalem oude mannen en vrouwen wonen, die met stokken gaan vanwege den hoogen ouderdom; 5 en de straten dier stad zullen vol zijn van knaapjes en meisjes die op hare straten spelen. 6 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Schijnt dit onmogelijk te zijn in de oogen van dit overschot des volks in dezen tijd, zou het daarom ook onmogelijk zijn in mijne oogen ? spreekt de Heer Zebaoth. 7 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Zie, ik zal mijn volk verlossen uit het land tegen den opgang en uit het land tegen den ondergang der zon, 8 en ik zal hen herwaarts ^ voeren, dat zij in Jeruzalem f wonen; en zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, in waarheid en gerechtigheid. 9 Dus spreekt de Heer Zebaóth: Versterkt uwe handen, gij die in dezen tijd deze woorden hoort uit den mond der profeten, ten dage |
Z ACH AKI A 8.
1678
|
toen de grond gelegd is aan het tuis des Heeren Ze-baóth, dat de tempel gebouwd werd. 10 Want vóór deze dagen was de arbeid der menschen tevergeefs, en de arbeid der lastdieren was niets; en er was geen vrede voor den uitgaande en inkomende vanwege den vijand, maar ik liet alle mensehen gaan elk tegen zijnen naaste. 11 Doch nu wil ik niet, gelijk in de vorige dagen, met de overgeblevenen dezes volks handelen, spreekt de Heer Zebaóth; 12 maar het gezaaide zal veilig zijn, de wijnstok zal zijne vrucht geven, en het land zal zijn gewas geven, en de hemel zal zijnen dauw geven, en ik zal de over- feblevenen van dit volk in et bezit van dit alles stellen;eblevenen van dit volk in et bezit van dit alles stellen; 13 en het zal geschieden, gelijk gij o huis van Juda en o huis van Israël een vloek geweest zijt onder de volken, zóó zal ik u verlossen , dat gij een zegen zult zijn: vreest slechts niet, en versterkt uwe handen. 14 Want dus spreekt de Heer Zebaóth: Gelijk ik dacht u te plagen, toen uwe vaderen mij vertoornden, spreekt de Heer Zebaóth , en het berouwde mij niet: |
15 alzóó denk ik nu wederom in deze dagen Jeru' zalem en het huis van Juda weltedoen: vreest slechts niet. 16 Maar dit is het wat gi[ | doen moet: spreekt waarheid ieder met zijnen naaste j vonnist rechtvaardig, en beschikt vrede in uwe poorten; j 17 en niemand overlegge ; iets kwaads in zijn hart tegen zijnen naaste, en hebt i geen valsche eeden lief; 1 want dit alles haat ik, | spreekt de Heer. J 18 En het woord des Heeren Zebaóth geschiedde tot mij, zeggende: 19 Dus spreekt de Heer Zebaóth: l)e vastentijden . der vierde, vijfde, zevende en tiende maand zullen voor het huis van Juda tot vreugde en blijdschap en tot vroo-lijke jaarfeesten worden; hebt slechts de waarheid en den vrede lief. 20 Dus spreekt de Heer Zebaöth: Yerder zullen nog vele volken komen en ingezetenen van machtige steden, 21 en de ingezetenen van de ééne stad zullen gaaii tot die der andere, zeggende: Laat ons gaan om te aanbidden voor den Heer, |
|
en den Heer Zebaóth te zoeken; wij zullen ook met ü gaan. 32 Alzoo zullen vele volken en machtige natiën komen , om den Heer Zebaoth te Jeruzalem te zoeken en te aanbidden vpor den Heer. 33 Dus spreekt de Heer Zebaoth; In dien tijd zullen tien mannen, uit alle tongen der volken, een Jood-schen man bij de slip grijpen, leggende: Wij willen met u gaan, want wij hoo-ren dat God met ulieden is. HOOFDSTUK 9. 1 Dit is de last van welken de Heer spreekt over het land van Hadrach en Damascus, zijne rustplaats; want de Heer ziet op de menschen en op al de stammen van Israël; 3 alsook over Hamath, dat aan haar grenst; ook over Tyrus en Sidon, die zeer wijs zijn. 3 Want Tyrus bouwt vestingen, en verzamelt zilver als zand, en goud als slijk op de straat; 4 maar zie, de Heer zal ze uitdrijven, en zal hare macht, die zij op de zee heeft, verslaan, dat zij zal zijn als met vuur verbrand. 5 Als Askelon dat zien zal, zal zij verschrikken, en |
1679 Gaza zal zeer bedroefd wor* den, ook zal Ekron bedroefd worden, wanneer zij, dat ziet; want het zal uit zijn met den koning van Gaza, en te Askelon zal men niet wonen, 6 in Asdod zullen vreemden wonen, en ik zal de pracht der Filistijnen uitroeien ; 7 en ik wil hun bloed uit hunnen mond wegdoen, en hunne gruwelen van tils-sehen hunne tanden; dat zij ook voor onzen God zullen overblijven, dat zij worden als vorsten in Juda, en Ekron als de Jebusiet. 8 En ik zelf zal rondom mijn huis het leger zijn tegen de heen en weder trek-kenden, opdat de drijver hen niet meer overvalle; want nu heb ik het met mijne oogen gezien. 9 Maar gij dochter van Sion, verheug u zeer, en gij dochter van Jeruzalem, juich: zie, uw koning komt tot u, een rechtvaardige en een helper; zachtmoedig, en rijdende op een ezel en op een jong veulen eener ezelin. 10 Want ik zal de wagens uit Efraïm wegdoen, en de paarden int Jeruzalem; en de strijdboog zal verbroken worden, want hij zal onder de volken vrede leeren; en ZACHARIA 9. |
1680 ZACHAEIA 10.
|
zijne heerschappij zal zijn van de ééne zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan de einden der wereld. 11 En gij, om het bloed uws verbonds heb ik uwe gevangenen uit den kuil gelaten , waarin geen water is. 12 Zoo keert u nu tot de vesting, gij gevangenen die hoopt; want ook heden verkondig ik het: ik zal u dubbel vergelden. 13 Want ik heb mij Juda gespannen tot een boog, en Efraïm toegerust, en zal uwe zonen o Sion verwekken tegen uwe zonen o Griekenland, en zal u maken tot een zwaard der reuzen. 14 En de Heer zal over hen verschijnen, en zijne pijlen zullen uitschieten als bliksemschichten; en de Hee-re Heere zal de bazuin blazen , en zal voorttreden met de onweders van het zuiden. 15 De Heer Zebaöth zal hen beschutten, dat zij opeten en onder zich brengen als slingersteenen, dat zij drinken en tieren als bij den wijn, en vol worden als de bekkens, en als de hoeken des altaars; 16 en de Heer hun God zal hen in dien tijd helpen als eene kudde zijns volks; want in zijn land zullen heilige steenen opgericht worden. |
17 Want zoo groot is zijn goed en zijne schoonheid! Het koren zal dejongelingen en de most de jongedoch-ters doen wassen. HOOFDSTUK 10. : 1 Zoo bidt nu van den Heer spaden regen, zoo zal de Heer de donderwolk maken, en u regen genoeg geven voor al het gewas op het veld. 3 Want de afgoden spreken enkel moeite, en wat de waarzeggers zien is enkel leugen; zij spreken nietige droomen, en hun troost is niets: daarom gaan zij dwalende als eene kudde, en zijn versmacht, dewijl er geen herder is. 3 Mijn toorn is over de herders ontstoken, en ik zal de bokken bezoeken; want de Heer Zebaöth zal zijne kudde bezoeken, namelijk het huis van Juda, en zal hen toerusten als een versierd paard tot den strijd. 4 De hoeksteenen, nagels, strijdbogen en drijvers zullen allen uit hen voortkomen. 5 En zij zullen zijn als de reuzen die in den strijd het slijk op de straten treden, zóó zullen zij strijden; want de Heer zal met hen zijn, |
ZACHAEIA 11. 1681
|
dat de ruiters te schande worden. 6 En ik zal het huis van Juda sterken en het huis van Jozef helpen, en zal ze weder inzetten; want ik ontferm mij over hen, en zij zullen zijn gelijk zij waren toen ik ze niet verstoeten had; want ik, de Heer hun God, zal hen verstooten. 7 En Efraïm zal zijn als een reus, en hun hart zal vroolijk worden als van den wijn; ook hunne kinderen zullen het zien en zich verblijden, en hun hart zal juichen in den Heer. 8 Ik zal hen aanblazen en ze vergaderen ; want ik zal hen verlossen, en zij zullen zich vermeerderen, gelijk zij zich tevoren vermeerderd hebben. 9 En ik zal hen onder de volken zaaien, dat zij aan mij gedenken in verre landen ; en zij zullen met hunne kinderen leven en wederkomen. 10 Want ik zal hen weder-brengen uit Egypteland en zal hen'vergaderen uit' As-syrië, en zal hen brengen in het land van Gilead en van den Libanon, dat men geen ruimte genoeg voor hen zal vinden. |
11 En zij zullen door eene zee van angst gaan, maar hij zal de golven in de zee slaan, dat alle diepten des waters verdrogen zullen: daar zal dan de trots van Assyrië vernederd worden, en de schepter van Egypte zal wijken. 13 Ik zal hen sterken in den Heer, dat zij zullen wandelen in zijnen naam, spreekt de Heer. HOOFDSTUK 11. 1 Doe uwe deuren open o Libanon, opdat het vuur uwe cederen vertere. 2 Jammert o dennen, want de cederen zijn gevallen , en de heerlijke boo-men zijn verwoest;jammert gij eiken van Basan, want het dichte woud is omverge-houwen. 3 Men hoort de herders jammeren, want hunne heerlijkheid is verwoest; men hoort de jonge leeuwen brullen, want de trots des Jordaans is verwoest. 4 Dus spreekt de Heer mijn God: Weid deze slachtschapen ; 5 want hunne heeren slachten ze, en houden het voor geen zonde; zij verkoopen ze, en zeggen: Geloofd zij de Heer, ik ben nu rijk; en hunne herders versclioo-nen ze niet. 6 Daarom wil ik ook de |
1
Z ACH AU IA 11.
1682
|
inwoners in het land niet meer yerschoonen, spreekt de Heer; en zie, ik zal de lieden overleveren, den een in de liand des anderen en in de hand zijns konings, dat zij het land verbrijzelen, en ik zal hen niet redden uit hunne hand. 7 En ik hoedde de slachtschapen , omdat zij ellendig waren; en ik nam tot mij twee herdersstaven; den éenen noemde ik Liefelijkheid , en den anderen noemde ik Vereeniging; en ik hoedde de schapen. 8 En ik verdelgde drie herders in ééne maand; want ik werd van henafkeerig, ook wilden zij mij niet. 9 En ik zeide: Ik wil u niet hoeden; wat sterft, dat sterve; wat versmacht, dat versmachte; en van de overige verslinde de één des anderen vleesch. 10 Toen nam ik mijnen staf Liefelijkheid en verbrak hem, vernietigende mijn verbond hetwelk ik gemaakt had met alle volken; 11 en het werd vernietigd te dien dage, en de ellendige schapen die op mij wachtten merkten toen dat dit het Woord des Heeren was. 13 En ik sprak tot hen: Indien het goed is in uwe Dogen, zoo brengt mijn loon; |
zoo niet, laat het na. En zij wogen mij mijn loon toe , dertig zilverlingen. 13 En de Heer sprak tot mij: Werp ze weg, dat zij den pottenbakker gegeven worden: eene voortreflelijke som die ik doo.r hen ben waardig geschat! En ik nain de dertig zilverlingen en wierp ze in het huis des Heeren, opdat zij den pottenbakker gegeven wierden. 14 En ik verbrak mijnen tweeden staf Vereeniging, vernietigende de broederschap tusschen Juda en Israel. 15 En de Heer sprak tot mij: Neem nog eens tot u het gereedschap van een dwazen herder; 16 want zie, ik zal u herders in het land verwekken, die voor het versmachte geen zorg dragen, het verdoolde niet opzoeken, en het ver-brokene niet heelen, en het matte niet dragen zullen, maar het vleesch der vette schapen zullen zij opeten en hunne klauwen verscheuren. 1 17 Wee den nietswaardi-gen herders, die de kudde verlaten; het zwaard kome tegen hunnen arm en tegen hun rechteroog, hun arm verdorre en hun rechteroog worde donker. |
Z ACH ARIA 12.
1683
|
HOOFDSTUK 12. 1 Dit is de last van het woord des Heeren over Israël. —• De Heer spreekt, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest, en den adem des menschen in hem maakt. ,2 Zie, ik zal Jeruzalem tot een zwijmelbeker stellen voor alle volken die rondom zijn; want het zal Juda ook gelden, als Jeruzalem belegerd wordt. 3 Nochtans te dien dage ■ zal ik Jeruzalem maken tot een laststeeu voor alle vol- ' ken: allen die hem willen ; optillen, zullen er zich aan snijden, al vergaderden ook alle volken der aarde zich ■ tegen haar. 4 In dien tijd, spreekt de Heer, zal ik alle paarden schuw en hunne ruiters bang maken; doch over Ju-da's huis zal ik mijne oogen open hebben, en alle paarden der volken met blindheid slaan. 5 En de vorsten van. Juda zullen zeggen in hun hart: De ingezetenen van Jeruzalem zullen mijne sterkte zijn in den Heer Zebaöth, hunnen God. 6 In dien tijd zal ik de vorsten van Juda maken gelijk een vurigen oven voor |
het hout en gelijk een fakkel voor het stroo, dat zij ter rechter- en ter linkerhand alle volken rondom verteren; maar Jeruzalem zal op haren grond gevestigd blijven, waar steeds Jeruzalem was. 7 En de Heer zal de hutten van Juda helpen ala eertijds, opdat Davids huis zich niet hoog beroeme, noch de ingezetenen van Jeruzalem boven Juda. 8 In dien tijd zal de Heer de ingezetenen van Jeruzalem beschermen; en het zal geschieden, dat wie zwak zal zijn onder hen in dien tijd, die zal zijn als David; en Davids huis zal zijn als Gods huis, als de Engel des Heeren voor hun aangezicht. 9 En in dien tijd zal ik mij zetten, om alle volken te verdelgen die tegen Jeruzalem opgetrokken zijn. 10 Doch over Davids huis en over de ingezetenen van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en des gebeds, en zij zullen mij aanzien dien zij doorstoken hebben, en zullen rouw over hem bedrijven gelijk men rouw bedrijft Over een eenig kind, en zullen zich over hem bedroeven gelijk men zich bedroeft over een eerstgeborene. |
ZACHARIA 13.
1684
|
11 In dien tijd zal er een groote rouw zijn te Jeruzalem, gelijk de rouw van Hadad-Eimmon in het veld van Megiddon; 13 en het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk : het geslacht van Davids huis afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Nathans huis afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk, 13 het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simei afzonderlijk en hunne vrouwen afzonderlijk; 14 alzoo alle overige geslachten , elk afzonderlijk en hunne vrouwen ook afzonderlijk. HOOFDSTUK 13. 1 In dien tijd zal er voor Davids huis en voor de ingezetenen van Jeruzalem eene bron geopend zijn tegen zonde en onreinheid. 2 En te dier tijd, spreekt de Heer Zebaöth, zal ik de namen der afgoden uitroeien uit het land, dat men er niet meer aan gedenken zal; ook zal ik de profeten en onreine geesten uit het land drijven. 3 En het zal geschieden, wanneer iemand voortaan |
profeteert, zoo zullen zijn vader en zijne moeder, die ; hem voortgebracht hebben, • tot hem zeggen: Gij zult.-,} niet leven, want gij spreekt. leugen in den naam des:'; Heeren; en alzoo-zullen zijn-v vader en zijne moeder, die/ hem voortgebracht hebben,quot;j hem doorsteken '-indien hij -,-profeteert. -5* 4 Want in djón tijd zal' het geschieden, dat die jaxamp;? feten zich schariöin zullen: over hunne gezichten, als zij daarvan profeteeren; en zij zullen niet meer een ruigen mantel aantrekken om te bedriegen; 'v- 5 maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een akkerman: want van mijne jeugd af ben ik in dienst van menschen geweest. 6 En als men tot hem zeggen zal: Wat zijn dit voor wonden in uwe handen ? dan zal hij zeggen: Zoo ben ik geslagen in het huis dergenen die mij liefhadden. 7 Zwaard, maak u op over mijnen herder, en over den man die mij de naaste is, spreekt de Heer Zebaóth; sla den herder, zoo zal de kudde zich verstrooien; en ik zal mijne hand keeren tot de geringen. 8 En het zal geschieden, spreekt de Heer, twee dee- |
ZACHAEIA 14.
1685
|
quot;'leudie in het gansche land aijir, zullen uitgeroeid worden; en ondergaan, en liet , |derde deel zal daarin over-' blijven; 9 en ik zal dit derde deel • Sn- liet vuur brengen, en ligt louteren gelijk men zilver loutert, en liet beproeven gelijk men goud beproeft; dit zal dan mijnen naam aanroepen en ik zal liet vérhooren; ik zal zeggen: lïet is mijn volk, en zij isttllen zeggen; De Heer is mijn God. HOOFDSTUK 14. Zie, de dag desHeeren a,teint, dat men uwen buit ' uitdee|eh, in het midden .Tffn u; i' ' 2 want ik zal allerlei volken tegen Jeruzalem verzamelen tot den strijd, en de stad zal ingenomen, de huizen zullen geplunderd en de vrouwen geschonden worden; en de helft der stad zal gevankelijk weggevoerd worden, maar het overige volk zal niet uit de stad uitgeroeid worden. 3 Want de Heer zal uittrekken en strijden tegen die volken, gelijk hij pleegt te strijden ten tijde des oor-logs; 4 en zijne voeten zullen te dier tijd staan op den |
Olijfberg die vóór Jeruzalem ligt tegen het oosten; en de Olijfberg zal middendoor gespleten worden naar het oosten en naar het westen , zeer wijd van elkander; dat de ééne helft des bergs tegen het noorden, en de andere tegen het zuiden zal overhellen. 5 Dan zult gij vlieden door het dal tusschen mijne bergen , want het dal tusschen de bergen zal zich tot Azal toe uitstrekken; en gij zult vlieden, gelijk gij eertijds vloodt voor de aardbeving ten tijde van Uzzia den koning van Juda; want _de -7. Heer mijn God zal komen, quot;T*quot;quot; eri alle heiligën quot;met'uT 6 In dien tijd zal er geen licht zijn, maar koude en vorst; 7 en het zal één dag zijn, den Heer bekend dag noch nacht is; maar tegen den avond zal het licht zijn. 8 En in dien tijd zullen er levende wateren uitvloeien quot;üirTérïïzalem, de ééne helft naar de oostzee en de andere helft naar de uiterste zee; en het zal duren des zomers en des winters. ■ 9 En de Heer zal Koning zijn over alle landen; in dien tijd zal de Heer één zijn, en zijn naam één. ie noch |
ZACHAEIA 14.
1686
|
10 En men zal in het ge-heele land rondom gaan als op een vlak veld, van Geba af tot Eimmon toe, tegen het zuiden van Jeruzalem; want zij zal verheven worden en blijven in hare plaats, van de poort van Benjamin af tot aan de plaats dei-eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe, en van den toren Hananeël af tot aan des konings wijnpersen toe; - 11 en men zal daarin wonen en er zal geen banvloek meer zijn, want .Teruzalem zal geheel veilig wonen. 12 En dit zal de plaag zijn waarmede de Heer al de volken zal plagen die tegen Jeruzalem gestreden hebben; hun vleesoh zal verrotten terwijl zij nog op hunne voeten staan, en hunne oogen zullen wegkwijnen in de holten, en hunne tong zal verdrogen in den mond. 13 In dien tijd zal de Heer een groot gedruisch onder hen aanrichten, dat de één den ander bij de hand zal vatten, en zijne hand op des anderen hand leggen. 14' Ook Juda zal binnen Jeruzalem strijden, opdat verzameld worden de goederen van alle volken die rondom zijn: goud, zilver en kleederen in groote megt;-nigte. |
15 En zoo zal dan deze plaag gaan over paarden, muilezels, kameelen, ezels en allerlei dieren, die in dat heir zijn, zooals géne geplaagd zijn. 16 En alle overgeblevenenquot; onder alle volken, die tegen Jeruzalem optrokken, zullen jaarlijks opkomen om den Koning, den Heer Zebaoth, te aanbidden, en het loofhuttenfeest te vieren; 17 en zoo eenig geslacht der aarde niet zal opkomen naar Jeruzalem, om den Koning, den Heer Zebaoth, te aanbidden, over deze zal het niet regenen. 18 En indien het geslacht der Egyptenaars niet opgaat noch komt, zoo zal over hen die plaag zijn, met welke de Heer alle volken zal plagen die niet opkomen om het loofhuttenfeest te vieren; 19 dit zal de straf der Egyptenaars en de straf aller volken zijn, die niet opkomen om het loofhuttenfeest te vieren. 30 In dien tijd zal op het blinkend tuig der paarden [gescïweven staan]: Heiligheid des Heeren. En de potten in het huis des Heeren zullen zijn als de bekkens vóór den altaar. |
MAL E ACH I 1.
1687
|
31 Want alle potten, zoo in Jeruzalem als in Juda, zullen den Heere Zebaotli heilig zijn; zoodat allen die offeren willen, zullen komen en ze nemen, en daarin koken; en er zal geen Ka-naaniet meer zijn in het huis des Heeren Zebaöth in dien tijd. |
DE PEOFEET
M A L E A C H I.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is de last dien de Heer sprak tot Israël door Maleachi. — 3 Ik heb u liefgehad, spreekt de Heer; maar gij zegt: Waarin hebt gij ons liefgehad? — Was niet Esau Jakobs broeder? spreekt de Heer: nochtans heb ik Jakob liefgehad, 3 en Esau heb ik gehaat, en ik heb zijn gebergte woest gemaakt en zijn erfdeel den draken der woestijn tot prooi gegeven. . 4 En hoewel Edom zegt: Wij zijn verwoest, maar wij willen onze puinhoopen weder opbouwen, — zoo zegt de Heer Zebaöth aldus: Is het dat zij bouwen, zoo zal ik afbreken; en zij zullen genoemd worden de landstreek der goddeloosheid, en een volk waarop de Heer vertoornd is eeuwiglijk. |
5 Dit zullen uwe oogen zien, en gij zult. zeggen: De Heer is heerlijk ver buiten de grenzen van Israël. 6 Een zoon moet zijnen vader eeren, en een knecht zijnen heer: ben ik dan een vader, waar is mijne eer? en ben ik een heer, wwtr vreest men mij? spreekt de Heer Zebaöth tot u o priesters, die mijnen naam veracht ; schoon gij vraagt: Waarmede verachten wij uwen naam? — 7 daarmede dat gij op mijnen altaar onrein brood offert. En vraagt gij: Waarmede offeren wij n iets onreins? — daarmede dat gij zegt: De tafel des Heeren is verachtelijk. |
MALEACHI 3.
less
|
8 En als gij offert hetgeen blind is, zoo moet liet niet kwaad hasten; en als gij offert hetgeen lam of krank is, zoo moet het ook niet kwaad heeten. Breng het uwen landvoogd: zie toe of gij hem behagen zult en of hij uw persoon zal aanzien, spreekt de Heer Zebaöth. 9 Smeekt dan nu God, dat hij ons genadig zij; want dit is geschied van ulieden; meent gij djat hij uwe personen zal aanzien? spreekt de Heer Zebaoth. 10 Mocht iemand onder u liever de deuren sluiten, opdat gij niet langer tevergeefs vuur op mijnen altaar ontsteekt! Ik heb geen behagen in u, spreekt de Heer Zebaóth, en het spijsofter van uwe handen is mij niet aangenafim; 11 want van den opgang der zon tot den ondergang toe zal mijn naam heerlijk zijn onder de volken, en aan alle plaatsen zal mijnen naam gewierookt en een rein spijsofter geofterd worden; want mijn naam zal heerlijk zijn onder de volken, spreekt de Heer Zebaoth, 12 maar gij ontheiligt dien, daar gij zegt: De tafel des Heeren is onheilig, en haar ofl'er is verachtelijk, en te vens hare spijs. |
13 Ook zegt gij: Zie, wat lastige dienst! en slaat het in den wind, spreekt de Heer Zebaóth. En gij offert hetgeen geroofd en lam en krank is, en oftiert het als spijsoffer: zou dit mij behagen van uwe hand? spreekt de Heer. 14 Vervloekt zij de bedrieger die in zijne kudde een mannetje heeft, hetwelk hij bij gelofte toewijdt, en dan den Heer offert hetgeen niet deugt; want ik ben een groot Koning, spreekt de Heer Zebaöth, en mijn naam is verschrikkelijk onder de volken. HOOFDSTUK 2. 1 En nu o priesters, tot u is dit gebod gericht. 2 Is het dat gij het niet hooren, noch ter harte zult nemen om mijnen naam de eer te geven, spreekt de Heer Zebaoth, zoo zal ik den vloek onder u zenden en uwen zegen in vloek verkeeren; ja vervloeken zal ik hem, dewijl gij het niet ter harte wilt nemen. 3 Zie, ik zal u bestraffen benevens het zaad, en u den drek uwer feestdagen in het aangezicht werpen, en die zal aan u blijven kleven. 4 Zoo zidt gij dan gewaar' |
|
worden dat ik dit gebod tot u gezonden heb, opdat mijn verbond zou zijn met Levi, spreekt de Heer Ze-baötb. 5 Want mijn verbond met bem was het leven en de vrede, en ik gaf hem de vrees, dat hij mij vreesde en mijnen naam ontzag. 6 De wet der waarheid was in zijnen mond, en geen kwaad was op zijne lippen gevonden; Lij wandelde voor mij vreedzaam en oprecht, en bekeerde er velen van zonde. 7 Want de lippen des priesters moeten de leer bewaren , opdat men uit zijnen mond de wet vrage; want bij is een Engel des Heeren Zebaoth. 8 Doch gij zijt van den weg afgetreden, en hebt velen doen struikelen in de wet, en hebt het verbond met Levi gebroken, spreekt de Heer Zebaoth. 9 Daarom heb ik u ook verachtelijk gemaakt en vernederd voor al het volk, dewijl gij mijne wegen niet houdt, en den persoon aanziet in de wet. 10 Hebben wij niet allen éénen vader ? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom verachten wij dan de één den ander, en ontheili ' |
1689 gen het verbond met onze vaderen gemaakt? 11 Juda is een verachter geworden, en in Israël en te Jeruzalem zijn gruwelen bedreven; want Juda heeft de heiligheid des Heeren, die hij liefheeft, ontheiligd, en boeleerde met de dochter van een vreemden god. 12 Maar de Heer zal dengeen die dat doet uitroeien uit de tenten van Jakob, zoo die wachthoudt als die antwoordt, die den Heer Zebaoth het spijsofler brengt. 13 Yerder doet gij ook dit, dat voor den altaar des Heeren niets dan tranen, geween en zuchten zijn, zoodat ik het spij softer niet meer kan aanzien noch iets met welgevallen uit uwe hand ontvangen. 14 En dan zegt gij: Waarom dit ? — daarom dat de Heer getuige is tusschen u en de vrouw uwer jeugd, welke gij versmaadt, haar die nochtans uwe gezellin en de vrouw uws verbondsis. 15 Deed de éénige niet zoo, toen er nog veel levenskracht in hem over was? Maar wat deed de éénige? Hij zocht het zaad van God beloofd. Daarom wachtuten aanzien uwer levenskracht, dat gij niet versmaadt de vrouw uwer jeugd. MALE ACH I 2. |
MALEACHI 3.
1690
|
10 Want ik haat het ver-stooten, spreekt de Heer, Israels God; en dat men zijne eerbare vrouw met hoon overdekt, spreekt de Heer Zebaóth: derhalve wacht ii aangaande uwe levenskracht, en versmaadt haar niet. 17 Gij doet den Heer moeite aan door uw spreken; en gij zegt: Waarmede doen wij hem moeite aan? — hiermede dat gij zegt: Wie kwaaddoet, die behaagt den Heer, en hij heeft welbehagen in hem; of: Waar is de God die straft? HOOFDSTUK 3. 1 Zie, ik zal mijnen Engel zenden, die den weg bereiden zal voor mijn aangezicht; en schielijk zal dan tot zijnen tempel komen de Heer dien gij zoekt, en de Engel des verbonds, naar wien gij verlangt; zie, hij komt, spreekt de Heer Zebaóth. 3 Maar wie zal den dag zijner komst kunnen verdfa- fen, en wie zal bestaan alsen, en wie zal bestaan als ij verschijnen zal? Want hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als de zeep der vollers; 3 hij zal zitten en smelten, en het zilver reinigen; hij zal de zonen van Levi |
reinigen en louti _ goud en zilver: dan zij den Heere spijsofieij toebrengen in gerechtighéid. 4 Én den Heer zal het spijsofler van Juda en Jeruzalem behagen, als tevoren en in vroegere jaren; 5 en ik zal tot u komen en u bestraften, en zal een snel getuige zijn tegen de toovcnaars, overspelers en meineedigen, en tegen hen die geweld en onrecht doen aan de daglooners, aan weduwen en weezén, en die den vreemdeling verdrukken, en mij niet vreezen, spreekt de Heer Zebaóth. 6 Want ik ben de Heer, die niet liegt; en liet zal met ii, kinderen van Jakob, niet geheel uit zijn. 7 Gij zijt van den tijd uwer vaderen af altoos afgeweken van mijne geboden, en gij hebt ze niet onderhouden: bekeert u dan tot mij, zoo zal ik mij tot ü keeren, spreekt de Heer Zebaóth. Doch gij zegt: Waarin zullen wij ons bekee-rêtl? — 8 Is het recht, dat een mensch God bedriegt, gelijk gij mij bedriegt? Maar gij zegt: Waarmede bedriegen wij u? —' met de tienden en het hefoffer. 9 Danrom zijt gij ook ver- i |
I f w:
i •
vloekt, omdat gij mij be- aldus: De Heer merkt het
MA.LEACHI 4.
1691
driegt, ja liet geheele volk. ■ Vlo Maar brengt de tien-tden geteel in mijn koren-ihuis, opdat in mijn buis spijs zij; en beproeft mij hierin, spreekt de Heer Ze-baóth, of ik voor u niet de vensters des hemels zal opendoen , en de volheid van zegen uitgieten.
11 En ik zal voor u den verslinder schelden, dat hij u de vrucht op het veld niet verderven zal, en de wijnstok op den akker u niet onvruchtbaar zij, spreekt de Heer Zebaoth;
13 zoodat alle volken u zalig zullen prijzen, want gij zult een waardig land zijn, spreekt de Heer Zebaoth.
13 üwe woorden zijn hard tegen mij, zegt do Heer; maar gij zegt: Wat spreken wij dan tegen u? —
14 Gij zegt: Het is tevergeefs dat men God dient; en wat baat het dat wij zijn gebod houden, en een streng leven leiden voor den Heer Zebaoth ?
1 |i 15 Daarom prijzen wijde i 11 verachters; want de godde-• llloozen nemen toe; zij ver-\\zooken God en het gaat hun \eer goed. —
10 Maar de godvreezenden troosten zich onder elkander
i
en hoort het, en er is voor zijn aangezicht een gedenkboek geschreven voor degenen die den Heer vreezen en aan zijnen naam gedenken.
17 Zij zullen, spreekt de Heer Zebaoth, op den dag dien ik maken zal, mijn eigendom zijn, en ik zal hen verschoonen zooals een man zijnen zoon verschoont die hem gehoorzaamt.
18 En gij zult daarentegen wederom zien, welk een onderscheid er is tusschen den rechtvaardige en den godde-looze, en tusschen dengeen die God dient en dengeen die hem niet dient.
HOOFDSTUK 4.
1 Want zie, er komt een dag, die branden zal als een oven: dan zullen alle verachters en goddeloozen als stroo zijn, en de toekomstige dag zal hen aansteken, spreekt de Heer Zebaoth, en zal hun noch wortel noch tak overlaten.
3 Maar ulieden, die mijnen naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en heil zal onder hare vleugelen zijn; en gij zult raten ingaan, en toenemen als de mestkalveren.
3 En gij zult de godde-
|
1692 MALE j loozen vertreden; want zij zullen asch onder uwe voeten worden, op den dag dien ik maken zal, spreekt de Heer Zebaöth. / 4 Gedenkt aan de wet van mijnen knecht Mozes, welke ik hem bevolen heb op den herquot;; Horeb voor geheel Israël, de geboden en rechten. 10 |
.CHI 4. 5 Zie, ik zal u den profeet Elia zenden, eer die groote en verschrikkelijke dag des Heeren komt. 6 Die zal het hart der vaders bekeeren tot de kinderen, en het hart der kinderen tot hunne vaders; opdat ik niet kome en quot;het aardrijk met den banvloek sla. |
EINDE VAN HEÏ OUDE TESTAMENT
11 KT
NIEUWE TESTAMENT,
OF
AL Dl? BOKKEN' DES NIEUWEN' VERBONDS
VAX ONZKN HEER
JEZUS CHRISTUS,
UIT 1)K IIOOaDUITSCHE VERTAMNQ VAN
Dr. M. LUTHER,
EERTIJDS DOOR
ADOLF VISSCHER
IN HET NEDERDUITSCII OVERGEZET. m
HERZIEN IN 1750, 1780, 1823, 1952, 1873 ES 1899.
UTTGKGEVEN DOOR HET
NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP.
Typ. J. VAN BOEKHOVEN, Utrecht.
*
ft
ï
I
REGISTER
VAN DE BOEKEN
DES NIEUWEN TESTAMENTS.
Blaclz.
Het Evangelie ran Matthcüs......................1— 6fi
Het Evangelie van Markus............66—108
Het Evangelie van Lnkas............108—180
Het Evangelie van Johannes...........180—SSé
De Handelingen der Apostelen..........234—304
De brief van Panlus aan de Romeinen..............305—333
De eerste brief van Panlus aan de Korintliiërs .... 333—361
De tweede brief van Panlus aan de Korintliiërs .... 361—379
De brief van Panlus aan de Galatiers................380—389
De brief van Panlus aan de Efeziërs ........ 389—399
De brief van Panlus aan de Filippiërs..............399—405
De brief van Panlus aan de Kolossers........-406—il2
De eerste brief van Panlus aan de ïhessalonikers . . . 412—418
De tweede brief van Paulus aan de Thessalonikers . . . 418—421
De eerste brief van Paulus aan Timotlieüs............421—428
De tweede brief van Paulus aan Timotlieüs..........428—434
De brief van Paulus aan Titus....................434—437
De brief van Paulus aan Eilémon..................437, 438
De eerste brief van Petrus........................438—446
De tweede brief van Petrus...........416—151
De eerste brief van Johannes......................451—458
De tweede brief van Johannes........................458, 459
De derde brief van Johannes...........459) 460
De brief aan de Hebreën............. 460_482
De brief van Jakobus.............. 482_489
De brief van Judas........................439_491
De Openbaring van Johannes......................491—525
-
i JL
■
■
¥-------- --
TIET EV,
v
MATT
H E Ü S
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is liet boek des ge-slaolits van Jezus Cliristus, den zoon van David, den zoon van Abraham. -— 2 Abraham verwekte Isaiik; Isailk verwekte Jakob; Jakob verwekte Juda en zijne broeders ; 3 Juda verwekte Peres en Zerah bij Tamar; Peres verwekte Hesron; Hesron verwekte Earn; 4 Eam verwekte Ammina-dab; Amminadab verwekte Nahesson; Nahesson verwekte Salmon; 5 Salmon verwekte Boas bij Raehab; Boas verwekte öbed bij Ruth; Obcd verwekte Isaï; (] Isaï verwekte den koning David. — De koning David verwekte Salomo bij Urïa's huisvrouw; 7 Salomo verwekte Reha-beam; Rehabeam verwekte Abia; Abia verwekte Asa; 8 Asa verwekte Josatat; .Tosafat verwekte Joram; Jo-ram verwekte Uzzia; 9 Uzzia verwekte Jotham; Jotham verwekte Achas; Aehas verwekte Hiskia; |
10 Hiskia verwekte Ma-nasse; Manasse verwekte Amon; Amon verwekte Josia; 11 Josia verwekte Jechonja en zijne broeders, omtrent den tijd der Babylonische gevangenschap. — 12 Na de Babylonische gevangenschap verwekte Jechonja Sealtiël; Sealtiël verwekte Zerubbabel; 13 Zerubbabel verwekte Abiud; Abiud verwekte El ja-kim; Eijakim verwekteAzor; 14 Azor verwekte Zadok; Zadok verwekte Achim; A-chim verwekte Eliud; 15 Eliud verwekte Eleazar; Eleazar verwekte Matthan; Matthan verwekte Jakob; 16 Jakob verwekte Jozef, den man van Maria, uit welke is geboren Jezus, genaamd Christus. 17 Al de geslachten van Abraham tot op David zijn veertien geslachten, en van David tot op de Babylonische gevangenschap zijn veertien geslachten , en van de Babylonische gevangenschap tot op Christus zijn óók veertien geslachten. — 18 De geboorten |
MATTHËUS 3.
|
Christus was aldus. Toen Maria, zijne moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer hij haar tot zich nam, bevond men datzij zwanger was van den Heiligen Geest. 19 Maar Jozef, haar man, was rechtvaardig, en haar niet willende te schande maken, besloot hij haar heimelijk te verlaten. 20 Toen hij dat nu alzoo bij zich zei ven overdacht, zie, toen verscheen hem een Engel des Heeren in den droom, en sprak: Jozef, zoon van David, vrees niet Maria, uwe vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar geboren is, dat is van den Heiligen Geest; 21 en zij zal een zoon baren; diens naam zult gij Jezus noemen, want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. 23 En dit alles is geschied, opdat vervuld werd hetgeen de Heer gesproken heeftdoor den profeet, die zegt: 23 //Zie, eene maagd zal zwanger worden en eeu zoon baren, en zij zullen zijnen naam noemen Immanuël,// hetwelk vertaald is: //God met ons.// 24 Toen nu Jozef uit den slaap wakker werd, deed hij zooals de Engel des Heeren hem bevolen had, en nam iw tot zich; r. |
25 en hij bekende haar niet, totdat zij haren eerstgeboren zoon gebaard had; en hij noemde zijnen naam Jezus. HOOFDSTUK 2. 1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judca, in de dagen van den koning Herodes, zie, toen kwamen er Wijzen uit het Oosten te Jeruzalem, 2 en zeiden: Waar is de [/«'ti/«o-]geboren koning der Joden? Wij hebben zijne ster gezien in het Oosten, en ziju gekomen om hem te aanbidden. 3 Toen nu de koning Herodes dat hoorde, ontstelde hij, en met hem geheel Jeruzalem ; ■i en hij liet vergaderen alle hoogepriesters en schriftgeleerden des volks, en vraagde van hen waar de Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in Judéa; want aldus staat geschreven door den profeet: 6 //En gij, Bethlehem, land van Juda, gij zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een heerscher voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal.// 7 Toen ontbood Herodes de Wijzen heimelijk tot zich, en |
|
Q MATTI onderzocht nauwkeurig van lien den tijd, wanneer do ster versoheiien was. 8 En hij zond hen naar Bethlehem, en zeide: Gaat heen en vraagt nauwkeurig naar het kind; en als gij het vindt, zoo zegt het mij weder, opdat ik óók kome en het aanbidde. 9 Als zij nu den koning-gehoord hadden, trokken zij heen. En zie, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat zij kwam en stond boven \de plaats], waar het kind was. 1U Toen zij nu de ster zagen, werden zij zeer verblijd; 11 en zij gingen in hethuis, en vonden het kind met Maria, zijne moeder, en zij vielen neder en aanbaden het, en deden hunne schatten open, en schonken hem goud , wierook en mirre. 13 En God beval hun in een droom, dat zij tot Herodes niet zouden wederkee-ren; en zij togen langs een anderen weg weder naar hun land. 13 Toen zij nu weggereisd waren, zie, toen verscheen een Engel des Heeren aan Jozef in een droom, en zeide; Stii op, en neem het kind en zijne moeder tot u, en vlied naar Egypte, en blijf aldaar, totdat ik het u zeg; |
[EÜS 3. 3 want het is ophanden dat Herodes het kind zal zoeken, om het te dooden. 14 En hij stond op, en nam het kind en zijne moeder tot zich in den nacht, en ontweek naar Egypte, 15 en bleef aldaar tot na den dood van Herodes, opdat vervuld zoude worden hetgeen de Heer gesproken heeft door den profeet, zeggende : //Uit Egypte heb ik mijnen zoon geroepen.// 16 Toen Herodes nu zag dat hij door de Wijzen bedrogen was, werd hij zeer toornig, en zond uit en liet alle kinderen dooden te Bethlehem en binnen al deszelfs landpalen, vau twee jaren en daaronder, naar den tijd dien hij nauwkeurig van de Wijzen onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den proleet Jeremia, zeggende: 18 //Een gejammer is in Kama gehoord, veel geklag, geween en gekerm; Rachel beweende hare kinderen, en wilde zich niet laten troosten, omdat zij niet meer waren.// 19 Toen nu Herodes gestorven was, zie, toen verscheen een Engel des Heeren aan Jozef in eeneu droom in Egypte, 20 en zeide: Sta op, en |
MATTHEÜS 3.
4
|
neem (hèt kind en zijne moeder tot u, en trek heen naar het land van Israël; want zij zijn gestorven die naar het leven van het kind stonden. 21 En hij stond op, en nam het kinden zijne moeder tot zich, en kwam in het land van Israël. 22 Maar toen hij hoorde dat Archelaiis in Judéa koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij derwaarts te komen; en in een droom kreeg hij een bevel van God, en trok naar het landschap Raliléa. 23 En hij kwam en woonde in eene stad, genaamd Naza-ret, opdat vervuld zoude worden hetgeen gezegd is door de profeten: Hij zal Nazarener heeten. HOOFDSTUK 3. 1 In dien tijd kwam Johannes de Hooper en predikte in de woestijn van Judéa; 2 en hij zeide: Boet boete, want het hemelrijk is nabij gekomen. 3 En hij is het, van wien de profeet Jesaja gesproken heeft, en gezegd: //Er is eene stem eens predikers in de woestijn: Bereidt voor den Heer den weg, en maakt zijne paden recht.// |
4 En hij, Johannes, had' een kleed van kemelshaar, en een lederen gordel om zijne lende; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. 5 Toen ging uit tot hem Jeruzalem en geheel Judéa en de gehecle omstreek der Jordaan; 6 en zij lieten zich in de Jordaan door hem doopen, en bekenden hunne zonden. 7 Als hij nu vele Farizeën en Sadduceën tot zijnen doop zag komen, zeide hij tot hen: Gij addergebroedsels, wie heeft u getoond dat gij den toekomenden toorn ontvlieden zult ? 8 Ziet toe, brengt oprechte vruchten der boete voort; 9 en denkt niet bij u zelve te zeggen; Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u dat God ook uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 He bij l is reeds aan den wortel der 1 women gelegd: elke boom derhalve die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 11 Ik doop u met water tot boete; maar die na mij komen zal is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben aan te dragen: die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen. |
MAÏTHEÜS 4.
5
|
13 Eu hij heeft zijue wan i» de hand; hij zal zijnen dorschvloer vegen, en de tarwe in zijne schuur vergaderen, maar het kaf zal hij verbranden met onuit-bluschbaar vuur. 13 Te dier tijd kwam Jezus uit Galiléa naar de Jordaan tot Johannes, om zich door hom te laten doopen. I I Maar Johannes weigerde het hem, en zeide: Ik heb noodig door u gedoopt te worden, en gij komt tot mij ? 15 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hem: Laat het nu zoo zijn; want dus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het hem toe. 16 En toen Jezus gedoopt was, klom hij terstond op uit het water; en zie, toen opende de hemel zich boven hem, en hij \Joliames\ zag den Geest Gods gelijk eene duif nederdalen en op hem komen. 17 Eu zie, eene stem uit den hemel zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien ik een welbehagen heb. HOOFDSTUK 4. 1 ïoen werd Jezus door den Geest heengeleid in de woestijn, om door den duivel verzocht te worden. |
3 En toen hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem. 3 En de verzoeker trad tot hem en zeide: Zijt gij Gods Zoon, zoo zeg dat deze stee-nen brooden worden. 4 Doch hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: //De mensch leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat door den mond Gods uitgaat.// 5 Toen voerde de duivel hem met zich in de heilige stad, en stelde hem op de tinne des tempels, 6 en zeide tot hem: Zijt gij Gods Zoon, zoo werp u nederwaarts; want er staat geschreven: //Hij zal wegens u zijnen Engelen bevelen, en zij zuilen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet niet aan een steen stoot.// 7 Doch Jezus zeide tot hem: Wederom staat er geschreven: //Gij zult God, uwen Heer, niet verzoeken.// 8 Wederom voerde de duivel hem met zich op een zeer hoogen berg, en toonde hem al de koninkrijken dei-wereld en hunne heerlijkheid, 9 en zeide tot hem: Dit alles zal ik u geven, indien gij nedervalt en mij aanbidt. 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg van mij, satan! want er staat geschreven: //Gij zult |
MATTHEUS B.
6
|
God , uwen Heer, aanbidden en hem alleen dienen.// 11 Toen verliet hem de duivel; en zie, toen traden Engelen tot liem en dienden hem. 12 Toen nu Jezus hoorde dat Johannes overgeleverd was, vertrok hij naar Galiléa, 13 en verliet de stad Na-zaret, en kwam en woonde te Kapernaüm, hetwelk ligt aan de zee, binnen de landpalen van Zebulon en Naftali; 14 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet Jesaja, zeggende; 15 //Het land Zebulon en het land Naftali, naar den weg der zee aan gene zijde van de Jordaan, het hei-densche Galiléa; 16 het volk dat in de duisternis zat heeft een groot licht gezien, en hun die in de landstreek en schaduw des doods zaten is een licht opgegaan.// 17 Van dien tijd af begon Jezus te prediken, en te zeggen; Doet boete, het hemelrijk is nabij gekomen. Is Als nu Jezus aan de Ga-lileesche zee wandelde, zag hij twee broeders, Simon, genaamd Petrus, en Andréas, zijnen broeder, die hun net in zee uitwierpen; want zij waren visschers. |
19 En hij zeide tot hen; Volgt mij; ik zal u tot visschers van menschen maken. 20 En terstond verlieten zij hunne netten en volgden hem. 21 En toen hij van daar voortging, zag hij twee andere broeders, Jakobus, den zoon van /ebedeüs, en Johannes, zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Ze-bedeüs hunne netten verstellende; en hij riep hen. 32 Terstond verlieten zij het schip en hunnen vader, en volgden hem. 23 En Jezus trok geheel Galiléa om, en leerde in hunne synagogen, en predikte het evangelie van het rijk, en genas allerlei ziekte en kwaal onder het volk. 21 En het gerucht van hem verspreidde zich in geheel zij braehten tot hem allerlei kranken, met menigerlei ziekten en kwalen bezocht, bezetenen, maan-zuchtigen, en verlamden; en hij genas hen. 25 En veel volk volgde hem uit Galiléa, uit Deka-polis, uit Jeruzalem, uit Judéa, en van gene zijde van de Jordaan. HOOFDSTUK 5. 1 Toen hij nu het volk zag, ging hij op een berg en zette Syrië; en |
MATTHRÜS
7
|
zicli neder, en zijne jongeren traden tot hem. 2 En hij deed zijnen mond open, en leerde hen enzeide: 3 Zalig zijn de geestelijk armen, want hunner is het hemelrijk. 4 Zalig zijn wie rouwdra-gen, want zij zullen getroost worden. 5 Zalig zijn dczachtmoedi-gen, want zij zullen liet aardrijk beërven. 6 Zalig zijn wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmharti-gen, want zij zullen barmhartigheid vinden. 8 Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien. 1) Zalig zijn de vredestinh-ters, want zij zullen Gods kinderen heeten. 10 Zalig zijn wie om de gerechtigheid vervolgd wor- . den, want hunner is het hemelrijk. 11 Zalig zijt gij, als de men-schen u om mijnentwil smaden en vervolgen, en allerlei kwaad tegenuspreken, maar daarin liegen. 13 Zijt vroolijk en blijmoedig, omdat uw loon groot zal zijn in den hemel; want zóó hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn. |
13 Gij zijt het zout dei-aarde. Zoo nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het zouten ? Het deugt verder nergens meer toe, dan om naar buiten geworpen en door de menschen vertreden te worden. 14 Gij zijt het licht der wereld. Eene sfad die opeen berg ligt kan niet verborgen blijven. 15 Men steekt ook geen lioht aan en zet het ondereen korenmaat, maar op een kandelaar; zoo schijnt het voor allen die in hot huis zijn. 16 Laat alzóó uw licht lichten voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Yader in den hemel prijzen. 17 Gij moet niet meenen dat ik gekomen ben om de wet of de proleten te ontbinden; ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18 Want voorwaar ik zeg u: Totdat hemel en aarde voorbijgaan, zal niet de kleinste letter noch écu tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal geschied zijn. 19 Wie nu één der kleinste geboden ontbindt ,en de menschen alzóó leert, zal de kleinste zijninhethemelrijk; maar wie ze doet en leert, zal groot zijn in het hemelrijk. |
_
|
8 20 Waut ik zeg li: Tenzij uwe gereclitigheid beter zij dan die der schriftgeleerden en Farizeën, zoo zult gij niet in liet hemelrijk komen. 21 Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: //öij zult niet dooden; maar wie doodt, zal voor het gericht schuldig zijn.// 33 Doch ik zeg u; Wie op zijnen broeder toornig is, is voor het gericht schuldig; en wie tot zijnen broeder zegt: Kaka! is voor den raad schuldig; maar wie zegt; Gij dwaas! is tot het helsche vuur schuldig. 23 Daarom, als gij uwe gave op het altaar oil'ert, en aldaar indachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, 34 zoo laat uwe gave aldaar voor het altaar, en ga heen eu verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en oiler uwe gave. 35 Yersta u schielijk met uwen wederpartij der, terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat de wederpartijder u niet misschien oveiievere aan den rechter, en de rechter u overlevere aan den dienaar, en gij in den kerker geworpen wordt. 36 Voorwaar ik zeg u: Gij zult daar niet uitkomen, totdat gij zelfs den laatsten penning zult betaald hebben. |
37 Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: //Gij zult geen overspel doen.// 38 Maar ik: zeg u: Wieeene vrouw aanziet om haar te begeeren, heeft alreeds overspel met haar bedreven in zijn hart. 20 Indien uw rechteroog u ergert, zoo trek het uit en werp het van u: hetisu beter dat één uwer leden verderft, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen wordt. 30 En indien uwe rechterhand u ergert, zoo houw ze af en werp ze van u. Het is u beter dat één uwer leden verderft, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen wordt. 31 Er is ook gezegd: //Wie zich van zijne vrouw afscheidt , zal haar een seheidbrief geven.// 33 Maar ik zeg u: Wie zich van zijne vrouw afscheidt, tenzij dan om overspel, maakt dat zij overspel doet; en wie eene gescheidene trouwt, doet overspel. 33 Voorts hebt gij gehoord dat tot de ouden gezegd is: //Gij zult niet trouweloos zweren , maar gij zult den Heer uwen eed houden.// 34 Maar ik zeg u: Zweert in het geheel niet; noch bij MATÏHI5ÜS 5. |
MAÏTHEÜS 6.
9
|
den lieinel, want hij is Gods troon; 35 noch bij de aarde, want zij is zijne voetbank; noch bij Jeruzalem, want zij is de stad des groeten Konings; 36 ook zult gij niet zweren bij uw hoofd, want gij vermoogt niet cun haar wit of zwart te maken. 37 Maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen: wat daarboven gaat is van den booze. 38 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: //Oog om oog, (and om tand.// 39 Maar ik zeg u: Gij zult den boozen '\iremcU\ niet wederstaan; maar zoo iemand u een slag geeft op uwe rechterwang, bied dien ook de andere; 40 en zoo iemand met u wil rechten en uwen rok nemen, laat dien ook den mantel; 41 en zoo iemand u dwingt om céne mijl te gaan, zoo ga er twee met hem. 42 Geef dengeen die u bidt, en keer u niet af van dengeen die van u leenen wil. 43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: //Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand haten.// 44 Maar ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief, zegent die u vloeken, doet vvèl dengenen die u haten, bidt voor degenen die u leed aandoen en u vervolgen; |
45 opdat gij kinderen zijt uws vaders in den hemel; want hij laat zijne zon opgaan over boozen en goeden, en laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaar-digen. 46 Want indien gij lief-hebt die u liefhebben, wat loon zult gij hebben? Doen niet ook de tollenaars hetzelfde? 47 En indien gij u jegens uwe broeders alleen vriendelijk toont, wat doet gij buitengewoons? Doen niet ook de heidenen alzoo? 48 Daarom weest gij volkomen, gelijk uw Vader in den hemel volkomen is. HOOFDSTUK 6. i Hebt acht dat gij uwe gerechtigheid niet doet voor de inenschen, om door hen gezien te worden: anders liebt gij geen loon bij uwen Vader in den hemel. 3 Wanneer gij dan eene aalmoes geeft, zoo zult gij niet voor u laten trompetten, gelijk de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, opdat zij door de menschen geprezen worden: voorwaar, ik zeg u: Zij hebben hun loon weg. 3 Maar als gij eene aalmoes |
MA.TTHEÜS 6.
10
|
geeft, zoo laat uwe linker-hand niet weten wat uwe rechterhand doet, 4 opdat uwe aalmoes verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 5 En als gij bidt, zoo zult gij niet zijn als de huichelaars, die gaarne staande bidden in de synagogen en aan de hoeken der straten, opdat zij van de menschen gezien worden. Voorwaar, ik zeg u: Zij hebben hnn loon weg. 6 Maar als gij bidt, zoo ga in uwe binnenkamer, en sluit de deur toe, en bid tot uwen Vader in het verborgen ; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo zult gij niet vele ijdele woorden maken, gelijk dc heidenen; want zij meenen dat zij verhoord worden, als zij vele woorden maken. 8 Wordt hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij behoeft, eer gij hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader in den hemel! Uw naam worde geheiligd! 10 Uwrijkkome! Uw wil geschiede op de a/irde als in den hemel! |
11 Geef ons heden ons dagelijksch brood! 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk wij onzen schuldenaren vergeven! 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den kwade! Want u is het rijk en de krachten de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen. 14 Want indien gij den menschen hunne feilen vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader u ook vergeven; 15 maar indien gij den menschen hunne feilen niet vergeeft, zoo zal uw Vader u ook uwe feilen niet vergeven. 16 Desgelijks als gij vast, zoo ziet niet treurig gelijk de huichelaars; want zij mis-maken hun aangezicht, opdat zij door de menschen gezien worden als zij vasten. Voorwaar, ik zeg u: Zij hebben hun loon weg. 17 Maar als gij vast, zoo zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, 18 opdat het door de menschen niet gezien worde, als gij vast, maar door uwen Vader die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaav vergelden. 19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar de motten en de roest ze eten, |
MATTHEÜS 6.
11
|
en waar de dieven graven en stelen; 20 maar vergadert u schatten in den hemel, waai noch motten noch roest ze eten, en waar de dieven niet graven noch stelen. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 23 De lamp des lichaams is het oog. Indien nu uw oog gezond is, zoo zal uw ge-heele lichaam licht zijn; 23 maar indien uw oog krank is, zoo zeil uw geheelc lichaam duister zijn. Indien dus het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot zal dan de duisternis zijn! 24 Niemand kan twee hee-ren dienen; want hij zal óf den eénen haten en den anderen liefhebben, ö( den cénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 25 Daarom zeg ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en drinken zult, noch voor uw lichaam, wat gij aantrekken zult. Is het leven niet meer dan de spijs,' en het lichaam niet meer dan de kleeding? 26 Aanschouwt de vogelen' des hemels: zij zaaien niet, zij maaien niet, zij vergaderen niet in schuren, en uw hemelsche Vader voedt ze nochtans; zijt gij niet veel meer dan zij? |
27 Wie onder u kan door te zorgen aan zijne lengte ééne el toevoegen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanschouwt de leliën op het veld, hoe zij groeien: zij arbeiden niet, en spinnen niet; 39 en ik zeg u, dat zelts Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed is geweest als een van deze. 30 Indien dan God het gras op het veld alzoo kleedt, dat nochtans heden staat en morgen in den oven geworpen wordt, zou hij dat niet veel meer u doen, gij kleinge-loovigen? 31 Daarom weest niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleeden? 32 Want naar dit alles trachten de heidenen; uw hemelsche Vader toch weet dat gij dit alles behoeft. 38 Maar tracht eerst naar het rijk Gods en zijne gerechtigheid, zoo zal u dit alles toegevoegd worden. / 34! Daarom weest niet bezorgd voor den volgenden morgen; want de dag van morgen zal voor het zijne zorgen; eikedagheeftgenoeg aan zijne eigene plaag. |
MATTHEÜS 7.
12
|
HOOFDSTUK 7. 1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u weder-gemeten worden. 3 En wat ziet gij den splinter in uws broeders oog, en wordt den balk niet gewaar, die in uw eigen oog is? 4 Of hoe durft gij zeggen tot uwen broeder: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog trekke; en zie, er is een balk in uw oog. 5 Gij huichelaar, trek eerst den balk uit uw oog, en zie dan hoe gij den splinter uit uws broeders oog zult trekken. 6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen, opdat zij die niet vertreden met hunne voeten, en zich om-keeren en u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt aan, en uzal opengedaan worden. 8 Want wie bidt, ontvangt; en wie zoekt, vindt; en wie aanklopt, dien zal opengedaan worden. 9 Óf welk mensch is er onder u, die, als zijn zoon hem bidt om brood, hem een steen zou geven, |
10 of als hij hem bidt om een visch, hem een slang zou geven? 11 Indien dan gij, die boos zijt, nochtans aan uwe kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader in den hemel goede \g(imï\ geven dengenen, die hem daarom bidden! 12 Alles dus, wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun dat ook; want dit is de wet en do profeten. 13 Gaat in door de enge poort. Want de poort is wijd en de weg is breed die ten verderve leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan. 14 En de poort is eng en de weg is smal die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden. 15 Wacht u voor de val-sche profeten, die in schaaps-kleederen tot u komen, maar inwendig roofzuchtige wolven zijn. 16 Aan hunne vruchten zult gij ze kennen. Kan men ook druiven lezen van doornen, of vijgen van distels? 17 Zoo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, en een kwade boom brengt kwade vruchten voort. 18 Een goede boom kan |
MATTHEl 'S 8.
13
|
geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Elke boom, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in liet vuur geworpen. 20 Daarom, aan hunne vruchten zult gij ze kennen. 21 Niet allen, die tot mij zeggen: Heer, Heer! zullen in het hemelrijk komen, maar die den wil doen van mijnen Vader in den hemel. 23 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, hebben wij niet in uwen naam booze geesten uitgedreven, hebben wij niet in uwen naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal ik hun ronduit zeggen: Ik heb u nooit gekend ; maakt u weg van mij, gij kwaaddoeners! 24 Al wie nu deze mijne woorden hoort en er naar doet, dien vergelijk ik bij een wijs man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft. 25 Toen nu een slagregen viel, en een waterstroom kwam, en de winden waaiden en tegen dat huis stieten, viel het echter niet, want het was op eene steenrots gegrond. |
26 Maar wie deze mijne woorden hoort en er niet naar doet, is gelijk een dwaas man, die zijn huis op zand gebouwd heeft. 27 Toen nu een slagregen viel, en een waterstroom kwam, en de winden waaiden en tegen dat huis stieten, toen viel het om, en deed een grooten val. 28 En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat het volk zich ontzette over zijne leer; 29 want hij predikte als machthebbende, en niet gelijk de schriftgeleerden. HOOFDSTUK S. 1 Toen hij nu van den berg afging, volgde hem veel Volk na. 2 En zie, een melaatsche kwam en viel voor hem neder, en zeide: Heer, indien gij wilt, zoo kunt gij mij reinigen. 3 En Jezus strekte zijne hand uit en raakte hem aan, en zeide: Ik wil het doen, wees gereinigd! En terstond werd hij rein van zijne melaatschheid. 4 En Jezus sprak tot hem: Zie toe dat gij het niemand zegt; maar ga heen en toon u den priester, en offer de gave die Mozes bevolen heeft, tot een bewijs voor hen. 5 Toen nu Jezus te Kaper- |
MATTHEÜS S.
14
|
naüinquot;inging, trad een hoofdman tot hem, die hem bad, 6 zeggende: Heer, mijn knecht ligt te huis en is verlamd, en heeft groote kwalen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem gezond maken. S De hoofdman antwoordde en zeide: Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak komt; maar spreek al-leenlijk; een woord, zoo zal mijn knecht gezond worden. 9 Want ook ik ben een mensch, aan de overheid onderdanig, en heb krijgsknechten onder mij; en wanneer ik zeg tot den één: Ga heen, zoo gaat hij; en tot den ander: Kom herwaarts, zoo komt hij; en tot mijnen knecht: Doe dit, zoo doet hij het. 10 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde hij zich, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar, ik zeg u, zulk een geloof heb ik zelfs in Israël niet gevonden. 11 Maar ik zeg u, dat velen zullen komen van het Oosten en van het Westen, en met Abraham en Isailk en Jakob in het hemelrijk zitten; 13 maar de kinderen van het rijk zullen uitgeworpen worden in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en geknars der tanden. |
13 En Jezus zeide tot den hoofdman: Ga heen, u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht werd gezond terzelfder nre. 14 En Jezus kwam inliet huis van Petrus, en zag dat, diens schoonmoeder te bed lag en de koorts had. 15 Toen greep hij hare hand, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 Toen het nu avond was, brachten zij vele bezetenen tot hem, en hij dreef de geesten uit door zijn woord, en maakte allerlei kranken gezond; 17 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet Jesaja, zeggende: '/Hij heeft onze zwakheden op zich genomen, en onze krankheden gedragen.// 18 En toen Jezus veel volk rondom zich zag, gebood hij dat men zou overvaren naar de andere zijde der zee. 19 En een schriftgeleerde kwam tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen , waar gij ook heengaat. 30 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels des hemels hebben nesten ; maar des Menschen Zoon heeft niet, waar hij zijn hoofd kan nederleggen. 21 En een ander van zijne |
MATTHEIJS 9.
15
|
jongeren zeide tot liem: Heer, vergun mij dat ik eerst lieenga eu mijnen vader begrave. 22 Maar Jezus zeide tot liem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. 23 Eu bij trad inhetsoliip, en zijne jongeren volgden hem. 24 En zie, er ontstond groote ontstuimigheid in de zee, zoodat het scheepje met golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En de jongeren traden 'tot hem en wekten liem op, en zeiden: Heer, help ons, wij vergaan! 26 Toen zeide hij tot hen: Gij kleingeloovigen, hoe zijt gij zoo bevreesd? En hij stond op en bedreigde den wind en de zee; toen kwam er groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, en zeiden : Wat man is deze, dat wind en zee hem gehoorzaam zijn! 28 En als hij kwam aan de andere zijde der zee, in het landschap der Gadarenen ,• liepen hem twee bezetenen te gemoet; die kwamen uit de graven, en waren zeer woedend, zoodat niemand langs dien weg kon voorbijgaan. 29 Eq zie, zij riepen, zeggende : Ach Jezus, gij Zoon |
Gods, wat hebben wij met u te doen? Zijt gij hier gekomen, om ons te kwellen vóór den tijd ? 30 Verre van hen nu was eene groote kudde zwijnen op de weide. 31 Toen baden de booze geesten hem en zeiden: Wilt gij ons uitdrijven, zoo vergun ons in die kudde zwijnen te varen. 32 En hij zeide tot hen: Vaart heen! Toen voeren zij uit, en voeren in de kudde zwijnen. En zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water. 33 En de hoeders vloden , en gingen heen in de stad, en verhaalden alles, en hoe het met de bezetenen was toegegaan. 3-i En zie, toen ging de geheele stad uit, Jezus te ge-moet; en toen zij hem zagen , baden zij hem dat hij van hunne grenzen wilde wijken. HOOFDSTUK 9. 1 Toen trad hij in het schip, en voer weder over en kwam in zijne stad. 2 En zie , toen brachten zij tot hem een verlamde, die op een bed lag. En toen Jezus hun geloof zag, zeide hij tot den verlamde: Heb |
MATTHEUS 9.
Ifi
|
goeden moed mijn zoon, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, eenigen van de sehriftgeleerden zeiden bij zich zelve: Deze lastert God. 4 Toen nu Jezus hunne gedachten zag, zeide hij : Waarora denkt gij zoo kwaad in uwe harten? 5 Wat is lichter, te zeggen: Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Maar opdat gij weet, dat des Mensclien Zoon macht heeft op aarde om zonden te vergeven (zoo zeide hij tot den verlamde); Sta op, neem iuv bed op, en ga naar uw huis. 7 En hij stond op en ging naar zijn huis. 8 Toen het volk dat zag, verwonderden zij zich, en prezen God, die zulk eene macht den menschen gegeven had. 9 En toen Jezus van daar ging, zag hij een mensch in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg mij. En hij stond op en volgde hem. 10 En het geschiedde, toen hij aan tafel zat in het huis, zie, toen kwamen vele tollenaars en zondaars en zaten mede aan tafel met Jezus en zijne jongeren. |
11 Toen de Farizeën dat zagen, zeiden zij tot zijne jongeren: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren? 13 Toen nu Jezus dit hoorde, zeide hij tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maar de kranken. 13 Doch gaat heen en leert wat dit zegt: //Ik heb een welbehagen aan barmhartigheid , en niet aan offerande.// Want ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen. 14 Toen kwamen de jongeren van Johannes tot hem, en zeiden : Waarom vasten wij en de Farizeën zooveel, en uwe jongeren vasten niet? 15 En Jezus zeide tot hen: Hoe kunnen de bruiloftslieden rouwdragen zoolang de bruidegom bij hen is? Maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen genomen zal worden; dan zullen zij vasten. 16 Niemand lapt een oud kleed met een lap nieuw laken; want de lap scheurt weder af van het kleed, en de scheur wordt erger. 17 Men doet ook geen jongen wijn in oude lederen zakken ; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar |
MA.TTHEÜS 9.
17
|
men doet jongen wijn in nieuwe lederen zakken, dan worden zij beide te zamen behouden. 18 Toen hij dit met hen sprak, zie, toen kwam een (Ier oversten en viel voor hem neder, enzeide: Heer, mijne dochter is zoo even gestorven; maar kom en leg uwe hand op haar, en zij zal weder leven. 19 En Jezus stond op, en volgde hem, en zijne jongeren. 30 En zie, eene vrouw, die twaalf jaren aan bloedvloeiing geleden had, trad van achteren tot hem, en raakte den zoom zijns kleeds aan. 31 Want, zeide zij bij zich zelve: Indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik gezond worden. 33 Toen keerde .lezus zich om en zag haar, en zeide: Heb goeden moed, mijne dochter, uw geloof heeft u geholpen. En de vrouw werd gezond van deze ure af. 33 En als hij in het huis des oversten kwam, en zag de fluitspelers en het. jammerende volk, 34 zeide hij tot hen: Vertrekt , want het meisje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten hem. |
35 Doch als het volk uit-Sgedroven was, ging hij binnen, en greep haar bij dehand; toen stond het meisje op. 36 En het gerucht hiervan ging uit in dat geheele land. 37 En toen Jezus van daar voortging, volgden hem twee blinden, die riepen en zeiden: Ach, gij zoon Davids, ontferm u over ons! 38 En als hij in huis kwam, traden de blinden tot hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat ik dit doen kan ? Zij zeiden tot hem: Ja, Heer. 39 Toen raakte hij hunne oogen aan, en zeide: U geschiede naar uw geloof. 30 En hunne oogen werden geopend. En Jezus gebood hun ernstig en zeide: Ziet toe, dat niemand het, ver-neme. 31 Maar zij gingen uit en maakten hem ruchtbaar in dat geheele land. 33 Toen deze nu uitgegaan waren, zie, toen brachten zij tot hem een stommen mensch, die bezeten was. 33 En toen de booze geest uitgedreven was, sprak de stomme. En het volk verwonderde zich, en zeide: Zoo iets is nog nooit in Israël gezien. 34 Maar de Parizeen zeiden: Hij drijft de booze geesten uit door den overste der booze geesten. 33 En Jezus ging overal |
MATTHETIS 10.
18
|
om, in alle steden en vlekken , en leerde in hunne synagogen, en predikte liet evangelie vau bet rijk; en hij genas allerlei ziekte en alle kwalen onder het volk. 36 En toen hij het volk zag, jammerde het hem; want zij waren versmacht en verstrooid, gelijk schapen die geen herder hebben. 37 Toen zeide hij tot zijne jongeren: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. 38 Bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst zende. HOOFDSTUK 10. 1 En hij riep zijne twaalf jongeren tot zich, en gaf hun macht over de onreine geesten, 'om ze uit te drijven, en allerlei ziekte en allerlei kwaal te genezen. 2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: De eerste Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijnbroeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; 3 Filippus en Bartholo-meiis, Thomas en Mattheüs de tollenaar. Jakobus, de zoon van Alfeüs, on Lebbeüs, met den toenaam Tiiaddeüs; 4 Simon van Kana, en Judas Iskariot, die hem verried. |
5 Deze twaalf zond Jezus uit, en gebood hun en zeide: Gaat niet op den weg der heidenen, en trekt niet in de steden der Samaritanen; | 6 maar gaat in de eerste plaats tot de verloren schapen | van het huis Israels. 7 En gaat heen en predikt, zeggende: Het hemelrijk is nabij gekomen. 8 Maakt kranken gezond, reinigt melaatschen, wekt dooden op, drijft booze geesten uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het ook om niet. j 9 Gij zult geen goud, noch Iquot; zilver, noch koper in uwe I gordels hebben, 10 ook geen reiszak op den weg, noch twee rokken, nocli schoenen, noch staf; want de arl )eider is zijne spijs waard ig. I 11 En in wat stad of vlek % gij komt, zoo onderzoekt of 1 iemand aldaar het waardig J-is; en blijft bij dien, tot gij van daar trekt. 12 En als gij in een huis gaat, zoo groet het. 13 En indien dat huis het | waardig is, zoo zal uw vrede daarover komen; maar indien 't het niet waardig is, zoo zal uw vrede tot u weder-keeren. , 14 En indien iemand u niet ' zal aannemen, noch naar uwe ^ woorden hooren, zoo gaat uit i de ov zo op en 2 de |
MATTHEUS 10.
19
|
dat liuis of uit die stad, en schudt het stof van uwe voeten. 15 Voorwaar, ik zeg u: Het zal het land van Sodom en Gomorra dragelijker zijn ten dage des oordeels dan die stad. 16 Zie, ik zend u als schapen midden onder de wolven; daarom zijt voorzichtig gelijk de slangen, en zonder valschheid gelijk de duiven. 17 Maar wacht u voor de menschen; want zij zullen u overleveren aan hunne rechtbanken, en zullen u geeaelen in hunne synagogen; 18 en men zal u voor vorsten en koningen leiden om mijnentwil, hun en den heidenen tot eene getuigenis. 19 Doch wanneerzij uover-llereren, zoo weest niet be-■ zorgd, koe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult; 20 want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Weest uws Vaders, die door u spreekt. 21 En de eene broeder zal den anderen tot den dood overleveren, en de vaderden zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders, en hen ter dood brengen. |
22 En gij zult gehaat worden door iedereen om mijns naams wil; maar wie tot het einde volstandig blijft, zal zalig worden. ezus ide: der t in ren; ïrste ipen t / i' /1 tikt, jk is and, vekt rees-, om took noch uwe i den noch vlek J kt of s hei | rrede idien , /.00 eder- i niet ? c uwe tl at uit j 23 Wanneer zij u dan in de eene stad vervolgen, zoo vliedt naar de andere. Voorwaar, ik zeg u: Gij zult met de steden van Israël niet ten einde wezen, of des Menschen Zoon zal gekomen zijn. 2*1 De jonger is niet boven zijnen meester, noch de knecht boven zijnen heer. 25 liet zij den jonger genoeg dat hij gelijk zijn meester, en den knecht dat hij gelijk zijn heer is. Hebben zij den huisvader Beëlzebub gehee-ten, hoeveel te meer zullen zy zijne huisgenooten zoo noemen! 26 Daarom vreest niet voor hen; want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, en niets geheim dat men niet weten zal. 27 Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt dat in het licht; en wat gij hoort in het oor, predikt dat opdedaken. 28 En vreest niet voor degenen die het lichaam doo-den, en de ziel niet kunnen dood en ; maar vreest veelmeer voor hern, die beide, lichaam en ziel, verderven kan in de hel. 29 Worden niet twee mus-schen voor een penning ver- -■sstsaiquot; |
MATTHEUS 11.
20
|
koclit? Nochtans valt er geen van deze op de aarde zonder uwen Vader. 30 Maar zelfs uwe haren op het hoofd zijn alle geteld. 31 Daarom vreest niet; gij xijt meer dan vele rausschen. 33 Een ieder dan, die mij belijden zal voor de men-sehen, dien zal ik ook belijden voor mijnen hemelschen Vader; 33 maar wie mij verloochent voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen hemelschen Vader. 34 Denkt niet dat ik gekomen ten om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want ik ben gekomen om verdeeldheid te brengen tnsschen den raensch en zijnen vader, en tnsschen de dochter en hare moeder, en tnsschen de schoondochter en hare schoonmoeder; 36 en 's menschen vijanden zullen zij ne eigene huisgenoo-ten zijn. 37 Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij, is mijns niet waardig; en wie zoon of dochter meer liefheeft dan mij, is mijns niet waardig; 38 en wie zijn kruis niet op zich neemt en mij volgt, is mijns niet waardig. |
39 Wie zijn leven vindt, tai het verliezen; en wie zijn leven verliest om mijnentwil, zal het vinden. 40 Wie u aanneemt, neemt mij aan; en wie mij aanneemt, neemt hem aan die mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet aanneemt om zijnen naam als profeet, zal het loon eens profeets ontvangen; wie een rechtvaardige aanneemt om zijnen naam als rechtvaardige , zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. 43 En al wie een van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft om zijnen naam als jonger, voorwaar, ik zeg u, het zal hem niet onbeloond blijven. HOOFDSTUK 11. 1 En het geschiedde toen Jezus die geboden aan zijne twaalf jongeren geëindigd had, dat hij van daar voortging , om te leeren en te prediken in hunne steden. 3 Toen nu Johannes in de gevangenis van de werken van Christus hoorde, zond hij twee van zijne jongeren, 3 en liet aan hem zeggen: Zijt gij het, die komen zal, of moeten wij een ander verwachten? 4 En Jezus antwoordde en |
MATTHEUS 11.
31
|
zeide lot heu: Giiat heen en zegt aim Joliannes weder hetgeen gij ziet en hoort : 5 blinden worden ziende en lammen gaan; melaat-schen worden rein en doo-veu hooren, dooden staan op en armen wordt het evangelie gepredikt; 6 en zalig is hij, die zich aan mij niet ergert. 7 Toen nu deze heengingen, begon Jezus tot het volk aangaande Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn om te aanschouwen ? Een riet dat dooiden wind heen en weder bewogen wordt? 8 01 wat zijt gij uitgegaan om te aanschouwen? Een mensch. in zachte kleederen gekleed? Zie, die zachte kleederen dragen zijn in de huizen der koningen. 9 Of wat zijt gij uitgegaan om te zien? Een profeet? Ja, ik zeg u, veel meer dan een profeet. 10 Want deze is het van wien geschreven staat: //Zie, ik zend mijnen Engel voor u uit, die uwen weg voor u uit bereiden zal.// 11 Voorwaar, ik zeg u: Onder allen, die van vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die grooter is dan Johannes de Dooper; maar wie de kleinste is in het hemelrijk, is grooter dan hij. |
13 Maar van de dagen van Johannes den Dooper af tot nu toe lijdt het hemelrijk geweld; en die het geweld aandoen, trekken het totzieh. 13 Want alle profeten en de wet hebben geprofeteerd tot op Johannes. 14 En zoo gij het wilt aannemen, hij is Elïa, die komen zou. 15 Wie ooreu heeft om te hooren, hoore! 16 Maar bij wien zal ik dit geslacht vergelijken? liet is gelijk aan kinderen die op de markt zitten en hunnen gezellen toeroepen, 17 zeggende: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij wildet niet dansen, wij i hebben u klaagliederen voorgezongen en gij wildet niet weenen. i 18 Johannes is gekomen en at en dronk niet; zoo zeggen zij: Hij heelt een boozen geest. 19 Des Menschen Zoon is gekomen en eet en drinkt; zoo zeggen zij: Zie, wat vraat en wijnzuiper is die mensch, een metgezel van tollenaren en zondaren. Doch de wijs heid is gerechtvaardigd door hare kinderen. 20 Toen begon hij de steden te verwijten, in welke zijne meeste daden geschied |
MATT li KI JS 10.
waren, dat zij zich niet bekeerd hadden.
21 Wee u Chorazin! wee u Betlisaïda! Want indien te Tyrus en Sidon die daden gedaan waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch boete gedaan hebben.
32 Doch ik zeg u; Het zal Tyrus en Sidon dragelijker zijn ten dage des oordeels dan nlieden.
23 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe verheven |
zijt, gij zult tot in de hel nedergestootenworden:want 1 In dien tijd ging Jezus indien te Sodorn die daden door het koren op een sabbat, geschied waren die bij n ge- en zijne jongeren waren hon-schied zijn, het zou heden gerig, en begonnen aren uit nog staan. te plukken en te eten.
24 Doch ik zeg u: Het zal 2 Toen de Earizeën dit za-het land van Sodom dra-1 gen, zeiden zij tot hem: Zie, gelijker zijn ten dage des uwe jongeren doen hetgeen oordeels dan nlieden. niet betamelijk is opdensab-
25 Op dien tijd antwoordde bat te doen.
Jezus en zeide: Ik dank u, 'j 3 Maar hij zeide tot hen: Vader, Heer des hemels en/Hebt gij niet gelezen wat der aarde, dat gij dit den' David deed, toen hem lion-wijzen en schranderen ver-' gerde en dengenen die met borgen hebt, en het den hem waren;
onmondigen hebt geopen- 4 hoe hij in het. huis Gods baard. ! ging, en de toonbrooden at,
2fi Ja, Vader, want zoo is ; van welke het hem toch niet
geooiioofd was te eten, noch dengenen die met hem waren, maar alleen den priesters? 5 Of hebt gij niet gelszen
het welbehagelijk geweest voor u.
27 Alle dingen zijn mij overgegeven door mijnen Vader;
en niemand kent den Zoon lin de wet, dat de priesters dan alleen de Vader, en nie- \op den sabbat in den tem-
mand kent den Vader dan dc Zoon, en wien de Zoon het wil openbaren.
28 Komt herwaarts tot mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt; ik zal u rust geven.
2!) Neemt mijn juk opu, en leert van mij; wantik ben zachtmoedig en van harte ootmoedig; zoo zult gij rust vinden voor uwe zielen.
30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
HOOFDSTUK 12.
MATTHEUS 12.
23
|
pel den sabbat verb rekenden j nochtans zonder schuld zijn? 6 En ik zeg u, dat hier een ia, gi'ooter dan de tempel. 7 Doch zoo gij geweten luidt wat het zij: //Ik heb een wel- l behagen aan barmhartigheid, j en niet aan offer//, gij zoudt de onsclnddigen niet veroordeeld hebben. 8 Want des menschen Zoon is een Heer ook van den sabbat. 9 En hij ging van daar voort en kwam in hunne synagoge. 10 En zie, er was een mensch die eene verdorde hand had; en zij vraagden hem en zeiden: Is het ook geoorloofd op sabbatdagen te genezen ? — opdat zij eene be-scliuldiging tegen hem zouden hebben. 11 Hij nn zekle tot hen: Wie is er onder u, zoo hij één schaap heeft, dat op den sabbat in een kuil valt, die het niet zal grijpen en er uithalen ? 12 Hoeveel meer is nu een mensch dan een schaap! Daarom mag men wel goeddoen op de sabbatdagen, j 13 Daarop zeide hij tot dén mensch: Strek uwe hand uit. En hij strekte ze uit, en zij werd weder gezond gelijk de andere. 14 Toen gingen de Earizeën |
uit, en hielden raad over hem, hoe zij hem dooden zouden. 15 Maar toen Jezus dat vernam, week hij van daar; en hem volgde veel volk na, en hij genas ze allen. 16 En hij gebood hun ernstig , dat zij hem niet openbaar zouden maken; 17 opdat vervuld zoude worden hetgeen gezegd is door den'profeet Jesaja, zeggende : 18 //Zie, dit is mijn knecht dien ik verkoren heb, mijn geliefde, aan wien mijne ziel een welbehagen heeft; ik zal mijnen Geest op hem leggen, en hij zal den heidenen het oordeel verkondigen. 19 Hij zal niet twisten noch roepen, en men zal zijne stem niet hooien op de straten. 20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblusschen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En de heidenen zullen o]) zijnen naam hopen.// 22 Toen werd een bezetene tot hem gebracht, die blind en stom was; en hij genas hem, zoodat de blinde en stomme èn sprak èn zag. 23 En al liet volk ontzette zich, en zeide: Is deze niet Davids zoon? |
MATTHEÜS 13
24
|
24 Maar toen de Farizeën dit hoorden, zeiden zij: Hij drijft de booze geesten niet anders uit dan door Beëlzebub , den overste der booze geesten. 25 Docli Jezus verstond hunne gedachten, en zeide tot hen; leder rijk dat met zich zelf oneens is, wordt verwoest; en iedere stad of huis dat met zich zelf oneens is, kan niet bestaan. 26 Indien dus de éene satan den anderen uitdrijft, dau is hij met zich zeiven oneens; hoe kan dan zijn rijk bestaan? 27 Zoo ik nu de booze geesten door Beëlzebub uitdrijf, door wien drijven dan uwe kinderen ze uit? Daarom zullen zij uwe rechters zijn. 28 Maar is het dat ik de booze geesten door den Geest Gods uitdrijf, zoo is immers het rijk Gods tot u gekomen. 29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken gaan en hem zijn huisraad ont-rooven, tenzij hij eerst den sterke binde en alsdan zijn huis beroove? 30 Wie niet met mij is, is tegen mij; en wie niet met mij vergadert, verstrooit. |
31 Daarom zeg ik u: Alle zonde en lastering zal den mensehen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden; 32 En wie iets spreekt tegen des Menschen Zoon, dien zal het vergeven worden; maar wie iets spreekt tegen den Heiligen Geest r dien zal het niet vergeven worden, noch in deze, noch in de toekomende wereld. 33 Of zet een goeden boom, zoo wordt de vrucht goed; óf zet een kwaden boom, zoo wordt de vrucht kwaad; want aan de vrucht kent men den boom. 34 Gij addergebroedsels , hoe kunt gij goeds spreken, dewijl gij kwaad zijt? Waarvan het hart vol is, daarvan vloeit de mond over. 35 Een goed mensch brengt het goede voort uit den goeden schat des harten, en een kwaad mensch brengt het kwade voort uit den kwaden schat. 36 Maar ik zeg u, dat de menschen rekenschap zullen moeten geven, ten dage des oordeels, van elk onnut woord dat zij gesproken hebben. 3? Uit uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uwe woorden zult gij verdoemd worden. 38 Toen antwoordden eeni- |
|
gen van de schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester, wij wilden gaarne een teekeii van u zien. 39 En hij antwoordde en zeide tot hen: Dit kwade en overspelige geslaclit begeert een teeken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van den profeet Jona. 40 Want gelijk Jona drie tlagen en drie nachten in den buik van den grooten visch geweest is, zoo zal des Menschen Zoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. 41 De lieden van Nineve zullen optreden ten dage des oordeels met dit geslacht, en zullen liet veroordeelen; want zij deden boete op de prediking van Jona — en zie, hier is meer dan Jona. 43 De koningin van het Zuiden zal optreden ten dage des oordeels met dit geslacht, en zal het veroordeelen; want zij kwam van het einde der aarde om Salomo's wijsheid te hooren—euzie, hier is meer dan 'Salomo. 43 Wanneer de onreine geost van den mensch is uitgevaren, zoo doorwandelt hij dorre plaatsen, en zoekt rust en vindt ze niet. 44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeeren in mijn huis Jen; den niet t te-dien [len; egen ii zal len, i toe- Dom, ;oed; mm, aad; men seis , ken, traar-rvan ■engt den i, en •engt den it de dien ; des nnut oken zult den, t gij eeni- |
EÜS 13. 25 waaruit ik gegaan beu; en als hij komt, zoo vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. 45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, die erger zijn dan hij zeil is; en als zij daar inkomen, wonen zij aldaar; en het wordt met dien mensch naderhand erger dan het te voren was. Alzoo zal het ook met dit booze geslacht gaan. 46 Terwijl hij nog zoo sprak tot het volk, zie, toen stonden zijne moeder en zijne broeders daarbuiten, en begeerden hem te spreken. 47 Toen zeide een tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daarbuiten en willen met u spreken. 48 Maar hij antwoordde en zeide tot dengeen die hem dat gezegd had: Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders? 49 En hij strekte zijne hand uit over zijne jongeren, en zeide: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 50 Want wie den wil mijns Vaders in den hemel doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder. HOOFDSTUK 13. 1 Op dien dag ging Jezus uit het huis, en zette zich neder aan de zee. |
MATTHEÜS 13.
36
|
3 En veel volk vergaderde zich tot hem, zoodat liij in een schip ging en zich nederzette; en al het volk stond aan den oever. 3 En hij sprak tot hen menigerlei door gelijkenissen, en zeide: Zie, een zaadzaaier ging uit om te zaaien. ■t En terwijl hij zaaide, viel een gedeelte bij den weg; toen kwamen de vogels en aten liet op. 5 lien ander deel viel in steenaehtigen grond, waar het niet veel aarde had; en het ging spoedig op, omdat liet geen diepe aarde had; 6 maar als de zon opging, verwelkte het, en omdat het geen wortel had verdorde het. 7 Nog een ander deel viel onder de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten het. 8 Maar een gedeelte viel in een goed land , en droeg vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Wie ooren heeft om te hooren, hoore! 10 En de jongeren traden tot hem en zeiden: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen? 11 En hij antwoordde en zeide tot hen: U is het gegeven de verborgenheden des hemelrijks te weten, maar dezen is het niet gegeven. |
13 Want wie heelt, dien wordt gegeven, opdat hij overvloed hebbe, maar wie niet heeft, van dien wordt ook genomen hetgeen hij heeft. 13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen; want met ziende oogen zien zij niet, en met hoerende ooren hooren zij niet en verstaan het niet. 14 En in hen wordt vervuld de profetie van Jesaja, zeggende: //Met de ooren zult gij het hooren en niet verstaan, en met ziende oogen zult gij het zien en niet bemerken. 15 Want het hart dezes volks is verstokt, en hunne ooren hooren niet wel, en hunne oogen sluimeren; opdat zij niet wellicht met de oogen zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zich be-keeren, en ik hen geneze.// 16 Maar zalig zijn uwe oogen omdat zij zien, en uwe ooren omdat zij hooren. 17 Want voorwaar, ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord. 18 Gijlieden dan, hoort de gelijkenis van den zaadzaaier. |
MATTHEÜS 13.
27
|
19 i\ls iemand liet woord van het rijk hoort en niet verstaat, zoo komt de booze en nikt weg hetgeen gezaaid is in zijn hart: deze is het die bij den weg gezaaid is. 20 Maar die in steenachti-gen grond gezaaid is, is de-geen die het woord hoort, en liet terstond met vreugde 'aanneemt; 21 doch hij heeft geen wortel in zieh, maar is slechts voor een tijd; en wanneer er verdrukking of vervolging ontstaat om des woords wil, zoo ergert hij zich terstond. 33 En die onder de doornen gezaaid is, is degeen die het woord hoort, en de zorg dezer wereld en het bedrog des rijkdoms verstikt het woord, en liet draagt geen vrucht. 23 Maar die in het goede land gezaaid is, is degeen die het woord hoort en het verstaat, en dan ook vrucht voortbrengt; en het draagt deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 24 Hij stelde hun eene andere gelijkenis voor, en zeide: Het hemelrijk is gelijk een mensch die goed zaad in zijnen akker zaaide. 25 Doch terwijl de lieden sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tusschen de tarwe, en ging van daar. |
26 Toen nu het kruid wies en vrucht voortbracht, vond men ook het onkruid. 27 Toen traden de knechten tot den huisvader en zeiden : Heer, hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid ? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid ? 28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mensch heeft ditge-daan. Toen zeiden de knechten; Wilt gij dan dat wij heengaan en het nitwieden? 29 Maar hij zeide: neen, opdat gij niet misschien de tarwe mede uittrekt, als gij het onkruid uitwiedt. 30 Laat ze beide te zamen wassen tot den oogst; en ten tijde van den oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in bundels, opdat men het verbrande; maar vergadert de tarwe in mijne schuur. 31 Eene andere gelijkenis stelde hij hun voor, en zeide : Het hemelrijk is gelijk een mostaard korrel, die een mensch nam en in zijnen akker zaaide; 32 hetwelk wel hetkleinste is onder alle zaden, maar, als het opwast, het grootste is onder de moeskruiden, en een boom wordt, zoodat de |
MAÏTHEÜS 13.
28
|
vogelen des hemels koineu en wonen in zijne takken. 33 Eene andere gelijkenis sprak hij tot hen: liet hemelrijk is gelijk een zuurdeeg, hetwelk eene vrouw nam en vermengde onder driemalen meel, totdat het geheel gezuurd werd. 34 Dit alles sprak Jezus door gelijkenissen tot het volk, en zonder gelijkenissen sprak hij niet tot hen; 35 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet, zeggende: //Ik wil mijnen mond opendoen in gelijkenissen, en wil uitspreken de verborgenheden van het begin der wereld.// 36 Toen liet Jezus het volk van zich, en ging naar huis. Eu zijne jongeren traden tot hem, en zeiden: Verklaarons deze gelijkenis van het onkruid op den akker. 37 Hij antwoordde enzeide tot hen: Die het goede zaad zaait is des Menschen Zoon ; 38 de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kindereu des rijks; het onkruid zijn de kinderen der boosheid; 39 de vijand, die het zaait, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de Engelen. |
40 Gelijk men nu het onkruid uitwiedt en met vuur verbrandt, zoo zal het ook zij n op het einde dezer we reld. 41 Des Mensehen Zoon zal zijne Engelen zenden, en zij zullen vergaderen uit ziju rijk alle ergernissen, endegenen die onrecht doen, 42 en zij zullen ze in den gloeienden o.ven werpen: daar zal geween zijn en geknars der tanden. 43Dan zullende rechtvaardigen blinken als de zon in huns Vaders rijk. Wieooren heeft om te hoofen, hoore ! 44 Wederom is het hemelrijk gelijk een verborgen schat in den akker, dien een mensch vond en verborg; en van blijdschap daarover ging hij heen, en verkocht al wat hij had, en kocht dien akker. 45 Wederom is het hemelrijk gelijk een koopman die schoone paarlen zoekt. 46 En toen hij eene kostelijke parel vond, ging hij heen eu verkocht al wat hij had, en kocht haar. 47 Wederom is het hemelrijk gelijk een net dat in zee geworpen is, en waarmede men van allerlei soort vangt. 48 Als het nu vol is, trekken zij het op aan den oever, en zetten zich neder en lezen het goede in een vat te zamen, maar het slechte werpen zij weg. 49 Zoo zal het ook zijn op |
MATTHEÜS 14.
29
|
het einde der wereld: de Engelen zullen uitgaan en de boozen van de rechtvaardigen scheiden, 50 en zij zullen ze in den gloeienden oven werpen; d aar zal geween zijn,en geknars der tanden. 51 En Jezus zeiile tot lion: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden: Ja, Heer! 52 Toen zeide hij tot hen: Daarom is ieder schriftgeleerde, die tot het hemelrijk onderwezen is, gelijk een huisvader, die uit zijnen schat nieuw en oud voortbrengt. 53 En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, dat hij vandaar ging. 54 En hij kwam in zijne vaderstad, en leerde hen in hunne synagogen, zoodat zij zich ontzetten en zeiden: Hoe komt deze aan zulke wijsheid en zulke wonderkrachten ? 55 Is hij niet des timmermans zoon? Heet zijne moeder niet Maria, enzijnebroeders Jakobus en Józef en Simon en Judas? 56 En zijne zusters, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar komt hij dan aan dit alles? 57 En zij ergerden zich aan hem. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet geldt nergens minder dan in zijne vaderstad en in zijn huis. |
58 En hij deed aldaar niet vele teekenen vanwege hun ongeloof. HOOFDSTUK 14. 1 In dien tijd kwam het gerucht van Jezus tot den viervorst Herodes; 2 en hij zeide tot_ zijne dienaren: Deze is Johannes de Hooper; hij is van de dootlen opgestaan, en daarom werken die wonderkrachten in Item. 3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijnen broeder Eilippus. 4 Want Johannes had tot hem gezegd: Het is niet recht dat gij haar hebt. 5 En hij had hem gaarne gedood, maar hij vreesde het volk, want zij hielden hem voor een profeet. 6 Als nu Herodes zijnen geboortedag vierde, danste de dochter van Herodias voor hen; en zij behaagde aan Herodes. 7 Daarom beloofde hij haalbij eede, dat hij haar zou geven wat zij ook eischen zou. 8 En nadat zij te voren door hare moeder onderricht was, zeide zij: fleef mij hier |
MATTHEUS 14.
30
|
in een schotel het hoofd van Johannes den Dooper. 9 En de koning werd treurig; dooh om den eed en om degenen die met hem aan tafel zaten, beval hij dat het haar zou gegeven worden. 10 En hij zond heen en onthoofdde Johannes in de gevangenis. 11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en aan het meisje gegeven, en zij bracht het aan hare moeder. 13 Toen kwamen zijne jongeren en namen zijn lichaam en begroeven het; en zij kwamen en verkondigden dit aan Jezus. 13 En toen Jezusdit hoorde, week hij van daar te scheep naar eene woestijn alleen. En als het volk dit hoorde, volgde het hem te voet uit de steden. 14 En Jezus ging uit en zag eene groote schare; en het jammerde hem van hen, en hij genas hunne kranken. 15 Des avonds nu traden zijne jongeren tot hem en zeiden: Dit is eene woestijn, en de dag neigt ten einde: laat het volk van u, opdat zij heengaan in de vlekken en voor zich zelve spijs koopen. 16 Maar Jezus zeide tot hen: Het is niet noodig dat zij heengaan; geeft gij hun te eten. |
17 Doch zij zeiden tot hem ; Wij hebben hier niet dan vijf brooden en twee visschen. 18 En hij zeide: Brengt ze mij hier. 19 En hij beval het volk neder te zitten op het gras, en ram de vijf brooden en de twee visschen, en zag opwaarts naar den hemel en dankte, en brak ze, en gaf de brooden aan de jongeren, en de jongeren gaven ze aan het volk. 20 En zij ateu allen en werden verzadigd; en zij namen de overgebleven brokken op, twaalf korven vol. 21 Die nu gegeten hadden waren vijf duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen. 22 En terstond drong Jezus zijne jongeren, om in het schip te treden, en hem vooruit te varen naar de overzijde, terwij 1 hij het volk van zich zou laten. 23 Eu toen hij het volk van zich gelaten had, klom hij op een berg alleen, om te bidden; en des avonds was hij aldaar alleen. 24 En het schip was alreeds o]) het midden der zee, en leed nood van de baren, want de wind was hun tegen. 25 En in de vierde nachtwake kwam Jezus tot hen, en wandelde op de zee. |
|
M A Til l 20 En toen dejongeren hem op de zee zagen wandelen, verschrikten zij en zeiden: Het is een spooksel! en zij schreeuwden van vrees. 27 Maar terstond sprak Jezus hen toe, zeggende: Hebt goeden moed, ik ben het, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde hem en Keide: Heer, zijt gij het, zoo beveel mij tot n te komen op het water. 29 En hij zeide; Kom! En Petrus trad uit het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. 30 Maar toen hij den sterken wind zag, verschrikte hij, en begon te zinken, en riep en zeide: Heer, help mij! 31 En J ezns strekte terstond de hand uit, greep hem, en zeide tot iiem: (lij kleinge-loovige, waarom twijfelt gij? 1 32 En zij traden in het schip, en de wind ging liggen. 33 Zij nu, die in het schip waren, kwamen en vielen voor hem neder, en zeiden: Voorwaar, gij zijtGodsZoon! 34 En zij voeren over, en kwamen in het land Genné-saret. 35 En als de lieden van die plaats hem gewaar werden, zonden zij uit in het gehecle land rondom, en brachten allen die krank waren tot hem. |
El IS 15. 31 36 En zij baden hem dat zij slechts den zoom zijns kleeds mochten aanraken; en allen die hem aanraakten werden gezond. HOOFDSTUK J5. 1 Toen kwamen tot Jezus schriftgeleerden en Parizeen van Jeruzalem, en zeiden: 3 Waarom overtreden uwe jongeren de instellingen der ouden? Want zij wasschen hunne handen niet, ais zij brood eten. 3 Hij antwoordde en zeide tot hen: Waarom overtreedt gij dan Gods gebod door uwe instellingen? 4 God heeft geboden: //Gij zult vader en moedereeren;// en: //Wie vader of moeder vloekt, zal tien dood sterven.// 5 Maar gij leert: Wie tot zijne vader of zijne moeder zegt: quot;Als ik het olt'er, zoo is hetu veel nutter//, — die doet wél. .Dus zou het geschieden, dat niemand meer zijnen vader of zijne moeder eert. 6 Alzoo hebt gij Gods gebod te niet gedaan door uwe instellingen. 7 Gij huichelaars, zeer treffend heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: 8 //Dit volk genaakt mij met hunnen mond en eert mij met hunne lippen, maar hun hart is verre van mij. |
MATTHEITS 15.
32
|
9 Docli te vergeefs dienen zij mij, dewijl 7.ij leeringen voordragen, die niet dan mensoliengeboden zijn.// 10 En hij riep het volk tot zich, cn zeide tot hen; Hoort en verstaat het! 11 Wat den mond ingaat, ontreinigt den mensch niet; maar wat den mond uitgaat, dat ontreinigt den mensch. 12 Toen traden zijne jongeren tot hem en zeiden: Weet | gij wel dat de Farizeën zich ; ergerden, toen zij dat woord ' hoorden ? 13 Maar hij antwoordde cn zeide: Alle planten die mijn hemelsche Vader niet, geplant heeft, zullen uitgeroeid worden. li Laat ze varen! Zij zijn blinde leidslieden van blinden. Wanneer nu de eene blinde den anderen leidt, vallen zij beiden in den kuil. 15 ïoen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis. 16 En Jezus zeide tot hen: Zijt gij dan ook nog onverstandig? 17 Merkt gij nog niet, dat al wat den mond ingaat, in den buik komt, en door den natuurlijken weg uitgeworpen wordt? 18 Maar wat den mond uitgaat, komt uit het hart, en dat ontreinigt don mensch. |
19 Want uit het hart komen voort kwade gedachten, moord , overspel, hoererij, dieverij, valsche getuigenis, lastering. 20 Dit zijn de dingen die den mensch ontreinigen; maar metongewasschen handen te eten ontreinigt den mensch niet. 31 En .Jezus ging van daar uit, en ontweek in de landstreek van Tyrus en Sidon. 22 En zie, eene Kanailnie-tische vrouw, uit die landpalen komende, riep hem na en zeide: Ach lieer, gij Zoon Davids, ontferm u over mij! mijne dochter is deerlijk bezeten. 23 En hij antwoordde haar geen woord. ïoen traden zijne jongeren tot hem, baden hem en zeiden: Laat haar toch van u, want zij roept ons na. 24 Maar hij antwoordde en zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels. 35 Zij nu kwam en viel voor hem neder, en zeide: Heer, help mij! 26 Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk, den kinderen het brood te ontnemen en het den hondjes voor te werpen. |
MATTHEÜS 16.
O O fjo
|
27 Zij zeide; Ja Heer, maar nochtans eten de hondjes van de kruimpjes, die van hunner heeren tafel vallen. 38 Toen antwoordde Jezus on zeide tot haar: O vrouw, uw geloof is groot; u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van die ure af. 29 En Jezus ging van daar voort, en kwam aan de Gali-leeselie zee, en klom op den berg en zetle zich aldaar. 80 En vele scharen k wa men tót hem, die bij zich hadden kreupelen, blinden, stommen , lammen, en vele anderen ; en zij leiden ze neder aan de vosten van Jezus, en hij genas hen; 31 zoodat het volk zich verwonderde, toen zij zagen dat stommen spraken, lammen hersteld waren, kreupelen gingen en blinden zagen; en zij prezen den God van Israël. 32 En Jezus riep zijne jongeren tot zich, en zeide: Het jammert mij van het volk; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet meer te eten; en ik wil ze niet zonder eten van mij laten. opdat zij op den weg niet bezwijken. 33 Toen zeiden zijne jongeren tot hem: Vanwaar zullen wij zooveel brooden bekomen in de woestijn, dat wij zulk eene groote menigte zouden kunnen verzadigen? |
Sé En Jezus zeide tot hen; Hoeveel brooden hebt gij ? Zij zeiden : Zeven , en een weinig vischjes. 35 En hij beval het volk neder te zitten op de aarde. 36 En hij nam de zeven brooden en de visschen, dankte, brak ze, en gaf ze aan zijne jongeren, en de jongeren gaven ze aan het volk. 37 En zij aten allen en werden verzadigd ; en zij namen de overgebleven brokken op, zeven korven vol. 38 En die gegeten hadden, waren vier duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen. 39 En als hij het volk van zich gelaten had , trad hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala. HOOFDSTUK 10. 1 Toen traden de Farizeün en Sadduceën tot hem, om hem te verzoeken, en begeerden dat hij hun een teeken uit den hemel zou toonen. 2 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Des avonds zegt gij; Het zal een schoone dag worden, want de hemel is rood; |
3
MATTHEUS IG.
31.
|
3 en des morgens zegt gij; Heden zal ev stormweer komen, want de hemel ziet treurig rood. Gij huichelaars, de gedaante des hemels kunt gij beoordeelen: waarom niet ook de teek enen der tijden? 4 Dit booze en overspelige geslacht zoekt een teeken, en hun zal geen teeken gegeven worden, dan het teeken van den profeet Jona. En hij verliet hen en ging heen. 5 En als zijne jongeren waren overgevaren, hadden zij vergeten brood met zich te nemen. 6 En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en Sadduceën. 7 Toen dachten zij bij zich zelve en zeiden: Dit zal het zijn, dat wij geen brood hebben medegenomen. 8 En toen Jezus dit vernam , zeide hij tot hen: Gij kleingeloovigen, wat bekommert gij u toch, dat gij geen brood hebt medegenomen? 9 Verstaat gij nog niet, en denkt gij niet aan de vijf brooden onder de vijf duizend, en hoeveel korven gij toen opnaamt; 10 ook niet aan de zeven brooden onder de vier duizend, en hoeveel korven gij toen opnaamt? |
11 Hoe begrijpt gij dan niet, dat ik niet van brood spreek, als ik zeg: Wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en Sadduceën. 13 Toen verstonden zij dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden voor het zuurdeeg des broods, maar voor de leer der Farizeën en Sadduceën. 13 Toen kwam Jezus in de landstreek der stad Cesa'rca Filippi, en vraagde zijne jongeren en zeide: Wie zeggen de lieden dat des Men-schen Zoon is? 14 En zij zeiden: Sommigen zeggen: Johannes de Dooper; anderen: El ia; nog anderen: Jeremia of een der profeten. 15 Hij zeide tot hen: Maar wie zegt gijlieden dat ik ben? 16 Toen antwoordde Simon Petrus en zeide: Gij zijtde Christus, de Zoon des levenden Gods. 17 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zalig zij t gij, Simon Jona's zoon! want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader in den hemel. 18 En nu zeg ik u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne gemeente bouwen , en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. 19 En ik zal u de sleutelen |
MATTHEÜS 17.
rood : des hemelrijksgeveu; al wat 26 Want wat baat bet den
ht u quot; gij op aarde binden zult, zal mensoh, zoo hij de gekeele
?ari- ook in den hemel gebonden wereld wint, en toch schade
zijn; en al wat gij op aarde lijdt aan zijne ziel? Of wat
j dat ontbinden zult, zal ook in kan de mensch geven om
it zij lt;1 den hemel ontbonden zijn. zijne ziel te lossen?
rhet 20 Toen gebood hij zijn 27 Want het zal immers maar jongeren, dat zij niemand geschieden dat des Mensclien izeën zeggen zouden dat hij de Zoon zal komen in de heer-Ohristus was. lijkheid zijns Vaders met inde 21 Van dien tijd af begon zijne Engelen, en alsdan zal sa'rca Jezus zijnen jongeren te too- hij een ieder vergelden naaizij ne uen dat hij moest heengaan zijne werken.
i zeg- naar Jeruzalem , en veel lij- 28 Voorwaar, ikzegu:Hier
Vlen- den van de oudsten en hoo- staan sommigen die den dood
gepriesters en schriftgeleer- niet smaken zullen, totdat
mmi- den, en gedood worden, en zij des Mensclien Zoon zullen
s de ten derden dage weder op- zien komeu in zijn rijk.
n der ITeu Petrus nam hem tot HOOFDSTUK 17.
zich, en begon hem ern- 1 En na zes dagen nam Maar stig too te spreken, zeggende: Jezus met zich Petrus en : tien? Heer, spaar n zei ven; dit Jakobus, en Johannes, zijnen limon kome u geenszins over. broeder, en leidde hen op ijtde 23 Maar hij keerde zich een hoogeu berg alleen, even- om en zeide tot Petrus: (iJti. 2 En hij werd voor hunne van mij weg, satan! gij zijt oogen van gedaante ver-srdde mij ergerlijk; want gij meeat anderd; en zijn aangezicht igzijt niet wat goddelijk, maar blonk als de zon, en zijne want wat menschelijk is. , kleederen werden wit als
udat 24'Toen zeide Jezus tot zijne het licht.
• mijn jongeren: Wil iemand achter 3 En zie, toen verschenen mij gaan, die verloochene hun Mozes en Elia; diespra-lij zijt zich zeiven, en neme zijn ken met hem.
jnrots kruis op en volge mij. 4 En Petrus antwoordde 3 bon- 25 Want wie zijn leven wil en zéide tot Jezus: Heer, er hel behouden, zal het ver- hier is het goed zijn; wilt gij, iveldi- liezen; maar wie zijn leven zoo zullen wij hier drie hut-verliest om mijnentwil, zal ten maken, voor u een, voor utelen diet vinden. Mozes een, en voor Elia een.
35
MATTHEUS 17.
8G
|
5 Terwijl liij nog zoo sprak, zie, toen overschaduwde hen eene lichte wolk; en zie, eene steta uit de wolk zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, aan wien ik een welbehagen heb; dien zult gij hoeren. 6 En toen de jongeren dat hoorden, vielen zij op hun aangezicht en verschrikten zeer. 7 Maar Jezus trad tot her, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet' 8 Toen zij nu hunne oogen ophieven, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En toen zij van den herg afgingen, gebood Jezus hun, zeggende: Gij zult dit gezicht aan niemand zeggen, totdat des Menschen Zoon uit de dooden is opgestaan. 10 En zijne jongeren vraagden hem en zeiden: Wat zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? ] 1 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles terechtbrengen ; ]2 maar ik zeg u: Elfais alreeds gekomen, en zij hebben hem niet erkend, maar hebben aan hem gedaan wat zij wilden: alzóó zal ook fles Menschen Zoon van hen moeten lijden. 13 Toen verstonden de jongeren dat hij van Johannes den Dooper tot hen gesproken had. |
14 En toen zij bij het volk kwamen, trad een mensch tot hem, en viel voor hem neder, 15 en zeide: Heer, ontferm u over mijnen zoon, want bij is maanzuchtig en heeft veel te lijden; dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water; 16 en ik heb hem tot uwe jongeren gebracht, maar zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordde en zeide: O gij ongeloo vig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik bij u zijn, hoelang zal ik u ver-dragen ? Brengt liem mij hier. 18 En Jezus bedreigde hem; en de booze geest voer van hem uit, en de jongen werd gezond van die ure af. 19 Toen traden zijne jongeren lt;ot hem alleen, en zeiden : Waarom konden wij hem niet uitdrijven? 20 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Omuwson-geloots wil; want voorwaar, ik zeg u: Zoo gij een geloof hebt als een mostaardkorrel, zoo zult gij tot dezen berg kunnen zeggen: Hef u van hier op derwaarts, en hij zal zich opheften; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart |
MATTHEUS IS.
37
|
niet uit dan door bidden en vasten. 32 Toen zij nu inGaliléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: Des Menschen Zoon zal overgeleverd worden iu de handen der menschen, 33 en zij zullen hemdoo-den, en ten derden dage zal hij weder opstaan. En zij werden zeer bedroefd. S I Toen zij nu te Kapér-naüm kwamen, gingen degenen die den cijnspenning ontvingen tot Petrus, en zeiden: Pleegt uw meester den cijnspenning niet te geven? 35 Hij zeide: Ja. Eu als hij in het huis kwam, voorkwam Jezus hem en zeide; Wat dunkt u, Simon ? Van wien nemen dekoningenderaarde tol of cijns, van hunne zonen of van de vreemdelingen? 26 Toen zeide Petrus tot hem: Van de vreemdelingen. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 37 Maar opdat wij hen niet ergeren, zoo ga heen aan de zee, en werp den angel uit; en den eersten visch die opkomt , neem dien; en als gij zijnen mond opendoet, zult gij een stater vinden: neem dien en geef hem aan hen voor mij en u. HOOFDSTUK 18. |
1 Terzelfder ure traden de jongeren tot Jezus, en zeiden: Wie is toch de grootste in het hemelrijk? 2 En Jezus riep een kind tot zich, en stelde het in liet irddden van hen, 3 en zeide: quot;Voorwaar, ik zeg u: Indien gij u niet omkeert en wordt als de kinderen, zoo zult gij in het hemelrijk niet komen. 4 Wie nu zich zeiven verne-dert«gelijk dit kind, die is de grootste in het hemelrijk; 5 en wie zulk een kind aanneemt in mijnen naam, neemt mij aan. 0 Maar wie één van deze kleinen, die in mijgelooven, ergert, dien ware liet beter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en hij verdronken werd in de zee, waar zij op het diepst is. 7 V\ ee der wereld vanwege de ergernis! Er moeten wel ergernissen komen; doch wee dien mensch, door wien de ergernis komt! 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, zoo houw ze af en werp ze van u. Het is beter dat gij lam ol kreupel ten leven ingaat, dau dat gij tvvèe handen of twee voeten hebt en in het eeuwige vuur geworpen wordt. 'J En indien uw oog u ergert, zoo trek het uit en werp het van u. Het is u beter |
j.
MATTHEUS 18.
38
|
dat gij éenoogig len leven ingaat, dan dat gij twee oogen hebt en in het helsche vuur geworpen wordt. 10 Ziet toe, dat gij niemand van deze kleinen veracht; want ik zegu: Hunne_Enge-len in den hemel zien altijd het aangezicht mijns Vaders in den hemel. ------ 11 Want des Menseben Zoon is gekomen om zalig te maken wat verloren is. 12 Wat dunkt u? Indien eenig menseh honderd schapen bad, en één van deze afdwaalde, laat hij dan niet de negen en negentig op de bergen, en gaat heen om het verdwaalde te zoeken? 13 En indien het gebeurt dat hij het vindt, voorwaar, ik zeg u; Hij verblijdt zich meer daarover, dan over de negen en negentig die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzoo is het ook niet de wil uws Vaders in den hemel, dat er iemand van deze kleinen verloren ga. 15 Maar zondigt uw broeder tegen u, zoo gaheenen bestraf hem tiisschen u en hem alleen. Hoort hij n, dan hebt gij u wen broer I er ge wonnen. 16 Hoort hij n niet, zoo neem nog één of twee met u, opdat alle zaak besta in den mond van twee of drie getuigen. |
17 Hoort hij die niet, zoo zeg het der gemeente. Hoort hij de gemeente niet, zoo houd hem als een heiden en tollenaar. 18 Voorwaar, ik zegu: Wat gij O]) aarde binden zult, zal ook in den hemel gebonden zijn; eu wat gij op aarde ontbinden zult, zal ook in den hemel ontbonden zijn. 19 Verder zeg ik u: Is het dat er twee onder u ééns worden op aarde over iets, dat zij bidden willen, het zal hun geschieden van mijnen Vader in den hemel; 20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik midden onder hen. 21 Toen trad Petrus tot hem en zeide: Heer, hoe dikwijls moet ik dan mijnen broeder die tegen mij zondigt vergeven? Is het genoeg zevenmaal? 22 Jezus zeide tot hem; Ik zeg u niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal. 23 Daarom is het hemelrijk gelijk aan een koning, die met zijne dienstknechten wilde afrekenen. 24 En toen hij begon te rekenen, kwam ereen voor hem die hem tien duizend talenten schuldig was. 25 En daar hij nu niet had om te betalen, beval zijn heer i |
MATTHEUS 19.
ao
|
liem en zijne vrouw en zijne kinderen en al wat hij had te verkoopen, en te betalen. 26 Toen viel dedienstknecht neder en smeekte hem, zeggende: Heer, heb geduld met mij; ik zal u alles betalen. •27 Toen jammerde het den heer van dezen dienstknecht, en hij liet hem los, en de schuld schold hij hem ook kwijt. 38 Toen ging deze dienstknecht uit, en vond een zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was; en hij greep hem bij lie keel, en zeide: Betaal mij wat gij mij schuldig zijt. 39 Toen viel zijn mededienstknecht neder en bad hem, zeggende: Heb geduld met mij; ik zal u alles betalen. 30 Doch hij wilde niet, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij betaald zou hebben wat hij schuldig was. 31 Toen nu zijne mededienstknechten dit zagen, werden zij zeer bedroefd, en kwamen en berichtten hunnen heer al wat er geschied was. 33 Toen ontbood zijn heer hem voor zich, en zeide tot hem; Gij boozedienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt: |
33 behoordet gij u dan ook niet te ontfermen over uwen mededienbtknecht, gelijk ik mij over u ontfermd heb? 34 Eu zijn heer werd toornig, en leverde hem aan de pijnigers over, totdat hij betaald zou hebben al wat hij hem schuldig was. 35 Alzoo zal ook mijn he-melsche Vader u d oen, indien gij niet van harte vergeeft, ieder zijnen broeder zijne feilen. HOOFDSTUK 19. 1 En het geschiedde toen Jezus deze redenen geëindigd had, dat hij vertrok uitGa-liica, en kwam binnen de landpalen van Judca, aan gene zijde van de Jordaan. 3 En veel volk volgde hem na, en bij genas ze aldaar. 3 Toen traden deFarizeën tot hem, om hem te verzoeken, en zeiden tot hem: Is het ook recht, dat een man zich van zijne vrouw afscheidt om allerlei oorzaak? 4 Hij nu antwoordde en zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen dat hij, die ze in het begin gemaakt heeft, hen man en vrouw heeft gemaakt, 5 en gezegd heeft: //Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen één vleesch zijn// ? |
|
10 MAI Tl 6 Zoo ziju zij nu niet meer twee, maar één vleesch. Wat nu God samengevoegd heeft, zid de menscli niet scheiden. 7 Toen zeiden zij tot hem; Waarom heeft dan Mozes geboden een scheldbrief te geven en zich van haar te scheiden ? 8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft u toegelaten, te scheiden van mve vrouwen, vanwege de hardheid uwer harten ; maar van den beginne is het zoo niet geweest. 9 Maar ik zeg u: Wie zich van zijne vrouw afscheidt, tenzij dan om hoererij, eneene andere trouwt, doet overspel ; en wie de gescheidene trouwt, doet ook overspel. 10 Toen zeiden de jongeren tot hem: Staat de zaak eens mans met zijne vrouw alzoo, dan is het niet goed te trouwen. 11 En hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, m;iar wien het gegeven is. 13 Want er zijn gesnedenen, die uit den moederschoot zoo geboren zijn, en er zijn gesnedenen, die door menschen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zich zelve gesneden hebben om des hemelrijks wil. Wie het vatten kan, vatte het! 13 Toen werden er kihderen tot hem gebracht, opdat hij |
IEUS 10. de handen op hen zou leggen , en bidden; maar de jongeren bestraften ze. 14 Uoch Jezus zeide: Laat de kinderen geworden, en belet ze niet tot mij te komen ; want derzulken is het hemelrijk. 15 En hij leide de handen op hen, en trok van daar. 16 En zie, er trad een tot hem en zeide: Goede Meester , wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven moge hebben? 17 En hij zeide tot hem : Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan de eenige God. Maar wilt gij ten leven ingaan, zoo houd de geboden. 18 Toen zeide hij tot hem: Welke? En Jezus zeide: //Gij zult niet dooden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven; 10 eer uwen vader en uwe moeder, en gij zult uwen naaste liefhebbeu als u zei ven.// 20 Toen zeide de jongeling tot hem: Dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af; wat ontbreekt mij nog? 21 Jezus zeide tot hem: Wilt gij volkomen zijn, zoo ga heen, en verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, zoo zult gij een schat in den hemel |
MAÏTHEUS 20.
41
|
hebben; eu kom en volg mij. 33 Toen nu de jongelinquot;-dat woord hoorde, ging hij ï bedroefd van hem; want hij had vele goederen. 23 En Jezus zeide tot zijne jongeren: Voorwaar, ik zeg u: Eeu rijke zal bezwaarlijk in het hemelrijk komen. 34 En verder zeg ik u: Het is lichter dat een kameel door een naaldenoog ga, dan dat een rijke in het rijk Gods komt. 25 Toen zijne jongeren dat hoorden, ontzetten zij zich zeer en zeiden: Wie kan dan zalig worden? 36 Doch Jezus zag hen aan, en zeide tot hen: Bij de menschen is het onmogelijk, maar bij fTod zijn alle dingen mogelijk. 37 Toen antwooidde Petrus en zeide tot hem; Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat gewordt ons daarvoor? 28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u, dat gij, die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer des Menschen Zoon zal zitten op den t roon zijner heerlijkheid, ook zitten zult op twaalf tronen, en cordeelen de twaalf geslachten van Israël. 39 En ieder, die verlaat huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of |
vrouw of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, zal het honderdvoudig we-derontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar velen, die de eersten zijn, zullen de laatsten, en de laatsten zullen de eersten zijn. HOOFDSTUK 20. 1 Het hemelrijk is gelijk een huisvader, die des morgens vroeg uitging, om arbeiders in zijnen wijngaard te huren. 3 En ais hij het met de arbeiders eens geworden was voor een penning tot dagloon, zond hij ze in zijnen wijngaard. i En hij ging uit omtrent de derde ure, en zag anderen op de markt ledig staan; 4 en hij zeide tot hen: Gaat gij óók heen in den wijngaard ; ik zal u geven wat recht is. En zij gingen heen. 5 Wederom ging hij uit omtrent de zesde en negende ure, en deed desgelijks. 6 En omtrent de elfde ure ging hij uit, en vond antieren ledig staan, en zeide tot hen; Wat staat gij hier den geheelen dag ledig? 7 Zij zeiden tot hem: Niemand heeft ons gehuurd. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijn- |
MAÏTHEUS 20.
42
|
gaard, en wat recht is zal u geworden, 8 Toen het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester. Eoep de arbeiders en geef hun het loon, en begin van de laat-sten tot de eersten. 9 Toen kwamen dieomtrenl de elfde ure gehuurd waren, en elk ontving een penning. 10 Eu toen de eersten kwamen, meenden zij dat zij meer ontvangen zouden, en zij ontvingen ook elk een penning. 11 En toen zij dien ontvingen, murmureerden zij tegen den huisvader, 13 zeggende: Deze laat-sten hebben slechts één uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, ons, die den last en de hitte van den dag gedragen hebben. 13 Maar hij antwoordde en zeide tot een onder hen: Vriend, ik doe u geen onrecht : zijt gij het niet met mij eens geworden voor een penning? 14 Neem wat het uwe is en ga heen; ik nu wil dezen laatsten geven gelijk u. 15 Of heb ik geen recht om met het mijne te doen wat ik wil? Of ziet uw oog daarom boos, omdat ik goedertieren ben? |
16 Alzoo zullen de laat-sten de eersten en de eersten de laatsten zijn; want veleu zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren. 17 En Jezus ging op naar Jeruzalem, en nam tot zich de twaalf jongeren afzonderlijk op den weg, en zeide tot hen; 18 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en des Menschen Zoon zal aan de hoogepries-ters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, 19 en zullen hem overleveren aan de heidenen, om hem te bespotten en te gee-selcn en te kruisigen; en ten derden dage zal hij opstaan. 20 Toen trad tot hem de moeder der zonen van Zebe-deiis met hare zonen, viel voor hem neder en begeerde iets van hem. 21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij ? Zij zeide tot hem: Laat deze mijne twee zonen zitten in uw rijk, de een aan uwe rechter- en de ander aan uwe linkerhand. 22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gij weet niet wat gij bidt; kunt gij den kelk drinken dien ik drinken zal, en u laten doopen met den doop met welken ik gedoopt word? Zij zeiden tot hem; Ja. 23 En liij zeide tot hen: Mijnen kelk zultgij wel drinken, en met den doop met welken |
MATTHEUS 31.
43
|
ik gedoopt word zult gij gedoopt worden; maar het zitten aan mijne rechter-en linkerhand staat bij mij niet te geven, maar wien het bereid is door mijnen Vader. 24 Toen de tien dat hoorden , werden zij op de twee broeders misnoegd. 25 Doch Jezus riep ze tot zich, enzeide: Gij weet dat de vorsten der volken over hen heersohen, en de groeten macht over hen oefenen. 26 Alzoo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil zijn, zij uw dienaar; 27 en wie onder u de voornaamste wil zijn, zij uw dienstknecht; , 28 gelijk desMenschen Zoon niet gekomen is om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen. 29 En toen zij van Jericho uittrokken, volgde hem veel volk. 30 En zie, twee blinden zaten aan den weg;en 1 oen zij hoorden dat,Jezus voorbijging , riepen zij, zeggende: Ach Heer, gij Zoon Davids, ontferm u over ons! 31 Maar het volk bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden ; doch zij riepen nog veel |
rquot;.....-gij Zoon Davids, ontferm u over ons! 32 En Jezus stond stil en riep ze, en zeide: Wat wilt gij dat ik u doen zal? 33 Zij zeiden tot hem: Heer, dat onze oogen geopend worden. 34 En het jammerde Jezus, en hij raakte hunne oogen aan; en terstond werden hunne oogen ziende, en zij volgden hem. HOOFDSTUK 21. 1 Toen zij nu Jeruzalem naderden, en tot aan Betfagé aan den Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee zijner jongeren, 2 en zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat vóór u ligt, en terstond zult gij eene ezelin aangebonden vinden, en een veulen bij haar: ontbindt ze en brengt ze tot mij. '3 En zoo iemand u iets zeggen mocht, zegt dan: De Heer heeft ze noodig; en terstond zal hij ze u laten. | 4 Dit alles nu geschiedde, ' opdat vervuld werd hetgeen gesproken is door den profeet , zeggende: 5 //Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig, rijdende op eenen ezel, en wel op een veulen, het jong van het lastdier.// |
MATTHEUS 21.
•il
|
6 Eu de jongeren gingen heen en deden gelijk Jezus hun bevolen had, 7 en brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen daarop, euzetten hom daarop. 8 En veel volk spreidde de kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en strooiden ze op den weg. 'J En het volk, dat vooraan ging en dat volgde, riepen zeide: Hosanna den Zone Davids! Geloofd zij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogte! 10 Eu als hij in Jeruzalem introk, geraakte de geheele stad in opschudding en zeide: Wie is deze? 11 En het volk zeide: Deze is Jezus, de profeet vanNa-zaret in Galiléa. 12 En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef allen uit, die in den tempel verkochten en kochten, eu stiet de tafels der wisselaars en de stoelen der duivenkramers om, 13 en zeide tot hen: Er staat geschreven: //Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden//; maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt. 14 En er kwameu blinden en lammen tot hem inden tempel, en hij genas ze. |
15 Maar toen de hooge-priesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die hij deed, en de kinderen in den tempel, roepende en zeggende: Hosanna den Zone Davids! werden zij verstoord, 16 en zeiden tot hem: Hoort gij wel wat deze zeggen ? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: //Uit den mond van kinderen en zuigelingen heb gij u lof bereid//? 17 Eu hij verliet hen, en ging de stad uit naar Betha-nië en bleef aldaar. 18 En toen hij des morgens vroeg weder naar de stad ging, hongerde hem. 19 En hij zag een vijgeboom aan den weg, en ging er naar toe, eu vond er niets aan dan alleen bladeren; en hij zeide tot hem: Nu wasse eeuwig geen vrucht meer aan u! En de vijgeboom verdorde terstond. 20 Eu toen de jongeren dit zagen, verwonderden zij zich, en zeitien: Hoe is de vijgeboom zoo spoedig verdord? 21 Doch Jezus antwoordde eu zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u: Zoo gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij dit niet alleen met den vijgeboom doen, maar zoo gij zult zeggen tot dezen berg: Het u op eu werp u in de zee! zal het geschieden. |
MA.TTHEUS 21.
45
|
23 En al wat gij bidt in het gebed, indien gij gelooft, zoo zult gij het ontvangen. 23 En als hij in den tempel kwam, traden tot hem, terwijl hij leerde, de hoogepriesters en de oudsten des volks, en zeiden: Door welke macht doet gij dit, en wie heeft u die macht gegeven? 24 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: ik zal u ook één woord vragen; indien gij mij dat zegt, zoo zal ik n ook zeggen door welke macht ik dit doe. 25 Van waar was de doop van .Johannes? Was die van den hemel of van de men-snhen? Toen dachten zij bij zicli zelve en zeiden: Zeggen wij: Hij is van den hemel geweest, dan zal hij tot ons zeggen: Waarom geloofdet gij hem dan niet? 2(1 Maar zeggen wij: Hij is van de menschen geweest, dan moeten wij voor het volk vreezen; want zij houden alien Johannes voor een profeet. 37 En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Toen zeide hij tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door welke macht ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u? Een man had twee zonen, en hij ging tot den eersten en zeide: Mijn zoon, ga heen en arbeid heden in mijnen wijngaard. |
29 Maar hij antwoordde enzeide:ikwil hetniet doen. Daarna berouwde het hem en hij ging lieen. 80 En li ij ging tot den anderen en zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ja heer; en hij ging niet heen. 31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan ? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u, dat de tollenaars en hoeren eer in het liemelrijk komen dan gij. 82 Johannes kwam tot n en leerde u den rechten weg, en gij geloofdet hem niet; maar de tollenaars en hoeren geloofden hem; en hoewel gij het zaagt, deedtgij nochtans geen boete, om hein daarna ook te gelooven. 88 Hoort eene andere gelijkenis. Er was een huisvader; die plantte een wijngaard, en stelde er eene omtuining omheen, en groef er eene wijnpers in, en bouwde een toren, en verhuurde hem aan i wijngaardeniers, en trok buitenslands. 84 Toen nu de tijd der vruchten kwam, zond hij zijne knechten tot de wijngaardeniers, om zijne vruchten te ontvangen. |
_
MATTHEÜS 22.
4C
|
35 Toen namen de wijngaardeniers zijne knechten; den een sloegen zij, den ander doodden zij, en den derden steenigden zij. 36 Wederom zond hij andere knechten, in grooter getal dan de eerste; en zij deden hun desgelijks. 37 Ten laatste zond hij tot hen zijnen zoon, en zeide: Zij zullen mijnen zoon ontzien. 38 Maar toen de wijngaardeniers den zoon zagen, zeiden zij onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden en zijn erfgoed aan ons brengen. 89 En zij namen hem, stieten hem uit den wijngaard, en doodden hem. 40 Wanneer nu de heer des wijn gaan Is komen zal, wat zal hij dezen wijngaardeniers doen ? 41 Zij zeiden tot hem: Hij zal die booswichten jammerlijk doen omkomen, en zijnen wijngaard aan andere wij ngaardeniers verlui ren, die hem de vruchten ter rechter tijd zullen geven. 42 Jezus zeide tot hen; Hebt gij nooit gelezen in de Schrift; //De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden ; van den Heer is dat geschied, en het is een wonder in onze oogen// ? |
43 Daarom zeg ik u: Het rijk Gods zal van u genomen, en aan een volk gegeven worden dat zijne vruchten voortbrengt. 44 En wie op dezen steen valt, zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En toen de hoogepries-ters en Farizeën zijne gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat hij van hen sprak. 46 En zij zochten hem te grijpen, maar zij vreesden bet volk, want het hield hem voor een profeet. HOOFDSTUK 22. 1 En Jezus antwoordde en sprak wederom door gelijkenissen tot hen, zeggende: 2 Het hemelrijk is gelijk een koning die zijnen zoon eene bruiloft bereidde, 3 en zijne dienaren uitzond, om de gasten tot de bruiloft te roepen; maar zij wilden niet komen. 4 Wederom zond hij andere dienaren uit, en zeide; Zegt den gasten; Zie, mijnen maaltijd heb ik bereid, mijne ossen en mijn mestvee zijn geslacht, en alles is bereid; komt ter bruiloft! 5 Maar zij verachtten dat en gingen heen, de een op zijnen akker, de ander tot zijne hanteering; |
MATTHEÜS 22.
47
|
G en sommisten grepen zijne dienaren, deden Iran smaad-heid aan, en doodden hen. 7 Toen nu de koning dit hoorde, werd hij toornig, en zond zijn heir uit, en verdelgde deze moordenaars en stak hunne stad in brand. 8 Toen zeide hij tot zijne dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de gasten waren het niet waardig. !) Daarom gaat heen op de straten, en noodigt tot de bruiloft wie gij vindt. 10 Eu de dienaren gingen uit op de straten, en brachten te zamen wie zij vonden, kwaden en goeden; en de bi fels werden alle vol. 11 Toen ging de koning naar binnen om de gasten te bezien; en hij zag aldaar een rnensch, die geen bruiloftskleed aanhad, 13 en zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, en hebt toch geen bruiloftskleed aan? En hij verstomde. 13 Toen zeide de koning tot zijne dienaren: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en geknars der tanden. 14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren. 15 Toen gingen de I'ari-zeën heen en hielden raad. |
hoe zij hem vangen zouden in zijne rede. 16 En zij zonden tot hem hunne jongeren met de Hero-dianen, en zeiden: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods recht leert; en gij vraagt naar niemand, want gij acht het aanzien der raeiisohen niet. 17 Daarom zeg ons, wat dunkt ii? Is liet recht, den keizer cijns te geven ot niet? 18 Toen nu Jezus hunne arglistigheid merkte, zeide hij: Gij huichelaars, wat verzoekt gij mij? 19 Toont mij decijnsmunt. En zij reikten hem eenen penning. 20 Kn hij zeide tot hen: Wiens is dat beeld en het opschrift? 21 VA] zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen: Zoo geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. 22 En toen zij dat hoorden, verwonderden zij zich; en zij verlieten hem en gi ngen heen. 23 Op dienzelt'den dag traden tot hem deSadduceën, die zeggen dat er geen op-standingis, en vraagden hem, 2-t zeggende: Meester, Mo-zes heeft gezegd: Zoo iemand sterft en geen kinderen heel t dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en zal zijnen |
MATTTTEUS 22.
48
|
broeder kroost verwekken. 25 Nu zijn er bij ons zeven broeders geweest; de eerste trouwde, en stierf, en dewijl hij geen kroost had, zoo liet hij zijn vrouw aan zijnen broeder na. 2G Desgelijks de tweede, en de derde, tot den zevenden toe. 27 Ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 28 Nu, in de opstanding, wiens vrouw zal zij zijn van fle zeven? Zij hebben ze immers allen gehad. 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, en kent de Schrift niet, noch de kracht Gods. 30 In de opstanding zullen zij niet trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden, maar zij zijn als Engelen Gods in den hemel. 31 En hebt gij, aangaande de opstanding der dooden, nietgelezen hetgeen doorüod tot u tcesproken is, zeggende: 32 //Ik ben deGod vanAbra-ham en de God van Isaiik en de God van Jakob//? Maar nu is God meteen God van dooden, maar van levenden. 33 En toen het volk dat hoorde, ontzetten zij zich over zijne leer. 34 Toen nu de Parizeen hoorden dat hij den Sad-dueeën den mond gestopt had, vergaderden zij zich. |
35 En één onder hen, een wetgeleerde, vroeg, om hem te verzoeken, en zeide: 36 Meester, welk is het grootste gebod in de wet? 37 Eu Jezus zeide tot hem : '/dij zult God, uwen lieer, liefhebben met uw gansche hart en met uwe gansche ziel en met geheel uw verstand.// 38 Dit is het eerste en grootste gebod. 39 Het tweede is daaraan gelijk: //Gij zult uwen naaste liefhebbeu als n zeiven.// 40 Aan deze twee geboden hangt de geheele wet en ile profeten. 41 Toen nu de Parizeen bij elkander waren, vraagde Jezus hen, 42 en zeide: Wat dunkt u van den Cliristus? Wiens zoon is hij? Zij zeiden: Van David. 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David in den Geest eenen Heer, zeggende: 44 //De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zet uaan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden leg tot eene voetbank uwer voeten.// 45 Indien nu David hem eenen Heer noemt, hoe is hij dan zijn zoon ? 46 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durlde hem ook van dien dag af meer te vragen. |
MATTHEUS 23.
49
|
HOOFDSTUK 23. 1 Toen sprak Jezus tot het Ivolk en tot zijne jongeren,volk en tot zijne jongeren, 2 zeggende: Op Mozes' stoel zitten de sekriftgeleerden en Farizeën. 3 Daarom, al wat zij u zeggen datquot; gij houden zult, houdt dat en doet het; maar naar hunne werken moet gij | niet doen; zij zeggen het wel, maar doen het niet. 4 Want zij binden zware en ondragelijke kisten te za-nien, en leggen ze den men-schen op de schouders; maar zij willen ze niet met een vinger aanroeren. 5 Al hunne werken doen zij om van de menschen gezien te worden; zij maken hunne gedenkeadels breed, en de franjes aan hunne kleederen groot. 6 Zij zitten gaarne boven aan de tafels en vooraan in de synagogen, 7 en hebben het gaarne dat zij gegroet worden op de markt, en door de mensehen llabbi genoemd worden. 8 Maar gij zult u niet llabbi laten noemen; want één is uw Meester, de Christus, maar gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand vader heeten op de aarde; want ééti is uw Vader, hij, die in den hemel is. |
j 10 En gij zult u niet meester laten noemen; want één is uw Meester, de Christus. 11 Maar de grootste onder u zal uw dienaar zijn. 12 Want wie zich zei ven verhoogt, zal vernederd worden; en wie zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden. 13 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die het hemelrijk toesluit voor de menschen; gij komt er niet in, en wie er in willen , laat gij er niet ingaan. 14 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die de huizen der weduwen opeet, en dat terwijl gij voor den schijn lange gebeden doet: daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die land en wateromtrekt, om éénen Jodengenoot te maken ; en als hij het geworden is, dan maakt gij van hem een kind der hel, tweevoudig meer dan gij zijt. 16 Wee u,_ verblinde leidslieden , gij, die zegt: Wie zweert bij den tempel, dat is niets , maar wie zweert bij het goud aan den tempel, is \axm zijn eed] gebonden. 17 Gij dwazen en blinden! Wat is grooter, het goud of de tempel die het goud heiligt? |
4
T
MATTHEUS 23.
50
|
18 En : Wie zweert bij het altaar, dat is niets; maar wie zweert bij het ofter dat daarop is, is Umn zijn eed\ gebonden. 19 Gij dwazen en blinden! Wat is grooter, hetoö'er of het altaar dat het offer heiligt? 20 Daarom, wie zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij al wat er op is; 31 en wie zweert bij den tempel, zweert bij dezen en bij hem, die er in woont; 22 en wie zweert bij den hemel, zweert bij den troon Gods en bij hem, die er op zit. 23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, diedemunteendedilleen den komijn vertiendt, maar het voornaamste in de wet nalaat, de rechtvaardigheid, de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten. 24 Gij verblinde leidslieden , gij, die de mug uitzift en den kameel inzwelgt. 25 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die de beters en schotels van buiten rein houdt, maar van binnen zijn ze vol roof en gulzigheid. 26 Gij blinde Farizeër, reinig eerst het binnenste van den beker en den schotel, opdat ook het buitenste rein worde. |
27 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die gelijk zijt aan de gewitte graven , die van buiten schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid. /28 Alzoo ook gij: van buitten schijnt gij voor de men-schen rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ondeugd. _ 29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, ' gij, die de graven der profeten bouwt, en de gedenk-teekenen der rechtvaardigen versiert, 30 en zegt: Waren wij in de tijden onzer vaderen geweest , wij zouden met hen geen deel genomen hebben aan het bloed der profeten. 31 Zoo geeft gij immers u zelve getuigenis, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. 32 Welaan, maakt dan ook de maat uwer vaderen vol! 33 Gij slangen, gij adderge-broedsels, hoe zult gij de helsche verdoemenis ontvlieden? 34! Daarom, zie, ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en van deze zult gij sommigen dooden en kruisigen, en sommigen zult gij geeselen in uwe |
4
MATTHEUS 34.
51
|
synagogen, en zult ze van stad tot stad vervolgen; 35 opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, dien gij gedood hebt tusschen den tempel en het altaar. 36 Voorwaar, ik zeg u, dat dit alles over dit geslacht jkpmen zal. mö7 Jeruzalem ! Jeruzalem! I; gij, die de jjrofeten doodt, en islgenigt die tot if gezonden ^zijii,lïoe dikwijls heb ik uwe ■ kinderen willen vergaderen, j gelijk eene hen hare kiekens ; vergadert onder hare vleu-ï gelen; maar gij hebt niet 4 gewild. i 38 Zie, nw huis zal u woest gelaten worden. 39 Want ik zeg u: Gij zult mij van nu af niet zien, totdat gij zeggen zult: Geloofd zij die komt in den naam des Heeren! HOOFDSTUK 24. 1 En Jezus uitgaande vertrok van den tempel; en zijne ' jongeren traden tot hem, om hem de gebouwen des tempels te toonen. 2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, ik zeg u: Hier zal geen |
steen op den anderen blijden, die niet in stukken zal gebroken worden. 3 En toen hij op den Olijfberg zat, traden zijne jongeren tot hem afzonderlijk, en zeiden: Zeg ons, wanneer zal dat geschieden ? En welk zal het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen; Ziet toe dat niemand n misleide; 5 want velen zullen komen onder mijnen naam, en zeggen : Ik ben de Christus, — en zullen velen misleiden. 6 En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen; ziet toe, en verschrikt niet! Dit alles moet eerst geschieden; maar nog is het einde niet daar. 7 Want het eene volk zal opstaan tegen het andere, en het eene koninkrijk tegen het andere; en er zullen pestziekten en hongersnooden en aardbevingen zijn hier en ginds. 8 Dan zal de nood eerst beginnen. • 9 Alsdan zullen zij u overleveren tot verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns naams wil. 10 Dan zullen velen zich |
MATTHEUS 34.
52
|
ergeren, en elkander verraden en elkander haten. II En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen velen misleiden. 13 En dewijl de ongerechtigheid de overhand nemen zal, zoo zal de liefde bij velen verkoelen. 13 Maar wie volhardt tot aan het einde, die zal behouden worden. 14 Eq het evangelie van het rijk zal gepredikt worden in de geheele wereld, tot eene getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde quot;komen. 15 Wanneer gij nu den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door den profeet Daniël, (wie het leest, lette daarop!) zult zien staan in de heilige plaats, 16 alsdan vliede op de bergen, wie in Judéa is; 17 en wie op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis te halen; 18 en wie op het veld is, keere niet weder terug, om zijne kleederen te halen. 19 Maar wee de zwangeren en zoogenden in dien tijd! 30 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede in den winter of op den sabbat. ■■quot;*«» 31 Want alsdan zal er eene groote verdrukking zij n, hoe-danige er niet geweest is van het begin der wereld tot nu i toe, en ook niet wezen zal. |
33 En indien deze dagen niet verkort werden, zou ei-geen mensch behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. 33 Zoo iemand alsdan tot u zeggen zal: Zie, hier is de Christus, of daar, zoo gelooft het niet^ 34quot;'mint er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en groote teekenen en wonderen doen, om, ware het mogelijk, zelfs de uitverkorenen te misleiden. 35 Zie, ik heb het n tevoren gezegd. 36 Daarom, als zij tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn, zoo gaat niet uit; — zie, hij is in eene binnenkamer, zoo gelooft het niet. 37 Want gelijk de bliksem uitschiet van het Oosten en schijnt tot het Westen, zoo zal ook de toekomst zijn van des Menschen Zoon. 38 Want waar het aas is, daar zullen zich de arenden vergaderen. 39 En terstond na de verdrukking van dien tijd zal de zon verduisterd worden, en de maan haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen [van rac evi 30 Slem .van dan der i len kom hein heei | 31 juitz de i y.ijni F bot ij 32 leen lak . krij zon .ï; 3: sli , het I 3' ges tot ; ziji f 3 voi wc 3 va: zei nii g |
MATTHEUS 24.
53
|
Svau den hemel vallen, en de rachten der hemelen zullen evig bewogen worden. 30 En aldan zal aan den lemel verschijnen het teeken .van des Menschen Zoon; en dan zullen al de geslachten der aarde weeklagen, en zullen des Menschen Zoon zien komen op de wolken des jhemels met grootc kracht en heerlijkheid. 1 31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met schelklinkende bazuinen, en zij zullen,; | zijne uitverkorenen vergade-| a-en irtt de vier winden, van ' het eene einde des hemels | ;tot het andere. Ij 32 Leert van den vijgeboora eene gelijkenis: wanneer zijn iak sappig wordt en bladeren • krijgt, zoo weet gij dat de Izomer nabij is: 33 alzoo ook gij, wanneer gij dit alles ziet, zoo weet dat het nabij is, voor de deur. 34 Voorwaar, ik zeg u: Dit geslacht zal niet voorbijgaan, ' totdat dit alles zal geschied zijn. 35 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan. 36 Doch van dien dag en van die ure weet niemand, zelts de Engelen in den hemel niet, dan mijn Vader alleen. 37 Maar gelijk het in de tot nu en zal. dagen zou ei-n wor-litver-dagen an tot r is de gelooft alsche e pro-te tee-doen, , zelfs mis- voren tot u j is in t niet eene )ft het iksem en en 1, zoo n van as is, inden i ver-zal de a, en 1 niet uilen |
dagen van Noach was, zoo zal ook zijn de toekomst van des Menschen Zoon. 38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, aten en dronken, trouwden en zich lieten trouwen, tot den dag toe, dat Noach in de ark ging, 3!) en zij het niet achtten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; —zoo zal ook de toekomst zijn van des Menschen Zoon. 40 Dan zullen er twee op het veld zijn: de een zal aangenomen en de ander verlaten worden; 41 twee zullen er malen in den molen: de eene zal aangenomen en de andere verlaten worden. 42 Daarom waakt; want gij weet niet in welke ure uw Heer komen zal. 43 Maar weet dit: Indien een huisvader wist in welke ure de dief komen zou , hij zou immers waken en niet in zijn huis laten inbreken. 44 Daarom weest ook gij bereid; want des Menschen Zoon zal-komenineeneure, waarin gij het niet denkt. 45 En wieis nu de getrouwe en verstandige dienstknecht, dien zijn heer gesteld heeft over zijn huisgezin, om hun spijs te geven ter rechter tijd? |
MATTHEUS 35.
54
|
46 Zalig is die dienstknecht, dien zijn heer, als hij komt, zóó doende vindt. 47 Voorwaar, ik zegu: Hij zal hem over al zijne goederen stellen. 48 Maar zoo gene, de ontrouwe dienstknecht, in zijn hart zal zeggen: Mijn heer komt nog lang niet, 49 en beginnen zal zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards, 50 zoo zal de heer van dien dienstknecht komen ten dage op welken bij het niet vermoedt, en ter ure die hij niet denkt, 51 en hij zal hem in stukken houwen, eu zal hem zijn loon geven met de huichelaars: daar zal geween zijn en geknars der tanden. HOOFDSTUK 25. 1 Dan zal het hemelrijk zijn gelijk tien maagden, die hare lampen namen en uitgingen, den bruidegom te gemoet. 3 En vijf van haar waren wijze en vijf waren dwaze. 3 De dwaze namen hare lampen, maar namen geen olie mede; 4 maarde wijzen namen olie in bare kruiken, met hare lampen. 5 Toen nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen slaperig en vielen in slaap. |
6 Maar te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet 1 7 Toen stonden al die maagden op en bereidden bare lampen. 8 £n de dwaze spraken tof de wijze: Geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit. 9 Toen antwoordden de wijze, zeggende: De olie zou misschien voor ons en voor u niet genoeg zijn, maar gaat liever tot de verkoopers en koopt voor u zelve. lü En toen zij heengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren gingen met hem in ter bruiloft, en de deur werd toegesloten. 11 Ten laatste kwamen ook de andere maagden, en zeiden : Heer, Heer, doe ons open! 12 Maar bij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zegu: Ik ken u niet. 13 Daarom waakt; want gij weet dag noch ure, waarin des Menscben Zoon komen zal. 14 [liet m] gelijk een menscli die buitenslands trok, en zijne dienstknechten riep en bun zijne goederen overgaf; 15 en den een gaf bij vijfta- |
1
MATTHEUS 25.
55
|
lenten, den anderen twee, den derden één, aan ieder naaizij n vermogen en reisde terstond weg. 16 Die nu vijf talenten ontvangen had ging heen en handelde daarmede, en won vijf andere talenten. 17 Desgelijks ook die twee j talenten ontvangen had, won J ook twee andere. 18 Maar die er één ontvangen had ging heen en maakte een kuil in de aarde, en ver-Ijorg het geld zijns heeren. 19 Na een langen tijd nu kwam de heer dezer dienstknechten, en hield rekenschap met hen. 30 Toen trad vóór, die vijf talenten ontvangen had, en bracht nog vijf andere talenten , en zeide: Heer, gij hebt mij vijt talenten gegeven; zie, ik heb er vijf andere talenten mede gewonnen. 21 Toen zeide zijn heer tot liem: Wèl u, gij goede en getrouwe dienstknecht! Gij zijt over weinig getrouw geweest, ik zal u over veel zetten; ga in tot de vreugde uws heeren. 22 Toen trad ook toe die twee talenten ontvangen had, en zeide: Heer, gij hebt mij twee talenten gegeven; zie, ik heb er twee andere mede gewonnen. |
23 Zijn heer zeide tot hem : Wèl u, gij goede en getrouwe dienstknecht! Gij zijt over weinig getrouw geweest, ik zal u over veel zetten: ga in tot de vreugde uws heeren. 24 Toen trad ook toe die één talent ontvangen had, en zeide : Heer, ik wist dat gij een hard man zijt; gij maait waar gij niet gezaaid hebt, en vergadert waar gij niet hebt uitgestrooid; 25 en ik vreesde, ging heen en verborg uw talent in de aarde. Zie, daar hebt gij het uwe. 2 6 Maar zij n heer antwoordde en zeide tot hem: Gij booze en luie dienstknecht! Wist gij dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en vergader waar ik niet gestrooid heb; 27 dan behoordet gij mijn geld aan de wisselaren gegeven te hebben, en als ik gekomen was, dan zou ik het mijne tot mij genomen hebben met winst. 28 Daarom neemt van hem het talent, en geeft het dengeen die tien talenten heeft. 29 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van dien zal ook genomen worden hetgeen hij heeft. 30 En werpt den onnutten |
MATTHEUS 25
56
|
dienstknecht in de uiterste duisternis: daar zal geween zijn en geknars der tanden. 31 Als nu des Menschel i Zoon komen zal in zijne heerlijkheid , en alle heilige Engelen niet hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid ; 32 en alle volken zullen voor hem vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk een herder de schapen scheidt van de bokken; 3 3 en hij zal de schapen stellen aan zijne rechterhand, en de bokken aan zijne linkerhand. Sé Dan zal de koning zeggen tot degenen, die aan zijne rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het rijk dat u bereid is van het begin der wereld. 35 Want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij gespijsd; ik ben dorstig geweest en gij hebt mij tedrinkengegeven ; ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij geherbergd; 36 ik ben naakt geweest en gij hebt mij gekleed ; ik ben krank geweest en gij hebt mij bezocht; ikljen gevangen geweest en gij zijt tot mij gekomen. |
37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden en zeggen; Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en hebben u gespijsd? of dorstig, en hebben u te drinken gegeven ? 38 wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien, en n geherbergd? of naakt, en hebben u gekleed? 39 wanneer hebben wij u krank of gevangen gezien, en zijn tot u gekomen? 40 En de koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, ik zeg u: Wat gij gedaan hebt aan één van deze mijne minste broeders, dat hebt gij mij gedaan. 41 Dan zal hij ook zeggen tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten , in het eeuwige vuur dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. 42 Want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet gespijsd ; ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven; 43 ik ben een vreemdelin, geweest en gij hebt mij niet geherbergd; ik ben naakt geweest en gij hebt mij niet gekleed ; ik ben krank en gevangen geweest en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze liem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien , ot dorstig, of |
MATTHEUS 26.
57
|
een vreemdeling, of naakt, of krank, of gevangen, en hebben u niet gediend? 45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar , ik zeg u: Wat gij niet gedaan hebt aan één van deze minsten, dat hebt gij ook mij niet gedaan. 46 En zij zullen, in de eeuwige pijn gaan , maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. HOOFDSTUK 26. 1 En het geschiedde, toen Jezus deze redenen geëindigd had, dat hij tot zijne jongeren zeide: 2 Gij weet dat het na twee dagen Paschen wordt, en des Menschen Zoon zal overgeleverd worden, om gekruist te worden. 3 Toen vergaderden de hoo-gepriesters en schriftgeleerden en de oudsten des volks in het hof van den hooge-priester, genaamd Kajafas, 4 en beraadslaagden te za-men, hoe zij Jezus met lisl zouden vangen en dooden, 5 Doch zij zeiden: Vooral niet op het. feest, opdat er geen oproer kome onder liet volk. 6 Toen nu Jezus te Betha-nië was in het huis van Simon, den melaatsche, |
7 trad eene vrouw tot hem, | die eene albasten flescli met kostbare zalfolie had, en goot die uit op zijn hoofd, toenliij aan tafel zat. 8 Toen zijne jongeren dat zagen, werden zij misnoegd en zeiden: Waartoe dit verlies? 9 Deze zalfolie had duur verkocht, en \]iet geld\ den armen gegeven kunnen worden. 10 Toen Jezus dit merkte, zeide hij tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan ? Zij heeft een goed werk aan mij gedaan. 11 Armen hebt gij altijd bij u; maar mij hebt gij niet altijd. 13 Dat zij deze zalfolie op mijn lichaam heeft uitgegoten , heeft zij gedaan, omdat ik zal begraven worden. 13 Voorwaar, ik zeg n: Overal, waar ditevangeliege-predikt wordt in de geheele wereld, zal men ook tot hare gedachtenis zeggen wat zij gedaan heeft. 14 Toen ging een van de twaalve, genaamd Judas Is-ka riot,-tot de hoogepriesters 15 en zeide: Wat wilt gij mij geven en ik zal hem u overleveren ? En zij wogen hem dertig zilverlingen toe. 16 En van toen af zocht hij gelegenheid om hem over te leveren. |
MATTHEÜS 26.
58
|
17 En op den eersten dag der ongezuurde brooden traden de jongeren tot Jezus en zeiden tot hem: Waar wilt gij, dat wij u het Pascha bereiden zullen , om het te eten? 18 Hij zeide: Gaat heen in de stad tot zekeren man, en zegt tot hem: De Meester laat u zeggen: Mijn tijd is nabij; ik wil bij u het Pascha houden met mijne jongeren. i'J En de jongeren deden gelijk Jezus hun bevolen bad, en bereidden het Pascha. 20 Toen het nu avond geworden was, zette hij zich aan taM met de tvvaalve. 31 En toen zij aten, zeide hij: quot;Voorwaar, ik zeg u, dat een van u mij verraden zal. 22 Eu zij werden zeerbe-droetd, en ieder van hen begon tot hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heer? 23 Eu hij antwoordde, zeggende : Die de hand met mij in den schotel doopte, die zal mij verraden. 24 Des Menschen Zoon gaat wel heen, gelijk van hem geschreven staat, maar wee dien mensch, door wien des Menschen Zoon verraden wordt! Het ware dien mensch beter dat hij nooit geboren was. 25 Toen antwoordde Judas, die hem verried, en zeide: Ik ben het toch niet, Eabbi? |
Hij zeide tot hem: Gij zegt het. 26 Toen zij nu aten, nam Jezus het brood, dankte, en brak het, en gaf het den jongeren, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En hij nam den kelk en dankte, en gaf hun dien,' en zeide: Drinkt allen daaruit; 28 dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat vergot en wo rd t voor velen tot vergeving der zonden. 29 En ik zeg u dat ik van nu af niet meer drinken zal van dit gewas des wijnstoks tot op dien dag, wanneer ik het niemv met u drinken zal in het rijk mijns quot;Vaders. 30 En toen zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: In dezen nacht zult gij u allen aan mij ergeren; want er staat gesclireven: //Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen zich verstrooien.// 32 Maar wanneer ik zal opgestaan zijn, zal ik voor u heen gaan naar Galilea. 33 Doch Petrus antwoordde en zeide tot hem: Al ware het ook dat zij zich allen aan u ergerden, zoo zal ik mij nochtans nimmermeer ergeren. |
■
MATÏHEÜS 26.
34 Jezus zeide tot hem: ; Voorwaar, ik zeg u: In dezen
nacht, eer de haan kraait,
! zult gij mij driemaal verloochenen.
35 Petrus zeide tot hem:
■ Al ware het ook dat ik met u
moest sterven, zoo zal ik u toch niet verloochenen. Des-| gelijks zeiden ook al de I jongeren.
36 Toen kwam Jezus met i hen aan een hof, genaamd iGethsemané, en zeide tot f zijuejongeren; Zithierneder,
totdat ik zal heengegaan zijn en ginds gebeden hebben.
37 En hij nam tot zich Petrus en de twee zonen van
: Zebedëus en begon treurig : en zeer beangst te worden.
38 Toen zeide Jezus tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier eu waakt met mij.
39 En hij ging een weinig voort, en viel op zijn aangezicht neder, en bad, zeggende:
Mijn Vader, is het mogelijk,
laat dezen kelk van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt.
40 En hij kwam tot zijne jongeren en vond ze slapende, en zeide tot Petrus:
Kunt gij dan niet één uur met mij waken?
41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt;
de geest is wel gewillig.
59
maar het vleesch is zwak.
43 Ten tweeden male ging hij wederom heen, en bad en zeide: Mijn Vader, zoo het niet mogelijk is dat deze kelk van mij voorbijga, tenzij dat ik hem drinke, zoo geschiede uw wil.
43 En hij kwam en vond ze wederom slapende; en hunne oogen waren vol slaap.
44 En hij liet hen daar, en ging wederom heen en bad ten derden male, en sprak dezelfde woorden.
45 Toen kwam hij tot zijne jongeren, en zeide: Wilt gij nu slapen en rusten? Zie, de ure is gekomen, dut des Menschen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der zondaren.
46 Staat op, laat ons gaan! Zie, hij is nabij, die mij verraadt.
47 En terwijl hij nog sprak, zie, toen kwam Judas, een der twaalve, en met hem een groote schare met zwaarden en met stokken, van de hoo-gepriesters en oudsten des volks.
48 En de verrader had hun een teeken gegeven, en gezegd: W'ien ik kussen zal, die is het; grijpt dien.
49 En terstond trad hij tot Jezus, en zeide:Wees gegroet. Rabbi! en hij kuste hem.
50 Maar Jezus zeide tot
MATÏHEÜS 36.
60
|
liem: Vriend, waartoe zijtgij gekomen? Toen traden zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. 51 En zie, een van degenen die bij Jezus waren, strekte de hand uit en trok zijn zwaard, en sloeg des hoo-gepriesters dienstknecht en hieuw hem het oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem; Steek uw zwaard in zijne plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Ot meent gij dat ik mijnen Vader niet nu nog kan bidden, dat hij mij meer dan twaalf legioenen Engelen toezende? 51 Maar hoe zou dan de Schrift vervuld worden, \die zeg€\ dat het alzoo geschieden moet? 55 Te dier ure zeide Jezus tot de scharen: Gij zijl uitgegaan als tot een moordenaar, met zwaarden en met stokken, om mij gevangen te nemen; ik heb immers dagelijks bij u gezeten en geleerd in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen. 56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen verlieten hem al de jongeren en vloden. |
57 Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden hem naar den hoogepriester Kajafas, alwaar de schriftgeleerden en de oudsten vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan het hof des hoogepriesters, en ging binnen, en zette zich bij de dienaren, om te zien hoe het zou afloopen. 59 En de hoogepriesters en de oudsten en de gehee-le raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem konden dooden, maar zij vonden niets; 60 en hoewel er vele valsche getuigen voortraden, vonden zij toch niets. 61 Ten laatste kwamen er twee valsche getuigen voor, en zeiden; Hij heeft gezegd : Ik kan den tempel Gods afbreken, en dien in drie dagen opbouwen. 62 En de hoogepriester stond op en zeide tot hem: Antwoordt gij niets op hetgeen deze tegenu getuigen? 63 Doch Jezus zweeg stil. En de hoogepriester antwoordde en zeide tot hem; Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij de Christus, de Zoon Gods, zijt? 6 i Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. Doch ik zeg u: Van nu af zal bet geschieden dat gij des Menschen Zoon zult zien zitten ter rechterhand |
1
MATTHEUS 27.
der kracht, en komen op de wolken des hemels.
65 Toen scheurde de lioo-gepriester zijne kleederen, eu 'zeide: Hij heeft God gelasterd ; wat behoeven wij nog getuigen? Zie, nu hebt gij zijne godslastering gehoord.
66 Wat dunkt u? En zij antwoordden, zeggende: Hij is des doods schuldig.
67 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en gaven hem vuistslagen; en anderen sloegen hem in het aangezicht,
68 en zeiden: Profeteer ons,
Christus, wie is het, die u sloeg ?
69 En Petrus zat buiten in het hot'; en eene dienstmaagd
4 trad tot hem, zeggende: Gij waart ook bij Jezus van Galilca.
70 Maar hij loochende het voor hen allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt.
71 Doch als hij uitging naar de voorpoort, zag hem eene
L andere, en zeide tot degenen die daar waren: Deze was ook bij Jezus van Nazaret.
72 En hij loochende het nog eens, en zwoer daarop: Ik ken dien mensch niet.
Cl
vervloeken en te zweren: Ik -ken dien mensch niet. En terstond kraaide de haan.
7 5 Toen gedacht Petrus aan Jezus' woorden, die hij tot liem gezegd had: Eer de liaan kraaien zal, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitterlijk.
HOOFDSTUK 27.
1 Des morgens nu hielden al de hoogepriesters eu de oudsten des volks raad over Jezus, om hem te dooden.
2 En zij bonden hem, leidden hem heen, en leverden hem over aan den landvoogd Pontius Pilatus.
3 Toen Judas, die hem ver raden had, zag dat hij ter dood veroordeeld was, berouwde het hem, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de hoogepriesters en de oudsten weder,
4 zeggende: Ik heb gezondigd, dat ik onschuldig bloed verraden heb. Maar zij zeiden : Wat gaat ons dat aan ? Zie gij toe!
5 Eu hij wierp de zilverlingen in den tempel en scheidde van daar, en ging keen en verhing zich.
73 En kort daarna kwamen die daar stonden, en zeiden tot Petrus: Voorwaar, gij zijt 6 De hoogepriesters nu na-
ook een van die; want ook uwe spraak verraadt u. 74 Toen begon hij zich te
men de zilverlingen, en zeiden : Het is niet geoorloofd dat wij die in degodskistleg-
MATTHEUS 27.
62
|
gen , want het is bloedgeld. 7 En zij hielden raad, en kochten daarvoor den akker eens pottenbakkers, tot eene begrafenis voor vreemdelin-gen. 8 Daarom is deze akker genaamd de Bloedakker, tot op den dag van heden. 9 Toen is vervuld hetgeen gezegd is door den profeet Jeremia, zeggende: //Zij hebben dertig zilverlingen genomen, waarmede de verkochte betaald werd, welken zij kochten van de kinderen Israëls, 10 en hebben ze gegeven voor den akker eens pottenbakkers, gelijk de Heer mij bevolen heeft.// 11 Eu Jezus stond voor den landvoogd; en de landvoogd vraagde hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. 12 En toen hij beschuldigd werd door de hoogepriesters en de oudsten, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Pilatus tot hem: Hoortgijniethoezwaar zij u beschuldigen? 14 Maar hij antwoordde hem niet op ééneenig woord, zoodat de landvoogdzichzeer verwonderde. |
15 En op het feest was de landvoogd gewoon aan het volk een gevangene los te geven, wien zij wilden. 16 En te dien tijde hadden zij een beruchten gevangene, genaamd Barabbas. 17 En toen zij vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Wien wilt gij dat ik u zal losgeven, Barabbas, of Jezus, die gezegd wordt dat hij de Christus is? 18 Want hij wist wel, dat zij hem uitnijdigheidhadden overgeleverd. 19 En toen hij op den rechterstoel zat, zond zijne huisvrouw tot hem, en liet aan hem zeggen: Heb niets te doen met dezen rechtvaardige, want ik heb heden om zijnentwil veelgeledenin den droom. 30 Maar de hoogepriesters en de oudsten stookten het volk op, dat zij Barabbas zouden eischen, en Jezus dooden. 21 Toen antwoordde de landvoogd en zeide tot hen: Wien van deze twee wilt gij dat ik u zal losgeven? En zij zeiden: Barabbas. 22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die gezegd wordt dat hij de Christus is? Zij zeiden allen: Laat hem kruisigen. 23 Doch de landvoogd zeide: Wat kwaads heeft hij dan gedaan ? Maar zij riepen |
MATTHEÜS 27.
63
|
te meer, zeggende: Laat hem kruisigen! 34 Toen nu Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar dat er veel meer eeii oproer kwam, nam hij water en wiesch de handen voor het volk, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; ziet gij toe! 25 Toen antwoordde al het volk en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! 20 Toen gaf hij hun Earab-bas los, maar Jezus liet hij geeselen, en leverde hem over om gekruist te worden. 27 Toen namen de krijgsknechten van den landvoogd Jezus met zich naar het rechthuis, en vergaderden tegen hem de geheel e schare. 28 En zij ontkleedden hem, en deden hem een purperen mantel om, 29 en vlochten eene kroon van doornen, en zetten die op zijn hoofd, en gaven hem een rietstok in zijne rechterhand, en zij bogen de knieën voor hem, en bespotten hem, zeggende: Wees gegroet, koning der Joden! 30 En zij spuwden op hem, en namen den rietstok en sloegen daarmede op zijn hoofd. 31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en trokken hem zijne kleed eren aan, en leidden hem heen, om hem te kruisigen. |
32 En toen zij uitgingen, vonden zij een mensch van Cyrene, genaamd Simon; dezen dwongen zij, om zijn kruis te dragen. 33 En toen zij kwamen aan de plaats, genaamd Golgotha, dat is vertaald: Hoofdschedelplaats, 34 gaven zij hem edik met gal gemengd te drinken; en toen hij dien proefde, wilde hij dien niet drinken. 35 Toen zij hem nu gekruist hadden, deelden zij zijne kleederen, en wierpen liet lot daarover, opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet: //Zijhebben mijne kleederen onder zich gedeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen. // 30 En zij zaten aldaar, en bewaarden hem. 37 En boven zijn hoofd hechtten zij de oorzaak van zijne doodstraf, aldus geschreven : Deze is Jezus, de koning der Joden. 38 En twee moordenaars werden met hem gekruist, één ter rechter- en één ter linkerhand'. 39 En die voorbijgingen lasterden hem, en schudden hunne hoofden, 40 zeggende: Gij, die den |
MATT HE US 27.
64
|
temjjel al'breekt en in drie dagen opbouwt, help u zel-ven! Zijt gij Gods Zoon, zoo klim af van liet kruis! 41 Desgelij ks bespotten liem ook de lioogepriesters met de schriftgeleerden en de oudsten, en zeiden: 42 Anderen heeft hij geholpen, en kan zich zeiven niet helpen. Is hij Israëls koning, zoo klimme hij nu af van het kruis, dan zullen wij hem gelooven. 43 Hij heeft op God vertrouwd: die verlossehemnu, indien hij behagen in hem heeft; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 Hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem gekruist waren. 45 En van de zesde ure af ontstond er eene duisternis over het geheele land, tot de negende ure toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met eene luide stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani! dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? 47 En sommigen van degenen die daar stonden, dit hoo-rende, zeiden: Hij roept Elia. 48 En terstond liep er een van hen heen, nam eene spons en vulde ze met edik, en slak ze op een rietstok, en gaf hem te drinken. |
49 Maar de anderen zeiden : Houd op, laat ons zien of Elia komt, om hem te helpen. 50 En Jezus riep nog eens met eene luide stem, en gat den geest. 51 En zie, het voorhangsel in den tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden ; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 53 en de graven openden zich, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren stonden op, 53 en gingen uit de graven, na zijne opstanding, en kwamen in de heilige stad, en verschenen aan velen. 54 De hoofdman nu, en die bij hem waren en Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en wat er geschiedde, verschrikten zeer en zeiden: Waarlij k ,deze was Gods Zoon! 5 5 En daar waren vele vrouwen die van verre toezagen, die Jezus gevolgd waren uit Galiléa, en hem gediend hadden; 56 onder welke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der kinderen van Zebedeüs. 57 Ues avonds nu kwam een rijk man van Arimathéa, genaamd Jozef, die ook een jonger van Jezus was. 58 Deze ging tot Pilatus en |
MATTHEUS 28.
65
|
wzorM liem om hetlicliaam ran Jezus. Toen gebood l'i-atns dat liet liem gegeven on worden. 59 En Jozef nam liet li-iliaam, en wond liet in een ein lijnwaad, 60 en leide het in zijn eigen lieuw graf, hetwelk hij in -ene steenrots had laten uit-liouvven, en wentelde een rooten steen voor den ingang jdes grafs, en ging van daar. Cl En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria; die zetten zich tegenover het graf. 63 Das anderen daags, die op den dag der voorbereiding volgt, kwamen de hooge-priesters en de Earizeön te za-men tot Pilatus, 63 zeggende: Heer, wij herinneren ons dat deze verleider, toenhij nog leefde, gezegd heeft: Ik zal na drie dagen opstaan. 64 Beveel dan dat men het graf beware tot den derden dag, opdat zijne jongeren misschien niet bij nach t komen en hem stelen , en tot liet volk zeggen: Hij is opgestaan van de dooien. Zoo zou de laatste bedriegerij erger worden dan de eerste. 65 En Pilatus zeide tot hen: Daar hebt gij de wachters; gaat heen, en bewaart het, zoo goed gij het verstaat. en zei-i zien of helpen. Jg eens en gat langsel rde in ; bene-fde, en irden, enden n der waren a ven, kwa-d, en m die is be-i'dbe-idde, iden: ?ooii! /rou-igeu, n uit iend [aria . de oses, eren vam héa, een |
66 Eu zij gingen heen, en bewaarden het graf met wachters, eu verzegelden den steen. HOOFDSTUK 28. 1 En laat na den sabbat, als het begon te dagen, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Alaria, om het graf te bezien. 2 En zie, er geschiedde eene groote aardbeving; want een Engel des Heeren kwam van den hemel af, trad tos, en wentelde den steen van den ingang afen zette zich daarop. 3 En zijne gedaante was gelijk de bliksem, en zijn kleed wit als sneeuw. 4 De wachters nu verschrikten van vrees, en werden alsof zij dood waren. 5 Maar de Engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet! Ik weet dat gij Jezus, den gekruiste, zoekt. ö Hij is niet hier; hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Kumt herwaarts en ziet de plaats waar de Heer gelegen heeft. 7 En gaat schielijk heen en zegt het zijnen jongeren, dat hij opgéstiian isvandedoo-den Eu zie, hij zal voor u heen gaan naar Galiléa: daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. |
66 MAllKUS 1.
8 En zij gingen schielijk ! stolen, terwijl wij sliepen, uit van liet graf, met vreesen 14 En indien dit den land-^roote vreugde, en zij liepen ' voogd mocht teroorekomen.
heen, om het zijnen jongeren te verkondigen.
9 En toen zij heengingen, om het zijnen jongeren te verkondigen, zie, toen ontmoette Jezus haar,zeggende:
zullen wij hem tevredenstellen en maken dat gij veilig zijt.
15 En zij namen het geld en deden zooals zij onderricht waren. En dit verhaal is bij de Joden verbreid tot
Zijt gegroet! En zij traden tot; op dezen dag.
hem, en grepen zijne voeten 16 De elf jongeren nu gin-en vielen voor hem neder, gen naar Galiléa, naar den
10 Toen zeide Jezustothaar: berg, waar Jezus hen beschei-Vreestniet!Gaatheen,enver- den had.
kondigthetaanmijnebroede- 17 En toen zij hem zagen, ren, opdat zij gaan naar Gali- vielen zij voor hem neder; k'a; aldalt;ir zullen zij mij zien. : doch sommigen twijfelden.
11 Toen zij nu heengingen, 18 En Jezus trad tot hen, zie, toen kwamen eenigen 1 en sprak met hen, en zeide: van de wachters in de stad, Mij is gegeven alle macht en verkondigden aan de hoo- in hemel en op aarde, gepriesters al wat er geschied j 19 Daarom gaat heen, en was. j maakt alle volken tot mijne
12 En zij kwamen tezamen jongeren, hen doopende in met de oudsten, en hielden : den naam des Vaders en des raad, en gaven den krijgs- Zoons en desHeiligenGeestes; knechten geld genoeg, , 20 en leert hen onderhouden
13 en zeiden; Zegt: Zijne i al wat ik u bevolen heb. En jongeren zijn bij nacht ge-1 zie, ik ben bij u al de dakomen en hebben hem ge-1 gen tot aan 's werelds einde.
HET EVANGELIE VAN
M A R K U S.
iT/-vrvT^rvc.rn,Tir . : 2 Gelijk geschreven staat HOOFDSTUK 1. in de Jrofken: //Zie, ik
1 Dit is hot begin des evan- zend mijnen Engel voor u gelies van Jezus Christus, j uit, die uwen weg voor u den Zoon Gods. bereiden zal.//
MARKUS 1.
07
|
3 //Er is eenestem eeus predikers in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht.// 4 Johannes was in de woestijn, doopte, en predikte den doop der boete tot vergeving (Ier zonden. 5 En hetgeheele Joodsche land ging tot hem uit, en al de inwoners van Jeruzalem; en zij lieten zich allen door hem doopen in de rivier de Jordaan, en bekenden hunne zonden. 6 Johannes nu was gekleed met kemelshaar, en meteen lederen gordel om zijne lende ; en hij at sprinkhanen en wilden honig. 7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt een die sterker is dan ik, voor wien ik niet waardig ben dat iknederbuk en de riemen zijner schoenen ontbind. 8 Ik doop u met water; maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest. 9 En het geschiedde in dien tijd, dat Jezus kwam van Nazaret in Galiléa, en zich door Johannes liet doopen in de Jordaan. 10 En terstond, als liij uit liet water klom, zag hij den hemel zich openen, enden Geest gelijk eeneduif op hem nederdalen. |
11 En er geschiedde eene stem uit den hemel: Gij zijt; mijn geliefde Zoon , in wien ik een welbehagen heb. 13 En terstond dreef hem de Geest in de woestijn. 13 En hij was aldaar in do woestijn veertig dagen, en werd verzocht door den satan , en was bij de dieren, en de Engelen dienden hem. : 1 -1 Nadat nu Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, en predikte het evangelie van het rijk Gods, i 15 en zeide: De tijd is vervuld , en het rijk Gods is nabij gekomen; doet boete en , gelooft aan het evangelie. ; 16 En toen hij langs de Ga-lileesohe zee ging, zag hij Simon en zijnen broeder Andreas , werpende hunne netten in de zee; want zij waren visschers. 17 Eu Jezus zeide tot hen; Volgt mij, ik zal u tot visschers van menschen maken. 18 En terstond verlieten zij hunne netten en volgden hem. 19 En toen hij van daareen weinig voortging, zag hij Jakobus, den zoon van Zebe-deüs, en Johannes, zijnen broeder , die in het schip de netten verstelden. 20 En terstond riep hij ze; en zij lieten hunnen vader Zebedeüs in het schip met de huurlingen, en volgden hera. |
MARKUS 1.
68
|
21 Eu zij gingen naar Ka-pérnaiim; en terstond op den sabbat ging hij in de synagoge en leerde. 32 En zij ontzetten zich over zijne leer; want bij leerde lien als machthebbende, en niet als de schriftgeleerden. 23 En er was in hunne synagogeeen mensch, bezeten met een onreinen geest, die riep 24 en zeide: Laat af, wat hebben wij met u te doen, Jezus van Nazaret ? /ijt gij gekomen om ons te verderven? Ik weet wie gij zijt: de Heilige Gods. 25 En Jezus bedreigde hem, zeggende: Verstom en vaar uit van hem! 2G En de onreine geest trok hem heen en weer, en riep overluid, en voer van hem uit. 27 En zij ontzetten zich allen, zoodat zij de een den ander vroegen, zeggende: Wat is dit ? Welk een nieuwe leer is deze? Hij gebiedt met macht zelfs den onreinen geesten, en zij gehoorzamen hem. 28 En het gerucht van hem werd schielijk verspreid in het geheele omliggende land van Galilea. 29 En zij gingen terstond uit de synagoge, en kwamen in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. |
30 En Simons schoonmoeder lag en had de koorts; en terstond zeiden zij 't hem van haar. 31 En hij trad tot haar en richtte haar op, en hield haar bij de hand, en terstond verliet haar de koorts, en zij diende hen. 32 Des avonds nu, toen de zon ondergegaan was, brachten zij tot hem allerlei kran-ken en bezetenen. 33 En de geheele stad was vergaderd voor de deur. 34 En hij hielp vele kran-ken, die met menigerlei ziekten beladen waren, en dreef vele booze geesten uit, en liet den boozen geesten niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. 35 En des morgens vroeg, voordat de dag aanbrak, stond hij op en ging uit, en hij ging naar eeue woeste plaats, en bad aldaar. 36 En Simon met degenen, die bij hem waren, volgden hem spoedig. 37 En toen zij hem vonden, zeiden zij tot hem; Iedereen zoekt u. 38 En hij zeide tot hen: Laat ons in de naastgelegen steden gaan, opdat ik aldaar ook predike; want daartoe ben ik gekomen. |
MAT!,KUS 2.
69
|
:i9 En hij predikte in hunne synagogen, door geheel Gali-lea, en dreef de booze geesten uit. 40 En er kwam eenmelaat-sche tot hein, en bad hem, en knielde voor Ijem neder, en zeide tot hem : Indien gij wilt,zoo kunt gij mij reinigen. 41 En het jammerde Jezus, en hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil hetdoen, wees gereinigd! 42 En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd rein. 43 En Jezus betlreigde hem, en deed hem terstond van zich heengaan, 44 en zeicle tot hem: Zie toe, dat gij niemand iets zegt. Maar ga heen, toon u den priester, en ofier voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, tot een bewijs voor hen. 45 Maar toen hij uitging, begon hij veel daar van te zeggen en de zaak ruchtbaar te maken, zoodat hij voortaan niet meer openlijk in de stad kon komen; maar hij was buiten in woeste plaatsen, en zij kwamen tot hem van alle kanten. HOOFDSTUK 2. |
1 En na eenige dagen ging hij wederom naar Kaper-naiim, en het werd ruchtbaar dat hij te huis was. 2 En terstond vergaderden er velen, zoodat zij geen ruimte hadden, zei ia niet buiten voor de deur; en hij sprak het woord tot hen. 3 En er kwamen eenigen tot hem, die een verlamde brachten, welke door vier gedragen werd. 4 En toen zij niet tot hom konden komen vanwege het volk, openden zij het dak, waar hij was, braken er door, en lieten het bed neder waarop de verlamde lag. 5 ïoen nu Jezus hun geloof zag, zeiile hij tot den verlamde: Mijn zoon, uwe zonden zijn u vergeven. 6 Er waren nu eenige schriftgeleerden, die aldaar zaten, en in hunne harten dachten: 7 Hoe spreekt deze zulke godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven dan God alleen? 8 En Jezus bemerkte terstond in zijnen geest dat zij zoo dachten bij zich zelve, en zeide tot hen: Wat denkt gij aldus in uwe harten? 9 Wat is lichter, tot den verlamde te zeggen; U we zonden zijn u vergeven; of: Sta op, neem uw bed op, en wandel ? 10 Maar opdat gij weet dat des Menschen Zoon macht heeft om de zonden te verge- |
MARKUS 2.
70
|
ven op de aaide — zeide hij tot den verlamde: 11 Ik zeg u, sta op, neem uw bed op, en ga naar huis. 13 En dadelijk stondhij op, nam zijn bed op, en ging uit in de tegenwoordigheid van allen, zoodat zij zich allen ontzetten, en God prezen, zeggende: Wij hebben zoo iets nog nooit gezien. 13 En hij ging weder uit langs de zee; en al het volk kwam tot hem, en hij leerde !ien. 14 En toen hij voorbijging, zag hij Levi, den zoon van Alfeüs, in liet tolhuis zitten; en hij zeide tot hem: Volg mij. En hij stond op en volgde hem. 15 En het geschiedde, toen hij aan tafel zat in zijn huis, dat zich ook vele tollenaars en zondaars met Jezus en zijne jongeren aan tafel zetten ; want er waren velen die hem volgden. 16 En toen de schriftgeleerden en Earizeön hem met de tollenaren en zondaren zagen eten, zeiden zij tot zijne jongeren: Waarom eet en drinkt hij met de tollenaren en zondaren ? 17 Toen nu Jezus dat hoorde, zeide hij tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maar de li ranken.Ik ben nietgekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen. |
18 En de jongeren van Johannes en van de Farizeën vastten veel; en er kwamen eenigen, die tot hem zeiden: Waarom vasten de jongeren van Johannes en van de Farizeën, en vasten uwe jongeren niet? 19 En Jezus zeide tot hen: Hoe kunnen de bruiloftslieden vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zoolang de bruidegom bij hen is, kunnen zij niet vasten; 20 maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen zal genomen worden: dan zullen zij vas'on. 21 Niemand zet een lap nieuw laken opeen oud kleed; want de nieuwe lap scheurt toch af van het oude, en de scheur wordt erger. 22 En niemand doet jongen wijn in oude lederen zakken; and ers doet de wijn de lederen zakken scheuren, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men moet den jongen wijn in nieuwe lederen zakken doen. 23 En het geschiedde, toen hij op een sabbat door het koren wandelde, dat zijne jongeren begonnen, al gaande, aren uit te plukken. 24 En de Earizeën zeiden tot hem: Zie, waarom doen |
MARKUS 3.
71
|
zij op den sabbat hetgeen niet betamelijk is? 35 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David deed, toen hij behoefte had en hem hongerde en dengenen , die bij hem waren; 26 hoe hij in het huis Gods ging, ten tijde van Abjathar, den hoogepriester, en de toonbrooden at, die niemand mocht eten dan de priesters, en ze ook gaf aan desenen, (lie bij hem waren? \ 37 En hij zeide tot hen: De sabbat is om des mensehen wil gemaakt, niet de menseh om des sabbats wil. /38 Zoo is dan des Mensehen Zoon een Heer ook van den sabbat. HOOFDSTUK 3. I En hij ging andermaal in de synagoge. En daar was een menseh die eene verdorde hand had. / 3 En zij namen Item waar, of hij hem ook op den sabbat genezen zou, opdat zij eene beschuldiging tegen hem hebben mochten. 3 En hij zeide tot den menseh met de verdorde hand: Treed . voor. \ 4 En hij zeide tot hen: Mag men op een sabbat goeddoen of kwaaddoen, het leven behouden ot (loo:len? En zij zwegen stil. |
5 En hij zag hen in 'trond aan met toorn, en was bedroefd over hun verstokthart, en zeide tot den menseh: Strek uwe hand uit. En hij strekte ze uit, en zijne hand werd | gezond gelijk de andere. 6 En de Farizeën gingen uit, en hielden terstond raad met de Herodianen tegen hem, hoe zij hem dooden zouden. 7 Doch Jezus ontweek met zijne jongeren naar de zee, en veel volk volgde hem uit Galliléa, en uit Judca, 8 en uit Jeruzalem, en uit Iduméa, en van gene zijde van de Jordaan, en die in den omtrek van Tyrus en Sidon wonen, eene groote menigte, die van zijne daden gehoord hadden, en zij kwamen tot hem. 9 En hij zeide tot zijne jongeren dat zij een scheepje voor hem zouden gereed houden vanwege het volk, opdat zij hem niet verdringen zouden; 10 want hij genas er velen, zoodat allen, die kwalen hadden, met geweld op hem aandrongen, om hem aan te raken. 11 En als de onreine geesten hem zagen, vielen zij voor hem neder, riepen en zeiden; Gij zijt Gods Zoon. 13 En hij bedreigde hen scherpelijk dat zij hem niet zouden openbaar maken. 13 En hij ging op een berg, |
'
MA l!l\ IS
73
|
en riep tot zich wie hij wilde; en zij kwamen tot hem. 14 En hij verordende er twaalf, opdat zij bij hem zouden zijn, en opdat hij ze zou uitzenden om te prediken, 15 en dat zij macht zouden hebben om ziekten te genezen en booze geesten uit te drijven: l(i namelijk Simor., wien hij den naam Petrus gaf; 17 en Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes, den broeder van Jakobus, en gaf hun den naam Boanerges, hetwelk is, zonen desdonders; 18 en Andréasen Vilippus, enBartholomeiis, en Matthe-üs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeüs, en Thad-deüs, en Simon van Kana, 19 en Judas Iskariot, die hem verried. 20 En zij kwamen te huis; en toen kwam wederom het volk te zamen, zoodat zij zelfs geen brood konden eten. 21 En toen zijne nabestaan-dendithoorden, gingen zij uit en wilden hem vasthouden; want zij zeiden: Hij is uitzinnig. 33 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebub, en door den overste der booze geesten drijft hij deboozcgeestenuü. |
23 En hij riep ze tezamen, en zeide tot hen in gelijke' nissen: Hoe kan de eene satan den anderen uitdrijven? S I Indien een rijk met zich zelf oneens wordt, zoo kan het niet bestaan; 35 en indien een huis met zich zelf oneens wordt, zoo kan het niet bestaan. 26 Staat nu de satan tegen zich zeiven op en is hij met zich zeiven oneens, zoo kan hij niet bestaan, maar het is uit met hem. 27 Niemand kan in het huis eens sterken ingaan en diens huisraad rooven, tenzij liij te voren den sterke binde en alsdan zijn huis beroove. 28 Voorwaar, ik zeg u: Alle zonden zuilenden menschen-kinderen vergeven worden, ook de lasteringen, waarmede zij gelasterd hebben; 29 maar wie den Heiligen Geest lastert, heeft geen vergeving eeuwiglijk, maar is schuldig voor het eeuwige oordeel. 30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest. 31 En zijne moeder en zijne broeders kwamen, en stonden buiten, en zonden tot hem en lieten hem roepen. 33 En het volk zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: '/•ie, uwe moeder en uwe broeders daarbuiten vragen naar u. |
MAHKUS 4.
73
|
33 Eu hij antwoordde him | en wide: Wieisraijnemoedev ' en [wie zijn] mijne broeders? 3*1! En hij zag rondom zich op de jongeren die om hem in het rond zaten, en zeide: Ziehier mijne moeder en mijne broeders! 35 Want wie den wil Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder. HOOFDSTUK i. I En hij begon wederom te leeren aan de zee; en veel volk vergaderde tot hem, zoodat hij in een schip moest treden en zich nederzetten, op het water; en al het volk stond op het laud aan de zee. 3 En hij predikte hun lan»1 door gelijkenissen, en in zijne prediking zeide hij tot hen: 3 Hoort toe! Zie, een zaad-zaaier ging uit om te zaaien, ■l En het geschiedde, terwijl bij zaaide, dat een deel viel bij den weg; toen kwamen de vogelen des hemels en aten het op. 5 En een ander deel viel in steenachtigen grond, waar het niet veel aarde had; en het ging spoedig op, omdat het geen diepe aarde had; 6 maar als de zon opging, verwelkte het, en omdat het geen wortelhad, verdorde het. 7 Nog een ander deel viel ondc r de doornen, en d e d oor-nen wiesen op en verstikten het, eu het gaf geen vrucht. |
8 Maar een deel viel in een goed land, en gaf vrucht, die toenam en wies, en droeg deels dertigvoudig, deels zes-tigvoudig, en deels honderdvoudig. 9 En hij zeide tot hen: Wie ooren heeft om te hooren, hoore! 10 En toen hij nu alleen was, vraagden hem degenen die bij hem waren, met de twaalve, naar deze gelijkenis. 11 En hij zeide tot hen: U is het gegeven de verborgenheid van het rijk Gods te weten; maar dengenen die daarbuiten zijn, geschiedt dit alles door gelijkenissen; 12 opdat zij ziende zien en nochtans niet opmerken, eu hoorende hooren en nochtans niet verstaan, noch zich te eeniger tijd bekeeren en hun de zonden vergeven worden. 13 En hij zeide tot hen: Verstaat gij deze gelijkenis niet, hoe zult gij dan al de andere verstaan? 11 De zaadzaaier zaait het woord: 13 En deze zijn liet, die bij den weg zijn: waar het woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, zoo komt terstond de satan en neemt het woord weg, dat in hun hart gezaaid was, |
MARKUS 4.
n
|
16 Akoo zijn degenen ook, die in steenaohtigen grond gezaaid zijn: wanneer zij het woord geboord hebben, nemen zij het terstond met vreugde aan; ^ 17 doch zij hebben geen wortel in zich, maar zijn i slechts voor een tijd; wan-' neer er verdrukking of ver-| volging ontstaat otn dss i woords wil, zoo ergeren zij zich terstond. | 18 En deze zijn het die onder de doornen gezaaid zijn: die het woord hoeren, 19 en de zorgen dezer wereld en het bedrog des rijk-doms en vele andere lusten komen er in, en verstikken het woord, en het blijft zonder vrucht. 20 En dezen zijn het die in een goed land gezaaid zijn: die liet woord hooren en het aannemen, en vrucht dragen, sommigen dertigvoudig, en sommigen zestigvoudig, en sommigen honderdvoudig. 31 En hij zeide tot hen: Ontsteekt men ook een licht, opdat men bet onder een korenmaat of onder een rustbank zette? Geenszins, maar opdat men het op een kandelaar zette. 22 Want er is niets ver-horgen dat niet openbaar wordt, en er is niets geheim (lat niet te voorschijn komt. |
33 Wie ooren heeft om te hooren, hoore! 24 En hij zeide tot hen: Ziet toe, wat gij hoort. Met welke maat gij meet zal men u wedermeten; en men zal u, die dit hoort, nog wat toegeven. 35 Want wie heeft, dien wordt gegeven; en wie niet heeft, van dien zal men ook nemen hetgeen hij beeft. 30 En hij zeide: Het rijk Gorls is aldus: gelijk een mensch zaad op het land werpt, 37 en slaapt en opstaat , nacht en dag, en het zaad gaat op en wast, zonder dat hij iets daarvan weet. 38 — Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort, eerst den halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. — 39 En wanneer de vrucht het toelaat, zoo zendt hij terstond den sikkel daarin, want de oogst is daar. 30 En hij zeide: Waarbij zullen wij het rijk Gods vergelijken, en door welke gelijkenis zullen wij het afbeelden? 31 Het is gelijk een mostaardzaad , hetwelk, als het gezaaid wordt in de aarde, het kleinste is onder alle zaden op aarde; 33 en als het gezaaid is, |
MARKUS 5.
75
|
m zoo neemt liet toe en wordt grooter dan alle moeskrui-i: (len, en verkrijgt groote et takken, zoodat de vogelen in des hemels onder zijne schaal duw kunnen wonen, it 33 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij het n woord tot hen, naardat zij )t liet hooren konden; k 34 en zonder gelijkenis t. sprak hij niet tot hen; maar k liij verklaarde alles zijnen ii jongeren in het bijzonder. :l 35 En op dien dag, des avonds, zeide hij tot hen: , Laat ons overvaren naar de l andere zijde, r 36 En zij lieten het volk gaan, en namen hem mede, t gelijk tij in het schip was; t 1 en er waren nog andere schepen bij hem. ' 37 En er verhief zich een hevige storm, en wierp de golven in het schip,zoodat het schip vol werd. 38 En hij was op den achtersteven van het schip, en sliep op een kussen; en zij wekten hem op en zeiden tot hem: Meester, vraagt gij er niet naar, dat wij vergaan? 39 En hij stond op en bedreigde den wind, en zeide tot de zee: Zwijg en wees r. stil! En de wind ging liggen, en er werd groote stilte. 40 En hij zeide tot hen: Iloe zijt gij zoo bevreesd? |
Hoe hebt gij geen geloof? 41 En zij vreesden zeer, en zeiden onder elkander: Wie is deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn! HOOFDSTUK 5. 1 En zij kwamen aan gene zijde der zee, in de landstreek der Gadarenen. 3 En als hij uit het schip trad, ontmoette hem terstond uit de graven een mensch met een onreinen geest, 3 die zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketenen; 4 want hij was dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest en had de ketenen verbroken en de boeien aan stukken gewreven, en niemand kon hem temmen. 5 En hij was altijd, zoo dag als nacht, op de bergen en in de graven, en schreeuwde en sloeg zich zei ven met steenen. 6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en viel voor hem neder, 7 en schreeuwde met luide stem en zeide; AVat heb ik met u te doen, o Jezus, gij Zoon Gods des Aller-lioogsten? Ik bezweer u bij God dat gij mij niet kwelt! |
MARKUS 5.
76
|
8 Want hij zeide tot hem: Vaar uit van den mensch, gij onreine geest! Ö En hij vraagde hem: Hoe heet gij? En hij antwoordde, zeggende: Legioen is mijn naam; want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer dat hij hen niet uit deze landstreek zou verdrijven. 11 En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen in de weide; 13 en de booze geesten baden hem allen, zeggende; Laat ons in die zwijnen varen. 13 En terstond vergunde Jezus het hun. Toen voeren tie onreine geesten uit, en voeren in'de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, — er waren omtrent twee duizend — en zij verdronken in de zee. 14 En de zwijnenhoeders vloden, en verkondigden het in de stad en op het Land; en zij gingen uit, om te zien wat er geschied was, 15 en kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene, zittende en gekleed en bijzijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het gezien hadden verhaalden hun wat den l)ezetene wedervaren was,en van de zwijnen. |
17 En zij begonnen hem te bidden dat hij uit hunne landstreek zon vertrekken. 18 En toen hij in het schip trad, bad de bezetene hem om bij hem te mogen blijven. 19 Doch Jezus liet het hem niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis en tot. de uwen, en verkondig hun wat groote weldaden de lieer aan u gedaan, en hoe liij zich over u ontfermd heeft. 30 En hij ging heen, en begon uit te roepen in Deka-polis, wat groote weldaden Jezus aan hem gedaan had; en iedereen verwonderde zich. 21 En toen Jezus weder overgevaren was met het schip, vergaderde er veel volk bij hem; en hij was aan de zee. 22 En zie, toen kwam er een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus; en toen die hem zag, viel hij hem te voet, 23 en bad hem zeer,zeggende: Mijne dochter ligt op haar uiterste; wil toch komen en uwe hand op haar leggen, opdat zij gezond worde en leve. 24 En hij ging met hem heen; en veel volk volgde hem, en zij verdrongen hem. 25 En er was eene vrouw, die reeds twaalf jaren eene bloedvloeiing gehad had, |
|
MAE1 2G en veel geleden had van vele geneesmeesters, en al haar goed daaraan ten koste gelegd, en geen baat gevonden had, maar het werd veeleer erger met haar. 27 Toen die van Jezus hoorde, kwam zij onder het volk van achteren, en raakte zijn kleed aan; 28 want zij zeide: Als ik slechts zijn kleed mocht aanraken, zou ik gezond worden. 29 En terstond verdroogde de bron haars bloeds, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van hare kwaal genezen was. 30 En Jezus gevoelde terstond aan zich zei ven dat er kracht van hem was uitgegaan , en keerde zich om tot het volk, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? 31 En de jongeren zeiden tot hem; Gij ziet dat het volk u dringt, en gij zegt: Wie heeft mij aangeraakt? 32 En hij zag om naar degene, die dat gedaan had. - 33 De vrouw nu vreesde en beefde, — want zij wist wat aan haar gesch ied was — en kwam en viel voor hem neder, en zeide hem de ge-heele waarheid. 34 En hij zeide tot haar: Mijne dochter, uw geloof |
:us 3. 77 heeft u gezond gemaakt; ga heen in vrede, en wees hersteld van uwe kwaal. 35 Terwijl hij nog sprak, kwamen sommigen van het huisgezin van den overste der synagoge, en zeiden: Uwe dochter is gestorven, wat moeit gij verder den Meester? 36 En Jezus hoorde terstond het woord, dat er gezegd werd, en zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet, geloof slechts. 37 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus. 38 En hij kwam in het huis van den overste dei-synagoge, en zag het gewoel en degenen, die zeer weenden en jammerden; 39 en ingegaan zijnde zeide iiij tot hen: Wat tiert en weent gij ? Het meisje is niet gestorven, maar slaapt. ■lU Doch zij belachten hem. Maar hij dreef ze allen uit, en nam met zich den vader des kinds en de moeder, en die bij. hem waren, en ging binnen, waar het kind lag. 41 En hij vatte het meisje bij de hand, en zeide tot haar: Talitha kumi! dat is vertaald: meisje, (ik zeg u) sta op! 42 En dadelijk stond het |
MARKUS 6.
ging in de omliggende vlekken rond en leerde.
7 Eu hij riep de twaalve, en begon hen uit te zenden , telkens twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
8 En hij gebood hun dat zij niets bij zich zouden dragen op den weg, dan alleen een staf: geen reiszak , geen brood, geen geld in den gordel;
9 maar dat zij zouden geschoeid zijn, en geen twee rokken aantrekken.
10 En hij zeide tot hen: Waar gij in een huis zult gaan, blijft daarin, totdat gij van daar vertrekt.
11 En wie u niet zullen aannemen noch hooren, gaat van daar uit, en schudt het stof van uwe voeten af, tot eene getuigenis over hen. Voorwaar, zeg ik u: Het zal Sodom en Gomorra ten dage des oordeels dragelijker zijn dan zulk eene stad.
13 En zij gingen uit, en predikten dat men boete zou doen;
13 en zij dreven vele booze geesten uit, en zalfden vele zieken met olie, en maakten ze gezond.
14 En het kwam den koning Herodes ter oore, —■ want zijn naam was nu openbaar geworden—en hij zeide:
78
meisje op en wandelde; want zij was reeds twaalf jaren oud. En zij ontzetten zicli bovenmate.
43 En hij verbood hun nadrukkelijk , dat niemand het weten zon, en zeide dat uien haar zou te eten geven.
HOOFDSTUK 6
1 En hij ging van daar uit, en kwam in zijne vaderstad, en zijne jongeren volgden hem.
3 Eu toen de sabbat kwam, begon hij te leeren in de synagoge; en velen, die hem hoorden, verwonderden zich, zeggende: Vanwaar komt dezen dit alles, en wat wijs-beid is het, die hem gegeven is, dat zulke daden door zijne handen geschieden?
3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon? Zijn ook niet zijne zusters hier bij ons? En zij ergerden zich aan hem.
4 Doch Jezus zeide tot hen: Een profeet geldt nergens minder dan in zijne vaderstad en te huis bij de zijnen.
5 En hij kon aldaar geen enkele daad doen, behalve dat hij weimgen zieken de lianden oplegde en hen genas.
6 En hij verwonderde zich over hun ongeloof; en hij
|
1 .Tolmiines de Dooper is vai\ de dooden opgestaan, en daarom werken zulke krachten in hem. 15 Anderen zeiden: Hij is Eb'a; anderen: Hij is een profeet, of als een der profeten. iö Maar toen Herodes dat hoorde, zeide hij: Het is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgestaan. 17 Want hij. Herodes, had uitgezonden en Johannes gevangen genomen en in de Herodias, de vrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had. 18 Want Johannes zeide tot Herodes: Het is niet recht dat gij uws broeders vrouw hebt. 19 En Herodias leide beni lagen en wilde hem dooden, en kon niet; 20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij bewaakte hem, en volgde hem in vele zaken, en hoorde hem gaarne. 31 En er kwam een gelegen dag, toen Herodes op zijn geboortefeest een gastmaal gaf aan de oversten en hoofdlieden en aan de voornaam-sten in Galilca. 22 Toen traddedochter van Herodias binnen, en danste, |
en vroeg en zeide: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper. 2C En de koning werd bedroefd ; doch om den eed en om degenen, die mede aan tafel zaten, wilde hij het haar niet weigeren. 27 En terstond zond de koning een scherprechter heen, en beval zijn hoofil te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis , 28 en bracht zijn hoofd op een schotel, en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan hare moeder. 29 En toen zijne jongeren dat hoorden, kwamen zij en namen zijn lichaam, en leiden het in een graf. MARKUS 6. 79 en behaagde aan Herodes en degenen, die mede aan tafel zaten. Toen zeide de koning-tot het meisje: Vraag van mij wat gij wilt, en ik zal het u geven. 23 En hij zwoer haar een eed: Wat gij van mij vragen zult, dat zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk toe. 24 En zij ging uit en zeide tot hare moeder: Wat zal ik vragen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper. 25 En zij ging terstond met gevangenis gezet, vanwege i haast binnen tot den koning, |
7
MARKUS fi.
80
|
30 En de apostelen kwamen [werfw] te zamen tot Jezus, en verkondigden liem alles, beide wat zij gedaan en wat zij geleerd liadden. 31 En hij zeide tot hen: Laat ons in eene woestijn gaan, alleen, en rast een weinig. Want er waren er velen, die af en aan gingen, zoodat zij geen tijd genoeg liadden oni te eten. 33 En zij voeren van daar in een schip naar eene woestijn, alleen. 33 En het volk zag ze wegvaren, en velen kenden hem, en liepen daarheen met elkander te voet uit alle steden, en kwamen hun vóór, en gingen tot hem. 34 En Jezus ging uit en zag dc groote schare; en het jammerde hem van hen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en hij begon hun veel te prediken. 35 Toen nu de dag bijna ten einde was, traden zijne jongeren tot hem en zeiden ; Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag. 36 Laat ze van u, opdat zij heengaan rondom in de dorpen en vlekken, en brood voor zich koopen; want zij hebben niets te eten. 37 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem: |
Zullen wij dan heengaan en voor de waarde van tweehonderd penningen brood koopen, en huu te eten geven? 28 En hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt gij? (iaat heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden , zeiden zij: Vijf, en twee vissollen. 39 En hij beval hun dat zij hen allen zouden doen ne-derzitten bij rijen op het groene gras. 40 En zij zaten neder bij rijen, telkens honderd en honderd, vijftig en vijftig. 41 En hij nam de vijf brooden en de twee vissclien, en zag op naar den hemel en ! dankte, en brak de brooden , en gaf ze aan de jongeren, opdat zij ze hun zouden voorleggen ; en de twee vissclien deelde hij onder hen allen. 43 En zij aten allen en werden verzadigd; 48 en zij namen de brokken op, twaalf korven vol, en van de vissclien. 44 En die gegeten hadden waren omtrent vijf duizend mannen. 45 En terstond drong hij zijne jongeren dat zij in het schip zouden treden, en vóór hem overvaren naar Beth-saïda, totdat hij het volk van zich zou gelaten hebben. 46 En toen hij hun hun |
MARKUS 7.
81
|
i afscheid gegeven had, ging hij heen op een berg, om te bidden. 47 En op den avond was liet schip in het midden van de zee, en hii alleen op het land. 48 En hij zag dat zij nood leden bij het roeien, want de wind was him tegen; en omtrent de vierde nachtwake kwam hij tot hen , en wandelde o]) de zee, en wilde hen voorbijgaan. 49 En toen zij hem zagen wandelen op de zee, meenden zij dat het een spooksel was, en schreeuwden ; 50 want zij zagen hem allen, en verschrikten. Maar terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen: Hebt goeden moed, ik ben het, vreest niet. 51 Eq hij trad tot hen in het schip, en de wind ging liggen. En zij ontzetten en verwonderden zich bovenmate ; 52 want zij waren niet verstandiger geworden bij de brooden, en linn hart was verhard. 53 En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésaret, en leiden aan. 54 En toen zij uit het schip traden, herkenden zij hem terstond. |
55 En zij liepen allen in de omliggende landen, en begonnen van rondom dekran-ken op bedden te brengen, waar zij hoorden dat hij was. 56 En waar hij in vlekken of steden of dorpen kwam, daar leiden zij de kranken op de markt, en baden hem dat zij slechts den zoom zijns kleeds mochten aanraken; en allen die hem aanraakten werden gezond. HOOFDSTUK 7. 1 En de Farizeën en sommigen der schriftgeleerden die van Jeruzalem gekomen waren, kwamen tot hem; 3 en toen zij eenigen van zijne jongeren met onreine, dat is met ongewasschen, handen het brood zagen eten, berispten zij hen. 3 Want de Farizeën en alle Joden eten niet, of zij was-schen de handen zorgvuldig, houdende alzoo de instellingen der ouden. 4 En als zij van de markt komen, eten zij niet, tenzij dat zij zich eerst wasschen; cn er zijn nog vele andere dingen , die zij aangenomen hebben te houden, — wasschin-gen van bekers en kannen en koperen vaten en rustbanken. 5 Toen vraagden de Ea-rizeën en schriftgeleerden hem: Waarom wandelen uwe |
6
MAEKUS 7.
S3
|
jongeren niet naar de instellingen der ouden, maar eten het brood met ongewasschen ibanden? 6 Maar Mj antwoordde en zeide tot hen: Wel terecht heeft Jesaja van u, huichelaars , geprofeteerd, gelijk er geschreven staat: «Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is verre van mij. 7 Doch tevergeefs is het dat zij mij dienen, dewijl zij leeringen leeren, die niet anders clan mensohengeboden zijn.// 8 Gij verlaat Gods gebod, en houdt de instellingen der menschen: wasschingen van kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. 9 En hij zeide tot hen: Ja, voortrefl'elijk hebt gij Gods gel)od te niet gedaan, opdat gij «we instellingen zoudt onderhouden! 10 Want Mozes heeft gezegd: //Gij zult uwen vader en uwe moeder eeren//; en: //Wie vader of moeder vloekt, zal den dood sterven.// 11 Maar gij leert: Wanneer iemand tot zijn vader of moeder zegt: Korban, — dat is: als ik het offer, zoo is het u veel nutter — die doet wel. 13 En zoo laat gij hem voortaan aan zijnen vader of aan zijne moeder niets meer doen, |
13 en schaft Gods woord af door uwe instellingen, die gij ingesteld hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En hij riep tot zich al het volk, en zeide tot hen: Hoort mij allen en verstaat het! 15 Er is niets buiten den mensch, dat hem kan ontreinigen, indien het in hem ingaat ; maar wat van hem uitgaat, dat is het wat den mensch ontreinigt. 16 Heeft iemand ooren om te hooren, die hoore! 17 En toen hij van het volk in huis kwam, vraagden zijne jongeren hem wegens deze gelijkenis. 18 En hij zeide tot hen: Zijt gij dan ook zoo onverstandig? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat, hem niet kan ontreinigen ? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat uit door den natuurlijken weg, die alle spijs reinigt. 30 En hij zeide: Wat van den mensch uitgaat, dat ontreinigt den mensch. 31 Want van binnen uitliet hart der menschen komen voort booze gedachten, overspel , hoererij, moord , |
MARKUS 8.
83
|
23 dieverij, hebzuclit, boosheid , list, ongebondenheid, nijd, lastering, hoovaardij, onverstand: 2 b al deze kwade dingen gaan van binnen uit, en ontreinigen den mensch. 24 En hij stond op, en ging van daar naar de landstreken van Tyrus en Sidon; en hij ging in een huis, en wilde niet dat iemand het weten zou, en kon nochtans niet verborgen zijn. 25 Want eene vrouw had van hem gehoord, wierdochter een onreinen geest had; en zij kwam en viel neder aan zijne voeten. 26 Deze nu was eene Griek-sche vrouw, uit Syro-Fenicië; en zij bad hem dat hij den boozen geest uit hare dochter uitdreef. 27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; het is niet betamelij k, dat men het brood der kinderen neme en voor de hondjes werpe. 28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem; JaHeer, maar nochtans eten de hondjes onder de tafel van de kruimpjes der kinderen. 29 En hij zeide tot haar: Om dezeswoords wilgaheen: de booze geest is uit uwe dochter uitgevaren. |
30 En zij ging heen naar haar huis, en vond dat de booze geest uitgevaren was, en hare dochter op het bed liggende. 31 En toen hij weder uitging uit de landstreek van ïyrns door Sidon, kwam hij aan de Galileeschezee, midden door de landstreek van Dekapolis. 32 En zij brachten tot hem een doove, die stom was; en zij baden hem dat hij de hand op hem leide. 33 En hij nam hem van hel. volk alleen, en leide hem de vingers in de ooren, en spuwde , en raakte zijne tong aan, 34 en zag op naar den hemel , en zuchtte, en zeide tol hem: Effiitha! dat is: Open u 1 35 En terstond openden zijne ooren zich, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht. 36 En bij gebood hun dat zij het niemand zeggen zouden ; maar hoe meer hij hef hun gebood, hoe meer zij hel verbreidden. 37 En zij verwonderden zich bovenmate, zeggende: Hij heeft alles wèl gemaakt; de dooven maakt hij hooren-de, en de sprakeloozen sprekende. HOOFDSTUK 8. 1 Tn dien tijd , toen er veel volk was, en zij niet te eten |
MARKUS 8.
84
|
hadden, riep Jezus zijne jongeren tot zich, en zeide tot hen: 2 Het jammert mij van het volk; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet te eten; 3 en indien ik ze zonder eten van mij naar huis liet gaan, zouden zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen zijn van verre gekomen. 4 En zijne jongeren antwoordden hem: Vanwaar krijgen wij brood hier in de woestijn om hen te verzadigen? 5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij? Zij zeiden: Zeven. (gt; En hij beval het volk neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en dankte, en brak ze, en gaf ze aan zijne jongeren, oprlat zij ze zonden voorleggen ; en zij leiden ze aan het volk voor. 7 En zij hadden weinige vischjes; en hij dankte, en beval ze óók voor te leggen. 8 En zij aten en werden verzadigd, en namen de overige brokken op, zeven korven. 9 En die gegeten hadden waren omtrent vier duizend ; en hij liet ze van zich. |
10 En terstond trad hij in een schip met zijne jongeren, en kwam in de landstreek van Balmanutha. 11 En de Farizeën gingen uit en begonnen met hem te redetwisten; en om hem te verzoeken, begeerden zij van hem een teeken van den hemel. 12 En hij zuchtte in zijnen geest, en zeide: Wat zoekt toch dit geslacht een teeken ? Voorwaar, ik zeg u: Aan dit geslacht zal geen teeken gegeven worden. 13 En hij verliet hen, en trad wederom in het schip, en voer over. 14 En zij hadden vergeten brood met zich te nemen, en hadden niet. meer dan één brood met zich in het schip. 15 En hij gebood hun , zeggende: Ziet toe, en wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en voor het zuurdeeg van Herodes! 16 En zij overleiden onder elkander en zeiden: Het is, omdat wij geen brood hebben. 17 En Jezus vernam dit, en zeide tot hen: Wat bekommert gij u toch dat gij geen brood hebt? Begrijpt gij nog niet, en zijt gij nog niet verstandig? Hebt gij nog een verhard hart in u? 18 Hebt gij oogen en ziet niet, en hebt gij ooren en hoort niet? |
SLAiüKUS 8.
85
|
ly Eu gedeukt gij er niet aan, toen ik vijf brooden brak ouder vijf duizend, hoeveel korven vol brokken naamt gij toen op? Zij zeiden: Twaalf. 20 Eu toen ik de zeven brak onder vier duizend: hoeveel korven vol brokken naamt gij toen op? Zij zeiden: Zeven. 21 Eu hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij dan niet? 22 En hij kwam te Beth-saïda. En zij brachten tothem een blinde, en baden hem dat hij hem aanraakte. 23 En hij nam den blinde bij de hand, en leidde hem uit buiten het vlek; en spuwde in zijne oogeu, en leide zijne hand op hem, en vraagde hein of hij iets zag. 24 En hij zag op en zeide: Ik zie meuschen gaan, alsof ik boo men zag. 25 Daarna leide hij nog eens de handen op zijne oogeu, en beval hem nogmaals op te zien; en hij werd hersteld, zoodat hij alles scherp kon zien. 26 En hij zond hem naar huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het daar ook niemand. 27 En Jezus giug uit, en zijne jongeren, naar de vlekken van Cesan'a Eilippi. En op den weg vraagde hij zijne jongeren, zeggende tot hen: Wie zeggeu .de lieden dat ik ben? |
28 Zij antwoorden: Johannes deDooper; en anderen: Elia; nog anderen: één van de profeten. • 29 En hij zeide tot heu: Maar gij , wie zegt gij dat ik ben? Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Gij zijt de Christus. 30 En hij gebood hun dat zij het niemand van hem zouden zeggen. 31 En hij begon hen telee-ren: Des Menschen Zoon moet veel lijden, en verworpen worden door de oudsten en hoogepriesters en schriftgeleerden, en gedood worden , en na drie dagen opstaan. 32 En bij sprak dit woord vrij uit. En Petrus nam hem tot zich, en begon hem te berispen. 33 Maar hij keerde zich om en zag zijne jongeren aan, en bestrafte Petrus, zeggende : Ga achter mij, satan, want gij bedoelt niet wat goddelijk , maar wat menschelijk is. 34 En hij riep het volk tot zich met zijne jongeren, en zeide tot hen; Wie mij wil volgen, verloocliene zich zei ven, en neme zijn kruis op zich en volge mij. 35 Want wie zijn leven wil behouden, zal het verlie- |
MAEKUS 9.
86
|
zen; maar wie zijn leven veriest om mijnentwil en des evangelies wil, zal het behouden. 36 TV at toch baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint, en schade lijdt aan zijne ziel? 37 Of wat zal de mensch geven tot losprijs voor zijne ziel? 38 Want wie zich mijns en mijner woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, diens zal des Men-schen Zoon zich ook schamen, als hij komen zal in de heerlijkheid zijns Vaders met de heilige Engelen. HOOFDSTUK 9. 1 En hij zeidetothen: Voorwaar , ik zeg u: Hier staan sommigen die den dood niet zullen smaken, totdat zij het rijk Gods met kracht zien komen. 2 En na zes dagen nam Jezus tot zich Petrus, Jakobus en Johannes, en leidde hen afzonderlijk op een hoogen terg alleen. En hij werd voor hunne oogen van ge-.laante veranderd. 3 En zijne kleederen werden blinkend, zeer witalssneeuw, zoodat geen voller op aarde ze zoo wit kan maken. 4 En hun verscheen Elia met Mozes, en die spraken met Jezus. |
5 En Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Eabbi, hier is het goed zijn; laat ons drie hutten maken, voor u een, voor Mozes een, en voor Elia een. 6 Maar hij wist niet wat hij zeide; want zij waren verschrikt. 7 En er kwam eene wolk die hen overschaduwde; en eene stem kwam uit de wolk en zeide: Deze is mijn geliefde Zoon; dien zult gij hooren! 8 En terstond daarna zagen zij rondom zich, en zagen niemand meer dan Jezus alleen bij zich. 9 En toen zij van den berg afgingen, gebood Jezus hun dat zij niemand zeggen zouden wat zij gezien hadden, totdat des Menschen Zoon van de dooden zou opgestaan zijn. 10 En zij behielden dat woord bij zich, en vraagden onder elkander wat het toch was: van de dooden opstaan. 11 En zij vraagden hem en zeiden: Hoe zeggen dan de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen ? 12 En hij antwoordde en zeide tot hen: Elia zal immers eerst komen en alles herstellen; en hoe staat er gesch reven van des Menschen Zoon? Dat hij veel zal |
MARKUS 9.
87
|
lijden en veracht worden. 13 Maar ik zef; u: Elia is gekomen en zij hebben aan hem gedaan wat zij wilden, gelijk van hem geschreven staat. 14 En hij kwam tot zijne jongeren, en zag veel volk rondom hen, en de schriftgeleerden , die met hen redetwistten. 13 En van stonde aan, als al het volk hem zag, ontzetten zij zich, liepen toe en groetten hem. 1G En hij vraagde de schriftgeleerden: Wat twist gij met ben? 17 En een uit het volk antwoordde en zeide: Meester, ik heb mijnen zoon hier tot u gebracht, die een stommen geest heeft; 18 en waar hij hem aangrijpt , scheurt hij hem, en hij schuimt en knarst met zijne tanden, en teert uit. En ik heb met uwe jongeren gesproken , dat zij hem zouden uitdrijven; maar zij kunnen het niet. 19 En hij antwoordde hen en zeide: O gij ongeloovig geslacht, hoelang zal ik bij u zijn, hoelang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem bier tot mij. 20 En zij brachten hem tot hem; en zoodra de geest hem zag, trok hij hem heen en weder; en hij viel op de aarde en wenteldezichenschuimde. |
21 En hij vraagde zijnen vader: Hoelang is het dat hem dit wedervaren is? Hij zeide: Van zijne kindsheid af; 22 en dikwijls heeft hij hem in het vuur en in het water geworpen, om hem om te brengen. Maar kunt gij wat, zoo ontferm u over ons en help ons. 23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kuntgelooven,—alle dingen zijn mogelijk voor hem die gelooft. 24 En terstond riep de vader van het kind, en zeide met tranen: Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof' te hulp! 25 Toen nu Jezus zag dat het volk toeliep, bedreigde hij den onreinen geest, en zeide tot hem: Gij stomme en doove geest, ik gebied u, vaar uit van hem en kom voortaan niet meer in hem 1 26 Toen schreeuwde hij, en trok hem veel been en weer, en voer uit; en hij werd alsof hij dood was, zoodat ook velen zeiden: Hij is dood. 27 Maar Jezus greep hem bij de hand, en richtte hem op; en hij stond op. 28 En toen hij te huiskwam, vraagden hem zijne jongeren alleen: Waarom konden wij hem niet uitdrijven? 29 En hij zeide: Dit ge- |
MARKUS 9.
88
|
slacht kan uergeus door uitvaren dan door bidden en vasten. 30 Eu zij gingen van daar weg, en reisden door Ga-liléa; en hij wilde niet dat iemand het weten zou. 31 quot;Want hij leerde zijne jongeren en zeide tot hen; Des Menschen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der mensuhen, en zij zullen hem dooden, en als hij gedood is, zal hij ten derden dage opstaan. 33 Maar zij verstonden dat woord niet, en vreesden hem te vragen. 33 En hij kwam te Kapér-naüm. En toen hij in huis was, vraagde hij hun: Waarover hebt gij met elkander getwist op den weg? 34 Maar zij zwegen; want zij hadden met elkander op den weg getwist, wie de grootste zijn zou. 35 En hij zette zich neder, riep de twaalve, en zeide tot hen: Zoo iemand de eerste wil zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. 36 En hij nam een kind, en stelde dat midden onder hen, en omvatte het met de armen, en zeide tot hen: 37 Wie zidk een kind in mijnen naam aanneemt, neemt mij aan; en wie mij aanneemt, neemt niet mij aan, maar hem, die mij gezonden heeft. |
38 Eu Johannes antwoordde hem, zeggende: Meester, wij zagen eenen, die ons niet volgt; die dreef iu uwen naam booze geesten uit, en wij verboden het hem, omdat hij ons niet volgt. 39 Doch Jezus zeide: Gij zult het hem niet verbieden! Want er is niemand, die eene daad zal doen in mijnen naam, en aanstonds kwaad van mij zal kunnen spreken. 40 Want wie niet tegen ons is, is voor ons. 41 En wie u een beker water zal te drinken geven in mijnen naam, omdat gij Christus toebehoort, voorwaar, ik zeg n: Hij zal niet onbeloond blijven. 42 En wie één van deze kleinen, die in mij gelooven, ergert, dien ware het beter dat hem een molensteen aan den hals gehangen, en hij in de zee geworpen werd. 43 En indien uwe hand u ergert, houw ze af. Het is u beter dat gij verminkt tot het leven ingaat, dan dat gij twee handen hebt en in de hel vaart, in het onuit-bluschbaar vuur, 44 waar hun worm niet sterft en hun vuur niet wordt uitgebluscht. |
MAilKUS 10.
80
|
45 Eu iudieu uw voet u ergert, houw hem af! Het is u beter dat gij kreupel tot het leven ingaat, dan dat gij twee voeten hebt en in de hel geworpen wordt, in het onuitbluschbaar vuur, 46 waar hun worm niet sterft en hun vuur niet wordt uitgebluscht. 47 En indien uw oog u ergert, werp het van u! Het is u beter dat gij éénoogig in het rijk Gods ingaat, dan dat gij twee oogen hebt en in het helsche vuur geworpen wordt, 48 waar hun worm niet sterft en hun vuur uiet wordt uitgebluscht. 49 'Want een ieder zal met vuur gezouten worden , en elk otter zal met zout gezouten worden. 50 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal men liet weder zout maken ? Hebt zout in u zelve, en houdt vrede onder elkander. HOOFDSTUK 10. 1 En hij stond van daar op, en kwam in de streken van Judca, door het Over-jordaansohe; en het volk ging wederom bij menigte tot hem, en, gelijk het zijne gewoonte was, leerde hij hen wederom. |
2 En de Farizeën traden tot hem, en vraagden hem of een man zich afscheiden mocht van zijne vrouw; en zij verzochten hem daarmede. 3 Hij nu antwoordde en zeide tot hen: Wat heeft Mozes u geboden? 4 Zij zeiden: Mozes heeft toegelaten, een scheidbrief te schrijven en zich af' te scheiden. 5 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Yanwege de hardheid uwer harten heeft hij u zulk een gebod geschreven ; 6 maar van het begin der schepping heeft God hen man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mensch zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, 8 en die twee zullen één vleesch zijn. Zoo zijn zij nu niet meer twee, maar één vleesch. 9 Wat dan God samengevoegd heeft, zal de mensch niet scheiden. 10 En in huis vraagden zijue jongeren hem wederom daarover. 11 Eu hij zeide tot hen: Wie zich van zijne vrouw afscheidt en eene andere trouwt, doet overspel tegen haar. 13 En indien eene vrouw |
MAEKUS 10.
90
|
zich afscheidt vau haren man en met een ander trouwt, doet zij overspel. 13 Eu zij brachten kinde-/ ren tot hem, opdat hij ze zou aanraken; maar de jongeren bestraften degenen, die ze brachten. 14 Maar toen Jezusditzag, werd hij misnoegd, en Zdide tot hen: Laat de kinderen tot mij komen, en weert ze niet; want derzulken is het rijk Gods. 15 Voorwaar, ik zeg u: Wie het rijk Gods niet ontvangt als een kind, zal er niet inkomen. 16 En hij omarmde hen, / leide de handen op hen en ' zegende ze. 17 En toen hij uitgegaan was op den weg, liep er een tot hem, knielde voor hem, en vraagde hem: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven becrve? 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan de eenige God. 19 Gij weet immers de geboden wel: //Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis spreken; gij zult niemand te kort doen; eer uwen vader en uwe moeder.// |
30 Doch hij antwoordde en zeide tot hem: Meester, dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af. 21 En Jezus zag hem aan, had hem lief, en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, zoo zult gij een schat in den hemel hebben; en kom, volg mij, en neem het kruis op u. 23 Maar hij werd bedroefd over dat woord, en ging treurig weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus zag in het rond, en zeide tot zijne jongeren: Hoe bezwaarlijk zullen de rijken in het rijk Gods komen! 24 En de jongeren oiilzèt-ten zich over zijne woorden. Maar Jezus antwoordde wederom en zeide tot hen: Kinderen, hoe bezwaarlijk is het, dat degenen, die hun vertrouwen op rijkdom stellen , in het rijk Gods komen! 25 Het is lichter dat een kameel door een naaldenoog ga, dan dat een rijke in het rijk Gods komt. 36 Maar zij ontzetten zich nog veel meer, en zeiden onder elkander: Wie kan dan zalig worden? 37 Doch Jezus zag hen aan, en zeide: Bij demenschenis |
MARKUS 10.
91
|
het onmogelijk, maar niet bij God; want alles is mogelijk bij God. 28 Toen zeide Petrus tot hem; Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. 29 Jezus antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u: Er is niemand, indien hij verlaat huis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of' kinderen, of akkers, om mijnentwil en om des evangelies wil, 30 die niet honderdvoudig ontvangt, nu in dezen tijd huizen, en broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers, onder vervolgingen, en in de toekomende wereld het eeuwige leven. - 31 Maar velen, die de eersten zijn, zullen de laatsten zijn, en die de laatsten zijn, zullen de eersten zijn. 32 En zij waren op den weg, opgaande naar Jeruzalem; en Jezus ging vóór hen, eu zij ontzetten zich, volgden hem, en waren bevreesd. En hij nam de twaalve weder tot zich, en begon hun te zeg-hen wat hem overkomen zou: 33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en des Menschen Zoon zal overgeleverd worden aan de hoogepriesters en Schriftgeleerden, en zij zullen hem ter dood veroordee-len, en aan de heidenen overleveren ; |
34 die zullen hem bespotten , geeselen, bespuwen en dooden; en ten derden dage zal hij opstaan. 35 Toen kwamen tot hem Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, en zeiden: Meester, wij wenschten dat gij ons deedt hetgeen wij bidden zullen. 36 En hij zeide tot hen: Wat wilt gij dan dat ik u doen zal? 37 Zij zeiden tot hem: Geef ons dat wij zitten de één aan uwe rechter- en de ander aan uwe linkerhand in uwe heerlijkheid. 38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet wat gij bidt. Kunt gij den kelk drinken, dien ik drink, en u laten doopen met den doop, met welken ik gedoopt word? 39 Zij zeiden tot hem: Ja, wij kunnen het. Doch Jezns zeide tot hen : Gij zult wel den kelk drinken, dien ik drink, en gedoopt worden met den doop, met welken ik gedoopt word; 40 maar het zitten aan mijne rechter- en aan mijne linkerhand staat bij mij niet te geven, maar is voor wien het bereid is. 41 En toen de tien dit |
MAfiKUS 11.
93
|
boordeu,werden zij misnoegd op Jakobus en Johannes. 43 Maar Jezus riep ben, en zeide tot ben; Gij weet dat de wereldlijke vorsten beerscben, en de grooten onder ben macht hebben. 43 Doch zóó zal het onder n niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn; 44 en wie onder u de voornaamste wil worden, die zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook des Menschen Zoon is niet gekomen opdat hij zich late dienen, maar opdat bij dieneen zijn leven geve tot een losprijs voor velen. 46 En zij kwamen te Jericho. En toen bij uit Jericho ging, hij en zijne jongeren en een groote schare, toen zat een blinde, Jiarti-méiis, de zoon van ïimeüs, aan den weg, en bedelde. 47 En toen bij hoorde dat het Jezus van Xazaret was, begon bi] te roepen en te zeggen: Jezus, gij zoon Davids , ontferm n over mij! 48 En velen bedreigden hem, opdat hij zou zwijgen; maar hij riep veel meer: Gij zoon Davids, ontferm u over mij! 49 En Jezus stond stil, en zeide dat men hem roepen zou. En zij riepen den blinde , en zeiden tot hem: Hel) goeden moed, sta op, hij roept u. |
50 En bij wierp zijn kleed van zich, stond op, en kwam tot Jezus. 51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt gij dat ik u doen zal? De blinde zeide tot hem: Eab-boni, dat ik ziende worde. 53 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloot' beeft u geholpen. En terstond werd hij ziende, en volgde hem op den weg. HOOFDSTUK 11. 1 Eu toen zij nabij Jeruzalem kwamen, te Eethtagé en Bethanië aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne jongeren heen, 2 en zeide tot beu: Gaat been naar het vlek dat vóór u ligt; en zoodra gij daar inkomt, zult gij een veulen aangebonden vinden, waarop nooit een menscb gezeten heeft; ontbindt het en brengt bet hier. 3 En indien iemand totu zeggen zal: Waarom doet gij dat? zoo zegt: De Heer heeft het noodig; en hij zal het terstond herwaarts zenden. 4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gehouden bij de deur, buiten aan de |
MARKUS 11.
93
|
wegscheiding, en ontbonden liet. 5 En sommigen van degenen, die daar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen, gelij k Jezus hun bevolen had; en zij lieten het toe. 7 En zij brachten het veulen tot Jezus en leiden hunne kleederen daarop; en hij zat daarop. 8 En velen spreidden hunne kleed eren op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en strooiden ze op den weg. 9 En die voorgingen, en die volgden, riepen en zeiden: Hosanna, geloofd zij die komt in den naam des Heeren! 10 Geloofd zij liet rijk van onzen vader David, dat komt in den naam des Heeren 1 Hosanna in de hoogte! — 11 En de Heer ging in te Jeruzalem, en in den tempel, en hij bezag alles; en op den avond ging hij uit naarBetha-nië met de twaalve. 13 En des anderen daags, als zij van Bethanië gingen , hongerde hem. 13 Kn hij zag van verre een vijgeboom die bladeren had; toen ging hij er naar toe, of hij er wat aan vond. En toen hij er bij kwam, vond hij niets dan alleen bladeren; |
want het was nog geen tijd, dat er vijgen zijn moesten. 14 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Nu ete niemand meer vrucht van u in eeuwigheid! En zijne jongeren hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem. En Jezus ging in den tempel, en begon uit te drijven de verkoopersen koopers in den tempel, en hij stiet de tafels der wisselaars en de stoelen der duivenkramers om, 16 en liet niet toe dat iemand iets door den tempel droeg. 17 En hij leerde, en zeide tot hen: Staat er niet geschreven: //Mijn huis zal een bedehuis heeten voor alle volken// ? Maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt. 18 En het k wam d en schriftgeleerden en h oogepriesters ter oore, en zij zochten hoe zij hem dooden zouden; maar zij vreesden voor hem, want al het volk verwonderde zich over zijne leer. 19 En des avonds ging hij uit, buiten de stad. 20 En.des morgens gingen zij voorbij, en zagen dat de vijgeboom verdord was tot op den wortel. 21 En Petrus gedacht er aan, en zeide tot hem: Rabbi, zie, de vijgeboom dien gij |
'
MARKUS 13.
94
|
vervloekt hebt is verdord. 22 En Jezus antwoordde en zeide tot hen; Hebt geloof in God. . 23 Voorwaar, ik zeg u: Zoo iemand tot dezen berg zegt: Hef ii op en werp u in de zee! en in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat hetgeen hij zegt geschieden zal, zoo zal hem geworden wat hij zegt. 24 Daarom zeg ik n : Wat gij bidt in uw gebed, gelooft slechts dat gij het ontvangen zult, zoo zal het u geworden. 25 En wanneer gij staat en bidt, zoo vergeeft, indien gij iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader in den hemel u uwe misdaden vergeve. 26 Maar indien gij niet vergeven zult, zoo zal uw Vader die in den hemel is ook uwe misdaden niet vergeven. 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En toen hij in den tempel wandelde, kwamen tot hem de hoogepries-ters en de schriftgeleerden en de oudsten, 28 en zeiden tot hem: Door welke macht doet gij dit, en wie heeft u die macht gegeven, om dit te doen? 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen; antwoordt mij, zoo zal ik u zeggen door welke macht ik dit doe. |
30 De doop van Johannes, was die van den hemel of van de menschen? Antwoordt mij. 31 En zij dachten bij zich zelve en zeiden: Zeggen wij : Hij was van den hemel, dan zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet gelootd ? 32 Maar zeggen wij: Hij was van de menschen, dan moeten wij voor het volk vreezen. Want zij hielden het allen daarvoor, dat Johannes waarlijk een profeet was. 33 En zij antwoordden en zeiden tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door welke macht ik dit doe. HOOFDSTUK 12. 1 En hij begon tot hen door gelijkenissen te spreken: Een menscli plantte een wijngaard, en maakte er eene omtuining omheen, en groef eene wijnpers, en bouwde een toren, en verhuurde hem aan wijngaardeniers, en reisde buitenslands. 2 En toen de tijd kwam, zond hij een dienstknecht tot de wijngaardeniers, opdat hij van de wijngaardeniers zou ontvangen van tie vruchten des wijngaards; |
I
MAEKUS 12.
95
|
3 maar zij namen hem en sloegen hem, en zonden hem ledig heen. 4 Wederom zond hij een anderen dienstknecht tot hen; dien wierpen zij met stee-nen, en wondden hem het hoofd, en zonden hem versmaad heen. 5 Wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden. 6 Toen had hij nog een eenigen zoon, die hem lief was; dien zond hij ten laatste ook tot hen, en zeide: Zij zullen toch mijnen zoon ontzien. 7 Maar die wijngaardeniers zeiden onder elkander; Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden, zoo ral het erfgoed het onze zijn. 8 En zij namen hem en doodden hem, en wierpen hem uit buiten den wijngaard. 9 Wat zal nu de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de wijngaardeniers verderven, en den wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen; //De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden; |
11 van den Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen//? — 13 En zij zochten hem te vangen, en vreesden echter voor het volk; want zij verstonden dat hij die gelijkenis op hen gezegd had. En zij verlieten hem en gingen weg. 13 En zij zonden tot hem sommigen van de Farizeön en van de Herodianen, om hem in zijne woorden te vangen. 14 En zij kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want gij acht het aanzien der menschen niet, maar gij leert den weg Gods recht. Is het. recht dat men den keizer cijns geve of niet? Zullen wij dien geven of niet geven? 15 Maar hij merkte hunne geveinsdheid, en zeide tot hen; Wat verzoekt gij mij ? Erengt mij een penning, opdat ik hem zie. 16 En zij brachten hem er een. Toen zeide hij tot hen: Wriens is dit beeld en het opschrift? Zij zeiden tot hem: Des keizers. 17 Toen antwoordde Jezus en zeide tot hen; Zoo geeft den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. |
MARKUS 12.
9G
|
18 Toen traden de Saddu-ceën tot liem, die zeggen dat er geen opstanding is; deze vraagden hem en zeiden: 19 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: //Indien iemanfls broeder sterft, en eene vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, zoo zal zijn broeder diens vrouw nemen en zijnen broeder kroost verwekken.// 20 Nu zijn er zeven broeders geweest; de eerste nam eene vrouw, en stierf, en liet geen kroost na. 31 En de tweede nam ze, en stierf, en liet ook geen kroost na: de derde desgelijks; 32 en alle zeven namen ze, en lieten geen kroost na. Ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 23 In de opstanding nu, als deze opstaan, wiens vrouw zal zij zijn onfier hen? Want, alle zeven hebben haar tot vrouw gehad. 24 Toen antwoordde Jezus en zeide tot hen: Is het niet zoo dat gij dwaalt, omdat gij de Schrift nietkent, noch de kracht Gods? 35 Wanneer zij uit de dooden zullen opstaan, zoo zullen zij niet trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden ; maar zij zijn gelijk de Engelen in den hemel. |
26 En aangaande de dooden , dat zij opstaan zullen; hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in liet braambosch tot hem sprak, zeggende: //Ik lgt;en de God van Abraham en de God van Isailk en de God van Jakob//? 27 Maar God is niet een God der dooden, maar der levenden. Gij dwaalt dus zeer. 28 Toen trad tot hem een der schriftgeleerden, die aangehoord had hoe zij elkander ondervraagden, en zag dat hij hun wèl had geantwoord , en vraagde hem: Welk is het voornaamste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem: Het voornaamste van alle geboden is dit: //Hoor Israël, de Heer onze God is een écnig Heer. 30 En gij zult God, uwen Heer, liefhebben met uw i gansche hart, met uwe gan-sche ziel, niet geheel uw verstand en uit al uwe krachten.// Dit is het voornaamste gebod. 31 En het andere is daaraan gelijk: //Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.// Er is geen ander gebod grooter dan dit. 32 En de schriftgeleerde zeide tot hem: Meester, gij hebt voorwaar recht gespro- |
I
jken; want er is slechts ééu BOod, en cr is geen ander buiten hein;
83 en hem lief to hebben Smet het gansche hart, met ! geheel het verstand, met de gansche zielen uit alle kracli-ten, en zijnen naaste lief te hebben als zich zeiven, dit is meer dan alle brandoffers en andere offers.
S't Eu toen Jezus zag dat hij verstandig antwoordde, zeide hij tot hem: Gij zijt
niet ver van het rijk Gods. penningen in, ter waarde
Eu niemand durfde hem ven eeu oortje.
meer vragen. 43 En hij riep zijne jonge-
35 En Jenus antwoordde ren tot zich, en zeide tot eu zeide, toen hij leerde in hen: Voorwaar, ik zeg u: den tempel: Hoe zeggen Deze arme weduwe heeft de schriftgeleerden, dat de meer in de godskist gewor-
. Christus Davids zoon is? pen dan allen, die eringe-
36 En echter zegt David worpen hebben;
zelf door den Heiligen Geest: 44 want zij hebben allen
//De Heer heeft gezegd tot van hunnen overvloed er in-
mijnen Heer: Zet u aan mijne geworpen, maar deze heeft
rechterhand, totdat ik uwe van hare armoede al wat zij
vijanden leg tot een voet- had, haar ganschen schat, er
bank uwer voeten.// ingeworpen.
Si ïxoemt hem nu David Homrn^TTTiv i'i
zelf zijnen Heer, hoe is lui HOÖFDS i UK 13.
dan zijn zoon ? — En veel l En toen hij uit den tem-
volk hoorde hem gaarne. pel ging, zeide een zijner
38 En hij leerde hen en jongeren tot hem: Meester, zeide tot hen: Wacht u voor ?.ie, welke steenen en welke de schriftgeleerden, die in gebouwen!
lange kleederen gaan, en 3 En Jezus antwoordiieen
zich gaarne laten groeten zeide tot hem: Ziet gij deze
op de markt, groote gebouwen? Geen steen
39 en gaarne vooraan zitten zal op den anderen blijven,
MAB-KUS 13.
5)7
in de synagogen, en bovenaan bij de maaltijden;
40 die de huizen der weduwen opeten en voor den schijn lange gebeden doen: zij zullen te zwaarder oordeel ontvangen.
41 Eu Jezus zette zich tegenover de godskist, en zag hoe liet volk geld wierp in de godskist; en vele rijken wierpen er veel in.
42 En er kwam eene arme weduwe en wierp er twee
|
98 die niet in stukken zal gebroken worden. 3 En toen hij op den Olijfberg zat, tegenover den tempel, vraagden hem Petrus en Jakobus en Johannes en Andréas alleen: 4 Zeg ons, wanneer zal dit alles geschieden ? En wat is het teeken, wanneer dit alles zal voleindigd worden ? 5 Jezus antwoordde hun en begon te zeggen: Ziet toe dat niemand u misleide! 6 Want velen zullen komen onder mijnen naam, en zeggen: Ik ben de Christus, en zullen velen misleiden. 7 En als gij hooren zult van oorlogen en geruchten van oorlogen, zoo vreest niet; want het moet zoo geschieden. Maar het einde is nog niet daar. 8 Het eene volk zal zich verheffen tegen het andere, en het eene koninkrijk tegen het andere; en er zullen aardbevingen zijn hier en ginds, en er zullen hongersnooden zijn en verschrikkingen. Dit is het begin van den nood. 9 Maar ziet gij voor u zelve toe! Want zij zullen u overleveren aan rechtbanken en synagogen; en gij zult geslagen worden, en voor vorsten en koningen zult gij geleid worden om mijnentwil, hun tot een getuigenis. |
10 En het evangelie moet te voren gepredikt worden onder alle volken. 11 Doch wanneer zij u zullen leiden en overleveren, zoo weest niet bezorgd wat gij spreken zult, en bedenkt u niet te voren; maar wat u in die ure gegeven wordt, spreekt dat; want gij zijt het' niet die spreekt, maar de Heilige Geest. 12 En de eene broeder zal den anderen overleveren ter dood , en de vader den zoon; en de kinderen zullen tegen de ouders opstaan, en hen ter dood brengen. 13 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot aan het einde, die zal zalig worden. 14 Wanneer gij nu den gruwel der verwoesting, (waarvan de profeet Daniël gesproken heeft) zult zien staan, waar het niet behoort, (wie het leest, lette daarop) dan vliede op de bergen, wie in Judéa is; 15 en wie op het dak is, kome niet af in het huis, en ga er niet in, om iets uit zijn huis te halen; 16 en wie op het veld is, keere niet weder terug, om zijne kleederen te halen. 17 Doch wee de zwangeren en zoogenden in dien tijd! 1 MARKIJS 13. |
4
MARKUS 13. 18 Eu bidt dat uwe vlucht
in de wolken met groote kracht en heerlijkheid.
27 En dan zal hij zijne Engelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen vergaderen uit de vier winden, van heteinde der aarde tot liet einde dei-hemelen toe.
28 Leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijne takken sappigquot; worden en hij bladeren krijgt, zoo weet gij dat de zomer nabij is.
29 Alzoo ook, wanneer gij ziet dat dit geschiedt, zoo weet dat het nabij, voor de
totdat dit alles zal geschied zijn.
31 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.
32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, zelfs de Engelen in den hemel niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader.
33 Ziet toe, waakt en bidt! want gij weet niet wanneer de tijd daar is.
34 Gelijk een mensch, die buitenslands trok en zijn huis verliet, en aan zijne dienstknechten het beheer gaf, eu elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat hij zou
Menschen Zoon zien komen waken:
21 Zoo iemand in dien tijd ; deur is.
tot u zeggen zal: Zie, hier is 30 Voorwaar, ik zeg u: Dit de Christus, of; Zie, hij is geslacht zal niet voorbijgaan, daar, zoo gelooft het niet.
22 Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, die teekenen en wonderen doen zullen,
om, indien het mogelijk ware , zelfs de uitverkorenen te misleiden.
23 Maar ziet gij voor uzelve toe! Zie, ik heb het u alles te voren gezegd.
24 En in dien tijd, na die,
verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan haar schijnsel niet geven,
25 en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
26 En alsdan zullen zij des
'
I'
lJ9
idet geschiede in den winter.
19 Want in die dagen zul er eene verdrukking zijn, zooals er nooit geweest is van het begin der wereld, welke God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet wezen zal.
20 En indien de Heer deze dagen niet verkort had, zoo zou er geen mensch behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die hij uitverkoren heeft, heeft hij deze dagen verkort.
'
MARKUS Ik
10Ü
|
33 zoo waakt nu, want gij weet niet wanneer de lieer van het huis komen zal, des avonds, of te middernacht, of omtrent het hanengekraai, ol' des morgens; oC opdat hij niet plotseling kome en u slapende vinde. 37 En wat ik ü zeg, dat zeg ik allen: waakt! HOOFDSTUK 14. 1 En na twee dagen was het Paschen en de dagen der ongezuurde broeden. En de hoogepriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij hem met list grijpen en dooden zouden. 2 Maar zij zeiden: Vooral niet op het feest, opdat er geen oproer kome ouder het volk. 3 En toen hij te Bethanië was in het huis van Simon den melaatsche, en aan tafel zat, kwam eene vrouw, die eene albasten Hesch had met onverralsclite, kostelijke narduszalf; en zij brak do albasten flesch in stukken, en goot ze uit op zijn hoofd. 4. Toen waren er sommigen , die misnoegd werden, enzeiden: Waartoedienttoch deze verkwisting? 5 Men had die zalf voor meer dan driehonderd penningen kunnen verkoopen, en die den armen gegeven hebben. Eu zij murmureerden tegen iiaar. |
0 Maar Jezus zeide: Laat haar met vrede! Wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan m ij gedaan. 7 Armen hebt gij altijd bij j u, en, als gij wilt, kunt gij hun goeddoen; maar mij -hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan wat zij kon: zij heett mijn lichaam bij voorbaat gezalfd tot mijne begrafenis. 9 Voorwaar, ikzegu: Waar dit evangeliegepredikt wordt in de geheele wereld, daar zal men ook zeggen tot hare gedachtenis hetgeen zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, één der twaalve, ging heen tot de hoogepriesters, om hem te verraden. 11 Toen zij dat hoorden, werden zij blijde, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem te gelegener tijd zou overleveren. 13 En op den eersten dag derongezuurdebrooden, toen men het Pascha slachtte, zeiden zijne jongeren tot hem: Waar wilt gij dat wij heengaan en toebereidselen maken, opdat gij het Pascha eet? 13 En hij zond twee vau zijne jongeren, en zeide tot hen: Gaat heen in de stad, en u zal een mensch ont- |
MARKUS 14.
101
|
moeten , die eene kruik met water draagt; volgt dien. 14 En waar hij Ingaat, zegt daar tot den huiswaard: I)e Meester Inat uzeggen: Waar is de eetzaal, in welke ik liet Pascha zal eten met mijne jongeren? 15 En hij zaln eenegroote opperzaal wijzen, die toebereid en gereed is; bereidt het aldaar voor ons, — 16 En de jongeren gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, zooals hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha. 17 En op den avond kwam hij met de twaalve. 18 En als zij aan tafel zaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar , ik zeg u; Eén van u, die met mij eet, zal mij verraden. I!) En zij werden treurig, en zeiden de één na den ander tot hem: Ik toch niet? en een ander: Ik toch niet? 20 En hij antwoordde en zeide tot hen: Eén van de twaalve, die met mij in den schotel doopt. 31 Des Menschen Zoon gaat wel heen gelijk van hem geschreven staat; maar wee dien mensch door wien des Menschen Zoon verraden wordt! Het ware dien mensch beter dat hij nooit geboren was, 33 En toen zij aten, nam Jezus het brood, dankte, en brak liet, en gaf het hnn, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. |
33 En hij nam den kelk, en dankte, en gaf hun dien; en «ij dronken allen daaruit. 34 En hij zeide tot hen :, Dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat voor velen vergoten wordt. 35 Voorwaar, ik zeg n, dat ik voortaan niet drinken zal van het gewas des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik het nieuw zal drinken in liet rijk Gotls. 36 En toen zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 27 En Jezus zeide tot hen : In dezen nacht zult gij u allen aan mij ergeren; want er staat geschreven: /'Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen zich verstrooien.// 38 Maar daarna, als ik zal opgestaan zijn, zal ik voor u heen gaan naar Galiléa. 39 Maar Petrus zeide tot hem: Al ware het dat zij zich allen ergerden , zoo zal ik mij toch niet ergeren. 30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, ik zeg u: Heden, in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen, |
MARKUS U.
102
|
31 Maar hij zeide nog meer: Ja, al ware het dat ik ook met u sterven moest, zoo zal ik u niet verloochenen. Desgelijks zeiden zij allen. 32 En zij kwamen aan een hot', genaamd Gethsenaanc; en hij zeide tot zijne jongeren : Zit hier neder, totdat ik zal gebeden hebben. 33 En hij nam met zich Petrus, Jakobus en Johannes, en begon te beven en zeer beangst te worden, 34 en zeide tot hen: Mijne ziel is bedroetil tot den dood toe; vertoeft hier en waakt. 35 En hij ging een weinig verder, viel op de aarde en bad, dat, zoo het mogelijk ware, die ure mocht voor-bijgaan, 30 en zeide: Abba, mijn Vader! u is alles mogelijk. Neem dezen kelk van mij; doch niet wat ik wil, maar wat gij wilt. 37 En hij kwam en vond ze slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Kunt gij niet één uur waken? 38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt! De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 39 En hij ging wederom heen, en bad , sprekende dezelfde woorden. |
40 En hij kwam weder, en ] vond ze wederom slapende, I want hunne oogen waren vol slaap; en zij wisten niet wat zij hem antwoorden zouden. 41 En hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Wilt gij nu slapen en rusten ? Het is genoeg; de nre is gekomen. Zie, desMenschen Zoon wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 43 Staat op, laat ons gaan ! Zie, die mij verraadt is nabij. 43 En terstond, terwijl hij nog sprak, kwam Judas, één der twaalve, en met hem een groote schare met zwaarden en met stokken, [gezm-deti] van de koogepriesters en schriftgeleerden en oudsten. 44 En de verrader had hun een teeken^ gegeven, en gezegd: Wien ik kussen zal, die is het; grijpt dien, en leidt hem welverzekerd weg. 45 En toen hij kwam, trad hij terstond tot hem, en zeide tot hem : Rabbi, Babbi! en kuste hem. 46 Toen sloegen zij hunne handen aan hem, en grepen hem. 47 Eu één dergenen, die daarbij stonden, trok zijn zwaard uit, en sloeg des hoogepriesters dienstknecht, en hieuw hem een oor af. 48 En Jezus antwoordde |
MARKUS 14.
103
|
eu zeide tot hen: Gij zijt uitgegaan als tot een moordenaar, met zwaarden en : met stokken, om mij te vangen. 49 Ik ben dagelijks bij u in den tempel geweest en heb geleerd, en gij hebt mij niet gegrepen; maar opdat de Schrift vervuld worde. 50 En al de jongeren verlieten hein en vloden. 51 En er was een zeker jon-' geling, die hem volgde, hebbende een lijnwaad om het bloote lijf geslagen; en de jongelingen grepen hem. 53 Maar hij liet het lijnwaad varen, en vlood naakt van hen. 53 En zij leidden Jezns naar den hoogepriester, alwaar al de hoogepriesters en oudsten en schriftgeleerden tezamen gekomen waren. 54 En Petrus volgde hem van verre, tot binnen in het hof des hoogepriesters; en iiij was daar, en zat bij de dienaren, en warmde zich bij het vuur. 55 En de hoogepriesters en de geheele raad zochten getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem konden ter dood brengen, en vonden niets; 56 want velen gaven val-sciie getuigenis tegen hem, en hunne getuigenissen kwamen niet overeen. |
57 En sommigen stonden op en gaven valsche getuigenis tegen hem, zeggende: 58 Wij hebben hem hooren zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen opbouwen, die niet met handen gemaakt is. 59 En ook daarin kwam hunne getuigenis niet over- 60 En de hoogepriester stond op onder hen, en vraagde Jezus en zeide: Antwoordt gij niets? Wat getuigen dezen tegen u? 61 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. ïoen vraagde de hoogepriester hem wederom en zeide tot hem: Zijt gij de Christus, de Zoon des Hooggeloofden ? 62 En Jezus zeide: Ik ben het; en gij zult des Menschen Zoon zien zitten ter rechter-liand der kracht, en komen op de wolken des hemels. 63 Toen scheurde de hoogepriester zijne kleederen, en zeide: Wat hebben wij nog getuigen noodig? 64 Gij -hebt de godslastering gehoord: wat dunkt u? En zij veroordeelden hem allen als des doods schuldig. 65 Toen begonnen sommigen hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken , en met vuisten te slaan, en |
MARKUS 15.
J 04
|
tot hem te zeggen: Profeteer ons! Eu de dienaren sloegen hem in het aangezicht. 66 En toen Petrus beueden in het hol was, kwam een van de dienstmaagden des hoogepriesters, 67 en ziende Petrus zich warmen, zag zij hem aan. en zeide: Gij waart óók bij .lezus van Nazaret. 68 Maar hij loochende het en zeide: [k keu hem niet; ook weet ik niet wat gij zegt. En hij ging naar buiten in het voorhof'; en de haan kraaide. 69 En de dienstmaagd zag hem wederom, eu begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is één van hen. 70 En hij loochende het wederom. En kort daarna zeiden die daarbij stonden wederom tot Petrus: Voorwaar, gij zijt ceu van die; want gij zijt een Galileër, en uwe spraak luidt evenzoo. 71 Maar hij begon zich zeiven te vervloeken, en te zweren: Ik ken dien mensch niet, van wien gij spreekt. 72 En de haan kraaide ten tweeden male. Toen gedacht Petrus aan het woord dat Jezus tot hem gezegd had: Eer de liaan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij dvieniaal verloochenen. Eu hij maakte zich van daar en weende. |
HOOFDSTUK 15. 1 En des morgens hielden de hoogepriesters terstond te zamen raad met de oudsten en de schriftgeleerden, benevens tien geheelen raad, en bonden Jezus, en leidden hem heen, en leverden hem aan Pilatus over. 2 En Pilatus vraagde hem: Zijt gij de koning der Joden? En hij antwoordde en zeide tot hem: Gij zegt het. 3 En de hoogepriesters beschuldigden hem van velo dingen. 4 Pilatus nu vraagde hem wederom, zeggende: Antwoordt gij niets? Zie, wat zij tegen n getuigen ! 5 Maar Jezus antwoordde niets meer, zoodat Pilatus zich verwonderde. 6 Op het feest nu placht hij hun één gevangene los te geven, wien zij begeerden. 7 En er was een, genaamd Barabbas, met andere oproe-rigen gevangen, die in het oproer een moord gedaan hadden. 8 En het volk kwam op, en begon te eiscben dat hij doen zou, gelijk hij placht tedoen. 9 En Pilatus antwoordde hun : Wilt gij dat ik u den koning der Joden zal losgeven ? |
MAEKUB I igt;. 105
10 Waul Lij wist dut de hoo- 20 En toen zij hem bespot gepriesters liem uit nijdig- hadden, deden zij hem den heid hadden overgeleverd. purperen mantel arendeden
11 Maar de li oogepriesters 1 hem zijne eigene kleederen stookten het volk op, dat hij! aan , en leidden hem uit hun veel liever Barabbas zou ' om hem te kruisigen, losgeven. , 21 En zij dwongen een, die
13 Pilatus nu antwoordde daar voorbijging, genaamd wederom en zeide tot hen: Simon van Cyrcne, die van Wat wilt gij dan dat ik doen het veld kwam, den vader zal met hem, dien gij be- van Alexander en Rufus, sohuldigt, dat hij de koning | zijn kruis te dragen, der Joden is? 22 En zij braehten hem
13 Zij riepen wederom: aan de plaats Golgotha, dat Kruis hein! is, vertaald, lIoofHsehedel-
14 Doch Pilatus zeide tol plaats.
hen: Wat kwaads heeft hij 33 En zij gaven hem wijn, dan gedaan? Maar zij riepen met mirre gemengd, te nog veel meer: Kruis hem! drinken ; maar hij nam dien
15 En Pilatus, willende het niet.
volk voldoen, gaf hun Bar- 2-1 Toen zij hem nu ge-abbas los, en Jezus leverde kruist hadden, deelden zij hij over om gegeeseld en zijne kleedereu, en wierpen gekruist te worden. het lot daarover, wat ieder
Ki En de krijgsknechten daarvan hebben zou. leidden hem binnen het hot, 25 En het was omtrent dat is het rechthuis, en rie- de derde ure, toen zij hem pen de geheelescharebijéén, kruisten.
17 en zij deden hem een 26 En boven hem was purperen mantel om, vloch-1 geschreven, waarvan men ten eene doornenkroon en hem beschuldigde, namelijk: zetten hem die op, De Koning der Joden.
18 en begonnen hem te 27 En zij kruisten met hem groeten: Wees gegroet, ko-' twee moordenaars, één aan ning der Joden! 'zijne rechter- en één aan
19 En zij sloegen hem met zijne linkerzijde.
een riet op het hoofd, 28 Toen werd de Schrift bespuwden hem, vielen op vervuld, die zegt: //Hij is de knieën en wierpen zich onder de kwaaddoeners ge-voor heïft neder, rekend,//
MARKUS 15.
106
|
29 En die voorbijgingen lasterden hein, en schudden hunne hoofden, zeggende: Ha, hoe breekt gij den tempel af, en bouwt hem weder op in drie dagen! 30 Help nn u zeiven, en klim af van het kruis ! 31 Desgelijks bespotten hem ook de hoogepriesters met de schriftgeleerden, zeggende tot elkander: Hij heeft anderen geholpen, en kan zich zei ven niet hel pen; 33 de Christus, de koning van Israel, klhnme nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven. En die met hem gekruist waren versmaadden hem ook. 33 En toen de zesde ure gekomen was, ontstond er eene duisternis over het ge-heele land, tot omtrent de negende ure. 3i En omtrent de negende ure riep Jezus met eene luide stem, zeggende: Eloï, Eloï, lamraa sabachtani, dat is vertaald: Mijn God, Mijn Godl waarom hebt gij mij verlaten? 35 En sommigen van hen, die daarbij stonden, toen zij dat hoorden, zeiden: Zie, hij roept Elia. 36 Toen liep er een en vulde eene spons met edik, en stak ze op een rietstok, «u gaf hem te drinken, zeg-1 gende; Houdt stil, laat ons zien of Elia komt, om hem af te nemen. |
37 En Jezus riep met eene luide stem, en gaf den geest. 38 En het voorhangsel in den tempel scheurde in twee stukken, van boven tot beneden. 39 En de hoofdman, die tegenover hem stond, en zag dat hij met zoodanig geroep den geest gaf, zeide: Waarlijk , deze mensch was Gods Zoon 1 40 En er waren ook vrouwen , die dit van verre aanschouwden, onder welke w;is Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus den jonge en van Joses, en Salome; 41 die hem ook, toen hij in Galiléa was, gevolgd waren en hem gediend hadden; en vele andere, die met hem opgegaan waren naar Jeruzalem. 43 En des avonds, dewijl het de dag der toerusting was, die de vóórsabbat is, 43 kwam Jozef van Arima-théa, een achtbaar raadsheer, die ook op het rijk Gods wachtte, en zich verstoutende ging hij tot Pilatus en verzocht om het lichaam van Jezus. 44 Pilatus nu verwonderde zich er over, dat hij alreeds |
MARKUS 16.
107
|
gestorven zou zijn, en riep don hoofdman en vraagde liem ot' hij reeds lang dood was. 45 En als hij het van den hoofdman vernomen had, gaf hij aan Jozef het lichaam. 46 En hij kocht een fijn lijnwaad, en nam hem af, en wond hem in dat lijnwaad , en leide hem in een graf, hetwelk in eene steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen voor den ingang des grafs. 47 En Maria Magdalcna en Maria, de moeder van Joses, zagen toe, waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK 16. 1 En toen de sabbatdag voorbij was, kochten Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome, specerijen, opdat zij kwamen en hem zalfden. 3 En zij kwamen bij het graf op den eersten dag (Ier week, zeer vroeg, toen de zon opging. 3 En zij zeiden tot elkander : Wie zal ons den steen van den ingang des grals afwentelen ? 4 En opziende zagen zij dat de steen reeds afgewenteld was; want hij was zeergroot. |
5 En ingaande in het graf, Hagen zij een jongeling ter rechterhand zitten, die een lang wit kleed aan had; en zij ontzetten zich. 6 Maar hij zeide tot haar: Ontzet u niet! Gij zoekt Jezus van Nazaret, den gekruiste; hij is opgestaan, en is hier niet; ziedaar de plaats waar zij hem gelegd hebben. 7 Doch gaat heen en zegt aan zijne jongeren en aan Petrus, dat hij u zal voorgaan naar Galiléa; daar zult gij hem zien, gelijk hij u gezegd heeft. 8 En zij gingen schielijk uit, en vloden van het graf, want beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. 9 Als nu Jezus was opgestaan , 's morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke hij zeven booze geesten had uitgedreven. 10 En zij ging heen en verkondigde het dengenen, die met hem geweest waren , welke treurden en weenden. 11 En als deze hoorden dat hij leefde en aan haar verschenen was, geloofden zij het niet. 12 Daarna, toen twee van lien wandelden, openbaarde hij zicli onder eene andere |
LUK AS 1.
los
|
gedaante, terwijl zij op het veld gingen. 13 En deze gingen ook heen en verkondigden het aan de anderen, maar zij geloofden ook hen niet. 14 Ten laatste, toen de elve aan tatel zaten, openbaarde hij zich, en bestrafte hun ongeloof en de hardheid hunner harten, dat zij niet geloofd hadden degenen, die liem verrezen hadden gezien. 15 En hij zeide tot hen: (laat heen in de geheele wereld, en predikt het evangelie aan alle schepselen. 16 Wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden; maar wie niet gelooft, zal verdoemd worden. |
17 En de teekenen, welke degenen, die gelooven, volgen zullen, zijn deze: in mijnen naam zullen zij booze geesten uitdrijven, met nieuwe tongen spreken, 18 slangen opnemen; en is bet dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op de kranken zullen zij de handen leggen, en het zal beter met hen worden. 19 En nadat de Heer met hen gesproken had, werd hij opgenomen ten hemel, en is gezeten ter rechterhand Gods. 20 En zij gingen uit, en predikten aan alle plaatsen; en de Heer werkte met hen, en bekrachtigde het woord door daarop volgende teekenen. |
HET EVANGELIE VAN
L U K A S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Nadcmaal velen ondernomen hebben, om in orde op te stellen een verhaal van de zaken, die onder ons waarlijk zijn voorgevallen, 3 gelijk ons dat overgeleverd is door degenen, die het van den beginne zelve gezien hebben en dienaars des woord,? geweest zijn: |
3 zoo heb ook ik goedgevonden , naardien ik het alles van den beginne nauwkeurig onderzocht heb, om liet aan u, mijn goede Theofilus, in orde te schrijven, 4 opdat gij moogt kennen den gewissen grond der leer, in welke gij onderwezen zijt. 5 In de dagen van Herodes, den koning van .ludéa, was |
L
LUK AS 1.
109
|
3r een priester uit de dag-irde van Abia, genaamd ^acharias; en zijne huisvrouw «'as uit Aarons dochters, en ivas genaamd Elizabet. quot; ü En zij waren beiden reclit-Ivaardig voor God, en wandelden in alle geboden en instellingen des Heeren 011-Lorispelijk. 7 Maar zij hadden geen kind, want Elizabet was onvruchtbaar en zij waren beiden bedaagd. S En het geschiedde, toen liij liet priesterambt bediende voor God ten tijde zijner dagorde , 9 naar de gewoonte der priesterlijke bediening, en liet zijne beurt was om het reukwerk te ontsteken, dat hij ging in den tempel dea Heeren. 10 En de geheele menigte des voiks was buiten, en bad ter ure des reukoüers. 11 Toen verscheen hem een Engel des Heeren, en stond ter rechterzijde van het reukaltaar. 13 En als Zacharias hem zag, verschrikte hij, en vrees overviel hem. 13 Maar de Engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en u we luiisvronw Elizabet zal u een zoon baren; diens naam zult gij Johannes noemen. |
LI En gij zult daarover vreugde en blijdschap hebben, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heer; wijn en sterken drank zal hij niet drinken , en hij zal van den moederschoot al vervuld worden met den Heiligen Geest. 10 En hij zal velen der kinderen Israels totGod, hunnen Heer, bekeeren. 17 En hij zal voor hem uitgaan , in den geest en de kracht van Elia, om de harten der vaders te bekeeren tot de kinderen, en de onge-hoorzameu tot de wijsheid der rechtvaardigen, om den Heer een geschikt volk te bereiden. 18 En Zacharias zeide tot den Engel: Waaraan zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijne huisvrouw is bedaagd. 19 Ende Engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel , die voor God sta, en ! ben gezonden, om niet u te j spreken en u dit te verkondigen. 20 En zio, gij zult stom worden eu niet kunnen spreken, tot den dag dat dit geschieden zal, omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, die op hunnen tijd zullen vervuld worden. |
LUK AS 1.
110
|
31 En het volk wachtte op Zacharias, en zij verwonderden zich, dat hij zoolang in den tempel vertoefde. 33 En toen hij uitging, kon hij niet tot hen spreken; en zij merkten dat hij een gezicht gezien had in den tem-pel. En hij wenkte hen, en bleef stom. 33 En het geschiedde, toen de tijd zijner bediening om was, dat hij weder naar zijn huis ging. 34 En na die dagen werd zijne huisvrouw Elizabet zwanger, en verborg zich vijf maanden, zeggende: 35 Alzoó heeft de Heer mij gedaan, in de dagen, toen hij mij aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de men-schen van mij af te nemen. 26 En in de zesde maand werd de Engel Gabriel door God gezonden naar eene stad van Galiléa, genaamd Naza-ret, 37 tot eene maagd, die ondertrouwd was aan een man, genaamd Jozef, van het huis van David; en de maagd heette Maria. 38 En de Engel tot haar inkomende zeide: Wees gegroet, gij begenadigde! De hg*' Heer is met u, gij gezegende onder de vrouwen. 39 Maar toen zij hem zag, verschrikte zij over zijn |
woord, en dacht: Welk een groet is dat? 30 En de Engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, gij hebt genade bij God gevonden. 31 Zie, gij zult zwanger worden, en eenen zoon baren; diens naam zult gij Jezus, noemen. 33 Deze zalgroot zijn en een Zoon des Allerhoogsten genoemd worden; en God de Heer zal hem den troon van zijnen vader David geven; 33 en hij zal koning zijn over Jakobs huis eeuwiglij k , en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn. 34 Toen zeide Maria tot den Engel: Hoe zal dat toegaan, daar ik van geenen man weet. 33 De Engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat van u geboren zal worden, Gods Zoon genaamd worden. 36 En zie, Elizabet, uwe bloedverwante, is ook zwanger in haren ouderdom van eenen zoon; en zijdie onvruchtbaar genoemd werd, is nu in hare zesde maand. 37 Want bij God is geen ding onmogelijk. 38 En Maria zeido: Zie, ik |
LUK AS 1.
Ill
|
n ilipndfisHeeren dienstmaagd: Inij geschiede gelijk gij ge-)t feegd hebt. En de Engel ij {verliet haar. I- .! 39 En Maria stond op in die dagen, en trot met r 'haast naar het gebergte, ; naar eene stad van Juda, s. 40 en kwam in het huis van Zacharias, en groette i Elizabet. 41 En het geschiedde, toen 3 Elizabet c^e groetenis van i Maria hoorde, dat het kind vin haren schoot opsprong. C En Elizabet werd vol van den Heiligen Geest, En Elizabet werd vol van den Heiligen Geest, 42 en riep overluid, zeggende: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws schoots! 43 En vanwaar wedervaart mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 Zie, toen ik de stem u wer groetenis hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijnen schoot. 45 En zalig is zij, die geloofd heeft, want het zal vemüd worden hetgeen haar gezegd is van den Heer. 46 En Maria zeide: Mijne ziel verheft, den Heer, 47 en mijn geest verlieu^t zich in God, mijnen Hei-land; a 48 want hij heeft de ge-f§; ringheid zjjuer dienstmaagcT iTaangëzién. Zie, van nu aan |
zullen mij zalig prijzen alle geslachten; 49 want hij heeft groote dingen aan mij gedaan, hij, die machtig en wiens naam heilig is, 50 en zijne barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht bij degenen die hem vreezen. 51 Hij oefent machtmetzij-nen arm, eu verstrooit wie hoovaardig zijn in den zin hunner harten; 52 hij stoot machtigen van den troon, en nederigen ver-hoogt hij; 53 hongerigen vervult hij met goederen, en laat rijken ledig. 54 Hij heeft zich Israël, zijnen knecht, aangetrokken, om gedachtig te zijn aan de barmhartigheid — 5 5 gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen — jegens Abraham en zijn nakroost tot in eeuwigheid. 56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden; daarna keerdezij wedernaarhuis. 57 En de tijd van Elizabet kwam dat zij baren zou, en zij baarde een zoon. 58 En hare geburen en bloedverwanten hoorden, dat de Heer groote barmhartigheid aan haar gedaan had, en zij verheugden zich met haar. |
|
LUK 59 Eu hot geschiedde dat idj op den achtsten dag kwamen om het kind te besnijden , en zij noemden het, naar zijnen vader, Zacharias. 60 Maar zijne moeder antwoordde en zeide : Geenszins, maar hij zal Johannes heeten. (51 En zij zeiden lothaar: Er is immers niemand in uwe maagschap die zoo heet. 62 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zou worden. 63 En hij eischte een schrijftafeltje, en schreef: Zijn naam is Johannes. En zij Terwon-derden zich allen. 61 En terstond werd zijn mond geopend en zijne tong, en hij sprak, en loofde God. 63 En er kwam vrees over alle gebaren; en op het ge-lieelo ■ gebergte van Judéa werd veel over al deze dingen gesproken. 66 En allen die hethoorden namen het ter harte en zeiden: Wat dunkt u dat van dit kind worden zal? En de hand des Heeren wiis met hem. 67 En zijn vader Zacharias werd vol van den Heiligen Geest, profeteerde, enzeide: 68 Geloofd zij de Heer, de God van Israël; want hij heeft zijn volk bezocht en verlost, 69 en heeft ons een hooiquot;!) 112 |
AS 1. des heils opgericht in het huis ISO I van zijnen knecht David, werd 70 gelijk hij in verleden en w; tijden gesproken heeft door dat h den mond zijner heilige pro- tet v( feten, ■ 71 om ons te verlossen van onze vijanden en uit de hand 1 En van allen die ons haten,' tijd, ' bewijzen aan onze vaderen, dat d en te gedenken aan zijn heilig besch 73 en aan den eed, dien de al li hij onzen vader Abraham ten tij gezworen heeft, om ons te voogd geven 3 E 74 'dat wij, verlost zijnde zich t uit de hand onzer vijanden, naar ; liem dienen zouden zonder ^ T vrees, ons leven lang, ook lt; 75 in heiligheid en gerech- stad I igheid, die hem behagelijkis. tot di 76 En gij, kind! zult een Beth profeet des Allerhoogsten Dam liecten; gij zult voor den ■gt; 0 Heer uitgaan, om zijnen weg vcn 1 te bereiden, trou' 77 en zijn volk kennis des ,vas-heils te geven, bestaande in ® vergeving hunner zonden, ^wa 78 door de hartelijke barm- moe! hartigheid onzes Gods, door ^ ' welke ons bezocht heeft do s^n opgang uit de hoogte, W1™ 79 opdat hij verschijne aan degenen, die zitten in duis- j101' ternis en schaduw des doods, 'ler en onze voeten richte op deu ? weg de» vredes. ('ie |
|
LUK lui is® SO En het kind wies, en 1, werd sterk naar den geest, eden kn was in de woestijn totdoor jdat liij zou optreden voor pro- het volk Israëls. HOOFDSTUK 2. . van land ; l En liet geschiedde in dien tijd, dat er een gebod van 1 te den keizer Augustus uitging, ren, dat de geheele wereld zou iilig beschreven worden. — 2 En deze beschrijving was lien de allereerste, eu geschiedde lium ten tijde, toen Cyreniusland-s te voogd van Syrië was. — 3 En een ieder ging om nde zich te laten beschrijven, elk en , naar zijne stad. ider 4 Toen maakte Jozef zich ook op uit Galiléa, uit de' ;cli- stad Nazaret, naar Judéa, k is. tot de stad Davids, genaamd een Bethlehem, omdat hij van iten Davids Imis en geslacht was. Jen 3 om zich te laten beschrij-vrpo- ven met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, die zwanger des was. . in 6 En als zij daar waren, kwam de tijd dat zij baren m. moest; )0i- 7 en zij baarde haren eerde steu zoon, en wond hem in windsels, en leide hem in ;ln eene krib, omdat er voor is. hen geen plaats was in de :|a herberg. ell 8 En er waren herders in die landstreek op het veld , |
:\S 3. 113 die de nachtwake hielden bij hunne kudde. 9 En zie, een Engel des Heeren trad tot hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen ; en zij vreesden zeer. 10 En de Engel zeide tot hen: Vreest niet; zie, ik verkondig u groote vreugde, die aan het geheele volk geschieden zal; 11 want u is heden de Heiland geboren, die Christus, de Heer, is, in de stad Davids. 12 En hebt dit tot een tee-ken: gij zult het kind vinden in windsels gewonden en liggende in eene krib, 13 En terstond was bij den Engel eene menigte der hemelsehe heirscharen, die God loofden, zeggende: 14 Eere zij God in de hoogte, en vrede op aarde, in raen-schen een welbehagen! 15 En toen de Engelen van hen ten hemel gevaren waren , zeiden de herders tot elkander: Laat ons nu heengaan naar Bethlehem, en zien de gebeurtenis die daar geschied is, welke de Heer ons heeft bekendgemaakt. 16 En zij kwamen schielijk, en vonden beiden, Maria en Jozef, alsook het kind in de krib liggende. 17 En toen zij het gezien |
8
LUKAS 2.
hadden, verbreidden zij het I naamd Simeon, en deze. woord, dat tot hen vanwege , raensch was rechtvaardig en dit kind gezegd was. j godvreezend, en wachtte op 18 En allen die het hoor- den troost van Israël, en de
den verwonderden zich over hetgeen hun door de herders gezegd werd;
19 doch Maria onthield al' den Heiliger. Geest, dat hij deze woorden, en overleide den dood niet zien zon, voordat hij den Christus desHee-
ze m haar hart.
20 En de herders keerden weder, en prezen en loofden God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gezegd was.
21 En toen acht dagen om waren, dat iiet kind zou besneden worden, werd zijn naam genoemd Jezus, welke genoemd was door den Engel , eer hij in den moederschoot ontvangen was.
22 En (oen de dagen harer dienaar in vrede heengaan , reiniging volgens de wet van I gelijk gij gezegd hebt;
Mozes ten einde waren,! 30 want mijne oogen heb-brachten zij hem te Jem-1 ben uw heil gezien,
zalem, opclat zij hemden, 31 dat gij bereid hebt voor Heere zouden voorstellen, — alle volken:
23 gelijk geschreven slaatin ' 32 een licht tot verlichting de wet des Heeren: //Al wat der heidenen en totroem van mannelijk is, dat het eerst, uw volk Israel. j den moederschoot opent, zal 33 En zijn vader en zijne den Heere heilig heeten// — ; moeder verwonderden zich
24 en opdat zij het otter over heigeen van hem ge-gaven , naar hetgeen gezegd zegd werd.
is in de wet des Heeren, //een ' 34 En Simeon zegende hen, paar tortelduiven of twee j en zeide tot Maria, zijne moe-
der: Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israel, en tot een
jonge duiven.//
25 En zie, er was een raensch te Jeruzalem, ge-
114
Heilige Geest was in hem.
26 En hem was een Goddelijk antwoord geworden van
ren zou gezien hebben.
27 En hij kwam door aandrift des Geestes in den tempel. En toen de ouders het kind Jezus in den tempel brachten. om volgens de gewoonte der wet voor hem te doen,
28 nam hij het in zijne armen, en loofde God , zeggende :
29 Heer, nu laat gij uwen
LUKAS 2.
deze - 'teeken dat wedersproken zal j 43 En toen de dagen vol-
eindigd waren en zij weder-
e op 35 (en een zwaard zal door : keerden, bleefhet kind Jezus n de nwe ziel dringen), opdat de te Jeruzalem, en zijne oudere li. sjedaeh ten veler harten open- wisteu het niet;
Jde- baar worden. i 44 maar zij meenden dat
van 36 En daar was eene pro- hij onder het reisgezelschap 'hij fetes, Anna, eene dochter : was, en gingen eene dagreis, oor- van Eanuël, uit het geslacht' en zochten hem onder de lee- van Aser. Deze was bedaagd, bloedverwanten en beken-
en had van haren maagdom den.
lan- at' zeven jaren met haren 45 En toen zij hem niet von-em- taan geleefd, den, keerden zij weder naar
het 37 en was nu eene we- Jeruzalem, en zochten hem. ipel dn we van omtrent vier en ! 46 En het geschiedde na ge- tachtig jaren, die nooit van drie dagen, dat zij hemvon-a te den tempel kwam, dienen-1 den in den tempel, zittende de God met vasten en bid- i in het midden der leeraren, ijne den dag en nacht. j om hen aan te hooren en te
teg- 38 Deze trad ook daarbij vragen;
te dier ure, en prees den 47 en allen die hem aan-ven lieer, en sprak van hem j hoorden verwonderden zich an, tot allen, die te Jeruzalem over zijn verstand en zijne
op de verlossing wachtten, antwoorden.
iel)- 39 En toen zij alles volein- 48 En toen zij hem zagen, digd hadden naar de wet des ontzetten zij zich; en zijne oor lleeren, keerden zij weder moeder zeide tot hem: Mijn naar Galiléa, tot hunne i kind, waarom hebt sij ons ing stad Nazaret. 'dat gedaan? Zie, uw vader
ran 40 En liet kind wies, en en ik hebben u met smart
jj^werd sterk naar den geest, | gezocht.
ijne vol wijsheid, en de genade j 49 .En hij zeide tot hen: ,ich Gods was met hem. I Wat is het dat gij mij ge-
ge- 41 En zijne ouders gingen ! zocht hebt? Weet gij niet alle jaren naar Jeruzalem, op dat ik zijn moet in hetgeen en, het Paaschfeest. 1 mijns Vaders is?
113
, en worden
oe- 42 En toen hij twaalf jaren 50 En zij verstonden dat izel oud was, gingen zij op naar 1 woord niet, hetwelk iiij tot ran Jeruzalem, naar de gewoonte I hen zeide.
■en van het teest.
| 51 En hij ging met hen af,
LUKAS 3.
116
|
en kwam teNazaret, en. was hun onderdanig. En zijne moeder behield al die woorden in haar hart. 52 En .1 ezns nam toe in wijsheid, ouderdom en genade bij God en menschen. HOOFDSTUK 3. 1 In het vijftierde jaar der regeering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd van Judéa was, en Herodes viervorst van Gali-léa, en zijn broeder Filippus viervorst van Ituréa en van het landschap Trachomtis, en Lysanias viervorst van Abiléne, 3 toen Annas en Kajafas hoogepriesters waren, toen geschiedde het bevel Gods aan Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn. 3 En hij kwam in alle landstreken rondom de Jordaan, en predikte den doop der boete tot vergeving der zonden; 4 gelijk geschreven staat in het boek der redevoeringen van Jesaja, die zegt: //Er is eene stem eens predikers in de woestijn: Bereidtden weg des Heeren, en maakt zijne paden recht. 5 Alle dalen zullen vol worden , en alle bergen en heuvels zullen vernederd worden ; en wat krom is zal recht worden; en wat oneffen is zal een effen weg worden; |
6 en alle vleesch zal het heil Gods zien.// 7 Toen zeide hij tot het volk dat uitging om zich door hem te laten doopen: Gij addergebroedsels, wie heeft u getoond dat gij den toekomenden toorn ontvlieden zult? 8 Ziet toe, brengt oprechte vruchten der boete voort; en begint niet bij u zelve te zeggen : Wij hebben Abraham tot oen vader; want ik zeg u, dat God ook uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 De bijl is reeds aan den wortel der boomen gelegd; elke boom dan die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in liet vuur geworpen. lü En het volk vraagde hem en zeide: TV at zullen wij dan doen? 11 En hij antwoordde en zeide tot hen; Wie twee rokken heeft, geve er een aan hem die er geen heeft, en wie spijs heeft doe desgelijks. 12 En er kwamen ook tollenaars, om zich te laten doopen, en zeiden tot hem: Meester, wat moeten wij doen? 13 En hij zeide tot hen: |
LUKAS 3. 117
in is lEischt niet meer dan liet- alles nog Johannes in de
3n; CeeD gezet is. gevangenis.
het 14 Xoen vraagden hein 21 Ea het geschiedde, toen
bok de krijgslieden en zei- al het volk zich liet doopen,
llet den: Wat moeten wij doen? en Jezus ook gedoopt was
zicli pin hij zeide tot hen: Doet en bad, dat de hemel zich
pen: niemand geweld of onrecht, opende,
wio el) vergenoegt u met uwe 33 en dat de Heilige Geest
den goldij. nederdaalde op hem in eene
die- 15 Toen nu het volk in lichamelijke gedaante, ge-
verwachting was, en zij in lijk eene duif, en dat er
ehte hunne harten van Johan- eene stem uit den hemel
; en nes dachten, of hij niet kwam, die zeide: Gij zijt
zeg- misschien de Christus ware, mijn geliefde Zoon; in tl
lam 16 antwoordde Johannes heb ik een welbehagen,
ï ii, en zeide tot allen: Ik doop 23 En Jezus was, toen hij
inen u met water, maar er komt begon, omstreeks dertig
ver- een die sterker is dan ik, jaren oud, en werd gehou-
wiens schoenriemen ik niet den voor een zoon van
den waardig ben te ontbinden; Jozef, den zoon van Eli,
gd ; die zal u met den Heiligen 34 den zoon van Matthat,
.een Geest en met vuur doopen; den zoon van Levi, den
igt, 17 in zijne hand is de wan, zoon van Melchi, den zoon
in en hij zal zijnen dorschvloer van Jannas, den zoon van
vegen, en zal de tarwe in Jozef,
gde zijne schuur vergaderen, 35 den zoon van Matta-
llen maar het kaf zal hij met thias, den zoon van Amos,
onuitbluschbaar vuur ver- den zoon van Nahum, den
en branden. zoon van Esli, den zoon van
wee 18 En nog vele andere Naggaï,
een vermaningen gat hij en ver- 36 den zoon van Maath,
3ft, kondigde het evangelie aan den. zoon van Mattathias,
les- het volk. ! den zoon van Semeï, den
19 Maar Herodes, de vier- zoon van Jozef, den zoon
Dok vorst, toen hij door hem van Juda,
ten bestraft werd vanwege He- 37 den zoon van Johanan,
m: rodias, zijns broeders vrouw, den zoon van Eesa, den
wij en over al het kwaad dat zoon van Zerubbabel, den
Herodes deed, zoon van Sealtiël, den zoon
;n: 30 zette hij ook boven dit van Neri,
LUKAS 4.
118
|
28 den zoon vau Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van El mod am, den zoon van Er, 39 den zoon van Joses, den zoon van Eliüzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi, 30 den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon .van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David, 32 den zoon van Isaï, den zoon van Obed, den zoon van Boas, den zoon van Salmon, den zoon van Nahesson, 33 den zoon van Ammi-nadab, den zoon van Eam, den zoon van Hesron, den zoon van Peres, den zoon van Juda, 34 den zoon van Jakob, den zoon van Isaii.k, den zoon van Abraham, denzoon vau ïerali, den zoon van Naltor, 35 den zoon van Serug, den zoon van Kelin, den zoon van Peleg, den zoon van Heber, den zoon van Selah, |
SC den zoon van Kaïnan, den zoon van Arpaclisad, den zoon vau Sem, den zoon van Noach, den zoon van Lamecli, 37 den zoon van Methu-salali, den zoon van Henoch, den zoon van Jered, den zoon van Muhalaleel, den zoou van Kenau, 38 den zoon vau Enos, den zoou van Seth, den zoon van Adam, den zoou van God. HOOFDSTUK 4. 1 En Jezus, vol van den Heiligen Geest, kwam weder van de Jordaan, en werd door den Geest heengeleid in de woestijn, 3 en werd veertig dagen lang door den duivel verzocht. En hij at niet in die dagen; en toen zij ten einde waren, hongerdehem daarna. 3 En de duivel zeide tot hem: Zijt gij Gods Zoon, zoo zeg tot dien steen, dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Er staat geschreven: /'De mensch leeft niet vau brood alleen, maar van ieder woord van God//. 5 En de duivel voerde hem op een hoogen berg, en toonde hem al de koninkrijken der geheele wereld in een oogenblik des tijds, 6 en zeide tot hem: Al (leze macht en hunne heerlijkheid Kil ik u geven, want |
|
LUK zij is mij overyeveu, en ik geef ze wien ik wil. 7 Indien gij mij nu zult aanbidden, zal alles het uwe zijn. 8 Doch Jezus antwoordde en zeide tot liem: Er staat geschreven: //Gij zult God, uwen Heer, aanbidden eu Iictii alleen dienen.// 9 En hij voerde liem naar Jeruzalem, eu stelde hem op de tinne des teiii pels, en zei-de tot hem: Zijc gij Gods Zoon, zoo werp u van hier nederwaarts; 10 want er staat geschreven: //Hij zal wegens uzijnen Engelen bevelen, dat zij u bewaren zullen, 11 en op de handen dragen, opdat gij usven voet niet wellicht aan eenen steen stoot.// 12 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hem:,Er is gezegd : //Gij zult God, reven Heer, niet verzoeken.// 13 En toen de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij voor een tijd van hem. 14 En Jezus koerde weder, in de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele land. 15 En hij leerde in hunne synagogen, en werd door iedereen geprezen. 16 En hij kwam te Naza-ret, waar hij opgevoed was, 'VS 4. 119 |
en ging in de synagoge, naar zijne gewoonte, op den sabbatdag, eu stond op om Têlezen;—; 17 Toen werd hem het boek van den profeet Jesaja gegeven ; en als hij het boek open-rolde, vond hij de plaats waar geschreven staat: 18 //De Geest des Heeren is op mij, dewijl hij mij gezalfd heeft, en gezonden om den armen het evangelie te verkondigen, om de gebroken harten te heelen, 19 om den gevangenen loslating te prediken, en den blinden het gezicht, en den verslagenen dat zij vrij eu los zullen zijn, en om te prediken het aangename jaar des Heeren.// 20 En als hij het boek opgerold had, gaf hij het aan den dienaar, en ging zitten; en de oogen van allen, die in de synagoge waren, zagen o]) hem. 31 En hij begon tot heu te zeggen: Heden is deze Schrift vervuld voor uwe ooren. 22 quot;En zij gaven hem allej.' getuigenis, en verwonder'quot; 3 zich over de aanglt;r ])a(j woorden, dieuitziiflie^ die gingen, en zej^ over ^eze niet de zoo'^je zij metelk- 23 Eiijjtan hadden; -desgelijks ook Jakobus |
LUKAS 4.
118
|
38 den zoon van MelcH, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, deu zoon van Elmodam, den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliczer, deu zoon van Jorim, deu zoon van Matthat, den zoon van Levi, 30 den zoon van Simeon, deu zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonau, den zoon .van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, deu zoon van David, 33 den zoon van Isaï, den zoon van Obed, den zoon van Ikias, den zoon van Salmon, den zoon van ïvaliesson, 33 den zoon van Ammi-nadab, den zoon van Earn, den zoon van Hesrou, den zoon van Peres, den zoon van Juda, Si den zoon van Jakob, den zoon van Isailk, den zoon van Abraham, deu zoon van Terali, den zoon van Nahor, 35 den zoon van Serug, den zoon van Eelui, deu zoon van Peleg, den zoon van Heber, den zoon van Selah, 3G den zoon van Kaïuan, den zoon van Arpacbsad, deu zoon van Sem, den zoon van Noaoh, deu zoon van Lameeli, |
37 den zoon van Methu-salah, den zoon van Henoch, deu zoon van Jered, den zoon van Mahalaleël, den zoou van Kenau, 38 den zoon van Euos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, tien zoou van God. HOOFDSTUK 4. I En Jezus, vol van den Heiligen Geest, kwam weder van de Jordaan, en werd door den Geest heengeleid in de woestijn, 3 en werd veertig dagen lang door den duivel verzocht. En hij at niet in die dagen; en toen zij ten einde waren, hongerdehem daarna. 3 En de duivel zeide tot hem: Zijt gij Gods Zoon, zoo zeg tot dien steen, dat bij brood worde. 4 Eu Jezus antwoordde en zeide tot hem: Er staat geschreven: «De inensch leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord van God//. 5 En de duivel voerde hem op een hoogeu berg, en toonde hem al de koninkrijken der geheele wereld in een oogeublik des tijds, 6 en zeide tot hem: Al (leze macht en hunne heerlijkheid zal ik u geven, want |
LUK Ab 4..
1
119
|
zij is mij overgeven, en ik geef ze wien ik wil. 7 Indien gij mij nu zult aanbidden, zal alles het uwe zijn. 8 Doch Jezus antwoordde en zuide tot hem: Er staat geschreven: //Gij zult God, uwen Heer, aanbidden en hein alleen dienen.// 9 En Lij voerde hem naar Jeruzalem, en stelde liem op de tinne des tempels, en zei-de tot hem: Zijt gij Gods Zoon, zoo werp u van hier nederwaarts; 10 want er staat geschreven: //Hij zal wegens u zijnen Engelen bevelen, dat zij u bewaren zullen, 11 en op de handen dragen, opdat gij uwen voetniet wellicht aan eenen steen stoot.// 13 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hem:,Er is gezegd : //Gij zult God, uven Heer, niet verzoeken.// 13 En toen de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij voor een tijd van hem. 14 En Jezus keerde weder, in de kracht des Geestes, naar Galilca; en het gerucht van hem ging uit door het gelieele land. 15 En hij leerde in hunne synagogen, en werd door iedereen geprezen. |
16 En hij kwam te Naza-ret, waar hij opgevoed was, en ging in de synagoge, naar zijne gewoonte, op den sabbatdag, en stond op om 'ïé' lezenr** t 17 Toen werd hem het boek van den profeet Jesaja gegeven ; en als hij het boek open-rolde, vond hij de plaats waar geschreven staat: 18 //De Geest des Heeren is op mij, dewijl hij mij gezalfd heeft, en gezonden om den armen het evangelie te verkondigen , om de gebroken harten te heelen, 19 om den gevangenen loslating te prediken, en den blinden het gezicht, en den verslagenen dat zij vrij en los zullen zijn, en om te prediken het aangename jaar des Heeren.// 20 En als hij het boek opgerold had, gaf hij het aan den dienaar, en ging zitten; en de oogen van allen, die in de synagoge waren, zagen op hem. 31 En hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift vervuld voor uwe ooren. 33 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit zij nen mond gingen, en zeiden: Is deze niet de zoon van Jozef? 3*3 En hij zeide tot hen: Gij zult zekerlijk dit spreek- |
|
120 woord tot mij zeggeu: Geneesmeester, help u zeiven. Al wat wij gehoord hebben dat te Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in uwe vaderstad. 34 En hij zeide; Voorwaar, ik zeg u: Geen profeet is aangenaam in zijne vaderstad. 35 Maar ik zeg u in waarheid : Er waren vele weduwen in Israël ten tijde van Elia, toen de hemel toegesloten was drie jaren en zes maanden, toen er eene groote duurte was in het geheele land; 26 en tot geen van haar werd Elia gezonden, dan alleen naar Sarepta der Si-doniërs, tot eene weduwe. 37 En vele melaatschen waren er in Israël ten tijde van den profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan alleen Naiiman de Syriër. 28 En allen die in de synagoge waren werden vol toorn, toen zij dat hoorden, 39 en stonden op en stieten hem de stad uit, en leidden hem op een top des bergs, op welken hunne stad gebouwd was, om hem van boven neder te stooten. 30 Maar hij ging midden door hen weg. o 31 En hij kwam te Ka-4 pernaüm, eene stad van |
■ ■ I»»' Galiléa, en leerde hen op de sabbatten. 33 En zij verwonderden zich over zijne leer, want zijn woord was met macht. 33 En er was een mensch in de synagoge, bezeten van sen onreinen geest, en schreeuwde met luide stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, Jezus vau Nazaret? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik weet wie gij zijt: de Heilige Gods. 35 En Jezus bedreigde hem, en zeide: Word stom en vaar van hem uit! En de booze geest wierp hem midden onder hen, en voer van hem uit, en deed hem geen schade. 36 En vrees overviel hen allen, en zij spraken tot elkander en zeiden: Wat woord is dit! Hij gebiedt met macht en geweld den onreinen geesten, en zij varen uit. 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands. 38 En hij stond op uit de synagoge, en kwam in het huis van Simon; en Simons schoonmoeder was met eene zware koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. 39 En hij trad tot haaien gebood de koorts, en LUK. VS 1. |
LUKAS 5.
121
|
zij verliet haar; en dadelijk stond zij op en diende lien. 40 En toen de zon ondergegaan was, brachten allen, die kranken met menigerlei ziekten hadden, ze tot hem; en hij leide op ieder de handen, en maakte ze gezond. 41 Ook voeren er booze geesten uit van velen, die schreeuwden en zeiden : Gij zijt de Christus, de Zoon Gods! En hij bestrafte hen, en liet hen niet spreken; want zij wisten dat hij de Christus was. 43 En toen het dag werd, ging hij uit naar eene woeste plaats; en het volk zocht hem, en zij kwamen tot hem, en hielden hem tegen, opdat hij van hen niet zou weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen ; Ik moet ook aaii andere steden het evangelie van het rijk Gods prediken; want daartoe ben ik gezonden. 44 En hij predikte in de synagogen van Galiléa. HOOFDSTUK 5. 1 En het geschiedde, toen het volk op hem aandrong, om het woord Gods te hoo-ren, dat hij stond aan de zee Gennésaret. 2 En hij zag twee schepen aan de zee staan, en de vis-schers waren er uitgetreden en spoelden hunne netten. |
3 En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en verzocht hem dat hij het een weinig van land zou voeren; en hij ging zitten en leerde het volk uit het schip. 4 En als hij had opgehouden te spreken, zeide hij tot Simon: Vaar naar de diepte, en werpt uwe netten uit, opdat gij eene vangst doet. 5 En Simon antwoordde en zeide tot hem; Meester, wij hebben den geheelen nacht gearbeid en niets gevangen ; maar op uw woord zal ik het net uitwerpen. 6 En toen zij dat deden, vingen zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne gezellen, die in het andere schip waren, dat zij zouden komen en hen helpen trekken ; en zij kwamen, en vulden de beide schepen, zoodat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij aan Jezus' knieën, en zeide: 'Heer, ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch. 9 Want verschrikking had hem bevangen eu allen, die met hem waren, over deze visch vangst, die zij met elkander gedaan hadden; 10 desgelijks ook Jakobus |
LUK.VS 5.
133
|
en Johannes, do zonen vau Zebedeüs, Simons metgezellen. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; want van nu aan zult gij menschen vangen. 11 En zij voerden de scbe-peu aan land, verlieten alles en volgden hein. 12 En het geschiedde, toen hij in een dier steden was, zie, daar was een man vol melaatschheid. En toen hij Jezus zag, viel hij op zijn aangezicht, en bad hem, zeggende: Heer, zoo gij wilt, kunt gij mij reinigen. 13 En hij strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide: Ik wil het doen, wees gereinigd! En terstond ging de melaatschheid van hem. 14 En hij gebood hem dat hij het niemand zeggen zou ; maar ga lieen, \_zddK hij], en toon u den priester, en offer 'voor uwe reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, tot een bewijs voor hen. 15 Maar het gerucht van hem werd te meer verbreid; en er kwam veel volk te zamen, om hem te hooren, en door hem genezen te worden van hunne krankheden. 16 Maar hij ontweek in de woestijnen, en bad. |
17 En het geschiedde op zekeren dag, dat hij leerde, en er zaten Earizeën en leeraars der wet, die gekomen waren uit alle vlekken van Galiléa en Judéa en van Jeruzalem; en de kracht des Heeren ging van hem uit en genas iedereen. 18 En zie, eenige mannen brachten op een bed een mensch, die verlamd was; en zij zochten hem in te brengen en voor hem te leggen. 19 En daar zij vanwege het volk niet vonden waar zij hem konden inbrengen, klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichels neder met het bed, in het midden van hen, vóór Jezus. 20 En toen hij hun geloof zag, zeide hij tot hem: Mensch, uwe zonden zijn u vergeven. 31 En de schriftgeleerden en Earizeën begonnen te (leuken , zeggende; AVie is deze, dat hij godslastering spreekt ? Wie kan zonden vergeven dan God alleen? 23 Toen nu Jezus hunne gedachten merkte, antwoordde hij en zeide tot hen, Wat denkt gij in uwe harten? 33 Wat is lichter, ie zeggen: Uwe zonden 'ijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 3-1 Maar opdat gij weet, dat (les Menschen Zoon macht heeft op aarde zonden te vergeven — zoo zeide hij tot |
133
Waarom vasten de jongeren van Johannes zoo dikwijls en bidden zooveel, desgelijks de jongeren der Parizeen, maar uwe jongeren eten en drinken?
34 Doch hij zeide tot hen: Gij kunt de bruiloftslieden niet doen vasten, zoolang de bruidegom bij hen is;
35 maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen genomen zal worden: dan
37 Én daarna ging hij uit, zullen zij vasten.
en zag een tollenaar, ge- 36 En hij zeide tot hen naamd Levi, in het tolhuis eene gelijkenis: Niemand zet zitten, en zeide tot hem: een lap van een nieuw kleed Volg mij. op een oud kleed; anders
38 En hij verliet alles, scheurt ook het nieuwe, en stond op en volgde hem. | de lap van het nieuwe past
39 Kn Levi richtte hem een niet op het oude.
■groo ten maaltijd in zijn huis 37 En niemand doet jongen aan; en vele tollenaars en wijn in oude lederen zakken; anderen zaten met hem aan anders doet de jonge wijn de tafel. lederen zakken bersten, en
30 En de schriftgeleerden wordt uitgestort, en de en Farizeën murmureerden lederen zakken verderven; tegen zijne jongeren, zeg- 38 maar den jongen wijn gende:Waarom eetendrinkt moet men in nieuwe lederen gij met tollenaren en zon- zakken doen, dan worden
beide te zamen behouden.
39 En niemand die ouden \wijn\ drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter.
HOOFDSTUK 6.
1 En het geschiedde op een
daren?
' 31 Eu Jezus antwoordde en zeide tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maardekran-ken.
33 tk ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars tot boete te roepen, sabbat na den tweeden, dat
33 En zij zeiden tot hem: hij door het koren ging; en
LUKAS 6.
den verlamcle: Ik zeg u, sta oi), neem uw bed op, en ga naar huis.
25 £n dadelijk stond liij op voor hunne oogen, nam ; het bed op, waarop hij gelegen had, en ging naar huis, en prees God.
36 En zij ontzetten zich allen, prezen God, en werden vol vrees, zeggende: Wij hebben lieden onge-loofelijke dingen gezien.
LUK AS 6.
121.
|
zijne jongeren plukten aren, en aten ze, en wreven ze met de handen. 3 Eu sommigen der Parizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij hetgeen niet betamelijk is op de sabbatten te doen ? 3 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David deed, toen hem hongerde en degenen die bij hem waren; 4 hoe hij in het huis Gods ging, en de toonbrooden nam en at, en ook gal dengenen die bij hem waren, welke nochtans niemand eten mocht dan alleen de priesters? 5 En hij zeide tot hen: Des Menschen Zoon is een Heer ook van den sabbat. 6 En het geschiedde op een anderen sabbat , dat hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mensch, wiens rechterhand verdord was. 7 En de schriftgeleerden en Farizeën namen hein waar, of hij ook genezen zou op den sabbat, opdat zij eene beschuldiging tegen hem zouden vinden. 8 Doch hij merkte hunne gedachten, en zeide tot den mensch met de verdorde hand; Sta op en treed in het midden. En hij stond op en trad voor. |
9 Toen zeide Jezus tot hen: Ik vraag u, wat is geoorloofd op de sabbatten te doen, goed of kwaad? het leven te behouden of te verderven? 10 En hij zag ze allen in het rond aan, en zeide tot den mensch: Strek uwe hand uit. En hij deed het, en zijne hand werd weder gezond gelijk de andere. 11 En zij werden geheel uitzinnig, en spraken met elkander af, wat zij Jezus doen zouden. 13 En het geschiedde op dien tijd, dat hij ging op een berg om te bidden; en hij bleef den nacht over in het gebed tot God. 13 En toen het dag werd, riep hij zijne jongeren, en verkoos uit hen twaalf, die hij ook apostelen noemde: 14 Simon, dien hij Petrus noemde, en diens broeder Andréas, Jakobus en Johannes , Pilippus en Bartho-lomeüs, 15 Mattheüs en Thomas, Jakobus, den zoon vau Alfeüs, Simon, genaamd Zelotes, 16 Judas, den zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die zijn verrader geworden is. 17 En hij ging af met hen, en trad op eene vlakke plaats in het veld, met de schaar zijner jongeren, en eene |
LÜKAS 6.
123
|
groote menigte volks uit geheel .Tudea en Jeruzalem, en van de zeekust van Tyrus en Sidon, 18 die gekomen waren, om hem te hooren en om genezen te worden van hunne ziekten, en die door onreine geesten gekweld werden; en zij werden gezond. 19 En al het volk begeerde hem aan te raken; want er ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen. 20 En hij hief zijne oogen op over zijne jongeren, en zeide; Zalig zijt gij armen, want uwer is het rijk Gods. 21 Zalig zijt gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen. 23 Zalig zijt gij, als de men-_ schen u haten, en u afscheiden en u smaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Menschen Zoons wil. 23 Verheugt u alsdan en zijt vroolijk; want zie, uw loon is groot in den hemel; want evenzoo hebben hunne vaders ook den profeten gedaan. 24 Maar weeu, gij rijken, want gij hebt uwen troost weg! 25 Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren! Wee u, die nu lacht, want gij zult weenen en klagen! |
26 Weeu, wanneer iedereen goed van u spreekt, want evenzoo deden hunne vaders ook den valschen profeten! 37 Maar ik zeg u, die aanhoort: Hebt uwe vijanden lief', doet wèl dengenen die ii haten, 28 zegent degenen die u vloeken, bidt voor degenen die u leed aandoen. 39 En wie u slaat op de eene wang, bied dien ook de andere; en wie u den mantel neemt, weiger dien ook den rok niet. 30 Geef'dengeen dien bidt; en wie u het uwe neemt, eisch het van dien niet weder. 31 En gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook zoo. 32 En indien gij lief'hebt die u liefhebben, wat dank hebt gij daarvan? Want de zondaars hebben ook lief die hen liefhebben. 33 En indien gij uwen weldoeners weldoet, wat dank hebt gij daarvan? Want de zondaars doen dat ook. 3'! En indien gij leent van wie gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij daarvan? Want de zondaars leenen den zondaren ook, opdat zij evengelijk weder ontvangen 35 Maar integendeel, hebt |
LUK AS 0.
126
|
uwe vijanden lief, iloet wol, en leent zonder iets daarvoor te liopen: zoo zal uw loon groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want hij is goedertieren jegens de ondankbaren en boozen. 36 Daarom zijt barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 Oordeelt niet,zoo wordt gij niet geoordeeld; verdoemt niet, zoo wordt gij niet verdoemd; vergeeft, zoo wordt n vergeven. 38 Geeft, zoo wordt u gegeven : eene volle, gedrukte, geschudde en overloopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal men u wedermeten. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Kan ook een blinde eenen blinde den weg wijzen? Zullen zij niet beiden in den kuil vallen? 40 De jonger is niet boven zijnen meester; wanneer de jonger is als zijn meester, zoo is hij volkomen. 41 En wat ziet gij den splinter in uws broeders oog, en d en 1 )alk, d ie in u w eigen oog is, wordt gij niet gewaar? |
42 Of hoe kunt gij zeggen tot uwen broeder: Laat toe, broeder, dat ik den splinter uit uw oog trekke, daar gij zelf den balk in uw oog niet ziet? Gij huichelaar, trek eerst den balk uit uw oog, en bezie dan hoe gij den splinter uit uws broeders oog zult trekken. 43 Want het is geen goede boom die k wade vruch t voortbrengt, en geen kwarle boom die goede vrucht voortbrengt. 44 Iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, ook snijdt men geen druiven af van een braamstruik. 45 Een goedmensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten, en een kwaad mensch brengt het kwade voort uit den kwaden schat zij ns harten; want waarvan het hart vol is, daarvan vloeit de mond over. 46 En wat noemt gij mij Heer, Heer! en doet niet hetgeen ik u zeg? 47 Wie tot mij komt en m ij-ne woorden hoort en ze doet, ik zal u toon en wien hij gelijk is. 48 Hij is gelijk aan een mensch die een huis bouwde, die diep groef, en den grond op eene steenrots leide. Toen nu een watervloed kwam, sloeg de stroom tegen het huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op eene steenrots gegrond. |
|
HOOFDSTUK 7. 1 Nadat hij nu al zijne woorden ten aanhoore van het volk uitgesproken had, ï ging hij naar Kapcrnaüm. 3 Kil de knecht eens hoofd-mans, die hem zeer waard was, lag doodkrank. 13 En toen hij van Jezus gehoord had, zond hij de : oudsten der Joden tot hem, en had hem dat hij wilde komen en zijnen knecht ge-. zond maken. 4 Toen zij nu tot Jezus kwamen, baden zij hem ernstig, zeggende: Hij is het waardig dat gij hem dat bewijst; 5 want hij heeft ons volk lief, en heeft ons de synagoge gebouwd. fi En Jezus ging met hen. En als zij nu niet ver van het huis waren, zond de hoofdman vrienden tot hem, en liet hem zeggen; Heer, geef u geen moeite; ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak komt. 7 Daarom heb ik ook mij zei ven niet waardig geacht I LUKAS 7. ' 49 Maar wie ze lioort en luiet doet, is gelijk aan | een menscli die een huis bouwde op de aarde, zonder (grondslag; en de stroom : sloeg er tegen aan, en liet viel terstond, en dat huis kreeg eone gronte scheur. |
127 tot u te komen; maar spreek slechts een woord, en mijn knecht zal gezond worden. 8 Want ook ik ben een mensch, onderdanig aan de overheid, en heb krijgsknechten onder mij; en zeg ik tot den een: Ga heen, zoo gaat hij; en tot den ander: Kom herwaarts, zoo komt hij; en tot mijnen knecht; Doe dat, zoo doet hij het. 9 En toon Jezus dit hoorde , verwonderde hij zicli over hem, en hij keerde zich om en zeide tot het volk dat hem volgde: Ik zeg u: zulk een geloof heb ik zelfs in Israël niet gevonden. 10 En toen degenen, die uitgezonden waren, weder te huis kwamen, vonden zij den kranken knecht gezond. 11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat hij in eene stad ging, genaamd Naïn, en velen van zijne jongeren gingen met hem, en veel volk. 12 En als hij nabij de poort der Stad kwam, zie, toen droeg men een doode uit. die de eenige zoon zijner moeder was, en zij was eene weduwe; en veel volk uit de stad ging met haar. 13 En toen de Heer haar |
LÜKAS 7.
128
|
zag, jammerde liet bom van liaar, en bij zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij trad toe en raakte de baar aan — de dragers nu stonden stil — en hij zeide: Jongeling, ik zeg n , sta op! 15 En de dootie richtte zicb op, en begon te spreken; en hij gaf hem aan zijne moeder. L(i En vrees beving hen allen, en zij prezen God, zeggende: Er is een groot profeet onder ons opgestaan , — en: God heeft zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van hem werd verbreid in geheel Judéa en in al liet omliggende land. 18 En dit alles verkondigden aan Johannes zijne jongeren. 1!) En Johannes riep twee van zijne jongeren tot zicli, en zond ze tot Jezus, en liet aan hem zeggen: Zijt gij degeen die komen zal, ot' moeten wij een ander verwachten? 20 En toen die mannen tot hem kwamen, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u gezonden, en laat u zeggen: Zijt gij degeen die komen zal, of moeten wij een ander verwachten ? |
21 En te dier ure genas hij er velen van ziekten en plagen en booze geesten, en aan vele blinden schonk hij het gezicht. 22 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt aan Johannes weder hetgeen gij gezien en gehoord hebt, dat blinden ziende worden, lammen gaan, melaatschen rein worden, dooven hooren, dooden opgewekt worden, aan armen het evangelie gepredikt wordt; 23 en zalig is hij die zich aan mij niet ergert. 21 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Jezus van Johannes tot het volk te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn om te aanschouwen? Een riet, dat door den wind heen en weder bewogen wordt ? 25 Of wat zijt gij uitgegaan om te zien? En mensch, in zachte kleederen gekleed? Zie, die in heerlijke kleederen en wellusten leven, zijn in de koninklijke hoven. 2(5 Of wat zijt gij uitgegaan om te zien ? Een profeet? Ja ik zeg u, veel meer dan een profeet. 27 Deze is het van wien geschreven staat: //Zie, ik zend mijnen Engel voor uw |
LÜKAS 7.
12!)
|
aangezicht, die uwen weg voor u uit bereiden zal.// 28 Want ik zeg u, dat onderdegenen , die van vrouwen geboren zijn, gpen grooter profeet is dan .1 oh annes de ])ooper; maar de kleinste in liet rijk Gods is grooter dan hij. 29 En al het volk dat hem hoorde, en de tollenaars rechtvaardigden God, en 1 ie-ten zich doopen met den doop van Johannes; 30 maar de Farizeën en wetgeleerden verachtten Gods raad tegen zich zelve, en lieten zich door hem niet doopen. 81 En deHeerzeide: Bij wien zal ik de menschen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? 32 Zij zijn gelijk de kinderen, die op de markt zitten en elkander toeroepen, en zeggen: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaaglied eren voorgezongen en gij hebt niet geweend. 33 Want .Johannes de Doo-per is gekomen en at geen brood en dronk geen wijn, en gij zegt; Hij heeft een boozen geest. |
34 Des Menschen Zoon is gekomen en eet en drinkt, en nu zegt gij: Zie, die mensch is een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren. genas ten en hi, en nk hij ordde L heen annes fezien blin-nmen wor-)oden n ar-edikt zioli van iren, j ;nnes gen: j n in i hon-1 den | l'WO- ;aan , in ;ed? deepen, ven. tge-eet? dan rien ik uw 35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd van al hare kinderen. 36 En een der Farizeën noodigde hem bij zich len eten: en hij ging binnen in het huis van den Farizeër, en zette zich aan tafel. 37 En zie, in de stad was eene vrouw die eene zondares was; toen die vernam dat hij aan lafel zat in het huis van den Farizeër, bracht zij eene albasten llesch met zalfolie, 38 en trad achter hem tot zijne voeten, en weende, en begon zijne voeten nat te maken met tranen, en ze te droogen met de haren haars hooftls, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met zalfolie. 39 Toen nu de Farizeër, die hem genoodigd had, dit zag, sprak hij bij zich zei ven , zeggende : Indien deze een profeet was, zou hij weten wie en wat voor een vrouw deze is die hem aanraakt; want /ij is eene zondares. 40 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hem: Simon, ik heb ii wat te zeggen. En hij zeide: Meester, zeg het. 41 Een geldschieter had twee schuidenaars: de een |
LUKAS 8.
130
|
wfia schuldig' vijfhonderd penningen, en de ander vijftig; 43 maar toen zij niet hadden om te betalen, schonk hij het hun beiden. Zeg dan, wie van hen zal hein het meest lief hebben? 43 Simon antwoordde en zeide: Ik acht, wien hij het meest geschonken heeft. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld. 44 Eu hij keerde zich tot de vrouw, en zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen ; gij hebt mij geen water gegeven voor mijne voeten ; maar deze heeft mijne voeten met tranen nat gemaakt, en ze gedroogd met de haren liaars hoofds. 45 Gij hebt mij geen kus gegeven; maar (leze heeft, van dat zij hier binnen gekomen is, niet opgehouden mijne voeten to kussen. 46 Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd; maar zij heeft mijne voeten met zalfolie gezalfd. 47 Daarom zeg ik n: Haar zijn vele zonden vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar wien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar; Uwe zonden zijn u vergeven. |
49 Toen begonnen degenen, die met hem aan tafel zaten, bij zich zelve te zeggen: Wie is deze, die ook de zonden vergeeft? B0 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft n geholpen; ga heen in vrede! HOOFDSTUK 8. 1 En het geschiedde daarna dat hij reisd e van stad tot stad en vlek tot vlek, en predikte en het evangelie van het rijk Gods verkondigde. En de twaalve waren met hem, 3 alsook eenige vrouwen, die hij van booze geesten en krankheden genezen had, namelijk Maria, die genaamd is Magdalena, van welke zeven booze geesten waren uitgevaren, 3 en Johanna, dehuisvrouw van Cliuzas, den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele andere, die hem handreiking deden van hare goederen. 4 Toen er nu veel volk bij elkander was, en zij uit alle steden tot hem kwamen, zeide hij door eene gelijkenis : 5 Een zaadzaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En terwijl hij zaaide, viel een gedeelte bij don weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op. 0 En een ander deel viel |
L
LUK AS 8.
131
|
op eene steenrots, en toen het opging, verdorde het, omdat het geen vocht had. 7 Nog een ander deel viel in het midden der doornen, en de doornen gingen mede op en verstikten het. 8 Maar een gedeelte viel in een goed land, en het ging op en droeg honderdvoudige vrucht. — Toen hij dat zeide, riep hij: Wie ooren heeft om te liooren, lioore! 9 Eu zijne jongeren vraagden hem, zeggende: Wat beteekent deze gelijkenis? 10 En hij zeide: U is het gegeven de verborgenheden van liet rijk Gods te weten, maar den anderen in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan. 11 Dit nu is de gelijkenis : Het zaad is het woord Gods. 13 Eu die bij den weg zijn, zijn degenen die het hooren; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden. 13 Eu die op de steenrots, zijn degenen die, als zij het hooren, het woord met vreugde aannemen, en deze hebben geen wortel; eeu tijd lang gelooven zij, maar in den tijd der aanvechting vallen zij af. |
14 En dat onder de doornen viel, zijn degenen die het hooren, en heengaan en het onder de zorgen en rijkdom en genietingen dezes levens verstikken, en geen vrucht dragen. 15 Maar dat in het goede land, zijn degenen die het woord hooren, en behouden in een oprecht, goed hart, en vruehtdragen in volharding. 16 En niemand ontsteekt een licht, en bedekt het met een vat of zet het onder eene rustbank, maar hij zet het op een kandelaar, opdat wie binnenkomt het licht moge zien. 17 Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, noch geheim dat niet bekend zal worden en aan den dag komen. 18 Zoo ziet nu toe, hoe gij hoort! Want wie heeft, dien wordt gegeven; maar wie niet heeft, van dien wordt ook genomen hetgeen hij meent te hebben. 1'J En zijne moeder en zijne broeders gingen tot hem, en konden vanwege het volk niet tot hem komen. 20 Eu hem werd gezegd : Uwe moeder en uwe broeders staan buiten, en be-geeren u te zien. |
LUK AS S.
132
|
21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Mijne moeder en mijne broeders zijn deze, die Gods woord booren en doen. 23 En liet geschiedde op oen van die dagen dat hij in een schip trad met zijne jongeren; en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren naar de andere zijde der zee. En zij staken van land. 23 En toen zij voeren, sliep hij in. En er ontstond een geweldige wind op de zee, en de baren overdekten hen, en zij waren in groot gevaar. 24 Toen traden zij tot hem en wekten hem op, zeggende ; Meester, Meester, wij vergaan! Toen stond hij op, en bedreigde den wind en de watergolven; en zij bedaarden, en er kwam stilte. 25 En hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij vreesden en verwonderden zich , en zeiden onder elkander: Wie is deze, dat hij den wind en het water gebiedt en zij hem gehoorzaam zijn! 26 En zij voeren voort naar de landstreek der Ga-darenen, die tegenover Ga-liléa is. |
27 En als hij uittrad op het land, ontmoette hem een zeker man uit de stad, die reeds sedert langen tijd bezeten was geweest; en iiij trok geen kleederen aan, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En toen hij Jezus zag, schreeuwde hij, viel - voor hem neder, en riep met luide stem, zeggende: Wat heb ik met ii te doen, Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten? Ik bid u, wil mij toch niet kwellen. 29 Want hij had den on-reinen geest geboden dat hij van den mensch zou uitvaren; want hij had hem langen tijd geplaagd, en hij was met ketenen gebonden en in boeien bewaard; maar hij verbrak de banden, en werd door den boozen geest gedreven in de woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Hoe is uw naam? Hij zeide: Legioen; want er waren vele booze geesten in hem gevaren. 31 En zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zou in den afgrond te varen. 32 En aldaar was eene groote kudde zwijnen in de weide op den berg; en zij baden hem, dat hij hun vergunnen wilde daarin te varen; en hij vergunde liet hun. 33 Toen voeren de booze geesten uit van den mensch, |
LUKAS 8.
iöü
|
en voeren iu de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, en zij verdronken. 34 Toen nu de hoeders zagen wat er gescliiedde, vloden zij , en verkondigden het in de stad en in de dorpen. 35 Toen gingen zij uit, om te zien wat er geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch, van wien de booze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand; en zij verschrikten. 36 En die het gezien hadden verkondigden het hun hoe de bezetene gezond was geworden. 37 En de geheele menigte van de omliggende landen der Gadarenen bad hem dat hij van hen weg zou gaan; want groote vrees had hen bevangen. En hij trad in het schip en keerde weder. 38 En de man, van wien de booze geesten uitgevaren waren, bad hem dat hij bij hem mocht zijn. Maar Jezus liet hem van zich gaan. zeggende: 39 Ga weder naar huis, en zeg wat groote dingen God ii gedaan heelt. En hij ging heen, en verkondigde dooide geheele stad wat groote dingen Jezus hem gedaan had. |
40 En het geschiedde, toen Jezus wederkwam, dat het volk hem ontving; want zij waren hem allen verwachtende. 41 En zie, er kwam een man, genaamd Jaïrus, die een overste der synagoge was en viel aan Jezus' voeten, eu bad hem dat hij in zijn huis wilde komen; 43 want hij had eeneeenige dochter van omtrent twaalf jaren, die lag te zieltogen. En toen hij heenging, drong het volk hem. 43 En eene vrouw had twaalf jaren aan bloedvloeiing geleden; zij had haar gansche vermogen aan de geneesmeesters ten koste gelegd , en kon door niemand genezen worden. 44 Deze kwam van achteren tot hem en raakte den zoom zijns kleeds aan; en terstond hield hare bloedvloeiing op. 45- En Jezus zeide: Wie heeft mij aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die bij hem j waren: Meester, het volk 1 dringt en drukt u, en gij | zegt: Wie heeft mij aange-' raakt? | 46 Maar Jezus zeide: j Iemand heeft mij aange- |
LUKAS 9.
134
|
raakt; want ik gevoel dat er kracht van mij uitgegaan is. 47 Toen de vrouw nu zag dat zij niet verborgen kon blijven, kwam zij bevende, viel voor hem neder, en gaf voor al het volk te kennen om welke reden zij hem had aangeraakt, en hoe zij terstond genezen was. 48 En hij zeide tot haar: Heb goeden moed, mijne dochter, uw geloof heeft u geholpen; ga heen in vrede! 49 Terwijl hij nog sprak, kwam er een van het huisgezin van den overste dei-synagoge , en zeide tot hem: Uwe dochter is gestorven; doe den Meester geen moeite aan. 50 Maar toen Jezus dat hoorde, antwoordde hij hem, zeggende: Vrees niet; geloof slechts, en zij zal gezond worden. 51 En als hij in het huis kwam, liet hij niemand ingaan dan Petrus, Jakobus en Johannes, en den vader en de moeder van het meisje. 53 En zij weenden allen en weeklaagden over haar. Maar hij zeide: Weent niet. Zij is niet gestorven, maar slaapt. 53 En zij belachten hem, wel wetende dat zij gestorven was. |
54 Maar hij dreef ze allen uit, nam haar bij de hand, en riep, zeggende: Meisje, sta op! 55 En haar geest kwam weder, en zij stond dadelijk op; en hij beval dat men haar te eten zou geven. 56 En hare ouders ontzetten zich; en hij gebood hun dat zij niemand zeggen zouden wat er geschied was. HOOFDSTUK 9. 1 En hij riep de twaalve te zamen, en gaf hun kracht en macht over alle booze geesten, en om ziekten te genezen; 3 en hij zond ze uit, ora het rijk Gods te prediken en de kranken gezond te maken, 3 en zeide tot hen: Gij zult niets met u nemen op den weg, noch staf, noch reiszak, noch brood, noch geld; niemand zal ook twee rokken hebben. 4 En waar gij in een huis zult ingaan, biijft daarin, totdat gij van daar trekt. 5 En wie u niet zullen aan nemen, gaat uit die stad, en schudt ook het stof van uwe voeten, tot eene getuigenis tegen hen. 6 En zij gingen uit, en trokken door de vlekken, en predikten het evangelie, en maakten overal gezond. |
LUK AS 9.
135
|
7 En het kwam Herodes, den viervorst, terooro,alvvat door hem geschiedde; en hij was bezorgd, omdat door sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; 8 en door sommigen, dat Elia verschenen was; en door anderen, dat een der oude profeten was opgestaan. 9 En Herodts zeitle: Johannes heb ik onthoofd; wie is dan deze, van wien ik zoo iets hoor? En hij begeerde hem te zien. 10 En de apostelen kwamen weder, en verhaalden hem hoe groote dingen zij gedaan hadden. En hij nam ze tot zich, en ontweek alleen in eene woestijn bij de stad, genaamd Bethsaïda. 11 En toen liet volk dat gewaar werd, trok het hein na, en hij liet ze medegaan, en sprak tot hen van het rijk Gods, en mankte gezond wie het Ijehoet'den. 12 En de dag begon te dalen; toen traden de twaalve tot hem, en zeiden tot hem: Laat het volk van u, opdat zij heengaan in de ondig-gende vlekken en dorpen, en herberging en spijs vinden; want wij zijn hier in eene woestijn. |
13 Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. Zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden eu twee visschen; tenzij dat wij heengaan en. spijs koopen voor al dit volk. li Want er waren bij de vijf duizend mannen. Maar hij zeide tot zijne jongeren; Doet ze nederzitten bij rijen, telkens vijftig en vijftig. 15 En zij deden zoo, en deden ze allen nederzitten. 16 Toen nam hij de vijf brooden en de twee visschen, en zag op naar den hemel en dankte daarover, brak ze, en gaf ze aan de jongeren , oplat zij ze aan het volk voorleiden. 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen hetgeen hun van de brokken overgebleven was, twaalf korven. 18 En het geschiedde, toen hij alleen was eu bad, en zijne jongeren bij hem waren, dat hij hun vraagde, zeggende: Wie zeggen de lieden dat ik ben? L9 Zij antwoordden en zeiden : Zij zeggen: Johannes de Dooper; en anderen: Elia; en nog anderen: Een der oude profeten is opgestaan. 20 En hij zeide tot hen: Maar wie zegt gij dat ik ben? Toen antwoordde Petrus en zeide: Gij zijt do Christus Gods! |
LUKAS 9.
ISO
|
21 En hij beval li mi strenge-lijk dat zij dit niemand zeggen zouden, 23 en zeide: Des Menschen Zoon moet veel Jijden, en verworpen worden door de oudsten en hoogepriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage weder opstaan. 23 Toen zeide iiij tot hen allen: Wie achter mij gaan wil, verloochene zich zei ven, en neme zijn kruis dagelijks op en volge mij. 2i Want wie zijn leven behouden wil, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, zal het behoud en. 25 En wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint, en zich zei ven verliest of zich zeiven schade doet? 26 Want wie zich mijns en mijner woorden schaamt, dien zal des Menschen Zoon zich ook schamen, als hij komen zal in zijne heerlijkheid en in die des Vaders en der heilige Engelen. 27 En ik zeg u in waarheid , dat er sommigen ziin dergenen die hier staan, die den dood niet smaken zullen , totdat zij het rijk Gods zien. |
28 En het geschiedde omtrent achtdagen nadat hij dil gezegd had, dat hij met zich nam Petrus, Johannes en (Jakobus, en op een berg ging om te bidden. 29 En toen hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts veranderd, en zijn kleed werd wit en blinkend. 30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en El ia. 31 Die verschenen in heerlijkheid , en spraken van den uitgang, dien hij zou vervullen te Jeruzalem. 32 Doch Tetrus, en die bij hem waren, waren vol slaap; en toen zij ontwaakten , zagen zij zijne heerlijkheid, en de twee mannen bij hem staande. 33 En het geschiedde, toen die van hem weken, dat Petrus tot Jezus zeide: Meester, hier is het goed zijn, laat ons drie hutten maken, voor u eene, voor Mozes eene, en voor Ella eene; en hij wist niet wat hij zeide. 3-li En toen hij dit zeide, kwam er eene wolk en overschaduwde hen; en zij verschrikten, toen de wolk over hen heentrok. 35 En er geschiedde eene stem uit de wolk', zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon; dien zult gij hooren. 36 En terwijl die stem geschiedde, vonden zij Jezus |
LU KAS 9.
137
|
alleeu. Eu zij verzwegen het, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden. 37 En het geschiedde des daags daarna, toen zij van den berg kwamen, dat veel volk hen te gemoet kwam. 38 En zie, een man ouder het volk riep, en zcide: Meester, ik bid u, zie toch mijnen zoon aan; want hij is mijn eenige zoon. 39 Zie, een geest grijpt hem aan, en plotseling schreeuwt hij, en hij sleurt hem heen en weder, zoodat hij schuimt, en ternauwernood wijkt hij van hem, wanneer hij hem mishandeld heeft. 40 Eu ik heb uwe jongeren gebeden dat zij hem zouden uitdrijven, maar zij konden niet. -11 Toen antwoordde Jezus en zeide: O gij ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik bij u zijn en u verdragen? Breng uwen zoon hier. -13 En toen hij tot hem kwam, scheurde de booze geest hem en trok hem heen en weder; maar Jezus bedreigde den onreinen geest, en maakte den jongen gezond, en gaf hem zijnen vader weder. |
43 £u zij ontzetten zich allen over de heerlijkheid Gods. Eu toen zij zich allen verwonderden over al wat hij deed, zeide hij lot zijne jongeren: 44 Legt gij deze woorden weg in uwe ooren! Want des Menschen Zoon zal o vergeleverd worden in de handen der menschen. 45 Maar dat woord verstonden zij niet, en het was voor hen verborgen, zoodat zij het niet begrepen ; en zij vreesden hem wegens dat woord te vragen. 46 En er kwam eene gedachte ouder hen op, wie van hen de grootste ware. 47 Maar toen Jezus de gedachte hunner harten zag, nam Lij een kind en stelde het naast zich, 48 en zeide tot. hen: Wie dit kind aanneemt in mijnen naam, neemt mij aan; en wie mij aanneemt, neemt dengene aan, die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 Toen antwoordde Johannes en zeide: Meester, wij zagen iemand die in uwen naam de booze geesten uitdreef, en wij verboden het hem, want hij volgt u niet met ons. 5U En Jezus zeide tot hem : Verbiedt het niet; want wie |
LVKAS 9.
lo6
|
31 En hij beval li im strenge-lijk dat zij dit niemand zeggen zouden, 33 en zeide: Des Menschen Zoon moet veel Jijden, en verworpen worden door de oudsten en hoogepriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage weder opstaan. 33 Toen zeide iiij tot hen allen: Wie achter mij gaan wil, verloochene zich zei ven, en neme zijn kruis dagelijks oj) en volge mij. 31 Want wie zijn leven behouden wil, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, zal het behouden. 35 £n wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint, en zich ze!ven verliest of zich zeiven schade doet? 36 Want wie zich mijns en mijner woorden schaamt, dien zal des Menschen Zoon zich ook schamen, als hij komen zal in zijne heerlijkheid en in die des Vaders en der heilige Engelen. 37 En ik zeg u in waarheid , dat er sommigen zijn dergenen die hier staan, die den dood niet smaken zullen , totdat zij het rijk Gods zien. |
38 En het geschiedde omtrent achtdagen nadathij dil gezegd had, dat hij met zich nam Petrus, Johannes en Jakobus, en op een berg ging om te bidden. 39 En toen hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts veranderd, en zijn kleed werd wit en blinkend. 30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en El ia. 31 Die verschenen in heerlijkheid , en spraken van den uitgang, dien hij zou vervullen te Jeruzalem. 33 Doch Petrus, en die bij hem waren, waren vol slaap; en toen zij ontwaakten, zagen zij zijne heerlijkheid , en de twee mannen bij hem staande. 33 En het geschiedde, toen die van hem weken, dat Petrus tot Jezus zeide: Meester, hier is het goed zijn, laat ons drie hutten maken, voor u eene, voor Mozes eene, en voor Elia eene; en hij wist niet wat hij zeide. 31 En toen hij dit zeide, kwam er eene wolk en overschaduwde hen; en zij verschrikten, toen de wolk over hen heentrok. 35 En er geschiedde eene stem uit de wolk', zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon; dien zult gij hooren. 36 En terwijl die stem geschiedde, vonden zij Jezus |
LUKAS 9.
137
|
alleeu. En zij verzwegen het, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden. 37 En het geschiedde des daags daarna, toen zij van den berg kwamen, dat veel volk hen te gemoet kwam. 38 En zie, een man onder het volk riep, en zeide: Meester, ik bid u, zie toeh mijnen zoon aan; want hij is mijn eenige zoon. 39 Zie, een geest grijpt hem aan, en plotseling schreeuwt hij, en hij sleurt hem heen en weder, zooda l hij schuimt, en ter nauwer-uood wijkt hij van hem, wanneer hij hem mishandeld heeft. 40 En ik heb uwe jongeren gebeden dat zij hem zouden uitdrijven, maarzij konden niet. 41 Toen antwoordde Jezus eu zeide: ü gij ongeloovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik bij u zijn en u verdragen ? Breng uwen zoon hier. 43 En toen hij tot hem kwam, scheurde de booze geest hem en trok hem heen en weder; maar Jezus bedreigde den onreinen geest, en maakte den jongen gezond, en gaf hem zijnen vader weder. |
43 En zij ontzetten zich allen over de heerlijkheid Gods. Eu toen zij zich allen verwonderden over al wat hij deed , zeide hij tot zijne jongeren: 44 Legt gij deze woorden weg in uwe ooren! Want des Menschen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der menschen. 45 Maar dat woord verstonden zij niet, en het was voor hen verborgen, zoodat zij het niet begrepen; en zij vreesden hem wegens dat woord te vragen. 46 En er kwam eene gedachte onder hen op, wie van hen de grootste ware. 47 Maar toen Jezus de gedachte hunner harten zag, nam hij een kind en stelde het naast zich, 48 en zeide tot hen: Wie dit kind aanneemt in mijnen naam, neemt mij aan; en wie mij aanneemt, neemt dengene aan, die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 Toen antwoordde Johannes en zeide: Meester, wij zagen iemand die in uwen naam de booze geesten uil-dreef, en wij verboden het hem, want hij volgt u niet met ons. 5U lil Jezus zeide tot hem: Verbiedt het niet; want wie |
LUKAS 10.
133
|
niet tegen ons is, is voor ons. 51 En het geschiedde, toen de tijd vervuld was dat hij van hier genomen zou worden, dat hij zijn aangezicht keerde, om naar Jeruzalem te reizen. 52 En hij zond boden voor zich uit; d ie gingen en kwamen in een vlek der Samaritanen, om herberg voor hem te bestellen. 53 En zij namen hem niet aan, omdat hij zijn aangezicht gekeerd had, om naar Jeruzalem te reizen. 54 Toen nu zijne jongeren Jakobus en Johannes dat zagen , zeiden zij: Heer, wilt gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel valle en deze verslinde, gelijk ook El fa gedaan heeft? 55 Maar Jezus keerde zich om en bestrafte hen, en zeide: Weet gij niet, wat Geestes \kindereiï\ gij zijt? 56 Des Menschen Zoon is niet gekomen om de zielen der menschen te verderven , maar om te behouden. — En zij gingen naar een ander vlek. 57 En het geschiedde, toen zij op den weg waren, dat iemand tot hem zeide: Ik zal u volgen, waar gij ook heengaat. |
58 En Jezus zeide tot hem: ])e vossen hebben holen, en de vogelen des hemels hebben nesten; maar des Menschen Zoon heeft niet waar hij zijn hoofd kan nederleggen. 59 En hij zeide tot een ander: Volg mij. Doch die zeide: Heer, vergun mij dat ik eerst heenga om mijnen vader te begraven. 60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat Je dooden hunne dooden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het rijk Giods. 61 En een ander zeide: Heer, ik zal u volgen; maar vergun mij eerst afscheid te nemen van degenen, die in mijn huis zijn. 62 Doch Jezus zeide tot hem: Wie zijne hand aan den ploeg slaat, en terug ziet, is niet geschikt tot het riik Gods. HOOFDSTUK 10. 1 Daarna zonderde de Heer nog zeventig anderen af, en zond ze twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen, waar hij komen zou. 2 En hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige: bidt den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitzende. 3 Gaut heen; zie, ik zend u als lammeren in het midden der wolven, |
LUKAS 10.
139
|
4 Drafigt geen beurs, noch reiszak, noch schoenen, en groet niemand op den weg. 5 Waar gij in een huis komt, zegt daar eerst: Vrede zij dezen huize! 6 En indien aldaar een kind des vredes zijn zal, zoo zal uw vrede op hem rusten, maar indien niet, zoo zal uw vrede weder tot u keeren. 7 £n blijft in dat buis, en eet en drinkt wat zij hebben; want een arbeider is zijn loon waardig. Gij zult niet van het eene huis in het andere gaan. 8 En waar gij in eene stad komt en zij u aannemen, eet daar wat u voorgezet wordt, 9 en geneest de kranken die aldaar zijn, en zegt tot hen: Het rijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar als gij in eene stad komt, waar zij u niet aannemen, gaat daar uit op hare straten en zegt: 11 Ook het stof, dat aan ons kleeft van uwe stad, slaan wij af op u; nochtans zult gij weten, dat het rijk Gods nabij u geweest is. 13 Ik zeg u: Het zalSodom dragelijker zijn te dien dage dan die stad. |
13 Wee u Cliorazin, wee u Bethsaïda! Want indien te Tyrus en Sidon die daden geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden voorlang in zak en asch gezeten en boete gedaan hebben. 14 Doch het zal Tyrus en Sidon dragelijker zijn in het oordeel dan ulieden. 15 En gij, Kapérnaihn! dat tot den hemel toe verheven zijt, gij zult tot in de hel nedergestooten worden. 16 Wie u hoort, hoort mij; en wie u veracht, veracht mij; en wie mij veracht, veracht hem die mij gezonden heeft. 17 En de zeventig kwamen met vreugde weder, zeggende: Heer, zelfs de booze geesten zijn ons onderdanig in uwen naam. 18 En hij zeide tot hen: Ik zag den satan als een bliksem van den hemel vallen. 19 Zie, ik heb u de macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle geweld des vijands; 'en niets zal n beschadigen. 20 Doch verblijdt u daarover niet, dat de geesten u onderdanig zijn; maar verblijdt u dat uwe namen in den hemel aangeschreven zijn. 21 [n die ure verheugde zich Jezus in den geest, en |
|
1-iü LUKi zeiile: Ik prijs u Vader, Heer des hemels eu der aarde, dat gij dit den wijzen eu verstandigeu verborgen hebt, en het den omnon-digen hebt geopenbaard. Ja Vader, alzoo was het welbe-hagelijk voor u. 33 Mij is alles overgegeven door mijnen Vader; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, nocli wie de Vader is dan de Zoon, en wien de Zoon het wil openbaren. 23 En hij keerde zich tot zijne jongeren, en zeide tot heu afzonderlijk: Zalig zijn de oogen, die zien hetgeen gij ziet. 34 Want ik zeg u: Vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord. 35 En zie, toen stond een zeker wetgeleerde op om hem te verzoeken, en zeide: Meester, wat moet ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? 26 En hij zeide tot hem: Hoe staat er in de wet geschreven? Hoe leest gij? 27 En hij antwoordde en zeide: //Gij zult God, uwen Heer, liefhebben met uw ganache hart, met uwe gan- |
.S 10. sche ziel, uit alle krachten en met geheel uw versland, en uwen naaste als uzelven.// 38 En hij zeide tot hem; Gij hebt recht geantwoord; doe dat en gij zult leven. 29 Maar hij wilde zich' zelveu rechtvaardigen, en zeide tot Jezus: Wie is dan mijn naaste? SO En Jezus antwoordde en zeide: Een zeker mensch ging af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars; deze kleedden hem uit, sloegen hem, en gingen weg, en lieten hem halfdood liggen. 31 En het geschiedde bij geval, dat een zeker priester denzelfden weg aftrok; en toen hij hem zag, ging hij tegenover hem voorbij. 32 Desgelijks ook, toen een Leviet bij die plaats kwam en hem zag, ging hij tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan reisde, en kwam daarheen; en toen hij hem zag, werd hij innerlijk bewogen, 3't en hij ging tot hem, verbond zijue wonden, en goot er olie en wijn in ; en hij leide hem op zijn eigen lastdier, en voerde hem in de herberg, en droeg zorg voor hem. 35 Des anderen daags reisde hij weg, en haalde |
LTJKAS 11.
141
|
twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hein; en zoo gij wat meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u betalen, als ik wederkom. 36 Wie dunkt u dat van deze drie de naaste geweest is desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? 37 Hij zeide: Die harm-hartigbeid aati hem gedaan heeft. Toen zeide Jezus tot hem: Zoo ga heen en doe desgelijks! 38 En het geschiedde, toen zij reisden, dat hij in een vlek ging; daar was eene vrouw, genaamd Martha, die hem in haar huis ontvinquot;'. 39 En zij had eene zuster, genaamd Maria; die zat aan de voeten van Jezus en hoorde zijn woord. 40 Doch Martha gaf zich veel te doen om hem te dienen, en zij trad toe en zeide: Heer, vraagt gij er niet naar, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar toch dat zij het ook aanvatte. 41 Maar Jezus antwoordde en zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en verontrustuoverveledingen; 42 maar één ding is noo-dig. Maria heeft het goede deel verkoren, dat niet van haar genomen zal worden. |
HOOFDSTUK 11. 1 En het geschiedde dat hij op eene plaats was en bad; en toen hij opgehouden had, zeide een zijner jongeren tot hem: Heer, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijne jongeren geleerd heeft. 2 En hij zeide tot hen: Als gij bidt, zoo zegt: Onze Vader in den hemel! Uw naam worde geheiligd! Uw rijk kome! Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel! 3 Geef ons altijd ons dage-lijksch brood! 4 En vergeef ons onze zonden ; want ook wij vergeven allen die ons schuldig zijn. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den kwade! 5 En hij zeide tot hen: Wie is er onder u die een vriend heeft, en te middernacht tot hein ging, en tot hem zeide: Vriend, leen mij drie brooden, G want mijn vriend is tot mij gekomen van de reis, en ik heb niets om hem voor te zetten; 7 en hij, die binnen is, zou antwoorden en zeggen: Maak mij geen onrust; de deur is alreeds toegesloten, en mijne kinderen |
LUKAS 11.
143
|
zijn met mij te bed; ik kan niet opstaan om u te geven, —■ 8 ik zeg u: hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, zoo zal hij echter opstaan om zijn onbeschoamd aanhouden, en hem geven zooveel als hij behoeft. 9 En ik zeg u ook: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt , en gij zult vinden; klopt aan, en u zal opengedaan worden. 10 Want wie bidt, ontvangt ; en wie zoekt, vindt; en wie aanklopt, dien zal opengedaan worden. 11 Waar bidt onder u een zoon zijn vader om brood, die hem daarvoor een steen zou geven? en indien hij bidt om een visch, dien hem voor den visch een slang zou geven ? 12 of zoo hij bidt om een ei, die hem daarvoor een schorpioen zou geven? 13 Indien dan gij, die boos zijt, uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de Vader in den hemel den Heiligen Geest geven degenen, die hem bidden! 14 En hij dreef een boozen geest uit die stom was. En het geschiedde, toen de booze geest uitvoer, dat de stomme sprak; en het volk verwonderde zich. |
15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij drijft de booze geesten uit door Beëlzebub , den overste der booze geesten. 16 En anderen, om hem te verzoeken, liegeerden van liemeenteeken uitdenhemel. 17 Maar hij merkte hunne gedachten, en zei de tot hen : Ieder rijk dat met zich zelf oneens is, wordt verwoest, en het eene huis valt op het andere. 18 Indien dan ook de satan met zich zei ven oneens is, hoe zal zijn rijk bestaan? dewijl gij zegt dat ik de booze geesten uitdrijf door Beëlzebub. 19 En indien ik de booze geesten door Beëlzebub uitdrijf , door wien drijven uwe zonen ze uit? Daarom zullen zij zelve uwe rechters zijn. 20 Maar is het dat ik door den vinger Gods de booze geesten uitdrijf, zooisimmers het rijk Gods tot ugekomen. 21 Wanneer een sterk gewapende zijn paleis bewaart, zoo blijft het zijne in vrede; 22 maar als er een komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, zoo ontneemt hij hem zijne wapenrusting, waarop hij zich verliet, en deelt den roof uit. |
LTIKAS 11.
143
|
23 Wie niet met mij is, is tegen mij; en wie niet met mij vergadert, verstrooit. 34 Wanneer tie onreine geest van den mensch uitvaart, zoo doorwandelt hij -dorre plaatsen, zoekt rust en vindt ze niet. Dan zegt liij: Ik zal wederkeeren in mijn huis, waaruit ik gegaan ben; 25 en als liij komt, zoo vindt bij bet met bezems gekeerd en versierd. 26 Dan gaat bij been en neemt zeven andere geesten met zich, die erger zijn dan hij zelf; en als zij daar inkomen , wonen zij aldaar; en het wordt daarna met dien mensch erger dan te voren. 37 En het geschiedde, als hij dit sprak, dat eene vrouw onder net volk hare stem verhief, en tot bera zeide: Zalig de schoot die u gedragen beet'l, en de borsten die gij gezogen hebt. 38 Maar hij zeide: Ja, zalig zijn degenen die Gods woord booren en bewaren! 39 En als het volk dicht bijeendrong, begon bij te zeggen: Dit is een boos geslacht; liet begeert een tee-ken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan alleen het teeken van den profeet Jona. |
30 Want gelijk Jona den Ninevieten een teeken w;is, alzoo zal ook des Menschen Zoon zijn voor dit geslacht . 31 De koningin van het Zuiden zal optreden in bet oordeel met de lieden van dit geslacht, en zal ze ver-oordeelen; want zij kwam van het einde der wereld, om Salomo's wijsheid te hooren; -— en zie, bier is meer dan Salomo. 32 De lieden van Ninevé zullen optreden in bet oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordeelen; want /.ij deden boete op de prediking van Jona; — en zie, hier is meer dan Jona. 33 Niemand ontsteekt een lamp, en zet baar in eene bedekte plaats, ook niet onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat wie binnenkomt het licht moge zien. 34 Het oog is do lamp des lichaams: indien mi uw oog gezond is, zoo is uw geheele lichaam licht; maar indien uw oog k rank is, zoo is ook uw geheele lichaam duister. 35 Daarom, zie toe, dat het licht in u geen duisternis zij. 36 Indien dan uw lichaam geheel licht is, en niet eenig deel heeft, dat duister is, |
LUK AS 11.
144
|
zoo zal liet geheel licht zijn, gelijk wanneer de lamp u met haar schijnsel verlicht. 37 Terwijl hij dit sprak, noodigde een Farizeër hem bij zich ter maaltijd; en hij ging binne'.i, en zette zich aan tafel. 38 Toen de Farizeër dit zag, verwonderde hij zich, dat hij zicli vóór het eten niet gewasschen had. 39 Maar de Heer zeide tot hem: Gij, Farizeën, reinigt het buitenste vati den beker en den schotel, maar uw binnenste is vol roof en boosheid. 40 Gij dwazen, heeft hij die het buitenste gemaakt heeft, ook het binnenste niet gemaakt? 41 Doch geeft als aalmoes, wat er in is en zie, alles is u rein. 43 Maar wee u, Farizeën! want gij vertiendt de munte en de ruit en allerlei moeskruid , eu gaat het oordeel en de liefde Gods voorbij. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. 43 Wee u, Farizeën! dewijl gij gaarne vooraan zit in de synagogen, en gegroet wilt zijn op de markt. 44 Wee u, schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars! omdat gij zijt gelijk de bedekte graven, waarover de menschen gaan en het niet weten. |
45 Toen antwoordde een der wetgeleerden en zeide tot hem: Meester, met die woorden smaadt gij ook ons. 46 Doch hij zeide; Wee ook u wetgeleerden! wnnt gij belaadt de menschen met ondraagbare lasten, en raakt ze zelve niet met een uwer vingers aan. 47 Wee u! want gij bouwt de graven fier profeten, en uwe vaderen hebben ze gedood. 48 Zoo betuigt gij dan dat gij bewilligt in de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven. 49 Daarom zegt ook de wijsheid Gods: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en sommigen van deze zullen zij dood en, en anderen vervolgen; 50 opdat van dit geslacht geëischt worde het bloed van alle profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af, 51 van hot bloed van Abel tot op het bloed van Zacba-ria, die omkwam tusschen het altaar en den tempel. Ja, ik zeg u: Het zal ge-eischt worden van dit geslacht. 52 Wee u, wetgeleerden! |
LUK AS 12.
115
|
t niet want s;ij liel)t dnn sLaitel de.r kennis weggenomen; gfij e een komt er niet in, en weert zeide degenen die ingaan willen. 3t die 5S En toen hij dit tot hen k ons. zeide, begonnen de schrit't-Wee . geleerden en Parizeen sterk wflnt op hem aan te dringen, en a met hem over vele dingen uit raakt te vragen; uwer Si en zij loerden op hem, en zochten of zij iets opvan-lOuwt gen konden uit zijnen mond , n, en opdat zij eene beschuldiging e ge- tegen hem mochten hebben. . . HOOFDSTUK 12. ii dat irken 1 Het volk liep foe, en heh- er kwamen eenige duizenden ouwt bijeen, zoodat zij elkander vertraden. Toen begon hij k de te zeggen tot zijnojongeren: pro- Wacht u allereerst voor het hen zuurdeeg der Farizeën, het-van welk is de geveinsdheid. , en 2 Want er is niets verborgen dat niet openbaar lacht zal worden , noch geheim )loed dat men niet weten zal. ver- 3 Daarom, helgeen gij in lieg- de duisternis zegt zal men in het licht liooren; en het-A.bet geen gij spreekt in liet oor clia- in de binnenkamers zal men jhen ' prediken op de daken. rpel. 4 Maar ik zeg u, mijnen ge- vrienden: Vreest niet voor ge- degenen die liet lichaam dooden en daarna niets meer len! kunnen doen. |
5 Doch ik zal u toonen voor wisn gij vreezen moet: quot;Vreest voor hem, die, nadat hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen. Ja, ik zeg u: Vreest voor dien ! G Verkoopt men niet vijf mussclien voor twee penningen? Nochtans is voor God niet een van die vergeten . 7 Ook zijn de haren uvvs hoofds alle geteld. Daarom vreest niet, want gij zijt meer dan vele musschen. 8 En ik zeg u: Een ieder, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ook des Menschen Zoon belijden voor lt;le Engelen Gods; i) maar wie mij verloochenen /,al voor de menschen, zal verloochen! worden voor de Engelen Gods. 10 En wie eenig woord spreken zal tegen des Menschen Zoon, dien zal het. vergeven worden; maar wie il en Heiligen Geest zal gelasterd hebben, dien zal lief-niet vergeven worden. 11 En wanneer zij u leiden zullen in hunne synagogen en voor de overheid en voor de machtigen, zoo weest niet bezorgd, hoe of wat gij antwoorden of wat gij zeggen zidt; 12 want de Heilige Geest |
10
LUK AS 13.
14fi
|
zal u in die ure loeren wat gij zeggen moet. 13 En een uit het volk zeide tot hem: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele. 14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een rechter of eriileeler over u gesteld? 15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u voor de hebzucht; want niemand leeft daarvan, dat hij vele goederen heeft. 16 En hij zeide tot hen eene gelijkenis, en sprak: Er was een rijk mensch; diens veld had wel gedragen ; 17 en hij dacht bij zich zei ven, zeggende: Wat zal ik doen? Ik heb niet, waar ik mijne vruchten vergaderen kan. 18 En hij zeide: Ik zal dit doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en zal daarin vergaderen al wat mij gewassen is, en mijne goederen, 19 en zal tot mijne ziel zeggen: Ziel, gij hebt een grooten voorraad voor vele jaren: heb nu rust, eet, drink, en wees goedsmoeds. 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u eischen, en wiens zal het zijn hetgeen gij bereid hebt? |
21 Zóó gaat het dengeen die zich schatten vergadert, en uiet rijk is in God. 22 En hij zeide tot zijne jongeren: Daarom zeg ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, ook niet voor uw lichaam, wat gij aantrekken zult. 23 Het leven is meer dan de spijs, en het lichaam meer dan de kleeding. 24 Let op de raven: zij zaaien niet, zij maaien niet, zij hebben ook geen voorraadkamer noch schuur, en God voedt ze nochtans: hoeveel meer zijt gij dan de vogelen! 35 Wie toch van u kan door te zorgen ééne el aan zijne lengte toevoegen? 36 Indien gij dan het minste niet vermoogt, wat zijt gij voor het andere bezorgd ? 27 Aanschouwt de leliën op het veld, hoe zij groeien: zij arbeiden niet, ouk spinnen zij niet; en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed is geweest als een van deze. 38 Indien dan God het gras, dat heden op het veld staat en morgen in den oven geworpen wordt, al zóó kleedt, hoeveel te meer zal hij u kleeden, gij kleinge-loovigen 1 |
LUKAS 12.
147
|
I 29 Daarom ook gij, vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig: 30 naar dit alles tracliten de heidenen in de wereld; ■doeli uw Vader weet dat gij dit belioeft. 31 Maar traclit naar liet rijk Gods, zoo zal u dit alles toegevoegd worden. 32 Vrees niet, gij kleine kudde, want het is uws Vaders welbehaaren u het rijk te geven. 33 Verkoopt wat gij hebt, en geeft aalmoezen. Maakt u beurzen die niet verouderen, een schat die nimmer ; afneemt in den hemel, waar geen dief bijkomt en dien geen motten eten. 34 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 35 Laat uwe lendenen omgord zijn, en uwe lichten branden; 36 en zijt gelijk aan men-schen, die op hunnen heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, wanneer hij komt en aanklopt, zij hem terstond opendoen. 37 Zalig zijn die dienstknechten, die de heer, als hij komt, wakende vindt. Voorwaar ik zegu: Hij zal zich gorden, en zal hen doen aanzitten, en tot hen gaan en hen dienen. |
38 En is het dat hij komt in de tweede nachtwaak, en in de derde nachtwaak, en het alzoo zal vinden, zalig zijn deze dienstknechten. 39 Maar dit zult gij weten, dat, indien een huisheer geweten had in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en niet in zijn huis hebben laten inbreken. 40 Daarom, weest ook gij bereid; want des Menschen Zoon zal komen in de ure, waarin gij het niet denkt. 41 Toen zeide Petrus tot hem: Heer, zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? 42 En de Heer zeide: Wie is dan de getrouwe en verstandige huishouder, dien zijn heer over zijn huisgezin zal stellen, opdat hij hun ter rechter tijd geve hetgeen hun toekomt? 43 Zalig is die dienstknecht, dien zijn heer, als hij komt, alzóo doende vindt. 44 Voorwaar ik zeg u: Hij zal hem over al zijne goederen stellen. 45 Maar indien die dienstknecht in zijn hart zeggen zal: Mijn heer vertoeft te komen, en beginnen zal de knechten en dienstmaagden |
LUK AS 12.
148
|
(e slaan, nolc te etpn en te drinken en dronken te worden, 4G zoo zal de lieer van dezen dienstknecht komen ten dage op welken lii] liet niet vermoedt, en ter ure die hij niet weet, en zal hem in stukken houwen, en zal hem zijn loon geven met de ontrouwen. 47 Eu de dienstknecht, die den wil zijns heeren heeft geweten, en zich niet bereid, ook niet naar zijnen wil gedaan heeft, zal vele slagen moeten lijden; 48 maar die hem niet geweten , en gedaan heeft hetgeen slagen waardig is, zal weinig slagen lijden. Want wien veel gegeven is, bij dien zal men veel zoeken; en wien veel toevertrouwd is, van dien zal men te meer eischen. 49 Ik ben gekomen om een vuur te ontsteken op de aarde; wat wilde ik liever dan dat het alreeds brandde. 50 Maar ik moet met een floop gedoopt worden; en hoe l)anlt;i; ben ik, totdat hij volbracht zij! 51 Meent gij dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde? Ik zeg u: Neen, maar tweedracht. |
52 Want van nu af zullen er vijf in één huis oneens zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie; 53 de vader zal zijn tegen den zoon, en de zoou tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen de schoondochter , en de schoondochter tegen de schoonmoeder. 54 En hij zeide tot het volk: Wanneer gij eene wolk ziet opgaan van het Westen, zegt gij terstond: Er komt re2:en; en het geschiedt alzoo. 55 En wanneer gij den Zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Het. zal heet worden; en het geschiedt alzoo. 56 Gij huichelaars, de gedaante der aarde eu des hemels weet gij te ouderscheiden, en Ine onderscheidt gij dan dezen tijd niet? 57 Eu waarom oordeelt gij ook niet uit u zelve wat recht is? ! 58 Als gij nu met uwe wederpartij voor de overheid gaat, zoo benaarstig u op den weg, dat gij van hem bevrijd wordt, opdat hij u niet misschien voor den rechter 1 rekke, en de rechter u den gerechtsdienaar over-levere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. i 59 Ik zeg u: Gij zult daar niet uitkomen, totdat gij |
LUKAS 13.
149
|
den laatsten penning betaald zult hebben. HOOFDSTUK 13. 1 En er waren te dier tijd eenigen tegenwoordig, (He hem berichtten van de {mlileërs, wier bloed Filatus met hunne oilers gemengd had. 2 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Meent gij dat deze Galileërs boven alle Galileërs zondaars geweest zijn, omdat zij dit geleden hebben? o Ik zeg u: Neen; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen ook alzoo omkomen. ■1( Ot' meent gij, dat die achttien, op welke de toren te Siloah viel en ze doodde. schuldig zijn geweest boven alle mensclien die te Jeruzalem wonen? 5 Ik zeg u: Neen; maar indien gij n niet bekeert, zoo zult gij allen ook alzoo omkomen. 6 Kn hij zeide deze gelijkenis: Er was een zeker mensch, die een vijgeboom geplant had in zijnen wijngaard ; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. |
7 Toen zeide hij tot den wijngaardenier: Zie, ik ben UU driejaren lang gekomen, en heb vrucht gezocht op dezen vijgeboom, eu vind ze niet; houw hem uit. Waarom is hij tot hinder op het land? 8 Maar hij antwoordde en zeide tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar, totdat ik om hem heen gegraven en niest gelegd zal hebben, 9 ot hij nog vrucht wil dragen; zoo niet, houw hem daarna uit. 1U Eu hij leerde in eene der synagogen op den sabbat. 11 Eu zie, er was eene vrouw, die een geest dei-krankheid had gehad achttien jaren lang; en zij was krom, en kon zich in het geheel niet oprichten. 12 Eu toen Jezus haar zag, riep hij haar tot zich, en zeide tot haar: Vrouw, wees verlost van uwe krankheid. 13 En hij lelde de handen op hilar; en terstond richtte zij zich op, en prees God. 14 Toen antwoordde de overste der synagoge, misnoegd zijnde, dat Jezus op den sabbat genas, en zeide tot het volk; Er zijn zes dagen, op welke meu arbeiden moet; komt op dew) en laat u genezen, en niet op den sabbatdag. 15 En de Heer antwoordde hem en zeide; Gij huichelaar, ontbindt niet ieder |
LUKAS 13.
150
|
van ii op den sabbat zijnen os of' ezel van de krib, en leidt hem heen, om hem te doen drinken? 16 Zou deze dan, die toch Abrahams dochter is, welke de satan nu achttien jaren gebonden had, niet ontbonden worden van dezen band op den sabbatdag? 17 En als hij dit zeide, moesten zij allen zich schamen, die tegen hem geweest waren; en al het volk verheugde zich over al de heerlijke daden, die door hem geschiedden. 18 En hij zeide: Waaraan is het rijk Gods gelijk, en waarbij zal ik het vergelijken? 19 Het is gelijk een mostaardkorrel , die een mensch nam en in zijnen hof wierp; en ze wies op en werd een groote boom, en de vogelen (les hemels woonden in zijne lakken. 20 En wederom zeide hij: Waarbij zal ik het rijk Gods vergelijken ? 21 liet is gelijk een zuurdeeg, hetwelk eene vrouw nam en verborg onder drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. |
22 En hij ging door steden en vlekken, en leerde, en nam zijnen weg naar .Te-nizalero, 33 En er zeide een tot hem: Heer, meent gij dat er weinigen zalig worden? En hij zeide tot hen: 24 Worstelt, om door de enge poort in te gaan, want velen, zeg ik u, zullen trachten in te komen, en zullen het niet kunnen. 25 Van dien tijd af, als de huiswaard opgestaan is en de deur toegesloten heeft, zult gij beginnen daarbuiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, heer, doe ons open! En hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet van waar gij zijt. 26 Zoo zult gij dan beginnen te zeggen: Wij hebben voor uwe oogen gegeten en gedronken, en op onze straten hebt gij geleerd. 27 En hij zal zeggen: Ik zeg u: Ik ken u niet van waar gij zijt: wijkt allen van mij, gij kwaaddoeners! 28 Daar zal geween zijn en geknars der tanden, wanneer gij zien zult Abraham en Isaiik en Jakob en alle profeten in het rijk Gods, maar u daar uitgestooten. 29 En er zullen er komen van het Oosten en het Westen , en van het Noorden en het Zuiden , die zullen aanzitten in het rijk Gods. 30 En zie, er zijn laatsten |
LUKiVS 14.
151
|
die de eersten zuljeii zijn; en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn. 31 Op denzelfden dag kwamen sommige Earizeën, en zeiden tot hem: Vertrek en ga van hier, want Herodes wil u dooden. 33 En hij zeide tot hen: Gaat heen en zegt dien vos: Zie, ik drijf booze geesten uit en maak gezond, heden en morgen, en op denderden dag zal ik een einde nemen. 33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen, want het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. Si Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild. 33 Zie, uw huis zal u woest gelaten worden. Want ik zeg u: Gij zult mij niet zien, totdat het komt dat gij zult zeggen: Geloofd zij die komt in den naam des Heeren! HOOFDSTUK 14. 1 En het geschiedde dat hij kwam in het Luis van een overste der Parizeen, op een sabbat, om brood te eten; en zij namen hem waar. |
3 En zie, er was een mensuh vóór hem, die waterzuchtig was. 3 En Jezus antwoordde en zeide tot de wetgelaerdeu en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat te genezen? 4 Maar zij zwegen stil. En hij greep hem aan en genas hem, en liet hem gaan. 5 En hij antwoordde en zeide tot hen: Wie is er onder u, wiens os of ezel in een put valt, en die hem er niet terstond uittrekt op den sabbatdag? 6 En zij konden hem daarop weder geen antwoord geven. 7 En hij zeide eene gelijkenis tot de gasten, toen hij merkte hoe zij verkozen bovenaan te zitten, en zeide tot hen: 8 Wanneer gij door iemand genoodigd wordt ter bruiloft, zoo zet u niet bovenaan; opdat er niet misschien een eerwaardiger dan gij door hém genoodigd zij; 9 en als dan degeen, die u en hem genoodigd heeft, komt, en tot u zegt: Wijk voor dezen, zoo moet gij dan met schaamte beneden-aan zitten. 10 Maar wanneer gij genoodigd wordt, zoo ga heen en zet u benedenaan, opdat, |
LU KAS 14.
153
|
wanneer bij komt, die u genoodigd heeft, liij lot u zegge: Vriend, ga opwaarts. .Dan zult gij eere hebben voor degenen die met u aan tatel zitten. 11 Want wie zieb zeiven verhoogt, zal vernederd worden , en wie zich zei ven vernedert, zal verhoogd worden. 13 En hij zeide tot dengeen die liem genoodigd had; Wanneer gij een middag-ol' avondmaal zult houden, zoo noodig niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe bloedverwanten, noch uwe geburen die rijk zijn, opdat, zij ii niet te eeniger tijd wedernoodigen en het li vergolden worde. 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo noodig armen, kreupelen, lammen, blinden: LI zoo zijt gij zalig; want zij hebben niet om u- te vergelden, maar het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen. 15 Eu toen een van degenen die male aan tafel zaten dit hoorde, zeide hij tot hem : Zalig is hij, die brood eet in het rijk Gods. IC Maar hij zeide tot hem: Er was een raensch die een groot avondmaal bereidde, en velen daartoe noodigde. |
17 En luj zond zijnen dienst- die ge knecht uit ter ure des avond- avond maals, om den genoodigden 35 te zeggen: Komt, want alle met 1 dingen zijn bereid. om, ( 18 En zij begonnen allen, 36 tot den laatste toe;, zich te komt verontschuldigen. De eerste der e zeide tot hem: Ik heb een kinds akker gekocht, en moet uit- ters, gaan en hem bezien; ik bid eigen u, verontschuldig mij. jongt 19 En een ander zeide: 37 Ik heb vijl' paar ossen ge- draai kocht, en ik ga nu heen hij om die te bezien; ik bid u, zijn. verontschuldig mij. 38 heb eene vrouw getrouwd, eu wen daarom kan ik niet komen. en ' huisheer toornig, en zeide als tot zijnen dienstknecht: Ga heel schielijk uit in de straten voei en wijken der stad, en breng hen lammen en blinden hier in. beg zeide: Heer, het is geschied I 33 En de heer zeide tot nie den dienstknecht: Gauitop sku de wegen en paden, en nood- zen zaak hen om in te komen, die opdat mijn huis vol worde. tw 34 Maar ik zeg u, dat 3 niemand van die mannen, ge; |
LUK AS 15.
153
|
die genoodigd zijn, van mijn avondmaal zelfs proeven zal. 23 En er ging veel volk met hem; en hij keerde zich om, en zeide tot hen: 26 Zoo iemand, tot mij komt, en niet haat zijn vader en moederen vrouw eu kinderen en broeders en zusters, ook daarenboven zijn eigen leven, die kan mijn jonger niet zijn; 27 en wie zijn kruis niet draagt eu mij niet volgt, hij kan mijn jonger niet zijn. 38 Want wie is er onder u, die een toren wil bouwen , en niet eerst nederzil en de kosten berekent, ol' hij genoeg lieeft om het uit te voeren? 29 Opdat niet misschien . als hij den grond gelegd heeft, en het niet kan uitvoeren , allen die het zien hem beginnen te bespotten. bü en zeggen: Heze mensch begon te bouwen, en kon het niet voleindigen. 31 Of wat koning wil zich in een strijd begeven tegen een anderen koning, enzil niet eerst neder en beraadslaagt, of bij met tienduizend kun ontmoeten dengeeu, die tegen hem komt mei twintig duizend? 33 Zoo niet, dun zendt hii gezanten heen, als gene nog verre is, en bidt om vrede. |
33 Alzoo ook elk van u, die niet verzaakt al wat hij heeft, hij kan mijn jonger niet zijn. 34! Het zout is een goed ding; maar indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het weder zout maken? 33 liet is noch op het land, noch in den mest nuttig; maar men zal het wegwerpen. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore! HOOFDSTUK 15. 1 Kn er genaakten tot hem allerlei tollenaars en zondaars, om hem te hooren. 3 Eu (Ie Eurizeën eu schriftgeleerden murmureerden, zeggende: l)eze neemt zondaars aan, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Welk mensch is er onder u, die honderd schapen heeft, en als hij écu van deze verliest , niet de negen en negentig in de woestijn laat, en heengaat naar het verlorene, totdat hij het vindt? 5 En als hij het gevonden heeft, zoo legt hij het op zijne schouders met vreugde; 6 en te huis komende, roept hij zijne vrienden en gebaren , (Mi zegt tot hen: Verblijdt u met mij, want ik |
LU KAS 15.
154
|
heb mij ii schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zeg u: Alzoo zal er ook vreugde zijn in den hemel over éénen zondaar die boete doet, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen , die de boete niet behoeven. 8 Of welke vrouw is er, die tien penningen heeft, en als zij één daarvan verliest geen lamp aansteekt, en het huis keert, en naarstig zoekt, totdat zij hem vindt? 9 En als zij hem gevonden heeft, roept zij hare vriendinnen en geburinnen, en zegt: Verblijdt u met mij, want Ik heb mijnen penning gevonden, dien ik verloren had. 10 Alzoo ook, zeg ik u, zal er vreugde zijn voor de Engelen Gods over éénen zondaar die boete doet. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen. 13 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel der goederen dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet lang daarna vergaderde de jongste zoon alles te zamen, en trok naar een ver land; en bijbracht aldaar zijn goed door, losbandig levende. |
14 Toen hij nu al het zijne verteerd had, ontstond er een groote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden, 15 en ging heen en voegde zich bij een der burgers van dat land; die zond hem óp zijnen akker, om de zwijnen te hoeden. 16 En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 Toen kwam hij tot zich zei ven, en zeide: Koevele huurlingen heeft mijn vader, die overvloed van brood hebben, en ik verga hier van honger. 18 Ik zal mij opmaken en tot mijnen vader gaan, en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en beu voortaan niet meer waardig dat ik uw zoon genoemd word; maak mij tot een van uwe huurlingen. 20 En hij maakte zich op en kwam tot zijnen vader. En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader , en werd innerlijk bewogen, liep toe en viel hem om den hals, en kuste hem. 21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen don hemel en |
LUK AS 16.
155
|
voor u; ik beu voortaan niet meer waardig dat ik uw zoon genoemd word. 22 Maar de vader zeide tot zijne knechten: Brengt het beste kleed voor, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan de hand en schoenen aan de voeten, 23 en brengt bet gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vroolijk zijn; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden; hij was verloren en is wedergevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn. 25 Doch de oudste zoon Wils op het veld; en als hij nabij het huis kwam, hoorde hij de muziek en den dans, 26 en riep tot zich een der knechten, en vraagde wat dat was. 27 En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder heeft. 28 Hierover werd hij toornig, en wilde niet ingaan. Toen ging zijn vader uit, en bad hem. 29 Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader; Zie, zoovele jaren dien ik u, en heb uw gebod nog nooit overtreden , en gij hebt mij nooit een bok gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn; |
30 maar nu deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, hebt gij voor hem het gemeste kalf geslacht. 31 Hij nu zeide tot hem: Mijn zoon, gij zijt altijd bij mij, en al wat het mijne is, is het uwe. 32 Maar gij behoordet vroolijk en goedsmoeds te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden ; hij was verloren en is wedergevonden. HOOFDSTUK 16. 1 Eu hij zeide ook tot zijne jongeren: Er was een zeker rijk man, die een huishouder had; en deze werd bij hem beticht, dat hij zijne goederen doorbracht. 2 Eu hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Doe rekening van uwe huishouding; want gij zult voortaan niet meer huishouder zijn. 3 En de huishouder zeide bij zich zeiven; Wat zal ik doen ? Mijn heer neemt het ambt van mij; graven kan ik niet, en te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het ambt afgezet zal zijn, zij |
LUK AS 16.
156
|
mij in luiime huizen opnemen. 3 En hij riep tot zich alle schuldenaars zijns hoeren, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? 6 llij zeide: Honderd Vilten olie. En hij zeide tot hem: Neem uwen brief', zet ii neder, en schrijf schielijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot. een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zeide; Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem : Neem uwen briefquot;, en schrijf tachtig. 8 En de heer prees den onrecht,vaardigen huishouder, omdat hij bedachtzaam gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn bedachtzamer dan de kinderen des lichts in hun geslacht. S) En ik zeg u ook: Maakt u vrienden door den onrecht-vaardigen Mammon, opdat. wanneer gij gebrek hebt, zij u opnemen in de eeuwige hntlen. 10 Wie in het minste getrouw is, is ook in het groote getrouw; en wie in liet minste onrechtvaardig is, is ook in het groote onrechtvaardig. llZoogij nuindenonrecht-vaardigen Mammon niet getrouw zijt, wie zal u liet waarachtige toevertrouwen? |
13 En zoo gij in het vreemde niet getrouw zijt, wie zal u geven wat het uwe is? 13 (ieen huisknecht kan twee heeren dienen; want hij zal óf' tien eenen haten en den anderen liefhebben, of' hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 14 Dit alles hoorden de Farizeëu ook, die geldgierig waren, en zij bespotten hem. 15 En hij zeide tot hen: Gij zijt het, die u zelve rechtvaardigt voor de men-schen, maar God kent uwe harten; want wat hoog is onder de menschen, is een gruwel voor God. 16 De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af' wordt het rijk Gods door het evangelie verkondigd, en ieder dringt met geweld daarin. 17 En het is lichter dat hemelen aarde voorbij gaan, dan dat één tittel der wet wegvalle. 18 Wie zich scheidt van zijne vrouw en eene andere trouwt, doet overs]iel; en wie de gescheidene van den man trouwt, doet ook overspel. 19 En er was een zeker rijk man; die kleedde zich met purper eu kostelijk lijn- |
LUKAS 17.
157
|
eem- waad, eti Wj leefde alle da- , wie lt;ieu heerlijk en in vreugde. re is? 20 En er was een zeker kan nrm man, srenaamd Lazarus; want die lag voor zijne deur, vol laten zweren, •ben, 31 en begeerde zieli te aan- verzadigen van de kruimels i ver- die van de taM des rijken God vielen; en ook de honden on. kwamen en likten zijne n de zweren. ;ierig 22 En het geschiedde dat hem. de arme stierf, en door de hen: Engelen gedragen werd in zelve Abrahams schoot; en de men- rijke stierf ook, en werd uwe begraven. ag is 23 Toen hij nu in bet doo- s een denrijk was, door pijnen gefolterd , hief hij zijne oogen feten op, en zag Abraham van verre, van en Lazarus in zijnen schoot, rijk 24 En hij riep en zeide: gelie Vilder Abraham, ontferm u ringt over mij en zend Lazarus, opdat hij het uiterste zijns • dat vingers in het water stippe, ;aan, en mijne tong verkoele; wet want ik lijd pijn in deze vlam. van 25 Maar Abraham zeide: dere Gedenk, zoon, dat gij uw ; en goed ontvangen hebt in uw den leven, en Lazarus daarente- iver- gen het kwaad; en nu wordt hij getroost, en gij gepijnigd. ;eker 20 En boven dit alles, er zich is tusschen ons en u eene |
lijn- groote kloof gevestigd, zoodat degenen die van hier wilden overgaan tot u, niet zouden kunnen, en ook niet van daar tot ons overkomen. 27 Toen zeide hij: Zoo bid ik u, vader, dat gij hem zendt naar mijns vaders huis; 28 want ik heb vijf broeders; dat hij hun betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 39 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de pro- | futen; dat zij die liooren. j 30 Maar hij zeide: Neen, quot; rader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot hen ging, dan zouden zij boete doen. 31 üoeh hij zeide tot hem: —■ tlooren zij Mozes en de profeten niet, zoo zullen zij ook niet gelooven, al ware het dat iemand van de dooden opstond. _______________ TTOOFDSTÜIC 17. 1 En hij zeide tot zijne jongeren: Het is onmogelijk dat er geen ergernissen komen, maar wee hem, door wien zij komen! 2 liet ware hem nutter dat men eeti molensteen aan zijnen hals hing en hem in de zee wierp, dan dat hij één van deze kleinen ergerde. 3 Hebt acht op u zelve, [udien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hem; |
LUK AS 17.
158
|
en indien hij berouw heeft, vergeef het hem. 4 En ware het dat hij zevenmaal 's daags tegen u zondigde , en zevenmaal 's daags weder tot u kwam er. zeide: Het berouwt mij, koo zult gij het hem vergeven. 5 En de apostelen zeiden tot den Heer: Sterk ons het geloof! 6 En de Heer zeide: Zoo gij een geloof hadt als een mostaardkorrel, en tot dezen moerbeziënboom zoudt zeggen: Trek u uit en verzet u in de zee, zoo zou hij u gehoorzaam zijn. 7 Wie is er onder u die een knecht heeft, welke voor hem ploegt of het vee weidt, die tot hem, als hij van het veld te huis komt, zal zeggen: Ga terstond heen, en zet aan tafel? 8 Is het niet zoo, dat hij tot hem zeggen zal: Maak mijn maaltijd gereed, en gord u en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; daarna zult gij ook eten en drinken. 9 Dankt hij ook dien knecht, omdat hij gedaan heeft wat hem bevolen was? Ik denk, neen. 10 Alzoo ook gij, wanneer gij gedaan hebt al wat u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte knechten, wij hebben slechts gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen. |
11 En het geschiedde, toen hij naar Jeruzalem reisde, dat hij trok midden door Samaria en Galiléa. 13 En als hij in een vlek kwam, ontmoetten hem tien melaatsche mannen; die stonden van verre, 13 en verhieven hunne stem en zeiden: Jezus, Meester, ontferm u over ons! 14 En als hij ze zag, zeide hij tot hen: Gaat heen en toont u aan de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij rein werden. 15 En één van hen, ziende dat hij gezond geworden was, keerde weder, en prees God met eene luide stem, 16 en viel op zijn aangezicht voor zijne voeten, en dankte hem; cn deze was een Samaritaan. 17 En Jezus antwoordde en zeide: Zijn er niet tien rein geworden? Waar zijn dan de negen? 18 Is er niemand gevonden die wederkeert en Gode de eer geeft, dan deze vreemdeling? 19 En hij zeide tot hem: Sta op, ga heen; uw geloof heeft u geholpen. |
Line AS 17.
159
|
! 20 En toen hem gevrnagd werd doordeFarizecn; Wanneer komt het rijk Gods? antwoordde liij liun en zeide: Het rijk Gods komt niet met uiterlijke vertooning; 21 men zal ook niet zeggen : Zie hier of daar is het. Want zie, het rijk Gods is inwendig in u. 32 En hij zeide tot de jongeren: De tijd zal komen, waarin gij zult hegeeren een der dagen van des Menschen Zoon te zien, en zult dien niet zien. 23 En zij zullen tot u zeggen: Zie hier, zie daar! — gaat niet heen, en volgt niet. 24 Want gelijk de bliksem boven van den hemel flikkert , en licht over alles wat onder den hemel is, alzoo zal des Menschen Zoon wezen in zijnen dag. 25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht. 26 En gelijk het geschied is ten tijde van Noach, zoo zal het ook geschieden in de dagen van des Menschen Zoon. 27 Zij aten, zij dronken, zij trouwden, zij werden ten huwelijk gegeven, tot op den dag, toen Noach in de ark ging, en de zendvloed kwam en ze allen verdelgde. |
28 Evenzoo ook gelijk het geschiedde ten tijde van Lot. Zij aten, zij dronken, zij kochten , zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; 29 maar op den dag, toen Lot uit Sodom ging, regende het vuur en zwavel van den hemel, en verdelgde ze allen. 30 Op die wijze zal het ook gaan op den dag, wanneer des Menschen Zoon geopenbaard zal worden. 31 Wie in dien dag op het dak is, en zijn huisraad in huis, kome niet af om het te halen; desgelijks wie op het veld is, keere niet om naar hetgeen achter hem is. 32 Gedenkt aan Lots huisvrouw ! 33 Wie zijn leven zoekt te behouden, zal het verliezen; en wie het verliezen zal, zal het ter. leven behouden. 34 Ik zeg u: In dien nacht zullen er twee op een bed liggen: de een zal aangenomen en de ander verlaten worden. 35 Twee zullen met elkander malen: de eene zal aangenomen en de andere verlaten worden. 36 T wee zullen op het veld zijn: de een zal aangenomen en de ander verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot hem; Heer, waar? |
LUK AS 18.
IC,O
|
En liij zeifin tot lien: Wfuir lier, nas is, daar vergaderen zicli ook de arenden. HOOFDSTUK 18. 1 En liij zei de ook eene gelijkenis tot hen, om te leeren, dat men altijd moet hiddeiien niet moede worden, 2 zeggende; Er was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde en geen nienseh ontzag. 3 En er was eene zekere wednwe in die stad; die kwam tot hem, zeggende: Verschaf mij recht tegenover mijne wederpartij. 4 En hij wilde een tijd lang niet; maar daarna dacht hij bij zich zei ven: Hoewel ik God niet vrees en geen menscli ontzie, 5 nochtans, omdat deze weduwe mij zoo moeielijk valt, zal ik haar recht verschaften, opdat zij ten laatste niet kome en mij kwelle. fi Toen zeiile de Heer: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. 7 En zou dan God ook geen recht doen aan zijne uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedigheid aan hen bewijst? 8 Ik zeg n: Hij zal hun schielijk recht doen. Doch wanneer des Menschen Zoon konijn zal, zal hij ook het geloof vinden op de aarde? J |
'J En hij zeide tot sommigen die zich overtuigd hielden dat zij rechtvaardig waren, en de anderen verachtten , deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen opwaarts in den tempel om te bidden; de een was een farizeër, de ander een tollenaar. 11 De Farizeër stond, en bad bij zich zei ven aldus: ïk dank u, God, dat ik niet ben gelijk de andere men-schen, roovers, onrechtvaar-digen, overspelers, noch ook gelijk dez3 tollenaar; 12 ik vast tweemaal in de week, en geef de tienden vau al wat ik heb. 13 En de tollenaar stond van verre, en wilde zelfs zijne oogen niet ophellen ten hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: God, wees mij zondaar genadig! 14 Ik zeg u: Deze ging af' gerechtvaardigd naar zijn huis meer dan gene; want wie zich zei ven verhoogt, zal vernederd worden, en wie zich zei ven vernedert, zal verhoogd worden. 15 En zij brachten ook jonge kinderen tot hem, opdat hij ze zou aanraken; en toen de jongeren dat zagen, bestraften zij hen. |
LUKAS IS.
161
|
16 Maar Jezus riep ze tot y.ich, en zeide: Laat cle kinderen tot mij komen, en weert ze niet; want derzul-ken is het rijk Gods. 17 Voorwaar, ik zeg u: Wie liet rijk Gods niet ontvangt als een kind, zal er niet inkomen. 18 En een overste vraagde hem, zeggende: Goede Meester , wat moet ik deen, opdat ik liet eeuwige leven beerve? 19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed ? Niemand is goed dan alleen God. 20 Gij weet de geboden wel: «Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden ; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis spreken; gij zult uwen vaderen uwe moeder eeren.// 21 En hij zeide: Dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af. 22 Doch toen Jezus dit hoorde, zeide hij tot hem: Eén ding ontbreekt u nog: verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, zoo zult gij een schat in den hemel hebben; en kom en volg mij. 23 Maar toen hij dit hoorde, werd hij treurig; want hij was zeer rijk. 24 Toen nu Jezus zag dat hij treurig geworden was, zeide hij: Hoe bezwaarlijk zullen de rijken in liet rijk Gods komen! |
25 Het is lichter dat een kameel door een naaldenoog ga, dan dat een rijke in het rijk Gods kome. 26 Toen zeiden zij die dit hoorden: Wie kan dan zalig worden? 27 Doch hij zeide: Wat bij menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God. 28 Toen zeide Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. 29 En hij zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u: Niemand is er, die zijn huis verlaat, of ouders of broeders, of huisvrouw of kinderen, om het rijk Gods, 30 die niet veelvoudig zal wederontvangen in dezen tijd, en in de toekomende wereld het eeuwige leven. 31 En hij nam tot zich de twaalve, en zeide tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem , en het zal alles volbracht worden wat door de profeten geschreven is van des Menschen Zoon. 32 Want hij zal overgeleverd worden aan de heidenen, en hij zal bespot en mishandeld en bespuwd worden, 33 en zij zullen hem gee-selen en dooden; en op den derden dag zal hij op«taan. |
11
Vr^
LUK AS 19.
102
|
34 Maar zij verslonden daar niets van, en die woorden waren hun verborgen, en zij begrepen niet wat er gezegd was. 35 En het geschiedde, toen hij nabij .lericho kwam, dat er een blinde a4an den weg zat en bedelde. 36 Ea toen hij het volk hoorde, dat voorbijging, vraagde hij wat dat was. 37 Toen zeiden zij hem dat Jezus van Nazaret daar voorbijging. 38 En hij riep, zeggende: Jezus, gij zoon Davids, ontferm u over mij! 39 En die vooraan gingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zooveel te meer: Gij zoon Davids, ontferm u over I mij! 40 En Jezus stond stil, en beval dat men den man tot hem zon brengen. En toen hij nabij gebracht was, vraagde hij hem, 41 zeggende: Wat wilt gij dat ik u doen zal? Hij zeide: Heer, dat ik ziende mag worden. 43 En Jezus zeide tot hem: Word ziende! Uw geloof heeft u geholpen. 43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem, en prees God. En al hel volk, dat ziende, loofde God. |
HOOFDSTUK 19. 1 En hij ging in Jericho, en trok er door. 3 Kn zie, er was een man, genaamd Zaeheüs; en deze was een overste der tolle-iiaren, en was rijk; | 3 en hij begeerde Jezus te zien, wie hij was, en kon niet vanwege het volk , : want hij was klein van ; persoon. i 4 En hij liep vooruit en I klom op een wilden vijgeboom, opdat hij hem mocht zien; want aldaar zou hij j voorbijkomen. 1 5 Kn toen Jezus aan die : plaats kwam, zag hij op en werd hem gewaar, en zeide tot hem: Zaeheüs, klim schielijk af, want ik moet heden in uw huis verblijven. 1 6 En hij klom schielijk ' af, en nam hem aan met | vreugde. 7 Toen zij dat zagen , murmureerden zij allen, omdat hij bij een zondaar zijn j intrek ging nemen. | 8 Maar Zaeheüs stond en ; zeide tot den Heer; Zie, Heer, de helft van mijne goederen geef ik den armen ; en indien ik iemand bed ro-gen heb, zoo geef ik het viervoudig weder. 9 En Jezus zeide tot hem : Heden is aan dit huis heil |
LUKAS 19.
163
|
geschied, nadenuuil ook deze Abrahams zoon is. 10 Want des Menschen Zoon is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. 11 Terwijl zij nu toehoorden , voegde hij er nog eene gelijkenis bij, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden dat het rijk Gods terstond zou geopenbaard worden; 13 en hij zeide: Een zeker voornaam man trok naar een ver land, om voor zich een rijk te verkrijgen, en dan weder te komen. 13 Deze riep tien zijner dienstknechten, en gaf hun tien ponden, en zeide tot hen: Drijft handel daarmede , totdat ik wederkom. l-l Maar zijne burgers waren hem vijandig, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet dat deze over ons regeeren zal. 15 En liet geschiedde, toen hij wederkwam, nadat hij het rijk verkregen had, dat hij gebooil die dienstknechten te roepen, aan wie hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat handel elk gedreven had. 16 ïoen trad de eerste voor en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden verworven. |
17 En hij zeide tot hem: Wel u, gij goede dienstknecht. Dewijl gij in het minste zijt getrouw geweest, zoo zult gij macht hebben over tien steden. 18 En de tweede kwam ook en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 Tot dezen zeide hij ook: En gij zult zijn over vijf steden. 30 En de derde kwam en zeide; Heer, zie hier is uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek bewaard heb; 31 want ik vreesde u, omdat gij een straf man zijt: gij neemt hetgeen gij niet nedergelegd hebt, en maait hetgeen gij niet gezaaid hebt. 22 Maar hij zeide tot hem: Uit uwen mond oordeel ik u, gij slechte dienstknecht. Wist gij dat ik een straf man j ben, en neem hetgeen ik niet weggelegd heb, en maai hetgeen ik niet gezaaid heb: 33 waarom hebt gij dan mijn geld niet in de wisselbank gegeven? En als ik gekomen was, had ik het met winst opgecischt. 34 En hij zeide tot degenen die daarbij stonden: Neemt dat pond van hem, en geeft het dengeen die tien ponden heeft. 35 En zij zeiden tot hem: |
LUKAS 19.
164
|
Heer, li ij heeft immers tien ponden. 26 Want ik zeg u: Wie heeft, dien zal gegeven worden; maar wie niet heeft, van dien zal ook genomen worden hetgeen hij lieett. 27 Poch deze mijne vijanden , die niet wilden dat ik over hen heerschen zon, voert ze herwaarts en brengt ze om voor mijn aangezicht. 28 En toen hij dit gezegd had, reisde hij voort, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde, toen hij nabij Bethfagé en Betha-nie gekomen was, aan den Olijfberg, dat hij twee van zijne jongeren uitzond, :-J0 zeggende : Gaat heen in het vlek dat tegenover nis, en als gij daar inkomt, zult gij een veulen aangebonden vinden, waarop nog nooit een mensoh gezeten heeft; ontbindt dat en brengt het. 31 Rn indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij het? zoo zult gij aldus tot hem zeggen: De Heer heeft het noodig. 32 En de gezondenen gingen heen, en vonden het zooals hij hun gezegd had. 33 En toen zij het veulen ontbonden, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen ? |
3 4* En zij zeiden: De Heer heeft het noodig. 35 En zij brachten het tot Jezus, en leiden hunne kleederen op het veulen, en zetten Jezus daarop. 36 Terwijl hij nu heentrok, spreidden zij hunne i kleederen op den weg. i 37 En reeds toen hij de helling van den Olijfberg | naderde, begon de geheele ! menigte zijner jongeren vol vreugde God te loven met I eene luide stem, over alle daden die zij gezien hadden, 38 zeggende: Geloofd zij de koning die komt in den naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en eere in de hoogte! 39 En sommigen der Fari-zeën onder het volk zeiden tot hem: Meester, bestraf toch uwe jongeren. 4Ü Hij antwoordde en zeide tot hen: Ik zeg u: Zoo deze zwijgen, zullen de steenen |roepen. j 4 L En toen hij nabij kwam en de stad aanzag, weende hij over haar, en zeide: I 42 Och, dat ook gij erkeu-det, en wel nog in dezen uwen tijd, wat tot uwen vrede dient! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen. 43 Want de tijd zal over u komen, dat uwe vijanden rondom n een bolwerk zul- |
LUKAS 20.
165
|
len opwerpen, en u bele^e-ren en van alle zijden be-nanweri, i-i en u zullen slechten, en uwe kinderen in u, en geen steen op den anderen laten, daarom dat quot;ij den tijd, in welken gij bezoclit zij t, niet erkend hebt. 45 En hij ging in den tempel, en begon uit te drijven wie daarin verkochten en kochten, 46 zeggende tot hen: Er staat geschreven: //Mijn huis is een bedehuis//; maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt. 47 En hij leerde dagelijks in den tempel; miiar de hoogepriesters en schriftgeleerden en de voornaamsten van het volk zochten hem te dooden; 48 en zij vonden niet wat zij doen zouden, want al het volk hing hem aan en hoorde hem. HOOFDSTUK 20. 1 En het geschiedde op een van die dagen, toen hij het volk leerde in den tempel eu het evangelie predikte, dat de hoogepriesters ea schriftgeleerden met de oudsten tot hem kwamen, 2 en tot hem spraken, zeggende: Zeg ons, d.oor welke macht doet gij dit, of wie heelt u die macht gegeven? |
o Eu hij antwoordde en zeide tot hen: ik zal u ook eene vraag doen, zegt mij: 4 de doop van Johannes, was die van den hemel of van de mensehen? 5 Toen duchten zij bij zich zelve en zeiden: Zeggen wij: Van den hemel, dan zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet gelootd ? 6 Maar zeggen wij: Van de mensehen, dan zal al het volk ons steenigen; want zij houden het voor zeker dat Johannes een profeet is. 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten van waar die was. S En Jezus zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door welke macht ik dit doe. 9 En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een mensch plantte een wijngaard, en verhuurde dien aan wijngaardeniers, en trok buitenslands een langen tijd. 10 En toen het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de wijngaardeniers, opdat zij hem van de vrucht des wijn-gaards zouden geven; maa r de wijngaardeniers sloegen hem, en zonden hem ledig heen. |
LÜKAS 20.
166
|
11 En wederom zond hij nog een anderen dienst-knecht; maar zij sloegen dien ook, en deden ]ieni smaad-heid aan, en zonden hem ledig heen. 12 En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden dien ook, en stieten hem uit. 13 Toen zeide de heer des wijngaards: Wat zal ik doen? Ik zal mijnen geliefden zoon zenden; misschien zullen zij, dozen ziende , hem ontzien. 14 Maar toen de wijngaardeniers hem zagen, overlegden zij onder elkander en zeiden: Deze is de erfgenaam ; komt, laat ons hem dooden, opdat het erfgoed het onze worde. 15 En zij stieten hem uit buiten den wijngaard, en doodden hem. Wat zal nu de heer des wijngaards aan deze doen? 16 Hi] zal komen en deze wijngaardeniers ombrengen, en zijnen wijngaard aan anderen verhuren. En toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre! 1 7 Maar hij zag ze iian, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: //De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is iot een hoeksteen geworden//? |
18 Wie op dezen steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 19 En de hoogepriesters en schriftgeleerden zochten te dier ure de handen aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk; want zij begrepen dat hij deze gelijkenis op hen gezegd had. 20 En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zich moesten voordoen als rechtvaardigen, opdat zij hem in zijne rede vangen mochten, om hem aan do overheid en in de macht van den landvoogd over te leveren. 21 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wij weten dat gij recht spreekt en leert, en geen aanzien der menschen acht, maar den weg Gods leert naar waarheid. 22 Is het recht dat wij den keizer schatting geven of niet? 23 Maar hij bemerkte hunne arglistigheid, en zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij? 24 Toont mij een cijns-penning: wiens beeld en opschrift heeft hij ? Zij antwoordden en zeiden: Des keizers. 25 En hij zeide tot hen: Zoo geeft den keizer wat |
LUKAh 2U.
167
|
des keizers is; eu Gode wat Gods is. 26 En zij konden zijn woord niet berispen voor het volk , en verwonderden zich over zijn antwoord en zwegen stil. 27 Toen traden sommigen der Sadduceën tot hem, die ontkennen dat er eene opstanding is, en vraagden hem, 28 zeggende; Meester, Mo-zes heeft ons geschreven: Zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en sterft kinderloos, 7,00 zal zijn broeder de vrouw ten huwelijk nemen en zijnen broeder kroost verwekken. 29 Nu waren er zeven broeders; de eerste nam eene vrouw en stierf kinderloos ; 30 en de tweede nam die vrouw, en stierf ook kinderloos ; 31 en de derde nam haar, desgelijks alle zeven, en zij lieten geen kinderen na, en stierven. 32 Ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 33 In de opstanding nu, wiens vrouw zal zij zijn van deze? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad. 34 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: IV; kinderen dezen- wereld trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven; |
35 maar wie waardig zullen zijn de andere wereld te verwerven en de opstanding uit de dooden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk gegeven worden. 36 Want zij kunnen voortaan niet sterven, want zij zijn den Engelen gelijk , en Gods kinderen, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. 37 En dat de dooden opstaan heeft ook Mozes aangetoond bij bet braambosch, als bij den Heer noemt den God van Abraham en I den God van Isaiik en den j God van Jakob. 38 Maar nu is God niet een God der dooden maar der levenden; want zij allen leven voor hem. 39 Toen antwoordden sommigen der schriftgeleerden en zeiden: Meester, gij hebt recht gezegd. 4U En zij durfden hem voortaan niet meer vragen, j- 41 Eu hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus Davids zoon is? 42 Eu David zelf zegt in het boek der psalmen: /'De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: 'Zet u aan mijne rechterhand, I 43 totdat ik uwe vijanden |
LUK AS 21.
I(j8
|
leg tot eene voetbank uwer voeten.// 44 David dus «oerat hem ziinen Heer; hoe is hij dan zijn zoon? 45 Toen nu al het volk toehoorde, zeide hij tot zijne jongeren: 46 Wacht u voor de schriftgeleerden , die in lange kleedereu willen wandalen, en zich gaarne lateu groeten op de markt, en gaarne vooraan zitten in de synagogen, en bovcnauu bij de maaltijden. 47 Zij eten de huizen der weduwen op, en doen voor den schijn lange gebeden: zij zullen des te zwaarder oordeel ontvangen. HOOFDSTUK 21. 1 En opziende, zag hij de rijken hunne gaven in de godskist werpen. 2 En hij zag ook eene arme weduwe; die wierp er twee penningen in. o En hii zeide: Voorwaar, ik zeg ii: Deze arme weduwe heeft meer ingeworpen dan zij allen; 4 want deze allen hebben van hunnen overvloed ingeworpen tot het offer Gods, maar zij heeft van hare armoede den ganschen schat, dien zij had , er ingeworpen. |
5 En toen sommieren zeiden vanden tempel, dat hij met fraaie steenen en kost-baarheden versierd was, zei-de hij: 6 De tijd zal komen, in welken van dit alles, wat gij ziet, geen steen op den anderen zal gelaten worden, die niet in stukken zal worden gebroken. 7 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wanneer zal dit geschieden? En wat is het teeken, wanneer dit geschieden zal? 8 En hij zeide: Ziet toe, laat u niet misleiden; want velen zullen komen onder mijnen naam, en zeggen: Ik ben het, en de tijd is nabij gekomen. Volgt hen niet. ü Eu als gij hooreu zult van oorlogen en beroeringen, zoo verschrikt niet; want dit moet te voren geschieden; maar het einde is nog niet terstond d.uir. 10 Toen zeide hij tot hen: Het eene volk zal opstaan tegen het andere, en het eene rijk tegen het andere; 11 en er zullen zijn groote aardbevingen hier en ginds, hongersnooden en pestziekten ; ook zullen er verschrikkingen en groote teekenen aan den hemel geschieden. 12 Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan u slaan, en u vervolgen, en |
LUKAS 31.
169
|
zullen u overleveren in hunne synagogen en gevangenissen , en voor koningen en landvoogden leiden, om mijns naams wil; 13 eu dit zal u overkomen tot eene getuigenis. 14 Zoo neemt nu ter harte, dat gij niet bezorgd zijt hoe gij u verantwoorden zult. 15 Want ik zal u mond eu wijsheid geven, welke al uwe wederpartijders niet zullen kunneu tegenspreken noch wederstaan. 16 En gij zult overgeleverd worden door ouders, broeders , bloedverwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u dooden, 17 en gij zidt gehaat worden door iedereen om mijns naams wil. 18 Doch geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. 19 Door uwe volharding-zult gij uwe zielen behouden. 30 Wanneer gij nu zien zult dat Jeruzalem belegerd wordt door een heir, zoo merkt dat hare verwoesting nabij gekomen is. 21 Alsdan vliede wie in Judéa is op de bergen; en wie er midden in is, wijke daaruit; en wie op het land is, kome er niet in; 23 want dit zijn de dagen der wraak, opdat alles vervuld worde watgeschreven is. |
33 Ku wee de zwangeren en zoogenden in die dagen! Want er zal groote nood op de aarde zijn, en toorn over dit volk; 34 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder allo volken; en Jeruzalem zal vertreden worden door de heidenen, totdat de tijd der heidenen zal vervuld zijn. 25 En er zullen teekeneu geschieden aan zon en maan en sterren, en op de aarde zal zijn angst der volken in radeloosheid, bij het bruisen van zee en golven; 26 eu de menschen zullen bezwijken van vrees eu vau verwachting der dingen, die koineu zullen op de aarde; j want ook de krachten der hemelen zullen bewogen worden. 27 En alsdan zullen zij des Menschen Zoon zien komen in eene wolk met groote kracht en heerlijkheid. 28 .Als nu dit begint te geschieden, zoo ziet op en heft uwe hooiden omhoog, omdatuwe verlossingnabij is. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Aanschouwt den vijgelwom en alle hoornen. 30 Wanneer zij nu uitbotten, eu gij dit ziet, zoo |
LUKAS 23.
170
|
merkt gij dat de zomer naliij is. 31 Alzoo ook gij, wanneer gij dit alles ziet geschieden, zoo weet dat liet rijk Gods nabij is. 33 Voorwaar, ik zeg u; Dit geslacht, zal niet voorbijgaan, totdat het alles zal geschied zijn. 33 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan. 34 Maar wacht u, dat uwe harten niet bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en met zorgen voor het levensonderhoud , en die dag u niet onvoorziens over-kome! 35 Want hij zal als een valstrik komen over allen die op de aarde wonen. 36 Zoo zijt altijd wakker, en bidt dat gij waardig moogt geacht worden te ontvlieden dit alles, hetgeen geschieden zal, en te staan voor des Menschen Zoon. 37 En hij leerde des daags in den tempel, maar des nachts ging hij uit, en bleet den nacht over aan den Olijfberg. 38 En al het volk kwam 's morgens vroeg lot hem in den tempel, om hem ie Hoorei i. |
HOOFDSTUK 22. 1 En het feest der ongezuurde brooden, Paschen genaamd, was nabij; 3 en de hoogepriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij hem dooden zouden; want zij vreesden het volk. I 3 En de satan was gevaren in Judas, genaamd Iskariot, zijnde een uit het getal der twaalve; 4 en hij ging heen en sprak met de hoogepriesters en de hoofdlieden, hoe hij hem hun zou overleveren. 5 En zij werden blijde, en beloofden hem geld te geven. 6 En hij zeide het toe, en zocht gelegenheid om hem over te leveren zonder oproer. 7 En de dag der ongezuurde brooden kwam, op welken men het Pascha moest slachten. 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten. 9 En zij zeiden tot hem: Waar wilt gij dat wij het bereiden? 10 Hij zeide lot hen: Zie, als gij de stad inkomt, zal u een mensch ontmoeten die eene kruik met water draagt; volgt dien in het huis, waar hij ingaat, |
É
LUKAS 32.
171
|
11 en zegt tot flen huis-lieer: De Meester laat u zeggen; Waar is lt;le eetzaal, in welke ik het Pascha zal eten met mijne jongeren? 13 En hij zal n eene groote toegeruste opperzaal aanwijzen; maakt het aldaar gereed. 13 En zij gingen heen, en vonden liet zooals hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha. 14 En toen de ure kwam, zette hij zich neder, en de twaalf apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb hartelijk verlangd dit Pascha met u te eten vóórdat ik lijde; 16 want ik zeg u dat ik voortaan niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld wordt in het rijk Gods. 17 En hij nam den kelk, dankte, en zeide: Neemt dien en deelt hem onder u; 18 want ik zeg n dat ik niet drinken zal van het gewas des wijnstoks, totdat het rijk Gods komt. lit En hij nam het brood, dankte, brak het, en gaf het hun, en zeide: Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijne gedachtenis. 20 Desgelijks [nam hij], na het avondmaal, ook don kelk, en zeide: Deze kelk is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. |
21 Doch zie, de hand mijns verraders is met mij aan tafel. 22 En des Menschen Zoon gaat wel heen, gelijk besloten is, doch wee dien mensch, door wien hij verraden wordt! 23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch zijn mocht, die dat doen zou. 24 Er ontstond ook een twist onder hen, wie van hen voor den grootste moest gehouden worden. 25 En hij zeide tot hen: De wereldlijke koningen heerschen, en de machtigen noemt men genadige heeren. 2C Doch gij niet alzoo; maar de grootste onder u zal zijn als de jongste, en de voornaamste als een dienaar. 27 Want wie is de grootste, die aan tafel zit of die dien,t? Is het niet die aan tafel zit? Maar ik ben onder u als een dienaar. 28 Gij zijt het, die bij mij gebleven zijt in mijne aanvechtingen. 2'.) Eu ik bestem u het rijk, gelijk mijn Vader het mij bestemd heeft, 30 opdat gij in mijn rijk |
d
LUKAS 33.
172
|
eten en drinken zult aan mijne tafel, eu zitten op tronen, en oordeelen de twaalf geslachten van Israël. 31 En de Heer zeide; Simon, Simon, zie, desatan heeft ulieden begeerd, dat liij u mocht ziften als de tarwe; 33 maar ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet opboude; en als gij eens bekeerd zijt, zoo versterk uwe broeders. 33 Hij nu zeide tot hem; Heer, ik ben bereid met u in de gevangenis cn in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide: Petrus, ik zeg u, de haan zal lieden niet kraaien, eer gij drie-maal zult geloochend hebben dat gij mij kent. 35 En hij zeide tot hen: Toen ik u uitzond, zonder beurs, zonder reiszak, enzon-der schoenen, heeft u ook iets ontbroken? Zij zeiden: Niets. 36 Toen zeide hij tot hen: Maar nu, wie eene beurs heeft, die neme haar, desgelijks ook de reiszak; en wie er geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard. 37 Want ik zeg u: Ook dit moet nog aan mij volbracht worden, hetgeen geschreven staat: //Hij is onder de kwaaddoeners gerekend.// ; Want wat van mij geschreven is, dat heeft een einde. |
38 En zij zeiden: Heer, zie hier twee zwaarden. En hij zeide tot hen: Het is genoeg. 39 En hij ging, naar zijne gewoonte, uit naar den Olijfberg ; en zijne jongeren volgden hem. 40 En toen hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent een steenworp, en knielde neder, en bad, 43 en zeide: Vader, wilt gij, zoo neem dezen kelk van mij; doch niet mijn, maar uw wil geschiede. 43 En hem verscheen een Engel van den hemel, die hem sterkte. 44 En in doodsangst zijnde, bad hij vuriger. En zijn zweet werd als druppelen bloed, die op de aarde vielen. 45 En hij stond op van het gebed, en kwam tot zijne jongeren, en vond ze slapende van treurigheid; 4ö en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij ? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 47 En tewijl hij nog sprak, ziedaar de bende; en een |
*
LUKAS 22. 173
van de twaalve, genaamd een vnur in het midden Judas, ging voor hen uit, i van het hof, en zaten daar
en trad tot Jezus om hem te zamen; en Petrus zat
te kussen. onder hen.
48 En Jezus zeide tot hem: 56 Toen zag eene dienst-Judas, verraadt gij des Men- maagd hem zitten bij het schen Zoon met een kus? vuur, eu zag strak op hem,
49 Toen nu zij, die hij en zeide: Deze was ook hem waren, zagen wat het bij hem.
worden zou, zeiden zij tot' 57 Maar hij verloochende hem: Heer, zullen wij met hem, zeggende: Vrouw, ik het zwaard er onder slaan ? 1 ken hem niet.
50 En een van hen sloeg 1 58 En kort daarna zag des hoogepriesters knecht en een ander hem, en zeide : hieuw hem het rechteroor af. Gij zijt ook een van die.
51 Maar Jezus antwoordde j Maar Petrus zeide: Mensch, en zeide: Laat hen tot! ik ben het niet.
zoover geworden ! En hij ' 59 En omtrent een uur raakte zijn oor aan en licel- ' daarna bevestigde dit een de hem. 1 ander, zeggende: Voorwaar,
| 52 En Jezus zeide tot de ; deze was ook hij hem ; want hoogepriesters en de hoofd- 1 hij is een Gableer.
60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt. En terstond, terwijl hij nog sprak, kraaide tie haan.
01 En de Heer keerde zich om en zag Petrus aan; cn Petrus dacht aan het woord des Heeren, dat hij tot hem gezegd had: Eer de haan zal kraaien, zult gij mij driemaal verloochenen.
62 En Petrus ging naar buiten en weende bitterlijk.
63 En de mannen die Jezus vasthielden bespotten hem, en sloegen hem,
64 en hem bedekkende,
lieden des tempels en de oudsten, die tegen hem gekomen waren: (lij zijt uitgegaan als tot een moordenaar , met zwaarden en met stokken;
53 ik hen dagelijks bij u geweest in den tempel, en gij hebt geen hand aan mij geslagen; maar dit is uwe ure en de macht fier duisternis.
54 En zij grepen hem, en leidden hem weg, en brachten hem in des hoogepriesters huis; en Petrus volgde van verre.
55 Toen ontstaken zij
LUKA3 23.
174
|
sloegen zij hem in het ciauge-zicht, en vraagden hem, zeggende: Profeteer, wie is het die u sloeg? 05 En vele andere lasteringen zeiden zij tegen hem. G(gt; En toen het dag geworden was, vergaderden de oudsten des volks en de hoogepriesters en schriftgeleerden, en leidden hem voor hunnen raad, 07 zeggende: Indien gij de Christus zijt, zeg het ons! En hij zeide tot hen: Zeg ik het u, zoo gelooft gij het niet; 08 en vraag ik, zoo zult gij mij niet antwoorden, en mij niet loslaten. 69 Van nu af zal des Men-schen Zoon zitten aan de rechterhand der kracht Gods. 70 Toen zeiden zij allen: Zijt gij dan de Zoon Gods? En hij zeide tot hen: Gij zegt het, want ik ben het. 71 Eu zij zeiden: Wat behoeven wij meer getuigenis? Wij hebben het zelve uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. 1 En de geheele menigte stond op en leidde hem voor Pilatus. |
3 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk afvallig maakt, en verbiedt den keizer schatting te geven, zeggende dat hij Christus, de koning is. ; 3 En Pilatus vraagde hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? Hij antwoordde ■ hem en zeide : Gij zegt het. 4 En Pilatus zeide tot de hoogepriesters en tot het volk: in dezen mensch. 5 Maar zij hielden aan, zeggende: Hij heeft het volk oproerig gemaakt, hiermede dat hij geleerd heeft door geheel Judéa, begonnen zijnde van Galiléa tot hiertoe. 6 Toen nu Pilatus hoorde van Galiléa , vraagde hij of hij uit Galiléa was; 7 en toen hij vernam dat hij onder het gebied van Herodes behoorde, zond hij hem tot Herodes, die ook in die dagen te Jeruzalem was. 8 En toen Herodes Jezus zag, werd hij verblijd; want hij had hem al voorlang gaarne willen zien, omdat hij veel van hem gehoord had, en hoopte dat hij eenig teeken van hem zien zou. 9 En hij vraagde hem menigerlei; doch hij ant- | woordde hem niets. ! 10 En de hoogepriesters en schriftgeleerden stonden en beschuldigden hem heftig. 11 En Herodes met zijn hofstoet verachtte en bespotte Ik vind geen schuld |
LUKAS 23.
1
|
hem, en trok hem een wit kleed aan, en zond hem weder tot Pilatns. 12 En op dien dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want te voren waren zij in vijandschap met elkander. 13 En Pilatus riep de hoo-gepriesters en de oversten en het volk te zamen, 14 en zcide tot hen: Gij hebt dezen raensoh tot mij gebraoht als een, die het volk afvallig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid verhoord, en vind aan dien mensch geen schuld omtrent hetgeen waarvan gif hem beschuldigt; 15 Herodes ook niet; want ik heb n tot hem gezonden, en zie, er is niets doorhem misdreven dat den dood waardig is: 16 ik zal hem dan kastijden en loslaten. 17 Want hij moest hun op het feest eenen losgeven. 18 Toen schreeuwde de geheele menigte, zeggende: Weg met dezen, en geef ons Barabbas los! — 19 een, die om een oproer, dat in de stad geschied was, en om een moord, in de gevangenis was geworpen. 20 Toen riep Pilatus hun wederom toe, en wilde Jezus loslaten. 3cliat- le dat ;is. hem, oning ordde het. ;ot de t het :;huld aan, ; volk mede door izijn-irtoe. )orde hij of i dat van d hij )k in was. ezus vant lang •t hij lad, -nig zou. bem ant- ters den 'tig. zijn )tte |
21 Maar zij riepen, zeggende: Kruis, kruis hem! 22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat kwaads heeft deze dan gedaan? Ik vind geen schuld des doods in hem: ik zal hem dan kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, en eisch-ten dat hij zou gekruist worden, en hun en der hoogepriesteren geroep nam de overhand. 24 En Pilatus oordeelde dat hun eisch geschieden zou; 25 en hij liet dengenelos, die om oproer en moord in de gevangenis was geworpen, dien zij geëischt hadden; maar Jezus gaf hij over aan hunnen wil. 26 En toen zij hem wegleidden, grepen zij zekeren Simon van Cyrene, die van het veld kwam, en leiden het kruis op hem, opdat hij het Jezus zou nadragen. 27 En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgde hem, die hem beklaagden en beweenden. 28 En Jezus keerde zich tot haar en zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over u zelve en over uwe kinderen. 29 Want zie, de tijd zal |
LUK AS 2 3.
170
|
komen in welken men zeg- j gen zal: Zalig de on vruchtbaren , en de schoot die niet gebaard heeft, en de borsten die niet gezoogd hebben. :50 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt, ons. 31 Want indien men dit doet aan het groene hout, i wat zal aan het dorre geschieden ? 33 En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, uitgeleid om met hem gedood te worden. 33 En toen zij kwamen aan de plaats, die genaamd is Hoofdschedelplaats, k ruisten zij hem aldaar, en ook de kwaaddoeners, den een ter i rechter- en den ander ter linkerzijde. 34 En Jezus wide: Vader, | vergeef het hun, want zij j weten niet wat zij doen. En zij deelden zijne kleederen , en wierpen het lot daarover. 35 En het volk stond en zag toe. En de oversten met hen bespotten hem, zeggende: Hij heeft anderen | geholpen, hij helpe zich zeiven, zoo hij de Christus is, de uitverkorene Gods. 36 En ook de krijgsknech-} ten bespotten hem, terwijl zij bij hem kwamen en hem edik brachten, |
37 en zeiden: Zijt gij de koning der Joden, zoo help u zei ven. 38 Er was ook boven hem geschreven dit opschrift, met Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche letters: Deze is de koning der Joden. 39 En een der kwaaddoeners die gehangen waren lasterde hem, zeggende: S'j (1R Christus, zoo help u zei ven en ons. 40 Toen antwoordde de andere en bestrafte hem, 'zeggende: Vreest gij ook niet voor God, gij, die toch in dezelfde veroor-deeling zijt? 41 En trouwens, wij zijn er billijk in, want wij ontvangen wat onze daden waardig zijn: maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 43 En hij zeide tot Jezus: Heer, gedenk mijner, als gij in uw rijk komt. 43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, ik zeg u: Heden zult gij met mij in het paradijs zijn. 44 En het was omtrent de zesde ure, en er ontstond eene duisternis over het geheele land, tot de negende ure toe; 45 en de zon verloor haar |
LTJTvAS 24.
177
|
schijnsel, en liet voorhangsel in den tempel scheurde midden in tweeën. 46 En Jezus riep met eene luidestem en zeitleiVader, ik beveel miinen geest in uwe handen. En toen bij dat gezegd had, gaf hij den geest. 47 Toen nn de hoofdman zag wat er gescljiedde, prees hij God, en zeide: Voorwaar , deze mensch was rechtvaardig! 48 En al het volk, dat daarbij was en toezag, toen zij zagen wat er geschiedde, sloegen zij op hunne borsten, en keerden weder. 49 En al zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem uit Galiléa gevolgd waren, en zagen dit aan. 50 En zie, een man genaamd Jozef, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man — 51 die niet bewilligd had in hunnen raad en handel — van Arimatbéa, eene stad der Joden, en die ook wachtte op het rijk Gods: 52 deze ging tot Pilatns en verzocht hem om het lichaam van Jezus. 53 En hij nam het af, en wond het iu een lijnwaad, en leide liet in een uitgehouwen graf', waarin nog nooit iemand gelegen had. |
54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat brak aan. ____— 55 En de vrouwen, die met hem gekomen waren uit Galiléa, volgden, en bezagen het graf, en hoe zijn lichaam gelegd werd. 56 En zij keerden weder, en bereidden specerijen en zalven; en gedurende den sabbat rustten zij naar de wet. HOOFDSTUK 24. 1 En op den eersten dag der week, zeer vroeg, kwamen zij bij het graf, en droegen de specerijen die zij bereid hadden, en eenigen met haar. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf, 3 en gingen er in, en vonden het lichaam des Heeren Jezus niet. 4 En het geschiedde, terwijl zij hierover bekommerd waren, zie, toen traden twee mannen bij haar, met blinkende kleederen. 5 En zij verschrikten, en bogen het aangezicht neder ter aarde. Toen zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden ? 0 Hij is hier niet; hij is opgestaan. Gedenkt aan hetgeen hij tot u gesproken 12 |
LUKAS 24.
] 78
|
heeft, toen hij nog in Galilea was, 7 zeggende: Des Menschen Zoon moet overgeleverd worden in de handen der zondaren, en gekruist worden, en ten derden dage opstaan. 8 En zij gedachten aan zijne woorden. 9 En zij gingen weder van het graf, en berichtten dit alles aan de elve en aan al de anderen. 10 En het waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria \_de moede)-] van Jakobus, en anderen met haar, die dit aan de apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen hun als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Maar Petrus stond op en liep naar het graf, bukte daarin, en zag de linnen doeken alleen liggen; en hij ging weg en verwonderde zich over hetgeen er gebeurd was. 13 En zie, twee van hen gingen op dien dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs; 14 en zij spraken met elkander over alles wat er was voorgevallen. 15 En bet geschiedde, terwijl zij al zoo spraken en elkander vraagden, dat |
Jezus tot hen kwam en met hen wandelde; 16 maar hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet herkenden. 17 En hij zeide tot lien: Wat zijn dat voor redenen, die gij wandelende met elkander wisselt, en waarom zijt gij zoo treurig ? 18 Toen antwoordde de een, genaamd Kléopas, en zeide tot hem: Zijt gij alleen onder de vreemdelingen ie Jeruzalem, die niet weet wat dezer dagen aldaar geschied is? 19 En hij zeide tot hen: Wat? En zij zeiden tot hem: Dat van Jezus van Nazaret, die een profeet was, machtig van daden en woorden, voor God en al het volk; 30 hoe onze hoogepriesters en oversten hem overgeleverd hebben tot bet oordeel des doods, en hem gekruist hebben. 21 Wij nu hoopten dat hij Israël zou verlossen. En boven dit alles is het heden de derde dag dat dit geschied is. 22 Ook hebben ons sommige vrouwen van de onzen verschrikt, die vroeg aan het graf geweest zijn, 23 en zijn lichaam niet gevonden hebben, en kwamen en zeiden dat zij een |
LTIKAS
179
|
geziclit van Engelen gezien hadden, die zeiden dat hij leeft. 24 En eenigen van ons gingen heen naar liet graf, en vonden het zooals de ■vrouwen gezegd hadden; maar hem vonden zij niet. 25 En hij zeide tot hen: O gij onverstandigen en tragen van hart, om te ge-looven iil hetgeen de proleten gesproken hebben! 20 Moest niet de Christus dit lijden, en in zijne heerlijkheid ingaan? 27 En hij begon van Mozes en alle profeten, en leide hun in alle Schriften uit hetgeen van hem gesproken was. 28 En zij kwamen nabij het vlek, waar zij naartoe gingen, en hij hield zich alsof hij verder wilde gaan. 29 Jin zij drongen hem, zeggende: Elijf bij ons, want het gaat avond worden en de dag heeft zich geneigd. En hij ging binnen, om hij hen te blijven. 30 En het geschiedde, toen hij met hen aan tafel zat, dat hij het brood nam en dankte; en hij brak het, en gat het hun. 3 L Toen werden hunne oogen geopend, en zij lier-kenden hem; en hij verdween voor hen. |
32 En zij zeiden tot elkander : Brandde niet ons hart in ons, toen hij met ons sprak op den weg en toen iiij ons de Schriften opende? 33 En zij stonden te dier ure op, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elve vergaderd, en die bij hen waren, 31 welke zeiden: De Heer is waarlijk opgestaan, en aan Simon verschenen! 35 En zij verhaalden imn wat op den weg geschied was, en hoe hij door hen herkend was geworden, toen hij het brood brak. 3G En terwijl zij daarvan spraken, stond Jezus zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! 37 En zij verschrikten en vreesden, en meenden dat zij een geest zagen. 38 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo verschrikt, en waaroin komen zulke gedachten in uwe harten op? 39 Ziet mijne handen en mijne voeten, ik ben het zelf; betast mij en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenderen, gelijk gij ziet dat ik heb. 40 En terwijl hij ditzeide, toonde hij hun zijne handen en voeten. |
JOHANNES 1.
ISO
|
41 En toen zij liet nog niei geloofden van Mijdschju^ en zicli verwonderden, léfdê* liij tot hen: Hebt gij Iner iets om te eten? 43 En zij leiden hem een gebraden visch en honigraat voor; 43 en hij nam het en at liet voor hunne oogen, 44 En hij zeide tot hen: l)it zijn de woorden die ik tot u sprak, toen ik nog bij u was, dat het alles moest vervuld worden wat van mij geschreven is in de wet van Mozes en in de Cprofeten en in de psalmen.profeten en in de psalmen. 45 Toen opende bij hun verstand, om de Schriften te verstaan, ' 46 en zeide tot hen: Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en opstaan van de dooden ten derden daffe. |
■7 en in zijnen naam boete m vergeving der zonden laten predifagf^ onder alle volken, te beg^lnen bij Jeruzalem. 48 En gij zijt van dit alles getuigen. 4!) En zie, ik zal de belofte mijns Vaders op u zenden; maar gij moet in de sfad Jeruzalem blijven, totdat gij aangedaan wordt met kracht uit de hoogte. 50 En hij leidde hen nit tot aan Bethanie, en hief'zijne handen op en zegende ze. 51 En hetgeschiedcteVften hij ze zegende, dat hij Tan hen scheidde en opgevperd werd in den ïïeïnütquot;. 53 En zij aanbactSto hem, en keerden weder naar Jeruzalem met groote vreugde. 53 En zij waren altijd in den tempel, en prezen en loofden God. |
11 ET EVANGELIE
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. 1 In den beginne was hot Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord. 3 Dit was in den beginne bij God. |
3 Alle dingen zijn door hem geworden, en zonder hem is er niets geworden, dat geworden is. 4 In hem was het leven , en het leven was het licht der inenschen; 5 en het licht schijnt in |
JOHANNES 1.
181
|
de duisternis, maar de duisternis heeft liet niet begrepen. O Er was^fcn mensch van God j^ezoüdHi, genaamd Jo-liannes. 7 llc'ZiBt kwam tot eene getuigenlij', om van het licht te getuigen, opdat allen door hem gelooven zouden. 8 Hij was liet licht niet, maar opdat hij van het licht getuigen zou. 9 Dit was het waarachtige licht, dat, in de wereld komende, alle menschen verlicht. 10 Hij was in de wereld, en do wereld is door hem geworden, en de wereld kende hem niet. 11 Hij kwam tot zijn eigendom, en de zijnen namen hem niet aan. 12 Maar zoovelen hem aannamen , hun gaf hij macht Gods kinderen te worden, die in zijnen naam gelooven; 13 die niet uit het bloed, noch uit den wil des vlee-sches, noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord werd vleescii, en woonde onder ons, en wij zagen zijne heerlijkheid, eene heerlijkheid als van den eeniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. |
15 Johannes getuigde van hem en heeft geroepen, zeggende: Deze was liet van wien ik zeide: Na mij zal komen die vuor mij geweest is, want hij was eer dan ik. 10 En uit zijne volheid hebben wij allen genomen, en wel genade voor genade. 17 Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door .Jezus Christus geworden. 18 Niemand heeft ooit God gezien: deeeniggeboren Zoon, die in des Vaders schoot is, die heeft hem ons doen kennen. 19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij? 20 En hij bekende, en loochende het niet; en hij bekende: Ik ben de Christus niet. 21 En zij vraagden hem : Wat dan? Zijt gij Elia? Hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Toen zeiden zij tot hem : Wie zijt gij dan? opdat wij antwoord geven dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van u zeiven ? 23 Hij zeide: Ik lien de stem desgenen die in de |
JOHANNES 1.
183
|
woestijn predikt: //Maakt den weg des Heeren recht//, gelijk de profeet Jesnja gezegd heeft. 24 En de afgezondenen waren uit de Farizeën; 35 en zij vraagden hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Eiïa, noch de profeet? 36 Johannes antwoordde hnn, zeggende: Ik doop met water, maar hij is midden onder n getreden dien gij niet kent: 37 deze is het die na mij komt, die vóór mij geweest is, wien ik niet waardig ben dat ik de riemen zijner schoenen ontbinde. 38 Dit geschiedde te Beth-abara over de Jordaan, waar Johannes doopte. 3!) Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen , en zeide: Zie, het lam Gods dat de zonde der wereld draagt! 30 Deze is het van wien ik ii gezegd heb: Na mij komt een man die vóór mij geweest is, want hij was eer dan ik. 31 En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël zonde geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, doopende met water. |
32 En Johannes getuigde, zeggende: Ik zag dat de Geest nederdaalde uit den hemel gelijk eene duif, en hij bleef op hem. 33 En ik kende hem niet; maar die mij zond om te doopen met water, die zeidequot; tot mij: Op wien gij den Geest zult zien nederdalen en op hem blijven, deze is tiet die met den Heiligen Geest doopt. 34 En ik zag het, en getuigde dat deze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daags stond Johannes wederom, en twee van ziine jongeren. 36 En toen hij Jezus zag wandelen, zeide hij: Zie, het lam Gods! 37 En die twee jongeren hoorden hem spreken, en volgden Jezus. 38 Maar Jezus keerde zich om en zag hen volgen, en zeide tot hen: 39 Wat zoekt gij ? En zij zeiden tot hem : Rabbi (dat is vertaald, Meester), waar zijt gij geherbergd? 40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet het. Zij kwamen en zagen het, en bleven dien dag bij hem; en het was omtrent de tiende ure. 41 En een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en Jezus gevolgd waren, was Andréas, |
JOIIANNKS 3.
18S
|
de broeder van Simon Petrus. 43 Deze vond ten eerste zijnen broeder Simon, en zeide tot hem : Wij hebben den Messiits gevonden (hetwelk is, vertaald: de Gezalfde). 43 Én hij leidde hem tot Jezus. En taen Jezus hem zag, zeide hij: Gij zijt Simon, Jona's zoon; gij zult Ketas heeten, hetwelk vertaald wordt: Petrus [steenrots]. 44 Des anderen daags wilde Jezus naar Galiléatrekken, en vond Eilippus en zeide tot hem: Volg mij. 45 Filippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus. 46 Filippus vond Natha-naël en zeide tot hem : Wij hebben dien gevonden, van wien Mozes in de wet en de proleten geschreven hebben , Jezus, den zoon van Jozef, van Nazaret. 47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan uit Nazaret iets goeds komen? Filippus zeide tot hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Nathanaël tot zich komen, en zeide van hem: Zie waarlijk een Israëliet in wien geen bedrog is. 49 Nathanaël zeide tot hem: Vanwaar kent gij mij ? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer Filippus u riep, toen gij ontVar den vijgeboom waart, zag ik u. |
50 Nathanaël antwoordde en zeide tot hem: Eabbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de koning van Israël. 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Gij gelooft, omdat ik u gezegd heb dat ik u zag onder den vijgeboom ; gij zult nog grooter dingen zien dan deze. 53 En hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar ik zeg ulieden, van nu aan zult gij den hemel open zien, en de Engelen Gods opklimmen en nederdalen op des Menschen Zoon. HOOFDSTUK 2. 1 En op den derden dag was er eene bruiloft te Kana in Galiléa, en de moeder van Jezus was aldaar. 3 En Jezus en zijne jongeren waren ook ter bruiloft genoodigd. 3 En toen er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn. 4 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb ik met u te doen? Mijne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moeder zeide tot de dienaars: Wat hij n zegt, doet dat. 6 En daar waren zes stee- |
JOHANNES 3.
184
|
neii waterkruiken gezet, naar de wijze der Joodse.he reiniging, en elke hield twee of drie maten. 7 Jezus zeide tot hen: Vidt de waterkruiken met water. En zij vulden ze tot boven toe. S £u hij zeide tot hen: Schept nu eu brengt liet den spijsmeester. En zij braohten het. !) Toen nu de spijsmeester den wijn héld geproefd , die water geweest was, — en hij wist niet van waar die was, maar de dienaars, die liet water geschept hadden, wisten het — riep de spijsmeester den bruidegom, 10 en zeide tot hem: Iedereen geeft eerst den goeden wijn, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit eerste teeken deed Jezus te Kana in Gal ilea, en openbaarde zijne heerlijkheid ; en zijne jongeren geloofden in hem. 12 Daarna trok hij af naar Kapérnaüm, hij, zijne moeder , zijne broeders, en zijne jongeren; en zij bleven daar niet lang. 13 En het Paschen der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. |
14 En hij vond in den ternpel zitten die ossen, schapen en duiven te koop hadden, en de wisselaars; 15 en hij maakte een gee-sel van touwtjes, en dreef ze allen den tempel uit, met do schapen en ossen; en het geld der wisselaars • stortte hij uit, en stiet de tafels om; 16 en hij zeide tot degenen die de duiven te koop hadden: Draagt dit van hier, en maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis. 17 En zijne jongeren gedachten daaraan, dat er geschreven staat: «De ijver voor uw huis heeft mij verteerd.// 18 Toen antwoordden de Joden en zeiden tot hem: Wat teeken toont gij ons, dat gij dit doen moogt? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Verbreekt dezen tempel, en in drie dagen zal ik hem oprichten. 20 Toen zeiden de Joden: Deze tempel is in zes en veertigjaren gebouwd, en gij wilt hem in drie dagen oprichten ? 21 Maar hij sprak van den tempel zijns lichaams. 23 Toen hij nu opgestaan was van de dooden, gedachten zijne jongeren daaraan, dat hij dit gezegd had, en geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had. |
'T
JOHANNES 3.
185
|
2o Toon hij nu te Jeruzalem op het Paaschfeest was, geloofden velen in zijnen naam, ziende de teekenen die hij deed; 34 maar Jezus zelf betrouwde zich hun niet, want hij kende hen allen, 35 en had niet noodig dat iemand getuigenis gaf van een mensch; want hij wist wat in den mensch was. HOOFDSTUK 3. 1 En er was een mensch uit de Earizecn, genaamd Nik odemus, een overste dei-Joden. 3 Deze kwam tot Jezus bij nacht, en zeide tot hem: Rabbi, wij weten dat gij zijt een leeraar van God gekomen; want niemand kan de teekenen doen die gij doet, zoo God niet met hem is. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Tenzij iemand op nieuw geboren worde, kan hij het rijk Gods niet zien. 4 Nikodemus zeide tot hem: Hoe kan een mensch geboren worden, als hij oud is? Kan hij ook wederom in den moederschoot ingaan en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: |
Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij in het rijk Gods niet komen. 6 Wat uit vleesch geboren wordt, is vleesch, en wat uit den Geest geboren wordt, is geest. ___ 7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: G ij moet op nieuw geboren worden. 8 De wind blaast wauT^quot; heen hij wil, en gij hoort zijn suizen wel, maar gij weel niet van waar hij komt en waar hij heengaat: alzoo is ieder die uit den Geest geboren is. _________- 9 Nikodemus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kan dit geschieden? 10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een meester in Israel, en weet dit niet? 11 Voorwiiar, voorwaar ik zeg u: Wij spreken hetgeen wij weteu, en getuigen wat wij gezien hebben, en gij neemt onze getuigenis niet aan. 13 Gelooft gij niet, als ik u aardsche dingen zeg, hoe zult gij gelooven, indien ik u hemelsche dingen zou zeggen? 13 En niemand is ten hemel opgevaren, dan die uit den hemel nedergeko-men is, namelijk des Men- |
JOHANNES 3.
186
|
srlicu Zoon die hemel is. 14 En gelijk Mozes in de woestijn de slang quot;verhoogd heeft, alzoo moet des Men-sehen Zoon verhoogd worden, 15 opdat allen, die in hem gelooven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben. 16 Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen, die in hem gelooven, niet verloren gaan maat het eeuwige leven hebben. p 17 Want God heeft zijnen j Zoon niet in de wereld ! gezonden, opdat hij de we-1 reld oordeelen zon, maar ■ opdat de wereld door hem izalig zou worden. 18 Wie in hem gelooft, wordt niet geoordeeld; maar wie niet gelooft, is alreeds geoordeeld, want hij gelooft niet in den naam van den eeniggeboren Zoon Gods. 1!) En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen de duisternis meer beminden dan liet licht; want hunne werken waren boos. 20 Want wie kwaad doet, haat het licht, en komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet bestraft worden; 21 maar wie de waarheid den |
doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, want zij zijn in God gedaan. 23 Daarna kwam Jezus en zijne jongeren in het land van Judéa, en onthield zichquot; aldaar met hen, en doopte. 23 En Johannes doopte ook nog te Enon, nabij Salim, omdat aldaar veel water was; en zij kwiftMS' HSffiTffiêen en lieten zich doopen. 24 Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 ïoen ontstond er eene twistvraag van de zijde der jongeren van Johannes met een Jood over de reiniging. 20 En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Kabbi! die bij u was over de Jordaan, van wien gij getuigenis gaaft, zie, deze doopt, en iedereen komt tot liem. 27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan niets nemen, zoo het hem niet uit den hemel gegeven wordt. 28 Gij zelve zijt mijne getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ben voor hem uitge-gezonden. vt er 1)1 de 1)1 39 Wie de bruid heeft, maar de is de bruidegom; |
JOHANNES 4.
187
|
vriuiul dos bruidegoms stiuit en lioort hem nan, en verblijdt zich zeer over de stem des bruidegoms. Deze mijne blijdschap is nu volkomen ^ geworden. 30 Hij moet wassen, maar ik_moet afnemen. 31 Die van boven komt, is boven allen. Wie van de aarde is, is van de aarde en spreekt van de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. 32 En hij getuigt wat hij gezien en gehoord heeft, cn zijne getuigenis neemt niemand aan. 33 Maar wie haar aanneemt, bezegelt dat God waarachtig is; 34! want hij, dien God gezonden heeft, spreekt Gods woorden; want God geeft den Geest niet met mate. 35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft hem alles in zijne hand gegeven. Wie in den Zoon gelooft, heelt het eeuwige leven; maar wie den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. HOOFDSTUK 4. 1 Toen nu de Heer vernam dat het den Earizeën ter oore gekomen was, dat Jezus meer jongeren maakte |
en doopte dan Johannes — 3 hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne jongeren — 3 verliet hij Judéa en trok_ weder naar Galiléa. 4 En hij moest door Sa-marië reizen. 5 Toen kwam liij in eene stad van Samarië, genaamd Siehar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef gaf. 6 En aldaar was de Jakobs-bron. Toen nu Jezns moe- ; de was van de reis, zette hij zich alzoo neder bij de bron; en het was omtrent de zesde ure. 7 Toen kwam er eene vrouw van Samarië, om water te putten. Jezus zei-de tot haar: Geef mij te drinken. 8 Want zijne jongeren waren in de stad gegaan, om spijs te koopen. 9 De Samaritaansche vrouw nu zeide tot hem: Hoe begeert gij van mij te drinken, daar gij immers een Jood zijt en ik eene Samaritaansche vrouw ben? (Want de Joden hebben geene gemeenschap met de Samaritanen). 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Zoo gij de gave Gods kendet, en wie hij is die tot u zegt: Geef mij te drinken, gij zoudt |
JOHANNES 4.
1S8
|
hem hebben gevraagd, en hij zovi li levend water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tol hem: Heer, gij hebt immers niets, om mede te putten, en de put is diep: van waar hebt gij dan het levende water ? 12 Zijt gij meer dan onze vader Jakob die ons dezen put gegeven heeft, en hij zeil' heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee ? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Wie van dit water drinkt, zal weder dorsten; 1-1 maar wie van het water drinkt dat ik hem geven zal, zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat ik hem geven zal, zal in hem eeue bron van water worden, dat tot in het eeuwige leven springt. 15 De vrouw zeide tol hem: Heer, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet meer moet komen om te putten. 16 Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uwen man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide tot hem: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt recht gezegd: Ik heb geen man. |
18 Gij hebt vijl' mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet: daaraan hebt gij recht gezegd. 19 De vrouw zeide lot hem: Heer, ik zie dat gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op dezen l)erg aangebeden, en gijlieden zegt: ïe Jeruzalem is de plaals, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, de tijd komt, dat gijlieden noch op dezen berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. 22 Gijlieden weet niet wat gij aanbidt, maar wij weten wat wij aanbidden; want het heil komt van de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu alreeds, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid; want de Vader zoekt ook zulken die hem alzoo aanbidden. 24 God is geest, en wie hem aanbidden, moeten hem in geest en in waarheid aanbidden. 25 De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias komt (die Christus genoemd wordt); wanneer die zal komen, zal hij ons alles verkondigen. 26 Jezus zeide tot haar: |
JOHANNES 4.
189
|
Ik ben het, die met u spreek. 37 Ën daarop kwamen zijne jongeren, en verwonderden zich, dat hij met eene vrouw sprak ; nochtans zeide niemand : Wat vraagt gij ? of: Wat spreekt gij met haar? 38 Toen liet de vrouw hare kruik staan, en ging heen naar de stad, en zeide tot de lieden: 39 Komt, ziet een mensch die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: Zou deze niet de Christus zijn? 30 Toen gingen zij uit de stad en kwamen tot hem. 31 En ondertussohen noo-digden de jongeren hem, zeggende: Rabbi, eet. 33 Maar hij zeide tot hen: Ik heb eene spijs te eten, die gij niet kent. 33 Toen zeiden de jongeren onder elkander: Heeft iemand hem eten gebracht? 34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijs is dat ik doe den wil desgenen, die mij gezonden heeft en zijn werk volbrenge. 35 Zegt gij niet: Het zijn nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, ik zeg u: Heft uwe oogen op en ziet liet veld, want het is alreeds wit tot den oogst. |
30 En wie maait, ontvangt loon en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zij zich met elkander verblijden, beiden, die zaait en die maait; 37 want hier is de spreuk waar: Deze zaait, en een ander maait. 38 Ik heb u gezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt in hunnen arbeid gekomen. 39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan hel). 40 Toen nu de Samaritanen tot hem kwamen, verzochten zij hem dat hij bij hen zou blijven; en hij bleef daar twee dagen. 41 En nog velen meer geloofden om zijns woords wil, 42 en zeiden tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uw zeggen; want wij hebben zelve gehoord en erkend, dat deze waarlijk deChris-t us,de Heiland der wereld, is. 43 En na twee dagen ging hij van daar, en trok naar Galiléa; 44 want Jezus getuigde zelf, dat een profeet in zijn eigen vaderland niet geëerd wordt. |
.TOTTANNES 5.
190
|
45 Toen hij nu in Graliléa kwam, namen de Galileërs liem aan, daar zij gezien hadden al wat hij te Jeruzalem op liet feest gedaan had: want zij waren ook op het feest gekomen. 46 En Jezus kwam wederom te Kana in Galiléa, waar hij het water tot wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk [J/oveluu/], wiens zoon krank lag te Kapérnaüm. 47 Deze hoorde datJezus kwam uit Judea in Galiléa, en ging heen tot hem, en bad hem dat hij zou afkomen en zijnen zoon gezond maken; want die was doodkrank. 'I S En Jezus zeide tot hem: Indien gijlieden geen teekenen en wouderen ziet, zoo gelooft gij niet. 49 De koninklijke \Jiove-ling] zeide tot hem: Heer, kom af, eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de menseh geloofde het woord, hetwelk Jezus tot hem zeide, en ging heen. 51 Toen hij nu heenging , ontmoetten hem zijne knechten en herichttan hem, zeggende: Uw kind leeft. |
53 Toen vraagde hij hen in welke ure het beter met hem geworden was, en zij zeiden tot hem; Gisteren omtrent de zevende ure verliet hem de koorts. 53 Toen merkte de vader dat het op dezelfde ure was, in welke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft; I en hij geloofde met zijn : gelieele huis. 54 Dit nu is het tweede teeken, hetwelk Jezus deed, toen hij uit Judéa in Galiléa kwam. HOOFDSTUK 5. 1 Daarna was er een feest der Joden, en Jezus ging ; op naar Jeruzalem. 2 En er is te Jeruzalem 1 bij de Schaapspoort een bad-; water, dat in het Ho- breeuwsch genaamd is ]!oth-esda, hebbende vijf galerijen, 3 in welke vele kranken, blinden, lammen verdorden lagen, wachtende tot liet water zich bewoog. 4 (Want een Engel daalde neder te zijner tijd in het bad, en bewoog het water; wie nu het eerst, nadat het water bewogen was, er inging, werd gezond, met wat ziekte hij ook bevangen was). 5 En aldaar was een mensnli, die acht en dertig jaren krank gelegen had. C Toen Jezus dezen zag liggen, en vernam dat hij er reeds langen tijd gelegen |
JOHANNES
If)!.
|
had, zeicle hij tot liem: Wilt gij gezond worden? 7 De kranke antwoordde hem; Heer, ik heb niemand, die, als het water zioli beweegt, mij in het bad brengt; en als ik kom, zoo klimt er een ander vóór mij in. 8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw bed op en ga 1 heen. 9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn ' bed op en ging heen. En het was sabbat op dien dag. 10 Toen zeiden de Joden totdengene, die gezond geworden was: Het is heden sabbat; liet betaamt n niet het lied te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die zeide tot mij: ; Neem uw bed op en ga heen. 12 Tosn vraagden zij hem: Wie is de mensch, die tot ju gezegd heeft: Neem uw bed op en ga heen? 13 Maar die gezond geworden was wist niet wie hij was; want Jezus was geweken, dewijl er zooveel ■ volk in die plaats was. 14 Daarna vond Jezus hem in den tempel, en zeide tot hem: Zie toe, gij zijt gezond gewórden; zondig voortaan niet meer, opdat u niet wat ergers overkomn. |
15 De mensch ging heen en berichtte het den Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt had. 16 Daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij dit op den sabbat gedaan had. 17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nog toe, en ik werk ook. 18 Daarom zochten do Joden nu veelmeer hem te dooden, omdat hij nietalleen den sabbat brak , maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, en zich zei ven Gode gelijk maakte. 19 Toen antwoordde Jezus en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De Zoon kan niets van zich zei ven doen, dan wat hij den Vader ziet doen; want wat die doet, dat doet desgelijks ook de Zoon. 20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont hem alles wat hij doet, en zal hem nog grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwonderen zult. 31 Want gelijk de Vader (ie dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, wie hij wil. 23 Want de Vader oordeelt niemand, maar ai liet oordeel heeft iiij aan den Zoon gegeven, |
JOHANNES 5.
1Ö2
|
23 opdat allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Wie den Zoon niet eert, eert den Vader niet die hem gezonden heeft. 24) Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie mijn woord hoort, en hem gelooft, die mij gezonden heeft, heeft het eeuwige leven en komt niet in liet oordeel, maar hij is uit den dood tot het leven overgegaan. 25 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De ure komt en is nu reeds, dat de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren, en wie haar hooren zullen, zullen leven. 26 Want gelijk de Vader het leven heeftin zich zei ven, alzoo heeft hij aan den Zoon gegeven, het leven te hebben in zich zei ven, 27 en heeft hem macht gegeven zelfs het oordeel te houden, omdat hij des Men-pchen Zoon is. 28 Verwondert u niet daarover; want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn zijne stem zullen hooren, 2!) en zij die goed gedaan hebben zullen uitgaan tot de opstanding des levens, en die kwaad gedaan hebben tot de opstanding des oordeels. |
30 Ik kan van mij zeiven niets doen. Gelijk ik hoor, zoo oordeel ik, en mijn oordeel is recht; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik van mij zei ven getuig, zoo is mijne getuigenis niet waar: 32 een ander is er die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis waar is, welke hij van mij getuigt. 33 Gij hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft dei-waarheid getuigenis gegeven. 34 Doch ik neem geen getuigenis van een mensch, maar ik zeg dit, opdat gij zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en schijnende lamp, en gij hebt een kleinen tijd in zijn licht willen vroolijk zijn. 36 Maar ik heb eene groo-tere getuigenis dan de getuigenis van Johannes; want de werken, die de Vader mij gegeven heeft, om ze te volbrengen, deze werken die ik doe, getuigen van mij dat de Vader mij gezonden heeft. 37 Eu de Vader die mij gezonden heeft, heeft zelf van mij getuigd. Gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante i u-ezien, |
JOHANNES 6.
193
|
38 en zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft hem niet, dien hij gezonden heeft. 39 Gij zoekt in de Schriften , want gij meent in haar het eeuwige leven te hebben, en zij zijn het die van mij getuigen; 40 en gij wilt niet tot mij komen, opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geen eer van menschen ; 42 maar ik ken u, dat gij de liefde Gods niet in u hebt. 43 Ik ben gekomen in mijns Vaders naam, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander in zijn eigen naam zal komen, dien zult gij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelooven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer die van den eenigen God is niet zoekt ? 45 Gij zult niet meenen dat ik u bij den Vader zal aanklagen; er is een die u aanklaagt, Mozes, op wien gil hoopt. 46 Indien gij Mozes ge-loofdet, zoo geloofdet gij ook mij; want hij heeft van mij geschreven. 47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven ? |
HOOFDSTUK 6. 1 Daarna ging Jezus weg over de zee van Galiléa, of van Tibérias; 2 en veel volk trok hem na, omdat zij de teekenen zagen, die hij aandekranken deed. 3 En Jezus ging op een berg, en zette zich aldaar met zijne jongeren. 4 En Pasohen, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen hief Jezus zijne oogen op, en ziende dat veel volk tot hem kwam, zeide hij tot Filippus: Waar koo-pen wij brood, opdat deze eten mogen? 0 Doch dit zeide hij om hem te beproeven; want hij wist wel wat hij doen wilde. 7 Filippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is niet genoeg voor hen, opdat elk hunner een weinig neme. 8 Een zijner jongeren, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem: 9 Hier is een jongen die vijf gerstebrooden en twee visschen heeft; maar wat is dat onder zoovelen? 10 Doch Jezus zeide: Doet het volk nederzitlen. En er was veel gras op die plaats. Toen zetten zij zich neder, |
13
JOH ANN KS 6.
19 I-
|
do mannen ten getale van omtrent vijf duizend. 11 En Jezns nam de broo-den, dankte, en gaf ze aau de jongeren, en de jongeren aan degenen, die nedergeze-ton waren; desgelijks ook van de vissollen , zooveel zij wilden. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne jongeren: Vergadert deover-gebleven brokken , opdat er niets verloren ga. 13 Toen vergaderden zij ze, on vulden twaalf korren met brokken van do vijl' gerstebrooden, die overgebleven waren van degenen, die gegeten hadden. 14 Toen nu de mensclien liet teeken zagen dat Jezus gedaan had, zeiden zij; Deze is waarlijk de profeet die in de wereld komen zou. 15 Toen Jezus nu merkte; dat zij komen zouden, en sliem met geweld meevoeren , om hem koning te maken, ontweek hij wederom op den berg, hij alleen. 16 Toen het nu avond geworden was, gingen de jongeren at naaf/de zee, 17 en traden in tttltechip, en kwamen over de zee naar Kapérnaüm. En het was alreeds duister geworden, en Jezus was niet tot hen gokomen; |
18 en de zee verhief zich, dewijl er een sterke wind waaide. 10 Toen zij nu omtrent vijf en twintig of dertig stadiën ver geroeid hadden, zagen zij Jezus op de zee wandelen en nabij het schip komen; en zij vreesden. 20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, vreest niet! 21 Toen wilden zij hem in het schip nemen; en terstond was het schip aan het land, waarheen zij voeren. 22 Des anderen daags zag het volk, hetwelk aan de andere zijde der zee stond, dat aldaar geen ander schip was dan oen en dat Jezus niet met zijne jongeren in dat schip getreden was, maar dat zijne jongeren alléón weggevaren waren; 23 — doch er kwamen andere schepen van Tiberias nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden na de dankzegging des Hoeren — 24 toen clan liet volk zag dat Jezus daar niet was, noch zijne jongeren, traden zij ook in de schepen, en kwamen te Kapérnaüm, en zochten Jezus. 25 En toen zij hem vonden aan gene zijde der zee, zeiden zij tot hem; Eabbi, wanneer zijt gij hier gekomen ? |
JOH ANN ES O.
190
|
26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Gij zoekt mij, niet omdat gij teekenen gezien liebt, maar omdat gij van het brood gegeten hebt en verzadigd zijt geworden. 37 Arbeidt niet om de spijs, die ■ vergankelijk is, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke fles Menschen Zoon u geven zal; want dezen lieeft God de Vader bezegeld. 2S Toen zeiden zij tot hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is Gods werk, dat gij in dengene gelooft dien hij gezonden heeft. 30 Toen zeiden zij tot hem: Wat teeken doet gij dan, opdat wij het zien en n gelooven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven staat; //Hij gaf hun brood van den hemel te eten.// 33 Toen zeide Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Mozes heeft u geen brood van den hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood van den hemel; 33 waint het brood Gods |
is dat, hetwelk uit den hemel komt en der wereld het leven geeft. 34 Toen zeiden zij tot hem: Heer, geet ons altijd zulk brood. 35 En Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des 1p-\ vens; wie totrfffiiij komt, \ zal niet hongeren; en wie | in mij gelooft, zal nimmer- f meer dorsten. 7quot; 30 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij gezien hebt, en gij gelooft toch niet. 37 Al wat mijn Vader mij geeft, komt tot mij; en wie tot mij komt, dien zal ik niet uitstooten. 3S Want ik ben van den hemel gekomen, niet opdat ik mijnen wil zou doen, | maar den wil desgenen die mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil Vaders die mij gezondenquot; heeft, dat ik niets verlieze van al wat hij mij gegeven heeft,-maar dat ik het op-wekke ten jongsten dage./ 10 En dit is de wTTaes-genen die mij gezonden/ heeft, dgit ieder die den Zoon ziet en in hem gelooft, . het iSiiiwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 Toen murmureerden de Joden daarover dat hij gezegd had: Ik ben het brood. |
JOHANNES 6.
196
|
dat van den hemel gekomen is: 43 en zij zeiden : Is deze niet Jezus, Jozefs zoon, wiens vader en moeder wij kennen ? Hoe zegt hij dan; Ik ben van den hemel gekomen? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. 44 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader die mij gezonden heeft hem trekke; en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er staat geschreven in de profeten: //Zij zullen allen vaii (joTl~^eleerd zijn.// Een leder die van deir Vader hoort en leert, komt tot mij. 46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft, behalve die vau God is: deze heeft den Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie in mij gelooft, heeft het eeuwige leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uwe vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven; 50 dit is het brood dat van den hemel komt, opdat wie daarvan eet niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat van den hemel gekomen is; wie van dit brood eten zal, zal leven in eeuwigheid; eu het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor hetleven der wereld. |
52 ïoen twistten de Joden onder elkander en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vleescli te eten geven? 53 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Tenzij dat gij eet het vleesch van des Menschen Zoon, en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in u. 54 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten jongsten dage opwekken; | 55 want mijir vleesch is de ware spijs, en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, en ik leef door den Vader, alzoo, wie mij eet, zal ook leven door mij. 58 Dit is het brood dat van den hemel gekomen is; niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en gestorven zijn. Wie dit brood eet, zal leven in eeuwigheid. 59 Dit zeide hij in de synagoge, toen hij leerde te Kapérnaüm. 60 Velen nu van zijne |
JOHANNES 7.
1!)7
|
jongeren, die dit hoorden, zeiden: Dit zijn harde woorden; wie kan ze hooren? 61 Toen nu Jezus bij zich zeiven bemerkte dat zijne jongeren daarover murmureerden, zeide hij tot hen: Ergert u dit? 63 Hoe, wanneer gij dan des Menschen Zoon ziet opvaren daarheen, waar hij te Toren was? 63 ])e Geest is het die levend maakt, het vleesch heeft geen nut. De woorden die ik tot u spreek zijn geest en leven. 64 Maar er zijn sommigen onder n die niet ge-ïooven. Want Jezus wist, van den beginne, wie niet geloofden, en wie hem verraden zou. 65 En hij zeide: Daarom heb ik n gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij dat het hem gegeven zij van mijtien Vader. 66 Van toen af gingen velen van zijne jongeren terug, en wandelden voortaan niet meer met hem. 67 Toen zeide Jezus tot de twaalve; Wilt gij ook niet weggaan? 68 Doch Simon Petrus antwoordde hem: Heer, tot wien zouden wij heengaan? Gij hebt woorden des eeuwigen levens; |
69 en wij hebben geloofd en erkend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalve verkoren? En één van u is een duivel. 71 Hij nu sprak van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou hem verraden, en was een van de twaalve. HOOFDSTUK 7. 1 Daarna trok Jezus rond in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet rondtrekken, omdat de Joden naar zijn leven stonden. 2 En het feest der Joden, het Loofhuttenfeest, was nabij. 3 Toen zeiden zijne broeders tot hem: Maak u op van hier en ga naar Judéa, opdat ook uwe jongeren de werken zien, die gij doet; 4 want niemand doet iels in het verborgen, die zelf openbaar erkend wil zijn. Doet gij nu dergelijke dingen, zoo openbaar u voor de wereld. 5 Want ook zijne broeders geloofden niet in hem. 6 Toen zeide Jezus tot hen: Mijn tijd is er nog niet; maar uw tijd is er altoos. 7 De wereld kan u niét |
JOHANNES 7.
198
|
haten; maar mij haat zij, want ik getuig van haar lt;!at hare werken boos zijn. 8 Gaat gij op naar dit leest: ik wil nog niet opgaan naar dit leest, want mijn tijd is nog niet aanwezig. 9 En toen hij dit tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa. 10 Maar toen zijne broeders opgegaan waren, ging ook hij op naar het leest, niet openlijk, maar als in het verborgen. 11 Toon zochten de Joden hem op hot feest, en zeiden: Waar is hij? 12 En er was veel gemompel over hem onder liet volk. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar hij misleidt het volk. 13 Doch niemand sprak vrij van hem, uit vrees voor de Joden. 14 En in het midden van liet feest ging Jezus op in den tempel en leerde. 15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe kent deze de Schrift, daar hij ze immers niet geleerd heeft? 1G Jezus antwoordde hun en zeide; Mijne leer is niet de mijne, maar desgenen die mij gezonden heeft. |
17 Zoo iemand wil (Kens wil doen, hij zal erkennen of deze leer van God is, dan of ik van mij zeiven spreek. 18 Wie van zich zei ven spreekt, zoekt zijne eigene eer; maar wie de eer zoekt desgenen die hem gezonden heeft, is waarachtig, en geene ongerechtigheid is in liem. 19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waarom zoekt gij mij te dooden? 20 Het volk antwoordde en zeide: Gij hebt een boo-zen geest: wie zoekt u te dooden? 21 Jezus antwoordde en zeide: Een werk heb ik gedaan, en gij verwondert u allen daarover. 32 Omdat Mozes u de besnijdenis gegeven geeft, — niet dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen — zoo besnijdt gij een mensch op ! den sabbat. 23 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde, wordt gij dan toornig op mij, dat ik een geheelen mensch op den sabbat heb gezond gemaakt? 24' Oordeelt niet naar liet aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel! |
-
JOHANNES 7.
199
|
35 Toen meiden sommigen uit degenen, die van Jeruzalem waren: Is deze liet niet, dien zij zoeken te doo-den ? 26 En zie, hij spreekt vrij, en zij zeggen nem niets. Weten onze oversten nu werkelijk, dat liij waarlijk de Christus is? 27 Doch van dezen weten wij van waar hij is; maar wanneer de Christus komen zal, zoo zal niemand weten van waar hij is. 28 Toen riep Jezus in den tempel, en leerde en zeide: Ja, gij kent mij, en weet van waar ik ben; en van mij zeiven ben ik niet gekomen, maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft, dien gij niet kent. 29 Ik keu hem; want ik ben van hem, en hij heeft mij gezonden. 30 Toen zochten zij hem te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 31 Maar velen van het volk geloofden in hem, en zeiden: Wanneer de Christus komen zal, zal hij ook meer teekenen doen dan deze doet ? 32, En het kwam den Fari-zeën ter oore, dat het volk dit van hem mompelde; en de Earizeën en hoogepries-ters zonden dienaren uit, opdat zij hem grijpen zouden. |
33 Toen zeide Jezus tot hen: Ik ben nog een kleinen tijd bij u, en dan ga ik heen tot dengene die mij gezonden heeft. 34 Gij zult mij zoeken en niet vinden, en waar ik ben, kunt gij niet komen. 35 Toen zeiden de Joden onder elkander: Waar zal deze dan heengaan, dat wij hem niet zullen vinden ? Zal hij tot de verstrooiden onder de Grieken gaan, en de Grieken leeren? 36 Wat is dit voor een woord, dat hij zegt: Gij zult mij zoeken en niet vinden, en waar ik ben, kunt gij niet komen? 37 En op den laatsten dag van het feest, die de grootste was, trad Jezus op, riep en zeide: Indien iemand dorst, hij kome tot mij en drinke! 38 .Wie in mij gelooft, gelijk de Schrift zegt: St roomen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 En dit zeide hij van ï den Geest, welken zij, die in hem geloofden, ontvangen zouden; want de Heilige i Geest was er nog niet, omdat | Jezus nog niet verheerlijkt was. i 40 Velen nu van het volk, |
JOHANNES 8.
202
|
den, omdiit liij zegt: Waar ik lieenga kunt gij niet komen? 23 Eu hij zeide tot lien: (iij zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben niet uit deze wereld. 31 Deswege heb ik u gezegd dat gij sterven zult in uwe zonden; want indien gij niet gelooft dat ik het ben, zoo zult gij sterven in uwe zonden. 35 Toen zeiden zij tot hem: Wie zijt gij dan? En Jezus zeide tot hen: Diegene, dien ik u van den beginne beleed te zijn. 36 Ik heb veel van u te zeggen en te oordeelen; maar die mij gezonden heeft is waarachtig en hetgeen ik van hem gehoord heb, dat spreek ik lot de wereld. 37 Maar zij begrepen niet dat hij tot hen van den Vader sprak. 38 Toen zeide Jezus lot hen: Als gij des Menschen Zoon zult verhoogd hebben, dan zult gij erkennen dat ik het ben, en niets van mij zei ven doe, maar zóó spreek, gelijk mijn Vader mij geleerd heeft. 29 En die mij gezonden heeft is met mij: de Vader laat mij niet alleen, want ik doe altijd wat hem behaagt. |
30 Toen hij dat zeide, geloofden velen in hem. 31 Toen zeide Jezus tot de Joden die in hem 'geloofden: Indien gij blijven zult bij mijn woord, zijt gij waarlijk mijne jongeren, 32 en zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Toen antwoordden zij hem: Wij zijn Abrahams kroost en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden? 31 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie de zonde doet, is een slaaf der zonde. 35 De slaaf nu blijft niet eeuwiglijk in het huis; de zoon blijft eeuwiglijk. 36 Indien dan de Zoon u vrijmaakt, zoo zijt gij waarlijk vrij. 37 Ik weet wel dat gij Abrahams kroost zijt; maar gij zoekt mij te dooden, want mijn woord dringt niet bij u door. 38 Ik spreek wat ik van mijnen Vader gezien heb: gij doet ook wat gij van uwen vader gezien hebt. 3!) Zij antwoordden en zeiden lot hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot |
I
JOHANNES 8.
203
|
lieu: Lidicu gij Abralmras kinderen waart, dan zoudt gij Abrahams werkendoen; 40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een menscli, die u de waarheid gezegd heb, welke ik van God gehoord heb; dit heeft Abraham niet gedaan. 41 Gij doet uws vaders werken. Toen zeiden zij: Wij zij n niet onechtelijk geboren; wij hebben éénen vader, God. 43 Jezus zeide tot hen: Ware God uw vader, zoo zoudt gij mij liefhebbeu; want ik ben van God uitgegaan en gekomen; want ik ben niet van mij zeiven gekomen, maar hij heeft mij gezonden. 43 Waarom kent gij dan mijne spraak niet? Omdat gij mijn woord niet kunt hooren. 44 Gij zijt van den vader den duivel, en uws vaders lust wilt gij doen. Die was een moordenaar van den beginne, en is niet staande gebleven in de waarheid, want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit het zijne; want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45 Maar ik, omdat ik de waarheid zeg, zoo gelooft gij mij niet. |
46 Wie ouder u kan mij van zonde overtuigen? Maar indien ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij mij niet? 47 Wie uit God is, hoort Gods woorden; daarom hoort gij niet, want gij zijt niet uit God. 48 Toen antwoordden de Joden en zeiden tot hem; /eggen wij niet terecht, dat gij een Samaritaan zijt en een boozen geest hebt? 4'J Jezus antwoordde: Ik heb geen boozen geest, nuuir ik eer mijnen Vader, en gij on teert mij. 50 Ik zoek niet mijne eer, maar er is een, die haar zoekt, en die oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar ik zeg ïi: Zoo iemand mijn woord honden zal, zal hij den dood niet zien in eeuwigheid. 53 Toen zeiden de Joden tot hem: Nu weten wij dat gij een boozen geest hebt. Abraham is gestorven, en 'de profeten, en gij zegt: Zoo iemand mijn woord houdt, zal hij den dood niet smaken in eeuwigheid. 53 Zijt gij meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? En de profeten zijn gestorven: wat maakt gij van u zeiven?- 54 Jezus antwoordde: Indien ik mij zei ven eer, zoo |
JOHANNES 9.
20 !■
|
is mijne eer niets; maar mijn Vader is het die mij eert, van wien gij zegt dat hij uw God is, 55 en gij kent hem niet; maar ik ken hem, en ware het dat ik zeide: Ik ken hem niet, zoo werd ik een leugenaar, gelijk gij zijt; maar ik ken hem en houd zijn woord. 56 Abraham, uw vader, werd blijde dat hij mijnen dag zien zou, en hij zag hem en verheugde zich. 57 Toen zeiden de Joden tot hem; Gij zijt nog geen vijftig jaren oud, en hebt Abraham gezien? 58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Eer Abraham was ben ïk. 59 Toen namen zij steenen op, om ze op hem te werpen; maar Jezus verborg zich en ging uit den tempel. HOOFDSTUK 9. 1 En in het voorbijgaan zag hij een mensch die blind geboren was. 2 En zijne jongeren vraagden hem, zeggende: Eabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind geboren is? 3 Jezus antwoordde: Noeh deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maar opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. |
4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft, zoolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zoolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld. 6 Toen hij dat gezegd had, spuwde hij op de aarde, en maakte slijk 'uit dat speeksel , en streek dat slijk op de oogen des blinden, 7 en zeide tot hem: Ga heen naar het badwater Siloam (hetwelk vertaald is: gezonden) en wasch u. Toen ging hij heen en wiesch zich, en kwam ziende. i 8 De gebaren nu, en die hem te voren gezien hadden dat hij een bedelaar was, zeiden: Is deze 't niet die daar zat en bedelde ? 0 Sommigen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij gelijkt op hem. Maar hij zelf zeide: Ik ben het. 10 Toen zeiden zij tot hem: Hoe zijn uwe oogen geopend? 11 Hij antwoordde en zeide: De mensch, die Jezus genaamd is, maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide: Ga heen naar het badwater Siloam en wasch u. En ik ging licen en |
I
1
JOHANNES !).
305
|
wiescli mij , en werd ziende. 13 Toen zeiden zij tot hem: Waar is hij ? Hij zeide: Ik weet het niet. 13 Toen leidden zij hem, die te voren blind was, tot de Farizecn. 14 Eu het was sabbat, toen Jezus het slijk maakte en zijne oogen opende. 15 Toen vraagden hem ook de Furizeën wederom, hoe hij ziende was geworden; en hij zeide xot hen: Hij leide mij slijk op de oogen, en ik wiesch mij, en ben nu ziende. 1(1 Toen zeiden sommigen van de Farizecn: Die mensch is niet van God, omdat hij den sabbat niet houdt. Maar anderen zeiden : Hoe kan een zondig mensch zulke teekenen doen? En er ontstond tweedracht onder hen. 17 Zij zeitien wederom tot den blinde: Wat zegt gij van hem, dat hij uwe oogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een profeet. 18 De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij was blind geweest en ziende geworden, totdat zij de ouders riepen desgenen, die ziende geworden was; 19 en zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, dien gij zegt dat blind geboren is? Hoe is hij dan nu ziende? |
30 Zijne ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 31 maar hoe hij nu ziende is weten wij niet, of' wie hem zijne oogen geopend heeft weten wij ook niet; hij is oud genoeg, vraagt hem zeiven; laat hij voor zich zeiven spreken. 33 Dit zeiden zijne ouders omdat zij vreesden voor de Joden; want de Joden waren alreeds overeengekomen, dat, zoo iemand hem bekende de Christus te zijn, deze uit de synagoge gebannen zou worden. 33 Daarom zeiden zijne ouders; Hij is oud genoeg, vraagt hem zeiven. 31 Toen riepen zij ten tweeden male den mensch, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef' Goil dé eer i Wij weten dat deze mensch een zondaar is. 35 Hij antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is weet ik niet: één ding weet ik wel, dat ik blind was, en nu ziende ben. 36 Toen zeiden zij weder tot hem: Wat deed hij u? Hoe opende hij uwe oogen? 37 Hij antwoordde hun: |
n
JOHANNES 10.
200
|
Tk heb het u reeils gezegd en gij hebt het niet gehoord; waarom wilt gij het wederom hooren? Wilt gij óók zijne jongeren worden? 28 Toen vloekten zij hem. on zeiden: Gij zijt zijn jonger, maar wij zijn Mozes' jongeren. 29 Wij weten dat God met Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet van waar hij is. 30 De mensch antwoordde en zeide tot hen: Dit is een wonderlijk ding, dat gij niet weet van waar hij is, en hij heeft mijne oogen geopend. 31 En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort hij. 32 Van eeuwen her is liet niet gehoord, dat iemand een blindgeborene de oogen geopend heeft. 33 Was deze niet van God, liii zou niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij stieten hem uit. 85 Het kwam Jezus ter oore, dat zij hem uitge-stooten hadden; en toen hij hem vond, zeide hij tot hem: |
in den Zoon Gelooft gn Gods? 3G Hij antwoordde en zeide: Heer, wie is het, opdat ik in hem geloove? . 37 Jezus zeide tot hem: Gij hebt hem gezien, en din met u spreekt, die is hot. 38 En hij zeide: Heer, ik geloof; en hij viel voor hem neder. 39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat die niet zien, ziende worden, en die zien, blind worden. -10 En dit hoorden sommigen van de Earizeën, dio bij hem waren, en zeiden tot hem: Ziin wii dan ook blind? 41 Jezus zeide tot hen: Waart gij blind, dan zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zijn ziende, blijft uwe zonde. HOOFDSTUK 10. 1 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie niet door de deur ingaat in den schaapsstal, maar van elders inklimt, die is een diet en moordenaar; 3 maar wie door de deur ingaat, is een herder der schapen. 3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem , en hij |
I
|
JOH AN ' roept zijne schapen 1)ij name, en leidt ze uit. 4 En als hij zijne schapen ■ uitgelaten heeft, zoo gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, want zij kennen zijne stem. 5 Maar een vreemde volgen zij niet, maar vlieden van hem, want zij kennen de stem der vreemden niet. 6 Deze vergelijking zeide Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat het was, dat hij tot hen zeide. 7 Toen zeide Jezus wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. 8 Allen, die vóór mij gekomen zijn, zijn dieven en moordenaars geweest; maaide schapen hebben naar hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur: zoo iemand door mij ingaat, zal hij zalig worden, en zal in- en uitgaan, en weide vinden. 10 Een dief komt niet dan opdat hij stele, slachte en verderve; ik ben gekomen, opdat zij het leven en overvloed zouden hebben. 11 Ik ben de goede herder. De goede herder laat zijn leven voor de schapen; 12 maar de huurling, die geen herder is, wien de schapen niet toebehooren, |
NTKS in. 207 ziet den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolt grijpt en verstrooit de schapen; 13 cn de huurling vliedt, omdat hij een huurling is, en geen hart voor de schapen heeft. l'l Ik ben de goede herder, en ken do mijnen en word van de mijnen gekend; 15 gelijk de Vader mij kent, en ik den Vader ken ; cn ik laat mijn leven voor de schapen. 1G En ik heb nog andere schapen, die niet van dezen stal zijn; deze moet ik ook toebrengen, en zij zullen mijne stem hooren , en het zal éóne kudde en écn herder worden. 17 Daarom heeft do Vader mij lief, omdat ik mijn leven laat, opdat ik het wederneme. 18 Niemand neemt het van mij; maar ik laat het van mij zei ven: ik heb macht liet te laten en heb macht het weder te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. 19 Toen ontstond er wederom tweedracht onder de Joden over deze woorden. 30 Velen van hen zeiden: Hij heeft een boozen geest en is uitzinnig; wat hoort gij naar hem? |
JOHANNES 10.
208
|
31 Andereu zeiden: Uit ziju geen woorden eens be-1 zeteuen ; kan een booze geest ook de oogen der blinden openen? 22 En liet was het feest der tempelwijding te Jem-zalem, en het was winter; 23 en Jezus wandelde in den tempel, in den Zuilengang van Salomo. 2-i Toen omringden hem de Joden, en zeiden tot hem: Hoelang houdt gij onze ziel op? Indien gij de Christus zijt, zoo zeg het ons vrijuit. 25 Jezus antwoordde hun ; Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet. De werken die ik doe in mijns Vaders naam, die getuigen van mij; 2G maar gij gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. 27 Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij, 28 en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen nimmermeer verloren gaan, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. 29 Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is grooter dan allen, en niemand kan ze uit mijns Vaders hand rukken. 30 Ik en de Vader zijn eeu. |
31 Toen namen de Joden wederom steenen op, om hem te steenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Vele goede werken heb ik u getoond van mijnen Vader: om welk van die werken steenigt gij mij? 33 De Joden antwoordden hem, zeggende: Om het goede werk steenigen wij u niet, maar om de godslastering, en omdat gij, een mensch zijnde, u zeiven God maakt. 34 Jezus antwoordde hun: Staat er niet geschreven in uwe wet: //Ik heb gezegd: Gij zijt goden//? 35 Indien zij diegenen goden noemt, tot welke het woord Gods geschiedde, en de Schrift niet kan ontbonden worden, 36 zegt gij dan tot hem, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft; Gij lastert God, omdat ik zeg: Ik ben Gods Zoon? 37 Indien ik de werken mijns Vaders niet doe, zoo gelooft mij niet; 38 maar indien ik ze doe, zoo gelooft toch de werken, wilt gij mij niet gelooven; opdat gij erkent en gelooft dat de Vader in mij is, en ik in hem. 39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen, maar |
JOHANNES 11.
209
|
liij ontging uit hunne hand. 40 En hij trok weder heen naar gene zijde van de Jor-daan, tot de plaats waar Johannes te voren.gedoopt had, en hij bleef aldaar. 41 En velen kwamen tot hem en zeiden: Johannes deed geen teeken; maar alles wat Johannes van dezen gezegd heeft is waar. 43 En velen geloofden aldaar in hem. HOOFDSTUK 11. 1 En er lag een man krank, genaamd Lazarus, van Betli-anië, in het vlek van Maria en hare zuster Martha. 3 Maria nu was degene, die den Heer met zalfolie zalfde, en zijne voeten afdroogde met hare haren , welker broeder Lazarus krank lag. '6 Toen zonden zijne zusters tot hem, en Heten heui zeggen: lieer, zie, dien gij lief hebt ligt krank. 4 Toen Jezus dat hoorde, zeide hij: Deze krankheid is niet ten dooie, maar ter eere Gods, opdat de Zoon G ods daardoor geëerd worde. 5 En Jezus had Martha en hare zuster en Lazarus lief. 6 Toen hij nu hoorde dat hij krank was, bleef hij twee dag-en in de plaats | waar hij was. |
7 Daarna zeide hij tot zijne jongeren: Laat ons weder naar Judéa trekken. 8 Zijne jongeren zeiden tot hem: llabbi, onlangs wilden de Joden u steenigen, en gij wilt wederom derwaarts gaan? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Wie bij dag wandelt, stoot zich niet, want hij ziet het licht dezer Avereld; 10 maar wie bij nacht wandelt, stoot zich, want er is geen licht in hem. 11 Dit sprak hij, en daarna zeide hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt, maar ik ga heen om hem op te wekken. 12 Toen zeiden zijne jongeren : Heer, slaapt hij, zoo zal het beter met hem worden. 13 Doch Jezus sprak van zijnen dood; maar zij meenden dat hij sprak van den lichamelijken slaap. '14 Toen zeide Jezus tothen vrijuit: Lazarus is gestorven , 15 en ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij ge-looven moogt; maar laat ons tot hem gaan. 16 Toen zeide Thomas, die genaamd is Didymus \_TiD(idinrj\, tof, de jongeren: |
14
JOHANNES 11.
210
|
Laat ons medegaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus dan gekomen zijnde, vond hem reeds vier dagen in het graf liggende.— 18 Bethaniö nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën. — 19 En vele Joden waren tot Martha en Maria gekomen, om haar te troosten over haren broeder. 20 Toen Martha nu hoorde dat Jezus kwam, ging zij hem te gemoet; doch Maria bleef' in liet huis zitten. 31 ïoeu zeide Martha tot Jezus: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorven. 23 Maar ook nu nog weet ik, dat, wat gij van God bidt, God u dat geven zal. 23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal opstaan. 34 Martha zeide tot hem: Ik weet wel dat hij zal opstaan in de opstanding ten jongsten dage. 35 Jezus zeide tot haar; Ik ben de opstanding en het leveu; wie in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; 26 en wie leeft, en in mij gelooft, zitl nimmermeer sterven. Gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot hem: Ja, Heer, ik geloof dat gij zijt de Christus, do Zoon Gods, die in de wereld zou komen. |
28 En toen zij dat gezegil had, ging zij heen, en riep hare zuster Maria heimelijk, zeggende: De Meester is daar en roept u. 39 Deze, toen zij dat hoorde, stond haastig op en kwam tot hem. 30 Want Jezus was nog niet in het vlek gekomen, maar was nog in de plaats, waar Martha hem was te gemoet gegaan. 31 De Joden nu, die bij haar in het huis waren en haar troostten, toen zij zagen dat Maria haastig opstond eu uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat heen tot het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Toen nu Maria kwam waar Jezus was, en hem zag, viel zij iian zijne voeten , en zeide tot hem: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorven. 33 Toen Jezus haar zag wee-nen, en do Joden, die met haar kwamen, ook weenen, werd hij zeer ontroerd in den geest en bedroefd in zich zeiven, 34 en zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot hem: Heer, kom en zie het. 35 En Jezus weende. 3G Toen zeiden de Joden: |
i
.TOII ANN ES 11.
211
|
Zie, hoe lief hij hem had! 37 Maar sommigen van hen zeiden: Kon hij, die den blinde de oogen geopend heeft, niet maken dat ook deze niet stierf? 38 En Jezus werd wederom zeer ontroerd in zich zei ven, en kwam tot het graf; en het was eene spelonk, en een steen lag er voor. ■Ö'.) .Temszeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot hem: Heer, hij riekt al, want hij heeft vier dagen gelegen. 40 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelootdet, gij de heerlijkheid Gods zoudt zien? 41 Toen namen zij den steen weg, waar de gestorvene lag; en Jezus hief zijne oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dank u dat gij mij verhoord hebt. 42 Doeh ik wist dat gij mij altijd verhoort; maar om het volk dat rondom staat, zeg ik het, opdat zij gelooven dat gij mij gezonden hebt. 43 Toen hij dat gezegd had, riep hij met eene luide stem: Lazarus kom uit! 41 En de gestorvene kwam uit, gebonden met grafdoeken aan voeten en handen, en zijn aangezicht omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem gaan. |
45 Velen nu van de Joden die tot Maria gekomen waren , en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in hem; 46 maar sommigen vau hen gingen heen tot de Earizecn, en zeiden hun wat Jezus gedaan had. 47 Toen vergaderden do hoogepriesters en de Earizecn den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? Deze mensch doet vele teekenen. 48 Laten wij hem alzoo geworden, dan zullen allen in hem gelooven, en de Romeinen zullen komen en ons land en volk wegnemen. 49 Maar een van hen, Kajafiis, die in dat jaar hoogepriester was, zeide tot hen: Gij weet niets, 50 en gij bedenkt niet dat het ons beter is, dat écu mensch sterve voor liet volk, dan dat het geheele volk te gronde ga. 51 Maar dit zeide hij niet uit zich zei ven; maar, omdat hij dat jaar hoogepriester was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk; 52 en niet alleen voor het volk, maar opdat liij de kinderen Gods, die ver- |
JOHANNES 12.
212
|
strooid waren, zou vergaderen. 53 Van dien dag af beraadslaagden zij hoe zij hem dooden zouden. 5'! Jezus dau wandelde niet meer vrij onder de Joden , maar ging van daar in eene landstreek nabij de woestijn, in eene stad, genaamd Efraïm, en verbleef aldaar met zijne jongeren. 55 En het Paschen der Joden was nabij, en velen gingen op naar Jeruzalem uit die landstreek, voor Paschen, opdat zij zicli reinigden. 56 Zij zochten derhalve Jezus, en zeiden tot elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u, zou hij niet op het feest komen? 57 De hoogepriesters nu en de Earizeüu hadden een gebod laten uitgaan, dat, zoo iemand wist waar hij was, hij het te kennen zou geven, opdat zij hem mochten grijpen. HOOFDSTUK 12. 1 Zes dagen vóór Paschen kwam Jezus te Bethanic, waar Lazarus was, de gestorvene, dien hij had opgewekt uit de dooden. 2 Aldaar bereidden zij hem een maaltijd, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem aan tafel zaten. |
3 Toen nam Maria een pond zalfolie van onver-valschten kostelijken nardus, en zalfde de voeten van Jezus, en droogde met hare haren zijne voeten af'; én het huis werd vervuld van den geur der zalfolie. 4 Toen zeide een van zijne jongeren, Judas, Simons zoon, Iskariot, die hem daarna verried : 5 Waarom is deze zalfolie niet verkocht voor driehonderd penningen, en Jietgeld] den armen gegeven? 6 Doch dit zeide hij niet, omdat hij voor de armen bezorgd was, maar omdat hij een dief was, en dc beurs had, en droeg wat er gegeven werd. 7 Toen zeide Jezus: Laat haar met vrede; dit heeft zij bewaard tegen den dag mijner begrafenis. 8 Want armen hebt gij altijd bij u, maar mij hebt gij niet altijd. 9 Toen vernam een groote menigte der Joden, dat hij aldaar was; en zij kwamen niet alleen om Jezus' wil. maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij van de dooden opgewekt had. r.~ lü De hoogepriesters mi |
JOHANNES 12.
313
|
berajimdcn, (Int zij ook Lazarus (looclen zouden; 11 want om zijnentwil gingen vele Joden heen en geloofden in Jezus. 13 Des anderen daags, toen veel volk, dat op het feest gekomen was, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 namen zij palmtakken, en gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gelootd zij die komt in den naam dos Heeren, de koning van Israël! 14 En Jezus vond een jongen ezel, en reed daarop, gelijk geschreven staat: 15 //Vrees niet, gij dochter Sions! Zie, uw koning komt, rijdende op het veulen eener ezelin.// 16 Doch dit begrepen zijne jongeren in liet eerst niet; maar toen Jezus verheerlijkt was, gedachten zij er aan, dat dit van hem geschreven was, en dat zij hem dit gedaan hadden. 17 En het volk, dat bij hem was, toen hij Lazarus uit het graf riep en uit de dooden opwekte, getuigde dit. 18 Daarom ging ook het volk hem te gemoet, toen zij hoorden dat hij datteeken gedaan had. |
19 De Earizeën nu zeiden onder elkander: Gij ziet dat gij niet vordert; zie, de gc-heele wereld loopt hem na. 20 En er waren sommige Grieken, onder degenen die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden. 21 Deze traden tot Filip-pus, die van Bethsaïda uit Galilca was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus gaarne zien. 22 Fiiippus kwam en zeide het aan Andreas, en Fiiippus en Andréas zeiden het verder aan Jezus. 33 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De tijd is gekomen, dat des Menschen Zoon zal verheerlijkt worden. 34 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, zoo blijft zij alleen; maar indien zij sterft, brengt zij vele vruchten voort. 25 Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen; en wie zijn leven in deze wereld haat, zal het behouden ten eeuwige leven. 26 Wie mij dienen wil, volge mij; en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. En wie mij dienen wil, dien zal mijn Vader eereu. 37 Nu is mijne ziel bedroeft 1, en wat zal ik zeg- |
JOHANNES 13.
314
|
gen? Vader, lielp mij uit (leze ure? Doch hierom ben ik iu deze ure gekomen. 28 Vader, verheerlijk nwen naam! — Toen kwam er eene stem van den hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en zal hem wederom verheerlijken. 29 Toen zeide het volk, dat daarbij stond en toehoorde: Het dondert. Anderen zeiden: Een engel sprak met hem. 30 Jezus antwoordde en zeide: Deze stem is niet om mijnentwil geschied, maar om uwentwil, 31 Nu gaat het oordeel over de wereld; nu zal de vorst dezer wereld uitge-stooten worden; 33 en ik, wanneer ik verhoogd zal zijn van de aarde, zal allen tot mij trekken. 33 En dit zeide hij, om te beduiden welken dood hij sterven zou. 34 Toen antwoordde liet volk hem: Wij hebben gehoord uit de wet, dat de Christus eeuwiglijk blijft; en hoe zegt gij dan: Hes Menschen Zoon moet ver-lioogd worden? Wie is deze Zoon des menschen? 35 Toen zeide Jezus tot hen:quot;'Het licht'Js nog een kleinen tijd bij u: wandelt, terwijl gij het licht hebt. |
opdat de duisternis u niet overvalle; wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat. 36 Gelooft in het licht, terwijl gij het hebt, opdat gij kinderen des lichts zijt.— Dit zeide Jezus, en ging weg en verborg zich voor hen. 37 En hoewel hij zulke teekenen voor hen deed, geloofden zij toch niet in hem, 38 opdat vervuld werd het woord van den profeet Jesaja, dat hij gesproken heeft: /'Heer, wie gelooft onze prediking, en wien is de arm des Heeren geopenbaard ?// 39 Daarom konden zij niet gelooven; want Jesaja zegt wederom: 4t) //Hij heeft hunne oogen verblind en hun hart verstokt, opdat zij met de oogen niet zien, noch met het hart verstaan, en zicli bekeeren, en ik hen geneze.// 41 Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag en van hem sprak. 43 Echter 'geloofden ook velen van de oversten in hem; maar om der Parizeen wil beleden zij het niet, opdat zij niet in den ban gedaan werden; 43 want zij hadden de eer |
.1011 A NN KS 18.
315
|
bij de mensclien liever dan de eer bij God. 44 Jezus nu riep en zeide: Wie in mij gelooft , gelooft niet in mij, maar in den-gene die mij gezonden heeft; 45 en wie mij ziet, ziet dongene die mij gezonden heei't. 46 Ik ben in de wereld gekomen als een licht, opdat wie in mij gelooft niet in de duisternis blijve. 47 En wie mijne woorden hoort eu niet gelooft, dien zal ik niet oordeelen; want ik ben niet gekomen, opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zalig make. 48 Wie mij veracht en mijne woorden niet aanneemt, heeft alreeds wie hem oordeelt: het woord, dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten jong-sten dage. 49 Want ik heb uit mij zei ven niet gesproken; maar de Yader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen en wat ik spreken zal. 50 En ik weet dat zijn gebod het eeuwige leven is. Daarom, wat ik spreek, spreek ik zóó, gelijk de Vader mij gezegd heeft. HOOFDSTPK 13. |
1 En vóór het Paaschfeest, toen Jezus wist dat zijn tijd gekomen was, dat hij uit deze wereld zou gaan tot den Vader, gelijk hij de zijnen die in de wereld waren had liefgehad, zoo had hij hen lief tot aan het einde. 3 En bij den maaltijd, — toen reeds de duivel Judas, Simons zoon, Iskariot in het hart gegeven had dat hij hem verraden zou — 3 toen Jezus wist dat de Vader hem alles in zijne handen gegeven had, en dat hij van God gekomen was en tot God heenging, 4 stond hij op van den maaltijd, leide zijne kleederen af, en nam een linnen doek en omgordde zich. 5 Daarna goot hij water in een bekken, en begon den jongeren de voeten te was-schen , en ze af te drogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was. 6 Toen kwam hij tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heer, zoudt gij mij de voeten -wasschen? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het daarna ontwaren. 8 Toen zeide Petrus tot hem: Nimmermeer zult gij mij de voeten wasschen. Jezus antwoordde Item; Indien |
JOHANNES 13.
31R
|
ik u niet wasch, zoo hebt gij geen deel aan mij. (.) Simon Petrus zeide tot hem: Heer, niet alleen de roeten, maar ook de handen en liet hoofd. 10 Jezus zeide tot hem: Wie gevvasschen is, behoeft niet dan de voeten te was-schen, en hij is reeds geheel rein; en gijlieden zijt rein, maar niet allen. 11 Want hij wist wie hem verraden zou; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein. 13 ïoen hij nu hunne voeten gewasschen had, nam hij zijne kleederen, en zette zich weder neder, en zeide lot hen: Weet gij wat ik u gedaan heb? 13 Gij noemt mij Meester en Heer, en zegt dit te recht, want ik ben het ook. 14 Indien dan ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewasschen heb, zoo zult gij ook elkander de voeten was-scben. 15 Want een voorbeeld heb ik n gegeven, opdat gij doet gelijk ik u gedaan heb. 16 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: I)e knecht is niet grooter dan zijn heer, noch de afgezant grooter dan die hem gezonden heeft. 17 Indien gij dit weet, zalig zijt gij zoo gij het doet. |
IS Tk zeg het niet van u allen; ik weet wie ik verkoren heb, maar opdat de Schrift vervuld worde: //Die mijn brood eet, heft den voet tegen mij op.// 19 Nu zeg ik het u, eer hetgeschiedt, opdat, wannfeer het geschied is, gij gelooven moogt dat Ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar ik zeg ii: Wie iemand aanneemt dien ik zend, neemt mij aan; en wie mij aanneemt, neemt dengene aan die mij gezonden heei't. 31 Toen Jezus dit gezegd had, werd hij ontroerd in den geest, en betuigde en zoide: Voorwaar ik zeg u: Een van u zal mij verraden. 33 ïoen zagen de jongeren elkander aan, en waren in twijfel van wien hij dat zeide. 23 En er was een van zijne jongeren, zittende aan tafel aan de borst van Jezus, dien Jezus liefhad. 24 Dezen wenkte Simon Petrus, dat hij vragen zou wie het was van wien hij dit zeide. 35 Deze nu, liggende aan Jezus1 borst, zeide tot hem: Heer, wie is het? 20 Jezus antwoordde: Deze is het, dien ik de ingedoopte bete geven zal. En hij doopte de bete in, en gaf ze aan |
JOHANNES 14.
217
|
Judas, Simons zoon.Iskariot. 37 En na de bete voer de satan in hem. Toen zeide Jezus tot hem: Wat gij doet, doe dat haastig. 38 Maar niemand aan'tafel wist, waarom hij hem dat zeide. 39 Sommigen meenden, dewijl Jndas de beurs had, dat Jezus tot uem zeide: Koop wat ons noodig is op het feest; of dat hij den armen wat geven zou. 30 Toen hij nu de bete genomen had, ging hij terstond uit; en het was nacht. 31 En toen hij uitgegaan was, zeide Jezus: Nu wordt des Menschen Zoon verheerlijkt, en God wordt verheerlijkt in hem. 33 Is God verheerlijkt in hem, zoo zal God hem ook verheerlijken in zich zeiven, en zal hem welhaast verheerlijken. 33 Kinderen, ik ben nog een kleinen tijd bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik tot de Joden gezegd heb: Waar ik heenga, kunt gij niet komen, zoo zeg ik nu ook u. 34 Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief-hebt ; gelijk ik u heb liefgehad , dat ook gij elkander lief hebt. 35 Daaraan zal ieder erkennen datgij mijne jongeren |
zijt, zoo gij liefde onder elkander hebt. 36 Simon Petrus zeide tot liem: Heer, waar gaat gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar ik heenga, kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij daarna volgen. 37 Petrus zeide tot hem: Heer, waarom kan ik u nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor u laten. 38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor mij laten? Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De haan zal niet kraaien, totdat gij mij driemaal zult verloochend hebben. HOOFDSTUK 14. 1 [En hij zeide tot zijne jongereni] Uw hart ont-roere niet; gelooft in God, en gelooft in mij. 3 In mijns Vaders huis zijn vele woningen: indien het niet zoo was, dan zou ik het u gezegd hebben; ik ga heen, om u plaats te bereiden. —7 .3 En als ik heengegaan ' ben en u plaats bereid heb, zal ik wederkomen en u tot mij nemen, opdat gij zijn moogt waar ik ben. 4 En waar ik heenga weet gij, en den weg weet gij ook. 5 Thomas zeide tot hem: Heer, wij weten niet waar |
JOHANNES J I.
SIS
|
gij heengiuit, en hoe kunnen wij den weg weten? 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg, en de waarheid , en het leven; niemand komt tot den Vader dan door mij. 7 Ware liet dat gijlieden mij kendet, zoo kendet gij ook mijnen Vader; en van nu af kent gij hem en hebt hem gezien. 8 Filippus zeide tot hem: Heer, toon ons den Vader, en wij zijn voldaan. 9 Jezus zeide tot hem: Zoolang ben ik bij ulieden, en gij kent mij niet, Filippus? Wie mij ziet, ziet den Vader; hoe zegt gij dan: Toon ons den Vader? 10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is? De woorden die ik tot ulieden spreek, spreek ik niet uit mij zeiven, maar de Vader die in mij woont, die doet de werken. 11 Gelooft mij dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is; zoo niet, gelooft mij dan toch om de werken. 13 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie in mij gelooft, die zal de werken ook doen die ik doe, en zal grootere dan deze doen; want ik ga tot den Vader. |
13 Eu al wat gij bidden zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader geëerd worde in den Zoon. 14 Zoo gij iets bidden zult in mijnen naam, ik zal het doen. 13 Hebt gij mij lief,quot;zoo houdt mijne geboden, 16 en ik zal den Vader bidden, en hij zal u een anderen Trooster geven, opdat hij bij ii blijve eeuwiglijk: 17 den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij u en zal in u zijn. 18 Ik zal u geen weezen laten; ik kom tot u. 19 Het is nog een kleine tijd, en de wereld ad mij niet meer zien; maar gij zult mij zien, want ik leef en gij zult ook leven. 30 Op dien dag zult gij erkennen dat ik in mijnen Vader ben, en gij in mij, en ik in u. 31 Wie mijne geboden heeft en ze onderhoudt, die is het die mij liefheeft; en wie mij liefheeft, zal door mijnen Vader bemind worden , en ik zal hem liefhebben en mij aan hem openbaren. 33 Judas (niet Iskariot) |
JOHANNES IS.
21'.)
|
zeitle tot Leni; Heer, wat is dit, dat gij ii aan ons zult openharen en niet aan de wereld? .quot;23 Jezus antwoordde cn zeide tot liem: Wie mij liefheeft, zal mijn woord onderhouden; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken. 24 Maar wie mij niet liefheeft, onderhoudt mijne woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet het mijne, maar des Vaders die mij gezonden heeft. 23 Dit heb ik tot u gesproken , terwijl ik bij u geweest ben; 26 maar de Trooster, de Heilige Geest, dien mijn Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en u indachtig maken alles, wat ik u gezegd heb. 27 Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u: niet gelijk de wereld hem geeft, geef ik hem u. TJw hart ontroere niet en vreeze niet. 28 Gij hebt gehoord dat ik tot u gezegd heb: Ik ga heen cn kom weder tot u. Hadt gij mij lief, zoo zoudt gij u verblijden, omdat ik gezegd heb; Ik ga tot den Vader; want de Vader is grooter dan ik. |
2!) En nu heb ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat, als het geschieden zal, gij gelooft. 30 Ik zal voortaan niet veel meer met u spreken; want de vorst dezer wereld komt, en heeft niets aan mij. 31 Maar opdat de wereld erkenne dat ik den Vader liefheb, en al zoo doe, gelijk de Vader mij geboden heeft: staat op, en laat ons van hier gaan! HOOFDSTUK 15. 1 Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de wijngaardenier. 2 Elke rank aan mij, die geen vrucht draagt, zal hij wegnemen; en elke die vrucht draagt, zal hij reinigen , opdat zij meer vrucht drage. 3 Gij zijt nu rein vanwege het woord dat ik tot u gesproken heb. 4 Blijft in mij, en ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen van zich zelve, indien zij niet aan den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft- 5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. |
JOHANNES 15.
220
|
6 Wie niet in mij blijft, wordt weggeworpen, gelijk eene rank, en verdort; en men vergadert ze, en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. 7 Indien gij in mij blijft eu mijne woorden in u blijven-, zoc(**znTir=gij bidden wat gij wilt, en het zal u geschieden. S Daarin wordt, mijn Vader geëerd, dat gij veel vrucht draagt, en mijne jongeren wordt. 9 Gelijk de Vader mij liefheeft, zoo heb ik ook n lief: blijft in mijne liefde. 10 Indien gij mijne geboden onderhoudt, zoo blijft gij in mijne liefde, gelijk ik de gebfxfen mijns Vaders quot;■onderhoStTen blijf in ziine liefde. 11 Dit spreek ik tot u, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap volkomen worde. 13 Dit is mijn gelegd , dat gij elkander lief hebt, gelijk ik u liefheb. 13 Niemand heeft grooter lielde dan die zijn leven laat voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vriea^ien, zoo gii doet hetgeen ik u ge- Jial. |
15 Ik noem n niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, heb ik u bekend gemaakt. 16 Gij hebt mij niet verkoren, maar ik heb u verkoren , en ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en uwe vruch t blijve; opdat al wat gij van den Vader bidden zidt in mijnen naam, hij u dat geve. 17 Dit gebied ik u, dat gij elkander liefhebt. IS Indien de werelduhaat, zoo weet dat zij mij vóór u gehaat heeft. 19 Waart gij van de wereld , zoo zou de wereld het hare lief hebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt aan het woord dat ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet grooter dan zijn heer. Hebben zij mij vervolgcT. zij zullen ^ bok vervolgen; hebben zij mijn woord onderhouden, zij zullen het uwe ook onderhouden. 31 Maar dit alles zullen zij u doen om mijns naams wil, want zij kennen hem niet die mij gezonden heeft. 33 Indien jjj; i^et gekomen was en het hun gezegd had. |
JOHANNES 10.
221
|
zoo hadden zij geen zonde; maar nu kunnen^zij niets voorwenden om hunne zonSe te verontschuldigen. 33 Wiequot;^nij haat, haat ook mijnen Yader. I 3-i Indien ik onder hen de * werken niet gediian had, die geen ander gedaan heeft, hadden zij geen zoude; maar nu hebben z;j ze üjezien. , en haten echter beiden, mij en iftffnen Vader. 25 Doch zoo moest het woord vervuld worden, dat in mmne wet geschreven is: //Zij i haten mij zonder oorzaak.// 26 Maar wanneer de Trooster komen zal, dien ik uzenden zal van den Vader, de ^ Geest der waarheid die van deu Vader uiügaat, die zal van luij getuigen; 27 en gij zuTtook getuigen, want gij zijt van den beginne af bij mij geweest. HOOFDSTUK 16. 1 Uit heb ik tot u gesproken, opdat gij u niet ergert. 2 Zij zullen u uit de synagoge bannen; ja de tijd komt, dat ieder die ii doodt, meenen zal Gode een dienst te doen. 3 En dit zullen zij u doen, omdat zij noch mijnen Vader, noch mij kennen. |
4 Maar dit heb ik tot u gesproken, opdat gij, als de tijd komen zal, or tuin gedenkt dat ik het u gezegd heb. Doch dit heb ik u van het begin af niet gezegd, want ik was bij u. 5 En nu ga ik heen tot dengene die mij gezonden heeft, en niemand onder u vraagt mij: Waar gaat gij heen ? 6 Maar omdat ik dit tot u gesproken heb, zoo is uw hart vol treurigheid geworden. 7 Doch ik zeg u de waarheid: Het is u goed dat ik heenga; want indien ik niet heenga, zoo komt de Trooster niet tot u; maar indien ik ga, zoo zal ik hem tot u zenden. 8 Eii als die komt, zal hij de wereld overtuigen van zoude, van gerechtigheid , én van oordeel: 9 van zonde, omdat zij in mij niet gelooven; TO en van gerechtigheid, omdat ik tot deu Vader ga, en gij mij voortaan niot meer zien zult; 11 en van oordeel, omdat de vorst dezer 'wereld gc-oordamp;Hquot; is.^ 13 Ik heb u nog veel te zeggen, doch gij kunt het nu niet dragen; 13 maar wanneer deze, de Geest der waarheid, komen |
JES 16.
een kleine wijle zult gij mij zien? —
20 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; Gij zult weenen i en klagen, en de wereld zal ƒ zich verblijden, maar gij zult treurig zijn; doch uwe treurigheid zal tot vreugde worden.
21 Eene vrouw, als zij baart, heeft treurigheid, want hare ure is gekomen; maar als zij het kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer aan de benauwdheid, om de blijdschap dat een raensch ter wereld geboren is.
22 Zoo hebt gij nu ook treurigheid, maar ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u nemen.
23 En op dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar , voorwaar, ik zeg u: Al wat gij den Vader bidden znlt in mijnen naam, zal hij u geven.
21' Tot nog toe hebt gij niets gebeden in mijnen naam. Bidt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap volkomen zij.
25 Dit heb ik in gelijkenissen tot u gesproken; maar de tijd komt dat ik niet meer in gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit verkondigen van den Vader.
222 JO IT AN'
sïiI , zal liij ii in alle waarheid leiden; want hij^al zich zei ven niet spreken , maar hetgeen hij hoo-ren zal, zal hij spreken,en wat toekomende is, zal hij u ve'rftohdigënquot;.
14. Die zal mij verheerlijken;' want van het miine Ziil hij het nemen, en net ii verkondigen.
quot;15 Al wat de Vader heeft is het mijne. Daarom heb ik gezegd; Hij zal het van het mijne nemen en u verkondigen.
lö Over een kleine wijle znlt gij mij niet zien, en wederom over een kleine wijle zult gij mij zien; want ik ga tot den Vader.
17 Toen zeiden eenigen van zijne jongeren tot elkander ; Wat is dit, dat hij tot ons zegt: Over een kleine wijle znlt gij mij niet zien, en wederom over een kleine wijle zult gij mij zien; en: Ik ga tot den Vader?
18 Dus zeiden zij: Wat is dit, dat hij zegt: Over een kleine wijle? Wij weten niet wat hij zegt.
19 Toen merkte Jezus dat zij hem wilden vragen, en zeide tot hen: Daarover vraagt gij onder elkander, dat ik gezegd heb; Over een kleine wijle zult gij mij niet zien, en wederom over
*
iOHANNKS 17.
223
|
26 ïe dien dage zult gij bidden in mijnen naam; Jen ik zeg u niet dat ik den Vader voor u bidden : zal; 37 want hij, de Vader ^zelt, lieeft u lief, omdat igij mij lief hebt, eu gelooft, ■ dat ik van God ben nit-fgegaan. 28 Ik ben van den Vader .uitgegaan en in de wereld Igekomen; wederom verlaat ik de wereld en ga tot den | Vader. 29 Zijne jongeren zeiden jtot hem: Zie, nu spreekt ■ gij vrijuit en zegt geen gelijkenis. 30 Nu weten wij dat gij alle dingen weet, eu niet noodig hebt dat iemand u vraagt; daarom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt. 31 Jezus antwoordde hun: Nu gelooft gij? 33 Zie, de ure komt en is alreeds gekomen, dat gij verstrooid zult worden, elk naar het zijue, en mij alleen laten. Maar ik ben niet alleen, want do Vader is met mij. 33 Dit heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wefetd lïêbt gij verdrukking; maar hebt goeden moéd, quot;ik heb de wereld overwonnen. |
HOOFDSTUK 17. 1 Uit sprak Jezus, en hief zijne oogen op naar den hemel, en zeidt;: Vader,'de ure is gekomen: verheerlijk uwen Zoon, opdat uw Zoon u ook verheerlijke; 3 gelijk gij hem macht gegeven hebt over alle vleesi-h, opdat hij het eeu-wïge leven geve aan allen die gij hem gegeven hebt, 3 En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den alleeu waren God, eu dien gij gezonden hebt, Jezus Christus. 4 Ik heb u verheerlijkt op de aarde, en voleindigd het werk, dat gij mij gegeven hebt om te doen. 5 Eu nu Vader, verheerlijk mij bij u zei ven , met de heerlijkheid die ik bij u had, eer de wereld was. (5 Ik heb uwen naam geopenbaard aan de men-schen, die gij mij van de wereld quot;Ségeven hebt. Zij waren de uwen, en gij hebt ze quot;mij gegeven, en zij hebben uw woord onderhouden. 7 Nu.e1fêlen zij,quot;clat al wat gij mij gegeven hebt van u is; 8 want de woorden die gij mij gegevenquot; TeljT, heb ik hun gegeven, cn zij hebben zo aangenomen, en |
224 JOHANNES 17.
15 Ik hul niet dat gij ze van de wereld neemt, maar dat gij ze bewaart voor den
hebt. ^ kwade.
1) Ik bid voor heu; ik Ttgt; Ta] zijn niet van de bid niet voor deIroreld. wereld, gelijk ik ook niet' maar-voor degenen Ttre g;i] van de wereld uen. mii quot;eo-ev-en liebt, \vant zij 17 Heilig ze in uwe waar-j zijn dequot;uwen. H beid ; uw wooi'J js wtuir-
10 En'aTwat het mijne is, iTreiJT. jr-
is het uwe, en wat het uwe ' IS Gelijk gij mij gezonden is, is het mijne; en ik ben hebt m de werèltT; zoo zend in hen verheerlijkt. ! ik ze ook in de wereld;
IT-En ik ben niet meer ; W en ik heilig mij zeiven in de wereld, maar zij zijn voor hen, opdat ook zij in de wereld, en ik kom geheiligd mogen zijn in de tot u. Heilige Vader! on- waarheid.
derhoud ze in uwen naam, jfli ik bid met aUeen
die gij imj gegeven hebt; ! voor hen,1ïiaarboKvoorde; opdat zij één' zijn gelijk ^ genen, die door hun \5j0rd wij. — in mi) gelooven zullen,
12 Terwijl ik bij lien in j 21 opdat zij allen ecu zijn.
de wereld was, onderhield : gelijk gij Vader in mij, en ik ik ze in uwen naam; wie in u, opdat ook zij in ons een gij mij gegeven hebt, Tïeü-zijn; opdat de wereld géloove ik bewaard, en er is nie- dat gij mij gezonden hebt. mailcT van' hen verloren 23 En ik heb hun gegeven gegaan, dan alléén clezoon de heerlijkheid, die gij mij des verderfs, opdat de gegeven hebt , opdat zij een Schrift vervuld worde. ^ zijn gelijk wij één zijlij _ '^IS^SlaaTnïï kom ik tot 23 ik in hen, en gij in u, en spreek dit in de we- mij; opdat zij volkomen tot reld, opdat zij mijne blijd- één zijn, en de wereld er-schap volkomen ' in quot;zETi! kenne dat gij mij gezonden -tteïïben. hebt, en hen liefhebt gelijk
14 Ik heb hun uw woord I gij mij liefhebt.
o-egeven, en de werelcT haat 24 Vader! ik wil dat waar y.ti- want zij zijTTmél van ik ben, ook diegenen bij mij
-de wereldTgelijklF ook r^n, die gij uigegeven hebt
niet van de wereld ben. opdaiTzij mijne heerlijkheid
waarlijk erkend dat ik van u ben uitgegaan, en geloo-ven dat gij mij gezonden
|
JOlIiVTST zien, die gij mij gegeven hebt; want gij hebt mij liefgehad eer de grond der wereld gelegd was. 25 Rechtvaardige Vader! de wereld kent u niet; maar ik ken u, en deze erkennen dat gij mij gezonden hebt; 26 en ik heb hun uwen naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken, opdat de liefde, met welke gij mij liiThibt , in Tien zij, en ik in hen. quot;quot;quot; TlOOFDSTUK 18. 1 Toen Jezus dit gesproken had, ging hij uit met zijne jongeren over de beek Kedron, alwaar een hof was, in welken hij ging met zijne jongeren. 2 En Judas, die hem verried, wist die plaats ook, want Jezus was dikwijls aldaar vergaderd geweest met zijne jongeren. 3 Toen nu Judas niet zich genomen had de schare en de dienaars der hoogepriesters en Farizeiin, kwam hij aldaar met fakkels, lampen en wapenen. 4 Jezus nu, wetende al wat hem overkomen zou, ging uit en zeide tot hen: Wien zoekt gij? 5 Zij antwoordden hem: Jezus van Nazaret. Jezus zeide tot hen; Ik ben het. |
JES 18. 225 En Judas, die hem verried, stond ook bij hen. 6 Toen nu Jezus tot hen zeide: Ik ben het, weken zij terug en vielen ter aarde. 7 Toen vraagde hij hun nog eens: quot;Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus van Na-zaret. 8 Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat ik het ben: zoekt gij mij dan, zoo laat deze gaan! — !) opdat bet woord vervuld werd wat hij gezegd had : Ik heb niemand van diegenen verloren, die gij mij gegeven hebt. — 10 Simon Petrus nu had een zwaard , en trok het uit, en sloeg naar des hoogepriesters dienstknecht, en hieuw hem het rechteroor af. En de dienstknecht was genaamd Malei) us. 11 Toen zeide Jezus tot Petrus : Steek uw zwaard in de scheede. Za.1 ik den kelk niet drinken, dien de Vader mij gegeven heeft? 12 De schare nu en de opperste hoofdman en de dienaars der Joden namen Jezus en bonden hem, 13 en leidden hem eerst tot Annas; want deze was de schoonvader van Kajafas, die in dat jaar hoogepries-ler was. 14 Kajafas nu was degene |
15
.TOTTANNES 18.
22fi
die den Joden geraden had, dat het goed was dat één tnensch voor het volk stierf. •15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een andere jonger. Deze jonger was den hooge-priester bekend, en ging met Jezus het hot des hooge-priesters binnen;
16 maar Petrus stond buiten voor de deur. Toen ging de andere jonger, die den hoogepriester bekend was, uit, en sprak met de deur-wachtster , en bracht Petrus binnen.
17 Toen zeide de dienstmaagd , de deurwachtster, tot Petrus: Zijt gij niet ook een der jongeren van dezen mensch? Hij zeide: Ik ben het niet.
18 En de knechten en dienaars stonden, en hadden een kolenvuur gemaakt, want het was koud, en warmden zich. En Petrus stond bij hen en warmde zich.
19 En de hoogepriester vraagde Jezus naar zijne jongeren en naar zijne leer.
30 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrij in het openbaar gesproken voor de wereld; ik heb altijd geleerd in de synagoge en in den tempel, wnar alle Joden te zamen komen, en heb niets in het verborgen gesproken
21 Wat vraagt gij mij daarnaar? Vraag diegenen daarnaar, die geboord hebben wat ik tot hengesproken heb; zie, deze weten : wat ik gezegd heb.
23 En toen hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stonden, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Zult gij den hoogepriester alzóó antwoorden?
23 Jezus antwoordde hem: Heb ik kwalijk gesproken, zoo bewijs dat het kwaad is; heb ik recht gesproken, waarom slaat gij mij?
24 Annas nu had hem gebonden gezonden tot den hoogepriester Kiijafas.
25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Toen zeiden zij tot hem: Zijt gij niet ook een van zijne jongeren? Maar hij loochende het, en zeide; Ik ben het niet.
2G Een van des hooge-priesters dienstknechten, een bloedverwant desgenen, wien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Zag ik u niet in den hof bij hem?
27 Toen loochende Petrus het wederom; en terstond kraaide de haan.
28 Nu leidden zij Jezus van Kajafas naar het rechthuis ; en het was vroeg. En zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontrei-
JOH.VN^ES 10.
227
|
nigd zouden worden, maar het Pascha eten mochten. 29 Toen ging Pilatus tot hen uit, en zeide: Welke beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch in ? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Ware deze geen kwaaddoener, wij zouden hem u niet overgeleverd hebben. 31 Toen zeide Pilatus tot hen: Neemt gij hem dan, en oordeelt hem naar uwe wet. Toen 'zeiden de JotTen tot hem: Wij mogen niemand dooden; ■— 32 opdat vervuld werd Ihett woordf van Jezus, dat I hij gezegd nad, toen hij te kennen gaf welk een dood hij sterven zou. ■— 3 3 Toen ging Pilatus weder binnen in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de koning der Joden? 34 Jezus antwoordde: Zegt gij dit van u zei ven, of' hebben anderen het u van mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood ? Uw volk en de hoogepriesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn rijk is niet van deze wereld; indien mijn rijk van deze wereld was, zouden |
mijne dienaars voor mij gestreden hebben, dat ik den Joden niet overgeleverd werd; maar nu is mijn rijk niet van hier. 37 Toen zeide Pilatus tot hem: Zoo zijt gij dan toch een koning ? Jezus nnt woord - : de: Gij zegt het; ik ben | een koning. Ik ben daartoe i geboren en in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis geveiw.ou. Wie uit de waarheid is, Éj^ hoort mijne stSWquot;quot;*1 1quot; 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En toen hij dat gezegd had, ging hij weder uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in hem. | 39 Doch gij hebt eene gewoonte, dat ik u op Pa-schen éénen loslaat. Wilt | gij mv dat ik u den koning , der Joden loslate? j 40 Toen schreeuwden zij : allen wederom, zeggende: Niet dezen, maar Barabbas! En Barabbas was een moordenaar. HOOFDSTUK 19. 1 Toen nam Pilatus Jezus en geeselde hem. 2 En de krijgsknechten vlochten eene kroon van doornen, en zetten die op rfjlTTióofd, en deden hem een purperen kleed aan, |
,
|
228 3 en zeiden: Weesgegroet, gij koning der Joden. En zij gaven hem kinnebakslagen. 4 Toen ging Pilatus wederom naar buiten, en zeide tot ben: Zie, ik breng hem tot u uit, opdat gij erkent dat ik geen schuld in hem vind. 5 Alzoo kwam Jezus buiten, en droeg de doornenkroon en een purperen kleed; en [PUatus\ zeide tot hen: Zie, de mensch! 6 Toen de hoogepriesters en de dienaars hem zagen, schreeuwden zij, zeggende: Kruis hem! kruis hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gij hem en kruist hem, want jk vind geen schuld in hem. 7 De Joden antwoordden hem: Wij'hebben eene wet, en naar die wet moet hij sterven, want hij heeft zich zeiven tot Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dat woord hoorde, vreesde hij nog meer, 9 en ging wederom binnen in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Toen zeide Pilatus tot hem: Spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik macht heb u te kruisigen en macht heb u los te laten ? 11 Jezus antwoordde: Gij |
zoudt geen macht over mij hebben , indien zij u niet ' van boven gegeven was; daarom, die mij aan uheeft overgeleverd, heeft grooter zonde. 12 Van toen afzocht Pilatus hem los te lalen; maar de Joden schreeuwden, zeggende: Laat gij dezen los, dan zijt gij des keizers vriend niet; want wie zich zei ven koning maakt, is tegen den keizer. 13 Toen Pilatus dat woord hoorde, bracht hij Jezus buiten, en zette zich op den rechterstoel, in de plaats die genaamd is Steenplaveisel, in het Hebreeuwsch Gab-batha. 14 En het was de dag der voorbereiding van Paschen, omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Zie, uw koning! 15 Maar zij riepen : Weg, weg met dezen! Kruis hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uwen koning kruisigen ? De hoogepriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan den keizer. 16 Toen gaf hij hem aan hen over, opdat hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus en leidden hem weg. 17 Eu hij droeg zijn kruis, en ging uit naar de plaats die genaamd isHoofdschedel- JOHANNES 19. |
n
i
1
JOHANNES 19. 229
plaats, in liet Hebreeuwsch vuld werd, die zegt: //Zijj Golgotha. } nefjben rnijneTclèedefen on- 1
18 Aldaar kruisten zij hem, i der zich gedeeld, en hebben * en met hem twee anderen, | over mijn gewaad het lot ge- S
iPn // T)if. flprlpiTi rlnn
geschreven : Jezus van Naza- ria, de huisvrouw van Klopas, ret, de koning der Joden. | en Maria Magdalena.
20 Dit opschrift lazen vele : 26 Toen nu Jezus zijne Joden, want de plaats waar moeder zag, en den jonger Jezus gekruist werd was na- dien hij liefhad daarbij bij de stad; en het was ge- slaande, zeidë hij tot zijne schreven in de Hebreeuw- moeder: Vrouw, zie, uw
O
zoule E1J
werd quot;ïïorst.
sche, de Grieksche en de Latijnsche taal.
21 Toen zeiden de hooge-priesters der Joden tot Pilatus: Schrijf niet: De koning der Joden; maar dat hij gezegd heeft: Ik ben de koning-der Joden.
22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
23 De krijgsknechten dan, toen zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleedereu, en nuiakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel, alsook den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
2'! En zij zeiden onder elkander: Laat ons dien niet in stukkeu snijden, maar daarom loten, wiens hij zijn zal; — opdat de Schrift ver-
aan elke zijde één, en Jezus in het midden.
19 Ook schreef Pilatus een opschrift, en zette dat boven aan het kruis; en er was
29 Er stond daar een vat vol edik; en zij staken eene spons vol edik op een hysop, en hielden ze hem aan den mond.
30 Toen nu Jezus den edik genomen had, zeide hij: Het is volbracht! En hij neigde het hoofd en gat den geest.
31 De Joden dan, dewijl het de dag der voorbereiding was , opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven gedurende den sabbat, want
zoon!
27 Daarna zeide hij tot den jonger: Zie, uwe moeder! En van die ure af nam de jonger haar tot zich.
28 Hierna, dewijl Jezus wist dat alles alreeds vol-'ürScht was, opdat de Schrift' vervuld werdquot;
STy
worpen.// Dit deden dan uéquot; krijgsknechten.
35 En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijn moeders zuster Ma-
T
230
de dag dezes sabbats was groot, verzochtén Pilatus, dat 'hunne beenen gebroken en zij afgenomen zoudeii worden.
33 Toen kwamen de krijgsknechten en braken de beenen van den eerste en van den andere die met hem gekruist waren;
33 doch toen zij tot Jezus kwamen en zagen dat hij alreeds gestorven was, braken zij hem de beenen niet;
34 maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam er bloed en water uit.
35 En die het gezien heeft,
heeft het getuigd, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet dat liij de waarheid zegt, opdat ook gij gelooft.
36 Want dit is geschied quot;opïlat (le Schrift k werd: //Gij zult goe'n Jt)eên
daaraan in stukken breken.//
quot;wed (1 roni zegf Tjene ___
I.....andere Schrift: //Zij zullen! Jjet graf weggenomen was.
i 3 Toen liep zij en kwam tot Simon Petrus en den anderen jonger, dien Jezus
\ zieiT in quot;Tvtcu zii quot;gestoken
heblien.//._____.__
JOHANNES 20.
39 Ook kwam daar Mko-demus, die voorheen des naclits tot Jezus gekomen was, en bracht mirre en aloë onder elkander, omtrent honderd pond.
40 Toen namen zij het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met specerijen, gelijk de Joden plegen te begraven.
41 Eu er was aan de plaats waar hij gekruist werd een hof, en in den hot' een nieuw grai', waarin nog nooit iemand gelegd was.
43 Aldaar leiden zij Jezus, om den dag der voorbereiding der Joden, dewijl het graf nabij was.
HOOFDSTUK 20.
1 Op den eersten dag der week kwam Maria Magda-lena vroeg, toen het nog duister was, tot het graf, en zag dat de steen van
38 Daarna verzocht Jozef
uit het graf, eu wij weten niet waar zij hem gelegd hebben.
3 Toen ging Petrus uit, en de andere jonger, en zij kwamen tot het graf.
4 En deze twee liepen
van Arimathéa — die een liefhad, en zeide tot hen: jonger van Jezus was, doch Zij hebben den Heer weg-heimelijk, uit vrees voor genomen de Joden — Pilatus, dat hij het lichaam van Jezus mocht afnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam hot lichaam van Jezus at
JUiiAKNEiS ^U.
231
|
met elkander; on de andere jonger liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst tot liet graf, 5 eu bukte en zag daarin , en zag de linnen doeken liggen, maar liij ging er niet in. 6 Toen kwam Simon Petrus kem na, en ging in liet graf, en zag de liuuen doeken liggen, 7 eu den zweetdoek, die om zijn lioofd geweest was, niet bij de linnen doeken liggen, maar afzonderlijk op ééue plaats saineugerold. S Toen ging ook de andere jonger er in, die liet eerst tot liet graf gekomen was, en zag het en geloofde. 9 Want zij wisten de Selmft nog niet, dat hij uit l^Toodeii moést opstaan.^. 10 Toen gingen de jongeren wederom naar huis. 11 En Maria stond buiten bij het graf eu weende. Terwijl zij nu weeude, bukte zij en zag in het graf, 13 en zag twee Engelen in witte kleedereu zitteu, den een aan het hoofd en den ander aau de voeten, waar het lichaam vau Jezus gelegen had. 13 Eu die zeiden tot haar: Vrouw, wat weeut gij ? Zij zeide tot hen: Zij hebben mijnen lieer weggenomen, eu ik weet niet waar zij hem gelegd hebben. t |
14 En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts en zag Jezus staan; en zij wist niet dat het Jezus was. 15 Jezus zeide tot haar: Vrouw! wat weent gij, wien zoekt gij? Zij meende dat het de hovenier was, en zeide tot hem: lieer, hebt gij hem weggedragen, zoo zeg mij waar gij hein gelegd hebt, eu ik zal hem wegnemen. 1(5 Jezus zeide tot haar: Maria! Toeu keerde zij zich om en zeide tot hem: llabbouni! dat is: Meester. 17 Jezus zeide tot haar: llaak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevareu tot mijnen Vader; maar ga heen tot mijne broeders eh zeg hun: ik vaar op tot mijnen Vader en tot uwen | Vader, tot mijnen God en tot uwen God. 18 Maria Magdalena ging en boodschapte den jongeren: Ik heb den Heer gezien, en dit heeft hij tot mij gezegd. — 19 Eu op (iuu ayond van dien eersten dag der , toen de jongeren vergaderd en de deuren gesloten waren, uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en trad in het |
JOHANNES 21.
233
|
midden, en zeide tot lieu: Vrede zij ulieden! 30 En toen hij dit gezegd had, toonde hij hnn zijne handen en zijne zijde. Toen werden de jongeren blijde dat zij den Heer zagen. 21 En Jezus zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden ! Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook u. 23 En toen hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot'Fen: Ontvangt den Heiligen Geest! 23 Wien gij de zonden vergeeft , dien zijn ze vergeven; en wien gij ze behoudt, dien zijn ze behouden. Sé Doch Thomas, een der twaalve, die genaamd is Didymus [Tweeliny], was niet bij hen, toen Jezus kwam. 25 Toen zeiden de andere jongeren tot hem: Wij hebben den Heer gezien. Maar hij zeide tot hen: Zoo ik niet in zijne handen de litteekens der nagels zie, en mijnen vinger leg in de litteekens dei-nagels, en mijne hand leg in zijne zijde, zal ik het niet gelooven. 26 En na acht dagen waren zijnejongeren wederom daarbinnen , en Thomas met hen. Jezus kwam, toen de deuren gesloten waren, en trad in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden! |
37 Daarna zeide hij tot Thomas: Breng uwen vinger herwaarts, en bezie mijne handen; en breng uwe hand herwaarts, en leg ze in mijne zijtle; en wees niet onge-loovig, maar geloovig. 38 Thomas antwoordde en zeide tot hem: Mijn Heer en mijn God'. 39 Jezus zeide tot liem: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas, gelooft gij: zalig zijn zij, die niet zien en nochtans gelooven. 30 Ook deed Jezus nog vele andere teekenen voor zijne jongeren , die niet geschreven zijn in dit boek; 31 maar deze zijn geschreven, opdat gij geltfSfirTTat quot;Jezus is de Christus^cTSZoon Gods, en opdat gij door het geloof het leven hebt in zij-nêu~quot;flaam.quot;quot; HOOFDSTUK 21. 1 Daarna openbaarde Jezus zich weder aan zijne jongeren aan de zee van Tiberias; en hij openbaarde zich aldus. 3 Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, die genaamd is Didymus [Tucee-ling], en Nathanaël van Kana in Galiléa, en de zonen van Zededeüs, en twee andere van zijne jongeren. 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik wil gaan vissollen. |
iékÊÊüé
JOHANNES 31.
333
|
Zij zeiden tot liem: Dan willen wij met u gaan. Zij gingen uit, eu traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets. 4 Toen het nu reeds dag werd, stond Jezus aan den oever; doch de jongeren wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus zeide tot hen: Kinderen, hebt gij wel eenige toespijs? Zij antwoordden hem: Neen. 6 £u hij zeide tot hen: Werpt het net ter rechterzijde van het schip, zoo zult gij vinden. Toen wierpen zij het, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der quot;vissehen. 7 Toen zeide de jonger, dien Jezus liefhad, tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, deed hij zijn opperkleed aan en omgordde zich — want hij was naakt— en wierp zich in de zee. 8 £n de andere jongeren kwamen te scheep, — want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen, — en sleepten het net met de vissehen. 9 Toen zij nu uittraden aan land, zagen zij kolen liggen, en visch daarop, en brood. lö Jezus zeide tot hen: ürengt van de vissehen die gij nu gevangen hebt. |
11 Simon Petrus klom in het schip, en trok het net op het land, vol groote vissehen, honderd drie en vijftig; en hoewel er zoovele waren, scheurde nochtans het net niet. 13 Jezus zeide tot hen: Komt en houdt maaltijd. Maar niemand van de jongeren durfde hem vragen: Wie zijt gij ? want zij wisten dat het de Heer was. 13 Toen kwam Jezus, eu nam het brood, en gaf het hun, desgelijks ook den visch. 14 Dit was nu de derde maal dat Jezus aan zijne jongeren geopenbaard is, nadat hij van de dooden was opgestaan. 15 Toen zij nu den maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona's zoon, hebt gij mij liever dan deze mij hebben? Hij zeide tot hem: Ja Heer, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lammeren. 16 En hij zeide wederom ten tweeden male tot hem: Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem: 'Ja Heer, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne schapen. 17 Hij zeide ten derden male tot hem: Simon Jona's zoon, hebtgij mij Kei? petrus |
HANDELINGEN 1.
23-1
|
werd treurig, omdat hij ten derden male tot hem zeide; Hebt gij mij lief? en zeide tot hem: lieer, gij weet alle dingen; gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijne schapen. 18 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; Toen gij jonger waart, gorddet gij u zei ven en wau-deldet waar gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en leiden waarheen gij niet wilt. 1'J En dat zeide hij om te beduiden, met welken dood hij God verheerlijken zou. En toen hij dat gezegd had, zeide hij tot hem; Volg mij! 20 En Petrus keerde zich om en zag den jonger, dien Jezus liefhad, volgen, die ook bij den maaltijd aan zijne borst gelegen had, en gezegd had; lieer, wie is het die u verraden zal? I |
21 Toen Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heer, maar wat zal deze? 22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve, totdat ik kom, wat gaat u dat aan? Volg gij mijl 23 Toen ging het gerucht uit onder de broederen, dat deze jonger nigt zou sterven. Doch Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zou, maar: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kom, wat gaat u dat aan? 24 Dit is de jonger, die van deze dingen getuigt en dit geschreven heeft, en wij weten dat zijne getuigenis waarachtig is. 25 Eu er zijn nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft, welke, zoo zij het een na het ander beschreven werden, ik acht dat de wereld de bouken niet zou bevatten, die te schrij ven waren. |
DE HANDELING KX
APOSTELEN,
BESCUIiEVEN UOOl! LUKAS.
|
HOOFDSTUK 1. |
1 Het eerste verhaal heb ik gedaan, o Theolilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft, beide te doen en te leeren, 2 tot op den dag dat hij |
A
HANDELINGEN 1.
1
335
|
pgenomeu werd, nadat hij ju apostelen, die hij verko-m had, door den Heiligen eest zijne bevelen gegeven had; 3 aan wie bij ook zich zelveu, na zijn lijden, levend vertoond heeft met menigerlei kenteekenen; en liet zich veertig dagen lang aan ben zien en sprak met ben vau het rijk üods. 4 En toen hij ben vergaderd had, beval hij hun dat zij van Jeruzalem niet wijken zouden, maar wachten op de belofte des Vaders, die gij (zeide hij) van mij geboord hebt. 5 Want Johannes heeft met water gedoopt, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen. G Die nu te zamengekomen waren vraagden hem, zeggende: Heer, zidt gij in dezen tijd Israël bet rijk wederoprichten ? 7 Maar bij zeide tot hen: Het betaamt u niet tijd of ure te weten, welke de Vader ziiuer macht heeft voorbehouden; 8 maar gij zult kracht ontvangen , als de Heilige Geest O]) u komt, en gij zult mijne getuigen zijn, te Jeruzalem en in geheel Judéa en Sa-marië, en tot aan het einde der aarde. i |
f 9 En toen bij dit gezegd had, werd hij opgenomen, dat zij het zagen, en een wolk naju hem weg van hunne oogen. 10 En toen zij hem nazagen, terwijl hij ten hemel voer, zie, toen stonden bij ben twee mannen in witte kleederen, 11 die ook zeiden; Gij mannen van Galiléa, wat staat gij en ziet naar deu hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is ten hemel, zal komen, gelijk gij hem ten hemel hebt zien varen. 13 Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem van den berg, genaamd de Olijfberg, die nabij Jeruzalem is, liggende van daar eene sabbatsreis. 13 En toen zij binnenkwamen, klommen zij naar de opperzaal, waar zich ophielden l'etrns en Jakobus, Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeiis en Mat-theüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, eu Judas, de zoon van Jakobus. l-i Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met eenige vrouwen, eu 'Maria, de moeder van Jezus, en zijne broeders. 15 En in die dagen trad Petrus op in het midden der jongeren, en zeide (er was nu eene schaar bijeen van |
HANDELINGEN 2.
236
|
omtrent lionderd en twintig personen): 16 Mannen broeders, de Schrift moest vervuld worden , welke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft aangaande Judas, die de leidsman was dergenen, die Jezus gevangen namen; 17 want hij was onder ons geteld en had. dit ambt met 'ons verkregen. 18 Deze heeft een akker verworven voor het onrechtvaardige loon, en voorover gestort, is hij door midden gebarsten, en al zijne ingewanden zijn uitgeschud. 19 En het is bekend geworden aan allen die te Jeruzalem wonen, zoodat die akker in hunne taal genaamd wordt Akeldama, dat is: Bloedakker. 30 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: //Zijne woning worde woest, en er zij niemand die daarin wone//; en: //Zijn opzienersambt ontvange een ander.// 21 Zoo moet dan een der mannen, die bij ons geweest zijn al den tijd, in welken de Heer Jezus onder ons is in- en uitgegaan, 22 van den doop van Johannes lot op den dag dat hij van ons genomen is, met ons getuige zijner opstanding worden. |
23 En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, met den bijnaam Justus, en Matthias. 24 En zij baden en zeiden: Gij Heer, kenner van aller harten, wijs van deze twee één aan, dien gij verkoren hebt, 25 opdat hij ontvange deze bediening en het apostelambt, waarvan Judas is afgeweken, om heen te gaan naar zijne eigene plaats. 26 En zij wierpen het lot over hen, en het lot viel op Matthias, en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd. HOOFDSTUK 2. 1 En toen de dag van Pinksteren verschenen was, waren zij allen eendrachtig bij elkander. 2 Eu er geschiedde plot-1 seling een geruisch van den 1 hemel, als van een gewel-| digen wind, en vervulde het | geheele huis waar zij zaten; ; 3 en men zag aan hen gedeelde tongen als van vuur; en het zette zich op elk van hen. 1 Eu zij werden allen vol van den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere tongen, naardat de Geest I hun gaf uit te spreken. |
HANDELINGEN 2.
237
|
5 Eu er waren Joden te j.Teriizalem wonende, god-Ivruclitige mannen nitallerlei fvolk dat onder den hemel is. 6 Toen nu deze stem ge-l| sctiedde, kwam de menigte I te zamen en werd verbaasd, want ieder hoorde hen in zijne eigene taal spreken. '7 Eu zij ontzetten zich allen en verwonderden zioh, en zsiden tot elkander; Zie, zijn niet alle deze, die daar spreken. Galileërs? 8 Hoe hooren wij hen dan, ieder in onze eigene taal, in welke wij geboren zijn? 9 Parthers en Meders en Elamieten, en die wonen in Mesopotamië, en in Judea en Kappadocië, Pontus en Azië, 10 Erygic en Pamfylië, Egypte en de streken van Libyë bij Cyréne, en hier vertoevende liomeinen, Joden en Jodengenooten, 11 Kretenzers en Arabieren — wij hooren ze in onze talen de groote daden Gods spreken. 12 En zij ontzetten zich allen en werden verbijsterd, zeggende de een tot den ander: Wat mag dit zijn? 13 Maar anderen hadden hunnen spot daarmede, en zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn. 14 Toen trad Petrus op |
met de elve, en verhief zijne stem en zeide tot hen: Gij Joodsohe mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden uwe ooren ingaan. 15 Deze toch zijn niet dronken , gelijk gij meent, nade-maal het eerst de derde ure van den dag is; 16 maar dit is het wat gezegd is door den profeet Joël: 17 quot;En het zal geschieden inde laatstedagen,zegt God: ik zal van mijnen Geest uitstorten op alle vleesch; en uwe zonen en dochters zullen profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droo-men hebben; 18 en ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten , en zij zullen profeteeren. 19 En ik zal wonderen geven boven aan den hemel, en teekenen beneden op de aarde, bloed en vuur en rookdamp. 20 De zon zal in duisternis cn de maan in bloed veranderd worden, eer de groote en luisterrijke dag des Hee-ren komt. 21 En het zal geschieden, / dat wie den naam des Hee-ren zal aanroepen, zalig zal worden.// |
HA'NDFJjTWTENquot; 3.
338
|
33 Gij raanncn van Israël, boort deze woorden; Jezus van Nazaret, een man, aan wien God onder u getuigenis lieeft gegeven door daden en wonderen en teekenen, die God door liem gedaan heeft in het midden van u, gelijk gij ook zelve weet: ■ 33 dezen, nadat hij volgens Gods bepaalden raad en voorkennis overgegeven, was, hebt gij genomen en door de handen van on-rechtvaardigen aangehecht en gedood. 34 Hem nu heeft God opgewekt , en ontbonden van de smarten des doods, nade- j maal het onmogelijk was dat hij door dezen zou gehouden worden. 35 Want David zegt van hem: //Ik heb den Heer altijd gesteld voor mijn «aangezicht; want hij is aan mijne rechterhand, opdat ik niet wankele. ** 36 Daarom is mijn hart vroolijk, en mijne tong verheugt zich; ja ook mijn vleesch zal rusten in hone. 37 quot;Want gij zult mijne ziel niet in het doodenrijk laten, ook niet toelaten dat uw Heilige het bederf zie. |
38 Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt; gij zuft mij vervullen met vreugd voor uw aangezicht.// 39 Gij mannen broeders, laat mij vrij tot u spreken van den aartsvader Dmd. Hij is gestorven en begrWen, en zijn graf is bij ons tot op dezen dag. 30 Dewijl hij echter een profeet was, en wist dat God henTheloofd had met een eed, dat de vrucht zijner lende op zijnen quot;troon zou zitten, 31 zoo heeft M het voorzien , en gesprolcen van Tté o^tandingquot;°van Oliristns, dat zijrrë^iel niet gelaten is in het doodenrijk, en zijn vleesch het bederf niet heeft gezien. 33 Dezen Jezus heeft God opgewekt; daarvan zijn wij allen getuigen. 33 Nu hij door de rechterhand Gods verhoogd is, en ontvangen heeft de belofte des Heiligen Geestes van den Vader, heeft hij uitgestort hetgeen gij nu ziet en hoort. 34 Want David is niet ten hemel gevaren, maar hij zegt: //De Heer heeft gezegd, tot mijiign Heer: Zet u aan mijne rechterhand, 35 totdat ik uwe vijanden leg tot eene voetbank uwer voeten.// 36 Zoo wete nu het geheele huis Israëls zekerlijk, dat God dezen Jezus, dien gij gekruist hebt, tot een Heer ( te |
Handelingen 3.
339
|
In Christus lieeft atemaakt. j37 Toen zij nu dit hoor-len, ging het hun door het aart, en zij zeiden tot Petrus en tot de andere apos-—ld en: Mannen hroeilers, wat zullen wij doen? gt;■■«. ■ 38 En Petrus zeide tot hen: ' Doet hoete, en ieder late zich doopen in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; zoo zult gij de gave des Heiligen i Geestes ontvangen. ^ 39 Want u on uwen kin- j deren is deze belofte, en allen die verre zijn, welke de Heer onze God hiertoe roepen zal. 40 Enquot; met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen, zeggende: I Laat u redden van dit ver-: keerd geslacht. ■quot;'TTWie nu zij n woord gaarne aannamen, lieten zich doopen ; en er werden op dien dag toegebracht omtrent drie duizend zielen. 43 En zij bleven volstandig ! in de leer der Apostelen,; en in dequot; gemecnscïïap, en in de broodWeihng, en in het gebed.quot;''quot; 43 En eene vrees kwam over alle zielen, en er geschiedden vele wonderen en teekenen door de apostelen. 44 En allen die geloovig |
waren geworden, waren bij elkander, en hielden alle dingen gemeen. 45 Hunne goederen en -have verkochten zij, en deel- | den zo uit onder allen, naar-dat elk van noode had; i 46 en zij waren dagelijks en gestadig eendrachtig bij elkander in d^ff'femjiel, en braken het brooti in de huizen, en aten te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten, 47 en loofden God, en waren in gunst bij het ge-heele volk. En de Heer deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden. HOOFDSTUK 3. 1 Petrus nu en Johannes gingen met elkander op in den tempel omtrent de negende ure, als men pleegt te bidden. 3 En er werd een man aangedragen, die kreupel was van den moederschoot af, dien men dagelijks zette aan de deur des tempels, die genoemd wordt de Schoone, om eene aalmoes te vragen van degenen die in den tempel gingen. 3 Deze, toen hij nu Petrus eu Johannes zag, als zij in den tempel zouden gaan, bad om eene aalmoes. 4 En Petrus zag hem aan |
..«A
24-0 HANDELINGEN 3.
met Johannes, en zeide: Zie wondert gij u daarover, of IjeVeer 1 wat ziet gij op ons, alsof wij aonder dezen hadden doen wandelen door eigen kracht of godsvrucht ?
13 De God van Abraham en van Isarik en van Jakob,
de God onzer vaderen, heeft predil zijnen knecht Jezus verheer- 81 i lijkt, dien gij hebt overge- opnen leverd, en verloochend voor herstt Pilatus, toen deze oordeelde wanrv hem los te laten.
14 Maar gij hebt den heilige en rechtvaardige verloochend en geëischtdatmen u den moordenaar schenken zou;
15 maar den vorst des levens hebt gij gedood, dien Go'! heeft opgewekt van de tot u dooden, waarvan wij ge- 33 tuigen zijn,
16 En door het geloof iri zijnen naam heeft hij zijnen naam bevestigd aan dezen,
dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door hem is,
heeft hem deze gezondheid gegeven voor uw aller oogen.
17 En nu broeders, ik weet dat gij het vdoor onwetendheid gedaan hebt, gelijk ook uwe oversten;
18 maar God heeft alzoo vervuld hetgeen hij door den mond van al zijne profeten te voren verkondigd heeft, dat de Christus lijden zou.
ons aan.
5 En hij zag ze aan, en verwachtte dat hij iets van ben ontvangen zou.
G Maar Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet: maar wat ik heb, dat geef ik u: in den naam van Jezus Christus, den Kazarener, sta op en wandel!
7 En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en dadelijk stonden zijne voeten en enkels vast;
8 en hij sprong op en kon gaan en staan, en ging mei hen in den tempel, wandelende en springende, en loofde God.
9 En al het volk zag hem wandelen en God loven.
10 Zij herkenden hem ook, dat hij het was die om eene aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des tempels ; en zij werden vol verwondering en ontzetting over hetgeen hem geschied was.
11 En terwijl de kreupele, die nu gezond was, zich aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk tot hen in de galerij die Salomo's [^galerij] genoemd wordt, en verwonderde zich.
13 Toen Petrus dat zag, antwoordde hij het volk: Gij mannen van Israël, wat ver
dat
mg
Zicht i 2U v den^e
r
19 Zoo doet nu boete en
ft
|
'j of ielceert w, ten einr]e uwe 'f wij jenden, uitgedelgd worden; leien opdat, de tijd der verkwik- ?ods- iftng kome van het aange- jlclit des Heereu, Imm ,20 wanneer liij zenden zal kob, dengene die u te voren ge-lieeft predikt is, Jezus Christus, jeer- gl dien de hemel moet 31'ge- opnemen tot op den tijd der voor herstelling van alle dingen, ielde waarvan God door den mond van al zijne heilige profeten den van ouds af gesproken heeft, ver- 23 Want Mozes heeft ge-men zegd tot de vaderen: //Een iken profeet zal de Heer, uw God, u verwekken uit uwe broe-des deren gelijk mij; dien zult dien gij höoren in alles, wat hij n de tot u spreken zal. ge- 23 Eo het zal geschieden dat wie dezen profeet niet if iii hoorenzal, verdelgd zal wor-jnen den uit het volk.// zen, 24 En alle profeten van het Sanmël af en daarna, zoove-i is, len als er gesproken hebben , leid hebben van deze dagen verben. kondigd. reet 25 Gij zijt kinderen der ;nd- profeten, en van hetverbond, ilijk hetwelk God met onze vaderen gemaakt heeft, zeggende Izoo tot Abraham: //Door uw zaad den zullen alle volken der aarde sten gezegend worden.// eft, 26 Voor u het eerst heeft !0u. God zijnen knecht Jezns en opgewekt, en heeft hem |
341 gezonden, om n te zegenen, opdat ieder zich bekeere van zijne boosheid. HOOFDSTUK 4 1 En terwijl zij tot het volk spraken, traden tot hen de priesters en de hoofdman des tempels en deSadduceën, 3 zeer ontevreden er over, dat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de dooden verkondigden; S en zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in dege-vangenis tot op den morgen; want het was reeds avond. 4 Maar velen van degenen die het woord aangehoord hadden werden geloo-vig, en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend. 5 Toen het nu morgen werd, vergaderden hunne oversten en oudsten en schriftgeleerden te Jeruzalem, 6 ook Annas, de hooge-priester, en Kajafas en Johannes en Alexander, en zoovelen er waren van het hoogepriesterlijk geslacht; 7 en zij stelden ze voor zich, en vraagden hun: •Door welke macht of in welken naam hebt gij dit gedaan ? 8 Petras, vol van den Heiligen Geest, zeide tot hen: Gij, oversten des volks IIANDKLTNGEN 4. |
„Ji
16
(Iff
HANDELINGEN 4.
213
|
en gij oudsten van Israël, 9 daar wij heden worden terechtgesteld over eene weldaad aan oen krank mcnsch bewezen, waardoor deze gezond geworden is, 10 zoo zij u allen en het geheele volk Israels bekend, dat in den naam van Jezus Christus van Nazaret, dien gij gekruist hebt,, welken God van de dooden heeft opgewekt, — dat door hem deze hier gezond vóór u staat. 11 Deze is de steen, door u, bouwlieden, verworpen, die tot een hoeksteen geworden is. 13 En in geen ander is er heil; want er is ook geen andere naam onder den hemel aan de monschen gegeven, door weikon wij moeten zalig worden. 13 Daar zij nu de vrij-: moedigheid van Petrus en Johannes zagen, en vernamen dat zij ongeleerde en eenvoudige menscheri waren, verwonderden zij zich; en zij kenden hen ook wel, dat zij met Jezus geweest waren; 14 en zij zagen den mensch bij hen staan, die gezond geworden was, en hadden niets daartegen te zeggen. 15 Toen geboden zij hun uit, te gaan buiten den raad , en beraadslaagden met elkander , |
16 zeggende: Wat zullen wij dezen mensohen doen? Want dat er een kennelijk teeken door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen. 17 Maar opdat het niet verder verspreid worde onder het volk, zoo laat ons hen scherp dreigen, dat zij voortaan tot geen mensch meer in dien naam spreken. 18 En zij riepen ze, en | geboden hun, dat zij vol-i strekt niet in den naam van 1 Jezus zouden spreken noch i leereru. Maar Petrus en Joh an-\ antwoordden en zeiden! tot hen; Oordeelt gij zelve ot het recht is voor God, ' dat wij u meer gehoorzamen I ah GocT; '■^ffwant wij kunnen niet nalaten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. 31 Maar zij dreigden hen, en lieten hen gaan, niet vindende hoe zij hen straffen zouden, wegens het volk; want zij loofden allen God over hetgeen er geschied was. 32 Want de mensch was reeds over de veertig jaren oud, aan wien dit teeken |
-L
r .•
HAKDELHSTGENquot; 4.
24.3
|
Ier genezing geschied was. 23 En toen men ze had laten gaan, kwamen zij tot de hunnen, en verhaalden hun wat de hoogepriesters en oudsten tot hen gezegd hadden. 24 En toen die dit hoorden, hieven zij eendrachtig hunne stem op tot God en zeiden: Heer, gij zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is; 25 die door den mond van uwen knecht David gezegd hebt: //Waarom razen de heidenen en nemen de volken IJdele dingen voor? 26 De koningen der aarde zijn opgestaan, en de vorsten vergaderen bijeen tegen den Heer en tegen zijnen Gezalfde.// s 37 Ja waarlijk, zij hebben jzich in deze stad vergaderd | tegen uwen heiligen knecht 1 Jezus, dien gij gezalfd hebt, I Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en het volk Israels, i 28 om te doen hetgeen uwe hand en uw raad te voren bepaald heeft dat geschieden zou. 29 En nu, Heer, zie hun dreigen aan, en geef uwen knechten met alle vrij-i moedigheid uw woord te spreken, t elk- |
30 en strek uwe hand uit tot genezing, en dat er teekenen en wonderen geschieden door den naam van uwen heiligen knecht Jezus. 31 En toen zij gebeden hadden, bewoog zich de pLuits, in welke zij vergaderd waren, en zij werden allen vol des Heiligen Gees-tes, en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid. 32 En de menigte der geloovigen was één hart en ééne ziel; ook zeide niemand van zijne goederen dat ze de zijne waren, maar alles was hun gemeen. 33 En de apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding des Heeren Jezus, en er was groote genade over hen allen. 34 Ook was er niemand onder hen die gebrek had; want zoovelen er waren, die akkers of huizen hadden, die verkochten ze, en brachten het geld van het verkochte goed en leiden het aan de voeten der apostelen; 33 en men gaf aan ieder hetgeen hij noodig had. 3a En Jozef door de apostelen bijgenaamd Barnabas, — dat is, zoon der vertroosting — een Leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 had een akker en |
244 HANDELINGEN 5.
verkocht hem, en bracht'zijne vrouw binnenkwam, het geld en leide het aan niet wetende wat er geschied de voeten der apostelen. was.
wnrnjnsTTTir r, 8 En Petl'us ;l,ltw00r(lfle
HOOFDSTUK a. haar: Zeg mij, hebt gijlieden
1 Eu een zeker man, ge- ! den akker voor zóóveel ver-naamd Ananias, met zijne kocht? Zij zeide; Ja, voor vrouw Saflira, verkocht eene zóóveel.
bezitting, 9 En Petrus zeide tot
2 en onttrok iets van het haar: ^Vaarom zijt gij ééns geld, met medeweten van geworden, om den Geest des zijne vrouw, en bracht een Heeren op de proet te stel-gedeelte, en leide het aan leu? Zie, de voeten dergenen de voeten der apostelen. ! die uwen man begraven heb-
3 Maar Petrus zeide: Ana- ben zijn voor de deur, enzul-iikls, waarom heeft de satan u uitdragen.
uw hart vervuld, dat gij den 10 En terstond viel zij ne-Heiligen Geest liegen zoudt, der voor zijne voeten , en en iets onttrekken van het gaf den geest; en de jonge-geld des akkers? ; lingen binnenkomende von-
4 Gij hadt hem immers den haar dood, droegen wel mogen behouden toen ! haar uit, en begroeven haar gij hem hadt; en toen hij bij haren man.
verkocht was, was het ook 11 En er kwam groote in uwe macht. Waarom hebt vrees over de geheele ge-gij deze daad in uw hart!meente, en over allen die voorgenomen? Gij hebt jjigt! dit hoorden.
den menschen, maar Gode 12 En vele teekenen en gelogenT^quot;—3^ ■ i wonderen geschiedden door
5 En toen Ananias deze de handen der apostelen woorden hoorde, viel hij onder het volk. En zij neder en gaf den geest. En waren allen eendrachtig in er kwam groote vrees over, de galerij van Salomo; allen die dit hoorden. I 13 en van de anderen durf-
6 En de jongelingen ston-1 de niemand zich bij hen den op en namen hem weg,' voegen, maar liet volk had en droegen hem nit, en be- groote gedachten van hen.
groeven hem.
7 En het gebeurde omtrent drie uren daarna, dat
14 En er werden er meer en meer toegebracht die in den Heer geloofden, eene
1NGEN 5.
UAXDKI,
245
|
meuigte van mannen en vrouwen; 15 zoodat zij de kranken uitdroegen op de straten, en ze o]) bedden en baren leiden, opdat, als Petrus kwam, sleolits zijne schaduw sommigen van hen overschaduwen mocht. 1G Ook kwamen er velen uit de omliggende steden naar Jeruzalem, en brachten de kranken en die van onreine geesten gekweld waren, en zij werden allen genezen. 17 En de hoogepriester stond op, en allen die met hem waren, — zijnde de secte der Sadduceën — en werden vol ijver, IS en sloegen de handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis. 19 Maar een Engel des Heeren opende in den nacht de deuren der gevangenis, en leidde hen daaruit, en zeide: 30 Gaat heen, en vertoont u en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens. 31 Toen zij nu dit gehoord hadden, gingen zij vroeg in den tempel en leerden. De hoogepriester nu kwam, en die met hem waren, en zij riepen den rami en alle oudsten der kinderen Israels te zamen, en zonden naar de gevangenis om hen te halen. |
22 Doch toen de dienaars daar kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis, en keerden weder en boodschapten het, 23 zeggende: De gevangenis vonden wij met alle zorg toegesloten, en de wachters daarbuiten staande voorde deuren; maar toen wij die opendeden, vonden wij niemand daarbinnen. 24 Toen nu de hoogepriester en de hoofdman des tempels en de andere hoogepriesters deze woorden hoorden, werden zij verbijsterd wegens hen, wat dit toch worden zou. 25 Toen kwam er een, die berichtte hun: Zie, de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt staan in den tempel en leeren het volk. 26 Toen ging de hoofdman heen met de dienaren, en haalde hen, doch niet met geweld, • - want zij vreesden het volk, — opdat zij niet gesteeuigd werden. 27 En toen zij hen brachten, stelden zij hen voor den raad; en de hoogepriester vraagde hun en zeidc: 38 Hebben wij u niet ernstig geboden dat gij in dezen naam niet zoudt leeren ? En zie, gij hebt Jeruzalem ver- |
HANDELINGEN 5.
246
|
vuld met uwe leer, en wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen. 29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden : Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. 30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, dien gij gedood hebt, en gehangen aan het hout; 31 dezen heeft God door zijne rechterhand verhoogd tot een Vorst eu Heiland, om Israël boete en vergeving der zonden te geven. 32 En wij zijn getuigen van deze zaken, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft (Jengenen die hem gehoorzaam zijn. 33 Toen zij dit hoorden, werden zij vergramd en beraadslaagden om hen te dooden. 34 Maar een zeker Parizeer, genaamd Gamaliel, een leeraar der wet, welgeacht bij al het volk, stond op in den raad, en gebood dat men de apostelen een weinig zou doen buitenstaan, 33 en zeide tot hen: Gij mannen van Israël, neemt u in acht, wat gij doen Zult met deze menschen. |
36 Want vóór deze dagen stond Theudas op, en gaf voor dat hij wat was, en een getal van omtrent vier-; honderd mannen hing hem aan; die is verslagen, en allen die hem bijvielen zijn verstrooid en worden. 37 Daarna stond Judas van Galiléa op, in de dagen der beschrijving,' en maakte veel volk afvallig achter zich; en die is ook vergaan, en allen die hem bijvielen zijn verstrooid. | 38 En nu zeg ik u: houdt af van deze menschen en laat hen geworden; want is die raad of dat werk uit menschen, zoo zal het te gronde gaan; 39 maar is het uit God, ; zoo kunt gij het niet verhinderen ; opdat gij niet bevonden wordt zelfs tegen God te strijden. 40 Toen vielen zij hem bij, en riepen de apostelen, en j geeselden hen , en geboden hun dat zij niet spreken | zouden in den naam van Jezus, en lieten hen gaan. 41 En zij gingen van het aangezicht des raads heen, verblijd zijnde, dat zij waardig ge weest waren, om zij ns naams wil smaadheid te lijden. | 42 En zij hielden niet op alle dagen in den tempel en in de huizen te leeren, en het evangelie van Jezus Christus te prediken. tot niets ge- |
HANDELINGEN
217
|
HOOFDSTUK 6. 1 En in die dagen, toen de jongeren velen werden, ontstond er eene murmuree-riug der Grieksehen tegen de Hebreen, omdat Imnne weduwen verzuimd werden in de dagelijksche handreiking. 3 Toen riepen de tvvaalve de menigte der jongeren bijeen , en zeiden: Het is niet betamelijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafels bedienen. 3 Daarom, broeders, ziet onder n om naar zeven mannen, die eene goede getuigenis hebben en vol des Heiligen Geestes en der wijsheid zijn, welke wij mogen stellen over deze nooddruft. 4- Maar wij zullen aanhouden in het gebed en in de bediening des woords. 5 En dit woord behaagde aan de geheele menigte; en zij verkozen Stefanns, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Pi-li ppus , en Próehorus, en Nitónor, en Timon, en Par-raenas, en Nieolaüs, een Jodengenoot van Antiochie; 6 welke zij voor de apostelen stelden; en \dez(ï\ gebeden hebbende leiden de handen op hen. |
7 En het woord Gods nam toe, en het getal der jongeren werd zeer groot te Jeruzalem; ook werden vele nt vier-ig hem en, en len zijn !ets ge- Eriesters aan het geloof ge-riesters aan het geloof ge- oorzaam. 8 En Stefan us, vol geloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk. 9 Toen stonden er sommigen op van de synagoge, genaamd die der Libertijnen, en der Cyreneörs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die uit Gilicic en Azië waren, en redetwistten met Stéfanus; 10 en zij konden niet wederstaal! de wijsheid en den Geest waarmede hij sprak. 11 Toen zetten zij sommige manhen op, die zeiden ; Wij hebben hem lasterlijke woorden hooren spreken tegen Mozes en tegen God. 13 En zij beroerden het volk en de oudsten en de schriftgeleerden, en op hem aanvallende rukten zij hem weg en leidden hem voor den raad, 13. en stelden daar valsche getuigen, die zeiden: Deze mensch houdt niet op lasterlijke woorden te spreken i tegen deze heilige plaats en de wet; 14 want wij hebben hem hooren zeggen: Jezus van |
|
218 HANDEL Nazaret zul deze plaats verstoren, en de zeden veranderen welke Mozes ons ge-geven heeft. » 15 En allen die in den raad zaten, hem aanziende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens Engels. HOOFDSTUK 7. 1 En de hoogepriester zei-de: Is dit zoo? 3 Eu hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe! De God der heerlijkheid verscheen onzen Vader Abraham , toen hij nog in Meso-potamic was, eer hij woonde in Haran, 3 en zeide tot hem: Ga uit uw land en van uwe maagschap, en trek naar een land hetwelk ik u wijzen zal. 4 Toen ging hij uit het land der Chaldeën, en woonde in Haran. En van daar, toen zijn vader gestorven was, bracht hij hem over in dit land waarin gij nu woont, 5 en gaf hein geen ertdeel daarin, zelfs niet een voetbreed, maar beloofde hem dat hij het hem in bezit zou geven, en zijnen zade na hem, toen hij nog geen kind had. 6 En God sprak aldus: Uw zaad zal vreemdeling zijn in een vreemd land, en zij zullen liet dienstbaar |
;ngen 7. maken en kwalijk behandelen, vierhonderd jaren. 7 En het volk, hetwelk zij dienen zullen, zal ik oordeelen, sprak God, en daarna zullen zij uittrekken, en mij dienen aan deze plaats. 8 En hij gaf hem het verbond der besnijdenis. En hij verwekte Isailk, en besneed hem op den achtsten dag; en Isailk verwekte Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders. 9 En de aartsvaders benijdden Jozef, en verkochten hem naar Egypte. Maar God was met hem, 1Ü en verloste hem uit al zijne verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Earao, den koning van Egypte; die stelde hem tot een vorst over Egypte en over zijn gebeele huis. 11 En er kwam een dure tijd over geheel Egypteland en Karman, en groote druk; en onze vaderen vonden geen spijs. 13 Maar Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, en zond onze vaderen ten eersten male daarheen. 13 En ten tweeden male werd Jozef herkend door zijne broeders, en Jozefs geslacht werd aan Earao openbaar. 14 En Jozef' zond heen en |
I HA NOKT,I
liet zijnen vader Jakob halen, en zijne geheele maag-; scliap, vijt'eu zeventig zielen.
15 Eu Jakob trok af naar Egypte, en stierf, hij en onze vaderen;
16 en zij werden, overgebracht naar Siobem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham voor geld gekocht had van de zonen van Ile-mor, den vader van Sichem.
17 Toen nu de tijd der belofte, die God Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte,
18 totdat een andere koning opstond , die van Jozef niet wist.
1'J Deze ging listig te werk met ons geslacht, en behandelde onze vaderen slecht, zoodat zij hunne jonge kinderen moesten wegdoen, opdat hun geslacht zou uitsterven.
20 In dien tijd werd Mo-zes geboren, en was een schoon kind voor God, en werd drie maanden opgevoed in zijns vaders huis;
21 en toen hij weggedaan was, nam Farao's dochter hem oj), en voedde hem voor zich zelve op tot een zoon.
23 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, en was mach- \
[NGEN 7. 249
tig in daden en woorden.
23 Toen hij nu veertig jaren oud was, kwam het in zijn hart zijne broeders, de kinderen Israels, te bezoeken. |
21' En toen hij er een onrecht zag lijden, hielp hij hem, en wreekte dengeen wien leed geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende dat zijne broeders zouden begrijpen, dat God door zijne hand hun verlossing geven zou; maar zij begrepen liet niet.
26 En des anderen daags kwam hij tot hen, toen zij met elkander in twist waren , en spoorde hen tot vrede aan, zeggende: Mannen , gij zijt broeders: waarom doet de een den ander onrecht ?
27 Doch die zijnen naaste onrecht deed stiet hem van zich, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
28 Wilt gij mij ook doo-den, gelijk gij gisteren den Egyptenaar gedood hebt?
29 En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Midian; aldaar verwekte hij twee zonen.
30 En na veertig jaren verscheen dc Engel des Heeren hein in de woestijn van den
ILmDELINGEN 7.
250
|
berg Siuaï, inde vlammen van een brandend braambosch.. 31 Toen uu Mozes dit zag, verwonderde hij zich over dat gezicht; en toen hij derwaarts ging om het te zien, geschiedde eene stem des Heeren tot hem: 32 Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isaiiks en de God Jakobs. En Mozes begon zeer te beven, en durfde het niet aanzien. 33 En de Heer zeide tot hem: Trek de schoenen uit van uwe voeten, want de plaats op welke gij staat is heilig land. 34 Ik heb gezien het lijden van mijn volk dat in Egypte is, en heb hun zuchten gehoord, en ben neder-gekomen om hen te verlossen ; en nu, kom herwaarts , ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes, welken zij verloochenden, zeggende; Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dien zond God tot een overste en verlosser door de hand des Engels, die hem verscheen in het braambosch. 36 Deze leidde hen uit, en deed wonderen en teekenen in Egypte, in de Eoode zee, en in de woestijn, veertig jaren. |
37 Deze is die Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: Een profeet zal de Heer, uw God, u verwekken uit uwe broeders, gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is het, die in de gemeente in de woestijn was met den Engel- die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen. Deze ontving de levende; woorden, om ze ons te geven; 39 wien onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar zij stieten hem van zich, en keerden met hunne harten weder naar Egypte, 40 zeggende tot Aiiron: Maak ons goden die voor ons uitgaan; want wij weten niet wat dezen Mozes, die ons uit Egypteland ge-geleid heeft, geschied is. 41 En zij maakten in dien tijd een kalf, en brachten een olier aan dien afgod , en verheugden zich over de werken hunner handen. 42 En God keerde zich al en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden , gelijk geschreven staat in het boek der profeten: | //Hebt gij, gedurende de veertig jaren in de woestijn, mij ook slachtoffers en oilers geofferd, gij huis i van Israël? |
HASDELINGEN S.
253
|
43 Eu gij naamt Moloci; I tent op, en het gesternte1 van uwen God Kemfan, en beelden die gij gemaakt hebt, om ze te aanbidden. En ik zal n wegvoeren naar gene zijde van Babel.// 44 Onze vaderen hadden de tent der getuigenis in de woestijn, gelijk hij hun dat bevolen had, die tot Mozes zeide, dat hij ze maken zou naar de afbeelding die hij gezien had. 45 Welke onze vaderen ook aannamen, en met Jozua brachten in het land, hetwelk de heidenen in bezit hadden, die God uitstiet voor het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe, 46 die genade bij God vond, en bad dat hij eene woonstede mocht vinden voor den God Jakobs. 47 Doch Salomo bouwde hem een huis. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempels die met handen gemaakt zijn, gelijk de proleet zegt: 49 //De hemel is mijn troon, en de aarde eene voetbank mijner voeten: welk huis zult gij mii dan bouwen, spreekt de Heer, ot' welke is de plaats mijner rust? 50 Heeft niet mijne hand dit alles gemaakt?// |
34 Toen antwoordde Simon en zeide: Bidt gijlieden oen Heer voor mij, opdat mij den-, overkome van hetgeen uwe vgt;n gesproken hebt. 53 Widj, toen zij het woord ben uwe i betuigd en gevolgd? En Men, keerden gedood, die to-uzalem, en kondigden de kongelie in Eechtvaardigen, vaiSamari-gij nu verraders en . denaars geworden zijt, ^ee- 53 gij, die de wet om, vangen hebt door beschikking der Engelen, en ze niet hebt gehouden! , 54 Toen zij dat boorden, -4-werden zij vergramd in hunne f harten, en zij knarsten met de tanden tegen hem. 55 Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, hief de oogen op naar den hemel, en zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods, 56 en zeide: Zie, ik zie den hemel open, en des Menschen Zoon staande ter rechterhand Gods. 57 Maar zij schreeuwden met luide stem, en hield en hunne ooren toe, en vielen eendrachtig op hem aan, 58 en stieten hem de stad uit, en steenigden hem. En de getuigenleidenhunnc kleed e-ren af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. |
A
HANDELINGEN 7.
250
|
berg Siuaï, in de vlammen van een brandend braambosch. 31 Toen nu Mozes dit zag, verwonderde hij zich over dat gezicht; en toen hij derwaarts ging om het te zien, geschiedde eene stem des Heeren tot hem: 32 Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isaacs en de God Jakobs. En Mozes begon zeer te beven, en durfde het niet aanzien. 33 En de Heer zeide tot hem: ïrek de schoenen uit van uwe voeten, want de plaats op welke gij staat is heilig land. 34 Ik heb gezien het lijden van mijn volk dat in Egypte is, en heb hun zuchten gehoord, en ben neder-gekomen om hen te verlossen ; en nu, kom herwaarts , ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes, welken zij verloochenden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dien zond God tot een overste en verlosser door de hand des Engels, die hem verscheen in het braambosch. 36 Deze leidde hen uit, en deed wonderen en tee-kenen in Egypte, in de Koode zee, en in de woestijn, veertig jaren. |
37 Deze is die Mozes, die I tot de kinderen Israels gezegd heeft: Een profeet zal de Heer, uw God, u verwekken uit uwe broeders, gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is het, die in de gemeente in de woestijn was met den Engel die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen. Deze ontving de levende woorden, om ze ons te geven; 39 wien onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar zij stieten hem van zich, en keerden met hunne ! harten weder naar Egypte, 40 zeggende tot Ailron; Maak ons goden die voor ons uitgaan; want wij weten niet wat dezen Mozes, die ons uit Egypteland ge-; geleid heeft, geschied is. 41 En zij maakten in dien tijd een kalf, en brachten een oft'er aan dien afgod , en verheugden zich over de werken hunner handen. 43 En God keerde zich af en gaf hen over, dat zij ; het heir des hemels dienden , gelijk geschreven staat j in liet boek der profeten: ! //Hebt gij, gedurende de veertig jaren in de woestijn , mij ook slachtoilers en ' otters geofferd, gij huis i van Israël? |
HX\DELINGEN 7.
251
|
43 Eu gij uaamt Molochs I tent op, en het gesternte van uwen God Eemfan, : en beelden die gij gemaakt 1 liebt, om ze te aanbidden, i Eu ik zal u wegvoeren naar i gene zijde van iiabel.// 44 Onze vaderen hadden de tent der getuigenis in de woestijn, gelijk hij hun dat bevolen had, die tot Mozes zeide, dat hij ze maken zou naar de afbeelding die hij gezien had. 45 Welke onze vaderen ook aannamen, en met Jozua brachten in het land, hetwelk de heidenen in bezit hadden, die God uitstiet voor het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe, 46 die genade bij God vond, on bad dat hij eene woonstede mocht vinden voor den God Jakobs. 47 Doch Salomo bouwde hem een huis. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempels die met handen gemaakt zijn, gelijk de profeet zegt: 49 //De hemel is mijn troon, en de aarde eene voetbank mijner voeten: welk huis zult gij mij dan bouwen, spreekt de Heer, ot' welke is de plaats mijner rust? 50 Heeft niet mijne hand dit alles gemaakt?// |
51 Gij halsstarrigeu en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen alzoo ook gij. 53 Wien der profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood, die te voren verkondigden de komst dezes Rechtvaardigen, van welken gij nu verratiers en moordenaars geworden zijt,~^4 53 gij, die de wet ontvangen hebt door beschikking der Engelen, en ze niet hebt gehouden! i 54 Toen zij dat hoorden, -4. werden zij vergramd in hunne I harten, en zij knarsten met de tanden tegen hem. 55 Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, hief de oogen op naar den hemel, en zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods, 56 en zeide: Zie, ik zie den hemel open, en des Menschen Zoon staande ter rechterhand Gods. 57 Maar zij schreeuwden met luide stem, en hielden hunne ooren toe, en vielen eendrachtig op hem aan, 58 en stieten hem de stad uit, en steenigden hem. En de getuigenleidenhunne kleederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. |
HANDELINGEN 8.
|
39 En zij steenigden Stc-f'amis, die aanriep en zeide: Heer Jezus, neem mijnen geest op! 60 En hij knielde neder, en riep niet, luide stem: Heer, behoud h un deze zonde niet! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij. HOOFDSTUK 8. 1 En Saulus liad een welbehagen aan zijnen dood. In dien tijd nu ontstond er eene groote vervolging over de gemeente te Jeruzalem; en zij werden allen verstrooid in de landen van Judea en Sa-marië, behalve de apostelen. 3 En sommige godvruchtige mannen bestelden Ste-t'anus ter aarde, en maakten eene groote rouwklacht over hem. 3 En Saulus verstoorde de gemeente, ging in de huizen , en mannen en vrouwen mecsleependé, leverde hij ze over in de gevangenis. 4 Die nu verstrooid waren gingen rondom, en predikten bet woord des evangelies. 5 En Eilippus kwam af naar eene stad van Samarië, en predikte hun den Christus. 6 En het volk hoorde eendrachtig en aandachtig toe wat Eilippus zeide, en /.ij zagen de teekeuen die hij deed. |
7 Want de onreine geesten voeren van vele bezetenen uit met een groot geroep; ook vele verlamden en kreupelen werden genezen. 8 En er ontstond groote blijdschap in die stad. 9 En er was een man, genaamd Simon, die te voren in de stad tooverij bedreef'; en hij bracht het volk van Samarië in ontzetting , en gaf voor dat hij wat groots was. 10 En zij zagen allen op hem, van den kleinste tot den grootste, zeggende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij zagen op hem, omdat hij hen langen tijd met zijne tooverij in ontzetting had gebracht. 13 Maar toen zij de prediking van Eilippus, aangaande het rijk Gods en den naam van Jezus Christus, geloofden, lieten zij zich doopen, beiden mannen en vrouwen. 13 Toen werd ook deze Simon geloovig, en liet zich doopen, en hield zich bij Eilippus; en als hij de teekenen en daden zag die er geschiedden, verwonderde hij zich. 14 Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samarië het woord Gods aangenomen had, zonden zij |
ten len lp;
3U-
HANDELINGEN 8.
253
tot hen Petrus en Jobannes; I 24 Toen antwoordde Si
15 en deze, toen zij afge-mon en zeide: Bidt gijlieden komen waren, baden voor den Heer voor mij, opdat mij llen, dat zij den Heiligen niets overkome van hetgeen Gee3t ontvangen mocbten. gijlieden gesproken hebt.
16 Want bij was nog op 25 En zij, toen zij het woord
te naquot;lm van den Heer Jezus.
:rij
17 Toen leiden zij de
Jet
handen op hen, en zij ont
lt
vingen den Heiligen Geest.
ilij
18 En toen Siuml;mon za.g dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd,
lS bood bij hun geld aan,
19 zeggende: Geeft ook 1, mij die macht, dat, zoo ikid iemand de handen opleg,t-deze den Heiligen Geest
ontvangmiddot;e. 20 Maar Petrus zeide bt }hem: Uw geld. zij met u
n
teil verderve, omdat gij
niemand gevallen, maal' zij des Heeren betuigd en ge
.D,
waren alleen gedoopt in den sproken hadden, keerden
meent dat Gods gave door Jeruzalem was gekomen om h geld verkregen quot;~ordt! te aanbidden:
n
21 Gij zult noch deel noch 28 deze keerd.e weder naar lot hebben aan dit woord, buis, en mt op zijnen wa
e
want uw hart is niet op-gen, enlasden profeet Jesaja.
recht voor God.
22 DUflrolll uoe boete voor deze uwe boosheid, en bid G70d, of n miS!:chien deze boosheid nws harten mocht vergeven worden;
2a want ik zie dat gij zij t vol bittere gal en samenknooping del' ongerechtigheid..
weder nam-Jernzalem, en prerlikten het evangelie in vele vlekken der Samaritanen.
26 En een Engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga zuidwaarts, den weg op, die van Jeruzalem atgaat naar Gaza, welke woest is.
27 En hij stond. op en ging been. En zie, een man uit ~{oorenland (Ethiopieuml;), een kamerling en staatsdienaar van Kandaceacute;, koningin derMooren,dieoveralha,re scbatkamers was, welke nam
29 En de Geest zeide tot -r Filippus: Treed toe en voeg icirc; u biJ' d8'l:en wagen. '
~
30 roen liep Filippus toe, en hoorde dat hij den profeet ,JesaJa las, en r.eicle: Verstaat gij ook hetgeen gij leest?
31 En hij zeide: Hoe zou ik toch knnnen , zoo mij niet
-ocr page 1988-
|
204 HAjSTDELT iemand onderricht? En hij bad Eilippus, dat hij optreden en hij hem zitten zou.' 33 En de plaats der Schrift dio hij las was deze: quot;Hij is gelijk een schaap terslacli-ting geleid; en gelijk een lam stil is voor zijnen scheerder, alzoo heeft hij zijnen mond niet opengedaan. 33 In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen, en zijn geslacht, — wie zal het uitspreken? Want zijn leven is van de aarde weggenomen.// 34 Toen antwoordde de kamerling Eilippus en zei-de: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit, van zich zeiven of vanquot; iemand anders? 35 En Eilippus deed zijnen mond open, en begon van deze Schrift, en predikte hem het evangelie van Jezus. 36 En toen zij op den weg voortreisden, kwamen zij aan een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water: wat verhindert mij gedoopt te worden ? 37 En Eilippus zeide: Gelooft gij van ganscher harte, zoo mag het wel geschieden. Hij antwoordde en zeide: Ik geloof dat Jezus Christus Gods Zoon is. 38 En hij gebood den wagen stil te houden; en zij |
NGEN 9. klommen af in het water, beiden Eilippus en de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij opklommen uit het water, rukte de Geest des Heeren Eilippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; en hij reisde zij nen weg met blijdschap. 40 Maar Eilippus werd gevonden te Asdod, en trok rond en predikte in alle steden het evangelie, totdat hij kwam te Cesaréa. HOOFDSTUK 9. 1 En Saulus blies nog dreiging en moord tegen de jongeren des Heeren, en ging tot den hoogepriester, 3 en verzocht hem om brieven naar Damaskus aan de synagogen, oplat, zoo hij eenigen, die van dien weg waren, vond, mannen en vrouwen, hij hen gebonden zou brengen naar Jeruzalem. 3 En toen hij op den weg was, en nabij Damaskus kwam , omscheen hem plotseling een licht van den hemel; 4 en hij viel op de aarde, en hoorde een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 5 En hij zeide: Heer, wie zijt gij ? En de Heer zeide: Ik ben Jezus dien gij vervolgt. Het zal u hard val- |
-ocr page 1989-
T
Icn, tegen den prikkel ach -teniit to slaan.
' 6 En hij zeide, al bevende en zeer beangst zijnde: Heer,
vat wilt gij dat ik doen zal? En de Heer zeide tot hem; Sta op en ga in de atad; daar zal men u zeggen wat gij doen zult.
-7 En de mannen, die zijne reisgenooten waren,
stonden verslagen, want zij honrdon wel de stem maar zagen niemand.
8 En Saulns richtte zich op van de aarde; en toen Mi zijne oogen opendeed,
zag hij niemand; en zij namen hem bij de hand, en leidden hem naarDamaskus.
9 En hij was drie dagen blind, en hij at niet en dronk niet.
10 En er was een jonger te Damaskns, genaamd Ananias; tot dien zeide de Heer
f in een gezicht: Ananias! En hij zeide; Hier ben ik,
Heer.
11 En de Heer zeide tot,
hem; Sta op, en ga heen in de straat die genaamd is de Eechte, en vraag in het huis van Judas naar eenen, genaamd Saulns van Tarsus; want zie, hij bidt. j en liet zich doopen;
13 En hij heeft in een; 19 en hij nam spijs, en 'gezicht een man , genaamd i versterkte zich. En Saulns j Ananias, tot hem zien bin- was eenige dagen bij de nenkomon en de hand op' jongeren te Damaskns,
HANDELINGEN 9.
355
hem leggen, opdat hij weder ziende werd.
13 En Ananias antwoordde : Heer, ik heb van velen gehoord aangaande dezen man, hoeveel kwaad hij uw heiligen gedaan heeft te Jeruzalem:
14! en hij heeft alhier volmacht van de hoogepriesters, om allen te binden die uwen naam aanroepen.
15 Maar de Heer zeidequot; tot hem; Ga heen, want deze is mij een uitverkoren werktuig, opdat hij mijnen naam drage voor heidenen en koningen en kinderen Israels;
16 want ik zal hem toonen hoeveel hij lijden moet om mijn naams wil.
17 En Ananias ging heen en kwam in het huis, en leide de handen op hem, en zeide: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op den weg dien gij kwaamt,
i opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.
18 En terstond was het, alsof er schellen van zijne oogen vielen, en hij werd weder- ziende, en stond op
7
-ocr page 1990-
HANDELINGEN !).
256
|
20 en terstond predikte hij Jezus in de synagogen, dat deze Gods Zoon is. 31 En wie liet boorden, ontzetten zich en zeiden: Is deze niet degeen, die te .Teruzalem verstoorde wie dezen naam aanriepen. en die daarom hier gekomen is, om ze gebonden te brengen tot de hoogepriesters? 23 Doch Saulus werd meer quot;en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskns woonden, bewijzende dat deze de Christus is. 23 En na vele dagen kwamen de Joden overeen hem te dooden; 24 maar het werd Saulus te kennen gegeven, dat zij hem Jagen leiden. En zij hielden dag en nacht de wacht bij de poorten, om hem te dooden. 25 Toen namen dejongeren hem bij nacht, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in eene mand. 26 Toen nu Saulus te Jeruzalem kwam, trachtte hij zich te voegen bij de jongeren; maar zij vreesden allen voor hem, en geloofden niet dat hij een jonger was. |
27 Maar Barnabas nam hem tot zich, en leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heer gezien had, i en dat hij tot hem gesproken had, en dat hij te Da-maskus den naam van Jezus vrijmoedig gepredikt had. 28 En hij was bij hen, en : ging in en uit te Jeruzalem, • en predikte den naam van den Heer Jezus vrijmoedig. 29 Ook sprak hij en redetwistte met de Griekschen; maar zij leiden op hem toe, om hem te dooden. 30 Doch toen de broeders ditgewaar werden, geleidden zij hem naar Cesaréa, en zonden hem naar Tarsus. 3L Zoo had nu de gemeente vrede door geheel Judéa en Galilca en Sa-marië, en werd gesticht, en wandelde in de vreeze des Heeren, en werd ver-menigdvuldigd door de opwekking des Heiligen Gees-tes. 83 En het geschiedde toen Petrus overal doortrok, dat hij ook tot de heiligen kwam die te Jjydda woonden. 33 Aldaar vond hij een man, genaamd Enéas, die acht jaren lang te bed gelegen had, welke verlamd was. 34 En Petrus zeide tot hem: Enéas, Jezus Christus make u gezond: sta op en spreid zelf uw bed ! En dadelijk stond hij op. 35 En zij zagen hem al- |
-ocr page 1991-
HANDELFNGKN ID.
257
|
[en, die te Lydda en op \de olatete van] Siiron woon-len, welke zich bekeerden tot den Heer. ■I 3G En te Joppe was eene iongeres, genaamd Tabitha, liehvelk, vertaald zijnde, be-teekent Dorkas \lteé]-, deze Was vol van goede werken jen aalmoezen die zij deed. ! 37 En het geschiedde in dien tijd dat zij krank werd ien stierf; toen wieschen zij Laar, en leiden haar op de opperzaal. 38 Dewijl nu Lydda nabij Joppe was, en de jongeren hoorden dat Petrus aldaar was, zonden zij twee mannen tot hem, en baden hem dat hij niet vertoeven zou tot hen te komen. 39 En Petrus stond op en ging met hen; en toen hij daar gekomen was, brachten zij hem naar de opperzaal, en al de weduwen traden rondom hem, en weenden, en toouden hem de rokken en kleederen, die Dorkas gemaakt had, toen zij bij haar was. ■tO En toen Petrus hen allen weggezonden had, knielde hij neder en bad, en koerde zich tot hot lichaam, en zeide: Tabitha, sta op! Kn zij deed hare oogen open, en toen zij Petrus zag, zat ■/.ij overeind. n had, ?espi-o. te Da-i Jezus t Lad, Rti, en lalera, n van oedig. rede-olien; i toe, |
41 En hij gaf haar de hand en richtte haar op, en riep de heiligen en de weduwen, en stelde haar levend voor hen. 42 En het werd bekend door geheel Joppe, en velen werden geloovig in den Heer. 43 En het geschiedde dat hij langen tijd te Joppe bleef bij een zekeren Simon, die een leerlooier was. HOOFDSTUK 10. 1 En er was een man te Cesarca met name Cornelius, een hoofdman van de schaar, j genaamd de Italiaansche, : 2 vroom en godvreezend met zijn geheele huis, die ; aan het volk vele aalmoezen gaf, en altijd tot God bad. 3 Deze zag duidelijk in | een gezicht, omtrent de ne-i gendo ure ties daags, een Engel Gods tot zich inko-i men, die tot hem zeide: Cornelius I 4 En hij zag hem aan, : en verschrikte en zeide: jHeer, wat is het? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn opgekomen in gedachtenis voor God. 5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, met den bijnaam Petrus, (3 die geherbergd is bij |
17
-ocr page 1992-
HANDELINGEN 10.
258
|
een leerlooier Simon, wiens huis aan de zee ligt; die zal u zeggen wat gij doen moet. 7 En toen (ïe Engel, die met Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten, en een godvreezenden krijgsknecht van degenen, die zijne oppassers waren, 8 en verhaalde hun alles, en zond ze naar Joppe. 9 Des anderen daags, terwijl deze op den weg waren en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure. 10 En toen hij hongerig werd, wilde hij eten; en terwijl zij hem wat bereidden, kwam eene zinsverruk-king op hem, 11 en hij zag den hemel geopend, en eeu vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde; 13 daarin waren allerlei viervoetige, wilde, en kruipende dieren der aarde , en vogelen des hemels. 13 En eene stem zeide tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! 14 Maar Petrus zeide: Neen Heer, want ik heb nog nooit iets onheiligs of onreins gegeten. |
15 En de stem sprak ten tweeden male tot hem; Wat God gereinigd heeft, acht gij dat niet onrein. 16 En dit geschiedde tot driemaal toe; en het vat werd weder opgenomen naar den hemel. 17 Toen nu Petrus bij zich zeiven in verlegenheid was, wat dit gezicht, hetwelk hij gezien had, mocht zijn, zie, toen vraagden de mannen die door Cornelius gezonden waren naar het huis van Simon, en stonden aan de deur, 18 en riepen en vraagden of Simon, met den bijnaam Petrus, aldaar geherbergd was. 19 En toen Petrus over dat gezicht nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, er zijn drie mannen die u zoeken; 20 daarom sta op, ga af, en reis met hen, en twijfel niet; want ik heb hen gezonden. 21 Toen ging Petrus af tot de mannen die door Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gij hier zijt? 22 En zij zeiden: Cornelius , de hoofdman, een recht- | vaardig en godvreezend man, en van eene goede getuigen is bij het geheele volk der |
-ocr page 1993-
HANDKLINGEN 10.
259
|
.Toilen, heeft een bevel ontvangen van een heiligen Engel, dat hij u zou laten roepen in zijn huis, en woorden van u hooren. 23 Toen riep hij hen in, en herbergde hen. Des anderen daags trok Petrus met hen heen, en eenige broeders van Joppe gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa; en Cornelius wachtte op hen, en riep zijne bloedver.van-ten en bijzondere vrienden te zamen. 25 En toen Petrus daar binnenkwam , ging Cornelius hem te gemoet, en viel aan zijne voeten en aanbad hem. 26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben óók een mensch. 27 En toen hij met hem gesproken had, ging hij binnen, en vond er velen die samengekomen waren; 38 en hij zeide tot hen: Gij weet dat het een Joodsch man niet geoorloofd is, zich te voegen of te komen tot een vreemdeling; maar God heeft mij getoond, geen mensch onheilig of onrein te noemen; 29 daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, toen ik ontboden werd. Zoo vraag ik u nu, waarom hebt gij mij laten roepen? -k ten : Waf aclit [e tot t vat i naar j zich . was, Ik hij , zie, ■ m die iwa- | non, ir' •aag- | den •dat : de zijn :eu; af, j ijfel i ffe- i af' looiden ik tvat gij ne-ht-an, nis Ier |
3U Cornelius zeide: Ik heb sedert vier dagen gevast tot deze ure toe, en omtrent de negende ure had ik in mijn huis. En zie, toen trad er een man voor mij in een blinkend kleed, 31 en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord , en aan uwe aalmoezen is gedacht geworden voor God. 32 Zoo zend nu naar Joppe, en ontbied hier eenen Simon , met den bijnaam Petrus, die geherbergd is in het huis van den leerlooier Simon, aan de zee; die zal, als hij komt, met u spreken. 33 Toen zond ik terstond tot u, en gij hebt wél gedaan dat gij gekomen zijt. Nu zijn wij allen hier tegenwoordig voor God , om te hooren al wat u door God bevolen is. 34 En Petrus deed zijnen mond open en zeide: Nu bevind ik in waarheid, dat God den persoon niet aanziet; 35 maar dat onder ieder volk, wie hem vreest en recht doet, hem aangenaam is. 36 Gij weet wel van de prediking, welke God tot de kinderen Israels gezonden heeft, latende verkondigen den vrede door Jezus Christus, — die een Heer is van allen — |
-ocr page 1994-
HANDELINGEN il.
2(ïü
|
37 welke door geheelJudéa geschied is, en begonnen in Galilea, na den doop, dien Johannes predikte; 38 hoe God dezen Jezus van Nazaret gezalfd heeft met tien Heiligen Geest en met kracht; die alom gereisd is en heeft welgedaan, en allen gezond gemaakt die door den duivel overweldigd waren, want God was met hem. 3'J Eu wij zijn getuigen van id hetgeen hij gedaan heeft, in Judéa en te Jeruzalem; dien zij gedood hebben, hem gehangen hebbende aan een hout. 10 Dezen heeft God opgewekt teu derden dage, en hem laten openbaar worden, 41 niet aan al het volk, maar aan ons, de getuigen te voren door God uitverkoren, ons, die met hem gegeten eu gedronken hebben, nadat hij uit de dooden opgestaan is. ■Ji3 En hij heeft ons geboden te prediken aan het volk, en te getuigen dat hij door God is verordend tot een rechter van levenden en dooden. 43 Van deze geven alle profeten getuigenis, dat door zijnen naam allen, die in hem gelooven, vergeving der zouden ontvangen zullen. |
44 Toen Petrus nog deze woorden sprak, viel de Hei- j lige Geest op allen die dal woord aanhoorden. 45 En de geloovigen uit de besnijdenis, die mei i Petrus gekomen waren. ontzetten zich, dat ook op de heidenen de gave des Heiligen Geestes uitgestort werd; 46 want zij hoorden dat zij met tongen spraken en God hoog prezen. 47 Toen antwoordde Petrus: Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, die den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk ook wij? 48 Eu hij bevnl hen te doopen in den naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij eenige dagen bij hen zou blijven. HOOFDSTUK 11. 1 En het kwam den apostelen en den broederen die in Judéa waren ter oore, dat ook de heidenen Gods woord hadden aangenomen. 3 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten met hem degenen die uit de besnijdenis waren, 3 zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die onbesneden zijn; en hebt met hen gegeten. |
-ocr page 1995-
1
HANDELINGEN 11.
■I Maar Petrus begon en verhaalde liet hun achtereenvolgens , zeggende:
5 Ik was in de stad loppe in het gebed, en zag in zinsverrnkking een gezicht,
namelijk een vat nederdalen,
gelijk een groot linnen laken , met vier hoeken, en nedergelaten van den hemel,
en het kwam tot bij mij.
6 Daar zag ik in, en merkte op, en zag viervoetige, wilde, en kruipende dieren der aarde, en vogelen des hemels.
7 En ik hoorde eene stem die tot mij zeide: Sta op.
Petrus, slacht en eet!
8 Maar ik zeide: Neen,
Heer, want nooit is er iets onheiligs of onreins in mijnen mond ingegaan.
0 Doch destemantwoordde mij ten tweeden male van den hemel: Wat God gereinigd heeft, acht gij dat niet onrein.
10 En dit geschiedde driemaal ; en alles werd wederom opgetrokken naar den hemel.
; voor het huis waarin ik was, van Cesaréa tot mij 1 gezonden.
12 En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zon, en niet twijfelen. En
11 En zie, in diezelfde God, zeggende: Zoo heeft ure stonden drie mannen ] God ook den heidenen boete gegeven ten leven.
19 Degenen nu die verstrooid waren door de verdrukking, die overStéfanus geschied was, gingen alom tot Eenicijj on Cyprus en
261
met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan.
13 En hij verhaalde ons hoe hij in zijn huis een Engel had zien staan, die tot hem gezegd had : Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, met den bijnaam Petrus;
14 die zal woorden tot u spreken, waardoor gij zult zalig worden en uwgeheele huis.
15 En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.
16 Toen gedacht ik aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: /'Johannes heeft met water gedoopt, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden.//
17 Indien dan God hun gelijke gave gegeven heeft als aan ons, die in den Heer Jezus Christus gelooven, wie was ik dan, dat ik God kon weren ?
i 18 Toen zij dat hoorden, ' zwegen zij stil, en loofden
-ocr page 1996-
HANDELINGEN 12.
262
|
Antiochic toe, en spraken het woord tot niemand dan alleen tot de Joden. 30 En er waren sommigen onder hen, mannen van Cyprus en Cyrcne; die kwamen te Antiochic, en spraken ook tot de Grieken, en predikten het evangelie van den lieer Jezus. 31 En de hand des Heeren was met hen, en een groot getal werd geloovig en bekeerde zich tot den Heer. 33 Eu het gerucht van hen kwam der gemeente te Jeruzalem ter oore; en zij zouden Barnabas, dat hij heenging tot Antiochic toe. 33 Toen hij daar gekomen was en de genade Gods zag, werd hij blijde, en vermaande hen allen, dat zij met het voornemen des harten bij den Heer zouden blijven; 34 want hij was een goed man, vol des Heiligen Gees-tes en des geloofs. En er werd eene groote schare den Heer toegevoegd. 35 En Barnabas trok uit naar ïarsus om Saulus te zoeken, en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochic. 36 Eu zij bleven bij de gemeente een geheel jaar, en leerden veel volk; en de jongeren werden het eerst te Antiochic Christenen genaamd. |
37 In die dagen kwamen er profeten van Jeruzalem naar Antiochic; 38 en een van hen, genaamd Agabus, stond op , en verkondigde door dén Geest een grooten hongersnood, die komen zou over de gehecle wereld, welke ook gekomen is onder keizer Claudius. 39 En onder de jongeren besloot een ieder, naardat hij vermocht, eene handreiking (e zenden aan de broeders die in Judéa woonden; 30 gelijk zij dan ook deden, en zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en van Saulus. HOOFDSTUK 12. 1 Omtrent dien tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om hun kwaad te doen. 3 En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard. 3 En toen hij zag dat het den Joden behaagde, voer hij voort ook Petrus gevangen te nemen. En het waren juist de dagen der ongezuurde brooden. 4 Toen hij hem nu gegrepen had, zette hij hem in |
-ocr page 1997-
HANDEL [X G EX 12.
263
|
de gevangenis, en leverde;, liom over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten,! om hem te bewaren; en hij' dacht hem na Paschen voor ; te brengen voor het volk. : 5 Petrus dan werd in de gevangenis gehouden; maar de gemeente bad zonder ophouden voor hem tot God. 6 En toen Herodes hem wilde voorbrengen, sliep Petrus in dien nacht tus-1 schen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en wachters voor de deur bewaakten de gevangenis. 7 En zie, een Engel des Heeren kwam daar, en een licht scheen in bet verblijf; en hij sloeg Petrus aan de zijde en wekte hem op, zeggende : Sta schielijk op! En de ketenen vielen hem van de handen. 8 Eu de Engel zeide tot hem: Gord u en trek uwe schoenen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om, en volg mij. En hij ging uit en volgde hem, en wist niet dat hem dit waarlijk geschieilde dooiden Engel, maar hij meende dat hij een gezicht zag. |
10 En zij gingen door de eerste en tweede wacht, en kwamen aan de ijzeren deur die naar de stad leidt; die deed zich vanzelf voor hen open; en zij traden uit, en gingen céne straat voort, en terstond scheidde de Engel van hem. 11 En toen Petrus tot zich zei ven kwam, zeide hij: Nu weet ik waarlijk dat de Heer zijnen Engel gezonden, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en van alle verwachting des Joodscheu volks. 12 En alles overwegende, kwam hij voor het huis van Maria, de moeder van Johannes, die bijgenaamd is Markus, waar velen bij elkander waren en baden. 13 En toen Petrus aan de deur van de poort klopte, kwam eene dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode. 11 En toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap de poort niet open, maar liep naar binnen en berichtte hun dat Petrus voor de poort stond. 15 Doch zij zeiden tot haar: Gij zijtuitzinnig.Maar zij bleef er bij, dat het zoo was. Zij zeiden: Het is zijn Engel. 16 Maar Petrus hield aan met kloppen; en toen zij opendeden, zagen zij hem en ontzetten zich. 17 Maar hij wenkte hun |
-ocr page 1998-
IIANDI'.I.IisGKIN Jo.
201
|
mei de liand dat zij zwijgen zonden, en verhaalde hun hoe de Heer hem uit de gevangenis geleid had, en zeide: Verkondigt dit aan Jakobus en aan de broeders. En hij ging uit en trok naar eene andere plaats. 18 Toen het nu dag werd, was er geen geringe ontsteltenis onder de krijgsknechten , wat er toch met Petrus gebeurd was. 19 En toen Herodes naar hem vraagde en hem niet vond, liet hij de wachters gerechtelijk onderzoeken, en gebood hen weg te leiden. En hij vertrok van Judéa naar Cesarea, en onthield zich aldaar. 30 En hij dacht tegen die van ïyrus en Sidon oorlog te voeren; maar zij kwamen eendrachtig tot hem, en overreedden des konings kamerheer Blastus, en baden om vrede, omdat hunne landen gespijzigd werden van des konings land. 21 En O]) een bepaalden dag deed Herodes het koninklijke kleed aan, en zette zich op den rechterstoel, en hield eene rede tot hen; 33 en het volk riep hem toe: ])it is eene stem Gods en niet eens menschen. |
33 En terstond sloeg een Engel des TTeeren liem, omdat hij Gode de eer niet gaf; S (i en hij werd van de wormen ilooi gegeten cn gaf den geest, vont 34 En liet woord Gods wies en vermeerderde zich, 35 Barnabas nu en Sanlvis ' keerden weder van Jeruzalem terug, nadat zij do handreiking overgeleverd hadden, en namen met zich Johannes, met den bijnaam Markus. HOOFDSTUK 13. 1 En er waren te Antio-chië in de gemeente profeten en leeraars, namelijk Barnabas en Simon, genaamd Niger, en Lucius van Gyrene en Manahen, die mei Herodes, den viervorst, opgevoed was, en Saulns. 3 En toen zij den Heer dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij Barnabas en Saulns af tot het werk waartoe ik ze geroepen heb. 3 Toen vastten zij en baden , en leiden de handen op hen, en lieten ze gaan. 4 Zij dan uitgezonden dooiden Heiligen Geest, kwamen te Seleucië; en van daar voeren zij naar Gyprns. 5 En toen zij in de stad Salamis kwamen, verkondigden zij liet woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot. helper, |
-ocr page 1999-
11 ANDKLINGEN 13. 265
13 Toen nu l'aulus en die bij hem waren van Palos afgevaren waren, kwamen zij te Perge, in Pamfylië; maar Johannes scheidde van hen en keerde weder naar Jeruzalem.
14 En zij, van Perge voorttrekkende, kwamen te An-tiochië, in Pisidië, en gingen in de synagoge op den sabbatdag, en zetten zich neder.
15 Kn naliet lezen dor wet en der profeten zonden de oversten der synagoge lot hen, en lieten hun zeggen : Mannen broeders, wilt gij iets spreken en het volk vermanen, zoo zegt het.
16 Toen stond Paulus op en wenkte met de Land, en zeide: Gij mannen van Israël en gij, die God vreest, hoort toe!
17 De God van dit volk heeft onze vaderen verkoren, en het volk verhoogd, toen zij vreemdelingen waren in Kgypteland; en met een
lang de zon niet zien. En kraohtigen arm heeft hij ze terstond viel op hem donker- daar uitgeleid.
beid en duisternis, en hij 18 En bijna veertig jaren ging rondom, en zocht wie | lang beeft hij hen verzorgd
hem bij de hand geleiden zouden.
12 Toen de land voogd zag hetgeen geschied was, geloofde hij, getroffen dooide leer des Heeren.
in de woestijn,
19 en verdelgde zeven volken in het land Kanaan, en deelde het land van deze onder hen naar het lot.
20 Daarna: gaf hij Iiuu
, (i Kn locn zij liet eiland «loorlrokken lot Pafos toe, Tonden zij een toovenaar en Talsclien profeet, een Jood, genaamd Par-Jezus,
7 welke was bij Sergius fanlus, den landvoogd, een verstandig man. Deze riep Barnabas en Saulus tot zich, en begeerde het woord Gods te hooren.
, 8 Toen wederstond hen Elytnas, de toovenaar, — want zoo wordt zijn naam overgezet — en zocht den landvoogd van het geloof af te wenden.
0 Maar Saulus, —die ook Paul us genaamd is — vol des Heiligen Geestes, zag hem aan,
10 en zeide: Gij kind des duivels, vol van alle bedrog en alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, gij houdt niet op de rechte wegen des Heeren teverkeeren.
11 En nu, zie, de hand des ] feeren komt over u, en gij zult blind zijn en een tijd
-ocr page 2000-
TTAXDKIIXGKX 13.
266
|
richters, omtrent vierhonderd en vijftig jaren lang, tot op den profeet Samuël. 21 En van toen afvroegen zij om een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit het geslacht van Benjamin, veertig jaren lang. 22 En toen liij dien verworpen had, verwekte hij hun David tot een koning, van wien hij ook getuigde: v[k heb gevonden David, den zoon van Isaï, een man naar mijn hart, die mijnen geheelen wil zal doen.// 23 Uit diens zaad heeft God , gelijk hij beloofd had, Jezus voorgebracht, den vol-ke Israels tot een Heiland, 24' nadat Johannes eerst bet volk Israëls, vóór zijn optreden, den doop der Iwete had gepredikt. 25 Toen nu Johannes zijnen loop vervulde, zeide hij: //Ik ben die niet, voor wien gij mij houdt; maar zie, hij komt na mij, wien ik niet waardig ben dat ik de schoenen zijner voeten ontbiude.// 26 Gij mannen broeders, gij kinderen van Abrahams geslacht, en wie onder u God vreezeti, tot u is het woord dezes heils gezonden. |
27 Want die te Jeruzalem wonen, en hunne oversten dewijl zij dezen niet kenden, noch de stemmen der profeten, die op eiken sabbat gelezen worden, hebl)en zij ze door hem te veroordeelen vervuld ; 28 en hoewel zij geen oorzaak des doods aan hem vonden, begeerden zij nochtans van Pilatus dat hij hem dooden zou; 29 en toen zij alles volbracht hadden wat van hem geschreven is, namen zij hem van het hout, en leiden hem in een graf. 30 Maar God heeft hem opgewekt van de dooden; 31 en hij is verschenen, vele dagen lang, aan degenen die met hem van Galiléa naar Jeruzalem opgegaan waren, welke zijne getuigen zijn bij het volk. 32 En wij verkondigen u de belofte die aan de vaderen gedaan is, dat God haar aan ons, hunne kinderen, vervuld heeft, tosn hij Jezus heeft opgewekt; 33 gelijk ook in den tweetien psalm geschreven staat: //Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u verwekt.// 3 .1- En dat hij hem van de dooden heeft opgewekt, zoodat hij niet meer tot verderving zal temgkeeren, daarvan zegt hij aldus: //Ik zal u de heilbeloften Da- |
-ocr page 2001-
HANDELINGEN 13.
267
|
vids geven, die gewis zijn.// 35 Daarom zegt hij ook op eene andere plaats: //Gij zult niet toelaten dat uiv Heilige de verderving zie.// 36 Want David, toen hij in zijnen tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen en tot zijne vaderen gegaan, en heeft de verderving gezien; 37 maar hij, dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. 38 Zoo zij u nu bekend, mannen broeders, dat u door dezen verkondigd wordt vergeving der zonden, en van al hetgeen, waarvan gij door do wet van Mozes niet kondt gerechtvaardigd worden; 3(J maar wie in dezen gelooft, is gerechtvaardigd. 40 Zoo ziet nu toe, dat u niet overkome hetgeen in de profeten gezegd is: 41 //Ziet, gij verachters, en yerwondert u, en gaat te niet; want ik doe een werk in uwe tijden, hetwelk gij niet gelooven zult, zoo iemand het u verhaalt.// 42 Toen nu de Joden uit de synagoge waren uitgegaan , baden de heidenen hen, dat tegen den volgenden sabbat hun dezelfde woorden mochten gezegd worden. 43 En toen de synagoge uitgegaan was, volgden vele |
Joden en godvreezende Jo-dengenooten Paulus en Barnabas. En zij spraken tot hen, en vermaanden hen dat zij blijven zouden in de genade Gods. 44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de ge-heele stad te zamen om het woord Gods te hoeren. 45 Maar toen de Joden de scharen zagen, werden zij vol nijd, en wederspraken hetgeen door Paulus gezegd werd, tegensprekende en lasterende. 46 Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig en openlijk: U moest eerst het woord Gods gezegd worden; maar nu gij het van u stoot en u zelve het eeuwige leven niet waardig acht, zie, zoo keeren wij ons tot de heidenen. 47 Want dus heeft de Heer ons geboden: //Ik heb u den heidenen tot een licht gesteld , opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het einde der aarde.// 48 Bn toen de heidenen het hoorden, werden zij blijde en prezen liet woord des Hee-ren; en er werden geloovig zoovelen als er tot het eeuwige leven verordineerd waren. 411 En het woord des Hee-ren werd uitgebreid door de geheele landstreek. |
-ocr page 2002-
HANDELINGEN 14.
268
|
50 Maar de Joden zetten de godvruclitige en aanzienlijke vrouwen en de oversten der stad op, en verwekten eene vervolging tegen Panlns en Barnabas, en stieten ze buiten hunne landpalen. 51 Docli zij schudden het stof van hunne voeten over hen, en kwamen te Ikonië. 53 En de jongeren werden vervuld met vreugde en met den Heiligen Geest. HOOFDSTUK 14. 1 En het geschiedde te Ikonic, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en zoo predikten, dat eene groote menigte dei-Joden en der Grieken ge-loovig werd. 3 Maar de ongeloovige Joden zetten de zielen dei-heidenen op en verbitterden ze tegen de broeders. 3 Zoo vertoefden zij nu aldaar een langen tijd, en leerden vrijmoedig in den Heer, die getuigenis gaf aan het woord ziiner genade, en teekenen en wonderen liet geschieden door hnnne handen. 4 En de menigte der stad werd verdeeld; sommigen hielden het met de Joden, en sommigen met de apostelen. |
5 Toen er nu eon loeleg ontstond van do heidenen en de Joden met hunne oversten , om hun smaadheid aan te doen en hen te steenigen, G werden zij dit gewaar, en ontvloden naar de steden van Lykaonië, naar Lystra en Derbe, en in de landstreken daar rondom, 7 en predikten aldaar het evangelie. 8 En er zat een zeker man te Lystra, onmachtig aan de voeten, en kreupel van den moederschoot at', die nog nooit gewandeld had. 9 Deze hoorde Paulus spreken ; en toen die hem aanzag, en merkte dat hij geloof had om genezen te worden, 10 zeide hij met eene luide stem: Sta recht op uwe voeten ! En hij sprong op en wandelde. 11 En toen het volk zag wat Paulus gedaan had, verhieven zij hunne stemmen, en zeiden in het Lykaonisch : De goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen. 13 En zij noemden Barnabas Jüpiter, en Paulus Mercurius, dewijl hij het woord voerde. 13 En de priester van Jupiter, die vóór hunne stad was, bracht ossen en kransen voor de poort, en wilde ofl'oren met het volk. |
-ocr page 2003-
Mandkungkn U.
269
|
!• Maar toen de apostelen Ikrnabas au Paulua dit |lioorden. scheurden zij hunne kleederen en sprongen onder het volk, en riepen 15 en zeiden: Mannen, wat doet gij daar ? Ook wij zijn menaohen van gelijke |natuur als gij, en verkou-dijfen u dat gij u bekeeren mout van deze ijdelheden tot den levenden God, die : gemaakt heeft den hemel en i (le aarde en de zee en al wat daarin is; 16 die in de verledene tijden alle heidenen heeft laten wandelen in hunne! eigene wegen; 17 hoewel hij zich niet on-! betuigd gelaten heeft, maar ons veel goeds heeft gedaan , i en van den hemel regen en vruchtbare tijden gegeven, onze harten vervullende niet spijs en vreugde. 18 fin toen zij dit zeiden, weerhielden zij nauwelijks het volk, dat zij hun niet olferden. 19 Maar er kwamen derwaarts Joden van Antiochië en Ikonio, en overreedden het volk, ensteenigdenPau-lus, en sleepten hem de stad uit, meenende dat hij dood was. 20 Maar toen de jongeren hem omringden, stond hij op en ging in tie stad. fin des anderen daags ging hij uit met Barnabas naar Derbe. |
21 fin zij predikten aan deze stad het evangelie, eu maakten vele jongeren, en trokken weder naar Lystra en Ikonie en Antiochië; 23 en zij versterkten do zielen der jongeren, hou vermanende dat zij in het geloof zouden blijven , daar wij door vele verdrukkingen in het rijk Gods moeten ingaan. 23 fin zij verordenden hun oudsten in iedere gemeente, en baden en vastten, en bevalen ze den Heer, in wien zij geloovig geworden waren. 21 fin zij trokken door L'isi-dië, en kwamen in Pamfylië, 25 en spraken het woord te Perge, en trokken at naar Attalië; 26 en vandaar voeren zij naar Antiochië, van waar zij verordend waren dooide genade Gods tot het werk, hetwelk zij volbracht hadden. 27 fin toen zij daar kwamen, vergaderden zij de gemeente , en verhaalden hoeveel God met hen gedaan had, en hoe hij den heidenen de deur des geloots had geopend. 28 fin zij vertoefileu aldaar |
-ocr page 2004-
HANDELINGEN 15.
270
|
geen kleinen tijd bij de jongeren. HOOFDSTUK 15. 1 En sommigen kwamen af van Judóa, en leerden de broeders: Indien gij u niet laat besnijden naar de wijze van Mozes, kunt gij niet zalig worden. 2 Toen er nu geen geringe tegenstand en twist tegen lien ontstond door Paulus en Barnabas, verordenden zij dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen zouden opgaan naar Jeruzalem tot de apostelen en oudsten, wegens deze vraag. 3 En zij werden door de gemeente uitgeleid, en trokken door Fenicië en Sa-marië, en verhaalden de bekeering der heidenen, en verwekten groote vreugde bij alle broeders. i En toen zij te Jeruzalem kwamen, werden zij ontvangen door de gemeente en de apostelen en de oudsten ; en zij verhaalden hoeveel God met hen gedaan had. 5 Maar er stonden sommigen op van de sekte dei' Eari-zeën, die geloovig waren geworden, en zeiden dat men hen moest besnijden, en hun gebieden de wet van Mozes te houden. |
6 En de apostelen en de oudsten kwamen bijeen om deze zaak te overwegen. 7 Toen men nu lang getwist had, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God lang vóór dezen tijd onder ons verkoren heeft, opdat door mijnen mond de heidenen het woord des evangelies zouden hooren en gelooven. 8 En God, de kenner der harten, gaf hun getuigenis, door hun den Heiligen Geest te geven gelijk ook ons, 9 en maakte geen onderscheid tusscheji ons en hen, en reinigde hunne harten door het geloof. lü Wat verzoekt gij dan nu God, met een juk op j de halzen der jongeren te leggen, hetwelk noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij gelooven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden, gelijk ook zij. 12 Toen zweeg de geheele menigte stil, en zij hoorden Paulus en Barnabas verhalen wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 Daarna als deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort m\j! |
-ocr page 2005-
HAND KLINGEN 15.
|
14 Simeon heeft verhaald, hoe God het eerst er op ■ bedacht was om uit de heidenen een volk aan te | nemen, dat zijnen naam quot; draagt. 15 En hiermede stemmen (Ie woorden der profeten overeen, gelijk geschreven staat: 16 //Daarna zal ik wederkeer en , en zal de hut van David, die vervallen is, wederopbouwen, en hetgeen daarvan verbroken is zal ik wederopbouwen, en z.J haar wederoprichten, 17 opdat wat er overgebleven is van menschen naar den Heer vrage, alsook alle heidenen, over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt, de Heer, die dit alles doet.// 18 Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeeren, geen onrust veroorzaken moet, 20 maar men schrijve hun, dat zij zich onthouden van hetgeen door de afgoden verontreinigd is, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed. 21 Want Mozes heeft er, van lange tijden af, in alle steden, die hem prediken, daar hij op eiken sabbat in de synagogen gelezen wordt. J |
22 En de apostelen en oudsten benevens de geheele gemeente vonden goed, mannen uit zich te verkiezen, en te zenden naar Antiochië met Paulus en Barnabas, namelijk Judas, bijgenaamd Barsabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders. 28 En zij stelden dit geschrift hun ter hand: De apostelen en de oudsten en de broeders wenschen den broederen uit de heidenen , die in Antiochië en Syrië eu Cilicië zijn, heil! 24 Nademaal wij gehoord hebben dat eenigen van de onzen zijn uitgegaan, en u met leeringen verward en uwe zielen wankelmoedig gemaakt hebben, zeggende dat gij u moest laten besnijden en de wet onderhouden, aan wie wij dit niet bevolen hebben, 25 zoo hebben wij, eendrachtig vergaderd zijnde, goedgevonden, mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden Barnabas en Paulus, 26 menschen, die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam van onzen Heer Jezus Christus. 27 Ook hebben wij Judas en Silas gezonden, die het- |
-ocr page 2006-
HANDELINGEN 15.
270
|
geen kleinen tijd bij de jongeren. HOOFDSTUK 15. 1 En sommigen kwamen af' van Judéa, en leerden lt;le broeders: Indien gij u niet laat besnijden naar de wijze van Mozes, kunt gij niet zalig worden. 2 Toen er nu geen geringe tegenstand en twist tegen ben ontstond door Paulus en Barnabas, verordenden zij dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen zouden opgaan naar Jeruzalem tot de apostelen en oudsten, wegens deze vraag. S En zij werden door de gemeente uitgeleid, en trokken door Èenicië en Sa-raarië, en verhaalden de bekeering der heidenen, en verwekten groote vreugde bij alle broeders. 4 En toen zij te Jeruzidem kwamen, werden zij ontvangen door de gemeente en de apostelen en de oudsten; en zij verhaalden hoeveel God met hen gedaan had. 5 Maar er stonden sommigen op vandesektederFari-zeën, die geloovig waren geworden, en zeiden dat men hen moest besnijden, en hun gebieden de wet van Mozes te houden. |
6 En de apostelen en de oudsten kwamen bijeen om deze zaak te overwegen. 7 Toen men nu lang getwist had, stond Petrus op en zeide tot hen: Mailmen broeders, gij weet dat God lang vóór dezen tijd onder ons [mij] verkoren heeft, opdat door mijnen mond de heidenen het woord des evangelies zouden hooren-en gelooven. 8 En God, de kenner der harten, gaf hun getuigenis, door hun den Heiligen Geest te geven gelijk ook ons, 9 en maakte geen onderscheid tusscheji ons en hen, en reinigde hunne harten door het geloof. 10 Wat verzoekt gij dan nu God, met een juk op de halzen der jongeren te leggen, hetwelk noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij gelooven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden, gelijk ook zij. 12 Toen zweeg de geheele menigte stil, en zij hoorden Paulus en Barnabas verhalen watgroote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 Daarna als deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij 1 |
-ocr page 2007-
HAXI) KLINGEN 15.
|
14 Simeon liee.fr. verhaald, hoe God het eerst er op bedacht was om uit de heidenen een volk aan te nemen, dat zijnen naam draagt. 15 En hiermede stemmen le woorden der proleten overeen, gelijk geschreven staat: 10 //Daarna zal ik weder-keeren, en zal de hut van David, die vervallen is, wederopbouwen, en hetgeen daarvan verbroken is zal ik wederopbouwen, en zal haar wederoprichten, j 17 opdat wat er overgebleven is van menschen naar den Heer vrage, alsook alle heidenen, over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt de Heer, die dit alles doet.//1 18 Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeeren, geen onrust veroorzaken moet, 20 maar men schrijve hun, dat zij zich onthouden van hetgeen door de afgoden verontreinigd is, en van hoererij, en van het. verstikte, en van bloed. 21 Want Mozes heeft er, van lange tijden af, in alle steden, die hem prediken, daar hij op eiken sabbat in de synagogen gelezen wordt. |
22 En de apostelen en oudsten benevens de geheele gemeente vonden goed, mannen uit zich te verkiezen, en te zenden naar Antiochië met Paulus eu Barnabas, namelijk Judas, bijgenaamd Barsabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders. 23 En zij stelden dit geschrift hun ter hand: De apostelen en de oudsten en de broeders weuschen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Gilicië zijn, heil! 2-t Nademaal wij gehoord hebben dat eenigen van de onzen zijn uitgegaan, en u met leeringen verward en uwe zielen wankelmoedig gemaakt hebben, zeggende dat gij u moest laten besnijden en de wet onderhouden, aan wie wij dit niet bevolen hebben, 25 zoo hebben wij, eendrachtig vergaderd zijnde, goedgevonden, mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden Barnabas en Paulus, 26 menschen, die hunne zielenquot; overgegeven hebben voor den naam van onzen Heer Jezus Christus. 37 Ook hebben wij Judas en Silas gezonden, die het- |
-ocr page 2008-
HAN DELINGKN 16.
272
|
zelfde ook mondeling be-ricliteu zullen. 28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons behaagd, ii geen meerderen last op te leggen dan alleen dit noodzakelijke: 29 dat gij u onthoudt van de atgodenoifers, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; indien gij u daarvan onthoudt, zult gij wèl doen. Vaarwel! 30 Toen deze heengezonden waren, kwamen zij te A ntioehië, en vergaderden de menigte, en leverden den brief over. 31 En toen zij dien lazen, werden zij blijde over de vertroosting. 32 Judas nu en Silas, die ook zelve proleten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en sterkten hen. 33 En toen zij daar een tijd lang vertoefd hadden, werden zij door de broeders in vrede weder heengezon-den tot de apostelen. 34 Maar Silas vond goed daar te blijven. 35 Paulus nu en Barnabas hielden zich te Antiochië op, en leerden en predikten met vele anderen het woord des Heeren. 36 Na eenige dagen nu zeide Paulus tot Barnabas; |
Laat ons wederom vertrekken , en onze broeders gaan zien in alle steden, in welke wij het woord des Heeren verkondigd hebben, hoe liet met hen staat. 37 En Barnabas gaf den raad dat zij Johannes, bijgenaamd Markus, met zich zouden nemen; 38 maar Paulus achtte het billijk dat zij dien niet met zich zouden nemen, die van hen geweken was in Pamfy-lië, en met hen niet gegaan was tot dat werk. 39 En er ontstond eene verbittering, zoodat zij van elkander scheidden, en Barnabas Markus met zich nam en naar Cyprus overvoer. 40 Maar Paulus verkoos Silas, en trok heen, aan do genade Gods bevolen zijnde door de broeders; 41 en hij trok door Syrië en Cilicië, en versterkte de gemeenten. HOOFDSTUK 1G. 1 En hij kwam te Derbe en Lystra. En zie, aldaar was een jonger, genaamd j Timotheiis, de zoon van eene I geloovige Jootlsche vrouw, maar van een Griekschen vader; 2 die had eene goede getuigenis bij de broeders te Lystra en te Ikonle, |
-ocr page 2009-
HANDELiNGEN LG.
373
|
3 Dezen wilde Paulus met zich laten trekken; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die iu deze plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was. 4 En toen zij door de steden trokken, gaven zij hun de besluiten over, die de apostelen eü oudsten te Jeruzalem hadden genomen, om zich daarnaar te richten. 5 Toen werden de gemeenten in het geloot bevestigd , en namen TTagelijks toe in getal. 0 En zij trokken door lquot;ry-fgic en liet land van Galatië, 'verhinderd zijnde door den [ Heiligen Geest liet woord iu Azië te spreken. 7 En toen zij bij Mysië kwamen, poogden zij naar Bithynië te reizen, maar de Geest liet het hun niet toe. 8 En toen zij voorbij Mysië trokken, kwamen zij af naar Troas. En door Paulus werd bij nacht een gezicht gezien; er stond een man uit Macedonië, die hem bad, en zeide: Kom over naar Macedonië en help ons. LO Toen hij nu dit gezicht gezien had, zochten wij van stonde aan naar Macedonië te reizen, verzekerd zijnde dut de l[rgt;ei' oiw derwaarts geroepen had, om hun liet evangelie te prediken. |
11 Toen voeren wij van Troas, en kwamen rechtstreeks naar Samothracië, en des anderen daags naar Neapolis, 12 en van daar naar ïi-lippi, welke de hoofdstad is van het landschap Macedonië, eene volkplanting. En wij hielden ons eenige dagen iu die stad op. 13 En op den sabbatdag gingen wij buiten de stad aan de rivier, alwaar men pleegt te bidden, en zaten neder, en spraken tot de vrouwen die daar samen gekomen waren. 14 En eene godvreezende vrouw, genaamd Lydia, eene purperverkoopster uit de sfad Thyatira, hoorde toe; wier hart do Heer opende, dat zij acht gaf op hetgeen door Paulus gesproken werd. 13 En toen zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons, zeggende; Indien gij denkt dat ik geloovig beu iu den | Heer, zoo komt in mijn huis en blijft daarin. En zij drong er bij ons op aan. 16 En liet geschiedde toen wij tot het gebed gingen, dat eene dienstmaagd ons ontmoette, die een waarzeggenden geest had en haren hoeren groot gewin 18 |
-ocr page 2010-
|
274- toebracht met waarzeggen. 17 Deze volgde Paul us en ons overal, en riep en zeide: Deze menschen zijn dienstknechten Gods, des Aller-hoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar het was Paulus hinderlijk, en hij keerde zich om en zeide tot den geest: Ik gebied u in den naam van .lezus Christus, dat gij van haar uitvaart. En hij voer uit terzelfder ure. 19 Toen nu hare heeren zagen dat hunne hoop op gewin verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en trokken hen naar de markt voor de oversten; 20 en leidden hen tot de hoofdlieden, en zeiden: Deze menschen beroeren onze stad, en zijn Joden, 21 en verkondigen zeden, die het ons niet betaamt aan te nemen, noch te doen, dewijl wij Romeinen zijn. 22 En het volk stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdlieden lieten hun de kleederen uittrekken, en geboden hen te geeselen; 23 en toen zij hen fel ge-geeseld hadden, zetten zij hen in de gevangenis, en geboden den gevangenbewaarder dat hij hen wèl bewaren zou. |
24 Deze, zulk een gebod ontvangen hebbende, zette hen in den binnensten kerker, en sloot hunne voeten in het blok. 25 En omtrent middernacht baden Paulus en Silas, en loofden God, en de gevangenen hoorden hen. 26 En er geschiedde plotseling eene groote aardbeving, zoodat de fundamenten der gevangenis zich bewogen; en terstond sprongen al de deuren open, en de banden van allen werden los. 27 Toen nu de gevangenbewaarder uit den slaap opsprong, en de deuren dei-gevangenis geopend zag, trok hij zijn zwaard uit en wilde zich zeiven dooden, want hij meende dat de gevangenen ontvlucht waren. 28 Maar Paulus riep met luide stem, zeggende: Doe u zei ven geen kwaad, want wij zijn allen hier. 29 En hij eischte een licht, en sprong naar binnen, en begon zeer te beven, en viel aan de voeten van Paulus en Silas neder. 30 En hij leidde hen uit, en zeide: Lieve heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ? 31 Zij zeiden: Geloofinden HANDELINGEN 16. |
-ocr page 2011-
HANDELINGEN 17.
275
|
Heer Jezus Christus, zoo wordt gij en uw huis zalig. 32 En zi] spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren. 83 En hij nam ze tot zich in die ure des nachts, en wiesch hun de striemen af; en quot;hij liet zich en al de zijnen terstond doopen. 34 En hij bracht hen in zijn huis, en zette hen aan tafel, en verheugde zich met zijn geheele huis, dat hij in God geloovig geworden was. 35 En toen het dag werd, zonden de hoofdlieden de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. 36 En de gevangenbewaarder berichtte dit woord aan Paulus: De hoofcUieden hebben hier gezonden dat gij moet losgelaten worden; nu, trekt uit, en gaat heen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Eomeinsche biirgers zijn, on-veroordeeld in het openbaar gegeeseld en in de gevangenis geworpen, en zij zouden ons nu heimelijk uitstooten? Niet alzoo; maar dat zij zelve komen en ons uitleiden. 38 De stadsdienaars berichtten deze woorden aan de hoofdlieden; en zij werden bevreesd, hoorende dat zij Romeinen waren; |
39 en zij kwamen en spraken hen toe, en als zij hen uitgeleid hadden, verzochten zij hun dat zij uit de stad zouden gaan. 40 Toen gingen zij uit de gevangenis, en gingen in bij Lydia; en toen zij de broeders gezien en getroost hadden, trokken zij weg. HOOFDSTUK 17. 1 Toen zij nu door Amfi-polis en Apollonia getrokken waren, kwamen zij te Thessalonica, alwaar eene synagoge der Joden was. 2 Daar ging Paulus volgens zijne gewoonte in, en sprak met hen op drie sabbatten uit de Schrift, 3 en opende hun deze, en toonde hun aan, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de dooden, en dat deze Jezus, dien ik 'sprak 7iif\ u verkondig, de Christus is. 4 En sommigen van hen werden overtuigd, en voegden zich bij Paulus en Silas, ook een groote menigte van godvruchtige Grieken, daarenboven niet weinige van de voornaamste vrouwen. 5 Maar de halsstarrige Joden werden ijverzuchtig, en namen tot zich sommige |
-ocr page 2012-
HANDELINGEN 17.
weinige van de aanzienlijke Grieksche vrouwen en van de mannen.
13 Maar toen de Joden van Thessalomca vernamen, dat ook te Beréa het woord Gods door Paulns verkondigd werd, kwamen zij en maakten ook aldaar het volk
oproerig.
LI Maar toen zonden do broeders Paulus terstond weg, opdat hij zou gaan tot aan de zee; maar Silas en Timótheiis bleven daar.
15 En die Paulus verzel-den brachten hein tot Athe-
des keizers, zeggende dat er ne; en toen zij bevel ont-
een andere koning is, name- vangen hadden voor Silas en
lijk Jezus. Timótheiis, dat die ten spoe-
8 En zij maakten het volk digste tot hem zouden ko-oproerig, en de oversten der men, trokken zij heen. stad, die dit hoorden. 16 En terwijl Paulus hen
9 Doch toen zij van Jason te Athene wachtte, werd en do anderen waarborg zijn geest in hem ontstoken , ontvangen hadden, lieten toen hij de stad zoo vol zij hen los. ; afgodsbeelden zag.
10 En de broeders zonden 17 Hij sprak dan tot de terstond'Paulus en Silas bij Joden en godvruchtigen in nacht weg naar Beréa. Toen de synagoge, ook op de zij daar kwamen, gingen zij markt alle dagen tot dein de synagoge der Joden; i genen, die er aanwezig waren.
270
boosaardige mannen van liet marktvolk, en een oploop verwekkende, brachten zij de stad in opsebudding; en zij vielen op bet buis van Jason aan, en zochten ben te brengen onder het volk.
0 Toen zij hen echter niet vonden, sleepten zij Jason eti sommige broeders voor de oversten der stad, en riepen: Die de gebeele wereld in beroering brengen, deze zijn ook hier gekomen ;
7 hen heeft Jason in zijn buis genomen; en deze allen bandelen tegen het gebod
11 en deze waren edeler 18 En eenigen van de Epi-
dan die te Thessalomca, namen het woord geheel gewillig aan, en onderzochten dagelijks in de Schrift ot het alzoo was.
12 Zoo geloofden er nu
r
cureïsche en Stoïsche wijs-geeren twistten met hem; en sommigen zeiden: Wat wil deze klapper zeggen? maar anderen: Het schijnt alsof hij vreemde goden wil
velen van hen, ook niet1 verkondigen. Dit kwam, om-
gt;
-ocr page 2013-
HANDKLIInGEN 17.
277
|
(liit liij lain liet evangelie van Jezus en van de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem en leidden hein op den Areopagus, en zeiden: Kunnen wij ook vernemen wat dit voor een nieuwe leer is die gij leert? 20 Want gij brengt vreemde dingen voor onze ooren; nu wilden wij gaarne weten wat dat is. 21 Alle Atlieners nu, gelijk ook de vreemdelingen die zich daar ophielden, besteedden hun tijd tot niets anders, dan om wat nieuws te zeggen of te li ooren. 32 En Panlus stond in het midden van den Areopagus, en zeide: Gij mannen van Athene, ik zie dat gij in allen deele meer dan godsdienstig zijt. 23 Want ik ben hier doorgegaan, en heb uwe heiligdommen gezien, en vond een altaar, waarop geschreven was: Aan den onbekenden God. Nu verkondig ik u dezen, dien gij vereert zonder hem te kennen. 24 De God die de wereld gemaakt heeft en al wat er in is, nademaalhij een Heer is des hemels en der aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt ; |
25 hij wordt ook niet door inenschenhanden gediend, alsof hij iemand behoefde, alzoo hij zelf iedereen het leven en den adem en alles geeft. 26 En hij heeft gemaakt, dat uit éénen bloede de geslachten aller menschen op den geheelen aardbodem wonen, en heeft hunne bestemde tijden en de grenzen hunner woonplaatsen bepaald, 27 opdat zij den lieer zouden zoeken, of' zij hem toch tasten en vinden mochten. En trouwens, hij is niet ver van een ieder onder ons. 2S Want in hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij; gelijk ook eenigen uwer dichters gezegd hebben: Wij zijn zelfs van zijn geslacht. 2',) Zoo wij clan Gods geslacht zijn, moeten wijniet denken dat de Godheid gelijk zij aan gouden, zilveren of steenen beelden, door eens | menschen kunst en vinding i gemaakt. 30 God dan heeft den tijd der onwetendheid voorbijgezien , en gebiedt nu allen menschen allerwege boete te doen; 31 -daarom dat hij een dag gesteld heeft, op welken hij den aardbodem oordeelen i zal in gerechtigheid, door een man, dien hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, |
-ocr page 2014-
HANDELINGEN IS.
278
|
doordien bij hem uit de dooden heeft opgewekt. 32 Toen zij nu hoorden van de opstanding der dooden, hadden sommigen hunner, spot daarmede, en anderen zeiden: Wij zullen u daarover wederom hooren. 33 Alzoo ging Paulusvan hen. 31 Maar sommige mannen hingen hem aan en werden geloovig, onder welke was Dionysius, de Areopagiet, en eene vrouw, genaamd Da-maris, en anderen met hen. HOOFDSTUK 18. 1 Daarna scheidde Paulus van Athene, en kwam te Korinthe, 2 en vond een zekeren Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs uit Italië was gekomen met zijne huisvrouw Priscilla, omdat \heizer\ Claudius geboden had dat alle Joden uit Kome zouden vertrekken; en tot hen ging hij in; 3 en dewijl hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en arbeidde, want zij waren van handwerk tentenmakers. 4 En hij leerde in de synagoge op eiken sabbat, en overtuigde beiden Joden en Grieken. |
5 En toen Silns en ïimó-theüs uit Macedonië kwamen, drong de Geest Paulus den Joden te betuigen dat Jezus de Christus is. 6 Maar toen zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijne kleederen uit, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd! Ik ben rein, en van nu aan zal ik tot de heidenen gaan. 7 En hij ging van daar, en kwam in het huis van eenen, genaamd Justus, die godvruchtig was, en wiens huis was allernaast de synagoge. 8 En Crispus, de overste der synagoge, geloofde in den Heer met zijn geheele huis, en vele Korinthiërs die toehoorden werden geloovig en lieten zich doopen. 9 En de Heer zeide door een gezicht in den nacht tot Paulus: Vrees niet, maar spreek, en zwijg niet, 10 want ik ben met u, en niemand zal zich onderwinden u kwaad te doen, want ik heb een groot volk in deze stad. 11 En hij bleef aldaar een jaar en zes maanden, en leerde hun het woord Gods. 12 Toen nu Gallio landvoogd in Achaje was, stonden de Joden gezamenlijk op tegen Paulus, en leidden |
-ocr page 2015-
HANDELINGEN 18.
27'.)
|
hem voor den rechterstoel, 13 zeggende: Deze overreedt de menschen om God te dienen tegen de wet. 14 En toen Paulus den mond wilde opendoen, zei-de Gallio tot de Joden: Was het eene verongelijking of eeu schelmstuk, o Joden, zoo zon ik u geduldig hooren, 15 maar is het eene vraag over de leer en over namen en over de wet onder u, dan moogt gij zelve toezien ; ik wil daarover geen rechter zijn. 1(5 En hij zond hen weg van deu rechterstoel. 17 ïoen grepen al de Grieken Sosthenes, den overste der synagoge, en gaven hem slagen voor den rechterstoel; en Gallio trok zich niets daarvan aan. 18 Eti Paulus bleef nog lang aldaar; daarna nam hij afscheid van de broeders, en voer naar Syrië; en bij hem waren Priscilla en Aquila, die teKenchreazijn hoofd geschoren had, want hij had eene gelofte gedaan. 19 En hij kwam te Eteze aan, en liet hen aldaar, maar hij ging in de synagoge en sprak met de Joden. 20 En zij baden hem dat hij langer bij hen blijven zou, en hij bewilligde het niet, |
21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende; Ik moet vóór alle dingen het aanstaande feest te Jeruzalem houden; zoo God wil, zal ik weder tot u komen. En hij voer weg van Efeze. imo-kwa-Pau-ligen 22 En te Cesaréa gekomen zijnde, ging hij op [naar Jerusalein\, groette de gemeente, en trok af naar Antiochië ; 23 en nadat hij aldaar eenigen tijd had vertoefd, ging hij verder, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en ïïygië, en versterkte al de jongeren. 2-1 En er kwam te Efeze een zekere Jood, genaamd Apollos, van geboorte uit Alexandrië, een welsprekend man, en machtig in de Schrift. 25 Deze was onderwezen in den weg des Heeren, en sprak met een vurigen geest, en leerde met naarstigheid aangaande den Heer, kennende alleenlijk den doop van .lohannes. 26 Deze begon vrijmoedig te prediken in de synagoge. En toen Aquila en Priscilla hem gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en leiden hem den weg Gods nog duidelijker uit. 37 En toen hij naar-Achaje wilde reizen, schreven de broeders, en vermaanden de |
-ocr page 2016-
HANDELINGEN If.
280
|
jongeren dat zij hem zouden aannemen. Eu toen hij daar gekomen was, bewees hij veel hulp aan degenen , die geloovig waren geworden door de genade. 38 Want hij weerlegde de Joden met nadruk en openlijk, en bewees uit de Schriften dat Jezus de Christus was. HOOFDSTUK 19. 1 En het geschiedde, toen Apollos te Korintlie was, dat Paulus de hooger gelegene gedeelten des lands doorreisde, en te Efeze kwam, en aldaar eenige jongeren vond. 2 Tot deze zeide hij: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen , toen gij geloovig geworden zijt? Zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet eens gehoord of er een Heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Hoe zijt gij dan gedoopt? Zij zeiden: Met den doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft gedoopt met den doop der boete, zeggende tot het volk dat zij ge-looven zouden in dengene, die na hem komen zou, dat is in Jezus, dat deze de Christus is. |
5 Toen zij dit hoorden, lieten zij zich doopen in den naam des Heeren Jezus; 6 en toen Paulus de handen op heu leide, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met tongen en profeteerden. 7 En die allen waren mannen, omtrent twaalf.' 8 En hij ging in de synagoge, en predikte vrijmoedig-drie maanden-lang, en leerde van het rijk Gods en overtuigde hen. 9 Maar toen sommigen verstokt waren en niet geloofden en kwaad spraken van dien weg voor de menigte, week hij van hen, en zonderde de jongeren af, en sprak dagelijks in de school van zekeren Tyrannus. 10 En dit geschiedde twee jaren lang, zoodat allen die in Azië woonden het woord des Heeren Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken. 11 En God deed ongemeen groote daden door de handen van Paulus, 12 zóó zelfs dat zij ook de zweetdoeken en de gordelbanden van zijn lijf op de kranken hielden, en de ziekten van hen weken, en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 Eu sommigen van de rondtrekkende Joden, die bezweerders waren, onder- |
-ocr page 2017-
HANDELINGEN 111.
281
|
wonden zich den naam van den Heer Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, en zeiden; Wij bezweren \i bij Jezus, dien Paulus predikt! 14 En deze waren zeven zonen van een Joodschen lioogepriester, Sceva , die dit deden. 15 Maar de booze geest antwoordde en zeide; Jezus ken ik wel, en van Paulus weet ik ook; maar wie zijt gij? 16 En de mensch in wien de booze geest was sprong op hen, werd hen meester, en wierp hen ten onder, zoodat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17 En dit werd bekend aan allen die te Efeze woonden, beiden Joden en Grieken; en vrees overviel hen allen, en de naam van den Heer Jezus werd hoog geloofd; 18 ook kwamen er velen dergenen die geloovig waren geworden, en bekenden en verkondigden hunne daden. 19 En velen die zich met tooverij hadden opgehouden, brachten de boeken tezamen en verbrandden ze openlijk , en berekenden wat zij waardig waren, en bevonden het aan geld vijftig duizend penningen. 3() Zoo machtig werkte het. \ |
woord des Heeren en nam de overhand. 31 Toen dit nu geschied was, nam Paulus in den geest voor, door Macedonië en Achaje te reizen, en naar Jeruzalem te trekken, en zeide: Nadat ik aldaar geweest zal zijn, moet ik ook Rome zien. 22 En hij zond twee van zijne medehelpers, ïimo-theüs en Erastus, naar Macedonië, maar hij zelf'vertoefde eenigen tijd in Azië. 23 Omtrent dien tijd nu ontstond er geen kleine opschudding over dezen weg. 24 Want een zekere Demetrius, een zilversmid, die zilveren tempels van Diana maakte, bracht hun, die met hem van dit handwerk waren, geen klein gewin toe. 25 Deze vergaderde hij, benevens andere dergelijke arbeiders, en zeide: Mannen, gij weet dat wij van dezen handel groot gewin hebben; 26 en gij ziet en hoort, dat deze Paulus niet alleen te Efeze maar ook bijna in geheel Azië veel volk afvallig maakt en overreedt, zeggende: Dit zijn geen goden , die met handen gemaakt worden. 27 En niet alleen zal het met onzen handel daartoe komen, dat hij niets waardig |
-ocr page 2018-
HANDELINGEN 19.
282
|
is, maar dat ook de tempel der groote godin Diana voor niets zal geacht worden, en dat daarenboven bare majesteit te gronde gaat, welke gansch Azië en de geheele wereld vereert. 28 Toen zij nu dit hoorden, werden zij vol toorn, en riepen en zeiden: Groot is de Diana der Ei'eziërs! 29 En de geheele stad werd vol gewoel; en zij stormden gezamenlijk naar den schouwburg, met zich slepende Gajus en Aristar-ehus, Macedoniërs, Paulus' reisgenooten. 30 Toen nu Paulus onder het volk wilde gaan, lieten de jongeren het hem niet toe. 31 Ook sommigen der oversten van Azië,diegoedevrien-den van hem waren, zonden tot hem en vermaanden hem, dat hij zich niet naar den schouwburg zou begeven. 32 Sommigen dan riepen zóó, anderen weder anders; want de vergadering was verward, en het grootste ge-jtleelte wist niet waarom zij samengekomen waren. 33 En sommigen van het volk trokken Alexander voort, daar de Joden hem voortstieten; en Alexander wenkte met de hand, en wilde bij het volk verantwoording doen. |
34 Maar toen zij vernamen dat hij een Jood was, verhief zich ééne stem van allen, en zij riepen omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efeziërs! 35 Toen nu de stadsschrij-ver het volk gestild had, zeide hij: Gij mannen van Etëze, wat mensch is er die niet weet, dat de stad Etëze de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van het beeld, dat uit den hemel gevallen is? 3G Dewijl dit dan onwe-dersprekelijk is, zoo moest gij immers stil zijn en niet onbedacht handelen. 37 Want gij hebt deze menschen [/«'«•] gebracht, die nochtempelroovers, noch lasteraars uwer godin zijn. 38 Maar heeft Demetrius, en die met hem van het handwerk zijn, op iemand wat te zeggen; er worden rechtdagen gehouden, en er zijn landvoogden: laat ze elkander aanklagen. 39 En wilt ge nog iets anders, zoo kan het in eene wettige vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar over dezen oploop van heden aangeklaagd te worden ; en nochtans is er geen zaak voorhanden, met welke wij ons zullen kunnen |
IBI
-ocr page 2019-
HANDELINGEN 20.
383
|
vorontscluildigen wegens dit oproer. — En toen hij dit gezegd had, liet hij de vergadering uiteengaan. HOOFDSTUK 20. 1 Toen nu de oploop gestild was, riep Paulus de jongeren tot zich, en hen gegroet hebbende, ging hij uit om naar Macedonië te reizen. 2 En toen hij die landen doortrok, en hen met vele woorden vermaand had, kwam hij in Griekenland; 3 en hij vertoefde aldaar drie maanden; maar daar de Joden hem lagen leiden, toen hij naar Syrië wilde varen, besloot hij terug te keeren door Macedonië. 4 En met hem trokken tot in Azië Sópater van Berea; en van Thessalonica Aristarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, enTimo-theüs; en uit Azië Tychicus en Trótimus. 5 Deze gingen vooruit en wachtten ons te Troas. 0 Wij nu voeren af van Filippi, na de Paaschdagen, en kwamen op den vijfden dag bij hen te Troas, waar wij ons zeven dagen ophielden. 7 En op den eersten dag der week, toen de jongeren samenkwamen om het brood te breken, predikte Paulus hun, en wilde des anderen daags wegreizen; en hij strekte zijne rede uit tot middernacht. |
8 En er waren vele lampen in de opperzaal, waar zij vergaderd waren. 9 Eq in het venster zat een zeker jongeling, genaamd Eutychus; die viel in een diepen slaap, dewijl Paulus zeer lang sprak; en hij werd door den slaap overwonnen, en viel neder van de derde verdieping, en werd dood opgenomen. 10 En Paulus ging af, en viel op hem, en omvatte hem en zeide: Maakt geen misbaar, want zijne ziel is in hem. 11 Toen ging hij naar boven, brak het brood en at, en sprak veel met hen, totdat de dag aanbrak; en alzoo vertrok hij. 12 En zij brachten den jongeling levend, en werden niet weinig vertroost. 18 Wij nu gingen vooruit naar het schip, en voeren naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het zóó bevolen, daar hij over land wilde gaan. | 14 Toen h ij zich nu te Assus bij ons voegde, namen wij hem in, en kwamen te | Mityléne; j 15 en van tiaar voeren wij |
-ocr page 2020-
284. HANPKLINGEN 20
af, on 1: wamen des anderen daags tegenover Chios, en den volgenden dag leiden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllium, en den vol quot;enden dag kwamen wii te Milcto.
16 Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen,
om in Azië geen tijd te verliezen ; want hij haastte zich,
om op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn, zoo het hem mogelijk ware.
17 Van Miléte nu zond hij naar Efeze, en liet de oudsten der gemeente roepen.
18 En toen die tot hein gekomen waren, zeide hij tot hen: Gij weet, van den eersten dag af, dat ik in Azië gekomen ben, hoe ik altijd bij u geweest ben,
l'j dienende den Heer met alle ootmoedigheid, en met vele tranen en beproevingen,
die mij overkomen zijn door de lagen der Joden;
20 hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en in de huizen;
21 en betuigd heb beiden Joden en Grieken de boete tot God en het geloof in onzen Heer Jezus Christus.
33 En nu, zie, in den
heen naar Jeruzalem, niet wetende wat mij aldaar wedervaren zal,
23 dan dat de Heilige Geest in alle steden mij betuigt en zegt, dat banden en verdrukkingen mij aldaar wachten.
24 Maar ik acht dat -alles niet, ik hecht voor mij zeiven ook niet aan het leven, opdat ik mijnen loop met vreugde voleinde, en het ambt, hetwelk ik van den Heer Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie van de genade Gods.
25 En nu, zie, ik weet dat gij mijn aangezicht niet meer zien zult, gij allen, bij wie ik ben doorgereisd, predikende het rijk Gods.
26 Daarom betuig ik u heden op dezen dag dat ik rein ben van het bloed van u allen;
27 want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.
28 Hebt dan nu acht op u zelve, en op de geheele kudde, over welke de Heilige Geest u gesteld heeft tot opzieners, om de gemeente Gods te weiden, welke hij door zijn eigen bloed verworven heeft.
29 Want dit weet ik, dat
geest gebonden zijnde ga ik na mijn afscheid onder u
-ocr page 2021-
HANDEL [NGrEN 21.
283
|
gruwelijke wolvea zullen komen, die de kudde niet versohoouen zullen; ' 30 ook uit u zelve zullen mannen opstaan, die verkeerde leeringen spreken, om de jongeren tot zich te trekken. J31 Daarom zijt wakker, en gedenkt dat ik niet nagelaten heb, driejaren lang, dag en nacht, een ieder met tranen te vermanen. 33 En nu, broeders, beveel ik u aan God en aan het woord zijner genade, die machtig is om u op te bouwen, en u te geven de erfenis onder allen die geheiligd worden. 33 Ik heb niemands zilver ot' goud. ot' kleed begeerd; 3i want gij zelve weet, dat mij deze handen tot mijn onderhoud, cn dergeneu die bij mij geweest zijn, gediend hebben. 35 Ik heb u alleszins getoond , dat men zoo arbeiden moet, en zich de zwakken aantrekken, en gedenken aan het woord des Heeren Jezus, dat hij gezegd heeft: //Het is zaliger te geven dan te ontvangen.// 30 En toen hij dit gezegd had, knielde hij neder en bad met hen alleu. 37 lln er ontstond veel geween ouder hen allen, en zij vielen Paulus om den hals en kusten hem, |
38 allermeest bedroefd zijnde over het woord hetwelk hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip. HOOFDSTUK 21. 1 Toen het nu geschiedde dat wij, van hen gescheiden zijnde, afvoeren, liepen wij rechtuit en kwamen teKös, en den volgenden dag te Itliodus, en van daar te Palara. 2 En toen wij een schip vonden dat naar Peniciö voer, traden wij er in eu voeren af. 3 En toen wij Cyprus in het gezicht kregen, lieten wij het ter linkerhand, en voeren naar Syrië, eu kwamen aan te ïyrus; want aldaar zou het schip de lading lossen. 4 En toen wij de jongeren vonden, bleven wij daar zeven dagen; die zeiden door den Geest tot Paulus, dat hij niet moest optrekken •naar Jeruzalem. 5 Eu het geschiedde, toen wij deze dagen doorgebracht hadden, dat wij uittrokken eu verder reisden; en zij geleidden ons allen met vrouwen eu kinderen tot buiten de shul, en wij knielden ne- |
-ocr page 2022-
HANDELINGEN 21.
286
|
der aan den oever en baden; 6 en toen wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zij keerden weder tot de hunnen. 7 En wij volbrachten de vaart van Tyrus, en kwamen te Ptolemaïs, en groetten de broeders, en bleven één dag bij hen. 8 Des anderen daags trokken wij uit, en kwamen te Cesaréa, en gingen in het huis van Filippus, den evangelist , die één van de zeven was, en bleven bij hem. 9 Deze had vier dochters, maagden, die profeteerden. 10 En toen wij daar meerdere dagen bleven, kwam er een zekere profeet af uit Judéa, genaamd Agabus; 11 die kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en bond zich de handen en voeten, zeggende: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens gordel dit is, zullen de Joden zóó binden te Jeruzalem , en overleveren in de handen der heidenen. 12 Toen wij dit nu hoorden, baden wij en degenen, die van deze plaats waren, dat hij niet zou optrekken naar Jeruzalem. 13 Maar Paulus antwoordde : Wat doet gij, dat gij weent en mij het hart breekt ? Want ik ben bereid, niet alleen mij te laten binden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam van den Heer Jezus. |
14 En toen hij zich niet liet overreden, zwegen wij, zeggende: De wil des Heeren geschiede! 15 En na deze dagen maakten wij ons gereed, en trokken op naar Jeruzalem; 16 en er kwamen ook met ons eenige jongeren van Cesaréa, en brachten ons tot zekeren Mnason van Cyprus, die een oud jonger was, bij wien wij gehuisvest zouden worden. 17 Toen wij nu te Jeruzalem kwamen, namen de broeders ons gaarne aan. 18 En des anderen daags ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de oudsten kwamen daar. 10 En toen hij hen gegroet had, verhaalde hij het een na het ander wat God gedaan had onder de heidenen door zijn ambt. 20 En toen zij dat hoorden, prezen zij den Heer, en zeiden tot hem: Proeder, gij ziet hoevele dui-zende Joden er zijn die ge-loovig ziju geworden, en zij zijn allen ijveraars voor de wet; 21 en hun is aangaande u bericht geworden, dat gij |
-ocr page 2023-
HANDELINGEN 21.
287
|
alle Joden, die onder de heidenen zijn, van Mozes leert afvallen, zeggende dat zij hunne kinderen niet moeten besnijden, ook niet naar zijne gebruiken wandelen. 22 Wat is het dan nu? Het is volstrekt noodig dat de menigte samenkome; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt. 23 Zoo doe nu dit, hetgeen wij u zeggen. Wij hebben vier mannen die eene gelofte gedaan hebben: 24 neem deze tot u, en heilig u met hen, en draag de kosten voor hen, dat zij hunne hoofden scheren; opdat allen weten dat er niets aan is van 't geen hun aangaande ii bericht is, maar dat gij zelf zóó wandelt dat gij de wet houdt. 25 Doch aan de geloo-vigen uit de heidenen hebben wij geschreven en goedgevonden , dat zij niets daarvan zouden onderhouden, dan alleen zich wachten voor het afgodenoffer, voor bloed, voor het verstikte, eu voor hoererij. 36 Toen nam Paulus de mannen met zich, en heiligde zich des anderen daags met hen en ging in den tempel, en kondigde de vervulling van de dagen der heiliging aan, totilat voor elk van lien het offer geotterd werd. |
27 Toen nu de zeven dagen ten einde liepen, zagen de Joden uit Azië hem in den tempel, eu brachten al het volk in beroering, en sloegen de handen aan hem, 28 en riepen: Gij mannen van Israël, helpt! Dit is de mensch, die alle men-schen allerwege leert tegen dit volk, tegen de wet, en tegen deze plaats; daarenboven heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en deze heilige plaats ontheiligd ! 29 Want zij hadden ïro-fimus, den Efeziër, met hem in de stad gezien; dezen meenden zij dat Paulus mede in den tempel gebracht had. 30 En de geheele stad kwam in beweging, en het volk liep te zamen, en zij grepen Paulus en trokken hem den tempel uit; en terstond werden de deuren gesloten. 31 En toen zij hem wilden dooden , kwam het gerucht tot den hoofdman der schare, dat geheel Jeruzalem in opschudding was. 32 Deze nam terstond krijgsknechten en hoofdlieden bij zich, en liep op hen toe. Toen zij nu den |
-ocr page 2024-
HANDKLINGEN 22.
288
|
hoofdman en de krijgsknecli-ten zagen, hielden zij op met Paiilus te slaan. 33 En toen de hoofdman naderbij kwam, greep hij hem, en gebood hem te binden met twee ketenen, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 3-1 En de een riep dit, de ander dat onder het volk. Maar toen lüj niets zekers vernemen kon wegens het gewoel, gebood hij hein inde legerplaats te brengen. 35 En toen hij aan de trappen kwam, moestende krijgsknechten hem dragen, vanwege het geweld des volks; 36 want de geheele menigte volgde en riep: Weg met hem! 37 Toen nn Paulus in de legerplaats zon gebracht worden, zeide hij tot den hoofdman: Mag ik met u spreken? En hij zeide: Kent gij Grieksch? 38 Zijt gij niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen een oproer verwekt heeften vier duizend moordenaars uitleidde naar de woestijn? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eone vermaarde stad in Ciliciü; ik bid u, geef mij verlof'tot liet volk te spreken. |
■lü En toen hij hem verlof gat, trad Paulus op de trappen , en wenkte het volk met de hand. Toen er nu eene groote stilte kwam, sprak hij tot hen in het Hebrecuwsoh, en zeide: HOOFDSTUK 22. 1 Mannen broeders en vaders, hoort mijne verantwoording aan u. 3 Toen zij nu hoorden dat hij in het Hebreeuwsoh tot hen sprak, werden zij nog stiller. En hij zeide: 3 Ik ben een Joodsch man, geboren te Tarsus in Ciliciö, doch opgevoed in deze stad, aan dc voeten van Gamaliel , met allo nauwgezetheid onderwezen in de vaderlijke wet; en ik was een ij veraar voor God, gelijk gij allen heden zijt. t En ik heb dezen weg vervolgd ter dood toe; ik bond hen, en leverde hen over in de gevangenis, beiden mannen en vrouwen; 5 gelijk mij ook de hooge-priester en dc geheele menigte der oudsten getuigenis | geeft, van welke ik ook brieven nam aan de broe ; ders, en reisde naar Damas-kus, om ook degenen die aldaar waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, i opdat zij gestraft zouden worden. 6 toen Dan den selit den 7 en 1 mij verv 81 wie mij: ret, 9 zage schri gene hoor 10 wat Ueei en ii zal wat doen 11 iieerl zien hand die I te B 12 godv Anai tuigt die : 13 bij ] tot i |
-ocr page 2025-
HANDELINGEN 33.
38!)
|
6 Maar liet gescliiedde, toen ik. heentrok en nabij Damaskus kwam, omtrent den middag, dat mij plotseling een groot licht van den hemel omscheen; 7 en ik viel ter aarde, en hoorde eene slem die tot mij zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 8 En ik antwoordde; Heer, wie zijt gij? Eu hij zeide tot mij: Ik ben Jezus van Naza-ret, dien gij vervolgt. 9 En die met mij waren zagen wel het licht, en verschrikten , maar de stem des-genen, die met mij sprak, hoorden zij niet. 10 En ik zeide: Heer, wat zal ik doen? En de lieer zeide tot mij; Sla op cn ga naar Damaskus; daar zal u alles gezegd worden wat u opgelegd is te doen. 11 En daar ik wegens de heerlijkheid van dit licht niet zien kon, werd ik bij de hand geleid door degenen tlie bij mij waren, en kwam te Damaskus. 12 En er was een man, godvruchtig naar de wet, Ananias, die eene goede getuigenis had bij alle Joden ilie aldaar woonden; L3 die kwam tot mij, en bij mij staande, zeide hij tot mij: Saul, broeder, zie mij aan! En ik zag hem aan terzelfder ure. |
Ié En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u verordineerd om zijnen wil te kennen, en den llechtvaar-dige te zien, en de stem uit zijnen mond te hooren; 15 want gij zult zijn getuige zijn bij alle menschen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. 1G En nu, wat vertoeft gij ? Sta op, en laat u doo-pen en uwe zonden afwas-scheu, en roep den naam des Heeren aan. 17 En het geschiedde, toen ik weder te Jeruzalem kwam eu in den tempel bad, dat ik in zinsverrukking kwam en hem zag, 18 en hem tot mij hoorde zeggen: Haast u en ga terstond van Jeruzalem uit, want zij zullen uwe getuigenis van mij nietaaunemen. 19 En ik zeide: Heer, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen geeseldc wie in u geloofden; 30 en toen het bloed van Stélanus, uwen getuige, vergoten werd, stond ik er ook bij , en had welbehagen aan zijnen dood, en bewaarde de kleederen dergenen tlie hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: 19 |
-ocr page 2026-
HANDELINGEN 23.
290
|
Ga licen, want ik zal u ver onder de heidenen zenden. 22 Zij koorden hem nu tot dit woord toe, en hieven hunne stemmen op, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want hij is niet waardig te leven' 23 En toen zij schreeuwden en hunne kleedei en van zich afsmeten en het stof in de lucht wierpen, 24 gebood de overste hem in de legerplaats te brengen , en zeide dat men hem onder geeselslagen ondervragen zou, opdat hij vernemen mocht om welke oorzaak zij alzoo tegen hem riepen. 25 Toen men hem nu met riemen aanbond, zeide Pau-lus tot den hoofdman, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romeinsch burger ook onveroordeeld te geeselen? 2(1 Toen de hoofdman dat hoorde, ging hij heen tot den overste, en berichtte hem, zeggende: Wat wilt gij doen? Deze mensch is een Romein. 27 Toen kwam de overste tot hem en zeide tot hem: Zeg my, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja. 28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor eene groote som verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben zelfs een Romein geboren. |
29 Toen lieten zij die hem onderzoeken zouden terstond van hem af; en de overste vreesde, toen hij vernam dat hij een Romein was, en omdathij hem gebonden had. 30 Des anderen daags nu wilde hij zeker weten, waarover hij door de Joden aangeklaagd werd; en hij maakte zijne banden los, en gebood de hoogepriesters en hun geheelen raad bijeen te komen; en hij bracht Paulus voor en stelde hem vóór hen. HOOFDSTUK 23. 1 En Paulus zag den raad strak aan, en zeide: Mannen broeders, ik heb met een volkomen goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag. 2 Maar de hoogepriester Ananias beval degenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij om mij naar de wet te oor-deelen, en beveelt gij mij te slaan tegen de wet? 4 En die daarbij stonden zeiden: Scheldt gij den hoogepriester Gods? |
-ocr page 2027-
HANDELINGKN 23.
291
|
5 En Paulus zeide: Broeders, ik wist niet dat het de hoogepriester was, want er staat geschreven: //Den overste uws volks zult gij niet vloeken.// 6 En daar Paulus wist, dat het eene gedeelte Sad- quot; duceën en het andere gedeelte Farizeën waren, riep hij in den raad: Mannen broeders, ik ben een Parizee r , eens Parizeörs zoon; ik word aangeklaagd wegens de hoop en de opstanding der dooden. 7 En toen hij dat zeide, ontstond er opschudding tus-sclien de Parizeen en de Sad-dueeën, en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceën zeggen dat er geen opstanding is, noch Engel of geest; maar de Parizeën belijden beide. 9 En er ontstond een groot geschreeuw; en de schriftgeleerden van de partij der Parizeën stonden op en streden, en zeiden: Wij vinden niets kwaads in dezen mensch; en heeft een geest oi een Engel tot hem gesproken , zoo willen wij met God niet strijden. 10 En toen de opschudding groot werd, vreesde de overste dat zij Paulus zouden verscheuren, en beval het krijgsvolk af te komen en hem uit het midden van hen weg te rukken en iu de legerplaats te brengen. |
11 En in den volgenden nacht stond de Heer bij hem, en zeide; Wees getroost, Paulus; want, gelijk gij van mij te Jeruzalem getuigd hebt, zoo moet gij ook te Rome getuigen. 12 Toen het nu dag werd, spanden eenige Joden samen, en vervloekten zich zelve, om noch te eten noch te drinken, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En er waren er meer dan veertig die dit verbond gemaakt hadden. 14 Deze traden tot de hoogepriesters en oudsten, en zeiden: Wij hebben ons zelve zwaar vervloekt, om niets te nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Zoo doet nu met den raad den overste weten, dat hij hem morgen totubrenge, alsof gij hem beter wildet verhooren; en wij zijn gereed hem te dooden, eer hij voor u komt. 16 Maar toen de zusterszoon van Paulus dien aanslag hoorde, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en berichtte het aan Paulus. L7 En Paulus riep tot zich een van de hoofdheden, en |
-ocr page 2028-
HANDELINGEN 23.
292
|
zeide: Breng dezen jongeling' I heen tot den overste, want liij heeft hem iets te zeggen. 18 Deze nam hem eu bracht hem tot den overste, en zeide: Panlus, de gevangene, riep mij tot zich, en verzocht mij dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u iets te zeggen heeft. 19 Toen nam de overste hem bij de hand, ging terzijde, en vraagde hem: Wat is het dat gij mij te zeggen hebt? 20 Eu hij zeide: De Joden zijn het ééns geworden, om ii te verzoeken, dat gij Pau-ius morgen voor den raad zoudt brengen, alsof zij hem beter wilden verhooren. 31 Maar vertrouw hen niet; want meer dan veertig mannen van hen leggen hem lagen, die zich zelve vervloekt hebben, om noch te eten noch te drinken, totdat zij Paul us zullen gedood hebben ; en zij zijn nu gereed, en wachten op uwe toezegging. 22 Toen liet de overste den jongeling van zich, en gebood hem dat hij niemand zeggen zou, dat hij hem dit geopenbaard had. 23 En hij riep twee hoofdlieden tot zich, en zeide; Houdt tweehonderd krijgsknechten en zeventig ruiters en tweehonderd schutters in gereedheid, om naar Cesaréa te trekken tegen de derde ure des nachts; |
24 en zorgt voor lastdieren, om Panlus daarop te zetten, en hem behouden over te brengen tot' den landvoogd Felix. 25 En hij schreef een brief van dezen inhoud: 26 Claudius Lysias aan den machtigsten landvoogd Felix, heil! 27 Dezen man hadden de Joden gegrepen, en wilden hem dooden; toen kwam ik met het krijgsvolk daarbij, en ontrukte hem aan hen, vernemende dat hij een l'o-mein is. 28 En toen ik de zaak wilde weten, waarover zij hem beschuldigden, leidde ik hem voor hunnen raad. 29 Toen bevond ik dat hij beschuldigd werd over vragen hunner wet, maar dat hij zich aan niets had schuldig gemaakt hetwelk dood of banden waardig was. 30 En toen het mij ter oore kwam dat eenige Joden hem lagen leiden, zond ik hem terstond tot u, en ontbood de aanklagers ook, opdat zij voor u zouden zeggen wat zij tegen hem hadden. Vaarwel! 31 De krijgsknechten dan |
i
-ocr page 2029-
HANDELINGEN 24.
293
|
namen Paulus, gelijk linn bevolen was, en brachten hom in den nacht naar Antipat,ris ; 33 en des anderen daags lieten zij de ruiters met hem trekken, en keerden .weder naar de legerplaats. 33 Toen deze te Cesaréa kwamen, gaven zij den brief aan den landvoogd over, en stelden ook Paulus voor hem. 34 En toen de landvoogd den brief gelezen had, vraagde hij uit wat land hij was; en toen hij vernam dat hij uit Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal n verhooren als ook uwe aanklagers hier gekomen zijn. En hij beval hem te bewaren in het rechthuis van Herodes. HOOFDSTUK 24. 1 Na vijt dagen trok de hoogepriester Ananias af met de oudsten en een zekeren redenaar Tertullus; die verschenen voor den landvoogd tegen Paulus. 2 En toen hij geroepen was, begon ïertullus hem aan te klagen, zeggende: 3 Dat wij in grooten vrede leven onder u, en dat vele loffelijke dingen aan dit volk geschieden door uw beleid, machtigste Felix, dit nemen wij altijd en overal niet alle dankbaarheid aan. |
4 Maar opdat ik u niet te lang opnoude, bid ik u, wil ons, naar uwe gewone goedheid, kortelijk hooren. 5 Wij hebben dezen man bevonden een pest te zijn, en oproer verwekkende onder alle Joden op den ge-heelen aardlxxlem, en een eersten voorstander van de sekte der Nazarenen; 6 die ook gepoogd heeft den tempel te ontwijden; dien wij ook gegrepen hebben en naar onze wet heli-ben willen oordeelen. 7 Maar Lysias, de overste, voorkwam dit, en leidde hem met groot geweld uit onze handen, 8 gebiedende zijne aanklagers tot u te komen; van wien gij, zoo gij het wilt onderzoeken, alles kunt vernemen waarover wij hem aanklagen. —- 9 En de Joden stemden met hem in, en zeiden dat het' zoo was. 10 Maar Paulus, toen de landvoogd hem wenkte om te spreken, antwoordde: Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt, zal ik onbeschroomd mij zeiven verantwoorden. |
-ocr page 2030-
IIANDELTNGEN 34.
294
|
11 Want gij kimt vernemen, dat het niet langer dan sedert twaalf dagen is, dat ik hen opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. 13 Ook hebben zij mij niet gevonden in den tempel met iemand sprekende of eenig oproer makende onder het volk, noch in de synagogen, noch in de stad; 13 zij kunnen ook niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik naar dezen weg, dien zij eene sekte noemen, den God mijner vaderen zóó dien, dat ik geloof al wat geschreven staat in de wet en in de profeten, 15 en de hoop tot God heb, welke zij zelve ook verwachten, dat er eene opstanding der dooden zal zijn, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen. 16 En hierin oefen ik mij zelf, om altijd een onaan-sLootelijk geweten te hebben beiden voor God en de menschen. 17 Doch na vele jaren ben ik gekomen, om aalmoezen te geven aan mijn volk, en olferande te doen; 18 waarmede mij bezig vonden , (oen ik mij heiligde in den tempel, zonder volksoploop en zonder opschudding , eenige Joden uit Azië, |
19 die hier vóór u behoorden te zijn en mij aan te klagen, indien zij iets tegen mij hadden. 30 Of laat deze zelve zeg-'gen, of zij eenig onrecht in mij gevonden hebben, toen ik voor den raad stond, 31 dan alleen dit ééni-ge woord, toen ik onder hen stond en riep: Wegens de opstanding cler dooden word ik heden door u aangeklaagd. 33 Toen nu Eelix dit gehoord had, stelde hij hunne zaak uit — want hij wist zeer wel van dezen weg — en zeide: Als Lysias, de overste, afkomt, dan zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 En hij beval den hoofdman Paulus te bewaren, en iiem meer gemak te laten hebben, en niemand van de zijnen te beletten, om hem to dienen of tot hem te komen. 34 Na eenige dagen nu kwam Eelix met zijne vrouw Drusilla, die eene Jodin was, en ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 25 En toen Paulus sprak van de rechtvaardigheid en van de ingetogenheid en van het toekomende oordeel, verschrikte Eelix en antwoord- |
-ocr page 2031-
|
de: Ga voor ditmaal lieen; als ik gelegen tijd zal hebben , zal ik ii laten roepen. 26 En hij hoopte daarenboven dat hem door Paulus geld zou gegeven worden, opdat hij hem zou loslaten; waarom hij hem ook dikwijls ontbood en met hem sprak. 27 Maar toen er twee jaren om waren, kwam Porcius Festus in Éelix' plaats; en Eelix wilde den Joden eene gunst bewijzen, en liet Paulus gevankelijk achter. HOOFDSTUK 25. 1 Toen nu Eestus de landvoogdij aanvaard had, trok hij na drie dagen van Cesa-réa op naar Jeruzalem. 3 Toen verschenen vóór hem de hoogepriesters en de voornaamsten der Joden tegen Paulus, en baden hem, 3 begeerende eene gunst tegen hem, dat hij hem zou doen komen naar Jeruzalem; en zij leiden hem eene lage, om hem onder weg om te brengen. 4 Toen antwoordde Eestus, dat Paulus immers te Cesaróa bewaard werd, en dat hij zeil' weldra weder derwaarts zou vertrekken. 5 Wie nu, zeide hij, onder u aan het bewind zijn, laat die mede afreizen, en den |
beschuldigen, man iets aan hem is. 6 Toen hij nu niet meer dan acht of tien dagen bij hen geweest was, reisde hij af naar Cesarea; en des anderen daags zette hij zich op den rechterstoel, en gebood Paulus te halen. 7 En toen hij daar gekomen was, traden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, en brachten vele en zware beschuldigingen tegen Paulus in, die zij niet konden bewijzen; 8 dewijl hij zich verantwoordde, zeggende: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel , noch tegen den keizer gezondigd. 9 Maar Festus wilde den Joden eene gunstbewijzen, en antwoordde aan Paulus en zeide: Wilt gij opgaan naar Jeruzalem, en u aldaar over deze zaak voor mij laten oordeelen? 10 En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des'keizers, waar ik moot geoordeeld worden; den Joden heb ik geen leed gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 Want heb ik iemand leed gedaan, en iets des doods waardig bedreven, zoo weiger ik niet te sterven; HANDELINGEN 25. 295 zoo er |
-ocr page 2032-
296 HANDELINGEN 25.
niets aan vf
zij mij voortraden, brachten zij te-
er
waarover
aanklagen , zoo kan niemand gen hem geen van die zaken
mij aan hen overgeven. Ik te voorschijn die ik ver-
beroep mij op den keizer, moedde,
12 Toen sprak Festus met 19 maar zij hadden eenige den raad, en antwoordde: ; twistvragen tegen hem om-Op den keizer hebt gij n j trent hunnen godsdienst, en beroepen, tot den keizer omtrent eenen gestorven znlt gij gaan. Jezns, van wien Panlus
13 En na eenige dagen zeide dat hij leelde. kwamen de koning Agrippa 20 En daar ik nu met en Berni'ce te Cesaréa, om deze twistvraag verlegen was, Festus te begroeten. vroeg ik of hij naar Jeru-
14 En toen zij vele dagen zalem wilde reizen, en zich aldaar geweest waren, leide aldaar over deze zaak laten Festus den koning de zaak oordeelen.
van Paulus voor, en zeide; 21 Maar toen Pan lus zich
Hier is een man door Felix op hooger recht beriep, dat
gevankelijk achtergelaten, men hem tot het onderzoek
des keizers bewaren zou, beval ik hem te bewaren, totdat ik hem tot den keizer zou zenden.
22 En Agrippa zeide tot Festus; Ik wilde dien men sch ook gaarne hooren. En hij zeide; Morgen zult gij hem hooren.
23 En des anderen daags, toen Agrippa en Bernice kwamen met groote pracht, en in de gehoorzaal gingen met de hoofdlieden en de voornaamste mannen der stad, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.
24 En Festus zeide; Koning Agrippa, en alle gij mannon die met ons bier
hetgeen
15 om wiens wil de hoo-gepriesters en oudsten der .loden voor mij verschenen, toen ik te Jeruzalem was, be-geerende vonnis tegen hem.
16 Ik antwoordde hun, dat het de gewoonte der llo-meinen niet is, iemand uit gunst te veroordeelen, voor dat de beschuldigde zijn aan-klagers tegenwoordig heeft, en gelegenheid verkrijgt om zich tegen de aanklacht te verantwoorden.
17 Toen zij nu gezamenlijk hier kwamen, heb ik, zonder eenig uitstel te nemen , des anderen daags gericht gehouden, en bevolen den man voor te brengen.
18 Doch toen de aanklagers
-ocr page 2033-
HANDELINGEN 26.
297
|
zijt. Daar ziel gij liom, om wien mij de gelieele menigte der Joden heeft aangesproken , beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet langer Ijehoort te leven. 25 Daar ik echter vernam, dat hij niets gedaan had, wat des doods waardig was, en hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb ik besloten hem te zenden. 2(i Maar ik hel) over hem niets zekers aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem laten voorbrengen voor ulieden, en voornamelijk voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedaan onderzoek, iets hebben mocht om te schrijven; 27 want ik acht het onredelijk een gevangene te zenden, en geen beschuldiging tegen hem te kennen te geven. HOOFDSTUK 26. 1 En Agrippa zeide tot l'anlus: Het is u geoorloofd voor u ze l ven te spreken. Toen strekte Paulas de hand uit, en verantwoordde zich aldus; 2 Ik acht mij zeiven gelukkig, koning Agrippa, dat ik mij heden voor u verantwoorden zal aangaande alles, waarvan ik door de Joden beschuldigd word ; 3 voornamelijk, dewijl gij |
alle gewoonten en twistvragen der Joden kent. Daarom bid ik u, dat gij mij met geduld wilt lum-hooren. 4 Mijn leven dan van jongs af, hoe ik dat van den l)eginne onder mijn volk te Jeruzalem geleid heb, weten alle Joden, 5 die mij te voren gekend hebben, — indien zij het ■ wilden getuigen — dat ik naar de gestrengste sekte van onzen godsdienst als Parizeer geleefd hel). 6 En nu sta ik terecht wegens de hoop op de be-lofte, welke van God tot onze vaderen geschied is; 7 tot welke onze twaalf geslachten, die God dag en nacht gestadig dienen, hopen te komen: vanwege deze hoop, koning Agrippa, word ik door de Joden oe-schuldigd. 8 Waarom wordt het voor ongeloofelij k bij ulieden geoordeeld , dat God dooden opwekt? 9 Ik meende ook wel bij mij zeiven, dat ik tegen den naam van Jezus van Naza-ret veel moest doen; 10 zooals ik ook te Jeruzalem gedaan heb, toen ik velen van de heiligen in de gevangenis sloot, waartoe ik van de hoogepriesters de |
-ocr page 2034-
HANDELINGEN 26.
298
|
volmacht ontving; en als zij gedood werden, keurde ik het goed; 11 en in alle synagogen strafte ik hen dikwijls, en dwong hen te lasteren, en woedde bovenmate tegen hen, en vervolgde hen ook tot in de vreemde steden. 12 Toen ik nu deswege ook naar Damaskus reisde, mot volmacht eu bevel van de hoogepriesters, 13 zag ik, o koning, op het midden van den dag op den weg een licht van den hemel, klaarder dan de glans der zon, mij en die met mij reisden omschijnen; 14 en toen wij allen ter aarde nedervielen, hoorde ik eene stem tot mij spreken, die in het Hebreeuwsch zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? Het zal u hard vallen tegen den prikkel achteruit te slaan. 15 En ik zeide: Heer, wie zijt gij ? En hij zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. 16 Maar richt u op en sta op uwe voeten; want daartoe ben ik u verschenen, opdat ik u stelle tot een dienaar en getuige van hetgeen gij gezien hebt en van hetgeen ik u nog zal laten verschijnen; 17 en ik zal u verlossen van dit volk en van de heidenen, tot welke ik u nu zend |
18 om hunne oogen te openen, dat zij zich bekee-ren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God, om te ontvangen vergeving dei-zonden , en een erfdeel met degenen, die geheiligd worden door het geloof in mij. 19 Daarom, koning Agi'ip-pa, was ik aan deze he-melsche verschijning niet ongehoorzaam, 20 maar verkondigde, eerst ; aan degenen die te Damaskus en te Jeruzalem en in | het geheele land van Judóa waren, en toen ook aan de heidenen, dat zij zouden boete doen, en zich tot God bekeeren, en oprechte wer-! ken der boete doen. 21 Daarom hebben de Joden mij in den tempel ge- ' grepen, en gepoogd mij te i (looden. 22 Maar, hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, en betuig | beiden, kleinen en grooten, , zonder iets te zeggen wat niet ook de profeten en : Mozes gezegd hebben, dat geschieden zou: 23 dat de Christus zou lijden, en, de eerste uit i de opstanding der dooden zijnde, een licht zou ver- |
-ocr page 2035-
HANDELINGEN 37.
399
|
kondigen aan dit volk en aan de heidenen. — 34 Toen hij nu dit tot verantwoording sprak, riep Fes-tus met eene luide stem: Paulus, gij raast, de grootegeleerdheid voert u tot razernij. 35 Maar hij zeide: Tk raas niet, machtigste Fes-tus, maar ik spreek ware en verstandige woorden. 36 Want de koning, tot wien ik vrijmoedig spreek, weet hiervan; want ik denk dat hem geen van die dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied. 37 Gelooft gij, koning Agrippa , de profeten ? Ik weet dat gij ze gelooft. 38 En Agrippa zeide tot Paulus: Het scheelt niet veel of gij overreedt mij een Christen te worden. 39 En 1'aulus zeide: Ik wenschte van God, het schele veel of weinig, dat niet alleen gij, maar allen die mij heden hooren, zoo werden als ik ben, uitgenomen deze handen. 30 En toen hij dit gezegd had, stond de koning op, en de landvoogden Bernice, en die bij hen gezeten waren, 31 en zij gingen terzijde af en spraken met elkander, en zeiden: Deze mensch heeft niets gedaan, dat dood of banden waardig is. |
33 En Agrippa zeide tot Festus: Deze mensch had kunnen losgelaten worden, indien hij zich niet op den keizer beroepen had. HOOFDSTUK 27. 1 En toen het besloten was dat wij naar Italic zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen over aan een hoofdman van de keizerlijke bende, genaamd Julius. 3 En toen wij in een Adramytteensch schip gingen, dat naar de kustplaatsen van Azië varen zou, voeren wij af; en Aristarchus uit Thessalonica in Macedonië was bij ons. 3 En wij kwamen des anderen daags te Sidon aan; en Julius handelde vriendelijk met l'aulus, en vergunde hem tot zij ne vrienden te gaan om verzorging te genieten. 4 En van daar staken wij af, en voeren onder Cyprus heen', omdat de winden ons tegen waren, 5 en voeren de zee door langs Cilicië en Famfylië, en kwamen te Myra in Lyeië. 0 En aldaar vond de hootd-maneen Alexandrijnsch schip dat naar Italië voer,quot; en bracht ons daarop. |
-ocr page 2036-
HANDELINGEN 27.
son
|
7 En toen wij langzaam voe-1 ren, en na vele dagen nau-; welijks tegenover Knidus kwamen, want de wind belette ons, zoo voeren wij onder Kreta heen, bij Sal-mone; 8 en wij zeilden het nauwelijks voorbij, o' wij kwamen in eene plaats, die genaamd wordt Goede-ree, waar de stad Lasóa nabij was.1 9 Toen er nn veel tijd ver- i loopen en de vaart zorgelijk was, omdat ook de Vasten alreeds voorbij was, ver-! maande Paulus hen 10 en zeide totlien: Mannen , ik zie dat de vaart geschieden zal met hinder en groote schade, niet alleen van tie lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den scliipper, dan hetgeen Paulus zeide. 13 En daar de haven ongelegen was om te overwinteren , vond het meeren-deel van hen geraden van daar te varen, of zij misschien te Eenix konden komen om te overwinteren, zijnde eene haven van Kreta, tegen het Zuidwesten en Noordwesten. 13 En daar de Zuidenwind waaide, en zij meenden dat zij nu hunnen wensch verkregen hadden, voeren zij af en zeilden dicht voorbij Kreta heen. |
14 Maar niet lang daarna verhief zich van daar een stormwind, dien men Noordoost noemt. 15 En toen het schip voort-gerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaven wij het op en dreven zoo heen. 16 En wij kwamen aan een eiland, genaamd Klauda, en konden nauwelijks de boot machtig worden. 17 Deze opgehaald hebbende, gebruikten zij alle hulpmiddelen, en ombonden het schip; want zij vreesden dat zij op de Syrtis zouden vervallen; en zij streken het zeil en dreven zoo heen. 18 En daar wij geweldig door den storm geslingerd werden, deden zij des anderen daags een uitworp [der ladhuj\, 19 en op den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het gereedschap van het schip uit. 20 En daar in vele dagen noch zon noch sterren verschenen , en een niet geringe storm aanhield, zoo was ons alle hoop op behoud ontnomen. 21 En toen men in langen |
-ocr page 2037-
HANDKLING RN 27.
301
|
tijd niet gegeten bad, trad Paulus in het midden van hen, en zeide: Mannen, men moest mij gehoor gegeven hebben en niet van Kreta afgevaren zijn, en dit leed en deze schade verhoed hebben. 22 Doch nu vermaan ik u dat gij onversaagd zijt; want het leven van niemand onzer zal verloren gaan, maar alleen het schip. 23 Want dezen nacht heeft bij mij gestaan een Engel van den God, wiens ik ben, en wien ik dien; 24i en hij zeide: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden ; en zie, God heeft u geschonken allen die met u varen. 25 Daarom, mannen, weest onversaagd; want ik geloof God, dat het zóó geschieden zal, gelijk het mij gezegd is. 26 Maar wij zullen aan een eiland stranden. 27 Toen nu de veertiende nacht kwam, en wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden , vermoedde het scheepsvolk omtrent middernacht dat zij eenig land naderden. 28 En zij wierpen het dieplood uit, en vonden twintig vademen diepte ; en een weinig van daar wierpen zij het nog eens uit, en vonden vijftien vademen. |
29 Toen vreesden zij dat zij op klippen zouden stoo-ten, en wierpen vier ankers van den achtersteven van het schip uit, en wenschten dat het dag werd. 30 Maar toen liet scheepsvolk uit liet schip zocht te vlieden, en de hoot neder-liet in de zee, onder voorwendsel alsof zij ankers van den voorsteven van het schip zouden uitbrengen, 31 zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten : Zoo deze niet in het schip blijven, kunt gij niet behouden worden. 32 Toen kapten de krijgsknechten de touwen van de boot en lieten haar vallen. 33 En toen het licht begon te worden, vermaande Paulus hen allen dat zij spijs zouden nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij al wachtende zonder eten gebleven zijt en niets tot u genomen hebt; 34 daarom vermaan ik u spijs quot;te nemen om u te verkwikken; want aan niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. 35 Eu nadat hij dit gezegd had, nam hij brood, dankte God voor hen allen, en brak het, en begon te eten. 36 Toen werden zij allen welgemoed en namen óók spijs. |
-ocr page 2038-
HANDELINGEN 28.
303
|
37 Wij waren nu in liet scliip in alles te zamen tweehonderd zes en zeventig zielen. 38 En toen zij verzadigd waren, lichtten zij het schip door het koren in zee te werpen. 39 Toen het nu dag werd , kenden zij het land niet; maar zij werden een inham gewaar die een strand had; daar wilden zij, ware het mogelijk, het schip op laten loepen. 40 En toen zij de ankers gekapt hadden lieten zij (lie in de zee vallen, en maakten de banden van het roer los, en stelden het razeil naar den wind, en hielden op het strand toe. 41 En toen zij op eene plaats vervielen die aan beide zijden zee had, stiet het schip daarop; en het voorste gedeelte vastzittende bleef onbewegelijk, maar het achterste gedeelte brak van het geweld der baren. 42 En de raad der krijgs-k neehten was, d e gevangenen te dooden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zou ontvlieden. 43 Maar de hoofdman wilde Paulus behouden, en belette hun voornemen; en hij gebood dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst in de zee zouden werpen om aan land te komen, |
44 en de anderen, sommigen op planken, en sommigen op stukken van het schip. En alzoo geschiedde het dat zij allen behouden aan land kwamen. HOOFDSTUK 28. 1 En toen wij behouden aan land kwamen, vernamen wij dat het eiland Me-lite heette. 2 En de bewoners bewezen ons eene meer dan gewone vriendschap; want zij ontstaken een vuur en namen ons allen in, wegens den regen die opgekomen was, en om de koude. 3 En toen Paulus een hoop rijzen bijeenraapte en op het vuur leide, kwam er eene adder uit door de hitte, en vatte zijne hand. 4 En toen de lieden het dier aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mensch moet gewis een moordenaar zijn, dien de wraak niet laat leven, niettegenstaande hij uit de zee ontkomen is. 5 Maar hij slingerde het dier in het vuur, en hem geschiedde niets kwaads. 0 En zij verwachtten dat hij zou opzwellen, of terstond dood nedervallen; maar toen |
-ocr page 2039-
HANDELINGEN 28.
3(13
|
zij lang gewacht hadden, en zagen dat hein geen onheil overkwam, werden zij anders gezind, eu zeiden dat hij een go;l was. 7 En omtrent die plaats had de overste van het eiland, met name Publins, eene landhoeve; deze nam ons op en huisvestte ons vriendelijk drie dagen. 8 En het geschiedde dat de vader van Pnblius aan de koorts en den rooden loop lag; tot dien ging Pan-Ins in, en bad, en leide de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Toen dat geschied was, kwamen ook de anderen van het eiland, die krankheden hadden, tot hem, en lieten zich gezond maken. 10 En zij deden ons groote eer aan, en toen wij vertrokken , laadden zij in wat ons noodig was. 11 En na drie maanden voeren wij af in een Alex-andrijnsch schip, dat bij het eiland overwinterd had, den naam voerende: De Tweelingen. 13 En toen wij te Syracuse kwamen, bleven wij aldaar drie dagen; 13 en toen wij van daar omvoeren , kwamen wij te Tthe-gium; en wijl na één dag de Zuidenwind opstak kwamen wij des anderen daags te Putcoli. |
14 Daar vonden wij broeders, en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven ; en alzoo kwamen wij te Rome. 15 En toen de broeders van ons hoorden, gingen zij van daar uit ons te ge-moet, tot Forum Appii en de Drie tabernen. Toen Paulus die zag, dankte hij God en greep moed. 16 Toen wij nu te Home kwamen, leverde de hoofdman de gevangenen aan den overste der lijfwacht over; maar aan Paulus werd verlof gegeven op zich zei ven te blijven met don krijgsknecht die hem bewaakte. 17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus do vooruaamsten der Joden bijeenriep. Toen deze nu tezamen kwamen, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik heb niets gedaan tegen ons volk • noch tegen de vaderlijke zeden, en ben nochtans gevangen uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen, 18 die mij, nadat zij mij verhoord hebben, wilden loslaten, omdat er geen schuld des doods in mij was. 19 Maar foen de Joden |
-ocr page 2040-
Handelingen ss.
301
|
dit tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen, doch niet alsof ik iets had om mijn volk aan te klagen. 20 Om deze oorzaak heb ik u verzocht, om u te mogen zieu en te spreken; want vanwege de hope Israels ben ik in deze keten gesloten. 21 Zij nu zeiden tot hem: Wij hebben noch schrijven u aangaande uit Judéa ontvangen , noch is er iemand van de broeders hier gekomen , die van u iets kwaads bericht of gezegd heeft. 22 Doch wij willen van u hooren wat uw gevoelen is; want van deze sekte is ons bekend dat zij op alle plaatsen tegengesproken wordt. 23 En toen zij hem een dag bestemd hadden, kwamen er meerderen tot hem in zijne verblijfplaats, welken hij het rijk Gods uitleide en betuigde, en hij bewees hun hetgeen hij van Jezus zeide uit de wet van Mozes en uit de profeten, van den morgen tot den avond. 24 En eenigen stemden toe hetgeen hij zeide, maar sommigen geloofden niet. |
25 Toen zij nu met elkander oneens waren, gingen zij weg, nadat Paulus nog dit ééne woord gezegd had: Wèl heeft de Heilige Geest door den profeet Jesajage-sproken tot onze vaderen, 2(1 zeggende: //Ga heen tot dit volk, en zeg: Met de ooren zult gij hooren en ' niet verstaan, en met de oogen zult gij zien en niet bemerken. 27 Want het hart van dit volk is verstokt, en zij hooreu bezwaarlijk met do ooren, en sluimeren met hunne oogen; opdat zij niet te eeniger tijd zien met de oogen, en hooren met de ooren, en verstandig worden in het hart, en zich be-keeren, en ik hen geneze.// 28 Zoo zij het u dan bekendgemaakt, dat dit heil ; Gods den heidenen gezonden is , en zij zullen het hooren. 29 En toen hij dit gezegd had, gingen de Joden weg , en waren zeer oneenig onder elkander. 80 En Paulus bleef twee ge-heele jaren in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen die tot hem inkwamen , 31 en predikte het rijk Gods, en leerde van den Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. |
-ocr page 2041-
DE BRIEF VAN l'AULUS
AAN DE
ROMEINEN.
|
■ HOOFDSTUK 1. 1 Paulas, een dienstknecht van Jezus Christus, geroe-pen tot apostel , afgezonderd om te prediken het evangelie Gods, — 2 hetwelk liij te voren beloofd heeft door zijne profeten in de Heilige Schriften — 3 van zijnen Zoon, die geboren is uit liet zaad van David naar het vleesch, 4 en krachtig bewezen is de Zoon Gods te zijn naar den Geest die heiligt, dooide opstanding uit dedooden, namelijk Jezus Christus, onzen Heer, 5 door wien wij hebben ontvangen de genade en het apostelambt, om onder alle heidenen de gehoorzaamheid des gelooft op te richten in zijnen naam; 6 onder welke ook gij zijt, geroepenen van Jezus Christus, 7 aan allen, die te Rome zijn, de geliefden Gods, de geroepen heiligen. Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! |
8 Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus Christus vanwege u allen, dat men van uw geloof in de geheele wereld spreekt. 9 Want God is mijn getuige, welken ik dien in. mijnei^jjeestj in het evangelie van zijnen Zoon, dat ik zonder ophouden aan u gedenk, 10 en altijd in mijn gebed smeek, of' het zich eenmaal schikken wilde, dat ik tot u kwame door Gods wil. 11 Want ik verlang u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gave mededeele, om u te versterken: 13 dat is, om met u vertroost te worden door het onderling geloof', zoo het uwe als het mijne. 13 Maar ik wil u niet verljergen, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen, — maar ik ben tot nog toe verhinderd geweest — opdat ik ook onder u eenige vrucht mocht hebben, gelijk onder de andere heidenen. 11 Ik ben een schuldenaar beiden der Grieken en der 20 |
-ocr page 2042-
ROMEINEN 1.
30f.
|
iiiet-Grieken, beiden der wijnen en der on wijzen: 15 zoozeer ben ik, zooveel in mij is, geneigd om u die te quot;Home zijt liet evangelie te prediken. 16 Want ik schaam mij liet evangelie van Christus niet; want het is eene kracht Gods, die zalig maakt allen die geloo ven, de Joden voornamelijk, en ook de Grieken. 17 Want daarin wordt de gerechtigheid, die voor God geldt, geopenbaard uit geloof, tot geloof, gelijk geschreven staat: //De recht-vaardige zal door zijn geloof leven.// 18 Want Gods toorn wordt van den hemel geopenbaard o veralle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, die de waarheid door ongerechtigheid tegenhouden. 19 Want hetgeen men weten kan van God, dat is hun openbaar; want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want zijn onzienlijk wezen, dat is zijne eeuwige macht en Godheid, wordt van de schepping der wereld af gezien aau de werken, zoodat zij geene verontschuldiging hebben. 21 Dewijl zij nu wisten dat er een God is, eu hem niet als God hebben verheerlijkt noch gedankt, maar in hunne gedachten ijdel zijn geworden, eu hun onverstandig hart verduisterd is, |
22 zijn zij, zich voor wijzen houdende, d wazen geworden, 23 en hebben de heerlijkheid des onvergankelijlcen Gods veranderd in de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mensch, en van vogels, en van viervoetige en kruipende dieren. 24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de lusten hunner harten tot onreinheid, om hunne eigene lichamen te schenden aan zich zelve, f 25 als die Gods waarheid veranderd hebben in leugen, en het schepsel meer hebben geëerd en gediend dan den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid! Amen. 2G Daarom heeft God hen ook overgegeven in schandelijke lusten; want hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het onnatuurlijke; 27 desgelijks hebben ook de mannen het natuurlijk gebruik der vrouwen verlaten , en zijn tegen elkander verhit in hunne lusten, en mannen hebben met mannen schande bedreven, en het loon van hunne dwaling, gelijk het behoonie, in zich zelve ontvangen. |
-ocr page 2043-
ROMEINEN 2.
3(17
|
38 En gelijk zij het niet de moeite waardig geacht hebben God te erkennen, zoo heeft God hen ook overgegeven in een verkeerden zin, om te doen hetgeen met betaamt: 29 vol van alle onrecht, hoererij, kwaadwilligheid, hebzucht, boosheid; vol van haat, moord, twist, bedrog en kwaadaardigheid; 30 oorblazers, kwaadsprekers , god verachters, o ve r-moedigen, hoovsuirdigen, roemgierigen, uitvinders van slechte dingen, den ouders ongehoorzaam; 31 onverstandigen, trou-weloozen, liefdeloozen, onverzoenlijke!!, onbarmhar-tigen: 33 die, ofschoon zij het recht Gods weten, namelijk dat wie zulke dingen doen den dood waardig zijn, ze niet alleen doen, maar ook een welbehagen hebben aan degenen die ze doen. HOOFDSTUK 2. 1 Daarom, o mensch, kunt gij u niet verontschuldigen, wie gij ook zijt, die oor-ileelt; want waarin gij een inder oordeelt, daarin veroordeelt gij u zei ven, nade-maal gij, die oordeelt, het-zidfde doet. |
3 Want wij weten dat het oordeel Gods over degenen, die zóó doen, naar waarheid is. 3 Maar denkt gij, o mensch, gij, die'oordeelt degenen die zóó doen, en datzelfde óók doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden? 4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid? Weet gij niet dat Gods goedertierenheid u tot boete leidt? 5 Maar gij, naar uw verstokt en onboetvaardig hart, vergadert u zeiven den toorn op den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardige oordeel Gods, G die aan ieder geven zal naar zijne werken: 7 hun, die met volharding in goede werken heerlijkheid en eer en onvergankelijkheid zoeken, eeuwig leven; 8 maar dengenen die twistgierig zijn, en der waarheid geen gehoor geven doch der ongerechtigheid gehoorzaal 11 zijn, ongenade en toorn; 9 verdrukking en angst over alle zielen der menschen die kwaaddoen, eerst den Joden, en ook den Grieken; 10 maar heerlijkheid en eer en vrede al dengenen die goeddoen, eerst den Joden , en ook den Grieken. 11 Want er is voor God |
-ocr page 2044-
308 ROM KIN EN 1
30 een onderwijzer van onverstandigen, een leeraar van onkundigen; gij hebt de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet;
31 nu leert gij anderen, en leert u zei ven niet; gij predikt dat men niet stelen zal, en gij steelt;
33 gij zegt dat men geen overspel zal doen, en gij doet overspel; gij hebt een
nen, die de wet niet hebben, afschuw van de afgoden, en nochtans van nature de wer- gij pleegt tempelroof; ken der wet doen, zoo zijn 33 gij roemt op de wet, deze, hoewel zij de wet niet en onteert God door overhebben , zich zelve eene wet, treding der wet 1
15 als die bewijzen dat 34 Want //om uwentwil
het werk der wet geschreven wordt Gods naam gelasterd
is in hunne harten, nade- onder de heidenen//, gelijk
maal hun geweten medege- ■ geschreven staat.
tuigt, alsook de gedachten, 35 De besnijdenis is wel
die zich onder elkander aan- nut, indien gij de wet houdt,
klagen of ontschuldigen — maar is het dat gij de wet
1G op den dag, als God niet houdt, zoo is uwe be-
het verborgene dermenschen snijdenis onbesnedenheid ge-
door Jezus Christus oordee- worden.
len zal, naar mijn evangelie. 36 Indien nu de onbesne-
17 Zie, gij heet een Jood, dene de rechten der wet en verlaat u op de wet, onderhoudt, meent gij niet en roemt op God, dat zijne onbesnedenheid
18 en weet zijnen wil; voor besnijdenis gerekend en dewijl gij uit de wet zal worden,
onderricht zijt, zoo beproeft! 37 en zal niet de onbene-
gij wat het beste is te doen ; dene van nature, die de wet
19 en gij vermeent u te zijn volbrengt, u oordeelen, die, een leidsman der blinden, met letter en besnijdenis, een licht dergenen die in i een overtreder der wet zijt ? de duisternis zijn, 38 Want hij is geen Jood,
geen aanzien Jes persoons.
12 Wie zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en wie onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden,
13 — nademaal voor God niet degenen die de wet hoo-ren rechtvaardig zijn, maar wie de wet doen zullen gerechtvaardigd worden.
14 Want indien de heide-
-ocr page 2045-
ROMEINEN 3.
309
|
die het uitwendig is; ook is deze geen besnijdenis, die uitwendig in het vleesch geschiedt, 39 maar die is een Jood, die het inwendig is; en de besnijdenis des harten is eeue besnijdenis, die in den geest, en niet naar de letter geschiedt; wiens lof niet is uit de menschen maar uit God. HOOFDSTUK 3. 1 Wut voorrecht hebben dan de Joden, of wat baat de besnijdenis? 3 Zeer veel in alle opzichten. Ten eerste is hun toe-betrouwd wat God gesproken heeft. 3 Want wat is daaraan gelegen, dat sommigen niet gelooven ? Zou hun ongeloof' Gods trouw te niet doen'? 4 Dat zij verrel Het blijve veelmeer aldus, dat God waarachtig is, en alle menschen leugenaars zijn, gelijk geschreven staat: //Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint als gij geoordeeld wordt.// 5 Maar is het al zoo, dat onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is dan God ook onrechtvaardig, dat hij den toorn over ons brengt? — Ik spreek zoo naar der menschen wijze. — |
6 Dat zij verre! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordeelen? 7 Want indien Gods waarheid door mijne leugen overvloediger wordt tot zijne eer, waarom zou ik dan nog als een zondaar geoordeeld worden, 8 en niet zeggen, gelijk ons ten laste gelegd wordt, en gelijk sommigen zeggen dat wij doen: Laat ons kwaad doen, opdat hetgoede daaruit voortkome? Welker verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan? Hebben wij een voorrecht? Geenszins; want wij hebben te voren bewezen dat beiden Joden en Grieken allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: //Er is niemand die rechtvaardig is, ook niet één; 11 er is niemand die verstandig is, er is niemand die naar God vraagt. 13 Allen zijn zij afgeweken , en te zamen l)edor-ven, er is niemand die goed doet, ook niet één. 13 Hunne keel is een open graf; met hunne tongen handelen zij bedriegelijk; addervenijn is onder hunne lippen; 14 hun mond is vrSlechfs |
-ocr page 2046-
ROM KIN EN 3.
308
|
geeu aanzien des persoons. 13 Wie zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en wie onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden, 13 — nademaal voor God niet degenen die de wet hoo-ren rechtvaardig zijn, maar wie de wet doen zullen gerechtvaardigd worden. 14 Want indien de heidenen , die de wet niet hebben, nochtans van nature de werken der wet doen, zoo zijn deze, hoewel zij de wet niet hebben, zich zelve eene wet, 15 als die bewijzen dat het werk der wet geschreven is in hunne harten, nade-maal hun geweten medege-tuigt, alsook de gedachten, die zich onder elkander aanklagen of ontschuldigen — 16 op den dag, als God het verborgene dermenschen door Jezus Christus oordee-len zal, naar mijn evangelie. 17 Zie, gij heet een Jood, en verlaat u op de wet, en roemt op God, 18 en weet zijnen wil; en dewijl gij uit de wet onderricht zijt, zoo beproeft gij wat het beste is te doen ; |
19 en gij vermeent u te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in de duisternis zijn, 30 een onderwijzer van onverstandigen, een leeraar van onkundigen; gij hebt de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet; 21 nu leert gij anderen, en leert u zei ven niet; gij predikt dat men niet stelen zal, en gij steelt; 23 gij zegt dat men geen overspel zal doen, en gij doet overspel; gij hebt een afschuw van de afgoden, en gij pleegt tempelroof; 23 gij roemt op de wet, en onteert God door overtreding der wet! 34 Want //om uwentwil wordt Gods naam gelasterd onder de heidenen//, gelijk geschreven staat. 35 De besnijdenis is wel nut, indien gij de wet houdt, maar is het dat gij de wet niet houdt, zoo is uwe besnijdenis onbesnedenheid geworden. 36 Indien nu de onbesnedene de rechten der wet onderhoudt, meent gij niet dat zijne onbesnedenheid voor besnijdenis gerekend zal worden, 37 en zal niet de onbene-dene van nature, die de wet volbrengt, u oordeelen, die, met letter en besnijdenis, een overtreder der wet zijt? 28 Want hij is geen Jood, |
-ocr page 2047-
ROMETTSTEN 3.
809
|
die liet uitwendig is; ook is deze geen besnijdenis, die uitwendig in het vleesch geselt iedt, 3!) maar die is een Jood, die liet inwendig is; en de l)esnijdenis des harten is eene besnijdenis, die in den geest, en niet naar de letter geschiedt; wiens lot niet is uit de menschen maar uit God. HOOFDSTUK 3. 1 Wat voorrecht hebben dan de Joden, of wat baat de besnijdenis? 3 Zeer veel in alle opzichten. ïen eerste is hun toe-betrouwd wat God gesproken heeft. 3 Want wat is daaraan gelegen, dat sommigen niet gelooven ? Zou hun ongeloof Gods trouw te niet doen? 4 Dat zij verre! Het blijve veelmeer aldus, dat God waarachtig is, en alle menschen leugenaars zijn, gelijk geschreven staat: //Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint als gij geoordeeld wordt.// 5 Maar is het alzoo, dat onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is dan God ook onrechtvaardig, dat hij den toorn over ons brengt? — Ik spreek zoo naar der menschen wijze. — |
6 Dat zij verre! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordeelen? 7 Want indien Gods waarheid door mijne leugen overvloediger wordt tot zijne eer, waarom zou ik dan nog als een zondaar geoordeeld worden, 8 en niet zeggen, gelijk ons ten laste gelegd wordt, en gelijk sommigen zeggen dat wij doen: Laat ons kwaad doen, opdat het goede daaruit voortkome? Welker verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan? Hebben wij een voorrecht? Geenszins; want wij hebben te voren bewezen dat beiden Joden en Grieken allen onderdezonde zijn, 10 gelijk geschreven staat: //Er is niemand die rechtvaardig is, ook niet één; 11 er is niemand die verstandig is, er is niemand die naar God vraagt. 13 Allen zijn zij afgeweken , en te zamen l)edor-ven, er is niemand die goed doet, ook niet één. 13 Hunne keel is een open graf; met hunne tongen handelen zij bed degelijk; addervenijn is onder hunne lippen; 14 hun mond is vol van |
-ocr page 2048-
ROMEINEN 3.
310
|
vervloeking cn bitterheid; 15 hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; 16 in hunne wegen is enkel verderf en jammer, 17 en den weg des vrecles kennen zij niet; 18 er is geen vreeze Gods voor hunne oogen.// 19 Wij nu weten dat hetgeen de wet zegt, zij dat zegt tot degenen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt worde en de geheele wereld voor God schuldig verschijne. 20 Daarom zal geen vleesch door de werken der wet rechtvaardig worden voor hem; want door de wet komt kennis der zonde. 31 Maar nu is de gerechtigheid, die voor God geldt, zonder de wet geopenbaard, betuigd zijnde door de wet en de profeten. 22 Ik spreek van zulke gerechtigheid voor God, die komt door het geloof in Jezus Christus, voor allen en over allen die gelooven. Want hier is geen onderscheid ; •^28 zij zijn allen zondaars, en hun ontbreekt de roem, dien zij bij God hebben moesten, 24 en zij worden zonder verdienste rechtvaardig uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus geschied is, |
35 welken God heeft voorgesteld tot een middel ter verzoening, door het geloof, in zijn bloed, tot betooning zijner gerechtigheid door de vergeving der zonden, die te voren onder de Goddelijke verdraagzaamheid geschied waren, 36 opdat hij in deze tijden zou betoonen de gerechtigheid die voor hem geldt; zoodat hij rechtvaardig blijft, en rechtvaardig maakt den-gene die uit het geloof in Jezus is. 37 Wam- blijft nu de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? door de wet der werken? Niet alzoo, maar door de wet des geloofs. 38 Zoo stellen wij dan vast, dat de mensch door het geloof rechtvaardig wordt, zonder de werken der wet. 39 Of is God alleen de God der Joden ? Is hij niet ook de God der heidenen ? Ja zeker, ook de God der heidenen; 30 nademaal hij een éénig God is, die de besnedenen zal rechtvaardig maken wegens het geloof, en de on-besnedenen door het geloof. 31 Hoe, doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre! Maar wij bevestigen de wet. |
-ocr page 2049-
ROMEIN EN 4.
311
|
HOOFDSTUK 4. I Wat Kullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader , verkregen heeft naar liet vleesch? 3 Dit zeggen wij: is Abraham door de werken gerechtvaardigd , zoo heeft hij wel roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? //Abrahamgeloofde God, en dit is hem tot gerechtigheid gerekend.// 4 Maar nu wordt dengeen die werkt het loon niet toegerekend uit genade, maar naar verdienste: 5 doch dengeen die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op hem, die den god-delooze rechtvaardig maakt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, (5 gelijk ook David den mensch zalig spreekt, wien God de gerechtigheid toerekent zonder toedoen dei-werken , [zer/gendé]: 7 quot;Zalig zijn zij, wier ongerechtigheden vergeven zij n en wier zonden bedekt zijn. 8 Zalig is de man, wien de Heer de zonde niet toerekent.// 9 Deze zaligspreking nu, gaat zij over de besnijdenis of ook over de onbesiiede-nen? Wij moeten immers zeggen, dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid. |
10 Hoe is het hem dan toegerekend? In de besnijdenis of in de ouhesueden-heid? Zonder twijfel niet in de besnijdenis, maar in de onbesnedenheid. 11 Want het teeken der besnijdenis ontving hij tot een zegel der gerechtigheid, hetwelk hij verkregen had door het geloof, toen hij nog onbesneden was, opdat hij zou worden een vader van alle onbesnedenen die gelooven , teneinde ook hun de gerechtigheid toegerekend werd; 13 en hij werd ook een vader der besnijdenis, namelijk dergenen die niet alleen van de besnijdenis zijn , maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs, hetwelk onze vader Abraham had, toen hij nog onbesneden was. 13 Want. de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, is Abraham of zijnen 2ade niet geschied dooi' de wet, maar door de gerechtigheid uit het geloof. 14 Want indien zij, die van de wet zijn, ertgena-men zijn, zoo is het geloof ijdel en de belofte is te niet gedaan; 15 nademaal de wet slechts |
-ocr page 2050-
KOMETNEiSr 5.
3] 3
|
toorn aanricht; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding. 16 Daarom moet de gerechtigheid door liet geloof komen, opdat zij uit genade zij, en de belofte vast blijve voor liet. geheele zaad, met alleen dat onder de wet is, maar ook dat van het gelooi' van Abraham is, die een vader is van ons allen, — 17 gelijk geschreven staat: //Ik heb u gesteld tot een vader van vele volken// — voor God, wien hij geloofde, die de dooden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren. 18 En hij heeft gelooid op hoop waar niet te hopen was, dat hij zou worden een vader van vele volken, gelijk tot hem gezegd is; //Alzoo zal uw zaad wezen.// 1!) En hij werd niet zwak in het geloof, zag ook niet op zijn eigen lichaam dat alreeds verstorven was, daar hij reeds bijna honderd jaren oud was, ook niet op den verstorven schoot van Sara; 20 want hij twijfelde niet aan de belofte Gods door ongeloof, maar bleef sterk in het geloof, en gaf Gode de eer, 31 en was tenvolle verzekerd , dat hij ook kon doen hetgeen hij beloofd had. |
33 Daarom is het hem ook tot gerechtigheid gerekend. 33 Doch het is niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is, 34 maar ook om onzent-wil, wien hel zal toegerekend worden, daar wij gelooven in hem, die onzen Heer Jezus opgewekt heeft vah de dooden, 35 welke om onze zonden is overgegeven, en om onze rechtvaardiging opgewekt. HOOFDSTUK 5. I Nu wij dan rechtvaardig zijn geworden door het geloof, hebben wij vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus, 3 door wien wij ook den toegang hebben in het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en wij beroemen ons vanwege de hoop der heerlijkheid, die God geven zal. 3 En niet alleen dit, maar wij beroemen ons ook vanwege de verdrukkingen, dewijl wij weten dat verdrukking lijdzaamheid voortbrengt, 4 en lijdzaamheid ervaring en ervaring hoop; 5 en de hoop beschaamt ons niet, omdat de liefde Gods uitgestort is in onze harten door den Heiligen |
-ocr page 2051-
ROMEINEN 5
313
|
Geest, die ons gegeven is. 6 Want Christus, toen wij nog zwak waren, is op den bestemden tijd voor godde-loozen gestorven. 7 Nu sterft nauwelijks iemand voor een rechtvaardige;quot; voor den goede echter zal misschien iemand sterven. 8 Daarom bewijst God zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. !) Zoo zullen wij immers veelmeer door hem behouden worden van den toorn, naardien wij door zijn bloed rechtvaardig geworden zijn. 10 Want zijn wij met God verzoend door den dood zijns Zoons, toen wij nog vijanden waren, hoeveel te meer zullen wij zalig worden door zijn leven, daar wij nu verzoend zijn; 11 en niet alleen dit, maar wij beroemen ons ook in God door onzen Heer Jezus Christus, door wien wij nu de verzoening ontvangen hebben. 13 Daarom, gelijk door éenen mensch de zonde gekomen is in de wereld, en door de zonde de dood, alzóó is de dood tot alle menschen doorgedrongen, dewijl zij allen gezondigd hebben. |
13 Want de zonde was wel in de wereld tot op de wet; itiaar waar geen wet is, daar wordt de zonde niet toegerekend. 14 Maar de dood heerschte van Adam af tot op Mozes, ook over degenen, die niet gezondigd heblien met gelijke overtreding als A,dain, die een voorbeeld is desgenen die komen zou. 15 Maar met de genadegave is het niet alzóó als met de overtreding; want indien door de overtreding van dien cénen velen gestorven zijn, zoo is veelmeer Gods genade en gave over velen overvloediger geworden, door de genade van den cénen mensch Jezus Christus. 16 En de gave is niet als door cénen, die gezondigd heeft; want het oordeel is gekomen uit cénen ter verdoemenis , maar de genadegave helpt ook uit vele overtredingen ter gerechtigheid. 17 Want indien door de zonde van éénen de dood geheerscht heeft door dien éénen, veelmeer zullen degenen, die de volheid der genade en der gave ter gerechtigheid ontvangen, heer-schen in het leven door éénen, Jezus Christus. 18 Gelijk nu door de'zonde. |
-ocr page 2052-
ROMEINEN 6.
3U
|
Vim éénen de verdoemenis over alle menschen gekomen is; akoo is ook door de gerechtigheid van cónen de rechtvaardiging des levens over alle menschen gekomen ; 19 want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien ('i'nen mensch velen zondaars geworden zijn, akóo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen recht-vaardig worden. 20 Maar de wet is daarbij gekomen, om de zonde overvloediger te maken; waar nu de zonde overvloedig geworden is, daar is de genade nog veel overvloediger geworden, 31 opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade heerschen zou door de gerechtigheid ten eeuwigen leven, door Jezus Christus, onzen Heer. HOOFDSTUK fi. 1 Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade des te overvloediger worde ? 2 Dat zij verre! Hoe zouden wij nog in de zonde willen leven, welke wij afgestorven zijn? 3 Of weet gij niet dat wij allen , die in Jezus Christus ! gedoopt zijn, in zijnen dood gedoopt zijn? |
4 Zoo zijn wij immers met hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijk Christus is opgewekt van de dooden door de heerlijkheid des Vaders, wij ook alzoo in een nieuw leven zouden wandelen. 5 Want indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkheid zijns doods, zoo zullen wij hem ook in dé opstanding gelijk zijn, 6 wetende dat onze oude mensch met hem gekruist is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, en wij voortaan de zonde niet meer dienen; 7 want wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde. 8 Zijn wij nu met Christus gestorven, zoo gelooven wij dat wij ook met hem leven zullen, 9 wetende dat Christus, uit de dooden opgewekt, niet meer sterft: de dood zal niet meer over hem heerschen. 10 Want wat hij gestorven is, is hij der zonde gestorven éénmaal; maar wat hij leeft, leeft hij Gode. 11 Alzoo ook gij, houdt het daarvoor, dat gij der |
-ocr page 2053-
EOMETNEN 7.
813
|
zonde gestorven /.ijt, eiiGodo leeft in Christus Jezus, onzen lieer. 13 Zoo laat nu de zonde niet heersclien in uw ster-lelijk lichaam, om aan zijne lusten gehoorzaam te zijn; 13 quot; geeft ook uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid, maar geeft u zelve Gode, als uit de doodeu levend geworden zijnde, en uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. 14 Want de zonde zal niet heerschen over u, na-demaal gij niet onder de wet zijt, maar onder de genade. 15 Hoe dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Dat zij verre! 16 Weet gij niet, dat wien gij u stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen wien gij gehoorzaamt, hetzij der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Maar God zij gedankt, dat gij wel dienstknechten der zonde geweest zijt, maar nu van harte gehoorzaam zijt geworden aan het voorschrift der leer, aan welke gij overgegeven zijt; 18 want nu gij vrij geworden zijt van de zonde, zijt gij dienstknechten geworden der gerechtigheid. |
1!) Ik moet op eene men-schelijke wijze daarvan spreken, om de zwakheid uws vleesches. Gelijk gij uwe leden gegeven hebt tot den dienst der onreinheid, en van de eene ongerechtigheid tot de andere, alzoo geeft ook nu uwe leden tot den dienst der gerechtigheid, opdat zij heilig worden. 20 Want toen gij dienstknechten der zonde waart, waart gij vrij van de gerechtigheid. 31 Wat vrucht hadt gij te dien tijde?Dingen, waarover gij u nu schaamt; want het einde daarvan is de dood. 22 Maar nu gij van do zonde vrij zijt, en Gods dienstknechten zijtgeworden, hebt gij uwe vrucht, dat gij heilig wordt; en het einde, het eeuwige leven. 33 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de gave Gods is het eeuwige leven in Christus Jezus, onzen Heer. HOOFDSTUK 7. 1 Of weet gij niet, broeders, — want ik spreek tot degenen die de wet kennen •— dat de wet heerscht over den mensch zoolang hij leeft? |
-ocr page 2054-
EOMEINEN 7.
316
|
2 Want- eene gehuwde vrouw is, terwijl de man leeft, aan hem verbonden door de wet; maar indien de man sterft, is zij vrij van de wet wat den man aangaat. 3 Indien zij nu eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo wordt zij eene overspeelster genoemd; maar indien de man sterft, zoo is zij vrij van de wet, en is geen overspeelster, als zij eens anderen mans wordt. 4 Alzoo zijt ook gij, mijne broeders, der wet gedood door liet lichaam van Christus , opdat gij eens anderen zoudt worden, namelijk desgenen die van de dooden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. 5 Want toen wij in het vleesch waren, werkten de zondige lusten, door de wet opgewekt, hevig in onze leden, om voor den dood vrucht te dragen; 6 maar nu zijn wij vrij van de wet, en haar afgestorven die ons gevangen hield, zoodat wij dienen in nieuwheid des Geestes, en niet in oudheid der letter. 7 Wat zullen wij dan nu zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre! Maar de zonde kende ik niet dan door de wet; want ik wist niets van de liegeerlijkheid, indien de wet niet gezegd had; //Gij zult niet begeeren.// |
8 Maar de zonde nam gelegenheid door het gebod, en verwekte in mij allerlei lust; want zonder de wet is de zonde dood. !) En ik leefde weleer zonder wet; maar toen het gebod kwam, werd de zonde levend; 10 maar ik ben gestorven, en het is bevonden dat het gebod mij' teu dood werd, hetwelk mij nochtans ten leven gegeven was. 11 W'ant de zonde nam gelegenheid door het gebod , en bedroog mij, en veroorzaakte mij door hetzelve den dood. 13 Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. 13 Is dan het goede mij ten dood geworden? Dat zij verre! Maar de zonde, opdat alzoo blijken mocht dat zij zonde is, werkte mij door het goede den dood, opdat de zonde bovenmate zondig werd door het gebod. 14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, onder de zonde verkocht. 15 Want ik weet niet wat ik doe; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar |
-ocr page 2055-
ROMEINEN 8.
31?
|
hetgeen ik haat, dat doe ik. 16 Indien ik nu doe hetgeen ik niet wil, zoo stem ik toe dat de wet goed is: 17 zoo doe ik het dan niet meer, maar de zonde die in mij woont. 18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesoli, niets goeds woont; het willen heb ik wel, maar het goede te volbrengen vind ik niet; 19 want het goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Indien ik nu doe hetgeen ik niet wil, zoo doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont. 31 Zoo vind ik dan deze wet, dat mij, wanneer ik het goede doen wil, het kwade bijligt. 22 Wunt ik heb lust aan Gods wet naar den inweu-digen mensch, 23 maar ik zie eene andere wet in mijne leden, die strijd voert tegen de wet mijns gemoed s, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is. 24 ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? 25 Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heer. — Zoo dien ik zelf nu met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde. |
HOOFDSTUK 8. 1 Zoo is er dan nu niets verdoemelijks aan degenen die in Jezus Christus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 2 Want de wet des Gees-tus, die levend maakt in Christus Jezus, heeft mij vrijgemaakt van de wet dei-zonde en des doods. 3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, omdat zij door het vleesch verzwakt was, dat deed God, en zond zijnen Zoon in de gelijkheid van het zondige vleesch om de zonde, en veroordeelde de zonde in het vleesch; 4 opdat de gerechtigheid, door de wet geëischt, vervuld werd in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 5 Want wie naar het vleesch zijn, bedenken de dingen, die des vleesches zijn; maar wie naar den Geest zijn, de dingen die des Geestes zijn. 6 Want het bedenken des vleesches is de dood; maar het bedenken des Geestes is leven en vrede. 7 Immers, het bedenken des vleesches is vijandschap |
-ocr page 2056-
ROME [NEW 8.
318
|
tegen God, nademaal liet aan de wet Gods niet onderdanig is, want liet kan dit ook niet; 8 en wie vleeschelijk zijn, kunnen Gode niet behagen. 9 Doch gij zijt niet vleeschelijk maar geestelijk, indien namelijk de üeest Gods in ii woont; maar wie Christus' Geest niet heeft, die is de zijne niet. iU Maar wanneer Christus in u is, zoo is het lichaam wel dood om de zonde, maar de geest is leven om de gerechtigheid. 11 Indien nu de Geest desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont. 13 Zoo zijn wij dan nu, mijne broeders, schuldenaars, niet van het vleesch, dat wij naar het vleesoh zouden leven. 13 Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven ; maar indien gij door den Geest de werkingen van het lichaam doodt, zoo zult gij leven. 14 Want zoovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn Gods kinderen. |
15 Want gij hebt geen knechtelijken geest ontvangen , dat gij wederom vreezen moest; maar gij hebt een kinderlijken Geest ontvangen, door welken wij roepen: Abba, Vader! 16 Deze Geest zelf getuigt met onzen geest, dat wij Gods kinderen zijn. 17 Zijn wij dan kinderen, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeërtgenamen van Christus; zoo wij namelijk met : hem lijden, opdat wij ook j mede tot de heerlijkheid J verheven worden. —* 18 Want ik hond liet daarvoor, dat het lijden van dezen tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel wacht reikhalzend op de openbaring der kinderen Gods; 20 nademaal het schepsel onderworpen is aan de ijdel-heid, niet gewillig, maar om diens wil die het onderworpen heeft, op hoop 21 dat ook het schepsel zelf zal vrij worden van den dienst der vergankelijkheid, tot de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods. 22 Want wij weten dat al het schepsel met ons zucht in barensnood tot nog loe. |
-ocr page 2057-
ROMEINEN 5.
.319
|
23 En dit niet. alleen, maar ook wij zelve, die de eerstelingen des Geestes hebben, zucliten ook in ons zelve, verwachtende het kindschap, namelijk de ver-lossinu- onzes lichaams. ^ 34 Want wij zijn wel zalig, doch in hope; maaide hoop welke men ziet is geen hoop, want hoe kan men hopen hetgeen men : ziet? 25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met geduld. 26 Desgelijks komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet ! wat wij bidden zullen, zoo-| als het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons | met onuitsprekelijke verzuchtingen; 27 en die de harten onderzoekt, weet wat de zin des Geestes is, dewijl hij voor de heiligen bidt naar hetgeen God behaagt. 28 En wij weteu, dat dengenen die God liefhebben alle dingen ten beste dienen, hun, die naar het voornemen geroepen zijn. 29 Want die hij te voren gekend heeft, heeft hij ook verordineerd, dat zij gelijkvormig zouden zijn aan het beeld van zijnen Zoon, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen; |
30 en die hij verordineerd heeft, die heeft hij ook geroepen ; en die hij geroepen heeft, die heeft hij ook rechtvaardig gemaakt; en die hij rechtvaardig gemaakt heeft, die heeft hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan hierop zeggen ? Is God vóór ons, wie kan tégen ons zijn! 32 Die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem voor ons allen heeft overgegeven, hoe zou hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? 33 Wie wil de uitverkorenen Gods beschuldigen ? God is het, die rechtvaat-dig maakt. 34 Wie wil verdoemen? Christus is het, die gestorven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde Gods? Verdrukking, of angst, of vervolging , of honger, of naaktheid , of gevaar, of zwaard ? 36 gelijk geschreven staat: //Om uwentwil worden wij den geheelen dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen.// 37 Maar in dit alles ziju |
-ocr page 2058-
ROMEINEN 9.
321)
|
wij meer dan overwinnaars door hem die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dut noch dood noch leven, noch Engelen noch overheden, noch geweld, noch het tegenwoordige noch het toekomende, 39 noch het hooge, noch het diepe, noch eenig ander schepsel, ons kan scheiden van Gods liefde, welke is in Christus Jezus, onzen Heer. HOOFDSTUK 9. 1 Ik zeg de waarheid in Christus en lieg niet, •— waarvan mijn geweten mij getuigenis geeft in den Heiligen Geest — 2 dat ik groote treurigheid en smart zonder ophouden in mijn hart heb. 3 Ik wenschte wel zelf verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vlcesch; 4 die van Israël zijn, aan wie het kindschap toebehoort, en de heerlijkheid, en het verbond, en de wet, en de gO( 1 s vereering, en debelolten; 5 van wie ook de vaderen 'zijn, en van wie ook Christus afstamt naar het vleesch, welke is God boven alles geloofd in eeuwigheid! Amen. |
6 Doch ik zeg dit niet, alsof Gods woord daarom ware weggevallen. Want het zijn niet allen Israëlieten die van Israël zijn; 7 ook niet allen die Abrahams zaad zijn, zijn daarom ook kinderen, maar: //In Isaak zal u het zaad genoemd worden//, 8 dat is: die zijn Gods kinderen niet, die naar het vleesch kinderen zijn, maaide kinderen der belofte worden voor zaad gerekend. 9 Want dit is eeu woord der belofte: //Omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal een zoon hebben.// 10 En dit niet alleen, maar zoo is het ook geschied met llebekka, toen zij zwanger was bij écnen, Isailk, onzen vader. 11 Want eer de kinderen geboren waren, en noch goed noch kwaad gedaan hadden, opdat Gods voornemen naar de verkiezing, niet uit verdienste der werken maar uit den roepende, zou bestaan, 13 werd tot haar gezegd: //De oudere zal den jongere dienen//, 13 gelijk geschreven staat: //Jakob heb ik liefgehad, maar Esau heb ik gehaat.// 14 Wat zullen wij dau zeggen? Is er dan onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre! |
-ocr page 2059-
ROMEINEN 9.
321
|
15 Want hij spreekt tot Mozes: //Ik zal mij ontfermen oyer wien ik mij ontferm, en zal barmhartig zijn jegens wien ik barmhartig ben.// i 16 Zoo ligt het nu niet aan iemands willen of' loo-pen, maar aan den ontfermenden God. 17 Want de Schrift zegt tot Farao: //J uist daartoe heb ik u verwekt, opdat ik aan u mijne macht zou be-toonen, en opdat mijn naam verkondigd worde op de geheele aarde.// 18 Zoo ontfermt hij zich nu over wien hij wil, en verstokt wien hij wil. 19 Nu zult gij tot mij zeggen: Wat beschuldigt hij ons dan ? Want wie kan zijnen wil wederstaan? 30 Maar, o mensoh , wie zijt gij toch, dat gij God wilt tegenspreken? Zsgt ook een werk tot zijnen meester: Waarom hebt gij mij zóó gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker geen macht, om van denzelfden klomp het eene vat ter eere te maken, en het andere ter oneere? 32 En wat te zeggen, indien God, zijn toorn willende toonen en zijne macht bekend maken, heeft verdragen met groote lankmoedigheid vaten des toorns, toebereid tot het verderf, |
23 en indien hij heeft willen doen kennen den rijkdom zijner heerlijkheid aan vaten der barmhartigheid, die hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid ? 21 Zoo heeft hij ook ons geroepen, niet alleen uit de Joden maar ook uit de heidenen, 25 gelijk hij ook door Hosca zegt: //Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, mijne beminde. 26 En het zal geschieden in de plaats waar tot hen gezegd werd: Gij zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij genoemd worden kinderen des levenden Gods.// 27 En Jesaja roept over Israël : //Al ware het getal der kinderen van Israël als het zand aan de zee, zoo zal het overblijfsel zalig worden. 28 Want hij voleindt en besluit eene zaak in gerechtigheid ; en de besloten zaak zal de Heer uitvoeren op de aarde.// 29 En gelijk Jesaja te voren zegt: //Ware het dat de Heer Zebaoth ons geen zaad had laten overblijven, zoo waren wij als Sodom geworden, en aan Gomorra gelijk geweest.// 30 Wat zullen wij dan zeg- |
21
-ocr page 2060-
PiOMEINEN 10.
323
|
gen? Dat de heidenen, die naar de gerechtigheid niet hebben gestaan, de gerechtigheid verkregen hebben, namelijk de gerechtigheid die uit het geloof komt; 31 maar Israël heeft naar de wet der gerechtigheid gestaan , en is tot de wet der gerechtigheid niet gekomen. 33 Waarom dat? Omdat zij haar zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots, 33 gelijk geschreven staat: //Zie, ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rotssteen der ergernis; en wie in hem gelooft, zal niet beschaamd worden. HOOFDSTUK 10. 1 Broeders, de wensch mijns harten en mijn gebed tot God voor Israël is dat zij zalig worden. 2 Want ik geef hun de getuigenis dat zij ijveren voor God. maar met onverstand. 3 Want zij kennen de gerechtigheid niet die voor God geldt, en zoeken hunne eigene gerechtigheid opte-richten, en zijn alzoo der gerechtigheid, die voor God geldt, niet onderdanig. 4 Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. |
5 Mozes beschrijft de gerechtigheid , die uit de wet komt, aldus: //De mensch die dit doet zal daardoor leven.// 6 Maar de gerechtigheid die uit het geloof komt spreekt aldus: //Zeg niet in uw hart: Wie zal opklimmen in den hemel?// dat zou zijn Christus daaruit afhalen. 7 Of: //wie zal nederdalen in den afgrond?// dat zou zijn Christus uit de dooden ophalen. 8 Maar wat zegt zij ? //Het woord is u nabij, in uwen mond en in uw hart.// Dit is liet woord van het geloof, hetwelk wij prediken. 9 Indien gij nu met uwen mond belijdt dat Jezus de Heer is, en in uw hart gelooft dat God hem van de dooden opgewekt heeft, zoo wordt gij zalig; 10 want met het hart gelooft men en wordt rechtvaardig, en met den mond belijdt men en wordt zalig. 11 Want de Schrift zegt: //Wie in hem gelooft, zal niet beschaamd worden.// 13 Want er is geen onderscheid tusschen Joden en Grieken; want één en dezelfde is Heer van allen, |
-ocr page 2061-
'■
ROMEINEN 11.
323
|
rijk zijnde over allen die hem aanroepen. 13 Want //wie den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.// 14 Maar hoe zullen zij dengene aanroepen, in wien zij niet gelooven? En hoe zullen zij in hem gelooven, van wien zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren zonder prediker? 15 En hoe zullen zij prediken , indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven staat: '/Hoeliefeiijk j zijn de voeten dergenen die i vrede verkondigen, die het goede prediken!// 16 Maar zij zijn niet allen het evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: //Heer, wie gelooft onze prediking?// 17 Zoo komt dan het geloof uit de prediking, en de prediking door het woord Gods. 18 Maar ik zeg: hebben zij het niet gehoord ? In alle landen toch is hunne stem uitgegaan, en hunne woorden tot aan de einden der wereld. 19 Maar ik zeg: heeft Israël het niet geweten? Als eerste [ffetuige] zegt Mozes: //Ik zal u tot ijverzucht verwekken door degenen die geen volk zijn, en door een onverstandig | volk zal ik u tot toorn verwekken.// |
30 En Jesaja durft wel zeggen: //Ik ben gevonden van degenen die mij niet gezocht hebben, en ben verschenen dengenen die niet naar mij gevraagd hebben.// 21 Maar van Israël zegt hij: //Den geheelen dag heb ik mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.// HOOFDSTUK 11. 1 Zoo zeg ik nu: heeft dan God zijn volk verstoo-ten? Dat zij verre! Want ik ben ook een Israëliet, van Abrahams zaad, uit het geslacht van Benjamin. 3 God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elia? hoe hij voor God optreedt tegen Israël, zeggende: 3 //Heer, zij hebben uwe profeten gedood en hebben uwe altaren vernield, en ik ben alleen overgebleven, en zij staan naar mijn leven.// 4 Maar wat zegt hem het Goddelijk antwoord ? //Ik heb mij zeven duizend mannen laten overblijven, die hunne knieën voor Baiil niet gebogen hebben.// |
-ocr page 2062-
ROMEINEN li.
3è4
|
5 Alzoo gaat het ook nu in dezen tijd, dat er eenigen zijn overgebleven, naar de verkiezing der genade. 6 Is het dan uit genade, zoo is het niet uit de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn. En is het uit de werken, zoo is de genade niets; anders is het werk geen werk meer. 7 Hoe dan nu? Hetgeen Israël zoekt, verkrijgt ,het niet, maar de uitverkorenen verkrijgen het, de anderen zijn verstokt, — 8 gelijk geschreven staat: //God heeft hun gegeven een geest van verdooving, oogen die niet zien, en ooren die niet hooren , — tot op den dag van heden.// 9 En David zegt: //Laat hunne tafel tot een valstrik worden, en tot eene verstrikking , en tot eene ergernis, en tot eene vergelding voor hen; 10 laat hunne oogen verduisterd worden dat zij niet zien, en buig hunnen rug altijd.// 11 Zoo zeg ik nu: hebben zij daarom gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre! Maar uit hunnen val is den heidenen het heil geworden, om hen tot naijver te verwekken. |
12 Indien nu hun val de rijkdom der wereld is, en hun verlies de rijkdom dei-heidenen , hoeveel te meer wanneer hun getal vol wordt 1 13 Want tot u , heidenen, zeg ik: dewijl ik een apostel der heidenen ben, zal ik mijn ambt prijzen, 14 of ik misschien degenen , die mijn vleesch zijn, tot naijver mocht verwekken, en eenigen van hen zalig maken. 15 Want indien hunne verwerping de verzoening der wereld is, wat is hunne aanneming anders dan het leven uit de dooden? 16 Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg; en is de wortel heilig, dan ook de takken. 17 Zoo nu eenige der takken afgebroken zijn, en gij, die een wilde olijfboom waart, onder hen zijt ingeënt, en den wortel en het sap van den olijfboom mede deelachtig zijt geworden, 18 zoo beroem u niet tegen de takken; en indien gij u tegen deze beroemt, zoo weet dat gij niet den wortel draagt, maar de wortel u. 19 Zoo gij zegt: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden. ■— 20 Het is wèl gezegd. Zij zijn afgebroken door hun ongeloof, maar gij staat |
-ocr page 2063-
ROMEINEN 11.
325
|
door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! 31 Want heeft God de natuurlijke takken niet verschoond, zoo zal hij misschien ook u niet verschoonen. 23 Daarom zie de goedertierenheid en de gestrengheid Gods aan: de gestrengheid aan degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid aan u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult gij óók afgehouwen worden. 33 Eu ook zij, indien zij niet in het ongeloof blijven, zullen ingeënt worden; want God kan ze wel weder inenten. 24 Want indien gij van den olijfboom, die van nature wild was, zijt afgehouwen , en tegen de natuur in den tammeu olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen de natuurlijke \tak-keii\ ingeënt worden in hun eigen olijfboom! 25 Want ik wil u, broeders , deze verborgenheid niet onthouden, opdat gij u zelve niet voor wijs houdt: verharding is Israël ten deele overkomen, zoolang totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn; 36 en alzóó zal geheel Israël zalig worden, gelijk geschreven staat: //UitSion zal de Verlosser komen, en 'fde goddeloosheid van Jakob afwenden; |
37 en dit is mijn verbond met hen, als ik hunne zonden zal wegnemen.// 28 Ten aanzien van het evangelie zijn zij vijanden, om uwentwil, maar ten aanzien van de verkiezing geliefden, om der vaderen wil. 29 Want Gods gaven en roeping kunnen hem niet berouwen. 30 Want gelijk ook gij weleer niet geloofd hebt in God, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door hun ongeloof, 31 alzoo zijn nu ook deze ongeloovig, opdat ook zij door uwe barmhartigheid barmhartigheid zouden verkrijgen ; 33 want God heeft hen allen besloten onder het ongeloof, opdat hij zich over allen ontferme. 33 0 welk eene diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe geheel onbegrijpelijk zijn zijne oordeelen, en ondoorgrondelijk zijne wegen! 34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, of wie is zijn raadgever geweest? 35 Of wie heeft hem eerst iets gegeven, opdat het |
-ocr page 2064-
EOMEINEN 12.
326
|
hem wedervergolden zou worden? 36 Want van hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen. Hem zij eer in eeuwigheid! Amen. HOOFDSTUK 12. 1 Ik vermaan u dan, broeders, door de barmhartigheid Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot een olièr, dat levend, heilig en Gode welbehagelijk zij, hetwelk zij uwe redelijke godsvereering. 2 En maakt u dezer wereld niet gelijk, maar verandert u door vernieuwing van uw gemoed, opdat gij beproeven moogt welke de wil van God, wat goed, welbehagelijk en volkomen is. 3 Want ik zeg, door de genade die mij gegeven is, aan ieder onder u, dat niemand over zich zeiven hoo-ger denke dan hem betaamt te denken, maar dat hij matig over zich denke, ieder naardat God uitgedeeldheeft de maat des geloofs. 4 Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, maar niet alle leden éénerlei werking hebben, 5 alzoo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar onder elkander is de een des anders lid; |
6 en wij hebben menigerlei gaven, naar de genade die ons gegeven is. 7 Heeft iemand profetie, | zoo zij die het geloof gelijkvormig; heeft Iemand een ambt, zoo neme hij het ambt waar; leert iemand, zoo neme hij het leeren waar; 8 vermaant iemand, zoo neme hij het vermanen waar; geeft iemand, zoo geve hij in eenvoudigheid; regeert iemand, zoo zij hij zorgvuldig; oefent iemand barmhartigheid, zoo doe hij het met lust. 9 De liefde zij ongeveinsd. Haat het kwade; hangt het goëcTe aan. quot; quot; - 1Ü De broederliefde onder ilkander zij hartgrondig; de sen kome den ander voor fnét eerbetooning.quot; »■ IT WSestquot; niét traag in hetgeen gij doen moet; zijt vurig in den quot;geest; quot;dient Jen Heer. _ - _ 12 Zijt vroolijk in hope,, geduldig in de verdrukking;' houdt aan in TieTgebecI.quot;' ' t 13 Trekt u de nooddruft; der heiligen aanf herbergt j gaarne. ■ '«■■.im! 14 Zegent wie u vervolgen: zégënï, en vloekfmet. quot;~Ï5 Verblijdt i7**met de blijden, en weent met de weenenden. 16 Weest eensgezind onder elkander, erTtrScEFmet naar |
-ocr page 2065-
HÜMEINEN 13.
327
|
liooge dingen, maar voegt ff tot de nederige; houdt u zelve niet voor wijs. 'quot;* iTTergéldtniemandkwaade met kwaad. Behartigt wat betamelijk is voor het oog van alle menschen. — •*quot;■18 Is het mogelijk, zooveel het van u afhangt, houdt vrede met alle menschen. 1 .pTl9 Wreekt u zelve niet, geliefden, maar geeft ruimte aan den toorn; want er Jsfaat geschreven: //Mij is de Itfraalr; ik zal vergelden, ■rspreekt de Heer.// quot;' 20 Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijs hem; dorst hem, zoo geef hem te drinken; zoo gij dit doet, zult gij vurige kolen op zijn hoofd vergaderen. 21 Laat het kwade u niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede. HOOFDSTUK 13. 1 Een ieder zij onderdanig aan de overheid, die macht over hem heeft; want er is geen overheid dan van Rod, en waar eene overheid is, is zij door God ingesteld. 2 Wie zich nu tegen de overheid stelt, die weder-staat Gods instelling; en wie deze wederstaan, zullen over zich zelve eeu oordeel brengen. 3 Want niet voor de goede |
werken, maar voor de kwade zijn de overheden te vreezen. Wilt gij nu niet vreezen voor de overheid, zoo doe het goede, en gij zult lof van haar hebben, 4 want zij is Gods dienares , u ten goede. Maar doet gij kwaad, zoo vrees, want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij is Gods dienares, eene wreekster tot straf voor dengene die kwaad doet. 5 Daarom is het noodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten. 6 Daarom moet gij ook schatting geven; want zij zijn Gods dienaars, die voor dat alles moeten zorgen. 7 Zoo geeft dan aan ieder wat gij schuldig zijt: schatting wien de schatting toebehoort, tol wien de tol toebehoort, vrees wien do vrees toebehoort, eer wien de eer toebehoort. 8 Zijt niemand iets sch ul- / dig, dan dat gij elkander, lief hebt; want wie den ander liefheeft, hééft de wet vervukT —— 'r'Wunt het geen gezegd is: quot;Gij zult geen overspel doen, gij zult niet dooden, gij zult niet stelen, gij zult niet begeeren//, en zoo er eenig ander gebod meer is. |
-ocr page 2066-
328
ROMEINEN 14.___
woord flf'Wie eet, verachte hem 1
dat wordt in begrepen: «Gij
'g' ai
U1
Zï
te
st
naaste zei ven.// 0 De naaste si
den
ITZ
for f- re ''quot;1 gm I mi fida 1 aa gt; I ■ ke i
I is;
ac: de
W(
ree Ve uw CL 1
3 wc
Ij.
Ima I vre
dan de liefde de vervulling der wet.
11 En dit te meer, omdat wij den tijd weten, namelijk dat de ure daar is, om op te staan van den slaap; nademaal onze zaligheid nu nader is dan toen wij ge-loovig werden.
■—*12 De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen: zoo laat ons nu' afleggen de werken der duisternis , en aandoen de wape-nen des lichts; — r-^TSquot; laat ons eerbaar wandelen als bij den dag, niel in brasserij en dronkenschap, niet in ontucht en oneerbaarheid, niet in twist en
maar trekt den Heer Jezus Christus aan; en ver-zorgt het lichaam niet tot begeerlijkheden. ™
quot;^HOOFDSTUK 14.
1 Wie zwak is in het geloof , neemt dien aan, zonder strijd te voeren over meeningen.
3 De een gelooft dat hij allerlei mag eten, maar wiej zwak is eet moeskruiden.
liefde doet in kwaad: z(
dit
zult uwen liefhebben als n
(liet die niet eet; en wie ,hiet eet, oordeele hem niet 'die eet; want God heeft |
pem aangenomen.__________
''IPWïe zijt gij, dat gij eens j anderen knecht oordee)t? J Hij quot;staaföTVaTt 'zijn eigen' heer; doch hij zal staande blijven, want God is machtig hem staande te honden.
5 De een houdt den eenen dag meer in waarde dan den anderen, maar de an-AïxJloudt alle^da££ö4^lijtr^ rEen iederquot; zij in zijn eigen j gemoed ten volle verzekerd. |
6 Wie op de da£ën ach't- ' geeft, doet het den Heer; en wie er niet op let, doet het ook den Heer. Wie eet, eet om des Heeren wil, want hij dankt God; wie niet eet, eet om des Heeren wil niet, en dankt God.
7 Want niemand van ons leeft zich zei ven, en niemand sterft zich zei ven.
8 Want leven wij, wij leven den Heere; sterven wij, wij sterven den Heere: daarom, hetzij wij leven of sterven, wij zijn des Heeren—--__---
^ 9 Want Christus is ook i daarom gestorven en opge- 1 'staan en weder levend geworden , opdat hij over doo-den en Jevcnden Heerzij. Ï10 Maar gij'~waf, bordeèlt
-ocr page 2067-
■BOM-EWEjN 15.
. Mik weet en Ben verze-i|ieb het bij u zei ven voor kerd in den Heer Jezus,!pod: zalig is degeen, die dat niets in zich zelf onrein j zich zei ven geen verwijt doet is; maar wie het voor onrein! in hetgeen hij voor goed achf, dien*is het onrein^B houdt.
/
bestaat niet in sjjs en drankj 3 Maar ieder onzer gedrage zich zooT' dar~fiij zijnen naaste behage ten goede,
(maar in gerecDtigheKTquot;en t vrede en vreugde in den [ Heiligen Geest;
tot stichlSgTquot;
ƒ gij uwen broeder? Of gij i andere, wat veracht gij | uwen broeder? Want wij 1 zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden;
want er staat geschreven : '/Zoo waaracHig ïk spreekt de Heer, voor ij zullen alle knieën zich luigen, en alle tongen zul-
ien God belijden.// _____
quot; 3 -'/oó'-gfl dan' ellc van f ons voor zich zelve'rT'Gode i- rekenschap geven.quot; quot; ^ T3 quot;Daaromquot;quot; laat quot;óns niet M meer elkander oordeelen; jT maar oordeelt dit veelmeer, || dat niemand zijnen broeder
MSar indien uw broê-der over uwe spijs bedroefd wordt, zoo wandelt gij alreeds niet naar de liefde. Verderf toch dien niet met uwe spijs, om wiens wil Christus gestorven is.
16 Daarom maakt, dat uw voorrecht niet gelasterd worde. '
é 17 Want het rijk Gods
oot ot ergernis geve,
.....35'J,
18 Wie Christus daarin dient, is Gode welbehage-lijk en den menschen aangenaam.
19 Daarom laat ons jagen naar hetgeen tot den vTfio?' en tot onderlinge sticlitffigquot; dient.
20 Verbreekt wegens de spijs Gods werk niet. Alles is wel rein, maar het is kwaad voor dengeen die het met aanstoot eet.
31 Het is goed dat gij geen vleesch eet en geen wijn drinkt, noch iets doet waaraan uw broeder zich stoot of zich ergert of waar-in hiï zwak is.
quot;quot;^sT ffebt gij geloof, zoo
quot;quot;SlfMaar wie daaraan twijfelt en nochtans eet, is veroordeeld, want het geschiedt niet uit geloof, en wat niet uitgeloofgeschiedt, is zonde.
HOOFDSTUK 15.
\TW nu die sterk zijn, moeten de gebreken der zwakken dragen, en geen behagen aan ons zelve hebben.
-ocr page 2068-
330 EOMIONEN 15.
Want ook Cïïnstus had jheidenen, met zijn volk!// geen behagen aan zich zei- 11 En wederom: //Looft ven, maar gelijk geschreven? den Heer alle heidenen, staat: //De smaadnédenquot;cfer3 prijst hem alle volken.// [JEïïen, die u smaden, zijn j ffHilnwederofiizeRtJesaia:
op mn gevallen.// p/Er zal zijn de wortel van
■f—Want wat te voreii ge- Isaï, en die opstaan zal om schreven is, is ons tol te heerschen over de heide-i leering geschreven; opdat nen; op hem zullen de
iheidenen hopen.// —
wij door lijdzaamheid en
vertroosting Jë^cÏÏiTft hoop ƒ'13 De God nu der hope zouden hebben. ƒ vervulleumetalleblijdschap |
C.5 De God nu der Wdzaam- enquot; vrede in het 'geloof, | heid en der verCroosting opdarwy eene volkomens 1 geve u, dat gij eensgezind hoop moogt hebben door de f zijt onder elkancter haar kracht des Heiligen Geestes. Jezus Christus, quot; 14 Doch ik ben verzekerd
~T™optrat gij eendrachtig van u, mijne broeders, dat met eénen mond denquot; God gij zelve vol van goedheid en Vader van onzen Heer zijt, vervuïïT met alle ken-Jezus Christus loven moogt.[nis,, en dat gij ook elkanoer
7 Daarom neemt elkander TTmt vermanen.
aan, gelijk ook Christus u 15 Maar ik heb het evenwel heeft aangenomen tot Gods gewaagd en u iets willen eer. schrijven, broeders, teneinde
8 Want ik zeg, dat Jezus u dit indachtig te maken, Christus een dienaar der krachtens de genade, die besnijdenis geweest is, ter- mij van God gegeven is, wille van de waarheid Gods, 16 dat ik een dienaar van om te bevestigénTcTeTjeloftên Christus Jezus zou zijn onder den vaderen geschied', quot;quot; de heidenen, in de heilige
9 en opdat de heidenen bediening van het evangelie God loven zouden om Gods, opdat de heidenen A zijne barmhartigheid, gelijk [ een offer worden, Gode aan-^N geschreven staat: //Daarom genaam, geheiligd door den^ MTir-ïï loven onder de Heiligen Geest.
heidenen, en uwen naam 17 Daarom kan ik mij lofzingen.// beroemen in Jezus Christus,
10 En wederom zegt \damp;, dat ik God dien.
ScJtriff]: //Verblijdt u, gy 18 Wantik zal niet wagen
o ihï 51U4I \
-ocr page 2069-
ROMEINEN 15.
331
|
iets te zeggen, wat Christus niet door mij gewerkt heeft, om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen, door woorden en werken,, iy door kraclit van teekenen en wonderen, en door de kracht van Gods Geest j alzoo dat ik varTjeruzalem laf en rondom, tot Illyric rtoe, alles met het evangelie Ivan CBBSus yemffl hèu,quot; ' 3Ü en zóó, cfaT ik mij be-vlijtigd heb om het evag-gSlièquot; te prediken, waar fiTfetus' naam niet bekend as, opdat ik niet op eens ,nders grond zou bouwen; ret nfflBT gelijk geschreven staat: raSii wfTvan {tem quot;TWetquot; verkondigd is, die zullen het zien; en wie het niet gehoord hebben zullen het verstaan.// 22 Dit is ook dequot;öorzaak, waarom ik dikwijls verhinderd ben tot u te komen; 33 maar nu ik geen plaats meer heb in deze landen, en sints vele jaren verlangen heb om tot u te komen, 34 zoo zal ik tot u komen, als ik naar Spanje zal reizen, want ik hoop dat ik op de doorreis u zien zal, en door u derwaarts moge geleid worden, als ik mij eerst eenigermate aan u zal verzadigd hebben. 35 Maar nu reis ik naar |
Jeruzalem, den heiligen tot dienst. 26 Want die vanquot;: Macedonië en Achaje hebben goedgevonden zich zelve eene bijdrage op te leggen voor de armen onder de heiligen te Jeruzalem. lt;!_ 37 Zij hebben dit zoo' goedgevonden, en zijn ook u hunne schuldenaars; want 1 daar de heidenen hunne \ geestelijke goederen deel- ' achtig zijn geworden, zoo 1 is het behoorlijk dat zij 1 hun ook in stoö'elijke goe- i deren dienst bewijzen. 38 Wanneer ik nu dit volbracht en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zal ik door uwe stad naar Spanje reizen. 39 En ik weet dat, als ik tot u kom, ik met vollen zegen van Christus' evangelie zal komen. 30 Maar nu vermaan ik u, broeders, door onzen Heer Jezus Christus en door de liefde des Geestes, dat gij TBif helpt Kampetx'fc^ door voor mij tot Uoti te bidden; 31 opdat ik verlost worde van de onyeloovjgen in Judéa, en mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen; 33 opdat ik met vreugde tot u kome door den wil |
-ocr page 2070-
EOMEINEN 16.
332
|
Gods, en mij met u ver-kwikke. 33 En de God des vredes zij met u allen! Amen. HOOFDSTUK 16. 1 Ik beveel u onze zuster Febe aan, die in den dienst der gemeente te Kenchrea is; 2 dat gij haar aanneemt in den Heer, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstagt in alle zaken, in welke zij u no63?g heeft; want zij hééft ook velen bijstand bewezen, ook mij zeiven. 3 Groet PriscillaenAqnila, mijne medehelpers in Christus Jezus, 4 die hunnen hals voor mijn leven overgegeven hebben ; welke niet alleen ik dank, maar ook alle gemeenten onder de heidenen. 5 Groet ook de gemeente in hun huis. Groet Epene-tus, mijnen geliefde, die de eersteling van Azië voor Christus is. 6 Groet Maria, die veel moeite en arbeid voor ons gehad heeft. 7 Groet Andronicus en Junias, mijne bloedverwanten en mijne medegevangenen , die vermaard zijn onder de apostelen, en ook vóór mij geweest zijn in Christus. |
8 Groet Amplias, mijnen beminde in den Heer. 9 Groet Urbanus, onzen medehelper in Christus, en Stachys, mijnen beminde. 10 Groet Apelles, den beproefde in Christus. Groet die van het huisgezin van Aristobülus zijn. 11 Groet Heródion, die van mijne maagschap is. Groet die van het huisgezin van Narcissus in den Heer zijn. 12 Groet Tryféna en Try-fósa, die in den Heer ge-gearbeid hebben. Groet Per-sis , de beminde, die in den Heer veel gearbeid heeft. 13 Groet llutus, den uitverkorene in den Heer, en zijne en mijne moeder. 14 Groet Asyncritus, Fle-gon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die bij hen zijn. 15 Groet Filólogus en Julia , Néreiis en zijne zuster, en Olympas, en alle heiligen die bij hen zijn. 16 Groet elkander met den heiligen kus. U groeten al de gemeenten van Christus. 'i')quot; iviaar ik Ifi-ffl'ffl11 u, broeders, dat gij acht geeft op degenen die tweedracht en efg'pfnissen aSïttichteh |
-ocr page 2071-
1 KORINÏHIËES 1.
883
|
18 Want dezulken dienen niet den Heer Jezus Christus , maar hunnen 'uuik; en door zoete woorden en vleiende redenen verleiden zij de harten der argeloozen. 19 Want uwe gehoorzaamheid is toTJkenms van] afien gekomen; daarom verblijd ik mij over u. Maar ik wil dat gij wijs zijt in het goede, doch onnoózel in het TEwade. ______ Sf jiQ mMm des vre3ês vertrgde binnenkort den satan ondèr uwe voeten. Ile genade van onzen Heer Jezus Christus zij met u! 21 U groeten Timótheiis, mijn medehelper, en Lucius en Jason en Soslpater, mijne bloedverwanten. 32 Ik, ïertius, die dezen brief geschreven heb, groet u in den Heer. |
23 U groet Gajus, de gast-ieer van mij en van de keheele gemeente. U groet [Erastus, de stadsrentmees-' ter, en Quartus, de broeder. 24 De genade van onzen Heer Jezus Christus zij niet u allen! Amen. I'J.' liem nu die iTsïêrEm * rkan, 'naar mijn lt; 'Jen de prediking van Jezus Christus, volgens de open^ laring der verborgenheid^' iTTan oudsquot;^rfëfZWBg5n geweest, 6 quot; maar nu is en bekenTTgemE 3é SchiTTrênquot; naaiTHP^vel des' GFo'dir Hefff1 (i(;s geloof's r _ . oh d er alleKeidenen, 27 hem, den alleen wijzen God, zij eeredoorïïezïïs Christus in eeuwis;heid! Amen. |
DE E RUSTE BRIEF VAN PAUL CS
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, geroepen tot apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Sos-thenes, de broeder, |
2 aan de gemeente Gods te Korinthe, den geheilig-den in Christus Jezus, den geroepen heiligen, benevens allen die den naam van onzen Heer Jezus Christus aanroepen, in alle hunne en onze plaatsen. den i al tus^ quot;uT eeft icht i c*-rue s iten ge-van 3 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! 4 Ik dank mijnen God K O R I N T H I Ë. R S. |
-ocr page 2072-
1 KORTNTHIËRg 1.
334
|
altijd uwentwege voor de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus, 5 dat gij in alles rijk zijt geworden door hem, in alle leer en in alle kennis, 6 gelijk de prediking van Christus krachtig geworden is in u, 7 zoodat gij geen gebrek hebt aan eenige gave, en wacht op de openbaring van onzen Heer Jezus Christus; 8 die u ook zal bevestigen tot het einde toe, dat gij onstraftelijk moogt zijn op den dag van onzen Heer Jezus Christus. 9 Want God is getrouw, door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heer. 10 Maar ik vermaan u, broeders, door den naam van onzen Heer Jezus Christus, dat gij allen eenstemmig zijt, en geen scheuringen onder u laat zijn, maar verbonden zijt aan elkander in één zin en éénerlei meening. 11 Want mij is van u bekendgemaakt , mijne broeders, door die van Chloë's huisgezin, dat er twist onder u is. 12 Ik zeg namelijk dit, dat de een van u zegt: Ik ben van Paulus; de ander: Ik ben van Apollos; een derde: |
Ikquot; ben van Kefas; een vierde: Ik ben van Christus. 13 Hoe, is Christus nu gedeeld? Is dan Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt? 14 Ik dank God dat ik niemand van ulieden gedoopt heb dan Krispus en Gajus; 15 opdat niet iemand zeggen mocht, dat ik in mijnen naam gedoopt heb. /16 Doch ik heb ook het 'huisgezin van Stéfanas gedoopt; verder weet ik niet dat ik iemand gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het evangelie te prediken; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 18 Want het woord des kruises is eene dwaasheid voor degenen die verloren gaan, maar ons die zalig worden is het eene kracht Gods; 19 want er staat geschreven : //Ik zal de wijsheid der wijzen te niet doen, en het verstand der verstandigen zal ik verwerpen.// 30 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de twistredenaar dezer eeuw? Heeft God niet de wijsheid dezer wereld tot dwaasheid gemaakt? |
-ocr page 2073-
1 KORTNTMIERS 2.
335
|
21 Want dewijl de wereld door hare wijsheid God in zijne wijsheid niet kende, behaagde het Gode, door de dwaze prediking zalig te maken degenen die ge-looven: 22 nademaal de Joden teekenen eischen, en de Grieken naar wijsheid vragen, 23 maar wij prediken den gekruisten Christus, den Joden eene ergernis, enden Grieken eene dwaasheid, 24 maar dengenen die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, eene Goddelijke kracht en Goddelijke wijsheid. 25 Want de Goddelijke dwaasheid is wijzer dan de menschen zijn, en de Goddelijke zwakheid is sterker dan de menschen zijn. 26 Geeft slechts acht, broeders, op uwe roeping: niet vele wijzen naar het vleeseh, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken zijn geroepen ; 27 maar wat dwaas is bij de wereld, dat heeft God verkoren, opdat hij de wijzen zou beschamen; en wat zwak is bij de wereld, dat heeft God verkoren, opdat hij zou beschamen wat sterk is; 28 en het onaanzienlijke voor de wereld en het verachte heeft God verkoren, en hetgeen niets is, opdat hij zou te niet doen wat iets is; |
29 teneinde geen vleeseh zich voor God zou beroemen. 30 Door hem nu zijt gij in Christus Jezus, die ons van God gemaakt is tot wijsheid , en gerechtigheid , en heiliging, en verlossing; 31 opdat, gelijk er geschreven staat: //Wie zich beroemt, zich beroeme in den Heer.// HOOFDSTUK 2. 1 En ik, broeders, toen ik tot u kwam, kwam niet met uitnemendheid van woorden of wijsheid, om u de getuigenis Gods te verkondigen ; 2 want ik heb niet geoordeeld iets onder u te weten dan alleen Jezus Christus, en dien gekruist. 3 En ik was bij u met zwakheid en met vrees en met groote beving, 4 en mijn woord en mijne prediking was niet in overredende woorden der men-schelijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht, 5 opdat uw geloof niet beruste op wijsheid der menschen, maar op Gods kracht. 6 Doch waarvan wij spreken , is nochtans eene wijsheid bij de volkomenen; |
-ocr page 2074-
1 KORTNTHEKES 3.
330
|
niet eene wijsheid dezer wereld, ook niet der oversten dezer wereld die te niet gaan; 7 maar wij spreken van de geheime verborgene wijsheid Gods, welke God te voren verordend heeft, eer de wereld was, tot onze heerlijkheid ; 8 welke geen van de oversten dezer wereld gekend heeft, ■—■ want hadden zij die gekend, zij zouden den Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben — 9 maar gelijk geschreven staat: //Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en in geen menschen hart is opgekomen; wat God bereid heeft voor degenen die hem liefhebben.// 10 Ons nu heeft God het geopenbaard door zijnen Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten der Godheid. 11 Want wie weet wat in den mensch is, dan de geest des menschen die in hem is? Alzoo weet ook niemand wat in God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij weten kunnen wat ons door God gegeven is; |
13 hetwelk wij ook spreken , niet met woorden die de menschelijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, en oordeelen geestelijke dingen geestelijk. 14 Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet wat vau den Geest Gods is; want het is hem eene dwaasheid, en hij kan het niet erkennen ; want het moet geestelijk geoordeeld zijn. 15 Maar de geestelijke mensch oordeelt alle dingen, en hij wordt door niemand geoordeeld. 16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, dat hij hem zou onderrichten ? Maar wij hebben den zin van Christus. HOOFDSTUK 3. 1 En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke, maar als tot vleeschelijke menschen, tot jonge kinderen in Christus. 3 Melk heb ik u te drinken gegeven, en geen vaste spijs, want gij kondt nog niet; ook kunt gij nu nog niet, dewijl gij nog vleesche-lijk zijt; 3 want nademaal naijver en twist en tweedracht onder u zijn, zijt gij dan niet vleeschelijk en wandelt gij |
-ocr page 2075-
1 KOTUNTHIKRS 3.
337
|
niet naar menschelijke wijze? 4 Want als de een zegt: Ik ben van Paulus, en de ander: Ik ben van Apollos, zijt gij dan niet vleesche-lijk? 5 Wie is dan Paulus en wie is Apollos? Dienaars zijn zij , door welke gij zijt geloovig geworden, en dat .gelijk de Heer aan elk gelgeven heeft. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft het gedijen gegeven. 7 Zoo is nu noch hij die plant, noch hij die begiet iets, maar Grod die het gedijen geeft. 8 Die nu plant en die begiet zijn één; maar ieder zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. 9 Want wij zijn Gods medehelpers ; gij zijt Gods akkerwerk en Gods gebouw. 10 Door Gods genade, die mij gegeven is, heb ik den grond gelegd als een wijs bouwmeester; een ander bouwt er op. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt. 11 Een anderen grond kan trouwens niemand leggen, dan die gelegd is, welke is Jezus Christus. 13 Indien nu iemand op dezen grond bouwt goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppels. laijver [it on-n niet sit gij |
13 zoo zal ieders werk openbaar worden ; de dag zal het openbaren, want het zal door vuur ontdekt worden; en hoedanig ieders werk is, zal het vuur beproeven. 14 Indien iemands werk, dat hij daarop gebouwd heeft, blijven zal, zoo zal hij loon ontvangen; 15 maar indien iemands werk zal verbranden, zoo zal hij er schade aan lijden; hij zelf zal wel behouden worden, doch zóó, als door vuur heen. IC Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in u woont? 17 Zoo iemand den tempel Gods verderft, dien zal God verderven; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 18 Niemand bedriege zich zeiven: wie onder u meent wijs te zijn in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge zijn. 19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want er staat geschreven : //Da wijzen vaagt hij in hunne arglistigheid//, 20 en wederom: //Da Heer kent de gedachten der wijzen, dat ze ijdel zijn.// 31 Daarom beroeme zich niemand op menschen; het is alles het uwe: |
22
-ocr page 2076-
338 1 KOKTNTHIÉRS 4. -------
23 hetzij Paulus of Apol-1 dat gij aan ons zoudt leeren, los of Kefas, hetzij de we- dat niemand hooger over reld, hetzij leven of dood, zich zeiven denke dan het-hetzij het tegenwoordige of ^ geen geschreven is, opdat het toekomende, het is alles niet de een tegen den ander het nwe; i zich om iemands wil opblaze.
23 maar gij behoort Chris- 7 Want wie heeft u voor-quot; tus, en Christus Gode. getrokken? En wat hebt
TrnmmWTTTT 4 quot;Ü' ,lat niet ontvangen
HOOFDSTUK 4. hebt? En zoo gij ;let ont.
1 Daarvoor houde ons een vangen hebt, wat beroemt
ieder, namelijk voor Chris- gij n dan, alsof gij het niet
tus' dienaars en huishouders ontvangen hadt ?
over Gods verborgenheden. 8 Gij zijt alreeds verzadigd,
3 Nu zoekt men niet gij zijt alreeds rijk gewor-
meer aan de huishouders den, gij heerscht zonder ons;
dan dat zij getrouw bevon- en och dat gij heersohtet,
den worden. opdat ook wij met u heer-
3 Maar liet is mij iets: schen mochten 1
gerings dat ik door u ge- 9 Want mij dunkt dat God| oordeeld worde, of door ons apostelen als de aller-een menschelijkgericht; ook • geringsten ten toon heefti oordeel ik mij zeiven niet. gesteld, als tot den dood
4 Ik ben mij wel niets, bestemd; want wij zijneen bewust, doch daardoor ben schouwspel geworden voor ik niet gerechtvaardigd; i de wereld, voor de engelen; maar de Heer is het die en de mensehen.
mij oordeelt. I 10 Wij zijn dwaas om
5 Daarom oordeelt niet 1 Christus' wil, maar gij zijt vóór den tijd, totdat de : wijs in Christus; wij zwak, Heer komt, die ook aan maar gij sterk; gijineere, het licht zal brengen wat maar wij veracht.
in het duister verborgen, 11 Tot op deze ure lijden is, en de overleggingen der ! wij honger en dorst, en zijn harten openbaren: alsdan : naakt, en worden geslagen, zal aan ieder van God lof en hebben geen vaste woon-wedervaren. plaats,
6 Dit nu, broeders, heb 13 en arbeiden, en wer-ik op mij zei ven en Apollos ken met onze eigene handen; toegepast om uwentwil, op- men scheldt ons en wij
-ocr page 2077-
1 KORTNTHIERS 5.
339
|
zegenen, men vervolgt ons en wij verdragen het, 13 men lastert ons en wij spreken vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, aller voet-wisch tot nu toe. 14 Dit schrijf ik niet om u te beschamen, maar ik vermaan u als mijne geliefde kinderen. 15 Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zoo hebt gij toch niet vele vaders; want ik heb u verwekt in Christus Jezus door het evangelie. 16 Daarom vermaan ik u: zijt mijne navolgers! 17 Om dezelfde reden heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn geliefde en getrouwe zoon is in den Heer, opdat hij u indachtig make mijne wegen die in Christus zijn, gelijk ik overal in alle gemeenten leer. 18 Sommigen zijn wel opgeblazen, alsof ik tot u niet zou komen; 19 maar ik zal binnenkort tot u komen, zoo de Heer wil, en zal vernemen niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maaide kracht; 20 want het rijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht. |
31 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen , of met liefde en een zachtmoedigen geest? HOOFDSTUK 5. 1 Ev ga-at een algemeen gerucht, dat er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij , die zelfs onder de heidenen niet genoemd wordt, alzoo dat iemand zijns vaders vrouw heeft. 3 En zijt gij nog opgeblazen , en hebt niet veelmeer leed gedragen, opdat hij, die deze daad gedaan heeft, uit het midden van u weggedaan werd? 3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezig maar nochtans iMtdètT^eest te- jj-eii woordig, heb alreeds, als tegenwoordig zijnde, besloten over dengene die dat alzoo bedreven heeft, 4 in den naam van onzen Heer Jezus Christus, terwijl gij en mijn geest vergaderd zijt, met de maclit van onzen Heer Jezus Christus, —■ 5 hem over te geven aan den satan tot verderf van het vleesch, opdat de geest behouden worde op den dag van deu Heer Jezus. 6 Uw roem is niet goed. Weet gij met dafeen weinig zuurdeeg het geheele deeg verzuurt? 7 Daarom veegt het oude |
-ocr page 2078-
1 KORTNTHIERS 6.
340
|
zuurdeeg weg, opdat gij een nieuw deeg raoogt zijn, gelijk gij ongezuurd zijt. Want wij hebben ook een Paaschlam voor ons geslacht, namelijk Christus. 8 Daarom laat ons Paschen houden, niet in het oude zuurdeeg, ook niet in het zuurdeeg der boosheid en ondeugendheid-, maar in het ongezuurde deeg der louterheid en der waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij niet te doen zoudt hebben met de hoereerders; 10 doch dit meen ik niet in het algemeen van de hoereerders in deze wereld, of van de gierigaards, of van de roovers, of van de afgodendienaars; want anders zoudt gij uit de wereld moeten gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven dat gij niet te doen zoudt hebben met iemand, die zich een broeder laat noemen, en een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover; met dien zult gij ook niet eten. 12 Want wat gaan mij diegenen aan die buiten zijn, dat ik hen zou oor-deelen? Oordeelt gij niet wie binnen zijn? |
13 Maar wie buiten zijn zal God oordeelen. Doet den booze uit het midden van u weg. ^-^.HOOFDSTUK C. / 1 Hoe durft iemand onder u, als hij eene rechtzaak heeft met een ander, recht zoeken bij de onrechtvaardi-gen , en niet bij de heiligen ? 2 Of weet gij niet dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? Indien dan nu de wereld door u geoordeeld zal worden, zijt gij dan niet goed genoeg mindere zaken te oordeelen? 3 Weet gij niet dat wij over de Engelen oordeelen zullen, hoeveel te meer over de tijdelijke belangen? 4 Maar gij, als gij zaken van tijdelijke belangen hebt, neemt gij dan diegenen, die in de gemeente het minst geacht zijn, en stelt hen tot rechters? 5 U tot beschaming moet ik dit zeggen. Is er dan geen onder u die wijs is, ook uiet één, die zou kunnen oordeelen tusschen broeder en broeder? 6 Maar de eene broeder heeft eene rechtzaak met den ander, en dat voor on-geloovigen! 7 Dit is alreeds een gebrek onder n, dat gij rech ts- |
-ocr page 2079-
1 KOEINTHIEES 7.
341
|
zaken met elkander hebt. Waarom laat gij u niet veel liever onrecht doen, waarom laat gij u niet veel liever benadeelen? 8 Maar gij doet onrecht en nadeel, en dat aan de broeders. 9 01' weet gij niet dat de onrechtvaardigen het rijk Gods niet beërven zullen? Dwaalt niet! Noch hoereerders, noch afgodendienaars , noch overspelers, noch ontuchtigen, noch wel-lustigen, 10 noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, noch lasteraars, noch roevers, zullen het rijk Gods beërven. 11 En dit zijn sommigen van u geweest; maar gij zijt atgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd geworden, door den naam des Heeren Jezus en dooiden Geest onzes Gods. 12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij door niels laten beheerschen. 13 De spijs is voor den buik, en de buik voor de spijs; maar God zal genen zoowel als deze te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heer, en de Heer voor het lichaam. |
14 En God heeft ook den Heer opgewekt, en zal ons ook opwekken door zijne kracht. 15 Weet gij niet dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zou ik nu Christus' leden nemen en hoere-leden daarvan maken? Dat zij verre! 16 Of weet gij niet dat wie de hoer aanhangt één lichaam met haar is? Want //die twee//, zegt hij, //zullen één vleesch zijn.// 17 Maar wie den Heer aanhangt, is één geest met hem. 18 Vliedt de hoererij! Alle zonden die de mensch doet, zijn buiten zijn lichaam; maar wie hoererij bedrijft, zondigt aan zijn eigen lichaam. / 19 Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij u zeiven niet toebehoort? 20 Want gij zijt duur gekocht. Verheerlijkt dan God in uw lichaam [en in mem geest, die Goden zijrï\. HOOFDSTUK 7. 1 Aangaande nu hetgeen, waarover gij mij geschreven |
y
-ocr page 2080-
1 KORINTHIËRS 7.
343
|
hebt, het is den niensch goed geene vrouw aan te raken; 2 maar wegens de hoererij hebbe ieder zijne eigene vrouw, en elke vrouw hebbe haren eigen man. 3 De man geve aan de vrouw wat hij verschuldigd is, desgelijks ook de vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft geen macht over haar eigen lichaam, maar de man; desgelijks heeft de man geen macht over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. 5 De eeu onttrekke zich aan den ander niet, tenzij dan met l)eider bewilliging een tijd lang, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt weder bij elkander, opdat de satan u niet verzoeke, als gij u niet kunt onthouden. 6 Maar dit zeg ik uit toelating, en niet uit gebod. 7 Want ik wilde liever dat alle menschen waren gelijk ik ben; maar elk heeft zijne eigene gaven van God, de een dus, de ander zoo. 8 Ik zeg wel aan de on-getrouwden en weduwen; het is hun goed, indien zij blijven gelijk ook ik; |
9 maar indien zij zich niet onthouden kunnen, zoo laat ze trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Maar den getrouwden gebied niet ik, maar de Heer, dat de vrouw zich niet zal afscheiden van den man, — 11 en indien zij zich afscheidt, dat zij ongetrouwd zal blijven of zich met den man verzoenen, •— en dat de man de vrouw niet zal verlaten. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heer: indien een broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en zij is bereid bij hem te wonen, die scheide zich niet van haar; 13 en indien eene vrouw een ongeloovigen man heeft, en hij is bereid bij haar te wonen, die scheide zich niet vau hem. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man; anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 Maar indien de ongeloovige zich afscheidt, zoo laat hem scheiden: de broeder of de zuster is in zulke gevallen niet verbonden; maar tot vrede heeft God ons geroepen. 16 Want wat weet gij |
-ocr page 2081-
1 KOKINTHIËES 7.
313
|
vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij man, of gij de vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan ieder heeft uitgedeeld, gelijk de Heer ieder geroepen heeft, zóó wandele hij. En alzóó verorden ik het in alle gemeenten. 18 Is iemand die besneden is geroepen, hij houde zich aan de besnijdenis; is iemand geroepen die niet besneden is, hij late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets en het onbesneden zijn is niets, maar Gods geboden houden. 20 Ieder blijve in de roeping, in welke hij geroepen is. 31 Zijt gij als dienstknecht geroepen, zoo bekommer u daarover niet; doch kunt gij vrij worden, zoo gebruik dat veel liever. 22 Want de dienstknecht, geroepen in den Heer, is een vrijgelatene des Heeren, desgelijks is de geroepen vrije een dienstknecht van Christus. -23 Gij zijt duur gekocht: wordt geen knechten van menschen. 24 Ieder, broeders, blijve bij God in hetgeen waarin hij geroepen is. |
25 Aangaande de maagden nu heb ik geen gebod des Heeren; maar ik zeg mijne meening, als die barmhartigheid van den Heer verkregen heb om betrouwbaar te zijn. 26 Zoo acht ik het nu goed te zijn wegens den tegen woordigen nood, dat het den mensch goed is' zóó te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden, zoek niet vrij te worden; maar zijt gij vrij van eene vrouw, zoek geen vrouw. 28 Maar zoo gij trouwt, gij zondigt niet; en zoo eene maagd trouwt, zij zondigt niet; doch dezulken ; zullen lichamelijke verdrukking hebben, en ik zou u | gaarne sparen. 29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is, opdat ook zij die I vrouwen hebben, moeten zijn als hadden zij er geene; 30 en wie weenen, als weendeu zij niet; en wie zich verblijden, als verblijdden zij zich niet; en wie koopen, als bezaten zij het niet; 31 en wie deze wereld gebruiken, als misbruikten zij haar niet; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 32 Ik wilde dan dat gij |
-ocr page 2082-
3U 1 KOEINÏHIËBS 8.
|
zonder zorg waart. Wie ongetrouwd is, zorgt voor hetgeen den Heer toebehoort, hoe hij den Heer zal behagen; 33 maar wie trouwt, zorgt voor hetgeen der wereld toebehoort, hoe hij de vrou w zal behagen. 34 Er is een onderscheid tnsschen eene vrouw en eene maagd: wie niet trouwt, zorgt voor hetgeen den Heer toebehoort, dat zij heilig zij, beide naar het lichaam en ook naar den geest; maar wie trouwt, zorgt voor hetgeen der wereld toebehoort, hoe zij den man zal behagen. 35 Dit nu zeg ik in uw eigen belang, niet om u een strik om den hals te werpen, maar tot bevordering van hetgeen welvoeglijk is, en om u onafgebroken te doen blijven bij den Heer. 36 Maar zoo iemand meent onbetamelijk te handelen, wanneer zijne dochter niet huwt, en het niet anders zijn kan, zoo doe hij wat hij wil, hij zondigt niet: hij late haar trouwen. 37 Maar wanneer iemand zich vast voorneemt, dewijl hij niet gedwongen is, maar macht heeft over zijn eigen wil, en in zijn hart besluit zijne dochter ongehuwd te laten blijven, die doet wèl. |
38 Derhalve, wie haar ten huwelijk uitgeeft, doet wèl; maar wie haar niet ten huwelijk uitgeeft, doet beter. 39 Eene vrouw is verbonden door de wet, zoolang haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil; alleenlijk dat het in den Heer geschiede. 40 Maar zaliger is zij, indien zij alzoo blijft, naar mijn gevoelen; en ik meen dat ik ook den Geest Gods heb. HOOFDSTUK 8. 1 Van het afgodenoffer weten wij, daar wij allen kennis hebben. — De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 Zoo iemand meent iets te kennen, hij kent nog niet, gelijk men behoort te kennen; 3 maar zoo iemand God liefheeft, die is door hem gekend. — 4 Zoo weten wij nu van de spijs des afgodenoffers, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan de éénige. 5 En hoewel er zijn die goden genoemd worden, hetüij in den hemel of op de aarde, —- gelijk er vele goden en vele heeren zijn —- |
-ocr page 2083-
1 KOEINTHIËRS 9.
345
|
6 zoo hebben wij nochtans maar éénen God, den Vader, van wien alle dingen zijn, en wij tot hem; en éénen Heer, Jezus Christus, door wien alle dingen zijn, en wij door hem. 7 Maar iedereen heeft de kennis niet; want sommigen eten nog, met eene gedachte aan den afgod, van hetgeen den afgoden geofl'erd is; en hun geweten, dat zwak is, wordt bevlekt. 8 De spijs nu beveelt ons niet aan bij God. Eten wij, wij zullen daarom niet beter zijn; eten wij niet, wij zullen daarom niet minder zijn. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe vrijheid den zwakken niet tot een aanstoot worde. 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, aan tafel ziet zitten in een afgodstempel, wordt dan zijn geweten, dat zwak is, niet verleid om het afgodenolïer te eten? 11 En alzoo zal de zwakke broeder wegens uwe kennis verloren gaan, om wiens wil nochtans Christus gestorven is. 12 Maar indien gij alzóó tegen de broeders zondigt, en hun zwak geweten kwetst, zondigt gij tegen Christus. |
13 Daarom, indien de spijs mijnen broeder ergerde, zou ik nimmermeer vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergerde. HOOFDSTUK 9. 1 Ben ik niet een apostel? Beu ik niet vrij? Heb ik niet onzen Heer Jezus Christus gezien? Zijt gij niet mijn werk in den Heer? 2 Ben ik voor anderen al geen apostel, ik ben het toch voor u; want het zegel van mijn apostelambt zijt gij in den Heer. 3 Dit is mijne verantwoording tegenover degenen, die mij beoordeelen. 4 Hebben wij geen recht om te eten en te drinken ? 5 Hebben wij ook geen macht om eene zuster als vrouw mede te nemen, gelijk de andere apostelen en de broeders des Heeren en Kefas? 6 Of hebben ik en Barnabas alleen geen recht, om niet te werken? 7 Wie trekt ooit in den oorlog op zijne eigene bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijne vrucht ? Of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde? 8 Spreek ik dit menschelijker wijze, zegt niet ook de wet hetzelfde? 9 Want in de wet van |
-ocr page 2084-
1 KOEINTHIÉES 9.
346
|
Mozes staat geschreven: //Gij zult den os die dorscht niet muilbanden.// Zorgt hier God voor de ossen, 10 of zegt hij het voornamelijk om onzentwil? Want het is immers om onzentwil geschreven, dat wie ploegt, op hoop moet ploegen, en wie op hoop dorscht, zijne hoop deelachtig moet worden. 11 Indien wij u het geestelijke zaaien, is het dan wat groots, zoo wij van n het stoffelijke maaien? 13 En indien anderen dit recht op u hebhen, waarom wij niet veelmeer? Doch wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles, opdat wij aan het evangelie van Christus geen hindernis veroorzaken. 13 Weet gij niet dat zij, die het heilige bedienen, van het heiligdom eten, en die het altaar bedienen, van het altaar genieten? 14 Alzüó heeft ook de Heer bevolen, dat degenen die het evangelie verkondigen , van het evangelie leven zullen. 15 Maar ik heb van dat alles geen gebruik gemaakt. Ik schrijf dit ook niet, opdat het mij alzoo geschieden zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand mijnen roem zou te niet doen. |
16 Want dat ik het evangelie predik, daarop behoef ik mij niet te beroemen, want ik moet het doen; en wee mij zoo ik het evangelie niet predik! 17 Doe ik het gaarne, zoo word ik beloond; maar doe ik het ongaarne, zoo is mij het ambt nochtans bevolen. 18 Wat is dan nu mijn loon? Dat ik het evangelie van Christus predik vrij en om niet, en dat ik mijne vrijheid in het evangelie niet misbruik. 19 Want hoewel ik vrij ben van iedereen, heb ik nochtans mij zeiven tot ieders dienstknecht gemaakt, opdat ik er velen zou winnen. 20 Den Joden ben ik geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet zijn ben ik geworden als onder de wet, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zou; 21 dengenen die zonder de wet zijn ben ik als zonder de wet geworden, — terwijl ik nochtans niet zonder de wet ben voor God, maar onder de wet van Christus •—• opdat ik degenen |
-ocr page 2085-
1 KOMNTHIËRb 11.
349
|
die zonder de wet zijn winnen zou; 23 den zwakken beu ik geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou: allen ben ik alles geworden, opdat ik althans eenigen zalig zou maken. 23 Eu dit doe ik cm het evangelie, opdat ik het mede deelachtig zou worden. 24 Weet gij niet, dat degenen die in de loopbaan loopen, wel allen loopen, maar één den prijs behaalt? Loopt nu alzóo, dat gij hem verkrijgt. 25 En ieder die kampt, onthoudt zich van alles: déze opdat zij eene vergankelijke kroon ontvangen, maar wij eene onvergankelijke. 26 Ik loop derhalve alzóó, niet als op het ongewisse, ik vecht alzóó, niet als een die in de lucht slaat; 27 maar ik bedwing mijn lichaam, en tem het, opdat ik niet andereu predike en zelf verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. 1 En ik wil niet, broeders, dat gij onkundig zijt, dat al onze vaderen onder de wolk zijn geweest, en allen door de zee zijn gegaan, 2 en allen tot Mozes gedoopt zijn iu de wolk en in de zee, |
3 en aius het hoofd is telijke spijs gian, en de man 4 en allen ie vrouw, en telijken drank -x Christus, hebben, — want zij bidt of uit de geestelijke stehoofd die medevolgde, en wt. was Christus; — 1 5 maar aau velen van hen had God geen welbehagen, want zij zijn ternedergesla-gen in de woestijn. 6 Dit nu is ons tot een voorbeeld geschied, opdat wij geeu lust zouden hebben tot het kwade, gelijk zij er lust toe hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars , gelijk sommigen van hen geworden zijn, gelijk geschreven staat; //Het volk zat neder om te eten en te drinken, en stond op om te spelen.// 8 Laat ons ook geen hoererij bedrijven, gelijk sommigen van hen hoererij bedreven , en er vielen op één dag drie eu twintig duizend. 9 En laat ons ook Christus niet' verzoeken, gelijk sommigen van hen hem verzochten, en werden door de slangen vernield. 10 Murmureert ook niet, gelijk sommigen van hen murmureerden, en werden vernield door den verderver. 11 Al deze dingen zijn hun overkomen als voor- |
-ocr page 2086-
1 KOEINTHIEBS 9.
3-16
|
Mozes staat geschreven: //Gij zult den os die dorscbt niet muilbanden.// Zorgt hier God voor de ossen, 10 of'zegt hij het voornamelijk om onzentwil? Want het is immers om onzentwil geschreven, dat wie ploegt, op hoop moet ploegen, en wie op hoop dorscht, zijne hoop deelachtig moet worden. 11 Indien wij u het geestelijke zaaien, is het dan wat groots, zoo wij van u het stoffelijke maaien? 13 Eu indien anderen dit recht op u hebben, waarom wij niet veelmeer? Doch wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles, opdat wij aan het evangelie van Christus geen hindernis veroorzaken. 13 Weet gij niet dat zij, die het heilige bedienen, van het heiligdom eten, en die het altaar bedienen, van het altaar genieten? 14 Alzóó heeft ook de Heer bevolen, dat degenen die het evangelie verkondigen , van het evangelie leven zullen. 15 Maar ik heb van dat alles geen gebruik gemaakt. Ik schrijf dit ook niet, opdat het mij alzoo geschieden zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand mijnen roem zou te niet doen. |
16 Want dat ik het evangelie predik, daarop behoef ik mij niet te beroemen, want ik moet het doen; en wee mij zoo ik het evangelie niet predik! 17 Doe ik het gaarne, zoo word ik beloond; maar doe ik het ongaarne, zoo is mij het ambt nochtans bevolen. 18 Wat is dan nu mijn loon ? Dat ik het evangelie van Christus predik vrij en om niet, en dat ik mijne 1 vrijheid in het evangelie niet misbruik. 19 Want hoewel ik vrij ben van iedereen, heb ik nochtans mij zeiven tot ieders dienstknecht gemaakt, opdat ik er velen zou winnen. 30 Den Joden ben ik geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet zijn ben ik geworden als onder de wet, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zou; 31 dengenen die zonder de wet zijn ben ik als zonder de wet geworden, — terwijl ik nochtans niet zonder de wet ben voor God, maar onder de wet van Christus — opdat ik degenen |
-ocr page 2087-
1 KOIUNTHlElvS 10.
Si.?
|
die zonder de wet zijn winnen zou; 23 den zwakken ben ik geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou: allen ben ik alles geworden, opdat ik althans eenigen zalig zou maken. 23 Eu dit doe ik om liet evangelie, opdat ik liet (mede deelachtig zou worden. 34 Weet gij niet, dat degenen die in de loopbaan loopen, wel allen loopen, maar één den prijs behaalt ? Loopt nu alzóó, dat gij hem verkrijgt. 25 En ieder die kampt, onthoudt zich van alles: déze opdat zij eene vergankelijke kroon ontvangen, maar *wij eene onvergankelijke. 26 Ik loop derhalve aizóó, niet als op het ongewisse, ik vecht alzóo, niet als een die in de lucht slaat; 27 maar ik bedwing mijn lichaam, en tem het, opdat ik niet anderen predike en telt' verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. 1 En ik wil niet, broeders, dat gij onkundig zijt, dat al onze vaderen onder de wolk zijn geweest, en allen door de zee zijn gegaan, 2 en allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee. |
3 eu allen éénerlei geestelijke spijs gegeten hebben, 4 en allen éénerlei geestelijken drank gedronken hebben, — want zij dronken uit de geestelijke steenrots die medevolgde, en welke was Christus; — 5 maar aan velen van hen had God geen welbehagen, want zij zijn ternedergesla-gen in de woestijn. 6 Dit nu is ons tot een voorbeeld geschied, opdat wij geen lust zouden hebben tot het kwade, gelijk zij er lust toe hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars, gelijk sommigen van hen geworden zijn, gelijk geschreven staat: //Het volk zat neder om te eten en te drinken, en stond op om te spelen.// 8 Laat ons ook geen hoererij bedrijven, gelijk sommigen van hen hoererij bedreven , en er vielen op één dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons ook Christus niet verzoeken, gelijk sommigen van hen hem verzochten, en werden door de slangen vernield. 10 Murmureert ook niet, gelijk sommigen van hen murmureerden, en werden vernield door den verderver. 11 Al deze dingen zijn Imn overkomen als voor- |
-ocr page 2088-
1 KOKINTHIERS 10.
34.8
|
beelden, en het is geschreven ons tot waarschuwing, tot wie het einde der wereld gekomen is. 13 Daarom wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 13 Er is u nog geene dan menschelijke verzoeking overkomen; maar God is getrouw , die u niet zal laten verzocht worden boven uw vermogen, maar met de verzoeking zal hij ook de uitkomst geven, opdat gij haar verdragen kunt. 34 Daarom, mijne geliefden , vliedt den afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij hetgeen ik zeg. 16 De gezegende kelk, dien wij zegenen, is die niet de gemeenschap met Christus' bloed? Het brood, dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met Christus' lichaam ? 17 Want is het één brood, zoo zijn wij velen één lichaam , dewijl wij allen één brood deelachtig zijn. 18 .Ziet Israël naar het vleesch aan: degenen die de offers eten, zijn die niet in gemeenschap met het altaar? |
19 Wat zal ik dan nu zeggen? Zal ik zeggen dat de afgod iets is, of dat het afgodenofler iets is? 20 Maar ik zeg, dat hetgeen de heidenen otteren, zij dat den boozen geesten oil'eren, en niet Gode: nu wil ik niet dat gij met de booze geesten gemeenschap hebt. 21 Gij kunt niet tegelijk drinken den kelk des Heeren en den kelk der booze geesten; gij kunt niet tegelijk deelachtig zijn de tafel des Heeren en de tafel der booze geesten. 32 Of willen wij den Heer naijverig maken? Zijn wij sterker dan hij? 33 Alle dingen zijn mij geoorloofd , maar niet alle dingen zijn nuttig; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke wat het zijne is, maar ieder wat des anderen is. 25 Al wat op de vleesch-markt verkocht wordt, eet dat, en ondervraagt niets om des gewetens wil; 36 //want de aarde is des Heeren en wat daarop is.// 37 Eu indien iemand van de ongeloovigen u noodigt, en gij wilt daar heengaan, zoo eet al wat u voorgezet wordt, en ondervraagt niets om des gewetens wü. |
-ocr page 2089-
1 KORINTHIERS 11.
349
|
28 Maar zoo iemand tot u mocht zeggen: Dat is afgodenoffer, eet dan niet, om diens wil, die liet u te kennen geeft, en om des gewetens wil. 39 Doch ik spreek niet van üw geweten, maar van dat des anderen. Want waarom zou ik mijne vrijheid laten oordeelen door het geweten van een ander? 30 Want indien ik het met dankzegging geniet, waarom zou ik dan gelasterd worden over hetgeen, waarvoor ik dank? 31 Hetzij dan dat gij eet, of dat gij drinkt, of wat gij doet, doet het alles ter eere Gods. 32 Weest niet aanstoote-lijk, noch den Joden, noch den Grieken, noch der gemeente Gods, 33 gelijk ik mij ook aan ; iedereen in alles behagelijk maak, en niet zoek wat mij, maar wat velen voor-deelig is, opdat zij zalig worden. HOOFDSTUK 11. 1 Zijt mijne navolgers, gelijk ik ook van Christus ben. 2 Ik prijs u, broeders, dat gij in alles aan mij denkt, en de inzettingen onderhoudt, gelijk ik u die gegeven heb. 3 Maar ik laat u weten. |
dat Christus het hoofd is van iederen man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus. 4 Iedere man die bidt of profeteert en iets op het hoofd heeft, onteert zijn hoofd; 5 maar eene vrouw die bidt of profeteert met ongedek-ten hoofde, onteert haar eigen hootd: het is even alsof zij geschoren was. 6 En wil zij zich niet dekken, zoo snijde men haar ook het haar af; maar nu het misstaat, als eene vrouw afgesneden haar heeft of geschoren is, zoo dekke zij zich. 7 Maar de man zal het hoofd niet dekken, nade-maal hij het beeld en de eere Gods is; maar de vrouw is de eer des mans. 8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit den man; 9 en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet de vrouw eene bedekking op het hoofd hebben, om der Engelen wil. 11 Nochtans is de man niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heer; 12 want gelijk de vrouw uit den man is , alzoo komt ook de man door de vrouw, en alles uit God. |
-ocr page 2090-
1 KOKINTHIEES 10.
348
|
beelden, en het is geschreven ons tot waarschuwing, tot wie het einde der wereld gekomen is. 12 Daarom wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 13 Er is u nog geene dan menschelijke verzoeking overkomen; maar God is getrouw , die u niet zal laten verzocht worden boven uw vermogen, maar met de verzoeking zal hg ook de uitkomst geven, opdat gij haar verdragen kunt. 14 Daarom, mijne geliefden, vliedt den afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij hetgeen ik zeg. 16 De gezegende kelk, dien wij zegenen, is die niet de gemeenschap met Christus' bloed? Het brood, dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met Christus' lichaam ? 17 Want is het één brood, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen één brood deelachtig zijn. 18 .Ziet Israël naar het vleesch aan: degenen die de ofiers eten, zijn die niet in gemeenschap met het altaar? |
19 Wat zal ik dan nu zeggen? Zal ik zeggen dat de afgod iets is, of dat hel afgodenoffer iets is? 20 Maar ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij dat den boozen geesten offeren, en niet Gode: nu wil ik niet dat gij met de booze geesten gemeenschap hebt. 21 Gij kunt niet tegelijk drinken den kelk des Heeren en den kelk der booze geesten; gij kunt niet tegelijk deelachtig zijn de tafel des Heeren en de tafel der booze 22 Of willen wij den Heer naijverig maken? Zijn wij sterker dan hij? 23 Alle dingen zijn mij geoorloofd , maar niet alle dingen zijn nuttig; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke wat het zijne is, maar ieder wat des anderen is. 25 Al wat op de vleesch-markt verkocht wordt, eet dat, en ondervraagt niets om des gewetens wil; 26 //want de aarde is des Heeren en wat daarop is.// 27 En indien iemand van de ongeloovigen u noodigt, en gij wilt daar heengaan, zoo eet al wat u voorgezet wordt, en ondervraagt niets om des gewetens wil. |
-ocr page 2091-
1 KORINTHIERS 11.
349
|
28 Maar zoo iemand tot ii mocht zeggen: Dat is afgodenoffer, eet dan niet, om diens wil, die het u te kennen geeft, en om des (gewetens wil.gewetens wil. 29 Doch ik spreek niet van iW geweten. maar van dat des anderen. Want waarom zou ik mijne vrijheid laten oordeelen door het geweten van een ander? 30 Want indien ik het met dankzegging geniet, waarom zou ik dan gelasterd worden Over hetgeen, waarvoor ik dank? I 31 Hetzij dan dat gij eet, of dat gij drinkt, of wat gij doet, doet het alles ter : eere Gods. 32 Weest niet aanstoote-lijk, noch den Joden, noch den Grieken, noch der gemeente Gods, 33 gelijk ik mij ook aan iedereen in alles behagelijk maak, en niet zoek wat mij, maar wat velen voor-deelig is, opdat zij zalig worden. HOOFDSTUK 11. 1 Zijt mijne navolgers, gelijk ik ook van Christus ben. 2 Ik prijs u, broeders, dat gij in alles aan mij denkt, en de inzettingen onderhoudt, gelijk ik u die gegeven heb. 3 Maar ik laat u weten. |
dat Christus het hoofd is van iederen man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus. 4 Iedere man die bidt of profeteert en iets op het hoofd heeft, onteert zijn hoofd; 5 maar eene vrouw die bidt of profeteert met ongedek-ten hoofde, onteert baar eigen hoofd: het is even alsof zij geschoren was. 6 En wil zij zich niet dekken, zoo snijde men haar ook het haar af; maar nu het misstaat, als eene vrouw afgesneden haar heeft of geschoren is, zoo dekke zij zich. 7 Maar de man zal het hoofd niet dekken, nade-maal hij het beeld en de eere Gods is; maar de vrouw is de eer des mans. 8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit den man; 9 en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet de vrouw eene bedekking op het hoofd hebben, om der Engelen wil. 11 Nochtans is de man niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heer; 12 want gelijk de vrouw uit den man is , alzoo komt ook de man door de vrouw, en alles uit God. |
-ocr page 2092-
1 KOETNTHIERS 11.
350
|
13 Oordeelt bij u zelve, of het welstaat, dat eene vrouw ongedekt tot God bidt? 14 Of leert u zelfs de natuur niet, dat het een man tot oneer is, als hij lang haar draagt, 15 maar dat het een vrouw tot eer is, als zij lang haar draagt ? Want het lange haar is haar tot een sluier gegeven. - 16 Maar is er iemand onder u die lust tot twisten heeft, die wete dat wij zulk eene gewoonte niet hebben, en Gods gemeenten ook niet. 17 Maar dit u bevelende, kan ik u niet prijzen, dat gij niet ten goede, maar ten kwade samenkomt. 18 Want eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente , zoo hoor ik dat er scheuringen onder u zijn; en ten deele geloof ik het. 19 Immers er moeten wel sekten onder u zijn, opdat de beproefden onder u openbaar worden. . 20 Wanneer gij nu samenkomt, zoo houdt men daar niet het avondmaal des Heeren; |
31 want bij het eten neemt ieder zijn eigen avondmaal vooraf; en de een is hongerig, de ander is dronken. ^32 Hebt gij dan geen huizen waar gij eten en drinken kunt? Of veracht gij de gemeente Gotls, en beschaamt degenen die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Hierin prijs ik u niet. 33 Want ik heb van den Heer ontvangen hetgeen ik u ook lieb overgeleverd, dat de Heer Jezus, in den nacht toen hij verraden wenl, het brood nam, 34 en dankte, en het brak, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam voor u; doet dit tot mijne gedachtenis. 35 Desgelijks \nam. 7iif\ na het avondmaal, ook den kelk en zeide: Deze kelk is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zoodikwijls gij dien drinkt, tot mijne gedachtenis. 36 Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten en uit dezen kelk drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat hij komt. 37 Wie nu onwaardig dit brood eet of uit den kelk des Heeren drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren. 38 Maar de mensch be-proeve zich zeiven, en al-zoo ete hij van het brood en drinke uit den kelk; |
-ocr page 2093-
1 KORINÏHIERS 13.
351
|
29 want wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zicli zeiven een oordeel, omdat hij niet onderscheidt liet lichaam des Heeren. 30 Daarom zijn er ook zoovele zwakken en kranken onder u, en vele slapen. 31 Want indien wij ons zelve oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden; 33 maar wanneer wij geoordeeld worden, zoo worden wij door den Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden. 33 Daarom, mijne broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander. | 34 Maar hongert iemand, hij ete te huis, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. Het overige nu zal ik verordenen, als ik kom. HOOFDSTUK 12. 1 Aangaande de geestelijke gaven, broeders, wil ik u niet onwetend laten. 3 Gij. weet dat gij heidenen zijt geweest, en heen-i gegaan zijt tot de stomme afgoden, zooals gij geleid wordt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand Jezus vervloekt, die door den Geest Gods spreekt; en nie |
kan Jezus den Heer noemen, dan door den Heiligen Geest. 4 Er zijn menigerlei gaven, maar het is dezelfde Geest; 5 en er ambten, maar het is de zelfde Heer; 6 en er zijn menigerlei werkingen, maar het is dezelfde God die alles in allen werkt. 7 In elk betoonen zich de gaven des Geestes tot algemeen voordeel. 8 Den een wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid; aan een ander wordt gegeven het woord der kennis, door denzelfden Geest; • 9 aan een ander het geloof, door denzelfden Geest, aan een ander de gaven om gezond te maken, door denzelfden Geest; 10 aan een ander wonderen te doen; aan een ander profetie;' aan een ander de geesten te onderscheiden; aan een ander menigerlei talen; aan een ander de falen uit te leggen. 11 En dat alles werkt eeu en dezelfde Geest, en deelt aan elk liet zijne toe, naar-dat hij wil. zijn menigerlei 12 Want gelijk het lichaam één is en nochtans vele mand |
-ocr page 2094-
352 1 KOUINTHIEBS 12.
|
leden heeft, en al de leden van dit eene lichaam, hoewel zij vele zijn, nochtans één lichaam zijn , alzoo ook Christus. 13 Want wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij wij Joden of Grieken, dienstknechten of vrijen zijn; en wij zijn allen met ééaen Geest gedrenkt. 14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele. 15 Indien nu de voet zei-de: Ik ben geen hand, daarom ben ik geen lid des lichaams — zou hij daarom geen lid des lichaams zijn ? 16 En indien het oor zei-de : Ik ben geen oog, daarom ben ik geen lid des lichaams — zou het daarom geen lid des lichaams zijn? 17 Indien het geheele lichaam oog was, waar bleef bet gehoor? Indien het geheel gehoor was, waar bleef de reuk? 18 Maar nu heeft God de leden elk in 't bijzonder aan het lichaam gezet, zooals hij gewild heeft. 19 Indien nu alle leden één lid waren, waar bleef het lichaam? 20 Maar nu zijn er vele leden, doch het lichaam is één. |
21 Het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik behoef u niet; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik behoef u niet. 22 Maar veelmeer, deleden des lichaams, die ons dunken de zwakste te zijn, zijn de noodzakelijkste; 23 en die ons dunken de minst geachte des lichaams te zijn, dezen doen wij de meeste eer aan; en die ons misstaan, versiert men het meest. 24 Want die ons welstaan, behoeven het niet; maar God heeft het lichaam alzoo samengevoegd, en aan het behoeftige lid de allermeeste eer gegeven, 25 opdat er geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijkelijk zorgen. 26 En indien één lid lijdt, lijden al de leden mede; en indien één lid in eere wordt gehouden, zoo verblijden zich al deleden mede. 27 Gij nu zijt het lichaam van Christus, en leden elk voor zijn deel. 28 En God heeft gesteld in de gemeente ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars, daarna wonderdoeners, daarna gaven om gezond te maken, helpers, regeerders, menigerlei talen. |
-ocr page 2095-
1 KOEINTHIÉKS 13.
853
|
39 Zijn zij allen apostelen ? Zijn zij allen profeten ? Zijn zij allen leeraars? Zijn zij allen wonderdoeners? 30 Hebben zij allen de gaven om gezond te maken? Spreken zij allen met menigerlei talen ? Kunnen zij allen uitleggen? 31 Doch streeft naar de beste gaven; en ik zal u een weg wijzen die nog voortreffelijker is. HOOFDSTUK 13. 1 Al ware het dat ik met menschen- en met Engelentongen sprak, en ik had de liefde niet, zoo ware ik een klinkend metaal of' eene luidende schel. 3 En al ware het dat ik profeteeren kon, en al de verborgenheden wist en al de kennis, en al het geloof had, zoadat ik bergen verzette, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets. 3 En al ware het dat ik al mijn have den armen gaf, en mijn lichaam liet verbranden , en ik had de liefde niet, zoo ware het mij niet nut. 4 De liefde is lankmoedig en vriendelijk; de liefde is niet afgunstig; de liefde maakt geene vertooning, zij is niet opgeblazen; |
5 zij handelt niet onvoegzaam, zij zoekt het hare niet, zij laat zich niet verbitteren, zij rekent het kwade niet toe, 6 zij verblijdt zich niet over ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich over waarheid ; 7 zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde houdt nimmer op, al is het dat de profe-tiën zullen ophouden, en de talen zullen ophouden, en de kennis zal ophouden. 9 Want ons weten is stukwerk , en ons profeteeren is stukwerk; 10 maar wanneer het vol-komene komen zal, dan zal liet stukwerk ophouden. 11 Toen ik een kind was , sprak ik als een kind, en was gezind als een kind, en had kinderlij ke overleggingen; maar toen ik een man werd, leide ik af wat kinderlijk was. 13 Want wij zien nu door een spiegel in een donker woord, maar dan van aangezicht tot aangezicht; nu ken ik stuksgewijze, maar dan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 18 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de liefde is de grootste onder deze. |
23
-ocr page 2096-
r
1 KOUINTHTERS 14.
354
|
HOOFDSTUK 14. 1 Streeft naar de liefde, en staat naarstig naar de geestelijke gaven, maar allermeest daarnaar, dat gij moogt profeteeren. 3 Want wie met tongen spreekt, spreekt niet voor mensehen maar voor God, want niemand verstaat het, doch in den geest spreekt hij verborgenheden. 3 Maar wie profeteert, spreekt voor menschen tot stichting en ter vermaning en ter vertroosting. 4 Wie met tongen spreekt, sticht zich zeiven; maar wie profeteert, sticht de gemeente. 5 Ik wilde dat gij allen met tongen spreken kondt, maar veelmeer nog dat gij profeteerdet; want wie profeteert is grooter dan wie met tongen spreekt, tenzij dat hij het ook uitlegge, opdat de gemeente daardoor gesticht worde. 6 En nu, broeders, ware het dat ik tot u kwam en met tongen sprak, wat zou ik u nut zijn, zoo ik tot u niet sprak of met openbaring, of met kennis, of met profetie, óf met leering? |
7 Het gaat immers ook zoo met de dingen, die geluid geven en nochtans niet leven, hetzij eene fluit of een harp. Indien zij geen onderscheiden geluid van zich geven, hoe zal men weten wat er op de fluit of op de harp gespeeld wordt? 8 En indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich tot den strijd bereiden ? 9 Alzoo ook gij, wanneer gij met de tong geen duidelijke rede geeft, hoe kan men weten wat er gesproken is? Want gij zult in de lucht spreken. 10 Het is waar, er zijn velerlei soorten van talen in de wereld, en geen van deze is nochtans zonder be-teekenis. 11 Indien ik dan de betee-kenis der taal niet weet, zoo zal ik onverstaanbaar zijn dengene die spreekt, en hij die spreekt zal mij onverstaanbaar zijn. 12 Alzoo ook gij, nade-maal gij naarstig staat naaide geestelijke gaven, zoo tracht daarin overvloedig te zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom wie met tongen spreekt, bidde dat hij het ook uitlegge. 14 Indien ik nu met tongen bid, zoo bidt mijn geest, maar mijn verstand brengt niemand vrucht aan. |
-ocr page 2097-
1 KORINTHIEES 14.
355
|
15 Maar hoe zal het ckn zijn ? Ik zal bidden met den geest, maar zal ook bidden met het verstand; ik zal psalmen zingen in den geest, maar ook psalmen zingen met het verstand. 16 Maar als gij dankzegt in den geest, hoe zal degeen die in de plaats des onge-leerden staat, amen zeggen op uwe dankzegging, na-demaal hij niet weet wat gij zegt? 17 Gij zegt wel behoorlijk dank, maar de ander wordt daardoor niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God, dat ik meer met tongen spreek dan gij allen; 19 maar ik wil in de gemeente liever vijf woorden spreken door mijn verstand, opdat ik ook anderen onderwijze , dan tien duizend woorden met tongen. 20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 31 In de wet staat geschreven: //Ik zal met andere tongen en met andere lippen spreken tot dit volk, en ook alzoo zullen zij mij niet hoo-ren, spreekt de Heer.// 23 Zoo zfln dan de tongen tot een teeken, niet den geloovigen maar den onge-loovigen; maar de profetie niet den ongeloovigen maaiden geloovigen. |
23 Indien dan de geheele gemeente samenkwam in eene plaats, en zij spraken allen met tongen, en er kwamen ongeleerden of ongeloovigen in, zouden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart? 34 Maar indien zij allen profeteerden, en er kwam dan een ongeloovige of on- | geleerde binnen, die zou door allen overtuigd, door allen geoordeeld worden, 35 en alzóo zou het verborgene zijns harten openbaar worden, en hij zou alzóo op zijn aangezicht vallen en God aanbidden, en bekennen dat God waarlijk in u is. 36 Hoe is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, en elk van u heeft een psalm, heeft eene onderwijzing , heeft eene tong, heeft eenë openbaring, heeft eene uitlegging — laat dat alles geschieden totstichtir^, 37 En zoo iemand ^oebe-tongen spreekt, dat fc'1 zal. twee of ten hooy't het einde, schiedé], en.,1 het rijk aan dat één h$ Vader, zal over- 28 mi, wanneer hij zal te legac doen alle heerschappij i^en alle overheid en macht, |
X
-ocr page 2098-
1 KOPJNTHIERS 14.
354
|
HOOFDSTUK 14. 1 Streeft naar de liefde, en staat naarstig naar de geestelijke gaven, maar allermeest daarnaar, dat gij moogt profeteeren. 3 Want wie met tongen spreekt, spreekt niet voor menschen maar voor God, want niemand verstaat het, dooli in den geest spreekt hij verborgenheden. 3 Maar wie profeteert, spreekt voor menschen tot stichting en ter vermaning en ter vertroosting. 4 Wie met tongen spreekt, sticht zich zeiven; maar wie profeteert, sticht de gemeente. 5 Ik wilde dat gij allen met tongen spreken kondt, maar veelmeer nog dat gij profeteerdet; want wie profeteert is grooter dan wie met tongen spreekt, tenzij dat hij het ook ultlegge, opdat de gemeente daardoor gesticht worde. 6 En nu, broeders, ware het dat ik tot u kwam en met tongen sprak, wat zou ik u nut zijn, zoo ik tot u niet sprak of met openbaring, of met kennis, of met profetie, óf met leering? |
7 Het gaat immers ook zoo met de dingen, die geluid geven en nochtans niet leven, hetzij eene fluit of! een harp. Indien zij geen onderscheiden geluid van zich geven, hoe zal men weten wat er op de flnit of op de harp gespeeld wordt ? 8 En indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich tot den strijd bereiden ? 9 Alzoo ook gij, wanneer gij met de tong geen duidelijke rede geeft, hoe kan men weten wat er gesproken is? Want gij zult in de lucht spreken. 10 Het is waar, er zijn velerlei soorten van talen in de wereld, en geen van deze is nochtans zonder be-teekenis. 11 Indien ik dan de betee-kenis der taal niet weet, zoo zal ik onverstaanbaar zijn dengene die spreekt, en hij die spreekt zal mij onverstaanbaar zijn. 13 Alzoo ook gij, nade-maal gij naarstig staat naaide geestelijke gaven, zoo tracht daarin overvloedig te zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom wie met tongen spreekt, bidde dat hij het ook uitlegge. 14 Indien ik nu met tongen bid, zoo bidt mijn geest, maar mijn verstand brengt niemand vrucht aan. 15 lijn' tees iet )sal Tnaa met 16 in c die leen op detn gij ; 17 dan! daai 18 dat spre 19 spre opd wijz woc | 30 , kim maa boo: vers 31 sch] tons I sPr( 1 alzc ren 3S tot gek |
-ocr page 2099-
1 KORINTHtKRS 14.
355
|
15 Maar hoe zal het dan ;ijn ? Ik zal bidden met den ;eest, maar zal ook bidden et het verstand; ik zal isalmen zingen in den geest, iaar ook psalmen zingen bazuin met het verstand. [geeft, ■ 16 Maar als gij dankzegt i strijd in den geest, hoe zal degeen die in de plaats des onge-anneer leerden staat, amen zeggen duide- op uwe dankzegging, na-demaal hij niet weet wat gij zegt? 17 Gij zegt wel behoorlijk dank, maar de ander wordt daardoor niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God, sn van dat ik meer met tongen er be- spreek dan gij allen; 19 maar ik wil in de ge-betee- meente liever vijf woorden it, zoo spreken door mijn verstand, r zijn opdat ik ook anderen onderen hij wijze, dan tien duizend onver- woorden met tongen. 20 Broeders, wordt geen nade-: kinderen in het verstand, t naar maar zijt kinderen in de , zoo boosheid, en wordt in het loediir verstand volwassen. er ge- 21 In de wet staat ge-| schreven: //Ik zal met andere tongen en met andere lippen spreken tot dit volk, en ook alzoo zullen zij mij niet hoeren, spreekt de Heer.// 32 Zoo zijn dan de tongen tot een teeken, niet den geloovigen maar den onge-loovigen; maar de profetie niet den ongeloovigen maaiden geloovigen. luit ofi j geen i van 1 men fluit of ivordt ? ie kan ;espro-;ult in ir zijn talen t ton-at hij t tonnest , irenarf |
23 Indien dan de geheele gemeente samenkwam in eene plaats, en zij spraken allen met tongen, en er kwamen ongeleerden of ongeloovigen in, zouden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en er kwam dan een ongeloovige of ongeleerde binnen, die zou door allen overtuigd, door allen geoordeeld worden, 25 en alzóo zou het verborgene zijns harten openbaar worden, en hij zou alzoo op zijn aangezicht vallen en God aanbidden, en bekennen dat God waarlijk in u is. 26 Hoe is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, en elk van u heeft een psalm, heeft eene onderwijzing , heeft eene tong, heeft eene openbaring, heeft eene uitlegging — laat dat alles geschieden tot stichting. 27 En zoo iemand met tongen spreekt, dat het door twee of ten hoogste drie [ge-Hchiedé], en bij beurte, en dat één het uitlegge; 23 maar is er geen uitlegger, zoo zwijge hij in de gemeente, en spreke met |
-ocr page 2100-
|
336 1 korint: zich zei ven en met God. 29 En laat twee of drie profeten spreken, en laat de anderen oordeelen; 30 maar indien er eene openbaring geschiedt aan een ander die daar zit, zoo zwijge de eerste. 31 Want gij kunt allen profeteeren, de een na den ander, opdat zij allen leeren en allen getroost worden. 32 En de geesten der profeten zijn den profeten onderdanig ; 33 want God is geen God van wanorde maar van vrede. Gelijk in alle gemeenten der heiligen, 34 laat uwe vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het zal haar niet toegelaten worden te spreken, maar onderdanig te zijn, gelijk ook de wet zegt. 35 Maar willen zij iets leeren, laat ze te huis hare eigene mannen vragen; het misstaat aan vrouwen in de gemeente te spreken. 36 Of is het woord Gods van u uitgegaan, of is het tot u alleen gekomen? 37 Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk , die wete dat hetgeen ik ii schrijf des Heeren geboden zijn; 38 maar is iemand onwetend, hij zij onwetend. |
rlIERS 15. 39 Daarom, broeders, weest naarstig om te profeteeren, maar belet niet met tongen te spreken. 40 Laat echter alles eerlijk en ordelijk toegaan. HOOFDSTUK 15. 1 Maar ik herinner u, broeders, het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat : gij ook hebt aangenomen, in hetwelk gij ook staat, _ 2 door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb, ten ware dat gij tevergeefs geloofd hadt. ___ 3 Want ik heb u in de eerste plaats overgeleverd hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schrift; 4 en dat hij begraven is, en dat hij weder opgestaan is ten derden dage, naar de Schrift; — 5 en dat hij gezien is geworden door Kétas, daarna door de twaalve. 6 Daarna is hij gezien geworden door meer dan vijfhonderd broeders op éénmaal, van welke verscheidene tot op heden nog leven, maar sommige ontslapen zijn. 7 Daarna is hij gezien gewi daar 8 ' hij een zien 9 ondi niet apo: gem ' 10 nad ben mij wee mee doe gen 11 den alzc 12 gep de hoe ond stai Ie stai is sta,! 1' ops: dik ooi li get WO get |
-ocr page 2101-
1 KORINTHIERS 15.
357
|
geworden door Jakobus, daarna door al de apostelen. 8 Ten laatste van allen is hij ook door mij, als door een ontijdig geborene, gezien geworden. 9 Want ik ben de minste onder de apostelen, als die niet waardig ben dat ik een apostel heet, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 Maar door Gods genade ben ik hetgeen ik ben; en zijne genade aan mij is niet vergeetsch geweest, maar ik heb veel meer gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar Gods genade die in mij is. 11 Hetzij na ik of zijlieden , alzoo prediken wij en alzóó hebt gij gelooid. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden is opgestaan, hoe zeggen dan sommigen onder u dat er geen opstanding der dooden is? 13 Maar is er geen opstanding der dooden, zoo is ook Christus niet opgestaan ; 14 en is Christus niet opgestaan, zoo is onze prediking vergeefsch, zoo is ook uw geloof vergeefsch; 15 wij zouden ook valsche getuigen Gods bevonden worden, dat wij van God getuigd hadden dat hij |
Christus opgewekt had, dien hij niet had opgewekt, indien de dooden niet opstaan. 16 Want indien de dooden niet opstaan, zoo is ook Christus niet opgestaan; 17 en is Christus niet opgestaan, zoo is uw geloof ijdel, zoo zijt gij nog in uwe zonden; 18 zoo zijn ook degenen, die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Hopen wij alleen in dit leven op Christus, zoo zijn wij de ellendigste onder alle menschen. 20 Maar nu is Christus opgestaan uit de dooden, en de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn; 21 nademaal door een mensch de dood, en door een mensch de opstanding der dooden komt. 22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, zoo zullen zij allen in Christus levend gemaakt worden; 23 maar elk in zijne orde: de eersteling is Christus, daarna wie Christus toelse-hooren, als hij komen zal. 24 Daarna komt het einde, wanneer hij het rijk aan God, den Vader, zal overleveren, wanneer hij zal te niet doen alle heerschappij en alle overheid en macht. |
-ocr page 2102-
1 KORTNTHIËBS 15,
358
|
25 quot;Want hij moet heer-schen, totdat hij al zijne vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. 26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 37 Want hij heeft alles onder zijne voeten onderworpen. Wanneer hij dan zegt dat alles hem onderworpen is, zoo is het dui-lt;lelijk dat hij uitgenomen is, die hem alles onderworpen heeft; 38 en wanneer hem alles onderworpen zal zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen zijn aan dengene, die hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 39 Anders, wat zullen zij doen die zich voor de doo-den laten doopen? Indien de dooden geenszinsopstaan, waarom laten zij zich doopen voor de dooden? 30 En waarom zijn wij ieder uur in gevaar? 31 Bij den roem, dien ik over u heb in Christus Jezus, onzen Heer: ik sterf dagelijks. 33 Heb ik, naar den mensch, met de wilde dieren te Efeze gevochten, wat helpt het mij? Zoo de dooden niet opstaan, laat ons eten en drinken, want jnorgen zijn wij dood. |
33 Laat u niet misleiden; kwade samensprekingen bederven goede zeden. 34 Wordt nuchter, gelijk het behoort, en zondigt niet, want sommigen weten niet van God. Dit zeg ik u tot schande. 35 Maar iemand mocht zeggen: Hoe zullen de dooden opstaan, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? 36 Gij dwaas! hetgeen gij zaait wordt niet levend, tenzij dat het sterve; 37 en hetgeen gij zaait is immers het lichaam niet dat worden zal, maar een bloote korrel-, namelijk van tarwe of eenig ander graan, 38 maar God geeft daaraan een lichaam gelijk hij wil, en aan ieder zaad zijn eigen lichaam. 39 Niet alle vleesch is hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, een ander der dieren, een ander der vis-schen, een ander der vogels; 40 en er zijn hemelsche lichamen en aardsche lichamen, maar eene andere heerlijkheid hebben de hemelsche , eene andere de aardsche. 41 Eene andere heerlijkheid heeft de zon, eene andere heerlijkheid heeft |
-ocr page 2103-
1 K0KINTHIË11S 15.
359
|
de maan, eene andere heerlijkheid hebben de sterren; want de eene ster gaat de andere te boven in heerlijkheid. 42 Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. [Het lichaam] wordt gezaaid vergankelijk, en zal opstaan onvergankelijk; 43 het wordt gezaaid in oneer, en zal opstaan in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, en zal opstaan in kracht; 44 het wordt gezaaid als een natuurlijk lichaam, en zal opstaan als een geestelijk lichaam. Is er een natuurlijk lichaam, er is ook een geestelijk lichaam. 45 Zóó staat er ook geschreven : De eerste mensch Adam //is geworden tot eene levende ziel//, de laatste Adam tot een levendmakenden geest. 46 Doch het geestelijke lichaam is niet het eerste, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. 47 De eerste mensch is van de aarde en aardsch, de andere mensch is van den hemel. 48 Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemelschen; |
49 eu gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben , alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen. 50 Doch dit zeg ik, broe• ders, dat vleesch en bloed het rijk Gods niet kunnen beërven, ook zal hot vergankelijke het onvergankelijke niet beërven. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, 53 en dat plotseling, iu een oogenblik: ten tijde der laatste bazuin; want de bazuin zal haar geluid geven, en de dooden zullen opstaan, onvergankelijk, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit vergankelijke moet de onvergankelijkheid aantrekken, en dit sterfelijke moet de onsterfelijkheid aantrekken. 54 En wanneer dit vergankelijke de onvergankelijkheid zal aantrekken, en dit sterfelijke de onsterfelijkheid zal aantrekken, dan zal het woord vervuld worden dat geschreven staat: //De dood is verslonden tot overwinning.// 55 Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uwe overwinning? |
-ocr page 2104-
1 KORTNTHIEKS 16.
360
|
56 De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet; 57 maar Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft door onzen Heer Jezus Christus. 58 Daarom, mijne geliefde broeders, zijt vast, onbewegelijk , en neemt altoos toe in het werk des Heeren, nademaal gij weet dat uw arbeid niet ver-geefseh is in den Heer. HOOFDSTUK 16. 1 Aangaande de inzameling nu, die voor de heiligen geschiedt, gelijk ik aan de gemeenten in Galatic bevolen heb, doet ook gij alzoo. 3 Op eiken eersten dag der week legge ieder van u bij zich zei ven weg, en vergadere naar zijn vermogen; opdat niet dan eerst, als ik kom, de inzamelingen moeten geschieden. 3 En wanneer ik gekomen zal zijn, zal ik diegenen, die gij daarvoor goedkeurt, met brieven zenden om uwe gaven naar Jeruzalem over te brengen; 4 en is het de moeite waardig, dat ik óók daarheen reize, zoo zullen zij met mij reizen. |
5 En ik zal tot u komen, wanneer ik door Macedonië zal getrokken zijn; want door Macedonië zal ik trekken, 6 maar bij u zal ik misschien blijven of ook overwinteren , opdat gij mij uitgeleide doen moogt, waarheen ik trekken zal. 7 Want ik wil u niet zien in het voorbijtrekken, maar ik hoop dat ik eenigen tijd bij u zal blijven, indien de Heer het toelaat. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot Pinksteren; 9 want mij is eene groote deur geopend die veel vrucht werkt, maar er zijn vele tegenstanders. 10 Zoo Timótheüs komt, ziet dat hij zonder vreeze bij u zij; want hij verricht ook het werk des Heeren, gelijk ik. 11 Dat hem dan niemand verachte, maar doet hem uitgeleide in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. 13 En aangaande Apollos, den broeder, weet dat ik hem zeer vermaand heb, dat hij tot u zou komen met de broederen; maar het was geenszins zijn wil dat hij nu zou komen, maar hij zal komen, wanneer hij gelegenheid zal hebben. 13 Waakt, staat in het |
-ocr page 2105-
2 KOBIN THIERS 1.
361
|
geloof, weest mannelijk en weest sterk. 14 Laat alles, wat gij doet, in liefde geschieden! 15 Ik vermaan u nu, broeders: —gij kent liet huis van Stéfanas, dat zij de eerstelingen zijn in Achaja, en zich zelve gesteld hebben tot den dienst der heiligen; — 16 dat gij ook den zoo-danigen onderdanig zijt, en aan allen die medewerken en arbeiden. 17 Ik verblijd mij over de aankomst van Stéfanas en Fortunatus en Achaïcus; want het gemis van u hebben zij mij vergoed; 18 want zij hebben mijnen en uwen geest verkwikt. Erkent dan de zoo-danigen. |
19 U groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heer Aquila en Priscilla, met de gemeente in hun huls. 20 U groeten al de broeders. Groet elkander met den heiligen kus. 21 Ik, Paulus, groet u met mijne hand. 23 Indien iemand den Heer Jezus Christus niet liefheeft , die zij Anathema; Maran-atha! \d. i.die zij tnnloekt; de Heer komt f] 23 De genade van den Heer Jezus Christus zij met u! 24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jezus! Amen. |
DU TWEEDE ERIE F VAN PAULUS
KOR-INTHIBR S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door den wil Gods en Timótheüs, de broeder, aan de gemeente Gods die te Korinthe is, met al de heiligen die in geheel Achaje zijn. 2 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en van den Heer Jezus Christus! |
3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, de Vader der barmhartigheid en de God aller vertroosting, 4 die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij ook vertroosten kunnen die in allerlei verdrukking zijn, met den troost, waarmede |
-ocr page 2106-
2 KOEINTHIËES 1.
362
|
wij zelve getroost worden door God. 5 Want gelijk wij van het lijden van Christus veel hebben, alzoo worden wij ook rijkelijk getroost door Christus. 6 Maar hetzij wij verdrukking of troost hebben, zoo geschiedt het u ten goede. Is het dat wij verdrukt worden, zoo geschiedt het u tot vertroosting en zaligheid, welke zich bewijst, indien gij zoo lijdt met geduld, gelijk wij lijden. Is het dat wij vertroost worden, zoo geschiedt het u ook tot vertroosting en zaligheid. 7 En onze hoop aangaande u staat vast, dewijl wij weten dat, gelijk gij het lijden deelachtig zijt, gij alzóóookden troost zult deelachtig zijn. 8 Want wij willen u niet verbergen, broeders, de verdrukking die ons in Azië overkomen is; daar wij bovenmate en boven macht bezwaard zijn geweest, zoodat wij ook voor ons leven geen uitkomst wisten, 9 en bij ons zelve besloten hadden dat wij moesten sterven; maar dit geschiedde, opdat wij ons vertrouwen niet op ons zelve zouden stellen, maar op God die de dooden opwekt; |
10 die ons uit zoo groot een dood verlost heeft en nog dagelijks verlost, en wij hopen op hem, dat hij ons ook voortaan verlossen zal; 11 doordien gij ons me-dehelpt met uwe voorbede voor ons, opdat wegens de gave die ons door het gebed van vele personen verleend is, voor ons veel dank geschiede. 12 Want onze roem is deze: de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid voor God, niet in vleesche-lijke wijsheid maar in Gods genade, in de wereld gewandeld hebben, maar allermeest bij ulieden. 13 Want wij schrijven u niets anders dan hetgeen gij leest en ook erkent; en ik hoop dat gij het ook tot het einde toe zoo erkennen zult, 14 gelijk gij ons ten deele erkend hebt, namelijk dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook onze roem zijt op den dag des Heeren Jezus. ____ 15 En in dit vertrouwen dacht ik te voren tot u te komen, opdat gij ten tweeden male eene weldaad ontvangen zoudt, 16 en door uwe [stad] naar Macedonië te reizen, en wederom uit Macedonië tqt |
-ocr page 2107-
2 KOEINÏHIERS 3.
363
|
u te komen, en door u uitgeleid te worden naar Judéa. 17 Heb ik nu eenigermate lichtvaardig gehandeld, toen ik dat dacht, of zijn mijne voornemens vleeschelijk? Niet alzoo, maar bij mij is ja ja, en neen neen. 18 Maar God is getrouw, dat ons woord aan u niet ja en neen geweest is; 19 want de Zoon Gods, Jezus Christus, die onder u door ons gepredikt is, namelijk door mij en Sil-vanus en Timotheiis, was niet ja en neen, maar het was ja in hem; 20 want zoovele beloften Gods er zijn, in hem zijn zij ja en in hem amen, Gode tot lof door ons. 21 Maar God is het, die ons met u in Christus heeft bevestigd, en ons gezalfd, 32 en ons ook verzegeld, en in onze harten het onderpand , den Geest, gegeven heeft. 23 Maar ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog niet naar Korinthe gekomen ben. 34 Niet dat wij heerschers 'j zijn over uw geloof, maar wij zijn medehelpers uwei-vreugde; want gii staat in ;het geloof. («ggga. |
HOOFDSTUK 2. 1 Maar ik had bij mij zei ven voorgenomen, uiet wederom in treurigheid tot u te komen; 3 want indien ik u treurig maak, wie is er die mij zal vroolijk maken, dan degeen die door mij bedroefd is geworden? 3 En dit heb ik u geschreven , opdat wanneer ik kwam, ik niet treurig zou zijn over degenen, over welke ik mij met recht moest verblijden; nademaal ik van u allen vertrouw dat mijne vreugde uw aller vreugde is. i Want ik schreef u in groote verdrukking en angst des harten met vele tranen, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt erkennen, die ik overvloedig tot u heb. 5 Doch indien iemand droefheid veroorzaakt heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele — opdat ik het niet verzware — u allen. 6 Het is nu genoeg, dat deze door de meesten zoo bestraft is: 7 alzoo dat gij hom daarentegen liever moet vergeven en vertroosten, opdat hij niet door al te groote |
-ocr page 2108-
2 KOEINTHIEBS 3.
364
|
treurigheid verteerd worde. 8 Daarom vermaan ik u dat gij liefde aan hem betoont. 9 Want daarom heb ik vi ook geschreven, opdat ik uwe beproefdheid mocht leeren kennen, of gij gehoorzaam zijt in alle opzichten. 10 Wien gij nu iets vergeeft , dien vergeef ik óók; want ook ik, zoo ik iets vergeven heb, heb het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, 11 opdat de satan geen voordeel op ons verkrijge; want ons is niet onbekend wat hij in den zin heeft. 12 Toen ik nu te Troas kwam om het evangelie van Christus te prediken, en mij eene deur geopend was in den Heer, 13 had ik geen rust in mijnen geest, toenikTitus, mijnen broeder, niet vond ; maar ik nam afscheid van hen, en vertrok naar Macedonië. 14 God nu zij gedankt, die ons altijd de overwinning geeft in Christus, en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 15 Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, onder degenen, die zalig worden en onder degenen, die verloren gaan: |
16 dezen een reuk des doods ten doode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is hiertoe bekwaam? 17 Want wij zijn niet gelijk sommigen, die Gods woord te koop dragen; maar als uit oprechtheid, en als uit God, spreken wij voor het aangezicht van God, in Christus. HOOFDSTUK 3. 1 Beginnen wij dan wederom ons zelve te prijzen ? Of behoeven wij, gelijk sommigen, brieven van aanbeveling aan u, of aanbeveling van u? 2 Gij zijt onze brief, in onze harten geschreven, die bekend en gelezen wordt door alle menschen; 3 gij, van wie het openbaar is geworden dat gij een brief van Christus zijt, door onzen dienstgeschreven, niet met inkt, maar met den Geest des levenden Gods, niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten. 4 En zulk een vertrouwen hebben wij door Christus tot God. 5 Niet dat wij bekwaam zijn van ons zelve iets te denken |
-ocr page 2109-
T
2 KOMNTHIEES
als vau ons zelve, malt;ar onze bekwaamheid is uit God;
6 die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond , niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7 Indien nu het ambt, dat door letters doodt en in steenen is gegrift, heerlijkheid had, zoodat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden aanzien, wegens de heerlijkheid zijns aangezichts, die echter ophoudt,
8 hoe zou niet veelmeer het ambt des Geestes heerlijkheid hebben?
9 Want indien het ambt,
dat de verdoemenis predikt, heerlijkheid heeft, zoo heeft veelmeer het ambt, dat de gerechtigheid predikt, overvloedige heerlijkheid.
10 Ja zelfs hetgeen verheerlijkt was is voor geen heerlijkheid te houden,
wegens deze uitnemende heerlijkheid.
11 Want indien datgene heerlijkheid had wat ophoudt , hoeveel te meer zal | datgene heerlijkheid hebben wat blijft!
12 Dewijl wij nu zulk eene hoop hebben, zoo gebruiken wij groote vrijmoedigheid,
4.
365
13 en doen niet als Mozes, die een bedeksel voor zijn aangezicht hing, opdat de kinderen Israëls niet zouden zien het einde van hetgeen ophoudt.
14 Maar hunne zinnen zijn verstokt geworden, want tot op den dag van heden blijft dat bedeksel onontdekt op het oude verbond, als zij het lezen, hetwelk in Christus ophoudt.
15 Maar tot op den dag | van heden, als Mozes gelezen wordt, hangt het bedeksel voor hun hart;
16 maar als het zich bekeert tot den Heer, zal het bedeksel afgenomen worden.
17 Want de Heer is de^j Geest: en waar de Geest des Heeren is, daar is I vrijheid. ^
18 En wij allen aanschouwen de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel, met ongedekten aangezichte, en wij worden veranderd naar hetzelfde beeld, van de eene heerlijkheid tot de andere, als van den Geest des Heeren.
HOOFDSTUK 4.
1 Daarom, dewijl wij zoodanig een ambt hebben, naardat ons barmhartigheid geschied is, zoo worden wij niet moedeloos.
-ocr page 2110-
J
2 KORINTHIERS 4.
i 366 | 2 n aheim
rnpf
waarheid Bevelenquot; wij aafi ons licliaam quot;onij op-aan bij 3e gewetens van Hlat ook het leven vaiTJczus
aan ohs Hchaa' baard worctéT
geojjeit
11 \Vant quot;wij die leven, worden altijd aan den dood overgegeven om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus aan ons sterfelijk vleesch geopenbaard worde.
12 Daarom is nu de dood licht van het evangelie der | machtig in ons, maar het heerlijkheid van Christus, leven in u.
die het evenbeeld Gods is.
5 Want wij prediken niet ons zelve, maar Jezus Christus, dat hij de Heer is, maar wij uwe dienstknechten zijn om Jezus' wil.
r6 Want God, die het licht gebood uit de duisternis te schijnen, heeft een klaren glans in onze harten gegeven, opdat door ons ontstaan zou de verlichting 6 Want God, die het licht gebood uit de duisternis te schijnen, heeft een klaren glans in onze harten gegeven, opdat door ons ontstaan zou de verlichting _der kennis van Grods heer-quot;TTpcTTeid in 'het aangezicht van Jezus Christus. J 7 Maar wij hebben dezen ;schat in aarden vaten, op-£ dat de uitnemende kracht zij uit God en niet uit ons.
8 Wij zijn in allèiquot;verdrukt, maaFniet bgrngatTortTraad verlegen, maar met radeloos;
der _
ons aan bij alle menschen voor het aangezicht Gods.
3 Is nu ons evangelie bedekt, zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan,
4 bij welke de god dezer wereld de zinnen der on-geloovigen verblind heeft, opdat zij niet zien het klare
2 maar wij vermijden ook heimelijke schande, en gaan niet om met listigheid, ver-valschen ook Gods ^woorcT ^iiei, maar door openharing;
/)
13 Dewijl wij dan dezen geest des geloofs hebten, gelijk geschreven staat: //Ik geloof, daarom spreek ik//, — zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook,
14 en weten dat hij, die den Heer Jezus opgewekt heeft, ook ons opwekken zal door Jezus, en ons met u vóór zich stellen.
15 Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de overvloedige genade door de dankzegging van velen God rijkelijk prijze.
16 Daarom worden wij niet moedeloos; maar hoewel onze uitwendige mensch verderft, zoo wordt echter de inwendige van dag tot dag vernieuwd.
9 vervolgd, maar niet verlaten; terneergeworpen, maar niet omkomende:
10 wij quot;dragen het stergen van Tien Heer Jezus altijd.
-ocr page 2111-
|
17 Want onze verdrukking, die tijdelijk en licht is, werkt eene eeuwige en boven alle mate gewichtige heerlijkheid , 18 ons, die niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want wat zichtbaar is, is tijdelijk, maar wat onzichtbaar is, is eeuwig. HOOFDSTUK 5. 1 Want wij weten, dat, als het aardsche huis onzer hut verbroken wordt, wij een gebouw hebben door God gebouwd, een huis niet met handen gemaakt, maar dat eeuwig is in den hemel. 2 En hierin zuchten wij ook, verlangende naar onze woning die van den hemel is, om daarmede overkleed tc worden, 3 indien wij ten minste bekleed en niet naakt zullen bevonden worden. 4 Want ook, termjl wij in deze hut zijn, zuchten wij en zijn bezwaard, na-demaal wij liever niet ontkleed maar overkleed wilden worden, opdat het sterfelijke verslonden werd door het leven. 5 Hij nu, die ons daartoe bereidt is God, die ons ook het onderpand, den Geest, gegeven heeft. r |
wonen, en bij den Heer. 9 Daarom benaarstigen wij ons ook, hetzij wij te huis zijn of uitwonen, dat wij hem behagen. 10 Want wij moeten allen quot;«openbaard worden voor den rechterstoel van Christus , opdat elk ontvange naardat hij gedaan heeft in het lichaam, hetzij goed, hetzij kwaad. 11 Dewijl wij dan weten dat de Heer te vreezen is, zoo trachten wij menschen te gewinnen, maar voor God zijn wij geopenbaard; en ik hoop dat wij ook in uw geweten geopenbaard zijn. 12 Doch wij prijzen ons zelve niet wederom, maar geven u gelegenheid om te roemen op ons, opdat gij zoudt hebben te roemen tegen degenen, die zich zelve naar het aanzien roemen en niet naar het hart. 13 Want zijn wij uitzin- 2 KORTNTHTERS 5. 367 6 Wij zijn dan altijd welgemoed, en weten, dat, terwijl wij in het lichaam inwonen, wij uitwonen van den Heer; 7 want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. 8 Maar wij zijn welge- S moed, en hebben veel meer i lust uit het lichaam uit te \ te huis te zijn J |
-ocr page 2112-
|
wij goed bij ons versland, wij zijn het ulieden. 14 Want Christus' liefde dringt ons zoo, nademaal wij het daarvoor houden, dat indien één voor allen gestorven is, zij Jan allen gestorven zijn; 15 en hij is daarom voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer voor zich zelve leven, maar voor dengene die voor hen gestorven en opgestaan is. 16 Daarom, van nu aan kennen wij niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, zoo kennen wij hem echter nu niet meer. 17 Daarom, is iemand in Christus, zoo is hij een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is- alles nieuw geworden. 18 En dit is alles van God, die ons met zich zeiven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons het ambt heeft gegeven, dat de verzoening predikt; 19 want God was in Christus, en verzoende de wereld met zich zei ven, en rekende hun hunne zonden niet toe, en heeft onder ons het woord der verzoening opgericht. 20 Zoo zijn wij nu boden |
God vermaant door ons; de wa zoo bidden wij nu in Chris- heid i tus' plaats: Laat u met God linkerz verzoenen. »8 doi 31 Want hij heeft dengene kwaad die van geen zonde wist, gerucl voor ons tot zonde gemaakt, nochtc opdat wij in hem werden de gerechtigheid die voor God geldt. HOOFDSTUK 6. 1 Wij vermanen u nu als medehelpers, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen; 2 want hij zegt: //Ik heb u in den aangenamen tijd verhoord, en heb u in den dag des heils geholpen.// Zie, nu is het de aangename tijd, nu is het de dag des heils! 3 Wij geven aan niemand eenige ergernis, opdat ons ambt niet gelasterd worde; 4 maar wij betoonen ons in alle dingen als Gods dienaars, in groote volharding , in verdrukkingen, in uooden, in angsten, 5 in slagen, in gevangenissen, in beroeringen, in arbeid, in waken, in vasten; 6 in kuischheid, in kennis, in lankmoedigheid, in vriendelijkheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, 7 in het woord der waar- 368 2 KORTNTHIERS 6. nig, wij zijn het Gode; zijn 1 in Christus' plaats, want Seid, |
-ocr page 2113-
T
2 KORTNTHIEES 7.
369
|
door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtig; 9 als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden , en zie, wij leven; als getuchtigden, en nochtans niet gedood; 10 als treurigen, maar altijd vroolijk; als armen, maar die nochtans velen rijk maken; als die niets hebben, en nochtans alles bezitten. 11 O Korinthiers, onze mond heeft zich tegen u geopend, ons hart heeft zich voor u verwijd. 12 Gij hebt geen enge plaats in ons, maar gij hebt enge plaats in uw binnenste. 13 Om nu gelijk met gelijk te vergelden, — ik spreek als tot mijne kinderen, — verwijdt ook gij u. 14 Trekt niet het vreemde juk met de ongeloovigen aan; want wat deel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, of wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Hoe stemt Christus en Belial overeen, of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovia:e? want r ons; Chris-et God siigene wist, naakt, rerden voor nu als ie ge-rgeefs i heb i tijd i den pen.// | gena-1 «lag nand t ons )rde; i ons Sods Ihar-i, in nge- I , in ten; mis, -•ien- | igen fde, aar- |
lijk God zegt: /'Ik zal onder hen wonen en onder hen wandelen , en zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17 Daarom gaat uit van hen en zondert u af, zegt de Heer, en raakt niets onreins aan: zoo zal ik u aannemen, 18 en uw Vader zijn, en gij zult mijne zonen en doch-teren zijn, zegt de almachtige Heer.// HOOFDSTUK 7. 1 Dewijl wij dan zulke beloften hebben, geliefden, zoo laat ons ons zelve reinigen van alle bevlekking des vleesches en desgeestes, en voleindigen de heiliging in de vreeze Gods. 2 Geeft ons plaats [in uwe liarten\ ■ Wij hebben niemand onrecht gedaan, wij hebben niemand te gronde gericht, wij hebben van niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet om u te veroordeelen; want ik heb te voren gezegd dat gij in ons hart zijt, om mede te sterven en mede te leven. 4 Ik spreek met groote vrijmoedigheid tot n; ik leid, in Gods kracht; door ! 16 Wat gelijkheid heeft de wapenen der gerechtig- Gods tempel met de afgo-heid ter rechter- en ter den ? Gij toch zijt de tem-Knkerzijde, pel des levenden Gods, ge-18 door eer en oneer, ..... ~ |
21
-ocr page 2114-
|
370 3 KORINT] roem veel op u; ik ben vervuld met troost; ik ben overvloeiende van vreugde in al onze verdrukking. 5 Want toen wij in Macedonië kwamen, had ons vleescli geen rust, maar overal waren wij in verdrukking : van buiten strijd, van binnen vrees. 6 Doch God, die de terneergebogenen vertroost, troostte ons door de komst van ïitus; 7 en niet alleen door zijne komst, maar ook door den troost, met welken hij getroost was over u; want hij verkondigde ons uw verlangen, uw weenen,uwen ijver voor mij; zoodat ik mij nog meer verblijdde. 8 Want dat ik u door den brief treurig gemaakt heb, dat berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; maar dewijl ik zie dat de brief n, hoewel voor een kleinen tijd, bedroefd heeft, 9 zoo verblijd ik mij toch nu, niet daarover dat gij zijt bedroefd geworden, maar dat gij zijt bedroefd geworden tot berouw; want gij zijt naar God bedroefd geworden , zoodat gij in niets schade van ons lijdt. 10 Want de treurigheid naar God werkt tot zalig- |
IIËES 7. heid een berouw dat niemand berouwt, maar de treurigheid der wereld werkt den dood. 11 Want zie, juist dit, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, welke naarstigheid heeft het in u gewerkt, alsook verantwoording, verontwaardiging, vrees, verlangen , ijver, bestraffing. In alles hebt gij u bewezen rein te zijn in die zaak. 13 Daarom, hoewel ik u geschreven heb, zoo is het nochtans niet geschied om hem die leed gedaan heeft, ook niet om hem wien leed gedaan is, maar opdat uwe naarstigheid jegens ons openbaar zou worden bij u, voor God. 13 Daarom zijn wij getroost geworden, en bij onze vertroosting hebben wij ons nog overvloediger verblijd over de blijdschap van Titus, want zijn geest is vanwege u allen verkwikt geworden. 14 Want wat ik van u bij hem geroemd heb, daarin ben ik niet te schande geworden; maar gelijk het alles waar is wat ik tot, u gesproken heb, zoo is ook onze roem bij Titus waar geworden. 15 En hij is uitermate welgezind jegens u, als hij denkt aan uw aller gehoor- |
-ocr page 2115-
|
3 korint: zaamheid, hoe gij hem met vrees en beven hebt ontvangen. I (i Ik verblijd mij, dat ik ii in alles mag vertrouwen. HOOFDSTUK 8. 1 Voorts maken wij n bekend, broeders, de genade Gods die in de gemeenten van Macedonië gegeven is. 2 Want hunne vreugd was overvloedig, toen zij door veel verdrukking beproefd werden; en hoewel zij zeer arm waren, zoo hebben zij nochtans rijkelijk gegeven in alle eenvoudigheid. 3 Want naar alle vermogen, — dat betuig ik -ja boven vermogen zijn zij gewillig geweest, 4 ons smeekende met sterken aandrang, om de gunst van deel te mogen hebben aan de handreiking, die aan de heiligen geschiedt; 5 en niet alleen gelijk wij hoopten, maar zij gaven zich zelve eerst aan den Heer en daarna aan ons, door den wil Gods; 6 zoodat wij ïitus moesten verzoeken, dat hij, gelijk hij te voren had begonnen, zóó ook onder u zulk eene weldaad zou volbrengen. 7 Maar gelijk gij in alles rijk zijt, in het geloof en in het woord en in de ken- |
IIERS 8. 371 nis en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, maakt alzoo dat gij ook in deze weldaad rijk zijt. 8 Ik zeg dit niet, opdat ik iets gebiede, maar dewijl de anderen zoo naarstig zijn, zoo beproef ik ook uwe liefde of zij oprecht van aard is; 9 want gij weet de genade van onzen lieer Jezus Christus, dat, hoewel hij rijk was, hij nochtans arm werd om uwentwil, opdat gij door zijne armoede rijk zoudt worden. 10 En ik geef u hierin mijn gevoelen; want dit is u nuttig, die reeds een jaar te voren begonnen hebt niet alleen het doen maar ook het willen. 11 Maar volbrengt nu ook het doen, opdat, gelijk er een genegen gemoed is om te willen, er ook alzóó zij een genegen gemoed om te doen naar. hetgeen gij hebt. 12 Want is iemand gewillig, zoo is hij aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. 13 Dit geschiedt niet met die meening, dat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking; maar opdat het gelijk zij, en uw overvloed hun gebrek ver-vulle in dezen tijd; |
-ocr page 2116-
2 KOEINTHIERS 9.
373
|
14 opdat ook hun overvloed daarna uw gebrek ver-vuile , en er gelijkheid zij; 15 gelijk geschreven staat: //Wie veel vergaderde had geen overvloed, en wie weinig vergaderde had geen gebrek.// 16 Gode nu zij dank, die zulk eene naarstigheid voor u gegeven heeft in het hart van Titus; 17 want hij nam het verzoek aan, en dewijl hij zeer naarstig was, is hij gewillig tot u gereisd. 18 En wij hebben den broeder met hem gezonden, die lot heef'c in het evangelie door alle gemeenten; 19 en dit niet alleen, maar hij is ook door de gemeenten verordend tot onzen reisgezel in deze weldaad, die door ons bestuurd wordt, den Heer tot eer, en tot betooning onzer bereidwilligheid. 30 En wij zoeken hiermede te voorkomen dat iemand ons verwijten kan doen vanwege deze ruime gave, die door ons bestuurd wordt, 31 en letten er op, dat het eerlijk toega, niet alleen voor den Heer, maar ook voor de menschen. |
33 Ook hebben wij met hen onzen broeder gezonden , dien wij dikwijls beproefd hebben in vele dingen , dat hij naarstig is, en nu veel naarstiger door het groot vertrouwen op u. 33 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medehelper onder u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten en eene eer van Christus. 34 Betoont dan aan hen de bewijzing uwer liefde en onzen roem op u, ook voor het aangezicht der gemeenten. HOOFDSTUK 9. 1 Want van de bijdrage die voor de heiligen geschiedt heb ik niet noodig u te schrijven; 3 want ik weet uwe bereidwilligheid , waaromtrent ik roem op u draag bij de Macedoniërs, [m zeg] dat Achaje reeds sedert een jaar gereed is geweest; en uw ijver heeft er velen opgewekt. 3 Maar ik heb deze broeders daarom gezonden, opdat onze roem op u niet zou te niet gaan in dit opzicht, en opdat gij gereed moogt zijn, gelijk ik gezegd heb; 4 opdat zoo de Macedoniërs met mij kwamen en u niet gereed vonden, wij — om niet te zeggen gij — |
-ocr page 2117-
2 KOEINTHIEES 10.
373
|
niet te schande worden met dat roemen. 5 Ik heb het dan noodig geacht die broeders te verzoeken, dat zij vooruit tot u zouden trekken, om voor te bereiden uwen te voren beloofden zegen, opdat zij gereed zij, en wel als een zegen, en niet als eene karige gift. 6 Maar dit meen ik: wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam oogsten; en wie in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen oogsten. 7 Ieder doe, zooals hij verkiest in zijn hart, niet met misnoegdheid of uit dwang; want een blijmoe-digen gever heeft God lief. S En God kan maken dat allerlei genade rijkelijk onder u zij, opdat gij in alle dingen altijd ten volle genoeg hebt, en rijk zijt tot alle goede werken, 9 gelijk er geschreven staat: //Hij heeft uitgestrooid en den armen gegeven, zijne gerechtigheid blijft in eeuwigheid.// 10 Hij nu, die den zaaier het.zaad geeft, zal immers ook het brood geven tot spijs, en zal uw zaad vermenigvuldigen, en de vruchten uwer gerechtigheid laten wassen; |
11 zoodat gij in alles rijk wordt tot alle milddadigheid, die door ons dankzegging tot God werkt. 12 Want de handreiking van deze ondersteuning vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God, 13 daar zij door de beproefdheid van dit dienstbetoon God prijzen over de onderwerping uwer belijdenis aan het evangelie van Christus, en over uwe milddadige mededeeling aan hen en aan allen; 14 terwijl zij ook onder gebed voor u naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 13 Gode nu zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave! HOOFDSTUK 10. 1 Ik zelf, Paulus, vermaan u nu door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die tegenwoordig zijnde gering ben onder u, maar afwezig zijnde vrijmoedig ben jegens u; 2 ik bid dan, dat ik tegenwoordig zijnde niet noodig moge hebben de stoutmoedigheid en vrijmoedigheid te gebruiken, waarmede ik het denk te wagen tegen sommigen , die van ons denken |
-ocr page 2118-
374 2 KOEINTHIERS 10.
schrikken met mijne brieven, —
10 want de brieven, zeggen zij, zijn gewichtig en
zoo strijden wij nochtans niet krachtig, maar de tegen-_ naar de wijze van het woordigheid des lichaams isquot; vleesch; zwak en het woord onbe-
4 want de wapenen van duidend, —
onzen strijd zijn niet vlee- 11 de zoodanige bedenke, schelijk, maar machtig door dat gelijk wij, afwezig, met God, om de sterkten omver woorden zijn in de brieven, te werpen; : wij ook, tegenwoordig, zoo-
5 zoodat wij omverwerpen danig zijn metterdaad.
de aanslagen en alle hoogte, i 12 Want wij durven ons | die zich verheft tegen de zelve niet rekenen onder, of | kennis Gods, en alle ver- vergelijken met degenen, die ^ stand gevangen nemen on- zich zelve prijzen; maar de-der de gehoorzaamheid van wijl zij zich bij zich zelve ' Christus, ' meten en alleen naar zich ;
6 en gereed zijn om alle zelve beoordeelen, zoo zijn ongehoorzaamheid te straf- zij onverstandig.
fen, wanneer uwe gehoor-; 13 Maar wij beroemen ons | zaamheid vervuld is. niet boven de maat, maar
7 Gij ziet op hetgeen voor alleen naar de maat van den oogen is. Verlaat zich iemand vverkkring, dien God ons, daarop, dat hij van Chris- als maat heeft toebedeeld, | tus is, hij denke dit ook om ook u te bereiken; wederom bij zich zeiven,' 14 want wij gaan niet te dat gelijk hij van Christus ver, alsof wij u niet beis, wij óók alzoo van Chris- reikten; want wij zijn immers tus zijn. ook tot u toe gekomen met
8 Want indien ik mij ook het evangelie van Christus, wat meer zou beroemen op 13 en beroemen ons niet onze macht, welke de Heer boven de maat op den ar-ons gegeven heeft, om u beid van vreemden; en op te bouwen en niet te hebben hoop, als uw gelooi verderven, zoo zou ik niet in u wast, dat wij naar onzen beschaamd worden. 1 werkkring onder u uiter-
9 Opdat het niet schijne : mate groot zullen worden, alsof ik u had willen ver- IB en het evangelie ook
dat wij naar de wijze van het vleesch wandelen.
3 Want al is het, dat wij in het vleesch wandelen,
-ocr page 2119-
2 KOllINÏHIEES 11.
375
|
prediken aan hen, die aan gene zijde van u wonen, en ons niet beroemen op hetgeen in eens anders wer-kring gereed is. 4 17 Maar wie zich beroemt, fberoeme zich in den Heer; ,18 want niet hij , die zich //.elven prijst is beproefd, . maar vvien de Heer prijst. HOOFDSTUK 11. 1 Och dat gij mij een weinig dwaasheid ten goede hieldt! Doch gij houdt het mij ten goede. 2 Want ik ben ijverzuchtig op u met een goddelijken naijver; want ik heb u ondertrouwd aan eénen man, opdat ik u als eene reine maagd mocht voorstellen, namelijk aan Christus. 3 Maar ik vrees dat, gelijk de slang Eva door hare arglistigheid verleid heeft, misschien ook uwe zinnen alzoo afgetrokken worden van de eenvoudigheid in Christus. 4 Want indien degene die tot u komt een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen Geest ontvingt, dien gij niet ontvangen hebt, of een ander evangelie, hetwelk gij niet aangenomen hebt, zoo zoudt gij het wel verdragen. brie- , zeg-;jg en Legeii-ams is onbe- enke, ;, met ieven, zoo- m ons Ier, of in, die | iar de-zelve '' r zich lt; o zijn | |
5 Want ik meen dat ik niets minder ben dan de uitnemendste apostelen. 6 En hoewel ik onervaren ben in het spreken, ben ik het nochtans niet in de kennis; doch ik ben alleszins bij u welbekend. 7 Of heb ik gezondigd, dat ik mij zeiven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, daar ik u het evangelie Gods om niet verkondigd heb? 8 Andere gemeenten heb ik beroofd, en bezoldiging-van haar genomen, opdat ik u prediken zou; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, was ik niemand tot last; 9 want de broeders die uit Macedonië kwamen vervulden mijn gebrek; en ik heb mij zeiven in alles gehouden zonder u te belasten, en wil mij ook nog zoo houden. 1U Zoo gewis als de waarheid van Christus in mij is, zal mij deze roem in de landen van Achaje niet benomen worden. 11 Waarom dat? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het. 12 Maar hetgeen ik doe, zal ik nog verder doen, opdat ik de gelegenheid afsnijde dengenen, die gelegenheid |
-ocr page 2120-
2 KORINTHIËES 11.
376
|
zoekeu, om zich te mogen beroemen, dat zij zijn als wij- 13 Want de zoodanige zijn valsche apostelen, bedriege-lijke arbeiders, die het voorkomen aannemen \an apostelen van Christus. 14 En dit is ook geen wonder; want de satan zelf' doet zich voor als een Engel des lichts. 15 Daarom is het niets groots dat ook zijne dienaars zich voordoen als predikers der gerechtigheid, — wier einde zal zijn naar hunne werken. 16 Ik zeg nog eens, dat niemand meene dat ik dwaas ben; doch zoo niet, neemt mij dan aan als een dwaas, opdat ik mij ook een weinig beroeme. 17 Wat ik nu spreek, dat spreek ik niet als in den Heer, maar als in dwaasheid , daar wij tot het roemen gekomen zijn. 18 Dewijl er velen zich beroemen naar het vleesch, zoo zal ik mij ook beroemen. 19 Want gij verdraagt gaarne de dwazen, dewijl gij verstandig zijt; 20 gij verdraagt het, zoo iemand u tot dienstbaarheid brengt, zoo iemand u verslindt, zoo iemand u vangt, zoo iemand u trotseert, zoo iemand u in het aangezicht slaat. |
21 Ter oneer zeg ik het dat wij zwak waren geworden ; maar waar iemand stout op is, — ik spreek in dwaasheid — daar ben ik ook stout op. 22 Zijn zijn Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij Abrahams zaad ? ik ook. 23 Zijn zij dienaars van Christus? — ik spreek dwaas — ik nog meer. Ik heb meer gearbeid, ik heb meer slagen geleden, ik ben meermalen gevangen, dikwijls in doodsnoodeu geweest; 24 van de Joden heb ik vijfmaal ontvangen veertig slagen min één; 25 Ik ben driemaal ge-geeseld, éénmaal gestee-nigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een dag en nacht heb ik doorgebracht in de diepte der zee; 26 ik heb dikwijls gereisd , ik ben in gevaar geweest te water, in gevaar onder de roovers, in gevaar onder mijn volk, in gevaar onder de heidenen, in gevaar in de steden, in gevaar in de woestijnen, in gevaar op de zee, in gevaar onder de valsche broeders; 27 in moeite en arbeid, in veel waken, in honger |
-ocr page 2121-
2 KOBINTHIËES 12.
377
|
en dorst, in veel vasten, in koude en naaktheid. 28 Behalve hetgeen ik buitendien reeds heb, heb ik nog mijn dagelijksche toeloop en de zorg voor alle gemeenten. 29 Wie is er zwak, met wien ik niet mede zwak ben? Wie wordt geërgerd, dat ik niet brande? 30 Indien ik mij beroemen moet, zoo zal ik mij op mijne zwakheid beroemen. 3.1 De God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die geloofd zij in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 Te Damaskus liet de landvoogd van den koning Aretas de stad der Damas-ceners bewaken, en wilde mij grijpen; 33 en ik werd in een mand uit het venster door den muur nedergelaten, en ontkwam uit zijne handen. HOOFDSTUK 12. 1 Het roemen is mij wel niet nut; echter wil ik komen op de gezichten en openbaringen des Heeren. 2 Ik ken een mensch in Christus, vóór veertien jaren, — of het in het lichaam was, weet ik niet, of buiten het lichaam weet ik ook niet. God [weet het, — deze werd opgevoerd tot in den derden hemel. |
3 En ik ken dezen mensch, — of het in het lichaam of buiten het lichaam was weet ik niet', God weet het, —■ 4 • hij werd opgevoerd in het paradijs, en hoorde onuitsprekelijke woorden, die geen mensch zeggen kan. 5 Daarop wil ik mij beroemen, maar van mij zeiven wil ik mij niet beroemen dan op mijne zwakheid. 6 En al wilde ik mij beroemen, zoo handelde ik daarom niet dwaas, want ik zou de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij daarvan , opdat niemand mij hooger achte dan hij aan mij ziet of van mij hoort. 7 En opdat ik mij wegens de hooge openbaringen niet zou verheflen, zoo is mij gegeven een doorn in het vleesch, namelijk des satans Engel, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen. 8 Waarover ik den Heer driemaal gesmeekt heb, dat hij van mij zou wijken; 9 en hij heeft tot mij gezegd : Laat mijne genade u genoeg zijn, want mijne kracht is in de zwakken machtig. Derhalve wil ik mij veel liever beroemen op mijne zwakheid, opdat |
-ocr page 2122-
2 KOKINÏHIERS 12.
378
|
de kracht van Christus in mij wone. 10 Daarom ben ik welgemoed in zwakheden, in mishandelingen, in nooden in vervolgingen, in angsten , om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik sterk. 11 Ik ben een dwaas geworden door het beroemen; gi'j hebt mij daartoe gedwongen. Want ik behoorde door n geprezen te worden, dewijl ik niets minder ben dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. 12 Want de merkteekenen eens apostels zijn immers onder u betoond in alle standvastigheid, met teekenen en wonderen en krach ten. 13 Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere gemeenten, behalve dat ik zelf u niet heb bezwaard? Vergeeft mij deze zonde. amp; 14 Zie, ik ben gereed ten derden male tot u te komen, en zal u niet bezwaren; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten voor de ouders geen schatten vergaderen , maar de ouders voor de kinderen. |
15 Ik nu wil zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen ten koste gegeven worden; niettegenstaande ik u bovenmate bemin, en nochtans weinig bemind word. 16 Doch het zij zoo: ik heb u niet bezwaard, maar dewijl ik listig was, heb ik u met listigheid gevangen. 17 Heb ik van u misschien mijn voordeel gezocht door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb? 18 Ik heb Titus verzocht, en den broeder met hem gezonden: heeft Titus misschien zijn voordeel van u gezocht? Hebben wij niet in cénen geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen? 19 Meent gij wederom dat wij ons verantwoorden? Wij spreken in Christus voor het aangezicht van God, en dit alles, mijne geliefden , tot uwe oplxmwing. f 20 Want ik vrees, dat, als ik komen zal, ik u niet zal vinden zooals ik wel wil, en dat gij mij ook niet zult vinden zooals gij wilt; dat er misschien twist, benijding , toorn, partijschap, achterklap, oorblazing, opgeblazenheid en verwarringzij; 21 dat, als ik wederkom, mijn God mij verootmoedige bij u, en ik rouw hebbe te dragen over velen die te voren gezondigd, en geen i; I |
-ocr page 2123-
|
1 derde maal tot u, en dan zal in den mond van twee ol drie getuigen alle zaak bestaan. 2 Ik heb het u te voren gezegd, en zeg het u te vo-' ren, als tegenwoordig zijnde, ten tweeden male, en schrijf het nu .afwezig zijnde aan degenen, die te voren gezondigd hebben, en aan al de anderen, dat zoo ik wederkom , ik hen niet sparen zal; 3 nademaal gij eene proeve zoekt van dengene die in mij spreekt, namelijk van Christus, die in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4; Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nochtans door Gods kracht; en hoewel wij ook zwak zijn in hem, zoo zullen wij nochtans met hem leven door de kracht Gods onder u. 5 Onderzoekt u zelve of gij in het geloof zijt, beproeft u zelve. Of kent gij u zelve niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij gij misschien geen proef houdt. 1 ii I |
379 6 Doch ik hoop dat gij erkent dat wij wél proef houden. 7 En ik bid God dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij blijken proef te houden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als niet proefhoudend zijn. 8 Want wij kunnen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons, dat als wij zwak zijn.^gij machtig zijtpen^clit wen-scE'en mji_qok, namelijk uwe vplrnaking. 10 Daarom schrijf ik dit ook afwezig zijnde, opdat ik, als ik tegenwoordig ben, geene strengheid behoef te gebruiken, naar de macht welke de Heer mij gegeven heeft, om op te bouwen en niet om te verderven. 11 Voor het overige, broeders, verblijdt u, wordt volkomen, troost u, hebt écuerlei zin, leeft in vrede: zoo zal de God der liefde en des vredes met u zijn. 13 Groet elkander met den heiligen kus. U groeten' al de heiligen. 13 De genade van onzen Heer Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen! Amen. 3 KOEINTHIEES 13 boete gedaan hebben over de onreinheid en hoererij en ongebondenheid welke zij bedreven hebben. HOOFDSTUK 13. Ik kom nu voor de |
-ocr page 2124-
DE BRIEF VAN PAÜLUS
AAN DE
GALA T I Ë K S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paul us, een apostel, — niet van mensclien, ook niet door een mensch, maar door Jezus Christus en God, den Vader, die hem opgewekt heeft uit de dooden, — 2 en al de broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten In Galatië. 3 Genade zij met u en vrede van God, den Vader, en van onzen Heer Jezus Christus, 4 die zich zeiven gegeven heeft voor onze zonden, opdat bij ons verlossen zou van deze tegenwoordige booze wereld, naar den wil van onzen God en Vader, 5 wien eere zij van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 6 Ik verwonder mij, dat gij u zoo schielijk laat afwenden van hem, die u geroepen heeft in de genade van Christus, tot een ander evangelie, 7 daar er immers geen ander is; maar er zijn sommigen die u verwarren en het evangelie van Christus willen veranderen. |
8 Doch al ware het ook dat wij, of een Engel van den hemel u een ander evangelie prediken zou dan hetgeen wij u gepredikt hebben, die zij vervloekt! 9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom: indien iemand u een ander evangelie predikt dan hetgeen gij ontvangen hebt, hij zij vervloekt! 10 Want tracht ik ook nu menschen voor mij iu te nemen, of God ? Of zoek ik aan menschen te behagen ? Indien ik nog aan menschen zocht te behagen, zoo was ik Christus' dienstknecht niet. 11 Want ik maak u bekend , broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij gepredikt is, niet is naar den mensch; 12 want ik heb het van geenmensch ontvangen, noch geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt immers wel gehoord van mijnen vorigen wandel in het Jodendom, dat ik bovenmate Gods 1 |
-ocr page 2125-
GALAT[ERS 2.
381
|
gemeente vervolgde en haar verwoestte, 14 en dat ik mij onderscheidde in het Jodendom, boven velen van mijnen leeftijd in mijn geslacht, en bovenmate ijverde voor de vaderlijke instellingen. 15 Maar toen het Gode behaagde, die mij van den moederschoot af heeft afgezonderd, en geroepen door zijne genade, 16 dat hij zijnen Zoon in mij openbaarde, opdat ik hem door het evangelie verkondigen zou onder de heidenen, ben ik niet terstond met vleesch en bloed te rade gegaan, 17 en ging ook niet naar Jeruzalem tot degenen, die voor mij apostelen waren, maar trok heen naar Arabic, en keerde wederom maar Damaskus. 18 Daarna kwam ik, na drie jaren, te Jeruzalem om 1'etrus te leeren kennen, en bleef vijftien dagen bij hem; 19 maar ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, den broeder des J leeren. 20 Hetgeen ik u schrijf, zie. God weet dat ik niet Peg. 21 Daarna kwam ik in de ■gewesten van Syrië en Ci- I llicie. |
22 En ik was van aangezicht onbekend bij de Christelijke gemeenten in Judéa; 23 maar zij hadden alleen gehoord: Hij, die ons eertijds vervolgde, predikt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. 24 En zij prezen God over mij. HOOFDSTUK 2. 1 Daarna, na veertien jaren, trok ik andermaal op naar Jeruzalem met Barnabas, en nam Titus ook met mij. 2 En ik trok op volgens eenc openbaring, en stelde hun het evangelie voor, hetwelk ik pref lik onder de heidenen, in het bijzonder dengenen die in aanzien waren, opdat ik niet tevergeefs zou loopen of geloopen hebben. 3 Maar zells Titus, die met mij was, werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek was; 4 en dat om de valsche broeders, ingeslopen, om onze vrijheid te bespieden, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons dienstbaar mochten maken; 5 voor wie wij ook geen enkel uur geweken zijn, om hun onderdanig te zijn, |
'é
-ocr page 2126-
GALATIERS 3.
3S2
|
opdat de waarheid des evan-1 gelies bij u stand zou houden. I 6 Aangaande degenen die toen in aanzien waren, — hoedanig zij eertijds geweest zijn gaat mij niet aan, want God acht den persoon des menschen niet — degenen dan, die in aanzien waren, hebben mij niets opgelegd; 7 maar integendeel, toen zij zagen dat mij het evangelie der onbesnedenen was toebetrouwd, gelijk aan Petrus het evangelie der besnijdenis, — 8 want die met Petrus krachtig geweest is tot het apostelambt onder de besnijdenis, is ook met mij krachtig geweest onder de heidenen — 9 en als Jakobus en Kcfas en Johannes, die voor pilaren gehouden werden, de genade erkenden die mij gegeven was, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap opdat wij onder de heidenen en zij onder de besnijdenis prediken zouden; 10 alleenlijk dat wij aan de armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaar-stigd heb te doen. 11 Maar toen Petrus te Antiochickwam, wederstond ik hem onder de oogen, omdat hij te berispen was. |
12 Want te voren, eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mot de heidenen; maar toen zij kwamen, onttrok hij zich en zonderde zich af, omdat hij die van de besnijdenis vreesde; 13 en ook de andere Joden veinsden met hem, zoodat zelfs Barnabas verleid werd door hunne veinzerij. 14 Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid des evangelies, zeide ik tot Petrus openlijk voor allen: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidensche wijze leeft en niet naar joodsche wijze, waarom dwingt gij dan de heidenen naar joodsche wijze te leven? 15 Wij zijn van geboorte Joden, en geen zondaars uit de heidenen; 16 nochtans, dewijl wij weten dat de mensch dooide werken der wet niet rechtvaardig wordt, maar door het geloof in Jezus Ohris-tns, zoo hebben ook wij in Jezus geloofd, opdat wij rechtvaardig zouden worden door het geloof in Christus, en niet door de werken dei-wet , want door de werken der wet wordt geen vleesch rechtvaardig. 17 Zouden dan wij, die |
-ocr page 2127-
GATATIEES 3.
383
|
in Christus rechtvaardig zoeken te worden, ook nog zelve zondaars bevonden worden? Dan was Christus een zondedienaar. Dat zij verre! 18 Want indien ik weder opbouw hetgeen ik afgebroken heb, zoo maak ik mij zeiven tot een overtreder. 19 Maar ik ben door de wet der wet afgestorven, opdat ik Code leven zou. 20 Ik ben met Christus gekruist; ik leef wel, doch ik nii leef in het vleesch, dat leef ik in het geloof aan den Zoon Gods, die mij heeft liefgehad en zich zeiven voor mij heeft overgegeven. 21 Ik werp Gods genade niet weg; want indien de gerechtigheid door de wet komt, zoo is Christus tevergeefs gestorven. HOOFDSTUK 3. 1 O gij onverstandige Ga-laticrs, wie heeft u betoo-verd, dat gij der waarheid geen gehoor geeft, daar u .lezus Christus voor oogen geschilderd was als de gekruiste? 2 Dit alleen wil ik van n vernemen: hebt gij den ■Geest ontvangen door dn |
werken der wet of door de prediking van het geloof? 3 Zijt gij zóó onverstandig? In den Geest zijt gij begonnen, en in het vleesch wilt gij nu voleindigen? 4 Hebt gij dan tevergeefs zóóveel ervaren ? En was het maar tevergeefs! 5 Die u dan den Geest geeft en zulke daden onder u doet, doet hij dat door de werken der wet of door de prediking van het geloof? 6 Gelijk Abraham Gode ge niet meer ik, maar Chris-1 loofd heeft, en het hem tot lus leeft in mij; want wat gerechtigheid gerekend is, 7 zoo erkent dan, dat degenen die uit het geloof zijn. Abrahams kinderen zijn. 8 quot;Want de Schrift heeft te voren gezien, dat God de heidenen door het geloof rechtvaardig zou maken; daarom heeft zij te voren aan Abraham verkondigd: //In u zullen alle volken gezegend worden.// 9 Al zoo worden dan degenen die uit het geloof zijn, gezegend met den geloovigen Abraham. 10 'Want zoo velen uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er staat geschreven: //Vervloekt is ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek dor wet, om het te doen.// |
-ocr page 2128-
GAL ATI KUS 3.
door de wet, welke gegeven is vierhonderd en dertig jaren daarna.
18 Want ware het dat de erfenis door de wet verworven werd, zoo werd zij niet door de belofte gegeven; maar God heeft haar Abraham door de belofte geschonken.
19 Wat zal dan de wet? Zij is er bij gekomen om de zonden, totdat het zaad zou komen, aan hetwelk de belofte geschied is; en zij is beschikt van de Engelen door de hand des middelaars.
20 De middelaar nu is niet middelaar van éénen, maar God is de éénige.
31 Is dan de wet tegen Gods beloften ? Dat zij verre 1 Want indien er eene wet gegeven ware die levend kon maken, zoo kwam de gerechtigheid waarlijk uit de wet;
23 maar de Schrift heeft het alles besloten onder de zonde; opdat de belofte door het geloof in Jezus Christus dengenen, die ge-looven, zou gegeven worden.
23 Doch eer het geloof kwam, werden wij onder de wet, als gevangenen, in bewaring gehouden tot het geloof, dat geopenbaard zou worden.
384
11 Dat nu door de wet niemand voor God rechtvaardig wordt, is openbaar, want //de rechtvaardige zal door zijn geloof leven//;
13 dooh de wet is niet uit het geloof, maar //de mensch die ze doet zal daardoor leven.//
13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, toen hij een vloek werd voor ons; want er staat geschreven : //Vervloekt is ieder die aan het hout hangt//; —
14 opdat de zegen Abrahams op de heidenen zou komen in Christus Jezus, en wij alzoo den beloofden Geest ontvangen zouden door het geloof.
15 Broeders, ik wil naar menschelijke wijze spreken: men veracht zelfs eens men-schen testament niet, wanneer het bevestigd is, en men voegt er ook niets aan toe.
16 Nu is immers de belofte Abraham en zijnen zade toegezegd. Hij zegt niet: //Den zaden//, als van velen; maar, als van één: //En uwen zade//, hetwelk is Christus.
17 Dit nu zeg ik: het verbond dat door God te voren bevestigd is, wordt te niet gedaan, om de belofte krachteloos te maken
-ocr page 2129-
|
24 Alzoo is dfi wet onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij door liet geloof zouden rechtvaardig worden. 25 Maar nu het geloof'gekomen is, zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 26 Want gij zijt allen Gods kinderen door het geloof in Christus Jezus; 27 want zoovelen er van u in Christus gedoopt zijn, die hebben Christus aangetrokken. 28. Hier is geen Jood noch Griek, hier is geen dienstknecht noch vrije, hier is geen man noch vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus. 29 Behoort gij nu aan Christus, zoo zijt gij immers Abrahams zaad, en naar de belofte erfgenamen. HOOFDSTUK 4. 1 Maar ik zeg, zoolang de erfgenaam een kind ia, is er tusschen hem en een dienstknecht geen onderscheid, hoewel hij een heer is van alles; 2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot op den tijd, door den vader bestemd. 3 Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, waren wij dienstbaar onder de eerste beginselen der wereld ; |
385 4 maar toen de tijd vervuld was, zond God zijnen Zoon, geboren uit eene vrouw, geboren onder de wet, 5 opdat hij degenen die onder de wet waren zou verlossen, opdat wij het kindschap ontvangen zouden. 6 Dewijl gij dan kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader! 7 Zoo zijt gij dan niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus. 8 Maar in dien tijd, toen gij God niet kendet, dien-det gij degenen die van nature geen goden zijn; 9 maar nu gij God hebt leeren kennen, ja veelmeer door God gekend zijt, itoe wendt gij u dan wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij op nieuw wilt dienen? 10 Gij onderhoudt dagen en maanden en feesten en jaren. 11 Ik vrees voor n, dat ik misschien tevergeefs aan u gearbeid heb. 13 Wordt toch ah ik, want ook ik ben geworden als gij; broeders, ik bid u. Gij 25 GALATIËBS 4. |
-ocr page 2130-
GAL ATI EES 4.
386
|
hebt mij geen loetl gedaan; 13 maar gij weet dat ik u in zwakheid van het vleesch het evangelie voorheen gepredikt heb, 14 en mijne aanvechtingen, die ik in het vleesch geleden heb, hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als een Engel Gods, ja als Christus Jezus. 15 Hoe waart gij te dier tijd zoo zalig! Want ik geef u getuigenis, dat gij, indien het mogelijk geweest was, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben. 16 Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid voorhoud? 17 Zij ijveren niet recht om li, maar zij willen u van mij afvallig maken, opdat gij om hen zoudt ijveren. 18 Het is goed altijd te ijveren in het goede, en niet alleen als ik bij u tegenwoordig ben. 19 Mijne kinderen, die ik wederom met angsten baar, totdat Christus in u eene gestalte verkrijge, 20 ik wilde dat ik nu bij u ware, en mijne stem veranderen kon; want ik ben orer u in verlegenheid. |
21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? 22 Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, één van de dienstmaagd en één van de vrije. 23 Maar gene, die van de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren; doch deze, die van de vrije ^ deu i was, is door de belofte 31 ! geboren. wij 24 Deze woorden hebben ■ diens eene zinnebeeldige beteeke- nis. Want deze vrouwen 1 Z | heid ^ ons C laat gt; onde 5 baarl 2 2 indie den, nut; 3 i aan snijd de £ 4 | lorei wilt en : valli 5 in (1 loot men 6 !;elc zijn de twee verbonden; het ééne van den berg Sinaï, dat tot dienstbaarheid baart, is Hagar; 25 want Hagar heet de berg Sinaï in Arabic, en komt overéén met het Jeruzalem dat thans is, en dienstbaar is met hare kinderen. 26 Maar het Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk ons aller moeder is; 27 want er staat geschreven : //Wees vroolijk gij onvruchtbare, gij die niet baart; en berst los en roep, gij die niet vruchtbaar zijt; want de eenzame heeft veel meer kinderen dan die den man heeft.// 28 Wij nu, broeders, zijn als Isailk, kinderen dei-belofte. 29 Maar gelijk in dien tijd hij, die naar het vleesch gebon volgd gebor ook i 30 Schri: maag want maag |
-ocr page 2131-
GALATIERS 5.
387
|
geboren was, dengene vervolgde , die naar den Geest geboren was, zoo gaat het ook nu. 80 Maar wat zegt de Schrift? //Stoot de dienstmaagd uit met haren zoon ; want de zoon der dienstmaagd zal niet erven met den zoon der vrije.// 31 Zoo dan, broeders, zijn wij geen kinderen eener dienstmaagd, maar der vrije. HOOFDSTUK 5. 1 Zoo staat nu in de vrijheid met welke Christus ons heeft vrijgemaakt, en laat u niet wederom vangen onder het juk der dienstbaarheid. 2 Zie, ik, Paulus, zeg u , indien gij u laat besnijden, zoo is Christus u niets nut; 3 en ik betuig nogmaals aan ieder die zich laat besnijden, dat hij schuldig is de geheele wet te doen. 4 Gij hebt Christus ver-1 loren, gij die door de wet wilt rechtvaardig worden, en zijt van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten in den Geest, door het geloot, de gerechtigheid die men hoopt. |
6 Want in Christus Jezus geldt noch besneden te zijn iets, noch onbesneden te zijn, maar het geloof dat door de liefde werkzaam is. hoort chre-:onen ;enst-vrijo, van , is iren; vrije lofte bben «keiwen ■: : het j naï, tart, ; del en : eni-mst-m. dat het- | f ; ire-on- ; aiet' ep, :ijt; ^eel ien 7 Gij liept goed; wie heeft u opgehouden, om de waarheid niet te gehoorzamen ? 8 Zulke overreding is niet van hem die u riep. 9 Een weinig zuurdeeg verzuurt het geheele deeg. lü Ik vertrouw van u in den Heer, dat gij van geen ander gevoelen zult zijn; maar wie u verwart, zal zijn oordeel dragen, wie het ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik de besnijdenis nog predikte, waarom leed ik dan nog vervolging? Dan had immers de ergernis van het kruis opgehouden. 13 Or li dat zij ook afgesneden werden, die u verstoren ! 13 Want gij, broeders, zijt tot vrijheid geroepen; alleenlijk ziet toe dat gij door de vrijheid geen ruimte geeft aan het vleesch, maar door de liefde diene de een den ander. H Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, in dit: //Heb uwen naaste lief als u zei ven.// 15 Maar indien gij elkander bijt en verslindt, zoo ziet toe dat gij niet onder elkander verteerd wordt. |
-ocr page 2132-
|
388. GALAT 16 Maar ik zeg: wandelt in flen Geest, zoo zult gij de lusten des vleeselies niet volbrengen. 17 Want het vleesch Legeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; deze zijn tegen elkander, opdat gij niet doet wat gij wilt. 18 Maar regeert u de Geest, zoo zijt gij niet onder de wet. 19 De werken des vleesohes zijn openbaar, als zijnde overspel, hoererij, onreinheid , ongebondenheid, 20 afgoderij, tooverij, vijandschap, twist, benijding, toorn, partijschap, tweedracht, sekten, 21 haat, moord, dronkenschap, brasserij en dergelijke; van welke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat wie zoo iets doen het rijk Gods niet beërven zullen. 22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedertierenheid, getrouwheid, zachtmoedigheid , kuischheid. 23 Tegen dezulken is de wet niet. 24 Maar wie Christus toe-behooren, hebben het vleesch gekruisigd met zijne lusten en begeerten. |
[EES 6. 25 Indien wij in den Geest leven, zoo laat ons ook in den Geest wandelen. 20 Laat ons niet begeerig zijn naar ijdele eer, om elkander te vertoornen en te benijden. HOOFDSTUK 6. 1 Broeders, al ware het ook dat een mensch door eenige misdaad verrast werd, zoo helpt hem weder terecht rnet eenzachtmoedigen geest, gij die geestelijk zijt; en ziet op u zelve, dat ook gij niet verzocht wordt. 2 De een drage des anders lasten, zoo zult gij Christus' wet vervullen. 3 Want indien iemand meent dat hij iets is, daar hij nochtans niets is, die bedriegt zich zeiven. 4 Maar ieder beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij alleen aan zich zei ven roem hebben, en niet aan een ander; 5 want leder zal zijn eigen pak dragen. 6 Wie nu onderwezen wordt in het woord, deeleallerlei goeds mede aan dengene die hem onderwijst. 7 Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten. Want hetgeen de mensch zaait, dat zal hij ook oogsten; 8 wie in zijn eigen vleesch |
-ocr page 2133-
EFEZIEKS 1.
389
|
zaait, zal vau het vleescli de verderfenis oogsten; m;uir wie in den Geest zaait, zal van den Geest het eeuwige I leven oogsten. 9 Laat ons in het goed-| doen niet moede worden; | want op zijnen tijd zullen wij ook oogsten, zoo wij niet verslappen. 10 Terwijl wij dan nu tijd hebben, zoo laat ons goeddoen aan iedereen, maar allermeest aan de gelools-genooten. 1 i Ziet met hoevele woorden ik u geschreven heli met mijne eigene hand. 13 Wie zich zelve willen aangenaam maken naar hel vleescli, die dwingen u om u te laten besnijden, alleenlijk opdat zij om Gliristiis' kruis niet vervolgd zouden worden. |
13 Want ook zij zelve die zich laten besnijden, hnii-den de wet niet, maar zij willen dat gij u laat besnijden , opdat zij zich op uw vleescli zouden kunnen beroemen. 14 Maar het zij verre van mij te roemen, dan alleen in het kruis van onzen Heer Jezus Christus, door wien mij de wereld gekruist is, en ik der wereld. 15 Want in Christus Jezus geldt noch besneden te zijn iets, noch onbesneden te zijn, maar een nieuw schepsel. 1G Eu zoovelen er naar dezen regel wandelen, over hen zij vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods! 17 Voortaan doe niemand mij meer moeite aan, want ik draag de litteekenen des Heereu Jezus aan mijn lichaam. 18 De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met uwen geest, broeders! Amen. |
DÉ lilt [Et' VAN l'AULÜS AAN DK
E F E Z I Ë R S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paul us, een apostel van Jezus Christus door den wil van God, aan de heiligen en geloovigeu in Christus Jezus te El'eze. |
2 Genade zij met u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! 3 Gelooid zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die ons gezegend |
-ocr page 2134-
EFEZIERS 1.
390
|
heeft met allen geestelijken zegen in den hemel in Christus, 4 gelijk hij ons verkoren heeft in hem, eer de grond der wereld gelegd was, opdat wij heilig en onberispelijk voor hem zouden zijn; 5 en in liefde heeft hij ons te voren verordend om zijne kinderen te zijn door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijnen wil, 6 tot lof zijner heerlijke genade, door welke hij ons heeft aangenaam gemaakt in den Geliefile, 7 in wien wij hebben de verlossing door zijn bloed, de vergeving der zonden, naar den rijkdom zijner genade, 8 welke ons rijkelijk verleend is in alle wijsheid en kennis; 9 en hij heeft ons doen weten de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen, gelijk hij bij zich zeiven had voorgenomen, 10 om in de bedeeling van de volheid der tijden alles wederom in Christus bijéén te vergaderen, beide wat in den hemel en wat op de aarde is, |
11 in hem, door wien wij ook tot het erfdeel gekomen zijn, wij die te voren verordend zijn naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil; 12 opdat wij tot lof zijner heerlijkheid zouden zijn, wij, die te voren op Christus gehoopt hebben; 13 in wien ook gij, nadat gij gehoord hebt het woord (Ier waarheid, het evangelie uwer zaligheid, — in wieu ook gij, toen gij geloofdet, verzegeld zijt geworden met den Heiligen Geest der belofte , 14 die het onderpand van onze erfenis is tot onze verlossing, opdat wij zijn eigendom werden, tot lof zijner heerlijkheid. 15 Daarom ook ik, nadat ik gehoord heli van uw geloof in den Heer Jezus, en van uwe liefde tot alle heiligen, 16 zoo houd ik niet op voor u te danken, en gedenk u in mijn gebed, 17 opdat de God van onzen Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring, om hem te kennen, 18 en verlichte oogen uws verstands, opdat gij erkennen moogt welke de hoop uwer roeping zij, en welke de rijkdom zijner heerlijke |
-ocr page 2135-
EFEZIËES 3.
391
|
erfenis onder de heiligen zij, 19 en welke Je overvloedige grootheid zij van zijne kracht aan ons die gelooven, naar de werking zijnersterke macht, 20 die hij gewerkt heeft in Christus, toen hij hem uit de dooden heeft opgewekt, en gezet aan zijne rechterhand in den hemel, 31 boven allo overheid, en macht en kracht en heerschappij, en al wat genoemd Kan worden, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomende; 33 en hij heeft alle dingen onder zijue voeten onderworpen, en heeft hem der gemeente gegeven tot een hoofd over alles, 33 welke is zijn lichaam, de volheid desgenen, die alles in allen vervult. HOOFDSTUK 2. 1 En ook ti [heeft hij levend geinaald\, toen gij dood waart door overtredingen en zonden, 3 waarin gij eertijds gewandeld hebt naar de wijze dezer wereld, en naar den vorst die in de 1 ucht heerscht, den geest die in dezen tijd zijn werk heelt in de kinderen derongehoorzaamheid, - 3 onder welke wij ook allen eertijds ouzen wandel gehad hebben in de lusten van ons vleesch, doende den wil des vleesches en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. |
4 Maar God die rijk is in barmhartigheid, heeft door zijne groote liefde, waarmede hij ons heeft liefgehad, 5 ook ons, toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt, — want uit genade zijt gij zalig geworden — 6 en heeft ons mede opgewekt, en mede in den hemel gezet in Christus Jezus; 7 opdat hij zou betoonen in de toekomende tijden den uitnemenden rijkdom zijner genade, door zijne goedertierenheid over ons in Chris-zus Jezus. 8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; 9 niet uit Je werken, opdat niemand zich beroeme. 10 Want 'wij zijn zijn werk, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God te voren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen, |
-ocr page 2136-
EFEZIEHS 3.
393
|
11 Daarom, gedenkt daaraan, dat gij die eertijds naar liet vleesch heidenen geweest zijt, en de onbesnedenheid genaamd werdt door degenen, die genaamd zijn de besnijdenis naar het vleesch, die met de hand geschiedt, — 13 dat gij te dier tijd waart zonder Christus, uitgesloten van het burgerschap van Israël, en vreemd aan de verbonden der belofte; weshalve gij geen hoop hadt, eu waart zonder God in de wereld. 13 Maar nu zijt gij, die eertijds verre waart, in Christus Jezus nabij geworden door het bloed van Christus. l i Want hij is onze vrede, die beiden heeft tot één gemaakt, eu heeft afgebroken den scheidsmuur die daartusschen was, 15 daarmede dat hij door zijn vleesch de vijandschap wegnam, namelijk de wet die in geboden gesteld was, opdat hij deze twee tot één nieuwen mensch in zich zei ven zou scheppen, en vrede maken, 10 en opdat hij beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, de vijandschap gedood hebbende door zich zeiven; 17 en hij is gekomen, en heeft in het evangelie den vrede verkondigd aan u die verre waart, en aan degenen die nabij waren; |
18 want door hem hebben wij beiden in éénen Geest den toegang tot den Vader. 19 Zoo zijt gij nu niet meer gasten en vreemdelingen , maar medeburgers der heiligen, en Gods huis-genooten, 30 gebouwd op den grond der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is, 31 op welken het geheele gebouw, in elkander gevoegd, opwast tot een heiligen tempel in den Heer; 33 op welken ook gij me-degebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest. HOOFDSTUK 3. 1 Om deze oorzaak \ben\ ik, Paulus, de gevangene vau Christus Jezus voor u heidenen, 3 indien gij althans gehoord hebt van het ambt der genade Gods die mij voor u gegeven is, 3 dat mij deze verborgenheid door openbaring is bekend geworden, gelijk ik te voren met enkele woorden geschreven heb: 4 waaraan gij, indien gij |
-ocr page 2137-
EFÜZIËItö 3.
393
|
liet leest, kunt bemerken mijn inzicht in de verborgenheid van Christus, 5 welke den kinderen der menschen in de verleden tijden niet is bekendgemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan zijne heilige apostelen en profeten door den Geest: 6 namelijk, dat de heidenen medeërfgenamen zijn, en medeingelijfd, en mede-genooten zijner belofte in Christus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave der genade Gods, die mij naar de werking zijner kracht gegeven is. 8 Mij, den allerminste onder alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen te verkondigen den ondoorgrondelijken rijkdom van Christus, 9 en in het licht te stellen, welke de bedeeling der verborgenheid zij, die van oudsher verborgen geweest is in God, die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, 10 opdat nu door de gemeente zou bekendgemaakt worden aan de overheden en machten in den hemel do menigvuldige wijsheid Gods, 11 naar het voornemen, dat hij van eeuwigheid heei't opgevat in Christus Jezus, onzen Heer, |
12 door wien wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang in alle vertrouwen, door liet geloof in hem. 13 Daarom bid ik dat gij niet moedeloos wordt om mijne verdrukkingen voor u, die uwe eere zijn. li Om deze oorzaak buig ik mijne knieën voor den Vader van onzen Heer Jezus Christus, 15 die de rechte Vader is over al wat kinderen heet in den hemel en op de aarde, Ifi opdat hij u kracht geve naar den rijkdom zijner heerlijkheid, om sterk te worden door zijnen Geest naardeninwendigen mensch, 17 en Christus door het geloof in uwe harten te doen wonen, en in de liefde geworteld en gegrond te worden; 18 opdat gij moogt begrijpen met alle heiligen, welke de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte zij ,■ 19 en de liefde van Christus erkennen die de kennis te boven gaat; opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. 20 Hem nu, die overvloedig doen kan boven al wat |
-ocr page 2138-
EFEZIEES 4.
b94
|
wij bidden of verstaan, naar de kraclit die in ons werkt, 21 hem zij eer in de gemeente die in Christus Jezus is, tot in alle geslachten , van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. HOOFDSTUK 4. 1 Zoo vermaan ik u nu., ik, de gevangene in den Heer, dat gij wandelt gelijk het der roeping betaamt waarmede gij geroepen zij t, 3 met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, en met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde; 3 en zijt naarstig om te onderhouden de eenheid des geestes door den band des vredes, 4 Er is één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; 5 er is één Heer, één geloof, één doop; 6 één God en Vader vau allen, die over allen en door allen en in u allen is. 7 Maar aan elk onder ons is de genade gegeven naaide maat vau Christus' gave. 8 Daarom zegt hij: //Hij is opgevaren in de hoogte, en heeft de gevangenen buil gemaakt, en heeftiienmen-schen gaven gegeven.// |
9 Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat hij te voren is nedergedaald in de onderste plaatsen der aarde? 10 Die nedergedaald is, is dezelfde die opgevaren is boven alle hemelen, opdat bij alles vervullen zou. 11 En hij heeft sommigen tot apostelen gegeven, en sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leeraars; li opdat de heiligen bereid zouden worden tot het werk des ambts, waardoor Christus' lichaam opgebouwd wordt, 13 totdat wij allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis vau Gods Zoon, en een volwassen man worden, naar de maat van Christus' volkomen ouderdom; 14 opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, als golven bewogen en geslingerd door allerlei wind der leer, door bedriegerij der meu-schen en arglistigheid, waarmede zij heimelijk aankomen om te verleiden; 15 maar, de waarheid betrachtende in liefde, wassen in alle deelen aan hem die het hoofd is, Christus, 16 uit wien het geheele lichaam, samengevoegd en verbonden door alle ge- |
-ocr page 2139-
EFEZIERS 5.
395
|
wrichten, die elkander handreiking doen, naar het werk van elk lid in zijne mate, den wasdom des lichaams verkrijgt tot zijne opbouwing in de liefde. 17 Zoo zeg ik nu dit en betuig het in den Heer, dat gij niet meer wandelen moogt gelijk de andere heidenen wandelen in de ijdel-heid van hun gemoed; 18 wier verstand verduisterd is, en die vervreemd zijn van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten; 19 die gevoelloos zijn, en zich zelve overgeven aan ongebondenheid; die allerlei onreinheid bedrijven, met begeerlijkheid. 20 Doch gij hebt Christus akou niet geleerd, 31 indien gij althans van hem gehoord hebt en in hem onderwezen zijt, gelijk de waarheid in Jezus is: 32 dat gij wat betreft den vorigen wandel, den ouden menseh, die zich zei ven door lusten der dwaling verderft, moet afleggen, 33 en dat gij vernieuwd moet worden in den geest uws gemoeds, 3-1 en den nieuwen menseh aandoen, die naar God geschal rechtigheid en heiligheid. |
35 Daarom legt de leugen af, en spreekt de waarheid, ieder met zijnen naaste; nademaal wij onder elkander leden zijn. 36 Wordt toornig en zondigt niet; laat de zon over uwen toorn niet ondergaan, 37 geeft ook geen ruimte I. aan den duivel. ——• J | 38 Wie gestolen heeft, stele niet meer, maar ar-beide, en werke met de handen wat goeds, opdat hij hebbe mede te deelen aan den behoeftige. 29 Laat geen vuile reden uit uwen mond gaan, maar hetgeen nuttig is tot stichting, waar het noodig is, opdat het aangenaam zij te hooreir. 80 En bedroeft den Heiligen Geest Gods uiet, met welken gij verzegeld zijt tot op den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid en gramschap en toorn en gekijf en lastering zij ver van u, benevens alle boosheid; 33 maar zijt onder elkander vriendelijk, barmhartig, en vergeeft elkander, gelijk God ook ii vergeven heeft in Christus. HOOFDSTUK 5. 1 Zoo zijt nu Gods navolgers , als geliefde kinderen, |
-ocr page 2140-
EFEZIEKS 5.
396
|
2 en wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons liefgehad en zich zelven vooi-ons overgegeven heeft tot een gave en offer, Gode tot een liefelij ken reuk. 3 Maar laat hoererij eu alle onreinheid of' begeer-fijkheid onder u ook niet eens genoemd worden, gelijk tien heiligen betaamt; 4 ook geen schandelijke woorden, en zotteklap, of gekkernij, die u niet betamen, maar veeleer dankzegging. 5 Want dit moet gij weten, dat geen hoereerder of'onreine of' hebzuchtige, — die een afgodendienaar is, •— erfdeel heeft aan het rijk van Christus en van God. 6 Laat niemand u misleiden met ij dele woorden; want om deze dingen komt Gods toorn over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Daarom zijt hunne me-degenooten niet. 8 Want gij waart weleer duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heer: wandelt als kinderen des lichts, — 9 want de vrucht des Gees-tes is alle goedheid en gerechtigheid eu waarheid — 1Ü en beproeft wat den Heer welbehagelijk is. |
11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze vt eleer. 12 Want hetgeen heimelijk door hen geschiedt is zelfs schandelijk te zeggen. 13 Maar dit alles wordt openbaar, wanneer het door het licht bestraft wordt; want al wat openbaar wordt, is licht. li Daarom zegt hij: //Ontwaak gij die slaapt, en sla op uit do dooden, en Christus znl u verlichten.// 15 Zoo ziet nu toe hoe gij voorzichtig wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen; 10 en koopt den tijd uit, want het is een kwade tijd. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat wat de wil des Heeren is. 18 En drinkt u niet vol wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vol van den Geest, 19 eu spreekt onder elkander in psalmen en lofzangen en .geestelijke liederen, zingt eu speelt den Heer in uw hart; 20 en zegt altijd dank voor alles Gode en den Vader, in den naam van onzen Heer Jezus Christus; 21 en zijt elkander onderdanig iu de vreeze Gods. 22 Gij vrouwen, zijt uw mannen onderdanig, als den Heer; |
-ocr page 2141-
|
33 want fie man is het hoof! der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is; en hij is de Heiland des lichaams. 34 Maar gelijk nn de gemeente Christus onderdanig is, dat zóó ook de vrouwen het haren mannen zijn in alle dingen. 35 Gij mannen , hebt uwe vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente heeft liefgehad en zich zei ven voor haar heeft overgegeven, 36 opdat hij haar heiligen zon, haar gereinigd hebbende door het waterbad in het woord , 37 opdat hij haar zich zeiven zou voorstellen als eene gemeente die heerlijk of iets dergelijks hebbe, maar die heilig zij en onberispelijk. 38 Alzoo moeten ook de mannen hunne vrouwen liefhebben als hunne eigene lichamen. Wie zijne vrouw liefheeft, heeft zich zeiven lief, 39 want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en verzorgt het, gelijk ook de Heer de gemeente; 30 want wij zijn leden van zijn lichaam, van zijn vleesch I en van zijn gebeente. |
HOOFDSTUK 0. 1 Gij kinderen, weest gehoorzaam aan uwe ouders in den Heer; want dat is recht. 3 //Eer vader en moeder// , ■— dit is het eerste gebod dat eene belofte zij, die geen vlek of rimpel} heeft: 3 //opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde.// 4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in tucht en vermaning voor den Heer. 5 Gij dienstknechten, weest gehoorzaam aan uwelichame-lijke heeren, met vrees en beven, in eenvoudigheid uws harten, als aan Christus; 6 niet met dienst voor oogen alleen, als om men-schen te behagen, maar als dienstknechten van Christus, die den wil Gods van harte doen, EFEZEERS fi. 397 31 //Daarom zaleenmensch vader en moeder verlaten en zijjie vrouw aanhangen, en die twee zullen één vleesch zijn.// 33 Deze verborgenheid is groot; ik zeg dit namelijk van Christus en de gemeente. 33 Maar ook gij, ieder hebbe zijne eigene vrouw lief als zich zeiven; en de vrouw eerbiedige den man. |
-ocr page 2142-
EPEZIEES 6.
398
|
7 dienende met goedwilligheid den Heer en niet de mensclien; 8 en weet dat al wat ieder goeds zal doen, hij dat van den Heer ontvangen zal, hij zij dienstknecht of vrije. 9 En gij heeren, doet hetzelfde ook jegens hen, en laat het dreigen na, wetende dat ook uw Heer in den hemel is, en dat bij hem geen aanzien des persoons is. 10 Voorts mijne broeders, wordt sterk in den Heer en in de macht zijner sterkte. 11 Doet de geheele wapenrusting Gods aan, opdat gij kunt staande blijven tegen de listige aanvallen des duivels; 12 want wij hebben niet te vechten tegen vleesch en bloed, maar tegen overheden en machten, namelijk tegen de heeren der wereld, die in de duisternis dezer eeuw heerscheu, tegen de booze geesten onder don hemel. 13 Daarom grijpt de geheele wapenrusting Gods aan, opdat gij in den kwaden dag tegenstand moogt bieden, en alles wèl uitvoeren en het veld behouden. 14 Zoo staat nu, uwe lende omgord hebbende met waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid, |
15 en geschoeid aan de voeten, opdat gij gereed zijt \tot de prediking] van het evangelie des vredes; 16 maar vóór alle dingen , grijpt het schild des ge-loots aan, waarmede gij alle vurige pijlen des boozen kunt uitblusschen; 17 en neemt den lielm des heils, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods woord. 18 En bidt steeds te allen tijde, met alle gebed en smeeking in den Geest; en waakt daartoe met alle volharding en smeeking voor alle heiligen, 19 en voor mij, opdat mij gegeven worde het woord met een vrijmoedig openen mijns monds, opdat ik moge bekendmaken de verborgenheid van het evangelie , 30 van hetwelk ik een bode ben in een keten; opdat ik daarin vrijmoedig moge handelen en spreken zooals het behoort. 21 En opdat gij ook weet hoe het met mij staat en wat ik doe, zal ïychi-cus, de gelietde broeder en getrouwe dienaar in den Heer, u dit alles bekendmaken ; 1 |
-ocr page 2143-
FILIPPIERS 1.
899
|
22 welken ik te dien einde tot u gezonden heb, opdat gij zoudt vernemen hoe het met mij staat, en opdat hij uwe harten zou vertroosten. |
23 Vrede zij den broederen, en liefde met geloof, van God, den Vader, en den Heer Jezus Christus. 21- Genade zij met allen die onzen Heer Jezus Christus in onvergankelijkheid liefhebben! Amen. |
DE li UI E F VAX PAULUS AAN DE
FILIPPIËKS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus en Tïmotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, aan al de heiligen in Christus Jezus te Filippi, met de opzieners en diakenen. 3 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! 3 Ik dank mijnen God, zoodikwijls ik aan u denk, — 4 hetwelk ik altijd doe in al mijne gebeden voor u allen, en doe dat gebed met vreugde 5 wegens uwe gemeenschap aan het evangelie, van den eersten dag af tot nu toe; 6 en heb dit goede vertrouwen, dat hij die in u een goed werk begonnen heeft, het ook volbrengen zal tot op den dag van Jezus Christus; |
7 gelijk het voor mij billijk is, dat ik in diervoege over u allen denk, omdat ik u iu mijn hart heb, u, die allen, zoowel in mijne banden als bij mijne verdediging en bevestiging van het evangelie, met mij de genade deelachtig zijt. 8 Want God is mijn getuige, hoe ik naar u allen verlang met de hartelijkheid van Christus Jezus. 9 En dit bid ik , dat uwe liefde nog meer en meer rijk worde in kennis, en in alle ervaring; 10 opdat gij beproeven moogt wat het beste zij, opdat gij louter en zonder aanstoot zijt tegen den dag van Christus, 11 vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus in u geschieden, tot eer en lof van God. 12 Maar gij moet weten, broeders, dat hetgeen mij |
-ocr page 2144-
FILIPPTERS 1.
400
|
overkomen is sleclits meer tot bevordering des evangelies gestrekt heeft, 13 zoodat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in liet geheele rechthuis en bij al de anderen; 14 en de meeste der broeders in den Heer, uit mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, des te vrijmoediger geworden zijn om het woord te spreken zonder vrees. 15 Sommigen prediken ook wel Christus uit nijd en twistzucht, maar sommigen met goede bedoeling; 16 gene verkondigen Christus uit twistgierigheid, niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te voegen; 17 maar deze uit liefde, dewijl zij welen dat ik tot verantwoording des evangelies hier lig. 18 Wat dan? Dat slechts de Christus verkondigd worde op allerlei wijze, het geschiede in schijn of in waarheid, zoo verblijd ik mij daarin, en zal mij ook verblijden; 19 want ik weet dat dit mij ter zaligheid gedijen zal door uw gebed en door ondersteuning des Geestes van Jezus Christus, |
20 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak beschaamd zal worden, maar dat met alle vrijmoedigheid, gelijk altijd, alzoo ook nu Christus hoog geprezen zal worden aan mijn lichaam, hetzij door het leven of door den dood. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 23 Maar of in het vleesch te leven meer dient om nut te doen, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van beide zijden gedrongen, hebbende lust om ontbonden te worden en bij Christus te zijn, hetwelk ook veel beter is; 24 maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil. 25 En met een goed vertrouwen weet ik, dat ik blijven en bij u allen verwijlen zal, u tot bevordering en tot vreugde des geloofs, 26 opdat gij u zeer beroemen moogt in Christus Jezus op mij, door mijne wederkomst tot u. 27 Wandelt slechts waardig naar het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van u hoore, |
-ocr page 2145-
FILTPPIËRS 2.
•101
|
dat gij staat in éénen geest en één van ziel met ons strijdt voor het geloof des evangelies, 28 en u op geenerlei wijze verschrikken laat door de wederpartijders: hetwelk hun een bewijs is des verderfs, maar ü der zaligheid, en dat van God. 29 Want u is gegeven om Christus' wil, niet alleen in hem te gelooven , maar ook voor hem te lijden, 30 hebbende denzelfden strijd, dien gij aan mij gezien hebt en nu van mü hoort. HOOFDSTUK 2. 1 Is er nu eenige vermaning in Christus, is er eenige troost der liefde, is er eenige gemeensehap des geestes, is er eenige hartelijke liefde en ontferming [hij u], 2 zoo vervult mijne vreugd, dat gij eensgezind zijt, gelijke liefde hebt, van één gemoed en één gevoelen zijt. 3 Doet niets door twist of ora ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander hoogpr dan zich zeiven. 4 Een ieder zie niet op liet zijne, maar ook op hetgeen der anderen is. |
5 Want ieder zij gezind, gelijk Jezus Christus ook was, (5 die, hoewel hij in Goddelijke gedaante was, het niet voor een roof hield Gode gelijk te zijn, 7 maar zich zeiven geheel verloochende, de gedaante van een knecht aannemende, daar hij den menschen gelijk werd en in liet gelaat als een mensch bevonden; 8 hij vernederde zich zeiven, gehoorzaam zijnde tot den dood, ja, tot den dood aan het kruis. !) Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd, en hem een naam gegeven die boven alle namen is, 10 opdat in den naam van Jezus zich buigen zullen alle knieën dergenen , die in den hemel en op de aarde cn onder de aarde zijn, 11 en alle tongen bekennen zullen dat Jezus Christus fle Heer is, ter eere Gods des Vaders. 12 Alzoo, mijne geliefden , gelijk gij altijd gehoorzaam geweest zijt,- niet alleen in mijne tegenwoordigheid, maar ook veelmeer nu in mijne afwezigheid, werkt dat gij zalig wordt met vreezen en beven; 13 want God is het die iu u werkt beide het willen en het doen, naar zijn welbehagen. |
26
-ocr page 2146-
FILTPPIÉES 2.
402
|
14 Doet alle dingen zonder nmrmureering en zonder tegenspraak, 15 opdat gij zijn raoogt onberispelijk en louter, en Gods kinderen, onstraffelijk in het midden van en ontaard en verkeerd geslacht, onder hetwelk gij schijnt als lichten in de wereld, 16 vasthoudende aan het woord des levens, mij tot een roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs geloopen, noch tevergeefs gearbeid lieh. 17 Èn indien ik zelfs geofferd werd bij het olfer en de bediening van uw geloof, zoo verblijd ik mij, en verblijd mij met u allen; 18 en om datzelfde moet gij u óók verblijden, en zult u met mij verblijden. 19 Maar ik hoop in den Heer Jezus Timótheüs welhaast tot u te zenden, opdat ik óók welgemoed moge zijn, als ik verneem hoe het met u staat. 20 Want ik heb niemand die zoo gelijk van zin met-mij zijnde, zoo hartelijk voor u zorgt; 21 want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. 22 En gij kent zijne beproefdheid; want als een kind zijnen vader, zoo heeft hij met mij gediend in het evangelie. |
23 Dezen nu hoop ik terstond te zenden, zoodra ik van den afloop mijner zaken iets zal vernomen hebben; 24 doch ik vertrouw in den Heer, dat ik ook zeil' spoedig komen zal. 25 Maar ik heb noodig geacht, Epafroditus, den broeder, tot u te zenden, die mijn helper en medestrijder, en uw afgezondene en dienaar mijner nooddruft is, 26 dewijl hij naar u allen verlangen had, en zeer bekommerd wras, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij is ook doodkrank geweest; maar God heeft zich over hein ontfermd , en niet alleen over hem maar ook over mij, opdat ik niet de eene treurigheid op de andere zon hebben. 28 Ik heb hem dan des te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende weder verblijd zoudt worden, en ik ook minder treurigheid zou hebben. 29 Zoo neemt hem dan aan in den Heer met alle vreugde, en houdt dezulken in waarde; 30 want om het werk van Christus was hij den |
-ocr page 2147-
FILTtPTÉfeS 3.
403
|
dood nabij gekomen, toen hij zijn leven gering aclifte, om aan te vullen wat aan uw dienstbetoon jegens mij nog ontbrak. HOOFDSTUK 3. 1 Voorts, mijne broeders, verheugt u in den Heer! Dat ik altijd hetzelfde schrijf verdriet mij niet, en maakt u des te gewisser. 3 Ziet toe op de honden, ziet toe op de kwade arbeiders, ziet toe op de ver-snijdenis. 8 Want wij zijn de besnij-' denis, wij, die God in den Geest dienen, en ons beroemen op Christus Jezus, en ons niet op liet vleeseh ;Terlaten; 4 hoewel ik ook heb waarom 'ik mij op het vleeseh zou Icunnen beroemen. Is er demand die meent zich op ■het vleeseh te mogen be-'roemen, ik nog veel meer: 5 ik, die op den achtsten ilag besneden ben, uit het volk Israels, van het geslacht van Benjamin, een Mebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizecr, 6 naar den ijver een ver-i'olger der gemeente, naar fle gerechtigheid in de wet mberispelijk. 7 Maar hetgeen mij voor-leel was, dat heb ik om |
Christus' wil voor schade geaoht. 8 Ja, ik acht ook nog alles voor schade tegen de alles overtreflende kennis van Christus Jezus mijnen Heer, om wiens wil ik alles heb prijs gegeven, en het voor slijk acht, opdat ik Christus moge gewinnen, 9 en in hem bevonden worden, als hebbende niet mijne gerechtigheid die uit de wet, maar die dooi' het geloof in Christus komt, de gerechtigheid die van God het geloof'toegerekend wordt; 10 om hem te kennen, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijns lijdens, zoodat ik zijnen dood gelijkvormig word, 11 of' ik misschien komen moeht tot de opstanding der dooden. 12 Niet dat ik het alreeds verkregen heb of'alreeds volkomen ben; maar ik jaag er naar of'ik het ook grijpen mocht, daar ik ook door Christus Jezus gegrepen ben. 13 Broeders, ik meen van mij zeiven niet dat ik het gegrepen heb; 14 maar één ding doe ik: vergetende wat achter is, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór is, jaag ik, volgens het doel, naar den |
-ocr page 2148-
|
404 PILTPP prijs der liemelsclie roeping Gods in Christus Jezus. 15 Zoovelen nu nis er van ons volkomen zijn, laat ons alzoó gezind zijn; en indien gij in iets van een ander gevoelen zijt, ook dat zal God u openbaren. 16 Doch, waartoe wij gekomen zijn, laat ons daarnaar wandelen. 17 Volgt mij, broeders, en ziet op degenen die zóó wandelen, gelijk gij ons tot eeu voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls gezegd heb en nu nok weenende zeg, dat zij vijanden zijn van Christus' kruis: 19 wier einde is het verderf, wier God de buik is, en wier eer in hunne schande is, welke aardsch-gezind zijn. 30 Maar onze wandel is in den hemel, van waar wij ook verwachten den Zaligmaker Jezus Christus, den Heer, 21 die ons nietig lichaam veranderen zal, zoodat het gelijkvormig worde aan zijn verheerlijkt lichaam, naaide werking waardoor hij ook alle dingen zich kan onderdanig maken. HOOFDSTUK 4. 1 Alzoo, mijne geliefde [ÉES 4. |
en zeer gewenscht.e broeders, mijne vreugd en mijne kroon, staat alzóó in den Heer, gij geliefden. 3 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyché, dat zij eensgezind zijn iu den Heer. 'A Ja, ik bid ook u,mijn getrouwe metgezel, sta haalbij, die met mij voor het evangelie gestreden hebben, met Clemens en mijne andere medehelpers, wier namen zijn in het boek des levens. 4 Verblijdt u in den Heer altijd: en nog eens zeg ik, verblijdt u! 5 Laat uwe bescheidenheid allen menschen kennelijk zijn. De Heer is nabij. 6 Weest over niets bezorgd, maar laat in alle dingen uwe begeerten door bidden en smeeken met dankzegging voor God kennelijk worden. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, beware uwe harten en uwe gedachten in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, wat waarachtig is, wat eerbaar, wat rechtvaardig, wat kuisch, wat liefelijk is, wat wol luidt, is er eeni-ge deugd, is er eenige lof, bedenkt dat. 9 Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord |
-ocr page 2149-
FILIPI'IËES 4.
405
|
en gezien hebt aan mij, doet dat: zoo zal de God des vredes met u zijn. 10 Maar ik bon groote-lijks verblijd in den Heer, dat gij reeds weder in staat waart om voor mij te zorgen , waarop gij ook bedacht zijt geweest, maar de tijden lieten bet niet toe. 11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek, want ik heb geleerd in hetgeen ik ben mij te vergenoegen; 13 ik weet vernederd te worden, en ik weet overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik ingewijd, zoowel om verzadigd te worden als om honger te lijden, om overvloed zoowel als om gebrek te hebben. 13 Ik vermag alles door hem die mij machtig maakt, Christus. 14 Doch gij hebt wèl gedaan dat gij u mijne verdrukking aangetrokken hebt. 15 Gij, Filippiërs, weet ook zelve, dat van het begin des evangelies af, toen ik vertrok uit Macedonië, geen gemeente met mij eeue rekening heeft gemaakt om voor mij te geven naar hetgeen zij ontvangen beeft, dan gij alleen. |
10 Want naar Tliessalonica zondt gij tot mijne nooddruft eenmaal en daarna nog eenmaal. 17 Niet dat ik het geschenk zoek, maar ik zoek de vrucht die in uwe rekening overvloedig is. 18 Doch ik bezit alles en heb overvloedig; ik heb ten volle genoeg, nu ik door Epafroditus ontving hetgeen van u kwam, een liefelij ken reuk, een aangenaam oli'er, Gode behagelijk. 19 Mijn God nu zal al uwe nooddruft vervullen naar zijnen rijkdom, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20 Onzen God en Vader nu zij de eer van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 31 Groet al de heiligen in Christus Jezus. TJ groeten de broeders die bij mij zijn. 23 U groeten al de heiligen , maar bijzonder die van des keizers huis. 33 De genade onzes Hee-ren Jezus Christus zij met u allen! Amen. |
-ocr page 2150-
DE BRIEF VAN PAULUS
AAN DE
KOLOSSERS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en ïimótheüs, de broeder, 3 aan de heilige en ge-loovige broederen in Christus te Kolosse. Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus! 3 Wij danken den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus altijd iri het gebed voor u, 4 daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus, en van de liefde tot alle heiligen, 5 om de hoop die u weggelegd is in den hemel, van welke gij te voren gehoord hebt door het woord der waarheid van het evangelie, 6 hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld; en het is vruchtbaar, gelijk ook in u van dien dag af, toen gij het gehoord hebt en de genade Gods in waarheid hebt lee-ren kennen; |
7 gelijk gij geleerd hebt van Epairas, onzen geliefden mededienaar, die een getrouw dienaar van Christus is voor u, 8 die ons ook bekend ge-niiiakt heeft uwe liefde in den Geest. 9 Daarom ook wij, van dien dag al dat wij het gehoord hebben, houden niet op voor u te bidden en te begeeren dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 opdat gij moogt wandelen waardig den Heer, en hem in alles behagen, en vruchtbaar zijn in alle goede werken, en wassen in de kennis Gods, 11 en gesterkt worden met alle kracht, naar de |macht zijner heerlijkheid, tot alle standvastigheid en lankmoedigheid, met vreugde, 12 den Vader dankende, die ons bekwaam gemaakt heeft tot het erfdeel der heiligen in het licht; 13 die ons verlost heeft van de macht der duis- | ternis, en overgezet heeft |
-ocr page 2151-
KOLOSSEES-1.
4.07
|
in het rijk van zijnen geliefden Zoon, in wien wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden; /^15 welke is het evenbeeld des onzienlijken Gods, de eerstgeborene van alle schepselen. —--- ^16 Want door hem is alles geschapen wat in den hemel en op de aarde is, het zienlijke en onzienlijke, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten • het is alles door hem en tot hem geschapen ; / 17 en hij is vóór allen, en alle dingen bestcian in hem. /18 En hij is het hoofd des lichaanis, namelijk der gemeente; hij is het begin, de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in alle dingen de eerste zou zijn. 19 Want het is [GWór] welbehagen geweest, dat in hem alle volheid wonen zou, / 20 en dat alles door hem verzoend zou worden tot hem zeiven, vrede makende door het bloed zijns krui-ses, door hem [ze// ik'], hetzij op de aarde of in den hemel. 31 En u, die eertijds vervreemd en naar de gezind |
vijanden waart door uwe booze werken, heeft hij nu verzoend 22 in het lichaam zijns vleesches door den dood, opdat hij u heilig en onberispelijk en zonder schuld vóór zich zou steilen: 23 zoo gij slechts in het geloof gegrond en vast blijft, en u niet laat afbrengen van de hope des evangelies dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is bij alle schepselen die onder den hemel zijn; waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben. ^ 24 Nu verblijd ik mij in mijn lijden dat ik voor u lijd, en vervul in mijn vleesch wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, hetwelk is do gemeente; 25 van welke ik een dienaar geworden ben naar het Goddelijk predikambt, hetwelk mij gegeven is voor u, opdat ik het woord Gods rijkelijk prediken zou: 26 namelijk de verborgenheid , die verborgen geweest is van alle eeuwen en geslachten af, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen, 27 aan wie God heeft willen bekendmaken, welke de rijkdom der heerlijkheid van deze verborgenheid is onder de heidenen, welke is Chris- heid |
-ocr page 2152-
KGLOSERS 2.
408
|
tus onder u, die de koop der heerlijkheid is; 28 dien wij verkondigen, vermanende alle mensclien en loerende alle menschen met alle wijsheid, opdat wij ieder mensch volkomen stellen in Christus Jezus; 29 waaraan ik ook arbeid, en worstel naar de werking desgenen die krachtig in mij werkt. HOOFDSTUK 2. 1 Want ik wil dat gij weet hoe groot een strijd ik heb om u, en om degenen die te Laodicéa zijn, en allen die mijn aangezicht in het vleesch niet gezien hebben, 2 opdat hunne harten vertroost worden, te zamen verbonden in liefde, tot allen rijkdom der volkomene zekerheid van inzicht, om Ie kennen de verborgenheid Gods, van den Vader, en van Christus, 3 in wien verborgen liggen alle schatten der wijsheid en der kennis. 4 Dit nu zeg ik, opdat niemand u misleide met schijnschoone redenen; 5 want hoewel ik naar het vleesch afwezig ben, zoo ben ik nochtans in den geest bij u, en verblijd mij, daar ik zie de goede orde onder |
n de vastheid van uw geloof' in Christus. 6 Gelijk gij nu den Heer Jezus Christus hebt aangenomen , zoo wandelt in hem, 7 en zijt geworteld en opgebouwd in hem, en weest vast in het geloof', zooals u geleerd is, en weest daarin overvloedig met dankzegging. 8 Ziet toe, dat niemand u wegslepe door de filosofie en looze misleiding, naar de leer der menschen en naar de eerste beginselen dei-wereld, en niet naar Christus. 9 Want in hem woont de geheele volheid der Godheid Jichamelijk; 10 en gij zijt volkomen in hem, die het hoofd is van alle overheid en macht; 11 in wien gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die niet met de hand geschiedt, door aflegging van het zondige lichaam des vleesches, door de besnijdenis van Christus; N 12 daar gij met hem begraven zijt in den doop, in wien gij ook zijt opgestaan door het geloof in de werking Gods, die hem opgewekt heeft uit de dooden. 13 En hij heeft u ook met hem levend gemaakt, toen gij dood waart in de zonden |
-ocr page 2153-
KOLOSSERS 3.
409
|
en in de onbesnedenheid van uw vleesch, door ons alle zonden kwijt te schelden, 14 en uit te wisschen liet handschrift dat tegen ons getuigde, hetwelk in inzettingen bestond en ons tegen was, en heeft het uit den weg geruimd door het aan het kruis te hechten, 15 en heeft ontwapend de overhellen en machten, en die openlijk ten toon gesteld, en daardoor een triumf uit hen gemaakt. lö Zoo laat nu niemand u een gewetenszaak maken van spijs of van drank, ol ten opzichte van feestdagen of nieuwemaan-dagen of sabbatten; 17 hetwelk is de schaduw van hetgeen toekomende was; maar het lichaam is van Christus. 18 Laat niemand u den prijs doen missen, dit willende doen door nederigheid eu vereering der Engelen, indringende in hetgeen hij niet heeft gezien, en zonder oorzaak opgeblazen door het verstand zijns vleesches, 19 en zich niet houdende aan het hoofd, uit hetwelk het geheele lichaam, door gewrichten en verbindingen voorzien en te aimen gevoegd, opwast met Godde-lijken wasdom. |
20 Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat laat gij u dan, alsof gij nog in de wereld leefdet, inzettingen opleggen: 21 Gij zult dat niet aanraken , gij zult dat niet proeven, gij zidt dat niet aanroeren? — 22 hetwelk toch alles door het gebruik verteert,—en geboden en leeringen der menschen zijn, 23 welke wel een schijn van wijsheid hebben in eigendunkelijken godsdienst en nederigheid, en hardheid tegen het lichaam, doch die zonder eenige waarde zijn, daar zij alleen voldoening aan het vleesch geven. HOOFDSTUK 3. 1 Zijt gij nu met Christus opgestaan, zoo zoekt hetgeen boven is, waar Christus is, zittende ter rechter-hand Gods; 2 tracht naar hetgeen boven is, niet naar hetgeen op de aarde is. 3 Want gij zijt gestorven , en uw leven is verborgen met Christus in God. 4 Wanneer Christus, uw leven, zicli openbaren zal, dan zuit gij ook met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. |
-ocr page 2154-
KOLOSSEES 3.
410
|
5 Zoo doodt nu uwe leden die op de aarde zijn: hoererij , onreinheid, schandelijken lust, kwade begeerlijkheid en de hebzucht, welke is afgoderij: 6 om welke Gods toora komt over de kinderen des ongeloofs; 7 onder welke ook gij eertijds gewandeld hebt, toen gij daarin leefdet. 8 Maar nu, legt ook gij dit alles af: toorn, gramschap, boosheid, lastering, schandelijke woorden uit uwen mond. 9 Liegt niet tegen elkander, daar gij hebt uitgetrokken den ouden mensch met zijne werken 10 en aangedaan den nieuwen die vernieuwd wordt tot de kennis, naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft. 11 Hierisgeen Griek, Jood, besnijdenis, onbesnedenheid, niet-Griek, Scyth, dienstknecht of vrije, maar Christus is alles en in allen. 13 Zoo trekt nu aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, hartelijke ontferming, vriendelijkheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid , lankmoedigheid ; 13 en de een verdrageden ander, en vergeeft elkander, zoo iemand eene klacht heeft tegen den ander; gelijk Christus u vergeven heeft, alzoo ook gij. |
14 En boven dit alles, trekt aan de liefde, welke is de band der volkomenheid. 15 Eu de vrede Gods re-geere in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar. 16 Laat het woord van Christus rijkelijk onder u wonen in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, en zingt den Heer liefelijk in uw hart. 17 En al wat gij doet met woorden ot met werken, doet dat alles in den naam van den Heer Jezus, en i dankt God en den Vader door hern. 18 Gij vrouwen, zijt uw mannen onderdanig, gelijk het betaamt, in den Heer. 19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en zijt niet bitter tegen haar. 20 Gij kinderen, zijt den ouders gehoorzaam in alle dingen, want dat is den Heer welbehagelijk. 21 Gij fatiers, verbittert uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alle dingen gehoorzaam |
-ocr page 2155-
KOLOSSEBS 4.
411
|
uwen licbamelijken beeren, niet met dienst voor oogen als om menschen te heilagen, maar in eenvoudigheid des harten, vreezende God. 23 En al wat gij doet, doet dat.van harte als den Heer en niet den mensehen, 24 daar gij weet dat gij van den Heer de vergelding des erfdeels ontvangen zult; want gij dient den Heer Christus. 25 Maar wie onrecht doet, ad het onrecht, dat hij gedaan heeft, dragen; en er geldt geen aanzien des per-soons. HOOFDSTUK 4. 1 Gij heeren, bewijst aan uwe dienstknechten hetgeen recht en billijk is, en weet dat ook gij ecu Heer in den bemel hebt. —■ 3 Houdt aan in het gebed, en waakt daarin met dankzegging; 3 en bidt ook mede voor ons, opdat God ons eene deur des woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben, 4 opdat ik haar openbare, gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt wijseliik bij degenen die buiten zijn, en koopt den tijd uit. |
6 Uwe rede zij altijd liefelijk en met zout gekruid, opdat gij weten moogt hoe gij ieder moet antwoorden. 7 Hoe bet met mij staat, dit alles zal Tycbicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar eu mededienstknecht in den Heer, u bekendmaken, 8 dien ik daarom tot u gezonden heb, opdat hij verneme hoe het met u staat, en opdat hij uwe harten vertrooste, 9 met Onésimus, den getrouwen en geliefden broeder , die van de uwen is. Alles, hoe het hier staat, zullen zij u bekendmaken. 10 U groet Aristarchna, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas , wegens wien gij bevelen ontvangen hebt, — indien hij tot u komt, zoo neemt hem aan — 11 en Jezus, genaamd Justus, die uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medehelpers aan het rijk Gods, die mij eene vertroosting geweest zijn. 12 U groet Epafras die van de uwen is, een dienstknecht van Christus, en altijd voor u strijdende in zijne gebeden, opdat gij vast moogt staan, volkomen, en vervuld met al den wil Gods. 13 Want ik geef hem ge- |
-ocr page 2156-
.0N1XERS 1.
1 THESSAD
412
|
tuigenis, dat hij om uwentwil veel moeite heeft, en voor degenen die te Laodi-cea en die te Hiërapolis zijn. 14 U groet Lukas, de geneesmeester , de gelietile, en Demas. 15 Groet de broeders te Laodicéa, en Nymfiis, en de gemeente in zijn huis. 16 En wanneer deze brief bij u gelezen is, zoo maakt DE EE1ÏSTE BEI AAI T H E S S A L HOOFDSTUK 1. 1 Paulus en Silvanus en Timotheüs aan de gemeente te Thessalomca, in God, den Vader, en den Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! 3 Wij danken God altijd voor u allen, en gedenken aan u in ons gebed; 3 en zonder ophouden gedenken wij uw werk des geloofs, en uwen arbeid der liefde, en uwe standvastigheid der hoop op onzen Heer Jezus Christus, voor onzen God en Vader; |
4 want, van God geliefde dat hij ook in de gemeente te Laodicéa gelezen worde, en dat gij ook dien uit Laodicéa leest. 17 En zegt aan Archip-pus: Zie op het ambt hetwelk gij ontvangen hebt in den Heer, dat gij het volbrengt. 18 De groetenis van mij, Paulus, eigenhandig. Gedeukt aan mijne banden. Pc genade zij met u! Amen. EF VAN PAULUS DE O NI K E R S. broeders, wij weten dat gij uitverkoren zijt. 5 Immers ons evangelie is bij ii niet geweest alleen in woorden, maar ook in kracht en in den Heiligen Geest en in volle verzekerdheid, gelijk gij weet hoe-danigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. ö En gij zijt onze navolgers geworden en des Hee-ren, daar gij het woord onder vele verdrukkingen hebt aangenomen met vreugde iu den Heiligen Geest, 7 zoodat gij geworden zijt een voorbeeld voor alle ge-loovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het |
-ocr page 2157-
1 THESSALONIKERS 2.
413
|
woord des Heeren niet alleen in Macedonië en Achaje ruchtbaar geworden, maar in alle plaatsen is de roep van uw geloof in God uitgegaan , zoodat wij niet noodig hebben iets ervan te zeggen; 9 want 7,ij zelve verkondigen van ons, wat ingang wij bij u gehad hebben, en hoe gij van de afgoden bekeerd zijt tot God, om den levenden en waren God te dienen, 10 en te verwachten zijnen Zoon van den hemel, welken hij opgewekt heeft uit de dooden, Jezus, die ons van den toekomenden toorn verlost. HOOFDSTUK 2. 1 Want gij zelve weet ook, brooders, van onzen ingang tot u, dat hij niet vergeefsoh geweest is; 2 maar hoewel wij te voren geleden hadden en mishandeld waren te Pilippi, gelijk gij weet, zoo waren wij evenwel vrijmoedig in onzen God , om het evangelie Gods tot n te spreken onder veel strijd. gt;5 Want onze vermaning is niet geweest uit dwaling, noch uit onreinheid, noch met list; 4 maar gelijk wij door |
God beproefd zijn, dat ons het evangelie te prediken toebetrouwd is, alzóó spreken wij, niet om menschen te behagen, maar Gode, die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben, gelijk gij weet, nooit met vleiende woorden omgegaan, noch met een voorwendsel, waar achter zich hebzucht verborg; — God is getuige! —• fi wij hebben ook geen eer gezocht bij menschen, noch bij u, noch bij anderen; hoewel wij, als Christus' apostelen, ons konden doen gelden; 7 maar wij zijn vriendelijk geweest bij n. Gelijk eene voedster hare kinderen koestert, 8 alzoo hadden wij eene hartelijke genegenheid tot u, en waren gewillig u niet alleen het evangelie Gorls mede te deelen, maar ook ons eigen leven, omdat wij u hebben lief gekregen. 9 Gij zijt ^'el indachtig, broeders, onzen arbeid en onze moeite; want dag en nacht arbeidende, opdat wij niemand onder u zouden bezwaren, predikten wij onder u het evangelie Gods. 10 Daarvan zijt gij getuigen en God, hoe heiligen rechtvaardigen onberispelijk |
-ocr page 2158-
1 THESSALONIKEUS 3.
414
|
wij bij u die gelooft geweest zijn; 11 gelijk gij weet dat wij, als een vader zijne kinderen, elk van u vermaand en getroost hebben, 13 en betuigd dat gij waardiglijk zoudt wandelen voor God , die u roept tot zijn rijk en tot zijne heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, toen gij van ons het woord der Goddelijke prediking ontvingt, gij dat aannaamt niet als der men-schen woord, maar — gelijk het in waarheid is —-als Gods woord, hetwelk ook werkt in u die gelooft. 14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods in Judea, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers , als zij van de Joden; j 15 'die ook den Heer Jezus en hunne eigene profeten gedood hebben, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen menschen tegen zijn, 16 daar zij ons verhinderen te prediken den heidenen, opdat zij zalig mochten worden; zoodat zij hunne zonden altijd meer vol maken; maar nu is de toorn eindelijk over hen gekomen. |
17 Maar wij, broeders, nadat wij van n eenigen tijd beroofd zijn geweest naar het aangezicht, niet naar het hart, zoo hebben wij ons des te meer gehaast om uw aangezicht te zien, met groot verlangen. 18 Daarom hebben wij tot u willen komen, — ik, Paulus, althans een- en andermaal, — maar de satan heeft ons verhinderd. 19 Want wie is onze hoop of vreugd ol kroon des roems? Zijt ook gij het niet voor onzen Heer Jezus Christus in zijne toekomst? 20 Ja, gij zijt onze eer en vreugde. HOOFDSTUK 3. 1 Daarom, dewijl wij het niet langer konden uithouden, hebben wij het ons laten welgevallen te Athene alléén achtergelaten te worden, 3 en hebben Timotheüs, onzen broeder en dienaar Gods, en onzen medehelper in het evangelie van Christus , gezonden om u in uw geloof te versterken en te vermanen, 3 opdat niemand wankelmoedig worde onder deze verdrukkingen; immers gij |
-ocr page 2159-
1 THESSALONIKEÈS 4.
415
|
weet zelve dat wij daartoe gesteld zijn. 4 Want ook toen wij bij ii waren , zeiden wij u te voren dat wij verdrukt zouden worden, gelijk het ook geschied is en gij zelve weet. 5 Dfiarom heb ik, het ook niet langer kunnende uithouden, hem gezonden om naar uw geloof te vernemen, of niet missohien de verzoeker u mocht verzocht hebben en onze arbeid vergeefsch ware geworden. 0 Miiar nu Timótheüs van n tot ons gekomen is, en ons de tijding van uw geloof en uwe liefde gebracht heeft, en dat gij aan ons altijd ten goede denkt, en verlangt ons te zien, gelijk wij ook u, 7 nu zijn wij, broeders, getroost geworden over n, in al onze verdrukking en nood, door uw geloof; 8 want nu leven wij, indien gij staande blijft in den Heer. 9 Welke dankzegging dan kunnen wij Gode vergelden wegens u, voor al deze vreugde die wij wegens u hebben voor onzen God? lü Wij bidden dag en naoht zeer overvloedig, dat wij uw aangezicht mogen zien, en aanvullen wat er ontbreekt aan uw geloof. |
11 Hij zelf nu, onze God en Vader, en onze Heer Jezus Christus, leide onzen weg tot u. 12 En de Heer doe u toenemen en overvloedig worden in de liefde jegens elkander en jegens iedereen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 om uwe harten te versterken , opdat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onzen God en Vader, bij de toekomst van onzen Heer Jezus Christus met al zijne heiligen. HOOFDSTUK 4. 1 Voorts, broeders, bidden en vermanen wij u in den Heer Jezus, dat, gelijk gij van ons vernomen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen, gij daarin nog overvloediger wordt. 2 Want gij weet welke geboden wij u gegeven hebben door den Heer Jezus. 3 Dit toch is de wil Gods, uwe heiliging; dat gij mijdt de hoererij, 4 en dat ietier van u zijn eigen vat wete te houden in heiliging en eer, 5 niet in kwaden lust, als de heidenen die van God niet weten; 6 en dat niemand zich vergrijpe, noch zijnen broe- |
-ocr page 2160-
1 THESSALONIKERS 5.
416
|
der bedriege in den handel; want de Heer is een wreker van dit alles, gelijk wij u te voren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiliging. 8 Wie dan \_dit\ veracht, veracht nietmenschen, maar God, die zijnen Heiligen Geest in u gegeven heeft. 9 Van de broederliefde nn is het niet noodig u te schrijven, want gij zelve zijt van God geleerd elkander lief te hebben; 10 en dat doet gij ook aan alle broeders die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij nog overvloediger wordt, 11 en dat gij u beijvert om stil te zijn en liet uwe te doen, en te arbeiden met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben, 12 opdat gij eerbaar wandelt voor degenen die buiten zijn, en niemand van hen noodig hebt. 13 En wij willen u. broeders, niet onkundig laten aangaande degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet treurig zijt gelijk de anderen die gene hope hebben. 14 Want zoo wij gelooven dat Jezus gestorven en verrezen is — zoo zal God ook degenen, die ontslapen zijn in Jezus, met hem opvoeren. |
15 Want dit zeggen wij u als een woord des Heeren, dat wij, die leven en overblijven bij de toekomst des Heeren, geen voorrecht zullen hebben boven degenen die ontslapen zijn. 16 Want hij, de Heer zelf, zal met -een veldgeroep, en met de stem des aartsengels en met de bazuin Gods, afkomen van don hemel; en de dooden in Christus zullen het eerst opstaan; 17 daarna zullen wij, die leven en overblijven, te za men met hen weggerukt worden in de wolken, den Heer tn gemoet, in de lucht, en zullen alzoo altijd bij den Heer zijn. 18 /oo troost nn elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. 1 Maar van de tijden en uren, broeders, is het niet noodig u te schrijven; 3 want gij zelve weet, dat de dag des Heeren zal komen gelijk een dief in den nacht. 3 Want als zij zullen zeg gen: Het is vrede, er is geen gevaar, dan zal het verderf hen plotseling overvallen , gelijk de smart eene |
-ocr page 2161-
1 THESSALONIKERS 5.
417
|
zwangere vrouw, en zij zullen niet ontvlieden. 4 Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, dat ii die dag gelijk een dief' zou overvallen; 5 gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags; wij zijn niet van den nacht noch van de duisternis. 6 Zoo laat ons nu niet slapen gelijk de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn. 7 Want wie slapen, slapen des nachts, en wie dronken zijn, zijn des nachts dronken; 8 maar wij, die van den dag zijn, moeten nuchter zijn, aangedaan met het borstwapen des geloot's en der liefile, en met den helm van de hope der zaligheid. 9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar om de zaligheid te verkrijgen door onzen Heer Jezus Christus, 10 die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken of slapen, te zamen met hem leven zouden. 11 Daarom vermaant elkander , en sticht de een den ander, gelijk gij ook doet. |
12 En wij bidden u, broeders, dat gij erkent die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heer en u vermanen, 18 en dat gij hen bovenmate lief hebt, om huns werks wil. Houdt vrede onder elkander. 14 En wij bidden u, broeders, vermaa.r.t de on-geregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens iedereen. 15 Ziet toe, dat niemand kwaad met kwaad vergelde, maar jaagt altijd het goede na, zoo jegens elkander als jegens iedereen. 16 Verblijdt u te allen tijde. 17 Bidt zonder ophouden. IS Zijt dankbaar in alle dingen; want dit is de wil Gods in Christus Jezus aangaande u. 1!) Bluscht den Geest niet uit. 20 Veracht de profetiën niet. 31 Beproeft alle dingen en behoudt het goede. 22 Mijdt allen kwaden schijn. 23 En hij, de God des vredes, heilige u geheel en al; en uw geheele geest, te zamen met de ziel en het lichaam, worde onberispelijk bewaard tot de toekomst van onzen Heer Jezus Christus! |
27
-ocr page 2162-
wm
2 THESSALONIKEKS 1.
418
|
24 Getrouw is hij die u roept, en liij zal het ook doen. 35 Broeders, bidt voor ons. 26 Groet alle broeders met den heiligen kus. |
27 Ik bezweer u bij den Heer, dat deze brief voorgelezen worde aan al de heilige broeders. 38 .De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met u. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN PAüLUS
THESSALONIKEKS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus en Silvanus en Timótheiis aan de gemeente te Thessalomca, in God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus. 2 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heer Jezus Christus! 3 Wij moeten God altijd danken voor u, broeders, gelijk billijk is, want uw geloof wast zeer, en de liefde tot elkander neemt bij u allen toe, 4 zoodat wij zelve ons op u beroemen bi] de gemeenten Gods, wegens uwe standvastigheid en uw geloot in al uwe vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt; 5 hetwelk bewijst dat God rechtvaardig oordeelen zal, en gij waardig zult geacht worden het rijk Gods, cm hetwelk gij ook lijdt; |
6 nademaal het recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukking aandoen, 7 maar u, die vprdrnkt wordt, verkwikking, met ons, als de Heer Jezus zal geopenbaard worden van den hemel met de Engelen zijner kracht, 8 in vlammend vuur, om wraak te oefenen over degenen die God niet kennen, en over degenen die bet evangelie van onzen Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn; 9 welke straf zullen lijden, het eeuwige verderf ver van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte, 10 wanneer hij komen zal om verheerlijkt te worden |
-ocr page 2163-
2 THESSALONIKEES 3.
41\
|
in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in alle geloovigen ■— want onze getuigenis aan u hebt gij geloofd — op dien dag. 11 En daarom bidden wij ook altijd voor u dat onze God u -der roeping waardig achte, en met kracht vol-tooie al het welgevallen aan het goede en het werk des geloofs; 12 opdat de naam van onzen Heer Jezus Christus in u verheerlijkt worde, en gij in hem, naar de genade van onzen God en van den Heer Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. 1 En aangaande de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze vereeniging met hem, bidden wij u, broeders, 2 dat gij u niet schielijk laat bewegen van uwen zin of verschrikken, noch door geest, noch door woord, noch door brieven als van ons gezonden, alsof de dag van Christus ophanden ware. 3 Laat niemand u op eeni-gerlei wijze misleiden; want hij komt niet tenzij dat te voren de afval kome, en geopenbaard worde de mensch der zonde, de zoon des verderfs, |
4 die de tegenstander is, en zich verheft boven al wat God ot godsvereering heet, zoodat hij zich zet in den tempel Gods als een God, en voorgeeft dat hij God is. 5 Gedenkt gij er niet aan, dat ik u dit zeide toen ik nog bij u was? 6 En wat het nog ophoudt weet gij, opdat hij geopenbaard worde op zijnen tijd. 7 Want de boosheid roert zich alreeds heimelijk, alleen dat degeen die het nu ophoudt moet weggedaan worden; 8 en alsdan zal de godde-looze geopenbaard worden, welken de Heer zal ombrengen door den adem zijns monds, en te niet doen door de verschijning zijner toekomst; 9 hem wiens toekomst is naar de werking des satans, met allerlei krachten en teekenen en wonderen der leugen, 10 en met allerlei mislei-leiding der ongerechtigheid voor degenen die verloren gaan, (laat zij de liefde tot de waarheid niet aangenomen hebben, opdat zij zalig werden. 11 Daarom zal God hun eene kracht der dwaling zenden, om de leugen te gelooven; 13 opdat geoordeeld wor- |
-ocr page 2164-
2 ÏHESSALONIKERS 3.
4.20
|
den allen, die de waarheid niet geloofd, maar lust gehad hebben aan de ongerechtigheid. 13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken voor u, van den Heer beminde broeders, dat God u van den beginne verkoren heeft tot de zaligheid, in de heiliging des Geestes en in het geloof der waarheid; 14 waartoe hij u geroepen heeft door ons evangelie, om te verkrijgen de heerlijkheid van onzen Heer Jezus Christus. 1.5 Zoo staat nu, broeders , en houdt de leeringen vast, die gij ontvangen hebt, hetzij door ons woord of door onzen brief. 16 En hij zelf, onze Heer Jezus Christus, en onze God en Vader, die ons heeft liefgehad en een eeuwigen troost en eene goede hoop heeft gegeven in genade, 17 vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed werk en woord! HOOFDSTUK 3. 1 Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren loope en geprezen worde, gelijk bij u, 2 en opdat wij verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet de zaak van allen. |
3 Maar de Heer is getrouw; die zal u versterken en bewaren voor den booze. 4 En wij vertrouwen van u in den Heer, dat gij doet en doen zult hetgeen wij u gebieden. 5 De Heer nu richte uwe harten tot de liefde Gods en tot de standvastigheid van Christus. 6 En wij gebieden u broeders , in den naam van onzen Heer Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan iede-ren broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de leering, welke hij van ons ontvangen heeft. 7 Want gij zelve weet hoe men ons moet navolgen; want wij zijn niet ongeregeld onder u geweest, 8 noch hebben iemands brood voor niet gegeten, maar met arbeid en moeite hebben wij dag en nacht gewerkt, opdat wij niemand onder u bezwaren zouden; 9 niet daf wij er geen macht toe hebben, maar opdat wij ons zelve u tot een voorbeeld zouden geven om ons na te volgen. 10 Want ook toen wij bij u waren, geboden wij u dit, dat zoo iemand niet wil |
-ocr page 2165-
1 TIMOTHEUS 1.
421
|
arbeiden, hij ook niet ete. 11 Want wij hooren dat . sommigen onder u ongeregeld wandelen, en niet arbeiden, maar zich met alles bemoeien. 12 Maar denzulken gebieden wij en vermanen hen door onzen lieer Jezus Christus, dat zij met stilheid arbeiden en hun eigen brood eten. 13 En gij broeders, wordt niet moede in goed te doen. 14 Maar indien iemand ons woord, in dezen brief, niet gehoorzaam is, maakt dien bekend en houdt geen omgang met hem, opdat hij zich scliame; |
15 doch beschouwt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder. IC Hij nu, de Heer des vredes, geve u den vrede altijd en op allerlei wijze. De Heer zij met u allen! 17 De eigenhandige groe-tenis van mij, Paulus; dit is het teeken in alle brieven: zóó schrijf ik. 18 De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met u allen! Amen. |
DB EERSTE BRIEF VAN PAU1.US
TIMOTHEÜS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en van den Heer Jezus Christus, die onze hope is, 2 aan Timotheüs, mijnen oprechten zoon in het geloof. Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en van onzen Heer Jezus Christus! |
3 Gelijk ik u vermaand heb, toen ik naar Macedonië trok, dat gij te Efeze zoudt blijven, en sommigen gebieden niets vreemds te leeren, 4 ook geen acht te geven op fabelen en geslachtsregisters, die geen einde hebben, en meer twistvragen voortbrengen dan verbetering tot God in het geloof; — 5 het einddoel toch van het gebod is liefde uit een rein hart, uit een goed |
-ocr page 2166-
|
423 1 TIMO'J geweten, en uit een ongeveinsd geloof; 6 waarvan sommigen zijn afgedwaald, en hebben zich gekeerd tot onnut geklap; 7 willende leeraars der wet zijn, en niet verstaande wat zij zeggen of wat zij verzekeren. 8 Maar wij weten dat de wet goed is, zoo iemand haar recht gebruikt, 9 en dit weet, dat den rechtvaardige geen wet gegeven is, maar den bande-loozen en ongehoorzamen, den goddeloozen en zondaren, den onheiligen en onreinen, vadermoorders en moeder-moorders, doodslagers, 10 hoereerders, wellusti-gen, menscbendieven, leugenaars , meineedigen, en wat er meer met de gezonde leer in strijd is, 11 naar het evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij is toebetrouwd. 12 En ik dank onzen Heer Christus Jezus, die mij heeft sterk gemaakt, en getrouw geacht, en gesteld in het ambt, 13 mij, die te voren een lasteraar was en een ver-smader; maar mij is barmhartigheid geschied, want ik heb het onwetend gedaan in ongeloof; 14 doch de genade van |
'HEUS 1. onzen Heer is des te rijkelijker geweest, met het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is. 15 Dit is een waarachtig en alle aanneming waardig woord, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken, onder welke ik de voornaamste ben. 16 Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus aan mij voornamelijk zou betoo-nen alle lankmoedigheid, tot een voorbeeld voor degenen , die in hem geloo-ven zouden ten eeuwigen leven. 17 Hen koning der eeuwen nu, den onvergankelijken en onzichtbaren en alleen wijzen God zij eer en prijs in eeuwigheid! Amen. 18 Dit gebod teveel ik u, mijn zoon Timotheüs, naar de voorgaande profetiën omtrent u, dat gij in haar een goeden strijd strijdt, 19 het geloof behoudende, en een goed geweten, hetwelk sommigen van zich gestooten en aan het geloof schipbreuk geleden hebben; 20 onder welke Hymenéüs is en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij leeren zouden niet meer te lasteren. |
-ocr page 2167-
|
HOOFDSTUK 2. 1 Zoo vermaan ik nu voor alle dingen dat men doe gebeden, smeekingen, voorbiddingen en dankzeggingen voor alle menschen, 2 voor koningen en alle overlieden, opdat wij een gerust en stil leven mogen lijden in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dit is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker, 4 die wil dat alle menschen behouden worden en tot kennis der waarheid komen. 5 Want er is één God, en één middelaar tusschen God en de menschen, namelijk de mensch Christus Jezus, G die zich zeiven gegeven heeft voor allen tot een losprijs, opdat zulks op zijnen tijd gepredikt zou worden; 7 waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel, — ik zeg de waarheid in Christus en lieg niet — als leeraar der heidenen in het geloof en in de waarheid. 8 Zoo wil ik nu dat de mannen bidden in alle plaatsen , opheffende heilige handen , zonder toorn en twist. 9 Desgelijks ook, dat de vrouwen, in eerbaar gewaad. |
423 met schaamte en ingetogenheid zich versieren, niet met haarvlechten, of goud, of paarlen, of kostbare kleeding, 1Ü maar, gelijk vrouwen betaamt die de godzaligheid belijden, door goede werken. 11 Eene vrouw late zich leeren in stilheid, met alle onderdanigheid. 12 Doch ik sta eene vrouw niet toe dat zij leere, ook niet dat zij over den man heersche, maar dat zij stil zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva; 14 en Adam werd niet verleid, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest; 15 doch zij zal zalig worden door kinderen te baren, indien zij blijft in het geloof en in de liefde en in de heiligmaking met eerbaarheid. HOOFDSTUK 3.' 1 Het is een betrouwbaar woord: indien iemand een opzienersambt begeert, die begeert een kostelijk werk. 2 Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, ingetogen, zedig, gastvrij, bekwaam om te leeren; 3 niet aan den wijn verslaafd , geen geweldenaar, geene oneerlijke hanteering 1 TIMOTHEÜS 2. 3. |
-ocr page 2168-
1 TTMOTHEÜS 3.
424
|
drijvende, maar welwillend, niet twistziek, niet geld-gicrig; 4 die zijn eigen huis wèl bestuurt, zijne kinderen in onderdanigheid houdt met alle waardigheid; — 5 want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te besturen , hoe zal hij voor Gods gemeente zorgen? — 6 geen nieuweling, opdat hij zich niet op blaze en in het oordeel des duivels valle. 7 En hij moet ook eene goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet in de ver-smaadheid en den strik des duivels valle. 8 T)e diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet aan den wijn verslaafd, geene oneerlijke hanteering drijvende; 9 die de verborgenheid des geloofs in een rein geweten houden. 10 En dat zij te voren beproefd worden, en daarna dienen, als zij onberispelijk zijn. 11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarsters, wakker, getrouw in alle dingen. 12 Laat de diakenen elk ééner vrouwe man zijn, die hunne kinderen en eigene huizen wèl besturen. |
13 Want die wèl gediend hebben, die verwerven zich zelve een sehoone eereplaats en eene groote vrijmoedigheid in het geloof in Christus Jezus. 14 Dit schrijf ik u, en hoop ten spoedigste tot u te komen; 15 maar zoo ik vertoef, opdat gij weet hoe gij wandelen moet in Gods huis, hetwelk is de gemeente des lerenden Gods, een pilaar en grondvest der waarheid. I 16 En ontegensprekelijk groot is de geheimenis der godzaligheid: God is geopenbaard in het vleesch, gerechtvaardigd in den Geest, verschenen den Engelen, gepredikt den heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in de heerlijkheid. HOOFDSTUK 4. . A jL Maar de Geest zegt duidelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, en zich begeven tot verleidende geesten en leeringen van booze geesten, 2 door geveinsdheid van leugensprekers, die een brandteeken in hun geweten hebben, 3 en verbieden te huwen, en de spijzen te gebruiken, welke God geschapen heeft wooi waar 10 wij o dewij God liebbt van a derhe 11 ( 12 1 |
-ocr page 2169-
1 TJMOTHEUS 5.
425
|
om met dankzegging genomen te worden door de geloovigen die de waarheid kennen. 4 Want idle schepsel Gods is goed, en niets verwerpelijk , hetgeen met dankzegging ontvangen wordt; 5 want het wordt geheiligd door het woord Gods en het gebed. 6 Indien gij den broederen dit voorhoudt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloots en der goede leer, bij welke gij u gestadig gehouden hebt. «-7 Maar ontsla u van de onheilige en oudwijfsche fabelen; en oefen u in de godzaligheid. 8 Want de lichamelijke oefening is weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, daar zij de belofte heeft van dit en het toekomende leven, «eeev 9 Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waardig. 10 Want daartoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, dewijl wij op den levenden God onze hoop gesteld hebben, die de Zaligmaker van alle menschen is, inzonderheid van de geloovigen. 11 Gebied en leer dit. 13 Niemand verachte uwe en u ef, ao- lis, des aar eid. ■lijk der pen- ge- lest, leu, tten, kkÏ. zegt atere n af-f, en lende van 1 van een weten uwen, aiken, heeft |
jonkheid; maar wees een voorbeeld voor de geloovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in knisch-heid. 13 Houd aan met voorlezen, met vermanen, met leeren, totdat ik kom. 14 Verzuim niet de gave die u gegeven is door de profetie, met handoplegging der oudsten. 13 Behartig dit, leef daarin, opdat uwe vordering in alle dingen openbaar zij. «vj.6 Heb acht op u zei ven en op de leer, volhard daarin; want indien gij dat doet, zult gij u zeiven zalig-maken en wie u hooren. HOOFDSTUK 5. 1 Bestraf een oud man niet hard, maar vermaan hem als eenen vader, de jongere als broeders, 2 de oude vrouwen als moeders, de jongere als zusters met alle kuischheid. 3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn. 4 Maar zoo eenige weduwe kinderen of kindskinderen heeft, laten deze leeren eerst voor hun eigen huis godsvrucht te beoefenen, en den ouders de ontvangen weldaden te vergelden, want dat is goed en aangenaam voor God. |
-ocr page 2170-
1 TIMOTHEUS 5.
426
|
5 De ware weduwe nu, die eenzaam is, stelt hare hoop op God, en blijft in gebeden en smeekingen dag en nacht; 6 maar die in wellustigheid leeft, is levend dood. 7 Gebied dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 Maar zoo iemand de zijnen, inzonderheid zijne huisgenooten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een heiden. 9 Laat geen weduwe verkozen worden onder de zestig jaren; die ééns mans vrouw geweest is, 10 en die eene getuigenis van goede werken heeft: zoo zij kinderen opgevoed heeft, zoo zij gastvrij geweest is, zoo zij den heiligen de voeten gewasschen heeft, zoo zij verdrukten handreiking gedaan heeft, zoo zij alle goed werk nagejaagd heeft. 11 Maar ontsla u van de jonge weduwen; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, dan willen zij trouwen, 13 en hebben haar oordeel, omdat zij de eerste trouw verzaakt hebben; |
13 tevens leeren zij in ledigheid bij de huizen rond te loopen, en zij zijn niet alleen lui, maar ook praatziek en zich met alles bemoeiende, en spreken hetgeen niet betaamt. 14 Zoo wil ik nu dat de jonge weduwen trouwen, kinderen krijgen, het huis besturen, aan de tegenpartij geen oorzaak tot lasteren geven; 15 want sommigen hebben zich alreeds afgewend achter den satan. 16 Indien een geloovig man of eene geloovige vrouw weduwen heeft, die ver-zorge ze, en late de gemeente niet bezwaard worden , opdat deze verzorge die waarlijk weduwen zijn. 17 De oudsten die wèl besturen achte men dubbele eere waardig, inzonderheid die arbeiden in het woord en in de leer; 18 want de Schrift zegt: //Gij zult den os die dorscht niet muilbanden//, en: //Een arbeider is zijn loon waardig.// 19 Neem tegen een oudste geen klacht aan, zonder twee of drie getuigen. 20 Wie zondigen, bestraf die in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vrees hebben. 21 Ik betuig voor God en den Heer Jezus Christus en de uitverkoren Engelen dat gij dit onderhoudt zon- |
-ocr page 2171-
1 TIMOTHEUS C.
437
|
der vooroordeel, eu niets doet uit partijdigheid. 23 Leg niemaud spoedig- de handen op, maak u ook niet aan anderer zonden deelachtig. Bewaar u zeiven rein. 33 Drink niet langer alleen water, maar gebruik een weinig wijn, om uwe maag en omdat gij dikwijls ongesteld zijt. 34 Van sommige menschen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan hare veroordeeling vooruit, maar van anderen worden zij naderhand openbaar. 35 Desgelijks zijn ook de goede werken van sommigen te voren openbaar, en de andere blijven ook niet verborgen. HOOFDSTUK 6. 1 Zoo velen onder het juk zijn als dienstknechten, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 3 En die geloovige heeren hebben, zullen deze niet verachten, omdat zij broeders zijn, maar zij zullen te meer dienstbaar zijn, dewijl zij geloovigen zijn en gelietilen, die deze weldaad deelachtig zijn. Leer en vermaan dit. |
3 Indien iemand iets vreemds leert, en niet blijft bij de heilzame woorden van onzen Heer Jezus Christus, en bij de leer van de godzaligheid, 4 die is opgeblazen en weet niets, maar lijdt aan twistvragen en woordenstrijd, waaruit ontstaan nijd, twist, lastering, kwaad vermoeden, 5 oneenigheid van zulke menschen, die bedorven van zin en van de waarheid beroofd zijn; die meenen dat de godzaligheid een middel tot gewin zij. Scheid u af van dezulken. 6 Doch het is een groot gewin godzalig te zijn, en zich te vergenoegen. 7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht: daarom is het duidelijk dat wij er ook niets kunnen uitbrengen ; 8 maar als wij kost en kleederen heblien, zoo Liat ons vergenoegd zijn. 9 Want wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en strikken, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de menschen doen verzinken in het verderf en de verdoemenis. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad; en sommigen die zich daaraan hebben overgegeven , zijn van het geloof afge- |
-ocr page 2172-
2 TIMOTHEUS 1.
428
|
dwaald, en hebben zich zelve vele smarten berokkend. 11 Maar gij, o man Gods, vlied dit alles, en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, standvastigheid , zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp aan het eeuwige leven, tot hetwelk gij geroepen zijt, en eene goede belijdenis hebt beleden voor vele getuigen. 13 Ik gebied u voor God die alle dingen levend maakt, en voor Christus Jezus die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heer Jezus Christus, 15 welke te zijner tijd vertoonen zal de zalige en alléén machtige heerscher, de Koning der koningen en Heer der heeren, |
16 die alléén onstertélijk-heid heeft, die in een licht woont tot hetwelk niemand komen kan; wien geen mensch gezien heeft noch zieu kan; wien eere zij en eeuwige heerschappij! Amen. 17 Gebied den rijken in deze wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, ook niet hopen op den onzekerên rijkdom, maar op den levenden God, die ons alles rijkelijk geeft om te genieten; 18 dat zij goeddoen, rijk worden in goede werken, gaarne geven, mededeelzaam zijn, 19 zich zeiven dezen schat vergaderen: een goeden grond voor de toekomst, opdat zij het ware leven verkrijgen. 20 ïimótheiis! bewaar hetgeen ii toebetrouwd is, en vermijd het onheilig, ijdel geklap, en de twistvragen der valachelijk dusgenaamde wetenschap, 21 welke sommigen voorstaan, en van het geloof zijn afgeweken. De genade zij met u ! Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN PATILUS
AAN
TIMOTHEÜS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door den wi] Gods, wegens de belofte van het leven hetwelk in Christus Jezus is, |
2 aan mijnen geliefden zoon Timótheüs. Genade, barmhartigheid, |
-ocr page 2173-
|
vrede zij u van God, den Vader, en van Christus Jezus, onzen Heer. 3 Ik dank God, dien ik evenals mijne vooronders met een rein geweten dien, als ik, gelijk ik zonder ophouden doe, uwer ge-dacbtig ben in mijne gebeden, nacht en dag; 4 vol verlangen u te zien, wanneer ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden; 5 daar ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk te voren gewoond heeft in uwe grootmoeder Loïs en in uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. G Om welke ooi-zaak ik ii indachtig maak, dat gij weder opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging mijner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven den geest der vrees, maar der kracht en der liefde cn der tucht. Daarom schaam u niet over de getuigenis van onzen Heer, nocli over mij die zijn gebondene ben; maar lijd mede voor het evangelie, naar de kracht Gods, 9 die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met |
429 eene heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en zijne genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der wereld, 10 doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die den dood de macht benomen, en het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft door het evangelie, 11 voor hetwelk ik gesteld ben tot een prediker en apostel en leeraar der heidenen ; 12 om welke oorzaak ik dit lijd, maar ik schaam mij dat niet; want ik weet in wien ik geloof, en ben verzekerd dat hij mijn pand , bij hem weggelegd, kan bewaren tot dien dag. 13 Houd het voorbeeld der heilzame woorden, welke gij van mij gehoord hebt, in het geloof en in de liefde in Christus Jezus. 14 Bewaar het goede pand ii toebetrouwd door den Heiligen Geest, die in ons woont. 15 Gij weet dat allen die in Azië zijn zich van mij afgekeerd hebben, onder welke is Fygellus en Her-mógenes. 16 De Heer geve barm- 2 TIMOTHEÜS 1. |
-ocr page 2174-
2 TIMOTHEÜS 2.
430
|
hartigheid aan het huis van Onesiforus, want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijne ketenen niet geschaamd; 17 maar toen hij te Eome was, zocht hij mij met alle naarstigheid, en vond mij. 18 De Heer geve hem dat hij bai'tnhartigheid vinde bij den Heer te dien dage! En hoe groote diensten hij te Efeze bewezen heeft, weet gij zeer wel. HOOFDSTUK 2. 1 Zoo wees nu sterk, mijn zoon, door de genade in Christus Jezus; 3 en wat gij van mij gehoord hebt in tegenwoordigheid van vele getuigen, teveel dat aan getrouwe menschen , die bekwaam zijn ook anderen te leeren. 3 Lijd mede als een goed strijder van Jezus Christus. 4 Geen krijgsman wikkelt zich in (ie bedrijvigheden der nering, opdat hij dengeen behage die hem in dienst genomen heeft. 5 En indien ook iemand strijdt, zoo wordt hij toch niet gekroond, tenzij hij strijdt, zooals het behoort. 6 De akkerman, die den akker bouwt, behoort de vruchten het eerst te genieten. |
7 Merk op wat ik zeg; de Heer toch zal u in alle dingen verstand geven. 8 Houd Jezus Christus in gedachtenis, die opgestaan is uit de dooden, uit Davids zaad, naar mijn evangelie, 9 om hetwelk ik lijd als een misdadiger tot banden toe; maar Gods woord is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid verkrijgen in Christus Jezus, met eeuwige heerlijkheid. 11 Het is een betrouwbaar woord: indien wij met hem gestorven zijn, zullen wij ook met hem leven; 13 indien wij verdragen, zullen wij met hem heer-schen; indien wij hem verloochenen, zal hij ons ook verloochenen; 13 indien wij ontrouw zijn, zoo blijft hij getrouw; hij kan zich zei ven niet verloochenen. 14 Maak hen hieraan indachtig , en betuig voor den Heer dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk niets nut is dan om af te keeren wie toehooren. 15 Benaarstig u om u zeiven Gode te bewijzen een arbeider die niet beschaamd |
-ocr page 2175-
2 TIMOTHEÜS 3.
431
|
wordt, die het woord der waarheid goed uitdeelt. 16 Vermijd het onheilig, ijdel geklap, want zij zullen tot nog meer goddeloosheid voortgaan, 17 en hun woord eet voort als de kanker; onder welke is Hymeneüs en Filétus, f- die van de waarheid 1 zijn afgeweken, en zeggen i dat de opstanding alreeds geschied is, en het geloof van sommigen hebben te gronde gericht. __ 19 Maar de vaste grond Oods staat vast en heeft dit zegel: De Heer kent de zijnen; en : Van de ongerechtigheid sta af wie den naam van Christus noemt! 20 Maar in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren, maar ook. houten en aarden vaten; en sommige tot eer, maar sommige tot oneer. 21 Is het nu dat iemand zich rein houdt van deze, hij zal een vat zijn tot eer, geheiligd en den huisheer nuttig, tot alle goed werk geschikt gemaakt. 22 Vlied de lusten der jeugd; maar jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde, vrede met allen die den Heer aanroepen uit oen rein hart. |
23 Ontsla u ook van dwaze en onnutte vragen, want gij weet dat zij slechts twist baren. 24. Een dienstknecht des Heeren moet niet twistziek zijn, maar vriendelijk jegens iedereen, bekwaam om te leeren, geduldig, met zachtmoedigheid 25 de wederspannigen terechtwijzende, of God hun te eeniger tijd boete gave om ;de waarheid te erkennen, 26 en weder te ontwaken uit den strik des duivels, onder wien zij gevangen zijn tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. 1 Maar dit moet gij weten , dat in de laatste dagen moeielijke tijden zullen komen. 2 Want de menschen zullen zijn vol eigenliefde, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouders ongelWórzanm, ondankbaar, onheilig, 3 liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onkuisch, quot;wreed, tot het goede ongezind , 4 verraders, overmoedig, opgeblazen, die meer den wellust liefhebben dan God, 5 die den schijn hebben van godzaligheid, maar hare kracht verloochenen. Vermijd dezulken. |
-ocr page 2176-
2 TIMOTHEÜS 4.
432
|
6 Want van deze zijn degenen , die in de huizen sluipen, en de vrouwtjes gevangen leiden die met zonden beladen zijn en door menigerlei lusten gedreven worden, 7 die altijd leeren, en nimmermeer tot kennis dei-waarheid kunnen komen. 8 Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes wederstonden , zóó wederstaan ook deze de waarheid; het zijn mensclien bedorven van zin, niet proefhoudende in het geloof. 9 Maar zij zullen geen voortgang meer hebben; want hunne dwaasheid zal iedereen openbaar worden, gelijk ook die van gene geworden is. 10 Maar gij hebt nagevolgd mijne leer, mijne wijze van doen, mijn voornemen, mijn geloof, mijne lankmoedigheid , mijne liefde, mijne standvastigheid, 11 mijne vervolgingen, mij n lijden, hetwelk mij wedervaren is te Antiochië, te. nige vervolgingen ik geleden heb, en uit alle heeft de Heer mij verlost. 12 En allen die godzalig-willen leven in Christus Jezus moeten vervolging lijden. |
13 Doch met de kwade menschen en verleiders wordt het hoe langer hoe erger; zij verleiden en worden verleid. 14 Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan gij verzekerd zijt geworden, nademaal gij weet van wTien gij het geleerd hebt, 15 en dewijl gij van kindsbeen af de heilige Schriften kent, die u kunnen wijs maken tot zaligheid, door het geloof in Christus Jezus. 16 Alle Schrift van God ingegeven is nuttig tot leering, tot bestraffing, tot verbetering, tot onderwijzing in de gerechtigheid, 17 opdat de mensch Gods volkomen zij, tot alle goed werk geschikt. HOOFDSTUK 4. 1 Zoo betuig ik nu voor God en den Heer Jezus Christus, die komen zal om de levenden en de dooden te oordeelen en bij zijne verschijning en zijn rijk:_ Ikonië, te Lystra: hoeda- predik het woord; treed |op, hetzij ter rechter tijd tof te ontijde; bestraf, dreig, vermaan met alle lankmoe--4igheid en onderrichting^ ^ ' SWant er zal een tijd zijn, dat zij de heilzame leer niet verdragen zullen; |
-ocr page 2177-
2 TIMOTHEUS 4.
433
|
maar naar liun eigene lusten zullen zij zich zeiven leeraars verzamelen naardat hun de ooren jeuken, 4 en zullen de ooren van de waarheid afwenden, en zich tot de fabelen keeren. 5 Maar gij, wees wakker in alles, lijd, doe het werk eens evangeliepredikers, verricht uw ambt getrouw. G Want ik word alreeds geofferd, en de tijd van mijn sclieiden is ophanden. 7 Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleindigd, ik heb het geloof behouden. 8 Voortaan is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid , welke de Heer, de rechtvaardige rechter, op dien dag mij geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning hebben lief gehad. 9 Benaarstig u dat gij spoedig tot mij komt; 10 want Demas heeft mij verlaten, daar hij deze tegenwoordige wereld heeft lief gekregen, en is naar Thes-salonica vertrokken, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 11 Lukas is alleen bij mij. Neem Markus tot u en breng hem met u; want hij kan mij zeer van dienst zijn. |
13 Tychicus heb ik naar Efeze gezonden. 13 Breng, als gij komt, den reismantel mede, dien ik te ïroas bij Karpus gelaten heb, en de boeken, maar inzonderheid de perkamenten. 14 Alexander, de koper-smid , heeft mij veel kwaad gedaan; de Heer vergelde hem naar zijne werken. 15 Wacht ook gij n voor hem, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In mijne eerste verantwoording stond niemand mij ter zijde, maar zij verlieten mij allen: het zij hun niet toegerekend. 17 Maar de Heer stond mij bij en sterkte mij, opdat door mij de prediking ten volle volbracht zou worden , en alle heidenen haar hooren zouden; en ik ben uit den muil des leeuws verlost. 18 En de Heer zal mij verlossen van alle kwaad, en uithelpen tot zijn he-melsch rijk; wien zij eer van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 19 Groet Priska en Aquila en het huis van Onesiforns. 20 Erastus is te Korinthe gebleven, en Trófimus heb ik te Miléte krank gelaten. 21 Bevlijtig u, dat gij vóór |
28
-ocr page 2178-
434 TITUS 1.
den winter komt. U groet | 23 De Heer Jezus Chris-Eubülus, en Pudens, en! tus zij met uwen geest! Linus, en Klaudia, en al De genade zij metulieden! de broeders. • Amen.
DE «RIEP VAN l'AUI.ÜS
AAN
TI T U S.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus ter wille van het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis van de waarheid ter godzaligheid , 3 in de hope des eeuwigen levens, hetwelk God, die niet liegt, beloofd heeft vóór de tijden der wereld, 3 en die te zijner tijd zijn woord heeft geopenbaard door de prediking die mij is toebetrouwd, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, — 4 aan mijn oprechten zoon Tïtus, naar ons gemeenschappelijk geloof. Genade, barmhartigheid, vrede van God, den Vader, en van den Heer Jezus Christus, onzen Zaligmaker! |
5 Daarom liet ik u te Kreta, opdat gij het verdere zoudt in orde brengen wat nog onafgedaan was, en in iedere stad oudsten aanstellen , gelijk ik u bevolen heb: 6 indien iemand onberispelijk is, ééner vrouwe man, met geloovige kinderen, die niet van losbandigheid te beschuldigen of ongehoorzaam zijn. 7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huishouder Gods, niet eigenzinnig , niet licht vertoornd, niet aan den wijn verslaafd, geen geweldenaar, geen schandelijk gewin zoekende ; 8 maar gastvrij, het goede liefhebbende, ingetogen, rechtvaardig, heilig, kuisch; 9 die vast houdt aan het betrouwbare woord naar de leer, opdat hij in staat zij om te vermanen door de heilzame leer, en de tegensprekers te bestraften. 10 Want velen zijn ongeregeld, ijdele klappers en |
-ocr page 2179-
TITUS 2.
43 S
|
verleiders, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn, 11 wien men den mond moet stoppen, daar dezulken geheele huizen om-keeren, door te leeren hetgeen niet betaamt, om schandelijk gewin. 13 Een uit hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretenzers zijn altijd leugenaars , kwade beesten en luie buiken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherp, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en geen acht geven op de Joodsche fabelen en geboden van menschen, die zich van de waarheid afwenden. 15 Den reinen is alles rein, maar den onreinen en on-geloovigen is geen ding rein, maar onrein zijn beide, hun zin en geweten. 16 Zij zeggen dat zij God kennen, maar met de werken verloochenen zij hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn, en tot alle goed werk ongeschikt. HOOFDSTUK 2. 1 Maar gij, spreek gelijk het betaamt naar de heilzame leer: |
2 dat de oude mannen nuchter zijn, achtbaar, bezadigd, gezond in het geloof, in de liefde, in de standvastigheid; 3 dat de oude vrouwen insgelijks zich gedragen gelijk den heiligen betaamt, dat zij geen lasteraarsters zijn, niet aan den wijn verslaafd , leermeesteressen van het goede; 4 opdat zij de jonge vrouwen vermanen hare mannen en hare kinderen lief te hebben, 5 zedig te zijn, kuisch, huiselijk, vriendelijk, haren mannen onderdanig, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. 6 Vermaan desgelijks de jonge mannen dat zij zich verstandig gedragen. 7 Stel u zei ven overal tot een voorbeeld van goede werken, met onvervalschte leer, met waardigheid, met oprechtheid, 8 met heilzame en onberispelijke woorden, opdat de tegenpartij zich schame en niets kwaads van ulieden te zeggen hebbe. 9 Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen heeren onderdanig zijn, dat zij in alle dingen behagelijk zijn , niet tegenspreken, 10 niets ontvreemden , maar alle goede trouw be-toonen, opdat zij de leer |
Ü
-ocr page 2180-
TITUS 3.
43G
|
van God, onzen Zaligmaker, in alles versieren. 11 Want de heilaanbrengende genade Gods is verschenen aan alle menschen, 12 en onderwijst ons, dat wij moeten verloochenen de goddeloosheid en de we-reldsche lusten, en ingetogen , rechtvaardig en godvruchtig leven in deze wereld, 13 verwachtende de zalige hoop en verschijning der lieerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus, 14 die zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en zich zei ven een volk ten eigendom reinigen, dat naarstig zij in goede werken. bi Spreek dit, en vermaan en bestraf met allen ernst. Laat niemand u verachten. HOOFDSTUK 3. 1 Maak hen indachtig dat zij den overheden en machten onderdanig en gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn, 3 niemand lasteren, niet twisten, toegeeflijk zijn, alle zachtmoedigheid jegens alle menschen betoonen. |
3 Want wij waren óók eertijds onverstandig, ongehoorzaam , dwalende, dienende de begeerlijkheden en menigerlei lusten, wandelende in boosheid en nijdigheid , hatelijk en elkander hatende; 4 maar toen de goedertierenheid en de mensch-lievendheid van God, onzen Zaligmaker, verscheen, 5 maakte hij ons zalig, niet om de werken der gerechtigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des Heiligen Geestes, 6 dien hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; 7 opdat wij, door zijne genade gerechtvaardigd, erfgenamen des eeuwigen levens zouden zijn naar de hoop. 8 Het is een betrouwbaar woord, en ik wil dat gij dit bevestigt, opdat degenen die aan God geloovig zijn geworden, zorg dragen, dat zij zich toeleggen op goede werken; dit is den menschen goed en nuttig. 9 Maar ontsla u van dwaze vragen, van geslachtregisters , twisten en geschillen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel. 10 Onttrek u aan een |
-ocr page 2181-
ÏILEMON.
437
|
scheurmaker, als liij eens ol' tweemaal vermaand is, 11 daar gij weet dat zulk een van den rechten weg af is en zondigt, als die zich zeiven veroordeelt. 13 Als ik Artemas of ïy-chicus tot u zenden zal, zoo kom spoedig tot mij te Nicopolis, want ik heb besloten den winter aldaar over te blijven. |
13 Eust Zenas, den wetgeleerde, en Apollos met zorgvuldigheid uit, opdat hun niets ontbreke. 14 En laat ook de onzen leeren, dat zij zich toeleggen op goede werken waar men hen noodig heeft, op-datzij nietonvruchtbaarzijn. 15 U groeten allen die bij mij zijn. Groet hen die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen! Amen. |
DE imiEl' VAN PAULDS AAN
F I L M O N.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Ti-mótheüs, de broeder, aan Filemon, den geliefde en onzen medehelper, 3 en aan Appia, de zuster, en Archippus, onzen medestrijder, en aan de gemeente in uw huis. 3 Genade zij u eu vrede van God, onzen Vader, en van den Heer Jezus Christus! 4 Ik dank mijnen God altijd, als ik uwer gedachtig Jjen in mijne gebeden, 5 daar ik hoor van uwe liefde en uw geloof, die gij hebt tot den Heer Jezus en jegens al de heiligen, |
6 opdat uw geloof, hetwelk wij met elkander gemeen hebben, in u krachtig worde door erkentenis van al het goede, dat in u is voor Christus Jezus. 7 Want wij hebben grooie vreugde en vertroosting aan uwe liefde, dewijl de harten der heiligen verkwikt zijn door u, broeder. 8 Daarom, hoewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus , om ü te gebieden hetgeen u betaamt, !) bid ik liever om dei-liefde wil. Ik, Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus, 10 bid u, als zoodanig een, voor mijnenzoon Onésimus, |
-ocr page 2182-
1 PETRUS 1.
438
|
dien ik in mijne verwekt heb, 11 die eertijds u onnut was, maar nu mij en u zeer nuttig is; dien zend ik u terug. 13 En gij, wil toch hem, dat is mijn eigen hart, aannemen; 13 want ik wilde hem wel bij mij houden, opdat hij mij in uwe plaats dienen zou in de banden des evangelies; 14 maar zonder uw goedvinden wilde ik niets doen, opdat uwe goedheid niet gedwongen zij, maar vrijwillig. 15 Want misschien is hij daarom voor een korten tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem voor eeuwig zoudt wederhebben: 16 nu niet meer als een knecht, maar meer dan een knecht, als een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide naar het vleesch en in den Heer. 17 Indien gij nu met mij banden |
gemeenschap hebt, wil hem toch aannemen als mij zei ven. 18 En indien hij ueenige schade gedaan heeft of iets schuldig is, reken dat mij toe. 19 Ik, Paulus, schrijf het met eigen hand: ik zal het betalen; om niet te zeggen dat gij u zeiven aan mg schuldig zijt. 20 Ja, broeder, gun mij dat ik mij over u verblijde in den Heer; verkwik mijn hart in Christus! 31 Ik heb, vertrouwende op uwe gehoorzaamheid, aan u geschreven, en ik weet dat gij meer doen zult dan ik zeg. 33 Bereid mij tevens ook huisvesting; want ik hoop dat ik door uw gebed u zal geschonken worden. 33 U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, 34 Markus, Aristarchus, Uemas, Lukas, mijne medehelpers. 35 De genade onzes Hee-ren Jezus Christus zij met uwen geest! Amen. |
DE EERSTE BUI EF VAN
PETRUS.
HOOFDSTUK 1.
Jezus Christus, aan de vreeni'
i delingen der verstrooiing in 1 Petrus, een apostel van ! Pontus, Galatië, Kappa-
-ocr page 2183-
1 PETRUS 1.
439
|
clocië, Azië en Bithynië, 3 uitverkorenen naar de voorkennis van God, den Vader, door de heiliging des Geestes, ter gehoorzaamheid en ter besprenging met het bloed van Jezus Christus. God geve u veel genade en vrede! 3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die ons naar zijne groote barmhartigheid wedergeboren heeft tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, 4 tot eene onvergankelijke en onbevlekte en onver-welkelijke erfenis, die weggelegd is in den hemel voor u, 5 die door Gods macht door het geloof bewaard wordt tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd; 6 waarin gij u verblijdt, gij die nu een kleinen tijd, indien het noodig is, treu-i'ig zijt door menigerlei aanvechtingen; 7 opdat uw geloof, beproefd zijnde, veel kostelijker bevonden worde dan het vergankelijke goud, dat door het vuur beproefd wordt, tot lof en prijs en eer, wanneer Jezus Christus geopenbaard wordt; |
8 dien gij niet hebt gezien en nochtans lief hebt; en in wien gij nu gelooft, hoewel gij hem niet ziet, en u verblijden zult met eene onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 9 verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 10 Aangaande deze zaligheid hebben onderzocht en nagevorscht de profeten, die aan u geprofeteerd hebben van de voor u bestemde genade, 11 daar zij onderzochten naar welken en hoedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, heenwees, en te voren getuigde van het lijden dat over Christus komen zou en de daarop volgende heerlijkheid; 12 aan welke geopenbaard is, dat zij niet zich zelve maar ons daarin gediend hebben, hetwelk u nu verkondigd is door degenen die u het evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, gezonden van den hemel, hetwelk ook de Engelen begeeren in te zien. 13 Daarom omgordt de lendenen uws gemoeds, weest nuchter, en stelt uwe hoop geheel op de genade, die u aangeboden wordt door |
-ocr page 2184-
1 PETRUS 2.
440
|
de openbaring van Jezus Gliristus. 14 Gedraagt u als gelioor-zame kinderen, en niet gelijk te voren, tosn gij in onwetendheid naar uwe begeerlijkheden quot;leefdet; 15 maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is, weest ook gij heilig in lt;il uwen wandel. 16 Want er staat geschreven: //Gij zult heilig zijn, want ik ben heilig.// 17 En indien gij hem als Yader aanroept, die zonder aanzien des persoons oordeelt naar ieders werk, zoo leidt uwen wandel, zoolang gij hier vreemdelingen zijt, met vreeze, 18 als die weet dat gij niet met vergankelijke dingen, met zilver of goud, verlost zijt van uwen ijdelen wandel naar de vaderlijke wijze, 19 maar met het dierbare bloed van Christus, als dat van een onschuldig en onbevlekt lam; 20 die wel te voren gekend is, eer de grond dei-wereld gelegd werd, maar geopenbaard in de laatste tijden om uwentwil, 21 die door hem gelooft in God, die hem uit de dooden opgewekt en hem de heerlijkheid gegeven heeft. |
opdat uw geloof en uwé hoop op God zou zijn. 22 Reinigt uwe zielen in 1 de gehoorzaamheid aan de waarheid door den Geest, tot ongeveinsde broederliefde, en hebt elkander vurig liel uit een rein hart, 23 als die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, namelijk uit het levende woord Gods dat een wig i blijft. 24 Want //alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des mensohen als eene grasbloem. en de bloem valt af, 25 maar het woord des Heeren blijft in eeuwigheid.// En dit is het woord dat onder u verkondigd is. HOOFDSTUK 2. 1 Zoo legt nu af alle boos heid en alle bedrog en geveinsdheid en nijd en allt kwaadsprekendheid; 2 en weest begeerig naai de redelijke loutere melk als pasgeboren kindertjes opdat gij door haar moogt toenemen tot heil; 3 indien gij namelijk gesmaakt hebt dat de Heei vriendelijk is. j-4 Komt tot hem, als to een levenden steen, die doo 'de menschen verworpen maa en 1 5 zelv U Of tot om offei zijn- 6 Sein een hoel gelo scha 7 hij i gelo de heb) hoel steei rots: Het gras verdort zij ; loov zijn. 9 veil ninl heil eige dige die de ( derl 10 volls volli |
-ocr page 2185-
1 PETËÜS 2.
44.1
|
maar bij God uitverkoren en kostelijk is; 5 en bouwt nu ook gij zelve, als levende steenen, u op tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om te otteren geestelijke otters, die Gode aangenaam zijn-door Jezus Christus. 6 Daarom staat in de Schrift: //Zie, ik leg in Sion een uitverkoren, kostelijken hoeksteen; en wie in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.quot; 7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den on-geloovigen is die steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, en die tot een hoeksteen geworden is, een steen des aanstoots en een rotssteen der ergernis; 8 dengenen namelijk die er zich aan stooten, daar zij aan het woord niet ge-looven, waartoe zij gesteld zijn. 9 Maar gij zijt het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom, het heilig volk, het volk des eigendom», om te verkondigen de deugden desgenen, die u geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht: 10 gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt, en niet in genade waart, maar nu in genade zijt. |
11 Geliefden, ik vermaan u als vreemdelingen en pelgrims : Onthoudt u van de vleeschelijke begeerlijkheden,,die tegen de ziel strijden, 13 en leidt een goeden wandel onder de heidenen, opdat degenen die kwaad van u spreken als van misdadigers uwe goede werken zien, en God prijzen, ten dage der bezoeking. 13 Zijt onderdanig aan alle menschelijke ordening om des Heeren wil, hetzij den koning, als den opperste, 14 hetzij den landvoogden, als die van hem gezonden worden tot straf der misdadigers en tot lof dergenen, die goed doen. 15 Want dit is de wil Gods, dat gij met goeddoen den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; 1G als vrijen, doch niet alsof gij de vrijheid hadt tot een dekmantel der boosheid , maar als dienstknechten Gods. 17 Doet ieder eer aan; hebt de broeders lief; vreest God; eert den koning. 18 Gij diensiknechten, zijt met alle vreeze uwen heeren onderdanig, niet alleen den goeden en welwillenden, |
-ocr page 2186-
1 PETRUS '2.
410
|
de openbaring van Jezus Cliristus. 14 Gedraagt u als gehoorzame kinderen, en niet gelijk te voren, toen gij in onwetendheid naar uwe be-geerlijklieden leefdet; 15 maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is, weest ook gij heilig in al uwen wandel. 16 Want er staat geschreven: //Gij zult heilig zijn, want ik ben heilig.// 17 En indien gij hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons oordeelt naar ieders werk, zoo leidt uwen wandel, zoolang gij hier vreemdelingen zijt, met vreeze, 18 als die weet dat gij niet met vergankelijke dingen , met zilver of goud, verlost zijt van uwenijdelen wandel naar de vaderlijke wijze, 1!) maar met het dierbare bloed van Christus, als dat van een onschuldig en onbevlekt lam; 20 die wel te voren gekend is, eer de grond dei-wereld gelegd werd, maar geopenbaard in de laatste tijden om uwentwil, , 31 die door hem gelooft in God, die hem uit de dooden opgewekt en hem de heerlijkheid gegeven heeft. |
opdat uw geloof en uwé hoop op Goi zou zijn. 33 Reinigt uwe zielen in de gehoorzaamheid aan de waarheid door den Geest, tot ongeveinsde broederliefde , en hebt elkander vurig liet uit een rein hart, 33 als die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, namelijk uit het levende woord Gods dat eenwig blijft. 34 quot;Want //alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menscheu als eene grasbloem. Het gras verdort en de bloem valt af, 35 maar het woord des Heeren blijft in eeuwigheid.// En dit is het woord dat onder u verkondigd is. HOOFDSTUK 2. 1 Zoo legt nu af alle boosheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijd en alle kvvaadsprekendheid; 3 en weest begeerig naar de redelijke loutere melk, als pasgeboren kindertjes, opdat gij door haar moogt toenemen tot heil; 3 indien gij namelijk gesmaakt hebt dat de Heer vriendelijk is. r4 Komt tot hem, als tot 'een levenden steen, die door de menschen verworpen, |
-ocr page 2187-
1 PETRUS 2.
|
maar bij God uitverkoren en kostelijk is; 5 en bouwt nu ook gij zelve, als levende steenen, u op tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om te offeren geestelijke offers, die Gode aangenaam zijn -door Jezus Christus. 6 Daarom staat in de Schrift: //Zie, ik leg in Sion een uitverkoren,koscelijken hoeksteen; en wie in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.quot; 7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den on-geloovigen is die steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, en die tot een hoeksteen geworden is, een steen des aanstoots en een rotssteen der ergernis; 8 dengenen namelijk die er zich aan stooten, daar zij aan het woord niet ge-looven, waartoe zij gesteld zijn. 9 Maar gij zijt het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom, het heilig volk, het volk des eigendoms, om te verkondigen de deugden desgenen, die u geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht: - 10 gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt, en niet in genade |
waart, maar nu in genade zijt. 11 Geliefden, ik vermaan u als vreemdelingen en pelgrims: Onthoudt u van de vleeschelijke begeerlijkheden,,die tegen de ziel strijden, 13 en leidt een goeden wandel onder de heidenen, opdat degenen die kwaad van u spreken als van misdadigers uwe goede werken zien, en God prijzen, ten dage der bezoeking. 13 Zijt onderdanig aan alle meiischelijke ordening om des Heeren wil, hetzij den koning, als den opperste, 11 hetzij den landvoogden, als die van hem gezonden worden tot straf der misdadigers en tot lof dergenen, die goed doen. 15 Want dit is de wil Gods, dat gij met goeddoen den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; IC als vrijen, doch niet alsof gij de vrijheid hadt tot een dekmantel der boosheid , maar als dienstknechten Gods. 17 Doet ieder eer aan; hebt de broeders lief; vreest God; eert den koning. 18 Gij dienstknechten, zijt met alle vreeze uwen heeren onderdanig, niet alleen den goeden en welwillenden, |
-ocr page 2188-
1 PETRUS 3.
443
|
maar ook den onredelijken. 19 Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God het kwade verdraagt en ten onrechte lijdt. 20 Want wat roem is het, indien gij verdraagt, als gij om kwaaddoen slagen lijdt? Maar indien gij verdraagt, als gij om goeddoen lijdt, dat is genade bij God. 21 Want daartoe zijt gij geroepen, nademaal ook Christus voor ons geleden heeft, en ons een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen; 22 die geen zonde gedaan heeft, en in wiens mond geen bedrog gevonden is; 23 die niet wederschold toen hij gescholden werd, niet dreigde toen hij leed, maar het overgaf aan hem die rechtvaardig oordeelt; 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, der zonden afgestorven, der gerechtigheid leven zouden; door wiens wonden gij zijt genezen. 25 Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den herder en opziener uwer zielen. HOOFDSTUK 3. 1 Desgelijks gij vrouwen. |
weest uwen mannen onderdanig, opdat ook, indien sommigen het woord ongehoorzaam zijn, zij door den wandel hunner vrouwen zonder woord gewonnen worden, 2 als zij uwen kuischen wandel in vreeze aanzien; 3 wier sieraad niet uitwendig zij met het haar te vlechten, en goud om te hangen, of kleederen aan te trekken, 4 maar de verborgen mensch des harten, in het onverderfelijk sieraad van een zachten en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want zóó hebben zich ook eertijds de heilige vrouwen versierd, die hare hoop op God stelden, en haren mannen onderdanig waren: 6 gelijk Sara Abraham gehoorzaam was en hem heer noemde, wier dochters gij geworden zijt, indien gij goeddoet, en niet vreest voor eenige verschrikking. 7 Desgelijks gij mannen, woont bij haar met verstand , en geeft aan het vrouwelijke, als het zwakkere vat, zijne eer, als aan medeërfgenamen der genade des levens, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. 8 En eindelijk, zijt allen |
-ocr page 2189-
|
te zamen eensgezind, medelijdend, broederlijk, bann-liartig, bescheiden; 9 vergeldt geen kwaad met kwaad, of scheldwoorden met scheldwoorden, maar zegent daarentegen; daartoe toch zijt gij geroepen , opdat gij zegen moogt beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, stille zijne tong dat zij geen kwaad spreke, en zijne lippen dat zij niet bedriegen. 11 Hij keere zich af van het kwade en doe het goede, hij zoeke vrede en jage dien na. 13 Want de oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zijne ooren op hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen. 13 En wie is het die u schaden kan, indien gij het goede navolgt? 14 En indien gij ook lijdt om de gerechtigheid, zoo zijt gij zalig. Hebt geen vrees voor hen, en verschrikt niet; 15 nuiar heiligt Christus, den Heer, in uwe harten; en zijt altijd gereed tot verantwoording aan ieder, die rekenschap eischt van de hoop die in u is, en |
443 zachtmoedigheid dat met en vreeze; 16 en hebt een goed geweten, opdat degenen, die kwaad van u spreken als van misdadigers, beschaamd worden, omdat zij uwen goeden wandel in Christus gesmaad hebben. 17 Want het is beter, als het Gods wil is, dat gij om goeddoen lijdt, dan om kwaaddoen; 18 nademaal ook Christus éénmaal voor de zonden geleden heeft, de rechtvaardige voor de onrecht vaardigen , opdat hij ons tot God zou brengen; en hij is gedood naar het vleesch, maar levend gemaakt naar den Geest; lö in welken hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, 30 die eertijds ongehoorzaam waren, toen God in den tijd van Noaeh wachtte en lankmoedigheid had, toen men de ark toebereidde, waarin weinige — dat is acht—zielen behouden werden door het water; 31 welks tegenbeeld, de doop, thans ook u zalig maakt; niet als het wegdoen der onreinheid van het vleesch, maar als het verbond van een goed gewe- 1 PETRUS 3. |
-ocr page 2190-
1 PETRUS 4.
444
|
ten met God, door de op-standing van Jezus Christus, 32 die ter rechterhand Gods is, opgevaren in den hemel, terwijl de Engelen en de machten en de krachten hem onderdanig zijn. HOOFDSTUK 4. 1 Dewijl nu Christus voor ons geleden heeft in het vleesch, zoo wapent u ook met diezelfde gezindheid; want wie aan het vleesch lijdt, houdt op van de zonde, 3 opdat hij voortaan den tijd, die nog overig is in het vleesch, niet naar de begeerlijkheden der men-schen, maar naar den wil Gods leve. 3 Want het is genoeg dat wij den tijd, die nu voorbij is, doorgebracht hebben naar den heiden-schen wil, toen wij wandelden in ongebondenheid, begeerlij kheden, dronkenschap , brasserij, zwelgerij en gruwelijke afgoderijen. 4 Het dunkt hun vreemd, dat gij u niet met hen laat meevoeren iu denzelfden stroom der losbandigheid, en zij lasteren n; 5 doch zij zullen rekenschap geven aan hem, die gereed is om te oordeelen de levenden en de dooden. |
fi Want daartoe is ook den dooden het evangelie verkondigd, opdat zij geoordeeld zouden worden naar den mensch in het vleesch, maar in den geest Gode leven. 7 Het einde nu aller dingen is nabij gekomen: daarom zijt ingetogen en nuchter tot het gebed. 8 Maar vóór alle dingen hebt eene vurige liefde tot elkander; want de liefde bedekt eene menigte van zonden. 9 Weest gastvrij onder elkander, zonder murmu-reeren. 10 En de een diene den ander, elk met de gave welke hij ontvangen heeft, als goede huishouders der menigerlei genade Gods. 11 Spreekt iemand, dat hij het spreke als Gods woorden; heeft iemand een ambt, dat hij het waarneme door de kracht die God geeft; opdat God in alle dingen verheerlijkt worde door Jezus Christus, welken zij eer en kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 12 Geliefden, laat u de hitte die u overkomt niet vreemd dunken, — die u geschiedt, opdat gij beproefd wordt — alsof u iels zeldzaams overkwam; |
-ocr page 2191-
1 PETRUS 5.
445
|
13 maar verheugt u naarmate gij met Christus lijdt, opdat gij ook in den tijd der openbaring zijner heerlijkheid u moogt verheugen met gejuich. 14 Zalig zijt gij wanneer gij om den naam van Christus gesmaad wordt; want de Geest, die de Geest dei-heerlijkheid en van God is, rust op u; bij hen wordt hij gelasterd, maar bij u wordt hij geprezen. 15 Doch niemand onder u lijde als een moordenaar, of dief, of misdadiger, of die zich met vreemde dingen bemoeit; 16 maar lijdt iemand als een Christen, zoo schame hij zich niet, maar hij prijze God in dezen naam. 17 Want het is tijd dat het oordeel bij het huis Gods beginne; indien het nu eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn dergenen die het evangelie Gods ongehoorzaam zijn? 18 En indien de rechtvaardige nauwelijks behouden wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? 19 Daarom, wie naar den wil Gods lijden, zullen hem, als den getrouwen Schepper, hunne zielen bevelen in goede werken. ) ver-üfeoor-i naar jesch, Gode r din-daar-ichter ingen le tot liefde s vau onder irmu- b den gave beeft, s der ds. , dat Gods id een ■neme God :i alle rvorde , wel-t van ;heid! ii de t niet die u n-oefd . zeld- |
HOOFDSTUK 5. 1 De oudsten die onder u zijn vermaan ik, die een medeoudste en getuige ben van Christus' lijden en een deelgenoot der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: 3 weidt de kudde van Christus die u bevolen is, en houdt toezicht over haar, niet gedwongen maar gewillig, niet om schandelijk gewin maar uit den grond des harten, 3 niet als die over het volk heerschen, maar wordt voorbeelden der kudde: 4 zoo zult gij, als de aartsherder verschijnen zal, de onverwelkelijke kroon der eer ontvangen. 5 Desgelijks gij jongeren, weest den ouderen onderdanig ; weest allen elkander onderdanig, en bekleedt u met de ootmoedigheid; want God wederstaat de hoovaar-digen, maar den ootmoedi-gen geeft hij genade. 6 Zoo verootmoedigt u dan onder de machtige hand Gods, opdat hij u verhooge op zijnen tijd. 7 Werpt al uwe zorg op hem, want hij zorgt voor u. 8 Weest nuchter en waakt; want uw wederpartij, de duivel, gaat om als een |
-ocr page 2192-
2 PETRUS 1.
446
|
brullende leeuw, en zoekt wien hij verslinden moge. 9 Wederstaat hem, vast in het geloof, en weet dat hetzelfde lijden over uwe broeders in de wereld gaat. 10 De God nu aller genade , die u in Christus Jezus geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid, hij zelf zal u, nadat gij een kleinen tijd geleden hebt, volmaken, bevestigen, versterken, gronden. |
11 Hem zij eer en macht van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 12 Door Silvanus, uwen getrouwen broeder, zoo ik meen, heb ik u in het kort geschreven, om te vermanen en te betuigen dat dit de rechte genade Gods is, in welke gij staat. 13 U groet de medeuit-verkorene in Babyion, en mijn zoon Markus. 14 Groet elkander met den kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt! Amen. |
DE TWEEDE BUTEP
VAN
PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen die met ons hetzelfde dierbare geloof verkregen hebben door de gerechtigheid van onzen God en den Zaligmaker Jezus Christus. 2 Genade en vrede worde u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus Christus, onzen Heer! 3 Nademaal door zijne Goddelijke krachtalles, wat tot het leven en een god-vruohtigen wandel dient, ons geschonken is door de kennis desgenen, die ons geroepen heeft door zijne heerlijkheid en deugd; |
4 door welke ons de dierbare en allergrootste beloften geschonken zijn, opdat gij door haar der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij de verderfelijke begeerlijkheid der wereld ontvloden zijt; 5 zoo wendt nu ook al uwe naarstigheid aan, dat gij voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, 6 en bij de kennis inge- |
-ocr page 2193-
2 PETRUS 1.
44.7
|
togenheid, en bij de ingetogenheid lijdzaamlieid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid , 7 en bij de godzaligheid broederliefde, en bij de broederliefde algemeene liefde. 8 Want als dat bij n is en meerder wordt, zal het u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heer Jezus Christus. 9 Want wie dat niet heeft, is blind, kortzichtig en heeft vergeten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom broeders, be-naarstigt u des te meer om uwe roejnng en verkiezing vast te maken; want indien gij dat doet, zult gij niet struikelen. 11 Zoo toch zal u rijkelijk gegeven worden de ingang tot het eeuwige rijk van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet nalaten u altijd hieraan indachtig te maken, hoewel gij het weet, en gesterkt zijt in de u meegedeelde waarheid. 13 Ik toch acht het recht te zijn, zoolang ik in deze luit ben, door de herinnering hieraan u op te wekken, 14 wetende dat ik mijne hut welhaast afleggen zal. |
gelijk ook onze Heer Jezus Christus mij geopenbaard heeft. 15 Maar ik zal mij beijveren dat gij na mijn heengaan altijd gelegenheid zult hebben dit in gedachtenis te houden. 16 Want wij zijn geen verdichte fabelen gevolgd, toen wij u de kracht en toekomst van onzen Heer Jezus Christus bekendgemaakt hebben; maar wij zelve hebben zijne majesteit gezien, 17 toen hij van God den Vader ontving eer en heerlijkheid door eene stem van de luisterrijke heerlijkheid, die tot hem geschiedde op deze wijze: //Deze is mijn geliefde Zoon, in wien ik een welbehagen heb.// 18 En deze stem hebben wij gehoord van den hemel komende, toen wij bij hem waren op den heiligen berg. 19 En wij hebben een te vaster profetisch woord, en gij doet wél dat gij daarop acht geeft, als op een lamp, die licht geeft in eene donkere plaats, totdat de dag aanbreekt, en de morgenster opgaat in uwe harten; 20 dit allereerst wetende, dat geen profetie in de Schrift uit eigen uitlegging geschiedt. |
-ocr page 2194-
2 PETRUS 3.
448
|
21 Want er is nog nooit eene profetie uit 's mensclien wil voortgebracht, maar mensclien hebben van Godswege gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest. HOOFDSTUK 2. 1 Maar er waren ook val-sehe profeten onder het volk, gelijk ookonderu valsche leeraars quot;zullen zijn, die heimelijk verderfelijke sekten zullen invoeren, en den Heer die hen gekocht heeft, verloochenen, en een snel verderf over zich zelve brengen zullen; 2 en velen zullen hunne ongebondenheid navolgen, om welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; 3 en zij zullen uit hebzucht , met bedriegelijke woorden , van u gewin zoeken; doch het oordeel over hen rust reeds sedert lang niet, en hun verderf slaapt niet. 4 Want indien God de Engelen, die gezondigd hebben , niet gespaard heeft, maar hen met ketenen der duisternis ter helle heeft verstooten en overgegeven, om tot het oordeel bewaard te worden; |
5 en de eerste wereld niet gespaard, maarNoach , den prediker der gerechtigheid, met zijn achten bewaard heeft, toen hij den zondvloed over de wereld der goddeloozen bracht; C en de steden Sodom en Gomorra tot asch gemaakt en tot omkeering veroordeeld heeft, daardoor een voorbeeld stellende voor de goddeloozen die later komen gouden; 7 eii' 'dèh 'rechtvaardigen Lot heeft verlost, dien de schandelijke lieden alle leed aandeden met hun ongebonden wandel; — 8 want door wat hij zag en hoorde kwelde deze rechtvaardige, die onder hen woonde, dag aan dag zijne rechtvaardige ziel over hunne booze werken, — 9 zoo weet de Heer de godvreezen den uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden, 10 maar allermeest degenen, die naar het vleesch in onreine lusten wandelen, en de heerschappij verachten. Vermetel, eigenzinnig ontzien zij zich niet de majesteiten te lasteren, 11 waar de Engelen zelfs, die grooter sterkte en macht hebben, geen lasterlijk oordeel tegen haai zoon der had; 16 i strafli gehad dat s schens feten 17 I der w een d ven. |
*
-ocr page 2195-
2 PETRUS 3.
449
|
voortbrengen voor den Heer. 13 Maar deze, als rede-looze dieren, die van nature daartoe geboren zijn, dat zij gevangen en gedood worden, zullen, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet kennen, in hun verderf omkomen 13 en het loon der ongerechtigheid wegdragen. 1)8 tijdelijke weelde achten zij hun lust, zij zijn schandvlekken en smetten, weelderig in hunne bei riegerijen, terwijl zij met u brassen; 14 zij hebben oogen vol overspel, en houden niet op te zondigen , verlokken de onstandvastige zielen, hebben een hart geoefend in hebzucht, zijn kinderen der vervloeking. 15 Nadat zij den rechten weg verlaten hebben, zijn zij afgedwaald en volgen den weg van Bileam, den zoon van Boor, die het loon der ongerechtigheid liefhad ; 1G maar hij heeft de bestraffing zijner overtreding gehad: een stom lastdier, dat sprak met eene meu-schenstem, stuitte des profeten waanzin. 17 Deze zijn fonteinen zonder water, en wolken door een dwarrelwind omgedre-i, voor wie de donkerheid der duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. er de 3 veren de bewa-rdeelf n, dege-leescli delen, 'eracli innig iet, de Ingelen sterkte geen en haai |
18 Want zij spreken opgeblazen woorden waar niets achter is, en verlokken in be- j geerlijkheden des vleesches door ongebondenheid hen, die nauwelijks ontvloden waren degenen, die in dwaling wandelen, 19 en beloven hun vrijheid, terwijl zij zelve slaven des verderfs zijn; want door wien iemand overwonnen is, diens slaaf is hij geworden. 20 Want indien zij de besmettingen der wereld ontvloden zijn door de kennis van den lieer en Zaligmaker Jezus Christus, maar wederom in deze ingewikkeld en overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 31 Want het ware hun beter dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend liadden, dan na dien te hebben gekend, terug te keeren van het heilig gebod dat hun overgegeven is. 32 Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: '/De hond keert weder tot zijn uitbraaksel, en de ge-wasschen zeug wentelt zich weder in het slijk.// HOOFDSTUK 3. 1 Geliefden, dit is de |
29
-ocr page 2196-
2 PETRUS 3.
450
|
tweede brief dien ik u sclirijf, in welke \bei(lé\ ik uwe loutere gezindheid door vermaning opwek, 2 opdat gij gedenkt aan de woorden, die u te voren gezegd zijn door de heilige Cfeten, en aan het ge-van den Heer en Zaligmaker , door uwe apostelen verkondigd;feten, en aan het ge-van den Heer en Zaligmaker , door uwe apostelen verkondigd; 3 dit allereerst wetende, dat er in de laatste dagen spotters-zullen komen, die naar hunne eigene lusten zullen wandelen, 4 en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen gelijk zij van het begin der schepping geweest zijn! — 5 Maar moedwillig willen zij niet weten, dat door het woord van God de hemel van ouds afgeweest is, insgelijks de aarde, uit water en in het water ontstaande, 6 door welke de wereld te dier tijd met water overstroomd, vergaan is. 7 Alzoo worden ook de hemel, die nu is, en de aarde door zijn woord gespaard, opdat zij ten vure bewaard worden tegen den dag des oordeels en der verdoemenis der goddelooze menschen. |
8 Maar één ding zij u niet verborgen, geliefden, dat voor den Heer één dag is als duizend jaren, en duizend jaren zijn als één dag. 9 De Heer stelt de belofte niet uit, gelijk sommigen het voor een uitstel houden, maar heeft lankmoedigheid met u, daar hij niet wil dat iemand verloren ga, maar dat allen zich tot boete keeren. 10 Maar de dag des Hee-ren zal komen als een diet in den nacht; op welken de hemelen met gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen van hitte zullen smelten, en de aarde en de werken die daarin zijn verbranden zullen. 11 Daar nu dit alles zal vergaan, hoedanig behoor! gijlieden dan te zijn in heiligen wandel en in godzaligheid , 12 verwachtende en verhaastende de komst van den dag Gods, op welken de hemelen door vnur zullen vergaan en de elementen van hitte versmelten. 13 Maar wij verwachten een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, naar zijne belofte, waar gerechtigheid woont. ^ 14 Daarom geliefden, dewijl gij dit verwacht, benaarstigt |
-ocr page 2197-
1 JOHAlSfNES 1.
451
|
u dat gij onbevlekt eti onberispelijk door hem bevonden wordt in vrede; 15 en acht de lankmoedigheid onzes Heeren uwe zaligheid, gelijk ook onze geliefde broeder Paulus naar de wijsheid die hem gegeven ■ is u geschreven heeft, 16 gelijk ook in alle brieven , als hij daarin over deze dingen spreekt, onder welke sommige moeielijk zijn om te verstaan, welke de ongeleerden en onstand-vastigen verdraaien, alsook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. |
17 Gij dan geliefden, dewijl gij dit te voren weet, zoo wacht ii, dat gij niet door de dwalingen der zedelooze lieden u laat medeslepen , en uit uwe eigene vastheid valt; 18 maar wast in de genade en kennis van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij eer, èn nu, èn tot den dag dei-eeuwigheid! Amen. |
ÜE EBBSTE BRTEF
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het woord des levens, — 2 en het leven is verschenen, en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het leven dat eeuwig is, hetwelk was bij den Vader, en ons is verschenen — |
3 hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat gij ook met ons gemeenschap hebt; en deze onze gemeenschap is met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En dit schrijven wij u, opdat uwe blijdschap volkomen zij. 5 En dit is de verkondiging , dié wij van hem gehoord hebben en u we-derverkondigen, dat God licht is en er in hem geen duisternis is. ___ 6 Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met hem hebben, en wandelen in de |
-ocr page 2198-
1 JOHANNES 2.
4sa
|
r duisternis, zoo liegen wij ' en doen de waarheid niet; 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander , en het bloed van zijnen Zoon Jezus Christus maakt ons rein van alle zonde. \ 8 Indien wij zeggen: 1iVij hebben geen zonde, zoo misleiden wij ons zelve en de waarheid is niet in ons. \ 9 Maar indien wij onze zonden belijden, zoo is hij getrouw en rechtvaardig, dat hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ondeugd. ^ 10 Indien wij zeggen: Wij hebben niet gezondigd, zoo maken wij hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons. HOOFDSTUK 2. I Mijne kinderen, dit schrijf ik u opdat gij niet zondigt. Maar zoo iemand zondigt, hebben wij een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, die rechtvaardig is; 3 en deze is de verzoening voor onze zonden, doch niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld. 3 En hieraan weten wij dat wij hem kennen, zoo |
wij zijne geboden houden. 4 Wie zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet houdt, is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 5 maar wie zijn woord houdt, in dien is waarlijk de liefde Gods volkomen. Hieraan weten wij dat wij in hem zijn. 6 Wie zegt dat hij in hem blijft, moet ook wandelen , gelijk hij gewandeld heeft. 7 Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar het oude gebod, hetwelk gij hebt gehad van den beginne; dit oude gebod is het woord, hetwelk gij gehoord hebt. 8 Nochtans schrijf ik u een nieuw gebod, dat waarachtig is bij hem en ook bij u; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu. 9 Wie zegt dat hij in hot licht is, en zijnen broeder haat, is nog in de duisternis. , 10 Wie zijnen broeder liefheeft, blijft in het licht, en hij struikelt niet. 11 Maar wie zijnen broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heengaat , want de duisternis heeft zijne oogen verblind. |
-ocr page 2199-
1 JOHANNES 2.
453
|
12 Kinderen, ik schrijf u, want u zijn de zonden vergeven om zijns naams wil. 13 Ik schrijf u, vaders, want gij kent hem die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik hel) u, kinderen, geschreven , want gij kent den Vader. 14 Ik heb u, vaders, geschreven , want gij kent hem die van deu beginne is. Ik heb u, jongelingen, geschreven , want gij zij t sterk en het woord Gods blijft bij u, en gij hebt den booze overwonnen. 15 Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Zoo iemand de wereld liefheeft, is de liefde des Vaders niet in hem; 16 want al wat in de wereld is, namelijk lust des vleesches en lust der oogen en hoovaardig leven, is niet van den Vader maar van de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij met haren lust; maar wie den wil Gods doet, blijft in eeuwigheid. 18 Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zoo ziju er nu vele antichristen geworden; daaruit weten wij dat het de laatste ure is. |
19 Zij zijn van ons uitgegaan , maar zij waren niet van ons; want indien zij van ons geweest waren, zoo zouden zij bij ons gebleven zijn; maar het moest openbaar worden dat zij niet allen van ons zijn. 20 En gij hebt de zalving van hem die heilig is, en gij weet alles. 21 Ik heb u niet geschreven , omdat gij de waarheid niet wist, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus do Christus is? Deze is de antichrist, die den Vaderen den Zoon loochent. 23 Wie den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet; wie den Zoon belijdt, heeft ook den Vader. 24 Hetgeen gij nu van den beginne gehoord hebt, dat blijve bij u. Indien bij u blijft hetgeen gij van den beginne gehoord hebt, zult gij ook in den Zoon en den Vader blijven. 25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, het eeuwige leven. 26 Dit heb ik u geschre' |
-ocr page 2200-
1 JOHANNES 3.
454
|
ven van degenen die u verleiden. 27 En de zalving, die gij van hem ontvangen hebt, blijft bij ii, en gij hebt niet noodig dat iemand u leert, maar gelijk zijne zalving u van alle dingen leert, zoo is zij ook waarachtig en geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo blijft gij in hem. 28 En nu kinderen, blijft in hem, opdat, als hij geopenbaard zal worden, wij vrijmoedigheid hebben, en niet beschaamd worden voor hem in zijne toekomst. 29 Indien gij weet dat hij rechtvaardig is, zoo erkent ook, dat wie recht doet uit hem geboren is. HOOFDSTUK 3. 1 Ziet, welk eene liefde de Vader ons betoond heeft, dat wij Gods kinderen zouden heeten! Daarom kent de wereld ons niet, want zij kent hem niet. 2 Geliefden, wij zijn nu Gods kinderen, en het is nog niet verschenen wat wij zijn zullen; maar wij weten dat, als het verschijnen zal, wij hem gelijk zullen zijn, want wij zullen hem zien gelijk hij is. 3 En ieder die deze hoop op hem heeft, reinigt zich zeiven, gelijk hij rein is. |
4 Wie de zonde doet, doet ook het onrecht; en de zonde is het onrecht. 5 En gij weet dat hij verschenen is opdat hij onze zonden zou wegnemen, en in hem is geene zonde. 6 quot;Wie in hem blijft, zondigt niet; wie zondigt, heeft hem niet gezien, noch hem gekend. 7 Kinderen, laat niemand u verleiden. Wie de gerechtigheid doet, is rechtvaardig, gelijk hij rechtvaardig is. 8 Wie de zonde doet, is van den duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon Gods verschenen, opdat hij de werken des duivels vernietigen zou. 9 Wie van God geboren is, doet geen zonde; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is van God geboren; 10 daaraan wordt openbaar , wie de kinderen Gods en de kinderen des duivels zijn. Ieder die geen gerechtigheid doet, en zijnen broeder niet liefheeft, is niet uit God. 11 Want dit is de verkondiging die gij gehoord hebt van den beginne, dat wij elkander moeten liefhebben ; |
-ocr page 2201-
1 JOHANNES 4.°
455
|
13 niet gelijk Kain, die uit den booze was en zijnen broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijne werken boos waren, en die zijns broeders rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, mijne broeders, zoo de wereld u haat. 14 Wij weten dat wij uit den dood in het leven gekomen zijn, want wij hebben de broeders lief; wie zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. 15 Wie zijnen broeder haat, is een moordenaar, en gij weet dat geen moordenaar het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 16 Hieraan hebben wij de liefde erkend, dat hij zijn leven voor ons gelaten heeft; en wij moeten ook het leven voor de broeders laten. 17 Als nu iemand de goederen dezer wereld heeft, en hij ziet zijnen broeder gebrek hebben en sluit zijn hart voor hem toe, hoe blijft de liefde Gods in hem ? 18 Mijne kinderen, laat ons niet liefhebben met woorden noch met de tong, maar metterdaad en met waarheid. |
19 En hieraan weten wij dat wij uit de waarheid zijn, en kunnen ons hart daarmede voor hem geruststellen , 20 dat, indien ons hart ons veroordeelt, God grooter is dan ons hart, en alle dingen weet. 31 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid heid tot God, 33 en al wat wij bidden zullen wij van hem ontvangen , want wij houden zijne geboden en doen hetgeen voor hem behagelijk is. 33 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam van zijnen Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven heeft. 34 En wie zijne geboden houdt, blijft in hem, en hij in dezen. En hieraan weten wij dat hij in ons blijft, aan den Geest dien hij ons gegeven heeft. HOOFDSTUK 4. 1 Geliefden, gelooft niet iederen geest, maar beproeft de geesten of zij van God zijn; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. 3 Hieraan moet gij den Geest Gods kennen: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch |
-ocr page 2202-
1 JOHANNES -i.
456
|
gekomen is, is van God; 3 en iedere geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, is niet van God; en dit is de geest van den antichrist, van welken gij gehoord hebt dat hij komen zal, en hij is nu alreeds in de wereld. 4 Kinderen, gij zijt van God, en hebt hen overwonnen; want die in u is, is grooter dan die in de wereld is. 5 Zij zijn van de wereld; daarom spreken zij van de wereld, en de wereld hoort naar hen. 6 Wij zijn van God. Wie God kent, hoort naar ons; wie van God niet is, hoort naar ons niet. Daaraan kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling. 7 Geliefden, laat ons elkander' liefhebben, want de liefde is van God, en wie liefheeft, is van God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, kent God niet, w:\nt God is liefde. 9 Hierin is de liefde Gods jegens ons verschenen, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij door hem leven zouden. 10 Hierin bestaat de liefde. |
niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat hij ons heeft liefgehad, en zijnen Zoon gezonden tot verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, heeft God ons alzóo liefgehad, dan moeten wij elkander ook liefhebben. 13 Niemand heeft ooit God gezien; indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, eu zijne liefde is in ons volkomen. 13 Hieraan erkennen wij dat wij in hem blijven, en hij in ons, dat hij ons van zijnen Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben gezien en getuigen, dat de Vader den Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. 15 Wie nu belijdt dat Jezus Gods Zoon is, in dien blijft God , en hij in God. 16 En wij hebben erkend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volkomen, dat wij vrijmoedigheid hebben op den diig des oordeels, namelijk, dat gelijk hij is, zoo ook wij zijn in deze wereld. 18 Vrees is er niet in de liefde, maar de volkomem; |
-ocr page 2203-
1 JOHANNES 5.
457
|
liefde drijft de vrees uit; want de vrees heeft pijn, en wie vreest , is niet volkomen in de liefde. 19 Laat ons hem liefhebben, want hij heeft ons eerst liefgehad. 20 Indién iemand zegt; Ik heb God lief, eu zijnen broeder haat, hij is een leugenaar; want wie zijnen broeder niet liefheeft dien hij ziet, hoe kan hij God liefhebben dien hij niet ziet? 21 En dit gebod hebben wij van hem, dat wie God liefheeft ook zijnen broeder liefhebbe. HOOFDSTUK 5. 1 Wie gelooft dat Jezus de Christus is, is van God geboren; en wie liefheeft dengeen die hem gebaard heeft, heeft ook dengeen lief, die van hem geboren is. 2 Hieraan erkennen wij dat wij Gods kinderen liefhebben, als wij God liefhebben en zijne geboden houden. 3 Want dit is de liefde tot God, dat wij zijne geboden houden. En zijne geboden zijn niet zwaar; 4 want al wat van God geboren is, overwint de wereld. En ons geloof is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft. |
5 quot;W'ie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus Gods Zoon is? 6 Deze is het, die gekomen is door water en bloed, Jezus, de Christus: niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het die het getuigt; want de Geest is de waarheid. 7 Want drie zijn er die getuigen [in dm hemel: de Vader, het 1 Koord, en de Heilige Geest; eu deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde]: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één. 9 Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, zoo is Gods getuigenis groo-ter; want Gods getuigenis is die, welke hij getuigd heeft van zijnen Zoon. 10 Wie in den Zoon Gods gelooft, heeft de getuigenis in zich zeiven; wie God niet gelooft, maakt hem tot een leugenaar, want hij gelooft de getuigenis niet, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon. 11 En dit is de getuigenis , dat God ons het eeuwige leven heeft gegeven; en dat leven is in zijnen Zoon, |
1
-ocr page 2204-
2 JOHANNES.
458
|
12 Wie den Zoon Gods heeft, heeft het leven; wie den Zoon Gods niet heeft, heeft het leven niet. 13 Dit heb ik u geschreven, die gelooft in den naam van den Zoon Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt. 14 En dit is de vrijmoedigheid die wij tot hem hebben, dat indien wij iets bidden naar zijnen wil, hij ons verhoort. 15 En indien wij weten dat hij ons verhoort in hetgeen wij bidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van hem gebeden hebben. 16 Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen eene zonde niet ten dood, zoo zal hij bidden, en hij zal het leven geven dengenen, die zondigen niet ten dood. |
Er is eene zoude ten dood; voor deze zeg ik niet dat iemand bidden zal. 17 Alle ondeugd is zonde, en er is zonde niet ten dood. 18 Wij weten dat ieder die van God geboren is niet zondigt; maar wie van God' geboren is, bewaart zich zeiven, en de booze zal hem niet aantasten. 19 Wij weten dat wij van God zijn, en de geheele wereld in het booze ligt; 20 maar wij weten dat de Zoon Gods gekomen is, en ons een inzicht heeft gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, in zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. 21 Kinderen, wacht u voor de afgoden! Amen. |
BE TWEEDE BRIEF VAN
JOHANNES.
|
1 De oudste aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid kennen, |
2 om der waarheid wil, die in ons blijft, en bij ons zal zijn in eeuwigheid, i 3 Genade, barmhartigheid, 'vrede, van God, den Vader, zij met u en van den Heer Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in de waarheid en in de liefde! 4 Ik ben zeer verblijd dat |
-ocr page 2205-
3 JOHANNES.
459
|
ik onder uwe kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod van den Vader ontvangen hebben. 5 En nu bid ik u, vrouw, niet als schreef ik u een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, dat wij elkander liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gij gehoord hebt van den beginne, dat gij daarin zoudt wandelen; 7 want vele verleiders zijn in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist. 8 Ziet toe, dat gij niet verliest hetgeen gij gearbeid hebt, maar een vol loon ontvangt. |
9 Wie afwijkt, en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in de leer van Christus blijft, die heeft en den Vader en den Zoon. ✓ 10 Zoo iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, neemt dien niet in huis, en zegt niet tot hem: Wees gegroet! 11 Want wie tot hem zegt: Wees gegroet! heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 13 Ik had ulieden veel te schrijven, doch ik wilde het niet doen met papieren inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mondeling met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen zij. 13 U groeten de kindereu van uwe zuster, de uitverkorene. Amen. |
DE DERDE BRIEF
JOHANNES.
|
1 De oudste aan Gajus, den geliefde, dien ik liefheb in waarheid. 2 Geliefde, vóór alle dingen wensch ik dat het u welga en gij gezond zijt, gelijk het uwe ziel welgaat. |
3 Wcipt ik was zeer verblijd , toen er broeders kwamen en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij wandelt in de waarheid. 4 Ik heb geen grooter vreugd dan die, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen, |
-ocr page 2206-
HEBEEEN 1.
4G0
|
5 Geliefde, gij handelt getrouwelijk , in hetgeen gij doet aan de broederen en dat wel aan vreemde, 6 die van uwe lietde getuigd hebben voor de gemeente ; en gij hebt wél gedaan dat gij voor hun reis gezorgd hebt, opGode waardige wijze. 7 Want om zijns naams wil zijn zij uitgegaan, zonder van de heidenen iets aan te nemen. 8 Nu moeten wij dezulken ondersteunen, opdat wij medehelpers der waarheid mogen worden. 9 Ik heb aan de gemeente, geschreven; maar Diótrefes , die onder hen de eerste wi) zijn, stoort zich niet aan ons. |
10 Daarom, als ik kom, zal ik hem zijne werken herinneren die hij doet, pratende met kwade woorden tegen ons; en zich hiermede niet vergenoegende, neemt hij niet alleen zelf de broeders niet op, maar belet ook degenen die het willen doen, en stoot hen uit de gemeente. 11 Gelietde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Wie goed doet, is van God; wie kwaad doet, heeft God niet gezien. 12 Demetrius heeft de getuigenis van iedereen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen óók, en gijlieden weet dat onze getuigenis waar is. 13 Ik had veel te schrijven , maar ik wilde niet met inkt en pen aan u schrijven; 14 maar ik hoop u welhaast te zien, dan zullen wij mondeling met elkander spreken. 15 Vrede zij u! U groeten de vrienden. Groet de vrienden bij name. |
DE BRIEF AAN DE
HEBEEEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Nadat God eertijds menigmaal en op menigerlei wijze tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft, hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, |
2 dien hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alle dingen, door wien hg ook |
-ocr page 2207-
HEBREKN 3.
! iè wereld gemaakt heeft; } 3 die, nademaal hij is liet afschijnsel zijner heerlijkheid en het evenbeeld ' zijns wezens, en alle dingen ' draagt door zijn krachtig woord, nadat hij de reiniging van de zonden door zich zeiven heeft teweeggebracht , gezeten is aan de rechterhand der majesteit in de hoogte;
4 zooveel voortreffelijker geworden dan de Engelen ,
als hij een veel hoogeren naam boven hen geërfd heeft.
5 Want tot welken Engel heeft hij ooit gezegd: //Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u verwekt//? en wederom: //Ik zal zijn Vader zijn en hij zal mijn Zoon zijn// ?
6 En als hij wederom den eerstgeborene inleidt in de wereld, zegt hij: //En alle Engelen Gods zullen hem aanbidden.//
7 Van de Engelen zegt hij wel: //Hij maakt zijne Engelen geesten, en zijne dienaars vuurvlammen//;
8 maar van den Zoon: //God, uw troon duurt tot in alle eeuwigheid, de schep-ter uws rijks is een schepter der rechtvaardigheid.
9 Gij hebt de gerechtigheid liefgehad en de ongerechtigheid gehaat: daarom heeft u, o God, uw God
461
gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenooten.//
10 En: //Gij, Heer, hebt in het begin de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen:
11 zij zullen vergaan, maar gij zult blijven; en zij zullen alle verouderen als een kleed,
12 en als een gewaad zult gij ze inéénrollen, en zij zullen veranderd worden ; maar gij zijt dezelfde en uwe jaren zullen niet ophouden.//
13 En tot welken Engel heeft hij ooit gezegd: //Zet u aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden zal gelegd hebben tot eene voetbank uwer voeten//?
14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, uitgezonden tot dienst om dergenen wil, die de zaligheid zullen beërven?
HOOFDSTUK 2.
1 Daarom moeten wij des te meer acht geven op het woord dat wij gehoord hebben , opdat wij het ons niet laten ontgaan.
2 Want indien het woord, door de Engelen gesproken, vast geweest is, en elke overtreding en ongehoorzaamheid haar rechtvaardig loon ontvangen heeft,
-ocr page 2208-
HÊBKEËN 3.
462
|
3 hoe zullen wij ontvlieden , indien wij op zulk eene zaligheid geen acht geven? Die, nadat zij eerst gepredikt is door den Heer, onder ons bevestigd is geworden door degenen die hem gehoord hebben; 4 en God heeft medegetuigenis gegeven door teekenen en wonderen en menigerlei krachten, en met uitdeelingen des Heiligen Geestes naar zijnen wil. 5 Want hij heeft de toekomende wereld, van welke wij spreken, den Engelen niet onderdanig gemaakt. 6 Maar iemand betuigt ergens , zeggende : //Wat is de mensch dat gij aan hem gedenkt, en des menschen zoon dat gij heb bezoekt! 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt gij hem gekroond, en hebt hem gesteld over de werken uwer handen: 8 alles hebt gij onder zijne voeten onderworpen.// Want daarin, dat hij hem alles onderdanig gemaakt heeft, heeft hij niets overgelaten dat hem niet onderdanig gemaakt is; maar nu zien wij nog niet dat hem alles onderdanig gemaakt is. |
9 Maar hem die een weinig minder gemaakt is dan de Engelen, namelijk Jezus, zien wij door het lijden des doods gekroond met eer en heerlijkheid, opdat hij door Gods genade voor allen den dood zon smaken. 10 Want het betaamde hem, om wiens wil alle dingen zijn en door wien alle dingen zijn', dewijl hij vele kinderen tot de heerlijkheid wilde leiden, den bewerker hunner zaligheid door lijden volkomen te maken. 11 Want èn die heiligt èn die geheiligd worden zijn allen uit Eénen; waarom hij zich ook niet schaamt hen broeders te noemen, 12 zeggende: //Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, en midden in de gemeente zal ik u lofzingen//; 13 en wederom; //Ik wil mijn vertrouwen op hem stellen//; en wederom: //Ziehier , ik en de kinderen die God mij gegeven heeft.// 14 Dewijl nu de kinderen vleesch en bloed hebben, zoo is hij dat gelijkerwijze deelachtig geworden, opdat hij door den dood de macht zou ontnemen aan dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel, |
-ocr page 2209-
HEBREEN 3.
463
|
15 en verlossen zou degenen die door vrees des doods gedurende hun ge-lieele leven der dienstbaarheid onderworpen waren. 16 Want hij neemt nergens de Engelen aan, maar het zaad van Abraham neemt-hij aan. 17 Daarom moest hij in alle dingen zijnen broederen gelijk worden, opdat hij een barmhartig en getrouw hoogepriester voor God zou worden, om de zonden des volks te verzoenen. 18 Want daar hij zelf verzocht is geworden in hetgeen hij geleden heeft, kan hij helpen degenen die verzocht worden. HOOFDSTUK 3. 1 Daarom, heilige broeders , die mede geroepen zijt tot de hemelsche roeping, let op den apostel en hoogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus, 3 die getrouw is dengeen die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in zijn ge-heele huis. 3 Want deze is grootere heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, nademaal ook diegene een grootere eer heeft, die het huis bereid heeft, dan het huis zelf. |
4 Want ieder huis wordt door iemand bereid, maar die alles bereidt is Grod. 5 En Mozes was wel getrouw in zijn geheele huis als een dienaar, tot eene getuigenis van hetgeen gesproken zou worden, 6 maar Christus als Zoon over zijn huis, wiens huis wij zijn, indien wij de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot het einde toe onwankelbaar vasthouden. 7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: /'Heden, zoo gij zijne stem hoort, 8 verstokt uwe harten niet, gelijk in de verbittering geschiedde, op den dag dei-verzoeking in de woestijn, 9 alwaar uwe vaders mij verzochten; zij beproefden mij, en zagen mijne werken veertig jaar lang. 10 Daarom werd ik toornig over dit geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij kennen mijne wegen niet; 11 zoodat ik ook zwoer in mijnen toorn: Zij zullen tot mijne rust niet komen.// 12 Ziet toe, broeders, dat niet iemand onder u een boos, ongeloovig hart heb-be, dat afvalt van den levenden God; 13 maar vermaant elkander alle dagen, zoolang als het heden heet, opdat niet |
-ocr page 2210-
HEBREEN 4.
464
|
iemand ouder u verstokt worde door het bedrog der zonde. 14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, indien wij namelijk ons eerste vertrouwen tot het einde toe onwankelbaar vasthouden. 15 Als nu gezegd wordt: //Heden, zoo gij zijne stem hooren zult, verstokt uwe harten niet, gelijk in de verbittering geschiedde//, — 16 wie waren toen de hoorders die verbittering aanrichtten? Waren het niet allen, die door Mozes uit Egypte gegaan waren? 17 En over wie werd hij toornig veertig jaar lang? Was het niet over degenen die zondigden, wier lichamen in de woestijn gevallen zijn? 18 En aan wie anders zwoer hij dat zij tot zijne rust niet zouden komen, dan aan de ongehoorzamen ? 11) En wij zien dat zij niet hebben kunnen inkomen wegens hun ongeloot'. HOOFDSTUK 4. 1 Zoo laat ons nu vreezen, opdat wij de belofte, om in te komen tot zijne rust, niet verzuimen, en niet iemand van ons blijke achter te blijven. |
2 Want ook ons is het evangelie verkondigd, gelijk hun; maar het woord dat zij gehoord hebben hielp hen niet, daar het bij hen, die het hoorden, niet gepaard ging met het geloof. 3 Want wij die gelooven gaan in de rust, gelijk hij zegt: //Zoodat ik zwoer in mijnen toorn: Zij zullen tot mijne rust niet komen//, hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af volbracht waren. 4 Want hij sprak ergens van den zevenden dag aldus: //En God rustte op den zevenden dag van at zijne werken.// 5 En op deze plaats wederom : //Zij zullen tot mijne rust niet komen.// 6 Dewijl er dan nu nog gelegenheid blijft, dat sommigen tot haar komen zullen , en degenen aan wie het evangelie eerst verkondigd is er niet toe gekomen zijn wegens ongehoorzaamheid, 7 zoo bestemt hij wederom een dag, na zulk een langen tijd, en zegt door David : //Heden//, — gelijk gezegd is — //heden, zoo gij zijne stem hoort, verstokt uwe harten niet.// 8 Want indien Jozua hen tot de rust gebracht had, zou hij daarna van een |
-ocr page 2211-
HEMEEN 5.
465
|
anderen dag niet gesproken hebben. 9 Daarom is er nog eene rust aanstaande voor liet volk van God. 10 Want wie tot zijne rust gekomen is, die rust óók van zijne werken, gelijk God van de zijne. 11 Zoo laten wij ons nu benaarstigen, om in te komen tot deze rust, opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongehoorzaamheid valle. 12 Want liet woord Gods is levend en krachtig, en scherper dan eenig tweesnijdend zwaard, en dringt door tot scheiding van ziel en geest, ook van merg en been, en is een rechter der gedachten en overleggingen des harten; 13 en geen schepsel is voor hem onzichtbaar, maar dies is bloot en ontdekt voor de oogen desgenen, van wien wij spreken. 14 Dewijl wij dan een grooten hoogepriester hebben, Jezus, den Zoon Gods, ilie door de hemelen doorgegaan is, zoo laat ons vasthouden aan de belijdenis. 15 Want wij hebben geen hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden hebben met onze zwakheden , maar tlie in alle dingen verzocht is gelijk wij, doch zonder zonde. |
16 Daarom laat ons toetreden met vrijmoedigheid tot don troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen, en genade vinden ten tijde als wij hulp zullen noodig hebben. HOOFDSTUK 5. 1 Want elke hoogepriester die uit de menschen genomen wordt, wordt gesteld voor de menschen tegenover God, opdat hij gaven en offers voor de zonden offere; 2 die medegevoel kan hebben met degenen die onwetend zijn en dwalen, overmits hij ook zelf omvangen is met zwakheid. 3 Daarom moet hij, gelijk' voor het volk, alzóó ook voor zich zei ven offeren voor de zonden. 4 Eu niemand matigt zich zei ven die eer aan, maar die geroepen is door God, gelijk ook Aaron. 5 Alzóó heeft ook Christus zich zeiven niet verheerlijkt om hoogepriester te worden, maar die tot hem gezegd lieeft: //Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u verwekt//; 6 gelijk hij ook op eene andere plaats zegt: //Gij zijt een priester in eeuwig- |
30
-ocr page 2212-
HEBREEN 6.
466
|
heid, naar de ordening van Melchizedek.// 7 En hij heeft in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen met een sterk geroep en tranen geofferd aan dengeen, die hem uit den dood kon uithelpen, en is ook verhoord, omdat hij God in eere hield. 8 En hoewel hij Gods Zoon was, zoo heeft hij nochtans uit hetgeen hij leed gehoorzaamheid geleerd; 9 en volkomen geworden, is hij allen die hem gehoor-zaam zijn eene oorzaak van / eeuwige zaligheid geworden, ? 10 en is door God genoemd ; een hoogepriester, naar de ordening van Melchizédek. 11 Daarvan hadden wij veel te zeggen wat moeie- ' lijk is wit te leggen, dewijl gij traag zijt om te hooren. 12 Want terwijl gij al voor lang behoordet meesters te zijn., hebt gij wederom noodig dat men u de eerste beginselen dei-Goddelijke woorden leere, en dat men u melk geve en geen vaste spijs. 13 Want wien men nog melk moet geven, die is onervaren in het woord der gerechtigheid, want hij is een jong kind; 14 maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die |
door de gewoonte geoefende zinnen hebben tot onderscheiding van goed en kwaad. HOOFDSTUK 6. de 1 Daarom laat ons beginselen der leer van Christus nu laten rusten, en tot de volkomenheid voortgaan, niet wederom den grond leggende van de bekeering van doode werken en van het geloof' in God, 3 van de onderwijzing omtrent de doopen, van de handoplegging, van de opstanding der dooden, en van het eeuwig oordeel. 3 En dit zullen wij doen, indien God het toelaat. 4 Want het is onmogelijk, dat diegenen die eenmaal verlicht zijn, en gesmaakt hebben de hemelsche gave, en den Heiligen Geest deelachtig zijn geworden, 5 en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende ! wereld, 6 indien zij afvallen, dat zij wederom zouden ver nieuwd worden tot bekeering , daar zij bij zich zelve den Zoon Gods opnieuw kruisigen en aan spot prijsgeven. 7 Want de aarde die den |
-ocr page 2213-
HEBREEN 7.
467
|
regen, welke dikwijls over haar komt, indrinkt, en gewas draagt, nuttig voor degenen die haar bebouwen, ontvangt zegen van God; 8 maar die doornen en distels draagt, deugt niet en is nabij de vervloeking, welker einde is de verbranding. - 9 Maar wij vertrouwen, geliefden, wat beters van u, en wat met de zaligheid verbonden is, hoewel wij zóó spreken. 10 Want God is niet onrechtvaardig, dat hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde die gij bewezen hebt aan zijnen ■ naam , daar gij de heiligen gediend hebt en nog dient. 11 Maar wij begeerendat elk van u dezelfde naarstigheid betoone, opdat gij de volle verzekerdheid der hoop behoudt tot het einde toe; 13 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door het geloof en de standvastigheid de beloften beërven. 13 Want toen God Abraham de belofte deed , zwoer hij bij zich zei ven, dewijl hij bij geen grooter te zweren had, 14 zeggende: //Voorwaar ik wil u zegenen en vermenigvuldigen.// daf |
15 En alzóó verkreeg hij, nadat zijn geduld geoefend was, de belofte. 16 Menschen toch zweren bij een grooter dan zij zijn, en de eed maakt een einde aan allen twist, zoodat het voor hen vast blijft. 17 Maar God, toen hij den erfgenamen der belofte overvloedig wilde bewijzen dat zijn raad onwankelbaar is, heeft een eed daarbij gevoegd; 18 opdat wij door twee stukken, die onwankelbaar zijn, in welke het onmogelijk is dat God liegt, een krachtige opwekking hebben, — wij die de toevlucht genomen hebben om vast te houden aan de aangeboden hoop, 19 welke wij hebben als een zeker en vast anker onzer ziel, hetwelk ook ingaat tot binnen het voorhangsel , 20 alwaar als voorlooper voor ons ingegaan is, Jezus, een hoogepriester geworden zijnde in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizcdek. HOOFDSTUK 7. 1 Deze Melchizcdek nu was koning te Salem, een priester van GoddenAller-hoogste, die Abraham te ge-moet ging, toen hij van het |
-ocr page 2214-
HEBREEN 7.
468
|
verslaan der koningen wederkeerde, en hem zegende; 2 rum wien ook Abraham van alles de tienden gaf. Ten eerste beteekent zijn naam koning der gerechtigheid, en daarna is hij ook koning van Salem, dat is koning des yredes; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister en hij heeft noch begin der dagen noch einde des levens; maar, den Zoon Gods gelijk gemaakt, blijft hij een priester in eeuwigheid. 4 Merkt nu op hoe groot diegene is, wien zelfs Abraham , de aartsvader, de tienden gaf van den veroverden buit. 5 En zij uit de kinderen van Ijevi, die het priesterschap ontvingen, liebben wel een gebod naar de wet om de tienden van het volk, dat is van hunne broeders, te nemen, hoewel zij uit de lende van Abraham gekomen zijn; 6 maar degeen wiens geslacht niet van hen wordt afgeleid, nam de tienden van Abraham, en zegende dengeen die de beloften had. 7 Nu is het zonder ecnige tegenspraak aldus, dat het mindere door het meerdere gezegend wordt. |
8 En hier nemen men-schen die sterven de tienden, maar daar een van wien getuigd wordt dat hij leeft. 9 En om zoo te spreken , zelfs Levi, die de tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven ; 10 want hij was immers nog in de lende zijns vaders, toen Melchizédek hem te gemoet ging. 11 Indien dan nu de volkomenheid door het .Levie-tische priesterschap bereikt ware, — want in verband daarmede heeft het volk de wet ontvangen — was het dan nog noodig te zeggen, dat een ander priester zou opstaan naar de ordening van Melchizédek, en niet naar de ordening van Aiiron ? 12 Want waar liet priesterschap veranderd wordt, daar moet ook de wet veranderd worden. 13 Hij toch van wieu dit gezegd is, is van een ander geslacht, uit hetwelk nooit iemand het altaar bediend heeft; 14 want het is immers openbaar, dat onze Heer uit Juda gesproten is, tot welk geslacht Mozes niets gesproken heeft van hel priesterschap. 15 En dit is nog klaarder, zoo naar de wijze van Mei- |
-ocr page 2215-
HEBEEEN 8.
469
|
chizédek een ander priester opstaat, 16 die het niet naar de wet des vleeschelijken ge-bods geworden is, maar naar de kracht des onver-gankelijken levens. 17 Van hem toch wordt getuigd: //Gij zijteen priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.// 18 Want daarmede wordt een voorgaande insteiling opgeheven, omdat zij te zwak en onnut was; — 19 de wet toeh kon niets volkomen maken; — maar eene betere hoop wordt ingevoerd, door welke wij tot God naderen. 20 En voor zoover dit niet zonder eedzwering geschied is, — want géne zijn zonder eedzwering priesters geworden , 21 maar deze met eedzwering door dengeen die tot hem gezegd heeft: //De Heer heelt gezworen, en het zal hem niet berouwen: Gij zijt een priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek// — 22 naar die mate is Jezus van een beter verbond borg geworden. 23 En van géne zijn er velen die priesters werden, omdat de dood hen niet liet aanblijven; |
21 maar déze, omdat hij in eeuwigheid blijft, heelt een onvergankelijk priesterschap : 25 waaröm hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door hem tot God komen, dewijl hij altijd leeft ora voor hen te bidden. 26 Want zulk een hooge-priester betaamde het ons te hebben, die heilig was, onschuldig, onbevlekt, van de zondaars afgescheiden, en hooger dan de hemelen geworden; 2? wien het niet diigelijksquot;quot; noodig was, om, gelijk gene hpogepriesters, eerst voor zijne eigene zonden olléran-den te doen, daarna voor de zonden des volks; want dit heeft hij éénmaal gedaan,. toen hij zich zei ven offerde. 28 Want de wet stelt tot hoogepriesters menschen die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, dat na de wet gezegd is, stelt den Zoon die tot in eeuwigheid volkomen is. HOOFDSTUK 8. 1 Dit nu is de hoofdzaak van welke wij spreken: wij hebben zulk een hoogepries-ter, die ter rechterhand zit van den troon der majesteit in den hemel, ,2 een bedienaar des hei- |
-ocr page 2216-
HEBBEEN 9.
470
|
ligdoms en van den waren Tabernakel, welken de Heer heeft opgericht en geen mensch. 3 Want elke hoogepries-ter wordt aangesteld om gaven en offers te offeren; daarom moet ook deze iets hebben dat hij offert. 4 Indien hij mi op de aarde was, zou hij zelfs geen priester zijn, dewijl er priesters zijn die naar de wet de gaven offeren, 5 zij, die een afbeeldsel en schaduw van het hemelsche ■ dienen, gelijk Mozes eene godspraak ontving, toen hij den Tabernakel bouwen zou: quot;Zie toe, zeide hij, dat gij alles maakt naar het beeld dat u op den berg getoond is.// 6 Maar nu heeft hij zooveel uitnemender bediening verkregen, als hij ook de middelaar van een beter verbond is, dat ook op betere beloften staat. 7 Want indien het eerste onberispelijk geweest was, zoo zou er geen plaats voor een ander gezocht zijn. 8 Maar hij berispt hen en zegt: //Zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal oprichten: |
9 niet naar het verbond, hetwelk ik gemaakt heb met hunne vaderen op dien dag, toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn niet gebleven in mijn verbond, dus heb ik mij ook aan hen onttrokken, spreekt de Heer. 10 Want dit is het verbond hetwelk ik met het huis van Israël maken zal na deze dagen, spreekt de Heer: ik zal mijne wetten in hun verstand geven, en in hun hart zal ik ze schrijven ; en ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11 En niemand zal zijnen naaste leeren, noch iemand zijnen broeder, zeggende: Ken den Heer; want zij zullen mij allen kennen van den kleinste af tot den grootste toe; 13 want ik zal hunne ongerechtigheden genadig zijn en hunne zonden zal ik niei meer gedenken.// •— 13 Als hij zegt: //Een nieuw verbond//, zoo maakt hij hei eerste oud. Wat nu oud ei verouderd is, dat is nabi zijn einde. HOOFDSTUK 9. 1 Het eerste had óók wel zij ne inzettingen van eerediens en het aardsche heiligdom. |
-ocr page 2217-
HEBREEN 9.
471
|
2 Want hel voorste gedeelte van den Tabernakel was toebereid, in hetwelk de kandelaar was en de tafel en de toonbrooden; en dat werd genaamd het Heilige. 3 Maar achter het tweede voorhangsel was de Tabernakel die het Allerheiligste genaamd werd; 4 die had het gouden wierookvat, en de ark des verbonds rondom met goud overtrokken, in welke was de gouden kruik met het manna, eu de staf van Aiiron die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; 5 en boven over haar heen waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden: van welke dingen wij nu niet stuk voor stuk zullen spreken. 6 Toen nu dit alzoo toebereid was, gingen de priesters altijd in den voorsten Tabernakel, om den dienst te volbrengen; 7 maar in den tweeden ging slechts éénmaal in het jaar alleen de hoogcpriester, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zijne eigene overtredingen en die des volks. |
8 Daarmede duidde de Heilige Geest aan, dat de weg naar het heiligdom nog niet geopenbaard was, zoolang de eerste Tabernakel nog stond, ij i 9 die eene afbeelding voor dien tijd was, in welke gaven en offers geofferd werden, welke niet naar het geweten volkomen konden maken dengeen die den dienst verrichtte, 10 die met spijs en drank, eu menigerlei reinigin- igen, enkel inzettingen des vleesches zijn, tot op den - tijd der herstelling opgelegd. I 11 Maar Christus, geko-' men als hoogepriester der ' toekomende goederen, is ; door een grooteren en meer volkomen Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, die niet tot deze schep ping behoort, 12 ook niet door het bloed van bokken of kalveren , maar door zijn eigen ■ bloed , éénmaal ingegaan in | het heiligdom, en heeft eene eeuwige verlossing teweeggebracht. 13 Want indien het bloed van bokken en stieren, en de asch van eene jonge koe, gesprengd, de onreinen heiligt tot de lichamelijke reinheid, 14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die zich zei ven door den eeuwigen |
-ocr page 2218-
HEBREEN 9.
472
|
Geest ouho ylekt Goeie geotterd heeft, ons geweten reinigen van tie doode werken , om den levenden God te dienen! 15 En daarom is hij ook de Middelaar des nieuwen verbonds, opdat, nu zijn dood geschied is tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, degenen die geroepen zijn de beloofde eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, daar moet de dood bewezen worden desgenen, die het testament maakte; 17 want een testament wordt vast door den dood, daar het nog geen kracht heeft, wanneer diegene nog leeft, die het gemaakt heeft. 18 Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. 19 Want toen Mozes alle geboden, naar de wet, aan al het volk verkondigd had, nam hij het bloed der kalveren en der bokken, met water en purperen wol en hysop, en besprengde het boek en al het volk, 20 zeggende: //Dit is het bloed des verbonds hetwelk God u geboden heeft.// |
21 En ook de Tabernakel en al het gereedschap van den eeredienst besprengde hij desgelijks met bloed. 22 En bijna alle dingen worden met bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedvergietinfi geen vergeving. 23 Zoo moesten nu de voorbeelden der hemelsche dingen daarmede gereinigd worden, maar de hemelsche dingen zelve moeten betere offers hebben dan gene. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, dat een tegenbeeld is van liet ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. 25 En dit niet opdat hij zich zeiven dikwijls zou offeren, gelijk de hoogepriester alle jaren in het heiligdom gaat met vreemd bloed; 26 anders had hij dikwijls moeten lijden van het begin der wereld af; maar nu is hij bij de voleinding der eeuwen éénmaal verschenen, om door zijn eigen otter de zonde te niet te doen. 27 En gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, 28 alzóó zal ook Christus, na éénmaal geotterd te zij» om veler zonden weg te geschiedt |
-ocr page 2219-
HEBREEN 10.
473
|
nemen, ten tweeden male zonder zonde tot zaligheid verschijnen aan degenen die op hem wachten. HOOFDSTUK 10. 1 Want de wet, die slechts eene schaduw der toekomende- goederen heeft, niet het wezen der zaken zelve, kan met dezelfde offers, die men ieder jaar opnieuw brengt, nimmer volkomen maken degenen die daar toetreden; 3 anders had het olleren opgehouden, indien degenen die den dienst verrichten geen zonden meer op hun geweten hadden, als zij éénmaal gereinigd zijn. 3 Maar daardoor geschiedt alle jaren eene gedachtenis der zonden. 4 Want het is onmogelijk, door het bloed der stieren en der bokken de zonden weg te nemen. 5 Daarom, als hij in de wereld komt, zegt hij: «Offers en gaven hebt gij niet gewild, maar het lichaam hebt gij mij toebereid; 6 brandoflers en zoudoifers behagen u niet. 7 Toen sprak ik: Zie, ik kom —• in de boekrol staaf van mij geschreven — om uwen wil, o God! te doen.// |
8 Nadat hij eerst gezegd had: //Offer en gave, brandoffers en zondoffers hebt gij niet gewild, zij behagen u niet//, —■ die toch naar de wet geofferd worden — 9 sprak hij daarna: //Zie, ik kom om uwen wil, o God! te doen.// Hij neemt het eerste weg, opdat hij het andere zou instellen. 10 Eu in dien wil zijn wij geheiligd door het offer des lichaams van Jezus Christus, éénmaal gebracht. 11 En elke priester staat wel dagelijks om dienst te doen, en dikwijls dezelfde offers te offeren, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 13 maar deze, nademaal hij één offer voor de zonden geofferd heeft, zit eeuwig ter rechterhand Gods, 13 en wacht voorts, totdat zijne vijanden tot eene voetbank zijner voeten gelegd worden. 14 Want met één offer heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 En ook de Heilige Geest betuigt het ons; want nadat ' ij gezegd had: 16 //Dit is het verbond hetwelk ik met hen maken zal na deze dagen//, spreekt de Heer: //ik zal mijne wet in hunne harten geven, en |
-ocr page 2220-
HEBEEËN 10.
474
|
in hunnen geest zal ik haar schrijven; 17 en hunne zonden en hunne ongerechtigheden zal/ ik niet meer gedenken.// 18 Waar nu vergeving van deze is, daar is geen offer meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan au, broeders, door het bloed van Jezus, vrijmoedigheid hebben tot den ingang in het heiligdom, . 20 welken hij ons bereia heeft tot een nieuwen en levenden weg, door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch, 21 en wij een grooten priester hebben over het huis Gods, 22 zoo laat ons toetreden met een oprecht hart, in volle verzekering des ge-loofs, de harten gereinigd van een kwaad geweten, en het lichaam gewasschen met rein water; 23 en laat ons vasthouden aan de belijdenis der hoop, en niet wankelen, want hij is getrouw-, die het beloofd heeft; 24 en laat ons op elkander achtgeven, tot opwekking der liefde en goede werken; |
25 en niet nalaten onze onderlinge bijeenkomsten, gelijk sommigen plegen, maar elkander vermanen, en dat zooveel te meer als gij ziet dat de dag nadert. / 26 Want zoo wij moedwillig zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo hebben wij voortaan geen offer meer voor de zonden, 27 maar eene verschrikke-• lijke verwachting van het oordeel, en een vuurgloed, die de vijanden verteren zal. 'quot;28 Als iemand de wet van Mozes breekt, dan moet hij sterven zonder barmhartigheid op de verklaring van twee of drie getuigen: yi29 hoeveel erger straf meent gij, zal hij verdienen , die den Zoon Gods met voeten treedt, en het bloed des verbonds onrein acht, door hetwelk hij geheiligd is, en den Geest der genade smaadt? _ 30 Want wij kennen dengeen die zegt: //Mij is de wraak, ik zal het vergelden//, en wederom; //De Heer zal zijn volk oordeelen.// 31 Verschrikkelijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. 32 Maar denkt aan de vorige dagen, in welke gij, jeiiicht zijnde, een grooten strijd (les lijdens hebt verdragen, „-—O-- 33 ten deele zelve door ver-smaadheid eu verdrukking |
-ocr page 2221-
pp
HEBEEEN 11.
475
|
een schouwspel geworden zij nde, ten deele gemeenseliap gehad hebbende met degenen , die alzoo behandeld _werdenJ_fr~~—- 34 Want gij hebt met de gevangenen medelijden gehad, en den roof uwer goederen met blijdschap verdragen , wetende dat gij voor u zelve een beter en blijvend goed in den hemel hebt. 35 Werpt derhalve uw vertrouwen niet weg, hetwelk eene groote belooning heeft. 36 Maar lijdzaamheid is u noodig, opdat gij, den wil Gods doende, de belofte verkrijgen moogt. 37 Want //over een zeer kleine wijle zal komen die komen zou, en niet vertoeven. 38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof' leven; en wie wijken zal, aandien zal mijne ziel geen behagen hebben.// 39 Doch wij zijn niet van degenen die wijken en verdoemd worden, maar van degenen die gelooven en de ziel redden. HOOFDSTUK 11. 1 Het geloof nu is een vaste grond van hetgeen men hoopt, en eene overtuiging van hetgeen men niet ziet. |
3 Daardoor hebben_de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof bemer-ken wij dat de wereld door Gods woord bereid is, zoodat al wat men ziet uit het onzichtbare geworden is. 4 Door het geloof heeft Abel Gode een voortreffelijker offer gebracht dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, toen God getuigde van zijne gaven; en daardoor spreekt hij nog, alhoewel hij gestorven is. 5 Door het geloof werd Henoch weggenomen, zoodat hij den dood niet zag; en hij werd niet gevonden, omdat God hem wegnam. Want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen; want wie tot God komen wil, moet gelooven dat hij is, en dengenen die hem zoeken een vergelder zal zijn. 7 Door het geloof heeft Noach, God vreezende, de ark bereid tot heil van zijn huis, toen hij eene godspraak ontving aangaande hetgeen men nog niet zag; en daar- |
-ocr page 2222-
HEBBEEN 11.
476
|
door heeft hij de wereld veroordeeld, en heeft beërfd de gerechtigheid, die door het geloof komt. 8 Door het geloof werd Abraham gehoorzaam, toen tij geroepen werd om uit te gaan naar het land hetwelk hij zou beërven; en hij ging uit, niet weter.de waarheen hij komen zou. 9 Door het geloof leefde hij als een vreemdeling in het beloofde land, als in een vreemd land, en woonde in tenten met Isailk en Jakob, de medeërfgenamen van dezelfde belofte; 10 want hij wachtte op eene stad die grondslagen heeft, welker bouwmeester en schepper God is. 11 Door het geloof ontving ook Sara zelve kracht, dat zij zwanger werd, en baarde boven den tijd des ouderdoms; want zij achtte hem getrouw die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van eenen, hoewel een verstorven lichaam hebbende, velen geboren, gelijk de sterren aan den hemel, en gelijk het zand aan den oever der zee, dat ontelbaar is. 13 Deze allen zijn gestorven in het geloof, zonder de beloften verkregen te hebben, maar zij hebben ze van verre gezien en begroet, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. |
l-l Want wie dat zeggen, geven te verstaan dat zij een vaderland zoeken. 15 En waarlijk, indien zij dat vaderland gemeend hadden, uit hetwelk zij getrokken waren, dan hadden zij immers tijd gehad om weder te keeren; 16 maar nu begeeren zij een beter, namelijk een hemelsch. Daarom schaamt God zich hunner niet, om hun God genoemd te worden ; want hij heeft hun eene stad bereid. 17 Door het geloof offerde Abraham, toen hij beproefd werd, Isaiik, en gaf den eeniggeborene over, toen hij alreeds de belofte ontvangen had, 18 tot wien gezegd was: //In Isailk zal u het zaad genoemd worden//; 19 want hij dacht: God kan hem ook wel uit de dooden opwekken — waaruit hij hem ook, bij gelijkenis, verkregen had. 20 Door het geloof zegende Isaiik, aangaande het toekomende, Jakob en Esau. 21 Door het geloof zegende Jakob, toen hij stierf, de |
-ocr page 2223-
HEBREEN 11.
477
|
beide zonen van Jozef, en hij aanbad, steunende op het uiteinde van zijn staf. 23 Door het geloof sprak Jozef van den uitgang der kinderen Israels, quot;toen hij stierf, en gaf bevel wegens zijn gebeente. 33 Boor het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden verborgen door zijne ouders, omdat zij zagen dat hij een schoon kind was; en zij vreesden het gebotl des ko-nings niet. 34 Door het geloof wilde Mozes, toen hij groor, geworden was, niet meereen zoon van Farao's donhter genaamd worden, 25 verkiezende veel liever met Gods volk ongemak te lijden, dan het tijdelijke genot der zonde te hebben ; 36 daar hij de versmaad-heid van Christus voor grooter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte; want hij zag op de belooning. 27 Door het geloot verliet hij Egypte, en vreesde 's konings gramschap niet; want hij hield zich aan den Onzienlijke, alsof hij hem zag. 28 Door het geloof h ield hij het Paschen, en het hloed-sprengen, opdat de-geen die de eerstgeborenen doodde, hen niet raken zou. |
39 Door het geloof gingen zij door de Eoode Zee als door een droog land; hetwelk de Egyptenaars óók beproefden , en zij verdronken. 30 Door het geloof vielen de muren van Jericho, toen , zij zeven dagen daar rondom waren gegaan. 31 Door het geloof ging de hoer Rachab niet verloren met de ongehoorza-men, daar zij de bespieders vriendelijk ontving. 32 En wat zal ik meer zeggen? De tijd zou mij te kort worden, zoo ik verhaalde van Gideon, en Barak, en Simson , en Jefta, en David, en Samuël, en de proleten, 33 die door het geloof koninkrijken bedwongen, gerechtigheid gewerkt, de beloften verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, 34 de kracht des vuurs uitgebluscht hebben, de scherpte des zwaards zijn ontvloden,. krachtig geworden zijn uit zwakheid, sterk geworden in den strijd , heirlegers der vreemden hebben doen wijken. 35 Vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn gefolterd geworden, en |
-ocr page 2224-
HEBUEEN 12.
478
|
hebben geen verlossing aangenomen, opdat zij de opstanding , die beter is, verkrijgen zouden. 36 Sommigen hebben bespottingen en geeselingen geleden, alsook banden en gevangenis. 37 Zij zijn gesteenigd, door midden gezaagd, gefolterd , door het zwaard gedood; zij zijn omgegaan in schapevellen en in geite-vellen, gebrek lijdend, verdrukt, kwalijk behandeld, — 38 welker de wereld niet waardig was —omdolende in woestijnen, op bergen, in spelonken en holen der aarde. 39 Deze allen die door het geloof getuigenis bekwamen, hebben (Ie belofte niet verkregen, 40 daar God iets beters voor ons te voren voorzien heeft, opdat zij niet zonder ons zouden volkomen worden. HOOFDSTUK 12. 1 Daarom ook wij, dewijl wij zulk eene wolk van getuigen rondom ons hebben, zoo laat ons afleggen eiken last en de zonde die ons zoo licht omstrikt, en laat ons met standvastigheid loopen in de loopbaan die ons voorgesteld is. |
2 op Jezus ziende, den aanvanger en voleinder des geloofs, die voor de vreugde welke hem was voorgesteld het kruis verdragen en de schande niet geacht heeft, en is gezeten ter rechterhand van den troon Gods. 3 Denkt toch aan hem; die zulk een tegenspreken van de zondaren tegen zich verdragen heeft, opdat gij niet moede wordt, noch uwe zielen bezwijken. 4 Want gij hebt nog niet tot op het bloed toe we-derstaan met strijden tegen de zonde, 5 en hebt alreeds vergeten de vermaning, die tot u spreekt als tot kinderen: //Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en versaag niet als gij door hem bestraft wordt; 6 want wien de Heer liefheeft, dien kastijdt hij, en hij geeselt eiken zoon dien hij aanneemt.// 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als jegens kinderen; want waar is een zoon dien de vader niet kastijdt ? 8 Maar zijt gij zonder kastijding, welke allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij bastaarden en geen kinderen. |
-ocr page 2225-
HEBREEN 12.
9 Voorts, wij hebben onze lichamelijke vaders tot kastij-ders gehad, en hen ontzien; zouden wij dan niet veelmeer den Vader der geesten onderdanig zijn, opdat wij leven?
10 En géne hebben ons wel weinige dagen gekastijd naar hun goeddunken, maar déze tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden.
11 Alle kastijding nu, als zij tegenwoordig is, dunkt ons geen blijdschap maar treurigheid te zijn; maar daarna geeft zij eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die er door geoefend zijn.
13 Daarom richt weder op de slappe handen en de moede knieën.
21 En zóó verschrikkelijk was het gezicht, dat Mozes zeide: //Ik ben verschrikt en beef.//
22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en tot de stad des levenden Gods, tot het hemelsch Jeruzalem, en tot de menigte van vele duizenden Engelen,
23 en tot de gemeente der eerstgeborenen, die in den hemel opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter
13 en doet rechte treden i een dier den berg aanraakt, met uwe voeten, opdat zal het gesteenigd worden.//
hetgeen kreupel is niet verdraaid, maar veelmeer genezen worde.
14 Jaagt naar den vrede met allen, en naar de heiliging , zonder welke niemand den Heer zien zal;
15 en ziet daarop, dat niet iemand Gods genade verzui-ine; dat niet eenige wortel van bitterheid opwasse en onrust aanrichte, en velen er door verontreinigd worden;
16 dat niet iemand zij een
479
hoereerder, of een godde-looze gelijk Esau, die om ééne spijs zijne eerstgeboorte verkocht.
17 Want gij weet dat hij daarna, toen hij de zegening beërven wilde, verworpen is; want hij vond geen plaats d es berouws, hoewel hij ze met tranen zocht.
18 Want gij zijt niet gekomen tot den berg dien men aanraken kon, en die met vuur brandde, noch tot de donkerheid en de duisternis en het onweder,
19 noch tot het geluid der bazuin, en tot. de stem der woorden, van welke wie ze hoorden baden, dat tot hen zoo niet verder gesproken zou worden;
20 want zij konden het ge-IkkI niet verdragen: quot;Ook als
-ocr page 2226-
HEBREEN 13.
480
|
over allen, en tot de geesten der volkomen reclitvaardi-gen, 24 en tot Jezus, den M id-delaar des nieuwen ver-bonds, en tot liet bloed der besjirengingdat be ter spreekt dan liet bloed van Abel. 35 Ziet toe, dat gij liem die spreekt niet verwerpt; want indien géne niet ontvloden zijn, welke hem verwierpen die op de aards sprak, veel minder wij, zoo wij hem verwerpen die uit den hemel spreekt; 26 wiens stem te dier tijd de aarde bewoog, maar nu belooft hij en zegt: //Nog éénmaal zal ik niet alleen de aarde bewegen, maar ook den hemel.// 27 En dit //nog éénmaal// toont aan dat bet bewegelijke zal veranderd worden, als gemaakt zijnde, opdat het onbewegelijke blijve. 28 Daarom, dewijl wij een onbewegelijk rijk ontvangen , zoo laat ons dankbaarheid bewijzen, door welke wij God welbehagelijk mogen dienen, met eerbiedigheid en vreeze. 29 Want onze God is een verterend vuur. HOOFDSTUK 3 3. 1 Blijft vast in de broe-derlietcïe. |
2 Vergeet niet gastvrij te zijn; want daardoor hebben sommigen zonder het te weten Engelen geherbergd. 3 Gedenkt aan de gebou-denen, alsof gij medege-bonden waart; en aan degenen die ongemak lijden, als die zelve ook nog in het lichaam leeft. 4 De echt worde in eere gehouden bij allen, en het echtbed onbevlekt; maar de hoereerders en overspe-lers zal God oordeelen. 5 jT/w] wandel zij zonder gierigheid, en vergenoegt u met hetgeen voorhanden is; want hij zelf heeft gezegd : //Ik zal u niet verlaten noch verzuimen//; 6 zoodat wij durven zeg gen: //De Heer is mijn helper, en ik zal niet vreezen : wat zon een mensch mij doen?// 7 Gedenkt aan uwe leeraars , d ie u het woord God-verkondigd hebben; ziet huu einde aan, en volgt hun geloof. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid. 9 Laat u niet door menigerlei en vreemde leerin-gen medeslepen; want het is eene kostelijke zaak dat het hart vast worde, hetwelk geschiedt door genade, niet |
-ocr page 2227-
HEBREEN 13.
481
|
door spijzen, van welke zij geen nuttigheid hebben, iiie daarmede omgaan. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen. 11 Want van de dieren, welker bloed gedragen wordt door den hoogepriester in het heiligdom voor de zonde , worden de lichamen verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus , opdat hij het volk zou heiligen door zij n eigen bloed, geleden buiten de poort. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerplaats, en zijne smaad-heid dragen; 14 want wij hebben hier geen blijvende stad, maar de toekomende zoeken wij. 15 Zoo laat ons nu door hem altijd Gode offeren het lofoffer, dat is: de vrucht der lippen die zijnen naam belijden. 16 Vergeet niet wel te doen en mede te deelen; want zulke offers behagen Gode. 17 Zijt uwen leeraren gehoorzaam en onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap daarvan zullen geven; opdat zij het met vreugde doen j en niet met zuchten, want dat is u niet goed. |
18 Bidt voor ons. Onze troost is, dat wij een goed geweten hebben, daar wij ons benaarstigen een goeden wandel te leiden bij allen. 19 En ik vermaan u te meer dat te doen, opdat ik ten spoedigste u wedergegeven worde. 30 De God nu dos vredes, die uit de dooden uitgeleid heeft den grooten Herder der schapen, door het bloed van een eeuwig verbond, onzen Heer Jezus, 21 die volmake u in alle goede werken, om zijnen wil te doen, en werke in u hetgeen voor hem welbehagelijk is door Jezus Christus, wien eere zij van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 22 En ik bid u, broeders, houdt mij het woord dei-vermaning ten goede; want ik heb u in het kort geschreven. 23 Weet dat de broeder ïimótheüs weder losgelaten is, met welken—zoo hij welhaast komt — ik u zien zal. 24 Groet al uwe leeraars en al de heiligen. U groeten de broeders uit Italië. 25 De genade zij met u allen! Amen. |
31
-ocr page 2228-
DE BRTEP VAN
JAKOBUS.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heer Jezus Christus, aan de twaalf geslachten die in de verstrooiing zijn, heil! 3 Mijne broeders, acht het enkel vreugde wanneer gij in menigerlei aanvechtingen valt, 3 wetende dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid werkt. 4 Maar de lijdzaamheid moet stand houden tot het einde toe, opdat gij volkomen zijt en volmaakt, in niets te kort komende. 5 En indien aan iemand onder u wijsheid ontbreekt, hij bidde haar van God, die aan ieder eenvoudiglijk geeft, en niet verwijt; zoo zal zij hem gegeven worden. 6 Maar hij bidde in geloof, en twijfele niet; want wie twijfelt is als eene zeegolf , die van den wind gedreven en op- en neergeworpen wordt. 7 Zulk een mensch denke niet dat hij iets van den Heer ontvangen zal; |
8 hij is een wankelmoedig man, ongestadig in al zijne wegen. 9 Een broeder nu die nederig is, roeme in zijne hoogheid, 10 en die rijk is roeme in zijne nederigheid, omdat hij als eene grasbloem zal vergaan. 11 Want gaat de zon op met de hitte, zoo verwelkt het gras, en de bloem valt af, en hare schoone gedaante verderft: alzóó zal de rijke in zijne wegen verwelken. 12 Zalig is de man die de aanvechting verdraagt; want beproefd bevonden, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke God beloofd heeft dengenen die hem liefhebben. 13 Niemand zegge, als hij verzocht wordt, dat hij van God verzocht wordt; want God kan niet verzocht worden tot het kwade, en hij zelf verzoekt niemand. 14 Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen lust getrokken en gelokt wordt. 15 Daarna, als de lust |
-ocr page 2229-
„aKOBÜS 2.
483
|
ontvangen heeft, baart hij de zonde; en als de zonde voleindigd is, baart zij den dood. 16 Dwaalt niet, geliefde broeders! 17 Elke goede gave en elke volkomene gave komt van boven neder, van den Vader des lichts, bij wien geen verandering is noch wisseling- des lichts en der duisternis. 18 Hij heeft ons gebaard naar zijnen wil, door het woord der waarheid, opdat wij eerstelingen zijner schepselen zouden zijn. 19 Maar weet, mijne ge-, liefde broeders, ieder menschl zij snel om te hooren, maar langzaam om te spreken,) «n langzaam tot toorn; _j 120 want de toorn Ses menschen doet niet hetgeen voor God recht is. 21 Daarom, légt alle onreinheid en alle boosheid af, en neemt met zachtmoedigheid het woord aan dat in u geplant is, hetwelk uwe zielen kan zalig maken. 22 Maar zijt daders des woords, en niet alleen hoorders, waarmede gij u zelve bedriegen zoudt. 23 Want zoo iemand een hoorder des woords ie, en geen dader, die is gelijk aau een man, die zijn natuurlijk aangezicht beziet in een spiegel; |
24 want als hij zich bezien heeft, gaat hij weg, en vergeet terstond hoedanig hi] was. 25 Maar wie inzicht heeft in de volkomen wet dei-vrijheid, en daarin blijft, en geen vergefelijk hoorder is, maar een dader, die zal zalig zijn in zijne daad. 26 Zoo iemand onder u zich laat voorstaan dat hij godsdienstig is, en hij houdt zijne tong niet in toom, maar misleidt zijn hart, diens godsdienst is ijdel. 27 Een reine en onbevlekte godsdienst voor God, den Vader, is deze: weezen en weduwen in hunnen druk te bezoeken, en zich-zelven onbevlekt van de wereld te bewaren. HOOFDSTUK 2. 1 Mijne broeders, hebt het geloof in onzen Heer Jezus Christus, den Heer der heerlijkheid, zonder aanzien des persoons. 2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met een gouden ring en met een prachtig kleed, en er kwam ook een arm man in een schamel kleed, 3 en gij zoudt zien op |
-ocr page 2230-
JAKOBUS 2.
484
|
dengeen, die het prachtige kleed draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op de beste plaats; en gij zoudt tot den arme zeggen: Sta gij daar, of zit hier aan mijne voeten, — 4 is het recht, dat gij zulk een onderscheid bij u zelve maakt en oordeelt naar booze overleggingen? 5 Hoort toe, mijne geliefde broeders! Heeft God niet verkoren de armen op deze wereld , die in het geloof rijk zijn, en erfgenamen van het rijk, hetwelk hij beloofd heeft dengenen die hem liefhebben? 6 Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Zijn de rijken niet degenen die geweld aan u oefenen, en u voor het gerecht trekken? 7 Lasteren zij niet den goeden naam, naar welken gij genoemd zijt? 8 Zoo gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: //Heb uwen naaste lief als u zeiven//, zoo doet gij wèl. 9 Maar zoo gij den persoon aanziet, zoo doet gij zonde en wordt bestraft door de wet als overtreders. 10 Want wie de geheele wet onderhoudt, en hij zondigt tegen één [gebod], die is aan alle schuldig. |
11 Want die gezegd heeft: //Gij zult geen overspel doen//, heeft ook gezegd: //Gij zult niet dooden//. Indien gij nu geen overspel doet, maar doodt, zoo zijt gij een overtreder der wet. 12 Spreekt zóó en doet zóó, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want er zal een onbarmhartig oordeel gaan over dengeen, die geen barmhartigheid gedaan heeft; maar barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14 Wat helpt het, mijne broeders , zoo iemand zegt dat hij het geloof heeft, maar hij heeft de werken niet? Kan het geloot hem zalig maken? 15 Zoo nu een broeder of eene zuster naakt was, en gebrek had aan dage-lijksch voedsel, 16 en iemand onder u zeide tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar gaf hun niet hetgeen des lichaams nooddruft is — wat zou hen dit helpen? 17 Alzóó is ook het geloof, indien het de werken niet heeft, dood in zich zelf. 18 Maar misschien mocht iemand zeggen: Gij hebt het geloof en ik heb de |
-ocr page 2231-
V-
JAKOBUS 3.
485
|
werken. Toon mij uw geloof zonder de werken, zoo zal ik u uit mijne werken mijn geloof toonen. 19 Gij gelooft dat er een eenig God is; gij doet wèl daaraan. De booze geesten gelooven het óók, en zij sidderen. 30 Maar wilt gij weten, o ijdel menscli, dat het geloof zonder de werken dood is? 21 Is Abraham, onze vader, niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen hij zijnen zoon Isailk op het altaar ofl'erde? 32 Daar ziet gij dat het geloot' medegewerkt heeft met zijne werken, en door de werken is het geloof volkomen geworden. 23 En de Schrift is vervuld, die zegt: //Abraham heeft God geloofd, en het is hem tot gerechtigheid gerekend// , en hij is //een vriend Gods// genaamd geweest. 24 Zoo ziet gij nu dat de mensch door de werken gerechtvaardigd wordt, niet door liet geloof alleen. 25 Is desgelijks ook de hoer Eachab niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen zij de boden ontving en ze door een anderen weg uitliet? |
26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zoo is ook het geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. 1 Mijne broeders, niet ieder onderwinde zich een leeraar te zijn, daar gij weet dat wij des te zwaarder oordeel ontvangen zullen; 2 want wij struikelen allen menigvuldiglijk. Maar wie in woorden niet struikelt , is een volkomen man, en kan ook het geheele lichaam in toom houden. 3 Zie, de paarden houden wij aan toornen, opdat zij ons gehoorzaam zijn, en wenden hun geheele lichaam 4 Zie, ook de schepen, '■ hoewel zij zoo groot zijn en door sterke winden ge-dreven worden, zoo worden zij nochtans met een klein roer omgewend , waarheen quot;V' degeen wil die het stuurt. ' 5 Zoo is ook de tong een klein lid, en richt groote \ dingen aan. Zie, een klein fquot;1 vuur, welk een groot bosch -steekt het aan! 6 De tong is óók een vuur, een wereld vol on- ■gt; gerechtigheid; de tong is v* het onder onze leden, die p het geheele lichaam bevlekt, en geheel onzen levensloop X |
-ocr page 2232-
JAKOBUS 2.
484
|
dengeen, die het prachtige kleed draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op de beste plaats; en gij zoudttot den arme daar, of zit hier voeten, 4 is het recht, dat gij zulk een onderscheid bij u zelve maakt en oordeelt naar booze overleggingen? 5 Hoort toe, mijne geliefde broeders! Heeft God niet verkoren de armen op deze wereld, die in het geloof rijk zijn, en erfgenamen van het rijk, hetwelk hij beloofd heeft dengenen die hem liefhebben? 6 Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Zijn de rijken niet degenen die geweld aan u oefenen, en u voor het gerecht trekken? 7 Lasteren zij niet den goeden naam, naar welken gij genoemd zijt? 8 Zoo gij dan de koninklijke wet volbrengt, naaide Schrift: //Heb uwen naaste lief als u zei ven//, zoo doet gij wel. 9 Maar zoo gij den persoon aanziet, zoo doet gij zonde en wordt bestraft door de wet als overtreders. 10 Want wie de geheele wet onderhoudt, en hij zondigt tegen één [gehod], die is aan alle schuldig. zeggen: Sta gij aan mijne |
11 Want die gezegd heeft: '/Gij zult geen overspel doen//, heeft ook gezegd: //Gij zult niet dooden//. Indien gij nu geen overspel doet, maar doodt, zoo zijt gij een overtreder der wet. 12 Spreekt zóó en doet zóó, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want er zal een onbarmhartig oordeel gaan over dengeen, die geen barmhartigheid gedaan heeft; maar barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14 Wat helpt het, mijne broeders, zoo iemand zegt dat hij het geloof heeft, maar hij heeft de werken niet? Kan het geloof hem zalig maken? 15 Zoo nu een broeder of eene zuster naakt was, en gebrek had aan dage-lijksch voedsel, 16 en iemand onder u zeide tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar gaf hun niet hetgeen des lichaams nooddruft is — wat zou hen dit helpen? 17 Alzóó is ook het geloof, indien het de werken niet heeft, dood in zich zelf. 18 Maar misschien mocht iemand zeggen: Gij hebt het geloof en ik heb de |
-ocr page 2233-
V
JAKOBUS 3.
485
|
werken. Toon mij uw geloof zonder de werken, zoo zal ik u uit mijne werken mijn geloof toonen. 19 Gij gelooft dat er een eenig God is; gij doet wel daaraan. De booze geesten gelooren het óók, en zij sidderen. 20 Maar wilt gij weten, o ijdel mensch, dat het geloof zonder de werken dood is? 21 Is Abraham, onze vader, niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen hij zijnen zoon Isaak op het altaar oflerde? 32 Daar ziet gij dat het geloof medegewerkt heeft met zijne werken, en door de werken is het geloof volkomen geworden. 23 En de Schrift is vervuld, die zegt: //Abraham heeft God geloofd, en het is hem tot gerechtigheid gerekend// , en hij is //een vriend Gods// genaamd geweest. 24 Zoo ziet gij nu dat de mensch door de werken gerechtvaardigd wordt, niet door het geloof alleen. 25 Is desgelijks ook de hoer Eachab niet door de werken gerechtvaardigd geworden, toen zij de boden ontving en ze door een anderen weg uitliet? |
26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zoo is ook het geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. 1 Mijne broeders, niet ieder onderwinde zich een leeraar te zijn, daar gij weet dat wij des te zwaarder oordeel ontvangen zullen; 2 want wij struikelen al- / -Ai len menigvuldiglijk. Maar | wie in woorden niet strui- \ kelt, is een volkomen man, r' en kan ook het geheele / = lichaam in toom houden. 3 Zie, de paarden hou- „ den wij aan toornen, opdat v zij ons gehoorzaam zijn, en wenden hun geheele lichaam om. 4 Zie, ook de schepen, hoewel zij zoo groot zijn en door sterke winden ge-dreven worden, zoo worden zij nochtans met een klein roer omgewend, waarheen degeen wil die het stuurt. 5 Zoo is ook de tong een klein lid, en richt groote dingen aan. Zie, een klein vuur, welk een groot bosch lt; steekt het aan! 6 De tong is óók een —. vuur, een wereld vol ongerechtigheid; de tong is het onder onze leden, die p het geheele lichaam bevlekt, en geheel onzen levensloop x lt;v |
-ocr page 2234-
JAKOBUS 4.
486
|
ontsteekt, als zij door de hel ontstoken is. 7 Want alle natuur der dieren en der vogels, en der kruipende en der zeedieren , wordt getemd en is getemd door de men-schelijke natuur; 8 maar de tong kan geen mensch temmen, dat on-bedwinglijk kwaad vol doo-delijk venijn. 9 Door haar loven wij God, den Vader, en door haar vloeken wij de men-schen naar het beeld Gods gemaakt. 10 lof en vloek. Dit behoort, mijne broeders, zoo niet te zijn. 11 Welt ook eene fontein uit eene ader zoeten bitter? 12 Kan ook, mijne broeders , een vijgeboom olijven , of een wijnstok vijgen dragen ? Alzoó kan ook zout water geen zoet water voortbrengen. 13 Wie is wijs en verstandig onder u? Hij be-toone uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zachtmoedigheid der wijsheid. - 14 Maar hebt gij bitteren nijd en twist in uwe harten , zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Want dit is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar eene aardsche, zinnelijke, duivelsche. TJit éénen mond gaat |
16 Want waar nijd en twist is, daar is wanorde en enkel kwade handeling. 17 Maar de wijsheid van boven is ten eerste kuisch, daarna vredelievend, welwillend, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. — 18 En de vrucht der gerechtigheid wordt gezaaid in vrede voor degenen die vrede houden. HOOFDSTUK 4. 1 Vanwaar komt strijd en oorlog onder u ? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uwe lusten die in uwe leden strijden ? 2 Gij zijt begeerig, en verkrijgt er niet mede; gij haat en benijdt, en wint er niet mede; gij strijdt en voert oorlog, omdat gij niet bidt; 3 gij bidt, en ontvangt 1 niet, omdat gij kwalijk bidt, | opdat gij het in uwe lusten ; zoudt doorbrengen. ' 4 Gij overspelers en over-speelsters, weet gij niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie een vriend der wereld wil zijn, die zal Gods vijand wezen, |
-ocr page 2235-
JAKOBUS 5.
487
|
5 Of meent gij dat de •Schrift tevergeefs zegt: De Geest, die in ons woont, heeft lust tegen den haat? 6 Ja, hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: //God wederstaat de hoovaardigen, maar den oot-moedigen geeft hij genade.// 7 Zoo zijt nu Gode onderdanig. Wederstaat den duivel, zoo vliedt hij van u. 8 Nadert tot God, zoo nadert hij tot u. Reinigt de handen, gij zondaars, en maakt uwe harten kuisch , gij wankelmoedigen. 9 Gevoelt uwe ellende en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in weenen, en uwe vreugde in treurigheid. 10 Verootmoedigt u voor en Heer, zoo zal hij u erhoogenT 11 Spreekt niet kwalijk van elkander, broeders! Wie van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet: indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter. ~ 12 Er is slechts één wetgever en rechter, die behouden en verderven kan. Wie zijt gij, die een ander oordeelt? |
13 Welaan nu, gij, die zegt: Heden of morgen zullen wij gaan in die of die stad, en zullen daar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst doen; 14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal! Wat toch is uw leven? Een damp is het, die een kleinen tijd duurt en daarna verdwijnt. 15 In plaats daarvan moest gij zeggen: Indien de Heer wil en wij leven, zoo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt gij in uwen overmoed: alle zoodanige roem is kwaad. 17 Wie dan weet goed te doen en het niet doet, dien is het zonde. HOOFDSTUK 5. 1 Welaan nu, gij rijken, weent en jammert ovér uwe ellende, die u overkomen zal. 2 Uw rijkdom is verrot, uwe kleederen zijn vol motten geworden; 3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u tot eene getuigenis zijn, en zal uw vleesch verteren als een vuur; gij hebt u schatten vergaderd in de laatste dagen. 4 Zie, het loon der arbei- |
-ocr page 2236-
JAKOBUS 5.
488
|
ders die uw land gemaaid hebben, 't welk door u verkort is, roept, en het roepen dergenen die geoogst nebben is gekomen voor de ooren des Heeren Zebaöth. 5 Gij hebt op de aarde in weelde en naar iiwe lusten geleefd, en uwe harten gevoed als op een dag der slachting. 6 Gij hebt den rechtvaardige veroordeeld en gedood; en hij heeft u niet weder-staan. 7 Zoo zijt nu lankmoedig, broeders, tot op de toekomst des Heeren. Zie, de akkerman verwacht de kostelijke vrucht der aarde, en heeft geduld met haar, totdat zij den vroegen en spaden regen ontvangt: 8 weest gij óók lankmoedig, en versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren is nabij. 9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt: zie, de rechter is voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens en der lankmoedigheid de Erofeten, die gesprokenrofeten, die gesproken ebben in den naam des Heeren. |
11 Zie, wij prijzen zalig die geduldig geleden hebben. Tan de lijdzaamheid van Job hebt gij gehoord, en het einde des Heeren hebt gij gezien, dat de Heer barmhartig is en een ontfermer. 12 Doch vóór alle dingen, mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja zij ja en uw neen zij neen, opdat gij onder geen oordeel valt. 13 Lijdt iemand onder u, hij bidde. Is iemand welgemoed , hij zinge psalmen. 14 Is iemand krank, hij roepe tot zich de oudsten der gemeente; en laten zij voor hem bidden, en hem zalven met olie in den naam des Heeren; 15 en het gebed des ge-loofs zal den kranke helpen, en de Heer zal hem oprichten, en indien hij zonden gedaan heeft, zullen zij hem vergeven zijn. 16 De een belijde den ander zijne zonden; en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Het gebed des rechtvaardigen vermag veel, als het ernstig is. „ 17 Elia was een mensch als wij, en hij bad een gebed dat het niet regenen zou, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. 18 En hij bad wederom, en de hemel gaf den regen, |
-ocr page 2237-
489
JUDAS.
|
en de aarde bracht hare vruclit voort. 19 Mijne broeders, indien iemand onder u van de waarheid afdwaalt, en een ander hem bekeert. |
20 die wete, dat wie een zondaar bekeert van de dwaling zijns wegs, eene ziel van den dood behoudt, en eene menigte van zonden zal bedekken. |
BE BRIEF
JUDAS.
|
1 Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen die geheiligd zijn in God, den Vader, en bewaard voor Jezus Christus. 2 Barmhartigheid en vrede en liefde worde u vermenigvuldigd ! 3 Geliefden, terwijl ik allen ijver had, om u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, ben ik genoodzaakt u te schrijven, om u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. 4 Want er zijn sommige \menschen ingeslopen, reeds lang te voren tot dit oordeel opgeschreven, godde-loozen, die de genade onzes Gods tot ongebondenheid misbruiken, en verloochenen onzen Heer Jezus Christus, den éénigen Heerscher. |
5 Maar ik wil u, als die eenmaal dit alles weet, indachtig maken, dat de Heer, nadat hij het volk uit Egypte verlost had, naderhand degenen verdelgde die niet geloofden. 6 Ook de Engelen, die hun eersten toestand niet behielden, maar h unne eigene, behuizing verlieten, heeft hij tot het oordeel des grooten dags bewaard met eeuwige banden in de duisternis; 7 gelijk ook Sodom en Gomorra en de omliggende steden, die op gelijke wijze als deze ontucht bedreven hebben en ander vleeseh achternagegaan zijn, tot een voorbeeld zijn gesteld, en lijden de straf van het eeuwige vuur. 8 Desgelijks zijn ook deze droomers, -die het vleeseh bevlekken , en de heerschappijen verachten, en de majesteiten lasteren. 9 Maar Michaël, de Aarts» |
-ocr page 2238-
JUDAS.
490
|
engel, toen hij met den duivel twistte, en met hem sprak over het lichaam van Mozes, durfde geen lasterlijk oordeel vellen, maar zeide: De Heer liestraflè u! 10 Maar deze lasteren het-; geen zij niet kennen; en wat zij van nature weten, gelijk de onredelijke dieren, daarin verderven zij zich. 11 Wee hun! want zij gaan Kains weg, en storten zich in de dwaling van Bileam om gewin, en vergaan als in het oproer van Korach. 13 Deze zijn klippen bij uwe liefdemaaltijden; zij brassen mede zonder schroom, en weiden zich-zelve; zij zijn wolken zonder water, door de winden omgedreven; kale, onvruchtbare boomen, tweemaal verstorven en ontworteld; 13 wilde baren der zee, die hunne eigene schande opschuimen; dwalende sterren , voor welke de donkerheid der duisternis bewaard is in eeuwigheid. 14 Van deze heeft ook Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: //Zie, de Heer is gekomen met zijne heilige duizenden, |
15 om gericht te houden over allen, en al hunne goddeloozen te straften, om alle werken van hun god-deloozen wandel, met welken zij goddeloos geweest zijn, en om al het harde, dat de goddelooze zondaars tegen hem gesproken hebben.// =-16 Deze murmureeren en klagen over hun lot, wandelende naar hunne lusten, en hun mond spreekt opgeblazen woorden, terwijl zij de personen vleien om des voordeels wil. --------i 17 Maar gij geliefden, gedenkt de woorden die te voren gezegd zijn door de apostelen van onzen Heer Jezus Christus, 18 toen zij u zeiden, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen. 19 Deze zijn het die; scheuringen maken, zinne-| lijke menschen die den Geest? niet hebben. 30 Maar gij geliefden, bouwt ii zelve op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; 31 bewaart u zelve in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heer Jezus Christus ten eeuwigen leven. 33 En bestraft hen die twijfelen; 33 redt anderen door hen uit het vuur te rukken; |
-ocr page 2239-
!
OPENBARING 1.
491
|
ontfermt u over nog anderen met vreeze, en haat ook het van het vleesch besmette kleed. |
24 Hem nu, die machtig is u voor struikelen te be-lijk te stellen met blijdschap, 25 den eenigen God, onzen Zaligmaker, door Jezus Christus, onzen Heer, zij eer en majesteit, kracht en macht, vóór alle eeuwen. waren en voor het aangezicht èn nu, èn tot in alle eeuwigzijner heerlijkheid onstraft'e-) heid! Amen. |
DE OPENBARING
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. 1 Dit is de openbaring van Jezus Christus, welke God hem gegeven heeft, om aan zijne dienstknechten te toonen wat weldra geschieden moet; en hij heeft haar te kennen gegeven en gezonden door zijnen Engel aan zijnen dienstknecht Johannes ; 2 die betuigd heeft het woord Gods, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij die leest en zijn zij die hooren de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daarin geschreven is; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven gemeenten in Azië. Genade zij met u en vrede van hem, die is en die was en die komen zal, en van de zeven geesten die vóór zijnen troon zijn, |
5 en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, en de eerstgeborene van de dooden, en de beheerscher der koningen op de aarde! Hem die ons heeft liefgehad en gewasschen van onze zonden met zijn bloed, 6 en ons tot koningen en priesters heeft gemaakt voor God, zijnen Vader, hem zij de eer en de kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 7 Zie, hij komt met de wolken, en alle oogen zullen hem zien, ook die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem • weeklagen. Ja, amen. — 8 Ik ben de Alpha en Omega, het begin en het einde, zegt God, de Heer, |
-ocr page 2240-
OPENBARING 1.
492
|
die is en die was en die 1 komt, de Almachtige. ^ 9 Ik, Johannes, die ook uw broeder en medegenoot ben in de verdrukking en in het rijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus , was op het eiland, Patmos genaamd, om het 1 woord Gods en de getuige-' nis van Jezus Christus. 10 Ik was in den geest, op den dag des Heeren, en hoorde achter mij eene luide stem als van eene bazuin, 11 zeggende: Ik ben de Alpha en de Omega, de ?' eerste en de laatste; en het-,f geen gij ziet, schrijf dat in ' een boek, en zënd het aan de gemeenten in Azië, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pérgamus, en naar Thyatira, en naar Sardes, en naar Eiladelfia, en naar Laodicéa. 12 En ik keerde mij om, om te zien naar de stem die met mij sprak, en toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren, 13 en in het midden der zeven kandelaren eenen, die was gelijk eens menschen zoon,«gekleed meteen lang gewaad, en omgord om de borst met een gouden gor-del. .1,4 Zijn hoofd en zijn haar |
was wit, gelijk witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen waren als eene vuurvlam; 15 en zijne voeten waren als blinkend koper, dat in den oven gloeit, en zijne stem als het geruisch van vele wateren; 16 en hij had zeven sterren in zijne rechterhand; en uit zijnen mond ging een scherp tweesnijdend zwaard; en zijn aangezicht lichtte als de zon in hare kracht. 17 En toen ik hem zag, viel ik neder voor zijne voeten als een doode; en hij leide zijne rechterhand op mij, en zeide tot mij: Vrees niet; ik ben de eerste en de laatste, 18 en de levende; en ik was dood, en zie, ik ben levend van eeuwigheid tot eeuwigheid; en ik heb de sleutels van den dood en van het doodenrijk. 19 .gekijf wat gij gezien hebt, en hefgeen is, en hetgeen hierna geschiedenjal; 20 de verborgenheid der zeven sterren welke gij gezien hebt in mijne rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de Engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren welke gij gezien hebt zijn de zeven gemeenten, |
-ocr page 2241-
'ol,
~en
l',
ren
m jne Tan
;eren len
rd; tte
!g, ine en nd
lij :
ste
ik
len
tot
de
en
lell
et-.,
L:
ler
~e
er.en erreen en
~e-
Olgt;ENBARING 2. 4~J3
HOOFDSTUK 2.
1 Sc!,rijf aan den En~el
der gemeeacute;nte te Efeze: Dit
zegt hij die de ~I!)l..re.rren
in zijne rechterhanalum.!!t ,
die in het midden der zeven
gouden kandelaren wandelt:
2 Ik weet uwe werken, en
uwen arbeid, en uwe lijd
zaamheid, en dat gij de boo
zen niet. verdragen kunt,
en beproegrave;fd hebt degenen
die zeggen dat zij apostelen
zijn en het niet zijn, en
hen leugenaars hebt bevon
den'
3 ~n gij hebt verdragen
en gednld gehad om mij
nen naam, en zij t niet moed.e
geworden.
4 Maar ik heb tegen u,
dat gij uwe eerste liefde
verlaten hebt.
5 Gedenk dan van waacute;aacute;r
gij gevallen zijt, en doe
boete, en doe de eerste wer
ken; maar zoo niet, dan zal
ik schielijk tot u komen,
en zal uwen kandelaar weg
stooten van zijne plaats, in
dien gij geen boete doet.
6 Maar dit hebt gij, dat
gij de werken der Nicolaiuml;ten
haat, welke ik ook haat.
7 Wie ooren heeft, hoore
wat de Geest tot de ge1IDlenten zegt: Wie overl wint , dien zal ik te eten geven van den boom des
levens, die in bet midden
van het paradijs Gods is.
8 En schrijf aan den Engel der gemeente te Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood was en levencl is geworden:
9 Ik weet uwe werken en, uwe verdnlkking, en uwe r armoede, -maar gij zijt \ rijk -en de lastering dergenen die zeggen datzij Joden I zijn, en het niet zijn, maar eene synagoge des 8lItans. _
10 Vrees geen der dingen welke gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij verzocbt wordt; en gij zult verdrukking hebben tien dagen lang. Wees getrouw tot den dood, zoo zal ik u de kroon des levens geven.
11 Wie ooren heeft, hoore \
wat de Geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, dien zal geen leed gescllieden van den tweeden dood.
12 En schrijf aan den Engel der gemeente te Peacute;rgamus: Dit zequot;,ot hij die het scherp tweesnijdend
z~~l~ ':::~~~aar gij woont '1
namelijk waar de troon des satans is; dat gij vasthoudt aan mijnen naam, en het geloof in mij niet /
//
-ocr page 2242-
OPENBAKING 2.
494.
|
hebt verloochend, zelfs in die dagen, in welke Antipas , mijn getrouwe getuige, ' gedood is bij u waar de satan woont. ' 14 Maar ik heb een weinig tegen u, dat gij aldaar hebt die de leering van Bi-leam houden, die Balak leerde eenen valstrik te leggen voor de kinderen Israels, opdat zij het offer der afgoden zouden eten en hoererij bedrijven. 15 Zoo hebt ook gij er die het met de leer der Nicolaïten houden. 16 Doe dan boete; maa zoo niet, dan zal ik schielijk tot u komen, en tegen hen strijden met het zwaard mijns monds. - 17 Wie ooren heeft, hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt: | Wie overwint, dien zal ik te eten geven van het verborgen manna, en zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan wie hem ontvangt. 18 En schrijf aan den Engel der gemeente te Thya-tira: Dit zegt de Zoon Gods, die oogen heeft als eene vuurvlam, en wiens voeten zijn gelijk blinkend koper: |
19 Ik weet uwe werken, en uwe liefde, en uwen dienst, en uw geloof, en uwe lijdzaamheid, en dat gij hoe langer hoe meer doet. 20 Maar ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zegt dat zij eene profetes is, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden om hoererij te bedrijven en afgodenoffer te eten. 21 En ik heb haar tijd gegeven, opdat zij boete zou doen voor hare hoererij, doch zij doet geen boete. '22 Zie, ik werp haar op een krankbed en hen, die met liaar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij geen boete doen voor hunne werken. 23 En hare kinderen zal ik den dood doen sterven, en alle gemeenten zullen gewaarworden dat ik het ben die nieren en harten onderzoek; en ik zal aan elk onder u geven naar uwe werken,-—--------—----- '24 Maar ulieden zeg ik, j den anderen die te Thyatira \ zijn, zoovelen deze leer niet 1 hebben, en de diepten des satans niet gekend hebben (gelijk zij zeggen): Ik zal geen anderen last op u werpen. f 25 Doch houdt wat gij \ iliebt, totdat ik zal komen, j r a i/ ei |
-ocr page 2243-
OPENBAEING 3.
495
|
26 En wie overwint en mijne werken houdt tot het inde toe, dien zal ik macht geven over de heidenen, , f 27~ en hij zal hen weiden met een ijzeren staf, en als pottebakkers-vaten zal hij hen vermorzelen, gelijk ook ik van mijnen Vader die macht ontvangen heb; 28 en ik zal hem de morgenster geven. 29 Wie ooren heeft, hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. OFDSTÜK 3. 1 En schrijf aan den Engel der gemeente te Sar-des: Dit zegt hij die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood. —rr — 2 Word wakker, en versterk het andere dat sterven zou; want ik heb uwe werken niet vol bevonden voor mijnen (5753. f 3 Zoo gedenk nu hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en houd het, en doe boete. Indien gij niet zult waken, zoo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat uur ik over u komen zal. —^ Doch gij hebt eeniga weinige namen te Sardesü t |
die hunne kleederen niet bevlekt hebben; en zij zui-len met mij wandelen in witte kleederen, want zij zijn het waardig. 5/Wie overwint, zal met | witte kleederen bekleed wor- i den; en ik zal zijnen naam niet uitdelgen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naam belijden voor mijnen. Vader en voor zijne Engelen. /6 Wie ooren heeft, hoorei-wat de Geest tot de gemeenten zegt 1 1^ 7 En schrijf aan den Engel der gemeente te Fila-délfia; Dit zegt de heilige, de waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent: 8 Ik weet uwe werken^ zie, ik heb voor u eene deur geopend, en niemand kan die sluiten; want gij hebt eene kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard en hebt mijnen quot;naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u uit dequot;quot; synagoge des satans, die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn maar liegen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uwe voeten, eu erken-nen dat ik u liefheb. 10 Dewijl gij het woord N mijner lijdzaamheid bewaard 1 |
-ocr page 2244-
OPENBAUING 4.
496
|
hebt, zoo zal ik u ook bewaren voor de ure der verzoeking , die oyer de ge-Keèle wereld komen zal, om te verzoeken wie op de aarde wonen. I'll Zie, ik kom schielijk; houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 2 Wie overwint, dien zal ik maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam van het nieuwe Jeruzalem, de stad mijns Gods, die van den hemel nederdaalt van mijnen God, en mijnen '^nieuwen naam. 13 Wie ooren heeft, hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt! ___ 14 En schrijf aan den Engel der gemeente te Lao-dicéa: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin dei-schepping Gods: 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud noch warm zijt: och dat gij koud of warm waart! 16 Maar dewijl gij lauw zijt, en noch koud noch warm, zoo zal ik u uitspuwen uit mijnen mond. |
17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt, en behoef niets; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk , arm, blind en naakt. / V- 18 Ik raad u dat gij goud van mij koopt, dat met vuur doorlouterd is, opdat gij rijk wordt; en witte kleederen, opdat gij u kleedt en de schande uwer naaktheid niet openbaar worde; en oogenzalf om uwe oogen te zalven, opdat gij zien moogt. 19 Wie ik liefheb, bestraf en kastijd ik: zoo wees dan j'Verig en doe boete.'Verig en doe boete. 20 Zie, ik sta voor de[ deur en klop aan; indiem iemand mijne stem zal hoo-ren en de deur opendoen, tot dien zal ik ingaan en maaltijd met hem houden, en hij met mij. 21 Wie overwint, dien zal ik geven met mij op mijnen troon te zitten, gelijk ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnen Vader op zijnen troon. 22 Wie ooren heeft, hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt! HOOFDSTUK 4. 1 Daarna zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem die ik met mij had hooren spreken, als eene bazuin, zeide: Klim herwaarts |
-ocr page 2245-
OPENT?ARING 5.
497
|
op, ik zal u toonen wat na dezen geschieden zal. 2 En terstond was ik in : den geest; en zie, in den i hemel was een troon gezet, en er zat een op den troon; 3 en die daar zat, was in het aanzien den steen jaspis en sardis gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien een smaragd gelijk. 4 En rondom den troon waren vier en twintig tronen, en op de tronen zaten vier en twintig oudsten, met witte kleederen bekleed, en hadden gouden kronen op hunue hoofden. 5 En van den troon gingen bliksemstralen en donderslagen en stemmen uit; en zeven vurige fakkels brandden vóór den troon, welke zijn de zeven geesten Gods; 6 en vóór den troon was eene glazen zee, kristal gelijk; en in het midden des troons en rondom den troon waren vier dieren, vol oogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier was een jongen stier gelijk, en het derde dier had een aangezicht als een mensch, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk. |
8 En elk der vier dieren had zes vleugels, en zij waren rondom en van binnen vol oogen; en zij rusten dag noch nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was en die is en die komt. 9 En wanneer de dieren prijs en eer en dank geven aan hem die op den troon zit, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft, 10 vallen de vier en twintig oudsten neder voor hem die op den troon zit, en aanbidden hem die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft; en zij leggen hunne kronen voor den troon neder, zeggende: 11 Gij Heer, onze God, zijt waardig te ontvangen prijs en eer en kracht; want gij hebt alle dingen geschapen , en door uwen wil bestaan zij en zijn zegeschapen. HOOFDSTUK 5. 1 En ik zag in de rechterhand desgenen die op den troon zat een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegels. 2 En ik zag een sterken Engel, roepende met eene luide stem: Wie is waardig het boek te openen en zijne zegels te breken? |
32
-ocr page 2246-
OPENBARING 5.
498
|
3 En niemand in den he-mei, noch op de aarde, noch : onder de aarde kon dat' boek openen, noch het inzien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden werd om dat boek te openen , noch het in te zien. 5 En een van de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw die van het geslacht van Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen , om het boek te openen en zijne zeven zegels te breken. 6 Ew ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden, van de oudsten stond een Lam, alsof het gedood was, en het had zeven hoornen en zeven oogen, welke zijn de zeven geesten Gods, uitgezonden over de gansche aarde. 7 En het kwam en nam het boek uit de rechterhand desgenen die op den troon zat. 8 En toen het dat boek nam, vielen de vier dieren en de vier en twintig oudsten neder voor het Lam, en zij hadden elk eene harp en gouden schalen vol reukwerk, welke de gebeden der heiligen zijn. |
9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig om dat boek te nemen en zijne zegels te openen; want gij zijt gedood , en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslachten en talen en volken en natiën; __ |10 en gij hebt ons voor onzen God tot koningen en priesters gemaakt, en wij zullen koningen zijn op deaarde. li En ik zag en hoorde eene stem van vele Engelen rondom den troon en rondom de dieren en rondom de oudsten, en hun getal was tien duizend maal tien duizend en duizend maal duizend; 13 en zij zeiden met eene luide stem: Het Lam dat gedood is, is waardig om te ontvangen kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof. 13 En alle schepsel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en in de zee, en al wat daarin is, hoorde ik zeggen : Hem, die op den troon zit en het Lam, zij lof en eer en heerlijkheid en kracht, van eeuwigheid tot eeuwigheid ! 14 En de vier dieren zeiden: Amen! en de vier en twintig oudsten vielen neder en aanbaden. |
-ocr page 2247-
OPENBARING 6.
499
|
HOOFDSTUK 6. 1 En ik zag, toen het Lam één van de zegels opende, en ik hoorde een van de vier dieren zeggen, als met eene stem des don-ders: Kom! 2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die daarop zat had een boog, en hem werd eene kroon gegeven, en hij trok uit als overwinnaar om te overwinnen. 3 En toen het 't tweede zegel opende, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom! 4 En er ging een_ander paard uit, dat was rood; en dengeen, die daarop'zat, werd gegeven den vrede weg te riemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen liet 't derde zegel opende, hoorde ik het derde dier zeggen; Kom! En ik zag, en zie, een zwart paard, en die daarop zat had eene weegschaal in zijne hand. 6 En ik hoorde eene stem in het midden der vief dieren zeggen: _Een maat tarwe voor een penning^ en drie maten gerst voor een penning; maar doe de olie en den wijn geen schade. ( |
7 En toen het 't vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom! 8 En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daarop zat; zijn naam was de Dood, en het doodenrijk volgde hem; en hun werd macht gegeven om het vierde deel der aarde te dooden met het zwaard en met honger en met den dood en door de wilde dieren der aarde. 9 En toen het 't vijfde i' zegel opende, zag ik onder' het altaar de zielen derge-nen, die gedood waren om het woom Gods en om de 1 getuigenis die zifhadden. j 10 En zij riepen met' eene luide stem, zeggende: Heer, gij heilige en waarachtige , hoelang oordeelt en wreekt gij ons bloed niet aan degenen die op de aarde wonen ? 11 En aan elk van hen werd een wit kleed gegeven, en tot hen werd gezegd dat zij nog een kleinen tijd zouden rusten, totdat het getal ^vol zou zijn van liunne mededienstknechten en broeders, die ook nog zouden gedood wordén, gelijk zij. quot;* 13 En ik zag dat het 't zesde zegel opende, en |
-ocr page 2248-
OPENBARING 7.
500
|
zie, er geschiedde eeue groote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak; en de maan werd als bloed, 13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij door een sterken wind bewogen wordt; 14 en deiemei ontweek als een toegerold boek, en alle bergen en eilanden werden bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de koningen dei-aarde, en de grooten, en de rijken, en de hoofdlieden , en de machtigen , en alle dienstknechten, en alle vrijen verborgen zich in de spelonken en steenrotsen der bergen, 16 en zeiden tot de bergen en steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons voor het .aangezicht desgenen die op den troon zit, en voor den toorn des Lams! 17 Want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? HOOFDSTUK 7. 1 En daarna zag ik vier Engelen staan aan de vier hoeken der aarde; die hielden de vier winden der aarde vast, opdat geen wind over de aarde zou blazen, noch over de zee, noch over eenigen boom. |
3 Én ik zag een andereu Engel opkomen van den opgang der zon; die had, het zegel des levenden Gods, en riep met eene luide stem tot de vier Engelen, welken gegeven was de aarde en de zee te beschadigen; 3 en hij zeide: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods verzegeld hebben aan hunne voorhoofden. 4 Eu ik hoorde het getal dergenen die verzegeld werden, honderd vier en veertig duizend die verzegeld waren uit alle geslachten der kinderen Israëls: 5 van het geslacht Juda twaalf duizend verzegeld, van het geslacht Euben twaalf duizend verzegeld, van het geslacht Gad twaalf duizend verzegeld, 6 van het geslacht Aser twaalt duizend verzegeld, van het geslacht Naftali twaalfduizend verzegeld, van het geskcht Manasse twaalf duizend verzegeld , 7 van het geslacht Simeon twaalf duizend verzegeld, van het geslacht Levi twaalf duizend verzegeld, van het geslacht Issaschar twaalf duizend verzegeld, |
-ocr page 2249-
OPENBARING 8.
501
|
8 van het geslacht Zebu-Ion twaalfduizend verzegeld, van het geslacht Jozef twaalf duizend verzegeld, van het geslacht Benjamin twaalf duizend verzegeld. 9 Daarna zag ik , en zie, een groote schare die niemand tellen kon, uit alle natiën en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam, gekleed met witte kleederen, en palmtakken in hunne handen; 10 en zij riepen met eene luide stem, en zeiden:-Het heil is bij onzen God' die op den troon zit, en het Lam. 11 £n alle Engelen stonden rondom den troon en rondom de oudsten en rondom de vier dieren, en vielen vóór den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 zeggende: Amen, lof en heerlijkheid en wijsheid, en dank en eer en kracht en sterkte zij onzen God van eeuwigheid tot eeuwigheid ! Amen. 13 En een van de oudsten antwoordde en zeide tot mij: quot;Wie zijn deze met de witte kleederen bekleed, en van waar zijn zij gekomen ? |
l-i En ik zeide tot hem: Heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Deze zijn het die gekomen zijn uit de groote verdrukking; én zij nebben hunne Kleede-ren gewasscheu en hebben ze wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij vóórquot; den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen tempel; en die op den troon zit zal hen overschaduwen. 16 _Zij zullen niet meer' hongeren noch dorsten, ook zal op EèiT niet vallen de zon of eenige liitfc; x 17 want het Lam dat in het midden van den troon is zal hen weiden, en lei-den tot de levende water-fonteinen : en God zal alle ïramï ran hunne oogen afwisschen. HOOFDSTUK 8. 1 En toen het 't zevende zegel opende, werd er eene .Stilte in den hemel: om-tréht een half uur. 3 En ik zag de zeven Engelen die voor God staan, en hun werden zeven bazuinen gegeven. 3 En een andere Engel kwam, en trad bij het altaar, en had een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebedeil ( I |
-ocr page 2250-
OPENBAEING 9.
503
|
van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar voor den troon. 4 En de rook van het reukwerk steeg met de ge-heden der heiligen op van de hand des Engels vóór God. 5 En de Engel nam het wierookvat, en vulde het met vuur van het altaar, en schudde het uit op de aarde; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemstralen en aardbeving. 6 En de zeven Engelen, met de zeven bazuinen, maakten zich gereed om te bazuinen. 7 En de eerste Engel bazuinde, en er kwam hagel en vuur, met bloed gemengd, en viel op de aarde; en het derde deel der aarde verbrandde, en het derde deel der boomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde. 8 En de tweede Engel bazuinde, en er werd als een groote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen ; en het derde deel der zee werd bloed, 9 en het derde deel der levende schepselen in de zee stierf, en het derde deel der schepen verging. |
10 En de derde Engel bazuinde, en er viel eene groote ster van den hemel, die brandde als eene fakkel, en viel op het derde deel der walerstroomen en op de waterfonteinen. 11 En de naam van die ster was Alsem; en het derde deel der wateren werd alsem, en vele menschen stierven van de wateren, omdat zij bitter waren geworden. 13. En de vierde Engel bazuinde en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren , opdat haar derde deel verduisterd werd, en het derde deel van den dag niet verlicht was, en van den nacht desgelijks. 13 En ik zag en hoorde \eenen Engel als] een arend vliegen midden door den hemel, zeggende met eene luide stem: Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, wegens de andere stemmen der bazuinen van de drie Engelen die nog bazuinen zullen! HOOFDSTUK 9. 1 En de vijfde Engel bazuinde , en ik zag eene ster, gevallen van den hemel op de aarde, en haar was de sleutel van den put des af-grouds gegeven. |
-ocr page 2251-
OPENBARING 9.
503
|
3 En zij opende de put des afgronds; en er ging rook op uit den put, als de rook van een grooten oven; en de zon en de lucht werden verduisterd van den rook des puts. 3 En uit den rook kwamen sprinklianen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen macht hebben op de aarde. 4 En tot hen werd gezegd dat zij niet beschadigen zouden het gras der aarde, noch eenig groen, noch eenigen boom, maar alleen de menschen die het zegel Gods niet aan hunne voorhoofden hadden. 5 En hun werd gegeven dat zij hen niet zouden doo-den , maar hen pijnigen vijf maanden lang; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mensch steekt. 6 En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken en hem niet vinden ; zij zullen begeeren te sterven en de dood zal vnn hen vlieden. 7 En de sprinkhanen waren aan de paarden gelijk die ten oorlog uitgerust zijn ; en op hunne hoofden waren als kronen, aan goud gelijk; en hunne aangezichten als aangezichten van menschen; |
8 en zij hadden haar als vrouwenhaar, en hunne tanden waren als leeuwentanden ; 9 en zij hadden pantsers als ijzeren pantsers; en het gedruisch hunner vleugels was als het gedruisch van wagens met vele paarden die ten strijde loopen; 10 en zij hadden staarten als van schorpioenen, en angels; en in hunne staarten was hunne macht om aan de menschen schade toe te brengen vijf maanden lang. 11 En zij hadden over zich een koning, den Engel des afgronds: diens naam is in het Hebreeuwsch Abaddon, en in het Grieksch heeft hij den naam Apollyon. — 13 Het eene wee is weg: zie, na dit komen nog twee weeën. 13 En de zesde Engel bazuinde, en ik hoorde ééne stem uit de vier hoornen van het gouden altaar dat voor God staat; 14 die zeide tot den zesden Engel die de bazuin had: Ontbind de vier Engelen, die gebonden zijn bij den grooten waterstroom, den Eufraat. 15 En de vier Engelen werden ontbonden, welke |
-ocr page 2252-
OPENBARING 10.
504
|
gereed waren om op uur en dag en maand en jaar het derde deel der men-schen te dooden. 16 En het getal der ruiterij was tweemaal tien duizendmaal tien duizend; en ik hoorde hun getal. 17 En alzóó zag ik de marden in dit gezicht, en die er op zaten: zij hadden vurige en purperen en zwavelkleurige pantsers; en de hoofden der paarden waren als leeuwenhootilen, en uit hunnen mond ging vuur en rook en zwavel. 18 Door deze drie plagen wérd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur, door den rook en door den zwavel die uit hunnen mond ging. 19 Want de macht der paarden is in hunnen mond en in hunne staarten, want hunne staarten zijn gelijk aan slangen, en hebben hoofden, en daarmede doen zij schade. 20 En de overgebleven menschen, die niet gedood waren door deze plagen, deden echter geen boete voor de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de booze geesten, en de gouden, zilveren , koperen, steeuen en houten afgoden, die niet zien, noch hooren, noch wandelen kunnen ; |
21 zij deden ook geen boete voor hunne moorden, tooverijen, hoererij en diefstallen. HOOFDSTUK 10. 1 En ik zag een anderen sterken Engel van den hemel afkomen, die was met eene wolk liekleed , en met een regenboog op zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijne voeten waren als vuurpilaren, 2 en hij had in zijne hand een boekje dat geopend was. En hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde; 3 en hij riep met eene luide stem, gelijk een leeuw brult. En als hij riep, spraken zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, wilde ik schrijven; toen hoorde ik eene stem van den hemel tot mij zeggen: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de Engel, dien ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijne rechterhand op naar den hemel, 6 en zwoer bij hem die |
-ocr page 2253-
OPENBARING 11.
505
|
van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft, die den hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarop is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zijn zal; 7 maar in de dagen van de stem des zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal voleindigd worden de verborgenheid Gods, gelijk hij verkondigd heeft aan zijne dienstknechten, den profeten. 8 En ik hoorde de stem van den hemel wederom met mij spreken, en zeggen : Ga heen, neem het geopende boekje dat in de hand van den Engel is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging heen lot den Engel, en zeide tot hem; Geef mij dat boekje. Eu hij zeide tot mij: Neem en verslind het; en het zal uwen buik doen krimpen, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. 10 En ik nam dat boekje uit de hand des Engels, en verslond het, en het was zoet in mijnen mond als honig, en toen ik het gegeten had deed het mijtien buik krimpen. |
11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom prole-teeren over vele volken en natiën en talen en koningen. HOOFDSTUK 11. 1 En mij werd een riet gegeven, aan eene meetroede gelijk; en de Engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods, en het altaar, en die daarin aanbidden. 2 Maar zonder het voorhof buiten den tempel uit, en meet het niet; want het is den heidenen gegeven , en de heilige stad zullen zij vertreden twee en veertig maanden. 3 En ik zal aan mijne twee getuigen geven, dat zij prof'eteeren zullen twaalf honderd en zestig dagen, met zakken bekleed. 4- Deze zijn de twee olijf-boomen en de twee kandelaars , staande vóór den Heer der aarde. 5 En zoo iemand hen wil beschadigen, zal er een vuur uit hunnen mond uitgaan en hunne vijanden verteren, en zoo iemand hen wil beschadigen, die moet alzoo gedood worden. 6 Deze hebben macht den hemel te sluiten, opdat het niet regent in de dagen hunner profeteering, en zij hebben macht over het water om het te veranderen |
-ocr page 2254-
OPENBARING 11.
506
|
in bloed, en de aarde te slaan met allerlei plagen, zoo dikwijls zij willen. 7 En als zij hunne getuigenis geëindigd hebben, zal het dier dat uit den afgrond opkomt met hen strijden, en zal hen overwinnen en hen dooden. 8 En hunne doode lichamen zullen liggen op de straat der groote stad, die in geestelijken zin genoemd wordt Sod om en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruist is. 9 En sommigen van de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode lichamen zien drie dasjen en een halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode lichamen begraven worden. 10 En die op de aarde wonen, zullen zich verblijden over hen, en in weelde leven , en elkander geschonken zenden; want deze twee profeten kwelden degenen die op de aarde woonden. 11 En na drie dagen en een halven voer een geest des levens uit God in ben, en zij stonden op hunne voeten, en eene groote vrees viel op degenen die hen zagen. |
112 En zij hoorden eene luide stem van den hemel tot hen zeggen: Vaart herwaarts op! En zij voeren op ten hemel in eene wolk, en hunne vijanden zagen hen. 13 En te dier ure ontstond er eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad stortte in; en door de aardbeving werden zeven duizend menschen gedood, en de anderen verschrikten en gaven den God des hemels eere. 14 Het tweede wee is weg; zie, het derde wee komt snel. 15 En de zevende Engel bazuinde, en er geschiedden luide stemmen in den hemel , die zeiden : De koninkrijken der wereld zijn on-zes Heeren, en zijns Christus geworden^ en hij zal regeeren van eaiwigheid tot eeuwigheid. 1 16 Én de vieiV en twintig oudsten, die vcfcr God op hunne tronen za\en, vielen op het aangezicht en aanbaden God, f 17 zeggende: TJ'ij danken u Heer, almaclftige God, gij die zijt en waart, dat gij uwe groote kracht aangenomen hebt en heerscht. 18 En de volken zijn toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de |
-ocr page 2255-
OPENBARING 13.
507 lt;
|
tijd der dooden om hen te oordeelen, en het loon te geven aan uwe dienstknechten, de profeten, en aan de heiligen en aan degenen die uwen naam vreezen, kleinen en grooten, en om te verderven degenen die de aarde verdorven hebben. 'quot;quot; 19 En de tempel Gods werd geopend in den hemel, en de ark zijni^vérEönds werd TïT^Tinen tempel ge^ zien ~ en er geschiedden fjïïïïiêmstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel. c HOOFDSTUK 12. 1 En er verscheen een groot teeken in den hemel: eene vrouw, met de zon bekleed , en de maan onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren; 2 en zij was zwanger, en riep, en was in barensnood, en had groote pijn om te baren. 3 En er verscheen een ander teeken in den hemel, en zie, een groote roode draak, die had zeven hoofden en tien hoornen; en op zijne hoofden zeven kronen; 4 en zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels .mede, en wierp : |
die op de aarde. En de draak trad vóór de vrouw die baren lt; moest, opdat hij haar kind r pi verslinden zou als zij ge-, baard had. vje 5 En zij baarde een zoon ^ die alle heidenen zou wei- ^. den met eene ijzeren roede; 'v en haar kind werd weg- C gerukt tot God en zijnen troon. 6 En de vrouw ontvluchtte ' naar de woestijn, alwaar C? zij eene plaats had van God ■ bereid, opdat zij aldaar zou gevoed worden gedurende twaalfhonderd en zestig dagen. 7 En er ontstond een strijd -in den hemel: Michaël en, ? zijne engelen streden met -den draak. En de draak 1S( streed, en zijne engelen; 8 en zij overwonnen niet, ook werd hunne plaats niet meer gevonden in den hemel, i' 9 En de groote draak,^3 de oude slang, genaamd de duivel, de satan , die de ge-1' heele wereld verleidt, werd uitgeworpen; hij werd geworpen op de aarde, en zijne engelen werden met hem weggeworpen. 10 En ik hoorde eene luide stem, zeggende in den hemel: Nu is het heil en de kracht en het rijk van onzen God en de macht van zijnen Christus gekomen; rf s I |
-ocr page 2256-
OFENBAKING 13.
508
|
dewijl de uanklager onzer broederen verworpen is, die hen voor God dag en nacht aanklaagde. 11 Eti zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis, en hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. ^ 13 Daarom verblijdt u, gij hemelen en gij die daarin woont! ^Vee der aarde, en der zee ; want de^dufvel is töF.u afgekomen in gröoten ' toorn, wetende dat hij wei-nig tijd heeft. 13 En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, vervolgde hij de vrouw die het jongsken gebaard had. 14 En aan de vrouw werden twee vleugels eens gpoo-ten arends gegeven , opdat zij zou vliegen naar de woestijn, naar hare plaats, waar zij zou gevoed worden een tijd en twee tijden en een halven tijd, buiten het gezicht der slang. 15 En de slang wierp uit \ haren mond naar de vrouw \ water als een stroom, om haar door dien stroom te doen meêslepen. 16 Maar de aarde hielp de vrouw, en opende haren mond en verslond den stroom, dien de draak uit |
zijnen mond geworpen had. 17 En de draak werd toornig op de vrouw, en ging heen om te strijden tegen de overigen van haar kroost, die Gods geboden houden en de Christus hebben. getuigenis van Jezus HOOFDSTUK 13. 1 Eu ik stond op het zand der zee; en ik zag een dier opkomen uit de zee, dat zeven hoofden en tien hoornen had, en op zijne hoornen tien kronen, en op zijne hoofden namen van godslastering. 3 En het dier hetwelk ik zag was gelijk een luipaard, en zijne voeten waren ids beren voeten, en zijn mond was als de mond ' eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote macht. 3 En ik zag één van zijne hoofden, als ware het doo-delijk gewond; maar zijne doodelijke wond werd genezen. En de geheele aarde liep het dier in bewondering na; 4 en zij aanbaden den draak, omdat hij aan het dier die macht gegeven had; en zij aanbaden het dier, zeggende; Wie is aan dit dier gelijk, en wie kan er tegen oorlogen ? |
-ocr page 2257-
. iff' fr
OPENBARING 13.
509
|
5 En aan hetzelve werd een mond gegeven omgroote woorden en godslasteringen te spreken, en aan hetzelve werd macht gegeven om dat te doen twee en veertig maanden lang. 6 En het opende zijnen 4mond tot lastering tegen iGod, om zijnen naam te gt; lasteren en zijn heiligdom, en die in den quot;Kemel wo-K nen. 7 En aan hetzelve werd gegeven te strijden tegen de heiligen, en hen te overwinnen; en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslachten en talen en volken. 8 En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, wier namen niet geschreven zijn in het boek des levens van het Lam, dat gedood is, van het begin der wereld af. 9 Heeft iemand ooren, hij hoore. 10 Indien iemand gevangen neemt, hij wordt gevangen genomen; indien iemand met het zwaard doodt, hij moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander dier opkomen uit de aarde, en liet had twee hoornen, aan die des Lams gelijk, en het sprak als een draak. |
13 En het oefende al de macht van het eerste dier in zijne tegenwoordigheid, en het maakte dat de aarde en wie daarop wonen het eerste dier aanbaden, welks doodelijke wond genezen was. 13 En het deed groote teekenen, zoodat het zelfs vuur van den hemel deed vallen op de aarde voor de oogen der menschen; 14 en het verleidde degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die aan hetzelve gegeven zijn te doèn in de tegenwoordigheid van het dier, zeggende tot degenen die óp de aarde wonen, dat zij voor het dier, dat de wond van het zwaard had en weder levend geworden was, een beeld moesten maken. 15 En aan hetzelve werd gegeven, aan het beeld des diers een geest te geven, opdat het beeld des diers zou spreken, en maken dat allen die het beeld des diers niet zouden aanbidden gedood zouden worden. 16 En het maakte dat aan allen, kleinen en grooten, rijken en armen, vrijen en dienstknechten, een merk-teeken gegeven werd aan |
-ocr page 2258-
OPENBARING 13.
508
|
dewijl de uanklager onzer broederen verworpen is, die hen voor God dag en nacht aanklaagde. 11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis, en hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. ^ 12 Daarom verblijdt u, gij hemelen en gij die daarin woont! IVee der aarde en der zee; want de^dufvel is tot u a'fgêlcomén in grooten toorn, wetende dat hij weinig tijd heeft. 13'Én toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, vervolgde hij de vrouw die het jongsken gebaard had. 14 En aan de vrouw werden twee vleugels eens gpoo-ten arends gegeven , opdat zij zou vliegen naar de woestijn , naar hare plaats, waar zij zou gevoed worden een tijd en twee tijden en een halven tijd , buiten het gezicht der slang. 15 En de slang wierp uit haren mond naar de vrouw water als een stroom, om haar door dien stroom te doen meêslepen. 16 Maar de aarde hielp de vrouw, en opende haren mond en verslond den stroom, dien de draak uit zijnen mond geworpen had. |
17 En de draak werd toornig op de vrouw, en ging heen om te strijden tegen de overigen van haar kroost, die Gods geboden houden en de getuigenis van Jezus Christus hebben. HOOFDSTUK 13. 1 Eu ik stond op het zand der zee; en ik zag een dier opkomen uit de zee, dat zeven hoofden en tien hoornen had, en op zijne hoornen tien kronen, en op quot;zijne hoofden namen van godslastering. 2 En het dier hetwelk ik zag was gelijk een luipaard, en zijne voeten waren ids beren voeten, en zijn mond was als de mond 1 eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote macht. 3 En ik zag één van zijne hooiden, als ware het doo-delijk gewond; maar zijne doodelijke wond werd genezen. En de geheele aarde liep het dier in bewondering na; 4 en zij aanbaden den draak, omdat hij aan het dier die macht gegeven had; en zij aanbaden het dier, zeggende: Wie is aan dit dier gelijk, en wie kan er tegen oorlogen? |
-ocr page 2259-
i.i n 11
OPENBARING 13.
Ti'
I
509
|
5 Ea aan hetzelve werd een mond gegeven om groote woorden en godslasteringen te spreken, en aan hetzelve I werd macht gegeven om dat ; te doen twee en veertig [maanden lang. 6 Eu het opende zijnen Qond tot lastering tegen rod, om zijnen naam te llasteren en zijn heiligdom, en die in den quot;Kemêl wo-f nen. 7 En aan hetzelve werd [Jgegeven te strijden tegen *Me heiligen, en hen te het- ^overwinnen; en aan . zelve werd macht gegeven over alle geslachten en talen en volken. 8 En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, wier namen niet geschreven zijn in het boek des levens van het Lam, dat gedood is, van het begin der wereld af. 9 Heeft iemand ooren, hij hoore. 10 Indien iemand gevangen neemt, hij wordt gevangen genomen; indien iemand met het zwaard doodt, hij moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander dier opkomen uit de aarde, en het had twee hoornen, aan die des Lams gelijk, en het sprak als een draak. |
13 En het oefende al de macht van het eerste dier in zijne tegenwoordigheid, en het maakte dat de aarde en wie daarop wonen het eerste dier aanbaden, welks doodelijke wond genezen was. 13 En het deed groote teekenen, zoodat het zelfs vuur van den hemel deed vallen op de aarde voor de oogen der menschen; 14 en het verleidde degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die aan hetzelve gegeven zijn te doèn in de tegenwoordigheid van het dier, zeggende tot degenen die óp de aarde wonen, dat zij voor het dier, dat de wond van liet zwaard had en weder levend geworden was, een beeld moesten maken. 15 En aan hetzelve werd gegeven, aan het beeld des diers een geest te geven, opdat het beeld des diers zou spreken, en maken dat allen die het beeld des diers niet zouden aanbidden gedood zouden worden. 16 En het maakte dat aan allen, kleinen en grooten , rijken en armen, vrijen en dienstknechten, een merk-teeken gegeven werd aan |
-ocr page 2260-
OPENBAEING 14.
510
|
hunne rechterband of aan hunne voorhoofden, 17 en dat niemand koopen of verkoopen kon dan wie het merkteeken, of den naam des diers, of het getal zijns naams had. 18 Hier is de wijsheid noodig. Wie verstand heeft, herekene het getal des diers; want het is het getal eens menschen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig. HOOFDSTUK 14. 1 En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en met hem honderd vier en veertig duizend, die zijnen uaam en den naam zijns Vaders geschreven hadden aan hunne voorhoofden. 2 En ik boorde eene stem van den hemel, als eene stem van vele wateren, en als eene stem van een zwaren donder. En de stem welke ik hoorde was als van harpspelers die op hunne harpen spelen; 3 en zij zongen een nieuw lied vóór den troon en vóór de vier dieren en de oudsten; en niemand kon dat lied leeren dan de honderd vier en veertig duizend die gekocht waren van de aarde. |
4 Deze zijn het die zich met vrouwen niet bevlekt hebben, want zij zijn maagden en zij volgen het Lam waar het heengaat. Deze ziju gekocht uit de menschen, tot eerstelingen Voor God en het Lam; . yv 5 en in hunnen ünond is^ geen valschheid gevonden, want zij zijn onberispelijk.-' 6 En ik zag een. anderet^ Engel vliegen door het rnid-v den des hemels,quot; die had*' een eeuwig evangelie, on* het te verkondigen; aan de- f genen die op de aarde wonen, i en aan alle natie^ en ge-$ slachten en talen e^volken 7 zeggende met egae luidegt;.; stem: Vreest God 'én geeft' hem eer, want de lijd zijns oordeels is gekomenj en aanbidt hem die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en de waterfonteinen. 8 En een andere Engel, een tweede, volgde, die zeide: Gevallen, gevallen, is het groote Babel, omdat het met den wijn der drift harer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een andere Engel, een derde, volgde hen, en zeide met eene luide stem: Indien iemand het dier aanbidt en zijn beeld, en het merkteeken aan zijn voorhoofd of aan zijne hand aanneemt, 10 die zal óók van den wijn van Gods toorn drin- |
-ocr page 2261-
|
S ken, die' onvermengd ingeschonken is in den kelk zijns toorns; en hij zal gepijnigd ' worden met vuur en zwavel voor de heilige Engelen en voor het Lam. 11 En dè rook van hunne pijniging zal opgiian, eeuw in, eeuw uit, en zij hebben geen rust dag noch nacht, die het dier aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand ' ilet merkteeken zijns naams aanneemt. )H 3 Hier is de lijdzaamheid jler heiligen die de geboden jüods houden en het geloof fin Jezus bewaren. «-13 En ik hoorde eene stem van den hemel tot mij zeggen: Schrijf; Zalig zijn de ^looden die in den Heer Stjfcyep,'van nu aan. Ja, zegl de Geest, opdat zij rusten van hunnen arbeid; want hunne werken volgen hen. 14 En ik zag, en zie, eene witte wolk, en op de wolk was een gezeten, aan eens menschen zoon gelijk, met eene gouden kroon op zijh hoofd, en in zijne hand eene scherpe sikkel. 15 En een andere Engel ging uit den tempel, en riep met eene luide stem tot dengeen die up de wolk zat: Zend uwe sikkei en maai; want de tijd om te maaien is gekomen, dewijl «NG 15. 511 |
de oogst der aarde rijp is. 16 En die op de wolk zat, wierp zijne sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere Engel ging uit den tempel des hemels; ook deze had een scherpe sikkel. 18 En een andere Engel die macht had over het vuur, kwam van het altaar en riep met een luid geroep tot dengeen die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scherpe sikkel, en snijd de druiventrossen van den wijnstok der aarde af, want zijne druiven zijn rijp. 19 En de Engel wierp zijne sikkel op de aarde, en sneed den wijnstok dei-aarde, en wierp het in de groote wijnpers van den toorn Gods. 20 En de wijnpers werd buiten de stad geperst, en het bloed uit de wijnpers kwam tot aan de toomen der paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. HOOFDSTUK 15. 1 En ik zag een ander teeken in den hemel, dat was groot en wonderbaar: zeven Engelen, die de laatste plagen hadden; want daarmede was de toorn Gods geëindigd. |
-ocr page 2262-
OPENBARING 16.
513
|
3 En ik zag als eene glazen zee met vuur vermengd , en die de overwinning behaald hadden op het dier en zijn beeld en op het getal zijns naams, staande aan de glazen zee, met harpen Gods. 3 En zij zongen het lied van Mozes, den dienstknecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn uwe werken. Heer, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen , gij koning der volken. 4 Wie zou u niet vreezen Heer, en uwen naam niet prijzen? Want gij alleen zijt heilig; want alle volken zullen komen en u aanbidden , omdat uwe oordee-len zijn openbaar geworden. 5 Daarna zag ik, en zie, de tempel van den tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend; 6 en de zeven Engelen die de zeven plagen hadden, gingen uit den tempel , bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En een van de vier dieren gaf aan de zeven Engelen zeven gouden schalen , vol van den toorn van God, die van eeuwigheid tot éeiVwigheid leeft. «quot;• |
8 En de tempel werd vol rook van de heerlijkheid Gods en van zijne kracht; en niemand kon in den tempel gaan, totdat de zeven plagen der zeven Engelen voleindigd waren. HOOFDSTUK 16. 1 En ik hoorde eene luide stem uit den tempel, die tot de zeven Engelen zeide: Gaat heen en giet de schalen van Gods toorn uit op de aarde. 3 En de eerste ging heen en goot zijne schaal uit op de aarde, en er ontstonden booze en kwade zweren aan de menschen, die het merk-teeken des diers baddeken zijn beeld aa,nbaden. 3 En de tweede Engel goot zijne schaal uit in de zee; en zij werd bloed als van een doode, en alle levende ziel stierf in de zee. 4 En de derde Engel goot zijne schaal uit in de waterstroomen en in de waterfonteinen; en zij werden bloed. 5 En ik hoorde den Engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heer, gij, die zijt en die waart, en heilig, dat gij dit geoordeeld hebt; |
-ocr page 2263-
OPENBARING 16.
513
|
fi want zij hebben hef, bloed der heiligen en dei-profeten vergoten, en gij hebt hun ook bloed te drinken gegeven; zij zijn het waardig. 7 En ik hoorde een anderen Engel van het altaar zeggen : Ja Heer, almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 1 8 En de vierde Engel f goot zijne schaal uit over de zoii^ en haar werd gegeven de menschen te verschroeien door vuur; 9 en de menschen werden verschroeid door groote hitte, en lasterden den naam Gods, die macht heeft over deze plagen, maar zij deden geen boete om hem eer te geven. '- 10 En de vijfde 'Engel goot zijne schaal uit op den troon des diers; en zijn rijk werd verduisterd, en zij beten op hunne tongen van P'jn. 11 en zij lasterden den God des hemels wegens hunne pijn en wegens hunne zweren, en zij deden geen boete voor hunne werken. 12 En de zesde Engel goot zijne schaal uit op den. grooten waterstroom-, den Eufraat; en het water verdroogde, opdat de weg bereid zou worden voor de koningen van den opgang der zon. |
13 En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond des diers en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten gaan, gelijk kikvorschen; 14 en het zijn booze geesten , en zij doen teekenen, en gaan uit tot de koningen der aarde en in de geheele wereld, om hen te vergaderen tot den strijd op dien grooten dag van God, den Almachtige. — 15 Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wan-dele en men zijne schande niet zie. — 16 En zij hebben hen vergaderd in de plaats die in het Hebreeuwsch genaamd is Harmageddon. 17 En de zevende Engel goot zijne schaal uit in de lucht; en eene luide stem ging uit den tempel, van den troon, zeggende; Het is geschied. 18 En er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemstralen, en er kwam eene .groote aardbeving, hoedanige met geweest 18 sedert dat er menschen op' de aarde ge-weest zijh, eene zoodanige aardbeving en zóó groot. |
33
-ocr page 2264-
OPENBARING 17.
514
|
19 En de groote stad werd tot drie dealen, en de steden der heidenen vielen ; en aan het groote Babel werd gedacht voor God, om haar te geven den kelk des wijns van zijn ontstoken toorn. 20 En alle eilanden ontvloden, en geen bergen werden gevonden. 21 En groote hagel, als een talent zwaar, viel van den hemel op de menschen, en de menschen lasterden God wegens de plaag des hagels; want zijne plaag was zeer groot. HOOFDSTUK 17. 1 En een van de zeven Engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, die aan de vele wateren zit. 3 Met haar hebben de koningen der aarde gehoereerd, en wie op de aarde wonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij. 3 Eu hij bracht mij in den geest naar eene woestijn; eu ik zag eene vrouw, zittende op een scharlakenrood dier, dat vol was van namen der lastering, en zeven hoofden en tien hoornen had. |
4 En de vrouw was bekleed met scharlaken en purjoer, en versierd met goud en edelgesteente en paarlen, en had in hare hand een gouden beker, vol van gruwelen en onreinheid harer hoererij; 5 en op haar voorhoofd was geschreven een naam, eene verborgenheid: het groote Babel, de moeder van de hoererij en gruwelen der aarde. 6 En ik zag de vrouw dronken van het bloed dei-heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij zeer, toen ik haar zag. 7 En de Engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid vau de vrouw en van het dier dat haar draagt, dat zeven hoofden en tien hoornen heeft. 8 Het dier, hetwelk gij gezien hebt, was er cn is er niet, en zal weder opkomen uit den afgrond, eu zal in het verderf varen; en wie o]) de aarde wonen, — wier namen uiet geschreven staan in het boek des levens van het begin der wereld af, — zullen zich verwonderen, als zij zien dat het dier er was eu er niet is, en er zijn zal. |
-ocr page 2265-
rr
OPENBARING IS.
515
|
9 Hier Toegt liet verstand dat wijsheid heeft. De zeven lioof'den zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. 10 Eu het zijn ook zeven koningen: vijf zijn gevallen, en do één is er, en de ander is nog niet gekomen, en als hij komt, moet hij een kleinen tijd blijven. 11 En het dier dat er was en er niet is, is ook zelf de achtste \koriing], eu is uit de zeven, en gaat in het verderf. 12 En de tien hoornen welke gij gezien hebt, zijn tien koningen, die nog geen koninklijke heerschappij ontvangen hebben, maar als koningen ontvangen zij macht met het dier voor ééne ure. 13 l)eze hebben ééuerlei zin, en zullen hunne kracht en macht aan het dier geven. 14 Deze zullen strijden tegen het Lam; en het Lam lal hen overwinnen, ■— want hel is de Heer der heeren en de Koning der koningen; — eu met hem zijn de geroepenen eu uit-Terkorenen en getrouwen. 15 En hij zeide tot mij: De wateren welke gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en talen. ó 16 En de tien hoornen |
welke gij gezien hebt en het dier zullen de hoer haten , en haar berooven, en naakt doen staan, en zullen haar vleesch eten, en haar met vuur verbranden. 17 Want God heeft hun in het hart gegeven zijne meening te doen, en te doen éénerlei meening, en hunne koninklijke heerschappij aan het dier te geven, totdat de woorden Gods voleindigd worden. 18 En de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad, die de heerschappij heeft over de koningen der aarde. HOOFDSTUK 18. 1 En daarna zag ik een anderen Engel nederdalen van den hemel: die had eene groote macht, en de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid. 2 En hij riep met macht, met eene krachtige stem, zeggende: Gevallen, gevallen is het groote Èabel, het is een verblijf van booze geesten geworden, en eene gevangenis van alle onreine geesten , .en eene gevangenis van alle onreine en gehate vogels. 3 Want van den wijn : des toorns harer hoererij |
-ocr page 2266-
oPENmRTTsra is.
516
|
hebben alle volken gedronken, en de koningen der aarde hebben niet haar hoererij bedreven, en de kooplieden der aarde zijn rijk geworden van hare quot;Toote jyeelde. _____ ' 4 En^'Tïoord e eene andere stem van den hemel, „i. die zeide: Gaat uit vun haar, mjnvólTfopclat gij geen deel he6t aan hare zonden, en opdat gij niet iets ontvangt van hare plagen; 5 want hare zonden rei is God , de Heer', die haar oordeelt. ïïe, en zal geen rouw zim. SPDaarom zullen hare plagen op één dag komen, namelijk dood, rouw en honger; met vuur zal zij |
9 En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en zich in weelde gebaad hebben, zullen haar beweenen en over haar rouwklagen, als zij den rook van haren brand zullen zien; 10 en zij zullen van verre staan uit vrees voor hare pijniging, en zeggen: Wee, wee u, groote stad Babel, sterke stad! want in één uur is uw oordeel gekomen. 11 En de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw dragen over haar, omdat niemand hunne waar meer koopen zal: 13 de waar van goud en zilver en edelgesteente en paarlen, en fijn lijnwaad en purper en zijde en scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei voorwerpen verbrand worden; want steek uwe ziel lust had, is van u geweken; en al wat lekker en heerlijk was, is voor en tarwe, en vee en schapen , en paarden en wagens, en lichamen en zielen der menschen. 14 En de vrucht waaraan ken tot aan den hemel, en God gedeukt aan hare ongerechtigheden. 6 Vergeldt haar gelijk zij vergolden heeft, en doet haar dubbel naar hare werken; en schenkt baar den kelk, dien zij u ingeschonken heeft, dubbel in. 7 Zooveel als zij zich zelve j van ivoor, en allerlei voor-heerliik geinaakt èn Jiare_: werpen van kostelijk hout weelde gehad heeft, schenkt I en van koper en van ijzer quot;Tiaarquot; zooveel pijniging en en van marmer, rouw in; want zij zegt in 13 en kaneel en reukwerk Tiaar liart: Ik zitals eene i en balsem en wierook, en ^koningin, enbenquot;geenquot;wéclu- wijn en olie, en meelbloem |
-ocr page 2267-
OPENBAEING 19.
517
|
u verloren, en gij zult het niet meer vinden. 15 De kooplieden van zulke waren, die rijk geworden zijn van haar, zullen van verre staan uit vrees voor hare pijniging, weenende en rouwklagende, 16 en zeggen: Wee, wee de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd was met goud en edelgesteente en paarlen! Want in dón uur is al die rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en allen, die op eenige plaats varen en het scheepsvolk en zoo velen de zee bouwen stonden van verre, 18 en riepen, toen zij den rook van haren brand zagen, zeggende: Welke \_stad] was aan deze groote stad gelijk? 19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenende en rouwklagende, en zeiden: Wee, wee de groote stad, in welke allen die schepen in zee hadden, rijk geworden zijn van hare kostelijkheid! Want in één uur is zij vernield. 20 Verblijd u over haar, gij hemel, en gij heiligen en apostelen en profeten, want God heeft uwe rechtzaak aan haar geoordeeld! |
21 En een sterke Engel hief een steen op als een grooten molensteen, en wierp hem in de zee, en zeide: Met zulk een geweld zal de groote stad Babel verworpen en niet meer gevonden worden. 22 En de stem van de zangers en snarenspelers, van de fluitspelers en bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden, en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en het geluid des molens zal in u niet meer gehoord worden, 23 het licht van de lamp zal in u niet meer schijnen, en de stem des bruidegoms en der bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde; wantdoor uwe tooverij zijn alle volken verleid geworden. 2'i En het bloed der profeten en der heiligen is in haar gevonden geworden, en van al degenen, die bp de aarde zijn omgebracht. HOOFDSTUK 19. 1 Daarna hoorde ik als eene luide stem eener groote schare in den hemel, zeggende:' Halleluja! het heil en de heerlijkheid en de kracht is onzes Gods; 2 want waarachtig en recht- |
-ocr page 2268-
OPENBARING 19.
518
|
vaardig zijn zijne oordeelen, omdat hij de groote hoer veroordeeld heeft, die door hare hoererij de aarde verdierf, en hij heeft het bloed zijner dienstknechten aan haar gewroken. 3 En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja! En haar rook gaat op tot in alle eeuwigheid. 4 En de vier en twintig oudsten en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, en zeiden: A men, Halleluja! 5 En eene stem kwam van den troon, zeggende: Looft onzen God, al zijne dienstknechten en die hem vreezen , beiden klein en groot! 6 En ik hoorde als eene stem van eene groote schare en als eene stem van vele wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja 1 want de Heer, onze God, de almachtige, heeft het rijk aanvaard. 7 Laat ons verheugd en vroolijk zijn,- en hem de eere geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zij ne vrouw heeft zich bereid, 8 en haar is gegeven zich te bekleeden met blinkend, rein lijnwaad; het lijnwaad nu is de gerechtigheid der heiligen. |
9 En hij zeide tot mij; Schrijf: Zalig zijn zij die tot het bruiloftsmaal des Lams geroepen zijn. En hij zeide tot mij: Hit zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden; en hij zeide tot mij: Zie toe, doe het niet, ik ben uw mededienstknecht, en die uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God ! Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. 11 En ik zag den hemel geopend, en zie, een wit paard, en die daarop zat was genaamd Getrouw en Waarachtig, en hij oordeelt en strijdt met gerechtigheid. 12 En zijne oogen waren als eene vuurvlam, en op zijn hoofd waren vele kronen; en hij had een naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf; 13 en hij was bekleed met een kleed dat met bloed besprengd was; en zijn naam is: het Woord Gods. 14 En de heirscharen in den hemel volgden hem op witte paarden, bekleed met wit, rein lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij daarmede de hei- |
V_
-ocr page 2269-
OPENBARING 20.
510
|
(lenen zou slaan. En hij zal hen weiden met een ijzeren staf; en hij treedt de wijnpers van den wijn des ontstoken toorns van den al-machtigen God. 16 En hij heeft een naam geschreven op zijn kleed en op zijne heup: Koning dei-koningen en Heer der heeren. 17 En ik zag een Engel in de zon staan, en hij riep met eene luide stem, en zeide tot alle vogels die onder den hemel vliegen: Komt en vergadert u tot den grooten maaltijd Gods, 18 opdat gij eet het vleesoh der koningen en der krijgsoversten , en het vleesch der sterken, en der paarden, en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, beiden kleinen en grooten. 19 En ik zag het dier en de koningen der aarde en hunne heirscharen vergaderd om te strijden tegen hem die op het paard zat, en tegen zijn heir. 20 En het dier werd gegrepen, en tevens de val-sche profeet, die de teekenen vóór hetzelve deed, door welke hij verleidde die het merkteeken des diers ontvingen en die het beeld des diers aanbaden. |
Levend werden die beiden geworpen in den vurigen poel, die met zwavel brandt. 21 En de anderen werden gedood met het zwaard desgenen die op het paard zat, hetwelk uit zijnen mond ging; en alle vogels werden verzadigd van hun vleesch. HOOFDSTUK 20. 1 En ik zag een Engel van den hemel dalen, die had den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand. 2 En hij greep den draak, de oude slang, die de duivel en de satan is, en bond hem voor duizend jaren, 3 en wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, oplat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden voleindigd zijn; en daarna moet hij voor een kleinen tijd ontbonden worden. 4 En ik zag tronen; en hun, die daarop zaten, werd het oordeel gegeven. En ik zag de zielen dergenen die omgebracht waren om de getuigenjs van Jezus en om het woord Gods, en die het dier noch het beeld des diers aangebeden, noch zijn merkteeken ontvangen |
-ocr page 2270-
OPENBAKING 21.
520
|
hadden aan hun yoorhoofd en op hunne hand; en zij leefden en regeerden met Christus duizend jaren. ' 5 Maar de andere dooden werden niet weder levend, totdat dequot; duizend jaren ge-eindigd waren. Dit is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezulken heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en met hem re-geeren duizend jaren. 7 En wanneer die duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, 8 en hij zal uitgaan om de volken te verleiden die aan de vier hoeken der aarde zijn , Gog en Magog, om hen te vergaderen tot den strijd; wier getal is als het zand aan de zee. 9 En zij trokken op over de breedte der aarde, en omringden het heirleger der heiligen en de geliefde stad; en het vuur viel van God uit den hemel, en verteerde hen. 10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in den vuur- en zwavelpoel, waar het dier en do valsche |
profeet waren; en zij zullen gepijnigd worden dag , en nacht, eeuw in, eeuw uit. 11 En ik zag een grooten witten troon, en dengeen die daarop zat, voor wiens aangezicht de aarde en de hemei wegvloden, en voor hen werd geen plaats gevonden. 12 En ik zag de dooden, groot en klein, vóór den |! troon staanT?11 de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, hetwelk het Boek des Levens is; en de dooden werden geoordeeld volgens het geschrevene in de boeken, naar hunne werken. 13 En de zee gaf de d00-den die daarin waren, en de dood en het doodenrijk gaven de dooden die daarin waren, en zij werden geoordeeld elk naar zijne werken. 14 En de dood en het doodenrijk werden geworpen in den vuurpoel: dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet werd bevonden in het Boek des Levens geschreven te zijn, die werd geworpen in den vuurpoel. HOOFDSTUK 21. 1 En ik zag een nieuwen ) hemel en eene nieuwe aar de en vo Wfl 2 stf va ne ee m g€ G er ei ei |
-ocr page 2271-
|
de; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik zag do heilige stad, liet nieuwe Jeruzalem, van God uit den hemel nederdalen, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. 3 En ik hoorde eene luide stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de menschen, en hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal met hen zijn als hun God. 4 En God zal alle tranen van hunne oogen afwis-schen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschrei noch smart zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. 5 En die op den troon zat zeide: Zie, ik raaak alles nieuw. En hij zeide tot mij: Schrijf! Want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. 6 En hij zeide tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstige om niet geven uit de fontein des levenden waters. 7 Wie overwint, zal dit beërven, en ik zal zijn God 1 111- 1 |
521 zijn en hij zal mijn zoon zijn. 8 Maar de versaagden, en ongeloovigen, en gru-welijken, en moordenaars, en hoereerders, en toove-naars, en afgodendienaars, en alle leugenaars — hun deel zal zijn in den poel die met vuur en zwavel brandt, hetwelk is de tweede dood. 9 En een van de zeven Engelen, die de zeven schalen vol hadden van de laatste zeven plagen, kwam tot mij en sprak tot mij, zeggende: Kom, ik zal u toonen de vrouw, de bruid des Lams. ___ 10 En hij voerde mij weg in den geest op een groeten en hoogen berg, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, nederdalende uit den hemel, van God, 11 en zij had de heerlijkheid Gods; en haar licht was den alleredelsten steen, den helderen jaspis, gelijk. 13 En zij had een groo-ten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en aan de poorten twaalf Engelen , en namen daarop geschreven , welke zijn die van de twaalf geslachten der kinderen Israels. 13 Aan het oosten waren drie poorten, aan het noorden drie poorten, aan het OPENS/VRINGr 21. |
-ocr page 2272-
OPENBARING 22.
523
|
zuiden drie poorten, aan het westen drie poorten. 14 En de muur der stad had twaalf fundamenten, en daarop de twaalf namen der twaalf apostelen des Lams. . 15 En die met mij sprak had een gouden meetstok, opdat hij de stad zou meten, en hare poorten, en haren muur. 16 En de stad lag vierkant , zoodat hare lengte zoo groot was als hare breedte; en hij mat de stad met den meetstok op twaalf duizend stadiën; de lengte en de breedte en de hoogte der stad waren evengelijk. 17 Eu hij mat haren muur op honderd vier en veertig el, naar de maat eens menschen, welke ook die van den Engel was. 18 En de muur was gebouwd van jaspis; en de stad was van louter goud, aan zuiver glas gelijk. 19 En de fundamenten van den muur der stad waren versierd met allerlei edelgesteente ; het eerste fundament was jaspis, het tweede was saffier, bet derde ehalcédon, het vierde smaragd, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sarder, het zevende chrysoliet, het achtste beryl, het negende topaas , het tiende chryso- S ^la praas, het eltde hyacint, ' kw liet twaalfde amethyst. des |
21 En de twaalf poorten j 2 waren twaalf paarlen, en elke poort was uit céne parel; en de straten der des stad waren zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. 22 En ik zag geen tempel daarin; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. 2a En de stad heeft geen ;on noch maan noodig om haar te beschijnen; want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en hare fakkel is het Lam. v - 24: En de volken zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde .zullen hunne heerlijkheid er in brengen; (ITen hare poorten worden niet gesloten bij dag, want aldaar zal geen nacht zijn; 26 en ittST zal 'de heerlijkheid en de eer der volken er in brengen. 27 En er zal niets ingaan dat gemeen is, noch wie gruwel en leugen doet, Ttular die g^sctireven zijn in hef Boek des Levêns van het lam. HOOFDSTUK 22. 1 En hij toonde mij een stroom van water des levens. inai : vru de den nen 3 kin ; Got zijn iull 4 n oo: ,5 ijn el % ee m i 3. 6 )ez In i e ( rol v ezc ne( •ell 7 lli t |
-ocr page 2273-
ét
OPENBAEING 22.
523
|
klaar als kristal, die voortkwam uit den troon Gods des Lams. 2 In het midden van hare straat, en aan beide zijden des strooms, stond de boom des levens, die droeg twaalfmaal vruchten, gevende zijne vruchten alle maanden; en de bladeren des booms dienden tot genezing der heidenen. - 3 En er zal geen vervloeking meer zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten uilen hem dienen 4 en zijn aangezicht zien, m zijn naam zal aan hunne oorhoolden zijn. ,5 En aldaar zal geen nacht ijn, en zij zullen geen fak-el noch-licht der-zon noo- ebben; want God , de eer, zal hen verlichten, n zij zullen regeeren, eeuw eeuw uit. 6 En hij zeide lot mij: eze woorden zijn getrouw ui waarachtig; en de Heer, [e God van de geesten der irofeten, heelt zijnen Engel izondeu, om zijnen dienst-lechten te toonen hetgeen elhaast geschieden moet. . ,7 Zie, ik kom haastig. Mïfklig is hij die de woorden r profetie van dit boek bewaart. En ik, Johannes, heb ^ somt, 11 rten j en j ;éne j der f iud, I s. unieer, baar ;een | om vant , ver- ; kkel dien ; en ^ul-sr in rdeuquot; want in; neer-vol- gaan , wie ■ loei, zijn iveiïs I een vens, |
dat gezien en gehoord. En toen ik het gehoord en gezien had, viel ik neder om te aanbidden voor de voeten des Engels, die het mij getoond had. 9 En hij zeide tot mij: Zie toe, doe het niet, want ik ben uw mededienstknecht, en die van uwe broederen, de profeten, en van degenen die de woorden dezes boeks bewaren. Aanbid God! 10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. 11 Wie ondeugend is, zij verder ondeugend; en wie onrein is, zij verder onrein; en wie vroom is, zij verder vroom; en wie heilig is. zij verder heilig. 12 Zie, ik kom haastig, en mijn loon met mij, om ieder te geven, gelijk zijne werken zullen zijn. 13 Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. 14 Zalig zijn zij die zijne geboden houden, opdat zij macht hebben over den boom des levens, en door de poorten in de stad mogen ingaiin. 15 Maar daar buiten zijn de honden, en de too venaars, |
-ocr page 2274-
OPENBARING 23.
524
|
en de lioereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars , en allen fTie 3ëquot; leugen liefhebben en doen. 16 Ik, Jezus, lieb mijnen Engel gezonden, om nlie-den dat te betuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de heldere morgenster. 17 En de Geest en de bruid zeggen: Komj. En wie het hoort zegge: En- wie dorst .heeft komej en wie_wiL, neme.het water des levensbom niet! . TS' Ik betuig allen die de I woorden der profetie dezes |
hoeks hooren; indien iemand daaraan toevoegt, zoo zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; gt;— 19 en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, zoo zal God hem zijn deel afnemen van den boom des levens, en van de heilige stad, die in dit boek beschreven zijn. 20 Die dit getuigt, zegt: .la, ik kom haastig. Amen , ja kom, Heere Jezus! I 21 De genade van onzen ' Hquot;er Jezus Christus zij met allen! Amen. |
EINDE.
-ocr page 2275-
-ocr page 2276-
-ocr page 2277-
-ocr page 2278-