ocr page 1

ak 152

LOUISE MÜHLBAOHS

I ^istoirsche Romans

Bewerlct door IVT. ÏV.

Frederik de Groote en zijn Hof

BERLIJN EN SANSSOUCI.

NIJMEGEN—ARNHEM.

2 B Rs. E. amp; M. C O H E N.

ocr page 2
ocr page 3

FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.

BERLIJN EN SANSSOÜCI.

ii.

ocr page 4
ocr page 5

Vak 152

ISS

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.

HISTORISCHE ROMAN

door

LOUISE MÜHLBACH.

Bewerkt norm Af. K.

BERLIJN EN SANSSOÜCI.

BIBUOTSCA^

CONV. WiiCHCNS

nun. Fut min.

TWEEDE DEEL.

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. CO 11 EN.

ocr page 6
ocr page 7

I )KivI )K BOKJES OORLOG EN VREDE.

Vervol ij.

IV.

DE VRIENDEN.

Joseph Fredersdof en zijn vriend Lupinus keerden, vier dagen na hun geheimzinnigen tocht naar Ilalle terug. Niemand, zelfs Eckhof niet, was met hunne reis en dus nog minder met het doel daarvan bekend. Ze stapten den wagen uit en begaven zich arm in arm naar Eckhofs woning. Hij was te huis en Eredersdorf zag dadelijk aan de dolle oogen en de moedelooze uitdrukking van zijn gelaat, dat zijn „heer en meesterquot; zich de gebeurtenissen der laatste dagen sterk had aangetrokken.

„Ik breng u hier een nieuwen discipel, meester,quot; zeide Eredersdort op Lupinus wijzend, die blozend en met neder-geslagen oogen den tooneelspeler naderde.

Eckhof lachte treurig. „Een nieuwen discipel, die onder mijne leiding de school der smarten en der vernederingen in alle klassen en graden wil doorloopen?quot;

„Een discipel, die tot nu toe het sieraad en den glans der universiteit van Halle is geweest,quot; antwoordde Eredersdorf, „die echter nu om uwentwil alles opgeven en verlaten wil, om u te volgen, u aan te hangen en een der onzen te worden. Met één woord, ik breng u den jongen student Lupinus, die zijne doctorale waardigheid, zijne geleerdheid, zijn toekomstigen roem, zijn aanzienlijk honorarium als arts, kortom alles, wat hij tot nu toe gewenscht heeft, in den

ocr page 8

6

steek laut, eenig en alleen uui uw leerling, om een looneel-speler te worden.quot;

„Gij zijt goed en teergevoelig, gelijk altijd, Joseph,:rzeide Eckhof zacht. „Gij weet, dat ik in mijn hart eene wond heb, die mij diep smart, en gij wilt haar met den balsem uwer vriendschap en scherts verkoelen.quot;

„Maar ik scherts volstrekt niet, ik spreek in vollen ernst. Waarlijk, zoude men niet denken, dat gij beiden een beschroomd, verliefd paartje waart, en den moed niet hebt, aan uw eigen geluk te denken? Eckhof wil volstrekt niet gelooven, dat de student Lupinus bij hem komt om zijn leerling te worden, en Lupinus staat daar als een bedeesd jong meisje, dat een liefdesverklaring heeft ontvangen, en het niet waagt, „ja,quot; te zeggen. Spreek dan toch, Lupinus; zeg dien twijfelaar toch, dat gij vrijwillig komt, dat ik u niet geprest heb om komediant te worden, gelijk wijlen Frederik Willem zijne groote soldaten liet pressen en aanwerven. Inderdaad, het heeft moeite genoeg gekost, u de bekentenis te ontlokken; uit halve woorden, uit onderdrukte zuchten, uit uw blozen en verbleeken, en uit uwe vurige geestdrift voor Eckhof, moest ik het raadsel, dat in uwe borst lag begraven, verklaren en oplossen. Maar nu het eens is opgelost, moogt gij moed vatten, jongeling, enden sluier, die uw binnenste bedekt, een weinig oplichten.quot;

Maar Lupinus zweeg; slechts zijne heftig zwoegende borst, zijne ontroerde gelaatstrekken, verrieden den hevigen storm die in zijn binnenste woedde.

Eckhof had medelijden met die zichtbare beschroomdheid van den jeugdigen geleerde. Hij naderde hem en legde zijne hand zacht op den schouder van den student, terwijl zijne oogen, die voorheen zoo droevig stonden, nu schitterden van deelneming en medelijden.

Doch deze aanraking deed Lupinus huiveren, en de op hem gerichte blikken van Eckhof deden hem verbleeken.

„Gij wilt dus werkelijk tooneelspeler worden?quot; vroeg Eckhof.

Eene rilling voer den jongeling door de leden. Gelijk de somnambule de bevelen van den magnetiseur uitvoert, vond Lupinus nu plotseling de kracht op Eckhofs vraag te antwoorden.

„.la,quot; zeide hij zacht. „Ja, ik wil tooneelspeler worden.

ocr page 9

7

Ik heb het reeds lung gewild, met dezen wil gestreden, en hem, naar ik geloofde, bedwongen. Maar het is alles ver-geels geweest; te vergeefs, dat ik mij in boeken en studiën begroef; te vergeefs, dat ik mijn verlangen om den schouwburg te bezoeken, overwon, en te huis in mijne sombere en eenzame kamer bleef, als de andere studenten met luid gejubel voorbij mijne vensters stormden om naardenschouw-hurg te gaan. Thans geef ik den strijd op, en daar mijn hoofd mij verlaat, volg ik mijn hart en kom ik tot u, heer Eckhof, om u te zeggen: neem mij aan tot uw leerling, wees gij mijn heer en mijn meester, maak van mij een nieuw mensch, een gelukkig, een tevreden mensch; ik kan Let slechts worden door aan de heiligste der kunsten, aan de poëzie, mijn geheele leven ten olfer te brengen ; ik kan het slechts zijn door tooneelspeler te worden; laat mij dus worden wal ik wensch en wil!quot;

„O, hij denkt en spreekt, gelijk ik gesproken heb, toen ik heizelfde besluit opvatte,quot; zeide Eckhof in zich zeiven, en toen zich tot Lupinus wendende, die ademloos, met door tranen benevelde oogen, zijn antwoord te gemoet zag, vervolgde hij; ,,Gij wilt tooneelspeler worden? Dat beteekent, gij wilt den smaad, de vernedering en onteering van een veracht, beschimpt leven aannemen? Gij wilt u vrijwillig verbannen uit de rijen der bevoorrechte en geachte lieden, om tot de Paria's te behooren, tot de Zigeuners, die recht noch bescherming erlangen, die zonder haarstede van plaats tot plaats zwerven, en nergens eene plaats vinden, waar zij kunnen uitrusten, waar men hen erkent, zélfs niet in hunne waarde als mensch, veel minder in hunne waarde als kunstenaar? Neen, neen, niemand raag kunstenaar worden, als ik het hem kan beletten, niemand mag deze van juweelen fonkelende poort doorgaan, die hem van de overige mensch-heid scheidt, en waar achter, in plaats van het verwachte geluk, hem slechts de teleurstelling, het vei driet, de smaad en de menschenhaat in hunne armen nemen, om hem op doornige paden tot een roemloozen dood te sleepen. Wacht u wel, tooneelspeler te worden, want dat beteekent, de gansche menschheid tegen u, en misschien zelfs God niet vóór ii te hebben, daar God het duldt, dat zelfs, als wij sterven, de kerk ons hare troostmiddelen, en als wij dood zijn, eene eerlijke begrafenis weigeren kan. Gij denkt, de

ocr page 10

8

leoneelspeler is ecu kunstenaar? Ik heb het ook gezegd, verscheiden jaren lang; toen echter is de overzadiging gekomen, of zoo gij wilt, het bewustzijn, en thans wil ik u een geheim zeggen, een geheim, dat mijn hart doet verstijven, en mij met naamlooze kwellingen martelt: de looneelspeler is geen kunstenaar, maar slechts een kwakzalver der kunst, slechts de aap van een kunstenaar, maar niet de kunstenaar zeil'. Hij schept niet, hij denkt niet. maar hij brengt slechts weder te voorschijn, en hoe meer apennatuur hij in zich heeft, hoe beter hij het verstaat de natuur en de waarheid haar karakter af te luisteren, om het als masker voor zijn eigen gelaat te doen, hoe beter tooneelspeler hij zal zijn. O, wat had ik niet gehoopt en mij voorgesteld van de edele en verhevene werkzaamheid van een looneelspeler! Hoezeer dacht ik der jeugd geestdrift in te boezemen, en ai die koude, nuchtere, afgematte, berekenende en verdeelde inen-schenmassa's een vonk van geestdrift in te blazen voor hunne edelste natuurgenooten, voor de dichters en hunne onsterfelijke werken! Dacht ik niet hand aan hand te gaan met de wetenschap en de geleerdheid,en vereenigd metdezen een nieuw menschengeslacht te vormen, een nieuwe wereld van gedachten, van kunst, van schoonheid te grondvesten ! Maar hel is alles te vergeefs, alles ijdel geweest. Mijn paradijs is tot stof vervallen, en, gelijk eens Jeremia, zit ik op de puinhoopen van Jeruzalem.quot;

I lij zweeg, en geheel overweldigd door deze hartstochtelijke en treurige gevoelens, die zijn hart martelden, zonk hij op een stoel neder en bedekte luid snikkend zijn gelaat.

„Thans,quot; riep Joseph Fredersdorf bijna toornig, „thans zijt gij onrechtvaardig Eckhof, onrechtvaardig jegens u zeiven en jegens de menschheid! Gij versmaadt uw eigen zegepraal, en gij versmaadt de menschen, die u die zegepraal hebben bereid; gij versmaadt bovenal de jeugd, die u overal juichend begroet, die u bemint en u erkent, voor hetgeen gij in waarheid zijt, een kunstenaar door de genade Gods, de door God geroepen apostel van eene nieuwe kunst, welker eigenlijke stichter en profeet in Duilschland gij zijt geworden. Waarom lastert gij dus de menschen en waarom lastert gij u zeiven? Gij zijt nog zoo jong en gij hebt u reeds een beroemden naam verworven ! En de roem is niet slechts het natuurlijk gevolg der verdienste, maar hij is bovendien

ocr page 11

9

een bijzondere gunst der goden. Niemand wordt door zicli zeiven beroemd, maar alleen door de menschen. Zou i^ij dus de groote, beroemde kunstenaar Eckhof zijl, hebt gij dit wel is waar eerstens aan u zei ven, maar in de tweede plaats ook aau uw publiek te danken, dat u een geopend en dankbaar hart heeft aangeboden.quot;

„liet is waar, ik kan ongelijk hebben,quot; antwoordde Kek hul' op droevigen toon, „maar toch, mijn vriend, wanneer men door de menschen steeds vervolgd, steeds gelasterd, steeds uil zijne rust en zijn vrede tot nieuw omzwerven en nieuwen strijd opgejaagd wordt, dan moet men ten laatste wel mismoedig worden, en zich zeiven en zijn werken vervloeken en aan zijne eigene roeping twijfelen. Moeten wij tlians niet weder gelijk opgejaagde herten vluchten voor de tegen ons huilende en keilende honden der geleerde heeren professoren ; moeten wij niet den rug toekeeren aan deze stad, die ik met zoo veel hoop, met zoo blijde, fiere verwachting, heb betreden? Moet ik niet blozend van schaamte de oogen nederslaan, als de menschen mij vragen, waarom ik Halle, den zetel der muzen, der geleerdheid en der wetenschap heb verlaten? Of wilt gij, dat ik hun zeg, dat de geleerdheid en de wetenschap mij hebben veracht als een, wiens aanraking verpest, wiens nabijheid oneer aanbrengt, dat zij mij hebben vervolgd als een boosdoener en misdadiger, dat er niemand was om mij in mijn goed recht te beschermen, dal er voor den tooneelspeler geene wel, geene voldoening is, dat hij geheel zonder recht, geheel verlaten is?quot;

„Wie weel, of dat wel zoo is!quot; zeide Joseph, een lachenden blik van verstandhouding op Lupinus slaande, wiens oogen met eene dwepende uitdrukking vol geestdrift op Eckhofs gelaat rusten. „Wie weet, of de looneelspelers niet nog eindelijk tegenover deze aanmatigende en opgeblazen professoren voldoening zullen erlangen.quot;

„Voorloopig heeft de overheid onzen schouwburg gesloten en de voorstellingen verboden, tot liet generaal-direclorium te Berlijn heeft heslist, of er na het pas voorgevallen schandaal inden schouwburg voortaan nog gespeeld mag worden!quot;

„Het generaal-direclorium zal bevelen, dal er voortaan nog mag gespeeld worden,quot; zeide Joseph Fredersdorf.

Eckhof lachte luid, maar het was een lach van bitteren spot.

„Beste vriend,quot; zeide hij, „dan zoude er immers op aarde

ocr page 12

10

voor de verdrukten en versmaden gerechtigheid zijn.quot;

„Die is or ook, Eckhof, men moot haar slechts op de rechte plaats weten te zoeken.

„En waar is die'?quot;

„Bij den koning!quot;

„O, bij den koning! Dat moge voor u waar zijn, omdat uw broeder de kamerdienaar des konings is, maar hot is niet waar voor mij, het is niet waar voor den Duilschcn tooneelspeler, voor ons, die het trotsche, schoone, en op zijn verstand zoo ijdele Berlijn, moesten verlaten, omdat wij met de vreemde kunstenaars niet konden wedijveren, omdat wij de schoenpoetsers der Franschen niet konden zijn. Neen, voor den armen Duitschcn tooneelspeler is er ook bij den koning geene gerechtigheid.quot;

„Thans mijn vriend, wordt gij onbillijk. De koning is veel te edel en onbevooroordeeld, om niet helder te zien, ondanks het boekenstof, dat de geleerde heeren professoren hem in de oogen wenschten te strooien. De koning weet bovendien, dat zij het waren, die liet zoo pas voorgevallen schandaal hebben aangestookt, en hij is er over vertoornd.quot;

„Wie heeft u dat gezegd?quot;

,.De koning zelf!quot;

„Zijt gij dan hij den koning geweest?quot;

„Ja, ik hen bij den koning geweest. Gij ziet dus, dat het niet slechts voor mij, maar ook voor u goed is, dat mijn broeder de kamerdienaar van den koning is! Ja, ik ben bij den koning geweest en heb hem de geheelo ellendige intrigue der hoeren professoren onthuld. Hij zou misschien den licbt-vaardigen, kleinen tooneelspeler Joseph Fredersdortniet hebben geloofd, maar ik had een ernstige, gewichtige getuige bij mij, die mijne woorden bevestigde en den koning het geheele komplot ontdekte.quot;

„En wie was die getuige?quot;

„Deze hier!quot; riep Joseph, terwijl hij Lupinus zacht vooruit trok.

Een straal van vreugde vloog over Eckhofs gelaat. „Ü,quot; zeide hij, „en ik beklaag mij nog, ik mor nog op het lot, ik, die vrienden heb, welke niet slechts beminnen met woorden, maar ook met daden, vrienden, die voor mij handelen, terwijl ik versaagd en kleinmoedig de handen in den schoot leg en over het noodlot jammer, in plaats van het moedig

ocr page 13

11

en gewapend te bestrijden. Vergeef mij, Joseph, vergeef ook gij mij, jonge vriend, dien ik zoo ruw en bautzue'htig heb afgewezen. Vergeeft mij, gij mijne slrijdmaUkers, mijne broeders. Komt in mijne armen, en zegt mij, dat gij de kleinmoedigheid en versaagdheid van den armen Éckiiof vergeten en vergeven wilt.quot;

11 ij breidde zij ne armen uit en J oseph Fredersdorf wierp zich niet een luiden uitroep van de innigste liefde aan zijne borst.

„En gij, mijn vriend, komt gij niet in mijne armen? Zijt gij nog werkelijk boos, omdat ik u eerst heb afgewezen1?quot; vroeg Kekhof treurig aan den jongen Lupinus, die daar bleek en met nedergeslagen oogen stond.

Joseph sprong op hem toe, en hem met krachtige hand voorwaarts in Eckhofs armen schuivend, zeide hij : „heb ik niet weder gelijk? Zijt gij niet beiden, gelijk een verliefd paar, waar Lupinus inderdaad de besciiroomdejonkvrouw moet voorstellen? En waarlijk, Eckhof, ik wenschte, dat hot zoo ware, dat Lupinus zich voor u in een jonkvrouw konde veranderen enquot;gij hem kondt huwen. Want ik geloof gij zult nimmer eene vrouw vinden, die u met zooveel teederheid en geestdrift bemint, als de geleerde Lupinus doet.

Hoorde Lupinus de woorden van zijn uitgelaten vriend, en was het daarom, dat hij verbleekle en geheel overweldigd en sidderend met zijn hoofd op Eckhofs schouder leunde en daar met gesloten oogen rustte? Of was het, omdat Eckhof hem zoo vast aan zijn hart gedrukt en een zoo gloeienden kus op zijne wangen had gedrukt?quot;

„Bemin mij, bemin mij, mijn jonge, waarde vriend,quot; zeide Eckhof minzaam en zacht, „en als gij u niet voor mij in eene vrouw kunt veranderen, bemin mij dan als uw trouwsten en dankbaarsten vriend. Leg den balsem van uwe jeugdige en dwepend vriendschap op mijn arm, gekweld hart, en leer het weder zachtmoedig en gelukkig te zijn. O, de vriendschap is het heiligste en reinste geschenk der goden, het is de gelouterde, geslachtlodze liefde der zielen. Laat mij deze deelachtig worden, mijn Pylades, en blijf mij trouw in liefde en vriendschap, gelijk ik u trouw zal blijven zoo lang ik leet!quot;

„Ik zal u getrouw blijven, zoo lang ik leef, getrouw tot aan gene zijde van het graf,quot; lispelde Lupinus zoo zacht, dat slechts Eckhofs ooren het konden hooren.

ocr page 14

Y2

„Wel, en mij vergeet gij geheel en al, gij dwepende zielen,quot; riep Joseph vroolijk lachend. „Gij lluisterten keuvelt gelijk een jeugdig echtpaar au lendemain, en bedenkt volstrek I niet, dat ik eigenlijk de hoogepriester ben, die dezen, uw zielenecht heeft ingezegend, maar laten wij nu een verstandig woord spreken, en gij Eekhof, beslis vóór alles, over de toekomst van onzen vriend. Zal hij, gelijk ik, zijne studiën opgeven en tooneelspeler worden? Hierbij moet ik u evenwel opmerken, dat ik een zeer luie student was, en hij daarentegen zeer vlijtig is; dat de heeren der wetenschap, mij, in puncto geleerdheid, een volstrekt onnut sujet verklaarden, terwijl zij dezen Lupinus als een wonder van kennis en vlijt prijzen. Zal hij dat alles wegwerpen en u volgen ?quot;

„Neen, dat zal, dat mag hij niet.quot; riep Eckhof levendig.

„Dus wilt gij mij toch verbannen en verstoeten ?quot; vroeg Lupinus treurig.

„Ik wil u niet verbannen, vriend, maar ik wil verstandig en omzichtig — en misschien ook een weinig baatzuchtig zijn. U thans aan de universiteit te onttrekken, zou hetzelfde zijn, als aan de farizeën en professoren een nieuw wapen tegen mij in de hand te geven ; zij zouden moord en brand roepen, en zeggen, dat ik de jeugdige studenten verleid en door listige streken in het net breng, dat ik hen verlok, gelijk de slang in het paradijs, en voor mijne kunst proselyten maak, ofschoon de koning het proselyten maken streng heeft verboden. Verder weten wij nog nietofLupinus talent en roeping voor onze kunst heeft; want liefde voor de kunst is nog niet de roeping er toe, en men kan een groot geleerde zijn, zonder toch het talent te hebben een kunstenaar te zijn. Blijf dus voorloopig aan uwe studiën en uw beroep getrouw, beste Lupinus, en eerst als ik u nauwkeurig heb onderzocht, eerst als gij in stille naast uwe studiën het noviciaat hebt doorstaan, dal ik voor nop een jaar bepaal, eerst dan zullen wij beslissen, of wij voor het altaar der kunst u den kuif der geleerdheid zullen afsnijden en u tooien met den heiligen sluier van het kunstenaarschap!quot;

„Zoo zij bet,quot; zeide Lupinus plechtig. „Ik wil doen gelijk Eckhof heeft gezegd. Ik wil eerst mijn doctorsdiploma verdienen, en dan zal Eckhof over mijne toekomst beslissen, hij alleen en niemand anders!quot;

ocr page 15

13

„Zoo zij liet, en daarbij blijve het!quot; riep Joseph vroolijk. „En nu, komt, laat ons een glas champagne drinken op de toekomst; niet alleen op de uwe, vriend Lupinus, maar ook op die der heeren professoren, die thans met zulk een trotsch vertrouwen de beslissing van het generaal-directorium te gemoet zien!quot;

V.

HET ICABINETSSCHRIJVEN DES KONINGS.

Joseph Fredersdorf had wel gelijk gehad met te zeggen, dat de professoren met trotsch vertrouwen de beslissing van het generaal-directorium te gemoet zagen. Ze dachten er niet aan, dat die geheel ten hunnen nadeele kon uitvallen, want het generaal-directorium hadttot verdrijving der tooneel-spelers uit Malle alleen de voorwaarde gesteld, dat zij aanleiding moesten geven tot wanorde.

En nu had de senaat der universiteit in een door alle professoren onderteekend bericht, verklaard, dat Eckhof de aanleidende oorzaak tot het schandaal geweest was.

De geleerde en gestrenge heeren twijfelden daarom in het minst niet aan hun triomf en met volkomen gemoedsrust ontving de waardige rector magnificus, professor Franke, de nieuwe met het ambtszegel van het generaal-directorium voorziene depêche, die eindelij k de beslissing van deze gewichtige en voor de waardigheid der wetenschap zoo belangrijke aangelegenheid zoude aanbrengen. De pedel moest dadelijk eene buitengewone zitting van den senaat aanzeggen, en in hun plechtig, zwart ambtsgewaad, getooid met de sierlijk gekrulde, del'ligeallongepruiken,bega ven deheeren senatoren zich naar de vergaderzaal der universiteit.

„Ik brand van ongeduld, de beslissing van het generaal-directorium te vernemen,quot; fluisterde de heer professor Hein-rich zijn vriend Biermann in het oor.

„Ik volstrekt niet,quot; zeide deze bedaard, „want het is mij, als had ik haar reeds gelezen. Zij bevat eene volkomene voldoening voor ons en daarbij het bevel van regeeringswege tot een onmiddellijke verwijdering der komedianten uit onze eerwaardige stad Halle.quot;

ocr page 16

14

„Gij twijfelt er dus volstrekt niet aan? Gij vreest niet, dat de koning in zijn haat tegen de godgeleerde faculteit, en in zijne voorliefde voor goochelaars, ol'de zoogenaamde kunstenaars, een voor ons ongunstig vonnis kon vellen?quot;

„Beste vriend, zulk een vrees is hetzelfde, als met de hooge waardigheid van onzen stand den spot te drijven. De koning kan thans, nu het tot het uiterste is gekomen, niet legen ons, ten gunste der komedianten heslissen. Hij kan het niet doen, zeg ik u. En zie maar eens, daar komt onze waardige vriend, de rector magnificus. Zie maar eens, hoe vroolijk en fier hij er uit ziet. Gelooft gij nu nog, dat het papier, hetwelk hij daar in de hand houdt,eene ongunstige beslissing zal bevatten?quot;

„Neen, inderdaad, ik geloof het niet,quot; zeide professor Heinrich, terwijl hij met zijn vriend professor Franke te gemoet snelde en met levendige zelfvoldoening diens aangeboden hand drukte.

Met plechtigen ernst namen toen de heeren senatoren op de bruin lederen stoelen, met hooge leuningen hunneplaatsen in aan beide zijden van de met groen laken bedekte tafel en zagen met een ernstig gelaat naar den heer rector, die aan het boveneind van de tafel op zijn leuningstoel troonde.

Er heerschte een oogenblik stilte. Toen zeide professor Franke op plechtigen, zingenden toon; „Waarde en geleerde vrienden en ambtgenooten! Het uur der beslissing is gekomen; dit uur zal nu eindelijk een einde maken aan allen twijfel en alle zorgen, die sedert maanden ons hart drukken. Wij hebben een harden en hitteren strijd gestreden ;maarwvt hebben het gedaan ter eere der wetenschap en tot welziin der jeugd, die aan onze bescherming is toevertrouwd. Wie voor zulke verheven doeleinden strijdt, moet natuurlijk de zege behalen, de wet moet in zijn voordeel beslissen. Maar laten wij ons evenwel hoeden voor vermetelheid en trots, laten wij nederig zijn in onze zegepraal en christelijk zachtmoedig in den triomf, eindelijk door ons behaald. Wij moeten het gevoel der op een dwaalweg gebrachte studenten niet kwetsen, door een verheugd en opgeblazen gelaat te toonen; evenmin moeten wij de arme, beklagenswaardige histrionen nog meer vernederen, door over hunne smadelijke verwijdering te juichen en over hun ongeluk te lachen.quot;

„De beslissing is dus gunstig voor ons ?quot; vroeg professor

ocr page 17

15

lloim ich, die niet langer in staat was zijn nieuwsgierig ongeduld te beteugelen. „U, hooggeleerde, hebt dus reeds liet rescript van het generaal-directorium gelezen en kent dus den inhoud?quot;

„Ik heb het niet gelezen, en ken den inhoud niet,quot; antwoordde professor Franke met verhevene bedaardheid. „Maar ik vertrouw op onze edele zaak en de rechtvaardigheid des konings. De komedianten zijn de aanleiding tot een ongehoord, publiek schandaal geweest, het is dus niet meer dan liillijk, dat zij daarvoor gestraft worden. Nu, daar het recht aan onze zijde is, zie ik niet in, waarom ik zoude twijfelen? — Ik heb dit rescript niet gelezen, omdat ik meende aan do waardigheid van deze vergadering verschuldigd te zijn, het eerst in uwe tegenwoordigheid open te breken, en ik verzoek u, waardige ambtgenoot en professor Biermann, als secretaris van den senaat der universiteit, ons thans dit schrijven van het generaal-directorium voor te lezen.quot;

Hij reikte den grooton verzegelden brief aan professor Biermann over, en deze ontving hem met eene diepe, def-lige buiging.

Eene diepe stilte, een ademloos zwijgen heerschte nu ; en te midden van deze stilte, hoorde men duidelijk professor Biermann het zegel openbreken en het papier uit elkander vouwen.

Aller blikken richtten zich op hem, en ondanks hunne waardigheid en verhevenheid, gevoelden de heeren professoren toch, dat hunne harten sneller en luider klopten, zij wisten zelf niet of het van vrees of van blijdschap was.

Plotseling gaf professor Biermann een gil. Die kreet vond weerklank in aller harten, en de professoren verbleekten, even als professor Biermann, terwijl deze zijne starende blikken op het ontvouwde papier sloeg.

„Loes,quot; gebood de rector magnificus, rustig als marmer.

„Neen, dat kan ik niet lezen!quot; mompelde Biermann, terwijl hij machteloos op zijn stoel nederzonk.

„Dan zal ik het lezen,quot; riep professor Heinrich, die zijne nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen. „Ja, ik zal het. lezen,quot; herhaalde hij, terwijl bij het papier haastig uit de bevende handen van zijn buurman trok.

„Lees gij het,quot; zeide professor Franke op dolfen toon.

ocr page 18

10

De heer professor Heinrich las dus en de piofessoren hoorden hem in de diepste stilte aan.

Het rescript, dat het generaal-directorium aan de waardige universiteit te lialle z^nd en in naam des konings opgesteld was, luidde aldus;

„Wij hebben met veel misnoegen bevonden, dat gij, in uw laatst gegeven bericht over de komedianten ten uwent, op deze lieden de schuld werpt van de ongeregeldheden, die onder de studenten plaats grijpen, en daarom op de verwijdering dezer tooneelspelers aandringt. Er kunnen nog wel andere omstandigheden zijn, waardoor de studenten tot die buitensporigheden zijn gekomen, en als zij te rechter tijd werden voorgegaan, voornamelijk door goede exempels om hun devoir te doen, zou ook veel achterwege zijn gebleven, wat tot uwe klachten aanleiding heeft gegeven. Intusschen verklaren wij u mits deze eens voor altijd, dat de komedianten niet mogen worden verwijderd ; veeleer is het ons verlangen, dat gij, of ten minste zij, die tot uw laatst bericht hebben aanleiding gegeven en er op hebben aangedrongen, dat het moest worden afgezonden, de allereerste representatie eener komedie zullen bijwonen, en dat gij, nadat dit is geschied, een attest van de komedianten met rle eerste post, zonder eenige tegenwerpingen, ons onmidde-lijk alleronderdanigst zult toezenden, terwijl wij ubij ontduiking van dit bevel, met onze hoogste ongenade bedreigen.quot; v)

Een huiveringwekkende stilte volgde op deze voorlezing. Ademloos, als bedwelmd door den vreeselijken slag, leunden de heeren professoren met matte, bleeke hoofden in hunne stoelen, en geheel onbekwaam tot denken, of hunne gedachten in woorden uit te drukken, staarden zij met ontzette blikken op den rector magnificus, die overeind en fier op zijn leuningstoel zat, en wiens trekken zoo koud en ernstig waren, als die van een steenen beeld.

Professor Heinrich hield evenwel nog steeds het papier in de hand, en zag er in met wijd opgesperde oogen. Franke begreep daaruit, dat het rescript nog niet ten einde was, dat professor Heinrich slechts draalde verder te lezen. Hij verzamelde daarom al zijn moed, al zijne standvastigheid, en met eene luide en krachtige stem, die evenwel een weinig

1) Büsching. Character Friedrich II, pag. 58.

ocr page 19

17

trilfle, vroeg hij: „Is dat alles? Hebt, gij tot. het einde toe gelezen?quot;

„Neen, het is niet alles,quot; zeide professor Heinrieh schroomvallig, „er is nog eene kan''tekening en een bij het rescript gevoegd slot, en beide zijn van des konings eigen hand.quot;

„Lees eerst de kantteekeninglquot;

„Veroorlooft u hooggeleerde het inderdaad? Ik benzoo vrij op te merken, dat de koning zich daar van eenige zeer harde uitdrukkingen heeft bediend, en dat mijne lippen nauwelijks in staat zullen zijn, ze uit te spreken.quot;

„Do koning is onze heer en gebieder,quot; zeide Franke plechtig, „wij moeten in ootmoed aanhooren, wat hij ons te zeggen heeft,quot;

„Zal ik dus lezen? Beveelt gij het mij?quot;

„Ik beveel het u! Lees!quot;

Professor Heinrieh stond weder van zijn stoel op, maar bet papier trilde in zijne hand, en zijne stem beefde hevig, toen hij nu, dikwijls afgebroken door zijne zuchten, de volgende eigenhandige kantteekening des konings las:

„liet geestelijk huichelaarspak is aan alles schuld. De komedianten zullen spelen, en de beer Franke, of hoe de schurk anders heet, zal er bij zijn en de studenten wegens zijne dwaze voorstelling openlijk voldoening geven. Het attest, dat Franke tegenwoordig is geweest, moet mij oogen-blikkelijk worden gezonden.quot; ')

Professor Franke zat nog steeds zoo recht als eene kaars en met onbewegelijke gelaatstrekken op zijn leuningstoel. Zijn gelaat was evenwel zoo wit geworden, als de statige allongepruik, welker kolossale lokken tot op zijne borst hingen. Op zijn voorhoofd stonden groote droppelen zweet, en zijne lippen hadden die akelige, blauwachtige kleur, die altijd teekenen zijn van ongesteldheid of schrik.

„Lees thans de slot-aanmerking,quot; zeide hij op een toon, die de senatoren deed ontstellen, want hij klonk zoo bol, alsof bij uit het graf kwam.

Professor Heinrieh las, wat de koning aan het slot van het rescript eigenhandig had geschreven; dit luidde:

„Voortaan zullen de heeren papen wel verstandiger worden en er niet meer aan denken, het directorium of mij te

1) Biisching, pag. 50. Eödenbeck, Tagebuch, pag. 112.

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 2

ocr page 20

48

misleiden. De Hallische papen moeten kort gehouden worden. Zij zijn evangelische jezuiten, en men moet hun nimmer het minste gezag geven.quot;').

Een gemompel van ontzetting volgde op deze voorlezing. Slechts professor Franke zat stijf en trotsch op zijn leuningstoel en zag strak en ernstig naar den armen professor lleinrich, die zich juist het angstzweet van het voorhootd veegde, en dit onheilspellend papier, dat zijne handen scheen te branden, met eene uitdrukking van ontzetting op de tafel liet. vallen. —

„Tleht gij nu geëindigd ?quot; vroeg professor F ranke op dollen, nauw hoorbaren toon.

„Tk heb geëindigd, hooggeleerde!quot;

Professor Franke knikte statig, en terwijl hij nu van zijn leuningstoel opstond, richtte hij zich lier overeind en liet, zijne blikken langzaam van het eene gelaat naar hel andere gaan. Elk der professoren sloeg zijne oogen neder voor die blikken, niet uit vrees ot schaamte, maar uil. ontzetting, want er lag een vreeselijke strakke rust, eene waanzinnige wezenloosheid op het marmerkoude gelaat van den rector.

„Als gij dus gereed zijt, is het wel tijd, dat ik ga, zeide professor Franke plechtig, terwijl hij zijn sloel achteruit schoof en laagzaam en stijf eenige schreden voorwaarts deed, gelijk een automaat, die in beweging komt, omdat de hem leven schenkende machinerie is opgewonden.

„Hij is krankzinnig!quot;

„liij heeft zijn versland verloren!quot;

„Hij zal een aanval van beroerte krijgen!quot; mompelden de heeren professoren onder elkander.

Professor Franke hoorde hun angstig gemompel niet, evenmin scheen hij te weten, wat hij wilde, liij hleef midden in de zaal staan,, alsof het uurwerk, dat hem in beweging bracht, was afgeloopen, en staarde gedachteloos voor zich uit.

De professoren waren als verpletterd door dat gezicht, als vaslgeworteld bleven zij op hunne plaatsen. Slechts professor Heinrich vond de kracht, zich te herstellen en op zijn vriend toe te snellen. Hij legde zacht zijne band op Franke's arm ; deze huiverde als door een doodelijken schrik

1) Büsching, pag. 57. Rödenbeck, pag. 118.

ocr page 21

1lt;)

getrollen, toen hij hem aanraakte en riclitte zijne verglaasde oogen op zijn vriend.

„Waar wilt gij heengaan, dierbare vriend ?quot; zeide professor ileinricli op teederen toon.

„Ik wil doen, wat de koning heeft, bevolen,quot; riep Franke luid gillend, als in een aanval van wanhoop. „Ik wil naaiden schouwburg gaan en de heeren komedianten nederig vergilfenis vragen.quot;

Hij brak in een schel gelach uit, waarna hij machteloos in de armen van zijn vriend zonk.

„Nu de zaken zoo gesteld zijn,quot; zeide een der professoren bedaard, „denk ik, dat wij de zitting voor opgeheven moeten verklaren.quot;

„Neen,quot; antwoordde professor Biermann op bijna gebiedende toon. „ik als deken der universiteit en secretaris van den senaat, ik verzoek de geachte vergadering, zich nog niet te verwijderen, maar eerst onzen vriend te lielpen on de pedellen te roepen.quot;

Geholpen door de pedellen, droeg men den nog steeds ijezwijmden professor en rector Franke, naar het spreekvertrek en legde hem op de zich daar bevindende sofa. Ken der pedellen snelde neen om een geneesheer te halen, ile ander bleef bij den weder bijkomenden professor en de overige heeren keerden weder naar de raadkamer terug.

„Geachte collega's en professoren,quot; zeide professor Biermann, terwijl hij plaats nam op den zetel van den rector, „als deken der universiteit verklaar ik thans de zitting heropend. Ik heb u een voorstel te doen, waarin ik hoop, dat gij allen bereidvaardig zult toestemmen. Dat harde en wreede vonnis des konin^s, kan en mag niet voltrokken worden. De rector magnificus van onze oude, eerwaardige en beroemde universiteit mag de vernedering en den smaad niet dulden, zich te buigen voor de verachtelijke histrionen en hen om vergilfenis te smeeken. Dat kan niet geschieden, want niet slechts zijne persoonlijke eer, maar ook de eer en de naam van onze universiteit zoude er onder lijden. Wij moeten alles aanwenden om dit vreeselijk vonnis tc doen herroepen, en ik mag het daarom als een geluk beschouwen, dat onze waardige vriend juist ongesteld is geworden. Dat ontheft hem voorloopig van de noodzakelijkheid in den schouwburg le verschijnen, en hij moge ziek

ocr page 22

'20

of gezond zijn, hij moet toch zoo lang te bed blijven, tot eene andere beslissing van den koning voor ons is verkregen. De geneesheer moet echter een getuigschrift opstellen, waarin hij verklaart, dat professor Franke werkelijk ongesteld en buiten slaat is zijn bed te verlaten. Dit getuigschrift zullen wij aan het generaal-directorium zenden en er een verzoekschrift bijvoegen, waarin het generaal-directorium wordt gesmeekt bij den koning te bewerken, dat hij dit harde vonnis intrekke, of het ten minste verzachte. Zijt gij van mijne meening, geëerde heeren collega's?quot;

Het voorstel van den waardigen deken werd eenparig aangenomen. Er werd terstond een verzoekschrift ontworpen, dat'door alle professoren der universiteit onderteekend werd. Om dit verzoekschrift meer klem bij te zetten kozen de professoren een uit hun midden, die het in persoon naar Berlijn zoude brengen, om het aan het generaal-directorium te overhandigen, terwijl deze ook zoude trachten bij den koning te worden toegelaten om hem den nood en angst der universiteit te Halle te schilderen.

Maar de koning ontving den heer professor niet. Misschien was de geheele aangelegenheid hem te onbeduidend om er É zich in zijne ernstige en veelvuldige regeeringszaken door te laten storen; misschien was zijn eerste gramschap bedaard en vond hij, dat de professoren genoeg waren gestraft en genoeg beleediging hadden ondergaan.

De koning ontving, gelijk gezegd is, den Hallischen professor niet, maar hij liet hem zeggen, dat de universiteit binnen acht dagen zijne laatste resolutie door het generaal-directorium zou ontvangen.

Dat was een troost, waarmede de professor naar Ilalle terugkeerde. De koning had dus het voornemen niet, het eerste vonnis ten uitvoer te doen leggen, want ware dat het geval geweest, dan zou hij zeer eenvoudig hebben bepaald, dat het gevelde vonnis zijn loop moest hebben.

De heeren protessoren vatten dus weder nieuwen moed en lieten het gewillig en zonder morren toe, dat de sludenten Eckhot dien avond eene serenade brachten, en nimmer bij eene voorstelling, maar destemeeropdecollegesontbroken. Zij verborgen hun toorn en spijt wijselijk in hun hart; eenigen hunner besloten zelfs ook eens den schouwburg te bezoeken om dien Eckhof, die hun zooveel harteleed en

■

ocr page 23

21

verdriet had veroorzaakt, eens te zien spelen. Do stndenten die hunne waardige heeren leeraars in den schouwburg zagen, waren trotsch en gelukkig over deze aan hen gedane bekentenis en roemden deze professoren als de vrijzinnigste en verlichtste mannen der universiteit. Om hen daarvoor te beloonen, stroomden zij den anderen dag in menigte naar de colleges van deze professoren, die nog nimmer zulk een groot auditorium hadden gehad als thans, nu zij den schouwburg bezocht hadden. Dat bracht de andere professoren tot nadenken. Zelfs de heer professor Ciermann, die zijne vrouw-te zeer beminde om niet een nieuw middel te willen beproeven, haar weder college-gelden te verschalïen en de heer professor lleinrich, die den slechten tabak moede was, besloten eindelijk vrede te maken met de studenten en de komedianten, en naar den schouwburg te gaan, opdat de studenten weder op hunne colleges zouden „teekenen.quot;

Zoo schenen vrede en eendracht weder hersteld te zijn, en Eckhof, wiens teeder en edel hart geheel dankbaarheid en vreugde was, speelde de Britannicus met zooveel geestdrift en vuur, dat hij zelfs den gestrengen heeren professoren luidde teekenen van goedkeuring ontlokte.

Professor Franke was evenwel nog altijd ziek en moest zij ue kamer en het bed houden; nog altijd zag hij het dreigende spook van openlijke boete, van in het openbaar om verschooning te moeten vragen, voor zich, en dat maakte zijne nachten slapeloos, en verstoorde voor een tijd lang die uiterlijk godvruchtige, christelijke zachtmoedigheid en minzaamheid, waar achter hij anders zoo goed zijn hoogmoed en zijne onverdraagzaamheid wist te verbergen. Zoolang liet antwoord van het generaal directorium op het verzoekschrift der professoren niet was aangekomen, zweefde nog altijd een gedwongen bezoek aan den schouwburg, als hel zwaard van Damocles, boven zijn hoofd. Maar toen dit antwoord eindelijk gekomen was, had de heer rector magnificus niet die t,rotsche rust en bedaardheid, het rescript zoo lang ongeopend te laten, totdat de heeren senatoren tot eene plechtige zitting bij hem waren bijeengekomen. Hij ontbood slechts den deken, professor Biermann en professor Heinrich bij zich. Terwijl hij zijne handen vouwde, verzocht hij zeer bedaard en met een zachtmoedig gelaat den heer deken het rescript voor te lezen.

ocr page 24

22

Ditmaal trilde zijne stem niet en geen kreet van schrik kwam van professor lüermann's lippen, maar een tevreden laclije speelde om zijn mond, toen hij las:

„Zijne majesteit de koning van Pruisen heeft ten aanzien van de te Halle ontstane onlusten en bewegingen, wegens gezuchte stoornis en het tegengaan van verdere opvoeringen in de komedie, om zekere beweegredenen besloten, dat professor Franke, die daarin de meeste motas heeft gemaakt, daarvoor de boete van twintig daalder aan de armenkas, zonder tegenspraak, zal uitbetalen, en zij beveelt daarom het departement'van Eeredienst toe te zien, dat dit zonder dralen ten uitvoer worde gelegd.quot; ^

En bij dit vonnis bleef het. Professor Franke moest eene boete van twintig daalder betalen; de universiteit echter, om aan zijn vernederden hoogmoed eenigszins troost en leniging te verschaffen, zond de kwitantie over de uitbetaalde boete met het volgend geleidend schrijven aan het Departement van Eeredienst;

„Olschoon wij volgens onzen plicht moeten betuigen, dat professor Franke in deze gansche zaak op geenerlei wijze heeft medegemerkt, zijn evenwel door hem, uit aller onder-danigsten eerbied voor het allerhoogst bevel van uw koninklijke majesteit, de gezegde twintig daalder, luidens bijgaande kwitantie, aan de diakonie alhier uitbetaald.quot; 1)

VI.

DE SLAG BIJ SOHR.

Afgemat rustten de dappere soldaten van het Pruisische leger uit van de menigvuldige marschen en inspanningen der laatste dagen. Het was stil in het kamp, dat zij bij het Boheemsche dorp Sohr hadden opgeslagen. Zij legerden rustig in hunne tenten, ofschoon zij wisten, dat het Oosten-rijksche leger, meer dan tweemaal zoo sterk als het hunne, met den stormpas was genaderd en gereed stond hen den volgenden dag aan te vallen.

1

Dezelfde.

ocr page 25

2:5

Maar wat beUoriinierdeu zich lt;le dappere J'ruisisclie soldaten daar over? Zij hadden den aartshertog Karei van Lotharingen niet zijne Oostenrijkers, Bohemers en Saksers hij llohenfriedberg geslagen, waarom zoude hun dat ook niet bij Sohr kunnen gelukken, ofschoon de aartshertog Karei eene armee van vierenzestig duizend man aanvoerde, en koning Frederiks leger, verzwakt door de vele korpsen, die hij naar Saksen en Silezië had afgezonden, slechts uit twiii-Lig duizend man bestond. Maar de Pruisische soldaten vertrouwden op het geluk en de krijgskunst van hun koning, zij wisten dat zij rustig konden slapen, want Frederik waakte en zorgde voor hen, — De wachtvuren waren dus uitgegaan, do lichten in de tenten der officieren uitgebluscht. Alles lag in diepe rust, slechts hier en daar hoorde men de langzame schreden van een op en neder gaanden schildwacht, het hinniken van een paard, of de luide kreet van een soldaat, die misschien van zijne verwijderde geboorteplaats, en van de verlaten bruid, droomde. Overigens was alles stil; hetgeheele leger lag, gelijk gezegd is, in een diepen slaap, en hoven deze donkere massa, spreidde zich somber en koud de donkere met wolken bedekte hemel uit. Het was een droevige, vochtige Septembernacht, droevig en dof.gelijk een nacht van smarte, vochtig gelijk het koude zweet eens stervenden. Hoe velen van hen, die thans met een blos op de wangen en een rustig gelaat lagen en sliepen, hoe velen van hen, deden nu misschien hun laatsten slaap, ademden wellicht voor de laatste maal; hoe velen hunner zullen morgen reeds met gapende, wonden op het bed van eersluimeren met geopende oogen, het gebroken oog hemelwaarts gericht, niemand naast hen, die hun het doodszweet van het voorhoofd wischt. Zij weten het niet, zij vragen het niet, zij genieten het heerlijke tegenwoordige, zij slapen!

Er is geen gevaar, want de koning is in hun midden, ook in zijne tent zijn de lichten uitgebluscht. Hij slaapt met zijn geheele leger!

Het is middernacht. Het uur der ronddwalende geesten, der rustelooze spoken! Hoe ? Is dat een spook, dat daar voorzichtig en zonder gedruisch uit de tent des konings sluipt en schuw en stil in de zich dicht daarbij bevindende tent van de koninklijke adjudanten verdwijnt? Neen, niet verdwijnt, want het is weder voor de tent verschenen; maar

ocr page 26

'24

het hoeft zich vermenigvuldigd, thans zijn er drie donkere schaduwen, die zich bij de witte tenten der oflicieren bewegen, en in iedere tent verdwijnen en dan weder vorder sluipen. Maar in de tenten, waar zij geweest zijn, hoort men een zacht lluisteren en ruischen; bij de tenten verschijnt weldra weder eene andere donkere gedaante en sluipt voorwaarts, naar de tenten der soldaten, waar zij verdwijnt, en ook daar heeft dan beweging plaats, en wordt zacht gefluisterd, en gelijk eene murmelende beek, verspreidt zich dit gedruisch verder door het geheele leger, steeds de drie eerste schaduwen volgende, die zonder gedruisch, maar met groeten spoed, als op de vleugelen des winds, door het leger trekken Wat verlangen deze drie schaduwen ? waarom verdrijven zij den slaap van elk leger en uit elke tent? waarom verstoren zij zelfs de rust der paarden, die in de duisternis worden gezadeld en opgetoomd en hinnekend en stampvoetend zich verzetten tegen deze stoornis van hunne rust. Maar geen ruiter springt op zijn rug, geen voorwaarts dondert door het leger, en als die donkere schaduwen er niet waren, welke zich overal vertoonen, en hier in zwarte massa's zich vereenigen, daar eenzaam rondsluipen, als er dat zachte fluisteren, dat ronddwalen niet plaats greep, dan zoude men denken, dat het leger nog sliep. Wie het, gelijk de Oostenrijkers daar ginds in hun défilé, slechts uit de verte kon gadeslaan, moest wel gelooven, dat het Pruisische leger zich heeft overgegeven aan de rust, aan eene zoo zorgelooze rust, dat zelfs de voorposten ingetrokken en naar het leger teruggegaan, om te slapen

Thans evenwel wordt het onderdrukte gedruisch, dat door het leger gaat, een weinig luider; gelijk het dolle rollen van den verwijderden donder, vliegt het door de tenfen, doch niemand beweegt zich en slechts de schaduwen ijlen zorgeloos verder van tent tof tent. Het rollen komt al nader en nader, en zoo de maan nu door de wolken brak, zou zij die acht veldstukken met hunne schitterend gepolijste loopen beschijnen, waarmede men juist voorzichtig en zacht komt aanrijden en die men achter dien kleinen heuvel posteerd en naar het Oostenrijksche défdé richt.

Nu wordt weder alles stil en zwijgend; langzamerhand begint het te schemeren aan den gezichteinder, en enkele roode wolken lladderen als met engelenwieken langs den

ocr page 27

25

heme], lan^zamerluind vordwijnl de sluier van ilon naclit, de sterren beginnen te verbleeken en de dag begint zijn morgentoilet met een purperen gloed en gouden glans. Ue morgen daagt, en zien wij nu, bij dien zachten gloor, eens weder naar het leger der Pruisische krijgers! — Slapen zij nog steeds? — Neen, neen, alles waakt, alles leeft; de paarden zijn gezadeld en hunne ruiters staan er naast, gereed om op te zitten ; de infanteristen hebben de patroon-tasschen aangegespt, het geweer in den arm, de officieren slaan naast hen, alles leeft, alles ademt, en toch is alles stil, als iloor eene hetoovering gekluisterd. En ginds staat de toovenaar, die al deze duizenden tot het leven heeft opgewekt, en weder het doodsche stilzwijgen heeft opgelegd; daar staat hij naast die acht kanonnen tegenover liet Oostenrijksche défilé. Zijn gelaat is helder en onbewolkt, gelijk de morgen; zijne oogen, die gelijk sterren schitteren en blikken, schijnen dien heuvel, die hem van de Oosten-rijkers scheidt, te willen doorboren. Hij hoort met de oogen met iederen trek van zijn jeugdig, schoon gelaat. Daar staat hij, wiens wil deze duizenden beheerscht, wiens wil hen thans den dood, de smarten, eene kwijnende toekomst, eene roemrijke zege of eene smadelijke nederlaag zal te gemoet voeren, — hij, de koning!

Rustig is zijne ziel, gelijk zijn gelaat, dat schittert door edelen moed, door blijde hoop. Hij weet, dat de vijand hem na korten tijd zal aanvallen, maar toch versaagt hij niet. De Oostenrijkers gelooven een slapenden vijand te zullen overvallen, maar de Pruisen waken; de koning zelf heeft hen gewekt, de koning zelf is met zijne twee adjudanten von Trenck en von Staudnitz van tent tot tent gegaan en heeft de officieren gewekt; de koning zelf heeft de acht veldstukken achter den heuvel laten brengen want hij weet zeer wel, dat van hieruit de eerste aanval zal volgen, dat de vijand van hier, uit zijn défilé, zich het eerst met zijne kavallerie op de slapende Pruisen denkt te werpen. *)

En de koning heeft zich niet vergist. Hoort gij dat kletteren en draven? ziet gij de monden der kanonnen, die in de rondte op de hoogten hunne vuurspuwende kaken openen? Dat is de Oostenrijksche kavallerie, die door het

1) Trenck. Mémoiren. Deel I, pag. 54.

ocr page 28

26

défilé naar binnen dringt; dat zijn de Oosten rij ksche kanonnen, die van de bezotle hoogten dood en verderf aanbrengen in het leger der slapende Pruisen!

Neen, zij slapen niet, de Pruisen, want hun koning heeft hen gewekt! Neen, zij slapen niet, de Pruisen, als de Oostenrijkers vijandelijk tegen hen overstaan, wantFrederik de Eenige heeft nimmer op de Oostenrijksche vriendschap vertrouwd. Frederik heeft gewaakt over Pruisen's eer!

De koning heft zijn degen op. Met teeken is gegeven. Laat de Oostenrijksche kavallerie maar aanrukken met luid geschreeuw, de Pruisische kavallerie stormt hen te gemoet, met lossen teugel, voorwaarts, het déiilé in, waarvoor de vijand zich eerst zoo even deftig, trotsch en zeker van de overwinning, in beweging stelt, en op geen veldslag rekent; want de Pruisen, meent hij, slapen immers, en in den slaap wilde hij hen overvallen. Neen, op een veldslag heeft hij niet gerekend, maar op eene slachting zonder wederstand; maar ziet, daar vallen zij aan, moedig, onweerstaanbaar. Zij dringen de kavallerie terug in het volgestopte défdé, in de verwarde, ontzette, door panischen schrik aangegrepen massa's.

Laat de kanonnen op de hoogten maar hunne donderende dood verspreidende boodschap uitbrullen, de koning ant-wordt hen, de koning die met een rustig gelaat naast die acht veldstukken post vat, en thans aan de kanonniers het teeken geeft, op deze door elkander verwarde massa's te vuren.

De kanonnen bulderen, en in de vijandelijke gelederen brengen zij de verpletterende tijding, dat de Pruisen niet slapen, dat de Pruisen waken, wanneer de Oostenrijkers slapen.

Karei van Lotharingen, gij hadt een beter denkbeeld moeten hebben van de Pruisen! Hebben zij u voor twee maanden ook niet misleid, gelijk zij het heden doen? Heeft de koning toen niet door schijnbaar bevreesd te wijken, u voorwaarts en uit uwe voordeelige stelling gelokt en u, juist toen gij bij Hohenfriedberg in eene ongunstige stelling waart, overvallen, en in vijf morgenuren eene schitterende zege op u behaald?1). Was het niet een slag, zoo gedenkwaardig en groot, dat nog de laatste na-neven er van zullen verhalen.

1

Preusz, Friedricli der Grosze; Deel pag. 211.

ocr page 29

27

en na eeuwen nog hel Baii'oulhsche dragonder regement ter herinnering daaraan, de gi enadiervlamrnenopdepatroon-tasschen zal dragen, en den koninklijken gunslbrief en het eere-diploma, dat de koning het „als een eeuwig teeken der dankbaarheidquot; heeft verleend, kunnen aanwijzen?

Karei van Lotharingen, gij hadt aan Hohenfriedberg moeten denken, en niet tneenen, dat de Pruisen slapen, als de Oostenrijkers tegenover hen slaan!

Neen, de Pruisen waken! Hoor slechts, hoe hun jubel-geschreeuw ten hemel klinkt! hoor slechts, hoe hunne kanonnen bulderen en hunne blinkende zwaarden door de lucht suizen!

Karei van Lotharingen, waar zijn uwe troepen, die bestemd waren, den vijand in den rug aan te vallen? Waar is Trenck met zijne pandoeren, waar generaal Nadasti met zijn goed gedisciplineerde regimenten?

Als gij op hen hoopt, inoogt gij vertwijfelen en uw zwaard in de schede steken! De Pruisen hebben hun leger verlaten, zij zijn opgerukt, ver vooruit gedrongen, want vóór hen was de vijand. Alles hebben zij achtergelaten, al hunne have en goed is in het kamp gebleven. Zouden zij denken aan aardsche beuzelingen, wanneer er sprake was van eer en overwinning!

Alles is in het kamp gebleven, zelfs de veldbagage des konings, zelfs de krijgskas!

Karei van Lotharingen, hoop niet op Trenck en zijne pandoeren, evenmin op Nadasti met zijn wel gedisciplineerde regimenten.

Zij hebben uw bevel goed opgevolgd, zij zijn aan gene zijde in het vijandelijk leger gedrongen, daar maken zij buit, daar plunderen zij, met roofgierigen lust. Wat bekommeren zij zich thans om den slag, die vóór hen dondert en brult? De kanonskogel dringt tot hen idet door, zij kunnen zich ongestoord verrijken, en in het leger van de Pruisen zich te goed doen terwijl deze de zege bevechten!

Nog is de zege niet beslist, nog niet! „Als Trenck en Nadasti ons in den rug vallen,quot; denkt de koning, „zijn wij verloren!

Daar komt een adjudant aanrennen en meldt, dat Trenck en Nadasti de Pruisische legerplaats plunderen.

Het gelaat des konings schittert van blijdschap. „Laat

ocr page 30

28

hen maar plunderen,quot; zegt hij verheugd. „Dau hebben zij daar bezigheid en zullen ons niel hinderen, hier ons gewichtig werk ten einde te brengen. Terwijl zij plunderen, zullen wij de overwinning behalen! ^

Ja, terwijl de Oostenrijkers plunderen, overwinnen de Pruisen! De slag is beslist! üe kanonnen zwijgen. Geslagen, vergramd, wanhopig, trekt Karei van Lotharingen met zijn leger terug. De Pruisen hebben overwonnen, maar het is eene bloedige overwinning geweest! Zie maar eens, thans nu de kruitdamp in witte, vroolijke wolkjes opstijgt, hoe hij zich gelijk doorschijnende nevelgestalten ten hemel verheft. Is het inderdaad kruitdamp of zijn het de ontvluchtende geesten van die duizenden, die daar met gapende wonden, met gebroken oogen, kermende van smart, of zuchtend in den laatsten doodstrijd op den grond liggen, die niets meer kan aanbieden, niets dan een graf?

Ja, het is eene bloedige zege geweest, een moorddadige broederstrijd! De Duitscher heeft tegen den Duitscher gestreden, de broeder tegen den broeder! Aan des konings zijde is zijn zwager, de hertog Albrecht van Brunswijk, gevallen, en ginds bij de Oostenrijkers ligt diens broeder, hertog Lodewijk van Brunswijk, met zware wonden bedekt.

Arme koningin Elisabeth Christina! Uw echtgenoot heeft gezegepraald! Maai' gij beiden hebt de overwinning duur betaald! Den koning kost het zijn wapentuig, zijne tent en zijne krijgskas met tachtig duizend dukaten; het geheele leger kost het zijne bagage! 1) U, koninginne, kost zij het leven van een broeder, terwijl de andere bedekt ligt met bloedige wonden!

De koning heeft de zege behaald! Voor hem de roem en de eer!

Gij, arme koningin, gij hebt slechts nieuw verdriet gekregen! Voor u de tranen en de smart!

1

Rödenbeck. Tagebuch, pag. 125.

ocr page 31

20

VII.

NA ÜEN SLAG.

Zij rujstlen uit van hun arbeid, niet op zachte kussens en in de vreedzame tent, maar op den harden grond, zonder bescherming tegen de zon en tegen den wind, die van het slagveld het klagend steunen der stervenden tot hen brengt.

Maar zelts deze jammertonen waren voor de overwinnende Pruisen een jubelzang op den gewonnen slag, en vervulden hen, die de uren van bloed en dood hadden overleefd, met dankbaarheid en vreugde.

Na de uren van vreeselijke prikkeling en koortsachtige drift volgde eene algemeene ontspanning, en daarmede eene onwederstaanbare, zuiver natuurlijke behoefte aan rust. Maar er was iets, dat de vervulling dezer behoefte nog tegenhield, dat de sluimering van de oogleden verdreef, en toch de afmatting van het lichaam nog vergrootte.

Dat iets was de honyer] De pandoeren hadden zoo goed opruiming gehouden in de Pruisische legerplaats, dat zij den armen soldaten niet slechts hunne bagage, maar ook hun brood en drank hadden ontnomen en de wagens met groenten en vleesch hadden weggevoerd.

liet Pruisiche leger dus, dat de morgenuren met eene zoo schitterende overwinning had gevierd, zag een dag van honger en ontbering te gemoet, terwijl de Oostenrijkers, ondanks hun verloren veldslag, zich troostten met het. Pruisisch brood en met de Pruisische spijzen en dranken.

Gelukkig zij, die een stukje brood in hunne ransels hadden gestoken, of wier legerplaats door de pandoeren over het hoofd gezien of vergelen was. Met welke afgunstige oogen zagen de kameraden op de weinige gelukkige soldaten, die zich konden verkwikken aan hun brood en volstrekt niet geneigd waren, met iemand, al ware het ook hun naasten vriend, hunne kostelijke bezitting te deelen.

De koning behoorde niet tol deze gelukkigen! Hij was overwinnaar in den strijd geweest, maar de lauwerkrans kon niet veranderd worden in een stuk brood, om den honger te stillen.

De koning had te vergeefs aan zijne gereraals en adju-

ocr page 32

30

danten gezegd ; „wij zullen gaan elen.quot; Er was niels om den uitgehongerden koning te geven.

Toen de generaal Rothenburg met treurig gelaat, den koning deze tijding bracht, zeide Frederik met oen vroolijken glimlach: „dan zullen wij ons verbeelden, mijn vriend, dat wij Katholieken zijn, en dan is het volkomen in orde, daar liet toch zeker is, dat wij op een hoogen feestdag, gelijk heden, geene vleeschspijzen mogen eten. Ik ben dus tevreden, als ik een stuk brood krijg, en dat, denk ik, zal men toch wel ergens voor den koning van Pruisen kunnen ki ij-gen.quot;

Maar generaal Rothenburg vorderde van den kok des konings te vergeefs een stuk brood. Er was niets, noch vleesch, noch vruchten, noch brood. De pandoeren hadden alles weggevoerd.

„Ik zal niet zonder brood tot den koning terugkeeren,quot; zeide Rothenburg met betraande oogen tot zich zei ven, terwijl bij vastberaden het leger doorging. Ik zal mijne laatste dukaten aan den eersten soldaat geven, die een brood heeft, en dat zal ik den koning brengen.

En met onderzoekende blikken ging de generaal door de rijen der soldaten, die hier en daar in enkele groepen gelegerd waren en van de bloedige en moeielijke tochten spraken en keuvelden. Ha, daar ginds werd hij eindelijk een soldaat gewaar, die niet sprak on niet keuvelde, maar met begeerige oogen het brood beschouwde, waarvan hij zich juisl met zijn zakmes een stuk afsneed.

Met oen sprong, gelijk een leeuw, stond de generaal naast hom, en legde zijn hand op hel brood, dat voor hem thans heerlijker rook, dan anders de geurigste roos.

„Geef mij het brood, mijn vriend,quot; zeide hij buiten adem. „Ik betaal het u met twee dukaten.quot;

De soldaat brak in een spottend gelach uit. ,,Twee dukaten! Wat zal ik met twee dukaten doen.quot; vroeg hij. „Uwe dukaten kan ik niet eten, heer generaal, en daarom is het brood mij thans liever, dan eene geheele handvol dukaten. Behoud dus uw goud, ik behoud mijn brood!quot;

„Nu, als gij het dan niet voor goud wilt geven, geef het dan uit liefde!'' riep generaal Rothenburg heftig. „Uit liefde tot uw koning, die hongerig is, gelijk gij zoll', en zelfs geen stuk brood heeft om zijn honger te stillen.quot;

ocr page 33

31

Het eerst zoo laeheud gelaat van den soldaat werd nu ernstig. „De koning heeft geen brood,quot; zeide hij peinzend binnensmonds.

.,De koning lijdt bonger!quot; riep generaal Rotbenburg bijna smeekend.

De kuning lijdt bonger,quot; mompelde de soldaat, en be-scbouwde treurig het stuk brood, dat bem zoo beerlijk tegenlachte. Toen, met een kloekmoedig besluit, sneed bij bet brood in twee gelijke deelen, en den generaal de eene helft gevende, zeide hij; „ik wil u de helft van mijn brood geven ! Dat is ook alles, wat ik voor den koning kan doen! Neem liet, beer generaal, en nu is bet afgedaan; meer geef ik niet!quot;

„En ik verlang ook niet meer,quot; riep de generaal; daarop bet veroverde brood hoog in de lucht zwaaiend, snelde hij jubelend naar de pas opgeluchte tent des koning terug.

De soldaat zag hem lachend na. Plotseling werd zijn gelaat ernstig. Eene vreeselijke gedachte pijnigde hem. 1 loe, als de generaal hem eens misleid bad, zoo bet brood eens niel voor den koning was bestemd'?

Hij moet het weten en zich van de waarheid overtuigen. Als een pijl vloog hij den generaal na, spoedig bad bij hem ingehaald en draafde nu achter bem tot aan de tent van den koning.

„Mijn koning, daar ben ik eindelijk en breng, wat uwe majesteit beeft verlangd, een stuk brood.quot;

„Dat is eene hoeveelheid nieuwe levenskracht,quot; zeide de koning, terwijl bij bet brood nam, en met blijkbaar behagen er van begon te eten. „Ach, vriend, ik denk, dat een stuk brood, na een gewonnen veldslag heerlijker smaakt, dan een goudfazant na een werkeloozen dag! Waar hebt gij dit heerlijke lekkerbeetje buitgemaakt, vriend?quot;

„Sire, ik kreeg het van een soldaat, die het niet wilde verkoopen, maar bet mij bereidwillig gaf, toon hij hoorde, dat bet voor den koning was bestemd. Naderhand evenwel heeft hij achterdocht gekregen, ot ik hem ook soms bedrogen en voor mij zei ven had genomen, wat ik voor den koning had gevraagd. Hij is mij nageloopen om te zien, waar ik heen ging, en ik wed, dat hij nog builen slaat en met zijne blikken gaarne bet linnen van deze tent zou doorboren, om te zien of de koning zijn brood ook inderdaad eet.quot;

ocr page 34

32

Fmlerik lachte. Wij zullen het hem gemakkelijker maken,quot; zeide hij, terwijl hij, snel door de tent ging en het gordijn terugsloeg.

Inderdaad, daar stond de soldaat eu staarde op de tent, en deinsde, door plotselingen schrik aangegrepen, terug, toen hij den koning bemerkte, wiens groote, vurige oogen op hem waren gericht.

De koning knikte hem lachend toe en bracht zijne hard welker witheid zonderling afstak bij het zwarte brood, dal tusschen zijne vingers zichtbaar was, aan den mond.

„Ik dank u voor uw lekker brood, mijn vriend,quot; zeide de koning, nadat hij gegeten had. „Ik dank u, en gij moogt mij voor de toekomst op uwe beurt ook om eene gunst verzoeken. Bedenk u spoedig en zeg mij, wat gij wenscht.quot;

„O, daarop behoef ik mij volstrekt niet te bedenken,quot; i'iep de soldaat vroolijk lachend. „Als ik iets wenscb, dan is het een post als schout in mijn vaderland, in Pruisen.quot;

„Als de vrede gesloten is, zult gij den post van schout in Pruisen hebben,quot; zeide de koning tot den van vreugde juichenden soldaat, terwijl hij hem minzaam grootte en toen weder in zijne tent terug ging.1)

„Kn thans, mijn vriend, mijn Pylades,quot; zeide de koning, „zullen wij ons een uur van rust en verademing gunnen. Mij dunkt, dat hebben wij heden wel verdiend, en wij mogen ons nu wel, in onze verbeelding, een uur in onze gemakkelijke kamer te Potsdam verplaatsen. Kom, vriend, zet 11 naast mij neder, en lees mij voor.''

„Wat zal ik uwe majesteit voorlezen,quot; vroeg Piothenburg verlegen.

„Haal mij Horatius, en laat ons mijmeren over Bandusia's bron!quot;

„Uwe majesteit weet dus niet?quot; vroeg Rothenburgdralend.

„Wat zou ik weten ?quot;

„Dat de pandoeren ook de veldbibliotheek hebben medegenomen ?quot;

„Wat, mijne boeken ook?quot; vroeg de koning, en eene lichte wolk trok over zijn voorhoofd. „Wal willen de Pandoeren en Kroaten toch met mijne arme boeken doen? Konden zij zich niet tevreden stellen met mijne krijgskas

1

Priedrich der Grosse. Karl Müchler, pag. ü2.

ocr page 35

33

en mijn zilverwerk? Moesten zij mij ook ontnemen, wat voor hen geen waarde heeft en voor mij zoo kostbaar is?quot;

Met gefronst voorhoofd en de armen op den rug, ging hij liaastig eenige keeren in de enge ruimte op en neder. Toen bleef hij staan en zag in de tent rond, alsof hij iets zocht.

„Biche is er niet,quot; zeide hij, „haal Bicheeens, mijn vriend.quot;

Maar generaal Rothenhurg bewoog zich niet.

„Welnu? vroeg do koning.

„Sire, Biche hebben ze ook medegenomen.quot;

„Biche ook? Mijne liefste, getrouwste vriendin, mijn lief diertje?quot; riep de koning droevig, terwijl hij weder driftig op en neder begon te loopen. Toen echter naderde hij den generaal, en zijne beide handen op diens schouders leggend, zag hij hem met de uitdrukking van eindelooze teeder-heid aan.

„Zijt gij mij genegen, mijn vriend?quot; vroeg hij zacht en op geroerden toon. „Ik zie aan uwe oogen, dat gij ja wilt zeggen. Nu, wat bekommeren mij dan de veld bibliotheek en Biche. De boeken zal ik weder uit Berlijn laten komen, en Biche zullen zij mij wel weder uitleveren, ik zal nog heden naar generaal Nadasti zenden en Biche laten loskoopen. Niet waar, gij denkt toch, dat zij mij liet trouwe dier wel zullen wedergeven?''

Er lag eene uitdrukking van zoo smartelijken angst in de trekken des konings, dat Rothenburg er diep door was getrolTen.

„Biche zal wederkomen, sire,quot; zeide deze, „ik twijfel er volstrekt niet aan! Uwe majesteit mag na een zoo roemwaardiger! slag, wel op deze belooning van het noodlot hopen.quot;

De koning schudde lachend zijn hoofd. „Ik zal u een geheim toevertrouwen, vriend,quot; zeide hij „Ik had verdiend in dezen slag te worden verslagen, omdat ik mij door het afzenden van detachementen te zeer had verzwakt; slechts de bekwaamheid van mijne generaals en de dapperheid mijner troepen hebben mij voor eene nederlaag behoed. *) Maar ook oen weinig de hebzucht der Pandoeren en Kroaton. Een takje van onzen lauwerkrans komt Nadasti en Trenck toe. Nu,

1) 's Konings eigen woorden. Zie Preusz, Lebengeschicbte. Deel I pag. 214.

Mühlbach, Frederik de Grêote en zijn Hof. IV. 3

ocr page 36

34

wij zullen liet huu bij de eerste gelegenheid in het aangezicht werpen. Gelukkig voor ons, dat de koeriei-, die de nieuwste depêches en tijdingen uit Berlijn heeft gebracht, niet reeds vóór den slag in het leger was aangekomen. De Pandoeren zouden ze ook hebben genomen, terwijl zij nu goed zijn geborgen. Ziet gij, vriend, hoe het noodlot mij terstond met een ernstigen wenk tot mijn plicht terugbrengt. Een koning moet nimmer rusten, nimmer mijmeren en voor zich zeiven willen leven, ziet gij, en dat wilde ik evenwel heden doen. Ik wilde slechts een uur voor mij zelf hebben, en in plaats van de depêches en brieven te lezen, wilde ik mij met u in Horatius verlustigen en met Biche spelen. Thans is het voorbij en nu onze maaltijd is afgeloopen, zullen wij werken. Geei' dien zak eens hier. Daar is de sleutel, maak hem open en neem er de brieven uit.quot;

De koning ging op den veldstoel zitten en spreidde de brieven en papieren op de eenvoudige houten tafel voor zich uit. „De depêches en nieuwsbladen lezen wij later; eerst de brieven der vrienden. Daar zijn brieven van den waarden d'Argens en van Knobelsdorf. Wat? en geene van Duhan, geene van Jordan en Kaiserling? Dat maakt mij beangst en ongerust, dat doet mij weinig goeds vermoeden! Daar is een brief aan u, mijn vriend, hij is van Duhan's hand. Hij schreef dus wel aan u, maar niet aan mij. Lees dus, mijn vriend, en zeg mij dan, wat er in staat.'' Hij gaf den generaal den brief over, en opende toen haastig de aan hem gerichte brieven. Maar zijne oogen doorliepen de regels slechts vluchtig, en vestigden zich toen weder op Rothenburg, die nog met het lezen van zijn brief bezig was.

De koning had zeer goed opgemerkt, dat de generaal dadelijk toen hij begon te lezen verbleekt was, en dat het papier in zijne handen beefde; hij had zeer wel de uitdrukking van diepe smart gezien, die zich gelijk een rouwlloers over Piothenburg's gelaat had verspreid.

Hij kon dat stilzwijgen, die stilte niet langer verdragen; driftig van zijn stoel opstaande, ging hij naar Rothenburg, en terwijl hij zijne hand op diens schouder legde, zag hij hem met zijne groote, doordringende oogen strak aan.

De generaal sloeg zijn oogen neder en zijne lippen trilden.

ocr page 37

H5

Rothenburg,quot; zeide de koning, „Duhan heeft u iels geschreven, dat hij mij niet wilde schrijven. Met is eène treurige tijding, ik zie het aan uw gelaal.quot;

„Uwe majesteit heeft gelijk, het zijn treurige tijdingen,quot; zuchtte de generaal.

„Ach, dus meer dan eene!quot; mompelde de koning, en als of hem thans reeds de krachten onlbraken, deze noodlol-lige zaken te vernemen, liet hij Rothenburg los en liep heftig bewogen, in de bekrompen ruimte heen en weder. Rothenburg zag hem met treurige, sombere blikken aan. Er heerschte eene bange, smartelijke stilte.

Toen zeide do koning, terwijl hij voor den generaal bleef staan: „Zeg mij nu wat uwe tijdingen bevatten. Zijn mijne moeder, mijne broeders en zusters gezond?quot;

„Sire, de geheele koninklijke familie is gezond!quot;

„Het betreft dus mijne vrienden,quot; lispelde de koning, „Twee hunner zijn ziek. Twee! Hoe gaat het met Jordan? Gij antwoordt niet? Gij weent? Hoe gaat het metJordan? zeg ik.quot;

„Sire, Jordan is dood!quot;

„Dood!quot; riep de koning met eene uitdrukking van de diepste smart, terwijl hij zich uitgeput en waggelend op den veldstoel zette en met het hoofd op zijne hand leunde.

„Dood! mijn dierbaarste, beste vriend, Jordan is dood 1quot;

„Zijn dood is even schoon, kalm en zacht geweest, als zijn leven,quot; zeide Rothenburg, „Zijn laatste^ woord was een groet aan uwe majesteit; het laatste, wat bij deed, voor zijne krachten afnamen, was, dat hij u schreef. Hier is de brief, sire!quot;

De koning nam den brief, dien Rothenburg voor hem liad nedergelegd, en beschouwde zwijgend de bevende, waggelende, bijna onleesbare letters, die hem beter dan alle schilderingen een beeld van zijn zieken, doodzwakken vriend gaven. Twee groote tranen rolden langzaam over zijne wangen. De koning schaamde er zich niet over. Hij zag ze nedervallen op dien brief van zijn Jordan en daar de letters oplossen en uitwisschen.

„Zoo is het,quot; zeide hij zacht, „de tranen wisschen de majesteit uit. Jordan's hand heeft daar voor de laatste maal, dien ijdelen titel aan Zijne Majesteit geschreven, en mijne tranen wasschen dezen nietigen glans weg. Jordan,

ocr page 38

36

Jordan, gij wischt mijne majesteit weg, ik hen geen koning meer, ik ben nog maar een arm zwak mensch, die treurt en klaagt over den verloren vriend.quot;

Hij drukte het papier met hartstochtelijk vuur aan zijne lippen, toen stak hij het in zijn borstzak en vestigde zijne blikken weder op Piot hen burg.

„Zeg mij uwe andere tijdingen, ik ben nu op alles voorbereid.quot;

„Sire, hebt gij zoo even niet gezegd, dat uwe majesteil twee zieke vrienden in Berlijn heeft achtergelaten?quot;

„Jordan en Kaiserling! Kaiserling! Gij wilt toch niet zeggen, dat mijn Césarion ook — maar neen, neen, dat is onmogelijk. Jordan dood, en ik wist, dat hij moest sterven, maar Césarion zal genezen. Ik weet het, ik gevoel het. Niet waar, Kaiserling leeft, Kaiserling moet genezen?quot;

„Sire, zoo ik een vroom priester ware, zou ik antwoorden: Kaiserling is genezen! Want zijne ziel is tot God teruggekeerd !quot;

,,Acb, Kaiserling ook dood! O, Rothenburg, hoe kondt gij den moed vinden, mij dat te zeggen! Twee vrienden te gelijk dood !quot;

De koning zeide verder niets. Hij bedekte zijn gelaat met zijne handen en weende bitter.

Na eenigen tijd liet hij zijne handen weder van zijn gelaat glijden en staarde, als in diep gepeins gezonken, naaiden grond.

„ïwee vrienden te gelijk,quot; zeide hij met eene nog door tranen verstikte stem. „O, hoe ongelukkig ben ik, te gelijker tijd mijn goeden Jordan en mijn waardigen Kaiserling te hebben verloren. Zij waren mijne familie, en thans zal ik verlaten zijn, en mijn hart gedompeld in een rouw, die somberder en ernstiger is, dan die zich in zwarte kleederen verbergt. ') Het verdriet zal mijn bart tot eene woestenij maken, en de menschen zullen mij eens ongevoelig en koel noemen, maar zij zullen niet welen, dat in mijne borst een groot kerkhof met de grafsteenen van mijne vrienden is en dat ik aan deze door hartzeer verkoeld ben.quot;

En terwijl hij deze lijkklacht zacht prevelde, rolden hem de tranen langzaam over zijne wangen. Zulk eene diepe

1) 's Konings eigen woorden, RoJenbeck, Tagebuch, pag. 118.

ocr page 39

37

smart, een zoo verpletterend verdriet was uit de 1 rekken en de neerslachtige houding des konings te lezen, dat l!o-thenburg niet in staat was het langer te verduren. Hij snelde naar den koning, en eene knie voor hem buigende, trok hij diens handen aan zijne lippen en bedekte ze met zijne tranen en zijne kussen.

„O, mijn koning en mijn held,quot; zeide hij snikkend, „houd op met klagen, als gij niet wilt, dat ik aan uwe voeten zal sterven van smart.quot;

De koning schudde met een treurigen glimlach zijn hoofd. „Zoo men van smart kon sterven, zou ik op dit uur gestorven zijn.quot;

„O, wat zou de wereld zeggen en denken, als zij zag, dat de koning, die juist als overwinnaar uit een roemrijken veldslag komt, zijne zegepraal vergeet en over twee vrienden treurt.quot;

„Gij wilt mij troosten,quot; zeide de koning, „troosten met deze ijdeie herinnering aan eene behaalde zege. Geloof mij echter, ik ben genoeg wijsgeer, om zulk eene zegepraal te verachten. Ik verheug mij, dat ik mijn land voor het verschrikkelijkste ongeluk bewaard en den goeden naam mijner troepen, dien mijne viianden zochten te verdonkeren, weder hersteld zie. Maar mijne persoonlijke ijdelheid vindt daarin geen voedsel. Alleen het welzijn en het geluk mijner volken gaat mij ter harte, maar aan mijn weinigje eigen roem denk ik daarbij niet. Voorbijgaande, slechts kortstondige roem moet den mensch niet hoovaardig maken.quot; ')

„Maar de roem mijns konings zal niet kortstondig zijn, hij zal schitterend en helder tot de nakomelingschap overgaan,quot; riep de generaal.

De koning haalde minachtend zijne schouders op. „De dood alleen,quot; zeide hij, „bepaalt de vermaardheid der koningen en der staatslieden, en aangezien ik waarschijnlijk niet zal hoeren, wat men na mijn dood eens van mij zal zeggen, wil ik er mij slechts mede vergenoegen, mijne plichten te vervullen, zoo goed mijne krachten het mij veroorloven 1). Geloof mij, om een waar koning en vorst van zijn volk te zijn, moet men eerst van alle persoonlijk geluk

1

's Konings eigen woorden, llödenbeck, ïagebuch, p. 119,

ocr page 40

38

en alle persoonlijke genoegens afzien. De vorst, die niet zijn eigen geluk in zee werpt, gelijk 1'olykrates met zijn ring deed, kan zich niet loskoopen van het ongeluk, en de goden zullen het hem nimmer vergeven, dat hij te gelijker-lijd een gelukkig mensch en een gelukkig koning wil zijn. En ik, Rotlienburg, had nu nog mijn leven aan een dollen zonnestraal van het geluk verwarmd ,ik had vele vrienden! Nu komt het noodlot, en op den dag, dat het mij als koning gelukkig maakt, eischt het van den mensch Frederik twee zijner dierbaarste vrienden. Zoo moet de mensch het geluk van den koning betalen. — Maar nu genoeg gejammerd,quot; ging de koning na eenig stilzwijgen voort. „God wilde dit olïer, ik moet het. brengen en mij stilzwijgend onderwerpen. Ach, ik wilde, dat mijn hart voor immer tot zwijgen ware gebracht. Ik wil u eene bekentenis doen, mijn vriend. Ik geloof bijna, dat ik Macchiavelli onrecht heb aangedaan met mijn Anti-Macchiavelli. Hij heeft gelijk, slechts een man met een steenen hart kan een goed vorst zijn, want hij alleen zal in staat zijn, geheel en onverdeeld op het welzijn van zijn volk bedacht te zijn.quot;

„O, hoe ziek en vol droefheid moet mijn koning zijn om zoo te kunnen spreken,quot; riep Rothenburg treurig. „Gij klaagt, dat gij twee vrienden hebt verloren, sire! Welnu, zij waren ook mijne vrienden, en ook ik heb ze verloren. Maar ik heb aan hen meer verloren, dan hen zeiven alleen; want in dit uur heb ik gezien, dat ik zelfs voor den koning niets ben! Ik heb het geloof aan de vriendschap van mijn Frederik verloren!quot;

En diep zuchtend liet hij het hoofd op zijne borst zinken. Maar nu stond de koning reeds naast hem, hij zag hem aan met een blik van grenzenlooze liefde, legde zijne beide handen op zijne schouders, en met eene stem zoo feeder en aangedaan, als die van een jong meisje zeide hij : „waarde Rothenburg, zie mij aan, en zeg mij nu eens, hoe noemen ii de menschen, als zij van u en mij spreken?''

„Ik hoop, dat zij mij uwer majesteits trouwsten en eerbiedigsten dienaar noemen.quot;

„Neen, zij noemen u mijn lieveling, en als de menschen dat zeggen, dan is het waar. Vox popnli, vox dei. Kom aan mijn hart, mijn lieveling!quot;

„O, mijn koning, mijn vorst, mijn vriend,quot; riep Rothenburg

ocr page 41

39

in vervoering, terwijl hij zich tian de borst deskonings wierp.

Langen tijd rustten zij zoo hart aan hart, en als iemand hen zoo had gezien, die beide krachtige mannen, den koning en den held, de overwinnaars van den dag, wie zou dan hebben geloofd, dat de tranen in hunne oogen, niet aan de zegepraal en de vreugde, maar aan de smart en de liefde toebehoorden.

„Nu,quot; zeide de koning na een lang stilzwijgen, terwijl hij zich uit de armen van zijn vriend oprichtte, „laat mij nu weder koning en krijgsman zijn. Wij zijn nog niet klaar met de depêches en brieven.quot;

Hij ging weder op zijn veldstoel naast de tafel zitten, en de generaal nam den zak met depêches weder ter hand.

Hij kreeg eenige groote, met ambtszegels voorziene brieven te voorschijn, maar hij legde ze ter zijde, en terwijl hij zich diep boog, bood hij den koning een sierlijk, welriekend rosé-briefje aan.

„Sire,quot; zeide hij met een schalksch lachje, „hier vind ik een brieije, dat uwe majesteit voor eenige oogenblikken misschien zou kunnen verhinderen, koningen krijgsman te zijn.quot;

De koning nam echter den brief niet aan, een vluchtige blos bedekte slechts zijne wangen en zijne oogen schitterden met meer vuur.

„Leg het weg,quot; zeide hij, „ik kan het nu niet lezen. In mijn hart klinken nog de heilige orgeltonen van liet lied der smart, en die mogen toch niet door eene opera-aria afgebroken worden. Alles heeft zijn tijd, en als mij neziel voor lij ksteenen knielt, zullen mijne oogen zich niet verlustigen met de bekoorlijke gestalte van eene vrouw, al ware deze ook eene houri uit het paradijs! Lees mij de depêches voor, mijn vriend!quot;

VHI.

DE BELANGRIJKE BRIEF.

De koerier, die uit Berlijn in de legerplaats bij Sohr was aangekomen, had niet alleen brieven voor den koning meegebracht, maar ook iedere regiments-komrnandant had een gesloten brieventasch ontvangen, die brieven voor de officieren en soldaten bevatte. Óm vergissing en ontrouw te

ocr page 42

40

voorkomen, had het departement van oorlog bij iedere bezending eene lijst gevoegd, waarop iedere ontvanger van brieven eigenhandig voor de ontvangst moest teekenen.

De overste van Jaschinsky was dus genoodzaakt geweest Trenck de heide brieven te geven, die hij voor liem in de brieventasch had gevonden. Een dier beide brieven beschouwde de overste met een woesten, onheilspellenden glimlach; hij was volstrekt niet nieuwsgierig naar zijn inhoud, want hij kende dien zeer goed, en wist, dat, zoodra Trenck hem zou hebben ontvangen, deze brief in een glinsterenden dolk zoude veranderen, welks doodelijke punt zich tegen de borst van den jongeling zeiven moest richten Hij kende, gelijk gezegd is, den brief zeer goed, want hij liad hem reeds eens gezien, daar hij hem op eene sluwe wijze had weten te onderscheppen, om hem eerst aan zijn vriend Pöllnitz naar Berlijn te zenden en dezen te vragen, of die brief niet bijzonder geschikt was hen beiden tot hun doel te brengen, om den luitenant von Trenck onschadelijk Ie maken, door hem daarmede den nek te breken? Pöllnitz had er tot nog niet op geantwoord, maar heden had de overste van Jaschinsky een brief van hem ontvangen, en Pöllnitz had daarin gezegd : „thans is het de tijd, den brief van den Pandoer te laten werken. Ik heb hem daarom heilen op de post gebracht, en ik geloot dat ik een Jobsbode ben geweest voor den jongen trotschen officier, die zich inbeeldt, dat zijn overste hem tweehonderd dukaten schuldig is Zoo gij inderdaad eens zijn schuldenaar waart, zal hij van heden af aan de uwe zijn, want hij zal, denk ik, vrij kwartier op de een of andere Pruisische vesting, en naar ik hoop voor langen tijd, aan u te danken hebben. Als gij den koning kennis geeft van dezen brief van den Pandoer kunt gij tevens melden, dat de luitenant von Trenck heden uit Berlijn nog een tweeden brief heeft ontvangen van eene dame naar gij meent. Misschien laat de koning dan onderzoek doen en dat hij heden een brief van eene dame ontvangt, weet ik zeker, want ik zelf heb hem bezorgd; het spreekt ook van zelf, dat hij hem niet heeft verscheurd, want verliefden verscheuren nimmer de brieven hunner geliefden.''

Neen, minnaars verscheuren nimmer de brieven hunner geliefden! Hoe zoude Frederik von Trenck het van zich hebben kunnen verkrijgen dat papier te vernietigen, waarop

ocr page 43

41

hare hand liad yerust, dat haar oog aanschouwd, liaar adem bewogen had, waarop zij hare liefdegroeten, hare eeden, haar verlangen en hare trouw opgeteekend had ! Neen, voor alle schatten der wereld zoude hij het niet hebben weggegeven, dat heilige, kostbare papier, hetwelk hem zeide, dat prinses Amalia hem nog niet had vergeten, dat zij besloten had te volharden in geduld en liefde en trouw, tot hij zoude terugkeeren als held, beroemd en groot door zijne daden, met de lauwerkroon op het hoofd, die schitterender en schooner zal zijn, dan een vorstenkroon.

Toen Trenck dat las, weende hij van vernedering en schaamte. Twee veldslagen waren reeds gewonnen en zijn naam was onberoemd en onbekend gebleven ; twee veldslagen, en niet eene van die heldendaden, die zijne geliefde met zooveel vertrouwen van hem verwachtte, had hij bedreven. Hij had wel zijn plicht gedaan, als een dapper soldaat, maaibij had niet gelijk Krauel verleden jaar, eene heldendaad verricht, die dezen van gewoon soldaat tot baron Krauel van Ziskaberg verhief, en den onbekenden boer een naam gaf, welks roem de eeuwen zoude overleven; ^ hij had niet door het een of' ander groot wapenfeit, of door'eene ongehoorde, vermetele onderneming de geheele wereld met verbazing vervuld, gelijk Ziethen, die met zijne huzaren, welke eene nieuwe uniform droegen, zonder te worden herkend, midden door het Oostenrijksche leger was gegaan1). Hij was niets meer geweest, dan een dapper soldaat, niets anders, dan vele duizenden andere soldaten. O, hij gevoelde, dat hij de kracht en den moed bezat, de sterren van den hemel te rukken, om ze gelijk een diadeem op het hoofd zijner geliefde te plaatsen, met Titans te strijden en hen

1

De koning had Ziethen bij Frankenstein eene gewichtige boodschap opgedragen, die hij aan den markgraaf Karei naar Jagerndorf moest brengen. Ziethen trok niet zijne huzaren, die in hunne nieuwe winter-monteeringen onkenbaar waien, door de Oostenrijkers been, I'reusz, Le-bensgeschichte, pag. 211,

ocr page 44

42

in den afgrond te slingeren, gelijk Atlas de geheele wereld op zijne schouders te nemen; hij gevoelde in zijn binnenste de kracht, den moed, den wil en de bekwaamheid, een met roem gekroond held te worden. Maar het ontbrak hem daartoe aan de gelegenheid. De heldendaden, die hij vurig verlangde te volbrengen, hadden niet op zijn weg gelegen, zij waren met gevleugelde voeten voor hem uitgelladderd en hij had ze niet kunnen inhalen. En zoo was hij, in weerwil van twee gewonnen veldslagen, waarin hij liad medegevochten, in weerwil van de blijkbare genegenheid des konings, gebleven wat hij was geweest, de onbekende, onberoemde luitenant van Trenck!

En met een sidderend hart vroeg hij zich, of prinses Amalia hem nog zou beminnen, als hij tot haar terugkeerde, gelijk hij was gegaan; of haar fier, rein, groot hart deze ergste van alle beproevingen zou kunnen doorstaan, een alledaagsch mensch te beminnen, die zich door niets had onderscheiden; of zij hem niet zou verachten en zich trotsch van hem afwenden?

„Neen, neen,quot; riep hij luide, „ik zal zoo vermetel niet zijn, terug te keeren. Als het mij niet wil gelukken, mij te onderscheiden, zal het mij toch kunnen gelukken, te sterven. In den volgenden veldslag zal ik dus roem of den dood behalen. Indien ik onberoemd sneuvel, zal zij mij vergeven en mij beweenen! Dat is toch nog schooner en begeerenswaardiger, dan levend door haar vergeten of veracht te worden.quot;

Hij drukte Amalia's brief aan zijne lippen,toen verborg hij dien in zijn borstzak en opende den tweeden brief. Terwijl hij las was verbazing en verwondering in zijne trekken te lezen, en een half spottend, half vroolijk lachje speelde om zijne frissche, ronde lippen. Spoedig echter werden zijne trekken ernstig, en eene duistere wolk beschaduwde zijn jeugdig voorhoofd.

„Indien ik vijanden had, zouden zij mij met dezen brief kunnen vernietigen,quot; zeide hij zacht. „Hij zoude, hoe dwaas en dol hij ook is, toch voldoende zijn, mij voor een verrader kunnen doen doorgaan. Zou het misschien niet een valstrik zijn, dien men mij heeft gespannen? Zou men mij dezen brief, die, gelijk men aan de postmerken ziet, uit liet vijandelijk Oostenrijk eerst naar Berlijn en toen hier gekomen is, zou

ocr page 45

43

men mij dien inderdaad zoo onopgemerkt laten ontvangen zonder hem even te hebben gelezen? Ik zal met dezen brief naar mijn overste gaan en hem den inhoud mededeelen,quot; zeide Frederik von Trenck op vastberaden toon. „Zoo hij wil, mag hij er den koning kennis van geven. De geheimhouding zoude mij gevaarlijker kunnen zijn, dan eeiïe openhartige bekentenis.quot;

En dezen tweeden brief eveneens in zijn borstzak stekende, begaf Frederik von Trenck zich naar de tent van den overste van Jaschinsky, die hem met buitengewone vriendelijkheid verwelkomde.

„Heer overste,quot; zeide Trenck na de eerste begroeting, „herinnert gij u dien wonderlijken brief nog, dien ik zés maanden geleden van mijn neef den Pandoeren-overste von Trenck ontving?quot;

„O, gij bedoelt dien zotten brief, waarin hij u aanbood bij hem in Oostenrijk te komen, en u beloofde, u dan tot zijn universeelen erfgenaam te maken?quot; ')

„Ja, dien brief bedoelde ik. Ik deelde hem u toen mede, en vroeg u om raad.quot;

„En waarin bestond mijn raad?quot;

„Dat ik den overste von Trenck vriendelijk en dank baai-moest antwoorden, en mij voor zulk een gewichtig voorstel, dat mij tot een millionair kon maken, noch onverschillig noch ondankbaar moest betoonen. (iij riedt mij, wel Ts waar, het verzoek, om bij hem in Oostenrijk te komen, af te slaan, maar slechts voor zoo lang Pruisen en Oostenrijk met elkander in oorlog waren, en zoo den Pandoeren-overste met het uitzicht op de tijden van vrede tevreden te stellen.quot;

„Nu, ik denk, dat die raad goed was en gij hem in allen gevalle hadt kunnen volgen.quot;

„Gij riedt mij verder, mijn neef te schrijven, dat hij mij mooie Hongaarsche paarden voor mijne uitrusting zoude zenden, en beloofdet mij, mijn zoo ontworpen brief door den Saksischen gezant, den heer van Bossart te doen bezorgen, maar onder voorwaarde, dat als ik de Hongaarsche paarden van den overste der Pandoeren kreeg, ik er u een van zoude afstaan.quot;

„Dat was eene scherts, gelijk men zich wel meer in de

11 Friedrich von Trenck's Memoiren. Deel I, paft. 44,

ocr page 46

44

opgewondenheid van hot oogenblik veroorlooft. Eenescherts, die u evenwel tot niets moet verbinden, en waarvoor gij ook geene verdere bewijzen hebt.quot;

„Ik?quot; vroeg Trenck verwonderd. ,,En waarom zoude ik bewijzen noodig hebben, dat ik u een Hongaarsch paard heb beloofd? Wat zouden die bewijzen mij baten?quot;

De graaf Jaschinsky sloeg voor de zoo openhartige vertrouwende blikken van den jeugdigen officier zijne oogen neder. Tegenover een achterdochtig, in de wereld ervaren man, zoude zijne onvoorzichtige vraag hem hebben verraden, want die zou daarin de mogelijkheid hebben ingezien van een dreigend gevaar, waaraan Jaschinsky zich zocht te onttrekken.

„Ik meende niet,quot; zeide de graaf lachend, „dat het bewijs u nuttig kon zijn, maar ik wilde slechts zeggen, datr'/cer geen bewijs voor had, dat gij mij een Hongaarsch paard schuldig zijt, en dat gij daarom volstrekt niet noodig hebt, het mij te geven.quot;

„Maar uw verzoek en mijne belofte werden gedaan in tegenwoordigheid van getuigen, heer overste, de luitenant van Studnitz en de vaandrig van Wagnitz waren er bij, en al ware dat ook niet zoo geweest, dan zou mijn gegeven woord alleen reeds verplichtend voor mij zijn. Voorloopig heb ik evenwel nog geen Hongaarsche paarden, maar slechts een antwoord van mijn grappigen heer neef, dat ik u wel zoude willen mededeelen.quot;

,,Ha, de overste der Pandoeren heeft u dus geantwoord?quot; vroeg Jaschinsky met goed geveinsde verwondering.

„Hij heett mij geantwoord en nog wel den zonderlingsten pandoerachtigsten brief, dien men zich kan voorstellen. Hoor maar!quot;

Frederik von Trenck haalde haastig den brief tevoorschijn, dien hij in zijn borstzak had gestoken. Geheel vervuld van deze aangelegenheid, op niets anders lettende, zorgeloos en rondborstig, gelijk de jeugd gewoonlijk is, vouwde hij den brief open en las.

„I Ut uw schrijven, gedagleekend Berlijn den 42den Februari, zie ik, dat gij gaarne Hongaarsche paarden van mij zoudt willen hebben, om het mijnen huzaren en Pandoeren lastig te maken. Ik heb reeds in de vorige campagne met genoegen vernomen, dal de Pruisische Trenck ook een goed soldaat

ocr page 47

45

is. Als een blijk mijner hoogachting heb ik u toen de paarden teruggezonden. Wiltgij echter Hongaarsche paarden berijden, ontneem mij dan de mijne op het slagveld, of kom bij uw neef, die u met open armen zal ontvangen en als zijn zoon en vriend u alle redenen tot tevredenheid zal geven.quot; ')

Indien Trenck minder aandachtig naarzijn brief had gezien, terwijl hij hem las, zoude hij hebben opgemerkt, dat Ja-schinsky, weinig op zijne voorlezing lettende, hem met strak op den grond gevestigde blikken naderde, en nu voorzichtig en zacht zijn voet uitstrekkende, er iets onder scheen te verbergen. Vervolgens bleef hij met een glimlach op het gelaat naast Trenck staan, en toen deze zijn brief had gelezen, barstte hij in een luid geschater uit, waarmede de jonge ofiicier vroolijk instemde.

„Uw neef is inderdaad een aardige gek,quot; zeide de graaf, „en onder de voorwaarden, die hij u daar stelt, neem ik toch nog het Hongaarsche paard van u aan. Misschien vindt gij spoedig gelegenheid het mij te geven, want naar men zegt, zullen wij thans met een korps een inval in Hongarije doen, en dan zoudt gij u zelf de Hongaarsche paarden kunnen halen. Maar thans, mijn jonge vriend, zult gij mij wel verschoonen. Ik moet naar den knning, om hem rapport te doen, en Igij weet wel, de koning duldt geene nalatigheid in den dienst. Na den krijgsraad zien wij elkander weder en spreken er meer over.

Frederik von Trenck ging heen, een weinig verbaasd over dit zoo snelle en plotselinge afscheid. Zijn ritmeester en overste deed hem geen uitgeleide, gelijk gewoonlijk. Mij bleef midden in de tent staan, tot het voorhangsel achter Trenck was gevallen, en hij zich weder alleen bevond. Toen echter boog hij met eene haastige beweging en haalde van onder zijn voet het sierlijk ineengevouwen briefje te voorschijn, dat hij er tot nu onder verborgen had gehouden.

Graaf Jaschinsky had iets gezien, waar Trenck geen acht op had geslagen! Hij had gezien, dat, toen Trenck den brief van den overste der Pandoeren te voorschijn haalde, er met dezen nog een andere uitkwam, waar Trenck niet op had gelet, en die zich aan den eersten grooten brief van den Pandoer als toevallig had vastgehecht. Toen Trenck

]) ïrenck's Memoiren. Deel I, pag, 58.

ocr page 48

46

den brief van zijn neef opende, was het andere briefje op den grond gevallen, en terwijl Trenck las, had Jaschinsky, zoo behendig gemanoeuvreerd, dat hij het gelukkig onder zijn voet had verborgen.

Thans, gelijk gezegd is, nam hij dat briefje op en maakte het haastig open. Eene uitdrukking van boosaardige vreugde schitterde op zijn gelaat, terwijl hij las, en het papier in de lucht zwaaiende, zeide hij triomfeerend: „nu is hij verloren. Ik heb niet noodig te zeggen, dat Trenck een brief heeft ontvangen, door eene dameshand geschreven; ik zal den koning dezen brief zelf brengen, en die zal hem zekerder veroordeelen dan alle samenzweringen met zijn neef! Voort dus naar den koning!quot;

Maar terwijl hij reeds het voorhangsel van zijne tent had opgeslagen, bleef hij slaan en scheen te overwegen. Hij liet het voorhangsel weder langzaam vallen en trad peinzend zijne tent weder binnen.

„Ik geloof, dat ik daar op het punt stond, een dommen streek te begaan,quot; zeide hij zacht. „Deze brief zoude zeker mijn gehaten schuldeischer glad in den grond boren, maar ik betwijfel zeer, of ik er wel bij zou varen, als ik den koning dit onheilspellend geschrift zelf overgaf. Hij zou het mij nimmer vergeven, dat ik daardoor van eene betrekking heb vernomen, die hij natuurlijk voor de geheele wereld wil verborgen houden. Het medeweten van zulk een geheim kan slechts gevaar aanbrengen, en ik wil er liever niets mede te doen hebben. Hoe leg ik het dus aan, den koning dit briefje te doen toekomen, zonder dat hij vermoedt, dat ik den inhoud ken!

„Ha, ik heb het!quot; riep hij na lang overwegen. „Het middel is zeker en voor mij zeiven volstrekt zonder gevaar.quot;

Haastig verliet hij de tent en begaf zich naar de tent des konings, dien hij wegens dringende dienstzaken om audiëntie liet verzoeken.

„O, ik wed, dat gij komt, om den een of ander aan te klagen,quot; zeide de koning, toen Jaschinsky bij hem binnen trad „Uwe oogen schitteren zoo boosaardig. Niet waar, heb ik het niet geraden, een uwer officieren heeft weder een dommon streek begaan?

„Ik laat dit geheel aan de beslissing van uwe majesteit over,quot; zeide Jaschinsky nederig. „Uwe majesteit heeft mij

ocr page 49

47

hevolen op mijne officieren en voornamelijk op luitenant von Trenck bijzonder acht te geven en van iedere in hot oog loopende zaak nauwkeurig rapport te doen.quot;

„Het betreft dus weder dien Trenck?'' zij de koning, wiens trekken somber werden. „Doch ik wil u vooruit zeggen, als het niet inderdaad iets ernstigs en noodzakelijks is, wat gij hebt aan te brengen, moet gij het liever laten, want dat lasteren verfoei ik. Ik ben over dien Trenck tevreden; hij is een dapper en ijverig oflicier, daarenboven een beschaafd mensch, en naar mij schijnt, maakt hij zich thans nimmer aan een verzuim in den dienst schuldig. Denk dus goed na, is het iets ernstigs, dat gij te berde hebt Ie brengen, ol wilt gij liever zwijgen?quot;

„Ik verzoek uwe majesteit verlof, te mogen spreken.quot;

„Spreek,quot; zeide de koning, terwijl hij den overste den rug toekeerde en zich met de boeken op zijne tafel scheen bezig te houden.

„De luitenant von Trenck heeit met de post van heden een brief ontvangen, die, naar ik geloof, op eene volstrekt ongeoorlootde, onwettige betrekking toespeling maakt.quot;

üe koning wendde zich haastig om, en een zoo toornige blik van zijn oog trof den ritmeester, dat deze onwillekeurig achteruit trad.

„Waarachtig, ik geloof dat het een geluk voor mij is, dat ik den brief niet heb afgegeven,quot; dacht .Taschinsky. „De koning zou mij in zijne gramschap verpletteren.quot;

„Van wien is de brief?quot; vroeg de koning.

„Sire, hij is van den Pandoeren overste von Trenck.quot;

De koning haalde gerustgesteld weder adem en een gelukkig lachje speelde om zijne lippen. „De pandoer is een neef van onzen luitenant,quot;zeide hij.

„Maar hij staat in het vijandelijk leger, en het schijnt mij daarom niet gepast toe, dat de Pruisische officier den vijandelijken Oostenrijkschen officier om Hongaarsche paarden voor zijne uitrusting verzoekt, en de Oostenrijker hem uitnoodigt, bij hem te komen.quot;

„Staat dat in den brief,quot; vroeg de koning op dreigenden toon? En toen Jaschinsky het bevestigde, ging hij voort; „geef den brief hier, ik moet mij met eigen oogen overtuigen, dat het waar is.quot;

„Ik heb den brief niet, maar als uwe majesteit het beveelt,

ocr page 50

48

zal ik heengaan en hem van den luitenant von Trenck eischen.quot;

„En als hij brief heeft, verbrand?quot;

„Dan ben ik bereid een eed af te leggen, dat, wat ik zeide, in den brief stond geschreven. Ik heb liet zelf gelezen, want de luitenant zelf gaf mij den brief.quot;

„Haal den brief!quot;

Jaschinsky ging, en de koning bleef in gedachten verzonken in zijne tent. „Zoo hij werkelijk een verrader was, zou hij den brief niet aan Jaschinsky hebben gegeven,quot; zeide de koning zacht. „Neen, zijn voorhoofd is nog zoo rein, zijn blik even openhartig, als voorheen. Trenck is geen verrader, geen verrader jegens zijn vaderland, misschien slechts jegens zijn eigen geluk. Nu, misschien is hij verstandig geworden. Ik heb hem dikwijls en herhaaldelijk gewaarschuwd, en hij zal mij, hoop ik, toch eindelijk wel hebben verstaan.— Zoo, hebt gij den brief?quot; vroeg hij den juist weder binnentreden-den graaf Jaschinsky.

„Sire, hier is hij. Ik geloof ten minste, dat hij het is. Ik heb mij zelfs den tijd nog niet gegund, het papier te beschouwen, zoo zeer heb ik mij gehaast, tot uwe majesteit terug te keeren.quot;

„Gaf hij den brief goedwillig?quot;

„Hij zeide geen woord, maar haalde hem terstond uit zijn borstzak en gaf hem mij en zonder hern te hebben ingezien, breng ik hem aan uwe majesteit.quot;

I)e koning die zoo goed in de harten der menschen wist te lezen, liet zijn onderzoekenden blik een oogenblik rusten op het boosaardige, geheimzinnige gelaat van den graaf. Die herhaalde verzekering, dat Jaschinsky den brief volstrekt niet beschouwd had, maakte den koning opmerkzaam en deed hem eene verborgen bedoeling vermoeden.

Hij nam den aangeboden brief en maakte hem langzaam en voorzichtig open. Toen liet hij weder zijne doorborende blikken op Jaschinsky's gelaat rusten. — Hij had het fijne rooskleurige briefje bemerkt, dat in den brief van den Pandoeren-overste ingeschoven was, en thans begreep de koning de woorden van den graaf. Die kleine brief was de eigenlijke kern van het geheel, en Jaschinsky wilde hemniet kennen.

„Wacht buiten voor de tent tot ik u roep. Ik wil den brief bedaard lezen,quot; zeide de koning op kal men toon ;

ocr page 51

49

maar toen Jaschinsky zich had verwijderd, vouwde liij haas-lig het papier open en zonder te letten op Trenck's brief, dien hij op tafel wierp, nam hij het kleine briefje, dat er in had gelegen, in handen.

Toen hij er zijne oogen op sloeg, huiverde hij en drukte zijne lippen vast op elkander, alsof hij een uitroep van gramschap wilde weerhouden.

„Hel is hare hand,quot; mompelde hij, terwijl hij op oen veldstoel nederzonk. „Ja, het is hare .hand cn al mijne bemoeiingen zijn te vergeefs geweest. Zij hebben mij niet, willen verslaan, zij zijn dus verloren!quot;

En diep zuchtende sloeg de koning zijne oogen weder op den brief. Met een treurig, weemoedig hart, met een door aandoening en gramschap bewogen gelaat las de koning die onschuldige en kuische bekentenissen van een mijmerend, phantastisch, jeugdig meisjeshart, die dweepende en heldhat-lige geloften van een kind, dat gelooft, de wereld te kunnen overwinnen met hare gebeden, hare liefde en geestkracht.

„Arm kind,quot; lispelde de koning, gij wilt uwe maagdelijke ziel in het wereldrad werpen, het noodzaken stil te staan, maar gij zult er toch slechts uw eigen leven door vernietigen en u zelve verpletteren. U zelve en hem, dien gij bemint! Arme, beklagenswaardige kinderen, waarom is het mij niet vergund u gelukkig te maken, waarom moet ik gelijk het ongeluk op u nederkomen en u beiden rampzalig maken! Zou het dan niet mogelijk zijn, het te veranderen, voor een enkel maal alle vooroordeelen te vergeten en twee rnenschen gelukkig te maken, zonder zich om de wereld lebekommeren ! Zou het niet mogelijk zijn genade te bewaren, en ééns de zegenende godheid op aarde te zijn, in plaats van de straffende majesteit te spelen?quot;

En geheel overmeesterd door deze vurige en oproerige hartstochten ging de koning driftig been en weder. „En waarom zou het niet kunnen zijn,quot; vervolgde hij. „Heeft men mij niet verhaald, dat de prinses van Brunswijk-Wolfen-bultel, die te Petersburg als Gzarewna in de keizerlijke groeve is begraven, thans te Parijs leeft als mevrouw d'Aubigny, en haar schitterend ongeluk is ontvlucht om een bescheiden, stil geluk op te zoeken? De vrouwenharten zijn zoo wonderlijk, dat een mirtenkrans voor haar hegeerlijker is dan een kroon. Waarom zoude ik oen meisje

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 4

ocr page 52

50

dwingen vorstin te zijn, als zij slechts vrouw wil wezen? Waarom zou ik hardvochtig zijn, ik, die zoo voel heb geleden door de hardvochtigheid van anderen? Wilde ik ook niet ontvluchten, van de kroon afzien, Ier wille van het recht om een vrij en gelukkig mensch te zijn? Zal ik hen nu slralTen voor hetgeen ik zelf heb willen doen? Zal ik nu den dwingeland spelen, nadat mijn hart vertrapt is, door vreemde dwingelandij? O, het moet goddelijk zijn, ééns het menschelijk geluk over de staatkunde te doen zegepralen! Zal ik hem laten ontvluchten, ontvluchten naar eene woestijn, om daar voor hunne liefde een paradijs te scheppen? Maar helaas, hoe spoedig zou de slang in dat paradijs verschijnen, hoe spoedig zou de verzadiging, het verdriet, de verveling en eindelijk het berouw komen, om hen voor eeuwig uit hun paradijs te verjagen. Men drinkt geen rein geluk uit een beker, op welks bodem men eens het berouw kan vinden. Neen, de dochter der Hohenzollern kan den grooten naam van hare vaderen niet verloochenen om een schandelijk, een vernederend geluk na te loopen. De prinses van Pruisen kan aan de dochteren mijns lands niet het onwaardige voorbeeld van eene dwaze en onwettige liefde geven ; de zuster der kroonprinses van Zweden, de dochter mijner moeder mag niet gelijk eene landloopster met haar minnaar ronddwalen en eene avonturierster worden Zij moge zich over haar lot beklagen, dat zij niet de dochter van een Zigeuner maar van een vorst is! Jk kan het niet veranderen. Het noodlot veroordeel! haar, ik niet! Zij zijn veroordeeld, maar het zwaard, dat boven hun hoofd hangt, mag slechts nederkornen op zijn hoofd! Hij is de schuldige, want hij is man. Hij heeft gedobbeld om een groot geluk of een smadelijk ongeluk, en hij heeft verloren;quot;

Thans nam de koning den brief van den Pandoeroverste von Trenck ter hand en las hem met een opmerkzaam, gespannen gelaat. „Hij heeft verloren,quot; zeide hij toen. „Deze brief is een voldoend bewijs tegen hem, deze brief is het ijzeren masker, dat ik mijne misdaad voor het aangezicht hecht, opdat deze niet spreke en zich aan de wereld verrade. Ik zou over dezen brief lachen, als de andere brief er niet was, die hem veroordeelt. Thans echter moet ik er mij van bedienen als voorwendsel en daartoe is hij goed genoeg.quot;

Nog langen tijd ging de korting in ernstige gedachten

ocr page 53

51

verzonken op en neder. Zijn gelaat was droevig en vastberaden en een onwankelbare wil blonk in zijne vurige oogen.

Na eenigen lijd ging hij naar de tafel en nam de beide brieven. L)en brief der prinses stak bij in zijn borstzak, den anderen vouwde hij op en ging toen haastig de tent uit, om den graaf Jaschinsky te roepen.

„Heer ritmeester,quot; zeide hij, „ditmaal hebt gij gelijk gehad. Do luitenant von Trenck is een erge misdadiger, want uit. don brief blijkt onloochenbaar een verraderlijke omgang met onzen vijand. Als ik hem voor een krijgsraad bracht, zou men hom ter dood veroordeelen. Het kan echter zijn, dat hij slechts uit lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid zoo heeft gehandeld; daarom wil ik genadig jegens hem zijn en zien of eenige jaren vestingstraf hem kunnen genezen. Gij kunt hem dit uit mijn naam zeggen, als gij hem den brief van mijnheer zijn neef teruggeeft. Hebt gij dezen brief niel geopend, toen gij hem mij bracht?quot;

Het oog des konings rustte mei een dreigende uitdrukking op liet gelaat van den graaf, terwijl hij hem ondervroeg.

„Neen, ik heb den brief niet geopend,quot; antwoordde hij volkomen bedaard.

„Daaraan hebt gij zeer wel gedaan,quot; zeide de koning, „want er was een wesp ingekropen, die u doodelijk had kunnen wonden. Ga nu heen, breng den luitenant von Trenck zijn brief en ontneem hem zijn degen. Hij is van dit. uur afarrestant en moet terstond naar de vesting Glatz vervoerd worden.quot;

„Moet het in stilte geschieden, sire?quot; vroeg Jaschinsky, die nauwelijks in staat was zijne vreugde te verbergen.

„Neen, integendeel! Ik wil, dat het geheele leger, do geheele wereld het verneme, waarom luitenant von Trenck gestraft wordt. Gij kunt aan iedereen zeggen, dat Trenck oen verrader is, die met zijn neef in Oostenrijk verboden briefwisseling gevoerd en met den vijand samengezworen hoeft. Zijne gevangeneming moet dus volstrekt in bet openbaar geschieden, en onder bewaking van vijftig huzaren moet hij naar Glatz worden vervoerd. Ga nu heen en maak dat in orde!

„Het lot is geworpen, hij is verloren,quot; zeide de koning plechtig, toen hij weder alleen was. „Trenck is veroordeeld on Amalia zal haar eerste verdriet te bestrijden hebben. Arme Amalia!quot;

ocr page 54

52

Buiten stonden de generaals en onder hen de lieveling des konings, de generaal Rolhenburg. De koning had hen tol eene beraadslaging doen bijeen roepen, en zij wachtten op zijne stern om de tent te mogen binnentreden.

Maar de koning riep hen niet, hij had misschien geheel vergeten, dat zij er waren. Hij ging nog steeds met over elkander geslagen armen, langzaam op en neder, geheel in gedachten verzonken, zonder acht te geven op hetgeen om liem voorviel. Maar plotseling bleef hij staan en luisterde. Hij had het draven van paarden gehoord en hij wist wal dat beteekende. Hij naderde voorzichtig den uitgang der tent en sloeg behoedzaam het voorhangsel zoo ver ter zijde, dat hij onopgemerkt kon zien, wal buiten voorviel.

Het gedruisch der paardenhoeven kwam al naderen nader. Daar trekken de eerste huzaren voorbij de tent des konings, daar weder twee en vervolgens al meer en meer, en daar in hun midden die jongeling met bleek gelaat, met strakke, in de verte starende oogen, met loodkleurige lippen, die nimmer den blijden lach schijnen te hebben gekend; die officier zonder degen en zonder epauletten, die gelijk een dronkaard op zijn paard waggelt. Is dal Trenck, de schoone, jeugdige, dartele Trenck, de beminde eener prinses, de lieveling van allo dames, de gevieide held van de danszaal en alle gezelschappen, de benijde gunsteling des konings?

Hij is de tent des konings voorbij, achter hem komen zijne bedienden met zijne paarden en goederen, daarop volgen weder de huzaren, die den trein besluiten, de lijkstoet van Trenck's geluk en vrijheid!

De koning ging van hel voorhangsel weg en eene diepe ontroering was in zijne trekken te bespeuren.

„Thans,quot; zeide hij plechtig, „heb ik mijne eerste onrechtvaardigheid begaan, want ik heb dezen man gestraft zonder vonnis en recht, ik heb hem voor geen krijgsraad geroepen, maar slechts voor de vierschaar van mijn eigen geweien en dat heeft hem veroordeeld! Moge de wereld mij ver-oordeelen, en als de geschiedenis eens zal zeggen, dat ik jegens Trenck eene onrechtvaardigheid heb begaan, zal zij, hoop ik, er ten minste kunnen bijvoegen, dat het mijne eenige onrechtvaardigheid is geweest!quot;

ocr page 55

53

IX.

DE TERUGKEER NAAR BERLIJN.

Het urtue, uit duizenden wonden bloedende vaderland hud thans rusten kon wederom krachten verzamelen tot nieuwe inspanningen, want de vrede was gesloten. De gemaal van Maria Theresia was tot Roomsch keizer gekroond en de vredesvoorwaarden waren door Oostenrijk en Pruisen te Dresden onderteekend. Oostenrijk zag voor altijd van zijne aanspraken op de Lausitz en Silezië af en Pruisen verklaarde tevreden te zijn met het tot nu toe heroverde gedeelte van Silezië. Zegevierend keerde de koning met het leger naar het vaderland terug, en overal trok het volk hem jubelend te gemoet, overal begroette het hem, als den redder des vaderlands, als den verlosser en bevrijder. Berlijn bad zich tot de ontvangst des konings met zijn heerlijkst feestgewaad gelooid en de natuur was het daarin behulpzaam geweest, want zij had de straten en daken der buizen in den schitterend witten sneeuwdos gekleed, die in de koude, heldere Docemberzon met duizenden sterren en brillanten fonkelde, ledereen droeg de heldere vreugdebloesems van den zomer in zijn hart en gevoelde daardoor niet, dat het winter was. Overal waren de vensters geopend en daarvoor zag men schoone, fraai gekleede vrouwen, die met fonkelende oogen en een aanminnig lachje naar den schoonen, aangebeden koning uitzagen, met evenveel ongeduld en nieuwsgierigheid als het volk, dat beneden de straten vulde en vurig reikhalsde, zijn jongen heldhaftigen koning het vivat toe te roepen.

En eindelijk sloeg het uur, eindelijk verkondigde liet gedonder der kanonnen, het luiden der klokken, het gejuich des volks, dat gelijk een sneeuwval door alle straten, die naar het koninklijk paleis voerden, kwam aanrollen, dat de koning weder in zijne residentie was teruggekeerd, die hij nog pas kort geleden door een vastberaden stap, door een stoutmoedigen, onverwachten aanval had behoed voor een overval der Oostenrijkers en Saksers, die de Pruisen in hunne winterkwartieren hadden willen verrassen en Berlijn

ocr page 56

54

veroveren.1) Van alle kanten juichte liet volk hem toe, uit alle vensters wuifden de vrouwen met hare zakdoeken en wierpen hem geurige bloemruikers toe in den open wagen, waarin de koning met zijne broeders voorbij reed. Toen hij het Keulsche gymnasium voorbij kwam, begonnen de daar geplaatste leerlingen een plechtig gezang, een lofzang en een gebed voor den koning, den held,'den vader. „V i v a I, vivat Fredericus Rex, vivat Augustus, Magnus, Felix pater Patriaequot; zongen de scholieren, maar uit den drom des volks riep plotseling eene stem, luider dan het gezang der gymnasiasten, luider dan de bazuinen en trompetten, deze vier woorden:,, VivatFrederik de Groote liet volk, dat zwijgend het Latijnsche gezang had aangehoord, hetwelk het niet begreep, begreep deze eenvoudige en roemrijke woorden, en plotseling als uit één keel donderde en brulde die gansche golvende opgewonden massa: „ Vivat Frcderik de Groote!quot;2) — En gelijk een loopend vuur verspreidde deze jubelkreet zich door alle straten en weerklonk van alle pleinen en vensters, en steeg op tot de daken en lot de in de hoornen en aan de lantaarnpalen hangende straatjongens. „ Vivat Frcderik de Groote!quot; riep en schreeuwde, jubelde en juichte geheel Berlijn, en deze kreet, zoo veelstemmig, zoo

1

De koning ontving door den Zweedschen gezant te Dresden, Wollen-stiernii, de tijding, dat de Oostenrijkers onder den graaf' Griinne en de Saksers onder generaal Buchner de Pruisen in hunne winterkwartieren wilden overvallen en dan met den stormpas naar Berlijn rukken, om de residentie in te nemen, ten einde daardoor den koning te noodzaken Silczië aan Oostenrijk; Maagdenburg, Halberstadt, Halle en het daartoe behoorende gebied aan Saksen af te staan. De koning rukte echter in alle stilte den vijand te gemoet, verdreef' den graaf Griinne van de Brandenburgsche grenzen op de hoogte van Königsbrück, terwijl Ziethen bij Katholisch Hennersdorf de Saksen versloeg. Berlijn, door zulk een nabijzijnd gevaar bedreigd, had al zijne burgers gewapend, en velerlei toebereidselen gemaakt om ernstig weerstand te bieden. Zoo veel te gelukkiger was het thans, daar het door de nieuwe overwinning des konings was bevrijd, en het gaf daarom blijken van zijne uitgelatenheid en vreugde door allerlei aardigheden en toespelingen bij de illuminatie, die plaats vond op den dag van de aankomst des konings. Vooral onderscheidde zich een transparant, dat den generaal Griinne, benevens vele Oostenrijksche generaals voorstelde, rijdende op kreeften, op den verren achtergrond der stad Berlijn. Er onder stond: „Generaal Grünne wil naar Berlijn.quot; —De koning zond den Zweedschen gezant tot dank voor de gegeven waarschuwing een zeer kostbaar Meissner porselein servies. — Zie Preusz, Lebensgeschichte. Th. I, pag. 217. — Rödenbeck, Tagebuch, Pag. 121.

2

Preusz, Lebensgeschichte. Th. I, pag. 220.

ocr page 57

55

krachtig, zoöM'euzensterk, deed do lucht trillen, klonk uit boven het gelui der klokken en het koor der gymnasiasten en bedekte de bleeke wangen van don jeugdigen koning met een vluchtigen blos. Berlijn, Fredoriks geboortestad, had zijn koning thans gedoopt en in ceno plechtige volksvergadering had het hem zijn naam gegeven, die bom zal blijven toebehooren door alle eeuwen en tijden heen, zijn naam: „Frederik do Groole/quot;

Do koning bloosde bij hot hooron van dozen kroel. Zijn hart, dat lol nu loo somber en treurig was geweest, gevoelde zich als door een helderen zonnestraal verwarmd; de eerzucht klopte aan do borst dos konings on wekte hem uil zijn weemoedigen rouw over zijne vrienden. Neen, Frederik had Ihans geen tijd meer om aan de overledenen te donken, goon lijd om heimelijk lo klagen, dat hij hen, de geliefden) do getrouwen niol meer in Herlijn zou vinden;') de vriend mag niet meer jammeren over de vrienden, de koning moot in hom grooter zijn dan de vriend.Zijn volk is daar, om hem te begroeten en hem welkom le boelen, om hem den doop dor onsterfelijkheid lege ven. Do koning heeft geen recht, zich aan de liefde zijns volks le ontrekken; hij moet er zich met hart en ziel aan wijden. Daarvan thans bewust, richt Frederik de Groole zich op, en een heerlijke blos schiltorl op zijn gelaal, een wonderbare bliksemstraal fonkelt in zijne oogon, en terwijl hij hel volk vriendelijk groet, is hij zich in zoover meester, dal hij glimlacht.

Thans is hij in waarheid Frederik de Groole, want hij hoofl zijn eigen hart overwonnen, on op do geopende wonde van zijn persoonlijk verdriet heeft hij als oen koslolijkon balsom de liefde van zijn volk gelogd.

Daar houdt de wagen op hel plein voor hel paleis stil. Do koning slaat op en neemt zijn hoed af om met een minzaam lachje naar alle kanten hot volk te groeten, dat

1) Kort te voren, eer de koning naar Berlijn terugkeerde, schreef hij aan Uuhan: „ik kan er niet zonder smart aan denken, dat Jordan, dien ik zoo zeer bemind heb, niet meer leeft. Om deze reden schuw ik Berlijn, en het zal mij veel moeite kosten, mij het genot te'ontwennen, dat de vriendschap van Jordan en Kaiserling mij verschafte, wier gemis ik mijn geheele leven zal betreuren.quot;

ocr page 58

5(3

weder zijn machtige stem verheft en roept: „Vivat Fr ede-rik de Groole !''

Nu het een oogenblik stil wordt, roept eene enkele, krachtige, gebiedende stem, dicht bij hem: „Leve Frederik de Groote!quot;

De koning trilt in zoeten schrik en ziet om zich heen. Hij heeft die stem herkend, het is de stem zijner moeder 1 Daar staat zij lier opgericht in liet slotportaal, daar staat zij, fonkelend van diamanten, omringd door de prinsessen van het koninklijke huis; maar schooner dan die diamanten schitteren hare oogen, kostelijker dan de paarlen om haar hals, zijn de twee paarlen, die langs hare wangen'rollen, die twee tranen, die de moederliefde heeft geweend in de overmaat van haar groot geluk. Want zij 'heeft de stem des volks vernomen, zij heeft gehoord, met welken verheven naam het zoo even haar zoon heett gedoopt, met een naam, dien geen keizer of koning, al is hij de machtigste en ile grootste, zich ooit zelve kan verleenen, dien hij altijd slechts als eene belooning van zijn volk kan ontvangen. Zij is er getuige van geweest, hoe deze beide souvereini-teiten tegenover elkander stonden, en hoe het volk, als de machtigste en grootste van de twee, aan zijn vasal een naam gaf, en hem de genadeketen van onsterfelijken roem om den hals hing. De koningin heeft gehoord, dat het volk haar zoon „Frederik de Grootequot; heeft genoemd, en het hart der moeder is vol van het reinste, fierste geluk, en luid jubelend herhalen hare lippen den kreet, dien het volk haar heeft geleerd: „Leve Frederik de Groote!quot;

De koning heeft hare stem herkend; met één sprong is hij uit den wagen, ijlt naar haar toe, werpt zich in hare geopende armen, legt zijn hoofd aan hare borst, zooals hij als kind heeft gedaan en weent aan haar hals heete tranen, tranen, die niemand ziet, maar die sleclits de moeder braji-dend heet op haar boezem voelt nederkomen. De klokken luiden, de kanonnen donderen, de koning houdt nog steeds zijne moeder omvat en rust aan haar hart, en het volk, dat met vochtige oogen dit schouwspel aanziet, roept zachter en met van aandoening bevende stem zijn verheven jubelgroet; — en zacht in haar hart, maar niet met hare lippen, herhaalt Elisabeth Christine, de gemalin des konings, deze woorden, en hare door tranen benevelde oogen richten

ocr page 59

57

zich len hemel, niet toornig en verwijlend, maar innig smeekend voor het geluk van hem, dien zij bemint, voor het geluk van haar gemaal!

Hij lieef't haar niet gezien, of misschien niet gadegeslagen. Hij heeft zijn moeder den arm gegeven, beklimt met haaide breede, met tapijten belegde trap en achter hem gaat zijne gemalin met de prinsen en prinsessen; de klokken luiden nog steeds, de kanonnen donderen, het volk roept en schreeuwt, en langzaam stijgt de schitterende stoelde Irap van het paleis op, en gaat voorwaarts door de zalen.

„Frederik de Groote!quot; klinkt het van de straat, en het is als of de vensters van het koninklijk paleis trillen en rinkelen van den nieuwen, tieren naam; vóór den koning uit, door de zalen heen, gaat deze naam metden zachten, onhoorbaren geestentred de wereldgeschiedenis; hij opent de deuren van de witte zaal, en nu de koning binnentreedt, schijnen al de standbeelden der Hohenzollern bezield : de doode oogen schitteren, de verstijfde lippen glimlachen, de onbewegelijke hoofden buigen zich ; want de wereldgeschiedenis met haar geestentred is ook vóór hem de zaal zijner voorvaderen binnengetreden, heeft hem uit hunne graven opgeroepen, met dezen naam, dien slechts de Hohenzollern voor hem hebben gedragen, en die aan den stamboom der lierste vorstenhuizen eene even zeldzame bloem is, als de bloem der aloë, tot welker kweeking haar stam honderd jaren tijd noodig heeft.

De koning begroet zijne voorouders met een bliiden lach; want hij gevoelt, dat hij hunner waardig is. Geen rouw, geene smart of gemelijkheid is in hem ; hij heeft alles velgelen, alles overwonnen; in dit uur is hij slechts de koning en de held!

En koning blijft hij den geheelen dag. Maar als de schaduwen van den nacht beginnen te vallen, geheel Berlijn in den glans der kaarsen schittert, als alle straten en huizen weerkaatsen van het licht, en het volk te midden van dit vuur in zwarte dooreen woelende massa's heen en weder golft, legt de koning al zijne heerlijkheid ter zijde, en de mensch, de vriend, de minnaar treedt weder in zijne rechten.

Door de verlichte straten krioelt het volk op en neder en jubelt zijne vivats op Frederik de Groote. Waar is de

ocr page 60

58

koning? Vertoont hij zich op liet balkon aan zijn volk? Geniet hij in een open wagen het gezicht van deze schitte-terende voriichtiug ? Neen, slechts de koninginnen en prinsessen rijden door de straten, — de koning zit aan liet ziekbed van oen vriend, aan het stort bed van Duhan, zijn opvoeder.

Daar buiten juicht hot volk; maar de koning geeft ei' geen acht op. Met een angstig hart luistert hij naar de zware ademhaling van zijn vriend, en met een zachte, weemoedig stem spreekt hij woorden van troost en liefde lot hom.

Thans gaat hij heen. Nu schittert zijn oog der hoogeren glans, en een schoone gloed is over zijn jeugdig gelaat verspreid. Hij is nu niet de koning en niet de treurende vriend, thans is hij de jeugdige man, en met de kracht van een jongeling klopt het hart in zijne borst, en bruischt het bloed door zijne aderen.

De koning begeeft zich naar zijn lieveling, den generaal Hothenburg. Daar wil hij soupeeren, daar een uur van geluk, van blijmoedigheid genieten, daar wil hij vooreen wijl vergeten dat hij koning is.

Rothenburg heeft het ook al vergeten, want hij komt zijn koninklijken gast niet le gemoet. Hij ontvangt hem niet aan den drempel. Niemand ontvangt hem; maar de gang en de trap is verlicht en de koning snelt de trap op. Daar gaat eene deur open, en eene vrouw zweeft naar buiten, schoon als een engel, met oogen, schitterend gelijk sterren, met lippen, gloeiende als purperrozen, met een lachje, zoo wonderbaar en bekoorlijk als het morgenrood. Is heteen engel of is het eene vrouw? Hare stem, die den koning het welkom toelluistert, klinkt voor den koning gelijk hemel-sche muziek, en hij gelooft een engel te zien, terwijl hij haar, Barberin, aanschouwt!

X.

DE JOBSTIJDING.

Drie dagen lang vierde Berlijn feest. Het juichte, zong, danste en deklameerde om den bevochten vrede en om de

ocr page 61

50

gelukkige terugkomst des konings. Iedereen scheen vroolijk en gelukkig. Alleen prinses Amulia nani geen deel in de vreugde der Berlijners en in die hurer familie. Kommervol en met door tranen benevelde oogen ging zij in haar boudoir op en neder. Drie dagen reeds had zij deze ondragelijke kwellingen, deze troostelooze onzekerheid verduurd; drie dagen lang had zij vroolijk moeten schijnen, met een door angst en ontzetting sidderend hart; drie dagen had zij ai deze feestelijkheden, deze gala-diners, deze tooneelvoorstellingen, deze maskerades en bals, illuminatiën en uitstapjes moeten bijwonen, en zich steeds moeten dwingen, vroolijk te schijnen; want steeds bad zij gevoeld, dat het oog des konings met oen onderzoekende en toornige uitdrukking op baar rustte; steeds, als zij overweldigd en uitgeput door deze inspanning zich heimelijk uit liet gedruiscb der feesten naar bare vertrekken wilde terugtrekken, was de koning bij baar gekomen en bad baar zacht en ongemerkt weder op bare plaats naast bare koninklijke moedei' teruggebracht, met haar schertsende en keuvelende, terwijl zijne oogen baai-schenen te bedreigen. Eenmaal evenwel had zij de kracht niet gehad, op zijne vroolijke scherts met een glimlach te antwoorden, maar mot smeekende, door tranen benevelde blikken had zij tot haar broeder opgezien. Toen bad de koning zich tot haar gebogen, en op dreigenden toon gezegd: ,,lk beveel u vroolijk te zijn. Eene prinses beeft het recht niet te weenen, als het geheele volk vroolijk is.quot;

Heden waren eindelijk deze feesten voorbij, heden mocht Amalia eindelijk weder hopen eenige uren alleen te zijn en eene ongestoorde vrijheid te genieten, heden mocht zij weder weenen, mocht zij de klachten, die in baar hart brandden, lucht geven, en de angstkreet, die in haar boezem trilde, uitstorten in de eenzaamheid.

Waar was hij? Waar was Trenck? Waarom was hij niet terugkeerd? Waarom kreeg zij geene tijding, geen teeken zijner liefde, geene boodschap van hem? Hij was niet onder de gesneuvelden of zwaar gewonden; zij had de lijsten nauwkeurig doorgelezen. Hij was niet onder de teruggekeerden, want dan zou zij hem reeds hebben gezien. Waar was hij dus? Was hij ziek? Had hij haar reeds vergeten, of schaamde bij zich, zoo zonder roem en zonder lauweren tot haar weder te keeren? Of was hij misschien

ocr page 62

GO

door do Oosloni ij kers gevangen genomen on smachtte in de gevangenis, terwijl zij moest lachen en schertsen, zich looien en vroolijk zijn?

En terwijl prinses Amalia zich dit afvroeg, stroomden de tranen over hare wangen, en smoorden zuchten en snikken hare stem.

„Als hij dood is,quot; zeide zij hartstochtelijk, „zal ik ook sterven; indien hij gevangen is, zal ik hem bevrijden; zoo hij ecliter niet komt, omdat hij vreest, dat ik hem niet meer bemin, omdat hij niet beroemd, geen generaal geworden is, dan zal ik tot hem gaan en hem zeggen, dat ik met hem vlieden wil naar een of ander stil, eenzaam dal, naar eene kleine verborgen hut; dat ik mijn rang en geboorte, dat ik van alles afstand wil doen, alles wil verlaten, om hem alleen toe te behooren, om slechts zijne vrouw te zijn!

Zoo ver was zij in hare beschouwingen gekomen, toen een zacht kloppen aan de deur haar opmerkzaam maakte, dat hare hofdame toegang verzocht.

„Ach,quot; zuchtte de prinses, „als de goede Marwitz nog bij mij was, zou ik niet noodig hebben, deze kwellingen te verduren. Maar mijn broeder heeft mij ook van dezen troost beroofd; zonder het te weten, heeft hij mij mijne vertrouweling ontnomen en haar naar hare ouders gezonden, om mij daarvoor eene geheel vreemde, vervelende juffer, die ik haat en verfoei, op te dringen.quot;

De hofdame, die een oogenblik had gezwegen, verzocht nu andermaal, op nog dringerder en smeekender toon, te worden toegelaten.

„Ik zal wel moeten opendoen,quot; zeide de prinses gemelijk, terwijl zij naar de deur ging en den grendel wegschoof. „Kom binnen, freule von Haak,quot; zei de prinses, terwijl zij de binnentredende den rug toekeerde, om niet te laten zien, dat zij had geweend.

Freule von Haak vestigde hare treurige, zachtmoedige oogen op de jonge prinses, en verzocht vriendelijk om verschooning voor haar onwelkome verschijning.

„Gij zult zonder twijfel redenen hebben, die u rechtvaardigen,quot; zei de prinses, „en ik verzoek u daarom mij deze snel te zeggen, ik wensch zoo spoedig mogelijk weder alleen te zijn.quot;

„Uwe koninklijke hoogheid is te hard jegens mij,quot; lispelde

ocr page 63

01

het jonge meisje zuchtend. „Men heeft mij aan u opgedrongen, en gij haat mij, omdat ik in de plaats van freule von der Marwitz ben getreden. Maar het was mijne schuld niet, prinses, ik zweer het u; het geschiedde slechts op uitdrukkelijk bevel van zijne majesteit den koning, dat mijne moeder er in toestemde, dat ik mij aan onze stille ingetogenheid zoude ontrukken en mij naar het hof begeven.quot;

„Zijt gij slechts gekomen, om mij dat te zeggen?quot;

„Neen, uwe hoogheid. Ik ben gekomen, om u te zeggen, dat ik u bemin; dat ik, sedert ik do eer heb, bij u te zijn, u bemin; dat bij de verlatenheid, die mij hier omgaf, mijn hart zich geheel aan u heeft gewijd en u nimmer kan verlaten. Zeg mij, wat u treurig maakt, laat mij deelnemen aan uwe smarten en uwe zorgen. Prinses, ik bied u liet hart eener vriendin, eener zuster aan, — zult gij liet afwijzen '?quot;

En met tranen op de wangen snelde het meisje naar Amalia, om voor haar te knielen.

Maar de prinses hief haar op in hare armen en drukte haar innig aan hare borst. „O,quot; zeide zij, „ik zie we], dat God mij niet heeft verlaten; hij zendt mij hulp en troost in mijne ellende, want hij zondt mij eene vriendin!quot;

„Eene vriendin, waarop gij vertrouwen en die gij alles zeggen kunt,quot; fluisterde freule von Haak, de prinses met een beteekenisvollen blik aanziende.

„Wie weet, of dat voor u niet soms gevaarlijker is, dan voor mij?'' zeide Amalia. „Er zijn geheimen, wier medeweten reeds verderf aanbrengt.quot;

Freule von Haak glimlachte. „En zoo ik liet geheim van uwe koninklijke hoogheid nu reeds kende? Als ik eens wist, waarom gij de laatste dagen zoo treurig en zwaarmoedig zijt geweest?quot;

„Nu, als gij het weet, zeg het mij dan!quot;

Terwijl de hofdame zich meer naar het oor van hare gebiedster boog, zeide zij: „uwe oogen zoeken Ie vergeefs naar hem, dien gij bemint. Gij maakt u om hem bezorgd, want gij weet niet, waar hij is gebleven.quot;

„Ja, gij hebt gelijk,quot; riep Amalia door aandoening overweldigd, „ja, ik ben beangst en ik zal sterven, als ik niet spoedig verneem, waar hij is.''

„Zal ik het u zeggen, prinses?quot;

ocr page 64

62

Amalia huiverde en zag hel jonge meisje verl)leckend en sidderend aan. „ Gij wilt toch niet zeggen, dat hij in het graf is?quot; vroeg zij buiten adem.

„Noen prinses, hij leeft en is gezond.quot;

„Hij leeft en is gezond, en hij komt niet, om mij dat zelf te zeggen?quot;

„Dat kan hij niet, prinses, want hij is een gevangene?quot;

,,Een gevangene! O, God zij dank, dat het niets anders is!quot; riep Amalia, schitterend van vreugde. „De koning zal hem weder loskoopen, dè koning flie zoo bezorgd is voor zijne officieren, zal hem niet aan de Oostenrijkers overlaten. O, ik dank u, ik dank u, gij hebt mij daar eene blijde boodschap gebracht, en thans zal mijn broeder wel tevreden over mij kunnen zijn, want ik zal steeds vroolijk zijn, steeds schertsen en lachen.quot;

De freule zuchtte en liet haar hoofd treurig hangen.

„Hij is niet in üostenrijksche ge vangenschap,quot; lluisterdezij.

„Niet in Oostenrijksche gevangenschap?quot; herhaalde Amalia verbaasd. „Waar is hij dan? Mijn hemel, waarom spreekt gij niet? Waar is Trenck? Wie houdt hem gevangen? Spreek! Ik sterf van ongeduld en angst! quot;Waar is Trenck?quot;

„Om 's hemels wil, prinses, hoor mij bedaard aan,quot; 11 uis-terde de freule, „en bovenal, spreek zacht, want ik geloof, dat gij door spionnen omringd zijt. Zoo men ons thans beluistert, zijn wij beiden verloren.quot;

„O, wilt gij dan, dat ik sterf?quot; lispelde de prinses uitgeput op den divan zinkende „Zegt gij mij niet, waar hij is ?quot;

Freule von Haak boog zich dicht aan haar oor. „Hij is in de vesting Glatz.quot;

„Zoo, dus in eene Pruisische vesting, en de koning heeft hem derwaarts gezonden? Hij zal een gering misdrijf hebben begaan, evenals vroeger, en daarom straft de koning hem thans een weinig harder. Dat is alles. O, ik dank u, gij hebt mij mijne rust weder gegeven.quot;

„Ik vrees, prinses, dat het niet zoo is. De heer von Trenck, zegt men, is wegens hoogverraad in hechtenis genomen.quot;

De prinses verbleekte en een duizeling greep haar aan. Maar zij overwon deze zwakheid spoedig en zeide glimlachend: „dan zal hij spoedig weder vrij zijn, want men zal moeten erkennen, dat hij onschuldig is.quot;

ocr page 65

63

„God geve, dat men het erkenne,quot; zei do freule. „Tiet is thans geen lijd ie bemantelen en le verzwijgen. Gij liebt oen groot, moedig hart en gij bemint hem. Gij moet daarom alles weten. Hoor dus prinses. Even als gij, bemin ook ik, ook ik hoop op de toekomst; mijne wenschen zijn evenwel van meer bescheiden aard, mijne liefde is stil zender gevaar, gezegend door de toestemming van mijne moeder. Onze hoop bestaat daarin, dat mijn geliefde spoedig kapitein wordt en de koning dan toestemming tot ons huwelijk geelt. Want daar wij beiden arm zijn, moeten wij alles van de genade des konings verwachten. Mijn verloofde is nog maar Initenant en te Glatz in garnizoen.quot;

„Te Glatz, en gij zegt, dat Trenck te Glatz gevangen zit.quot;

„Ik heb gisteren een brief van daar ontvangen. Mijn verloofde, de luitenant von Schnell, behoort lot de otficieren, die elkander bij de bewaking van den heer von Trenck moeten ailossen, en hij schrijft mij, dat hij voor dezen jongeling hel diepste medelijden, de innigste vriendschap koestert, en dal hij met blijdschap bereid zou zijn hem te helpen en bij te slaan. Hij vraagt mij, of ik hier aan hel hof niemand weet, die den moed zou hebben, zich voor den ongelukkige bij den koning te vervoegen en eene verzachting van slraf te bewerken.quot;

„God, geef mij de kracht alles le hooren en standvastig te blijven,quot; lispelde Amalia, en zij klappertandde alsof zij de koorts had. „Weel gij zijne straf?quot; vroeg zij toen dof.

„Niemand kan zeggen, dat hij die met zekerheid weet, maar de vestingkommandant en plaatsmajoor Doo heeft aan de officieren gezegd, dat Trenck voor onbepaalden tijd, voor lange, lange jaren gevangen is.''

Een enkele gil rees uil de borst der prinses op; toen echter drukte zij hare beide handen op hare lippen en dwong zich om stil te zijn.

„Waarvan beschuldigt men hem vroeg zij na lang stilzwijgen.

„Van hoogverraad. Men zou eene misdadige briefwisseling tusschen hem en zijn neef hebben ontdekt.quot;

De prinses haalde minachtend de schouders op. „Van zulk eene ellendige aanklacht zal hij zich weten te rechtvaardigen,quot; zeide zij; „hij zal zijne onschuld aan zijne rechters kunnen bewijzen en dan zullen zij hem vrij moeten

ocr page 66

(34

lalen. Maar waarom is liij niet reeds in vrijheid ? Waarom heeft men hem niet voor een krijgsraad gebracht? Wie heeft hem dan veroordeeld, wie zijn zijne rechters geweest? Want naar gij zegt, is hij reeds veroordeeld?quot;

„Mijn verloofde schrijft mij, dat de heer von ïrenck aan den koning heeft geschreven en verlangde vooreen krijgsraad gebracht en verhoord te worden.quot;')

, Gij ziet dus dat hij onschuldig is, want hij vreest het recht niet. En wat heeft de koning geantwoord?''

„Volstrekt niets! Hij heeft den kominandant sleciits bevel gegeven, den heei von ïrenck in eene minder goede gevangenis te brengen en geene brieven van hem weder aan den koning te doen toekomen. Thans, prinses, moet gij voor hem handelen, thans moet gij al uw invloed, al uwe middelen aamvenden, zoo gij wilt, dat hij zal gered worden.quot; „Ik heb invloed noch middelen,quot; riep Amalia weenend. „O, gij kent mijn broeder niet, zijn hart is gelijk een rols, koud en onbereikbaar. Niemand heeft invloed op hem, noch zijne moeder, noch zijne broeders of zusters, noch zijne gemalin. Wat hij wil, is onveranderlijk, en wat hij zegt, geschiedt. Maar ik zal hem toonen, dat ik zijne zuster ben; hij zal zien, dat het vurige bloed der llohenzollern ook door mijne aderen stroomt. Ik zal vrij en onbeschroomd tot hem gaan, liem zeggen, dat ik ïrenck bemin, dat hij hem aan mij moet overgeven, of mij dooden; ik zal van

hem vorderen.....''

De deur werd haastig opengerukt, eene kamenier snelde naar binnen en zeide ademloos; „De koning komt!'

„Neen, hij is er reeds,quot; zei de koning, in de deur verschijnend. „Hij komt, om zijn zusje te verzoeken mede naar beneden te gaan, en op het binnenplein de rendieren en Laplanders te beschouwen, die de kroonprinses van Zweden ons heeft gezonden.''1)

Dus sprekend ging hij de kamer door naar zijne zuster en reikte haar beide handen.

Maar de prinses scheen het niet te zien, zij maakte eene diepe, statige buiging voor den koningen mompelde eenige woorden van begroeting. De koning werd boos en zag zijne

1

Röilenbeck Tagebuch, p. 122.

ocr page 67

05

zusier toornig aan. Hij zag, dat zij had geweend, en zijne trekken werden ernstig en somber.

„Kom mede, prinses,quot; zeide hij op gebiedenden toon.

Maar Amalia had nu hare versaagdheid overwonnen. Zij liad besloten te handelen en eene beslissing uit te lokken.

„Uwe majesteit veroorlove mij, u om eene audiëntie te verzoeken; ik heb u iets te zeggen, dat voor mij van het hoogsle gewicht is, maar dat ik evenwel liever het hart mijns broeders, dan het oor des konings zou willen toevertrouwen. Ik verzoek uwe rnajosteit dus, mij zonder getuigen aan te hooren.quot;

De oogen des konings rustten met eene toornige uitdrukking op haar, maar zij sloeg hare blikken niet naar den grond, zij keek hem met vaste, bijna fiere blikken aan en dit deed den koning ontstellen.

„Zij wil mij de waarheid zeggen,quot; dacht de koning. „Maar dan zal zij mij noodzaken, streng tegen haar te zijn en dat wil ik niet. ik zal dien strijd met een meisjeshart maar ontvlieden.quot;

„Zuster,quot; zeide hij luid, „als gij mij inderdaad iets te zeggen hebt, wat niet de koning, maar slechts de broeder moet hooren, raad ik u, het mij heden liever niet te zeggen, want ik heb in deze dagen zooveel als koning te doën, dat ik volstrekt geen tijd kan vinden, iets anders te zijn. Is echter wat gij mij te zeggen hebt, van zeer gewichtigen aard, betreft het mogelijk een sieraad, eene kostbare stof, eene kleine schuld, die gij met uw speldengeld niet kunt dekken, kortom eene van die vele gewichtige zaken, die het hart van een jong meisje geheel bezighouden, dan verzoek ik u, hiervan door tusschenkomst van onze moeder, de koningin, te doen kennis geven, dan zijt gij zeker, bij mij geen vergeefsche bede te doen. Voor een jong meisje is het bovendien steeds beter en passender, dat zij zich eerst en vóór alle andere dingen met hare kleine geheimen tot het hart van hare moeder wendt; want ik denk, als hare geheimen van goeden en onschuldigen aard zijn, zal hare moeder haar steedsbescherrnen entot voorspraak verstrekken, zijn zij echter van ernstigen aard, dan zal de moeder misschien zachter zijn in haar toorn, dan een broederbetooit kan wezen.''

„Gij wilt mij dus niet aanhooren, broeder?quot;vroeg de prinses bijna snikkend.

Mührbaoh, Frederik de Grootc en zijn Hof. IV. amp;

ocr page 68

öü

De koning \vior[) snel een blik achter zich door de geopende deur in de voorzaal, waar du cavaliers des konings en de hofdames van de koninginnen en de prinsessen waren verzameld, die nieuwsgierige, heimelijke blikken naar het vertrek der prinses sloegen.

„Ik wil u niet aanhooren,quot; zeide de koning zacht, „maar gij zult mij aanhooren. Ik wil niet, dat gij u voor mijn hof tentoonstelt en de wereld van u doet spreken. Ik wil niet, dan men u met betraande oogen ziet, want men zoude dat verkeerd kunnen uitleggen en meenen, dat de zuster des konings haar broeder niet genoeg bemint, om zich over zijne terugkomst te verheugen, dat zij niet vaderlandslievend genoeg is, de vijanden van Pruisen te verachten en te vergeten en zich gelukkig te gevoelen, dat haar land van den oorlog en de veldslagen is bevrijd. Ik verlang dus van u, dat gij vroolijk zijt en uwe kinderachtige smarten tracht te verbergen. Eene prinses mag nimmer weenen, of als zij het doet, mag zij het slechts des nachts doen, en dan nog maar, als alleen God bij haar is. — Dat is al, wat ik u te zeggen heb, en ik verzoek u, daarin te willen berusten Nu zal ik niet van u eischen, dat gij mede gaat, want uwe oogen zijn droevig en rood van het weenen. Blijf dus hier en opdat de lijd u niet lang valle, zal ik u oen brief geven, dien ik juist voor u heb ontvangen.quot;

Hij haalde een verzegeld briefje uit zijn boezem, en gaf het aan do prinses; toen knikte hij haar glimlachend toe en keerde in de aangrenzende zaal terug.

„Laat ons naar heneden gaan, de prinses is eenigszins ongesteld en zal ons niet kunnen vergezellen.quot; zeide do koning, terwijl hij zijn hof een wenk gaf, om hem te volgen. Freule von Haak snelde weder naar het kabinet der prinses.

„Nu, uwe koninklijke hoogheid? Hebt gij met den koning gesproken?quot;

Zij schudde zwijgend het hoofd en verscheurde met bevende handen het couvert van den brief, dien de koning haar had gegeven. iiy gende vouwde zij het papier open, om te lezen, maar toen zij er hare oogen op vestigde, stiet zij een luiden gil uit en wankelde half bewusteloos naar den muur.

De brief, dien de koning haar had gegeven, was haar eigen brief, dien zij aan Trenck had geschreven en op welks

ocr page 69

rand de koning tnet grooto letters liet cene,woord: „Gelezen' had geschreven. ,

De koning wist dus alles, de koning had den briel'gelezen, hij kende hare betrekking tot Trenck en was evenwel zonder genade geweest! Neen, hij had hem evenwel veroordeeld. Hij gaf haar nu den brief, om haar te zeggen, dat zij van hem geene genade te hopen heeft, om haar te zeggen, dat Trenck gestraft is, niet als verrader, maar omdat hij de geliefde der prinses is.

Amalia wist en begreep thans alles, en met schitterende oogen en een van geestdrift fonkelend gelaat, zeide zij : „ik zal hem bevrijden! Ik moet hem bevrijden! Om mijnentwil lijdt hij; omdat hij mij bemint, is hij een gevangene, smacht hij in een eenzamen kerker. Maar ik zal hem bevrijden, al moest ik mijn hartebloed ook droppel voor droppel voor hem storten, ü, Frederik, Frederik, thans zult gij zien, dat ik uwe echte zuster ben, dat ik een wil heb, die den uwen evenaart. Mijn geheele leven behoort mijn geliefde, en indien ik het niet met hem mag deelen, zal ik het voor hem opofferen. Dat zweer ik en moge God mij stratfen, als ik mijn eed breek. Ik tuil Trenck beurijden, dat is de leus van mijn leven. En nu vriendin, kom en help mij laat ons een middel uitdenken, waardoor ik hem bevrijden kan. Al wat ik heb en ben, olïer ik daarvoor op. Hebben wij geld noodig, om het geheele garnizoen om te koopen, welaan, dan heb ik geld, juweelen, eene bezitting van mijn vader geërfd; ik zal alles verkoopen, alles aan dat ééne groote doel opolleren, om hem te bevrijden. En nu vóór alle andere dingen, wil ik hem schrijven quot;

„En ik zal den brief veilig zijne bestemming doen bereiken,quot; zeide freule von Haak, „ik zal hem aan mijn verloofde zenden; ik zal echter den brief voor den heer von Schnell niet onmiddelijk van hier afzenden, maar mijne moeder doen toekomen, want niemand hier mag weten, dat ik met een officier der vesting Glatz briefwisseling houd.quot;

„Neen, niemand mag het weten vóór den dag, dat wij hem uit Glatz hebben bevrijd,quot; zeide de prinses met een bekoorlijk lachje.

ocr page 70

08

XI.

DE ONTDEKTE DWALING.

Sedert Joseph Fredersdorf den jongen Lupinus bij Eckhof had gebracht, werd de betrekking tusschen deze beiden steeds inniger. Het was eene betrekking, die hen ten lioogsto gelukkig scheen te maken, wat den vroolijken en spotzieken Fredersdorf aanleiding gaf, te zeggen, dat zij meer op liefde dan op vriendschap geleek en dat Lupinus eigenlijk niet de vriend, maar de bruid van Eckhof was. Inderdaad, Lupinus had weinig van de ongedwongen, vrije manieren van een jongeling, hij was altijd beschroomd, altijd achterhoudend, hij zocht Eckhof nimmer op, maar als Eckhof bij hem kwam, werden zijne bleeke wangen gekleurd door een zachten blos, en zijne oogen schitterden zoo schoon, dat Eckhof wel kon zien, hoezeer zijn jonge stille vriend zich over zijne tegenwoordigheid verheugde. Eckhof kwam dan 'ook dagelijks bij Lupinus; het stille, zachte en teedere gelaat zijns vriends te aanschouwen, was hem te midden van zijn woelig, on-rustig kunstenaarsleven, zoo rijk aan kwellingen, een troost en eene verkwikking; dat bracht zijn door stormen en hartstochten bewogen hart tot bedaren en maakte hem zelfs zachtmoedig en bedaard. Zelfs waren daartoe geene woorden of gesprekken noodig, reeds die stille kamer, die vreemdsoortige omgeving van boeken en papieren, van zware folianten en blinkende geneeskundige instrumenten, die ernstige, strenge werkelijkheid, welke zoo zeer afstak bij het glanzige, blinkende en lichtzinnige schijnleven van het tooneel, dat alles oefende een bedarenden en verzachtenden invloed op den kunstenaar uit. Dikwijls kwam hij, beladen met zorgen, gebogen door inspanningen of in koortsachtige opgewektheid over een nieuwe rol, die hij juist bestudeerde, bij Fjiipinus, niet om hem van zijn leven of werken te verhalen, maar om zwijgend naast hem te zitten en hem slechts te aanschouwen.

„Spreek in het geheel niet met mij, Lupinus,quot; zeide Eckhof tot hem. „Laat mijn onstuimig, woest hart tot rust komen onder uwe zachte blikken, laat uw vriendelijk aangezicht mij beschijnen, en mijn hart genezen. Zie, als ik met mijn hoofd zoo op uw schouder leun, verbeeld ik mij aan alle

ocr page 71

09

onaangenaamheden te zijn ontkomen, dat in de verste verte het gedruisch tier woelige wereld wegsterft, en dal ik de stom van mijne moeder hoor, gelijk die in de dagen mijner kindsheid voor mijn bedje klonk, waarin ik half lag te sluimeren en mij liet vertellen van God, het paradijs en de engelen. Laat mij zoo op uw schouder rustende mijmeren, beste Lupinus!quot;

Hij sloot zijne oogen en zweeg, maar zag niet de wonderbare, teedere, smachtende uitdrukking, waarmede Lupinus op hem nederzag; iiij gevoelde niet, dat het hart van den jongeling heftiger en onstuimiger klopte en bonsde, toen Eckhof's hoofd op zijn schouder rustte.

Een andermaal weder was het voor Eckhof eene verlichting, al zijne verdiietelijkhedon en zorgen, zijn strijden en worstelen, zijn toorn over de kuiperijen en lagen, die toen reeds, gelijk tegenwoordig nog het geval is,de noodzakelijke en onmisbare stikstof en zuurstofdertooneelwereld waren, aan zijn vriend in hartstochtelijke woorden te klagen. Dan hoorde Lupinus hem met een teeder lachje aan, tot de woeste waterval van zijne gramschap ophield met bruischen en schuimen, en hij kon hopen, dat zijne vertroostende en liefderijke woorden weder bedarend aan Eckhof's hart konden kloppen.

Zoo verliepen maanden, en Lupinus, getrouw aan zijn aan Eckhof gegeven woord, was nog altijd de vlijtige geleerde student, zat nog altijd aandachtig op de banken van de gehoorzalen en luisterde naar de geleerde voordrachten der professoren, of studeerde te huis in zijne boeken.

Maar deze proeftijd was nu weldra voorbij. Als Lupinus zijn doctoraal examen had gedaan, had Eckhof gezegd, moest hij beslissen, of hij inderdaad nog de schitterende loopbaan der wetenschappen wilde verlaten, om de ruwe en doornige paden van hel kunstenaarschap te bewandelen.

Reeds in de eerstvolgende dagen zou de gewichtige gebeurtenis plaats hebben, waar Lupinus bij eene openbare, deftige promotie, de doctorale waardigheid zoude behalen en daarmede het recht verkrijgen, als geneesheer der lijdende menschheid nuttig te zijn.

Maar daaraan dacht Lupinus niet, hij zeide slechts bij zich zei ven, dat die dag de gewichtigste beslissing over zijne geheele toekomst zoude aanbrengen, dat hij dien dag met

ocr page 72

70

zijn noodlot aver het geluk of ongeluk van zijn geheele leven moest strijden, waarbij zijn hart zoude juichen van geluk of breken door verdriet en kwellingen.

„Als ik aan zijn verlangen heb voldaan,quot; zeide Lupinus in zich zeiven, toen hij, den dag voor de plechlige handeling, alleen op zijne kamer was, „als ik door de faculteit als doctor ben erkend, dan wil ik mij aan Eckhof toonen in mijne ware gedaante, dan wil ik naar hem toe gaan en aan zijne verrassing en schrik zal ik dan zien, of de vriend Lupinus hem meer welkom was, dan . . .

Hij voleindigde niet, maar terwijl hij voor zijne eigene gedachten bloosde, keerde hij zich om en vluchtte naar zijne boeken. Doch de opgewekiheid en onrust van zijne ziel waren heden sterker dan zijn wil. De letters glinsterden en dansten voor zijne oogen, zijn hart klopte zoo blijde, onstuimig en luide, zijne ziel zweefde opwaarts met zulke levenskrachtige, stoute wieken, dat hij niet langer aan die ernstige, bestovene, sombere schrijftafel kon blijven. Hij sprong op en terwijl hij het boek toesloeg en de pen ncdei1-wierp, snelde hij het aangrenzende vertrek binnen, die kleine, stille slaapkamer, die nog nimmer door een anderen voet dan de zijne was betreden, die hij zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden gesloten had gehouden. En inderdaad, dat kleine slaapvertrek verborg een geheim! Een geheim, dat den lachlust van Joseph Fredersdorf en de hoogste verbazing van Eckhof zou hebben opgewekt! Op het bed lag een gewaad, evenwel niet het kleed van een jongman, maar een vrouwenkleed, een schitterend, witsatijnen kleed, gelijk een bruid op haar trouwdag gewoonlijk draagt. Daar op die tafel stonden witte satijnen schoenen, lagen welriekende, geborduurde vrouwen handschoenen, linten en bloemen tot sieraad in het haar. Wat beteekende dat alles? Wat be-teekende deze kleedkamer van eene vrouw, naast het studeervertrek van den jongen student? Had hij daar eene geliefde verborgen, die hij wilde tooien met dit bruidsgewaad of was het slechts een kostuum, waarin hij zijne eerste rol als tooneelspeler wilde spelen.

Hij beschouwde al deze sierlijke zaken met een blijden, lachenden blik, en niets van het ernstige, deftige gelaat van den geleerde lag in zijne schoone, teedere trekken, toen hij het witte satijnen kleed onderzoekend in de hoogte hief

ocr page 73

71

en er lach oud mede door de kamer naar den prooien spiegel huppelde. Maar plotseling deinsde hij van schrik achteruit en stond stil om te luisteren. Het scheen hem, alsof iemand aan zijne deur had geklopt; thans werd dit nog eens en luider herhaald.

„Dat is Eckhof,quot; duisterde Lupinus met een stil lachje, terwijl hij ijlings de geheimzinnige kamer verliet, en (lie zorgveddig sluitende, den sleutel weder in zijn zak stak.

Toen ging hij heen, om de andere deur te openen. Ja, liet was Eckhof, en hij kwam heden met een opgeruimd gelaat, hij zag er vroolijker en gelukkiger uit, dan Lupinus hem in langen tijd had gezien ; hij sloot zijn jeugdigen vriend zoo onstuimig in zijne armen, dat deze nauwelijks kon ademhalen, hij drukte een zoo vurigen kus op zijne lippen, dat Lupinus huiverend zijne oogen sloot, geheel overweldigd door zijne eigene ontroering.

„Zie eens, heste Lupinus, hoe zeer ik u hemin,quot; zeide Eckhof, zijn jeugdige vriend nog steeds omhelzende. „Ik kom het eerst tot u, om u deel te laten nemen aan mijn geluk; aan u dacht ik liet eerst, toen het gelijk een fonkelende sterrensluier op mij nederdaalde en mij ter neder drukte, door zijne heilige grootheid en macht. Ik moet naar Lupinus! Hij alleen zal mij verstaan, hij alleen zal zich met mij verheugen,quot; zeide ik in mij zeiven, „en zoo hen ik dan als een waanzinnige de straten doorgerend en hier gekomen om u te zeggen : verheug u met mij, want ik ben gelukkig! O, ik heh u niet doen blijken, boe veelikleed, ik heb mijn verdriet voor u verborgen gehouden, omdat ik u grenzenloos beminde en uwe jeugdige, kuische ziel niet met smart wilde vervullen; maar mijne verrukkingmoogt gij zien, mijn geluk zult gij met mij deelen, trouwe, waarde vriend.quot;

, Laat ik bet dan met u doelen, zeg mij, wat u gelukkig heeft gemaakt,quot; zeide Lupinus met bevende lippen ver-hleekendo door ontroering en angst.

„Vraagt gij dat nog, onschuldig, kuisch kinderhart?quot; zeide Eckhof lachend. „Weet gij nog niet. dat het steeds alleen de liefde is, die het eigenlijk geluk of ongeluk van den man uitmaakt! Ik was ongelukkig en ellendig, omdat ik niet wist, of ik werd b^nind, omdat deze onzekerheid dit vreezen en hopen, mij razend maakte,quot;

ocr page 74

72

„En thans?quot; vroeg Lupinus nauw hoorbaar.

, Thans ben ik gelukkig, omdat zij mij bemint, en het mij heden eindelijk heeft bekend. O, vriend, ik heb haar dit zoete, dit goddelijke geheim, bijna met geweid moeten ontscheuren, ik heb haar gedreigd, haar vervloekt, ik heb weenend aan liare voeten gelegen, en haar verwenscht met woeste scheldwoorden, ik was razend, waanzinnig, ik had besloten een einde te maken aan mijn leven, als ik niet eindelijk zekerheid erlangde, niet eindelijk vernam, of zij mij verachtte of mij beminde, en dus waagde ik alles, om alles te winnen! Zij stond bleek en sidderend voor mij,zij hief ootmoedig smeekend hare handen tot mij op, toen ik haar vertoornde; o, zij was zoo schoon als een vergevende engel, met die glinsterende tranen in hare schoone oogen, schoon als eene Homi van het pai-adijs, toen zij eindelijk, medege-sleept door haar eigen hart, zich tot mij nedet boog en mij bekende, dat zij mij beminde, dat zij de mijne wilde zijn, de mijne ondanks hare hooge geboorte, ondanks haar echtgenoot, ondanks al die duizende hindernissen, die zich tegen onze liefde en ons geluk aankanten. O, hemel, eenszeide ik: ik ben er toe geroepen, om kunstenaar te zijn, want gij hebt mij de wijding van het ongeluk gegeven; thans gevoel ik, dat men in waarheid slechts scheppen kan, als men gelukkig is. Van heden af aan, zal ik in waarheid een kunstenaar zijn, want ik heb de hemelsche wijding van het. geluk ontvangen!''

Eckhof richtte zijne blikken op zijn vriend, maar hij verstomde, toen hij dit bleeke, aschkleurige gelaat zag, die verglaasde, doode oogen, die in het ledige staarden, die blauwe lippen, die vast op een gedrukt waren.

„Lupinus, gij zijt ziek, gij lijdt,quot; riep Eckhof ontsteld, terwijl hij zijne armen uitstrekte, om den vriend aan zijn hart Ie drukken.

Maar de aanraking van zijne hand deed hem beven, en wekte hem uit zijne verstijving. Een enkele, doordringende kreet steeg uit zijne borst op, een vloed van tranen stroomde uit zijne oogen en als verpletterd zonk hij ineen.

„Mijn vriend, mijn beste vriend,quot; riep Eckhof, „gij lijdt en zegt liet mij niet! Wat bedroeft u, waarom lijdt gij, waarom weent gij? Laat mij deel nemen in uw hartzeer, zeg mij uwe smart!quot;

ocr page 75

73

,,Neen, neen!quot; riep Lupinus, .,ik lijd niet, ik heb geen hartzeer en geene smarten. Raak mij niet aan, uwe aanraking pijnigt mij! Ga van hier, ga heen en laat mij alleen !quot;

„O, gij bemint mij this niet,'' riep Eckhof treurig. „Gij lijdt en wilt mij evenwel uwe smart niet openbaren, gij weent, en verlangt., dat ik u verlaat'?quot;

„Hij denkt, dat ik hem niet bemin,quot; lluisterde Lupinus met een treurig lachje. „Hemel, wien zou ik dan beminnen, als ik hem niet bemin!quot;

„Als uwe vriendschap voor mij inderdaad echt en waar is, zult gij uw leed openbaren,quot; zeide Eckhof. „Ik heb ii doen deelen in mijn geluk, daarvoor vorder ik thans echter mijn heilig recht, daarvoor eisch ik, dat gij mij doet deelnemen in uwe smarten!quot;

Lupinus antwoordde niet. Hij stond toe, dat Eckhof hem van den grond optilde, en hem zacht en voorzichtig in zijne armen nemend, naar den divan droeg, waarop hij hem behoedzaam liet nederglijden en naast hem plaats nam.

Lupinus rustte met zijn hoofd aan Eckhofs borst, en toen Eckhof zijne armen om hem heensloeg, en hem met zijne schoone, zachte stem woorden van troost en liefde influisterde, voer hem eene sluiptrekkende rilling door de leden en weende hij bitter.

Maar plotseling droogde hij zijne tranen en richtte zich op. De kramptrekking der smart was voorbij, zijne lippen trilden nog, maar hij drukte ze vast op een, zijne oogen stonden nog vol tranen, maar hij schudde heftig zijn hoofd en droogde zijne tranen.

„Het is voorbij, voor altijd voorbij,quot; zeide hij, „mijne droomen zijn geëindigd, ik waak weder!quot;

„En thans, niet waar, Lupinus, thans zult gij met mij spreken?''

„Neen,heden niet, morgen ! Morgen zult gij alles vernemen. En daarom, vriend, verwijder u thans en laat mij alleen. Ga naar uwe beminde, zie in hare oogen en droom daarin een sterrenhemel, en als gij het doet, denk dan aan mij, wiens sterren verdoofd zijn, en die doorgaat onder de zware wolk van het verdriet. Ga, zoo gij mij liefhebt, ga dan!quot;

„Gij wilt het, en daar ik u lief heb, Lupinus,doe ik uw wil. Maar mijn hart treurt over u, en mijn eigen geluk is

ocr page 76

74

als beneveld. Maar ik ga heen. En morgen, zegt gij, wilt gij mij alles zeggen?''

„Morgen!quot;

„Wanneer zal dat zijn'? Wanneer zie ik u weder'?quot;

„Morgen om tien uur zal mijne promotie tot doctor plaats hebben. In de aula wil ik u eerst wederzien, en ik verzoek u, u door Joseph Fredersdorf te doen vergezellen.quot;

„liet zij zoo, mijn vriend. Morgen te tien uur dus, zien wij elkander in de aula weder. Tot zoolang, vaarwel!quot;

„Vaarwel, Eek hof!quot;

Zij gaven elkander de hand, en zagen elkander diep in de oogen bij den laatsten afscheidsgroet. Toen wendde Eckhof zich naar de deur. Lupinus stond nog midden in de kamer en zag hem na, maar toen Eckhof de deur reeds had geopend, toen zijne hooge, statige gedaante reeds over den drempel ging, ijlde Lupinus hem na, viel hem om den hals, sloot hem vast in zijne armen, omhelsde hem inniger) zeide met een door tranen afgebroken stem: „Vaarwel, vaarwel! Denk aan mij, Eckhof, denk er aan, dat geenc vrouw ii immer zoo zal beminnen als ik u heb bemind! God zegene u en uwe geliefde!''

Nu nog een laatsten, vuiigen kus, voor de laatste maal hem sprakeloos aanschouwd, toen drong hij hem naar buiten, de deur viel achter Eckhof dicht en met een luiden jammerkreet zonk Lupinus ineen.

Hoe lang hij zoo gelegen, hoe lang hij geweend en gebeden, gewanhoopt en geweeklaagd had, wist hij zelf niet, want deuren der smart zijn lang, en de minuten, die men geweend heeft, rekken uit tot eene eeuwigheid. Na langen tijd richtte hij zich op, niet, omdat hij getroost was, maar omdat hij op de trap zware stappen hoorde, die hij herkende en waarvan hij wist, wat zij beteekenden.

De deur ging nu open en twee mannen traden binnen, de een, wiens haren begonnen grijs te worden, was een man rnet een ernstig, streng uitzicht en eene liere, ontzagwekkende gestalte, de andere, die jonger was, had een bleek, ziekelijk, maar zacht en vriendelijk voorkomen.Terwijl de oude heer met een gefronst gelaat en toornige blikken op Lupinus neder zag, begroette de ander hem met een zachten glimlach en liet zijne oogen met een uitdrukking van grenzenlooze liefde op hem rusten.

ocr page 77

75

„Vader!quot; riep Lupinus, toesnellende, urn den oudsten der beide mannen te omhelzen. Maar deze weerde hem af en zijne blikken werden nog donkerder.

„Wij hebben uwe brieven ontvangen,quot; zeide hij, „en daarom zijn wij heden gekomen. Wij wilden zien, of gij in koorts of in waanzin hebt geschreven, en indien dat niet zoo is, zult gij ons herhalen wat in die brieven stond, die ik verscheurd en onder mijne voeten vertreden heb! Spreek dus, wij zijn hier, om u te hooren!quot;

„Neen, nog niet,quot; zei de jongere heer. „Herstel u eerst, overweeg uwe woorden, bedenk wel, dat zij beslissen over uw geluk, over het geluk uws vaders en eindelijk ook — over het mijne. Maar volhard in hetgeen gij wilt, engeene betrekking of nevengedachte moge u in verwarring brengen. Denk slechts aan uw eigen geluk, en dat gij dit op hechte grondslagen moet bouwen.quot;

Lupinus schudde treurig zijn liootd. „Ik heb geen geluk en verwacht het ook niet!quot;

„Wat stond in diim brief?quot; vroeg de oude Lupinus streng.

„Er stond in, vader, dat ik mijn eed getrouw was nagekomen en aan niemand het geheim had verraden, dat 'ik u beloofd had te bewaren; er stond in, dat morgen mijne promotie zoude plaats hebben en dat ik, gelijk gij mij beloofd hebt, van dien dag af vrij zoude zijn, vrij in de keuze mijner toekomst, vrij, om mijn geheim bekend te maken.quot;

„En was dat alles?quot;

„Neen! Er stond verder in, dat ik had besloten, eene nieuwe baan te bewandelen en de oude wegen te verlaten, dat ik had besloten met mijn verleden te breken, en aan Eckhofs zijde een nieuw leven te beginnen!quot;

„Mijn kind aan de zijde van een komediant!quot; riep de oude doctor Lupinus met verachting. „Ja, ik herinner het mij, dat stond in den brief, maar ik sloeg er geen geloof aan en daarom ben ik gekomen om u te vragen: is het waar, wat in dien aan mij geschreven brief stond? Is heit waar, wat gij daar aan Erxleben hebt geschreven?quot;'

Lnpinus'had zijne oogen ten hemel geslagen on zijne lippen bewogen zich zacbt, misschien bad hij.

„Is het waar, wat in dien brief stond?quot; herhaalde zijn vader.

Lupinus zag zijn vader aan en stak hem beide handen

ocr page 78

7ü

toe. „Neen,quot; zeide hij, „het is niet waar. Het was slechts eene phantasie mijner koortsachlige drift. Thans is het voorbij en ben ik van mijn waanzin genezen. Morgen zal ik als doctor promoveeren, en dan, vader, vergezel ik u naar huis, en gij, vriend Erxleben, gaat met ons mede.quot; —

Den anderen dag stroomden de studenten in de medicijnen naar de anla der universiteit, om het disputatorium van hun commilito, den geleerden en zedigen heer Lupinus, bij te wonen, en niet alleen de studenten en professoren, maar ook vele andere bewoners van Halle waren gekomen, om bij deze plechtigheid tegenwoordig te zijn en den jongeling te zien, van wien de professoren zeiden, dat hij niet slechts een wonder van geleerdheid, maar ook een wonder van deugd, kuischheid en bescheidenheid was. Zelfs kunstenaars bemerkte men heden in de heilige hallen der wetenschap en de studenten glimlachten van genoegen en riepen bravo, toen zij boven, naast Fredersdorf, het edele, scherp geteekende, sclioone gelaat van Eckhof herkenden. Zij waren zoo dikwijls tot hem gesneld in de hallen der kunst, waarom zoude hij ook niet eens bij hen in de hallen der geleerdheid komen ?

Maar Kekhof sloeg geen acht op de blijde begroeting der studenten, hij zag slechts in gespannen verwachting naar die deur, waardoor zijn jonge vriend Lupinus de zaal moest binnentreden, en toen nu het bepaalde uur sloeg, boog hij zich tot Fredersdorf en vatte ontroerd zijne hand.

„Vriend,quot;' zeide hij, „er overvalt mij eene wonderlijke angst, en het is mij, alsof ik tegenover een sphinx stond, die op het punt is, mij een zeldzaam raadsel op te lossen. Ik ben zoo laf, dat ik wel uit de zaal zoude willen vlieden, om het niet te hooren, en evenwel ben ik door nieuwsgierigheid op mijne plaats als vastgeworteld en kan niet ontwijken.quot;

„Gij hebt den armen Lupinus beloofd, tegenwoordig te zullen zijn,quot; zeide Joseph ernstig. „Het is misschien de laatste liefdedienst, dien gü hem kunt bewijzen, dus . . . . ha, daar is hij!quot;

Een kreet van verrassing klonk van aller lippen, wantdaar aan de andere zijde in de geopende deur stond niet fle student Lupinus, maar een jong meisje in een wit satijnen kleed, een jong meisje met bet bleek, doorschijnend teeder gelaat van den jongen Lupinus. Naast haar gingen twee mannen, en toen zij zich nu langzaam door de zaal naar den katheder

ocr page 79

begaf, moest zij leunen op den arm van den een, haar vader, om niet neder te zinken. Hare groole oogen zweefden met eene vragende angstige uitdrukking over de toehoorders. Eindelijk ontmoetten hare blikken die van Eckhof en eene doodelijke bleekheid bedekte hare wangen. Zij poogde nochthans te glimlachen, en boog baar boofd om hem te begroeten .

„Ziedaar het geheim, dal ik wilde ontvlieden!quot; prevelde Eckhof. „Sedert gisteren had ik er een voorgevoel van!quot;

„En ik wist het sedert lang,quot; zeide Joseph Fredersdorf treurig. „Het was mijn schoonste droom, dat uwe harten eens zouden overeenstemmen en gij elkander zoudt beminnen. Heb ik u niet dikwijls gezegd, dat Lupinus niet uw vriend, maar uwe bruid moest zijn en geene vrouw u ooit zoo zoude beminnen, als Lupinus? Maar gij wildet mij niet verstaan ! Uw hart was gelijk eene doode rots, en zij heeft baar geluk en haar hart er op verbrijzeld!quot;

„Arm, ongelukkig meisje,quot; zeide Eckhot zuchtend, en twee tranen rolden langzaam over zijne wangen.,,Ik heb jegens baar gehandeld als een ruwe barbaar, ik heb haar gisteren met een lachenden mond den dolk in het hart gestooten en zij heelt mij niet gevloekt, maar zij heeft mij gezegend. Maar luister, zij spreek! Laat ons booren!'

Het was de vader van Lupinus, die sprak. In eenvoudige, waardige woorden verzocht bij de doorluchtige faculteit om vergeving, dat hij het gewaagd bad, haar eene dochter in plaats van een zoon te zenden. Docb het was zijn lievelings-wensch geweest, dus sprak hij, aan de wereld te bewijzen, dat slechts bet vooroordeel en de hoogmoed der mannen, de vrouwen uit de gehoorzalen der boogescbooi verdrijven, en alleen de gewoonte de vrouwen verbiedt, eene wetenschappelijke loopbaan te kiezen. Daar de hemel hem geen zoon had geschonken en bij in zijne dochter reeds vroeg eene zeldzame begaafdheid had ontdekt, bad hij besloten, baar als zijn zoon op te voeden en te vormen en op deze wijze het verlies te vergoeden, dat het lot hem had bereid. Zijne docbterhad bereidwillig in zijne plannen toegestemd en bem plechtig moeten beloven, tot het einde van hare studiën bet geheim getrouw te bewaren. Dit had zij gedaan, en thans stond zij hier, om de doorluchtige faculteit te vragen, of men baar wilde toestaan tot doctor te promoveeren, ofschoon zij

ocr page 80

78

eene vrouw was en het groote voorrecht miste, tot het mannelijk geslacht le behooren?

De professoren beraadslaagden (luisterend; toen verklaarde de voorzitter, dat Lupiuus steeds de vlijtigste student was geweest, altijd de beste hoop van zich had doen koesteren, de vreugde en de lieveling van alle professoren was, en daarom de verandering van geslacht geene verandering in hunne gevoelens len zijnen opzichte konden teweegbrengen, maar dat de jonkvrouw Lupina met evenveel vreugde door hen zoude worden begroet als doctor medicinae, als de jongeling Lupinus; dat het begin van het disputatorim dus door niets meer werd belet.

Een goedkeurend gemompel verhief zich op de banken der toehoorders, maar het ver stomde onmiddellijk, toen men de heldere, duidelijke, maar toch zacht trillende stem van het jeugdige meisje vernam, dat hare dissertatie begon te lezen. Hoe vreemd klonken die zware, statige Latijnsche woorden, bij deze teedere, rijzige en tooverachtige verschijning van het jonge meisje! Gelijk eene bruid stond zij daar, in den tooi van haar zijden gewaad, maar niet gelijk eene bruid des hemels, die op liet punt staat, voor het altaar de gelofte af te leggen en voor eeuwig afstand te doen van de vreugde en het geluk! En zoo was het haar ook te moede, en als ware het de gelofte voor een vreugdeloos, zelfverloochenend leven, hield zij hare rede; behalve dat zij niet voor het altaar des Hoeren, maar voor het altaar der wetenschap stond, dat zij niet eene gelofte deed om een werkeloos, onnut kloosterleven te leiden, maar dat zij degeheele wereld tot haar klooster maakte en met een heiligen eed zich verbond, der menschheid te dienen, de smarten der lijders le lenigen, aan het ziekbed der vrouwen en kinderen krachtdadig de liefde te doen blijken, die zoo groot en machtig bij haar was, op de geheele lijdende en weenende menschheid de liefde over te dragen, die zij ran een enkelen had gewijd, de liefde, die tot haar was teruggekeerd, gelijk eene bloedende duif, met verlamde vleugels, zonder kracht, van alle hoop beroofd!

Het disputatorium was afgeloopen. De deken stond op en verklaarde de jonkvrouw Dorothea Christina Lupinus tot doctor medicinae, gerechtigd en instaat tot de uitoefening

ocr page 81

7!)

der artsenijkunde. ') De studenten barstten los in luide toejuicliingen en de professoren naderden den ouden Lupi-nus, o:n hem geluk te wenschen en de kennismaking van vroegere dagen te hernieuwen.

De jonge bleeke bruid der wetenschap gaf op dat alles geen acht. Zij zag slechts naar Eckhof, hunne blikken waren vast op elkander gevestigd, standvastig zondereen onkelen traan te storten. Toen wenkte zij hem met de hand om heen te gaan en Eckhof, gehoorzaam aan haar wenk, stond op en ging naar de deur. Maar nog eens keerde hij zich om, nog eens ontmoetten hunne blikken elkander; toen had zij den moed, zich van hem af te wenden. Met een zachtmoedigen blik wendde zij zich tot den vriend harer jeugd, Erxleben, die met haar vader was gekomen.

„Ik zal de gelofte mijns vaders vervullen,quot; zeide zij, „ik zal u eene trouwe gade zijn. Zie, daar verdooft de ster, die mijn oog verblindde. Thans ziet het weder helder!quot;

Zij wees met eene silt;ldei'ende hand naar Eckhof, die juist op Fredersdorfs arm leunende, de deur uitwaggelde.

„Vriend,quot; zeide Eckhof droefgeestig, „als de goden een offer verlangen tot verzoening van het geluk, denk ik, dat ik het heden hel) gebracht. Mijn Polykratesring heb ik in zee geworpen, en een gedeelte van mijn hartebloed kleelde er aan. Moge het lot nu verzoend zijn en mij hét geluk gunnen, dat dit scboone, bleeke meisje met hare tranen heeft gezegend. Vaarwel, Chiislina, vaarwel! Onze wegen loopen voor eeuwig uit elkander, en wie weet, of wij elkander eens in den hemel zullen wederzien! Gij behoort lot de heiligen, en ik ben slechts een arme komediant, die zich met eenige opgesmukte lompen van kunst en schoonheid door het walgelijke leven voortsleurt,en dien de engelen misschien eene

1) Dorothea Christina Lupinus, dochter van den geneesheer Lnpinns te Qnedlinhurg, geboren in 1715, huwde, nadat zij te Halle haar doctoraal exaniert had afgelegd en in liet disputaturinni over de „redenen, die tot nu toe het vrouwelijke geslacht het ctudeeren belet hadden,quot; eene schoone Latijr.sche redevoering had gehouden, met den predikant Erxleben te Quedlinburg, waar zij, als practiseerend geneesheer, die evenwel slechts aan het vrouwelijk geslacht hare krachten wijdde, eene zeer uitgebreide en zegenrijke werkzaamheid uitoefende. Zij stierf in het jaar 17ü2. (Denina: l,a Prusse littéraire sous Frédéric JI, Berlin 1700 Vol. II, pag. 26.)

ocr page 82

80

plaats in den homel weigeren zullen, gelijk op aaide de priesters hem een graf weigeren!'quot;')

XII.

TRENCK'S EERSTE ONTSNAPPING.

„Thans,quot; zei prinses Amalia tot, hare vertrouwde, de freule von Haak, „is het de dag, dut hij na vijf maanden van kwelling, weder vrij zal zijn.quot;

Heerlijk, dat hij dit aan mij te danken heeft! Gelukkig, dat God mij de kracht schonk te blijven leven en al deze rampen te verduren, opdat ik in' staat zou zijn hem redden! Want gij twijfelt immers niet aan het welgelukken van ons werk?quot;

„Neen, ik twijfel er niet aan,quot; zeide Ernestina von Haak, blijde glimlachend. „Het plan zal en moet gelukken!quot;

„Laat ons alles nog eens overleggen, al ware het ook maar, om den tijd, die heden als met looden schreden langzaam voortkruipt, een weinig spoediger te doen voorbijgaan. Als de plaatsmajoor van üoo heden in de vroegte, gelijk hij iederen Zondag gewoonlijk doet, in Trenck'sge vangenist reedt, om ze in alle hoeken te doorzoeken en na te zien, of het gevangene edele wild zich niet soms een weg tot de vrijheid beeft gebaand, zal Trenck hem aanvallen, den degen ontrukken, en langs hem heen uit de gevangenis snellen. Voor de deur zal hij den soldaat Nikolai, onzen vertrouweling, vinden. Deze zal in plaats van hem op te houden, doen, alsof hij hem niet ziet, en dan zal Trenck voortijlen, de palissaden overspringen en het paard bestijgen, dat wij daar

1) Nadat Eckhof langen tijd in de grootste steden van Dultschland met het gezelschap van Schóneniann gespeeld en in Duitschland den smaak en de liefde voor het Duitsche tooneel overal had opgewekt, nam Hj een eigen schouwburg in Gotha over, waarbij hij tot zijn dood in 177S (hij was geboren in 1720) als directeur en müdewerkend kunstenaar behoorde. Eckhof had de dubbele verdienste, het eerst aan de Duitsche tooneelspeelkunst, gewicht, aanzien en waarde te hebben verschaft, en den Duitschen tooneelspeler ook als mensch te hebben doen achten en erkennen-

ocr page 83

81

hebben gereed gezet. Gedekt door den soldatenrnantel, dien men hem zal omwerpen, onder het veilige geleide van geladen pistolen, die hij in de halsters van zijn zadel vindt, zal hij op de vleugels van den wind zich naar de Boheemsche grenzen begeven. Niet ver van daar, bij het dorp Lünschutz, staat een ander paard gereed, hij zal er opspringen en voortijlen, steeds voort, tot hij de grenzen heeft overschreden, tot hij vrij is! O, mijn God, het schijnt mij alles zoo veilig, gemakkelijk en zeker toe, Ernestina, dat ik volstrekt niet aan de mogelijkheid eener mislukking kan gelooven quot;

„Ook ik geloof er niet aan,quot; zeide de hofdame. „Het plan is goed berekend en wordt krachtig ondersteund, het zal gelukken.quot;

„Indien hij namelijk de paarden gereed vindt en de plaats niet misloopt, waar zij staan.quot;

„Mijn verloofde zal hem, als hij de wacht bij hem heeft, een briefje doen toekomen, waarop de plaatsen nauwkeurig zijn opgegeven, en Schell's trouw staat er mij borg voor, dat hij de paarden daar vindt. De eenige twijfel bestaat slechts daarin, of het Trenck zal gelukken, de hindernissen in de vesting te overwinnen, want uwe koninklijke hoogheid heeft niet gewild, dat wij onder de soldaten medeplichtigen voor hem zouden aanwerven.quot;

„Neen,quot; zeide Amalia fier, „ik wil Trenck bevrijden, maar ik wil de soldaten mijns broeders hun plicht niet doen verzaken. Het eerste te doen is mijn recht en plicht, want ik bemin Trenck; indien ik het tweede deed, zoude ik hoogverraad plegen jegens mijn koning, en dat zou zelfs de liefde niet kunnen verontschuldigen. Slechts door mij en door zich zelf moet Trenck worden bevrijd. Onze eenige bond-genooten moeten mijn geld en zijne eigene kracht zijn ! O, hij is sterk als een reus, en dapper gelijk een waar held! Hij zal door al z'jne vijanden heenslaan; gelijk Briareus ^ zal hij honderd armen hebben, en zijne vijanden zullen voor hem nedervallen als het koren voor de zeis van den maaier. Kan hij hen allen niet dooden met zijn zwaard, dan zal hij hen dooden met zijne blikken, want in zijne oogen woont eene hemelsche kracht, zonnestralen en vurige bliksemschichten zetelen er in. En schrijft uw verloofde u bovendien

1) Cycloop met 100 armen en 50 hoofden, hielp Zeus tegen de Reuzen.

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 6

ocr page 84

82

niet, dat alle officieren op de citadel hem liefhebben, dat alle soldaten hem beklagen? Het was dus niet noodig hen om te koopen met ellendig geld, Trenck heeft hen omgekocht door zijne fiere, jeugdige schoonheid, zijn ongeluk en zijne beminnenswaardigheid. Niemand zal zich dus tegen hem verzetten, niemand zal trachten hem te weerhouden.

„God geve, dat uwe koninklijke hoogheid juist heeft voorspeld!quot; zeide de hofdame.

„God geve, dat wij de vier dagen, die wij nog moeten wachten, voor wij tijding van zijne bevrijding kïijgen, gelukkig te boven komen,quot; riep prinses Amalia. .,A an zijne bevrijding twijfel ik volstrekt niet, maar wel, ofik die vier dagen van verwachting zal overleven. Het ongeduld zal mij dooden! Ik heb de kracht gehad, het ongeluk weerstand

te bieden, maar ik gevoel, dat reeds de verwachting van het geluk, mij doodelijk afmat. O, hemel, geet slechts, dat ik niet sterve vóór ik weet, dat hij weder in vrijheid is!'

„Men sterft niet met een blos op de wangen en zulke schitterende oogen, als uwe koninklijke hoogheid heeft,quot; zeide freule von Haak glimlachend. „Ik ben dikwijls heimelijk beangst geweest, omdat gij steeds bleeker en tengerder werdt, omdat het verdriet aan u knaagde, gelijk de worm aan de roos; thans echter vrees ik niet meer, want gij zijt genezen, sedert gij weder hoopt! En wat deze vierdagen betreft, die wij nog moeten wachten, wij zullen ze doorbrengen met vroolijk gelach, met feesten en dansen. Is er niet heden bal bij de koningin en morgen in de operazaal? Welaan uwe koninklijke hoogheid, gij liebt gedurende vijf maanden aan deze feesten slechts deelgenomen, omdat gij moest, thans zult gij het doen, omdat gij het wilt; gij zult met meer dansen omdat de koning het bevolen heeft, maar omdat gij jong en vroolijk zijt, en weder op het geluk vertrouwt. Gij'zult dus veel dansen en u in deze twee dagen zoozeer vermoeien, dat gij het geluk zult hebben, den derden dag veel te slapen. Zoo zal'de vierde dag komen en met rozen-roode vingeren uwe vermoeide oogen openen, en u toelluis-teren, dat Trenck vrij is, en dat gij hem hebt bevrijd.quot;

„.Ta, laat ons vroolijk zijn,quot; riep prinses Amalia, „laat ons lachen en dansen. O, mijn broeder zal over mij tevreden zijn. Hij zal niet meer noodig hebben, mij zoo donker en dreigend aan Ie zien; ik zal lachen en dansen, ik zal mij

ocr page 85

83

optooien, en boven alle dames uitblinken door mijn toilet en mijne van hoop stralende oogen. Kom, Ernestine, kom ! Wij zullen mijn toilet voor heden avond in gereedheid brengen. O, het moet een prachtig toilet zijn, ik wil bloemen in het haar, bloemen op de borst dragen, geene paarlen, want die duiden tranen aan, en thans wil ik niet meer weenen!quot;

Vroolijk als een kind, huppelde zij door de kamer en trok hare vriendin mede naar hare kleedkamer; vroolijk bleef zij gedurende de drie volgende dagen der verwachting; vroolijk sliep zij op den avond van den derden dag in, om in den droom haar geliefde te zien, knielende aan hare voeten, haar dankende voor zijne bevrijding en haar eeuwige liefde zwerende.

Zoo kwam de vierde dag en Amalia begroette hem vol vroolijke verwachting, er volstrekt niet aan twijfelende, of hij zou haar eene goede boodschap brengen. Maar de uren verliepen, freule von Haak kwam nog maar niet! Amalia had haar gezegd; „Morgen wil ik u niet wederzien vóór gij mij eene blijde boodschap brengt. Reeds in de vroegte zal die aankomen en gij zult er mijne kamer mede binnen-iladderen, als de duif met het olijfblad.quot;

Freule von Haak kwam nog maar niet! Maar, daar gaat de deur open, daar is zij; doch haar gelaat is bleek, hare oogen zijn rood geweend, en naast haar gaat in rouwgewaad eene bleeke vrouw, wier schoon, edel gelaat, in Amalia zulke wonderbare, heerlijke herinneringen doet herleven. Wie is dat? Wat wil zij hier? Waarom snelt zij met betraande oogen naar de prinses, waarom buigt zij voor haar de knie, en heft smeekend hare handen op, en lispelt; „Ontferming, prinses, ontferming.quot;

Prinses Amalia staat bleek en sidderend van hare plaats op en staart met wijd geopende oogen, zonder een enkelen traan te storten, op de knielende en vraagt zacht, met eene door schrik verlamde tong: „Wie zijt gij en wat wilt gij van mij ?quot;

En de bleeke vrouw aan hare voeten roept met een hart-verscheurenden kreet: „Ik bon de moeder van den onge-lukkigen Frederik von Trenck en ik ben gekomen om uwe koninklijke hoogheid om medelijden te smeeken. Mijn zoon wilde ontvluchten, maar God heeft zijne onderneming niet begunstigd. Nadat hij bijna alle hindernissen overwonnen had en hij reeds de vrijheid, de redding aan gene zijde der pa-

ocr page 86

84

lissadeu voor zich zag, omklemde het ongeluk zijn voet en hield hem vast, tot zijne vervolgers hem bereikten, met hunne zwaarden op hem aanvielen, en hem gewond bebloed, machteloos van woede en smart, naar zijn kerker terug brachten!quot; ^

Een gil van ontzetting klonk van Amalia's lippen; toen zonk zij bleek, ademloos, half bewusteloos op haar stoel neder. Freule von Haak snelde toe, om haar zacht in hare armen te nemen, om haar met eene door tranen gesmoorde stem woorden van troost, deelneming en hoop toe te spreken. Doch Amalia hoorde niet, zij staarde onafgewend op de bleeke, weenende vrouw, die nog steeds voor haar geknield lag en de handen smeeken tot haar ophief

„Heb erbarming prinses, erbarming!quot; zeide deze. „Gij alleen kunt mij bijstaan, gij alleen kunt mij in de redding van mijn zoon behulpzaam zijn. Daarom kom ik tot u, daarom heb ik freule von Haak zoo lang met tranen en gebeden bezworen, mij bij u te brengen, tot zij, in weerwil van alle étiquette, mij toestond, uwe knieën te omvatten en u te zeggen: Help mij omdat gij een engel van goedheid en erbarming zijt, help eene ongelukkige moeder, die haar zoon wil redden!quot;

„En meentgij,dat ikzulks kan?quot; vroeg Amalia neerslachtig.

„Gij alleen, uwe koninklijke hoogheid, hebt het middel in handen mijn zoon van den dood te redden!'

„Noem mij het middel, gravin, al moest ik het met mijn hartebloed koopen, ik zal het doen!quot;

„Breng mij tot den koning, prinses, dat is alles wat ik van u smeek. Hij weet nog niets van de ongelukkige poging tot ontsnapping van mijn zoon. Ik zelve wil het zijn, die hem deze tijding brengt, ik zelve wil hem bekennen, dat ik mijn zoon in zijne vlucht ben behulpzaam geweest, dat ik den onderofficier Nicolai met vleiende woorden en tranen, met geld en beloften heb omgekocht, opdat hij zich niet tegen mijn zoon zoude verzetten, dat ik het paard met de geladen pistolen aan de buitenste palissade gereed hield, dat ik mijn zoon de duizend dukaten die men bij hem heeft gevonden, heb toegezonden, dat ik dien brief heb geschreven, waarin hem eeuwige liefde en trouw wordt beloofd. O, de

1) Trenck's Memoiren. Deel I, pag. 80.

ocr page 87

85

koning zul eenu moeder vergiffenis schenken, die baar zoon wil bevrijden, en daartoe geene middelen onbeproeld laat.quot;

„O, gij zijt eene edele, grootmoedige vrouw,quot; riep de prinses, met schitterende oogen, „gij zijt hot waardig Trenck's moeder te zijn. Gij zegt, dat ik u redden zal, en gij zijt gekomen, om mij te redden. Maar ik zal dit oller niet aannemen, ik zal niet laf en bedeesd zwijgen, waar gij den moed hebt, te spreken. De koning moge dus alles vernemen, li ij moge weten, dat het niet Trenck's moeder is, maar Trenck's geliefde, die hem wilde bevrijden, en dat deze geliefde. ...

„O, zoo gij hem wilt redden, zwijg dan, prinses. De koning kan genade uitoefenen, wanneer de moeder haar zoon wilde bevrijden; hij zal zonder toegevendheid zijn, wanneer eene andere het wilde doen, en indien hij deze andere niet kan strallen, zal hij mijn zoon dubbel straffen!quot;

„ü, schenk gehoor aan hare woorden, prinses,quot; fluisterde de weenende freule; „doe, gelijkde gravin zegt, bewaar den ongelukkigen Trenck voor u; bescherm door uwe stilzwijgendheid zijne vrienden, en wij zullen nochtans de hoop kunnen 'voeden, beter en gelukkiger middelen voor zijne vlucht te beramen!quot;

„Welaan dan, het zij zoo,quot; zeide de prinses treurig. „Ik breng hem ook dit offer; — ik zwijg. God alleen weet, dat ik nog liever mijn leven, mijn hartebloed voor hou zou offeren, en mij dit minder zwaar zou vallen, dan mij en mijne liefde achter stilzwijgendheid en lafheid te verbergen. Kom mede, ik voer u tot den koning!quot;

„Maar ik zeide uwe koninklijke hoogheid nog niet, dat de koning in de bibliotheek is, en ten strengste heeft verboden, iemand toe te laten.quot;

„Hij zal mij binnen laten; of liever, ik zal u over den geheimen gang en door het woonvertrek des konings, niet door de groote voorzaal, bij hem brengen. Kom mede!quot;

Zij vatte driftig de hand der gravin en trok haar voort.

De koning was alleen in zijne bibliotheek. Hij zat voor zijne met boeken en papieren bedekte tafel en was druk bezig met schrijven. Van tijd tot tijd hield hij op en zag peinzend op het geschrevene neder. „Het begin is dus reeds gemaakt,quot; zeide hij zacht, „het begin tot een nieuw werk, dat, hoop ik, een even goede slag op het veld der

ocr page 88

86

wetenschap zal worden, als ik reeds eenigc op het slagveld met den degen heb gewonnen. Ik heb het volle bewustzijn van hetgeen ik wil en ken nauwkeurig mijne taak, en inderdaad, het is eene schoone taak en zal de moeite wel beloonen. Ik wil de „(jeschiedenis van mijn tijdquot; schrijven, niet in den vorm van gedenkschriften en^ evenmin van Commentaren; maar als een vrij, zeltstandig, onpartijdig, geschiedkundig werk. Ik wil daarin de omverwerping van Europa in het groot schilderen, en zal trachten het belachelijke en dwaze te teekenen, dat in het gedrag van zijne heer-schers zichtbaar is. ^Nu, mijn waardige ambtgenooten, de koningen en vorsten hebben mij rijkelijk stof tot een komisch kluchtspel geleverd. Ik wenschte wel het penseel van een helschen Breughel, en de pen van Thucydides voor mijn werk, opdat het bereike, wat ik er van eisch. Och, de roem is zulk eene prikkelende spijs, dat, hoe meer men er van geniet, men er des te meer naar dorst. Waarom is het mij niet voldoende, een goed veldheer te worden genoemd, waarom streef ik er naar, ook eens op het kapitool te worden gekroond? Nu, zijne heiligheid de paus zal mij in geen geval kronen of tot den rang van een heilige vei'heifen, en waarlijk, zulk een titel verlang ik dan ook niet. Ik ben voldaan, als de nakomelingschap mij een goed vorst, een dapper soldaat, een goed wetgever noemt, en het mij vergeeft, dat ik soms, in plaats van met het strijdros, ook eens een weinig met den Pegasus heb rondgerend!quot;

Vroolijk lachend nam de koning de pen op en begon weder te schrijven.

Achter den koning ging thans zachtjes de naar het woonvertrek leidende deur open en prinses Amalia zag onderzoekend, met een bleek, treurig gelaat, naar. binnen. Toen zij zag, dat de koning bleef voortschrijven, klopte zij zacht aan de geopende deur.

De koning keerde zich driftig met gefronste blikken om, „Heb ik niet gezegd dat ik alleen wilde zijn?quot; vroeg hij wrevelig; maar toen hij zijne zuster bemerkte, stond hij op en eene angstige uitdrukking sprak uit zijne trekken.

„O, zuster, ik zie aan uw bedroefd gelaat, dat gij mij eene

1) 's Konings eigen woorden. Oeuvres posthumes: Correspondance avec Voltaire.

ocr page 89

87

slechte Ujcling koml brengen,quot; zeide hij, en zij moet wel dringend zijn geweest, daar gij zoo onaangemeld binnen treedt.quot;

„Broeder, het ongeluk heett altijd het heilige voorrecht, onaangemeld bij den vorst binnen te treden, en u om hulp en erbarming te mogen smeeken,quot; zoide de prinses. „Ik maak op dit heilige voorrecht ook aanspraak voor de ongelukkige vrouw, die mij heeft gebeden hare voorspraak bij mijn doorluchtigen broeder te willen zijn. Sire, wilt ge de genade hebben, haar eene audenlie toe te staan?quot;

„Wie is zij?quot; vroeg de koning op verdrietigen toon.

„Sire, het is de gravin Lostange,quot; zeide Amalia nauwelijks hoorbaar.

„De moeder van den oproerigen luitenant von Trenck!quot; riep de koning op bijna dreigenden toon, en toornig zag hij neder op het bleeke gelaat van zijne zuster.

„Ja, het is de moeder van den ongelukkigen luitenant von Trenck, die het waagt, uwe majesteit om genade te smeeken,quot; riep de gravin, aan de deur op hare knie neder-zin kende.

De koning deed eene schrede achteruit, en zijn gelaat werd nog donkerder. „Inderdaad, gij verschaft u op eene zeldzame wijze audiëntie, gij verovert haar en maakt de prinses naar het schijnt, tot uw heraut!quot;

„Sire, ik heb de bedienden te vergeefs om toegang gesmeekt, zij wezen mij af. Toen wendde ik mij in den angst mijns harten, tot de prinses, die grootmoedig genoeg was, voor mij de gramschap van haar doorluchtigen, koninklijken broeder te trotseeren.quot;

„En zijn de zaken, die gij mij te zeggen hebt, dan zoo dringend?quot;

„Sire, sedert vijf maanden smacht mijn zoon in den kerker, — en uwe majesteit vraagt, of het zoo dringende zaken zijn, dat zijne moeder tot u komt? Mijn zoon heeft zich den toorn uwer majesteit op den hals gehaald en ik weet niet waarom; hij is eene gevangene, en ik ken zijne misdaad niet. O, moge uwe majesteit genade uitoefenen en mij met de misdaad mijns zoons bekend maken, opdat ik zijne schuld trachte te verzoenen!quot;

„Hoe, mevrouw? Eene moeder is niet verantwoordelijk voor de misdaden van haar zoon; eene vrouw kan niet boe-

ocr page 90

88

ton voor wat een man misdeed. Laat uw zoon daarom aan zijn lot over, dat misschien nog eens voor hem kan ophelderen en gunstiger worden, als hij verstandig en omzichtig is en de waarschuwing verslaat waarmede het thans aan zijn onvoorzichtig hart heeft geklopt.quot;

Het oog des konings richtte zich bij deze woorden mede tot de prinses, alsof deze waarschuwing te gelijkertijd lol haar was gericht.

„Ach, wil uwe majesteit dus het arme moederhart nog hoop geven?quot; vroeg de gravin. „Zal die rampzalige gevangenschap van rnijn armen zoon dus voorbijgaan, zal uwe majesteit hem eens vergilfeniö schenken voor de misdaad, die ik niet ken en die uwe majesteit niet de genade heeft, mij te noemen?quot;

„Wilt gij het welen, mevrouw?quot; vroeg de koning gestreng. „Hij heeft eene onvoorzichtige en verraderlijke briefwisseling gevoerd, en indien ik hem voor een krijgsraad bracht, zou hij als schuldig aan hoogverraad worden gesliafl. Maar daar ik zijne jeugd, zijne lichtzinnigheid en eenige slechts aan mij bekende verzachtende omstandigheden in aanmerking neem, zal ik hem met toegevendheid behandelen. Deze verzekering, mevrouw, zij u voldoende; binnen een jaar zal uw zoon vrij zijn, ^ en als de eenzaamheid hem tol nadenken en bekentenis van zijne misdaad heeft gebracht, als hij zich beiert en van al zijne dwaasheden afziet, zal ik weder een genadig koning voor hem zijn. Schrijf dal aan uw zoon, en thans vaarwel!quot;

„O, sire, gij weel nog niet alles, wat ik van uwer majes-teils genade heb te verzoeken. Ik heb nog eene bekentenis le doen, en —quot;

Een zacht geklop aan de naar de voorzaal voerende deur deed haar ophouden en eene stem van buiten riep: „Sire, een koerier met gewichtige depêches uit Silezië!quot;

„Ga mijne woonkamer binnen en wacht daar,quot; zeide de koning, terwijl hij de prinses een teeken gaf. De beide dames verwijderden zich.

„Depêches uit Silezië,quot; fluisterde de gravin. „De koning zal thans vrees ik, alles vernemen.quot;

1) Trenck's Memoiren. Deel 1, pag. 82

ocr page 91

80

„Dal moge hij,quot; zoidc prinses Amalia bijna fier, „wij zijn hier om hem le redden, en wij zullen hel doen!quot;

Na verloop van korten lijd werd de deur driftig opengerukt, en de koning verscheen, bleek en met van gramscliap fonkelende oogen, op den drempel.quot;

„Mevrouw,quot; zeido hij, op de papieren wijzende, die hij in handen hield, „uit deze depêches heb ik vernomen, wat gij mij ongetwijfeld kwaamt zeggen. Uw zoon heeft als een laffe misdadiger, als een met schuld beladen boosdoener uit zijne gevangenis trachten le ontkomen. Hij heeft daarbij soldaten gedood en gewond ; hij heeft den vesling-komman-dant ontwapend, en in de onbeschaamdheid en den waanzin van zijn lallen angst, heeft hij op klaarlichten dag over de palissaden willen ontsnappen. O, mevrouw, men moet zich zeer schuldig gevoelen, om zulk eene vermetele vlucht te wagen, en hij moet zeer misdadige medeplichtigen hebben gehad, die hem zulk een raad konden geven. Want hij had medeplichtigen, had medeschuldigen, die den schildwacht voor zijne deur omkochten, en hem heimelijk geld deden toekomen en paarden voor zijne vlucht in gereedheid hielden. Wee hun, als ik ooit hunne namen verneem, als ik de misdadigers leer kennen, die mijne soldalen en officieren tol de verraderlijke schending van hun eed verleidden.quot;

„Ik, sire, was die misdadigster,quot; zeide de gravin. „Eene moeder mag het wel wagen, tol iederen prijs de vrijheid van haar zoon te bewerken, en voor haar is ieder wapen rechtvaardig, als zij hem er mede kan verdedigen. Ik heb de soldaten omgekocht, de paarden gereed gezet en mijn zoon geld gezonden, ik wilde mijn zoon bevrijden!quot;

„En gij hebt hem daardoor integendeel in dieper en hope-loozer ellende gestort! Want thans, mevrouw, thans is er geen genade meer. De overlooper en deserteur heeft de genade van zijn koning verbeurd; de schande, de ellende en de eeuwige gevangenschap zijn thans zijn deel. Dal is mijn laatste woord! Hoop niel op genade. Volgens de krijgswetten is de deserteur des doods schuldig: ik wil hem het leven schenken, maar hem de vrijheid geven, dat kan ik niel, want ik weet nu, dat hij er misbruik van zoude maken. Vaarwel!quot;

„Genade! genade!quot; smeekte de gravin. „Erbarm uover

ocr page 92

90

mijn zoon, sire, liij is zoo jong, liij heeft nog een lang leven voor zich.quot;

„Een leven van berouw en boete,quot; zei de koning streng, „Een ander zul ik hem niet toestaan! Ga heen!quot;

Hij keerde zich om en stond op het punt in zijn studeervertrek terug te keeren. Eene hand werd op zijn schouder gelegd en toen hij zich omkeerde, zag hij het bleeke gelaat van zijne zuster voor zich.

„Broeder,quot; zeide de prinses met vaste stem, „sla mij toe, li een oogenblik alleen te spreken. Ga voor, ik volg u.quot;

Er lag iels fiers, iets gebiedends in haar geheele uiterlijk ; zij had een vast, heldhaftig besluit genomen, dat was te lezen in hare fiere blikken en dat kon men zien uit haar helder ernstig voorhoofd. Zij was niet meer het jonge meisje, dat bedeesd en met gevouwen handen over hare liefde weent, zij was de heldhaftige vrouw, die hare liefde verdedigen of er mede sterven wil. — De koning las dat op haar gelaat, hij zag het in hare koninklijke houding, en met den eerbied en de achting, die groote zielen altijd voor het ongeluk gevoelen, boog hij zich voor deze vrouw, tot welke hij zich door deelnemend medelijden aangetrokken voelde.

„Kom mede, zuster,quot; zeide hij, haar zijne hand reikende.

Maar Amalia nam deze hand niet aan, zij ging met hem de biblioteek binnen en sloot langzaam en zacht de deur achter zich toe. Toen leunde zij een oogenblik, als om krachten te verzamelen, tegen den wand, terwijl de koning, haastig door de kamer gaande, zich aan het venster plaatste en zijn glooiend voorhoofd tegen de glasruiten verkoelde. Toen hij achter zich het ruischen van haar kleed hoorde, keerde hij zich om en ging de prinses te gemoet. Zij zag hem met hare groote, koude, onbetraande oogen aan.

„Is het voldoende, als ik beloof hem nimmer weder te zien T vroeg zij.

„Die belofte is overtollig; want ik zal een wederzien onmogelijk weten te maken.quot;

Zij knikte langzaam met haar hoofd, alsof zij dit antwoord had verwacht.

„Is het voldoende, als ik zweer, hem nimmer weder te schrijven, hem geen teeken van mijne liefde meer te geven ?quot;

„Ik zou aan dien eed geen geloof slaan; en als ik hem de vrijheid gaf, zou hij u en uwe familie compromitteeren.

ocr page 93

91

door te roemen op eenen lielde, die slechts voor de ornslan-dighedeii en de noodzakelijkheid, maar niet voor het versland heeft moeten wijken, of die men moede was. Ik wil u thans geene verwijten doen, want ik twijfel niet of uw geweten doet dat reeds zonder mij. Ik zeg u alleen dit; ik zal hem niet in vrijheid stellen, zoolang hij nog aan uwe liefde mag gelooven!quot;

„Zult gij hem in vrijheid stellen, als ik hem van dat geloof beroof? Als ik hem de beloofde trouw, gelijk een stuk papier in het aangezicht werp? Als ik hem zeg, dat vrees en lafheid mijne liefde hebben uitgebluscht en ik hem voor eeuwig vaarwel zeg?quot;

„Schrijf hem dat. en ik beloof u, dat hij binnen eenige maanden vrij zal zijn; maar, versta mij wel, vrij om te gaan waarheen hij wil, behalve naar Uerlijn, vrij, maar uit mijn koninkrijk verbannen.quot;

„Zal ik hier schrijven?quot; vroeg zij met een volkomen onverschillig gelaat en ijskoude bedaardheid.

„Schrijf. Gij vindt op mijne schrijftafel alles, wat gij noodig hebt.quot;

Zij ging gelaten naar de schrijftafel en zette zich neder. Toen zij begon te schrijven, bedekte eene doodelijke bleekheid haar gelaat en haar adem steeg hijgend en steunend uit hare borst op.

De koning stond niet ver van haar en sloeg haar met diep bedroefde blikken gade.

„Zijt gij reeds gereed?quot; vroeg hij, toen zij het papier, waarop zij had geschreven, ter zijde schoof.

„Neen,quot;' zeide zij bedaard, „er was slechts een traan op dat papier gevallen. Ik moet dus op nieuw beginnen.quot;

En bedaard nam zij een ander vel papier en begon weder te schrijven. De koning wendde zich zuchtende van haar af; hij gevoelde, dat, als hij nog langer dat bleeke, gelatene, den dood trotseerende gelaat beschouwde, hij in weerwil van zijn verstand en zijn plicht, haar genade zoude schenken en haar den geliefde zou wedergeven.

Hij ging weder naar het venster en zag in gedachten verzonken tot den hemel op. „Is het mogelijk, kan het zijn?quot; vroeg hij zich zeiven af. „Mag ik mijne plichten als koning, als hoofd mijner familie vergeten en mij slechts herinneren, dat zij mijne zuster is, dat zij lijdt en weent ?

ocr page 94

92

Moeten wij dan allen die ijdele glorie en het beuzelachtige der aardsche grootheid mot ons warmste hartebloed en onze schoonste hoop heialen? En zoo ik haar thans beroof van het geluk, waarvan zij eens droomde, wat kan ik haar dan tot vergoeding aanbieden? Waarmede kan ik hare hoop, hare liefde, het geluk van hare jeugd vergoeden? Hoogstens met een weinig aardschen glans, met het purper en eene kroon, en eindelijk misschien met mijne liefde. Ja, ik wil haar beminnen, trouw en innig; zij zal het den broeder moeten vergeven, dat de koning haar geen vergiffenis kon schenken. Zij . . . .quot;

„Tk ben gereed,quot; zeide achter hem de treurige stem van zijne zuster. De koning keerde zich om. Amalia stond aan de schrijftafel, het beschreven papier in de eene hand houdende, terwijl zij met de andere hand op de tafel rustte.

„Lees,quot; zeido de koning, haar naderende en zich tegenover haar plaatsende.

De prinses boog haar hoofd en las:

„Ik beklaag u, maar uw ongeluk is niet te veranderen, en ik mag en wil het niet beproeven, het te verzachten, want ik zou vreezen mij zelve te compromilteeren. Deze is daarom mijn laatste brief. Ik mag verder niets voor u wagen. Beproef niet mij te schrijven, want ik zou uwe brieven ongeopend terug zenden. Onze scheiding moet voor eeuwig zijn, maar ik zal u steeds genegen blijven, en indien ik u later van dienst kan zijn, zal ik het gaarne doen. Vaarwel, ongelukkige vriend, gij verdient een beter lot.quot;1)

„Is dat alles?quot; vroeg de koning, toen de prinses zweeg.

„Dat is alles, sire!quot;

„Én denkt gij, dat, als hij dezen brief ontvangt, hij niet meer aan uwe liefde zal gelooven,quot; vroeg de koning treurig glimlachend ?

„Ik ben er zeker van, want ik zeg hem dat ik niets meer wagen, het zelfs niet beproeven wil, zijn ongeluk te verzachten. Dat doet men slechts, als men laf en ellendig genoeg is, zijne liefde aan het ongeluk ten offer te brengen. Ik zal zijne vrijheid met zijne verachting hebben gekocht!quot;

„Wat zoudt gij hem dan hebben geschreven, als gij de ingeving van uw hart had mogen volgen ?quot; vroeg de koning.

1

Friedrich von Tienck's Memoiren. Deel I, pag. 86.

ocr page 95

93

Eene blos zweefde over haar gelaat en in hare oogen llikkorde een heldere liefdestraal. „Ik zou hem hebben geschreven; hoop op mij, geloof in mij. Want voor laan-heeft mijn leven nog slechts dit enkele doel: u te bevrijden. Ik moge sterven, als ik dat bereikt hebt, maar sterven met het blijde bewustzijn, u te hebben gered en aan mijne liefde getrouw te zijn geweest!quot;

„Zoudt gij hem dat hebben geschreven?quot;

„Dat zou ik hem hebben geschreven,'' zeide zij fier en verheugd. „En aan de waarheid van dien brief zou hij niet hebben getwijfeld.quot;

„O, vrouwenhart, onuitputtelijke bron van liefde en zelfopoffering,quot; lispelde de koning, terwijl hij zich omkeerde om zijne ontroering voor zijne zuster te verbergen.

„Is deze brief voldoende?quot; vroeg de prinses. „Zult gij Trenck nu in vrijheid stellen?quot;

„Ik heb het u beloofd en ik zal woord houden. Vouw den brief en zet er het adres op. Ik zal hem dadelijk laten bezorgen.quot;

,.En wanneer zal hij vrij zijn ?''vroeg Amalia, terwijl zij deed, wat de koning haar had bevolen.

„Ik mag hem niet terstond in vrijheid stellen, want dat zou een slecht voorbeeld voor mijne officieren zijn. Hij heeft het gewaagd te willen ontvluchten, hij moet daarvoor zijne straf ondergaan. In drie maanden zal hij vrij zijn.quot;

„In drie maanden dus. Hier is de brief, sire.quot;

De koning nam den brief en stak dien in zijn borstzak. „En thans mijne zuster, kom thans aan mijn hart,quot; zeide hij, zijne armen naar haar uitstrekkende. „De koning heeft u vertoornd, de broeder wil met u weenen. Kom Amalia, kom aan een trouw broederharf.quot;

Maar Amalia wierp zich niet in zijne geopende armen, zij bleef bedaard staan en scheen zijne woorden volstrekt niet gehoord, niet verstaan te hebben.

„Ik verzoek uwe majesteit, mij nu te mogen verwijderen,quot; zeide zij. „Onze zaken zijn afgeloopen en ik geloof, dat wij niets meer met elkander hebben te behandelen!quot;

De koning liet zijne armen zinken en zuchtte smartelijk. „O, zuster,quot; zei hij treurig, „bedenk wat gij doet, laat uw hart niet ongevoelig worden, wend het niet van mij af. Geloof mij, ik lijd mei u en indien het er slechts op aan-

ocr page 96

94

kwam, mijne persoonlijke vooroordeelen, mijne persoonlijke wenschen aan u op te oll'eren, zou ik het met vreugde doen. Maar ik moet aan mijne voorvaderen, aan de geschiedenis van mijn huis, aan de vooroordeelen der wereld rekenschap geven. Amalia, ik mag, ik kan niet anders handelen. Vergeef het mij, mijne zuster. En thans, nog eens, Amalia, laten wij in onze liefde tot elkander standvastig blijven, kom in de armen uws broeders !quot;

Hij naderde haar en strekte zijne armen uil om haar aan zijn hart te drukken, maar de prinses ging langzaam achteruit.

„Uwe majesteit sta mij toe, u te herinneren, dat in gindsche kamer eene arme, ongelukkige vrouw op een vertroostend woord hoopt,quot; zeidezij,„en dat deze vrouw Trenck's moeder is. Zij zal ten minste gelukkig zijn, als ik haar zeg, dat haar zoon spoedig vrij zal zijn. Veroorloof mij dus, sire, mij te verwijderen en bij haar te gaan!quot;

Zij maakte voor den koning eene plechtige en diepe buiging en ging toen langzaam de kamer uit. De koning trachtte haar niet te weerhouden. Hij zag haar met bedroefde, vragende blikken na, nog altijd hopende, dat zij zich zou omkeeren, dat zij tot hem zou terugkeeren.

Nu stond zij aan de deur, nu keerde zij zich om. De koning deed snel eenige schreden voorwaarts. Maar prinses Amalia maakte slechts eene ceremoniëele buiging tot afscheid en ging toen de deur uit.

„Verloren, ik heb haar verloren!quot; zei de koning zuchtend „O, God, moet dan alles, wat ik bemin, mij verlaten? Was het niet genoeg, dat ik mijne vrienden door den dood heb verloren, moet ik nog eene geliefde zuster door dit harde en koude leven verliezen ? Ach ik ben een arm man en toch noemen zij mij een koning!quot;

En hij viel op een stoel neder en bedekte zijn gelaat met zijne handen. Zoo zat hij geruimen tijd en de diepe stilte om hem heen werd slechts afgebroken door zijne zuchten. Toen liet hij zijne handen weder van zijn gelaat glijilen en stond op.

„Werken, ik wil werken!quot; zeide hij, zich fier oprichtend. „Dat is toch een troost en leert vergeten!''

Hij ging met haastige schreden naar zijne schrijftafel en zette zich neder, terwijl hij met een onderzoekenden blik

ocr page 97

1gt;5

de akten en papieren beschouwde, die daar opeen gestapeld lagen.

Hij nam een dier akten ter hand sn begon te lezen. Maar spoedig schoof hij haar wrevelig ter zijde. „Het gaat. niet,quot; zeide hij, „de letters dansen mij voor de oogen. Mijn hemel, hoe moeielijk is het toch, zijn plicht te doen!quot;

Hij leunde op zijne hand en zag langen tijd in gedachten verzonken voor zich heen. Langzamerhand namen zijne trekken eene blijde uitdrukking aan, een wonderbare glans verhelderde zijne oogen en zijn gelaat schitterde als in eene verheerlijking. „Ja,quot; zeide hij eindelijk met een liefelijken glimlach. „Ja, zoo zal het zijn! Ik heb in dit uur mijne zuster verloren, en ik heb haar teeder bemind. Welnu, voor hen, die men bemint en die voor ons gestorven zijn, is men gewoon een gedenkteeken op te richten, een gedenk-teeken der liefde en ter herinnering. Arme, overledene zuster, ik wil voor u een gedenkteeken oprichten! De koning heeft zijne zuster ongelukkig moeten maken; daarvoor zal de koning trachten zijn land gelukkig te maken, en als er dan geene wetten zijn, die eene prinses tegen den koning kan te hulp roepen, zullen er ten minste voor al mijne onderdanen wetten zijn, die hen beschermen en die in overeenstemming zijn met het verstand, het recht en het goddelijk beginsel van gelijkheid! Ja, ik wil mijn land een nieuw wetboek, mijn volk een algemeen landsrecht geven.1) üat, Amalia, zij het gedenkteeken, dat ik in mijn hart voor u opricht. En wel terstond, nog in dit uur, wil ik aan Gocceji schrijven, en hem opdragen, zulk een wetboek, zulk een algemeen landsrecht te ontwerpen!quot;

En terwijl de koning zoo sprak, nam hij haastig de pen en begon te schrijven; en zoo geheel vervuld was hij van zijne gedachten, dat hij halluid, als wilde hij de pen in zijne hand met zijne woorden vleugelen geven, zich zeiven dicteerde en voorsprak, wat hij wilde schrijven,

„De rechters,quot; zoo sprak hij, terwijl hij met vliegende haast verder schreef, „de rechters moeten aan allemenschen, zonder aanzien van persoon,aanzienlijken en geringen, rijken en armen, gelijk en onpartijdig recht doen, gelijk zij denken, dit voor den rechtvaardigen rechterstoel Gods te verant-

1

Rödenbeck, Tagebnck, I'ag. 137.

ocr page 98

90

woorden, opdat de zuchten der weduwen en weezen en van andere bedrukten niet op hen en het hoofd hunner kinderen mogen komen. Zij mogen ook op geen rescripten, al zijn die ook uit ons kabinet afkomstig, de minste acht slaan, als daarin de wet ontdoken en in strijd met haar gehandeld, of de strenge loop van het recht daardoor verhinderd en gestoord wordt; maar zij moeten naar plicht en geweten hun gang gaan.quot; ')

De koning schreef voort, en zijn gelaat werd steeds helderder, terwijl zijne pen als over het papier vloog.

Zoozeer was de koning met zijne gedachten vervuld, dat hij volstrekt niet hoorde, dat de deur zachtjes achter hem geopend en de portiére werd opgelicht, en dus ook niet bemerkte, dat het vroolijke en geestige gelaat van zijn vriend, den generaal liothenburg, naar binnen zag.

De koning bleef maar vooi tscnrijven. Rothenburg bukte zich en liet iets uit zijn armen op den grond glijden, en terwijl hij dat deed, lachte hij vergenoegd en vroolijk, en zag weder op tot den koning, en toen naar het lieve, kleine windhondje, dat hij op den grond had gezet en geen ander was dan Biche, het verloren en in gevangenschap geraakte lievelingshondje van den koning. 1)

Een oogenblik stond Biche stil en zag met opgeheven, kwispelenden staart en slimme, fonkelende oogen rond, toen snelde zij vlug en onhoorbaar over het tapijt, en met een sprong stond zij boven op de schrijftafel voor den koning en legde hare voorpooten om zijn hals.

„Biche, mijne trouwste vriendin, mijne Biche, zijt gij weder terug, mijne Biche!quot; zeide de koning, zijne pen wegwerpende en het diertje in zijne armen nemende.

En toen begon Biche te huilen van blijdschap, vleide haar teruggevonden heer, boorde haar spits kopje in zijne borst

1

Het windhondje Biche was, gelijk vroeger gezegd is, in den slag bij Sohr in Oostenrijksche gevangenschap geraakt, en door den generaal Nadasti als buit aan zijne gemalin geschonken. Toen mevrouw Nadasti vernam, dat Biche het lievelingshondje des konings was geweest, behield zij het bij zich en wilde er volstrekt niet weder van scheiden. Eerst na veelvuldige onderhandelingen en verscheidene opeischingen besloot zij den koning Biche terug te zenden. Rödenbeck. Tagebuch, pag. 127.

ocr page 99

07

en zag hem met hare schitterende oogen zoo lief en vrien-dolijk aan! En de koning?

Hij boog zijn gelaat over den kop van zijn trouw hondje en de tranen kwamen hem in de oogen.1)

„Mijne Biche,quot; duisterde hij zacht, „gij hebt mij dus niet vergeten? Ach, als de menschen zoo trouw waren en mij beminden, gelijk gij, mijn trouw hondje, waarlijk, dan zou ik een rijk en gelukkig koning zijn!quot;

De generaal Rothenburg stond nog altijd aan de deur en zag door de half teruggeslagen portière naar binnen.

„Sire,quot; zeide hij toen, „heeft alleen Biche de f/mmdes en pelites entrees, of ik ook?quot;

„O, hebt gij mij dus Biche gebracht?quot; vroeg de koning, den generaal een teeken gevende, om te naderen.

„Ja, sire, maar bijna spijt het mij, want ik zie wel, Biche is cene gevaarlijke mededingster en ik ben afgunstig op haar!quot;

De koning lachte. „Gij zijt mijn trouwste vriend,quot; zeide hij, „maar Biche is mijn getrouwste vriendin! Ik zal het nimmer vergeten, dat zij mij eens aan de Oostenrijkers had kunnen verraden, en niet deed, wat duizende menschen in hare plaats zouden hebben gedaan, maar haar heer niet verried. Had' zij geblaft toen ik met haar onder de brug gevlucht was voor de Pandoeren, die over de brug trokken, dan was ik verloren geweest. Maar zij deed het niet! üit liefde tot mij verloochende zij hare natuur, zweeg, en bleef dicht bij mij, terwijl zij mij steeds met hare heldere, verstandige oogen aanzag en mijne handen likte. Ach, vriend, geloof mij, de honden zijn veel beter en trouwer dan de menschen, en de zoogenaamde evenbeelden Gods zouden zeer veel van de honden kunnen leeren!quot;

XIH.

DE VLUCHT.

Er waren reeds twee maanden voorbijgegaan sedert de mislukte poging tot ontsnapping van Trenck. En hoewel

1) Müchler, Friedrich der Grosse, pag. 350. — Rodenbeck, ïagebuch, pag. 127.

Mühlbaoh, Freclcrih de Groote en zijn Hof. IV. 7

ocr page 100

08

hel Iwee maanden van kwellingen, van rtiepe smart en knagend verdriet waren, was luitenant von Trenck toch niet ontmoedigd, niet hopeloos. Hij had slechts één doel voor oogen, namelijk zich te bevrijden uit den kerker, dien hij, volgens zeggen van den kommandant van Fouquet, niet levend weer verlaten zou. Tegenover dit schrikbeeld van eene levenslange gevangenschap voelde Trenck al zijne energie herleven; zij deed het bloed in vurige stroomen door zijne aderen vliegen en met een tieren glimlach en vlammen schietende oogen, zeide hij : „men is nimmer levenslang gevangen, als men zich sterk genoeg gevoelt om vrij te zijn ! Ik heb kracht en moed gelijk Atlas, om de geheele wereld op mijne schouders te dragen, en zou ik dan deze sloten en poorten niet kunnen doen springen, die ellendige vestingmuren niet kunnen overwinnen, die mij van de vrijheid, de wereld en den gulden zonneschijn verwijderd houden? Neen, neen, nog vóór het jaar ten einde is, zal ik vrij zijn! Ja, vrij om tot haar te gaan, om haar dat vreesdijke blad papier terug te geven en haar te vragen, of zij dat inderdaad geschreven heeft, of die koude, genadige woorden, werkelijk uit haar hart zijn gekomen, — of dat men het heeft gewaagd, haar handschrift na te maken, om zoo nog den laatsten zonnestraal, die in mijne gevangenis licht wierp, met een nevel te bedekken! Om dal te weten, moet ik vrij zijn, want ik geloof geene trekken, dan die, welke in haar schoon gelaat staan geteekend, en slechts als zij zelve mij zegt, dat zij mij heeft opgegeven, zal ik het gelooven! Ik moet dus vrij zijn, en zoolang ik dat niet ben, moet ik al het andere vergeten, alles, zelfs dezen vreeselijken brief! Mijne gedachten, mijne oogen, mijn hart en mijne ziel moeten slechts één doel, één ademtocht hebben: de vrijheid! de vrijheid

„Maar ach! Het jaar liep ten einde en nog steeds walP dat. dool niet bereikt, veeleer scheen het zich alverderen verder te verwijderen, want uit Berlijn waren strengere voorzichtigheidsmaatregelen bevolen, en de kommandant van Fouquet had daarom de wacht voor Trenck's deur laten verdubbelen en den officieren der citadel op stralVo van strenge gevangenisstraf verboden, den gevangene in zijne cel te bezoeken, of hem vriendschappelijk te bejegenen.

Maar de officieren beminden dezen jongen levenslustigen man, die de akelige eentonigheid van hun garnizoensleven

ocr page 101

99

met zijne frissche, krachtige verschijning had vervroolijkt en verbroken, en die hen met zijn veerkrachtigen geest en zijne rijke verbeeldingskracht uit hun vervelenden eentonig leven had opgewekt. Zij hadden medelijden met zijne jeugd, zijne schoontieid, zijn genie, en zijn ongeschokt vertrouwen. Zijnekoene vermetelheid boezemde heneerbiedin en maakle hen nieuwsgierig en verlangend den eindelijken afloop te zien van dien kamp tusschen den armen, machteloozen, geboeiden jongeling en den strengen, hevelenden vesting-kommandant, die Trenck toegezworen had, dat het hem niet zoude gelukken, ook maar eene enkele poging tot ontvluchting te doen, en dien Trenck daarop vroolijk lachend ten antwoord had gegeven: „Ik zal geene poging tot ontvluchting doen, maar ik zal ontvluchten, alle wachten, alle vestingwallen en alle kommandanten ten trots. Riekt gij dan niet den adem der vrijheid, die ree ls door mijn kerker waait, ziet gij dan niet, hoe de vrijheid met een betooverend lachje aan het hoofdeinde van mijn ellendig bed staat, om mij des avonds met zoete liederen in slaap te zingen, en des morgens met daverend bazuingeschal te wekken? O, mijnheer de kommandant, de vrijheid bemint mij en spoedig zal zij mij gelijk eene bruid in hare armen nemen en van hier voeren !quot;

De kommandant had, gelijk gezegd is, de wachten laten verdubbelen en de officieren op strenge straf verboden, zich met Trenck te onderhouden. Terwijl voorheen de officier, die bij Trenck de wacht had, ongehinderd bij hem binnentreden, bij hem vertoeven en met hem eten mocht, was thans de deur van den armen gevangene voor alle officieren gesloten. De majoor zelf bewaarde den sleutel dezer deur, en door het venster, dat in het midden dezer deur was aangebracht, werd den gevangene zijn voedsel toegereikt. Maar dit venster was evenwel groot genoeg, dat de wachthebbende officier er zijn hoofd kon doorsteken en met den gevangen luitenant von Trenck kon keuvelen; wel had de majoor den hoofdsleutel tot deze deur, maar de officieren bezaten toch een nachtsleutel, zoodat zij iederen avond ongehinderd bij hun vriend konden komen om eenige uren met hem in gesprek door te brengen, en met lachende verbazing naar zijne plannen tot bevrijding, zijnedroomen voor de toekomst te luisteren.

ocr page 102

100

Niet allen evenwel, kwamen bij hem, om slechts over onverschillige dingen te spreken, om zich door hem te laten vervroolijken en zich over zijn frisschen levensmoed te verheugen. Eenigen kwamen ook, omdat zij hem inderdaad beminden, omdat zij hem met raad en daad wilden bijstaan. En een kwam er ook, omdat hij aan zijne geliefde, zijne bruid had beloofd, Frederik von Trenck te bevrijden, het mocht kosten wat het wilde. Die een was de luitenant von Schell, de verloofde van de hofdame der prinses.

Eens was hij, door middel van den nachtsleutel der officieren, in Trencks cel getreden en had hem gezegd: „Ik zal u helpen en bijstaan bij uwe bevrijding — wat meelis, ik zal met u ontvluchten. Fouquet haat mij, omdat ik, gelijk hij zegt, voor een officier te geleerd ben, en niet alleen van de krijgs- en wachtdienst houd, maar ook van de boeken en wetenschappen. Hij heeft mij herhaaldelijk bestraft, en ik heb daarom reeds tweemaal om mijn ontslag verzocht . Men heeft het mij tweemaal geweigerd en mij gedreigd mij in vesting-arrest te zenden, als ik voor de derde maal om mijn afscheid zou verzoeken. Ik ben dus, even als gij, niet vrij te doen wat ik wil, en daarom wil ik met u ontvluchten. Laten wij dus onze maatregelen nemen en onze plannen maken.quot;

„Ja, laten wij onze plannen maken,quot; zeide Trenck, terwijl hij den zoo onverwacht gevonden vriend met een van vreugde schitterend gelaat de hand drukte. „O, nu zullen wij on-overwinnelijk zijn, want wij zullen gelijk Briareus honderd armen en honderd hoofden hebben! Als twee sterke krachtige mannen hun wil tot één vereenigen, kan niets hen weerstand bieden, niets hen tegenhouden! Laten wij dus onze plannen maken!quot;

En zij hadden hunne plannen gemaakt, en die plannen waren spoedig rijp voor de uitvoering. Op den laatsten dag van het jaar, als luitenant von Schell weder de wacht bij Trenck had, dan zou het geschieden, dan wilden zij ontvluchten. De nacht door geen maneschijn verlicht, zou hen beschermen, paarden zouden gereed staan, men zou trachten de wacht om te koopen, en voor hen, die zich niet lieten omkoopen, zou men de geladen pistolen gereed houden, die men reeds in Trenck's cel binnengesmokkeld en daar onder de asch van den haard verborgen had.

ocr page 103

101

Onder deze toebereidselen en plannon was de vooravond van het kerstfeest gekomen, een feestdag voor elkeen, zelfs voor de officieren van de citadel, die heden, met uitzondering van hen, die de wacht hadden, bij den komrnan-dant aan tafel waren genoodigd; een feestdag voor een ieder, behalve voor den armen gevangene, die treurig en peinzend in zijne cel zat, en zich met weemoed de dagen zijner kindschheid herinnerde, toen de „heilige avond,quot; voor hem als het gouden boek der beloften was geweest, als de schitterende milde hoorn van overvloed, vol geluk en vreugde.

Plotseling werd de deur zijner cel quot;haastig opengerukl en de luitenant von Schell stormde binnen.

„Broeder, wij zijn verraden,quot; zeide hij buiten adem. „Men heeft onze plannen tot ontvluchting ontdekt, üe adjudant van den kommandant heeft mij zoo even inge-iluisterd, dat hij mij bij het allossen van de wacht moet arresteeren. Gij ziet dus, dat de kommandant onzevplan-nen kent. Wij zijn verloren, als wij niet een snel, krachtig, besluit nemen!quot;

„Wij zullen ontvluchten, vóór hij u laat arresteeren,quot; riep Trenck verheugd lachend.

„Als gij er zoo over denkt, dan is alles wel,quot; zeide Schell, terwijl hij een sabel van onder zijn rok te voorschijn haalde en Trenck aanbood. Zweer mij op dit wapen, dat gij, water ook moge gebeuren, mij niet levend in de handen mijner vijanden zult laten vallen!quot;

„Ik zweer het u, zoo waar helpe mij God! Zweer gij mij nu het zelfde.quot;

„Ik zweer het u! Thans, mijn vriend, een laatsten handdruk en nu voorwaarts, en moge God ons bijslaan; verberg den sabel onder uw rok en kom mede! Laat ons een onverschillig gelaat aannemen! Kom!quot;

Arm in arm traden de jonge lieden de deur der gevangenis uit. Zij schenen volkomen bedaard en vroolijk, zij hadden slechts hunne hand in den boezem gestoken, en in deze hand was een geladen pistool.

De wacht salueerde voorden wachthebbenden officier, die in volle uniform, met de sjerp en den ringkraag voorbijging en in het voorbijgaan, heel bedaard zeide; „Ik breng den arrestant naar de officierskamer. Blijf hier staan, wij keeren spoedig terug.quot;

ocr page 104

102

Met bedaarde, langzame schreden gingen zij den gang door. Thans stonden zij voor de officierskamer, nu hadden zij de deur geopend. De wacht ging gerust en niets vermoedend in denzelfden tred op en neder voor de geopende cel van von Trenck. De deur wordt achter hem gesloten! De eerste schrede tot de vrijheid is gedaan.

„Nu voorwaarts, spoedig er uit door die zijdeur, zij voert naar buiten, voorbij het tuighuis komt men dan aan de uiterste buitenwerken. Daar springen wij de pallissaden over, en wee hem, die ons den weg wil versperren! Voorwaarts! voorwaarts!quot;

Met dollen spoed gaat het voorwaarts. Reeds hebben zij de buitenwerken bereikt, reeds schijnt de vrijheid hen met een gulden glimlach te begroeten; — daar bij eene kromming van den weg staan zij plotseling voor den majoor en zijn adjudant.

Een gil van ontsteltenis klinkt van von Schell's lippen, daarop komt hij met een koenen sprong op de borstwering en stort zich van den wal af. En met een jubelkreet springt Trenk hem na. Zijne ziel is vol verrukking en vreugde. De boeien zijn geslaakt, en wat hij beneden vindt, zal óf de vrijheid van den dood, óf de vrijheid van hel leven zijn.

Hij leeft! Hij rekt zich en strekt zijne leden uit na den geweldigen sprong in de diepte. Hij is niet bezeerd en zijn lichaam is spoedig bekomen van den hevigen schok. Waar is echter zij vriend, waar is Schell? Daar, daar ligt hij op den grond, met verstuikten voet, niet in staat op te staan en verder te gaan.

„Vriend, denk aan uw eed en dood mij! Ik kan niet verder. Hier is mijn zwaard, stoot het mij in de borst en snel dan verder om u te redden.quot;

Maar Trenck lacht en neemt hem in zijnen armen, zoo liefderijk en teeder als eene moeder en draagt hem over de pallisaden.

„Zet u nu op mijn rug, vriend, leg uwe armen om mijn hals en houd u stevig aan mij vast. Nu voorwaarts, en mogen de herten en het rendier onze mededingers zijn!quot;

„Trenck, Trenck, laat mij hier en dood mij! Spoed u dan verder! Gij kunt niet snel genoeg loopen, met dezen last op uw rug.quot;

ocr page 105

103

„Gii zijt zoo licht als ecne veer en vóór ik u verlaat, sterf ik met u!''

Voort, voort gaat het in snelle vaart. De zon gaat onder Gelijk eene bloedroode bol valt haar kogel neder in dien vochtigen, dichten nevel, die plotseling op deaardenederdaalt, „Trenck, Trenck, hoort gij niet hoe ginds de alarmkanonnen van de citadel donderen? Onze vervolgers zijn achter ons!quot;

„Ik hoor de kanonnen, miin vriend,quot; zeideTrenck hijgend, steeds voortrennende. „Wij hebben dus een half uur op onze vervolgers vooruit.quot;

„Een half uur is niet voldoende! Nog niemand is uit Glatz ontvlucht, die niet twee uur op zijne vervolgers vooruit had. Trenck laat mij hier en red u zeiven!quot;

„Ik verlaat u niet of ik sterf met u! Laat mij slechts een oogenblik rusten en adem scheppen.quot;

Zacht en voorzichtig laat bij zijn vriend op den grond glijden. Schell onderdrukt zijne jammerkreten gelijk Trenck zijn ademloos hijgen. Zij rustten en luisteren. De witte, vochtige nevel daalt al dichter en dichter op hen neder, het is reeds onmogelijk, de stad en de citadel nog te herkennen God is met ons,quot; zegt Trenk, „hij hult ons in een sluier, om ons voor onze vijanden te verbergen.quot;

Schell schudt zuchtend zijn hoofd. „God is tegen ons, want onze vlucht is te snel verraden, het grenscordon is reeds gealarmeerd, hoor maar bet luiden op alle dorpen. De drie schoten hebben hun te kennen gegeven, dat er een gevangene is ontsnapt, de voor iederen dag tot het vervolgen gekommandeerde oflicieren snellen reeds naar alle posten, en onderzoeken of de boeren hun plicht doen en alle posten goed hebben bezet. Het geheele grenscordon is in alarm, en de huzaren rennen van plaats tot plaats en brengen langs de gebeele Boheemsche grenzen ons signalement. Het is te laat wij kunnen de Boheemsche grenzen niet meer bereiken.'

„Dan zullen wij niet daarheen gaan, waar het grenscordon op ons wacht, vriend,quot; zeide Trenck in vermetele vrijheidsvreugde lachend. „Alles heeft ons naar het Boheemsche gebergte zien snellen, daarheen trekken dus onze vervolgers door nacht en nevel, om ons te zoeken. Wij trekken dus door nacht en nevel daarheen, waar zij ons niet zoeken.

ocr page 106

104

Wij gaan over de Neisze. Ziet gij, ginds door den nevel schittert zij ons tegemoet gelijk een zilverstreep. Zet u weder op mijn rug, vriend, wij moeten door de Neisze.''

„Ik kan niet, Trenck! Mijn voet veroorzaakt mij vreeselijkc smart. Ik kan niet zwemmen.''

„Maar ik kan het, en ik kan het voor ons beiden!quot;

Uij knielt neder en laadt den vriend weder op zijn rug en snelt met hem naar de Neisze. Thans staan zij aan den oever. Treurig en somber spreidt de vloed zich aan hunne voeten uit, terwijl hij hier en daar enkele kleine ijsschollen met zich voert.

„Is de rivier diep, vriend Schell?quot;

„Diep genoeg, om in het midden, zelts een reus, zooals gij, te bedekken.''

„Voorwaarts! Als ik niet meer kan gaan, dan zwem ik. Houd u vast.quot;

Daar gaat hij het donkere, ijskoude water in; bedaard waadt hij voort, met den vriend op zijn rug. Al hooger en hooger omringt het ijskoude water zijne gestalte. Nu heeft het zijne schouders bereikt

„Klamp u vast aan mijn haar. Wij moeten zwemmen.quot;

En met de kracht van een Merkules doorklieft hij het plassende water en stoot de stukken ijs weg, die hem tegenkomen.

Daar, daar zijn zij aan den anderen oever, nog niet gered, maar evenwel aan het oogenblikkelijk gevaar ontkomen. Thans bedekt de nacht hunne vlucht, en hunne vervolgers zoeken hen ginds aan den anderen oever.

Maar plotseling trekt de nevel op, een onstuimige wind begint te waaien en rond, gelijk een gouden bal, komt de maan aan den hemel op. Het is een koude, heldere December-nacht, die de natte kleederen der vluchtelingen doet verstijven, zoodat zij gelijk oen stijf harnas hunne gestalte omgeven. Maar Trenck voelt geene koude en geene verstijving. Hij draagt den vriend op zijne schouders, dat maakt hem warm ; in snellen loop ijlt hij voort, dat beschermt hem voor verstijving.

Voort, steeds voort, naar bet gebergte. Thans hebben zij den heuvel bereikt; achter zijn beschermenden rug, zinken zij neder, om te rusten en te beraadslagen.

„Trenck ik lijd vreeselijk,quot; kermt Schell, „laat mij hier

ocr page 107

105

en red u zeiven! Nog ecnige uren en gij zult de Boheemsche grenzen hebben bereikt. Verlaat mij dus en ga!''

„Ik verlaat nimmer don vriend in nood, kom, ik ben aenoec versterkt.quot;

Hij neemt hem op zijn arm en draagt hem verder.

L)e maan verbergt zich achter de wolken, scherp en snijdend huilt de wind door het gebergte. Hijgend waadt Trenck door de sneeuw, nauwelijks in staat zich nog staande te houden. Maar de hoop schenkt hem kracht en moed. Hij lieeft reeds zoo lang geloopen, de Boheemsche grens moet dus spoedig bereikt zijn.

De dag breekt aan, de bleeke stralen der zon breken dooiden kouden witten morgennevel.

De vrienden, op de sneeuw uitrustende van den langen moeielijken tocht, blikken om zich heen, vol hoop uitziende naar de naburige Boheemsche grenzen.

„Groote God, wat is dat? Zijn dat niet de torens van Glatz? En daarboven, dat donkere, sombere spooksel, dat zich dreigend aan den gezichteinder verheft, is dat niet de citadel?quot;

Ja, zij is het! De arme vluchtelingen hebben zonder vrucht rondgedwaald, want zij hebben zich in een cirkel bewogen en zijn nu bijna weder op de plaats gekomen, van waar zij vertrokken.

„Wij zijn verloren,quot; mompelt Schell, „thans bestaat er geene hoop meer!quot;

„Neen, wij zijn nog niet verloren,quot; jubelt Trenck, „want wij hebben onze gezonde armen en onze wapenen. Levend zullen zij ons niet vangen.quot;

„Maar hen ontkomen, dat kunnen wij niet meer. Ons zonderling voorkomen verraadt ons reeds aan een ieder, ik, in vol uniform met sjerp en ringkraag, gij in uwe roode garde du corps rok, wij beiden zonder hoed. Ieder zal ons als deserteurs herkennen.quot;

,,Maar wee een ieder, die het ons zegt, want wij zullen hem dooden en over zijn lijk zullen wij voortijlen. Thans komt het er op aan, een wanhopig besluit te nemen! Voor ons is geen achterwaarts, maar slechts een voorwaarts! Laat ons dus op een middel peinzen, om midden door onze vijanden heen de Boheemsche grenzen te bereiken. Gij kent de wegen en de geheele streek; komaan, vriend Schell,

ocr page 108

106

wij zullen krijgsraad houden. Gindseh dorp moeten wij doortrekken. Hoe leggen wij het aan, om er ongehinderd door te komen?quot;

Een half uur later naderde eon zonderlinge groep de verst afgelegen huizen van het dorp. liet was een bloedende, zwaar gewonde officier van het Pruisische gardes du corps, wiens gelaat met bloed bedekt, en om wiens hoofd een met bloed bevlekte doek was gewonden, met op den rug gebonden handen. Achter hem kwam een officier in groot tenue zonder pluimhoed, aanhinken. Met scheldwoorden dreef hij den armen geboeiden gevangene voor zich uit en riep luide om hulp.

Terstond snelden twee boeren uit de hut, „Loopt naar het dorp,quot; riep de officier, ,/le rechter moet dadelijk een wagen laten inspannan om er den deserteur op te kunnen laden. Ik heb hem ingehaald, maar hij heeft mij het paard onder het lijf gedood en ik heb bij het vallen mijn been verstuikt. Maar gij ziet wel, dat ik hem goed heb toegetakeld. Hij is den dood nabij, loopt dus heen en haalt een wagen, opdat ik hem nog levend in de vesting kan brengen.quot;

„Ik loop al,quot; zeide een der boeren ; de ander gaf hun een wenk, hem te volgen en ging zijne hut weder binnen. Waggelend en enkele dolle jammerkreten slakend, volgde do gewonde hem; vloekend en scheldend kwam de officier op een stok leunende achter aanhinken. Toen hij in de kamer was gekomen zonk de gewonde luid kermend neder, en dadelijk snelde een jong meisje toe, om zijn gewond hoofd in hare armen te nemen, terwijl de oude vrouw, die aan den haard had gestaan, met een kom warme melk aan kwam, om den gewonde daarmede te verkwikken.

De oude boer stond aan het venster en zag met een eigenaardig lachje naar den officier, die zich op de bank bij den oven had gezet er. met groot welgevallen de molk dronk die de oude hem had aangeboden.

Plotseling ging de boer de kamer door, en zich vlak voor den officier plaatsende, legde hij zijne hand op diens schouder. „Vermom u niet langer, heer luitenant vanSchell,quot; zeide hij. „Ik ken u; mijn zoon heeft in uwekompagnie gediend. Gisteren avond is hier ook een officier geweest en heeft ons het signalement van de beide desert ours gebracht. Gij zijt do een, en die daar is de ander, want dat is de heer van Trenck.quot;

ocr page 109

107

En als dour een too verslag getroffen sprong de zwaar gewonde nu op. Zijn naam had hem gezond gemaakt en de wonden op zijn voorhoofd geheeld. Hij wierp den doek weg en snelde de deur uit, terwijl Schell met gebeden en bedreigingen den boer weerhield en hem bezwoer, hun den naasten weg naar de Boheemsche grens te wijzen.

Maar Trenck snelde naar den stal, waar de paarden van den boer aan de krib stonden. Achter hem aan kwam het jonge meisje, dat zich vroeger zoo behulpzaam had betoond.

„Wat wilt gij doen mijnheer?quot; vroeg zij beangst, toen Trenck in alle haast de paarden los maakte. „Gij wilt mijn vader toch zijne paarden niet ontnemen? Als gij dat doet, roep ik om hulp.quot;

„En als gij dat doet,quot; zeide Trenck met vlammende oogen, „vermoord ik u en daarna mij zeiven, want ik heb gezworen, dat ik niet levend weder naar de vesting wil. Heb dus medelijden, schoon kind, uwe oogen zijn zoo goed en schoon en verraden uw goed hart. Sta mij bij, bedenk lioe schoon en heerlijk het leven en de werêld is en dat men mij alles wil ontnemen, om mij geljjk een wild dier in oen cei op Ie sluiten. Help mij, opdat ik vrij worde!quot;

„Waarmede kan ik u dan helpen,quot; vroeg Mariandel, ver-teederd door het schoone, smeekende'gelaat van den jongeling.

„Geef mij het zadeltuig en den toom voor de paarden, opdat wij kunnen onvluchten. Ik zweer u, bij God en mijne geliefde, dat gij alles zult terug krijgen!quot;

„Gij hebt dus eene geliefde, mijnheer?quot;

„Ik heb eene geliefde, die om mijnentwil weent.'' '

„Ik zal u het zadeltuig geven, ter wille van mijn geliefde, die ook ver van mij is. Kom, hier hangt het in de kamer; spoedig nu, zadel gij den schimmel, dan zal ik den bruine zadelen.quot;

De paarden zijn gezadeld. „Thans vaarwel. Mariandel! Een kus tot afscheid, vaarwel, lief kind! Schell, Schell, kom naar buiten en te paard!quot;

Schell stormt de hut uit, de boer hem achterna. Met ontzetting ziet deze zijne beide gezadelde paarden, ziel, hoe Schell ondanks den bezeerden voet op den bruine springt, terwijl Trenck met een van vreugde schitterend gelaat reeds op den schimmel zit,

ocr page 110

108

„Heere God, gij wilt mij toch mijne paarden niet ontstegen? Help, help!quot;

Maar Mariandel legt hare hand op den mond haars vader, die zich weder had geopend om op nieuw hulp to roepen.

„Vader, hij heeft eene geliefde en zij weent om hem. Denk aan Joseph en laat hen gaan.''

Weg rennen zij op de lompe paarden, hun haar lladdert in de wind, hunne wangen gloeien van ontroering en spanning. Reeds ligt het dorp ver achter hen. Thans voorwaarts over de vlakte, over de weide, over het stoppelveld.

,.Schell, Schell, daar komen huizen, daar verheffen zich torens. Schell, daar ligt eene stad!quot;

„Dat is Wünschelhurg, en wij moeten er door, want dat is de naaste weg naar de Boheemsche grens. Er zijn militairen gelegerd, maar wij moeten er toch door!quot;

„Dat is een aardige grap; midden door de rijen van onze vijanden zullen wij rijden, en verbaasd over zulk eene vermetelheid, zullen zij ons laten voorttiekken. Welaan, daar zijn wij aan de poort. De klokken luiden tot den kerkgang. Nu voorwaarts, mijn schimmel, nu moet gij vliegen, vliegen, alsof gij vleugels hadt!quot;

Hoera, hoe springen de vonken, hoe slaan de paarden met hunne hoeven tegen de steenen! De uitgedoschte kerk-gangsters, die zoo bedaard de straat afkomen, vliegen gillend op zijde, de huzaren, die zonder kwaad te vermoeden aan de huisdeuren staan, wrijven ontzet de oogen uit, en staren de beide ruiters na, die gelijk de stormwind hen voorbij rennen.

Thans hebben zij de andere poort bereikt, de stad ligt achter hen. Verder, verder gaat het in razenden loop. De paarden hijgen en vallen neder. Maar de ruiters richten ze met krachtige hand weder op, zij drukken hen de knieën in de zijden, zoodat de dieren wild steigeren en verder rennen.

Verder, verder! Maar wat is dat? Wie komt daar met lossen teugel aanrennen, hen te gemoet, juist op hen toe?

„Schell, herkent gij hem niet? Dat is de kapitein van Zerbst!quot;

Ja, het is de kapitein van Zerbst, die met zijne huzaren is uitgezonden, om de vluchtelingen te vervolgen. Maar hij is alleen en zijne huzaren zien hem niet.

ocr page 111

109

Hij reed juist op de beide ruiters arm, en toen hij zoo dicht bij hen was, dat zij hem konden liooren, roept hij hem toe; „Broeders, haast u, dat gij verder links naar het daar liggende alleenstaande huis komt, daar is de grens, mijne huzaren zijn juist rechts gereden.quot; ')

Hij wendt zijn ros om en rent heen. De ruiters jagen links voort. Het alleenstaande huis zijn zij nu voorbij. Nog een klein eind verder.

„O, vriend, laat onze paarden nu een weinig uitblazen, laat ons nu uitrusten en God danken, want wij zijn gered! Wij zijn de grenzen gepasseerd!quot;

„Wij zijn vrij, vrij!quot; schreeuwt Trenck met zulk een luiden jubelkreet, dat de echo in het gebergte galmend herhaalt; „vrij! vrij!quot;

XIV.

IK WIL!

Als op vleugelen snellen de dagen van geluk en vreugde voorbij en in het genot van een tevreden leven, verdwijnen de jaren als eene gedachte. Koning Frederik is gelukkig en tevreden geweest, en heeft er dus geen acht op geslagen, dat hij reeds meer dan twee jaren van kalmte, rust en vreugde heeft genoten. Twee jaren, waarin hij het zwaard mocht ter zijde leggen en op zijne lauweren rusten, om het tegenwoordige te genieten, dat hem in plaats van lauweren, geurige 'rozen en bloeiende mirtentakken gaf. Twee jaren van geluk, dat is veel voor ieder sterveling, het is bijna een wonder, als het leven eens konings er mede begiftigd wordt. Maar van het geluk kan men weinig vei'ha-len, en de ware liefde is stil en met een heilig stilzwijgen omhuld, zij schreeuwt hare vreugde niet uit in dewoelige, ongewijde wereld, zij verbergt zich gaarne achter de sluiers der eenzaamheid en het stergellonker van den nacht. — Beproeven wij het dus niet, dien sluier op te lichten en het geheim van het geluk des konings te ontdekken. Laten wij deze

1) Trenck's Memoiren. Deel I, pag. 90.

ocr page 112

110

twee jaren stil en onaangeroerd laten rusten onder de roze-kransen en bloeiende mirten, vragen wij niet naar hunne bijzonderheden, hunne mysteriën en wonderen. Als de zon het helderst en het schitterendst schijnt, wendt men het oog af, omdat het wordt verblind door den goddelijken glans; maar als de wolken haar omhullen en hare stralen verzachten, dan ziet men op lot de zon, al ware het ook maar, om de reden van hare verduistering uit te vorschen.

En de zon des konings is niet meer schitterend en helder. Er trekken reeds wolken over heen, die haar verduisteren. Eene schaduw er van valt op het schoone jeugdige gelaat des konings en matigt de bliksems van zijne wonderbare, ondoorgrondelijke oogen; die schaduwbedektalseenrouwlloers zijn hart, zoodat het niet meer zoo vroolijk kan opspringen en kloppen.

Wat verduisterde het voorhoofd des konings en dreef hem heden zoo rusteloos en vreugdeloos rond?

De koning wist het zelf niet, of hij wilde het niet welen. Als een berg lag het op zijne borst, onderdrukte iedere vreugde en verlamde iedere kracht.

Hij had beproefd zich door den arbeid te verstrooien, en daarom des morgens vroeg reeds zijne ministers tot een kabinetsraad bijeengeroepen, maar zijn geest was bij de verhandelingen niet werkzaam geweest, afgetrokken had hij de voordrachten aangehoord, en wat anders voor hem belangrijk was, scheen hem heden ten eenenmale onverschillig te zijn. Zich zei ven wantrouwend, had hij daarom vroeger dan gewoonlijk de zitting opgeheven, zonder over de aanhangige zaken eenig besluit le nemen. Toen waren, nadat de kabinetsraad was afgeloopen, zijne kabinetssecretarissen met de brieven gekomen. De koning had, gelijk hij altijd placht le doen, zelfs al de brieven en verzoekschriften gelezen, die in den loop van den vorigen dag waren ingekomen, doch iiij had hun inhoud ras weder vergeten en moest daarom iederen brief nog eens vluchtig doorlezen, om voor desecrelarissendenoodigeaanteekeningen Ier beantwoording op den rand te schrijven. Terwijl de kabinetssecretarissen zich toen weder naar hun bureau begaven, om volgens de aanleekeningen des konings de brieven te beantwoorden, had de koning zich aan zijne gewone stadiën en bezigheden van den voormiddag begeven en was begonnen aan zijn

ocr page 113

Ill

nog altijd onvoltooid werk: „L'hisloire de mon tempsquot;. Spoedig ecliter moest liij het zich zeiven bekennen, dat iiij, in plaats van te schrijven, gedachlenloos en in somber gepeins verzonken, op het papier staarde. Spoedig evenwel wierp hij de pen weg, om een zijner lievelingsboeken ter hand te nemen, en zijn geest te verlustigen in de eeuwig jeugdige, eeuwig frissche schoonheden dei'verdichting. Maar ook dat had hem niet willen gelukken, zelfs zijne lievelingsschr ij vers lieten hem heden koud, en woorden en schilderingen, die hem anders in verrukking brachten, schenen hem nu plat en gezocht.

Als in wanhoop wierp de koning het boek weg en liep driftig de kamer op en neder. „Wat deert mij toch?quot; vroeg hij zich zeiven af, met bevende lippen. „Ben ik dan veranderd? Ben ik niet moer dezelfde van voorheen? Heeft de eene of andere nimf mij helooverd en mijne ziel door eene tooverspreuk gekluisterd? Ik kan niet werken, ik kan niet denken, en met mijne rust en opgeruimdheid is het gedaan! Wal beteekent toch dat alles, en waarom —quot;

Ilij sprak niet uit, maar bleef staan en zag met gespannen opmerkzaamheid naar de deur. Hij had eene slem gehoord, die zijn hart deed beven en zijne oogen met hoo-ger glans deed schitteren.

„Meld aan zijne majesteit, dat ik er ben en dringend om eene audiëntie verzoek.quot; zeide deze slem.

„Zijne majesteit heefl gezegd, dat heden niemand mag worden aangediend,'' antwoordde de stem van den dienst-doenden kamerheer.

„Dien mij evenwel aan,'' riep de andere op bijna gebiedenden toon.

„Dat is onmogelijk!''

De koning had genoeg gehoord. Hij ging haastig naaide deur en maakte die driftig open.

„Signora, ik ben bereid u te ontvangen,quot; zeide de koning, „heb de goedheid binnen te treden.quot;

Zoo sprekende ging de koning de voorzaal uil en reikte Signora Barherina de hand, om haar in zijn kabinet te voeren.

Barherina begroette hem met een aanminnig lachje en ging met een zegevierenden blik voorbij den kamerheer, die hel had gewaagd, zich logen haar wil le verzetten.

De koning voerde haar zwijgend naar zijn particulier

ocr page 114

il2

kabinet, en gaf haar een teeken om op den divan plaats te nemen. Maar Barberina bleef staan en vestigde bare groote vurige oogen op het gelaat des konings.

„Ik zie daar eene wolk, sire,quot; zeide zij op baar liefelijksten, vleiendsten toon. „Welk onaangenaam insekt heeft het gewaagd het boofd van mijn leeuw lastig te vallen? Of was bet geen insekt, sire, was bet —quot;

,,Neen,quot; viel de koning haar in de rede, „het was een engel of duivel, die mij gekweld heeft en de rust uit mijn hart en mijn boofd verdreef. Zeg mij tocb Barberina, wat zijt gij eigenlijk? Zijt gij een demon, die gekomen is om mij te martelen, of zijt gij een engel, die mijne droomen van geluk en liefde wil tot waarheid maken? Er zijn uren, waarin ik het laatste denk, waarin uw aanblik mijne ziel als met gouden vleugelen verheft, en waarin ik zeg, ik ben niet slechts koning, maar een god, want ik heb een engel aan mijne zijde! Maar weder in andere uren noem ik u mijn kwaden geest, en dan meen ik in uwe oogen weder dien baat te zien opllikkeren, dien gij mij in het eerste uur van onze ontmoeting bebt toegezworen.quot;

„O, uwe majesteit beeft het dus altijd nog maar niet vergeten?quot; vroeg Barberina op teeder verwijtenden toon.

„Gij zorgt er wel voor, dat ik bet niet kan vergeten. Van de haat tot de liefde is slechts eene kleine schrede, bebt gij mij eens gezegd. Als gij werkelijk eens de scbrede voorwaarts bebt gedaan, wie waarborgt er mij dan voor, dat gij die niet eens achterwaarts zult doen?quot;

„Wie u daarvoor waarborgt?quot;' vroeg zij met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, terwijl zij met baar rozerooden vinger op den koning wees. „Daarvoor waarborgt u dit goddelijk gelaat, sire; daarvoor waarborgen u deze oogen, die van Jupiter hunne bliksems en van de zon bun glans hebben geleend; daarvoor waarborgt u dat voorbootd, waarop de verhevenheid en de wijsbeid troonen, dat evenwel nog in glans wordt overtroden door den wonderbaren,jeugdigen glimlach van uw mond. Ik zeg niet, sire, dat ook uw koningschap u daarvoor waarborgt. Wat bekommert bel mij, dat gij koning zijt. Gij zijt een god, een held en een man, en had ik u ontmoet als een herder op de velden, dan zou ik hebben gezegd: daar wandelt een vermomde god! De fabel is tot waarheid geworden, want dat is

ocr page 115

113

Apollo,die zich uit grilligheid in een herder heeft veranderd. Apollo, ik aanbid «, laat een straal van uwe hemelsche oogen op mijn gelaat vallen!quot;

Zij knielde neder, en hare gevouwen handen tot den koning ophelfende, zag zij met een bekoorlijk glimlachje lot hem op.

De koning hief haar op, en haar in zijn armen houdende, nam hij haar hoofd in zijne handen, en boog het achteruit, om het te beschouwen.

,,0, Barberina,quot; zeide hij op bijna droevigen toon, „heden zijl gij een engel, waarom waart gij een demon? Waarom hebt gij mij zoo gemarteld en gekweld met uwe luimen en uw kinderachtig pruilen? Waarom is uw hart, dat zoo vurig kan zijn, soms zoo ijskoud en onmeêdoogend? Kind, kind, weet gij dan niet, dat mijne ziel gewond is door veelvuldige smarten, en dat daarom ieder ruw woord en iedere booze blik haar treft als met bijtend vergif'? Ik had den avond van gisteren bij Rothenburg met zooveel vreugde, zulk smachtend verlangen verwacht; ik had dienmetzwaren arbeid en vervelend werk verdiend, en gij hebt hem mij vergiftigd door uwe droevige gelaatstrekken en uw norsch stilzwijgen; gij waart de oorzaak, dat ik treurig en gemelijk naar huis keerde en in plaats van te slapen, te vergeefs trachtte de reden van uwe treurigheid uit te vorschen, en dat ik in plaats van hedenmorgen te arbeiden, gedachtenloos en krachteloos met mijne neerslachtigheid heb rondgezworven en mijn volk en koningschap van de uren heb beroofd, die hun toekwamen. Wat was het toch, Barberina, dat uw gelaat met zulke akelige wolken bedekte en uwe stem zulk een barden, stootenden weerklank gaf?'

„Wat het was?'' vroeg Barberina, met eene mijmerende uitdrukking haar hoofd achterover latende hangen en zich met half gesloten Oogen in de armen des konings heen en weder schommelend. „Het was de eerzucht, die mij kwelde. Maar ik deed er kwalijk aan, dat ik het voor u verborg, en in plaats van openhartig en vrijmoedig mijn verdriet aan u te ontdekken, het slechts door mijn slechten luim en mijne gemelijkheid liet raden. Ik had behooren to weien, dat er slechts eene bede van mij noodig was, om terstond te worden begrepen door het edele en grootmoedige hart van mijn koning; ik had kunnen weten, dat de man, die zich op het Mührbaoh, Frederik de Groote en sijn Hof, IV. 8

ocr page 116

114

veld van eer zoowel als op liet veld van wetenschap lauweren heeft verworven, zeer goed dien edelen dorst van eene kunstenaars-natuur weet te waardeeren, dien dorst naar eer en roem, dien gloeienden, verteerenden haat tegen hen, die onzen roem willen verminderen, onze eer met ons deelen

„Gij zijt dus ijverzuchtig? ijverzuchtig op de eene of andere kunstenares,quot; prevelde de koning, terwijl hij Rarberina los liet.

„Ja, sire, ik ben ijverzuchtig op uw lachje, op uwe goedkeuring, op de aanschouwing van het publiek, op de bravi, die gelijk een gouden regen over mij alleen zijn uitgestort, en die een andere thans met mij wil deelen. Maar ik was verplicht, het terstond te bekennen, en dat heb ik niet gedaan; dat is een onrecht, waarvoor ik mijn koning in allen ootmoed heden verschooning kom vragen en vergillenis kom smeeken.quot;

„En op wie zijt gij ijverzuchtig?quot; vroeg de koning.

Zij richtte haar hoofd fier op, een gloeiende blos bedekte hare wangen en hare oogen schoten bliksemstralen. „Waarom heeft men die Marianne Cochois geëngageerd?quot; vroeg zij driftig. Waarom heeft de baron von Sweerts mij deze beleediging,ja, ik mag zeggen deze beschimping aangedaan? Eene andere kunstenares naast mij te engageeren, is dat niet hetzelfde, als aan de wereld te zeggen, dat Barberina niet voldoende was, dat Barberina de kracht niet meer bezat, hot publiek in verrukking Ie brengen, dat Barberina's zegepralen tanen en hare kunst, verouderd is? O, o, die gedachte zou mij krankzinnig kunnen maken! Barberina niet meer de eerste danseres der wereld! Waar zij danst, waagt men het nog eene andere danseres te engageeren, en aan deze, niet aan Barberina een hoofdrol te geven in een nieuw, prachtig ballet. Niet aan Barberina! En zij leeft, zij is niet dood nedergestort, toen men het waagde haar zulks bekend te maken, en zij heeft hen niet vermoord, die haar deze beschimping hebben aangedaan!quot;

Tranen sprongen uit hare oogen en luid snikkend verborg zij haar gelaat, in hare handen.

Oe koning sloeg haar gade met blikken, waarin eindelooze smart te lezen stond. Een treurig lachje speelde om zijne lippen. „Zij gelijken dus allen op elkander,quot; zeide hij bitter, ,,en de grootste kunstenares is daarin even kleingeestig en

ocr page 117

415

bekrompen, als de onbeduidendste. Zij zijn zwak en ij del, jaloerscb en vol kleingeestige afgunst. En nu te moeten denken, dat eene Barberina daarop geene uitzondering maakt, te moeten denken, dat Barberina weent, omdat Marianne Cochois en niet zij de hoofdrol zal hebben in het nieuwe ballet, Feste galanti.quot;

„Zij zal het niet, zij raag het niet doen,quot; riep Barberina, haar hoofd weder (ier opheCTende. „Ik wil die vernedering niet dulden, ik wil niet in tegenwoordigheid van geheel Berlijn worden beschimpt en onteerd, ik wil niet nederig en onopgemerkl in de eene of andere loge zitten, terwijl men eene andere kunstenares toejuicht, en haar de bravi brengt, die mij alleen toebehooren. O, sire, beveel, dat deze heleediging weder worde goed gemaakt, beveel, dat men mij geve, wat mij toebehoort, deze rol, die mijn heilig eigendom, de onvervreemdbare bezitting van mijn roem is. Ik smeek u, te bevelen, dat men dadelijk deze demoiselle Cochois de rol weder ontneme en ze mij geve.quot;

„Dat is onmogelijk, Barberina. Cochois moet haar schitterend debut hebben, gelijk elke andere kunstenares; en zoo Sweerts haar daarom deze rol in de Feste yalanti heeft gegeven, kan ik hem deswege niet berispen.quot;

„Sire, hoort gij wel, ik smeek er u om, en niet waar, gij moet het getuigenis geven, dat Barberina uwe grootmoedigheid en vrijgevigheid nimmer op de proef gesteld, dat zij nimmer het eigenbelang en de schandelijke hebzucht gehuldigd heeft. Ik verlangde van mijn koning niets dan zijn hart, niets dan hjt geluk, aan zijne voeten te rusten en onder de zonnestralen zijner oogen mijn geheel aanzijn te doen opgaan in gloed en zaligheid. O, sire, gij hebt dikwijls geklaagd, dat ik nimmer een wensch, eene begeerte kende, dat ik geene brillanten, geene paarlen van u wilde aannemen, om niet de geringste schaduw van baaizuchtigheid op mijne liefde te laten vallen. Welnu, sire, heden'heb ik een verzoek, heden wil ik iets van u verlangen, dat voor mij kostbaarder is, dan alle paarlen, dat voor mij hooger glans heeft, dan alle brillanten. Sire, geef mij deze rol, dat wil zeggen, laat mij in het onbetwist bezit van mijn roem en mijne kunstenaars-eer!quot;

Zij boog weder eene knie voor den koning, maarthans hief hij haar niet op in zijne armen. „Barberina,quot; zeide

ocr page 118

no

hij treurig, „kom toch tot u zelve. Schud toch dien armzaligen toorn, die achter de schermen te huis behoort af, werp dien kleingeestigen nijd bij den schitterenden theater-pronk, waaronder gij eiken avond uwe schoonheid moet verbergen. Wees weder, wat gij zijt, de edele, fiere, schoone vrouw, die geen klatergoud noodig heeft om te schitteren, en die altijd eene koningin der bevalligheid en schoonheid blijft, al pronkt zij ook niet met het valsche, geleende purper van eene tooneelprinses. Gun Cochois toch dat weinigje tooneelheerlijkheid, daar gij toch buiten het tooneel altijd de heerlijkste, de koningin der schoonheid zijt.quot;

Barberina vloog op, en hare oogen fonkelden van gramschap. „Sire,quot; zeide zij, „weigert gij mij mijne bede, eene eerste bede? Wilt gij niet bevelen, dat men Cochois deze rol ontneme en ze aan mij geve?quot;

„Ik kan het niet, want het zou eene onrechtvaardigheid zijn.quot;

„Ik zou dus inderdaad deze doodelijke beleediging moeten dulden, eene andere te zien optreden in de rol, die mij toebehoort, eene andere de zegepraal te laten genieten, die de mijne is en de mijne moet blijven! Neen, ik tuil geene mededingster naast mij dulden, ik wil niet veroordeeld zijn tot den zich dagelijks vernieuwenden wedstrijd om den rang van eene eerste kunstenares, ik wil niet, dat zelfs ook maar aan de mogelijkheid van eene gelijkstelling tusschen mij en een andere kunstenares kan worden gedacht. Ik wil de eerste zijn en blijven, ja, ik wil het!quot;

Zij had zich opgericht, fier als eene koningin, en haar vlammenschietende blik trof het gelaat des konings, maar ontmoette daar een even vurigen blik ; en ^yas de houding van Barberina trotsch en heerschzuchtig, die des konings was vol eerbiedwekkende majesteit en verhevenheid.

„Wat?quot; zeide hij op zulk een dreigenden, krachtigen toon, dat Barberina, in weerwil van hare gramschap en drift, haar hart voelde beven door vrees en schrik. „Wat? Iser dus nog een schepsel buiten mij, dat hier mag zeggen: ik wil! liet is dus mogelijk, dat zich eene stem naast de mijne verheft, die zegt: ik wil, wanneer de koning heeft gezegd: ik wil niet!quot;

Barberina verbleekte en eene rilling beving haar, want het gelaat des konings had plotseling eene uitdrukking aan-

ocr page 119

117

^enurnen, zooals zij nog nimmer liud gezien. Het was hard en koud, oen biltere spot was in zijn trekken te lezen, een glimlach van verachting speelde om zijne lippen.

„Genade, genade,quot; zeide zij bevend. „Heb medelijden met mijne drift, vergeet dat onbedachte woord, dat de toorn mij ingaf. O sire, zie mij niet aan met die ijskoude blikken, als gij niet wilt, dat ik daar aan uw voeten zal nedei-zinken. O sire, verpletter mij niet met uw toorn, vergeef mij!quot;

En met een tranenvloed op haar schoon gelaat en de armen smeekende naar hem uitgestrekt, naderde zij den koning. Maar met fier opgeheven hoofd deed hij eene schrede achterwaarts.

„Signora Barberina,quot; zeide hij, „ik heb u niets te vergeven, maar uw verzoek kan ik ook niet toestaan. Cochois behoudt haar rol, en als gij u daarover bezwaard gevoelt wend u dan met uwe klacht tot uw chef, den baron von Sweerts. En thans, signora, zeg ik u vaarwel! De audiëntie is afgeloopen.quot;

Hij boog zijn hoofd en keerde zich om, om heen te gaan. Barberine stiet een doordringenden gil uit, snelde hem na, en klampte zich onstuimig aan zijn arm vast.

„Sire, sire, verlaat mij niet,quot; smeekte zij hijgend, „verlaat mij niet toornig. Mijn hemel, ziet gij dan niet, hoe zeer ik lijd, dat ik waanzinnig moet worden, als gij mij verlaat?''

En aan zijn voeten zinkende, omvatte zij zijne knieën met hare schoone armen en zag smeekend tot hem op.

„O, mijn koning en heer,quot; fluisterde zij, „laat uwe slavin aan uwe voeten rusten! Sloot mij niet van u af!quot;

De koning antwoordde niets. Hij boog zich een weinig voorover en zag neder op de betooverende, schoone vrouw, die aan zijne voeten lag en hem misschien nimmer zoo bekoorlijk en lieftallig was toegeschenen als op dat oogenblik. Maar zijn gelaat was somber en zijne oogen, die anders zoo vlamden en schitterden, waren droevig en met een nevel bedekt. Er heerschte eene stilte. Barberina, nog altijd zijne knieën omvat houdende, zag met groote, door tranen bevochtigde oogen tot hem op; de koning, eenigszins voorover gebogen, sloeg met eene onbegrijpeliike uitdrukking het schoone gelaat van Barberina gade. Zijne geheele ziel lag in de blikken, die hij op haar vestigde, eene ziel vol droefheid en

ocr page 120

118

smart, vol liefde en verrukking. Thans ontrnoetlen liumie blikken elkander en smolten, als het ware, ineen.Te midden van dat stilzwijgen, .dat, hen omgaf, hoorde men niets dan de bange, onderdrukte zuchten van Barberina. Zij was zeer wel bekend met de beteekenis van dit oogenblik, zij gevoelde als het ware boven hunne hoofden hetruischen van het noodlot, dat hen beschouwde met zijne dreigende en onheilspellende blikken.

Plotseling richtte de koning zich fier op, en zijne stem, die de plechtige stilte nu verbrak, klonk Barberina vreemd, die stem was rauw en hard.

„Vaarwel signora Barberina,quot; zeide de koning.

Barberina's armen zonken krachteloos neder en een dof gekerm steeg uit hare borst op.

De koning sloeg er geen acht op, hij zag volstrekt niet naar haar om. Met vaste hand opende hij de deur, die naar zijn slaapvertrek leidde; zonder ook slechts een enkele maal om te zien, trad hij binnen en sloot de deur achter haar toe.

Maar toen zonk hij neder op den stoel, die naast de deur stond, en een zoo smartelijke, bange zucht, steeg uit zijne borst op, dal Barbarina, als zij hem zoo had gezien, zeer wel had kunnen nagaan, welke stormen en smarten nu in het hart des konings woedden.

Maar Barberina zag hem niet. Zij lag buiten zich zelve, in tranen badende, voor deze deur, en met een luiden kreet van smart riep zij: „Hij heeft mij [verlaten! O, mijn God, mijn God, hij heeft mij verlaten!quot;

Deze vreeselijke, wreede gedachte, vervulde haar geheele wezen met vurigen gloed. Zij vloog op, zij schudde aan deze deur, en met eene luide, jammerende stem bad en smeekte zij om toegang. Wat de liefde, de angst, de wanhoop en de beleedigde trots haai' ingaven, wist zij zelve niet. Nu eens was zij toornig en dreigend, dan bad zij om genade, dan weder was hare stem door tranen verstikt en eindelijk werd zij bevelend en koel.

De koning hoorde met over elkander geslagen armen aan de andere zijde van de deur leunende hare vlaag van wanhoop aan, en elk barer woorden trof zijn oor, gelijk het Syrenen-gezang het oor van Ulysses. Maar machtiger en krachtiger zijnde, dan deze was, waren er voor hem geene

ocr page 121

119

bandon en goen was noodig, urn hem terug te houden. De koning was gebonden doorzijn wil, en luider dan liet Syre-nengezang, sprak tot zijn oor de stem van veistand, de waarschuwende stem van zijn plicht.

„Neen,quot; zeide hij treurig, „ik mag en wil mij niet weder laten verlokken. Dat alles moet een einde hebhen! Dat heb ik reeds lang ingezien, maar het ontbrak mij aan de kracht tot uitvoering. Heb ik mij zeiven niet toegezworen, slechts èèn doel voor oogen te hebben, bet welzijn van mijn volk hooger te stellen, dan mijn persoonlijk welzijn? Als de koning en de man in mij strijden, moet ik dan niet het allereerst koning zijn, moet ik niet het eerst denken aan de heilige plichten, die mijne kroon mij oplegt? Mijn tijd, mijne gedachten, mijne krachten, behooren aan mijn volk en mijn land toe, en ik heb een roof jegens hen gepleegd, want ik heb mij er soms aan onttrokken, ik heb geduld, dat eene tooveres zich tusschen mij en mijn plicht stelde; liet is zoover gekomen, dat een tweede schepsel zich vermeet naast mij een wil te liehhen, en dat deze wil mij beheerscht en invloed heeft op mijn denken en handelen. O, een koning moest oud en met het hart van een grijsaard geboren worden, want hij mag nimmer het hart en de gevoelens van een man hebben, als hij zijn volk trouw en eerlijk wil dienen. En ik gevoel, dat, als dit zoo voortgaat, ik misschien een gelukkig en benijdenswaardig man, maar een zwak en slecht koning zoude zijn; want ik zoude mij laten beheerschen door eene vrouw, en hare wenschen zouden sterker kunnen zijn, dan mijn wil! Nimmer, nimmer zal dat geschieden; ik zal den moed hebben, mijn eigen hart onder mijne voeten te treden, en de koning zal beproeven de smarten te verzachten, die de man daarbij gevoelt!quot;

Binnen in de andere kamer leunde Barberina nog altijd tegen de deur, uitgeput van klagen en weenen. „Hoor mij aan, mijn koning,quot; zeide zij geheel afgemat en krachteloos. „Gij hebt in dit uur mijn wil gebroken en mijn hoogmoed voor altijd vernederd. Van nu af aan, zal Barberina geen wil meer hebben, dan den uwen. Beveel dus over mij! Zog, dat ik nimmer meer zal dansen, en ik zweer u, dat mijn voet nimmei weder het tooneel zal betreden ; beveel, dat Gochois al mijne rollen zal hebben, en ik zelve zal ze haar brengen, ik zelve zal haar smeeken te dansen. Gij

ocr page 122

120

ziet dus wel, mijn koning, dat ik volstrekt geen hooymued er geene eerzucht meer heb. Maar oefen nu genade uit, sire! Open deze vreeselijke deur, laat mij weder uw gelaat zien, laat mij aan uwe voeten liggen. O, sire, wees barmhartig! Verstoot mij niet!quot;

De koning leunde met een bewogen, diep ontroerd gelaat tegen de deur; eens strekte hij zijn arm uit en legde de hand op de klink van de deur. Barberina gaf een gil van vreugde, want zij had gezien, dat de klink zich bewoog.

Maar de koning trok zijne hand weder terug. Toen werd alles stil. Soms hoorde de koning nog een zacht gesteun, een onderdrukt gesnik, waarop weder diepe stilte volgde.

Barberina bad en smeekte niet meer; zij had ingezien, dat alles nu nutteloos en vergeefsch zou zijn, en de gramschap en de beleedigde fierheid deden nu de tranen opdrogen, die liefde en wanhoop haar hadden afgeperst.

Barberina weende niet meer, hare oogen fonkelden en schoten woeste blikken van toorn naar die deur, waarvoor zij zoo langen tijd in nederige, smeekende houding had gelegen. Met een dreigend, stuiptrekkend gelaat hief zij hare armen ten hemel, en hare lippen prevelden onverstaanbare woorden, misschien eene verwensching of een eed van wraak

,.Vaarwel, koning Frederik,quot;riep zij nu met woeste, jubelende stem, „vaarwel! Barberina verlaat u!quot;

Toen zij gevoelde, dat haar op deze woorden de tranen weder in de oogen kwamen, schudde zij woest haar hoofd, drukte de oogen vast toe, en legde hare gebalde handen er. voor. gelijk twee tooverketenen, die hare tranen moesten weerhouden en bedwingen.

Met een wilden sprong, gelijk eene grimmige leeuwin, sprong zij naar de andere deur, en deze haastig openende, stormde zij naar buiten.

De koning wachtte nog een tijdlang. Toen opende hij de deur en trad weder binnen in dat vertrek, waarin Barberina nog zoo even een vloed van tranen geweend en zoo vele bange zuchten geslaakt had. Somber en treurig scheen hem nu dit vertrek toe, als de sterfkamer van zijn geluk. Haastig ging hij de kamer door en schoof den grendel voor de deur, waardoor Barberina was uitgegaan. Hij wilde alleen zijn en blijven, geheel alleen, niemand mocht deze

ocr page 123

121

eeiizaumheid nier hem deeien, niemand deze lucht inademen, die nog trilde van Barherina's zuchten.

Met een langzamen treurigen hlik zag de koning rond, toen snelde hij naai' de deur, waarvoor Barberina zoo langen tijd had geknield. Daar op den grond lag een met goud geborduurden zakdoek. De koning nam dien op, hij was nog vochtig van tranen en welriekend van hare handen.

De koning drukte dezen doek aan zijne lippen, hij verkoelde met het koude vocht van hare tranen zijne oogen, en op een stoel nederzinkende, lispelde hij zacht: „Mijn geluk is vervlogen.quot;

XV.

DE LAATSTE STB1JD.

De koning had sedert vierentwintig uur zijn studeerkamer niet verlaten. Vol ongerustheid gingen de cavaliers in de voorzaal heen en weder, terwijl zij verlangende blikken sloegen op de deur, die naar de studeerkamer des konings leidde. Te vergeefs hadden generaal Bothenburg en daarna graaf Algarotti aan de deur geklopt en om toegang verzocht. Ze hadden volstrekt geen antwoord ontvangen. De koning-had Fredersdorf gelast niemand bij hem toe te laten en zelf niet te komen, voor hij geroe'pen werd. Hij verlangde geen avondeten, zou zich zelf wel ontkleeden en wilde volstrekt niet gestoord worden in het gewichtige werk, dat hij moest verrich ten.

Maar dit vreeselijke, ongewone stilzwijgen en opsluiten, maakte de vrienden en dienaren des konings bekommerd en ontsteld. Met een bang, beklemd hart stonden zij voor de deur en luisterden naar ieder gedruisch.dat zij konden opvangen. Verscheidene uren lang hoorden zij het langzame, eentonige heen- en wedergaan des konings, soms ook eenige snelle, haastige woorden, een onderdrukt steunen, — anders niets. De nacht brak aan, en met een bleek, treurig gelaat, vroeg Bothenburg den graaf Algarotti, of zij thans niet verplicht waren, met geweld de deur te openen en te zien, of den koning inderdaad geen ongeluk was overkomen.

ocr page 124

1'22

,,Hoedt u er wel voor, dat te doen,quot; zeide Fredersdorl hoofdschuddend. ,,De koning heelt stellige bevelen gegeven ; hij wil alleen en ongestoord zi.in.quot;

„Kn vermoedt gij volstrekt niet, welke de aanleiding lot deze ongewone droefgeestigheid des konings kan wezen?'' vroeg de graaf Algarotti.

„De koning was reeds sedert eenige dagen mijmerend en zwaarmoedig,quot; antwoordde Fredersdorf, „en uit eenige gezegden vermoed ik, dat zijne majesteit zich door den een of ander zijner vertrouwde vrienden gekwetst en gekrenkt moet gevoelen.quot;

Generaal Rothenhurg hoog zich naar het ooi' van den graaf Algarotti: „Barherina heeft hem gekrenkt,quot; duisterde hij. „Zij was sedert eenigen tijd luimziek en heerschzuchtig. Die heide krachtige naturen voerden sedert eenigen tijd een onzichtharen krijg met elkander, waarin het de opperheei -schappij gold.quot;

„En waarbij zonder twijfel, deschooneBarberinade nederlaag zal lijden,quot; zeide Algarotti schouderophalend. „De mensch en de man worden bij Frederik den Eenige altijd door den koning overwonnen en moeten zich aan hem onderwerpen. Als de koning eerst heeft ingezien, dat de man zich door deze tooveres Barherina laat beheerschen, zal hij, gelijk Alexander, den Gordiaanschen knoop doorhakken en den man van de boeien der slavernij en der liefde bevrijden. Maar ik vrees, dat die boeien zeer sterk zijn, en de Gor-diaansche knoop van deze liefdesketen misschien aan het zwaard des konings wederstand zou kunnen bieden. De koning, die anders in zijn gezag en zelfbebeersching niet kou aangetast en gekwetst worden, verdroeg met een zeldzame lankmoedigheid, de fierheid en heerschzucht van Barherina, en zelfs gisteren avond, toen zijne majesteit mij de eer bewees, bij mij in gezelschap van Barherina te souperen, bleef hij, in weerwil van hare luimen en gekrakeel, toch altijd de voorkomende en oplettende cavalier.quot;

„En weet gij, dat de koning de signora sedert niet heeft weder gezien?''

„Ik weet het niet, maar ik vermoed het. Laat ons in-tusschen den portier eens vragen.quot;

De bekommerde heeren vernamen van den portier, dat Barherina op den morgen van dezen dag doodsbleek en met

ocr page 125

123

rood geweende oogen de vertrekken des konings had verlaten.

„Gij ziet dus, dat ik gelijk had,quot; zeide Algarotti. , Üie betrekking verkeert in eene krisis.quot;

„Waarbij, naar ik vrees, de koning bittere smarten zal lijden,quot; zuchtte de generaal. „Want geloof mij, de koning heeft Barberina teeder bemind.quot;

„Neen, niet de koning, maar de man. Maar hebt gij daar niet een gedruiscb in die kamer .gehoord?quot;

„Het was de toon eener lluit,quot; zeide Fredersdorf. „Laat ons dichter bij de deur gaan.quot;

De drie heeren slopen zacht en voorzichtig op de teenen naar de deur, waar achter de koning zijn eenzamen zelfstrijd streed, waarbij geen ander bloed, dan dat van zijn ei^en hart werd vergoten.

Op nieuw klonken die tonen, krachtiger en zwellender; gelijk de zuchten van de liefde en het geluk trilden zij dooide lucht, zich nu eens verheffend tot onstuimig weeklagen, dan weder iluisterend en klagend en wegstervend in verzuchtingen en tranen. — Nimmer had de koningin zijn vroo-lijkste en gelukkigste dagen zoo meesterlijk, met zoo veel diep gevoel gespeeld, als heden op den dag zijner smarten. Al wat hij gevoelde in smart en zielsverdriet, in liefde, kommer en verlangen, gaf hij lucht in de tonen van dit adagio, waarmede hij, gelijk onze vaderen op de onbeschreven bladen van den bijbel hebben gedaan, de treurige gebeurtenissen van dien dag opteekencle in het heilige legenden-boek zijner smarten.

Diep getroffen, met door tranen benevelde oogen, luisterden de drie heeren naar die wonderbare openbaringen van den geest. Toen de koning nu met een vollen, krachtigen klaagtoon zijne muziek had geslaakt, boog Algarotti zich tot Rothenburg. „Vriend,quot; zeide hij, met een treurig lachje, „dat was de zwanenzang zijner liefde.quot;

„God geve, dat slechts deze liefde, maar niet zijn edel, koninklijk hart op sterven ligt. Men rukt geene liefde uit, vrees ik, zonder te gelijkertijd een deel van het hart, waarin zij was geworteld, mede uit te rukken.quot;

„Laten wij zien, of wij ook iels kunnen doen, om zijne smarten te bedaren. Wij zullen morgen naar Barberina gaan en van haar trachten uit te vorschen, wat er is voorgevallen.quot;

ocr page 126

124

„En denkt yij,quot; vroeg generaal Rolhenburg, „dat wij heden volstrekt niet meer moeten beproeven, de koning aan zijne smartelijke eenzaamheid te ontrukken?quot;

„Ik houd den koning,quot; zeide graaf Algarotti, „voor een zoo sterk held, dat alleen hij in staat is, zich te bedwingen !quot;

Terwijl de koning zoo eenzaam, door niemand dan door zijn eigen gemoed getroost, met zijne liefde worstelde, had Barberina's hartstochtelijk en onstuimig karakter al de folteringen van het lijden en de teleurstelling te verduren.

Zij was evenwel niet alleen en zonder troosteres, zij had hare zuster naast zich, die met haar weende, en met liefderijke woorden van hoop hare smarten zocht te bedaren.

„De koning zal tot u terugkeeren,quot; zeide zij. „Uwe schoonheid houdt hem met onzichtbare tooverbanden geboeid, uwe beminnenswaardigheid en bekoorlijkheid zullen hem bij de herinnering met zulk een aanminnig lachje toewenken, dat hij overwonnen en ootmoedig tot u zal terugkeeren.quot;

Barberina schudde treurig haar hoofd. „Ik heb hem verloren,quot; zeide zij. „De adelaar heeft de boeien verbroken, waarmede ik zijne vleugels had gekluisterd; hij is thans weder vrij, hij zal zijne wieken weder uitspreiden en zich in het luchtruim verheffen; in het volle genot zijner vrijheid zal hij vergeten, dat hij in de gevangenschap gelukkig is geweest. Neen, ik heb hem voor immer verloren!quot;

Zij bedekte haar gelaat met hare handen en schreide bitter. Toen echter, door eene andere ontzettende gedachte gewekt, richtte zij zich weder op met vlammende oogen en door toorn gloeiende wangen.

„O, en dan nog te denken, dat ik hem en hij niet mij heeft verloren! Te denken, dat er op deze wereld een man is, die mij heeft verlaten! Dat is eene smart en eene vernedering waaraan ik zal sterven.quot;

„Deze man is echter ten minste een koning,quot; merkte haar zuster zacht en bedeesd op.

Barberina schudde woest haar hoofd, zoodat hare loshangende, zwarte haren als slangen om haar heen golfden. „Wat bekommert het mij of hij een koning is. Zijn schepter is niet zoo machtig en groot, als die van Barberina. Indien hij een koning is, ben ik eene koningin, en mijn rijk strekt zich uit over de geheele wereld, zoover de menschen oogen hebben, om te zien, en een hart om te gevoelen. Neen,

ocr page 127

125

dat hij koning is, maakt dezen smaad niet geringer, deze vernedering niet minder wreed. O, Barberina is verloren, opgegeven, versmaad; en zij leeft nog, en de bliksemstraal van zulk een ramp beeft baar niet verpletterd, niet tot stof vergruisd ? Maar nu ik leef, zal ik wraak nemen, wraak voor die verschrikkelijke euveldaad, wraak voor dien moord aan mijn bart!quot;

Zoo verliep do dag onder verwenscbingen, klachten en eeden van wraak en nog langen tijd, nadat Barberina, aan bet smeeken van hare zuster toegevende, zich ter ruste had begeven, hoorde bare zuster haar klagen en kermen, zag zij baar, terwijl zij bet hoofd in de kussens verborg, bitter schreien.

Bleek en met roode oogen stond Barberina den volgenden morgen op; zij was nog steeds treurig, maar niet meer hopeloos: hare ijdelheid, bare schoonheid, aan welker too-verkracht zij geloofde, hadden baar gulden troostwoorden toegefluisterd. Zij was nu bijna overtuigd, dat de koning baar niet zoude verlaten.

„Hij beeft mij gisteren verstoeten,quot; zeide zij met fonkelende oogen, „heden zal hij mij smeeken tot hem terug te keeren.quot;

Zij was dus volstrekt niet verrast, toen de kamerdienaar kwam en baar meldde, dat generaal Botbenburg en graaf Algarotti in bet. salon waren, en de signora wenschten te bezoeken.

„Ziet gij,quot; zeide zij, zich vriendelijk tot bare zuster wendende, „ziet gij, dat mijn bart een juist voorgevoel bad. De koning zendt mij zijne vertrouwdste vrienden, om mij bij hem te brengen. O, mijn God, geef dat mijn hart, dat aan het verdriet weerstand beeft geboden, thans niet door het geluk worde gebroken. Ik zal hem wederzien, en zijne schoone oogen zullen die vreeselijke blikken, waarmede bij mij gisteren aanzag, uit mijn hart wisscben. Vaarwel, So-rella, vaarwel, ik ga naar den koning!quot;

„Maar toch niet zoo, niet in dat négligé, niet met dat verwarde haar?quot; vroeg bare zuster, terwijl zij baar in bare onstuimige vaart tegen hield.

„Zoo als ik nu ben,quot; zeide Barberina. „Ik heb mij om zijnentwil de baren uitgetrokken, om zijnentwil de oogen rood geweend; mijn bleek, ontroerd gelaat zal hem van

ocr page 128

126

tnijn wanhoop verhalen en hem met berouw vervullen.quot;

Fier en met een zegevierend gelaat trad Barberina het salon binnen, en met een lichte buiging beantwoordde zij den eerbiedigen groet der beide heeren.

„Brengt gij mij eene boodschap van zijne majesteit?quot; vroeg zij haastig.

„De koning heeft ons vereerd met de opdracht naar den toestand van de signora te vernomen,quot; zeide graaf Algarolti met een sluw lachje.

Barberina lachte ook. „Tlij heeft hen gezonden, om mij uit te hooren,quot; dacht zij; „hij wil van hen vernemen, of ik bereid ben, weder bij hem te komen. Ik wil hen tegemoet komen en hun het spionneeren gemakkelijk maken.quot;

„Zeg aan zijne majesteit,quot; zeide zij op luiden toon, „dat ik den nacht onder tranen en zuchten heb doorgebracht, en dat mijn hart vol berouw en smart is.quot;

De beide heeren wierpen elkander een blik van verstand-houding toe. Zij wisten nu, wat zij wilden weten: Barberina had twist met den koning gehad, en fle koning was toornig van haar gescheiden. Daarom was zij heden zoo deemoedig.

Barberina zag de beide heeren met gespannen verwachting aan. Zij was overtuigd, dat zij nu, in naam des ko-niiigs, het verzoek zouden uitspreken, of de signora hen naar het paleis wilde vergezellen.

Maar niets van dat alles volgde.

„Het berouw moet inderdaad een zeer vergiftige worm zijn,quot; zeide generaal Bothenburg, op het gelaat der signora doelende. „Het heeft daar de bloeiende purperroos van eergisteren avond in een witte roos veranderd.quot;

„Misschien is dat een geluk,quot; zeide Algarotti lachend, „want gelijk bekend is, hebben de witte rozen minder doornen dan de roode, en men zal zich van nu af aan minder aan het gevaar van eene verwonding blootstellen, als men in uwe nabijheid is, signora.quot;

Barberina huiverde en hare oogen fonkelden. „Wilt gij daarmede te kennen geven, dat mijne kracht gebroken Js en ik zoozeer vernederd ben, dat ik mij niet weder kan oprichten? Wilt gij zeggen, dal Barberina, die door don koning zoo smadelijk gekwetst, zoo wreed vernederd is, nu gelijkt, aan een vlinder, dien men van zijn bloesemstof heeft ontdaan, en door niemand meer schoon wordt gevon-

ocr page 129

m

ilen, orndal eene ruwe hand het waagde hem te bezeeren?quot;

„Ik wilde daarmede zeggen, signora, dat bet voor den koning een geluk zou zijn, als de ondervinding van gisteren u meer gedwee en zachtmoedig had gestemd,quot; zeide Alga-rotti, terwijl hij, overeenkomstig het met Rothenburg afgesproken plan, ten einde de waarheid uit te vorschen, zich den schijn gaf, alsof de koning hun alles had gezegd.

,,De koning leed eergisteren avond blijkbaar door de scherpe doornen, waarmede de roode roos hem wondde,quot; zeide Rothenburg.

„En heeft hij zich daarover niet vreeselijk gewroken?quot; vroeg Barberina heftig. „Heeft hij mij daarvoor niet uren lang handenwringend, geknield voor zijne deur laten smee-llt;en en jammeren, zonder te openen, zonder genade uit te oefenen? Maar nu is alles voorbij en vergeten. Die smarten hebben thans uitgebloed, en het geluk zal weder in mijn arm, gemarteld hart gaan wonen. O, verhaal den koning maar, hoe nederig ik ben geworden; ik bedel om het geluk, en beschouw het niet meer als mijn recht, maar als een gave Gods, die men knielende ontvangt, en tot welke men, in aanbidding en vervuld van den innigsten dank, zijne handen opheft. Maar neen, neen, gij zult het den koning niet zeggen, ik wil het zelf doen! Komt, sig-nori, de koning wacht ons! Laten wij ons dus haasten!quot;

Maar de heeren haastten zich niet hare uitgestrekte handen aan te nemen en haar naai- den wagen te brengen.

„Wij hadden slechts bevel naar den welstand der signora te vernemen,quot; zeide Algarotti.

„En daar de signora ons heeft gezegd, dat zij dengan-schen nacht heeft geweend en door berouw werd gefolterd, zullen wij dat den koning zeggen. Misschien zal dat zijn eigen lijden verzachten,quot; merkte generaal Rothenburg aan.

Barberina zag verbaasd van den een naar den ander, en langzamerhand werden hare wangen met een donkeren blos bedekt en schoten hare oogen vlammen.

„Zijt gij niet gekomen, om mij af te halen en naar den koning te brengen,quot; vroeg zij hijgend.

„Neen, signora, de koning beeft ons dat niet opgedragen.quot;

„O, bij wil dus, dat ik er vrijwillig toe besluit! Welaan dan, ik verzoek u mij bij zijne majesteit te brengen.quot;

„Dit is een verzoek, dat wij, helaas, buiten slaat zijn te

ocr page 130

vervallen. De koning heeft ten strengste verboden iemand toe te laten.quot;

„En dat verbod geldt allen?quot;

„Allen, zonder onderscheid van persoon.quot; zeide graat Al-garotti, zich eerbiedig buigend.

Barberina drukte hare lippen vast op elkander, om den kreet te weerhouden, die hare borst benauwde; zij moest met hare band leunen op den gueridon, die naast haar stond, om niet neder te zinken.

„Gij zijt dus alleen gekomen, om mij te zeggen, dat de koning mij niet wil zien, dat hij heden zoo wel als gisteren zijne deur voor mij heeft gesloten? Welaan dan, siguori, uw last is volbracht! Gaat heen en zegt aan zijne majesteit, dat ik zijn bevel heb ontvangen en zal opvolgen! Gaat heen !quot;

Zij bleef in eene trotsche houding staan; zij beantwoordde de eerbiedige groeten der beide cavaliers slechts met een spottenden glimlach, en met de hand nog altijd op den gueridon leunende, zag zij met groote, droge oogen de beide lieeren na, toen zij het schitterende, met bloemen getooide sa lon doorgingen. Maar toen de deur achter hen was gesloten, toen zij zeker was niet meer door hen te worden gehoord, stiet Barberina zulk een doordringenden, woesten gil uit, dat. Marietta ontsteld naar binnen vloog en naar bare zuster snelde, die als door den bliksem verpletterd, was nederge-zonken en bandenwringend tot den hemel opzag.

„Ik ben onteerd, verraden, verstoeten,quot; jammerde zij. „O, mijn God, laat mij sterven, opdat ik deze smaad niet overleve!quot;

Spoedig echter verstomden de beden der wanhoop op bare lippen en veranderden in uitdrukkingen van gramschap en vervloeking. Barberina wilde niet meer sterven, zij wilde zich wreken! Zij stond op en ging in woeste drift op en neder, geheel vervuld met de vurige begeerte, deze beleedi-gingen af te weren en voor de wereld ten minste een sluier uit. te breiden over den smaad, dien men haar had aangedaan.

„Marietta, help mij een middel bedenken,quot; zeide zij, „een middel, dat den koning bewijst, dat ik niet, gelijk hij zal gelooven, door wanhoop en smart wordt verteerd, maar dat ik nog altijd Barberina, de zegepralende, gevierde, triom-feerende kunstenares ben; een middel, dat aandegeheele wereld bewijst, dat niet ik verlaten en opgegeven ben, maai'

ocr page 131

129

dat ik verlaten heb. O, waar vind ik dat middel, dat mij zegevierend weder uit deze vernedering zal verhelfen! Waar —quot;

„Stil, zuster, stil,quot; zeide Marietta. „Daar komt iemand! Laat den bediende uwe ontroering niet blijken.quot;

De binnentredende kamerdienaar meldde, dat daar buiten de bediende van den schouwburg was, om uit naam van den theater-directeur, baron von Sweerts, te vragen, of de signora heden avond in het bepaalde ballet zoude dansen?

„Ik zal dansen! Meld dat den bediende,quot; beval Barberina; en toen Marietta, nadat zij weder alleen waren, haar smeekte, hare ontroering 'toch niet te verergeren en heden avond niet le dansen, zeide Barberina heftig: „Gij ziet dus niet, dat zich het gerucht van mijne vernedering reeds tot in den schouwburg verspreid heeft, gij gevoelt dus de boosaardigheid niet, die in deze boodschap ligt? O, zij denken, dat Barberina zoo verpletterd, zoo vernietigd is door de ongenade des konings, dat zij heden avond niet kan dansen! Zij zullen zich allen bedrogen hebben! Ik zal dansen; het is mogelijk, dat ik er waanzinnig door word, maar ik zal toch eerst den laster gedood en de schande eener nederlaag vernietigd hebben!quot;

De bediende verscheen andermaal en diende den heer van Gocceji aan.

„Gij kunt hem niet ontvangen, zuster,quot; fluisterde Marietta, „zeg, dat gij met het studeeren van uwe rol of met uw toilet bezig zijt. Zeg, wat gij wilt, maar wijs hem af!quot;

Barberina zag in gedachten verzonken voor zich uit. „Neen,quot; zeide zij daarop schielijk, „ik zal hem niet afwijzen. I'reng den heer van Gocceji in mijn boudoir en verzoek hem, daar op mij te wachten.quot;

Toen de bediende haar had verlaten, greep Barberina heftig de hand van hare zuster. „Ik heb God gesmeekt om een middel, ten einde mij te wreken,'' zeide zij, „God heeft mij dat middel gezonden. Gij weet, Gocceji bemint mij en heeft langen tijd te vergeefs aanzoek om mij gedaan^ Welnu, heden zal ik hem niet te vergeefs laten bidden, heden zal ik hem mijne liefde betuigen, maar hem ook mijne voorwaarden stellen. Kom, zuster.quot;

En zich fier oprichtende, gloeiende van ontroering, begaf Barberina zich naar het boudoir, waarde jeugdige i-egeerings-

Miihlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 9

ocr page 132

430

raad van Cocceji, de zoon van den minister, haar opwachtte.

Met een bekoorlijk glimlachje ging zij naar hem toe, en hem met hare groote, vurige oogen strak aan ziende, vroeg zij: „Zijt gij nog niet genezen van uwe liefde tot mij?''

De jongeling deed verwonderd en verbleekend eene schrede achterwaarts; maar Barberina stond voor hem met zulk eene wonderbare schoonheid, met een zoo zeldzaam betoo-verend lachje, en in hare oogen lag zooveel aanmoedigends, zooveel zachtheid, dat hij wel gevoelde, dat het hare bedoeling niet was, hem te beleedigen en to bespotten.

„Mijne liefde is eene ziekte, waarvan ik nimmer kan worden genezen,quot; zeide hij vurig, „eene liefde, die aan alle middelen wederstand biedt.quot;

„Ook aan mijne wederliefde?quot; vroeg zij zacht.

Het gelaat van den heer van Cocceji schitterde van vreugde en verrukking. „Barberina,'' zeide hij haastig, geheel overweldigd door dit nieuwe, niet vermoede geluk, „Barberina, zoo ik thans droom en gelijk een nachtwandelaar ben, wek mij dan niet. Indien ik thans geloof, slechts in waanzin uwe stem te hebben gehoord, help mij dan niet uit mijne begoocheling. Laat mij verder droomen en verder phanta-seeren, of dood mij, zoo gij wilt, maar zeg niet, dat ik verkeerd heb gehoord.quot;

„Tk zeg het ook niet,quot; lispelde zij bijna teeder. „Gij hebt mij een geheel jaar lang gezworen, dat gij mij bemint!quot;

„En gij hebt steeds de wreedheid gehad, mij te versmaden en te bespotten.quot;

„Van heden af aan wil ik aan uwe liefde gelooven, maar gij moet er mij een bewijs van geven. Wilt gij dat?quot;

„Ik wil het!quot;

„Welaan dan, ik vorder geen reuzendaden, geen berculi-scho werken, er is geen mededinger, dien gij moet vermoorden ; maar verlang van u, dat gij met uwe liefde voor mij in tegenwoordigheid der geheelewereld éclat maakt; ik eisch, dat gij met opgeheven hoofd en helder, open oog voor een ieder getuigenis aflegt van deze liefde. Ik wil niet, dat hij, die mij bemint, zijne liefde zoekt te verbergen onder de sluiers van geheimzinnigheid en van het stilzwijgen; ik wil, dat hij den moed hebbe, de zon des hemels en het oog der menschen op zijn hart te laten vallen, en dat zijne oogleden daarbij niet trillen, noch de schaduw der

ocr page 133

481

versaagdheid zijn gelaat benevele. Ik wil, dat morgen geheel Berlijn het zegge en wete: De jeugdige regeeringsraad van Gocceji, de zoon van den minister, de lieveling des konings, bemint Barberina en zij bemint hem, en het is niet die koele, noordsche genegenheid, waarbij iemand het bloed in de aderen verstijft en het hart bevriest, het is een innig, vurig gevoel, dat hen beiden doortintelt! Het is geene üuitsche genegenheid, het is eene Italiaanscbe liefde, eene liefde vol zonneschijn, vuur en gloed!quot;

Zij zag er verrukkelijk uit'in die uitdagende, fiere, koene houding, met die fonkelende blikken, dat gelaat tintelende door geestkracht en geestdrift. Zelfs eene zachtere, minder hartstochtelijke natuur, dan die van den heer van Gocceji, zou door dezen gloed ontvlamd, door deze geestkracht meegesleept zijn. Als buiten zich zeiven, geheel hartstochten Vastberadenheid, knielde de jonge, vurige Gocceji aan Bar-berina's voeten neder.

„Beveel over mij, over mijn naam, mijn leven lt;;n mijne hand,quot; zeide hij. „Als gij mij bemint, zal ik ertrotscbop zijn, aan de geheele wereld te toonen, hoe vurig ik u bemin, aan de geheele wereld te zeggen; dat is mijne gemalin, en ik gevoel mij vereerd en gelukkig, dat zij mijne hand heeft aangenomen!

„Daarover later,quot; zeide Barberina glimlachend. „Bewijs eerst aan de wereld, dat gij mij bemint. Maak heden avond in den schouwburg éclat, zoodat geheel Berlijn er over spreekt! Dan —quot;

„En dan?quot;' vroeg Gocceji, en zijn schoon, moedig, frisch gelaat was schitterend en blozend, als beschenen door een zonnestraal.

„Dan,quot; zeide zij zacht, „zal al het overige wel terecht komen!quot;

XVI.

HET INTEBMEZZO IN DEN SGHOUWBÜBG.

Graaf Algai-otti en generaal von Rothenburg waren, na het bezoek aan Barbarina, geheel gerustgesteld en getroost naar het paleis teruggekeerd.

ocr page 134

132

„Barberina heeft berouw en is bereid de eerste stap tot verzoening te doen,quot; zeide generaal Rotbenburg. „Ik zie reeds, hoe het gaan zal en zal mijn kok bevel geven voor een souper op heden avond.quot;

„Wacht daar nog maar mede,quot; zeide Algarotti hootd-scbuddend „Gij zoudt uw kok misschien te vergeefs moeite aandoen, en de spijzen zouden koud kunnen worden vóór de koning kwam.quot;

„Gij gelooft dus?quot;

„Ik geloof, dat om een louter voorbijtrekkend onweder, de koning zich niet in de eenzaamheid zou opsluiten, en dat het hier niet eene gril, maar eene levensvraag geldt.quot;

De koning had zijne deur dus nog niet geopend. Vergeefs had Fredersdorf dien morgen om toegang verzocht en gesmeekt. De koning had zijne deur nog niet geopend.

Treurig en ongerust stonden de vrienden, niet wetende, wat zij zouden beginnen, hoe zij eindelijk aan dat doodsche, verschrikkelijke zwijgen een einde zouden maken.

Plotseling werd de naar de voorzaal voerende deur haastig geopend, en op den drempel verscheen een man, wiens elegant, sierlijk en deftig uiterlijk den hoveling en cavalier verried, terwijl zijn vroolijk, gezond, blozend gelaat, zijne heldere, fonkelende, levendige oogen, zijn gemoedelijke, gulle glimlach hem als een man naar de wereld en leerling van Epicurus kenschetsten. Deze man, in wien ieder, die hem aanzag, vertrouwen moest stellen, wiens gelaat, in weerwil van de kleine plooien en rimpels, die vijftig woelige en werkzame jaren daarop hadden geteekend, toch nog altijd van kinderlijke onschuld en goedhartigheid getuigde, deze man was de markies d'Argens, de trouwe, niet verouderende, nimmer wankelende, nimmer dwalende vriend des konings. Hij was hem volkomen toegedaan en vol aanbidding en bewondering voor zijn koninklijken heer. Hij was zoo vol eerbied en achting voor den koning, dat hij de brieven, die hij van hem ontving, nimmer anders dan staande en met gesloten deuren las.

Met een vroolijk en gelukkig lachje trad de markies, die juist van eene vrij lange reis naar Parijs was teruggekeerd, in de voorzaal des konings, vol vreugde en verlangen, zijn geliefden heer weder te zien ; haastig, en zonder iets anders te zien of gade te slaan dan gindsche deur, die naar het

ocr page 135

133

studeervertrek des konings voerde, ging hij de zaal door. Rothenburg en Algarotti naderden hem mlusschen, en hem met blijde begroeting hunne handen reikende, verhaalden zij hem van de zeldzame en ongewone opsluiting des konings.

Het gelaat van den markies nam terstond eene sombere, treurige uitdrukking aan, en zijne oogen vulden zich met tranen. „Wij moeten hem aan deze eenzaamheid ontrukken,quot; zeide hij vastberaden. „Ik zal voor deze deur knielen en zoo lang jammeren en smeeken, tot het edele hart des konings getrolTen is, tot hij, uit medelijden en grootmoedigheid voor mij, mijn smeeken verhoort en de deur opent.quot; Fredersdorf naderde de deur, achter hem; hand in hand, stonden de vrienden.

„Sire,quot; riep Fredersdorf, aan de deur kloppende, „sire, daar is de markies d'Argens en verzoekt de genade te worden toegelaten.quot;

Er kwam geen antwoord.

,.0, sire,'' riep de markies, „wees barmhartig! Verhoor mijn verlangen om u te zien. Uwe majesteit bedenke, dat ik dag en nacht heb gereisd, om eenige uren vroeger het geluk te kunnen hebben, u weder te zien en mijn arm hart in den zonneschijn uwer blikken te verwarmen. Wees genadig sire, en laat mij binnen!quot;

In ademloos zwijgen luisterden de heeren naar den uitslag van dit bezweringsformulier.

Inderdaad, de klink van de deur bewoog zich! Men hoorde binnen een grendel wegschuiven, — de deur ging open.

De koning verscheen op den drempel.

H.y zag er bleek uit; maar het was dat heldere, doorschijnende bleek, dat volstrekt niets gemeen heeft met het gele bleek van lichamelijke, ziekelijke afmatting; een wonderbare, zachte glans rustte op zijn gelaat, een zacht,helder lachje speelde om zijne dunne lippen, en zijne groote ondoorgrondelijke oogen schitterden, gelijk twee sterren. Eene statige rust was over zijn geheele wezen uitgespreid, en zonder eenig spoor van ontroering naderde hij zijne vrienden.

„Welkom, markies,quot; zeide hij, d'Argens minzaam toeknikkend, „welkom en geluk met uwe terugkomst. Gij zult ons zonder twijfel veel te verhalen hebben van uwe dolle en vroolijke landslieden, en ik zie al dat Rothenburg en Algarotti branden van begeerte, iets te vernemen van uwe

ocr page 136

134

verliefde avonturen en uwe rendez-vous met de nieuwbakken, nog geheel versche en warme Duchesses en Princesses.quot;

„Ja, sire, hij kwam inderdaad met het fiere gelaat van een overwinnaar,quot; zeide Rothenburg, bereidwillig voortgaande overeenkomstig de bedoeling des konings, om een schertsend gesprek aan te knoopen; „men kon het den markies terstond aanzien, welke groote overwinningen hij aan het hof van Lodewijk den Vijftiende heeft behaald.quot;

„Als de markies zijn hart in Parijs heeft achtergelaten,quot; riep Algarotti lachend, „zou het inderdaad een geluk voor hem zijn. Want uwe majesteit weet wel, hij lijdt steeds aan het hart, en elk meisje, dathij niet bepaald stu/stelen, is voor hem een reine engel van onschuld.quot;

„Gij weet toch, sire,quot; zeide Rothenburg, „dat zijne huishoudster hem kort voor zijne afreis zijn zilverwerk ontstal, en dat de markies beloofde haar de waarde van dat zilver te zullen betalen, als zij hem den dader ontdekte en het weder terugbezorgde. Zij bracht hom dus het zilverwerk terug, en de markies betaalde haar niet alleen het beloofde geld, maar nog bovendien eene aanzienlijke belooning, omdat zij zoo slim was geweest, den dief te ontdekken. Toen hij mij met veel zelfvoldoening deze geschiedenis verhaalde en ik het waagde aan te merken, dat de huishoudster zelfde dief was geweest, was hij zoo toornig, alsof ik hem zeiven voor den diefstal had beticht.quot; „Heb toch meer eerbied voor het vrouwelijke geslacht,quot; zeide hij tot mij, „eene vrouw beschuldigen en aanklagen is altijd eene misdaad tegen God en de natuur. De vrouwen zijn deugdzaam en edel, als zij niet worden verleid, en ik zou niet weten, wie mijne goede, trouwe huishoudster zou hebben verleid. Zij is dus onschuldig.quot;

De heeren braken in vroolijk gelach uit, terwijl d'Argens zijne blikken beschaamd en treurig naar den grond sloeg.

Maar de koning kwam nog dichter bij hem, en beide handen op de schouders van den markies leggende, zag hij hem met innige liefde in het volle, goedhartige gelaat.

„Hij heeft het hart van een kind, den geest van een wijze en de verbeelding van een dichter door Gods genade,quot; zeide de koning; „als alle mannen hem geleken, zou de aarde geen tranendal, maar een paradijs zijn. Daarom, markies, is het een groot geluk voor mij, dat gij weder hier zijt;

ocr page 137

135

want gij zult bij mij de plaats van den lieiligen vader vervangen, een stukje gronds inzegenen en wijden, en met uwé kuische lippen de huisgoden smeeken, dat zij vriendelijk den haard des huizes beschermen en ons allen een weinig vreugde en geluk in den alsemkelk van ons leven gieten. Mijn wijnberg bij Potsdam is gereed, en daarheen zal ik u heden brengen, u geheel alleen, markies. Gij ouderen, vermetele, achterdochtige menschenkinderen, zult mij niet terstond in mijn klein paradijs de lucht verpesten met uw dooiden appelbeet nog bedorven adem en uwe verlokkende slangentaai. d'Argens alleen is het paradijs waardig, want hij is nog een mensch van voor den zondenval, en heelt nog nimmer van den onheilspeilenden appel geproefd. Wij rijden dus naar onzen wijnberg, markies, en ais gij er uw zegen over hebt uitgesproken, zult gij mij van de chroniqiie scandaleuse van liet Fransche hof verhalen. Eerst moetik echter nog arbeiden. Fredersdorf, zijn de kabinetssecretarissen er ?quot;

„Zij zijn sedert een uur op het bureau.quot;

„\Vie is er nog meer in de voorkamer?quot;

„De heer baron von Sweerts, die liet repertoire van de week brengt.quot;

„Zoo, Sweerts,quot; zeide de koning nadenkend. „Laat hem binnen komen.quot;

Fredersdorf snelde naar buiten, om den tooneeldirecteur te halen, terwijl de koning het vroolijke en schertsende gesprek met zijne vrienden hervatte. Toen de baron von Sweerts binnentrad, ging de koning htm eene schrede te gemoet en strekte zijne hand uit naar het papier, dat de baron hem aanbood.

De koning doorliep het schijnbaar onverschillig, doch drukte zijne lippen een weinig op elkander en eene wolk bedekte zijn voorhoofd.

„Wie danst heden avond de soli in de Re pastore 9quot; vroeg de koning eindelijk.

„Signora Barberina,quot; uwe majesteit.

„Zoo, signora Barberina,quot; zei de koning ^achteloos. „Ik meen te hebben gehoord, dat zij ziek was.quot;

Zijne blikken 'wendden zich met eene doordringende, vragende uitdrukking naar zijne drie vrienden. Wellicht ried hij, wat zij hadden gedaan, en vond het natuurlijk.

ocr page 138

136

dat zij in de ongerustheid huns harten, naar Barberina waren gegaan; misschien wilde hij daar zekerheid van hebben.

„Sire,quot; zeide Rothenburg, „signora Barberina is weder geheel hersteld. Graai Algarotti en ik brachten haar heden morgen een bezoek, en zij droeg ons op, als uwe majesteit de genade zoude hebben naar haar te vernemen, te berichten, dat zij weder gezond en vroolijk was.quot;

De koning zeide geen woord; in zijne rechterhand nog het papier houdende, waarop het repertoire stond, ging hij eenige malen peinzend heen en weder. Toen bleef hij voor d'Argens staan en zeide vriendelijk: „gij zijt zulk een groot enthousiast voor het tooneel, dat het wreed zoude zijn, u heden naar mijn wijnberg te ontvoeren. Wij zullen dus heden naar den schouwburg gaan en Barberina zien dansen ; morgen rijden wij naar Potsdam en wijden mijn nieuw huis in. Adieu, messieurs, ik moet arbeiden. Gij zijt heden middag mijne gasten en heden avond vergezelt gij mij naar den schouwburg!quot;

Hij groette hen vriendelijk en ging weder in zijne studeerkamer terug. „Zij wil mij trotseeren,quot; zeide hij zacht in zich zeiven. „Zij wil mij bewijzen, dat zij alles heeft overwonnen. Nu, ik zal haar toonen, dat ook ik genezen ben.''

Het uur, waarop de voorstelling zou beginnen was eindelijk gekomen. Een schitterend uitgedost, van ordesterren en brillanten fonkelend gezelschap vulde de loges van den eersten rang en het parket, terwijl in het parterre en op den tweeden rang de ambtenaren en hofbedienden, de uit-genoodigde kooplieden en burgers met hunne vrouwen en dochters de plaatsen vulden, en met blij ongeduld het begin van het bekoorlijke herderspel il Rèpastore te gemoel zagen. Geheel andere belangen waren het evenwel, die heden het gezelschap van den eersten rang, de ingewijde en bevoorrechte hovelingen, bezig hielden. Gelijk een loopend vuur had zich onder hen het gerucht verspreid, dat signora Barberina in ongenade was gevallen en voor altijd de gunst des konings had verloren. Men vertelde elkander van de wanhoop der danseres, en er waren reeds eenigen, die beweerden, dat Barberina heden eene poging had gedaan, om zich van het leven te berooven, terwijl anderen verzekerden, dat zij had gezworen nimmer weder te Berlijn het tooneel te betreden, en daarom heden avond ook een plotselinge

ocr page 139

137

ongesteldheid zoude voorwenden, om niel le dansen.

Een ieder verlangde daarom naar liet begin van de voorstelling, en zag met gespannen verwachting naar het gordijn van het tooneel en naar de zijdeur, ginds aan het parket, waardoor de koning met zijn gevolg gewoonlijk binnentrad 'om op zijn dicht achter het orkest geplaatsten leuningstoel plaats te nemen.

Eindelijk ging deze deur open. De trompetten en bazuinen lieten hunne fanfare weergalmen, De koning trad de zaal binnen, en ging met bedaarde, rustige schreden naar zijn zetel.

De schel klonk, het gordijn ging op, het ballet begon. Eerst een ensemble dans van herders en herderinnen, toen een vroolijk intermezzo van launen en satyren, die zich daarna in schilderachtige groepen bij de herders en herderinnen aan beide zijden van het tooneel plaatsten, wachtende op de herder-koningin, die nu moest verschijnen.

Er heerschte eene ademlooze stilte Aller oogen waren strak en onafgewend op het tooneel gericht, de koning alleen zag onverschillig naar de tabatière, die bij in zijne vingers draaide en welker groote diamanten als bliksemstralen fonkelden en vlamden.

Nu verhief zich een algemeen gemompel van bewondering. Daar komt zij aanlladderen, schitterend van bekoorlijkheid, geurig en teeder, gelijk eene roos; aanlokkelijk en schoon in haar doorschijnend, rijk gewaad, van zilvergaas, met dien innemenden glimlach, die de parelrijen van hare tanden doet zichtbaar worden, en in hare rozeroode wangen bekoorlijke kuiltjes boort; met die groote, geheimzinnige, zwarte oogen, die te gelijker tijd zoo betooverend kunnen vleien en zoo stoutmoedig dreigen. Onhoorbaar zweeft zij voorwaarts tot aan den rand van het tooneel. Nu buigt zij met onnavolgbare bevalligheid het bovenlijf achterover, en op de uiteinden van hare toonen zwevend, heft zij hare armen, die een rozekrans vasthouden omhoog, en ziet, in deze zwevende houding rustende, met een aanvallig lachje naar de bloemen op.

„Verrukkelijk!quot; zeide plotseling een luide krachtige stem. liet was de jonge regeeringsraad van Cocceji, die in de prosceniums-loge dicht naast het tooneel zat, en met vurige, fonkelende oogen naar Barberina staarde.

ocr page 140

438

Barbeiina wendde haai' gelaat tot hem en glimlachte.

De koning fronste eenigszins het voorhoofd en draaide de tabatière een weinig sneller tusschen zijne vingers

„Verrukkelijk!quot; herhaalde de heer van Cocceji, en toen wierp hij een dreigenden, uitdagendcn blik op dien bleeken, teederen jongeling, die naast hem zat, en het had gewaagd, met zijne bedeesde, zachte stem in het „verrukkelijkquot; van den jongen kampvechter in te stemmen.

„Ik verzoek u, u van die luide betuigingen van goedkeuring te onthouden, of zoo gij dat niet kunt, daartoe ten minste uwe eigene en niet de mijne te kiezen,quot; zeide de meer dan zes voet lange reus Cocceji, tot zijn schralen, bleeken buurman. Deze zag als ontzet op de breede, gespierde reuzengestalte van Cocceji, en waagde het van nu af aan nauwelijks adem te halen, maar staarde met wijd opgespalkte, groote quot; oogen naar Barberina, die nu in de bekoorlijkste standen, met de kunstvaardigste passen, op het tooneel heen en weder lladderde.

Het publiek, dat geheel en al zijne vroegere vooronderstellingen en vermoedens vergat, zag niet meer naar den koning, maar alleen naar de dansende Barberina en de heer van Cocceji, die dicht bij het tooneel zat en wiens oogen zich steeds dreigender vestigden op zijn buurman, die geheel in aanschouwing en bewondering verloren was.

Plotseling, toen Barberina juist eene van hare schoonste en volmaaktste dansen had uitgevoerd, en glimlacheud voor de lampen geknield de bravo's der toeschouwers ontving, vloog iets uit de prosceniumsloge van den heer Cocceji op het tooneel en viel juist aan de voeten van Barbei'ina neder.

Dat iets was evenwel geen krans, geen bloemruiker, geen versiersel; dat iels was een mensch, een arm, verbluft, ontsteld mensch, die volstrekt niet begreep, hoe hij er toe was gekomen, deze luchtreis te maken, en waarom zijn buurman, de heer Cocceji, hem met zijn gespierde reuzen-hand had beet gepakt en op het tooneel geworpen.

Bedwelmd en ontsteld, lag de arme verslagen jongeling een oogenblik bewegingloos aan de voeten der danseres. Toen stond hij op, en zich diep buigende voor den koning, die zwijgend, maar met dreigende blikken, naar hem opzag, zeide hij luid: „Sire, ik verzoek nederig om verschooning. Het is niet mijne schuld. De heer van Cocceji gebood mij

ocr page 141

439

op eeno heftige en bevelende wijze, de signora Barberina niet aan te zien, en daar ik mij aan dit verbod natuurlijk niet stoorde, heeft hij mij plotseling, voor ik het kon beletten, gegrepen, en op het tooneel geworpen.quot; ^

Het publiek, dat langzamerhand van zijne verbazing en schrik was bekomen, begon'zachtjes te lachen en te 11 uitite-ren, en zag met spottende blikken naar den armen jongen man, die bleek en nederig naast Barberina stond, terwijl do heer van Cocceji zijn koen stoutmoedig gelaat naar het pu-pliek had gekeerd en met zijn uitdagende blikken iedereen scheen 'te bedreigen.

liet orkest zweeg, signora Barberina danste niet meer, maar zag met een betooverend lachje naar Cocceji; —er heerscht een diepe stilte.

„Verder!'' zeide plotseling de luide bevelende stem des konings, en hij gaf een teeken aan den jongeling, die zich nederig achter de schermen terug trok.

„Verder!quot; riep de koning nog eens. De muziek begon weder, signora Barberina hief weder de rozenguirlande in hare handen op, en zweefde en iladderde gelijk een bekoorlijk Elfenkind over het tooneel Maar het publiek sloeg weinig acht op hare kunst, het was geheel en al bezig met dit zeldzame avontuur, en in plaats van naar hare voeten te zien, sloeg het slechts acht op haar gebarenspel en dat van den jeugdigen heer van Cocceji.

Barberina had dus hare bedoeling bereikt. Men zeide niet meer; „Barberine is in ongenade gevallen,quot; men vertelde elkander slechts, dat de heer van Cocceji Barberina hartstochtelijk beminde en jarloersch was als een Turk.

XVII.

SANSSOUCI.

In den vroegen morgen van den volgenden dag hield eene eenvoudige, koninklijke equipage voor het groote ijzeren tralierek van het nieuwe park bij Potsdam stil. Er was

1) Müchler, Vrederik de Groote, p. 151.

ocr page 142

140

iiiernaud in dan de koning en de markies d'Argens, daar de koning geen anderen geleider, zelfs geen lakei had willen hebben.

Toen de wagen stil hield, maakte hij zelf hel portier open en sprong er vlug uit, om zijn ouderen en minder vluggen vriend den arm te geven en bij het uitstappen behulpzaam te zijn; en toen de markies, beschaamd en blozend, als een jong meisje, er zich ti gen verzette, dezen dienst van den koning aan te nemen, zeide Frederik glimlachend: „Laten wij nu vergeten, dat ik koning ben. Gun mij heden de vreugde, zonder ceremoniën bij u te zijn, de vriend bij den vriend. Kom, markies, laten wij mijn paradijs betreden; ik verzoek u slechts een weinig oplettend te zijn.quot;

„Weet gij wel, sire, dat ik zulk een beklemd en te gelijker tijd verheven gevoel heb, een gevoel, misschien eenigszins overeenkomende met dat der Grieken, als zij het Delphische bosch betraden,quot; zeide de markies, toen hij met den koning gearmd de kleine lommerrijke zijlaan insloeg, door welke de koning hem opzettelijk voerde, om hem dan op eens te verheugen, met het gezicht van het op eene hoogte geplaatst paleis.

„Nu, ik denk, er zal van hier nog menige godspraak tot de wereld uitgaan,quot; zeide de koning; „maar zij zullen minder dubbelzinnig en duister zijn, dan de Delphische, en ook zullen zij niet schoonschijnende leugens, maar groote, schitterende waarbeden bevatten. Ook mij is het groot en plechtig te moede, en het schijnt mij, alsof ik daar voor mij dooide boomen eene statige, reusachtige luchtgestalte zag zweven, die mij met opgeheven arm wenkt haar te volgen. Dat is de wereldgeschiedenis, vriend. Zij draagt baar guldenboek in den arm, en in de opgeheven rechterhand, die mij toewenkt, houdt zij de diamanten stift, waarmede zij mijn naam en dien van deze plaats op hare bladen wil giaveeren. Daarom mijn heilige vader en priester, heb ik u herwaarts gebracht, omdat gij mijn wijnberg zoudt doopen. Kom, gindsche groote gestalte wenkt reeds weder! Zij verwacht den doop met ongeduld!quot;

Nu traden zij de kleine laan uit en bevonden zich in den groeten hoofdingang. Een uitroep van bewondering ontglipte de lippen van den markies; met schitterende oogen beschouwde hij het zoo bekoorlijke en majestueuze geheel, dat

ocr page 143

141

hem plotseling omgaf. Hier, in hunne nabijheid, dit in marmer gevatte bassin, omringd door heerlijke marmer-groepen, dicht daar achter die hooge terrassen, op wier zes trappen zich lanen van heerlijke, reusachtig groote oranje-boomen verhieven, die hunne volle, dichte kronen zacht in den morgenwind wiegelden, om den koning te begroeten met den heerlijken geur hunner bloesensr En boven op de punt dier terrassen, tusschen marmergroepen en springende watervallen, dat in zijne vormen zoo eenvoudige en evenwel zoo schoone kleine paleis, op welks middelste koepel de gouden koningskroon stond, die in den zonneschijn schitterde en blonk.

De koning wees op die kroon. „Ziet gij,quot; zeide hij, „de kroon schittert in het goud, en werpt hare schaduw op hetgeen beneden haar is. Zoo is het met mijn geheele leven. liet is beschaduwd en donker! Moge slechts mijne kroon schitteren!quot;

De markies drukte de hand des konings teeder aan zijne borst. „Zij zal schitteren en glanzen door alle tijden heen,quot; zeide hij in geestdrift. „Van den zonneschijn, dieopgind-sche kroon ligt, zullen uw laatste na-neven nog verhalen; en als zij van Pruisen spreken, zullen zij zeggen : Toen Fre-derik de Tweede leefde, scheen de zon en het was licht!quot;

Nu zwegen beiden en gingen arm in arm de marmeren trappen van de terrassen op. Eene diepe, heilige stilte omgaf hen, zacht klaterden de watervallen, zacht ruischten de toppen der hooge boomen, die aan beide zijden de terrassen begrensden; nu en dan hoorde men het liefelijk gellnit van een vogel; geen gedruisch der wereld, geen luide weerklank stoorde den heiligen, goddelijken vrede der natuur. De wereld scheen achter hen afgesloten, en met eene heilige huivering traden zij een nieuw leven binnen.

Thans hadden zij de hoogte bereikt, thans beschouwden zij hot prachtige panorama, dat zich aan hunne voeten uitstrekte, en zulk een heerlijk gezicht opleverde in zijne welige frischheid, met zijne schilderachtige vormen, met den blauwen, sierlijk slingerenden stroom, die zacht kronkelde door de groene vlakte, tusschen met boomen bezette hoogten.

„Niet waar? dat is schoon!quot; zeide Fredei ik, en zijn gelaat schitterde van vreugde. „Niet waar, hier zullen wij kunnen uitrusten van het lijden en de zorgen der wereld!quot;

ocr page 144

142

„Het is een klein paradijs!quot; riep de markies, en in blijde verrukking zijne armen uitstrekkende, alsof hij dit geheele schoone beeld aan zijn hart wilde drukken, zag hij ten hemel en riep: „God, God! laat mijn koning hier gelukkig zijn!''

,,Gelukkig!quot; herhaalde Frederik, schouderophalend. „Zeg tevreden, markies, dat is, geloof ik, het hoogste, dat een mensch op dezen aardklomp kan verwerven. Laten wij nu het huis binnentreden.quot;

Hij nam weder den arm van den markies en ging met hem over het gele kiezelzand, dat onder hunne voeten kraakte, naar de groote glazen deuren, die naar de langwerpig ronde zaal voerden. Toen de koning de deur opende, sloeg hij zijne groote blauwe oogen op zijn vriend. „Bid, markies, bid! Wij staan hier aan den ingang van een nieuw leven, dat zijne geheimzinnige poorten voor ons ontsluit.quot;

„Sire, ieder van mijne gedachten is een gebed vooru,quot; zeide d'Argens vurig.

Zij gingen de langwerpige zaal binnen.

„Hier is de kamer, waar ik en mijne vrienden met elkander bijeen zullen komen,quot; zeide de koning. „Hier aan deze zijde van bet huis zal ik wonen, daar aan gene zijde mijne vrienden, dus bovenal gij, lieve markies. In deze zaal zullen wij bijeenkomen en hier zullen wij onze symposiën vieren. Nu wil ik u eerst mijne vertrekken toonen, dan de overige.quot;

In de met evenveel pracht als smaak gemeubileerde receptiezalen vertoefde de koning slechts een enkel oogenblik. Ternauwernood stond hij den kunstlievenden vriendeene vluchtige beschouwing toe van de heerlijke schilderijen, die overal aan de wanden hingen, en tot welker aankoop de koning den koopman Gotzkowsky zelf naar Italië had gezonden: ter nauwernood mocht hij een blik werpen op die schoone marmeren standbeelden en vazen uit de Poniatowskysche galerij, die de koning voor vier honderd duizend daalder had aangekocht.

„Gij moet eerst mijne werkkamer zien,quot; zeide Frederik, „daarna moogt gij al het overige in oogenschouw nemen.quot;

En nu stiet hij eene deur open en voerde den markies in die bekoorlijke ronde bibliotheekkamer, .die geen anderen tooi had, geen anderen dan den hoogsten, —den tooi dor boeken. In hooge kasten stonden zii rondom in dezen tempel

ocr page 145

143

van den geest en der wetenschap, en zelfs de deur, waardoor zij waren binnen gekomen, en door den koning zachtjes was toegedrukt, was verdwenen, verdwenen achter de boeken, waarmede hare binnenzijde bedekt was.

„Gij ziet wel,quot; zeide de koning lachend, „wie hier eens in dezen tooverkring is binnengetreden, kan er niet weder uit. Ik verlang het ook niet! Van heden af aan begint voor mij een nieuw leven, en dezen drempel overschrijdende is het verleden mij ontvallen, gelijk een overrijpe vrucht.quot;

Zijn gelaat was nu ernstig en treurig, de glans zijner oogen verduisterde. Met een stille zucht legde bij zijne hand op den schouder van den markies, en zag hem langen tijd zwijgend aan.

„Tk wil u een geheim toevertrouwen,quot; zeide hij eindelijk zacht. ,,!!lt; geloof, dat mijn hart gisteren is gestorven, en waarlijk, het was een zware doodsstrijd! Thans is het voorbij, maar de plaals, waar eens bet hart klopte, is nog pijnlijk en bloedt nog uit duizend wonden. Zij zullen allen heelen, en ik zal dan een hardvochtig, metlitteekenen bedekt mensch zijn. Laten wij er niet meer over spreken!quot;

„Neen, gij moogt niet zeggen, sire, dat gij ooit hardvochtig zoudt kunnen worden,quot; riep d'Argens diep bewogen. „Gij zult uw hart niet lasteren, en zeggen, dat het gestorven is. Het leeft met ons, met de vrienden, met de geheele wereld, met alles wat groot, edel, roemrijk en verheven is!quot;

„Maar niet meer met de liefde,quot; zeide de koning, „want die is voor mij eene ontbladerde roos, welke ik heb weggeworpen ; de rozen toch komen niet overeen met de kroon, want óf zij overschaduwen de kroon, óf zij worden door deze verdrukt. Ik ben bet echter mijn volk verplicht mijn kroon schitterend en vrij te bewaren; ik wil niet, dat hot mij eens een slechten en nalatigen ambtenaar zal noemen; ik wil bet dienen met mijn geheele leven en mijne beste krachten! Maar hier, vriend, bier in mijn klooster, dat gelijk de kloosters der Karmelieten nimmer door een vrouwenvoet zal worden ontwijd, hier zullen wij nu en dan bet koningschap en al het ijdele schoonzijn vergeten, en bier op mijn wijnberg wil ik niet do koning, maar slechts de vriend en wijsgeer zijn !quot;•

„Kn de dichter!quot; riep d'Argens met de innigste liefde; „en den dichterkoning zal ik thans een woord toeroepen, dat

ocr page 146

Ui

hij mij eens heeft gezegd, toen ik treurig en mismoedig was:quot;

Nous avons deux moments u vivre;

Qu'ils en soit un pour Ie plaisir. —

„Gelooft gij, dat wij dit eene moment nog niet hebben uitgeput, markies?quot; vroeg Frederik met een trenrigen glimlach, waarop eene kleine wijle stilte volgde. Toen echter namen zijne trekken eene blijmoediger uitdrukking aan, zijne oogen schitterden weder met den gewonen glans, en eene stoute, blijde vastberadenheid was op zijn gelaat te lezen.

„Laten wij beproeven, markies, of gij gelijk hebt,quot; zeide 'nj, „en het moment pour le plaisir zoo lang mogelijk trachten te rekken, en dan, als het tot sterven komt dan, —

Finissons sans troubles, et mourons sans regrets En laissant Tunivers comblé de nos bienfaits,

Ainsi 1'astre du jour, au bout de sa carrière,

Répand sur 1'horizon une donce lutniêre,

Et les derniers rayons, qu'il darde dans les airs,

Sont ses derniers soupirs. qu'il donne Cl 1'univers.quot; 1)

De markies had met verbaasde verrukking deze improvisatie des konings aangehoord, en toen deze geëindigd had, riep de vurige Provencaal, vol geestdrift uit: „Gij zijt geen mensch, sire, gij zijt een held, een koning, een halfgod!quot;

„Ik zal u daar iels toonen, dat uwe vleitaal te zeer weerspreekt, om ze te kunnen gelooven. Kijk eens dien kant uit. Wat ziet gij daar, hier juist tegenover mijn venster?quot;

„Bedoelt uwe majesteit die schoone marmergroep?quot;

„Die bedoel ik. Wat denkt gij, dat het is?quot;

„Wat dat is? Het liggende beeld eener Flora.quot;

„Neen vriend, — het is mijn graf!quot;

„Uw graf, sire?quot; vroeg de markies huiverend.

„En hebt gij dat juist voor het venster uwer lievelingskamer geplaatst?quot;

„Juist daar, om nimmer den dood te vergeten! Kom mede, markies, wij zullen mijn graf van nabij bezichtigen!''

Hij bracht den markies naar buiten, naar de open plaats en aan dien kant van het rondeel, waar de marmergroep was geplaatst.

1) Poésies diverses. Edit, de Berlin, pag. 318.

ocr page 147

„Hier onder dit standbeeld bevindt zich het grafgewelt, waarin ik eens zal rusten,quot; zeide Frederik. „Ik begon het bouwen van mijn wijnberg met deze groeve, en beval den bouwmeester de strengste geheimhouding. Bewaar ook gij het geheim; sleclds zeer weinigen van de levenden hebben genoog eerbied en heiligen schroom voor den dood, dat men er met hen over zou mogen sproken.quot;

d'Argens oogen waren betraand. „O, sire, moge het nog langen tijd duren, vóór deze Flora van haar plaats wordt gerukt en het graf zich onder baar opent;'' riep hij diep getroll'en.

De koning schudde zacht zijn hoofd, en een heilige vrede schitterde op zijn gelaat „Waarom wenscht gij dat?quot; vroeg hij, en terwijl hij met zijn hand op de groeve wees, voegde hij er glimlachend bij: „quand je serai ld, je serai sans • sou eiquot; ') -f ' ■

„Sans souci!quot; herhaalde d'Argens zacht en diep bewogen, op de groeve starende.

De koning reikte hem lachend de hand. „Ik wil het beproeven, ook in het leven sa^s souci te zijn, en tot bewijs daarvan noem ik dit huis van heden af aan;

SANSSOUG1!quot;

XVIII.

DE BELOFTE.

Het was een heerlijke zomerdag. Helder schitterde de zon aan den wolkenloozen, blauwen hemel en weerkaatste in het water van beekjes en stroomen. Zacht wuifden de toppen der hoornen op den adem van den westenwind ; ook de bloemen wiegelden op hare ranke stelen en koesterden zich in de warme stralen! kortom, de geheele natuur genoot van dezen schoonen zomerdag.

Boven op het terras van Sanssouci stond de koning en beschouwde met glinsterende oogen dit schoone panorama, dat zich aan zijne voeten uitstrekte en niet slechts aan God en de natuur, maar ook aan den smaak en den kunstzin

1) Nicolai, Anecdoten van Koning Frederik II. Deel II, pag. 203. Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 10

ocr page 148

146

des konings zijn ontstaan te danken had. De koning was alleen; liij bevond zich op zijn paleis Sanssouci, dat be-teekent; hij had zich voor eenige uren van den last en den luister van zijn koningschap ontdaan en was thans slechts de wijsgeer, de zoon van de muzen en van Epicurus, de geleorde, de wijze, de vriend, in een woord, gelijk hij zich gaarne noemde, —- de abt van Sanssouci.

Als de koning op zijn lievelingsverblijf, Sanssouci, zijn intrek nam, liet, hij aan den voet van den bekoorlijken heuvel, die zijn huis tot grondslag diende, alle eerbewijzen, heerlijkheden, zorgen en beslommeringen achter, waardoor de koningen gewoonlijk overal worden vergezeld; met iedere schrede opwaarts, die hij op de terrassen deed, verhelderde zijn gelaat meer en meer; hij haalde vrijer en lichter adem, gelijk iemand, die zijne borst van een zwaren en drukkenden 'last bevrijd gevoelt, en zich uit het dal der zorgen en moeiten verheft tot de bergen, waar de lucht zuiverder en frisscher en de mensch den goddelijken vrede der schepping naderbij is.

Zoo was het ook inderdaad met Frederik als hij deze terrassen besteeg; en boven gekomen, begroet door het in de zon schitterende opschrift van zijn huis, begroet door deze twee zoo lakonieke en beteekenisvolle woorden „Sanssouci quot; gevoelde de koning, dat zij gelijk een vroolijk lachje op zijn gelaat nederdaalden, de rimpèls en zorgen, die het koningschap op zijn voorhoofd hadden gedrukt, verdreven, zijn mond als met den kus eens vriends bedekten, en zijn hart, dat zich somtijds zoo afgemat en ter neder geslagen gevoelde, weder levendiger en krachtiger deden kloppen. Dan was hij weder de oude, dat is, de moedige held, de wijsgeer, de heerscher, die de menschen beminde, de rechtvaardige koning de liefderijke man, de edele, trouwe vriend, de geestige, vroolijke, spotzieke kameraad, die zich het liefst bevond in den kling van een vroolijk, opgewekt tafelgezelschap, onverschillig of dit uit vorsten en aanzienlijke heeren, of uit geleerden, kunstenaars en dichters bestond. Het genie was voor Frederik steeds een voldoend diploma, om den bezitter toegang aan het hof te verschaffen, en als de koning, om dit diploma voor elks oog, ook voor het zwakste, zichtbaar te maken, het genie nog bovendien gaarne een adellijk wapen en eene gravenkroon omhing, wilde daardoor misschien niet zoo zeer hef genie, als wel zijne edellieden vereeren,

ocr page 149

147

door de mannen van don adel en verhevenheid des geestes als hun gelijken tot hem te brengen. — Zoo had hij den schranderen Al garot, ti tot graaf, den geestigen, lijnen oprner-ker, den heer van Bielfeld tot baron, den moedigen, vernufti-gen Ghazot tot graaf verheven; zoo had hij eindelijk aan Voltaire den kamerheers-sleutel gezonden, opdat aan de etiquette werd voldaan, en de vrienden van Frederik, den wijsgeer van Sanssouci, ook de makkers en gezellen van Pruisen's koning zouden kunnen zijn in zijne prachtige paleizen, en vertoeven te midden van de koninklijke prinsen en prinsessen en van zijn hoogen adel.

Van al deze vooroordeelen en berekeningen wist de koning niets meer, zoodra hij zijn Sanssouci betrad. Daar wilde hij vergeten, dat hij de koning was; daar veroorloofde hij dit zelfs aan zijne vrienden, mits zij zich altijd maar de achting en den eerbied herinnerden, die men den man van genie en groote begaafdheid verschuldigd is. Wel is waar hadden verscheidene zijner vrienden van dit privilegie en deze vrijheid, die de wijsgeer van Sanssouci aan zijne gasten toestond, misbruik gemaakt, en Frederik had zich dan zijns ondanks genoodzaakt gezien, met den toornigen en bevelenden blik eens konings, de al te vertrouwelijke indringendheid, en de ten eenenmale ongepaste ongedwongenheid van zijne genooten binnen de palen terug te dringen; maar er waren toch ook eenige, die nimmer zulk eene berisping, zulk een blik des konings hadden verdiend, bij welke Frederik steeds zeker konde wezen, nimmer door de vertrouwelijkheid de achting voor bet koningschap te zien in gevaar brengen, en bij welke hij niet noodig had in zijn koninklijk paleis te Berlijn een gedrag af te keuren, dat hij op Sanssouci had toegestaan.

Een van deze steeds eerbiedige, steeds onderdanige vrienden, die zich altijd gelijk bleven en zich nimmer verloochenden, was de markies d'Argens. De koning liet te midden van zijn schitterend gevolgen zijne aardsche heerlijkheid, den markies nooit den wijsgeer van Sanssouci vergeten. Maar deze, die hem beminde, niet omdat hij een koning, maar omdat hij voor hem de grootste, de verhevenste en beminnenswaardigste van alle menscben was, vergat evenmin, dat achter den een voudi-gen, vroolijken en schijnbaar zoo zorgeloozen wijsgeer van Sanssouci, de machtige en geweldige koning verborgen was.

ocr page 150

148

Frederik stelde daarom in dezen deelgenoot van zijne „Gonfidenztafel,quot; het grootste vertrouwen ; hij stond hem meer voorrechten toe, dan een zijner vrienden, en de markies was tot nu toe de eenige, die, als de koning op Sanssouci woonde, niet alleen als gast naar Sanssouci werd genoodigd, maar daar ook zijne woning en zijn nachtverblijf vond, terwijl de overige vrienden of in het cavaliershuis of in het paleis te Potsdam werden gehuisvest.

Zoo was het geweest gedurende de vier jaren, dat Frederik zijn „wijnbergquot; bewoonde sedert dien dag, waarop wij het derde deel van deze schilderijen hebben besloten. Men vergeve het ons, wanneer wij, van de vrijheid des dichters gebruik makende, deze vier jaren overspringen, en dit vierde deel beginnen met het jaar 1750, met het jaar, dat de geschiedschrijvers gewoonlijk als het gelukkigsteen zonnigste in het leven van koning Frederik den Tweede aanduiden. — Maar men weet wel, dat het geluk steeds gelijkt op de heerlijke purperroos, die ondanks de schoonheid, waarmede zij ons verheugt, evenwel nog altijd hare doornen heeft, waarmede zij ons wondt; men weet wel, dat de zonnigste dagen niet slechts in de tuinen en lustparken, maar ook op' de graven bloemen doen ontspruiten, en als wij deze laatsten plukken en daarmede ons hoofd bekransen, wie zal dan beslissen, of wij zulks doen uit vreugde over het tegenwoordige, of uil trouwe gehechtheid aan het verledene.

De koning evenwel scheen gelukkig en vroolijk, maar deze vier jaren, waarin wij hem niet hebben gezien, waren toch niet spoorloos over zijn hoofd gegaan ; zij hadden eene lichte schaduw op zijn hoog voorhoofd achtergelaten, en aan zijne jeugdige lippen, om welke voorheen zulk een zachte glimlach speelde, een vastere en strengere uitdrukking gegeven. De nu achtendertigjarige koning was nog altijd de edele, schoone man, maar de zonneschijn was van zijn gelaat geweken, en zijn oog, dat nog zeer goed de bliksemschichten Van Jupiter kon werpen, had niet meer dat zachte, be-tooverende vuur, waarmede zelfs de goden slechts door Venus kunnen worden begunstigd. — Gelijk Polykrates, had de koning, om zijn noodlot te verzoenen, het liefste, dat liij had, in zee geworpen, maar hij had daarmede zijn schoonste juweel, de liefde verloren, en zoo misschien daardoor de kroon op zijn hoofd vaster zat, had zijn hart toch eene wond

ocr page 151

149

ontvangen, die wel genas, maar juist in hare genezing zijn hart deed verstijven.

Maar niet aan deze vier verloopen jaren, niet aan hunne onbekende smarten en door niemand vermoede teleurstelling en berusting, dacht de koning, toen hij nu, beschenen dooiden glans der avondzon, op het terras van Sanssouci stond, en met fonkelende oogen het heerlijke panorama beschouwde, dat hem omringde.

„Dat is schoon, inderdaad schoon,quot; zelde hij in zich zeiven; „en ik denk, Vollaiïe zal vinden, dat de zon in Sanssouci bijna even warm schijnt als te Cirey, en dat men hier ook vroolijk en tevreden kan leven, al hebben wij hier ook geene divine Ernilie, die beurtelings van kinderen en geleerde boeken in de kraam komt. 1) Ach, ik wilde, dat hij maar reeds hier ware, want zoolang ik hem niet zie, geloof ik niet aan zijne komst.quot;

Op dit oogenblik bemerkte de koning naast zich de schaduw van eene menschelijke gedaante, die de avondzon tot eene reuzenlengte over de terrassen uitstrekte. De Koning keerde zich snel om en begroette met een vriendelijk knikje den markies d'Argens, die juist uit het paleis was gekomen den koning vlug tegemoet ging.

„Gij zijt zeer vriendelijk, markies,quot; zei de koning glimlachend. „Gij zijt zoo spoedig van uw reis naar Berlijn teruggekeerd, dat men inderdaad zou gelooven, dat de liefde u vleugelen heeft gegeven, om des te spoediger hier te zijn.quot;

De markies ontstelde eenigszins, de blijde glimlach ver-d ween voor een oogenblik van zijn gelaat, en hij sloeg een bijna verschrikten blik op den koning. Maar deze zag er verge-

1

Voltaire leefde sedert tien jaren in Cirey bij zijne vriendin, de markiezin Eiuilie du Chatelet Lamont, eene zeer geleerde dame, waaraan Voltaire zoo gehecht was, dat hij om van haar niet te moeten scheiden, de uitnoodigingen des konings om naar Sanssouci te komen, altijd afsloeg, in het jaar 17-111 kreeg de markiezin na eene eenentwintigjarige echtvereeniging. op haar vijfenveertigste jaar, haar eerste kind. Twee uren na de geboorte van haar zoon, ging zij aan hare schrijftafel zitten, om eene aangevangen wijsgeerige verhandeling over het Newtonsche natuarsysteem te voltooien. Het gevolg daarvan was. dat zij ziek werd, en twee dagen daarna aan de k raamkoorts stierf. — Eerst na haar dood nam Voltaire de uitnoodiging des konings aan, om naar SaiiSBoucI te komen.

ocr page 152

150

noegd en minzaam uit, en niet het geringste spoor van eene bedreiging was in zijne blikken te lezen.

De markies hernam dus weder zijn vroolijk gelaat. „Voorzeker,quot; zeide hij, „heeft de liefde mij vleugelen gegeven, want zij wist wel, dat ik tot het voorwerp van mijne warmste en oprechtste vereering, lot uwe majesteit wilde terugkeeren, al was het ook maar, om aan uwe voeten een hoorn van overvloed vol nieuws uit te storten.quot;

„Zoo, is er dus iets nieuws,quot; zei de koning vroolijk. „Ziet gij nu wel, dat ik gelijk had, u als gezant aan de verhevene godin Fama te zenden. Zij heeft u eenige geschenken voor mii mede gegeven. Laat mij dus zien, waarin deze bestaan!quot;

„Vooreerst iets, dat uwe majesteit, gelijk ik weet, helaas, als het kostbaarste kleinood zal toeschijnen. — Voltaire is te Berlijn aangekomen en zal morgen in de vroegte hier zijn.quot;

Het gelaat des konings schitterde van genoegen, maar hij was fijngevoelig genoeg, zijne vreugde niet te laten blijken. „Voegt gij bij uwe tijding het woord helaas'!quot; vroeg hij. „liet doet u dus leed, dat Voltaire bij mij komt?quot;

De markies zweeg eenige oogenblikken en boog zijn hoofd, in gedachten verzonken. Toen hij het weder ophief, blonk een traan in zijn oog.

„Ja,quot; zeide hij, „het doet mij leed, sire, gelijk men op den avond van een schoonen dag het ondergaan der zon, hoe schoon het ook moge wezen, toch met weemoed en smarte gadeslaat, omdat men niet weet, of de dag, die zal komen, gelijken zal op den schoonen dag, die ten einde spoedt. Sire, morgen gaat over Sanssouci eene nieuwe zon op en zij brengt een nieuwen dag aan. Ik beklaag den dag, die heden ten einde loopt!quot;

„Afgunstig!quot; zei^e de koning hoofdschuddend, terwijl hij met zijne handen op den rug langzaam en zwijgend langs den rand van het terras op en neder ging. De markies zag hem met treurige blikken aan en waagde het niet, ongeroepen bij hem te komen.

Plotseling bleef de koning staan en legde zijne hand op den schouder van den markies. „Gij hebt gelijk,quot; zeide hij, „morgen begint voor allen, die hier zijn, een nieuwe dag en zal eene nieuwe zon Sanssouci beschijnen. Maar ik vrees, dat deze zon zich zeer spoedig achter de wolken zal

ocr page 153

151

verbergen, en de nieuwe dag misscliien zeer slornmchtig zal eindigen. Voltaire is hel laatste ideaal van de jaren mijner jeugd! God geve, dat ik het ook niet als een verscheurde spotprent bij de andere moet werpen! God geve, dat de mensch Voltaire niet het genie Voltaire van het altaar rukke, dat ik met bereidwillige handen voor hem in mijn hart heb opgericht, en dat de cynische wijsgeer en vrek, Voltaire, niet dit altaar verwoeste, om in zijne grondslagen naar eenige goudstukken en kostbaarheden te woelen, ik heb oen kwaad voorgevoel, alsof liet zoo moest gebeuren, en alsof de puinhoopen van het verwoeste altaar verpletterend op mijn eigen hart moesten terug vallen. Want, wat gij ook moogt zeggen, en hoezeer de menschen er aan geknaagd en geschokt hebben, ik heb nog altijd een hart!quot;

„En welk eenedei, groot en schoon hart!quot; riep d'Argens diep bewogen. „Welk een rijkdom van liefde, poëzie, grootmoedigheid en erbarming, huisvest in het hart mijns ko-nings.quot;

„Daarvan, markies, moogt gij Voltaire niets verraden,quot; zeide de koning glimlachend; „want ik vrees, dat hij mij daarom zoude bespotten, en, gelijk hij reeds eens heeft gedaan, zijne giftige satyi'e over mij zou uitstorten. Voltaire is gierig! Dat bevalt mij niet, want de gierigheid is een onedele roest, die het edelste metaal ten laatste dof en onkenbaar maakt. De gierigaards beminnen daarenboven niemand dan zich zei ven; ik vrees dus ook, dat Voltaire niet bij mij komt, omdat hij mij bemint, maar omdat ik hem een aanzienlijk jaargeld heb toegelegd, en op zijn verlangen vierduizend daalder reisgeld heb gezonden.quot;

„Thans, sire, doet gij hem onrecht,quot; riep de markies, „wat meer is, gij doet u zeiven onrecht. Voltaire is groot en geestrijk genoeg, om niet op uwe kroon te zien, maar op het voorhoofd, dat haar draagt; en bij aanbidt u, niet omdat gij de koning, maar omdat gij de groote, verhevene man, omdat gij de held, de dichter, de geleerde en wijsgeer, en wat meer is, de edele mensch zijt!quot;

„O, hoe kinderlijk geloovig zijt gij nog steeds, markies,quot; zeide Frederik met een weemoedig lachje. „Gij gelooft dus nog aan de onbaatzuchtige genegenheid der menschen onderling'? Maar inderdaad, gij hebt er wel recht toe, want gij althans zijt tot zulk eene genegenheid in staat, en ik

ocr page 154

152

ben waarlijk ijdel genoeg to geloovcn, dat gij ze aan mij hebt gewijd.quot;

„God zij geprezen voor dat woord,quot; riep d'Argens verheugd. „Thans mogen Voltaire en de zeven wijzen, ja mijnentwege zelfs vader Abraham komen, uw Izaiik vreest niemand meer, want mijn koning gelooft in tnij en aan mijne innige gehechtheid.quot;

„.Ia,quot; zeide de koning, „nog geloof ik aan u, en het zou erg zijn, als gij mij eens van dien zoeten waan beroofdet, want ik zou alsdan geen mensc.h meer gelooven. Uw gunstig gelaat, en — laat mij u dit zeggen — ook uwe liefde zijn mij noodzakelijk, en ik denk deze soms te gebruiken gelijk het Perseus-schild, om het vóór het gelaat der Medusa te houden, voor het gelaat der geheele menschheid en der geheele wereld, die, naar het mij toeschijnt, al meer en meer zulk een gelaat vertoont. Gij moogt mij daarom nimmer verlaten, gij moet steeds bij mij blijven. Ik heb uwe goedhartige oogen, uw vroolijk lachje, uwe kinderlijke dwaasheden, uwe wijze ervaring noodig. Ik heb een Pyla-des noodig, want ik geloof wel, dat een weinigje van den Orestes in mii is verborgen. Welaan dan, Pylades, zweer mij, dat gij mij nimmer zult verlaten, dat gij van heden at aan geen ander vaderland meer wilt hebben dan Pruisen, geen andere woonplaats dan Potsdam en Sanssoucüquot;

„O, uwe majesteit eischt teveel,quot; riep d'Argens met tranen in de oogen. „Ik kan mijn vaderland niet afzweren, ik kan mijn Provence niet verloochenen. Gij weet we), sire, dat het mij daarmede gaat, als den Zwitser met de tonen van den herdershoren. Als hij ze in zijn vaderland hoort, klopt zijn hart van vreugde, en als hij ze in den vreemde hoort, wellen de tranen in zijn oogen op. Evenzoo gaat het mij met de beau soleil de ma Provence. Reeds de herinnering aan haar verwarmt mijn hart, en ik geloof, dat wanneer ik eens als een oude, verstijfde grijsaard, de schoone zon van mijn vaderland wederzie, ik weder jong en warm zal worden. Uwe majesteit verlange dus niet, dat ik voor altijd van mijn vaderland afstand doe.quot;

„Gij bemint de zon van Provence dus meer dan mij ?quot; zeide Frederik met eenigszins gefronst voorhoofd.

„Hoe? uwe majesteit zegt zulks, niettegenstaande ik het den rug heb toegekeerd, niettegenstaande ik juich van

ocr page 155

153

geluk, wanneer de zon van hel noorden oen straal van haar oog op mij laat vallen! Sire, laat mij mijn leven doorbrengen in den glans van de zon van liet noorden, maar sla mij de gunst toe, onder de zon van mijn vaderland te mogen sterven!quot;

„Gij zijt een wonderlijk man,quot; zeide Frederik lachend ,,Uoe kunt gij weten, wanneer gij zult stei'ven, en wanneer het dus voor u tijd is, naar Provence terug te keeren?quot;

„Men heeft mij eens voorspeld, dat ik zeer oud zoude worden, en uwe majesteit weet wel, dat ik geloof hecht aan voorspellingen.quot;

„Wat noemt gij oud, markies? Zacharias was, gelijk hekend is, tachtig jaar, toen zijne maagdelijke, zeventigjarige vrouw, haar eerste kind baarde quot;

„God beware mij voor zulk eene overrijpe jeugd en zulk eene maagdelijke vrouw, Sire. Ik ben tevreden, als mijn hart jeugdig blijft lot mijn zeventigste jaar, en lot dien lijd kracht heelt, uwe majesteit te beminnen en zich in uwe grootheid te verheugen. Dan echter, sire, dan zal ik oud en koud worden, en dan is het tijd, dat de zon van mijn vaderland mij en mijn graf verwarme. Sire, als ik zeventig-jaar oud ben, veroorloof dan uw trouwen en toegenegen onderdaan, zich weder te herinneren, dal Frankrijk zijn vaderland is, en zijn graf te zoeken daar, waar zijne wieg heeft geslaan.quot;

„Zeventig jaar! En hoe oud zijt gij thans?quot;

„O, sire, ik ben nog jong, pas zes en veertig jaar. Gij ziet dus wel, dal ik slechts een voorwendsel zocht, om uwe majesteit te smeeken, eene halve eeuwigheid aan uwe voeten te zitten en u te mogen aanbidden!''

„Zes en veertig jaren! Dat zijn dus nog vier en twintig jaren, die gij bij mij wilt uithouden. Vier en twintig! Ik zal dan twee en zestig jaar oud zijn, dat wil zeggen, ik zal een verhard hart, een onwankelbare menschen-verachting en volstrekt geene illusies meer hebben. Markies, ik geloof', dal ik u dan kan ontberen! Het moge dus zoo zijn, gij blijft bij mij, tol gij zeventig jaar oud zijl. Uw woord er op, markies!quot;

„O, sire, wees veeleer zoo genadig, mij te beloven, dat gij mij niet zult gebieden, eerder te gaan!quot;

.,lk beloof hel u en heb daartegenover uw eed?quot;

ocr page 156

154

„Sire, gij hebt dien! Op dien dag dus, dat ik mijn zeventigste jaai' intreed, zal sik uwe majesteit mijn doopceel zenden, die dan te gelijker tijd mijn doodbrief zal wezen. Gij zult dan zeggen: „De markies d'Argens is dooden ik zal been gaan, om mij in Provence te laten begraven.quot; ')

„En vooraf, niet waar, zult gij vroom en godsdienstig worden?quot;

„Ja, sire, ik zal allervroomst de goedheid erkennen, die gij voor mij hadt, ik zal de allergodsdienstigste aanbidder zijn, van al wat uwe majesteit voor het welzijn van de mensch-heid en voor de wetenschap heeft gedaan en zal doen!quot;

„Goed! maar er is in deze wereld nog een andere godsdienst, waaraan gij tot nu toe met niet veel ijver gehecht waart Zult gij ten laatste zelf het masker voordoen, en u onderwerpen aan hare instellingen, die gij evenwel gedurende uw geheele leven hebt bestreden? Zult gij zelf, als gij den dood nabij zijt, de ceremoniën in acht nemen, die uw godsdienst u voorschrijft?quot;

De markies antwoordde niet terstond. Hij lietzijne blikken gaan over het schoone, heerlijke panorama aan zijne voeten, waarover de zon juist hare laatste schitterende purperen stralen uitstortte. „Daar is God, sire!quot; riep hij in verrukking, „daar is hij gewis en zeker! Waarom is het den menschen niet voldoende, hem te aanbidden, waar zij zeker zijn hem te vinden! Waarom zoeken zij hem in een huis van steen en —quot;

„En in een ouwel van meel en water,quot; viel de koning hem in de rede. „Zeg, zult gij hem daarin ook eens zoeken, markies?quot;

„Ja, sire,quot; zeide d'Argens na eenig peinzen. „Ik zal er toe besluiten, uit vriendschap voor mijn broeder en voor het belang van mijne familie.quot;

„Dat beteekent dus, dat gij de belangen der philosophic wilt verraden, dat gij haar ontrouw wilt worden?quot;

„Het zal zoo schijnen, sire, maar geen man van verstand en oordeel, zal zich door deze schijnbare ontrouw laten misleiden ; zoo de rol, die ik zal spelen, in den beginne niet edel en waardig moge schijnen, zal men mij toch om de beweegredenen, die er mij toe noopten, moeten veront-

1) ïhiébault. Deel V, pag. 3G0.

ocr page 157

155

schuldigen, en in allen gevalle, zal het niet aan mij te wijten zijn, als de dwaze menschen mij slechts de keus hebben gelaten, te huichelen, of aan mijne bloedverwanten, die ik bemin en door wien ik word bemind, zeer vele onaangenaamheden te berokkenen. Ik zal dus uit lielde tot mijne familie als een huichelaar sterven. 1) Maar, sire, waarom zullen wij spreken van sterven? Waarom de heilige en glimlachende -geesten van de Gi leken en Romeinen, die om hun pas gestichten tempel Sanssouci zweven, verontrust, door het geraamte met den zeis tegenover hen te stellen'?quot;

„Gij hebt gelijk, markies, weg met dat akelige spook! Het leven behoort ons nog toe! O, een schoon leven zal het worden! Als leerzame scholieren zullen wij aan Voltaire's voeten zitten, en van hem leeren, hoe men met een satyriek lachje de smart kan verdrijven, en met echt dichterlijke bezieling het leven een paradijs kan wanen! Verhaal mij nu verder van de groote nieuwstijdingen, die gij uit Berlijn voor mij hebt medegebracht.quot;

„Welnu, sire, Voltaire is niet de eenige ster, die over Berlijn is opgegaan. Er zijn ook nog kometen, die soms aan den hemel schitteren, dan voor eenigen tijd verdwijnen, daarna echter weder op nieuw aan den hemel schitteren, urn op nieuw wanorde, twist en krijg op aarde te verspreiden. Ik vrees dat de komeet, welke thans weder te Berlijn is opgegaan, zeer veel strijd en verdriet zal aanbrengen.quot;

1

De markies, die na zijn zeventigste jaar te hebben bereikt, inderdaad Teder met zijne vrouw naar Provence vertrok, overleed aldaar, en de nieuwsbladen haastten zich te berichten, dat de markies als een goed christen was gestorven, na zijn ongeloof en zijne philosophie te hebben afgezworen. De koning verlangde daarover in een eigenhandigen brief aan de weduwe van den markies nadere inlichting. De markiezin stemt in haar antwoord wel is waar toe, dat haar man het laatste oliesel heeft ontvangen; maar zij voegt er bij, dat dit geschied is, toen haar echtgenoot reed.s met den dood worstelde, niet meer hooren en zien kon, en zij, door hare smart overweldigd, het vertrek, waarin de stervende lag, had verlaten. Toen had de abbé, de vriend haars broeders, die inderdaad dat oogenblik had bespied, zich naar het bed van den stervende begeven en hem het laatste oliesel gegeven. „Ach, sire,quot; voegt zij er bij, „welk een land is het hier! Men gaat zoo ver, mij zelfs te zeggen, dat de grootste dienst, welke ik mijn gade kan bewijzen, zoude zijn, alles te verbranden, wat nog van zijne geschriften over is, alsook de schilderijen, die hij heelt medegebracht, aan de vlammen over te geven. Want hoe meer zondige zaken men hier op aarde verbrandt, hoe minder men zelf in de hel moet branden, enz.quot; Oeuvres posthumes. Deel XII, pag. 316.

ocr page 158

'ir.G

De koning vestigde zijne groote, vurige oogen met eene doorborende uitdrukking op liet gelaat van den markies. „Gij spreekt in raadsels,quot; zeide hij. „Wie is de komeet welke is terugkeerd?quot;

„Sire. ik weet niet, welken naam ik haar zal geven. Want zij zelve geeft zich een naam, dien de geheele wereld haar betwist, en welke zij evenwel zweert dat echt is.quot;

„Zij! Het is dus eene vrouw, waarvan gij spreekt?quot;

„Ja, sire, en eene vrouw, die wij jaren lang voor eene godin of ten minste voor eene nimf hebben gehouden. Barberina is uit Engeland teruggekeerd!quot;

„Zoo!quot; zeide de koning op onverschilligen toon; maar hij keerde zich om en ging langzaam, ten hemel ziende, langs den rand van het terras. Aan het einde gekomen zijnde, bleef hij staan, en met over elkander geslagen armen, zag hij langen tijd naar het landschap, dat met hare rustige, stille schoonheid zijn oog verkwikte, en de stormen van zijn binnenste deed bedaren. De markies stond op eenigen afstand en zag met liefderijke blikken naar den koning, wiensedel gelaat juist door den laatsten straal der avondzon getrollën, als in een stralenkrans schitterde. In de hoornen verhief zich juist een wervelwind, welke gewoonlijk het ondergaan der zon vergezelt, en als het ware de laatste krampachtige doodsnik van den stervenden dag is. Deze wind trilde gelijk een klaagtoon in de vreedzame stilte, die rondom hem heerschte, hij brak het afgemeten geplas van de watervallen en fonteinen, en toen hij door de boomen ruischte, bracht hij uit hunne groene? kronen de eerste gele bladeren te voorschijn, die zich daarin hadden verscholen, gelijk de eerste grijze haren op den schedel eener schoone vrouw, en dreef hen in dartel spel voor zich uit. Zulk een verwelkt blad viel voor de voeten des konings neder. Hij nam het op, en het met peinzende blikken beschouwende, ging hij langzaam weder langs het terras en naderde den markies.

„Ziedaar, vriend,quot; zeide hij, het schoon gevormde, door de verrotting met gele tinten geschakeerde blad aan den markies toonende, „ziedaar, dat is Barberina voor mij. Een verwelkt blad van mijn verleden, verder niets. Homerus heeft wel gelijk, als hij de harten der menschen vergelijkt bij de verwelkte bladeren, door den wind voortgezweept. Barberina is zulk een verwelkt blad, ik neem het op, en

ocr page 159

157

leg het in het herbarium van mijne herinneringen, en he-wonder, wanneer hel stof des levens er is afgevallen, zijne kunstrijke aderen en heerlijke vorming. En thans, nu gij dat weet, vriend, verhaal mij! Waarom is do signora teruggekeerd? Komt zij alleen, of met haar echtgenoot lord Stuart Mackenzie?''

,,Zij is teruggekeerd met hare zuster, en lord Stuart is haar echtgenoot niet. Men zegt, dat hij reeds met eene rijke Schotsche vrouw gehuwd was, toen Barberina in Engeland aankwam.quot;

De koning lachte. „En de menschen verlangen nog, dat men ernstig hlijve, als zij van de eeuwigheid hunner liefde spreken,quot; zeide hij. „Heeft die kleine dweepende lord niet hemel en aarde bewogen, om de signora te doen geloof slaan aan de onsterfelijkheid zijner liefde; was hij niet op het punt waanzinnig te worden, toen ik hem zijne schoone uit Venetië liet ontvoeren; stelde hij mij daarom niet verantwoordelijk voor zijn leven en zijn verstand, als ik mijne danseres niet aan hem uitleverde, opdat hij haar met eene kunstvaardige pirouette onder de eerwaardige en deugdzame vrouwen van zijn voorgeslacht in de groote zaal van zijn kasteel onder zijne voorvaderen zou kunnen ophangen als lady Stuart? — en thans! — Thans kan Barberina als petemoei staan bij lord Stuart's eerstgeborene!quot;

„Of hij als peetoom bij Barberine's eerstgeborene! Want naar men zegt, is Barberina gehuwd.quot;

„Met wien?quot;

„Met den regeeringsraad van Cocceji!quot;

„Onzin! Waar zou hij met haar hebben moeten huwen. Hij heeft Berlijn niet verlaten, en zij was in Engeland ! Maar gij hebt gelijk, hare terugkomst zal ons veel getwist en onrust aanbrengen, en ik zie reeds de geheele reeks van voorouders der Cocceji's hunne handen uit het graf verhellen, om deze danseres te bedreigen, die het wil wagen hunne dochter te worden. Nu, Cocceji zal even goed als lord Stuart afgekoeld worden en zijn verstand terugkrijgen. Het komt er slechts op aan, dat men zijne drift tijd gunne te verkoelen. Deze gunst zal zijne familie wel van mij begeeren, en ik denk, dat ik haar de/.e zal moeten toeslaan. Maar laten wij naar binnen gaan, markies. De zon is ondergegaan en ik ben koud. Ik weet

ocr page 160

458

niet of het van de avondkoelte of van uwe tijdingen is. Komaan, laten wij nog eerst eenige malen op en neder gaan, en dan zult gij mij in de bibliotheek heipen aan de laatste strophe van een gedicht, dat ik ter begroeting van Voltaire heb ontworpen. Frons uw voorhoofd maar niet, markies. Laat mij gerust zijne aankomst bezingen, wie weet, oi ik het zijn vertrek even zoo zal doen. Ik verheug mij over zijne tegenwoordigheid, maar ik vrees haar. Men moet de zon ook niet van te dicht bij en te scherp beschouwen, als men geene vlekken in haar wil vinden. Misschien ook, zijn onze karakters te zeer aan elkander gelijk, om in harmonie en vrede met elkander te leven. Slechts het verschillende trekt elkander aan, het gelijke stoot elkander af. Geloof mij, ik zal niet met Voltaire, even als met u, nog vier en twintig jaar in vrede kunnen leven Vierentwintig jaren, vergeet dat niet, vier en twintig jaren behoort gij mij !quot;

„Neen, sire, zoolang ik leet, behoor ik u toe, ben ik uw slaaf, dien gij niet met goud, maar met uw groot, edel hart hebt gekocht. Zoolang ik leef, is mijn hart bij u, al is de zeventigjarige grijsaard ook naar zijn graf, naar Provence gegaan. Maar sire, ik wenschte uwe majesteit wel eene andere gunst Ie verzoeken!quot;

„Spreek, markies, maar wees niet zoo wreed, iets Ie vorderen, dat ik u niet kan toestaan!quot;

„Sire, zoo het de natnur mochl behagen, mij op te roepen en Ie vernietigen, vóór ik mijn zeventigste levensjaar heb bereikt, als ik hier mocht sterven, dat uwe majesteit mij dan de gunst toesta, mij niet op een van die ernstige, sombere, stille en zwijgende kerkhoven te laten begraven, waar de eene schedel naast den anderen ligt, en bij de beroemde opstanding een ieder gevaar loopt, zich vreemde beenderen toe te eigenen, en op den jongsten dag als dief op te treden. Neen, sire, laat mij ook in den dood nog individu blijven en niet in de massa verloren gaan. Sterf ik hier, welnu, schenk mij dan de gunst, daar te worden begraven, waar ik bij mijn leven de zaligste uren genoot. Laat mij na een langen, woeligen dag, den nacht der onsterfelijkheid in den tuin van Sanssouci doordroomen!quot;

„Het zij zoo, mijn vriend,quot; zeide de koning bewogen. „Ginds, weet gij wel, onder het standbeeld van Flora is mijn graf. Waar zal het uwe zijn? Kies eene plaats uit!quot;

ocr page 161

159

„Als ik mag kiezen, sire, dan wensclite ik onder die sclioütic vaas van ebbenhout te worden begraven.quot;

Üe koning gaf hem glimlachend een teeken van loe-stemming. „Kom,quot; zei hij, terwijl hij den markies zijn arm gaf, „kom! Wij zullen naar die vaas gaan, en ik zal er mijne hand opleggen en haar tot uw grafteeken wijden.quot;

Zwijgend gingen zij langs hel paleis, voorbij het standbeeld van Flora, dat d'Argens mot een eerbiedigen groet, door den koning met een glimlach werd begroet. Toen zij echter deze twee kleine trappen afgingen en het met groene zoden omheinde rondeel betraden, bleef de koning staan en zag peinzend neder naar den steen, dien hij juist met zijn voet aanraakte.

,,\Vees aandachtig en vroom op deze plaats,quot; zeide hij. „Wij staan hier aan het graf mijner trouwste vriendin, die ons beiden is voorgegaan in de zaligheid van den eeuwigen slaap. Hier ligt lUche begraven! Den hoed af, markies! Zij beminde mij en was mij getrouw tot den dood. Wie weet, ik onder mijne Flora en gij onder uwe vaas, of wij den lof verdienen, dien ik van ganscher harte mijne Biche naroep: Zij had een trouw en edel hart!quot;1)

XIX.

VOLTAIRE EN ZIJN KONINKLIJKE VRIEND.

Vroeger dan gewoonlijk had de koning zich in zijne bibliotheek teruggetrokken. Des morgens vroeg had hij zijn kabinetsraad een uur voor den gewonen tijd hij zich ontboden ; daarna had hij met zijne ministers gewerkt en was nu blijde, dat hij de plichten aan zijne koninklijke waardigheid verbonden, verricht had. Eindelijk was hij in zijne bibliotheek gegaan om daar den tijd, dien hem heden bijzonder lang viel, met lezen en schrijven door te brengen.

De koning verwachtte Voltaire. Hij wist, dat deze reeds te Potsdam was aangekomen, en daar slechts een weinig uitrustte, in de vertrekken, die op het koninklijke paleis

1

Nicolai: Anecdoten. 1) II, pag. l'02.

ocr page 162

160

waren in orde gebracht, en flat hij daarna naar Sanssouci zoude komen, om zijn koninklijken vriend te begroeten.

De koning zag deze eerste ontmoeting met Voltaire, na eene jarenlange afwezigheid, evenwel meer met een smartelijke, angstige bedruktheid, dan met een blij ongeduld Ie gemoet. Voltaire's aankomst voor een langdurig verblijf, was sedert jaren door Frederik begeerd enquot; met vurig verlangen te gemoet gezien, en thans, nu de vervulling nabij was, sidderde de koning bijna als voor een schrikbeeld en was zijn hart bedrukt en bijna weemoedig. Wal beteeken-de zulks? Hoe kwam het, dat de vriendschap, die men elkander sedert zestien jaren zoo herhaaldelijk had betuigd en die nu het toppunt hunner wenschen bereikt had, den koning niet bevredigde, maar hem tegen woei met den ijskouden adem van den dood en vernietiging?

De koning, hoeveel bewondering en vereering hij ook steeds mocht hebben voor het genie van den grooten Fran-schen dichter Voltaire, de koning gevoelde evenwel, dat die bewondering den mensch Voltaire misschien zou kunnen schaden, omdat de mensch Voltaire wellicht niet in gelijke mate zijne bewondering zou kunnen opwekken. Hij had een duister voorgevoel, dat de werkelijkheid en het dage-lijksch bijeen zijn, zich gelijk eene verkoelende dauw zou kunnen leggen op de zeldzame wonderbloem eener vriendschap tusschen den koningen den dichter, eene wonderbloem, die men gedurende zoo vele jaren van scheiding onderhouden en gekoesterd had met vurige betuigingen en hartstochtelijke verklaringen, en die men nu uit de broeikas van het denkbeeldig leven der briefwisseling naar de werkelijkheid en waarheid wilde overplanten. En nochtans ontbrak aan deze vriendschap den grondslag der waarheid en werkelijkheid; want zij had geen grond meer onder hare voeten, maar zweefde gelijk een glinsterend droombeeld in de luchl, gelijk een heerlijke fata morgana, welker schitterende tempelhallen en zuilen spoedig weder in nevel en damp moeten opgaan!

En in deze tempelhallen der fata morgana, wilden de beide grootste geesten, de beide onbevooroordeeldste vrijdenkers, de beide geestrijkste wijsgeeren hunner eeuw, de eeredienst der vriendschap vieren? In dezen tempel van nevel wilden zij elkander omarmen, terwijl evenwel het

ocr page 163

lül

tweesnijdend zwaard van wederkeerig wantrouwen en argwaan reeds tusschen hen hing en hen met zijn onheilspellend bliksemen en fonkelen had moeten afschrikken. Geen van beiden geloofde meer aan de innigheid hunner vriendschap, en nochtans, hoe minder zij er geloof aan sloegen, met des te meer overreding spraken hunne lippen over nare eeuwigheid en onvergankelijkheid. Zij zeiden beiden in hun hart: „Ik alleen wil de vruchten van deze vriendschap genieten en er den ander slechts de bloesems van geven.quot; Geen van beiden bedacht, dat zulke bloesems, kunstmatig en reukeloos als zij zijn, spoedig moeten verwelken, hoe schitterend zij ook mochten schijnen op het eerste gezicht.

De koning kon het Voltaire nimmer vergeven, dat. toen hij zich eens, in de jeugdige onstuimigheid zijner geestdrift, zoo ver had vernederd, hem de hand te kussen, ') de trotsche, eerzuchtige dichter deze hulde luide in de wereld had rontlgebazuind, terwijl hij haar als een heiligen tevens gevaarlijk geheim in den diepsten schuilhoek van zijn hart had moeten bewaren.

Voltaire was kwaad op den koning, omdat deze voor eenigen tijd op den jongen dichter d'Arnaud een gedicht had gemaakt, waarin hij Voltaire „de ondergaande,quot; d'Arnaud „de opkomende zonquot; noemde. 1)

En toch beminden zij elkander, en toch wilden zij beiden deze sedert jaren gekoesterde liefde verwezenlijken, door haar te leggen op den toetssteen van gedurig bijeenzijn en onafgebroken gemeenschap.

De koning verwachtte Voltaire dus, en toen hij nu een wagen hoorde aanrollen, vervolgens het openen der deuren en het gedruisch van eenige stemmen, sprong hij driftig van zijne plaats op, en, aan den eersten aandrang van zijne vreugde toegevende, naderde hij de deur, om Voltaire te gemoet te snellen. Maar reeds, toen hij op den drempel der deur gekomen was, bleef hij staan en overwoog.

„Neen,quot; zeide hij toen, „ik zal hem niet te gemoet gaan. Misschien zou hij er mij slechts om bespotten, misschien zou hij er zich op beroemen.quot;

1

Oenvres posthumes.

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 11

ocr page 164

162

En met een treurig gelaat keerde de koning naar zijn leuningstoel terug en natn het boek, waarin hij had gelezen, weder ter hand.

Thans werd er aan de deur geklopt, de lakei verscheen en meldde den heer Voltaire aan; — en nu, de gedaante die daar op den drempel verschijnt, die man met eenigszins in-eengedrukte, smalle borst, met door ouderdom of ziekte gebogen hals, die man, met dat wonderbare gelaat, waarvan men niet weet of dit het gelaat van een sater of halfgod is, en wiens oogen nu eens van een goddelijk, dan weder van een duivelsch vuur schitteren, wiens mond zich nu eens tot een sclirikwekkenden grijns, dan weder toteenbetoo-verend lachje opent, die man is Voltaire.

Toen de koning die wonderbare, vuur schietende oogen met zijne blikken ontmoette, vergat hij alles, zijn koningschap en zijne waardigheid, en Voltaire's ijdelheid en boosheid. Hij was voor hem slechts de groots dichter, het. verbazende genie en met dit gevoel snelde hij Voltaire to gemoet, opende voor hem zijne armen en drukte hem teeder aan zijne borst.

„Welkom, welkom, mijn heer en mijn meester!quot; riep de koning. „Ik ontvang u, gelijk het den leerling betaamt, in mijn schoolvertrek, omgeven door de boeken, welker verborgen en raadselachtige wijsheid gij, mijn leermeester, mij zult verklaren.quot;

„Integendeel, sire,quot; zeide Voltaire met zijn vriendelijkst lachje en zachtste stem, „integendeel, sire, gij ontvangt mij met al den luister van uw koningschap, zittende op den troon, die uwe majesteit niet geërfd maar veroverd heeft; op den troon der wetenschap en geleerdheid, bekranst met den lauwer, dien de goden slechts voor de helden en dichters bewaren. O, mijn oog wordt verblind door den glans, die mij hier omgeeft; ik buig mij ootmoedig neder voor dit schoone hoofd, dat te gelijker tijd twee kronen draagt, en in twee rijken heerscht. Sire, ontvang mij als afgezant uit het rijk der dichters, wier kroon gij met zoo veel verhevenheid en bevalligheid draagt!quot;

De koning glimlachte. „Laat mij uw medeburger en strijdgenoot in de republiek der geesten zijn. Zoo ik anders derepubliekenjvoor een ondingen eeneonmogelijkheid houd, geloot ik evenwel aan deze republiek, en bezit voor haar

ocr page 165

•u»

oen echt republikeinsch hart, dat naar vrijheid,gelijkheid en broederschap streett. Herinner u dit ten allen tijde, mijn vriend, en laat ons inSanssouci vei'geten, dat uw republikein nog elders de eerste ambtenaar van een koninkrijk is. Zeg mij nu eerst eens, hoe n de reis is bekomen, en of gij overal de vriendelijke ontvangst heb gevonden, die ik op alle sta-lions voor u had aanbevolen?quot;

„O, sire, bij ieder station, waar ik in uw land aankwam, heh ik mij zeer gering en nederig gevoeld, tegenover uwe grootheid. Hoe verheven, groot en oppermachtig, zeide ik in mij zei ven, moet toch deze koning zijn, daar men mij zoo vereert en viert, alleen omdat ik de genade geniet, mij over zijne gunst te kunnen verheugen Deze vreugde, sirê, is het ook alleen geweest, die mij de kracht heelt verleend, herwaarts te komen. Mijne vrienden in Parijs noemden het belachelijk, dat ik in dezen jammerlijken en ellendigen toestand eene reis wilde ondernemen. Maar ik, sire, ik gevoelde, dat ik niet zoude sterven, vóór ik nog eens aan de voeten van dezen grooten en toch zoo eenvoudigen man, van dezen verheven en toch zoo beminnenswaardigen philosoof-koning had gezeten, en mijn krank hart aan zijne wijsheid en scherts had verkwikt. Ik ben dus gekomen, sire, niet als Voltaire, maar als de tragische Scarron uwer eeuw, en heb mij op den geheelen weg ook slechts den „zieke van den koning van Pruisenquot; genoemd.quot; ^

„O,quot; riep de koning glimlachend, „gij en de maarschalk van Saksen verkeert met uwe ziekte in den zelfden toestand. Gij hebt in uwe grootste zwakheid meer kracht dan alle andere menschen in hunne bloeiendste gezondheid. 1j Zoo gij dus thans niet waart gekomen, zou ik u voor een valschen munter hebben gehouden, die mij in plaals van de echte munt zijner vriendschap, slechts verzilverd lood geeft, en mij bedriegt, terwijl hij mij een geschenk schijnt te geven. Het is dus uw geluk, dat gij er zijt! Waarlijk gij gelijkt den witten olifant, om wiens wü de schach van Perzië en de groote mogol elkander beoorlogen, en waarmede zij hunne titels vermeerderen, als zij gelukkig genoeg zijn geweest, hem te hebben veroverd. Ik zal dus van lieden

1

Oeuvres posthn mes. Deel II, pag. 353.

ocr page 166

164

af aan mijn titel aldus beginnen: Frederik, door Gods gena de, koning van Pruisen, keurvorst van Brandenburg, bezitter van Voltaire, et cetera.quot; ')

„Uwe majesteit gelieve te zeggen:quot; „Bezitter van den on vervreemdbaren Voltaire,quot; „want daarin ben ik ten minste verstandiger, dan de witte olifant, dat ik liet om mijn bezit niet tot een oorlog laat komen, maar mij met blijdschap en zeer bereidwillig tot eigendom van uwe majesteit verklaar. Laat mij dus de eerste olifant van uwe majesteit zijn, en indien de groote mogol mij mocht terug verlangen, dat uwe majesteit mij dan verloochene!quot;

Terwijl Voltaire aldus sprak, sloeg hij een bespiedenden, snellen blik op het gelaat des koni'ngs, en zijne trekken verloren voor een oogenblik hunne teedere, lachende uitdrukking. Frederik zag het niet, of wilde het niet zien.

„Wel neen,quot; zeide hij vroolijk, „ik zal u niet verloochenen, maar zeggen, dat gij mijn eigendom zijt.quot;

„Ik ben evenwel nog onderdaan van den koning van Frankrijk,quot; riep Voltaire schouderophalend. „Men heeft mij, toen ik Parijs verliet, niet den titel van geschiedschrij ver van den koning van Frankrijk, maar slechts mijn jaargeld willen ontnemen. Men wist misschien, dat ik per post reisde en dat een titel voor mijne paarden minder zwaar zoude te sleepen zijn, dan een jaargeld van zesduizend liyres. Men heeft er mij dus van ontlast, en ik kom zonder jaargeld bij uwe majesteit.quot;

Deze toespeling was te duidelijk, dan dat de koning haar niet zou hebben verstaan; maar hij wilde haar niet verstaan. Eene lichte wolk ging over zijn voorhoofd en de schitterende uitdrukking van zijn gelaat verduisterde een weinig. Hij, die Voltaire zoo gaarne als een verheven genie zou hebben aangebeden, was er pijnlijk door aangedaan, dat. bij in hem den kleingeestigen, berekenenden mensch vond.

„Gil zijt dus in ongenade bij mijn broeder Lodewijk van Frankrijk?quot; vroeg hij.

„Integendeel, sire, men verzekerde mij van de hoogste genade, men ging zelfs zoo ver mij met eene even vleiende als verblijdende opdracht te vereeren, en als uwe majesteit het mij toestaat, wenschte ik er mij terstond van te kwijten.quot;

2) 's Konings eigen woorden. Oeuvres postliumes. Deel II, pag. 357.

ocr page 167

165

„Doe dat,quot; zeide Frederik lachend, „maak u bij mij maar lichter, opdat uwe wieken u des te hooger kunnen dragen. Men heeft u van uw jaargeld verlicht, werp nu nog uwe opdracht bij den overigen ballast weg.quot;

„Sire, de markiezin de Pompadour heeft mij opgedragen, uwe majesteit hare allergehoorzaamste en onderdanigste groeten over te brengen, en uwe majesteit van haar diep-sten eerbied en hare grootste genegenheid te verzekeren.quot;

De koning haalde bedaard zijne gouden met diamenten bezetten snuifdoos uit zijn vestzak te voorschijn, en terwijl hij langzaam een snuifje nam en zijne groote oogen vestigde op Voltaire's gelaat, dat gespannen van verwachting was, zeide hij dood onverschillig, „de markiezin de Pompadour? Ik ken haar niet.'' 1)

Voltaire deinsde terug en zag den koning verbaasd en vragend aan.

Maar Frederik scheen dit volstrekt niet te bemerken; hij ging bedaard voort: „Hebt gij overigens geene groeten aan mij over te brengen? Heeft geene der groote geesten, waaraan Parijs zoo rijk is, aan mij gedacht?quot;

„Sire, ik zal mij wel wachten, verdere groeten over te brengen, want tegenover uwe majesteit zullen alle zoogenaamde groote geesten klein schijnen en uwe majesteit zal hen niet erkennen.quot;

De koning glimlachte. „O, ja, ik erken gaarne, wat waarlijk groot en erkenningswaard is. Voltaire zal nimmer grooter bewonderaar hebben, dan ik ben!quot;

„O, deze woorden zijn een balsem, sire, die ik op mijne borst zal leggen, welke nog ontvleeschd is door de wreede handen mijner beoordeelaars!quot;

„O, de beoordeelaars baren u dus nog altijd zorg en bekommering?quot; riep Frederik hoofdschuddend.

„Zij hebben mij ten bloede toe vervolgd en hunne onver-zadelijke giftanden in mijn vleesch geboord,quot; zeide Vollaire met den hem eigen snel ontvlammendcn toorn. „Zoo ellendig en jammerlijk zijn zij, dat ik mij zeiven reeds zeer ellendig en jammerlijk toescheen, en geheel ter neder geslagen en ootmoedig aan uwe majesteit wilde vragen, of het niet beter ware, wanneer zulke honden hunne stem verhellen en

1

Voltaire: oeuvres complutes 1)1. 50. pag. 325.

ocr page 168

166

stralï'eloos blaffen kunnen, dat Voltaire zich in eene spelonk verberge en de dieren der woestijn, die zijne verzen wellicht als welluidend gebrul zouden erkennen, zijne broeders noeme?quot;

„Dus nog altijd de heethoofd, de Orlando Furioso?''riep de koning lachend. „Is uwe huid nog steeds zoo week, dat de speldeprikken der kleine beoordeelaars u kwetsen en gij, hun ten gevalle, zoudt willen verstommen? Zoo gij u van de muzen zoudt willen laten scheiden, wie zou dan nog moed hebben, zich met haar te verbinden! Neen, neen, volg den God van Abraham, Izaiik en Jakob niet na, en straf de misdaden der vaderen niet tot in het derde en vierde geslacht; laat het publiek van heden en de volgende eeuwen niet misgelden, wat eenige beoordeelaars misdreven hebben! De vervolgingen van den nijd zijn eene schatting, die de verdienste aan het alledaagsche betaalt. Zoo eenige ellendige beoordeelaars tegen u keffen, denk dan niet, dat de volken en de toekomst zich door hen laten misleiden. In weerwil van de vitterij der zoogenaamde kunstkenners, bewonderen wij nog heden de meesterstukken van Griekenland en Rome; het geschreeuw van Aeschines heeft Demosthenes niet verdonkerd, en wat Lucianus ook mocht zeggen, Gesar is en blijft een der grootste mannen, die de menschheid ooit heeft voortgebracht. Ik sta er u borg voor, dat gij na uw dood zult vergood worden. Maar ik verzoek u, liaast u niet een god te worden, maar stel er u voorloopig mede tevreden, uwe vergoding in den zak te hebben, en vereerd te worden door allen, die boven nijd en vooroordeelen verheven zijn, en in welker eerste rij ik zelf sta!quot; ^

„O, waarom is de geheele wereld hier niet tegenwoordig, om deze verheven woorden eens konings te hooren, dien ik van heden af aan zoo trotsch ben mijn koning te willen noemen,quot; riep Voltaire hartstochtelijk. „Sire, ik bemin u hartstochtelijk; ik verbeeld mij, dat de goden ons voor elkander hebben 'geschapen; ik heb u langen tijd teeder bemind, ik ben vertoornd op u geweest, maar ik heb u alles vergeven, en bemin u thans inderdaad tot razernij. Er is nimmer zwakker lichaam dan het mijne, maar ook nimmer gevoeliger ziel geweest. Ik waag het u, evenzeer

J) 's Konings eigen woorden. Oeuvres posthumes, Deel II, pag. 337.

ocr page 169

107

to beminnen, als ik u bewonder.') En waarlijk, ik houd dit voor een even grooten zegen, als de vijlquot; andere overwinningen, die uwe majesteit beeft bevochten, en waarom de wereld u bewondert. Ik sire, ik wil u niet alleen bewonderen, maar ook beminnen, en van heden af aan zal ik als uw getrouwe hond steeds aan uwe voeten liggen en u aanzien, onverschillig, of gij mij van daar verjaagt en zegt, dat gij mijn heer niet wilt zijn. Ik zal evenwel wederkeeren, op den drempel uwer deur zal mijne woning zijn, en daar zal ik tevreden zijn met de kruimels, die van uw tafel vallen. U te beminnen, daarin zal mijn rijkdom en mijn geluk bestaan!quot;

„Nu, en ik zal uwe liefde niet op eene zoo harde proef stellen,quot; zeide de koning lachend. „Er zal, hoop ik, nog wel eene andere duurzamer woning voor u worden gevonden, en wij zullen er wel voor zorgen, dat gij niet Lazarus gelijkt, die de broodkruimels ontvangt, maar den rijken man, van wiens tafel zij vielen.quot;

Dat was eindelijk eene verzekering en belofte, die Voltaire's bange zorg en ongerustheid eenigermate kon stillen, en zijn gelaat deed schitteren van vreugde. Maar snel genoeg onderdrukte hij weder deze vreugde, die aan het opmerkzame oog des konings zijne hebzuchtige wenschen had kunnen verraden, en nam eene treurige uitdrukking aan.

„Ach, sire,quot; zeide hij weemoedig, „ik gelijk evenwel nog te zeer op Lazarus, en als uwe majesteit niet de wonderkracht van den jongen joodschen rabbi Jezus Christus bezit, zult gij mij zeer spoedig moeten begraven. Doch ik ben zoo geloovig, als maar een der joden was; ik geloof aan de wonderdadige kracht uwer hand. De beweging uwer hand is toch voldoende geweest, om in Pruisen's kroon het schoone Silezië als fonkelende diamant in te voegen, de sluimerende geesten te doen ontwaken, en op deze noordsche steppen de bloemen der opvoeding en beschaving te voorschijn te roepen. Sire, ik geloof niet aan de wonderkracht van den zuogenaamden messias, maar ik geloof aan de wonderkracht van den Salomo van het noorden, en ik ben bereid, ten overstaan der geheele wereld getuigenis voor hem af te leggen!''

I) Voltaire's eigen woorden.

ocr page 170

1(38

„A.ls echter de Fransehe haan kraait, zult gij mij evenwel driemaal verraden.quot; zeide de koning. „Ik ken u reeds, en weet, dat, als gij toornig zijt, u niets heilig is, en ik vrees, dat gij hier gelijk overal nog dikwijls gelegenheid zult vinden om toornig te zijn. Maar vóór alles, wat brengt gij mij mede? Welk geschenk heeft uwe muze u voor den armen philosoof van Sanssouci gegeven ? Want ik vermoed, dat gij niet met ledige quot;handen komt, en dat Frankrijk's Homerus zijne lier niet aan de wilgen heeft gehangen.quot;

„Neen, sire, ik kom niet met ledige handen. Ik breng u iets mede, en ik geloof wel het beste en schoonste, dat ik mijne muze heb ontworsteld. Sedert twintig jaren was ik verontwaardigd, wanneer ik zag, wat mijn goede vriend en meester Crebillon uit het beste en verhevenste onderwerp der oudheid heeft gemaakt. Hoe hij uit de purperen toga met zijne knappe kleermakershanden een klein apen-rokje heeft aaneengeflanst en opgesierd met het ellendige klatergoud eener erbarmelijke liefde en hoogdravende oost-gotische verzen. Crebillon heeft een Franschen Catilina geschreven; ik, sire, ik heb een Romeinschen Catilina geschreven! O, gij zult het zien en verbaasd staan! In een mijner treurige slapelooze nachten maakte de duivel zich van mij meester, en zeide tot mij : „W reek Cicero en Frankrijk! Beiden heett Crebillon beleedigd, wasch de schande van uw land afquot; Deze duivel was een goede duivel, en zelfs gij, sire, hadt mij niet meer tot den arbeid kunnen aandrijven, dan hij deed. Dag en nacht boeide hij mij aan de schrijftafel. Ik dacht te sterven van opgewektheid, maaide duivel hield mij vast en de geesten der groote Romeinen stonden om mijne schrijftafel, en rukten de belachelijke maskers weg, die Crebillon hun had opgeplakt ; zij toonden mij hun wezenlijk verheven schitterend gelaat, en bevalen mij hen af te schilderen, opdat de wereld eindelijk hunne schoonheid mocht ontdekken, en niet meer bedrogen worden door Crebrillon's karrikaturen. Ik moest wel gehoorzamen, sire, ik werkte onophoudelijk, en in acht dagen was mijn werk voltooid. Catilina was geboren, maar ik was er zoo van uitgeput, als eene vrouw ooit geweest is na hare bevalling.quot;1)

1

Dit geheele gesprek is van Voltaire zelf. Zie: Oeuvres coniplütes. Deel 58, pag. 277—278.

ocr page 171

169

„Gij wilt toch niet zeggen, dat gij in acht dagen een treurspel hebt geschreven?quot; vroeg de koning. „Gij hebt het plan er toe ontworpen, dat brengt gij mij mede, en wilt het hier uitwerken?quot;

„Neen, sire, ik breng u het voltooide treurspel, en het is waar, ik heb het in acht dagen geschreven. ^ O, sire, het is een werk, waaraan gij vreugde zult beleven! Gij zult er geene verliefde Tullia in zien, gaan praatzieken tan-deloozen Cicero, maar gij zult een vreeselijk beeld van Rome zien, een beeld, dat mij zeiven doet huiveren. Maar sire, als gij het leest, moet ik u bezweren, het te lezen in den zin, waarin ik het heb geschreven. Ik heb mijn ambtgenoot Crebillon al de dramatische vodden gelaten, die nu eens op het tooneel zijn aangebracht; zijn Catilina is een louter verdichtsel; ik heb den mijne in mijne hoedanigheid van geschiedschrijver geschreven. Bij mij ïs Rome de hoofdpersoon; zij is de minnares, waarin ik wil, dat geheel Europa belang stelle. Ik heb geene andere intrigue dan Rome's gevaar, geen andere verwikkelingen, dan de razende kunstgrepen van Catilina, den nadruk en de handelende deugd van Cicero, de ijverzucht van den senaat, de ontwikkeling van Cesar's karakter; geene andere vrouw dan eene ongelukkige, die des te natuurlijker door Catilina is verleid geworden, daar, gelijk de geschiedenis ons leert, dit monster beminnenswaardig was. Ik weet niel, sire, of (jij bij het vierde bedrijf zult huiveren, maar ik, de dichter, ik heb er bij gebeefd en gehuiverd.1) Mijn treurspel is naar geen voorbeeld bearbeid, het is geheel nieuw, in nova fert animus. Wel is waar, zal de wereld mij weder lasteren, en de lage zielen zullen mij tandeknersend aanblalïen, maar mijn werk is geschreven met eene groote ziel; de groote zielen zullen mij verstaan, en de walgelijke, kleine en nietige zal ik allen toch eindelijk verpletterd onder mijne voeten vertreden. Jupiter streed met de Titans en bedwong hen! Nu ben ik geen Jupiter, maar waarlijk, mijne tegenstanders zijn ook geen Titans !quot;

En terwijl zijne woorden aldus in een onophoudelijken, machtigen stroom over zijne lippen vloeiden, was Voltaire

1

Voltaire's eigen woorden.

ocr page 172

170

een geheel ander mensch geworden. Zijn gelaat was nu schitterend, ontzagwekkend schoon, in zijne oogen gloeide een verheven vuur, een bewonderenswaardige glimlach speelde om zijne lippen, en zijne voorheen zoo gebogen en ineenge-dr uk te gestalte was nu hoog opgericht, trotsch en gebiedend.

De koning had hem met een verheugd hart aanschouwd, en toen Voltaire eindelijk diep ademhalende zweeg, legde Frederik zijn beide handen op Voltaire's schouders en zag gedurende langen tijd met eeneonbeschrijfelijtie uitdrukking van liefde en teederheid in zijn schitterend gelaat.

„11a,quot; zeide de koning, „nu heb ik eindelijk mijn Voltaire weder, mijn lieren dichterkoning, mijn van roem schitterenden Homerus. Het genie heeft het harlekijnspak van den hoveling uitgetrokken en in plaats van de kleinmoedige, nederige woorden, vind ik eindelijk de verpletterende, welluidende, van juweelen fonkelende, stoute taal mijns dichters weder. Welkom, Voltaire, welkom, dichtervorst in Sanssouci, welks arme wijsgeer slechts koning over menschen is, terwijl aan u de geesten onderworpen zijn. O, mijn machtige koning en heer, wees genadig! Gij bezit zulk een groot koninkrijk, schenk er mij ten minste eene kleine provincie van!quot;

,,0, sire, gij bespot mij,'' riep Voltaire. „Ik heb Cicero en Gesar voor het tooneel geschreven; gij echter stelt deze beide groote mannen van de groote oudheid vereenigd in uw persoon voor, op het tooneel der wereld, ^ en ik beu hier gekomen om dit wonder te zien, dat in elk geval een verhevener schouwspel is dan hel mijne, en voorzeker waardiger wordt uitgevoerd. Want uwe majesteit vertoont, wat gij inderdaad zijt; maar waar zal ik tooneelspelers kunnen vinden, die mijn Gesar, mijuGicero, mijn Gatilina zouden kunnen voorstellen? Hoe zal men hen, die het hof aan actrices en danseuses maken, in groole mannen veranderen, en uit kwispelstaartende, kleine bordpapieren modehelden,' vrije Romeinen kunnen maken ? Ik heb geen tooneelspelers voor mijn treurspel te Parijs kunnen vinden, en liever, dan het slecht te doen opvoeren, zal ik het in het geheel niet geven.quot;

„Wij zullen het hier bij ons op het tooneel brengen.quot; zeide de koning. „Ja, waarlijk, door dit nieuwe, groote werk zal Voltaire's aankomst te Herlijn schitteren als eene

J) Voltaire's eigen woorden. Doel 58, jiag. 31().

ocr page 173

171

vlammende komeet! Terwijl men verneemt, dut gij er eindelijk zijt, zal men tevens op nieuw zien, dat yij waardig zijt, te worden aangebeden en vereerd! Binnen vier weken zal uw nieuw werk in mijn paleis worden opgevoerd!quot;

„Moe? Heeft uwe majesteit ook een Fransch tooneel, en nog wel tien, dat het durft te wagen mijn Gatilina te geven ?quot;

„Ter liefde van Voltaire zullen al mijne hovelingen, ja zelfs mijne broeders en zusters zich in tooneelspelers veranderen; en zoo u te Parijs een Cicero ontbrak, in Berlijn zult gij hem vinden, want hebben wij niet Voltaire, die hem zal voorstellen? En zoo het u te Parijs aan een goeden directeur en regisseur ontbrak, zal dat in Berlijn niet het geval zijn, want Voltaire heeft verlof uit mijne hofhouding (ie personen uit te kiezen, die hij voor de bekwaamste tooneelspelers houdt, en hij zelf zal hun de rollen doen in-studeereu. Slechts mij zeiven zonder ik uit. Tien jaren geleden wilde ik in Bheinsberg uw „Cesar's doodquot; opvoeren, en daarin eene rol op mij nemen; toen stierf de keizer van Duitschland, en het lot riep mij op het groote tooneel der wereld, waar ikquot; sedert mijne rol beproef te spelen, zoo goed als het gaat, en aan haar al mijne kracht en werkzaamheid moet wijden. Ik mag daarom geene andere rollen daarbij op mij nemen: want beide rollen zouden mij in verwarring-kunnen brengen, en wat zoude daaruit al niet kunnen ontstaan, als de koning van Pruisen van heden, morgen met den Cicero van gisteren avond van rol verwisselde, en legen de dwingelanden eene bulderende i'edevoering hield, en de vrije Bomeinen opriep tot de verdediging van hunne rechten, terwijl hij toch zelf een weinigje dwingeland moet wezen en zijne onderdanen meer slavenzielen dan Bomeinsche vrijheidshelden zijn. Ik moet er mij dus toe beperken toeschouwer te zijn, en u op het tooneel als Cicero toe te juichen, gelijk ik het u buiten het tooneel als Voltaire doe.quot;

„En het is u dus inderdaad ernst, sire? Gij wilt mijn drama, dat tot nu toe nog, gelijk een schijndoode, in mijne portefeuille ligt, tot het leven oproepen?'

„Binnen vier weken, of op zijn laatstbinnen twee maanden moet het lot de opvoering komen, die gij zult besturen!'

Voltaire's verblijd gelaat, verduisterde, de vroolijke glans verdween van het voorhoofd des dichters en de baatzuchtige mensch trok er weder zijne lijnen en groeven over.

ocr page 174

172

„Over vier weken, sire?quot; zeide hij hoofdschuddend. „Ik vrees, dan niet meer hier te zijn. Ik ben gekomen, om mij eenige gelukkige dagen in uw aanblik te koesteren en te verwarmen.quot;

„En clan?quot; viel Frederik hem met snel verdonkerde trekken in de rede.

„Dan wil ik een lievelingsdroom van mijn geheele leven volvoeren en naar Italië gaan, naar de heilige stad Rome, om daar op de graven van Cesar en Cicero te knielen, den heiligen Petrus, de Venus de Medicis en den paus te zien.quot;

De koning glimlachte. „Gij zult niet naar Rome gaan,quot; zeide hij, „en de Heilige Vader zal het geluk niet hebben, den godloochenaar Saulus in een vromen en geloovigen Paulas te veranderen. Gij zult te Rerlijn blijven, en zoo gij het niet vrijwillig wilt doen, zal ik er u met geweld toe dwingen. Ik zal u tot mijn onderdaan maken, ik zal u met ordes en titels binden, u noodzaken een jaargeld van mij aan te nemen, en dan, als gij mij dan nog wilt ontvlieden, zal ik het recht hebben, u met geweld van ieder potentaat dei-aarde terug te roepen!quot;

Thans werd Voltaire's gelaat weder schitterend en blijde. „O, sire,quot; riep hij lachend, „er zal geen geweld toe noodig zijn om mij hier te boeien. Uw bevel alleen is voldoende.quot;

„En uw plicht! Mijn kamerheer mag zich geen enkelen dag uit mijne residentie verwijderen, zonder mijn verlof te hebben. Ik doe u het lint mijner orde pour le mérite om den hals, om toch een band te hebben, waaraan ik u kan vasthouden; en om u ten eenenmale tot mijn gevangene te maken, geef ik u in mijn paleis te Potsdam eene woning. Opdat gij u daar niet als kluizenaar gevoelt, zult gij iederen dag zes couverts voor uwe vrienden gereed hebben; en om u den schijn van vrijheid te geven, zult gij uwe eigene equipage en bedienden hebben, die u in alles moeten gehoorzamen, alleen dan niet, als gij uwe bedienden beveelt uwe goederen te pakken, en uw koetsier, den weg naar Rome of Parijs in te slaan.quot;

Voltaire hoorde de woorden des konings met gespannen, ademlooze opmerkzaamheid aan. Er was iets loerends, achterdochtigs en onvoldaans in zijn gelaat, dat den koning niet ontging, en waarvan deze de oorzaak zeer goed kende. Evenwel zweeg de koning, en Voltaire putte zich uit in

ocr page 175

178

woorden van dankbaarheid en vreugde; maar aan zijne woorden ontbrak de kracht der waarheid, en in zijne trekken was niets te lezen van de vreugde, die zijne lippen schilderden.

„Ik heb er nog iets bij te voegen,quot; zeide de koning eindelijk, „en uwe goddelijkheid en grootheid moge het een anderen aardworm vergeven, als hij het waagt, in uwe hooge tegenwoordigheid te spreken, van zulk een morsig en gemeen ding, als: rhet geld!quot;

Voltaire's oogen fonkelden, en het scheen volstrekt niet, dat dit onderwerp van gesprek hem beleedigde.

„Gij hebt,quot; vervolgde de koning, ,,in Frankrijk een jaargeld van zesduizend livres opgegeven. Het is billijk, dat ik u daarvoor schadeloos stel. Hoe zeer uwe groote geest ook boven al het aardsche moge verheven zijn, heeft toch ook het aardsche bestaan hare rechten, en ik wil niet, dat dit ooit, zoo lang gij bij mij zijt, door de geringste ontbering worde bedroefd. Gij zult dus van mij een jaargeld van vijfduizend daalder moeten aannemen, en daar gij bovendien vrije woning en vrije tafel hebt, denk ik dat gij daarvan goed zult kunnen leven.quot;

Voltaire's hart sprong op van vreugde, maar hij bedwong zich om bedaard en gelaten te schijnen.

„Uwe majesteit vergeet het gewichtigste,quot; zeide hij, „gij geeft mij een woning en spijs, maar het ontbreekt mij nog aan het licht en vuur. Ik ben een oud man, en zal hot niet uit mij zei ven kunnen putten.quot;

üe koning lachte luid. „Waarlijk,quot; zeide hij, „ik vind het volkomen naar behooren, dat de grootste vrijgeest en dichter zijner eeuw bezorgd is over het licht, dan hem moet verlichten. Laat ons dus twaalf pond waskaarsen voor iedere maand rekenen; ik denk, dat zal wel voldoende zijn, om het bij u nimmer donker te doen worden. En wat de overige kleine levensbehoeften aangaat, gij zult de goedheid hebben, den slotvoogd van het paleis schriftelijk op te geven, wat gij noodig hebt, en het zal u geregeld op den eersten dag van iedere maand worden afgeleverd. Zijn wij het nu met elkander eens? Blijft gij bij mij?quot;

„Tk blijf bij u, sire; niet om den titel van kamerheer en de ordes, niet om het jaargeld, ik blijf bij u, sire, omdat ik u bemin. Mijn hart offert aan u den droom mijns levens, de reis naar Italië op. O, ik wenschte u nog grotder en

ocr page 176

174

gevaarlijker oilers te kunnen brengen; ik wenschte dat er middelen waren, om u mijne aanbidding, mijne oprechte bewondering te betoonen!quot;

De koning legde zacht zijne hand op Voltaire's schouder en zag hem' langen tijd strak aan. „Wees een even goed mensch als groot dichter,quot; zeide hij, „ziedaar het schoonste olïer, dat gij mij kunt aanbieden!quot;

„O, ik zie het al,quot; riep Voltaire heftig, „men heeft mij bij u belasterd. Uwe majesteit heeft het oor voor mijne vijanden geopend, en het helsche vergif hunner lastertaal begint reeds in uw hart te werken. Daar men der. dichter Voltaire niets kon te laste leggen, wil men den mensch Voltaire aanvallen en zijn karakter bezoedelen, omdat men zijn roem niet kon bezwalken. Maar ik ken mijne vijanden en vrees hen niet! Ik zal hen met geopend vizier en onge-gepantserde borst te gemoet treden. Zij mogen mij met hunne vergiftige pijlen van uit hunne hinderlaag dooden. Het is beter te sterven, dan bij den grootsten, door mij aangebeden koning, verdacht te worden!quot;

De koning lachte. „Wat vreemde schepsels zijt gij dichters toch,quot; zeide hij. „Altijd in oproer en beweging; óf den hemel, óf de hel bestormende, óf kaboutermannetjes bestrijdende, óf met engelen dwepende. Nimmer in het rustige, gelijkmatige, alledaagsche en gewone volhardende. Als gij iemand ontmoet, die aardappelen poot, gelooft gij het niet, maar verbeeldt u, dat hij drakentanden zaait, om met de daaruit opgroeiende henden tegen u te strijden. Als iemand u bedaard aanziet, gelooft gij reeds een vloek tegen u op zijne lippen te lezen, en als men u verzoekt, goed te zijn, ziet gij daarin de aanklacht, dat gij slecht zijt! Neen, neen, mijn dichter, niemand heeft u bij mij belasterd, niemand heeft de gifdroppelen van den laster in mijn oor gegoten! Ik ben trouwens ook steeds gewoon zelf te oordeelen en de meening van anderen heeft geen invloed op mij.quot;

„Maar uwe majesteit houdt er toch van, uw oor voor mijne vijanden te openen,quot; zeide Voltaire somber. „Juist zij, die mij het heftigst aanvallen, worden door uwe majesteit met de grootste welwillendheid en genade vereerd. O, uwe majesteit, gij zijt wreed jegens mij, gelijk eene behaagzieke schoone. Nauwelijks hebt gij mij door uw liefderijken blik tot den zaligsten mensch verheven, of gij wendt u met

ocr page 177

175

koude verachting van mij af en glimlacht mijne mededingers toe. Nog zitten twee dolkstooten in mijn hart, eri veroorzaken mij doodelijke pijnen. Als uwe majesteit mij volkomen gelukkig wil maken, moet gij met eigen doorluchtige handen mijn hart weder genezen.quot;

„Ik wil het, als ik het kan,quot; zeide de koning ernstig. „Laat hooren, wanneer, waarover gij u bezwaard gevoelt?''

„Sire, uwe majesteit heeft Fréron ie Parijs tot uw correspondent benoemd. Fréron mijn bittersten vijand, mijn verwoedsten, laagsten tegenstander. Maar daarom smeek ik uwe majesteit niet, hem zijn afscheid te geven. Gij zult mij liiet, voor zoo kleii geestig en armzalig houden, sire, te gelooven, dat ik uwe majesteit daarom wil smeeken, dat sujet uit uw dienst te ontslaan, of dat persoonlijke vijandschap mij blind zou kunnen maken voor de verdiensten van dnn schrijver Fréron. Neen, sire, het geschiedt, omdat Fréron uwe genade niet waardig is, omdat Fréron een openlijk onteerde, gemeene schurk is, die meer dan eene gemeene bedriegerij heeft begaan. Gij kunt dat nagaan, sire, welke eene sensatie het te Parijs verwekte, toen men vernam, dat uwe majesteit dien man vereerde met een post, welke slechts aan een wijs en rechtschapen mensch toekomt. Fréron is slechts daarom mijn vijand, omdat ik in weerwil van zijn smeeken, mijn huis voor hom heb gesloten, en ik deed het om redenen, die zijne ontvangst in ieder fatsoenlijk huis onmogelijk» maken. ') Sire, ik bezweer u dus, laat de wereld geen dag langer gelooven, dat Fréron uw correspondent is, ik smeek uwe majesteit, ontsla hem uit uw dienst!quot;

De koning antwoordde niet terstond. Hij ging in gedachten verzonken eenige keeren op en neder, toen bleef hij voor Voltaire staan, en zijn oog had nu eene bijna strenge, toornige uitdrukking.

,,Ik olTer Fréron aan u op,'- zeide hij, „omdat ik u den eersten dag, dat gij hier zijt, niet iets wil weigeren. Maar ik herhaal u, wat ik vroeger heb gezegd: Wees niet slechts een groot dichter, maar ook een goed mensch!quot;

Voltaire schudde treurig het hoofd. „Sire,quot; zeide hij, „in uwe oogen ben ik geen groot dichter, maar nog slechts een

1) Voltaire's eigen woorden. Oeavres, Deel 58, pag. 312,

ocr page 178

176

soleü couchnnt. Denk aan de d'Arnaud, mijn d'Arnaud, mijn leerling, dien ik u heb gezonden!quot;

„Zoo,'' riep de koning, „gij hebt dus mijn klein gedicht aan d'Arnaud reeds gelezen ?''

„Sire, ik heb het gelezen, en dat is de tweede dolkstoot geweest, dien ik van uwe hand op deze reis ontving, eene reis, waartoe mijn hart mijn ellendig lichaam dwong, omdat ik u wilde zien, voor ik sterf. Ja, ik heb dat vreeselijke gedicht gelezen; ik heb die woorden in mijn hart ingebrand, die wreede woorden:

Déji, sans être téméraire,

Prenant votre vol jusqu' aux cieux

Vous pouvez égaler Voltaire.

Et prés de Vlrgile et d'Homère

.Touir de vos succes heurenx.

Déji 1'Apollon de la France

S'achemine D, sa decadence;

Venez briller a votre tour.

Élevez vons, s'il brille encore;

Ainsi le couchant d'un beau jour.

Promet une plus belle aurore.quot; 1)

„O,quot; zeide de koning, toen Voltaire nu zweeg en in eene tragische houding voor den koning bleef staan, „ik stem toe, dat een gevoelig gemoed, gelijk het uwe, in deze onschuldige rijmelarij een doorn kan vinden, die Voltaire treft, terwijl ik sleclits het voornemen had, den kleinen d'Arnaud eenige rozen tot een krans bijeen te vlechten. Ik heb mijn werk dus slecht gemaakt, en het was hoog tijd, dat Voltaire kwam, om mij te leeren betere gedichten temaken. Gij ziet, ik beken mijn onrecht, en ik veroorloof u, den dichter dezer verzen voor zijn onrecht te straffen; gij moogt een gedicht tegen hom maken, dat wij even goed zullen openbaar maken, als mijne verzen aan d'Arnaud.quot;

„Belooft uwe majesteit mij in vollen ernst deze kleine voldoening?quot;

„Ik beloof ze u. Geef mij uw gedicht, zoodra het gereed is, en dan zullen wij het in Formey's journaal laten drukken.quot;

„Sire, mijn gedicht is gereed! Hoor het slechts:

Quel diable de Mare Antonin!

Et quelle malice est la votre!

1) Suppléments aux oeuvres posthumes. Deel VI, pag. 378.

ocr page 179

177

Vous égratignez d'une main,

Lorsque vous caressez de 1'antre. 1)

De koning lachte. „0,quot; zeide hij, „welk een allerliefst quatrain heeft sieur Arouret daar gemaakt!quot;

„Arouet?quot; vroeg Voltaire verbaasd.

,,Wel ja, gij wilt mij toch niet wijs maken, dat die kleine stekelige, stroeve rijmelarij van den grooten dichter Voltaire is? Neen, neen, die is niet van den grooten Voltaire, maar van den kleinen Arouet; en met Arouet'sondertee-kening zullen wij ze laten drukken.quot;

Voltaire vestigde een oogenblik zijne groote oogen met eene vinnige uitdrukking op het, schoone, lachende gelaat des konings. Toen neeg hij zijn hoofd en zag in gedachten verzonken naar den grond. Er lieerschte eenige oogenhlik-ken stille. Toen Voltaire zich weder oprichtte, had zijn gelaat weder de edele, schoone uitdrukking, was hij weder de dichter Voltaire.

„Sire,quot; zeide hij op zachtmoedigen, bijna teederen toon, „sire, ik zal dit gedicht niet laten drukken, want gij hebt gelijk, het is niet van Voltaire, maar van den ouden Arouet of Adam, die bij den dichter Voltaire wel eens weder boven drijft. Maar gij, sire, gij, die reeds vijf veldslagen hebt gewonnen, en voor wien dagelijks eenige moi-genuren voldoende zijn om een groot rijk met wijsheid, omzichtigheid en liefde te regeeren, gij zult steeds met een vriendelijken blik uwer oogen den ouden Arouet bannen, en hemelsche liefde- en lofzangen van Voltaire's lippen roepen!'

„De liefdezangen zijn voldoende, de lofzangen kunt gij sparen!quot; riep Frederik, terwijl hij Voltaire met een vriendelijk lachje de hand gaf.

Op den avond van dezen eersten dag, dien Voltaire op Sanssouci bij den koning doorbracht, keerde de nieuwe kamerheer, met de orde four le mérite getooid, en met de door den koning eigenhandig geschrevene verzekering van een jaargeld van vijf duizend daalder in den zak, naar Potsdam terug.

Twee rijk gegalonneerde bedienden ontvingen hem aan het voorplein, en terwijl de een met den zilveren armblaker.

1) Voltaire: Oeuvres complêtes. Deel 58, pag. 379. Mührbaoh, Frederik de Groote en syn Hof. IV.

12

ocr page 180

4-78

waarop vijf waskaarsen brandden, hem voorlichtte, leunde Voltaire uitgeput en steunende op den arm van den anderen bediende, om zich door dezen bijna te laten dragen naar de voor hem gereed gemaakte vertrekken.

Daarop beval hij den bediende, den armblaker op de tafel te plaatsen en in het voorvertrek op zijne verdere bevelen te wachten. Nauwelijks echter waren de beide bedienden heengegaan, of Voltaire, die uitgeput op de sofa was gaan zitten, stond op en ging haastig naar de tafel, waarop de armblaker stond. Hij verhief zich een weinig op zijne toonen, en blies met zijne dinne lippen drie van de lichten uit, die op den armblaker brandden.

„Twee kaarsen zijn voldoende,quot; zeide hij met zijn grijn-zenden lach. „Ik krijg maandelijks twaalf pond waskaarsen, en ik denk, wanneer ik er spaarzaam mede omga, zal het licht, dat het barbaarsche Duitschland mij levert, wel zooveel percenten opbrengen, om mijne lieve nicht Denise een klein speldegeld te verschaffen.quot;

Nu ging hij met den armblaker, waarop nog maar twee kaarsen brandden, door de met koninklijke pracht gemeubileerde receptiezaal, om zich naar het daarnaast bevindende studeervertrek te begeven. Het was een zeldzaam, bijna ijzingwekkend gezicht, dien man daar eenzaam en in gedoken houding door dat schitterende, half donkere vertrek te zien voortstappen, terwijl de kaarsen zijn boosaardig lachend gelaat met haar helderen glans verlichtten, en hier, onder het verder voortgaan, het verguldsel deden schitteren, daar een beeld deden aanschouwen, en ginds een meubel in het heldere licht deden uitkomen, terwijl achterhem schemering en nacht alles in een ondoordringbaren sluier hulden.

In zijne studeerkamer gekomen, ging Voltaire aan zijne schrijftafel zitten en schreef aan zijne nicht, madame Denise:

„Ik heb mij nu in forma aan den koning van Pruisen verbonden. Mijn huwelijk met hem is gesloten. Zal het gelukkig zijn? Ik weet het niet. Ik heb mij niet kunnen onthouden van eindelijk het beslissende ja uit te spreken. Na het coquetteeren, gedurende zoo veel jaren, moest het eindelijk tot een huwelijk komen. Mijn hart heeft voor het altaar geklopt. O, zou ik hebben kunnen vermoeden, toen wij zeven maanden geleden mijn huis te Parijs in orde brachten, dat ik mij heden, drie honderd mijlen van mijn

ocr page 181

213

zij blijven altijd leeuwen, die men zich te vergeefs vleit te hebben getemd; zij blijven in waarheid steeds wild, bloeddorstig en phantastisch. Op het oogenblik, dat men zulks liet minst verwacht, ontwaakt hun instinkt, en wij vallen als een olï'er hunner klauwen of tanden, zonder dat wij het vooraf konden vermoeden.quot; 1)

De koning, die tot nu toe deze heftige en opgewonden rede van Voltaire mot een glimlach op het gelaat had aangehoord. terwijl de andere heeren hem ontzet en verwonderd aanstaarden, de koning stond nu van zijn zetel op, en met een vroolijk lachje zijn vinger dreigend opheffende, zeide hij; „Stil, stil, messieurs. Neemt u in acht, ik geloof dat de koning komt. Spreek wat zachter, Voltaire, opdat liij u niet hoore, want anders zou de koning zich ten laatste verplicht zien, nog slechter te zijn, dan gij. 3) Bovendien is het laat! Laat ons dus de aankomst des konings in het geheel niet afwachten, maar stil uiteen gaan. Goeden nachl messieurs.quot;

Kn terwijl hij met eene vriendelijke, maar tevens trotsche buiging, het geheele gezelschap groette, keerde de koning naar zijne vertrekken terug.

XXII.

ROME SAUVÉE.

Het geheele hof verkeerde in blijde opgewondenheid en geen wonder ook; men zou heden eene tooneel voorstel ling bijwonen, die eenig was in de geschiedenis van hetBerlijnsche hof. Voltaire's nieuw drama Catilina, dat hij thans den naam van Rome Sauuce had gegeven, zou in het koninklijke paleis, in een van de vertrekken der prinses, op een opzettelijk daartoe opgericht tooneel worden opgevoerd, en de voorstellers waren geene gewone kunstenaars en tooneel-spelers, maar zij behoorden gedeeltelijk tot de hoogste kringen der samenleving. Prinses Amalia had de rol van Aurelia,

1

Tliiébault. Deel V, pag. 365.

ocr page 182

2i4

prins Hendrik die van Julius Cesuren Vcdtaire die van Cicero-

Men had heden morgen in de vroegte de laatste repetitie gehouden; Voltaire had zich daarbij weder in zijne teugellooze onbeschoftheid, zijne scherpe spotternij, en zijn bij tend vernuft getoond. Geen der voorstellers was zijne berisping en zijn snel ontvlamraenden toorn ontgaan, en vooral had de arme dichter d'Arnaud veel van zijne bedilzieke heftigheid moeten dulden. d'Arnaud die [eens Voltaire's meest geliefkoosde leerling was geweest, dien bij zelf bij den koning had aanbevolen, — d'Arnaud had het ongeluk gehad, den koning te behagen, en daarom, vooral sedert Frederik dat vleiende gedicht op hem had gemaakt, haatte Voltaire hem, en peinsde slechts op een middel, hem de gunst des konings te doen verliezen en van het hof te verwijderen. ') lieden was het voor het eerst tot een openlij ken strijd tusschen hen gekomen, en zeer welkom was Vottaire de aanleiding daartoe, die hij vond in de rol, welke d'Arnaud in Rome Sauvée moest spelen. Wel is waar had d'Arnaud slechts eenige woorden te zeggen, maar de wijze waarop hij ze voordroeg, voldeed den dichter niet. Hij beweerde, dat d'Arnaud ze opzettelijk koel en achteloos had uitgesproken.

d'Arnaud trok de schouders op en antwoordde; „Een rol van twee woorden verdient niet meer. Zeg mij toch eens, welke declamatie voor twee zoo onbeduidende woorden niet belachelijk zou zijn?quot;

Dat was voldoende, om Voltaire's gramschap terstond te doen ontvlammen. „En toch gaat deze rol nog boven uwe krachten,quot; schreeuwde hij. „Gij kunt zelfs deze twee woorden niet behoorlijk uitspreken.quot;

En nu begon hij met zijne vurige welsprekendheid uit-

1) In een brief aan madame Denis schrijft Voltaire: „Tout le monde me reproche, que le roi a fait des vers jiour d'Arnaud, des vers ijui ne sont pas ce qu'il a fait de mieux; mais songez ,qu'a quatre cent üeues de Paris, il est bien difficile de savoir si un homme qu'on lui recommande a du mérite ou non: de plus c'est toujours dos vers, et bien ou mal appliqués ils prouvent que le vainqueur de l'Autriche aime les belleslettres que j'aime de tout mon coeur. D'ailleurs d'Arnaud est un bon diable, qui par-ci et par-la ne laisse pas de rencontrer de bons tirades. II a du goüt, il se forme; et s'il arrive, qu'il se déforme, il n'y a pas grand mal. En un mot la petite méprise du roi de Prusse n'empêche pas, qu'il ne soit le plus aimable et le plus singulier de tous les hommes.quot; Voyez Oeuvres completes. Deel 58, pag. 357.

ocr page 183

215

een le zetten, dat op deze twee woorden de geheele kern van het stuk rustte, en dat die rol de gewichtigste was. Nu dreef hij d'Arnaud, die dit betwistte, door zijn bijtend vernuft, zijne vaardige ironie zoo in de engte, dat deze ademloos, woedend, bijna stikkend van gramschap, geene woorden kon vinden, geene kracht bezat, om de behendige aanvallen met eene even vaardige, scherpe kling te beantwoorden. Overwonnen en vernederd, zweeg hij, terwijl het gelach van den koning en al de hovelingen, die hierin behagen schepten, de nederlaag voor d'A rnaud nog grooter en smartelijker, en de overwinning voor Voltaire nog schitterender en eervoller maakte. Maar eindelijk hadden deze aanzienlijke en geleerde tooneelspelers hunne rol toch geleerd tot tevredenheid van Voltaire, die op dezen dag als dichter, regisseur en tooneelspeler werkte; en heden avond zou in tegenwoordigheid van het geheele hof de opvoering van dit drama plaats hebben, dat Voltaire zijn meesterstuk noemde. —

Prinses Amalia, die, gelijk gezegd is, de rol van Aurelia vervullen moest, had zich voor dien dag in hare vertrekken teruggetrokken, zij had der koninginmoeder verlof gevraagd, bij het middagmaal te mogen afwezig zijn, en zulks was haar bereidwillig toegestaan, daar men zeer wel begreep, dat de prinses rust noodig had, om hare zware en moeielijke rol nog in stilte te kunnen bestudeeren.

Maar prinses Amalia bestudeerde hare rol niet, evenmin was zij bezig met het in orde brengen van haar toilet. Zij lag achteloos uitgestrekt op den divan en beschouwde met betraande oogen den brief, dien zij in hare sidderende handen hield. Naast haar op den grond knielde freule van Haak en zag met blikken vol deelneming tot de prinses op.

„O, welk eene kwelling, welk eene marteling is het,quot; zeide Amalia, „te moeten lachen, terwijl men in wanhoop verkeert; aan de genoegens van dit in feesten en genietingen zwelgend hof te moeten deelnemen, terwijl hot in mijn binnenste zoo somber en treurig is, dat ik geene ster der hoop, geene schemering van geluk zie. O, Ernestine; zeg niet, dat ik bedaard en stil moet zijn, gun mij ten minste het smartelijke genot, mijn lijden te klagen en in de stilte dezer kamer mijne smart te kunnen uitweenen.quot;

„Maar dierbaarste prinses,quot; lUüsterde Ernestine, „waarom

ocr page 184

216

deze smart, en waarvoor zou het dienen, de nauwelijks gesloten wonden van uw hart weder open te rijten?quot;

„Deze wonden waren nimmer gesloten,quot; riep Arnalia onstuimig. „Neen, zij hebben onophoudelijk gebloed, onder aanhoudende pijn. Óf houdt gij mij ook voor zoo ellendig en armzalig, dat eenige jaren voldoende zouden zijn, om mij te leeren vergeten?quot;

„Heb ik ook niet moeten leeren vergeten?quot; vroeg Ernestine bedroefd. ,Js ook mijn levensgeluk niet verwoest, ben ook ik niet voor eeuwig van mijn geliefde gescheiden? O, prinses, hoe veel gelukkiger zijt gij, daar gij toch weet, waar gij den ongelukkigen vriend met uwe gedachte kunt vinden, terwijl geen geluid uit de verte eenig antwoord geeft op mijne klachten, en mijne troostelooze, ronddwalende gedachten niet weten, of zij den geliefde in het graf of in de gevangenis, in kommer en ellende of in vreugde en geluk moeten zoeken!quot;

„Het is waar,quot; zeide Amalia peinzend, „ons lot is jammerlijk en verdient medelijden! O, Ernestine, wat heb ik niet geleden in de vijf jaren, sedert ik ïrenck niet meer heb gezien, in deze vijfjaren van stilzwijgen, onthouding en troosteloosheid. Hoe dikwijls heb ik niet geloofd onder dit verborgen lijden te moeten bezwijken, terwijl ik mij met geblankette wangen en een glimlach op de lippen in den kring der schitterende feesten bevond, tot welker middelpunt de wreede liefde des konings mij verhief. Hoe dikwijls, terwijl ik mij vroolijk scheen te onderhouden, zijn mijne gedachten afgedwaald tot den verwijderden geliefde, van wien de winden geene boodschap en de sterren geen groet brachten, hoewel ik toch wist dat hij leefde en aan mij dacht. Want zoo hij gestorven ware, zou hij mij verschenen zijn, en indien hij mij vergeten had, zou dit een dolksteek zijn, die mij zeker en ineens zou hebben gedood. O, Ernestine, welk een ondragelijk lot, overtuigd te zijn, dat hij mij dikwijls heeft,geschreven, en dat deze brieven alle in handen van spionnen en verklikkers zijn gevallen, waarmede mijn broeder mij heeft omgeven. O, ik ben niet waanzinnig geworden, omdat ik gevoelde, dat Trenck mij eens zou noodig hebben. Ik heb mij niet van het leven beroofd, omdat ik wist, dat mijn leven voor hem nog eens noodzakelijk kon worden. Ik

ocr page 185

217

heb geleefd, yeiijk zij, die tot hellepijn zijn veroordeeld, die bij hunne martelingen sleeds een geopend oog en een gespannen oor hebben, omdat zij het oogenblik verbeiden, dat de verlosser komt, om hen van hunne pijnen te bevrijden. En ziet gij, mijn oogenblik is gekomen. God heeft zich eindelijk erbarmd; hij heeft het oog mijner bespieders verblind en deze brief is veilig in mijne handen gevallen. Een brief van Trenck! O, Ernestine, hij bemint mij, hij heeft mij nimmer vergeten, hij is ongelukkig en roept om mij. O, hemel, waarom heeft het noodlot mijne handen gebonden; waarom heeft hel mij doen geboren worden op een troon, welks glans mij toch slechts in de schaduw stelt, in plaats van mij te beschijnen. Waarom ben ik niet in ar-moedigen en geringen stand geboren, om ten minste het recht te hebben tot mijn geliefde te kunnen snellen, als hij mij roept, aan zijne zijde te zijn, wanneer hij in nood is, en zijn ongeluk met hem te deelen?quot;

„Maar gij, prinses,'quot; zeide freule von Haak, „gij kunt zijn ongeluk verlichten. Beschouw mij, ik ben arm en athankelijk, en daarom kan ik niet naar mijn geliefde snellen; en, zoo hij in nood is, heeft hij mij niet geroepen, dewijl hij weet, dat ik buiten staat ben hem te helpen. Gij echter, kunt door uwe hooge geboorte, uwen geliefde helpen. Trenck heeft u noodig en gij zijt gereed om hem bij te slaan.quot;

„God geve, dat ik er toe in staat zij! Hij smeekt mij, bij mijn broeder moeite te doen, opdat de voorspraak van het Pruisisch gezantschap te Weenen het keizerlijk hof van Weenen gunstig voor hem stemme, en hij op deze wijze mag hopen een einde te maken aan de vreeselijke processen, die hem als het eenige erfdeel zijn overgebleven van zijn neef, den ongelukkigen hoofdman der Pandoeren, die in de gevangenis is gestorven. O, Ernestine, ik moet met mijn broeder over hem spreken! Trenck weet niet, dat zijn naam sedert die vijf jaren nimmer over mijne lippen is gekomen, dat ik sedert dien gewichtigen dag, toen ik mijn broeder beloofde voor eeuwig van Trenck afstand te doen, nimmer weder met den koning alleen ben geweest. Wij beiden hebben elke vertrouwelijke toenadering vermeden. Hij, omdat hij misschien mijne klachten vreesde, ik, omdat ik gevoelde, dat zich over de liefde tot mijn broeder een ijskorst had gelegd, die ik noch door zijn glimlach, noch door zijne

ocr page 186

218

goedheid wilde laten ontdooien, dewijl ik Trenck bemin en hem getrouw wil zijn, terwijl ik den toorn mijns broeders trotseer. Maar nu, Ernestine, moet ik mijn hart overwinnen, nu moet ik met mijn broeder spreken. Trenck verkeert in nood, ik zal den moed hebben voor hem te smeeken!quot;

„Maar, wat wil uwe hoogheid verzoeken? O, bedenk u wel, prinses. Wie weet, of de kotdng Trenck niet geheel en al heeft vergelen, en dat zou misschien het beste zijn. Men moet den leeuw het arme insect niet toonen, dat hem uit zijne sluimering heeft opgewekt, want dan zal hij het zeker dooden. Trenck verkeert in nood, omdat hij processen heeft. Zend hem dus goud, goud om de heeren van de wet om te koopen, want men weet toch wel, dat de waardige rijkshofraad eenigszins slechte oogen heeft, en dat hij den glans van het goud dikwijls voor den glans van de zon dei-rechtvaardigheid houdt. Zend hem dus veel geld, en hij zal de tijgers temmen, die om de gerechtszaal zijn gelegerd, hij zal zijne processen winnen.quot;

Prinses Amalia haalde met een minachtend gebaar de schouders op. „Hij roept om mij, en ik zou hem niets geven dan verachtelijk goud! Hij smeekt mij, voor hem te handelen, en ik zou uit lafheid zwijgen en hem mijne hulp met goud afkoopen? Neen, neen, ik zal handelen en nog wel heden! Gij weet, dat ik alleen op uitdrukkelijk verzoek des konings er in heb toegestemd, heden avond in dit drama eene rol te vervullen. Toen mijn broeder er mij om verzocht, voegde hij er met een vleiend lachje bij: „Sta mij dit verzoek toe, zuster, en wees verzekerd, dat ik u daarvoor ook de eerste gunst zal toestaan, die gij van mij zult verlangen.quot; Welaan dus, ik zal hem aan dit woord herinneren, ik zal hem voor Trenck smeeken, en hij mag het mij niet afslaan. O, Ernestine, ik weet niet hoe het komt, maar sedert eenigen tijd, bemint de koning mij weder met meer teederheid dan voorheen, zijn oog rust met welgevallen op mij, en dikwijls schijnt het mij, alsof hij mij aanziet met blikken, die om mijne liefde smeeken. Zeg niet, dat ik dwaas en kinderachtig ben, maar ik denk soms, dat mijne stille gelatenheid zijn hart kan hebben geroerd, en hij eindelijk geneigd is, genade uit te oefenen en mij gelukkig te maken, gelukkig, door dat hij mij vergunne dezen glans te ontvlieden, te vergeten, dat ik prinses ben, en mij slechts te herinneren, dat ik eene vrouw

ocr page 187

219

ben, die van God een hart lieeft ontvangen, om te beminnen!quot; Amalia zag de treurige en weemoedige blikken niet waarmede hare vriendin haar beschouwde. Zij was geheel geestdrift en vuur, en met fonkelende oogcn en hijgenden boezem van den divan opspringende, vervolgde zij :

„Ja het is, zoo als ik zeg. Mijn broeder wil mij gelukkig maken!quot;

„Prinses, waag het niet, zulk een stoute hoop te koesteren,quot; riep freule van Haak, met tranen in de oogen. „Nimmer zal de koning er in toestemmen, u op eene andere dan koninklijke wijze gelukkig te maken.quot;

Amalia glimlachte. „Zeg eens, Ernestine, is eene regee-rende markgravin van Baireuth niet even hoog geplaatst als ik?quot;

„Voorzeker, uwe hoogheid,quot; zeide Ernestine met verwondering, „want uwe eigene doorluchtige zuster is immers regeerende markgravin van Baireuth.quot;

„Ik spreek niet van haar, maar van de weduwe van don vorigen markgraaf. Zij heeft ten minste toch ook geregeerd. Wel nu, thans is zij met den jongen graaf Hoditz gehuwd. De koning heeft het mij gisteren zelf lachend verhaald. Hij was niet toornig, en nochtans is de tegenwoordige kleine gravin Hoditz zijne rechtmatige tante, even als ik zijne zuster ben.quot;

„Indien de koning zijne tante bevelen had kunnen geven, gelijk hij zijne zuster kan doen, zou hij dit huwelijk niet hebben geduld,quot; zeide freule van Haak.

Prinses Amalia sloeg hier geen acht op. Met schitterend oog en met een glimlach op den mond ging zij met haastige schreden in de kamer op en neder. Na een kleine wijle naderde zij hare vriendin en legde hare beide handen op Ernestine's schouder.

„Gij zijt eene goede ziel en eene trouwe vriendin,quot; zeide zij, „gij hebt steeds een geduldig oor voor mijne klachten gehad. O, denk toch eens, hoe heerlijk het moet zijn, als ik u eens van mijn geluk zal verhalen! En nu Ernestine, kom mede. Thans moet gij nog eens mijne rol met mij memoriseeren en dan zullen wij aan mijn toilet denken. O, ik wil heden avond schoon zijn, om den koning te bevallen; ik wil spelen als eene kunstenares, om zijn hart te treilen. Als ik zoo speel, zoo vurig en waar, dat hij moet

ocr page 188

220

weenen over de smart van die ongelukkige, minnende vrouw, die ik voorstel, zal dan zijn liart niet liefderijk moeten ver-teederd worden, zal hij dan geen medelijden hebben, met mijne werkelijke liefdesmart, die ik in de rol van eene andere slechts in woorden uit? Kom dus, Ernestine, laat ons nog eens memoriseeren. Ik moet mijne rol hedenavond goed spelen, want ik wil het hart des konings winnen!quot;

En prinses Amalia hield woord jegens zich zelve. Zij speelde hare rol inderdaad meesterlijk. De woorden dei-liefde en der smart, vloeiden gelijk een stroom van gloed en geestdrift van hare lippen; de eeden van trouw, de klachten van het verlangen, de wanhoop der onthouding waren niet meer de hoogdravende woorden eener tooneel-speelster, zij waren werkelijkheid en waarheid. Men geloofde aan hare tranen, aan hare wanhoop, en toen Amalia met wezenlijke tranen, werkelijk verbleekend, van de smarten harer liefde verhaalde, toen hoorde men in deze van kaarslicht en diamanten fonkelende zaal niets dan zuchten en snikken.

Koningin Elisabeth Christine, in bare eigene liefdesmart alle etiquette vergetende, bedekte het gelaat met hare handen, en tusschen hare dunne, van diamanten fonkelende vingers, drongen groote tranen te voorschijn.

De koningin-moeder, verbaasd over hare eigene ontroering, duisterde zacht, dat het zeer warm was, en terwijl zij zich met den met goud geborduurden zakdoek verkoelde, wischte zij heimelijk eene traan uit het oog.

Zelfs de koning was getroffen; de glans zijner oogen was verduisterd en eene diepe, onuitsprekelijke weemoed zetelde om zijne lippen.

Voltaire echter was buiten zich zeiven van verrukking; zijne oogen hingen met verterenden gloed aan iedere beweging, lederen blik van Amalia; zijn mond vloeide over van loftuitingen, van dank en verrukking, en in zijne geestdrift al het andere vergetende, riep hij, toen hij de prinses na hare groote scène achter de schermen ontmoette; „Gij zij t waardig tooneelspeelster te zijn en in Voltaire's treurspelen te spelen!quot;

Prinses Amalia glimlachte en ging stilzwijgend voorbij. Wat bekommerde haar Voltaire's lof. Zij wist slechts, dat zij haar doel bereikt en het hart des konings getrollen

ocr page 189

221

had. Dit bewustzijn schonk haar moed en geestkracht, en toen na het einde der voorstelling de koning bij haar kwam, toen hij haar hartelijk omhelsde en haar met teedere woorden dankte voor dezen heerlijken en genotrijken avond,dien hij niet alleen aan het dichterlijk genie van Voltaire, maar ook aan het verrukkelijk spel van Amalia te danken had, herinnerde Amalia hom glimlachend, dat hij haar nog eene gunst moest toestaan.

„Ik verzoek er u om, zuster,quot; antwoordde de koning vroolijk. „Verzoek heden avond iets zeer groots van mij, want ik hen juist gestemd het u toe te staan.quot;

Amalia zag met eene bange en smeekende uitdrukking op zijn lachend gelaat. „Sire,quot; zeide zij, „bepaal mij morgen voormiddag een uur, waarop ik bij u mag komen, om mijn verzoek voor te dragen, waarvan gij mij de vervulling reeds vooruit hebt beloofd.quot;

Het gelaat des konings betrok eenigszins. „Dat treft inderdaad zeer goed,quot; zeide hij. „Ik wilde u tegen morgen vroeg om een onderhoud verzoeken, en nu voorkomt gij mijn wensch. Ik zal morgen vroeg te tien uur bij u zijn, en ook ik heb u dan een verzoek te doen.quot;

„Ik verwacht u dan morgen vroeg te tien uur, mij n broeder, en dan zal ik u zeggen, welke gunst ik u te verzoeken heb.quot;

„En als ik u die heb toegestaan, zal het aan u staan, zuster, mijn verzoek in te willigen!''

XX1I1.

EEN VROUWENHART.

Den geheelen volgenden nacht bracht prinses Amalia zeer onrustig door. Geen slaap look hare oogen en angstige schrikbeelden rezen er op voor haar ontstelde verbeelding. „Wat zou de koning toch van mij verlangen? Welk nakend gevaar werpt eene schaduw op mijne toekomst,quot; vroeg zij zich herhaaldelijk af.

En nu overwoog zij in haar geest ieder woord, iedere toespelling, die zij heden bad vernomen; nu herinnerde zij zich plotseling de treurige en medelijdende blikken van

ocr page 190

222

hare hofdame, die als ter loops gebezigde aanduidingen, de halve woorden, die eene verborgen waarschuwing bevatten.

„Ernestine weet iets, maar wil het niet zeggen,quot; zeide zij. En bij deze gedachte werd haar voorhoofd bedekt met een koud zweet en eene huivering deed hare leden rillen.

Zij strekte hare hand uit, om te schellen, en hare kamenier freule van Haak te laten roepen. Maar zij trok de hand spoedig weder terug, treurig en beschaamd over haar ongeduld.

„Wat kan het mij helpen, iets te vernemen, dat ik toch niet kan veranderen,quot; zeide zij. „Ik weet, dat een ongeluk-mij bedreigt, maar ik wil het ten minste onversaagd en moedig te gemoet gaan.quot;

En nu lag zij rustig en stil, tot deze vreeselijke uren van bange verwachting allengs verliepen en de morgen kwam. Toen zij van hare legerstede opstond, droegen hare trekken die uitdrukking van onwankelbare vastberadenheid, en haar oog schitterde even stout en vurig, als dat van haar koninklijken broeder, wanneer hij op het punt stond zich in den slag te begeven.

Zij liet zich zorgvuldig en smaakvol kleeden; vriendelijk glimlachend begroette zij de binnentredende hofdame en keuvelde vroolijk en bedaard over onverschillige zaken.

Maar toen de bedienden waren vertrokken en zij zich met freule van Haak alleen bevond, ging zij haastig naar haar toe en zag haar langen tijd met een onderzoekenden blik aan.

,,Ernestine,quot; zeide zij toen, „gij weet iets, dat gij mij niet wilt zeggen en dat voor mij een ongeluk is. Ik heb het in uw gelaat gelezen en nochtans verzoek ik u niet, het mij te openbaren, zoo gij niet oordeelt, dat ik, door bet te kennen, ook het gevaar kan verminderen.''

Ernestine schudde treurig het hoofd. „Neen,quot; zeide zij, „ik vrees, dat uwe hoogheid niets zal kunnen veranderen aan het ongeluk, dat u bedreigt. Het is het ongeluk eener prinses, die zich gehoorzaam naar den wil haars konings moet schikken.quot;

„Het is goed,quot; zeide Amalia met een eigenaardig lach je, „wij zullen zien of mijn broeder macht genoeg beeft, mijn wil te buigen. Thans, Ernestine, moet gij mij verlaten, want het, is het uur, waarop de koning wilde komen.quot;

De hofdame had zich nauwelijks verwijderd, toen de deur.

ocr page 191

223

die naar do groote voorzaal voerde, werd geopend en de binnentredende kamerheer den koning aanmeldde.

Prinses Amalia ging hem vriendelijk lachend te gemoet, maar toen de koning haar omarmde en een kus op haar voorhoofd drukte, huiverde zij, en zag vragend tot haar broeder op.

Zij las in zijn gelaat niets dan de hartelijkste liefde, de ongedwongendste vriendelijkheid. „Zoo hij mij ongelukkig maakt, is hel ten minste zijne bedoeling niet liet te doen,quot; dacht zij, en met een geruster hart gaf zij den kamerheer een teeken, om de deuren te sluiten, die naar het salon voerden, waarin het gevolg des konings en hare eigene dames en cavaliers zich bevonden.

„Thans, mijn broeder, zijn wij alleen,quot; zeide de prinses, terwijl zij naast den koning plaats nam op den divan, waar hij haar had heengevoerd. „Sta mij thans toe, u mijne bede, welker vervulling gij mij hebt toegezegd, voor te dragen.quot;

I)e koning beschouwde met treurige, onderzoekende blikken haar van ontroering en ongeduld bewogen gelaat. „Amalia,quot; zeide hij, „hebt gij mij geen woord van begroeting, van zusterlijke liefde te zeggen? Gij weet dus niet, dat er vijf jaren zijn verloopen, waarin wij elkander niet, alléén hebben gezien, en zoo vertrouwelijk hebben gesproken, als het tusschen broeder en zuster betaamt?quot;

„Ik weet het,quot; antwoordde Amalia treurig. „Deze vijf jaren staan op mijn gelaat geteekend, en zoo zij op mijn voorhoofd geene rimpels achterlieten, hebben zij toch diepe voren in mijn hart gegroefd. Zie mij aan, broeder, vindt gij, dat ik heden nog het gelaat van voor vijf jaar heb?quot;

„Neen,quot; zeide de koning, „neen, gij zijt heden bleek en uwe wangen zijn ingevallen. Evenwel bemerk ik dit heden voor de eerste maal. Overigens zijt gij nog steeds het beeld der jeugd, der schoonheid en aanminnigheid. De voorstelling van gisteren avond heeft u getroiï'en, dat is het al.quot;

„Neen, broeder, gij vindt mij heden bleek en mijn gelaat ingevallen, omdat gij mij heden voor het eerst zonder blanketsel en zonder schoonheidspleistertjes ziet. Voor liet eerst heb ik heden voor u het masker der rooskleurige jeugd, der lachende zorgeloosheid afgenomen, dat mijn gelaat voor de wereld verbergt. Gij zult, mijn gelaat zien, gelijk hel

ocr page 192

224

werkelijk is, gij zuil zien, wat ik heb geleden; misschien zult gij dan des te bereidwilliger toestaan, wat ik u wil verzoeken. Moor dus, mijn broeder! Ik —quot;

De koning legde zijne hand zacht op haar schouder. „Spreek nog niet,quot; zeide hij, „want nu ik u zie, vreesik, dat gij om iets wilt verzoeken, dat ik niet kan bewilligen.quot;

„Doch gij hebt mij uw woord gegeven, sire, mij eene gunst te zullen toestaan.quot;

„Ik neem mijn woord niet terug. Maar omdat ik zulks niet wil, verzoek ik, dat gij, alvorens te spreken, mijn verzoek aanhoort, want wellicht kan het invloed hebben op hetgeen gij mij te zeggen hebt, en gij zult daarnaar uwe eigene wenschen kunnen wijzigen. Ik veroorloof mij dus, in uw eigen belang, onbeleefd te zijn, en in plaats u als dame het eerst het woord te gunnen, verzoek ik u, het mij te laten.quot;

„Gij zijt overal de koning en moogt bevelen,quot; zeide Amalia koud. „Spreek dus, sire.'

De koning liet zijne heldere, doordringende blikken een oogenhlik op het gelaat zijner zuster rusten; toen stond hij op, en nam eene ernstige, peinzende houding aan.

„Ik sta thans voor u, prinses, niet als koning, maar als de afgezant eens konings. Prinses Amalia, de koning van Penemarken vraagt u door mij, om uwe hand. Hij wenscht u te huwen en ik heb hem mijne toestemming gegeven. Er ontbreekt dus nog slechts de uwe aan, en ik denk, dat gij hem die niet zult weigeren.quot;

De prinses had hem met zwijgende, onwankelbare bedaard-heid aangehoord. Zij had geen spier van haar gelaat vertrokken, geen oogenblik hadden hare trekken de uitdrukking van bedaardheid en rust verloren.

„Hebt gij geëindigd, sire?quot; vroeg zij gelaten.

„Ik heb geëindigd, en verwacht uw antwoord.quot;

„Wil mij vóór ik u dit mededeel, toestaan, u ook mijn verzoek voor te dragen, sire. Want om mij van uwe eigene woorden te bedienen, zult gij daarnaar uwe eigene wenschen kunnen wijzigen. Gij zult dan weten, of ik in staat ben, de hand van den koning van Denemarken aan te nemen. Staat gij mij nu toe te spreken?quot;

„Spreek,quot; zeide de koning, terwijl hij weder naast Amalia plaats nam.

ocr page 193

225

Er heerschte een oogenblik stilte. Toen zeide Araalia met eene plechtige, ernstige stem : „Sire, ik smeek om (jenade voor den baron Frederik von Trenck.

Aan een onwillekeurigen aandrang toegevend gleed zij van den divan op hare knie neder, en de gevouwen handen smeekend tot haar broeder opheltende, herhaalde zij: „Sire, ik smeek om genade voor den baron Frederik von Trenck!quot;

De koning sprong op, weerde onstuimig de handen zijner zuster af, en ging eenige keeren driftig in de kamer op en neder. Amalia, bijna beschaamd over hare eigene kinderachtige nederigheid, stond weder op, en als om zich zelve hare geestkracht en vastberadenheid te bewijzen, ging zij regelrecht op den koning aan, en met luide, vaste stem zeide zij voor de derde maal: „Sire, ik smeek om genade voor den baron Frederik von Trenck. Hij is ongelukkig, omdat hij uit zijn vaderland is verbannen. Hij is wanhopig, omdat men, wel wetende, dat hij niemand heeft, die hem beschermt en zijne rechten waarborgt, bij het rijks-hofgericht geene gerechtigheid kan vinden. Hij is arm en zonder uitzichten, omdat het rijks-hofgericht hem de erfenis zijns ooms weigert, van zijn oom, den overste der Pandoeren, dierf zijne vijanden hebben aangeklaagd, omdat zij begeerig waren naar zijne millioenen, die men verbeurd heeft verklaard, onder voorwendsel, dat hij ze op eene onrechtmatige wijze had verworven. Maar men heeft het hem niet kunnen bewijzen, en nochtans nu bij dood is, weigert men zijn erfgenaam, Frederik von Trenck, zijne erfenis. Sire, ik smeek u, ontferm u over uwen onderdaan. Laat hem de genade uwer voorspraak ten deel vallen, help hem door uw machtig woord aan het bezit van deze millioenen. Ach, gij ziet wel, hoe kleinmoedig en bescheiden ik ben geworden. Ik smeek niet meer om geluk, maar nog slechts om geld. En ik geloof, sire, dat wij Trenck deze vergoeding wel schuldig zijn, voor een vernietigd levensgeluk.quot;

Het was den koning gelukt, zijn wrevel te doen bedaren, en zijn ontvlammenden toorn te overwinnen. Hij was nu even rustig en gelaten, als zijne zuster, maar bij beiden verborg zich achter deze rust de geestkracht van een onwankelbaar besluit, en zij waren zoo bedaard, omdat zij onbuigzaam waren.

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 15

ocr page 194

m

„Is dat de gunst, die gij van mij vvildet vorderen?quot; vroeg de koning.

„De gunst, welker inwilliging gij mij hebt toegezegd,quot; antwoordde Amalia.

„En als ik dat doe, zult gij dan ook mijn verzoek inwilligen? Zult gij dan de gemalin van den koning van Denemarken worden? O, gij zwijgt? Welnu hoor mij aan. Stem er in toe, koningin van Denemarken te worden, en op den dag, waarop gij de grenzen van mijn land overschrijdt, en als koningin uw nieuw vaderland betreedt, op dien dag zal ik Trenck weder naar Berlijn terug roepen en alles zal vergelen zijn. Trenck kan weder in mijne garde treden, en mijn gezant te Weenen zal bij den rijkshotVaad zijne belangen behartigen. Beslis nu, wilt gij koningin van Denemarken worden ?''

„O, sire, gij stelt mij daar op eene wreede proef. Gij wilt, dat ik eene gunst koop, welker vrije bewilliging gij mij hebt toegestaan!quot;

„Maar gij vergeet, zuster, dat ik zelf verzoek, waar ik kon bevelen, en dat ik het u gemakkelijk wil maken, mij te gehoorzamen, dewijl gij door uwe gehoorzaamheid een ander gelukkig maakt. Dus nogmaals, neemt gij mijn voorslag aan?quot;

Amalia antwoordde niet terstond. Zij zag uitvorschend naar hel gelaal des konings. Ook hij zag haar aan en hunne blikken bleven langen lijd op elkander gevestigd. Beiden lazen in elkanders oogen dezelfde onwankelbare vastberadenheid.

„Sire.quot; zeide Amalia, eindelijk, „ik kan uw voorslag niet aannemen. Ik kan de gemalin van den koning van Denemarken niet worden.''

Do koning huiverde en zijn voorhoofd betrok. Maar hij bleef bedaard; alleen omvatte zijn hand krampachtig de leuning van den fauteuil, naast welke hij stond.

„En waarom kunt gij de gemalin van den koning van Denemarken niet worden?quot; vroeg hij.

„Omdat ik plechtig, onder aanroeping des hemels, heb gezworen, nimmer een ander man te huwen, dan hem, dien ik bemin, omdat ik mij voor God en mijn geweien verplicht acht, dezen eed te vervullen en ongehuwd te blijven, daar ik Trenck's gemalin niet kan worden.quot;

ocr page 195

227

Thans werd de koning rood van toorn en zijne oogm schoten bliksems. Trenck's gemalin,quot; riep hij haastig, „de gemalin van een verrader. U, gij denkt dus nog steeds aan hem, en in weerwil van uwe vroegere gelofte, in weerwil van uw vroeger aan mij gedanen eed, hebt gij deze strafwaardige verbintenis onderhouden?quot;

„Sire, herinner u wel, aan welke voorwaarde toen mijn belofte was verbonden. Gij hebt mij beloofd Trenck in vrijheid te stellen en ik deed daarentegen de belofte, hem nimmer te schrijven. Het noodlot nam echter mijne belofte niet aan. Trenck ontvluchtte, voor uwe majesteit tijd had uw woord te vervullen, en daarmede was ik van mijn woord ontslagen. Nochtans heb ik hem nimmer geschreven, nimmer iets van hem vernomen, want gij weet zeer wel, sire, dat ik nimmer een brief van hem heb ontvangen.quot;

„Hij heeft dus vijf jaren laten verloopen, zonder u te schrijven, en nochtans hebt gij liedenden moed zijn naam in mijne tegenwoordigheid te noemen?quot;

„Ik heb den moed, sire, omdat ik zeer wel weet, dat Trenck nimmer heeft opgehouden mij te beminnen. Dat ik geene brieven van hem ontving, is niet daaraan te wijten, dat hij niet heeft geschreven, maar omdat ik door te oplettende bespieders was omgeven, die de brieven nimmer in mijne handen lieten komen.quot;

„O,quot; zeide de koning minachting de schouders ophalend, „gij zijt dus van meening, dat ik deze brieven heb doen opvangen?quot;

„Ja broeder ik heb die meening.quot;

„Welnu dan, Amalia, gij vergist u. Ik heb u niet met spionnen omgeven, ik heb geen brief laten onderscheppen. Gij ziet mij ongeloovig aan? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u de waarheid zeg Zult gij nu begrijpen, mijne zuster, dat uw hart u heeft misleid,dat gij uwe liefde hebt weggeworpen aan een ellendeling, die u heeft vergeten?quot;

„Sire,quot; riep Amalia met fonkelende oogen, „sire, geene beleedigingen aan den man, dien ik bemin!quot;

„Ha, gij bemint hem dus nog,quot; zei de koning bleek van drift, en niet langer in staat zijne gramschap in te houden. „Gij bemint hem nog. Gij hebt over hem geweend en geklaagd terwijl bij u smadelijk heeft verraden en gehoond. O, zie mij maar met die toornige, woeste blikken aan. Het is zooals

ocr page 196

228

ik zeg. Gij zult, en meet nu alles weten. Ik hel) u tot nu toe verschoond; van uw eigen edel hart had ik gehoopt, dat het slechts op den stroom zoude gelijken, die, dooiden storm der hartstochten voortgezweept, wel een oogen-blik huiten zijn oevers kan treden, maar dan weder rustig terugkeert binnen de grenzen, die de natuur en zijn lot hem hebben aangewezen. Ik zie nu, dat ik mij in u heb vergist. Hij heeft u verraden, zeg ik u. Aan het zwelgend en weelderig hof van Petersburg, heeftde voormalige Pruisische officier niet alleen u, maar ook zijn koning verraden. Aan de tafel zijner geliefde, en kanseliers vrouw Bestuschef, heelt hij uwe beeltenis vertoond, en er zich op beroemd, dat gij zelve ze hem hadt gegeven. De graaf van der Goltz, mijn gezant aan het Russische hof, heeft het mij geschreven, en ik heb hem niet laten dooden, ik heb de keizerin Anna niet,op de uitlevering van den Pruisisch.en deserteur aangedrongen. Ik heb mij herinnerd, dat gij hem eens hebt bemind, en dat ik u had beloofd hem te verschoonen. Maar ik heb hem laten gadeslaan, en ik ken al zijne handelingen, al zijne kunstgrepen en kuiperijen. Ik weet dat hij met de 'jeugdige gravin Narischkin eene liefdesbetrekking heeft aangeknoopt, die zij schaamteloos en misdadig genoeg ook voortzetten, toen de gravin gehuwd was met den generaal Pgt;ondurow. Geloof gij nu, mijne zuster, dat hij in de armen van deze schoone jeugdige vrouw, nogaan de kuisclie en onschuldige liefdeseeden dacht, die hij eens met u heeft gewisseld? Gelooft gij, dat hij zich deze herinnerde, toen hij met zijne geliefde het plan beraamde tot eene ontvluchting, om buiten Rusland voor haar echtbrekende liefde eene schuilplaats te zoeken? Geloof gij, dat hij aan u dacht, toen hij zich door deze jeugdige, op den dwaalweg gebrachte vrouw, hare diamanten liet geven en al wat zij aan geld bezat orn daarmede den weg voor de vlucht te effenen ?quot;

„Genade, genadequot; stamelde Amalia, bleek en sidderend op een stoel neerzinkende, ,,Houd op, broeder, want gij ziel wel, dat uwe woorden mij dooden. Ontferm u over mij.quot;

„Neen geene erbarming,'' zeide de koning. „Gij zulten moet nu alles weten, opdat gij geneest van de onzalige ziekte eener smadelijke liefde. Gij moet weten, dat ïrenck een man is, die zich niet alleen zijne geheimen der staatkunde, maar ook zijne geheimen der liefde laat afkoopen,

ocr page 197

'229

dat bij hem alles veil is, zelfs zijn hart. Hij beminde niet alleen de sohoone vrouw van generaal Bondurow, maar hij beminde ook hare diamanten, en toen de jonge vrouw eenige dagen voor hare beraamde vlucht, de kinderpokken kreeg en stierf, behield hij ten minste de erfenis en gaf haar juweelen en de achtduizend roebels, die zij hem in bewaring had gegeven, niet terug.quot; 1)

„ü, mijn God, mijn God, laat mij sterven,quot; lispelde prinses Amalia.

„Maar de dood dezer geliefde,quot; vervolgde de koning, zonder op de klachten der prinses te letten, „was hem evenwel zeer voordeelig, en hij troostte er zich weldra over in de armen van de vrouw van den generaal üestuschef, die looze en trotsche vrouw, die tlians door haar zwakken echtgenoot over Rusland heerscht en door hare kunstgrepen en kuiperijen verwarring dreigt te brengen in den toestand van Europa. De kanseliersvrouw is niet jong en schoon, gelijk de vrouw van genei-aal Bondurow was. Zij is veertig jaar, en gij zult niet gelooven, dat de vierentwintigjarige heer von Trenck in liefde voor haar ontbrandde. Maar ri; deed het voor iiem. Zij beminde hem met dat woeste, bacchantische vuur, waarmede de Romeinsche keizerin Julia de zwaardvegers placht lief te hebben, wier schoone gestalte zij in den circus had bewonderd. Zij beminde hem en bekende het hem, en zijn hart, dal niet overwonnen was door hare verouderde bekoorlijkheden, bezweek voor de tooverkracht van het geld, dat zij waagde hem aan te bieden. De heer von Trenck werd dus de homme entretenu van de vrouw van den kanselier Bestuschef, dat beteekent natuurlijk, de huisvriend van haar echtgenoot. Hij werkte in diens kabinet, in hetzelfde kabinet, dat van uit het boudoir zijner vrouw door onzichtbare draden werd bestuurd. Hij scheen nu een goed patriottische Rus te zijn geworden, die bereid was, de knoet met evenveel onderwerping te kussen, als de pantolTel zijner oude minnares. Ik wilde intusschen zijn patriotisme op de proef stellen, en droeg mijn gezant op, uit te vorschen of dit patriotisme niet door geld aan het wankelen was te brengen. Welnu, zuster, voor twee duizend dukaten kopieerde de heer von Trenck voor hern het plan der vesting Kroonstad, dat

1) ïrenck's Ménioiren. Deel I, pag.

ocr page 198

230

de kanselier Bestuschef juist door een ingenieur had laten opnemen.quot;

„Dat is onmogelijk,quot; zeide Amalia, wier tranen nu opgedroogd waren en die haar broeder met koele, bedaarde blikken aanhoorde.

„Onmogelijk!quot; riep de koning. „O, zuster, het goud is eene toovermacht, waarvoor geene onmogelijkheden bestaan. Dat heb ik ook den dwazen Bestuschef bewezen, door den verrader Trenck voor hem te ontmaskeren. Goltz heeft hem dus het bewijs van zijn verraad, het door Trenck onder-teekende plan van Kroonstad overgegeven en hem gezegd, boe hij in het bezit daarvan was gekomen. De kanselier was buiten zich zeiven van toorn en zwoer eene verschrikkelijke wraak uit te oefenen op den verrader, dat wil zeggen, hem onder den knoet te laten sterven.quot;

Arnalia gaf een gil en bedekte haar door krampachtige smart vertrokken gelaat met hare handen.

De koning glimlachte bitter. „Stel u gerust, wij hadden te vroeg gezegepraald. Wij hadden de vrouw vergeten! De kanselier had in zijne drift alles aan haar geopenbaard en heftige verwenschingen tegen Trenck en haar zelve uitgebraakt. Zij vond middel om Trenck te waarschuwen, en toen des nachts de politie kwam, om hem in hechtenis te nemen was Trenck niet in zijn huis, maar had een toevlucht gezocht in het huis van zijn vriend, den Engelschen gezant lord Hyndforth.quot; 1)

„Ha. hij was dus gered?'' lluisterde prinses Amalia met een verheugd lachje.

De koning zag haar verbaasd aan. „Ja,quot; zeide hij, „Trenck was gered, want den anderen dag wist de vrouw van den kanselier haar lichlgeloovigen echtgenoot te overtuigen, dat Trenck slechts het slachtoffer eener intrigue was geweest, en ten eenen male onschuldig was aan de hem ten laste gelegde misdaad. Hij bleef dus de vriend des huizes en de vrouw van den kanselier had de onbeschaamdheid mijn gezant openlijk le beleedigen. Trenck verklaarde zich nu echter openlijk een woedende tegenstander van Pruisen; hij vervulde met zijn haat het hart der verliefde vrouw, en beiden zwoeren Pruisen's verderf; beiden deden ij verig moeite

1) Trenck's Mémoiren. Deel, I, pag. 212—216.

ocr page 199

231

ilen kanselier, mijn heimelijken vriend, lot de partij mijner tegenstanders over te halen, en Trenck, de ijverige Russische patriot, trad nu in dienst van hot Ooslenrijksche huis, om tegen Pruisen te intrigeren. ') Maar Uestuschef weerstond hunne intriges en zijn wantrouwen bedreigde en bewaakte nog steeds zijne trouwelooze gemalin en zijn valschen vriend. Trenck zou zonder twijfel verloren zijn geweest, indien een gelukkig toeval hem niet ook nu weder had gered. Zijn neef in Weenen is, gelijk gij ze idet, gestorven, en daar Trenck geloofde, dat hij hem eenige millioenen als erfenis had nagelaten, rukte hij zich los uit de armen van zijne teedere minnares en snelde naar Weenen, om daar zijne erfenis in ontvangst te nemen, die echter tot zijne verbazing niet in millioenen maar slechts in processen bestond. — Ziedaar, madame, Trenck's geschiedenis gedurende de vijfjaren, waarin gij geene tijding van hem on t-vingt. Zult gij nu nog zeggen, dat hij u nimmer heeft vergeten, en dat gij nog trouw aan hem zijt verschuldigd? O, gij ziet wel, dat ik niet als koning, maar als vriend tot u spreek en dat ik met u van uw standpunt deze onaangename aangelegenheid wil beschouwen. Behandel mij dus ook als uw vriend en antwoord mij nu ook oprecht; rekent gij u, na al het voorgevallene, nog verplicht, uw eed van trouw te houden? Gelooft gij niet, dat hij een trouwelooze verrader is, dat hij u heeft vergeten?quot;

De prinses had den koning met gebogen hoofd en neergeslagen oogen aangehoord. Toen zij nu echter haar blik tot hem ophief, schitterde haar oog met het vuur der geestdrift en een wonderbaar, weemoedig lachje speelde om hare lippen.

„Sire,quot; zeide zij, ik heb hem mijn eed gedaan zonder voorbehoud, en ik zal dien houden tot mijn dood. Een gedeelte van hetgeen gij mij hebt verhaald, moge waar zijn. Trenck is jong, en gij kunt van zijn vurig hart niet ver-

1) Trenck zelf schrijft daarover: „Ik zou in dien tijd mijn vaderland in eene woestijn hebben veranderd, als de gelegenheid zich naar mijn wil had geschikt. Ik loochen ook volstrekt niet, dat ik van dat oogenblik af aan in Rusland al het mogelijke deed, om de oogmerken van den keizerlijken gezant graaf Uernes te bevorderen, die mijn eens aangewakkerd vuur wist voedsel te geven en mij tot zijn doel te gebruiken.quot; Mómoiren. Doel I, jiag. 217.

ocr page 200

232

wachten, dat het zich geheel en al zal begraven onder de asch van de tranenkruik, waarin het geluk onzer liefde tot stof is vergaan. Maar zijn hart, hoe lichtzinnig het ook moge schijnen, keert toch steeds trouw terug, om aan deze tranenkruik te bidden, en zijn tegenwoordig woest, onstuimig leven te reinigen en te heiligen door de herinnering aan het schoone en onschuldige verleden. Gij zegt, dat Trenck mij in zijn geluk heeft vergeten. Welnu dan, siru, in zijn ongeluk heeft hij aan mij gedacht. In zijn ongeluk heeft hij den trouweloozen, koelen en verraderlijken brief vergeten, dien ik hem in then tijd heb geschreven, en dien hij nog in zijn gevangenis te Glatz heeft ontvangen. In zijn ongeluk heeft hij mij geschreven en mijne hulp ingeroepen, en hot zal niet kunnen gezegd worden, dat ik zijne stem niet heb gehoord en niet met vreugde bereid ben geweest hem te dienen.quot;

„Hij heeft het gewaagd, u te schrijven!quot; riep de koning met van toorn fonkelende oogen en bevende lippen. „En wie heeft de vermetelheid gehad u dezen brief te overhandigen?quot;

„O, sire, gij verlangt toch niet, dat ik mijne vrienden zal verraden? Bovendien, wat zou het baten, als ik u den brenger van dezen brief noemde? Gij zoudt hem in hechtenis laten nemen en straffen, en morgen zou een ander komen en zich aan onzen dienst wijden, want de ongelukkige liefde vindt overal medelijden, bescherming en vrienden, die haar dienen. Sire, ik herhaal u dus mijne bede: genade voor Frederik von Trenck!quot;

„En ik,quot; riep de koning met krachtige stem, „ik vraag u, of gij mijn voorstel aanneemt, of gij de gemalin van den koning van Denemarken wilt worden? En let wel,prinses, dat ik het u vraag als antwoord op uw verzoek!quot;

„Sire, God moge zich mijner erbarmen. Gij moogt mij met uwe zwaarste gramschap stralfen! Maar mijn eed kan ik niet breken. Gij kunt mij noodzaken, mijn eed onvervuld te laten, zoodat ik niet de vrouw van mijn geliefde worde, maar gij kunt mij niet noodzaken een meineed te begaan. En een meineed zou het toch zijn, als ik met een ander man voor Gods altaar trad en hem eene liefde en trouw beloofde, waarvan mijn hart niets weet en nimmer iets zal weten!quot;

ocr page 201

233

De koning gaf een dolTen gil van woede en zijne oogen schoten bliksems. Een woord van verwensehing zweefde reeds op zijne lippen, maar bij weerhield het; en zich met geweld bedwingende om uiterlijk bedaard te schijnen, vouwde hij zijne armen over zijne borst en ging driftig eeni-ge keeren in het vertrek op en neder.

Prinses Amalia zag in ademlooze stilte, met hevig kloppend hart tot hem op, en smeekte zacht tot God om erbarming en hulp, want zij was er van overtuigd, dat dit uur over haar geheele leven zou beslissen.

Plotseling bleef de koning voor haar staan. Zijne trekken waren nu weder volkomen rustig en kalm.

„Prinses Amalia,quot; zeide hij, „ik geef u vier weken uitstel. Overweeg wel, al wat ik u heb gezegd. Ga te rade met uw geweten, uw verstand en uwe eer. Over vier weken zal ik komen en u andermaal vragen, of gij besloten hebt aan mijn verzoek te voldoen om de gemalin van den koning van Denemarken te worden. Tot zoo lang zal ik den Deenschen gezant welen op te houden. Over vier weken verlang ik een bepaald antwoord van u. Waagt gij hel dan nog, mijn wil te weerstaan, welnu, dan zal ik evenwel mijn woord gestand doen, en u de gunst verleenen, die gij van mij hebt gevorderd. Dan zal ik Trenck voorstellen doen, om naar Pruisen terug te keeren, en mijne voorstellen zullen van zoo schitterenden aard zijn, dat hij er gehoor aan zal geven. Als wij hem eens hier hebben, dan is het onze zaak hem vast te houden! Over vier weken dus!quot;

Hij maakte eene lii hte buiging voor de prinses en verliet het vertrek.

Amalia zag hem zwijgend en in ademlooze spanning na, tot hij verdwenen was. Toen rees een diepe zucht uit hare borst op en met een luiden gil riep zij om hare hofdame.

„Ernestine, Ernestine,quot; zeide zij met bevende lippen, toen treule van Haak op haar roepen naar binnensnelde. „Verschaf mij een trouwen bode, dien ik terstond naar Weenen kan afzenden. Ik moet Trenck waarschuwen, want hij wordt door gevaren bedreigt. Wat de gezant mijns broeders hem ook moge aanbieden, met welke schitterende beloften hij hem moge lokken, hij mag het niet aannemen. Hij mag nimmer weder herwaarts komen, want hij ware verloren als hij het deed!quot;

ocr page 202

234

De koning keerde intusschen zwijgend naar zijne vertrekken terug en terwijl hij in zijn geest nog eens het zoo even voorgevallen tooneel overdacht, mompelde hij zacht: „O, vrouwenhart! gij gelijkt den oceaan : paarlen en monsters rusten op uw bodem!quot;

XXIV.

MEVROUW VAN COCCEJI.

Barberina was met hare zuster uit Engeland terug gekomen en had haar intrek weder genomen in haar prachtig hotel in de Behrenstrasse te Berlijn. Maar de schitterende equipages en sierlijke ruiters van weleer zag men er nu niet meer, evenmin als do keur der aanzienlijke mannen, die eertijds bij haar kwamen, om haar te bewonderen en te aanbidden.

Barberina's huis was stil en eenzaam, en zij zelf geheel veranderd. Zij was niet meer de danseres, de lladderende sylphide; zij was eene ernstige, trolsche koningin, eerbiedwekkend in hare bijna strenge bleeke schoonheid, roerend door dien zachten, weemoedigen trek, welke om hare lippen speelde en zoo zeer afstak bij hare fiere, vurige blikken.

Barberina bevond zich in hel salon, waarin wij haar vroeger omringd zagen door hare vorstelijke en grafelijke vereerders en schitterende van geluk en lieftalligheid. Heden was het salon ledig, en niemand dan hare getrouwe zuster Marietta was bij haar.

Barberina lag lang uitgestrekt, met over de borst ge-kruisle armen op den divan. Haar hoofd rustte op het witte inet goud geborduurde kussen, waarop bare zwarte lokken, gelijk slangen kronkelden ; in ernstig, zwaarmoedig gepeins gedompeld, zag zij met strakke blikken op naar den zolder.

Aan het kleine, geheel met papieren bedekte tafeltje, naast haar, zat hare zuster Marietta, die zich ijverig bezig hield, met het openbreken der brieven, die op de tafel lagen, en den inhoud daarvan aan hare zuslor mede te doelen.

Na een nieuwen brief opengebroken te hebben, namen

ocr page 203

235

hare trekken eene vroolijker uitdrukking aan, en een gelukkig laclije speelde om hare lippen.

„Een brief uit Milaan van den Impressario Vinatelli,quot; zeide zij.

Barberina bleef onbewegelijk en staai'de onafgewend naar boven.

„Vinatelli biedt u een schitterend engagement aan, zuster! Hij schrijft, dat geheel Italië met ongeduld naar uwe terugkomst verlangt, dat alle steden uwe tegenwoordigheid begeeren. Hij wilde echter de eerste zijn, die u weder tot uwe landslieden voert.quot;

„Hebt gij hem geschreven, dat ik een engagement zoek vroeg Barberina met hare welluidende heldere stem.

„Neen, zuster,quot; zeide Marietta eenigszins blozend, „Ik schreef hem, als ouden, beproefden vriend, slechts over bet rustelooze, onaangename nomadenleven, dat wij leiden en dut gij te Londen volstrektnietop hettooneel wildet verschijnen.quot;

„En daaruit leidt hij af, dat ik weder te Milaan zou willen optreden? Schrijf hem, dat ik hem dank voor zijne aanbiedingen, dat ik echter noch te Milaan, noch in eene andere stad van Italië weder zal optreden.quot;

„Zullen wij dan volstrekt niet terugkeeren naar ons schoon vaderland?quot; vroeg Marietta schreiend.

„Zei ik dat, zuster? Ik zal er niet weder optreden, dat zei ik.quot;

„Maar zuster, hij verzoekt hel zoo dringend en bovendien biedt hij u zulk eene verbazend groote toelage aan.quot;

„Ik ben rijk genoeg. Marietta.quot;

„Men kan nimm'er rijk genoeg worden, zuster! Bijkdom is macht, en hoe meer millioenen men heeft uit te geven, hoe meer men door de menschen zal worden bemind.quot;

„Wat bekommer ik mij om de liefde der menschen, ik veracht hen allen,quot; zeide Barberina heftig.

„Veracht gii hen allen?quot; vroeg Marietta met een sluw lachje. „Ook Gocceji?quot;

Barberina richtte zich haastig uit hare rustende houding op, en op den elleboog leunende, zag zij hare zuster met groote, verbaasde oogen aan.

„Gelooft, gij dan, dat ik Gocceji bemin?quot; vroeg zij.

„Mijn hemel, gij hebt het mij immers zelf gezegd,quot; riep Marietta.

ocr page 204

230

„Ha, ik zelf heb het haai- gezegd,quot; mompelde Barberina met verachting, terwijl zij hare rustende houding weder aannam.

„Ja, zuster, herinner het u maar,quot; vervolgde Marietta snel. „Denk er maar eens aan, hoe treurig gij waart, toen wij een jaar geleden, Berlijn verlieten, hoe gij weendet en klaagdet en steeds uit den wagen kijkende, zuchttet „Mijn geluk, mijne liefde blijft in Berlijn achter.quot; Toen vroeg ik u, hoe uw geluk en uwe liefde heette. Gij zaagt mij verbaasd aan en antwoorddet; „Weet gij het niet! Ik bemin Cocceji.quot; Maar werkelijk zuster, ik geloofde u niet. Ik dacht, dat gij Berlijn verliet, alleen omdat de moeder van Cocceji er u zoo vurig om had verzocht, en gij grootmoedig genoeg zijt, steeds het geluk van anderen en nimmer uw eigen geluk te willen. Alleen daarom gingt gij toch ook naar Londen, waar lord Stuai't Macintosh ons verwachtte.quot;'

„Arme lord,quot; zeide Barberina peinzend. „Ik heb mij zwaar aan hem bezondigd. Hij heeft mij trouw bemind, trouw op mij gewacht. Hij was zoo gelukkig, toen ik kwam, om eindelijk mijn woord le vervullen en zijne gemalin te worden. God weet, dat het mij eerst ernst was, en dat ik mij zelt had gezworen, eene getrouwe eclitgenoote voor hem te zijn. Maar mijn hart was sterker dan mijn wil. Ik gevoelde mijne onmacht, en op den dag mijns huwelijks ontvlood ik. Arme lord Stuart.quot;

„En op dien dag, toen gij mij, in tranen badende, bevel gaaft, snel onze goederen te pakken en heimelijk met u te ontvluchten, op dien dag zeidet gij: „Ik kan niet huwen met een man, dien ik niet bemin. Üe lucht hier doet mij stikken. Ik moet naar Berlijn terug. Ik.moet naar Berlijn terug, waar hij vertoeft, dien ik bemin, dien ik eeuwig zal beminnen!quot; Toen vroeg ik u weder, wien gij bemindet, en andermaal antwoorddet gij mij: „Cocceji!quot; — En nu verwondert gij u, dat ik aan deze liefde geloof sla? Het is dus mo-lijk, dat men kan twijfelen aan hetgeen gij zegt? Het is dus mogelijk, dat Barberina aan hare zuster, hare trouwste en toegenegenste vriendin iets zegt, dat misschien niet waar is? Dat Barberina voor hare Marietta haar hart verbergt onder sluiers en zij er niet meer in mag lezen?quot;

„Zoo ik dat deed,quot; zeide Barberina afgemat, „geschiedde het zeker alleen, omdat ik zelf schroom te lozen, wat in

ocr page 205

237

miin hart slaat geschreven. Wees dus medelijdend, Sorella, hef den sluier niet op, die raijn hart. bedekt. Laat het, rustig en stil zijne wonden sluiten en laten genezen.quot;

„Zal het genezen, wanneer wij hier blijven?quot; vroeg Marietta beschroomd en stil weenende. „O, laat ons vlieden! Volg de stem van Vinatelli, het is de stem van God. FTet lot zelf toont u den weg aan, dien gij moet gaan. Kom dus, Barberina, kom ! Laat ons wederkeeren naaiquot; ons vaderland, wederkeeren naar ons schoone Rome. Blijf niet langer in dit koude noorden, bij die koude harten. Laat ons te-rugkeeren naar Italië.quot;

„Ik kan niet, het is mij onmogelijk!quot; riep Barberina, een kreet van smart uitende. „Ik heb geen vaderland en geene geboorteplaats meer, ik ben geene Italiaansche meer, geene Bomeinsche, ik ben slechts een ronddolend, arm, verworpen schepsel, de Ahasvera van mijn eigen hart, dat zelfs niet kan sterven en doodbloeden, dat veroordeeld is te leven en het bewustzijn zijner ongelukken te hebben.quot;

„Houd op! houd op!quot; riep Marietta snikkende en hare zuster omaiynende. „Spreek niet meer, zuster, gij hebt gelijk, wij zullen den sluier, die uw hart bedekt, niet oplichten. Het zal genezen!''

„Hel zal genezen,quot; herhaalde Barberina somber, en terwijl zij hare zuster aan haar hart drukte, weende zij bitter.

1 Iet binnentreden van een bediende deed beiden verschrikt opspringen. Barberina keerde zich om, ten einde haar wee-nend gelaal te verbergen. De bediende meldde, dat buiten eene dame stond, die de signora volstrekt verlangde te spreken.

„Zeg haar, dat mijne zuster onpasselijk is, dat zij niemand kan ontvangen,quot; beval Marietta.

Maar de bediende keerde na eenige oogenblikken terug, met een kaartje in de hand, dat hij Marietta overreikte.

„De dame beweert, dat de signora haar zoude ontvangen, zoo zij haar naam had gelezen,quot; zeide hij

„De vrouw van den groot-kanselier van Cocceji,quot; las Marietta.

Barberina stond haastig van den divan op.

„Zult gij haar ontvangen,quot; vroeg Marietta.

„Ik zal haar ontvangen,quot; zeide Barberina, terwijl zij den bediende een wenk gaf, de dame binnen te leiden.

ocr page 206

23S

Rarberina had zich nu weder geheel hersteld. De treurigheid en lusleluosheid hadden haar verlaten: haar oog had weder zijn glans, hare wangen heure rooskleurige frischheid terug bekomen, en met een aanminnig lachje ging zij de fiere, hooge vrouwengestalte tegemoet, die juist in de deur verscheen.

„O, genadige vrouw, wat zijt gij vriendelijk,''zeide Bar-berina eenigszins spottend. „Ter nauwernood ben ik in Berlijn aangekomen, of gij verblijdt mij weder met uw bezoek en gunt mij de onderscheiding, een der aanzienlijkste en deugdzaamste vrouwen van Berlijn in mijn huis te ontvangen.quot;

Mevrouw Cocceji wierp een minachtenden, verpletterenden blik op deze schoone jonge vrouw, die met zoo lachende onbeschaamdheid het waagde, haar aan te zien.

„Ik ben evenwel niet gekomen om een bezoek bij u af te leggen, maar om met u te spreken,quot; zeide zij.

„Ik geloot, dat dit hetzelfde is. Men brengt slechts bezoeken aan hen, die men wenscht te spreken,quot; riep Bar-berina.

„Vooral als zij, met wie men heeft te spreken, zich aan een onderhoud trachten te onttrekken,quot; zeide de vrouw van den groot-kanselier op snijdenden toon. „Ik heb tweemaal om u gezonden en u laten ontbieden, maar gij hebt geweigerd te komen.quot;

„Omdat ik gewoon ben, dat zij, die mij wenschen te zien, Ivij mij komen,quot; zeide Barberina bedaard. „Overigens, mevrouw, versta ik het Duitsch te weinig, om te kunnen be-oordeelen in hoe verre het met de vormen der beleefdheid overeenkomt, als gij zegt, .,dat gij mij hebt laten ontbieden om bij u te komen.quot; In mijne taal heeft men daarvoor eene andere uitdrukking, en als men daar iemand uitnoodigt verzoekt men de eer van zijn bezoek te mogen hebben.quot;

En terwijl Barberina dit zeide, boog zij zich met lachende bevalligheid voor deze trotsche vrouw, die haar mot zulke minachtende en toornige blikken gadesloeg.

„Het is heden de tweede maal,quot; zeide zij, „dat ik genoodzaakt ben, een onderhoud met u te zoeken.''

„De eersle maal hadt gij mij een verzoek te doen, en ik was zoo gelukkig aan uw verzoek te kunnen voldoen. Moge dit heden weder het geval zijn, want ongetwijfeld komt gij

ocr page 207

239

weder bij mij om iels lo verzoeken,quot; zeide Barborina met het vleiende voorkomen van eene kat, die krabt, terwijl zij schijnt te streelen.

De trotsche mevrouw (locceji gevoelde zich inderdaad gewond; haar voorhoofd betrok, maar zij weerhield haar toorn, want Barberina had gelijk, zij kwam inderdaad om iets te verzoeken.

„Toen ik een jaar geleden bij u kwam, verzocht ik u mijn zoon te genezen van de liefde, die hem gelijk de koorts van een waanzinnige had overvallen, die hem zijne plichten, zijn stand, zijne ouders deed vergeten; ik verzocht u Berlijn ie verlaten, ten einde hem het gezicht uwer verleidelijke schoonheid te ontnemen.''

„En ik verklaarde mij daartoe bereid,quot; viel Barberina haar in de rede. „.la, ik voldeed aan uw verzoek en verliet Berlijn; evenwel niet om u een dienst te bewijzen, maar omdat ik uw zoon niel l)eminde, en er niets vervelender is, dan liefdesbetuigingen te moeten aanhooren van hem, dien men niet dulden kan. Maar ziet gij, genadige mevrouw groot-kanselier, het is een ongeluk, dat mij allerwege vervolgt. Ik verliet Berlijn om eene vervelende liefde te ontgaan en vluchtte naar Londen, om daar eene even vervelende liefde weder te vinden. Ik ben Londen dus weder ontvlucht, »m het gevaar te ontgaan, de gemalin van lord Stuart Macintosh te worden.quot;

„En waarom zijt gij weder naar Berlijn teruggekeerd vroeg de kanseliersvrouw op een gebiedenden toon.

Baberina zag haar verbaasd aan. „Madame,quot; zeide zij, „daar ben ik niemand rekenschap van schuldig.quot;

„Daarvan zijt gij mij rekenschap schuldig,quot; riep mevrouw van Cocceji, door Barherina's trots tot het uiterste gedreven. „Daarvan zijt gij mij rekenschap schuldig, mij, 'de moeder van den heer van Cocceji, dien gij met uwe tooverkunslen hebt verleid en tot waanzin vervoerd, daar hij zijne ouders, en zelfs de gramschap zijns konings trotseert, om zich aan deze smadelijke liefde over te geven, die hem en onze ge-heele familie met schande overdekt.quot;

Barberina slaakte een kreet van woede en snelde met eene woeste beweging naar haar toe.

„Mevrouw,quot; riep zij, de armen der groot-kanseliers vrouw met hare beide handen grijpende, „mevrouw, gij hebt deze

ocr page 208

240

liefde smadelijk genoemd. (Vij liebl gezegd dat een verbintenis met mij,quot;iiwe familie met schande zou bedekken. Neem deze woorden terug, bid ik u.quot;

„Ik neem niets terug, want ik hob de waarheid gezegd,quot; zei de kanseliersvrouw, zich uit Barberina's handen losmakende.

, Neem ze terug, mevrouw, tot uw eigen best,quot; riep Barberina dreigend.

„Ik kan niet, en ik wil niet,'' zeide de groot-kanseliersvrouw op trotschen toon. „En zoo uw hoogmoed en uwe (ierheid u niet geheel hebben verblind, moet uw gezond verstand u zeggen, dat ik gelijk heb. De danseres Barberina kan nimmer de schoondochter van de vrouw des groot-kanseliers Cocceji worden. Dat zou hetzelfde zijn, als 'onze eer weg te werpen, onze voorvaderen nog in het graf te beleedigen, en onzen adel te beschimpen. En nochtans waagt mijn rampzalige zoon hel, aan zulk eene onteering te denken, nochtans heeft hij in zijn blinden overmoed zelfs tegen mij, zijne eigene moeder, met harde woordenuitgevaren, omdat ik hem het dwaze en onmogelijke zijner keus voorhield.quot;

„Ach, daarom bemin ik hom,quot; riep Barberina met een aanvallig lachje.

Zonder op haar te letten, vervolgde de vrouw van den groot-kanselier aldus: „De rampzalige heeft het gewaagd, zich zelfs tegen zijn vader te verzetten, en zelfs den toorn zijns konings wil hij trotseeren. O, signora, in dezen angst van mijn moederhart wend ik mij tot u. Heb erbarming met mij en mijn armen ongelukkigen zoon. Hij is verloren, te gronde gericht, onteerd, zoo gij mij niet te hulp komt. Als gij hem werkelijk bemint, dan zal uwe liefde u leeren hem liet offer der verzaking te brengen, en ik zal er u voor zegenen en al het verdriet vergeven, dat gij mij berokkend hebt. Zoo gij hem echter niet bemint, dan zult gij zoo wreed niet zijn, ter wille van hoogmoed en uwe luimen, het geluk en de eer eener geheele familie te ondermijnen ; dan zult gij aan mijne bede gehoor geven, deze stad verlaten en zoo ver weg gaan, dat mijn zoon u niet bereiken en niet volgen kan.quot;

„Dan zou ik naar het graf moeten gaan,quot; riep Barberina ; ,want anders is er geene plaats, waarheen hij mij, als hij

ocr page 209

241

mij werkelijk bemint, niet kan volgen; want mij, mevrouw, is het niet gegeven, onbekend en onbemerkt de wereld door te reizen. Waar ik kom, daar weet men het; want mijne faam is de heraut, die in iedere stad mijne aankomst verkondigt ; en iedere stad brengt mij, zoo niet de sleutels van hare poorten, dan toch de sleutels van de harten barer bewoners te gemoet. In de wereld, buiten Pruisen, weet men niets van de hoogadellijke familie Gocceji, maar overal en alierwege kent men Barberina; want ik ben eene kunstenares, en de lauwerkronen, die men mij overal heeft aangeboden, zijn nimmer door eene onwaardige handelwijze, of eene onteerende gedachte door mij ontwijd. Er is niets in mijn leven, waarover ik berouw behoef te hebben, niets waarover ik mij zou moeten schamen. En evenwel hebt gij het gewaagd, mij aan te klagen en mij in mijn eigen huis te beleedigen.quot;

„Gij vergeet met wie gij de eer hebt te spreken,quot; riep mevrouw van Gocceji.

„Mevrouw, gij hebt dit het eerst vergeten; ik volg slechts uw voorbeeld, daar ik denk, dat de vrouw van den grootkanselier zeer goed weet, wat passend en welvoegelijk is. Gij hebt mij in mijn eigen huis beleedigd, zeide ik. En evenwel vordert gij thans van mij, dat ik edelmoedig zal zijn, dat ik van uw zoon afstand zal doen? Waarom zou ik dat doen?quot;

„Omdat ik denk, dat er misschien nog eene vonk van eergevoel in uwe borst woont, en gij dus zult weten, dat mijne familie u nimmer zal opnemen, u nimmer erkennen, maar u vervloeken en verfoeien zal, wanneer gij de onbeschaamdheid zoover drijtt, mijn zoon tot een huwelijk met u te noodzaken. Omdat gij zult weten, dat de geheele adel, dat het hoofd van den adel, de koning, op onze zijde is. Want de koning, Signora, begunstigt u niet meer; de koning heeft ons zijn woord gegeven, ons te zullen bijstaan en met alle zachte en harde middelen mijn zoon te zullen beletten eene verbintenis aan te gaan, die, gelijk de koning schrijft, mijn zoon met schande zou overdekken.quot; ')

„Dat is niet waar,quot; riep Barberina, wier oogen nu dreigende bliksems schoten.

1) L. Schneider. Gesohichte der Oper in Berlin. Bijlagen, pag. 13. Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 16

ocr page 210

'242

„liet is waar, dat de koning, om deze schande van onze tarnilie af te wenden, mijn echtgenoot een bevel tot inhechtenisneming heeft gegeven, waarvan wij, ingeval onze smeekingen, ons verzoeken en onze gramschap zonder gevolg blijven, terstond kunnen gebruik maken, door bot generaal van Make ter uitvoering te geven. ') Bedenk dus wel, wat gij doet. Drijf ons niet tot het uiterste, want ik zeg u, er is een punt, waar de ouderliefde ophoudt, en wij als hoofden onzer familie nog slechts kunnen handelen met al de strengheid, die de wetten en de koning ons toestaan. Kom dus tot inkeer, signora, buig uw trotsch en hoovaardig gemoed, verlaat Berlijn, keer naar uw vaderland terug. Ik herhaal u nog eens, drijf ons niet tot het uiterste!quot;

Barberina had haar met koude, spottende bedaardheid aangehoord. Geen spier van haar gelaat was vertrokken. Zij was schoon in die koele, ontzagwekkende houding, met dat hleeke, doorschijnende gelaat, met die gloeiende, vast op elkander gedrukte lippen, en die vurige, groote oogen, die door hun toornig fonkelen en hunne (iere blikken, alles zeiden, wat hare lippen verzwegen.

„Mevrouw,quot; zeide zij langzaam, en op ieder woord drukkende, „gij hebt mij tot het uiterste gedreven. Het was mijne bedoeling nief, met uw zoon te huwen. Maar gij hebt gemaakt, dat het thans een punt van eer voor mij is geworden. Thans, mevrouw, zal ik toegeven aan het smee-ken uws zoons, thans zal ik met hem huwen.quot;

„Dat beteekent, dat gij mijn gemaal wilt noodzaken, gebruik te maken van het koninklijk bevel tot inhechtenisneming?quot;

Barberina haalde verachtelijk de schouders op. „Laat uw zoon maar in hechtenis nemen; gij zult daardoor uw naam slechts eene nieuwe beruchtheid geven, en de laatste vonk van kinderlijke liefde en gehoorzaamheid in het hart van uw zoon dooden. Laat hem in hechtenis nemen, de liefde heeft vleugels, en zal hem overal volgen; zij zal hem voor bet altaar geleiden, waar hij met Barberina zal huwen. Noch uw vloek, noch uw bevel tot inhechtenisneming, noch de wil des konings zal dat kunnen verhoeden, en vóór zes

1) L. Schneider. Geschichte der Oper in Berlin. Bijl., pag. 13.

ocr page 211

243

maanden verloopen zijn, zal Barberina, de danseres, zich de echtgenoot van den geheimraad Cocceji noemen.quot;

„Dit zal nimmer geschieden,quot; riep de vrouw van den groot-kanselier, bevend van woede.

„Dit zal geschieden,quot; zeide Barberina glimlachend, terwijl zij zich diep boog. „En daarmede, mevrouw, donk ik, is het doel van uw bezoek bereikt en hebben wij elkander niets meer te zeggen. Er blijft mij niets meer over dan mij in uwe welwillendheid en gunst aan te bevelen, en Ie danken voor de eer van uw bezoek. Sta mij toe, mijn lakei te roepen, opdat hij u naar den wagen geleide.quot;

Zij schelde en gebood den binnentredenden bediende, de vleugeldeuren te openen, en voor de gemalin des grootkanseliers van Cocceji, hare groote mof naar den wagen te dragen.

Mevouw van Cocceji werd bleek van drift. Zij had incognito willen komen, en nu noemde Barberina in tegenwoordigheid van den lakei, haar naam. Geheel Berlijn zou dus nog heden vernemen, dat de vrouw van den grootkanselier Barberina een bezoek had gebracht.

„Geef mij de mof,quot; zeide zij wrevelig tot den bediende. „Gij behoeft hem niet te dragen. Ik ben te voet gekomen.quot;

„Te voet,quot; herhaalde Barberina glimlachend. „Inderdaad, men zou anders ook uwe, met het hoogadellijk wapen versierde equipage voor mijne deur hebben zien stilhouden, en gij wildet incognito komen. Ik dank u nogmaals voor de eer van uw bezoek en beveel mij bij u aan, met den blijden wensch; tot wederziens!quot;

„Dat nooit!quot; zeide mevrouw van Cocceji, een woedenden blik op de lachende danseres slaande, en toen lier en met opgeheven hoofd de deur uitsnellende.

XXV.

VOLTAIRE.

De koning had eigenhandig een brief aan Bodewijk den Vijftiende geschreven, waarin hij had verzocht, dat deze hem zijn onderdaan en geschiedschrijver zou afstaan. En daar dit verzoek door den Franschen koning was ingewilligd,

ocr page 212

244

vestigde Voltaire zicli voor goed in Pruisen en bleef de gast des koning. De koning, die in zijne teerhartigheid steeds op het geluk zijner vrienden bedacht was, had madame Denis, de geliefde nicht van Voltaire, uilgenoodigd, naar Berlijn te komen en liaar intrek te nemen in het koninklijk paleis te Potsdam, waar zij tot haar dood een jaargeld van vier duizend francs zou genieten. Voltaire zelf drong er bij haar ten sterkste op aan. Hij schreef haar o. a. dat, aangezien zij met haar overleden echtgenoot te Landau had kunnen leven, zij het zeker te Berlijn en te Potsdam zou kunnen uithouden, daar Berlijn in allen gevalle mooier dan Landau was en men in Potsdam zeer ongegeneerd kon leven.

„In Potsdam zijn geene luidruchtige feesten,quot; schreef hij haar, „mijne ziel rust daar, mijmert en schept. Ik ben blijde, dat ik mij bij een koning bevind, die noch een hof, noch een ministerraad houdt. Wel is waar is Potsdam door veel grenadiers-snorrebaarden en helmen bewoond, maar, den hemel zij dank, die zie ik niet. Ik werk rustig in mijn vertrek, terwijl buiten de trom wordt geroerd. Ook van de diners des konings heb ik mij afgemaakt. Er waren mij te veel generaals en prinsen. Ik kon mij niet gewennen, steeds het Vis-a-vis van een koning en cérémonie te zijn en in het publiek te spreken. Maar ik soupeer met hem, en de soupers zijn korter, vroolijker en gezonder. Ik zou binnen drie maanden aan indigesties sterven, wanneer ik alle dagen met een koning en public moest eten.quot;

Doch madame Denis wantrouwde evenwel het gelukkige leven in Berlijn en Potsdam, en schreef een weigerenden brief, waarin zij tegelijkertijd hare bezorgdheid uitdrukte, dat het ook Voltaire zeer spoedig zou berouwen, het schoone, schitterende Parijs, de hoofdstad van den goeden smaak, te hebben verlaten, en zich naar een barbaarsch land te hebben begeven, om daar de slaaf eens konings te worden, terwijl hij in Parijs de koning der dichtkunde was geweest.

Voltaire had de stoutheid, den koning dezen brief te loonen, wellicht om hem te krenken, of wel om hem eenige nieuwe beloften en toezeggingen af te persen.

Frederik las den brief, en in weerwil van de heftige taal, bleef zijn voorhoofd onbewolkt en het vriendelijke lachje

1) Oeuvres completes. Deel 58, pag. 300.

ocr page 213

245

verdween niet van zijn lippen. Toen hij hem had gelezen, gaf hij hem Voltaire terug, en zijn oog ontmoette Voltaire's loerende en wantrouwige blikken met zulk eene lieiderijke en hartelijke uitdrukking, dat deze bijna beschaamd zijne oogen nedersloeg.

„Als ik madame Denis ware,quot; zeide de koning, „zou ik even als zij denken, maar nu ik ik ben, denk ik anders over deze zaak. Ik zou wanhopig zijn, als ik aanleiding had gegeven tot het ongeluk van mijn vijand, lioe zou ik dus het ongeluk kunnen verlangen van een man, dien ik acht, dien ik bemin, die aan mij zijn vaderland, en alles, wat dei mensehen dierbaar is, ten offer brengt? Neen, mijn vriend, wanneer ik zou kunnen denken, dat uwe verhuizing voor u nadeelig kon zijn, zou ik de eerste wezen, die het u afried. Ja, ik zou uw geluk hooger schatten, dan de vreugde, die ik gevoel door u bij mij te zien. Maar gij zijl wijsgeer, en ik ben het ook. Wat is dus eenvoudiger, natuurlijker en meer overeenkomstig de orde, dan dat twee wijsgeeren, die voor elkander zijn geschapen, die dezelfde studiën, denzelfden smaak, dezelfde wijze van denken en beschouwing van zaken hebben, zich het genoegen gunnen met elkander te leven? Tk eer u als mijn leermeester in de welsprekendheid en dichtkunst, ik bemin u alseendeugd-zamen vriend. Welke slavernij, welk ongeluk, welke verandering en onbestendigheid van het lot hebt gij dus te vreezen in een land, waar men u even hoog scliat, als in uw vaderland, en bij een vriend, die een dankbaar hart voor u koestert? Ik ben niet zoo dwaas, Berlijn voor schooner te houden dan Parijs. Zoo de goede smaak in eenige plaats zijn zetel kan hebben, stem ik toe, dat het Parijs is. Maar gij, brengt gij niet, waar gij komt, den goeden smaak mede? Wij hebben organen, die ons werkzaam genoeg toeschijnen om u toe te juichen, en wat de liefde voor u betreft, staan wij geen ander land daarin den voorrang af! — Ik heb de vriendschap geëerbiedigd, die u met de markiezin do Cha-lelet verbond, maar na haar was ik een uwer oudste vrienden. Hoe? Omdat gij u in mijn huis terug trekt, zou men van dit huis kunnen zeggen, dat het uwe gevangenis is geworden? Wat? Omdat ik uw vriend ben, zou ik uw dwingeland worden? Ik beken u, dat ik deze logika niet versta; ik ben veeleer vast overtuigd, dat gij hier, zoolang

ocr page 214

246

ik leef, zeer gelukkig zult zijn; men zal u als den vader der wetenschappen en der verstandige lieden hoogachten, en gij zult in mij steeds al don bijstand en den troost vinden, die een man van uwe verdienste van iemand, die hem vereert, slechts vorderen kan.quot; ^

„O, uwe majesteit zegt, dat gij mij vereert, maar gij zegt niet meer, dat gij mij bemint,quot; riep Voltaire, die deze geheele, zoo innig hartelijke rede des konings met een gespannen gelaat en loerende blikken had aangehoord. „Ja, ik gevoel het en weet het maar al te goed, uwe majesteit heeft mij reeds beperkt tot mijn rechtmatig deel, uwe achting ; maar uwe liefde, uwe vriendschap, dien kostbaarsten schat hebt gij mij reeds ontnomen. Maar ik ken de huichelaars, die mij mijne erfenis hebben ontfutseld, die om dit schoonste erfdeel van mijn leven, mij mijne dichterlijke loopbaan en mijn roem willen ontstelen. Ik ken die neven en nichten, deze d'Argens, Algarotti's, die La Mettrie's en den! trotschen pauw, dien Maupertuis, ik —quot;

„Voltaire,quot; viel de koning hem op bijna dreigenden toon in de rede, „gij vergeet, dat gij van mijne vrienden spreekt, en dat ik van geen mijner vrienden iets kwaads wil hoo-ren, noch van u, noch van een der overigen. Ik zal nimmer partijdig, nimmer onrechtvaardig zijn; mijn hart is in staat aan elk mijner vrienden het gelijke aandeel liefde en hoogachting te geven, maar mijne vrienden moeten zich ook beijveren, die te verdienen; zij moeten mij ook een hart aanbieden, wanneer zij het mijne wenschen te bezitten. Want de vriendschap is een ruilhandel, waarbij een ieder slechts zooveel wil geven, als hij daarvoor terug ontvangt. Schenk mij dus ten volle uw hart, Voltaire, en ik zal u daarvoor ook weder het mijne schenken. Maar weet gij. wat ik vrees? Dat gij volstrekt geen hart meer hebt! De natuur had u slechts met eene kleine dosis uitgerust van die vluchtige essence/ die men liefde noemt; de natuur had te veel met uwe hersenen te doen, en werkte daaraan zoo lang, tot haar volstrekt geen tijd meer overbleef om ook aan uw hart te denken. Juist toen zij zich gereed maakte, een weinig van die wonderessence in uw hart te storten,

1) 's Konings eigen woorden. Zie Oeuvres posthumes. Supplément Deel II pag. 375—377.

ocr page 215

247

kraaide de haan van uw goboorteuur drie maal, en verried u aan hel leven. En dit leven heeft de weinige droppels, die in uw hart gevallen waren, reeds verspild; uwe hersenen zijn aangelegd om voor eeuwen te arbeiden, maar uw hart is reeds in de eerste jaren uwer jeugd uitgeput.quot;

„O, ik wenschte, dat uwe majesteit gelijk had,quot; riep Voltaire, „dan zou ik de smart niet gevoelen, die mij thans martelt, de smart, door den beminnelijksten, geestigsten en edelsten koning te worden miskend. O, sire, ik heb een hart en gij doet het bloeden, door niet aan zijn bestaan te gelooven.quot;

De koning lachte. „Ik zou u gelooven,quot; zeide hij, „zoo gij minder pathetisch waart. Gij verzekert niet, maar deklameert; er is te weinig natuur en waarheid in uw toon. Gij herinnert mij een weinig aan de hoogdravende F ranse he treurspelen, waarbij de voorbedachte hartstochtelijkheid te zeer zichtbaar is, om echt medegevoel te wekken; waarbij de liefde slechts eene phrase is, waaraan men geen geloot slaat, met welk schoon klatergoud van gevoel en pathos zij ook moge opgeschikt zijn.quot;

„O, uwe majesteit wil mij heden verpletteren met uw toorn en spot,quot; riep Voltaire, wiens oogen reeds begonnen te fonkelen. „Gij wilt mij mijne volkomen onmacht en ellende laten gevoelen. Want van waar zou ik de kracht moeten verkrijgen, om tegen u te strijden? Ik heb geen veldslagen gewonnen, ik kan geen honderdduizend man tegen u over stellen, en geen krijgsraad, om hen te laten veroordeelen, die zich tegen mij bezondigen.quot;'

„Gij hebt geen honderdduizend soldaten,quot; riep de koning, „maar gij hebt er vier en twintig, en bij den hemel, met deze vier en twintig soldaten hebt gij u het geheele rijk der geesten veroverd; met deze vier en twintig soldaten hebt gij gemaakt, dat geheel het beschaafde Europa aan uwe voeten ligt. Gij zijt dus een veel machtiger koning dan ik, want ik heb slechts honderdduizend man, waarvan ik niet eens weet ot zij niet zullen wegloopen als het tot een slag komt. Gij echter heb uwe vier en twintig letters van het alphabet, en die hebt gij zoo wonderbaar geoefend, dat zij met u eiken slag moeten winnen, al hadden ook alle koningen der aarde zich tegen u verbonden. Laat ons dus vrede sluiten, mijn onoverwinnelijke: wend helleger

ocr page 216

248

uwer geduchte vier en twintig niet niet doodend geschut tegen mij, maar vergun tnij, de slip van uw purperen mantel te vatten, mij in uw glans te koesteren, uw nederige leerling te zijn en van u en uwe vier en twintig soldaten de geheimzinnige kunst van de veldslagen der geesten met onzichtbare troepen te leeren.quot;

„Ach, uwe majesteit wil mij slechts laten voelen, hoe doodarm ik ben, want zelfs deze vier en twintig soldaten, waarvan gij spreekt, zijn tot u overgeloopen, en gij verstaat even goed de kunst met hen te exerceeren, als ik zelf, sire.quot;

„Neen,quot; zeide de koning, plotseling van scherts tot ernst overgaande. „Neen, ik wil van u leeren, vriend, want het is mij niet voldoende, een armzalig dilettanlin de dichtkunst te zijn, al kan ik ook nimmer een Virgilius of een Voltaire evenaren. Want ik weet het wel, de studie der dichtkunst vordert den mensch geheel en onverdeeld, en ik ben slechts een arme, aan het staatsschip geketende galeislaaf, of zoo gij wilt, een stuurman, die noch het roer durft verlaten, noch durft inslapen, uit vrees dat ook hem het lot van den ongelukkigen ^ Palinures zou treffen. De muzen verlangen eenzaamheid en eene rust der ziel, die ik nimmer kan deelachtig worden. Dikwijls, wanneer ik drie verzen heb geschreven, stoort men mij, mijn geest verkoelt, en mijne muze kan zich niet weder zoo gemakkelijk tot de hoogte der geestdrift verhellen Wel is waar zijn er bevoorreclile zielen, die overal verzen kunnen maken, in het gewoel van het hof, zoowel als in de eenzaamheid van Cirey, in de kerkers der bastille, zoowel als in den postwagen; mijne arme ziel geniet deze voorrechten niet, zij gelijkt eene ananas, die slechts in broeikasten vruchten draagt, doch in de open lucht te gronde gaat.'' 1)

„Ha, dat is de eerste maal, dat ik den Salomo van het noorden op eene onwaarheid betrap, sire!quot; riep Voltaire hartstochtelijk. „Uwe ziel gelijkt niet op de ananas, maar op dien wonderboom van het zuiden, welke te gelij k bloesems en vruchten draagt, en ons aangenaam bedwelmt en bezielt met zijne geuren, terwijl hij ons te gelijker tijd versterkt

1

's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres posthumes Supplément. Deel II, pag. 310.

ocr page 217

249

en verkwikt door zijne hemelsche vruchten. Gij zijt geen leerling van Apollo, gij zijt Apollo zelf.quot;

De koning lachte, en terwijl hij zijne armen ten hemel hief, riep hij met het pathos van een tooneelspeler van het Fransche treurspel:

O Dieux! qui clouez les poötes

De tant de sublimes faveurs.

Ah' reudez vos graces parfaites,

Et qu'ils soient tin peu moins menteurs. 1)

„Ha, terwijl uwe majesteit mij wil logenstrall'en, bewijst zij slechts, dat ik de waarheid heb gesproken,quot; riep Voltaire vroolijk. „Gij wilt mij bewijzen, sire, dat uwe vrucht slechts langzaam en kunstmatig rijpt, en gij reciteert daar zulk een bekoorlijk gracieus quatrain, dat Molière zich zou verheugen, wanneer het hem ontvallen was.

„Reudez vos graces parfaites, et qu'ils soient un peu moins menteursquot; herhaalde de koning, Voltaire vriendelijk toeknikkend. „Ziet gij, mijn vriend, ik ben misschien de eenig-ste sterveling, die de goden het minst met verzoeken en gebeden lastig valt. Dit was heden mijn eerste gebed aan de goden en het was voor u. Wees dus een weinig dankbaar, en bewijs, dat de goden de hartgrondige gebeden dei-stervelingen verhooren. Wees inderdaad wat minder leugenachtig, zeg mij de waarheid! Want wij zullen nu een weinig het werk van de laatste dagen nazien. Maar gij moet daarbij indachtig blijven, dat als gij arbeidt, gij dat voor den roem uws volks en de eer van uw vaderland doet, terwijl als ik het papier vol krab, het voor mijn vermaak geschiedt, en men zou het mij kunnen vergeven, wanneer ik zoo verstandig was, mijne werken te verbranden, wanneer ik ze voltooid had. Als men, gelijk ik, bij de veertig is, en dan nog slechte verzen maakt, moet men met Molière's Misanthrope zeggen:

„Si j'en faisais d'aussi méchans,

Je me garderais bien de les montrer aux gens.quot;

1) Oeuvres posthumes. Supplément. Deel II, p. 345.

2) 's Konings eigen woorden.

ocr page 218

250

„Uwe majesteit denkt reeds te oud te zijn, om verzen te maken, eu gij zijt eerst acht en dertig jaar. Ben ik dun niet een erge dwaas, dat ik het nog waag de muzen te huldigen en verzen te maken, ik, de grijsaard Voltaire, die reeds zes en vijftig jaren tel ?quot;

„Gij hebt het voorrecht der goden; gij wordt nimmer oud, en de muzen en gratiën moeten, ofschoon zij vrouwen zijn, u toch steeds getrouw blijven met vurige liefde, want gij weet haar steeds op nieuw aan u te boeien.quot;

„Neen, neen, sire, ik ben te oud,quot; riep Voltaire zuchtend. „Een oude dichter, een oude vrijer en een oud paard zijn allen onbruikbare dingen, die volstrekt tot niets deugen. ') Sire, maak mij weder een weinig jong, door mij eenige uwer verzen te laten hooren.quot;

De koning ging naar zijne schrijftafel, en terwijl hij zich in den fauteuil nederzette, gaf hij Voltaire een wenk, in den tweeden leuningstoel, die dicht bij den zijnen stond, plaats te nemen.

„Gij moet weten,quot; zei de koning lachend, terwijl hij Voltaire een met verzen beschreven blad toereikte, „dat ik van zes tweelingen ben bevallen, die in naam van Apollo verlangen te worden gedoopt in de wateren der Hippokré-ne, 1) en de Ilenriade wordt verzocht, ais peet te staan.quot;2) Voltaire nam het papier en las het daarop geschreven gedicht met luider stem. De koning hoorde hem oplettend aan, en gaf door teekenen zijne goedkeuring te kennen over Voltaire's hartstochtelijke, vurige voordracht.

„Dat is verheven, dat is schoon,quot; riep Voltaire, toen hij had geëindigd. „Uwe majesteit is een Fransch dichter, die slechts toevallig in Duitschland leeft. Gij hebt onze taal volkomen in uw macht.''

Frederik dreigde hem glimlachend mot den vinger. „Vriend,quot; zei hij, „moet ik de troden weder mot mijn ee-bed lastig vallen?''

„Uwe majesteit wil dus de volle waarheid'?quot;

„De volle waarheid, vriend!

1

Dichterenbron.

2

's Konings eigen woorden. Oeuvres posthumes. Supplément. Deel II pag. 377.

ocr page 219

251

„Dan moet gij mij verooriooven, sire, het gedicht nog eens voor te lezen. Ik heb het eerst gelezen uls liefhebber, thans zal ik het lezen als beoordeelaar.quot;

En toen hij nu de voorlezing herhaalde, legde hij een scherpen klemtoon op ieder woord en ieder gebrekkig rijm, mat met de grootste nauwkeurigheid ieder vers, zich soms bij de slecht gelukte Alexandrijnen het voorkomen gevende, als of zijne tong niet in staat was, deze barbarismen te boven te komen, en daarbij schitterde zijn oog met eene boosaardige vreugde en een minachtend lachje speelde om zijne dunne lippen.

liet gelaat des konings was eenigszins betrokken. „Ik versla u,quot; zeide hij, „het gedicht deugt volstrekt niet, laten wij het verscheuren.''

„Volstrekt niet, sire, het gedicht is voortreffelijk, en gij zult ter nauwernood eenige dagen noodig hebben, om het te volmaken. Aan de Venus de Medicis mag geen vinger te lang, geen nagel slecht gevormd zijn. En wat zijn zulke standbeelden, waarmede men de tuinen opsiert, vergeleken bij de gedenkteekenen der bibliotheek? Wij moeten deze dus zoo volkomen mogelijk maken. En hoeveel geest, hoeveel bevalligheid is in dat gedicht! Waar hebt gij dat alles van daan, sire? Én hoe zou men kunnen gelooven, dat er zooveel bloemen in uw zand zijn, en zooveel bevalligheid zich met zulke grondige kennis kan vereenigen. ') Maar zelfs de gratie moet op vaste voeten staan, en hier, sire, vind ik eenige voeten, die te lang zijn. Wel is waar, is dit niet van veel gewicht. Maar bij een groot genie is alles wat hij doet, van gewicht, en behoort het beste te zijn. Gij arbeidt te snel, sire. Een veldslag winnen gaat soms spoediger, dan een goed gedicht op de juiste voeten te brengen. Uwe majesteit bemint de waarheid zoo zeer, dat ik u juist mijn diepsten eerbied wil betuigen door u de waarheid te zeggen. Gij moet in alles, wat gij doet, volkomen zijn, want uwe majesteit heeft er de bekwaamheid toe. Men mag niet zeggen: Caesar est supra grammaiicüm. Gesar schreef, gelijk hij vocht, dat wil zeggen ; overwinnend. Frederik de Groote speelt de lluit zoo goed als Blavet, waarom zou hij niet even goed schrijven, als onze grootste

1) Voltaire's eigen woorden. Oeuvres, Deel 58, pag. 323.

ocr page 220

252

dichters?1) Uwe majesteit moet het slechts niet ver-smaden, aaa den schoenen inhoud ouk een schoonen vorm te geven.quot;

„Gij hebt gelijk,quot; zoide de koning peinzend, „het ontbreekt mij aan den |vomi; maar gij moet niet denken, dat het nalatigheid is. Die verzen, welke gij het minst hebt berispt, zijn het juist, die mij de minste moeite hebben veroorzaakt. Maar wanneer de gedachte met de versmaat en het rijm in strijd komt, dan maak ik slechte verzen en ben niet gelukkig in de correcties. Gij bemerkt volstrekt de moeielijk-heden niet, die ik te overwinnen heb, om slechts eenige tamelijk goede coupletten te maken. Een van nature gelukkigen aanleg, een licht opgewekte en vruchtbare geest heei't u tot dichter geschapen, zonder dat hel u de minste moeite kostte. Ik laat de minderheid van mijn talent recht wedervaren; ik zwem up dezen oceaan der poëzy rond met zwemblazen en gevlochten biezen onder de armen. Ik schrijf niet zoo goed als ik denk; mijne denkbeelden zijn dikwijls sterker, dan mijne uitdrukkingen, en in deze verlegenheid ben ik reeds tevreden, als ik mijne zaken niet goed, maar zoo min mogelijk slecht verricht.quot;2)

„Het staat slechts aan uwer majesteits wil ze volkomen goed te verrichten,quot; zeide Voltaire; „want bij u, sire, heet het, gelijk bij de goden, ik wil! en de daad is reeds volbracht. Als uwe majesteit zich dus wil verwaardigen, de gratiën en sylphiden, de wijzen en schriftgeleerden, die in dit verheven gedicht soms op eenigszins hinkende vueten rond-sukkelen, van kunstbeenen te voorzien, dan zullen zij fladderen als bekoorlijke geniussen, en statig aankomen gelijk de heilige drie koningen van het oosten. Laat ons dat dus beproeven, sii-e. Wij zullen dit gedicht nog eens overschrijven.''

Hij haalde een lange pennestreek door het handschrilt des konings, en terwijl hij nu een ander stuk papier nam en de eerste strophe begon neder te schrijven, beoordeelde hij ieder woord met bijtende luim, met schitterend vernuft, met honende spotternij. Even on verbiddelijk in zijneberisping

1

Voltaire's eigen woorden. Deel 58. jiag, 229.

2

's Kouiugs eigen woorden. Supplement, Deel II, pag. 346.

ocr page 221

253

als in zijn lof, scheen zijne tong met pijlen gewapend waarvan elk berekend was, te treffen en te wonden.

Maar het gelaat des konings bleef vroolijk en helder. Hij gevoelde zich niet als de machtige koning en heer, die dooide berisping van een gewoon menschenkind kan beleedigd worden, hij gevoelde zich gelijk de leerling tegenover den leermeester, en daar hij werkelijk wilde leeren, was het hem volkomen onverschillig, in welke uitdrukkingen zijn gestrenge leermeester hem zocht te onderrichten.

Nadat zij het gedicht hadden geëindigd, lazen zij te zamen een hoofdstuk uit des konings „Histoire de mnn Temps,quot; waarvan juist de tweede druk verschenen was, en welker correctie Voltaire op zich had genomen.

Hij had zijn exemplaar medegebracht, om den koning rekenschap te geven van de gemaakte correcties en zijne beschouwingen te verklaren.

„Dit boek wordt een meesterstuk, als uwe majesteit zich slechts de moeite wil geven, het te corrigeeren,quot; zeide Voltaire. „Maar heeft een koning daartoe tijd en gelegenheid ? Een koning, die zijn groot rijk geheel alleen regeert?Ja! dat brengt mij in verwarring, dat verbaast mij, dat legt mij de heilige verplichting op, in mijn oordeel zoo streng mogelijk te zijn.quot;

„En ik houd van uwe gestrengheid en vrijmoedigheid,quot; zeide de koning, „ik leer van tien strenge en berispende woorden meer, dan van eene ontzaglijk lange rede vol lof en erkentenis. Maar zeg mij toch, wat beleekent de roode streep, waarmede gij deze geheele bladzijde in mijn handschrift hebt aangeteekend?quot;

„Ja, sire, ik wilde u verzoeken, wat toegevendheid te hebben, voor koning Frederik den Eerste. Gij zijt te wreed en te streng jegens hem.quot;

„Ik mocht niet anders spreken, wanneer ik niet bet verwijt van partijdigheid wilde verdienen,quot; zeide de koning. „Het zal niet gezegd kunnen worden, dat ik, omdat hij mijn grootvader was, mijn oog sluit voor zijne dwaasheden en beuzelarijen. Frederik de Eerste was een ijdele en opgeblazen gek, dat is de waarheid!quot;

„En toch smeek ik voor hem om genade, sire. Ik bemin dezen koning om zijne koninklijke pracht en de schoone gedenkteekenen, die hij heett nagelaten.quot;

ocr page 222

254

„Ook dat deed hij slechts uit ijdelheid, opdat het nageslacht over hem zoude spreken. Uit ijdelheid en dwazen hoogmoed zette hij de kroon op zijn hoofd. De groote Sophie Charlotte, zijne gemalin, had wel gelijk, toen zij op haar sterfbed van hem zeide: „De koning zal geen tijd hebben, om over mij te treuren; de zorg, om mijn dood met eene prachtige begrafenis-plechtigheid te vieren, zal hem verstrooien, en wanneer bij deze schoone plechtigheid maar niets ontbreekt en mislukt, zal hij over alles getroost zijn.quot; ^ Hij was slechts groot in kleine zaken, en daarom, toen Sophie Charlotte van haar vriend Leibnitz zijn „Mémoire fiber die Kraft der Kleinen Dingequot; ontving, zeide zij glimlachend: „Wil Leibnitz mij leeren, wat kleinigheden zijn? Heeft hij dan vergeten, dat ik de gemalin van Frederik den Eerste ben, of denkt hij, dat ik mijn gemaai niet ken?quot;1) De titel is schoon, wanneer een volk hem geeft, of de vorst zelf dien verdient. Frederik dc Eerste heeft echter niets gedaan, wat hem lot koning kan stempelen, en dat veroordeelt hem. Gij ziet dus wel, dat ik hem niet kan ver-schoonen!quot;

„liet zij zoo,'' zeide Voltaire schouderophalend, „hij is uw grootvader, niet dc mijne. Doe dus met hem, wat u goeddunkt, sire. Ik heb niets meer te zeggen, en zal er mij toe bepalen, eenige volzinnen te verbeteren.quot; 2)

Toen hij zag, dat bij deze woorden Frederiks gelaat met eene lichte wolk werd bedekt, zeide hij met een sluw lachje:

„Zie eens, hoe het ambt van leermeester, dat uwe majesteit mij heeft opgedrongen, mij vermetel en hoogmoedig maakt. Ik, die er wél aan zou doen, mijne eigene werken te verbeteren, ik matig mij aan, de werken eens konings te willen verbeteren. Ik verkeer in het geval van den abt van Villiers, die een boek had geschreven, getiteld; „Overdenkingen over de (jébreken van anderen.quot; Eens ging hij naar de predikatie van een kapucijner. De monnik sprak zijne toehoorders met eene neusstem op de volgende wijze aan: „Mijne geliefde broeders in den Heere, ikwasvoor-

1

Thiébault. Deel II, paf,'. 9.

2

Dit gesprek van den koning en Voltaire is, wat den inbond betreft, historisch. Voltaire spreekt er over ineen brief aan madame Denis. Oeuvres completes. Deel 5S, pag. 370,

ocr page 223

255

nemens u heden over de hel le sperken ; maar ik heb aan de deur mijner kerk een aanplakbil jet gelezen : Overdenkingen over de gebreken van anderen! He, vriend! dacht ik, waarom maakt gij niet liever overdenkingen over uwe eigene gebreken ? Ik zal dus tot u spreken over de hoovaardij en den trols der menscben.quot; ')

„Welnu, maak maar zulke overdenkingen, wanneer gij aan uwe geschiedenis van bodewijk den Veertiende zit,quot; riep de koning lachend; „ik verzoek slechts, dat gij u bij mij niet door don vromen kapucijn bat bekeer en, maar bij mij slechts overdenkingen over de gebreken van anderen zult maken!quot;

XXVI.

EEN DAG UIT VOLTAIRE'S LEVEN.

Voltaire genoot, dus het zeldzame en gevaarlijke voorrecht den koning de waarheid te mogen zeggen, en van dat voorrecht maakte hij een wreed en onverbiddelijk gebruik. Het scheen alsof zijn ijverzuchtige en wangunstige aard zich op des konings roem en grootheid wilde wreken, door hem te martelen en te kwellen met zijne kleingeestige aanmerkingen en zijne rustelooze bedilzucht, dat hij hem, dien de geheele wereld bewonderde en hoogschatte, wilde dwingen, de oogen beschaamd neder te slaan en te bekennen, dat. hij zich toch nimmer tot de hoogte van den grooten Voltaire zoude kunnen verheffen.

De koning bekende het zelf, doch hij deed het zonder schaamte, met kalmte en met dat groote zelfbeheer, dat bereidwillig de verdiensten van anderen erkent, omdat dit toch niet in staat is, eigene verdiensten te verkleinen. Voltaire mocht zich nog zoo zeer verbelTen en verhoovaardigen, hij kon daardoor den koning wel niet vernederen, — maaibij kon hem in eene kwade luim brengen en aanstoot geven, en dat was voor het boosaardig gemoed van den grooten Eranschen dichter reeds eene aangename zelfvoldoening.

1) Oeuvres. Deel 18, pag. 423.

ocr page 224

250

Do overige vrienden des konings sloegen Voltaire's handelwijze niet leedwezen gade, en vooral begreep rle markies d'A rgens met zijn edel en teergevoelig hart zeer spoedig de mismoedigheid des konings en Voltaire's boosaardig vermaak in het verdriet van anderen.

Eens, toen Voltaire des voormiddags naar den koning wilde gaan, om met hem zijne correctie's te maken, vond hij in de voorzaal den markies, die met levendige gebaren naar hem toeging en zijne beide handen grijpende, hem met smeekende blikken aanzag.

„Mijn vriend,quot; zeide hij, „de koning heeft gisteren een gedicht gemaakt, dat hij mij heden morgen voorlas. Hij beweert, dat er een slecht rijm in is, en dat kwelt hem. Ik heb beproefd, hem dit uit het hoofd te praten. Ik weet echter wel, dat het rijm, dat hij heeft gemaakt, slecht is, maar gij zoudt hem in de grootste verlegenheid brengen, als gij het hem zeidet, want hij heeft te vergeefs moeite gedaan een ander rijm te vinden, en het komt daarbij op eene gedachte aan, die hem van meer gewicht is dan het rijm. Ik heb daarom mijne berisping achterwege gehouden en eenige verzen van La Fontaine aangehaald, waarin men het zelfde gebrek vindt. Ik heb hem ter wille van zijne eigene rust trachten te overtuigen, dat, zoo dit rijm niet overeenkomstig de regelen der school is, het toch kan worden geduld. Ik bid u dus, spreek mij niet tegen.quot;

„En waarom zou ik dat niet doen?quot; vroeg quot;Voltaire op zijn scherpsten toon.

„Omdat gij het met uw aanhoudend en wreed berispen nog zoo ver zoudt kunnen brengen, dat de koning zich mismoedig van de poëzy afwendende, haar opgeeft, terwijl het toch voor de kunsten en wetenschappen van zooveel belang is, dat de groote en machtige vorsten haar beminnen en hoogschatten, dat zij haar beoefenen en er zich zeiven ook mede bezighouden. En zeg zelf, vriend, wat ligt er in den grond aan gelegen, of er eenige slechte rijmen in de gedichten van den wijsgeer van Sanssouci zijn?quot; ')

„Daaraan ligt zoo veel gelegen, dat de koning van mij wil leeren, goeden verzen te maken,quot; zeide Voltaire op scherpen toon, „en dat ik dus de hoogverraderlijke, verwijfde en lalfe

1) Thiébault. Deel V, pag. 327.

ocr page 225

257

liefde niet voor hem mag koesteren, die hem de berisping onthoudt, om aan zijne eigenliefde een gering leed te besparen. De koning heeft u zijn gedicht voorgelezen, in uwe lioedanigheid van bewonderend en prijzend vriend, mij zal hij het voorlezen in mijne hoedanigheid van paedayogo di sua maesla. . Ik zal daarom de waarheid moeten zeggen, waar gij moogt vleien.quot;

En nimmer was Vollaii-e onbuigzamer in zijne berisping, bilser en scherper in zijne satyre geweest, dan op dezen dag. Zijne oogon schitterden nog van leedvermaak, het boosaardige lachje speelde nog om zijne lippen, toen hij van den koning naar zijne eigene woning terugkeerde.

,,Ha,quot; zei hij luid lachend, toen hij zich voor zijne schrijftafel nederzette, „heden zal mij n werk mij zeer goed gelukken, want ik heb veel geleerd. Frederik weet waarlijk niet, hoe zeer hij mijn weldoener is. Terwijl ik hem corrigeer, corrigeer ik mij zeiven, en terwijl ik hem door mijne studiën, door mijne berisping van nut ben, put ik daaruit steeds nieuwe krachten om de mijne op den rechten weg te leiden. ^ Ik zal dus heden een hoofdstuk aan mijne geschiedenis van Lodewijk den Veertiende schrijven, en het zal goed worden, want het hoofdstuk, dat ik heden uit des konings/fistone demon Temps heb gelezen, heeft mij zeer duidelijk geleerd, welke misslagen ik moet vermijden. Ja, over Lodewijk den Veertiende zal ik schrijven; ik ben er hem wel eenige vergoeding voor schuldig, dat de koning zoo naïf is geweest, zijn overgrootvader, den zoogenaamden grooten keurvorst, met onzen grooten Lodewijk te vergelijken. Ik ben zoo goedhartig geweest, hem die kleine gedienstigheid jegens zijn overgrootvader te vergeven en het niet uit te schrappen. En waarom moest ik het hebben gedaan? De wereld zal zoo dwaas niet zijn, mj/ deze komische zwakheid toe te schrijven. Bovendien schrijft de koning slechts voor zich en zijne vleiende vrienden; hij mag dus zeggen, wat hij wil. Ik echter, ik schrijf voor Frankrijk, voor de wereld! Maar ach, ik vrees, dat dwazen mij zullen beoordeelen, terwijl ik toch getracht heb, als wijze te schrijven.'' (1)

1

Oeuvres. Deel 58, pag. 341.

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 17

ocr page 226

258

Hij nam de pen op en begon te schrij ven; maar spoedig werd hij in zijn werk gestoord door het binnentreden van zijn bediende Tripot, die hem meldde, dat de jood Hirsch, dien Voltaire had verlangd te spreken, zoo even was gekomen. Voltaire stond haastig van zijn leuningstoel op en liet den aangemelde binnentreden.

„Ik heb veel met u te verhandelen, mijn vriend,quot; zeide hij tot den binnentredenden jood. „Tripot, sluit de deur, en draag zorg dat wij niet worden gestoord.''

En nadat zijne bevelen waren volvoerd, ging Voltaire met jeugdige levendigheid naar zijn salon, en gaf den bezoeker een teeken, hem naar zijne slaapkamer te volgen.

„Vooreerst, mijn vriend, zullen wij een kleinen handel drijven,quot; zeide Voltaire, terwijl hij de lade van eene zeer groote latafel opende. „Ziet gij, daar zijn twaalf pond van de beste waskaarsen. Ik ben een arm man, met zwakke oogen. Ik kan nimmer hopen, ze te kunnen aansteken, Daar zijn verder eenige ponden suiker en koffie, de besparingen van de laatste twee maanden. Gij zult mij dat alles afkoopen, wij zullen een bepaalden prijs voor al de zaken vaststellen, en op den laatsten dag van iedere maand kunt gij, in geval ik met uw prijs tevreden ben, hier komen, en mijne bezuiniging van eene maand, tegen uwe klinkende munt inruilen. Bepaal dus uw prijs, mijnheer!quot;

En de koopman bepaalde zijn prijs; maar het scheen, dat de dichter Voltaire zich nog beter op den handel verstond, dan de jood Ilirsch. Hij wist hem nauwkeurig den prijs van de suiker en de kollie op te geven, hij wist de schoonheid der dikke, witte waskaarsen zoo welsprekend aan te prijzen, dat de heer Hirsch zich inderdaad tot eene verhooging van zijn bod liet overhalen.

„Nu tot gewichtiger zaken,quot; zeide Voltaire. „Gij reist naar Dresden. Gij moet aldaar voor mij eene kleine zaak verrichten. Ik wil voor achttien duizend daalder Saksische belastingbiljetten koopen. Zij staan op vijfendertig, en worden, gelijk gij weet, afjn de onderdanen van den koning van Pruisen voor de volle waarde ten honderd uitbetaald.quot;

„Maar uwe excellentie weet toch, dat zijne majesteit het zijnen onderdanen ten strengste heef) verboden, van deze belastingbiljetten op te koopen?'' vroeg de heer Hirsch verbaasd. „De koning heeft deze bevoorrechting voor zijne

ocr page 227

'259

onderdanen verlangd, zoodat de Saksische belastingbiljetten aan ons ten volle worden uitbetaald, terwijl de onderdanen van den koning van Saksen slechts den koers van den dag er voor ontvangen; doch hij heeft beloofd, dat zijne onderdanen niet op nieuw zulke belastingbiljetten mogen koopen, ten einde zich te verrijken, maar slechts die, welke zij bezitten voor de volle waarde zullen betaald krijgen. Uwe excellentie ziet dus, dat deze zaak ondoenlijk is.quot;

„Ik zie slechts, dat gij een dwaas zijt!quot; schreeuwde Voltaire woedend. „Want, als gij geen dwaas waart, zoudt gij inzien, dat Voltaire, de kamerheer des konings, geene zaak zou ondernemen, waarbij hij zijn roem en zijn naam in gevaar kon brengen. -Als Voltaire zulke zaken doet, moest gij begrijpen, dat hij daartoe gemachtigd is, dat men het hetn heeft veroorloofd.quot;

„Als dat het geval is,quot; zeide Hirsch ootmoedig, „ben ik volkomen gerust gesteld, en bereid, uwe excellentie tedienen.quot;

„En als gij mijne opdracht stiptelijk en goed uitvoert, kunt gij op eene aanzienlijke belooning van mij rekenen. En hoe? Zijt gij niet eerzuchtig? Ligt u niets gelegen aan een titel?quot;

„Wel zeker ben ik eerzuchtig,quot; zeide de hoogst verblijde jood, „zeker zou ik gelukkig zijn, als ik misschien den titel van koninklijk hof-bankier kon krijgen.quot;

„Koop mij deze biljetten te Dresden heel goedkoop in, en gij zult dezen schoonen titel hebben,quot; zeide de dichter met deftig pathos.

„Ik zal niet meer geven dan vijf en dertig ten honderd.quot;

„En gij zult mij voor achttien duizend daalder koopen, mijn waarde hof-bankier. Die zaak is afgehandeld. Nu moet ik u nog slechts de gelden uitbetalen, maar geld heb ik niet; ik zal u dus wissels geven. Kom nu mede naar mijn studeervertrek.quot;

Zij keerden terug en Voltaire wierp het handschrift zijner geschiedenis van Lodewijk den Veertiende op een zijtafeltje, om zijne schrijftafel vrij te hebben, voor het opmaken zijner schuldbekentenissen en wissels.

„Daar hebt gij drie wissels,quot; zeide hij toen. „De eene op Parijs, de andere op uwen vader en de derde op den jood Ephraim. Vorderdiein,en brengmij mijne belastingbiljetten.quot;

„Binnen acht dagen, uwe excellentie, breng ik ze u, en uwe excellentie zal er elf duizend daalder aan verdienen.quot;

ocr page 228

260

Voltaire's oogen blonken van genoegen. „Elf duizend daalder!quot; zeide hij. „Dat is voor een armen dichter zoo als ik, die van zijn hoofd en zijne pen leeft, toch altijd eene aanzienlijke som.quot;

llirsch wilde zich verwijderen en ging reeds naar de deur. Maar Voltaire ijlde hem na, en greep hem heftig bij den arm. „Gij denkt toch niet, dat Vollaire een stompzinnige is, die voor achttien duizend daalder wissels afgeeft, zonder de waarde te hebben gedekt?quot;

„Uwe excellentie heeft mijn woord van eer,quot; zeide Hirsch plechtig.

Voltaire lachte luid. „Uw woord! Het woord van eer eens menschen voor achttien duizend daalder? Mijn beste, wij leven niet in het paradijs, maar in een christelijken staat, en gij moet zulks nauwkeurig weten; want uwe vaderen hebben er wel voor gezorgd, dat wij zoo gelukkig zijn gemaakt. Als gij joden niet dien dommen streek hadt begaan, Jezus aan het kruis te nagelen, zou hij nimmer als de Messias erkend zijn. En denkt gij, dat ik een van de zonen dezer vaderen zal vertrouwen? Ei, ei, wie staat er mij dan borg voor, dat gij niet mijne onschuld en mijn vertrouwen op de menschen ook aan het kruis zoudt nagelen en dooden, als ik inderdaad zoo argeloos ware, u zonder zekerheid mijne drie wissels toe te vertrouwen.quot;

„Ik zal u zekerheid geven,quot; zeide Hirsch, terwijl hij eenige marokijnen doosjes uit den grooten rokzak van zijn kaftan te voorschijn haalde. „Ja, gij zult zekerheid hebben. Ik wist niet, dat uwe excellentie zaken met mij wilde doen. Ik dacht, dat de voorname heer diamanten van mij wilde koopen ; ik heb er mede gebracht, ziedaar, uwe excellentie, daar zijn voor twee en twintig duizend daalder diamanten. Ik laat ze u als zekerheid. Want ik, de arme jood Hirsch, ik ben niet beducht, dat de groote dichter Voltaire mij wil bedriegen.quot;

„De diamanten zijn schoon,quot; zeide Voltaire, terwijl hij ze met begeerige oogen beschouwde en in het licht liet fonkelen. „De diamanten zijn schoon, en als gij mijne opdracht goed en stiptelijk ten uitvoer brengt, zal ik er eenige van u koopen. Zoolang bewaar ik ze voor u.quot;

Hij wilde ze, in de lade van zijne schrijftafel leggen, maar plotseling trok hij zijn hand terug, en zijne oogen

ocr page 229

261

vestigden zich met eene doorborende uitdrukking op het bedaarde gelaat van den jood.

„Wie staat er mij echter borg voor, dat deze diamanten echt zijn?quot; vroeg hij, en toen Hirsch, vertoornd en geërgerd door dit beleedigend vermoeden, het voorhoofd fronste en verbleekte, schreeuwde Voltaire woedend; „Deze diamanten zijn niet echt. Ik zie het aan uw ontsteltenis. Ha, ha, gij hebt gedacht, dat een dichter een goed lichtgeloovig schepsel was, dat men zonder veel moeite kan misleiden. Gij dacht, dat de dichter niets had gehoord van dien beruchten heer van St. Germain, die glas tot diamanten kon slijpen, en de schoonste rozetten in zijn laboratorium kookt. Ja, ja, mijn beste, ik weet er van, en dit brouwsel van den heer van St. Germain is niet in staat, mij te misleiden. Deze diamanten zijn valsch, zeg ik.quot;

„Deze diamanten zijn echt!quot; riep Hirsch vergramd.

„Dan zullen wij u, door een christen juwelier op de proef laten stellen,quot; zeide Voltaire. „Tripot, Tripot, loop eens spoedig naar den juwelier, den heer Reclam. Gij kent hem toch? Hij woont aan de overzijde op den hoek van de Breitenstrasse. Verzoek hem, een oogenblik de moeite te doen, bij mij aan te komen.quot;

Tripot snelde heen en keerde spoedig met den „christen juwelierquot; terug. Maar ditmaal had de achterdochtige Voltaire zich vergist, de diamanten waren echt, en de heer Reclam verklaarde, dat ze heel goed de waarde van twee en twintig duizend daalder konden hebben.

Voltaire was dus tevreden gesteld, en toen hij alleen was, beschouwde hij nog langen tijd deze heerlijke steenen, die hem met hun fonkelen en schitteren in verrukking brachten en bekoorden.

„Welke vrouw kan zich beroemen zulk kostbaar vuur in hare oogen te hebben, als gij,quot; zeide hij lachend, „welke vrouw kan zeggen, dat haar kleurenspel vele duizenden waard is. Wel weerkaatsen zij in alle kleuren, die liefétijke vrouwenharten, maar dat is juist hunne misdaad, terwijl liet bij u, schoone diamanten, eene deugd is. Ach, als men bedenkt, dat gij een klein landgoed waard zijt, dat men voor deze handvol llonkerende kiezelsteenen geheele zakken vol schoone wichtige dukaten zoude kunnen inruilen,— hoe

ocr page 230

'262

dom komen ons dan de menschen voor, en hoe verstandig daarentegen God. Hoe goed heeft hij gespeculeerd, toen hij deze kiezelsteenen in de aarde deed zinken, deze kiezel-steenen, die trulï'els voor den snuit der menschen, waarnaar zij even ijverig zoeken, als de zwijnen in Perigord naar de trulïels. Geld, geld, ziedaar het tooverwoord, dat de wereld beheerscht. En ik wil veel geld hebben, want ik wil de wereld beheerschen, ik wil voor geen vorst en geen graaf moeten terugtreden. Ik wil mijne heerlijkheid hebben en mijn kasteel, mijne eigene gegalonneerde lakeien en mijne eigene onderdanen. Ik wil ze\{ een grand Seigneur z\]n, en de koningen en vorsten zullen bij mij op mijn kasteel komen en in mijne voorkamer wachten, gelijk ik in de hunne heb gewacht. Ik wil rijk, rijk worden, om de heer van alle menschen te worden, ook van de dommen! De verstan-digen onderwerp ik door mijn geest, de dommen wil ik onderwerpen door mijn geld! Rijk wil ik worden, rijk, rijk ! Daarvoor ben ik hier, daarvoor corrigeer ik de rijmelarij des konings, daarvoor leef ik thans als een nederig dichter, stapel rente op rente en bespaar ook mijn jaargeld van vijf duizend daalder, mijne waskaarsen en mijne koflie. Zij mogen mij hier een vrek noemen; als ik rijk ben, zal ik een verkwister zijn, en de menschen, die zich thans reeds ergeren over mijn roem, zullen dan bersten van woede over mijn rijkdom.

Ach, ach, het is de moeite niet waard, een groot dichter te zijn. Er zijn te veel vernederingen verbonden aan dien dubbelzinnigen stand van dichter, dien stand, die geen ambt is, die vernederend is in de oogen van hen, die een ambt hebben en blootgesteld aan de afgunst van hen, die geen ambt hebben. Wat mij aangaat, ik ben zoo uitgeput, zoo doodmoede getergd door de onaangenaamheden van den stand als dichter, dat ik, om het verdriet weg te spoelen,-mij verschaffen wil, wat het canaille een schitterende stand noemt. Ik wil mij dus zooveel geld verschalfen, als maar mogelijk is, daarbij vrijheid en i-oem en alle eerbewijzen, die mij toekomen. En al deze zaken verkrijg ik door mijn verblijf bij een koning, die ten minste dat goede bezit, dat hij geene vooroordeelen heeft, zelfs niet die van het koningschap. Ik zal in deze haven blijven, waarin de stormen, die mij zoo langen tijd her- en derwaarts dreven, mij ein-

ocr page 231

delijk hebben gevoerd. Mijn geluk zal zoo lang duren, als liet God behaagt.quot; ')

Hij lachte van zelfbehagen en nam zijn groot notitieboek ter hand, waarin hij zijne ontvangsten en uitgaven, den staat van zijn vermogen en van zijne kas had opgeteekend. Het was hem een genoegen, van tijd tot tijd zijn vermogen te berekenen, en de vermeerdering gade te slaan. Het verkwikte hem zoo innig, zijne uitgaven met zijne ontvangsten te vergelijken, en daaruit te zien, dat hij de rente van zijn eigen vermogen, waarvan hij volstrekt niets uitgaf, optellende bij zijn jaargeld, waarvan hij zeer weinig uitgaf, voor iede-ren dag alleen door zijne tegenwoordigheid, door rente op rente, eene aardige som verdiende, terwijl de uitgaven van iederen dag zoo gering waren.

Maar deze uitgaven hinderden hem nog, en met een gefronst voorhoold zeide hij: „Ik zal eenige bezuinigingen invoeren. Het is onpleizierig en verdrietig, dat ik het voeder voor de paarden en de herstellingen aan mijn wagen moet betalen. Als de koning mij eene equipage geeft, moet hij ze ook onderhouden, dat zal ik hem zeggen. Daarenboven is de hofmeester een oiuie schraper, die mij alle maanden eenige ponden suiker en koflie afzet; ook zijn de waskaarsen dunner en slechter. Ik zal mij over dat alles bij den koning beklagen. Hij moet er voor zorgen, dat er orde in zijn huis is.quot;

Hij sloot zijn groot rekeningboek weder weg, en terwijl hij dit deed, mompelde hij: „Als ik eene jaarlijksche rente van honderd vijftig duizend francs heb bereikt, zal ik ophouden met sparen. De goden ziin geprezen, dit doel is weldra bereikt!quot;

„Maar,quot; vervolgde hij somber peinzend, „om dat doel te bereiken, moet ik nogeenige jaren hier veilig kunnen doorbrengen, om mijn jaargeld bij mijn vermogen le voegen. Miets mag mij zulks beletten, en wat mij daarvoor kan in den weg staan, moet ik ter zijde schuiven. Wat kan bet mij beletten? Mijne zoogenaamde vrienden, die natuurlijk mijne ergste vijanden zijn? Ach, welk een idyllisch denkbeeld van den koning, zes vrienden om zich heen le verzamelen, waarvan de meesten bovendien schrijvers, of wat

1) Voltaire's eigen woorden. Deel ó'J, pag. 11U.

ocr page 232

264

hetzelfde is, vijanden zijn. Want als men op een woest eiland twee schrij vers, of twee vrouwen, of twee vromen nederzette, zoodat zij altijd in elkanders tegenwoordigheid moesten zijn, zouden zij weldra kuiperijen tegen elkander hebben. Het menschengeslacht is nu eens zoo geschapen, en daar het nu eens zoo is, moet men zich zoo verstandig en voordeelig mogelijk uit de zaak redden. ') Men kan op de wereld nergens in vrede leven, het minst in de omgeving eens konings. Want het gaat den koningen, gelijk de coquetten; hare blikken maken jaloersch, en Frederik is een zeer groote coquette. 1) Ik zal dus mijne mededingers uit het veld moeten slaan, om mij geheel alleen in zijne gunst te verheugen. Wie zijn mijne mededingers, wie zijn voor mij gevaarlijk? Zij zijn het allen, allen, en ik zal hen allen moeten wegjagen. Ik zal zooveel twist, zooveel onrus.t, zooveel boosheid en ergernis onder hen zaaien, tot zij allen van woede en angst wegloopen, en God danken, als ik hen voor hun vertrek niet den neus afbijt. Ik wil hun het paradijs alhier tot eene hel maken, en bij den hemel, ik wil de duivel zijn, die hen met gloeiende tangen knijpt en schroeit, tot zij wegloopen. Ja, lot Siberië toe zal die ellendige hoogbeenige pauw Maupertuis loepen ; hij het eerst en bovenal en voornamelijk, en d'Argens zal ik hem nazenden, en Algarotti en den al te wijzen lord Maréchal en al de anderen daarbij. Waar Voltaire's zon schittert, mogen geene andere sterren glinsteren ; ik wil het niet, en ik zal het hun bewijzen, dat Voltaire's stralen hen allen verbranden!quot;

Hij lachte luid en zette zich met een vergenoegd gelaat weder aan zijne schrijftafel, doch ditmaal niet om verder aan zijne geschiedenis te werken, maar om een gedicht te schrijven. Want Voltaire was heden avond op eene soiree bij de koningin-moeder genoodigd, en hij wilde er schitteren als improvisator en met zijne improvisatie wilde hij bovenal het hart der prinses Amalia winnen. Sedert zij als Aurelia in zijn Rome Sauvée had gespeeld, had hij een zekeren hartstocht opgevat voor de prinses, die zoo goed den gloed en de smarten der liefde wist voor te stellen en wier groote.

1

Idem, pag. 378.

ocr page 233

schilterendeoogen hem zelfs als een geheimzinnigen afgrond van liefde en hartstocht toeschenen.

Hij had de prinses beloofd, over een door haar opgegeven thema te improviseeren, en om heden avond improvisator te zijn, was hij nu dichter, overtuigd, dat het zijne geslepenheid wel zoude gelukken, den wensch der prinses zoo te leidenquot;, dat hare opgave overeenkwam met zijn gedicht

Maar in deze bezigheid werd hij gestoord door zijn kamerdienaar, die meldde, dat in het groote salon eene menigte heeren waren verzameld, die bij Voltaire een morgenbezoek wensch ten af te leggen.

„Zij mogen wachten,quot;schreeuwde Voltaire, woedend, dat het binnentreden van zijn bediende hem een geestig rijm had doen verliezen, waarover hij juist had nagedacht.

„Maar, genadige heer, het zijn eenige oude generaals en verscheidene excellenties,quot; stamelde de bediende.

„Wat raken mij hunne generaais-epauletten en hun excellentieschap. Zij mogen wachten of naar den duivel loopen, gelijk het hun goeddunkt!quot;

Maar de voorname heeren wachtten inderdaad. Zij wachtten geduldig, tot dat de groote Voltaire, de lieveling des konings, de genade had, te komen, tot hij met al den trots en hoogmoed van een Fransch universeel-dichter onder de arme Duitsche barbaren trad, en eenige zonnestralen van zijn geest op hen liet vallen.

Al voller en voller werd zijn salon; er kwamen steeds meer voorname heeren, generaals, graven en vorsten; want Voltaire was eerst sedert gisteren weder van Potsdam te Berlijn gekomen, en iedereen beijverde zich dus zijne opwachting bij hem te maken, en zich in zijne welwillendheid en genade aan te bevelen. ') Voltaire was inderdaad zeer genadig; want daar hij heden avond een gedicht wilde

1) Formey schrijft in zijn Souvenirs d'un citoyen: „Terwijl Voltaire gedurende de wintermaanden in het paleis te Berlijn woonde, maakte men hem als een invloedrijk gunsteling het hof. Prinsen, maarschalken, staatsministers, gezanten en heeren van den hoogsten rang, gingen op zijne morgen-audiëntie's en werden met minachtenden trots door hem ontvangen. Een groot prins had de vriendelijkheid, met hem schaak te spelen, en hem telkens de' twee louis d'or inzet, waarom zij speelden, te laten winnen. Soms echter verdwenen de louis d'or reeds voor het einde van de partij; men zocht ze, maar vond ze niet.quot; (Souvenirs d'un citoyen. Deel 1, pag. 238).

ocr page 234

266

improviseeren, kwam het er op aan, voor dezen avond iedereen goed gezind jegens hem te maken, opdat allen hem verrukt zouden toejuichen, maar daardoor tevens Maupartuis razend te maken, en d'Argens, Algarotti, La Mettrie en alle andere vrienden des konings to doen verstommen van afgunst en kwaadheid. Terwijl hij dus elkeen gelukkig maakte en met een vriendelijken glimlach, een geestig en minzaam woord bejegende, terwijl hij onuitputtelijk was in bon mots en pikante gezegden, naderde zijn kamerdienaar hem, en fluisterde hem in, dat hij hem noodzakelijk voor een oogenblik moest spreken, en dat het eene zaak van het grootste gewicht betrof.

Voltaire wendde zich met een allerminzaamst lachje lot zijn gezelschap, en verzocht hen, zijne terugkomst af te wachten, waarop hij zich naar het aangrenzende vertrek begat.

„Nu, wat is er te doen, Tripot?quot;

„Genadige heer het is hotrouw,quot; zeide Tripot met een bedroefd gelaat.

Voltaire zag hem aan met woedende blikken, „Zot, wat bekommert mij dat?quot;

„Dat bekommert u helaas zeer veel, genadige heer, want wil uwe excellentie heden avond niet naar de soiree dei-koningin gaan?''

„Wilt gij mij vertoornen, Tripot? Wat heeft de soiree met de hofrouw te maken?quot;

„Genadige heer, dat is zeer eenvoudig. Gedurende den hofrouw verschijnen de heeren niet in een gehord uurden rok, maar in eenvoudige zwarte frak, en uwe excellentie beeft geen zwarte frak.quot;

„O, ik heb geen zwarte frak,quot; herhaalde Voltaire met gefronst voorhoofd.

„Het zal dus wel noodig zijn, dut uwe excellentie zich terstond een frak laat maken, en ik heb reeds naar monsieur Pilleneuve gezonden, om u de maat te komen nemen.quot;

„Zijt gij razend, Tripot,quot; riep Voltaire driftig. „Houdt gij mij voor zulk een dwazen verkwister, voor zulk een hersenloozen gek, dat ik voor eene soirée mij een nieuw kleedingstuk zou aanschalfen, een kleedingstuk dat zeer veel geld kost, en dat ik naderhand in de kast kan hangen om door de motten te worden opgevreten. Want over acht

ocr page 235

267

dagen zal deze hofrouw afgeloopen zijn en ik zal dan een paar honderd francs armer zijn, en een frak hebben, die ik niet kan gebruiken. Ik zal dus heden de soirée der koningin niet bezoeken, dat is alles. Ik zal mij ziek melden, zeg dus den kleermaker af.quot;

Hij ging de kamer door, om zich weder naar het salon te begeven, maar plotseling bedacht hij zich en bleef staan. „Ik kan heden avond niet laten afzeggen,quot; mompelde hij. „Men weet, dat ik heden avond wil improviseeren. Iedereen is in gespannen verwachting, en zoo ik niet kwam of mij ais ziek opgaf, zou men gelooven, dat ik bang ben voor de improvisatie. Mijne vijanden zouden dan zegevieren ! Tripot, ik moet heden avond volstrekt naar de soirée der koningin gaan.quot;

„Dus moet de kleermaker komen en de maat nemen?quot;

„Domkop,quot; riep Voltaire, stampvoetend. „Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld wil uitgeven. Raap dus uw wei-nigje verstand bijeen, en bedenk iets anders.quot;

„Uwe excellentie, ik zou wel een middel weten, om uit deze verlegenheid te komen, maar ik durf het u niet te zeggen.quot;

„Waag het maar, elk middel is goed, wanneer het tot het doel leidt.quot;

„Aan de overzijde onder de renbaan woont zekere koopman Fromerij, wiens bediende een zeer goed vriend van mij is. Ik heb van hem vernomen, dat zijn heer zich een zeer mooie zwarte frak heeft gekocht, en de heer Fromerij heelt ongeveer de taille van uwe excellentie.quot;

„Ha, ik begrijp het al,quot; riep Voltaire, wiens gelaat begon op te helderen. „Gij bedoelt, dat gij van uw vriend de frak van zijn heer voor mij zoudt kunnen leenen.quot;

„Dat bedoel ik, als de genadige heer het niet kwalijk neemt.quot;

„Integendeel, uwe genadige heer vindt, dat gij een zeer goeden inval hebt. Ga, mijn vriend, ga en verschaf mij de frak van den heer Fromerij.quot;

Fn Voltaire keerde naar zijne aanzienlijke bezoekers terug, om hen in verrukking te brengen door zijne geestigheid en zijne kwaadsprekendheid.

Maar toen zij zich hadden verwijderd, schelde hij haastig om zijn kamerdienaar.

ocr page 236

268

„Welnu Tripot, hebt gij de frak?quot;

„Ik heb haar, uwe excellentie.quot;

Voltaire wreef zich van genoegen in de handen. „Het schijnt, dat het heden een gelukkige dag voor mij is,quot; mompelde hij, „ik maak voordeelige zaken.''

„Maar het is noodig, dat uwe genade de frak aanpast. Zij zal misschien le wijd zijn, want de heer Fromerij is, sedert ik hem het laatst zag, zwaarlijviger geworden.quot;

„Die ezel, hoe durft hij zich verstouten zwaarlijviger te worden, terwijl geleerde en beroemde menschen, zoo als ik, alle dagen magerder worden,quot; schreeuwde Voltaire, terwijl hij zijn geborduurden rok uitdeed, en de frak van den heer Fromerij aantrok. „Ja, waarlijk, zij is mij veelte wijd. O, zou men het mogelijk achten? De rok van een ellen-digen Duitschen kramer is te groot voor den grootsten Fran-schen dichter! Maar dat komt er van, die Duitsche barbaren denken aan niets dan eten; zij proppen hun lijf vol met een gemeen vast voedsel, en daardoor wordt hun lichaam dagelijks vetter, terwijl hun geest alle dagen magerder wordt! Fllendige slaven van hunne zwelgerij zijn ze, en niets kan men van hen gebruiken, zelfs geen rok!quot;

„Uwe excellentie geloott dus, dat het onmogelijk is, de frak zoo aan te trekken?quot;

„Of ik dat geloof? Zie ik er niet in uit, gelijk de verhongerde erfgenaam in den nagelaten rok van zijn neef, den rijken brouwer? Zal men niet denken, dat ik een vogelverschrikker ben, waarmede men de musschen uit de erwten wil verjagen?quot;

Juist trad een lakei binnen en meldde, dat monsieur 1'illeneuve verlangde te worden toegelaten.

„Hemel, ik vergat den kleermaker at te zeggen,quot; riep Tripot onlsleld.

„En dat is uw geluk,quot; zei Voltaire, plotseling tot bedaren komende. „Deze kleermaker is door God gezonden, en hij zal aan alle nood een einde maken. De frak is wel mooi en past mij ook, alleen is hij mij een weinig te wijd. De kleermaker zal hem dus nauwer maken.quot;

„Ha, uwe genade heeft daar een heerlijken inval. Hij zal de naden innemen en morgen weder uitleggen.quot;

„En mij op die wijze een frak leveren, die slecht zit. Hij moet het laken afsnijden.quot;

ocr page 237

269

,.Maar dan zal de heer F romer ij hem niet meer kunnen dragen,quot; merkte Tripot bedeesd aan.

„Dan zal hij vernemen, dat Voltaire hem de eer heeft aangedaan zijn (rak te leenen, en ik geloof, dat dit eene voldoende schadeloosstelling is voor een versneden frak! Laat den kleermaker komen!quot;

Door de bekwaamheid van den heer Pilleneuve kon Voltaire des avonds op de soiree der koningin-moeder verschijnen, met een frak, die zeer goed zat en juist om zijn mager figuur paste, en niemand vermoedde, dat het rouwkleed van den beroemden Franschen dichter den kramer Fromerij toebehoorde, en dat de groote diamanten speld en zijn kanten jabot en de vier diamanten ringen aan zijne hand, het eigendom van den jood Hirsch waren.

Maar nog schitterender dan de diamanten, fonkelden heden avond zijhe oogen; nog vuriger waren de blikken, die hij op prinses Amalia vestigde, wier bleeke en ernstige schoonheid hem tot steeds nieuwe geestige uitdrukkingen, tot steeds nieuwe loftuitingen bezielde.

Niemand waagde het, de hartstochtelijke hulde, die Voltaire der prinses bracht, ongepast te vinden. Voltaire was niet alleen de beroemdste man zijner eeuw, en daardoor wellicht gerechtigd, zelfs eene prinses zijne hulde te brengen, maar Voltaire was ook de lieveling des konings, en daarom was hem geoorloofd, wat geen ander durfde wagen.

Nochtans was er iemand, die deze taal der bewondering, welke Voltaire zich heden veroorloofde, te stout vond, en die persoon was de koning zelf!

Hij was juist zonder gedruisch en onaangemeld, gelijk hij gewoonlijk deed, in het salon zijner moeder getreden, en zag met een zacht, spottend lachje, hoe allen zich om Voltaire verdrongen, hoe ieder zich beijverde hem zijne bewondering te kennen te geven over het juist geïmproviseerde gedicht, en hem om de gunst te smeeken, het nog eens te herhalen.

„Maar hoe kan ik herhalen, wat ik zelf niet meer weet,quot; zeide Voltaire. „Een engel zweefde mij voorbij, en heeft mij met zijne blikken woorden toegefluisterd, die mijne verrukte lippen, als in eene verbijstering, hebben uitgesproken. Het verstand weet er niets van!quot;

„Het nageslacht zal het betreuren; want het zal een

ocr page 238

270

uwer heerlijke gedichten hebben verloren,quot; zeide prinses Amalia, die zeer goed het binnentreden des konings had bemerkt, en gevoelende, dat zijne blikken op haar rustten, zich gelijk de anderen, vriendelijk wilde betoonen jegens zijn meest geliefden gunsteling.

„Als uwe koninklijke hoogheid van die meening is, zal ik het gedicht, dat ik juist wilde voordragen, voor u opschrijven,quot; zeide Voltaire, terwijl hij van de speeltafel, waaraan de koninginnen te voren hadden gespeeld, het potlood en eene der witte kaarten nam, die daar voor het opteeke-nen der punten waren nedergelegd.

Hij schreef met haastige hand, en reikte toen de kaart met eene diepe buiging over.

De koning, die nog steeds een zwijgend aanschouwer van dat tooneel was geweest, zag, dat prinses Amalia, terwijl zij las, bloosde en haar voorhoofd fronste.

„Laat mij dat schoone gedicht van onzen grooten dichter ook eens lezen, zuster,quot;' zeide de koning, terwijl hij dichterbij kwam en het gezelschap met eene vriendelijke hoofdbuiging begroette.

Prinses Amalia overhandigde hem de kaart, en terwijl de koning las, stonden allen eerbiedig stil.

„Het gedicht is verheven,quot; zei de koning glimlachend, toen hij het had gelezen ; en hij bemerkte zeer wel, dat de blikken der prinses steeds somberder werden, en dat Voltaire zwaar ademhaalde, als van een drukkenden last bevrijd. „Inderdaad,quot; vervolgde de koning, „dit kleine gedicht is zoo schoon, dat gij mij moet toestaan, zuster, het af te schrijven. Zet uw gesprek maar voort, het stoort mij niet.quot;

Dat was een verzoek, dat in den mond eens konings een bevel is. Men beijverde zich dus een gesprek aan te knoo-pen, zoo levendig en opgewekt als maar mogelijk was, en ongedwongen en vroolijk te schijnen, terwijl men zeer wel zag, dat er iets ongewoons en zeldzaams voorviel.

De koning had zich aan de speeltafel gezet en herlas nu nogmaals Vollaire's gedicht, dat aldus luidde:

Souvent un peu de vérité öe mêle an pins grossier mensonge;

Cette nnit, dans 1'erreur (jjnn songe,

Au rang des rois j'étais monté.

ocr page 239

271

Je vous ainiais alors, et j'osais vous Ie dire.

Les Dieux a inon réveil ne m'ont pas tout óté,

Je n'ai perdu que mon empire. 1)

„Welk eene onbeschaamdheid!quot; mompelde de koning, en zijn vertoornde blik vestigde zich op Voltaire, die naast de koningin stond en zich levendig met haar onderhield, „Wij zullen zijne stoutheid een weinig moeten beteugelen,quot; vervolgde Frederik, terwijl hij een kaart nam, en snel begon te schrijven.

Waarlijk, op dat oogenblik zou zelfs de strenge heer Voltaire tevreden hebben moeten zijn met zijn leerling, want ditmaal veroorzaakte het rijm hem volstrekt geen moeite. Geen oogenblik bleef het potlood rusten en geen voet was te lang, geen rijm stootend.

Toen de koning zijn gedicht had geëindigd, stak hij de door Voltaire beschreven kaart in zijn borstzak en naderde met de andere weder de prinses.

„Inderdaad, het gedicht is geestig, zuster,quot; zeide do koning, Amalia de kaart overhandigende, „Lees het nog eens zacht, en verzoek Voltaire dan, het aan het gezelschap voor te dragen.quot;

De prinses zag den koning verbaasd aan. Toen las zij en nu zweefde over haar schoon, droefgeestig gelaat een zacht lachje, en den koning vriendelijk toeknikkende, zeide zij zacht:

„Ik dank u broeder!quot;

„Geef nu de kaart aan Voltaire en verzoek hem te lezen,quot; zeide de koning.

Voltaire nam met een diepe buiging de kaart, welke de prinses hem aanbood. Maar toen hij er zijne oogen op vestigde, glimlachte hij niet, als de prinses, maar verbleekte en drukte zijne lippen woedend op elkander.

„Lees toch,quot; zeide de koning.

„Sire, ik smeek om genade!quot; riep Voltaire, die snel zijne

IJ Met grove dwaling wordt in 'tleven Een weinig waarheid vaak doorweven; Zoo droomde ik laatst; 'k zat op een troon; En droeg een gouden koningskroon; — En speelbal van 't bedrog der zinnen, Waagde ik liet zelfs u te beminnen. De droom ging niet met alles heen; 'k Verloor mijn koninkrijk alleen!

ocr page 240

272

gevatheid had gekregen. „Het kleine gedicht, dat ik zooeven maakte is slecht en geenszins der verhevene prinses waardig, tot wie ik waagde het te richten. Maar uwe majesteit zij zoo genadig te bedenken, dat het oogenhlik er eenige waarde aan kon geven. Nu ik hel weder overgelezen heb, vind ik, dat het laf, zwak en plat is, en uwe majesteit zal dus zoo wreed niet zijn, mij te veroordeelen, dit gedicht voor te lezen, dat ik zelf nu slechten veroor-deelenswaardig vind.quot;

„Oh, le coquin!quot; prevelde de koning, terwijl Voltaire met eene diepe en eerbiedige buiging de kaart in zijn rokzak liet glijden.

Nadat de soirée afgeloopen en Voltaire naar zijne vertrekken teruggekeerd was, verdween de vroolijke uitdrukking, die hij tot nu toe met zoo veel moeite had bewaard, van zijn gelaat en zijne lippen, die tot nu toe zoo vriendelijk hadden geglimlacht, prevelden nu woorden van ver-wensching en gramschap. Terwijl hij anders de gewoonte had, met Tripot te keuvelen, beval hij hem nu den zilveren armblaker op zijne schrijftafel te zetten en zich vervolgens te verwijderen.

Toen hij alleen was, haalde hij haastig de kaart te voorschijn, en als om zich te overtuigen, dat, hetgeen hij zag, inderdaad waarheid en geen droom was, las hij met eene luide, van woede bevende stem:

On remarque pour l'ordinaire Qu'nn songe est analogue it notre oaractère.

Un héros peut rèver, qu'il a passé le Rhin.

Un chien, qu'il aboie i la lune;

Un joueur, qn'il a fait fortune,

Un voleur, qu'il a fait butin.

Mais que Voltaire, a 1'aide d'un mensonge,

Ose se croire roi, lui, qui n'est qu'un faquin,

Ma foi! c'est abuser du songe. 1)

1) Hoe vrij de droom ook met ons speelt. Meest geeft hij een karakterbeeld. Zoo droomt de loshoofd slechts van zwieren. De held van bloedige eerlaurieren; — Elk schilder in het droomenspel.

Acht zich zoo groot als Raphael.

Maar als Voltaire's hooge borst Zich meer durft wanen dan een vorst. Zoo zou dit waarlijk haast doen denken, Dat droomen soms de hersens krenken.

ocr page 241

273

„Ha, ik ben dus een faquin!quot; zeide Vollaire verbitterd. „Zoo ver hebben mijne vijanden het dus reeds gebracht, dat hij, dien men voor eenige weken nog den wijze zijner eeuw, Frankrijks Virgilius noemde, thans niets meer is dan een/'te/uin! Maar ditmaal heb ik de terechtwijzing verdiend, en dat juist vermeerdert mijne gramschap. Want liet toont mij, dat ik nog een stumper en een goedhartige dwaas ben. Waarom was ik zoo waanzinnig, geloof te slaan aan de plechtige betuigingen des konings, dat hij zich nimmer zou verlioovaardigen, mij nimmer den meester zou laten voelen. Ternauwernood waag ik het, mij met hem gelijk te stellen, of hij zwaait reeds de tuchtroede, om den slaat in het stof te buigen. O, Voltaire is de man niet, die zich laat buigen, en er zal een dag komen, waarop ik liem het leed van dezen avond met rijkelijke rente zal vergelden. — Maar voor heden heb ik al ergernis en ontroering genoeg gehad. Ik wil slapen, en misschien ontvoert mijn droom mij van deze koude, akelige oevers der Spree naar mijn schoon en schitterend Parijs!quot;

Hij riep Tripot en beval hem, naar de vertrekken des konings te gaan en Fredersdorf te melden, dat Vollaire zich zeer ongesteld gevoelde en niet in slaat was den koning met zijn gevolg morgen vroeg naar Polsdam te vergezellen, zoodat hij zich liet verontschuldigen.

Toen begaf hij zich ter ruste, en de goden verhoorden misschien zijn gebed en lieten hem in den droom dat schoone Parijs zien, waar de markiezin van Pompadour heerschte en de vrome priesters tegen den atheïst Voltaire predikten, dien de grootmoedige koning van Pruisen eene schuilplaats had verleend. — Misschien ook zag hij in den droom de seigneurie zijner toekomst, zijn schoon kasteel Ferney, aan het meer van Geneve, waar de atheïst Voltaire een tempel liet bouwen, prijkende met het trotsche opschrift; „ Voltaire Deo er exit.quot;

Wel moesten het schoone en verkwikkende droomen zijn, die hem omzweefden, want Voltaire glimlachte in den slaap, en zijn gelaat, dat, wakende, zoo dikwijls door beuzelachtige en boosaardige driften misvormd was, had nu eene reine en levendige schoonheid, het was het gelaat eens dichters, die met gesloten oogen in den helderen hemel ziet.

De morgen kwam, en Voltaire süep nog, zelfs hetgedruisch

Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 18

ocr page 242

274

der equipages, die op het slotplein kwamen en daarna snel wegreden, deden hem slechts een oogenblik ontwaken. Hij nestelde zich vast in zijn zacht leger, het zachte dons van zijn hoofdkussen bedekte zijn hoofd, maakte het geheel onzichtbaar en hield ieder gedruisch van hem verwijderd, opdat zijn slaap door geen geraas zou worden gestoord.

Tripot kwam zacht op de toonen binnensluipen en nam de zwarte frak, om die weder naar zijn vriend, den bediende van den heer Fromerij te brengen, opdat deze de duodecimo-uitgave van de prachtige en groote frak van gisteren weder ongemerkt in de kleerkast van zijn heer zou kunnen hangen.

Hij sliep rustig voort, zelfs toen de deur met veel geraas openging en een jong meisje, met frissche roode wangenen schoone oogen, in zijne kamer trad. Zij droeg de eenvoudige kleeding van de bedienden uit het paleis; een net, wit mutsje verborg het haar, dat van voren gescheiden, haar voorhoofd omgaf; een witte boezelaar, met eene groot borstlap, bedekte de eenvoudige, gestreepte japon om die te sparen. Op haar vollen, hlooten arm droeg zij een hoop linnengoed, beddelakens en overtrekken, die zij achteloos op den grond wierp, en naderde met snelle schreden voltairo's bed, dat gelijk de staatsiebedden der groote koningen, niet aan den wand, maar vrij in de kamer was geplaatst.

Voltaire sliep nog door; het zachte hoofdkussen was zoo dicht over zijn hoofd gebogen, dat hij niets hoeren, en het meisje hem volstrekt niet zien kon.

Zij was argeloos en te goeder trouw, de jeugdige verzorgster der koninklijke bedden; zij geloofde doodeenvoudig, dat de heer Voltaire, gelijk de overige heeren, met den koning naar Potsdam was gereden, en zij kwam, om in deze kamer te doen, wat zij in alle kamers had gedaan, namelijk de beddelakens af te nemen.

Met rasschen greep vatten hare beide krachtige handen het beddelaken, dat onder het overbed te voorschijn kwam; met een hevigen ruk haalde zij het er uit; —daar klonk een luide gil, en eene witte gestalte uit het bed opgejaagd, vloog de kamer in, en wentelde zich met woeste vloeken en dreigend gebalde vuisten op het tapijt.

Met meisje gaf een schellen kreet van angst en vluchtte ontsteld uit de kamer, en zoo de gestalte en de slaapmuts niet wit waren geweest, zou. zij hebben gezworen, dat de

ocr page 243

275

duivel in persoon uit het bed van den groolen Franschen dichter was gesprongen. ^

XXVII.

EEN OFFER DER LIEFDE.

De vier weken uitstel, die de koning aan zijne zuster prinses Amalia, had toegestaan, otn haar hart te raadplegen, waren voorbij, maar in haar hart had geene verandering plaats gegrepen; alleen haar gelaat was veranderd en zij kon hare bleekheid wel onder het blanketsel en de krampachtige trekkingen van hare lippen wel onder een glimlach verbergen, maar zij kon niet beletten, dat men zag, hoe hare wangen dagelijks meer invielen en hare oogen steeds rooder werden. Zelfs de koning had het gezien en haar zijn lijfarts Meckel gezonden, opdat hij hare oogen zoude genezen.

Prinses Amalia ontving dezen afgezant des koningsmet een bitteren, ijskouden glimlach. „De koning is zeer vriendelijk,quot; zeide zij, „maar ik ben niet ziek, ik lijd volstrekt niet.quot;

,.Maar, uwe koninklijke hoogheid, uwe oogen lijden,quot; zeide de geneesheer. „Zij zijn ontstoken en dof. Verooi loof mij, dat ik ze onderzoek.quot;

„Welnu, onderzoek, daar de koning het heeft bevolen; maar ik zeg u vooruit, gij zult het lijdenniet kunnen genezen.quot;

De geheimraad Meckel onderzocht de oogen nauwkeurig en schudde bedenkelijk het hoofd

„Prinses,quot; zei hij eindelijk op zachten en eerbiedigen toon, „als gij uwe oogen geen rust gunt, als gij des nachts, in plaats van te slapen, rusteloos op uwe kamer heen en weder gaat en uwe oogen door aanhoudend weenen bederft, kan het oen zeer erg en treurig einde nemen.''

„Gij bedoelt, dat ik blind zou kunnen worden?quot; vroeg Amalia bedaard.

De geneesheer haalde bedenkelijk de schouders op. „Ik

1) Thiébault. Deel V, pag. 281

ocr page 244

270

bedoelde dat uwe oogen zeer ongesteld zijn; doch dat, is de eigenlijke ziekte niet, maar uw geheele zenuwgestel is ziek en uitgeput, en hierop moeten wij dus krachtdadig werken, indien wij willen, dat de oogen zullen genezen.quot;

„Schrijf dus iets voor, daar zijne majesteit het heeft bevolen,quot; zeide Amalia koel.

„Ik zal uwe koninklijke hoogheideen middel voorschrijven, maar het is van een zoo sterken en gevaarlijken aard, dat men het niet dan met de uiterste omzichtigheid mag aanwenden. Het is eene uit scherpe geneesmiddelen samengestelde vloeistof, die verwarmd moet worden, en welker dampen gij in uwe oogen moet laten trekken. Maar uwe hoogheid moet daarbij zeer zorgvuldig en oplettend te werk gaan. De bestanddeelen van dit mengsel zijn zoo scherp en bijtend, dat, wanneer uwe hoogheid de dampen van te nabij inademdet, die niet alleen uwe oogen, maar uw geheele gelaat, zelfs uwe stem in gevaar kon brengen. Gij moet daarom, terwijl de dampen opstijgen, uw mond dicht gesloten houden, en uwe oogen nimmer dichter dan tot op acht of tien duim bij de vaas brengen, waarin zich de dampende massa bevindt. Zal uwe koninklijke hoogheid de genade hebben, dit niet te vergeten en dien overeenkomstig te handelen ?quot;

„Ik zal het niet vergeten,quot; zeide Amalia, slechts het eerste gedeelte der vraag beantwoordende.

De 'geneesheer sloeg er geen acht op. Hij schreef zijn recept en verwijderde zich, na nogmaals de grootste voorzichtigheid bij de aanwending van het recept te hebben aanbevolen.

Dat was de dag vóór het verstrijken van het door den koning bepaalde uitstel. Prinses Amalia, die zeer rustig en gelaten scheen en zelfs niet meer tegen hare vertrouwde hofdame klaagde, liet het onopgemerkt voorbijgaan, dat men haar den volgenden morgen het dampende mengsel bracht; en terwijl zij er zich overheen boog op den afstand, dooiden geneesheer bevolen, zeide zij glimlachend tot Ernestine: „Ik moet heden wel beproeven, mijne oogen wat te doen schitteren, ten einde mijn broeder te behagen, of althans niet terstond zijn misnoegen op te wekken.quot;

Het middel scheen inderdaad zeer krachtig te zijn, want de oogen der prinses waren heden zoo schitterend en hel-

ocr page 245

277

der, als zij in langen tijd niet waren geweest, en op hare wangen brandde dat donkere, gloeiende incarnaat, dat een krachtige en koene wil soms ook op bleeke gezichten doet ontstaan.

„Ga nu mede, Ernestine,quot; zeide zij. „Vergezel mij naar mijne kleedkamer en draag zorg, dat mijn toilet zoo smaakvol mogelijk zij. Het is mij te moede, alsof het heden mijn bruiloftsdag is, alsof ik mij met een geliefden vriend voor eeuwig ga verloven.quot;

„Mocht gij dat doen,quot; smeekte freule von Haak. „Mocht gij uw schoon en edel hart bedwingen en gehoor gevende aan des konings wenschen, met den koning van Denemarken huwen.quot;

Amalia vestigde een verbaasden en toornigen blik op haar. Gij weet,quot; zeide zij, „dat Trenck mijne waarschuwing heeft ontvangen en er mij op heeft geantwoord. Hij zal aan geenerlei inblazingen gehoor geven; hij zal zich onder geen voorwendsel laten overhalen, de grenzen van mijn broeders staten te overschrijden; hij zal zelfs dan niet komen, als deze hem in genade laat terugroepen. Ik kan dus zijnentwege onbezorgi zijn.quot;

„En daar uwe hoogheid dat kunt zijn, moest zij nu ook een weinig aan haar eigen geluk denken. Zij moest zich met haar lot trachten te verzoenen en zich schikken in wat niet te veranderen is. De koning, en met hem de geheele koninklijke familie, ja, het geheele land, zou vol vreugde zijn, als het bedoelde huwelijk met den koning van Denemarken tot stand kwam. O, wees dus verstandig, prinses, doe nu vrijwillig en blijmoedig, wat gij anders zeker gedwongen moet doen, zonder er dank voor te erlangen. Geef uwe toestemming, word koningin van Denemarken!quot;

„Ach, gij hebt dus nimmer bemind en gij weet niet, dat het eene misdaad is, een heiligen eed, dieu men voor God heeft afgelegd, te breken. Ik weet, wat ik te doen heb, en ik zal het doen!quot;

Volkomen bedaard en gelaten bracht de prinses haar toilet ten einde; toen ging zij naar de groote psyche, die in haar kabinet stond en beschouwde daarin haar eigen beeld met een onderzoekend oog.

„Ik denk, dat er niets in mijn voorkomen is, dat den koning in een kwade luim zou kunnen brengen,quot; zeide zij.

ocr page 246

278

„Ik heb genoeg blanketsel op mijne wangen gelegd, endoor het heerlijke middel van den geneesheer, zijn mijne oogen heden zoo schitterend, alsof zij nimmer tranen hadden ver-goten, en indien ik met zulk een vriendelijk, vroolijk lachje bij mijn broeder binnenkom, zal hij niet zien, dat mijne wangen zijn ingevallen. Hij zal dus over mij voldaan zijn en dan wellicht mijne bede verhooren.quot;

Ernestine sloeg haar met treurige, bekommerde blikken gade. „Gij ziet bleek, in weerwil van het blanketsel, en als gij glimlacht, is deze glimlach zoo droevig, dat zij het hart verscheurt.quot;

„Stil,quot; zeide Amalia met bevende lippen, „stil, Ernestine, het uur is daar! Ik ga naar den koning. Ziet gij, de wijzer der klok staat op twaalf, en juist op dit uur heb ik bij den koning audiëntie laten verzoeken. Vaarwel Ernestine, en bid voor mij.quot;

Zij wikkelde zich vast in haar lluweelen, met hermelijn omzetten mantel, en ging bedaard en met lier opgericht hoofd door hare vertrekken en door de lange gaanderij, die van de vertrekken der koningin-moeder naar den door den koning bewoonden zijvleugel van het paleis voerde.

De koning ontving haar in zijne bibliotheek. Hij kwam haar tot de deur te gemoet, en stak haar met een vriendelijk lachje beide handen toe.

„Welkom, Amalia,1' zeide hij, „duizendmaal welkom, want uwe tegenwoordigheid alhier bewijst mij, dat uw hart de kracht heeft gevonden, die ik er van verwachtte, en dat mijne zuster zich zelf en haar jonkvrouwelijken trots heeft wed erge vonden. De dochter der Hohenzollern komt, om haar koning te zeggen: „De koning van Denemarken dingt naar mijne hand. Ik geef ze hem, want de dochter mijner vaderen mag nimmer naar de laagte, maar naar de hoogte zien, en zoo daar voor mij geene mirtenkrans, maar slechts eene kroon schittert, wil ik de kroon nemen; want God heelt mijn hoofd sterk gemaakt en gezegend, dat het eene kroon zoude kunnen dragen. Daar ik geene gelukkige herderin mag zijn, wil ik eene koningin zijn, die anderen gelukkig maakt.quot; Dat wilt gij den koning zeggen. Maar gij zijtook gekomen, om tot uw broeder te zeggen: „Mijn broeder, ik ben bereid, uw wensch te vervullen; want ik weet, dat gij er geene baatzuchtige oogmerken, geene eerzuchtige plannen

ocr page 247

270

mede verbindt. Ik weet, dat gij slechts mijn geluk en mijne welvaart up het oog hadt, dat gij mij wildot redden van ongeluk, vernedering en smaad, dat gij mij wildet behoeden voor do dwalingen en zwakheden van mijn eigen hart. Ik vervul dus uw wensch, mijn broeder, ik wil koningin van Denemarken worden.quot;

„Welnu,quot; vervolgde de koning na eehe kleine stilte met diep bewogen stem, „welnu Amalia, heb ik niet juist geraden? Zijl gij niet daarom gekomen?quot;

„Neen broeder, neen,quot; riep Amalia, onstuimig in tranen losbarstende, „neen, ik ben gekomen, om uw medelijden, uwe erbarming af te smeeken.': En geheel buiten zich zelve, vol hartstocht en smart op hare knieën zinkende, hief zij smeekend hare armen tot den koning op. „Genade, mijn broeder, genade! O, verschoon mijn arm gemarteld hart, laat mij ten minste de vrijheid te klagen en ongelukkig te zijn. Huw mij toch niet aan Denemarken!quot;

De koning trad eene schrede achteruit en zijn voorhoofd betrok. Maar hij bedwong snel zijn drift, en naderde zijne zuster met een goedhartig lachje, om haar zacht op te heffen en naar de sofa te voeren.

„Kom Amalia.quot; zeide hij, „het past u niet, voor een mensch op de knieën te liggen. Slechts voor God moogt gij knielen. Laten wij ons hier neder zetten en nu met elkander spreken, gelijk het broeder en zuster betaamt, die elkander beminnen en willen verstaan.quot;

„Ik ben tot alles bereid, ik wil mij in alles schikken, doch wees genadig, noodzaak mij niet, met Denemarken te huwen.quot;

„Lla, zie eens, hoe juist gij, ofschoon mij wederstrevende,quot; uwe stelling hebt begrepen,quot; zeide de koning zachtmoedig. „Gij spreekt van uw huwelijk met Denemarken. Geheel uwe verhevene en grootsche bestemming ligt in dat woord opgesloten. Als eene prinses huwt, huwt zij niet een man, maar een geheel volk, en niet een man, maar een geheel volk moet zij gelukkig maken. Daar zijn de weenenden, wier tranen zij drogen, de armen, wier honger zij stillen, de ongelukkigen, die zij helpen, de zieken, met welke zij bidden moet. Daar is een geheel volk, dat haar te gemoet juicht, dat zijne handen naar haar uitstrekt, en haar smeekt om datgene, waarmede God ook het hart eener koningin

ocr page 248

280

heeft gezegend, omdat zij cene vrouw is, om liefde, ü, mijne zuster, het is eene grootsche en schoone bestemming, die het lot u heeft voorbehouden: niet een enkelen, maar duizenden gelukkig te maken, als de hel pende, bemiddelende en lachende engel aan de zijde eens konings te staan, de bemiddelende hand der liefde te zijn tusschen een koning en zijn volk. Waarlijk, zulk eene bestemming is wel waard, dat men voor haar zijn eigene, nietige wenschen, zijn geheel persoonlijk, baatzuchtig geluk opolïert.quot;

„Ik kan geen geluk meer ten offer brengen,quot;' zeide Amalia zuchtend, „want ik heb geen geluk en verlang het ook niet. Maar ik wil ten minste het recht hebben, voor mijn verdriet te leven en mij zelve getrouw te zijn.''

„Aan zich zeiven getrouw is slechts hij, die zijn plicht doet,quot; riep de koning. „Aan zich zeiven getrouw is hij, die zich zeiven bedwingt, en zoo hij niet gelukkig kan zijn, ten minste tracht, anderen gelukkig te maken. En dit „gelukkig makenquot; is de edele bestemming der vrouw, daarnaar moet zij streven, daarin moet zij haar troost, hare sterkte en hare rust vinden. En wie, mijne zuster, kan van zich zeiven zeggen, dat hij gelukkig is? Ons leven bestaat uit onvervulde wenschen, uit ijdelehoop, uit verloren begoochelingen. Aanschouw mij, Amalia. Ben ik dan ooit gelukkig-geweest? Gelooft gij, dat er ooit een dag is geweest, dien ik nog eens zou willen doorleven? Heb ik niet vanat mijne vroegste jeugd het ongeluk, de onthouding en de smart leeren kennen? Zijn niet alle bloesems mijns levens ontijdig verdord? Ben ik niet een slaaf mijner grootheid, een geboeide, waar ik een trotsch koning schijn te zijn? O. ik wil u niet verhalen, wat ik al heb geleden, hoe men allengs mijn hart heeft vertrapt en verscheurd; ik wil u slechts zeggen, dat ik nochtans nooit heb gewenscht iets anders te zijn, dan wat ik ben, dat ik steeds mijn lot heb gedankt, dat ik op een troon en niet in een hut ben geboren. Want zuster, een verheven ongeluk is altijd beter en heerlijker, dan een klein en alledaagsch geluk; en het lioofd vol wonden te hebben, omdat de kroon te zwaar op onzen schedel drukt, is een schitterender lot,dan onder de morsige voeten der algemeenheid en alledaagschheid zijn leven te eindigen en in een duister en onbekend graf te zinken. God, die ons misschien de liefde ontzeide, gaf ons daarvoor

ocr page 249

281

den roem, en zoo wij hel geluk niet bezitten, bezitten wij daarvoor de macht.quot;

„Ach broeder,quot; riep Amalia jammerend, „dat zijn de beschouwingen van een koning en van een man. Ik ben slechts eene arme zwakke vrouw, en voor mii bestaat er geen roem of macht.quot;

„Ook Isabella van Spanje en Elizabeth van Engeland waren slechts vrouwen, en nochtans schittert haar room door alle eeuwen heen!quot;

„Maar zij waren zelfstandige koninginnen, terwijl ik nimmer iets anders kan zijn dan de gemalin eens konings. O, mijn broeder, laat mij nimmer iets anders zijn dan de zusier eens koning. Verander of verwissel aan mijn lot niets, laat het blijven gelijk het is. Ziedaar alles, wat ik heden nog van u wil afsmeeken. Ik heb immers mijn hart gedood en van lederen wensch afstand gedaan, laat dat voldoende zijn, broeder, eisch niet het bovenmenschelijke van mij.quot;

De koning sprong op en zijne oogen gloeiden nu van liet vuur der gramschap. „Het is dus alles te vergeefs,quot; zeide hij met krachtige stem. „Gij wilt noch naar mijn ver zoek noch naar mijne rede luisteren?quot;

„O, sire, erbarming! Ik kan niet met den koning van Denemarken huwen!quot;

„Kunt gij niet?quot; riep de koning. „Wat beteekent zulks?quot;

„Het beteekent, dat ik heb gezworen, nimmer de vrouw te worden van een ander man dan van hem, dien ik bemin. Het beteekent, dat ik heb gezworen, ongehuwd te sterven, zoo ik niet met mijn geliefde voor het altaar kan treden.quot;

„Gij zult dien dwazen eed niet kunnen vervullen,quot; riep de koning dringend. „Gij zult huwen, ik, de koning, beveel het u.quot;

„Doe het niet broeder,quot; riep Amalia fier, „beveel niet, want gij staat hier aan de uiterste grenzen uwer macht, en gij zoudt licht kunnen ondervinden, dat zelfs een koning machteloos is, tegenover den vasten wil eens rnenschen.quot;

„Ha, wilt gij mij dreigen?quot;

„Neen, ik wil slechts tot u bidden, uw hart orn ontferming smeeken! O, miju koning en broeder, heb medelijden. Ik omvat uwe knieën en ik bid tot u, gelijk men tot God bidt: Heb deernis met mijne ellende, lenig mijne smarten! Ik ben eene arme, zwakke vrouw, ontterrn u! Mijn

ocr page 250

282

hart bloedt uit duizend wonden, troost het. Ik ben eenzaam en alleen, verlaten van alle menschen, wees gij met mij en bescherm mij. O, broeder, broeder, het is mijn leven, mij no jeugd, mijne toekomst, die tot u smeekt: Erbarming, genade! Drijf mij niet tot het uiterste; wees genadig, gelijk God het is. Dwing mij niet tot een opstand tegen God, tegen de natuur en tegen mijne eigene waarde als mensch. Laat mijn nieteene ontaarde dochter, eene ondankbare zuster, eene ongehoorzame onderdane worden. God, laat uw hart getroffen worden. Ik kan den koning van Denemarken niet huwen, zeg niet, dat ik het moct h'

„En indien ik het nochtans deed, wanneer ik krachtens mijn gezag als uw broeder en uw koning u beveel, mijn wil te doen?quot;

„Dan zal ik wellicht sterven, maar niet aan uwe bevelen vuldoen,quot; zeide zij, langzaam van hare knieën opstaande en de toornige blikken des konings bedaard verdurende. „Gij hebt aan mijn smeeken geen gehoor willen geven, welnu ik smeek niet meer. Maar ik zweer u, en God hoort mijn eed: Ik zal nimmer huwen. Deproef thans, koning, hoever uw macht gaat en wat gij vermoogt tegen eene vrouw, wier hart zich verzet tegen de dwingelandij van haar lot. O, gij kunt een leger in den slag voeren, provinciën veroveren en tronen doen wankelen, maar gij kunt eene vrouw niet noodzaken te doen, wat zij niet mag, gij kunt mijn wil niet breken, en ik herhaal mijn eed ;/X-niet huwen!quot;

Een kreet van toorn drong van -de lippen des konings, en met eene heftige beweging een schrede voorwaarts doende, vatte hij met zijne beide handen de armen dei-prinses. Toen echter, als beschaamd over zijne eigene drift, liet hij ze weder los en trad terug. — Zijn gelaat, dat eerst zoo verhit en ontsteld was geweest nam nu eene koude, onverbiddelijke uitdrukking aan, en op zijn lippen vertoonde zich die strenge spottende trek. welke hij slechts in oogen-blikken van de hoogste verbittering en toornigste spanning placht aan te nemen.

„Madame,quot; zeide hij, „gij zult met den koning van Denemarken huwen. Dat is mijn onveranderlijke wil, mijn onherroepelijk bevel. De rouwtijd over zijn overleden gemalin is voorbij en de koning van Denemarken heeft door een

ocr page 251

'283

huitengewoon gezant zijn aanzoek om uwe hand hernieuwd. Ik zal den heer gezant morgen in plechtig gehoor ontvangen en hem zeggen, dat ik bereid hen, den koning van Denemarken de hand mijner zuster te schonken. Gij zult dus morgen de hruid en over vier weken de gemalin van den koning van Denemarken zijn.quot;

„En als ik u herhaal, dat ik niet wil?quot;

„Madame, als de koning heeft gesproken, is er niemand in zijn rijk, die kan zeggen: Ik wil niet! —Vaarwel!Tot morgen dus!quot;

Hij hoog zich en ging naar het aangrenzende vertrek, waarvan hij de deur achter zich sloot.

Amalia zuchtte diep en wendde zich naar de deur, om weder naar hare vertrekken terug te keeren. Langzaam en hedaard, zooals zij was gekomen, ging zij weder dooide gangen en kamers; met een zachten glimlach ging zij hare hofdame voorbij, die haar met een bang kloppend hart in de eerste voorkamer had afgewacht. Toen Ernestine haar naar haar kabinet wilde volgen, gaf zij haar een teeken achter te blijven, terwijl zij haar tevens met een blik van eindelooze liefde aanzag.

Maar toen zij de deur van haar kabinet achter zich had gesloten, toen zij alleen was, drong een woeste, schrille angstkreet van hare lippen en wanhopig hare armen ten hemel hellend, zonk zij als vernietigd op den grond.

Hoe lang zij zoo had gelegen, welke martelingen en kwellingen haar hart in deze uren, dat zij met God alleen was, had doorstaan, wie kan het weten en nagaan?

De avond viel reeds, toen prinses Amalia de deur van haar kabinet opende en hare vriendin, freule von Haak, die reeds langen tijd weenend en wanhopig om toegang had gesmeekt, met eene zachte stem verzocht bij haar binnen te komen.

„O, prinses, dierbare, geliefde prinses,quot; zeidc freule von Haak weenend, Amalia's hand aan haar lippen drukkende. „God zij gedankt, dat gij mij veroorlooft u weder te zien. Mijn hart verging bijna van angst over u.quot;

„Arm kind,quot; zeide Amalia teeder, „arm kind, gij dacht, dacht ik mij zou dooden, niet waar? Neen, Ernestine, ik zal leven; want een duister en treurig voorgevoel zegt mij, dat er een dag zal komen, waarop Trenck mij noodig heeft.

ocr page 252

284

waarop mijn leven en mijne hulp liem noodzakelijk zijn. Ik zal dus de kracht hebben te leven en dien dag af te wachten. Dat is alles, wat ik u kan zeggen. Laten wij er niet meer over spreken.quot;

En uiterst gelaten begon zij nu over onverschillige dingen te spreken, vriendelijk toestemmende in alles, wat Ernestine haar verhaalde. Er was alleen een zekere ernstigheid in hare bewegingen, in haar glimlach, in elk woord, dat zij sprak; soms zagen hare oogen met eene onuitsprekelijke uitdrukking te» hemel, en eene bange, angstige zucht trilde op hare lippen.

Eindelijk waren die lange, sombere avonduren voorbij, eindelijk was de nacht gekomen. Prinses Amalia mocht hare dames ontslaan en alleen blijven. Hare kamenier bracht de spirituslamp, waarop de vaas met het brandende mixtuur voor de oogen der prinses stond. — Amalia beval haar, het op tafel te zetten en gerust te gaan slapen. Zij wilde zich zelf uilkleeden en voor zij het geneesmiddel gebruikte nog wat lezen.

Toen omhelsde zij freule von Haak en beval ook haar zich ter ruste te begeven.

„Gij hebt mij uw woord gegeven,quot; lispelde Ernestine, „gij zult leven!quot;

„Ik zal leven, want Trenck zal mij eens noodig hebben! Goeden nacht!quot;

Zij kuste Ernestine op het voorhoofd en zag haar glimlachend na, tot de deur achter haar werd gesloten Toen schoot zij er snel den grendel voor, en door de kamer gaande, ging zij naar den grooten spiegel, die helder en duidelijk haar eigen beeld weerkaatste.

Met eene zonderlinge uitdrukking beschouwde zij haar eigen schoon, jeugdig, bekoorlijk voorkomen, en zachtkens fluisterden hare lippen;

„Vaarwel! Gij, die Trenck bemind hebt, vaarwel!quot;

Zij groette met een somber lachje haar spiegelbeeld en toen ging zij met vasten tied naar de tafel, waarop het mengsel borrelde en siste en zijne gevaarlijke dampen deed opstijgen.

Den anderen morgen vernam men uit het slaapvertrek der prinses luide kreten en klachten. — Het waren de kameniers, die gekomen waren om de prinses aan te kleeden

ocr page 253

285

en haar met een misvormd gelaat, met bloed beloopen oo-gen, welke gezwollen en strak uit hunne kassen schenen te puilen, op haar bed vonden.

Men liep naar den geneesheer, naar de koningin, zelfs naar den koning. Alles was in verwarring, ieder was ontsteld en beangst.

Ernestine von Haak knielde weenend voor het bed dei-prinses en smeekte haar te zeggen, door welk vreeselijk toeval haar gelaat zoo misvormd was.

Maar prinses Amalia was niet in staat antwoord te geven Hare lippen waren krampachtig opeen gedrukt, zij kon slechts enkele onverstaanbare geluiden uitbrengen.

Eindelijk kwam de geheimraad Meckel en toen hij dit roode en gezwollen gelaat, die uit hunne kassen puilende oogen gewaar werd en daarna de op tafel staande vaas, met het thans koud geworden mengsel, gaven zijne trekken ontsteltenis en leedwezen te kennen.

„Ach, die ongelukkige,quot; mompelde hij, „zij heeft geen acht geslagen op mijne waarschuwing, zij is te dicht bij de dampen gekomen en zij zijn niet alleen in hare oogen maar ook in hare luchtpijpen gedrongen, zij zal voel moeten lijden en nimmer geheel genezen,''

Amalia had deze tot freule von Haak gerichte woorden verstaan en eene akelige, woeste lach vertrok hare bloedige, ontvelde lippen.

„Maarzij zal toch genezen?quot; vroeg de hofdame beangst.

„Zij zal genezen, maar hare oogen zullen steeds misvormd blijven en ook hare stem zal voor altijd hebben geleden.

Ik spoed mij nu naar de apotheek, om verzachtende pleisters en pijnstillende dranken te laten gereed maken en zal dan terug komen om de pleisters zelf op te leggen.quot;

De geneesheer verwijderde zich, maar nu ging eene deur open en de koning trad binnen.

Met een hevig ontroerd gelaat en haastige schreden naderde hij het bed der prinses; toen hij haar gezwollen misvormd gelaat en die vreeselijke oogen zag, gaf hij een gil van schrik en boog zich over zijn zuster heen.

Hare groote, met bloed beloopen oogen zagen strak naar hem op. Zij beproefde hare lippen te openen, zij wilde spreken, maar slechts een heesch, hol geluid, kwam van hare lippen.

ocr page 254

280

Nu richtte zij zich met een geweldige inspaninng van krachten een weinig op en tastte met hare hand over den witten muur, naar haar bed.

„Zij wil schrijven,quot; zeide de koning, „zij wil wellicht de oorzaak van haar lijden opgeven. Geef iets, het eerste, het beste. Een kool ginds van den haard 1quot;

Freule von Haak bracht haar een der zwarte kolen, en nu schreef Amalia met bevende hand, langzaam en dof kermend, met groote, onregelmatige letters, deze woorden op den muur;

„Thans zal ik dm koning van Denenmarken niet huiven! Thans zal ik nimmer huiuen /quot;

Toen ïonk zij heesch lachende, waardoor hare gespannen en gezwollen trekken afschuwelijk werden, weder op Iiaar kussen neder.

De koning was op een stoel, naast haar bed nedergezonken en zijn gelaat met beide handen bedekkende, gaf hij zich geheel aan zijne diepe smart over. Hij had nu'alles begrepen, alles verslaan. Hij wist, dat zij vrijwillig haar gelaat op deze wijze misvormd, en hare schoonheid aan hare liefde ten oifer had gebracht. Daarom had zij dus zoo innig gesmeekt, daarom had zij om mededoogen gebeden, om medelijden met hare jeugd, hare toekomst, haar levensgeluk. Voor de liefde en de trouw had zij zich opgeofferd, moediger en grooter in hare lielde, had Julia zelfs, had zij geen zelfmoord begaan, maar zich slechts misvormd, slechts baar lichaam verminkt, om haar hart in trouw en liefde voor haar geliefde te bewaren.

Dat alles wist en begreep de koning nu, en eene diepe, onuitsprekelijke droefheid over deze in liefde zoo sterke en krachtige, jeugdige vrouw, maakte ziclx van hem mees-sier. Hij verborg zijn hoofd dieper in zijne handen en weende hevig. (/)

1) Ten einde niet door mijne lezers, wat deze misvorming der prinsses betreft, van een willekeurig romanverdichtsel beschuldigd te worden, haal ik hier uit het werk van ïhiébault, die twintig jaar aan het hof des konings leefde, en dus dikwijls gelegendheid had, de prinses te zien, de volgende daarop betrekking hebbende plaats aan:

La partie de 1'historie de la princesse Amélie qui ti été la moins connue et sur laquelle le public a Hotte entre des opinions plus diverses et moins admissibles' c'ést la cause de se.s indrraités. Heureusernent consitituée sans être bien grande, elle n'anrait pas du avoir a les craindre, mème dans un

ocr page 255

287

XXVIII.

BARBERINA.

De echtgenoot (ies groot-kanseliers had door haar bezoek bij Pgt;arbarina juist het tegendeel bereikt van wat haar doel was. De liero danseres had. eindelijk eene beslissing genomen. Voorheen was ze besluiteloos en dralend en wist niet of ze aan de smeekingen van den heer van Cocceji zou toegeven. Maar nu had de vrouw des groot-kanseliers haar tot een besluit gedwongen.

Mevrouw van Cocceji was gekomen, om Barberina te bewijzen, dat zij er nimmer aan mocht denken, de gemalin haars zoons te worden en zij had door haar hoovaardig en beleedigend gedrag Barberina zoo zeer verbitterd, dat deze nu uit wraak wilde doen, wat zij der liefde vroeger had geweigerd. Zij wilde de echtgenoote van den jongenheer van

age très-avancé, et elle en a été atteinte bien avant IVifee, qui peut les faire craindre: encore ne les a-t-elle pas eues partiellement; elle en a été spon-tanément accablée. 11 n'est pas douteux, qu'elle ne les ait chercliées; j'en (lonnerai pour preu^'e nn fait qui est certain. A une époque, oü elle avait les yeux entiammós, Jlr. Meckel, qui était son médecin, lui ordonna une composition liquide, qu'il faillait foire chauffer, pour en faure parvenier la vapeur jusqu'aux yeux, raais en tenant ce liquide au moins a sept ou huit pouces de distance: il lui recomraanda bien de ne pas l'approcher davanta-ge; et cependant, des qu'elle ent cette composition, elles 'empressa de s'en frotter les yeux, ce qui produisit un si funeste elfet, qu'elle courut le plus grand danger de devinir aveugle, et (jue depuis elle a toujours eu les yeux a. raoitié sortis de leurs orbites, et aussi hideux qu'ils avaient été beaux jusque-lu. Frédéric a qui on n'osa pas dire combien la princesse avait de part a cet accident, n'a jamais eu depuis qu'une aversion trèsmarquée et un vrai mépris pour Mr. Meckel, que la princesse fut obligée de quitter, et qui n'en était pas moins un des meilleurs médecins de Berlin, et un des plus célèbres anatomistes de 1'Europe.

Tine autre inürmité plus étonnante encore e'est que cette princesse perdit presque totalement la voix, aussi de sa faute, H ce que 1'on a prétendu: il lui étaut dillicile de parler, et très-pénible aux autres de l'entendre: sa voix n'était plus qu'un son rauque, sourd et sépuclral, semblable a celui que forme une personne, qui fait effort pour dire, comnie i voix basse, qu'elle étrangle.

Je ne parlerai pas de sa tête chancelante et se sontenante a peine, de ses jambes pour lesquelles son corps appauvri était un poids si lourd. de ses bras et de ses mains plus d'a moitié paralysés, mais quel puissants motifs ont pu amener cette belle et aimable princesse a se faire elle-même un sort aussi tristé? (Juelle pliilosophie a pu lui donner assez de force pour le supporter et ne pas s'en plaindre? Quelle énergie tons ces faits ne prouvent-ils pas? (Thiébault. Deel II, pag. 2S7—89).

ocr page 256

288

Cocceji worden, en daar zij het in haar hevige gramschap aan mevrouw Cocceji had toegezworen, verlangde haar trots en hare eer nu ook het nakomen van dien eed.

Van beide zijden begon dus een levendige strijd, van beide zijden werd hij met gelijke verbittering en gelijke kracht gevoerd.

De groot-kanselier kon zijn zoon met zijn vloek bedreigen en hem plechtig voor het gerecht onterven, zijn zoon beminde Barberina daarom niet minder vurig, en toen zijne moeder hem met smadelijke, verwijtende woorden over de schoone danseres sprak, antwoordde hij op beleefden, maar vastberaden toon : dat bij haar moest verzoeken hem op dergelijke wijze niet te spreken over haar, die weldra zijne gemalin zou zijn.

Mevrouw Cocceji was buiten zich zelve van ontzetting, en nu gelukte het haar, haar echtgenoot te overreden tot het laatste en voor het uiterst gevaar bewaarde middel zijne toevlucht te nemeUj namelijk, tot het bevel tot inhechtenisneming, dat de koning zijn groot-kanselier had gegeven, krachtens hetwelk hij zijn zoon aan de tooverboeien der Ariadne kon ontvoeren en hem naar het kasteel Alt-Lands-berg laten brengen.

Men maakte dus van dit bevel tot inhechtenisneming gebruik; op zekeren dag verscheen de heer geheimraad van Cocceji niet gelijk gewoonlijk op het kamergerecht en niemand wist waar hij was heengegaan. Zijne bedienden verhaalden evenwel, dat midden in den nacht eene koels voor zijne woning was gekomen, dat de generaal von Haak met twee soldalen zich in huis had begeven en bij den heer Cocceji op de kamer was gebleven. Toen was de generaal vergezeld door den heer geheimraad weder verschenen en met dezen in de gereed staande koets gestapt.

Bij het instappen had de heer van Cocceji echter gelegenheid gevonden, zijn vertrouwden bediende een stukje papier in de hand te drukken en hem in te fluisteren: „Spoedig aan de signora.quot;

Dit papier, dat de getrouwe bediende terstond aan signora Barberina bracht, bevatte slechts deze woorden : „Men neemt mij gevangen. Neem dus alle noodige maatregelen en verwacht mij dagelijks. Zoodra ik weder vrij ben, zal ons huwelijk plaats hebben.quot;

ocr page 257

289

En Barbei'ina nam hare maatregelen; zij deed herhaalde malen kleine reizen, die haar verscheiclene dagen van Berlijn verwijderd hielden, en in Berlijn kocht zij zich een schoon en prachtig huis, wellicht slechts om mevrouw Coc-ceji te bewijzen, dat zij geenszins voornemens was, Berlijn te verlaten en naar Italië terug te keeren.

Zoo verliepen eenige maanden. De koning, die het verzoek van den groot-kanselier had toege.staan en zijn zoon in hechtenis had laten nemen, kon er echter niet in toestemmen, dat men een zijner onderdanen, zijner ambtenaren langer gevangen hield, daar men hera niet voor den rechter kon brengen, omdat hij noch tegen den koning, noch tegen de wetten had misdreven, omdat men hem geen andere misdaad kon ten laste leggen, dan dat hij de vrouw, die hij beminde, ook wilde huwen.

Men moest er dus wel toe besluiten, den geheimraad van Gocceji weder te ontslaan.

Hij keerde naar Berlijn terug, en zijn eerste bezoek was niet bij zijne ouders, maar bij Barberina, die thans in haar nieuw huis in de Behrenstrasse woonde.

Eenige uren later hield een wagen voor de deur van haar huis stil, en Barberina met hare zuster, stapten vergezeld door den heer van Cocceji in het rijtuig, dat snel wegreed.

Waarheen waren zij gereden? Niemand wist het. Zelfs de verspieders van des groot-kanseliers vrouw, die zich bestendig om het huis der danseres ophielden, konden het niet van de bedienden te weten komen. Maar na eenige dagen brachten zij haar de tijding, dat Barberina was teruggekeerd, dat de geheimraad van Cocceji bij haar, in haar schoon, nieuw huis woonde, en de bedienden van den heer van Cocceji bevel hadden gekregen, de signora nu ,.Mevrouw van Coccejiquot; te noemen, daar zij thans zijne echtgenoote was.

De vrouw van den groot-kanselier lachte er minachtend over en hield het slechts voor een coup de théatre. Maar plotseling hield eene equipage voor haar huis stil, en toen zij, een weinig nieuwsgierig zijnde, zelf aan het venster ging, zag zij, dat de koetsier en de bediende eene zeer schoone, rijk met goud versierde livrei droegen, en dat signora Bar-

Mühlbaoh, Frederik de Groote en gijn Hof. IV. 19

ocr page 258

k290

berhia uit het portier keek van deze prachtige koets, waarop het wapen der Gocceji's prijkte.

Ontsteld ging zij van het venster weg. Daar kwam de bediende binnen met een kaartje, dat hij eerbiedig aan de gemalin van den groot-kanselier overhandigde.

„Ik ben niet te huis, ik ontvang geen bezoek,quot; schreeuwde zij, nadat zij het kaartje had gezien.

De bediende snelde heen en terstond daarop hoorde men den wagen wegrijden.

„Het is dus waar en zij heeft gezegevierd,quot; kermde zij, nog steeds op het kaartje starende, dat niets bevatte, dau de lakonieke woorden: „Monsieur de Cocceji, Madame de Cocceji, née Barberina. p. f. v.quot;

„Maar zij mag niet zegevieren, ik zal het nimmer dulden, dat Barberina mijne schoondochter kan worden genoemd,quot; riep de trotsche vrouw toen weder met nieuwen moed. „Deze echtvereeniging moet verbroken worden, dit huwelijk is ongeldig, want het is tegen de wetten des lands, Barberina is van burgeratkomst, en geen edelman mag zonder des konings toestemming met iemand van burgeratkomst huwen. Ik zal mij dus voor de voeten des konings werpen, en hij zal dit huwelijk ontbinden! '

De koning was inderdaad vertoornd en zeer geneigd aan de smeekingen van den groot-kanselier en zijne vrouw toe te geven. Hij had nog onlangs de katholieke geestelijkheid te Berlijn ten strengste bevolen, geen huwelijkin te zegenen, zonder voorafgaande afkondiging der huwelijksgebodenen legitimatie, en het verbitterde hem dus, dat deze het wellicht nochtans had gewaagd, zijne bevelen te weerstreven, en heimelijk den heer van Cocceji met Barberina in den echt te verbinden.

Dat verwekte de gramschap des konings en hij gaf derhalve den kabinetsminister von Uhden schriftelijk bevel, nauwkeurig te onderzoeken, met welk recht de danseres Barberina het kon wagen, zich mevrouw van Cocceji te noemen, en zoo zij daartoe recht had, uit te vorschen, welke priester het huwelijk had ingezegend, daar zijne majesteit had besloten, dien wegens zijne ongehoorzaamheid streng te straffen.

De minister von IJhden, een persoonlijk vriend van den groot-kanselier, was zeer bereid deze aangelegenheid met. alle strengheid te behandelen, en zond Barberine bevel, den

ocr page 259

291

volgenden dag bij hem Ie komen, omdat hij haar op des konings bevel, gerechtelijk moest verhooren. ')

Toen Barberina deze lakonieke aanschrijving ontving, zag /ij langen tijd stil voor zich neder en een diepe smart was in hare trekken te lezen.

„En wat zult gij doen, zuster?quot; vroeg Marietta.

„Ik zal naar den koning gaan,quot; zeide Barberina uit haar diep gepeins ontwakend.

„Naar den koning,quot; riep Marietta onthutst.

„Ja, mijne zuster, naar den koning. Ik wil weten, waarom hij mij haat.quot;

„Maar de koning is heden naar Potsdam gereden.quot;

„Dan zal ik naar Potsdam rijden. Gelast den koetsier in te spannen en op de post versche paarden te bestellen. Binnen een kwartier wil ik vertrekken.quot;

„En wat moet ik uw echtgenoot zeggen, als hij van de rechtbank terugkomt?quot;

Barberina zag haar aan met een fleren, vasten blik. „Zeg hem, dat mevrouw van Gocceji zich naar Potsdam heeft begeven, om den koning persoonlijk haar huwelijk bekend to maken, en hem te verzoeken het te erkennen.quot;

„Barberina,quot; fluisterde hare zuster zacht; „nog iets. Uw echtgenoot is treurig en moedeloos. Hij heeft mij tot zijne vertrouwde gemaakt. Hij zegt, dat gij hem niet uit liefde, maar uit spijt hebt gehuwd, en in den grond uws harten hem niet bemint.quot;

„Ik zal het leeren, want ik wil het,quot; zeide Barberina treurig. „O, ik heb een sterken wil, en mijn hart zal mij wel moeten gehoorzamen.quot;

Zij glimlachte bij deze woorden, maar het was een droevige en pijnlijke glimlach, die hare zuster de tranen in de oogen bracht.

De koning was alleen in zijn studeervertrek op het koninklijke paleis te Potsdam. Hij zat aan zijn bureau en was ijverig met schrijven bezig, toen de deur zacht achter hem werd geopend en de markies d'Argens met levendige en nieuwsgierige blikken naar binnen zag. Ziende dat de koning volstrekt geen acht op hem sloeg en hem in het geheel niet had gehoord, keerde hij zich zacht om, en gaf de dame, die

1) L. Schneider. Geschichte der Berliner Oper. Bijlagen, pag -2.

ocr page 260

292

tot nu toe achter hem had gestaan een wenk om naderbij te treden. Zacht en zonder gedruisch trad zij binnen. De markies groette haar glimlachend en ging toen weder de deur uit, die hij zacht sloot. De dame, wier gelaat tot nu toe gesluierd was, sloeg thans haastig den sluier ter zijde, en nu zag men Rarberina's bleek, schoon gelaat, en hare schitterende oogen, die met een onbeschrijfelijke uitdrukking van smart en geluk op den koning waren gevestigd.

Maar de koning hoorde nog niets. Plotseling scheen het hem toe, alsof hij eene stille zucht vei-nam, alsof eene zoele lang gemiste stem, zacht zijn naam fluisterde.

Hij stond haastig op en keerde zich om. Daar aan de deur lag zij op hare knieën. Het was dezelfde deur, waarvoor zij, vijf jaar geleden, in tranen badende, wanhopig had geknield, en sedert dien tijd hadden zij elkander nimmer weder gesproken. Even als toen, lag zij weenende op hare knieën en hief smeekend hare handen op lot den koning en bad om genade en mededoogen.

De koning verbleekte eerst van verrassing en zijn voorhoofd was bewolkt, maar toen hij haar aanschouwde, toen hij weder in die groote, diepe, ondoorgrondelijke oogen zag, overviel hem diepe weemoed, een smartelijk zacht gevoel van blijdschap en geluk. De wolken verdwenen van zijn voorhoofd, eene wonderbare treffend schoone uitdrukking zweefde als een zonnestaal over zijn gelaat, en zijne oogen schitterden als in een vochtigen glans.

Minzaam glimlachend naderde hij Barberina. „Sta op, Barberina,quot; zeide hij, en de toon zijner stem deed haar hart luider kloppen en deed de tranen in hare oogen opwellen. „Sta op, Barberina. Gij komt tot mij op eene ongewone wijze, maar gij komt nochtans in een schoon gevolg, — in het gevolg der herinneringen, en ik, van wien de menschen zeggen, dat ik geen godsdienst heb, ik heb ten minste den godsdienst der herinneringen, en daarom wil ik niet toornig op u zijn. Sta dus op, Barberina, en zeg mij, wat u tot mij voért.quot;

Hij reikte haar zijne hand, en richtte haar op. Toen zij nu tegenover hem stond, nog steeds zoo lieftallig en schoon, nog met dit donkere oog vol hartstocht en gloed, met die too verachtige, liefelijke schoonheid, toen gevoelde de koning

ocr page 261

293

eene diepe smart in zijne eigene borst, eene smart, die door geene woorden kon worden uitgedrukt.

Lang stonden zij aldus sprakeloos tegenover elkander, hij nog altijd Barberina's hand in de zijne houdende, hunne blikken op elkander rustende, en elkander wonderbare geheimzinnige vertellingen toelluisterend.

„Ik zie bekoorlijke, glimlachende geniussen om u zweven,quot; zei de koning eindelijk; „deze geniussen zijn de uren, die vervlogen zijn, Barberina. Ach, Barberina, omringd door deze geniussen, hebt gij voor mij het voorkomen van een engel. Waarom waart gij het niet? Waarom waart gij niets dan eene vrouw? Eene hartstochtelijke, heerschzuch-tige vrouw, die wilde heerschen in plaats slechts te bemin-nan, die het niet genoeg was, door den man te worden aangebeden, maar ook den koning aan zich wilde onderwerpen, tot de koning den man in zich moest onderdrukken en zijn eigen hart bedwingen, om koning te blijven. O, Barberina, waarom waart gij eene heerschzuchtige vrouw, in plaats de engel te zijn, die gij toch inderdaad zijt?quot;

Zij hief zacht hare hand op, alsof zij hem wilde smeeken, te zwijgen. „Ik heb dat alles begrepen,quot; zeide zij, „want ik heb er veel over nagedacht, steeds, nacht en dag, sire, tot ik u heb begrepen, tot ik inzag, dat gij billijk hadt gehandeld. Thans echter, sire, ben ik niet meer eene heerschzuchtige, maar nog slechts eene ootmoedige vrouw. En in dezen ootmoed, mijn trots vaarwel gezegd hebbende, kom ik tot u, sire. Ik kom tot u, gelijk men tot God gaat, wanneer het hart ter neder geslagen en bedrukt is. Ik kom tot u, gelijk men naar eene kerk gaat, als men zijn hart wil verlichten, door zijne zonden te biechten, en God smeekt, ons bij te staan, om ons eigen hart te beteugelen. Sire, het is dus een heilig en plechtig uur voor mij, en wal ik u thans wil zeggen, moogt slechts gij en God weten.quot;

„Spreek, Barberina,quot; zei de koning, „en moge God u hooren.quot;

„Sire, ik kom u om hulp smeeken.''

„Ha, daarom,quot; zei de koning, en eene spottende uitdrukking zweefde over zijn gelaat. „Ik had het vergeten. Gij wilt thans mevrouw van Gocceji heeten.quot;

„Ik heet zoo sire,quot; zeide zij zacht, „maar men wil dezen echt ongeldig verklaren en krachtens de wet vernietigen.quot;

ocr page 262

294

„En daarvoor komt gij bij mij,quot; riep de koning. „Gij vreest voor uw schoonen titel.quot;

„O, sire,quot; zeide Barberina fier, „gij schat mij toch niet zoo laag, te denken, dat eene armzalige titel mij zou kunnen bekoren,quot;

„Gij hebt den heer van Cocceji toch niet uit zuivere, be-langlooze liefde gehuwd?quot; vroeg de koning spottend.

Zij zag hem strak en onafgewend aan. „Neen, sire, ik heb hem niet uit liefde gehuwd.quot;

„En waarom dan?

„Om mij te redden, sire, ja, om mij te redden, omdat ik niet kon leeren vergeten. Ha, uwe majesteit zeidet voorheen, dat gij den godsdienst der herinnering had, ik echter, sire, ik ben de door smart verscheurde, gemartelde dweepzieke priesteres van dezen godsdienst geweest, ik heb dagelijks voor zijn altaar gelegenen mijn hart gegeeseld, vroom en smartelijk, en mijne oogen moede geweend. Eindelijk-op een dag stond ik op en besloot, dit altaar van mijnen godsdienst te verlaten, te vlieden voor mijne smarten en mijn hart te leeren vergeten. Ik ging dus naar Engeland nam lord Stuarts aanbod aan, en besloot zijne gemalin te worden. Maar het was alles te vergeefs, te vergeefs. Wat mijne lippen ook mochten spreken, mijn hart lag nog steeds bloedend en stuiptrekkend voor het altaar mijner herinneringen. Gij waart met mij den oceaan overgestoken, gij begroettet mij met geheimzinnige liefdeklanken, gij riept mij met die twee groote wonderbare oogen, die helder en blauw zijn, gelijk de hemel en geheimzinnig en diep gelijk de oceaan. Deze oogen, sire, riepen mij terug en ik kon hun geen weerstand bieden. Ik gevoelde, dat ik liever zoude sterven, dan zonder hen te leven, en zoo ontvlood ik den dag vóór mijn huwelijk Engeland en keerde herwaarts terug. En de oude betoovering maakte zich weder van mij meester, maar tevens de oude smart. Thans gevoelde ik, dat ik mij voor mijn eigen hart moest redden, zoo ik niet waanzinnig wilde worden; dat ik mijn hart in vaste boeien moest slaan, dat ik mijne liefde aan mijn plicht moest onderwerpen, om eindelijk deze kwellingen te overmeesteren. Nog wankelde ik in mijn besluit, toen de vrouw van den groot-kanselier tot mij kwam; haar vermetele trots wekte mijn hoogmoed, zoodat hii zelfs mijn leed verdoofde, en ik

ocr page 263

205

aan niets anders konde gehoor geven. Zoo werd ik de echtgenoot van Cocceji; zoo heb ik mijne toevlucht yenomen tot dat huwelijk, als tot eene haven, waarin ik wil uitrusten van alle stormen. Maar ach, sire, wat ik ook moge beproeven, hoe veel moeite ik ook heb gedaan, een nieuw leven te beginnen, de godsdienst der herinneringen laat zijne priesteres niet los; hij houdt zijne geheimzinnige handen naar mij uitgestrekt, en mijn hart snelt hem, mijns ondanks, juichend te gemoet Sire, wees gij mijn redder. Ik heb ui dit huwelijk eene toevlucht gezocht, gelijk men in eene kloostercel de zoete liefde der wereld ontvliedt. Sire, beveel, dat men mij niet weder uit die cel verdrijve, dat men mij stil en ongehinderd late leven voor God en mijn plicht, O, sire, mijne ziel heeft hare veerkracht verloren, zij ligt mat en krank aan uwe voeten, help haar, dat zij weder geneze.quot;

Toen zij nu zweeg, en hare gevouwen handen smeekend naar den koning uitstrekte, aanschouwde hij haar zwijgend, maar met een schitterend, glimlachend gelaat. Toen nam hij hare beide handen, boog zich er over heen en kuste ze met een langen, vurigen kus, die Barberina deed huiveren en haar deed stilstaan van smartelijke verrukking.

„Barberina,quot; zeide hij met zijne schoone, welluidende stem, „Barberina, ik dank u! God en de koning hebben u gehoord. Gij zegt, dat gij de priesteres der herinneringen zijt; welnu dan, ik ben ook haar priester, en ik zeg u, dat ook ik menigen nacht voor haar altaar heb gelegen en mijn hart heb gegeeseld. Het leven verlangt zware oilers en van de koningen meer dan van andere menschen. Ik heb eens aan mijn koningschap zulk een groot offer gebracht, dat het mij toescheen, dat mij daarna niets meer moeite zoude kosten te overwinnen. De dwazen en gedachteloozen zeggen, dat het leven een genoegen is Ik echter, Barberina ik zeg: het leven is een plicht! Laat ons gaan en hem vervullen quot;

„Ja, laat ons gaan en hem vervullen. Maar daar ik zwak ben, verzoek ik u nog iets! Er is geen Lethodrankmeer, waaruit men de vergetelheid zou kunnen drinken en nochtans moet ik vergeten en een sluier werpen over mijn gelieele verleden. Help mij, sire, ik moet weg uit Berlijn. Verban mijn echtgenoot naar de eene of andere kleine stad; zij zal voor mij een open graf zijn, maar ik zal trachten, dat graf

ocr page 264

'296

met bloemen te beplanten, welker geur mijn echtgenoot zal verheugen.quot;

„Uw wil zal geschieden.quot; zei de koning treurig.

„Ik dank u sire, en thans, vaarwel!quot;

„Vaarwel, vaarwel!quot;

Hij nam hare beide handen in de zijne en zag geruimen tijd in haar schoon, door hemelschen glansschitterend gelaat.

Beiden zwegen; zij namen afscheid van elkander met hunne blikken, met het zachte, weemoedige lachje, dat om hunne zwijgende lippen speelde.

„Vaarwel, sire,quot; lispelde Barberina nogmaals na eene lange stilte, terwijl zij zacht hare handen uit die van den koning trok en naar de deur ging.

De koning volgde haar. „Geet mij uwe hand,quot; zeide hij, „ik ga met u mede.quot;

„Ja, gij gaat met mij mede, waarheen ik ook ga,quot; lispelde Barberina nauwelijks hoorbaar.

De koning voerde haar naar het aangrenzende, vertrek waarin zich twee deuren bevonden, van welke de eene naaiden corridor voerde, waarop de kleine trap uitkwam, welke naar eene zijpoort van het paleis leidde, terwijl de andere naar de groote voorzaal voerde, waarin de cavaliers en het gevolg des konings zich gewoonlijk verzamelden.

Barberina was de kleine trap opgekomen, en zij richtte nu hare schreden naar de deur, welke derwaarts voerde.

„Neen, daar niet heen,quot; zeide de koning; „mijn hof wacht op mij in de voorzaal, want het is het uur waarop wij naar de parade gaan. Ik wil u aan mijn hof toonen.quot;

Barberina dankte hem met een minzaam lachje en volgde hem zwijgend naar de andere deur, welke de koning openstiet, en waardoor Barberina aan zijn hand in de groote voorzaal trad.

Daar bevonden zich de generaals in hunne schitterende uniformen, die aanzienlijk hofbeambten en cavaliers in hunne met goud geborduurde kleederen en fonkelende diamanten ridderorden, en allen bogen zich eerbiedig endiep, en niemand waagde het op zijn gelaat de verbazing te toonen, die een ieder nochtans gevoelde.

De koning voerde Barberina in het midden der zaal, en hare hand toen loslatende, zeide hij luide: „Madame, ik heb de eer u vaarwel te zeggen. Uw wensch zal worden

ocr page 265

207

vervuld. Uw echtgenout zal als president naar Glogau gaan. Ik zal deze benoeming nog heden uitvaardigen.quot;

Zijn liere en koene blik zweefde onderzoekend rond in den kring zijner cavaliers, hij lot den heer van Pölnitz had ontdekt.

„Heer opper-ceremoniemeester,quot; zeide de koning, „geleid mevrouw van Gocceji naar hare koets.quot;

De heer von Pöllnilz snelde naar voren en stelde zich met eene diepe buiging aan Uarberina's zijde.

De koning groette Barberina nogmaals, hetwelk zij met eene ceremoniëele buiging, overeenkomstig te etiquette, beantwoordde. Toen nnm zij den arm van den heer op-perceremoniemeester von Pöllnitz, en onder het zwijgen der geheele schitterende vergadering verliet B irberina de zaal.

De koning volgde haar mot de oogen, tol zij verdwenen was; toen haalde hij diep adem, en zich minzaam tot zijn gevolg wendende, zeide hij: „Messieurs, laten wijnaarde parade gaan!quot; ')

J) Nadat de koning op liarberina's verzoek, den geheimraad en fiskaal-generaal van Uliden bevolen had, alle verdere vervolgingen tegen Barberina te staken, dewijl, gelijk in het bevel des konings wordt gezegd; dit huwelijk van de zoogenaamde Barberina met den heer van Cocceji nu toch geschied ip, en zonder veel inconveniënten niet kan worden geredresseerd,quot; schreef de koning ook aan den vader van den heer van Cocceji, en berichtte hem: „dat hij, om aan dezen veeljarigen familietwist eindelijk een einde te maken, zijn zoon uit Berlijn verplaatsen; maardaarbij indachtig zijn, dat deze verplaatsing op eene billijke wijs geschiedde, en zijn zoon daarbij niets in zijn tractament en zijn karakter te kort worde gedaan. Gij zult lichtelijk inzien, dat alles, wat ik in deze zaak doe, uit eene faiblesse van mij voor u geschied, daar uw meergemelde zoon, zoolang hij in mijn dienst niets misdoet ook door mij.niet zon worden gestraft daar zijn onbezonnen huwelijk eigenlijk mijn dienst volstrekt niet aangaat.quot; In een anderen brief aan den groot kanselier, waarin de koning hem te kennen geeft, dat hij den geheimraad naar Glogan zal verplaatsen, zegt de koning: ,'Het zal mij aangenaam zijn, dat gij in uwe voorstellen, die gij wellicht verder omtrent uw zoon zult doen, u niet zoo hard over zijn persoon uitlaat, daar hij eigenlijk niets in zijn dienst heeft misdrevenquot; L. Schneider's Geschichte der Berliner Oper. Bijlagen, pag. 16. Barberina ging met haar echtgenoot naat Glogau en kwam nimmer weder naar Berlijn terug; hare echtvereeniging met den heer van Cocceji moet zeer gelukkig zijn geweest. Nog vóór haar dood, bestemde zij baar vermogen, dut uit drie schoone riddergoederen en 100,000 daalder in contant geld bestond, tot de oprichting van een gesticht voor achttien adellijke freules. Daarvoor verhief koning Frederik II haar in 1780 in den gravenstand. Zij stierf te Barschau in Silezië als gravin van Campa-nini den 7 Juni 179'J in den ouderdom van 75 jaar.

ocr page 266

298

XXIX.

INTRIGUES.

Voltaire was zijn plan volkomen trouw gebleven; hij had zijn verblijf in Pruisen, en de vriendschap des konings dienstbaar gemaakt aati zijne plannen om schatten te verzamelen en om hen, die evenals hij, zich in de toegenegenheid des konings mochten verheugen, zooveel mogelijk te benadeelen.

Hij had zijne rijkdommen vermeerderd, niet alleen door zooveel doenlijk te schrapen en te sparen, en zijn aanzienlijk jaargeld geheel te beleggen, maar ook nog voornamelijk door die spekulaties met Saksische belastingbiljetten, waartoe hij eerst de tusschenkomst van den jood Hirsch had ingeroepen. Wij hebben gezien, dat hij hem naar Dresden zond, om. voor achttienduizend daalder schatkistbiljetten te koo-pen, en hem drie door hem geaccepteerde wissels gaf. Eene daarvan was op den bekenden bankier Ephraim, die later gewoonlijk de muntjood werd genoemd. Daardoor vernam Ephraim van Voltaire's spekulatie, en als een sluw koopman zijn voordeel berekenende, begaf hij zich naar Voltaire, aan wien hij den voorslag deed, dat hij hem voor twintigduizend daalder Saksische belastingbiljetten wilde geven, en eerst dan daarvoor het geld ontvangen, als Voltaire de waarde uit Dresden had gekregen. De eenige percenten, die hij verlangde, waren de toegenegenheid van Voltaire en zijne voorspraak bij den koning. Deze handel was te winstgevend voor den grooten Franschen dichter om dien af te slaan. Hij nam de Saksische belastingbiljetten von Ephraim, beloofde hem zijne bescherming en zond terstond een protest tegen den wissel, dien hij den jood Hirsch had gegeven. Deze had intusschen in Dresden vooi-Voltaire de belastingbiljetten reeds gekocht, en was niet alleen door den Parijzer wissel, maar ook door de weigering om de belastingbiljetten te ontvangen en te betalen, in de grootste verlegenheid gebracht. Voltaire trachtte hem te bevredigen en beloofde zijne schade te vergoeden, en hem bovendien ook nog daardoor schadeloos te stellen, dat hij hem eenige der diamanten afkocht, die hij van Hirsch in bewaring bad. Dat deed

ocr page 267

299

hij ook inderdaad. Hij kocht voor drieduizend daalder diamanten, en gaf Ilirsch de andore terug. Na eenige dagen evenwel liet hij hem om een diamanten kruis en eeniger in-gen verzoeken, die hij eveneens voornemens was te koopen.

Ilirsch zond hem ook deze, en toen hij na eenige dagen noch zijne diamanten, noch zijn geld ontving, begat hij zich naar Voltaire, om het eene of het andere te halen. Voltaire ontving hem echler met de uiterste gramschap, beweerde, dat de diamanten, welke hij had gekocht, valsch waren, en hij, om zich schadeloos te stellen, de overige diamanten had behouden, en ook niet weder zou teruggeven. In zijne dichterlijke verrukking hief hij gedurig zijne gebalde vuisten bezwerend ten hemel of onder den neus van den armen, angstigen jood, dien hij daarenboven de diamanten ring van den vinger trok en toen de deur wees.

Na klaagde de jood Hirsch hem in rechten aan en verlangde gerechtelijk de teruggave zijner diamanten, en de betaling der Saksische belastingbiljetten. Een langdurig en ergerlijk proces was daarvan het gevolg. Voltaire's intrigues en listen verwikkelden het hoe langer boe meer, en zelfs de rechters wist hij tot wanhoop te brengen. Voltaire beweerde van Hirsch valsche diamanten te hebben ontvangen, terwijl de jood Hirsch zeide, dat de valsche, door Voltaire te voorschijn gebrachte diamanten, niet dezelfde waren, welke hij hem had verkocht en welke de juwelier Reclam vroeger zelf had getaxeerd. Niemand was bij dezen handel tegenwoordig geweest, en geen van beiden had getuigen voor zijne beweringen. De rechters moesten er zich dus toe bepalen, Voltaire den eed op te leggen, daar hij in geene minnelijke schikking wilde treden. Maar ook het alleggen van den eed weigerde hij. „Wat,quot; schreeuwde hij, ,,moei ik op den bijbel zweren, op dat boek, dat in zulk slecht latijn is geschreven? Ja, zoo het nog Homerus of Virgilius ware, zoude ik er niets tegen hebben.quot; Toen de rechter hem daarop aanmerkte, dat, zoo hij den eed weigerde, men den jood Hirsch tot den eed zou toelaten, riep hij: „Wat? Wilt gij, dat de eed van dezen ellendeling, die den Heiland heeft gekruisigd, zal beslissen?quot;1)

Hij deed echter den eed, en daar de jood Ephraim tevens

1

ïhiebault. Deel V, pag. 285,

ocr page 268

300

bezwoer, dat Voltaire hem de diamanten had getoond en hij ze terstond voor valsch had erkend, verloor de jood Hirsch zijn proces, en Voltaire kon zegevierend aan den graaf d'Argental sclirijven:

„Zoo men mijne vijanden en henijders hoorde, zou ik een groot proces verloren, oen redilschapen joodschen bankier bedrogen, en de koning, die natuurlijk de partij van het oude testament meest opvatten, mij zijne gunst onttrokken hebben, en ik was verloren, en Fréron zou lachend verteld hebben, dat ik van verdriet ziek geworden en gestorven ware. In plaats daarvan ben ik nog in leven, en de koning heeft gedurende mijne ziekte zooveel vriendelijkheid voor mij gehad, dat ik de ondankbaarste aller menschen moest zijn, wanneer ik niet nog eenige maanden bij hem bleef. Ik ben het eenige dier van mijn ras, dat liij in zijn paleis te Berlijn huisvestte, en toen hij naar Potsdam vertrok en ik hem niet kon volgen, liet hij eene et]uipage, koks en alle et celera achter; en zijne muildieren en paarden brachten later mijne meubels en zaken in een heerlijk landhuis bij Sanssouci, dat hij mij ten gebruike heeft gegeven, en bovendien heeft hij voor mij nog eene andere woning in zijn paleis te Potsdam, waar ik een gedeelte der week slaap en verleef; kortom, zoo ik niet drie honderd mijlen van u verwijderd was, indien ik u niet zoo feeder beminde, en een weinig gezonder was, zou ik de gelukkigste aller menschen zijn. Ik verzoek daarom vergeving aan mijne henijders, die nietige vernuftige geesten, en die schoolvossen, die thans zullen schreeuwen : .,Is het mogelijk, dat hij twintigduizend francs jaarlijksch inkomen heeft, terwijl wij niets hebben'.' Dat hij een gouden kruis aan zijn rok heeft, terwijl wij er zelfs geen zakdoek in hebben? Dat hij een groot blauw kruis met diamanten om zijn hals draagt, terwijl wij hem willen verworgen?quot; — Die ellendelingen weten niet, dat noch het kruis, noch de sleutel, noch het jaargeld mij Ie harte gaan, dat ik dit alles zonder het minste hartzeer zou opgeven, als ik niet eenig en alleen aan den persoon eens grooten mans, die mijn geluk uitmaakt, ware geboeid.quot; *)

Maar deze hemel des geluks, dien Voltaire zoo roemde

1) Voltaire: Oeuvres. Deel 58, pag. 422.

ocr page 269

301

was evenwel niet geheel onbewolkt gebleven, en er waren eenige stormen noodig geweest, om dien weder op te helderen.

De koning was zeer vertoornd geweest over Voltaire, en had hem zulks in een zeer heftigen en misnoegden brief uit Potsdam gezegd;

„Ik heb tot op uwe komst steeds den vrede in mijn huis weten te bewaren,quot; schrijft hij aan Voltaire, „en ik moet u bekennen, dat, zoo gij de passie hebt met kuiperijen om te gaan en heimelijk samen te spannen, gij bij mij slecht zijt aangekomen. Ik houd van zachtmoedige en vreedzame lieden, die in hun gedrag niet de heftige hartstochten van het treurspel mengen. Ingeval gij kunt besluiten als wijsgeer te leven, zal het mij verheugen, u te zien; maar zoo gij u weder aan de woede uwer hartstochten wilt overgeven, en met alle menschen twist zoeken, doet gij beter, te Berlijn te blijven, want uwe overkomst naar Potsdam zou dan geen genoegen voor mij zijn.quot; ^

Eerst nadat Voltaire plechtig had beloofd, zich te beteren en vrede te houden, mocht hij naar Potsdam terugkeeren.

Maar dat „vrede houdenquot; was eene zaak, die noch met het karakter, noch met het plan van Voltaire overeenkwam, liet kuipen en samenspannen was voor hem eene noodzakelijkheid, waarvan hij geen afstand kon ol wilde doen.

Nadat hij d'Arnaud door zijne intriges had weten uit den weg te ruimen, zoodat deze Berlijn moest verlaten, wendde zijn toorn zich tegen de overige hovelingen en vrienden des konings. Een hunner werd door den dood aan zijne aanvallen ontrukt. Dat was La Mettrie, die ten gevolge van het overmatig gebruik van eene truffelpastei in het huis van den Franschen gezant, lord Tirconnel, stierf aan eene aderlating, die hij, tegen het advies van den geneesheer, onderging, met de woorden : „Ik wil mijne indigesties aan het aderlaten gewennen.quot; Hij stierf echter aan deze eerste proefneming; zijn dood was gelijk aan zijn geheele leven en zijne grondstellingen. Den priester, die ongeroepen bij hem was gekomen, en hem tot verzoening met God wilde aanmanen, weerde hij heftig af. Spoedig daarna echter riep hij onder de folteringen zijner smarten : „O, mijn God! O, Jezus Maria!quot; — „O, hij heeft berouw!quot;

1) Oeuvres posthumes. Supplément. Deel 11, pag. 383.

ocr page 270

302

riep de verheugde priester. „Hij roept tot God en zijn éénigen Zoon!quot; — „Neen, neen mijn vader,quot; stamelde La Mettrie met stervende lippen, „dat is slechts een wijze van spreken!quot; 1)

Voltaire's nijd en afgunst wendde zich nu het eerst tegen den markies d'Argens, die inderdaad tot de dierbaarste vrienden des konings behoorde. In den beginne beproefde hij den koning zelf tegen hem in te nemen, en verried hem, dat de markies heimelijk met de tooneelspeeister Barbe Cochois was gehuwd. De koning was in den beginne werkelijk zeer vertoornd, maar de smeekingen van Algarotti en de smart van den armen markies verzoenden hem eindelijk; hij schonk hem niet slechts vergiffenis maar veroorloofde zelfs, dat de markiezin met haar echtgenoot op Sans-souci mocht wonen.

Daar Voltaire dus den markies d'Argens niet de gunst des konings had kunnen onttrekken, wilde hij hem ten minste eenig leed veroorzaken en hem in de genegenheden zijns harten krenken. Hij wist, dat de markies een vurig vereerder van den Franschen dichter Jean Babtiste Rousseau was.

Op zekeren dag dan begaf Voltaire zich naar den markies d'Argens, en zeide met een treurig en teeder gelaat, dat hij het voor zijn plicht hield, hem opheldering te geven over dien ellendeling Jean Baptiste Rousseau, en hem te bewijzen, dat deze zijne vereering en liefde met den snoodsten ondank beloonde. Ilij had juist van zijn correspondent uit Parijs een epigram ontvangen, dat Rousseau op den markies had gemaakt. Het was wel is waar nog weinig en slechts in afschriften bekend, en Rousseau liet ieder, die hij het toonde, zweren, dat hij het niet zou verraden, maar hij vertoonde het hem evenwel, en was ook voornemens, bet te laten drukken. Hi], Voltaire, had evenwel zijn correspondent opgedragen, alles aan te wenden, dat dit afschuwelijke epigram niet zou worden gedrukt, of zoo dat geschiedde, alle middelen in het werk te stellen, dat het publiek even geërgerd moest zijn over dit schandelijk gedrag van Rousseau als alle vrienden van den markies.

Wel is waar was dit epigram, dat Voltaire toen den

1

Nicolai: Deel I, pag. 20.

ocr page 271

803

markies voorlas, enden markies alsden,,/m^erranr beschreef, even boosaardig ais doortrapt en lasterend, en de goede markies gevoelde daarover in den beginne eene wezenlijke en diepe smart, en zwoereene hevige wraakop Jean Baptiste Rousseau te nemen. Voltaire zegepraalde. — Maar na eenige dagen had de markies de zaak overwogen; hij vermoedde eene hinderlaag van Voltaire, waar hij eerst een verraad van zijn vriend Rousseau had gezien. Overeenkomstig zijn eigen openhartig en edel karakter schreef hij onmiddellijk aan Jean Baptiste Rousseau zelf, droeg hem zijne klacht voor en vroeg hem of hij het puntdicht had gemaakt. Rousseau zwoer, dat hij er de maker niet van was, maar dat hij wist, dat Voltaire het had gemaakt. Deze had er eenige afschriften van naar Parijs gezonden en zijn vrienden zochten het daar overal te verspreiden. ^

De markies d'Argens wachtte zich echter wel, Voltaire deze tijding mede te deelen ; hij wilde zich liever aan zijne verdere aanvallen en kuiperijen onttrekken, maakte met zijne jeugdige gemalin eene reis naar Frankrijk en keerde eerst van daar terug, toen Voltaire reeds voor goed was vertrokken.

De machtigste en meest gehate vijand, tegen wien Voltaire's toorn zich nu richtte, was de president der Berlijnsche academie, Maupertuis, dien Voltaire het nimmer kon vergeven dat hij het ook nog waagde te schitteren, waar Voltaire zich vertoonde, dat hij president der academie was en Voltaire slechts gewoon lid, en bovenal, dat de koning iiem beminde en zijne uitstekende talenten en geleerdheid prees.

Voltaire wachtte slechts eene gelegenheid, dezen gevaarlijksten zijner vijanden aan te vallen, en weldra deed deze gelegenheid zich ook op.

Maupertuis had zijne Lettres Philosophiques laten drukken, waarin het werkelijk wemelde van plaatsen, welke Voltaire's bewering, dat Maupertuis vroeger krankzinnig was geweest en verscheidene jaren te Montpellier in het krankzinnigengesticht had gezeten, schenen te bevestigen.

Maupertuis stelde in deze brieven voor, „men moest eene Latijnsche stad bonwen, om deze schoone taal weder te

1) Thiébault: Doel V, pag. 328. — Formey. Souvenirs d'un citoyeu, Article: Voltaire. Deel I.

ocr page 272

304

doen fierlevon ; men moest, een gat tot aan het middelpunt der aarde graven, om hare inwendige gesteldheid uit te vor-schen; en men moest verder naar de straat van Magelhaen gaan en daar de hersenen der Patagoniërs openen om den aard der ziel te ieeren kennen.quot;

Op deze fabelachtige voorstellen van Maupertuis antwoordde Voltaire, als doctor „Akakia,quot; die den ongelukkigen Maupertuis wilde genezen, in een geschrift, dat, met Vol-tair's scherp, vlug vernuft en zijn bijtenden, hitteren spot geschreven, zeer wel in staat was, Maupertuis voor de ge-heele wereld belachelijk te maken. De koning, dien Voltaire zijn handschrift had voorgelezen, gevoelde dit zeer wel, en ofschoon hij de voorlezing van den Akakia met het levendigste genoegen had aangehoord, en dikwijls Voltaire door zijn geschater en goedkeurend gejuich was in derede gevallen, eischte hij toch, dat Voltaire dit handschrift zou vernietigen, omdat hij niet wilde, dat de man, die aan het hoofd zijner academie stond, en dien de koning zelt eens „het licht der wetenschapquot; noemde, thans aan het gelach en den spot der wereld zou worden prijs gegeven.

„Ik vorder dit offer van u, als een bewijs uwer vriendschap en zelfbeheersching,quot; zeide de koning ernstig. „Ik ben dit eeuwig geharrewar en die vijandschap moede. Ik wil eindelijk vrede in mijn huis hebben, daar ik niet weet, hoelang ik dien nog in de wereld zal hebben. Het schijnt mij toe, dat er zich aan den staatkundigen gezichteinder donkere wolken beginnen opeen te stapelen. Laat er ons ten minste voor zorgen, dat onze letterkundige gezichteinder helder en onbewolkt blijve,quot;

„Ach, sire, wanneer gij mij met uwe groote en wonderbare oogen zoo aanziet,quot; riep Voltaire, „dan zou ik tersfond bereid zijn, mijn hart uit mijn borst te scheuren, om het voor u in het vuur te werpen, en dit kleine, stekelige geschrift is nog lang mijn hart niet, waarom zou ik het dus niet aan den wensch van mijn Salomo opofferen?quot;

„Wilt gij den Akakia voor mij opofferen,quot; vroeg de koning verheugd.

„Sire, zie hier. Dit is mijn handschrift. Niet waar, gij herkent immers mijn schrift? Gij ziet, dat de inkt ter nauwernood gedroogd en het werk eerst juist voltooid is? Welaan, ziedaar, wat ik met den Akakia doe.quot;

ocr page 273

BOS

Hij nam het handschrift en wierp het in de vlammen van den haard, waarvoor zij beiden hadden gezeten.

„Ach, wat doet gij daar, vriend!quot; riep de koning ontsteld, en geen acht gevende op de vlammen strekte hij zijne hand uit, om het handschrift er weder uit te halen.

Maar Voltaire greep lachend naar de tang en stiet het papier dieper in den gloed.

„Sire, sire, ik ben de duivel en laat mij mijn oll'erniet weder ontrukken,quot; riep hij jubelend „Mijn Akakia heeft de hel verdiend, want gij heb hem verdoemd; hij moest dus branden. Ik, de duivel, wil hem laten smoren.quot;

„Maar ik wil als de engel der erbarming den armen Akakia uit den vuurgloed verlossen,quot; riep de koning, Voltaire de tang ontrukkende. „Waarlijk, deze Akakia is een veel te vroolijke en geestige vent, om gelijk keizer Quatimozin op den rooster te worden gelegd. Het is immers voldoende hem niet openlijk te laten drukken, men behoeft hem daarom niet te vernielen.quot;

„Sire, ik ben slechts een arm, zwak mensch, en als ik den Akakia levend bij mij houd, is het een vergiftig wapen, dat ik zeker toch nog eens tegen het hart van Maupertuis richt, om mij tegen zijn waanzin en zijne aanvallen van dolheid te verdedigen. Het is dus beter, dat deze Akakia slechts in onze herinnering leve en een dolk der verbeelding zij, waarmede ik den hoogmoedigen heer president nu en dan een weinig wil kittelen.quot;

„En hebt gij inderdaad geen afschrift?''vroeg de koning, wiens wantrouwen door Voltaire's al te groote toegevendheid was ontwaakt. „Hebt gij geen afschrift en geen klad? Was dit het eenige handschrift van den Akakia?quot;

„Sire, zoo gij mijne woorden niet wilt gelooven, zend dan een uwer bedienden en laat mijne kamers doorzoeken. Hier zijn de sleutels van mijne kasten en van mijne schrijftafel. Laat hem alle beschreven papieren, die hij zal vinden, hier brengen; uwe majesteit moge zich dan zelf overtuigen, of er iets van den Akakia bij is. Sire, ik smeek u dit te doen, daar uwe majesteit aan mijne verzekering, als man van eer afgelegd, geen geloof wil slaan.quot;

De koning liet zijne scherpe en doorborende blikken langen tijd op hem rusten.

„Ik geloof u, Voltaire,quot; zeide hij toen. „Het zou uwer

Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. IV. 20

ocr page 274

3()()

onwaardig zijn mij te mislei'ipn, en mijner onwaardig, u te wantrouwen. Jk geloof u dus. Maar ik wil ook veilig voor de toekomst zijn. De Akakia staat niet meer op het papier geschreven, maar hij staat in uw hoofd, en uw hoofd vrees ik meer dan alle papieren der wereld. Beloof mij, Voltaire, dat gij, zoolang gij bij mij woont, u nimmer zult inlaten met polemiek en geschillen, dat gij noch tegen de regeeringen, noch tegen de schrijvers uw scherpe luim zult gebruiken?quot;

„Sire, ik beloof het u gaarne!quot;

„Wilt gij het schriftelijk doen?quot;

Voltaire ging schielijk naar de schrijftafel en nam de pen.

„Uwe majesteit hebbe de goedheid mij te dicteeren.quot;

De koning dicteerde, en Voltaire schreef met vlugge hand het volgende;

„Ik beloof zijne majesteit, dat, zoolang hij mij de genade bewijst, mij in zijn paleis te huisvesten, ik tegen niemand zal schrijven, noch tegen de Fransche regeering, noch tegen de ministers van eenigen vorst, noch tegen beroemde schrijvers. Ik zal voor hen allen steeds den verschuldigden eerbied hebben; evenmin zal ik misbruik maken van de brieven des, konings, maar mij gedragen, gelijk het een schrijver en geleerde betaamt, die de eer heeft, kamerheer van den koning van Pruisen te zijn en met fatsoenlijke lieden om te gaan.quot; 1)

„Wilt gij dat onderteekenen?quot; vroegde koningbijna treurig.

„Ik wil niet alleen dat onderteekenen, maar ik wil er uit eigen beweging ook nog iets bijvoegen. Uwe majesteit hoore slechts!quot;

En terwijl hij met haastige hand verder schreef, zeide hij luide;

„Ik zal nauwkeurig^ de bevelen van uwe majesteit volgen, en het kost mij volstrekt geene moeite zulks te doen. Ik smeek uwe majesteit te gelooven, dat ik nimmer tegen e.ene regeering heb geschreven, het allerminst tegen die, waaronder ik ben geboren, en die ik slechts heb verlaten, om mijn leven aan de voeten van uwe majesteit te eindigen. Ik ben geschiedschrijver van Frankrijk geweest, en in die hoedanigheid heb ik de geschiedenis van Lodewijk den Veertiende en de veldtochten van Lodewijk den Vijftiende ge-

1

Pmiss. Friedrich der Grosse. Deel I, pag. 247.

ocr page 275

307

schreven. Mijne stem, zoowel als mijne pen waren steeds gewijd aan het vaderland, gelijk zij thans tot uwen dienst staan. Ik smeek u de goedheid te hebben, mijne letterkundige twisten met Maupertuis te onderzoeken, en te ge-looven, dat ik deze geheele aangelegenheid wil opgeven, om u, sire, te behagen, en dat ik mij in alles aan uw wil onderwerp. Ik zal ook daarin uwe majesteit gehoorzamen, dat ik mij met geen letterkundigen strijd zal inlaten, en ik smeek uwe majesteit te gelooven, dat, als ik sterf, ik voor u dezelfde verknochtheid en vereering zal koesteren, als op den dag, toen ik voor het eerst aan uw hof kwam. ')

Vot.tairequot;

De koning nam het papier, dat Voltaire hem toereikte, doorliep het vluchtig en liet toen zijne blikken langen tijd onderzoekend op Voltaire's lachend en loerend gelaat rusten.

„Het is goed, ik dank u,quot; zeide hij toen, Voltaire vriendelijk ten afscheid groetende; toen deze zich echter had verwijderd, zag de koning langen tijd in gedachten verzonken voor zich neder.

„Ik vertrouw hem niet,quot; zeide hij peinzend. „Hij was te bereidwillig, het handschrift te verbranden en van iederen strijd af te zien. En nochthans — hij heett mij zijn woord van eer gegeven!quot;

Voltaire was intusschen naar zijne kamer gegaan, en toen hij nu alleen was, en door niemand werd gadegeslagen, was op zijn gelaat eene snoode, boosaardige vreugde te lezen.

,,Ha, ik had het goed berekend,quot; zeide hij met zijn ake-ligen grijns. „De koning wilde mij daar een poets bakken en mij ten voordeele van Maupertuis beet hebben. Ha, dat was een meesterlijke zet van mij ! Het origineele handschrift te verbranden, terwijl reeds voor acht dagen het afschrift naar Leiden is gegaan. Terwijl dc koning denkt, dat ik zulk een goedhartige dwaas ben, om iederen strijd met dien verwaanden Maupertuis op te geven, wordt mijn Akakia reeds te Leiden gedrukt, en spoedig zal hij door de geheele wereld galmen als een spottend gelach, waarmede de genius de opgeblazen dwaasheid, die zich verbeeldt een genie te zijn, aan de kaak stelt.quot;

1) Prenss. Friedricli der Grosse. Deel I, pag. 24S.

ocr page 276

308

XXX.

DE LAATSTE STRIJD.

Het was don dag voor het kerstfeest. De menschen liepen haastig door de wit besneeuwde straten, om hunne inkoopen voor het kerstfeest te doen in de kramen, die op het plein van het paleis geplaatst waren. De markt was evenwel slecht bezocht en de verkoopers stonden treurig voor hunne kramen en zagen somber naar de lachende en schertsende menschen, die hen achteloos voorbijgingen en zich naar de gensdarmen-markt begaven.

En inderdaad op de gensdarmen-markt zag men heden een zeldzaam, een ongewoon schouwspel, zooals men slechts éénmaal onder de regeering van Frederik den Groote zou zien.

Er was een brandstapel opgericht, en daar naast stond de beul in zijn rood ambtsgewaad, Hoe? Zou de „heilige avondquot; heden met eene terechtstelling worden gevierd? Stonden daarom die duizenden nieuwsgierige menschen in dicht opeengedrongen rijen, rondom den brandstapel? Waren daarom al de vensters van deze huizen geopend en bezet met groepen elegante dames en heeren?

Ja, voorzeker zou daar eene terechtstelling plaatshebben; maar er zou geen bloed vergoten, en den misdadiger geene smart veroorzaakt worden. Ook waren de blikken van die duizenden thans niet op den brandstapel gericht, maar allen zagen naar boven naar het venster, dat boven aan het groote huis, aan den kant dor Taubenstrasse ^ was geopend. Aan dat venster stond in gebogen houding een bleek man met ingevallen wangen en een ziekelijk voorkomen. Maar zijn geest was niet gebogen; dat zag men aan het fier opgeheven hoofd aan den spotachtigen, minachtenden grimlach, die niet alleen op zijne lippen, maar op zijn geheele gelaat stond te lezen, aan die vurige, groote oogen, die fonkelende blikken op de menigte wierpen, om hier of daar een bekende te groeten.

Deze man was Voltaire! Voltaire, die gekomen was, om de terechtstelling bij te wonen, de terechtstelling van zijn

1) Taubenstrasse, No. 20.

ocr page 277

309

Akakia, die werkelijk le Leiden gedrukt, en bij geheele balen naar Berlijn gezonden was.

Voltaire had dus zijne schriftelijke en mondelinge belofte, zijn woord van eer verbroken; en de koning, tot het uiterste gedreven door dit eerlooze gedrag, had in zijne gramschap besloten, hem daarvoor openlijk te straffen.

Nu roffelden de trommen, en daarna las, onder ademlooze stilte, een ambtenaar des konings het vonnis voor; — het vonnis, dat het boosaardige, lasterlijke geschrift, waardoor de edele, deugdzame en beroemde geleerde, Maupertuis, aan de algemeene bespotting had moeten worden prijs gegeven, dat den Akakia tot den vuurdood veroordeelde.

Voltaire stond nog steeds bedaard en glimlachend aan het geopende venster; hij zag, hoe de beul de balen gedrukt papier in het vuur wierp; hij zag, hoe de vlammen zich al dwarrelend hoog in de lucht verhieven ; en zijn gelaat bleef helder, en zijne oogen verloren niels van hun verlerend vuur.

Al dichter en dichter verhieven zich de rookwolken en stegen de vlammen ten hemel.

De menschen zagen zwijgend deze vreemde lerechtstel-ling aan, en het gelach en gekeuvel was verstomd. Daar hoorde men plotseling een luid, spottend gelach, en eene krachtige stem riep;

„Ziet daar den geest van Maupertuis, die geheel in rook opgaat! Ha, welk een dikke en-zwarte rook! Wat eene menigte hout verspild! De Akakia is onsterfelijk! Gij verbrandt hem hier, maar hij blijft loch leven, en de geheele wereld zal hem leeren kennen! Want wat voor de onsterfelijkheid is geboren, kan geen houtstapel verbranden!quot; ^

Het was Voltaire, die zoo sprak. Hierop wierp hij het venster kletterend toe, en ging weder in de kamer.

„Vaarwel, heer van Francheville,quot; zei hij bedaard, „ik dank u, dat gij mij veroorloofd hebt, mijne terechtstelling bij te wonen. Gij ziet, dat ik het goed heb doorgestaan; want niet iedereen sterft, dien men verbrandt. Vaarwel! Ik moet naar het paleis, want ik heb daar gewichtige zaken.quot;

Met jeugdige levendigheid ijlde hij naar beneden in zijn wagen. '

Het volk, dat hefh herkende, begroette hem met dave-

1) Thiébault Deel V. pag. 265.

ocr page 278

310

\

rend gejuich, en in zegepraal reed Voltaire door de menigte, die hem met blijde deelneming begroette, terwijl de beul de laatste balen van den Akakia in de vlammen wierp.

Maar toen hij in zijne vertrekken in het koninklijk paleis was aangekomen, verdween de glimlach van zijn gelaat en maakte plaats voor teekenen van woede en toorn, die in zijn binnenste heerschten.

Met driftige hand nam hij uit zijne portefeuille de door den koning onderteekende toezegging der jaarwedde ; vervolgens rukte hij het blauwe lint met de groote ordester van zijn hals, en sneed haastig den kleinen gouden sleutel van zijn hofgewaad, dat de kamerdienaar voor zijn toilet had gereed gelegd.

Van deze drie zaken maakte hij een pak, dat hij verzegelde, en schreef daarop tot opschrift de volgende regelen ;

Je les recus avec tendresse.

Je vous les rends avec douleur.

C'est ainsl qu'un ament, dans son entrême fiireur,

Rend le portrait de sa maitresse.

Toen riep hij zijn kamerdienaar en beval hem dit pak terstond naar den koning te brengen. Er was niet de minste aarzeling in zijne handelwijze; hij gevoelde niet de minste spijt over het groote jaargeld, dat hij thans opgaf. Hij gevoelde, dat hij het moest doen, dat zijne eer, zijn trots bet eischte. In dat oogenblik was het de fiere dichter, vol gevoel van eigenwaarde; het genie bad den mensch in hem overwonnen, en schitterde op zijn voorhoofd.

Maar dat schoone oogenblik ging voorbij, en de kleine, berekenende, gierige mensch trad weder in zijne rechten. Voltaire herinnerde zich weder, dat hij niet alleen ordes en eeretitels, maar ook geld had opgegeven, en eene woedende smart, een grenzenlooze angst overviel hem.

Hij snelde naar zijne schrijftafel, en met sidderende haast schreef hij den koning een smeekenden brief, waarin bij om genade en deernis bad, om mededoogen met zijn ongeluk-kigen toestand en zijne diepe smart. ^

En de koning had mededoogen, mededoogen met deze verbroken vriendschap, die thans in vervallen puinhoopen aan zijne voeten lag, en waarvoor hij nog de vereering

I) l'reusz. Friederich der Grosse. Deel I, pag. MS.

ocr page 279

3ii

gevoelde, die men voor het graf van een overledene heeft.

Hij zond met een vriendelijk geleidend schrijven de „bagatellesquot; terug, en noodigde hem uit, hem naar Potsdam te vergezellen.

Voltaire nam het aan, en de nieuwsbladen verkondigden, dat de beroemde Fransche dichter zijne ordes, titels en zijn jaargeld weder van den koning had terug ontvangen, en zich met den koning naar Potsdam had begeven.

Doch deze schijnbare vrede was slechts van korten duur. De vriendschap was gestorven, en wederzijdsche verbittering was in de plaats der liefde en hoogachting getreden.

Voltaire gevoelde eindelijk, dat het onmogelijk was langer te blijven, en gedrongen door de koele blikken, door den spottenden, bijna minachtenden glimlach des konings, verzocht hij eindelijk om zijn afscheid, dat de koning hem ditmaal niet weigerde. —

Op een dag, toen de koning omringd door zijne generaals, op het paradeplein stond, meldde men hem, dat de heer Voltaire verlof verzocht, zijn afscheid te mogen nemen.

De koning wendde zich met een bedaard gelaat tot hem.

„Ha, mijnheer van Voltaire,quot; zeide hij, „wilt gij dus volstrekt afreizen?quot;'

„Sire, dringende zaken en voornamelijk mijne gezondheid noodzaken mij daartoe,quot; zeide Voltaire, luid genoeg, om door iedereen te worden gehoord.

De koning boog even zijn hoofd om hem te groeten. „Monsieur, ik wensch u een gelukkige reis,quot;1) zeide hij, en wendde zich toen weder tot den ouden veldmaarschalk Ziethen, om het aangevangen gesprek met dezen bedaard voort te zetten.

Voltaire maakte eenb diepe, ceremonieële buiging, en ging heen, om in de gereed staande postchaise te stappen.

Zoo scheidden zij. De vriendschap was tot asch vergaan, en geene latere betuigingen en woorden konden haar weder in het leven roepen.

De koning en de dichter namen afscheid, om elkander nimmer weder to zien!

KIKDE VAN HET TWEEDE DEEL.

1

Thiébault. Deel V, pag. 271.

ocr page 280

cy. (p ^ i amp;

INHOUD DERDE BOEK.

( Vervolg).

Blz.

Hoofdst. IV. De vrienden.........5

„ V. Het kabinetschrijven des konings ... 13

„ VL De slag bij Sohr.......22

„ VIL Na den slag....... . .29

VIII. De belangrijke brief.......39

„ IX. De terugkeer naar Berlijn.....53

„ X. De jobstijding........58

XI. De ontdekte dwaling......68

„ XII. Trenck's eerste ontsnapping . . . . 80

„ XIII. De vlucht.........97

XIV. Ik wil!..........109

„ XV. De laatste strijd........121

„ XVI. Het intermezzo in den schouwburg . . 131

„ XVII. Sanssouci.........139

„ XVIII. De belofte.........145

„ XIX. Voltaire en zijn koninklijke vriend. . . 159

„ XX. De vertrouwelijke disch......1^9

quot; XXI. De vertrouwelijke disch (vervolg) . . . 199

„ XXII. Rome sauvée........213

„ XXIII. Een vrouwenhart........ 221

„ XXIV. Mevrouw van Cocceji......234

„ XXV. Voltaire..........243

„ XXVI. Een dag uit Voltaire's leven.....255

„ XXVII. Een offer der liefde.......275

„ XXVIII. Barberina.........287

„ XXIX. Intrigues..........298

„ XXX. De laatste strijd........308

ocr page 281
ocr page 282

IT—

—

—

ocr page 283
ocr page 284

t -'C' v -vx.-- -/

C- ' • ^'v ^»:-' quot; .. T •;

a%

,* \

tp-%S ■

Af M t }^

V- ,lt;^4 gt;■ % -%quot;.'

-\v-^.v,' «C*

a .^.4^ ^ r,

lt; : ■ -. ' - ■ quot; ; - • - v

r ; . - ' ^ v- /^ r/, ^ ^ ' ^' ». v j' V ^ »

.. *A gt;.v L^i. J-.Sfi,