ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

NEERLANDS DICHTERSCHAT.

ocr page 8
ocr page 9

A. DE ertUYTCR

Gymn. St Antonius MEGtN. 1

1/aJf/égt;0 I

91

Neerlands Dichteeschat !

DOOR

vctn ^Coëz-lc ixib onx-e Joc-^en-

SAAMGEBRACHT

\*l\ %^4w i

F. Ti. quot;VA N TjBBNT

Lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde

VIERDE VEEL VERMEERDEEDE DRUK

AMSTERDAM H. J. W. BECHT

/s

O

ocr page 10
ocr page 11

EEN WOORD VOORAF,

Bij het verschijnen dezer hernieuivde uitgave, betuig ik allereerst mijn oprechten dank aan H.H. Letterkundigen en Uitgevers, voor de vele en helangelooze bijdragen, mij zoo uelwillend geschonken.

Moge Neer lands Dichterschat door zijn rijker inhoud ere schooner vorm, weêr een welkome gast blijken te zijn in iede-ren kring, ivaar de zin voor het ware Schoone en Reine in eere gehouden wordt, en velen opwekken om in ruimer mate kennis te maken met den rijken arbeid, door onze Neder-landsche Letterkundigen op velerlei gebied voortgebracht.

En hiermede den Lezer heil!

|

Amsterdam. F. H. VAN LEENT.

ocr page 12
ocr page 13

INHOUD.

bladz.

Jhe. p. a. alting von geusau.

(Geb. '21 Febr. 1867. Gesneuveld op Lombok 26 Aug. 1894.)

Gevallen................ 1-

dr. h. j. a. m. sghaepman.

(Geboren 2 Maart 1844.)

Nieuwjaarsmorgen............ 3

Uit: „Vondelquot;.............283

Uit: Verz. Dichtwerken. Uitg. C. L. van Langenhuysen, Amsterdam.

dE. j. p. heije.

(Geb. 1 Maart 1809, f 14 Febr. 1876.)

Dageraad aan Zee............ 8

Uitgave van P. N. van Kampen amp; Zoon, Amsterdam.

Mevr. MARIE VAN AOKERE-Dolaeghe. (Geb. 25 October 1803, -j- 7 April 1884.) De Pottebakker . ............14

Uit: Kotnpl. Gedichten. Uitg. Gebr. Belinfante, 's-Hage.

P. F. Th. VAN HOOGSTRATEN.

(Geb. 7 September 1845.)

Gods Grootheid.............17

Nog meer...............144

Uit; Gedichten. Uitg. L. C. G. Malmberg, Nijmegen.

VII

ocr page 14

BLADZ.

ISAAK DA COSTA.

(Geb. 14 Januari 1798, f 28 April 1860.)

1 Gevoel.................20

Uit: Kompl. Gedichten. Uitg. A. C. Kruseman, Haarlem.

Thans: A. W. Sijthoff, Leiden.

J. J. L. TEN KATE.

(Geb. 23 Dec. 1819, f 26 Dec. 1889.)

O, Kind, Mijn Kind!...........23

| Eene Moeder..............164

Uit; Gedichten. Uitg. A. W. Sijthoff, Leiden.

Uit: „De Scheppingquot;...........318

Uitgave van Kemink amp; Zoon, Utrecht.

J. L. WERTHEIM.

(Geb. 22 Oct. 1840, f 10 Aug. 1882.)

1 Ter Herinnering.............29

Het Jurkje...............197

Uit; Kompl. Gedichten. Uitg. Gebr. Binger, Arasterdam.

B. VAN MEURS.

(Geboren 29 April 1835.)

Kuukkelekuu!.............31

| De Kaboutermannetjes...........330

F. H. VAN LEENT.

(Geboren 24 October 1830.)

■ Ouderzegen...............35

! 1In het album eener Vriendin........80

i Het Kind...............95

| Beproeving...............380

? * Edelweisz...............4G4

l Uit: Bloemen op het pad des Levens. Uitg. Grebr. v. d. Post, Utrecht.

Thans: Elsevier's Bibliotheek. Uitg. Mij. Elsevier.

1

Onuitgegeven Gedichten.

ocr page 15

bladz.

ROSALIE LOVELING.

(Geb. 20 Maart quot;1834, f 4 Mei 1875.)

In den Oogst..............39

Zijnde het laatste gedicht dier vroeg ontslapen dichteres.

BERNARD TER HAAR.

(Geboren 13 Juni 1806, y 19 Nov. 1880.)

Het kind en de bedelaar..........41

Uit: Kompl. Gedichten. Uitg. A. W. Sijthoff, Leiden.

FIORE DELLA NEVE (Me. M. G. L. van Loghem.)

(Geb. 3 April 1849 te Leiden.)

Uit; „Van eene Sultanequot;..........46

Uit „ Lianaquot;..............454

Uitgaven H. J. W. Becht, Amsterdam.

C. P. TIELE.

(Geb. 16 December 1830.)

Dora.................51

Uit: Gedichten. Uitg. D. Bolle, Rotterdam.

R. BENNINK JANSSONIUS. Engelenbeelden.............58

Uitgave: A. W. Sijthoff, Leiden.

FREDERIK VAN EEDEN.

(Geboren 3 April 1860.)

Uit: „Het Lied van Schijn en Wezenquot; .... 63

Uitgave: W. Versluijs, Amsterdam.

HÉLÉNE SWARTH.

(Geb. 25 Oct. 1859.)

Drie Sonnetten.............67

Uit: Eenzame bloemen. Uitg. De Seyn Verhougstraete, Roeselare.

P. VAN DER VEEN.

(Geb. 13 Oct. 1849.)

De Hoop................70

IX

ocr page 16

DR. D. DORBECK.

(Geb. 27 Aug. 1815, f 5 Sept. 1888 )

De traan der dankbaarheid.........72

C. H. CROISET VAN DER KOP.

(Geb. 21 Januari -1864.)

Sneeuwklokje..............83

Avond................84

De Zee................85

E. J. POTGIETER.

(Geb. 27 Juni 1808, f 3 Febr. 1875.)

De Eerste Duizend............86

Uit: Een bundel Liederen. Uitg. H. D. Tjeenk Willink, Haarlem.

JAN VAN BEERS.

(Geb. 22 Febr. -1821 , f i4 Nov. 1888.)

Daar is een Geest............97

MULTATTJLI (D. Douwes Dekker.)

(Geb. 2 Maart 1820, -j- 19 Febr. 1887.)

Moeder! 'k ben wel ver van 't land.....100

NICOLAAS BEETS.

(Geboren 13 Sept. 1814 te Haarlem.)

; Herinnering..............106

1 Govert-Oom..............234

Uit: Gedichten. Uitg. A. W. Sijthoff. Leiden.

H. BINGER.

(Geb. 28 Maart 1824, f 8 Januari 1890.)

Een Sehrijffout.............110

MARIE BODDAERT.

(Geboren 6 Febr. 1844 ie Middelburg.)

f Eersteling...............116

| Uitvaart................362

Uit: de Gids 1891. 1895. Uitg. P. N. v. Kampen amp; Zn., Amsterdam.

ocr page 17

BLADZ. :

H. TOLLENS CZN.

(Geb. 24 Sept. 1780, f 21 October 1856.) De Pleegzuster.............121

Uit; Gedichten. Uitg. G. ï. N. Suringar, Leeuwarden.

A. J. DE BULL.

(Geb. 11 Dec. 1823, f 24 Sept. 1888.)

Grootvader...............128

Uit: Gedichten. Uitg. H. A. M. Roelants, Schiedam.

CAROLINA BANCK.

(Geb. 22 Nov. 1862.)

Zonsondergang..............132

Een gevangen vogel...........133

ME. J. E. BANCK.

(Geb. 3 November 1833 te Soerabaija.)

Een lied der Opstanding..........134 1

H. DE VEER.

(Geb. 23 Nov. 1829 , f 11 Dec. 1890.)

Moed.................137

Uit: Gedichten. Thans bij D. Bolle, Rotterdam.

EDUARD BROM.

(Geb. 20 Juli 1864.)

Zomer-avond..............141

Lentedroom...............203

Schemering.......................204 j

Uit: Felicia e. a. Uitg. Wed. J. R. v. Rossum, Utrecht.

Mevk. Wed. COURTMANS-Bebgmans.

(Geb. 6 September 1811.)

De kracht der Liefde...........146 *

P. H. HÜGENHOLTZ JE.

(Geboren 31 Juli 1834 te Rotterdam.)

Leven.................149

Nieuw Leven..............150

1

XI

ocr page 18

Dk. J. J. F. WAP.

(Geb. 1 Mei 1806, quot;MO Maart 1880.)

• In Gethsemané.............152

Hoop.................304

Me. C. W. OPZOOMER.

(Geboren 12 September 1821, f 23 Aug. 1892.) De Morgengroet van het Nieuwe Jaar.....160

Uit: Hebei Gedichten. Uitg. D. Bolle, Rotterdam.

J. POELHEKKE.

(Geb. 31 Juli 1819, f 5 April 1881.)

De blinde toondichter...........170

De. Ed. B. KOSTER.

(Geb. 14 Sept. 1861.)

Avond.................175

; Nacht.................176

: Zonnegloed...............176

Uit: Llefde's Dageraad. Uitg. Joh. H. W. Kreunen, Deventer.

De. W. B. J. VAN EIJK.

(Geboren 31 Januari 1826.)

; De levenskeus..............178

Me. A. BOGAERS.

(Geboren 6 Januari 1795, j 11 Aug. 1870.) Kinderlijke liefde.............181

Uit: Kompl. Gedichten. Uitg. H. D. Tjeenk Willink, Haarlem.

PIET VLUCHTIG.

(Feits Smit Kleine.)

(Geboren 11 April 1845 te Haarlem.)

: Mijn goeie, ouwe juffrouw.............185

ALBERT VERWEY.

(Geb. 15 Mei 1865 te Amsterdam,')

Genoten vreugde.............188

Uit: Verz. Gedichten. Uitg. W. Versluijs, Amsterdam.

XII

ocr page 19

Dr. w. zurderma.

(Geboren 14 November 1 Soo.)

Herfstrozen...............190

Windebloem - • i...........191

j Sterrennacht..............192

Uit: Nw. Gedichten. Uitg. J. W. Leenhoff amp; Zn., Rotterdam.

VIRGIN1E LOVELING.

(Geboren XI Mei 1836 te Nevele.)

Het Huisje in de duinen........: • 193 \

Gr. H. J. ELLIOT BOSWEL.

(Geboren 17 Februari 1830, f 18 Juni 1874.)

Een bloem uit Gelderland......... 205 ;

Uit: Gedichten. Thans bij D. Bolle, Rotterdam.

P. a. DE GENESTET.

(Geb. 21 Nov. 1829, f 2 Juli 1861.)

Het Haantje van den toren.........217

Aan een Heerenboer......................457 ^

Geduld................................463 |

Uit: Gedichten. Uitg. Elsevier's Bibliotheek, Amsterdam.

H. Th. BOELEN.

(Geboren 25 April 1825.)

Lachez-tout............... 230 l

C. L. LÜTKEBÜHL Jr.

(Geb. 8 Febr. 1840.)

Het Raadslid.............. 237 ;

H. J. SCHIMMEL.

(Geboren 30 Juni 1824 te 's-Graveland.)

De kostbare Vaes............241 :

Zij zagen................281 •

Uit: Innerlijk Leven. Uitg. H. A. M. Roelants, Schiedam.

XIII

ocr page 20

bladz.

POL DE MONT.

(Geboren 1856 te Warnteke.)

Truiken van Pollaer...........251

Uit Idyllen. Uitg. Uitg.-Maatü. Elsevier, Amsterdam.

HEEM. HEIJERMANS Jk.

(Geboren 3 December ISGW

Nachtklokken..............256

Uit: Constantinopel—Scheveningen bij H. J. W. Becht, Amsterdam.

LOUISE NAGEL.

(Mevk. L. Constant Haveekotte-Nagel.) (Geb. 15 October 1845 te Zaandam.)

Fantasia................257

In diepe stilte- . . ..........258

Zomer-Avond..............258

Uit: Zangen der Zee. Thans bij Gebr. Koster, Amsterdam.

Zielskreet der zee. (Te Knocke a/z bij Brugge) . 385

Uit: Vlaamsche School 1895 te Antwerpen.

A. F. J. REIGER.

(Geboren 8 Januari 1856.)

Eigen Haard..............260

Me. C. VOSMAER.

(Geb. 20 Maart ■18'26, f 12 Juni 1888.

Aqua-Forti...............265

Zondagmorgen aan 't strand........266

Uit: Vogels van dev. Pluimage. Uitg. A.W. Sijthoff, Leiden.

LOUIS COUPERUS.

(Geb. 10 Juni 1863 (e 's-Hage.)

Erinnering...............268

Uit: Orchideën. Uitg. L. J. Veen, Amsterdam.

XIV

ocr page 21

BLADZ.

SOERA RANA (Mk. J. C. Esske.)

(Geb. 13 Januari 1848 te Buitenzorg.)

Maria de las Mercedes...........274

J. N. VAN HALL.

(Geboren 15 Januari 1840 te Amsterdam.)

Aan het strand.............277

M. L. QUACK.

(Geb. 2 September -1827.)

Kerkhof-Bloemen............. 279 \

Uit: Gedichten. Uitg. P. Gouda Quint, Arnhem.

E. LAURILLARD.

(Geboren 25 Maart 1830 te Rotterdam.

De klokslag van Middernacht........292

D. F. VAN HEUST.

(Geboren 28 Juli 1834 te Gouda.)

Op het slagveld.............294

J. M. E. DERCKSEN.

(Geboren 31 December 1825, f 29 Febr. 1884.)

De Ridder van de Waard.........297

J. A. ALBERDINGK THIJM.

(Geboren 13 Aug. 1820, •]- 17 Maart 1889.)

! Willem van Oranje............306

Uit: Verspr. Gedichten, Uitg. C. L. van Langenhuijsen, Amsterdam.

ELISE VAN CALCAR.

(Geb. 19 November 1822 te Amsterdam.)

Sprookje van een Rozeknop . quot;......323

Ant. L. DE ROP.

(Geb. 25 October 1837, f 3 Mei 1895.)

: In 't Middaguur.............326

Maandrozen...............328

|

,,.J------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

I

ocr page 22

BliADZ. i

P. LOUWERSE.

(Geb. 23 Januari 1840 te Oost-Souburg.)

Een nacht aan de kust..........335

W. J. HOFDIJK.

(Geboren 27 Juni 1816 te Alkmaar, -j- 29 Aug. 1888.

?

Een Pijpgast.............. 345 1

J. J. VAN OOSÏERZEE.

(Geboren 1 April 1817 te Rotterdam, 29 Juli 1882.)

Aan den Mont-Blanc...........357

Uit: Mijn Reisboek. Uitg. D. Bolle, Rotterdam.

W. GOSLER.

(Geb. 15 Juni 1858 te Tilburg.)

Gegroet, gij schoone sneeuw........ 365 •

Diep tusschen rotsen...........366

Stille bekentenis.............448

Des dichters credo........................449 ;

A. PIERSON,

(Geb. 8 April 1831 te Amsterdam.)

Behoedzaamheid.............367

Geloof.................................368 ;

Onze dooden..............369

Uit: Gedichten.Uitg.Henri J.Stemberg. Thans Gebr.Cohen,Arnhem.

G. HONIGH.

(Geb. 29 Oct. 1845 te Koog a/d Zaan, f 4 April 1896.)

Het oude Huis.............370

ME. B. W. A. E. SLOET TOT OLDHUIS.

Geb. 13 October 1808, f 16 Juni 1884.

Blaauw Garrit..............374

XVI

ocr page 23

bladz.

M. COENS (W. L. Penning Jr.)

Geboren '10 November quot;1840 te Schiedam.)

Lente.................387

G. ANTHEUNIS.

(Geb. 9 Sept. 1840 te Oudenaarde.)

Aan mijne Moeder ...........389

O Lente mijner jeugd...........391 ,

Uit: Gedichten. Uitg. Henri J. Stemberg, 's-Hage.

MARIE CONSOIENSE.

En dat Gij mijne Zuster zijt........ 393 j

Mevr. E. HIJMANS-Heetzveld.

(Geboren 14 Juli 1837, f 4 Nov. 1881 te Arnhem.)

Weldoen................395

Uit: Kompl. Gedichten. Uitg. Gebr. Beiinfante, 's-Hage.

K. L. LEDEGANCK.

(Geb. 9 November 1805, f 19 Maart 1847.)

Het graf mijner Moeder.......... 399 I

J. P. HASEBROEK.

(Geb. 6 Nov. 1812, f 29 Maart 1896.)

Aan mijne Moeder............ 403 j

S. J. VAN DEN BERGH.

(Geb. 10 Januari 1814, -f 14 Mei 186S.)

De Visscher van Zandvoort........408

A. BELINFANÏE Jr.

(Geb. 22 Maart 1840 te Amsterdam.)

Boem! Boem !.............413 ;

LOUISE STRATENUS.

(Geb. 3 Augustus 1852.)

Gedichten............... 423 .

Uit: Ochtendliederen. Uitg. H. Wuijster. Heusden.

A

-

XVII

ocr page 24

bladz.

S. DAEMS.

Kanunnik-regulier der Abdij van Tongerloo.

Daar is een Lied.............427

JOHAN OLOF WALLIN.

Aartsbisschop te Upsala.

De Engel des Doods...........429

Naar het Zweedsch bewerkt door Dr. j. M. Hoogvliet.

Onder toezicht van J. J. L. ten Kate. Uitgegeven bij Gebr. Muré te Leiden.

THEOPHIEL COOPMAN.

(Geboren 10 December 1852 te Gent.)

Sursum Corda!.............445

W. E. FROWEIN.

De snelste vlucht............450

Aan een wolkje.............451

De Sterren...............453

XVIII

ocr page 25

I

GEVALLEN

DOOE

J HE. P. A. ALT1NG VON GEUSAU,

2e Luit*, h/h N. O. Ind. Leger.

Geb. 21 Februari 1867. Gesneuveld 26 Aug8.1894 in den strijd op Lombok.

Gevallen — de slapen met lauw'ren omkroond, Neen, ook hem heeft de grijnzende dood niet

verschoond,

Want noch jeugd, noch verwachting wordt door hem

geteld,

En het moordende lood heeft hem nedergeveld, Gevallen — z\jn roeping vervuld.

Gevallen — bezield met dat hemelsche vuur, Dat den krijgsman verzelt in het hachelijkste uur. Ging hij voorwaarts in't felst van den woedenden kamp, In een nevel van stof en van aschgrauwen damp. Gevallen — zijn roeping vervuld.

Gevallen — de gapende wonde in de borst.

En de lippen ontkleurd door den brandenden dorst. Het nog drupplende bloed en het brekende oog, 't Zendt alles het bitter verwijt naar omhoog; ,Gevallen — zyn roeping vervuld.quot;

1

ocr page 26

Gevallen — en straks, als met plechtigen tred Men hem wegdragen gaat van het eervolle bed, Ja, dan slaken zijn makkers een droevige klacht, En bij de opene groeve daar fluist'ren ze zacht: , Gevallen — zijn roeping vervuld.quot;

Gevallen — en straks, als, door tranen verblind, De moeder komt bidden op 't graf van haar kind, En zij stil nog een zucht van vertwijfeling loost, Dan weerklink' in haar ooren de zalige troost: „Gevallen — zijn roeping vervuld.quot;

Gevallen — o krijgsman, uw streven is schoon, Gij verwerft u op aard' een onsterflijke kroon. En in stilte blijft steeds ons de smeekbede bij , Dat, o God, ook bij ons eens de lijkrede zij: „Gevallen — zijn roeping vervuld.quot;

2

ocr page 27

NIEUWJAAKSMORGrEN

door

Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN,

geb. 2 Maart 1844 te Tubbergen.

Het jaar gaat heen tot sterven,

De menschheid staat en rust, Rust, moê van 't lange zwerven,

Rond der vernieling kust; Zij staart naar 't lang verleden

Maar naar het morgen niet, Dezelfde baan te treden

Dat is het droef verschiet.

't Zijn steeds dezelfde wegen

Weêr op en af en aan, — De bergen vaak bestegen

Wéér hijgend op te gaan. En dan weêr neer te dalen In 't somber avondrood Tot weer het morgenstralen Denzelfden tocht gebood.

ocr page 28

't Zijn steeds dezelfde slagen

Die vallen op haar borst, Hetzelfde leed te dragen

Reeds eeuwen lang getorscht; 't Zijn steeds dezelfde tranen, 't Is steeds dezelfde nood. Aan 't eind van alle banen Staat steeds dezelfde dood.

't Zijn altijd de oude zonden 't Is altijd de oude straf,

't Zijn steeds dezelfde wonden En steeds hetzelfde graf; 't Is altijd de oude logen Van leven en genot.

En altijd onbewogen

De Dood met grimmen spot.

Ik kan niet verder treden.

Ik kan niet verder gaan, — Zoo klaagt de menschheid heden

Nu 't nieuwe jaar zal slaan — Ik kan niet verder sleepen,

Mijn afgestreden kracht. Mij heeft het hart gegrepen De wanhoop in den nacht.

Ik kan niet langer strijden

Den ouden, ouden strijd. Ik kan niet langer lijden Dezelfde pijn altijd;

ocr page 29

Ik kan niet langer dragen

Mijn kind'ren — naar het graf, Ik kan niet langer vragen Wat nimmer 't leven gaf.

Ik kan niet langer hopen,

Niet uitzien naar het licht, Mijn liefde is weggeslopen ,

Verduisterd myn gezicht;

Mijn Credo zag ik sterven Begraven onder 't ijs Met mijn zoo duizendwerven Verloren Paradys.

Ik ben zoo moede, moede

Reeds eeuwea , eeuwen lang, Sinds mij des drijvers roede

Drijft op mijn zwaren gang; Het morgen is het heden.

Dat gisteren is vergaan:

Ik kan niet langer treden Op mijne doodenbaan.

Maar scherper dan haar zuchten

Des drijvers zweepslag sloeg, Het trilde door de luchten

Toen hij haar verder joeg. Zij vouwde dof haar ving'ren

Zij weende droef en bang, En volgde weer haar dwing'ren In d' ouden cirkelgang.

ocr page 30

11.

Hoog van der bergen toppen Die gloeien in 't gezicht Als purp'ren rozenkD oppen

Doorvonkt van zonnelicht, Hoog van der Alpen spitsen Die stralen wijd en zijd, Van God ontstoken gidsen Naar hooger dan den tijd.

Daar klinkt hij 't morgengloren

Een wereldhymne rond Als zingen duizend koren,

Eén ziel, eén hart, eén mond, Als groeten zij de wereld

Ten jongste levensdag, Nog van den dauw ompereld Maar stralend in haar lach.

Het is 't melodiesch ruischen

Van wouden hoog en fier. Het vol en rollend bruisen

Van bergstroom en rivier, Het blijde groenen, tieren

Van halmen zwaar en blond, Het dartel kozen , zwieren

Der voog'len door het rond.

Het is het vriend'lijk geuren Der bloempjes onder 't mos

6

ocr page 31

De symplionie der kleuren

Van 't vorstlijk rozenbosch ; De Geesten die daar slapen

In woud en veld en vliet, Zij zingen van 't geschapen 't Onsterflijk levenslied.

Maar aan hun renzig staam'len

Geeft stemme 't menschenwoord, Het mag hun tonen zaam'len In 't wondervol akkoord, Dat klatert van de toppen

Der hooge bergen af Als frissche levensdroppen Gezaaid op 't dorre graf.

Daar staat hij jong en krachtig

De menschengeest in 't licht, Het beeld van God almachtig Op 't stralend aangezicht;

Geen vreezen en geen zorgen,

Den Hemel in het oog, Zoo zingt hij tot den morgen:

„Naar omhoog, naar omhoog!quot;

7

ocr page 32

DAGERAAD AAN ZEE

DOOR

DE. J. P. HEIJE,

geboren 1 Maart 1809 te Amsterdam, f 24 Februari 1876.

De morgen daagt:

en dooft den bleeken glans Van 't dungezaaid en sluimerziek gestarnt!... En de uchtenddamp, die wemelt aan den trans, Duikt weg voor 't licht, dat in het Oosten barnt; Een frissche koelte jaagt het trillend schuim Der breede golven, brekend op het strand, In blanke vlokken over 't rulle zand; En 't zonlicht giet zich uit door 't blauwe ruim, En spiegelt zich in 't levend diamant Van 't krinklend nat,

dat, spelend om mijn voet, Zijn zilver smelt in 't goud van de uchtendgloed.

O ! Dikwijls heeft mijn oog in 't dichte woud Uw scheemrend licht, o dageraad, bespied. Het glinstren van uw stralen langs het hout En 't spranklen van uw vonken in den vliet!...

8

ocr page 33

Dan wekte gij met gouden vingertop Het sluimrend loof van eik en popel op, En opendet met d'adem van uw mond Het hulsel van den wilden rozeknop,

En dronkt den dauw

en vaagdet drop bij drop Van bloem en blad, nog buigend naar den grond.

En wat Natuur aan stem en klanken heeft Als de uchtendwind langs bosch en akker zweeft... Het ruiscben in de toppen van 't geboomt', Het suizen waar bet jeugdig loof van trilt; Het ritslen van het opgeschrikte wild En 't murmlen van de beek, die dalwaarts stroomt, Het kraken van het versche Heidekruid, Het biegegons , en 't snorren der kapel, Der vooglen lied,

dat sleepend, dartel, schel. De lucht doorzweefde met bezield geluid — 't Smelt alles saam in duizendstemmig koor: En 't was me, als drong bij 't loflied der Natuur, Die morgenstraal van albezielend vuur Met de eigen kracht tot in mijn boezem door.

Hier rijst gij eenzaam over quot;t naakte strand, En wekt geen leven door uw milden gloed!

Hier opent zich geen bloem in 't dorre zand — Slechts 't brullend golven van den woesten vloed Juicht u ter eer, den wilden morgengroet.

Toch zijt ge schoon, oneindigheid van licht! Wanneer gij breekt door 't vaal en nev'lig grauw,

ocr page 34

En langzaam zich een tint van scheemrig blaauw Aan de oosterkim vertoont voor ons gezicht; — Een purperen streep omboort den westertrans, En scheurt de lucht en golven van elkaar, En schichtig blinkt een helderwitte glans Ter branding uit

en spat, van baar tot baar, In zilvren sterren glinstrend naar omhoog; — Nu rijst het zwart der golven voor ons oog En tooit zich grillig op met groen en goud; En duizend tinten wisslen aan den boog Zich statig welvend over 't woelend zout.

Nog toeft de zon: —

Een glimp van rozerood Speelt door de lucht, en kleurt de blanke kruin En 't gele helm van hoog en lager duin;

Maar aan de kim breekt uit der wolken schoot Een zee van vlammen over strand en vloed, En lucht en duin ontbranden in dien gloed, En aard en hemel smelten voor 't gezicht In louter vuur, in louter licht!

II.

Wél zijt gij 't beeld van d'eersten Scheppingsdag, O Dageraad,

Wanneer gij strand en zee Begroet en toelonkt met uw zonnelach!

Wel voert gij ons op luchte vleuglen mee

10

ocr page 35

En maalt den geest het Wordingsuur der Aard, Toen 't Englenlieir haar Schepper hulde bracht!

Nog drijft zij woest en ledig door den nacht: — En wat ze strijdigs in haar schoot bewaart,

Woelt vormloos in des bajerts diep dooreen;

Maar 's Heeren geest zweeft langs de waatren heen, En door den sluier

die nog zwart en dicht Met loode zwaarte d'Afgrond houdt bedekt, Dringt Godes woord,

en met dat woord:

Het licht! — Onpeilbaarheid van glanzen en gena.

Almachtig woord dat ons ten leven wekt, — Het worde licht!

Nog ruischt gij vroeg en spa Van 's Werelds aanvang alle heemlen door; En waar gij klinkt, ontsteken op uw spoor Zich duizenden van zonnen —

En een koor

Van Englen knielt,

ootmoedig het gezicht Bedekkend met hun vleuglen —

dankend neer; En verder ruischt het voort van sfeer tot sfeer, En de eeuwigheid geeft juichende het weêr: Het worde Licht, het worde Licht-'

11

ocr page 36

III.

„Gij dageraad die opstijgt uit den vloed,

0 wees me een teeken van den Heer..

Zoo bad

Ik — diepgeschokt en met geprangd gemoed , In lang vervlogen tijd — toen krank en mat, Ge als speelbal van Euroops verbonden kracht, Mijn Land en Volk! verkwijnde in diepe nacht: Toen 'k eenzaam ronddwaalde aan uw eenzaam strand, Het oog gevest op 't ledig ruim der zee Waar slechts een enkle visschersboot,

in steê

Der wolk van schepen met uw jeugd bemand 't Verschiet bepaalde :

en waar mijn luistrend oor In plaats van grof geschut of zegekreet Of der matrozen wild en vroolijk koor, — In 't noeste golfgebrul — mij streng en wreed, Een stem van hoon en weeklacht hooren deed: — „Gij Dageraad, die opstijgt uit den vloed,

0 wees me een teeken van den Heer —

Zijn macht

Doorstroom' met godlijk vuur het kilste bloed, En wekke ons volk tot nieuwe levenskracht: 0 schenk een straal van hoop aan mijn gezicht: „Het worde Licht, het worde Licht!quot;

En thans, mijn Nederland !...

Uw grond bestraalt De morgen weêr van 't koestrend zonnelicht

12

ocr page 37

Waarin des voorzaats fiere beeldnis praalt Voor 't, nu weer Opgeheven, aangezicht!

Of bracht niet d'Aarde eens schatting U én groet, Of boog Euroop niet nedrig aan uw voet,

En boog

niet enkel voor uw Overmacht,

Niet enkel voor uw Nijverheid en Goed,

Niet enkel voor uw Dapperheid en kracht, — Neen!...boog voor Trouw en Deugd en Schoonheidszin, Voor Godsvrucht die uw Templen heeft bewoond, Voor Wetenschap met lauwerloof gekroond,

Voor Gastvrijheid der ballingen betoond,

Voor Staatskunst, Vroedigheid en Vrijheidsmin; — En juichte in Heil en welvaart

als uw blik

Het Vreê beloofde,

en kromp ineen van schrik En sidderde, bij 't fronzen van uw hoofd!

„En nu ..

Goddank ! uw glans, hoe lang verdoofd, Herrees aan de Ochtendkim — o gord u aan Om, vrank en vrij en moedig, pal te staan Voor alles — wat in Kennis, Deugd en Kracht Oud-Hollands roem en rang en rijkdom bracht; En élken morgen klink' voor ü dat woord,

Klink' 't in uw harte en ruische voort en voort. Dat woord des Levens, waar de Nacht voor zwicht: Het worde Licht, het worde Liöht.. 't Is Licht!

13

ocr page 38

I

I

I

DE POTTEBAKKER

doob

Meye. MARIA VAN ACKERE, geb. DOOLAEGHE,

geb. 25 October 1803 te Diksmuiden (W. quot;VI) 7 7 April 1884.

Draai op, mij 11 wieltjen, vlug of stil! Zwaai en beweeg u naar mijn wil, 'k Vat d'aarden klomp ,

Hoe log en lomp,

En draai hem tot een fraai fatsoen; Dat kan mijn hand recht kunstig doen; Ja, in een wenk, staat daar voor 't oog Elk potje keurig lief ten toog.

refrein.

Zingt, makkers, zingt een vroolijk lied, De slechte tijd, hij deert ons niet, Want onze kunst kan niet vergaan. Zoo lang paleis of hut zal staan.

14

ocr page 39

't Bedrijf is klein, 't vernuft is groot; Hier stampt een knaap het blinkend lood , Daar schaaft een man Plateel of kan ;

Een andre kneedt den leemen bol Of steekt den heeten oven vol, 't Verloodsel stuif alreê nu zacht De potjes rond, die quot;t vuur verwacht.

Hoe schamel toch was de oude tijd , Hij wist nog van geen vette klijt:

Vrouw Eva had Geen aarden schat Van pint of schotel, plat of rond,

Die met gebraad op tafel stond,

En Adam dronk met zijn gezin Uit bolle handen 't water in.

I

Nu staan in iedre keuken daar Mijn geestig aarden potjes klaar, Die keukentooi,

Zoo net en mooi,

Kookt zuur en zoet tot beste spijz', Wat slimmert koop'ren ketels prijz', /ij dienen de gezondheid niet:

Geen aarden pot, die gif ooit biedt.

Hier arbeidt elk met lust en moed, Ons welzijn komt van 't aarden goed. De handel leeft,

Die werk ons geeft,

I

15

ocr page 40

En ook van rijken wordt bemind , Het aardewerk is de oude vrind Van 't schamelhuis; — wat nood valt Als 't koffiepotje staat op 't vuur!

De boerenvrouw, als eerst gerief, Heeft welgebakken teelen lief; Zij pronken schoon In hare woon Met frissche melk, die, geel en vet, De keldervloer is rondgezet;

Daar stolt de milde boter in,

Dat is der boeren rijk gewin!

zuur,

i

1

j

i

16

ocr page 41

GODS GEOOTHEID.

(Naar St. Augustinus)

DOOR

P. F. TH. VAN HOOGSTRATEN,

Ord. Praed.

Geboren 7 September 1845.

Kunt ge uw nietigheid gevoelen?

Kind der aarde, kunt gü dat ?

Weet gij wat uw stoflijk denkbeeld

in zijn hoogste vluclit omvat?

Waant ge in 't rijk der zonnestarren

God in 't aangezicht te zien?

Waant ge in 't worden van een wereld

't Godlijk Wezen te bespiên?

Zie, doorvloogt gij al de choren

van het perkloos firmament;

Kondt gij 't morgenlicht begroeten,

voor het door de schepping rent;

17

ocr page 42

Kondt gij op de zonne tronen

als een Seraf en uw hand Vrij gebiedend doen beslissen

wat zij met baar kracht omspant;

Bruisten duizend wereldhymnen

albetoovrend door 't heelal,

Door uw stemme saamgeschakeld

tot een juichend maatgeschal;

Kon uw woord d'orkaan bezweren

in zijn woeste wervelvaart Of uw wenk den bliksem keêtnen,

eer zijn flits verdelging baart.

Nergens zoudt ge uw God doorschouwen

in zijn grootheid in zijn macht Nergens zaagt ge een wedergade

van Zijn onuitspreekbre kracht.

Hoogste Wijsheid is Zijn Wezen,

Hoogste Leven door Zicb-zelf, Onafhanklijk van de sferen

van het machtloos stargewelf;

Onafhanklijk van de Geesten,

Wie zijn hemelsch aangezicht In den vollen luister zaligt

van zijn ongeschapen Licht.

't Godlijk Wezen is 't Mysterie .

door geen schepsel ooit verklaard,

|

1

18

ocr page 43

In geen werelden van zonnen

aan onze oogen geopenbaard.

Maar die zonnen zijn de boden

van het eenwig scheppingswoord, Dat, in werking alvermogend ,

Door geen weerstand wordt gestoord.

In henr stralen, in henr flonkren

eeren ze aller wezens Bron En verkonden aan deze aarde:

God is aller zonnen Zon.

19

ocr page 44

GEVOEL

DOOK

ISAAC DA COSTA,

geb. 14 Januari 1798 te Amsterdam, -j- 28 April 1860.

_ |

|

O! wie beschrijft mij 't geen gij zijt

Gevoel van 't kloppend harte!

Wiens werking vaak de ziel verblijdt.

Maar meer nog klemt in smarte !

Gij, mijner Dichtkunst ziel en doel!

Gij zijt de bron mijns levens!

Maar, overweldigend gevoel!

Die van mijn sterven tevens!

Gij zijt de onwederstaanbre gloed.

Die mij tot dichter maakte!

Die in mijn rusteloos gemoed

Sinds de eerste kindschheid blaakte!

Gij zijt de min, wier zaal'ge smart

Mijn eerste zuchten riepen,

Toen in 't nog pas ontluikend hart Der driften stormen sliepen

20

ocr page 45

Gij zijt de zucht naar hooger lust Dan Tan een nietige aarde,

Waardoor 'k mij-zelven ben bewust Van een verheevner waarde!

Gij zijt, 't geen mij verbindt met Hem Voor wien de Serafs knielen!

Gij zijt de weêrgalm van Zijn stem In onze doffe zielen!

I

Gelijk de poging van het kind, Dat zwikt bij iedere schrede ,

En ieder stond zich hulploos vindt: Zoo is de kracht der rede!

Maar als gij onze stappen leidt,

Gevoel van God gegeven!

Zoo snellen wij ter zaligheid

Door 't stormen heen van 't leven!

'k Wil op mijn Rede, zwak en koel Mijn 's levens hoop niet bouwen!

Mijn krachtig, brandend zielsgevoel! Op u wil ik vertrouwen!

Hetzij gy vreugde brengt of smart, En sterven doet of leven,

Aan uwen invloed wil mijn hart Zich eindloos overgeven!

'k Wil naar uw toovrend gebod Beminnen, zingen, loven!

En 't oovrig van mijn levenslot Verblijve aan God hierboven!

21

ocr page 46

Doordring liet stof dat mij omkleedt Dooradem en beziel het!

Of is uw ademgloed te heet,

Ontzie niet, en verniel het!

Te sterven op liet veld van eer Is echte krijgsmansglorie!

De dood heeft niets verschrikklijks meer In de armen der Viktorie !

Maar ook de priester van het schoon Laat zonder leed het leven,

Wanneer liij in zijn laatsten toon Zijn laatste zucht mag geven!

I ?

I

i

| |

22

I

ocr page 47

O KIND, MIJN KIND!

DOOR

J. J. L. TEN KATE,

geboren 23 December 1819, f 26 December 4889.

f

En zoclit ge dus uw Hemelscli Huis,

0 lief, o dierbaar wicht!

Het Land, waar droefheid woont noch kruis.

Maar leven, liefde, licht?

Gij kwaamt, gij gingt — een Heiige nog, Rein, vreemd aan 'swaerelds snood bedrog. Een zegen was uw dood — en toch... O kind, o heerlijk kind!

Wat looden berg op 't hart ons viel

In de ure van uw dood!

Geen woorden melden de angst der ziel.

Toen gij uw oogjens sloot,

Geen zuchten — 't windjen voert ze meê, Geen tranen — droppels in de zee Van ons onpeilbaar lijdenswee,

O kind, o heerlijk kind!

23

ocr page 48

Een kleine oase, friscli en groen,

In onze woestenij ,

Een blinkend hemelvisioen

In onzen droom waart Gij.

Gij waart geen engel in de vert',

Geen wezen buiten ons: gij werdt Een deel van 'svaders, moeders hart, O kind , o heerlijk kind !

Uw korte Levensdag verzwond

In onbewolkte vreugd:

De Dageraad en de Avondstond,

Is alles wat u heugt.

Eén morgen — waart ge rood en blank. Een tweede — laagt ge bleek en krank , Een derde — doofde 's levens sprank, O kind, o heerlijk kind!

Liefst bloemeke op ons Huisaltaar!

Ons zonnetje weleer!

O, zoo de liefde almachtig waar'.

Gij laagt niet dood ter neêr! Wij buigen 't hoofd — toch hoopten wij , Dat gij ons zoudt beweenen, gij,

Niet wij U ... 't Hopen is voorbij ,

O kind, o heerlijk kind!

Ach, wat ik doe en waar ik ga.

Wat mij voor de oogen speelt,

Zijt Gij, Gij wenkt, ik volg u na, Een stralend Englenbeeld.

24

ocr page 49

Ik hoor u in portaal en gang,

Ik hoor uw lach, uw woord, uw zang, Ik voel uw adem op mijn wang,

0 kind, o heerlijk kind!

'k Zie uwer oogjens tintelsprank ,

Die lok als zonnegoud,

Die, dartiend als een wingert-rank,

't Blank voorhoofdje' overschauwt;

Ik zie uw voetjens hupplend gaan,

'k Zie roosjens op uw wangen staan, 'k Voel om mijn hals u de armtjens slaan, 0 kind, mijn heerlijk kind !

Ik sluip de kinderkamer door

In stille mijmerij,

'k Hervind er overal uw spoor,

Maar, liev'ling, waar zijt Gij ? Uw speelgoed, in het rond verstrooid, Uw ledig hedjen dicht geplooid, Het fluistert alles: „Nooit meer! nooit!quot; O kind, o heerlijk kind!

Ach, ieder, tot uw laatste woord,

't Zij 't blijdschap bracht of smart, Was ons een lieflijk harpakkoord,

Dat trilde door ons hart.

Met niet één wolkjen overtoog De dood uw wonder stralend oog, Gij smolt, gelijk een regenboog,

0 kind, o heerlijk kind!

25

ocr page 50

Wij treuren — als de zwarte nacht

Ons huis in rouwvloers windt; Wij treuren als de morgeupracht

De groene heuvlen tint.

De weide, 't woud, de heerlijkheên Der Schepping, zon en maan, verdween Wij zagen 't al door U-alleen!

O kind, o heerlijk kind!

En speelt een lachje' een enklen maal

Om onzen bleeken mond,

't Ontspringt niet, als een zonnestraal

Der vreugde, uit 's harten grond. Wij missen — 't tripplen van uw voet, Uw morgenkus, uw avondgroet,

Altijd, alom, ons vleesch en bloed, Ons kind, ons heerlijk kind!

De sneeuw bedekte wijd en zijd Deze aard, van koü versteend,

Toen gij, in 's levens lentetijd, In 't eenzaam graf verdweent.

En nu de boom groeit als weleer, De zwaluw viert zijn wederkeer, De lente kwam — Gij kwaamt niet weêr O kind, o heerlijk kind!

Maar wacht dan, als de dorre tronk

Weer nieuwe twijgen schoot, De mensch in duistre grafspelonk Een eindelooze dood?

ocr page 51

Kan 't zijn, dat, als Gods adem zweeft, Nieuw gras zelfs op het kerkhof geeft, Ons kind, daaronder, nooit herleeft. Ons kind, ons heerlijk kind ?

Dat kan niet wezen, groote God!

Moet dus de mensch vergaan, De Liefde, 't Leven, ware een spot;

De Waarheid, ij die waan;

De Hemel, wolk en nevelwalm;

't Geloof, een herschenschim; de psalm Des Wederziens, een wanhoopsgalm, O kind, o heerlijk kind!

Zoo wees ons, lief verloren Wicht!

Een ster die nooit verdwijnt.

Die hoog, hoog boven 't Grafjen licht ,

Die aan Gods hemel schijnt!

Blijve ons vertrouwen ongerept,

Dat gij uw thuis gevonden hebt, In 't Licht uw Englenwiekjens klept, O kind, verheerlijkt kind!

Ja, 't is ons balsem die verfrischt,

Te weten, dat gij leeft.

Dat ge in den Hemel ons niet mist,

Waar ge in Gods Glorie zweeft,

Waar dood noch doodsangst meer bestaat, Waar 't hart in Eeuwge Jonkheid slaat. De vreugdezon nooit ondergaat,

O kind, gezegend kind!

27

ocr page 52

„Vaarwel dan!quot; klink' mijn jubelzang,

Gij kind, zoo diep betreurd! Wij blijven niet altijd, niet lang.

Elkaar van 't bart gescheurd, 'k Hervat getroost den pelgrimsstaf: Het leven spint zijn herfstdraad af — Daar is een Weerzien achter 't graf Mijn kind, mijn zalig kind!

28

ocr page 53

TER HERINE ERIN Gr

DOOK

J. L. WERTHEIM,

geb. 22 October 1840 te Amsterdam, f 18 Aug. 1882 aldaar.

O, kent gij de bode der Lente,

Die kleine bevallige zwaluw ,

Die sjilpend langs velden en bosschen Het naderend voorjaar verkondigt?

Als zij in driehoekige scharen Door 't blauw, onbenevelde luchtruim, Zoo fier en gelukkig daarheen schrijdt, Dan stijgen er duizende stemmen Uit wouden en vlekken en stroomen, Die juichend de Lente begroeten!

En later, als zij weer haar vlucht neemt Naar verre, naar schooner gewesten, Dan wordt het zoo droef en zoo eenzaam, Dan zwijgen de zangers der bosschen , De geuren en kleuren verdwijnen, Dan ligt er een floers over de aarde,

29

ocr page 54

Dan kleeft er op 't taangele loover Die vochtige nevel van 't najaar, Als tranen van weemoed en smarte!

Eilieve, ge hebt het begrepen,

Gij zijt ons de bode der Lente !

Want zie, uwe zilveren stemme , Uw schertsen, uw lachen, uw vleitaal. Zoo geestig en toch zoo eenvoudig, Ze drongen tot 't diepste des harten; Daar wekten zij echoos en beelden. Vol leven, vol jeugd en gedachte.

Doch zie, ook het uur van uw scheiden Het nadert, en ach! hoe eentonig, Hoe stil, hebt ge ons eenmaal verlaten! Maar weet, niet steeds blijft het winter , Geduld! tot weer Zephyrs en bloemen, Tot gij en de zwaluw zult keeren.

30

ocr page 55

KUUKLEKUU!

door

B. VAN MEURS,

geboren 29 April 1835 te Nijmegen.

Allo dan — weigren mag 'k oe niet —

'k Vertel nog wat uut d'ouwen tied

En op den trant van 't kriekend keiekske ! —

Een, die maor leefde van den wiend,

Een mulder, had 'en ennig kiend,

Een knappe dern, heur naom was Driekske.

Ze was umstrieks twee kruuskes oud,

En, as de meiskes, graog getrouwd,

Maor niemand kwiem um haor te vraogen. Een muldersdochter um de hand Te vraogen — jong! da was astrant.

En wou wa zeggen in die daogen!

Toch dacht op zeker dag er een :

Kum, kum! ik waog 'en blauwe scheen;

Krieg 'k Driekske nie, dan vraog 'k 'n ander! De mulder ziet hum veur zich staon, En denkt: die jong steet mien goed aon,

Hie's knap en de eugkes kieken schrander.

31

ocr page 56

„Hoe hiette?quot; — „„Klaos!quot;quot; — Wat is oew part?quot;—i

„„Een leege buul met eerlik hart!quot;quot; —

„Daor kan 'en mins bij hongerlijen;

„Wa, kunde, zeg, waor leefde van?quot; —

„„Ik ken 'en kunstje!quot;quot; — „Zoo! Wa dan?quot; —

„„Ik kan precies as haonen krêjen!quot;quot;

De moeder en de dochter saom

Die zaoten luustrend veur 'et raom,

En lachten spottend dikke traonen.

De mulder hield zich ien, en zei:

„Jong, laot is henren da gekrei!quot; —

„„Heur: kuuklekuu!quot;quot; — „Precies as haonen!quot; —

„Da kunstje, manlief, is kemiek;

„Maor, brengt 'et zoden aon den diek ?quot;

„„Heel veul! Da kan 'k oe daodlik toonen! „„Zeg: gêfde oew dochter mien tot vrouw, „„As 'k ien één nacht 'en landgoed bouw,

„„Waor zelfs 'en keuning op mag wonen?quot;quot;

De vader kiekt zien Drieksken aon En Drieksche moeder... Wa gedaon?...

Afijn! ze wouën 't is prebieren.

De mulder stekt de hand toe: top!

Klaos zet 'en kuuklekuu der op,

Um al zien bliedschap unt te gieren.

Toen zei ie: „„Mulder, word niet bang.

„„Maor 'k heb den duuvel al sinds lang „„Beloofd, dat ik mien woord zal houwen

32

ocr page 57

„„ En dan mien ziel hum af zal staon,

„„As ie, veur 't krêjen van den haon, „„Een landgoed naor mien zin zal bouwen!1'quot;

I I

„„'k Heb da, kontract op parkement „„Met eigen bloed geteikend!quot;quot; — „Vent! „Wa zegde daor? Foei. wilde is zwiegen!

„Houw jij maor met den Droes ouw woord;

„ Maor ik brêk daodlik ons akkoord,

„ Mien Driekske kunde zóó nie kriegen!quot; —

i

„„Bedaor! 'k Bin nog niet uutgepraot:

„„ De Saotan duut mien ziel geen kwaod,

„„Went 'k weet hum ien de luur te leggen,

„„Daor dient nou juust mien kunstje veur!quot;quot; —

Toen zei de mulder: „Albeneur!

„ Dan bê'k oe verders niks te zeggen!quot; —

1

Nou zien we Klaos, ien 't licbt der maon, Op d' umgang van den meulen staon En daor den Ouwe kommendieren:

„„Zurg, dat al 't werk is afgedaon „„Precies veur 't krêjen van den haon!quot;quot;

De duuvel zei: 'k zal nie mankieren!quot;

? |

Verblits! Toen goeng 't er fris op los:

Hier kwiem 'en perk en daor 'en bosch Met werme plekskes, koele laontjes,

En veuglenzang en bloemenpracht.

En riengewies 'en breeje gracht Vol ploeterende eendekens en zwaontjes.

I I

33

3

1

ocr page 58

len 't midden kunje 'en viever zien,

Daor drieft 'en snoeprig bootjen ien Um mee te vissen en te vaoren.

Daor achter, kiek! kumt uut den grond 't Kastêl, met beelden veur 'et front En marmer trappen en pilaoren.

En heuger, beuger riest 'et op ...

Nou bin' ze al aon den torentop...

Nou bin' ze al bezig met de leien...

Perjen! denkt Klaos, 't wordt meer dan tied, Of 'k raok er nog mien ziel bij kwiet !

En bie zien kuuklekuu's aon 't krêjen.

„ Hou ! — riep de duuvel — valscb gedaon! „Je kreit wel mooi, maar bint geen baon!quot; — „„Ik krei toch ecbte baonen wakker:

„„Heur maor, Sinjeur, uut scbuur en stal „„Kreit kuuklekuu nou overal!quot;quot; —

En Saotan brult: ,Deurtrapte rakker!quot; —

En laoter, toen er bruiloft was,

Kuuklekuu !

Toen zongen ze allen bij 'en glas:

Kuuklekuu!

Lang leven Drieksken en heur Klaos Die was den duuvel zelfs de baos! Kuuklekuu, kuuklekuu, kuuklekuu! Kuukelde-kuukelde-kuukeldekuu!

34

ocr page 59

OUDERZEGEN

DOOR

F. H. VAN LEENT,

geboren 24 October 1830 te Gouda.

.,Wel zijn wij rijk gezegend!quot;

— Zoo sprak zij vaak tot mij : — Wij hebben, zeven kindren

En 't daaglijksch brood daarbij ; „En drukken nu de zorgen Het talrijk kroost gewijd, Wanneer de kindren groot zijn Wacht ons het loon der vlijt; „Hun dartle zin en vreugde

Verheldert onzen haard,

„ En om hun teedre liefde

Zijn ze onze zorgen waard:

„Dies zijn zij eens volwassen,

Zij blijven hier bijeen, „Wij hebben zeven kindren Doch missen wil 'k er geen'!quot;

ocr page 60

De jaren snelden henen,

De kindren ook als zij :

Zij voedden eigen wenschen

En hoopten niet als wij, — Zij grepen vol verlangen

Naar 't bontgekleurd verschiet; De moeder weende bitter,

Haar kindren bleven niet!

Hun oudste zoon ging varen;

Een tweede werd soldaat; Een derde zou gaan zwerven En hoorde naar geen raad. Zoo ging het d' een na d' ander,

Zij gingen allen heen:

De vader en de moeder Zij bleven — toen alleen!

„Ach! als de kindren groot zijn ...!quot;

— „Wel, dierbeminde vrouw! „De jongen moeten vliegen.

En de ouden blijven trouw;

„Laat hen de wieken reppen

Langs zelf gekozen paan,

„Zoo was het reeds vóór dezen, Zoo zal het na ons gaan!quot;

Helaas! de moeder treurde, En zuchtte dag en nacht:

„Waar toeft nu 't loon dier zorgen Zoo blij door ons verwacht? —

36

ocr page 61

I

„Wij worden daaglijks ouder

En zitten nu bijeen,

„Het hart zoo vol erinn'ring A.an 't rijk en schoon Verleên!quot;

De jaren vloten henen

En — ook der oudren smart: Uw liefde heeft overwonnen

Gezegend ouderhart!

Want zie — daar keert uw oudste,

Zoo manlijk kloek en vlug, — En ook met hem de tweede,

In 't ouderhuis terug;

Een derde — vierde en vijfde,

Ja — allen keerden weer En scharen zich in 't ronde

Als in het blij weleer;

Zij kouten weer gezellig

Aan d' ouderlijken haard, En brengen licht en vreugde Als slechts de liefde baart.

„Niet als de kindren groot zijn,

Maar wijzer dan voorheen: — Zoo spreekt er een — voor allen

„Dan blijven zij bijeen;

„Dies willen we u vergoeden

Wat gij ons hebt gedaan,

„En als een trouwe schutse Naast u door 't leven gaan;

Het kruis door u gedragen,

37

ocr page 62

Naast zorgen, groot en veel, „Wij nemen 't van uw schoudren

Als 't ons bestemde deel; „En wat uw ouderliefde

Met tranen heeft gezaaid: „Dat wordt in 's Levensavond In vreugd door u gemaaid !quot;

„Wel zijn wij rijk gezegend!quot;

— Zegt zij nu weer tot mij: Wij hebben zeven kindren En — 's Hemels gunst daarbij!quot;

38

ocr page 63

IN DEN OOGST

DOOE

ROSALIE LOVELING,

geb. 20 Maart 1834 te Nevele, f 4 Mei 1875.

Zij stonden op het akkerland , En maaiden in den zonnebrand,

En zongen bij het werk:

De lastige arbeid wordt een feest Voor hen die jong, en licht van geest. En moedig zijn en sterk.

Daar kwam de landheer langs de beek, De schouders hoog, de wangen bleek;

Hij zocht de schaduw daar; Hij groette licht en ging voorbij; Gezang en arbeid staakten zij, En wezen hem elkaar.

Die man gevoelde zich zoo fier; Hij dacht: dat zijn mijn velden hier, En ginder rijst mijn slot.

39

ocr page 64

Wis knaagt de nijd u in 't gemoed, Gij, die op aarde zwoegen moet, Gij vloekt gewis uw lot.

Toen zei er een met stille stem: „Wie ruilde, zeg, van ons met hem?quot;

En allen lachten. Geen Aan wien zoo'n leven zonder vreugd, Aan wien de rijkdom zonder jeugd Benijdenswaardig scheen.

Slechts weinige weken voor haar afsterven ontving • de Redactie deze bijdrage van Vlaanderen's geliefde dichteres.

ocr page 65

HET KIND EN DE BEDELAAR

door

BERNARD TER HAAR,

geb. 13 Juni 1806 te Amsterdam, f 19 Nov. 1880 te Velp.

Hoe mat en krank door al haar leên.

Lang Held zij 't sleepend op de been. Of haar gezondheid keeren zou — Margeetha, de arme weduwvrouw;

Maar eindlijk zonk ze op 't leger neêr; De koorts nam toe — zij kon niet meer. Een kind slechts had zij. 't Was een zoon; Twee roosjes bloeiden op zijn koon;

Zijn oogen waren vriendlijk blauw.

Twee korenbloempjes nat van dauw, — En 't krullend haar was blond en zacht, Gelijk de witste lammervacht.

„Mijn kind! — dus riep zij droef te moe Het blij ontwakend knaapje toe ,

Toen ze afgetobt, den langen nacht Weêr slapeloos had doorgebracht —

ocr page 66

Ik beu te ziek om op te staan,

En kan niet uit het hutje gaan,

Maar in de la ligt kopergeld,

Door mij nog gistren nageteld ;

Neem dat, daar gij vast hongrig zijt, En koop u brood voor uw ontbijt.quot;

Het knaapje als altijd rap ter been Sprong hupplend naar het dorpje heen, Ging zingend langs den dorenheg, En telde 't geld na onderweg:

Maar aan de beek bij 't molenrad.

Daar stond een beedlaar op zijn pad, Gekromd van leên en hoogbejaard, Met kale kruin en zilvren baard, Met houten stelt — zijn been was stuk — En onder ieder arm een kruk.

„ Lief kind,quot; sprak hem de beedlaar aan, „Wees met mijn droevig lot begaan! 't Is welkom wat uw hand mij biedt! Ik at van daag en gistren niet.

'k Zie, in uw vingren glinstert wat. Och, kunt gij 't missen, geef mij dat!quot; Het knaapje voelt eens naar zijn maag; Gezond en jong maakt dubbel graag,

En is hij al dat koper kwijt.

Weg is dan 't brood! weg zijn ontbijt! Dat warme brood! — alsof de geur Uit bakkers open winkeldeur Reeds prikklend in zijn neusje drong —

ocr page 67

Zóó smakte 't kuaapje met zijn tong.

Maar als hij 't neêrgeslagen oog Weêr naar den beedlaar hief omhoog, Die daar zóó kongrig stond en bleek, Toen werd hem 't kinderharte week: En met één zuchtje, met één sprong. Die 't pruttien van zijn maag bedwong. Reikt hij het handje, en 't kopergeld. Dat zulk een warm ontbijt voorspelt, — Schoon hij van honger watertandt — Glijdt in des beedlaars maagre hand.

„God loone tl!quot; sprak toen de arme man, ,, Meer dan u de armoê loonen kan!quot; En ijlings over struik en heg Smijt hij zijn stelt en krukken weg.

Zijn beedlaarspak, in lichtgewaad Veranderd, blonk als zijn gelaat.

En zulk een glans der majesteit Lag over 't voorhoofd heen gespreid, Dat hij, daar statig aangetreen , Een Heilige of een Engel scheen.

Hij hief het knaapjen aan zijn borst, Dat nauwlijks hem meer nadren dorst. En fluisterde met zoete stem,

Zijn lokken streelend, zacht tot hem: „Gezegend zijt gij', dierbaar kind,

Door God en de Englen vroeg bemind! U wacht eens 's Hemels gloriekroon,

Maar ook op de aarde 't heerlijkst loon. Gezegend zij die kleine hand,

43

ocr page 68

Die vroeg ellende en smart verbant, Zij strooi', waar gij op aard' zult treên, Slechts balsemdrupplen om zich heen! Wat zij ook aanroert — ziekte of pijn Zal voor die hand gevloden zijn!

Smaak zóó, terwijl gij vreugd verspreidt, Van 't weldoen al de zaligheid!quot;

Hij kust het kind nog keer op keer; Dit voelt van vreugd geen honger meer, Maar huppelt hlij en eens zóó vlug Naar moeders kluisje in 't dal terug, En klimmend op haar legersteê,

Deelt hij haar zijne ontmoeting mee, En strengelt de armpjes om haar vast; — Zij drukt aan 't hart zóó lief een last, En geeft het jongske zoen op zoen : Wat sprak de zieke moeder toen? — Zij weent en snikt van blijdschap luid, En roept, hem weer omhelzend, uit quot;• „Wat is 't mij wel! Wat is 't mij goed! Wat frisch gevoel doorstroomt mijn bloed! Ik heb weer kracht om op te staan En met uw naar het dorp te gaan, Gij gaaft, gelooft zij God de Heer! Uw moeder haar gezondheid weer!quot;

„Is dat nu waarlijk zoo geschied?quot; Och, kleine wijsneus, vraag dat niet!quot; — Hoe 't knaapje toen het ouder was Een keizer en prinses genas,

44

ocr page 69

En schatten naliet, rijk en groot,

En nog bleef weldoen na zijn dood ,

Daar menig godshuis en gesticht Werd van die schatten opgericht —

Staat nog in 't oud verhaal daarbij — „Maar zou het waar zijn?quot; vraagt ge mij : Een sprookjen is 't van d'ouden dag. Waarbij men nooit naar vragen mag;

Doch menig sprookje rijk van zin.

Sluit Christendeugd en wijsheid in ;

En wat het leert, onthoudt dat wel:

„ Mildadigheid, die eedle deugd ,

Vlecht, waar ze in't hart woont van de jeugd, Om blonde slapen reeds een kroon, In 't oog van God en de Englen schoon! Zij vindt hier 't heerlijkst loon bereid, Want wel te doen is zaligheid!

Wie troost brengt iu der armen kluis, Draagt vreugd en zegen mee naar huis!

En twijfelt ge, of in 't beedlaarspak Een heilige of een Engel stak —

Denk: „waar ik leed verzacht of pijn. Kan ik een zeegnende Engel zijn!quot;

45

ocr page 70

UIT „VAN EENE SULTANEquot;

door

FIORE DELLA NEYE, M. G. L. van Loghem, geb. 3 April i849 te Leiden.

Paola.

Fragmenten.

Zoo wies zij voort; en toen, na luttel jareu, De leeftijd kwam, dat op haar bleeke wang Van zelf de blos met plots'ling gloeien rees. En zonder reden week; en 't kloppend hart Van zelf zijn slag versnelde, en 't starend oog Geheimen zocht aan verren horizont.

En vroeg, niet wetend wat het vragen wilde. En 't antwoord vond, niet wetend wat 't beduidde. Toen zei bij haar, dat dit bezieling was Der kunst, en wees haar op het grauwe doek, En gaf palet haar en penseel in handen, En noodde haar, in vorm en lijn en kleur,

46

ocr page 71

Den droom, dien zij ten verren hemel zond, Op 'fc doek te tooveren ....

En Paola nam

In vuur'ge geestdrift voor een wijl 't penseel,

En werkte en schilderde uren, dagen, lang.___

Dan plots'ling zonk de hand, een tranenvloed Ontrolde quot;t donker oog; zoo voud hij haar,

Niet vragend wat haar schortte, en half bewust. Wat demon hem zijn heilige betwistte.

Toen kwam de tijd, dat hij van strijd haar sprak. Schoon zij niet wist, wat keus en strijd beduidde, Haar liet beloven, dat zij steeds de kunst Zou trouw zijn, en zij glimlachte en beloofde. Zich stil verwond'rend over 't ernstig woord. Was niet de Kunst haar Eden? Kende zij Een Paradijs, waarvoor zij dit verruilde?

Eens, 's avonds, na een dag van zonneschijn. Was 't stil in 't atelier; zacht scheen de maan. En de avondwind bracht op fluweelen wiek Van myrt en van citroen de geuren mee. Zij zagen uit het venster; ginds van ver Verhieven, bleek getint, zich de Apennijnen, Een grillig uitgetande zilv'ren boord Aan 't donker floers van 't blauwe firmament

Waarop de sterren beefden.....Naderbij

Welde uit de diepte van de amandelboschjes De zilv'ren toon der mandolinen voort; Een held're stem klonk mee, nu rijzend weer. Dan zachter. Als een zware nachtkapel,

47

ocr page 72

Die fladdert tussehen bloemen, rustend nu In 't hart der rozen, dan verheffend zich Als dronken van den geur, zoo trilde zacht De stem, en rustte, en hief zich vragend weer Als lokkend, roepend in 't geboomte, een duif Den tortel roepend, of een nachtegaal Zijn zangen stortend in de onmeet'lijkheid, Verliezend in verlangen zich en weelde.... En Paola hoorde, en Claudius hoorde mee , En in zijn hart rees bruisend wild een storm, De stem der liefde vloekend, die daar ginds, Verscholen diep in de oleandertwijgen.

Haar hart en leven aan de kunst ontstal.

Paola's blos

Rees hooger, toen hij de eerste woorden sprak. Streng bleef zij staren naar het bleeke doek. En durfde nauw naar den bezoeker opzien.

Toen hij, de schetsen achteloos beschouwend, Deu ezel naad'rend, van bewond'ring sprak, Klonk 't in haar hart als eng'lenboodschap weer; Zij zag hem aan, en voelde in dezen stond, Dat in haar leven zich iets grootsch besliste. Zoo wordt de knop, des morgens nog gesloten, Geheimen droomend in 't satijnen hulsel. Onkundig van haar eigen blos en balsem. Nu plotseling door zefirs lauwe kussen,

Door 't zoele zonlicht en den morgendauw Geopend, en met schaamte en met verrukking Ontplooit zij 't harte voor den vollen dag. Zij zou het willen sluiten, de enge blaadjes Weer willen samenvouwen om den boezem.

48

ocr page 73

Om na te denken en nog eens den droom Van 't wachtend meisjesharte weer te droomen, Nog eens te sluim'ren om nog eens te ontwaken ; Zij kan niet meer, zij giet haar geuren uit, De kleurgloed bruist in de aad'ren Tan haar kelk. En stroomt naar 't zonnelicht met milden drang; Zij bloost en straalt, lokt vlinders, zefirs, licht, Ze is bloem en moet ten einde verder bloeien,

Toen sprak ook Claudius, En zeide: „Dit is het oogenblik van strijd,

Mijn Paola, dat u wachtte. Wie de kunst Wil dienen, geve haar geheel zijn hart.

Niet wat er overblijft van aardschen vlam Is haar genoegzaam offer. De godin Wil niet vernachten in uw huwlijkskoets.

Niet met. u waken bij de kinderwiege,

Niet met u zorgen voor fortuin of brood.

Niet met u knielen voor een and'ren god.

Haar deelgenoot te maken, is haar dooden.

Ze is vrij en grootsch, naijv'rig en gebiedend, En duldt geen afval. Maar haar volg'ren ook Schenkt zij een hemel, zóó onzegbaar schoon, Een zaligheid, zóó onuitsprekelijk hoog, Een pelgrimstocht reeds, zóó vol zoete hope. Dat ied're aardsche bloemengaard er doodsch En iedre aardsche band er boei door schijnt. Wilt gij dien hemel ? Duizende millioenen Zijn voorbestemd den aardschen weg te wand'len , In lager sfeer zich arg'loos te bewegen.

En te verdwijnen na 't volbracht bestaan;

4

49

ocr page 74

Spoor noch herinn'ring laat hun leven achter. Aan enk'ien slechts is ééns een blik gegund in 't Paradijs; ééns bood men hun de keus.

Een van die weinigen zijt gij, mijn Paola.

Dit is de tweesprong, Paola. Morgen wacht. Wanneer gij 't Paradijs kiest, nieuwe strijd, Misschien verneed'ring, wanhoop, smaadheid u.

Maar in de godheid zelv' vindt ge uw belooning. Wanneer ge Orlando kiest,... zoo kiest uw jeugd, En meen niet, dat er boete of straf u wacht.

't Is 't pad der rozen, 't voert niet ten verderve, 't Voert langs een kalmen, glanzig groenen oever, Naar zee; het vordert voor geen hoogte of diepte De vleug'len van den engel of den aadlaar.

't Voert door het dal; slechts van ter zijde ziet ge Misschien den bergrug, waar de pelgrim voortstreeft, Waar nooit dan wensch of daad u meer kan brengen; Maar effen is uw pad, — als dat van allen,

Die met u wand'len met gelijken tred.quot;

Hij zweeg, en Paola peinsde, en in haar oog Blonk zacht een traan. ,,Hem nimmer weer te zien Zoo sprak zij. „Nimmermeer?quot; — Droef bleef zij peinzen. „Laat ons een wijle toeven, tot ik 't kan.

Tot ik vergeten kan of overwinnen.quot;

Zij peinsde, en als eens Jephta's dochter bad, Als Jezus bad in zijnen hof der smarten,

Verbleef in eenzaamheid het bleeke kind.

En toen de derde morgenstond verscheen.

Sprak zij tot Claudius: „Ik ben bereid.quot;

50

ocr page 75

DORA

DOOR

C. P. T I E L E.

Geb. Hi Doe. 1830 le Leiden.

Met pachter Thomas ■woonden op de lioef Willem en Dora. Willem was zijn zoon,

En zij zijns broeders kind. En de oude man Zag vaak het paar stilzwijgend aan, en dacht: Ze zijn toch juist geschikt voor man en vrouw. Nu, Dora was gewoon zijn wil te doen, Eu mocht ook Willem wel. Doch hij, omdat Hij haar al kende zooveel jaren lang.

Dacht niet aan Dora.

Maar op zeekren dag Sprak Thomas tot zijn zoon, en zei: Mijn zoon Ik trouwde laat, maar wenschte vóór ik stierf Een kleinkind op mijn knieën nog te zien. En op uw echt heb ik mijn hart gezet.

Ik heb gedacht aan Dora. Zie, hoe lief Ze 'r uitziet; en hoe zuinig is ze, en goed!

51

ocr page 76

Zij is mijn broeders dochter: hij en ik Wij hadden twist en scheidden, en hij stierf In 't vreemde land. Maar 'k voedde om zijnentwil Zijn dochter Dora op. Neem haar tot vrouw, Dit heb ik lang gewenscht, sinds menig jaar. Bij dag en nacht.quot; Doch Willems antwoord klonk „Ik trouw met Dora niet; zoo waar ik leef Ik kan niet, neen, ik wil niet!quot; Diepgekrenkt Sprak de oude man, de handen stijf ineen: „Gij wilt niet knaap! gij zegt dat gij niet wilt! Maar in mijn tijd was vaders woord een wet; 'k Versta dat dit zoo blijve, weet dit wel. Bedenk u Willem, neem een gansche maand, En geef mij dan een antwoord naar mijn wensch; Of 'k zweer bij God almachtig, gij moet gaan, En nimmermeer treedt gij mijn deur weer in !quot; Maar Willem beet zijn lippen, en vlood heen In wilde geestdrift. Hoemeer hij Dora zag Te koeler werd hij, ja zelfs hard en ruw.

Maar Dora droeg het zacht. Toen, eer een maand Verstreken was, verliet hij 's vaders huis, Verhuurde zich voor dagwerk op het veld, En vrijde en trouwde, half uit liefde, half Uit spijt, met mooie Machteld van den dijk, De dochter van een boerenknecht als hij.

En toen de klokken luidden tot hun trouw.

Sprak Thomas: „Dora, kind! ik heb u lief;

Maar zoo ge ooit met die mijn zoon was, spreekt Of 't woord tot haar die hij zijn vrouw noemt, richt Dan is mijn huis het uwe niet. Mijn wil is wet.quot; En zij beloofde 't, want zij was zoo zacht.

ocr page 77

Mijn oom zal wel veranderen, dacht zij stil. De tijd vloog voort. En Willem werd een knaap Geboren, en dat kind bracht zorgen mee; En eiken dag trad bij langs vaders deur, Wanhopig, doch zijn vader hielp hem niet.

Maar Dora spaarde wat zij kon , en zond Heel steelsgewijs, dat niemand wist wie 't zond. Ook Willem niet, totdat een heete koorts Hem aantastte, en hij in den oogsttijd stierf.

Stil sloop zij nu naar Machteld, Machteld zat, En zag met tranen op haar kind. en dacht Veel kwaads van Dora. Dora kwam en zei: „Tot nu toe deed ik wat mijn oom gebood, Ik deed verkeerd. Want och! alleen door mij Is al dit kwaad op Willems hoofd gebracht. Maar, Machteld! om den wil van hem die stierf, En ook om u, de vrouw, die hij zich koos, En om dit weesje, kwam ik tot u; Hoor! Gij weet, sints zeven jaren was geen oogst Zoo groot als thans. Nu dan, geef mij het kind, Ik zal het zetten in het koorn, op 't veld.

En als mijn oom dan komt, verheugd van hart Om zulk een rijken oogst, hij zal hem zien En zeegnen om den wil van hem die stierf.quot; En Dora nam het kind, en ging haar weg Door 't graan, en zette zich op d'aarden wal Die onbezaaid, maar vol papaver stond. Van verre kwam de pachter naar het veld.

Doch zag haar niet; want niemand van de knechts Dorst zeggen waar zij wachtte met het kind. En zij wou opstaan en hem nadren, maar

ocr page 78

Zij is mijn broeders dochter: hij en ik Wij hadden twist en scheidden, en hij stierf In 't vreemde land. Maar 'k voedde om zijnentwil Zijn dochter Dora op. Neem haar tot vrouw, Dit heb ik lang gewenscht, sinds menig jaar. Bij dag en nacht.quot; Doch Willems antwoord klonk „Ik trouw met Dora niet; zoo waar ik leef Ik kan niet, neen, ik wil niet!quot; Diepgekrenkt Sprak de oude man, de handen stijf ineen: „Gij wilt niet knaap! gij zegt dat gij niet wilt! Maar in mijn tijd was vaders woord een wet; 'k Versta dat dit zoo blijve, weet dit wel,

Bedenk u Willem, neem een gansche maand, En geef mij dan een antwoord naar mijn wensch; Of 'k zweer bij God almachtig, gij moet gaan, En nimmermeer treedt gij mijn deur weer in !quot; Maar Willem beet zijn lippen, en vlood heen In wilde geestdrift. Hoemeer hij Dora zag Te koeler werd hij, ja zelfs hard en ruw.

Maar Dora droeg het zacht. Toen, eer een maand Verstreken was, verliet hij 's vaders huis. Verhuurde zich voor dagwerk op het veld. En vrijde en trouwde, half uit liefde, half Uit spijt, met mooie Machteld van den dijk, De dochter van een boerenknecht als hij.

En toen de klokken luidden tot hun trouw,

Sprak Thomas: „Dora, kind! ik heb u lief;

Maar zoo ge ooit met die mijn zoon was , spreekt Of 't woord tot haar die hij zijn vrouw noemt, richt Dan is mijn huis het uwe niet. Mijn wil is wet.quot; En zij beloofde 't, want zij was zoo zacht.

ocr page 79

Mijn oom zal wel veranderen, dacht zij stil. De tijd vloog voort. En Willem werd een knaap Geboren, en dat kind bracht zorgen mee; En eiken dag trad hij langs vaders deur, Wanhopig, doch zijn vader hielp hem niet.

Maar Dora spaarde wat zij kon, en zond Heel steelsgewijs, dat niemand wist wie 't zond. Ook Willem niet, totdat een heete koorts Hem aantastte, en hij in den oogsttijd stierf.

Stil sloop zij nu naar Machteld, Machteld zat, En zag met tranen op haar kind, en dacht Veel kwaads van Dora. Dora kwam en zei; „Tot nu toe deed ik wat mijn oom gebood, Ik deed verkeerd. Want och! alleen door mij Is al dit kwaad op Willems hoofd gebracht. Maar, Machteld! om den wil van hem die stierf, En ook om u, de vrouw, die hij zich koos. En om dit weesje, kwam ik tot u; Hoor! Gij weet, sints zeven jaren was geen oogst Zoo groot als thans. Nu dan, geef mij het kind. Ik zal het zetten in het koorn, op 't veld.

En als mijn oom dan komt, verheugd van hart Om zulk een rijken oogst, hij zal hem zien En zeegnen om den wil van hem die stierf.quot; En Dora nam het kind, en ging haar weg Door 't graan, en zette zich op d'aarden wal Die onhezaaid, maar vol papaver stond. Van verre kwam de pachter naar het veld.

Doch zag haar niet; want niemand van de knechts Dorst zeggen waar zij wachtte met het kind. En zij wou opstaan en hem nadren, maar

53

ocr page 80

Haar hart bezweek. Zoo wachtend, zat zij neer, En ijvrig maaiden steeds de maaiers voort.

Tot de avond viel en 't donker werd op 't land. Maar vroeg in d'ochtend stond zij op en nam Het kind weer mee, en zat op d'aarden wal; En maakte, van de bloemen daar in 't rond. Een kransjen om het mutsje van het kind,

Dat hij er lief mocht uitzien voor haar oom. En toen de pachter nu in 't veld kwam, zag Hij haar, en liet zijn mannen aan het werk, En kwam, en sprak: „Waar waart gij gistren? Zeg Wiens kind is dat? En waarom zit gij daar?quot; Maar Dora sloeg haar oogen naar den grond. En lispte zachtkeus: „Dit is Willems kind.quot; „En heh ik,quot; riep de pachter, „heb ik u „Dit niet verboden, Dora?quot; Doch zij sprak: „Doe mij gelijk gij wilt, maar neem het kind „En zegen 't om den wil van hem die stierf!quot; En Thomas zei: „Ik zie, 't is een complot „Dat gij beraamd hebt met die vrouw daar ginds. „ Mij wordt de les gelezen en door u!

„Gij wist mijn woord is wet, maar gij veracht „Mijn wil, — welaan, ik neem den knaap! Maar gij, „Maak u van hier, u wil ik nooit meer zien!quot; Zoo sprekend nam hij 't kind. Het schreeuwde luid En worstelde, en de krans van bloemen viel Aan Dora's voeten, die 't gelaat verborg En 't luide schreien hoorde van het kind, Al verder en al zachter. En het hoofd Gebogen, dacht ze in weemoed aan den dag Toen zij voor 't eerst gekomen was in huis.

•Maiieiitiicitai

54

ocr page 81

En al wat daar gebeurd was in dieu tijd, En schreide. Doch de maaiers maaiden voort Tot de avond viel, en 't donker werd op 't land. Naar Machteld ging zij nu, en aarzlend bleef Zij toeven op den drempel. Machteld, blij Dat zij haar kind op Dora's arm niet zag.

Zij loofde God, die de arme weduw hielp.

En Dora zei: „Uw kind is bij mijn oom,

„Doch mij, zoo sprak hij, wil hij nooit meer zien. Dus laat mij leven, werken, saam met u!quot;

„Neen,quot; sprak toen Machteld, „dat zal nimmer zijn, „Gij moogt door mij niet lijden, ja, ik wil „Mijn kind nu niet vertrouwen aan dien man, „Die 't leert zijn moeder te verachten, en „Het wreed maakt als hij zelf. Kom, laat ons gaan „Ik breng mijn jongen weer naar huis, en 'k zal „Uw oom gaan smeeken, dat hij u weer neemt „Gelijk voorheen. En weigert hij, welnu „Dan komt gij hier in huis en werkt met mij „Voor Willems kind, tot hij is opgegroeid, „En werkt voor ons.quot;

Zoo kusten zij elkaar, En togen heen, en kwamen aan de hoef, „De deur was van de klink. Ei, kijk! daar zat De jongen deftig op zijn grootvaêrs knie.

Die hem wel stevig vasthield in zijn arm.

En die hem vriendlijk tikte op iederen wang; En 't jonkske praatte, en greep naar 't goud sieraad, Het zegel, dat aan grootvaêrs uurwerk hing En glinsterde in het schijnsel van het vuur.

Toen traden ze in, maar nauwlijks zag de knaap

55

ocr page 82

Zijn moeder, of hij wilde bij haar zijn,

En vloog van Thomas schoot. En Machteld zei: „Ach vader! laat me u noemen met dien naam, „Nooit kwam ik om te beedlen voor mij zelf „Of Willem of dit kind; nu bedel ik „Voor Dora. Neem haar weer; zij heeft u lief. „O, toen mijn Willem stierf, hij stierf in vree „Met allen; want ik vroeg 't hem, en hij zei: ,,'t Berouwde 'em niet dat hij mij bad getrouwd, „Ik was voor hem een goede vrouw geweest; „Maar 't speet hem dat hij n zoo had gegriefd; „God zegen hem! zoo sprak hij, dat hij nooit „De zorgen ken, die ik doorworstlen moest.

„Toen wendde hij 't gelaat en stierf hij; ach! „Maar 'k bid u, geef mij nu mijn kind, ik vrees „Dat gij hem hard maakt, en de heugenis „Zijns vaders leert verachten. Laat het al „Weer zijn als vroeger en neem Dora weer.quot; Zij sprak, 't gelaat van Dora aan haar borst Verborgen, 't Was nu doodstil in 't vertrek ; Op eens borst de oude man in snikken los: „Ik ben te laken, ik! — Ik heb mijn zoon gedood! „ Mijn lieven zoon — want 'k had hem lief, mijn zoon. 't Was al mijn schuld, — ach! God vergeef het mij! „Komt kindren, geef me een kus!quot;

Toen kusten zij Den ouden man, en hingen aan zijn hals,

Maar hij zat neer, verbrijzeld van berouw. En honderdvoud kwam al zijn liefde weer: Hü snikte lang, lang, over Willems kind, En dacht aan Willem.

56

ocr page 83

En het viertal bleef,

Bijeen in 't oude huis. En toen de tijd Steeds voortging, toen nam Machteld weer een man Maar Dora bleef in huis en trouwde nooit.

57

ocr page 84

ENGELENBEELDEN

DOOK

R. BENNINK JANSSONIUS,

geboren 19 April 1817, f 2 December 1873.

Als ge een gestalte gadeslaat,

Op wier ontsluierd, schoon gelaat

De glans der vreugde vonkelt,

Terwijl het schittrend lichtgewaad

Haar om de leden kronkelt,

Die 't hoofd met gouden starren tooit

En bij het vriendlijk groeten,

De keur der bloemen om zich strooit.

En neêrwerpt voor uw voeten: Dan beeft u 't hart van zoet geneuchfc.

Gewiegd in blijde droomen.

En 't huis wordt u een tent der vreugd

Waarin die gast wil komen;

Voor zulk een wezen, vol van licht. Sluit niemand hart en woning dicht.

58

ocr page 85

En als zij ooit haar gangen Naar uw verblijven richten wil,

En bij ii aanklopt zacht en stil, Wie zal met groete en zangen. Die lichtboó niet ontvangen ? Gij luistert naar het zoet muziek Van 't lied dat zij doet hooren, Het kleppen van haar zilvren wiek

Klinkt lieflijk u in de ooren;

Gij ziet den beker in haar hand. En — haast u dien te drinken, Of groet gij niet een heilgezant.

Die 't licht van 't Hemelsch vaderland

Ook op uw pad doet blinken ?

Zijn 't niet de glanzen van het oog,

De hagelblanke pennen Waaraan gij de Eu gel van omhoog

Met zekerheid zult kennen?

Wie zag zich 't beeld van Englen ooit

Met andere kleuren malen ?

„In een, die met dat kleed zich tooit. Vergist,quot; zegt gij, „de blik zich nooit. De bode uit 's Hemels zalen Verschijnt juist in die stralen!quot;

Helaas! het bijgeloof is wreed. Dat d'Englen van 't meedoogen. Gezonden uit den Hoogen,

Steeds met het lichtgewaad bekleedt; Hoe dikwerf heeft die logen Het argloos hart bedrogen !

59

ocr page 86

Want met een blinkend aangezicht En met het kleed van schitrend licht,

Treedt nu op onze paden,

Zoo menig booze te gemoet,

Wien 't licht is met een lach en groet, De zielen te verraden.

II.

Met ernst en weemoed op 't gelaat, Waarvoor ze een donkren sluier slaat.

Zie 'k een gestalte treden.

Die zich een somber treurgewaad

Geplooid heeft om de leden;

Een kelk gevuld met alsemvocht,

Een kruis, omhoog geheven; Een kroon, die zij van doornen vlocht,

Niets anders wil zij geven.

Hoe beeft, bij 't zien, het vroolijk hart.

Verschrikt door bange droomen, Hoe schijnt het huis, een huis der smart,

Waarin die gast wil komen.

Zij wekt ontroering en geklach.

Wie heeft er zonder bang ontzach.

Haar naadring ooit vernomen. Aan menig woning klopt zy aan.

En waar zij in wil treden.

Daar hoort zij klach en beden Om haastig toch voorbij te gaan, —

En met de diepste zuchten Klaagt menigeen haar aan bij God,

60

ocr page 87

Omdat zij 's levens zoet genot

Bij hare komst deed vluchten. Vergeefs toont zij haar doornenkroon En spreekt van rozen, rein en schoon,

Die groeien uit die doornen: Wat spelt zij vruchten, rijk en zoet, Van 't kruis dat zij hier dragen doet.

Bestemd voor de nitverkoornen ? De Beker in haar hand is wrang. Kan dat een heildronk wezen Die zielen zal genezen?

Wie kan in trekken, streng en bang.

Het beeld eens Engels lezen ?

Zijn 't niet de glanzen van het oog,

De hagelblanke pennen,

Waaraan gij d'Engel van omhoog

Met zekerheid zult kennen ?

Wie zag met andre kleuren ooit Het beeld van Englen malen ?

En dus, — een engel is zij nooit. Die zich niet met dien luister tooit; De bode uit 's Hemels zalen Komt slechts met glans en stralen!

Hoe dikwijls heeft die logen: Het argloos hart bedrogen.

Want uit Zijn heilig Vaderhuis Zendt God, met lijdenskelk en kruis,

Zijn liefdrijkste Englen neder,

Maar — niet erkend, mistrouwd, weerstaan,

61

ocr page 88

Biên zij vergeefs Zijn zegen aan,

En keeren ledig weder.

Tot d'enklen wier herbergzaamheid Den vreemde een schuilplaats heeft bereid,

Zal eens het heilwoord komen:

„Toen gij me ontving met kelk en kruis. Hebt gij, onwetend in uw huis Een Engel opgenomen!quot;

gt;iia)iaMaiiaiiaHahaiiaHanaiiaiiaii(

62

ocr page 89

UIT HET LIED VAN SCHIJN EN WEZEN

DOOK

FREDERIK VAN EEDEN,

geb. 3 April 1860 te Haarlem.

Verborgen zielslicht, voedster der gepeizen, die ons klein wezen, door uw toorn omringd,

door uw vervreemding hongrend, toch tot prijzen,

toch tot verwondring om uw mildheid dwingt, die naamloos, onaanschouwbaar, doet verblijden ons hart zóózeer, dat het zijn zoetst lied zingt

tot uwen roem, of gij 't met zengend lijden al erger tergt, — ik noem u goed, maar weet hoe ver van toorn of goedheid is verscheiden

uw niet veranderend Bestaan. Planeet omkreitst de ziel u, vaste- en verre zonne, — in straling mild, in eindloos afzijn wreed, —

63

ocr page 90

en schrijft haar cirkel om uw glorie-bronne in nacht, doorstroomd van uw gelenigd licht,

waar gij met koorden van ontastbre wonne

haar zweven vasthoudt, iu strikt evenwicht,

door onbestemde sferen,

Hoe verbondt ge uw zijn aan 't onze toch? Tastend door dicht

struweel van smarten doornig en kortstond'ge lust-bloemen, tuk op schoon dat welkt noch schrijnt, zien wij maar één verschiet die uitkomst kond'gen,

waar, als aan woudrand, 't warlig loof verdwijnt, waar welft het ruim met d' onbereikbre starren, en deinst de kloof in neevlen onomlijnd.

Daar is ons wit, waar loskomt uit bizarre

verwikkeling uw hooge en elfen pracht,

zóó wijd, — zóó vreemd, — het is als lag een barre

woestijn van ontoegankelijke nacht

tussch' u en ons. Waar zich verliest de saamhang

van wat ons lijf ervoer, waar ook de macht

der stell'ge rede faalt, en de bestaansgang van 't vast-verschakeld wereld-leven endt,

daagt ons ons doel en 's hoogsten Levens aanvang.

Zoo voedt de gloed, die d'eeuwge vuurbol zendt door ijle ruimten, kleine plante' en dieren,

in lucht en water, grover element,

ocr page 91

richt overend mos-stengeltjes, die tieren in holen ondergrondsch, en in quot;t diepst diep der zee de weeke, schemerzieke wieren.

Dus blijft verknocht aan 't needrigst wat zij schiep, d'Algoede Geest met schalmen van mysterie en boort haar licht-stem, waar ze ons tot zich riep,

uit maatloos hoog, door dichtheid der materie, en stuurt haar vuur, een zachten schemer-schyn, door 't golvend tijdsmeer tot die wezens neer, die

blind en der herkomst gansch onwetend zijn. Aan geen ding, wat er heet bezield, ontzei zy 't zelf-richtend licht, een vonk, oneindig klein,

maar godlijk en volstrekt, de gouden vrijheid der wil, als God, slechts door zichzelf bepaald, — lijnfijne fonkelstraal van 's hemels Blijheid,

die in 't droef ruim der doode dingen daalt,

waar in den kluister der causale keten een onnaspeurelijke schakel faalt,

het Ik, dat doet de keuze, 't leidend weten, dat Richting geeft, van macht oneindig groot, van kracht oneindig klein en niet te meten.

Geen levend wezen bleef er gansch ontbloot dier grootste gaaf. Zij is 't, die doet in flauwe daging de celletjes in jonge loot,

65 quot;quot;Tquot;'

ocr page 92

vereend en stil, uit luelit en water bouwen hun wondre bloemen en 't belooverd hout,

maar zij ook wekt den mensch tot diep zelf-schouwen

en tot ontvouwen van Gods wet, die houdt de pracht te samen, met standvastig glanzen,

door Zijn hand in der heemlen leeg gebouwd.

Zij wijst de ziel bij 't wisselspel der kansen haar stell'gen weg, 't onrustig leven dóór, nimmer genoopt tot and're Richting dan ze

naar recht verstand van d'eigen aard, verkoor. Wat wereldsch goed haar toeviel of te loor gong, 't wordt al haar dienstbaar, in een zuiver spoor,

te zuiverder, naarmaat zij verder doordrong

in 't eigen raadslig wezen, en er zag

niets boven zich dan God, haar Eind en Oorsprong.

Zoo blijf mij zichtbaar, hooge, lichte Dag,

dat 'k van uw licht getuigen kan, en allen in hun benauwen, richtend wijzen mag

naar wijdheid van uw hel-doorblonken hallen, dat 'k enklen, voor onvrijheids waan gezwicht, tot opstaan breng, en er wat afglans valle

van uwe vrede-en liefde op mijn dicht, —

zoodat zij 't voelen en uw schoon vermoeden, — dan leefde-ik niet om niet, en wordt het wicht

der plichten lust, die keert al kwaad ten goede.

66

ocr page 93

DRIE SONNETTEN

DOOR

HÉLÈNE SWARTH,

geb. 25 October d859 te Amsterdam.

I.

De zon bestrooit den blauwen vijverpias Met gansch een vloed topazen en robijnen, De zoele wind, alvorens weg te kwijnen, Beweegt de bloemen van bet oevergras.

Een zachte golving van gebroken lijnen Zweeft in den vijver, trouw als spiegelglas, Waar muggen zwermen tusscben 't struikgewas En gouden wolkjes komen en verdwijnen.

De roode stralen vloeien, drop bij drop.

Langs grijze wilg en bruinen beukentop, Op 't siddrend loof der popels en der elzen.

Traag zinkt de zon in 't purper wolkengraf, Alsof baar avondkus de wijding gaf Aan aarde en hemel die elkaar ombelzen.

67

ocr page 94

II.

't Kind, de handjes saamgevouwen,

Knielt aan moeders schoot, De oogjes stralend van vertrouwen, Beide knietjes bloot.

't Jongske en moeder bidden samen.

Vurig en toch zacht.

Beider lippen fluistren: Amen '•

't Zij zoo! Goeden nacht!

Want de zon is aan het dalen,

Gansch een purpervloed Hult de groep in gouden stralen. Vol robijnengloed.

0 mocht ik het oog naar boven

Zoo vertrouwend slaan.

Knielen, hopen en gelooven. Biddend slapen gaan!

III.

Ik weet een wilde voorjaarsbloem,

Een bloemeken teederblauw, 'k Zag 't in de groene Veluwstreek; Daar noemen ze 't mannentrouw.

68

ocr page 95

't Heeft veel van een vergeet-mij-niet,

Gelaafd door zon en dauw;

Vergeet mij niet? — Vergis n niet, De bloem heet mannentrouw.

De fijne blaadjes vallen uit

Op 't warme hart der vrouw,

Dies laat het bloemeken bloeien, kind, En pluk geen mannentrouw.

69

ocr page 96

DE HOOP

DOOE

P. VAN DEK VEEN,

geb 13 October 1849 te Amsterdam.

Heilige Engel, Vredebode!

Blond en blozend, teêr en zacht! Helderziende en Altijd- blijde!

Sterre, ook in den zwartsten nacht!

Milde geefster! Al- genezend'!

Rijk gelauwerd, hoog geloofd ! Ankerwachtster! Zoete Hope !

Zeegnend, dankend buig ik 't hoofd.

Wat waar buiten U bet leven ? ... Poolnacht zonder uchtendrood; Zandwoestijn, die geen oase, Zwerftocht, die geen rustplaats bood.

Gij lispt onder smart van vreugde, Slingert om elk kruis een krans,

Wekt een roos op 't veld met doornen, „Zijnquot; uit stof des grafkuilrands.

70

ocr page 97

Ieder schenkt ge uw zegeningen:

Rijk en goed, misdeelt ge er geen: Zweeft uw aêm langs blonde lokken, Ook om zilvren ruischt hij keen.

Krullen 's lijders veege lippen Soms zich tot een lachje saam,

In het binnenst zijner ziele Staat dan toch o Hoop, uw naam.

Wie daar sterven, weenen, kampen Welker dag geen zonlicht heeft, Slechts uw heil-voorspellend fluistren Is 't dat moed en krachten geeft.

Ja, de beelden, die gij toovert.

Zijn vaak wolken, die vergaan Als we grijpen. Doch wat jammer!... Hen te zien deed ons bestaan.

Blijf dan, blijf ons staag ter zijde, Bloemen-strooiende Bodin!

Vlecht door 't weefsel van ons leven Steeds uw gouddraad, Schutsgodin!

71

ocr page 98

DE TRAAN DER DANKBAARHEID

VAN

Dk. d. dorbeck,

geb. 27 Augustus 1815 te Schagen (N.H.), f 5 Sept. 1888.

I.

De nevel had zijn grijze vlag Doen wappren boven 't woud.

Het was een loome winterdag,

Maar bitter, vinnig koud !

De vink sloeg in de takken niet, Al was het doodlyk stil;

En 't golfjen vloot niet op den vliet, Als voelde 't zelf zich kil.

De gansche dag was schemering, Naby en in de vert'.

Totdat het zonlicht onderging En alles donker werd.

Toen rees allengs uit de Oosterkim Het kalme maanlicht op.

72

ocr page 99

En schoot heur zilvren straalgeglim

Rondom der wouden top.

En of 't een levend' adem had

Die rond ging waar het scheen — Zoo week de nevel, traag en mat.

En rolde wech en heen.

En donker welfde zich 't azuur,

Met meetloos diepen boog,

En elke star vol stralend vuur

Scheen ook een vlammend oog; Een vlammend oog geen wakens mat,

Met ongeloken trouw. Om 't hemelheir te melden, wat Op aard geschieden zou.

II.

't Kerkjen van het eenzaam dorpjen

hief zijn witte muren op.

Slechts omlegerd, niet omschaduwd

van der linden dorren top; En de ranke, blanke toren

die zoo rustig opwaarts rees, Scheen een onvermoeide vinger

die met ernst ten hemel wees, 't Maanlicht kaatste van de muren

eenzaam op de heuvlen neêr, Die, om 'sHeeren Huis gelegerd

't stof bewaarden voor den Heer.

73

ocr page 100

Alle rozenstruiken dorden;

alle bloemen vielen af;

En alleen de kruisen bleven

trouwe wachters by hun graf. 't Was, alsof ze zwijgend spraken:

„ Groei en bloei der aard vergaan ; „Eens verwelken alle rozen,

„eenmaal dorren alle blaan; „ En als 't stof eens zal ontwaken,

„dat in onze schaduw rust, „Is geheel deze aard veranderd

„en zich-zelf niet meer bewust. „ Maar het kruishout van den K r i s t u s,

„ ongeschokt en onberoerd , „Wordt der ziele een Jakobs-ladder

„die haar dan ten hemel voert. „En zy-allen die gelooven,

„ gruwbren menschenwaan ten trots, „Vinden voor 't verlaten kruishout

„daar den eeuwgen Zone Gods.quot;

III.

En te midden van die heuvlen,

opgeworpen om die kerk,

Lag, verlaten in het maanlicht,

eenzaam, strak, een enkle zerk.

Eenmaal grepen koude vingren

achteloos ten beitel heen ,

74

ocr page 101

En een naam, in koude lettren,

Rees er op den kouden steen; Maar geen hand nog nat van tranen,

pas van 't schreyend oog gewischt, Plantte een kruishout of een bloemstruik

hoven 't deksel van die kist. By dien stillen tocht ten grave

Klonk er jammer noch geween; En in 't eenzaam, kille maanlicht

licht nu eenzaam, kil de steen.

IV.

Daar kraakt een tred op 't dorre gras

Met witte rijp bedekt,

En treedt er langsaam over 't veld

Dat naar den zarksteen strekt.

Het is een kloeke jonge man,

Een bouw, zoo fier als breed,

En 't kleed dat om zijn leden sluit,

Dat is een zeemanskleed.

En 't bruin dat op zijn kaken gloeit,

Door 't zonlicht ingebrand ,

Getuigt van lange-jaren reis,

En ver van Hollands strand;

Een zoon der zee; wèl ruw van woord,

Geen formen van satijn,

Een form van steen, maar — 't hart van goud, Als Hollands zeeliên zijn.

75

ocr page 102

En zie — met angstig zoeken dwaalt

Zijn vorschend oog in 't rond, En speurt de zwarte zarken langs,

Gezaaid op witten grond.

Hy spelt, hy leest er menig naam,

Waarby een diepe zucht,

Een: „gy ook reeds ter rust gegaan!quot;

Zijn breede borst ontvlucht.

Hy spelt, hy leest er menig naam

Met onberoerd gelaat.

Totdat hy aan 't verlaten graf — En aan den zarksteen staat.

Hy spelt — en schoon de koude wind

Ook door zijn lokken vaart — 't Is met ontblooten schedel reeds

Dat hy er vorschend staart.

Hy leest — en lager buigt zijn hoofd.

De stoere knie met-een — En knielend stort hy neer op 't graf En kust den kouden steen.

De brave die er in dat graf Ter sluimring was gegaan , Had eenmaal een verlaten wees

Verzorgd en welgedaan.

Verwant en bloedmaag volgden 't lijk,

By 't holle klokgebrom,

En lieten 't in de groeve neer, En ... keerden nooit weêrom.

De wees zwierf op de wijde zee

ocr page 103

Langs vreemde stranden heeu, En groeide tot een man haast op,

Maar hy vergat niet — neen!

En toen hy keerde, en 't vriendlyk huis

Den vriend hem niet hergaf —

Toen was zijn eerste bedevaart Naar 't eenzaam stille graf.

Hy had zoo gaarn met blik en taal

Zijns harten dank gebracht.

Nu was het oor gesloten — en

Voor 't oog was 't eeuwig nacht. Hem bleef alleen de kleene plek

In schaduw van de kerk ,

En voor zijn groot en gloeyend hart De smalle koude zerk.

En hy betaalde er, wat hy mocht:

Geen woorden, schoon van klank, Als bloemen om de naakte leest

Van een geveinsden dank —

Maar beden uit de ziel gestroomd

Zelfs voor den Hemeliug,

En snikken van 't beroerd gemoed,

Dat haast van smart verging,

En toen hy in het einde rees,

Trad hij nog droevig heen.

En met de stilte van den nacht

Bleef 't kerkhof weêr alleen.

Maar op den zwarten grafsteen blonk In 't schijnsel van de maan ,

77

ocr page 104

Alsof 't een blanke paerel was, Tot ijs gestold — een traan.

V.

En trillend schoot een gouden straal Van uit de onzichtbre hemelzaal. En daalde op den zarksteen neêr.

En als een heldre zonnevonk

Lag daar de traan, en glansde eu blonk Met al den gloed van hooger sfeer.

En hangende op zijn sneeuwen wieken, Die, waar hy zweefde, 't ruim der lucht Met myrrhe — en wierookgeur bevrucht

En rozenbalsem rond doet rieken —

Daalde in een stille, snelle vaart Een schittrende engel nederwaart. En ving er op een gouden schaal Den traan die op den zarksteen lag, En steeg weêr met een hemellach Omhoog naar 's Heeren zaal.

VI.

In den blijden , blijden hemel, Waar de glans van 't Heilig Licht

78

ocr page 105

Schittert als een heldeuglorie

Om der Zaalgeri aangezicht, —

Waar de melodyen zweven

Om des Ongezienen throon,

Als een geur van hemelbloemen, Onbeschrijflyk teêr en schoon ,

Die van star tot starren wademt,

Die van wolk tot wolken vaart —

Daar draagt elke ziel de kroone

Van zijn deugden hier op aard.

En te midden van die allen,

Diadeemen , rijk aan pracht,

Die den glans der aard ontluisteren En verduistren Tot een nacht —

Schittert boven allen een Om het edel hoofd eens braven ,

Die zijn gaven Niet zelfzuchtig hier beneên Voor zich-zelven had begraven,

Maar ze deelde met den wees,

En de duisternis des leeds,

En de nacht van rouw en zorgen, Omschiep tot een blijden morgen.

Maar wat glans zijn kroon verspreidt — Een juweel straalt met zijn flonkren Al zijn broedren in het donkren: — 't Is de traan der dankbaarheid.

ocr page 106

IE HET ALBUM EENER JEUGDIGE VRIENDIN

DOOR

F. H. VAN LEENT,

geboren 24 October 1830 te Gouda.

Nog zijt gij jong en goed

in d' Opgang van uw leven, Nog slaat het hart zoo blij

bij 's levens wel en vreugd, Nog geurt uw levenspad

met bloemen als doorweven , En stemt der vooglen lied

uw hart tot zoet geneugt.

De morgen gaat voorbij,

uw levensdag zal klimmen , En zwaarder wordt de strijd

dien men het Leven heet;

80

ocr page 107

Straks dekt het wolkenfloers

het zonlicht aan de kimmen. En wordt de tocht zoo zwaar,

bij zielesmart en leed.

Het kwaad dat ook U lokt

hult zich in lichtgewaden, En wijst op 'slevens duur,

zoo wiss'lend en zoo kort, — Lief kind, ontvlied die stem,

vlucht verre van diens paden, Waar men de wereld dient

en diep rampzalig wordt.

ïleen, 't leven is geen bron

van ongestoord genieten,

Maar 't leven heeft een doel,

voor wie 't ook zij op aard; 't Zij dat het zonlicht straalt

of onze vreugden vlieten , De ernst van 't leven vraagt;

„een strijd die vrede haart.''''

Wie op zijn Heiland steunt

en kracht zoekt bij den Vader, En onder lief of leed,

zij 't staamlend, bidden leert, Dien brengt het rein Geloof

al stromplend 't einddoel nader: Al is 't langs andre paan

dan die ons hart begeert.

6

81

ocr page 108

En als dan d' Avond rijst —

dan daalt des levens duister, Dan gloort een hooger zon

voor 't biddend starend oog; Dan wordt het leven rijk

aan on verdoof b'ren luister, En 't levenspad wordt licht,

hoe duister 't schijnen moog'.

Bewaar dien reinen zin

van 't rijke Lenteleven,

Met al heur bloemenschoon

en lieflijk voog'lenlied;

De rijke Schepping Gods

heeft o, zoo veel te geven, — Vergeet Gij dan, goed kind,

uw Heer en Schepper niet!

1

82

ocr page 109

GEDICHTEN

VAN

C. H. CROISET VAN DER KOP,

geb. 21 Januari 1864 te 's-Hage.

I.

Sneeuwklokje.

Daar buiten, daar bloeit eene bloeme In wit hermelijnen gewaad.

Zij laat haar lief hoofdje zoo hangen, Wat haar zoo aardig staat!

Zij tuurt er zoo droevig naar de aarde, En droomt er zoo menigen dag,

Van 't zonnetje hoog aan den hemel, Dat zij niet groeten mag!

Waarom of die zon toch zoo hoog staat, En zij , klein bloempje zoo laag?

ocr page 110

Wanneer zal zij haar eens omhelzen ? 't Blijft haar een duist're vraag.

Zij peinst en zij droomt en zij mijmert: Hoe wordt daar mijn hartje zoo licht? De zon zond haar een van haar stralen, Die kuste haar gezicht!

Ras plooit er de bloeme heur blaadjes, En sluit er haar hoofdje meê in — De zonnestraal blijft nu gevangen In 't hartje van haar vriendin.

II.

Avond.

De zonne verdwijnt weer En legt zich ter rust neer Op wieg'lenden vloed, Dat wekt ons tot droomen Van uren die komen Wonderlijk zoet!

Doch enkele stralen Die blijven nog dralen En wilden niet heen; Zij zweven en prangen Het hart vol verlangen, — Als menigeen!

84

ocr page 111

Het koeltje komt fluistren Dat ieder moet luistren , Zijn zang is zoo sclioon, Wijl 't immer de wenschen Vervult van de mensehen Als in een droom ! —

III.

De Zee.

Wild bruisen de golven, En heffen de kruin,

Zij lachen en dansen Zij schuimen en schertsen, En werpen zich huiderend Tegen 't duin! —

Zij zingen en springen En spatten uiteen. — Zij willen verbergen Voor 't oog van de menschheid De parel, die sluimert Omlaag, zoo alleen! —

85

ocr page 112

DE EERSTE DUIZEND

DOOR

E. J. POTGIETER,

geb. 27 Juni 1808 f 3 Febr 1875.

Decembers zon verflaauwde op 't erf Der Tisschersbootjes-timmerwerf

In kwijnende afscbeids-stralen; Al bleeker ging de roode gloor Der ringen van den rijm te loor,

Straks vonk'lende om de palen; De mast van 't pinkje dierf den flits, Op 't hellinglioofd, van gulden spits,

Naar 't westen uitgeschoten; En 't glanzig ijs verschiet werd graauw, Tot hoor'bre stilte en tast'bre schaauw Het kleene huis omsloten.

Oei! zucht ge ligt, 't begin luidt guur, Maar vrolijk brandde 't knappend vuur Waarvoor zich Arend plaatste,

8G

ocr page 113

En daalde de avond buiten vroeg, De vlam gaf binnen lichts genoeg,

Daar 't huisraad haar weerkaatste; Het blanke tin wierp zilv'ren schijn, Het koper scheen rood goud te zijn,

En spiegels, kist en kasten ;

't Waar stoffe voor zijn Guurtjes lof, Als vogelkooi noch bloemenhof

Aan 't venster 't oog verrasten !

'k Heb eerbied voor het wakker wijf. Dat, rap en reê in 't huisbedrijf, De welvaart lokt door orde;

En toch beklage ik 't lot des mans,

Voor wien des levens schoonheidskrans

In 't bruiloftsgroen verdorde; De vrouw verleene ook de armste kluis De poëzij van 't zoet tehuis Door kostelooze weelde!

Hoe 't vinkje, dat van vreugde sloeg, Hoe Krokus, die al klokjes droeg.

Haar 't kleen vertrek bedeelde!

Een versche pijp stak Arend op, In 't eindjen met den zilv'ren dop,

Een kermisgift van Guurtje, En smaakte, trots zijn forschen aard, 't Geluk, verknocht aan eigen haard,

't Vertrouwelijk schemeruurtje: „Kom, huisvrouw!quot; sprak hij blij te moe Der ijverige breidster toe.

87

ocr page 114

Aan 't vensterraam gezeten ,

„ Al is die vaderlief voor mij , „Leg naalden en leg kluw ter zij ,

„Iets heug'lijks moetje weten!quot;

Vóór luttel jaren had ze als maagd Ter nood zich bij de schouw gewaagd,

In zulk een passend donker,

Of fluks getracht den schalk te ontvliên, Uit vrees voor onverhoeds hespiên

Bij 't grillig vlamgeflonker;

Thans, zalig voorrecht van de trouw, Liet op zijn knie de jonge vrouw

Zich door zijn arm omvaêmen; Zoo hij nog even lief haar had Als toen hij haar om 't jawoord bad, Wat zoude zij 't zich schamen ?

„Mijn wijfje!quot; en Arends volle stem Gaf aan het hart'lijk woord de klem ,

Die 't eigen was bij de ouden ;

„Mijn wijfje!quot; te avond sluit het jaar, „En gaarne wist je, zegt het maar,

„Of — wat wij overhouden? „'k Vergaf me nooit, zoo ik 't verborg, „Of droeg je niet de helft der zorg „ Bij 't klimmen van de lasten ? „ Het werk des mans zij 't zwaarste deel, „Ook deze vingers wonnen veel,

„Daar ze op de kleintjes pasten!

88

ocr page 115

„Verheug je, trouwe hulp! met mij: „Wie, als de tijd, veracliterd zij,

„Ous schonk de Heer Zijn zegen! — 't Verlies aan Oorsens is geboet, „Wij houden over! — gaauw en goed,

„'k Was nooit om werk verlegen; — „Wij houden over! — voor een kleed „Ligt in je knipje 't geld gereed, —

„Voldaan zijn onze schulden,

„Zoowel je moeders als de mijn , — „En raad eens wat we rijker zijn ?

„Onze eerste duizend gulden!quot;

O, lieflijk zag als blijde bruid

Het blond, blaauwoogig Guurtje er uit.

Toen zij haar traantjes weende;

Doch maagdenschoonheid werd verdoofd Door 't opwaarts starend vrouwenhoofd,

Dat aan zijn boezem leende!

't Was Arend, daar er 't licht op viel, Als werd voor 't innigst van haar ziel

De sluier weggeschoven: „Och manlief!quot; snikte ze, „och, is 't waar, „Je ziekte van verleden jaar;

,,En moeders schuld te boven?quot;

„Mijn arme moeder! — bij den Heer „Lijdt zij aan kwaal noch kommer meer,

„Als hier haar grijsheid griefde; — „Wat vreugd zou 't wezen, zoo zij 't wist, „Dat zich mijn hart niet heeft vergist

89

ocr page 116

„In de eerste en een'ge liefde ! „Hoofdschuddend zag de sloof mij aan, „Toen 'k rijken Gerrit af dorst slaan ;

„Hoezeer zij zweeg, zij schreide; „O, lieve moeder! nu bij God,

„ O zaagt ge eens welk een zalig lot, „ Dat mij bij Arend beidde !quot;

Daar sloot de kus der Imw'lijkstrouw De lippen van de dank'bre vrouw , En zoet was beiden 't zwijgen: Gebeim'nis toch der echte min.

Sluit hij all' aardschen wellust in,

Maar leert haar 't stof ontstijgen; Voor meer dan ondermaanschen togt, Wordt ziel aan ziel door hem verknocht,

De hemel zelf gaat opeu!

En ligter valt op 's wereldszee Voortaan, door 't uitzigt op die reê, 't Gelooven, bidden, hopen!

Het schemerde Arend voor 't gezigt,

Niet enkel wijl 't ontstoken licht

Op eenmaal helder gloorde ;

Schoon hij zijn bruine pinkers wreef. Toch zag hij, dat zijn Guurtje bleef

Waar zij hem 't meest behoorde: Zij lag — de groep was schoon te zien — Zij lag, al luist'rende, op de kniën

Bij 't wiegjen van hun vreugde; Een jongske stak, met schel geluid.

90

ocr page 117

üe mollige armpjes gierende uit,

Of moeders komst 't verheugde!

Verdubbeld smaakt het vrouw'lijk hart Het zoet des heils, het zuur der smart

In 't leven van haar leven:

Onzicht'bre hand, onbreek'bren knoop,

Laat ze al haar vrees, laat ze al haar hoop

Slechts over 't wichtjen zweven! Hoe moedig Guurtje hart en hand Den armen Arend had verpand ,

Zij zorgde toen zij zoogde:

En 't was baar, wen zij 't kleed straks hief, Als had zij 't jongske eerst blijde lief,

Sinds zij op voorspoed boogde.

„Geef,quot; sprak zij, en haar hoogmoed prees Den woeler, die naar vader wees,

Voor snuggerheid en sterkte,

„Geef, manlief! geef je zoon een zoen, „Wat zou die gast 't je gaarne doen,

„ Wist hij , hoe zwaar je werkte ! „Och, brengt voor dank hij drukte in huis, „Er schuilt geneugte in 't wild gedruisch,

„Soms schraagt mij 't blijd geschater „En willig zwoeg en zweet je op 'terf, „Laat hij maar eens van mooijer werf „Oostindievaars te water!

„Het blijv' bij louter welvaart niet!

„'t Is of mijn oog zijn tweespan ziet

91

ocr page 118

„In 't lustig: „voort, mijn blesje!quot; „Kom, knik eens, kind des overvloeds! „En zeg, dat iu je mooie koets

„Steeds plaats zal zijn voor besje!quot; Doek 't hupp'len op de knie liad uit, Hoe vroolijk 't handje van den guit

De kleiue zweep nog zwaaide: Wat scheen in 't goud al gifs bereid, Daar de eerste duizend ij delheid In moeders harte zaaide !

„Foei, Guurtje! foei; de Heer gebood „ïe bidden om het daag'lijks brood,

,. Hij kende 't hart der mensehen! „Wie zou,quot; vroeg Arend, „over 't wicht „Verzoeking, die in 't vele ligt,

„ Der weelde vuurproef wenschen ! „Hij winn', van onzen kommer vrij , „Hij winne, ik gun 't hem, meer dan wij ,

„En deel 't met wees en oude;

„Maar gelds genoeg, voor rust, die roest, „Waarbij hij ons zich schamen moest, „O, dat hem God 't onthoude!

„Was wakker op, mijn kloeke Claes! „Of 't zijn mogt tot scheepstimmerbaas

„Van driemast-dubbeldekkers!

„Maar vloei' de zegen nooit zóó mild, „Dat leêggaands lust je lokt in 't gild

„Der trage rentetrekkers;

„Schoon ieder Jan Coupon benijdt.

ocr page 119

„Wijl hij de vrucliten eet der vlijt

„Van landbouw en van liandel, „Wenschte ik je een leven zonder zorg, „'k Onthield je ligt den besten borg „Voor degelijken wandel!

„Wat zie ik? — tranen ... Guurtje-lief? „Kom, laat die scbalke bartedief „Ze kussen van je wangen!quot; En 't jongske dartelde op baar schoot, En woelde balf haar boezem bloot

En stilde zijn verlangen;

Maar gleed ook langs de teêre leên Haar linkerarm beschuttend been,

Uit louter liefde buigend ,

Te zeer greep zelfverwijt baar aan , Om oogen op bet kind te slaan , Van moederweelde tuigend.

„Och, manlief!quot; klonk haar zoete stem, „Ik zou door 't water gaan voor hem,

„Voor hem het vuur trotseren; „Wat zegt bet? als je 't niet verhoedt, „Dreige ik mijn eigen vleesch en bloed „ Den weg des kwaads te leeren!quot; En alle dichterlijke vlugt Bescbamende in haar boezemtucht,

Dacht ze aan den dag der dagen , Wanneer bij 't lest bazuingeschal, De Heer en Heiland komen zal, En rekenschap ons vragen.

t

93

ocr page 120

„Sterk,quot; bad zij, „ sterk mijn zwakken zin , „Prent hem je vroed —, je vroomheid in ,

„Dan vinden we eens genade!quot; „Een wensch, die 't Oude jaar besluit!quot; Riep Arend in vervoering uit.

Den arm om kind en gade; „Wie onzer ging niet troostloos heen, „Verblijdde 't woord des heils alleen

„Die 'shemels vreugd verdienden? — En 't jongske werd goênaeht gekust, — En 't paar, zegt gij, zoekt ook de rust.. .? Iets minder haastig vrienden!

Verteed'ring volgt op iedren toets Des edelaardigen gemoeds;

Ons Guurtje dacht aan de armen ! Zoodra ze in fluisterende beê Hun eerste duizend gulden deê,

Voelde Arends harte erbarmen: „Ga,quot; sprak hij , en het mandje sloot Ter naauw meer van al 't vleesch en brood,

Doch vracht noch nacht zou hind'ren; Het maanlicht sliep op versche sneeuw, Ook was 't niet ver van Oorsens' weeuw, Die sloof had zeven kind'ren!

94

ocr page 121

HET KIND

DOOK

RH. VAN LEENT,

geb. 24 October ISSO te Gouda.

Ik kan den blik niet van u wenden,

Mijn teergeliefd aanvallig wicht,

Nu gij daar, met gevouwen Landjes, In 't bedje zaclit te sluimren ligt; Uw rein-betoovrend ademhalen

Doet me als gekluisterd naast u staan, In heel uw lief onschuldig wezen Lacht mij uw Englenonschuld aan.

Ja, d'eeuwge Geest, die 't Al ontwikkelt,

Die stof en geest tot arbeid dwingt, Wiens rijk en nooit volprezen leven

En plant en zonneschijf doordringt; De Geest, die dag en nacht doet wiss'len,

Die leeft in storm en lentewind. En d'aadlaar opheft tot den hoogen Bezielt üw adem ook, lief kind.

95

ocr page 122

O onnaspeurlijk Alvermogen!

Gij kind, zijt ik, — en ik ben Gü ; Ik waan mijn eigen stem te hooren,

Uw stem klinkt als de stem van mij. O heil, dat Eng'len mij benijden ,

Wat vraag ik langer: ,,Hoe en waar?quot; Ik mag slechts blij eu stil berusten: Uw lachje zegt mij: ik ben daar!

Gelijk het roosje, zacht ontloken,

Gekoestert door de lentenacht,

Zoo zijt ge uw moeders schoot ontsproten,

Met liefdekusjes blij verwacht: Die schoot, uw heiligdom voor dezen,

Zijt gij ontworsteld , dierbaar wicht, Om als een bloem u zacht te koestren In 't vriendlij k schittrend zonnelicht.

O wonder, dat Gods Almacht wrochtte!

O liefde , nooit door mij verstaan ! Ik vouw hier diep ontroerd de handen

En staar mijn liev'ling dankbaar aan , Wat baat het of ik langer vorsche:

Een sterv'ling blijft hier ziende — blind; Van alle wond'ren is het grootste.

Het schoonste en't heiligste ;— het kind.

96

ocr page 123

DAAR IS EEN GEEST

DOOR

JAN VAN BEERS,

geb. 2'2 Febr. 182! te Antwerpen, f 14 Nov. 1888.

Daar is een Geest, een hemelgeest. Dien velen vluchten, als bevreesd Voor 't ruischen zijner blanke veder; Maar ik bemin hem teer, en hij, De goede Geest, bemint ook my ; Want dikwijls daalt hij bij mij neder.

't Is geen dier engelen, wier blik U siddrend knielen doet van schrik, Die oogverblindend zonnelicht Doen vonklen om hun aangezicht: Neen, om het goud der blonde lokken Draagt hij alleen een stralenkrans, Zacht als der starren tintelglans,

Waar 't onweer is voorbijgetrokken; En, als hij de oogen op mij slaat,

97

ocr page 124

Dan is het louter mededoogen En liefde, wat zich lezen laat In 't hemelschblauw dier englenoogen.

Soms, als er op mijn levenshaan, Een hloem, een vreugd mij tegenlacht, En als ik daar wil blijven staan, Dan komt hij, en hij fluistert zacht: „Vriendlief, roer toch die bloem niet aan: Want zij zal sterven vóór den nacht!quot;

En somtijds hoor ik naar zijn raad; Maar ach! de vreugd, de bloeme staat Daar dikwijls zoo verleidend, dat Mijn hand heur steel reeds heeft gevat. Dat zij geplukt is, eer zijn woord Nog van mijn ziele werd gehoord. En ja, dan is het waarheid, wat De goede Geest mij had voorzeid: De vreugd verzwindt in ijdelheid. De bloeme, die mij had verrukt, Versterft zoo haast ze werd geplukt!

En als ik 't hoofd dan moedeloos Laat nederzijgen op mijn borst, En uitroep; „Geest! zal dan altoos Mijn hart verschroeien van den dorst? Is zijn bestemming dan slechts woelen Van heet verlangen? Moet dit hart Dan altoos zijne leegheid voelen, En die slechts vullen met zijn smart ?quot;

98

ocr page 125

Dan slaat hij zijn zachtblauwe oogen Ten hemel; en, de blanke hand Opheffend naar de starrenbogen,

Lispt hij mij liefdrijk toe: „Het land Waar geene vreugden 't hart bedriegen, Waar geene bloemen 't hart beliegen, Dat land is daar, is daar alleen ; En 't lijden, zoon, voert u daarheen!quot;

En wie, wie is de goede Geest, Die altoos wacht houdt bij mijn hart? O! velen zijn voor hem bevreesd; Want 't is een broeder van de Smart, Maar ook een broeder van de Hoop! En ik, o 'k min den hemeling, Van wien ik in mijn levensloop Zoo dikwijls lafenis ontving: Den Geest der droeve mijmering!

99

ocr page 126

MOEDEK! 'K BEN WEL VEE VAN 'T LAND

dooe •

MULTATULI,

(D. Douwes Dekkek).

geb. 2 Maart 1820 te Amsterdam, f 19 Febr. 1887.

Moeder! 'k ben wel ver van 't land Waar me 't leven werd geschonken, Waar mijn eerste tranen blonken , Waar ik opwies aan uw band . . . Waar uw moedertrouw der ziel Van den knaap baar zorgen wijdde, En bem liefdrijk stond ter-zijde, En hem ophief als bij viel . . . Schijnbaar scheurde 't lot de banden

Die ons bonden, wreed van-een . . . 'k Sta hier wel aan vreemde stranden

Met mijzelf en God, alleen . . .

Maar toch, moeder, wat me griefde.

Wat me vreugd gaf of verdriet, Moeder, twijfel aan de liefde ,

Aan het hart uws zoons toch niet!

100

ocr page 127

't Is nog nauwlijks twee paar jaren, Toen ik 't laatst op gindschen grond Zwiigend aan den oever stond Om de toekomst in te staren . . .

Toen ik 't scboone tot mij riep Dat ik van de toekomst wachtte, En het heden stout verachtte,

En mij paradijzen schiep . . .

Toen, door alle stoornis heen Die zich opdeed voor mijn schreên, 't Hart zich koen een uitweg baande, En zich droomend zalig waande . . .

Maar die tijd, sinds 't laatst vaarwel Hoe gezwind ons ook onttogen,

Onbevathaar bliksemsnel,

Als een schim voorbijgevlogen . . . O, hij liet in 't voorwaarts gaan, Diepe, diepe sporen staan! 'k Proefde vreugde en smart met-één 'k Heb gedacht en 'k heb gestreden, 'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden; 't Is me als vlogen eeuwen heen! 'k Heb naar levensheil gestreefd, 'k Heb gevonden en verloren,

En, een kind nog kort te voren, Jaren in één uur doorleefd!

Maar toch, moeder! wil 't gelooven

Bij den hemel die mij ziet,

Moeder! wil het toch gelooven,

101

ocr page 128

Neen, uw kind vergat u niet! 'k Minde een meisje. Heel mijn leven Scheen mij door die liefde schoon, 'k Zag in haar een eerekroon,

Als een eindloon van mijn streven , Mij door God ten doel gegeven.

Zalig door den reinen schat Die Zijn zorg mij toegewogen ,

Die Zijn gunst geschonken had, Dankte ik met een traan in de oogen,

Liefde was met godsdienst één ... En 't gemoed dat opgetogen ,

Dankend opsteeg tot den Hoogen , Dankte en bad voor haar alléén !

Zorgen baarde mij die liefde ,

Onrust kwelde mij het hart, En ondraaglijk was de smart Die mij 't week gemoed doorgriefde.

'k Heb slechts angst en leed gegaêrd, Waar ik 't hoogst genot verwachtte, En voor 't heil waarnaar ik trachtte, Was me een gif en wee bewaard ...

'k Vond genot in 't lijdend zwijgen!

'k Stond standvastig hopend daar, Onspoed deed den prijs mij stijgen:

'k Droeg en leed zoo graag voor haar! 'k Telde ramp noch onspoedsslagen,

Vreugde schiep ik in 't verdriet, Alles, alles wilde ik dragen...

102

ocr page 129

Roofde 't lot mij haar slechts niet!

En dat beeld, mi] 't schoonste op aarde, Dat ik omdroeg in 't gemoed Als een onwaardeerbaar goed,

En zoo trouw in 't hart bewaarde .. . Vreemd was 't eenmaal aan mijn zinnen!

En al houdt die liefde stand Tot de laatste snik van 't leven

Me in een beter vaderland Eind'lij k haar zal wedergeven ...

'k Had begonnen haar te minnen!

Wat is min die eens begon,

Bij de liefde mèt het leven 't Kind door God in 't hart gedreven Toen het nog niet staam'len kon ... ? Toen het aan de moederborst,

Nauw den moederschoot onttogen,

't Eerste vocht vond voor den dorst, ;t Eerste licht in moederoogen ?

Neen, geen band die vaster bindt, Vaster harten houdt omsloten,

Dan de band, door God gesloten, Tusschen 't moederhart en 't kind!

En een hart, dat zóó zich hechtte Aan het schoon dat even blonk, Dat me niets dan doornen schonk , En geen enkel bloempje vlechtte ...

103

ocr page 130

Zou datzelfde hart de trouw Van het moederhart vergeten?

En de liefde van de vrouw Die mijn eerste kinderkreten

Opving in 't bezorgd gemoed?

Die mij, als ik weende, suste ,

Traantjes van de wangen kuste,

Die mij voedde met haar bloed ?

Moeder! wil het niet gelooven,

Bij den hemel die mij ziet,

Moeder wil het niet gelooven,

Neen, uw kind vergat u niet.

'k Ben hier vèr van wat het leven Ginds ons zoets en schoons kan geven,

En 't genot van de eerste jeugd,

Yaak geroemd en hoog geprezen, Kan wel hier mijn deel niet wezen:

't Eenzaam harte kent geen vreugd. Steil en doornig zijn mijn paden On spoed drukt me diep ter-neer, En de last mij opgeladen

Knelt me, en doet het hart mij zeer... Laat het slechts mijn tranen tuigen. Als zoo menig moed'loos uur Me in den boezem der Natuur, 't Hoofd zoo treurig neer doet buigen...

Vaak, als mij de moed ontzonk,

Is de zucht me schier ontvloden: „Vader! schenk me bij de dooden,

| I

104

ocr page 131

„ Wat het leven mij niet schonk! „Vader! geef me aan gene zijde,

„ Als de mond des doods mij kust, „Vader! geef me aan gene zijde ,

„Wat ik hier niet smaakte . .. Rust!quot;

Maar, bestervend op mijn lippen,

Steeg die beê niet tot den Heer... 'k Boog wel hei mijn knieën neer 'k Voelde wel een zucht me ontglippen. Maar het was: „nog niet, o Heer! „Geef mij eerst mijn moeder iveer!quot;

105

ocr page 132

i

HERINNERING

DOOR

NIC. BEETS,

geboren 13 September '1814 te Haarlem.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet, Schoon reeds ten derdemaal, de herfstwind in zijn waren, Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren. En immers, sinds een tweetal jaren, Een dochtertje in ons huis uwe leege plaats bekleedt. Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen. Te midden van de vreugd die thans ons hart vervult. Waaraan we opnieuw. Godlof! van blijdschap opgetogen. Een aardig wichtje drukken mogen ...

Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.

Der oudrenhart is trouw: het laat zijn kroost niet varen.

Al offren zij het Gode en leggen 't welgemoed Terneer in 't donker graf, om voorts omhoog te staren : Geen nacht des doods, geen macht der jaren. Scheidt hen volkomen van hun bloed;

Geen nieuwe vadervreugd, geen andre moedersmarte, Geen Goddelijke troost, geen bovenaardsche vree Verdooft zijn beeldnis in dat harte,

106

ocr page 133

Dat nooit zijn kindren telt, of telt de dooden meê.

Ach, 't was een zware gang, toen 'k met een hart vol tranen

Uw dierbaar lijkje bracht, waar 't rusten zou in de aard. Hoe lieflijk was die plek, door eikjes en platanen En bloeiende kastanje omschaduwd en bewaard! Hoe lieflijk was dat uur. Het zonlicht was aan rt dalen.

Maar deed zijn ondergaande pracht.

Met tin tiend rood en goud, door 't dichte lommer pralen,

En wierp zijn laatste en schoonste stralen In de open grafkuil neer, waarin gij werd verwacht.

Ik ben op :t kerkhof thuis; 'k heb in die twalef jaren, Waarin ik voeren mocht den herdelijken staf.

En beurtelings in ieder graf Met velerlei gedachten moeten staren;

Ik wacht er al de dooden af;

En immer was 't mij goed, in 't wachten op een doode.

De groene heuvlen rond te gaan,

Bij menig harde zerk en menig zachte zode Herinn'rend, peinzend, stil te staan.

Ik zwierf er veel, en lang met ongewisse treden: Niets dan 't geval alleen bestuurde er vaak mijn voet; Maar sinds dien avond, spreekt het bloed. En gaat dat kerkhofhek niet open voor mijn schreden , Of 'k weet, waar ik het eerst die schreden wenden moet.

Dat hek ... Mijn kind! Wanneer, bij schoons zomerdagen. Het lied des nachtegaals tot over 't kerkhof klinkt, Uw moeder uitlokt om te hooren wat hij zingt. En ze aan mijn zijde treedt langs bosch en doornehagen: Als zij dat hek genaakt, hoe zie ik haar meteen

107 '

ocr page 134

Reikhalzend gluren door de reten,

Of zij, door 't hooge gras en 't lage lommer heen, Een blik mocht werpen op den steen,

Dien wij zoo wèl te vinden weten.

Dan gaan wij zwijgend voort. Een zucht mag ons ontglippen;

Doch geen van beiden spreekt, zij soms de lust ook groot. Maar eindlijk... 't Is genoeg! Uw naam moet van de lippen,

Uw naam, mijn lieve naamgenoot !

Dan schetsen we ons uw beeld, in't spelen, staamlen, koozen, In dartle kindervreugd of ongestoorde rust, Dat zachtblanw oog vol liefde en levenslust,

Die wangen frisch als lenterozen ,

Dien mond, die stervend nog onz' handen heeft gekust.

En 's winters, als de storm daar buiten Door witbesneeuwd geboomte vaart, En 't ramm'len van de vensterruiten Ons, met ons lief gezin, een dichten kring doet sluiten Rondom den huiselijken haard;

Als wij, omringd van al die spruiten,

Ons door de goedheid Gods gespaard i De jongste op moeders schoot, een andere aan haar voeten Op 't kleine stoeltje neergehurkt,

Een derde aan vaders hart gedrukt —

Niets dan erkentnis wezen moeten Voor wat ons oudrenhart verrukt,

i Dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen , Van blij gezicht tot blij gezicht,

Of 't hart gedenkt u, dierbaar wicht! ! En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen.

ocr page 135

Dan stijgt in moeders oog wel vaak eeu stille traan, En vaders stem verflauwt, te midden van 't verhalen ; Zijn kroost ziet hem verwonderd aan, Onwetend dat hij denkt, hoe thans de bleeke maan Uw graf verlicht met koude stralen.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet.

Maar gij, gedenkt gij in dat Eden ,

Waar gij, in Jezus arm, van smart noch tranen weet. Nog soms — ik zeg niet aan ons leed —

Maar wel aan onze teederheden ?

Daar weet gij met wat liefde ons hart u heeft bemind; Een liefde, die u 't heil der heemlen niet benijdde; Maar, als uw Heiland riep, bedroefd en nochtans blijde. Tot u kon zeggen: Ga, mijn kind!

109

ocr page 136

EEN SCHRIJFFOUT

DOOR

H. DINGER,

geboren '28 Maart 1824 te Amsterdam, f 8 Januari 1890.

Toen ik, nog een dreumis,

Op de harde schoolbank zat.

Ia mijn blauwen morskiel, Artistiek met inkt bespat.

Reikte mij de meester.

Met zijn machtigen klauwier,

't Eerste klein-exempel, Bruinbeduimeld, sterk papier.

't Vuur sprong uit mijn tronie, Om die vordriug zuur verdiend.

„ Heb quot; — zoo las ik — „ vele Kennissen, doch éénen vriend.quot;

110

ocr page 137

O! dat schrijf-exempel — 'k Denk er nog met hoogmoed aan —

't Was een blijde mijlpaal Op mijn kwajejongensbaan.

Ja, gij voelt het mede,

Oude jongens van mijn slach!

Wat er in mij omging,

Toen dat voorbeeld naast mij lag.

Trots en zegehaftig Zag ik op mijn makkers neer;

'k Was een overwinnaar En een zwaard mijn ganzenveêr:

'k Was van glorie dronken,

Heel mijn hartje stond in gloed,

En mijn vingertopjes Zwaaiden 't wapen, zwartbebloed.

Langs de potloodbanen Joeg ik voort in wilden hol;

Met de fraaie machtspreuk Waren ze in een omzien vol.

Welk een zelftevreênheid Blonk er in mijn juichend oog,

'k Breidde fier het oordeel, Leunend op mijn elleboog.

111

ocr page 138

Zeg niet dat de jonkheid Van geen ramp of lijden weet;

Ook de onnoozle schooljeugd Heeft heur part in 'swaerelds leed.

Was zoo'n duffe schole Dan geen kleine slavenstaat,

En de groote meester Geen verschriklijk autokraat?

Troffen u de klappen Niet, als later, in 't gemoed;

ledre feil en domheid

Werd ook daar te hard geboet.

Welk een zelftevreênlieid,

Blonk er in mijn juichend oog!

'k Beidde fier het oordeel, Leunend op mijn elleboog.

En op eens, toen meester Wederom zijn ronde deed, —

Overviel me een oorveeg Dien 'k mijn leven niet vergeet:

„Domkop, kwaje jongen, Deugniet, rekel, krabbelaar!

Kun je dan niet lezen,

Zeg eens op, wat schreef je daar ...

112

ocr page 139

En — ik moest het lezen, Tusschen angst en tranen in :

„Heb — zoo stond er — vele Kennissen, doch één vriendia!quot;

Heel de schole siste ,

Sloeg aan Jt jouwen in koraal.

„Stilte!quot; — sloeg de dwingeland Met zijn vrees'lijke linjaal.

Ginder bij de meisjes Zat mijn liefste schoolvriendin,

't Kleine hartje beefde ,

Maar zij hield beur traantjes in.

Ieder had zijn vrijster In die school naar oud model.

Och! er zat geen kwaad in Zulk een argloos kinderspel.

Ieder had zijn vrijster,

Wie hij dienst en hulpe bood,

Die beur ridder loonde Met een grifj e of pepernoot.

Soms bracht ik een kraakling. Soms een peer of appel meê ,

Die wij eerlijk deelden,

Steelswijs snoepten met ons twee.

113

ocr page 140

'k Mocht haar wel eens plagen, En dan huilde en pruilde zij;

Maar den andren morgen Was het buitje weêr voorbij.

't Ging zoo alleraardigst In die school naar oud model,

't Was zoo opvoedkundig,

Zulk een nuttig Fröbelspel.

't Was een duffe schole En monsieur een autokraat;

Maar die meisjes bij ons — Jongens! neen, het was niet kwaad.

't Maakte bloodaards wakker, Luiaards werkzaam, lafaarts koen ,

't Leerde kleine slonsjes Netheid en een lief fatsoen.

'k Weet niet welke druiloor Onze schooljeugd heeft gesplitst;

'k Zou de les hem lezen,

Als ik zijn adres maar wist.

't Minlijk, blozend kindje, Schuldlooze oorzaak van mijn straf,

Kan dit niet meer weten — Ook monsieur rust lang in 't graf;

114

ocr page 141

Ik zal nooit vergeten,

Wat daar stond in krabbelschrift,

Door dien vimiige oorveeg, Bleef 't mij in de ziel gegrift.

'k Wil somwijlen peinzen, Op dat voorval uit mijn jeugd, Vragen mij: wat machtspreuk Wel het meest van beiden deugt;

Die van 't schrijfexempel,

Of de kinderlijke fout ? ...

't Blijf der schoolkommissie Ter beslissing toevertrouwd.

115

ocr page 142

EERSTELING-

DOOR

MARIE BOD DAE RT,

geboren 6 Februari 1844 te Middelburg.

Klein handje klopt in diepen naclit Aan 't venster zacht,

Aan 't venster zacht,

Vraagt; „Mag ik binnenkomen?quot;

Legt bêi zijn vleugeltjes buiten af, En heeft het plaatsje dat men hem gaf Gauw ingenomen.

Moê zwervertje — na reize — ligt Met oogen dicht,

Met oogen dicht In vasten slaap gevangen.

Maar, glanzend door de neêr oogeleên r Vloeit hemellicht, dat daarin scheen Vóór 't reisaanvangen.

Als een jong vogeltje saamgekroeld , Warmpjes omwoeld,

ocr page 143

Warmpjes omwoeld Door sneeuwreiu, roosfijn linnen, De knietjes hoog en de vuistjes toe Droomt het, en laat aardlevengedoe Rustig beginnen.

Over moedertjes mat gelaat Een weerglans gaat, Een weerglans gaat Van kindje's vredig droomen;

Hij ziet nog een stukje hemel daarin, Zij voelt van zoeten hemel 't begin Over zich komen.

De stille nachtekamer is — Geheimenis,

Geheimenis Van leven's teer ontglimmen —

Als een bedecel vol heilgenschijn, Waar ranke lichteng'len vleugelfijn In nederklimmen.

De huisgenooten als verdwaasd Komen verbaasd,

Zoetjes verbaasd , Al voetentippend binnen;

Kijken 't gekomene kindjen aan. Voelen iets teeders bloeien gaan In 't harte-binnen.

't Reine en teedere ontbloeit in 't gemoed.

117

ocr page 144

Als kwam 't met spoed, Met blijden spoed 't Kindje tegen gevlogen,

Gelijk een groet van de Meie zoet In groene weiden opengaan doet Blij bloemen oogen.

Zachtjes, zachtjes, zachtjes aan De engelen gaan,

De engelen gaan,

Die klein kindje geleidden Op den weg naar zijn aardsch tehuis. Kind en moeder naar 't vleuglengeruisch Luisteren beiden.

Den vader is 't nog als in droom: Na wilden stroom,

Stormenden stroom Van wee, windstilte en suizen Van harmonieën, nooit eer verstaan... Hij vindt geen woorden; toch in hem gaan Lofliederen ruizen.

Telkens keeren zyn oogen weer,

Heel teeder weer,

Heel teeder weer Tot haar, die rust na 't lijen. — Kan daar mysterie lieflijker zijn Dan het ontluiken van bloemkelk rein Moederverblijen ?

118

ocr page 145

Inniglijk neemt hij haar handen saam, Fluistert haar naam ,

Haar nieuwen naam:

„ Moeder!quot; En nader, al nader,

Neigt hij zijn hoofd tot het hare. — Teêrst, Wijdend zijn leven, aadmen voor't eerst Haar lippen; „ Vader.quot;

Zegenszon is hun opgegaan!

Dat heeft gedaan,

Dat heeft gedaan Klein handje's licht bewegen.

Is 't niet of 't leventje aan 't hart hun gelegd, Met ernstig' zachthiddende oogjes zegt: „Zegen om zegen?quot;

't Is of zij wijlen hand aan hand In heilig land,

In heilig land,

Begunstigde uitverkoornen!

Zij dragen 't kindbloempje en houden 't hoog, Dat zonne kussen en koestren moog Lief Eerstgeboorne.

En in hen-zelf met heilgen gloed Nu bloeien doet,

Nu bloeien doet Liefde — Gebenedijde Een hoog verlangen, sterk en rein Om 't aanvertrouwde waard te zijn Ten allen tijde.

119

ocr page 146

Stilte is om beiden. Morgeu lacht, En schadnwzacht Slipt weg de nacht.

Zij hebben hem geborgen,

In 't veiligst plekje yan hun gemoed Dien heü'gen Nacht met zijn zonnegroet, Schooner dan Morgen!

j 120

ocr page 147

DE PLEEGZUSTER

DÜOE

H. TOLLENS Cz.,

geb. 24 Sept. 1780 te Rotterdam, f '21 October 1856.

'k Heb haar gezien; 'k heb ia liaar ziel gelezen; Haar ziel weerspiegelde in haar oog;

'k Zag wat gevoel haar borst bewoog In eiken trek van 't engelachtig wezen.

'k Heb haar gehoord: ik dronk haar zilvren toon Begeerig in en liet geen woord me ontglippen; Nooit hing mijn hart aan liever lippen En wat ze sprak, het luidde schoon.

Neen, waan niet, dat Natuur haar had vergeten; Dat zij, stiefmoederlijk bedeeld ,

Niet oogbekoorlijk was van beeld,

Dat zij niet ininnenswaard mocht heeten; Dat ze uit bewustzijn van toch nooit Den bruidskrans in het hair te zullen dragen , Den sluier zich had omgeslagen , Den halsdoek zich had dichtgeplooid;

121

ocr page 148

O, wie op schoonheid roemen mogen, Zij mocht dat met haar lelievel,

Haar zachteu blos, haar sprekende oogen, Haar tooverzoeten glimlach wel.

Neen, hoe verhuld haar vormen waren In 't effen zwart en stemmig kleed,

Niet een toch, die haar aan mogt staren, En dien zij 't hart niet kloppen deed.

Of waan niet, dat naargeestige gedachten , Bedrukt gemijmer en gezucht. En vroomheid, die de wereld vlugt,

Haar in het somber klaaghuis bragten, Dat zij uit huivring voor genot,

Uit afschuw van onschuldige vermaken,

(Als waar' de vreugde een zonde tegen God!)

Aan 't krankbed zat te dweepen en te waken O, zij was schalksch en vol van geest Eu wars van angstig woordenwegen; Zij was voor kortswijl niet bevreesd Noch bij onnoozle scherts verlegen. Wat kon zij kouten aan den disch En dartel in de feestvreugd deelen! Wat mocht ze graag met kindren spelen , Zoo vrolijk als een kind het is!

Maar als er ernst kwam in haar trekken, Als andere vreugd, als zielsvermaak Den blos verdonkerde op haar kaak Bij méér dan zoete dischgesprekken ; Als zij teneer zat in een kring,

Waar menschenliefde 't hart ontgloeide, Waar Christenzin haar aandacht boeide

ocr page 149

En ze aan des sprekers lippen hing; — Of, als zij zelf — eerst bloode en ingetogen — Dan stouter — dan met geestdrift en met klem, Op hare beurt, deed luistren naar haar stem, Nu zielverheffend , dan bewogen ;

Als zij van 't menschlijk lijden sprak, Van de armoe in haar kluis verborgen , Van 't krankbed met zijn bange zorgen, Waar hoop op Gods genade ontbrak; — Als zij 't gevoel, het nameloos verblijden, 't Genot beschreef dat haar doorvloot, Zoo vaak ze een druppel balsem goot In 't zielewee en 't lichaamslijden:

O, dan — bij die tafreelen, bij dat vuur, Dien toon, die taal, die sprekende gebaren ... Een godheid scheen haar ingevaren,

Zij werd van hemelsche natuur.

'k Was haar nabij. Zij ging het huis verlaten Waar zij gewaakt had, nachten lang.

't Stond bij haar aankomst veeg en bang; Noch kunst noch heulsap mogten baten. Gevoelloos lag de kranke neer;

Het brekend oog had uitgeschenen;

Zij zag niet bidden en niet weenen; Zij kende gade en kroost niet meer.

Maar, scheen de laatste hoop vervlogen , De trouwe pleegster waakte toch :

Een trage polsslag trilde nog,

Het zwijmend hart werd nog bewogen.

Geen trek ontging er aan haar blik;

Geen adem scheen haar oor te ontslippen;

123

ocr page 150

Het was of zij den jongsten snik Terughield van de bleeke lippen;

Het was of zij de laatste vonk Weer aanblies en voor uitgaan hoedde, Of zij het smeulend sprankje voedde, Dat flikkrend nog bij poozen blonk. Goddank, Goddank! haar zorg was niet verloren Een straal van hoop brak langzaam aan; 't Bezweken hart ging sneller slaan ; Een kreunend zuchten liet zich hooren. En met een vreugd, die uit haar oogen lacht, Met dankbre hoop verdubbelt zij haar zorgen; Zij waakt van d'ochtend tot den nacht En van den avond tot den morgen.

't Is of de taak haar nooit vermoeit, Of niets den plicht haar zwaar doet achten ; 't Is, al verflauwen ook haar krachten, Of warmer liefde weer ze ontgloeit. Zij werd beloond: de doodsboó werd verdreven Zij bad Gods hulp ; Gods hulpe heeft gered; Reeds voelt zij zich van 't smartlijk bed Een kus — een zachten handkus geven. Hoe dringt zich alles om haar been En dankt en zegent haar om strijde! Wat werd het somber klaaghuis blijde, Waar ze als een engel Gods verscheen! Haar taak is af. Weer andre plichten wegen, Zij woelt zich los vaa klein en groot; Doch, bij 't vaarwel aan de echtgenoot. Houdt haar zijn vaster handdruk tegen.

Zijn hart is vol, maar zonder vrucht

ocr page 151

Zoekt hij naar woorden en naar lucht; Hij kan alleen met tranen spreken;

En — als beschaamd om wat hij doet — Waagt hij ter sluik bij d'afscheidsgroet Een goudstuk in haar hand te steken... Zij schrikt, en op haar lippen beeft Een antwoord ... maar nog eer zij 't geeft, Plooit zich een glimlach op haar wezen : Dank (zegt ze) dank voor 't welkom goud ; Het zal de krankte half genezen,

Waar de armoê wacht aan 't ziekbed houdt. Daar, derwaarts ijl ik uit uw midden: Men wacht mijn hulp er slechts voor één: Ik draag er hulp voor allen heen;

Het gansch gezin zal voor uw bidden.quot; En van 't bordes daalt ze in de duffe kluis Met vreugdevoller liefde neder.

„ Hier (zegt ze), hier heraam ik weder; Het werd mij te eng, ginds in dat heerenhuis. Hier is mijn plaats, de werkkring, mij ontsloten; Hier is hij zoet, mijn kostbre pligt:

Ginds bij de rijken en de grooten ,

Valt mij de luttle taak te ligt.

Niets, niets ontbrak er. Nacht en morgen Stond me elk ten dienst. Ik werd ontzieu , Ik werd gespaard. Men hielp mij zorgen; Men gaf me een goudstuk bovendien... Neen, 't is niet daar, dat ik het meest mag danken Voor wat mij God te plegen geeft:

Het is aan 't stroobed van de kranken; 't Is waar de koorst geen deksel heeft;

125

ocr page 152

't Is waar ik koestren mag en warmen En laafnis meêbreng in den schoot;

't Is waar ik soms een zacbter brood Mag schuiven op den disch der armen; 't Is waar ik derven moet met hen , Aan hunnen haard ben neergezeten, Uit hunne schalen meê moet eten,

Ik, die niet meerj, niet beier ben.

Daar mag mij 't hart van dankbre vreugde zwellen , Als ik, in 't naehtlijk uur alleen,

Den tragen klokslag, een voor een,

Aan 't schamel bed zit na te tellen;

Als allen sluimren, ik slechts waak En alle zorgen mij verbleven,

Dan mag ik trots zijn op mijn taak En 't voorregt, mij van God gegeven.

0, daar te helpen, daar de smart Te lenigen, het leed verzachten,

De peluw schudden, minder hard.

De lippen laven als ze smachten;

Daar troost te storten in 't gemoed,

De ziel tot lijdzaamheid te nopen,

Op God en Zijn gena doen hopen En meê te bidden — dat is zoet!

Neen, geen genot, dat bij het mijn mag halen, Als ik de naakte kluis verlaat,

Waarin ik laafnis bragt en baat En zegen op mijn hulp zag dalen.

O, wie maar eens het ondervond Wat blijdschap dan mij klopt in de aren , Hij ging in mijne plaats wel garen,

126

ocr page 153

Zoo vaak mij God naar de armen zond.quot;

Dat hoorde ik uit haar eigen mond.

En diep ontroerd, tot in de ziel bewogen , Staarde ik haar lang en spraakloos aan ; Ik wischte heimlijk mij een traan, En wendde met een zucht mijn oogen. Ik stond beschaamd van pijnlijk zelfgevoel, Onrustig, als beschuldigd van 't geweten ,

Die deugd mocht ik mijn deugd niet heeten, Mijn hart was bij haar hart zoo koel! 0 God, die in mijn binnenst heb gelezen! Gij zaagt er, wat ik wenschte en bad: 't Was dat ik zulk een deel bezat,

Zoo rijk aan liefde als zij mogt wezen. Ja, 't voorregt is benijdenswaard.

Het mild geschenk van zulk een zegen , Die hemellust om goed te plegen, Die ingeschapen englenaard ! —

God, van wien we elk ons deel ontvingen! Begiftigt ge in uw wijzen raad Niet allen naar dezelfde maat,

(Zoo peinsde ik in mijn mijmeringen)

Hebt ge in uw vrijmagt d'een ontzegd , Wat d'andren werd in 't hart gelegd En van natuur is aangeboren;

O, Almagt, die geen grenzen hebt!

Als gij ook uitverkoornen schept,

Zij, zij is een van de uitverkoren.

127

ocr page 154

GROOTVADER

DOOR

A. J. DE BULL,

geb H Dec. 1823, f 24 Sept. 1888.

„Komt, kindren! gaat gerust nu naar de kerk, Laat mij den kleine maar. Ik ben dat werk Nog waarlijk niet vergeten. Lieve deugd,

Hoe 't mij nog als de dag van gistren heugt Dat 'k bij den vader van dien dreumes zat, En handen vol aan zulk een bengel had.quot;

De jonge man gaat met zijn vrouwtje heen En de oude man blijft met het kind alleen.

Eerst maakt hij 't zich wat mak'lijk. 't Zondagspak, De lange blauwe jas, — zit hem zoo strak. En als hij soms den kleine eens op den arm Wil nemen, is dat laken ook zoo warm.

Zijn eindje pijp krijgt ook een wijle rust: Met geen tabaksmond moet een kind gekust. En nu een stoel; — dat bukken en dat staan

128

ocr page 155

Gaat niet meer, als voor twintig jaren, aan.

Stil als een muis zet hij zich neer, zoo dicht Als 't mogelijk is bij 't blozend slapend wicht. Wat voelt hij zich gelukkig op zijn post!

Wat geeft hij nu zijn oogen goed den kost! Wat haalt hij nu zijn hart op !

„ Kleine guit,

Je ziet er sprekend als je vader uit.

Maar 't mondjen, ja, dat is je moeders mond.

En wat een ronde wangen, zoo gezond!

't Is toch een kind als melk en bloed, zoo waar! Dat wordt een flinke vent, van zessen klaar! Och, had mijn goede vrouw dat mogen zien. ..

Zoo'n kleinzoon mogen knufflen op haar kniên, Zij had de waereld zich te rijk gevoeld...

Ei, kijk! daar heeft hij zich wat bloot gewoeld, Wacht, jongen, 'k zal...

Hè, is je slaap al uit.

En lig je daar zoo schalk te kijken, guit!

Wat mooije blauwe blinkers zie ik daar!

Ja, ja, ik ben 't! Geloof je je oogjens maar! En grootva komt ook niet met leêge hand... Wat heb ik hier? Zeg, kleine, drukke klant,

Zoo'n rammelaar, dat is je gading! ja!

Maak 't maar niet al te druk voor moe en va,

Want dan krijg ik uog straks een replement Dat ik zoo'n ding je meêbreng kleine vent!

Maar ik mag wel een potjen breken. — Kijk,

Mijn lieve jongen! ben je nu niet rijk?

Dat blinkt en klinkt, 't is alles wat je wil,

En raast dat ding, dan is het kindjen stil,

I |

i

9

129

ocr page 156

En dan krijgt moê de handen weêr wat vrij. 't Geeft wat te doen, een kleuter zoo als jij, Van 'smorgens vroeg tot aan den avond laat... En maak je 't 'snachts niet lastig, kameraadV Ik weet er van!... Maar, dat is niemendal — Het kind met eere groot te zien, dat is 't al!

Mijn beste jongen, lieve naamgenoot,

Ben je eens zoo ver, dan ben ik lang al dood ... Dan weet je mogelijk niet eens meer hoe 'k Er uitzag!. .. Maar dat doet er ook niet toe, En je ouders zullen je wel eens vertellen, dat Je een trouwen, goejen grootva hebt gehad, Die altijd voor zijn kindren heeft geleefd En ook van jou zooveel gehouden heeft!... En dan, — maar 't is een diep geheim nog, hoor! Verklap me niet, daar waarschuw ik je voor, — Ja, zie me zoo verwonderd maar niet aan.

Ik kan óók wel eens ernstig kijken gaan!

Nu, als je groot bent, en ik lang al heen.

Zul je eens wat zien!... Voor jou, voor jou alleen, Heb 'k in een hoekjen van mijn kabinet In stilte reeds een doosje' ampart gezet... Ik schreef, zoo mooi als ik maar schrijven kon ,

Je naam er op, — en ais ik iets extra won , Als ik somtijds een buitenkansjen had, Dan ging dat in het doosjen voor mijn schat! Ik hoop dat God mij nog wat leven laat.. . Te vetter wordt je spaarpot, beste maat! Ik spaar wat ik kan sparen uit mijn mond,

En 't builtjen waarlijk 't wordt al aardig rond! Ja, vader zal het vinden na mijn dood,

130

ocr page 157

En op zijn beurt het voor mijn naamgenoot Bewaren, totdat hij, als jonge man Het zelf bewaren of gebruiken kan.

Zoo'n rammelaar, dat's eerst de rechte soort,

Dien de oudste mensch nog gaarne klinken hoort. Och, kon ik dan eens om een hoekjen staan. Wanneer je ziet wat grootva heeft gedaan...

Maar wie eens weg is, is voor altijd weg!...

Wat?

Lig je nu te lachen, dreumes! zeg, Terwijl ik bier nog wel als Brugman praat!

Ik zal je krijgen als je 't niet gauw laat!

Het lijkt wel datje niet om grootva geeft... Wie heeft dat van zoo'n kleuter ooit beleefd... Mij, oude man!... Goed dat geen mensch het ziet. Zoo onder ons, dan hindert het mij niet, En 'k weet wel dat je een beetjen van mij houdt... Och, 'k hoop toch dat, ben je eens als ik zoo oud, Je dan kunt zeggen, wat ik zeggen mag:

Ik heb een recht vernoegd en ouden dag. —

Veel werd van mij genomen, maar ook veel Bleef tot den dag van heden nog mijn deel.

En zie ik zoo mijn lieven kleinzoon aan ,

Dan zeg ik: wat heeft God mij welgedaan!

Aan d' ouden stam zóó kostelij k een spruit... Och, heden, kijk! gaat nu de kerk al uit...quot;

Hij laat zijn kindren zuchtend in, en spreekt: „Wat heeft die man van daag weêr kort gepreekt!quot;

131

ocr page 158

GEDICHTEN

VAN

CAROLINE BANOK,

geb. 22 November 1862.

1

I.

Zonsondergang.

(Na 'I. hooren van Schumann's Avondlied.)

Ik stond alléén aan 't strand, de laatste zonnestralen Doorgloeiden 't schuim der zee, als met een purp'ren blos; Nog stond de gouden zon fier aan de kim te pralen, En hulde land en lucht in feestelijken dos.

Een brandende afscheidskus trof al de dart'le golven , Zij rolden sidd'rend voort, verbijsterd door dien gloed . Het blank en glinstrend zand werd onder 't nat bedolven, ■ Dat rozem-ood getint, nog bloosde van dien groet.

Al wat mijn hart verloor aan jeugd en idealen Heb ik bij 't zinkend licht voor 't laatst nog eens herdacht; Ik zag de gouden zon steeds dalen ... altijd dalen ... 't Werd duister om mij heen en in mijn hart was 't nacht.

132

ocr page 159

II.

Een gevangen vogel.

Zij woont in een huis der arabische wijk, Een somber verblijf, aan een kerker gelijk; De zon werpt daar nimmer haar vriendelijk licht, De straat is zoo smal en de vensters zijn dicht, Zorgvuldig met ijzeren tralies voorzien En met een gordijn nog bedekt bovendien; Zij kent geen ontbering en rijk is haar tooi.

Toch blijft zij een vogel, die leeft in een kooi. Een vogel, die hunkert naar vrijheid en lucht, Die steeds te vergeefs om een zonnestraal zucht, Die droomt van de boomen, die ruischen in't woud, Van vogels, die zingen en springen in 't hout. Zij kwetst aan de tralies haar siddrende hand. Met tranen in de oogen , door smart overmand, Balt zij vaak gramstorig verwoed, onbesuisd Met wanhoop in 't harte haar tengere vuist. Dan weeklaagt de vrouw om haar jammerlijk lot. En vloekt de slavin haar Geloof en haar God.

Algiers, 27 Maart 1800.

133

ocr page 160

I

I ?

J 1

I I

i ?

I ;

t ;

EEN LIED DER OPSTANDING

DOOR

Mr. J. E. BANCK,

geboren 3 November '1833 te Soerabaya.

Op het steile berggevaarte,

waar de hemel schijnt gedaald, Is de trotsche burcht verrezen,

door een vreemden glans bestraald, Waar een koningsdochter sluimert

in de groeve van kristal,

Door een diepen slaap bevangen ,

die voor eeuwig wezen zal.

Rein en edel zijn de trekken

van haar marmerbleek gelaat; Vlekloos, als het kleed der englen,

is haar sneeuwwit grafgewaad : Op heur hermelijnen mantel,

als een praalbed uitgespreid,

Daar den diadeem om vonkeld, zinnebeeld der majesteit,

134

ocr page 161

Schijnt zij , als een hooger wezen , dat slechts schijnbaar is verkild, In welks boezem , diep verborgen ,

nog een vonk van leven trilt; Hoe de stormen mogen loeien

in dit woest en eenzaam oord, Die het grafgewelf doen dreunen , blijft haar sluimring ongestoord.

Maar het uur der redding nadert, nadert snel en onverwacht,

Bij geen stormen en orkanen,

in een stillen lentenacht,

Bij het vriendelijk gelispel

van een zoelen zuidewind ,

Zal de genius verschijnen,

Die haar kluisters zacht ontbindt; Fier en statig rijst de jonkvrouw

uit het kil en vochtig graf.

Werpt het lijkkleed, dat haar dekte.

Met verachting van zich af. Met den bergstroom medehupplend,

die zich loswringt uit zijn band, Daalt zij van de steile hoogten,

naar de groene lustwarand, Die zich uitbreidt voor haar oogen

in een scheemrend vergezicht, Met een tooverglans omschenen door het stralend zonnelicht.

Alle stroomen en rivieren barsten in gezangen los,

J

135

ocr page 162

Met zijn wimpels en banieren

Wenkt en wuift het groene bosch ; Bloemen liggen , allerwegen ,

op de velden uitgespreid,

Nu de schepping is herrezen in haar volle heerlijkheid. Het herboren aardrijk jubelt,

heft een lied des levens aan , Sterven is de voorbereiding van een eeuwig voortbestaan!

136

ocr page 163

MOED

DOOR

H. DE VEER,

geboren 23 November 1829, -{■ i'1 December 1890.

Het water wast, de zwakke dijk,

Gekist tot dubbele kracht,

Dreigt weg te zinken in den stroom,

Verzakt door eigen vracht.

Geperst door den ontboeiden vloed, Gewond door schots op schots, Wier tand hij voelt, wier wicht hij draagt. Hier half gescheurd, daar weggeknaagd , Ginds schuddend als een deinend schip In doodsgevaar voor golf en klip , Bedreigd door rots op rots.

3

I --

f

Daar staan ze bij den laatsten dam, Met wanhoopskracht bewaard,

Den adem nokkend in de borst:

7

Daar ginder in de waard ,

I

137

ocr page 164

Daar ligt hun schat, hun huis, hun erf, Hun schuur en 't laatste graan ... Op morgen, als de dijk niet houdt.

Vernietigd en vergaan...

Daar klinkt op eens: „De dijk bezwijkt!

„Redt vrouw en kindren, vlucht! „Onmooglijk is de wederstand, „Het water wast hand over hand,

„Redt, redt uw leven, vlucht!quot;--

En tusschen 't ijs en door het nat Dat brult en bruischt en spat, Vlucht heel de schaar met angstgeschrei Den dijk langs naar de stad.

Eén echter blijft, een kloeke man!

Een rijzige gestalt'.

Al zonk hij halverwege 't lijf In ijs en sneeuw en slijk, Het duffelsch buis van 't water stijf,

Ter helling van den dijk.

„ Blijft mannen!quot; roept hij, „ wanhoopt niet,

„Zoolang de dam nog staat;

„ Houdt moed! zendt vrouw en kindren heen, „Zij komen stadwaarts wel alleen, „Vervloekt wie met hen gaat! „Een laatste poging! 't geld uw dorp,

„Uw huis, uw goed!... wellicht „ Dat ginds de dijk aan de overzij,

„Voor 't zwellend water zwicht.

138

ocr page 165

„ Dan is 't gevaar voor ons voorbij,

„ Dan worden wij verlost; „Een lafaard kiest het hazenpad ■— „Zendt vrouw en kindren naar de stad . . .

Een man blijft op zijn post.quot;---

Vergeefs! zij vluchten allen heen.

Alsof het vrouwen zijn.----

„In God's naam dan!quot; zoo spreekt hij zacht,

„'k Blijf dan met God alleen!quot; En over 't tergend ijsvlak heen Zoekt 't vochtig oog den horizont En dwaalt naar Noord en Zuiden rond

Bij 't staamlen der geheên.

En wijl het hart hem honst en klopt

Met sneller hamerslag,

Vat hij de spa en werkt en slaaft, En hoogt den dijk en zwoegt en graaft, En bij het wassen van den nood Klinkt 't in zijn hart: „ De Heer is groot! „Vertrouw op hem in 't bangst verdriet: „ De Heer verlaat de Zijnen nietquot;... En zie! het water wast niet meer,

'fc Vloeit schier onmerkbaar af, De drukking mindert, 't ijs blijft staan,

't Is of God uitkomst gaf!---

Een doodsche stilte als die des grafs

Gaat aklig traag voorbij ...

Daar dreunt de klok aan de overzij, De noodklok, als een kerkhoflied, Een lied van jammer en geween,

139

ocr page 166

Dof klagend over 't ijsvlak heeu, Eu wekt de doodeu uit him slaap,

En vergt der vadren klacht,

Voor 't droeve lot iu wiuterkou

Hun kindren aaugebracht. Hij luistert, en het meegevoel Ontlokt aan 't manlijk oog Een traan en 't: „ red hen in den nood!quot;

Klimt uit zijn hart omhoog.

Maar tevens, door zijn kloeken moed,

Uit doodsgevaar verlost,

Lisp hij met stillen dank aan God; „Een man blijft op zijn post.quot;

140

ocr page 167

ZOMER - A VOND

DOOR

I

EDUARD BROM,

geb. 20 Juli 1864.

De Zomeravond kust eu liefkoost mij .. .

Argloos gelijk een kleiu, aanhalig kind, Dat, onbewust van eigen teederheid,

Met poezle hand 't gelaat mij spelend streelt. De lieve lippen daarop vleiend drukt.

Het kust mij in zijn eigen klare ziel,

Zijn reinen vrede en blijde zorgloosheid ,

Zijn lichten lach , zijn zoete liefdeleven ,...

Zóó trekt ook, als dat kinderleven vluchtig, De zomer-weelde in 't innigst mijner ziele, Die opluikt in een vreemde zaligheid,

Zoo rijk, zoo vredig-zacht en donzig-teêr,

Zoo klaar, doorzichtig en toch stil-gedempt,

Als 't zonlicht, dat in 't kleurig kerkraam rust. Dan ademt in mij lieflijk Zomeravond ,

Dien 'k schouw met open oog en starren blik ,

Verdiept in 't nieuw geluk. — Daar zit ik eenzaam. — ' ..................

| !

ocr page 168

Stil glijdt langs 't effeD , bleekblauw kristallijn Van d'avondhemel, teêre rozenblos:

Een liefelijke sclieidenskus der zon.

Een schijn van schemering trekt wazig rond ...

Nauw merkbaar wordt iets bleeker 't bleeke blauw Van 't hooge welf'sel; — ijlig als een schim, Flauw-lachend, komt de maan daar droomrig door. — Wit-zilverig, als maagdenoogen schuchter,

Zie ik al enkle lieve sterren staren:

Zacht-kleine vonkjes, pinkend naar mij heen. — Flik-flonkrend, als een oog, door trotsch geluk Van fleren glans doortinteld, straalt en praalt Hoog-diep, de zilver-gouden avondster In 't groot, oneindig ruim, met volle pracht. . . Dat licht glanst door miju ziel en wekt en spreidt Daarin zóó goddelijken jubellach,

Dat mijn nog ongebroken mijmring breekt.

Mijn zoete rust als angstig opspringt, en Verkwijnt, vervloeit in stroomende muziek Van nieuw geluk en ongekende vreugd. Als bruisend-volle, schallende orgelklank , Die langzaam, langzaam mindert en in 't eind Zacht kabblend ruischt met liefelijk geluid. —

De schijn van schemering wordt werklijkheid. Het waas een gazen sluier, wemelend Zich plooiend door de lucht en over de aard. Het is geen duister... 't licht alleen gedempt, Des zomers teedere ernst na heldren lach. Het licht keert weer in andere gestalte, De teedere ernst wijkt voor den nieuwen lach!

142

ocr page 169

O! Zomernacht is méér dan dageraad, Het Zomernacht-licht méér dan de ochtendzonue! De schimmig-ijle maan wordt stralend-hei, En giet haar bundels trillend, stroomend zilver. Door schemeringhlij-juhelend op de aard, En glimmert toovrend door geboomte en struiken. De kleine, schuchtere, wit-zilvren sterren. Zij blinken, duizendvoud vermeêrd, fier, groot, In sidderflikkering, snel voortgetreden Uit stillen schuilhoek in den klaren nacht. — Mij lacht de Schoonheid aan, zoo wonderbaar... Ik blik in 't ronde in sprakeloos begeeren... Het licht komt tot mij en doorstroomt mij zacht, Doordringt en drenkt mijn wezen en gedachte ,

Mild lavend als een malsche zomerregen.

En 't is mij, of mijn binnenst'zich verruimt, Al wijder, wijder, tot onmeetlijkheid Van hel, doorzichtig licht, vol blank geluk, Vol zuivre zaligheid, zóó teer en vluchtig, Dat haar geen menschentaal verklaren kan. Dat zij zou weggaan, wijken uit mijn ziel,

Bij 't eerste woord dat haar beroeren dorst. En ik ga heen, voortschrijdend in het licht. Schoon lichtend met mijn eigen blijde ziel...

143

ocr page 170

NOG MEER

door

P. F. Th. VAN HOOGSTRATEN,

Ord. Praed.

Geboren 7 Seplernber 1845.

Een leven, dat stoorloos zich zelve geniet En lustig door de aadren mag vloeien;

Dat vrij blijft van krankten en knagend verdriet

En nooit zich door zorgen laat boeien:

Ik bad om zoo zalig een leven, o Heer!

Gij scbonkt het; toen smeekte ik; „O schenk mij n o g in e er.quot;

'k Moest held zijn en krijger in 't Heilige land ;

'k Moest Mahomeds mane doen siddren.

Mijn staal was de bliksem, als 't blonk in mijn hand.

Ik Koning der dapperste ridderen.

Wat glorie omstraalde mijn schedel, o Heer!

Toch bad ik; „mijn Vader, o schenk mij nog meer.quot;

|

Ik wenschte te heerschen in 't hart van de zee,

Haar golven ten voedpad te banen.

144

ocr page 171

Op eens rukt een dwarling mij loeiende meê En klieft naar mijn wenk de Oceanen.

Wat wereld vol wondren! Toch bad ik: „O Heer,

'kWensclimeernogtekennenlO schenk niijnognieer.quot;j

Daar vloog ik, als de aadlaar, de zon te gemoet En rende door 't rijk van de starren.

'k Yerblikte niet voor haar verterenden gloed ,

Maar scheen dien vol koenheid te sarren.

Mijn trotschheid moest duiken. Gij weet het, o Heer,

Ook daar bad ik weder: „O schenk mij nog meer.quot; |

'k Moest minnen, zoo dacht ik. „De liefde, mijn God, (Dus riep ik) kan zaligheid schenken!

O, geef tot mijn dood mij der liefde genot,

Dan vliegt het geluk van mijn wenken!quot;

Ik minde, ach! niet U, maar uw schepsel, o Heer!

Mijn hart riep: 'k ben ledig, o schenk mij nog meer.

Toen vloot uwe volheid mijn aderen door En deed mij het levensheil smaken.

Hoe zalig wiens hart in uw hemelsehen gloor Yan hemelsche liefde mag blaken!

LTw liefde is mijn leven en zaligheid. Heer!

Met haar heb ik alles en wensch ik niet meer.

145

|

10

ocr page 172

I

DE KRACHT DER LIEFDE

|

door

|

Mevr. de wed. COURTMANS geb. BERGMANS,

geb. 6 Sept. -1811 te Audegem (O. VI.).

De landkneeht vroeg Linda, de melkmeid, tot bruid; Maar 't meisje verbleekte bij 't stoute besluit, „Gij hebtquot;, sprak ze schuchter, „noggeitjen noch koe. En nooit staat mijn vader zoo'n huwelijk toe.quot;

„Ik hebquot;, sprak de jongling, met klem en met kracht, „ Geen duit die mij toehoort; maar liefde is mijn macht, Door haar krijg ik eenmaal en geitjen en koe, En staat dan uw vader ons huwelijk toe ?quot;

„Dit zal hijquot;, zei 't meisje, en zij lachte zoo zoet; Die lach zette 't hart van den landkneeht in gloed; De knaap drukte een kus op den lachenden mond, Een zoentje, ten zegel van 't huwelijksverbond.

II.

In de heide lagen akkers;

Er was niemand die ze wou;

£-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------...

146

ocr page 173

Ieder dacht dat in dien zandgrond Nooit een graanpijl groeien zou.

„Liefde tocli heeft wondre krachten; Vuur kan ze uit een ijsklomp slaan,quot; Dacht de landknecht, „uit die zandzee Delft ze een zee van golvend graan.quot;

Sn hij nam de blanke spade,

En hij groef den heigrond op,

En het zweet viel van zijn aanschijn Keêr, als hemelmorgendrop.

Nimmer wordt de jongling moede; Vóór de zon haar stralen schiet, Voert hij op het dorre zandveld Vettend water uit den vliet.

En wanneer de maan sinds lange Op de woeste heide scheen,

Zag zij met haar zoete blikken D' armen landknecht maar — alleen.

En hij hakte en wiedde en sproeide, En hij zaaide en zeef en won,

En de Algoede gaf hem zegen,

Zegen uit der liefdebron.

III.

In de heide staat een hoeve

147

ocr page 174

Die de gansche streek reeds tooit;

Op haar jeugdige appelaren Is een bloemensneeuw gestrooid.

En een kudde blanke schapen Speelt er in het jeugdig gras,

En een balsemende bloemgeur Stijgt er uit het tuingewas.

't Rundvee is er glad en blinkend,

En de paarden, nimmer moê,

Brengen van de weeldrige akkers Schatten naar de hofsteê toe ;

En twee blanke tortelduiven Ronken er van trouwe min,

Evenbeeld der reinste liefde Van den boer en zijn boerin.

En de Hemel heeft die liefde Met een bloeiend kroost bekroond,

En 't is Linda met den landknecht,

Die de schoone hoef bewoont.

IV.

God gaf aan de schepping de liefde tot kroon, En 't hart van den mensch is haar rijk en haar troon ; Zij heerscht over hem die als koning gebiedt,

Want zonder haar macht ging de wereld te niet.

148

ocr page 175

GEDICHTEN

VAN

P. H. HUGENHOLTZ JR.,

ceb. 31 Juli 1834 te Rotterdam.

Leven.

„Het leven is een droom, 't vliegt als een damp daarhenen ,quot;]

Zoo zegt men; 't mag zoo zijn, ik wederspreek het niet. Maar waartoe, menschenkind, op aarde toch verschenen, Waartoe dien droom gedroomd, wat ziet gij in't verschiet ?]

Wat is het doel van al uw zwoegen, woelen, zwerven.

Van al uw jagen, zonder dat gij weet waarheen ? Zult ge eindlijk toch u zelf een blijvend goed verwerven. Meer blijvend dan al wat u hier reeds blijvend scheen?

Ja 't leven is een strijd, maar wat wordt er bestreden?

Ja 't leven is een reis, maar wat toch is haar doel? Ja 't leven is een last, maar waartoe toch geleden ? Ja 't leven is een lust, van waar dat zoet gevoel?

149

ocr page 176

Een strijd is 't leven van veel duizend' elementen, Die zich verdringen en bekampen in 't gemoed. Een reis is 't leven uit deez' aardsche, leemen tenten Voor hen die zoeken naar een hooger, beter goed. Een last is 't leven voor zoovele teed're zielen,

Die zwoegen onder zooveel zonde en smart en pijn. Een lust is 't leven voor hen, wien ten deele vielen De zoetheid en 't genot van 'slevens ambrozijn.

Mij is't een strijd , een reis, een last, een lust daarneven.

Nu voel ik slechts gemis, dan baad ik me in genot; Verhief zich onder al mijn lijden, mijn genieten en mijn

streven,]

Mijn hart slechts meer tot aller bronwel, tot mijn God !

Nieuw leven.

Hoe komt het nieuwe leven ?

Hoe naakt een beet're tijd?

Hoe wordt aan 't hoogste streven Ons harte toegewijd?

Naakt het daar, waar 't krijgsvuur flonkert, Waar de strijdleus luid weerklinkt.

Rook en damp de lucht verdonkert, 't Moordend staal ons tegenblinkt?

Waar partijhaat, drift en veeten Angst verwekken, wrok en pijn ,

Waar op 't slagveld ruwe kreten Klinken — zou daar 't leven zijn?

1

150

ocr page 177

Schuilt het daar, waar 't zinlijk leven

't Oog verrukt en 't hart bekoort,

Waar een laag, zelfzuchtig streven Elke hoog're aandrift smoort?

Neen, maar in stilte, voor de oogen verborgen. Kiemt het in de aarde, ontluikt het in 't hart.

Vreê wordt geboren uit angsten en zorgen,

Heilige blijdschap uit innige smart.

Strijd kost het goede en bittere tranen,

Kamp eischt de waarheid, in stilte gevoerd.

Wie zich den weg tot het hoogste wil banen, Hoe wordt zijn ziel vaak geschokt en ontroerd!

Wie met tranen zaaien, zullen maaien met gejuich,

Wie geduldig lijden, erven heerlijkheid!

Schept moed dan, die treurt, diep geschokt en verslagen, O fluistert de bede: geschiede uw wil!

En 't hart, dat u klopt met onstuimige slagen. Wordt kalm en gelaten, berustend en stil.

1

Aanvaardt dan den kamp weer, manmoedige strijders. Den kamp voor het hoogste, voor vroomheid en licht.

De waarheid kroont eens haar getrouwe belijders, De wereldhistorie is 't wereldgericht. .

151

ocr page 178

IN GETHSEMANE

DOOR

DE. J. J. F. WAP,

jeb. 1 Mei quot;1806, f 10 Maart 1880.

Van mijn geboorte af aan heb ik geweend,

't Zijn tranen, die voor bloed mijn liart doorstroomen; Ja, God beeft mij beur lafenis ontnomen

En in dat bart der tranenbron versteend.

Mijn spijs is 't leed; de smart mijn welbehagen;

Geen lijk, of 't schijnt mij 't lijk toe van een vrind; Nooit wordt door mij een zijpad ingeslagen,

Waar ik geen rouw of grafsteê vind.

Wanneer mijn oog een rijke landstreek ziet. Een lachend dal, een oord van rust en vrede. Dan wend ik me af, en zeg: hier is de stede Van vreugd en heil, helaas! de mijne niet.

Mijn boezem heeft geen weêrklank dan voor klachten.

Mijn vaderland is waar men rampen leed, En 't eenig bed, waarop ik rust durf wachten, Van tranen en van ascb doorkneed.

152

ocr page 179

En vraag mij niet de reden van mijn smart, Ik zou vergeefs mij 't antwoord onderwinden; Helaas! mijn mond zou enkel snikken vinden,

Verscheur, zoo gij 't doorlezen wilt, m\jn hart: Het leven is zijn zetelplaats ontvloden,

De zeis des doods maait eiken vezel af;

Mijn boezem is een kerkhof, vol van dooden, En heel mijn ziel een open graf.

En toen ik kwam, waar Christus leefde op aard, Zocht ik geenzins die plaatsen, rijk in zegen.

Waar 't palmenloof gestrooid werd langs de wegen

En 't juhlend volk stond om zijn Heer geschaard; Noch waar zijn hand, bevochtigd door de tranen Der vrouwenschaar, die dankbaar hem aanbad. Een wijl de glans des aanschijns had doen tanen En kinderkens gezegend had.

Neen! ik toog heen naar gindschen hof van rouw, Ter plaatse waar der menschen Heiland weende, Toen hem nog God noch schepsel hulp verleende,

En waar hij bloed en doodzweet zweeten wou. Laat mij alleen: hier wil, hier mag ik lijden

Al wat dit oord bevat aan zielewee: Der doodsangst mij, als zoon der wanhoop, wijden. Mijn outer is te dezer steê.

Daar is een plek nabij d' Olijvenhof,

Een sombre plek, waar nooit de zonnestralen,

Door Sions burcht geweerd, in nederdalen,

Daar sijpelt traag de Cedron heen door 't stof.

I

153

ocr page 180

Men kan in 't rond er graf- bij grafterp wijzen ;

De grond draagt gruis in steê van lentegroen ; Men ziet er soms een ouden boomtronk rijzen,

Wiens wortels 't lijksteen splijten doen.

Daar vindt ge , omheind door dubb'len rotsen-muur, 't Gewelf, waar eens Gods Zoon zijn doodswee rekte , Toen Hij, tot driewerf toe, zijn jongren wekte. En tot hen sprak: waakt! vreeslijk is dit uur'• Nog waant de grond de drupplen op te droogen,

Op 't bloedig zand den lijdenskelk ontvloeid. Nog schijnen hier de klamme steenrotsbogen Van 't zweet der offerand besproeid.

En 'k zette mij al peinzend op den steen, En dacht aan 't geen die Heiige bij zijn lijden Gedacht had, en doorliep, van vroeger tijden

Tot heden toe, al wat ik had geleên.

Ik torschte weêr den last van heel mijn leven,

'k Doorwaadde op nieuw mijn ganschen tranenstroom, Toen kwam de slaap mijn matte ziel omgeven: Ik droomde — en, hemel! welk een droom!

Ik had niet ver van daar, mijn lieveling.

Mijn telg, mijn schat, vertrouwd aan moeders zorgen; Op haar gelaat blonk 's levens lentemorgen,

Maar, ó, haar ziel was rijp voor hooger kring. Al wie haar zag was door haar opgetogen;

Haar beeld bleef, eens aanschouwd, bestendig bij , Geen vader, of hij moest met vriendlijke oogen Haar volgen en benijdde mij.

154

ocr page 181

Zij was me alleen uit 's levens ramporkaau , Van alles wat mij dierbaar bleef nog over,

Zij, de één'ge bloem van zooveel voorjaarslover ,

Zij was me een welkomstkus en afscbeidstraan , Een lichtbron, die baar glans mij toe bleef wijen

Een vogeltjen, dat van mijn lippen dronk, Een engel, die mij 'savonds melodyen En kusjens bij 't ontwaken schonk.

Nog méér! ik zag mijn moeder eens zoo teêr Door mij geliefd, en 't kinderhart onttogen,

In haar terug. — Door wonderbaar vermogen

Schiep zij 't verleên mij in de toekomst weer. 'k Vond in haar stem een echo van 't genieten.

Dat vijf paar jaar mijn huis te beurte viel;

Haar teedre blik deed vreugdetranen vlieten :

Haar lach schonk leven aan mijn ziel.

Haar wenkbraauw trok zich saam bij mijne smart; 'k Herzag mijn oog in barer oogenhemel,

Waar 't zielsweê, dat mij drukte, als't wolkgewemel

In 't effen meir, in afgespiegeld werd.

Maar zachtheid slechts welde uit haar ziel naar boven,

Geen strenge plooi hield om baar lippen stand, Dan als ze, in 't stof geknield om God te loven, Haar handjes vouwde in moedershand.

S

Ik droomde dan; zij zat hier op mijn schoot, 'k Omklemde haar met innig welbehagen;

Mijn arm was om haar midden heengeslagen,

Terwijl mijn wang den hare een steunsel bood.

S

|

l

155

ocr page 182

Haar hoofd jeu lag bevallig neêrgezonken,

En schudde 't goud der lokken om zich heen , En door 't koraal der malsche lipjens blonken Haar tandjens, wit als elpenbeen.

En altijd staarde op mij haar minzaam oog,

Alsof haar ziel de mijne wilde omvatten ,

En God, slechts weet de kracht der vlam te schatten,

Die uit mijn blik den haren tegenvloog.

Mijn mond doorliep, ontgloeid in zoet verlangen ,

Haar lief gelaat met kusjens, keer op keer, En dartelend wist zij die op te vangen En gaf ze duizendvoudig weer.

En 'k sprak tot God, verrukt van vadervreugd : „Mijn God! zoolang ik licht schep uit die oogen , Zal ik mijn dank doen stijgen naar den hoogen,

O ! schenk aan haar mijn aandeel van geneucht. 'k Heb heils genoeg, indien zij heil mag smaken ,

Laat mij door 't oog der hoop haar toekomst zien, Moog' zij een gade, als mij, gelukkig maken, Die haar omhelzingen verdien'.quot;

En zoo bedwelmd was ik van zaligheên ,

Dat noch mijn knie, noch zelfs mijn hart ontwaarde, Hoe mij allengs mijn zoete vracht bezwaarde:

Helaas! haar wang was koud, als marmersteen.

Mijn Julia! mijn kind! wat bleeke trekken!

Zeg, zeg, wat is 't? Gij baart uw vader vrees; Lach, spreek mij toe, wat zweet, wat doodsche vlekken ! Ontsluit dat oog, waarin ik lees.

156

ocr page 183

Maar 't lachjen stierf en smolt met zacht geluid lu loodkleur weg op lipkoraal en wangen ; En d' adem joeg met korter, sneller gangen ,

Als 't wapp'ren van een vlerkjen, dat zich sluit. Dan, dat geluid, hoe flauw ook, het moest enden: En toen haar ziel daarheen vlood met een zucht, Toen stierf mijn hart in mij, als, in de lenden Der moeder, de ongeboren vrucht.

En ik stond op en trad naar 't outer heen , Als iemand, die een doodwond heeft ontfangen ; Terwijl mijn arm den zielschat bleef omprangen,

En 'k lei mijn kind ter neder op den steen , Ik kustte lang de dichtgeloken oogen

En 't voorhoofd, dat nog laauw was als de plek , Die in het nest, als 't vogeltje is gevlogen,

Tuigt van zijn overhaast vertrek.

En in dat uur (een eeuw van bitt're weên !) Onwoelde mij een zee van smart, wier golven De plaats waar eens mijn hart was overdolven:

En 'k riep: ,,ó God! ik had slechts haar alleen. Sinds al, wat ik beminde, in vroeger dagen, In haar, mijn al, te saamsmolt of verzonk. Zij was der vrucht gelijk, bij najaarsdagen.

Alleen gespaard aan d'ouden tronk.

Zij was, helaas! aan mijn bewolkte lucht De laatste plek, die helder was gebleven; Wij hadden haar uit liefde een naam gegeven, Die lieflijk luidde, als Zeflrs lentezucht.

157

ocr page 184

Zij was een stem, welks melody vol weelde,

Waar zij herklonk, mijn lijden had verzacht, Een straal van licht, welks zachte schijn mij streelde, Bij dag, bij avond en bij nacht.

Een spiegel, waar mijn hart zich in zijn beeld Beminde, een bron, wier heilstroom mij bleef laven. Een albegrip van 's Hemels beste gaven ,

Aan een gelaat vereenigd meêgedeeld:

Hart van mijn hart en leven van mijn leven ,

Geest, waar mijn geest, oog, waar mijn oog in blonk. Stem in wier klank mijn stem geluid kwam geven, Ziel, waar mijn ziel haar licht uit dronk.

„'t Is al voorbij — en, Dood, het werd uw deel, Yerzadig uw behoefte, om niets te sparen;

'k Breng de offerand, ik-zelf op uw altaren;

Breek nu den kelk: ik leegde dien geheel.

Aanvaard mijn kind, mijn dochtertje, uw verlangen ;

Ik heb haar slechts dees hairlok afgesneên , Die straks nog krulde en golfde langs haar wangen: En ik bewaarde die alleen.quot;

Het snikken deed me ontwaken. Heel de grond Was klam van 't zweet, dat tapplend mij ontvloeide. Terwijl de kou mijn ledematen boeide

En in elks oog een traan bevroren stond.

Ik ijlde voort: geen rhee zal sneller jagen.

Ik kwam, helaas! mijn woning naderbij ... quot;'t Schreide alles — niets kon nu 't stervensuur vertragen. Zij wachtte, uit liefde, slechts op mij.

158

ocr page 185

En nu is alles uit mijn woning heen!

Ik zie elk oog van tranen nat bedropen,

Ik sla vergeefs mijn minnende armen open

En sluit ze weer met nutteloos geween.

Eentonig zijn mijn nachten en mijn dagen,

't Gebed stierf met de hoop weg in mijn hart Maar, 6 mijn ziel, door God zijt gij geslagen. Kus dan Zijn tuchtroede in uw smart.

Naar Alth. de Lamartine.

i 8

159

ocr page 186

DE MOEGrENGEOET

VAN HET

NIEUWE JAAR

DOOK

Me. C. W. OPZOOMER,

geb. 12 September 1821 to Rotterdam, -J- 23 Aug. 1892.

De morgen komt, maar komt zoo traag. Het slaapt nog alles daar omlaag.

Ik laat ze in rust zoolang 't wil gaan,

En zie terwijl de streek eens aan.

Rooft, wolkjes! rooft mij 't uitzigt niet,

't Is tock zoo weinig wat men ziet.

|

Geen bloempje laclit op 't wijde veld,

't Is met 't geboomte slecht gesteld,

Om alle bronnen stroo en stroo ,

En op de kelders evenzoo.

Mijn neef, wien ook die kou niet smaakt,

Heeft in den nacbt zich weggemaakt.

160

ocr page 187

't Moet anders worden: hoe 't ook gaat, Ik ben de man, die dat verstaat.

Zie eens die kale tuinen aan ,

Daar moeten hyacinthen staan.

Aurikel, tulp en primleveer,

En elke dag een plantje meer.

Niets roert zich nog; geen 't minst geluid. Maar 'k zie een moschje er al op uit. Arm diertje, uw lot bekommert mij; Ge had een wijfjen aan uw zij ,

Toen kwam gebrek en hongerspijn, En moest het paar gescheiden zijn.

Nu kwam eerst recht het lijden aan:

Geen dak om onder schuil te gaan,

Geen vrouw die 's morgens hem begroet, Als hij zijn oogjes opendoet,

Geen drinken zelfs, geen kruimel brood: Wacht vriendje! ik help u uit den nood.

Niets roert zich nog, geen 't minst geluid. Dat kerkje ziet er keurig uit,

Zoo net als 't zich maar denken laat. Zes lees ik op de wijzerplaat,

De morgen kijkt om 't hoekje heen — Maar rilt er bij door merg en been.

De dooden merken 't niet, in 't graf. Daar weet men van de kou niet af; Of 't vriest, zij lijden er niet bij ;

11

161

ocr page 188

Het kerkhof maakt van alles vrij.

Zijn soms nog leêge plaatsen daar ... .

't Kan zijn, 'k gebruik er dan een paar.

Mijn kind, hebt gij geen moeder meer? Mij dunkt, 'k leg hier uw bedjen neêr; Gij oude, hebt genoeg gedaan ,

Mij dunkt, 'k breng u den rusttijd aan. Yaak waaktet gij in smart en pijn,

Slaap nu, zacht moog' de slaap u zijn.

Nu schijnt men eindlijk op te staan; Het lampje is hier en daar reeds aan; De vensters worden losgemaakt. En 't boerenvolkje is ontwaakt.

Goên dag, ik heb reeds lang gewacht, Ik sta hier al sinds middernacht.

Mijn neef is op den loop gegaan.

Hem stond de kou niet langer aan.

Was ik niet prompt op tijd geweest,

't Zag slecht uit met uw Nieuwjaarsfeest. Wat zegt ge van mijn Zondagsbuis ? De snijder bracht 't zoo kersversch thuis.

Mij dunkt het staat mij lang niet slecht, En past bij 't roode vest zoo regt;

't Moet goed ook bij mijn pluisbroek staan; 't Horloge 'r in, een bandje er aan , Op 't krullend hair een nieuwen hoed , Een helder oog, een frissche moed.

162

ocr page 189

Nu, 'k raad al uw nieuwsgierge vraag, Wat ik toch in dien zak wel draag; Maar kort en goed, ik zeg 't u niet, 't Is tijds genoeg, wanneer gij 't ziet, 't Zijn rozen, maar met doornen 'r aan ; 't Een zonder 't ander kan niet gaan.

Een wiegetouw, een kinderfluit.

Een trouwring voor de hand der bruid.

Een eerekrans, een bedelstaf.

Een sleutel voor de deur van 't graf. —

Geeft allen op mijn woorden acht:

Het kan uw treffen eer gij 't wacht.

Een stillen geest bij ieder lot.

Een goed geweten geve u God;

Want wie 't niet eerlijk meent en goed, Zijn daaglijks werk niet vlijtig doet. Dien wordt geen zegen aangebragt; Al wilde ik, 't ligt niet in mijn magt.

Gaat nu en kleedt uw kinders aan: Wat ik gezegd heb, denk er aan.

En als ge naar de kerk nog wilt, Zoo haast u dan, geen tijd verspild.

Ziet hoe de zon al hooger klimt. De maan verbleekt, de morgen glimt.

163

ocr page 190

EENE MOEDER

DOOR

J. J. L. TEN KATE,

geb. 23 December 1819, f 26 December 1880.

Ik zag een jouge Moeder — mij niet vreemd Te midden van baar kindren; als de zon,

Van wie elk bloempje, en zonder dat de brou Voor de andreu armer wordt, zijn aandeel neemt. Ik zag baar, en ik zegende baar, en begon Te mijmren; tot een wondre teederbeid Vol van weemoedige ernst en zacbte kracbt,

Dien traan verwekte, dien men lacbend scbrcit... Die Traan werd tot een Lied; boor wat ik dacbt!

De Moederliefde is van Gods liefde 't beeld: Een adem Gods die onverganklijk leeft En levenskracht aan 't barte mededeelt,

Te rijker immer naar zij meerder geeft; Voorkomend, trouw, lankmoedig, onvermoeid, Zicb-zelf verloocbnend, en bij wel en wee

164

ocr page 191

Zich-zelf gelijk; een vlam, die eeuwig gloeit,

Onblusclibaar door al 't water van de zee! —

Eer 't kind nog is geboren, wordt de scliat

Geliefd, gepleegd; en alles is bereid

Op zijn ontfangst, tot zij vol teederheid

Het dierbaar pand met zeegnende' arm omvat.

En — de eerste tranen der verrukking schreit!

De Moeder leeft in 't afgebeden kind,

Zoolang het onder 't ouderdak vertoeft;

't Is 't middenpunt vau al wat zij bemint.

Begeert en hoopt van al wat haar bedroeft

Of zalig maakt; in zwakheid al haar kracht,

En al haar vreugde ook midden in 't verdriet,

Haar staag gebed, haar waken dag en nacht.

Haar zoetste Erinnring en haar schoonst Verschiet!

En komt eenmaal de dag — met zorg gewacht! —

Als eindlijk 't kind, volwassen op haar beurt.

Den Man zal volgen dien haar hart zich koos,

En weenend zich uit moeders armen scheurt, —

O, dan nog blijft die Moeder — kinderloos

Ten Tweeden maal! — toch moeder als altijd.

Haar liefde is aan de afwezende gewijd ,

Als aan de aanwezige eens! Zij volgt haar na

Met oog en hart, gedachte en smeekgebeêu.

Zij slaat haar uit de verte zeegnend ga,

En in den geest nabij, zweeft ze om haar heen.

Wie in 't bezit der dochters zich verheugt,

Zij blijft toch onverdeeld haar eigendom;

Ja, 't is als keerde op nieuw haar eigen jeugd

In 't bloeien van haar dierbaar kind weêrom.

Wat vreugd, als nu en dan de lieve voet

165

ocr page 192

Den welbekenden drempel oversclirijdt,

Eu de eigen stem uit d' onvergeetbren tijd Weêr, als weleer, de lieve moeder groet!.. . Wat zegen, als iu 't eind, ter jongste rust Het dierbaar kind al zacht liaar peluw schudt, Nog eens haar hoofd liefkozend onderstut, En dankend haar verbleekte lippen kust:

Zacht fluistrend van dien Hemel, waar de piju Der scheiding met alle andere smart verdween, Door Hem, van beide als Heiland aangebeên , Eu kind en moeder eeuwig samen zijn!

II.

'k Stond in de Lieve-Vrouwe kerk, bij 't choor, 1) En hoorde — in 't Priesterkleed een mensch, een kind. Die van zijn moeder sprak, wel teêrbemind! — — Of hij haar al te vroeg, als ik verloor ?. .. Nog, goede zoon! trilt mij op d'avondwind Uw stem, zoo zielvol zilverrein, in 't oor:

Wanneer het harte spreekt voor d' eersten maal, Dan zegt het „Moeder!quot; — Dat volzoet geluid Drukt onzer ziele eerste ademhaling uit In aller volken en geslachten taal.

't Kan wezen dat de mensch geen naam meer hoort, Dat hem geen klank meer zoet of dierbaar klinkt, Daar is één naam dien hij verstaat, één woord Dat altijd hem ontroert en 't hart doordringt: „Mijn moeder!quot;

166

1

Zinspeling op eene der laatste conférences van Pére Felix in de Notre-Dame de Paris.

ocr page 193

Tooverwoord vol zielsgenot! De menscli kan 't Al Tergeten, zelfs zijn God,

Zijn moeder ooit vergeten, kan hij niet!

Wat in zijns harten tempel zij vergaan,

Haar naam blijft overeind op 't voetstuk staan: 't Moog schuilen achter 't klimop van den Tijd, Het is er toch, bedekt, maar onontwijd !...

Vaak in de schaüw, die de avond zonneglans Vooruitwerpt op steeds korter Levensbaan,

Lacht plotsling, als een Heiige met een krans Van stralen, ons een vriendlijk wezen aan. Verheerlijkt door de jaren, jong en frisch Voor immer, en: „Mijn moeder!quot; juichen wij. 't Is wijl de moedernaam voor u en mij De uitdrukking van iets onvergeetlijks is ,

Dat met zijn balsemkracht dien klank doorgeurt. En — Liefde heet!

De Moeder openbaart De hemelreine Liefde, 't reinst op aard.

Heur wangen zijn met Liefdesblos gekleurd ,

Omdat zij Liefdeskern in 't hart bewaart. Het Moederhart is Liefdes Vaderland!

Gelijk de boom, in malschen grond geplant, De sappen uit zijn wortel mededeelt Aan al zijn takken en dus bloesems teelt En vruchten vormt: — dus voelt van stonden aan De Moeder, dat haars harten teederheid In onverdroogbre stroomen moet verspreid , Zoo, onverstoord, de ontwikling voort zal gaan Van dat verruklijk wezen, 't kindekijn, — Hoe hulpbehoevend blikt het tot haar op ! —

167

ocr page 194

Dat eerst haars Levensschoonste bloesemknop.

Straks harer Liefde schoonste vrucht moet zijn „ Hoe innigspreekt ze, moet 'k het lieve wicht „ Beminnen!quot; — Haar verstand zegt: „'t Is een plicht!quot; Haar ziel: „'t Is een behoefte!quot; en binnen haar Trilt alles : ,,'t Is een zaligheid !quot;

Voorwaar,

Al blaakt der mannenborst van grover vuur, 'k Raad iets van die geheimnis der Natuur —

Maar 'k zoek vergeefs de letters bij elkaar,

Waarin ik haar vertolke, of — 't moest alweer Dat woord zijn, eeuwig-heilig, innig-teer:

„Mijn Moeder, lieve Moeder!quot;

Maar die schat Van teerheid, dien bet moederhart bevat,

Is daar verborgen met een hooger doel Dan de enkle heerlijkheid van 't zelfgevoel, De vreugde van 't bezit!

De Liefde dorst Is levensneiging in de moederborst;

Maar, hooger dan 't Instinkt, is haar een wet Des levens in het leven-zelf gezet,

Verheven , vruchtbaar, zwaar en nooit betracht Dan door de Liefde, in volheid van haar kracht. Die wet heet — Zelfverloochning! sterk en vrij. Die 't eigen Ik verliest in 't dierbaarst Gij ,

Die zelf het altaar bouwt, en 't dankbaar kust. Waarop zij 't al ten beste geeft, haar rust.

Haar ernst, geheel haar zorgelooze jeugd! Het Moederschap wordt minder in haar vreugd Dan in haar eigen smart zich-zelf bewust.

168

ocr page 195

En in die wondre mengling van geneuclit En lijden, wordt de Moeder 't éener tijd Tot minnen en — ontberen ingewijd! Tot groote liefde weet zich 't moederhart Geroepen, juist omdat zij van omhoog Tot groote Dienstbaarheid geroepen werd. De Moeder is Priestresse! En met bet oog Op de offers die zij rustloos brengen moet, Vermengde God de Liefde met haar bloed! Dat geeft die moeder in het Huisgezin En in de Menschheid zulk een gloriekroon , Zoo ongelijkbaar-heerlijk, hemelsch-schoon, Want daar zijn stralen van Gods lichtkrans in De Man is veel, de Moeder een geheel: De zelfverloocbning is baar levensdeel En levens-doel, haar keus gelijk haar lot,

Haar wezen-zelf! Den Vader deelde God 't Gezag toe om te heerschen, maar de Vrouw De Liefde, op-dat zij zich verloochnen zou; Een roeping, aller hulde en eerbied waard, De heiligste en — de moeielijkste op aard !

169

ocr page 196

DE BLINDE TOONDICHTER

DOOR

J. POELHEKKE,

geboren 31 Juli 1819 te Deventer, ■{- 5 April 1881.

Daar droug in 't stille woonvertrek, Langs 't groen fluweel gordijn, De laatste glans der avondzon Met purperrooden schijn.

Die glans schoot langs een zetel neêr,

Met wollig dons bekleed,

Daar zat, de witte kruin omwoeld, Een grijsaard in, die leed.

En in het scheemrig avonduur,

Zoo vredig als zijn ziel,

Ruischte enkel 't zacht getik der kraal, Die van zijn vingers viel.

170

ocr page 197

Die vingren hadden, lang geleên ,

De dichterpen geroerd,

Waar noten waren uitgevloeid , Den hemel als ontvoerd.

Hem was de knust geen ijdel spel,

Maar vol van hooger zin ;

Hij zag een heilig, hemelsch doel, Een Priesterschap er in.

Daar zat, stil wakend, aan zijn zij. Een jonge maagd — zijn kind;

En toch de grijsaard zag haar niet... Hij poogde 't, maar — was blind.

Het was, als leefde en zorgde in haar

Zijn schutsgeest van omhoog;

Haar stem had balsem voor zijn hart,

Heur hand voor 't lichtloos oog.

„Och kind. mijn kind,quot; zoo bidt hij vaak,

„Kon ik nog ééns u zien!quot;

Dan heft ze 't lichtblauw vochtig oog

Tot God, en spreekt; „Misschien!quot;...

„'k Heb, vader, eiken dag een beê

„Om licht tot God gerigt;

„ Maar toch — 't is aardsche schemering?.. „ Hier boven slechts is licht!quot;

171

ocr page 198

„ Daar bruischt de toonzee ... die uw ziel „Gedroomd heeft, maatloos zoet, „ Waarvan uw geest deu weêrgalm ous „Gestort heeft in 't gemoed.quot;

Dan strekte d' oude de armen uit.

En 't meisje vloog er in:

Een lelie, strenglend om den olm, Eén ziel, één zuclit, één zin !

Thans, in het scheemrig avonduur,

Zoo kalm als 's grijzen ziel, Ruischte enkel 't zacht getik der kraal, Die van zijn vingers viel.

„ Mijn kind, waar zijt ge ? — Zijt ge hier ?'

— Reeds klemt ze 's vaders hand — „'t Is of mijn ziel een heimwee voelt 'Naar 't hemelsch vaderland.quot;

„'t Is, of uw moeder daar mij wenkt

'En zoet mij toezingt: kom!

„En of uws broeders orgeltoon Weérklinkt in 't Heiligdom.quot;

„O, grijp nog eens de snaren aan,

' En zingt dat hemelsch lied, „Waarmeê gij, kind, door God bezield 'Mij vaak vertroosting biedt.quot;

172

ocr page 199

Daar dropt eeu stille weemoedstraan Op de elpen toetsen neêr :

De vingers drijven langs 't klavier En geven 't loflied quot;vveêr.

En hoor ! een englenreine stem Smelt zamen met dien toon :

De kranke slaat het oog omhoog, En lispt: o God, hoe schoon !

Daar heft hij bei zijn handen op , En staart en krijt „ik zie !. .

— Een dankgejuich uit beider borst Vervangt de harmonie.

„ Ik zie . ■. o God wat zaligheid! ... ' Mijn kind nog eenmaal weer!

Laat, wilt Ge 't, laat uw dienaar nu 'In vrede gaan, o Heer!quot;

„Maar, reik mij éérst de veder aan,

' Die dichtpen van weleer ;

'En zij mijn laatste groet aan de aard': 'Een lofzang. God ter eer!quot;

|

Daar wordt, bij de opgestoken vlam,

Het overlijnde blad Door 's grijzen dichters dorre bami Met noten overspat.

173

ocr page 200

„Mijn vader, och, houdt op, houd op,

,,Hoe beeft uw zwakke hand! „ Ach! voelt ge niet hoe 't hart u jaagt, „Eu hoe u 't voorhoofd brandt?quot;

De veder zweeft al voort, al voort.

En 't overlijnde blad Wordt door den kranke meer en meer Met noten overspat.

„Mijn vader, och, houd op, houd op,

„Eer 't licht weer 't oog ontwijkt! „Hoe drupt u 't zweet van 't aanschijn af, „Ach, vader, gij bezwijkt!quot;

Met blikt ze op 't volgeschreven blad: — „God! een achtstemmig koor!quot; 'Neen, duizendstemmig trilt het mij De gansche ziele door!quot;

„Neen duizendstemmig!quot; roept hij nog,

En de oogleên vallen digt;

De ziel vliegt op naar 't Englenchoor. En staart in quot;t Eeuwig Licht!

174

ocr page 201

GEDICHTEN

VAN

De. EDW. B. KOSTER,

geb. 14 Sept. '1861 te Londen.

Avond.

De kim vervliet in tinten, veeg en mat,

De maan staat hoog in 't onbewolkte blauw , En uit de weiden stijgt een ijle dauw,

Zich spreidend over 't lage heesterblad.

Van verre glimt de plas in zilvernat.

De boomen aan den einder, donkergrauw,

Staan stil, gelijk versteend, alsof ze nauw De koude ontkwamen, die hen hield omvat.

Heel 't landschap ligt zoo stil en roert zich niet, Alleen klinkt nu en dan het klaar gefluit Des kievits, die zijn need'rig nest omvliegt.

Zoo ruischt in mij een rustig lentelied, En poozend tracht ik te verstaan 't geluid , Dat door mij trilt en mij tot vrede wiegt.

175

ocr page 202

II.

Nacht.

Het laatste licht der zon was weggezonken, De maan steeg langzaam aan de kim, geel-rood, Der nachten zon, herrezen uit den dood,

Wijl enk'le starren aan de heem'len blonken.

Der nachtegalen minnezangen klonken, En golfden trillend langs der dalen schoot, Glimwormen wierpen, kruipend langs den sloot,. Met hunne kleine toortjes held're vonken.

Zoo lag de heil'ge nacht in licht en zangen Ter neder in zijn zaal'gen zomerdroom , Het land omarmend met een zoet verlangen. En 'k zag in mijn verbeelding hoe op aarde In blinkend kleed met lichtend-purp'ren zoom De geest der liefde troostend oramewaarde.

III.

Zonnegloed.

Nu breekt de zon door witte wolken heen En valt vol glorie op 't gelukkig land, Dat warmte wenschte na den kouden dag. En de aarde, vol verlangen, opent zich Om 't lang verbeide gouden licht te ontvangeu

176

ocr page 203

En in te drinken milden stralenregen.

Al wat verstijfd door koude roerloos lag, Verscholen in den donk'ren, somb'ren grond, Ontwaakt weer tot nieuw leven door den gloed, En rept de kleine vleugels om verheugd Omhoog te stijgen naar den levenssehenker, Den warmtegever en den onderhouder.

Door populieren rilt de lichte wind,

Wier zilv'ren loovers lachen in het licht, En 't water dat geluidloos henenstroomt Wordt goud-gerimpeld aan zijn oppervlak.

12

177

ocr page 204

DE LEVENSKEUS

(AAN IDA)

DOOK

De. W. B. J. VAN EIJK,

geboren 3i Januari 1856 te Utreclif.

Neen! Ik vergeet hem niet, dien opslag uwer oogen,

Waarin uw keus geschreven stond,

Toen ge in dat plechtig uur, diep in de ziel bewogen,

Voor uw gevoel geen klanken vondt;

Toen —ja! één oogwenk slechts, — een nevel zich vertoonde En 't sprekend marmerwit den tintelblos onttroonde,

Die zetelt op uw lief gelaat;...

Toen gij, het maagdlijk hart aan't moederhart gesloten, Terwijl de tranen u ontvloten,

Daar ruste vond en raad!

Hoe? Wie vertolkt het u, wat overvloed van vragen,

Als raadselen dooreen geward,

Met saamgegaarde kracht de worstling op deed dagen, Die zich verhief in 't slingrend hart? —

178

ocr page 205

Wie, wie verklaart het u, wat in uw biunenst bruiste, Wat al gedachtenstroom u 't duizlend brein doorkruiste,

Toen — immers onder 't oog van God ? —

De stem van 't reinst gevoel de zegepraal behaalde, En gij de levenskeus bepaalde,

Beslissend voor uw lot ? ...

Wis dacht gij toen aan hem, wiens beeld u bleef omzweven.

Hoezeer te vroeg van 't hart gescheurd, Den dierbren doode, kind! wiens geest ge in u voelt leven.

Uw Vader — thans vooral betreurd! —

Licht dacht ge ook aau uw jeugd, wier eerste flonkerstralen Langs d'opgang van uw baan n og uau w hun licht doet dalen.

Met kinderlijke vreugd begroet, —

De schatten, die voor u de wereld houdt verborgen, En uit zijn schoot den dag van morgen Dra uitspreidt voor uw voet!...

Hoe?.. .Zoudt ge als in een roes, de toekomstdarteldronken

Met lichte schreden tegengaan, —

Niet luistren naar het woord, in diep gepeins verzonken.

Dat hooger stem u doet verstaan ? —

Neen! tot u zelv' gekeerd, wilt ge in u zelv'verloren, U toetsen aan de vraag: „Mag ik hem toebehooren,

Die mij zijn liefde en leven bood ?

Bezit ik al de kracht, om mij hem toe te wijden, — Zelfs dan, wanneer in spader tijden De voorspoed ons ontvlood ? quot; ...

Die vraag strekt u tot eer! Deze ernst voorspelt u zegen En kloekheid op uw levenspad.

179

ocr page 206

Ga dus gestemd met moed de ontrouwbre toekomst tegen ,

Wat ze in haar windslen houde omvat!

Reik dus de hand aan hem, dien ge u hebt uitverkoren , Den jongling, die zijn trouw, zijn liefde u heeft gezworen

Met al deu gloed, die in hem leeft.

Gij moet gelukkig zijn — en ook geluk doen smaken , En zoo vereend het heil zien naken,

Waarnaar gij beiden streeft.

Zij 't nog met d' eersten schroom, quot;t is toch met goed

vertrouwen,

Dat gij uw hand legt in zijn baud ,

Is dit uw levenskeus ? — Ze kan u nooit berouwen , Doet gij elkaar uw eed gestand,

! Gaat saam dan zoo uw weg! Als onder 's Vaders hoede En moeders beê beschermd, blijft het u wel te moede,

Steeds bouwend, steunend op elkaar !

Dan wordt uw hartsgevoel de tooverspreuk uws levens: Ge maakt van wat ge u droomde tevens De schoone beeldspraak waar.

'k Vergeet hem daarom nooit, dien opslag uwer oogen ,

Waarin uw ziel besloten lag.

Toen ik, van onder 't welf der breede wenkbrauwbogen,

Het weefsel uwer stemming zag, —

Die mengling van gevoel, van veerkracht, van vertrouwen, Die u met blijden blik uw toekomst deed aanschouwen

En toon gaf aan uw levensleus. —

Schoon als de dageraad, die licht spreidt op uw wegen. Spelle u dees blik Gods besten zegen,

Op zóó besliste keus!

180

ocr page 207

KINDEKLIJKE LIEFDE

pook

Mr. A. BOGAERS,

geboren 6 Januari 1795 te 'silage, ■{■ 'H Aug. ISTO.

Eerbiedt uwe oudren, hebt ze lief, Verheugt het hart, waar ge onder rustte, Eer 't blijde huis u welkom kuste Eu dank om u ten hemel hief;

Houdt teedre drukken voor die handen,

Die , trillende, van vadervreugd, U streelden in uw zwachtelbanden En weldaan plengden in uw jeugd!

Wat waart ge, toen uw dag ontglom. Een schaamle vorm, een nietig wezen, Onmagtig, zelf uw prijs te lezen.

Onweerbaar, schoon bedreigd rondom! Doch naast uw wieg zat moederliefde;

Uit moeders boezem dronkt ge kracht; Zij weerde 't leed, al eer het griefde; Sloot gij het oog, zij hield de wacht.

181

ocr page 208

Haar hand geleidde uw eerste schreên;

Haar kusje stelpte u kindertranen;

Om tot het goede u zacht te manen,

Wist zij 't in sprookjes in te kleên;

Schonk vader, 't oog op later tijden,

Soms 't bitter vocht, dat sterken moet; Zij liet een droppel honig glijden

Om 't wrange glas, en 't scheen u zoet.

En 't harte bleef u week en rein, Een grond! waar kostlijk zaad zou tieren; Terwijl er kracht vloot in uw spieren,

Ontlook het oordeel in uw brein;

Uw wil bekwam, door 't wijze drukken.

Die schoone plooi, die groeit tot deugd;

Waar gij, als mensch, zoudt vruchten plukken Uw ouders plantten 't in uw jeugd.

Hoe strekte uw bloei hun zielsgenucht! Wat teedre trots deê 't hart hun zwellen, Verwont ge op school uw leergezellen,

Verried uw doen een eedle zucht!

Wat nam de bede voor uw zegen

Een ruime plaats in hun gebeên ! Hoe dankten ze, als hun knieën negen, Het eerst om 't heil, dat u bescheen!

Uw kindschheid week: gij liet het dak, Waar 't ouderdons zich spreidde om 't kieken Gedragen op uw eigen wieken,

Verhieft ge u, vrij, in 't nevelvlak.

ocr page 209

Gelnk! doorkruist de wijde perken ;

Doch, werwaarts heen ge drijft of doolt, Vergeet ze niet, die trouwe vlerken.

Waar gij, nog pluimloos, onder schoolt!

Thans weet ook gij, wat zorgen zijn; Ge ervaart de hachlijkheên van 't leven. Benijders komen naast u streven ;

Verleiders fluistren hun venijn.

Zijt kloek! maar water moog gebeuren, U rest een wijk; steeds zijn er twee. Die uw geluk het hunne keuren,

En heul bewaren voor u wee.

Waardeert hun raad! hebt teêr ze lief! Vult heil u schaal, bidt hen te proeven! Mogt ge, onbedacht, hun ziel bedroeven,

Toont gauw berouw en heelt de grief! Bedenkt, het uur kon plotsling komen. Dat ge uit hun strak ver stijfden mond, A.1 liet ge er al uw bloed voor stroomen , Uw vrijspraak niet meer hooren kondt.

Maar weg dat beeld, waar't hart van rilt! Gij eert ze en ziet ze vreugdig grijzen; Breng hun nu weêr die trouwbewijzen,

Aan u , als kind, door hen gespild! Volkwijt u schuld! — neen, brave telgen,

Geen schat die ooit ze kwijten kan ; Doch, is de hoofdsom niet te delgen, Betaalt er hooge renten van!

183

ocr page 210

En, zoo gij-zeiven 't heil geniet, Dat Meenen ook uw huis doorwoelen, En thans in eigen borst moogt voelen ,

Wat liefde de ouderborst doorvliet; Dan (na ze u blijde in de armpjes knelden

En 't hart u smolt van zoeten lust) Zal teedrer nog uw dank zich melden, Als ouder zelf, ge uwe oudren kust.

En, roept dat somber uur ze op 't lest. Dat zeker — mogt het rugwaarts treden — Terugtrad voor de smeekgebeden,

Met tranen, aan uw hart ontprest ; Hoort, knielend naast hun koets gelegen.

Bij 't glimm'ren van de laatste vonk, Hen God nog loven voor den zegen.

Dien Hij in lievend kroost hun schonk.

Dat zal u troosten; dat, nog lang Na 't stof aan 't stof is weergegeven , Uit vrede en vreugd uw ziel doorzweven,

Als nageruisch van zoet gezang. — O, wel hem, die bij 't graf gebogen.

Dat dierbare oudrenasch omvat, Mag zeggen: 'k heb mijn plicht voltogen ; Ik heb ze hartelijk lief gehad!

184

ocr page 211

MIJN' GOEIE, OUWE JUFFROUW

DOOR,

PIET VLUCHTIG,

(Feits Smit Kleine)

geboren 11 April 1845 te Haarlem.

In mijn kamer liaugt een klok,

Nog zoo'n ouderwetsehe,

En die juffer is steeds drok Aan den gang met praten: Tik , tak , tik , tak.

Nimmer loopt ze na of voor,

Nimmer heeft zij kuren ,

Wie er kome of mij ook stoor', Altoos blijft zij babb'len;

Tik , tak , tik , tak.

Staat het werken mij niet aan ,

Luier ik zoo'n beetje,

In haar heen- en wedergaan Klinkt dan heel erg yroolijk: Lui , dom , lui, dom.

185

ocr page 212

Ben ik soms eens bijster laat

Uit mijn bed gekropen,

Lieve deugd! dan is ze kwaad En baar stem klinkt spottend: Vroeg, op, vroeg, op.

Maak ik me in haar bijzijn kwaad,

Boos, kwaad, nijdig, driftig, Wat vermakelijke praat.

Die zij dan laat booren:

Dwaas , gek , dwaas , gek.

Ben ik moedeloos en wil

Niets mij goed gelukken , Dan — want zij zwijgt nimmer stil, — Hoor 'k baar troostvol spreken; Hou', moed, bou', moed.

Ocb die goeie, ouwe klok,

Voor geen bonderd gulden, Wou 'k, al is ze ook soms wat drok, Haar gezelschap missen.

Tik , tak, tik , tak.

Eens, maar 't is al lang geleên,

Zat ik op mijn kamer,

't Was zoo doodstil om mij heeu, Zelfs mijn oude sprak niet: Tik , tak , tik , tak.

186

ocr page 213

„Wat is dat?': zoo riep ik uit,

— 'k Was er van geschrokken — „Jij zelfs zwijgt?quot; Maar geen geluid Liet mij weder hooren ;

Tik , tak , tik , tak.

'k Zie...jawel, het lag aan mij,

Dat zij zweeg mijn oude,

Na een poosjen antwoordt zij Op mijn beê: Vergeef me:

Pas, op, pas, op.

Kindren! hebt gij ook zoo'n klok,

Zorgt dat zij blijft praten ,

't Kan geen kwaad, al is ze drok, Af en toe te hooren :

Werk, goed, werk, goed.

Want je raakt aan haar gehecht

En den tijd waardeer je ,

'k Meen, naar Franklins voorbeeld zegt Aloos door die juffer:

Tijd , geld , tijd, geld.

187

ocr page 214

GENOTEN VREUGDE

:gt;ooe

ALBERT VERWET,

geb. 13 .Mei 1865 te Amsterdam.

Als 't laatste licht nog aan den hemel is

Maar langzaam weggaat in de zee, dan valt

De scheem'ring over de aarde en daagt een droom

Vol starren aan den hemel mijner ziel.

En half in licht en half in duisternis,

Dagen mij al die lieflijke gestalten,

Die ik des daags gezien heb, en ik hoor

Den voetstap van voorbijgegane vreugde,

Als van een vriend die heengaat in den nacht.

Want, weet ge, als soms mij aan den hoek der straat Een vriend verlaat die 'n eindweegs met mij ging, Dan sta ik lang te luistren, lang nadat Zijn voeten uit de straat zijn — en ik meen Aldoor hun klank te hooren, wijl ik waak,

Maar waak half droomend.

188

ocr page 215

Zie, zooals muziek Nog natrilt in een kamer en een poos De leege stilte een langre vreugd doet zijn , Zóó is er vreugde in nacht na zonneglans ,

Zóó is er vreugde in 't luistren naar den klank Der voeten van een vriend die weggaat 's nachts. En zoo zal elk die eens genoten heeft,

't Genot nog kennen in zijn eenzaamheid,

Want wat men eens geniet, gaat nooit voorbij.

Al wat men eens genoot gaat nooit voorbij , — En alle vreugd , en Gij, muziek en woord,

't Zal alles leven als een lang genot,

En lachen zal het in 't geschreven lied,

Dat ik U wijd —

dat ik U wijd ten dank Voor lach en woord en al wat vreugde geeft, En blijven zal in blijde erinnering.

189

ocr page 216

GENOTEN VREUGDE

DOOK

ALBERT VERWET,

geb. 15 Mei 1865 te Amsterdam.

Als 't laatste licht nog aan den hemel is

Maar langzaam weggaat in de zee, dan valt

De scheem'ring over de aarde en daagt een droom

Vol starren aau den hemel mijner ziel.

En half in licht en half in duisternis,

Dagen mij al die lieflijke gestalten,

Die ik des daags gezien heb, en ik hoor

Den voetstap van voorbijgegane vreugde,

Als van een vriend die heengaat in den nacht.

Want, weet ge, als soms mij aan den hoek der straat Een vriend verlaat die 'n eindweegs met mij ging. Dan sta ik lang te luistren, lang nadat Zijn voeten uit de straat zijn — en ik meen Aldoor hun klank te hooren, wijl ik waak.

Maar waak half droomend.

|

I

188

ocr page 217

Zie, zooals muziek Nog natrilt in een kamer en een poos De leege stilte een laugre vreugd doet zijn, Zóó is er vreugde in nacht na zonneglans ,

Zóó is er vreugde in 't luistren naar den klank Der voeten van een vriend die weggaat 's nachts. En zoo zal elk die eens genoten heeft,

't Genot nog kennen in zijn eenzaamheid ,

Want wat men eens geniet, gaat nooit voorbij.

Al wat men eens genoot gaat nooit voorbij , — En alle vreugd , en Gij , muziek en woord,

't Zal alles leven als een lang genot,

En lachen zal het in 't geschreven lied,

Dat ik U wijd —

dat ik U wijd ten dank Voor lach en woord en al wat vreugde geeft, En blijven zal in blijde erinnering.

ï

I ____

|

I |

I 1

| ?

1 1

; 1

? {

1 I

• •

f i

..................................................................................................................................................................

189 i

ocr page 218

GrEDlCHTElsr

VAN

Dk. W. ZÜIDEMA,

geb. ii Nov. 1855.

I.

Herfstrozen.

De zoinerzangers zwijgen;

Reeds bleekte 't groen tot goud; Reeds huiv'ren naakte twijgen; Reeds waart de mist door 't woud.

Wie zou nog bloemen zoeken , Die vóór den herfst vergaan ? Ei, zie, in luwe hoeken Nog jonge rozen staan.

De najaarsstormen loeien;

Kort is en kil de dag; — De najaarsrozen bloeien,

Der aarde stervenslacli.

190

ocr page 219

Als ons de herfst van 't leven

Zijn dorre blad'ren strooit, Zij ons e'en bloem gebleven, Die zóó ons heengaan tooit!

II.

Windebloeai.

Vredig ligt het huizeldjn In de schaüw der linde;

Zedig dekt het kluizekijn 't Kronkelloof der winde.

Windekelken rood en wit Schier het venster dekken;

't Meisje, dat daar peinzend zit, Tot een kransj en strekken.

Peinzend staat ook hij voor 't raam: Of ze hem wel beminde? —

En hij vlecht hun handen saam Met een rank der winde.

En zij weert hem zachtkens af — Maar met purpren wangen !

Schoon geen woord hem hope gaf , 't Hartjen is gevangen.

1

191

ocr page 220

'i

Als nu dra de vedel gaat

In de schatiw der linde ,

Ziet hoe lief die bruidskroon staat: Bloem en loof der winde!

III.

Sterrennacht.

Ik stond bij nacht in 't vlakke veld alleen, En sloeg in 't ronde langs de kim mijn oogen, Een ster ten baken zoekend; — ij del pogen! Slechts duisternis: de laatste vonk verdween.

Ontroerd richtte ik mijn blikken dan ten hoogen, Of daar een enk'le leidster mij verscheen — En zie! nog reisde 't Hemelsch Heir daarheen... De kim slechts was met aardschen damp betogen.

En 'k voelde, waarom op mijn levenspad, Zoo vaak ik 't oog rondom geslagen had, En moed en hope dreigden mij te ontzinken,

Deze aard belet door stof en nevel zelf Den sterrenkring ter kim, voor haar te blinken... Omhoog blinkt onbelet het lichtgewelf.

192

ocr page 221

HET HUISJE IN DE DUINEN

DOOR

YIRGINIE LOVELING,

geboren 17 Mei 1836 te Nevele (O. VI.)

Het scheepsvolk lichtte de ankers,

En hief een kreet van heil; Het schip schoot door de golven; De zeewind zong in 't zeil.

Hoog, in den top der masten,

Stak eene kleine hand Vooruit, door vlag en zeilen.

Naar 't verre Vaderland.

Daar zat de jonge scheepsknaap;

Den lach zweefde om zijn mond. Och! hij dacht aan zijn huisje, Dat in de duinen stond.

En aan zijn zieke moeder,

Die daar bij 't venster zat. Aan 't Lieve — Vrouwenbeeldje, Waarvoor zij 's avonds bad.

193

ocr page 222

Hij dacht aan 't broklig muurken,

Dat d'engen tuin omsloot, En aan den violierstruik,

Die uit de kloven schoot;

En hoe zijn moeder weende,

Den avond voor 't vertrek — Sinds zonk zoo menige avond , In scheemring over 't dek.

Hij wreef een traan uit de oogen,

En 't arme kind begon Een oud vergeten liedje,

Dat zijne moeder kon.

I t

Daarboven was er iemand Die naar hem nederkeek;

Het was 't gelaat der mane Zoo ernstig en zoo bleek.

Zoo zag zijne arme moeder Hem zoet en zwijgend aan,

Toen ze, onder ruwe zeeliên , Den jongen knaap zag staan.

Maar thans komt hij weer rusten Bij haar, na al den last,

Gelijk de moede zwaluw Komt rusten op den mast.

194

ocr page 223

Hij had een traan in de oogen, Maar hoop en heil in 't hert,

Toan weer het ijzren anker Aan land geworpen werd.

Daar stond het vriendlijk huisje In roode schemertint,

En blikte naar de baren, Als wachtte 't op het kind.

De stormen zijn vergeten, De thuiskomst is zoo zoet!

Hoe schittert 't kleine venster In d' avondzonnegloed.

Hij komt, hij stoot aan 't deurken, Dat hem geen weerstand biedt,

En staart en zoekt in 't ronde , Maar vindt zijn moeder niet!

Hij zag er slechts een zonstraal, Die door een spleetje scheen,

Waarin de stofjes glansden En wemelden dooreen.

Hij zocht in 't eenzaam hof ken, Waar was zijn moeder, waar?

Zijn lip dorst het niet vragen,

Zijn harte woog zoo zwaar.

195

ocr page 224

Och, 't gras groeit op haar terpje, Eu of nu 't onweer woedt,

Het kan haar rust niet storen: Zij sluimert er zoo zoet!

De wind blies in de zeilen, Het schip vertrok weêrom;

Maar niemand dacht aan 't knaapje , Dat langs het scheepstouw klom.

Alleen een groote sterre

Keek door den mist hem aan,

Gelijk een oog vol weemoed, Verduisterd door een traan.

Hij vlood, gelijk de vogel Die, door een pijl bezeerd,

Nog bloedend voort wil vliegen, Maar nooit naar 't nestje keert.

Daar staat 't verlaten huisje Nog in het distlig duin ;

Het kruit schiet uit de steenen, De mol wroet in den tuin.

196

ocr page 225

H E ï J U E K J E

DOOK

J. L. WERTHEIM,

geboren '22 October 1840, -{- 18 Augustus 1882.

Op de enge vliering, waar het daglielit vaal eu grauw Door 't kleine venster breekt, was tussclien man en vrouw Een twist ontstaan. De man, als naar gewoonte dronken. Had op zijn leger heel den morgen liggen ronken. Nog half beneveld, was hij korselig ontwaakt. —

't Was middag, 't uur, waarop de werkman d'arbeid staakt, En zich een wijl verpoost. „Welnu, waar blijft het eten? quot; Klonk 's dronkaards barsche stem. „Je hebt alweer vergeten Den disch te dekken! 't Gaat hier aardig toe in huis ! Een mooie warboêl! Och! zoo'n vrouw is toch een kruis!quot; Al die zich schuldig voelt, zoekt anderen te laken, Om daardoor eigen schuld wat minder zwart te maken. „Waar kom je nu vandaan? En wat heb je al dien tijd Weer uitgevoerd? Een vrouw, die steeds haar dagen slijt Op straat, vertrouw ik niet!quot;

— „'k Heb uren rondgeloopen

197

ocr page 226

Om werk te zoeken en wat brood en hout te koopen; 't Is alles bitter duur. Ik sloof van 's morgens vroeg Tot 's avonds laat en jij, jij zit maar in de kroeg!quot;

— „ Ik doe hetgeen mij lust!quot;

— „ Zoo denk ik ook te hand'len!quot;

— „Ik ga mijn eigen weg!quot;

— „Ik zal den weg bewandlen

Dien ik wil!quot;

— „Schepsel zwijg!..

En eensklaps barst de orkaan Van tal van ruwe woorden los, en woedend slaan Ze elkaar met 't schamper woord de wreedste en diepste

wonden;

Al wat ellende en wrok aan bittre smaadrêen vonden Vindt hier zijn uiting; al de grieven van 't verleên, De kommer, die hen wacht; en door dat alles heen. De droeve 'erinnering aan lang vervlogen tijden. Ten laatste spreekt de man :

„ Waartoe dat eeuwig strijden ? Ik ben het meer dan moê! 't Is daaglijks nieuwe twist. Waartoe ons leven zoo verbitterd? Waarlijk is 't Niet zot? Een mooi gezin!... Het mag niet langer duren. Ik walg van zoo'n bestaan! Die kale, sombre muren Ze boeien mij niet meer, ik beb daarbinnen vrij Wat leed doorstaan! 't Liep al mij tegen hier!quot;

En zij:

— „Best! Ik begrijp je wel! We moeten van elkander, We hebben lang genoeg daarmêe gedreigd.quot;

En de ander:

— „Dat is zoo!quot;

— „ Och, ik heb reeds veel te lang gedraald!quot;

198

ocr page 227

— „ En ik dan!quot;

— „'t Was een vloek, waarbij geen mart'ling haalt!quot;

— „Een hel!quot;

— „ Zoo ga dan!quot; sprak de vrouw, 'k Heb meer geleden Dan mensch'lijk is. Wees vrij , ik ben het ook van heden. Ik heb voor twee gewerkt, kies zelf thans een bedrijf! Wat mij betreft, ik heb nog handen aan het lijf. En ducht geen broodsgebrek. Maar ga toch naar ^

vrinden!

Ze wachten in de kroeg, je zult er hen wel vinden! Doch slaap je roes van nacht op straat of elders uit, Ar Daar ik voortaan mijn deur voor zulk een dronkaard

sluit!quot;

— „'t Is goed. Maar meen je dat ik 't huisraad en de

plunje,

Waaraan ik deel heb, hier zou laten? Wel dat kun je Begrijpen! Dat ik als een bedelaar dit huis In 't schamel werkmanspak verlaten zou ? Abuis ! Ik eisch van alles hier de helft. Wij zullen 't samen Verdeelen. 't Hoort ook mij!quot;

— „Aan u? Je moest je schamen! Zeg, wie van beiden heeft de grootste vlijt en moed Betoond om d'inboêl bij elkaar te brengen! ... Goed! Ook daarin stem ik toe! — Bevredig je verlangen. Ge zijt me vreemd ! Ik wil van u geen gunst ontvangen.quot; En ijlings gaan ze aan 't werk. Elk monstert en betast 't Armoedig huisraad aan den wand, in lade en kast. En gudsend stroomt het zweet van't gloeiend voorhoofd

neder.

De man haakt koortsig naar het uur, waarop hij weder Zijn vrijheid zal erlangen. Zonder zelfs een woord

i

199

ocr page 228

Te zeggen, snuffelt hij in 't rond, door haast gespoord En schandlijke eigenbaat. Niets, niets ontgaat zijn oogen Bij 't heiligschennend werk. Hij kent geen mededogen! Helaas! Wat wanorde in het somber kluisje, dat Misschien de Liefde in't schoonst paleis herschapen had! O, droevig schouwspel! Zie slechts: wijd en zijd in 't ronde Ligt alles door elkaar op tafel, vloer en sponde, En ieder op zijn beurt tast toe en kaapt zijn deel „Neemt gij dit, ik neem dat, zoo hebben we evenveel! „ Dit glas voor u en dit voor mij !

„Twee kandelaren. Voor ieder een! — ik neem de klok!quot;

— „ Ik de lantaren! quot; — „Voor elk een deken!quot; Zoo wordt 'shuwlijks heiige

band

Van eengescheurd. Helaas! niets zeldzaams in dien stand!

Het deelen liep teneind. Hel kil en somber weder Wierp over 't droef tafreel een grauwen sluier neder. Ginds op de bovenplank, ligt in een duistren hoek Een onaanzienlijk pak, zorgvuldig in een doek Geknoopt. De man bemerkt en opent het.

„'k Wil weten Wat in dit pakje is; we hebben 't nog vergeten, „'t Is zeker linnengoed ... 't zijn kleeren... laat eens

zien ! ...quot;

„Een boezelaar? ... een mutsje? ... een jurkje? ... Zou

't misschien ? ...quot; Zij zien elkander aan!... Vol diepen weemoed staren Ze die reliquieën aau van lang vervlogen jaren: Och! 't zijn de kleertjes, erg verouderd en verkleurd ,

200

ocr page 229

Van 't vroeg gestorven kind, door beiden diep betreurd. Ze blijven spraakloos staan, in 't diepst der ziel bewogen , En als een tooverbeeld herrijst daar voor hun oogen Een dartel, blozend wicht, het lieflijk frissche waas Der onschuld op 't gelaat, in 't leste jurkje, eilaas! „'t Hoort mijzoo spreekt de man, „ ik geef dat

jurkje node!quot; En grijpt het vast. Doch zij roept, bleek gelijk een doode: Neen! 't hoort niet u, maar mij ; ik heb quot;t met eigen hand Gewerkt, gestikt...quot;

— „ Ik wil het!quot;

— „Nooit? Dat kostbaar pand Heb 'k jaren lang bewaard om 't heimlijk te beschouwen, Om 't steeds te kussen; je moogt alles hier behouên. Ja, alles! maar laat mij het jurkje van mijn schat! Wat was het mooi en zoet!... Ik heb 't zoo lief gehad! Het is nu driejaar dood... God! waarom 't ons ontnomen? O! ware 't kind nog hier, 't was nooit zoover gekomen 't Is nu te laat!quot;

En dan, met wankelenden tred En zwijgend, gaat ze tot haar man en hij verzet Zich niet, nu ze uit zijn hand de kleertjes heeft genomen En onbeweeglijk er op staart en schijnt te droomen , En kust dan teêrder jurk en kleinen boezelaar En 't poetsig mutsje, waar het blond en krullend haar Zoo aardig uitkeek, waar ze 't Zondags meê mocht tooien. '■ Dan strijkt zij alles weer in de oude, gele plooien En pakt het netjes saêm en fluistert somber: „Neen, Neen kind, je komt te laat! Ik heb te veel geleên!quot; „Te laat!quot; krijt thans de man, „Vrouw, zou je dat

gelooven ?

I |

201

ocr page 230

Zeg, moeder, zoo ons kind, dat engeltje daarboven, Nog tot ons neerdaalt, tot ons spreekt en ons verbiedt Haar kleine, lieve jurk te deelen, zoo ze 't niet Kan dulden dat we elkaar verlaten in dit leven,.. . Zou 't dan te laat zijn, vrouw? ...Zeg, wil je mij vergeven? Ik kan niet heengaan! neen !quot;

En tranen van berouw Ontwellen aan zijn oog. Hij zinkt terneer. De vrouw Snelt toe: „Je beeft, je schreit!quot; En snikkend staamlen

beiden:

„We zijn opnieuw vereend, we zullen nimmer scheiden quot;

Gevolgd.

202

ocr page 231

LENTE-DKOOM

LOOK

EDUARD BROM,

geb. '20 Juli 1864.

Nu ga ik in een lentedroom van licht

En schoonlieid, mij als met een wolk omhlinkend Van roze en goud; — een wonderrijk gedicht Schijnt mijn geluk, al hooger, hooger blinkend!

Voort, rustloos, woelt het leven om mij heen...

Slaapwandelaar, staar ik 't aan met open oogen , En starren blik. — 'k Richt onbewust mijn schreên. Zie 't vizioen, door 't werkelijke onbewogen.

|

Soms stoot te ruw mij 't menschenleven aan...

Nog met een zaalgen glimlach op de lippen Ontwaak ik ... wee! is 't waarheid of is 't waan ? 'k Sluit de oogen... 'k vrees, mijn droom mocht mij

ontglippen.

203

ocr page 232

Of, huivrend, mengt in 't licht zich droevig zwart;

'k Word in mijn droom ontrust door sombre beelden Yan lente-dood- en graf, van wintersmart...

Er ligt een puinhoop van vergane weelden !

Dan kreun ik als een kind van angst... een druk

Benauwt mij.. .'k zie die schimmen weêr verdwijnen... 'k Droom voort mijn droom van roze en goud geluk 0! lentedroom, laat nog uw licht wat schijnen!

SCHEMERING-.

Onhoorbaar daalt de stille schemering, En schrijdt geluidloos verder, altijd voort, Totdat zij peinzend rust in roerloosheid ... Het is, als fluistert zij mij zacht in 't oor Teêre mysteries, die geen sterv'ling weet, Die 'k niet verklaren kan, zóó onbestemd En vormloos. — Toch zoo innig, zalig zacht, • Dat mij betoovring met een waas omweeft, Een wazig weefsel van halflicht me omgeeft, En 'k onbeweeglijk zit in bange vrees , Dat scheuren zal het ragfijn schemerwaas Der zielmysteries, bevend opgevlot!

quot;ioTquot;

ocr page 233

EEN BLOEM UIT GELDERLAND

DOOR

G. H. J. ELLIOT BOSWEL,

geb 17 Febr. '1830 te Amsterdam, -j- 18 Juni ISTi.

Niet in de stad, dien steenen klomp

vol hebzucht, damp en smook,

Waar 't hart van menig bloem verdort

nog vóór de bloem ontlook.

Niet in de stad, maar op het land,

Op 't groenend veldtapeet.

Langs dichtbegroeiden heuvelkling of vlakten, zacht bekleed ;

Op 't land, bij beekjes, blaauw en klaar,

bij koeltje en vooglenvlucht.

Bij olm en linde en wingerd-rank

in frissche, vrije lucht.

Daar toont de Mei haar schoon gelaat,

haar fijne en eedlen blos,

Daar ruischt haar kleed, daar zweeft ze rond en juicht door beemd en bosch;

205

ocr page 234

Daar geeft zij menseh en dier en kruid

Verjongde lust en kracht,

Daar werpt Natuur de lijkwade af,

herlevend door haar macht;

Daar juichen kleur en geur en glans ;

De Mei verscheen, ontwaak!

Daar roept het zonnetje aan den boog: nu lustig aan uw taak!

En 't is op 't land en in de Mei,

dat 's morgens vroeg een stoet Van boerendeernen, vol gesnap,

zich schertsend veldwaarst spoedt; Zij achten juk en emmer licht;

— 't Is ook zulk heerlijk weer! — Elk zoek zijn koetjes, blank of bont, En hurkt er fluks bij neêr.

Een lief tooneeltje; 't zonnig veld,

bedekt met loeijend vee:

De glundre deernen, hier en ginds,

In 't melken even reê:

■Omhoog, in heldre, blauwe lucht

de leeuwrik, rijk aan zang,

Omlaag de vroolijkheid en vlijt met rozen op de wang!

Van 't troepje geen zoo dwaas en druk,

Als Mieke, 't looze wicht;

Zij, jong en jolig, enkel scherts,

zij, blij als quot;t zonnelicht!

206

ocr page 235

Geen meisjen in geheel de streek,

zoo dwaas, maar ook zoo knap ...

Haar leven was één lach, één lied,

haar werk één jok, één grap.

De knapen mochten Mieke graag, eik wenscht haar tot zijn bruid;

Maar zij , der knapen echten plaag,

lachte al de vrijers uit;

„Een dansje met de kermis,quot; — zei ze „och ja, dat neem ik aan ...

Dus tot zoolang m'n vriend, adi!

Maar vlug ter been... verstaan?quot;

Haar moeder, weduw, stil van aard ,

misprees haar wuften zin;

En zag zij moeders leed, dan hield zij naauw haar tranen in ,

Dan vloog zij moedertje om den hals;

haar kussend, innig teer ...

Maar strak weêr deed ze iets dwaas, en ging haar ouden gang alweêr,

|

Toen 't kermis was op zeekren tijd,

was zij het drukst van al;

Haar vreugd was die van 't dartel kind,

haar grappen zonder tal;

De vedel kraste, en zij, vooraan zwierde altoos in de rei,

Of trok de tragen kluchtig voort bij 't lustig lied der Mei!

207

ocr page 236

Zij joolde met de knapen drnk

en vrij , zoolang 't haar leek,

En menig lioofd stond glad verkeerd

voor rt werk de gansche week ,

En zij ? — zij kraaide 't uit van pret

Om 't fleemen van de maats:

„Komt mannen! toontje kloek verstand, en wees niet flauw en dwaas !quot;

Zoo sprak haar spot ook Huibert toe,

een dorper, kloek en vlug;

Niet mooi, maar schrander, zwart van oog

en voor de meesten stug;

Met hem nu had zij 't meest gedanst,

hij was ook rap ter been,

Hij had haar lief, maar draaide niet als de and'ren om haar heen.

Hij zweeg; maar toen hij telkens zag hoe 't haar steeds meer verdroot, Als hij een ander vroeg ten dans

of 't feestlijk glaasje bood ,

Toen sprak hij: „Mieke, u heb ik lief,

u slechts wensch ik tot -vrouw!quot; En spottend klonk haar antwoord: „Vriend hoe ? ... gij óók al zoo flaauw !quot;

Dat trof hem diep, dat deed hem zeer,

toch hield hij 't hoofd omhoog; Hij werkte hard, maar vaak ontsprong in stilte een traan zijn oog;

208

ocr page 237

En zij — haar hart was niet gerust,

't Sloeg toch reeds lang voor hem — Wat gaf ze niet, mocht ze eens, maar ééns nog luistren naar zijn stem !

Doch — stille smart ■— steeds mijdt hij haar,

het puikje van de jeugd.

Zij, dartle plaag, wil niet geplaagd,

dies veinst zij zich verheugd, Ja, luchtiger te zijn dan ooit,

en toen ze iets spottends zei:

Toen lachte 't volk dat veldwaarts toog , 't was 's morgens in de Mei.

II.

't Werd voor Euroop een schrikbre tijd,

de tijd waar 'k van verhaal:

Op nieuw schoor de oorlog — vloek der aard',

de ontkiemende akkers kaal;

Teruggekeerd van Elba's rots,

verhiefd weer dreigend 't hoofd,

De man, die Neêrland had vertrapt en rang en macht ontroofd.

Ter heirvaart trokken volken op;

en ook onze eigen grond Bood fier zijn zonen, kloek en trouw en één in 't groot verbond

14

209

ocr page 238

Naar 't groote leger is de keur

van Neêrlands volk gesneld; — Oud-Hollands Leeuw waakt op ten strijd, Waar 't Vorst en haardstee geldt.

De Mei zweefde aan — de droeve Mei!

lioe sclioon de zon ook blonk ,

En aan de ontwakende Natuur haar lieflijk aanzijn schonk;

't Was droef op 't land, want dorp en vlek,

hoe blakend ook van moed.

Mist toch zijn flinkste knapen, die naar 't leger zijn gespoed.

En uit ons dorpjen ook komt ginds

Een wakkre knaap getreên ;

Fier stapt hij voort en groet, en rept

zich door de menigt heen ;

En man en deerne drukt zijn hand,

en doet hem uitgelei...

't Is stugge Huibert, die vertrekt naar 't leger — in de Mei.

Hij had, sinds Mieke's koel bescheid,

geen rust meer en geen duur:

— Ook 't boersch gemoed voelt dikwijls diep,

hoe stug ook van natuur. —

Hij had gepeinsd en 't plan stond vast:

hij prooi van diepe smart,

Zocht in den krijg vergetelheid

voor wat hem vlijmde aan 't hart.

•IMl'

210

ocr page 239

En thans verlaat hij vriend en maag,

En 't eens zoo dierbaar oord;

Den dood in 't hart, maar schijnbaar kalm ,

schrijdt hij daar zwijgend voort; „Vaartwel!quot; klonk 't eindlijk: „vaar clan wel

ook gij mijn dierbre plek!quot;

En, toen hij Mieke zag van ver:

„ Goddank, dat ik vertrek! quot;

Dit zag, dit hoorde ze, en verbleekte ,

en stond daar als versteend;

Sinds heeft zij menig nacht doorwaakt,

en om den knaap geweend ;

't Geweten knaagde en riep vooral

als pas haar oog zich sloot:

„Denk, dartel kind! dat, sneuvelt hij ,

gij deel hebt aan zijn dood !quot;

Maar 't was te laat, en sinds hij ging

had zij geen vreugd of rust:

— Ook 't boersche maagdenhart voelt diep,

hoe rijk aan levenslust. —

Zij , dartle plaagster van voorheen ,

zij, enkel scherts en spot,

Vindt thans geen vreugd meer in de vreugd en stilte is haar genot.

Men scherts met haar; men plaagt haar soms -

een kleine wraak, — om niet!

Men noodt haar uit ten dans — Vergeefs, niets keert haar bang verdriet.

211

ocr page 240

De knapsten vrijen om haar liand,

zij spot niet meer, — ze zwijgt — 't Is rijke Koen, de mulder, zelfs die 't weigrend antwoord krijgt.

Haar blos vervloog, kaar lach verdween;

't is of een jarental Haar kracht ontzenuwde, en haar jeugd

verdorde, gansch en al.

Toch werkt zij, wat ze werken kan en spaart; want zacht en zoet,

Lispt soms de hoop: „wie weet, wie weet, bid God, en — goeden moed!

Vaak toog zij 's morgens vroeg naar stad,

om tijding; maar verneemt Zoo droeve dingen, van den strijd,

van dooden, vriend en vreemd ... — Ook Jacob uit de Veluw trof

een kogel in de borst, —

Dat zij door schrik en angst verplet, er niet naar vragen dorst.

üe vrienden dachten: 't betert wel,

ras heeft haar lijden uit;

Haar hartje is veel te blij voor smart:

ras dansen we om de bruid.

Maar ijdie hoop. En niemand hoort des nachts haar angstgeschrei: „Erbarming God! och, geef ons zaani. nog eens de schoone Mei!quot;

212

ocr page 241

ui.

De vrede keerde weer op aard'

de vrede heeft Euroop'

Zijn jonge palmen weer gespreid .

en 't hart vervult met hoop;

Natuur ontwaakte in rijker dos, en tusschen hloem en knop,

Stijgt van 't met vee bedekte veld weêr blij de leeuwrik op.

Van wolkeloozen hemelboog ziet blijder dan weleer,

Gods lieve zon op 't vreedzaam veld

en groenende akkers neêr;

En weêr met juk en emmers zijn

de deernen uitgesneld,

Maar bij het troepje is Mieke niet, die melkt niet meê in 't veld.

Zie, langs den heirweg treedt een vrouw

wat prettig, lief gelaat!

Hoe bloost haar schalks gekuilde waug,

Hoe lacht ze daar ze praat!

Haar blijdschap is zoo kinderlijk.

haar stem zoo vol gevlei —

't Is ook zoo'n fraaie lentedag,

zoo'n schoone , rijke Mei!

Wat flink figuur die jonge vrouw,

wat stapt ze fier en vlug,

Het lijf gebogen, 't hoofd omhoog,

haar handen op den rug;

213

ocr page 242

Zij trekt iets Toort, iets zwaars; zoo kloek

als mau noch knaap het kan —

Zij trekt een kleinen wagen voort,

en daarin zit een man.

Een jonge man, het ridderkruis

op 't donkergrijze kleed;

Eén uit ons dorpje, die voor 't heil

van land en koning streed;

Een kogel nam zijn beenen weg,

maar 't eerkruis loont zijn trouw ... 't Is stugge Huibert, en die vrouw is Mieke, thans zijn vrouw.

Hij was in 't dorp teruggekeerd,

verminkt en uitgeput;

Wat zal de toekomst zijn voor hem, tot werken niet meer nut?

Is beedlen zijn verschiet ? Maar neen!

noch vorst noch dorper duldt

Dat heedlaar zij, wie dus getrouw zijn plichten heeft vervuld.

Wat ging in Mieke's boezem om,

't weleer zoo wufte kind !

Toen zij hem weêr zag, dus verminkt,

wien ze eenmaal had bemind!

Zij zal toch niet? — Maar neen! 't waar dom; de grootste liefde vraagt

Toch zulk een machtig offer niet der schoone en jonge maagd !

I

214

ocr page 243

Toch ging zij, ja, hoewel ze nooit hem woord of uitzicht gaf;

Zij ging tot hem, haar jeugd ten spijt, en bad vergifnis af,

Het hoofdjen aan zijn horst, klonk 't teer „ Gij wenschte 'me eens tot vrouw ,

Nu durf jij arme stumpert 't niet,

maar nu , vraag ik jou ! quot;

*

En hoe weerstreefd, teêr hield zij aan: „om Gods wil, zeg niet : neen !

Ik nam je niet om jou figuur maar om je hart alleen.

Kom, kom, zeg ja, zeg ja, of 'k vrees, nog zijt ge boos op mij ...

Je kreeg toch niet een ander lief? — want dan sta God me bij !quot;

En eindlijk, eindlijk sprak hij 't „ja,quot; ze zijn gehuwd en thans —

Spreidt in haar reine ziel de Mei weêr vrolijkheid en glans.

Als 't zomert, trekt ze fier haar vriend in kleinen wagen voort,

Ziet telkens om, en praat en poost waar 't uitzicht hem bekoort.

Zij pleegt hem als een moeder 't kind ;

i

geen ander, zij slechts mag Verzorgen wien haar God behield; diens zorgt zij nacht en dag.

215

ocr page 244

In lentezon en zomersehaauw,

wees zij de liefste plaats.

Waar 't pijpje 't lekkerst smaakt, eu hij kan keuvlen met zijn maats.

♦

En 's winters 's avonds om het vuur ,

dan, op haar staage beê,

Deelt hij 't reeds vaak verteld verhaal

op nieuw zijn vrienden meê;

Hoe 't Pransehe leger werd verjaagd,

Napoleon er bij —

En met een vonklend oog valt ze in: „Ja juist, en dat... deed h ij ! quot;

Dan glimlacht Huibert om zijn vrouw

maar 't doet hem innig goed,

Dat zij nog trots kan zijn op hem

verminkten, zwakken bloed.

Zijn Willemsorde hangt te pronk,

slechts 't lintje siert zijn buis,

Maar als zijn Mieke, in Mei verjaart, Dan draagt hij 't groote kruis.

'k Heb beide als kind gezien, gekend,

in Gelders lieflijk oord ;

Zij, vijftig jaar, zij trok steeds blij

haar kleenen wagen voort:

'k Zie nog haar blos, haar traan, haar lach ,

toen Huibert roerend zei;

„ In haar woont Onze lieve Heer,

ik zeg 't haar elke Mei.quot;

I

216

ocr page 245

HET HAANTJE VAN DEN TOEEN

DOOK

P. A. DE GENESTET.

geb. 21 Nov. 1829, f 2 Juli 1861.

November 't laatst, maar eYen toch,

door storm en sneeuwjacht heen

Was ze uitgewipt naar Moeders huis met overhaaste scbreêu.

Men knorde op 't onvoorzichtig kind; zij kuchte, met een lach ...

Doch 's avonds van dat wit gelaat ontroerde wie het zag.

En sedert ving haar lijden aan;

de kiem der wreede kwaal,

„Die langzaam moordt, als sluipend gif, en wis, als grievend staal.quot;

Schoot wortlen in heur jonge borst... Een blijde lentegaard ...

En de arme kunst zocht weer naar 't kruid, Dat nergens was op aard.

ocr page 246

Het einde was beslist; doch zij

verdroeg haar kruis, als meest Haar kruisgenooten, 't hart vol hoop

met plannenrijken geest.

Zij leed, met lieve lijdzaamheid,

ook waar van week tot week Trots korte vleugjes, van herstel,

haar teedre kracht bezweek.

Toch, dat eentonig leventje,

met zorg bewaakt, verdeeld, — Was ze ook niet moe als nichtje een uur

had aan haar zij gespeeld ? — Dat dobbren tusschen hope en vrees ,

de voorgeschreven i'ust,

't Was wel een kruis, een bitter kruis, voor lieve „Levenslust!quot;

Ach Levenslust!... in beter tijd, zoo schertsend noemden haar De vrienden van haar schoone jeugd ,

eene teedre vriendenschaar.

Die zij, een zonnetje in haar huis en feest van 't huislijk feest, Bezielde door haar lieflijkheid en rijken dartlen geest.

Want levenslustig was heur aard ,

zij lachte, nimmer moê.

De jonge vrouw, vol kinderzin ,

het lieve leven toe.

218

ocr page 247

Geen zorg boog licht dat hoofdje neer;

en niets, een rozeknop, Een zonnestraal een lief gelaat wond haar jong hartjen op.

Daar geurden rozen in haar ziel,

een nachtegalenkoor Sloeg in haar reine borst en joeg —

teniet eens vroolijk door !

Zij kon vertellen als een fee,

vol dartle fantazij ,

En op haar lippen zweefde graag de schalke plagerij.

Toch was ze ook ernstig ja en vroom —

doch somber was zij nooit!

Haar ernst was in geen rimpel, neen ,

maar in een lach geplooid. Dat vroolijk hartje was ook diep,

doch in zijn diepte scheen Een licht van Liefde en Hoop! dus wierp het stralen om zich heen.

Zij bloeide in de eerste huwlijksjeugd,

als 't bloempje in mooi-weer , Zij tooide met haar blijden zin

baar leven en verkeer ;

Zij schiep een wereldje om zich heen

vol geest en vol geluk,

Waarin haar geestje zich bewoog, gezellig, vroolijk, druk.

,1

219

ocr page 248

Hoe deelde ze in aller lief en leed!

haar handdruk was een troost,

Haar zilvren stem een feestgezang!

haar vriendschap, onverpoosd ,

't Was hier en daar en overal,

waar voor die gulle ziel Een jarig kind te omhelzen, of — een traan te drogen viel.

Want zij liep uit vast iedren dag;

zij stak, door weer en wind Het zorgloos neusjen in de lucht,

dat onvoorzichtig kind.

En plaagden haar de vrienden soms

om haar uithuizige aard ,

Dan zuchtte zij: het blijft ook nog zoo eenzaam aan mijn haard.

Doch waar zij kwam, zij deed n goed,

zij sleepte , kozend, meê ; Zij spreidde lichtjes om zich heen

van vroolijkheid en vree ;

Zij tierde en bloeide; een schoone bloem

in 's levens lentehof...

Totdat op eens de Noordewind haar ranken stengel trof.

Nu denk u, dartle levenslust

gevangen in haar kluis,

Van week tot week, van maand tot maand en weeg haar bitter kruis!

220

ocr page 249

Men hield haar stil, men hield haar klein r

lang praten leek haar niet, En menigeen klopte aan haar deur,

dien men niet binnen liet.

Weleer, hoe vlood de winter om,

dien ons haar frissche lach,

De Lente der gezelligheid,

zoo vaak te prijzen plag;

Nu, 't was haar drukste feest wanneer

haar kleine naamgenoot,

Van tijd tot tijd, een mooie dag,

mocht spelen aan haar schoot.

Haar woning was niet vroolijk ook:

door kleine vensterruit Zag 't ruim, maar sober ziekvertrek

op 't stille kerkplein uit.

Slechts was daar Zondags wat te zien,

en dikwijls vraagde zij :

„Och wandel soms een stapjen óm en ga dan hier voorbij!quot;

En wie het deed, die werd beloond

met d' allerliefsten knik ;

Zij stond een schreê van 't venster af

en volgde u met haar blik.

Zoover zij kon, maar somtijds ook

dan zocht men, dagen lang.

Vergeefs de lieve schim voor 't raam .. en menig hart sloeg bang.

ocr page 250

Doch straks weer zat ze op de oude plaats

en gluurde door de ruit.

Het ging met haar al op en neer

en langzaam achteruit,

November was 't de laatste maal

dat zij haar kluis verliet;

Het werd al Maart, het werd April, en beter werd zij niet.

Zij voelde 't wel, zij vreesde 't wel,

doch vleide zich nog meer —

De Hoop voor de arme kranke voedt

een liefde wreed en teer —

En was maar eens de Mei in 't land

en gure April voorbij ,

Dan werd ze ook beter, sprak haar wensch , en dat geloofde zij.

„ Ik sterf hier in mijn duf vertrek:

maar lucht en lentegloed , quot;

Dus dacht zij, stil of luid, „ziedaar

wat mij genezen moet!

Ze weten 't niet, ze weten 't niet,

met al hun medicijn ,

God heeft de beste bloemengeur en warmen zonneschijn !quot;

„Naar Buiten wil ik, de eerste week ,

de tweede week van Mei,

Liefst naar mijn duinen, zoo het mag;

daar ademde ik zoo vrij,

222

ocr page 251

Daar was ik iedren zomer toch

altijd zoo heel gezond;

O, 'k zal genezen in die lucht en op dien dierbren grond.quot;

„Ben ik maar eenmaal daar, gewis

dan sterk ik langzaam aan ,

'k Zal met een steuntjen dag aan dag

eeu eindje verder gaan;

En ben ik moe, dan rust ik uit

aan onze heuvlen voet... 't Is ook versterkend, 't lekkre zand, Gestoofd door zonnegloed!quot;

En al haar dierbren, om de beurt

herhaalden trouw en teer; „Gij moet naar buiten! zeker, daar vindt ge al uw krachten weer. En was het nu maar warm en zacht,

licht deed een toertje u goed, In maklijk open rijtuig, kind!

geduld maar! en houd moed ! quot;

Een open rijtuig! en het oog

der zwakke glom van vreugd Bij deez gedachte, die altijd

haar zinnen had verheugd. „Een open rijtuig!quot; riep zij uit...

„En lucht en lentegeur...

Hoor, 'k ben genezen. Moederlief, als 't stilhoudt voor mijn deur.quot;

ocr page 252

En Meimaand kwam! en met haar, zie,

een vleugje van herstel;

Valsch zonnetje in een droeve lucht;

doch zij; „ik wist het wel,

Gods lente brengt me al redding aan ;

Zoo nu de zon maar scheen, 'k Geloof — ik liep mijn kerker uit zoo luchtig als voorheen ! quot;

Doch, onze Noordsche Mei, helaas,

is arm aan zonneschijn,

Hij kan zoo koud, zoo droef, zoo guur

hij kan November zijn.

En zoo was 't nu: de Noordewind

blies langs de kale gracht,

En dicht bij Pinkster werd nog steeds „de lieve Lent'quot; verwacht.

Dat griefde haar, dat deed haar pijn;

die borst van hoop vervuld, Nu dat haar zoetste hope loog,

Verging van ongeduld.

Mistroostig werd zij voor het eerst,

en meer dan vroeger ooit, Verveelde 't somber uitzicht haar, met boom noch mensch getooid.

Toch iedren morgen, dag aan dag,

was 't nu haar eerste werk, Te staren over 't plein en dan —

naar 't Haantje van de kerk,

224

ocr page 253

Met vrageud, mijm'rend, nieuwsgier' oog,

een spiegel van dat hart,

Vol scherts en weemoed tegelijk,

en spelend met zijn smart.

Want op het hunk'ren naar de lucht

was 't antwoord keer aan keer:

„De wind is Noord, de wind blijft Noord,

't is guur, 't is nog geen weer;

Kijk, lieve, als 't Haantje van de kerk zich zóó — naar óns toe — draait.

Dan ruischt het koeltje dat u zacht als balsem tegenwaait.quot;

|

Zoo werd gezegd, gevleid, getroost...

en iedren morgen stond Zij nu voor 't raam en tuurde en keek,

een lachje om den mond.

Een traan in 't oog; zij schudde straks

haar kopje, reis op reis.

En dacht en sprak dan bij zich-zelf in vreemd en droef gepeis;

„Ach, 't is weer de oude boodschap, ja,

en 'tHaantje zegt: blijft thuis.

En weer een kouden, langen dag

verkwijne ik in mijn kluis.

Hoe anders was 't een vorig jaar,

hoe zorg'loos liep ik uit...

Ik was toch recht gelukkig toen,

ik wist van Noord noch Zuid.quot;

15

225

ocr page 254

„Neen, 'k schonk u vroeger nooit een blik, ik liep door weer en wind!

Zeg, hoofdig Haantje, wreekt ge u thans op 't onvoorzichtig kind?

En houdt ge u dan maar doof, steeds doof, voor al mijn geestigheên ...

Als —quot; volgde er bitter, na een poos — „als — God voor mijn gebeên!quot;

En weemoed overstelpte haar,

zij wrong in diepe smart

De bleeke, lange handen saam,

met angstig jagend hart.

Tot ze eindlijk schreien kon en riep: ,,Te leven is zoo zoet!

„Neen, vrienden, arme Levenslust heeft noch geen stervensmoed. .

Doch straks verhief zij 't hoofdje weer En 't leliewit gelaat;

„Ik meen dat zulk een droeve bui mij gansch niet vriendlijk staat.quot;

Zoo dacht ze en sloeg het kalmer oog weer naar den torentop,

En dreigend met den vinger was 't:

„Past morgen beter op!quot;

Maar morgen, ach, was 't de eigen strijd in 't somber ziekvertrek;

ocr page 255

Zij voerde met haar torenspits

een dagelijkscli gesprek;

Zij schonk haar nu wel menig blik

En menig vleiend woord ,

Maar 't baatte niet: heur onheilsboó was onverbidlijk: Noord!

Maar morgen stond ze weer en dacht:

„De dagen gaan voorbij En lijken op elkaar — het wordt geen zomer meer voor mij ...

Genezing wachtte ik van de lucht,

de buitenlucht alleen —

Maar 't Haantje wijst naar Buiten niet, het wijst naar Boven heen!quot;

„'k Wou toch alleen zoo graag dat God,

eer Hij mij tot zich nam,

Nog eens een zoeler luchtje gaf

voor zijn geschoren lam;

'k Wou nog zoo graag het groen eens zien,

den blijden zonneschijn —

En dan, zoo 't warmer was, wellicht Zou ik ook beter zijn..

O Gij, die Liefde en Almacht zijt.

Gij , als mijn Bijbel leert,

Die met een wenken van üw hand en wolk en wind regeert!

227

ocr page 256

Zoo toch Uw hand, o Heer, voor mij,

dat Haantje eens keeren wou Naar het Zuiden heen, Gij kunt het toch! hoe ik U danken zou . .

Wat omging in haar ziel ? ... Zij stond

en staarde, als wachtte ze af,

Of ook haar bede werd verhoord

en God een teeken gaf!

Ze ontwaakte op eens: ze ontroerde zelf

van 't spel der fantazie ;

Keek naar de lucht, keek naar de kerk, en zei: „Uw wil geschiê!quot;

|

Des andreu daags maar even wierp

ze een blik naar buiten toe,

Half zegevierend, kalm , beslist,

half strijdens, — hopens-moe ; En toen — niet meer! Zelfs dagen lang

ging nu 't gordijn niet op — Intusschen wachtte op zonneschijn nog steeds de rozeknop.

Maar eindlijk op een Junidag,

vol zomerglans en geur.

Daar rolde een open rijtuig aan

dat stilhield voor haar deur...

En zij! Zij was genezen ook,

de lieve Levenslust!

Zij ging ..., haar bracht een zwarte koets naar Buiten, in de rust.

I

228

ocr page 257

Een jonge man, geknakt van rouw,

een kleine vriendenschaar,

Volgde — en hun ziele volgde mee!

de aandoenelijke baar;

Naar 't Haantje van den toren keek

met droeven glimlach, één; 't Blonk in de blauwe lucht en wees naar 't zoele Zuiden heen.

MIMiallMfM

229

ocr page 258

LACHEZ-TOUT

DOOK

H. TH. BOELEN,

geboren 25 April 1825 te Amsterdam.

„Ach, moeder, moeder, laat mij gaau !

Waarom bezorgd te wezen?

Heeft dan slechts hij, die laag blijft staan,

Geen ongeluk te vreezen?

Zie, al wat leeft loopt steeds gevaar, De volle, breede ruimte is daar,

En boven lucht en wolken Zijn immers klip noch kolken.quot;

De jongling gaat. De moeder staart

Hem na met schreiende oogen. Ach, moeder! wordt hij ook gespaard ,

U weelde is toch vervlogen.

Zijn aarde en zee hem niet genoeg, Hoe zal die onder 't hart hem droeg Haar stemme nog doen hooren?

Voor u is hij verloren.

230

ocr page 259

/

Hij snelt naar 't perk. 't Is overvol Van meDSchen, die 't aanschouwen.

Daar prijkt de breede, zijden bol Steeds rukkend aan haar touwen !

De zware lucht, die haar omhult,

Doet trillen van haar ongeduld.

Naar hooger wil zij streven, In fijner luchten zweven.

De jongling ziet haar, en het oog Schiet vonken van verblijden.

Ook hij wil stijgen naar omhoog!

Zijn horizon verwijden !

De band, die hem aan de aarde bindt,

Ja, alles wat hem boeit en mint. Kan voor zijn streven denken Hem geen voldoening schenken.

En nu, zie, alles is gereed,

De touwen staan gespannen ,

De leidsman, rustig, forsch en breed Beveelt de kloeke mannen.

Het „lachez-tout!quot; doortrilt de lucht,

En eensklaps vaart in snelle vlucht, Bij luid en juublend zingen,

De bol naar hooger kringen.

De jongling blikt thans naar beneên, Ver over beemd en stroomen.

Wat worden nu de huizen kleen! 't Zijn struiken slechts die boomen!

231

ocr page 260

Een heerlijk panorama biedt

Zich aan in 't onbegrensd verschiet, 't Gevoel spreekt luid en krachtig: Wat is toch de aarde prachtig!quot;

En toch is de aarde niet genoeg! „O, laat mij, laat mij stijgen.

Wie ooit naar aardsche schatten vroeg 'k Wil hooger schat verkrijgen!

Ja, volg mijn oog des geestes vlucht,

Doorklief mijn blik de blauwe lucht, 'k Wil zien — och, laat mij 't hopen Den hemel voor mij open!quot;

Doch weldra is het gansch tafreel Gesloten voor zijn blikken.

Verdwenen in het schoon geheel,

Geen straal mag hem verkwikken.

Hij wanhoopt niet. De hemel toch

Zal prachtiger verrijzen nog;

Steeds hooger moet men stijgen, Wil men het loon verkrijgen.

„Wat zal dat blauw doorschijnend zijn. Met millioenen zonnen!

Zoo wordt op aard door zonneschijn De duisternis verwonnen.

Omhoog, omhoog! het heerlijk blauw

Vervangt der neevlen somber grauw, De prijs voor 't vast gelooven.

Ligt nergens als daarboven.quot;

ocr page 261

En ja! 't azuur verschijnt voor 't oog,

Docli waar zijn blik moog dwalen, Helaas! dezelfde hemelboog Ziet hij daarboven pralen.

Hij ziet... wat hij op aarde zag. 't Is even helder als de dag,

Die hij beneên aanschouwde ... Hij huivert van de koude !

En eindlijk, dalen moet men toch

En de aarde ontvangt ons weder. Wat de aard niet schenkt is zinsbedrog,

En wat zij schenkt drukt neder. Wij willen hooger, God!... Maar hoe? Het al doorklinkend: „ L a c h e z -1 o u t!quot; Is vrucht van al ons denken!

Wie kan ons hooger schenken ?

233

ocr page 262

GOVERT-OOM

DOOK

NIC. BEETS,

geboren 13 September 1814 te Haarlem.

Govert-Oom had Flip en Marten 't Avondstond te gast genood, Dat verheugt die jonge harten ,

Want hij schafte meer dan brood.

Oude Zwaan de brij zou koken ;

Och! het heugt ons allegaar,

Hoe we sprongen, als we 't rooken. En de meid zei: „Straks is 't klaar.quot;

Als de jongens dapper smulden,

Was Oom Govert in zijn schik,

Daar ze mond en lepel vulden

Schier in 't eigenst oogenblik. „Jongensquot;, vroeg hij, „ken je een eten.

Dat bij zulk een kostje haalt?quot;

Flip betuigt het niet te weten;

Maar broer Marten zwijgt en draalt.

234

ocr page 263

„Wacht reis, Oom! zei kleine Flipje,

Sclioou hij nauw den tijd zich gunu'. Met den lepel aan zijn lipje:

„Schaf een eitje, zacht en dun! „ Dat 's zijn lekkerste verlangen ;

„'t Ochtend heeft hij 't nog gezeid.quot; Daarop bloosden Martens wangen,

Enkel uit bescheidenheid.

Op een knikje van Oom Govert,

Wordt terstond door de oude Zwaan 't Assendelver nest veroverd.

En de buit in 't net gedaan. Uovert-Oom telt effen honderd;

Marten doet als merkt hij 't niet, En hij toont zich heel verwondert, Als zijn Oom hem 't eitje biedt.

Aanstonds, zonder veel te spreken, Breekt de knaap den brozen dop. Govert-Oom zet, op dat teeken,

Blij van hart, zijn fokjen op. „Toe maar, jongen! smul terdegen!

„Is 't van dunte naar je zin?

„'k Heb er meer nog; dat 's een zegen; „Loopt het door wel langs je kin?quot;

Marten liet niet vruchtloos nopen.

Met een glans op 't blij gezicht,

Liet hij, braaf met struif bedropen, Van de drie geen eitje dicht.

235

ocr page 264

't Was te veel! Maar 't was een jongen. Govert-Oom genoot als hij ;

Flipje broer was even blij;

Vol van eijeren en brij ,

Zijn die twee naar bed gesprongen. Govert-Oom zat wel een uur Nog te kijken in het vuur;

Toen hielp Zwaantje ook hem te bedde;

Lange dienst maakt onbeschroomd: „Oompjequot;, zei de meid, ik wedde „Dat je van de jongens droomt.quot;

I !

236

ocr page 265

HET EAADSLID

DOOK

C. L. LÜTKEBÜHL JR.,

geboren 8 Februari '1846 te Amsterdam.

In zeker dorp, de naam wordt niet vermeld,

Daar was wel oorzaak voor, den waren te verbloemen; Maar, lezer! zoo ge op namen zijt gesteld,

Vergun me 't Merwedam te noemen,

Want op een Merweboot werd mij 't geval verteld; En daar 'k geen reden had, mijn zegsman te wantrouwen, Maar — misschien keurt ge 't af — 't als moog'lijk te

beschouwen, Was ik gansch oor, toen ik 't geval Vernam, dat ik verhalen zal.

Daar leefde dan — licht leeft hij nog — in Merwedam Een ijvrig timmerman, 'k heb ook zij n naam vergeten

En wil hem dus van Beitien heeten.

Die flink zijn vak verstond en — naar 'k er bij vernam ,

Juist even ferm het woord kon voeren,

Ja, beter dan zijn baas, die als zijn knecht maar sprak ,

Ook dadelijk in nijd ontstak En bits bemerkte; „Hoor hij 't mondje weêr eens roeren!quot; Maar of hij 't nooit had opgemerkt,

Van Beitelen praat voort of werkt,

s

237

ocr page 266

Al naar 't te pas kwam, want — en dat mag niet verzwegen — Hij laat er 't werk niet om, en dus hoe ook er tegen, Dat praten ging den baas niet aan!

Doch, naar ik u reeds zei, was de arbeid afgedaan. Dan, als een Advocaat, besprak hij 't een en ander, En menigmalen zeiden reeds zijn vrienden tot elkander: „Zat hij maar in den Raad, veel zou er beter gaan!quot; Een enkel raadslid zelfs, de domste niet van allen, Liet zich ter loops een woord ontvallen.

Toen weer een vacatuur bestond,

Dat hij van Beitelen daar juist geschikt voor vond.

Maar, zooals't veeltijds gaat: „de Raad gehoord, gelezen

En overwogen , had verstaan ,

Wanneer hij geld bezat, nu ja, dan kon het gaan! Wie hem had voorgesteld, had wijzer moeten wezen En weten dat geen timmerman Met eer zoo'n ambt vervullen kan!quot;

De spreker zweeg en dacht en stond toen op: „Meneerenquot; Zij hij, als Brederoo (de Dichter), „'t kan verkeeren!

Wie weet? — in later tijd misschien!quot;

En heel de Kaad hernam in koor: „Misschien! Misschien!quot;

't Verkeerde ook inderdaad, eer iemand durfde hopen, Van Beit'lens eeu'ge Tante stierf En legateerde hem, die nu haar liefde dierf, Zoo ongeveer een ton! — Kon 't mooier samenloopen ? De plaats als raadslid was nog open En hij, niet arm en als weleer,

Een eigenwijze houtworm meer!

238

ocr page 267

De raad is weêr bijeen en zeker zou men denken .

Zooals men billijk denken mag,

Dat ze al hun aandacht aan de dorpsbelangen schenken !

Mis lezer! want het nieuwtje van den dag Wordt hier van éénen kant door heel de Raad bekeken , Men hoort van anders niet door alle leden spreken, Dan dat men hem nu graag als Lid gekozen zag! Besloten in dien zin, zou elk naar zijn vermogen Zijn best doen, dat men algemeen Van Beit'len koos en anders geen !

Geen knapper vent dan hij ! —

Werd nü of tóen gelogen ? :

Hij werd gekozen en zijn zondagskleêren aan,

Is hij ter zitting opgegaan,

Waar heel de Raad reeds was vergaderd; Een „Wellekom!quot; weêrklinkt als hij de vrienden nadert,

Die beurtlings waren opgestaan. —

Van Beitelen neemt plaats , maar niemand die er weet, Waarom toch wel die zak door hem was meêgedragen En — hoe nieuwsgierig ook — geen enkele dorst hem Wat dat beduiden moest? vragen,

De Burgemeester heet Hem wellekom als Lid en spreekt met welbehagen

Van 't ambt, waartoe hij is benoemd,

Brengt zijn geschiktheid hulde en kucht en hapert; roemt Zijn doorzicht — maar, helaas! de redenaar blijft steken: — De Secretaris schrijft; „ pro-motie heeft hem'tsprekenquot; —• Emotie meende hij — „belet!quot;

De spreker heeft zich neergezet

239

ocr page 268

Eu wacht wat antwoord nu van Beit'len zal doen hooren — „Nu spreek dan!quot; klinkt hun plots in de ooren; „Spreek! zeg ik, waarom zwijgt gij nu? „Spreek! zeg ik, want alleen om u „Zie ik mij tot dit ambt verkoren!quot;

„Spreek op dan!quot;

— 't Gold den zak dien hij had meêgebracht. —

En „spreek dan toch!quot; galmt nog eens weder!

Geen antwoord en met alle kracht Werpt hij den zak op tafel neder,

Maar zegt nu tot den President,

Die, met al de anderen van schaamte zat te blozen: „Mijn geld, niet mij hebt gij gekozen!

„Nu 'k dat heb, hebt ik ook talent!! quot;

„En weet gij verder niets?quot;

Ik rekende op die vraag. Bescheiden lezer, maar hoe gaarne ik ook zou willen,

Ik mag uw dorst naar wetenschap niet stillen ,

Mijn zegsman zweeg! ik zwijg dus ook! — hoe graag Ik-zelf wat meer daarvan mocht weten;

Toch dunkt mij, ook in dit verhaal Steekt nog zoo iets of wat moraal:

't Verstand nooit naar het geld te meten! quot;

Want, treft men zulk een leepen guit, Dan komt men vast bedrogen uit!

240

ocr page 269

DE KOSTBARE VAAS

DOOR

H. J. SCHIMMEL,

geb. 30 Juni 1824 te 's Graveland.

Hij stond voor 't breede raam en staarde star naar buiten. De na,]'aarsregen gudste en kletterde op de ruiten; De najaarsstormwind huilde en boog de fierste kruin, En scheerde door het bosch en over weide en tuin. Geen licht, als 't wazig grijs de wolken als doorspieglend, Geen warmte, als die der vlam in d' open kachel wieglend, Geen kleurschakeering in het goor-verdorde gras! 't Was alles somber, doodsch, als 't in zijn binnenst was. Zijn levensherfst brak aan; zijn oogsttijd was gekomen. Helaas, niet werd vervuld waarvan zijn lentedroomen Zijn zomer dweepen deed! Bedrogen iu zijn hoop, Zag hij verwarring, slechts een baaiert in den loop Des levens, in de Wet die 't Al en hem beheerschte. 't Naïef geloof der jeugd verloor hij 't allereerste; De Wetenschap verving 't, zij met haar telg: de plicht.

| Vergeefs: de schaduw bleek steeds sterker dan het licht!

|

241

1 1

16

ocr page 270

; „Reeds weer aan 't droomen!quot; klonk het acliter hem.

Hij kende

Die stem reeds dertig jaar. Een lange tijd! Hij wende Aan klank en toon, aan 't laag en hoog, aan't scherpe

en zachte.

Zijn vrouw stond daar in 't weeldrig modekleed, en lachte Met de ironie in 't oog en 't kunstblosje op de wang. „ Aan 't droomen weer! Maakt dat lange aren minder lang, „Zoo leer 't mij ook!quot;

En hij hernam: „Wat zou 't u baten | „ Bij 't dwarlen buiten 's huis en in 't gewoel der straten ? ! „Wat geestig spel u steeds de lompe menigt' biedt! 1 „Voorwaar een hoog vermaak, maar mij bekoort het niet!quot; „Och, of een wist wat u ter waereld wél bekoorde,quot; Zoo snerpte 't uit haar mond. Ze geeuwde en hij die 't

hoorde

Geeuwde ook. Zij wierp zich neer op 't wiegende damast Der rustbank, speelde met den kostbren zijdeu kwast. Die afhing van 't gordijnen zuchtte: „Wat verveling!quot; Hij keek slechts even om. „Niets nieuws die mededeeling!quot; 't Viel van zijn lippen met een trek om neus en mond, ; Waarin het scherpst sarkasme een treffende uiting vond. Maar plotsling gloorde er in de straks zoo staalblauwe

oogen

Een vuur •—■ zijn wang werd als met purper overtogen , { Het purper van den toorn. „ Pas op!quot; zoo klonk het scherp Haar tegen: „Zie de vaas van Sêvre wachelt... werp „Niet stuk, wat mij tot een erinring is gebleven „Van 't éenig oogenblik dat ik.. . heb willen leven!quot; Ja werklijk, 't schoon gescheukvan eenhem dankbaar hart, | Voor 't welk hij ondank en miskenning had getart.

ocr page 271

; Een ure zelfs van smaad, maar, wat hij meest verheelde, | Een ure, naar 't nu scheen, ook van de hoogste weelde, 't Liep op het voetstuk van Carrariesch marmer, waar

ï Haar elboog tegen stiet, een oogenblik gevaar.

? !

| |

Het éenig oogenblik dat hij had willen leven!

Ach, er zijn woorden, die, vergeten noch vergeven. Steeds onverzwakt herdacht, voor't hart der vrouwe zijn Wat voor de oazen ginds de storm is der woestijn.

Gants anders wat weleer in 't oor haar had geklonken, j | Toen hij om 't ja-woord bad en zij 't hem had geschonken ; I Toen op haar levenspad de myrth te ontluiken scheen, Dquot; Oranjebloesem geurde en 't deed voor haar alleen! ' Toen zij het bosch zocht om de stilte bij de abeelen, | Maar werklijk om een kus zich daar te doen ontstelen , I En honderd blosjens bloosde en leugentjes verzou Als hij toch kwam , die, naar men dacht, niet komen kón! Wat aardig paar die twee! Wat de een ontbrak gaf de

ander!

Zij, dartel en toch zacht, hij, deftig en toch schrander, | Geleerd, zelfs ongemeen, zoo zei de Wetenschap; Wel wist hij dat hij 't was, maar ook — hij was zoo knap! Wat zou het heerlijk zijn in 't nestjen dat zij bouwden! i i Zou 't niet te klein zijn, als van uit het dons der ouden | Een lachend kopjen dook, twee, drie, —ja nooit genoeg! En elk met eigen recht zijn deel der vleuglen vroeg? , Ach, 't nestjen bleek te groot, te stil; zoo stil, dat beide : Verstonden wat elks hart zich heimelijk wel zeide. I En 't beeld der Waarheid viel de sluier af, toen 't woord, In 't hart gerezen, op de lippen werd gehoord.

i

243

ocr page 272

En toen-verdorde... tot haar hart. Had zij de extasen Van geestlijk-zijn gekend, aan niet te meten ,, phasen quot; Van ziele-ontwikkeling geloofd, niet slechts gehecht Aan wat haar stoflijk oog haar telkens had gezegd, Dan had haar blik, gekeerd naar 't onbegrepen „ binnen quot; Wat hij in omvang dierf, in diepte kunnen winnen. Maar 't mocht en 't kon niet zijn. 't Gewoonlijk onderricht In der beschaafden kring doodt ieder ander licht, Als dat verklaard wordt door de trillingen van den ether, En wat het harte ook zegt, de Wetenschap weet beter.

Geen rust meer in het huis, maar ook niet buiten's huis! Ontvluchten wou ze zich in 't dolste feestgedruisch, Voor 't stervend ideaal nieuwe idealen kiezen, In andren opgaan, in hun krachten zich verliezen, Zij dompelde om en om in 't bad van weelde en chic T In stroomen modekunst en meiren van muziek. Vergeefs der vleierij, der Kunsten zoetste streeling! Zij vond zich zelve steeds alleen — mèt haar verveeling.

't Bleef droef en ijzig koud in 't weeldrig huisvertrek, Waar beiden toefden, vastgeketend aan de plek, Nu reeds minuten lang steeds zwijgend ingenomen.

Zag beider droomrig oog daar in de verte iets komen ?

Ja, daar bewoog zich langs de doornige heg.

Die 't buiten „Nooit Gedachtquot; afscheidde van den weg t Een kind, een meisjen, zich met moeite voorwaarts

sleepend ,

Den rukwind trotsend, die, 't katoenen jurkjen zweepend^

244

ocr page 273

Er draden aan ontscheurde of rafels er uit sloeg En storm liep op den hoed, dien't blonde kop.jen droeg. Hoe kraclitig zij zich hield, hoe dapper zij zich weerde , Elke aanval met haar rugje', of met den scliouder keerde, Het eenig lichaamsdeel dat vrij was, want een hand Keep stevig 't schreiend broertje en de andre torschte

een mand ,

Gevuld, ja óvervuld met tal van kleine waren,

Alle éven kostlijk: wol en poppen, naalden, scharen. Kortom een groote schat, — dus wèl een kostbre last!

Toch greep zij in de orkaan het broertjen't stevigst vast.

Daar gierde een rukvlaag, en de kleine koopvrouw faalde: Zij gaf de waren prijs — zij moest wel; 't oogjen dwaalde Onrustig in het rond, bespeurde de ijzren spijl Van 't sierlijk hek, greep dien behendig vast, terwijl Zij 't huilend broertje, als in haar arm deed schuilen En babbelaars beloofde als hij niet meer wou huilen. Haar broertjen was gered, maar ach! de mand vernield, Die 't brood van heden, ook van morgen, in zich hield! De strengen wol, op hol, eerst dwarlend om haar henen, Festoenden twijg bij twijg, die 't zich te schamen schenen, En de armen zwaaiden in den blinde' en ijdlen waan Zich van den schaamlen pronk door ruk bij ruk te ontslaan. De poppen-ironie, een bittre in zulk een stonde! — Zij duikelden in 't slijk en dansten er in 't ronde En gaven , lustig zelfs, op schaamtelooze wijs,

Heur kleêren, toen heur leên, aan wind en weder prijs! Zij zag 't en snikte luid.

Het was gezien daar binnen.

245

ocr page 274

„De strijd om het bestaan!quot; „Arm kind, wat zal 't

beginnen ? quot;

Zoo peinsden hij en zij. De wijsgeer had In een formule 't feit reeds daadlijk saamgevat En toonde zich voldaan. Maar zij was opgesprongen , Verzamelde al de kracht der teere en zwakke longen, Riep , tikte op 't vensterglas , zulk tikken niet gewoon ! Een kreet slechts van 't instinkt, 't mag zijn , toch klonk

hij schoon!

Daar stonden zusje' en broertje' in de overrijke kamer Te staren , de oogen uit! Bedeesd , verward gestamer Was zusjens antwoord op de vriendelijke vraag Der vriendelijke mevrouw. Ja, 't was boos weer vandaag ; Dat wist mevrouw en ook meneer; maar zij nog beter. Wat vloog daar 't raam voorbij ? Ach, een floretten veter, Een van de velen , die er scholen in den mand. ..! Och, God, ja die was leeg ! Zij wendde 't hoofdjen, want Zij voelde iets in haar oog, iets nats, maar dat gauw

droogde,

Daar die mijnheer, die zoo verschrikkelijk staroogde, Haar toesprak, schaplijk hoor, heel vriendlijk zelfs,

maar ook

Zoo mooi, dat ze er terstond een dominee uit rook.

„Je gaat toch school?quot; „Ja wel, maar niet heel druk, „Dat kan niet, weetu.quot; 't Was er uit, meteen het stuk, Dat haar de keel verstopte; en met twee vurige oogen Bedankte zij mevrouw, die broêr en haar deed droogen Voor 't vuurtje' en, beter nog! 't deê broertjen smakken —

elk

9.1/1

ocr page 275

: Een dikke bootram gaf en daarbij warme melk.

Dat smaakte en gaf weêr moed. Ja zeker , zij kon lezen, Ook schrijven; maar daar zou ze nooit een bol in wezen. Als meester 't zei, schreef hij op 't bord eenhanepoot; De jongens lachten dan en zij, zij werd dan rood.

„En broertjen?quot; vroeg Mevrouw.

Die kon een beetjen lezen, En schrijven, aardig hoor! Zij had hem onderwezen. Een gulle lach weerklonk; daarbij een lustig woord. Mevrouw had van Mijnheer 't in jaren niet gehoord. „Dus is de kreuple hier de lijdsman van den blinde,quot; Zei hij, terwijl zijn hand, de roodkatoenen binde Deed vallen van haar hair, dat golvend langs haar slaap, Haar goudblond menglen deed met 't zwartbruin van den

knaap.

„En broer houdt veel van Zus?quot; Vroeg weer Mevrouw.

De jongen

At maar, hield tegen Zus zich heel vast aangedrongen, De vingers, glanzend van de boter, om den kop Met melk, en slorpte met genot den inhoud op.

Maar in het gitzwart oog, steelswijs in't rond geslagen, School blik bij blik, in elk veel meer dan honderd vragen. „Nü, of hij van haar hield!quot; verzekerde Zus bout. Dat mocht dan ook wel zoo: ze waren saam getrouwd Sinds hij den typhus kreeg — 't was voor een maand zes,

zeven,

Zij was toen dagen lang trouw aan zijn kreb gebleven, : En toen hij, beetrend , nog geen voet had om te staan , Had zij hem aan haar arm alleen weer leeren gaan.

247

ocr page 276

Daar klonk een harde slag, daar spatte een zwerm van

scherven!

; Mevrouw voelde om den mond den laatsten lach versterven.

Verbrijzeld lag de vaas! Wie er de schuld van droeg, '• Die lompe jongen, keek brutaal als of hij vroeg:

„Nu, sla mij als je durft!quot; zijn stout begeerge blikken Omvlamden langs die vaas; eens in dat goud te prikken

En in dien bloemenknop: 't leek wel een kersenpit____!

Hij deê het — maar wat hard.

Zus was als sneeuw zoo wit, ■ \ ooral toen zij Mevrouw erg „sip en scheelquot; zag kijken, t Was zeker heel veel waard; ze waren ook bij rijken, Eu daar kostte alles geld, veel geld. Zij zag Mijnheer Heel van terzijde eens aan en toen bekwam zij weêr. Die scheen niet boos; die was nog wel het leukst van allen! | Hij keek den bengel, die het mooie ding deed vallen, i Eerst raar, ja heel raar ook, maar toen glimlachend aan, | Zei: „Kuiken, weetje wel wat kwaad je hebt gedaan?quot; | „Dat wist hij en goed ook; 't ging steeds zoo met dien

( r . . . jongen,quot;

Zei zus met waardigheid. „ Had hij verkeerd gesprongen 1 ),Dan zette hij het door en sprong hij telkens weer.quot; Daar zat charakter in, dus oordeelde Mijnheer.

Mevrouw bleef anstig en nog had zij geen vertrouwen • In 't gunstige verloop.

De wind was aan 't verflauwen; f

; Zij kuste 't meisjen, half omwonden door haar arm,

Drukte in de hand een pakje en fluisterde:,,'t zit warm. !

y „ Ga nu naar moeder toe. Je moogt hier wederkomen,

j „Heel spoedig ook!quot; Hoe nu, wat had ze daar vernomen? I

| Mijnheer sprak met den knaap! De wijsgeer deed een vraag

1 1 £ ?

i \

248

ocr page 277

En 't kuiken zei daarop: „ 'k Heet Bob en kom wat gi-aag.quot; „Wat is dat meisjen lief?quot; Mijnheer bewaarde't zwijgen. „Wat beeft ze een zacbte stem, kan zij bevallig neigen! „Wat scbijnen de ouders arm! De jurk was grof katoen, „Vol rafels....! Zon men niet voor baar iets kunnen

doen?quot;

: „En dan die jongen , hé? Wat droeg hij fierzijnlompjens!quot; Begon Mijnheer. „Zaagt gij die kleine dikke stompjes, „Die hij me toestak, forsch en blauwrood van de kou? „'tKaboutermanneken wist nu reeds wat hij wou! „Dat leven van 't instinkt, als nog geen enkle schrede „Bestuurd, en ook wellicht vertraagd wordt door de

Rede

Glimlachend neerziende op der scherven mozaïek Besloot hij: „'t spot zelfs met de wetten der optiek.quot; | Zij naderde, terwijl haar oog hem vriendlijk tegenlachte. Zij voelde 't: hen bezielde, omslingerde één gedachte. ,,0 hadden we ook....!quot; Hij boog het hoofd naar

d'anderen kant; Hij sprak geen enkel woord, maar drukte zacht haar hand. Ja, één gedachte leefde in beiden en vereende Wat lang gescheiden was. Voor andrengoed zijn, 't leende Der ongebruikte kracht een nieuwen prikkel. Ginds In 't huis des armen was het dag geworden sinds Dien storm, en hier werd eerst bij 't wikken en bij 't meten Van al wat noodig was bijkans de tijd vergeten, Eu later, toen de zorg voor 't wassend kinderpaar | Steeds grooter eischen deed, toen hier erkenning, daar Miskenning hen verbeidde in 't onzelfzuchtig streven,

f Genoten zij eerst recht het volle menschenleven.

i

|...______________________________________________________________________________________________________________________________________________

249

ocr page 278

• •

? |

Hij was gestorven. De aard ontving haar stof weêrom. De weêuw in diepen rouw betrad het heiligdom Waar hij gedacht had en gepeinsd. In gindsche lade Moest 't kleinood schuilen, dat der diepbedroefde gade Een laatst vaarwel moest zijn — een allerlaatst, helaas! Zij opende en zij vond: de scherfjens van een vaas.

250

ocr page 279

TRUIKEN VAN POLLAER

EEN IDYLLE

DOOR

POL D E MONT,

geboren 1856 te Warnbeke.

„ Zeg, is dat de kortste weg naar Eychem,

Lieve meid ? — Doch, ei, wat zie-de er bleek uit!

Sclieelt daar iets, of drukt een last u 't hert, kind?quot;

— 't Was een struische, poezele boerendeerne:

Op de linkerknie gebogen, hield zij 't blikken schepvat, als een spiegel glimmend,

in de klare beek; beur spannend lijf keu zonder mouwen, voor de Julizonne losgeregen, borg maar half heur boezem,

en — van onder haar te korte roksken,

blonken, roosdooraderd, forsche beenen.

Kaast heur plaatste zij den emmer, keek mij vrank in 't oog, en sprak de vlugge woorden: „Vraag-de mij den rechtsten weg naar Eychem! Dat is braaf van u, mijn lieve heerken!

251

ocr page 280

Treurig was ik straks ... half weenend kwam ik naar de bron. Nu is dat al weer over...

Want, zie! ginder, waar dat beurtschip heendrijft, woont, in 't blanke buis, mijn strenge vader, en ontvangt bet tolgeld van de sebepen,

waar bij de ijzeren brugge moet voor draaien. — Neen... wij zijn van Pollaer niet, mijn jonker. Ver, uit Limburg, kwam ik bier met vader en mijn Limburg kan ik niet vergeteu!

Ach, wat was zij schoon, mijn bruine heide, met haar heesters, wijd en zijd, haar groenend bremloof, vol van geel gebloemt!... Des Zondagsavonds, vedelde onder groene boomen,

op de ton gezeten, de oude speelman,

„Jef de Paerdsvoetquot;, met de rosse haren,

want, zoo beet hij, om den linker voet, die 't boef eens paerds gelijkt...,,Een eeuwig afzienquot; voor zoo'n mensch, wel waerd dat men 't beklage. Ei, wat dansten we allen, lachend, giebelend,

tot wel al de sterren, een voor een, daar —

boven, schemerden om 't zilvren maantje,

dat de paarkens bij het huiswaart keeren,

beimlik, langs bet schom'lend koren, nakeek...

Doch, 't is waar! Gij vraagt den weg naar Eychem, zie, dat wegelken, van hooge beuken Overlommerd, slingrend langs dien berg — dat moet-de 't eind gaan. Neem dan links het voetpad, dwars door 't gerstenveld, die gouden zee ginds... Dan beklim-de, verder óp, den kleinen heuvel, aan welks voet een steenen kruis staat.

ocr page 281

Arme Jaak, verleden jaar op Sinxcen-zondag was 't, dat hij verongelukte .. .

Voerman was hij ! Zie, ginds blankt zijn huisken!

Daar woont nog zijn weduw met zes weezen,

Allen meiskens ... O, zoo'n blonde bende!

| quot;t Jongste is maar zóó hoog nog, nauw een duimling, doch, hoe rap en jent is niet om zeggen!

Daal ik, zelfs van ver, het smalle pad af,

1 SeiFens waggelt zij, met open armkens,

naar mij toe, en roept: „Dag Truikeu! Truikeu is zoo wijs! Mijn Truiken, kom, een aaikeu!...

Doch , wat praat ik al! Naar Eychen wil — de... 'k Vraag verschooning... zoo ik immer afdwaal.

Denk toch — zie! 'k hen een onwetend meisken,

; die 't goed meent, hoewel zij slecht ter sprake is.

Heb-be dus den berg bereikt, dan keer-de :t oog naar 't West, en Eychems toren zie-de.

Vlak vóór u ligt dan een meerseh, waar vette koeien weiden, met den vollen uier,

droevig wachtend, tot de meid ze ontlaste.

Dwars de wei door loopt een kronkelwegel:

Sla dien in, tot aan een groote hoeve;

— Daar woont pachter Stobbers: in den „messingquot;

wuift een notelaar met lange takken —

Missen kun-de niet! De heerbaan ligt dan rechts van u, en brengt u tot het brughuis.

Zie, dan zij-de in 't dorp.

Daar woont mijn vader... j Bruggedraaier is hij, Limburgsch landsman ...

Ach, daar ik mijn hert aan Toon verpand heb,

is voor mij, bij vaders haerd, geen plaats meer.

253

ocr page 282

'k Ben thans ,, meissen, Heer ; voor de achtste maand al, woon ik op de hoef, bij pachter Boeikens,

werkend wat ik kan ...

— Ach , zoo ge in Eychem Aan de Kroon passeert, dan zie-de Tonie.

Naast de deur der herberg boort en hamert dag aan dag een drietal forsche mannen,

rademakers, Heer, des kroegbaas' gasten.

Tonie is met beu. Gij kent hem dadelik.

Niemand heeft twee dieper, zoeter oogen en — om zijne roode, malsche lippen,

bloeit een lichte krulbaard, blond als tarwe;

in den hals heeft hij een koffievleksken ... —

Tonie is zoo goed. — Eerst was hij schipper:

met zijn trekschuit voer hij, elke maand vóór vaders brugge heen, de Dender opwaarts,

zingend als een vink! Dan heb ik meermaals,

— vader was naar stad of dronk een borrel in de Kroon — de brug gedraaid, en telkens hield hij lang, toen hij den tol betaalde ,

in de zijn mijn hand, dat ik zoo rood werd als een kriek ...

Eens, dat hij weer mijn rechte preste, vroeg hij , — wen het schip veel trager voortgleed door de brug: „ Hoe — heet-de ? quot; —

,, Truiken

was mijn antwoord.

„Truikenquot;, sprak hij innig, „wil-de mijn... mijn eenig, zoete lief zijn?quot; — „'k Weet niet, of ik neen dan ja gezegd heb, doch hij kuste mild mijn hand, en zingend

254

ocr page 283

sprong hij op het dek! Drie weken latei-kwam het schip terug, doch zonder Tonie, die zich, in de K r o o n , als gast, verhuurd had Sedert werkt hij daar... „ Tien uur in 't ronde zegt zijn baas, „geen stielman als mijn Tonie.quot; — Ik, eilaas! kan Tonie niet meer missen...

Och, Mijnheer! doe mij 't pleizier, en zeg quot;em stil in 't oor, dat geen gezel het hoore:

dat 'em Truiken groet uit ganscher herten,

dat ik aan 'em denke, dag en nachte,

dat ik door 't heimwee gansch verteerd word, dat hij toch mijn vaders wrok verzoene,

Wil hij niet, dat ik mijn leed besterve!. ..

Zie ... vlak vóór u loopt het pad naar Eychen ... God behoedde u, Heer!... En denk aan Tonie !quot;

255

ocr page 284

i

N A CHTK LOKKEN

dook

HERM. HEIJERMANS Jr.,

geb. 3 Dec. 1864 te Rotterdam.

| ___

Bei klokken, bei door de dampende luchten,

Bei in de slapende stad, waar de menschen iu droomen verzuchten het leed van den dag.

Bei in de rustige stad, waar al-pijn heeft geschreid 1 uit veel starende oogen, bei in de donkere huizen, wen de mensch onbewogen wacht in lijfrust tot de Dag komt getogen ...

Bei klokken, bei, bei mijn woord en mijn schrein, I Ik wil die jamrende lijven verblijên...

Bei ze zacht uit de droevene klanken, daver mijn trots en statig den blanken jubel van wil. • Bei zwartklotsend over de daken, stille gedachten , die glorierijk braken uit dit stil hoofd, daar 'k de handen gevouwen, ik, die blij zielig mijn leven zal bouwen op voelen van God. Bei klokken, bei mijn tranen en smart. Bei nu i zeer zachtjes, het luiden is hard. Bei nu om

hoofden wit-purp'rende rozen, bei nu op lippen : jasmijnen en rozen, bei nu om lijven lachende ; Rust, bei nu den Droom , den onstoflijken Lust...

256

ocr page 285

GEDICHTEN

VAN

LOUISE V. NAGEL,

geb. 12 Oct. '1845 te Zaandam.

I.

Fantasia.

De blonde zee, zoo lieflijk kalm, zoo zacht In 't parelgrijze kleed raet breede plooien,

Ziet op naar d' effen lucht: ,,Wil voor mij strooien „Uw diamanten, al uw starrenpracht;

„Strooi my een gloed die d' avond tegenlacht. „Berg niet uw schat in 't duister! Wil mij tooien; ,, Hecht Gemma's 1) kroonjuweelen in de plooien „Van 't stil gewaad, waarin ik d' avond wacht..

En ongezien stort uit des hemels transen Een vloed van gouden, roode starrenglansen. Als groote vonken schitt'ren ze op de zee,

1 I

257

17

1

Een schitterende ster in het sterrebeeid: de kroon.

ocr page 286

En reien zich in altijd wiss'lend stralen Tot snoeren van saffier, robijn, opalen! En d' avond ziet in liefdeglans de zee.

II.

In diepe stilte.

Geheimvol schuilen varens en lianen In diepe schaduw van het peinzend woud,

Waar stil hun blad zich over 't mos ontvouwt, Hun rank vol eenvoud stijgt in hooge lanen.

Vèr blyft van hen 't geweld der ruwe orkanen: Geen stem verstoort hun rust in 't reuzenhout, Dat sedert eeuwen wast, en kalm en stout Sinds eeuwen schut zijn varens en lianen.

Zacht kirt de woudduive in 't bedauwde loover, Stil glijdt een zonglimp winde en tuilen over,

Stil zinkt een drop der maan door 't lommer heen.

Gelijk in 't woud liaan en varens groeien,

Zoo wil in rust elk hoog gevoelen bloeien,

En rijpt gedachte in diepe stilte alleen.

1 t

Zomer-avond.

Stil zyn de loov'ren. Geen koeltje zelfs fluistert De meerle zwijgt en de nachtegaal luistert.

258

ocr page 287

Te mat om 't koeltje van Zephyr te vangen, Laat bloem en bloesem het koppeken hangen.

Der beken golfjes vergeten bun zangen;

Betoov'ring heeft de libellen bevangen,

Aan bleeke waatren hen roerloos gekluisterd;

Traag wijkt de dag, die tot scheemring verduisterd.

Doch uit natuur dringt de ziel van al 't leven,

Want bloem- en looverengeuren doorzweven Als rustige adem de sluim'rende dreven.

De zon heft zinkend omsluierd, nog de oogen ,

Haar laeh, — een schitt'ring van weemoed omtogen , Groet de aarde, doorzucht noch verlangen bewogen.

259

ocr page 288

EIGEN HAARD

DOOR

A. F. J. EEIGER,

geboren 8 Januari 1856 te Amsterdam.

„ Eigen Haard!.. De taal heeft woorden

vol van wond're harmonij ,

Maar geen tweetal rijk aan hope,

vol herin'ring, zooals gy !

Bonte beelden van 't verleden

rijzen plotsling voor den geest, Zacht van tinten, immer sterker,

van een tijd die is geweest; Toen de school was onze waereld,

en 't verdriet zoo ras verdween. O, wat vlieden toch die dagen

al te snel — gevleugeld heen! 'k Zie nog altijd de oude kamer

in het schemer-avonduur:

'k Zit nog met de broêrs en zusters

koutend bij het haardsteêvuur. Hoeveel tooverbeelden stegen

als wij staarden in dien gloed:

| 260

ocr page 289

Rotsen, holen, roofkasteelen,

aller droomen overvloed!

Moeder sprak dan vaak van kiud'ren,

die de rouw ter neder boog, En ze leerde ons dankbaar wezen

voor het goede van Omhoog, 'k Zie ook nog die oude vrouwe

met heur lieflijk bigden lach, Die de kindren van haar kindren

vroolijk dartiend spelen zag.

Jong was zy met ons te samen

en een kind voor 't oog van God, Dankbaar starend naar 't verleden,

hoopvol op haar volgend lot. En wat gloed straalde uit heur blikken

als zij sprak van d'ouden tijd! Trouw werd aller luistrend harte

aan haar leerzaam woord gewijd; Hoe haar dierbre ga moest zwoegen,

werken, sparen, dag en nacht, Tot hij eindlijk, loon des arbeids,

tot een Eigen Haard het bracht! En de fantazij der kindren,

opgewekt door dat verhaal,

Wist een Eigen Haard te scheppen,

schooner, rijker telkenmaal!... Sedert zyn wij groot geworden:

heel die beeldenrij verdween; Maar dat ééne, 't is gebleven,

lokkend, stralend om ons heen! Daalde in 't hart de Liefde neder

261

ocr page 290

m et heur zachten rozenglans, Zat in 't lommer 't paartje fluistrend,

zag het naar den hemeltrans — Blozend, kozend hoorde 't meisken

lispen van een Eigen Haard, Waar zij beiden zouden smaken

't zaligste geluk op aard.

En hoe dikwijls moest men zwoegen...

ach, de Hoop bleef onvervuld! Bij het worst'len met de rampen

zwichtte vaak het zwak Geduld! Bittre tranen uit het harte

welden, ach! zoo menig keer. En wat stille weemoedzuchten

stegen opwaarts tot den Heer! Andren hebben nooit gebogen

moedeloos het fiere hoofd; Had de woeste storm van 't leven

ook van alles hen beroofd, Met hun hartewensch voor oogen

kampten ze immer moedig voort Steeds herbouwend, steeds hernieuwend

wat zoo dikwijls was verstoord; En de Liefde, zelfvergetend,

bleef de strijders steeds nabij, Drupte balsem in de wonden,

zong een fiere melodij :

„ Door volharding ter victorie!quot;

Bleef de leus en — zij verwon ! En zoo werd de plek veroverd,

waar men eindelijk rusten kon.

262

ocr page 291

Aan de zijde der geliefde,

nu de Gade teêr bemind,

Nu nog hopend, weldra moeder

Tan het afgebeden kind! — Wel omgeven vaak gevaren

ieder op zijn levensbaan:

Als der onschuld lichtgestalte

lokt Verleiding u steeds aan.

Velen struik'len, meerd'ren vallen,

maar waardoor bleeft Gij bewaard ? Door 't herdenken aan dat plekje

heilig door den Eigen Haard! In den kampstrijd van dit leven,

onder 't drukken van het kruis, O, wat bron van zegeningen

is en blijft ons eigen Huis!

Vraag den zeeman, hoe zijn harte

en zijn polsslag sneller jaagt, Als hij weet dat door de baren

't zeilend schip hem huiswaarts draagt; Of te midden van de stormen

op den woesten Oceaan,

Door 't gehuil der wilde vlagen

kreten klinken: „Wij vergaan!quot; Als hij dan, zijn plicht gedenkend,

onversaagd bevelen geeft.

Vraag dan, of niet in de verte

hem het beeld voor oogen zweeft Van zijn Haard en Vrouw en Kindren:

van zijn lieflijk huisgezin!

't Wacht hem steeds met zielsverlangen,

263

ocr page 292

't haalt hem weldra juichend in! En wanneer na vele dagen,

eindlijk blauwt het dierbaar strand, Waar de golven vroolijk ruischen:

„Welkom in het Vaderland!quot; Dau ontspringt een traan zijn oogen,

dien de blijdschap glinstren doet, En er vonkelt uit zijn blikken

een verjongde levensmoed !.. . Zóó zijn we allen , armen, rijken:

Wat we ook mogen zijn op aard, Ons vervult één zielsverlangen :

Heimwee naar een eigen Haard.

264

ocr page 293

POËZIE

VAN

C. V O S M A E R,

geboren 20 Maart 1826 f 12 Juni 1888.

I.

Aqua-forti.

Weet gij wat etsen is? — Het is flaneeren Op 't koper; 't is in 't zomerschemeruur, Met malsche vedelsnaren fantazeeren.

't Zijn hartsgeheimtjes, die ons de natuur Vertrouwt, bij 't dwalen op de hei, bij 't staren 1 In zee, naar 't wolkjen in het zwerk, of waar In 't biezig meer wat eendjes spelevaren; 't Is duivendons en klauw van d'adelaar.

Homeros in een nootje, tien geboden Op 't vlak eens stuivertjes; een wensch, een zucht. Gevat in fijn geciseleerde oden.

Een ras gegrepen beeldj' in vogelvlucht.

't Is op 't gevoelig goudkleur koper malen Met d' angel eener wesp en 't fulpen stof Der vlinderwiek, gegloeid van zonnestralen; De punt der naald, die juist ter snede trof Wat in des kunstnaars rijke dichterziel Uit fantazie en leven samenviel.

265

ocr page 294

11.

Zondagmorgen aan 't strand.

Blauw en wolkloos welft zich de hemel

Boven de wijdgestrekte zee.

Van zongloed wemelt de tintlende dampkring;

Parelkleurig rust het zeevlak ,

Ongerimpeld, zilverglanzend ;

Aarde en hemel vloeien ongescheiden ineen.

Meeuwtjes, duiven der zee, zittend op't spieglende vlak ,

Droomen van eeuwigen vrede.

Spartlend gaapt een vischjen even boven.

Ginder drijven slapend voor hun anker

Enkele visschersscheepjes;

Slap is 't zeil en roerloos hangt naar omlaag

't Wimpeldoek, en als een zwarte kanten sluier

Plooit zich sierlijk 't droogende net langs het want.

Nauwlijks hoorbaar suist 't eentonig zingen van den

In de doodsche stilte. (knaap aan boord ,

Op 't heet gestoofde zandvlak ligt een stille plas,

Door de ebbe nagelaten

Als een groot stuk blauwe zielevrede

Uit kinderlijken tijd.

Visscherskindren spelen aan zijn rand :

't Knaapje heeft een klomp getuigd met mast en spriet

En eindjes pikdraad;

Rood geverwd staat achterop een hart

En: „Vrouw Katrijne quot;;

't Zusje had tot zeil getooverd

't Lapje groen en paarsch gespikkeld sits.

ocr page 295

Aan 't roer staat, oud en verveloos, een poppetje, Als vader.

Zachtjes blaast het meisjen in het zeil,

Maar den knaap was het te stil;

Hij roerde in den plas Om storm te hebben ,

En hij plonst en hij stampt met de voeten in 't nat, Dat de blauwe spiegel rimpelt eu golft, Tot hobblend 't klompje kantelt En 't popjen over boord valt in den plas.

Ach! klaagt het meisje:

Zóo is ons vadertjen ook vergaan,

En zoo bederf je ons schuitje heel en al.

267

ocr page 296

ERINNERIISTGr

DOOR

LOUIS COUPERUS,

geb. 10 Juni 1863 te 's-Gravenhage.

Lieflijke oorden!

Hoe bekoorde

Mij uw schoon,

Toen ik hoorde,

Der akkoorden

Toovertoon.

In uw hoornen,

Langs uw stroomen,

Waar het riet

Droomziek suiste,

Immer ruischte

't Weemoedslied.,

Hoe ik staarde.

Waar 'k ontwaarde

In het graan

268

ocr page 297

Eenig paartjen,

Mocht soms Klaartjen

Daar ook gaan!

En toch, geene,

Zoü ik meenen

Was zoo trouw

Als de mijne,

Als zij, reine

jonge vrouw!

Lieflyke oorden!

Hoe bekoorde

Mij uw lied,

Als ik tartte,

Fier van harte,

Elk verdriet

Bij 't omarmen

Van hare armen

Innig-zacht,

Heb in droomen

Ik vernomen

Liefdes klacht!

Ik herleefde!

Ja, ik streefde

Weêr vol kracht,

Schoon in smarte

't Jonge harte

Had versmacht,

Nu 'k den oude,

Die zoo rouwde

Levensmat,

269

ocr page 298

Op kon beuren

In zijn treuren,

Wen hij bad:

„Mocht eens Klara

Gaan ontwaren,

Dat ik dra

Dit steeds even

Droeve leven

Vluchten ga,

In uw armen

Zal zij, arme,

Kunnen vliên;

Gij zult blijde

Haar ter zijde

Hulpe biên!quot;

■quot;k Drukte knikkend,

Zachtkens snikkend,

Hem de hand,

Ik aanvaardde

't Mij zoo waarde-

Volle pand;

Maar toen de avond

Viel, er lavend

Wat de zon

Had doen gloeyen

Rees bij quot;t stoeyen

Aan de bron

De gedachte

Hoe hij smachtte;

Hoe hü, ach !

270

ocr page 299

In die stonde

Ons ter sponde

Niet en zag!

Laas, wij waren

Jong, en Klare

Minde mij,

Wijl hij beidde

Tot wij beiden

Aan zijn zij'

Zouden komen,

Om een loome

Hand op 't hoofd

Ons te leggen.

En te zeggen

„'k Heb beloofd

Voor het leven

U te geven

Aan elkaêr!

Eene trouwe

Reine Vrouwe

Blijve u Klaar!quot;

Hoe wij snelden!

Tranen welden

Onder 't gaan

Uit heure oogen,

Wijl wij vlogen

Door het graan.

Vooglen schrikten,

Toen zij snikte,

Wiekten heen,

271

ocr page 300

Toen zij hoorden

Droeve woorden,

Droef geween.

En wij vonden

Hem ter sponde;

Reeds was, ach !

't Oog gebroken,

Half geloken;

Stervend zag

Hij mij weder

Aan, en teeder

zei zijn stem

Tot ons, karmend

Hem omarmend:

„'k Geef u hem !

'k Geef u over

Haar, die, 'k love er Gode voor,

Me altijd beurde

Als ik treurde

Aan heur oor,

Als in 't lijden

En het strijden

Van mijn ziel

Eene klachte

Soms gedachte-

Loos me ontviel!quot;

Mijmeringen!

Hoe bedringen,

zij mijn ziel,

272

ocr page 301

Nu ik, droeve,

Aan haar groeve

Eenzaam kniel!

Want dra scheidde

Ze in 't Verscheiden

Ook van de aard ! •

En als 'k luistei

Naar 't gefluister

Langs de vaart

Naar het koeltjen

't Leutrig zoeltjen,

Doemen weêr

Op die blijde ...

Treurge tijden

Telken keer!

18

273

ocr page 302

MARIA DE LAS MERCEDES *)

DOOR

SOERA RANA,

geboren 13 Januari 1848 te Buitenzorg.

1.

't Is winter in 't zonnige land van liet Zuiden En de adem gaat om van het ijzige Noord;

Maar thands, daar de vroolijke feestklokken luiden, Thands is het uw hart, of de lentezon gloort!

6 Neen, om de kroon niet, gedrukt om uw slapen. Den glans en de praal van een koninklijk rijk,

Dat schitt'ring hergeve aan uw koninklijk wapen — Het regenboogkleursel der wolken gelijk;

Maar om 't hart, dat uw trouw zijne trouwe verpandde, 't Partijgekrakeel en den kerk'lijken nijd,

Den toorn die in dolende moederborst brandde, 't Wantrouwige volk en zijn staatsliên ten spijt.

Gezegende, gij! Zie de schaduw der Logen

Wijkt achterwaarts heên voor 't gerucht van uw voet;

1) Geb. 24 Juni 1860. — Gehuwd, met Alphonsus XII, 23 Januari 1878.

Overleden 26 Juni 1878.

274

ocr page 303

Gij komt en ziet rond — en de lach uwer oogen Verkeert het gemor in een juublenden groet!

Daar wuiven de pluimen en wapp'ren de vanen,

Daar tooit zich uw hoofdstad in hoogtijgewaad; En gij, door het floers van gelukkige tranen,

Ziet 's Konings van zaligheid stralend gelaat...

|

Zij 't winter, ó Bruid! dan in 't zonnige Zuiden

En zende er zijn adem het ijzige Noord:

Gij hebt, daar de vroolijke feestklokken luiden. De stem eener eeuwige Lente gehoord!

I

I

--3

ï 1 S

II.

Eerlang — en de grimmige winter moest deinzen!

De zomer is daar, met zijn vruchtbare pracht; En heeft, als ge fluistert in schucht're gepeinzen, Na heerlijk vervullen nieuw hopen gebracht.

't Lacht alles u aan! In de ruischende zalen ,

Aan staatszucht en pronkende schande gewoon, Waar hoov'lingen thands van het wonder verhalen Der lieflijke „idylle op de treên van den throon;quot;

In de armlijke stulp, waar eenvoudige monden

Vermelden wat prinslijke liefde vermocht,

Die in 't kille Paleis een Tehuis heeft gevonden En „kroondiamanten met myrte doorvlocht.quot;

275

ocr page 304

i,

't Lacht alles u aan! Maar de wegen des Heeren,

Ach, zijn ook de wegen der Koningen niet;

Zijn Bode verschijnt in het blij banketteeren ; Het lachen besterft en verstomd is het lied.

|

Noch galmen de wanden, noch trillen de snaren, En reeds is de harpe te splinter gestort;

; Noch hangen de bloesems der Bruid in uw haren, En reeds is de bloem uwer jonkheid verdort!

I Daar ligt gij dan neder. Der beuzien de schare ,

Verhard voor het Hoogste, verstompt voor het Recht Ontglipt voor een oogwenk, op 't hooren dier mare , De krans die ze 't spel der gesleepenheid ') vlecht.

Daar licht gij dan neder. Geen kost'lyke wade,

Geen ij del cieraad, dat de treurenden stuit;

In het needrige kleed van een Maagd der Genade» Mercedes! geleidt men al weenende u uit.

Genade! Als een stofje op den stormwind gedreven, Gaan schoonheid en deugden en liefde voorbij: | Gij predikt wat b 1 ij f t van het vluchtige leven; En u, kan het zijn! was uw naam prophecij.

Juli 1878.

I

1) In het Congres te Berlijn. De afstand van Cyprus was juist bekend * geworden.

276

ocr page 305

AAN HET STRAND

DOOR

J. N. VAN HALL,

geboren i5 Januari 1840 te Amsterdam.

't Is 't volle badseizoen aan 't Scheveningsche strand, Waar breede golven slaan op 't zacht fluweelen zand, Alsof het verzen zijn van Helmers, zoo plechtstatig, Zoo deftig en zoo kalm, zoo fier en regelmatig.

Daar komen uit chalet, uit villa en hotel De rijke kindren aan — en straks begint het spel. De voetjes in het nat; de kieltjes opgetrokken; 't Genot ziet de oogen uit. Op blonde en bruine lokken Prijkt een matrozenhoedje in lossen, eedlen zwier; Zij zien er krachtig uit, gezond, hun blik is fier; En al die knapen, zie, in dolle vreugde, graven Ze in 't fijne gouden zand, met hand of schop, een haven, 't Gecompliceerdst kanaal, een droogdok of een sluis En de eigen Oceaan, die, in zijn toorn, tot gruis Meedoogenloos vernielt de grootste, sterkste vloten. Laat, oud toegevend man, zijn golven in de sloten Geleiden, naar 't ontwerp der grillen van het kind.

277

ocr page 306

Daar staan zij, 't oog vol vuur, de haren iu den wind, Niet ver van een Mama, die stil zit te borduren; En vinden 't dood gewoon, dat steeds voor al hun kuren De zee zoo willig is, en zich met hen vermaakt.

Een andre kinderstoet, als zij de voeten naakt,

— Het water stijgt hun langs de welgevormde beenen— Matroosjes, visseherskroost, trekt stil voorbij hen henen , De bruin gebrande nek kromt onder t wicht der ben, 't Zijn kindren uit het volk, van de armsten onder hen. Voor hen geen spel; hun lot zal strijd en arbeid wezen; Toch staat op 't streng gelaat geen jalouzie te lezen Voor de andre knapen en hun ongestoord vermaak. Als kleine zeelui, flink verrichten zij hun taak ; Hun dagwerk is hun lief, al is ook t leven strijden. Neen, zij behoeven geen dier rijken te benijden; De zee — zij weten 't — is een moeder voor elk kmd; Voor 't kleine visschersvolk waait ook de zilte wmd, Die kracht en schoonheid schenkt, als hij hun wangen

streelt,

Aan 't arme kind dat werkt, aan 't rijke kind dat speelt.

278

ocr page 307

KERKHOF-BLOEMEN

DOOK

M. L. QUACK,

geboren 2 September 1827 te Herveld.

Es blüht ein Blümcben. .. Das schmeichelt Aug und Herz, sofroh Wie Abendsonnen stralh ! I

Burger.

Zeg, wat staat gij daar te bloeien,

Tengre plantjes, geestig kruid?

Bloempjes, tussclien zerk en kluit Steekt ge om 't zoekende oog te boeien Hoog uw blijde kelkjes uit ?

Is het om de jeugd te streelen,

Die, als kerk en torentrans Fonklen in den avondglans, —

't Rustig kerkhof voor haar spelen Kiezende, u vergaart tot krans?

|

Hebt gij u die plaats gekozen;

Schoon der praalzucht ongewoon;

Om te schittren met uw schoon, —

279

ocr page 308

Hunk'reude als de wufte rozen Naar wat ijdel eerbetoon?

Neen niet enkel tot genoegen,

Noch tot praal op kleur of doseh, Toovert hier uw zachte blos, — Wondt zich vreedzaam in den vroegen quot;t Kelkjen uit zijn windslen los.

Neen, gij wilt ons wenken geven, Gij, het beeld van jeugd en licht , Predikt aan het grafgesticht:

Zie, hoe tusschen dood en leven, Maar een enkele graszoó ligt.

Neen, gij dekt de sombre zooden. Om het diep geschokt gemoed.

Door uw' zachten vreugdegloed Toe te fluistren: wel u dooden,

O, dat heengaan was hun goed !

Bloempje dan ook schoon te prijzen, O, toch zijt gij meer ons waard,

Wijl ge zoo uw zijn verklaardt; En ons troostend heen wilt wijzen Waar geen grafreis meer bezwaard.

280

ocr page 309

ZIJ ZAGEN

DOOK

H. J. SCHIMMEL,

geboren 30 Juni 1823 te 's Graveland.

Oud-grootjen met de witte vlok,

Gedeukt en gekreukt uit het kapjen,

Uw oogen tuigen nog van jok.

Uw mond nog bij wijl van een grapjen.

Hoe beste-vaar ook pruttien moog, Een ieder bederft en vergoodt je ;

Het knypertjen op, den hemel in 't oog, Gij zijt om te kussen, oud-grootjen!

Blondkopjen met satijn-zacht hair In zwierende golvende krullen,

Het mollige rozige lippenpaar —•

Wat die al bemeesteren zullen! —

Hoe beste-vaar ook prutlen moog, Wij kunnen 't maar noode u verheelen:

281

ocr page 310

Het lachje^ op de koonen en de onschuld in 't oog, Blond-kopjen, ge zijt om te stelen!

Oud-grootjen zat bij 't klein-kind graag, Blond-kopjen ook graag op dat schootjen.

Zij houdt het lokkig hoofdjen omlaag,

De hand om den hals van oud-grootjen.

Oud-grootjen leest. Blond-kopjen mee,

Al kau zij, de speelsche, nauw spellen.

Het boek met de prenten behoort allen twee, En grootjen kan aardig vertellen.

Oud-grootjen leest, op de oude knieën Het Bijbelboek opengeslagen:

„ De reinen van harte, ze zullen God zien!quot; En wij, wij gelooven: zij zagen!

282

ocr page 311

VONDEL

DOOR

Db. h. j. a. m. schaepman,

geb. 2 Maart 1844.

„Justus fide Vivit,quot;

Vondel.

Waar, Meester, peinst gij op? Door wat verheven sferen

Zweeft, in zijn vlucht, de geest.

De geest des dichters, die als in het oog des Heeren

Der raadslen antwoord leest?

Wat reine scheppingen der doorgeworstelde uren

Verrijzen voor uw oog,

Slechts wachtend op uw hand, die ze omkneed tot figuren.

Ontzaglijk, fier, en hoog;

Hen tot gestalten vormt, die ons, verrast, doen staren

Op ware majesteit,

Op ongebroken kracht bij 't barnen der gevaren.

Of zoete teederheid ?

Waar, Meester, peinst gij op? In 't rijk der idealen Voert gij den heerschers staf.

283

ocr page 312

En iedre harte klop en ieder ademhalen

Werpt daar zijn schatten af!

Geen telt de sterren, waar zij kringlen in hun hanen,

De tochten door de lucht,

De golven, voortgezweept langs 't vlak der oceanen

In hooggezwollen vlucht;

En wie, wie meet den stroom, den heirstroom der gedachten ,

Die langs de blikken vaart Des Dichters, waar hij peinst in slapelooze nachten

Of ronddoolt over de aard?

Maar in het dichterwoord stort zich dat zieleleven.

Dat kind des geestes uit,

Het woord, doorzichtig als de sluier saamgeweven

Om 't voorhoofd eener bruid;

Het woord, dat als de geur uit rozeknoppen brekend,

In de eigen stond vergaat,

Maar dat des kunstnaarshand straks met een zegel teekent,

Dat erts tot goudmunt slaat!

Waar, Meester, peinst gij op? Wat wareld, opgerezen

Ten antwoord op die beê!

Een wareld door geen oog, als Vondels oog, doorlezen;

Een grenzelooze zee!

Aanschouwt gij, jongling weêr, met wild verwarde haren

En vurig stroomend bloed,

Uw Mozes, Israël geleidend door de baren,

Door Isrêls God behoed ?

Doorzwerft gij weêr vol moed der dieren lustwarande,

Waar ge uit uw dartlen kout De waarheid klinken doet, die in der schalkheid banden Den geest gevangen houdt?

284

ocr page 313

Of, — gij zijt krachtig man en hebt party gekozen

Bij 't woelen van den strijd;

Een strijder zijt gij, ja, die rust kent noch verpoozen

Zich gants zijn leuze wijdt.

Gij ziet uw Palameed door vuig bedrog gevangen,

Door list ten dood gesleurd En jaagt, door 't grieksche spel, het bloedrood naar de

wangen,

Wier masker gij verscheurt:

Gij hoort het joelend lied — en uit de vlugge veder

(Wat wapen in uw hand!)

Stort zich een stroom van spot en scherpe waarheid neder,

Die als de lava brandt!

Maar neen, des kunstnaars oog heeft eindloos meer

genoten,

Toen hem uw beeld verscheen;

Hij heeft een heilgen gloed de vormen doorgegoten ;

En langs uw trekken heen Speelt nog de volle drift, die Amstels krijger scharen

Bezielde in stervensnood,

Ja, tot der zaalgen koor den menschengeest deed varen,

Om uit der liefde schoot,

Om van der Englenharp den wiegezang te rooven

Voor 't kind der Moedermaagd,

Dat zich het kribjen koos voor 't licht der hemelhoven,

En 's aardrijks kroone draagt!

Ja, teedre beelden ook omzweven u. De Moeder

Van 't menschelijk geslacht Verschijnt daar voor uw oog, zooals haar de Albehoeder

Aan Adams zijde bracht.

Gij ziet ze in al het schoon van d' opgang harer dagen ,

I i

285

ocr page 314

Die de Engel zelv' beneed;

Gij ziet haar vallen, och! en durft nog tranen vragen

Van wie zij vallen deed!

Weêr klopt u harte warm voor uw geboortestede;

Gij geeft uw verren groet Een kostbaar pronkjuweel voor 't grijze Keulen mede

En zingt haar maagdenstoet;

Daar klept de doodenklok van Fotheringay's tinne,

Eu trots dien sombren toon ,

Vlecht gij der fiere vrouw, der schoonste koninginne

De heiige martelkroon!

Door heel 't verleden schouwt uw arendsblik. Daar

kampen

De machten in de lucht,

Daar ziet ge een hemelgeest, beneveld door de dampen j

Van eigen trotsche zucht;

Daar vlamt het zwaard der wraak in heiige Englenvingren;

Snel als de bliksemschicht Ziet gij de morgenster in d' eeuw'gen afgrond slingren.

Verwonnen door het licht!

Maar trots het strijdgewoel, dat dondert door de sferen,

Klinkt hoog de zegetoon.

Die, de eeuwigheden door, den naam verheft des Heeren

En klatert om zijn throon.

Daar, Meester, peinst gij op! Uw blik aanschouwt den |

Engel, \

Die juichte: Gode de eer!

En in uw ooren ruischt der Serafs toongemengel,

Uw veder geeft het weêr!

Gij schudt het edel hoofd? Nog heiliger ontroering Beeft in uw meesterhand.

286

ocr page 315

Zweeft ge op den wiekslag van nog hooger geestvervoering

Naar 't liemelsch vaderland ?

Waar, Vondel, peinst gij op? Een golf van harmoniën,

Een stroom van poëzie Geeft antwoord op de vraag; de koning der geniën

Bidt, dankt en juicht; „Ik zie.

Ik zie, ik zie het Licht, de Waarheid, en het Leven

Den ongeschapen Zoon,

Het Mensehgeworden Woord, met koningsglans omgeven;

En 't Autaar is Zijn throon!

Ik zie den Bruidegom, die 't oog der aard verblijdde

Gezeten naast Zijn bruid,

Haar sterkend met het bloed, dat heenstroomt uit Zijn

zijde,

Waaruit het leven spruit!

Ik zie den OfPeraar en vleklooze OfFerhande,

Die aan des kruizes stam,

Door lijden, smaad en dood de macht des doods verbande,

Der Hel haar staf ontnam.

Ik proef (o God, myn God, die steeds mijn ziel begeestert.

Geen Seraf geeft het weêr)

Ik proef, — ik stamel slechts door de eeuwigheid be-

meestert,

Ik proef mijn God en Heer!

Mijn Koning en mijn God, — O, de idealen dooven.

Waar gij uw stralen schiet,

Ik duizel bij den glans, die van uw throon daarboven

Zich in mijn ziele giet.

Ik leef, ik leef door U: — mijn krachten zijn verstoven: „Aanbidden en gelooven.

Dat is mijn Koningslied!quot;

287

ocr page 316

„Scribis aeternitati.quot;

G. Vossius.

Door de sferen

Stormt het lied:

„Eeuwig is de Heer der Heeren;

„Einde of aanvang kent Hij niet!quot;

Maar er ruischen

Door het zwerk Machtig, sterk,

Zangen, die het bloed doen bruisen ,

Die de sluimerende kracht Doen ontwaken

En het menschenhart doen blaken In 't bewustzijn van zijn macht,

Zangen, die den dag doen gloren

Na den nacht,

Zangen uit des Hemels koren ,

Klinkend over 't aardsch gebied: „Stervling zij de mensch geboren,

„Ware dichters sterven niet!quot;

Over al de doodstrofeën,

Over puinen, lijken, graf,

Over de ongemeten zeen Der ontelbre stervensweën

Voert de geest den heerschersstaf:

Boven al de doffe klachten,

Tolken van de felle smart.

Door de wrake des Almachten

Rijzende uit het menschenhart,

288

ocr page 317

Boven al de jammerkreten,

Die den dood verwinnaar heeten,

Zingt de vrije geest zijn lied: „Ware dichters sterven niet!quot; Dichters, die als hemelzonen

Op der bergen spitsen staan,

In de gouden snaren slaan En een vlucht van volle toonen Op doen gaan,

Toonen, waarin ieder hart Het volmaakte woord kan vinden

Voor zijn vreugde, voor zijn smart; Waarin tranen zich verbinden

Met der moeder zaalgen lach; Waarin al de stormen tieren,

Al de geurge zephyrs zwieren,

Die één dag In de menschenborst ziet zweven; Toonen, die het rijke leven,

Hooge waarheid, wedergeven

In der schoonheid zonneglans. Dichters, die als Godes wachters, Met der Englen stralenkrans,

Heel den zwerm der wetverkrachters

Voor het zwaard Van het heilig woord doen vallen, Het Trisagion doen schallen

Over de aard;

Die der boosheid macht bedwingen; Die den lasteraar doen zingen:

„ God is groot!quot;

289

ocr page 318

Neen, — zij zijn geen stervelingen Zij zijn sterker dan de Dood!

Vondel, Neêrlands reinste glorie

Is uw naam ; En de lofkreet van de faam En de stemmen der historie

Smelten saam. Scheent gij bij uw volk vergeten ,

Scheen uw hooge zangster stom ?

Hoor het zware klokgebrom En de duizend, duizend kreten,

Schatrend door de Amstelstad, Zij betuigen, zij verkonden,

Dat ge uw volk hebt weergevonden, Dat uw kostbre wijsheidsschat

Door geen tijdstroom werd verslonden, Maar het hoogste leven had,

't Leven dat door al de kringen

Van den tijd Ons op vollen toon doet zingen,

Dat ge onsterflijk zijt!

Vondel! — Ziet hoe triomferend

Hij verrijst.

Met zijn hand de tijd bezwerend.

Met zijn kroon den nijd braveerend, Met zijn blik die opwaarts wijst. Met zijn blik, die tot den hoogen Door d' azuren sluier dringt,

Waar de Seraf, neergebogen,

ocr page 319

't Lied der eere zingt;

Met zijn blik, die spreekt: ,,Daarboven Is de kracht,

Is de grootheid, is de macht;

In des Paradij zes hoven

Vindt de dichter wat hij tracht. En de gever aller gaven ,

En der wijsheid eeuwge bron,

Waar de zielen zich aan laven,

En de nooit geschapen zon ,

Die haar volle levensstralen Op ons koude hart doet dalen, — Eenmaal in de hemelzalen

Kweekster van het hoogst genot, — Dat is God !quot;

291

ocr page 320

DE KLOKSLAG VAN MIDDEENACHT

DOOK

E. LAURILLARD ,

geb. 25 Maart 1830 te Rotterdam.

Als de klok van middernacht Roept: „Het jaar verdwenen!quot;

Loopt een wonderbaar gevoel Mij door 't harte henen.

Vraagt gij, welk gevoel dat is? — 't Is niet goed te zeggen;

En althans door éénen naam Is 't niet uit te leggen.

Want er is van alles in:

Danken is 't en rouwen;

Zucht en lofzang tegelijk; Weemoed en vertrouwen.

Tijd en eeuwigheid dooréén , Aarde en hemel beiden: —

Zoet genot van samenzijn,

Diepe smart om 't scheiden.

292

ocr page 321

Kerkhoflucht, en — bloemengeur Uit het hooger Eden ;

Lichtfiguren in 't verschiet, Schimmen van 't verleden.

Vrees voor 't lot en vreugd in God, Durven en versagen ;

Treurmuziek en feestgezang;

Zon en donderslagen. —

Als de klok van middernacht Over d' omtrek henen

't Ernstig woord weêrgalmen doet: „Weer een jaar verdwenen!quot;

Ja! dan komt een vreemd gevoel Mij de ziel doordringen,

Dat in schreien zich niet uit, Ook niet goed in zingen;

Dat geen and're taal behoeft Dan drie, vier akkoorden,

En waarvan nog 't beste lied 't Lied is zonder woorden.

293

ocr page 322

OP HET SLAGVELD

DOOR

D. F. VAN HEYST,

geboren 28 Juli 1834 te Gouda.

„ One touch of nature makes the whole world kin.quot;

Shakespeare.

I

I Aan ons is de zege, de vijand vloot heen,

Wij hebben zijn rijen verbroken,

| Wel streed bij met moed en nog lang hield hij stand, I En heet was de worstling voor de eer van ons land, Die eere werd bloedig gewroken!

Hoe dreunde 't geschut en hoe kraakte 't geweer! En braakte zijn doodlijken regen.

■ Vooruit! was de leuze in het dichte gewoel,

• Eén wensch in het harte, één mikpunt en doel,

Al grijnsde ons het doodsgevaar tegen.

•

j De slag is gewonnen, de glorie ons deel.

Betaald met het bloed onzer braven.

294

ocr page 323

Het staal en het lood velden honderden neer,

Rust zacht, o mijn vrienden, op 't veldbed der eer. De lauwer prijkt schoon op uw graven!

*

Wie ligt daar ginds? 't Is een der velen.

Is hij gedood? Neen, zwaar gewond;

Het zal met hem niet lang meer duren, Een donkre bloedstroom kleurt den grond.

Wie zou hij zijn? Is 't een der onzen?

Neen, 't is een Franschman, de arme man, Straks moeten wij elkaar verderven,

Nu wil 'k hem helpen als ik kan.

Hij spreekt: „O God, één dronk, één droppel!

Het brandt hierbinnen in mijn borst!

Gij, wie gij zijt, heb medelijden!

'k Verga van pijn, ik sterf van dorst!quot;

Van dorst? Hier, vriend, hier is mijn veldflesch,

Kom, neem toch aan, wat ik u bied!

Ja, drink haar leeg, ik kan wel wachten,

'k Had straks wel dorst, maar erg toch niet.

En de ander drinkt met lange teugen,

De fijnste wijn deed nooit zoo goed; Een nieuwe kracht stroomt door zijn aadren.

Zijn stervend oog krijgt nieuwen gloed.

Hij drukt met vuur de hand zijns redders, En staart hem in 't gebruind gezicht;

295

ocr page 324

Ach, dat mijn moeder u kon danken En weten dat haar zoon hier ligt!quot;

Daar zinkt hij stervend achterover;

Zijn vijand buigt zich aan zijn zij', En wischt het doodzweet van zijn slapen, En staat hem als een broeder bij.

Een dankbre blik is zijn belooning ,

Daar ruischt het met een flauwe stem: „Vaarwel, mijn land, mijn heerlijk Frankrijk En „Lieve moeder, bid voor hem!quot;

De laatste vonk heeft uitgeschenen;

Een enkle snik ... hij is niet meer.

En de ander sluit zijn brekende oogen , En legt hem zacht, behoedzaam neêr.

Hij ijlt van daar, maar onder 't heengaan

Verneemt hij nog die zachte stem, Als vond ze een echo in zijn harte, Dat: „Lieve moeder, bid voor /lem/quot;

't Commando klonk; de krijgstrompetten

Zy riepen hem tot nieuwen strijd, 't Geschut deed weer zijn donders kraken , 't Was vuur en bloed weer wijd en zijd!

Maar midden in de doodsgevaren

Vernam hij nog die zachte stem ,

('t Was of een engel voor hem waakte) Dat „ Lieve moeder, bid voor hem!quot;

296

ocr page 325

DE RIDDER VAN DE WAARD

{Een volks-overlevering uit de 12® eeuw.)

DOOR

4

J. M. E. ÜERCKSEJS ,

geb. 31 December 1825 te Leiden, •]- 29 Februari 1884.

Waar zich de Eijn in tweeën scheidt

Bij de oude sleutelstad,

En met zijn armen van juweel 't Smaragden land omvat.

Daar stond, — 't is eeuwen reeds geleên —•

Een trotsch en aadlijk huis,

Nu werd het door de hand des tijds.

Sinds lang gebeukt tot gruis.

Daar voerde een grijze ridder met

Zijn zonen eens gebied:

Een tweetal, dat een dierbre gaê Ten troost hem achterliet.

297

ocr page 326

Hij had die beide zonen lief,

Maar toch den jongste 't meest,

Die had zijn moeders zacht gelaat,

En ook haar vroomen geest.

Er was iets dweepends in den knaap,

Maar dat hem niet misstond;

Zoo menig, die in hem een steun.

Een troost en voorspraak vond.

j

Zijn naam was Herman, en die naam Geliefd in heel de streek;

Geen landman, die, geen meisje dat, Met schuwheid hem ontweek.

i

Zijn broeder Otto, forsch gebouwd,

Bracht met zijn sombren blik,

Waar hij in 't burggebied verscheen,

Ontzetting aan en schrik.

I

Heer Otto droeg de slang des nijds Sinds lang in 't booze bart,

Hij kende 's vaders zwak en dacht Tot wrake zich gesard.

„ De weeklingsprak liij, wordt gevierd,

Al toont hij kleinen moed, —

En ik miskend door iedereen ...

Bij God! Die smaad eischt bloed.quot;

298

ocr page 327

Hij peinsde er op. Reeds kiemde 't zaad Door Satans hand gestrooid;

Reeds had de macht der hel heur vaan Ten halve daar ontplooid.

Eens, toen de zonne in 't westen dook, Stond Otto in den hof,

Toen 'sbroeders zacht gelaat zijn blik, Dit woord zijn ooren trof:

„Mijn broeder Otto. 'k Heb daar pas Een wreed tooneel gezien :

Een grijsaard werd naar 't kerkerhol Gesleurd door oorlogslien.

„Men zei: 't geschiedde op uw bevel: —

Spreek broeder, wat is dit?

Waarom strekt de arme, grijze man Uw gramschap tot een wit?quot;

„ De dorper heeft mij fel gehoond!quot;

Sprak Otto met een lach,

Waarin men heel zijn duivlenaard,

Zijn booze ziele, zag.

„Hij school in huis toen ik verscheen;

Wis om den plicht te ontgaan, Die hem een eerbewijs gebiedt: Het kwam hem duur te staan.quot;

299

ocr page 328

„Dat is verfoeilijk, zeg ik u,quot; Zei Herman, op een toon,

Waaruit een geestvervoering sprak. Hem anders ongewoon.

„Ik ijl terstond naar Vader heen En breng hem 't misdrijf aan:

Hij blijft hier Heer, zoolang hij leeft, Hij zal den grijze ontslaan.quot;

„Dat zult ge niet! Vervloekte wulp!quot; Riep Otto woedend uit...

Men zag het weêrlicht van een zwaard , ■ Men hoorde een dof geluid.

„'k Vergeef u, Otto!quot; klonk het flauw, 't Was Hermans laatste woord,

En Otto vloog naar 't burgtplein heen. Bevlekt met broedermoord.

H.

Zij zaten aan het avondmaal,

De Ridder en zijn zoon.

„Waar,quot; sprak de vader: Herman toeft? Hij was dit niet gewoon.quot;

Heer Otto zweeg en greep de kroes. Gevuld met eedlen wijn.

De grijze vader zag 't en sprak:

„Mijn God! wat zou dat zijn?quot;

300

ocr page 329

„Spreek Otto! spreek. Waar is mijn zoon,

Mijn jongste Helling? Spreek!quot;

Heer Otto zweeg; zijn oog stond woest, Zijn dorre wang was bleek.

En angstig vroeg de grijsaard weêr:

„Waar is mijn jongste zoon?quot; En 't antwoord klonk: „De weekling vond Daar ginds 't verdiende loon.

Hij hield den dorper hoog in eer.

En dacht van hem geen kwaad.

Nu viel hij door een dorpers hand; Dat volk pleegt steeds verraad.quot;

„Mijn Herman, hij! Gij zegt: hy viel.

En door eens dorpers hand ?

Voorwaar! dat kan niet zijn; hij was Bemind door 't gansche land.quot;

„Welnu dan!quot; borst heer Otto uit.

Waartoe het feit verheeld ?

Hij viel door mijn getergde vuist, „ Hij ... moeders evenbeeld!quot;

„ Zoo wees gevloekt, ontaarde zoon!quot;

Dus klonk des Grijzen woord.

„Toen gij hem 't zwaard in 't harte stiet, Hebt gij ook mij vermoord.quot;

301

ocr page 330

III.

't Was waarheid wat de grijsaard sprak;

Hij kwijnde langzaam lieên;

Zijn laatste vreugde was vergaan ,

Zijn laatste hoop verdween.

En toen een nieuwe lente kwam,

De barre winter vlood,

Toen volgde hij zijn dierbaar kind In de armen van den dood.

Heer Otto erfde 's vaders naam

En riddermatig goed;

Maar in het midden van den hof Zag men een vlek van bloed.

„Wisch af dat bloed!quot; klonk Otto's woord.

Men deed naar zijn bevel;

Maar als men 't pas had afgewischt,

Verrees het even snel.

„Weg, weg die vlek!quot; Spit om den grond!quot;

Men deed naar 's Ridders woord.

Vergeefs! De bloedvlek, pas geweerd.

Kwam weêr uit de aarde voort.

Het werd den ridder bang om 't hart.

De wroeging greep hem aan.

„Voort, voort, van hier!quot; dus riep hij uit, „Het is met mij gedaan!quot;

| !

302

ocr page 331

Hij vlood. Waarheen? Niet een die 't weet, Noch hoe zijn einde was.

Zijn erf verviel der Graaflijkheid,

Zijn burg tot puin en asch.

Maar wat verdween. De sage ging,

Niet als dat huis, voorbij.

Daar woont in 't middeleeuwsch verhaal, Een zin vol poëzij.

't Onrust geweten is de vlek,

Waarvan het luide spreekt,

Dat, hoe de booze 't weeren wil.

Zich op de misdaad wreekt.

Vergeefs gebaad in zingenot!

Het wil niet heen, niet heen!

Het kwam van God, 't behoort aan God, Het wijkt voor God alleen!

303

ocr page 332

HOOP

DOOR

DK. J. J. F. WAP,

geb. 1 Mei 1806 te Rotterdam, f 10 Maart 1880.

Met den bloemkrans in de haren Englenlach in 't lieflijk oog,

Zie, daar komt zij van omhoog, Heilbodes uit 's Hemelsboog,

bij quot;t gernisch van Serafssnaren,

naar dees wereld heengevaren,

die Gods woord aan 't niet onttoog. — 't Aardrijk zucht en smacht haar tegen: waar zij heenzweeft, allerwegen,

drupt het laafnis, dauwt het zegen, straalt haar blik de wangen droog.

Aan de droeve stervenssponde,

bij de diepste boezemwonde,

in den felsten levenskamp,

onder 's werelds wreedste ramp, tot zelfs boven 't stof der graven,

op het lijkgesteent der braven,

toeft zij met haar tooverlamp.

304

ocr page 333

O Lichtsprank Gods, U brengen wij den dank, de hulde toe, den zuivren wederklank

van onze ziels- en hartebeden; —

blijf gij ons bij, als, op onze aardsche baan, de voorspoedszon het oog een poos ontgaan

en in een nacht van nevlen zich mocht kleeden.

Neen, gij zult ons niet begeven,

Poolstar aan den hemelboog,

en, waar gij ons vóór zult zweven,

volgen w\j, met vrolijk oog. —

Steile bergen, dorre dalen,

kronkelwegen, hinderpalen,

niets ontroerd ons, aan uw hand:

haar omklemmen we, in het leven,

daar ze ons voert naar hooger dreven; 't Eeuwigschoone Vaderland.

20

305

ocr page 334

WILLEM VAN ORANJE

A. D. 806 DOOR

J. A. ALBERDINGK THIJM,

geboren 18 Augustus ISiO, ■}- 17 Maart 1889.

Nu, 't zij zoo! 't is waar... het is Sinte Mathijs! „Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.

„Want anders .. .gij weet in de tijd van de vasten — „Zou 'k noode de Abdij op florellen vergasten. „Wat groenten, wat brood ... 't is al meer dan betaamt De voortijd maakt ons in zoo veel reeds beschaamd Zoo zittende voor een quartijn van Cyrillus,

Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.

„ Maar wie zal... ? quot; — „ Wie gaan zal ? 't zij de eerste,

die kan; —

„Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man! „ Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder, „Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder, „En neem een paar korfjes en 't stalknaapjen mee. i „Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André

306

ocr page 335

„Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden — „ Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.

„Geef gij aan den broeder bet noodige geld!quot; Nu dit bem met-een in de band is geteld,

Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden, En was ook al gauw uit bet klooster gereden. Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort. De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord, ... Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren ... Het kenschets hem niet als tot ruiter geboren.

Zoo'n kloostergeleerde — 't staat vreemd — op een

paard!...

Die staljongen is zonder grónd niet vervaard; Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)

Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek. Zoo denkt ge! — maar och, hoe bedriegt soms de

schijn

Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn! — Al lijken de kappen een haar op elkander.

Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.

Nü rijdt broeder Willem zoo zacbtjens door'tbosch; Twee korfjes, een knaap voert hij meê op zijn ros; Een inktkruikjen steekt uit zijn tascb; en die scbeede Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.

Maar de sprong van den grij zenden baard op de borst — Maar de glans van den blik, die soms rondscbouwt

en vorscht

Hoe lang men nog Zuidwaarts zal hebben te rijden — Maar het hoofd dat soms rijst als in jeugdiger tijden —

307

ocr page 336

En de vuist, die den slappenden toom soms vervat— En de knie, die zich spant en het bergachtig pad Den klepper op eenmaal soms over doet schieten, En springen en waden, waar beektakken vlieten Of heester en kloof hem den weg soms verspart — Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.

II.

Geen wonder! geen wonder! de bode, die heden Om visch voor het klooster daarheen gaat gereden , Hem sierde eens een naam in de wereld vermaard; Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje: Dat schild — was het wapen van 't Prinsdom Oranje. Oranje! geen held onverwinbaar als hij !

Een Roeland — alleen streeft dees Willem op zij. Waar Eonceval davert op d'aanren diens braven.

Daar vluchten geen Franken, nog buigen als slaven. Daar klieve 't verraad hen den helm van de romp — Zij knabblen op ketens hun tanden niet stomp:

Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen , Herroepend zijn helden :... Geen dooden , die hooren !

Oranje! steeds galmden de harpen zijn naam!

Niets kon hij benijden: geen Koning' zijn faam! De Dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen — Eer Willem den roem van zijn Heer hadd'verdrongen!

Nog schalt soms den vreedzamen Benediktijn De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:

308

ocr page 337

Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen ,

Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.

III.

't Is lang geleên! hij had, na felgevochten strijd, Yan 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.

Toen nog maar Erfzoon van de Graven vanNarbonne, Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhone. Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr; Sneed iedren toevoer af; en nood dwong 't Moorsche

heir,

Dat op de wallen van de leêggeroofde veste Zijn vaandels had geplant, bij't krijgstuig dat hun restte De stoutste plonderaars te levren in zijn hand En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band. Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden Geknield den veldheer aan; hij trok de straten door Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor, Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have , Naar wellust martlen wou, den jongen Christen Grave Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht — Toen de' arme burgerij een muurbres uitkomst bracht. En de Emir, dol van spijt, doch met betoomde woede De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees; 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: „Gij, Emir,

wees

„Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade „ Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade !

309

ocr page 338

„Uw woord tot onderpand, en om mijns Heilandswil, „ Ontboeit hem, knechten! — Maar op eens, wat luide gil! Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de

scharen;

Een parelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren; Den sluier hief zij van het beeldschoon bleek gelaat, Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat Op uitspreekt; met de ziel in eiken blik der oogen, Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen, Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros. En barst in dank op dank in tranenstroomen los. „ Gij schenkt hem 't leven!... 0, de dochter kust uw voeten! „En wat de vader deed — ik wil daar nog voor boeten , „Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem

mijn bloed

„In dank voor zooveel deugd. O, zeg mij, wat voldoet „Voor deze weldaad ?... Is hij, is hij wel behouën?... „O, vraag een losprijs! — dat mijn harte moog vertrouwen!quot;

— „'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert, „Die mij, mijn vijand leert beminnen — die begeert ,, Doet wel aan die u haat', dat ik den Vader heden „Der Dochter weêrgeef; 'k Wil geen losprijs! Gaat in

vreden!quot;

Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst: Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom) gelooven

dorst,

En, hupplend, aan de zij des grijsaardshenentreden—■ Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre

stem:

I

310

ocr page 339

,Dien Heiland, Dien gij dient, waar. Heer, waar vind

ik Hem?quot;quot;

O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven Den kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven. Geen wonder! 't heeft voor hem beslist voor heel zijn lot: De God van Willem werd der teedre maged God: En — knielend voor den troon van Keizer Charlemanje, Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.

IV.

Wat zegen,...wat geluk,... wat bittre rampspoed viel Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel, Trekt hij , uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden, Ten zijnent. O, zijn hart waant reeds't geluk hervonden In de armen van zijn gade en kinderen ... Wreede slag ! Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot: — de volle dag, Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister: Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên — Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats

heen!

Nu wil hij ook de rust: ja,... hij is oud van dagen !... Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!...'t hart telt

minder slagen ; Ja, 't was te lang zich-zelf met zoo veel werks belast... Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan

't harte

En zoekt een heulbron op, voor Hemeldorst en smarte. Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint, En waar hij 't oud geluk, bij meerder vreê, hervindt.

311

ocr page 340

V.

„Heer! — Heer! — hoort ge ginds niet dat joelend

gedruisch ?

„'k Ben bang in dit boscli, lieve Heer! met een kruis, Eeu een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten. „Wat ? ... Onraad ? ... Wel foei! Wees niet bang ,

beste man,

,, Zoo zijn wij het bosch uit... Ons valt men niet au : | „ Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren; ; „Kom, laat mij veel liever uw liedjen eens hooren. „ Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!

„Dan halen niet eens die kornuiten ons in.quot;

— „Heer, 'k durf niet; maar — daar gij 'etwilt — zal

't gebeuren.quot;

En bevend begon hij een liedjen te neuren.

| |

ï ' Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch Denkt telkens het knaapjen: „ Och, waren wij thuis! quot; Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen , Zij spellen den stalknaap: Ze komen! ze komen !quot;

En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft.

Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.

Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden , Die ginds langs het lover de takken ontblaarden; Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach, En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag Den een na den ander een zevental ruiters,

; Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!

312

ocr page 341

„Heer Jezus! wees mét ons!quot; zoo fluistert de knecht, Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht. En Willem rijdt door. „Sta, gij monnik! hij Mamêt! „Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!quot; „ Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak „ Van zijn rug waar hij zeker zijn goud in verstak .. En Willem betoomt zich met moeite van binnen ; En antwoordt, als past , met zachtmoedige zinnen: „Dat pak? — 't is mijn dienstknaap! Wat, Heeren,

kunt gij

„Voor schatten vermoeden in grauwharen pij! „Ik bid — laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!. .. ,, Aan 't rooven op klerken is voordeel nog zegen.quot;

— „Wat klerken!quot; zoo joelt men: 't is juist uws

gelijk

„ Die 't meest ons belemmert... maar uit heeft uws

rijk!quot; —

„Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten! „En beiden de plunje van 't lichaam gereten!quot; Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê, Zij binden hem handen en voeten, en reê Den monnik, dien zij met hun vijven omringen, Tot afstappen en tot ontkleeden te dwingen.

Smaalt schaatrend hun hoofdman: „Gij zijt, arme

bloed , ...

„Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet... „Wij hebben daar ginder een lijk of wat leggen ... „Zoo varen ze, die zich niet laten gezeggen. „We maakten hun goud, en wat anders nog, buit, „Gepakt in die kar...'t Zag er slecht met u uit.

313

ocr page 342

„Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen, „Niet eerst een kapoentje' of wat hadden gevangen: „Geen lid bleef u heel! nu maar ras van uw beest! „Toe, voort uit den tabbert! Het minst is óns meest! „ Die tasch en die rozekrans !... kousen en schoenen ... „Uw pij uit! — Die hoofdkap bij de andre kaproenen! quot; — „Ai, God!quot; bidt de knaap, en hij heft uit de kreek Zijn armen ten hemel, „ai Heere, verbreek „Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen! „En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!quot;

Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat Den huifwagen in met het zadelgeraad :

„Foei,quot; spreekt hij, en denkt: 'O mij, hadde ik een

wapen!..,

„Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen. .. „Een weerloze monnik — maar geeft me mijn knecht Voor 't minste dan weder!quot; — „Dien knaap? — Gij

hebt recht,

„'k Vergat 'em al haast,quot; sprak het hoofd van de Mooren: „Den knaap in de kar! —en den paarden de sporen ! — „Vaarwel, vrome Vader! en als ge in dit bosch „Alleen u verveelt, in uw luchtige dos,...

„Dat kan toch den beste' eremiet overkomen ,... „Hier hebt gij een koord — en daar ginder staan

boomen!quot;

Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf, Ontrent hem de hoofdman. Maar spottend en straf floept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven Met huifkar en schreienden knaap hem begeven:

314

ocr page 343

„Fraai, mannen! Fraai, helden! — Uw prooi lacht

u uit:

„Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit! „De gordel, die schuilt in mijn onderste kleêren , „Is meer dan uw dubbele roof te waardeeren! „Een gesp is er aan van het edelste goud, „Die pronkt met een krans van Robijn en Miraud „En keur diamanteu, voor twee duizend ponden „Wordt iedere goudsmid haar kooper bevonden.

„Gij kweet u voorbeeldig!quot; De troep wendt den kop ; De hoofdman rijdt nader: „Zou 't waar zijn? Pasop, ,,Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen „Dan stoot ik mijn priem door die tong en die

oogen !...

„Te voorschijn die gordel! — „Ik schenk hem, u.

Heer,quot;

Zegt Willem, „maar eer ik hem geef (bij uw eer, „Gij moogt mij niet weigren!) Scheuk mij dan dien

leedren,

„Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!quot; „Dat gaat!quot; roept de hoofdman, en stijgt van zijn

paard,

En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen, Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen, Daar heft hij de vuist, en met morslenden slag. Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag, Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten, Dat breinstof en bloed door het scliedelbeen schieten. Met rukt hij 't kromzwaard den Moor van de zij ; Hij springt in den zadel; geen vreeslijk als hij !

! I

315

ocr page 344

Hij st rt zicli te midden der wanklende knechten, Die denken aan bijstand, noch vluckten, noch vechten.

„Oranje vooruit! — Ha, gij wolvengebroed! „De leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed! „Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen ,,Elk uwer zijn eerloze meester verzeilen!quot;.... Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist: Hij houwt en verminkt, en verjaagt en vergruist. i Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;

Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;

Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet; En Willem van d' aakligen rechtsplicht ontslagen Vereent zijn gebed met een toon uit den wagen.

Hij nadert dien; opent de huif... Groote God!

Zijn knaap niet alleen werd geboeid door het rot... Twee andre gevaugnen, wien doeken en banden Het roepen beletten en 't roeren der handen! ... De schaduw der huive floerst Willem het oog;

Daar kerft hij de boeien... Neen, God! hij bedroog Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen ... Daar schalt het: „mijn Vader!quot; „mijn kindren!quot; daar

klemmen

Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart. 1 ,,Hoe dus? quot;...hoe gij beiden ?... Dank, God! dat die

smart

„In vreugde gekeerd is !... Gij waart overvallen „ Door 't helsche geboefte!... en alleen ... tegen allen.quot;

316

ocr page 345

— „Neen, Vader! mijn mannen, het offer der trouw, „Zijn ginder verslagen;., .de schaamte en de rouw „Dat ik ze overleef... haar kou niets weêr verzoeten „ Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten: „De Vader voltoog wat de zoon niet vermocht..

— „We aanvaardeu,quot; zoo koosde de zuster, „dees

tocht,

„ Om u in het klooster te komen verrassen ... „We hebben steeds in de Cortezische plassen „Niet ver van het burchtslot zoo heerlijke visch ! „En hadden dien héden bestemd voor uw disch... „Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen.quot;

— „Zoo waarlijk! scherts Willem, „dau mocht ik toch

slagen!

„ Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard... En glimlachend lei hij de zweep op het paard ; De staljongen moest met den bles het maar stellen , Eu de Abt kreeg twee gasten en goede forellen.

317

ocr page 346

UIT „DE SCHEPPINGquot;

DOOK

J. J. L. TEN KATE,

geb. 23 December 1819, -{- 20 December 1889.

Tweeliug is de Menscli geboren;

maar tocli in zijn tweeheid één;

Helft en Weêrhelft, ééne ziele,

beide elkanders vleescb en been.

Hij — alleen voor God geschapen;

zij — voor God ook, maar in hém.

H\j — Gods glorie; zij — de zijne;

zij — het oor, en hij — de stem.

Hij — het hoofd, vol ernst en wijsheid.

Maar door haar gevoel verzacht;

Zij — het hart, vol vreugde en teêrheid

maar gestevigd door zijn kracht.

Hij — zelfstandig als de ceder,

die op eigen wortel steunt;

Zij — afhanklijk als de klimop,

die zich aan zijn takken leunt.

318

ocr page 347

Somtijds echter, zij — de meerdre,

sterker dan de trotsche Man, Wien ze iu geestkracht, trouw en gaven,

menigmaal beschamen kan.

Waar de Man van vreeze trilde,

streed en overwon de Vrouw. Slechts een Moeder redt heur zuigliug

uit den scherpen leeuwenklauw ; 'fc Kind aan 'tharte, tart zij de ijsschots,

vliegt zij door de vlammen heen : Spraakloos zich ten offer wijden,

kan de Vrouw, de Vrouw alléén!

Rond zijn slapen kroest de hairvlok,

rijker dan een koningskroon:

In der lokken gouden sluier

is haar schoonheid dubbel schoon. In zijn oogen — zonnegloeiïng,

heldenfierheid, leeuwenmoed;

In haar blikken — maanlichtflikkring,

duivenonschuld, vroom en goed.

Zijn gebied is heel de Schepping,

en zijn arbeidsveld in 't licht,

Waar hij God vertegenwoordigt

voor der Englen aangezicht.

Meest op d' achtergrond van 't leven

is haar schouwtooneel bereid,

In üw' liefelijke scheemring,

dienende Bescheidenheid!

Hem — de menschen, haar — heur kindren;

Hem — de waereld, haar — het huis;

319

ocr page 348

Eu voor beide — Liefdes volheid,

als Gods liefde rein en kuisch!

Hij voor allen, zij voor de enlden —

en toch beide voor elkaar;

Niet gemengd en toch vereenigd,

immer Hier — en eeuwig Daar

II.

Mannen-c hoor.

God en Vader!

Sla ons gade :

Uw nabijheid

Hou de wacht !

Uit Uw ader

Stroomt genade. —

Hoogste vrijheid!

Eeuwge kracht!

Wil ons drenken

Aan uw boezem!

Wil ons sterken

Door Uw tucht!

Van ons denken

U de bloezem!

Van ons werken

U de vrucht!

320

ocr page 349

Met Uw wapen,

Dat wij scherpen ,

Wil ons leeren

Tred voor tred

Al 't geschapen'

Te onderwerpen,

Te regeeren

Naar Uw wet!

Maak door lijden,

Strijden, streven,

Ter viktorie

Ons bekwaam :

Dat wij U, aan 't eind der tijden, De Aarde, Uw leengoed, wedergeven Vol der glorie

Van Uw naam!

III.

V r o n w e n - c h o o r.

Albehoeder!

Hoor de bede

Van ons eerste

kinderkijn!

Die het Moeder-

harte kneedde,

Moet de teerste

Liefde zijn!

21

321

ocr page 350

Zie ons knielen,

Waar we samen

't Eden Tonden,

Man en Vrouw !

Die twee zielen

Met Zijn Amen

Heeft verbonden,

Blijft getrouw!

Liefdes lessen

Wèl te kennen,

Vriendlijk, vredig,

Rein en waar,

Als Priest'ressen

Ons te wennen

Aan het zedig

Huisaltaar:

U ter eere

't Kroost te kweeken Tot een heerlijk

Volk van God:

Dat, bij 't werk der menschbeid, Heere! Waar geen enkle mag ontbreken,

Zij 't begeerlijk

Vrouwenlot!

322

ocr page 351

SPROOKJE VANEEN EOZEKNOP

(aan een zestienjarig meisje)

door

ELISE VAN GALCAR,

geboren 19 November 1822 te Amsterdam.

De lieve Mei had al zijn pracht

Bijna ten top gebracht,

Toen kwam een teedre rozeknop En beurde 't hoofdje zedig op, En gluurde blozend door een reet, Die in het groene kelkje spleet,

Als de eerste levenskreet.

En al de bloemkens lachten blij ,

Die bloeiden aan zijn zij.

Zij juichten vroolijk: „wees gegroet! Gij sieraad in de lentekroon, Het leven is hier zoet en schoon, Daar ons een hovenier behoedt, Zoo wijs en trouw als goed.quot;

't Ontging ook d' ouden tuinman niet, Die al de bloemkens stil bespiedt,

Ook waar het niemand ziet;

En met de zorg in 't vriendlijk oog,

323

ocr page 352

Hief hij het roosje zacht omhoog, Dat reeds zijn knopje boog.

Och, 't steeltje was zoo rank en teer,

't Was voor geen rukvlaag nog bestand r Het wiegde rustloos heen en weer,

Zonk licht geknakt in 't zand.

Toen bond hij 't slingrend takjen op, Yoorzichtig als de liefde doet.

Die waakt voor 't jong gemoed.

„ Helaas! quot; riep nu de rozeknop , „ Zie, al de bloemkens groeien vrij,

En ik, ik zucht in slavernij!

Ach, waarom bindt gij mij?quot;

Maar de avond viel — de wind stak op En gierde door der boomen top; Hij roofde menig jeugdig blad En knakte menig lieve bloem,

Die gistren nog zoo stouten roem Op gulden vrijheid had!

Doch 't knopje stond daar frisch en fier

En lispelt met verhoogden blos: „ O goede trouwe hovenier !

Neen, maak mijn band niet los!quot;

En als hij sedert naderkwam,

Omdat zijn oog een boos insekt

ocr page 353

Aan blad of stengel had ontdekt;

Of als hij eens een spade nam En om den wortel henen groef,

Waar diep de worm soms knaagt, Dan zag het knopje niet meer droef; Of slaakte 't al een stillen zucht, Het waren geuren, die de lucht Naar hooger dreven henen draagt, Als kostbre lijdens vrucht.

En als de ruischende ademtocht Van 't koeltje, dat het knopje omzweeft En zachtkens door de blaadjes beeft, Ook 't laatste plooitje ontvouwen mocht, Toen was daar in den ganschen hof Geen roosje dat het overtrof,

O een bloemken van zoo frissche kleur En zoeten balsemgeur.

En gij, mijn lieve rozeknop ,

Hef vrij uw jeugdig hoofdjen op, En blik vol hoop en blijden zin, Ter wijde wereld in;

Doch waar gij ooit een bloempje ziet: Dat zich niet willig binden liet, Vergeet daar 't teeder knopje niet. Dat thans mijn hand u biedt.

ocr page 354

GEDICHTEN

VAN

ANT. L. DE ROP,

geboren 25 October 1837 te 'sGravenhage, quot;j* 3 Mei 1895.

i.

In 't middaguur.

Op de straten ligt een sneeuwkleed, Dat de nacht er spreiden zag;

En geen enkel zonnestraaltje Kondigt nog den jongen dag.

Toch is de uehtend wel gekomen, Want des werkmans zware tred

Doet de sneeuwlaag piepend kraken, Waar zijn voet zich nederzet.

|

Toch is de uchtend wel gekomen, Schoon geen vogel wordt gehoord,

En weer trekken langs mijn woning Stapvoets de ezelinnen voort.

326

ocr page 355

Veilig kan de stok des drijvers Rusten bij het verder gaan;

Grauwtje kent den weg van gistren, En de halten op de baan.

Bij het huis van de overbuurman Houden de ezelinnen stand;

Op de stoep verschijnt de dienstmaagd Met een melkglas in de hand.

Spoedig is de zoete schatting Door den uier uitgestort,

En het zestal stapt reeds verder Yóór de deur gesloten wordt.

Zie, zoo ging het eiken morgen Van den langen wintertijd,

Tot weer langs de gracht de linden 't Loof ontrolden als om strijd.

Toen — ik zag wel de ezelinnen Daaglijks nog aan d' overkant,

Maar zij hielden niet als vroeger Bij mijn overbuurman stand.

Neen, in 't middaguur verscheen er

— 't Zonnetje scheen dan zoo warm! Aan de deur een jonge moeder Met haar zuigling op den arm.

327

ocr page 356

II.

Maandrozen.

U min ik, teedre rozen,

Die alle maanden bloeit Met even vriendlijk blozen , Scboon u geen koeltjes kozen Noch vlindertje om uw stoeit.

In grauwe najaarsdagen

Troost ons uw purperkleur: Bij 't gieren van de vlagen Door de uitgebloeide hagen Schenkt gij nog geur en fleur.

Gij praalt nog voor de ruiten, Als 't bosch ontbladerd is; Gij waagt, al sneeuwt het buiten, üw knopjes wel te ontsluiten, En houdt u loover frisch.

In needrigheid geboren

Is 't u al meer dan goed Zoo slechts één lichtstraal gloren, Eén lachje u mag bekoren. Dat uit den hemel groet.

Als de andere rozen bloeien

Wordt haar slechts lof geboön; Doch als de stormen loeien.

328

ocr page 357

En haard en kachel gloeien, Boeit wel u bloemenkroon.

En dan, beminde rozen ,

Die alle maanden fleurt, Dan mochten wij wel blozen, Die bij uw geur eerst poozen Als tuin en bloemhof treurt.

0, zorg vol rustloos waken ,

O, teedre moedermin !

Wel is ons hart te laken , Dat, om genot te smaken, U vlucht met lichten zin.

Maar nooit verkwijnt de liefde, Gij mint trotsch smet en vlek Hoe ook ons hart u griefde , Altijd wijdt ge ons uw liefde: Een maandroos in 't vertrek.

329

ocr page 358

DE KABOUTERMANNETJES

DOOK

B. VAN MEURS,

geboren 29 April 1835 te Nijmegen.

Heb je ooit van den tijd der Kabouters gehoord? Dat was toen een leventjen — één in zijn soort! Bij voorbeeld; een knecht had aan 't werken een mier En deed niets dan luiren of nam zijn plezier, Dan kropen des nachts Zoo heel onverwachts De dwergjes als mieren Door gaten en kieren ,

Krioelden En woelden En hipten en draafden En zwoegden en slaafden:

En 'smorgens, reeds, voor het gekraai van den haan, Vond ieder zijn werk door Kabouters gedaan.

De schoenmakersknecht stak zijn els in het spek, En dacht: wie op Maandag noch werkt is een gek! Kaboutertjes kwamen en namen den schoen

330

ocr page 359

Eu keken wat lapwerk er viel aan te doen.

Zij maakten een draad En spanden den naad En pikten en prikten En stikten en flikten En tikten En likten En wreven en wasten En poetsten en pasten:

En voordat de baas uit zijn bed was gestapt,

Was alles aan schoenen en laarzen gelapt.

De timmermansknecht schofte zes uur per dag,

En kroop in de krullen, als niemand het zag.

Des nachts zocht het Volkje den winkel in 't rond, Of 't iets te karweien, te knutselen vond.

't Nam hamer en bijl En bijtel en vijl En dan aan het kloppen Op nagels met koppen ,

Aan 't dragen En zagen En schaven en spalken Van planken en balken:

En kwam de baas kijken, hoe 't stond met de zaak. Dan vond hij de spullen perfect in den haak. i ;

Het ging bij den slager precies evenzoo;

Want lag nog zijn knecht als een luilak op stroo , 1 Dan kwamen de kereltjes vlug op een draf, ; En slachtten het varken en hieuwen het af.

331

ocr page 360

Verdeelden het net In reuzel en vet En haakten de hammen En zijden aan krammen ,

En hutsten En klutsten Eu stopten met vulsel Het vliezige hulsel En ziet! als de baas van zijn legerstee kroop,

Daar hingen reeds metworst en bloedworst te koop.

Den bakker ook trokken zij flink uit den nood: Zij wanden het koren en bakten het brood; En draaide de knecht zich nog om op zijn zij , Dan was het al druk in de broodbakkerij , Zij haalden de rog En vulden den trog En kneedden en wroetten Met handen en voeten En smakten En kwakten Het baksel en schoven Het wip! in den oven:

En als nu de baas uit de bedstede schoot, Lag reeds op de toonbank het verschbakken brood.

De wijnkoopersknecht liet zijn werk er op staan, En 't kwam hem zoo nauw op een glaasje niet aan En kreeg hij een roes weg, en sloeg hij er neer, Dan waren de mannetjes druk in de weer; Zij tapten het nat

ocr page 361

En zwafelden 't vat En dreven de sponnen Zij rolden de tonnen,

Zij hurkten En kurkten De flesschen en lakten En plakten en pakten:

Zoodra weer de dag door liet keldergat scheen, Zag nuchtere Klaas alles klaar om zich heen.

Een kleermaker had het eens vreeselijk drok,

Want morgen moest klaar zijn een vest, broeken rok. Zijn knecht was aan 't zwieren, de pet op een haar; Maar 's nachts kwam het volkje met persplank en schaar;. Het kruiste de been ,

Begon zoo meteen Te snijden te schikken Te naaien te stikken Te lasschen Te passen Te persen, te boorden Met linten en koorden :

„Och, vrouw!quot; — riep de baas uitlijn bed —„dat valtmeê „ Het pak ligt al klaar in nieuwmodische snee.quot;

Des kleermakers vrouw, een nieuwsgierige Trijn, Zei stil bij zich zelve: wat mag dat toch zijn? Zij strooide grauwe erwten, en hield toen de wacht — Daar kwamen de snijdertjes koesjes en zacht...

Maar ach, wat een kruis!

Vol bommen het huis . ..

333

ocr page 362

Zij stieten hun selieenen En kneusden de beenen Al stomlend En sehomlend,

En tolden en rolden En jolden en scholden.

De vrouw, één twee drie, steekt het nachtkaarsjen aan — En pst!... al het Volkje is op eens naar de maan.

Hoe jammer, wij zijn de Kabouters nu kwijt: Zij kwamen zoo netjes van pas in deez' tijd!

Want nu is een knecht niet meer slaaprig of lui,

Maar geeft van het werken eenvoudig den brui.

Kaboutertjes, och!

Waart jullie er nog ,

Dan zouden geen snaken Den arbeid meer staken,

Dan konden De bonden Geen knechten meer verlakken Tot scha van hun zakken.

De dwergjes zijn weg; maar hun les blijft bestaan: Een knecht is geen baas — en het werk moet gedaan!

I

334

ocr page 363

EEN NACHT AAN DE KUST

DOOR

P. LOUWERSE,

geboren 23 Januari 1840 te Oost-Souburg.

I.

Een suizend koeltje kust het strand en speelt, stoeilustig, met het zand,

dat, dwar'lend voor den voet, ontkomen aan den waterplas,

straks achter spichtig helmgewas het blinkend duin begroet.

Dan drijft het nevel wolkjes heen, die, vriendlijk blozend, voorwaarts treên

waar de avondzonne daalt,

die uit haar rijken kleurenschat de zee met levend goud bespat en purperglansen straalt.

335

ocr page 364

Dan heft het van der golven top de snelgewiekte zeemeeuw op,

die, krijschend boven 't zout,

weer pijlsnel naar beneden schiet,

als 't vischje, dat haar oog bespiedt,

zich baadt in 't avondgoud.

Dan stoeit en speelt het in het want der visschersboot, die op het strand

zich neervlijdde op haar kiel. Het zwenkt en draait om streng en mast en grijpt den langen wimpel vast, die dom:lig nederviel.

Dan spoedt het zich weer naar beneên en maakt om schelp en gladden steen,

een wilden rondedans,

of legt in onbedwongen luim van 't aangedreven, luchtig schuim om beide een witten krans.

Dan kust het zacht het kalme meer en stuwt de golfjes op en neer licht rimp'lend naar de kust,

en zingt bij 't bruisen van den vloed met schoone liedjes, vol en zoet, het visschersdorp in rust.

En als daar alles vredig slaapt en in die rust weer krachten raapt voor nieuw en moeilijk werk.

336

ocr page 365

dan vlucht het koelde van het strand en speelt het dartel spel aan land om toren en om kerk.

De weerhaan valt aan 't koeltje in 't oog. Het wringt en heft zich naar omhoog

en draait hem om en om,

totdat hij 't moede wordt op 't lest en pal blijft staren naar 't noordwest met ak'lig hol gegrom.

Dan wordt het speelziek koeltje bang, Het daalt terneer langs d' ijz'ren stang

en tuurt verslagen uit,

als de opgestoken windvlaag giert en wild langs duin en toren sliert of klappert op de ruit.

En haastig jaagt op vlugge vlerk de steenuil door het dreigend zwerk

eu zoekt zijn schuilplaats weer. De weerhaan knarst op 't roestig kruis, en 't uithangbord van 't oude huis wiegt kreunend heen en weer.

Het opgekomen tij ziet grauw.

Vaal wordt het reine hemelblauw,

en loodzwaar drukt de lucht. Het vriend'lijk schijnsel van de maan werpt langs de ontroerde waterbaan een' laatsten straal, en vlucht.

22

337

ocr page 366

Weer wordt het stil. Geen koeltje suist Alleen de matte golfslag bruist en lekt het droomend strand.

Een' dikke, zwoele donkerheid ligt over 't zeevlak uitgespreid en vlijt zich over 't land.

't Wordt stiller nog. Zelfs de adenitoclit, die hijgend zich een uitweg zocht

en op de lippen beeft,

heeft in dit vrees'lijk uur van rust een' stem, die aan het duin der kust een' matten weerklank geeft.

Maar eensklaps wordt het helder licht. Een felle, rosse bliksemschicht splijt heel het zwerk in twee.

De donder dreunt met hol geluid.

't Ontwaakte dorp roept angstig uit: „Het wordt zwaar weer op zee!quot;

De storm rukt met zijn krachten aan. Hij jaagt, verwoed, langs d'Oceaan

en beukt d' ontzetten wal.

Het opgezweepte golvenheer rijst buld'rend op, plompt dond rend neer, verstuivend in zijn val.

Het bruischt en ruischt. Het gromt en bromt. Het vlucht en naakt. Het wijkt en kromt, 't Vernielt, verstuift of zwicht,

338

ocr page 367

Nu ligt in duister heel natuur,

dan staat ze in 't oogverblindend vuur van 't vlammend bliksemlicht.

Een vuurpyl schittert in het oog.

Daar ginder zit een schip omhoog.

'T kwam weder rijk gelaan. En buld'rend, uit metalen mond klinkt de angstkreet ak'lig in het rond: „ O, redt ons! Wij vergaan!quot;

En 't klinkt nog nauwlijks aan het strand, Of 't galmt alom van alle kant':

„Aan boord! Een schip in nood!

Geen rijke lading spore ons aan! Op, mannen, op, uw' plicht gedaan!

Daar ginder dreigt de dood!quot;

Men beeft en deinst. De branding kookt, en op de ontroerde golven spookt

de dood aan elke zij.

„Toch, mannen, neen, wees niet versaagd! De riemen op! Den tocht gewaagd!

Gods hulp zij ons nabij !quot;

II.

Ruwe zoon van Hollands kusten,

ongeslepen diamant,

goudhart onder 't wollen baadje ,

roem en lust van Nederland!

O, mijn harte klopt u tegen

waar ge, op 't ongemeten zout.

339

ocr page 368

met uw' logge bodems omzwerft voor een schamel onderhoud!

Waar ge meer dan 't halve leven,

verre van uw vriendlijk strand, schatten opdelft uit de goudmijn van het oude Nederland.

Waar ge, worstlend met het noodweer,

in uw' vuist de roerpen klemt,

of ge een god waard, die de golven en de ruwe stormen temt.

Waar gij onverdroten arbeidt

voor het sober, daaglijksch brood, ruwe zoon van Hollands kusten,

daar vind ik u altijd groot.

Maar, als gij zijt neergezeten,

waar ge van den arbeid poost,

in het ned'rig, arm'lijk huisje

en omringd door 'gade en kroost,

Waar de teed're kinderving'ren,

streelen 't ruw doorploegd gelaat, waar een oog van vrouwenweelde kind en vader gadeslaat,

waar een schat van hemelwellust

in uw heerlijk harte daalt,

en er uit uw fonk'lende oogen levenslust bij liefde straalt.

340

ocr page 369

daar zwelt ook mijn hart van fierheid ,

als ge dan bij 't buld'rend weer, opstaat uit dien toovercirkel

en uw' schreden richt naar 't meer!

Als ge, denkend aan de Telen ,

die daar worst'len met den dood, gade en kroost een teêr vaarwel kust bij den kreet: „Een schip in nood!quot;

Als uw vuist de riemen uitslaat

en de wilde branding tart, visschersman, dan wordt ge een koning met een edel menschenhart!

Dan zijt gij , o zoon der stranden,

Neêrlands wellust, Neêrlandsch trots! En ons harte noemt u meer dan koning bij de gratie Gods!

III.

Buizende oogen staren vragend in den vreeslijk donkren nacht,

die in plaats van stille ruste schrik en onheil heeft gebracht.

En de zucht klinkt telkens weer;

„Och, behoed, behoed hen. Heer!quot;

Wagg'lend op het verfloos kruksken en met dun besneeuwde kruin,

341

ocr page 370

— wrak van meer dan tachtig jaren

strompelt de oude naar het duin, en het klinkt op zwakken toon, droevig murm'lend: „o Mijn zoon!quot;

'T oog der diep ontroerde moeder boort door 't ak'lig duister heen, zoekende op de waterbergen

't beeld van haren zoon alleen. Och, zij zelve ook worstelt meê op die groote, wilde zee!

'T hart der ongeruste gade,

straks zoo vroolök nog en blij ,

ziet haar vaderlooze kind'ren,

half verweesd, reeds aan haar zij, en door 't moê gekreten oog zendt ze een blik tot God omhoog.

Ginder staat een' jeugdig meisken.

Schoon, te midden van haar smart tèch nog biddend, toch nog hopend

met de wanhoop in het hart! Ach, het ligt nu juist gereed: 't ned'rig, stemmig bruiloftskleed !

Allen staren droef in 't ronde aller mond is dichtgesnoerd;

aller lippen prey'len beden ;

aller hart is diep ontroerd;

en het oog van klein en groot zoekt de veege reddingsboot.

342

ocr page 371

Maar op eenmaal komt er leven

in de opeengepakte schaar,

en het bruischt langs strand en golven

vreugdevol: „De boot is daar!

Ziet, ze nad'ren reeds den wal! o, Goddank, daar komen ze al!quot;

En in juichen, en in snikken

spreekt het vol gemoed zich uit,

waar de kloeke mannen nad'ren met den duur verworven buit.

Duur: want ach, één keert niet mee;

toch één offer vroeg de zee!

'T noodweer zwijgt; de storm gaat liggen

't onweer heeft nu uitgewoed;

't strand is ledig; na dien kampstrijd,

smaakt de ruste dubbel zoet.

En de bleeke, volle maan ziet het rustend dorp weer aan.

Maar daar ginder blikt ze ook neder

op een' vrouw verteerd door smart!... Arme maagd, van twintig zomers ...

bruid met een gebroken hart!

Ach, de dood spon al te wreed rouwgewaad uit bruiloftskleed!

IV.

Aan 't eenzaam strand,

in 't verre land.

343

ocr page 372

drijft langs het meer Het naakt de kust „O,quot; roept een „kijk, Men komt en ziet, en geen vermoed een' schoone maagd Men draagt hem heen rust hij in 't graf, Het is gebeurd ! — Doch 't Vaderoog Hij zendt naar 't graf en deze grift

iets heen en weer, en vindt daar rust. het is een lijk.quot;

doch kent hem niet, hoe aan den vloed haar' bruigom vraagt, en heel alleen, dat men hem gaf. Geen enk'le treurt! ziet van omhoog. Een Engel af, in eeuwig schrift:


„Hier rust in zeemanspij gevat een man die veel heeft liefgehad.quot;

344

ocr page 373

EEN PIJPGAST

DOOR

W. J. HOFDIJK,

geboren 27 Juni 1816 te Alkmaar, ]- 29 Aug. 1888.

De nacht is eenzaam, koud en kil. Het maanlicht schemert op de daken Zoo glansenloos, zoo kalm en stil.

Als bleef daaronder niets meer waken ;

Als of niet hier een weduw zit,

Om uit de lompen harer weezen Nog half een plunje saam te lezen,

Bij 't walmen van een flauwe pit;

Als of niet daar de zwoele sponde

Een rustelooze kranke droeg,

Die, bij den nachtlichtschijn in 't ronde

Zich wentlend, mompelt: „Nog zóo vroeg!quot; Als of er gints, waar 't gaslicht-stralen De nacht herschept in stillen dag.

Geen stervende op het leger lag,

Die onder snikkend ademhalen

345

ocr page 374

(Droef sein, hoe 't leven deinst en zwicht!) Nog nokt: „'t wordt donker breng toch licht.quot;

't Is doodsch en ledig op de straten, De wemelende menschenvloed ,

Schijnt naar zijn bron teruggespoed: Zoo eenzaam zijn ze en gants verlaten.

Alleen de nachtwind zwerft een poos Verlegen om, met fluistrend fluiten ,

En spoedt zich dan weer schuw naar buiten ... En 't is weêr ledig, stil en doodsch.

Maar eensklaps, of een tooverslag Den wordend' uren van den dag Het plotslijk aanzijn had gegeven,

Ontwaakt het ingesluimerd leven :

Gebel — gerinkel — en geklop!

De deuren vliegen knarrend op,

De ramen worden opgeschoven;

De lichten flikkeren beneên,

En stralen uit de vensters boven,

Alsof ze 't starlicht wilden dooven,

En 't maanlicht niet zoo helder scheen.

't Verdubbeld leven van den dag Schijnt uitgegoten op de straten:

Geschreeuw, gemompel — ook gelach! Onrustig fiuistren; warlend praten;

Geloop, gedraaf, gesleep, gewoel:

Een wild en ordeloos gejoel —

Als was een dwarlwind los gelaten ,

346

ocr page 375

Die nu in golving voorwaarts trekt,

En vreeze en huivrend angst verwekt. Vanwaar die saamgestroomde drom?

Dat luid verward rumoer — waarom ?

Hoor — hoor — dat kleppend klokgebrom ,

Dat hol geroffel van de trom;

Dat snerpend raatlen van de wachten;

En dan de noodkreet t' allen kant, Die ijzingwekkendste aller klachten,

Die siddring slaat om 't hart: „Brand! Brand

„ Brand !quot;...

Of naar 't hart der maatschappij Een wilde leeuw waar losgebroken Om haar in 't innigst te bestoken;

„Brand!quot;... of een gifte heiharpij Heur donkren afgrond ware ontrezen ,

En, op heur zwarte vleêrmuisvlerk Vergif verspreidende onder 't zwerk,

Heel de aard ontzette in doodlijk vreezen — Zoo is op eens de kleine stad In roer, en alles op het pad.

Waar is de brand ? ...

Hoe, vraagt gij „Waar?quot;

Zie slechts dat roode glimmen daar;

Dien purperenden schemerschijn.

Die (aaklig schoon!) met scherpe lijn , Als waar het door de kunst berekend,

347

ocr page 376

De douk'e gevels snijdt en teekent,

En wisselend ontzet en treft.

Maar zie, hoe zich de gloed verheft!...

Voort met de menigt'! —

Of de donder Zijn echo stierde en dreef naar onder —

Zoo rolt door 't stormig nacht-getij De holle brandspuit wild voorby,

Gesleurd door wakkre mannenkrachten ,

Die niet eerst op 't „ kommando quot; wachten ... Of ja — door wie 't in 't angstig woord „ Daar 's brand!quot; alreeds is aangehoord.

Daar rolt een tweede donder aan;

En nog een!... Nog een!... Zij verlaten

Zoo willig huis, en vrouw en kroost, Die armen tot eens vreemden baten!

En waar is de rijkaart, wiens wang er bij bloost? Maar zie, de roode glans wordt heller;

En blakend met een witten gloed,

Slaat hij zijn laaie glansen feller Aan licht en wolken te gemoet.

De menigt' stokt in dichten drom. Een murmling, als een hol gebrom.

Gaat met geklach en kreten om ;

En verder — kry schend hulpgeschater;

En bovenal, zelfs 't klokgebom Verdoovend, 't bang geroep om „water!quot;...

ï i

348

ocr page 377

Geen donkre massa houdt meer 't oog Verward: de vuurzee van omhoog Straalt met heur weerschijn om hen henen Daar is de brand; daar is de gloed, Wiens wilde schoonheid siddren doet; De vuurwolf, die de hechte steenen In d' opgespalken reuzenmuil Verknaagd met gonzend lustgelmil, En brijzelt en verteerd met eenen.

I

I

De vuurzee woedt daar binnen fel;

IEen barning is 't, een laaie hel, Die rondvloeit in de ontzette wanden ,Een barning is 't, een laaie hel, Die rondvloeit in de ontzette wanden ,

Daar viert de vlam heur gruwzaam feest Een schaatrend spook, een dolle geest, Die met wellustig klappertanden Zijn buit, omslingerd onbemind.

Toch gretig liefkoost... en verslindt.

I i

Het zoet altaar der huislijkheid,

Met alle cierslen overspreid,

Met alle exvotoos mild behangen,

Gaat op in vuur. De zoete vrucht Van nijvre vlijt en stil verlangen;

Van kinderlijke zorg en zucht; Van rustig pogen, ernstig streven; Van lief en leed in 't moeilijk leven ; Tot zelfs het vogeltje in de kooi — 't Wordt al der wilde vlammen prooi.

j

349

ocr page 378

Een luider kreet (ontzettingsteeken!)

Gaat buiten bij de menigte op.

Want zie die vlammen uitwaart breken:

't Is vuur van d' ingang tot den top; Zij barsten door de glazen henen , Die rinklend klettren naar beneên; Zij slaan om stijl en deurpost heen , Om langs de zwart-geblaakte steenen

Weêr zaam te kronkelen tot een; Zij flakkren op met roode tongen ,

Alsof ze een wild triomflied zongen,

Wijl zij de zoete rust der nacht Verraadlijk hebben omgebracht.

En alsof 't kraken, knappen, stenen Van wat daar binnen wordt vernield, Haar met een booze kracht bezielt, Zoo golven zij naar buiten henen Met sneller zwalping, sterker vloed,

Met feller, heller, laaier gloed. Zij spuwen , of zij vreugde dronken

Zich wentelden in walm en smook . Een regen gloeiend roode vonken In 't krinklen van den dikken rook. Maar, wat de wilde vuurgeest pracht Op onverwinbre lijftrawanten —

Reeds naderde van alle kanten

Een vaster, stouter, kloeker macht: De vastberaden menschenkracht.

350

ocr page 379

Zie — honderden, zoowel in lompen Als in vaal bombazijn gekleed —

Zij staan daar als een man gereed ,

De stoere banden aan de pompen;

Zij dwingen met een forscbe kracbt Het verre water uit de gracht Ter bangen noodplaats op te komen ,

Om in de buizen uit te stroomen

Waarmeê men 't vratig vuur bekampt, Zie, aan de daken vastgeklampt,

En langs de muren opwaarts wringend , De wakkeren, zicb voorwaarts dringend, Op 't naaste buis, waar dak of muur De kolk begrenst van 't zwalpend vuur!

't Is of zij aan de pannen hangen ;

't Is of zij kleven aan den steen,

Terwijl zij zeulen met de slangen,

Al hooger, booger, hooger heen,

't Is of zij forseher kracht ontleenen,

Naar 't bange noodtij rijst en klimt,

En hen 't gevaar te meer begrimt,

Toch zoo aanspraakloos; of ze meenen Dat daar wel geen verdienste instak!

Maar bij die allen — zie dien eenen,

Gestegen op 't belendend dak.

De vuurgloed schroeit hem, schoon zijn hairen Verwaaien in den feilen wind:

't Is of hij er genot in vindt Om in dien vuurkolk neêr te staren,

351

ocr page 380

i

En met zijn koopren pijp de macht Te tergen van der vlammen kracht;

't Is of hij lust schept, of het dartlen En spelen is, dier vlammen gloed,

Die hem daar sissend tegenspartlen,

Te tergen met zijn watervloed.

|

Wie hij mag zijn ?

Een ambachtsman,

Hardsloovend bij den lichten dage ,

Zoo hard behoefte en nooddrufts plage Hem tot den arbeid prikkien kan ;

Een arme — maar die thands niet vraagt Wie door het onheil wordt belaagd,

En wie den ijsbren stroom kan stelpen ;

Maar wien (nog ver van rustens zat!) De noodklok toegeroepen had :

„ Daar is gevaar!quot;... en ...

„Ik kan helpen!quot;

Het harte sprak. —

Hoe arbeidt hij !

Geen was zoo ras den dood nabij;

Geen, met zoo onweêrhoudbren spoed,

Op nok en gevel, naast den gloed,

En zie, hoe kalm thans en hoe rustig, — Als waar 't hem liefelijk en lustig! —

Hij op den vorst daar nederzit,

De woedende vlam tot een rusteloos wit.

Hoe zijn waterstraal snort uit de koperen buis, Met een stormenden stroom en een sarrend gebruis, In het wilde gewemel van vlam en van vuur.

352

ocr page 381

Toch is er iets schrils en iets woest in 't gezicht

Van die rusteloos zwoegende zwarte figuur,

Tegen 't golvende en zwalpende licht!

Geen tweede rappe en kloeke gast,

Die zóó als hij Den vuurdraak in het harte tast,

En zóó nabij ;

Die, waar de vlam op 't hevigst woedt,

Haar met een ruischenden, bruisenden vloed Op 't hevigst ook bestookt, en met Haar worstelt, en haar perken zet;

Haar — of zij spuwt, en sist, en blaast,

En dan weêr woedend opwaarts slaat, — Hem smook en vonken in 't gelaat,

Alleer zij grimmig verder raast —

Toch reeds zijn prooi weet en zijn buit.

*

lt;

Hij zendt den slingrenden waterstraal,

Gestadig rustig voor zich uit,

En poost geen enkle maal.

Hij buigt zich over den geveltop,

En kleeft zich aan de vorst;

Hij schaaft zich de kniën vau 't klemmen op ;

En al hijgt hem de borst —

Zijn arm verlamt, wordt moe noch loom ... En altoos snort zijn watersti'oom !

En de vuurgloed krimpt.

Valer van smook En dunner van rook.

353 23

ocr page 382

En of ook de vlam nog eens opwaart klimt —

Daar bruischt weêr de machtige stroom Op het sissende hout en den knappenden steen ; En dan strijdt zij een poos nog, eerst woest, dan |

met schroom, En springt dan weer voor-, dan weer achterwaarts heen , Tot ze stikt in damp en stoom.

Een juichkreet gaat op van beneên.

De horst zwelt hoog van den moedigen gast.

Toch spreekt hij, in 't donker daar alleen: „'k Heh gedaan wat mij past.quot;

Hij blikt nog eens in de kolk van smook, Van vurigen damp en heeten rook ,

Waar puin en nog in cintels glimmen...

„Kom af! kom af!quot;...

Daar is gevaar!quot;

Zoo klinkt het luide, hier en daar.

Maar wat wordt gints zijn blik gewaar? ...

Is die dwalende vonk met verraadlijk gebaar Weer gewoekerd tot vlam, die tracht opwaarts te

klimmen ? ... „Kom af!quot;... „Gevaar!quot;... Zijn wederwoord Is: „Water water!quot;... en hij smoort Weer van nieuws, in een plasschenden, klettrenden vloed, De verraadlijke vonk en den zwellenden gloed.

En thands eerst kan hij dalen, gerust —

Want de brand is gebluscht.

I

354

ocr page 383

a «

1

1

Voorzichtig beweegt hij zich achterwaart,

1

Kalm en bedaard ;

I

Terwijl daar beneên, met krakend horten,

1

I

De balken van 't verbrande huis

\

|

Sissend en knetterend samen storten

1

1

In 't gloeiende puin en gruis.

|

Maar...„0 God!quot; is zijn kreet, met gesmoorde stem;

1

| f

Schudt daar de gevel niet onder hem! ...

|

Ja!... 't muurwerk heeft zijn steun verloren:

1

't Leunde aan 't vernield gebouw alleen ;

1

1

Het trilt — het kraakt — het barst van een —

1

1 ?

Een luide hulpkreet doet zich hooren ,

i

i s

Bij 't gekreun van het hout en 't gekraak van den steen ...

i s

En alles stort dondrend naar beneên,

l

Om in een dichte wolk van rook en stof te smoren.

|

f

De morgen daagde. Aan puin en slijk

1

Ontgroef m' een onherkenbaar lijk.

•

Het werd naar 't gasthuis heen gedragen.

•

Het werd geschouwd. Daarna — men gaf

=

Verslag, en groef een eenzaam graf

1

Op quot;t algemeene kerkhof.

Vragen:

1 •

„Wiens lijk het was?quot; — „Hoe of hij heet?quot;

•

Hoe wein'gen hadden ga geslagen

1 |

Wat hij wel bij dien vuurmond deed!

Dat was het karig loon eens braven

Eerst onder puin en slijk begraven,

Toen op het armenkerkhof.

| i

355

ocr page 384

Dwingt

Ge een traau, die in uwe oogen springt, Terug? ... Onvruchtbaar medelijden ! Het merk der zelfzucht onzer tijden:

Een lauwe traan bij heeten nood! — Wat baten hem die deernis-vlagen ! Hij heeft het recht om meer te vragen :

Daar op dien akker van den dood,

Daar, uit dat graf van schaamle kleente, Daar fluistert het vergruisd gebeente : „ Gedenk de weduwe in heur nood, „En geef mijn armen kindren brood!quot;

ocr page 385

AAIST DEN MONT-BLANC

DOOR

J. J. VAN OOSTERZEE ,

geboren 1 April 1817 te Rotterdam, -j '29 Juli 1882 te Wiesbaden.

Gegroet, gij Witte Berg, die eeuwen heen zaagt snellen, En licht nog een wen duren zult!

Gegroet, gij grijze Reus, wie kan uw wondren tellen. Dan 't hart met diep ontzag vervuld ?

Daar staat gij, als Monarch, omringd met eerlauwrieren.

De bergen om u heên zijn als uw lijf staf fieren ,

Wier neêrgedoken kruin uw grootheid hulde doet.

U strekt een rots ten Troon, een ijswrong siert uw slapen,

Uw mantel is van sneeuw, lawinen zijn uw wapen, En gletschers 't vloertapeet, dat g' uitrolt voor uw voet.

Gij lacht bij 't morgenlicht van d' onbewolkten hemel, En strakt blinkt heel de Schepping grootsch;

G'omhult metneevlenu, voor'toog van't stofgewemel. En straks is de omtrek vaal en doodsch.

Wat winters om u woên, wat wolken om u jagen,

Wat storm uw breeden rug ook geesel'met zijn slagen, Gij biedt die allen 't hoofd, met eeuwig ijs omkorst.

Bij u staan de Alpen ginds, als heesters bij den ceder;

357

ocr page 386

I i

\ Tot u zien allen op: gij ziet op allen neder,

Ontvang mijn hulde: gij verdient die, grijze Vorst!

0

Want prijkt ge stil, maar schoon, pronk van der Alpen keten; En roem der bergen van Euroop!

I Waar vorsten aan uw voet hun macht bij jaren meten, Tart gij der eeuwen wisselloop.

In zestig eeuwen nog geen zestig, die het waagden, : Te stijgen op den top, dien eeuwen niet doorknaagden. Hoe rein, hoe frisch en fier, hoe maagdlijk staat gij daar! Wat zijn demenschen klein, die u deemoedig groeteu! Wat ligt de wereld laag, die wegzinkt aan uw voeten. Alsof zij een vallei, bezaaid met heuv'len, waar!

Wat hebt gij al gezien, gij fiere Vorst der Alpen!

Spreek op, gij Geest van 't berggevaart!

: „'k Zag gaiische natiën als stroomen henenzwalpen,

Wier naam reeds lang verging van d' aard.

| Ik zag een woesten drom van Bojers en Lingonen, Ten strijd getrokken tegen Rome's fiere zonen;

Helvetiër en Gal gezwicht voor Caesars vaan,

De macht der Hannibals, den roem der Konstantijnen, De ster des Korsikaaus, ik zag ze als rook verdwijnen: 'k Zag alles vallen — Ik slechts bleef onwrikbaar staan!

„Nogblijven aan mijn voet een tal van stammen weemlen, Als kindren aan huns vaders knie ;

1 Maar waar ik nederblik van uit het blauw der heemlen, |

't Is 't oude dat ik wederzie!

: Ik zie een nieuw geslacht met zonden van voordezeu; j : De macht des Heidendoms in 't Christendoms herrezen,

• ' 5

358

ocr page 387

Den geest van eeuw op eeuw, verblind door ijdlen waan, I Het onreclit op den troon, het recht alom vertreden; \ Gejubel en geklag, Godslastring en gebeden...

Ik ken het al van ouds — ik hoor het zwijgend aan.quot;

Gij zwijgt. Maar zeg ons dan, wie kroonden, machtig Ko- |

Hoe komt u kruin zoo rijk getooid? (ning?

Heeft eens de zee gebruisd ter plaatse van uw woning

Of 't vuur geblaakt, waar 't nu niet dooit?

O, meld ons van den dag, die u ten troon zag klimmen! Getuig ons van den nacht, die 't eerst aan d' avondkimmen Het bleeke licht der maan zag scheemren voor uw oog! Wat hand sloeg 't ijspantsier zoo stevig om uw lenden? Wie hechtte uw wortlen vast, wat wijken mocht of wenden? Gij antwoordt niet, maar wijst nog zwijgend naar omhoog.

Omhoog — neen, Alpenvorst, gij roemt niet in uw zeiven.

Uw schoonste naam is dienaar Gods.

Gij beurt den kruin niet op tot aan de stargewelven,

Den Onvolprezene ten trots.

Gij vraagt een schatting, ja, maar voor den Heer der Heeren, G' ontlokt een lied van lof, maar om Zijn grootheid t'eeren, Gij, leenman van een macht, die hooger staat dan gij! Gij meldt uw Makers naam op nooit gehoorde wijzen, En waar ons oog u ziet, daar moet de hymne rijzen; „ De Heer alleen is groot: aanbidden, buigen wij!quot;

|

Ja, God alleen is groot. Hij wenkte en dalen daalden, |

Hij sprak, en een Mont-Blanc verrees!

Hij wilde, en sneeuw en ijs en rijm en gletschers praalden Ter plaatse die zijn hand hun wees!

ocr page 388

Wat kost liem een Mont-Blanc, omstuwd met steile toppen I Niets minder, en niets meer dan een dier waterdroppen,

Die spatten aan zijn voet, als 't lager ijs ontdooit. | Hij greep zijn weegschaal aan — de bergen zijn gewogen. Gewogen als het stof, dat opstuift voor onze oogen.

Mijn harp vermeld Zijn lof! Mijn ziel vergeet Hem nooit!

; Ja, God alleen is groot. Hij was eer bergen waren, Hij blijft, als bergen zijn veroud.

Mont-Blauc's — wat zijn ze ? Niets, dan kleine hoofdaltaren i Des tempels, die Zijn hand zich bouwt.

Hij roert hen aan, en ziet, zij beven voor zijn handen. Hij spaart hen gunstrijk: ziet, zij zegenen de landen Met lavend hemelvocht, dat uit hun stroomkruik spat. \ Hun centenaars van sneeuw zijn schatten uit Zijn mijnen, ; Hij roept, zij groeien aan; Hij roept en zij verdwijnen, 1 Hij komt, en de Mont-Blanc baant voor zijn voet een pad. 1 i I Ja, God alleen is groot. Al wankelen de bergen.

Zijn trouw en liefde wankelt nooit.

| Laat vrij hem een geslacht van snoode zondaars tergen.

Wier ijskou voor Haar gloed niet dooit,

• Hij temt hen, als de vloên, die zich ten ijszee krulden. Hoog steeg als Alpensneeuw do berg van onze schulden, Maar rood als karmozijn, Hij maakt ze blank als ijs. Op een dier heuvlen, die Hij afwoog in zijn schalen, i Liet Hij Zijn eigen Zoon den prijs des bloeds betalen ... ;

Hem en Zijn eigen Zoon, zij hulde, aanbidding, prijs! I 1

Vermeld zijn lof, Mont-blanc, in 't midden eener wereld, Die al te schaars Hem hulde biedt!

360

ocr page 389

Draag lang met eer uw staf, door sneeuwkristal ompereld, Tot eens de Tijd dien vallen ziet!

„ Mijn staf zou vallen? quot; Wis, gij zult niet eeuwig blijven,

Al deden eeuw op eeuw uw ijsdos meer verstijven, Oneindig is alleen Jehova Zebaoth!

Reeds hoor ik 't voorspel slaan van 'sWerelds uiterste ure,

Reeds zie ik 't graan, dat rijst voor 'sHemels open schure... Wat, grijze Bergmonarch, wordt aan het eind uw lot?

Eén weet het. Hij alleen. Verborgen voor onze oogen, Gelijk uw aanvang, blijft uw end.

Genoeg, eens daagt ook u, aan gindsche hemelbogen, Die ure, die geen engel kent.

Dan is uw lot beslist. Uw peilers zullen kraken,

Uw laatste gletscher meldt bij 't laatste vlammenblaken, Verpletterd door Gods macht, stort g' aan Gods voeten

neêr.

Licht wordt van uit uw gruis een schooner berg geboren...

Maar reeds schalt op uw puin het lied der Englenkoren: „ De Heer alleen is groot, aanbid en loof den Heer!quot;

C61

ocr page 390

UITVAART

I

DOOR

MARIE BODDAEET,

geb. 6 Febr. 1844 te Middelburg.

Wij dragen hem uit: zijn tijd is daar.

Breng aan uw kransen Van schoone gedachten En daden; laat glansen Wat ge onder hem wrocht als hulde op zijn baar; Zacht roeme

Uw mond zijne weldaan; elk woord zij een bloeme Voor 't doode Jaar.

De middernacht laat hoog in de lucht Zijn sterren branden Bij de uitvaart des doodeu;

Onzichtbre banden Breidden zacht het sneeuwen doodenkleed uit.

Heur leden Gehuld in de rouwwade sussen de steden Haar wielgerucht.

362

ocr page 391

; Vreeze des doods de aarde overspreidt...

Yoor eene seconde Neigt zich in rouwe Alles in 't ronde ,

Voelt naadren 't onzegbre, groot-stille Nacht, V erborgen

In schaduw der heemlen, een nacht — zonder morgen ■ Huivrend verbeid.

Treê zacht tot de baar. Waar blijft uw groet?

Stom zijn uw lippen En ledig uw handen!

Uw oog ontglippen Geen tranen. Verbitt'ring daar binnen woedt,

Laat sterven Lichtblijde erinn'ring in de vlamroode verven Van haren gloed!

Gij mort, gij lijdt? Van uw lippen laat Dan vallen uw Magen,

Nog eenmaal ontboezem'

Uw hart zijn vragen,

Maar stel u deemoedig voor 't doode jaar,

Hef stille De teêre balans van uw eigen wille Tot goed en kwaad.

En open uw tasch door 't jaar gevuld.

Is 't jaar gekomen Met vele beloften,

Maar heeft ontnomen

363

ocr page 392

Veel meer dan hij eens u beloofde?... Dürft

Gij klagen,

Is het aan u of aan hem om te vragen: „ Aan wien de schuld ?quot;

Nu vlij met ons den doode neêr In 't stil Verleden.

... Een jaar van uw leven Is weggegleden!

Zaagt gij er vele gaan? Wacht gij er meer? Hun namen

Herdenk! Want zij keeren, getuigen eens samen Van uw Weleer.

364

ocr page 393

SONNETTEN

TAN

W. GO SLEE,

geboren 15 Juni 1858 te Tilburg.

Gegroet, gij schoone sneeuw!

Gegroet, gij schoone sneeuw! Gij jonkvrouw, kalm en

koud,

Gij met uw ijskaros, door beren voortgetogen,

Rondom wier renbaan zicb uit 's Hemels sombre bogen Een fulpen tentdoek, blond als de offerkaars, ontvouwt!

Gegroet! üw wollen pij, verblindend die baar schouwt. Uw kleed van zijde en vlos, rondwapprend in den hoogen Met plooien zonder einde en vlekloos vóór onze oogen. Omhult een waereld, die niets levends meer behoudt.

Men hoort geruchten nog, men ziet gezichten zweven, Maar — alles zwijmt en zwijgt, en duldt de ontoom-

bre vacht.

Het sneeuwt; dit is de sneeuw, die slaap breugtover't

leven,

365

ocr page 394

De sneeuw die dooft en doodt, de sneeuw van middernacht.

6 Daal, begraaf ons woest, ons heiligschennend streven, Gij lelie vol geheims, afhlaadrend roerloos zacht!

11.

Diep tusschen rotsen.

Diep tusschen ruige rotsen droomt een poel, Kleurloos en toonloos. Grauwe wolken hangen Er loodzwaar boven, in een kreits gevangen Van stormen, zonder stilstand, zonder doel.

Toch, plotsling komt er klaarheid in 't gewoel. De dampen wijken. Met een groot verlangen Rijst daar de zon: — wierook en voog'lenzangen; Een waterspiegel blauwt, de lucht is zoel.

Zoo kunnen menschenharten zijn: — alle'én, Dof-sluimrend, in de waereld als verloren. Een prooi van 't lot, en door het gros vertreên.

Maar laat de Liefde floers en ijs doorboren, Dra zullen bloemen geuren rondom heen, En duizend halleluja's zich doen hooren.

366

ocr page 395

L 1 E D E K E N

VAN

A. PIERSON,

geboren 8 April 1831 te Amsterdam.

Behoedzaamheid.

Wendt af 't verleidbaar aangezicht! Wie luistert naar verleiding, zwicht. Begeerte is in de ziel gevaren,

Aleer gij 't denkt. Begeerte sluipt; En zoo zij eenmaal binnensluipt,

Bederf en jammer moet zij baren.

Het eerst is in den strik gevat, Wie eigen krachten overschat.

Voorzie in need'righeid en mijd Elke' al te zwaren zielestrijd,

Die kracht en rust zou ondermijnen. Het sterkst vaak, wie zichzelf ontziet! De kracht die echt is, schaamt zich niet, ^iwak aan den overmoed te schijnen ,

Dooft soms met eigen hand haar vuur. En spaart zich voor 't beslissend uur.

367

ocr page 396

11.

Geloof.

W at vraagt het licht,

Gereed ter kim te dalen,

Of iets op aard gewrocht werd bij zijn stralen! Het gaf zijn glans en deed zijn plicht.

Wat vraagt de bloem,

Wanneer haar bladen welken, Of honig werd gedronken uit haar kelken! Zij heeft gebloeid: dat is haar roem.

Kust de avondrust Het blad, nu moêgeüuisterd: Wat vraagt de nachtegaal, of iemand luistert Hij zingt zijn lied: dat is zijn lust.

Werk! Mijmer uiet!

Werk, wat ook 't loon mag wezen. Gestrooid is 't zaad: Wie zal de vruchten lezen? Hij, die de blanke velden ziet.

368

ocr page 397

III.

Onze dooden.

Weemoedig zoete Erinnering!

Ontvoer ons aan den zicht'bren kring, En breng ons samen met de zielen Der Goeden, die ons hart ontvielen! 't Is thans hun wezen slechts dat leeft. Wat hun van de aard heeft aangekleefd Is afgelegd; en voor ons zweeft De ziel die hen doorademd heeft!

O mocht, o kon in ons gemoed Uws levens ziel haar vollen gloed En onverdoofb're kracht verspreiden! Uw voorbeeld, Trouwen, blijft ous leiden. !Nog, in een uur van stilte, hoort Ons hart uw zacht en ernstig woord. Nog zien we in de eenzaamheid uw oog Met levenslust gericht omhoog!

Voor ons zijt gij geen dooden, neen! Ons Heden spruit uit uw Verleên.

Door onze hand wordt voortgeweven Aan de eed'len arbeid van uw leven. Wij planten 't hartverheffend woord Van uw bestaan met blijdschap voort, De toorts, ontstoken in uw nacht Wij reiken haar aan 't nageslacht!

24

369

ocr page 398

HET OUDE HUIS

DOOK

C. HONIGH,

geb. 29 Oct. 1845 te Koog a/d Zaan.

i

Zoo heeft mijn voet in 't eind u eenmaal nog betreden, Lief huis, mijn thuis weleer in 't wonderzoet Verleden, Dier oord, waar zich mijn oog voor 't levenslicht ontsloot. Waar in 't geboorteuur met liefderijk erbarmen Een teedre moeder zacht mij koesterde in haar armen, Een vader mij verrukt het eerste kusje bood.

Op welke plek ik kwam, in welken hoek ik staarde, Of 'k trad in 't huisvertrek, of ronddoolde in de gaarde,

Mij fluisterde overal uw stem, Herinnering, En 't nogmaals wederzien dier onvergeetbre plekken Vermocht in mijn gemoed zooveel weêr op te wekken. Waaraan mijn jonkheid eens met warme geestdrift hing.

Ik zat weer bij den haard, waarom in vroeger jaren 't Vertrouwelijk avonduur ons telkens heen deed scharen En die als 't liefste plekje ons aller harte trok; : Waar Moeders zachte stem ons kozende regeerde, I Waar Vaders wijs vermaan de jonge harten leerde En zusters dartelden in blijden scherts en jok.

I I

l

I

370

ocr page 399

; 'k Hervond u, stille kluis, weleer mijn kleine tempel, : Hoe klopte mij het hart, als ik op uwen drempel Na lange afwezigheid nog eenmaal heb gestaan; Met wondre mengeling van weemoed en van weelden Betrad ik u in 't eind, gedachtig aan de beelden,

Die 'k wist, dat daar'tVerleên voor mij zou op doen gaan. ;

\ i

| S

Hier zat ik vaak ter neer, als heerlijke idealen

Mij, minnende en bemind, blij de oogen deden stralen f

Van ongemengd genot en frisschen levenszin. Gij hoordet, stil vertrek, wat ik geen stervlingmeldde, j Gij zaagt, hoe hij ontlook, ach, ook hoe hij me ontsnelde, Die schoonste rozendroom der eerste en teerste min. i

I

! t Al had toen ook mijn hart de wereld niet begrepen, 'k Geloofde aan elke deugd, ik kon verheven dwepen. En 'k was als 't jeugdig ros, dat naar den strijd begeert, 'k Ben wijzer nu wellicht, maar koeler ook van zinnen, 1 En dikwijls rijst de zucht, het heimwee op hier binnen Naar u, o blijde jeugd, die nimmer wederkeert.

Want ach, voorbij, voorbij is 'slevens schoone lente, ■ Het scheidingsuur brak aan en onze pelgrim sten te Werd mij op vreemden grond weêr in elkaar gezet.

| Wel is het schooner ginds dan waar ik werd geboren, i

Maar heilig is de grond, waar 'k eerst de zon zag gloren , |

Waar de eerste kreet weerklonk en 't eerste dankgebed. I

I i

1 En toch zou zich het hart wellicht daar nog gewennen, j Wellicht de vreemde in 't eind als eigen grond erkennen , Ofschoon ik ginds zooveel, van wat mij lief is, mis.

371

ocr page 400

Zoo allen, die weleer het oude Hnis bewoonden,

Zich daaglijks in het nieuwe ook aan mijn oog vertoonden — Maar ée'ne ach, was er daar, wier plaats hier ledig is.

U, moeder! U bekroop, bleef 't hart ook aan ons hangen, Door lijden afgemat, het smachtend zielsverlangen

Naar zachte en kalme rust voor 's levens woest gedruisch. Wij zochten wel voor ons daarginds een andre woning, U trok sinds lang niet meer der wereld schijnvertooning, Gij zocht. Godlof, gij vondt een onverganklijk Huis.

Wel was uw liefde groot, wel was uw zorg verheven. Gij hemelde ons bestaan, waart ons de ziel van't leven,

En deelde aan heel uw kring uw eigen leven meê. Uw leven als uw leus, was „Liefdequot; rein en teeder; 't Oog, dat in tranen zwom, lachte op uw aanblik weder, En waar uw stemme klonk, daar heerschten vreugd en vreê.

Ons aanzijn was uw heil, ons heil was uw verblijden, Gij deelde in aller vreugd, gij leedt slechts in ons lijden. Wat wensch was zoo gering, dat gij er uiet aan dacht? o Moeder, meer dan waar ons hart u voor kan prijzen , Mocht ons uw teedre liefde en trouwe zorg bewijzen — Ach , toen gij ons verliet, hoe zwart werd toen de nacht.

o Dood, wat zijt gij wreed, dat gij dus grijpt in't leven! Wat had u dit gemoed, zoo zacht, zoo stil, misdreven , Dat gij 't ons reeds ontnaamt, nog minnende en bemind ? Al is de traan der eerste en felste smart vergoten. Wij voelen nog de wond, al is zij reeds gesloten. Ja, wij gaan om in rouw, tot Moeder, ge ons hervindt.

ocr page 401

Toen ik het huis betrad, geheiligd door uw schreden , Omzweefde uw geest mij daar, en sprak mij van 't verleden En 't was me, als bad uw stem, zacht als het lentgesuis: „ o Heer, wanneer de dood mijn dierbren roept tot scheiden, ,,Mocht dan uw trouwe hand hen allen tot mij leiden „En eeuwig saam doen zijn in 't zelfde Vaderhuis!quot;

o Huis, mijn huis niet meer, toch door 't Yerleën mij heilig, ! Wie u bewonen moog', hij wone er immer veilig,

Voor al wat zijn geluk in ramp verkeeren doe: ■ Wiens voet in later tijd uw drempel ook betrede ,

Hem stroomen hoop en heil, hem vloeien vreugd en vrede i In rijken overvloed in uwe wanden toe.

373

ocr page 402

BLAAUW GARRIT

(eEHE SAGE VAN DE VELinVEZOOJl)

DOOR

ME. B. W. A. E. SLOET TOT OLDHUIS,

geboren 13 October quot;1808 te Voorst, f 16 Juni 1884.

Geen ever stoof op in het Bekbarger boscli, Ook kwam er te Soerel geen hartebeest los, En gemelijk reed bij den vallenden nacht De jonker van Busloe terug van de jagt.

Daar ging er een wicht van naauw zeventien jaar Langs 't eenzame veldpad; de vracht viel haar zwaar: Zij torschte op de schouders een bundeltje hout;

Haar moeder, een weêuw, had het vreeselijk koud.

Het winterde fel, en door gaten en reet Van 't hutje waar moeder haar leventje sleet.

Floot huivrig de windvlaag en raasde om haar heen Terwijl er geen vonkje in den rakuil meer scheen

Nauw zag haar de jonker, en hoe het geviel? De booze nam plotsling bezit van zijn ziel,

Al gaf hem de jagt ook geen ever of ree,

Een beter stuk wild, dat hij bracht met zich meê.

374

ocr page 403

Was Hanna wat smoezig iu 't bruine gezigt, Toch fonkelden de oogjes in 't ondergaand licht, En de avondwind woelde in de gitzwarte vlecht, Los zwierend en krullend om 't kopje gehecht.

„ Kom,quot; sprak hij, „mijn Deerne! stijg gauw op mijn paard! „Wat staat gij bedremmeld! Ei! wees niet vervaard!quot; ; Maar Hanua stond trillend, geboeid aan den grond: Van schrik ging geen enkele klank uit haar mond.

Geen tijd van te wachten; hij springt van zijn hors En pakt haar om 't midden en slingert haar forsch Op 't zaal voor zich neer, en hij rijdt met haar heen. En 't maagdske stikt schier in haar snikkend geween.

I

En als hij haar praat, welk een lot haar verbeidt, Als veemaagd te Busloe, hoe meer zij maar schreit; „Ach! Moeder! mijn Moeder,quot; is 't eenige woord, Dat stokkend en nokkend van haar werd gehoord.

Maar als hij van voorspoed en vreugde haar kalt,

Dan vat zij den zin niet van al wat hij malt;

Dan bidt zij, —• want zeker die praat is niet goed , — : Een; „Ave Mariaquot; stil in haar gemoed.

I

Maar plotseling slaakt zij een huivrigen gil;

„Blaauw Garrit! Blaauw Garrit!quot; roept ze angstig en schril, |

„Ik weet het, gij loopt hier, och! rijd mij toch vlug, j

„Zoo gaauw gij maar kunt, naar mijn Moeder terug.quot; i

|

.............................................................................................................................................................................L

375 I

ocr page 404

En 't was zoo, hij liep hier: een menigte liên Had Garrit hier vaak op de heide gezien, Een schalkachtig spook, dat bij dage en bij nacht Zijn poetsen aan menschen en dieren volbragt.

i Geen wind woei zoo wild en geen veer was zoo ligt.

Soms gaf hij zich zeiven een loodzwaar gewigt;

j Korts bleef' nog een stortkar, met plaggen belaan. Op helderen dag in het heidespoor staan.

' Want Garrit belette het trekken aan 't paard;

Hij zat op de plaggen en had zich verzwaard ;

Lang was al het luiden van middag gehoord, Het hongert den boer, maar de kar wil niet voort.

Eerst 's avonds sprong Garrit met schaatrend gelach, Weer af van de plaggen, eer 't boertje hem zag; Die kreeg tot vergoeding voor 't hongerige lijf Den spot van de buurt en 't gebrom van zijn wijf.

,,'k Heb nooit voor Blaauw Garrit, voor schemen noch geest I „Voor menschen noch dieren,quot; sprak Jonker, „ gevreesd; l „En als hij mijn vuist of mijn hartsvanger tart, | „'k Wed, dat hij voor 't laatst hier een mensch heeft gesard.quot;

j „Kom! voort maar! mijn Bruine! wat snuift Gij ? Sa! voort!quot;

De Klepper staat stil, hoe gezweept en gespoord, | En graaft met zijn pooten, het schuim voor den bek. Want Garrit zat ijlings het dier op den nek.

| 376.

ocr page 405

; Zijn wapperend, hemelsblaauw mantelkleed blonk In wondervol liclit, schoon ook de avondzon zonk; Hij rolde zijn oogen in toornigen moed ,

Twee schitterende bollen in vuurrooden gloed.

De jonker vergramd om 't baldadig bedrijf,

Slaat Garrit manmoedig den kop van het lijf';

Doch klieft slechts de lucht, want de kop bleef toch staan, ; En hem zien de gloeijende bollen weer aan.

• Nu splijt hij het spooksel van boven in tweên;

Toch vloeijen de helften weêr samen tot één,

Daar wil hij ontvlieden, — maar Garrit, te vlug,

Springt op hem en zet zich ter neer op zijn rug.

Daar stond hij te klappren van koude; 't werd nacht; Hij kon zich niet roeren, geperst door zijn vracht. : Wie, wie kon nog helpen? 't Armoedige wicht.

Tot wie thans haar roover zijn smeekgebed rigt:

' ,, Ik schenk u mijn paard, — maar och! Hanna! rijd door I

„Naar Gietel! Och! Haast u en haal den pastoor! ; „'k Wil missen doen lezen, zoo veel hij begeert, : „Wanneer hij deez' baarlijken duivel bezweert.quot;

i I

Maar 't paard draait zich om en snelt weg op een draf; ; Zijn meester staat roerloos; hem kwelt tot zijn straf Nog rillender kou, dan in 't hutje van heed,

Voor sneeuwjagt beveiligd: ons moedertje leed.

377

ocr page 406

Bij 't krieken vau 't licht werd de jonker bevrijd, En strompelt verklennd en zijn binnenst vol spijt, Naar Bnsloe terug met verlies van zijn paard, Het parelend ijzel in lokken en baard.

Hoe was bet met Hanna? — 't Werd laat in den nacht, 't Paard had haar naar 't ouderlijk hutje gebragt, Hoe had hier in 't duister het redeloos dier Zijn weg wel gevonden? — Iets wonders was hier.

Men zei, dat een geest, maar wiens naam niemand weet, Onzichtbaar het meisje, dat nimmer nog reed, Vastklemde in het zaal, waar ze bevend op zat. En 't paard had gestuurd op het donkere pad.

't Oud besje zat grijnend in 't hutje ter neer.

Ach! Was toch haar kind, was haar Hanna maar weer !

De Heijens verlieten hun hol in den grond,

Yan 't Gortelsche bosch, en zij zwierven in 't rond.

De spraak ging er af: menig meisje verdween. En diende 't geboeft waar geen daglicht ooit scheen, Of deelend als kebse het schandelijkst lot,

Door Heijens verkocht aan een adelijk slot.

Maar zacht! Wat verneemt zij? daar buiten geluid! De stem van haar dochter! Zij kijkt er eens uit En licht met haar lampje in 't donker ... en staart. .. En, hemel! daar ziet zij haar dochter te paard.

378

ocr page 407

Zij waggelt terug met de wanhoop in 't oog En beurt haar vermagerde handen omhoog.

„God!quot; gilt zij, „zoo kwam dan voor Hanne haar tijd!

„'t Is Hanne, mijn kind, dat het doodenpaard rijdt.quot; | •

| •

Maar Hanna, niet links, brengt met zadel en al Het paard bij een goedigen nabuur op stal,

| En keert met een rijsbosch, een potje met smeer

En brood uit de spinde naar moedertje weer. | •

• •

• •

Daar hurken zij beiden voor 't vlammende vuur, I En luistert de sloof naar het vreemd avontuur,

Straks wijst ze op een plek en trekt Hanna bij 't jak, : Als of er een schat in den leembodem stak.

Vier wanden van plaggen, zie daar 't ledikant,

Waar de armoede in sluimert; daar voert ze aan de hand ■ Haar Hanna, en knielen er beiden vóór neer,

Eu brengen er schreiend haar dank aan den Heer.

Een groepjen in 't licht van een vlammenden haard, I Den heiligen blik van Gods engelen waard.

En 't was of een hoogere glans, dan van 't vuur.

Haar beiden omstraalde in 't aandoenelijk uur.

Niet lang bleef 't geheim van de scheuking bewaard: De ridder van Eijssel nam 't edele paard.

En bragt in het hutje twee handen vol goud.

En binnen een jaarkring was Hanna getrouwd.

379

ocr page 408

BEPEOEVINGr

Door.

F. H. VAN LEENT,

geboren 24 October 1830 te Gouda.

De dag brak aan eu uit der baren schoot Steeg luistervol en zacht de Lentezon omboog;

Natuur ontwaakte, blij gelijk een kind Door moeders kus gewekt, verwelkomd door haar lach. Het somber nevelkleed, dat dag en nacht Het firmament omsluierd hield, verdween allengs Bij 't koestrend zonnelicht, welks warmte en gloed Opnieuw herleven deed, wat lang in's Aardrijks schoot Te sluimren lag.

De zon — zij was de lach Op scbeppingsaangezicbt, die vreugd en zegen bracht, De Morgengroet van God, die tot ons spreekt:

Dat Hij als Vader waakt eu

't Al verzorgt eu hoedt.

Ik toog met vlugge scbreên langs heuvelkling En veld, en vrooiijk juichte mijne ziel, tot dank Gestemd, voor 't goede dat de Heer mij schonk; 't Is waar: een zorgvol lot was dag aan dag mijn deel.

380

ocr page 409

En zwaar de taak voor 'fc talrijk huisgezin ,

Doch — 's Levensdruk ging ook

met Levensheil gepaard,

Want Liefde en Vreê en huiselijk Geluk,

Zij hadden woonplaats in ons huis en in ons hart. Het talrijk kroost, dat zooveel zorg behoeft,

Wies met de jaren op en kende smai't noch leed,

Ja, in hun kinderoog glom zulk een gloed Van levensweelde en rein geluk,

dat heel mijn ziel Vervuld was met gedachten aan dat heil,

En menig dankbren traan deed plengen op mijn pad.

|

't Was Zondagmorgen. — Over veld en beemd Weerklonken zacht de kerkklokstonen, heinde en ver — Mij was der vooglenlied de kerkklokstem,

Die me opriep naar Gods tempel, onafzienbaar groot, i Waar plaats voor allen is.

'k Had weer een week In 't stadsgewoel doorleefd, en méér dan't hijgend hart, Der jacht ontkomen, hunkert naar een bron.

Zocht ik naar reiner lucht in veld en beemd en woud. 't Was mij behoefte, daar Gods schoone Zon Dat pronkstuk Zijner Almacht, biddend ga te slaan: Te luistren naar de stemme der Natuur:

Te hooren wat de Liefde Gods Zijn kindren preekt. .. 'k Zag 't uchtendkoeltje dartlen als een kind Langs bloem en blad en twijg, waaraan de dauwdrop hing Gelijk een traan als die de Liefde weent.

Er ruischte een psalm des lofs

een Hymne, rijk en vol.

381

ocr page 410

Langs 't tempelkoor der aarde naar omhoog,

Zóó zacht, zóó rein, zóó schoon, als ooit de Schepping zong.

De zon had reeds haar halven loop volbracht,

Toen ik, door frisscher lucht gesterkt, weer huiswaarts toog, Waar wis mijn lieve Gade en dierbaar kroost.

Met zoet verlangen, zouden uitzien naar mijn komst. Reeds zag 'k van ver de zilvren torenspits Van 't kleine kerkje, dat nabij mijn woning stond, Toen plotseling mij een siddring overviel:

't Was of een voorgevoel — een onweerstaanbare angst, Mijn schreden vleuglen schonk, zoo ijlde ik voort; | Godlof! een wijle nog, en dan —

„Wat zou dat zijn?quot; Een kreet der felste smart bereikt mijn oor,

Terwijl 'k den drempel mijner woning nader treedt; Een droef gesnik, met zucht aan zucht gepaard , Is thans het welkom bij mijn komst in 't dier gezin. Ik zie mijn Ga naast 't wiegje neergeknield:

Met bei haar armen hield ze ons jongste kind omvat Dat aan haar hart den laatsten doodstrijd streed; I Ik kniel naast beiden neer, en wen 'k zijn handjes vat | Roep ik in zielssmart uit:

„Mijn dierbaar kind,

1 Herkent gij mij niet meer?quot;

Met half gebroken oog En nauw bemerkbaar lachjen op 't gelaat Loech mij mijn lievling aan — het was zijn laatste groet — Eén zucht, een snik en — ach! hij is niet meer!

Die slag was wreed en zwaar.

De vreugde en zaligheid,

382

ocr page 411

Die straks ons had vervuld, week voor de smart Die ons in luttel tijd zóó fel getroffen had:

Dat ons de dag een nacht scheen zonder end , En 't leven, eens zóó schoon, nu bloemloos werd en dor. Nog beeft mijn hart, als 'k aan die nachten denk,

Toen 't dierbaar kinderlijk naast onze sponde lag,

En moeders arm het teeder hield omvat,

Of, uit een droom ontwaakt, het lijkje tot zich nam.

En in haar moedersmart de volle borst weer boodt

Die ééns hem had gelaafd — maar nu niet laven kon;

Soms vloog ze in waanzin op en riep dan luidt:

„o God! wat zijt gij wreed, dat Gij een moeder pijnt, 1

En 't dierst ontneemt wat zij bezit op Aard!

Ik sta mijn kind niet af.

Waar hij gaat — ga ik mee!quot;

|

Doch zie, — wie heeft de moeder daar besxoied ?

Wie hoorde 't droef geween, dat opsteeg uit mijn ziel? 1

Ons lief klein dochterkeu sluipt naderbij

En klimt op moeders schoot en kust ons innig teer,

Terwijl zij snikkend zegt:

„Ach Moe! ach Pa! Was broertje, die nu dood is, dan alléén uw kind, En hebt gij nu ons allen niet meer lief...?

Kom, ga weer met ons meê en dekt ons nog eens toe Zooals gij altijd deedt!quot;

Dat was Gods stem, Die door een kindermond vertroostend tot ons sprak; | Gods hand, die 't zwaarste kruis met bloemen siert, En 't bloedend ouderhart voor wanhoop heeft bewaard;

383

ocr page 412

Want toen het dierbaar lijkje in de enge kluis Ten grave was gedaald —

Toen drukten we als voorheen De kindren aan ons hart, en loofden God,

Voor 't geen Hij gaf en nam.

Die nooit vergeefs beproefd , Ja, 't liefste kind vaak 't zwaarste lijden doet, Opdat het hier zijn vrede zoeken zou.

Neen 't leven is geen droom waaruit men eerst Ontwaakt bij 's levens laatsten snik —

't Is werk'lijkheid — 't Is lijden — strijden onder zorgen bang en veel — 't Is aan beproeving rijk—-óók aan miskenning vaak Tóch wordt het leven schoon

waar zelfvergoding wijkt:

En 's naasten heil ons doel en streven wordt.

384

1

I

S

I

ocr page 413

ZIELSKREET DER ZEE

DOOR

LOUISE V. NAGEL,

geboren 12 October 1845 te Zaandam.

Doodstil lag de zee, — tot den horizon

gedekt met een zerke van ijs ;

Doodstil lag de zee, een zee zonder stem,

geluidloos als 't wolkzware grijs,

dat zonder beweging zich zwijgend boog ,

strak starend op haar als een lichtloos oog

in 't doode heelal, waarin niets bewoog.

Doodstil lag de zee met haar machtloos heir

van vorst'lijke golven beklemd ,

gelijk hooge zielen wier vleugelvlucht

van vrije gedachte is gestremd

door ijskille ontgoocheling, die zonder moed

haar kracht laat bevriezen bij zielegloed

en de lichtgolf bluscht van des geestes vloed.

385

v i

25

ocr page 414

Schuimbruising, bevrozen, gestold als sneeuw ,

vereend met de sneeuwwa der lucht bedekte heel 't strand, en tot verre kim torschte d'oceaan d'ijszerk, ontvluclit,

gegroeid uit rivieren. Eén kreet, wel zacht | maar toornig als muitende strijdersklacht hief even de drukkende doodenvracht.

1 En weêr lag zij stil, in haar graf bekneld,

de zee! De ontembare zee!

Maar toch, — in die klacht had haar kracht gejuicht! die klacht was de kracht van haar wee Loomstil lag de zee, ompantserd met ijs;

laag boven haar, doodstil, het wolkengrijs,

öp en öm haar doodstilte van sneeuw en ijs.

I quot;

Zij vlijmt door de ziel, die noodkreet der zee,

in wier golven volleven woelt;

maar ook, — zij verrukt wie de klacht verstaat, De kracht in die klacht heeft gevoeld,

en mensch'lijke ziel herkent in de macht der zee, d'onbedwong'ne, die dwang veracht: bij willende worsteling vrijheid wacht.

t I

|

386

ocr page 415

UIT: „TIENDEN YAN DEN OOGSTquot;

dook

M. GO ENS,

(W. L. Penning Je.)

geboren 10 November 1840 te Schiedam.

Lente.

Toen de stengel ging knoppen, het gras weer ontsproot In luwende luchten de merel weer floot,

En de leeuwrik in glansen ging stijgen,

Toen ontkiemde ook hierbinnen, nieuw leven, nieuw lied Vol belofte als de hemel en 't wazig verschiet Met zijn zwellende groenende twijgen.

En geen hartstocht of stormen, hoe donker en wild. Hebben jubel en groei overheerd en gestild —

Niet verwaaid is het-al', maar verworden:

Gekeerd is het Noorden, gewenteld het Lot;

Als het teeder gewas, kromp mijn hoop op genot; Knop en droombeeld verkleurden, verdorden.

387

ocr page 416

Maar nu ik verlangend weer uit kom gesneld, Overstelpt mij de hof en verrukt mij liet veld,

Met den leeuwerik waan ik te stijgen;

In mijn hart, als daarbuiten, scheen't nieuwe vergaan— En pas treurend om knoppen, loof'kbloemen enblaen, Aan de in zonnegoud ruischende twijgen.

Zoo mild als de regen het achterlijk veld —,

Heeft droefheid na lijden mijn geestkracht hersteld.

En arbeidende leerde ik weer hopen;

Alles geurt, alles rijst, als het lied uit een zucht. En het wordende schoon, beloofd kostbare vrucht Door geen koude noch rampen te sloopen!

388

ocr page 417

GEDICHTEN

VAN

G. ANTHEÜNIS,

geboren 9 September 1840 te Oudenaarde (O. VI.)

1

I.

Aan m ij n e Moeder.

'k Ben yleescli van uw vleescli en het bloed van uw bloed , Gij hebt mij gelaafd en gekleed en beschut,

En is er iets goeds in mijn ziel en gemoed,

Dat heb ik, uw kind, in uw wezen geput,

0 moeder, mijne moeder!

Wat hebben wij kostbare lessen ontvaan ,

Yan U, onberispbare moeder en vrouw!

Hoe sterk hebt gij steeds bij den arbeid gestaan, Hoe moedig uw plichten gevolgd en hoe trouw, 0 moeder, mijne moeder!

Waar twijfel voor ons was in woord of in zin, Dat lichttet gij op in uw daaglijks gedrag;

En wat er gebeurde in uw talrijk gezin,

Uw traan was ons boetstraf, ons loon was uw lach, O moeder, mijne moeder!

389

ocr page 418

Ja, steeds was uw woord met het voorbeeld gepaard; En ik weet het, al hield gij het zorgzaam verheeld. Het brood uit uw mond en uw plaats aan den haard, Dat hebt gij met armen en weezen gedeeld,

O moeder, mijne moeder!

En even als het vooglijn, dat huppelt ter zij Van 't ploegend en zwoegend gespan op het land. Zoo huppelde en trilde, gulhartig en blij,

Uw lied bij uw moedige en naarstige hand ,

O moeder, mijne moeder!

Ja, zingen! Dat hebt ge zoo graag ons geleerd; Uw liederen klonken zoo aardig en schoon ,

Zij hebben noch harten noch zinnen gedeerd;

Zoo zuiver uw melk was, zoo kuisch was uw toon,

O moeder, mijne moeder!

I «

| s

Ja, zingen! noch heden; terwijl gij nu treurt;

Door lamheid op 't ziekbed gestrekt en geboeid,

Daar hebt gij met tranen zoo innig geneurt.

Het lied dat voor U uit mijn hart was gevloeid; O moeder, mijne moeder !

O moeder! 'k ben man nu en 'k drage den plicht, Die heilig als gade en als vader mij bindt;

Maar heden nog zijt ge mijn troost en mijn licht. En heden nog ben ik als eertijds uw kind,

O moeder, mijne moeder!

390

ocr page 419

II.

O lente mijuer jeugd.

Dat gij mijn zoetst geheugen zijt

Nog immer, immermeer,

En dat ge soms mijn hart verblijdt

Als kwaamt ge lachend weêr;

Ik heb bet niemand ooit vertrouwd, Maar boopend naar uw heen geschouwd, En ieder jaar Met smart en vreugd Gezucht, gejuicht: „O zijt ge daar!

„O Lente mijner jeugd!quot;

'k Zie heden 't zelfde loof en groen,

Die zelfde bloem weerom ;

Dezelfde zonne glanst als toen

Mijn hart in liefde zwom ;

Waarom schijnt alles anders thans, Beroofd van zijnen tooverglans ?

Ach! 'k derve nu De ware vreugd ,

Die bloeide en geurde en glansde uit u, O Lente mijner jeugd.

En toch ontwaar ik zangen soms,

Wier toon mij streelt en sust,

En voel ik ook mij prangen soms

Door ongekenden lust;

Een tochtje lucht, een bloemengeur, Een brongeruisch, een galm, een kleur,

391

ocr page 420

En eensklaps spruit En zwelt de vreugd,

En strek ik weenend de armen uit, O Lente mijner jeugd.

O jeugd, die ons almachtig lokt

Langs over berg en vloed!

Wier name noch bedwelmend schokt

Der grijsheid stramme bloed; (jij waart mijn kracht in 'slevens strijd, En of gij lang nu henen zijt,

U steeds geheugt Mijn dankend hart!

Gezegend zij uw lust en vreugd, Gezegend ook uw smart.

1

392

ocr page 421

EN DAT GIJ MIJNE ZUSTER ZIJT

DOOR

MARIE CONSCIENSE,

gehuwd 10 Aug. 1870 mei Mr. G. ANTIIEÜNIS.

En dat gij mijne zuster zijt, Dat weet ge wel, niet waar ?

Als kindren hebben wij gespeeld,

Ons eerste zoet en zuur gedeeld Zoo menig, menig jaar.

Ja, dat ge mijne zuster zijt. Dat weet ge wel, niet waar?

En dat gij mijne zuster zijt, Dat voelde diepst mijn hart,

Wanneer de doodzeis, aak'lig dof,

Zoo onvoorziens mijn broeders trof'. Dan deeldet gij mijn smart.

Ja! dat gij mijne zuster zijt, Gevoelde dan mijn hart!

En dat gij mijne zuster zijt, Vergeet, vergeet het nooit.

Wij hebben beiden, stil verrukt,

393

ocr page 422

Der liefde bot en bloem geplukt En op ons pad gestrooid.

Ja! dat gij mijne zuster zijt,

Vergeet, vei'geet het nooit.

En dat ik uwe zuster ben ,

Dat zong mijn mond u luid,

Wanneer ik heb voor u gevlecht,

En juichend op uw hoofd gehecht Den geur'gen krans der bruid.

Ja, dat ik uwe zuster ben,

Dat zingt mijn mond u luid.

Ja! dat ik uwe zuster ben.

Dat is mijn bruiloftslied !

Nu, dat een gade, uw liefde waard.

Met vlaamsche trouw, aan eigen haard Een zeker heil u biedt.

Ja, dat ik uwe zuster ben.

Vergeet, vergeet het niet.

394

ocr page 423

WELDOEN

DOOR

METK. E. HIJMANS-HERTZVELD,

geboren 14 Juli 1837, -7- 4 Nov. 1881.

De orkaan heeft de kransen der lente verscheurd,

Hij raasde door bosch en door gaarde, En 't levendig groen hingt verzengt en verkleurd

Aan den tak die zijn woede nog spaarde. Het dorrende loof ruischte somber en zacht,

Of de beuk het aan d' eik wilde klagen: Och waren we ook nedergeslagen ,

't TVaar beter te vallen in 't volst onzer kracht. Dan 't kleureloos leven te dragen.quot;

Een kleureloos leven!... daar zijn er op aard

Die immer in ramp en ellende Het leven doorworstlen, wier krans is ontblaard,

Eer hun oog nog een bloemeke kende;

Wie de angst voor het morgen de bete vergalt Die ze heden zoo noode verkregen;

395

ocr page 424

1

1 1 i

f

Die biddende nedergezegen,

Den doodsnacht, die elders zoo dreigende valt,

Afsmeeken als redding en zegen.

• •

Maar ruischende regen op wortel en kroon,

Deed beuken en eiken weer knoppen;

De zon scheen bij poozen, maar koestrend en schoon,

En wikkelt het groen uit de doppen;

Straks suist weêr het loofdak; in jeugdige pracht Is de lente in den zomer herboren.

Hoor 't lied der gevederde choren!

Herhaalt het bedroefden: „na iederen nacht Doet God weer het morgenlicht gloren.quot;

■

0 wanhoopt dan niet, gij misdeelden op aard,

Als ware Gods liefde gestorven;

Weldadigheid drenkt den verdorrenden gaard.

En de bij keert terug naar heur korven.

Weldadigheid leeft, want God leeft, en het hart Dat hem liefheeft gevoelt zijn vermogen Om brandende tranen te droogen.

't Zij weinig of veel, iedre laafnis van smart

Is heilig en goed in Gods oogen.

• •

• •

Ja, of gij in eenvoud uw levensdag slijt;

Of paarlen u windt om de slapen,

't Waarachtige meêlij dat meêdraagt en lijdt,

Is in 't voelende hart u geschapen.

Wie 't oor sluit voor 't klagen van rampspoed of pijn, Hij miskent onze roeping, ons streven,

Want de liefde is de grondtoon van 't leven;

|

: 396 ik_

ocr page 425

Hoe zoet ook den arme 't ontvangen moog zijn, 't Is eindeloos zaalger te geven.

En daarom vraagt niet, in wat tempel wand , De gave neergleedt uit die kleine kand;

Vraag niet wat eeuw kaar lickt sckoot door die bogen;

Alsof de leer van deze of gene Kerk,

De geest des tijds, niet liefdes alvermogen

Had voorgezeten bij dat liefdewerk.

Eén is de mensckkeid, één in 't sckoone en goede,

Eén is de liefde die 't Gelooven leert.

Welk ook het altaar zij, waarvoor ge, lijdensmoede

Of innig dankend, neêrknielt en vereert.

Eén oog straalt over alle tempeltinnen;

Eén woord ruisckt overal; in Domkerk of Kapel, Moskee of Sijnagoge: „Uw God zult gij beminnen. En hebt uw naasten lief, en doet uw naasten wel.quot;

I

Xeen, vragen wij wat moet onze aalmoes wezen?

Is 't enkel goud, een sckerve van ket goed Dat ons ten deel viel? gaf ons 't Opperwezen

Niet eindloos meer nog; leeft in ons gemoed.

Leeft in ons brein geen lickt, dat zooveel armen,

Misdeelden naar den geest, het pad bestralen kon; Kan niet een woord een koude borst verwarmen,

Die twijfelt aan de warme liefdezon.

Kan niet een glimlach?... O, gelijk die kleine

Die de offergave, lang bijeen gespaard.

Den armen wydt, zoo laat ons 't goede en reine

Dat ons het leven brengt, en 't hart heeft opgegaard Met liefde storten in zooveel gemoedren

397

ocr page 426

Die 't leven liaten, wijl ze alleen staan, wijl hun hart Zich afkeert van die duizend duizend hroedren

Die zij niet kennen, maar miskennen; zooveel smart Als hier op aarde wordt geleden, zooveel balsem Bestaat er ook voor iedren droppel alsem

Die in den levensdronk moet vallen. Schonk Gods hand Een kelk vol zoeten geur...

0 stroomt ons overvloedig De dauw des hemels toe, welaan laat ons blijmoedig Den zwerver (als weleer aan Palestina's strand). De hoeken offren van 't gezegend land. 1.

398

1

Zie Liviticus XIX: 9 en 10.

ocr page 427

HET GRAF MIJNER MOEDER

DOOR

E. L. LEDEGANCK,

geboren 9 November quot;1805 te Eecloo (O. VI.), f 19 Maart 4847.

.

Al is in mij geen sprank van's dichters vuer meer over,

Al is mij alle hoop op aerdsch genot ontvlugt,

Al is mijn hert verdort als afgevallen loover

En mijn vermoeide borst in weedom afgezucht, — Al heb ik u sints lang met treurig floers omhangen,

Nog eenmael, dierbre harp! verlang ik naeruwtoon, Gelijk de rouw verlangt naer tranen op de wangen. Gelijk naer möedertroost een moedelooze zoon!

Aen haer heb ik, mijn harp, uw vroeg bezit te danken

Terwijl zij in de wieg mij schommelde overmoeid, Zweefde op haer' adem soms een stroom van vreemde

klanken

En met de moedermelk kwam melodij gevloeid, 't Was even of haer jeugd, bij zomeravondstouden,

In 't suizen van den wind die toon en had gehoord , Waermeê, bij 't voorgeslacht, zich vreugde en smert verkonden ,

En in den stroom des tijds sints eeuwen heeft gesmoord.

399

ocr page 428

En als reeds de ouderdom haer wang met rimplen groefde,

Lag nog een roerend lied bij wijlen op haer tong, Zoodat mijn dorst naar zang geen andere bron belioefde, Dan die voor heel mijn jeugd uit hare borst ontsprong. En zoude ik, daer die borst thands de adem is ontweken,

Daer voor alle eeuwigheid de gloed is uitgedoofd, Waeraen ik, als een licht, de dichttoorts heb ontsteken, Zoude ik thands roerloos staen, als van gevoel beroofd? Zulks ware ondankbaerheid, zulks mijde de Albehoeder!

Haer schim eischt iets terug van 't geen zoo mild zij gaf. Koom harp! en ween met mij op de asch van mijne moeder, | Koom, huldig met uw toon mijn offer op haer graf!

|

De Schepper wist een heil bij eiken ramp te stichten; |

De haegdoorn draegt de roos, de bergrots heeft de bron. De nacht praelt met een kleed van glinsterende lichten. En ieder blad des wouds biedt schaduw voor de zon. De storm, die ceders velt, jaegt misten heen en dampen, |

De schrikbare oceaan bergt schatten boven maet. En 't menschdom, samenhang van boosheid en van rampen,

Heeft als een zegening de moeder tot sieraad! De moeder, —o, dit woord viel uit den mond der engelen

Voorzeker op de tong van d'eersten sterveling.

Toen hij in eenen klank, in éénen galm wou mengelen

Al 't edelst, dat uit God en schepslen overging: De zachte lijdzaemheid, 't verheven zelfverachten,

De balsemende troost in rouw en bange smert. De liefde in al haer schoon, de liefde in al haer krachten, En, wat geen tong ooit meldt, het moederlijke hert! Een hert, dat als een vat vol heiige wondergaven Den omtrek zalig maekt, waerin 't zijn geuren brengt,

400

ocr page 429

Dat, nimmer uitgeput, hoeveel er zich aen laven.

Nog altijd voller wordt, hoe meer 't zijn schatten plengt! En zoo, zoo was heur hert in al zijn teeder pogen, Wanneer zij nederzat bij haer zoo talrijk kroost. Sprak zij tot ieder oog de zachte tael der oogen.

En ieder had haer zorg, en ieder had haer troost. Aandoenlijk was 't tooneel van haer veelvuldig streven!

Een zuigling aen de borst, een spelend op haer schoot. Een kwijnend in de wieg, met angst in slaep gedreven ,

Terwijl ze aen andre nog haer gulden lessen bood! Zij mochten een voor een om hare gunst verlangen, Of komen ze al te saêm en hangen aen haer zij: De kring in 't algemeen had gansch haer hert ontvangen,

En nog dacht iedereen, „de voorrang is aan mij.quot; Haer ziel was als de zon, die op de blaedren wiegelt. Die tevens op heel 't veld en op elk bloempjen lacht, Die zich in d'oceaan en in het dropje spiegelt

Met even volle glans en even volle kracht.

O Moeder, die zoo lang deze aard mij hebt verhemeld!

Wanneer de weedom mij met looden handen drukt, Ontwaar ik soms uw beeld, dat voor mijn oogen wemelt. Terwijl het hangend hoofd mij op den boezen bukt. En als ik eenzaam dan door veld en wouden dwale, En als een zachte wind dan in mijn haren speelt, Zeg, zweeft gij in de lucht, waerin ik ademhale ,

En is die wind uw ziel, die mij het voorhoofd streelt ? Of als ik soms des nachts, om weêr aen u te denken.

De legerspond verlaet en 't firmament betracht. Zeg, leeft gij in die ster, die mij schijnt toe te wenken ,

En is dit licht uw oog, dat mij dan tegenlacht? O neen! dit alles niet. Ver boven 't denkvermogen

26

401

ocr page 430

Van 't zwakke schepsleudom is uwe woon gesticht;

Doch alles wat de ziel door klanken of vertoogen Kan aendoen, brengt me een schijn, een zweem van

uw gezicht.

De toonen eener harp, de geurige avondluchten.

De kleuren van 't gebloemt, de zilverglans der maen,

Het murmlend brongesuis en Philomeles zuchten, 't Doet alles mij een stond aen uwe zijde gaen.

Maer ach! een oogwenk slechts, en deze stond is henen, En 'k stort weêr in mij zelv' als in een afgrond neêr.

Helaes! en mij rest niets dan op uw graf te weenen, Verlaten hier omlaeg, o moeder! tot wanneer?...

1 |

? I

? |

1 i

402

ocr page 431

AAN MIJNE MOEDER

DOOR

J. P. HASEBROEK,

geboren 6 Nov. -1812 te Leiden f 29 Maart 1896.

.

5

Wanneer ik soms iu de eenzaamheid gezeten,

Mijn oogen sluit om alles te vergeten,

Wat om mij heen mij vreugde baart of pijn,

Wanneer ik dan voor 't oog mijns geestes dage, 't Onzichtbre mij verbeeldende of ik 't zage,

De dingen, die daar verre zijn.

Dan zie ik, als een wolkenstoet der hemelen,

Rondom mij heen een drom van beelden wemelen,

In bonte rij mij trekkend langs het oog;

'k Zie kindren met een blos op de aangezichten;

'k Zie leeraars, die gelijk een sterre lichten.

Die tintelt aan der wolkenboog;

'k Zie bloemen, die mijn jeugdig hoofd omtuilen;

'k Zie maagdekens, die tusschen bloemen schuilen;

'k Zie vrienden met me onthaald aan 's levensmaal; 'k Zie geesten van de dierbren mij ontnomen;

'k Zie schimmen uit de donkre graven komen. En zaalgen uit de hemelzaal!

403

ocr page 432

'k Zie tranen, door mijn oog en hart vergoten Bij 't scheiden van geliefde reisgenooten ,

In wier verkeer 'k mij langer niet verkwik;

'k Zie bloesems, rood, maar niet gerijpt tot vruchteu , En oogsten, door d' orkaan der onweêrsluchten Verhageld in een oogenblik.

Maar nu, wanneer die beelden mij omgeven. En hnpplend me als een geestendans omzweven ,

Aanschouwt mijn oog in deez' zoo bonten groep Gestaag één beeld, waarbij ik liefst blijf pozen, En dat ik mij, voor de anderen uitgekozen, Bij voorkeur voor mijn blikken roep!

Toch is het beeld, dat me aantrekt, niet aanvallig. En door geen blos, of leest, of schoon lieftallig!...

Het is een laag naar de aarde bukkend hoofd, Waarop de ploeg der zorg haar rimplen groefde; Het is een leest in 't rouwkleed der Bedroefde, Wie 't graf haar echtvriend heeft ontroofd.

Het is een weêuw, wie tienmaal zeven jaren De matte kruin met wintersneeuw bezwaren ,

Wier kou al zacht op 't harte nederzinkt;

Het is een kranke, een lijdende, in wier leden 't Verval regeert, nooit door een mensch verbeden, Waardoor ze als sneeuw in 't zonlicht slinkt.

Eu toch dat beeld — 'k dank daarvoor d'Albehoeder! — Ik heb het lief! Het is het beeld der moeder. Der moeder, die de goedheid Gods mij schonk;

404

ocr page 433

Der moeder, die 'k de teederste zou noemen.

Als ik niet wist, dat elk alzoo zou roemen De vrouw, wier moedermelk hij dronk!

O dier geschenk, slechts eens door God gegeven! Zij, levensbron, en hoogste gift van 't leven ,

Dat door haar min verdubbeld wordt!

Wat zorge Gods voor elke menschenbloesem ,

Die, als een vrouw een kind drukt aan haar boesem, Ze ook moederliefde in 't harte stort!

Eerst schiep de Heer 't gezaaide; toen 't gewemel Der dieren en der vooglen aan den hemel;

Daarna den man, toen 't proefstuk en de vrouw! Nu kon Godzelf niet hooger zich verheffen.

Alsof Hij niet dit al ging overtreffen,

Toen hij de moeder scheppen zou!

O 't was wel hard, het vonnis aan te hooren!

„Voor u, o mensch, is 't paradijs verloren;

Uw wacht slechts de aard met moeite en zorg en pijn!quot; Maar 't was een zalve in 't bloedend hart gedropen: „ Gij moogt op de aarde op oudervreugde hopen, En, Eva! gij zult moeder zijn!quot;

En Eva baart haar beeld, een zoon der smarte.

Maar toch een zoon, gewiegd aan 't moederharte,

Dat, vol van liefde, een deel dier smart vergoed: Zij, wollen vacht voor 't schaapje zonder wolle, Zij, laafbron; die het hongrend wicht uit volle. En altijd vloeijende ader voedt!

405

ocr page 434

O rijke gaaf, en gaaf, die allen deelen! Gy, koningskind, dat we om een troon zien spelen,

Gij zuigling in uw ruwe houten kreb,

Zijt even rijk in d' eersten aller schatten,

En roemt in d' arm, waardoor ge uw voelt omvatten: „Goddank, dat ik een moeder heb!quot;

Ik dank U, God, dat ge ook aan mij wondt geven Een moeder, bron en heilbron van mijn leven.

Een moeder, gift en beeldtnis van uw min; Een moeder, waar gij-zelf me in zijt verschenen ' Van dat ik hier mijn eerste traan moest weenen , En nog, o Heer! zie 'k u er in!

Een moeder, die in 't klein me uw hart weêrspiegelt, Gelijk de drop, die aan de lelie wiegelt,

üw blauwen hemel vol van licht en gloed; Een moeder, in wier stem een weêrgalm fluistert Van 't stemgeruiseh , dat me aan den Bergtop kluistert. Waar ik U in uw Zoon begroet!

O heil aan 't hart, waar mij de melk uit vloeide, De moedermelk, die mij de tong besproeide,

Maar ook de melk der Evangelieleer!

Heil haar, die ik als moeder tweemaal huldig : 'k Ben haar mijn aardsch en hemelsch leven schuldig. Dank voor die dubble gift, o Heer!

|

Heil haar, die als een ochtendzon mijn morgen ' Zoo blij bescheen, van neevlen vrij en zorgen, Die voor mij blonk met middag-helderheid,

406

ocr page 435

En, nu ik haar naar de avondkim zie dalen,

Nog om mij heen haar allerlaatste stralen,

Zoo rood als 't rood van d' ochtend spreid!

O zink nog niet, mijn zonne, hlijf nog schijnen! Al moge uw licht ook tanen gaan en kwijnen, Gij zijt mij lief, zelfs in uw bleeksten glans, 'k Weet niet wat de aard mij zonder u zou wezen, 'k Heb u mijn star aan 's levens trans geprezen , Wat werd, van u beroofd, die trans?

En — moet het zijn? Zal haast de nachtwolk komen. Waardoor gij aan mijn oogen wordt ontnomen,

Mijn pad niet meer door u bestraald zal zijn, Toch zal uw liefde ook dan niet gansch verdwijnen: Zij blijft in haar herinnering voor mij schijnen, Als 't zonlicht in de maneschijn!

Dan daalt dat licht nog op uw grafterp neder, En troost het kroost, dat kinderlijk en teeder,

Hun kindertranen op uw lijkzerk weent; „Een liefde als die gij bij dit graf moest derven Kan evenmin als de eeuwge liefde sterven; Uw moeder wordt met u hereend!quot;

407

ocr page 436

DE VISSCHER VAN ZANDVOORT

DOOR

S. J. VAN DEN BERGH,

geboren '10 Januari 1814 te 's Hage, f 14 Mei 186B. _

Ja, zet u neder nevens mij ,

Gij vriend, die mij niet hebt verlaten, Schoon mij de mijnen lang vergaten ,

Wijl ik gebrek en armoê lij , Ja, poedel, vreugde van mijn leven,

Deel weer bet maal met de arme man, Al kan ik u maar weinig geven,

Ik geef u wat ik geven kan.

Ook gij vergrijst, ook gij wordt stram, Als by, die bijna tachtig jaren Zich over 't krommend hoofd zag varen, En wien de ellend zijn kracht benam; Ook gij bad eertijds betere dagen

Dan die gij met en door mij slijt, Arm beest, ik zou om u schier klagen. Dat mij geen ruimer deel verblijdt!

I

I

408

ocr page 437

Dat ik 't verdiende... wie 't beweer, Niet mij toch voegt het zoo te spreken; Ik heb mijn zonden en gebreken

En zal niet twisten met den Heer; Ik dank Hem daaglijks, dat de stralen

Van 't zonlicht, dat Hij op doet gaan, Nog koestrend op mij nederdalen, Al voel ik 't harte matter slaan.

En toch, houdt ik naar 't zoet weleer Somtijds nog eens den blik geslagen.

Toen ik mijn brood won alle dagen,

En 't Geerte thuisbracht uit het meer; Toen mij geen kracht ontbrak tot slooven ,

En ik, bracht de avond ons naar 't strand Na 't dagwerk God met haar mocht loven, Dan rolt wel eens een traan 't zand.

Dan drukt mij dikwijls de eenzaamheid — Als had mij God en mensch vergeten — Waarin ik 't leven heb gesleten,

Sinds ik haar sterven heb beschreid, Al mag dan 't oog op u ook rusten

Zoo blijd, zoo dankbaar als dit uur,

Mijn metgezel naar zooveel kusten,

Mijn deelgenoot van zoet en zuur.

Dan trilt wel eens mijn vuist nog zwak — Een drift als erfnis mij gebleven

409

ocr page 438

Uit de opgang van mijn zwervend leven,

Als 'k indenk, dat ik op het vlak Der waatren 't bloed zelfs heb vergoten Voor de eer der vlag van Palembang, En ik nu — tot mijn loon — verstoeten, Daarhenen strompel jarenlang.

Die drift — och, wie ze in mij misprijst, Gij zult ze me immers niet verwijten ? Trouw dier! 'k deed graag u 't leven slijten

De liefde waard, die gij bewijst:

Want ook om u, mijn oude makker ,

Jaagt in het brandend zomeruur De nood mij naar den schralen akker, En koop ik 't sober kostje duur.

Maar had ons Holland bij het goed, Waarom we 't dankbaar eere geven , Voor varensgasten, die het leven

In d' oorlog wagen op den vloed , In d' ouden dag een wijkplaats over, Als ginds de Brit zijn zeelui biedt; Ons maal was dan zoo vaak niet poover , Ons bakje vaak zoo ledig niet.

O 'k zag het eens wat zegen daar Aan d' ouden zeeman is besehoren, Hoe niets zijn vrede er kan verstoren , Bevrijd van ieder aardsch bezwaar,

410

ocr page 439

Hoe dankbaarheid de grijze er hoedde

Als ik voor 't vaderland gewond;

Hier ... och, zoo de armkas mij niet voedde , Gij stierf naast mij, mijn trouwe hond.

Doch goedig dier, wat snap ik voort ? . .. Gij toont mij vaak uw medelijden,

Uw dank wil 't leven mij verblijden,

En 'k heb nw liefde die mij schoort. Verzoet dies lang nog door uw spelen

Mijn eenzaam lot en mijn verdriet — Ik blijf mijn bete met u deelen.

Zoolang een beet mij overschiet.

En sluit ik vóór u de oogen dicht, In 't uitzicht op een blijd ontwaken ,

Daar boven gindsche blauwe daken,

Waar lang mijn blik is heengericht; Zoo neem ik 't zoet bewustzijn mede,

Dat rust ik uit van al mijn leed,

Mij op myn laatste legerstede

Een enkle toch niet gansch vergeet.

Dat, wordt ik door niet één beschreid , Naar Zantvoort's kerkhof heengedragen, Terwijl van al mijn rijke magen

Mij zelfs geen enkle grafwaarts leidt — Gij toch, mij altijd bijgebleven,

De lijkbaar nasluipt van den vrind,

Wien gij uw trouw schonkt bij zijn leven, Wiens dood u niet veranderd vindt.

411

ocr page 440

Uw lot dan?... Wie nu beiden voedt Laat u dan niet uw deel ontbreken. De klok!... De schafttijd is verstreken ...

God gaf 't ons weer... De Heer is goed! Om me onder 't zwoegen te verstrooien

Schonk Hij mij u, Hij spijst ons saam... Kom, help mij nu de veldvrucht rooien. Maar prijze ik eerst Zijn Vadernaam.

412

ocr page 441

BOEM BOEM!

EENE VERTELLING VAN

A. BELINFANTE JR.,

geboren 22 Maart 1840 te Amsterdam.

't Aanvallig jongske lag zeer krank op 't bedje neder; 't Had koorts; het keerde zich onrustig heen en weder, Of de arme knaap nu hier dan daar verlichting zocht. Zijn lipjes brandden fel; steeds gudste 't klamme vocht Van 't vuurrood hoofdje neer; zijn half geloken oogen Zoo dof als flets; geheel zijn lief gelaat omtogen Door lijdenswee. Arm kind! 't Werd kortelings vijfjaar; Hij is het eenig kind, de vreugd van 't oudrenpaar. 't Zijn brave luidjes; hij : een werkman, knap en vaardig. Geacht door baas en knechts; en 't vrouwtje, ze is hem

waardig:

Ze is immer in de weer en maakt hem 't leven zoet. Maar... thans geen blijde lach waarmeê zij hem begroet Als hij , in 't schaftuur, zacht, nauw hoorbaar ingetreden, Zich tot zijn vrouwtje wendt en vraagt: „hoe is het heden?quot;' Dan antwoordt zij hem niet, maar ziet hem aan en snikt. Dan zet ook hij zich neer bij 't bedje en teeder blikt

413

ocr page 442

Hij op zijn lieveling, neemt zacht bet matte handje In zijn vereelte vuist en fluistert; „kijk eens Jantje, „ Wat va heeft meegebracht!quot; Ach, slechts een korte poos Blikt 's knaapjes oog, tot vreugd der oudren, op de doos Met kegels, op 't geweertje, en zooveel andre spelen Die vader daag'lijks bracht; 't scheen alles te vervelen ; Hij wierp het ontevreê dra van zich af, en mat Zonk 't hoofdje op 't kussen neer.

„Wat wil je dan, mijn schat? „Toe, ventje, zeg bet toch, en vader zal het koopen.quot; Dan sloeg bet jongske zacht zijn oogen nogmaals open, En lispte: „'k wil boem, boem!quot; —

Altijd dat zelfde woord! Hoe dikwerf bad men reeds dien vreemden wensch

gehoord!

Hoe droevig klonk bet hun, wanneer aan knaapjeslippen Een zware, felle koorts 't al ijlend deed ontglippen. Wat slaakte 't oudrenpaar reeds vaak een diepe klacht! Wat werd er in bun brein, belaas, gepeinsd, gedacht! Hoe vurig, dringend bad men 't kind zich te verklaren ! 't Was alles te vergeefs, men kon het niet ontwaren; En wat men 't jongske bood, steeds drong tot beider smart 't Eentonig: 'k wil boem, boem, van 't knaapje in 't

oudrenhart.

Maar arme vader, was 't u dan ontgaan? Ei, heugde U, domme man, niets meer van Jantjes dolle vreugde In 't circus, waar de clown zoo dwaas het lijf verwrong, En na een buiteling, na eiken stouten sprong,

Waar de arme kerel soms een arm of been bij waagde, Na eiken zwaren toer, als hij gelukkig slaagde,

|

414

ocr page 443

Boem, boem, weergalmen deed? Hoe 's knaapjes gul

en luid

Gelach door 's circus klonk en lioe't den vluggen guit, Wien 't kinderlijk genot zoo 't scheen wel zeer bekoorde,

Tot een herhaald boem, boem , tot extra toeren spoorde ? Hebt gij vergeten, hoe des clowns geverwd gelaat,

Zijn hooge roode kuif, zijn blinkend bont gewaad Dien avond 't jongske boeide, en hoe gij opgetogen Door Jantjes vreugd, hem kuste, en onverstoord uwe I

oogen

Vol vadertrots op 't kind gevestigd hield? — Maar

neen!

Ge erinnert u allengs! 't Is nog niet lang geleên! Dat licht en die muziek! Ja, 't bloed danste in zijn

aadren

Toen hij 't gepluimde en schoon getuigde paard zag

naadren!

Wel zeker, 't kind zat op uw knie; zijn handje hadt Gij in uw vuist als thans; toen was 't niet klam, niet mat; Het trilde van genot bij 't luid en zwierig klappen Der lange zweep! 0, ja! die sprongen en die grappen Des dwazen clowns! Hoe lachte en gierde Jantje! En

dan...

Wat riep die clown toch steeds?... Boem, boem...

maar stil toch man! Want zie, uw vrouwtje look na 't eindloos waken, even Het oog, 't zal d' arme allicht weer kracht tot waken

geven;

Dus toef, zoo 't mooglijk is een wijle nog, en hoop; En zeg uw lieveling zeer zachtkens: „Jantje, ik koop

415

ocr page 444

Weldra boem boem!quot; En dan, o God, zal 't mooglijk

wezen ?. ..

Dan zal boem boem uw Jantje, nw dierbaar kind genezen!

't Was zeekre heer Philippe, een clown, een acrobaat. Thans geen potsierlijk kleed, geen dwaas geverwd gelaat, Geen kuif of roode pruik, die hem onkenbaar maken. Hij toeft in zijn salon; door allerhande zaken Van kuust en smaak omringd, in d' armstoel neergevlijd, Blaast hij de wolkjes uit zijn Turksche pijp en wijdt Zijn aandacht onverdeeld aan Hildebrands tafreelen, Die, tintelend van geest, zóó zeer zijn harte streelen , Dat de acrobaat niet eens 't bescheiden kloppen hoort, Doch hem weldra een luid geklop in 't lezen stoort. „Wie duivel mag dat zijn? Entrez! Herrein!quot; zoo

galmt hij.

Een werkman komt beleefd nabij; doch waarom talmt hij , En waarom zegt zijn oog; vast heb ik mij vergist? „Wat wenscht ge, vriend ?quot; — „ Mijnheer, vergeef me...

maar ik wist...

..

Ik dacht..zoo stottert hij en slaat zijn oog verlegen In 't keurig, smaakvol zaaltje; o , 't valt hem blijkbaar

tegen;

Doch nadat hij een wijl het spreken had vertraagd, En thans met ongeduld hem nogmaals werd gevraagd , Te zeggen wat het doel was van zijn komst, verklaarde De werkman, die nog vrij bedremmeld voor zich staarde : „'k Moet wezen bij Boem Boem; dus ben 'k hier niet

terecht.quot; —

416

ocr page 445

Monsieur Philippe lacht: „Boem, boem, nu 't is niet slecht! „ Wel, vriend, die ben ik zelfzoo roept hij ietwat kranig, En hartlijk lachend. — O, 't verrast den ander danig; Meer was de clown verrast, toen op een droeven toon De werkman 't knaapje schetste, en bad: „wat gij als

loon

„Bedingen mocht, 'k ben arm, mijnheer, maar 'k zal

niet falen,

„ Zij 't in termijnen, u ten volle te betalen;

„ O, 'k bid u, kom mijnheer, misschien redt gij mijn kind!quot; De clown, die 't popren van zijn hart nauw overwint, Die thans geen verf behoeft voor 't kleuren van zijn

wangen,

Schrijft naam en woonplaats op, en zegt: „aan uw

verlangen

„Wordt door Boem Boem voldaan; zeg dat uw jongske, 5

groet |

„ Hem hart'lijk uit mijn naam; en gij, houd goeden moed.quot;

Het knaapje was dien dag veel zieker; onrustbarend Was 't oog des dokters, die op 't gouden uurwerk starend , Vol bange zorg den pols des lijders hield omvat. De koortst was op zijn felst; de arts zei niet veel, doch wat Hij sprak, ontnam de hoop aan de ouders... 't moest

hun beiden

j Zoo 't mooglijk was, allengs op 't ergste voorbereiden. : Vol bitter wee bleef 't paar alleen bij 's knaapjes spond, Waar 't siddrend oudrenhart een beê ten hemel zond, j Waar trots 't gemis aan rust geen oog thans werd geloken, ; Waar slechts door 't zacht Boem Boem de stilte werd

verbroken.

I i

417 27

ocr page 446

Monsieur Philip liield woord, hij kwam denzelfden dag. Met innigheid en dank werd hij begroet. Stil lag Het knaapje voor zich heen; het waakte, schoon 't zijn

oogen

Gesloten had. Nu 't kind zich even had bewogen, Klonk zachtkens vaders stem; „Ei, zie eens, lieve vent; „Wie is dat? O, ik wed, dat Jan dien heer wel kent!quot; Neen moeder, vlei u niet; ach, hoop niet, arme vader! Uw kind herkent u niet. „Mijnheer, ik bid n, nader!quot; Zoo fluistren de ouders: „Zie, daar is Boem Boem.quot;

En weer

Blikt Jantje een korte wijl hem aan en lispelt teer: „Neen, neen, hij is het niet! Ach, laat Boem Boem

toch komen!quot; En met dat woord werd hun de hoop in 't hart ont-

ontnomen,

Gelijk een stroohalm, die bij 't strijden met den dood Den drenkling ijdle hoop, helaas, geen redding bood; Gelijk één enkle ster, die 't zwart gewelf onttogen, Den wandlaar uitkomst biedt, en plots verdwijnt voor de

oogen.

„Helaas!quot; zoo zuchten zij. „Helaas?quot; zei de acrobaat, Wien beider jammerkreet wel zeer aan 't harte gaat; „Wel, 't jongske heeft gelijk! Hij laat zich niet misleiden ;

„Doch wacht, straks komt Boem Beom! O, wanhoopt

niet, gij beiden!quot; En wenkend vlood hij heen. Het droevend oudrenpaar Was 't kort betoog des clownsjuist niet bijzonder klaar; Wat hij bedoelde bleef geheim voor de arme lieden , Hoewel de toon en blik des acrobaats verriedeu ,

I

418

ocr page 447

Wat hij een wijl verzweeg; hoewel, ondanks hun smart, Zijn troostend woord een straal van hoop voerde in hun

hart.

Wij kennen dat gevoel van hoop en vreeze tevens, Die angsten, waar het geld 't behoud eens dierhren levens. Ons allen is 't bewust wat omging in de ziel, Wat bittre traan ons vaak aan 't starend oog ontviel, Wat bange zorg en smart wij aan het ziekbed leden, Wat onverpoosde strijd om 't offer werd gestreden. Doch allen weten we ook hoe 't fel bedrukt gemoed Eén gunstig teeken reeds verlichting schenkt! Hoe zoet Hoe hemelsch rein, het hart — door angst en zorg

bekropen —

Eén enkle lichtstraal slechts, weêr voedsel geeft tot

hopen.

Een uur verstreek. Er hield een rijtuig stil. O, 't was Een allervreemdst figuur, die 't vlug verliet, en ras Naar 't schamel, rein vertrek des werkmans toog, zacht

tikte,

Zich van de manteljas ontdeed, zeer vriendelijk knikte , En fluisterend: „hoe is 't met Jantje,quot; aan 't echtpaar

vroeg;

Waarop het kind weldra zijn oogjes open sloeg. En juichend riep : „ dat is Boem, Boem! Dag lieve, goede „Boem , Boem !..

Hoe zalig was het oudrenpaar te moede. Toen van hun lieveling die blijde toon weerklonk! Toen weer in 's knaapjes oog een straal van vreugde

blonk!

De clown, in vol ornaat verschenen, boog met gratie

419

ocr page 448

Voor Jautje's sponde, als waar 't een liof-representatie. | Hij balanceerde een wijl zijn muts op neus en kin, | Wierp met een duikeling haar snel de turfmand in, Stond op zijn hoofd, volbracht een wandling op ziju

handen,

Of buitelde en verwrong zijn lijf in dwaze standen, Gaf met zijn vluggen voet zijn aangezicht een klap, | En galmde luid: Boem Boem , na elke dwaze grap!

Terecht begreep hij: 't zou den zwakken knaap vermoeien, I Zijn aandacht al te lang aan 't grappig spel te boeien.

Hij zette zich een wijl bij Jantjes sponde neêr, I En sprak: „nu ga 'k naar huis; maar morgen kom ik

weêr,

| „Zoo Jantje braaf zijn drank en poeders heeft genomen.quot; En zeer bezwaarlijk was Monsieur Philippe ontkomen Aan knaapjes teedre hand en aan den woordenvloed 1 Van dank, die 't oudrenpaar ontsnapte aan 't blij gemoed-De clown kwam dagelijks, en onvermoeid vertoonde Hij nieuwe grappen. O, vraag niet of 't hem beloonde Dat Jantje zachtjes aan 't gevaar te boven kwam, En 't lieflijk oog, voorheen zoo flets, zijn hand, zoo

klam ,

Hem dra bewezen, dat het kind van lieverlede | lu krachten won! — Gold hier der oudreu vuurge bede? | Gold hier des dokters hulp, de keus der artsenij ? \ Gold hier het werk des clowns, wiens komst het kind

steeds blij

Begroette ? Of had natuur alléén het kwaad bestreden ? Welk sterveling doorgrondt tal van verborgenheden ? De bloem die licht noch lucht ontbeert, kwijnt soms

en sterft:

1 420

ocr page 449

Het plantje, dat voor 't oog verborgen, beiden derft, Schiet blaadjes, knopt en bloeit. Op de onafzienbre

plassen

Is 't forseh gebouwde schip soms 't noodweer niet |

ontwasschen.

En zinkt in ''t peilloos diep: de ranke visschersboot Biedt weêrstand en trotseert der golven ruwen stoot.

Geldt hier een gril van 't lot, die 't doodsgevaar doet

keeren ?

: Is t alles toeval slechts? Of is 't de wil des Heeren ? • Geleerden, denkers, zoekt en peinst op elk gebied Doorgrondt ge ook nóg zooveel, veel meer doorgrondt

gij niet.

Een maand vlood heen.'t Was een der eerste lentedagen. ■ Weêr smaakt monsieur Philip' met innig welbehagen In d'armstoel zoete rust. Weer boeit een pennevrucht Zijn aandacht, en het schijnt dat d'een of andre klucht Van 't werk hem zeer bekoort. Weer komthemiemand \

storen,

En doet zich als voorheen 't bescheiden tikken hooren. ; • • •

Daar galmt zijn luid : „ Entrez !quot;...

Verrast richt de acrobaat Zich op: een glans van vreugd ontplooit zich op 't

gelaat!

; 't Is 't echtpaar met hun kind! Met kleine Jan! 't Mocht

heden,

Voor 't eerst weer uit! Men had het gure weêr gemeden | Maar nu 't wat zoeler werd, was Jantjes eerste gang Naar d' edelen Boem, Boem!

0, 't plan bestond reeds lang;

latMi

421

ocr page 450

Het dankbaar oudrenhart werd reeds vrij ongeduldig;

Maar thans___

„Ziedaar uw werk! Heb dank!

Wat ben 'k u schuldig V ,,'k Heb in dien ty d gespaard; o, 't is niet veel, mijnheer, „ Maar wat er aan ontbreekt... 'k beloof u bij mijn eer: „ Ik zal 't voldoen..

Zoo sprak de werkman. — Zeer bewogen Vernam de clown 't besluit, en.. . 't bleek een ijdel

pogen

Om 't beven van zijn stem, — de voorboó van een traan, — ; Hun te verbergen, toen hij schertsend sprak: „Welaan, „ Moge u mijn rekening geen bange zorg bereiden! „Wat gij mij schuldig zijt?...

Een handdruk van u beiden , • „ Een kus van 't kind! en weet, dat 'k mij voortaan Boem,

Boem,

Gymnast, clown, acrobaat... en kinderdokter noem !quot; |

|

422

ocr page 451

GEDICHTEN

DOOR

LOUISE STRATENUS,

geboren 3 Aug 1852.

I.

't Menschenleven is een citer,

Door een Meesterhand bespeeld,

Die tot rijke melodiën Eerst een vijftal snaren streelt.

Ras toch breekt er één, en fluistert;

„'k Ben de jeugd, die uw verliet!quot;

Kort daarop springt ook een tweede,

En de vreugd vlucht in 't verschiet.

Dan een derde ... het Vertrouwen ;

Maar de vierde, die verbeidt Wat de vijfde steeds beloofde ...

't Zijn de Hoop ... en ... de Eeuwigheid.

423

ocr page 452

II.

Scheiden.

Hoe wreed en treurig klinkt het woord,

Wat heeft het vaak het hart doorboord, Die kreet van: „gij moet scheiden!quot;

Hoe pijnlijk treft hij het gemoed Wat zielen.heeft hij al bebloed,

Wat harten al doen lijden!

Want ach, zoo dikwerf als vol vreugd

Men zorgeloos zich weêr verheugt, Weerklinkt de stem van: „scheiden!quot;

En tranen wellen op in 't oog.

En 't harte vraagt het van omhoog: „Wat blijft mij nog verbeiden?quot;

't Is hard, 't is wreed, maar toch 't is waar,

Al blijft men somtijds jaar op jaar Te zaam zijn pad bestrijden,

Toch komt u eens een kruisweg voor, Ons lot wenkt tot een ander spoor ...

Weest moedig!... gij moet scheiden!

III.

Een schoone bloem verhief haar kelk

Betooverend en rein, —

Een pad kroop nader en bespoog Haar met haar wreed venijn.

424

ocr page 453

„Waarom toch doet gij mij dat kwaad?quot;

Vroeg 't bloempje op droeven toon. — De pad sprak met een boozen lacli: „Waarom zijt gij zoo schoon?quot;

IV.

Al had ik de talen der menschen, der eng'len ,

Kwam zelfs profetie bij mijn gaven zich meng'len, Vervulden Mysteries van kunde mijn brein;

Al had ik geloof om een rots te doen beven,

Doch liefde, de liefde was vreemd aan mijn leven, Ik zoude in Gods oog zonder waarde nog zijn.

Al gaf ik mijn goed'ren, mijn schatten den armen,

Al ging ook mijn rijkdom hun stulpe verwarmen, Verzachtte mijn goud al hnn smartelijk lot;

Al trad ik den dood op den brandstapel tegen,

Maar liefde werd immer gemist op mijn wegen, Ik waar' slechts een klinkend metaal voor mijn God!

De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren,

Geen afgunst vervult haar, zij moet zegevieren , Waar, nimmer lichtvaardig, haar vinger zich strekt.

Zij is vol verlooch'ning, zoekt nooit zich te wreken, Zij kent geen verbittring in hand'len noch spreken; Geen denkbeeld aan kwaad wordt ooitin haar gewekt.

Geen logen, maar waarheid zal ze eeuwig bezingen; Zij hoopt, zij gelooft, zij bedekt alle dingen;

425

ocr page 454

Geen wonde, geen smarte, die zij niet verdraagt.

Die liefde vergaat niet, zij weet van geen dalen, En blijft, waar men angstig naar kennis en talen , En zelfs profetiën vruchteloos vraagt.

Zij blijft — totdat alles, wat nu van den Hoogen

Gekend wordt, ééns helder verrijst voor onze oogen, Tot men voor geen chaos van raads'len meer vreest.

Thans blijft ons de liefde, de hoop, het geloove, Een drietal van starren, dat niets ooit verdoove. -. Maar van deze drie is toch liefde het meest!

426

ocr page 455

DAAR IS EEN LIED

DOOR

S. DA EMS,

I

Kanunnik-regulier der Abdij van Tongerloo.

__ i

i i

Daar is een lied, — een lied, — dat uit de halmen Mij tegeuruischt van 't golvend korenveld.

't Zijn zangen zacht, zacht zwellend als de psalmen Uit englenhart op gouden wiek geweld;

Nu rijzend, dan dalend;

Soms smeekend, soms malend ;

Een lied, waarbij mijn hart van hemelvreugde smelt. O zegt mij, halmen, wat uw lied, —

O zegt mij, wat die zang bediedt ?

Daar is een lied, — een lied, — dat op de blaren Van 't groene woud gedragen, gonst en suist En rilt en trilt, alsof 't akkoorden waren Eens geestesdoms, dat in de twijgen huist;

427

ocr page 456

Nu kwijnend, dan vurig,

Afwisslend gedurig,

Waar vrede in jubelt soms, soms weder krijg in bruist O zegt mij, wouden, wat uw lied, —

O zegt mij, wat die zang bediedt?

Daar is een lied, — een lied in 't zacht geklater Der zilvren beek, die tripplend, dropplend vloeit, 't Zijn klokjes, die klingklangden in liet water,

Of op een beiaard speelsch een engel stoeit; En straks is het klateren Melodisch een schateren,

Daar ginder waar de beek tot een riviere groeit. O zegt mij, golven wat uw lied, —

O zegt mij, wat die zang bediedt ?

Een korenveld, een woud, een beek herhalen. Herhalen nog een eenig, eenig woord. —

Een echo van den kreits der hemelzalen,

Waar 't eeuwig eeuwig werd en wordt gehoord;

Waar englenscharen,

Op toovrende snaren ,

Dat woord bezingen in verrukkend grootsch akkoord. Hen stamelt slechts onze aarde na.

Dat eenig woord? — 't Is „Jehovah.quot;

428

ocr page 457

DE ENGEL DES DOODS

DOOK

JOHAN OLOF WALLIN

Aartsbisschop geboren 1779 te Stora Tuna in Dalarne y Juni 183'J. IN 'T NEDERDÜ1TSCH OVERGEBRACHT DOOR

DR. J. M. HOOGVLIET.

Vs. 1.

„Gij kindren Adams, die 't stof eens baarde,

Die weldra weder tot stof verkeert!

Mijn erfdeel waart ge, zoolang op aarde De zoude, zaaier des doods, regeert.

Mijn wieken roer ik In de uiterste oorden En tot u voer ik,

Met 's Heeren woorden,

Een tal van stemmen, o stervling, meê Uit lucht en vlammen en aarde en zee.

429

ocr page 458

Vs. 2.

Gelijk de musschen, die 't nestje bouwen

Gerust iu 't welige zomergroeu Terneder zitten en vol vertrouwen

Hun lied in 't lommer weêrgalmen doen Zoo is uw leven —

De herfstwind nadert,

De boomen beven,

Hun kruin ontbladert:

Vernield is 't nestje, verstomt bet lied, En vreugd en leven verdwijnt in 't niet.

Vs. 3.

Gelijk de duiven, die zuchtend zwerven,

Beweent ge 't Morgen, dat nimmer daagt. Daar, zonder uitstel gedoemd tot sterven, Gij straks van de aarde wordt weggevaagd — Daar stuift ge benen,

In naebt verloren —

En ras verdwenen Zijn alle sporen,

En — 't zinkend zonliebt, de nieuwe maan Zien andren komen — en andren gaan.

1

Vs. 4.

Gij danst en dartelt in marmren ballen.

Gij zwelgt in zwijmel op 't boogfestijn,

Waar mirtben bloeien en barpen schallen — Daar scheurt de voorhang en — ik verschijn! Dan stokt het dansen,

430

ocr page 459

Geen toon rijst weder,

Ik breek de kransen,

De bruid zygt neder.

„Verdriet is 't eindequot;, zoo spreekt de Heer, „Van alle grootheid en glans en eer.quot;

Vs. 5«

Ik ben de sterke, door niets weêrhouden,

Tot eens een Sterker'' verschijnen zal; Ik zend mijn adem, den ijzig kouden. Van steile spitsen in 't donker dal. Besmettingsdampen Zijner mijn boden,

Die zonder kampen Miljoenen dooden:

Zij dringen moordend in 't nachtlijk uur Door stalen pantser en koopren muur.

Vs. 6.

Mijn vleugel breidelt den storm van 't Noorden,

Ik buig de baren en stuw ze op strand, De Staten breek ik als rafelkoorden,

Den schepter scheur ik uit Heerschers hand. Ik doe de Volken Van alle tijden Als lichte wolken Daarhenen glijden.

Steeds wisslend wentlen ze voor mijn voet, Tot ras hun rijgang ten einde spoedt.

431

ocr page 460

Vs. 7.

Oeweld en waapnen — ik werp ze neder,

Geen kunst of kennis, die mij weêrstaat, Mijn wil geeft slaven de vrijheid weder, Terwijl hij vorsten in boeien slaat. De krijgsroep schettert,

De helden vallen ,

Het moordtuig klettert...

Daar liggen ze allen!

Hen wekt geen rofflende trommelslag, 't Bazuinen wekt hen den jongsten dag.

Vs. 8.

Het kroost der aarde gaat ras verloren,

Ik wenk, en — henen spoedt al wat leeft, Daar, waar geen ooren hun roepstem hooren En waar geen tong hun het antwoord geeft. Geen tegenstanders Die me immer tartten,

Geen Alexanders,

Geen Bonaparten.

Die heerschers, eenmaal zoo hoog geëerd,

Zijn door mijn adem tot stof verteerd.

Vs. 9.

In de aardsche dalen, wat nietig strijden,

Wat ij del twisten om rang en naam! Ik paar geslachten in 't graf der tijden En stapel eeuwen op eeuwen saam. In 't dichte duister

432

ocr page 461

Zal, grooten, rijken, Uw licht en luister Voor immer wijken.

Het was uw leengoed voor korten tijd ; Haast is voor andren uw deel bereid.

Vs. 10.

Geen Burg op aarde, gij zwervelingen!

Die u beschutting en berging geeft.

Bezit is leugen van aardsche dingen,

Geen erfrecht-cedel, die waarde heeft. Zie, kroonsieraden En arbeidspijen En praalgewaden En rouwkleedijen Verwisslend plooit zich de zoom des kleeds Om nieuwe borsten en halzen steeds.

Vs. n.

'Ge zijt gekomen, ge zult verdwijnen,

Hier hebt gij nimmer uw huis gehad,

Daar, waar geen zonne noch maan zal schijnen, Daar zult ge wonen in de enge stad.

Daar wordt geduchten 't Blazoen ontnomen ,

Wie zwoegend zuchtten,

Zijn 't juk ontkomen ;

Des kerkers keetnen, der harten band Ze wijken willig voor eene hand.

28

433

ocr page 462

Vs. 12.

Waar is uw moeder? Waar is uw gade?

Zij trekken van u, zij spoeden voort, En weder keeren ze vroeg nog spade; Gij volgt hen weldra naar 't eigen oord Bewaak de panden,

Door God geschonken!

Ze zijn uw handen Zoo ras ontzonken:

Nooit ziet ge 't weder, dat kostbaar goed Tot ge éénmaal rekenschap geven moet.

Vs 13.

|

Waar is uw broeder en uw gelijke?

Zoo vraagt de Heer u dan langer niet: Dan hebt ge broeders, verwaten rijke! De wormen, die ge dan spijze biedt — Eu die zich voeden En eens bezwijkeu ;

Doch één blijft woeden. Die nooit zal wijken: Die worm, die nimmer zijn prooi verlaat Is 't boos Geweten, dat steeds bestaat.

?

Vs. 14.

U zal hij kwellen, die koel het sneven

Van anderen ziet, zoo gij slechts blijft. Geloof en vaderland prijs durft geven En spot met heilige plichten drijft, Die wringt aan wetten

434

ocr page 463

En speelt met zielen ,

Waar zwarte smetten Haar vreê vernielen!

Van spot en lioonlacli is jammer 't eiud Als 't bleeke spooksel der wraak verschijnt.

Vs. 15.

U zal hij kwellen, gij leugenaren!

Als aan 't verhemelt' de tong u kleeft, Wier list en laster de deugd bezwaren En door wier zwadder de brave sneeft! Straks ziet ge uw werken Door mij ontbonden:

Ik sluit de zerken En sluit de monden:

Slechts éénmaal opent uw mond zich weêr: Voor 't Richtgestoelte van God den Heer!

Vs. 16.

I I

Ontsluit met beven de diepste wanden,

O veege stervling, in de eigen borst En richt gereinigd uw hart en handen

Tot Hem, die weet, wat ge binnen torscht.

Wellicht zal heden De poort u beiden,

Waar onverbeden Door alle tijden Staat ingebijteld het schrikbesluit:

't Gaat alles in hier en nimmer uit!

S i

l i

435

ocr page 464

Vs. 17.

't Zij ge, als orkaueu of zoele winden ,

Deez' aard vernieling of laafnis bracht, Trots wil en werken zal ze u verslinden En neêr doen zinken in duistren nacht — Wil dus van de aarde Geen oordeel wachten!

Uw echte waarde,

Uw kruis en krachten,

Wat hier uw taak was en wat gij deedt, Eén enk'le weet het, die alles weet.

Vs. 18.

Gij kent Gods woorden en wat zij vragen, Hoe gij moest wandlen op 't levenspad, En wat gij, stervling, hier hadt te dragen En wat gij hier te vervullen hadt. Hij schenkt u krachten. Die boosheid weren, En lichtgedachten,

Die wijsheid leeren ,

Zoo slechts uw hart zich verheft tot Hem En leidzaam luistert naar Zijne stem.

Vs. 19.

De stem des Heeren klinkt liefdrijk teeder;.

O, volg tevreden en hef het hoofd! Dan drukt u nimmer de droefheid neder Als 't loon der wereld u wordt ontroofd. Blijf stil gelooven

ocr page 465

Eu werkend wakeu,

En zie naar Boven Trots afgrond's kaken,

Dan voelt ge uw vatten door Engleuhand En veilig voeren naar 't Vaderland.

Vs. 20.

Laat edel willen u hier behoeden

In tijd van tranen en bang verdriet. Dan moog de wereld uw hart doen bloeden , Uw zielevrede dien rooft zij niet;

Laat vrij de graven Hun prooi verteren,

Hoor, ziel des braven,

Het woord uws Heeren:

„Gij hebt gestreden tot in den dood, Zie, trouwe dienaar, uw loon is groot.quot;

Vs. 21.

Geef troost in smarten en halp iu noodeu,

Waar arbeid helpen en troosten kan! Weêrsta wat waarheid en deugd wil dooden, En leef als Kristen en sneef als Man! Het aardsche leven Zal geen belooning Of dank u geven Of lauwerkroning,

Maar onverganklijk en schoon en rein Zal 't Loon der Zaal'gen uw erfdeel zijn.

437

ocr page 466

Vs. 22.

't Geloof — o, 't is niet een sterre stralend,

Een oog verborgen op 's harten grond, Dat hoog ten hemel ziet zegepralend, Als bindsels barsten in stervens-stond ?

Daar moet al 't lijden Ten einde spoeden,

Wat zwaarden snijden, Wat vlammen woeden,

Vervolgde! 't Godsrijk is u nabij,

De Heiland kroont u in d' Englenrij.

Vs. 23.

Is Deugd een droombeeld en Godsvrucht mede

Wordt ziel en lichaam in asch gelegd? O Eerste Gustaaf, o Groote Tweede,

O vrije moedige Engelbrecht!

O alle wijzen En alle braven,

Die menschen prijzen En dan — begraven !

Wat ware liefde, verstand en kracht, Is 't Graf het einde, dat allen wacht?

Vs. 24.

En Eee, wier wenken het menschdom leeren Den strijd voor plichten tot in den dood , Zijn 't veile benden en veiler heeren, Die haar bepalen, die macht zoo groot? Haar oog, verheven ,

438

ocr page 467

Blikt eeuwig vrede;

Brengt hier uw leven Vaak zuchten mede ,

Zij volgt onwrikbaar haar sterrenbaan En 't stof der tijden kleeft haar niet aan.

Vs. 25.

En Vreugde, kon ze nog 't bart verblijden

In liefdekoorden zoo eng verknocht, Indien geen hope na 't bitter scheiden Gebroken banden vernieuwen mocht? Zoo prijsgegeven Aan blinde krachten,

Wat ware 't leven ?

Een doelloos trachten ! Een zinloos raadsel, een wreede straf. Die God gramstorig aan 't menschdom gaf!

Vs. 26.

Als Jacob's Jozef wordt weggenomen ,

Als David's Jonathan henengaat, Dan barst hun boezem in bittre stroomen, Daar zich hun wonde niet heelen laat! Als Rachel's kleenen Haar zijn onttogen,

Verwoest het weenen Haar 't hart en de oogen,

Want alles, wat haar aan 't leven bond, Is weggezonken in d'eigen stond.

439

ocr page 468

Vs. 27.

Maar God is Liefds — wat u bezwaarde,

Vertroost u, harten, die zwoegt en zucht! Het zaad der smarte, vertrouwd aan de aarde Ontplooit zich eenmaal tot gulden vrucht! Wat ge aan de graven Eens toe deedt komen,

Onschatbre gaven ,

Zoo vroeg ontnomen,

Zijn niet verloren, doch daar niet meer, Zij blijven eeuwig bij God den Heer!

Vs. 28.

Aan alle licht en aan alle leven,

Aan alle krachten gaf Hij :t bestaan , Hy houdt in liefde het al omgeven,

Zijn huis biedt allen een woning aan.

Zie 't zonlicht glijden Door neevlen henen,

En — denk aan 't scheiden , Is 't uur verschenen,

Dan roept uw Vader. Gij, vóór dien tijd , Volhard en arbeid en bidt en lijd!

Vs. 29.

Wees als Maria, die, troost verbeidend,

Aan 's Heilands voeten terneder zit Of Magdalena, die innig lijdend

Voor 't kruis gebogen berouwvol bidt! Johannes! spoed u

I

440

ocr page 469

Aan 's Heilands harte!

Zijn arm behoedt u Voor elke smarte :

Hij voert naar boven u met zich meê,

Naar 't land van vrijheid en vreugde en vreê.

Vs. 30.

Wel hun, die heilig voor 't Goede blaakten,

Die sterk beminden en rijk en veel, En, schoon zij faalden, naar reinheid haakten! Want veel genade wordt hun ten deel Wel is op aarde Door hen misdreven,

Doch hoog in waarde Is 't aangeschreven,

Wat hier beneden in 't stof gewrocht.

Een hooger wereld verblijden mocht.

j

Vs. 31.

|

|

Zij hielden 't ééne, dat niet kan falen,

De vrees des Heeren, die werkt en waakt; Zij deden schittrend hun kleedren stralen In 't bloed gewasschen, dat smetloos maakt. Volbracht is 't leven.

De smart geleden,

Het kwaad vergeven,

De strijd volstreden —

De Groots Vader herkent zijn kroost En in Zijn armen daar is hun troost.

441

ocr page 470

Vs. 32.

Zij sluimren vredig den slaap der vroomeu

Totdat voor eeuwig de morgen daagt'; Zij zijn aan droefheid en druk ontkomen, Hun leed en lasten zijn weggevaagd, En gansch ontslagen Van aardsche banden Zijn ze ingedragen Door englenhanden Uit slavenkerker in 't huis der vreê Eu hunne werken ze volgen meê!

Vs. 33.

Zij trokken henen, naar beter streken,

Waar hen de Vader geroepen had:

Waar duizend zonnen in 't licht verbleeken, Daar is hun woning in d'Eng'lenstad. Want Zon der Zonnen En Licht en Leven Is de Onbegonnen',

Die, hoog verheven ,

Aan 't Rijk der Liefde Zijn zorgen wijdt; Zijn blik spreidt Zegen en Zaligheid.

Vs. 34.

Voor alle reinen en alle vromen

Is plaats te vinden in Gods gebied. „De zomerquot;, zegt ge, „zal weldra komen,quot; Wanneer de vijgeboom loten schiet;

Laat zóó het zinken

442

ocr page 471

Der zou u leeren,

Dat baast zal klinken De stem des Heeren!

Dan vindt ge uw woning door Hem bereid, Met Hem vereenigd voor de Eeuwigheid!

Vs. 35.

Als d'avondneevlen bun floers doen glijden

In uwe dreven langs duin en dal, Dan zal Hij komen en uw bevrijden,

Wiens macbt en liefde niet einden zal. Die zinkende oogen,

Zij sluimren even ...

Terneêr gebogen Is 't moede leven ...

Docb weldra wekt u een nieuwe boop En krijgt ge kracbten tot nieuwen loop!

Vs. 36.

S

I |

|

En nieuw is t Hemelrijk, nieuw is de Aarde

Eu nieuw is de engel, die 't stof verliet, En onverganklijk verboogd in waarde, Betreurt bij 't kluisje van vroeger niet. De bulsels weken ,

Tot stof verstoven —

Maar 't Liefdekweeken En 't rein Gelooven,

Dat zyu de zaden des beils, waaruit Voor 't oog verborgen bet Godsrijk spruit.

443

ocr page 472

Vs. 37.

Dan moeten treurnis en tranen wijken,

En alle zorgen ze zijn gesust,

Dan treed ik niet meer door stapels Ijjken: Mijn fakkel, treurend en uitgebluscht, Zal 'k opwaarts richten En schooner tevens Op nieuw doen lichten Door 't vuur des levens, En 'k paar als Seraf mijn jubeltoon Aan uwen lofzang voor Liefde's Troon.quot;

444

ocr page 473

1

S U R S U M C O R D A r

DOOR

|

THEOPHIEL COOPMAN,

geboren 10 December 1852 te Gent.

De ruwe Wintervorst is heengerukt Met heel zijn heir van winden, stormen, quot;t Is alles ijdel, grauw en neêrgedrukt, De hoornen schijnen zwakke wormen. De wreede Winterkoning heeft het al Geplunderd, kaal en naakt geschoren, En treurig staan de hoeven in het dal Als arme kluizen gansch verloren.

De stilte heerscht! . . . En over veld en woud Daar blijft een mistig rouwfloers hangen; Alléén de kraaien in het kreupelhout Verheffen hunne doodenzangen . . .

In kerkerbanden ligt Vorstin-Natuur Als in een aaklig graf gekluisterd,

Beroofd van levenslicht en levensvuur, Het edel oog door smart verduisterd. Verdwenen lang wat rust en vreugde gaf,. Verdwenen schoonheid, weelde, vrede; Verdwenen diadeem en scepterstaf

445

ocr page 474

En aller heerlijkheden mede!...

En toch, zij hoopt!... Zij richt vol angst en moed

Het oog naar gindsche bergenkruinen,

Alsof van daar een trouwe ridderstoet,

Bet uur der redding zou bazuinen ...

O, 't geen men krachtig hoopt en wilt, geschiedt.

't Gedacht heeft magnetieke krachten;

Een morgen daagt: daar klinkt een herderslied,

Yol smeltend heimwee, teedre klachten.

En weer een morgen kleurt der bergen top

Met scheemrend fijne, lichte tinten;

Het neevlig rouwfloers lost zich spelend op

In helder luchtig, bonte printen;

En dan!... Alleluha!... De ridderstoet:

De gouden zonnestralen stroomen.

En juichen luid: Vorstin-Natuur, gegroet!

De Lentedag is thans gekomen !...

In dichte zwermen vliegen zij door 't land;

Het schijnen milde, goede geesten.

Zij brengen redding, breken boei en band,

Zij willen prachtig hoogtij feesten.

Zij kloppen vreugdig aan, bij rijk en arm,

En gaan het nieuwe leven roemen:

Zij maken ieders hoofd en harte warm

En strooien myriaden bloemen.

't Wordt alles geurig, kleurig, groen en blauw;

Er ruischt in 't woud een lofgefiuister;

In hoven, hoeven blinkt de morgendamv

En alles baadt in gulden luister.. .

446

ocr page 475

Op zefiersvlerkeu rijst de Kouingin.

Natuur, Zij draagt de kroon des levens,

Vervuld het wijd heelal met blijden zin, Met majesteit en grootheid tevens.

En waar ze steigt of waar ze nederdaalt.

Daar klinkt haar 't schoon hosannah tegen; De tooverschijn die uit haar oogen straalt Verrukt de schepping allerwegen.

Het alles trilt en leeft, geniet, gevoelt, — De steenen zeiven schieten vonken —

Het heilig vuur der albezieling woelt:

Het uur der wording heeft geklonken!...

En gij, o mensch, verhef uw geest, uw hart, Leg af het ruige kleed der ikzucht,

Verwerp den wrevelmoed, den haat, de smart, Ontvlied der zonde laffe stiklucht!

Gedenk altijd: Naar hooger voert de baan,

Naar plicht en weldoen moet gij streven , Al kwam het kwaad u nijdig nederslaan , Vergalde lastertaal uw leven.

Wat groeit in liefde, geurt en bloeit in plicht. Dat kan de winterkorst wel dekken ,

Maar — 't deugdelijk goed, hoe diep 't begraven

ligt, —

Zal 't godlijk „ Sursum Cordaquot; wekken !...

447

ocr page 476

SONNETTEN

VAN

W. GOSLER,

geboren 15 Juni 1858 te Tilburg.

I.

Stille bekentenis.

Twee,- driemaal zag ik u, te lang gewacht — En 't scheen me alsof in blijder zonnegloren Mijn genius zijn wiekslag weêr deed hooren, Als opgewekt uit donkren winternacht.

Teêr droombeeld van mijn vreugde en kunst en kracht, Gij in wier schaüw mijn voetstap gaat verloren, Uit vreeze van uw vlindervlucht te storen,

Die honig peurt, waar kelk of bloesem lacht, —

Och of ik steeds n volgen mocht, u staren

In 't zwart-blauw oog, en 't evangelie, dat,

In al uw wenken wegschuilt en gebaren,

Onthullen vóór de waereld als m ij n schat! Kom, liefste, kom, hergeef beur gouden snaren Mijn luit, en sprei weêr rozen op mijn pad!

448

ocr page 477

! |

ii. i

i

Des Dichters credo.

1

De schepping zoeken op een hoogtijds-uur,

Bij bloemgeur, zang van merels, gouden stralen, — Elke' indruk dan met spranklend dicht betalen:

Flauwe afschijn van 't hierbinnen glorend vuur: —

Of ook in stormgeloei ons zelfbestuur,

Dat heil droomt van berusting, voelen, falen. Uitstorten heel de erkenning onzer kwalen — Geen fantazie is 't beide, maar natuur!

Natuurlijk is dien 't leven niet verwende, Genot of smart, hij uit ze in lach of kreet: Ofschoon wèl menigeen den rouw ontkende ,

Bleef daarom storm of weerlicht ongesmeed ?

Gelijke goón zijn blijdschap of ellende,

En niet die zwijgt, die spreekt is hun profeet.

ocr page 478

WAT MIJN HART MIJ ZEIDE

DOOR

W. E. FROWEIN,

I.

I

De snelste vlucht.

Snel verheft zich fier en vlug,

De geweld'ge koningsarend;

Snel, als d'afgeschoten pijl

Stijgt hij op, in 't zonlicht starend —

Duiz'lend ziet ons oog het aan:

Volgt hem op zijn zonnebaan.

Maar oneindig sneller ijlt 't Licht door nooitgemeten dreven ; 't Is als bode Gods bestemd;

Om Zijn zegen ons te geven.

Sneller dan de bliksemschicht,

Volgt slechts de gedachte 't licht.

En toch is er nog één vlucht,

Sneller dan des arendswieken — Sneller dan de jonge dag.

450

ocr page 479

Sneller dan het uchtendkrieken — Eéne vlucht, wier wonderhaan Moet door alle Heemlen gaan.

'i Is H Gebed! — het is de zucht, Die vol hope — die vol smarte, Opstijgt naar de bron van troost, Uit den diepsten grond van 't harte; d' Ongesproken zieletoon Die er zweeft naar 's Vaders troon.

Troostende verkondiging!

In het moeitevolle leven Wilde aan zijner kind'ren smart God, de snelste wieken geven:

Vóór de beê den mond ontgleed — Weet Hij Zijner kind'ren leed.

II.

I

Aan een wolkje.

?

(Zwevende aan den top van den Mar-Api.)

I

Eilende Wolken! Segler der Lüfte!

Wer mit euch wanderte, mit euch schiftte! Grüszet mir freundlich mein Jugendland!

SCHILLER.

Toeft ge rozig wolkje nog.

Zoo geheel alleen?

Al uw zust'ren gingen toch,

Lang —' voorlang reeds heen.

451

ocr page 480

Heilig stil is de natuur,

Alles ademt frisch ; —

Klaar is 't helder blauw azuur , Of het Zondag is.

Brengt ge mij uit Nederland, Reeds den morgengroet?

Brengt gij over zee en strand, Troost in mijn gemoed ?

Boeit u heden de uchtendglans, Kunt ge niet voorbij ?

Boeit de gloed des bergs u thans ? Wolkje! zeg het mij. —

Ach, voorwaar, ik weet het reeds; Eng'len zonden u — —

Liefdevol sloeg 't hart mij steeds: Maar nooit meer dan nu.

Ja, ik weet het, wolkje mijn, Gij zijt moeders bo--

Ach! het kan niet anders zijn. Daarom toeft ge zóó. —

Keer dus weer, en zeg aan haar: Wat me ook hier omgeeft.

Dat haar beeld nog trouw en waar In mijn harte leeft, —

quot;452'

ocr page 481

Vlieg dus wolkje, zweef'en vlieg,

Groet straks Nederland;

Rep u wolkje, snel nu heen, Vlug, langs zee en strand.

Acli! wie met u vliegen mocht

Rozig wolkje! ja !

Kwam op zulk een hemeltocht: God voorwaar te na. —

III.

De Sterren.

lt;

Duizend gouden sterren pralen,

Aan den blauwen hemelboog;

Duizend held're sterren stralen ,

Uit de zee naar mij omhoog.

i

Uit de hoogste hemeldreven

Wenken zij, waar 't oog ook ziet;

Opwaarts, opwaarts mocht ik zweven,

Doch mijn vlucht bereikt ze niet.

Diep in 't klaar kristallen bekken Wenken sterren, groot en klein;

Doch, wat mij daarheen wil trekken Is geen werklijkheid — slechts schijn.

Ach! er zal geen enk'le sterre,

Voor mijn vlucht bereikbaar zijn;

Wat de hemel heeft is verre —

Wat mij de aarde biedt — is schijn! —

453

ocr page 482

UIT „LIANAquot;

door

I

FIORE DELLA NEVE, (Mr. M. G. L. van Loghem.)

geboren 3 April 1849 te Leiden.

Zie, hoe wonderschoon de morgen opgaat over't hemelruim,

d' IJle wolken voor zich jagend als vergulde vlokken

schuim,

Rozerooden straalgloed werpend over 't woelig watervlak, Zich een koor van jubelzangen wekkend onder 'tlooverdak.

Hooger rijst de trotsche dagtoorts aan 't onmetelijke

blauw,

Drinkt uit diepe bloemenkelken ied'ren droppel moi-gen-

dauw,

Schrijdt in vlammenglorie verder, koningin van 't gansch

gebied,

Vult de ruimte, wekt de kleuren, lokt de geuren, roept

het lied.

|

Eenmaal zal de laatste morgen opgaan over 't hemelruim, Rozerooden straalgloed gietend op de golven en haar schuim.

454

ocr page 483

Vriend'lijk lachend over d' aarde, wekkend haar met

frisschen glans; Vroolijk zal de Schepping juichen, hem ter groete, —

zoo als thans.

1

Zullen er dan teek'nen wezen van den onafwendb'ren val ? Zal haar wetenschap voorspellen, d'ijs'bre botsing in't

heelal ?

Zal men 't einde zien genaken, langzaam, maar onfeilbaar wis ?

Zal men zich ten dood bereiden onder boete en droefenis ?

I

En als op den dag des oordeels, gansch natuur te zamen stort, j Aarde en zee zich woest vermengen, 't zonnelicht verduisterd wordt,

1

Zal de macht die de aard verbrijzelt en haar ten ver- :

derve stoot,

Voorbereid en kalm haar vinden en verzoend met haren

dood?

• i

Eenmaal zal mijn laatste morgen opgaan over 't hemelruim, 1 Rozerooden straalgoed gietend op de golven en haar schuim, Vriend'lijk lachend over de aarde, wekkend haar met ;

frisschen glans, | Vroolijk zal de Schepping juichen, hem ter groete, — :

zoo als thans.

i *

Eeuw'ge spot met onze smarten, wreede glimlach der •

natuur,

Die een nieuwen dag van glorie inhaalt met ons stervensuur, |

455

ocr page 484

Die haar volle pracht doet spieg'len in het breken van

ons oog,

Over onze stervenssponde voortschrijdt langs den hemelboog !

Zal de zon, die triomfeerend wandelt langs haar eeuw'ge

baan

Kalm mij en bereid dan vinden om getroost haar aftestaan ? 't Is zoo schoon, zoo zoet, te leven; ze is zoo lieflijk, de

natuur;

Zwaar zal mij het afscheid vallen, bitter zijn het scheidingsuur.

't Is zoo vorst'lijktegenieten vandevollescheppingspracht, In den morgenstond te zwelgen levenslust en levenskracht !

Balsemzuchten, bloemenadem, rozengeur en voog'lenlied , Schaduw van de diepe wouden, zonlicht over't wijd verschiet ;

Blauwe zee en blanke duinen, bergen aan den horizont, j Blond tapijt der korenvelden, zacht fluweelen weidegrond, i Waarom, daar aan sterflijke oogen't godlijk schouwspel ;

werd bereid,

? t 7

• Gunt men ons zoo korte pooze d'aanblik van Uw heerlijkheid ?

456

ocr page 485

AAN EEN HEERENBOER

DOOK

P. A. DE GENESTET,

I .

geboren 21 Nov. 1829, f 2 Juli 1861.

Beminnenswaard, benijdenswaard Uw keuze, uw weg, uw deel: Het vrije land, de bloeiende aard.

De velden , golvend geel,

De blauwe lucht, de blonde zee,

Het schaduwrijk prieel,

Het beste werk, de zoete vreê En — 't wambuis van fluweel!

Vergeet, vergeet onze arme stad

En haar pantoffeldos;

Daar buiten blijve uw hart, uw schat,

Bij bloemen, heide en bosch! Vergeten — en vergeten zijn

Is 't hechtst geluk op aard; 't Geluk bij ons is last of schijn,

Geen zucht, geen afscheid waard.

457

ocr page 486

Wij teren hier in damp en gas, Verveling en fatsoen:

Gij rolt in koren, mos en gras, En hupt in lucht en groen.

Ik stoot mij hier aan iedre kei En hijg als levensmoe ;

De frissche koelte van uw hei Waait u het leven toe!

Wij sukklen en wij kuchten hier. De poel is ongezond ;

Dat ginds uw jonkheid bloeie en tier'. Word stevig bruin en rond!

Daar knijpt geen hoest de dorre keel Op Gelders heuvelkling;

De kwalen vliên voor 't woud gekweel En 't geuren der sering.

Hier duurt des levens lente kort. De mensch wordt spoedig oud!

De bloem van liefde en hoop verdort, Het hart wordt stug en koud.

Beklaagbaar de arme, die gelooft In bloemen, straal of lied!

De wijzen schudden koeltjes 't hoofd. Want zij gelooven niet.

Natuur, vertrouwde van haar God ,

Die wijzer is dan wij,

Aêmt leven, liefde, lust, genot,

Haar stem is harmonij;

458

ocr page 487

Zij zuivert, zij verjongt het bloed, Zij troost in elke smart,

Zij strooit ons rozen in 't gemoed En poëzie in 't hart.

Tot u spreekt iedre morgenstond:

Werk met vernieuwden lust!

En de avond fluistert zoet in 't rond: Smaak, met de schepping rust.

Met voorjaarsbloesem, wintersneeuw , Of najaarsgeel bestrooid,

Gij, blijde telg der gouden eeuw.

Verveelt u ginder nooit!

Groei jonker, saam met land en strand, Sla nooit den tongval mis;

De hutspot van uw Gelderland Zij 't sieraad van uw disch!

Geen spijs zoo hartig en gezond,

Die meer 't gehemelt streelt,

Dan vrucht gebouwd op eigen grond, Met eigen hand geteeld!

Schaam 't grove brood, het grove kleed En 't grove werk u niet;

De beste dauw is 't eerlijk zweet;

Dat van uw voorhoofd vliet.

Wees de eerste knecht in eigen rijk, Weest boer met hart en vuist,

Wroet in uw goudmijn, — heide en slijk — Met onversaagdeu knuist!

459

ocr page 488

Uw sluimerende heidegrond Ontwake nieuw en blijd;

Sluit Moeder Aarde een schoon verbond Met moed, vernuft en vlijt!

Gij — trek partij van 't woeste land ! Natuur is mild genoeg,

Als maar de mensch zijn trage hand Wil strekken naar den ploeg.

„Werk!quot; is een goede, groote wet — Geen bittre zondestraf;

De kracht tot d' arbeid is 't gebed, De rust van 't werk — het graf.

Waar arbeid en gebed zich gepaart, Daar, o Verhoorder! rijz'.

Uit stuivend zand en ledige aard, Een lachend Paradijs!

Wel hen, die 't goud gedijen laat In de omgeworpen kluit:

Natuur is de allerbeste Staat,

Die nooit haar schatkist sluit.

Haar schatkist is een moederschoot, Die vloeit in 't oogstgetij ;

Natuur is mild en goed en groot. En eerlijker dan wij.

Och, knip nu geen koeponneu meer Met de ouderwetsche schaar:

460

ocr page 489

üw sikkel maai' ze heinde en veer

Van velden vol en zwaar!

üw akker schiete welig op,

Schoon Rus en rente daal'! —

Gij dankt voor iedren regendrop,

Voor eiken zonnestraal.

I

I

Gij maakt uw schoonen naam bemind,

Dien de arme biddend noemt;

En 'k weet dat menig Geldersch kind

Het snugger heerschap roemt.

üw hoeve is menig buiten waard,

Uw hof verrukt mijn oog ;

De zegen lacht u toe uit de aard,

Bestraalt u van omhoog.

Toch, zie aandachtig in het rond:

Is 't paradijs volmaakt?

Denk aan den winteravondstond,

Die telkens weer genaakt?

Denk, niet altoos blijft Vader Oats

De bijbel van uw stand,

Schoon, als uw grond, vol gouden schats, Uw wintertroost op 't land:

En dus, dat zoete liefdetrouw

Zich onder 't needrig dak,

Een vroolijk, veilig nestje bouw.

Als 't duifje op d' eikentak ,

Een nestje van het bloemfestoen , Den rozenkrans der Mei!

| 1

461

ocr page 490

Van de eerste bloesems, 't eerste groen, Op uw herschapen hei!

Ik weet een joug, een blozend kind,

Als 't koren rank en blond,

Vol zoet gesnap als de avondwind,

Blij als de morgenstond;

Een frissche bloem, een eedle spruit,

Geen vreemde wonderplant:

Ik weet een blijde, blonde bruid, Die Heft en leeft op 't land!

Waar zij treedt, treedt de winter niet.

Daar laat ze een rozespoor;

Haar stem klinkt als een lentelied

Het somber najaar door;

Zij hoort in Edens lustwarand

Bij lieve zustren thuis,

Of — bij de bloemen van uw land. En in uw veilge kluis !

Bloei! met uw heide, bloeie uw huis

Van zegen onverpoosd!

Het veld weergalm' van 't oogstgeruisch,

Het huis van lachend kroost!

Hoor, hoor, hoe ginds de tortel kirt,

Hoe slaat de nachtegaal!

De lente strooit oranje en mirt;

Dat is orakeltaal!

462

ocr page 491

Dat veld en woud en bloemenkoor

Mijn kunsteloozen zang Welluidender in 's landmans oor

En zoeter dan vervang. Het fluistert in den rozengaard,

Het ritselt in 't prieel: Beminnenswaard, benijdenswaard Uw weg, uw werk, uw deel!

II.

Geduld.

Een stille, groote deugd, die d' Eng'len u benijden ,

De vrucht van 't rijk Geloof— een sieraad van den geest Een reine Lelie in den doornenkroon van 't lijden; 't Geheimnisvolle kruid, dat iedre wond geneest!

Een stille Psalm der ziel, beproefd — en trouw bevonden;

't Welluidendste gebed in 't Zalig Vaderhuis; Als Magdalena's liefde, een losprijs veler zonden; Een glans om 't Christelijk hoofd, als blonk om Jezus

kruis.

463

ocr page 492

EDELWEISZ

DOOR

F. H. VAN LEENT,

geboren 24 October 1830 te Gouda.

Gij denkt wel, dat mijn hart geen warmte geeft, En dat gevoelloosheid mijn lippen lioudt gesloten — En dat myn hart niet klopt voor mijne lotgenooten — Dat zelfs de koude mijn gelaat bevroren heeft;

Dat 'k ongevoelig in mijn lot berust,

En dat het wolkenkleed, mij schuwe, houdt omsloten, In plaats van blij den zonnestraal genoten Die kozend mij het voorhoofd kust;

Zie, — op de kille hoogten van myn wegen,

Waar Lente's aam door kilheid wordt bevangen, Straalt slechts mijn Winterzon, mij droevig tegen,

Wat kan ik van het bloeiend dal verlangen '...? Wie brengt aan mij dien warmen Lentezegen Die door de bloemen ginder wordt ontvangen ... ?

Naar Carmen Silva.

464

ocr page 493

_ ■ ■ ■ ' ï ;

k,^ s ; ■ . ■

■ '

m

.

' ' ■ ••

, v:-f

■

■ -s-MtA

:

' ?i;

p

-J

-

MÊÊÊm

ocr page 494
ocr page 495
ocr page 496