ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

—7

Jak 92

ZEVEN

TOESPRAKEN

BIJ DE

2ic4/iicfrc 0ommvmie

DOOR

C. B. V E R H E U L,

K. K. PEIESTEB EN PASTOOR TE EIJSENBUKG.

SwecSe vwmeezdamp;tdc uitgave.

RIJSENBURG,

PETIT EN O. 1890.

Snelpersdruk v. .h. St. Gregoriushuis. Utrecht.

ocr page 4
ocr page 5

ZEVEN TOESPRAKEN.

ocr page 6
ocr page 7

ZEVE\MSPBAKEN

BIJ DE

eerste

eilige Communie

ji

DOOK

C. B. VERHEUL,

R. K. PIIIESÏBE EN PAS'IOOR TE KIJSENBU11G.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT

COLL. THOMAASSE


awadc vewmczdczdc ui (quot;cjat'e

HIJSEN BUIIG,

PETIT EN O. 1890.

ocr page 8

IMPRIMATUR^

Maakssen, J. G. H. C. ESSINK,

8 April 1890. Tibr. Cens.

Snelpersdruk van Let St. G regoriusliuis, Utrecht.

ocr page 9

INHOUD.

Biz.

I. De Apostelen bij de instelling van het Allerheilig

ste Sacrament............1

11. Jezus zegent de kinderen.........2i

III. Zaclieus ontvangt Jezus in zijn huis.....39

IV. Jezus' intocht in Jeruzalem........59

V. De allerzaligste Maagd Maria.......77

VI. De H. Joannes de Dooper........98

VII. De H. Maria Magdalena.........118

ocr page 10
ocr page 11

VOORREDENEN.

Bij de eerste uitgave.

Een der schoonste dagen in het leven van den priester is wel de dag, waarop hij de kinderen tot de eerste h. Communie toelaat. Ieder mijner medebroeders kent de vreugde, de voldoening door dien dag bij hem opgewekt. Maar hij weet ook dat die feestdag voor hem gepaard gaat met veel arbeid, met veel moeite, veel inspanning. Niet alleen dooide voorbereiding, onderwijs en Biecht, maar ook door de toespraak op dien dag voor de kinderen te houden.

Deze is niet zonder groot gewicht. Zij geeft den toon aan waarin zich liet gevoel in hunne jeugdige harten moet ontwikkelen. Een der eigenaardige moeilijkheden scheen mij in de bewegelijkheid van het kinderlijk gemoed haar oorzaak te vinden. Een kind luistert bezwaarlijk naar een gewone predicatie. Wanneer het op den dag der eerste h. Com-muuie luisteren moet naar een voordracht over het H. Sacrament, over een of andere deugd, die ter beoefening bijzonder aanbevolen wordt, dan vrees ik dat men op meer aandacht en belangstelling rekent dan men in gemoede verlangen kan. Het kind moet op dien dag niet leeren, maar het moet gevoelen, liet moet bidden.

Op mijne wijze heb ik getracht dat onmisbaar gevolg te verkrijgen en de vereischte gevoelens op te wekken door

ocr page 12

den kleinen in voorbeelden te toonen wat zij gaan verrichten, hoe zij liet moeten verrichten. Met dit doel koos ik voorbeelden uit het h. Evangelie, die mindere of meerdere overeenkomst aanboden met de h. Communie en die mij de gelegenheid gaven om telken jare zonder herhaling de oude voorbereiding te doen verrichten, die haar beste uitdrukking vindt in de akten van nederigheid, berouw, geloof, liefde en verlangen.

Eenvoudig als ik mijne toespraken nederschreef, bied ik ze mijnen medebroeders in het priesterschap aan. Mochten zij anderen niet geheel waardeloos schijnen, dan acht ik mij wel beloond.

R ij s e B u 11 G,

Donderdag van de Goede week.

Bij de tweede tuit gave.

In deze tweede uitgave zullen mijne medebroeders vinden de korte toespraken in de namiddag - godsdienstoefening gehouden.

Ik heb in het opnemen van deze gevolg gegeven aan den vriendelijken wenk van mijn zeer weiwillenden beoordeelaar,— z/de Katholiek,quot; nieuwe reeks, negende deel bl. 254 — oo, — die nu reeds tot het koninklijk feestmaal van het Lam is geroepen.

Ik dank van harte allen, die deze toespraken der aandacht waardig keurden.

R ij s E n b u R G,

Donderdag van de Goede week.

1800.

ocr page 13

I.

DE APOSTELEN BIJ DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT.

Desiderio desideravi lioc pascha man-ducare vobiscum. Luc. XXII: 15.

Ik heb van verlangen gebrand dit paasehlam met u te eten.

Deze dag, geliefde kinderen, is voorzeker een der schoonste uws levens, een dag waar gij lang, jaren lang naar verlangd hebt. Reeds de eerste maal dat gij bij het aannemen der kinderen tegenwoordig waart, maakte deze plechtigheid op u een diepen indruk, en, zonder nog te beseffen welk groot geluk u eens te beurt zou vallen, wenschtet gij toen reeds, dat die dag ook voor u weldra mocht aanbreken. Hoe meer gij in jaren en in kennis van dit groot geheim toe-naamt, des te vuriger werd uw verlangen. Doch, hoe groot uw verlangen naar dezen dag ook zijn mocht, het verlangen van Jezus was nog grooter. Toen Hij voor de laatste maal met zijne Apostelen ter tafel zat, sprak Hij tot hen : ,/Ik

1

ocr page 14

2

heb van verlangen gebrand om dit Paaschlam met u te eten. ,/üit Paaschlam,quot; het zou wel het laatste zijn wat Hij met hen at, den volgenden dag ging Hij voor hen, voor ons sterven, maar toch vurig had Hij er naar verlangd. Het oogen-blit was nu gekomen, dat Hij het allerheiligste Sacrament des Altaars kon instellen en aan zijne beminde Apostelen zijn eigen vleesch en bloed tot spijs en drank zou geven. Welnu, g. k., gij zijt uw Jezus niet minder dierbaar dan de Apostelen, ook u bemint Hij met eene onuitsprekelijke liefde, ook met u verlangt Hij zich te vereenigen. Uit het tabernakel roept Hij u toe : Desiderio desideravi: ik heb vau verlangen gebrand dit Paaschlam met u te eten. Aan dat verlangen van Jezus en ook aan het uwe zal na weini-o-e oosenblikken worden voldaan. Kostbare oogenblikken,

O O

want hoe beter gij ze gebruikt, des te meer genade en zegeningen zal Jezus bij zijne komst in uwe harten uitstorten. Laten wij dan bij de Apostelen eenig onderricht zoeken, zij deden immers bij het laatste avondmaal ook hunne eerste H. Communie en laten wij zien hoe zij het deden. Luistert nu eenige oogenblikken met aandacht.

De laatste avond van Jezus sterfelijk leven was dus daar, het oogenblik door Hem bestemd om het H. Sacrament des Altaars in te stellen en zijn vleesch en bloed aan zijne Apostelen tot spijs en drank te geven. Gij weet, g. k., dat Jezus die instelling veel vroeger aan zijne Apostelen en aan de Joden had beloofd, en gij zult u nog wel herinneren bij welke gelegenheid. Hij had namelijk de scharen, die Hem in de woestijn volgden, op eene wonderbare wijze gespijzigd, entoen Hij daarna de woestijn verlatend, de zee overgestoken

ocr page 15

3

was, waren de scharen Hem nog gevolgd. Nogmaals wenscli-ten zij op de zeltde wijze verzadigd te worden. Maar Jezus, die in de harten leest, wist dat zij Hem nu niet mee: volgden om onderwezen te worden of zijn Goddelijk woord te hooren, maar alleen gehoor gaven aan zinnelijken lust. Hij bestrafte hen daarover en vermaande hen, dat zij niet zooveel hechten moesten aan aardsche spijs, die vergaat, maar veel meer verlangen naar de geestelijke spijze, die blijft tot in het eeuwig leven. Toen beloofde Hij hun, dat Hij eenmaal, later, eene wondervolle spijze zou geven, eene spijze wondervoller, heerlijker nog dan het Manna, dat Mozes uit den hemel had doen regenen. Die spijs zou wezen, zijn eigen vleesch en bloed: //Het brood dat ik geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld. Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drankquot; 1). Dat konden de zinnelijke Joden niet gelooven. Hoe kan deze, zoo spraken zij, ons zijn vleesch te eten geven, maar de Zaligmaker herhaalde op plechtige wijze zijn woord, toch wilden zij niet gelooven, gingen van Jezus weg en wilden zijne leerlingen niet meer zijn.

Die heerlijke belofte, te Capharnaum gedaan, werd door Jezus in het laatste avondmaal vervuld. Daar zat Hij aan tafel in een groote en rijk versierde zaal. Hij, de goede Jezus, niet gewoon in prachtige woningen zijn intrek te nemen, maar met eene geringe en arme tevreden, koos echter tot opluistering van het groote geheim, dat de Apostelen gingen vieren, eene ruime en versierde zaal. Gezeten in het midden zijner Apostelen nam Hij het brood, zegende, brak en gaf het aan zijne leerlingen zeggende: //Neemt en eet

1) Joan. V: 52, 56.

ocr page 16

4

dit is mijn licliaamquot;, en desgelijks nam Hij den kelk en hun dien overreikend sprak Hij : // Drinkt allen daaruit, want dit is mijn bloed des Nieuwen Testaments.quot; 1) Door die woorden werkte onze Goddelijke Verlosser het grootste wonder, veranderde het brood in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed, eu gaf aan zijne Apostelen zijn eigen vleesch en bloed tot spijs en drank. Met welk een levendig geloof, met welk een diepen eerbied ontvingen zij de Goddelijke spijze. Ja, het was des Heeren waarachtig vleesch en bloed. Hun Goddelijke Meester sprak het: //Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.quot; Hadden zij er ooit aan getwijfeld, dat eenmaal de dag aanbreken zou, waarop dat kostelijke voedsel hun gegeven zou worden ? Jezus had het hun beloofd en zij hadden den vollen zin van die belofte aanstonds geloovig aangenomen. De Joden waren heengegaan; de belofte van Jezus was voor hun ongeloof een hard woord, een ergernis. Maar de Apostelen waren bij Jezus gebleven, en toen Hij hun vroeg, of zij ook niet wilden heengaan, had Petrus in aller naam geantwoord ; „ Heer, tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij de Christus de Zoon Gods zijtquot; 2). Zoo sprak hij dus in aller naam : Gij zijt de Zoou Gods, ons hoogste goed, ons leven, en hoe groot ook het geheim moge zijn, wat Gij ons voorstelt en belooft, aan de waarheid, en aau de scheppende kracht van Tjw woord, waardoor U alles mogelijk is, zullen wij nimmer twijfelen.

Toen Jezus hun dan ook in het laatste avondmaal zijn

1.) Matth. XXVI : 27, 28.

2.) Joan. VI: 68, 69.

ocr page 17

5

If. vleesch en bloed overreikte, ontvingen zij het vol geloof. Zij begrepen wel het wonder niet dat had plaats gegrepen, evenmin als wij het nu begrijpen ; hunne zintuigen getuigden wel iets anders als Jezus' woorden uitdrukten, maar hun geloof was vast en onwrikbaar. Het was Jezus'lichaam en bloed. Zijn onfeilbaar en alvermogend woord had het hun verzekerd, en daaraan mochten en wilden zij niet twijfelen.

Een levendig geloof, gel. k., is ook voor u de eerste voorwaarde om dit allerheiligste Sacrament waardig en met vrucht te ontvangen. God zij dank, gij moogt u in het bezit daarvan verheugen, het geloof in de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus in het allerheiligste Sacrament is diep in uwe zielen doorgedrongen; evenals de Apostelen hebt ook gij in stilte gezegd : /.Tot wien zullen wij gaan dan tot U, o Heer ; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot; Maar wat gij in stilte gezegd hebt, herhaal dat nu hier openlijk en dat een uwer, voor al de anderen hier ko-me verklaren, dat gij bij Jezus wilt blijven, zijne leerlingen u toonen, en geloovig vasthouden aan al zijne woorden, die even zoovele woorden des eeuwigen levens zijn.

(Geloofsbelijdenis.)

De genade Gods versterke en vermeerdere uw geloof! en, g. k., herhaal ook in de laatste oogenblikken voor uw H. Communie nogmaals die woorden, die nu uit uw aller naam zijn uitgesproken: Ik geloof, lieve Jezus, dat Gij wezenlijk en waarachtig in het allerheiligste Sacrament tegenwoordig zijt; ik geloof, dat ik U persoonlijk ontvangen ga, ofschoon verborgen onder de nederige gedaante van brood; ja Gij zelf

ocr page 18

6

komt lot mij en wilt U met mij op het nauwst vereenigen.

En dat levendig geloof zal de gevoelens van de diepste nederigheid en het hartelijkst berouw in u te voorschijn roepen. Immers, indien gij diep doordrongen zijt van die waarheid, dat gij uwen Jezus, uw Heer en Meester, uw God en Verlosser ontvangen gaat, zou dan geen gevoel van onwaardigheid zich van u meester maken, en in u spreken : Heer wie ben ik, dat Gij tot mij komen wilt ? Is het niet reeds veel, dat ik in uwe tegenwoordigheid verschijnen, en in vereeniging met deH. engelen, die het tabernakel omringen, U aanbidden en verheerlijken mag ? Dat was ook het gevoel der Apostelen, vooral door Petrus uitgedrukt. liet Evangelie verhaalt ons welke plechtigheid onze Goddelijke Zaligmaker aan de eerste H. Communie der Apostelen voora deed gaan. Nadat Jezus het Paaschlam gegeten had, stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleed af, goot water in een bekken en begon de voeten van zijne Apostelen tewas-schen. Hij kwam dan ook bij Petrus, maar Petrus ziende wat zijn Goddelijke Meester doen zou, weigerde het toe te laten en riep uit: Hoe, Heer, zult gij mij de voeten was-schen ? Petrus begreep den afstand die zijn Goddelijken Meester van hem scheidde; hij wist wie zich daar aan zijne voeten nederwierp, maar vooral wie hij zelf was; een gevoel van de grootste onwaardigheid greep hem aan, en deed hem vast besloten, uitroepen : //In eeuwigheid zult Gij mij de voeten niet wasschenquot;. 1) De Zaligmaker echter wees Petrus terecht en zeide hem : //Indien Ik u niet wassche, zult gij geen deel met Mij hebben.quot; Toen Petrus zag, dat Jezus het wilde en de weigering zijn Meester verdroot, gaf hij

1) Joan. XIII; 8.

ocr page 19

7

niet alleen toe, maar antwoordde : ,/Niet alleen mijne voeten, maar ook mijne handen en mijn hoofd.quot; Zulk gevoel van onwaardigheid moet gij ook in u opwekken. Jezus wil u niet slechts de voeten wasschen, maar in uwe harten binnentreden ; zegt Hem dan ook : Heer, ik ben niet waardig, dat Gij, tot mij komt, maar Gij wilt. Gij eischt het. Indien ik met tot U nader, zal ik geen deel met U hebben. Gij zegt het: //Wie Mijn vleesch niet eet en Mijn bloed niet drinkt, zal het leven in zich niet hebbenquot;!), op uw bevel waaEt ik het tot U te naderen.

Petrus had tot Jezus gezegd : niet alleen mijne voeten, maar ook mijne handen en mijn hoofd, hierop antwoordde de Zaligmaker : // wie gewasschen is, heeft nog slechts noo-dig zijne voeten te wasschen, en hij is geheel reinquot; 2.) De Zaligmaker wilde dus alleen de voeten wasschen, maar wat moest dan de zin dier voetwassching zijn ? Die voetwassching beteekende de groote reinheid en zuiverheid des harten waarmede de H. Communie moest ontvangen worden. De Apostelen waren rein, waren reeds gewasschen ; de Zaligmaker had hun gezegd : ,/ Gij zijt rein.quot; Groote vlekken besmeurden dus hunne zielen niet, maar ook de kleine moesten worden weggenomen, alle dagelijksche zonden en vooral de gehechtheid aan deze verbannen, kortom zelf het stof van hunne voeten gewasschen. Wilt gij, gel. k., met groote vrucht de H. Communie ontvangen, dat dan ook dit onderricht van Jezus u ten nutte zij. Ja, gij zijt rein gewasschen in het H. Sacrament der Biecht, maar blijft u misschien niet over uwe voeten te wasschen, dat wil zeggen, u van eenige kleine fouten te reinigen ?

1) Joan. V ; 55.

2) Joan. Xlll: 10.

ocr page 20

8

Die fouten, hoe klein dan ook, zijn toch beleedigingen den goeden God aangedaan en zouden min of meer uwe zielen ontsieren. Vraagt uwen Jezus dus vergeving, bidt Hem, dat Hij u ook de voeten wassche. Vernieuwt nogmaals vóór de H. Communie uw berouw, bevestigt uw besluit uwen God niet meer te vergrammen en Hem voortaan in alles getrouw te zijn. Jezus, uw leedwezen en goeden wil ziende, zal dat kleine nog wegnemen, en rein als de Apostelen zult gij tot de tafel des Heereu naderen.

Nog een ander gevoel heerschte in de harten der Apostelen, dat hen geschikt maakte om aan den H. Maaltijd deel te nemen, en wel een brandende liefde; zij beminden hunnen Goddelijken Meester onuitsprekelijk. Sinds lang hadden zij alles voor Hem verlaten, hunne bloedverwanten en vrienden vaarwel gezegd om altijd bij Jezus te kunnen zijn en in die liefde hadden zij allen, behalve de ongelukkige Judas, volhard. Jezus beminden hen en zij beminden Jezus. Hoe treft het ons, wanneer wij in het H. Evangelie lezen met hoeveel liefde zij nog denzelfden avond aan hun Goddelijken Meester hunne gehechtheid betuigden. Ja, zij wilden Hem getrouw zijn, met Hem gaan in gevangenis en dood, en die betuigingen waren oprecht. En toen Jezus bij het laatste avondmaal zoo broederlijk tot hen gesproken had, en zij dat gebed gehoord hadden, waardoor hij zijnen vader smeekte, dat zij toch altijd innig met God vereenigd mochten blijven en elkander onderling beminnen, toen voelden zij hunne harten van liefde branden en van liefde als bezwijken. Toen was het, dat de H. Joannes, die naast Jezus was gezeten, zijn hoofd aan het H. Hart van Jezus ne-dervleide gelijk een kind, dat geen hooger uiting van liefde kent, als zich aan 's moeders boezem vast te klemmen.

ocr page 21

9

Voorzeker wat Joannes deed, dat wenschten allen te kunnen doen, want nogmaals, vurig beminden zij hunnen Meester. En in die liefde ontvingen zij waardig die Goddelijke spijze, de hoogste gave der Goddelijke liefde.

Wel weet ik het g. k., gij bemint uwen Jezus, gij hebt de liefde van Jezus voor u altijd beter leeren beseffen, meer en meer ondervonden, en wederliefde heeft uwe harten vervuld. Ja was zijne liefde voor u wel minder, dan die voor zijne Apostelen ? Heeft Hij vooral in de laatste dagen niet dikwerf tot u gesproken ? Heeft Hij ook niet voor u gebeden en al uwe zenden uitgewischt ? En zal Hij u na weinige oogenblikken wel iets minder geven, dan Hij aan zijne Apostelen gaf, niet dezelfde uitnoodiging tot u herhalen : neemt en eet, dit is mijn lichaam. Maar g. k. raoogt gij Jezus al beminnen, wekt toch in die laatste oogenblikken uwe liefde tot Hem meer en meer op. Dat uw mond woorden van liefde tot Hem spreke, dat uw hart uit liefde tot Hem ontvlamme, vleidt u in den geest gelijk Joannes aan het Hart van Jezus, gij zult het voor u voelen kloppen, maar dat uw hart dan ook kloppe voor Hem. En wanneer Hij door de H. Communie in u gekomen zal zijn, sluit dan een bond van eeuwige liefde met Hem.

En wat zal nu reeds uit die liefde voortvloeien ? Gij zult gevoelen, gij gevoelt een vurig verlangen. Gelooft gij niet g. k. dat de Apostelen meermalen verlangd hebben naar de wonderbare spijze, die Jezus hun beloofd bad ? Wel hadden zij nog geen begrip van de grootheid der gave die hun zou geschonken worden, maar toch had Jezus hun genoeg gezegd, om hen begeerig naar het hemelsch brood te doen zijn. Hoe menigmaal zullen zij daarover gesproken en misschien den Zaligmaker ondervraagd hebben, maar zij moes-

ocr page 22

10

en liun verlangen bedwingen, want Jezus had het schenken van die grootste aller gaven tot het einde zijns levens uitgesteld. Ook gij, g. k. hebt reeds vurig naar die hemel-sche spijze verlangd en weldra is het oogenblik daar, waarop uw verlangen bevredigd wordt. Neen ik behoef u tot dat verlangen der liefde niet verder aan te sporen. Gij weet, gij zijt er ten volle van overtuigd, dat er niets heil-zamers, niets heerlijkers voor u zijn kan, dan u met Jezus te vereenigen. Hij zal tot u komen om uw licht, uw steun^ uw troost, uw middelaar te wezen, om met zijn vleesch en bloed u alles, alles te schenken. Welaan bereidt dan uwe harten. Nog weinige oogenblikken en Jezus is de uwe, zijt gij dan ook geheel de zijnen.

Ouders van deze kleinen! Hoe gelukkig gevoelt gij u, nu gij uwe kinderen zoowel voorbereid ziet, om voor de eerste maal tot de tafel der Heeren te naderen. Uwe harten kloppen van blijdschap, want uwe kinderen zijn uwe lievelingen, voor wier heil en welzijn gij zoo bezorgd en voor wie gij tot alles bereid zijt. Thans moogt gij vertrouwen, dat in de eerste H. Communie als de grondslag gelegd zal worden voor hun tijdelijk en eeuwig geluk. Hebt gij vroeger eeni-ge bekommeringen over hen gevoeld, omdat gij in hen met vondt, wat gij meendet te mogen verwachten ; hadt gij zelfs reden van ontevredenheid over hen, omdat zij niet altijd de aan u verschuldigde gehoorzaamheid toonden of niet naar den raad luisterden, u door de liefde voor hen ingegeven, dit alles is nu vergeten, en het zal niet noodig zijn u daarvoor in hunnen naam vergeving te vragen, want die hebt gij hun reeds geschonken. Maar het zal tot vermeerdering van uw vreugde strekken, zoo ik u betuig, dat zij zich in de dagen van voorbereiding beijverd hebben om zoo veel

ocr page 23

11

mogelijk het hooge geluk, dat zij zullen genieten waardig te worden ; met godsvrucht hebben zij gebeden, met zedigheid hebben zij zich gedragen, met zorg tot het ontvangen der HH. Sacramenten voorbereid. Ja, wij mogen vertrouwen, dat zij thans een schoon schouwspel zijn, zooals de Apostel zegt, voor God en voor de engelen. Gij echter, die hen van hunne geboorte bijstondt met raad en daad, staat hen nog in deze oogenblikken bij met uwe gebeden en terwijl ik het H. Misoffer voorzet, bidt voor hen, opdat zij in hunne eerste H. Communie het onderpand van alles wat hen hier op aarde gelukkig kan maken, en vooral het onderpand van het eeuwig leven ontvangen mogen. Amen.

ocr page 24

12

Na de H. Mis.

z/Ik leef niet, maar Christus leeft in mijquot; 1.) Zoo g. k. moogt gij thans met den Apostel uitroepen. Jezus leeft in u ! Hij is in uwe harten neergedaald, heeft van zijn leven aan u medegedeeld, want zelf heeft Hij gezegd : u wie Mij eet zal om Mij levenquot; 2.) Ja, gij proeft thans hoe zoetde Heer is, gij ondervindt nn, dat een dag in 's Heeren woontenten doorgebracht beter is dan honderd anderen, doorgebracht in de tenten dBr wereld. Vreugde en dankbaarheid vervult uwe reine zielen, en opgetogen hebt gij tot u zei ven gezegd : wat zal ik toch den Heer wedergeven voor al hetgeen Hij mij geschonken heeft. Wat gij Hem geven zult, wat Hij van u verlangt? Geen stoffelijke giften of gaven, want wat zoudt gij Hem kunnen geven, dat Hij niet reeds bezit? Hemelenaarde behooren Hem* Maar wat Hij verlangt en wat gij Hem geven zult? Geeft Hem voor altijd uw hart en uwe liefde. Het was ora uw hart te winnen, dat Hij van den hemel is nedergedaald, dat Hij geweend heeft in de kribbe, gestorven is op een kruis; het was om uw hart en uwe liefde te winnen, dat Hij in het H. Sacrament allijd bij u wilde blijven en heden in dat hart is neergekomen. O, ik weet het, reeds in de eerste oogenblikken toen Jezus in uw hart rustte, hebt gij het Hem voor altijd aangeboden, hebt gij beloofd Hem altijd trouw te blijven. Welaan g. k., doet dan uw woord en uw belofte gestand. Met Jezus vereenigd zal niets in de toekomst u kunnen deren, geen bekoring, hoe hevig ook, u kunnen overwinnen, geen last des levens, hoe zwaar ook, u kunnen nederbuigeu.

1) Gal. IT : 20.

2) Joan. VI: 59.

ocr page 25

13

Blijft uwen Jezus trouw. Hij ook zal u-trouw zijn, want nooit verlaat hij hen, die hun liefde aan Hein geven. Hartelijk wensch ik u dan ook geluk met deze uwe eerste H. Communie, met uwe zoo innige vereeniging met Jezus. Moge zij door vele anderen gevolgd worden, die al nauwer en nauwer den band vaststrengelen, die er thans tusschen Hem en u bestaat. Ontvangt Hem dikwerf, gelijk gij Hem thans ontvangen hebt met een diepen ootmoed, met eene vurige liefde en brandend verlangen, dan zult gij als schoone planten bloeien in den hof des Heeren, in Jezus' Kerk. Dan zult gij allen, die u omringen, bekoren door de schoonheid uwer deugden, door den goeden geur uws levens, dan zult gij de eer uwer ouders en ook mijn kroon wezen, en wanneer de Heer dan eenmaal ook aan mij rekenschap van mijnen arbeid zal vragen, dan zal ik op u als op de vruchten van dien arbeid kunnen wijzen.

Ouders van deze kleinen ! ook u wensch ik geluk, want heden is eene vaste grondslag gelegd zoo voor het tijdelijk als eeuwig welzijn uwer kinderen. Al kondet gij hun ook schatten geven, en tot de hoogste aardsche waardigheid voeren, daarmede was toch het ware geluk hun niet geschonken, maar met Jezus hebben zij alles ontvangen. Verheugt u dan met uwe kinderen en dankt God, die zoo vaderlijk voor hen gezorgd, zoo teeder hen heeft liefgehad.

O moge deze plechtigheid voor ons allen een aanleiding wezen, aan onze eerste H. Communie te denken, ons te herinneren, in welke goede gestelstenis wij toen waren, welke heilige beloften wij toen aan God deden, en ons af vragen, of wij aan onze goede voornemens werkelijk getrouw zijn geweest, en aan de genade beantwoord hebben. Moeten wij erkennen, dat wij tekort zijn gebleven, welaan, onze harten

ocr page 26

14

dan voor het berouw geopend, onze goede voornemens vernieuwd, en voortaan met meer standvastigheid op den goeden weg gewandeld. Zijn wij echter getrouw gebleven, dan zij God daarvoor dank, nieuwe ijver beziele ons om met moed voort te gaan en met de genade Gods tot het einde te volharden, zoo zal deze dag een ware vreugdedag zijn, niet alleen voor deze kleinen, maar voor ons allen. Amen.

ocr page 27

IN DE NAMIDDAG-GODSDIENSTOEFENING.

De dag uwer eerste H. Communie, g. k., spoedt ten einde. —• In uwe herinneringen zal hij voortdurend blijven leven, en wat nog beter is, de heerlijkste sporen laat hij in uw binnenste achter. Hein als gij waart, heeft Jezus door zijne komst in uw hart unog meer gezuiverd, bereid tot het goede, heeft Hij uwen wil meer kracht geschonken en meer dan ooit zijt gij besloten om Hem, die u zulk een treffend liefdeblijk schonk, te beminnen, boven alles lief te hebben, en geheel aan Hem toe te behooren. In die gelukkige gemoedstemming ziet gij dan ook de toekomst met vertrouwen te gemoet. Wie zal mij van de liefde van Jezus kunnen scheiden, zoo juicht, zoo jubelt gij in uw hart; dat hart, o Jezus, zal U immer toebehooren.

Niemand minder dan ik zal uwe goede gezindheid in twijfel trekken, en toch g. k. meen ik u nog op dezen dag te moeten waarschuwen. Gij hebt het zelf reeds meermalen, en helaas! gij zult het later nog veelvuldiger moeten ondervinden : de mensch is zwak, en zijn wil zoo veranderlijk. Wat wij heden wenschen, verwerpen wij morgen, en wat wij van daag beminnen is ons morgen tot walg. Allen deelgenoo-ten van dezelfde natuur zijn wij allen, ook gij, onderworpen aan de bedorvenheid, die haar aankleeft. Niet dat ik de vreugde van dezen dag, ook maar voor een oogenblik

ocr page 28

16

voor u zou willen storen; of voor u een onheilsprofeet zou willen zijn, veel meer verlang ik liet huHige geluk, voor u te bestendigen en uwe vreugde blijvend te maken en het is daarom, dat ik u op de gevaren wil wijzen, die u dreigen, en u dat geluk zouden kunnen ontrooven. Immers, g. k. wanneer gij den steen die naar u geworpen wordt, ziet aankomen, kunt gij dien ontwijken ; ongezien zou hij u getroffen en deerlijk gewond hebben. Gelooft dan niet, dat eene waarschuwing overbodig is. Wenden wij nogmaals onze blikken op de Apostelen, die u heden morgen tot voorbeeld verstrekten en wilt u nogmaals aan hun voorbeeld spiegelen.

Met een levendig geloof, en diepen ootmoed, met eene vurige liefde bebben zij Jezus in de H. Communie ontvangen Met innig welbehagen heeft Jezus bezit van hun hart genomen en daarin overvloedig zijne genade uitgestort. Zij be-hooren geheel aan hun Goddelijken Meester toe, en zijn voor Hem tot alles bereid. Op den weg naar den hof van Geth-semani betuigt Petrus met alle oprechtheid : ,/Meester, al moet ik met U sterven, ik zal U nooit verloochenenquot;; nooit zal ik ontrouw worden, nooit U verlaten ; en met die betuiging stemmen alle Apostelen, en met dezelfde oprechtheid eenparig in. Maar ziet, het uur des gevaars is daar, Jezus heeft in den hof gebeden, en nu naderen zijne vijanden. Hij wil voor ons gaan lijden en sterven, en vrijwillig geeft Hij zich in de handen der soldaten over, die Hem binden en boeien. Dat hadden de Apostelen niet gedacht; zij meenden dat hun Meester al die aanslagen zijner vijanden verijdelen en door een wonder zijner Almacht hun moedwil beschamen zou, maar neen, als een onmachtige zien zij Hem door de krijgsknechten gevangen nemen, en een speel-

ocr page 29

17

bal worrlen hunner woede. Zou Jezus dan niet waarlijk de Zoon Gods zijn ? Twijfel maakt zich van hen meester, hun geloof in Hem is geschokt, en zij, die verzekerd hadden, bereid te zijn met Hem in den dood te gaan, verlaten Jezus en nemen schandelijk de vlucht. Wie had kunnen denken, dat de Apostelen, dat de vurige Petrus, zoo spoedig hunne dure betuigingen zouden vergeten ? Wie had zulk een ontrouw van bevoorrechte leerlingen verwacht ?

AVanneer wij, g. k., na zulke oprechte betuigingen de Apostelen toch zien vallen, mocht ik U dan niet waarschuwen op uwe hoede te wezen ? Neen, wij kunnen, wij mogen niet op ons zelveu rekenen. Wanneer wij in gevaar, in beproeving komen, dan eerst leeren wij onze zwakheid kennen. Zulke gevaren dreigen ook u, gevaren veel grooter, dan die waaraan gij tot nu toe waart blootgesteld. Uwe kinderjaren waren zulke gelukkige jaren, uwe gedachten waren slechts op spel, uwe begeerten op kleine lekkernijen gericht, helaas, dit zal niet altijd zoo wezen. Gedachten en begeerten zullen bij u levendig worden, niet altijd zoo onschuldig, niet altijd zoo kinderlijk, als gij tot nu toe hebt gekend. Driften en hartstochten zullen bij u wakker worden ; het ouderlijk dak zal u niet altijd beschermen; de wereld zult gij ingaan, die door hare valsche bekoorlijkheden u zal verlokken ; den zoo feilen, inwendigen strijd zult gij gevoelen, en aan die gevaren, en aan die verleiding, en aan dien strijd zult gij het hoofd moeten bieden. En niettegenstaande dit alles durf ik ii toe roepen; moed! g. k., mistrouwt wel u zeiven, maar hebt een onwrikbaar vertrouwen op God. Groot zijn de gevaren, maar ook krachtig de wapenen, die u geboden worden. Zoo de Apostelen ze gebruikt hadden, zij zouden zoo een jam-

2

ocr page 30

18

merlijken val niet te betreuren hebben gehad. Zoo zij den raad van hunnen Goddelijkeu Meester gevolgd hadden, zij zouden niet zoo deerlijk zijn afgeweken. //Waakt en bidt,quot; zoo had Jezus tot hen gezegd, ,/opdat gij niet valt in bekoringquot; : maar zij baden en waakten niet en toen het uur des gevaars was aangebroken, werden zij ontrouw en verlieten Jezus. Spiegelt u, g. k., aan het voorbeeld der Apostelen. Volgt den raad op van uwen Jezus. Waakt en bidt, en gij zult in de bekoring, in het gevaar niet bezwijken.

Waakt over uwe zintuigen vooral over uwe oogen, die als de deur zijn, waardoor uw vijand, de duivel, binnensluipt-Waakt over uwe ooren, opdat zij nooit openstaan voor het hoeren van ergerlijke gesprekken. Waakt over uwe tong, opdat noch vloeken, noch liefdelooze woorden daaraan ontglippen ; in één woord, waakt over u zelven, vooral dan, wanneer gij u in gelegenheden zoudt bevinden, die voor uw deugd en onschuld gevaarlijk konden zijn.

En aan die waakzaamheid paart het gebed. Zorgt toch van nooit uwe gewone, uwe morgen- en avondgebeden te verzuimen, heft nu en dan door den dag onder uwe bezigheden uw hart op tot God : lieve Jezus, voor U wil ik leven ; ü wil ik beminnen. Zoekt in het gebed uw kracht en sterkte, wanneer gevaren u dreigen, wanneer kruisen u overvallen. Door het gebed gesterkt, zal niets u kunnen deren, alles zult gij vermogen door Hem, die u met zijn schild zal dekken.

Ik vertrouw van u, g. k., dat gij aan de stem van Jezus gehoor zult geven, dat gij altijd zult waken en bidden, maar dan kunt gij nu ook in alle oprechtheid de beloften vernieuwen, die in uw naam door uwe doopborgen bij het H. Doopsel zijn afgelegd. Het zullen geen ijdele klanken

ocr page 31

19

geen zinledige betuigingen zijn, maar een lieclit verbond, dat gij met uwen God zult aangaan.

(Doopbelofte.)

Hoe gelukkig, g. k., zult gij eenmaal zijn, wanneer gij de afgelegde belofte getrouw zult hebben gehouden. Wilt gij u daarvan nog meer verzekeren, richt dan uwe oogen tot haar, die altijd, maar vooral van daag, met zooveel liefde en teederheid uit den hemel op u nederziet. Gaat tot Maria de teederste aller moeders. Wie uwer, g. k., zal er zich niet toe aangespoord gevoelen, wanneer hij zich herinnert wat met Joannes, een der Apostelen, heeft plaats gehad. Hoe treffend is het, wat wij in het Evangelie lezen. Joannes, die evenals zijne Medeapostelen in den hof ontrouw aan Jezus is geworden, staat weinige uren later onder het kruis, deelende in den smaad van den beminden Meester, dien hij in een oogen-blik van zwakheid verliet. Wie heeft toch die wondervolle ommekeer te weeg gebracht? Gij zult het wellicht raden. Maria, de Moeder des Heeren. Joannes was na zijn val naar Maria heengesneld, en van dat oogenblik was hij bekeerd en Jezus getrouw. Aan Maria heeft hij alles te danken. Zijn geschokt geloof is hersteld, zijn vrees is verdwenen, hij gevoelt behoefte zijn Goddelijken Meester eerherstel te geven. En wanneer Maria haren Goddelijken Zoon wil zien sterven, dan vergezelt hij haar naar den Calvarieberg en plaatst zich naast haar onder het kruis. O gelukkige Joannes, nu gij u openlijk als leerling van Jezus verklaart, nu wil Jezus u ook een bijzonder blijk van zijn vriendschap geven. Van het kruis af mocht gij die woorden hooren: //Ziedaar uw Moeder.quot; Jezus' moeder wordt ook uwe moe-

ocr page 32

20

der en zij die u reeds teeder heelt liefgehad, zal u voortaan nog veel teederder, zij zal u als moeder beminnen.

Van daag, g. k., roep ik dan ook n toe, gaat naar Maria. Wat zij voor den H. Joannes heeft bewerkt, dat zal zij ook voor u bewerken, want wat zij voor Joannes was, is zij ook voor u ; zij is ook uwe Moeder. Wanneer het uur van den strijd dan voor u geslagen heeft, wanneer gevaar en beproeving u dreigt gaat naar Maria. Tot wie zal het kind beter vluchten, dan tot de moeder, en waar zal het beter geborgen zijn, dan in haar schoot ? Vreest niet dat zij u verstoeten zal, of u hulpeloos aan uwe vijanden zal overlaten, zij is geheel liefde, geheel teederheid, en meer dan wij wenschen door haar geholpen te worden, verlangt zij ons te helpen. Welaan dan, g. k., hebt een warme godsvrucht tot Maria, blijft haar dagelijks vereeren, roept haar immer, maar vooral in de oogenblikken des gevaars, met vertrouwen aan. Volgt ook hierin het voorbeeld van den H. Joannes. Van het oogenblik af, dat hij Maria tot moeder heeft ontvangen, heeft hij zich ook geheel aan haar toegewijd. Wijdt u ook van nu af aan Maria toe, en voorzeker kunt gij dezen plechtigen dag niet beter besluiten, dan door u aan de voeten van Maria neer te werpen, haar te smeeken u altijd hare moederlijke teederheid te doen ondervinden, u in alle gevaren en moeielijkheden te beschermen, maar ook van uwen kant haar te beloven, dat gij haar altijd zult vereeren, zult beminnen, en dat gij onder hare bescherming tot het einde van uw leven een waardig kind van haar en een trouw leerling van Jezus zult wezen. Amen.

(Opdracht aan de H. Maagd.)

ocr page 33

II.

JEZUS ZEGENT DE KINDEREN.

Sinite parvulos venire ad me.

Marc. X: 14. taat de kindekens tot Mij komen.

Wij lezen, g. k. in het Evangelie een treffend voorval, waaruit wij liet beminnenswaardig Hart van Jezus steeds beter leeren kennen, en dat vooral u tot vreugd moet zijn. Onze Goddelijke Zaligmaker, omringd van zijne Apostelen, was op zekeren dag bezig de scharen in de waarheden zijner leer te onderwijzen, toen eenige godvruchtige moeders met hare kinderen aan de hand en op den arm de plaats naderden, waar Jezus zich bevond. Zij gaven aan de Apostelen den wensch te kennen, om hare kleinen bij Jezus te brengen, opdat Hij ze mocht zegenen. Dezen, ontevreden over deze stoornis, en meenende dat de waardigheid van hun Meester niet toeliet, zicli met kinderen bezig te houden, wilden hen dan ook niet tot Jezus toelaten en trachtten hen te weren. Maar Jezus hun toeleg bemerkende bestrafte hen. Hadden zij dan nog zoo weinig Jezus' geest en hart leeren

ocr page 34

22

kennen ? Hij beval hun : „Laat de kiiulekens tot Mij komen en verliindert ze niet, want voor dezulken is liet rijk Godsquot; 1). En op dat woord van Jezus naderden de kleinen en Hij ontving ze met vriendelijkheid, onderhield zich met hen en liet ze niet gaan voor hen allen zijn zegen gegeven te hebben. Voorzeker, dat was een treffend tooneel. De goede Jezus daar te midden der kinderen, met hen sprekend, hen opwekkend om toch immer braaf te zijn, in wijsheid en deugd op te groeien en ten laatste zijne handen over hen uitstrekkende en hun zijn zegen mededeelende. Op nog treffender wijze wordt datzelfde roerende tooneel heden in deze gemeente herhaald, en gij kinderen, gij zijt het aan wie nog heerlijker liefdebewijs van Jezus te beurt zal vallen. Heden wordt gij tot Jezus geleid. Uwe ouders en zij die u voorbereidden, hebben u hier gebracht, waar Jezus in het allerheiligste Sacrament rust en Jezus roept van uit het tabernakel even als toen ; laat de kinderen tot Mij komen ! Niet alleen zal Hij u zegenen, maar zich zeiven geheel aan u mededeelen en u spijzigen met zijn heilig vleesch en bloed. O, uwe harten en de harten uwer ouders kloppen van vreugde, nu die vereeniging met Jezus u toegestaan wordt, en als met moeite duldt gij, dat ik dat gelukkig oogenblik voor u vertraag. Toch meen ik nog eenige woorden tot u te moeten richten, om uw e godsvrucht, zoo mogelijk, nog meer op te wekken. Ik wil de zegening der kinderen, die ik zoo even verhaald heb, in die opwekking tot leiddraad nemen. Luistert dan eenige oogenblikken met aandacht.

Wel moeten die moeders het op grooten prijs gesteld hebben, voor hunne kinderen die zegen van Jezus te ont-

l) Mare. X: 14.

ocr page 35

23

vangen. Wie weet wat verren weg sommigen met hare kleinen hebben afgelegd om ter plaatse te komen, waar Jezus zich bevond. Van te voren waren zij zeker, dat de Zaligmaker omringd zoude zijn door eene groote schaar van volk ; zou het wel gelukken tot Jezus door te dringen ? Doch geen moeilijkheid kon haar afschrikken, zij zouden het ten minste beproeven. Deze moeders hadden wellicht den God-delijken Zaligmaker nog niet als den Zoon Gods erkend, maar zij beschouwden Hem toch als een heilig man, als een groot profeet, machtig in woorden en werken, en den zegen van zulk een man voor hare kinderen te ontvangen, stelden zij als een bijzonder voorrecht op hoogen prijs. Hoe gelukkig gevoelden zij zich dan ook, toen zij die zoete stem van Jezus hoorden ; Laat de kinderen tot Mij komen ! — met hoeveel geestdrift voerden zij hare kleinen tot Hem, als vreesden zij, dat dit woord weer ingetrokken zou worden. Maar toen Jezus die kleinen zag, hen toelachte, hen nader deed treden, toen Hij ze één voor één op zijne armen nam, liefkoosde, omhelsde en hun ten laatste zijn zegen gaf, toen was het moederhart vol en vast hield het zich overtuigd, dat die zegen de kinderen gelukkig maken en voor altijd tot heil zou zijn. Met hoeveel eerbied, maar ook met hoeveel kinderlijk vertrouwen zullen die kleinen zeiven tot Jezus hebben opgezien. Hun rein en kinderlijk hart deed hen in Jezus reeds meer zien dan een gewoon mensch, die mengeling van majesteit en goedheid trof hen, maar de liefelijkheid van zijn blik en de zoetheid zijner stem deed alle vrees bij hen wijken, en met de grootste vertrouwelijkheid gaven zij zich geheel aan Hem over. Meermalen voorzeker is bij u g. k. de wensch opgekomen, dat gij tot het getal dier kinderen behoord mocht hebben, op wier hoofden de hand

ocr page 36

24

van Jezus zegenend is neergedaald. ware ik zoo geluk-kitr geweest, hebt gij tot n zelven gezegd, nimmer zou ik dat scliooiie voorrecht vergeten hebben. En tocii zoudt gij u, zoo sprekende, niet aan onbillijkheid schuldig maken? Hebt gij, mag ik u met reden vragen, wel iets aan die kinderen te benijden? quot;Wordt u dan heden geen veel grooter voorrecht geschonken? Wat is grooter gunstbewijs den zegen of Hem, die den zegen geeft, te ontvangen ? Jezus komt immers zelf in uw hart zijn intrek nemen. AVelke zegeningen en genaden zal Hij daarin uitstorten Jezus zelf, want in de H. Communie zult gij Hem ontvangen met zijn vleesch en bloed, met zijn ziel en lichaam, met zijn godheid en menschheid. Zoo straks zal Hij, even waarachtig als Hij eenmaal uit den hemel op aarde nederdaalde, ook hier op het altaar, omringd van duizende engelen, verschijnen, mijn hand zal Hem u toereiken en gij zult uwen Jezus in persoon bezitten. Doordringt u toch in deze laatste oogenblik-ken van het grootste voorrecht, dat u te beurt zal vallen en juicht in stilte: niet slechts uw zegen, lieve Jezus, maar U zelven zal ik ontvangen, ik bid U, maak mij gelijkvormig aan deze kinderen om waardig deel te hebben aan uwe onuitsprekelijke liefde.

Maar, mogen wij vragen, wat was toch de reden, dat onze Goddelijke Zaligmaker de kinderen zoo zeer beminde? Een dubbele reden kunnen wij hiervoor aangeven en wel vooreerst hun onschuld en reinheid des harten en ten tweede hun nederigheid.

Onschuld, reinheid des harten, — deze kleinen toch kenden de zonden nog niet, het kwaad was in hunne zielen nog niet binnengedrongen. Gij weet hoeveel welbehagen Jezus schept in een rein en onbesmenrd hart. In den hemel ziet

ocr page 37

25

Hij zijn troon, omringd door reine engelen, wat wonder dat Hij zicli hier op aarde gaarne omringd ziet door kinderen, die aan de engelen in reinheid gelijl' zijn. Daarom sprak Hij ook met zooveel nadruk ; //Laat de kindekens tot Mij komen, want liun behoort liet rijk der hemelen.quot; Zietdaar, g. k., waarom Jezus thans ook u zoo zeer bemint, zijn oog mag ook in u de reinheid en onschuld des harten aanschouwen. Door eene rouwmoedige biecht hebt gij weggewasschen wat zijn heilig oog kon mishagen, met welgevallen kan Hij op u nederzien en als met aandrang roept Hij tot ons ; laat deze kinderen tot Mij komen, laat hen aan mijne tafel aanzitten, opdat Ik met hen feest houde. Ja, kinderen gij zijt rein, maar wij kunnen nooit rein genoeg tot Jezus naderen. Verseet dan niet nogmaals vóór de H. Communie uwen Jezus vergeving te vragen, voor datgene wat gij wellicht tegen Hem misdeedt. Neen, zoo spoedig mogen wij onze fouten niet vergeten. Hem, onzen grootsten weldoener, hebben wij er door beleedigd, en ofschoon Hij ze ons vergaf, moeten wij ze toch immer blijven betreuren. Zegt Hem dan : Heer wil toch de zonden mijner jeugd niet meer gedenken. Zij zijn mij steeds meer van harte leed. Ik heb gezondigd en voor uw aanschijn kwaad gedaan, maar wasch en reinig mij meer van mijne ongerechtigheid. Zoo zal uw nederig en vermor-seld hart Jezus aangenaam zijn en met nog meer welbehagen zal Hij er in nederdalen.

Aah die reinheid paarde zich bij de kinderen van het Evangelie de nederigheid, dat wil zeggen, een diep besef van zwakheid en onvermogen, waarbij het kind niet bouwt op eigen krachten, maar steun zoekt, daar waar het meent dien te kunnen vinden. Gij zult u nog wel herinneren, hoe gij zelf, toen gij nog klein waart, bij hut minste gevaar dat u scheen

ocr page 38

26

te dreigen, aanstonds vol vreeze vluchttet naar vader of moeder en u eerst dan veilig waandet, wanneer gij op moeders' arm waart gezeten, of de hand van vader had gegrepen. Ja, dan was alle vrees verdwenen en gij waart voor alle gevaren veilig. Welnu, gei. k., datzelfde besef van zwakheid en onvermogen verlangt Jezus, dat ook ons eigen zal zijn in den strijd, dien wij voor God en de deugd moeten voeren. In den strijd tegen de zonden bouwen wij niet op eigen krachten, maar vluchten nederig tot onzen vader in den hemel. Door nederigheid moeten wij kinderen zijn en kinderen blijven en daarom zegt dan ook onze Goddelijke Zaligmaker: ,/Indien gij niet wordt als kleine kinderen zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.quot; Alleen aan den nederige leent Jezus zijn kracht, alleen in het hart dat nederig, dat ledig is van zich zeiven, wil Jezus nederdalen, en daarom, wanneer gij zoo straks Jezus gaat ontvangen, wekt dan die deugd van nederigheid in u op. Zegt dan : Waarom is het mij vergund, lieve Jezus, tot U te naderen? Niet omdat ik het verdien, ma»r alleen omdat Gij mij in uwe liefde hebt willen uitnoodigen, alleen omdat Gij in uwe genade mij bemint.

En hoezeer verlangt Jezus, dat gij aan zijne uitnoodiging gehoor zult geven. Zoo straks hebt gij gehoord met welk eene blijdschap Hij die Joodsche kleinen ontving. Hij was bezig aan de scharen gewichtige waarheden voor te houden, maar daar ziet Hij de kleinen tot zich komen en aanstonds staakt Hij zijn onderricht, onverwijld moeten zij bij Hem toegelaten worden. Hij bestraft met gestrengheid de Apostelen, die het verhinderen willen en wanneer de kleinen Hem omringen, houdt Hij zich met hen bezig, als had Hij niets ge-wichtigers te verrichten. Welnu, g. k., met evenveel verlangen wenscht Jezus, dat ook gij tot Hem komen zult.

ocr page 39

27

Komt, zoo roept Hij uit liet tabernakel tot u : Komt tot Mij, Ik zal u zegenen, spijzigen, verkwikken, u alles geven, wat gij van Mij verlangen kunt. Die kinderen, die door hunne moeders tot Hem gebracht werden om zijn zegen te ontvangen, konden niet naar Hem verlangen, zij kenden Jezus nog niet, in hun prille jeugd hadden zij nog geen besef van hun geluk. Maar gij,die Jezus zoowel kent en weet welk een onschatbaar geluk u wacht, zult gij niet naar Jezus verlangen ? Ja, langen tijd reeds hebt gij met zeker ongeduld, ook om meer kinderlijke reden, naar dezen dag uitgezien, maar zuivert in deze laatste oogenblikken dat verlangen vau al het aardsL-lie en zinnelijke, wat er nog aan kleeft. quot;Verlangt nu naar Jezus alleen. Wat kan er toch op aarde voor u beter zijn, dan Hem te ontvangen, uw Verlosser, die zijn leven voor u ten beste heeft gegeven, die u vergeving schonk uwer zonden en fouten, die de bron voor u is van het ware leven, de bron van alle goed. Dat uw hart brande van een liefdevol verlangen naar Hem. Zegt tot Hem ; Heer, wie zal mij vleugelen geven om tot U te snellen ; zonder U is mijn hart als een akker zonder water. Gij alleen zijt in staat mijn hart te bevredigen, mijne wenschen te vervullen. Gij zijt mijn steun en mijn troost, mijn God en mijn al. Laat ik totU gaan niettegenstaande al mijne geringheid en onwaardigheid. Sluit uwe oogen voor mijne nietigheid en denk alleen aan uwe liefde. Vul aan wat er aan mij ontbreekt, een enkele uwer blikken, een enkele uwer woorden is genoeg om mijn hart tot eene U waardige woonplaats te bereiden.

Wilt dan deze laatste oogenblikken goed gebruiken; maar vóór dat gij u geheel aan die voorbereiding wijdt, hebt gij nog eene plicht ten opzichte van deze gemeente, van de ge-

ocr page 40

28

heele Kerk te vervullen. Door iwe eerste H. Communie wordt uw lidmaatschap met baar voltooid en wordt gij met haar ten volle één. Maar zij stelt daarvoor een eisch, denzelfden dien Jezus aan de Joden stelde, wilden zij aan de beloofde hemelsclie spijs deel hebben. Wat moeten wij doen, zoo vroegen zij den Zaligmaker, en Hij antwoordde hun, dat zij moesten gelooven. Wilt gij dus tot de tafel des Heeren naderen en door het aanzitten aan eene tafel met de Kerk geheel één worden, voldoet dan aan haren eisch, en geeft door eene openbare belijdenis het bewijs, dat gij ook met haar geheel één zijt in het geloof,

(Geloofsbelijdenis.)

Niets belet thans meer de vervulling van uwen vurigsten wensch. Verheugt u en verblijdt u, nog weinige oogenblik-ken van voorbereiding en gij zult ondervinden hoe zoet de Heer is.

Ouders van deze kleinen, ik wend mij nog een oogenblik tot u. Deze kinderen zijn uwe dierbaarste panden, uwe lievelingen, en gelijk de moeders van het Evangelie hare kinderen tot Jezus brachten, zoo vertrouw ik, dat gij ook getracht hebt de uwen tot Jezus te brengen. Gelijk zij dien zegen van Jezus op zoo hoogen prijs wisten te schatten, zoo schat gij nog veel hooger het gel uk, dat heden uwen kinderen te beurt valt. Inderdaad, gij moogt zeggen, dat deze dag een dag is, dien de Heer heeft gemaakt; gij verheugt u dan ook, ja, met een zekeren trots ziet gij op uwe kinderen, die wederkeerig met dankbaarheid jegens u vervuld zijn. Toch hebben zij nog een wensch. Wilt hun nogmaals vergeving schenken voor hunne onbedachtzaamheden, onge-

ocr page 41

29

hoorzaamheden, ja voor het hartzeer dat zij u wellicht berokkend hebben. In de goede voornemens, die zij in de laatste dagen maakten, is ook vooral die opgesloten, dat zij n voortaan meer eerbiedigen, u vlijtiger gehoorzamen, gewilliger naar uwen goeden raad luisteren, in één woord, dat zij u inniger beminnen zullen. En naar mijne vaste overtuiging vernieuwt gij die vergeving niet alleen, maar voegt daarbij in dit plechtig oogenblik uwen ouderlijken zegen. Ver-eenigt dan nu ook in deze laatste oogenblikken uwe gebeden met die uwer kinderen. Smeekt Hem, die eenmaal de kinderen gezegend heeft, dat Hij ook uwe kinderen zegene, hunne harten meer en meer voorbereide en versiere met al die genadegaven, die ze Hem tot een aangenaam verblijf maken zullen nu en voor geheel hun leven. Amen.

inblik uwe hare ij ook j dien n, zoo kinde-; deze rheugt e kin-ervuld nnaals onge,-

ocr page 42

30

Na de H. Mis.

Aan den wenscli van mv hart g. k. is thans voldaan. Jezus is tot u gekomen en in Hem hebt gij alle goed ontvangen. Hij wil en zal uw steun en troost zijn in het leven, uw sterkte in den strijd, uw kroon en loon in de eeuwigheid. Ja, ik twijfel er niet aan, gij gevoelt u gelukkig. Simeon mocht eenmaal Jezus als kind in den tempel aanschouwen, als een hooge gunst Hem op zijn armen dragen en zijn blijdschap was zoo groot, dat hem naar zijne meening niets meer te wenschen overbleef. Hij riep uit: //Heer, laat nu uwen dienaar naar uw woord in vrede gaan, want mijne oogen hebben uw heil aanschouwd.quot; Ja, gij zijt ook van blijdschap opgetogen, gij ondervindt thans eene vreugde, die gij vroeger niet gekend hebt en die de wereld ook niet in staat is u te geven. De wereld moge n hare goederen, hare eer, hare vermaken bieden, maar zij geett u geen Jezus, geen goed wat uw hart bevredigen kan. Hartelijk wensch ik u geluk met de groote weldaad, met het onuitsprekelijk voorrecht, dat gij hebt ontvangen. Ja, wel een voorrecht. Hoevele duizenden en honderd duizenden van uwe jaren, die niet alleen die Goddelijke spijze niet hebben mogen ontvangen, maar die zelfs geen liefderijke hand hebben om hen tot Jezus te voeren, die hunne hooge bestemming niet kennen, maar in onwetendheid, in duisternis opgroeien. Brengt dan ook aan God uw warmen dank voor het voorrecht, wat gij hébt mogen ontvangen; beantwoordt steeds aan die groote genade, blijft standvastig in uwe goede voornemens volharden, en dan zal ook waarlijk de grondslag gelegd zijn voor uw tijdelijk en eeuwig geluk, en mag ik u mijn kroon en mijne vreugde noemen ! Want ook voor den priester is het een ge-

ocr page 43

31

luk wanneer hij, als de vrouwen, eenige kinderen tot Jezus mag voeren, doordrongen als hij is van het heil, door die vereeniging met Jezus den mensch geschonken, en vau de kracht, die uit de H. Communie wordt geput.

Ook u, ouders, wensch ik geluk. Naar ik vertrouw, hebt gij steeds uw best gedaan de harten uwer kinderen voor God en de deugd te vormen, en hebt gij hen steeds op de vereeniging met Jezus als op het grootste voorrecht gewezen. Thans is die vereeniging tot stand gekomen, en innige dankbaarheid vervult uwe ziel. Mogen uwe kinderen u steeds tot troost en steun verstrekken, maar blijft dan ook over hen waken, want immer, ja met het toenemen hunner jaren nog meer dan vroeger, hebben zij uwe ouderlijke zorg en waakzaamheid noodig. Let meer op hun eeuwig, dan op hun tijdelijk belang, en geeft steeds gehoor aan die woorden van Jezus : ^Wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint, maar schade lijdt aan zijne ziel.quot; Nogmaals waakt over hen met eene ware ouderlijke lietde en dan zullen ook uwe kinderen uw vreugd zijn in dit leven en uw kroon in de eeuwigheid. Amen.

ocr page 44

IN DE NAMIDDAG-GODSDIENSTOEFENING.

Toen e. kv dezen morgen voor den eersten maal met uwen Heiland inde H. Communie vereenigd waart, liebt gij gewis ondervonden hoe zoet liet is met den Heer te zijn. Een vurig verlangen liebt gij gevoeld, dat die vereeniging van duur moelit wezen en met de Emmaüsgangers hebt gij tot uwen Jezus gezegd ; „Heer, blijf bij ons.quot; Heer, voltooi uw werk, stelU, bidden .wij, niet tevreden met tot ons gekomen te zijn, maar blijf bij ons. Duld niet, dat wij U verliezen, want indien wij U verliezen, dan verliezen wij alles, ons hoogste en opperste Goed.

Welnu g. k. wat gij zoo vurig verlangd hebt, en nog verlangt, dat verlangt Jezus nog veel meer. Hij heeft het ons immers zelf gezegd, mijn vermaak is te zijn met de kinderen der mensehen, door zijne genade wil Hij voortdurend wonen in uw hart. Waar ooit de scheiding tusschen Jezus en den mensch heeft plaats gegrepen, daar is de schuld met aan Jezus, maar aan den mensch, die Hem door de doodzonde moedwillig uit zijn hart heeft verjaagd. Jezus zal dan u trouw zijn, maar wilt gij dan ook trouw zijn aan Jezus . Ik weet het, ja, gij zijt daartoe bereid, volkomen bereid. Liever sterven, hebt gij dezen morgen gezegd, en herhaalt gij nu nog, liever sterven dan God door eene doodzonde te

ocr page 45

38

beleedigen, Hever sterven dan nog van Jezus te scheiden, Yergeet echter niet, dat de trouw aan uw besluit u strijd, heftigen strijd zal kosten; wij weten het allen: de hemel lijdt geweld en alleen zij, die geweld gebruiken, nemen hem in. Gij zult moeten strijden en om u te doen zien, hoe hevig somtijds de strijd kan zijn, wil ik u wijzen op een heerlijk voorbeeld, dat ons met tallooze anderen in de eerste eeuw der christenheid gegeven werd.

Van de kinderen, die Jezus gezegend heeft en die ik u heden morgen als voorbeeld heb voorgesteld is, met uitzondering van één niets anders bekend. Die een was, althans naar eene oude overlevering meldt, de H. Ignatius, bisschop van Antiochië en martelaar. De zegen van Jezus had niet alleen een schat van genade in het hart van Ignatius uitgestort, maar was in zijn volgend leven eene voortdurende prikkel om Jezus, dien hij als Verlosser erkend had, met ijver te dienen. Hij was leerling van den H. Joannes, den Apostel dien Jezus liefhad, en aan wiens zorg Jezus zijne H. Moeder aan het kruis had toevertrouwd. Zoo heilig was zijn leven, dat hij door de Apostelen werd waardig gekeurd tot bisschop te worden verheven en als bisschop gaf hij aan allen een voorbeeld der verhevenste deugd. Maar nu gel. k. volgt de strijd, en welk een strijd. Het was in den tijd der vervolging, die de ontluikende Kerk van Jezus had te verduren. Gij weet immers g. k., hoe in de eerste drie eeuwen na Jezus de Kerk rusteloos werd vervolgd. De Christenen werden niet geduld. Zij moesten aan de afgoden offeren, of sterven dikwijls onder de wreedste folteringen. Ook Ignatius werd gevangen genomen en aan hem die vreeselijke keus gegeven. Maar hij aarzelde niet. Hij verklaarde den Keizer, dat Hij Jezus in zijn hart droeg en Hem niet verwierp. De

ocr page 46

34

Keizer veroordeelde hem ter dood, door de wilde dieren moest hij te Home verscheurd worden, en toen Ignatius, dat vreeselijk vonnis gehoord had, riephij vol vreugde uit: „Heerik dankU,datGij mij eene volmaakte liefde voor U geschonken hebt, en dat Gij mij toestaat voor U te lijden.quot; Zijn moed bezweek niet, aan Jezus bleef hij trouw. Toen hij het gebrul der leeuwen hoorde, die hem moesten verscheuren, riep hij uit: „Ik ben de tarwe des Heeren, en door de tanden der wilde dieren moetik gemalen worden om een zuiver brood voor Jezus te ziju, en nauwelijks had hij die woorden gesproken of twee leeuwen vielen op hem aan, verscheurden hem en Ignatius stierf

voor Jezus den marteldood.

Dat was voorzeker een vroeselijke strijd, en wij moeten de genade bewonderen, die Ignatius sterk maakte, om in dien strijd te zegevieren, en Jezus getrouw te blijven. Zulk een zware strijd zal van u g. k., niet gevorderd worden, maar toch strijden en voortdurend strijden is ook uw deel. Uw geloof en uw deugd zult gij te verdedigen hebben tegen zoo menigen aanval. De wereld toch is zoo boos en de verlei-ding vooral in onze dagen zoo groot. Gij zult op uwen levensweg aantreffen makkers, lieden die zich uwe vrienden noemen, maar in der daad wolven zijn, in schaapskleederen gekleed, die u geheel andere leerstellingen verkondigen dan die lt;nj hier gehoord hebt, lieden die uw geloof zullen trachten te ondermijnen, die u aan het wankelen zullen zoeken te brengen. Strijdt toch steeds voor uw geloof en voor uwen godsdienst. Hoort niet naar hen. Houdt u vast aan da-gene wat gij geleerd hebt. Het is de eenige waarheid door Christus op aarde gebracht en door zijne onfeilbare Kerk verkondigd, de eenige waarheid die u rust m dit leven, en zekerheid voor de toekomst geeft.

ocr page 47

85

En uwe deugd en onschuld aan lioevele aanvallen zullen zij zijn blootgesteld. Machtige vijanden, duivel, wereld en vleesch zullen u belagen en onder allerlei voorwendsels trachten over te halen om datgene wat uw geweten voor zondig houdt, te bedrijven. Strijdt g. k. , laat u toch niet bedriegen al deden zij zich aan u voor als engelen des lichts, luistert niet naar hen. Herinnert u steeds hoe ook onze stamouders zich tot hunner en ons aller schade door dat woord hebben laten bedriegen : //Gij zult niet sterven maar aan Gode gelijk zijn/' Luistert naar niets dan naar de stem van uw geweten en naar de stem van die uwe trouwe zielzorgers zijn.

Strijdt vooral g. k. tegen het menschelijk opzicht, tegen de vrees voor de menschen. Het menschelijk opzicht heeft zoo velen ten verderve gevoerd. De vrees voor de menschen heeft hen de vrees voor God doen vergeten, en omdat zij de menschen wilden behagen, hebben zij God verlaten. Schandelijke handelwijze ! Wat is toch de mensch in vergelijking met God. Laat u dan niet tot kwaad, tot zoude-overhalen door lafhartige menschen vrees. eest in alles toegevend, en in alles inschikkelijk,' dat is een eisch der christelijke volmaaktheid, maar staat onwrikbaar vast waar het uw geweten geldt. Wat hebt gij te vreezen ? Wellicht een geringe bespotting, eenige schampere woorden. Maar kan dit dan een rede zijn uwen God te verlaten ? Ignatius vreesde noch de tanden der wilde dieren, noch den pijnlijksten dood. Jezus droeg hij in zijn hart, aan Jezus bleef hij trouw

Tot dien strijd, g. k., hebt, gij u van het eerste oogen-blik uws levens af verbonden. Toen gij gedoopt werd, heeft de priester u gevraagd : verzaakt gij den duivel, eu al zijne werken, en al zijne ijdelheden, en uwe doopborgen hebben

ocr page 48

36

geantwoord ; /,1k verzaakquot;, en die beloften besloot in zich de beloften van moedigen strijd. Het is niet zonder rede dat de Overlieden der Kerk verlangen dat gij op den dag uwer eerste H. Communie die belofte op een plechtige wijze zult vernieuwen. Aan den dag uwer eerste H. Communie toch zult gij dikwijls denken, maar dan zal ook tevens de belofte, die gij op dien dag hebt gedaan om moedig voor God te strijden, u in herinnering worden gebracht. Vernieuwt dan nu die belofte, en zegt tot Jezus ; voorTJ, Heer, wil ik strijden, aan U wil ik getrouw blijven tot aan den laatsten tocht, mijns levens.

(Doopbelofte.)

Door de genade van God geholpen zult gij de afgelegde belofte houden; door de genade van God zeg ik, immers zonder de genade kunnen wij niets. Gebruikt dan ook ijverig de middelen waardoor gij de genade kunt verkrijgen, het gebed en de HH. Sacramenten. Bidt, g. k., neemt in den strijd altijd uw toevlucht tot het gebed. Het gebed is het schild waarmede gij u moet dekken, het zwaard dat gij moet han-teeren. Indien gij bidt, dan blijft gij niet alleen staande, maar dan is ook aan u de overwinning. Bidt gij niet, dan komt gij jammerlijk om. Nadert dikwerf en met goede voorbereiding tot de H.H. Sacramenten. Dat zijn de bronnen waaruit gij voortdurend moet putten. Zijt gij gewond in den strijd, in een rouwmoedige Biecht vindt gij genezing. Gevoelt gij u zwak, nadert tot de H. Tafel en als leeuwen vuur ademend zult gij er van opstaan en verschrikkelijk geworden zijn voor den duivel.

En nu, g. k., wijs ik u nog op een grooten troost, en een

ocr page 49

87

machtige hulp. De vorsten en koningen der aarde steunen, wanneer zij ten strijde trekken, niet slechts op eigene wapenen, maar zoeken zich ook bondgenooten, die met hen en voor hen zullen strijden, en hoe machtiger die bondgenooten zijn zooveel te moediger zullen zij den kamp aanvaarden. Welk een voorrecht hebben wij g.k., Maria, de sterke Vrouw, onze bondgenoote te mogen achten, en op haar te mogen steunen in den strijd. Gij, groote H. Ignatius verhaal ons wat Maria voor u geweest is, toen gij op het schip, dat u naar Eome overvoerde geketend waart aan tien soldaten, die volgens uw eigen getuigenis meer op luipaarden dan op menschan geleken, en die door uwe weldaden nog tot grooter mishandelingen werden aanspoord. Zeg ons wat Maria voor u geweest is, toen gij in het midden van het strijdperk door de tanden der leeuwen bloeddet uit honderd wonden. Ignatius, die de Moeder des Heeren in het huis van Joannes, zijnen leermeester, persoonlijk had gelend, of die minstens zooveel heerlijks van haar uit den mond van Joannes had vernomen, ja, hij heeft in dien bangen strijd zijn toevlucht tot haar genomen, en door haar glorievol gezegevierd. Welnu, g.k., doet ook zoo, en wanneer het uur van den strijd daar is, en de vijand u dringt, gaat tot haar. Zij is uwe bondgenoote. Herinnert u dat woord van God tot onze bemoediging reeds in het paradijs tot de slang gesproken : ffIk zal vijandschapstellen tusschen u en de Vrouw.quot; Daar is eeuwige vijandschap tusschen de Moeder des Heeren en hem, die van den beginne af een moordenaar der zielen geweest is. Voor zich heeft zij hem reeds volkomen overwonnen, voor ons, indien wij slechts willen, zal zij hem overwinnen. Gaan wij in onzen strijd steeds tot haar. Roepen wij haar aan. Meer dat» de hond den stok vreest, vreest de duivel den naam

ocr page 50

38

van Maria. Zij zal voor ons een steile toren, de toren van

David wezen en onder hare bescherming zult gij steeds vei-lisr zijn.

Skiit dan op dezen plechtigen dag een hecht verbond met Haar, die machtiger, die sterker is dan al uwe vijanden. quot;Verkiest Haar tot uwe bondgenoote, meer nog tot uwe Moeder. Zegt Haar : Maria gij zijt de onoverwinnelijke toren, die ieder uwer kinderen redt op den dag van den strijd, op den dag der verdrukking. Bescherm ons dan H. Maagd tegen al de aanvallen onzer vijanden. Bescherm ons in den strijd, dien wij zullen moeten voeren voor ons geloof, en voor onze deugd. Bescherm ons vooral in dien laatsten strijd, die ons de eeuwige overwinning zal moeten bezorgen. Amen.

(Opdracht aan de H. Maagd.)

ocr page 51

TIJ.

ZACHEUS ONTVANGT JESUS IN ZIJN HUIS.

Ilodie in domo manere. Luc. Heden moet ik blijven.

tna oportet me XIX : 5.

in uw huis ver.

Deze woorden, geliefde kinderen, die onze Goddelijke Zaligmaker eens tot Zaclieu? sprak, spreekt Hij in dit oogen-blik ook tot u : Heden moet Ik in uw luns, dat is, in uw hart, mijn verblijf nemen. De dagen van voorbereiding zijn voorbij. Gij zijt genoegzaam onderricht om de spijze, die u gegeven zal worden, te onderscheiden van elke andere spijze. Het bruilofskleed hebt gij aangetrokken, uwe harten zijn bereid om uw Jezus tot een waardig en aangenaam verblijf te verstrekken. Welnu, Hij wil dan ook nu zijn intrek bij n nemen. Hoe heerlijk klinken deze woorden, hoe opgetogen maken zij u van blijdschap. Jezus, de gewenschte uws harten, komt gij hoort reeds als zijne naderende schreden. Nog weinige

ocr page 52

40

oogenblikken en Hij treedt bij u binuen eu bij u binnentredende zal Hij dezelfde woorden herhalen, die Hij in het huis van Zacheus sprak : „Heden is aan dit buis heil wedervaren.quot; Ik wil u Zacheus als voorbeeld voor oogen stellen, en met u onderzoeken in welke stemming bij Jezus ontving, ten einde daaruit te leeren op welke wijze gij ook uwe harten voor de komst van Jezus moet voorbereiden.

Onze Goddelijke Zaligmaker ging al predikende en weldoende door het Joodsche land. Hij kwam dan ook op zekeren dag naar Jericho. In Jericho nu woonde een rijk man, Zacheus geheeten, die overste der tollenaars was. Veel had hij van den Zaligmaker gehoord, en een groot verlangen was in hem ontstaan om Hem ook te zien. Zooals altijd was Jezus door cene groote schaar omringd, die, al voortgaande, onophoudelijk grooter werd, en Zacheus, klein van gestalte als hij was, vreesde met reden, dat hij zijn wensch niet bevredigd zou zien, en Jezus niet zou kunnen aanschouwen. In zijn vurig verlangen bedacht Hij een middel. Den weg vermoedend langs welken Jezus zoude komen liep hij de scharen ijlings vooruit, klom op een breedgetakten boom en wacbte, tot dat Jezus voorbij zou gaan, om Hem aldus naar hartewensch te beschouwen. Jezus, de harten der men-schen kennende, kende dan ook het vurig verlangen van Zacheus. Hij vond er welbehagen in, wilde het beloonen, en onder den boom gekomen, waarin Zacheus gezeten was, blikte Hij naar boven en sprak : /, Zacheus, kom haastig af, want heden moet Ik in uw huis verblijven.quot; En Zacheus door de goedheid van Jezus verrast, klom spoedig at en ontving Jezus met vreugde in zijn buis. Zoo luidt het verhaal van het Evangelie; gaan wij het een weinig iu bijzonderheden na.

ocr page 53

41

Zonder twijfel had Zacheus veel van Jezus hooren spreken. De lof van den Zaligmaker weerklonk door het gan-sche land. ffEen groot profeet,quot; zoo riep het volk, »is onder ons opgestaan. Allen heeft Hij welgedaan, de blinden doet Hij zien, de dooven hooren.quot; Ook de maar van Jezus' heiligheid ging hem allerwegen voor, en stad en dorp achtten zich gelukkig Hem te ontvangen.

Wat echter Zacheus den tollenaar bijzonder tot Jezus trok, was de ongekende menschlievendheid van Jezus, die niemand verstootte, niemand versmaadde. Welk verschil tusschen de handelwijze van Jezus en die der priesters en leermeesters van het Joodsche volk. Terwijl deze eiken omgang en gemeenschap met de tollenaars schuwden, niets dan verachting voor hen over hadden en elke aanraking met hen als een verlaging en een schande beschouwden, behandelde Jezus hen met voorkomendheid en liefde. Hij onderhield zich met hen, zelfs ontzag Hij zich niet met hen aan tafel aan te zitten. Zulk een man, meende Zacheus, zoo machtig in woorden en werken, zoo heilig van leven, zoo liefdevol jegens allen, moest meer dan een gewoon mensch zijn; geen wonder dan ook dat Zacheus, geheel ingenomen voor Jezus dezen verlangde te zien. Niet dat Zacheus reeds in Jezus als in den Zoon Gods geloofde, maar zijn hart was vaardig om dat geloof te ontvangen. Jezus, die altijd den mensch te gemoet komt, en hem, wanneer hij slechts geen weerstand biedt, redden wil, zond op het oogenblik zelfs dat Hij Zacheus riep en een plaats in zijn huis verlangde, een straal van zijne genade op den tollenaar neer. De genade verlichtte zijn geest en bewoog zijn hart. Van dat oogenblik was Zacheus een leerling van Jezus, erkende Hem als zijn Heer en Meester, als den Zoon Gods. Hij was, zoo als

ocr page 54

42

Jezus zelf zeide, een zoon van Abraliam, dat wil zeggen een zoon des geloofs geworden.

Hoeveel, g. k., liebt gij op Zaclieus voor. Op den schoot uwer moeder reeds hebt gij van Jezus als van den Zoon Gods hooren spreken, en bij het noemen van zijn naam uw eerbied leeren betuigen. Als kind reeds kendet gij Hem als uwen Verlosser, die als gezel onder ons wonen, en onze losprijs op het kruis heeft willen wezen, en toch, gij kendet uwen Zaligmaker niet geheel. Niet alleen is Hij onze metgezel en onze losprijs, maar ook onze spijze, en als zoodanig kent gij Hem nog niet. Om Hem als spijze te kennen, moet de mensch Hem genieten, en dat geluk is u nog niet te beurt gevallen. Ja! wie had het kunnen vermoeden, dat zijne liefde voor ons zoo ver zoude, gaan, dat Hij ons zijn eigen vleescli en bloed tot spijs en drank zou geven ? En toch zoo luidt zijn eigen woord: «Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank.quot; Ik ben het brood des levens. Ik ben het levend brood, die van den Hemel gedaald ben. Die van dit brood eet, zal leven in eeuwigheid.quot; Die Goddelijke spijze zult gij zoo straks ontvangen, en Jezus zal in uw hart als in zijn woning binnentreden. Verlevendigt dan meer en meer uw geloof, aanbidt Hem met eerbied als uw God, en roept met den H. Thomas uit: o verheven wonder, ik arme nietswaardige slaaf mag mij voeden met mijn Heer.

Ja, arme, nietswaardige schepselen zijn wij; maar zullen wij het dan wagen dien grooten God in de woning van ons hart op te nemen ? Toen Zacheus, door de genade voorgelicht, Jezus als den Zoon Gods erkend had, verheugde hij zich dubbel die uitnoodiging te hooren: ,/Heden moetik in uw huis verblijven,quot; maar toch overviel Hem eene heilige huivering. De erkenning van Jezus' godheid was als

ocr page 55

43

een heldere lichtstraal die in zijn binnenste viel en hem geheel de diepte van zijn onwaardigheid en zondigheid kennen en peilen deed. Was hij geen verachtelijke tollenaar? Bovendien, aan hoe vele zonden, aan hoeveel hardheid en onrechtvaardigheid had hij zich niet schuldig gemaakt ? Evenals de tollenaar in den tempel, moest hij door schuld bezwaard, op zijn borst slaan, en wel verre van Jezus in zijn huis te ontvangen, mocht hij het zelfs niet wagen zijne oogen tot Hem op te heffen. Zoo aarzelde hij, maar die aarzeling was van korten duur. Jezus, die de harten en nieren doorgrondt, kende hem en toch had Hij hem met zoete stem toegeroepen : ,/Zacheus komt af, Ik moet in uw huis verblijven.quot; Zacheus, g. k., zij uw voorbeeld. Ja, erkent uwe onwaardigheid. Smeekt den Heer, dat gij ze voortdurend beter moogt kennen. Zegt met den H. Augustinus.- //Noverim te, nove-rim me.quot; Heer dat ik U, maar dat ik tevens mijzelven kenne. Leer mij den afstand inzien, die mij van U scheidt, niet om mij van uwe H. Tafel te verwijderen, maar om in altijd dieper nederigheid daartoe te naderen. Dat ik mijzelven kenne met al mijne ondankbaarheid en gebreken, in al mijn geringheid en nietigheid, maar dat ik dan ook des te meer ver-trouwe op uwe genade en op uwe liefde, die zooveel weet te bedekken en aan te vullen. In dat vertrouwen zal ik met vreugde de woning van mijn hart openen om er U in te ontvangen.

Zacheus, hoezeer en hoe te recht hij zijne onwaardigheid gevoelde, was toch in beteren staat dan hij vermoedde. Veel had hij gezondigd, maar de Heer had zijne zonden reeds weggenomen. Met de genade medewerkend, had Zacheus, niet alleen het geloof, maar ook eene volmaakte liefde bekomen, en uit de volmaakte liefde was bij de herinnering

ocr page 56

44

aan zijne zondtin en schulden een volmaakt berouw ge«pro-ten en had zijne zonden uitgewischt. Wat toch duidt het waarachtig rouwmoedig hart beter aan, dan de oprechte wensch van de zonde zooveel mogelijk ongedaan te maken en het misdrevene te herstellen ? Dien wensch, dien vasten wil had Zacheus. //Heer!quot; zoo sprak hij tot Jezus, //ik geef de helft mijner goederen aan de armen, en indien ik iemand ooit tekort heb gedaan geef ik het vierdubbel weder.quot; 1) Zijn hart was volkomen veranderd ; had hij vroeger de zonden bemind, hij beminde ze niet. meer. Zoo mag dan ook de H. Augustinus zeggen, dat Jezus reeds in het hart van Zacheus was binnengegaan, voordat Hij inging in zijn huis.

God zij dank, g. k., ook van u mogen wij zeggen Jezus woont reeds met zijne genade in uwe harten. Indien er iets geweest is, dat Hem van u scheidde, gij hebt de troostende woorden gehoord : uwe zonden worden u vergeven, en het H. Sacrament der Biecht heeft alles uitgewischt. Tracht toch, niettegenstaande die vergeving, door de vernieuwing van uw berouw, voordat gij tot de H. Communie nadert, die zonden meer en meer ongedaan te maken, en het onrecht daardoor uw God aangedaan meer en meer te herstellen.

Om het vele goede dat hij van Jezus gehoord had, beminde Zacheus den Zaligmaker van harte, en in die liefde verlangde hij vurig Hem te zien. Het was geene ijdele nieuwsgierigheid, die hem prikkelde, zooals later bij het lijden van Jezus Herodes gevoelen zou, maar een edel verlangen, uit liefde en uit zucht naar volmaaktheid ontsproten. Geen ijdele nieuwsgierigheid toch zou hem moed en kracht gegeven hebben om het menschelijk opzicht, zooals

1.) Ut. XIX; ♦.

ocr page 57

45

hij het deed, met voeten te treden, en zich aan de bespotting der Joden prijs te geven Het Evangelie 'noemt Zache-us een rijk man en een oppertollenaar. Hij was dus een man van aanzien, van hoogeu rang en stand, en veel moest het hein gekost hebben in een boom gezeten ten aanschou-we van al het volk Jezus af te wachten. Welke bespotting had hij, een tollenaar, om zijne bediening reeds bij het Jood-sche volk zoozeer gehaat, niet te duchten ? Maar zijn verlangen naar Jezus was sterker dan de vrees voor bespotting en het werd beloond, meer dan beloond door het woord van Jezus : //Heden moet ik in uw huis verblijven.quot; Verlangde Zacheus Jezus te zien, uw verlangen g. k. is gewis niet minder groot om Hem te ontvangen, en met waarheid kunt gij zeggen: //Mijn verlangen, o God ! is voor U niet verborgen.quot; Gij kent Jezus in de onovertroffen liefde van zijn Goddelijk hart. De tallooze weldaden, vooral in deze laatste dagen van Hem ontvangen, dringen u, en gij gevoelt uwe harten uit liefde voor Hem kloppen. In die liefde verlangt gij u inniger met Hem te vereenigen en één te zijn en gij haakt naar de H. Communie waardoor gij inderdaad één met Hem worden zult. Dan zal Jezus als de kroon op al zijne vroegere weldaden stellen. Wekt dat liefdevolle verlangen nog meer in u op. Zegt tot Jezus: Heer! gelijk een dorstig hert snakt naar de waterbronnen, zoo verlangt mijne ziel naar U. Kom haastig Heer, laat ik U binnenleiden in de binnenkameren van mijn hart, want Gij zijt mijn Eenige, mijn Welbeminde.

Zoo, g. k., moet gij u dan voorbereiden om Jezus in uw hart te ontvangen. Alvorens gij de laatste hand aan de versiering van die woning legt, en voor eenige oogenblikk«n al-

ocr page 58

46

les rondom u gaat vergeten, meen ik u toch nog aan eene dubbele verplichting te moeten herinneren, een ten aanzien uwer ouders, en een ander ten aanzien der gemeente. quot;Wanneer ik u van eene verplichting ten aanzien uwer ouders spreek, dan is het u niet onduidelijk wat ik bedoel. Uwe harten zijn nog niet geheel rustig bij de herinnering aan de ondankbaarheden, waaraan gij u jegens hen zoo dikwerf schuldig gemaakt hebt, en waarvoor gij hen nog gaarne om vergeving zoudt bidden. Gij bekent volgaarne, dat gij, ondanks al hun liefde, hen meermalen beleedigd hebt, en het doet u van harte leed zoo menigmaal aan uw plicht jegens hen ontbroken, zoo menigmaal hen bedroefd te hebben. Zoo, ouders, spreken op dit oogenblik uwe kinderen tot u, en gij, gij veroorlooft mij hen van uwe vergeving te verzekeren. Ja, gij verlangt dat zij zich ten volle van uwe liefde overtuigd zullen houden, en van uwe bereidwilligheid om de blijken daarvan te vermenigvuldigen. Nog een laatsten plichten wel ten aanzien der gemeente blijft u te vervullen door openbaar belijdenis te doen van uw geloof. Door uwe eerste H. Communie wordt gij als geheel in de gemeente ingelijfd. Uwe kinderjaren zijn voorbij, en de groote strijd des levens gaat voor u beginnen. ïe zamen met ons wilt gij dien strijd onder één vaan, de vaan van Jezus en zijne Kerk voeren. Belooft dan ten aanhoore van allen dat gij Jezus en zijner Kerk trouw, door het geloof met ons allen één zult zijn, en dat gij dat geloof, met de genade Gods, tot uwen laatsten ademtocht ongeschonden zult bewaren.

(Geloofsbelijdenis.)

Door het geloof met ons één, wordt het dan nu ook door

ocr page 59

47

deelneming aan de H. Tafel. Bereidt uwe harten, Jezus nadert reeds, zoo aanstonds daalt Hij op het altaar. Dan zal ik Hem u toonen, dan zal ik u toeroepen : Het oogenblik is daar, zie de bruidegom komt. Sluit u dan voor eenige oo-genblikken als geheel van de wereld af, versiert uw harten door een vurig verlangen, en nadert dan met vertrouwen, want Jezus zelf heeft uw hart tot woning uitgekozen en zooals Zacheus zoo zal Hij tot u zeggen ; Heden moet ik in uw huis verblijven. Hij blijve daar heden en in eeuwigheid. Amen.

ocr page 60

48

Na de H. Mis.

#Heden is dezen huize zaligheid geworden, dewijl ook hrj een zoon van Abraham isquot;. 1) Zoo sprak onze Goddelijke Zaligmaker toen Hij bij Zacheus zijn intrek genomen had. Met hoeveel meer recht, mag ik dit van u zeggen ? Ja, heil en zaligheid werd heden uw deel.

Zacheus had Jezus in zijn huis ontvangen en werd zoo11 van Abraham dat is, kind des geloofs, kind van God, Je-eus had bij zijn komst de gave des geloofs eu der liefde in zijn hart uitgestort. Zooals de H. Schrift zegt, was hij tot God genaderd en verlicht geworden 2), den Zoon Gods had hij aangenomen en aan Hem was de macht gegeven kind Gods te worden 3). Maar nog grooter gaven g. k. zijn in dit oogeftblik aan u geschonken.

Niet slechts is Jezus in uw huis gekomen, maar Hij heeft zich aan u gegeven. Niet slechts zijt gij kinderen Gods geworden, maar het kindschap Gods is in u, zoover het op aarde mogelijk is, tot volkomenheid geklommen, wijl Jezus, het leven, met u als één is. Wie zal ze begrijpen de wondervolle vereeniging die in u heeft plaats gegrepen ? Met zijn vleesch en bloed is Jezus bij u ingetreden, met dat vleesch en bloed dat onafscheidelijk met de Godheid veree-nigd is. Zijn vleesch heeft uw vleesch. Zijn bloed uw bloed aangeraakt, als van liefde dronken heeft Hij u innerlijk omhelsd, ja meer nog, geheel uw wezen heeft Hij met Zijn Goddelijk leven doordrongen, en als één leven hebt gij met Jezus geleefd, zoodat gij inderdaad met Paulus kunt uitroepen :

2} Pi. XXXIII: 0.

3) Join. 1: 12.

1). Loc XIX: 8.

ocr page 61

49

„Levend ben niet meer ilc, maar in mij leeft Christus.quot;!) Die waarheid heeft Jezus zelf betuigd, toen Hij zeide: //Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef om den Vader, zoo zal ook hij die mij eet om Mij leven.quot; 2) Het is waar de geheimzinnige vereeniging heeft me* het verdwijnen van de gedaante van brood opgehouden, maar geenzins hare gevolgen. Indien de aanraking van Jezus' kleed der vrouw van het evangelie de gezondheid schonk, en zij als tot een nieuw lichamelijk leven herboren werd, zou dan die innige persoonlijke vereeniging met Jezus voor u nog geen heerlijker vruchten dragen ? Onze Goddelijke Zaligmaker, zegt de kerkvergadering van Trente, heeft gewild, dat dit Sacrament als eene geestelijke spijze onzer zielen zou worden genoten, waardoor wij gevoed en versterkt, het leven leven van Hem, die gezegd heeft, die Mij eet zal leven door Mij. Gevoed en gesterkt zijt gij dus g. k. tot een nieuw geestelijk leven, tot een leven voor Jezus en in gelijkvormigheid met Jezus. Der H. Communie, zegt de H. Thomas is dit eigen, dat zij de wortel der zonde in ons doet sterven, den prikkel des vleesches verstompt, het vuur der begeerlijkheid uitdooft. Er is eene kracht in u neergedaald, die u met heilige stoutmoedigheid zal doen uitroepen: op mijn God steunende zal ik overwinnen. ,/Ik kan alles door Hem, die mij versterkt. Wie zal mij van de liefde van Christus kunnen scheiden.quot; Zelf uw lichaam zal de uitwerking van de Goddelijke spijze ondervinden, want in dat sterfelijk vleesch is als de kiem gelegd der onsterfelijkheid, zooals Jezus zelf betuigt: //Wie mijn vleesch eet en mijn bloed

1) Gal. U: 20.

2) Joan. VI: 57.

4

ocr page 62

50

drinkt heeft liet eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken

ten jongsten dage.quot; 1)

Hartelijk wenscli ik u dan ook geluk niet uw vereem-ging met Jezus en met al de heerlijke gaven en uitwerkselen daaraan verbonden. Ja, gij zult ze op prijs stellen en uwen God hartelijk daarvoor weten dankbaar te zijn. Zache-us riep in zijne dankbaarheid bij het bezoek van Jezus uit: „Zie, de helft mijner goederen, Heer, geef ik den arme, en zoo ik iemand heb tekort gedaan, geet ik het vierdubbel weder.quot; 2) Zoo zult ook gij, g k. uw dankbaarheid toonen. Toont ze door u zeiven geheel aan Hem te schenken, door al uw ziels- en lichaamskrachten Hem te wijden. Hebt voortaan geen ander doel als door verdubbeling van uw ij ver Jezus te vergoeden, in zoover als gij tot nu in uwe liefde voor Hem zijt tekort geschoten.

Ook u, ouders van deze kleinen, wensch ik geluk. Deze dag is een dag van heil niet alleen voor uwe kinderen, maar ook voor u. „Heden,quot; zoo sprak de Zaligmaker tot Zacheus „is dezen huize zaligheid wedervaren.quot; „Dezen huize.quot; Niet, alleen Zacheus, maar geheel zijn huisgezin heeft aan de zegeningen des Heeren deel gehad. Zoo is het ook met u. Toen uwe kinderen in zulk eene heilitre stemming en innige aandacht tot de tafel des Heeren naderden, heeft dat schouwspel een diepen indruk op u gemaakt, hebt gij een stem in uw binnenste gehoord, die u zeide, dat er geen groo-ter geluk voor den mensch is, dan in vereemging met God te zijn, en gij gevoeldet u opgewekt om dat geluk aan u zeiven te verzekeren. Zoo heeft het heil uwer kinderen als een terugslag in uw eigen hart gevonden. Bovendien uwe

1) Joan* VI: 2) Luc. XIX ; 8.

ocr page 63

51

kinderen hebben in die oogenblikken van nauwe vereeniging met Jezus voor uw heil gebeden. Indien het waar is, zooals er geschreven staat, dat God uit den mond der

jrk- kinderen een volmaakten lof bereid heeft, 1) dan zullen ook

ell die kinderbede volmaakte smeekingen wezen. God zal die dan

•he- ook verhooren en u ruimschoots zegenen. Ja, ook aan u

jjt: is dan heden heil wedervaren. Tracht dat heil ook voor u

en en uwe kinderen te behouden, door uwe ouderlijke plichten

we- steeds met nauwgezetheid te vervullen. Gaat hen steeds in

ien. het goede voor, opdat zij veilige gidsen in u vinden, en u-

loor we voetstappen drukkende den weg bewandelen, die u te za-

Jebt men naar het hemelsche vaderland voeren zal. Amen.

i ij-

■ • t 1) Psalm VIII: 3.

Deze :naar heus \Tiet, 3 zest u. inni-, dat 1 een groo-God lan u ju als l uwe

ocr page 64

IN DE NAMIDDAG-GODSDIENSÏOE.FENING.

Hoezeer vloeide het hart van Zacheus van dankbaarheid over bij de beschouwing der weldaden door hem van Jezus ontvangen. JN'ooit had hij zulke gunstbewijzen kunnen of mogen verwachten. Hij had verlangd den Goddelijken Zaligmaker, van wien hij zooveel goeds vernomen had, te zien, en niet alleen was aan dit verlangen voldaan, maar Jezus had hem geroepen, was zijn woning binnengegaan, en binnengaande had Hij hem met een straal zijner genade verlicht. Zacheus was ten volle een zoon van Abraham, dat wil zeggen een leerling van Jezus, een kind Gods geworden.

Wat zou hij voor zooveel wedergeven ? Niet tevreden met Jezus de gulste gastvrijheid aan te bieden, meende hij nog op betere wijze zijne dankbaarheid te moeten toonen. Hij was het hoofd der tollenaars. Wellicht had hij in die hachelijke bediening niet altijd genoegzaam de rechtvaardigheid voor oogen gehad. Hij was rijk en bezat dus de middelen om armen en ongelukkigen te ondersteunen. Wat kon hij dan uit dankbaarheid aan Jezus, die de gerechtigheid zoo zeer beminde, en de barmhartigheid zoo zeer lief had, beter

ocr page 65

53

doen, clan het mogelijk gepleegde onreclit te herstellen, dan de armen in hunnen nood behulpzaam te wezen, en uit de volheid des harten riep hij uit: //Zie de helft mijner goederen Heere ! geef ilc den armen, en zoo ik iemand iets heb tekort gedaan, geef ik het vierdubbel terug.quot; 1)

Bij de nog grootere weldaden, g- k., die gij van daag ontvangen mocht, vloeien ook uwe harten over van dankbaarheid. Wat was het u goed, Jezus in uw hart te bezitten, uwe verlangens met een kinderlijk vertrouwen aan Hem kenbaar te maken en als van mond tot mond met Hem te spreken. Wat zal ik toch den Heer wedergeven, voor al hetgeen Hij mij geschonken heeft, zoo verzuchttet gij meermalen in uw hart en nog op dit oogenblik bezielt u dat zelfde gevoel.

Wat gij Hem zult wedergeven ? Aardsche goederen zijn nog niet zooals aan Zacheus ter uwer beschikking. Goud of zilver bezit gij niet. Doch, g. k., dat is ook niet wat Jezus van u vraagt. Hemel en aarde komen Hem toe en Hij verlangt dan ook van u geen stoffelijke gaven.

Wat Hij van u verlangt, het is uw hart, het is uwe liefde. ,/Kind geef Mij uw hart,quot; zoo roept Hij u toe. Ik heb u bemind, nog bemin Ik u meer dan den appel van Mijn oogen, maar schenk mij dan ook uw liefde, schenk mij dan ook uw hart.

Dezen morgen reeds hebt gij aan dien wensch voldaan, en gij verlangt niets zoozeer, dan die gave te bestendigen. Want aan wien behoort uw hart met meer recht toe dan aan Jezus, die het voor zich heeft geschapen, en voor den allerduursten prijs heeft gekocht ?

1) Luc. XIX: 8.

ocr page 66

54

En toch, g. k., hoezeer zal er om dat hart gestreden worden ! Wat gij aan Jezus geschonken hebt, en wat Jezus zoo vurig verlangt voor zich te behouden, dat zal de aartsvijand van God en het menschelijk geslacht voor zich zoeken te winnen, niet om u gelukkig, maar om u naamloos rampzalig te maken. Die vijand zal er zich van trachten meester te maken, en door de zonde daaruit Jezus zoeken te verdringen. Wat al beloften zal hij u doen, wat al kunstgrepen gebruiken, om u tot de zonde over te halen. En zijn aanslagen zijn te gevaarlijker dewijl hij in uw binnenste een bondgenoot en helper vindt, in uwe verkeerde neigingen, in uwe driften en hartstochten, die zich met de jaren meer en meer ontwikkelen, en u ook tot het verbo-dene en de zonde zullen aansporen.

Weest dan toch op uwe hoede, weest standvastig en trouw aan Jezus en verbant Hem toch nimmer door de doodzonde uit uw hart. Neen, g. k., dien smaad toch zult gij uwen Jezus niet willen aandoen, niet slechts zooals de Joden Bar-rabas, maar Satan boven Hem te kiezen, en dat hart, dat Jezus zoo rechtmatig toekomt, aan zijn doodsvijand af te staan.

Neen, g. k., aan zulk een zwarte ondankbaarheid zult gij, ik vertrouw het, u nimmer schuldig maken, maar ziet dan ook wel toe, u voorzichtig te gedragen. Zegt nooit tot u zeiven, om uw geweten gerust te stellen, het is slechts een kleine zonde. Gij weet het toch, elke zonde hoe klein dan ook, is een beleediging God aangedaan en bedroeft het hart van uwen Goddelijken vriend. Elke kleine zonde, die gij begaan zoudt, vermindert in u den afschuw van het kwaad, en brengt u een stap nader tot het ongeluk, dat gij toch vóór alles vermijden wilt, Jezus uit uw hart te verbannen

ocr page 67

55

en n van Zijn liefde te scheiden.

Yereenigd moet gij dus met Jezus blijven, maar dat is voor de liefde niet genoeg.

Zij die elkander mot eene menschelijke en natuurlijke liefde beminnen, zegt ons de H. Praneiscus van Sales, houden hun geest en hun hart voortdurend bezig met hen, welke zij liefhebben, en zoo moeten ook zij, die Jezus beminnen, dikwijls aan Hem denken en gaarne met Hem spreken. Denkt dan dikwijls aan Jezus, voortdurend denkt Hij ook aan u. Oin u niet te verbeten, heeft Hij, zoo als [Tij zelf getuigt, u in Zijn hand geschreven. Heft meermalen uw hart tot TIetn op. Leve Jezus, dien ik bemin, zoo herhaalde onophoudelijk diezelfde heilige en op zulke wijze moet ook gij dikwijls 111 uw hart tot Hem verzuchten. Onderhoudt u dikwerf met Hem in het gebed. Wilt morgen noch avondgebed, vooral het eerste niet vergeten, niet omdat het boven andere gebeden den voorrang verdient, maar wijl bet zooveel gereeder wordt verwaarloosd. Bezoekt Jezus dikwijls in Zijn woning; in de Kerk kunt gij Hem vinden, daar is Hij persoonlijk tegenwoordig bij dag en bij nacht. 'Jot wien kunt gij beter gaan, dan tot Hem, die gezegd heeft; ,/Tvomt allen tot Mij, die belast zijt en Ik zal u verkwikken.quot; AA oont zoo dikwijls als gij kunt, de H. Mis bij, waarin Hij zich zei ven voor u aan den Hemelschen Vader offert, en niet alleen uwe gebeden aanhoort, maar Zelf voor u bidt, met krachtig geroep, dat gewis ook door den Vader verhoort wordt.

Eemint Jezus voortdurend. Tïrengt Hem die kleine offers, die Hij somwijlen van u vragen zal. Mijn juk is zoet, en Mijn last is licht, zoo heeft Hij ons gezegd, maar hoe zoet, en hoe licht, toch blijft Zijn juk een juk en Zijn last een last. 's Heeren dienst gaa altijd voor ons met moeilijkhe-

ocr page 68

56

den gepaard, en strijd en zelfverloochening zijn niet te ontkomen. Nu zult gij uw eigen wil moeten versterven omdat uwe ouders of overheden u iets gebieden wat u niet naar den zin is, dan zult gij u iets moeten ontzeggen wat u aangenaam, maar voor uw deugd gevaarlijk is, kortom offertjes zullen van u gevraagd worden, offertjes zult gij moeten brengen. Maar ik vertrouw g. k., gij zijt daartoe bereid gij weet wat Jezus voor u heeft gedaan, welke offers Hij voor u beeft gebracht, en de liefde voor Hem maakt u sterk, om alles wat Hij van u vragen mag, blijmoedig te geven. Waar bemint wordt, valt niets te zwaar.

Blijft dan standvastig in uwe liefde en wat gij van daag zoo menigmaal in de stilte van uw hart hebt beloofd, wilt dit thans ten aanhoore der geheele gemeente herhalen. Op welke wijze zult gij dit beter doen, dan door uw Doopbelofte te vernieuwen. In de eerste oogenblikken uws levens is reeds door uwe doopborgen uwe liefde aan Jezus verpand, uw hart zou Hem toebehooren, noch honger, noch dorst, noch krachten, noch machten, geen schepsel zou u van Hem kunnen scheiden, en wat toen in uw naam is toegezegd , komt dit dan persoonlijk bekrachtigen.

(Doopbelofte.)

Hoezeer verheugen wij ons allen, g. k., over de goede stemming waarmede gij de toekomst te gemoet gaat. Met Jezus door de liefde vereenigd, zal reeds op aarde de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, in uwe harten heer-schen en u gelukkig maken. Aan wien hebt gij die groo-

ocr page 69

57

te gunst te danken ? Voorzeker, op de eerste plaats aan Jezus, die alle genade verdient, maar na Hem aan Maria, die door hare voorspraak u die genade verworven heeft. Vergeet toch op dezen dag Maria niet. Maria is de Moeder der schoone liefde en der heilige hoop. Wie heeft meer van liefde voor Jezus geblaakt dan zij ? Haar hart was het altaar waar dag en nacht het heiligste vuur der liefde brande. Indien iemand ooit in waarheid tot Jezus kon zeggen ; //Gij zijt mijn God em mijn Al,quot; dan was zij het, die Hem als haar God en haar Zoon beminde.

quot;Wilt gij dan, g. k., Jezus oprecht en standvastig beminnen, gaat dan naar Maria. Vraagt haar, dat zij voor u een vonkje verkrijge van dat vuur, dat haar hart verteerde. O Moeder der schoone liefde, wil een blik van medelijden werpen op ons zwakke kinderen, die Jezus verlangen te beminnen. Wij hebben Hem wel ons hart geschonken, maar onze liefde is nog zoo flauw en onze onstandvastigheid zoo groot. Bid dan voor ons, opdat onze liefde vurig en tegen eiken aanval bestand moge wezen.

Ja, g. k., hoeveel hebben wij nog te vreezen, zoolang wij hier op aarde verkeeren, onze vijanden zijn zoo talrijk en machtig. Deze wereld is voor ons een zee, door stormen beroerd. Altijd verkeeren wij in gevaar schipbreuk te lijden, altijd in gevaar, reddeloos te vergaan. Gelukkig voor ons ! Maria is niet alleen de moeder der schoone liefde, zij is ook de moeder der heilige hoop. Op haar kunnen wij ons vertrouwen stellen. Haar naam beteek ent zeesterre, en het is tot die sterre, dat wij moeten opzien. Wilt gij een noodlottige schipbreuk vermijden, slaat dan uwe oogen op Maria- In alle gevaren, in alle tegenspoeden, in alle moei-elijkheden des levens, denkt aan Maria, en aanroept Maria.

ocr page 70

58

Hebt haar gezegenclen naam steecis in uwen moncl, steecis in uw hart.

Welaan dan, g. k., stelt u van daag op een bijzondere wijze onder bare moederlijke bescherming. Geen dag is daartoe meer geëigend. Met den dag uwer eerste H. Communie vangt als een nieuw leven voor u aan. Gij hebt uw hart aan Jezus liefde toegewijd, wijdt het ook aan Maria, verkiest haar dan tot uw beschermster, tot uw moeder. Ouder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o H. Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood, verlos ons van alle gevaren en voer ons de haven der zaligheid binnen, o ineedoogende, o teedere, o zoete Maagd Maria.

(Opdracht aan Maria.)

ocr page 71

IV.

JEZUS INTOCHT IN JERUZALEM.

Ecce, Rei tims venit tibi mansuetus.

Matth. XXI: 5.

Zie, uw Koning komt tot u zacht-inoedig.

God, wiens Wezen goedheid is, gevoelt zich onweerstaanbaar gedrongen, die eigenschap nan ons te doen kennen en door het uitstrooien van weldaden Zich zelven als te bevredigen. Als een rijke bron vloeit zijn heilig hart altijd over, en toch zijn er oogenblikken, waarin het zich ruimer opent, en voller stroom van genade op den inenseh nederdaalt. Zulk een oogenblik, geliefde kinderen, is voor u aangebroken, op den dag uwer eerste H. Communie. Het hoogste goed, Jezus zelf, zal u geschonken worden. Het huis des Heeren is als op den grootsten feestdag getooid, uwe ouders zijn van vreugde opgetogen, geheel de gemeente is saam gevloeid en

ocr page 72

60

houdt hare oogen op u gevestigd^ allen jubelen en vieren feest. Eén toch is aller overtuiging, rlat Jezus te ontvangen, Hem in een kinderlijk en rein hart te ontvangen. Hem voor de eerste maal te ontvangen, een geluk, een zielsgenot is, met geen ander geluk, met geen ander genot op deze aarde te vergelijken. Dat zult gij, g. k. , dan ook zelf ondervinden. In die verwachting hebt gij vurig naar dezen dag verlangd. Hoe traag schenen u de dagen voorbij te gaan, die u van dezen grooten dag scheidden. Ten laatste is hij geko-lrienj gij zijt voor het altaar geschaard, en na weinige oogen-blikken zal ik u toeroepen : Ziet daar het Lam Gods.

Gij zijt, g. k., genoeg onderwezen ; gij weet de spijze, die gij ontvangen zult, te onderscheiden van elk andere en tevens wat noodig is om het H. Sacrament niet alleen waardig, maar ook met veel vrucht te ontvangen. Toch zal het nuttig zijn u te herinneren met welke gevoelens gij tot dat Goddelijk gastmaal naderen moet. Ik wil tot dat einde eene gebeurtenis verhalen, die wij in het Evangelie vinden opge-teekend, en de omstandigheden daarvan nader beschouwen. Het verhaal van den intocht van onzen Goddelijken Zaligmaker in Jeruzalem, zal u menigen nuttigen wenk geven, zoo gij met aandacht luistert.

Het sterfelijk leven van Jezus liep ten einde. Voor de laatste maal zou Hij de stad Jeruzalem binnentreden, om haar niet meer te verlaten, dan met Zijn kruis beladen, opgaande naar den berg Golgotha. Andere malen, wanneer Hij Jeruzalem binnentrad, deed Hij zulks in stilte en onbemerkt, doch de laatste maal op plechtige wijze. Als Messias en Koning moest Hij zijn intocht in Jeruzalem houden, want zoo was het door de profeten voorspeld. Als Messias

ocr page 73

61

en Koning, en dus niet in schitterende praal, die Hem den schijn gaf naar een aardsch Koningschap te staan, maar toch op een, volgens 's lands gebruik, plechtige, ofschoon eenvoudige wijze. Hij had door Zijne Apostelen het veulen eener ezelin doen halen, en de Apostelen het doel van Jezus radend, ontdeden zich van hunne oppertleederen, legden ze op het veulen en deden Jezus er op nederzitten. Langzaam reed Hij als de Koning der zachtmoedigheid den weg op naar Jeruzalem. Toen men in de stad hoorde, dat Jezus in aantocht was, werden veler harten als door eene geheime kracht bewogen. Een ontelbare schaar kwam in beweging en trok Jezus te gemoet. Toen zij Hem zoo plechtig zagen naderen, omringd reeds van scharen, die Hem van Bethanië en omstreken volgden, ging er plotseling als een licht voor hen op. Ja, Hij was de waarachtige Messias, die aan hunne vaderen was beloofd ; als Messias wilden zij Hem begroeten, als Messias Jeruzalem binnenvoeren. De bovenkleederen werden uitgetrokken en als tapijten over den weg gespreid, takken van de boomen gehouwen, met wier loof zij den grond bestrooiden of die ze. Hem tegemoet gaande, wuivend in de hand droegen. Allen, zoowel die Hem vooruitgingen, als die Hem volgden, juichten eenparig, en riepen : ,/Hosanna den Zoon van David. Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren Hosanna in den hooge.quot; 1) En terwijl de scharen zich verbreedden, en de juichtoonen steeds luider Idonken, trok Jezus als in zegepraal Jeruzalem binnen.

Hoe gaarne, g. k., zoudt gij met die jubelende scharen Jezus te gemoet zijn gesneld, het uwe er toe hebben bijgedragen Hem luisterrijk te ontvangen. Zult gij heden dat ver-ö ^

1) Matth. XXI: 9.

ocr page 74

62

lanfren niet kunnen bevredicrcn ? Jezus gaat na weinige oo-

O lt;— o O

genblikken zijn intocht houden iu uw hart. Voert Hem binnen in dezelfde gemoedsstemming, met dezelfde gevoelens als de scharen te Jeruzalem. Welke waren die gevoelens?

De luistervolle intocht werd Jezus bereid door leerlingen, door velen die in Hem geloofden. Innig hielden zij zich over. tuigd, dat Jezus de door God beloofde Messias, de Zone Davids, de groote Koning was. Dat getuigden hunne eerbewij. zen, die zij aan geen gewoon sterveling zouden gegeven hebben. Hoe valsch ook het denkbeeld mocht zijn, dat zij van zijn toekomstig koninkrijk zich gevormd hadden, als ware het slechts een aardsch koninkrijk, in Jezus' persoon zagen zij toch iets meer dan enkel een aardsch Koning. Waren zij geen getuigen geweest van zoovele wonderwerken, die duidelijk wezen op een meer dan menschelijke macht? Had de opwekking van Lazarus, dat groote wonderwerk, voor weinige dagen door Jezus gewrocht, niet alle anderen in de schaduw gesteld? Terwijl de vijanden van Jezus als verpletterd zijn, is het geloof der scharen in Hem als in den Zoon Gods daardoor meer en meer bevestigd en verlevendigd. Dat krachtig opgewekt geloof drijft hen dan ook bij de nadering van Jezus voort, wekt hun geestdrift op en doet die tot een hoogte stijgen, door geen koninklijken zegetocht overtroffen. Hoort ook hunne jubelkreten : Hosanna den Zoon van David. Gezegend Hij die komt in den naam des Heereu! In Jezus erkennen zij den Messias, die volgens de profeten de Zoon van David moest zijn ; zij erkennen Hem niet slechts als een afgezant Gods, maar als een die in den naam en met de macht van God tot hen komt en door wien God zelf zijn olk bezoekt. Zij begrijpen den zin der woorden door den profeet gesproken : //Zie, uw Koning komt tot u zachtmoe-

ocr page 75

63

dig, gezeten op een ezelin en jp een veulen, liet jong ecner juk dragen (Ie/'

Zie, uw Koning komt tot u zachtmoedig ! Zoo zeg ik ook tot, u g. Tc. : Uw Koning komt. quot;Van Hem toch, dien gij ontvangen zult, heeft de profeet gesproken : //Ik zag den Heer. Hij was gezeten op een verheven troon. Serafijnen omringden den troon en bedekten zich met hunne vleugelen en herhaalden zonder ophouden : Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen.quot; 1) Die Heer der Heerscharen, die Koning van Majesteit komt tot u, maar Hij komt zachtmoedig. Zijn majesteit heeft Hij verborgen, en onder nederiger gedaante dan Hij Jeruzalem binnentrok, wil Hij intreden in uw hart. Hij hoeft zich verborgen onder de gedaante van brood. Maar ook onder die gedaante erkent gij Hem. Uw geloof dringt door dien sluier heen, en in aanbidding voor Hem nedervalleud, roept gij met Thomas uit: //Mijn Heer en mijn God.quot; 2j Zie, uw Koning komt tot u zachtmoedig. Brengt Hein bij Zijne nadering uw hulde, een hulde van onderwerping, waarbij gij Hein geheel uw wezen aanbiedt, openlijk verklaart uw verstand tot gehoorzaamheid aan Hem gevangen te geven. Betuigt dat Christus als Koning door Zijn woord heerschen zal over uw verstand. Betuigt dat Gij alles gelooft, tot den laatsten ademtocht gelooven zult wat Hij u door Zijne Kerk heeft willen leeren.

(Geloofsb elij denis.)

Dit geloof, g. k., hier openlijk beleden, zal u heiligen. Het zij vooral levendig op het oogenblik dat gij het H. Sa-

1 ) laaias VI.

2) Joau. XX : 29.

ocr page 76

64

crament ontvangt. Wanneer ik u de H. Hostie toonen en zeggen zal: „Ziedaar het Lam Gods.quot; aanbidt dan uw Jezus, uw zaclitmoedigen Koning, uit den grond van uw hart, en nadert tot Hem met grooten eerbied en diepe nederigheid^ Wij mogen uit het Evangelieverhaal besluiten, dat met uitzondering van eenige weinige inwoners van Jeruzalem, de juichende scharen grootendeels uit Galileërs bestonden. Wegens het paaschfeest waren zij in grooten getale naar Jeruzalem opgegaan, en met ware vreugde vernamen zij, ook daar Jezus te zullen zien. In die stemming waren de inwoners van Jeruzalem niet. De haat der priesters en schriftgeleerden tegen Jezus had zich in meerdere of mindere mate ook aan hen medegedeeld. Zij ergerden zich te zien, met welke eer Jezus de stad werd binnengevoerd. Met verachting vroegen zij : „Wie is deze ?quot; 1) niet omdat zij Jezus, die zoo menigwerf in hun raidden geweest was, met kenden, maar omdat zij Hem geen buide waardig keurden. Hoogmoed bezielde hen. Zij wisten wel dat Jezus zich den Messias noemde, maar een Messias van zoo nedenge afkomst, met zoo wenig machtsvertoon, wilden zij niet. Ware Hij onder hen opgetreden als een machtig Koning, omstuwd^ door rijksgrooten, aan het hoofd van een overwinnend leger gereed om het joodsche volk tot liet eerste volk der aarde te verheffen, ja, dan zouden zij Hem erkend en geeerd hebben. Zulk een Verlosser vleide hun hoogmoed. Een Verlosser, die door nederigheid en armoede hen van zonde en schuld kwam redden, behoefden zij niet. Zij waanden zich rechtvaardig, en niet weinigen spraken dezelfde woorden in hun hart, die de Pbariseër sprak in den tempel : „ God !

1) Matth. XXI : 11.

ocr page 77

65

ik dank U, dat ik niet ben gelijk de overige menschen.quot; 1) De Galileërs echter waren eenvoudig en nederig van hart en hunne zondigheid zich ten volle bewust. Jezus' prediking had dan ook bij hen een geopend oor gevonden en velen waren Zijne leerlingen geworden. Zij behoorden tot die kleinen van wie Jezus sprak, toen Hij zeide: „Ik loof U, Yader, Heer van Hemel en aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen en ze aan kleinen geopenbaard hebt.quot; 2) Hunne hulde was Jezus dan ook aangenaam, en geen woord sprak Hij, dat hun geestdrift had kun-, nen verminderen. Ziet, g. k., de hulde die Jezus welgevallig is, is de hulde die voortkomt uit een nederig en verootmoedigd hart. Wilt gij, g. k., uw Jezus, bij zijn komst in uw hart, eene Hem aangename hulde bieden, vernedert u dan diep, erkent uwe onwaardigheid en zondigheid. Hoe zal stof en asch, als wij zijn, het wagen niet slechts tot den Heer te spreken, maar Hem, den Koning der Koningen, te ontvangen ? Herinnert u uwe schuld, slaat nog een enkelen blik op uwe bedrevene fouten, niet om er u over te verontrusten, want Jezus heeft ze reeds in zijn H. Bloed ge-wasschen, maar om er u nogmaals over te vernederen, om u over zijne liefde te verwonderen, die ondanks uwe onwaardigheid, op zulk eene onuitsprekelijke wijze zich met u vereenigen wil. Zegt Hem uit de volheid uws harten : Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt, maar uw verlangen is mij een wet. Sluit uwe oogen voor mijne fouten, om slechts aan uwe liefde te denken, en vul door uwe genade aan wat mij ontbreekt.

2) Matth. XI: 26.

1) Luc. XVIII: 11.

5

ocr page 78

60

Niet slechts moet gij Jezus' liefde jegens u bewonderen, maar ook uwe liefde, tot Hem meer en meer opwekken. Vermenigvuldigt in de oogenblikken die u voor de H. Communie overblijven, uwe oefeningen, uwe verzuchtingen van liefde. Dit deden ook de scharen, die Jezus te gemoet trokken. Het uitspreiden hnnner kleederen, het strooien van loover, het wuiven met palmtakken, waren niet alleen blijken van hoogachting voor zijn waardigheid, maar vooral bewijzen en uitingen der liefde. Jezus, de zachtmoedige Koning, had hun hart gewonnen. Hij heerschte daar door liefde, en die liefde was vindingrijk. Als bij tooverslag wist zij van dien intocht een ware zegepraal te maken. Was het wonder dat de Galiiëers Jezus beminden ? Het grooste gedeelte van zijn werkzaam leven had Hij in hun midden doorgebracht. Al den adel van zijn gemoed, al de lielde van zijn Goddelijk Hart, hadden zij leeren kennen. Hoe velen waren er onder hen, die of persoonlijk, of in hunne betrekkingen zijn medelijdend hart en zijn alvermogen hadden ondervonden. Hem voor een wonderdadige genezing of andere weldaad dankbaar-,heid schuldig waren. Bij het zien van Jezus rees de herinnering aan dit alles bij hen op, deed hunne harten ontvlammen van liefde en drong hen de betuigeuissen van gehechtheid en dankbaarheid honderdvoudig te herhalen. Zullen ook uwe harten, g. k., niet ontvlammen als gij dat H. Sacrament ontvangen zult, waarin, zooals de Kerkvergadering van Trente zegt, Jezus de schatten van zijne Goddelijke liefde jegens ons menschen uitgestort, en dat Hij tot gedachtenis gemaakt heeft van al zijne wonderen ? Verzucht tot Hem : ,/Lieve Jezus, zou ik U niet beminnen, wanneer ik zie, hoe Gij mij bemint en hoe Gij alles, ü zeiven mij ten besten geeft. Ja, Gij zijt de God van mijn hart. Gij,

ocr page 79

67

o God, mijn deel in eeuwigheid.quot; 1) Ik bemin u, maar vermeerder mijne liefde.

Hoe meer gij nvve liefde zult opwekken, hoe vuriger uw verlangen naar Jezus zal zijn. De scharen die Jezus te ge-moet gingen, konden het oogenblik niet afwachten, dat Hij Jeruzalem zou binnenkomen. Hun verlangen naar Hem dreef hen voort. Zij wisten wel, dat zij zich aan de vijandschap der priesters en oudsten des volks blootstelden, dat zij van hun wrevel alles te duchten hadden, wellicht uit de Synagoge zouden worden gebannen, maar dat alles achtten zij niets. Het verlangen naar Jezus verdreef alle vrees en trotseerde elk gevaar. Treedt dan ook, g. k., met een groot verlangen uw Jezus te gemoet. Gij kent Hem als uw besten vriend, als uw grootsten weldoener. Gij weet dat zijn komst in u niet ijdel zal zijn, maar dat Hij in u heelen zal wat gewond, sterk maken wat zwak is. Zuivert uw verlangen. Dat het een verlangen zij, dat niet zoozeer de weldaad als wel den weldoener geldt. Verlangt naar Hem als naar uw Koning, die recht heeft in uw hart te heer-schen, als naar uwen God, die recht heeft uw hart te bezitten.

De oogenblikken, die u nog overblijven, g. k., zijn kostbaar. Sluit geheel de wereld buiten uw hart, en houdt u alleen bezig met Jezus, dien gij ontvangen zult. Verlevendigt uw geloof, vernedert u in het stof, ontvonkt uwe liei-de, wekt uw verlangen op en nadert dan met een zoet vertrouwen tot Jezus, en op het oogenblik dat Hij zich geeft aan u, geeft u ook geheel aan Hem.

Ouders van deze kleinen ! Deze dag is voor u een ware

1) Psalm LXXII: 26.

ocr page 80

68

feestdag. Door de liefde met uwe kinderen verbonden is hun geluk uw geluk, hun vreugd uw vreugd. Wie zal verhalen wat al zorgen, welke opofferingen gij u voor hen getroost hebt, maar voor dat alles wordt gij ruimschoots schadeloos gesteld, nu gij zien moogt, in welken gelukkigen staat uwe kinderen zich bevinden, welk onbegrijpelijk geluk hun te beurt zal vallen. Rein en heilig gaan zij hun Verlosser te geinoet. Jezus heeft hun alles vergeven, en als tot onderpand van die vergeving zal Hij zich zeiven aan hen schenken. Ook wat zij tegen u misdreven, hebben zij betreurd. Toen zij voor God schuld bekenden, hebben zij zich vooral ook aangeklaagd over alles, waarin zij jegens u zijn tekort geschoten, en geen misslag deed hun inniger leed dan die, welken zij tegen u begingen. De Heer heeft hun vergeven en gij hebt hun ook voorzeker die vergiffenis geschonken. Zoo dikwerf hebt gij voor uwe kinderen gebeden, wilt dan ook nu door uw gebed hen helpen, opdat zij niet alleen waardig, maar meteen hart, brandend van liefde hun Jezus ontvangen. Amen.

Na de II. Mis.

Wat zal ik thans, geliefde kinderen, tot u zeggen? Wellicht deed ik beter te zwijgen en u gelegenheid te laten ongestoord nog eenige oogenblikken u inet uwen Goddelijken Heiland bezig te houden; Maar mijn hart is te vol, om het stilzwijgen te bewaren, om niet met eenige woorden u geluk te wenschen met het voorrecht, dat gij ontvangen hebt. De priester heeft in zijne H. bediening vele moeie-lijkheden, vele lasten te torsen, diepe smart kan het hem veroorzaken, wanneer hij ziet, hoe men naar God» woord

ocr page 81

69

niet luistert, en den weg des verderfs bewandelt. Maar hij heett ook zijne vreugde, oogenblikken waarin hem veel vergoed wordt en zulk een oogenblik is dat, waarop hij eenige kleinen als tot Jezus voert, eti hun, wel voorbereid, voor de eerste maal de H. Communie toereikt. Hij weet toch dat die eerste H. Communie, wel verricht, als een uitgeworpen zaad is, dat ontwijfelbaar ook in de verre toekomst zijn vruchten dragen zal. Kinderen, die ik van dag mijn vreugde en mijn kroon mag noemen, hartelijk wensch ik u geluk. Den wensch, dien ik heb uitgesproken, toen ik u de H. Communie overreikte, herhaal ik : het Lichaam van onzen Heer Jezus Christus beware uwe ziel ten eeuwige leven. Deze H. Communie moge u doen volharden in de goede voornemens, die gij gemaakt hebt, u sterken ter volvoering, u smaak geven om dikwijls in uw volgend leven deze Goddelijke Spijze te nuttigen, u bewaren en rijper doen worden voor het eeuwige leven. Zijt toch dankbaar voor de groote gave, die gij heden ontvangen hebt en toont het door Jezus altijd in uw hart te laten heerschen. Hij is uw Koning en Hij is het volgens zijn recht. Hem komt de opperheerschappij over alles en allen toe, maar wat Hij is volgens zijn recht heeft. Hij nog meer willen zijn door zijne liefde. Hij heeft ons vrijgekocht door zijn Bloed, verlost door zijn dood, gespijzigd met zijn Vleesch en Bloed. Voor dat alles verlangt Hij geen andere belooning dan dat wij Hem beminnen en dat Hij door de liefde als Koning in ons hart heersche. Geeft Hem, g. k., deze voldoening. Laat nooit toe, dat Jezus zich over u kunne beklagen en zeggen; indien gij Mij uwen Heer en Koning noemt, waar is dan de eer en de liefde die gij Mij verschuldigd zijt? quot;Blijft dan uw Jezus trouw in gehoorzaamheid en liefde, zegt Hem on-

ocr page 82

70

ophoudelijk door woorden en door daden: o, lieve Jezus aan wien wij op zoo billijken titel toebehooren, wij erkennen U als onzen Koning. Aan U wijden wij ons geheel toe. Uwe liefde zal ons leven, uw wet de wet van ons hart zijn. Wij willen aan U zijn zonder voorbehoud, leven en sterven in U-wen dienst.

Ouders van deze kleinen, hoe jubelen uwe harten in dezen stond. Het is alsof een nieuwe band u met uwe kinderen heeft saamverbonden, en alsof die eene Spijze, die u-we kinderen heden met u hebben mogen genieten u nog meer in liefde heeft te zaraengebracht. Geeft u vrij aan uwe vreugde over, het is eene zuivere vreugde, waarin de engelen Gods met u deelen. O ! ik bid u slechts, spant al uwe ouderlijke zorgen in, datJezus, die thans als Koning in hunne harten heerscht, daar voortdurend blijve heerschen. Is Jezus Meester in het hart uwer kinderen, dan zullen zij ook voor u zijn, wat zij voor u moeten wezen, eerbiedig en gehoorzaam, een troost in dit leven, een steun in uwen ouderdom. Gaat hun met een goed voorbeeld voor, blijft steeds voor hen bidden, en dan moogt gij vertrouwen, eenmaal met waarheid tc kunnen zeggen; Vader! die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard in Uwen naam. Amen.

ocr page 83

IN DE NAMIDDAG GODSDIENSTOEFENING.

Ondanks den haat zijner vijanden was onze Goddelijke Zaligmaker onder het gejuich des volks zegevierend Jeruzalem binnengetrokken. Geen duizenden had Hij op het bloedig slagveld door het zwaard geveld, geen rouw of verwoesting verspreid, neen als vredevorst, als Koning der zachtmoedigheid, die de harten der menschen door liefde kwam

O '

winnen, was Hij binnen de muren der stad gekomen. Geen bloed wilde Hij storten als alleen het Zijne. //Hosanna,quot; zoo hadden de scharen geroepen, quot; Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren, de Koning Israelsquot; en indien het in hunne macht ware geweest aan niemand anders als aan Jezus zouden zij in aardschen zin de heerschappij hebben opgedragen.

Die aardsche heerschappij echter verlangde Jezus niet. Zijn rijk was niet van deze wereld. Maar gij, g. k., hebt Hem een andere, een veel edeler heerschappij aangeboden. Toen gij dezen morgen Hem jubelend in uw hart hadt ontvangen, hebt Gij Hem de heerschappij geschonken over u zeiven, over alles wat gij zijt en bezit. Met den H. Ignatius hebt gij gezegd : wHeer, neem en ontvang geheel onze vrijheid, ge-

ocr page 84

72

heel ons geheugen en verstand, geheel onzen wil, en al wat wij zijn en bezitten. Wij hebben dit alles van U ontvangen en geven het geheel aan U terug. Beschik er over naar uw welbehagen.quot; En Jezus heeft vol vreugde die heerschappij aangenomen, en Hij is Koning van uw hart geworden. Zorgt, g. 1c., dat Jezus nu ook uw Koning blij-ve. Hij stelt er een eer in, dat gij u vrijwillig aan Hem onderwerpt. Beteren Koning kunt gij niet hebben. Hij is een Koning van zachtmoedigheid. Zijn wetten zijn rechtvaardig en heilig. Zijne geboden niet zwaar en onder zijn bestuur zult gij geluk en vrede smaken.

Het is niet zonder rede, g. k., dat ik u aanspoor uw trouw aan Jezus te bewaren. Eén toch is er die u tot opstand tegen Jezus zal aansporen en de heerschappij over uw hart zal zoeken te winnen. Hij is geen zachtmoedig Koning maar een geweldenaar, de vijand van God en van ons men-schen. Lucifer de gevallen engel.

In plaats van dankbaar te zijn voor de heerlijke gaven van God ontvangen, stond hij in trotschheid tegen zijn Schepper op. Hooger wilde hij stijgen, aan God gelijk worden. Ik zal mijn troon, zoo sprak hij, opslaan naast den troon des Allerhoogsten. Maar wie is gelijk God ? De vermetele vond zijn straf. Uit den hemel werd hij neergestort in den afgrond der hel. Van een engel des lichts, werd hij de vorst der duisternis.

Kan hij niet heerschen in den hemel, dan wil hij Koning zijn op aarde. Hij zal den mensch tot opstand trachten te brengen tegen God. Gods geboden doen overtreden, zonden doen bedrijven en aldus in plaats van God zelf als Koning in de harten der menschen zoeken te heerschen.

En inderdaad heeft de duivel zich op aarde een rijk ge-

ocr page 85

78

sticht. De Zaligmaker zelf noemt liem deu vorst der wereld. Heinas duizenden en nogmaals duizenden die door de zonden God hebben verworpen mag hij tot zijne onderdanen rekenen, en altijd gaat hij voort zijne heerschappij op aarde uit te breiden en nieuwe aanhangers voor zich te winnen.

De duivel, die vorst der wereld, loopt rond als een brie-schende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden, en ook op u g. k. zal hij gewis zijn kracht beproeven. Wat al beloften zal hij doen om u tot de zonde over te halen, en wat al geluk en voldoening u voorspiegelen om u in zijn strikken te vangen. Doch, gij weet het g. k. de duivel is de vader der leugentaal, zijn toezegging is bedrog, en zijn beloften zijn ijdel. Herinnert u wat hij zelf tegen den Zaligmaker bestond. Hij voerde Hem op een hoogen berg, toonde Hem al de koninkrijken der werelden hun pracht en sprak; #Dit alles zal ik U geven, indien gij nedervallend mij aanbidt.quot; Maar Satan kon niet geven wat aan den Zoon van God dien hij bekoorde, toekwam. Jezus wees hem terug ; //ga van mij Satan, want er staat geschreven : Gij zult den Heer uwen God alleen aanbidden.quot;

Wat nu de bekoorder bij den Zoon Gods bestond, dat zal hij voorzeker bij u niet laten. Zoo hij u al geen grootheid of rijkdom toezegt, zal hij u toch voldoening en genot in de zonde beloven. Geve God, dat gij nimmer aan die beloften geloof slaat, want jammerlijk zoudt gij u bedrogen vinden. In plaats van vreugde en voldoening, die gij zocht, zou zelfverwijt en wroeging uw deel worden. Judas liet zich verleiden door de zucht naar geld, hetwelk hij meende dat hem gelukkig zou maken. Hij verried zijn Godde-lijken Meester voor dertig zilverlingen. Maar de voldoening die hij gezocht had vond hij niet. Als vuur brando het

ocr page 86

74

geld hem op het hart en in wanhoop over de misdaad, die hij gepleegd had, wierp hij het weg, en bracht zich zeiven om het leven.

Wijst dan elke belofte, die n tot zonde moet brengen oo-genblikkelijk en beslissend terug. Weest trouw aan Jezus uwen Koning, en dient Hem met al de vermogens uwer ziel met al de krachten van uw lichaam. In zijn dienst zult gij waar geluk en vrede vinden. Een goed geweten g. k., is zulk een groote schat. Het bewustzijn in Gods genade, en vriendschap te leven is zoo zoet, zoo opwekkend voor het menschelijk hart, geen andere voldoening, geen andere troost kan daarbij halen. Welaan dan, g. k. weerstaat den duivel, vreest de zonden, en onderwerpt u geheel aan uwen Koning.

Nu Hij dezen morgen, evenals een Koning van zijn koninkrijk, bezit van uw hart heeft genomen, roept Hij u ook op, om Hem te huldigen, en Hem openlijk belofte van trouw te doen. Welaan geeft dan aan zijn verlangen gehoor, en dat een u-wer in naam van allen die beloften vernieuwe, die reeds in het H. Doopsel voor u gedaan zijn, en die Hem de heerschappij over uw hart verzekeren.

(Doopbelofte.)

Houdt dan deze beloften tot het einde van uw leven. Strijdt steeds den goeden strijd onder de banier van Jozus uwen Koning. Hij zal uw aanvoerder zijn, voortdurend met u strijden en u sterken met zijn kracht, mits gij Hem die door een nederig en aanhoudend gebed vraagt. Nooit kan ik genoeg tot het gebed aansporen, 't Gebed is voor on» de sleutel van de schatkamer van Gods barmhartigheid.

ocr page 87

75

't Gebed is ons alles. Bidden wij, dan hebben wij alles te hopen ; bidden wij niet, dan hebben wij alles te vreezen. Bidt, en vlucht de gelegenheid tot zonden en dan is er voor u niets te vreezen. Maakt dan op dezen dag een bijzonder voornemen om uw morgen- en avondgebed nimmer te verzuimen, om wanneer gij kunt, de H. Mis bij te wonen. Maakt uw voornemen om die makkers te vluchten, die door hunne slechte gesprekken u zouden kunnen bederven, die plaatsen te vermijden die voor uwe goede zeden gevaarlijk zouden kunnen zijn, in één woord maakt het voornemen de cliristelijke voorzichtigheid altijd en overal in acht te nemen. En zijt gij getrouw in het gebed en vlucht gij de gelegenheid tot zonden, dan zult gij ook geheel uw leven getrouw aan Jezus zijn.

Dit durfik u nog meer te verzekeren, waaneer gij voortdurend uwe toevlucht neemt tot haar, die in den hemel de grootste macht aan de teederste liefde paart. Wees gegroet. Koningin, Moeder van barmhartigheid, zoo roept de Kerk onophoudelijk Maria toe. ,/Wees gegroet Koningin, Moeder van barmhartigheid.quot; Ja zij is beide, Koningin uitgerust met alle macht, en moeder van barmhartigheid overvloeiende van liefde. Gelijk Salomon naast zijn zetel een tweede liet plaatsen voor zijne moeder Bethsabee, zoo heeft ook Jezus in den hemel een troon naast den Zijnen geplaatst, waarop Maria Zijne Moeder moet heerschen. Koningin is zij van hemel en aarde, alvermogend door hare voorspraak. Vraag Moeder, zoo spreekt Jezus, het voegt Mij niet u af te wijzen. Al hare wenschen zijn voor Jezus als bevelen, en al hare gebeden vinden verhooring.

En die Koningin zoo machtig is tevens moeder van barmhartigheid. Maria is niet alleen eene moeder, maar eene moeder geheel toegewijd aan hare kinderen, een moeder, die

ocr page 88

76

er haar geluk in stelt hare kinderen te helpen, en haar eer in al de nooden van hare kinderen te voorzien. Ja, Jezus haar Goddelijke Zoon is een Koning van zachtmoedigheid, maar toch aan Zijne zachtmoedigheid paart hij de rechtvaardigheid, en nevens den schepter van genade voert Hij het zwaard der gerechtigheid. Een eerbiedige vreeze zou ons kunnen terug houden om tot Hem te naderen. Maar wat hebben wij in Maria te vreezen ? Wat kan ons doen aarzelen, om tot haar te gaan ? Daar is in haar, zegt de H. Bernardus, niets gestrengs niets verschrikkelijks. Zij is geheel zachtheid. Aan allen biedt zij melk en honing. Voor allen opent zij haren schoot van barmhar-hartigheid, opdat wij allen van haren overvloed ontvangen, de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedroefde troost, de zondaar vergeving, de rechtvaardige genade. Zoudt gij dan, niet tot Maria, de Koningin en de Moeder van barmhartigheid gaan ?

Stelt u dan op dezen plechtigen dag op eene bijzondere wijze onder hare moederlijke bescherming. O Koningin en moeder van barmhartigheid, gij zijt ons leven, onze zoetheid en onze hoop. Tot u roepen, tot u vluchten wij uit dit aardsche tranendal. Berg ons in uwen schoot. Behoed ons voor alle gevaren. Geleid ons door dit leven en toon ons na deze ballingschap, Jezus uwen Goddelijken Zoon, onzen grooten Koning. Amen.

(Opdracht aan Maria.)

ocr page 89

V.

DE ALLERZALIGSTE MAAGD MARIA.

Feeit mihi magna qui potens est.

Luc. 1: 49.

Groote dingen heeft Hij aan mij gedaan, de Machtige.

Jaarlijks wordt in elke gemeente een plechtig en voor den geloovige waarlijk indrukwekkend feest gevierd. Jezus, de Fleer der Kerk, richt een groot gastmaal aan ; groot, én om de voortreffelijkheid der voorgestelde spijze én om de nauwlettende keuze der genoodigden. De spijze, die wordt voorgesteld, is het brood der engelen, dat brood des menschen wordt, Jezus' vleesch en bloed. De genoodigden zijn kindederen, als tijdens zijn aardsche omwandeling nog altijd Jezus' lievelingen.

Heden viert deze gemeente dit plechtig feest. Jezus heeft zijn Goddelijk gastmaal aangericht, en weer heeft zijne stem geklonken ; ,/ Laat de kindekens tot mij komen.quot; Tot u, geliefde kinderen, hier voor het altaar geschaard, is die uit-noodiging gericht. Aller oogen zijn op u als op debevoor-rechteu des Heeren gevestigd, allen verheugen zich ia uw

ocr page 90

78

geluk en vieren met u feest, vooral uwe geliefde ouders, die met een bewogen gemoed den Heer uit den grond des harten dankzeggen voor het geluk, dat u heden te beurt valt. Wanneer de deelneming aan uw geluk reeds zooveel vreugde wekt, wat moet er dan in uwe eigen harten om gaan ? Velerlei gevoelens maken zich als om strijd van n meester, maar liefdevolle dankbaarheid voor uw God voert toch den boventoon. Al de u geschonkene weldaden, vooral der laatste dagen, staan u levendig voor den geest. Heden zullen zij voltooid en bekroond worden door de grootste van allen. Jezus zelt zal zich aan u schenken, en met Maria roept gij nu reeds uit: „Gioote dingen heeft Hij aan mij gedaan, de Machtige.quot;

Nog weinige oogenblikken, g. k., en Jezus zal in u nederdalen, een groot geheim zal in u gewrocht worden, eeni-germate gelijk aan dat hetgeen gewrocht werd in Maria, de Moeder des Heeren. Gelijk zij zult gij Jezus den uwe mogen noemen. Van wie zult gij beter dan van haar kunnen leeren, hoe gij u voor de H. Communie moet voorbereiden. Niet dat gij haar in heiligheid zult kunnen evenaren, maar tracht ten minste haar voorbeeld in de verte na te volgen.

Het oogenblik, door God in zijne wijsheid voor de mensch-wording van Zijn Zoon bepaald, was daar. Maria, de onbevlekte Maagd, de dochter van David zou den Zoon Gods als haar kind van den H. Geest ontvangen. God zond den aartsengel Gabriël om die blijde boodschap aan Maria te brengen. De engel trad het huisje te Nazareth binnen, groette Maria vol eerbied en sprak: „Wees gegroet, gij vol van genade ! de Heer is met u, gij zijt de gezegenste der vrou-

ocr page 91

79

wen!quot; 1) Maria in hare nederigheid die lofspraak niet op zich van toepassing achtend, geraakte in verwarring en overdacht, wat die begroeting beteekenen mocht. Nu ontvouwde haar de engel het geheim des Heeren, tot welk een onbegrijpelijke waardigheid zij uitverkoren was. ,/Vrees niet,quot; zoo sprak hij, ,/want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult ontvangen en een Zoon baren en zijnen naam zult gij Jezus heeten. Deze zal groot zijn en de Zoon des Al-lerhoogsten genoemd worden.quot; Hij verzekerde tevens dat door een wonder van Gods almacht de belofte, vroeger door haar aan God gedaan, ongedeerd, en heilig zou blijven. Maria geen andere wet voor zich kennende dan het welbehagen des Heeren, gaf door den engel voorgelicht, hare toestemming en sprak die hemel en aarde verblijdende woorden : /, Ziehier de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; Op dat oogenblik kwam de H. Geest over haar en ontving de H. maagd Maria den menschgeworden God.

Zoo werd dat verheven geheim voltrokken, waarin zich Gods grenzelooze liefde voor den mensch openbaarde en waardoor aan Maria een voorrecht geschonken werd als God zelfs in zijn almacht geen grooter vermag te schenken. Maria, ofschoon zij in den eigenlijken zin des woords niet verdienen kon dat de Zoon Gods mensch werd, was toch op dat oogenblik, toen Hij in haren schoot nederdaalde, tot zulk een trap van volmaaktheid gestegen, dat zij niet alleen waardig, maar de eenig waardige was om Hem te ontvangen. Welke dan hare gevoelens waren, door welke deugden zij tot die volmaking gekomen was wil ik, g. k. eenigszins ontwikkelen, opdat gij u in de laatste voorbereiding naar haar voorbeeld.

1) Luc. I: S8.

ocr page 92

80

kunt vormen.

De eerste deugd, g. k., die wij in Maria bewonderen is haar levendig geloof. Hetgeen de engel haar boodschapte was een wondervol geheim. God zou mensch worden. Wie kan den afstand meten tusschen den God van majesteit, die in den hemel troont, en wien de aarde tot voetbank dient, en tusschen den mensch, die uit een handvol slijk gevormd is ?

God zal dien afgrond overschrijden en de menschelijke natuur aannemen. Een menschenkmd, een dochter van Eva, zal zijne moeder wezen. Een dubbel wonder heeft plaats ; de zelfvernedering van een God, de eindelooze verheffing van eene vrouw. Welk denkbeeld Maria ook van Gods almacht en liefde hebben mocht, op zoo groot een wonder kan zij onmogelijk zinnen. De engel brengt haar in Gods naam daarvan de boodschap en Maria gelooft. Zelfs hare nederigheid, haar gevoel van nietigheid is niet in staat haar een oogenblik te doen twijfelen. Dat woord van den engel; „Geen ding zal bij God onmogelijk zijnquot; 1) is de uitdrukking van haar eigen overtuiging. Van verbazing moge zij over het goddelijk raadsbesluit verstommen, zij gelooft en met een geloof zoo heldhaftig dat Elizabeth, door den H. Geest voorgelicht, haar om dat geloof zalig prees : „Zalig zijt gij die gelooft hebt, dewijl vervuld zullen worden de dingen welke u van

wege den Heer gezegd zijn. 2)

Yan Gods wege wordt ook u, g. k. , niet door een engel, maar door de onfeilbare Kerk een niet minder groot wonder aangekondigd . De Zoon Gods, die in den schoot van Maria neerdaalde, zal onder de gedaante van

l)Luc. 1:37. 2) Luc. 1:45.

ocr page 93

81

brood in uw binnenste komen. quot;De Kerk deelt u Jezus' woorden mede : ,/üit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed.quot; „Ik ben het levend brood, die van den hemel ben neergedaald. Het brood dat Ik geven zal, is Mijn vleesch voor het leven der wereld.quot; 1) Dat woord hebt gij geloofd, en vast is uwe overtuiging dat gij in de H. Communie uw Jezus ontvangt, en Hij de uwe zal worden. Het is voor u dezelfde almacht Gods, hetzij de Zoon Gods zich verberge onder menschelijke gestalte of onder de gedaante van brood, 't Is dezelfde liefde, die Hem mensch doet worden om voor ons te sterven, of spijze om ons te voeden. In dat levendig geloof moet gij tot Jezus naderen. Lieve Jezus, zoo zult gij tot Hem zeggen, ik geloof dat Gij even waarachtig in mij ellendig schepsel zult nederdalen, als Gij neder-daaldet in Maria, de uitgelezenste der vrouwen. Het is voor mij een onbegrijpelijk geheim, maar uw woord is mij borg voor de waarheid. De onbegrijpelijkheid, wel verre van mij af te schrikken, is mij veeleer tot vreugde. Juist daarin erken ik uwe Goddelijke grootheid, die werken weet te wrochten boven mijn nietig menschelijk verstand verheven.

Maria geloofde, en legde ook getuigenis van haar geloof voor den engel af. Het bezwaar, dat zij den engel opperde, maar vooral haar laatste woord was eene openbare belijdenis van haar geloof: ;/Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; De boodschap des engels was haar het woord van God, en aan dat woord onderwierp zij haar verstand en haar wil. Dat betuigde zij voor hemelen aarde, voor engelen en menschen. Legt g. k. naar het voorbeeld van Maria voor allen uwe geloofsbelijdenis af. Toon-

1) Joan. VI.

6

ocr page 94

82

de Maria door die belijdenis aan, welke de grondslag was van hare heiligheid, en alzoo van hare verheffing, gij zult er door toonen dat in uw geloof de onmisbare voorwaarde bij u aanwezig is om Jezus te ontvangen.

(Geloofsbelijdenis.)

Moge in u g. k., het woord des Apostels waarheid worden, // Met het hart gelooft men ter gerechtigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. quot; 1)

Was het geloof van Maria de onmisbare grondslag van hare verheffing, het was vooral de deugd van nederigheid die God bewoog haar zijn Zoon te schenken. De H. Ber-nardus zegt uitdrukkelijk, dat Maria door de nederigheid Jezus ontving : //Humilitate concepit. quot; Maria werd in nederigheid alleen door den Zoon Gods overtroffen. T)e engel prijst haar, de lof onstelt haar, brengt haar in verwarring. In den naam van God kondigt hij haar de hoogst mogelijke verheffing aan. God keurt haar waardig Moeder Gods te zijn, zij echter acht zich slechts een dienstmaagd des Ileeren. Niets, niets kan zij in zich vinden waarom God haar zou uitverkiezen, God heeft op hare nietswaardigheid nedergezien. Hij heeft zijne macht in het zwakke willen toonen. Zoo zij zich niet ten wet had gesteld het welbehagen des Heeren in alles te vervullen, zij zoude het haar voorgestelde voorrecht verwerpen. Zij stemt alleen toe, omdat God het wil: //Ziehier de dienstmaagd des Heeren.quot;

Mochten wij toch wel begrijpen, g. k. dat de nederigheid de hoofdvoorwaarde is om Gods genadegaven te ontvangen.

1) Rom. X: 10.

ocr page 95

83

Aan de nederigen geeft Hij zijne genade. Hoe groot moet dan uwe nederigheid zijn, nu gij Jezus' vleesch en bloed de hoogste vau alle genadegaven ontvangen zult. Treedt in u zeiven, vraagt u af, wie gij zijt, welke verdiensten gij voor God kunt doen gelden, en een diep gevoel van onwaardigheid zal zich van u meester maken. Heer ! zoo zult gij u gedrongen voelen uit te roepen, zal ik het wagen U te ont-vansen ? Neen ! ga van mij, want ik ben niet slechts een onwaardig, maar ook een zondig mensch.

Maria was de reinste en zuiverste aller schepselen. Noch erfelijke noch persoonlijke zonde had zij ooit gekend. Als de blanke lelie stond zij onder de doornen. Niemand was haar ooit gelijk in de wondervolle vereeniging van de heerlijkste genaden waarmede zij verrijkt was, en toch achtte zij zich geheel onwaardig den Zoon Gods te ontvangen. Bij die gedachte, g. k. zou u de moed geheel ontzinken, indien gij van de medelijdende liefde van Jezus niet verzekerd waart. Toen Hij n tot zijn H. Tafel noodigde kende Hij uwe onwaardigheid, kende Hij uwe zonden. Zijne genade echter schonk u een hartelijk berouw. Met zijn bloed heeft Hij u afgewasschen. Uwe zonden zijn dan ook geen rede meer om u van Jezus verwijderd te houden, maar daar uit het kwaad het goed kan komen, moeten zij u dienen in groo-ter nederigheid tot Hem te naderen. Dit is zijn wil en zijn verlangen. Vernedert u dus voor God, vraagt Hem nogmaals vergeving voor hetgeen gij tegen Hem misdeedt en herhaalt met Maria; ziehier de dienstmaagd des Heeren. Omdat Gij het mij, o Heer gebiedt, op straf zelfs van het leven te zullen derven, zal ik tot u gaan. Omdat ik uwe eindelooze goedheid ken, zal ik tot U naderen en met het volst vertrouwen.

ocr page 96

84

quot;Wat is den nederige meer eigen dan de ontvangene weldaad op prijs te stellen, en in liefde voor den weldoener te ontgloeien ? — Maria beminde God van haar vroegste jeugd met een onbegrijpelijke liefde. Zelfs de engelen, die den troon van God omgeven , werden door haar in liefde overtroffen. God was baar eenigst goed, al hare ziels- en lichaamskrachten waren Hem gewijd. Maar nu zij, die in hare nederigheid zich schier geen oogslag van God waardig keurde, vernam dat God zelf in haren schoot zou nederdalen, ontvlamde de liefde met verdubbelde kracht. Door hare verheffing tot Moeder Gods had God zijn liefde voor haar in geheel haren omvang geopenbaard. Zij was de bruid, die het hart van God had gewond. Hoe meer zij die uitverkiezing bewonderde, hoe dieper zij zich vernederde, des te hooger stegen in haar hart de vlammen der liefde. Geen ander woord wist zij dan ook uit te brengen dan de betuiging eener vol-komene eenheid van hart en van wil met God, die haar zoozeer beminde. Het antwoord dat zij den engel gaf: // Ziehier de dienstmaagd des Heer en, quot; was niet alleen het woord der gehoorzaamheid, maar ook de uitdrukking der volmaaktste liefde.

Jezus, g. k. zal in de H. Communie tot u komen. Kan Hij zijne liefde jegens u treffender toonen ? Hij beminde u met teederheid, maar door Zichzelven aan ti te geven bemint Hij u ten einde toe. Zal die hooggestegen liefde ook bij u geen hooger liefde wekken ? Bidt Hem ten minste, dat Hij in u de liefde vermeerdere. Zegt Hem : Lieve Jezus, die gekomen zijt om een vuur op de aarde te brengen en verlangt dat het ontstoken worde, wij bidden U, zend in ons een vonkje van dat vuur, opdat wij U beminnen uit geheel ons hart, uit al onze krachten. Laten wij U beminnen

ocr page 97

85

naar de mate, waarmede Gij ons bemind hebt. Vermeerder onze liefde, dan zijn wij rijk genoeg en verlangen van U niets meer.

Nooit liad Maria gedacht, dat de Zoon Gods in haar schoot zou nederdalen, maar nu zij van den engel gehoord heeft, dat dit de wil Gods is, ontbrandt in haar hart een vurig verlangen naar zijn komst. Geheel haar leven lang had dat verlangen naar zijn komst in haar geleefd. Zij wist toch, hoezeer de wereld den Verlosser behoefde. Beter dan iemand zag zij wie Hij zijn zou, en hoeveel heils zijn komst zou aanbrengen. Voortdurend had zij den Heer gesmeekt dien stond te verhaasten, opdat hare oogen het heil der wereld mochten zien. Maar nu zij hoort, dat zijn komst nabij is, en zij zelf zijne moeder zijn zal, nu wordt haar ziel geprangd, alsof zij het lichaam verlaten wilde, om den beminde te gemoet te snellen : ;/ Wie zal mij vleugelen geven gelijk aan die eener duif, en ik zal vliegen en rusten ! quot; 1) Nu juicht haar hart: //De winter is voorbij, de slagregen heeft opgehouden en is voorbij gegaan, de bloemen zijn in ons land verschenen, kom dan mijn beminde, en toon mij uw aangezicht, en dat uwe stem in mijne ooren klinke!quot; 2) Het geluk dat u te beurt valt, g. k., heeft groote overeenkomst met dat van Maria, volgt haar dus ook na in haar verlangen. Gij wist dat Jezus in de H. Communie tot u komen zou, en hoezeer hebt gij naar zijn komst verlangd, en hoe vurig den Heer gebeden, dat weldra dit gelukkig uur voor u slaan mocht. Maar. hoe meer dat oo-genblik nu nadert, des te meer moet uw verlangen ontbranden. Hoe klopt het hart, wanneer het kind, lang van het

1) Pa. LIV 7.

2) Hoogl. II : 11, 12.

ocr page 98

86

vaderlijke huis verwijderd^ bij zijn terugkeer de plaats zijner geboorte nadert, hoe brandt liet van verlangen zijn beminden vader weer te zien, en wanneer hij ten laatste in de verte hem ziet komen, dan is hij zijn gevoel niet meer meester, en als op vleugelen snelt hij hem te gemoet en in de armen. Vraagt als Maria aan Jezus, dat Hij u de vleugelen geve der duif, opdat gij niet alleen vliegen maar ook rusten moogt. Vreest niet in die bede overmoedig te zijn, Hij die zijn werk in u is begonnen, wenscht het ook te voltooien. Hij heeft u het verlangen naar Hem geschonken. Hij wenscht het ook te volmaken. Hij zal het in u doen toenemen, totdat gij Hem gevonden hebt en rust aan zijn hart. Ja, rusten zult gij aan zijn hart. Zelf heeft hij gezegd, dat het zijn wellust is te zijn met de kinderen der menschen, en moogt gij n zwak en ellendig gevoelen, daarom juist heeft Hij u uitgenoodigd : n Komt allen tot mij, die belast en beladen zijt en ik zal n verkwikken.quot;

Gaat dan tot hem in geloof en nederigheid, met liefde en verlangen en met het volste vertrouwen dat Hij inet vreugd in u zal nederdalen.

Ouders van deze kleinen ! Hoezeer moet deze dag een dag van vreugde voor u zijn. Gij bemint uwe kinderen als den appel uwer oogen, en van hunne prille jeugd hebt gij hun al uwe zorgen gewijd. Meermalen wellicht hebben zij bij de zwakheid hunner eerste jaren of bij ernstige ziekten die hun overvielen, hun leven naast God aan die zorgen te danken. Bij het toenemen hunner jaren zal hun strijd niet om het lichamelijk, maar om het zielenleven steeds heftiger worden, en ten volle zijt gij overtnigd, dat gij hen in dien strijd niet genoegzaam steunen kunt, dat zij een machtiger steun behoeven. Dien steun zullen zij in de H. Com-

ocr page 99

87

raunie vinden, en om die rede hebt gij met zoo groot verlangen naar dezen dag uitgezien. Komt lien dan nu door uwe gebeden te hulp, opdat zij met eene groote vurigheid deze eerste H. Communie mogen doen, en de smaak in hen worde opgewekt om Jezus dikwerf te ontvangen. Wanneer zij Jezus dikwerf met een welvoorbereid hart ontvangen zullen zij u ook schadeloosstellen voor de zorgen en het hartzeer u berokkend, voor de fouten tegen u bedreven, maar waarvoor zij u nu nog hartelijk om vergeving smeeken. quot;Vergeelt, zegent nogmaals uwe kinderen, en vraagt voor hen van de Moeder des Ileeren zulk een heilige stemming, dat Jezus met vreugde in hunne harten nederdale. Amen.

Na de H. Mis.

Nooit is er in uw leven een dag geweest, g. k., waarop gij zoo zeer ondervonden hebt hoe goed het den mensch is God te dienen als op dezen dag. Gij stemt geheel met den H. Bernardus in en roept met hem uit: o, Jezus, zoete gedachtenis, die aan het hart ware vreugde geeft. Gij zijt de hoop der boetvaardigen, liefdevol voor de smeekende, goed voor hen die u zoeken. Maar wat zijt Gij voor hen die u vinden ! Gij hebt Jezus gevonden. In de H. Communie is Hij tot u gekomen en heeft zich op het nauwst met u ver-eenigd. In die vereeniging is u de waarheid helder gebleken, dat 's menschen hart voor God geschapen is en dat het geen ware rust vinden kan dan in Hem. De ijdelheid der wereld is u een walg, de liefde in u brandend geworden ; gij hebt ondervonden dat het bezit van Jezus alle vreugden, alle verlangens te boven gaat. Wat zijt gij o Heer! voor hen, die u vinden ? Onuitsprekelijke vreugde vervult

ocr page 100

88

*

uwe harten, en met Maria, die gij nis voorbeeld in uwe voorbereiding genomen hebt, roept gij in opgetogenheid uit; ,/Mijne ziel verheft den Heer en verheugt heeft zich mijn geest over God mijn Zaligmaker, omdat Hij nederzag op de geringheid van zijne dienstmaagd.quot; 1) Ja, prijst uwen God. Aan Hem alleen hebt gij de genoten weldaad te danken. Zonder eenige verdiensten van uwe zijde heeft Hij u uitgekozen om aan dat Goddelijk gastmaal aan te zitten, en het brood der engelen te eten. Uwe geringheid, uwe nietigheid was het die zijne almacht prikkelde, zijn barmhartigheid uitlokte. //Groote dingen heeft Hij aan mij gedaan Hij, de machtige. Het zwakke der wereld heeft Hij uitverkoren om het sterke te beschamen, opdat geen vleesch zich beroe-me voor zijn aangezicht.quot; 2) Prijst dan Gods almacht en barmhartigheid, maar vergeet ook nooit u in de nederigheid te versterken. IJdel zelfbehagen, groot gaan op eigen krachten, overschatting van u zeiven haat de Heer; den hoovaar-digen wederstaat Hij, maar in een nederig hart vindt Hij zijn welbehagen, den nederige geeft Hij zijne genade. Blijft u steeds daaraan herinneren, en gelijk Maria door hare nederigheid den Zoon Gods in haar schoot heeft ontvangen, zoo zal ook uwe nederigheid Hem een rede zijn u dikwerf tot zijne tafel te noodigen.

Gelijk Elizabeth Maria gelukwenschte, zoo wensch ik ook u geluk, g. k., met het voorrecht heden ontvangen.

Toen Maria den Zoon Gods ontvangen had, ging zij hare nicht bezoeken. Het huis binnentredende groette zij Elizabeth. Nauwelijks heeft Elizabeth de stem van Maria gehoord of zij werd door den H. Geest verlicht. Haar werd

1) Luc. 1 — 64. 2) 1 Cor. 1 — 29.

ocr page 101

89

het verheven geheim geopenbaard door God in Maria gewrocht. Zij begrijpt Maria's wondervolle verheffing en roept met luider stem : ;/ Gij zijt de gezegendste der vrouwen en gezegend is de vrucht uws lichaams.quot; 1) Zoo zeg it ook tot u. Gij zijt door God gezegend onder duizenden , die nooit het geluk zullen hebben, wat gij bezit. Uit onkatholieke ouders geboren, behooren zij niet tot die Kerk , die als moeder haren kindereu zulk een heerlijk gastmaal aanbiedt, en blijven verstoken van die innige vereeniging met Jezus, ons hoogste goed op aarde. Prees Elizabeth den Zaligmaker, ook ik prijs mijn Jezus. Mijn arbeid is door zijne genade vruchtbaar geworden, want uwe harten zijn Hem een welgevallig verblijf. Hij, die geen daad voor Hem verricht, onbeloond zal laten, zal ook mijne zorgen gedenken en vergeldt ze reeds door de zoete vreugd, die ik op den dag uwer eerste H. Communie smdken mag.

Nog een kort woord van gelukvvensching tot u, ouders van deze kleinen ! Zoo als de vrouw van het Evangelie Maria om haar Zoon gelukwenschte en zalig prees en uitriep : „ Zalig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die gij trezogen hebt,quot; 2) zoo mag ik ook u om uwe kinderen gelukwenschen. Ja! gelukkig moogt gij u rekenen. Maria was wel de Moeder Gods, haar Kind de eenig-geboren des Vaders, in alles den Vader gelijk. Niemand zal ooit haar grootheid, haar persoon naar waarde prijzen, en zooals tusschen Jezus en uwe kinderen, is er ook tus-schen u en haar een onbegrijpelijk verschil. Maar uwe kinderen zijn toch ook kinderen Gods door genade. Heden is d:i kindschap Gods in hen voltooid, en hun eerste H. Com-

1) Luc. I : 42.

2) Luc. XI : 27.

ocr page 102

90

munie is daarvan het zegel. Heil aan u, o ouders! uwe kinderen zijn thans een schoon schouwspel, niet alleen voor meuschen en engelen, maar ook voor God, die hen geheel als de zijnen heeft aangenomen. Dankt uw God van gan-scher harte, maar spant ook alle krachten in om hen in dien heerlijken staat te bewaren. Niemand kan beter dan gij hun den weg toonen, die zij daartoe bewandelen moeten. Gaat hun dan steeds in het goede door woord en voorbeeld voor, dan moogt gij vertrouwen dat zij geliefde kinderen Gods zullen blijven, en u zeiven tot vreugd en tot troost zullen wezen. Amen.

ocr page 103

IN DB NAMIDDAG-GODSDIENSTOEFENING.

Nogmaals zijt gij, g. k., in het liuis des Heeren te samengekomen om God te danken voor de groote weldaad, die gij dezen morgen ontvangen mocht. Hoe goed is toch Jezus de Zoon des Vaders, de Koning van hemel en aarde, dat Hij zich zoo innig met ons arme Adamskinderen heeft willen vereenigen. Wie zal die liefde kunnen begrijpen, wie ze naar waarde kunnen schatten ? Looft en prijst dan uwen God uit al uwe krachten, want Hij is goed, en zijne barmhartigheid duurt in eeuwigheid.

Wat verlangt gij nu meer dan met uwen Goddelijken vriend vereenigd te blijven ? Ik heb Hem gevonden, dien ik bemin, maar ik zal Hem, dan nu ook vasthouden en niet meer laten gaan. Dit is uw wensch, dit uw besluit. Maar ziet dan ook toe dat gij dit besluit volvoert.

Gij weet, g. k., wat er gevorderd wordt om met Jezus in liefde vereenigd te blijven. Zoo iemand Mij lief heeft, zoo zegt Hij zelf, hij zal mijn woord onderhouden. 1) en nog

1) Joan. XIV. 23.

ocr page 104

92

duidelijker zegt. Hij het tot zijne Apostelen : ,/Indien gij Mij bemint, bewaart mijne geboden.quot; 1) Die waarheid zien wij heerlijk bevestigd in het voorbeeld van Maria, de Moeder des Heeren. Zij beminde haar Goddelij-ken Zoon onuitsprekelijk, maar hoe getrouw heeft zij dan ook de geboden vervuld en geheel het welbehagen van haren God volbracht. Mijn spijze is te doen den wil van mijnen Vader die in den Hemel is, zoo getuigde de Goddelijke Zaligmaker van Zich zeiven, maar ook Maria had geen andev doel. Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord, dit was de voortdurende zucht van haar hart tot God. Geen ander verlangen had zij dan Gods welbehagen te volbrengen, en op hoe volmaakte wijze heeft zij gedurende geheel haar leven dat verlangen tot daad gemaakt.

Ziet haar op een leeftijd, veel jeugdiger dan de uwe, hare dierbare ouders verlaten en de woning die haar heeft zien geboren worden. Wijl God het van haar verlangt, begeeft zij zich naar den tempel om daar te blijven onder het opzicht van vreemden. Zij zal het gezelschap, de zorgen, de lielkoozingen van die dierbare ouders moeten missen. Geen lieve moeder zal haar 's morgens komen wekken, aan geen vaderhand zal zij huppelen, en wanneer het haar vergund zal zijn een enkele maal die dierbaren te omhelzen, het zal slechts zijn om na weinige oogenblikken zich weer uit hunne armen los te scheuren. Maar Maria wil niets dan het welbehagen van God. Zij brengt met vreugde het haar gevraagde offer, bereid tot nog zwaarder, zoo God het van haar mogt eischen.

En God eischte nog zwaarder offer. De Zoon Gods was

1) Joan. XIV —15.

ocr page 105

93

haar Kind geworden, en dat Kind, dat zij veel meer beminde dan haar eigen leven, moest zij voor ons heil ten beste geven. Daar stond zij onder zijn kruis in naamlooze smart verzonken. Haar moederhart dreigde te breken toen zij dat lijden en dien doodstrijd van haren Goddelijken Zoon aanschouwde. En toch volkomen onderworpen aan den wil des Heeren sprak zij in de stilte van haar hart: ,/ Hemelsche Vader Gij vraagt mijn eenigen Zoon, in de wreedste smarten moet ik Hem zien sterven, maar geef geen acht op de smart der moeder, en handel geheel naar IJ w heilig welbehagen. ,/Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; Treffend voorbeeld van Maria, dat wij ten minste van verre moeten trachten na te volgen. Volbrengt dan steeds g. k., den heiligen wil Gods, u kenbaar gemaakt door zijne geboden. Hebt die geboden lief. Zij zijn de voorschriften niet van een dwingeland maar van een goeden en minnenden Vader, die wel eerbied voor zich vraagt, maar toch ook in alles aw heil en geluk beoogt. Alleen in het onderhouden dier geboden vindt Gij het geluk. David die het getuigen kon, zei-de : //het is mij goed den Heer aan te hangen.quot; 1) En Jezus onze Goddelijke Zaligmaker roept ons allen toe: „Neemt mijn juk op u ... en gij zult rust vinden voor u-we zielen.quot; 2) Hoe zullen zij bedrogen zijn, die de geboden Gods verachten en hun geluk zoeken in het volbrengen van hun eigen wil, in het toegeven aan booze lusten en hartstochten. Zij zullen, zegt het woord des Heeren, moede worden op den weg der boosheid, en ondervinden dat zij harde wegen bewandelen. Wat zal hun de zonde en de ongerechtigheid baten ? Wat zij er door ver-

1) Ps. 72—38.

2) Mailt. XI. 29.—30.

ocr page 106

94

■wierven zal als een schaduw verdwijnen.

Onderhoudt dan de geboden, g. k., zij zullen een fakkel zijn voor uwe voeten, en in veiligheid den weg voor u afbakenen, die tot het ware geluk en ten leven geleidt. //Indien gij ten leven wilt ingaan, zoo sprak de Zaligmaker, onderhoudt de geboden.quot; 1) Die geboden zijn niet zwaar. De duivel zal ze u voorstellen als bergen, die gij niet kunt beklimmen, als bevelen waarbij de menschelijke zwakheid te kort schiet. Gelooft hem niet. Hij is immers uw vijand, die slechts uw verderf wil. Slaat de hand met vastberadenheid aan liet werk, en gij zult ondervinden dat door de genade van God geholpen, de moeielijkheden, inderdaad zoo groot niet zijn, en voortdurend meer en meer zullen verdwijnen.

Onderhoudt de geboden. Indien ik u van daag op een gebod in 't bijzonder zou mogen wijzen, zou het op het gebod van zuiverheid zijn. Beoefent steeds de schoone deugd van zuiverheid. Het is de deugd die Maria boven alles op prijs heeft gesteld en die wellicht u later den grootsten strijd zal kosten. Vermijdt alles wat haar ook maar van verre zou kunnen kwetsen. Weest waakzaam overal en in alles. Sluit uwe oogen om iets te zien, uwe ooren om iets te hooren wat die witte lelie zou kunnen besmeuren. Verwijdert u van die makkers en gezellen, die woorden spreken, die met de christelijke schaamte in strijd zijn, en u langzaam maar zeker in den grond zouden bederven. Wilt het mij niet ten kwade duiden zoo ik u ernstig waarschuw. Dat kwaad toch is heden helaas reeds bij vele jongeren ingeslopen en zou licht zich aan u kunnen mededeelen. Ziet daarom wel toe met wien gij omgaat.

1) Matth. XIX, 17.

ocr page 107

95

Bemint de zuiverheid en gij zult u in de bijzondere liefde van Jezus mogen verheugen. Indien ik u de verzelcering gaf, dat het van u afhing in de gunst te komen van een machtigen koning en tevens u het middel aan de hand deed om die gunst werkelijk te verkrijgen, zoudt gij dan niet aanstonds besloten zijn om wat het ook kosten mocht, dat middel aan te wenden, en vriend en gunsteling van dien koning te worden ? Welnu, wat ik u niet beloven kan ten aanzien van een aardschen koning, dat kan ik u beloven ten aanzien van den Konin? der konin^en. Die de zuiverheid des har-

O O

ten bemint, zal den Koning tot vriend hebben, 1) zegt ons de H. Geest. Bemint dus de zuiverheid des harten en gij zult Jezus tot vriend hebben, en Jezus tot vriend te hebben, dat zegt, dat belooft alles. Neen g. k. dan is er voor u geen vreeze meer. Jezus zal u in alles bijstaan, u in alles helpen en het zal u niet zwaar vallen alle andere geboden te onderhouden. Vernieuwt dan ook met vertrouwen de belofte die gij daarvan reeds bij uw doopsel gedaan hebt. Toen is u reeds gezegd ; wilt gij ten leven ingaan onderhoud de geboden, en uwe quot;Doopborgen hebben dit uit uw naam toegezegd . Wilt dan nu die belofte hier bevestigen, Maria na te volgen die zich de dienstmaagd des Heeren noemde en naar haar voorbeeld liet welbehagen van God te volbrengen.

(Doopbelofte.)

Heb ik g. k., door u op Maria als voorbeeld heen te wijzen niet te veel van uwe zwakheid gevergd ? Zij was im-

l)Prov. XXII.

ocr page 108

96

mers de nooit volprezen Moeder des Heeren en als zoodanig met geheel buitengewone genaden en gaven uitgerust. Hoeveel zullen wij dan bij haar te kort schieten ? Ja g. k., Maria bezit een ongekende heiligheid, zij is de geheel schoone, en engelen en aartsengelen evenaren haar in heiligheid niet. Wat die hemelsche geesten niet vermogen dit kan van ons zwakke stervelingen zeker niet gevorderd worden, ün toch moeten wij, al is het slechts van verre, haar trachten na te volgen. Wat ons bemoedigen zal, is dat wij daarbij op hare bescherming mogen rekenen. Vergeten wij het nimmer, g. k. Maria is moeder van God, maar zij is ook moeder der menschen. Jezus zelf heeft haar, die Zijne moeder was, ook ons tot moeder geschonken. Het was op den Calvarieberg. Daar hing Hij aan hel Kruis tusschen hemel en aarde, zich als offer opdragende voor de zonden der wereld. Onder dat Kruis staan zijne Moeder, en Joannes de leerling, dien Hij lief had. Jezus is door lijden uitgeput, en nog slechts weinige oogenblikken heeft Hij te leven. Alles, alles heeft Hij voor ons ten beste gegeven, maar Hem blijft toch nog iets te geven over. Hij heeft eene Moeder, een onovertroffen Moeder, een Moeder die in haar persoon een onuitputbaren schat van genade besloten houdt. Die moeder wil Hij met ons deelen, die moeder wil Hij ons geven. En van het kruis ziet Hij naar beneden, en zegt: Vrouw zie daar uw zoon, en zich richtende tot Joannes zegt Hij: ziedaar uwe Moeder. Gelukkige Joannes, die Maria tot moeder ontvangen mocht. Hoezeer ziet gij uwe zuiverheid, en uw trouw aan Jezus beloond ! Maar heil ook aan ons. Joannes was onze plaatsbekleeder, en in Joannes ontvangen wij allen Maria tot moeder.

Maria onze moeder, dat zegt, dat belooit ons alles, loen Maria onze moeder werd, heeft Jezus een onbegrijpelijke hef-

ocr page 109

97

de voor ons en haar het hart geopend. Geen aardsche moeder bemint haar kind, zooals Maria ons bemint, want zij is de moeder bij uitnemendheid. Hoezeer verlangt zij ons te steunen en te helpen, en met welk een vertrouwen kunnen wij tot haar gaan. Wanneer gij, g. k., een misslag hadt begaan, hebt gij dan wel ooit de liefde uwer moeder mistrouwd, of aan hare vergeving getwijfel d ? Vader durfdet gij niet te naderen, maar tot moeder vreesdet gij niet te komen. En toch een aardsche moeder kan haar kind verlaten. Maar Maria vergeet, verlaat ons nimmer. Wilt gij dan Maria navolgen, neemt dan ook tot haar uwe toevlucht. Hoe zwaar uwe strijd voor de deugd en voor de zuiverheid ook moge wezen, wilt nimmer kleinmoedig zijn. Maria zal u hare medelijdende, hare moederlijke hand toereiken, en wanneer gij haar slechts met vertrouwen aanroept zal zij u helpen. Nooit is het gehoord dat iemand tot haar zijne toevlucht nam en onverhoord is weggegaan. Stelt u dan vandaag onder hare moederlijke hoede en bescherming. O Maria, na Jezus stellen wij al ons vertrouwen op u. Geef dat wij naar uw voorbeeld den weg des Heeren bewandelen, onze ziel en lichaam in zuiverheid bewaren. Toon dat gij onze moeder zijt, en verwerf ons de genade naar waarheid uwe kinderen te wezen. Amen.

/

7

ocr page 110

VI.

DE H. JOANNES DE DOOPER.

Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccatum mundi. Joan. 1: 29.

Ziedaar liet lam Gods, ziedaar die de zonde der wereld wegneemt.

De H. Joannes de Dooper, was, zooals gij weet, geliefde kinderen, door God gezonden om den Verlosser voor te gaan en niet slechts het Joodsclie volk tot zijn komst voor te bereiden, maai ook om Hem met den vinger aan te wijzen. Getrouw had hij dien plicht vervuld, onverpoosd' gepredikt, allen tot boetvaardigheid aangespoord. Lang reeds had hij de scharen, die zich rondom Hem verzamelden, toegeroepen : weldra zal de lang verwachtte komen, reeds staat Hij in uw midden, maar gij kent Hem nog niet. Het oo-genblik waarop Jezus zijn openbaar leven aan zal vangen is eindelijk aangebroken. Hij verschijnt aan den oever der Jordaan, waar Joannes predikte en doopte. Nauwelijks heeft Joannes Hem gezien, of hij wijst der schare Jezus aan en met vreugde roept hij uit; Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonde der wereld wegneemt.

ocr page 111

99

Een soortgelijke bediening, g. k., was de mijne. Ik heb u tot de komst van uwen Verlosser voorbereid, u onderricht in het geloof en in uwe plichten. Ik heb als Johannes u tot boetvaardigheid aangespoord, om Jezus in een rein hart te ontvangen. In den naam van God heb ik zelfs uwe zonden vergeven. Niets blijft mij te doen over dan den Zaligmaker, die persoonlijk tot u komt, aan te wijzen en u toe te roepen : Ziedaar, kinderen, uw Verlosser, ziedaar het Lam Gods, die de zonden der wereld wegneemt.

Deze woorden van den H. Johannes zijn de laatste die naar den wil van onze moeder de H. Kerk, voor het ontvangen der H. Communie tot u worden gesproken. Zoo straks, wanneer het door u zoo verlangde oogenblik daar is, zal ik mij tot u wenden, en met de H. hpstie in de hand zeggen : ,/Ecce agnus Dei, ecce qui tollit peccatum mundi.quot; Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonde der wereld wegneemt. Welnu, niet beter meen ik te kunnen doen dan u op den H. Joannes en op de woorden die hij gesproken heeft te wijzen, en u zoo de gevoelens te herinneren, waarmede gij tot de H. Communie naderen moet.

Eeeds dertig jaren leefde onze Goddelijke Zaligmaker op aarde. Maar sinds de bekendwording zijner geboorte aan de herders en de wijzen uit het Oosten, sinds zijne verschijning in den tempel, waar Simeon en Anna Hem mochten zien, bleef Hij in de woonplaats van Maria en Jozef verborgen. De Joden wisten, dat er een Verlosser, de Messias op aarde zou komen. De profeten hadden Hem herhaalde malen voorspeld, de oudvaders vurig naar Hem verlangd. Zij wisten, dat Hij een groot profeet zou zijn en groote dingen voor de wereld uitwerken. Joannes had van Hem gesproken als van

ocr page 112

1Ü0

een koning, die een machtig rijk op aarde grondveste, als van een rechter die goeden en kwaden zou weten te onderscheiden, kortom als van een man zoo groot, zoo uitstekend, dat hij, de boetgezant, niet waardig was zelfs zijne schoenriemen te ontbinden. De Joden kenden dus den toekomstigen Verlosser en vele zijner heerlijke hoedanigheden, in persoon kenden zij Hem echter niet. Nu was de tijd daar, dat zij Hem persoonlijk, en tevens het groote doel van zijne komst zouden leeren kennen. De Zaligmaker had de woestijn verlaten, waar Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast. Hij ging zijn openbaar leven aanvangen, en verschijnt aan den oever van den Jordaan, waar Joannes predikte. Deze ziet Hem, en wijst Hem aanstonds het volk aan en roept uit: //Ziedaar het Lam Gods, ziedaar, die de zonden der wereld wegneemt.quot;

Door die woorden maakte de H. Joannes het volk met het groote doel vaTi Jezus komst bekend. Jezus is het Lam Gods. Moesten de Joden bij dat woord niet aanstonds aan de offers denken die zoo menigwerf in den tempel geslacht werden ? Moesten zij vooral niet deuken aan het paaschlam, het offer bij de verlossing uit Egypte door God geboden ? Door het bloed van het Lam, waarmede de bovendrempel der deur en hare stijlen besprenkeld werden, waren hunne vaderen verlost van den dood. De engel des doods voer door Egypte, maar de huizen die geteekend waren door liet bloed des offerlams, bleven gespaard. Zoo was Jezus het Lam, door wiens bloed de wereld verlost zou worden van den eeuwigen dood. Hij was het Lam Gods. Geen aardsch lam, zooals het paaschlam, maar een hemelsch, een Goddelijk lam. Van den eeuwigen dood zou Hij den mensch verlossen door hun vergeving te verwerven hunner zonden. Hij was het

ocr page 113

101

Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Zoo maakte hen Joannes, terwijl hij den persoon des Zaligmakers aanwees, tevens met het groote doel zijner zending bekend.

Veel beter dan de Joden Jezus kenden, toen Joannes die woorden sprak, kent gij g. k., uwen Zaligmaker. Gij weet, dat Hij de Zoon Gods is, dat Hij de menschelijke natuur voor ons aangenomen heeft, en voor ons allen gestorven is. Niet slechts kent gij Hem als uwen Verlosser, maar gij hebt de kracht zijner verlossing ook onderronden. Door het geloof weet gij dat Hij persoonlijk in het H. Sacrament verborgen is onder de gedaante van brood, gij hebt Hem zich zei ven voor u zien slachtofferen in de H. Mis zijn stem als gehoord op het altaar, als Hij tot den hemelschen Vader voor u om vergeving en genade smeekte. Maar toch, kent gij Hem nog niet geheel. Het paaschlam moest niet slechts geslacht en geofferd, het moest ook genuttigd worden. Zoo ook Jezus, het Lam Gods. Hij heeft de onze willen zijn en door ons genoten worden. Gij kent Hem nog niet het heerlijke Manna uwer zielen. Maar zoo straks als ik tot u die woorden van Joannes zal gezegd hebben; //Ziedaar het Lam Gods, ziedaar, die de zonden der wereld wegneemt,quot; dan zult gij Jezus als de spijze uwer zielen leeren kennen, als het brood des levens door het Leven zelf u aangeboden, als den hemelschen maaltijd, waarbij de engelen tegenwoordig zijn en dienen.

Bereidt u voor, door een levendig geloof. Het geloot moet de wortel zijn, waaruit al uwe andere gevoelens voortspruiten. Wilt het, om het met meer kracht in u te doen werken, niet inwendig in uw hart besloten houden. Legt er openlijk, voor uwe nadering tot de h. tafel belijdenis van af. Die uitwendige belijdenis zal de kracht van uw inwen-

ocr page 114

103

dig geloof versterken.

(Geloofsbelijdenis.)

Dat geloof, door u beleden, worde dan de grondslag van een heilige gemoedsgesteltenis. Verlevendigt het nogmaals, wanneer gij die woorden hoort: „Ziedaar he.t Lam Gods.quot; Zegt dan : lieve Jezus, rk geloof dat Gij de Zoon Gods zijt, het offer dat voor onze zonden den quot;Vader wordt aangeboden, en dat ik u zeiven als offerspijze zal nuttigen.

Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonden der wereld wegneemt. Door die woorden werd aan de Joden een geheel ander denkbeeld van den Verlosser gegeven, dan zij zich tot nu toe van Hem gevormd hadden. Zij meenden, dat Hij een aardsch koning zijn moest, die door geweld van wapenen vele volken aan Zich zou onderwerpen. Maar Joannes beteekent hun, dat Hij niet zal heerschen door het zwaard, maar door zijn bloed. Hij is het Lam Gods, dat voor ons geofferd worden, zijn bloed vergieten, en zoo de zonden van ons wegnemen zal. Dit is het groote heil, wat Hij der wereld brengt. Aan de vergeving der zonden echter zullen zij geen deel hebben, zoo zij geen boetvaardigheid doen. Daarom had hij hen onophoudelijk tot boetvaardigheid aangespoord. Doet boetvaardigheid, zoo had hij gesproken, anders zal Hij die komt, geen Verlosser maar een strenge rechter voor u zijn.

Wanneer ik dan die woorden herhaal : //Ziedaar het Lam Godsquot; dan moeten zij eene herinnering zijn, aan het rouwmoedig hart waarmede gij uw Jezus moet ontvangen. Het Lam Gods, dat de zonde zoozeer haat, dat tot uitdelging daarvan zijn bloed niet te hoogen prijs heeft geacht, treedt

ocr page 115

103

tot heil slechts daar binnen, waar de boetvaardigheid de schuld heeft uitgewischt en de haat tegen het kwade heerscht. God zij dank, g. k., zoo is het bij u. Met een rouwmoedig hart hebt gij uwe zonden beleden, en in het bloed van het Lam zijt gij rein gewasschen. Haat hebt gij aan de zonden gezworen, en vast besloten u nooit, nooit meer, aan vrijwillige overtredigingen schuldig te maken. Zoo menigmaal hebt gij in de laatste dagen de woorden herhaald : Heer, reinig mijn hart, opdat ik U waardig ontvange. Dat zal voorzeker ook een der laatste verzuchtingen zijn, die gij voor de H. Communie tot uwen God zult opzenden. Schep in mij, o Heer! een nieuw hart, vernieuw in mij den geest van onschuld, oprechtheid en eenvoudigheid, die zoo aangenaam is aan uwe Goddelijke majesteit. — Die geest van eenvoud en ootmoed, hoe schoon wordt hij ons door een enkel woord van Joannes afgebeeld : het Lam Gods. Kan een lam zich wel door eigen kracht verdedigen? Wekt het door zijne onmacht geen medelijden op? Vindt het zijn eenigste kracht niet juist in zijn zwakheid ? Als een lam heeft Jezus hier op aarde willen zijn, altijd zachtmoedig en ootmoedig. Als een lam liet Hij zich ter slachtbank voeren. Maar dat beeld toont ook u, g. k. welke uw gesteldheid moet wezen. Ook uwe kracht moet in uwe zwakheid en in de erkenning van uwe zwakheid bestaan. Ja als een riet, dat door deu minsten ademtocht wordt heen en weer bewogen zoudt gij zijn, wanneer gij niet op Jezus kondt steunen. Wanneer gij niet op zijn medelijden mocht rekenen, zoudt gij u wel moeten wachten tot zijn H. tafel te naderen. Gij zult dan ook in de laatste oogenblikken voor de H. Communie een stem in u hoo-ren spreken, des te luider naar gij u beter hebt voorbereid, die u zal toeroepen : zal ik onwaardige, mijn Jezus durven

ocr page 116

104

ontvangen ? Zoo sprak ook Joannes, toen de Zaligmaker tot hem kwam om door hem gedoopt te worden : //Gij komt tot mij !quot; 1) zou ik U doopen, die niet waardig ben uw f schoenriem te ontbinden? Maar Jezus antwoordde: ,/Laat het nu toe! want zoo betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.quot; Jezus wilde Joannes leeren, dat wij overal en in alles den wil van God hebben te volbrengen.

Joannes onderwierp zich aan dat woord, en ofschoon diep overtuigd zelfs niet in de schaduw van den Zaligmaker te kunnen staan, doopte hij Jezus. Erkent dan ook uwe onwaardigheid g. k., spreekt met overtuiging de woorden uit. ,/Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt.quot; Neen, gij zijt dat niet waardig. Zoo gij het meenen mocht, verwijderd u dan van de H. Tafel, want dan toont gij de gave niet te kennen die u in de H. Communie geschonken wordt, de spijze, die u toegereikt wordt niet te onderscheiden van de gewone spijze. Maar hoe onwaardig gij u ook acht, voegt er met het volste vertrouwen de woorden bij : Heer! spreek slechts een woord, en mijn ziel zal gezond worden. Het stof mag tot zijn Schepper komen. Hij verlangt, Hij wil het. Het betaamt ons die gerechtigheid te vervullen. Maar ook Hij, //Die de dooden levend maakt, en het niet bestaande als het bestaande roept.quot; 2) Hij zal in u aanvullen wat u ontbreekt. Zijn woord, dat zoovele zieken genezen, en zoovele lichamelijke kwalen hersteld heeft, ral ook in u de gewenschte gemoedsgesteltenis te voorschijn roepen.

Welk een grondelooze liefde van Jezus ! Kan het u verwonderen g. k.? Hij is immers het Lam Gods dat de zon-

2) Rom. IV : 17.

1) Matth. UI: 14

ocr page 117

105

den der wereld wegneemt.. Zijn leven heeft Hij niet te lief gehad. Voor ons en om onze zonden weg te nemen heelt Hij zijn bloed tot den laatsten druppel vergoten, is Hij gestorven aan het kruis. En wanneer Hij, toen gij nog zondaars waart, voor u gestorven is zal Hij niet veel meer, nu gij gerechtvaardigd zijt in Zijn bloed, u de gaven schenken, die uw ziel versieren en voor de vereeniging met Hem waardig maken? Maar wekt voor zoo vele, zoo onbegrijpelijke lief-debewijzen ook uwe liefde voor Hem op. Hoezeer beminde Joannes den Zaligmaker ? Hij kende immers Jezus als den Zoon Gods en als zijn Verlosser. De kracht van dien Verlosser had hij reeds mogen ondervinden. Op een wondervolle wijze was hij, voor dat hij het levenslicht zag, door Jezus van de erfzonde gereinigd. Den H. Geest had hij o-ver Hem zien nederdalen en de stem des Vaders gehoord ; ,/Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen gesteldquot; 1.) Ja, Joannes beminde den Zaligmaker en met een hart overvloeiende van liefde sprak hij die woorden : //Ziedaar het Lam Gods.quot;

Die woorden moeten dan ook voor u eene herinnering aan de liefde van Jezus zijn. Zij wijzen er u op, hoe Hij u meer dan zich zeiven beminde, wijl Hij zijn leven voor u ten beste heeft gegeven, hoe zijn liefde voor u niet verflauwd is, daar Hij niets minder dan zich zeiven aan u in de H. Communie schenken, en zijn vleesch en bloed aan u tot spijs wil geven. Ja ! meer als eene moeder haar kind bemint Hij u. En zult gij Hem dan ook niet beminnen en liefde voor liefde geven ? Ja betuigt uw Jezus dat gij Hem bemint, en steeds meer beminnen wilt, maar dat uwe liefde, zoo

1) Luc.lII: 22.

ocr page 118

106

Hij zelf u niet te hulp komt, steeds ver beneden dat blijven zal wat zij waarlijk moet wezen. Bidt Hem om vermeerdering van liefde. Zeg Hem: O lieve Jezus! dat ik U beminnen mocht, zooals Gij het verdient; dat ik U beminnen mocht, zooals vele heiligen U hier op aarde bemind hebben en nu in den hemel U beminnen. Van steenen kunt Gij kinderen van Abraham maken. Gij kunt ook mijn koud hart in liefde voor U doen ontvlammen. Toon dan hierin uwe macht, opdat ik alles alleen aan U te danken hebbe.

Met hoeveel geestdrift zal de H. Joannes dat woord hebben uitgesproken: //Ziedaar het Lam Gods.quot; Wat had hij vurig naar dat oogenblik verlangf, waarop hij Jezus aan zijne landgenooten zou kunnen aanwijzen als Hem, door wien zij gered zouden worden van hunne vijanden en bevrijd uit de hand van allen die hen haatten, als wie kwam om te verlichten, die in duisternis gezeten waren en in schaduwe des doods. 1) Had hij zelf dit niet ondervonden in den schoot zijnet moeder ? Toen had hij bij de tegenwoordigheid van Jezus van vreugde getrild en van blijdschap was hij opgesprongen. Yele jaren waren voorbij gegaan en hij had Jezus niet meer gezien. Maar hij wist, dat Jezus komen en als leeraar optreden zou, en hoe meer dat oogenblik naderde des te grooter werd zijn verlangen naar zijn komst. Eu toen hij Jezus had kannen aanwijzen en dat getuigenis van Hem had kunnen afleggen : //Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonden der wereld wegneemtquot; toen meende hij zijn taak volbracht en met vreugde zag hij, dat Jezus grooter en hij zelf kleiner worden zou.

Uw verlangen naar Jezus mag ik ook groot noemen. De

1) Lnc. 1.

ocr page 119

107

bewijzen hiervan mogen zijn de moeite, die gij u vooral in de laatste dagen gegeven hebt, de ijver, waarmede gij u tot zijn komst in u hebt voorbereid, de vurigheid, waarmede gij gebeden hebt. Het lang verbeidde oogenblik is nu daar. Heft u als op vleugelen des harten op, om Jezus te gemoet te snellen. Zoekt als een plaatsje uit om aan zijn hart uit te rusten, en bereidt de heiligste gevoelens voor om ze Hem aan te bieden. Ja Hij komt. Hij verlangt Zich met u te vereenigen. Indien iemand Jezus bemint, Jezus zal hem ook beminnen, en Hij zal tot hem komen en zijn intrek bij hem nemen. Nog weinige oogenblikken en ik zal u toeroepen : Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonden der wereld wegneemt. Treedt bij die woorden met vertrouwen, en met een groot verlangen nader, en het Lam Gods zal u een spijze worden, die u zal strekken ten eeuwigen leve.

Ouders van deze kleinen ! Deze dag bevredigt uw beste verlangen. Gij wenscht, dat uwe kinderen groot zullen worden niet zoozeer in de wereld als wel in het koningrijk Gods. Gij hebt met de moeder der kinderen van Zebedeus wel niet gevraagd dat uwe kinderen zitten zouden aan Jezus' rechter-of linkerhand, maar toch dat zij ware volgelingen, vrienden en kinderen van Jezus mochten wezen. Uw wensch is thans vervuld. Jezus heeft hen niet alleen tot kinderen aangenomen, maar ook heden aan zijn disch genoodigd. Gij verheugt u dan met onverdeelde vreugde, zonder meer te denken aan de zorgen en bekommeringen, die zij u door hunne fouten en gebreken hebben gebaard. Zij hebben zich er van met berouw voor God aangeklaagd en vragen u op dit oogenblik daarvan vergeving. Zegent uwe kinderen, met dien ouderlijken Zegen, die zelfs in Gods oogen zoo kostbaar is. Zegent en steunt hen door uwe gebeden, opdat

ocr page 120

108

zij het lichaam en bloed des Fleereu in die gesteltenis ontvangen mogen, dat het hun tot heil in dit leven en tot onderpand van het eeuwig leven zij. Amen.

Na de H. Mis.

//Gezegend zij de Heer, de God van Israel, omdat Hij zijn volk bezocht heeft.quot; 1) Zoo jubelde Zaeharias door den H. Geest voorgelicht bij de geboorte van zijn zoon, den H. Joannes den dooper. God had hem bij die geboorte kenbaar gemaakt, dat ook de Verlosser, wiens voorlooper zijn zoon zou wezen, reeds mensch geworden en op aarde was nedergedaald. Dit deed hem jubelen, wijl de Heer zijn volk had bezocht. Niet minder g. k., moogt gij jubelen nu de Heer ook u heeft bezocht, en Jezus door de H. Communie in uwe harten is nedergedaald. Ja, veel meer rede tot blijdschap hebt gij dan Zaeharias. Hij toch mocht de vruchten van die komst des Verlossers slechts van verre beschouwen, gij hebt ze mogen genieten. Het Lam Gods, dat ter onzer verlossing geslacht en tevens onze spijze geworden is, hebt gij mogen ontvangen. Als een voorsmaak hebt gij genoten van het bruilofsmaal, dat ter eere van het Lam in den hemel in eeuwigheid is aangericht. Looft den Heer, die barm-tigheid aan u heeft gedaan en herhaalt uit volle borst: gezegend zij de Heer die zijn volk, die ons zoo liefdevol heeft bezocht.

1) Luc. 1: 68.

ocr page 121

109

Hartelijk wensch ik u dan geluk. Grooter weldaad koiult gij niet ontvangen. Jezus lieeft u in de H. Communie gegeven, alles wat Hij is en wat Hij heeft. Alles gaf Hij u omdat Hij niets heeft teruggehouden. Wilt dan ook niet gierig wezen, maar u zonder terughouding ook aan Hem schenken. Biedt Hem uw hart, opdat Hij het vereenige met het zijne dat Hij aan het kruis heeft doen openen om het uwe er in te ontvangen. Geeft Hem niet minder dan Hij u gegeven heeft en geeft Hem geheel u zeiven. Bemint dan uwen Jezus. Bemint Hem vooral als het Lam Gods, dat de zonden der wereld heeft weggenomen, dagelijks nog w egneemt, dat Zich voortdurend op het altaar voor u oil'ert, en Zich steeds als spijze blijft aanbieden. Bemint uw Jezus vooral in het H. Sacrament. Altijd is Hij wel beminnelijk, in welken staat Hij zich ook voordoet, maar vooral toch in dat Sacrament zijner liefde. Toont Hem uwe liefde door Hem dikwijls in dat Sacrament te komen aanbidden, door dikwijls in de H. Mis in vereeniging met dei\ priester Hem ook als uw offer aan den Hemelschen Vader aan te bieden, en Hem menigwerf wel voorbereid in de H. Communie te ontvangen.

Ook u, ouders ! wensch ik geluk. Gij moogt uwe veelvuldige zorgen voor uwe kinderen reeds ruim beloond achten, nu zij ten volle deel hebben gehad aan de groote gaven die Jezus aan zijn kerk heeft geschonken. Jezus heeft zich heden geheel aan hen vertrouwd. Dankt daarvoor den Goddelijker! Gever, maar zorgt tevens, dat zij zich dier groote weldaad niet onwaardig toonen. Veel, zeer veel kunt gij daartoe bijdragen. Leidt dan een christelijken levenswandel, en doet zulks ook ter liefde van uwe kinderen. Het slechte voorbeeld der ouders heeft zoo menig kind, dat heer-

ocr page 122

110

lij te vruchten van deugd beloofde, van het rechte pad afgevoerd. Laat hen nooit iets van u zien of hooren wat hun tot ergenis kan zijn. Gaat hen voor in alle goed, dan zult gij u kunnen beroemen hun niet alleen het lichamelijke leven geschonken, maar ook het zielenleven in hen behouden te hebben. Amen.

ocr page 123

IN DE NAMIDDAG GODSDIENSTOEFENING.

Hoe gelukkig gevoeklet gij u tlezen morgen g. k., toen uw goede Jezus in uw hart was binnengetreden en daarvan als van zijn eigendom liad bezit genomen. Sedert gij de gave Gods liad leeren kennen en wist wie zicli daar in het Sacrament verborgen hield, hebt gij onophoudelijk verzucht: ,/Heer kom tot mij en wordt voor mij een bron van water springende tot het eeuwig leven.quot; Jezus is gekomen en voor u een bron geworden, waaruit gij voortdurend kunt putten. Blijft dan met Jezus vereenigd. Immers g. k. een grooten weg hebt gij nog af te leggen. Gij zijt nog pas aan den aanvang van uw leven, een leven dat geheel voor God moet worden besteed. Op de vraag, waartoe God u geschapen heeft, hebt gij zoo dikwerf geantwoord: wij zijn geschapen om God in dit leven te kennen. Hem te beminnen en te dienen, en Hem na dit leven in eeuwigheid te aanschouwen. 'ü In' dit antwoord hebt gij uitgedrukt welke taak u in dit leven te vervullen is opgelegd.

De kennis van God die u noodig was hebt gij u vooral in den laatsten tijd verworven. Die kennis moet gij niet

ocr page 124

112

alleen bewaren maar steeds meer en meer zoeken te vergroo-ten. Hoeveel beter gij God uit zijne werken, en in zijn liefde zult leeren kennen, zooveel te meer zult gij Hem beminnen, zooveel gemakkelijker Hem dienen. Neemt dikwerf dat boekje ter band, dat in bet Christelijk onderricht u tot leiddraad beeft verstrekt. Gelooft niet dat bet alleen dienstig is in jongere jaren. quot;Neen, bet is een gulden boekje waarin voor jongeren en ouderen, voor onwetenden en geleerden de boogste wijsheid ligt opgesloten.

Wij moeten God beminnen. Wien kunnen wij toch beter onze liefde wijden dan Hem die niet alleen onze grootste weldoener en beste vader, maar die ook in Zich zeiven het hoogste en opperste goed is. Al het schoone dezer aarde, al het geluk dezer wereld is slechts een flauwe schaduw van de schoonheid van dit opperste wezen en van de zaligheid die in Hem gevonden wordt. Wat wonder dat de H. Augustinus tot God uitriep : n o altijd oude en altijd nieuwe schoonheidquot; en dat alle heiligen in dien éénen kreet hebben samengestemd : gij zijt onze God, en ons al.

Wij moeten God dienen. Zijn wij dan niet zijne schepselen en geheel van Hem afhankelijk ? G een vinger kunnen wij verroeren, geen voet verzetten zonder Hem. Wie zijn wij dan dat wij tot Hem zouden durven zeggen : non serviain, ik wil u niet dienen. Al de redelooze schepselen gehoorzamen aan de wetten van hun Heer. Geen enkel, dat ter rechter- of ter linkerzijde afwijkt van den weg door Hem aangewezen, en zullen wij dan met verstand begaafd ons tegen Hem verzetten, en ons zeiven tot onzen Heer en meester opwerpen ? Laten wij toch nooit zoo dwaas en ondankbaar wezen. En wat zou het ons baten ? God laat zich niet trotseeren. Wil de mensch niet vrijwillig en tot zijn geluk den Heer dienen, dan zal hij ge-

ocr page 125

113

dwongen maar tot zijn groote schade de heerschappij van God ondervinden. Niemand, noch rijke noch artne, noch Koning noch bedelaar, onttrekt zich aan de macht van God.

Bemint en dient dan uwen God en doet dit vooral in de jaren uwer jeugd. Geen hulde is Hem aangenamer dan die Hem in de jeugd geboden wordt. Immers wat de lente is in den jaarkring dat is de jeugd in het menschelijk leven. Nooit is het veld zoo schoon en het groen zoo frisch, nooit verspreidt de akker aangenamer geur dan in de lente. Zoo is het ook in de jeugd. Wat dan voor God gedaan wordt, wordt gedaan met blijdschap en opgewektheid van geest, met een nog frisch en onbedorven gemoed. Zietdaar wat alles zoo welgevallig maakt aan God. God bemint den blijden gever.

Is de H. Joannes de üooper u hierin niet ten voorbeeld geweest? Geen kind was meer dan hij den Heer welgevallig. Niet dat hij onbevlekt ontvangen werd. Dat toch is het voorrecht, uitsluitend aan de Moeder des Heeren geschonken, maar hij was reeds vóór zijne geboorte van de erfschuld gezuiverd en dus rein en zuiver in de oogen van God. Dat welbehagen van God wist hij te bewaren en meer en meer daarin toe te nemen. Eeeds als jongeling verlaat hij het ouderlijke huis, begeeft zich naar de woestijn en leidt daar een gestreng en heilig leven. Hij bereidt zich in zijne jeugd voor de hooge bediening, waartoe hij door God is geroepen en legt den grondslag van die groote heiligheid, die hem den hoogsten lof van den Goddelijken Zaligmaker deed verdienen.

Wilt dan ook uwen God dienen in uwe jeugdige jaren. Het is u goed g. k., dit te doen. Het is den mensch goed, zegt de H. Schrift, wanneer hij van zijne jeugd af het juk

8

ocr page 126

114

des Heeren gedragen heeft. Hoe zal hij in zijn ouderdom vinden, wat hij in zijne jeugd niet heeft bijeen gegaard ?

In uwe jeugd is het gemakkelijker goede gewoonten aan te nemen. De booze neigingen zijn dan nog niet zoo sterk, de aanlokselen tot het kwaad nog gering, en onze wil is gemakkelijk te buigen. Vormt u dan goede gewoonten, verzuimt nooit uw morgen en avondgebed, weest altijd vaardig in het gehoorzamen, en altijd waakzaam. Hebt ge u eenmaal goede gewoonten gevormd, dan zal de oefening der deugd u later weinig moeite kosten. Wat de mensch geweest is in zijn jeugd, dat zal hij ook wezen in zijnen ouderdom. Hoe gelukkig zult gij u later gevoelen, wanneer gij uwe jeugd voor God hebt doorgebracht, want dan zult gij oogsten wat gij in uwe jeugd hebt uitgestrooid. Ongelukkig zij, die hunne jeugd hebben misbruikt en zich aan zonden en ondeugd hebben overgegeven. Hoezeer zullen zij zich beklagen en de bitterheid van het zelfverwijt moeten gevoelen. Hoe dikwerf hoort de priester de klacht: mocht ik toch de jaren mijner jeugd beter hebben besteed. Kon ik eens op nieuw aanvangen, hoe geheel anders zou ik leven. Wilt u toch g. k. voor dat zelfverwijt behoeden. Hoort toch nimmer naar hen, die u voorhouden dat de jeugd een tijd is van genieten, dat men maar eens jong is, en die daarmede bedoelen dat men zich in zijne jeugdige jaren wel iets mag veroorloven wat niet overeenkomstig de wet van God is. Hoort niet naar hen. Hun raad is verderfelijk. Ja gij moogt uwe jeugdige jaren in opgeruimden geest doorbrengen. De blijdschap is een vrucht van den H. Geest, en God wil in blijdschap gediend worden, maar het moet eene blijdschap zijn in den Heer.

Volhardt dan, g. k., in den dienst des Heeren vooral zooals gij dien in de laatste dagen beoefend hebt. Bidt met aan

ocr page 127

115

daclit eu vurigheid. Weest gehoorzaam aan uwe ouders.-Weest zedig en ingetogen, in één woord zijt getrouw in al uwe plichten. Belooft dit op een meer plechtige wijze op dezen dag, waarop gij zulk een onschatbare weldaad van God ontvangen hebt. Vernieuwt de belofte, die bij het H. Doopsel in uw naam zijn gedaan. Heer Gij hebt mij geschapen om u te beminnen en te dienen. Dit is mijn vurigste wensch; Aan alles wat die liefde, wat dien dienst zou kannen hinderen, verzaak ik voor de jaren mijner jeugd en voor mijn ge-heele leven.

(Doopbelofte.)

Ik vertrouw, g. k., dat gij uw beste krachten zult inspannen om die belofte te houden. Steunt echter daarbij niet te veel op eigen kracht. Die op zich zeiven bouwt, bouwt op een zandgrond. Wij zijn van ons zeiven slechts zwakke, nietige schepselen, die als een riet door eiken wind worden heen en weer geslingerd en een krachtigen steun behoeven. Onze hulp zij dan in den naam des Heeren, en onze steun in de Goddelijke genade.

Eichten uwe blikken, bij het hooren van dit woord, zich niet aanstonds tot haar, die door de H. Kerk de moeder der Goddelijke genade genoemd wordt ? Maria, ja, zij is voor ons de Moeder der Goddelijke genade. Niet alsof zij de genade voor ons verdiend had, neen, aan Jezus haren Goddelijken Zoon hebben wij dien kostbaren schat te danken, maar de genade die Hij ons verdiend heeft, wil Hij slechts door zijne Moeder uitdeelen, en niemand zal ooit eenige genade ontvangen dan door de handen vau Maria.

Hoe duidelijk heeft onze Goddelijke Zaligmaker ons zulks

ocr page 128

116

willen toonen. De Zoon Gods is mensch geworden en aanstonds wil Hij zijn werk van verlossing aanvangen. Hij zal zijn voorlooper, zijn wegbereider, den H. Joannes heiligen, en hem van de erfschuld zuiveren. En hoe zal Hij die eerste genade nitdeelen ? Hij zal ze uitdeelen door bemiddeling van Maria. Maria gaat haar nicht Elizabeth, de moeder van Joannes, bezoeken. In het huis van Zacharias aangekomen, groet zij Elizabeth. En ziet, op het zelfde oogenblik, dat de stem van Maria klonk, wordt Joannes gezuiverd en springt van vreugde op in den schoot zijner moeder. Ja, H. Joannes, de genade u op zoo wonderbare wijze geschonken, hebt gij aan Maria te danken. Zij heeft Jezus tot u gebracht, en als door haar stem heeft Hij dat wonder in u gewrocht.

Zoo als het bij Joannes geschiedde, zoo zal het altijd geschieden. Jezus heeft zich een regel gesteld, waarvan Hij niet zal afwijken. Hij zal geen genade geven, dan door Maria. Zij heeft ons den boom geschonken, zij moet ons ook de vruchten schenken. Zij is de Moeder des Verlossers, zij is ook de Moeder der Goddelijke genade.

Gij weet dus g. k., tot wie gij gaan, tot wie gij uwe toevlucht nemen moet. Zij is zelf vol van genade, en zij heeft het in haar macht, ons de genade overvloedig mede te deelen. Die mij vindt, zoo roept zij ons toe, vindt het leven en zal zaligheid scheppen uit de bron des Heeren. En hoe vurig wenscht zij ons de genade mede te deelen. Zij heeft hier op aarde verkeerd, en is met onze zwakheid bekend geweest. Zij heeft alle lasten en moeielijkheden van dit leven gedragen. En zou zij dan geen medelijden met ons hebben, en niet altijd bereid zijn ons li are behulpzame hand toe te reiken ? Gaat dan steeds in moeilijkheden en gevaren, in strijd en lijden, vol vertrouwen tot haar. Nimmer

ocr page 129

117

zal zij u afwijzen, nimmer u verstooten. Stelt u dan van daag op eene bijzondere wijze onder hare bescherming en belooft baar, dat gij haar eeren en beminnen zult, al de dagen uws levens. O Moeder van genade, gij kent onze zwakheid, gij kent onze armoede. Maar Jezus heeft u rijk gemaakt en al de schatten zijner genade u in handen gesield.

O, wij smeeken u om de liefde, die gij uwen Goddelij-ken Zoon en ons toedraagt, ons in onze armoede te verrijken, van die genade overvloedig mede te deelen, wij bidden u, maak ons sterk in bekoring, moedig in gevaren, geduldig in lijden, trouw in 't vervullen van al onze plichten. Bezorg ons een rein en zuiver leven, maak voor ons den weg door dit leven veilig, opdat wij ons eenmaal met u in de aanschouwing van Jezus mogen verheugen. Amen.

(Opdracht aan Maria.)

ocr page 130

VIL

DE H. MAEIA MA.GDALENA.

Veniat dilectus raeus in hortum suum.

Hoogl. V. .• 1.

Mijn beminde kome in zijn tuin.

Op den feestdag van de Verrijzenis des Heeren, geliefde kinderen, riep onze moeder de h. Kerk den geloovigen toe : „Dit is de dag, welken de Heer gemaakt heeft, verheugen en verblijden wij ons.quot; De paaschdag is voor de Kerk bij uitnemendheid de dag van vreugde, omdat door de verrijzenis van Jezus onze verlossing voltooid werd. Wat zou ons het lijden en sterven van Jezus gebaat hebben, zoo Hij niet verrezen ware? Hij stond op uit het graf en wij worden allen in Christus levend gemaakt, want Hij die overgeleverd is om onze zonden, is verrezen tot onze rechtvaardiging 1). Diezelfde woorden der Kerk mag ik ook toepassen op den dag uwer eerste H. Communie. Dit is de dag, dien de lieer gemaakt heeft, verheugt en verblijdt u op deze. Ook voor u is deze dag een dag van voltooiing en wel van uw geestelijk leven. Als kind zijt gij gedoopt en in de Kerk van

1) Rom. IV ; 26.

ocr page 131

119

Jezus opgenomen. Door het Doopsel ontvangt gij recht op alle Sacramenten. Het waardigste, het hoogste dier Sacramenten werd u echter onthouden. Jezus was in de H. Communie nog niet tot u gekomen. Hij vertrouwde Zich nog niet aan u toe. Die innige vereeniging met Hem had in u geen plaats gehad, er ontbrak dus nog iets aan uw geestelijk leven. Heden wordt het in u voltooid, Jezus komt tot u, geeft Zich geheel aan u, en met Hem ontvangt gij de ouuitputbare bron waaruit gij naar hartenlust de wateren der genade scheppen kunt. Ja i met recht moogt gij zeggen : dit is de dag, dien de Heer heett gemaakt. Het schoonste oogenblik uws levens nadert. Bereidt u met zorg voor. De herinnering aan de verrijzenis des Heeren heeft mij doen besluiten u de H. Maria Magdalena tot voorbeeld in de voorbereiding voor te stellen. Zij was volgens het evangelisch verhaal de eerste aan wie Jezus verscheen. Laten wij nagaan welke gevoelens bij haar heerschten om daaruit af te leiden in welke gevoelens gij uwen Jezus moet ontvangen.

Welke diepe droefheid en moedeloosheid had de dood van onzen Goddelijken Zaligmaker bij zijne leerlingen en vrienden teweeggebracht! Nooit hadden zij kunnen denken, dat Jezus de groote wonderdoener, die zich den Zoon Gods noemde, aan een kruis zou sterven. Zij hadden Hem zoo liefgehad. Maar had zijn dood hun geloof en hoop aan 't wankelen gebracht, de Heide had hij niet geroofd. Tot hen, die Jezus het vurigst beminden, behoorde Maria Magdalena. Aan het ziellooze lichaam van haren beminden Meester wilde zij nog haar eerbied toonen, en te zamen met eenige andere vrouwen toog zij reeds voor zonsopgang naar het graf om Jezus lichaam te balsemen. Zij naderen het graf, en nader-

ocr page 132

120

bij tredend, zien zij den steen afgewenteld en de spelonk open. Dit gezicht deed de metgezellen van Magdalena ontstellen. Zij vreezen voort te gaan. Magdalena, onverschrokken door hare liefde, gaat alleen verder. Zij komt bij het graf, blikt naar binnen en vindt het ledig. Jezus' lichaam is verdwenen ! Welk een slag voor haar gevoelig hart! Zonder twijfel hoett men het gedurende den nacht weggevoerd, maar waar zal zij het vinden, wien zal zij het vragen? Ijlings gaat zij naar de stad om hare bevinding den Apostelen mede te deelen, maar even spoedig keert zij naar het graf terug. Daar stond zij weenend. Nogmaals ziet zij in de opening rond, heft hare oogen weer op en daar ziet zij twee engelen aan beide einden des grafs. Zij schrikt niet, staat, niet verbaasd over hunne luister en schoonheid. De engelen spreken haar aan, en zij antwoordt als waren zij hare gezellen. Zij wil alleen weten, waar het lichaam van Jezus is. Aanstonds verlaat zij dan ook de engelen, toen zij een man, naar haar meening den hovenier, zag aankomen, van wien zij eenige verklaring hoopte te verkrijgen. //Vrouw!quot; sprak deze, //Waarom weent gij? Wien zoekt gij ?quot; En onmiddellijk antwoordt zij : ,/Heer! indien gij Hem hebt weggenomen, zegt mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem halenquot; 1). Het was Jezus zelf, dien zij had aangesproken, maar die zich voor hare oogen ouder de gedaante van een hovenier verborgen hield. Hij sprak haar aan en zeide : //Maria.quot; Bij dit woord gingen hare oogen open,, zij herkende Jezus en als in zielsverrukking riep zij uit: ,/Meester.quot; In diepen eerbied wierp zij zich aan zijne voeten neder, wilde ze kussen gelijk zij dit weleer had gedaan. Je-

1) Joan. XX : 15.

ocr page 133

121

zus ecliter hield haar terug en sprak: vRaat mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijn Vader.quot;

Een groote onderscheiding viel gewis Magdalena te beurt. Nog vóór de Apostelen mocht zij den verrezen Jezus zien. Toch was hare voldoening niet volkomen. Zij zou zoo gaarne zijne voeten gekust hebben, maar het bevel van Jezus klonk wel liefdevol, maar toch ernstig : ,/Ilaak mij niet aan.quot; quot;Was deze terughouding van Jezus wellicht geen bestraffing voor haar klein geloof? Zoo menigmaal had Jezus voorzegd, dat Hij sterven, maar ook weer verrijzen zou. Maar Magdalena had zich zoozeer door den dood van Jezus ter neer laten slaan, dat zij aan zijne verrijzenis niet dacht. Zelfs toen zij het graf ledig vond, rees de herinnering aan zijne voorspelling niet in haren geest op. Ja, haar geloof had geleden. Ware het krachtig en levend geweest, zij zou niet geweend, niet gezocht hebben, juichend zou zij den Apostelen geboodschapt hebben : de Heer is verrezen, zijn graf is ledig !

Heden, g. k., is u een gunst bereid, grooter dan die aan Magdalena te beurt viel. Jezus zal niet slechts aan u verschijnen ; gij zult niet alleen zijne voeten mogen omhelzen, gij zult Hem mogen ontvangen. Hij komt tot u, ook wel verborgen, maar onder eene andere gedaante, onder gedaante van brood. Ziet toe dat uw geloof levendig zij, opdat Hij ook u niet toeroepe: //Raak Mij niet aan.quot; God zij dank, hiervoor koester ik geen vrees. Uw geloof is krachtig en levendig. De zwakheid des geloofs in Magdalena is u ten voordeel geweest. Niet wankelend, maar vast zijt gij overtuigd van de waarheid van Jezu?1 woorden, ook van dat hetgeen Hij in het laatste avondmaal gesproken heeft: //Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed; doet dit ter mijner gedachtenis.quot; Met de genade Gods zult gij aan uw geloof vast-

ocr page 134

122

houden, niets ter wereld zal het kunnen schokken. Gij zijt bereid niet alleen op dezen plechtigen dag de belijdenis daarvan af te leggen, maar zoo noodig met opoffering vau alles van dat geloof te getuigen.

(Geloofsbelijdenis.)

Het geloof, door u beleden moge uw verstand en hart bewaren in Christus Jezus. Wekt het in de laatste oogen-blikken voor de H. Communie meer en meer op. Stelt u in de H. Hostie den verrezen, den verheerlijkten Jezus voor. Hem ontvangt gij waarachtig in de H. Communie en gij zult zijne voeten mogen kussen, en aan zijn hart mogen rusten.

Het geloof moge in Magdalena niet geweest zijn zooals Jezus het vorderen mocht, er heerschten toch andere gevoelens in haar binnenste, die aan Jezus aangenaam en haar het voorrecht van Hem het eerst te zien waardig maakten. Wie den naam van Maria Magdalena uitspreekt, heeft het zinnebeeld van boetvaardigheid van liefde en van verlangen genoemd.

Magdalena, ja, zij was een zondares, een openbare zondares geweest; maar had zij velen in de zouden, niemand had haar in boetvaardigheid overtroffen. De genade had haar hart geraakt. Dat hart door de genade, als de steenrots door de roede van Mozes geslagen, was een bron van tranen geworden. Magdalena had zich bekeerd, eti vergeving ontvangen. Daar hoort zij dat Jezus bij Simon den lariseër ter tafel is genoodigd. Ongenoodigd treedt zij de feestzaal binnen, haar oog zoekt Jezus, en wanneer zij Hem gevonden heeft, werpt zij zich aan zijne voeten neder, besproeit ze

ocr page 135

123

met hare tranen en droogt ze met hare haren af, kust ze en zalft ze met balsem. Jezus wist wat er in haar hart omging, hoe boetvaardigheid en liefde daar om den palm dongen ; en Hij sprak: //Hare vele zonden worden haar vergeven.quot; 1) Die vergeving had zij reeds vroeger verworven doch hare boetvaardigheid hield daarom niet op. Jezus verzekerde haar nogmaals van de vergeving en toch de rouw over hare zonden bleef zij behouden. Toen zij daar bij het graf zocht, en weende, waren haar tranen ook tranen van berouw. quot;Van Jezus beroofd te zijn, herinnerde haar aan vroegere dagen, toen zij door hare zonden van haren God verwijderd was.

quot;Volgt dat voorbeeld na, g. k., en wilt de rouwmoedigheid des harten bewaren. Als Magdalena hebt gij reeds vergeving van uwe schulden en fouten ontvangen. Gij hebt ze aan de voeten vati den priester, den plaatsvervanger van Jezus neergeknield, vol berouw beleden en die woorden mogen hooren: ik ontsla u van uwe zonden. Toch moet uw berouw blijvend zijn, al ware het slechts, omdat Jezus zoo welgevallig op een rouwmoedig hart nederziet, en zoo gaarne zijne vertroostingen daarin uitstort. Werpt u dan zoo straks in den geest nog een enkel oogeublik aan de voeten van Jezus neder, toont Hem nogmaals uw berouw, en in den hemel zal dat woord, door den priester op aarde gesproken, door Jezus herhaald worden : uwe zonden worden u vergeven.

Een andere deugd, waardoor Maria Magdalena het hooge gunstbewijs verdiende van Jezus na zijne verrijzenis het eerst te zien was hare groote liefde. Toen zij hoorde hoeveel on-gelukkigen Jezus hielp was zij tot Hem gegaan en ook haar

1) Luc. XII: 47.

ocr page 136

124

had Jezus gered en haar vergeving van alles geschonken. Van dat oogenblik had zij zich geheel aan Hem aangesloten en beminde haren Verlosser met vurige liefde. Zij volgde Hem overal om zijne onderrichtingen te hooren, ondersteunde Hem uit hare goederen. Jezus gaf zelf van Magdalena het getuigenis, dat zij veel beminde. Geen wonder, dat zij ook tot die vrouwen behoorde, die weenend en troosteloos den Zaligmaker naar den Calvarieberg volgden. Welke smart gevoelde zij, toen zij Jezus zag sterven en haar meester haar ontnomen was. Meermalen, g. k., hebt gij dan ook Maria Magdalena afgebeeld gezien, nedergeworpen aan den voet van het kruis, dat zij omklemde en met tranen bevochtigde. Met den dood van Jezus heeft echter hare liefde voor Hem niet opgehouden. Nauwelijks is het paaschfeest voorbij, of reeds voor zonsopgang begeeft zij zich naar Jezus' graf, om een laatst bewijs van liefde aan zijn ontzield lichaam te geven. Zij vindt het niet. Welke smart! Zij ziet engelen, zij maken op haar geen indruk. Niets kan haar aftrekkeu van het voorwerp harer liefde. Die vurige, die standvastige liefde verdiende belooning. Het zijn dan ook de engelen niet, die haar zoo als de andere vrouwen de verrijzenis van Jezus verkondigen. Met eigen hand wil Jezus de tranen drogen van haar, die Hem zoozeer lief heeft, door de zoetheid van zijn stem wil Hij haar droefheid in verrukking van vreugd veranderen. Hij verschijnt haar, maar zij heeft nog het noodige licht niet, om Jezus te herkennen, en meent, dat het de hovenier is. Zeg mij, waar hebt gij Hem gelegd en ik zal Hem halen. Zoo spreekt zij. Zij noemt niet Jezus' uaam, zij meent dat ieder is als zij en aan niets denkt dan aan Jezus. Zij vergeet hare zwakheid, en gelooft zich sterk genoeg het lichaam van Jezus te kunnen dragen.

ocr page 137

125

Niets is voor hare liefde onmogelijlc. En als overwonnen door zooveel liefde zeglJezus tot haar: ,/Maria!quot; Een lichtstraal treft haar geest. Zij herkent Jezus, en terwijl zij geen ander woord weet uit te brengen dan :// Meester/' stort zij aan zijne voeten neer.

Mocht gij, g. k., Maria Magdalena in liefde evenaren. Hij is uwer liefde zoozeer waardig. Waarom beminnen wij Hem niet meer? Als mensch is Hij de beminnelijkste onder de kinderen der raenschen. Als God is Hij ons hoogste en opperste goed. Waarom beminnen wij Hem niet meer ? Hebben wij dan aan Hem niet alles te danken ? Is Hij niet iereid, ons nog altijd met weldaden te overladen ? Mocht Jezus dan onze liefde zijn, gelijk Hij dit voor Magdalena was ! Wekt uwe liefde op, g. k., nu gij tot Jezus in de H. Communie zult naderen. Hij laat zich nooit in edelmoedigheid, in liefde overtreffen. Bemint gij Hem veel, nog meer zal Hij u beminnen. Geeft gij Hem geheel uw hart, nu Hij zich geheel aan u zal geven met zijn vleesch en bloed, met zijn ziel en lichaam, met zijn godheid en mensch-heid. Hoe meer gij u met al uwe ziels- en lichaamskrachten aan Hem zult toewijden, zoo meer genadegaven zal Hij bij zijn komst in u uitstorten. Maar vraagt Hem dan ook om die liefde. Niets is Hem aangenamer dan door den H. Geest zijne liefde in ons uit te storten, en zijne eigene gaven in ons te kronen.

Magdalena had een brandend verlangen naar Jezus. Zij wachtte ternauwernood het einde van den feestdag af. Reeds voor zonsopgang toog zij naar het graf. Zij vindt het graf ledig en haar hart is als verscheurd. Alsof zij hare oogen niet gelooft blikt zij nogmaals, telkens in het graf. Bij een ieder vraagt zij inlichting. Zij verlangt slechts Je-

ocr page 138

126

zus te zien. Welke vreugde dan toen zij Jezus mocht afin-schouwen. Zij heeft geen woorden om de haar overstelpende blijdschap te uiten. Maar dat eene woord: Rabboni, Meester! drukte al haar liefde, al haar vreugde uit.

Voorzeker, g. k., gij hebt ook vurig naar Jezus verlangd. Vele pogingen, veel moeite hebt gij aangewend om u het geluk van Jezus te ontvangen, waardig te maken. Maar dat verlangen moet nos toenemen en het zal dit ook, wanneer gij uwe liefde tot Jezus in u uog meer zult hebben doen ontvlammen. Jezus is voor u niet minder dan voor Mag-dalena; ja grooter blijk van lielde dan Hij haar gaf wil Hij u geven. Laat u niet afschrikken door vrees. //Vrees is er in de liefde niet, maar de volkomen liefde drijft de vrees buiten.quot; 1) Wanneer gij Jezus waarlijk bemint, dan zal uw onwaardigheid u niet ter nederdrukken. Gij zult op Jezus vertrouwen, vertrouwen dat Hij alles wat u ontbreekt aan zal vullen. In die vaste overtuiging zult gij zonder vrees tot Hem naderen, en uw vertrouwen zal door Hem niet beschaamd worden.

Ouders van deze kleinen ! Hoe kloppen uwe harten van vreugde nu gij uwe kinderen voor het altaar geschaard ziet, en Jezus hun beminde, hun lang verwachte, in hen zal nederdalen. Ja, uw geloof is levendig, en daarom beseft gij ten volle, dat geen grooter geluk hun te beurt kan vallen. Met Jezus alles, zonder Hem niets. Bidt den Heer, dat zij dit geheel hun leven wel mogen blijven begrijpen. Door deze eerste H. Communie wordt de band tusschen u en uwe kinderen nog nauwer toegehaald. Verzekert hun dan nog eerst, dat gij de fouten en schulden, waardoor zij zich vroeger

]) Joan. IV ; 18.

ocr page 139

127

van u scheidden, geheel hebt vergeven, en dat ook uwe liefde voor hen door niets wordt gestoord. Zoo is hun hart gerust en hun wensch vervuld. Vereenigt dan nu nog ten laatste uwe gebeden met de hunnen. Bidt dat de komst van Jezus hen ten zegen moge zijn, dat Hij hen vorme tot kinderen volgens zijn hart, en zijne liefde nu en altijd in hen heersche. Amen.

(Na de H. Mis.)

Vergeeft het mij, geliefde kinderen, wanneer ik u in uwe stille aandacht stoor. Wanneer het hart vol is, dan wil ook de mond spreken. Danken wil ik God voor u en voor mij. Yoor u, wijl de hemelsche Bruidegom als van zijn troon heeft willen nederdalen om bezit van uw hart te nemen en in u te rusten. Kon Hij u een grooter bewijs van liefde geven dan zich zoo nauw met u te vereenigen ? Indien de engelen ons iets benijden konden, zou het niet de H. Communie zijn? Magdalena prijzen wij zalig, omdat zij Jezus' voeten heeft mogen kussen, en na Maria het eerst den verrezen Jezus heeft mogen zien. Maar wat zijn die gunsten, vergeleken bij die welke gij hebt ontvangen ? Prijst dan uwen God en Zaligmaker : Heer! Wat zijt Gij goed jegens ons, Uwe barmhartigheid en liefde gaat boven al uwe werken.

Danken wil ik God ook voor mij zeiven. De Heer is een ijverzuchtige God. Ijverzuchtig op de zielen die Hij zoo teederlijk bemint, en voor zoo hoogen prijs Zich heeft gekocht. Geducht is dan ook de verantwoording, die de priester den Heer van die zielen geven moet. Niemand meer dan hij moet tot God zeggen : Heer, treed niet in 't gericht met uwen dienaar. Maar ook een groot loon wacht hem wan-

ocr page 140

128

neer hij zielen tot Jezus heeft gebracht. Dat geluk is mij heden ten deel geworden en met vertrouwen bied ik Hem in u de gezegendste vruchten van mijn arbeid aan. Hem zij de eer. De inensch moge zaaien en besproeien. God alleen kan den wasdom geven. Hem zij de eer, maar het loon zal Hij den werkman niet onthouden.

Gij hebt g. k., Jezus in uw hart genoodigd. //Mijn beminde kome in zijn tuin.quot; Jezus, de beminde, is gekomen. Laat dan uw hart een hof zijn, waar de bloemen der deugden welig ontluiken, een aangenamen geur voor Hem verspreiden, waar rijpe vruchten Hem verhengen. Teelt vooral als Magdelena de bloem der liefde, en dat Jezus steeds de meest geliefde uwer harten zij.

Ouders van deze kleinen ! ook gij behoort God dank te zeggen voor de groote weldaad, die zij heden ontvangen hebben. Een eerste H. Communie wel verricht, is de grondslag voor een braaf en godsdienstig leven. Jezus zelt is een hoeksteen voor uwe kinderen geworden. Helpt hen op dien grondslag verder voort te bouwen. Jong zijn zij en onervaren. Zorg en leiding hebben zij noodig. Die zorg en leiding, vereenigd met en versterkt door uw aanhoudend gebed, zal hen den goeden weg doen bewandelen. Zoo zullen zij Jezus tot vreugd, hun zeiven tot heil, u tot troost en steun zijn, naar ik hoop tot in den hoogen ouderdom. Amen.

ocr page 141

IN DE NAMIDDAG-GODSDIENSTOEFENING.

God heeft ons allen, gel. kind., een verlangen naar geluk in het liart gelegd, en wij streven er naar om dat geluk te verwerven. Heil aan hen die het geluk zoeken, daar waar het te vinden is, en zich niet door den schijn laten bedriegen. Volmaakt gelukkig zijn is op aarde niet mogelijk. Wij bevinden ons hier in een oord van vreemdelingschap, ons waarachtig vaderland hebben wij nog niet bereikt. Hier op aarde moeten wij arbeiden, hier moeten wij strijden, en wanneer wij in dien arbeid en strijd trouw zijn geweest, dan zullen wij in den Hemel ons loon ontvangen en in de aanschouwing van God en in het bezit van God volkomen zalig wezen. Ik zelf, zegt God, zal uw overgroot loon wezen.

Zal God ons geluk uitmaken in den Hemel, dan kan ook Hij alleen ons gelukkig maken op aarde. Gij hebt het g. k., reeds heden eenigermate ondervonden. Gij hebt uw geluk gezocht bij Jezus en zijn heilige genade, en een stille vreugde, een zachte rust is in uw hart neergedaald. Het is u zoo wel te moede. Blijft, g. k., geheel uw leven uw

9

ocr page 142

130

heilik bij Jezus zoeken en de vrede des harten, eu liet geluk, zoo ver het hier op aarde mogelijk is, zal uw deel zijn.

Hoe dwaas handelen zij die het geluk en den vrede elders zoeken, die meenen in de wereld en hare ijdelheden en vermaken, ja zelfs in de zonden dat gewenschte geluk te zullen vinden. Yestigt nog eens uwe aandacht op Maria Magdalena, die ik u dezen morgen tot voorbeeld stelde.

Maria Magdalena gevoelde even als wij dat verlangen om gelukkig te zijn. Waar zou zij het zoeken, waar het vinden ? Zij was rijk, en edel van geslacht. De wereld stond voor haar open, en al wat de wereld in staat was te bieden kon zij genieten. Zij wierp zich in de armen van de wereld, en gaf zich, aan hare ijdelheden en alle genoegens en vermaken over, maar helaas haar hart was niet bevredigd. Nu ging zij te rade bij hare hartstochten, hoorde naar hunne ingevingen, en zonden werden op zonden gestapeld, maar ook nu vond zij het geluk niet wat zij zocht. Al dieper en dieper daalde zij af. Niets was haar meer heilig. Haar eer en goede naam werden prijs gegeven, in de voldoening van al hare booze lusten meende zij de gewenschte bevrediging te vinden, maar alles te vergeefs. Hoe dieper zij zonk, hoe ongelukkiger zij zich gevoelde.

Daar hoorde zij van Jezus, van de heerlijkheid zijns levens, van de wonderen die Hij verrichtte, van zijn medelijden met de zondaars. Zij zocht Hem op, zag zijn minnelijk gelaat, hoorde Zijn woord, en voelde zich getroffen. Haar hart, van natuur groot en edelmoedig, had behoefte om te beminnen. In het voorwerp har er liefde had zij tot nu toe gedwaald. Maar daar stond Jezus voor haar, groot en edel in alles, heilig van zeden, machtig in woord en werk. Door zijn genade inwendig verlicht ziet zij de dwaas-

ocr page 143

131

heid in van haar vorige liefde, erkent de ongerechtigheid haars levens, en schenkt ootjenlilikkclijk, geheel en onverdeeld haar hart aan Jezus weg.

Ziet haar in het huis van Simeon den ïariseër. Daar ligt zij aan de voeten van Jezus, besproeit dieniet hare tranen, en dat met een hart, zoo vol lietde en berouw, dat Jezus zelf er door getroffen is en tot Simeon, die haar veracht, zegt; //Haar worden vele zonden vergeven, omdat zij veel heeft bemind.quot; 1) En nu Magdalena zich aan Jezus heeft gehecht, nu heeft zij gevonden wat zij zocht. De vrede woont in haar hart. liet beste deel had zij verkozen, en het zou haar nimmer meer ontnomen worden.

Wilt gij dus, g. k., reeds hier op aarde gelukkig zijn, houdt u dan aan Jezus vast. Buiten God is er voor ons geen geluk. De H. Augustinus heeft het reeds gezegd, dat God geen God zoude zijn, indien wij buiten Hem een wezenlijk geluk vinden konden, en dat juist het tastbaarste bewijs, dat Hij ons laatste einde en ons opperste goed is, daardoor gegeven wordt, dat wij ongelukkig zijn, van het oogen-blik af, dat wij ons van Hem scheiden.

Het hart, g. k., dat God ons gegeven heeft, is te groot om bevredigd te kunnen worden door de goederen, door de vermaken, door de nietigheden dezer aarde. God heeft het «•eschapen voor Zich en het kan ook geen rust vinden tot dat het rust in God.

Houdt u dan aan Jezus vast. Bemint wat Hij bemint. Haat wat Hij haat. Onderhoudt zijne geboden, vlucht de zonden en uw hart zal rust en vrede smaken, een rust en vrede, die de wereld niet kan geven. Vrede den inenschen

1) Luc. VII.

ocr page 144

132

op aarde die van goeden wille zijn, zoo zongen de engelen bij de geboorte van Jezus, en daarmede verkondigden zij tevens waarin voor ons de vrede gelegen is.

Wij moeten echter niet verwachten, g. k., dat wij met Jezus vereenigd en in zijn vriendschap levende, geen kruis of lijden zullen te dragen hebben. Integendeel, waar Jezus binnentreedt, treedt Hij binnen met zijn kruis. Boven de poorten des hemels slaan de woorden geschreven : door kruis en lijden zult gij binnen gaan. Maar met Jezus zal het kruis dragelijk wezen, en de vrede des harten, kostbaar boven alles, zal er niet door worden verstoord.

De kerk, de leermeesteres der waarheid, maar ook de leidsvrouw ten leven, heeft u reeds vroegtijdig aangewezen waar het geluk te vinden is. Bij het toedienen van het H. Doopsel heeft zij van u gevorderd den duivel en de wereld te verzaken, de geboden te onderhouden, en wat zij, die als een ware moeder voor ons zorgt, van ons eischt, strekt met zekerheid ons tot heil. Uwe doopborgen hebben dan ook in uw naam de belofte daarvan afgelegd, en niets stemt voorzeker meer met die gevoelens overeen, dan heden die belofte plechtig te vernieuwen.

(Doopbelofte.)

Herinnert u dan dikwerf aan die belofte op den dag u-wer eerste FI. Communie gedaan. Volbrengt ze met moed, en; zijt onbezweken in den strijd, dien u dit wellicht kosten zal. Zoekt uw kracht daarvoor in het gebed, ook Magdale-ma heeft daarin haar kraclit gevonden. Wanneer wij haar leven, in het Evangelieverhaal nagaan dan vinden wij haar aan de voeten van Jezus of staande onder zijn kruis. Werpt

ocr page 145

133

u dan ook dikwerf aan de voeten van Jezus, onderhoudt u met Hem. Klaagt Hem uwen nood, en smeekt Hem om kracht en sterkte. Plaatst u onder zijn kruis, dat is, komt dikwerf in de H. Mis. Daarin vernieuwt Jezus op onbloedige wijze het offer, dat Hij aan het kruis heeft opgedragen. Daar zult gij opgewekt worden om de offers te brengen, die Jezus van u vragen zal, en om zijn lietde voor u met liefde te vergelden. Weest getrouw en volhardend in het gebed. Herinnert u dikwerf ter bemoediging, die woorden door Jezus gesproken: ,/voorwaar, voorwaar Ik zeg u, al wat gij den Vader in mijn naam zult vragen, zal Hij u geven.quot; Uw gebed zal ten hemel stijgen, en de barmhartigheid des Heeren nederdalen.

En zoudt gij u niettegenstaande zulke heerlijke beloften, kleinmoedig voelen, gaat tot Maria, en legt haar uwe bezwaren en moeilijkheden blood. Ook Magdalena vinden wij bij Maria, en met Maria staat zij onder het kruis. Kon het anders ? Zij, die zoozeer den Zoon beminde, moest ook noodzakelijk de moede liefhebben. Neemt uwe toevlucht tot de Moeder des Heeren. Zij heeft koninklijke macht, en moederlijke teederheid. Zij bemint ons, en Jezus kan haar niets weigeren.

Mocht gij twijfelen, treedt dan de bruilofszaal te Cana in Galilea binnen en elke twijfel zal worden weggenomen. Jezus en zijne H. Moeder zijn daar aangezeten. De maaltijd is nog niet ten einde, en zie, daar ontbreekt wijn. Maria heeft de verlegenheid bemerkt. Zij is er mede begaan, haar liefdevol hart lijdt. Meer leed kon zij niet gevoelen, ook als het haar zelf ware overkomen. Maar aanstonds tracht zij ook hulp te bieden. Zij wendt zich tot haren Zoon, en in stilte zegt zij : //Zij hebben geen wijn.quot; Het was een gebed van een

ocr page 146

134

minnende moeder, tot een almachtigen Zoon. T\at zal Jezus doen? „Vrouw,quot; zegt Hij, „mijn uur is nog met gekomen.quot; Weigert Jezus dan het verzoek van zijne moeder toe te staan ? Wie zoo denkt, kent de liefde niet, die Jezus Maria toedraagt. Hij kan zijn moeder niets weigeren. Zijn uur is nos niet gekomen. De tijd van wonderwerken te doen is noc niet daar. Voor liet gebed zijner moeder moet eeli-terquot; alios wijken. Naar liet woord van den H. Johannes Chry-sosthomus verhaast Hij zijn uur, en om het gebed van zijn moeder doet Hij zijn eerste wonderwerk en verandert wa-

terWatTllen wij meer bewonderen? Het mededoogen van Maria of haar macht op het hart van Jezus? Beiden gaan

ons denkbeeld te boven. ^

Niet alles wat Jezus gedaan heeft staat m het évangelie opgeteekend, maar dit werd op ingeving van den H. Geest geboekt, opdat wij weten zouden tot wie ons te wenden, opdat wij erkennen zouden wat Mam door haar voorspraak vermag. .. .

Werpt dan alle kleinmoedigheid van u af. Zijt gij in nood, benauwen n we vijanden, gs.t met vertronwm tot Mam. Zij zal voor u spreien, en haar Goddelijke Zoon zal haat

verhoeren. , ,

Stelt u dan heden, g. k., voor altijd onder harebesehe -

minc, O, Maria neem ons onder uwe moederlijke hoede,

en dan zijn wij gerust. Indien gij ons beschermt hebben

wii niets ie vreezen, noch onze zonden, want gij zult er ons

de vergeving van verwerven ; noch den duivel, want gij zijt

sterker dan de hel; noch zelfs Jezus onzen rechter want een

enkel uwer gebeden is genoegzaam Hem tot barmhartigheu

te bewegen. Bescherm ons dan, en verkrijg ons de vergeving

ocr page 147

135

onzer zouden, de lielde tot Jezus, de volharding in de genade en een zaligen dood. Wij verdienen deze genaden niet, maar wij zullen ze verkrijgen, wanneer gij ze voor ons vraagt. Wil dan ten onze gunste bij Jezus spreken. O Maria wij vertrouwen op u, en in dit vertrouwen vinden wij onze rust, en willen wij leven en sterven. Amen.

(Opdracht aan Maria.)

ocr page 148
ocr page 149
ocr page 150