Ktfj
i 11 tl
if
:w
KVmjSSSV
E;
.. Fwi W jsilS
^jquot;' v«r V^ÃS^r^
BEla
!,^tl lt;'.%l
m
mm
i t
Vak 160
f m
B 't/r'
K '
1 1 ' 1
I â ifl
mMBWMS
mi
ÃW'^
1: 'â :$lt;quot; 1
imm^ jmSsm
.;â . â ^ â¢â . â¦
IK
-''â¢'I-
smWrn.
DE FABELEN
VAN
LA FONTAINE
f â
I
.
J
.
r â â¢.t; y-^JIMWBWWWBBlfpiWBlipWIB....... âIHB
'.^C- â â ^â .' /â â --â quot;v â :; -v-S^ â ;â ,-y ⢠:v â¢, ⢠-' ^ â¢',
^'v-/^ ' 1 |
^ :G.0'i '§â r:f# ' lamp;SS l|' â¢quot;â li â :
W Sr 'S; ^ W T â â â â â¢.. : ,
m m r - : K « M 'â
4 * :Vv ' â
â . rjgt;:- r^,;- - ⢠üf â v. gt;.â
â ,
v
â
mmmm
/â¢â 3 ; . â 'â â -y
......w I
? r
â ',( --1 'U
r
\ ' - â V . V , ,
â v ^ â . - â ^ ^hm
â I
,X
y..»
'iê â¢y;?
quot; quot;-y;
V
wmmÃÃÃM
*% .^tièpP ',:t' ' ,
I
Jy., t'quot; V.'TS â â ' - 'y v ,v â â â
-
.^t:? â â â .â ', â -:quot;t ' â â ' 'V;':. ' ⢠: â
.:ï;
â â â â¢â â¢â¢ . C 'â .⢠⢠⢠ï â â ⢠â¢Tv, A ' ' â .v gt;â¢.* t.
' â
â ⢠'i.-y; â -;- â¢-â¢vy' y;.'y- : ,^v; ⢠â â â ,,. â
;. /y - â . , v',:-,. , , ,/: â -, ' y, / y/V
; ⢠⢠⢠â¢â¢â : ⢠⢠J ⢠â gt;quot; â¢.⢠â ,â ⢠- â - . : â â¢..gt;-â â -. , â . .gt;, * gt; 1 - quot; . } *
-i- â - â â . 1 ⢠: .. - . â¢., â . â
⢠⢠.. , ;â :-ïylJiï:l â â y : . .r-.;- v-. .â .â¢â¢.;â . . ⢠⢠.ft , ^ J,-
^ \f ' ' ' quot; â¢quot; 'â ' quot; ' , ' ⢠1 quot;... â â¢: .J .
: ' ⢠' â
. '-' ⢠,â¢â¢'â¢. .'f '. .'.»gt; lt; ' â¢â¢quot; 'â¢â ' â¢' - : ' -â¢.â â â â ... :â -. â ..â¢., ,.;. â â â ; . â â â . ,
.«â
- â . - â .y' â ,. .â¢/, . ..â v quot; â¢-â . ⢠â¢â¢ ' -. â¢
_
I I' i quot; â
â '
DE FABELEN
*ktts O
50^
VAN
A33-
kSLP-
LA FONTAINE
NAGEVOLGD DOOR
J. J. L. TEN KATE
GEÃLLUSTREERD MET 81 PLATEN EN VELE VIGNETTEN
I)( )OR
GUSTAVE DORÃ
Tweede Druk
I I
â f i 11 j j
A M S T E R D A M
UITGEVERS-M AATSCHAPPY âELSEVIER
iO,
r
l'
I 'n I J^J
J|n®i?iml.YERSITEIT TE UTRECHT 2204 9641
H
HET LEVEN
VAN
JEAN DE LA FONTAINE
HET LEVEN
VAN
LA FONTAINE.
Jean de La Fontaine werd den 8slequot; Juli 1Ã21 te Chateau-Thierry geboren. Zijn vader was houtvester, zijn moeder Frangoise Pidoux was de dochter van den schout van Coulomniers. 1 Iet eerste onderwijs zou hij, volgends sommigen , ten platte lande, volgends anderen te Rheims hebben genoten , een stad waarvan hij altijd met groote ingenomenheid placht te spreken. 1 loe dit zij , hij bracht het weldra op een tamelijke hoogte in 't Latijn, maar het Grieksch is hem zijn leven lang vreemd gebleven. Op negentienjarigen leeftijd koesterde hij liet voornemen zich den geestelijken stand te wijden, maar reeds het volgend jaar had
JY HET LEVEN
hij dit plan voor goed laten varen. Driejaar later â zijn genie sluimerde nogquot; â gebeurde het eens, dat een officier die te Chateau-Thierry in garnizoen lag, hem vol vuur de bekende Ode van Malherbe voorlas: « Le croiriez-vous, races futures.» 1 lij hoorde de Ode aandachtig aan, onder allerlei uitroepen van genot en bewondering. Terstond begon hij nu Malherbe te lezen, te bepeinzen, van buiten te leeren en, eindelijk, na te volgen. Het poëtiesch instinkt gaat altijd den smaak vooraf; de navolging was dan ook bij hem meer een nabootsing van de gebreken dan van de deugden van het model.
Een bloedverwant van La Fontaine, Pintrol genaamd, een verstandig en vrij wetenschappellijk ontwikkeld man, wien onze jonge Dichter de eerstelingen zijner Muze mededeelde, gaf hem den raad vóór alle dingen de Ouden te bestudeeren. Hij volgde dien wenk; Horatius, Virgilius, Terentius, werden zijn lievelingsschrijvers; hij werd bekoord door hun edelen eenvoud. Toen begon hij in te zien, dat Malherbe al fc mooi of liever al te opgesmukt is, en hij zei voor immer dien meester vaarwel, die hem anders in den grond zou bedorven hebben. Toen hij veilig de Nieuwere Auteurs kon lezen, koos hij, onder de Franschen, Rabelais, Marot en Voltaire. Bij deze schrijvers voegde hij nog d'Urfé, wiens Astree hem lang mocht boeien, niet het minst door die liefelijke r.atuur-tafereelen, waarmede hij-zelf later zoo dikwijls zijne werken wist te bezielen. Ook de Italianen , vooral Ariosto en Boccacio, waren zijn lievelingen. Allengskens verwijdde zich de kring zijner lektuur, en daarmede die zijner kennis van wat de Letterkunde aller eeuwen en volken uitstekendst heeft voortgebracht. Was het heerlijke Grieksch hem, als we zeiden, onbekend gebleven, toch las hij de Grieksche schrijvers in Latijnsche vertalingen, en voelde hij zich vooral aangetrokken door Plutarchus en Plato. De eerstgenoemde, zulk een meesterlijk schilder in zijne «Levens van beroemde Mannen», zulk een vernuftig redeneerder in zijne «Zedekundige Vertoogen» , deed hem het utile dnlci in rijke mate smaken. Maar Plato, de «goddelijke Plato» , verrukte hem in nog hooger mate, door zijn edele gedachten, zijn verheven mijmerijen en zijn schoonen stijl, die La Fontaine zelfs in de stijve, woordelijke Latijnsche overzettingen wist op te merken. Hij, die zooveel aantrekkelijks vond in den omgang
VAN LA FONTAINE,
v
r
met de 1quot;ilozofcn der Oudheid, kon Homerus onmogelijk verwaarluozen. Men verhaalt, dat La Fontaine meermalen Racine opzocht, om door hem zich eenige gedeelten van de Ilias of de Odyssca, te laten verklaren: de bekwame tolk gebruikte daarbij zooveel takt en de schrandere leerling zooveel scherpzinnigheid, dat deze er toe kwam, schoonheden van vorm en dictie te vatten en te voelen, overgebracht in een taal die hij niet kende. De vader van La Fontaine was «zoet op l'oiizy» , ofschoon hij er hoegenaamd geen verstand van had. 't Was een zijner vurigste wenschen dat zijn zoon Dichter mocht worden; die wensch, die anders wel zelden bij vaders of moeders wordt aangetroffen, werd vervuld, en de goede man verblijdde er zich onbeschrijflijk in. Daar hij het echter betwijfelde, of de beoefening der 1'oëzy wel een genoegzame broodwinning zou kunnen opleveren , wist hij zijn eigen houtvesterspost op zijn zoon te doen overdragen , zoodra hij meende dat deze daartoe ook maar eenigzins in sta;it was. Zoon-lief liet het zich Welgevallen, maar eigenlijk alleen om vaders wille, en met zoo weinig sympathie, dat hij, indien men althands Luretière gelooven mag, na dertigjarige praktijk nog zoo goed als niets van het v;ik begreep. Dezelfde zucht om zijn vader genoegen te doen, had mede grooten invloed op zijn huwelijk met zekere Marie Héricart, een officiersdochter, niet zonder bevalligheid en geest, maar van een aanmatigend en trotsch karakter. Dit huwelijk, waaruit hem slechts één zoon geboren is, bleef de kwelling zijns levens. Zich meer bemoeiende met de Fraaie Letteren en de Poëzy dan met zijn zaken en zijn huishouding, onbekommerd over het tegenwoordige en onbezorgd over de toekomst, woonde La Fontaine als een vergeten burger in zijn geboortestad, toen de Hertogin van Bouillon, eene der welbekende nichtjens van den Kardinaal Mazarin, daarheen verbannen werd. La Fontaine werd aan haar voorgesteld, en dezelfde vrouw die later, door partijgeest verblind, der P/iedra van Pradon den palm toewees boven die van Racine, schepte een bijzonder genoegen in het naïef talent van onzen jeugdigen Dichter. Zij ried hem aan, zijne krachten in den «lossen stijl» te beproeven, en gaf hem daardoor de eerste aanleiding tot het dichten zijner « Vertellingen» die zeker wel wat heel «los » zijn, tot lt;gt; losbandig» wordens toe. Toen Mevrouw Bouillon later, uit hare ballingscha[) terug-
HET LEVEN
geroepen, zich weder te Parijs nederzette, werd de omgang niet La Fontaine hervat, die in deze stad een oom zijner vrouw had wonen, die hem bijzonder mocht lijden en hem een kleine jaarwedde van den Procureur-Generaal wist te bezorgen. Aldus door zijn smaak en zijn betrekkingen aan Parijs verbonden, keerde La Fontaine niet meer naar Chateau Thierry terug, waar zijn vrouw nog altijd woonde, dan om een of ander gedeelte van zijn bezittingen te ver-koopen; want helaas, het moet gezegd worden, hij at zijn boêltjen schoon op, zooals het in eene van zijne fabels heet; «Kapitaal en interest!» Hoileau, Racine, Chapelle en andere vrienden vergezelden hem gewoonlijk op dit uitstapjen, waarna hij dan weêr soms in geen jaren zijn vrouw terugzag, spijt al de pogingen , die zijne vrienden daartoe aanwendden. Een tijd lang bekleedde hij den post van gewoon kamerheer bij Madame Henriette van Engeland, maar als deze weldra stierf, was hij, daar nu ook zijn laatste bezittingen te gelde waren gemaakt en verteerd, bijna broodeloos. Lodewijk XIV, die anders zijn gunst over allerlei, nu reeds lang vergeten half- en kwarttalenten schijnen liet, dacht niet aan den man , die eenmaal een der schitterendste sieraden van zij n rijk en volk zou worden gerekend. Een Koning als hij mocht zijn bewondering veil hebben voor de uitvoerige composities, waarin een Le Brun met conventioneele verhevenheid en ihcatralcn pronk, de helden, de veldslagen, en de overwinningen verheerlijkte; hij gunde in zijne zalen geen plaatsjen aan die kleine tafreeltjens, waarin een Teniers, met zoo treffende waarheid, het landleven, zijne genoegens, twisten en vrijaadjen , wist af te malen. Gelukkig voor La Fontaine trok eindelijk Mevrouw 1 )e la Sablière, die een groot liefhebster was van Fraaie Letteren en Filozofie, zich zijner aan , en tot aan haren dood toe, dat is twintig jaar lang, genoot hij hare weldaden.
De eerste tijd van dit otium, waarbij hij voor een wijle ontslagen was van de knellende zorgen des levens , werd besteed aan een ijverige bestudeering van de wijsgeerte van Epicurus en Descartes, waardoor hij den schat zijner denken dichtbeelden niet weinig verrijkte. Niet dan na veel strijds gelukte het hem een zetel te veroveren in de Acadcmic Fraitfaise-. een overwinning, die , volgends Furetière, meer nog moest toegeschreven worden aan de antipathie tegen zijn
VI
VAN LA FONTAINE,
mededinger Boileau, die zich door zijne satyren vele leden van dat geleerde Lichaam tot vijand had gemaakt, dan wel aan de erkenning van La Fontaine's verdiensten, of de wegneming der ergernis, door zijne Vertcllhigen veroorzaakt. Van zijn twist met Furetière, een gekibbel, dat eindelijk uitliep op een duel met venijnige epigrammen, hebben wij niet in 't breede te gewagen ; even min als van zijne oneenigheid met den Componist Lulli, die hem eerst tot het schrijven van een opera-tekst had aangezocht, en straks, als La Fontaine hem als zoodanig zijn Daphne aanbood , het stuk verwierp als ongeschikt om op muziek gezet te worden, en nu daarvoor met een bijtend schimpdicht werd afgestraft. Had La Fontaine aldus een bitteren kamp te voeren met twee weinig geachte mannen, hij mocht zich daarentegen verblijden in de innige en duurzame vriendschap van de uitstekendste vernuften van zijn tijd, hoe verscheiden deze ook waren, zoowel door talent als karakter. Molière, Racine, Boileau, Chapelle, Chaulieu, La Fare, om strijd, hadden hem lief en deelden in zijne toegenegenheid. Zij gevoelden zich voortdurend tot hem aangetrokken door zijn goedhartigheid, zijn oprechtheid, zijn zachtaardigheid, zelfs door die eenvoudigheid en afgetrokkenheid, die hem dikwerf het voorwerp maakte van plagerijen, waarbij wel eens de grenzen der bescheidenheid te buiten werden gegaan. Bij zekere gelegenheid als dit wederom het geval was, zeide Molière tot de spotters: «Ga uw gang maar! de «goede man» zal het waarschijnlijk verder brengen dan wij met ons allen!»
Na den dood van mevrouw De la Sablière, geraakte onze Dichter weldra weder in de oude geldelijke moeielijkheden, die hem nu des te pijnlijker vielen , daar hij zoo langen tijd, dank zij der milddadigheid zijner gastvrouw, uit de korf zonder zorg had geteerd. De Hertogin van Bouillon, zijn eerste beschermvrouw , die zich toen in Engeland bij hare zuster de Hertogin de Mazarin bevond , deed een poging om hem naar dat land te lokken, waarbij zij door Saint-Evremond en verscheidene aanzienlijke Britten ondersteund werd. La Fontaine leende aan de verleidelijke voorslagen die hem gedaan werden, een toegenegen oor, en maakte zelfs een begin met het aanleeren der Engelsche taal. Maaide jonge Hertog van iiourgondic wist hem, door zijn milde goedheid, tot het
VII
HET LEVEN
VIII
besluit te brengen zijn vaderland niet te verlaten; en zoo werd 1*rankrijk voor de schande bewaard een zijner grootste Dichters, op gevorderden leeltijd, in den vreemde een schuilplaats en een stuk dagelijksch brood te zien gaan zoeken. Tegen het einde van 't jaar 1692 werd La Fontaine gevaarlijk ziek. Hij zocht de troost der Kerk, en las den Bijbel. Hij doemde een tooneelstuk, dat hij voor korten tijd vervaardigd had, ten vure, en betoonde grooten spijt over den zoo vaak onzedelijken toon zijner ] Tertellingen. Hij herstelde intusschen van zijn ziekte en leefde nog twee jaren. De Heer en Mevrouw D'Hervart hadden La Fontaine gedurende zijne krankte met de teederste zorgen omringd. Hunne vriendschap maakte zich ernstig bekommerd, toen zij den zeventigjarigen grijsaard, in een eenzaam huis, aan de luimen eener huurlinge zagen overgelaten, en zij boden hem een vertrek in hunne eigene woning aan. Gretig maakte hij van het gastvrij aanbod gebruik. Niet lang daarna zag hij met onderworpene gelatenheid zijn einde naderen, dat hij met juistheid voorspelde. «Uw beste vriend» , schreef hij met veege vingeren aan zijn ouden vriend Maucroix, «heeft nog maar veertien dagen te leven. Het sterven zelf is niets, maar hoe groot is de verandwoording!» Zijn voorgevoel had hem niet bedrogen; La Fontaine overleed den i3'luquot; April 1695, in den leeftijd van ruim 74 jaren.
ledereen kent de «Fabelen* van La Fontaine van buiten, en heeft wel eens van de « Vertellingen * van La Fontaine gehoord. Maar deze beide maken ter nauwernood de helft zijner werken uit. 1 lij heeft bijna alle genre's beproefd: hij heeft oden gedicht en satyren, elegiën en losse stukjens, balladen, opera's, komedies, romans, tot eindrijmen toe. Zijn eerste werk, een vertaling van den Eunuchus van Terentius, dagteekent van 1654. La Fontaine telde toen drie-en-dertig jaren; het vijfde deel van zijne Fabelen verscheen in 1693, toen hij drie-en-zeventig telde. Zoo is hij tot zijn dood toe werkzaam geweest. Fn schoon hij vlug was van geest en zijn stijl overal de kenmerken draagt van groote gemakkelijkheid, nu en dan van schijnbare onachtzaamheid zelfs, moet men toch
V
VAN LA FONTAINE. ix
r ---------------\
I
daarom niet gelooven, dat hij zijne vaerzen «uit den mouw schudde». Integendeel, hij bewerkte ze niet zorg, getuige liet nog aanwezige handschrift van een zijner fabelen (die van s/c Vos, de Vliegen en het Stekelvarken) dat wemelt van doorhalingen en verbeteringen, zoodat er ten slotte geen twee vaerzen gebleven zijn wat ze oorspronkelijk geweest waren. Mevrouw de Sevigné zegt in een harer brieven (6 Mei 1671), dat La Fontaine allerbevalligst is als hij vertelt,
maar dat hij dikwerf plat wordt wanneer hij buiten zijn genre treedt. «Ik zou wel eens een fabel willen maken», schrijft zij, «die hem te verstaan gaf, hoe jammerlijk het is zijn geest geweld aan te doen om buiten zijn genre te treden,
en hoe de dwaasheid van uit alle tonen te willen zingen, een afschuwelijke muziek verwekt. Hij moet binnen de grenzen der /«^/blijven». Dit oordeel is zeker streng, maar men moet het bekennen, al zijne andere werken, zijn Droom van Vaux, een koude compositie, zijn zwakke roman Psyche, zijn vervelende Saint-Male, zijn onleesbare Qninjuina, kunnen in de verste verte niet in de schaduw zijner kabelen staan. Zijne Fabelen zijn en blijven zijn roem; zij zullen zijnen naam onsterfelijk doen leven.
Velerlei stemmen zijn over dezen zijnen arbeid opgegaan, onder deze die van La Harpe, waarmede wij dit overzicht van La Fontaine's leven gaarne besluiten.
«La h ontaine» â zcgt hij â- «ofschoon de stof zijner fabelen aan allerlei voorgangers, en onder deze vooral aan Esopus ontleend werd, is nochtans de oorspronkelijkste en tevens de natuurlijkste van alle Fransche Dichters. 1 lij com-poseert niet, hij conserveert. Als hij vertelt, is hij overtuigd; hij heeft gezien wat hij vertelt. Met is zijn eigen hart altijd, dat tot u spreekt, dat zich voor u uitstort, clat u zijn innigste bewegingen verraadt, 't Is altijd als of hij u een geheim wil meêdeelen, dat hij voor ü niet verzwijgen kan. Zijn denkbeelden, zijn overleggingen, zijn gevoelens, alles ontsnapt hem, alles wordt als van zelve op het oogenblik geboren. Mij kan eiken toon aanslaan, en geen toon die hem niet bijzonder eigen schijnt: alles tot het verhevene toe, is bij hem ongezocht,
spontaan. Mij bekoort altijd, en verbaast nooit. Het natuurlijke heeft bij hem zoodanig de overhand, dat het voor een gewoon lezer de andere schoonheden van zijn stijl als bedekt. Alleen tie kenners weten naar waarde te beoordeelen,
HET LEVEN VAN LA FONTAINE.
x
welk een uitnemend Dichter La Fontaine is, hoe vele mijnen hij heeft weten te ontginnen, wat schatten hij er uit opgedolven heeft. Hoe vaak gaat men ze ongemerkt voorbij, die menigte van zelfgevonden uitdrukkingen , van stoute leenspreuken , zoo natuurlijk steeds aangebracht, dat niets eenvoudiger schijnt. Geen onzer Dichters heeft de taal zoo beheerscht als hij, geen heeft zoozeer de kunst verstaan het l'ransche vaers te gieten in alle mogelijke vormen. De eentonigheid, waarvan men gewoonlijk de Fransche versificatie beschuldigt, is bij hem geheel verdwenen. En alleen aan het verrukte oor, dat zacht gestreeld wordt door een harmonischen maatzang die altijd in overeenstemming is met de uitgedrukte gevoelens of gedachten, bemerkt men dat hij in vaerzen schrijft. 1 lij beschikt zoo gelukkig over het rijm , dat de weerkeer van den eindklank bij hem altijd iets bevalligs en nooit iets noodzakelijks schijnt. Niemand heeft in zijn rhythmus zoo veel verscheidenheid, zooveel kleur weten te brengen; niemand zóó gewoekerd met de kracht van maat en gang, zoo gespeeld met het enjambement, als hij. Te recht heeft Fénélon van hem getuigd ; «Lees hem, en zeg of Anakreon beval-llger heeft weten te schertsen, of Horatius de Wijsgeerte en de Moraal met meer verscheidenheid en aantrekkelijkheid heeft versierd; of lerentius de zeden der menschen met meer natuur en waarheid heeft geschilderd; ot Virgilius, eindelijk, ooit treffender en harmonieuser gezongen heeft.»
Naar L. S. Auger.
EERSTE BOEK.
TEN KATB, DK FAHKLIiN VAN I.A KON TA INK.
FABEL 1.
DE KREKEL EN DE MIER
rVriek, die heel den zomertijd Zich met zingen had verblijd, Zag niet schrik de herfst verschenen: Zelfs geen wormtjen, waar ze zocht, Dat den honger stillen mocht...
Mier zal wel een kruimtjen leenen Uit haar volle voorraadschuur!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Kriekjen loopt naar miertjen-buur: «Help,» zoo sprak zij, «tot dc lente
«Mij grootmoedig aan de kost! «Woord van eer, dat schuld en rente «Binnen 't jaar zijn afgelost.»
Maar, wat mier te wenschen liet, Leenen was haar zwak juist niet. «Ei, wat hebt gij,» ving zij aan , «Heel den zomer toch gedaan?»
â «Wel, ik heb uit al mijn macht «Trouw gezongen, dag en nacht.»
â «Trouw gezongen,» zeï de mier, «'Wel, dat doet me groot pleizier. «quot;k Heb een goeden raad voor u: «Zingen deedt ge? Dans dan nu!»
Wees niet zorgloos! Als ge ziet, Egoïsten helpen niet.
«Goede raad?» â Och, lieve man, Goede raad, wie eet daarvan?
r
r
i
Mi
j
quot;ï fWIWwfiFrT â¢- T -A- . â¢gt;::â¢'. .â â¢â â '
' â tvmam
lAr^^aaegagH
»
ï â â â â ' â ï i
liwaMBsal j |
imm : '-w
â â 'f,'Mlf fâ -, ^
â V 'quot;i-'#lt;3o®3safeï. VjfcWf ' ÃSSi^ïfej!
â
m
mmmmmamp;m rn^i i
â â i
iWiWii â¢* jamp; k'js*#}' 'i'
''â â % 'CÃ-KiC-r 'v'ic'quot; â f- '^-Virf^ MiiiiMMPwBP MMwaaHg^i
| gt
'⢠â 'lr.\t] ''
,^ â . »»3
I^H
lÃÃmÃÃI
Vf -, v pK|
11H ^S« Im jfeSi.
mamp;%HM ,»â â â :; â â¢â - -
Iquot; I
H H H H
E
. : |
â¢raaÃïï.'
} S ⢠¥ ^ ® B â
S
!
(m# ,â¢,!«; â¢, ; -:
|iipgt;
1 I'; 1 . 11 li I
j,i quot;-1 ' ,*'lt;â 'â¢,'*.â .«-ip VTs' wM^w iiHBMBgBmilwmBKMW .quot;â¢â .' 'â !1.!S'J
â iï^llhV^Vv '-''v^rvT^a^\r T?T;!l?SSwffiWnl ^wiS^SSivW ^â 'W'-^yw^wiCfL i-i
Wjs ^lquot;:
l ⢠HBHHHH lt;'.-- mBKÃKà Mm t)quot; quot; i
: -OSitS»
FABEL II.
DE RAAF [HN DE VOS.
^NLecstcr raaf, in 't wilgenboschjen,
Hield ccn kaashomp in den bek. Reintjcn rook het: in zoo'n kostjen
Had de snoepert ook wel trek. «Wees gegroet!» zei 't looze vosjen, «Waarde Fleer Van Ravenhorst! «Edel voorhoofd, fiere borst,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Om uw schoonheid nooit volprezen! «Is uw zangstem ook zoo mooi «Als uw rijke vedertooi,
«Dan moet gij een Fenix wezen!» Door dit allervriendlijkst woord Voelt de raaf zich zeer bekoord. Nu, zijn stem â die moest bevallen. Rein zou 't hooren! Een, twee, drie. Opent hij den bek â maar zie! Met laat hij zijn kaashomp vallen.
Reintje smult cn lekt zijn baard: «Weet, amice! vleiers fleemen «Om hun hoorders beet te nemen. «Zulk een lesjen, bij mijn staart! «Is toch wel een kaashomp waard.» En de raaf? â werd bijster kwaad, En hij zwoer nooit van zijn leven Vleiers meer gehoor te geven. â Goed! maar 't was een beetjen laat.
FABEL III.
DE KIKVORSCH EN DE OS.
Eens zag ccn kikvorsch in dc wei Een welgedanen paaschos grazen, 't Afgunstig kikkertjen, niet grooter dan een ei, Begint in eens zich op te blazen,
En rekt en zwoegt en doet zich pijn Om even groot als de os te zijn.
TEN KATK, DE FABELEN VAN I.A FONTAINE.
DE F A 15 EL EN VAN LA FONTAINE.
â Och, brocrtjcn-licf, kom nu eens kijken,
Nu ben ik er, gelijk gij ziet.
â Volstrekt niet! â Nu dan? â Nog al niet! â â Maar nu toch wel? â Och neen, het mag er niet naar lijken! Onze arme kikkert perst en perst.
Zoo lang, eilacij! tot hij berst.
Hoe veel' die met den waan van 't kikkertjen zich vleien! Elk renteniertjen maakt zijn reis naar Ems of Spa; Elk prinsjen houdt er zijn ambassadeurs op na.
En ieder jonkheer zijn lakkeien!
IO
r
FABEL IV.
DE TWEE MUILDIEREN.
.Ccn muildier niet een korenvracht Ciinjr naast zijn kameraad, beladen met de pacht Van 't zout, in zilvren munt. Deez' vond zoo groot behagen In de eedle last, dat hij niets liever had gedragen.
Hij stapte fier gelijk een held.
Hoogmoedig rinklend met zijn bellen...
Toen daar een bende, die de lucht had van het geld.
E E R S T E 15 O E K, 11
I 2
Op 't pachtersbcestjcu aan kwam snellen. Men grijpt hem bij den toom, en dwingt hem stil te staan, En als hij weerstand biedt, wordt hij ter neer gestoten. Hij kermt: «Is dat mijn loon? Mijn makker zal 't ontgaan, «En ik rijs nooit weêr op de koten!»
Zijn kameraad zegt: «Goede vriend,
«'t Geluk kroont niet altijd een hooge-postbekleeder: «Had ge ook een molenaar gediend,
«Gij laagt niet zoo ellendig neder!»
DE TWEE MUILDIEREN.
FABEL V.
DE WOLF EN DE HOND.
ilen zeekre wolf was mager als een hout,
Dank zij de waakzaamheid der trouwe herdershonden, Een dog, een praehtdier als maar zelden wordt gevonden. Dik, vet en sterk, was juist verdwaald in 't woud, Hem zonder omslag aan te randen,
Neef Grimbaard had het graag gedaan;
Maar 't moest dan op een vechten gaan.
i6 DE F A 15 KI. EN VAN LA FONTAINE.
En onze buldog had ontzaggelijke tanden!
Dies kwispelt Grimbaard met zijn staart,
Begint een praatjen, wil geen complimenten maken,
Maar toch, zoo'n embonpoint, dat is der moeite waard! «Wel, man!» herneemt de dog, «daar kunt ge toe geraken «Zoo goed als ik: verlaat de wildernis,
«Waar gij en uvvs gelijken zwerven,
«Een schooierstroep, wier einde 't is,
«Een langen hongersdood te sterven!
«Wat! nooit een veilig hapje! Altijd op half rantsoen,
«Gestolen met perikel van uw leven!
«Kom mee, dan ziet ge u ras een beter lot gegeven!» â
â «Maar wat,» vroeg Grimbaard, «moet ik doen?»
â «Schier niets,» hernam de hond: «de lui die stokken dragen
«En 't lastig bedelvolk verjagen,
«Opzitten voor de knechts, vooral den baas behagen.
«Daarvoor ontfangt gij als uw deel «Een overvloed van kostelijke klieken,
«'t Karkasjen van een duif, de beendren van een kieken, «En zoete woordtjens, talloos veel.» â
Neef Grimbaard, in de ziel bewogen.
Stort tranen van gevoel bij 't heerlijk ideaal.
Maar .. . waarom is de nek van onzen dog zoo kaal ?
«Wat is dat?» vraagt hij. â «Niets.» â «Wat! niets? ^k Heb
toch mijn oogen!» â
â «Och, 't wil niet zeggen.» â «Maar wat is 't dan?» â
«Mooglijk heeft
«Mijn halsband mij geschaafd.» â «Hoe? moet ge een halsband dragen?
K K R S T E li C) K K.
/
«Gij loopt niet vrij in 't rond?» â- «Nu, juist niet alle dagen,
«Maar kniesoor hij die daarom geeft!»
â «Daar geef ik zóóveel om,» dus laat zich Grimbaard hooren,
«Dat ik uw hapjens niet benijd,
«En mij tot zulk een prijs geen schatten wensch beschoren!» Zoo spreekt de wolf, en vlucht, en wandelt nog altijd!
V,
TKN KATK, DK KABF.I.KN VAN I.A KONT A INK â¢
FABEL VI.
Dl- VAERZE, DE CVAT EN HET SCHAAP, IN COMPAGNIESCHAP MET DEN LEEUW.
D c vacrs, dc geit en 't schaap, in lang verleden dagen. Besloten niet een leeuw, den heer dier plaats, te jagen. Verlies en winst, die afspraak ging men aan. Moest saam' gedeeld: stipt eerlijk zou het gaan. De ijeit wist in haar strik een edel hert te lokken. Zij roept haar compagnons. De leeuw, het eerst er bij,
E E k S T E 15 O E K.
Telt op zijn nagels: «Met ons vieren deelen wij,» En scheurt met een het hert in vier gelijke brokken.
«Die eerste portie is voor mij,
«Omdat ik Koning ben,» zoo spreekt hij: «lieve vrinden,
«Dat zult ge zeker billijk vinden.
«De tweede is volgends recht mijn eigendom: dat heet «Het recht des sterksten, als ge weet. «De derde zal ik naar mij halen,
«Want de allerdapperste ben ik.
«Hn als er iemand naar dit vierde stuk durft talen,
«Dien worg ik op het oogenblik!»
19
FABEL Vil.
DE BEDELZAK.
Hens sprak Jupijn, de god der goón:
«Ik wil dat al wat leeft, vergare bij mijn troon!
«En is er iemand soms met zijn figuur te onvreden, «Hij spreke zonder vrees, de man!
«Ik zal verhelpen wat ik kan.
«Kom, Simmetjen, gij éérst! want daarvoor hebt ge reden. «Zie rond door heel het Dierenrijk «Met kritiesch oog, en vergelijk «Uw eigen lichaamspracht met hunne aanvalligheden!
«Zijt gij voldaan?»â- ««Ik? Opperbest!»»
E E R S T E B ü E K.
Zei de aap: ««ik heb zoowel vier voeten als de rest, ««En nooit heeft mijn portret mij nog1 één feil verweten.
««Maar beer, daar is veel aan vergeten,
««Die is een aanleg in de doodverf! Nimmermeer ««Liet ilc mij sehildren, was ik beer!»»
Bruin komt. Nü zal men klachten hooren!
Volstrekt niet. Bruintjen is met zijn figuur voldaan;
«Maar de olifant! Zoo'n klomp! en dan die staart en ooren,
«Ja, daar ontbreekt nog heel wat aan!» De «klomp» trad in 't verhoor. De snuiter heet verstandig. Maar zong allevel 't zelfde lied:
«Mevrouw de walviseh deugde niet,
«Die was te kolossaal en vreeselijk onhandig.»
De worm weer vond de mug te mager, deze weêr Zag op de mier met deernis neer.
't Verhoor had uit. Jupijn zond ze allen weg, en lachte. Voor 't ovrige voldaan. Maar uit het groot getal Van dwazen, muntten bovenal De leden uit van ons geslachte.
Want voor ons-zelf een blinde mol Maar scherpziende als een lynx voor de andren, Vergeven wij, van feiten vol,
Ons zeiven alles, niets elkandren.
Onze eigenliefde heeft geen grens.
Dat we allen becdlaars zijn, is eeuwen lang gebleken: De zak van achtren draagt onze eigene gebreken.
De zak van voren die van onzen evenmensch!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL VUL
DE ZWALUW HN DE VOGELT]ENS.
Hen zwaluw had gereisd, en met bijzondre vrucht.
Die heel veel heeft gezien, heeft heel veel kunnen leeren.
Deez' had verstand van storm, en broedde iets in de lucht, Dan wist ze Jt Janmaat steeds bij tijds te profeteeren.
Toen 't zaaitijd voor de hennep werd,
Zag zij het eerst den boer die ze uitstrooide in de voren. «Dat 's mis!» zoo liet zij tot de vogeltjens zich hooren:
22
«En ik beklaag u in mijn hart.
«Wat mij betreft, zoo 't nijpt en weer nijpt, vlieg ik henen, «Licht zal een dak me een schuilplaats leenen.
«Ziet gij die hand, die heen en weder zwaait?
«Er komt een dag, gij kunt hem niet ontduiken,
«üat uw verderf ontkiemt uit wat zij zaait.
«Want daaruit groeien netten, fuiken «En strikken, wat weet ik het al,
«Waarin men u verschalken zal:
«De kooi of 't braadspit, 't is om 't even,
«Het geldt uw vrijheid of uw leven.
«En daarom» â ging de zwaluw voort â
«Pikt op die hennep, en gelooft mij op mijn woord!» De vogels lachten om de stakker:
Zij hadden 't veel te goed op d' akker.
Het hennep veld werd groen. Daar zei de zwaluw weer:
«Rukt uit de sprietjens, onverdroten,
«Uit dat verwenschte zaad zoo spoedig opgeschoten! «Zoo niet, er is geen uitkomst meer!»
â «Profeet van louter ongelukken!»
Zoo riepen ze allen: «zwijg! 't is onzin wat gij praat.
«Geen duizend vogels zijn in staat «Om heel dien bunder kaal te plukken.» â
De hennep was volgroeid. De zwaluw keert en zegt: «Uw zaak staat al bijzonder slecht.
«liet booze graan draagt vrucht. Gij woudt mij niet gelooven, «Maar weet nu dit: als de oogst gestapeld staat in schoven, «En 't akkerwerk verpoost, dan is 't op u gemunt.
«Als ze overal hun strikken hangen
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Om arme vogeltjcns tc vangen,
«Blijft waar gij zijt, of trekt naar elders als gij kunt! «Verandert van klimaat, als de eenden en de kranen,
«De snippen, en zoo voort!. .. Maar neen, gij hebt geen kracht «Om over zee en zand u stout een weg te banen,
«Tot waar een beter land, een andre waereld, wacht. «Het veiligste is, verborgen boeken,
«In d' een of andren muur een schuilplaats op te zoeken....» De dartle vogels wenschten haar Ondankbaar naar de maan, en snapten door elkaar.
Gelijk de Troiers, als Kassandra zich liet hooren.
De vingers stopten in hunne ooren.
't Is beide al even slecht vergaan:
Ontelbrcn moesten 't met een bangen kerker boeten.
Wij luistren slechts naar hen die wij als de onzen groeten, En eerst als 't onheil kwam, gelooven wij er aan.
24
-
'
èiÃÃÃÃÃÃSÃÃSBS ^K:-' .'.^Bj^^!
MKÃSBÃmxXmw^mSrnBBKBBSB ,
msÃSBOÃlÃmÃSm 9 tâ¢Â»Â®Â»
mmssSmsxSmm
- ' ^ - -⢠: - ⢠â â -.â .â â '.....
'
.
%M WsSmsê ïï'V %
â -
' / 'J â ,!! 'I1' ' 'â '
uks,lt;
ÃW'a
|f?w; â i.,/.?â â %gt;. wfm â â
amp; ⢠|
ramp;sfrBwsw fimi B' m mrIMII
mamm â â p.-. â -WSmSt' â ' â¢
MaaÃÃUm' . : â â gt; :l'-,i:-;^ :â : .-v -: ,
i ,mm mÃÃÃÃBÃÃf i .-â¢. ⢠H
m mlÃÃÃÃm
mlm
â Sl i s^ï . â ?- â HH iflH â â Bi
B â
HHH
mÃÃÃ
MÃÃmmÃm WÃ.
â quot; '. I
ï^ffl V/- 1 .'ïfl
'WÃÃÃÃÃEm
mà BB â
ap
:' H â
-jgWè
..â -IfV' â ii*.. â¢, ,.^
' n
Pm '. k
I
mSSÃÃsmÃÃÃÃm
V.-^MS'. AV^Ã-«fe
f.A-
FABEL IX.
DE STADS-RAT EN DE VEED-RAT.
Zckcv ratjen uit dc stad Noodde een veld-rat op het kluifjen Van een duifjen,
Met een sneedje ham of wat.
Op een Smyrnaasch vloertapijt Stond de schotel hen te wenken, 't Is te denken,
Hoe zij smulden als om strijd!
E E R S T E H O E K. 27
28 UE FABELEN VAN LA FONTAINE.
i : i
i
Juist begonnen ze aan dc ham,
Toen op eens in 't banketteeren Van de heeren Een bedroefde stoornis kwam;
Aan de zaaldeur luid gerucht!
Stads-rat zonder tijdverliezen Pakt zijn biezen,
Veld-rat, bevend, deelt zijn vlucht.
't Wordt weer doodstil in de zaal.
Uit hun schuilhoek sluipen beide.
Stads-rat vleide:
«Lieve gast, hervat het maal!»
«Neen,» sprak veld-rat, «geen plezier!
«Morgen vraag ik u ten eten:
«'t Zijn geen beten «Van een vorstendisch, als hier:
«Maar geen mensch die me overvalt.
«Goeden avond! Geen vermaken «Kunnen smaken,
«Door gestaage vrees vergald!»
FABEL X.
DE WOLF EN HET LAM.
't Gebeurde eens, dat een lam in 't koele water plaschtc, Aan d' afloop van een heldre beek,
Toen hem op eens een wolf verraste, Die, nuchter, uitgevast, rondsnuffelde in de streek.
«Wat!» riep hij met vergramde kaken:
«Het water dat ik drink komt gij hier troebel maken? «Gestraft moet die vermetelheid!» â
3i
r
DE F ABELEN VAN LA FONTAINE.
«Maar, Sire!» sprak liet lam, «ik bid uw Majesteit «Wel allerneedrigst om genade,
«En smeek Maar niet voorbij te zien «Dat ik nog wel een pas of tien «Van 't plekjen waar Zij staat, beneden strooms, mij bade, «Zoodat ik 't water van Haar bron «Onmooglijk troebel maken kon.» â
â «Dat hebt ge toch gedaan!» riep Grimbaard in zijn toren,
«Maar Jk ben door u, verleden jaar,
«Rebabbeld bovendien! Of is dat ook niet waar?»
â - «Hoe kan dat?» zuchtte 't lam, «ik was nog niet geboren: «Mijn moeder zoogt mij nog.» «Dan is 't uw broer geweest.» â
â «Ik heb geen broer.» â «Dan toch het een of ander beest «Van uw famielje! Ik heb steeds boosheid ondervonden
«Van u, uw herders, en uw honden!
«Dat eischt in 't eind een goede les.» â
En zonder vorm zelfs van proces Heeft Grimbaard, één, twee, drie, het arme schaap verslonden.
Helaas, zóó gaat het maar in 't ondermaansche slijk: De sterkste heeft altijd gelijk!
32
i'èfèMÃix': ,, i , ' t B ImH , . , ' ,â ! 'Ã@MiéÃÃÃM$Ãamp;è*ÃÃ$*ïil
â f, â
: â HHI IBf^B^HS
^BHMagaswBiMwiroi
HiffilMPHHwBMMi BM «MMmBiMB
«Sas.quot; 'â kt.M- '
mmmtrnsmmi
^BbhRTbquot;* â¢â¢ am
;vr^
WâMMÃ
WÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃm
SM
M
i^E
fÃÃÃÃÃÃÃ
H| IMi Wi -mm mm' â
quot; ' quot;ffi .®^ 1 T â * , (-C.â - 1 y . ï'iffiJamp;wTt',â¢â â lt;« quot;f*quot;* - Jv
I
~f lp/ m
1 i
i quot;xj i};
m^Ã mf,
B^sfi H^BS jHB^EH
niiH min iniiii §â â
ün ' quot;-i I I'}. ,'- S^l
â ' â
â mSm
Mn
... v'.v. â . â fc3i â â , â ?â ',*.- â , ItiBg^wBS
1»
tr*?iamp;quot;rs'S* â â infl
' I MH -'quot;-'r' â
la
HI Mi I «Mi ,,J- * quot; â I i
o 1ââ ttf-i ,.,,! X' . -â * '. ,. . .
Balw^^i Mâ
'. ; .â¢- | mBÃsÃÃm| i1 â .-WKSI I^1 lt;\j.^J^sf;f - :* H - â¢' * '* f'Wmsm 1 i
:.i£ Q. fr:;- i^j ^f'
'
FABEL XI.
DE MEN SC II EN ZIJN BEELD.
â AyVN UEN HERTOG DE LA ROCHEFOUCAULD '). â
lt;cr persoon, die zich-zelven aanbad,
â Trouwends, geen enkele aanbidder dong mede â
Dacht dat hij 't schoon van Adonis bezat.
«Spiegels,» zoo zei hij, «vertelden maar wat,»
Hn â in dien waan was hij wonder te vrede.
') Francois, Ilerlog de la Rochekoucault, geb. 1618, f 1680, was Lafontaine's vrienden beschcrmer, schrijver van het werk Lc livrc des Maximes, waarop Lafontaine in deze fabel zinspeelt.
EERSTE BOEK. 35
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
'l Lot, dat, bezorgd, zijn genezing besloot,
Deed nu alomme hem spiegels ontmoeten:
Feestzaal, kantoor, straat en winkelraam bood Spiegels in soorten bij wijlen zóó groot.
Dat hij zich-zelf er kon zien tot do voeten.
Wat doet Narcis? Jt Was naar 't Land, dat hij weel-Maar zie! daar gleed met onmerkbaar gevviegel.
Helder als zilver, een eenzame beek Tusschen 't geboomte.... Mij bukte, hij keek.... Memel en aarde! dat 's ook al een spiegel!
«Is dat mijn beeldtnis? C) jammer! o hoon!
«Zou ik mij-zelf, of mij 't water misleiden?
''k Wil 't niet meer aanzien: voort! verder gevloon! Maar och, de beek is zoo zuiver, zoo schoon. Dat hij toch niet dan met moeite kan scheiden.
Vat gij 't? Die mensch, die zich-zelf zoo bemint,
Zijt gij, ben ik. De gebreken der naasten
Zijn onze spiegels. â Uw boek, Ledle Vrind!
Noem ik een beek, waar 'k mijn beeldtnis hervind. Trouwer dan ooit alle spiegels 't weerkaatsten!
FABEL XII.
DH VHliLIlOOFDIGE DRAAK UN Dli Vllt; 1LLSTAARTIGE DRAAK.
U c Groote Heer had eens aan 't Duitschc Keizershof licn afgezant, die dorst betoogen Dat zijn niogol in krijgsvermogen Den Keizer, hoe geducht, oneindig overtrof.
Toen pochte een mofjen: «Tot mijns Meesters Rijk behooren «De hoofden van zoo menig Staat,
«Die ieder, als de alarmklok slaat,
EERSTE BOEK. 37
I
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Zijn eigen leger zendt.» â «De maar' kwam tot mijne ooren,» 1 lerneemt onze afgezant (een zeer verstandig man)
«Hoeveel elk Keurvorstje' in de wapens brengen kan.
«En nu het toch zoo komt te spreken,
«Herinner ik me een oud geval,
«Dat waarlijk is gebeurd, hoe vreemd het klinken zal. «Ik wandelde eens door veilge streken,
«Toen 'k door een dichtbegroeide haag «De honderd hoofden van een hydra heen zag steken.
«De ontzetting â ik beken het graag,
«Geen wonder ook! â deed mij verbleeken. ..
«Toch kwam ik met de vreeze vrij!
«I Iet monster mocht geen oopning vinden,
«Waar 't lichaam door kon, en genaakte niet tot mij.
«Nog peinsde ik aan 't geval, toen âdenkt eens, lieve vrinden, «Wat nieuwe en grooter schrik! â een andre draak verscheen. «Eén hoofd, veel staarten, had die tweede, â-
«Het hoofd ging door de hage heen,
«En â al de staarten volgden mede!
«Ik ben 't ontkomen: maar gij hebt als ik misschien «liet beeld van uw Monarch en mijn Monarch gezien!»
FABEL XIII.
Dli DIEVEN EN DE EZEL.
Twee dieven stalen met hun beiden Een ezel. «'t Beest verkocht!» riep de een.
«Neen, 't beest bewaard!» riep de aar. Zij werden handgemeen,
En toen zij duchtig bakkeleiden,
Kwam daar een derde dief, en â liep met langoor heen!
Die langoor is soms een Provincictjen; die dieven
DE FABELEN VAN LA F O NT AI NIC.
Zijn deze of gene Vorst, wat meer of min beroemd, Hong'aarsch, Turkseh, Transilvaanseh, geheel naar uw believen.
Gij ziet, in plaats van twee, heb ik er drie genoemd:
Daar zijn er legio die op elkaar gelijken.
Zij vechten om 't veroverd land:
Dan komt een vierde dief, en slaat Bellone in band.
Door dat hij â met het ezeltjen gaat strijken!
EERSTE BOEK.
41
A
r
FABEL XIV.
SIMONIDES DOOR DE GODEN BEWAARD.
«Eif is ccn drietal, dat men nooit genoog kan prijzen:
«Zijn Vorst, zijn Meisjen, en de Goon.»
Zoo zegt Malherbe: nu, 's mans lessen klinken schoon.
Ik onderschrijf het woord des wijzen.
De Lofspraak steelt elks hart, en kostbre gunstbewijzen Zelfs bij de Onsterflijken zijn (luister maar!) heur loon.
TEN KATE, DE FABELEN VAN I.A KONTAINK.
42 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
Simonidcs zou dc ccr bezingen Van zekeren athleet. Maar toen de man begon,
Vond hij geen enkel feit, dat hij gebruiken kon; De vaadren van zijn held â gewone stervelingen!
Zijn oude heer â een burgerman!
Hij zelf een vechtersbaas, die niets dan â vechten kan! Hen schrale stof, voorwaar! Wel moet hij 't overleggen.
De raadlooze Poëet! Maar â 't Moeten voert de zweep: Eerst zegt hij van zijn held wat hij van hem kan zeggen; En eensklaps, met een stouten greep.
Komt hij op Castor en op Pollux. Opgetogen Stelt hij ze als ideaal wat worstlaar heet voor oogen; Hij schetst hun groote daan; en noemt Elk plekjen door hun naam beroemd.
Kortom, de lof door hem geboden.
Geldt voor twee derden beide Goden.
De athleet had een talent (voorwaar, een mooie duit!) Als houorariitin voor 't lofdicht toegewezen.
Maar toen de guit De verzen had gelezen,
Gaf hij één derde, en zei ronduit:
«De rest moet Castor met zijn Pollux u betalen.
«Ik twijfel niet, of 't Hemelsch Paar «Zal u naar eisch voldoen. Toch wil ik u onthalen: «Gij komt soupeer en. 'k Wacht een uitgelezen schaar; «Famielje, en louter goede vrienden!
«Ik hoop, gij zult u laten vinden.» â
Simonides nam 't aan, bevreesd misschien dat hij Zij loon mocht derven en zijn lauweren daarbij.
I
Hij komt. Men tafelt naar behooren,
Men drinkt er braaf. ..
Daar trekt een slaaf Den dichter bij zijn kleed, en fluistert hem in de ooren,
Dat voor de deur twee mannen staan Om hem te spreken: maar onmidlijk moet hij gaan!
Mij ijlt, daar ongestoord de gasten blijven juichen.
De beide mannen zijn de twee geprezen Goón:
Zij komen hem hun dank betuigen,
En voorts, zijn lofgedicht tot loon.
Hem raden onverwijld zijns gastheers huis te ontvluchten.
Waar hij het ergste had te duchten.
't Bleek juist! een pijler van het huis Was stuk; 't plafond stort naar beneden,
En slaat op eens den disch tot gruis,
Met flesschen, schotelen en alle heerlijkheden!
Tot overmaat van ongeluk â 't Moest 's dichters wraak volkomen maken! â
Stiet nog een balk d' athleet de beide beenen stuk.
En voelde menig gast de korte ribben kraken!
De Faam vermeldde 't feit alom.
Elk riep mirakel! Allen boden Aan zulk een gunstling van de Goden
Tot honor air een dubble som.
Ja, niemand die geen vers bestelde Ter eere van zijn voorgeslacht.
En niet een dichter, zoo geacht,
Betaalde zonder dat hij telde!
Prijs steeds de Goón en huns gelijken Ten tweede; Koopmanschap drijft soms zelfs Melpomeen; Hn eindlijk: Eer de kunst, en geef van d' eerbied blijken! O Grooten dezer aard, ontsluit ge ons hart en kas, Dan vlecht gc u-zelven lauwerbladen.
Ze waren beste kameraden
Voorheen, Olympus en Parnas!
FABEL XV.
DE DOOD EN DE ONGELUKKIGE.
Een ongelukkige bad dag aan dag den dood
Om redding uit zijn nood.
«O dood!» verzuchtte hij, «laatste Engel mij verbleven, «Wat zijt gij schoon! Snel toe, verlos mij van dat leven!»
De dood gelooft hem op zijn woord.
Klopt aan, treedt binnen en vertoont zich zijn aanbidder. Maar deze gilt: Wat's dat? wat spooksel dat mij stoort?
E E R S T E B O E K. 45
_____
v
D E F A 15 E L E N VAN LA F O N T A I N E.
«Verjaag dat wangedrocht! ik sidder...
«Voort, bleeke dood, voor immer voort!»
Van d'edelcn Mreceen (opmerkelijk!) staat geschreven '), Dat hij verklaarde: «Ware ik doof en blind er bij, «Ja, kreupel en half lam, om 't even,
«'k Zou toch hoogstdankbaar zijn, indien ik maar mocht leven!» 't Roept al: «O dood, kom nooit tot //lijf»
) 13ij Seneca slaat allans iels dergelijks van Majcenas vermeld.
FABEL XVI.
DE DOOD EN DE HOUTHAKKER.
JUiCn arme hakker, niet een stapel houts belaan, Gebogen onder 't wicht der sprokkels en der jaren, Zon naar zijn schamel stulpjcn gaan,
Maar voelde moed en kracht ontvaren. Hij wierp zijn last ter aard, en zat Te peinzen aan al 't leed dat hij te lijden had.
48 d e f a h k l k n van la f o n t ai n e.
Wat vreugde had hij ooit sints zijn geboort' genoten?
Werd ooit zoo'n sukkel in dit tranendal gestoten?
Brood â nu en dan! en ruste â nooit!
Een vrouw âzes kindren â huur â belasting â 't eindloos brullen
Van beeren die met schrik vervullen. â
Dus wordt de schilderij van zijn ellend voltooid!
Hij roept den dood: de dood zal al zijn angsten stillen! Terstond komt Maagre Hein, en vraagt hem «wat hij moet?» â «Och vriend!» is 't antwoord, «wees zoo goed, «Die vracht moet op mijn nek, help mij een handtjen tillen!»
Dikwijls hoort men klein en groot Huichlcnd naar het einde wenschcn:
Liever lijden dan den dood,
Blijft de leus van alle menschen.
FABEL XVII.
DE TWliE LEEFTIJDEN.
Een heer op 't beste van zijn leven â⢠Zijn hair was peper nog en zout â Had wèl van al zijn nichten en zijn neven, Hn wenschte zich als iedereen getrouwd. Hij had een stuivertje' en â kon kiezen, De schoonen lokten hem om strijd; Maar hoe geneigd zijn vrijheid te verliezen, Hij dacht: «Bedaard! ik heb den tijd.»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Twee weduwtjens betooverden hem beide,
De eene nog piepjong, de tweede vrij bedaagd,
Maar wat Natuur haar sedert lang ontzeide,
Had ze eindlijk aan de Kunst gevraagd. Die weeuwtjens, vrolijk, lachend, koutend,
Volmaakten somtijds zijn toilet,
En sloegen eindlijk, zich verstoutend,
De hand aan kuifjen van Rikct.
Het roofziek vingertjen van 't paartjen
Gaarde uit de lokken rijken buit:
Het oudtjen trok elk gitzwart hairtjen.
De jongste elk grijzend vlokjen uit.
Nu was het gants en al verdwenen,
't Verschil van leeftijd, â och ja wel!
Maar 't hair van onzen vriend met eenen,
En â nu doorzag hij 't listig spel.
«Dank, schoonen, dank! gij hebt mij goed geschoren,» Zoo sprak hij: «des al niettemin «'k Heb meer gewonnen dan verloren â
«Want daar komt niets van trouwen in!
«Gij zoudt mijnheer doen dansen naar uw pijpen,
«Gij alle twee. Nu kunt ge, o vreugd!
«Mij niet meer bij mijn kalen knikker grijpen: «Gij gaaft me een lesjen dat mij heugt!»
FABEL XVIII.
DE VOS UN DE OIJEVAAR.
R.cin noodde Lepelaar op Jt maal:
Foei, schraalhans, welk een disch om gasten op te vragen! Niets dan wat soep werd opgedragen,
En nog wel op een platte schaal.
Wat pikte Lepelaar! de tobbert Kreeg met zijn lange neb geen slokjen in de keel, Hn Rcintjen, één, twee, drie, had alles opgeslobberd. Ons Lepelaartjen zei niet veel,
Maar dacht: «Dat zal ik niet vergeten!»
Ln vroeg niet lang daarna ons Reineken ten eten.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
«Wel wis,» sprak deze, «'k l)en uw man,
«Goedrond en gul, daar houd ik van!»
liet klokjen heeft nog niet geslagen,
Of Reintje* is op zijn post, van zessen kant en klaar.
Hij dankt den «goeden Lepelaar»
Voor zijn beleefdheid. «Mag hij vragen «Naar zijn gezondheid?»â «Best! Het vleesch is aanstonds gaar.» Het vleesch! een schok van vreugd loopt Reintjen door deleden.
Hij riekt het al: dat is wat malsch!
Daar komt het! maar helaas, tot stukjes fijn gesneden.
Verborgen in een vaas met extra langen hals.
De neb van Lepelaar weet zonder ooit te missen De lekkerbeetjens op te visschen;
Voor Reintjens bek, o bitter kruis!
Is de opening te nauw â 't is moeite en tijd verloren, En nuchter moet hij weer naar huis.
Verlegen als een kat gevangen door een muis,
Druipstaartend en met hangende ooren.
Bedriegers! 'k zong voor u dit Lied:
't Is: Acer om leer â vergeet het niet!
54
I
FABEL XIX.
HET KINU EN DE SCHOOLMEE.STUR.
Dcez' fabel zal dc zotheid van cen prater
U klaar doen zien. lien kind, dat aan den zoom Der Seine onachtzaam speelde, viel in 't water.
Gelukkig stond daar juist een wilgenboom Aan d' oever, die zijn weelderige takken â Een treurwilg was 't â tot in den stroom liet zakken.
Het knaapjen grijpt ze, en hield zich boven nog,
Toen juist daar ginds cen schoolvos aan kwam wandlen.
56 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
.........
Nu schrccuwdc 't kind: «'k Verdrink! help! help mij toch!» Magister komt, maar gaat, in plaats van handlen,
Aan 't preéken:
«O gij dwaashoofd! dus bereidt «Cie u-zelf het loon der onvoorzichtigheid!
«Wat baat ons, leidsliên van de jeugd, ons zorgen?
«Arme ouders! die voor zulk een slangenzaad,
«Zulke apen, van den avond tot den morgen,
«En vice versa, steeds op schildwacht staat!
«Ciij, Huwlijks-kroon! neen, wie u roemen moge,
«Uw rozen hebben dorens! Zegt het voort!»
Eerst toen hij dus zijn allerlaatste woord Had uitgegalmd, trok hij den knaap op 't drooge.
Ik hekel hier méér lieden dan men dacht.
Gij babblaars, gij berispers, gij pedanten.
Spreekt even zoo! Gij, met uw geestverwanten.
(Maar hebt gij geest?) vormt een driedubble macht.
Een bloeiend, een onsterfelijk geslacht!
Dit volkjen wil bij alles redevoeren:
Wat maakt hun wekker een geluid!
Och, lieve vriend, steek eerst uw handen uit.
Om naderhand uw tong te roeren!
FABEL XX.
DH II AAN EN DE PA Is R E L.
Ma antjcn pikte een edelsteen Uit een mestvaalt, en liep heen Om den goudsmid blij te maken:
«'k Breng iets kostbaars,» zei de haan, «Maar de kleinste korrel graan «Zou mij vrij wat beter smaken!»
8
TEN KATK, DK KABELEN VAN LA FONTAINE.
58 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Weetniet erfde een manuscript â ] )aarmec is hij weggevvipt Om den drukker rijk te maken:
«Prachtig,» sprak hij, «naar ik wed, «Maar het kleinste muntbiljet «Zou mij vrij wat beter smaken!»
FABEL XXI.
DH HOMMELS EN DE BIJEN.
Aan 't werk kent gij den Kunstenaar! â
Eens lagen onbeheerd ccn handvol honigraten.
Dc hommels mijnden die. «Neen,» zei de bijen-schaar, «Wij zullen de achtbre wesp het pleit beslechten laten!»
Maar «de achtbre wesp» vond toch de kwestie niet zeer klaar.
60 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
f \
Getuigen zeiden, sedert weken Kwam bij dien honig heel een drommel neergestreken:
Zij vlogen, bromden, konden steken,
Zij waren bruin, en lang, juist als die bijen daar!
Maar och, op dit portret geleken Toch ook de hommels op een hair!
De wesp wist waarlijk niet hoe zij het aan zou leggen.
Nieuw onderzoek! Meer licht! Treedt voor!
Een mierennest kwam in Jt verhoor.
Maar dezen hadden niets te zeggen.
«Ik weet niet,» sprak een oude bij,
«Waartoe die omslag dient! 't Is ijdele vertooning;
«De zaak hangt haast een jaar â al even wijs zijn wij,
«En onderwijl bederft de honing!
«Daar is gebeuzeld en gemard:
«De rechter mag niet langer dralen.
«Weg met die acten, en memories, en verbalen!
«Het kluwen is genoeg verward!
«Aan 't werk, de hommels en de bijen!
«Zóó blijke 't wie der twee partijen «Den honig puurt en uit zijn goud «Die blanke wasschen cellen bouwt!» â
De hommels zwegen: 't was te vreezen!
Zoo bleek hun onkunde en â hun schuld.
Ook heeft de wesp terstond haar duren plicht vervuld:
De honigraten zijn den bijen toegewezen.
Wierd ieder pleit aldus beslecht!
De Turken doen het zoo: of ze ons tot voorbeeld strekten!
EERSTE BOEK. 61
't Gezond verstand verving de Code's en Pandecten, En minder kostbaar werd het recht. Hoe gaat het nu? Men zal u helpen, Ja, naar de lieve maan! Uw hope steeg ten top -Daar slurpt de rechter 't oestertje' op, Hn geeft partijen de oesterschelpen!
FABEL XXII.
DH EIK liN HET RIET.
en eik sprak tot een riet: «Gij wekt mijn mededoogen: «Mevrouw Natuur heeft u stiefmoederlijk bedacht.
«liet winterkoninkje' is voor u een zware vracht; quot;En komt een koeltjen aangevlogen,
«Dat nauw den vliet aan 't rimplen bracht, «'Dan beeft ge, en houdt de kruin gebogen!
E E R S T E ]5 O E K.
«Ik â hef het hoofd gelijk de kaukasus, en weer «Niet slechts de stralen van de zonne, maar braveer «Het onweer en zijn alvermogen.
«lien zuchtje' is alles mij, en alles u orkaan!
«En mocht ge althands in schaüw der dichte blaaren staan, «Waarmee ik heel de buurt belommer,
«Hoe veel geringer ware uw kommer!
«Ik bood u voor den storm een wijk â
«Maar meestentijds wordt gij geboren «Aan 't waatrig uiteind' van Boreas' Koninkrijk: «Voorwaar, een treurig lot heeft u Natuur beschoren!»
â «Uw medelij,» hervatte' 't riet,
«Komt uit een edel hart; maar matig uw verdriet!
«Gij hebt veel meer dan ik te duchten van de vlagen. «Ik buig, maar breek toch niet. Gij hebt tot dezen dag «De woede van den storm verdragen,
«En niemand die u bukken zag.
«Maar wachten wij op 't eind!» â Pas heeft hij uitgesproken. Of eensklaps rukt van 't zwangre Noord De vreeselijkste orkaan hervoort.
Die ooit zijn kerker heeft verbroken.
De boom weerstaat, het riet buigt neer;
De woede van den storm kent nu geen palen meer. Ontworteld valt de vorst der eiken.
Wiens reuzenvoorhoofd tot de Starren placht te reiken.
ö5
Wiens voeten daalden tot bij 't bleeke Schimmenheir!
EINDE VAN MET EERSTE HOKK.
TKN KATK, DE KAUKLHN VAN I.A KONT A INK,
m-Ãmzmm
FABEL 1.
VOOR DHGKNEN DIH MOEILIJK TE VOLDOEN ZIJN.
Zjoo mij; bij mijn gcboort', de Muze Callioop'
De gaven had verleend, waarop haar minnaars bogen,
Ik wijdde ze allen aan de leugens van Hsoop';
Wat is er, vroeg en laat, in verzen al gelogen!
Maar 'k sta te weinig bij het negental in gunst, Om ongestraft het spoor van mijn patroon te drukken.
Men kan zijn vindingen verhoogen door de kunst. .. Men kan 't: ik waag de proef â 't moge anderen gelukken!
TWEEDE BOE K. 69
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
_ . .
j
Toch bracht ik wolf en lam bij-één in mijn verhaal,
En liet ze spreken in een nooitgehoorde taal;
Ja meer! de boomen en de blaadtjens Heb ik doen keuvelen. Schiep ik geen tooverland?
Hn wat zegt Recensent? «Wat is dat heer pedant
«Op vijf, zes laffe kinderpraatjens!»
Berispers! wenscht gij soms mijn stof meer authentiek,
Mijn stijl verheevner? 't Zijl De Trooische heldentallen,
Belegerd in hun vestingwallen,
Vermoeiden tien jaar lang den radeloozen Griek,
Die vruchtloos duizend plannen vormde,
En uit-, en aanviel, en bestormde;
Tot dat een houten paard â bedacht door een Godes,
Een zeldzaam kunststuk! â in zijn lenden Ulysses opnam met den held Diomedes En driftige' Ajax, om dit drietal, met hun benden.
Te smokklen binnen Trojes stad.
Die straks in vlammen om zou komen,
Een krijgslist, nooit alhier vernomen,
En die....
«Houd op maar 1» roept de Criticus alweer:
«Wat volzin zonder eind! Ik heb geen adem meer!
«En dan, dat houten paard, met al zijn toebehooren,
«Dat meesterstuk van slimmigheid,
«Klinkt vrij wat vreemder nog in de ooren,
«Dan Reintjen die een raaf zijn hompjen kaas ontvlcit.
«Maar ook, üw Muze is niet voor 't Heldendicht geboren!»
Een toontjen lager dan! Lief Roosjcn zat in 't veld,
En peinsde aan Chloris, door dc jaloezy gekweld.
T W E E D E li O E K.
Haar trouwe Fylax cn haar lammren,
Ceen ander, dacht zij, was getuige van haar jammren. Maar Tireis sloop al zaehtkens aan. En gluurde door de wilgeblaan.
En hoorde daar beur smeekgebeden Aan zefier om haar minnepijn Bij Chloris tot een tolk te zijn. .. .
«Stop!» valt mijn Recensent mij wreevlig in de reden: «Wat flauwe regels lijmt gij daar? «Die laatste zijn een kreupel paar: «Die dient ge nog eens om te smeden!»
Van hier, gij snoode Recensent!
Komt zóó mijn stukjen ooit ten end'?
Al mijn roulades en mijn trillers Hoort gij met d'eigen onwil aan.
O die kieskeurige Albedillers!
Zij zijn met niet-met-al voldaan.
71
/
FABEL II.
DE RAADSVERGADKRING DER RATTEN.
Een kater, Knabbclzwoert gehceten,
Was de afschrik van heel 't rattenheir.
Men zag bijna niet één dier lieve diertjens meer,
Zooveel had hij er dood gebeten.
Jt Rampzalig overschot, verscholen in zijn hol.
Teerde op een kwart rantsoen droog brood en zuren zuivel. En 't arme volk hield stokstijf vol,
Dat was geen kater, maar een duivel.
TWEEDE 15 O EK.
r
Hens, toen dc aartsvijand,'door ccn teerder drift bezield,
Daar 't herdersuurtjen riep, zich op het dak onthield,
Kwam in een hoekjen heel 't Congres der ratten samen, Om reddingsmiddlen te beramen.
De deken, een bejaarde rat.
Die reputatie voor zijn diepe wijsheid had,
Deed nu het voorstel aan de vrinden,
Om 's vijands hals een bel te binden:
Dan kon men 't hoeren als hij naderde, en terstond
Een wijkplaats zoeken in den grond â
Geen andere uitkomst was te vinden!
Bij acclamatie nam de Raad Des dekens voorstel aan: dat middel was probaat!
Daar was maar één bezwaar: wie zou in last ontfangen
De bel den kater om te hangen?
«Dat durf ik niet,» zei de een; «dat kan ik niet,» zei de aar: Toen slopen ze allen weg, en 't bleef alzoo bij â- praten!
Zoo gaat nog vaak, na veel misbaar Met d' eigen uitslag een «Vergaaring» uit elkaar.
Van ratten niet, maar van Ministers of Prelaten.
Zoolang het aankomt op beraan,
Ontmoet gij redenaars bij hoopen.
Maar komt het op een handlen aan.
Waar zijn de helden? â Weggeloopen.
I
i'
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL III.
WOLF CONTRA VOS,
PLEITENDE TEN OVERSTAAN VAN DEN AAP.
Grimbaard riep, «hij was bestolen,
«dat had Reineke gedaan: «Reineke, die dief der dieven!» â
Grimbaard klaagde Reineke aan. De aap was reehter: voor zijn vierschaar,
zonder hulp van advokaat.
Zouden zij hun zaak bepleiten
maar de rechter wist geen raad.
76
â lil
TWEEDE BOEK. 77
In veeljarige ondervinding'
stond zijn apenwijsheid pal:
Maar nooit diende voor de balie
zoo'n «gecompliqueerd geval»! Wat hij op zijn kussen zweette!
't Was een eindloos twistgeding; Repliek, dupliek, waar een stervling
zien en hooren bij verging. Eindlijk, van hun beider streken
overtuigd, besliste hij: «Vriendtjens, 'k sla u beide in boete,
zoo partij als weerpartij I «Want heer Grimbaard komt hier eischen,
schoon hem niets ontstolen is, «En dat Reintjen heeft gestolen
wat men eischt, is gants gewis!»
Onze rechter was van oordeel
dat men Themis recht verschaft, Als men, toeslaande in den blinde,
eiken booswicht flinkweg straft.
FABEL IV.
Dl- TWEE STIEREN EN DE KIKVORSCH.
Twee stieren streden om 't bezit Der vaerze en 't grasveld waar ze weidde.
Daar zuchtte een kikvorsch om: vriend Blaaskaak hoorde dit, Keek zus verwonderd aan, en zeide:
«Wat scheelt er aan?» â «Wel, broer,» hernam ze, «zietgij niet, «Dat dit gevecht aldus moet enden,
«Dat de eene d' andren stier verwonnen weg zal zenden?
78 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
TVVKEDE ROEK. 79
«Dan vlucht dc banneling het groene grasgebied, «Hn komt regeeren in ons riet;
«Dan zal hij, beurt om beurt, met zijn geduchte stappen «Ons in het slijk te bersten trappen ....
«Foei, ze is niet waardig dat ze leeft, «Dat schaamtloos koekind dat den twist ontstoken heeft!»
Och, hoe ons kikkertjen het raadde 1 Een van de stieren was voor d' andren geen portuur: Hij kroop in 't riet â tot kikkers schade. En trapte er twintig dood in 't uur.
Zoo gaat het, lot- en leedgenooten!
Wij, kleinen, boeten steeds de dwaasheên van de grooten.
Ho
FABEL V.
DE VLEERMUIS EN DE BEIDE WEZELS.
Een vleermuis viel, hals over kop,
In zeker wezel-nest. De wezel, lang te voren Der muizen vijand, stoof in toren
Gereed ter executie op.
«Wat!» roept hij, «durft gij hier verschijnen, «Gij, wier geslacht mij steeds benadeelde en de mijnen?
«Zijt gij geen muis? mijn woord van eer, «Gij zijt er een, of nooit mag ik meer wezel heeten!»
V
T W E E D E HO E K.
«Pardon 1» zei dc andrc, die van angst begon te zweetcn: «Dat is mijn handwerk niet, mijnheer! «//', muis? Gij kunt wel beter merken,
«Dat is een lasterziek gerueht.
«Ik ben een vogel, zie mijn vlerken!
«Lang leev' de burgerij der lucht!»
Zijn reden vond zooveel behagen.
Dat men hem daadlijk heeft ontslagen.
Tot dus ver ging het opperbest.
Maar wat gebeurt twee dagen later?
Weer kruipt zij in een wezelnest.
Maar ditmaal van een vogelhater.
Helaas, hoe beefde onze arme bloed,
Nu zij op nieuw den dood van verre zag genaken!
De huisheer met zijn langen snoet Besloot in qualiteit van vogel haar te kraken; â Dat deed haar laatsten moed ontwaken:
«Wat! ik een vogel? Lieve man,
«Waar zijn mijn vogelveêren dan?
«Ik ben een muis! Vivant de ratten!
«Jupijn vernietige alle katten!»
Ze ontsnapte door heur slimme taal Een wis verderf ten tweeden maal.
Hoe menig redde' 't lijf en oogstte zelfs belooning
Door 't wisslen van banier. Dat noemt men politiek. Twee deuntjens op één fluit: «Vivat de goede Koning! «Vivat dc Republiek!»
TEN KATE, DE KABELEN VAN I.A KONTAINE.
FABEL VI.
DE VOGEL DOOR EEN PIJL GETROFFEN.
Een vliegende pijl had met doodelijk schot
Een vogel geraakt. Hij betreurde zijn lot:
«O smart!» riep hij uit, «ongehoord, ongekend,
«Dat men bijdragen moet tot zijn eigen ellend!
«Gij menschen, gij plukt ons de slagwieken kaal,
«Om vleuglen te geven aan 't moordende staak
«Maar wee, onbarmhartig gebroedsel der Aard!
«Ook u is een lot als het onze bewaard!
«Een helft van uw kroost maakt voor de andere helft
«Steeds de wapens gereed, waar ze uw grafkuil mee delft!»
82 DE FABKLKN VAN LA FONTAINE.
FABEL VII.
Dli JAGERSIIOND EN HAAK KAMERAAD.
Het vvijfjen van den jagershond Dat op heur laatste liep, wou graag haar vraehtjen bergen. Zij vraagt haar kameraadâ «zij durfde 't haast niet vergen» «Haar hok te leen, één week! daar 't nu toch ledig stond.)
â «Fiat!» â De kameraad kwam weder. «Och, leen me uw huisjen nog een kleine veertien daag'; «'t Is voor mij-zelf niet, dat ik 't vraag;
84 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Mijn jongen zijn zoo cxtra-tccdcr,
«En zwak ter been!» â «Het zij!» â Aan 't eind van dien termijn Verscheen de kameraad: «Wilt gij zoo vriendlijk zijn «Mijn huis te ontruimen?» â Maar nu toont mama de tanden: «Indien gij durft, gij kameraad,
«Zet met mijn jongen mij op straat!»
't Gebroed was al te sterk om strafloos aan te randen.
Al 't goede dat ge een schurk bereidt.
Beloont hij met ondankbaarheid.
Die borgt, geeft noó terug. Hr dient gepleit, gekeven, Hn 't einde is meestal scha of schand.
Wien gij van daag een vinger hebt gegeven.
Neemt morgen uw geheele hand!
85
FABEL VIII.
DH AREND HN DH KEVER.
Een wijfjens-arend was op jacht naar 't vcldkonijn: Dit zette' 't regelrecht te-huiswaards op een loopen.
Daar ziet het onderweg een kever-gaatjen open, â Nu, gij begrijpt wat schuilplaats dat kon zijn!
Maar och, waarheen? Hij steekt er tot aan zijn ooren
Zijn kop in; maar fluks grijpt hem de arend beet. De kever doet bemiddelend zich hooren:
86 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
- ^
«Gij, die vorstin der vogels heet!
Jt Valt u gemaklijk, spijt mijn klagen,
Dien armen stumpert mee te dragen,
Maar spaar mij zulk een hoon, ik heb hem niet verdiend!
Smeekt u dit veldkonijn om 't leven, gun hem 't leven!
Of anders, doe ons beide sneven:
Hij is mijn buur, mijn beste vriend!»
De vogel van Jupijn bewaart een smaadlijk zwijgen,
Rolt met een vleugelslag het kevertje' over de aard,
En haast zich met haar prooi ten hemel op te stijgen.
De kever, woedend, neemt een vaart Naar 't arendsnest en kraakt al de eiers, nog zoo teder,
De lieflijkste arends-hoop!.. . Geen enkle bleef gespaard.
Straks keert het arendswijfjen weder,
En schreeuwt het uit van smart, als zij 't verderf ontwaart,
Maar zonder één herkenningsteeken Dat haar den weg wijst zich te wreken.
Ileur kermen is vergeefs: de wind verwaait heur klacht, â
Een jaar van moedersmart is alles wat haar wacht.
liet volgend voorjaar ziet haar 't nest veel hooger dragen.
De kever wacht zijn tijd â geen teederc eierschaal Blijft ondoorknaagd; hij wreekt konijn ten tweeden maal!
De nieuwe rouw doet de echo's klagen,
Zoodat de rotsen er zes maanden van gewagen.
De vogel die eens Ganimecd Geschaakt had, klaagde in 't eind aan Jupiter haar leed.
Zij lag in zijnen schoot hare eiers: hij zou waken.
Dat was zijn plicht! En wie zou zoo vermetel zijn,
Om daar aan 't jong gebroed te raken?
T W K E 1) K Ji O E K,
Ook raakte cr niemand aan. De wreker van 't konijn
Moest nu een ander middel wagen:
Hij wierp een keuteltjen op 't kleed van d' Oppergod.... De Godheid schudde 't af â daar laren
o
Al de eiers aan zijn voet kapot!
Onze arend jammerde uittermaten;
Zij dreigde Jupiter, zij zou d' Olymp verlaten,
Ontvluchten naar een eenzaam oord.
Van alle dienstbaarheid ontslagen .... En zoo voort. . . . Der goden Vader sprak geen woord.
Daar kwam de kever voor zijn vierschaar aangetreden.
En toen hij alles had verteld En de aanklacht had gesteund met kracht van recht en reden. Werd de arend, zoo 't behoorde, in 't ongelijk gesteld. Maar daar partijen, fel verbeten,
Van geen verzoening wilden weten,
Besloot de God der goón den tijd Waarin gewoonlijk de arend vrijt Te stellen in 't saizoen als 't kevertje' in zijn kotjen Zich opsluit, even als 't marmotjen,
En aan den winterslaap zich wijdt.
«7
FABEL IX.
DE LEEUW EN DE MUG.
«Van hier, gij vuig insekt, afschraapsel dezer aarde!» Dus sprak een leeuw in trotsehen waan Op zeekren dag een mugjen aan,
Dat, diep beleedigd, fluks den oorlog hem verklaarde. «Wat denk gij, dat uw manenzwier Of Koningsrang mij doet verbleeken?
T W E E ü E 15 O E K.
«Gij zijt zoo mans niet als de stier,
«Dien ik wel maken kan en breken!»
Mij spreekt, en doet met schellen toon Terstond daarop den stormmarseh hooren.
Trompetter, held, in één persoon.
Hij dreigt zijn vijand eerst van voren,
Maar valt op eens hem zijdlings aan,
Um d' angel in zijn hals te slaan.
De vvoudvorst, dol van pijn en toren.
Rilt, schuimbekt, laat zijn oogen gloren Als bliksems, loeit gelijk de orkaan...
De dieren in den omtrek beven,
En deinzen in hun hol terug; â
En al dat oorverdoovend leven Is 't werk van één onnoozle mug!
En dwergjen van een mug treft, steekt hem, valsch en vinnig, In buik en ruggegraat, in snoet en onderkin.
Ja, kruipt tot zelfs zijn neusgat in;
Dat maakt onze' armen leeuw geheel en al krankzinnig. De onzichtbre vijand triomfeert.
En ziet, met heimelijk genoegen,
Hoe de arme leeuw vergeefs gebit en klauwen weert, Zich-zelven wondt met ijdel zwoegen,
De lendnen geeselt met zijn staart.
De lucht vermoeit met rauwe kreten,
En eindlijk, als doorvlijmd van duizend slangenbeeten, Onmachtig tuimelt over de aard!
De mug verlaat het veld met glorie:
Zooals zij d' aanval blies, zoo blaast zij nu viktorie.
89
TKN KATK, DE FABRLRN VAM LA FONTAINK.
12
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
Maakt haar triomf alom bekend,
Maar blijft te midden van haar zangen Op eenmaal in een spinrag hangen,
En â komt er tragiesch aan haar end!
Wat leert men hier? â Vooreerst, dat wien men 't minste duchtte,
Soms de ergste vijand is, die ons verderf bereidt; Ten tweede, dat de man die groot gevaar ontvluchtte.
Soms omkomt door een kleinigheid.
90
r
DE LEEUW EN DE MUG.
T W E E ü E 15 O E K.
FABEL X.
DH EZEL BELADEN MHT SPONS EN DE EZEL BELADEN MET ZOUT.
Hen ezeldrijver niet zijn staf,
Voerde, als een Keizer van Oud-Romen,
Twee fiere hengsten â maar langoorig! â aan de toornen. De een droeg een vrachtjen spons en huppelde op een draf;
Maar de andre moest gepord door slagen,
En kroop nog als een slak: want hij had zout te dragen!
93
Dl-: F ABELEN VAN LA FONTAINE
't Paar grauwtjcns, steeds vooruitgegaan,
Door dik en dun, langs duizend paden.
Komt eindlijk aan een stroom en blijft verlegen staan.
Maar de ezelbaas, gewoon hier daaglijks door te waden, Beklom den langoor die de spons te dragen had,
En dreef den ander' voor zich henen:
Maar deze, koppig, week en tuimelde in een gat,
Was voor een oogenblik verdwenen,
Doch rees weer boven en ontkwam;
Want na wat plasschen en geklater,
Versmolt allengs al 't zout in 't water,
Zoodat ons grauwtje, ontlast, zijn koers naar d'oever nam.
Zijn makker met dc spons, die, even Als 't schaap de schapen volgt, zijn broertjen na wil streven, Gaat ook te water met een plons,
En duikelt, hij, de voerman, en de spons.
Zij krijgen 't noodige, alle drie, naar binnen;
Maar 't meest de spons, die zóóveel water drinkt, Dat ze altijd zwelt cn dieper zinkt,
Daar 't ezeltjen vergeefs den oever zoekt te winnen.
De voerman grijpt zijn grauw bij 't hair.
En wacht een wissen dood, tenzij er hulp genake.
De hulp genaakt â door wien, doet niets ter zake; Al wat ik hier bewijzen wilde, is maar Dat wat den eene redt, het graf eens andren delfde:
«Schoon twee hetzelfde doen, toch doen zij niet hetzelfde.»
94
f
FABEL XL
DE LEEUW EN DE RAT.
Wil wien gij kunt een dienst bewijzen,
Daar toch uw mindere u zeer noodig wezen kan!
'k Weet daar een tweetal faablen van:
Zoo zeker is de leer, die ik u aan wil prijzen.
Een rat, die'uit zijn gaatjen sloop,
Viel in de klauw eens leeuws. De sukkel had geen hoop.
96 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Maar aller dieren Vorst, geneigd eens blijk te geven Van 't geen hij waarlijk was, schonk d' armen drommel 't leven. Een weldaad vindt haar loon. Wat leeuw die ooit een rat, â Zoo denkt men licht â van nooden had? En toch, te midden van zijn koninklijke gangen Vond onverwachts de leeuw zich in een net gevangen;
En of hij woelde en of hij kreet.
Het web des jagers hield hem beet.
Maar meester rat snelde aan, doorknabbelde de mazen:
En gaf den leeuw zijn vrijheid weer!
Geduld en Tijd vermogen méér Dan woeste Kracht en grimmig razen!
â
FABEL XII.
DE DUIF EN DE MIER.
Het ander voorbeeld is ontleend aan kleiner dieren.
Een duifjen dronk eens uit een spiegelgladden stroom, Toen een der onvermoeide mieren,
Voorover bukkende aan den zoom,
In 't water viel. Arm drenkelingetjen!
Hoe 't tobde en spartelde in een kringetjen!
T W E E à E 15 ü E K. 99
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
't Was al vergeefs, wat moeite 't deê, Te zwemmen naar het strand dier Middellandsche Zee!
Daar werpt de duif uit mededoogen De mier een grasjen toe, een ware reddingsboot, En 't miertje ontsnapt een wissen dood. Met komt een kinkel aan, blootsvoets, met loerende oogen, Die met zijn pijl op vogels schoot.
Pas heeft hij 't duifjen in de gaten.
Of 't is, als snerkte 't reeds voor zijn beluste ziel In de ijzren pot. Maar eer de pijl is losgelaten,
Roef! pikt hem 't miertjen in den hiel.
liet boertjen keert zich om, 't gebladert' wordt bewogen. Het duifjen hoort het, en vliegt heen met snelle vaart, 't Soupeetjen van den schrok is met haar weggevlogen â Het wildbraad is geen oortjen waard!
lOO
FABEL XIII.
DH STERRENKIJKER EN DE PUT.
Een sterrenkijker moest zijn wijsheid deerlijk boeten:
De man viel in een put. «Wat dwaas die u gelooft!» Zoo sprak men: «gij, die zelfs niet zien kunt voor uw voeten, «Hoe zult gij lezen wat u vonkelt boven 't hoofd?»
Dit voorval, zonder meer, kan velen nuttig wezen.
Omdat er altijd zijn die luistren naar de leer,
Dat menschen in het Boek des Noodlots kunnen lezen. â
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dat «Boek des Noodlots», dat Homeer Cwu s/tis ons voui oogen houden,
Wat is het anders dan het «Blind Geval» der Ouden,
Bij ons «Voorzienigheid»? Maar wie die ooit vooruit Iets van het «Blind Geval» kan weten?
Dan mocht het geen Geval, Fortuin, of Lot meer heeten! . Geen schepsel dat de Toekomst duidt.
Wat ons onzeker is, rust op een wis besluit Van Hem die 't Al regeert. Wien anders dan Hem-zelven Is Zijn besluit bekend? Heeft Hij een raads-genoot? Wat de eeuwen bergen in heur schoot,
Zou Hij het schrijven, Hij, aan onze stargewelven?
Waartoe? Tot nut van hem, die over firmament En waereld-globe boeken pent?
Voor ons? Maar kunnen wij een onvermijdlijk lijden, Al wisten wij 't vooruit, vermijden?
Als ge een geluk voorziet dat zeker komen moet,
Verliest het, éér het komt, niet reeds zijn zoetste zoet? Ik zie 't gestarnte omhoog langs vaste paden zweven.
Steeds komen dag en nacht in stagen wisselkeer;
De zon, dit weten wij, moet uit heur hooge sfeer Onze Aarde licht en warmte geven:
Zij regelt jaar en jaargetij'.
Zij doet de levenskiemen rijpen,
En al wat is, ervaart haar nutte heerschappij.
Maar voorts â wie kan 't verband begrijpen, Dat tusschen d' eeuwgen gang der starren langs heur baan En 't immerwisslend lot der Menschen zou bestaan? Kwakzalvers! gij verdwijnt aan onze Vorstenhoven:
102
TWEEDE 15 O EK. 103
Slechts op dc jaarmarkt nog bedriegt ge 't blind gemeen.
Wie Hooger Waarheid minst gelooven,
Gelooven d'Onzin 't meest âVlucht, Leugenpak, vlucht heen!
Maar 'k maak mij boos. 'k Wil tot de fabel wederkeeren Van dien bespiegelaar die neerviel in de put.
Zijn kunst is ijdel: dit te weten, is van nut;
Maar tevens is hij 't beeld â ook dat is hier te leeren â
Van die in dwaze droomen leeft,
Blind voor de werklijkheid, die dreigend hem omgeeft!
FABEL XIV.
DE HAAS liN DE KIKVORSCHEN.
Een haas zat droomende in zijn hol.
â Wat zou men in een hol ook anders doen dan droomenV â Zoo zat hij, droef, gedachtenvol,
Gestaag te beven en te schroomen.
«Beklaaglijk,» sprak hij, «de arme bloed,
Die, altijd, altijd vreezen moet!
Te midden van 't genot wordt hij door angst bewogen.
Zijn eten wordt vergald door allerhanden schrik.
DE F AH EI. EN VAN LA FONTAINE.
f \
V
TWEEDE BOEK.
Zoo'n ongelukkig beest ben ik:
Ik slaap, helaas, met open oogenl»
â «Wel,» zegt een filozoof, «verbeter u, mijnheer!»
â «Verbeetren? Was dat waar! maar, vreeslijk, De bangigheid is ongeneeslijk:
De menschen zelfs zijn bang, 'k geloof het, op mijne eer!» Dus luidde Haasjens droeve reden Intussehen zat hij op zijn loer â
Een zucht, een schaaüw, een niets, en met een rilling voet-Een koortskou door zijn hazenleden.
Terwijl hij alzoo denkt en zucht.
Hoort hij op eens een klein gerucht,
En roef! daar vliegt hij door de struiken.
Zoo stuit hij op een vijverkom:
Daar springt een gantsche kikkerdrom.
En haast zich, rikkikkik, in 't water weg te duiken.
«Kijk!» riep hij, «wat me een ander doet,
Doe ik een ander ook: ik doe de lieden beven!
'k Heb duizend kikkers weggedreven:
Hoe kom ik eensklaps aan dien moed?
'k Zal nu in 's Lands kronyk als oorlogs-bliksem leven! Nu zie ik, dat op aard geen lafaard is, hoe groot,
Die niet op grooter lafaard stoot!»
107
FABEL XV.
DE HAAN EN DE VOS.
Hen oude en uitgeslapen haan Was op een tak als schildwacht neergezeten.
Daar sprak hem Reintjen fleemende aan: «'t Is uit, mijn vriend! met de oude veeten, 't Is algemeene vree voortaan!
Ik kom u 't nieuws verkondigen. Daal neder! Zink aan dit hart, het klopt zoo teeder;
io8 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
TWEEDE BOEK.
r
Maar haast u, 'k moet nog verder gaan! Begeef uw rustig tot uw zaken,
Gij, en uw hennetjens! Wij zullen met u waken.
Van avond moet er vuurwerk zijn ... Maar eerst, bij vollen zonneschijn, Moet ik den broederkus u drukken op de kaken!»
â «Wel,» zei de haan, «dat nieuws is goed: Is ons de lieve vree beschoren?
Kijk, dat ik dit van u mag hooren,
Dat maakt die boodschap dubbele! zoet!
Daar naadren juist twee hazewinden,
'k Denk vredeboden, zoo als gij;
Zij snellen aan, zij zijn nabij â
Ik kom, dan kunnen al de vrinden «Elkaar omhelzen, wij en zij!»
â «Vaarwel!» sprak Reintjen toen, «nu dien ik weg te vliegen,» En pakt zijn biezen, met de kousen op den kop. Ons haantjen meesmuilt, bij dien plotslingen galop â 't Is dubbel zoet ook, een bedrieger te bedriegen!
FABEL XVI.
Dli RAAF DIB VOOR AREND WIL SPELEN.
Dc vo^'cl van Jupijn schaakte eens een lam. Dat zag Ben raaf, wel minder sterk, maar even zoo begeerig. En dacht: «dat doe ik na! Zoo'n hapjen? Niet afkeerig!» Hij vliegt naar 't schaapsveld, en, op slag. Uit honderd lammren kiest hij 't beste, Een offerlam, bestemd voor 't altaar van de goon. Zoo blank als room en 't allervctste.
TWEEDE BOEK.
Hij grijnsde: «Ik weet niet wie uw voedster was, mijn zoon!
Maar 't was een brave: gij zijt schoon En waardig dat een raaf zich met uw boutjens nieste!»
Daar schiet hij lustig op het blactcnd schepsel neer,
Maar 't was geen kaasjen, dat men zóó maar op kan smullen; Ook was zijn vacht vol dikke krullen,
Gelijk de baard van Polypheem weleer.
De raaf grijpt in de wol, maar kan niet heen of weer! De herder komt, en pakt den roover.
En levert, in een kooi, hem aan zijn kindren over.
Wèl die verzon éér hij begon!
Een groote dief oogst roem, een diefjen wordt gehangen.
Een beurzensnijder is juist geen Napoleon â
De wesp vliegt door het web, waar 't mugjen wordt gevangen.
111
FABEL XVII.
DE PAUW Din ZICH BIJ JUNO BEKLAAGT.
Hens kwam dc Pauw bij Juno klagen:
«Godin 1» zoo sprak ze, «'t is met reen,
Zoo ik mijn grieve u voor kom dragen:
't Geluid dat gij mij schonkt, mishaagt vrij algemeen, Terwijl de nachtegaal â die kriel! â een stem doet hooren. Die prachtige geluiden geeft,
Zoo dat hij steeds al de eer der bosch-concerten heeft!»
DE PAUW DIE ZICH BIJ JUNO BEKLAAGT.
TEN KATE, DE FAÃELÃN VAN LA FONTAINE. IT)
ÃHHI
T W E E ]) E 15 ü E K.
Daarop zei Juno, bleek van toren:
«Ondankbaar schepsel daar ge zijt!
Foei! past het u, dat gij den nachtegaal benijdt? Draagt gij geen halskraag, nog veel fraaier
Van kleuren dan de regenboog?
Hebt gij geen pronkstaart als een waaier,
Die met juweelenglans ons schittert in het oog?
Waar is in schoonheid uws gelijken?
Zijt gij niet nummer een in pracht?
Niet alle vogel kan met alle gaven prijken:
Verschillend hebben we u bedacht.
'k Gaf d' éénen lichaamsgrootte en kracht, Aan de andren valkenblik, of klepprende arendsvlerken, Of kraai- en ravenstem, die 't onheil voorbeduidt: En allen zijn te vree met eigen stemgeluid... .
Houd dan met morren op, of Jk geef u loon naar werken En trek â u al uw pluimen uit!»
111
FABEL XVIII.
116 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE KAT IN EEN VROUW VERANDERD.
J
.Lien zeker heer hield vreeslijk van zijn kat: Hij vond haar fijn, en vriendlijk, en aanvallig, Haar miauwen bovenal lieftallig â Kortom, hij was verslingerd op zijn schat. Welnu, die man, met tranen tot zijn wapen En smeekgebeen en tooverkunst,
TWEEDE BOEK. 117
Ontwrong aan 't Lot de langgewenschtc gunst,
Dat poesjen in een meisjen werd herschapen.
Van liefde dronken, voert hij haar Ter zelfder uur naar 't Echtaltaar.
Geen rozenmond of wespenlijfjen
Boeide ooit heur Corydon zóó zeer,
Als daadlijk ons nieuwbakken wijfjen De kluisters vastsmeedde om haar heer!
Hij kust en koost haar, smeltend teêr,
Noemt haar zijn kroon, zijne uitgelezen,
Niets heeft ze van een katjen meer,
Haar lust schijnt waarlijk vrouw te wezen,
In allen deele ... tot, o schrik,
Op dat gelukkig oogenblik Een troepjen muizen op komt dagen.
Die knabblende aan het vloerkleed knagen!
Dat hoort mevrouw, en ijlt terstond Met één gewiekten sprong van de echtelijke spond'.. ..
't Is misgegrepen 1 weldra keeren De muizen; 't vrouwtjen zit al loerende op de wacht,
En ditmaal is het raak: drie heeft ze in haar macht!
Want op een kat in vrouwenkleêrcn Was 't knabbelvolkjen niet bedacht.
Het muizenvangen bleef de wellust van haar leven.
Zoo sterk is de aangeboren aart.
Vergeefs de flesch gespoeld en 't kleedtjen glad gewreven,
De reuk van 't vocht is toch bewaard,
En de ingesleten vouwen bleven!
De Moriaan wordt nimmer wit
118 UE FABELEN VAN LA FONTAINE,
Met al uw poetsen en polieren; Gij houdt uw zeden en manieren, Wat u in merg en beendren zit! 't Is met geen slagen te overwinnen. Halsstarrig volgt u de oude sleur, En wijst gij hem vergramd de deur, Hij sluipt weer door het venster binnen!
T W IC K 1) E K O li K.
FABEL XIX.
DE LEEUW EN DE EZEL OP JACHT.
Dc groote koning aller dieren Beraamde een jachtpartij: hij zou zijn jaardag vieren. Nu, 't wildbraad van een leeuw kan zeker niet bestaan Uit veldpatrijzen of konijnen,
't Moet malsche reebout zijn of rib van wilde zwijnen. Opdat de jacht naar wensch zou gaan,
Nam hij tot medgezel een kloeken ezel aan,
üie met zijn Stentor-stem tot horen hem zou strekken.
119
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dc leeuw zet hem in Jt bosch op wacht,
Waar dichte blaaren hem bedekken:
Daar moet hij nu uit al zijn macht Aan 't balken slaan om Jt wild te wekken.
Dc dieren waren niet gewend Aan 't hartverscheurend ezel-janken;
De lucht herhaalt alom de schorre jammerklanken, En 't woudgediert', verschrikt, springt ijlings overend. Als op commando vluchten ze allen.
Om â in de klauw des leeuws te vallen!
«Wel, diende ik u niet goed?» vroeg de ezel, daar hij dacht Hem komt al de eere toe der luisterrijke jacht.
â «Ja,» sprak de dierenvorst, «gij kunt voortrcflijk brullen: En wist ik alles niet van u en uw geslacht.
Gij zoudt mij-zelf met schrik vervullen!»
Had de ezel maar gedurfd, hij had zich kwaad gemaakt. Toch was hem loon naar werk beschoren.
Een ezel die van hoogmoed blaakt,
Een snoevende ezel, foei! dat past niet bij zijn ooren!
I 20
V
FABEL XX.
ESOPUS UITLEGGHR VAN 1U;N TliST AM li N T.
Indien dc faam de waarheid heeft gezeid , Dan was Esoop' 't orakel van zijn tijden:
Wèl mocht hem, om zijn wijs beleid, Heel de Areopagus benijden!
Daarvan, ten voorbeelde, één geval. Dat u gewis behagen zal.
TEN KATR, DB FABKLKN VAN LA FONTAINE. 1G
122 D E F A 15 K L K N V A N L A F O N T A I N E.
Een zeker vader had drie dochters, zeer verschillend, Hén slempster, één kokette, en ééne een gierigaard. Die man, bij testament, vermaakte, recht welwillend.
Al wat zijn ijver had vergaard Aan de uitgelezen trits, in drie gelijke deelen:
Mama wees hij een deel als dat der dochters aan,
Maar dat door dezen moest voldaan Als zij hcur deel niet meer bezaten. Wat krakeelen En harsenbreken zonder end,
Toen de oude man bezweek en quot;t vreemde testament
Ter tafel kwam. Wel honderdmalen Herleest men 't, maar vergeefs. Want wat beduidde dat; «Als geen der dochterkens haar erfdeel meer bezat. Dan moesten zij mama betalen!»
Hoe is het mooglijk, dat men geeft Als men niets meer te geven heeft?
Hoe toch papa-lief zulk een raadsel na kon laten?...
De zaak dient voor 't gerecht. Maar hoe men zich bezinn',
Onmachtig staan al de advocaten.
Zij geven 't zuchtend op, zij zien geen gat er in. (â¢â De dochters,» zeiden zij, «'t staat vast, zijn de erfgenamen: Zij deelen met heur drieën samen,
En wat mama betreft, elk geeft haar van heur deel Een derde part, alzoo een derde van quot;t geheel,
Als zij 't verkiezen, uittekeeren Ten zij mama mocht prefereeren Daarvan het vruchtgebruik te trekken, dat alsdan Van stonden af beginnen kan.» â Die overeenkomst wordt gesloten,
\
T W E E D E 15 Ã E K.
En de erfenis verdeeld in drie gelijke loten.
Het eene lot bevat de kelders vol van wijn, De buitenkoepels met buffetten,
Rustieke tafels om in 't groentjen neer te zetten, En zilverwerk, en kristallijn,
De koks, en wat er meer vereischt wordt ten festijn. Met tweede deel bevat, wat de elegante waereld Begeert: een huis in stad, met meubels naar den trant, Met kabinetten, vol fluweel en zijde en kant,
Kleinooden en sieraan, met eêlgesteent' bepaereld. Borduursters, slaven, equipaadjen, naar venant.
Het derde deel bevat de weiden en de bosschen,
Hofstede, en schuur, en stal, de paarden, runders, ossen, De pachters met het volk: al wat maar voordeel geeft. Maar nu begon men in te denken,
Dat mooglijk 't blind Geval aan geen der drie zou schenken Waarin zij 't meest behagen heeft.
Dies liet men al het goed taxeeren.
En ieder deed een keus geheel naar heur begeeren.
Het is in 't wijdberoemd Atheen Dat deze zaak is voorgevallen:
De deeling en de keus werd toegejuicht door allen.
Aanzienlijk of gering. Gebulte Esoop' alleen Vermeende, dat, na al hun haspelen en twisten. De wetgeleerden zich vergisten.
Zoodat de geest van 't testament Door niemand waarlijk was erkend.
«Indien de doode weer kon keeren,»
Zoo sprak hij: «Attica! wèl had hij klagensstof.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Hoe! 't volk, dat de andren als 't vernuftigst volk vereeren,
«Dat zich verkneukelt bij dien lof,
«Kan zelfs een laatsten wil niet eenmaal expliceeren!» Hij spreekt, en deelt nu op zijn beurt:
Aan elk der drie wordt toegewezen Wat zij het minste had gekeurd,
lm niemand kreeg wat zij als wenschlijkst had geprezen. De modedame ontfing den wijn Hn wat er hoort bij 't banketteeren,
De slempster os en ezelkijn.
De gierige al dc mooie kleêren.
«Dat,» zei de bult, «zou 't middel zijn Om die drie doehterkens te noopen Heur erfdeel spoedig te verkoopen:
Dan, vrijsters met een mooien duit, Dan mochten ze eerlang op een deftig huwlijk hopen. Betaalden moeders portie uit.
Van vaders erfenis ontslagen.
Naar 's overleednen welbehagen.
Zoo als zijn laatste wil ten klaarsten had beduid!»
De Atheners juichten, en beweerden Dat één verstandig man meer wist dan tien geleerden.
EINDE VAN IllLT TWEEDE BOEK.
PmÃS5/
-
.
nlH '.: â ?â â ' «MB K
«hh^m
. tl ⢠â
,
mammmmmmmBBm mm i wmmmmmmm
WÃÃmÃÃm mm Wmm .- y
f
/0A,
'
-.⢠â â¢
ew^SSHH^^wSraaFtHI: â aSi
H
u£SS?£f^Blt;S3^»t3
â
mimm
wmmsmÃm
nriWTffiff'WwifffwWWTinmm
mÃÃÃÃm i.....11...........
-:â
â
â
WÃIÃmimÃÃmÃm
1 mmmsmm Wmmm
/ S\- i®1 ^
;-g§^Kjg;^ â -â -f-A'v'^â quot; W^Vliil WlmmSSiÃmmm^ J WBM^i
iWï quot; â MMmaDHmaB HBBMB msss^mmssswimmmm^m^mmammsmmm .''. quot; i' â ⢠'-7 .'i^S quot;-'iVli-V-V^iii quot;*â ' I V' Sü ' 'â 'â -quot;f i*
FABEL I.
DE MOLENAAR, ZIJN ZOON EN DE EZEL.
Do Kunsten, zegt men, heeft de Aaloudheid uitgedacht, En Griekenland moet de eer gebracht.
Toch kan dit akkerveld zoo afgemaaid niet wezen,
Of voor den laatste zelfs valt nog iets na te lezen. In 't Fabelland, wijd uitgestrekt.
Wordt altijd nieuwe grond ontdekt.
Begeert ge een staaltjen ?
Luister dan
DE MOLENAAR, ZIJN ZOON EN DE EZEL.
TEN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE.
17
â ,gt;â ..? n â tamp;t -' m â ⢠H
â
ijivr* â¢r?' V'quot; , â ⢠^v Ji ,-':\;1 I . â
â 1 .-⢠â
H
.
I I I â 1;. I
mm â â H BBy^js^ â¢.^Jfe'' ?.â¢.- WIÃm
â NRK.^ y 9»f^-.--; ,
HoMpgK |H| Hw4,^«®C'Sr«j*~. /gt; ^ p j *. . ,-
H â piH^ :5aE Mi
m EiS ^M i''quot;j-;''^
i -. I SBMfa't';. i«)|gt;..' ^ 4SbP
vw?'..^^wajBfc^ v, f^.v £££amp;' â., â vvcjv;^'..-.
â
quot; â â '/;â
-quot;:- . . U. #gt;'
PwM
â
,
1
-:'-|^Kf^i5 WBaWtMl ⢠f i .A * - /itf
amp;.'â ürfeï ^ 'fflVS®®
â¢?â % â â
kfö'-Y'?^-5
.-â % â \f'.r: |ögt; Kw^aHt H
r'.,;'
quot;^quot; TTff^fjfinrquot;-'-- i-'- â T..... â â¦â¢quot;â¢quot;^ ':*lt;*amp;,
MBkâ â â â 'â â â â :*â -â wbSV*:*^ W*S\-%.. .'^mvyp1
â HBv-' Tfe^i fi HH|
yiM WWBBWMWi
â 11 â 1 M
â ^»-amp;mk-
I â «.
iBBS^8M8PBIIil»^iMMiM^Hi^^^liMaHM ^,,, - 'lt; ?â¢{ '-⢠. â¢BiiiMM| , 1
jsfei HH IHHip^^
H
â¢â¢
DERDE BOEK.
«Daar was eens, werd mij laatst verteld,
een oude molenaar;
Hij had één eenig jongetjen
van even vijftien jaar:
Zij zouden tot de beestenmarkt
in 't naaste stadtjen gaan,
Hn bieden daar een ezelsjong
den gragen koopers aan. Men hield het beestjen gaarne frisch,
daarom besloot ons paar
De poten van het ezelkijn
te binden aan elkaar: Zoo konden ze aan een langen stok
hem torschen op den nek. De stumperts! iedereen bleef staan
en hield hen voor den gek. «Kijk,» was het, «wat komediespel!
Ha ha! hoe vindt ge die? Drie ezels! Die gedragen wordt,
de minste van de drie!» De mulder, als hij 't smalen hoort,
zet, met een schaamteblos, Ons grauwtjen op zijn poten neer,
en maakt de touwen los. De langoor, die toch, wèl beschouwd,
zich liever dragen laat, Aan 't pruttien! Maar de mulder doet
alsof hij niets verstaat.
'31
132 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zijn'jongen laat hij rijden nu,
hij volgt getroost te voet. Dat zien drie kramers op den weg,
de gal slaat hun door 't bloed. «Hoe, nu!» riep de oudste van de drie,
«gij rijdt op uw gemak. En laat dien armen grijsaard gaan?
klim af, gij schobbenjak!»
â «Mijnheeren!» sprak de molenaar,
«neen, 't is ook geen manier!»
Nu voetiaant de jongen weer,
en hij bereidt het dier.
Daar stappen juist drie vrouwtjens aan;
zij snaatren te gelijk: «Wel foei! die kleine jongen daar
moet klontren door het slijk.
Terwijl die oude sterke vent,
die luie kardinaal,
Net als een kalf zich trekken laat, â
dat noem ik een schandaal!»
â «Een kalf!» herneemt de molenaar,
«dat is men, op mijn woord.
Niet langer als men zestig telt,
in 's hemels naam stap voort!» Na menig schimpschot van weerszij'
verstomt de molenaar:
Hij tilt den jongen achterop,
en lustig rijdt het paar.
DERDE BOEK.
Zij gaan geen twintig schreden ver',
daar komt een derde troep,
En weer begint, van voren af,
't geginnik en geroep.
«Kijk!» schreeuwt er een, «die lui zijn mal,
hunne ezel kan niet meer;
Nog even, en â de Rosinant
valt doodgeranseld neer! Waarom dat beest zoo zwaar belast?
Al 't meelij' schudden ze uit! Wat brengt ons paartjen naar de markt?
Geen ezel maar zijn huid!» â «Och!» zucht de mulder, «dwaas is hij
die ieder wil voldoen;
Toch nemen wij nog ééne proef!...»
En beiden liepen toen; Ook langoor liep, hij trad vooruit
met statelijke schreén. En 't ging aldus, door dik en dun
een poosjen zwijgend heen. Daar komt een quidam: «Dat's wat nieuws!
en zeer économique!
De mulders-ezel promeneert,
de mulder draaft zich ziek. Wie moet er dienen, mensch of beest?
wie hunner voegt de last? Die ezel schijnt een pronkjuweel
en moest in goud gekast!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
't Was zeker, als dat mormeldier
bezweek, een ongeluk?!
Om hem te sparen, sloffen zij
hun beste schoenen stuk!
Neen, dan is Klaas een ander man:
bezoekt hij zijn Margriet,
Hij gaat te viervoet en hij voert
het zwcepsnoer niet om niet!
Een mooie trits van ezeltjens!...»
Toen sprak de molenaar:
«Ik ben een ezel, 'k was het lang,
'k beken het u , 't is waar.
Maar voortaan â ik verzeker u,
dit meen ik zeer oprecht â
Jt Zij mij de waereld lauwren biê
of distelkransjens vlecht'.
Het zij men zwijg', het zij men spreek',
en veel of weinig rell'
Ik breek er langer 't hoofd niet mee!. ..»
â Hij deed het, en â deed wel.
|
Wat u betreft, volg Mars, of Amor, of den Koning,
Ga heen, of blijf, betrek hotel, of buiten woning.
Kies 't klooster, of het hof, hoe gij het maakt of niet.
Gij wordt bebabbeld, man! Dat is het oude lied.
FABEL II.
DE LEDIiN EN DE MAAG.
JViijii eerste fabclheld â ja wel, hovelingen! â Had niet een krekel maar een koning moeten zijn. Welnu, 'k herstel mijn fout: 'k zal van een koning zingen; Zijn naam is Gaster in 't Latijn 1).
Wordt hij door lust of pijn bestreden.
1
De Maag. De uitdrukking: «Mess cv Gaster» is door La Fontaine ontleend nan R akela is (IV H. 1 F. LVII). Rahelais /egt: «Messer Gaster est le premier matt re es-arts de ce monde.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Heel 't Lichaam deelt er in. Eens weigerden de leden
Te werken voor Zijn Majesteit.
Wat zouden ze in zijn dienst ook al hun kracht besteden, Terwijl hij-zelf een lui en lekker leven leidt?
«Als wij den brui van 't werken geven,» Zoo heette 't, «moet hij zien maar van den wind te leven, 't Is schande, zoo als hij regeert!
Wij zwoegen als een paard, en zweeten â
't Komt alles daar op neer, te zorgen voor zijn eten: Nu rentenieren we ook: hij heeft het ons geleerd!»
Bravo! De hand verkoos niet langer vast te houden.
De voet, niet meer te gaan. Zij sliepen op hun post.
«Zijn Majesteit moest zelf maar zorgen voor de kost!» Maar 't was een dwaasheid die ze al spoedig zich berouwden. Zij werden slap en zwak. Geen versch gewonnen bloed, Dat stroomt door 't hart, en 't leven voedt! De leden dorden, daar de krachten hun vergingen.
Zoo zagen dan die muitelingen,
Dat Sire, onjuist beticht van luie dwinglandij,
Voor 't algemeen belang onmisbrer was dan zij!
Dit Js op de Koningschap toepasselijk te maken.
Ze ontfangt en geeft, het komt op 't zelfde neer; â Geen vorst kan 't volk, geen volk den vorst verzaken â
't Werkt al voor haar, maar zij voedt allen weer. Zij kweekt de Wetenschap, en zij beschermt de Kunsten, Verrijkt den Koopman, en betaalt den Magistraat, Beschermt den Landman, en bezoldigt den Soldaat,
Strooit heinde en ver haar vorstelijke gunsten,
136
V
DER DE BOEK. 137
,
En onderhoudt heel 't lichaam van den Staat!
Dat heeft Menenius geweten,
Toen 't Volk zich scheidde van den Raad.
Die Raad â zoo werd er uitgekreten â
Had alles in bezit, het geld, de macht, en de eer,
De waardigheid, en wat al meer,
Terwijl de burgerij de volle last moest dragen,
Belasting, impost, oorlogsplagcn!. ..
Alreeds verliet een deel de stad,
Gereed het Vaderland te ontvaren â
Toen die Menenius nog tijdig tusschentrad,
En hen begrijpen deed, dat ze al die leden waren,
En door de Fabel, die ik hem heb nagedicht.
Het volk terug bracht tot zijn plicht.
(Intusschen, jammer, dat veel magen Bedorven zijn, en veel.... maar foei! ik mag niet klagen.)
DE FABELEN VAN LA FONTAINE
138
i (V
l'èMl
. C;
FABEL III.
Dl! WOLF Ml'RUER
Het was met zeek ren wolf van schralenstcin geworden ])e schapen kenden hem gelijk den bonten hond. 't Was tijd, zich in een ander kleed te gorden; Hij zocht een nieuwen rol, en â vond! Hij zou een herder zijn. In een der wilgendreven Plukt hij een tak tot staf. Hij steelt een boerenpak. Vergeet vooral geen doedelzak:
DE WOLF HERDER.
11«
Iâ ;:â
.
DERDE BOEK.
Graag had hij 't spel ten top gedreven En op zijn strooien hoed geschreven:
«Dit is Lubijn, de scheper van dit oord.»
Onkenbaar dus voor aller oogen,
De voorste poten op zijn herdersstaf gebogen,
Treedt hij bedachtzaam voort.
Lubijn â de namaak niet, maar de echte â lag te slapen
In 't gras, zijn hond sliep aan zijn zij'.
Zijn ruischpijp even zóó, en zóó zijn meeste schapen.
De veinzaart ziet het, en gaat stillekens voorbij: Om 't schepersladinkje' in zijn haventjen te loodsen. Behoort â noodzaaklijk schijnt het hem â Bij 't herderskleed de herdersstem.
Maar dit juist bracht hem in den klem: Onmooglijk was 't de stem des herders na te bootsen!
Hij berstte in aaklig huilen uit....
Mèt was de list ontdekt. De hond, de herdersjongen, De sluimerende schapen, sprongen Klaar wakker op, bij dat geluid.
Belemmerd door zijn buis, kon nu onze arme guit Noch zich verweeren, noch 't ontloopen.
Een schurk moet soms zijn list met eigen scha bekoopen, En voorts (de tweede les die deze fabel biedt!)
Die wolf is, doet als wolf: vertrouw de wolven niet!
'41
FABEL IV.
1)1lt; KIKVORSCMEN DHL HEN KONING BEGEHREN.
D c Kikker-Republiek bad Jupiter zóó lang,
Tot ze cindlijk, eindüjk! tot den rang Van Koninkrijkjen werd verheven.
Daar viel een Koning, een heel vreedzame, uit de lucht;
Maar maakte door zijn val zoo'n leven.
Dat ons moeras-volk, toch bijzonder gauw aan 't beven. Verschrikt in riet en modder vlucht,
111
WÃÃÃÃÃÃm I'
. H
#?!â -. i - .M 'jr- i-% â â
,'1 â .-,â â¢-i/1'''ilvgt;itMmmm
mH
*/'â $ 'â *'
M l}r
â mm â : -⢠5'^ ⢠- * m
Wm
. . ..v. S
f'C:3 fVT#.1 V â =*â¢â '1 «P1 .sr » . '
wi
â Hhhe
-;; -m.. -.-â¢,
fe:;?
mm
â HBH â â â â â â Ws^jV^ â â â â Bl -jSv# mSQ
i
iW 1 H| H »2 MBL^ ^
Wm I ;^i [L:
vISfKi
Vquot;,.. .'â 'J'? 'â '?;.â¢amp;amp;â amp;â ï iü;'V:A,.-,'quot;i
iBr â¢â â ^»
â â¢, â :
-^.v-â¢
â â
S^P
a'^^fcs^iy'.^3:.vjt-Ka,^gt;â »â . swaâ gt;.v^yv-f: v rVixtySw* '
mmm
Zich wachtend de allereerste dagen Een blik op Sire, die een titan scheen, te wagen.
Nu, 't was een houten balk, zóó groot,
Dat de eerste kikker die kwam kijken, Er miserabel van verschoot.
Maar toch, hij naderde.... en een tweede vansgelijkcn, Een derde.... een gantsche kikkerdrom,
Weldra zoo famieljaar geworden.
Dat hij op 's Konings schouder klom....
Daar gaf Zijn Majesteit niet om.
Maar bleef bewegenloos. En al de kikkers morden: «O Jupiter, goedheilig Man!
Een Koning willen wij, die zich bewegen kan.» â â «Zij zullen hebben wat zij vragen,»
Denkt Jupiter, en zendt een kraan.
Maar deze valt de kikkers aan.
En slokt hen op naar welbehagen.
De kikkers slaan op nieuw aan 't klagen.
En nu spreekt Jupiter: «Wat blaaskaakt ge uit uw kolk, En schrijft de wet mij voor, ondankbaar kikkervolk? Waarom geen Republiek gebleven?
Reeds daarin hebt gij ongelijk!
Of, waart gij eens een Koninkrijk,
Ik had een lobbes van een Koning u gegeven,
Gij hebt hem schandlijk weggedreven.
Nu houdt gij dien gij hebt, of tot uw ergernis Zend ik een derde, die nog tienmaal boozer is!»
J
TKN KATR, DK PABBLKN VAN LA FONTAINE. 19
FABEL V.
DE VOS EN DE BOK.
Kapte in de vos was met zijn vriend den bok op weg, Die groote horens op kon steken Bij bitter weinig overleg;
Hij, daarentegen, zelf zat vol van slimme streken.
Zij dalen, door den dorst geprest,
Ter neder in een put, en drinken onverdroten.
In 't eind, daar is de dorst gelescht.
Maar beide zitten ingesloten.
DERDE BOEK.
«Wat nu, papa?» vangt Rcintjcn aan: «Dat smaakte goed, ik wil 't gelooven.
Maar, daar is meer te doen: wij moeten hier van daan! Ga gij op de achterpoten staan,
En steek de horens steil naar boven.
Juist, tegen dezen muur! dan klim ik naar uw kop, En van uw horens hooger op,
En zóó er uit! Dan, zonder dralen.
Zal ik u ook naar boven halen. ...»
â «Mooi,» roept de bok, «mooi, bij mijn baard! Waar hebt ge 't plan van daan genomen?
Geniën, zooals gij, zijn lof en hulde waard.
Noojt ware ik op 't idee gekomen!»
r
De vos klimt uit den put, waar hij zijn makker laat.
Maar houdt hem, als hij boven staat,
Een stichtelijke preek: «Geduld maar, oude jongen! Gij waart niet in den put gesprongen. Als uw verstand gelijk uw baard was, kameraad! Adieu, ik ben er uit. Blijf u maar dapper weeren, En help u-zelf! Want, tot mijn vreeselijke spijt.
Heb ik op 't oogenblik geen tijd!»
Bezint éér gij begint, en let op 't eind, mijnheeren!
DK FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL VI.
DE AREND, DE WILDE ZEUG EN DE KAT
Hoog op een hollen boom had de adelaar een nest; Omlaag, de wilde zeug; de kat, in een der gaten. Zoo leefden ze, ongestoord, in vrijheid, opperbest. De moeders met heur kroost, gezellig als zij zaten.
't Was vveêr de valsche kat, die 't eerst de rust verbrak. Zij klom naar 't arendsnest, en sprak:
148
r
DERDE BOEK.
«Vriendin! de dood dreigt ons â of liever onze kleenen,
Maar dat is immers één voor die zich moeder voelt! â
Ziet gij omlaag die zeug, die rustloos wroet en woelt? Zij graaft rondom onze' eik een diepe loopgraaf henen;
't Is ons verderf dat zij bedoelt:
De wreede wil den boom ontworden en doen vallen,
De jongen vallen meê, en zij verslindt hen allen!
Helaas, het zal een wonder zijn,
Als ik er één behoud! Dat onbarmhartig zwijn!...
Nu spoedt de valsehe kat zich gluipend naar beneden,
Naar 't kraambed van de zeug: «O buurvrouw en vriendin!» Zoo fluistert zij haar huichlend in:
«Pas op! het arendswijf beloert omhoog uw schreden.
Als ge uitgaat, vindt ge uw kroost vermoord!. .. Maar ik bezweer u, spreek geen woord,
Of 'k ben er ook om koud: ik spreek niet zonder reden!»
Toen ze ook in dit gezin den vrede had verstoord.
Zocht onze kat haar boomhol weder.
Bedrukt zit de arend bij haar jongen neder,
En durft niet uit om roof voor zich en haar gebroed;
De zeug heeft nog veel minder moed.
Hoe dwaas, een schijngevaar te duchten,
In plaats van 't dreigend wee, den hongersnood, te ontvluchten!
Zoo bleven zij op Jt nest met ongelokcn oog,
Op alles voorbereid, heur kinderen bewaken,
De een luistrend of de boom nog niet begon te kraken, De andre of de moordenaar de vleugels niet bewoog. De honger deed zijn werk: beroofd van alle voedsel,
Verzwakt, vermagerd tot op 't been,
149
ISO DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
------- _ . ^
Bezweken ze allen, een voor een,
Tot jTroote vreugd van 't katgebroedsel.
Och, och, wat heeft een valsche tong Al leeds gewrocht voor oud en jong!
Pandora's doos heeft vrij wat kwalen Verspreid door onze «jammerdalen,»
Maar, wat wel, 't meest van al, der braven vloek verdient,
Noem ik: een huichelenden vriend.
DERDE BOEK.
'5'
A
FABEL VII.
DE DRONKAARD EN ZIJN VROUW.
Eik mensch heeft zijn gebrek, dat altijd wederkeert, Door schaamte noch door vrees geweerd. Een voorbeeld! want ik wil geen stelling ooit bepleiten, Of ik bewijs haar u met feiten.
Een zeekre Bacchus-vriend verspilde al evenzeer Zijn geest, zijn lichaamskracht, zijn geldelijk vermogen.
152 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
_ ^
Dc luidtjens van zijn soort zien halvenvcegs, of éér,
Den laatsten rooden duit gevlogen.
Eens had de likkebroêr zich zóó te goed gedaan,
Dat hij bewusteloos ter aarde lag gezonken.
Zijn vrouw trok hem een doodshemd aan,
Kn lei hem in een kist in een der grafspelonken.
De wijn heeft uitgedampt. De man ontwaakt en ziet Het lijkgewaad, de kist, de graflamp in 't verschiet.
«Hoe!» roept hij, «wat is dat? Zou mijn geliefde gade Reeds weduw zijn?» â Zijn gade komt De grafkluis ingetrecn als Schrikgodin vermomd,
Gemaskerd, ruischende in de witte doodenwade.
De spookgestalte nadert hem.
En biedt hem met een holle stem Een papjen warm en wel, «door Pluto hem gezonden.»
O schrik! o overtuigend blijk,
Dat hij zijn einde had gevonden!
Hij zou dus burger zijn van 't aaklig Schimmenrijk!
«Wie zijt gij?» roept hij uit, «gij Boó van 's Hemels toren!» â «Portierster van de Hel!» zoo liet zich 't spooksel hooren, «Die daaglijks eten brengen moet Aan alle die ten grave zinken.» â
De half-ontnuchterde andwoordt: «Goed!
«Maar brengt gij ook niet iets te drinken?»
DERDE BOEK.
FABEL VIII.
DE JICHT EN DE SPIN.
De booze schiep dc jicht en kort daarop de spin, En zei toen: «Dochtertjens, hier kunt gij roem op dragen, Gij zult om strijd de menschen plagen.
En dat is bijster naar mijn zin.
Maar nu, waar zult gij henen reizen?
Ziet gij die hutten en paleizen?
â¢S3
Welaan, daar trekt gij heden in.
TKN KATK, DR FABRLRN VAN LA FONTAINE. 20
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Het lot bcslisse naar bchoorcn,
Tenzij gij 't in der minne schikt.» â
«Och,» zei de spin, «zoc/n hut kan mij niet sterk bekooren.» De jicht had ook 't paleis begeerig aangeblikt,
Maar och, het krielde er van doctoren.
Zij dacht: «Hier is 't niet pluis,» en sloop In 't hutjen, waar ze op 't bed aan 's landmans voeten kroop. «Hier,» meende zij, «zal 'k veilig wezen,
'k Heb hier geen Faculteit, mijn leven lang, te vrcezen.» Intusschen klimt de spinnekop In 't vorstelijk paleis de lambrizeering op:
Zij weeft uit al haar macht, heur webbe is opgehangen, En daadlijk gaat ze aan 't vliegen-vangen.
't Gaat best â tot onverwachts de huisknecht binnenspoedt. En met zijn ragebol heel 't web verdwijnen doet.
Een ander nest gebreid! Daar komt die bezem weder En weggevaagd is 't nieuwe rag.
Zoo moet het arme dier verhuizen dag aan dag;
Toen legde ze er de spil bij neder.
En ging naar zuster jicht. Zij trof haar aan op 't land Bedrukter dan zij-zelf. Och, wat al ongemakken!
Wie is daartegen ook bestand?
Haar gastheer trok haar mee, nu eens om hout te hakken, Dan om te zagen, of te spitten , «want de huid Moet zweeten,» zegt de boer, «dat drijft de jicht er uit!» â «Och, zuster,» smeekt de jicht, «laat ons van woonstee ruilen !» Spin heeft er ooren naar, en haast zich weg te schuilen In 't hoekjen van de hut: hier is het overvol Van vliegen! hier geen ragebol!
DERDE 15 O E K.
De jicht wist, op haar beurt, weldra Jt paleis te vinden Van d' ouden bisschop, kroop door 't reetjen van de deur, En wist behendig Monseigneur Voor immer op zijn bed te binden.
Wat al gepleister en gepap.
En windsels om het lijf en kruikjens onder 't laken!
Daar zijn er altijd, die, in naam der Wetenschap,
Het kwade nog veel erger maken....
De nieuwe woning stond ons paartjen bijster aan: Zij hadden alle twee een goeden ruil gedaan.
'55
FABEL IX.
DLL WOLF EN DE OIEVAAR.
Wolven! och, wie kan 't beschrijven, Hoe ze schrokken? 't Zit in 't ras. Ãén, die bijster gulzig was.
Dacht er eenmaal in te blijven.
Door een overhaast genot Haakte een beentjen in zijn strot. Schreeuwen â viel niet aan te denken!
V
Bij geluk spanceerde daar Juist mijnheer de Lepelaar:
Deze zag den lijder wenken,
Snelde toe, en diep begaan Ving hij de operatie aan.
Met zijn snavel, wacht maar even. Werd het beentje' er uit gehaald. «Moeite had hij zich gegeven:
«Goed salaris moest betaald!» â «Wat, salaris? Durft ge 't vragen?» Schreeuwt de wolf: «verwaande gek! Is 't niet veel, dat gij den bek Strafloos in mijn muil mocht wagen? Ga, ondankbaar schepsel, ga! Kom mijn klauwen nooit te na!»
FABEL X.
DE LEEUW DOOR DEN MENSCH VERSLAGEN.
J
Zieker schildersbaas penseelde
Laatst een stuk daar kracht in stak, Dat één eenig man verbeeldde,
Die een leeuw de ribben brak.
«Ziel» sprak ieder, «'t al moet wijken Voor den Mensch, der sehepping heer!»
158 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DERDE HOEK.
(
Maar een leeuw, die ook kwam kijken,
Sloeg hun dwazen hoogmoed neer.
«'k Zie op 't doek u zegevieren,»
Sprak de leeuw: «de Poëzy Mag verzinnen en versieren â
't Liegen stond den kunstnaar vrij.
Maar op heel wat beter gronden Toonden we u het tegendeel.
Als wij leeuwen ons verstonden Op 't behandlen van 't penseel!»
â 59
/
FABEL XI.
DE VOS EN DE DRUIVEN.
Zeker vosje', uit Normandyën
Of Gasconje, 'k laat dat daar, Moest zoolang al honger lijën.
Dorst en honger bij elkaar. Als hij rondblikt met verlangen. Ziet hij aan een wingertmuur
V
J
DE VOS EN DE DRUIVEN.
TEN KATK, DE PADELKN VAN LA PONTAINE.
21
DERDE BOEK. 163
r------^
Blauwe muskadellen hangen,
Rijp gestoofd door 't zonnevuur.
Wat hij smachtte naar een trosjen!
't Hing te hoog!... Wat zet hij toen?
«Ik bedankje,» zei het vosjen,
«Druiven, gij zijt al te groen!»
Zoo hield het vosjen zijn fatsoen.
FABEL XII.
DE ZWAAN EN DE KOK.
In een diergaarde, onder velen, Woonden zwaan en ganzenjong: Gans, bestemd om 's meesters tong, Zwaan, om 's meesters oog te streelen.
Beider jaloezy was groot;
't Was een wederkeerig roemen:
Zwaan zei: «Ik hoor bij de bloemen,» Gans zei: «Ik ben huisgenoot.»
DERDE BOEK.
En als paartjen naast elkander Door den breeden vijver zwom,
Hield het wedstrijd met elkander, Domplend, duiklend om en om, Stuivend door de waterkom....
Eens â hij had wat veel gedronken! â Kwam de kok en zag de zwaan Bij abuis voor 't gansjen aan:
Nu zou zij aan 't spit gebraan!
Alle hoop was haar ontzonken;
Dies begon ze, droef en zacht.
Haar welluidende afscheidsklacht. Als die zilvren klanken schallen.
Laat de kok het slachtmes vallen. «Wat onhandigheid was dit!»
Roept hij: «hoe! een zwaan aan 't spit, Zij, een zangster, uitgelezen 1 't Zou wel zonde en schande wezen!»
Zijt gij in gevaar of nood.
Spreek! licht geeft het u een kansjen â
't Zingend zwaantje' ontkomt den dood: Sterven moet het stomme gansjen.
165
FABEL XIII.
DE WOLVEN EN DE SCHAPEN.
Na duizend jaren bloedig strijden,
Kwam 't tusschen wolf en schaap toch eindlijk tot een vree.
Men zei, 't was best voor alle twee:
Want nam het wolfgebroed al menig schaapjen mee.
De herders wisten ook bij tijden Geduchte riemen uit der wolven huid te snijden.
't Was onrust steeds van wederszij'.
V
J
DE WULVEN EN DE SCHAPEN.
DERDE BOEK. 169
------
Nooit was men één van beide vrij:
Hier niet in 't grazen, en daar ginder niet in 't stroopen.
Men moest elk hapjen steeds met bange vrees bekoopen:
En daarom, dat het vrede zij!
Nu moesten gijzelaars gezonden;
De wolven zonden hun gebroed,
De schapen evenzoo, hun honden;
't Ging alles zwart op wit, naar rechten, en met spoed.
Intusschen, 't leed niet lang of onze wolfjens wiessen Tot wolven â even tuk op bloed.
Ze wisten juist hun tijd te kiezen:
De herders waren uit â toen koelden zij hun moed.
De helft der lammeren (de vetsten!) werd verslagen,
En in hun rooden muil naar 't boschhol heengedragen.
Daar wachtten de ouden reeds, die wisten van 't klomplot.
Zij hadden in den slaap de honden aangevallen:
Die voelden reeds de tanden in den strot Toen zij ontwaakten, en â aldus bezweken ze allen!
Wat leert dit? Dat men strijden moet,
Stééds strijden tegen de onverlaten.
De vrede is een begeerlijk goed;
Maar 'k vraag het u, wat kan hij baten Met een meineedig wolfsgebroed?
FABEL XIV.
DE LEEUW OUD GEWORDEN.
2eckre leeuw, eens schrik van 't woud, Treurde nu, verstramd en oud.
Dat zijn glorie dus moet tanen;
Al zijn eigen onderdanen.
Door zijn zwakte sterk en stout. Kwamen om hem aan te randen:
13 E R D E B O E K. 171
r
Eerst een trap der paardenpoot,
Toen een beet der wolventanden,
Straks van de os een horenstoot!
De oude leeuw, van smart aan Jt hijgen,
Brult niet eenmaal maar blijft zwijgen,
En verwacht getroost den dood.
Maar als de ezel ook durft naadren,
Kookt hem eensklaps 't bloed in de aadren.
Zulk een hoon kan niet verkropt;
«Willig zal ik 't leven derven,»
Roept hij, «maar dat hij mij schopt,
Dat is meer dan tweemaal sterven!»
FABEL XV.
F1LOMEEL EN PROGNÃ.
De zwaluw Prognc, op een morgen,
Verliet haar rieten dak en zocht het woudpriëel,
Waar 't zoete klaaglied klonk der droeve Filomeel. «Wel, zuster!» sprak zij, «steeds vol zorgen? Men heeft u stellig in geen duizend jaar ontmoet:
Sints Thraciën hebt ge ons nog geen bezoek gegeven. Wat stelt ge u voor? Altijd in de eenzaamheid te leven?»
DERDE BOEK.
â «Ja,» fluistert Filomeel, «die eenzaamheid is zoet.»
â «Maar;» andwoordt Progné, «zulke zangen Als de uwe, moeten die door 't wouddier opgevangen,
Of door een enklen boer begroet?
Hier in de wildernis gaat uw talent verloren:
Kom, laat het in de steden hooren!
Hoe kunt gij toeven in een woud,
Waar alles immer van dien Tereus u moet spreken,
Die in een oord als dit u 't harte durfde breken?»
â «Helaas!» zucht Filomeel, «'t is juist die hoon, zoo oud. Toch altijd levendig, die mij verwijderd houdt.
Ik zie geen menschen voor mijn oogen Of 'k word nog dieper door de errinnering bewogen!»
175
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XVI.
DE VERDRONKEN VROUW.
Neen, 'k ben niet zulk een mensehenhater Die zegt: «'t Is niet-met-al, er ligt een vrouw in 't water!» 't Is veel! De sexe, die ons hemelrozen vlecht,
Heeft op ons meegevoel een onweêrspreeklijk recht. Dit komt hier niet te onpas, daar 'k mij had voorgenomen
U juist te spreken van een vrouw, In 't bruischen van een stroom ellendig omgekomen.
176
r
DERDE BOEK.
Haar cga zocht haar lijk, in troosteloozc rouw,
Opdat hij 't leven van zijn leven Althands een eerlijk graf mocht geven!
't Gebeurde nu dat juist aan d'oever der rivier Verscheiden wandlaars zich bewogen.
Hij vraagt â men luistert met meêdoogen,
Men weet van niets. «Zoek ook niet hier,»
Zegt de een', «zoek hoóger op, wis nam de vloed haar mede.» â «Neen, goede man,» hernam een tweede,
«Zoek tegen stroom! Hoe krachtig ook De vloed haar aangreep toen ze dook.
Haar heeft de geest van tegenstreven Gewis naar d' andren kant gedreven!»
Die spotternij, ja wel, was op dien tijd te onpas.
En wat betreft dien geest van tegenspreken,
Ik weet niet of 't hier de waarheid was:
De schuld der Schoone Kunne is mij niet klaar gebleken.
Maar dit is zeker en gewis.
Wie met dien geest geboren is,
Die draagt hem met zich allerwegen
Totdat vriend Hein zijn oogen sloot:
Hij stribbelt tot den dood toe tegen,
Ja, kon het zijn, zelfs na den dood!
TEN KATK, DK KAHKLKN VAN LA FONTAINE.
23
FABEL XVII.
HET WEZELTJEN IN DE SPIJSKAMER.
Juffer wezel, lang en rank â Kort geleden was ze krank â
Was de spijskast ingeslopen
Door een gaatjen in een plank.
Een Beloofde Land ging open Voor onze arme lekkerbek,
Meel en boter, worst en spek!
Zoo werd wezel, 't was geen wonder!
Altijd ronder En gezonder,
DERDE HOEK.
Altijd beter op haar streek....
Maar op 't einde van de week,
Pas had zij het maal genomen,
Stil! daar hoort zij iemand komen 1 Haastig wil zij 't gaatjen uit,
Maar jawel, de Juffer stuit «'k Heb mij,» dacht ze, «in 't gat bedrogen.» Zij doorvliegt heel 't kamerkijn. Vruchtloos gaan alom haar oogen:
«Neen, 't moet toch dit gaatjen zijn! Vreemd! een dag of zes geleden Ben ik er door heen gegleden,
En reeds nu!. ..» Een oude rat Zag hoe ze in de pekel zat,
«Wezel!» sprak zij, «wil 't bezinnen. Toenmaals waart ge been en huid.
Mager, mager, kwaamt gij binnen.
Mager, mager moet ge er uit!
Dat wordt aan voornamer snaken Ook wel eens gezegd. Maar stil,
Doen wij niet als Albedil,
Die zich moeit met andrer zaken!»
'79
r
11
!
DE FABEL li N VAN LA FONTAINE.
iSo
ipn
!
â r i'i;,
m !:!l'
|:|
liquot; m!
ii li Ã
Ij1, j, ifil1
FABEL XVIII.
1)1-: KAT EN DE OUDE KAT
'k Las onlangs in een Fabelboek Van Knabbelzwoert den 11«, een Caesar van de katten, Een Atilla voor alle ratten,
Een geeselroede, een pest, een vloek! Jk Heb van dien Cerberus gelezen,
Dat hij zich uren ver deed vreezen,
Dat hij der laatste muis den dood gezworen had.
i'i ' ;!
I li
vIH li l1!
H :
'1 5
ijl' ill Ã
DERDE BOEK.
Wat waren gift cn muizenvallen En rattenklcmmcn met hun allen In vergelijking van de klauwen dezer kat?
Als zij bemerkte dat de muizen Zich «stiekem» hielden in hun kluizen,
Zoodat geen enkle zelfs meer uit een hoekjen schoot,
Daar hield zich onze slimmert dood.
Zij ging, den kop omlaag, aan de achterpooten hangen.
«Kijk!» dacht het muizenvolk, «zij heeft den baas gekrabt. Geslobberd van de melk, of 't vogeltje' opgehapt.
En aldus loon naar werk ontfangen!»
Men zou te saam', dat spraken ze af,
Een ronde dansen op haar graf.
Zij staken 't neusjen op en waagden zich, maar even. En haastig weêr door de angst in 't holletjen gedreven.
Toen â keerden zij heldhaftig weêr;
Toen â waagden zij een stap zes zeven;
Toen â allen voorwaards! marsch! «Hoezee, geen vreeze meer!» Maar dat was mis. De kat herleefde,
Sprong neer, en richtte een slachting aan,
Waarbij de helft der muizen sneefde.
«Een krijgslist!» juicht de kat, «zij kan voor twee volstaan! Maar 'k weet er meer nog, en 'k verzeker u, hier baten Geen holen en geen keldergaten!
Gij zult bij mij den weg van alle muizen gaan!»
De profecie was waar. Ons allerliefst Pegaasjen
Verzint een andre streek. In 't meelvat kruipt de guit:
Zwart ging ze er in, wit kwam ze er uit.
En in de trogbak koos ze een plaatsjen.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dat was bijzonder goed bedacht: Het trippelvolkjen springt al piepende naar voren, Zijn onheil te gemoet. Een rat bleef stil op wacht: Een oud gediende was 't! Hij had, op menig jacht En heeten strijd beproefd, zijn staart er bij verloren.
«Die trog belooft niet bijster veel,» Dus riep hij uit de verte; «O groote Muizenslachter! Wij kennen u; daar schuilt wat achter.
Het helpt u niet, al zijt gij meel!
184
Al waart ge een zak, gij aartsverrader. Mij fopt ge niet, ik kom niet nader....»
EINDE VAN HET DERDE HOICK.
Zeer wel, mijn oude rat! ik prijs u wijs beleid. De ervaring raadpleegt gij, en laat u niet verrassen: Gij weet dat Op-zijn-tellen-passen De moeder is der Veiligheid!
VIERDE BOEK.
TRN KATR, DR FABRLKN VAN LA FONTAINR,
VIERDE 15 O EK.
FABEL I.
DE VERLIEFDE LEEUW.
AAN MEJUI'VROUW DE SÃVIGNÃ. *).
O gij, die geest aan schoonheid paart, Tot vierde Gratie uitgelezen!
Die inderdaad volmaakt zoudt wezen,
187
Als gij niet zoo gevoelloos waart! Hoe? Wilt gij naar een fabel luistren, En zoudt gij waarlijk zonder schrik Hen leeuw zien, die, door Amors blik Kctooverd, willig zich laat kluistren?
®) FKANgoiSE Maroubrite de SÃViONÃ, dochler va» de beroemde Madame de Sévkiné. Zij was ongeveer 20 jaar oud, toen La Fontaine, in 1638, haar deze fabel toewijdde. Ken jaar later trad zij met den llr. DE Grignan in 't huwelijk.
i88 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
r i
(
Die Amor is een waar tyran.
Heil wie alleen van hooren-zeggen
Van zijn ellende spreken kan!
In ernst zijn boekje' u openleggen,
Dat gaat niet aan; â maar 't schertsend lied,
Niet waar, een fabel, doemt gij niet?
Zoo gun, de mijne u op te dragen!
Al wat voor dit vermeten pleit Is, mag ik die bekentnis wagen, â
Bewondring en Erkentlijkheid!
Ten tijde toen de dieren spraken.
Was ook der leeuwen hoogste wensch,
Zich aan te sluiten bij den mensch.
En wie zou die begeerte wraken?
Het leeuvvenras was ons geslacht Ten vollen waardig, zou 'k gelooven;
Het had verstand, en moed, en kracht.
En schoone manen daarenboven.
Hoor, wat de sage ons weten doet;
Een zeekre leeuw van aadlijk bloed Zag in de groene lentedagen Een herderin naar zijn behagen.
Zijn sympathie was onbegrensd:
Hij haast zich haar ten echt te vragen.
Papa-lief had wel graag gewenscht Zijn schoonzoon mocht zoo woest niet wezen.
Zijn kind te geven, 't viel hem zwaar!
Zijn kind te weigren, groot gevaar!
VIERDE BOEK.
En bovendien, 't was wel te vreezen, Al dorst hij weigren, dat ons Paar Het Eehtsnoer heimlijk toe zou halen.
Want zoo'n klein beetjen wildeman,
Daar houdt het schoon geslacht wel van. En krullen, blond als zonnestralen.
Zijn jonge-meisjens-idealen 1
't Scheen dus papa geen zaak te zijn Dat leeuwtjen ruw werd weggezonden.
Dies sprak hij: «Hoor! mijn kind is fijn; Gij zoudt haar met uw klauwen wonden, Zoo vaak gij haar aan 't harte sloot. Vergun mij dus aan elke poot De nagels schoontjens af te knippen! De tanden moeten onverwijld,
Ook dat is noodig stomp gevijld.
Zoo zal het kusjen zachter glippen.
En 't vrouwtjen, dan niet angstig meer, Geeft williger u 't kusjen weer!»
Dat laat de leeuw zich welgevallen: Zóó blindt de Liefde zijn verstand!
Daar staat hij, zonder klauw of tand, Gelijk een vesting zonder wallen;
Zijn weerelooze Majesteit Wordt weggedreven door de honden.
O Liefde, als gij ons hebt gebonden. Dan is 't: «Vaarwel Voorzichtigheid!»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL II.
DE HERDER EN DE ZEE,
Een herder, wonende aan de zee,
Was lang met de opbrengst van zijn lammrenkooi te vree.
Hij kon wel niet in weelde baden.
Maar had een vaste winst, al was ze dan niet groot.
Doch toen hij nu de handelsvloot Jaar in, jaar uit, aan 't strand haar schatten zag ontladen, Werd zijn begeerte zóó verzocht.
192
V
DE HERDER EN DE ZEE.
VIERDE BOEK. 195
Dat hij in 't eind zijn vee verkocht,
En 't geld waagde op de zee. lién schipbreuk â 't was verloren!
Toen werd hij herder als te voren,
Of liever herders-^^7//. De «Damon» van weleer Werd «Schepers Piet er,» en niets meer!
Toch lukte 't hem op nieuw een potjen saam' te gaaren:
Hij koopt zijn schaapjens blij terug.
En toen nu eens de zee, zoo vreedzaam en zoo vlug De schepen thuisbracht op heur baren.
Toen riep hij uit: «Ha, welbekend!
Mevrouw wil money, al zijn dagen!
Gij moogt het bij mijn buurman vragen :
Van mij krijgt gij geen halven cent!
Dit is geen fabeltjen uit aardigheid verzonnen;
Ik toon naar waarheid aan wat ons de ervaring leert.
Eén stuiver, goed en wel gewonnen,
Is meer dan tien op zicht, waarop men speculeert â
Hij heeft het meest, die 't minst begeert!
Hoe de eerzucht en de zee u tergen.
Vertrouw ze niet! Voor één die taamlijk is voldaan,
Heft daaglijks een dozijn bedroognen 't klaaglied aan:
De zee belooft u gouden bergen.
En brengt u â roovers en orkaan!
FABEL III.
DU VLIEG EN DE MIER.
lieg en miertjen twistten samen Wie wel 't meeste waard mocht zijn. Toen zij kwamen Voor Jupijn,
Sprak de vlieg: «Heer, mag dat zijn, Dat zoo'n miertjen,
Kruipend diertjen,
VIERDE BOEK.
Zich met mij gelijkstelt, Heer! Mij, die leef in hooger sfeer?
Ik mag reizen Naar paleizen:
'k Zet mij aan der Grooten disch, Eer zij-zelf zijn aangezeten;
'k Heb van 't offervleesch gegeten,
Eer 't door u geroken is; â
Daar dit schepsel, drie, vier dagen Aan een strootjen zit te knagen.
Dat zij bang en moeitevol Voortgesleept heeft naar heur hol. 't Juffertjen maakt veel vertooning.
Maar, heeft ze ooit een voet gewaagd Op het hoofd van prins of koning. Van een jonge, schoone maagd? Dat doe ik! haar halsjen streel ik, Met haar lieve lokken speel ik,
En ik hoog haar blankte nog,
Als zij mij weet na te maken En met tooverzoet bedrog Moesjens legt op rozenkaken.
Kom mij nu nog met uw graan En uw voorraadschuren aan!» â
â «Uitgebulderd, naar ik reken?»
Vroeg de nijvre mier: «Welnu, 'k Hoorde u van paleizen spreken. Lieve, men verwenscht er u!
197
198 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
---- ^
Meent ge, omdat gij ongeroepen
Van de godenspijs durft snoepen,
Dat zij daardoor beter wordt?
Durft ge alom een weg u banen,
Heiligschenners en profanen
Doen de kieschheid ook te kort.
Op het hoofd van Majesteiten
En â van ezels zet ge u neer!
Zeker, maar wel menigkeer
Boet gij die brutaliteiten
Met den dood: ook dat zijn feiten!
.
Een klein pleistertje' op 't gelaat Meent gij, dat wel aardig staat ?
Goed, maar als ik nu eens zeide,
Zwart is 't, even als wij beide?
%%
Doch het draagt üw naam? Gij weet Wie de franschman mouches heet?
Tafelschuimers, lepellikkers!
En mouchards ? Zoo noemen wij Stille dienders en verklikkers!
Zwijg dus met uw snorkerij!
Al uw lieve naamgenooten
Worden als de pest gehaat,
Weggejaagd of neergestoten:
't Is uw voorland, kameraad!
Najaarsvlagen,
Winterdagen Volgen straks den zomertijd â
Koud en machtloos zult ge zwerven.
VIERDE BOEK.
Eindelijk van honger sterven â Onderwijl ik mij verblijd In de vruchten van mijn vlijt.
'k Zal niet bibbren, 'k zal niet beven, Schooiend op maraude gaan,
In den regen, in d' orkaan:
Zonder kommer zal ik leven!
Ware roem, en ijdle waan,
Zie nu 't onderscheid eens aan! Nu, vaarwel, 'k Moet u verlaten. Eerlijke arbeid roept me al vast. Noch mijn graanschuur, noch mijn kast Raken vol met al dat praten.
'99
FABEL IV,
DU HOVENIER EN Z Ij N LANDHEER.
Ilen minnaar van het buitenleven, Een heerenboer, bezat een aardig lapjen grond, Een moestuin, van een heg omgeven.
Waar kropsalade en zuring stond En nog wat bloemekens daarneven, Viooltjens, roosjens, en zoo voort.
Om als Margot verjaart een kransjen saam' te weven.
VIKRDK li ü ]â¢: K, 201
Dat heil wordt door een haas verstoord.
Hij ging het bij zijn landheer klagen:
«Dat beest komt,» sprak hij, «dag en nacht Aan al mijn geele kroppen knagen,
Terwijl hij met mijn strikken laeht;
Ook raken knuppels hem noch steenen:
Het is een tooverheks, zou 'k meenen!» ....
â «Een tooverheks?» sprak de andre: «Nu,
Al was 't de droes, ik mag het lijden;
Mijn Fylax, dat beloof ik u,
Zal, spijt zijn listen, van dien strooper u bevrijden!»
â «Wanneer?» â «Wel, morgen reeds: hoe eer hoe liever!» - «Goed!»
Daar kwam het heerschap met zijn stoet Van jagers met hun toebehooren.
«Ha,» riep hij, «eerst een flink ontbijt!
Uw hoenders zijn toch malsch? Kom gij eens wat naar voren,
«Ciij dochter van het huis, lief bekjen daar gij zijt!
Ge wordt toch zeker al gevrijd?
Wanneer is 't bruiloft? Nu, papaatjen.
Dan steekt ge eens goed de hand in 't laadtjen!.. .»
Hij wijst ze een plaatsjen aan zijn zij':
Hij nijpt haar in den arm, hij streelt haar vrij wat keeren â
Eerbiedig zoekt ze 't af te weeren.
Toch luistrend naar zijn vleijerij Met meer plezier dan pa-lief zou begeeren.
Intusschen bikt men braaf, en lustig sist de pan.
«Ik zie daar mooie hammen hangen....»
â «Indien mijnheer ze mocht verlangen.
Dan zijn ze tot zijn dienst.» â «Zeer gaarne, goede man!»
I ' I
â¢20
THN KATR, Dit KAHRI.RN VAN I.A HONTAINR.
])Jlt;: FA HELEN VAN LA FONTAINE.
Daar wordt zoo taamlijks iets verslonden,
Door hem, zijn knechts, zijn paarden, en zijn honden. Hij speelt den baas als was hij thuis.
Hij laat zijn gastheers wijn zich smaken,
llij kust zijn dochters rozenkaken ... .
't Ontbijt is opgeruimd, nu volgt het jachtgedruisch. 't Getoet van horens en trompetten Deed onzen landman 't hart ontzetten.
Maar 't ergste nog van alles was De schade door zijn hof geleden:
De pannen ploften naar beneden
Van 't tuinhuis, al het groene gras.
De sla, de kool werd plat getreden.
Dicht onder Jt peenloof school de haas. Men jaagt hem op, hij maakt zich beenen. En rept zich door een gaatjen henen,
Neen, door een vreeslijk gat, helaas! Op landheers last door zijn getrouwen Baldadig in den heg gehouwen:
Daar moest, zooals de mode scheen. De gantsche stoet te paard doorheen. «Och!» zucht de man, «dat zijn vermaken Van prinsen, die geen burgers smaken!»
Men liet hem praten, en de jagers van Mijnheer Vernielden op één morgen méér Dan ooit geschied zou zijn in vijf-en-twintig jaren Door alle hazen die er waren.
202
VIERDE HOEK. 203
r ^
Gij Vorstjcns, regelt zelf uw zaken! Gij verliest, Wanneer ^ij Koningen tot uw arbiters kiest:
Wilt nimmer ze in uw twisten mengen, Hun legers, allerminst, uw grenzen binnenbrengen!
FABEL V.
DE EZEL EN HET SCIIOOÃ1IONDTJ EN.
Tracht niet geen talent te prijken
Dat gij niet bereiken kunt!
Op een gentleman te lijken
Is geen lompen boer vergund. De uitverkoornen zijn niet velen,
Die de tooverkunst verstaan Vleiende aller hart te stelen:
Zie hen zonder afgunst aan 1 Breng het voorbeeld u te binnen,
't Voorbeeld van ons Heintjen-grauw, Dat, om meesters gunst te winnen.
V I E R 13 E 13 O E K. 205
/ quot; A
I
Tceder hem omhelzen wou.
«Hoe?» dacht de ezel, «Krulkardoesjen,
Wijl hij vriendlijk is cn teer,
Heet een «lieverU en een «snoesjen»
Bij mejuffer, bij mijnheer.
Ik moet steeds voor slagen beven:
Hij krijgt telkens zoen op zoen;
En wat doet hij? Pootjens geven!
Nu dat kan ik ook wel doen!» â
Dat's een lumineus ideetjen!
Ginds zit meester wel te vreên In 't priceltjen bij zijn theetjen:
Bruintjen draaft er spoedig heen,
Heft een hoef op, half versleten,
Aait er meê langs meesters wang,
lin verfraait zijn stout vermeten Met een balkende' ezelszang!
Maar de meester roept vol toren:
«Welke omhelzing! wat geluid!
«Jan, de zweep!» â Om bruintjens ooren Zwiept de rotting dat het fluit.
Onder 't rietjen Zingt de held een ander liedtjen â
Daarmee is het kluchtspel uit.
FABEL VI.
DE WEZELS MET DE KATTEN IN OORLOG.
't W czel-volkjen, evenzeer Als 't aaloud geslacht der katten, Gaat de ratten Fel te keer;
En zoo dezen voor hun gaten Niet zoo'n enge poort bezaten, Had Langlende uit al zijn macht Daar al lang 't verderf gebracht.
VIERDE IK) EK.
Ecns â 't was een dier vruehtbre jaren Toen de ratten vele waren â-Schikte koning Ratapon Bataiilon aan bataillon.
Wezel ordende ook zijn scharen,
En â een heete strijd begon!
Lang â zóó melden 's Lands kronijken â
Wankelde de krijgsbalans:
De akker lag bezaaid met lijken.
Eindlijk keerde zich de kans,
En â de ratten moesten wijken!
Zeker, Knaphorst hield zich goed 1), Kruimdief baadde in 's vijands bloed, Brokgrijp, grijs van stof bestoven.
Hield nog lang het hoofd naar boven â Maar de vijand was Te kras:
Vruchtloos tegenstand geboden!
Overste en soldaat ontvloden â
Al de Vorsten beten in 't gras!
In de gaten, in de holen Was 't Janhagel ras verscholen:
Daar spoort hen geen wezel op.
Niet alzoo de groote heeren:
Dezen dragen reigerveêrcn,
207
1
La Fontaine zinspeelt op eenige beroemde helden uit IIomrrus' Muis- en Kquot;ih'orsc/ikrijg. Zijn Arlapax wordt echter daar niet aangetroffen: wel 'Apro^ayo^,door r»ll.i)KUi)i.iK Knapko rst
geheeten. Ps'icarpnx, W heet hij Bii.dkrdi.ik K ruim die I; A/oiiinrpax, Mepi^xp^ra^, B rok g r ij p.
Ik hel) gemeend de (Irieksche namen niet onvertaald te mogen laten, en koos vader Bil.dkrdijk tot peter.
208 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zware pluimen op den kop,
't Zij dan om tot merk te strekken
Van hun rang,
't Zij om meer ontzaeh te wekken â
Dit-juist wrocht hun ondergang! Vonden ze al een gaatjen open,
't Was 't gepluimde hoofd te kleen, Daar de mindren, één voor één, In het nauwste reetjen kropen. Wat alzoo werd omgebracht, Was de crcme van 't Geslacht!
Lastig is 't een pluim te dragen; De al te rijke staatsiewagen
Past somwijlen niet in 't spoor. Let op spinwebs vliegenvangen:
Waar de grooten blijven hangen, Vliegen meest de kleintjens door!
FABEL VII.
DE AAP EN DE DOLFIJN.
Wanneer de Griek een zeereis dec, Dan nam hij afgerichte honden
En kunstjens-makende apen mee. Een schip, waar beiden zich bevonden.
Zonk, dichte bij Athene, in zee. De Dolfijns hielpen, anders waren
De passagiers, met vrouw en kind, Met man en muis naar 't graf gevaren.
TRN KATK, DR FABRLRN VAN LA FONTAINR.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dc dolfijn is des menschen vrind,
Zegt Plinius, en 'k wil 't gelooven.
Hij redde dus wat hij vermocht.
Een aap, die ook te ontkomen zocht,
Sprong op zijn rug. Hij hield hem boven,
De goede dolfijn, in den waan Dat hij een mensch droeg, zoo manierlijk Zat ook ons aapjen daar, zoo sierlijk
Als ooit Arion heeft gedaan.
Reeds gaat het recht naar d' oever henen.
Daar vraagt de dolfijn hem in 't end:
«Zijt ge uit Athene?» â «Dat zou 'k meencn!»
Is 't antwoord, «'k ben er zeer bekend. Kan ik u soms daar hulp verlecnen, Zoo spreek! want ik en mijn geslacht Zijn hooggeplaatst en veelgeacht... Nog onlangs is één van mijn neven Ten vrederechters-stoel verheven.»
â «Dank!» zei de dolfijn, «dank! gij ziet Ook uw Piraeus menig keeren?
Gij zoekt hem daaglijks op, is 't niet?» Waarop zich 't aapjen hooren liet:
«O ja, dat 's een dier groote heeren,
Die daaglijks mij een handtjen biedt!» .. . Ons aapjen had â hoe kan 't zoo komen? â Een haven voor een mensch genomen.
Nog zijn er veel van zulke liên.
Die Holland Neêrlands hoofdstad heeten;
2 IO
â¼ Vfl 5
VIERDE li O EK.
Zij babblen of zij alles weten, En hebben niet-met-al gezien.
De dolfijn lacht eens, blikt ter zijde
Zijn ruiter aan, en merkt met spijt Dat hij een leelijk beest bevrijdde.
Dat hij terstond in 't water smijt.
Hij keert naar 't wrak met dubble slagen.
Of hij een mensch naar 't strand mocht dragen.
2 I
j
ij'
FABEL VIII.
DE MENSCH EN DE HOUTEN AFGOD.
.een heiden â onverschillig wie â Bezat een God uit hout gesneden. Hij wachtte er veel van, en met reden:
Pïij had het beeld betaald voor drie. Hij rookte 't dagelijks offervieren, En slachtte op 't altaar vette stieren, Gekranst met slingers van gebloemt';
VIERDE 15 O EK.
Geen afgod ooit die in zóó'n keuken had geroemd! Intussehen, 't was vergeefs: geen erfnis, geen cadeautjen,
Viel d' offeraar ten deel, geen halve cent, geen strootjen! Ja, erger nog! geen donderbui,
Of 't gold altijd zijn hof, zijn pannen, of zijn pui. En eeuwig legde hij het loodtjen â
Zijn afgod bleef al even lui!
«Kom!» roept hij eindlijk uit, «hier valt toch niets te halen!»
Met een grijpt hij een bijl en houwt Den afgod midden door. Hij was gevuld met goud!
Nu barst hij los met toornig smalen:
«Geloften deedt ge mij betalen,
«En offren zonder einde, en â gaaft mij niet-met-al.
«Mijn huis uit! zoek een andren stal!
«Gij zijt er ook al een die plichten kent noch schulden,
«Van wien men niets verkrijgt, ten zij dan door den knoet. «Mijn handen werden leêg, hoe meer zij de uwe vulden: «'k Veranderde van toon â 't was goed!»
2IS
FABEL IX.
DE KRAAI GETOOID MET T AU WEN VEÃREN.
Rjiicnd, strooide ccn pauw zijn vccrcn: Daarmee maakte een kraai zich mooi, Wenschende in zijn pauwentooi Nu met pauwen te verkeeren.
Maar hij werd door een herkend. Straks, door allen, zonder end Uitgejouwd en uitgefloten,
VIERDE BOEK, 217
f -
Voortgcschopt en kaalgeplukt â
Zelfs toen hij, bedroefd, bedrukt,
Huiswaards keerde op hoogc pooten.
Door de kraaien uitgestoten.
Daar zijn hier en overal Zeer veel kraaien met twee beenen,
Die hun pronk van andren leenen.
Letterdieven zonder tal.
Zoudt ge wel een kraaitjen weten j Dat nog nooit een veertje stal?
De ergste zijn, die 't andren heeten En â hun eigen schuld vergeten I
J
TKN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL X.
DE KAMliEL EN HET DRIJFHOUT.
Die 't eerst een kemel zag, liep aanstonds weg van schrik; De tweede naderde, en de derde reeds, ving vaardig Den drommedaris in een strik.
Wat vreemd of vreeslijk scheen bij d' allereersten blik. Wordt weldra nauw des aanziens waardig!
Zoo hielden eens op zeekren nacht Een man of wat aan 't strand de wacht,
VIERDE BOEK.
Daar dreef iets aan van ver. Zij zeiden tot elkander:
«Dat is een oorlogsbrik!» Wat later was het weêr:
â «Neen, 't is geen brik, het is een brander.» â «Geen brander, maar een boot, mijnheer!»
â «Geen boot, vriend! maar een baal,» zei de ander: Ook dat niet! eindlijk was 't â wat drijfhout en niets meer!
Het stuk kon met dit opschrift prijken,
Dat ik er graag toe geven zal: «Van verre m ag het wat ge 1 ij ken, «Van dicht eb ij is 't niet-met-al!»
DH KIKVORSCH EN DE RAT.
«Wie ccn kuil delft voor een ander,
«Valt vaak 't eerste zelf er in.»
Cats, of wie dit zei, was schrander:
't Spreekwoord heeft een diepen zin. Van de exempels die hier pasten. Slechts één enkle! Er leefde een rat,
VIERDE BOEK.
Die het naar den vleesche had: Nimmer maagre week of vasten!
Snoepen, snigglen, altijd wat! Onlangs wandelde onze dikkert
Zoetjens aan, een vijver rond;
Daar begroette hem een kikkert, Die de ratsche taal verstond: «Kom dineer en!
«'k Zal tract eer en.» â «Graag,» zei rat. Elk verder woord Was nu zeker overbodig;
Blaaskaak echter achtte 't noodig
Méér te rammlen, en ging voort: «Reizen! kijk, dat was zoo aardig â Baden! kijk, was zoo gezond â En die vijver hier in 't rond. Zoo ontzaggelijk merkwaardig!
Rat zou op zijn ouden dag Zijn kindskindren nog véél malen Van dit Paradijs verhalen.
Van de wondren die hij zag,
Van de vreemde kundigheden.
Van de liefde tot muziek.
Van de wetten en de zeden
Dezer Water-Republiek.» â 't Uitzicht moest den rat verrukken. Echter had hij één bezwaar:
Hij kon wel wat zwemmen, maar... Zonder hulp zou 't toch niet lukken!
23 I
ÃE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Kikkertjen wist raad in nood:
Kijk, hij had een bies gevonden:
Daaraan moest een rattepoot Aan zijn kikkerbeen gebonden,
En zóó 't water inl Fiat!
Maar nog pas ter helft gekomen,
Zocht de kikkert d' armen rat Neêr te trekken in de stroomen. Schendend dus, afschuwlijk slecht. Goede trouw en volkenrecht.
«Ratje!» snerpt ze, «gij zult smaken!» 't Is of reeds de boutjens kraken,
Of ze reeds van 't wildbraad snoept. Dat intusschen angstig, bevend, Hn alreê meer dood dan levend.
Al de Goón te hulpe roept.
Kikkert spot met al die klachten. Trekt op nieuw. Nu trapt en bijt De arme rat... Een felle strijd Woedt met ingespannen krachten.
Op datzelfde tijdstip vloog Juist een gier voorbij; 't geklater
Wekt zijn aandacht: nog bewoog Spartlcnd zich de rat op 't water, 't Roofdier klapwiekt naar beneên, Grijpt den rat en vliegt weer heen. Maar de kikkert, met zijn been Aan de rat geboeid, moet mede I... Nu, de gier was best te vrede.
VIERDE HOEK.
Nu hij voor zijn avonddisch Dubble waar had: vleesch cn visch.
Moo^' de list vaak triomfeeren,
't Kwaad, niet zelden, straft het kwaad! Menigmalen zal 't verraad Op 's verraders schedcl keeren.
r
FABEL XII.
SCHATTING DOOR DE DIEREN AAN ALEXANDER
GEZONDEN.
y
Dc fabel die hier volgt, was d' Ouden zeer bekend. Waardoor? dat kan ik niet verklaren,
Maar mooglijk valt er wel een lesjen uit te gaaren, En daarom, lezerlief! heb ik haar neergepend.
't Gerucht ging heinde en ver, dat zekere Alexander, Hen zoon van Jupiter, heel de Aard veroverd had.
VIERDE BOEK. 225
j
En nu alom gebood dat voor zijn zegestander Wat leefde knielen zou, cn offren hulde en schat,
De menschen alle, en alle dieren.
Van de olyfanten af, tot aan de kleinste mieren.
Het uitgebreid Gemeenebest Der vogels, en geheel de rest.
Pas had de vlugge Faam het groote nieuws doen weten,
Zij, honderchnondige, die alles uittrompet.
Of heel het dierenrijk, en al wat leeft om te eten,
Erkende 't, 's Heersehers wil moest gelden voor een wet!
Daar werd met vreezen en met beven Een Raadsvergaring uitgeschreven.
Geen enkel schepsel, klein of groot,
Bleef in zijn hol. Men wikte en woog nu, en besloot Den aartsveroovraar hulde en schatting toe te zenden.
Als de aap eens de aanspraak hield? â Wel zeker, met plezier.
Hij I vreeg toch heel de speech heel netjens op papier!
Maar nu de schatting! Waarom kenden Zij niet van naderbij den smaak van onzen Held!
Maar als 't eens geld was! Niets zoo welkom toch als geld!
Dus geld! Maar geld is duur! Hoe zóóveel munt geslagen?
lien edelmoedig Vorst, die menig goudmijn had.
Zorgde edelmoedig voor den schat.
En toen men zuchtte: «Maar wie zal de zakken dragen?»
Toen traden paard en muil in vriendlijk overleg Met ezel en kameel: zij zouden Jt doen. Men laadde
Den mammon op hun rug, en 't viertal trok op weg,
Met d' aap, niet weinig trotsch, als hoofd der Ambassade!
Maar weldra zag de karavaan
TKN KATE, DK FABIiLBN VAN l,A KONTAINK,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
f
Zich door Zijn Majesteit den dierenvorst begroeten.
Dat stond hun niet bijzonder aan;
Maar, «vrienden!» sprak de leeuw, «wat heuchelijk ontmoeten!
Wij kunnen nu te samen gaan!
Ik wensch den Heerscher ook mijn schatting aan tc bieden. 'i Is wel niet bijster veel, maar Jt dragen valt mij zwaar. Ik bid, verdeelt mijn last en draagt hem met elkaar!
't Zal n niet hindren, goede lieden!
En ik, bij 't naken van 't gevaar,
â «Wie weet of hier geen roovers loeren! â Kan klauw en tand tc beter roeren.»
Een leeuw te weigren is wat kras.
Hij wordt ontfangen dus, ontvracht, met vleien, fleemen , En, zoon van Jupiter! al zoudt gij Jt kwalijk nemen,
Hij leeft er vrolijk van uit de algemeene kas.
Zoo kwamen ze in een wei, een paradijs van weelde,
Van balsemwindtjens zacht doorvvaaid,
Van beekjens frisch besproeid, met bloemen overzaaid,
Waar menig spierwit schaapjen speelde.
Pas ziet de leeuw dit heerlijk oord,
Of Sire veinst zich ziek. «Gaat,» zegt hij, «reisgenooten!
«Zet vreedzaam uw gezantschap voort!
't Is of mij vloeiend vuur door de aadren is gegoten:
Hier groeit wellicht een artsenij,
'k Zal zoeken. Gij hebt haast, bekreunt u niet om mij!
Geeft mij mijn geld terug, 't is noodig op mijn wegen!» Ze ontpakken. Ijlings geeft de leeuw Een uitgelaten vreugdeschreeuw:
«Kijkt! kijkt! mijn gouden munt heeft dochtertjens gekregen.
236
VIERDE HOEK. 227
Ook al volwassen! Welk een zegen!
Die aanwinst komt mij toe!» O jammer, o verdriet,
Hij neemt hun alles af; of, is het alles niet,
't Verscheelt niet machtig veel. De aap en zijn viertal keken Wel bitter zuinig, maar toch durfden zij niet spreken.
Zij reisden voort, en, naar men zegt.
De zoon van Jupiter vernam met medelijden
Hun ramp, maar, niettemin, verschafte hun geen recht.
Geen wonder ook! Moest dan de leeuw den leeuw bestrijden? Het spreekwoord zegt zeer juist: «Geen diefje en diefjensmaat Doen ooit elkander kwaad.»
FABEL XIIL
HET PAARD DAT ZICH OP HET HERT WILDE
WREKEN.
't Paard was niet ten allen tijd'
Aan der menschen dienst gewijd.
Toen nog Adams eerste zonen Eikels braadden aan den haard,
Mochten ezel, muil en paard Vrij en frank het woud bewonen.
Toenmaals zag men niet als thans
VIERDE BOEK.
Zooveel koetsen en karossen
Op zijn engelseh, op zijn fransch,
Om te rijden, om te rossen
Naar diner of bruiloftsdans!. ..
Nu dan, in die goede dagen Twistte een paard met zeker hert, Dat, als Jt wegvlood in de vert'. Hij vergeefs zocht na te jagen.
't Paard nu vroeg den mensch om raad. Deze â geeft hem bit en teugels,
Springt hem op den rug, en 't gaat Vóórwaards als op arendsvleugels. Tot â het hert is ingehaald,
Dat het met den dood betaalt!
't Paard bedankt, recht blij te moede.
Zijn beschermer: «Edel heer!
'k Help u altijd gaarne weer.
Wees gegroet! gij houdt ten goede
Dat ik naar mijn bosschen keer?» â â «Neen!» zei de andre, «bij ons menschen Is 't veel beter. Blijf alzoo!
Volop klaver, heerlijk stroo,
Zeg, wat zoudt ge meerder wenschen?»
Ach, wat baat een volle disch Als men zonder vrijheid is?
Nu zag 't paard met hcimlijk beven, Hoe 't een dwaasheid had bedreven, 't Was te laat! de stal stond klaar;
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Aan den halster stierf het daar . . . Had' het â arme martelaar! â
't Hert toch maar zijn schuld vergeven!
Vlie de booze Nemesis!
Wraak schijnt zoet! Maar och, ze dwalen, Die haar met een goed betalen,
Dat des levens leven is!
FABEL XIV.
DE VOS EN HET BORSTBEELD.
JJc Grootcn, in 't gemeen, zijn maskers, anders niet. Het afgodeerend volk laat door hun schijn zich doeken.
Een ezel oordeelt naar hetgeen hij van hen ziet, Een vos, integendeel, zal ze ijvrig onderzoeken:
Hij keert hen om cn om, en blijkt het zóó gesteld, Dat slechts in 't uiterlijk' hun waarde was gelegen. Dan werpt hij 't eigen woord hun tegen,
32 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
Zoo juist hem eens ontlokt bij 't borstbeeld van een held. Dat beeld was levensgroot en hol. Rein zag het prijken In gips: «'t Is goed bewerkt,» zei Rein, «Ren mooie kop, maar zonder brein!»
Och, hoeveel grooten die dit borstbeeld juist gelijken!
FA-BEL XV.
DE WOLF, DE GEIT EN HET GEITJEN.
.Ue uiers vullen zou de geit In het jonge gras der weide;
Dus, voor alle zekerheid,
Sloot zij 't geitjen op, en zeide:
«Kindlief, wat er ook geschied', Wie er aankloppe, open niet! 't Geldt uw leven!
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Slechts als gij 't herkenningswoord: «Weg met alle wolven!» hoort,
Mag het klinkjen opgeheven!»
Juist ging daar een wolf voorbij,
Die 't parool in de ooren knoopte.
Haastig sloop hij wat op zij',
Onbemerkt gelijk hij hoopte;
En zoodra de geit verdween,
Hij, op nieuw naar 't schuurtjen heen! Listig weet hij, om te fleemen,
't Zoetste stemmetje' aan te nemen:
«JVeg met alle wolven! Top!
Haal gerust het klinkjen op!. ..
Maar, als 't geitjen gluurt door 't reetjen,
â Haar omzichtigheid is groot â «Heerschap!» zegt ze, «wacht een beetjen,
Toon mij eerst een witten poot!» Nu, men weet het, witte poten
Vindt men schaars bij 't wolfgebroed. Onze Grimbaard staat verschoten.
Half verwonderd, half verwoed,
Daar hij d' aftocht blazen moet!
Waar zou 't geitjen zijn gebleven.
Had het wolf geloof gegeven,
Om den wil van 't ééne woord, Dat toevallig was gehoord?
V I E R D E H O E K.
Geld kunt jrij te veel besteeden,
Voorzorg-, nooit! Weet wat gij doet! Ãéne zekerheid is goed:
Beter zijn twéé zekerheden!
FABEL XVI.
DE WOLF, DE MOEDER EN 1IEÃ KIND.
Die wolf, die dus had afgevuurd,
Herroept ine een andren wolf, nog droeviger memorie: Die schoot er 't hachjen in. Mier hebt ge de historie.
Een zeker dorpling woonde een weinig uit de buurt. De wolf lag op zijn loer bij d' ingang van de hoeve.
Daar had hij kalveren en lammren in zien gaan, Kalkoenen, wat niet al, wel waardig dat hij 't proeve!
't Lang wachten, evenwel, stond onzen dief niet aan. Reeds doet het ongeduld hem op de tanden bijten â-
DE WOLF, DE MOEDER EN HET KIND.
VIERDE BOEK.
Als hij op eens een kind hoort krijten.
Mèt roept de moeder, grommende, uit:
«Wilt gij wel zwijgen, stoute guit?
Of 'k geef 11 aan den wolf!» â Dat hoort met welbehagen De schrok, die in zijn hart alreeds de goden dankt; Als weêr de moeder spreekt, die 't kind sust dat nog jankt: «Nu stil dan! komt de wolf, dan wordt hij doodgeslagen.»
â «Wat 's dat nu?» riep de schapendief,
«Dat's praten uit en in, eerst zus, dan zóó! Behandelt Men zóó een man als ik? Maar ik onthoud den grief. En wee als 't jongeheertjen wandelt!»
Maar nauwlijks had hij dit gezegd.
Daar springt de deur der huizing open,
Daar komt het volkjcn aangeloopen Met hooivork en houweel, 't geweer wordt aangelegd!
«Wat zoekt ge hier?» schreeuwt Jan de knecht; «Wat zoekt ge?» schreeuwen ze al te gader.
De wolf vertelt de zaak. De moeder roept verwoed:
«Mijn kind verslinden, gij verrader?
Wat denkt ge wel? Mijn vleesch en bloed.
Heb ik dat grootgebracht voor hongrig boschgebroed ? . . .»
Een onweersbui van slagen hagelt Op 't arme dier ter neêr; men knuppelt hem mors-dood.
Zijn kop wordt afgehakt en met zijn rechterpoot Aan 's landmans deurpost vastgenageld.
239
1
Die straks dit prachtig opschrift bood:
«Gij wolven, gaat vrij elders blaffen. Als moeders stoute kinders straffen!»
FABEL XVII.
EEN WOORD VAN SOKRATES.
W ijze vSokrates liet bouwen.
Ieder zet er 't zijne van:
De een verklaarde 't in vertrouwen,
«'t Was geen stand voor zulk een man.»
â «Dat,» zei de ander, «schikte alevel,
Maar dat seheeve vensterraam!»
â «Neen,» zei nommer drie, «die gevel.
240 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
V I E R D E B ü E K,
Kijk, die gevel, was infaam!» Hierin waren al de heeren
't Eens: «het huisjen was een krot, Waar men wenden kon noch keeren, Niets meer dan een hondenkot!»
De eedle wijze, zonder veete,
Sprak slechts; «Gaav' de Alzegenaar Dat dit huis, hoe klein het heete. Vol van echte vrienden waar'!»
Goed gezegd! Voor echte vrinden
Is de kleinste stulp te groot.
Welk een dwaasheid, aan te binden Met wie maar een handtjen bood! Vriendschap wordt alom geprezen â Ook beoefend? Zegt het voort;
Niets gemeener dan het woord,
Maar niets schaarscher dan het wezen!
TEN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE,
FABEL XVIII.
DE GRIJZAARD EN ZIJN KINDEREN.
De kracht is zwakheid als geen eendracht haar verbindt. Dit, in zijn fabel, leert de Frygiaanschc vrind.
Voeg ik bij zijn verhaal van 't mijne, 't heeft zijn reden:
Jt Is om een kleine schets te geven onzer zeden,
Niet om des meesters kunst te steken naar de kroon. Die eerzucht zijn wij bij een Fedrus wel gewoon.
Mij past zij niet. Genoeg! 'k Zal van dien vader spreken. Die de eendracht zoo ter snee zijn kroost zocht aan te preêken.
VIERDE 15 O EK.
lien grijzaard, voelend dat zijn uurtjen haast zou slaan,
Sprak van zijn veege spond aldus zijn zonen aan:
«Dees pijlenbundel ziet ge? Eilieven, wilt eens trachten Of gij dien breken kunt met ingespannen krachten;
'k Zal later zeggen hoe de knoop heet, die ze paart!» Nu nadert de oudste zoon, die al zijn kracht vergaart.
Maar vruchteloos. Hij geeft de pijlen aan den tweede.
Die zet zich in postuur, steunt, maar... erkent zich mede Verwonnen. Beide en tot de jongstgeboren toe.
Hervatten eens de proef, maar allen worden 't moe: De bundel breekt maar niet! geen pijl zelfs wordt gebogen! Toen sprak de vader: «Foei, dat is een machtloos pogen. Let nu eens op hoe ik dat wonder werken zal!»
't Was kortswijl, dacht de jeugd, en glimlachte om 't geval Maar zeer te onpas: hij scheidt dc pijlen van elkander, En breekt ze met gemak, den cenen na den ander.
«Nu ziet gij,» riep hij uit, «wat sterkte de eendracht geeft! Mijn kindren, blijft vereend zoolang ge op aarde leeft!» Hij bleef die woorden op zijn sterfbed steeds herhalen;
En toen de nacht des doods op 't brekend oog kwam dalen. Was dit zijn jongst vaarwel; «Mijn tijden zijn vervuld.
Maar zweert mij dat ge altijd als broeders leven zult!
Dan ga ik heen in vreê!» â De kindren traden nader, En snikten diep bedroefd: «Dat zweeren we u, o vader!» Nog eens drukt hij hun hand.. . De grijzaard is niet meer! â Rijk bleek de boedel, maar verwikkeld evenzeer. Een schuldheer lei beslag, een buur zou procedeeren;
Eerst wist ons drietal zich kloekmoedig te verweeren,
O '
Maar 't vriendschaps-vuur verglom, de teederheid werd mat.
243
344 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De baatzucht scheidde wat het bloed vereenigd had.
Toen, met de procureurs en advocaten, kwamen De driften in den boel, nijd, eerzucht, allen samen. Het erfgoed werd verdeeld; er werd beweerd, betwist, En beurtlings tot elks scha in hoogst ressort beslist.
Hier is een fout begaan, daar is een vorm vergeten; De schuldheer en de buur hervatten de oude veeten. De broeders, dus verdeeld, zien alles anders in;
Jan wil wel schikken, maar daarin heeft Piet geen zin. Zoo werden ze allen arm. Eerst toen 't niet meer kon baten, Kwam 't hun toch beter voor de pijlen saam' te laten!
FABEL XIX.
HET ORAKEL EN DE GOULOOZE.
Vergeefs of de aardsehe dwaas den Hemel wil misleiden! De doolhof van het hart, hoe vreemd hij kronklen moot^',
Heeft geen geheim voor 't Godlijk Oog;
Wat ooit de Menseh verricht', wordt klaar gezien Omhoog, Hoe tastbaar ook de nacht haar sluier schijnt te spreiden.
Lien booze spotter, die de mutsert had verdiend,
Maar soms, uit baatzucht, of om inenschen te behagen,
Zich aanstelde als der Goden vriend,
Besloot Appollo eens geducht in 't nauw te jagen.
Zoo pas den tempel ingetreên,
Uoet hij de vraag: «Ei zeg, en 'k zal u 't wierook branden,
Dit voorwerp, leeft het, ja of neen?»
Men zegt, hij hield een musch in 't holle van zijn handen.
Gereed om, naar omstandigheen,
't Beest dood te knijpen, of stil weg te laten vliegen.
Zóó, dat in elk geval Apol zich moest bedriegen.
Maar God Apol, met éénen blik.
Doorzag zijn doel, en sprak, zoodat de spotter bevend Op zij' week: «Toon me uw musch, hij zij dan dood of levend, En span mij nooit weer zulk een strik!
Gij zoudt uw waagstuk duur betalen.
Ik zie van verre, en kan van verre ook achterhalen!»
FABEL XX.
DE GIERIGAARD DIE ZIJN SCHAT HEEFT
VERLOREN.
Slechts gebruiken is bezitten. Gij, die immer schraapt cn pot! Smaakt gij mooglijk meer genot Dan die ploegen moet en spitten? Wie is rijker, zegt het mij, Een Diogenes, of gij?
Vrekken, in wat schat ze roemen.
v
DK FAUELEN VAN LA FONTAINE,
'k Zal zc gulden beedlaars noemen.
Hoort eens wat Hsoop' vertelt Van vriend Har pax en zijn geld!
't Was of Harpax wat hij gaarde Voor tot na zijn dood bewaarde.
Hij bezat het geld niet, neen!
't Geld had hem. Hij borg in de aarde Al de schijven die hij spaarde
Hn â zijn eigen hart met één.
Want met de onrust in zijn aaren,
Bleef hij steeds de plek omwaren,
Waar zijn schat verholen lag, 't Heiligdom, bij drinken, eten.
Waken, slapen, nooit vergeten.
Nooit vergeten, nacht noch dag! Dat gedurig gaan en komen Wekte in 't einde achterdocht Van een graver: zóó gezocht. Zóó gevonden, weggenomen
Werd de schat! En toen de baas D'andren morgen weer ging kijken, Was men met zijn vink gaan strijken.
Vond hij 't nestjen leeg, helaas!
Nu aan 't schreien, nu aan 't klagen.
Nu de kleêren stuk gescheurd!
Dat doet straks een wandlaar vragen: «Wat is hier voor ramp gebeurd?» - «Ach, men heeft mijn schat gestolen!»
VIERDE BOEK.
â «Waar bevond zich dan die schat?»
â «Hier zoo, in een donker gat!
Onder dezen steen verholen.»
â «In een gat? maar zijn we dan Nu in oorlog, goede man,
Dat ge uw schat zoo ver ging stoppen? Waarom die niet weggezet In uw eigen kabinet?
Dan hadt ge immers onverlet Kunnen putten uit uw moppen,
Dag aan dag en uur aan uur?»
â «Putten? Uit mijn voorraadschuur? Putten? Wat zijn dat voor droomen?
Is dan 't lieve geld niet duur?
'k Ben er nimmer aangekomen!» â
â «Kwaamt ge er nimmer aan, sinjeur? Staak dan billijk uw getreur!
Draag naar 't gaatjen dat ge delfde,
Fluks een handvol keien heen:
Of daar zilver ligt of steen Is voor u precies het-zelfde I»
25 t
FABEL XXI.
MET OOG VAN DEN MEESTER.
ilen hert nam in een stal de vlucht.
Onveilig toevluchtsoord, naar 't geen al de ossen zeiden.
«Och, broêrtjens, laat mij hier!» hernam hij met een zucht, «'k Breng later, op mijn beurt, u naar de vetste weiden, Zoo blijft, als gij mijn wensch bekroont. Uw liefdedienst niet onbeloond!»
VIERDE BOEK.
Nu, de ossen zouden dan niet van 't geheim gewagen.
Hij bergt zich in een hoek, herademt en grijpt moed. Des avonds wordt verseh gras en voeder aangedragen. Met dienstvolk komt en gaat, zoo als het daaglijks doet.
Maar knechts noch meesterknecht ontwaren Een tipjen van 't gewei: de gast wordt niet vermoed! Hij dankt zijn redders reeds bij 't deinzen der gevaren.
Fluks, als zich 't volk naar d' akker spoedt.
Kan hij vertrekken! Toch één os, vol mededoogen.
Schudt zacht den kop, en zegt: «Tot hiertoe ging het goed, Maar och, de baas heeft honderd oogen!
Eer hij de ronde heeft gedaan,
Houd ik mijn hart nog vast. Arm beest! daar komt hij aan!» De Meester snuffelt allerwegen,
En roept: «Hei daar, die ruif daar ginds Is leeg! haalt klaver hier! En ben je-lui van zins Die spinnewebben nooit te vegen?
Ook in de krebben is geen voer!
Hoort jok en halster op den vloer?
Gij handelt tegen wet en regel!
En wat voor hoornen zie ik daar?. ...»
Hij wordt het angstig hert gewaar,
En alles grijpt naar vork of vlegel.
Valt aan! valt aan! Men steekt en stoot Het dier, dat tranen schreit, men slaat den stumpert dood!
Hij wordt geslacht en ingezouten, â
De boer smult weken lang aan malsche hertenbouten!
256 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
Vriend Fed rus heeft terecht Gezegd:
«Niets scherper dan het oog des meesters.» â'k Wil 'tgelooven. Toch gaat des minnaars oog misschien nog 't al te boven I
VIERDE BOEK.
FABEL XXI1.
DE LEEUWRIK MET HAAR JONGEN EN DE
VELDBAAS.
«quot;W acht niets dan van u-zelf!» Dit spreekwoord is zeer waar. Esopus toont het zonneklaar:
Mag ik zijn fabel u doen hooren?
257
De leeuwrik bouwt haar nest in 't koren Als 't even groent. Dat is de tijd Als Amor al wat leeft verblijdt,
TKN KATE, DIJ FABBLRN VAN I.A FONTAINE 33
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Den walvisch in de zilte stroomen,
Den tijger in het woud, het vinkjen in de boomen,
De leeuwrik in het land! â Ãén leeuwrik evenwel Had week aan week gewacht â de lente vliedt zoo snel! â En was nog niet gepaard. Nu voelt ze 't hartjcn blaken, Om toch nog moedervreugd te smaken.
Zij haast zich, bouwt een nest, legt eiers, broeit die uit. 't Ging alles best. Maar hoog stond reeds het graan te wiegen, Eer 't zwak gebroed nog uit kon vliegen.
De moeder, hoogst bezorgd, zoekt tusschen gras en kruid Het voedsel voor haar kroost, dat ze aanmaant op te letten. En altijd één op wacht te zetten.
«Mijn lieve kindren,» sprak ze, «waakt,
En als de baas van 't veld hier met zijn zoon genaakt, Zoo luistert goed naar 't geen zij spreken:
Daarna moet ik mijn stekken steken!» â
Toen vloog zij weg om spijs, en ze is pas uitgegaan.
Daar komt de baas met zoonlief aan!
«Kijk,» zegt hij, «overrijp is 't graan.
Wij moeten onze vrienden vragen,
Om bij het vroege morgendagen Ons met hun sikkel bij te staan.»
De leeuwrik keerde weêr en vond heur welbeminden
Bedrukt te saam'. Ãén jong, wiens borstjen angstig joeg. Riep: «Moeder! och, de baas wil morgen ochtend vroeg Het graan doen maaien door zijn vrinden.»
â «Heeft hij niet meer gezegd dan dat?» Herneemt de leeuwrik, «o, dan kunnen wij nog blijven. Men luistert morgen weêr! Intusschen, eet nu wat,
258
VIERDE BOEK.
Dat zal uw kommer wel verdrijven!»
Zij snigglen saam naar hartelust,
Mama gaat met haar kroost ter rust.
't Wordt dag â geen vrienden zijn verschenen. De leeuwrik ijlt om voedsel henen,
De baas keert met zijn zoon. «Het graan verbrandt tot hooi,» Zoo spreekt hij â «'t moest al lang op schoven,
Dat staat den vrienden lang niet mooi,
Die luiaards! dus me een kool te stoven;
Maar dwaas ook, zeker, die als wij Ooit vrienden op hun woord gelooven!
Neen, roepen we er familje bij,
Familje is Jt best! Doe de ooms en neven
't Verzoek van gistren!» Welk een woord! De spreeuwtjens rillen vast en beven.
«Och, moederlief, we moeten voort!
Want de ooms en neven staan op komen!»
â «Neen, kindren, gij hoeft niet te schroomen.
Geen schepsel dat uw sluimring stoort.»
De leeuwrik had gelijk, geen mensch die op kwam dagen.
De baas, ten derden maal, bezocht zijn land: «o Goón! Hoe dom ook,» riep hij nu â «aan andren hulp te vragen! Van alle vrienden, alle magen,
Geen beter dan gij-zelf. Onthoud dit wel, mijn zoon! Wat dient er hier gedaan? De hand aan 't werk geslagen! Wij met onze eigen knechts, wij moeten in dit graan Reeds morgen vroeg den sikkel slaan.
Dat is de kortste weg, om zonder langer dralen Ons koren in de schuur te halen!»
261
202 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Pas hoort de leeuwrik dit, daar keert ze 't blaadtjen om. «Voort, kindren! nu is 't tijd! ons liedtje' is uitgezongen!» Zoo sprak ze; en zij en al heur jongen, Met vlugge wiek het nest ontsprongen,
Verdwenen met de stille trom.
EINDE VAN HET VIERDE HOEK.
:
â
*
â
â AJ; '
WÃÃBÃÃ
ni
HHH
1
VIJFDE BOEK.
FABEL I.
D E HOUTHAKKER EN MERKURIUS.
â toegewijd aan den ridder D(e) B(ouillon). â
Uw smaak, mijn vriend! heeft mij bestuurd bij 't schrijven.
Mij lacht uiü lof het meest van alles aan.
Gij wilt, men moet de zorg niet overdrijven,
Zijn dichtwerk niet met pronksels overlaan,
Dat boeit niet lang, al mag het d' aandacht wekken.
Gij zegt het, en 'k bezegel wat gij zegt:
265
«Een schrijver, die 't te mooi maakt, maakt het slecht.»
34
TIÃN KAT IC , DE FABELEN VAN LA FONTAINE
de fabelen van la fontaine.
Iets anders is 't, somtijds met fijne trekken
Te schildren; daarvan houdt ge, en ik als gij. Ik poog daarin Esopus te evenaren:
En kom ik hem op lange niet nabij,
'k Zoek toch als hij Het Aangename aan het Nuttige te paren.
Ik mis Alc^eus' kopren snaren,
Ik derf de kracht om met een lied Het Kwaad te geesselen â toch kan ik blaken Van toornen â en 't Kwaad belachlijk maken! Dat 's mijn talent. Is 't wel voldoende? Ik weet het niet.
Nu, schilder ik u een verhaaltjen,
Bespotlijke IJdelheid vereend met boozen Nijd,
â Onscheidbre Twee in onzen tijd! â
En geef daarvan in 't kikkertjen een staaltjen. Dat met een os zich vergelijken dorst.
En stiet en blies, zóólange tot hij borst. Dan wederom, bij dubble tegenstelling
Van goed en kwaad, of van gezond verstand En domheid, brengt een andere vertelling De schapen met de wolven in verband, Het vliegjen met de mier! Al die tafreelen Zij vormen saam' één drama, afgespeeld Op 't waereldrond in honderde tooneelen.
Een eigen rol is ieder toebedeeld,
't Gediert, den menschen en den goden,
Zoowel den Dondraar als den minste van de groep'. Zoo is 't, bij voorbeeld, nu de liefste zijner boden, Zijn postillon d'amour, dien ik te voorschijn roep;
266
DE HOUTHAKKER EN MERKUR1US,
269
a
r
Ofschoon ik ditmaal andre dingen Dan minnarijen zal bezingen!
Een boertjen, dat van 't hakken moest bestaan, Had eens zijn bijl, zijn gantschen schat, verloren.
't Was akelig zijn jammren aan te hooren;
Hoe schaft hij zich een ander werktuig aan?
Hij heeft geen cent! de hoop is hem ontnomen, Hij smelt in zilte tranenstroomen ....
«Mijn bijl! mijn bijl!» zoo snikt hij luid:
«Jupijn! wil mij mijn bijl hergeven,
Gij schenkt ten tweeden maal mij 't leven!» Dat hoort Jupijn, en zendt zijn heilbode uit.
Merkuur verschijnt. â «Hoe dus door smart verslonden. Mijn goede man? Bedaar, bedaar:
'k Geloof ik heb uw bijl gevonden,
Nu, kijk eens hier, herkent gij haar?»
Mèt houdt hij hem een gouden bijl voor oogen. â «Neen,» zucht de boer, als hij dit kleinood ziet.
â «Deez' zilvren dan?» â «Ook die is 't niet.» â «Is 't dan deez' ijzren?» Opgetogen
Van blijdschap strekt in aller ijl De boer zijn hand uit: «Dat's mijn bijl!
Mijn oude bijl! O, 'k ben te vrede,
En wensch geen andre bijl dan die!»
â «Gij zijt een eerlijk man naar 'k zie,»
Herneemt Merkuur; «'k Vervul uw bede â
Ziedaar de bijlen alle drie!»
â¢â⢠«Wel,» juichte ons boertje, «is 't zóó gelegen?
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zeer gaarne! en 'k dank u wel ter degen.»
't Gerucht verspreidt zich wijd en zijd,
En vijftig boeren, allerwegen,
Zijn daadlijk ook hun hakbijl kwijt,
En smeeken Jupiter om strijd,
Die nauwlijks weet tot wien zich 't eerst te wenden, En weer besluit Merkurius te zenden.
Deez' toont den schreeuwers één voor één, Een gouden bijl, en allen overleggen,
't Zou dwaasheid zijn niet daadlijk «ja/» te zeggen. â Maar 's hemels boó zei dondrend: «Neen!»
Geen bijlen gaf hij rond, maar slagen,
En daarop vloog hij weg, en liet de flauwerts klagen.
Der waarheid trouw, te vree zijn met zijn deel,
Is ver het best! Toch zijn er veel Die voordeel zoeken met te liegen.
Waartoe? â Men kan den Hemel niet bedriegen.
271
FABEL II.
DE AARDEN EN DE IJZEREN POT.
De ijzren sprak tot dc aarden pot:
«Laat ons saam' een reisjen maken!»
Deez' bedankte; «'t was haar lot Rustig bij den haard te waken;
't Reizen leek haar bitter slecht;
't Minste stootjen zou haar breken,
Er kwam niets van haar te recht!» â «Gij,* zoo ging ze voort met spreken, Gij, met uw metalen huid,
Gij trekt onverschrokken uit.»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
â «Neen,» zei de ijzren, «wil niet schroomen, 'k Zal u hoeden op uw paan.
Grijnst u een hard voorwerp aan, 'k Ga terstond in 't midden staan,
Om de botsing' voor te komen.» ââ¢
â «Nu,» zei de aarden, «'k maak dan staat, Dat gij eerlijk mij zult dekken.»
Fluks gaat de ijzren kameraad Aan heur zijde, en â zij vertrekken.
Op drie pooten gaan zij heen,
Homplend, stromplend, de een naast de ander;
Maar bij eiken struik of steen Botsen ze aaklig op elkander.
De aarden pot, o ramp, o leed!
Telkens deed een schok haar duizlen.
Eer zij twintig schreden deed.
Stiet haar de ijzren pot aan gruizlen, En â o toppunt van verdriet! â
Zich beklagen kan zij niet.
Ga liefst om met uws gelijken.
Minder Man â gelijk gij ziet â
Moet voor Meerder Man bezwijken.
FABEL III.
HET KLEINE VISCHJEN EN DE VISSCHER.
Kleine vischjens worden groot,
Als de goón hun 't leven sparen:
Maar als 't net een vischje' u bood,
Zoudt gij 't daarom laten varen?
Weet gij dan, of Jt blind geval 't Vischje u ooit weer brengen zal?
Zeker henglaar, neergezeten Aan den oever, vischte en vong Een klein karpertje', extra jong; â
«Vischje! ik moet u welkom heeten:
Klein begin, een goed begin.
Een, twee, drie, het mandtjen in!»
TEN KATK, DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Maar het karpertje! Och, wat lijden!
«Lieve, vriendlijke mijnheer!
Wil mij van de haak bevrijden:
'k Ben een mondtjen vol, niets meer! Laat mij groeien in de plasschen En wanneer ik ben volwassen
Tot een karper, vang mij weêr! Lekkerbekken, zonder dralen.
Zullen dubbel mij betalen.
Héden hebt gij niets aan mij. Honderd stuks als ik, te samen. Vulden, als ze op tafel kwamen. Nog geen schotel! En daarbij Wat bedroefde pruimerij, Kattenkost!» â «Ik wil 't gelooven,» Zet de henglaar, «kameraad!
2/4
Maar of ge ook als Brugman praat, 'k Hoop van middag u te stoven!»
^Zullen hebben» is niet kwaad; «Hebben» gaat het al te boven!
FABEL IV.
DE OO RUN VAN DBN HAAS.
Een der dieren niet zijn horen
Had den Vorst van 't woud gewond, Die nu, blakende van toren,
Al wat horens was beschoren
Liet verbannen van zijn grond. Met de noorderzon vertrokken
Alle stieren uit het rijk,
Rammen, herten, geitenhokken. Zochten mee een andre wijk. Nu gebeurde 't op een morgen. Dat een haasjen, dat daar lag.
Zijner ooren schaduw zag.
278 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Ijlings kwelden hem de zorgen,
Of er hier ot daar in 't gras Geen spion verborgen was,
Die ter rechtbank zou verklaren Dat die ooren horens waren.
«Buurman krekel!» zei de haas, «De angst drijft mij van hier, helaas! 'k Vrees, mijn ooren zouden 't boeten En voor horens gelden moeten.
Ware ze ook als die der struis. Of nog kleiner, kan dat wezen,
'k Hield de zaak voor nóg niet pluis, En zou steeds voor horens vreezen!» â
â «Horens?» zei de krekel, «wat? Houdt gij mij voor 't lapjen, baasjen?
Ooren, ooren, noem ik dat!» â «Ja, maar,» zei het bibbrend haasjen, «'k Ren toch bang! het zal niet gaan, En voor horens ziet men ze aan; Buffelhorens! Al mijn praten Zal niet baten â
Als ik eens ben ingepakt.
Word ik levenslang geplakt!»
FABEL V.
DE VOS DIE ZIJN STAART HAD VERLOREN.
Een oud vosjen, uitgeslapen Een volleerd in 't kippen-kapen,
(Heel de buurschap kende hem!)
Raakte ellendig in de klem.
't Mocht hem eindlijk wel gelukken Uit de knip zich los te rukken,
Maar zijn staart, o ramp! o spijt!
Was hij voor zijn leven kwijt....
Zoo 't den vossen mocht behagen Ook geen staarten meer te dragen,
V
280 DE FABELEN VAN LA FONTAINE
Dan bestond, gelijk weleer,
't Ilaatlijk onderscheid niet meer.
Toen nu straks de vossen samen Tot de Raadsvergaring kwamen,
Sprak hij: «vrienden, 'k vat niet goed. Waar zoo'n staart toe dienen moet. Zot apendix! Laat nadezen 't Stofnest uit de mode wezen!
Komt, besluiten we algemeen,
Onze staarten afgesneên!»
Een der vossen treedt naar voren: «Broertje! uw voorstel laat zich hooren, 't Is warempel lang niet dom â
Maar, och! keer-je eens even om, Eer we 't andwoord u doen weten!...» En nu barsten luide kreeten,
Schaterlach en hoerahs los Over onze' ontstaarten vos.
De arme stumpert wou nog spreken, Al vergeefs! 't Was klaar gebleken Wat de wensch was die hem dreef. En â de staarten mode bleef.
FABEL VI.
DE OUDE VROUW MET DE TWEE MEIDEN.
Juen gierig oudtjen had twee meisjens in haar huis, Die moesten altijd voor haar spinnen, En sponnen ook volmaakt als een paar schikgodinnen. Want bestjen, hemel, welk een kruis!
Bleef steeds weer ander werk verzinnen.
Nog pas ontwaakte vrouw Natuur, Of 't spinnewieltjen moest aan 't draaien, De voet aan 't trappen! rust noch duur! Ja, juist wanneer Auroor verrees aan 't luchtazuur. Begon een maagre haan te kraaien,
V__________
TF.N KATK, DF. I'AHF.I.F.N VAN I.A FONTAINF.
282 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En 't oudtjen, maagrer dan de haan,
Greep haastig naar haar plunje in 't ronde,
Stak een, twee, drie, het lampjen aan.
En stond te schreeuwen voor de sponde Waar 't tweetal na zoo zwaren dag Uit al haar macht te snorken lag.
Ze konden van het bed niet scheiden;
De één rekt zich geeuwend uit; die, wrijft zich de oogen rood. Maar woelend momplen ze alle beiden:
«Vervloekte haan! die haan moet dood!»
Ze deden ook naar 't geen ze zeiden.
Want 's avonds lag dc haan in 't kot Tc baden in zijn bloed met doorgesneden strot.
Wat hadden ze aan dien moord? De zaak werd nog veel gekker:
Want eer de slaap ons paar een uurtjen rust beschoor, Was de oude al overeind, nu zonder morgenwekker. En dwaalde, een spook gelijk, de holle kamers door.
Zoo gaat het meest: ge ontwijkt een klein verdriet. En komt in des te grooter lijden.
't Is, zoo als ge in ons tweetal ziet:
De vrouw verving den haan. Charybdis wilt ge mijden?
Verzeil maar op de Scyl/a niet! i!:)
*) Incidit in Scyllam cnpietis vilnre Charyhdim. gaUTHTER DE CllaTTll.l.ON.
DE OUDE VROUW MET DE TWEE MEIDEN.
FABEL VII.
DE SATER EN DE WANDELAAR.
In dc schaduw van zijn grot Zat, met heel zijn kindertrocpjen,
Kens een sater bij de pot:
't Was een overheerlijk soepjen.
Och, gij hadt ze moeten zien Op het groene gras gezeten,
Pa en Ma, een spruit of tien,
Meubels geen, maar volop eten!
J
D !â : 1' A H E1.15 N VAN LA F O N T A I N E
Doornat, daar de regen plascht,
Komt een wandlaar aangetreden.
Schoon een ongenoode gast,
Wordt hij tot de soep gebeden.
Daadlijk is dc gast geplaatst.
Maar van koude aan 't klappertanden,
Tast hij nog niet toe, maar blaast Warmte in zijn verkleumde handen.
't Soepjen wordt hem voorgediend, Maar 't is heet â hij weer aan 't blazen.
«Waartoe dient dat, waarde vriend?» Vraagt de sater niet verbazen.
«Eerst warmde ik de vingers mij,
Toen koelde ik de soep.» â Vol vreezen
Spreek de sater: «Ga voorbij.
Neen! gij kunt mijn gast niet wezen:
Wee hem, die een vriendsehapsbond Met dien valschaart sluiten zoude,
Die, als gij, uit d' eigen mond Beide warmte blaast en koude.»
FABEL VIII.
HET PAARD EN DE WOLF.
lien zeekre wolf, in 't jaarsaisocn Wanneer de zefiers 't veld verjongen,
En 't vee den stal verruilt voor 't allereerste groen, Een wolf dan, zag met dartle sprongen Een paard zoo pas ter weide gaan En snufflen tusschen 't kruid. Dat stond hem wonder aan. «Verruklijkl» riep hij uit, met hongerige blikken:
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Was dat een lam, 't was «binnen mikken,»
Maar nu, de jacht moet overleid Met extra veel omzichtigheid.
Van woest geweld is hier geen heil te wachten .
Wij nemen dus een beetjen list te baat!»
Nu stapt hij aan met uitgerekt gelaat.
Noemt zich een zoon van Hippokraat,
En zegt, dat hij al de eigenhcên en krachten Van ieder kruid des velds verstaat.
Voor alle kwalen en gebreken!
Hij zei het niet om groot te spreken,
Wist hij een middel, en â probaat!
Als jonker klepper maar wou zeggen wat hem scheelde, Hij, doctor, zou in 't ergst geval Hem helpen in een wip, en dat voor niet-met-al.
Want dat hij zonder toom hier in de weide speelde,
In stede dat zijn baas hem duchtig werken liet.
Bewees het al te klaar, in orde was het niet.
â «Jk Bewonder uw verstand, gij puikjen der doctoren!» Hernam het paard: «ja, wel, 'k heb onder aan mijn voet
Een zweer, die veel mij lijden doet.»
â «Dat is een teeder deel,» liet zich de doctor hooren:
«Zeer teeder, maar heb goeden moed!
'k Ben in de chirurgie al evenzeer bedreven,
Rijks-vee-arts noemt men mij. Kom, toon me uw wonde thans!» De slimmert loerde naar een kans Om zijn patient een hap te geven;
Maar de andre riekte lont en sloeg met éénen trap Den wolf het kakement tot pap.
288
r
291
a
r
«Nu die is raak!» riep de arme stakker: «De liefde tot zijn vak straalt toch bij ieder door. Als kruidenkenner deedt ge u voor, En gij zijt niets dan een gemeene beenenhakker!»
FABEL IX.
DE LANDMAN EN ZIJNE ZONEN.
JÃicn landman zag zijn eind nabij.
«Komt, kindren!» sprak hij, «hoort naar mij! Bewaart onze' akker na mijn dood:
Daar schuilt een schat in zijnen schoot.
Graaft, graaft er onophoudlijk naar.»
â «Een schat?» zoo roepen ze allen: «waar? Och, lieve vader, noem de plaats!»
â «Graaft, graaft!» Toen stierf de man, helaas!
V IJ F D E BOEK. 293
_
Nauw was de doode weggebracht,
Of zij aan 't graven, dag en nacht.
Met schop en spade, voet voor voet,
Werd de akker rustloos doorgewroet.
Zij delfden lang en breed hem uit.
Verpletterd werden klont en kluit.
Men wierp de steenen aan een zij'.
Men haalde er ploeg en egge bij;
Toch, hoe men zwoegen, zweetcn mocht,
Men vond den schat niet dien men zocht.
Maar nauwlijks kwam de zomer aan,
Of dubbel welig stond het graan.
Nu werd door 't kroost voor 't eerst gevoeld Wat vaders wijsheid had bedoeld.
Zij graven nu jaar uit, jaar in:
Want de arbeid is een groot gewin!
FABEL X.
DK BERG DIE BAREN ZOU.
.Zeekre berg, in barensnood,
Liet zoo'n vreeslijk leven hoeren, Dat de buurt er van verschoot: «Hier wordt vast een stad geboren
Minstens als Parijs zoo groot!» Eindelijk, na al 't gedruiseh. Wat baarde onze berg? â Een muis!
TjTir
VIJFDE BOEK.
't Fabeltjen is al te waar.
Vaak verwacht gij groote dingen:
De een of andre rijmelaar Zal der reuzen krijg bezingen Met den Opperdonderaar!
295
A
Maar dat veelbelovend lied Geeft u â wind en anders niet!
if
i r i'
FABEL XT.
DE FORTUIN EN HET KIND.
Naast een put, ontzettend diep,
Lag een kind, dat rustig sliep.
't Was een schoolkind, een dier knapen Die alom als rozen slapen.
't Middagdutjen op zoo'n post.
Door een ander ondernomen,
Had' hem wis den hals gekost.
Maar ons knaapjen, zonder sehroomen, Wiegde zich in zoete droomen.
Juist ging daar Fortuin voorbij, Die, zoodra ze 't kind ontdekte,
Met de grootste zorg hem wekte;
liH
J
VIJFDE BOEK. 299
- _
«'k Redde' u 't leven,» zeide zij,
«Waaghals! maar heb medelij'.
Bid ik, met u-zelf en mij!
Met den dood valt niet te mallen.
Wees voorzichtiger voortaan!
Waart gij in den put gevallen,
Ik had alles weêr gedaan;
Maar ik vraag, op uw geweten!
Zou dat billijk mogen heeten,
Heb ik aan uw zottigheên.
Aan uw achteloos vermeten
Part of deel ? Mij dunkt van neen!...»
Met die woorden, ging zij heen.
Groot gelijk moet ik haar geven.
Wat men ooit gebeuren zag,
Alles werd haar toegeschreven,
Steeds betaalde zij 't gelag.
Zijn wij dom of onbedreven,
Struiklen wij door ongeduld,
Wij zijn, daar we ons-zelven sparen.
Heiige boontjens, martelaren,
En â Fortuin heeft altijd schuld!
FABEL XII.
DE TWEE DOCTOREN.
Doctor Oen en doctor Ach Wisselden vergramde blikken,
Daar patiënt te zwoegen lag.
De eerste meende, «'t zou wel schikken,» Maar Collega's vrees stond pal :
«'t Was een hopeloos geval.»
Elk wilde op zijn wijz' genezen:
v
Een der twee diende afgewezen â Doctor Ach behield het veld... Weldra moest de kist besteld!
Beide roemden nu om 't even. «Ach!» riep Ach, «hij moest wel sneven, 'k Zei het immers!» â «Och!» riep Och , «Had hij mij gehoor gegeven,
De arme stumpert leefde nog!»
FABEL XIII.
DE HEN DIE GOUDEN EIEREN LEI.
quot;W^ic alles winnen wil, zal alles straks verliezen.
Moet ik daartoe een voorbeeld kiezen,
't Zal wezen van dien man, wiens hen een gouden ei. Een gouden ei hem daaglijks let.
Hij waande, 't beestjen hield een schat in zich verborgen. En sneed haar open zeekren morgen.
Hij vond ze aan iedre hen gelijk,
304 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
.
VIJFDE BOE K. 307
Van g'oudtresoren schijn noch blijk!
Nu had hij niet-met-al, en leefde en stierf in zorgen!
Hen les voor gierigaards! Hoe menig van dat slag, Vooral in ónzen tijd, die praktisch wordt geprezen. Werd bedelarm op cénen dag.
Wijl hij te spoedig rijk wou wezen!
FABEL XIV.
DE EZEL MET HET HEILIGEN-BEELD.
.Cen ezel droeg' een Heilgen-beeld:
't Boog alles op zijn pad. Nu dacht hij dat men h e m aanbad, Zoodat hij op het zoetst gestreeld,
Gants fier daarhenen trad, En wierookgeur en jubeltoon Begroette als hulde, hem geboón.
V
VIJFDE BOEK.
Dat ziet er een, en zegt alsnu:
«O oude, grauwe gek!
Gun dat ik uit den droom u wekk': Die hulde, langoor! geldt niet «,
Maar 't Heiligje', op uw nek!» â Als Weetniet burgemeester heet.
Dan groet men hem niet, maar zijn kleed.
309
FABEL XV.
H UT HERT EN üE WINGERT.
Een hert was achter 't bladgordijn Van zeekren wingert weggesloopen,
En dus een wis verderf ontloopen.
De jagers gissen niet waar 't wild beland mag zijn,
Zij fluiten dus hun vlugge brakken,
En trekken elders heen. Het hert, den dood ontsnapt, Ondankbre daar hij is, schendt die hem hielp, en hapt
HET HERT EN DE WINGERT
VIJFDE liOEK. 31
-
De malsche blaadtjens van de takken.
't Geritsel wordt gehoord, de jagers keeren weer,
Het hert wordt ijlings opgestoten.
Gezien, omsingeld en doorschoten,
En zijgt zieltogend op hetzelfde plekjen neer.
«Ik word verdiend gestraft!» zoo zoekt hij nog te spreken, «Ondankbren! denk er aan.» Met een is hij bezweken.
Vergeefs de groote traan die aan zijn wimpers beeft!
De jager grijpt het mes en tijgt met lust aan 't snijden.....
Hier hebt ge 't beeld van hen die 't heiligdom ontwijden Dat hen geherbergd heeft!
FABEL XVI.
DE SLANG EN DE VIJL.
Een slang, die naast een uurwerkmaker woonde,
â Een nare buur voor een fatsoenlijk mensch! â Sloop eens, als haar de honger medetroonde.
Den winkel in, maar vond er niets naar wensch. Daar ziet ze in eind een stalen vijl. «Dat's binnen!» Ze bijt er in, en knaagt, uit al haar macht. De vijl, bedaard, laat haar begaan, en lacht:
J
VIJFDE BOEK.
«Onnoozle hals! wat gaat ge toch beginnen?
Ge ontmoet in mij een sterker' dan gij zijt; Eer gij van mij een schilfertje af zult rukken,
Bijt gij uw gantsch gebit aan stukken: Ik ducht alleen de tanden van den Tijd!»
Dat woord geldt u, jaloersche recensenten!
Gij zijt tot niets bekwaam, dus â alles aangerand!
9
Maar vruchtloos hoopt ge, dat uw vuile knabbeltand De werken van 't genie uw schandmerk in zal prenten: Zij zijn voor u metaal, en staal, en diamant.
315
r
FABEL XVII.
DE HAAS EN DE PATRIJS.
Bespot g-ecn broeder in den nood!
Wie is van zijn geluk verzekerd tot zijn dood?
Geen stervling! Sophocles heeft dit met kracht bewezen. Ook Esopet. Ik geef zijn fabel u te lezen.
Een haas en een patrijs genoten allebei Een lief stil-leventjen, geburen op één wei â
Toen plotsling 't naadren van een jachtstoet zich deed hooren, En haasjen 't noodig vond een schuilplaats op te sporen.
VIJFDE BOEK.
Hij bergt zich in een grub. De honden snellen aan,
Maar snufflen rond , gefopt, verwonderd,
Zelfs Schrok *), de brak, niet uitgezonderd.
Toch werd ons haasjen door zijn eigen lucht verraan.
Hem riekt Dog Dubbelneus, die nu in alle hoeken Met nieuwen ijver rond gaat zoeken;
En Veldling, die zich nooit bedroog.
Weet zeker dat het gras daar ginder zich bewoog, En haasjen 't op een loopen stelde.
Intusschen zat het dier, daar hem de doodsangst kwelde. Te hijgen in zijn grub. Patrijsjen, die het ziet,
Begint te spotten: «Zeg eens, snuggert!
Waarom gebruikt ge uw voetjens niet?
Je zei altijd, ge waart zoo'n vluggert!»
Maar als ze spot, daar komt haar beurt:
Zij wordt gepakt en meegesleurd!
Omdat ze vleugels had (zij waren ook uitstekend)
Had zij 't gevaar ontkend. Helaas, het arme dier Had op de vleugels van den gier En â op zijn klauwen niet gerekend.
317
FABEL XVIII.
DE AREND EN DE NACHTUIL.
In 't einde werden de uil en de arend goede vrinden.
Ze omhelsden zelfs elkaar, en zwoeren bovendien Ze zouden Jt aller tijd elkanders kroost ontzien,
't Niet plukken, havenen, en, allerminst, verslinden.
«Kent ge onze jongen?» vroeg Minerva's vogel. «Neen!»
Was 't antwoord. â «Dan, helaas! moet ik het ergste duchten,»
Sprak de uil, «'t zal wonder zijn als zij 't verderf ontvluchten.
L______J
VIJFDE BOEK.
Omdat gij koning zijt, stapt gc over alles heen.
De vorsten en de goden scheeren Al 't schepsel over ééne kam.
Wee, als Uw Majesteit mijn kindren tegenkwamI Ze zouden nimmer huiswaarts keeren.» â
â «Maar,» zei onze arend, «laat me uw uiltjens gadeslaan. Of schilder mij hun beeld, en 'k raak ze nimmer aan.»
Toen zei de nachtuil; «O, jonge uiltjens zijn juweeltjens.
Mooi, knap, herkenbaar uit alle andren, wassen beeldjens! Vergeet dit nietl Onthoud het goed,
Dat nimmer door ü\v schuld wreede Atropos hier woed'!»
In 't eind werd onze nachtuil moeder.
En zoo gebeurde 't eens, toen ze uitvloog om wat voeder. Dat de arend juist, bij avontuur,
In steenrotskloof, of ouden muur,
â Daar wil ik af zijn â een gewemel Van kleine monsters zag, zoo leclijk als de hemel Ooit heeft zien worden, asschig-grijs,
Naargeestig saamgehurkt met akelig gekrijsch.
«Dat zijn de kinderen der vriendin niet, zulke draken,»
Zei de arend: «deze kan ik kraken!»
Hij deed het niet ten halve: een arend heeft altijd
Een meer dan vorstelijke appetijt.
Onze uil, teruggekeerd, vindt slechts de beentjens over Van Jt dierbaar kroost, zoo wreed geslacht. Zij slaakt een schorre jammerklacht:
«O groote Goden, straft den roover.
Die mij om al mijn kindren bracht!»
Daar sprak haar iemand aan: «Waartoe dit ijdel krijten?
331
r
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Gij hebt die ramp u-zelf te wijten,
Aan de eigenliefde, die u dreef,
Toen zij uw kinderen als engeltjens beschreef â Wie had gegist, in duizend jaren, Dat zulke monstertjens die englenbeeldtjens waren?
VIJFDE BOEK.
FABEL XIX.
DE LEEUW DIE ZICH TEN KRIJG BEREIDDE.
De leeuw zou eens ten oorlog gaan.
De krijgsraad werd belegd, het leger opgeroepen.
De koning regelt zelf zijn troepen En wijst elk dier zijn post naar aard en krachten aan.
Alzoo zou de olyfant de krijgsbehoeften dragen En, slingrend met zijn snuit, den schrik in Jt ronde jagen; De beer, waar burcht of bastioen Bestormd moest, zou zijn diensten doen;
323
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De vos zou door zijn list den vijand strikken spreiden, En de aap door frats en potserij Zijn aandacht weten af te leiden.
«Goed,» zei een raadslid, «Sire, 't zij!
De lui zijn bruikbaar, wil ik hopen.
Maar zend dien ezel weg, geen lomper dier dan hij, En dan dien bangen haas, die toch maar weg zou loopen.» â «Neen,» sprak de koning, «ook dit paar Is bruikbaar als de rest: zij hooren bij elkaar:
'k Laat d' ezel voor trompet fungeer en, Met haasjen voor koerier! Wat dunkt u, mijneheeren?»
Een goed monarch, die schijn en wezen schiften kan, Weet winst te trekken van den minste zijner slaven. En kent het onderscheid van gaven.
Niets is er nutteloos voor een verstandig man.
324
i 1
Bii'
iw
;:ii
: i
ti
11 li'
â i:
L: iU:
FABEL XX.
DE JAGERS EN DE BEER.
Twee jagers hadden geld van nooden,
Daarom verkochten ze aan een handelaar in bont,
(Hun buur) een beerenhuid. De beer was nog gezond,
Maar weldra zou ons paar â zóó was het plan! â hem dooden.
«'t Was,» zeiden zij, «een monsterbeer:
Zoo'n vacht! Kop af, als buur daar geen fortuin mee maakte!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Daar drong geen kou doorheen, al vroor het dat het kraakte.
Daar kon een pels uit! twee! ja, meer!»
Geen ossenkoopman weet zijn vee zóó op te jagen,
Als deze twee hun beer: (de hunne, altijd in hoop!)
In 't eind, gesloten was de koop.
Zij spraken af met buur om binnen twee, drie dagen De kostelijke beerenvacht Te leevren, en â goedsmoeds begonnen zij de jacht.
Daar nadert Bruintje' op fulpen sloffen!
O schrik! de Nimrods staan als van het weer getroffen.
De koop-acte is geen duit meer waard, En schavergoeding is van Bruintje niet te hopen. ...
De jagers zetten 't op een loopen,
Ãén klimt er op een boom, de tweede, gants vervaard, Koud als een steen, werpt zich op 't aangezicht ter aard, Houdt d' adem in, en speelt den doode. Menigmalen Toch hoorde hij voor vast verhalen.
Dat nooit een beer op lijken aast.
Ons Bruintjen wordt verschalkt. Teleurgesteld, verbaasd, Ziet hij dat lichaam, half versteven,
En waant het zonder geest of leven.
Toch, vreezend voor bedrog, keert hij hem om en om, Beriekt, besnuffelt hem. «Neen! de adem is verzwonden,» Zoo mort hij met een dof gebrom:
«Dat is een kreng! 't is half ontbonden!»
En daarmee keert de beer naar 't naaste woud weerom. Onze eéne koopman klimt nu van zijn boom ter neder,
Loopt naar zijn maat, en zegt: «Mijn lieve jachtgezel. Een wonder brengt ons uit dit doodsperikel weder.. . .
6
VIJFDE BOEK. 329
«Maar,» gaat hij voort, «het beercnvel?!... Wat zei ons Bruintjen toch? Hij aaide u met zijn pootcn. Dicht bij uwe ooren kwam zijn snuit.» â â «Hij zei: verkoop voortaan nooit meer een beerenhuid. Voordat de beer is doodgeschoten.»
TEN KATE, DK KABKt.KN VAN LA KONTAINF.
42
li i iiii i.i
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
330
mm
lil i,l lili
I
; i i
â
1
IPfj
BÃ
; llili
FABEL XXI.
DE EZEL IN DEN LEEUWENHUID.
Ue ezel droeg een leeuwenvacht, En, schoon ezel als te voren,
Alles beefde voor zijn kracht.
Maar een tipjen van zijne ooren Stak door zijn geleende huid En â de schelmerij kwam uit! Daarop gaat Martijn aan 't knupplen;
I
VIJFDE BOEK. 331
Met de leugen onbekend,
Staat de buurtschap overend,
Dat zoo'n mulder, wat een vent!
Leeuwen naar den stal doet hupplen.
Deze fabel dient tot leering.
Waar zoo menig bange bloed Als een Mavors wordt begroet.
In zijn prachtige monteering
Schuilt drie-vierde van zijn moed.
EINDE VAN HET VIJFDE BOEK.
èamp;ÃlJètKlzffllkX' . -'p,j . 'sj'' ''r*3iïÃ
4xi±]^mm'y i
Wa.' i' % â ; 'vt
- jji P; â
; â
IIÃ^-V'si
â -.!' WÃSms mmKsm mam iâ gt;.,'- ghf â ^â W-fm
iM
^ - i® ' :i quot;:-:IP
MmBhM -,.1 â ««» â â - /.tr\f ilSMl â â BIBiii
'i S. 'i.' J amp; _â â . â 'â â â quot;''â '^
i
i(é
-â¢. gt;â¢'â¢lt;gt;â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â .
j.,-lt;.'â *-â .amp;., ^ -jacg
'mss'is^Mrquot; f--'1
â
â
:v,^' lt;''-â¢Â«-
HIK# ' '''«HK-;
â I ' i
ïr-1 'â ^ 1
f^^ï'vyWi5ïïf? k- â¢Â°Hl IS?*Vs''ffiS^^lwirKr^-^©^W^vksiïâ / fJfflB
H n I
«ini SMro
H ⢠⢠jV-; S
W * 'J * â »5lt; -â - I .. t' 1 * - * ' Â¥â¢T*,'^',, ' I * * * '
mm
:'â ;-'quot;ÃfJ â - ;;-pèjamp;V - 'V% ^
Ã
ZESDE BOEK.
ZESDE BOEK.
FABEL I.
D E HERDER EN DE LEEUW.
De fabels zijn niet wat zij lijken:
Vaak ziet ge er 't kleinste dier als hoofdakteur in prijken. Een Zedepreêk verveelt: vermom dus uw moraal,
Haar binnensmokklend in den mantel van 't Verhaal! In die verdichtsels moet men Leeren en Behagen: Vertellen op zich-zelf beteekent niet-met-al.
Reeds vroeg is door een klein getal
335
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Vernuften 't rcchtc pad kloekmoedig ingeslagen.
Zij mijdden ijdlen tooi en groote uitvoerigheid:
Daar werd geen woord te veel gezeid.
En zóó beknopt was zelfs een Phedrus, dat er waren Die 't laakten, ja, Esoop' is korter nog dan hij.
Maar bovenal een Griek wist zóó zijn inkt te sparen
Dat hij elk sprookjen met vier regels wist te klaren â
Is dat verkeerd, of niet? Kunstkenners, oordeelt gij!
Wat ik wil doen, is u doen zien hoe twee poëeten
(Die Griek en vriend Esoop'), een elk met zijn penseel.
Dezelfde grap te sehildren weten.
De een voert een jager, de andre een herder ten tooneel.
'k Ben 't feit in hoofdzaak trouw gebleven â Een trekjen hier en daar van 't mijne, maar niet veel!
Ziet hier, hoe ongeveer Esopus heeft geschreven:
Een herder, keer op keer, had al een schaap gemist.
Hij zal dat roofgespuis hun streken wel beletten.
Hij ziet een hol: daar naast spant hij zijn netten Voor 't wolfgebroed, (de dieven naar hij gist!)
Hij bidt; «O Jupiter! vervult gij mijn verlangen,
En zie ik, eer ik ga, den dief in 't net gevangen.
Dan wordt op Jt eigen oogenblik Uit twintig kalvren. God der Goden!
Het allervetste u tot een offerand geboden!»
Hij spreekt, daar komt een leeuw! Hij staat verstijfd van schrik: «O!» snikt hij zacht, «wij blinde menschen.
Wij weten nauwlijks wat wij wenschen.
336
r
O Gij geduchte Hemelvoogd!
Als ik den dief mocht zien verschijnen Heb ik u straks een kalf beloofd:
'k Beloof u thands een os als gij hem doet verdwijnen!»
Aldus Ksoop'. En nu, laat zien, hoe heeft die held Waarvan ik sprak, hem naverteld?
FABEL II.
DE LEEUW EN DE JAGER.
Een bluf, die fel op jagen was,
Verloor een hond van 't beste ras.
Een leeuw zoo dacht hij, had de schelmerij bedreven. «Och, vriendtjen,» zegt hij, nu een herder zich vertoont: «Weet gij ook waar die roover woont?
Dan zal ik hem zijn portie geven!» â
- «Hij woont daar, bij dien berg,» zegt onze herdersknaap:
ZESDE BOEK.
Ik lever maandlijks hem een schaap Als schatting: daarvoor â 't is een zegen â Kan ik nu veilig mij naar allen kant bewegen.»
Terwijl zij nog te praten staan.
Daar komt de leeuw! Vriend Bluf aan 't beven! «Och!» gilt hij, «vader Zeus! wijs mij een schuilhoek aan Tot redding van mijn dierbaar leven!»
De Ware Moed blijkt dan alleen Als werkelijk 't Gevaar verscheen.
Zeer velen tarten 't uit, maar komt het, ach! bij hoepen Zijn zij als hazen wcggeloopen.
339
FABEL III.
PHOEBUS EN BOREAS.
LJc Zon cn Boreas ontwaarden in 't verschiet Een wandlaar, tegen wind en vlagen Ter deeg gewapend. Nu, 't liep naar de najaarsdagen,
Dan schaadt een beetjen voorzorg niet.
Dat zijn die maanden, die te recht «de onzeekre» 1) hceten. 't Is regen, en 't is zon, cn Iris' gordel 2) raadt
v
1
. . . Ine er lis si mencibus awnis abundaiis exit. . . . Virg. Ge org. lib. I. v. 115.
2
De Regenboog.
ZESDE BOEK.
Een elk die dan uit wandlen gaat,
Vooral geen mantel te vergeten.
Genoemde wandlaar had gerekend op een vlaag:
Wat mantel, lang en dik, en met een bonten kraag! «Ziedaar,» zei Boreas, «die daar komt aangetreden,
Voorzag, zoo als hij meent, in alle zwarigheden.
Hij droomde niet, de goede man.
Dat ik zoo vreeslijk blazen kan.
Dat al zijn knoopen hem begeven.
Ik ruk hem, als ik wil, den mantel van het lijf!
't Is wel een aardig tijdverdrijf.
Gij Phoebus, wilt gij 't zien?» â En Phoebus glimlacht even, En zegt; «Genoeg met uw gesnap!
Ik proponeer â een weddingschap.
Wie 't éérst van ons dat heer zal noopen Zijn mantel af te doen en in zijn rok te loopen.
Gij moogt beginnen! doof mijn glans!
Ik sta u 't toe!» â Terstond waagt Boreas zijn kans.
Eerst zwelgt hij dampen in, dan blaast hij beide kaken Gelijk twee luchtballonnen op;
Nu brult hij uit gezwollen krop.
En tiert, en giert, en rukt de pannen van de daken,
En zweept de schepen op, en doet de masten kraken.
Dat alles enkel om een mantel! Onze man Zorgt, in zijn plooien weggedoken,
Dat hem de wind niet vatten kan.
Dit redde hem. De storm mocht woedend hem bestoken. Vergeefs! de reiziger verbergt zijn aangezicht,
En sluit bij elke vlaag zijn mantel vaster dicht.
341
/
342 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
-
De voorgestelde tijd was eindelijk verstreken.
't Is Phoebus' beurt. Hij komt: de neveldampen weken ;
De liefelijke zonnegroet Verkwikt den wandlaar eerst, doordringt hem met haar gloed,
Drijft straks het zweet hem uit de poren,
En dwingt hem spoedig van zijn mantel zich te ontslaan.
Toch had de zon niet eens haar volle vlam doen gloren.
Met Zachtheid krijgt ge méér dan met Geweld gedaan.
ZESDE BOEK.
FABEL IV.
JUPITER EN DE PACHTER.
Jupijn zou eens een land verpachten.
Merkuur verkondde 't en de lieden snelden aan.
't Werk was niet spoedig afgedaan.
Men hoorde, en bood, dong af, en had een zee van klachten. De een zei, het land was dor en eischte een schat aan mest, Een tweede zei, 't was drab, en zoo geheel de rest.
Bij al dat heen en weder praten,
Daar kwam er een â brutaal, schoon juist de wijste niet â Die zet, hij zou de pacht dan onbeknibbeld laten.
343
r
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Mids Jupiter hem vrijheid liet Om over lucht cn licht, en koude en warme dagen, En wind en regen, en zoo voort,
Volkomen naar zijn welbehagen
Te heerschen, met één enkel woord.
Jupijn stemt toe. 't Contract wordt dadelijk gesloten: De pachter krijgt nu lucht, wind, regen in zijn macht, Hen gantsch klimaat, voor hèm, behoorend bij de pacht. Waarvan zijn naaste buurtgenooten Zoo min iets merkten voor of na.
Als hadden zij gewoond in 't hart van Afrika.
Dat kwam uitmuntend hun te stade.
Hun jaar was best: goed graan en overvloed van wijn. Maar onze pachter had een jammerlijke schade.
Het volgend jaar zou 't anders zijn!
Hen nieuwe regeling van vocht en zonneschijn
Zou beter resultaten geven!
Vergeefs! 't was erger nog: zijn land was een woestijn, Hn dat der buren bracht een oogst op, groot als zeven. Wat doet de man? â Hij zoekt Jupijn op, en beschreit Zijn dwaasheid. De Oppergod is dadelijk bereid Tot schuld verge ven en vergeten.
De Hemelsche Voorzienigheid Weet wat ons noodig is, veel beter dan wij 't weten.
344
FABEL V.
HET HAANTJEN, DE KAT EN HET MUISJEN.
Zeker muisje' ontkwam den dood Lestmaal juist ter-nauwer-nood.
Hoor, hoe 't voorval door den held Aan zijn moeder werd verteld!
«Moeder! 'k had de bergenrij Onzer grenzen achter mij.
ZESDE BOEK. 345
.
1
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Fier gelijk een jonge rat
Baande ik mij het gloriepad â
Toen ik bij den klaren dag
Onverwachts twee beesten zag.
't Ãén â was vriendlijk, zacht, bedaard;
't Andre â onrustig, woest van aart.
't Had een roodgekamden kop,
't Hief geduchte sporen op,
Jt Gaf bij wijl een schellen kreet.
Die mij door de hersens sneed.
Dan weer, of het vliegen wou,
Stak het de armen uit den mouw;
En zijn staart, geweldig trotsch,
Wapperde als een vederbos!...»
't Was een haantjen uit de dreef.
Wat ons muisjen dus beschreef,
Of het een of ander beest
Uit Oostindië waar' geweest.
«'t Monster,» ging ons muisjen voort,
«Sloeg met de armen ongehoord
In de zijden, en berstte uit
In zoo'n allernaarst geluid.
Dat, mij, anders mans genoeg,
De angst op eens om 't harte sloeg;.. ..
'k Vluchtte, en vloekte, bijster gram.
Dat hij mij de kans ontnam
Naar dat andre dier te treên
Dat zoo zacht, zoo vriendlijk scheen!
Denk eens, dat droeg, zoo als wij.
346
ZESDE BOEK.
Een fluweelen prachtkleedij,
Maar gespikkeld â lang en dik Was zijn staart, maar op een prik Anders onze staart gelijk.
Heel zijn houding droeg het blijk Van een zedige natuur,
Schoon een wonderHikkrend vuur Uit zijn oogen scheen. Mij dacht, Hij moest aan 't beroemd geslacht Onzer ratten zijn verwant.
Met die ooren, juist geplant Zooals de onze 1 Bovendien Liet hij fulpen pootjens zien,
Om te kussen! 'k Stond gereed Hem te groeten, toen de kreet Van dien andre de oorzaak was Dat ik vluchtte!»
â «Juist van pas,» Sprak nu de oude muis, «mijn kind! 't Beest dat gij zoo aardig vindt.
Heet een kat! een hypokriet.
List en valschheid, anders niet!
Weet dat zij van heel ons ras Eeuwen lang de geessel was!
't Andre dier, de brave haan.
Heeft ons nimmer iets misdaan. Tegendeel! zijn overschot Smeert misschien eens onzen pot â Maar die kat! haar overmoed
347
348 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hunkert naar ons vleesch en bloed!
Wilt gij niet bedrogen zijn,
Oordeel nimmer naar den schijn!
FABEL VI.
DE VOS, DE AAP EN DE DIEREN.
De leeuw, de vorst van 't woud, was dood; En als nu al 't gediert' vergaarde En tot een nieuwe keus besloot.
Zoo haalden zij de kroon uit de aarde.
Een hol, waar haar een draak bewaarde. Men nam de proef, 't ging langs de rij,
Maar niemand, niemand paste zij:
Zij was altijd te groot voor d' eenen
Te klein voor d' andren kop, of wel Zij wou niet om de horens henen.
Ook de aap besloot, alleen uit spel De kroon eens op zijn hoofd te passen, Hij maakte kunsten en grimassen.
Z E S D E B O E K. 349
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
En sprong, in bocht en buiteling, Er door als door een hoepelring. Dat kon den dieren zóó behagen,
Dat kroon en troon en rijksgebied Aan Simmetjen werd opgedragen.
Alleen den vos beviel dat niet.
Maar hij verkropte 't zonder klagen.
Hij hield, zoo luidde 't compliment,
Zich bij den Koning aanbevolen, En voorts: «Daar is een schat verholen,
O Sire! aan mij-alleen bekend.
Nu, alle schatten in Uw staten Behooren uwe Majesteit,
Dat is niet meer dan billijkheid!» Een schat, wel dat was uittermaten
Den nieuwen Koning naar den zin. Eer daar een ander naar mocht talen, Zou hij hem in persoon gaan halen.
Met was een strik â hij viel er in.
Toen sprak de vos uit naam der dieren: «Wat, stumpert! geeft gij ons de wet? Gij kunt u-zelf niet eens bestieren!»
Toen werd ons Simmetje' afgezet.
Daar ze al te saam' de opinie deelen: «De kroon eens Konings past niet velen.»
FABEL VII.
DE MUILEZEL DIE ZICH VAN ADEL ROEMDE.
riet muildier van een geestlijk heer Blufte op zijn adel, keer op keer. Vervelend was 't zoo als hij relde
Van de eedle Merrie, zijn mama. Van wie hij wonderen vertelde, Die helden in den krijg verzelde, Euroop' doorreisde, et caeteva.
352 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dies, meende zoontjen-lief, moest voor de verste neven, Zijn naam met gouden inkt in Clio's rol geschreven. Een chirurgijn te dienen... maar!
Niets had hem dieper kunnen krenken.
Toen hij wat ouder was, kocht hem een molenaar, Nu kan hij aan papa â pakdrager ezel â denken!
«Een ongeluk is licht voor 't een of ander goed.»
Dit spreekwoord zou nog waarheid wezen. Al diende 't ongeluk alleen om d'overmoed Van zotten tc genezen.
FABEL VIII.
DE GRIJZAARD EN DE EZEL.
Up zijn ezeltjen gezeten,
Zag een grijze een frissche wei. Ijlings klom hij af en zei:
« Hier kan Langoor gratis eten !» Langoor rolt en buitelt rond Op den groenen klavergrond,
Smakt naar d' aart der lekkerbekken,
354 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Scheert het malsche graskarpet Overal vol kale plekken,
Balkt en hiaat van de pret....
Tot een roover op komt dagen!
«Voort!» riep de oude, «haast-je wat! Kiezen wij het hazenpad!»
â «Ei,» sprak grauwtjen, «waarom dat? Dreigt men mij met dubble slagen?
Zal ik dubble lasten dragen?»
â «Neen, dat niet! maar rep-je voort!» Maar ons grauwtjen bleef onwillig;
«'t Is een ezel onverschillig,»
Sprak hij, «wien hij toebehoort. Vlucht! ik blijf! het is hier goed.
Eens voor altijd moet gij weten Wien wij onzen vij and heeten; Onzen meester! âWees gegroet!»
FABEL IX.
HET HURT DAT ZICH IN 't WATHR SPIEGELDH.
Zieker hert keek bij geval In het klare bronkristal.
't Kon zijn eigenliefde streelen,
Dat getakte hoornenpaar.
Maar o wee! die beenen daar: Wat bedroefde pijpensteelen!
En hoe meer in de effen beek 't Hert zijn spiegelbeeld bekeek, Te erger moest zijn hoogmoed boeten. «Neen!» zóó kreet hij, «'t moet gezeid.
356 DE FARELEN VAN LA FONTAINE.
. . _ .
Hier is tusschen hoofd en voeten
Gants geen evenredigheid!
'k Ben het sieraad der warande,
Zoo ik op dien prachtboom let,
Door natuur me op Jt hoofd gezet; Maar die beenen â zijn mijn schande!»... Als hij spreekt, daar komt gerucht â 't Is een brak â ons hertjen vlucht; 't Poogt in 't woud zich weg te pakken, Maar zijn horens, spijt hun mooi. Slechts een schadelijke tooi,
Haken telkens in de takken, En belemmren dus den spoed Van dien zoo verachten voet.
Laatste hoop toch van zijn leven! Hoe verwenscht hij in zijn drift Nu die hooggeroemde gift.
Die de Goon hem jaarlijks geven! ...
't Nuttige wordt vaak veracht, 't Schoone alleen gevierd. Wij dwalen, 't Schoone juist heeft menigmalen Hert en â hart in 't leed gebracht!
FABEL X.
DE HAAS KN DE SCHILDPAD.
't Harde loopen doet het niet: Op z ijn tij d moet gij vertrekken. Laat li door de leering wekken,
Die u haas en schildpad biedt!
Schildpad zei: «Ik wed, vlug haasjen! Dat ik, ginds aan 't eind der laan, Ãer dan gij aan 't hek zal staan!quot;
V,
3öo DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
â «Ãér dan ik? Wel, nobel baasjen,» Zei de vluggert: «bazelt gij?
Droomer, snuif eens, en kom bij!»
â «Baazlen, droomenl 't is om 't even! Kategoriesch andwoord geven!
Durft gö wedden?» â «Ja, het zij!»
Aanstonds werden beider prijzen Bij den eindpaal neergelegd:
Wat het was, weet ik niet recht, En wie 't vonnis uit zou wijzen,
Is mij evenmin gezegd.
Haasje' is rap genoeg van leden:
Haasjen had met tweepaar schreden
't Kunnen winnen â zulke schreên Als hij doet, wen hij, gevlogen Uit des jagers scheemrende oogen,
Voortijlt, mijlen achteréén!
Toch scheen haasjen van gedachten. Dat hij schildpad kon verachten,
Dat hij best in 't mollig groen Wat kon grazen, wat kon luistren Naar de koeltjens die er fluistren,
En een middagslaapjen doen.
Daarom liet hij schildpad wandlen. Die niet luistert, dut, of graast,
Maar zich langzaam, langzaam haast. Haasjen zou onedel handlen
Als hij met versnelden stap Voortging, meent hij: 't was om 't even.
ZESDE BOEK.
Hij won toch de weddingschap, Die â ook weinig eer kan geven.
Laat vertrekken, nonchalant,
Of hij de afspraak was vergeten, Ha, wat dat voornaam zou heeten! Dus â de luilak lanterfant.
Eindlijk ziet hij zijn partij Schier bij d' eindpaal aangekomen. Nu een fikschen sprong genomen!... Maar â de kans is reeds voorbij: Schildpad was er eer dan hij! «Wel,» zei schildpad, «mag ik vragen Waar uw vlugheid toch toe dient?
'k Wonl en wat zou 't zijn, o vriend 1 Had gij eens mijn huis te dragen?»
TEN KATIi:, DE KABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XI.
DE EZEL EN ZIJN MEESTERS.
Een ezel eens tuiniers beklaagde zich bij 't Lot,
Dat hij moest opstaan vóór het eerste morgendagen.
Hij sprak; «Wat kraait de haan op 't kot?
Ik ben veel vroeger op. Waartoe? Om kool te dragen!
Kool naar de markt! Wat mooi's! Dat kost me een halven nacht!» Het Lot, bewogen met zijn klacht,
Gaf hem een andren baas. Nu werd de zaak nog mooier: Hij ruilde een tuinman voor een looier!
ZESDE BOEK,
De vracht der huiden en haar akelige lucht Verdroten 't koppig dier. «Ach,» zei hij met een zucht, «'k Betreur mijn ouden baas. Als hij zich even wendde, â Met weemoed nog herdenk ik dat! â Dan snoepte ik van de kool, voor niet, een stronk of wat. Maar hier, geen extra-^ ooit dan... ransel! 't Is ellende!»
WeÃr gaf hem 't Lot een andren baas:
Een kolenbrander! â Nu, tot laat na 't avondgrauwen Moest hij met zware zakken sjouwen,
En 't was, veel meer dan ooit, «o jerum!» en «helaas!»
«Wat!» riep het Lot in vollen toren:
«Die langoor plaagt mij meer dan honderd prinsen saam'! Hoe nu? vindt hij-alleen zijn deel onaangenaam?
Heb ik niet méér te doen dan zijn gebulk te hooren?»
Het Lot had groot gelijk. Elk houdt zijn klacht gereed: Wij zijn met onzen staat haast altijd ontevreden, En 't Tegenwoordige is steeds erger dan 't Verleden. Men plaagt den hemel met requesten bij de vleet,
En schoon hij ze allen fiateerde.
Geen die van Jupiter niet weer wat aars begeerde!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
364
FABEL XII.
DE ZON EN DE KIK VORS CHEN.
Een dwingland trouwde, en 't volk vierde uitgelaten feest: 't Spoelde al de zorgen weg bij boordevolle glazen.
Alleen Esoop' moest zich verbazen Om zulk een vroolijkheid van geest.
De zon â zoo sprak hij â was op zeekren dag besloten Een wettig huwlijk aan te gaan;
ZESDE BOEK.
-------^
Eenstemmig hieven nu, in vijvers en in sloten,
De kikkers een gejammer aan.
«Gij Noodlot!» riep ze uit, «och, heb toch mededoogen!
Waar moet dat heen, wanneer de zon eens kindren krijgt?
Zie hoe door ééne zon ons volk reeds smacht en hijgt:
Een half dozijn zou al de zeeën op doen droogen.
Vaartwel dan, poel en moddersloot!
Uwe arme burgerij is 't offer van den dood.
Straks liggen we alle neêrgedoken In 't water van den Styx!».. . 't Gevaar was zeker groot,
'k Vind dat voor kikkers zoo heel mal nog niet gesproken.
V
FABEL XIII.
DE LANDMAN EN DE SLANG.
't Ljebeurde â naar Esoop' verhaalde â
Dat op een zeekren winterdag Een boertje', als hij zijn erf doordwaalde,
Een adder op een sneeuwhoop zag, Die, roerloos, van de kou versteven.
Misschien geen uur meer had te leven, 't Boertje', onnadenkend maar goedhartig, raapt terstond 't Bevrozen monster van den grond!
ÃE LANDMAN EN DE SLANG.
ZESDE BOEK.
Het komt niet op in zijn gedachten Wat treurig loon misschien zijn weldaad heeft te wachten. Hij draagt de slang naar huis, legt bij den haard haar neer, Verwarmt haar, geeft haar 't leven weêr.
Maar 't beest komt nauwlijks bij, of aanstonds is zijn toren Kwaadaardiger dan ooit herboren:
Het heft den kop omhoog, sist met gespleten tong.
En blaast, en kromt zich nu, gereed om met één sprong Hem aan te vliegen, die 'haar koesterde als een vader.
«Is dit uw dankbaarheid, verrader?»
Roept deze; «dat's uw dood!» en, boos niet zonder reen. Grijpt hij zijn scherpe bijl en houwt het dier van één.
Drie slangen maakt hij met drie slagen.
De kop, het lichaam, en de staart!
De stukken kronklen zich en waren graag herpaard â-Vergeefs! 't was uit: de draak zou niemand ooit meer plagen.
Barmhartigheid is goed, maar ziet wien gij ontfangt,
Of gij hebt schade en schand' te vreezen!
En wat de ondankbren aanbelangt.
Hun einde, vroeg of laat, zal steeds ellendig wezen.
3Ã9
FABEL XIV.
DE ZIEKE LEEUW EN DE VOS.
De Leeuw lag ziek te bed, en vaardigde een besluit In voege als onder volgt aan zijn vazallen uit: «Wij, Koning van het woud, bij Jupiters genade, Aan die dit lezen doen te weten: dat terstond Van ieder dierensoort een plechtige ambassade Verschijn' voor onze legerspond' 1 Dat tot een goede ontfangst steeds alles is geregeld. Daarvan verstrekt ons woord ten vorstlijk onderpand.»
ZESDE BOEK.
Een prachtig document, geteekend en gezegeld!
Een mooie waarborg voor zijn nagel en zijn tand! De Resolutie wordt verspreid naar alle kanten,
En ieder dierensoort stuurt aanstonds haar gezanten.
Alleen de vossen bleven thuis.
Waarom? «Wel,» zei er een, in 't zand daar, staan de schreden
Van al die hofwaards zijn getreden,
Maar niet één stap terug. Dat achten wij niet pluis! Wij hopen dat het ons niet kwalijk wordt genomen.
Maar danken wel voor de eer die ons de Koning biedt. Wij hebben zeker van zijn goedheid niets te schroomen;
Maar zijn paleis, ja-wel, 'k zie dat ze er binnen komen,
Doch dat ze er uitgaan, zie ik niet!»
373
\
FABEL XV.
DE VOGELAAR, DE HAVIK EN DE EEEUWRIK.
Het kwaad door booze lui bedreven,
Strekt tot vergoelijking van 't onze menig keer.
Dit is de groote wet van 't Leven:
«Zoo gij gespaard wilt zijn, spaar andren evenzeer.»
Een vogelvanger zat bij 't garen â
Daar hupte een leeuwrik aan, rondom 't verlokkend net Tot haar verschalking uitgezet.
374 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
ZESDE BOEK.
Maar zie, klapwiekend kwam een havik neêrgevaren, Die zich op 't beestjen wierp, dat blij zijn liedtjen floot, Helaas, zoo dicht nabij den dood!
De leeuwrik was tot hier den vogelstrik ontkomen,
Als zij op eens de klauw van 't roofgedierte voelt. De havik deed het bloed van 't arme diertjen stroomen, .. .
Daar is de moorder-zelf in 't garen vastgewoeld! «O vooglaar! laat me vrij,» zoo vangt hij aan te klagen:
«'k Heb tegen u nooit kwaad begaan.» De vooglaar andwoordt hem: «Ik wilde u wel eens vragen, «Wat heeft dit diertje u meer gedaan?»
375
FABEL XVI.
HET PAARD EN DE EZEL.
Laat niemand hier op aard uw goeden bijstand derven! Wanneer uw buurman komt te sterven, Dan blijft zijn last voor u bewaard.
Een ezel vergezelde een zeer onhoflijk paard:
Dat droeg alleen zijn zaal; maar 't grauwtjen, half bezweken, Was met een looden vracht bezwaard.
ZESDE BOEK.
«Och, buurman!» ving hij aan te smeeken, «Ik ben zoo moede, help mij wat.
Of 'k leg het af, nog vóór de stad!
'k Verg niet te veel: wat zou 't u schaden, Al werd mijn halve vracht uw schouders opgeladen?, . Het paard brieschte onbeschoft van neen, En stervend onder 't wicht, zijgt de arme grauw in-ccn. Nu kon het paard met reden klagen.
Dat hij geen hulp had willen biên:
Hij moest het pak des ezels dragen,
De huid des ezels bovendien.
377
r
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XVII.
DE HOND DIE ZIJN PROOI VOOR DE SCHADUW
LAAT VAREN.
De mensch bedriegt zich-zelf het meest, En 't aantal dwazen in dit leven Die naar een ijdle schaduw streven,
Is altijd legio geweest:
Esopus' hondtjen moet ten voorbeeld hun gegeven!
Dat beestjen zag zijn prooi weerspiegeld in den stroom.
378
Z E S D E B O E K. 379
Liet varen wat hij had, om naar het beeld te jagen;
De wind steekt op: de hond, vermoeid, vertraagt zijn slagen.
Bereikt halfdood den oeverzoom,
Maar, lacy! zonder prooi of schaduw meê te dragen.
FABEL XVIII.
DE VOERMAN IN DE MODDER.
Ue Phaeton van zeek ren boerenwagen
Bleef steken met zijn wielen in 't moeras. De stumpert zou geen helper op zien dagen, Daar hij in 't hartjen van Bretagne was, Bij Corentin, een ware modderplasch! De voerman, razend half van toren.
Laat heel een stroom van vloeken hooren, Wenscht kar en paarden naar de maan,
if
'
i
'
â
ZESDE BOEK.
En roept in 't eind dien Halfgod aan,
Die zoo befaamd is door zijn werken.
«O Herkules! gij roem der sterken!
«Gij die de waereld draagt, of Gij mij bij mocht staan!» Hij bad â daar ruischt het om hem henen.
Een stem van uit de wolken spreekt: «Ja, Herkules zal bijstand leenen.
Indien men zelf de hand eerst uit de mouwen steekt Zoekt wat uw wagen dus deed stuiten!
Die steen moet uit den weg gekeerd!
Verwijder ook die modderkluiten,
Waarmee die wielen zijn besmeerd!
Demp nu dien kuil aan wederzijden!
Is 't klaar?» â «Ja wel.» â Thands help ik u, Hebt gij uw zweep ?» â «Ja maar. .. hoe nu ? Ik merk, de wagen kan weêr rijden!
Heb dank, o groote Herkules!»
Maar weêr hervat de stem in 't ruischend windgewemel: «O sterveling, onthoud de les:
Hem die zich-zelf helpt, helpt de Hemel.»
383
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XIX.
DE KWAKZALVER.
Kwakzalvers zijn cr wel altijd geweest:
Geen faculteit telt zooveel professoren.
De één â heeft een zalf die een doodswond geneest, De andre â is een wonder van vlugheid en geest: Cicero-zelf, die orakels doet hooren!
Een dezer laatsten trad op, en bezwoer
384
r
ZESDE BOEK.
Dat hij, zóó deed hem Rhetorica blaken,
Kans zag een domkop, een Walcherschen boer,
Ja, zelfs een ezel, welsprekend te maken.
«Heeren!» zoo sprak hij, «komt, geeft hem mij hier, D' ezel der ezels, 't langoorigste dier!
Ik zal hem leeren, formeer en, dresseeren,
Summa cum lande in mijn vak promoveeren!» De Aartshertog hoorde 't: daar werd voor zijn troon
't Puikjen der rhetorieijnen ontboón.
*
«Heerschap!» zoo sprak Zijn Genade, «in mijn stallen Heb ik veel ezels, maar één boven allen Is mij zeer dierbaar: uit Afganisthan Stamt hij. Daar maakt ge me een Redenaar van!» «Hoogheid!» is 't and woord, «Gij hebt te gebieden:
Alles vermoogt Gij, Uw wil zal geschieden!»
't Handgeld was ruim, dat hem toe werd geteld;
Voorts werd een tijd van tien jaren gesteld,
Na wier verloop, 't was Zijn Hoogheids verlangen.
De ezel gedoctord moest wezen â zoo neen,
Onze docent, met een blok aan zijn been,
't Ezelsvel om, zou in forma gehangen!
Een van de hoovlingen zei met een lach,
«Dat hij hem hoopte te zien op dien dag.
Ook hem te hooren, wanneer hij vol gratie,
Hoog van de leer, in zijn Afscheidsoratie 't Volkjen zou stichten, vooral zeker soort Gicero's, dievencanaille . .. » en zoo voort.
â «Vriendtjen!» sprak de andre, «eer de zaak is verkorven, Is óf Zijn Hoogheid, óf de ezel gestorven,
3S5
TEN KATF-, DK FABRLRN VAN LA KONTAINK.
49
DE FA B E L E N VAN L A F O N T A I N E.
3S6
Mooglijk ik-zelf wel!» â De snuiter sprak waar. Dwaas is 't, op tien jaren levens te bouwen. Eet, drink, wees vrolijk! dit zult gij aanschouwen, Eén van de drie gaat ten grave in tien jaar.
FABEL XX.
DE TWEEDRACHT.
De onsterflijke Godin der Tweedracht had de Goden Ellendig gebrouilleerd, en dat, o zielsverdriet!
Om éenen appel, anders niet.
Dies werd de toegang tot den Hemel haar verboden.
De Mensch, toen hij haar komst ervoer, Zei: «Welkom, Godentelg! treed, bid ik u, treed nader!» Zij kwam, met mijn-en-dijn, haar vader, Hn 'k-zeg-van-ja-van-neen , haar broer.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Bij ons, Europa's kroost, dacht zij verblijf te houën.
Daar ze ons den voorrangquot; gaf ver boven 't ploertendom Van Tegenvoeters, schaamle drom.
Die zonder priesters en notaris durven trouwen.
En waar de Tweedracht dus volstrekt geen kwaad kan brouwen.
Opdat men steeds haar hebben mocht.
Wanneer dat noodig bleek aan Rhijn- of Aemstelzoomen,
Zoo werd zij door de Faam steeds tijdig opgezocht; Dan vloog ze, en deed haar best den Vrede vóór te komen. En blies de vonk tot vlam, die duizend jammren wrocht! In 't eind begon de Faam een weinigjen te klagen
Dat Tweedracht schaars te vinden was Op ééne en de eigen plaats. Soms zocht men vele dagen
Vergeefs; en dit kwam niet te pas!
Haar voegde een vast verblijf, dat alle menschen kenden, Van waar men naar alom haar aanstonds uit kon zenden . ..
Dat was gemakkelijk gezegd,
Maar moeilijk uitgevoerd, want in dien tijd verrezen Geen meisjens-kloosters nog! De zaak werd overlegd. En toen â de Herberg van den Echt Tot logement haar aangewezen.
388
r
FABEL XXI.
DE JONGE WEDUWE.
't Verlies eens echtgenoots wordt met veel rouw gelecn: De tranen stroomen eerst, dan daalt er troost ter neder. Op vleuglen van den Tijd vliegt straks de doefheid heen,
De Tijd brengt 's levens vreugden weder. De weduw van een jaar, de weduw van een dag,
Wat onderscheid! die beide aanschouwde,
Zou niet gelooven dat hij 't zelfde vrouwtje zag.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De een jaagt de lieden weg gelijk een winterkoude,
En de andre trekt hen aan gelijk een zomerdag. Het kersversch weeüwtjen smelt in tranen en geklag, Gehuicheld, of oprecht. Men zingt hetzelfde liedtjen,
En zegt: «Ik sterf van smart.» Men zegt, maar â meent het niet.
Een wonder schelmtjen is Cupiedtjen,
Zoo als ge in dit mijn Dicht en â in de waereld ziet!
Een beeldschoon wijfjcn stond bij manliefs legerstede.
Hij stierf. «Ach!» kreet ze, bleek van droefenis en schrik, «Geliefde, wacht een oogenblik,
En ook mijn vlotte ziel vlucht met uw ziele mede!»
Maar manlief deed de reis alléén.
De vader onzer schoone â echt-praktiesch mocht hij heeten â Liet eerst den vrijen loop aan haar bedroefd geween;
Maar eindlijk sprak hij: «Staak uw kreten!
Mijn kind, wat baat uw man of gij uw schoonheid schendt? Waartoe uw jonge jeugd in ijdle smart versleten?
Daar zijn nog levenden: vergeet de doon in 't end!
Niet dat ik nü reeds wensch, 't is nog zoo kort geleden, Dat gij ten tweedenmaal naar 't echtaltaar zult treden:
Ik vraag alleen maar, sta mij toe,
Uw vader, dat ik u een later voorstel doe.
En u een gade firoponeere Schoon, welgemaakt en jong, kortom een man met eere,
Geheel iets anders dan de heer dien gij betreurt.»
â «Ach, vader!» zucht ze, daar ze kleurt, «Een kloostercel, ziedaar den man dien ik begeere!»
Papa laat haar begaan. In sombre mijmerij
390
DE JONGE WE DUWE.
ZESDE BOEK. 393
Kruipt dus ecu eerste maand voorbij.
De tweede wordt besteed in 't plooien en verschikken Van lijfje' en kapsel, lint en strikken:
Zoo wordt in korten tijd de rouw een prachtkleedij.
Straks keeren op fluweelen sehachtjens,
Als duifjens tot heur til, de Minnegoodtjens weer;
Nu volgen, als in 't blij Weleer,
De blijde lustjens, lonkjens, lachjens:
Men danst en springt.
Men juicht en zingt,
Bij keur van honigzoete reednen.
Terwijl men dag aan dag uit Hebe's beker drinkt.
De vader vreest niet meer voor 't spook des overleednen!
Maar als hij met geen woord van 't tweede huwlijk rept,
Treedt zij hem eindlijk vleiend nader:
«Waar blijft die jonkman, lieve vader.
Waarvan gij mij gesproken hebt?»
394 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
EPILOG G.
«Laat ons wat heraaming zoeken! Ik ben bang voor lange boeken.
Put een onderwerp niet uit,
Schep den room er af! â Verander Straks de snaren op uw luit!
Hutsel nieuw gebloemt' en kruid, Nieuwe kransjens aan elkander!»
Zoo sprak La Fontaine, en zong Psyche (een lied, dat we allen kennen!?) Gm flux, met een stoute sprong Weergekeerd, nog eens, weer jong. Zes Boek Fabels neêr te pennen!
ZEVENDE BOEK.
ZEVENDE BOEK.
FABEL I.
DE PEST ONDER DE DIEREN.
Een Plaag, die angst en schrik verspreidt, Een roc, die 's Hemels heiligheid Vaak op de gruwelen der Aarde heeft gewroken. De Pest â indien ik haar bij name noemen mag â Die d' aaklige' Acheron bevolkt in eenen dag.
Was bij de dieren uitgebroken.
Al stierven ze allen niet, 't lag alles krank ter neêr, Geen schepsel werd meer uitgedreven Om spijs te zoeken voor een halfverstorven leven.
Geen lekker beetjen, malsch en teêr,
«Waar langer wolf of vos de kneveltjens naar lekten;
397
r
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Geen tortelduifjens trekkebekten,
Geen Liefde, en dus geen Vreugde meer! De leeuw belegt den raad, en laat aldus zich hooren:
«Geliefde vrienden! 't wee, dat we in ons midden zien, Is door de goden ons ten strafgericht beschoren: De schuldigste onder ons moest zich des Hemels toren Tot een verzoenend offer biên!
Licht spaart Hij de anderen dan. Ik vind in alle landen Een voorbeeld van zulke offeranden.
Zijn we onpartijdig en oprecht.
En luistren wij alleen naar 't geen 't Geweten zegt! Wat mij betreft, 'k zeg 't droef te moede,
'k Joeg vrij wat schapen door mijn krop. Ja, 'k at zelfs menigmaal in gruwelijke woede
Den herder op 1....
'k Beschuldig dus mij-zelf, zoo 't zijn moet maar; ik rade Dat elk mijn voorbeeld volg'; want immers is het zaak, Dat de allerschuldigste, de méést volharde in 't kwade,
Zich offre aan des Hemels wraak!»
Nu, sprak de vos: «Monarch, bij Jupiters genade! Gij, puik der Vorsten! zijt te teeder van gemoed. Wat? schapen slachten, beestengoed,
Canailje en anders niet, dat zoudt ge als zonde vreezen? Gij, toen gij ze opat, hebt hun eers genoeg bewezen! En wat den herder aanbelangt,
'k Meen dat hij loon naar werk ontfangt. Wanneer hij sterft, tyran die over alle dieren,
Zelfs over u en ons, den scepterstaf wil zwieren 1.. . » Zoo sprak de sluwe vos; een donderend applaus!
398
DE PEST ONDER DE DIEREN.
Z E V K N D E B O E K.
Men durfde 't ^ruütcr kwaad van de andrc Mogendheden, Van beer en tijger, niet ontleden;
Al 't twistziek volkjen, zelfs de bulhond en de smous.
Zijn halve heiligjens, naar 't algemeen gevoelen.
Nu kwam ook de ezel voor. Hij boog het hoofd en zei: «'k Mag niet ontveinzen dat mij knagingen doorwoelen,
'k Herinner mij een kloosterwet....
De honger, de eenzaamheid, 't jong gras, en â wie kan't weten? Licht de invloed van een boozen geest...
Ik heb die weide kaal gevreten;
Dat is, ronduit gezegd, een dieverij geweest!»
Daar volgde een luid hoerah! Een wolf, een groot geleerde. Een Doctor Juris, trad ter balie, en beweerde
Met klem van reednen, dat die langoor, vuil en kaal. De bron van alle leed, die 's Hemels wet schoffeerde,
Den dood verdiend had duizendmaal!
Zoo'n akelig vergrijp was wel des hangens waardig!
Te vreten van het gras uw naasten! hoe kwaadaardig!
En dan nog heilig gras! Alleen de doodstraf kon Den gruwel boeten.. .. Ja, 't was klaarder dan de zon.
Al naar ge meer of min in aanzien zijt verheven,
Wordt u door 't Hof een witte of zwarte boon gegeven
401
TEN KATK, DU FABELEN VAN LA l-ONTAINE
51
FABEL 11.
DE KWALIJK GETROUWDE.
Als ik het Goede en 't Schoone ooit als een paar aanschouw, Neem ik op staanden voet een vrouw;
Maar daar die twee meestal gelijk geseheidnen leven, En schaars een schoone ziel Jt schoon lichaam wordt gegeven,
Vergun men mij dat ik van Hymen mij onthoü!
'k Zag menig huwlijk, maar niet één kon mij bekoren:
Toch sluit vier vierde deel van het menschelijk geslacht
402 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
V
I
ZEVENDE BOEK.
Dien band op goed geluk al even onbedacht,
En ook vier vierden is een vroeg berouw beschoren.
Ik wijs er hier op een, die ook zich had vergist,
En nu geen andere uitkomst wist Dan de Ega buiten's huis te sturen.
Twistgierig was ze, en deun, vol van jaloersche kuren.
Niets was zoo als het moest, niets was haar naar den zin:
Men stond te laat uit bed, men ging te vroeg er in.
Een ditjen en een dat, wel-heb-ik? en wat-drommel!
De meiden werden dol; mijnheer, uit zijn humeur.
Mijnheer denkt nergens aan, mijnheer speelt grand-sinjeur;
Mijnheer zwijgt als een mof, mijnheer bromt als een hommel,
't Is steeds mijnheer! mijnheer! En eindlijk zendt mijnheer,
Het eeuwig hasplen moê, haar naar heur ouders weer.
Daar kon zij 't aanzien hoe de boeren De ganzen hoeden en de jonge verkens voeren. â
Na korten tijd scheen zij aanmerkelijk verzacht.
Mijnheer riep haar terug. «Welnu, hoe hebt ge uw dagen
Ginds in Arkadië doorgebracht?
Kan u de eenvoudigheid van 't vreedzaam land behagen?»
«Ja wel,» was 't and woord, «maar dit deed me displezier.
Het volkjen daar is nog veel luier slag dan hier.
't Verzuimt de kudde! 't Is tot 's anders scha geboren!
Ik heb het hun gezegd, niet malsch!
Maar 'k haalde mij den haat dier ploerten op den hals!» â «Hoe?» sprak de man, «Mevrouw, helaas! wat moet ik hooren?
Als gij zoo ongemaklijk zijt,
Dat zij, die ge op een dag maar even Des morgens ziet en voorts eerst tegen avondtijd.
DE F A HP: L EN VAN LA FONTAINE.
Met u onmooglijk kunnen leven,
Hoe zal dat niet de meiden gaan,
Die gij den gantschen dag kunt plagen?
Hoe met uw armen man, bij nachten en bij dagen
Gedoemd met u te zijn? â 't Is niet om uit te staan! Keer naar uw dorp terug. Vaarwel! zoo 'k van mijn leven U weer terugroep, of de lust daartoe betoon', Dan mogen, tot mijn straf, in 't somber rijk der doón Twee vrouwen zoo als gij steeds aan mijn zijde zweven!
404
FABEL III.
DE RAT DIE ZICH VAN DE WAERELD HEEFT
AFGEZONDERD.
'k Las laatst een Oostersche legende Van zeek ren rat, die, moe van 's waerelds woest geraas, Zich stil terugtrok in een groote Edammer kaas.
Daar heerschte een stilte als nooit de wufte waereld kende!
De nieuwe kluiznaar was er heerlijk naar zijn zin. En wroette en knabbelde, groef kapitale gangen.
En nestelde zich midden in,
En hield er goede cier. Wat kan men méér verlangen?
ZEVENDE BOEK. 405
4o6 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
. ^
Zoo werd hij dik cn vet: de Hemel ziet altijd Met welbehagen neêr op die Zijn dienst zich wijdt.
Daar kwam nu, na niet vele dagen,
Een deputatie van het rattenvolkjen aan,
Om d' achtbren heremiet een onderstand te vragen.
Men moest wel in den vreemde gaan Om hulp te zoeken, want de nood was bang geworden.
Het kattenvolk, in wilde horden,
Was stormende aangerukt, en had Ratopolis, de sterke stad,
Omcingeld. De afgezanten waren Vertrokken zonder kruis of munt:
Er was geen geld! Maar werd de leening hun vergund,
(En 't was niet zoo heel veel!) dan zouden zij 't wel klaren.
Nog vier, vijf dagen, en geen zweem meer van gevaren!
«Mijn vrienden!» sprak de heremiet,
«'k Bemoei mij langer met het ondermaansche niet.
Wat zou ik tot uw hulp vermogen,
Ik, arme kluizenaar? Al wat ik kan en mag,
Is voor u bidden heel den dag!
De Hemel, 'k wensch het zeer, toone u Zijn mededoogen!
De kluiznaar sloot de deur voor hunne neuzen dicht,
En keerde tot zijn vroomen plicht:
Ik vraag aan wie mij aandacht wijdden:
«Wien heb ik toch bedoeld met dees geveinsden rat?
Een monnik?» â Neen! â «Wien dan?» â Een derwisch!
â «En hoe dat?» Een monnik, naar ik meen, is steeds vol medelijden.
FABEL IV.
DE REIGER.
I^eiger, op zijn hooge poten, Wandelde aan een waterzoom. 't Zonnetjen had op den stroom Al haar liehtgloed uitgegoten: 't Water, helder als kristal, Was doorzichtig overal.
Reiger zag de baarsjens spartlcn, Snoek en karper vrolijk dartlen:
408 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Reiger, had hij lust gehad,
Had die alle kunnen pikken.
Maar hij dacht, «ik wacht nog wat: «'t Is te vroeg nog om tc bikken.» Want mijnheer was zeer precies, «Haast u langzaam» zijn devies. Eindlijk kwam de honger knagen.
Maar â 't was zeelt, en anders niet. Wat daar zwemmend op kwam dagen, 't Kon hem niet-met-al behagen. Wachten zou hij, wachten dus, Als uw rat, Horatius! *) «Hoe!» sprak hij, «ik, eedle reiger,
Ik zou zeelt naar binnen slaan? Schande zoo ik dat niet weiger!
Waarvoor ziet dat volk mij aan?» Ijlings was de zeelt verdwenen â
Ziet, wat onaanzienlijk ding Is daar uit het diep verschenen?
't Is een kleine grondeling «Grondling! 'k zou mij-zelf vergeten. Wilde ik zulk een katvisch eten;
Neen, naar zoo veracht een buit Steek ik nooit den snavel uit!» Wonderschoon gesproken! Echter â 't Hapjen was nog tienmaal slechter Dat hij aan zijn snavel stak:
Horatjus, Satyr* lib, II. Sat. VI. vs. 85.
«Cupiens varia fastida coena Vincere langenlis male singula denle superbo.»
V
ZEVENDE BOEK.
Toen geen visch meer was te vinden, Toog hij gretig aan 't verslinden Van een â vieze waterslak!
Laat ons niet te langzaam kiezen 1 Kloek verstand maakt wijs bedacht. Die het kleine deel veracht,
Zal ten slotte 't al verliezen.
Kunt ge er even meê volstaan, Neem het winstjen dankbaar aan. 't Smaden van geringe dingen Brouwde leed aan menigeen, 'k Spreek tot reigers niet alleen, Maar tot eedier stervelingen.
409
Menschen, hoort! en doet uw nut: 'k Heb bij ü mijn stof geput.
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE
FABEL V.
HET MEISJE N.
Zieker meisje', een nuffig ding, Zei: «Als 'k ooit in d'Hcht zou treden,
't Waar' slechts met een jongeling Welgemaakt van lijf en leden, Aangenaam, en rein van zeden,
Niet jaloersch, maar ook niet koud, (Let hier wèl op!) rijk gezegend
J
ZEVENDE BOEK.
Met geboorte, geest, en goud!» Nog iets? â
'k Moet bekennen, 't regent Zulke witte raven niet;
Toch, aanzienlijke partijen
Daagden op; maar 't oude lied Werd gezongen: «Daarmee vrijen? Ik? Men stelt dat voor aan mij? Maar 't is klinkklaar jokkernij! 't Is wat mooi's!» Die â was een platjen, Gene â een domkop. Hoe affreus Pieters vest, en Paulus' neus!
't Was een ditjen en een datjen,
Altijd wat! Want nuffen zijn (Denk er aan, jong Maagdelij 11!)
Erger dan de preutschen. â 't Statig Vrijerdom, met blauwe scheen, Deinsde weg. Wat nu verscheen. Was niet meer dan middelmatig.
Zij, aan 't spotten: «Welk een troep. Waardig mijn salons te ontsluiten! 'k Moest ze in vrede laten fluiten
Op den stoep!
't Volkjen waant mij vast verlegen Om een man!
'k Slaap zoo zorgloos als men kan, Schoon alléén! Zóó'n huwlijkszegen Kan wel eiken dag verkregen!»
Alzoo smaalt ze, en, fier te moê,
411
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Juicht jufvrouw zich-zelve toe.
Maar jufvrouw begint te ontwaren Dat ze allengskens klimt in jaren:
Al de minnaars gaan voorbij,
Twee, drie zomers zijn vervlogen: Jufvrouw gaat van spijt gebogen â
Jeugd, en jool, en jokkernij,
Amor, ach, waar fladdert gij?
Jufvrouws hartjen klopt verwilderd.
En de roosjens op 't gelaat Rimplen, worden bijgeschilderd
Met een laagjen inkarnaat.
Maar door poeders noch penseelen Laat de Tijd, die groote dief.
Zich verschalken, jufferlief!
En de schelm gaat voort met stelen.
Oude huizen bouwt men op;
Maar die blonde krullenkop En der oogjens zonnegloren.
Eens verloren, blijft verloren!
Och, hoe ze in haar schulpjen dook, Jt Nufjen! hoe ze fleemde en vleide. Nu haar spiegel daaglijks zeide:
«Neem een man, en spoedig ook!» Mooglijk zei een zoete smarte 't Zelfde daaglijks in haar harte,
Want een nuf â men blijft toch mensch! â Heeft ook haar verborgen wensch.
Deze â deed een keus ten slotte.
WÃÃÃmÃÃÃm,
ZEVENDE BOEK. 415
Waarom ieder haar bespotte': Want zij ging naar 't echtaltaar Met â een kreuplen bedelaar!
FABEL VI.
DE DRIE WEN SC HEN.
In 't Rijk des Mogols woonden geesten voordezen, Als vriendlijk geprezen,
Bereid om voor menschen het huiswerk te doen; De keuken, den kelder,
Zij hielden ze helder.
Zij wiedden den akker, zij snoeiden 't plantsoen, Zij schrobden den stal. Maar men moest hen niet storen, Want dan waren arbeid en moeite verloren.
416 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
ZEVENDE BOEK.
Eén hunner, aan d' ücvcr der Ganges-rivier,
Verving bij een burger de plaats van tuinier. Hij arbeidde stil, maar knaphandig en trouw;
Hij hield van zijn baas, en hij hield van zijn vrouw. Vooral van zijn tuin. Of de zefiers altijd
Hem hielpen? Hest mooglijk! De Zefiers altijd Zijn vrienden der geesten. Maar 't was niet te merken: Hij luierde er niet om, noch verflauwde in zijn vlijt. â Contrarie! 't bleef immer zijn streven Zijn heerschap genoegen te geven.
En schoon men den geesten hun wuftheid verwijt. Hij zou wel altijd bij zijn baas zijn gebleven,
Maar lacy, die nijd! . . .
De geest had collega's!... En die â overreedden Den koning der geesten, om hem, wakkren geest. Uit Hindostan, waar hij een eeuw was geweest,
Naar 't Noord' te verplaatsen, naar 't bar Samojeden, Als hoofdinspecteur van een huisjen aldaar.
Met sneeuw overdekt heel het jaar.
Maar vóór zijn vertrek sprak hij 't echtelijk paar Voor 't laatst nog eens toe daar ze schreiden: «Vaartwel dan! ik moet van u scheiden.
Wat heb ik misdreven? Wie weet het? Ik niet!
Genoeg, dat mijn Koning mij 't heengaan gebiedt. Wanneer? Binnenkort, over weinige weken.
Misschien eer een enkele week is verstreken.
Benuttig mijn dienst nu zooveel ge nog kunt!
Want weet, u zijn samen drie wenschcn vergund,
Drie wenschen, niet meer!...»
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE 53
4i8 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
.. ^
Nu, 't is zeker dat wenschcn Niets nieuws is, en tevens niets moeilijks voor menschen.
Ons paartjen wenschte â Overvloed! (Wensch nummer één)
En de Overvloed, rijkste aller nymfen, verscheen.
En hoopte de laden met blanke florijnen.
De schuren met koren, de kelders met wijnen.
Tot barstens toe vol.
Hoe alles te reeglen, te schikken, te boeken?
Het hoofd van ons paartjen liep deerlijk op hol.
's Nachts dreigden de dieven hun huis te bezoeken,
Bij dag kwamen groote sinjeurs.
Die leentjen-buur speelden, tot schade der beurs,
En voorts: directeurs, controleurs, inspecteurs Van Cijns en Belasting, direkte, indirekte.
Voor roerend, niet roerend, voor land en voor stad,
Voor licht en voor lucht, voor de hemel weet wat!
Ons paartjen, al zuchtend, ontdekte Dat de Overvloed waarlijk een schaduwzij' had.
Zij smeekten; ff Erbarmen!
Ontneem ons den schat!
Zóó rijk zijn? Neen, dan veel gelukkiger de armen!
Daal, moeder der rust en der vreugde, daal neêr.
Gij, Middelmaat! altijd de veiligste, ai, keer!»
De Middelmaat keerde, en werd dankbaar ontfangen.
Men ruimde haar plaats in. Ons paartjen was weer Precies even veer'
Als vóór de twee wenschen, vervuld naar verlangen.
Precies even veer' ook als zij die den tijd Aan d' arbeid gewijd,
ZEVENDE BOEK.
Verdroomen, in eindlooze wenschen gevangen.
De geest en ons paartjen bespraken 't geval, En lachten er om. Nog één wensch mocht geschieden, Vóór 't laatste vaarwel. Nu, wat kozen die lieden? De wijsheid! een schat die nooit hinderen zal.
419
A
FABEL VIL
HET IIOI: VAN DEN LEEUW.
JLceuw, die fiere Majesteit, Wilde eens al de naties kennen, Buigend voor zijn heerlijkheid. Dies deed hij zijn boden rennen Naar elk volk, geslacht of ras, Dat zijn kroon leenplichtig was. Elke boó, naar oude zede,
Kreeg een circulaire mede.
Waaraan 't vorstlijk zegel hing;
Z K V IC N ]) E 15 O E K.
De inhoud luidde: «dat de Koning
Tot zijns volks verlustiging Heel een maand lang in zijn woning
Open hof te houden dacht.
Met een Landfeest zou 't beginnen, Waar de Koning al zijn pracht Zou doen schittren tot den nacht. Schoone prijzen zou doen winnen, Tombola's, een talloos tal,
En ten slotte een apenball Ieder moest dus zonder schroomen Naar des Konings Louvre komen.» â Zegge Louvre! een knekelhol Van afgrijsbre pestlucht vol I Bruin de beer, bij 't binnentreden, Stak den vinger in den neus. Dat vond Sire «nialgracicnx,» En spijt tranen en gebeden Zond hij onzen viezevaas Naar het schimmenrijk, helaas! De aap ving aan op alle wijzen Deze strengheid hoog te prijzen:
Echte hoovling, roemde hij Sire's fierheid , Sire's klauwen,
En den reuk van 't hol er bij: Balsemstruik noch specerij Konden zulke geuren dauwen!
Maar die lof, dwaas, onoprecht, Al te luid, bekwam hem slecht.
421
\
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Onze leeuw was van den stempel Van mijnheer Caligula: 1)
't Aapjen reisde 't beertjen na! â
Nu stond Reintjen op den drempel.
«Wel,» zei Sire, «groot pleizier Doet me uw komst. Hoe ruikt het hier?»
Reintjen buigt een keer drie, vier:
«Sire zal 't ten goede houden,
Ik ben zóó geducht verkouden,
Dat ik al mijn reuk verloor!» â
Zoo kwam Reintje er heelshuids door.
Dit, o Lezers moge u leeren,
Zoo ge aan hoven wilt verkeeren.
Zorg dat gij geen dwaasheên zegt,
Maar zijt ook niet al te oprecht 1 't Is een slimmert die 't daarheen leidt.
Dat hij, beide, Ja noch Neen zeit.
1
Caligula verhief zijn zuster Drusilla lot den rang der goden, en woedde gelijktijdig tegen hen die haren dood beweenden als tegen degenen die dat niet deden: tegen de eersten, omdat zij, naar zijn voorgeven, de apotheose zijner zuster verachtte; tegen de anderen, omdat zij zich onverschillig betoonden over haar verlies.
FABEL VIII.
DE GIEKEN EN DE DUIVEN.
Mars bracht weleer geheel de lucht in strijd. Bij 't vooglenheir was de oorlog uitgebroken.
Niet bij dat soort dat in den lentetijd Zijn bruiloft viert, in 't eerste groen gedoken, Niet bij die andre diertjens, blank en eél, Voor Venus' kar gespannen in 't gareel.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
Neen! Jt was bij 't volk der Gieren, scherp van klauwen En krom van bek, dat deze twist ontstond,
En wel, naar 't zeggen, om een dooden hond.
liet stroomde bloed op bergen en landouwen,
'k Zeg niet te veel en waarlijk! zoo mijn lied Een trouw verhaal van 't moordtooneel moest geven,
Mijn longen, schoon van koper, hardden 't niet. Hoe menig Hoofd, hoe menig Held moest sneven! Prometheus-zelf wachtte op zijn rots in 't end' Verlossing van zijn eeuwenlange ellend'.
't Was schoon te zien, de moed dier duizendtallen.
Maar droevig zooveel dooden te zien vallen.
Kracht, vlugheid, list, verschalking overal.
Een ijver die ons menschen zou beschamen,
Om Jt donker rijk, waarin de schimmen aamen,
Tc meerderen met burgers zonder tal.
Die woede nu verwekte medelijën
In 't harte van een volkjen, bont van kuif En teer van ziel: de vriendelijke Duif Zou middlaar zijn der twistende partijen.
Fluks koos zij haar gezanten: 't lukte wèl, Welsprekend kirden zij â de gieren gaven De twist op, en zij vierden 't vreêherstel.
Helaas! het was ten koste van de braven,
Die 't roofgespuis, al ware 't maar alleen Uit dankbaarheid, had moeten sparen! Woedend Vloog 't moordziek ras naar alle duiven heen, Arm volkjen, straks genekt, verscheurd, verbloedend, In veld en woud. â Daar bleef er ook niet één!
424
v
H â
| quot;-tli' - '⢠^j'-1 ^Mvo. M
I fWimwaM j 1
M^KSR ^ ^»i®ilSiaiS8lWS»f»®#»3w#iSS8!^«K
HnHH^l
imm tmjSm-1 k mI^Ã^ i IW;
|,quot;,; h| â 1i 11
:!h,
S6fe«^. â ⢠â â â , , i
i
I
t.*.\»'wi?,.Â¥ i ^ lt;⢠-i-ïflf w* *amp;amp;*£â¢.â MBHBHHM gMia Hpi â â â â Knf. %mSmSi
I
â .lt;L .quot;ïjI'j hquot;.1!» . quot;i'ivsiSeU- im â TF'.fWrt.'.'1'!â¢â â ,l *JwwfftVgt;lV gt;rV.'y;^ quot;-quot;-'.-quot;quot;,^ *,1i
i 'i: Ã â MHc^ :JB
SM BB â ,_****'!_⢠, Iml 'â .*
smÃamp;i mmmÃÃ,
BKswpftpS®
imÃsmÃmm
i)]^S
I â â
sif^f v.- . ; ^
I
9
I i»
i ;
â
i
MMHg
aamB !gt;
â y^iamp;l
wmSS,
WÃBBmMSk^mÃÃm
.' '-iH, Vj Ji' ⢠â â 'quot;t--'
fr
I^M
V,- 'gt;%mWm
WEIÃÃIÃÃ/ÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃIÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃKÃÃKÃ
ZEVENDE BOEK. 427
Maar 't was ook dwaas om schelmen en schavuiten Te nooden zich éendrachtig saam' te sluiten.
Ter wille van uw veiligheid,
Houd toch de boozen van elkander!
Lokt gij ze samen d' een bij d' ander,
Weet dat ge u-zelf 't verderf bereidt.
Dit in 't voorbijgaan, 'k Heb gezeid.
FABEL IX.
DE REISWAGEN EN DE VLIEG.
L angs een zandweg, steil, vol kloven, Blakrende in den zonnegloed,
Trok een vierspan, hoe vol moed, 't Logge voertuig traag naar boven.
't Reisgezelschap ging te voet: Grijzaards, monniken en vrouwen, 't Vierspan, droevig om te aanschouwen. Zwoegde, zweette, kon niet meer.
y
Z E V E N D E BOEK.
Daar kwam bromvlieg, al zijn dagen! Om de paarden voort te jagen.
Gonzend vloog hij heen en weer, Beurtlings dreigend, beurtlings smeekend,
De arme paarden keer op keer Met zijn scherpen prikkel stekend.
Recht gelukkig in zijn waan,
Dat hij 't rijtuig voort deed gaan! Nu eens zat hij op de wielen.
Vloog den voerman in den baard, Dan weêr beet hij onvervaard 't Reisgezelschap in de hielen:
Hotste dan de kast daarheen,
Repte 't wandlend volk de schreên, «Mij,» denkt bromvlieg opgetogen,
«Mij de roem!» Nu daar, dan hier, Komt hij af- en aangevlogen.
Als een onderofficier Die rekruten drilt. Aan 't klagen
Gaat hij eindlijk: «'k Werk alléén. Niemand helpt de paarden jagen â
't Geldt toch 't nut van 't algemeen! 't Is om uit zijn vel te springen:
Steeds maar leest die monnik door, Preevlend zijn getijde, en hoor! 't Vrouwenvolkjen zingt in koor â 't Is dan ook wél tijd van zingen!. . .»
Onze vlieg gonst hun om 't oor, En doet honderd dwaze dingen.
429
Eindelijk, na veel getob Komt de koets er boven op: «Laat ons nu wat ademhalen,»
Zegt de vlieg: «ik bracht u hier, Heeren paarden! met plezier Zult gij nu mijn loon betalen.»
IJveraars in groot getal Moeien zich met andrer zaken, Willen zich onmisbaar maken En â zijn lastig overal!
FABEL X.
HET MELKVROUWTJEN EN DE MELKPOT.
1 ictjen meende zij kon 't wagen
De aarden pot, met melk gelaan, Op haar hoofd naar stad te dragen. Ken licht jakjen had zij aan,
Korte rokjens,
Lage schoentjens, dunne sokjens, Om te gauwer voort te gaan.
432 I) K F A H K L K N V A .M L A K O Nf T A 1 N K,
En ze dacht zoo onder 't loopen;
«Kijk, die melk geeft zóóveel winst; Daarvoor zal ik eiers koopen,
Honderd eiers op zijn minst:
Dat's drie broedsels, wil ik hopen!
't Zal naar wenseh gaan met wat vlijt. «'kHeb,» zoo sprak ze, «in korten tijd Kiekentjens: die kunnen spelen Op mijn bleekveld. En wel fijn Moet het sluwe Reintjen zijn,
Als hij er zóóveel zou stelen,
Dat ik niet van 't overschot Mij een biggetje' aan kan schaffen.
'k Timmer zelf een aardig kot, 't Mesten kost mij een paar maffen, 't Was al mollig toen ik 't kreeg:
Zoo 't naar rato aan mag vetten,
..
Ei, wat zou mij dan beletten,
(Want het varken weegt ter deeg!) Om een koe op stal te zetten.
Met een kalfjen â allebei 's Zomers dansend in de wei!...» Pietjen ook met beide beenen
Danst van vreugd. .. Daar valt de pot! Ze is kapot!
Al de melk gudst om haar henen:
Kalf en koe,
Bigge, en kiekens â zijn verdwenen! Och, wat kijkt ze droef te moe.
ZEVENDE BOEK.
De eignares van zooveel schatten,
Nu ze aldus ze weg ziet spatten!
Och, wat sloop dat vrouvvtjen traag Nu naar manlief om vergeving,
Wis niet zonder vrceze en beving Voor een afgestampt pak slaag!
Ras zou heel de buurt het weten,
En haar voortaan Melkpot heeten.
Allen, allen bouwen wij Luchtkasteelen zooals zij.
Don Quixotte en Alexander,
De armste melkvrouw, de een als de ander. Dwazen, wijzen, al te maal,
Scheppen zich een ideaal.
Wakend droomen, welk een weelde!
Och en och,
Wat een mensch zich niet verbeeldde
In begoochlend zelfbedrog! Lauwerkransen, lustlandouwen,
Goud en zilver, wat een bom!
Alle mannen, alle vrouwen.
Groeten we als ons eigendom.
In mijn ééntjen ben 'k vermetel:
Ik maak twist Met den stoutsten renommist,
'k Bons den Sultan van zijn zetel,
'k Stijg ten troon.
435
y
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
'k Draag een kroon, en nog een kroon, quot;t Regent kroonen op mij neder....
Maar o wee, wie wekt mij daar? 'k Vind op eens mij-zelven weder â De oude Jan de Rijmelaar!
4.36
r
FABEL XI.
DE PASTOOR EN HET LIJK.
Zeker rijkaart trok in vreê Naar zijn laatste woningsteê.
Heer pastoor ging vroolijk meê, Om hem gauw naar 't graf te dragen. Onze doó reed in een wagen,
Ingepakt zooals 't behoort In een â ach, wat aaklig woord! -
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Houten kleed, voor elk getijde,
Winter, zomer, dat voortaan Nimmermeer zou uitgedaan. Ons pastoortjen ging ter zijde.
Mengde stichtlijke gebeên,
Texten, lessen, onderéén.
Psalmen uit de lijkmettinen.
«Doode heer, laat ons begaan,
Volop zullen we u bedienen:
't Komt maar op 't salaris aan!. ..» Pater Hebgraag, 't hoofd gebogen,
Hield zijn doode met zijn oogen Vast gelijk een vrek zijn schat.
En zijn sluwe blikken stralen
Of zij zeggen: «Wacht maar wat, Goede man l gij zult betalen:
Zóóveel, in baar goud geteld.
Zóóveel nog, voor waschlichtgeld, Kleine kosten,» zóóveel samen,
Zooals heeroom wel kan ramen Dat de volle prijs zal zijn Voor een okshoofd fijnen wijn. Ook zou 't nichtje zeer verdrieten. Kon er voor de goede meid Tevens niet een kleinigheid, Een japonnetje', overschieten!
Maar terwijl dit lieflijk beeld Heeroom's teeder harte streelt.
Bons! daar kraakt, daar valt de wagen.
438
1
ZEVENDE BOEK. 439
Hn de kist, zoo zwaar als lood,
Heerom tegen 't hoofd geslagen,
Sleept hem meê .... De man is dood.
Nu moet pater Hebgraag mede Naar des rijkaarts laatste stede.
.
Elk die zich verleiden liet Naar een dooden musch te jagen,
Is hij Hebgraag naast den wagen,
't Vrouwtjen met de melkpot niet?
FABEL XII.
DE MAN DIE DE EORTUIN NALOOPT, EN DE MAN DIE HAAR IN ZIJN BED AEWACHT.
Wie loopt Eortuin niet na? 'k Wou 't plekjen wel eens weten, Waar 'k allen zien kon, die deez' Dochter van het Lot Steeds volgen, de aarde in 't rond, en op haar gunst verzot, De hovelingen van een schaduw mogen heeten!
De trouwlooze is zoo wuft van aart.
Dat zij zich grijpen laat om eensklaps zich te onttrekken. Die arme luidtjens! ik beklaag hen. want de gekken Zijn deernis meer dan gramschap waard.
ZEVENDE BOEK.
r
«Die kaerel,» zeggen zij, heeft kool geplant, meneeren! En later werd hij paus. *) 'k verdien het evenzeer Wel wis, en mooglijk tienmaal meer;
Maar wil Fortuin verdiensten eeren?
Kiest ze ooit met open oog? En werdt ge als paus begroet, Is dan de driekroon waard hetgeen zij kosten moet.
De rust ? een schat, zoo schaarsch voor dezen, Dat ze enkel 't deel der goón kon wezen! **) De lievling der Fortuin mist dat voortreflijk goed.
Begeert ge niettemin dat ze u haar gaven gunne,
Zoek haar niet! Zij zoekt ü â 't oud zwak der Schoone Kunne!
Twee vrienden, wonend naast elkaar,
Bezaten eenig geld. Maar de ééne zuchtte en smachtte
Naar vrouw Fortuin al menig jaar.
Eens zei hij tot zijn vriend: «Een kostlijke gedachte!
Verlaat met mij dit oord! Want immers geen profeet Is in zijn land geëerd. Wij moesten 't elders wagen!»
â «Waag gij het,» sprak de vriend, «wat ik het mijne heet. Mijn land, mijn lot, voldoet me: ik heb niets meer te vragen. Grijp, onrust! naar den wandelstaf.
Zorg dat ge met geduld u wapent!
Gij keert welhaast weêrom: intusschen wacht ik slapend,
'k Beloof het, uw terugkomst af!»
De eerzuchtige, of veeleer geldzuchtige, trekt henen.
Des andren daags, bevlekt met stof,
Bereikte hij een plaats, waar, zoo de menschen meenen,
*) Men clenke aan Adriaan IV, Sixtus V, aan Ganganelli of Clemens XIV.
441
**) De goden van Epicurus. «Immortali ïcvo summa cum pace fruuntur,» â Lucretius.
TRN KATE , DE FABELEN VAN LA FONTAINE 56
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Fortuin het liefst vertoeft. Hoe heet die plaats? Het Hof.
Daar blijft hij voor een poos, present op alle tijen,
Woont theetjens, gala's, danspartijen,
Kortom, woont alles bij, en â komt tot niet-met-al.
«Wat is dat?» peinst de man: «'k Zal 't elders moeten zoeken; Toch waait de wind uit deze hoeken:
Fortuin komt hier, komt daar. Fortuin komt overal Bij al mijn buren: hoe kan 't wezen,
Dat grillig nest, dat zij mijn drempel schijnt te vreezen? Men heeft mij wèl gezegd, dat zij juist ieder niet Begunstigt dien zij hunkren ziet!
Vaartwel dan, heeren hovelingen!
Jaagt vrij uw drogbeeld na: ik wend bij tijds mij om. Fortuin, ik hoorde er laatst een liedeken van zingen.
Heeft in Surate een heiligdom:
«Daarheen!» â Gezegd, gedaan; hij klieft alreê de baren. Gij, harten van metaal, o Stervlingen 1 diens borst Was wel met diamant omschorst,
Die 't eerst, den afgrond ingevaren,
Zich 't dobbrend hout betrouwen dorst!
Hoe vaak dacht onze held met tranen Aan 't dierbaar vaderland, bij 't dreigen van orkanen,
Windstilte, klippen, roofgespuis.
Al' dienaars van den Dood! Dien gaat men moeizaam zoeken Aan afgelegen waereldhoeken,
Of hij niet komen zou al bleef men rustig thuis! Ons heerschap groet in 't eind Surate. Daar gekomen. Verneemt hij, dat men op Japan De grillige Fortuin nu 't best betrappen kan.
443
ZEVENDE BOEK.
Hij zeit er heen. De zilten stroomen Zijn van zijn last vermoeid. Gedurig klimt de nood, En al wat van zijn zwoegen, slaven,
En zwerven eindlijk overschoot,
Was niets dan deze les, die hem de wilden gaven:
«Volg de inspraak der natuur, en blijf in 't Vaderland!» Hij vond Fortuin zoo min aan 't Japancesche strand Als in Surate. En 't is 't besluit van zijn gepeizen Dat hij een dwaasheid deed toen hij zijn dorp verliet.
Hij geeft de brui van 't nutloos reizen,
Keert naar zijn erfgrond, groet de kusten in 't verschiet, En weent van vreugd als hij zijn woning wederziet. «Gelukkig,» zegt hij, «die bij eigen haard mag rusten. En al zijn vreugde vindt in 't reeglen van zijn lusten!»
Hij kent slechts bij gerucht het hof, de zee, d'orkaan. Uw nukken, o Fortuin! die 's waerelds heerlijkheden
't Begeerig oog voorbij doet gaan,
Fluks, eer de hand ze grijpt, als schimmen weggegleden! Ik blijf bij honk! die 't deed, heeft allerbest gedaan.»
En als hij 't nu ten duren plicht Zich voorstelt nooit weer van Fortuin te willen weten, Vindt hij haar â voor de deur gezeten Zijns vriends die stil te slapen ligt.
443
FABEL XIII,
D E T W EE HAN E N.
Twee hanen leefden saam in zoeten vrede op 't land.
Een hen verschijnt! op eens is de oorlog losgebroken. O Amor, gij staakt Troie in brand!
Gij hebt den feilen krijg ontstoken,
Toen 't bloed der goden stroomde in Xanthus' oeverzand! Lang zag men 't hanenpaar kloekmoedig zich verweeren: De buurt gewaagde er van, 't kamdragend volk snelde aan, Om beider worstling ga te slaan,
Hn menig Helena, met schitterende veêren,
444 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
. â â
ZEVENDE BOEK. 447
. .
Werd 's overwinnaars loon. Maar de overwonneling Was haastig in zijn kot verdwenen,
Om daar zijn glorie en zijn liefde te beweenen â
Zijn liefde, nu de roof van dat hoogmoedig ding,
Dat voor zijn oog, om hem te plagen,
Het hof maakt aan z ij n bruid! Dat ziet hij alle dagen,
En 't vuurt zijn haat aan en zijn moed.
Hij scherpt zijn bek, hij treft met felle vleugelslagen De lucht, zijn lendenen, verwaten en verwoed,
En zint op wraak, en droomt van bloed.
Onnutte zorg! â De haan, zijn vijand, kraait viktorie Op 't kippenhok. Helaas, een havik hoort dat lied,
En â 't is gedaan met liefde en glorie!
De scherpe haviksklauw maakt al dien trots te niet.
Nu treedt weer, op zijn beurt verwinnaar.
Onze eerste haan in 't licht, en speelt op nieuw den minnaar.
En smeekt zijn henne, in zoete taal.
Om hart en hand. Beschaamd laat zij het Jawoord glippen:
Wel mensch! wat kakelden die kippen.
Want zijn serail was kolossaal.
Fortuin is grillig. Laat geen hoogmoed u verrassen!
Wie stoft op zijn triomf, bereidt zijn onheilsdag.
Mistrouw u-zelf en Jt Lot! Blijf op uw tellen passen.
Vooral na 't winnen van een slag!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XIV.
'S MHNSCHliN ONDANKBAARHEID EN ONRECHTVAARDIGHEID JEGENS DE EORTUIN.
Een handelaar ter zee werd bij geval zeer rijk.
Hij mocht op wind en weer wel dikwijls zegepralen.
Geen kolk, geen bank, of klip vroeg schatting van zijn balen: 't Lot schonk hem vrijgeleide en vrijbrief te gelijk.
Al de andere collega's gaven Neptuun en Atropos van tijd tot tijd hun tol:
Fortuin laadde al zijn schepen vol,
En bracht ze in een behouden haven.
448
ZEVENDE BOEK.
Zijn volk, zijn cargadoors, 't was alles puik en eêl:
Hij veilde zijn tabak, zijn suiker, zijn kaneel,
Sineesche zij', Japansche vazen,
Nog meer, ja wat niet al? De pracht en praal der dwazen Vermeerderde zijn winst â kortom, het lieve geld
Stroomde in de schatkist van den held.
Daar werd bij hem alleen in klinkklaar goud geteld; Hij schafte honden aan en paarden, koets en wagen;
Zijn vastendagen, man! wel, 't schenen bruiloftsdagen! «Van waar toch,» vroeg er een, «dat alles u gedijt?
â «Dat komt,» was 't andwoord, «door mijn vlijt, Mijn wijs beleggen van mijn renten.
Mijn takt om juist ter rechter tijd Hen goeden slag te slaan â kortom, door mijn talenten!»
De rijkdom stond hem wonder aan;
Alzoo besloot hij dan zijn gantsche winst te wagen.
Maar 't was of ditmaal niets wou slagen â
Dat had zijn dommigheid gedaan:
Een slecht getakeld schip was dadelijk vergaan,
Hen ander, niet in staat behoorlijk los te branden.
Viel weereloos in roovershanden;
Een derde schip kwam veilig weer.
Naar niemand kocht de vracht: die was geen mode meer! Nu werd hij eindlijk door zijn maaklaars ook bestolen.
En daar hij-zelf aan praal en pracht.
Aan bouwen, sjouwen, slempen, joolen,
Een mooien duit had zoek gebracht,
449
W as hij op eens doodarm!.. . Weer kwam zijn vriend hem vragen: «Hoe zoo?» â «Fortuin verliet me,» is 't andwoord van den kwant.
TEN KATF. , Dlï FABEMïN VAN' LA FONTAINE
450 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
f
«Houd moed!» zei de ander weer, «cn leer haar nukken dragen Al mist gij ook uw geld, bewaar toch uw verstand!»
'k Weet niet of onze held zich dezen raad liet smaken,
Maar 'k weet dat iedereen in soortgelijk geval Al de eer van zijn gelijk zich-zelven geven zal;
En als wij soms een flater maken,
Dan sleuren wij Fortuin door 't slijk,
En vloeken 's Noodlots ongenade.
JVij doen het goede alleen, Fortuin doet al het kwade. Fortuin heeft altijd schuld, wij hebben steeds gelijk!
Z E VEND E B O E Iv. 451
__ .
FABEL XV.
DE WAARZEGSTERS.
1
ublieke Opinie wordt toevallig meest geboren,
En zij slechts legt den grond voor elke zegepraal. Dit woord geldt ieder soort van luidtjens. 't Is kabaal, 't Is gril, Vooroordeel, altemaal,
En nooit of zelden doet reehtvaardigheid zich hooren.
Laat gaan! gij kunt den loop niet keeren van den Rhijn! Zoo was 't, zoo zal het altijd zijn.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Een vrouwtjen in Parijs kon prachtig profeteeren:
Dies zag ze daaglijks met bezoeken zich vereeren.
Miste iemand lint of strik, begeerde dc ccne een man,
Had de andre soms een huistyran,
Die 't lang reeds af had moeten leggen,
Een booze schoonmama, of een jaloersche vrouw, â Men zocht de pythonise en liet haar steeds vóórzeggen
Al 't geen men gaarne hooren wou.
Behendigheid was 't al! Een weinigje spektakel,
Wat hocus poe us, goed geluk, brutaliteit.
De heele waereld riep: «Mirakel!»
Dus, spijt de grofste onwetendheid,
Gold ze overal voor een orakel.
quot;t Orakel nestelde op een vliering, naakt en klecn,
En daar wist zij haar beurs zoo aardigjens te spekken.
Dat zij een postjen voor haar man kocht, niet alleen.
Maar ook een aardig huisje' en tuintjen kon betrekken.
Een nieuwe huurster neemt de vliering, 't Staat niet stil, Want alles stroomt daarheen gelijk in vroeger dagen,
Vrouw, kind, en heer, en knecht, om 't Nootlot te ondervragen.
Dc schaamle vliering schijnt het grothol der Sybil.
Die was nu eens beklant. En wat zij ook mocht praten, Die nieuwe huurster: «Ik, voorspellen? 't is voor spot! Ik kan niet lezen!» 'i Mocht niet baten,
Zij moest bekend zijn met het Lot En profeteeren, en 't zich welgevallen laten,
Méér blanke daaldertjens te stoppen in de beurs Dan op zijn minst twee procureurs!
De meubels stijfden zeer het algemeen gevoelen:
452
r
453
Een bulster stroo, vier manke stoelen, De bezemstok, die ge in dat hoekjen ziet, Ei, reikt dat naar den Bloksberg niet? Had onze vrouw haar wichelroede Gezwaaid in een paleis, geen enkele uit den hoop
Had haar bezocht: de vliering had den loop. Die andre wachtte om niet, en at zich op van woede.
Het uithangbord trekt klanten aan.
'k Heb rok en toga zien vereeren,
Als zat de wijsheid in de kleêren ....
Waar, buurman! komt dat toch van daan?
1
454 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XVI.
DE KAT, HET WEZELTJEN EN HET JONGE KONIJN.
't W ezelljen , van streken vol, Sloop in eens konijntjens hol: Vesting die geen weerstand biedt, Want â de meester was er niet. Knijntjen sprong bij 't morgengrauw Door de klavers in den dauw. Moêgehuppeld, moêgegraasd,
ZEVENDE li O EK.
Komt hij weer, en ziet verbaasd Jufvrouw Wezel voor zijn raam â Dat was minder aangenaam. «Huisgoon!» riep hij, «wat is dit? Gij, die daar voor 't venster zit, Jufvrouw Wezel! wees zoo goed En verhuis op staanden voet.
Of ik zende, tot uw straf.
Duizend ratten op u af 1...»
Jufvrouw Puntneus nam nu 't woord: «Ieder plekjen gronds behoort Aan d' eerstkomende. En uw huis! 't Is een mooie kelderkluis!
Zulk een kruiphol onder de aard Is wel zulk een ruzie waard!!
Maar al was 't een Hertogdom,
Heeft, wijl Jan den troon beklom, Piet, of Klaas, zijn neef of zoon, Daarom aanspraak op dien troon Meer dan Hein of Frederik,
Meer dan mijn famielje, of ik?»
Knijntjen sprak: «Al wat gij zegt Ademt schennis van het recht Der successie. Grootpapa Liet papa dit huisjen na.
En papa vermaakte 't mij. De eerstgekoomne zijt â niet gij, Maar ben ik; â dat argument Wordt juist tegen u gewend!
455
r
45ö DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
. . ^
Blijft ^ij bij uw stuk, welaan,
Laat ons naar Van Knevel gaan!
Groot is zijn rechtvaardigheid:
Hij beslechte ons beider pleit!»
Heer Van Knevel was een kat.
Die een groeten roem bezat.
Zacht en vriendlijk, dik en vet,
Zeer ervaren in de wet.
Heer Van Knevel, meende Knijn Zou de beste arbiter zijn.
Straks staan beide ten gericht'
Voor Van Knevels aangezicht,
Die, in hermelijnen vacht.
Hun genadig tegenlacht.
«Lieve kindren,» fluistert hij,
«Komt een beetjen dichterbij!
'k Ben zoo oud, en ik erken Dat ik wat hardhoorend ben.»
Zonder vreeze voor gevaar Nadert ons cliënten-paar;
Maar onze edele patroon Ziet zijn kans maar even schoon,
Of hij slaat de klauwen uit Links en rechts, en grijpt zijn buit,
Dubble buit, met lust gekraakt.
Die hem overheerlijk smaakt.
Zoo vergaat het evenzeer Kleinen Vorstjens keer op keer,
ZEVENDE BOEK. 457
Als zij willen dat hun twist Door Monarchen word' beslist. Zoo zal 't kruideniers vergaan, Die aan \ procedeereu slaan!
FABEL XVII.
DE KOP EN DE STAART VAN DE SLANG.
Eik c slang bezit twee deelen,
Doodelijk voor ons geslacht,
Bij de Parken zeer geacht:
Kop en staart. Dit gaf krakeelcn.
't Gold den voorrang op de baan:
Kop was steeds vooruit gegaan,
Staart begon dit te verveelen,
Dies riep zij de goden aan:
ZEVENDE BOEK.
«'k Heb nu naar zijn welbehagen
Lange mijlen afgelegd.
Steeds moest ik zijn slippen dragen:
'k Ben zijn dienstmaagd âis dat recht? Dank zij u â gij moogt het hooren â
'k Ben zijn zuster, geen slavin! Uit het eigen bloed geboren,
Zij ons 't eigen lot beschoren!
Kan hij dooden, ik niet min 1 Ik draag ook mijn giftblaas mede. 1) Daarom, Goden! kroont mijn bede. Gun dat ik eens de eerste zij, Kop, mijn broeder, volge mij!
'k Zal den weg zoo goed hem wijzen. Dat hij mijn gelei' zal prijzen!»
Wreede goedheid van de Goón!
Staart heeft straks haarwensch verkregen. Och, 't is niet altijd een zegen,
Zetten ze op een wensch de kroon. Wierd er nimmer acht geslagen Op hetgeen de dwazen vragen!
Maar de hemel gaf gehoor.
En â de nieuwe gids gaat vóór. Die in Jt helder zongeflonker Even blind is als in 't donker.
459
A
Onbezuisd kruipt zij daarheen, Stootend tegen stronk en steen
1
Een dwaling. In spijt van het spreekwoord: «in caurfa veficnum^ is er geen vergift in de staart der slang.
!1 PI
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
|l !::i ; f
quot; 1 ' ..â11 il
il i 1
460
Honderd malen!
Lijnrecht naar de Doode Zee Sleept zij d' armen broeder meê.
Wee de Staten, die zóó dwalen!
i H
t
III
iij:
lil 1 if
IRllc'
»!' irii;
hi li
â ; llllilij: â¢it: 'â '
11:
lil; ' v 1 â¢' â 1 . :i â¢
FABEL XVIII.
EEN DIER IN DE MAAN.
Terwijl één philosooph vertelt Dat steeds de stervling door de zinnen wordt bedroge Verzekert ons een andre held,
«De zinnen hebben nooit gelogen!»
Ze hebben bei gelijk. De philosooph heeft recht,
De zinnen zullen u misleiden Als ge onbepaald geloof aan hun getuignis hecht.
iTlI
In I
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
|ii ¥|
462
|! l i
ii f
Maar als gij reeknen wilt met plaats en afstand beiden Van 't beeld des voorvverps dat gij ziet En 't ware midden, dan bedriegt het zintuig niet.
Wijs ordende Natuur die dingen â
'k Zal 't later mooglijk in een heldendicht bezingen!
Ik zie de zon. Wat is ze? Een gloeiende robijn,
Drie voet in doorsneê, zoo 'k mijn zinnen mag vertrouwen. Maar kon ik ginder bij heur standplaats haar aanschouwen,
't Reusachtig oog van heel de schepping zou ze zijn!
Haar afstand leert mij in heur omvang haar te meten;
De menigt' waant haar plat, maar ik bevind haar rond;
Stil staat ze, onze aarde draait: mijn cijfers doen mij 't weten! Kortom, ik durf mijn oog stoutweg een loognaar heeten,
Maar die mij op mijn hoede vond!
Zóó zoekt mijn geest alom de waarheid uit te duiden, Het wezen schriftend van den schijn:
'k Mistrouw 't gezicht, dat soms wat al te snel kan zijn, 't Gehoor, misschien te traag een drager der geluiden. In 't water schijnt de stok gebogen: mijn verstand Zegt dat hij recht is â mijn verstand houdt de overhand. Zoo zullen, door die hulp, ofschoon zij altijd liegen,
Mijn oogen nimmer mij bedriegen.
Wanneer ik hen geloofde, en dit gebeurt zoo licht,
Dan zag ik in de maan een menschlijk aangezicht.
Kan dat daar zijn? Wel neen! â Hoe komt dat zóó te schijnen? De maan is ongelijk: ginds vlak gelijk mijn hand.
Daar hobblig door gebergt' en steigrende' alpenwand.
't Licht werpt er schaduw, trekt er lijnen,
Waaruit men alles maakt, mensch, os, of olifant.
1 Jl i
1'-
li L
ill::
ill â ! M ij i 1
li :L â I
l|J |
I iquot;1, if 11 li
f'i
I ' |
mmm* llill
I
ml
yin !;i
1 j
WÃÃÃÃÃÃSmÃÃÃ.
ZEVENDE BOEK.
't Gaf laatst een grap in Engeland.
Daar liet een teleskoop, o wonder!
In 't lieve maantje' op eens een kersversch monster zien.
De menschen vonden 't zeer bijzonder:
't Voorspelde iets ongehoords, iets vreeselijks misschien, Euroop, geschokt door Mavors donder!
De Koning kwam er bij, want wetenschap en kunst. Astronomie vooral, staan in zijn hooge gunst.
Het monster in de maan, jawel! daar ziet hij 't loopen . . Och, 't was een muisjen, in de kijkerbus geslopen!
En in den teleskoop alleen School Mavors donder! Wat men lachte! En wel met reen! â Gelukkig volk! Wanneer verschijnen toch de tijden, O Frankrijk! dat ge u ook geheel den dienst kunt wijden Van kunst en wetenschap! *) Mars bood ons kransen aan Van onvervvclkbre lauwerblaan;
De vijand ducht den strijd, loij zoeken hem! De glorie
Volgt onzen Lodewijk, en door zijn heldendaan Maakt ge onzen naam beroemd, o Muze der Historie! Ook Mnemosyne's kroost, de schoone Poëzy,
Is in ons midden, en de Blijdschap ons nabij.
Wij wenschen vrede, maar wij zuchten niet om vrede.
Ze is Tweeden-Karel's deel; toch kon hij Engeland Met roem doen deelen in den krijgsroem, zoo zijn hand Het zwaard wou voeren, dat hij gijzelt in de scheede.
465
O, zoo hij 't oorlogsvuur kon blusschen! 't Is wel schoon,
*) Toen LafoNTAINK deze fabel dichtte, was Engeland met alle Mogendheden in vrede 5 terwijl Frankrijk in een driedubbelen oorlog was gewikkeld.
V_:____J
TEN KATE, DB FABELEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
466
EINDE VAN HET ZEVENDE BOEK.
Als Cfcsar volkren voor zijn degen te doen zwichten, Maar toch, der volkren vree te stichten, Geeft een benijdenswaarder kroon! *)
*) Deze fabel, naar ons oordeel een der minst gelukkige van Lakontaink, â eigenlijk niet eens een fabel maar een soort van leerdicht in miniatuur â is blijkbaar geschreven in 't begin van 1C77. De Mogendheden, uitgeput door den oorlog, verlangden toen algemeen naar vrede. Engeland, dat alleen onzijdig was gebleven, werd dien-ten-gevolge de scheidsrechter bij de onderhandelingen te Nijmegen. Al de oorlogvoerende partijen riepen Engelands bemiddelenden tusschenkomst in. maar Karei II geraakte daardoor in niet geringe ongelegenheid, omdat zijne geheime verstandhouding met Lodewijk XIV het hem wenschelijk maakte zoodanige schikkingen te kunnen voorschrijven als dien Monarch wel-behagelijk mochten zijn, tetwijl hij van den anderen kant bevreesd was voor de publieke opinie van het Engelsche volk, als hij, Engelands belangen veronachtzamende, de verbonden natiën niet tegen Frankrijk in bescherming nam.
'fl
! i
1*
k, ïi
pii 1
I
I
I y
i li
|.ii
â
â
FABEL 1.
DE DOOD EN DE STERVENDE.
JJe dood verrast den wijze niet.
Hij is altijd gereed te scheiden,
Daar hij zich-zelf blijft vóórbereiden Op de afreis, die ons wacht in 't onbekend verschiet. Ja, 't uitstel-kan nog jaren duren.
Maar ook slechts maanden, dagen, uren!
De dood voert onbetwist elk oogenblik gebied:
Wie kan hem, als hij slaat, voorkomen of verhinderen?
J
47° DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hoc dikwijls is voor Koningskindren
Het uur, waarop hen 't licht begroet,
Ook 't uur, waarop voor 't licht hun oog zich sluiten moet!
Verdedig u met Roem, of Aanzien, of Vermogen,
Ga vrij met Deugd, en Jeugd, en Schoonheid hem te keer,
De Dood maait alles schaamtloos neer;
..
Hn heel de wacreld zal zijn rijkdom eens verhoogen.
Geen ding ooit dat men wisser weet,
En niettemin geen ding â¢â 't schijnt wonder in onze oogen! â Waartoe men minder is gereed.
Een man van honderd jaar zag maagren Hein genaken. «Wat? Nü al weg, en nog zoo jong?
Wie sterft er zoo op stel en sprong?
Men heeft toch graag den tijd zijn testament te maken. Men dient gewaarschuwd ook!» zoo morde hij: «welaan,
Mijnheer de dood, wacht nog tot morgen!
Mijn vrouwtjen zou niet graag me alléén op reis zien gaan; Ook heb ik nog een neefjen te verzorgen.
Dien 'k gaarne bij de rechtbank zag geplaatst;
En dan, 'k woon in zoo'n krottig kluisjen,
'k Trok nog zoo graag een vleugel aan mijn huisjen ... Wat maakt ge toch voor schrikkelijke haast?»
Toen sprak de dood: «Mijn vriend, 'k heb u niet overvallen. Getuige uw kruin met zilvren hair!
Ik heb geen haast gemaakt: telt gij geen honderd jaar?
Weet gij er binnen Aemstels wallen Nog twee zoo? Vindt ge er tien in Neerland bij elkaar? Gij klaagt, omdat ik u geen bode heb gezonden,
ACHTSTE J} O EK. 47'
'k Had anders, meent ge, uw testament Gemaakt, uw neef geplaatst, uw huis volbouwd gevonden:
Maar spelden ze u geen naadrend end.
Die knicn, stijf en stram, die rug zoo krom gebogen,
't Vermindren van 't gehoor, 't verduistren van uw oogen,
't Verdooven van uw geest? Gij hebt noch reuk, noch smaak.
Gij zijt verstorven voor 't vermaak.
Geen zon verwarmt uw marmren leden,
En gij bejammert een Verleden,
Dat gij, al keerde 't in deez' stond.
Toch nimmer meer genieten kondt!
Gij zaagt, hoe ik uw tijdgenooten Schier allen de oogen heb gesloten,
Gij ziet het overschot half-stervend, krank, of kindsch.
Was dit niet wenk op wenk? Dat was het, allezins!
En daarom, oudtjen! zonder zeuren.
Kom! Testament of niet, daar zal geen mensch om treuren!»
De dood had groot gelijk. Als we op dien leeftijd zijn.
Dan moeten we opstaan, zooals gasten van 't festijn.
Den gastheer danken, en stil onze biezen pakken:
Vergeefs gehunkerd nog een oogenblik te plakken!
Gij mort, o grijze? Ei, zie eens aan,
Hoe velen, jong en frisch, den dood in de armen ijlen,
Een glorievollen dood somwijlen,
Maar vaak een wreeden dood, met wonden overlaan!...
Doch 'k weet, mijn preêk bij u zal geen gena verwerven:
Die bijna stervende is, wil 't minst van allen sterven!
FABEL II.
DE SCHOENLAPPER EN DE FINANCIER.
Een laarzenlappertjen zong vroolijk op dc maat Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat.
Een lust was 't hem te zien, een lust was 't hem te hooren. Hij wierp zijn trillers en roulades u naar de ooren Zoo jolig-opgeruimd van geest Als nooit de Wijzen met hun Zeevnen zijn geweest.
1
Zijn buur, een financier, die leefde om geld te schrapen. Kon weinig zingen, weinig slapen.
IJ
«Ma a â i^ :ii'lquot;! ïilil f I
r I'
IÃ
ai
DE SCHOENLAPPER EN DE FINANCIER.
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE (JQ
â
awesbafe^'NfVjg..' ' p-'f___
mmem â %,
â¢â¢â¢- .'tt.- ': â â â
ACHTSTE HOEK.
En als hij 's morgens vroeg soms dutte', 't was niet lang: Steeds maakte ons lappertjen hem wakker met zijn zang.
Mijnheer de geldzak vond het gruwzaam van de Goden,
Dat op de markt de slaap niet wordt te koop geboden Zoo goed als kaas en brood â dat was een bitter kruis! Hij deed den zanger nu ontbieden aan zijn huis.
En sprak; «Wel, Kasper, goede jongen!
Hoeveel verdient-ge wel in 't jaar?» â
De zanger maakte kromme sprongen En krabde lachend zich in 't hair:
â «Hoeveel in 't jaar? Wie zal dat zeggen?
Ik niet! 'k Ben niet gewoon mijn centjens op te leggen:
Ik leef van d' éénen dag op d' aar 'k Ben blij aan 't eind van ieder jaar,
Dat ik er kwam. Jk Denk eiken morgen:
De dag zal voor het zijne zorgen.»
â- «Welnu, wat wint gij daags?» â «Wel, vriendlijke mijneer, Dat 's naar venant: nu eens wat minder, dan wat meer. 'k Heb over één ding maar te klagen
('k Won anders wel een mooien duit)
Dat zijn die vele Heilgendagen!
Die feesten putten iemand uit!
Zij doen elkander kwaad. Heeroom weet voor zijn vrinden Gestaag een nieuwen Sint te vinden.»
De geldman meesmuilt eens. «Gij zijt een brave borst; Ook wil ik uw oprechtheid loonen:
Hou daar! hier hebt ge honderd kroonen.
Bewaar ze! een appeltjen, verstaat ge? voor de dorst!»
Ons lappertjen, verbaasd, meent dat hij al do schatten
4/6 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
- â X
Aanschouwt, die Peru en Golconda saam' bevatten.
Wat stapel geldl een burgerman Leeft daar wel honderd jaren van!
Hij rept zich naar zijn pothuis henen,
En daar begraaft hij 't «blinkend slijk»
Diep in den bodem, met â zijn blijdschap te gelijk!
Helaas, zijn stem is weg! zijn zanglust is verdwenen
Op 't oogenblik dat hij bezit Wat al ons leed verwekt. Zijn slaap is weggevaren:
't Zijn bange zorgen en bezwaren En ijdele achterdocht, die om zijn sponde waren.
Hij loert den gantschen dag, en 's nachts, van koorts verhit,
Als hij op straat een kat hoort mauwen,
Dan steelt de kat zijn geld! 't Is niet om uit te hoüen!
Toen liep hij naar zijn buur, wien sedert nimmermeer Zijn liedtjen had gewekt: «Mijnheer zal mij verschoonen, â
Hier zijn uw valsche honderd kroonen:
Geef mijn mijn slaap en zanglust weer!»
FABEL III.
DE LEEUW, DE WOLF EN DE VOS.
-Leeuw zocht, jichtig, krank en krom,
Middel tegen d' ouderdom.
Zeggen tot een Majesteit:
«Sire vergt de onmooglijkheid,»
Is een dwaasheid! Deze ontbood Alle doctors, klein en groot,
Aan zijn hof. In legio Kwam een bonte rommelzoo,
I
478 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
_ ^
I * I
Ieder had zijn recipe,
Ieder bracht zijn fleschjen mee.
Maar wie 's Konings tong beziet Of zijn pols veels, Reintjen niet!
Reintjen houdt zich rustig schuil In zijn eigen vossenkuil.
Dat steekt Grimbaard in de krop,
En hij stookt den Koning op.
Waar, in Mensch- en Dierenrijk,
Had de afwezige ooit gelijk?
Sire geeft terstond bevel:
«Jaag dien schandlijken rebel Met geweld van rook en smook Uit het hol, waarin hij dook!» â
Zoo geschiedde, en Reintjen stond Straks voor Sire's legerspond.
Maar hij had zeer wèl gevat,
Wie die pots gebakken had.
Daarom sprak hij; «Sire! ik ducht Dat een lasterziek gerucht Mij den blaam heeft opgeleid Van Gekwetste Majesteit.
Maar vertoefde ik ook wat lang:
'k Was op reis in üw belang:
'k Pleegde met Geleerden raad Over uw bedroefden staat.
'k Maalde hun de zwakheid af.
Die u langzaam voert naar 't graf....
't Raadsel werd verklaard, want ziet!
/
.
mmmmmmm mÃÃÃÃÃÃÃÃm
ACHTSTE BOE K. 481
JVannfe ontbreekt u, anders niet:
Grijsheid heeft uw bloed verkild.
Levend worde een wolf gevild,
En gij spreidt den heeten huid Dampende op u lichaam uit!
Zulk een kokend wolvenvel Is probaat voor Jt zwakst gestel.
Sire, dat heer Wolf verschijn',
«
Laat hem u tot slaaprok zijn!...»
't Voorstel staat den Koning aan:
Zoo gezegd dus, zoo gedaan!
Grimbaard wordt onthalsd, ontleed,
En behoorlijk uitgekleed:
Sire zuigt de kluifjens uit,
En omringt zich met den huid.
_
Heeren Hovelingen, ziet!
Ligt elkaar het hieltjen niet;
Bij üw soort vergeldt men 't kwaad Met een zevendubble maat:
Denkt, dat ge in een waereld leeft,
Waar m' elkander niets vergeeft!
FABEL IV.
DE MACHT DHR FABELEN.
Hen zeker spreker in Atheen Trad eens, toen 't Vaderland in hoogen nood verkeerde,
Voor de ijdle menigte op, en daar hij zeer begeerde Het volk te dwingen door zijn reen,
(Wat in een Republiek juist niet gemaklijk scheen!)
Hief hij zijn stem op en oreerde Met kracht van «'t Heil des Volks» en «'t Nut van 't Algemeen.»
ACHTSTE BOEK.
Geen mensch verkoos er naar te luistren.
De orator sloeg met vaste hand Nu hooger snaren aan, in dien verheven trant,
Die zelfs den traagste weet te kluistren.
Hij daagde op donderenden toon De schimmen uit het Rijk der Doón,
Met zwaaiende armen, rollende oogen â
't Was in de lucht geschermd: geen schepsel werd bewogen.
't Veelhoofdig monster 1) was aan dat geschreeuw gewoon: liet weigerde gehoor, 't keek rond naar alle zijden,
Naar jongens vechtende op de straat.
Slechts niet naar hem. Wat nu? Hij nam een list te baat, En sprak: «'t Gebeurde in vroeger tijden,
Dat Ceres â 't is een vreemd verhaal! â
Op reis zou trekken met een zwaluw en een aal.
Daar kwamen ze aan een stroom. Natuurlijk de aal kon zwemmen, De zwaluw vloog» ... Hier poosde hij,
En daadlijk riepen honderd stemmen:
«Maar Ceres! Ceres! wat deed zij?»
â «Wat Ceres deed? Ze ontvlamde in toren,
En dat wel tegen ü! O Schand!
Naar kindersprookjens wilt gij hooren.
En, eenigste uit heel Griekenland,
Acht gij 't gevaar gering dat dreigend op komt dagen.
«JVat doet Philippus? moest gij vragen!' !M:)
483
Nu luisterde ieder naar den man,
1
't Veelhoofdig monster is: het volk, «BelIk a mul to rum est capitum.» â HORATIUS, Ep. 1:1.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Want ieder had een stoot ontfangen.
't Bleef alles aan zijn lippen hangen:
Een Fabel had er de eere van!
Er zijn er velen die 't gelijk de Atheners maken:
Ik-zelf, terwijl ik u dit zedepreekjen houd,
Als gij mij wat vertellen woudt Van Duimtje', of Glazen Muil, o 't zou mij wonder smaken! De waereld, zeggen zij, wordt oud;
Toch moet ge dikwerf nog haar als een kind vermaken.
484
r
FABEL V.
ACHTSTE BOEK. 485
DE MAN EN DE V L O O.
Met ijdle smeekgebeên vermoeien wij de Goón, Met vragen menigwerf beneden 's menschen waarde, Als waren zij verplicht al wat er leeft op aarde Gestadig ga te slaan van hun verheven troon, Als moesten met hun schijnbezwaren, De grootste nietlingen in de oogen van Jupijn En al de Olympiërs wel zeer belangrijk zijn.
486 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Of 't Grieken en Trojanen waren!
Een zot werd in zijn hals gebeten door een vloó;
Zij school zich weg in 't beddelaken.
Hij roept: «O Herkulesl O Held! hoe mart ge zoo? Kom, zuiver de Aarde toch van dezen draak der draken, Die ieder voorjaar keert! En Zeus! wat u bezielt,
Dat Gij uw donder niet doet kraken.
En niet ter mijner wraak geheel dit ras vernielt?»
Zoo vroeg hij om één vloó te dooden De knots en 't bliksemvuur der Goden!
ACHTSTE BOEK. 487 ^-------------
FABEL VI.
DE VROUWEN EN HET GEHEIM.
't Is moeilijk iets geheim tc houcn:
«Voor dames?» â Allereerst! â en 't is een ongeluk, Schoon vrij wat mannen op dit stuk Precies gelijk zijn aan de vrouwen.
Hen echtgenoot stelde eens zijn weerhelft op de proef: 's Nachts riep hij eensklaps: «Och en oef!
488 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Wat overkomt mij nu? 'k ben van een ei bevallen!» â â «Wat, van een ei? â Ja, welgeschapen en gezond,
«Daar is het, kijk! Maar houd den mond!
Want anders noemen zij mij allen Mijnheer de leghen; dus, gezwegen!» â En zijn ga. Een nieuwling in de physica,
Zweert bij Jupijn, Apol, en hoe die goden heeten,
Te zwijgen als een mof. Maar toen de nacht verdween. Was zij, als 't gaat, haar eed vergeten.
Vóór dag en dauw was ze op de been.
En naar heur buurvrouw vloog ze heen.
«Vriendin!» zoo sprak ze, luister even.
Daar is me wat gebeurd .. . Maar zwijgen als het graf.
Want anders straft mijn man mij af!
Mijn man... hij heeft van nacht, wie hoorde 't van zijn leven? En ei gelegd zoo groot als zeven!
Maar nogmaals, deel het niemand meê.
Bij alle goden!» â «Wat,» is 't andwoord, «ik zou praten?
«Hoe weinig kent ge mij! Onpeilbaar als de zee Bewaar ik uw geheim. Op mij kunt ge u verlaten!»
Onze eierleggersvrouw keert naar heur woning weer. De buurvrouw brandt alreê zich van 't geheim te ontlasten. Zij haast zich daarop al heur buurtjens te vergasten:
«Van zeven eieren, begrijp! beviel mijnheer.»
Daar blijft het nog niet bij. Een lievertje', uitverkoren
Tot deelnoot van 't geheim, maakt van de zeven acht. Een blaast het, fluistrend, weer een lievertjen in de ooren: Onnutte zorg! 't geheim is op de markt gebracht! De gantsche waereld stond verwonderd â
A C H T S T E HOE K. 489
't Getal der eieren groeide onophoudlijk aan De dag was nog niet omgegaan, Of 't was alreê gegroeid tot honderd!
FABEL VII.
490 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE HOND DIE ZIJNS MEESTERS ETEN AAN DEN
HALS DROEG.
Hoe schaars weerstaat het oog de aanlokkelijkheid der Schoonen, Hoe schaars de hand den glans van 't Goud! Van honderd, wien ge een schat vertrouwt,
Geen vijftig, die zich stipt, onkreukbaar eerlijk toonen.
Een hond, die eten naar zijns meesters woning bracht. Torschte aan zijn hals een kostbre vracht.
DE HOND DIE ZIJNS MEESTERS ETEN AAN DEN HALS DROEG.
ââ
smÃmmmmii
'mm
® â â â â â
mm
ü^âB «BHI
SuhSrw'riflï u'S'jj'ri-S'-'rïlÃE'iBS'll?
ACHTSTE BOEK.
De strijd van Lust cn Plicht viel menig, menig' keeren Onze' armen stakkert bang genoeg,
Als hij een lekker beetjen droeg.
Maar hij bedwong zich toch; en wij, dc Schepping-heeren,
â Wat is beschamender dan dit? â
Zijn één, twee, drie verleid. Wat we aan de honden leeren,
Verstaan wij-zelven niet: Standvastig Zelf bezit!
Die hond dan, bleef getrouw zijns meesters korfjen dragen â Als daar een rekel op kwam dagen,
Die: «Hap!» zei naar 't diner. De hond ging hem te keer. En zette', om 's meesters goed te beter te beschermen,
Zoolang het korfjen naast zich neer.
Dat gaf een feilen strijd! Straks snelden gantsche zwermen Van andre honden aan, straatschooiers naar den aart. Dus voor wat ruzie niet vervaard.
Onze arme hond begreep: ,één enkle tegen allen,
Is op den langen duur te veel,
Nu zal de biefstuk toch in roovershanden vallen:
't Verstandigste is dus wel, te zorgen voor mijn deel!' «Sus!» riep hij, «heeren, sus! houdt op mij aan te randen!
Mijn portie komt mij toe, dan gun ik u de rest!»
Daar pakt hij, 't allereerst, zijn aandeel met de tanden.
En nu doen ze altemaal hun best.
De groote rekel en 't Jan-Hagel van de honden:
Elk kreeg zijn brok, en 't maal was in een wip verslonden!
Mij dunkt, zóó gaat het in een stad,
Waar elk grasduinen kan in d' Algemeenen Schat.
493
)
494
Dc schcepcns en de schout, de gilden, de ambtenaren, Elk steekt dc vingers uit, om zich een prooi te garen,
En de allerhandigste gaat vóór.
Het is een klucht, tc zien wat stapel van florijnen Zij in een omzien doen verdwijnen!
En geeft er één somtijds gewetens stem gehoor. En wil hij voor de schatkist waken.
Men scheldt hem voor een zotskap uit: Het kost niet veel hem tam te maken.
En hij juist, allereerst, pakt d'allervetsten buit!
DE SPOTTER EN DE V I S S C H E N.
)e spotters zijn gezocht: mij staan zij zelden aan: 't Echt-Attiesch zout is schaars in onze dagen. De qiiasi-clown moge altijd «uien slaan,»
Hij kan aan zotten slechts behagen.
Ik heb een fabel van een grappig heer gereed:
Was 't ook zoo'n quasi?... Of?... Wie weet!
Een grappig heer, dan, was gezeten Aan zeekren rijkaarts vriendcndisch,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En zag daar in zijn hoekje' alleen wat kleinen visch. De groote visch stond ver: daar zon hij niet van eten.
Mij nam de kleintjens dus; maar fluistert hun iets toe, En brengt zijn bord aan 't oor, als wou hij 't andwoord weten Men keek verwonderd op: «Verbaast u wat ik doe,»
Zoo sprak hij ernstig, «waarde heeren?
'k Vrees; dat een vriend van mij, die, 't wordt een jaar meteen. Naar Java trok, op reis lang schipbreuk heeft geleên: 'k Zocht daaromtrent mij bij deez' vischjens te in for meerei i; Maar allen zeggen: ,Lieve man,
,Wij zijn te jong, wij weten daar niets van:
,Gij moest u tot de grooter visschen keeren/
Nu, heeren, doet mij dus Jt plezier En zendt den grooten visch eens hier!»
Ik weet niet of die zet aan allen Zoo gants-bijzonder is bevallen.
Maar dit staat vast, hij kreeg een moot Van zeekren visch, geweldig groot;
Maar dan ook oud genoeg, om al de honderd namen Te weten van wie ooit weleer Rondzochten op 't Atlantisch Meir Naar nieuwe waerelden, maar nimmer wederkwamen,
En wie de patriarch der visschen, in den vloed Al honderd jaren had ontmoet.
496
r
FABEL IX,
DE RAT EN DE OESTER.
Zicekrc veldrat, domme rat!
Higen trouwe huisgoon zat,
Vlood het veld, het graan, het koren, 't Kluisjen waar hij was geboren. Om te zwerven door het land Als een ware lanterfant.
't Huis was nauwlijks uit zijn oogen. Of hij jubelde opgetogen;
«Wat een waereld! Kijk dat zijn Zeker Alp en Apenijn!»
ledre molshoop daar verrezen Scheen een Caucasus te wezen.
03
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Weldra, na een dag of twee,
Kwam de pelgrim aan de zee.
Thetis had bij 't zanddoorwoelen Menig oester aan doen spoelen: Die zag Ratjen in zijn waan Voor een hooge krijgsvloot aan. «Vader,» sprak hij, «heel uw leven Bleef gij thuis, door vrees gedreven. Pauvre sire/ uw zoon aanschouwt Heel het Rijk van 't golvend zout! 'k Trok bij 't brandend zonneschijnen Dwars door Barca's zandwoestijnen!» 't Waren woorden, die de rat Van een Hooggeleerde had.
Hij wist vrij wat meer van buiten Dan de ratten, zijn kornuiten,
Die wel soms gedrukte blaan Knabbelend naar binnen slaan,
Maar hoezeer zij letters eten,
Niets toch van den inhoud weten. Maar op eens, wat wordt hij daar Bij die oesterbank gewaar?
't Zijn er mooglijk honderdtallen; Dichtgesloten zijn die allen: Ãén slechts, die 't niet harden kon. Ligt te gapen in de zon.
Smachtend naar een ademzuchtjen Van het frissche morgenluchtjen, Vet en blank! Naar allen schijn
498
A C H T S T K BOE K.
Zou 't een heerlijk hapjen zijn,
Voor een lekkerbek geschapen! Nauvvlijks ziet de rat hem gapen, Of hij zegt: «Heb ik dat mis? Dat schijnt eetbaar! dat schijnt visch! Al zijn leven, wacht een beetjen! Dat's een prachtig dejeiïneetjen!» Nader, nader komt de guit.
Gretig rekt hij 't halsjen uit.
Maar voelt eensklaps zich gegrepen. Als in ijzren klem benepen â
De oester sloeg zijn schalen dicht. .. Ziet wat ramp de domheid sticht!
't Fabeltje', als gij na wilt denken, Kan twee wijze lessen schenken. Primo: mist een jonge kwant Ondervinding en verstand, Niettigheên, of 't wondren waren. Zullen hem verbazing baren. En secundo: opgepast!
De verrasser wordt verrast. De bedrieger wordt bedrogen â 't Voorbeeld hebt ge klaar voor oogen.
499
FABEL X.
DB BEER EN DE TUINIER.
Een zeker bergbeer, och, een halfgelikte beer,
Door 't gruwzaam noodlot in een eenzaam woud verdreven,
Zag, als Bellerophon, geen enkel schepsel meer. quot;*) Hij werd dan ook halfgek: al die als kluiznnars leven, Versuffen ook den meesten keer.
:!:quot;) I'ku.kropiion , de overwinnaar der Chimncra, die, nadat hij bij ongeluk zijn broeder gedood had, in een diepe zwaarmoedigheid verviel, die levenslang duurde.
ACHTSTE BOEK.
Spreek! excellent. Of zwijg! 't is beter nog dan spreken;
Maar overdrijf het nooit! 't is dwaling evenzeer.
Geen dier was zichtbaar in de streken Waarheen ons Bruintjen was geweken,
Zoodat hij, schoon hij maar een beer was, 't moet gezeid, Het land kreeg in zijn eenzaamheid.
Als hij dus kwijnde aan 't leed, dat niemand met hem deelde. Wou 't toeval, dat niet ver van daar Een grijzaard leefde, een sukkelaar,
Die van z ij n kant zich óók verveelde.
De man tuinierde graag, vond alle bloemen schoon. Was Flora's priester, en was dito van Pomoon'. Die baantjens zijn heel mooi, geniet ze mijnentvvegen!
Ik min een vriendelijk bezoek:
De boomen praten niet, dan in mijn fabelboek.
En zoo gebeurde 't dan, dat onze held, verlegen Met makkertjens die altijd zwegen,
Gezelschap zoeken ging en zich op weg begaf.
De beer, door 't eigen plan gedreven.
Klom van zijn hoogen woudberg af;
Met dit gevolg â hoe is het mooglijk ? â dat zij, even Een hoekje' om, vóór elkaar op eenmaal staande bleven. De man was bang. Maar hoe te ontkomen? Wat te doen? Kom, houd-je groot, houd uw fatsoen!
Hij overwon dan ook zijn beven.
De beer, een beetjen kort van stof,
Zei: «Kom mij een visite brengen!»
Waarop de man hernam: «Heer Beer, met uw verlof! Wij zijn vlak bij mijn huis en hof,
503
r
504 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
.
Ga mee ontbijten, zoo 't uw goedheid kan geheugen!
'k Heb malsche fruit en melk. Ik weet wel, meestentijds
Houdt m' in uw stand van andre spijs,
'k Ben maar een boer, maar wat ik heb, dat deel ik mede!» De beer neemt aan, zoo gaan ze in vrede.
Al onder 't wandlen wordt ons paar Bijzonder spoedig goede vrinden,
Hn eens in huis fideel gezeten bij elkaar.
Wat kunnen zij 't uitmuntend vinden!
En schoon men zegge «beter geen Dan zot gezelschap om u heen,»
Daar Bruin den gantschen dag twee woorden nauw deed hooren, Had de oude man geen vrees dat Bruin zijn werk zou storen.
De beer ging op de jacht: hij zorgde voor 't gebraad;
Maar wat zijn hoofdtaak bleef, was daaglijks na 't dineren, Wanneer de gastheer sliep, van 's mans bezweet gelaat De vliegen handig af te weeren.
Die parasiten, die op onze kruimels teren!
Eens toen de grijzaard in een diepe sluimring lag,
Zette' op zijn neus een vlieg zich neder,
En maakte Bruintjen-beer wanhopig die het zag;
Want, of hij 't beest verjoeg, 't kwam telkens gonzend weder. «Wacht,.) riep hij, «'k vind u toch meteen, Vermaledeide menschenplager!
Kijk, zóó!» en onze vliegenjager Grijpt naar een grooten kei en slingert hem daarheen Op 't hoofd van d' ouden man. Het vliegjen pakt zijn biezen, Maar de oude man is dood. Bruin heeft hem goed bediend!
ACHTSTE BOEK.
505
Niets erger dan een domme vriend: Ik zou veel liever een verstandig vijand kiezen.
% ;⢠; ⢠tó i â gt;' â .vw.
^â 'hm
mymamp;r
TEN KATE, DE KAUELEN VAN LA FONTAINE.
64
FABEL XI.
DE TWEE VRIENDEN.
Twee vrienden leefden saam in Monomotapa,
Hén hart en ééne ziel! geen band kon sterker binden.
De vrinden in Zuid-Afrika Zijn, zegt men, veel meer waard dan Europeesehe vrinden.
Op zeekren nacht, toen elk, de afwezigheid der zon Genietend, sliep al wat hij kon,
Springt een der vrienden in verwarring van zijn sponde; Hij haast zich naar zijn vriend, hij wekt met luid geklop â Want Morpheus heerschte alom in 't ronde â De slaven van het huis. De ontwaakte vriend vliegt op,
Grijpt haastig beurs en kling en kleêren.
En zoekt hem, en roept uit: «Gij waken als men slaapt.
Wel, dit gebeurt u weinig keeren!
Heeft mogelijk het spel u al uw geld ontkaapt?
Hier hebt gij geld! Of zoekt men twist? Hier is mijn degen! Zoekt gij een vrouw? Wel, neem mijn dochter tot uw bruid 'k Heb zeven dochters, zoek maar uit!»
â «Merci!» 'k heb geld genoeg; ik ben geen vriend van kijven 'k Wil nog wel wat oud-vrijer blijven; â
Al wat mij hindert, is â een droom!
Ik zag u in mijn slaap een weinigjen betrokken:
Dat wist mijn harte zóó te schokken.
Dat ik van schrik ontwaakte, en me overtuigen koomU
Wie lezer! van die twee zou 't meest uw eerbied wekken ? Die vraag is wel der moeite waard!
Wat is een ware vriend een groote schat op aard! In 't binnenste uwer ziel zoekt hij uw nood te ontdekken,
Daar hij u 't pijnlijk biechten spaart.
Een droom, een nietigheid, slaat hem met angst en smarten. Als 't aankomt op den vriend zijns harten.
FABEL XII.
HET ZWIJN, DK GlilT EN HET SCHAAP.
Een geit, een schaap, een prachtig zwijn. Beklommen éénen kar om naar de markt te rijden.
't Zou juist voor hun plezier niet zijn:
Ze moesten daar verkocht! Wien 't orgel zou verblijden, De kroeg, of de oliekoekenkraam,
508 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Niet hen! Het varken schreeuwde, of 't alle slachters saam' Reeds in zijn gorgel voelde snijden.
V__________J
ACHTSTE BOEK.
Hij maakte een leven, dat de hersens schudden deed.
De geit en 't schaap, goed volk, zachtzinnig als zij waren, «Verwonderden zich zeer dat hij om hulpe kreet:
Waar ergens dreigden hier gevaren?
De voerman sprak: «Gij zwijn! waarom vermoeit ge mij? Gij schreeuwt ons de ooren doof: wat doet ge uw klachten stijgen ?
Deez' twee personen zijn fatsoenlijker dan gij:
Leer leven zoo als zij, althands als zij leer zwijgen!
Aanschouw dit schaap: hij houdt zijn bek.
Hij is verstandig.» â «Hij is gek!»
Was 't andwoord; «Wist hij wat hem wachtte, Hij blaette als ik een rauwe klachte,
En de andre zoetert, op mijn eer,
Verhief haar keelstem evenzeer!
Zij meenen, dat men hen alleen maar zal ontlasten.
Het geitjen van haar melk, het schaapjen van haar wol. Ik weet niet wie hier mis zal tasten,
Maar mij aangaande houd ik vol,
'k Heb niets dan spek en ham te geven,
Vaarwel, mijn varkenskot! en zon, vaarwel! 'k moet sneven!»
't Gemeste varken sprak als een verstandig man;
Maar hielp het? â Als men 't kwaad toch niet ontwijken kan. Wat baten vreeze en bange kreeten?
De meest onwetende mag 't meest gelukkig heeten.
509
5 10
FABEL XIII.
TI R SIS EN AMARANT.
2eekrc herder op het land,
Tirsis, sprak tot Amarant:
«Of /kv hart de kwaal gevoelde,
Die gelijk een tooverbrand Al zoolang mijn hart doorwoelde, Smartlijk, toch met vreugd gevoed. Zoeter dan het zoetste zoet!
TIRSIS EN AMARANT.
A C I I T S T E B O E K. 513
Wil die kwaal toch niet mij deelen!
Vrees niet! Ik bedrieg u niet,
Ik, die wacht op uw bevelen,
Wien t(e als koningin gebiedt!»
Amarant zei: «Doe mij weten,
Hoe die vreemde kwaal mag heeten.»
â «'t Is de Min.» â Meur rozenkroon Kleurde sterker: «'t Woord klinkt schoon.
Zeg mij toch, uit welke trekken Kan men haar bestaan ontdekken?
Zeg mij wat een menschenkind Dat die kwaal heeft, ondervindt!»
â «Pijn! maar pijn, die zulk een weelde In de ontroerde ziele stort,
1
Dat de rijkste vorstenweelde
Daarbij laf en nietig wordt!
In een zalig zelfvergeten
Zwerft ge met verdoolde schreên Door de stille wouden heen;
Of in 't mollig mosch gezeten.
Staart ge peinzend naar beneen Waar het blanke beekjen wiegelt,
Dat u zelve niet weerspiegelt.
Maar één, éénig beeld alleen.
Dat gij altijd weer ziet komen.
Dat u volgt in wakend droomen!
Wie de schepping heerlijk vind'.
Gij zijt voor al 't andre blind.
Onder alle herdersknapen
J
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Weidt er één daar ginds zijn schapen. Ãén, wiens komst, wiens stem, wiens groet, Ja, wiens naam, u blozen doet.
Zijn herinnring doet u zuchten,
Waarom toch? gij weet het niet,
Maar gij zucht! Als gij hem ziet.
Wilt ge schuil gaan, wilt ge vluchten. Toch gij wenscht, al wendt ge 't oog, Dat hij u ontmoeten moog'!»
Toen liet Amarant zich hooren: â «Ach, is dit de kwaal? Welnu, Zoete kwaal, dan ken ik u!»
Tirsis vangt met gretige ooren
Woord op. Hemel, dat geldt mij! Maar de schoone voegt er bij:
«Al wat gij daar hebt beschreven.
Heeft mijn Chloris me ingegeven 1»
Tirsis, bleek van spijt en rouw.
Dacht dat hij 't besterven zou.
Velen meenen â 'k noem u feiten â Dat zij voor zich-zelven pleiten,
En zij effnen slechts de baan,
Waar een ander vóór zal gaan!
5'4
ACHTSTE HOEK.
FABEL XIV.
DE UITVAART DER LEEUWIN.
JVievrouw Leeuwin was dood. 't Stroomde alles bij elkaar Naar Sire, om met een woord zes, zeven,
Den troosteloozen weduwnaar Een blijk van sympathie te geven.
Tot overmaat van smart, voorwaar! Een Koninklijk besluit wordt aangeplakt. Men leest er. Wannéér en waar, met stille pracht
515
S'6 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De dierbre Gemalin ten grave zou gebracht.
De wakkre ceremoniemeester Zou alles reeglen, en wie lust had, arm of rijk,
Mocht volgen achter 't dierbaar lijk.
Nu, gij begrijpt op hooge beenen Spoedde alles zich naar Sire henen.
De Koning, in zijn harteleed.
Liep raadloos rond, en huilde cn kreet.
Zoodat hij 't hol weergalmen deed;
't Hol, want de Woudmonarch bezit geen andren tempel. De hovelingen altemaal.
Zij volgden aanstonds zijn exempel.
En snikten, brulden, in koraal.
't Hof is bij mij een plaats, waar allen, droef of blijde, Voor alles ijskoud en tot alles toch bereid.
Zijn, minstens schijnen, te allen tijde. Wat welbehaaglijk is aan Zijne Majesteit.
't Zijn al kameleons, of apen, woord en mine Nabootsend van hun heer: in duizende is één geest. En zoo Descartes leer ooit waarheid is geweest,
Hier is 't: hier is de mcnsch machine!
Maar tot mijn fabel keer ik weêr.
Het hert slechts klaagde niet. Hoe had hij kunnen klagen? Die dood was hem een wraak: de Koningin weleer
Had wreed zijn zoon en vrouw verslagen.
Kortom, hij klaagde niet. Een vleier klapte dat Aan Sire, en zei, dat zelfs het hert gelachen had! Gelachen! Goón, kon 't mooglijk wezen?
A C H T S T E B O K K. 5
Eens Konings gramschap â schreef een Wijze in vroeger eeuw â Is vreeslijk, bovenal die van Monarch den leeuw,
Maar 't hert had niet heel veel gelezen.
Daar sprak Zijn Majesteit; «Ellendig woudkind! gij,
Gij lacht! gij weent dan niet, gij jammert niet als wij?
'k Zal aan uw ongewijde leden Mijn heiige klauwen niet bezoedlen. Naderbij,
Gij wolven! u bestem ik heden De schoonste taak: gij zult gerechtigheid voldoen,
Verscheurt dees fielt, de schim der Koningin ten zoen!»
Toen sprak het hert: «O Vorst! de tijd der jammerkreten Is heen: hier mag de traan wel overtollig heeten.
Uw waarde wederhelft is mij verschenen: 'k zag Hoe ze op een bed van rozen lag.
'k Herkende haar terstond. «Vriend,» sprak ze, «wil u wachten
Voor onbetamelijke klachten Bij de uitvaart, want ik vaar ten hoogen hemel heen,
En baad me in duizend zaligheên.
Mij wacht in de Elyzeesche velden 't Gezelschap, mijner waard, van heiligen en helden!
De Koning viere een wijl den teugel aan zijn smart.
Dat streelt mijn teederminnend hart!»
Zoo spreekt het hert... En nu, o Goden, wat spektakel!
De heele waereld roept «Mirakel!»
Het hert ontgaat de straf; ja meer, het krijgt tot loon Het ridderlint van de Eikenkroon.
Vermaak de koningen met droomen.
518 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Laaf ze uit dc honigpot met onverpoosde stroomen!
Gij dooft hun verontwaardiging,
Zij slikken met plezier: gij wordt hun gunsteling!
ACHTSTE BOEK.
FABEL XV.
DE RAT EN DE OLIFANT.
Franschen zijn graa^ grootc Hansen. Menig zoogenaamd groot-heer Is een ploertjen en niets meer â Bluffen is het zwak der Franschen. IJdel als de Spanjaard zij,
't Is een andre hoovaardij â Om het met één woord te zeggen,'
519
52o DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
------
Gekker, maar niet half zoo dwaas.
Gun mij in een kort relaas |
U mijn meening bloot te leggen!
Ratje', een dwergjen van zijn soort,
Zag een olifant, een grooten!
«Wel, wat kruip-je langzaam voort,
Dacht hij, «met je plompe pooten.»
Maar de reus was zwaar bevracht Met een toren stijf van pracht,
Tien el hoog: op de ottomane Zat daar de eedle Rijkssultane,
Met haar hondtjen, met haar kat,
En een kakatoe of wat,
Aan het hoofd der karavane.
Verontwaardigd zag de rat,
Hoe verbluft geheele scharen Naar 't gevaarte bleven staren ,Of dat iets ter zake deed Dat men wat meer plaats bekleedt!'
Neen, hij kon zich niet bedwingen:
«Maar mijn medestervelingen!»
Riep hij, «wat verbaast ge u hier Over zulk een monsterdier?
Zijt gij dan als domme kindren Voor dat logge lijf bevreesd?
Wij, hoe klein, zijn groot van geest,
En in geen geval zijn mindren!»
Méér nog had hij op de tong,
ACHTSTE BOEK. 5
â _ . . . x
Toen hij ras ter zijde sprong, â
Want hij merkte 't loerend katjen!
Toen begreep hij, tot zijn schand:
«'t Moet gezeid, een olifant Is iets meer toch dan een ratjen!»
FABEL XVI.
D E I I O R O S K O O P.
v aak komt men juist op de eigen wegen Waarop men 't wil ontvliCn, zijn dreigend noodlot tegen.
Een vader had een ééngen zoon,
Te zeer zijn troetelkind! zóó zeer, dat hij 't ging wagen 't Kaartleggersvolkjen naar zijn toekomst te ondervragen.
ACHTSTE BOEK.
525
A
r
Een hunner zei op sombren toon «Een leeuw bedreigt uw kind! Denk, dat hij in gevaar is, Sluit dus den jongen op, totdat hij twintig jaar is!»
De vader, vreezend voor zijn ooilam, volgt den raad.
Nooit mag de prins 't paleis verlaten.
Hij 1 con zijn vriendtjens zien, mocht met hen spelen, praten,
En springen, wandlen, vroeg en laat.
Maar altijd binnenshuis.
Zoo kwam hij tot die jaren,
Waarin 't genoegen van de jacht De jeugd het meeste tegenlacht Men spreekt er over met verachting: jagers waren Maar tijdverknoeiers en barbaren.
't Hielp niet-met-all geen scherts, hoe aardig ook bedacht. Geen wijsheidslessen, of geboden,
Die de ingeschapen aandrift dooden.
Het hart des eedlen jonglings smacht;
De moed, die ombruischt in zijn aaren.
Verlangt naar oefning, naar gevaren:
Hoe meer beletselen, hoe meer 't verlangen groeit.
Hij wist waarom aldus zijn vrijheid werd geboeid,
En daar dit prachtpaleis alomme was behangen Met menig schittrend kunsttafreel,
En wijl het linnen en 't penseel Hem 't beeld voor oogen hield van menig jachttooneel, Zoo blaakte op zeekren dag een fiere blos zijn wangen.
Als hij op 't doek een leeuw aanschouwde. «O monsterdier! Zoo riep hij woedend uit, «door u verkwijn ik hier.
Als in een levend graf gevangen!»
Met stijgt zijn razernij ten top,
En wild heft hij zijn vuist naar 't schuldloos beestjen op. «Pof!» bonst hij tegen 't doek: een spijker, daar verbleven. Treft hem den slagaar â 't leven vlood.
Spijt allen bijstand, dien zijn esculaap hem bood. De groote zorgen voor zijn leven Berokkenden dus juist zijn dood!
Diezelfde voorzorg ook heeft ^Eschylus doen sneven. Een wichlaar spelde, «een huis zou vallen op zijn hoofd.» De dichter had het woord geloofd.
En in der ijlde stad begeven.
Nu sliep hij zonder dak, in 't veld, in de open lucht.
Daar vloog een arend met een schildpad in zijn klauwen:
Die zag, van uit zijn hemelvlucht,
Des dichters kale kruin, en dacht een steen te aanschouwen, Het naakte puntjen van een rots.
Hij liet terstond de schildpad los.
Om dus de harde schaal te breken:
Zij kraakte 's dichters hoofd: de dichter was bezweken!
En hier nu sta de lezer stil 1 Wat kunt ge uit deze exempels leeren?
Wel, dat die kunst van profeteeren.
Al was ze waar, de ramp, die zij voorkomen wil,
Juist op 't bedreigde hoofd doet keeren.
Maar ze is onwaar, die kunst! Geen schepsel ooit doorziet
ACHTSTE BOEK.
De toekomst, Gods geheim! 't Is gissen, missen, dwalen Ãéns raadt ze van de duizend malen.
En dan is 't Toeval, anders niet!
527
l
r
1
«il
Uil II !
!'f:
i ⢠i. li
i
FABEL XVII.
DF. EZ HL UN DE HOND.
«Helpt elkaar!» gebiedt Natuur. De ezel â 't mag wel wonder heeten Hij, zoo goedig op den duur, Heeft dat eens te kwader uur
Glad vergeten.
Rustig liep hij door het veld, Van den wachthond vergezeld:
ACHTSTE BOEK.
Meester volgde. Maar de weide
Was zoo friseh, de zon zoo heet, En de baas, aameehtig, leide
Zich ter rust op 't grastapeet.
De ezel ging terstond aan 't grazen, Heerlijk smaakte 't! Wel is waar, Distels werd hij niet gewaar,
Maar men moet niet viezevazen:
Of ge een schotel minder ziet. Dat bederft het gastmaal niet! Grauwtjen dus ging voort met plukken. Maar de wachthond evenzeer Kon van honger haast niet meer: «Makker,» sprak hij, «wil wat bukken! In die mande, die gij draagt.
Ligt een brood dat mij behaagt!» Grauwtjen speelt de oost-indiesch doove.
Vreezend dat het tijdverlies Hem een enkel hapjen roove,
Zegt in 't eerst de slokop niets. Eindlijk gromt hij: «Wacht maar even,
Vriendtjen! tot de baas ontwaakt. Die je zonder fout zal geven
Alles wat maar lekker smaakt!» Eensklaps, uit de dichte boomen.
Zien ze een wolf te voorschijn komen, â Ook al een die honger had! â «Och,» riep de ezel, «help mij wat, Brave hond!» Vergeefsche klachten.
529
530 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«Vriendtjen,» zegt de «brave hond,» «Wil een oogenblikjen wachten!
Onze baas ontwaakt terstond: Die redt zonder fout je dagen!
Ondertusschen, hoü-je knap:
Ben-je niet pas nieuw beslagen?
Schop den wolvenmuil tot pap!» â Maar jawel! de wolf zei: «Hap!» 't Bloed van d' ezel is vergoten.
Helpt elkaar dus, Lotgenooten!
FABEL XVIII.
DE BAS SA i;N DE KOOPMAN
Een Griek dreef handel in het Rijk der Halve Maan,
Waar zeekre Rassa hem beschermde,
Voor geld! â een proteeteur komt steeds op geld te staan Maar deze nam zóóveel dat onze koopman kermde.
Drie andre Turken, van een beetjen lager rang.
Verstoutten zich hem hulp te biën;
Hun eisch verscheelde van belang:
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De helft van 't honorair des bassa's voor hen driënl
De Griek nam 't voorstel aan; 't was waarlijk ook geen prijs! De bassa hoorde 't. «Wel,» zoo meenden al zijn buren, «De man zou zeker, was hij wijs.
Dat drietal om een boodschap sturen Naar Mahometh in 't Paradijs!
Ten zij hij wachten wou tot zij in hunne strikken Hem lokten, en hem soms een drankjen deden slikken.
Waarna hij straks in d' Acheron De doode kooplui dienen kon!
De Turk verwierp den raad, maar deed als Alexander:
Hij gaat stoutmoedig naar den koopman, zet zich weer Als altijd aan zijn tafel neêr,
En is zoo vrij in doen en spreken, dat hij d' ander Doet wanen, dat er niets is uitgelekt. In 't end,
«Kijk,» zegt hij, «goede vriend, uw plan is mij bekend! Gij laat mij loopen; ook vertelt men daarenboven,
Dat gij me een drankjen.... maar dit zal ik nooit gelooven! Gij ziet er te eerlijk uit voor lagen muichelmoord:
Daarover dus geen enkel woord!
Maar wat betreft die lui, die ge u hebt uitverkoren Tot helpers, sta mij toe, dat ik niet redeneer,
Noch demonstreer, noch disputeer,
Maar, min verveelend, u een fabeltjen doe hooren!
«Eens zat een herder bij zijn schapen en zijn hond. Men vroeg hem, hoe hij aan zoo'n schrok had kunnen denken,
Die daaglijks heel een brood verslond?
Hij moest den heer van Jt dorp dien duren slokop schenken.
532
ACHTSTE BOEK.
't Was beter als hij twee, drie kleiner honden had, Die minder kostten en veel beter konden waken Dan één, die voor drie honden at!
Hij at voor drie, Jt was waar! maar die het zei, vergat Dat hij ook vocht voor drie, wanneer met holle kaken De wolf de kudde dorst genaken.
De herder volgt den raad, en sluit een nieuwen koop: De groote «schrok» wordt door drie kleinere vervangen. Zij kostten minder, ja, maar dienden zijn belangen
Ellendig: kwam de wolf, dan gingen ze op den loop. De kudde ervoer het! En als gij op zulke heeren Als dit Jan Hagel bouwt, ervaart gij 't evenzeer! Zoo gij verstandig zijt, dan keert gij tot mij weer.»
; ; {j jl
li lij!'!!
li
De Griek gaf hem gehoor. â
Hier kunnen volkren leeren. Dat, alles wel beschouwd, één machtig potentaat Meer dan 't beschermheerschap van twintig prinsjens baat.
535
? i», 1
|1|| i
! i
i
FABEL XIX.
HET VOORRECHT DER WETENSCHAPPEN.
in een stadtjen â wilt ge een naam, Laat ons zeggen Delft of Wezel â Konden twee 't niet vinden saam'. De een was arm, maar hoogst bekwaam, De andre een rijkaart, maar een ezel.
Deze werd door jaloezij Op zijn buurman aangedreven:
ACHTSTE BOEK.
Alle menschen, meende hij,
Moesten hem den voorrang geven. Dwaasheid! rijkdom zonder geest, Is dat ooit een deugd geweest? «Vriend,» zoo sprak hij menigmalen
Tot den wijze: «Wonder wat Beeldt ge u in: maar mild onthalen,
Feesten geven, kunt ge dat? Waartoe dient dat eeuwig lezen.
Als men op een vliering woont, Hn, 't mag lente of winter wezen. Steeds dezelfde plunje toont?
Als ge tot galeiknecht niet Dan uw eigen schaduw ziet! Och, wat voordeel heeft het Land Van die lui die niets verteren?
Bah! geleerdheid en verstand! Miljonairs, die moet gij eeren!
Geest, talent, jawel, heel lief:
Geld, man! dat is positief.
Geld, ons geld, dat steunt de winkels Van de Bahlmann's en de Sinkel's, Van de koks en kruideniers. Kleedermakers en grossiers.
En de boekverkoopers-krukken Die uw prullen willen drukken!...» Zulk een schandelijke taal Oogstte 't welverdiend onthaal:
537
Onze wijze zweeg â met smarte,
V___1__J
TEN KATE , DE FABELEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Want hij had zooveel op 't harte!
Weldra woedde de oorlogsvlam, En God Mavors, de ijzervreter, Wreekte d' armen wijze beter
Dan het bijtendst epigram.
Beide burgers moesten vlieden: Onze rijkaart, nu beroofd,
Stiet alom het ezelshoofd; Middlerwijl door alle lieden Zich de wijze hulp ziet bieden. Zoo dan werd het pleit beslecht: Lieve lezer, wie had recht?
Laat gerust de dwazen klappen, Groot is 't nut der wetenschappen!
538
FABEL XX.
JUPITER EN DE DONDER.
Jupiter zag uit de wolken 't Menschdom met veel schuld bezwaard. «Wel dan,» riep hij, «laat ons de Aard Met een nieuw geslacht bevolken,
Sints dat oude, booze ras Ons zoolang een aanstoot was!
Daal, Merkuur! ter helle neder.
ACHTSTE BOEK. 539
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En keer met een Furie weder,
De allerwreedste van de trits!» «Ras, te teer op 't hart gedragen!»
Riep hij in zijn ergernis,
«Wee!... uw doodsuur heeft geslagen!» Maar die gramschap, diep gevoeld, Was al spoedig weer bekoeld.
Gij, door Jupiter verkoren
Tot gebieders, in wier macht We ons bevinden! broedt uw toren, â Her uw onweer losbreekt, wacht. Koningen! een enklen nacht.
's Hemels Boó, de welbespraakte, Vluggewiekte, vloog terstond Naar den diepsten hellegrond,
Waar het zwarte drietal waakte.
Maar hij liet Megere in vree.
Even als Tisiphoné:
Woeste Electo werd gekozen. Die daarop zóó'n vreugd ervoer, Dat zij flux bij Pluto zwoer,
«Heel 't geslacht der goddeloozen Zou tot ééncn toe vergaan...!»
Maar die eed der gramme, felle.
Stond der goden God niet aan: Hij zendt haar terug ter helle.
Toch, op 't eigen oogenblik
54°
ACHTSTE BOEK.
Werpt hij een geduchten donder Op het slechtste volk daaronder, Maar alleenig voor den schrik: Want, door goedheid aangedreven, Slingert hij zijn bliksemflits Zijvvaards in een wildernis, Onbewoond en zonder leven â
Vaderhand slaat altoos mis! Wat gebeurt er? 't Boos geslachte, Stout door die lankmoedigheid. Tergt nog meer zijn majesteit.
Heel de Olymp slaakt ééne klachte,
En de wolkverzamelaar *)
Zweert met de allerheiligste eeden, «Andre bliksems zal hij smeeden. Dubbel puntig, dubbel zwaar!» Maar de onsterfelijke schaar Glimlachte eens, en wel met reden:
«Hij bleef Vader, onbestand Tegen liefdes teederheden:
Daarom moest een andre hand Dan de zijne donders kneeden!» 't Was een werkjen voor Vulkaan: Deze neemt den arbeid aan. 't Is een dubbel soort van flitsen, Wat hij voortbrengt uit zijn smidsen. De ééne mist het doelwit nooit:
541
lt;!}) Homerus geeft Jupiter dit epitheet.
J
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
't Zijn de Goden, die haar slingren.
De andre raakt verdwaald, verstrooid: Deze glipt uit 's Vaders vingren,
Treft de bergen in 't verschiet,
Maar het hart der menschen niet.
542
ACHTSTE HOEK. 543
FABEL XXI.
DE VALK EN DE KAPOEN.
't Verraad zingt vaak een vleiend lied. Voorzichtig, daar is stof tot vreezen!
Het is, voorwaar, zoo gek nog niet Somtijds oost-indiesch doof te wezen.
Een burger uit Breda, van ambacht een kapuin.
544 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Die rondliep tusschen struik en heester,
Werd eens gedagvaard voor de rechtbank van zijn meester, Dat is: de keukenbank, maar wou niet uit den tuin.
Al 't meidenvolkjen vloog naar buiten,
En riep: «Kom, kippetjen! kip! kippetjen, kom hier!»
Maar ons kapuintjen liet ze fluiten,
Hn zei: «Dag, goede licn! 'k vertrouw jelui geen zier.» Een valk zat op zijn stok. en zag kapuintjen vluchten.
Kapuinen hebben 't niet op menschen: 't is niet klaar.
Of ze ons uit bloot instinkt of uit ervaring duchten.
Maar duchten doen ze ons, 't feit is waar!
Nu, dit kapuintjen, dat zoo noode zich liet vangen.
Moest d' andren dag bij 't vriendenmaal Te prijk staan op een mooie schaal,
Eene eer, voorzeker, waar geen vogels naar verlangen.
De valk zei: «'k Sta verbaasd, wat is uw ras toch dom,
Gants buiten staat om iets te leeren;
Zie, ik kan jagen, en roept mij de baas, ik kom.
De baas staat voor de deur, en riep u twintig keeren:
Hij wacht u, zijt ge doof?» â «Och, wreedaart, houd u stil,» Sprak de andre,» ik hoor hem wel; maar zeg mij, wat hij wil? En dan die keukenmeid, met opgestroopte mouwen En dat vervaarlijk mes! Zeg, zoudt gij die vertrouwen? Och, laat mij vlieden! spot toch niet Met mijn onwilligheid, als mij de nood gebiedt Te spoediger de vlucht te nemen,
Hoe goediger de menschen fleemen.
'k Verwijder me zoo ver ik kan.
Hadt ge ooit aan 't braadspit zoo veel valken
ACHTSTE BOEK.
545
Gezien als ik kapoenen, man! Gij liet u evenmin verschalken!»
m
'!
â J l!5
m
:i ^ h
'i
1
H | f » l|
TEN KATE. DE FABELEX VAN I,A I-ONTA1NE.
60
FABEL XXII.
1) li KAT EN Dli RAT.
Vier dieren, Kaasdief, sluwe kat,
Dc nachtuil Jammergraag, heer Knabbelzwoert de rat, lui juffrouw wezel Lange-lenden,
Bewoonden saam' een hollen stam.
Waarvan zij al de gaten kenden. Ons dievenvolkjen sliep, toen Jan de jager kwam, Om rond den boom zijn net te spreiden.
ACHTSTE BOEK.
De kat, vroeg op, met stillen tred Ging uit op roof. Zij kon niet duidlijk onderscheiden In Jt schelle licht en liep in 't net.
Zij ducht den dood, en slaat aan 't mauwen:
De rat snelt ijlings aan, o liefelijk aanschouwen!
Zijn vijand in den val! hij piept het uit van pret.
â «Och!» smeekt de kat, «'k heb vaak uw vriendlijkheid ervaren,
Ik bid u, help mij uit dit garen.
Waarin ik bij abuis verstrikt ben, beste vriend!
Ik heb dat wel aan u verdiend:
Schoon 'k uw famielje haatte, ü bleef ik altijd sparen.
Gij waart mijn oogelijn. En 'k dank daarvoor de Goón. De Goón! ik ging hun juist mijn morgenoffer branden,
â Dit is mijn vroomheid zoo gewoon â
Maar nu belemmren mij dees banden:
Mijn leven, beste! is in uw handen.
Doorknaag dit net!» â «En voor wat loon?»
â «Wat loon? Wel, lieve rat! wij worden bondgenooten!
Ik zweer u eeuwig, eeuwig trouw,
'k Stel tot uw dienst gebit en klauw!
Al wierd mijn laatste bloed vergoten,
'k Zal u verdedigen! De wezel moet vergaan, Al 't uilgebroedsel moet er aan:
Zij hadden uwen dood besloten!.. .»
â «Ik u bevrijden,» zegt de rat,
«Zoo mal niet,» en zoekt weg te schuilen ....
Daar zat de wezel voor haar gat.
De rat klimt hooger; maar daar grijnzen de aaklige uilen. Helaas, gevaar aan allen kant!
547
54« DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
r - - - n
Maar 't grootst gevaar heeft de overhand:
De rat keert naar de kat, en knabbelt aan de knoopen,
En bijt de mazen stuk: bevrijd is hypokriet!
Maar komt daar Jan de jager niet?
De bondgenooten gaan aan 't loopen.
Een dag of wat daarna zag onze kat van veer'
Haar rat: maar deze, in heimlijk vreezen,
Ontweek haar. «O mijn vriend, zie ik u eindlijk weer?»
Zei Kaasdief: «Kom toch hier, zink in mijn armen neer!
Wil niet zoo achterdochtig wezen,
Dat grieft me, uw broeder als ik ben,
Die voor den redder van mijn leven u erken!
Dat zal ik nimmermeer vergeten!»
â «En ik,» herneemt de rat, «vergeet dit evenmin.
Dat gij een kat blijft, mijn geboren vijandin.
Wanneer heeft ooit een kat van dankbaarheid geweten?
En wat beteekent een verbond.
Dat slechts op baatzucht is gegrond?»
FABEL XXIII.
DE STORTVLOED EN DE BEEK.
y
Hen stortvloed wierp zich van de rotsen In wilde sprongen naar beneên.
t Vluchtte alles voor hem uit, de schrik volgde op zijn schrecn, De velden dreunden van zijn klotsen.
Geen reiziger had ooit den moed Te waden door dien dwarrelvloed.
Eens werd er een vervolgd door roovers: om te ontkomen
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Beproefde hij den vloed, en ziet!
Hij kwam er veilig door. Hoe woest het ook mocht stroomen, Ondiep was 't water; schuim en leven, anders niet!
Dit voorval had hem moed gegeven.
En daar de roovers hem steeds volgden op zijn pad. Zoo was zijn angst niet groot, toen weder, als daar even, Hem 't water stuitte, nü een beek, wier zilvernat Zoo roerloos was, zoo spiegelglad!
Hier moest de doortocht maklijk wezen:
Geen scherpe klippenzoom, een zandbed, effen, klaar! Hij gaat... Ja, wel heeft hij geen dieven meer te vreezen, Maar ros en ruiter, droevig paar,
Verzinken in het diep, verdrinken met elkaar.
Zij daalden in den Styx ter neder:
De koude doodsrivier gaf nooit zijn offers weder.
De groote schreeuwers doen geen kwaad;
Pas op de zwijgers, kameraad!
UE STORTVLOED EN DE BEEK.
FABEL XXIV.
ÃH KRACHT DER OPVOEDING.
Joli en Qesar, broers, in prille jeugdfgoê vrienden',
Van 't edelst hondenras, en welgemaakt en stout. Verkeerden, daar ze al vroeg twee andre meesters dienden,
De een in de keuken, de andre in 't woud. Zij hadden niet altijd denzelfden naam gedragen.
Maar waren beide zoo verschillend opgevoed,
Dat de een zijn fleren aard ontwikkelde onder 't jagen,
V_____
TF.N KAT K, OU KAB KL EN VAN I.A KONTAIN*?,
Maar dc andere, verwend door mande cn kachelgloed, Allengs 't Jolietjen wierd, waarvoor men thands hem groet. Zijn broer, avonturier, die veel had ondervonden,
En menig hert gepakt en menig zwijn gedood,
Was de eerste Caesar die bekend is bij de honden. Men zorgde, dat hij nooit een mésailliance sloot,
Opdat het aadlijk bloed, dat door zijn aadren vloot.
Niet werd verbasterd of geschonden.
Joli kon kiezen wie hij wou;
En nam vaak de eerste, die hem aanstond, tot zijn vrouw. Hij had een talrijk kroost: men vindt ze nog bij boopen Aan Rotte en Aemstel, Maas en Rhijn, Die kaarnend in den molen loopen En Caesars antipoden zijn!
Men volgt niet steeds papa, al heeft hij ridderorden En adelbrieven! 't Komt op zorg en kweeking aan: De eêlste aanleg, zonder dat, zal sporeloos vergaan. Och, wat al Caesars die Jolietjens zijn geworden!
FABEL XXV.
DH TWEE HONDEN EN DE DOODE EZEL.
Och , of de Deugden zusters waren,
Cjclijk Gebreken broeders zijn!
De laatsten, komt er één, dan volgen zij bij paren:
'k Meen zulken, die wel graag in 't eigen kamerkijn, â Het kamertjen van 't hart! â om éénen disch zich scharen.
De Deugden ziet men, ach 1 te zelden hier bij-één,
Om met heur lauwerkrans één zelfden mensch te eieren!
55ö lgt;K FA MR L EN VAN LA FONTAINE.
1)C een is een held, maar woest; de tweede kalm, maar steen! En wat betreft het rijk der Dieren,
De hond beroemt zieh dat hij trouw is aan zijn baas.
Maar hij is vratig, hij is dwaas.
Bewijs! 't Gebeurde dat twee honden dezer dagen,
Ravottend langs den oeverzoom,
Hen dooden ezel drijven zagen,
Al verder dobbrend op de deining van den stroom.
De een sprak: «Mijn kameraad, gij hebt voortreflijke oogen: Och, kijk eens naar de zee, 't is wel der moeite waard.
Daar drijft iets, op en neer bewogen:
Is dat een koebeest of een paard ?»
â «Daarover hebben we ons,» zei de ander, «niet te kwellen; «Maar krijgen is de kunst. Het eind is ver, mijn vrind! We moeten zwemmen ook, en dat met tegenwind!
Neen, 't zal niet gaan! Maar 'k heb wat beters voor te stellen:
Kijk, drinken wij dit water leeg!
'k Hoop dat het onze maag naar wenseh bekomen moge: Dan ligt weldra het aas op 't drooge.
En zeven dagen lang gastreeren wij ter deeg!....»
Daar gaat ons hondenpaar aan 't slobbren. Afschuwelijke drinkpartij!
Aêmechtig hikken ze, en ten laatsten bersten zij!
En 't aas terwijl bleef altijd dobbren.
Zóó is des menschen kind! Als hem begeerte kwelt,
Schijnt niets onmooglijk, of hem almacht waar' beschoren. Wat pogingen beproefd! wat tijd en vlijt verloren,
Waar 't macht, of roem, of rijkdom geldt!
T
t
â ^1
il
I i,
i
iawBiamH
IhH
.
ACHTSTE BOEK. 559
â «Kon ik dat Graafschapje' annexeeren aan mijn Staten!»
â «Had ik mijn kisten vol dukaten!»
â«Kende ik Hebreeuwsch, ofTurksch! of whist, of schaken goed!
â «Of ik het Wetboek, of den Bijbel uit mocht leggen!»
La nier a boire, zou men zeggen.
En toch â niets dat den mensch voldoet!
Om al de wenschen van één hart genoeg te geven,
Zijn drie, vier lichamen te min.
Nooit hebben wij genoeg, en niemand kreeg zijn zin. Al bleef hij langer dan Methusalem in leven!
FABEL XXVI.
DHMOKKIET HN DE AB DERI ETEN.
'k Veracht het wuft gemeen! 't heeft nooit dan kwaad gesticht; 't Is onrechtvaardig, of door hoogmoeds waan bezeten; 't Beziet de dingen scheef, en niet in 't ware licht,
lin waagt het, andren naar zich-zelven af te meten!
Daarvan heeft Demokriet geweten!
Zijn volk hield hem voor dwaas. Kleingeestig volk. Helaas,
ACHTSTE BOEK. 561
Waar eerde ooit eenig volk zijn eigene profeeten?
Die Demokriet was wijs, die lieden waren dwaas.
De dwaling ging zóó ver, dat deze onze Abderieten Straks een gezantschap trekken lieten Naar Hippokraat, of hij, nooit vruchtloos aangezocht, Hun Demokriet genezen mocht!
Die medeburger, 't speet hen innig.
Maar ach, het moest gezeid, die wijsgeer was â krankzinnig! Hij las te veel! Nu ja, geleerd Is goed en wel, maar hoor wat deze man beweert:
Oneindig is 't getal der waerelden, en allen Van Demokrieten vol, bij millioenentallen.
Daar voegt hij, in zijn waan, dan nog atomen bij,
Onzichtbre schimmen, teelt der dolste fantazy;
En rustig op zijn stoel gezeten.
Zegt hij de hemelen te meten Tot in het eindeloos verschiet:
Hij kent het gantsch heelal, en kent zich-zelven niet!
Daar was een tijd, dat hij ons twisten bij kon leggen: Nu spreekt hij tot zich-zelf alleen.
'k Verzeker u, 't is wat te zeggen.
Zijn waanzin is cnonn, ijl tot zijn redding heen!»
Nu, vader Hippokraat had juist niet veel vertrouwen In 't volkje', en toch â hij ging. En wat moest hij aanschouwen? Den zoogenaamden dwaas, den man van wind en waan,
Trof hij in diepe studie aan,
Navorschende of de ziel, die mensch en dier bewoonde, In 't hoofd of in het harte troonde.
In schaduw van 't geboomt', bij 't murmlen der fontein,
TEN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE.
562 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Doorzocht hij, onvermoeid, den doolhof van ons brein. Daar lag een menigte van boeken aan zijn voeten. Verdiept in zijn bespiegeling.
Zag hij zijn vriend eerst niet, en toen hij hem ontfing. Was 't met een kort, maar hartelijk begroeten. Al wie der wetenschap zich wijdt,
Is gierig op zijn woorden en zijn tijd.
Daar ze alle onnut geklap dus wijslijk achterlieten. Bespraken zij den mensch en 't leven zijner ziel â
Tot straks 't gesprek op zedekunde viel.. . Zij spraken veel.. . ook van onze Abderieten!
Deze anekdote toont gewis,
Hoe 't volk een slechte rechter is;
En, spijt den bluf der demagogen,
«De stem des Volks, Gods stem,» is een volstrekte logen.
FABEL XXVII.
D E W O L F EN U E J A G E R.
O Schraapzucht! monster, dat, met onverzaadlijk oog. Al 't goede minacht, u gezonden van omhoog!
Hoe lang moet ik vergeefs u geeslen, fel verbolgen? Wat uitstel eischt ge, eer gij mijn lessen op zult volgen?
Zegt nooit de mensch, het oor naar wijsheids stem gewend: «Genoeg, genoeg gegaard! genieten wij in 't end?» Wel, haast u toch, mijn vriend! gij hebt niet lang te leven.
564 Dü FABELEN VAN LA FONTAINE.
____ ____
Ãén woord, maar meerder waard dan boeken volgeschreven: Geniet! â «Ik zal het doen!» â Maar, lieve man, wanneer? «Wel morgen!» â Morgen? maar dan zijt gij licht niet meer. Geniet reeds heden! eer u 't uitstel op mocht breken.
Gelijk den jager en den wolf, waarvan 'k wil spreken.
Die jager had een das geschoten met zijn pijl.
Hen hinde komt voorbij; hij treft haar in der ijl.
Daar liggen ze alle twee in 't bloedig gras gezegen.
Een das, een hinde! is dat geen rijke vangst? Ter degen!
Elke andre jager zou daarmee te vrede zijn.
Maar zie, daar snuift op eens een borstlig everzwijn!
Zoo'n prachtig wildbraad doet den Nimrod watertanden: Hij spant, en jaagt het dier een pijl in de ingewanden. Wel sneed de Schrikgodin zijn draad nog niet van één,
Maar 't monster sleepte zich met waggelende schreên Slechts weinig verder, om al brullend neer te zijgen.
't Was nu toch buits genoeg! Helaas, de wenschen stijgen Bij aartsveroveraars al naar de schat vermeert!
Terwijl 't gewonde zwijn weer tot zich-zelven keert.
Ziet onze jager daar in een der akkervoren Een wandelend patrijs. Kan hem dit hoen bekoren?
Zoo'n schrale toegift op zoo'n buit?
Ja wel! de boog trilt in zijn handen.
Maar als zij juist het peeskoord spanden.
Daar rijst het zwijn, schiet woedend uit.
Valt hem van achtren aan, doorboort hem met zijn tanden,
En sterft, gewroken, op zijn lijk--
Patrijsjen was den prins te rijk!
DE WOLF EN UE JAGER,
.............Tr
1â -1 m
M-
1 MlWlfe' gt;. -IMiMabHBTOaa^iaa^^^^^Si,. i*.
Wimimmmmm
'imBBÃ V; -,' -lt;yi 11
i'i
i'^-t^ffl-ag^.j^jrvâ-^vvr-i â quot;i;:'^.^ivv;
â
â -i;1« .'j i ./jiJ-.C'l ,J« 1. ^ i! f.
'Jtramp;'ft' k$W'
lijlinK' I-: quot;--V/ r i
M-W^kMmMM^ i^- â¢''i11'' ly''; rM;h^1h-Vï-i-:
i:'msÃÃ ^lmr,
; I^^mIM ,â¢â - ^
iAi V :- - MM ⢠^Vte^RWSHKSto^; ;.i*
lâ¢Â»J
: mm-'l
I I
wmWm
BWillnlmreffmpiiWMlmWIw
liï l£!t$ÃSamp;amp; tfö «j»^» I - I Ã
fi t^s «wiiii HM Ssss
â fln .Jl-
â ⢠.â â â *. .£ 'â .1 MSBMi11 .WS
aasWBW^MHBliaWB^wW». ^'â â MBW
â - T* .ijyj
^^SWu -ftff-W
P
:â ^';t.y:'â ''â¢â â .;â â ;â¢â¢â¢ if^l; Jï = â â
ACHTSTE BOEK.
Dit deel der fabel is voor die te veel begecren:
Het tweede heeft ten doel om vrekken te bekeeren.
Een wolf ging juist voorbij en zag het bloedbad aan. «Fortuin!» zoo juichte hij, «'k wil u een waschkaars wijden!
Vier dooden bij elkaar! Zoo'n voorraad, dat kan gaan!
Maar ik moet zuinig zijn: 't gebeurt niet t' aller tijden.» (Zoo spreekt wat vrek heet al te gaar.)
«'k Heb,» zei de wolf, «genoeg, al is 't niet voor een jaar, Toch voor een maand, naar 't geen ik reken,
Juist! één, twee, drie, vier stuks, voor één, twee, drie, vier weken.
Beginnen we over een paar dagen, eerder niet,
Terwijl wc intusschen 't koord van dezen boog gebruiken,
Goed eten! darm! ik kan het ruiken«... â «Hap!» zegt hij, maar o schrik! daar schiet De pijl den boogpees af, en jaagt den wolf, o smarte!
Zijn vlijmende' angel dwars door 't harte.
Nu keer ik tot mijn tekst. Wat u de hemel bood.
Geniet dat! Zie hoe hier twee schrokken alles derven: De Inhaligheid heeft d' een doen sterven,
De Vrekheid was des andren dood!
567
â
â lil
............
i
i
........â â ' ''
HBBSBBwaaai
ill IÃ â tV
«â è,. A^'-quot; ^Mwl^aM
WÃ;
1 m Vquot; A quot;-- quot; i Mi H BMW v I
'SÃmÃÃÃÃSSSaÃt fSWffivmff ^ mamp;far-
Mmm
Srfc 3t
â ;
â
aaxjryapB^BSBBHBBWIBHBBWWBBBBW B*^RIPWBWff
gt; ««HBBraal
.......-........... ..........- - - ⢠- . . .....
â :;S â â
Kmm.
mmmemmmBsmimmssBimiBm â ^ j.: â t r «i t-.-. .Taw-frg
H â â
.. :
â H liiiiiiiiH â
«fj^^atamp;sI^r^aSS^aagtf ^ ' «^SawT^ tt-^BB â B j
;« I
ammSWmsmm
:
g|J
if! 'ï^f-svW â £ââ¢â '' * . -. , v-gt; mm mm â â¢
F/^SBI j^SfPpapiwlW 'sl,-gt;'\ ''' â¢''*\ 1^1 '.â ' â
â
:
wmm
WMmmsm
mÃBÃKS^^^ÃmÃmsmmSÃSsSSB^BSSaÃÃMIM^BÃÃÃÃÃÃBM -p'-f?-â quot;,gt;m( ,/' '', â
«'quot;iSSlï'-4-Wr 'ü^M.. ^(#^J* 'li ^ .J.^gt;'aVi-gt;|w' -'â s^iJït,' ;Vâ 'S 'quot;'quot;â -â J#Wr'quot;'i V'.-v^i i » '1 '».-:â lt; ,â¢â ri â¢.â *, .;; .r HH --Swlt;'.' ,
hquot;quot; . â 'â viV «â ⢠â , bBBMbH ^l'* t 'a-1'' - , , . â HHi â
r
NEGENDE
BOEK.
I
72
TEN KATE , UE FADRI.EN VAN LA FONTAINE
NEGENDE BOEK.
FABEL I.
DE ONTROUWE BEWAARDER.
Dank zij Febus en den Muzen,
'k zong de Dieren in mijn lied: Andre helden, andre glorie,
'k ruil ze voor de mijne niet. Zie, de wolf spreekt in mijn fabels
tot den hond der goden taal; En de spelers, die ik opvoer,
zijn gedierten al te maal.
Dwazen, wijzen, meestal dwazen,
â want die vormen 't meerendeel!
571
quot;A
â
UE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Maar bedriegers ook, en schurken,
ziet gij op mijn schouwtooneel: Dwingelanden en ondankbren,
vrij wat onvoorzichtig vee,
Zotten, vleiers, en, vóór alles,
zwermen leugenaars, doen mee; Want de wijze Koning zeide,
en die was van zessen klaar: «Ieder mensch is van nature
min of meer een leugenaar.»
Sprak hij enkel van 't Jan Hagel!
maar hij maakt geen onderscheid: «Allen leugnaars!» . .. 'k zou Jt ontkennen,
zoo een ander 't had gezeid. Hn die liegen als Homerus,
als lisopus, neen, o neen!
't Zijn geen leugnaars: om de Waarheid
vlechten zij hun bloemen heen; En tot aan het eind der eeuwen,
ja, nog langer leeft hun lied, Want zoo schoon als zij te liegen,
neen! dat kan een ieder niet.
Maar te liegen op een wijze
als die goedbewaarder deed, Is zoowel bedrog als dwaasheid:
wilt ge luistren? 'k Ben gereed.
Ziehier 't geval! Een Perziesch handelaar. Die reizen zou, gaf, staande om weg te varen.
72
r
N E G K N 13 E B O E K,
Zijn vriend een kist best ijzer te bewaren.
Hij keert. «Mag ik mijn ijzer?» â «O, 't is waar, Uw ijzer, vriend! gij moet bij dezen weten,
Een rat heeft alles opgegeten.
Ik heb mijn volk begromd, maar hielp het wat?
Een zolder heeft al licht een gat!»
De koopman laat het sprookjen zich herhalen.
En zegt: «Zeer vreemd, maar 'k wil 't gelooven, vrind!» Een dag daarna steelt hij bedriegers kind,
En noodt papa bij zich te middagmalen.
Maar deze weent: «O, wist ge wat ik lij.
Gij vroegt mij niet, ik bid, ontschuldig mij!
De vreugd heeft mij voor goed begeven:
Ik minde een zoon, mij liever dan het leven,
'k Had hcm-alleen, helaas! 'k heb hem niet meer!
Beklaag mij vriend! mijn éénige is verloren!»
De koopman sprak: «'t Was gisteravond laat,
Een nachtuil nam uw knaapjen op van straat.
En vloog er meê naar de oude klokkentoren!»
Toen zei papa: «Maar meent gij, lieve man!
Dat ooit een uil een knaapjen dragen kan?
Indien een uil mijn knaapjen had besprongen.
Zij had gezwicht: hij is een sterke jongen.»
â «Ja, 'k weet niet hoe,» is 't wederandwoord, «maar... Dat de uil hem stal, ik zag het, en 't is waar!
Ik kan dan ook de reden niet ontdekken Waarom mijn nieuws uw twijfel zou verwekken.
Is 't wonder in een land, waar ééne rat Een centenaar best ijzer heeft verslonden.
573
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dat daar bij wijl een nachtuil wordt gevonden,
Die kindren bij de lurven vat Van nog geen vijftig oude ponden?» â
Papa begreep den steek, en vlug Gaf hij den vriend zijn ijzer weêr terug;
Waarop 't verloren kind hem werd terug gezonden.
Zoo twistten op een keer twee zeer bereisde liên:
De een was van 't ras dier babbelaren Die alles door 't vergrootglas zien;
't Zijn enkel reuzen wat ze ontwaren,
En naar hun zeggen krielt Euroop'
Zoowel als Afrika van monsters bij den hoop.
Nu, onze reiziger, van eedle drift aan 't gloeien,
Zei: «Ik heb eens een kool zien groeien.
Nog grooter dan een huis.» â «Wel,» sprak zijn vriend, «dat's sterk; Maar 'k zag een ketel laatst nog grooter dan een kerk.»
â «Foei, man, dat kan ik niet gelooven.» â
«Hoe dat?» sprak de andre weêr; «quot;t was om uw kool te stoven!»
Die ijzerman was slim, die ketelman was fijn.
Wordt de omgerijmdheid al te sehaamtloos overdreven:
Wil dan geen ernstig andwoord geven:
Satyre moet uw geessel zijn!
574
(
NEGENDE 15 O EK.
FABEL 11.
DE TWEE DUIVEN.
i wee duiven beminden elkander recht teêr;
Maar thuiszitten smaakte den doffer niet meer.
Op reis! in den vreemde! dat lachte hem aan.
Maar 't gaaiken zei: «Waartoe die dwaasheid begaan? Hoe? wilt gij u scheuren van 't liefderijkst hart? Het Afzijn! bestaat er een vreeslijker smart?
Voor u niet? Zoo denk aan 't gevaar van den dood,
575
r
57ö DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
--------
U dreigend, zoodra gij ons huisjen ontvloodt!
Hn was het nog lente, als het zonnetje* ons groet!
Ai, wacht op de zefiers! Waartoe zulk een spoed?
Straks gaf hier een rave zijn krassenden kreet:
Hen rave is den vogel een onheils-profeet!
I
'k Zal vreezen, 'k zal droomen, van 't scheidensuur af.
Van valken en netten, van dood en van graf!
.Helaas,' zal ik zuchten, ,het regent! waar toeft.
Waar zwerft hij? Bezit hij al wat hij behoeft?
Goed eten, goed drinken? een nestjen zoo zacht Als dit? en wie houdt bij zijn sluimring de wacht?'»
't Was of bij den doffer een aarzling begon.
Maar â 't rustloos humeur en de reislust verwon.
Hij sprak: «Wees getroost! slechts drie dagen, niet meer.
Dan ben ik tevrede, dan ziet gij mij weêr.
Wat zal ik vertellen! Die niets heeft gezien.
Heeft niets te vertellen: 'k zal zien en â voor tien!
En praten voor tien, menig uur aan elkaar:
Hoe 't zus was en zóó was, hoe 't hier was en daar; â
Dan luistert gij toe, weent en schreit, lacht en beeft.
En 't is als hadt ge alles mede beleefd.
Vaarwel dan!» Zij scheiden in tranen: hij gaat.
De pelgrim, die lustig de vleugeltjens slaat.
|
Maar 't luchtjen betrekt, en een onweer rukt aan:
De duif kan niet verder: hij schuilt in de blaan Van d' eenigen boom die in 't rond zich bevindt.
Hoe klettert de regen! hoe geesselt de wind!
In 't eind, daar verheldert de buiige lucht:
De doffer hervat, nat en bibbrend, zijn vlucht.
DE TWEE DUIVEN.
4immi
H
Ki
mm
|v
ftMi
mm
gis
I m
WÃÃMvêÃSÃt
WM
§H ü
H m ^ 91
......B IHk BHwü * ^6 8BB
;9i
; i' mV' gt; -
â¢â ⢠.......... ⢠â¢
;
â k| 9 â
s-
m mWÃÃm ® m mÃm
.
111 m 111 I I
HH ^ \ lt;?
â â â â l HnHH
1
⢠«a'K^ïjS
H
mM.
â
mÃl^sÃmi
Tnftmf
mR
V.:.V'
.
â H MMM
; iï 8
SSiSiSiS®'wp» ^Hl Sà i SffiSS®»' I ?SP â ssëP*?'quot; '«'gt; i6-'
I
I
mmm
mm
HB
M
ifófe:
ipp
â
trxiliJKra
X^J^.Ãn
iMB^M
i^n
'â¢# / jgt; ii. 'Ji.
VLquot;. . -*'J'ï » « ri ij»' 1 i igt;'.-J' .
â - I .£gt;-* - . è^S^M
â I
â |
I
mÃÃÃmm
1
m^wFi
H ⢠- f
â â
1
â â : :V '.''V .'. ' , jquot; â â :.- V, J.'quot;;
â
i'-
NEGENDE BOEK.
Daar ziet hij een akker, met schoven bedekt,
Daar wandelt een duifjen â zijn moed wordt gewekt. Mij nadert: tiaar is hij gevangen, verraan,
Verward in het net, dat hier loerde onder 't graan! Maar 't net was vrij oud, en de doffer, in nood, Scheurt eindlijk de mazen met vleugel en poot. Dat koste hem veêren! Maar erger, daar vloog Een havik, en kreeg onzen doffer in 't oog.
Die, nog met de pluizen van 't net aan zijn been, Een even ontsnapte misdadiger scheen.
Reeds strekte de havik de klauw naar hem uit.
Maar eensklaps betwistte er een arend zijn buit! Die twee aan het vechten! De duif midderwijl.
Zijn tijd wel gebruikend, vlood heen in der ijl. Hij zette zich neêr op een brokklig stuk muur, En duchtte nu verder geen reisavontuur.
Eilacy! reeds had daar een knaap hem bespied: (Die deugnieten kennen de deerenis niet!)
Hij grijpt naar zijn slinger, en â treft onze duif, Die wankelt en hijgt met ontredderde kuif, Met hangende vleugels, bebloed en bedroefd,
Half kreupel, half dood, de terugreis beproeft:
Totdat hij, zoo goed en zoo kwaad als hij kon, Ten laatste zijn til en zijn nestjen herwon!
Ziedaar dan ons paartjen hereend na 't verdriet.. . Hun tranen, hun kustjens, beschrijf ik u niet.
Gelukkige minnaars! is reizen uw lust?
Wat zoekt gij een vreemde, verwijderde kust?
r
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
_ ^
Veracht nooit het wezen voor lokkenden schijn,
Maar zoekt voor elkander een waereld te zijn,
Steeds schoon en verscheiden, steeds jong bovenal!
Tel alles voor niets, wees elkander 't Heelal!
Ik ook, ik bemin, en geen lusthof ter aard,
Geen Engedi's rozen- en leliëngaard,
Geen hemel van Hellas, doorgloeid van gestarnt',
Geen kroon die van goud en karbonkelen barnt.
Lokt nimmer of nooit van de Dicrbre mij af:
Haar liefde is mijn leven, en sterker dan 't graf!
580
f
FABEL III.
DE AAP EN DE LUIPAARD.
't Is gebeurd, dat Aap en Luipaard
Beide naar de kermis trokken:
Ieder had zijn arlequino,
Om de kijkers uit te lokken.
De een riep: «Treedt maar binnen, heerenl
Luipaards roem vervult heel de aarde:
Vorsten kwamen hem bewondren,
NEGENDE BOEK. 5''
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Want zijn huid heeft zóóveel waarde, Dat zij na zijn dood zeer gaarne Daar een pels van zouden knippen: Hij is prachtig, hoogst-verscheiden In zijn vlekken, streepen, stippen 1» â Ieder kwam het moois aanschouwen: Maar 't was spoedig afgekeken.
En men hoorde er na drie dagen Boer noch burger meer van spreken. Aapjens harlekijn, intusschen,
Riep: «Stapt in maar, burgers, boeren! Hier is de aap, die duizend kunstjens. Duizend potsen uit kan voeren.
Buurman, ja, is bont van kleuren,
Rijk van huid, maar, lieve vrinden!
Rijk van geest is toch noch beter. Dat is in dees tent te vinden!
Meester Gillis, neef en schoonzoon Van Bertrand, die in zijn leven Hofaap van den Paus mocht heeten, Arriveerde net zoo even In een wagen met vier paarden.
Enkel maar om u te spreken!
Want hij spreekt! hij danst, hij buitelt, Is volleerd in schalke streken.
Kan ook door een hoepel springen. Maakt de fijnste complimenten;
En dat alles voor één kwartjen,
Heeren, neen! voor zeven centen!
582
NEGENDE BOEK. 583
Hn zoo iemand der aanschouwers Onvoldaan mocht zijn gebleven,
Dien zal ik de entree, meneeren,
Met genoegen wedergeven!»
De aap had recht. Een rijke kleeding En een rijk vernuft verschcelen.
't Laatste boeit ons alle dagen,
De eerste zal ons ras verveelen.
O, hoe menig luipaard vindt men Onder u, voorname heeren!
't Spijt me, maar gij moet het weten:
Al 't talent schuilt in uw kleêrcn!
FABEL IV.
584 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE EIKEL EN DE POMPOEN.
Wat God doet, doet Hij wel. 'k Ilocf in ^ccn verre hoeken Van 't uitgebreid Heelal daarvoor 't bewijs te zoeken, Dat immers een â pompoen mij biedt!
Een boer zag eens hoe groot die vrucht is, en hoe teeder Haar stengel. Dat beviel hem niet. «De Schepper,» sprak hij, «hing, zooals een ieder ziet,
NEGENDE 15 O E K.
Aan veel te zwakken steel die zware ballast neder. Te drommel! ik had die pompoen Aan een dier eiken opgehangen.
Hoe heerlijk had hij daar geschommeld tusschen 't groen! Och, hadt gij maar een stem bij 't scheppingswerk ontfangen,
Gert-Jan! 't zou alles beter zijn.
Zoo'n nietige eikel aan dien grooten boom daarboven,
En die pompoen in 't zand! Vergis, naar allen schijn!»
Het gaat Gert-Jans begrip te boven;
En suf van 't peinzen legt de boeren-filozoof Tot slapen zich ter neêr in schaüw van 't eikenloof.
Daar valt een eikel naar beneden,
Den slaper op den neus. Hij schrikt, en tast vervaard Naar 't pijnlijk plekje', en vindt den eikel in zijn baard. Nu houdt hij een gants andre reden;
«Kijk! kijk! ik bloed! en die kleine eikel doet mij dat? Als de eik pompoenen droeg, waar zou mijn neus dan wezen? De hemel wilde 't niet, de hemel zij geprezen!
'k Weet nu het waarom, en vervolg met vreugd mijn pad»
585
Zoo juicht Gert-Jan, die nooit nadezen Meer tegen 't scheppingsplan te protesteeren had.
TEN KATE, DE FABELEN VAN LA FONTAINE
FABEL V.
DE SCHOLIER, DE MEESTER, EN DE TUINHEER.
Een jonden, een schavuit van alle kanten,
Zoo door zijn leeftijd, welks balddadigheid ons heugt.
Als door de kunst van enkle schoolpedanten, Om 't weinigjen verstand te dooven bij de Jeugd, â
Stal, naar men zei, van buurmans fruit en bloemen. De buurman had des najaars nog een keur Van vruchten als waar niemand op kon roemen,
NEGENDE HOEK.
En 's voorjaars, had geen bloem nog elders geur, Stond reeds zijn hof in volle fleur.
Eens zag hij in zijn tuin dien bengel van een jongen Geklauterd in een boom. Hij klom van tak tot tak, Zoo razend, dat h ij zelfs de teêre bloesems brak,
Rijke oogstbeloften, die pas uit de knoppen sprongen.
Ja, zelfs de twijgen kwetste hij.
En zóó ging hij te werk, dat straks, van drift aan 't blaken
Onze eignaar van den tuin aan zulk een rooverij Door 's meesters tusschenkomst een einde zocht te maken. Hij zond een boodschap, en de plakmonarch verscheen, Met al de schooljeugd om zich heen!
Zoo kwam de boogaard vol van allerhande gasten,
Die daar zoo min als de eerste pasten.
De schoolvos in zijn slimmigheid Had, zonder noodzaak, 't leed verergerd, door die knapen Hierheen te brengen, mee tot kattenkwaad geschapen. â «Hij had,» zooals hij zet, «een tuchtiging bereid. Die afschrikwekkend mochte heeten,
En die de schooljeugd tot haar dood niet zou vergeten:»
Hij bracht er Cicero en Elaccus bij te pas,
Jt Was of de Genius der wijsheid hem bezielde....
587
f
Zijn preek werd zóó gerekt, dat dit ondeugend ras Intusschen half den hof vernielde.
â o I
, I ..!(
Welsprekendheid! zeer wel: maar wacht van mij geen lof. Wanneer ge ontijdig komt! Dan zijt ge zeer te vreezen; En 'k weet geen erger plaag, zoowel voor huis als hof.
5^8 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dan zulk een schoolknaap, of het moest zoo'n schoolvos wezen. Ik had niet graag, al was 't één uur.
Den beste van die twee tot buur.
FABEL VI.
DE BEELDHOUWER EN HET BEELD VAN JUPITER.
De Kunstnaar stond het blok te aanschouwen,
Het marmerblok, zoo blank, zoo gaaf: «Wat zal hiervan mijn beitel houwen? Een God? een vaas? een architraaf?
«Een God zal 't zijn! die in Zijn handen Des hemels donder torschen zal.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Beef, stervling! breng Hem offeranden! Aanbid den Koning van 't Heelal!»
Des Kunstnaars werk is uitgelezen,
Zoo schoon, zoo van genie doorstraald, Dat om een Jupiter te wezen Aan 't beeld alleen het spreken faalt!
Ook zegt men, dat, toen 't werk volkomen
Was afgerond, de Kunstnaar 't eerst Terugweek met eerbiedig schroomen,
Door vrees voor eigen werk beheerscht.
Zoo zag men ook den Dichter beven
En buigen voor de hemelmacht Van Goden, die door hem slechts leven. Die door zijn brein zijn uitgedacht.
Hij deed als 't kind â wat vreezen kindren
Het meest altijd? Dat iets ter aard Hun popjen grieven mocht of hindren, Hun speelpop, boven al hun waard!
De geest weet licht het hart te leiden;
590
En dat juist is de ware bron Der Godsdienstdwaling van den Heiden, Die zooveel volkren blinden kon I
Zij dienden, wat hun streelde of griefde. Een schim, een schaduw op den wand.
NEGENDE BOEK. 591
------
Pygmalion ontvlamde in liefde
Voor Venus, 't werkstuk zijner hand!
Elk streelt het beeld, door hem verkoren,
Dat uit een waan zijn oorsprong nam De mensch, voor 'tWare ijskoud, bevroren, Is voor de Leugen vuur en vlam.
592 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL VIL
DE MUIS IN EEN MEISJEN HERSCHAPEN.
Een katuil had een muis gekaapt:
Ze gleed hem uit den bek. Hadt gij haar opgeraapt?
Neen! Een Bramin die 't deed. Waart ge ookBramin, 't beviel je: Elk land heeft zoo zijn smaak. Verfonfaaid was de muis. Die soort van naasten zijn niet welkom in óns huis;
Maar bij Braminen wel: daar is de muis famielje.
Zij meenen dat de ziel die uit een koning wipt
J
V
I_
N E G E N D E BOE K. 593
Het lichaam insluipt van een miertjen,
Of van elk ander dier of diertjen,
Dat door het lot wordt uitgekipt.
Het staat zoo in hun wet geschreven ,
Die aan Pythagoras zijn wijsheid heeft gegeven!
Zoo dacht dan die Bramin dat hij behoorlijk deed,
Als hij een toovenaar ging smeeken,
Het muisje in zulk in vorm te steken,
Als mooglijk vroeger reeds haar zieltjen had bekleed. De toovnaar maakt van haar een maagd van vijftien jaren, Bevallig, wonderschoon, zóó schoon, dat Priams zoon Haar boven Helena den lauwer had geboón,
Zoo iets had die Bramin nog nimmer meer ervaren,
Dies sprak hij: «Kind, gij zijt zoo schoon,
Dat gij te kiezen hebt; want honderdduizendtallen Begeeren u tot vrouw! Wien kiest gij, lieve ziel?
â «Wel, vader!» zei ze, «ik kies den machtigste van allen!» «Zon!» juichte de Bramin, die op zijn kniën viel,
«Gij zult alzoo mijn schoonzoon wezen!»
â «Neen,» sprak de zon, «die wolk, daar dreigend opgerezen, Is machtiger dan ik, want hij bedekt mijn gloed:
«Neem hem! die keuze is zeker goed!»
â «Wolk!» riep de priester nu, «doe mij de waarheid hooren.
Zeg, zijt gij voor mijn kind geboren?»
De wolk hernam: « Eilacy, neen!
De wind, gelijk gij ziet, jaagt rechts en links mij heen!
«'k Wil 't recht van Boreas niet krenken!»
Toen werd de priester boos. «Welnu dan,» riep hij uit, «Kom gij dan, Noorderwind! 'k zal u mijn dochter schenken!»
TEN KATR, DB FABKLEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De wind schoot toe, totdat.... een hooge berg hem stuit. Zoo werd alsnu den berg de kaatsbal toegesmeten,
Maar deze sloeg hem af: â «Ik durf niet, om de rat! Die zou naijvrig zijn als ik de jufvrouw had,
Hn mij doorboren en dooreten!
Op 't enkle woord van rat spitst onze juffer 't oor: Hij wordt haar man. Een rat! Ja, zoo zijn Amors streken. Dat is bij die en die gebleken ....
Maar, buurman, 't blijft sub rosd, hoor!
Dat soort steeds soort zoekt, doet dees fabel ons beseffen; Toch is daar nog al iets dat vrij sophistiesch luidt.
Als 't zóó gaat, houdt de zon het tegen niemand uit. Zou soms een vloó den reus in krachten overtreffen?
Toch bijt de vloo den reus! Hn billijk had de rat De bruid verwezen naar de kat,
De kat haar naar den hond verwezen,
De hond weer naar den wolf. Zoo waar' men eindlijk weer. Gekomen aan de zon, die dan voor dezen keer De bruid gekregen had, als machtigste uitgelezen!
lin wat nu verder 't stuk der zielsverhuizing geldt,
De daad des toovenaars pleit daar niet vóór, maar tegen; Ook tegen uw systeem, Bramin, welwijze held!
Kan dit gravamen wel iets wegen:
Naar uwe leer put mensch, en muis, en mier, eikéén,
Zijn ziel uit de eigen bron: die schat is algemeen.
Indien dit waarheid was, de schepslen moesten allen Van d' eigen aart zijn! en dit zou u tegenvallen:
594
N E G E N 1) E HOE K.
595
\
Dc een vliegt, en de andre kruipt daarheen. En waarom zou een maagd niet met de zon het houên, Indien zij met een rat kan trouwen?
i
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
596
I;
ip
I'll li
iili
-
i
ill
FABEL VIII.
fiWl
Ui ! t|
P
I ,1 i
IllM
I ;
DE GEK DIE WIJSHEID VERKOOPT.
Gekken, vrienden! moet gij mijden Gekken brengen u in lijden â Dikwijls maakt een enkle zot U voor honderden tot spot.
'k Zag een gek door Kampen loopen, Roepend: «Wie wil wijsheid koopen?»
lir
iiVÃm
1
J.:..::
'.lil
-hH â¢?. 'V-:--...^IsÃÃÃÃÃamÃ
â fffMfflf
n Ã^K
V lt;
V:#
?:;
â M.
iSiu^s.JS, WmêmlÃmSSmi | m. I ^ M
HHHl
j
- -
v â ;. -VeiM 'â J'
S'UV^VvA^quot;.S^7
iMBBw
mmm i
-
.
â ; â M ^ T
H â â K:!^ â 1
B I 24quot;' ⢠' tól I w *1amp;*- $amp;
m$t. WmÃm te'Wiï â ; â r
W^ÃKÃ^vXfi^' . gt;,W'ê gt;Uiï' ^ ffi.f'-A'
â S
mm K'üÃêM ImSmÃtï. â â ' H
sM'-. â ; aHB â
mÃr; m-. m
WÃmÃm smh^r
!lt;
â mÃm- I -'1
| 'k' - * ' ^ i
' ïlt; ,J! iw1 I'S'quot; f'ï V lt; ^ ' f' S Ui',«
- sIHMMBW |1
1
â . *⢠.:-. gt;.'0 ..^y â ^^fejsP*v,«pr-* â t â¢' l quot; â¢, â - â â
IB Wmk â
NEGENDE BOEK.
Nu is wijsheid wel niet schaars Bij de goede Kampenaars,
Maar al heeft men er zijn deel van, Niemand heeft er toch te veel van: Alles, ijvrig op de been,
Liep dus naar den koopman heen. 't Was een loven en een bieden!
En wat kregen nu die lieden
Voor hun geld? Twee vaamen touw En een flinke katjewouw,
Dat het «klap!» zd op de kaken, 't Scheen den meesten slecht te smaken. Maar wat hielp het? Werd men kwaad. Men werd uitgejouwd op straat, 't Beste was, zich goed te houën, Lachend alles te beschouwen Als een schuldelooze grap,
En het touwtjen en den klap Stillekens naar huis te dragen.
Immers was het dwaas te vragen,
Of er nog iets achter zat? Narrenstreek, en niets dan dat!
Welk een gek wist van zijn leven Reden van zijn zaak te geven? Niettemin, een goede man Had er niet het zijne van.
Maar ging rond bij al zijn vrinden, Om 't gewenschte licht te vinden. Eindlijk zei een filozoof;
599
Coo DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
«'k Heb den sleutel, zoo 'k geloof: Dit is» â sprak hij oratoriesch â «Wat, symboliesch, metaforicsch,
U die les te kennen gaf:
Houd de gekken van u af Op die lengte van twee va a m e n, Die zij voor het touwtje n namen; Anders wordt, wei-waarde vriend! U een muilpeer toegediend. Waarlijk, gij zijt niet bedrogen:
Onze nar heeft niet gelogen.
Wie er zich aan stooten mocht, Wijsheid was 't, wat hij verkocht!quot;
NEGENDE BOEK.
FABEL IX.
DE OESTER EN DE TWISTERS.
Twee wandlaars zagen eens aan 't strand Een oester liggen, door den vloed op 't strand geworpen.
Hun oog verslindt hem reeds: zij wijzen met de hand,
Zij snakken van verlangst om 't diertjen in te slorpen.
De een heeft de vingers reeds begeerig uitgestrekt;
Daar stoot hem de ander weg: «Eerst dienen we uit te maken, Wie onzer Jt oestertjen zal smaken:
Mij dunkt, die 't allereerst het hapjen heeft ontdekt!»
601
V_____________J
7G
TEN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
â «Nu,» zei de kameraad, «moet dit de zaak beslissen,
't Is wel, ik heb een arendsblik!»
â «En ik,» sprak de eerste, «nooit kan zich mijn oo^ vergissen: Vóór tien minuten reeds, wie zag den oester? Ik!»
«Weet dan, «riep de andre, «en 'k heb mijn laatste woord gesproken, Eer gij nog d' oester zaagt, had ik hem reeds geroken!»
Terwijl zij dus aan 't kibblen zijn.
Verschijnt mijnheer Perrijn Dandijn 1). Tot scheidsman wordt hij uitgelezen.
Hij opent d' oester dood bedaard,
En slikt hem in, terwijl ons tweetal op hem staart.
Toen sprak hij, op een toon, een vrederechter waard: «Ziedaar!» hebt ge elk een schelp, door 't Hof u toegewezen! Er zijn geen kosten op, wel neen!
Geen dankjen! Ga in vree elk naar zijn woning heen.»
Denk wat het pleiten kost in deze dure tijen,
Ga na hoe weinig meest de winner over heeft;
Dan ziet gij, dat Dandijn zieh-zelf de centen geeft, Den leêgen geldzak aan partijen 2).
6o2
1
Deze naam wordt door Kahelais gegeven aan een scheidsman, zie Pantagrtiely liv. ill, chap. 37. 41. En sedert is die naam zoowel door Racine, in zijne komedie Les Plaideurs^ als door La Fontaine in zijne fabels, populair geworden, zoodat ik hem dan ook in mijne vertolking gerust kon behouden.
2
Vergelijk de fabel XXI van het lilde I3oek.
FABEL X.
DE WOLF EN DE MAGERE HOND.
Weet gij 't nog? geen mooie praat Heeft het karpertjen gebaat:
Met den dood moest hij 't bekoopen.
't Leerde u dat het dwaasheid is Wat men heeft te laten loopen Voor een winst nog ongewis! Visscher gaf van wijsheid blijk,
6o6 DE F AH ELEN VAN LA FONTAINE.
Die zijn buit niet af wou geven;
Maar de visch had ook gelijk'
Dat hij soebatte' om zijn leven.. .. Aan die fabel *) voegen wij Nog een enkel trekjen bij!
Zeekre wolf, zoo dom te heeten Als die visseher wijs was, vond Even buiten 't dorp een hond In het groene gras gezeten.
Naar den weereloozen buit Stak hij reeds de tanden uit.
Daar begon de hond: «Ãén bedel
Kijk eens naar mijn maagren huid! Meerschap, voer mij zóó niet mede! Wacht nog wat, gij zult u loon Niet ontgaan: mijns meesters zoon Staat op trouwen:
't Gaat dus op een bruiloft-houCn.
Lieve, beste heer! ik wed,
'k Word van zelf dan dik en vet!»
Wolf gelooft hem, laat hem loopen; Maar komt na een dag of wat Kijken naar zijn hond, zijn schat, «Nü toch bruikbaar, zou hij hopen;
Maar de hond zat thuis, en sprak Door de tralies: «Wacht maar even! 'k Haal mijn maat, wij komen strak.»
'*) Zie de I Hde Fabel van het Vde Boek,
NEGENDEBOE K. 607
Deze «maat» nu gold voor zeven:
't Was een groote bullebak,
Wiens geweld de faam verkondde, Schrik der wolven in het ronde!
Deze ook had er van gehoord:
«Groet uw maat!» en met dat woord IJlt hij als gevleugeld voort.
Nu, ik wil het billijk maken:
Wolf was vlug, gelijk men ziet;
Maar «behendig», «man van zaken,» «Op de hoogte,» was hij niet
FABEL XI.
NIETS TE VEEL.
Zeg wat schepsel hier op aarde Immer paal en perk bewaarde! Matiging en zelfbezit,
Zeker eischt de Schepper dit: Toch wordt overal in 't leven Goed en kwaad steeds overdreven 1 t Al te dicht gezaaide kruid
N E G E N DE li O E K.
Mergelt dikwijls d' akker uit:
Vaak verdringt zich 't rijke koren: 't Graan, te schraal, gaat half verloren; 't Boomtjen dat te welig bloeit,
Wilt gij vruchten, moet gesnoeid I â 't Schaap mocht eerst naar welbehagen Aandeel aan den inhoud vragen Van der halmen overvloed,
Maar het deed zich al te goed En vernielde de edelste airen.
Om des landmans oogst te sparen, Zag de wolf zich toegestaan Soms ter schapenjacht te gaan:
Maar de schapen werden allen Zóó moorddadig aangevallen,
Dat de mensch het recht ontfing Om den snooden woesteling Tot zijn straf te neer te schieten.
Toen de mensch aan 't bloed vergieten! Felle wolven niet alleen.
Alle dieren, groot en kleen,
Die nog nimmer iets misdeden.
Hert en Hinde, zacht van zeden, 't Duifjen, kirrende in de blaan, 't Fluitend vinkjen, moest er aan!
Juist de Mensch is 't meest bevangen Door dat ongetemd verlangen. Dat naar 't uiterste overslaat.
6 09
TEN KATE , DE FABELEN VAN LA FONTAINE
Alle ziele pleegt die zonde,
Heel den waereldbol in 't ronde. «Niets te veel/» dat is het woord, Dat men immer noemen hoort, Dat men nimmer ziet betrachten. . ..
Is er beterschap te wachten ?
Met Sint-Jutmus. Zegt het voort!
FABEL XII.
DE WASCHKAARS.
Uit der goden heiige rijen Daalden, naar men zegt, de bijën
Op Hymettus' bergkruin neer, Om de geuren in te drinken Van de bloemen die er blinken.
Bloeien, groeien, heinde en veer! Toen men nu de nektarstroomen
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
Uit de schatzaal had genomen Dezer doehtren van Parnas,
Of (om zuiver dietseh te praten)
Toen er van de honigraten
Niets meer reste dan de wasch,
Toen begon men ras te aanschouwen Blanke kaarsen en flambouwen;
En zoo kwam het op een dag, Dat een waschkaars, bij een oven, 't Kleien vat in 't vuur gesehoven
En tot marmer harden zag.
Haar ook zou de vuurproef stalen, Daarom wierp zij zonder dralen
Even als Empedokles *)
In de vlammen zich ter neder â 't Spreekt van zelf, zij kwam niet weder,
En verschriklijk was de les!
Maar zoo gaat het menigkeeren Als men niet wil redeneeren:
6l2
r
Onze waschkaars had geen brein, Logica, geen halve grein!
Hoogstverscheiden zijn de dingen, Die ons hier op aard omringen;
Emi'KDOKLES, een wijsgeer der ouden, die, daar hij de wonderlijke verschijnselen van den berg Etna niet kon begrijpen, de belachelijke ijdelheid had, er zich in te werpen; en daar hij het heldenstuk te fraai vond om er de eer van te derven en bij de nakomelingschap in het vergeetboek te geraken, liet hij zijne pantoffels aan den voet vnn den berg staan. â Aanlcekening van La Fontaink.
NEGENDE BOEK.
Meet niet niet uw valschen staf Andren naar u-zelven af!
Wasch en klei â 't gaat zóó met velen â Kunnen cl' eigen rol niet spelen.
613
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XIII.
JUPITER EN DE SCHEEPSVOOGD.
Uch, och! wat ons gevaar de Goden zou verrijken, Zoo wij herdachten wat het ons belooven doet;
Maar nauwlijks is de nood aan Jt wijken, Of wij vergeten 't al in schandlijke' overmoed. Slechts wat men schuldig is op aarde wordt gerekend; De booze zegt: «Jupijn geeft onbepaald krediet,
6i4
r
'.vquot; iQk iamp;ij'.-h'l
NEGENDE B U E K.
Hij heeft geen procureur, en dienders heeft hij niet!
Wat of zijn donder toch beteekent?
Is dat een dreigement? 't Is immers 't oude lied!»
Een scheepsvoogd in d' orkaan zag smeekende op naar boven, En zei den god der goón een offerande toe Van honderd ossen. Nu, de kaerel had geen koe. En honderd leeuwen kon hij even goed belooven!
Zijn hartewensch werd hem verleend:
Hij stapt aan land, en brandt â een stapel dor gebeent'! De stank steeg tot de hemelzalen Den god der goden in den neus.
Hij riep; «O Vorst Jupijn, zoo vriendelijk en heusch!
Vergun mij dat ik mijn gelofte kom betalen!
Die liefelijke geur, uw reukorgaan bereid,
Is ossengeur, o Majesteit!
Zoo zijn wij beide brave heeren,
En hebben van elkaar niets meer te pretendeeren!»
Wel lacht Jupijn, maar 't is kwansuis:
Twee dagen later krijgt de man zijn parten thuis.
Jupijn zendt hem een droom: «Hr is een schat verborgen, Van zóóveel, daar en daar!» âVoor 't krieken van den morgen Vliegt de offeraar er heen, als ging het naar den brand.
Daar wordt hij onderweg door roovers aangerand!
Hij had één kroon op zak, maar sprak van duizend kroonen, Van een verholen schat, die vorstlijk hen zou looncn,
Bij dit en dat gehucht begraven in het zand.
Het plekjen scheen verdacht aan onze brave lieden;
TEN KATE, DE KABELEN VAN l.A FONTAINE,
78
6i8 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De veelbeloover wordt geworpen in het slijk:
«Gij spot met ons: zoo sterf! Gij moogt in 't Schimmenrijk Uw honderd kroonen aan Vorst Pluto aan gaan bieden!»
FABEL XIV.
DE KAT EN DE VOS.
Ue kat en de vos, als twee heiligjens, togen Ter bedevaart uit; maar hun vroomheid was logen: Het waren tarturfjens, vrijbuiters, helaas! Met roof zich geneerend van kippen en kaas. De weg was vrij lang: om den tijd te verdrijven, Besloten die twee met elkaar wat te kijven.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zoo'n kibbclpartijtjc' is een uitkomst! Men weert Den slaap uit het oog, als men flink disputeert. Om 't hardst schreeuwde ons paartjen, tot Reineke in 't ende 't Gesprek op zich-zelf en zijn reisgenoot wendde.
«Gij hebt in uw wijsheid geweldig veel schik,»
Zoo sprak hij, «maar weet gij zooveel wel als ik?
'k Weet streken en kunstjens, wel vijftig, wel honderd!» â «Verbazend!» zei poesjen en hield zich verwonderd, «Zóó knap ben ik niet: 'k weet één kunstjen, niet meer. Maar dat ik ver boven uw honderd waardeer!»
Op nieuw gaan ze aan 't twisten, en 't raast als te voren: «Wel neen!» en: «Wel ja!» tot â de jagers hen storen.
Luid bassen de honden. «Welnu,» zegt de kat,
«Beproef thands uw kunstjens, gij hebt er een schat;
«Hier hebt gij het mijne!» En voor Reinekens oogen Is Poesje', één, twee, drie, in een boomtop gevlogen.
De vos doet zijn best, honderd kunstjens om niet. Hij zoekt of hij ergens een schuilhoekjen ziet.
Hij wendt, en hij keert, door struweelen en struiken. En tracht honderdmalen de honden te ontduiken. ...
Vergeefs! in het hol jaagt de dashond hem na,
Of bijtende rookdamp verdrijft hem weldra.
Zoo wordt hij in 't end door twee honden gegrepen.
Die 't offer al bloedend naar 't jagershuis slepen.
Door al te veel kunstjens bederft menigeen
Zijn zaak. Vrij wat tijd gaat met proefnemcn heen.
20
_
NEGENDE BOEK. 623
Men waagt, men wil alles â zóó wordt men de bloed. Verstaan wij ééne zaak, maar â verstaan wij haar goed!
FABEL XV.
DE HCHTGENOOT, ZIJN VROUW EN DE DIEF.
-Cen echtgenoot hield dol veel van zijn vrouw,
Maar zij was koel; geen enkel minnevonkjen Gloeide ooit heur hart, zij gaf hem lach noch lonkjen;
Dies droeg hij Hymens juk met stillen rouw. Op zeekren nacht, een dief kwam ingebroken, En 't vrouwtjen, bleek van schrik, met vluggen tred Gevloden uit heur eenzaam slaapsalet,
624 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
N E G E N D E 15 O E K.
Lag straks in manliefs armen weggedoken.
«Dief!» riep de man, «dit dank ik u-alleen! «Neem, lieve dief! al wat u aanstaat mede!» Nu, 't spreekt van-zelf, de dief zei niet van neen; Hij liet het Eehtlijk Paar met vrede,
En g'ing met volle zakken heen.
Wat kan men uit dees fabel leeren?
Dat Vrees de sterkste hartstocht blijft;
Want zij weet soms de Afkeerigheid te weeren, üp Liefde's macht te triomfeeren;
Schoon, beurtlings, soms de Liefde haar verdrijft. Hier mag ik van dien minnaar spreken, *) Die op het prachtig denkbeeld kwam, De woning der beminde in brand te steken,
Opdat hij haar mocht redden uit de vlam.
«Dien moest men onder curateelen leggen!»
Foei, neen! de daad is dwaas, maar niettemin
Grossartig, als de mofjens zeggen:
635
N
A
Er is wel iets van 't Spaansch karakter in.
*) La Fontaine zinspeelt hier op een avontuur van den Graaf de Villa-Medina met Elisaiuctii van Frankrijk, dochter van Hendrik IV, gemalin van Philips IV Koning van Spanje. De Graaf namelijk, tijdens een feest dat hij ten zijnent gaf, liet zijn huis in brand steken, om gelegenheid te hebben de Koningin in zijn armen weg (e dragen uit de vlammen: 't welk hem dan ook gelukte, altijd ten koste van de helft van zijn fortuin en bijna van zijn leven.
FABEL XVI.
DE SCHAT HN DE TWEE MANNEN.
Een zeker man had geld meer noch krediet:
De dood was in de pot: niets bleef te hopen.
(Ach,» dacht de ziel, «ik dien mij op te knoopen,
Zoo maak ik zelf een eind aan mijn verdriet!
De hongerdood zou toch mijn lichaam slopen:
En dat is juist van 't aangenaamste niet Voor hem die niet nieuwsgierig is naar 't sterven!»
___________J
NEGENDE BOEK. 627
r----*-----^
Hij zoekt een plek; hij heeft niet lang te zwerven:
Daar staat een oud en onbewoond gebouw,
Hij sluipt er in, hij strikt zijn touw, â
Een spijker in den muur geslagen!
De muur was wrak en oud van dagen:
Hij schudt bij d' eersten hamerklop,
En valt, en â heel een schat valt mede! . . .
Patiënt verbaasd, maar zeer te vrede,
Raapt in der ijl de schijven op,
En draagt ze naar zijn woningstede,
Met achterlating van de strop!
Hoeveel bedraagt de schat? Wel, vrinden!
Dat zou zich naderhand wel vinden. â
Pas was hij weg, of daar verscheen De baas van 't geld, maar â 't geld was heen!
«Wat!» riep hij, daar hij angstig staarde:
«Ik mis een schat van zooveel waarde,
En 'k zou mij niet verhangen, ik?
Dat zal ik! of daar moest op aarde
..
Geen touw meer zijn!»
Daar hing de strik Alleen maar op een hals te wachten.
Hij stak zijn hals er in, en gaf den jongsten snik.
Zoo iets zijn sterven kon verzachten,
't Was â- dat hij 't touwtjen gratis had.
Zoo kwamen ze aan den man, de halsband en de schat!
Zeer zelden slijt een vrek zijn dagen zonder grieven:
Wat heeft hij aan den schat, dien hij zoo zuur vergaart?
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hij brengt dien samen voor de dieven,
Voor de erfgenamen, of voor eenig hoekje in de aard!
Maar wat toch van dien ruil te zeggen Van Vrouw Fortuin? â Nu ja, dat is zoo haar manier: Hoe dwazer streek, hoe meer plezier!
Daar is met haar geen ploegen en geen eggen: Die wispelturige godin,
Zij kreeg nu eenmaal 't in den zin Een mensch zich-zelf te zien verhangen,
En hij die zich verhangen zou,
Moest vóór een half kwartier daar gants niet naar verlangen, En stikken in eens anders touw 1
628
N E G E N D E B O E K. 629
_ ^
FABEL XVII.
DE AAP EN DE KAT.
Bertrand de aap, Raton de kat, Waren samen commensalen.
Wat schandalig paar was dat, Steeds gereed wat weg te halen! Werd er iets in huis gemist, O, daar hoefde niet gegist: Bertrand zat er aan te pluizen;
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En juffrouw Raton, helaas!
Loerde minder op de muizen Dan op meesters worst en kaas.
Eens, in 't schemeravonduur,
Sloeg het schelmsche tweetal gade, Dat de baas kastanjes braadde
In den asch van 't haardsteêvuur. Dubble kans: den buik te streelen. En den baas een poets te spelen!
Deze is pas de kamer uit, Of Bertrand, de slimme guit,
Fluistert: «Zusjen! alles lukt-je,
Doe nu eens een meesterstukje!
Haal me, Jt komt me net van pas. Die kastanjes eens uit d' asch! Was me uw vlugheid aangeboren. Of uw klauwtjen mij beschoren.
Ik zou zelf mijn slagjcn slaan!...» Zoo gezegd en zoo gedaan:
Juf Raton glimlachte flauwtjens,
Toch, gevleid, stak zij haar klauwtjens Vlug in d' asch, en, 't werk niet moe. Trok kastanjes naar zich toe, Eén twee, drie. .. . Terwijl zij krabbelt, Tast Bertrand vrij toe, en knabbelt. Peuzelt, zonder zwarigheid.. ..
Daar verschijnt de keukenmeid! 't Paartjen vlucht met snelle schreden: Naar de booze wereld zeit.
630
Was Raton niet best te vreden.
Ook die vorstjens zijn het niet, Die, een koning ten pleiziere. Zwoegen in den dienst van Sire, Die door hen zijn rijksgebied Gaarne wat vergrooten ziet.
633
DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
FABEL XVIII.
DE WOUW EN DE NACHTEGAAL.
Als kiekendief, de vvreede wouw,
Veel hoenders had geslacht Hn 't dorp in rep en roer gebracht,
Wat viel daar in zijn klauw? Een nachtegaal!... «Och, dood mij niet!»
Zoo smeekte 't lentekind;
«Ik ben geen eten, goede vrind!
634
NEGENDE BOEK. 635
Ik, zingend vedertje', als gij ziet!
Kom, luister naar mijn lied!
't Vertelt van Tereus, zoo verwoed ...»
â «Van Tereus? smaakt die vogel goed?» â
â «Dat was geen vogel, 't was een vorst. Die door zijn wulpschen minnegloed
Mijn deugd belagen dorst.
Wanneer ik daarvan zing, gewis,
Uw hart versmelt van deerenis:
't Geval is waarlijk ongemeen;
De wijs behaagt elkeen!»
â «Wat!» schreeuwt de wouw, «ik ben half ziek Van honger; praat gij van muziek?»
â «Welzeker, menig koningszoon
Heeft naar mijn lied verlangd!
â «Wel, als u dan een koning vangt.
Verhef uw hoogsten toon!
Voor mij gaat al uw kunst verloren:
Een buik die hongert, heeft geen ooren!»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XIX.
DE HERDER EN ZIJN KUDDE.
«Wat! moet er altijd een ontbreken Aan dit ellendig-domme vee?
Neemt dan de wolf gestaag mijn beste sehapen mee? Wat baat me of ik ze tel? Ik had er, naar ik reken, Wel duizend bij elkaar, toch, lafaarts als ze zijn, Verhinderden zij niet den diefstal van Robijn!
Ã36
quot;TN
Robijn! mijn schaap! zoo hoog in waarde.
V_______J
NEGENDE 15 O EK. Ã37
Mij volgende eens door stad en land Om één klein broodkorstje' uit mijn hand,
Dat mij gevolgd zou zijn tot aan het eind der aarde!
Wat kon het luistren naar de tonen mijner fluit!
't Zag honderd schreden ver zijn lieven meester komen!
Robijn, mijn dierbaar schaap! Robijn is mij ontnomen!»
Zoo galmt hij in zijn smart den lof des dooden uit,
En eindlijk, uitgeput van 't jammren.
Spreekt hij de kudde toe, de rammen, schapen, lammren.
Het gantsche leger, en bezweert hen pal te staan.
Geen wolf die dan hen aan zou vallen!
En op hun eerevvoord beloofden zij het allen,
Zij zouden pal staan als een rots in d' oceaan!
«Wij willen,» zwoeren zij, «dien fielt den schedel kloven,
Die 't waagde ons dus Robijn te ontrooven.
Wij zetten 't hoofd te pand! of dood öf zegepraal!»
De herder was zoo dwaas de snoevers te geloovcn,
En gaf een prachtig eeremaal.
Maar nauwlijks was de nacht aan 't dalen,
Of hoor, een nieuw alarm! men had een wolf zien dwalen!
De gantsche kudde stoof verbijsterd uit elkaar....
Och, 't was niet eens een wolf: het was zijn schaduw maar!
Preek tot lafhartige soldaten.
Zij zullen wondren doen! Maar 't eerste krijgsgerucht Dooft al hun heldenmoed â uw stem noch voorbeeld baten â
Ze slaan als hazen op de vlucht!
EINDE VAN HET NEGENDE BOEK.
.
i
FABEL I.
DE TWEE RATTEN, DE VOS EN HET EI.
Wie immer op geza^quot; geloov',
Geen filozoof!
En daarom, vrinden!
Schoon ik Descartes hoog vereer',
Kan ik me in zijn systeem niet vinden.
Verbeeldt u eens, wat wondre leer!
Een dier, wat naam hij ook verdiene.
TEN KATE , DE FABEI.EN VAN' LA FONTAINE
642 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Verdient het minste die van dier:
Verstand? geen sprank! instinkt? geen zier!
't Is een â machine]
Een uurwerk, kunstig saamgesteld Uit raadren, veêren,
Die onderling elkaar regeeren;
En wat ons, mens chen, streelt of kwelt,
Bij vreezen, hopen.
Bij liefde of haat, bij vreugde of pijn, 't Is bij de dieren enkel schijn â
Want horologies zijn 't, die loopen
Zoolang zij opgewonden zijn !
't Klink zeker nieuw, en voor dengenen Al licht aanneemlijk, waarom niet?
Die in een aap zijn stamheer ziet.
Of meent dat wij, eerst zonder beenen,
Gelijk de kikkers in den vliet,
Uit heeten slik in 't licht verschenen! Intusschen, was Decartes hier.
En niet te trotsch om met plezier De weetzucht van een leek te stillen. Dan zou ik wel eens vragen willen,
Hoe toch de springveêr heeten zal. Die werkte in 't volgende geval ?
Twee ratten zochten, of ze iets vonden tot verslinden.
Wat vonden zij? Een ei? Voor luiden dezer soort â Zij hoefden juist geen os te vinden â Was 't een diner zooals 't behoort.
V
TIENDE BOEK.
Vol vreugde tot het maal gezeten,
Zou elk de helft van 't eitjen eten, â
Daar kwam een spellebreker aan:
Mijnheer de Vos, die 't in den neus had, wil ik weddenI Hoe uit zijn klauwen 't ei te redden?
Er pakpapier om heen te slaan.
Dan samen met de voorste pooten Het dragen, rollen, voorwaarts stooten?
't Was niet uitvoerlijk, of althans 't Bleef altijd een gewaagde kans.. . .
Wat heeft de Nood niet uitgevonden?
Vernuftig doet hij hun een kunstjen aan de hand:
Daar zij vóór de aankomst van den klant Hun woning best bereiken konden.
Besloot nu de ééne rat te liggen op zijn rug.
Het ei in de armen, en de tweede
â 't Ging goed, al ging het juist niet vlug â Trok bij den staart hem met zich mede.
Descartes! blijft ge er bij, na zulk een treffend feit. Een dier geen ziel? OnmooglijkheidI
645
FABEL 11.
DE MAN li N DE ADDER.
-Cen man zag een adder. «Ha!» riep hij met vreugd: «Nu zal ik iets doen dat de waereld verheugt!» Het monster ('k meen d'adder) hield juist zijn gemak, Maar werd fluks gepakt en gestopt in een zak. En, 't ergste van alles, onschuldig of niet,
Geveld was het vonnis, de dood in 't verschiet!
Maar om toch een schijn te bewaren van recht,
TIENDE BOEK. 647
-----
Sprak de ander: «De boozen te sparen, is slecht,
..
En gij zijt zóó boos, dat een elk, als ge weet,
U 't beeld van de schandelijkste ondankbaarheid heet.
Daarom moet ge sterven! Uw slangenvenijn ,
Uw woede, zal niemand meer hinderlijk zijn!»
En de adder hernam, in zijn sijfflende taal,
Zoo goed als hij kon: «Wachtte 't eigen onthaal
De ondankbaren allen, wie bleef er gespaard ?
Gij-zelf niet! dat hebt ge wel duidlijk verklaard.
Ik weet, in uw hand is mijn leven: welaan.
Sla toe! Alle recht, dat voor ü kan bestaan,
Is 't recht van den sterke! Niets dat u belet:
Uw nut, uw vermaak, elke gril, is uw wet.
Zoo volgt dan die wet, en â vermoord mij! Maar beef
Terug voor de waarheid, die 'k spreek eer ik sneef:
De ondankbaarheid-zelf, zonder maat, zonder grens.
Haar naam is niet de adder, haar naam is â de Mensch!»
De man, op dat woord, deinsde een stap achteruit;
«Gelogen!» zoo roept hij vol waardigheid uit:
«Ik-zelf kon beslissen: dat rccht is het mijn,
Maar kom, laat een ander hier scheidsrechter zijn!»
â «Dat's billijk,» zegt de adder. â Daar graast juist een koe:
Zij roepen de koe, en zij snelt op hen toe.
't Geschil wordt verhaald. «Lieve tijd,» zegt het dier,
«Die zaak is wel klaar! Roept ge daarom mij hier?
Gelijk heeft die adder! dat weet ik te goed:
Zie! 'k heb dezen mensch vele jaren gevoed,
Met weldaan belaan: 'k gaf hem al wat ik had.
Mijn melk en mijn kindren verrijkten zijn schat,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zelfs gaf ik nog onlangs â de man lag ter neer,
Krank, machtloos â gezondheid en krachten hem weer. Om zijnentwil heb ik gezwoegd wat ik kan .. .
En zie! nu ik oud word, wat doet nu de man?
Hij drijft me in een hoek, waar geen grasscheutjen groet. En kon ik nog grazen! maar och, 'k ben geboeid, Ik loop aan een touw! Had ik zóóveel geleên Als de adder mijn meester geweest was? wel neen! Vaarwel, 'k heb gezegd wat ik denk.» â Met een blos Zei de ander: «Die koe is niet wijs. Kijk! een os. Die heeft zijn verstand: kom, dien os ondervraagd!» â «Wel zeker,» sprak de adder, «zooals u behaagt.» Men riep dus den os: log en loom kwam hij aan. En toen hij de kwestie in 't eind had verstaan.
Toen moest hij verklaren, «veel jaren aan één Was 't slaven geweest, voor de menschen alleen; Ãén zwoegen en ploegen, sints 't graan werd gezaaid. Totdat het, gerijpt, voor de schuur was gemaaid:
En wat was zijn loon? Half genoeg in de maag. Een regen van vloeken, een hagel van slaag.
En nu, daar hij oud was, Jt vooruitzicht misschien (Groote eer!) zich den Goden geofferd te zien. Den zonden tot zoen van zoo'n waardigen baas 1 «En dat wou van dankbaarheid spreken.... helaas!» Zoo eindde hij zuchtend. â «Die os,» zei de man. Kan mooi declameer en: Jt is al wat hij kan.
't Is waarlijk verveelend; ook speelt hij de rol Van rechter, voor scheidsman, en houdt daarin vol. Ook hem wijs ik af!» Toen, verlokt door den schijn.
648
r
T [ E N D E 15 O E K. 649
Verkoos hij een boom, die arbiter zou zijn.
Maar dat was nog erger. De knorrepot bromt:
«'k Moet sehuilplaats verleenen aan al wie er komt
Voor wind en voor bette, voor regen, en stof:
Den mensch moet ik dienen in weide en in hof:
Ik breid niet alleenlijk mijn bladerdak uit.
Ik ga ook gebukt onder 't heerlijkste fruit.
Daar smullen zij aan! En dan komt onverhoeds
Een boer met zijn bijl, die mij neêrhakt goedsmoeds,
En dat is mijn loon dan! Ik geef zonder end:
In 't voorjaar mijn bloesems en lommrige tent.
Des zomers mijn vruchten, des winters mijn hout â
Verdien ik dien bijl, die me ontwortelt en spouwt.
Wanneer ik nog best wat kon leven? Ga heen!
Spreek niet van ondankbaar! de mensch is 't alleen.»
De man â vond geen smaak in den loop van 't geding:
Gelijk zou hij hebben, het ging hoe 't ging.
«In waarheid!» zoo riep hij, «ik ben ook wel goed,
Geduldig te luistren naar zulk een gebroed!»
Hij slingert den zak op de keisteenen neer.
Den zak met den adder â 't arm beest is niet meer!
Alzoo doen de Grooten! De taal van 't verstand
Verdriet hen: zij zetten het recht naar hun hand.
't Is alles geschapen voor hen en hun huis.
De menschen, de dieren, de slangen incluis.
Toont iemand de tanden , hem heeten ze een dwaas,
En 't is zoo: wat baten die tanden, helaas?
«Maar wat dan te doen bij zoon volkjen?» â Mijn leer
Is: heel zoetjens praten, of â zwijgen, mijnheer!
V______________.
TEN KATF., ÃE KABELEN VAN LA FONTAINE
FABEL III.
E SCHILDPAD EN DE TWEE EENDVOGELS.
ochildpad was haar kluisjen moe: 't Reizen lachte schildpad toe. 't Vreemde schijnt den lust te wekken, Kreuplen willen altijd trekken. Schildpad, vol van 't plan alreê, Deelde 't aan twee eenden mee, Die zich haastten te verklaren,
T I E N I) E P. O E K.
.
Dat zij haar ten dienste waren;
«Ziet gij» â zeiden ze â «in de lucht Wel dien weg? In snelle vlucht
»
Volgen wij hem, vleugelklaprend,
Naar Brazilië overwapprend!
Gaat gij mee, gij zult wat zien, Volken, zeden bovendien,
Als Ulysses! Heel veel leeren Zult ge, als hij â veel profitceren: De cducatie, reist men nooit.
Blijft volslagen onvoltooid!. , .» De overeenkomst werd gesloten Tusschen onze tochtgenooten:
De eenden namen hun vriendin Tusschen «hun twee-beidtjens» in. Waar zij haar aan dragen zouden? Wel, zij had maar vast te houden Met den bek, zoo dwars, dien stok, Waar dan 't eendenpaar aan trok. 't Was: «De reis heeft geen bezwaren, Laat gij maar dien stok niet varen!» Roef! daar gaan zij. Veler oog Staart verwonderd naar omhoog. Als ze een schildpad, naar zij meenden Logge kruipert, naast twee eenden Op zien varen. «Wel verbruid. Een mirakel!» riepen ze uit:
«Kijk, naar 's hemels blauwe tinne Vliegt de schildpad-koninginne!»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
â «Koningin! ja, spot maar niet, 'k Ben het wel, gelijk gij ziet!» Och, die bluf zal u berouwen.
Schildpad! hadt ge uw mond gehouën, Maar, dom schepsel daar ge zijt, Gij ontsluit hem wagenwijd.
Laat den stok los, valt en suizelt Neer, en ligt in 't stof vergruizeld Voor aanschouwers zonder tal â Zoo komt hoogmoed voor den val!
Lezer naar het lesjen vraag-je? Babbelkous, Nieuwsgierig-Aagje, IJdeltuitjen, alle drie.
Zijn gezusters naar ik zie.
652
/
TIENDE BOEK. 653
r~ x
FABEL IV.
DE VISSCHEN EN DE WATERRAAF.
Uaar Wcis geen vijver in het rond,
Dien zeekre waterraaf niet dwong hem cijns te geven, Waar hij niet bak en vischkaar schond â Zoo mocht hij lang in weelde leven.
Maar toen de tijd zijn krachten sleet, Was 't haast gedaan met al dat smullen: Een waterraaf, zooals men weet,
V
654 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Moet zijn behoeften zelf vervullen;
En de onze, te oud om goed te zien Wat op des waters bodem dartelt,
Gants zonder strik of net of angel bovendien,
Werd ras van honger afgemarteld.
Wat nu te doen? De Nood, van 's waerelds eerst begin Vol vonden, blaast deez' list hem in;
Nabij een vijverkom gezeten
Ziet hij een kreeft en spreekt haar aan:
«Mamaatjen! Jk heb slecht nieuws; dat moogt ge wel doen weten Aan dit geschubde volk: 't moet reddingloos vergaan!
Acht dagen nog, het kan niet missen.
Dan komt de heer der plaats hier alles ledig visschen!» De kreeft vliegt henen, en onthult De sombre toekomst. Wat tumult!
De visschen, alle volk en natie,
Vergaren daadlijk in conclaaf;
Men zendt terstond een deputatie Aan Excellentie Waterraaf:
«Hoe komt ge aan dit bericht? Kan men er staat op maken? Wat raadt ge ons? Wat te doen in dezen stand van zaken?» â «Verhuizen!» meent de raaf. â «Wat blief? Verhuizen? Kunnen wij dat klaren?» â
â «Nu,» zegt hij, «maakt toch geen bezwaren!
Ik heb u allen hartlijk lief.
En zal met innig welbehagen ,
U, maar natuurlijk één voor één,
Naar een veel veilger woning dragen!
Een vijver, waar geens menschen schreên
DE VISSCHEN EN DE WATERRAAF.
- *^[
:â¢â¢â¢â¢: ffiy
l).;, quot;â â , â
jffjï V'jl v-st ''i'ji-'i
ül^^Wil
mÃÃÃÃ I i
i
â
j
,
'ImSW? I 'Trfl^ï v^' 'â ''''quot;^I'
B fè?'-' â i'^'i H Vquot;'-
â â : â â â â â sr. - r ..
^; aM
-V?'/.- 'â 'quot; 'quot; - â â WHMHM^ui:vlt;:'^ia|B^
Ki90amp;$'$i ' â I'.: I'ü : ' â â BHBaHa
â
l|B|MSM|mMB^Mi^M â â ''{Si-vl^Vi/f : ,*?, ^nt
mB
mÃÃmÃm
WmmmSSmM
quot;
WMMmmsm
i liin
i; 'r* '.VrV-'Y-^- -wW-}^-'-^1
â
'^1 â
â
èmmfr:. ................................................................. ' â ..........â â â MbVyK
^l'mamp;'S-
m
TIENDE BOEK.
Tot heden toe zijn doorgedrongen,
Gegraven door natuur-alleen,
657
Ontfangt uw Republiek.» â Daar sprongen
De visschcn op van vreugd, en allen, ouden, jongen. Zij laten beurt om beurt zich dragen naar een plasch.
Die eenzaam, nauw en ondiep was. Daar kan de raaf hen daaglijks vinden En dood op zijn gemak verslinden.
Die stumpers, ach! nu leerden zij â Hn moesten 't lesjen duur betalen, â
Hoe dwaas 't vertrouwen is op zulke kannibalen!
Maar veel verloren ze er niet bij, Daar anders toch bij volle beten
De menschen binnenkort hen hadden opgegeten.
't Zij menschenkind of wolf u kraak',
Wat kan 't u schcelen? Gij wordt toch gekraakt, confrater!
Kén dagjen â vroeger dan, of later. Doet bitter weinig tot de zaak!
TEN KATE DE FABELEN VAN I.A FONTAINE.
FABEL V,
DE VREK EN ZIJN NEEEJEN.
Een duitenduif had zóóveel opgegaard,
Dat hij niet wist waar hij zijn schat zou dragen.
De vrekheid, met de domheid steeds gepaard. Gaf hem veel angst, als hij zich af bleef vragen, «In welke hand hij al zijn geld zou wagen?»
Want ja, daar moest een schatbewaarder zijn. Waarom? «Wel, 't geld verlokt; indien ze gissen
J
TIEN DP: BOEK. 659
(«Wat mammon schuilt in Harpax' kamerkijn,
«'t Is zeker dat een buurman 't weg komt grissen .... «Of,» dacht de vrek, «'t is dikwijls zoo gesteld, «'k Word zelf de dief, ha! van mijn eigen geld!» â De dief! maar, van zijn schatten te genieten,
Is dat dan stelen? Goede man.
Het geld is 't mijne alleen, zoolang ik 't missen kan: Zoo niet, het geld heeft mij, en zou mij ras verdrieten.
Wilt gij 't bewaren tot een tijd Waarop gij, met vergrijsde hairen.
Geen raad weet met uw schat, wijl niets u meer verblijdt? De zorg van garen en bewaren Ontneemt zijn waarde aan al dat goud.
Dat als onmisbaar wordt beschouwd!»
Tot sussing van de zorg die zijn gemoed bezwaarde. Kon oomtjen Harpax in de stad Best iemand vinden tot bestiering van zijn schat:
Hij vond het beter dien te bergen onder de aarde.
Hij graaft, met neefjens hulp, een gat.
Waarin de schijven nederdalen.
De vrek â er was geen week vergaan â
Verlangde op d' aanblik van zijn duitjens zich te onthalen: Hij vindt den kuil, ja wel, maar 't geld â was naar de maan! «Oef!» denkt hij, «dat heeft Neef gedaan!»
Hij vliegt naar Neefjen: «Neef! mag ik u nog eens vergen
Een handtjen aan het werk te slaan?
'k Heb nog wat geld, dat ik bij 't andre graag wou bergen.» En neefjen, zoo hij meent niet dom.
Brengt fluks 't gestolen geld naar de eigen plek weerom.
66o DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Om 's nachts, dus denkt hij, zonder talmen
Het hééle boêltjen in te palmen--
Maar nu was hem heer Oom te slim af: uit de kluis Haalt deez' den gantschen schat in huis.
Niet langer wil hij zich aan 't koud metaal verslaven, Hij wil gebruiken, niet begraven!
En de arme neef, zijn roofbuit kwijt. Wanhopig dat hij dus zich-zclf in slaap liet wiegen, Verwenscht den streek en barst van spijt.
't Is niet onaardig een bedrieger te bedriegen.
FABEL VI.
DE WOLF EN DE HERDERS.
MLecstcr Grimbaard kon niet slapen
In een bni van menschlijkheid Dacht hij aan de vele schapen Door zijn wreedheid neergeleïd, Schoon hij nimmer had gedood Dan uit feilen hongersnood. «Ach!» zoo denkt hij met ontroeren,
«'k Ben gehaat van iedereen,
Schrik en vloek van 't Algemeen.
Honden, jagers, heeren, boeren,
Spannen samen tot mijn val:
Jupiter kan zien noch hooren
Door hun woedend wraakgeschal.
Dra gaat mijn geslacht verloren,
Nu in England, straks op Aard!
Wij zijn vogelvrij verklaard:
Hooggeboornen en Eerwaardigen,
Sire, en al de Lord-jens, vaardigen,
Tegen ons plakaten uit; 1)
En geen kleine stoute guit Slaat op moeders schoot aan 't grienen,
Of het is: «Gij bengel, stop!
Of de wolven eten je op!» 2)
Waarom wij dien haat verdienen?
Om een dooden ezelskop Of het aas van schaap of honden,
Soms, uit hoogen nood, verslonden ! ...
't Zij dan zoo! ik wil voortaan In geen vleesch een tand meer slaan:
Liever als de brave runders Grazen op de kale bunders,
Liever van gebrek vergaan!
1
«Kdgard, Koning van Enge land, die omstreeks het midden der X'1*quot; eeuw regeerde, deed jaarlijks groote jachten houden tot verdelging van de wolven, en hief zelfs een jaarlijksche cijns van 300 wol-venkoppen. Dusdoende roeide Edc.AKI) in Engeland al de wolven uit.» â Vai.ckknaf.k.
2
Zinspeling op de XVJlt;le Fabel van het IV'1quot; Hoek, getiteld: Dc Wolf, de Moeder en het Kind,
T I E N D E 13 O E K. 663
Zou dat zoo verschriklijk wezen?
Is het minder, steeds te vreezen En alom gevreesd te zijn?
Arm maar eerlijk, doet geen pijn!...»
Alzoo spreekt hij. Maar wat verder.
Wat ontwaart hij? Klaas de herder Met zijn jagers, braaf verhit,
Braden daar een lam aan 't spit.
«Wat!» dacht Grimbaard, «mijn geweten
Klaagt mijn aan van schapenmoord ?
En die lui, die herders heeten,
Eten schapen ongestoord.
Waar hun honden meê van vreten!
En ik, wolf, zou aarzien? Neen!
Nauwgezetheid! brui daar heen!
'k Wil mij niet belachlijk maken.
Bij de Goón! Klein schaapjen daar!
'k Zal u steken in mijn kaken,
Braaddet ge ook aan 't spit niet gaar,
U, met uw mama te gader,
En dien dikken ram , uw vader!»
Grimbaard had geen ongelijk:
Denk eens! wij en onze vrinden
Zullen 't halve dierenrijk Daaglijks op den feestdisch vinden,
En de dieren, wolf en leeuw,
Juist als in de Gouden Eeuw,
Zullen louter gras verslinden!
V_______J
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
664
Hun geen bouljcn cn geen rib, Hun niet eens een maagre kip? 'k Mag den wolf geen onrecht geven, Herders! dan alleen als hij Zich niet sterker toont dan gij. Moet hij als een kluiznaar leven ?
V
TIENDE BOEK. 665
FABEL VIL
DE SPIN EN DE ZWALUW.
«O Jupiter, die uit uw hersenkas Op nieuwe wijze een Pallas bracht in 't leven,
Die al te wreed mijn vijandinne was!
Wil ééns althands mijn klacht verhoorin^ geven!
Die Progné *) neemt de beste brokken weg, Zij scheert den vliet, 'k zie op de lucht haar wiegen.
84
Prognc^ de Zwaluw.
V
TEN KATE DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En vóór mijn neus vangt ze al mijn vliegen. â
'k Zeg niet te veel als ik mijn vliegen zeg:
Was zij er niet, die haatlijke diefegg',
Mijn web, zoo sterk, vloeide over, zonder liegen!»
Dus, bij Jupijn beklaagde in haar gebed Arachne *) zich, de weefster van voordezen,
Nu spinster, zich beroemende op haar net.
Dat wat maar vloog een wissen strik zou wezen.
Maar Progné, spijt haar klagelijk gezucht.
Joeg altijd voort in snelle vlucht En ving'de vliegen in de lucht,
Voor zich en voor haar lieve kleenen,
Een heel gebroed, dat piept en schreeuwt.
En altijd van den honger geeuwt!
Arachné zag haar hoop verdwenen:
Zij spon niet meer! En nu â ze ontzet! â
Daar vliegt de zwaluw door haar net,
En sleept haar aan een draad daarhenen!
Jupijn plaatst hier op aard aan wederszij' een disch: De sterke en vlugge smult aan d' eersten disch in vrede;
De kleintjens eten aan den tweede Het restje' â als daar een restjen is!
*) Arachne^ de Spin.
666
FABEL VIII.
DE P A T R IJ S EN DE 11 A N E N.
1 atrijsjen moest bij hanen in gaan wonen, Een onbeleefd en ruzieachtig ras;
Maar dat ze er gast, en dat ze een meisjen was, Zou (dacht ze) hen zich wel galant doen toonen: «Zij houden de eer op der menagerie!» Wel zeker, maar de zoete harmonie Wordt vaak verstoord door vechterij en leven,
DK FABELEN VAN LA FONTAINE.
Waarbij ze niets om Jt «vreemde juffie» geven, Dat menigmaal, tc midden van den kamp In dicht gedrang, een stoot krijgt of een schramp. Eerst griefde 't haar. Maar toen zij alle dagen Die hanen-zelf elkaar zag plukken, plagen, Den rooden kam verscheuren, of de borst Met sporen slaan, toen voelde ze, en met reden, Haar smart getroost, en dacht: «Zoo zijn hun zeden!
Het oordeel der verwerping opgeschorst!
Beklaagd, maar niet gevonnisd! Neen, niet allen Die leven, zijn éénvormig uitgevallen;
Jupijn gaf elk zijn eigen stempel meê:
Een haan is één, en een patrijs is twee!
Had ï/e de keus, ik zocht mij andre buren, Gemocdlijkcr en vreedzamer naturen.
De pluimgraaf kiest een ander lot:
Hij vangt ons, kortwiekt onze schachten.
En zet ons in het hanenkot: â
O mensch, u gelden dan, en ^/-slechts , onze klachten!»
668
FABEL IX.
DE HOND WIEN MEN DE OÃREN HEEET AFGESNEDEN.
«Ach! wat zijn dan toch mijn zonden,
Dat mijn eigen goede baas Dus mijn ooren heeft geschonden?
'k Zie er vreeslijk uit, helaas!
'k Schaam mij voor alle andrc honden.
Heer der schepping, dwingeland!
Mensch! hoe zou 't u-zelven smaken,
Ã70 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Als gij dus werdt aangerand?» Zoo, uit toegebonden kaken,
Kreet Alex de jonge dog.
Maar wat hielp zijn «Ach!» en «Och!» Bei zijn ooren, spijt zijn beden,
Zijn en blijven afgesneden.
Onze Alex in d' eersten tijd Dacht te sterven van de spijt â
Maar het wende Taamlijk ras,
Tot hij eindlijk zelf bekende
Dat het zóó toch beter was:
Hij, tot stagen strijd geboren.
Even als zijn gantsch geslacht. Had hij anders niet zijn ooren
Vaak aan flarden thuis gebracht?
Zien zich zulke bullebakken Niet het eerst bij de ooren pakken?
Hoeveel minder, lieve man!
Waar de haat in bijten kan,
Des te beter duizend keeren!
Hebt gij slechts één zwakke zij', Maklijk kunt gij die verweeren.
Stevig waapnen noch daarbij,
Ziet Alex! zijn nek omgeven
Met een halsband, scherp van tand,
T I E N D E 15 Ã E K. 671
Hn zijn kop ^lad als mijn hand!... 'k Wed, dat hij van heel zijn leven Door geen wolf wordt aangerand.»
FABEL X.
DE HERDER EN DE KONING.
1 wee démons, ach! verdeelen 't menschlijk leven,
De Rede krijgt geen cent van 't erfdeel mee.
Geen hart dat hun zijne offers niet blijft .geven.
Moet, zwart op wit, hun naam en rang geschreven?
De Liefde is de één, en de Kerzucht nummer twee! De tweede is wel de machtigste in haar streven.
Want als zij 't wil, buigt de eerste 't hoofd gedwee.
T I E N D E B O E K.
Ik vvcct een tal bewijzen voor die stelling,
Zij levert voor een fabel rijke stof.
Maar 'k heb van daag een andere vertelling:
En wel, hoe eens een Koning aan zijn Hof Een herder heeft ontboden, 't Is een staaltjen Uit Gouden Eeuw, een ouderwetsch verhaaltjen.
Die Koning zag een lammrenkudde in 't veld, Vet, rijkgewold; de herder had geen klagen.
Integendeel de man was welgesteld.
Zijn ijver trok des Konings welbehagen,
En Sire spreekt: «Voorbeeldig herderkijn! Een Menschenherder moest ge zijn!
Een ander moge uw vee bewaken,
Minister maak ik u van Binnenlandsche Zaken!» Een portefeuille! nu, de herder nam haar aan.
't Is waar, hij had alleen met schapen omgegaan.
Hij wist van hond en wolf, van weide en groene boomen, Hij kende één kluiznaar, dat was alles!... Maar de kwant Had taamlijk zijn gezond verstand.
En hebt ge dat, dan zal de rest wel komen.
Pas had de kluizenaar 't verbazend nieuws vernomen,
Of hij verscheen en zei: «Wie had dit kunnen droomen? Gij, gunsteling? gij, groot?... Mistrouw de Vorsten toch! Hun gunst is gladder dan een paling, is bedrog;
Zij laat zich vreeslijk duur betalen; Met Koningsgrillen is geen eere te behalen:
't Is al vergulde ellende, en 't einde is «Ach! en Och!» Gij weet niet wat u lokt. Laat door een vriend u raden. En vrees het ergste! ...» De andre â lacht;
Ã75
ö/ö DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
T ^
De klukenaar hervat: «Zoudt gij mijn wenk versmaden?
Ik zie liet al, het Hof verdwaasde u door zijn pracht.
Straks is u 't noodlot van dien blindeman beschoren:
Die snuggert raapte van den grond Een slang op, stijf van kou: hij had zijn zweep verloren,
En dacht dat hij een andren vond.
Hij dankt de goden voor den onverwaehten zegen:
Daar komt een wandelaar hem tegen,
En roept: «Wat hebt gij daar? een giftig dier! gooi weg! Een slang!» â «Dat is een zweep.» â «Een slang, gelijk ik zeg: Wat reden hebt gij om mijn woorden te mistrouwen?
Wilt gij dien fraaien schat behouën?»
â «Waarom niet? 'k heb mijn zweep verloren, 'k vind er een Die tienmaal beter is: gij hebt er zeker geen,
Gij woudt hem hebben, man! gij wordt door nijd gedreven!»
Kortom, de blinde hoorde niet.
De valsche slang ontdooide, en stiet Hem d' angel in den arm: dat kostte hem het leven.
Wat u betreft, ik profeteer U 't eigen lot, ja, tienmaal meer!»
â «Hal tienmaal meer? de dood, wat erger kan mij treffen?
â «Ontelbre ellenden, die ge nu niet kunt beseffen,
Hernam de kluiznaar, en de Ziener had gelijk.
Straks wisten sluwe hovelingen 's Ministers goeden naam te smetten met hun slijk,
En hem uit 's Konings gunst te dringen.
Men vormt kabalen, dag en nacht.
Men maakt zijn eerlijkheid verdacht.
Getuigen rijzen op, schavuiten
TIENDE BOEK.
Die zeggen: «Een palcis vol pracht Heeft hij gebouwd van onze duiten!»
De Koning wilde toch dien rijkdom wel eens zien. Wat vond hij? pracht- en praalvertooning?
O neen! een kleine burgerwoning,
Geen armstoel zelfs om aan te biên.
«Ja, maar hij heeft zijn schat belegd in edelsteenen, Hij heeft een koffer vol gegrist!
Ei, kijk maar welk een slot!...» Hij opent zelf de kist. De lastraars staan verbluft; wat zien zij, zoudt gij meenen? Wat oude vodden! 't Herderspak,
Zijn stroohoed, en zijn staf, 'k denk ook zijn doedelzak. «Ach!» roept hij, «dierbre schat; die mij tot vreugde strekte. Die jalouzy noch laster wekte!
Ik neem u heden weer! 'k Verlaat de heerlijkheid Van dit bedrieglijk Hof! Vergeef me, o Majesteit,
Dien uitroep, 'k Wist vooruit, mijn vonnis stond geschreven, 'k Moest vallen: niettemin, ik koos de gladde baan.
Wien woei niet eenmaal in zijn leven Een dwaze bui van eerzucht aan?»
677
FABEL XL
DE VISSCHEN EN DE ZINGENDE HERDER.
Tircis, voor den roem der schoonen,
Paarde, stemgeluid
En fluit
Tot de aandoenelijkste tonen,
Die gelijk een tooverstaf,
Zelfs de dooden in hun graf Tot bewondren zouden dwingen.
â
, - -ïquot;-j
; ⢠SP
â
TIENDE BOEK.
Zoo dan stond hij eens zijn lied Tot Annettes eer te zingen Aan den oever van een vliet, Die door frissche velden schiet, Groene weien,
Waar de zefiers spelemeien!
Onze lieve herderin Volgde middervvijl haar zin, Visschend met de hengelroede.
Doch geen spiering kwam er aan, En zoo werd zij 't bijna moede.
Maar de herder, in den waan Dat hij steenen zelfs kon schokken,
Meende, met zijn melody Zou hij al de visschen lokken.
Aldus kwinkeleerde hij:
«Lieve diertjens! staakt dat dartlen Met najade en watergod In de diepe kinkhoorngrot!
Komt toch eens naar boven spartlen! Kijkt eens hier naar mijn vriendin! Dat heeft nog wat schooners in. Wilt niet voor haar kluisters beven! Is ze somtijds wreed, welnu, 't Is voor ons, maar niet voor u. Neen, zij staat u niet naar 't leven: Weet gij waar ze u brengen zal? Naar een vijver van kristal!
Hn al zou ook, tot haar spijt,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hen der uwen d' adem derven,
Door haar lieve hand te sterven, Is een lot dat ik benijd!.. .» Dit verruklijk zanggekweel Van den herder hielp niet veel. 't Auditorium in 't water Scheen potdoof en hield den snater, En de lieve goede vrind Stond te preeken in den wind.
Toen besloot hij fiksche netten In den vlietstroom uit te zetten ,
En ja wel, nu ging het goed: 't Schubbenvolk kwam uit de hoeken, Blieken, vorens, baarzen, snoeken, Werpt hij voor Annettes voet.
Herders, gij, van schapen niet, Maar van menschen! zoudt gij denken,
Vorsten dat uw fleemend lied 't Volk zal buigen naar uw wenken?
Nooit bereikt ge uw doel! Helaas, Die de massa wil regeeren.
Doe iets meer dan redeneer en:
Macht, mijnheeren, dat's de baas!
682
r
FABEL XII.
DE TWEE PAPEGAAIEN, DE KONING EN ZIJN ZOON.
Twee papegaaien â vader, zoon, â Genoten vorstengunst te gader.
Twee halve goon,
â De zoon, de vader, â
Verblijdden 't paar Met alles wat aan 't Hof begeerlijks is te vinden.
De leeftijd bond hen recht vriendschaplijk aan elkaar:
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De vaders waren dikke vrienden,
De kindren, schoon de jeugd haar eigen grillen heeft, Gewenden aan elkaar: één zelfde school, één leiding,
Kortom! gij kent het snoer dat Daaglijksche Omgang weeft. Voor jongen Lorre was 't een schittrende onderscheiding,
Want Prinsjen was het kind, en Koning zijn papa. Ons papegaaitjen hield van vogeltjens: een muschjen, Een ongewoon behaagziek zusjen,
Was zéér zijn charnie, en ook ons Prinsjen sloeg weldra Met liefde 't dartel diertjen ga.
Pens, zoo als 't loopt bij kinderspelen,
Ging 't schertsen over in krakeelen.
Onze arme musch kwam in 't gedrang.
En werd gehavend van belang:
Zij was vol wonden en vol kerven.
De Prins werd op 't gezicht ontzettend aangedaan:
Er hielp geen lieve moedren aan,
De jonge papegaai moest sterven!
Dat hoort zijn vader. Ach, wie schildert u de smart Van d' ouden papegaai? Den grijzaart breekt het hart,
Maar och, wat baat dat hooploos weenen? De veerman van den Styx roeit met zijn zoontjen henen!
Kortom, ons Lorretjen gaf teeken noch geluid,
En de oude heer, door woede en wanhoop aangedreven,
Valt op het Prinsjen aan en krabt zijn oogen uit.
Hij zocht een pijnboom op tot redding van zijn leven,
Waar hij in veiligheid al 't zoet der wraak geniet. 13e Koning komt, en spreekt als hij den vluchtling ziet: «Keer, vriendlief, keer terug! Wat helpt ons al dat klagen?
684
TIENDE BOEK.
Haat, wraak en vrees, 't zij al voorbij 1 'k Beken, hoe diep mijn droefheid zij,
Dat mijn verdwaasde zoon alleen de schuld moet dragen... . Of liever, 't Nootlot heeft de schuld.
Dit had bepaald, en 't moest vervuld.
Dat van ons beider zoons de één 't leven zou verliezen,
En de ander de oogen. Staak dat kniezen!
Vertroosten wij elkaar! Keer in uw kevie wéér!» De papegaai sprak: «Edel Heer!
Kan Uwe Majesteit dan denken.
Dat ik, na 't geen ik me onderstond, Uw vriendlijkheid geloof zal schenken?
Gij geeft het Lot de schuld, maar uw profane mond, O Koning, zal mij niet belezen!
En 't moge een Ecuwig Opperwezen,
Of 't Lot zijn (naar uw leer!) wat 's waerelds loop regeert, Dit staat wel vast, dat hij die de eer heeft thands te spreken. Een schuilplaats zoeken zal in afgelegen streken,
En niet naar 't voorwerp wederkeert.
Waarvan 't gezicht gestaag uw woede moet ontsteken.
Ik weet, een Koning mag zich wreken:
't Is 't voorrecht van de Goón â een Koning heet een God!
Gij zegt, gij wilt den hoon vergeven.
Maar, aangenomen dat Uw Majesteit niet spot,
685
't Is beter uit den weg gebleven,
Uw oog ontweken en â uw straf!
Neen, Sire! ik keer niet wéér, hoelang ik ook zal leven:
De afwezigheid delft Liefde 't graf.
Maar stompt ook evenzeer de punt der Wraakzucht af.»
686 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
r
Zeer goed! Een dwaas, die aan des vooglaars fluit gelooft; Maar dwazer nog, die rang en afstand kan vergeten.
't Is met de groote lui gevaarlijk kersen eten:
Zij werpen u meestal de steenen naar het hoofd!
FABEL XIII.
DE LEEUWIN li N DE li E E R
-Cen leeuwin, door 's jagers hand, Had haar eenigst jong verloren: Vreeslijk deed haar stem zich hooren.
Brullend door de Dierwarand.
Noch de stilte, noch het duister. Noch der Zefirs mingefluister.
Geen der zoetheên van den nacht
688 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Suste haar vermoeide klacht.
't Moest de dieren vreeslijk hinderen: Niemand sliep! Dies Bruin in 't end Met de vraag zich tot haar wendt: «Zeg, mamaatjen, al die kinderen, Die gij opeet keer op keer.
Hadden die geen ouders meer?»
â «Och, ja wel.» â «Wie van die cillen Kwamen ooit ons lastig vallen
Met hun jammerlijk gegil?
Gul gezegd, gij valt ons tegen.
Als er zooveel moeders zwegen.
Waarom zwijgt gij ook niet stil?» â «Wat! zoo'n ramp is mij beschoren, En ik zou mijn tranen smooren,
Smooren jammer en geklag?
'k Heb mijn eenigst kind verloren: 'k Wacht een droevige ouden dag!» â
â «Wel, wie zal u daartoe dwingen?» â «'t Grimmig noodlot dat mij moordt!»
Lezer! 't zijn dezelfde dingen.
Die men steeds aan ieder oord lin uit alle monden hoort!
Lijders! hier valt iets te leeren.
'k Hoor u vruchtloos lamenteeren Overal:
Wie in soortgelijk geval Zulk een ijdle klacht doet rijzen
T I E N D E B O E K. 689
f \
Over 's Nootlots ongena,
Dat die denke aan Hekuba, 4j En hij zal den Hemel prijzen!
TEN KATE DE FABBLEN VAN LA FONTAINE, 87
*) IIekuiia, deze Koningin, gemalin van den Trojaanschen Koning Priamus, werd tot slavernij gedoemd, nadat zij haar echtgenoot en bijna al hare kinderen had zien ombrengen.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
6yo
FABEL XIV.
DE TWEE GELUKZOEKERS EN DE TALISMAN.
vJecn effen blocmenpad geleidt ooit tot de glorie: 'k Beroep mij, ten bewijze op Herkules alleen. Had ooit die Halfgod zijns gelijke op aarde? Neen, Zijn mededinger vindt ge in Fabel noch Historie. Toch, lezers! was er onlangs een. Die, door een talisman gedreven, In 't Romaneske Wonderland
DE TWEE GELUKZOEKERS EN DE TALISMAN.
Fortuin ging zoeken, met een vriend, een geestverwant. Straks kwamert ze aan een paal en vonden dit geschreven :
«Gij, dolend Ridder, die van zielsbegeerte brandt Te zien wat niemand zag: gij moet dien stroom doorwaden.
En fluks den steenen Olyfant,
Dien gij daar ginds ontmoet, op beide schouders laden. En brengen hem, in eens, naar 't toppunt van 't gebergt' Dat met zijn kruin de wolken tergt.»
Daar sprong des eenen neus aan bloede, mislijk teeken! «Dat water schijnt zoo diep als breed,»
Zoo sprak hij, «maar gesteld dat men den doortocht deed, Waarom zich 't hoofd dan met dien Olyfant te breken? Wanhopig stuk! gij draagt misschien Dien steenen klomp een stap of tien.
Maar naar den top eens bergs? te gek om van te spreken! En dan nog wel in eens! Dat kan geen paladijn.
Geen schepsel! Of het moest een olyfant/^ zijn, Een dwergjen, een pygmee, een knopjen van een rotting;
En dan, wat had het in? Hoe meer ik 't overpeins. Te meer blijkt mij de zaak, een strik of een bespotting.
Geluk met d' Olyfant, ik wensch u goede reis!» De redeneerder gaat. De avonturier, bewogen Van eedle geestdrift, stort met dichtgesloten oogen Zich in den wilden dwarrelstroom,
En worstelt er doorheen, en vindt aan d' oeverzoom Den Olyfant, en zonder tsagen Tilt hij het steenen monster op.
En rust niet tot hij 't naar den top Van 't hooggebergt' heeft heengedragen.. . .
!
D K F ABELEN VAN LA FONTAINE.
694
11: li
Wat ziet hij daar? Een vlakte, een vesting in 't verschiet: Daar schreeuwt zijn Olyfant, daar rommlen koopren trommen, Daar naadren tallooze oorlogsdrommen....: Elk andre avonturier, bij wat hij hoort en ziet,
Waar' zeker doodsbleek weggeloopen:
Maar onze ridder siddert niet.
Hij wil zijn leven duur verkoopen,
En vallen als een held! Verbazing grijpt hem aan.
Als nu dat volk hem groet met daavrende eerbetooning.
En uitroept â heeft hij 't wèl verstaan? â Tot troonopvolger van den pasgestorven Koning:
Hij liet zich bidden door de schaar:
«De last», zooals hij zei, «was wel wat al te zwaar.» Ook Sixtus zei quot;t toen hij tot Paus zich zag verkoren.
(Is Paus of Koning zijn zoo zwaar?)
i
li
I
Dat hij zich eindlijk liet verbidden, doet zich hooren!
I '
|jf rj ;
iHH
Een blind Fortuin volgt soms een blinden Overmoed. Soms doet de Wijze wèl, die overgaat tot daden. Eer hij het doelwit meet, eer hij 't gevaar bevroedt. Of door de wijsheid zich laat raden.
I r I lü
Pp
I
1 :
Bi i j
tlri i|
illr
i:l;
iquot; li li'H
FABEL XV.
DE KONIJNEN.
Ais ik zie hoe menig keeren
't Menschdom handelt als 't gediert, 'k Meen dan, dat den Scheppingsheeren Niet een fout onthouden wierd, Die hun minderen ontsiert.
Dikwerf, eer het morgenkrieken Aansnelt op de rozenwieken,
Loer ik, aan der wouden zoom.
Onder 't loofdek van een boom, Hn gelijk de bliksemkneeder
TIENDE BOEK. 695
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
God Jupijn, zoo werp ook ik, 't Dom konijntjen tot een schrik, Uit mijn snaphaan bliksems neder. Nauwlijks knalt de buskruitwolk, Flap! weg is 't konijnenvolk,
Straks nog op de heide dansend, Of, met altijd waakzaam oog.
Beide lepels recht omhoog,
In het geurig thymbed schransend: 't Vlucht, door hol en kronkelgat, Naar zijn onderaardsche stad.
Maar de les gaat ras verloren:
Straks keert heel 't konijnenrot. Vrolijker dan ooit te voren,
Tripplend, hipplend, onder 't schot!
Aldus ook de stervelingen: Pas bereiken zij de ree,
Nadat schip en boot vergingen,
Of zij hunkren weêr naar zee,
Waar nog de eigen golven branden, En dezelfde stormen woên:
Juist als mijn konijntjens doen, Geven '/ij zich 't Lot in handen.
696
, .
â â III HÃS.'fe'' B
HBb
mmm
FABEL XVI.
DE KOOPMAN, DE EDELMAN, DE HERDER EN DE KONINGSZOON.
Een viertal reizigers naar verre vvaereldzoomen,
Een edelman, een fabrikant,
Een herder, en een prins, de schipbreuk nauw ontkomen, Nam, naakt en bibbrende aan het strand, Als Belisarius den bedelstaf ter hand.
Wat toeval juist die vier hetzelfde lot liet deelen.
Geboortig al te saam' uit een verschillend land?
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
't Vereischte een lang relaas, dat spoedig zou verveelen. Genoeg, het groepjen school, in 't heete middaguur,
In schaduw van de strand-abeelen,
Hn vroeg nu «wat te doen?» Want goede raad was duur. De prins beklaagde zeer het lot van 's waerelds grooten;
De herder achtte 't dwaas te denken aan Jt verleên:
't Was, meende hij, de plicht van lot- en leedgenooten,
Te zien wat elk vermocht tot nut van 't algemeen: «Wat zieke is ooit hersteld door jammren en geween? Zoo eindigt hij: «Hier baat geen zeuren en geen zinnen,
Maar doen: 't Zijn daden, die de weraeld overwinnen!» Zoo spreekt een herder? Maar woont dan 't gezond verstand Alleen bij vorsten en satrapen.
En ziet een herder niet veel verder dan zijn schapen?
Deez' had het drietal op zijn hand.
De een, 't was de koopman, zou de menschen Reeknen leeren. Voor zóóveel 's maands, «Ik,» zei de prins,
«Versta de Politiek, mijnheeren!»
En de eedle sprak: «Ik ben van zins De Wapenkunde te doceer en!»
Alsof ook de Indiaan, gelijk Euroop'; zijn schat Van Jonkers en Baronnen had!
De herder zei: «'t Is wél, maar wil toch niet vergeten,
Vier weken heeft een maand: waar moeten wij van eten
Eer 't honorarium vervalt?
Gij geeft mij schoone hoop, voor â overovermorgen,
Maar helpt mij dit van daag? De vraag die haar vergalt, ïs deze: «Wie er straks voor ons souper zal zorgen?
Hier komt het nu vóóral op aan:
7oo
r
TIENDE BOEK.
En al uw wetenschap laat u verlegen staan!
Houdt moed, en let eens op hoe ik het aan zal pakken.»
EINDE VAN HET TIENDE BOEK.
De herder spreekt en snelt naar 't woud. En tijgt aan 't kappen en aan 't hakken , Verkoopt voor goeden prijs zijn hout.
En wint zooveel, dat hij zich-zelven en zijn gasten Bewaart voor een nog langer vasten.
Waardoor zij spoedig met hun wetenschap en al Gewandeld waren naar het donker Schimmendal.
Wat leert u dit? Gij houdt uw leven Ook zonder heel veel kunst in stand.
Dank zij der gaven, ons door Vrouw Natuur gegeven. Niets helpt zoo zeker en zoo spoedig als â de hand!
ELFDE
r
FABEL I.
DE LEEUW.
De Sultan Luipaard had weleer,
Door Vorstlijk erfrecht, eonfiscatie's, en zoo meer, Veel herten in zijn woud, veel ossen in zijn weide. Een macht van schapen op de heide, 't Gebeurde, dat in 't naaste bosch Een Leeuw geboren werd â pas was de reeks gesloten Der complimenten, in gebruik bij de aardsche Grooten,
81)
J
TEN KATE DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Of Sultan riep vizier den Vos,
Geslepen diplomaat, en zei; «Gij koestert vreeze
Voor 't leeuwtje' in onze buurt: Maar waartoe vreez' te voên? Zijn vader is niet meer: wat kwaad zou hij ons doen? Beklaag veeleer een armen weeze,
Die toeh genoeg in zorgen leeft,
En die geen reden heeft tot klagen,
Als hij, wel ver' van naar veroovringen te jagen,
In vree mag houden wat hij heeft!»
Toen schudde' Vos het hoofd: «Met zulke weezen, Sire! Heb ik geen medelij': Maak dezen tot uw vrind.
Of â zorg dat men zijn lijkfeest viere.
Eer klauw en tand aan krachten wint,
En hij misschien den twist begint!
Er ga geen oogenblik verloren!
Ik las zijn horoskoop toen hij ter waereld kwam:
Hij is een echte leeuw, voor 't oorlogsveld geboren.
Maar voor zijn vrienden als een lam.
Tracht tot die vrienden te behooren,
Of â help hem aan een kant!» De Sultan stopte de ooren. De Sultan sliep; en, hem gelijk.
Sliep alles, groot en klein, in heel zijn machtig Rijk.
Maar 't leeuwtjen werd een leeuw! Nu werden alle klokken Op eenmaal ten alarm getrokken:
't Is schrik alom en bang getier;
De Sultan gaat op nieuw om raad bij zijn vizier.
Deez' zuchtte en zei: «Waarom den vijand dus te sarren? Uw zaak staat hooploos, en bleef even slecht gesteld, Al riept gij tot uw hulp een legioen in 't veld:
7C6
r
DE LEEUW.
E L F D R H ü R K.
r
Die bondgenooten kosten geld, En tceren lustig op uw schapen en uw varren. Bevredig gij den Leeuw! Hij overtreft alleen In macht alle andre mogendheen ,
Die azen op uw beurs. Zijn bondgenooten kosten Hem niets: zij heeten Moed, Kracht, Vlugheid, deze drie! Ontzie op de uitgaaf geen paar posten,
Ja, is het nood, verdubbel die:
Werp hem een schaap toe, en een tweede 1 En is hij daarmee niet tevrede,
Wel, geef hem nog een os er bij,
Een vetten! tot dien prijs loopt heel uw kudde vrij!» Die goede raad mocht niet behagen,
De Sultan moest met menig buur.
De nasleep van zijn jammren dragen â
Geen won er bij, 't kostte allen duur. Het Bondsvolk mocht zich vrij vermoeien,
Hij. die men duchtte, bleef de Meester!
Lieve man,
Geloof niet dat de leeuw uw vriendtjen worden kan, Als gij hem tijd laat om te groeien!
D K F A H K L K N VAN LA FONTAINE.
FABEL II.
DE GODEN DIE EEN ZOON VAN JUPITER ZUELEN OPVOEDEN.
Jupiter had eens een zoon,
Die al spoedig deed ontwaren,
Welk een bloed hem vloeide in de aaren,
Afkomst van den god der goon.
Liefde winnen, liefde geven,
Was al vroeg zijn lust en leven.
7io
ELFDE BOEK,
Maar de knaap moest opgevoed Waardig zijn doorluchtig bloed: Daarom werden al de goden Tot den Hoogen Raad ontboden.
Elk beloofde 't kind zijn gunst: «Ik,» zei Mars, «ik zal hem leeren Heel de waereld te overheeren
Door de roemrijke Oorlogskunst.» «Ik,» zei Febus, «leer hem spelen
Op de Dichterlijke Lier, En Maeoonsche zangen kweelen,
Vonklend van mijn heiligst vier.» «Ik,» zei Vénus, «zal hem dragen Aan mijn hart, en toonen hem Hoe, met oog, en wenk, en stem, Alle menschen te behagen.» Dus geheel de godenrei.
't Laatst kwam Herkules, en zei: «En laat mij hem onderrichten In den weg der Hoogste Plichten: 't Immer woelend slanggebroed, Driften en Begeerlijkheden,
711
Te onderdrukken in 't gemoed, Zoo als ik met heldenvoet Eens de hydra heb vertreden!»
Wat was wel de beste gaaf?
712 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De allerlaatste was wel de eerste: Die zich-zelven niet beheerschte, Blijft, schoon godentelg, een slaaf.
FABEL III.
JANBAAS, DE HOND EN DE VOS.
Dc wolf en de vos zijn gevaarlijke buren:
Ik woonde niet graag naast twee dieven als zij. De laatste â bespiedde eiken dag, uur aan uren. De kiekens van Janbaas, maar kon er niet bij. Hoe werd hij gedurig van beide gedrongen,
't Gevaar en den Honger. «Ai mijl» riep hij uit, «Ik heb mij in duizende bochten gewrongen,
TEN KATE , DE KABELEN VAN LA FONTAINE
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Ik kom en ik ga, steeds beloer ik den buit,
Vergeefs! en die ploert, in zijn leunstoel gezeten.
Maakt kieken, kapuin, al den rommel, te geldJ: Hij braadt zelf zijn hoentjen! en ik â heb geen eten!
Een magere haan, wie is daarop gesteld?
Waarom het beroep toch van vos mij beschoren,
O valsche jupijn? 't is verneedring en schimp!
Geduld maar! eens zal men van Reintjen nog hooren:
Dat zweer ik van daag bij den Styx van d' Olymp!» Dus blaast hij de wraak tot een vlam uit de vonken:
Een nacht kiest hij uit, zwart en zwijgend in 't rond. Toen alles Morpheus in den arm lag gezonken.
De baas van de hoeve, de knecht, zelfs de hond: Hen, kuiken, kapoen, alle slapen daar buiten
Om strijd: onze baas, met de kippen op stok,
Vergeet dezen avond het deurtjen te sluiten,
En â Reintje, een, twee, drie, sluipt in 't weerlooze hok. Hij plundert en worgt: ai, hoe stuiven de veêren!
Hoe stroomt het van bloed! Toen de morgen verscheen, Toen was 't of de zon weer naar 't westen wou keeren.
Verbleekt van den schrik bij die slachting beneên! Zóó heeft eens Apol', om zijn priester te wreken.
Het kamp van de Grieken met lijken bezaaid:
Ãén nacht zag bijna heel een leger bezweken!
Zóó heeft ook een Ajax de levens gemaaid Van schapen en bokken, door waanzin aan 't blaken.
Die 't vee voor Uly's en zijn handlangers hield.
De vos, andere Ajax, sleept mee in zijn kaken Zooveel hij kan dragen â de rest ligt ontzield! . ..
714
ELFDE BOEK.
Toen Janbaas 't ontdekte, wat kon hij dan krijten,
Dan vloeken, en â 't oude gebruik brengt het mee â De ramp aan den knecht en den wachthond te wijten?
«Dom beest! 'k moest u slingren in 't hartjen der zee. Ach, dat ik u ooit in mijn dienst heb genomen!
Waarom niet geblaft toen de vijand verscheen?» â «Waarom,» sprak de hond, «niet den vijand vóórkomen?
't Was 't beste geweest, en uw taak, naar ik meen! Gij hebt toch wel 't éérste belang bij uw zaken:
Slaapt gij, heer en meester, met opene deur.
Meent gij, dat uw hond dan zal sluiten en waken?» ...
Het beest had gelijk, en de baas kreeg een kleur:
't Waar' zeker erkend, had een ander 't gesproken;
Maar nu, 't was een hond, een ellendling, die 't zei; En Janbaas, nu dubbeld in gramschap ontstoken.
Verdronk het arm dier in de poel van zijn wei!
Gij huisvader, weet het! op anderer oogen
Te bouwen, zelf slapend, is grootlijks abuis.
Die zelf zich bedriegt, wordt door andren bedrogen: Ga 't laatste naar bed, en sluit zelf ook uw huis! Wat zaak het ooit gelde, 't behoort tot uw plichten,
Verricht door geen vreemd' wat gij-zelf moet verrichten!
715
7'6 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
. '
FABEL IV.
DE DROOM VAN EEN M O N G O L I E R.
Ilen burger uit Mongol zag in een droomgezicht â Kon 't zijn! â een rijksvizier in de Elyzeesche velden Een vreugde smaken, die geen woorden ooit vermelden,
Rein, eindloos, louter liefde en licht:
Dezelfde droomer zag met opgeheven handen Een kluiznaar in de Helle branden, Zóó smartlijk, dat hij zelfs de lijders om hem heen
ELFDE BOEK.
Tot schreicns toe tc roeren scheen.
't Geval was zeker vreemd, in strijd met de ondervinding. Had ditmaal Minos, in een wondere verblinding,
Bij die twee dooden misgetast?
De slaap des droomers is van louter schrik geweken:
Maar toch, de man gelooft het vast.
Daar moet iets anders achter steken!
Hij zoekt een wichlaar op, die hem zijn droom bedied'. En deze spreekt: «Verbaas u niet!
Uw droom is zinrijk, en mag ik mijn kunst gelooven. Dan brengt hij u een wenk van Boven. Die rijksvizier zocht vaak de heilige eenzaamheid. Die kluiznaar heeft op 't laagst de rijksviziers gevleid!»
Zoo ik iets voegen mocht bij 't woord van onzen Wijzen, Hoe zou ik de Eenzaamheid van gantscher harte prijzen! Zij biedt aan wie haar kent een zorgeloos genot. Dat bloeit op al haar paan, een liefdegift van God. O lommerrijk prieel van ruischende eik en linde! O lustoord, rozendal, dat ik altijd beminde!
Mag ik dan nimmer, ver van 's waerelds wilden strijd. Uitrusten in uw schoot op 't groene grastapijt?
Wie voert me, o Eenzaamheid! uw heilgen tempel binnen? Wanneer wijde ik mij gants den Negen Zanggodinnen, En sla ik, ver van 't Hof en steedschen flikkerglans. Den loop der starren ga, die, tintlende aan den trans Des hemels, in heur schrift der Volken Lot doen lezen! Of, mocht zoo grootsch een taak mij onbereikbaar wezen, Mocht dan altans mijn oog zich spieglen in den vliet.
/
718 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Mijn Muze 't zalig Veld verheffen in een lied!
Dan spon de Schikgodin door 't weefsel mijner dagen Geen gouden draad, dan zou geen fulpen koets mij dragen; Maar zou daarom mijn slaap wel minder rustig zijn, Bij nachtegalenzang en zilvren maneschijn?
En moest ik zon en maan, gcstarnte en vogels derven, 'k Had zonder zorg geleefd, 'k zou zonder wroeging sterven!
FABEL V.
DE LEEUW, DE AAP EN DE TWEE EZELS.
JUe Leeuw wou gaarne goed regeeren, En zou dus Zede kunde leeren.
't Was Doctor Aap â bijzonder groot In 't vak â dien Sire aan 't Hof ontbood. In dezer voege nu werd de eerste les gegeven: «O groote Koning! om als wijs monarch te leven, Is 't noodig dat U. M. aan 't welzijn van den Staat
720 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Het offer breng' van de Eigenbaat:
Die bron van zeedlijk kwaad,
Dat bij de dieren heerscht! De Zelfzucht uit te roeien,
!
Gelukt niet in één dag; 't gaat langzaam, langzaam aan. Onbillijkheid en Eigenwaan In eigen hart te wederstaan,
Daar moet een Koning zich het eerste mee bemoeien!» â «Goed,» sprak de Koning, «maar... een voorbeeld, waarde heer! Een leering wekt wel, maar een voorbeeld trekt toch meer.»
â «Nu,» zei de doctor, «elke soorte Van schepslen, ik begin bij de onze, en eiken stand,
Is, naar het schijnt, bij zijn geboorte
Een zeekre voorkeur ingeplant.
Die 't waagt alle andere geslachten En standen, als verwaand en nietig, te verachten.
't Is zijns gelijken wat men eert:
De lof wordt weergekaatst, en dit-juist werd begeerd.
Wat zijn de meeste recensenten?
«Miskenden» zoo het heet, wie niemand koopen zal.
Dies bouwen zij elkaar een hoogen pedestal:
Een kunstjen, meer bekend aan «doedlaars bij geval» *) Dan aan waarachtige talenten.
Laatst volgde ik op hun trot twee ezels, die elkander Den wierook zwaaiden keer op keer;
't Was: «Broêrtjenl likt ge mij, uw broêrtjen likt u weer.»
-----
*) Zinspeling op de bekende fabel van Vriarte:
Een ezel vond een pijpzak.
Dien, bij een schapenstal,
Een herder had vergeten,
Vegeten bij geval.» (Vertaling van Biluerdijk).
ELFDE BOEK. 721
----N
)
â «Wel, waarde vriend!» sprak dc een tot d' ander,
«Vindt gij den mensch, dat edelst dier,
Niet eigenlijk een prul? Hij acht ons niet een zier:
Als wij eikaars produkten roemen,
Durft /t// ons balkende ezels noemen.
Een mooie grap! Neen! neen! ontaart is ons publiek.
Spreekt gi/, 't is heerlijke muziek,
I
Vol van diepzinnige gedachten;
Z/)' zijn de balkers, zij, die u en mij verachten:
Genoeg, gij weet het: i/c en gif Zijn de éénigste geniën, wij!»
En de andre langoor sprak: «Voor u buig ik de kniën:
Ja, i/c en gij, wij zijn geniën!»
Deze ezels, niet te vrecn elkander 't wierookvat Aldus s/ib rósd toe te zwaaien.
Volhardden met elkaar op 't allerliefst te aaien *)
I
Tot op de straten van de stad.
Nu, Sire! ik weet er veel in 't «ondermaansch Beneden,»
Niet ezels slechts, maar mogendheden Van hoogen rang, die, kon het zijn.
Een Excellentie tot een Majesteit verhieven.
Ik zei misschien te veel: hier valle dus 't gordijn!
'k Sprak om mijn Koning te believen,
Die mij een voorbeeld van zotte eigenliefde vroeg:
Ik bid discretie, en â van d' Eigenwaan genoeg!
La FoNTAINE heeft hier eigenaardig: «dc s*ctre ainsl gratlcs^» met zinspeling op de uitdrukking van Marot: «Ce lIuëT ct Sagon se jon ent;
Par ecril run Vautre se loiunt^
El semhlenl {iant ils s^ ent re Jlatlenf)
Deux vieux anes qui s'enlre-grattent.» (Marot, Epist. LVI.)
V___________)
TEN KATE, UE FABELEN VAN LA FONTAINE
722 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En nu â de Onbillijkheid en Jt Onrecht... dit eischt meerder Omzichtigheid, mijn Vorst! het onderwerp is teerder....»
Hier zweeg onze Aap, en 'k weet het niet,
Of hij het maar vooreerst niet bij 't gezegde liet;
Want onze Doctor was te wijs om niet te onthouên, «Hen Sire is licht geraakt, en â Leeuwen hebben klauwen!»
FABEL VI.
DH WOLF EN DE VOS.
Waarom toch heeft Esoop' zoo menig blad beschreven, Waar hij altijd den Vos de palm der slimheid biedt?
'k Zoek grond daarvoor, maar vindt dien niet. Wanneer de Wolf zijn eigen leven Beschermt, of anderen een wissen dood wil geven.
Wie die in Grimbaard dan ooit Reintjens mindre ziet? 'k Geloof, zijn meerderheid is menigmaal gebleken.
ELFDE BOEK. 723
724 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
, .
Nogtans â in 't volgend stuk wordt Rein de kroon gegund.
Eens zag hij in een put het volle maantjen schijnen:
Rein dacht, dat was een kaas. Twee emmers hingen daar,
Bestemd om beurtelings te putten. «Geen gevaar!»
Denkt Vosjen, die de kaas wil mijnen,
Springt in den bovenst' emmer, daalt Daarmee den put in, om â met beven
Te zien hoezeer hij heeft gedwaald!
Geen hoop! Onredbaar zal hij sneven â
Ten zij een zwaarder even dwaas,
Begeerig naar die mooie kaas,
In d' andren emmer spring', en Vosje' op nieuw doe rijzen! Hij wachtte: niemand kwam. Hij zag den morgen grijzen.
En nog eens weêr: een derde nacht Had 's hemels sterrentent heropend En 't maantjen, maar nu niet zoo rond meer, meegebracht. Ons arme Vosjen was wanhopend!
Het Lot in 't eind kreeg medelij':
Daar kwam de slokop Wolf voorbij!
«Hier, broertjen!» riep de Vos, «kom even hier! wij zullen Te samen aan dit kaasjen smullen:
God Eaunus heeft het zelf uit lü's room bereid,
En 't is me zulk een heerlijkheid.
Dat, zoo Jupijn-zelf krank mocht wezen,
Decz' lekkernij hem zou genezen!
Dien homp heb ik er uitgehapt;
Maar 't oovrige is voor ü: kom, lustig 't opgeknapt!
Gij ziet daar wel dien emmer hangen?
Die is voor ü bestemd: die voert u naar omlaag!»
ELFDE BOEK. 72$
Kortom, hij sprak zoo mooi; een hongerige maag Is lichtgeloovig: en â heer Grimbaard liet zich vangen! Hij daalt â de andre emmer rijst door zijn gewicht omhoog, Reintje' is den put ontsnapt â hij vlood niet, maar hij vloog!
Neen, lacht daar nu niet om! Wij, trotsche schepping-heeren, Wij hebben honderdmaal al even ras gezwicht.
Ach, wij gelooven niets zoo licht,
Dan wat wij vreezen of begeeren.
FABEL VII.
DE BOER VAN DEN DON AU.
(â Beoordeel iemand niet naar d' uiterlijken schijn!»
Die raad is altijd goed, moog' hij niet nieuw meer zijn.
Mijn fabel van den Leeuw en 't Muisjen reeds kon 't leeren.
En nu herhaal ik de oude les,
Verwijzend naar Esoop', den goeden Sokrates,
En zeker boertjen van den Donau. De eerste heeren Zijn algemeen bekend; wat aangaat nummer drie,
v__________;
I 1.
ELFDE BOEK.
Hier hebt gc zijn photographic;
Zijn voorhoofd schuilt in ruwe lokken,
De baard omgolft zijn kin in ongekemde vlokken,
Zijn lichaam, hairig evenzeer.
Doet denken aan een beer, een ongeliktcn beer.
Zijn neus is plat, zijn mond is grof en breed, zijn oogen Staan scheel, en schieten vonken uit De borstels van hun wenkbrauwbogen;
Zijn kleeding is een bokkenhuid,
Zijn gordel een stuk touw!... Welnu, de Donausteden Verkozen niettemin «dit heer» tot afgezant Naar Rome. Want daar was geen schamel hoekjen land, Of 't werd door d' ijzren zool des Romers platgetreden.
Die overal zijn aadlaar plant.
Onze afgezant verscheen, en hield aldus zijn reden:
«Romeinen! achtbare Senaat!
Gij, die gezeten zijt om mij gehoor te geven!
Vóór alles, 'k bid de Goon, de Onsterflijken, om raad.
Opdat, door wijsheid aangedreven.
Mijn tong geen woorden dan der waarheid glippen laat'! Zij enkel hoeden ons in 't feilbre menschenleven
Voor onrecht en voor alle kwaad.
Al wie hun hulp veracht, zal ras hun wetten schenden.
Ziet ons! Wat tuchtiging ons Rome's juk bereidt!
Onze euveldaan, veel meer dan uw heldhaftigheid,
Zijn oorzaak van al onze ellenden.
Past op, Romeinen! dat de Hemel niet weldra Den loop van 't krijgsgeluk doe wenden,
U niet door onze hand met de eigen jammren sla,
728 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En, uwer dvvinglandij tot wrake,
U straks tot onze slaven make!
En waarom zijn wij de uwe? Is Rome alléén meer waard Dan alle Volkren dezer aard?
Waarom? En met wat recht slaat gij 't heelal in banden?
Wij leefden schuldeloos. Waarom ons overheerd?
In licfelijken vree bebouwden we onze landen;
Niet slechts de ploeg past onzen handen,
Wij kweeken elke Kunst. Wat hebt gij ons geleerd?
Ook wij, Germanen, kunnen strijden,
Met moed en veerkracht. Had üw hebzucht óns verteerd, Licht zou óns de overmacht tot overwinnaars wijden.
En zonder dat de onmenschlijkheid Haar smetten zou, die wij van uw praetoren lijden, â Barbaarschheid die ten hemel schreit!
De majesteit van uwe altaren
Hebt gij er schandlijk door gehoond:
Want weet! het Godendom dat op d' Olympus troont,
Slaat van Omhoog u ga. 't Zijn gruwlen wat ze ontwaren: Hen en hun tempels minacht gij,
Gij kweekt een gierigheid, die groeit tot razernij!
Wie ge ooit uit Rome ons zendt, hun hebzucht kent geen grenzen: De schoot der aard, de hand der menschen ,
Waagt schier 't onmooglijke om hun eischen te voldoen: Vergeefs! Roept hen terug! Niet meer tot hun genoegen Wil 't volk den harden akker ploegen.
Wij vlicn de steden uit, om naar 't gebergt' te spoén; We ontwijken gade en kroost, waar wij geen stemmen hooren Dan 't huilen van den wolf en 't grommen van den beer.
DE BOER VAN DEN DONAU.
FABELEN VAN UA FONTAINE,
E L F D E BOE K. 73 1
Wij vvenschcn naar geen kindren méér,
Tot uwer knechten knecht geboren;
En die wij hebben, ach! wij wenschen dat dc dood Men wegneem' van den moederschoot Eer onze schand hun zij beschoren!
Dc meesters, die ge ons zendt, zij brengen in ons hart Ook nog de Zonde, bij de Smart:
Roept hen terug! eer ze ons door 't voorbeeld doen bezwijken Van wellust en van lediggang.
En wij, Germanen, arm maar eerlijk eeuwen lang,
In Baat- en Roofzucht u gelijken!
Want die omringen mij in Rome tred voor tred.
Wie hier niet siddert op uw wenken,
Wie hier geen schatten brengt, geen purper heeft te schenken,
Hoopt vruchtloos heil van Recht en Wet.
Die gaan den slakkengang, of slapen!... Maar ik vreeze.
Ik terg u door een taal als deze.
Ik eindig, 'k ben des klagens moe:
Heb ik den dood verdiend, sla toe!. ..»
Hij spreekt, en houdt het hoofd gebogen.
En elk bewondert, opgetogen ,
Dc groote ziel, 't verstand, de stoute zeggenskracht Van dezen Wilde, die een doodlijk vonnis wacht.
Wat wordt hij? tot den rang der Edelen verheven.
Patriciër! Die waarheidsvriend.
Dus oordeelt Rome, heeft geen andre straf verdiend!
De praetors worden uit de verre Donaudreven Teruggeroepen, streng verhoord,
Gestraft; en 's Reednaars «prachtig woord»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Werd op een perkament geschreven,
Aanstaanden Reednaars tot een voorbeeld!. .. Maar niet lang Bleef die welsprekendheid in Rome's Rijk in zwang.
732
FABEL VIII.
DE GRIJZAARD UN DE DRIE JONGELINGEN.
Een tachtigjaarge was van zins Een boom te planten. Dat vernamen Drie knapen uit de buurt. «De grijskop moest zich schamen: «Kijk, bouwen was nog wat, maar planten, hij is kindsch!» «Wel, oudtjen!« heette 't, «doe ons weten Wat vrucht ge van dien boom zult eten!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Of leeft ge mooglijk in d' Aartsvaderlijken tijd?
Waartoe een werk ter hand genomen,
Dat op een Toekomst doelt, die nooit voor u zal komen?
Uw zorge zij 't Verleen gewijd!
Betreur uw dwalingen en langvervlogen droomen,
Maar maakt geen plannen voor 't Verschiet! Die passen ons! ü, grijskop, niet!»
â quot;Die passen u noch mij!» dus liet zich 't andwoord hooien;
«Al wat de stervling sticht, komt laat, en bloeit maar kort. Onzeker is de duur van 't leven, ons beschoren:
In 't voorjaar of den herfst, geen bloem die niet verdort.
Wie zal het langst de zon zien rijden?
Wie is dit oogenblik van 't volgende gewis?
Voor 't geen ik heden zaai, zal mij de naneef prijzen:
Acht gij 't een dwaasheid in den Wijzen,
Zoo hij voor andren nuttig is?
Dat is althans een vrucht die ik terstond kan garen,
En lang na dezen nog mischien!
Zelfs kan ik op uw graf â wie weet? â nog vrij wat jaren Het lieve daglicht schijnen zien!»
De grijzaard had gelijk. Ãén van het drietal knapen Voer naar Amerika, leed schipbreuk, en verdronk. De tweede wilde lauwren rapen Waar Mavors schorre donder klonk, En kreeg, bij 't eerste schot, een kogel door de slapen. De derde, bezig zelf aan 't enten van een tak,
I
ELFDE BOEK. 737
Viel uit een boom, zóó erg, dat liij de ribben brak.
Toen heeft de grijzaard om het drietal rouw bedreven,
En op hun zerk wat ik verhaalde neergeschreven.
TEN KATE DE KABELEN VAN LA FONTAINE,
Ã3
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL IX.
DE MUIZEN EN DE KATUIL.
xVom de menschen nooit aan boord Met dat veelbeloovend woord:
«'k Weet iets aardigs, 'k weet iets wonders»!
Wat gij met verbazing hoort,
Dunkt him mooglijk niets bijzonders.... Echter weet ik één geval Dat uw aandacht trekken zal.
738
r
ELFDE BOEK. 741
Dat, ofschoon het sterk gekleurd is Als een fabel, toch gebeurd is!
Eenmaal, toen een oude tronk Voor den bijl ter aarde zonk.
Bleek zijn holte 't huis te wezen Door een katuil uitgelezen,
Vogel met zijn grijzen dosch,
Lieveling van Atropos!
Onder andren, die verholen In dien hollen boomstam scholen,
Vond men heel een muizennest.
Slecht ter been, maar vetgemest:
Want onze uil had onverdroten Hen gevoed met tarvvegraan,
Maar verminkte zóó hun pooten,
Dat zij niet meer konden gaan. Wie het tegendeel beweerde,
'k Zeg, die vogel redeneerde!
Eerst, ter jacht met goede vrucht, Vond hij, als hij huiswaarts keerde,
De eerstgevangnen steeds gevlucht: Om die schade voor te komen,
Heeft hij sedert elke muis Twee, drie pooten afgenomen â Nu bleef 't zootjen rustig thuis. Hij kon eten zonder zorgen,
D' een van daag, en d' andren morgen. Toch â die rijke voorraadschuur
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Was te rijk voor drie, vier dagen: Zooveel kon geen uil verdragen â
Daarom, goede raad was duur! Na verstandig overleggen,
(Bijna menschlijk, zou ik zeggen!) Nam de katuil dit besluit:
In het leven Blijv' mijn buit:
'k Zal mijn muisjens te eten geven!»
Zeg nu eens. Cartesiaan!
Ziet ge onze uil, na zulk een voorbeeld,
Langer voor een uurwerk aan, Werktuig, dat noch denkt noch oordeelt? Welk een springveer, zoo gij 't weet. Dreef haar aan tot wat ze deed?
Rede ontzegt gij haar, zoo 'k vreeze:
Zeg mij dan wat Rede heet!
Was haar logica niet deze:
't Volkjen, dat ik vang, ontvliedt: 'k Moet ze dus bij 't grijpen kraken
Al te maal.... Dat kan ik niet:
'k Moet ook voor de toekomst waken,
Iets bewaren! 'k Moet ze voên Zonder dat ze mij ontsnappen.
Hoe? Wel, 'k zal, om dat te lappen, Van hun pootcn hen ontdoen!». . ..
'k Eindig met een tweetal wenken:
Werd ooit zaak bij óns geslacht
742
ELFDE BOEK. 743
. ^
Knapper tot een eind gebracht? En, in de eedle kunst van Denken, Gaven Aristoteles En zijn aanhang beter les?
744 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
E P I L O O G.
Dus zocht mijn Muze, aan d' oever van een vliet, In godentaal het spreken weer te geven Van allerlei gedierten die er leven.
En wien Natuur van stem voorziet.
Ik was alzoo de tolk van velen,
Die 'k, als acteurs, op mijn tooneel liet spelen.
Want alles spréékt in 't wijd heelal.
Elk in zijn taal. Als nu mijn helden mij verweten.
Dat ik hun geest niet altijd gants-en-al Heb uitgedrukt, en geen model mag heeten,
Toch zou ik nog de wegbereider heeten
Voor wie, na mij, dit pad betreden zal. Gij, troetelkroost der spitsche Negelingen!
Voltooit mijn werk! geeft menig goede leer Die ik vergat, in uw verdichtsels weer!. . .
Maar ik bedenk, gij hebt genoeg te zingen: Het oorverdoovend krijgsgedruisch, De worstling der twee groote volken. De bloedwalm, stijgend tot de wolken.
Maar zacht doorstraald van 't Roode Kruis!
EINDE VAN HET ELI'DE BOEK.
:
1
i !
II :
11
i^JÃÃM
I Bl^^l
. :
FABEL I.
DE MEDGEZELLEN VAN ULYSSES.
Ulysses' makkers, na tien jaren van ellende,
Ten spel van wind en ^olf, onzeker van hun lot, Betraden tot hun vreugd den vasten wal in 't ende. Het rijk van Cireé, telg van d' ouden Zonnegod. Die tooveress' sehonk hun een beker, wiens gehalte Een hemelnektar scheen, maar 't was een boos venijn: Eerst roofde hun die zvvijmelwijn
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Jt Verstand, cn weldra werd hun aanschijn en gestalte Verdierlijkt. Zoo krioelden daar Leeuw, beer en tijger door elkaar!
De een droeg een reuzig lichaam mede Gelijk een olifant: een beestjen werd een tweede
Niet grooter dan een mol. Ulysses was 't gevaar Alleen ontsnapt: hij wierp het valsch vergift ter aarde.
Hij had niet slechts verstand voor zes.
Maar daar hij heldentrots met welbespraaktheid paarde, Gebeurde 't, dat de tooveress'
Een zoet vergif dronk uit zijne oogen,
Geduchter dan het hare in wondervol vermogen.
De zedigheid legt geen godes Het zwijgen op: zij mocht haar liefde vrij ontdekken. En deed het ook. Maar onze vriend,
Natuurlijk, was te helderziend.
Om hiervan geen partij te trekken.
«Sta toe, schoon nymfelijn! zoo 'k gunst gevonden heb, «Dat ik mijn Grieken tot hun ouden vorm herschepp'!»
â «Maar zullen zij 't begeerlijk vinden? «Kom, vraag het aan de kudde!» Ulysses gaat, en zegt; «Herstelling is u weggelegd:
«Wilt gij weer menschen worden, vrinden? «Zoo andwoordt? reeds de spraak geeft u de nymf weerom!» De leeuw â hij meende nog te brullen â
Sprak: «Neen, Ulysses! niet zoo dom !
Aanschouw de manen die mijn fieren kop omhullen.
Aanschouw mijn klauwen en gebit.
Ik kan mijn vijanden verscheuren lid voor lid!
748
r
DE METGEZELLEN VAN ULYSSES.
TWAALFDE BOEK. 751
En zulke gaven zou 'k verzaken?
'k Ben nu een koning, en wat zou ik worden? bah! Een burgertjen van It ha ka,
Ja, mooglijk zoudt ge wel mij tambour-maitre maken!»
Nu ijlt Ulysses naar den beer:
«Wel, broêr! wat ziet-ge er uit! gij waart zoo schoon weleer!»
De beer hervat op zijne wijze:
â «'k Ben wat een beer moet zijn. Wat baat het of men al
Bij voorkeur één gedaante prijze?
Is uw kritiek bevoegd? Gelooft gij bij geval.
Dat mijn beerinnetjen die onderschrijven zal?
Mishaag ik u, vertrek! Wat toont ge u dus verwonderd? Ik leef hier vrij en blij, ik weet van geen verdriet: Eén woord, mijnheer, zoo goed als honderd,
Verandren wil en zal ik niet!»
Nu gaat de Grieksche prins den feilen wolf begroeten.
Ook op gevaar af van een nieuw refus te ontmoeten. Hij spreekt: «Wel, kameraad! dat is niet naar mijn zin, Dat gij een schoone herderin Van droefheid schreien doet en jammren, Als moordnaar van haar liefste lammren.
Hoe gaarne hebt ge in vroeger tijd Haar en haar schaapjens ten beschermer u gewijd!
Toen leiddet gij een deugdzaam leven.
Verlaat dit woud, en word, nu 't nog geschieden kan, In plaats van wolf, weer eerlijk man!»
â «Bestaat die?» grijnst de wolf: «och, toon hem mij dan even!
Gij zegt, ik ben een moordenaar:
Maar gij, wat zijt gij dan? slacht gij misschien geen schapen?
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zou 'k min bloeddorstig zijn zoo 'k uws gelijke waar'? Vliegt gij misschien niet om een kleinigheid te wapen?
Zijt gij elkanders wolven niet?
'k Meen, alles wèl beschouwd, wanneer men toch móet kiezen Als men twee schelmen voor zich ziet,
«
Nog liever wolf dan mensch! Mijn wolvenaart verliezen? Dat wil en zal ik niet! â Dus ging Ulysses rond:
't Was 't eigen andwoord dat hij vond,
Zoo bij de grooten als de kleenen,
Het woud, de vrijheid en het volgen van hun lust. Was aller hoogst geluk. De deugd bewoog niet éénen.
Al 't edel vuur was uitgebluscht.
De driften deden hen in heur gareelen draven:
Zij waren, schijnbaar vrij, de erbarmelijkste slaven!
7S:
T W A A L F DP: BOEK. 753
FABEL II.
Dli KAT EN DE TWEE MUS SC II EN.
't JViuschjen van der jeugd af aan Had met poesjen omgegaan.
Kooi en mand der beide vrinden Kondt ge in 't eigen hoekjen vinden: Menigmalen stoeide 't paar,
Kat en vogel, met elkaar, 't Muschjen was een pikkersbaasjen,
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Scherp van snavel, maar Pegaasjen Recht geduldig, zacht van zin,
Hield de nagels altijd in,
Met de fulpen pootjens aaiend,
Of alleen het staartjen zwaaiend.
«Oude makkers,» was haar woord, «Zijn zoo maklijk niet verstoord.» Alzoo ging hun dartel spelen Nimmer over in krakeelen.
Eens â daar werd hun onverwacht Door een buur bezoek gebracht. Ook een musch! Dat was een kwettren. Piepen , tjilpen, schaatren, schettren â Krieuwen toen: in wilden waan Vloog de musch ons muschjen aan. «Wat!» zei poes, «gij snaak der snaken, Komt gij hier een standtjen maken? Op mijn vriend hebt gij 't voorzien? Straks verslindt gij hem misschien! Niet alzoo, bij alle katten!»
De arme vreemdling voelt zich vatten Bij een vlerk; hij is gekraakt! «Wel,» zegt onze poes, «dat smaakt! 'k Heb dat nimmer zoo geweten, Musschen zijn een heerlijk eten!. .. Hap!» Ons muschjen volgt weldra D' armen buurman achterna....
Moet ik nu nog demonstrceren
754
1
TWAALF D E BOEK. 755
--------------------
Wat deez' fabel geeft te leeren?
Onder andren: wat, mijnheer,
Is nog sterker dan de leer?
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL III.
DE POTTER EN DE AAP.
Een Ouidaui potte'. Nu, dat soort liefhebberij Gaat somtijds over tot volslagen razernij.
Ons heerschap droomde alleen, bij slapen of bij waken. Van Geld. Maar wat is Geld dat niet gebruikt wordt? Rook! De snaak woonde op een smallen strook In zee, waar onbemerkt geen dief hem kon genaken.
Daar zat hij met een vreugd, die ik ellendig acht.
756
r
J
V
TWAALFDE BOEK.
Maar waar ccn maagre vrek naar smacht,
Zijn goud te streelcn dag en nacht.
't Was tellen en weer overtellen,
Want â dit begon hem toch te kwellen â
Steeds kwam er iets te kort. Geen wonder! Van der Schraap Bezat een extra-grooten aap,
Die, wijzer, dunkt mij, dan zijn meester, menigmalen Een goudstuk uit het venster smeet.
Waardoor 's mans reekning dan moest falen â
Iets dat hem vruchtloos peinzen deed.
Want immers, stond ook 't geld op tafel, zonder sluiten Der deur op 't nachtslot, ging de schrapert nooit naar buiten!... Eens, in zijn eenzaamheid, kreeg onze Sim plezier De zee een beetjen te verrijken.
Als ik 't plezier van aap en baas moet vergelijken,
Dan weet ik nauwlijks wie de palm haalt, mensch of dier In 't oog van sommigen zou denklijk de aap het winnen. Om reednen die ik hier wel niet hoef uit te spinnen.
Genoeg! het booze beest kreeg 't in den zin eenmaal Te grijpen in den hoop van 't edele metaal.
't Was nü een guinje, dan een tientjen wat hij pakte En wegkeilde in de zee, ten spot Van Mammon, d' aangebeden God,
Naar wien, alle eeuwen door, de heele waereld snakte.
En had niet, juist bij tijds gestoord.
Onze aap zijn meester aan de kruk der deur gehoord.
Van al de louis dor en blinkende dukaten.
Geen die hij over had gelaten!
't Ware al verdwenen in den vratige' oceaan.
757
/
758 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Waar zooveel vloten zijn vergaan.
De hemel moge ons steeds voor financiers bewaren, Die of dit aapjen of zijn meester evenaren 1
FABEL IV.
DE TWEE WILDE GEITEN.
IN auwlijks heeft ccn wilde geit Zeker plekjen afgeweid,
Of, door vrijheidszucht gedreven, Zoekt zij zich een ander oord,
Door geens menschen voet gestoord. Op een rotstop, hoog verheven, Aan eens afgronds steilen boord,
760 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
.
Tusschen dennen en abeelen,
Dartelt zij met haar gespelen.
Nu, twee geiten van dat slag Klommen op een zeekren dag Uit de lage wei naar boven ,
Ieder van een andren kant, Springende over steen en kloven
Naar elkaar tot â aan den rand Van een bergstroom, onbctembaar Nederbruisehend, ondoorzvvembaar!
Zie, een brug! maar och, zoo smal, Dat zij zelfs geen tweetal ratten Naast elkander kon bevatten.
Weêrszij van den waterval Staan in 't eerst onze Amazonen.
Maar o schande, vrees te toonen! De ééne zet reeds fier en vlug 't Witte pootjen op de brug; De andre volgt straks, welbesloten,
't Voorbeeld. Lezer! is het niet, Of gij Lodewijk den Grooten
Flips den Vierden naadren ziet Op het eiland der Faizanten 1)?
Even moedig, nadert daar 't Romanesk heldinnenpaar
1
1 Iel I'.tland der Paizunlcn ligt in de rivier de Bidassoa, die Frankrijk van Spanje scheidt. Daar werden in 1660 de vredesonderhandelingen gehouden tusschen Lodewijk XIV, bijgenaamd de Grootc, en I'll,U'S IV, koning van Spanje, zoudat liet dun ook sedert den naam draagt van /VA' dó la Confcrcncc,
DE TWEE WILDE GEITEN.
t vv a a l f l) e b ü e k. 763
Tot de helft der brug elkaar â De afgrond dreigt aan beide kanten, Niemand harer wijkt een voet.
Zijn ze niet van aadlijk bloed? De ééne een nanicht van die geit, Die, naar 't geen 't Geschiedboek zeit, Polypheem zijn Galathea
Vriendlijk ten geschenke gaf? En stamt niet die andere af Van die puikgeit Amalthea,
Die de minnemoer mocht zijn Van Jupietjen, nu Jupijn?
Wijken? Nooit! Zij storten neder â Straks in 't bruischend diep vergaan.
Op Fortuna's enge paan Keert dit voorval telkens weder.
764 DE FABELEN VAN LA FONTAINE,
.
FABEL V.
DE OUDE KATER EN DE JONGE MUIS.
Zeker muisjen, groen als gras, Meende dat het mooglijk was, Met wat praatjens en wat beden D' ouden kater te overreden.
«Gun toch, eedle Rattenstrik! 't Leven aan een diertje' als ik. 'k Ben zoo klein: wie zou mij vreezen?
J
V.
twaai.de boek.
Wien zou ik hier lastig wezen? Zou mijnheer, mevrouw, of gij. Honger lijden ooit door mij ?
'k Heb genoeg om van te leven Aan een graankorl zes of zeven!
Is mijn honger nog zoo groot,
'k Puf reeds van één hazelnoot! Nu ben 'k mager nog en teertjens,
Spaar mij voor de jongeheertjens!
Later smullen zij aan mij Als een ware lekkernij.»
Dus het muisje in katers klauwen.
Maar de kater sloeg aan 't mauwen: «Of ge al mooie woorden giet, 'k Luister naar uw praatjens niet.
Even goed, wil dat gelooven,
Kondt gij zingen voor een dooven.
Oude kater zijn of kat.
En meelijdend â rijmt ge dat?
Neen! en daarom sterf-je, muisje'!
Naar den Acheron verhuis-je:
Mooglijk zal het â spreek ze eens aan! â Bij de Parken beter gaan,
't Zal mijn kindren, naar ik reken, Wel aan eten nooit ontbreken!»... 't Muisjcn stierf! o ongeneucht!
En wat les geeft hier de wijsheid ?
766 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Onafschrikbaar hoopt dc Jeugd, Onverbidlijk is de Grijsheid.
FABEL VI.
H E T Z 1 E K E H E R T.
In zeker land, krioelende van herten,
Werd zeker hert gevaarlijk ziek. Hen schaar Bezoekers kwam, tot weering van 't gevaar Des kranken, of vertroosting zijner smerten.
Maar zooveel volks heeft louter kwelling in. «Ach,» sprak het hert,» laat mij met vree, meneeren! Laat over mij de wijze Schikgodin
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Beschikken, en houdt op met latneHteeren/»
't Hielp niet met al â de Vriendschap liet niet af, Zij zou haar plicht, hoe droevig, niet verzaken.
Maar blijven, trouw â tot aan het grafl ... De «Vriendschap,» midderwijl, liet zich het goede smaken,
Dat is: de vrienden al te maal,
Zeer hongrig, graasden 't grasveld kaal.
Zoodat het arme hert, toen hij zoo wat herstelde,
Met graagen mond.
Geen spijze vond â
't Gevolg was dat de hongerdood hem velde.
O ongevraagde helpers! gij.
Zoo gul met lijfs- of zielenartsenij,
Gij laat den lijder duur betalen.
O tijden en o zeen! â Vergeefsche litany! De heelc waereld komt om iet of wat te halen.
HET ZIEKE HERT.
97
TRN KATE, DR KABBLEN VAN LA FONTAINE.
FABEL VII.
DE DORENSTRUIK, DE VLEERMUIS EN DE EEND.
Een dorenstruik, een vleermuis en een eend,
Die, elk voor zich, vrij goed hun zaakjens dreven,
Besloten, tot een vennootschap vereend,
In 't groot te doen. Gezegeld en beschreven Werd hun contract. Coniptoiren hadden zij,
Factoren en agenten nog daarbij,
«Hoogst-ijverig en hoogst-bekwaam daarneven».
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Men hield er met een vlugge hand Journaal en Rekening-Courant,
Copy- en Groothoek, dikke boeken.
't Ging alles wel, tot, op een morgenstond, Hun kapitaal, ik weet niet in wat hoeken,
In 't pitjen van de zee verzwond,
Waar quot;t in den Tartarus een stille bergplaats vond. Ons trio barstte los in vruchtelooze klachten,
Of liever, neen! zij klaagden niet;
Daarvoor zal zich de kleinste koopman wachten â Hij zwijgt van zijn verlies tot redding van 't crcdiet! Nochtans, 't verlies dat onze vrienden leden,
Behoorde kort tot 's lands verborgenheden:
't Was hopeloos! â Wél eischte 't moed.
Maar 't moest er uit, het aaklig woord: «Bankroet!» Geld en crediet, zij brachten 't al ten offer:
Geen uitzicht dan de groene hoed! *)
Geen rentenier ontsloot zijn koffer;
En crediteur en procureur Die zich verdrongen voor de deur,
Proces-verbaal, Profest, artikels in de kranten.
Benauwen hen van alle kanten ....
Ach, de eischers hadden 't meeste vat Op d' armen dorenstruik: hij scheurde hun de kleêren, En snikte: «Zegt mij toch, mijnheeren,
) Ten tijde van La Fontaine bestond er voor een insolvcnten schuldenaar de mogelijkheid om van de gevangenis vrij le komen: hij moest «faire cessiond. i. dulden dat men hem op de openbare straat een groenen hoed op het hoofd zette. Dit middel om iemand door de schande van de straf te bevrijden, was van Italiaanschen oorsprong. â Zie lioiLEAü's aanteekening op vs. 15 van zijn eerste Satire. Voorts: Pasquier, Recherches, iiv. IV, ch. X.
772
r
TWAALFDE BOEK.
Waar in de diepte schuilt mijn schat?»
Onze eend dook in den vijver neder,
Of daar misschien de mammon zat,
De vleermuis toonde zich bij klaren dag niet weder,
Maar school, alom vervolgd, in kluis en schoorsteengat.
'k Weet menig debiteur in dit bedroefd Beneden,
Wel juist geen dorenstruik, geen eend, of vledermuis, Noch in dezelfde omstandigheden,
Maar Jonker of Baron, die, daaglijks nagereden,
Den beerenklauw ontsnapt door de achterdeur van 't huis!
773
/
FABEL VIII.
DE STRIJD VAN HONDEN EN KATTEN, VAN KATTEN EN MUIZEN.
De Tweedracht heeft altijd op 't waercldrond geheerseht. Exempels zonder tal bewijzen dit om 't zeerst:
't Moet al dier Godheid schatting geven.
Ziet de elementen, allereerst,
Elkander rustloos tegenstreven!
Lucht, aarde, water, vuur, zijn vijanden altijd.
Behalven die vier potentaten,
774 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
TWAALFDE BOEK.
Wat schcpslcn die elkander haten,
Voor eeuwig met elkaar in strijd! â
Daar werd eens een verblijf gevonden,
Waar vrede heerschte bij de katten en de honden,
Want wee dengeen die zich vergreep!
't Was al, naar 's meesters wet, aan werk en spijs gebonden; Wie ruzie maakte, kreeg de zweep!
Zoo leefden die strijdlustige naturen Als broêrtjens bij elkaar, tot stichting van de buren.
Maar 't duurde kort! een bout, een been.
Hén der partijen méér geschonken.
Wist de andre in razernij te ontvonken,
En â ijlings vlood de vrede heen 1 Een oud geschiedboek meent, de Tweedracht was gerezen Ter zake van een brok, aan Fylax toegewezen.
Die voor het eerst in 't kraambed lag.
Genoeg! heel 't huis weerklonk van kreten en geklach.
Daar elk zich vóór zijn kat of vóór zijn hond verklaarde!
Men maakt een Reglement; er werd gehumd, gehemd, Een oude kater zei dat hem dit stuk bezwaarde,
«Een adder school in 't gras» : toen werd het afgestemd. Men moest, dacht de advokaat, eens netjens na gaan pluizen Wat in de arresten van 't jaar zóó-en-zóó-veel stond: Men zocht de arresten, en wat meent ge dat men vond? Een hoopjen scheurpapier, doorknabbeld van de muizen! Dit deed een nieuw proces ontstaan:
Hoe greep de bleeke schrik het muizenvolkjen aan! De katers, die toch al haar nimmer mochten lijden.
775
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Begonnen nu onze arme muis Van alle kanten te bestrijden,
Zeer tot genoegen van den meester van het huis.
'k Herhaal nu wat ik zei: Geen schepsel hier beneden,
Wat, waar en hoe dan ook, of 't heeft zijn weerpartij. Een wet is 't der Natuur! Wat zoekt gij naar de reden?
Al 't scheppingswerk is goed, dit enkel weten wij! Ja, nog iets weet ik ook, dat al dat harren warren
Meest plaats heeft om een niets, een nesterij, een schijn. En dat er kinderen en narren Van zestig jaar en â ouder zijn!
776
FABEL IX.
I) E W O L F EN DE VOS.
ï^cintjcn sprak dus Grimbaard aan: «Lieve vriend! zoo'n ouden haan Of zoo'n taaie kip te kraken, Is verveelend voor een dier.
Gij weet altijd goeden eier Met veel minder zorg te maken.
Als i/c schuw in 't ronde zwerf Op een erf,
Stroopt £// in 't vrije.
Leer uw edel handwerk mij, Kameraad, dien ik benijë!
T W A A L F D E H O E K. 777
TEN KATE DB FABELEN VAN LA FONTAINE.
778 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dat ik 't eerste vosjen zij,
Wiens fijn tongetjen moog' weten, Hoe een schapenboutjen smaakt! Als gij mij gelukkig maakt,
Nooit zult gij me ondankbaar heeten'»
Grimbaard zei: «Dat wil ik wel. Jk Heb daar juist een broer verloren:
Kleed u daadlijk in zijn vel!
Goed. Nu moet gij verder hooren,
Hoe ge best den herdershond Van de kudde weg kunt lokken!»
't Looze Reintjen heeft terstond Brocrtjens wolfshuid aangetrokken, En wat meester had gezegd,
Trouw beproefd: eerst lukte 't slccht. Toen wat beter, straks volkomen.
Nauwlijks is hij dus volleerd,
Of een kudde wordt vernomen,
Die al klinglend huiswaards keert. Onze wolf, hoezeer nieuwbakken.
Kwijt zich prachtig van zijn rol. Vaardig 't vetste schaap te pakken
In zijn wol,
Da;ir zich angst en schrik verspreiden Door de kudde, door de weiden. Dus ook, met het wapenkleed Van Achilles toegereed.
Deed Patrocles Troie beven:
Vrouwen, kindren, dichtgeschaard,
TWAALFDE BOEK.
Al wat zwak was of bejaard, Stroomde, door de vrees gedreven,
Tempelwaart!...
't Blaetend heir, den dood in de aadren. Ziet wel vijftig wolven naadren:
In een overhaaste vlucht Spoeden hond en kudde en wachter Zich naar 't allernaast gehucht, â Maar één schaapjen laten ze achter.
Daar valt onze dief op aan;
Doch op eens, op weinig schreden
Afstands, hoor! daar kraait een haan. Rein vergeet zijn wolventreden,
Denkt aan schaap noch meester meer. Schudt zijn jachtbuis van de leden, En werpt op den haan zich neer!
't Is al duizendmaal gebleken,
't Baat niet of men zich vermom*: De oude gang en de oude treken Keeren, een-twee-drie, weerom!
779
FABEL X.
DE KREEFT EN HARE DOCHTER.
Dc Wijze zet somtijds gelijk de kreeft zijn schrede:
Dat 's achterwaards, den rug naar 't havenhoofd gekeerd. Dat is dc schipperskunst, dat is de krijgslist mede
Van hem die 't wit ontveinst, zoo vuriglijk begeerd, En naar een andren kant zijn oogen houdt geslagen, Om daar, ver van zijn doel, zijn vijand heen te jagen. Zoo doet een wakker generaal:
TWAALFDE BOEK.
78
/
\
Zijn voorwaardsrukken en zijn deinzen,
Of 't waarlijk meenens is of veinzen,
Het blijft mysterie al te maal,
Dat uitloopt op de zegepraal.
r #
Eén Jupiter, door zijn strategiesch inanocitvreercn, Kan honderd goden overheeren.
Eens sprak mevrouw de kreeft aldus haar dochter aan:
«Foei, kind! wat loopt ge dwaas, naar aehtren, niet naar voren!» â «Wel moeder,» liet zich 't antwoord hooren, «Hoe toch loopt Uwé dan? ik heb ü nagedaan!
Daar is nog nooit een kreeft geboren,
Die niet verkeerd ging â 'k vraag waarom ik recht zou gaan ?»
Het kreeftekind heeft recht geoordeeld.
Daar is een kracht in 't huislijk voorbeeld, Die onweerstaanbaar is, zoowel bij Goed als Kwaad, Die, beide, wijzen maakt en dwazen:
De laatsten 't allermeest: wat niemand kan verbazen.
Die iets van 's waerelds loop verstaat.
Wat nu betreft dat retireer en,
Ik kom er op terug, 't Is nuttig dat te leeren,
Vooral zoo ge u den dienst van Mavors hebt gewijd:
Maar â 't moet geschiên ter rechter tijd!
782 DE FABELEN VAN LA FONTAI'NE.
' U A
-
FABEL XL
DE AREND EN DE EKSTER.
V riend Gcrrit de ekster, en de machtige Adelaar, De Luchtmonarch, van aart en taal en geest verscheiden. Zoowel als van kleedij, doorwandelden de weiden,
En kwamen in een hoek toevallig bij elkaar. De snapper werd benauwd; maar de arend, die zoo even Met smaak gegeten had, zei: «Laat ons samen gaan! Ge hoeft zoo aak lig niet te beven.
â I
^hB
mmmmmmmsmm.
èrwM mmm
TWAALFDE BOEK. 785
U wordt volstrekt ^ecn kwaad gedaan:
Indien de God der goon zich somtijds moet verveelen, Hij. die 't heelal regeert, mag ik hetzelfde doen,
Ik, die zijn dienaar ben. lien ekster van fatsoen Moet zijn vernuft wat laten spelen:
Kom, amuseer mij!» ... En ons Gerritjen aan 't snappen, Van dit, van dat, en zóó, en zus!
De kaerel van Horatius,
Die mooi en leelijk wist te klappen, 1)
Kon niet in eksters schaduw staan.
Hij bood den koningsvogel aan,
Om overal in 't rond de nieuwtjens op te sporen, Hem dienende als spion, â voorwaar. Een prachtige spion, zoo'n eeuwge babbelaar!
Althands zijn voorstel mocht onze' aadlaar niet bekoren; Zijn Majesteit zei, rood van toren:
«Gij in mijn dienst? Verwaande gek!
Wat deed ik aan mijn Hof met zulk een wauwelbek? 'k Schat uw karakter gantsch verachtelijk: vertrek!» En de ekster ging, op hooge poten.
Zeer blij: het hachjen was er haast bij ingeschoten!
Benijd hem nimmer, die de woning Van aardsche goden binnengaat.
Een eere is 't, die hem vaak op duizend angsten staat. Napraters, snufflaars, liên met lippen louter honing
TEN KATK, DE KABELEN VAN LA FONTAINE
9(J
1
« Diccnda, taccuda, locutiis.» Hor at., Lib. I. Epist. VII.
786 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En alsem in de ziel, zijn doorgaands daar gehaat, Al moeten allen die daar wonen,
Als de ekster, te gelijk zich zwart en wit vertoonen. 1)
1
Zoo als men weet, is de ekster /.wart, met uitzondering van de borst en de zijden, dit wit zijn. La Fontaine doelt op de tegenstrijdigheid in woord en daad bij de hovelingen.
FABEL XII.
DE KONING, DE WOUW EN DE JAGER.
Is goedertierendheid der Goden hoogst vermaak, Het zij der Vorsten lust hen daarin na te streven: Hun grootste voorrecht is: de zoetheid van 't Vergeven, En niet de wellust van de Wraak!
Een man, geweldig in het jagen.
788 DE FA HELEN VAN LA FONTAINE.
Ving in zijn steenrotsnest een levendigen wouw. *)
't Stond vast, dat hij zijn vangst naar Sire brengen zou, Wien zulk een zeldzaam dier voorzeker moest behagen.
De vogel, door den man in alle needrigheid Den koning aangeboón â mag men 't verhaal vertrouwen â Grijpt aanstonds met de beide klauwen Den neus van Zijne Majesteit.
«Hoe nu, des konings neus?» Ja, heeren en mevrouwen! Den neus des konings in persoon.
«Maar droeg de koning dan geen scepter en geen kroon?» Dat had' niet veel gebaat: de vogel acht ze om 't even. Een konings- of een boerenneus.
Hoe 't gantsche Hof, door schrik gedreven, Een rauwen gil gaf, kan naar waarde nooit beschreven!
Alleen de koning zweeg, en bleef majestueus.
De wouw â bleef op zijn post, en liet zich niet bewegen Tot korting van 't bezoek. De jager, doodverlegen.
Roept, schreeuwt, toont lokaas hem en vuist. Men vreesde, dat de wouw, spijt dreigingen en klachten
Vóór morgenochtend niet verhuisd.
Daar, op dien heilgen neus, zou blijven overnachten!
Geweld beproeven zou al licht Hem prikkien... . Eindlijk toch verliet hij 't aangezicht Des konings, die alsnu voor 't eerste zich deed hooren.
Zeer kalm: «Men late decz' wouwwouvv En dezen jager, die mij régalccren zou,
â¦) De zoogen.iamfle lammerdief, uwmv, of womvwomv^ (bij verdubbeling, even als men koekkoek zegt) naar zijn kreet aldus genoemd. Zie Uildkrdijk's Geslachtlijst^ bi. 286.
I
T WAALDE BOEK. 789
' ^
Vertrekken, zonder hen te storen.
Zij zijn hun plicht getrouw geweest,
Elk in zijn stand, van boer of beest.
lin Mij aangaande, 'k weet hoe vorsten zich gedragen:
'k Heb hen van alle straf ontslagen!»
Heel 't Hof aan 't juichen! Al de chainbellans, verplet,
Bewonderen een deugd, die zij zoo noó betrachten.
Die â menig koning zou verachten.
De jager dankt de goón; zijn leven is gered!
Zijn en zijns vogels schuld was, dat zij niet bedachten Dat zich zoo dichtebij geen koning naadren laat:
Was dit voor buitenlui nu ook zoo'n vreeslijk kwaad?
Intusschen mag ik niet verzwijgen Wat Pilpay meent,
â De Auteur, aan wien mijn fabel is ontleend â
En wat des konings daad in waarde niet doet stijgen:
Dat hij, gelijk Pythagoras,
Een volger van de Leer der Zielsverhuizing was â
Dat hij dus reden had te vreezen Wouwwouw mocht al-te-met een oude krijgsheld wezen, Een Cyrus of Napoleon,
Die morgen, mensch op nieuw, zich duchtig wreken kon. â
Maar 'k heb dit voorval nog op andre wijz' gelezen.
79° DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Die lezing luidt: Een valkenier Ving een wouwwouw, een zeldzaam dier. In 't leven zou hij 't dier bewaren:
Het moest den koning thuis gebracht, â 't Gebeurt ééns in de honderd jaren,
't Is 't non-plus-ultra van de jacht!
De jager, heet, bezweet, gedreven Door ijver of het ging om 't leven,
Is ijlings naar de stad gcvloón,
Dringt door den hofstoet heen tot vóór des konings troon: Daar, meent hij, wordt hem 't diere loon Voor zulk een aarts-geschenk gegeven.
Maar wouw had nog iets schuws, iets bleu's: Klapwiekend slaat hij zijn klavieren
Den armen jager in den neus.
Vergeefs is 't, hoe de man mag tieren â
De koning en heel 't hof, zij lachen dat ze gieren!
'k Had ook gelachen. Waarom niet? De Goon-zelfs doen het graag. Jupijn, die bliksemstralen Van onder 't borstelruig der wenkbrauwboogen schiet. En al de Olympiërs, zij lachen menigmalen,
Ja, zelfs â Homeer, Maeoonsche zwaan!
Niet waar, gij kunt de waarheid staven? â Men schaterlachte zelfs, als hinkende Vulkaan
Met nektar 't Hemelvolk kwam laven!
Maar daargelaten wat Homerus ons verhaalt,
'k Ben van mijn onderwerp met opzet afgedwaald.
Want, nu men steeds moraal in fabels blijft begeeren. Wat nieuws kan ons de ramp van dezen jager leeren?
TWAALFDE 15 O E K.
791
! '
Ãén ding, dat ik u zeggen zal: Men vindt aan 't Hof en overal Meer zotte jagers dan toegefelijke heeren!
mm
FABEL XIII.
DE VOS, DE VLIEGEN EN DE EGEL.
J
R.eintjen wentelde op den grond, Door des jagers schot gewond, Rn zijn bloed, geducht aan 't vlieten,
Lokte een gantschen zwarreldrom Van gewiekte parasieten,
Booze vliegen, van alom. Hij beschuldigde al de goden,
TWAALFDE BOEK.
Vond het bijster wreed van 't Lot, Dat het zulk een plonderrot Op zijn dierbaar bloed dorst nooden.
«Wat! mij tot die sehand gedoemd, Mij, alle eeuwen door hoofdzaaklijk Om mijn vluggen geest beroemd,
Maar mijn vleesch, wie vond het smaaklijk? Waartoe dient mij nu mijn staart.
Last die nutloos mij bezwaart?
Weg, gij vliegend wangebroedsel,
Kies een plomper prooi tot voedsel!»
Zekere egel â nieuwe held In mijn drama! â vol meelijden.
Kwam tot redding aangesneld.
«'k Zal,» zoo sprak hij, «met geweld Van die plagers u bevrijden;
Bij dozijnen rijg ik hen Aan mijn scherpe stakkelpen!» â «Neen,» zei Rein, «dat zou de ellenden
Maar verhoogen, kameraad!
Laat ze hun diner volenden!
Deze dieren zijn verzaad:
Doodt ge hen, bij tiendozijnen Zal een nieuwe zwerm verschijnen,
Tot een tienmaal erger kwaad!»
Vele groote en kleine heeren,
Die op andrer beurzen teren,
793
V___________________________________________________________________________
100
TEN KATE DE FABELEN VAN LA FONTAINE»
794 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Parasieten zonder tal,
Vindt gij in dit tranendal: Hovelingen, magistraten, Procureurs en advocaten.
Wat niet al?
Maar zijn zij eenmaal dik gegeten, Min kwaadaardig zijn hun beten.
FABEL XIV.
DE MIN E N DE DWAASHEID.
Wel is de dartle Minnestokcr Hen raadsel! vreemd, zijn jeugd, zijn boog en pijlenkoker. Zijn fakkel, heel zijn doen! Wie heeft hem gants verstaan? Hem u verklaren, neen! daar waag ik mij niet aan.
Ik wil alleen maar u doen hooren,
Hoe deze kleine blindeman (Een Goodtjen 1) de oogen heeft verloren,
79Ã DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
En wat gevolgen zijn geboren Uit deze ramp, die best een zegen heeten kan. 'k Wil daaromtrent niet eenmaal gissen: Een minnaar moge 't pleit beslissen!
De Dwaasheid en de Min, aan 't spelen,
(De laatste zag nog in dien tijd)
Geraakten eindlijk aan 't krakeelen.
De min sloeg voor, 't gesehil den goden mee te deelen.
Maar de ander werd verwoed van spijt,
En gaf hem zulk een slag op de oogen,
Dat zij hem 't lieve licht voor immer derven deed.
Vol schrik kwam Venus aangevlogen:
Een vrouw, een moeder, gij kunt denken hoe ze kreet! Zij schreeuwde om wraak, zoo luid, dat goón en godenzonen. Dat Jupiter en Nemesis,
Dc Rechters van de Hel, al wat Onsterflijk is.
Te beven zaten op hun troonen.
Zij schildert hun de ramp in al haar ijslijkheid:
Haar lieve kind moest met een stok gaan heel zijn leven! Geen straf, hoe fel, kon uitgeschreven,
Te zwaar voor zulk een gruwelfeit. En schavergoeding, ja, ook die nog moest gegeven!
Eang overwoog men wat het best was voor partij,
Voor 't algemeen belang daarbij.
Toen werd het vonnis door den Hoogen Raad gewezen:
TWAALFDE BOEK. 799
-----
't Was: «Dat de Dwaasheid,steeds nadezen Den Minnegod tot Leidsvrouw zij!»
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
FABEL XV.
DE RAAF, DE WIEDE GEEF, DE SCHIEDPAD
EN DE RAT.
De raaf, de wilde geit, de schildpad en de rat Bewoonden 't zelfde huis. O toppunt van hun wenschen! Zij waren verre van de stad,
Beveiligd voor den haat des menschen. ^
Des menschen? Ach, waar klopt des menschen hand niet aan? Schuil in woestijn of waterkolken,
In 't hart der aarde, of in de wolken.
8oo
Sot
quot;A
Zijn valstrik kunt gij niet ontgaan!
Het wilde geitjen was aan 't grazen in de weide, â
Op eens, wat snuffelt en wat snuift daar voor een dier? Een hond, een werktuig van het incest barbaarseh plezier,
Dat ooit een stervling zich bereidde.
Het geitjen neemt de vlucht. Des middags zei de rat: «Wij zijn van daag maar met zijn driën aangezeten:
Hoe komt dat? wat beteekent dat?
Heeft ons het geitjen reeds vergeten?»
Toen riep de schildpad: «Als ik rave werd gchecten En zulke vlugge vleugels had,
Ik vloog en zou wel spoedig weten Wat onheil geitjen is geschied,
Zegge: onheil â aan haar wil of hartjen ligt het niet!» De raaf vliegt ijlings weg op klepperenden veder:
Daar ziet hij 't geitjen in den strik!
Hij werpt één blik.
En keert ontzet naar de andren weder! â
Wat voor een: «ÃVddr, ivannéér, kwaamt ge zoo droef te land ?» De vragen van een sehoolpedant.
Was hij te wijs. Hij geeft den vrinden Terstond verslag van zijn bevinden.
Men raadpleegt saam'. Twee achtten 't goed Met allen spoed Het geitje' aan 't barnen der gevaren
Te onttrekken. â «Schildpad,» zei de rat, «Kon ondertusschen 't huis bewaren,
Daar zij zoo trage beenen had.
Want eer zij geitjen mochte spreken.
TEN KATE, DE KABELEN VAN LA FONTAINE
101
802 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zou geitjen lang reeds zijn bezweken.»
Hn daarop snellen beiden heen Tot redding van lief geitjens leven.
De schildpad, ja, luas traag ter been:
Haar eigen dak was haar gegeven Te dragen tot heur groot verdriet,
Maar blijven? neen, dat kon ze niet!
Ook zij op weg! En Knabbelgaren (Lang moog de rat dien naam bewaren!)
Doorknaagt de mazen van het net.
O vreugd, ons geitjen is ontzet!
De jager keert, en roept: «Wie heeft mijn prooi me ontnomen?»
En Knabbelgaren op dat woord Kruipt in een gat; de raaf vliegt weg op een der boomen, En geitjen holt door 't braambosch voort.
Toen dus geen andwoord zich liet hooren,
Werd onze jager boos. Daar kwam de schildpad aan! Nu stilde op eens des jagers toren;
Hij riep; «Wat raasde ik toch, wijl 't wildbraad ging verloren? Zoo'n schildpadsoepjen ook zal in het maagjen staan!» Hij steekt haar in zijn tasch. Voor allen Waar' zij als offerand gevallen,
Indien de raaf niet onze geit Gewaarschuwd had. Zij komt, tot sluwe hulp bereid. En veinst zich kreupel. Als de jager haar ontwaarde,
Werpt hij zijn zware tasch ter aarde.
En zet haar na. Vergeefs! De rat terwijl heeft tijd. De strikken van de tasch behoorlijk los te maken :
Ook de andre zus is nu bevrijd,
TWAALFDE BOEK.
En â weg het socpjen, dat zoo excellent zou smaken!
Dus deelt ons Pilpay 't voorval meê.
Maar wilde Apollo mij doorblaken,
Ik kon er even groot een Heldendicht van maken
Als de ///ias of de Odyssee. Die Knabbelgaren zou de held zijn, held der helden! 'k Behoef dit nauwlijks u te melden, Welwaarde lezer! maar van 't oovrig personeel Is ook geen enkele te veel.
De Infante Schildpad is zoo meesterlijk welsprekend, Dat Heer van Ravestein het van zijn roeping rekent
Beide als spion en boó te treden op 't tooneel. Gazelle van der Geit, vernuftigste aller schoonen, Weet boozen Nimrod weg te tronen.
Zoodat nu Knabbelgaren's plan Tot redding van de Infant volmaakt gelukken kan. Dus handlen al mijn hoofdpersonen.
Elk op zijn tijd en plaats, en geven evenzeer
Het Denkbeeld van mijn Epos weer: De Macht der Vriendschap aan te toonen.
S03
8o4
FABEL XVI.
HET WOUD EN DE HOUTHAKKER.
Boschman had den steel verloren
Van zijn bijl â nu had het hout Langer rust dan ooit te voren,
Tot hij cindlijk zich verstout,
En aan 't woud De bee doet hooren,
Hem één takjen af te staan,
____________________^
I
TWAALFDE li O E K.
Om zijn bijl weer vast te steken.
«Heel voorzichtig zou hij 't breken, En daarna in andre streken
't Stukjen brood verdienen gaan.
Statige eiken, groene dennen.
Vol van kracht En bladerpracht,
't Zou wel schand' zijn die te schennen» !.. . Ach, het woud was dwaas genoeg Hem te gunnen wat hij vroeg:
't Zou te spade 't zich beklagen.
Nauwlijks is de steel hersteld,
Of de wreedaart hakt en velt Met onmenschelijke slagen.
't Woud aan 't kermen, 't woud aan 't klagen; «Ik gaf zelf, o onverstand!
't Wapen in mijns vijands hand!»
Alzoo zijn de waereldlingen,
Die bij honderde ons omringen:
Tot uw nadeel wenden ze aan. Wat ge uit gunst hebt toegestaan! Lijdzaamheid bewaart de zielen â
Maar wanneer ik zooveel goeds. Zooveel heerlijks, zie vernielen,
Onverdiend en onverhoeds. Dan bedwingt mijn drift zich noode . ...
807
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
8o8
Lacy! 't is vergeefs geschreid: Misbruik cn Ondankbaarheid Blijven immer in de mode!
FABEL XVII.
DE VOS, DH WOLF EN HET PAARD.
't V osjen, jong, maar sluw van aart, Zag voor 't allereerst een paard. Hij, naar 't wolfsjong heengeslopen! «Neefjen! kom eens even hier:
In de weide graast een dier.
Mooi en groot, mijn hart ging open!» Neefjen grijnst: «Wat oordeelt gij.
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Zou hij sterker zijn dan wij ?
Kunt gij z\]x\ fiortret niet malen?»
â «Was ik schilder of poëet,
'k Zou u op een beeld onthalen,
Dat u watertanden deed.
Maar kom meê!» zei Rein, «wie weet Wat Fortuin ons goeds bereidde!» Daarop, voort I ter groene weide,
Waar de klepper in 't verschiet Hen met argwaan naadren ziet,
Niet belust, met zulke vrinden Kennismaking aan te binden.
« Edel Heer!» zoo grinnikt Rein, «Mogen ook uw dienaars weten,
Hoe we Uw Hoogheid zullen heeten?»
Klepper, gants niet zonder brein, Antwoordt daadlijk zonder vreezen: «Met genoegen, lieve man!
Kijk, mijn voornaam en mijn van Kunt gij op mijn zolen lezen!»
Reintjen excuseert zich: «hij, Ongeletterd â arme jongen â
Vroeg al door den nood gedrongen â
A noch B â halfblind er bij â
Maar die wolf! een grootlufs-zoontjen â Knap, van heel de school het kroontjen! Hij kan lezen!...» Fier te moe.
Trad, gevleid, ons wolfjen toe.
Arme stakkert! op vier tanden
8io
TWAALFDE BOEK.
Kwam hem dc eigenwaan
Te staan.
't Paard rent weg door de open landen, Maar, nadat hij tot zijn straf Eerst den wolf een hoefslag gaf, Die hem, onder suizebollen ,
Bloedend in het zand deed rollen. «Neef!» zei Rein, «'t is hard voor u, Maar één ding erken ik nu:
't Paard heeft ons een les gegeven, 't Heeft haar op uw kaak geschreven: «PVie gezond quot;verstand ontjing,
IVacht zich voor een vreemdeling.*
811
FABEL XVIII.
DE VOS EN DE KALKOENEN.
Een dikke boom beschermde als citadel 't Kalkoenen-garnizoen. Held Rein wou ze overvallen. Vast hondcrdmalen sluipt hij wel Den ringmuur om â maar waken doen zij allen. Toen riep hij uit: «Wat! word ik hier bespot?
Ontkomen zij aan 't algemeene lot?
Neen, bij de Goon, dat nimmer, 't zij gezworen!»
DK VOS EN DE KALKOENEN.
TWAALFDE BOEK. 815
----
I
Hij houdt zijn eed. Het helder maanlichtgloren,
Waarbij 't belegerd volk zijn gangen volgen kan,
Schijnt zeer nadeelig voor zijn plan.
Maar in de krijgstaktiek ervaren,
Zal hij noch list noch valsche treken sparen:
Daar heeft hij heel een vollen randsel van!
Nü, als ten wissen sprong besloten,
Zet hij zich op zijn achterpoten,
Dan slaat hij forsch
Zijn klauwen in de schors,
Of valt ter neder,
En veinst zich dood, maar flux herleeft hij weder.
Geen arlekijn, hoe vlug en dol,
Springt zoo van d' één in d' andren rol.
Nü wentelt hij in 't zand, dan doet hij groote stappen,
Hij zwaait zijn staart, maakt duizend grappen,
Zóódat geen enkele kalkoen Een oog, hoe vaakrig, dicht kan doen.
De vijand mat hen af, door hen te dwingen Naar hem te zien bij al zijn buitelingen.
Zoo draait hun 't hoofd, en telkens valt er een Verbijsterd uit de takken naar beneên.
En wat er viel zou nooit meer 't licht aanschouwen!
Alzoo kreeg Rein door taai geduld Drie vierden der bevolking in zijn klauwen,
En â heel zijn voorraadschuur gevuld!
816 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hoc dikwerf storten wij in d' afgrond der gevaren, Door altijd angstig in het dreigend diep te staren!
FABEL XIX.
DE AAP.
â k Weet in Parijs een aap. Hem werd een vrouw gegeven. Nu aapte hij weldra Veel menschlijke echtgenooten na;
Hij sloeg zijn wederhelft! â De dame had geen leven; Zij zuchtte, en zonk eerlang in 't dompig graf ter neer.
Hun zoon barst uit in vruchtloos klagen,
De vader lacht er om. Zijn weerhelft is niet meer:
103
TRN KATE , DE FABELEN VAN LA FONTAINE
818 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hij heeft zijn liefde straks aan andren opgedragen,
Die hij, haar leven lang, zal ranslen evenzeer:
Hij loopt kroeg uit, kroeg in, half dronken alle dagen!
Wacht toch niets goeds â men zegge 't voort! â Van slaafsche volgers, hoe ze ook heeten.
Hetzij dan apen â of poëten!
De laatsten zijn van 't slechtste soort.
FABEL XX.
DE SC YT Hl SC HE WIJSGEER.
Een strenge filozoof, een Scyth,
Zocht zachter levenswet dan hem zijn volksaart biedt. Hij ging naar Griekenland, en vond een achtbren grijze, Volmaakt het beeld van Maro's Wijze: *)
'*) Zinspeling op clen grijsaard uit Virgiuus, George lil). IV, vs. 127â133,
....«â Cui pauca re/ictl
yngera ruris eraui . , .
Reguni (Pqiiahat opes animis; sera que revert ens Nocte donium^ (/afHuts mensas onerabat inemptis.»
;
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Een man, der Koningen, der Goden geestverwant,
En als de Goden kalm, tevreden.
Zijn tuin was al zijn vreugd, zijn welgelukkig Eden.
Daar trof de Scyth hem aan, het snoeimes in dc hand. Het vlijmend staal trof wilde loten En geile bladen zonder tal.
Den boogaard zuivrend overal.
Natuur verbeetrend, die een zorg zoo onverdroten
In d' oogst met woeker loonen zal.
Maar onze Scyth, verbaasd, riep: «Man! u dacht ik wijzer! Wat wil dit, dat ge dus die takken schendt en snijdt?
Foei! weg met dat vernielend ijzer!
De scherpe zeissen van den Tijd Stroopt ras genoeg het groen, dat gij zoo wreed ontwijdt!» â «Gij ziet mij,» sprak de Griek, «alleen 't onnutte snoeien: De rest zal daardoor dubbeld bloeien!»
De Scyth, teruggekeerd in 't land van zijn geboort',
Grijpt ook het snoeimes aan, houwt in den blinde voort, En raadt zijn buren, spoort zijn vrinden.
Alom te hakken zoo als hij.
Zijn boogert wordt één woestenij.
Waar blad noch bloeisel is te vinden;
Hij scheert zijn wingert tot een tronk,
En let op maan noch jaargetijde â
Geen wonder dat Pomoon' hem met geen pruim verblijdde, En Bacchus hem geen druifjen schonk!
Dien ruwen Scyth, mijn lieve menschen!
Gelijkt de stoïcijn. Die snoeit ook, streng en straf.
820
s' f
Pi 'i1 ⢠M t
Ifl ij :
li | i| m . .1
TWA AL DE BOEK. 821
De ziel, snijdt alle driften af,
Het goede en 't kwade, zelfs de schuldelooste vvenschen. Ik sla dat soortjen ga met smart:
Wat doen die marmerkoude vromen?
Ach, zij verlammen u den springveêr van het hart, En blusschen 't leven éér de dood nog is gekomen!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
822
1 ai
r, ill 'li
1 l 1
l i \n
1 i
FABEL XXI.
DE OLIFANT EN DE AAI' VAN JUPITER
Olifant en Rhinoceer'
Kregen twist, om... 'k durf niet gissen,
Maar het gold een zaak van eer.
Daarom zou 't duel beslissen.
Tijd en en kampplaats is bepaald â
Daar komt iemand die verhaalt;
«Jupiter de Bliksemkneedcr
II'!]
m
â
iii
|
.'li 11 ill
'11
TWAALFDE ROEK.
Zendt naar de Aard zijn lijfaap af: Welgewapend met zijn staf,
Daalt hij uit de wolken neder!»
Deze lijfaap zegt de faam,
Heette Gilles, sehoone naam! De olifant, hij moet gelooven Dat die afgezant van Boven
Hem betreft. Niet weinig trotsch Wacht hij op den Boo des Gods, Die hem, tusschen die bedrijven, Wel wat lang schijnt weg te blijven. Eindlijk stapt Heer Gilles aan,
Deftig voor Zijn Hoogheid buigend, Die vast luistrend daar blijft staan. Innerlijk van glorie juichend.
't Hoefde niet! Zijn Hoogheid hoort Over het duel geen woord.
Och, Zijn Hoogheid had vergeten.
Dat de Goón van 't Hemelrijk Met een andren maatstaf meten:
Hun zijn in dit Aardsche slijk Olifant en mier gelijk.
De onze moest dus 't ijs wel breken: «Weldra», ving hij aan tc spreken, «Zal hier voor mijn Neef Jupijn Een belangrijk schouwspel zijn.
Hier is straks een strijd te voeren.
Die de Goden zal ontroeren!»
De aap vroeg koeltjens: «Wat voor strijd ?»
i
/
,Lj
824 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
f ^
â «Wat!)? riep de andre, half bekomen
Van zijn eerst gevoel van spijt:
«I leeft de Olymp dan niet vernomen,
Dat de neushoorn ons belaagt,
Dat de Groote Elephantide Khinoceer'-Rhinoceride
Tot den tweekamp heeft gedaagd?
Dat toch, dunkt mij, zijn twee namen Die de Faam zich niet kan schamen!»
â «Blij», zei Gilles, «dat ik weet Hoe gij en die andre heet.
Och, van u en uws gelijken Uit deze afgelegen wijken Hooren we in het Lichtgebied Van den hooge' Olymp' zoo niet. »
De olifant, verbaasd, verslagen,
Stotterde: «Maar, mag ik vragen.
Wat dan. Bode! doet gij hier?»
â «'k Breng een grasjen aan een mier!
Allen geldt ons Rijksbestier.
Van den strijd door u besloten.
Was geen spraak nog bij de Goón:
Voor de Goden op hun troon Zijn geen kleinen, zijn geen grooten.»
T W A A L F DE 1! ü E K.
FABEL XXII.
EEN WIJZE EN EEN GEK.
Jucn gek gooide eens een wijze na met steenen.
Deez' keert zich om: «Bravo, mijn waarde vriend!
Wie arbeidt, is zijn loon wel waard, zou 'k meenen:
Neem aan! gij hebt dit kwartjen ruim verdiend.
Ik heb niet veel.. .. Maar oefen eens uw krachten Op gindschen heer, van hem is méér te wachten!»
De gek, gespoord door winzucht, achterhaalt
cS3 5
V___________________._J
TEM
KATR, DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
826 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dien andren, en vernieuwt zijn ruwe groete â
Maar ditmaal werd hij niet met geld betaald,
Daar hij den rechten man ontmoette: Een diender greep hem bij den kraag,
En gaf hem zuó'n geducht pak slaag,
Dal hij zijn heldenstuk met twee blauwe oogen boette.
Er zijn veel gekken, met of zonder zotskaproen. Die op uw kosten lachen doen.
Wat zult gij dan? in drift ontsteken?
Geweld gebruiken tot hun straf?
Neen, licht zijn ze u te sterk: zend hen op andren af. Die macht bezitten zich te wreken!
FABEL XXIII.
DE ENGHLSCHE \r O S.
Dc Britten zijn zeer vindingrijk;
Zelfs is geen hondenneus, hoe fijn en hoog van waarde,
Een Britsehen hondenneus gelijk. En 't Britsehe vosjen is 't gewikste dier op aarde:
Getuige de ongehoorde list,
Waardoor de slimmert eens den dood te ontsnappen wist!
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
De schelm, door groot gevaar benepen,
Door 't daar genoemde soort van honden schier gegrepen. Ontwaart een galg. Daar zwaait en zwiert lïen pracht-collectie, pas gevangen.
Van dassen, uilen, en meer schadelijk gediert'.
Ten schrik der hoozen opgehangen.
Hun broertje', ons vosjen, zoekt een schuilplaats bij die doón, En veinst zich opgeknoopt, 't Is of wij u ontwaren,
Geslepen Hannibal! die Rome's adelaren
Misleidt, op 't dwaalspoor brengt, zelf als een vos ontvloon!
De brakken vliegen toe, en hijgen Rondom het galgenhout, waaraan ons Reintjen schuilt.
Hoe 't hondenvolkjen blaft en huilt!
De jager maant vergeefs tot zwijgen.
Hij vat niets van de klucht. «Och,» zucht hij, «giste ik maar In welk een tooverhol mijn prooi mij wist te ontwijken!
Mijn honden slaan niet aan dan bij die pronkpilaar.
Waar al die doode helden prijken.
Maar 't vosjen komt wel weer!» âEn 't vosjen kwam ook weer. Maar tot zijn scha! Hoort, hoort, daar bassen De brakken, die hem nu wat al te vroeg verrassen!
Hij vliegt de galg op als weleer.
Maar tuimelt halverweegs ter neer.
En moet het laatste lootjen passen!
Zóó waar is 't, dat men soms met spoed Zijn krijgstaktiek verandren moet.
Maar dat tot daar-aan-toe. Ik wil alleen maar vragen.
Zou ooit die jager-zelf, in 't barnen van 't gevaar,
Zoo'n kunstjen tot zijn redding wagen?
828
ÃE ENGELSCHE Vüb
TWAALFDE BOEK. 8ji
Niet uit gebrek aan geest: het tegendeel is waar: Een Brit is inventief, een durf-al daarbeneven,
Maar â geeft te weinig om zijn leven.
834 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
't Blaaskaakvolkjcn is niet sneêg: Beter ware 't zoo het zweeg.
Want als eens, door wraak bewogen, Febus 't poelslib op deed droogen, Heel de water-republiek Zong haar eigen grafmuziek!
FABEL XXV.
HET VERBOND DER RATTE N.
Zeker muisjen was bang voor een kat, Die al lang haar beloerde op haar pad. Wat te doen? Ze is voorzichtig, en gaat Bij een anderen buurman om raad.
't Was een rat, die daar, warmtjens en wel. Lang al woonde in een deftig Hotel,
Die wel vaak had betuigd met een eed,
V
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Dat een kater of kat hem niets deed,
Dat hij vreesde voor slagtand noch klauw,
Hn wat lachte om dat laffe gemauw!
Maar wat zei nu de bluffer? «Helaas I Deze kat is me alléénig de baas;
Maar staan alle de ratten mij bij,
Dan, o Juflie! verneemt gij van mij!»
Nu gaat Juffie, de dankbare muis,
Met een vriendlijke buiging naar huis.
En de rat, met manmoedige schreen ,
IJlt terstond naar de spijskamer heen.
Daar vindt hij de ratten al schransend bijéén:
Hij staat naar den adem te hijgen.
De gasten verwonderd, bewaren het zwijgen â
In 't eind spreekt er een:
«Wat schort u, mijn broeder? ik bid u, bedaar!
Hoe zoo vreeslijk ontdaan? Is het Land in gevaar?»
â «Niet het land,» gilt de rat, «maar de muis is in nood,
In gevaar, in gevaar van den dood!
Want Radbeitus de kater, verwaten, verwoed,
Houdt een vreeslijke slachting en baadt zich in bloed En zijn eenmaal de muizen vergaan,
Ach, dan moeten wij ratten er aan!»
Toen verhieven de ratten hun stemmen om strijd:
â «'t Is de waarheid! te wapen! 't is tijd, méér dan tijd,
Onze moed zal ons 't zegepad banen!»
De ratinnen â zoo zegt men â versmolten tot tranen.
Maar geen klacht van een weeklijke vrouw Maakt den held aan zijn roeping ontrouw!
HET VERBOND DER RATTEN.
m
?gt; iSwS VïéVLi Sv.-'quot;
â
â
Sh «
:â¢
â '
.
I'' I I ^
1
k m
li
â
w: lt;
â .': I..
'^MÃÃ-M
BKMüai
Bh
h
â
.- ---'â¢- -, v- if.-' ^r- â
-fyforf 'jy^»iiffVVW'S^TpiffWI quot;i'iïjtr wilf I
pl
ift:1
s
â mssamp;s! | ua» ssmm msm 'â mm fm WSmmm i-
^ vquot;'^ ^ ,rMfft®Ãfe§i â¢â¢ â quot;*â ' {5%
WMÃÃÃmÃSsmÃÃmÃÃÃm
| m mÃÃÃÃMÃm MM I | ' | h MKi H 1 1
5 VA5' mSIBS i:rf i - 4'- | ^s -; fflmw WsSmsmWÃÃmm
â .- . 1 mm . ⢠. r â i' H 'I . . ;j.,j MBBmam . v ..
* ' â ?! t.' ' f â¢*** i*_-j T^Aft.' ^3? fi i' _ *- ^ â A-»'V ' ^ â ft 1* ^ v
mÃÃm
TWAALFDE BOEK.
Iedereen is gereed, zelfs geen ratjen ontbrak,
Iedereen steekt tot leeftocht wat kaas in zijn zak, Iedereen zweert: «Verwinnen, of â sneven!» En daar gaan zij, het voorhoofd ten hemel geheven, Zoo blijmoedig, zoo vroolijk van geest,
Als een bruidsstoet die optrekt ten feest.
Maar de kater â o trouwloos geslacht! â Had het muisjen reeds lang in zijn macht. En wel stormen zij voort, één van ziel, één van zin, Tot ontzet van hun lieve vriendin.
Maar de kater, met grommend geluid.
En de tanden geklemd in zijn buit,
Gaat met vlammende blikken het heir Der vereenigde ratten te keer.
Als nu dezen 't geblaas van hun weêrpartij hooren. En de doodlijke vlam in zijn oogen zien gloren.
Och, daar slaat de paniek hun door 't bloed! Al hun moed
En beleid gaat verloren,
Daar is orde , noch schaamte, noch tucht, En â zij kiezen, eendrachtig, als hazen de vlucht! Elke rat
Zocht zijn gat, en verliet hij 't ook later, O, hoe schuw keek hij rond naar Radbertus den kater!
839
D A P H NIS EN A L CI M A D U R A.
.Ajciniadura, 't puikjuweel Der Maagden, dreef den spot niet Amors alvermogen.
Fier, stug, doorvloog ze 't veld of zocht ze 't woudprieel, Alleen door gril of luim bewogen.
De wreedste van de vvreeden, zij,
Was tevens schoonste van de schoonen;
Moe koel ook , ze oefende op de harten heerschappij â
ü
.
â¢Si:
W^Tf^ï^il
i .4
TWAALFDE BOEK. 843
r ^
O, had ze eens zooveel pracht met goedheid willen kroonen,
Wie ware ontkomen aan heur zoete dwinglandij?
De jonge-Daphnis, uit een edel ras geboren,
Een teedre herdersknaap, werd, tot zijn groote smart,
Op haar verliefd tot over de ooren.
Noch lonk, noch lach werd hem beschoren Van dat onmenschlijk-wreede hart!
In 't eind een hartstocht moê, die alle hoop moet derven,
Heeft hij geen wensch meer dan te sterven.
Nog eens richt hij den wanklen voet Naar 't huis der wreede, om haar een enklen blik te vragen.
Eilacy! hij had evengoed Zijn leed den stormen kunnen klagen.
De deur blijft dicht 1 en zij, daarbinnen, bij een stoet Van dartelende speelgenooten,
Met rozen tot een krans, de schoonste die ontsproten,
Viert haar geboortefeest!... «Ach, dierbre!» jammert hij,
Dicht bij heur drempel neergebogen:
«Ik had althands gehoopt te sterven voor uw oogen,
Maar neen, te zeer veracht gij mij!
Die laatste, droeve gunst kunt gij geenszins gedoogen â
't Bevreemdt me niet: helaas, nooit hadt ge medelij'!
Mijn vader zal na mijn verscheiden U 't erfdeel geven, ach! te wreed van mij versmaad.
Gun dat ik bovendien mijn eigen klaverweiden,
Mijn kudden, en mijn hond, u zeegnend achterlaat!
Voor 't overschot van mijn vermogen Worde u een Heiligdom gesticht:
â Mijn vrienden zullen trouw zich kwijten van dien plicht! â
844 DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Daar wordt uw standbeeld opgericht,
Omstrengeld met een bloemgirlande,
Die daaglijks wordt vernieuwd, steeds bloeiende offerande! Nabij dien Tempel rijz' tot mijn gedachtenis Hen kleine grafnaald in een nis,
Waarop deez' woorden staan geschreven; «'t Is Daphnis die hier rust. Hem roofde Liefde 't leven. quot;Wijd, wandlaar! hem een traan, en Huister: Sluimer zacht! «Alcimadura's schoon heeft hem ten val gebracht.»
Hij spreekt, en had' nog meer gesproken,
De smart verbiedt het hem. Zijn brooze levensdraad Is door de Schikgodin gebroken.
Daar treedt de ondankbare uit, in 't prachtgewaad gestoken,
't Bevrozen blosjen op 't gelaat.
Men smaakt haar, maar vergeefs, een oogenblik te beiden: Zij heeft geen traan voor hem, wien oud en jong beschreiden.
Ja, erger nog! in koelen spot Doet zij dien avond nog, bij Luna's bleeke glansen,
Haar wufte speelgenooten dansen
Om 't standbeeld van dien Minnegod!
Het beeld stort haar op 't hoofd: bereikt door 's hemels toren.
Zinkt zij verplet, bewustloos neêr,
En uit de wolken doet een luide stem zich hooren:
«Dat elk nu vrij beminn', de onmenschlijke is niet meer!» Intusschen, Daphnis' schim, ten Acheron gevaren,
Beeft en verwondert zich als hij haar naadren ziet.
Nu luistren al die bleeke scharen.
Als zij vergeving smeekt, de hand des vredes biedt.
TWAALFDE BOEK.
/ ' quot; quot; \
Maar Daphnis, Daphnis andwoordt niet,
Zoo min als Ajax naar Ulysses' smeeken hoorde,
Of Dido naar diens schim wiens ontrouw haar vermoordde!
845
FABEL XXVIL
DE SCHEIDSMAN, DE ZIEKENOPPASSER EN DE KLUIZENAAR.
Naar ongestoord geluk verlangden eens drie vromen: Eén geest bezielde hen, één wit bedoelden zij.
Nu, alle wegen gaan naar Romen: Dus, meenden zij, stond elk zijn eigen keuze vrij. De één, zuchtende om de zorg, het zeuren, De plagerijen uit den treuren.
Die onafseheidlijk met processen gaan gepaard.
DE SCHEIDSMAN, DE ZIEKENOPPASSER EN DE KLUIZENAAR.
T WAAL F D E 15 0 E K. «49
Bood aan â grootmoedig, moet ik zeggen! â
Om zc allen in der minne, en gratis, bij te leggen.
Och, sints daar wetten zijn op aard,
Veroordeelt tot zijn straf de mensch zich, 't halve leven Aan procedures weg te geven,
Drie-kwart vaak, ja, somwijl zijn gantschen levenstijd!
Nu, onze scheidsman dacht, hem zou het mooglijk wezen Van die fatale zucht het Menschdom te genezen.
üe tweede vrome had aan 't gasthuis zich gewijd.
Bravo! met innig welbehagen Zie 'k voor de kranken zorg gedragen.
Die dat wil doen, heeft zich een zware taak gewijd!
Want even als in onze dagen,
Zoo gaven die patient en toen Aan hun verplegers véél te doen ,
Vol korzlig ongeduld en steeds geneigd tot klagen.
Ook hier was 't keer op keer: «Is dat een ziekentroost?
Hij zorgt maar voor zijn uitverkoornen,
Ziet, hoe hij mij verwareloost!»
Toch was dat klagen en dat toornen Nog maar een kleinigheid bij 't eindeloos verdriet Dat onze scheidsman leed! Niet één cliënt tevreden!
Partij en weerpartij beviel zijn uitspraak niet.
«Geen rechter», zei men, «tot op heden.
Die Themis' schalen zoo partijdig wegen liet!»
Den vredestichter walgt van soortgelijke groeten:
Hij snelt naar 't gasthuis, om zijn dierbren vriend te ontmoeten.
Ons paar, der kwelling moê die hun de waereld brouwt.
Besluit, niet zonder smart en door den nood gedreven.
TKN KATK , DR FABELEN VAN LA FONTAINE
107
DE FABELEN VAN LA FONTAINE.
Hun eedlen post er aan te geven,
En troost te zoeken in de stilte van het woud.
Daar, aan den voet der rots, waar zilvren beekjens vloeien. Beschut voor 't stormgewoel en 't zomerzonnegloeien,
Zien zij den derden vrome, en vragen hem om raad. «Wel,» sprak hij, «goede raad? dien moet ge u-zelven vragen:
Wie beter dan gij-zelf weet wat u baat en schaadt? Ons-zelf te kennen, is een plicht ons opgedragen.
Die boven aan de lijst van alle plichten staat.
Hebt gij u-zelf gekend in 's waerelds wuft gewemel? O neen! dat leert men niet dan dichter bij den hemel, In 't heiligdom der eenzaamheid.
Wie 't elders heeft gezocht, werd jammerlijk misleid. Beroert maar eens den gladden spiegel
Van 't beekjen: ziet ge uw beeld ?» â ««Wel neen, Daar kabbelt op het golfgewiegel Een onherkenbre schaduw heen.»»
â «Nu», zei de wijze, «laat het watervlak bedaren, En weldra zult ge uw beeld ontwaren.
Als trek voor trek en zonneklaar.
Zoo gij u-zelven wilt beschouwen en doorgronden,
Blijft hier in de eenzaamheid!»
Dus sprak de kluizenaar. Hij vond gehoor bij 't vriendenpaar: Proefhoudend werd zijn raad bevonden.
Waant niet, dat ik beweer dat niemand hier beneên Een ambt vervullen, een betrekking moet bekleen!
Daar twist en krankte heerscht in alle waereldstreken,
850
r
TWAALFDE BOEK, 851
Behoeft men practizijns en doctors evenzeer:
't Zal ons aan deze nooit ontbreken,
Dank zij het lieve geld en de eer!
Toch doen die drukten vaak den mensch zich-zelf vergeten.
O gij, die zwoegt en slaaft ten dienste van den Staat, Die op den Troon of in de Raadzaal zijt gezeten,
Ontroerd door zorgen, vroeg en laat,
Gij, wie 't geluk bederft, en 't onheil nederslaat!
Gij ziet u-zelf niet, gij ziet niemand. En ontwaken Somtijds te goeder uur gedachten in uw geest Van zelfontdekking, och, dan weet u allermeest Een vleier weêr in slaap te maken I
Die les verdient aan 't slot van dit mijn werk te staan. O, mocht zij eeuwen lang krachtdadig zich betoonen!
'k Stel haar den Wijzen voor, 'k bied haar den Vorsten aan â Kon beter Einde wel mijn arbeid ooit bekroonen?
EINDE VAN HET TWAALFDE EN LAATSTE BOEK.
ALPHABETISCH REGISTER
DER
GROOTE PLATEN.
151 adz.
Aap (de) on dc Dolfijn......................211
Aap (de) en de Kat.................. .... B31
Arend (de) en de Nachtuil.....................319
Arend (de) en de Ekster.....................7S3
Bassa (de) en de Koopman. .................532
lieer (de) en de Tuinier......................501
Boer (de) van den Donau.....................727
Daphnis en Alcimadura...... ...............H41
Dier (een) in de Maan......................463
Doctoren (de twee).......................301
Dood (de) en de Houthakker....................49
Duiven (de twee)........................565
Eik (de) en het Riet.......................63
Filomeel en Progné . â¢.....................173
Fortuin en het Kind.......................297
Geiten (de twee wilde)......................761
Gek (de) die wijsheid verkoopt...................597
Gelukzoekers (de twee) en dc Talisman................691
Gieren (de) en de Duiven.....................425
Gierigaard (de) die zijn Schat heeft verloren...............249
Grijsaard (de) en de drie Jongelingen.................735
Haas (de) en de Kikvorschen....................105
856 REGISTER.
- ^
liladz.
Hanen (dc twee)........................444
I
Hen (de) die gouden eijeren lei...................305
Herder (dc) en de Zee......................1')3
Herder (de) en de Koning.....................()7i5
Hert (het) en de Wingert.....................311
Hert (het zieke).........................7(59
Hond (de) die zijns meesters eten aan den hals droeg...........491
Honden (de twee) en de doode Ezel.................557
Houthakker (de) en Merkurius...................2()7
Jagers (de) en de Beer......................327
Jupiter en de Scheepsvoogd....................015
Kat (de) en de oude Rat.....................181
Kat (de) en de Vos.......................003
Katuil (de) en de Muizen.....................739
Kikvorschen (de) die een Koning begeercn...............143
Konijnen (de).........................079
Krekel (de) en de Mier............................................5
Landman (de) en de Slang.....................307
Leeuw (de)..........................707
Leeuw (de) en de Mug......................91
Leeuw (de) en dc Rat......................97
Leeuw (de verliefde).......................189
Leeuw (de zieke) en de Vos....................371
Leeuw (de), de Wolf en de Vos...................479
Leeuwrik (de) met haar jongen en de Veldbaas.............259
Meisjen (het)..........................413
Melkvrouwtjen (het) en de Melkpot..................433
Min (dc) en de Dwaasheid.....................797
Moeder (de), de Wolf en het Kind..................237
Molenaar (de), zijn Zoon en de Ezel.................129
Muildieren (dc twee).......................13
Oester (de) en de Twisters.....................(503
Oog (het) van den Meester.....................253
Oude (de) Vrouw met de twee Meiden................283
Paard (het) en de Wolf......................289
Pauw (de) die zich bij Juno beklaagt....................113
Pest (de) onder de Dieren.....................399
Raadsvergadering (de) der Ratten..................73
V
DER GR O O TE PLATEN. 857
Uladz.
Rat (de) en dc Olifant......................520
Ratten (de twee), de Vos en het Ei..................(i-tii
Schoenmaker (de) en de Einancier ...... ..........473
Stadsrat (de) en de Veldrat....................29
Stortvloed (de) en de Beek.............. . .... 551
Tircis en Amarant........................51U
Ulysses (de Medgezellen van)............................... . 74!)
Visschen (de) en de zingende Herder............... . 579
Visschen (de) en de Waterraaf..........................(355
Vischjen (het kleine) en de Visscher ....... ..............275
Voerman (de) in de Modder....................i38l
Vos (de) en de Druiven......................161
Vos (de) en de Kalkoenen........ ............SI li
Vos (de Engelsche).......................829
Weduwe (de jonge).......................391
Wolf (de) en het Lam......................33
Wolf (de) Herder........................139
Wolf (de) en de Jager......................5(15
Wolven (de) en de Schapen . ..................1(17
Woud (het) en de Houthakker...................805
Zwaluw (de) en de Vogeltjens....................25
TEN KATK, DB KABELEN VAN LA FONTAINE 108
1 j||fe
â¢. A'i
..
, :
WÃÃÃÃm Miquot;
'' jUl
PU ,ï â 5M
Jil».^traBwyia»â ., . .iVSf'S/quot;'!-
% I .; 1 K M
1
mSilÃÃMBBSBÃBÃÃÃÃÃÃÃm
'l-~
â
üü ^uquot; '-.quot;f â ïü.'.. .
^HH
wÃÃiïliamp;WÃÃiÃ
iSS
â
I
inMttJI
I i
I
p 4S' ?'quot;
:â¢! 'quot;
â â
i V
..
â
⢠I IfMlt
ALPHABKTISGH REGISTER
Dl'.li
F A B E L E N.
liliub
Aap (de)...........................^17
Aap (de) en de Dolfijn......................209
Aap (de) en de Kat.......................629
Aap (de) en de Luipaard.....'...............581
Aap (de), de Leeuw en de twee Ezels.................719
Aap (de), dc Vos en dc Dieren...................349
Aap (de) en de Potter......................756
Aap (de) van Jupiter en de Olifant.......................822
Abderiten (de) en Demokriet......................................560
Adder (de) en de Man......................646
Alcimadura en Daphnis......................840
Amarant en Tircis........................610
Arend (de) en de Ekster.....................782
Arend (de) en de Kever. â¢....................8;quot;
Arend (de) en de Nachtuil..............'.......31S
Arend (de), de wilde Zeug en de Kat.................148
Bassa (de) cn de Koopman.....................531
Bedelzak (de)..................................................20
Heek (de) cn de Stortvloed....................549
Beeldhouwer (de) en het beeld van Jupiter...............589
Beer (dc) en de Jagers......................32ir
Beer (de) en de Leeuwin . . â¢..................687
R E G 1 S T E R
IJccr (de) cn dc Tuinier .
Berg (de) die baren zou . .
Bewaarder (de ontrouwe) .
Boer (de) van den Donau.
Bok (de) en de Vos Boreas en Phoebus ....
Borstbeeld (het) en de Vos .
Daphnis en Alcimadura .
Demokriet en de Abdcriten .
Dief (de), de Echtgenoot en zijn Vrouw Dieren (de), de Vos en de Aap Dier (een) in de Maan.
Dieven (de) en de Ezel . .
Doctoren (de twee) ....
Dolfijn (de) en de Aap . .
Dood (de) en de Houthakker Dood (de) en de Ongelukkige Dood (de) en de Stervende .
Dorenstruik (de), de Vleermuis en de Eend Draak (de veelhoofdige) en de veelstaartige Draak Dronkaard (de) en zijn Vrouw Droom (de) van een Mongoliër Drijfhout (het) en de Kameel Duif (de) en de Mier . . .
Duiven (de twee). ....
Duiven (de) en de Gieren. .
Echtgenoot (de), zijn Vrouw en de Dief Edelman (de), de Koopman, de Herder en de Koningszoon Eend (de), de Dorenstruik en de Vleermuis Eendvogels (de twee) en de Schildpad Egel (de), de Vos en de Vliegen Ekster (de) en de Arend .
Eik (de) en het Riet . . ⢠â
Eikel (de) en de Pompoen . .
Epiloog
Esopus, uitlegger van een Testament Ezel (de) beladen met Spons en de Ezel beladen met Zout Ezel (de), de Molenaar en zijn Zoon
860
f
Bladz.
500 294 571 72ü 14(3 340 231 S40 5!)U 624 349 461 39 300 209 47 45 409 771 37 151 7 Ui 2 IS 99 574 423 (gt;24 699 771 650 792 782 62 584 394 121 93 127
! I ïi
-â li'I li ] f it ïi'1
I ill I
â quot; ulr Hi
ll I; ji
i Ui __
D E R F A H E L E N.
Bladz.
Ezel (de) cn de Grijzaard.....................Siquot;))}
Ezel (de) en de Hond......................528
Ezel (de) en de Leeuw op jacht...................lli'
Ezel (de) en het Paard......................37()
Ezel (de) en het Schoothondtjen...................204
Ezel (de) en zijn Meesters.....................3(gt;2
Ezel (de) in de Leeuwenhuid........quot;...........330
Ezel (de) met het Heiligen-beeld.................. . 30H
Filotneel en Progné.......................'72
Financier (de) en de Schoenlapper..................472
Fortuin (de) en het Kind.....................2!)(,)
Geiten (de twee wilde)......................759
Geit (de wilde), de Raaf, de Schildpad en de Rat............800
Geit (de), de Vaerse en het Schaap in compagnieschap met den Leeuw..... 18
Geit (de), het Geitjen en de Wolf..................2313
Geit (de), het Zwijn cn het Schaap......................508
Gek (een) en een Wijze......................^2i)
Gek (de) die wijsheid verkoopt...................u.jl)
Gelukzoekers (de twee) en de Talisman ,...............090
Getrouwde (de kwalijk)......................402
Gieren (de) en de Duiven.....................'2.gt;
Gierigaard (de) die zijn Schat heeft verloren...............247
Goden (de) die een Zoon van Jupiter zullen opvoeden...... .... 710
Godlooze (de) en het Orakel....................24i)
Grijsaard (de) en de drie Jongelingen.................733
Grijsaard (de) en de Ezel.....................353
Grijsaard (de) en zijn Kinderen...................242
Haan (de) en de Paerel...................... 57
Haan (de) en de Vos.......................108
Haantjen (het), de Kat en het Muisjeu................34i)
Haas (de) en de Kikvorschen....................104
Haas (de) en de Patrijs......................310
Haas (de) en de Schildpad.....................359
Haas (de ooren van den).....................277
Hanen (de twee)........................444
Hanen (de) en de Patrijs.....................lt;'07
Havik (de), de Leeuwrik cn de Vogelaar. . . . â¢...........374
Hen (dc) die gouden eieren lei...................304
861
r
862 R E G I S T K R
lilfldz.
Herder (de), de Koopman, de Edelman en de Koningszoon .........(199
Herder (de) en de Koning..... ........ ⢠. . . ⢠t')7'2
Herder (de) en de Leeuw............... â ......335
Herder (de) en de Zee. ................192
Herder (de) en zijn Kudde........................................636
Herder (de zingende) en de Visschen..................678
Herders (de) en de Wolf............................661
Hert (het) dat zich in 't water spiegelde................355
Hert (het) en de Wingeic . ⢠. ................310
Hert (het zieke).............................767
Hommels (de) en de Bijen . . . ....... â â ........59
Hond (de) die zijn prooi voor de schaduw laat varen . . ........ 37S
Hond (de) die zijns meesters eten aan den hals droeg..............490
Hond (de) en de Ezel .......................528
Hond (de) en de Wolf. .................... ⢠15
Hond (de magere) en de Wolf ...........................605
Hond (de) wien men de ooren heeft afgesneden..............669
Honden (de twee) en de doode Ezel..................555
Horoskoop (de) ......... ...............52-1
Houthakker (de) en de Dood ............... .... 47
Houthakker (de) en Merkurius....... .............265
Hovenier (de) en zijn Landheer. . ..................200
Jager (de), de Koning en de Wouw...... .............787
Jager (de) en de Leeuw..................................338
Jager (de) en de Wolf...... ....................563
Jagers (de) en de Beer. . . . ...................325
Jagershond (de) en haar Kameraad . .......................83
Janbaas, de Hond en dc Vos ................' 713
Jicht (de) en de Spin . ...................................153
Jongelingen (de drie) en de Grijzaart. . â .....................733
Jupiter en de Donder....................................539
Jupiter en de Pachter . . ..............................343
Jupiter er. de Scheepsvoogd...........................614
Kalkoenen (de) en de Vos.....................812
Kameel (de) en het Drijfhout .................. , . 218
Kapoen (dc) en de Valk ............ ..........543
Kat (de) en de Aap ...............................(529
Kat (de) en de oude Rat ⢠.........................181)
D ER FA B E L E N. 863
I 151 ad/..
Kat (de) cn de Rat. . ⢠.........⢠. . ....... ⢠⢠54()
Kat (dc) en de twee Musschen........ ⢠⢠. .........7i)3
Kat (de) en de Vos. .......................
Kat (de) in een Vrouw veranderd. ..................11''
Kat (de), het Wezeltjen cn liet jonge Konijn.....................41)4
Kater (de oude) en de jonge Muis............................704
Katuil (de) en de Muizen......................
Kever (de) en de Arend......................^5
Kikvorsch (de) en de Os......................
Kikvorsch (de) en de Rat ............. ....... . 220
Kikvorsch (de) en de twee Stieren. . . . â¢.......................7S
Kikvorschen (dc) die een Koning begeercn ..............⢠142
I 365
Kikvorschen (de) en de Zon.......... â . . ........
y32
Kind (het), de Moeder en de Wolf..................2(31)
Kind (het) en de Schoolmeester...........................iquot;)quot;)
Kind (het) en de Fortuin................... . ⢠⢠2(Hi
Kinderen (de Grijsaard en zijn).......... .........242
Kluizenaar (de), de Scheidsman en de Ziekenoppasser...........846
Kok (de) en de Zwaan. ........... .......... . 164
Koning (de) en de Herder.................... . 672
Koning (de) door de Kikvorschen begeerd. ..............⢠142
Koning (de), de Wouw en de Jager..................7S7
Koning (de), zijn Zoon en de twee Papegaaien ..............683
Koningszoon (de), de Koopman, de Edelman cn de Herder . .........6!)i)
Konijn (het jonge), dc Kat en het Wezeltjen...............454
Konijnen (de)..........................605
Koopman (de) en de Bassa.....................531
Koopman (de), de Edelman, de Herder cn de Koningszoon....... . 699
Kop (dc) en de Staart van de Slang..................458
Kraai (dc) getooid met pauwenveèren .................216
Kracht (de) der opvoeding ...............................553
Kreeft (de) en hare Dochter.....................780
Krekel (de) en dc Mier..................... . 3
Kwakzalver (de).........................384
Lam (het) en dc Wolf............................31
Landman (de) cn de Slang.....................366
Landman (dc) cn zijne Zonen....................292
864 REGIS T E R
---------â
Black.
Leden (de) en de Maag.........................135
Leeftijden (de twee)........................51
Leeuw (de).................... ......705
Leeuw (de), de Aap en de twee Ezels..................71i)
Leeuw (de) die zich ten krijg bereidde.................f3'2i5
Leeuw (de), de Wolf en de Vos ........................477
Leeuw (de) door den Mensch verslagen.................158
Leeuw (de) en de Ezel op jacht . . . â¢...............Ill)
Leeuw (de) en de Jager ....... .............8158
Leeuw (de) en de Mug.......â¢.....88
Leeuw (de) en de Rat.............. . '.......95
Leeuw (het Mof van den)......................420
Leeuw (de) oud geworden........... .............170
Leeuw (de verliefde)...................... . 187
Leeuw (de zieke) en de Vos.....................370
Leeuwin (de) en de Beer ................................687
Leeuwrik (de), de Havik en de Vogelaar ................ 374
Leeuwrik (de) met haar Jongen en de Veldbaac..............257
Luipaard (de) en de Aap. ..................â . . 581
Maag (de) en de Leden......................135
Macht (de) der Fabelen........ ..............482
Man (de) die de Fortuin naloopt, en de man die haar in zijn bed afwacht . . . ⢠440
Man (de) en de Adder..........................04(5
Man (de) en de Vloo...............................485
Mannen (de twee) en de Schat .... ............ ⢠. (gt;215
Medgezellen (de) van Ulysses . ...................747
Meester (de), de Tuinheer en de Scholier . ....................580
Meiden (de twee) en de oude Vrouw......... . ......281
Meisjen (het)..........................410
Melkvrouwtjen (het) en de Melkpot..................431
Mensch (de) en de houten Afgod ... ...............214
Mensch (de) en zijn Beeld .........................35
Menschen ('s) ondankbaarheid en onrechtvaardigheid jegens de Fortuin.....448
Mier (de) en de Duif ....................⢠09
Mier (de) en de Krekel ...... . ..................3
Mier (de) en de Vlieg .......................190
Min (de) en de Dwaasheid .....................795
Moeder (de), het Kind en de Wolf . .................230
DER FABELEN.
|
Molenaar (de), zijn Zoon en de Ezel . ......... |
.......127 |
|
. ......88 | |
|
Muildieren (de twee)..... .....⢠. ⢠. . |
....... 11 |
|
Muilezel (de) die zich van adel roemde. . . ⢠...... |
..... . . 351 |
|
Muis (de) in een Meisje herschapen ..... |
....... 692 |
|
Muis (de jonge) en de oude Kater. ........... |
.......7(54 |
|
Muizen (de) en de Katuil. ............. . |
.......738 |
|
Musschen (de twee) en de Kat............. |
. . . . . . . 753 |
|
Nachtegaal (de) en dc Wouw ............. |
.......(134 |
|
Nachtuil (de) en de Arend.............. |
....... 318 |
|
Niets te veel ................... |
.......(jÃ8 |
|
Oester (de) en de Twisters.............. |
....... GUI |
|
Oester (de) en de Rat ................ |
....... 497 |
|
Oievaar (de) en de Vos . ............. . |
.......53 |
|
Oievaar (de) en de Wolf ............... |
....... 156 |
|
Olifant, (de) en de Aap van Jupiter .......... |
....... 822 |
|
Olifant (de) en de Rat................ |
. ......519 |
|
Ongelukkige (de) en de Dood......... . . . ⢠|
....... 45 |
|
Oog (het) van den Meester .............. |
.......252 |
|
Ooren (de) van den Haas. ............. |
....... 277 |
|
Orakel (het) en de Godlooze. ............. |
..... . . 245 |
|
Os (de) en de Kikvorsch.............⢠. |
....... 9 |
|
Paard (het) dat zich op het Hert wilde wreken....... |
.......228 |
|
Paard (het) en de Ezel . .............. |
....... 37(1 |
|
Paard (het) en de Wolf ............... |
.......287 |
|
Paard (het), de Wolf en de Vos ............ |
.......809 |
|
Pachter (de) en Jupiter. ⢠...... ....... |
.......343 |
|
Paerel (de) en de Haan..............⢠|
.......57 |
|
Papegaaien (dc twee), de Koning en zijn Zoon....... |
..... . . 683 |
|
Pastoor (de) en het Lijk ............... |
.......437 |
|
Patrijs (de) en de Haas....., -........ |
....... 31(1 |
|
Patrijs (de) en de Hanen............... |
.......(1(17 |
|
Pauw (de) die zich bij Juno beklaagt .......... |
, ......112 |
|
Pest (de) onder de Dieren .............. |
.......397 |
|
Phoebus en Boreas.........,...... |
.......340 |
|
Pompoen (de) en de Eikel .............. |
..... . . 584 |
|
Pot (de Aarden en de IJzeren)............. |
.......271 |
|
Potter (dc) en de Aap........ ...... |
.......75(1 |
V
TEN KATE, Dtt FABELEN VAN LA FONTAINE.
866 R I-; G I S T E R
r \
Dladz.
Prognc en Filomeel.................172
Raadsvergadering (de) der Ratten ......................72
Raaf (de), de Wilde Geit, de Schildpad en dc Rat............800
Raaf (de) die voor Arend wil spelen..............................110
Raaf (de) en de Vos . ........, .........................7
Rat (de) die zich van de waereld heeft afgezonderd......... â . . 405
Rat (de) en de Oester...... ....................
Rat (de) en de Olifant. ................. ... 519
Rat (de) en de Kat............................54(1
Rat (de) en de Kikvorsch.....................220
Rat (de), de Raaf, de wilde Geit en de Schildpad.............800
Rat (de oude) en de Kat. . ......180
Ratten (het verbond der) ...........................835
Ratten (de twee), de Vos en het Ei..................641
Reiger (de)..............................407
Reiswagen (de) en de Vlieg . . . . .................428
Riet (het) en de Eik..........._ ...........(;2
Sater (de) en de Wandelaar .....................285
Schaap (het), de Vaerse en de Geit in compagnieschap met den Leeuw..........18
Schaap (het), het Zwijn en de Geit ..................508
Schapen (de) en de Wolven.....................!(;(}
Schat (de) en de twee Mannen..........................()2(gt;
Schatting door de dieren aan Alexander gezonden.............224
Scheepsvoogd (de) en Jupiter....................614
Scheidsman (de), de Ziekenoppasser en de Kluizenaar............84()
Schildpad (de) en de twee Eendvogels .................650
Schildpad (de), de Raaf, de wilde Geit en de Rat................800
Schoenlapper (de) en de Financier..................472
Scholier (de), dc Meester en de Tuinheer ................586
Schoolmeester (de) en het Kind...................55
Schoothondtjen (het) en de Ezel...................204
Simonides door de Goden bewaard..................41
Slang (de) en de Landman .....................366
Slang (de) en de Vijl................â¢......314
Sokrates (een woord van)......................240
Spin (de) en de Jicht .......................153
Spin (de) en de Zwaluw.................. â ⢠. . (105
Spotter (de) en de Visschen.................... . 495
D E R F A B E L E N. 867
-----^
BIacIz.
Stervende (de) en de Dood.....................4(1!)
Staart (de) en de Kop van de Slang. .................
Stadsrat (de) en de Veldrat.........................27
Sterrenkijker (de) en de Put ............... .....1U1
Stieren (de twee) en de Kikvorsch ................. ⢠7S
Stortvloed (de) en de Beek...... ........... .... 541)
Strijd (de) van Honden en Katten, van Katten en Muizen........ . ⢠771
Tircis en Amarant ........................5' U
Tuinheer (de), de Meester en de Scholier ..........................580
Tweedracht (de).........................3S7
Twisters (de) en de Oester........................... . üdl
Uitvaart (de) der Leeuwin . ,...................515
Ulysses (de medgezellen van) . . . ⢠..........'.....747
Vaerze (de), de Geit en het Schaap in compagnieschap niet de Leeuw ..... IS
Valk (de) en de Kapoen ......................1gt;43
Visschcn (de) en de Spotter.....................495
Visschen (de) en de Waterraaf....................05.3
Visschcn (de) en de zingende 1 lerder . . ......()7S
Vischjen (het kleine) en de Visscher.....................â 27.'{
Vleermuis (de), de Dorenstruik en de Eend ............. . (. 771
Vleermuis (de) en de beide Wezels..................80
Vlieg (de) en de Mier ⢠. . . ................. â ⢠196
Vlieg (de) en de Reiswagen . . ⢠................ . . 4'2S
Vliegen (de), de Vos en de Egel 792
Voerman (de) in de modder.......................... . . 380
Vogelaar (de) de Havik en de Leeuwrik.......... ⢠⢠⢠. . . 374
Vogel (de) door een pijl getroffen........... ......82
Vogeltjens (de) en de Zwaluw ...........'........22
Voor degenen die moeilijk te voldoen zijn ........................09
Voorrecht (het) der wetenschappen . â ⢠, ..............536
Vos (de Engelsche)..................... . . . 827
Vos (dc) die zijn staart had verloren ............ .... 279
Vos (de), de Aap en de Dieren.....⢠. ...........349
Vos (de) en de Bok................... . . 146
Vos (dc) en het Borstbeeld ....................231
Vos (de) en de Druiven........ .............160
Vos (de) en de Maan . . ........ ⢠............108
Vos (dc) en dc Kat. ⢠⢠. ....................ül9
R E G I S T E R
lihulz.
Vos (de) en de Kalkoenen . ....................812
Vos (de) contra Wolf, pleitende ten overstaan van de Aap....................7(5
Vos (de), de Leeuw en de Wolf ...................477
Vos (de) en de zieke Leeuw ...............................i}7()
Vos (de) en de Oievaar .............................53
Vos (de) en de Raaf ..............................7
Vos (de), de Vliegen en de Egel ...................7i)2
Vos (de) en de Wolf..................... . I
l 777
Vos (de), de Wolf en het Paard...........................HO!)
Vrek (de) en zijn Neefjen. .....................658
Vrienden (de twee) .........................506
Vrouw (de), de Echtgenoot en de Dief................ ⢠624
Vrouw (de) van den Dronkaard...................15!
Vrouwen (de) en het Geheim .......................487
Vrouw (de oude) en de twee Meiden..................2S1
Vrouw (de verdronken). ............ . ⢠....... . 176
Vijl (de) en de Slang .......................1514
Waarzegsters (de) ................. ......451
Wandelaar (de) en de Sater.....................285
Waschkaars (de) ..........................611
Waterraaf (de) en dc Visschen....................653
Weduwe (de jonge) .............. . 38i)
Wenschen (de drie) ....................... . 416
Wezels (de beide) en de Vleermuis . .................................SO
Wezels (de) met de Ratten in oorlog.................206
Wezeltjen (het), de Kat en het jonge Konijn. ..............454
Wezeltjen (het) in dc Spijskamer........................178
Wolf contra Vos, pleitende ten overstaan van den Aap ....... . . . ⢠76
Wolf (de), de Geit en het Geitjen................, , 233
Wolf (de), de Moeder en het Kind . ................ . 236
Wolf (de) en de Hond ..................... . 15
Wolf (de) en de magere Mond....................605
Wolf (dc) en de Herders ....................................661
Wolf (de) en de Jager .........................563
Wolf (dc) en het Lam.......................31
Wolf (de), de Leeuw en de Vos ...................477
Wolf (de) en de Oievaar................................156
868
DER FABELEN. «69
f \
liladz.
Wolf (dc) en het Paard...........................2H7
Wolf (de), de Vos en het Paard...............â¢â¢â¢â¢ 809
Wolf (de) en de Vos......................(
v / | 777
Wolf (de) Herder........... . . ...........^38
Wolven (de) en de Schapen.....................166
Woud (het) en de Houthakker â . . â¢................804
Wouw (de), de Koning en de Jager..................7lt;S7
Wouw (de) en de Nachtegaal..............634
Wijsgeer (de Scythische)..........................819
Wijze (een) en een Gek .................. . . . . 825
Zee (de) en de Herder .......................1,92
Zeug (de wilde), de Arend en de Kat...... . ..........148
Ziekenoppasser (de), de Scheidsman en de Kluizenaar . ..........846
( 365
Zon (de) en de Kikvorschen...................
v ; I 832
Zwaan (de) en de Kok........................ . 164
Zwaluw (de) en de Spin......................665
Zwaluw (de) en de Vogeltjens ..................................22
Zwijn (het), de Geit en het Schaap.....................508
mm I
Ik
ïr i
H i h
11
jS
I
ffllap
Wm mm. n Wi n '^M-.vr-4 ;â â¢*
HI 'iiii ^pgt; !
mmm ^ny
1
SIÃMlM
H gt;
M-â vjiii â ',; m -â 'â â SffcySf .?â â ⢠wm\wmvwmw?mmmamp;mmsmamp;mmmimamp;l
â
'â 'â¢'â â HB
mmi:K'im M
I
ill ?
Pik I||BS WKÃêêsk-
ilw9« aHiiilMaMMWBI^MM^SBijBMiBIBH^SjpHiBBiMBWHwiil^^mBM^BBHMMS^^^gMt wffitMBMagSBWBB MBHM HHHH â 'â ' «
I
1;|
.â fi-Jiamp;Aif ::K;#yamp;-;S. ,.' vgt; k.^it-'Ati
'v . ./'f--' i'» 'lt; v». â¢Â« .'.â » i-,!j â¢â¢ u1' ⢠-*9*'} '.gt;' â¢
1
â
'/
_
_
_