.....^
w
Wi
RE(
BE B1B1BIJ11R
voor het Voetlicht,
OP
Wat dient er gekend en gedaan te worden róór ik op de planken mag?
m fwn cn ^J^aab^vin^fcn
VOOB
REGISSEURS EN REDERIJKERS,
door DWABSEIJZEB.
BOTTEBDAM ,
D. BOLL E.
DE
mmm ïööii m vöeïüght
OF
Wat dient er gekend en gedaan te worden vóór ik op de planken mag?
on li en ctt
VOOR
REGISSEURS EN REDERIJKERS,
door DWAKSKIJKEK.
ROTTERDAM,
D. BOLLE.
DE REDERIJKER VOOR HET VOETLICHT.
Een Brief aai Mij Ãeer Sen Reiisseir, als TotirreJe.
Mijnheer de Regisseur.
U weet, Mijnheer, dat do tijd vrij wel
voorbij is, waarin zij, die vrijwillig in dienst
i
getreden zijn bij Juffrouw Eethorica, haar bedienen uitsluitend met het reciteereu van Lyrische, Epische of Dramatische verzen. De voordracht van ettelijke jaren geleden geraakt zoetjes aan in onbruik. Helaas!
Zag men vroeger jaren Abdel-Kader op een podium verschijnen met een zoogenoemde âstalen-
DE KEDER1JKER. X
2
ponquot;, wit vest aan en een lorgnet of bril op. hoorde men het âKerkportaal'' of den âDood eens spelersquot; bijna overal met meer of minder gave âreciteerenquot;, â tegenwoordig brengt men âstukkenquot; voor het voetlicht, op een werkelijk tooneel, en gedost in heusche âCostumes zelfs het grimeeren ontbreekt er niet aan.
Dwarskijker, Mijnheer de Regisseur, wil op deze plaats daarover geen woord van goed- of afkeuring uitspreken; alleen wil hij zeggen dat het zoo is.
Maar Avaarover hij wel wil spreken is dit: men heeft een andere richting dan vroeger ingeslagen; men âspeelt tooneelquot;, men acteert, 't Is niet uitsluitend meer te doen om den schoonen vorm van de taal, waarin schoone en hartverheffende gedachten zijn geboetseerd; neen, men wil karakters, typen, historische figuren, vormbeelden van deugden en on-
3
deugden weergeven, door het woord niet alleen, maar door de stem, door liet gebaar, door de gelaatsuitdrukking enz. enz. En wat ziet men nu maar al te vaak gebeuren ?
Men gaat in een Rederijkerskamer, en men denkt dat meu rederijker is; men speelt op een tooneel, en men denkt dat men tooneelspeler is! Van een soort cursus, van eenige oefening vooraf, geen sprake! De heeren leeren een rol, de moeilijkste het liefste, dan gaan zij staan op een tooneel, en ze zeggen die rol, zij knikken en zij schudden zoo nu en dan eens met het hoofd, laten de oogen rollen, zij zwaaien zoo wat met de armen, zij vormen vau de vingers nu eens vuisten, dan weder eens tuinharken, zij maken van hun beenen en de vloerlijn, die deze beslaan, gelijkzijdige of ongelijkzijdige driehoeken, zij lispen of zij bulderen, zij weenen belachelijk
en lachen, dat men het betreuren moet, en â
1*
4
zij denken dat zij liet lieel mooi gedaan hebben, omdat Vader of moeder, oom of tante, neef of nicht, of de vrijster in de handen klapt, en de groote hoop, in navolging, daar bard aan mee doet. De goeden niet te na gesproken, maar Gij weet even als ik. Mijnheer de Ee-gisseur, dat dit een euvel is, dat helaas! maar al te veel onder de Eederijkers-Tooneelspelers voorkomt.
Moesten de heeren het timmer-, metsol- of loodgietersvak loeren, zij zouden het wel uit hun hart laten, om in den aanvang liet moeilijkste werkstuk aan te pakken; maar nu het rederijken-tooneelspelen geldt, nu kan het er wel mee door! Als een timmermansjongen zija vak wil leeren, moet hij eerst leeren do hamer vasthouden, de zaagsnêe leeren, de beitelsteek beoefenen enz. enz. Maar mot de rederijker-tooneelspoler is dat wat anders! Die komt maar
5
on die doet maar! Welzeker! in deze kunsttak ligt alles maar voor 't grabbelen en 't oprapen.
't Mocht wat, Mijnbeer de Regisseur!
Dwarskijker beeft de rederijkers-tooneelspe-lers langer dan een kwart en een achtste eeuw daarbij gageslagen, en daarom wil hij zoo gaarne aan de meesten toeroepen: blijft thuis of gaat onder de toeschouwers zitten, tot zoolang mijnheer de regisseur u geleerd heeft, wat er noodzakelijk te leeren valt. Leert eerst staan, zitten, knielen, liggen, loopen groeten, buigen, den hoed afnemen, den wandelstok hanteeren, gooien, oprapen, slaan, sterven, doodvallen, enz. Leert spreken, leert het gelaat, oog en oor gebruiken; leert bedroefd, toornig, nijdig, verbaasd, schrikkend, sehaamvol, beschroomd, bloo, berouwvol, afschuwelijk, walgend, verwonderd, vreesachtig en vreeselijk, wanhopend, bewonderend en ver-eerend, verliefd, en vreugdevol enz. enz. te
6
kunnen schijnen, en hebt ge dat geleerd komt dan eerst weder voor het voetlicht.
Jawel, Mijnheer de Regisseur, Dwarskijker weet het wel: kunstenaars worden wel geboren; niet gemaakt! Maar hij weet ook wel, dat wil men uit den klomp klei oen beeld boetseeren, de klei gevormd moet worden. En dan â als gij verlangt, dat alleen zij tot u zullen komen, die bezield zijn met een aangeboren heilig kunstvuur dat niet te blusschen valt, met een bruisenden stroom van het genie, die evenmin kan worden gestuit als den steenklomp die van het berggevaarte losgerukt, donderend omlaag rolt; als gij denkt dat alleen zij tot u zullen komen voorzien met een rijke schat van tooneelgaven, en de kracht om die alleen en zonder hulp van anderen te verwerken en pasklaar te maken, â dan verlangt gij te veel, Mijnheer de Regisseur. Er zijn er geweest.
7
Mjnheer, die de kruk van een handkar vandaag hadden losgelaten, en morgen voor het voetlicht stonden als een held of een martelaar of al wat ge maar wilt, en een traan van ⢠bewondering uit de oogen der toeschouwers
persten. Zij zijn er geweest, zij zijn er misschien nog! Maar geloof mij, geen vier in een eeuw, â en toch nog... laat ik het u zeggen, ruwe diamant is diamant, jawel; maar geslepen is zij meer diamant Zoo ook hier.
Maar, Mijnheer de Regisseur, u wilt mij vragen; Wat stelt Dwarskijker zich toch wel voor van liefhebbers; moeten deze volleerde tooneeliston zijn? Wil hij van hen vorderen, dat zij dezer omvangrijke studie beoefenen in den tijd, dien zij aan hunne bezigheden hebben te besteden? Waarachtig niet. Mijnheer de Regisseur! Volstrekt niet. Luister!
8
Zou het u ooit in de gedachte komen om een bochel van drie voet manslengte de rol van een Hercules of Goliath of den Sparrewouder reus toe te bedeelen? Neen, niet waar! Welnu, evenmin mag het u in de gedachte komen, of liever laat ik zeggen, evenmin moogt gij het toelaten, dat hij die de wanhoop niet kan voorstellen, omdat hij niet weet wat zij is, de Avanhoop voorstelt; evenmin moogt gij toelaten dat hij die de stille (de hoogste) smart moet voorstellen, uit onkunde vervalt in een luidruchtig gebaar enz. enz.
Kort en goed, Mijnheer de Regisseur, weet gij wat Dwarskijker wil?
Hij wil dat men weet wat men doet, op de eerste plaats; dat men het doet, zoo het behoort gedaan te worden, op do tweede plaats; «of dat men thuis blijft en niets doet.
Jlet eerste vereischt bij de meesten voorlich-
9
ting; het tweede vereiscbt bij de meesten leiding en oefening.
Voorlichting, leiding en oefening, of thuis blijven of onder de toeschouwers plaats nemen!
En ziedaar juist waarin nog zoovele tekortkomingen vallen te constateeren.
Aan wie de schuld?
Voor het grootste gedeelte aan u, Mijnheer de Regisseur! Beterschap, Mijnheer!
Mag ik u een paar pillen ingeven? Een paar slechts? Want meer kan ik niet geven! Gij kunt ze vinden, gerold in het papier, waarop de volgende pagina's gedrukt zijn.
Het overige zij u aanbevolen!
Neem een en ander voor hetgeen bet gegeven wordt; een vingerwijzing slechts.
Goed succes, Heeren, wenscht u
Dwaeskijkek.
I.
Yoor den Nieuweling.
Kent gij hem, Mijnheer de Kegisseur, dan behoeft het natuurlijk niet; kent gij hem niet, vraag hem nooit, wat hij keir, cn kan.
Plaats u tegenover eiken nieuweling, die tot ii komt, als iemaud, die als een leerling tot den meester komt, en lees hem de groote, de grootste les, die altijd voor den tooneelspeler gegolden hoeft en zal blijven gelden, 't Is de groote les, die door een grooten tooneel-kunstenaar zoo juist is geformuleerd: Wat alleen
11
uit het hoofd komt, gaat ook alleen tot het hoofd; wat uit het hart vloeit, zal tot het hart spreken.
Zeg hem, dat het niet de hoofdzaak voor den tooneelkunstenaar is, om warm te betoogen dat de uitkomsten van de tafel van vermenigvuldiging juist en omonstootelijk zijn; zeg hem dat hij om iets anders moet redeneeren â dan alleen om te bewijzen dat er een logica bestaat; zeg hem dat hij tot het gevoel moet spreken, en dat daarvoor maar één taal bestaat: de taal van het gevoel. Zeg hem dit: wil hij een traan laten schreien, dat hij zelf eerst schreien moet; zeg hem dat hij vervuld moet zijn van hetgeen hij zegt en doet; zeg hem dat, wanneer hij op de planken komt, en alleen zijn hoofd meebrengt en zijn hart thnis laat, dat hij de grootste, de voornaamste helft heeft achtergelaten, dat alzo» de helft van den man voor het voetlicht ver-
12
schijnt. Zeg hom dat eens, honderd, dnizend-malen; zeg hem dat telkens, wanneer gij hem de hand drukt als regisseur.
Alleen zij die dat kunnen beseffen, kunnen toepassen, alleen zij zullen in staat zijn do tooverkracht uitteoefonen, die op het tooneel thuis behoort.
Vindt gij in uw nieuweling den man, die dat kan, houdt hem vast; hij kenden kan de helft van hetgeen hij kennen en kunnen moet.
Breek toch met die oudbakken gewoonte om als proeve een vers te laten reeiteeren, en daarvan afhankelijk te maken de schatting zijner bekwaamheid, zijner geschiktheid. Dat zou uitstekend zijn voor den rederijker-decla-mator; maar tot dezulken spreekt mijn boekje niet. Het spreekt tot den rederij ker-tooneel-kunstenaar. Aan hem worden geheel andere
13
eischen gesteld. Een goed declamator is soms niet eens een bruikbare tooneelkunstenaar.
Leg zijn stem, dat onschatbaar orgaan, de echo van gevoel en gedachte, op uw weegschaal. Leer hem de stem tot tolk van de aandoeningen, van de hartstochten te zijn, door haar aan te wenden met meer of mindere verheffing en kracht, warmte, teederheid Leer uwe nieuwelingen donderen, gebieden, smee-ken en verteederen. Om een voorbeeld te geven: neem een volzin van weinig woorden: Kom hier! Hoe zegt de jager dat tegen zijn hond; hoe zegt de moeder dat tegen haar kind; hoe zegt de drilsergeant dat tegen zijn recruut; hoe zegt de vrijer dat tegen de vrijster.
Gebruik meerdere van die uitdrukkingen en oefen uwe nieuwelingen om die uittespreken in den toonaard, welke daarbij voegt Begin met kleine, ga voort met grootere. Leer hun
14
elke uitdrukking goed begrijpen niet alleen , maar leer die ook gevoelen. Stap daar niet te spoedig af; gij zult zien dat gij daarvan vruchten zult plukken.
Daarbij hebt gij een magnifieke gelegenheid om er op te hameren, dat men zuiver zijn âmoerstaalquot; spreekt. Duld toch nooit dat de man onder uwe leiding op het âteneelquot; met de âschoitquot; ânaquot; ..Haarlamquot; gaat; voorkom dat de âminsenquot; of de âmensenquot; zich aan hem doodergeren, als hij een âflaturquot; begaat, door te toonen, dat hij âniksquot; begrijpt van de waarde van oen punt, een komma, een puntkomma , een uitroepteeken of oen gedachtestreep, niettegenstaande hij zich het air geeft te behooren tot het geslacht dat zegt: Wij âbinnenquot; rederijkers, ofschoon wij evenmin op eene gekuischte uitspraak letten als de lappen die to diep in bet âglaziequot; gekeken hebben.
15
Leer hen duidelijk spreken, zuiver. Elke lettergreep heeft hare waarde. Laat die waarde aan zoo'n lettergreep nooit onthouden; laat die waarde goed uitkomen. Geen lettergreep mag worden afgebeten, afgehapt, ingeslikt, uitgehikt. Elk woord moet worden uitgesproken. Leer ze tevens waar een meer lettergrepig woord den klemtoon moet hebben. Lach niet, dat is noodig. Een voorbeeld. Eens hoorde ik een rederijker, die poseerde in de rol van een Romeisch soldaat, en wiens taak het was een honderdman (cen-turio) toetesprekon. Weet ge wat en hoe hij radbraakte ? In plaats dat hij zei: honderdman, zei hij honderd man!! Een toeschouwer, die naast mij zat, vroeg of er niet ergens oen bezem bij de hand was, om dat heer van het tooneel te vegen. Ik zei, dat ik het dan toch nog vrij wat billijker vond om met den stok Mijnheer den Regisseur uit zijn functie te jagen.
16
Let goed op, Mijnbeer de Eegisseur, of de mannen, die gij instrueeren moet, een goed gebruik maken van hun oog en hun oor, ja, van hun oog en hun oor. Want bij het ontvangen van indrukken, werken beide altijd onafscheidelijk; althans moeten het doen.
Het oog vangt een indruk op, het oor is luisterende of een stem daaruit spreekt; het oor luistert naar een geluid, het oog zoekt waar het vandaan komt. Beide zijn gericht naar één brandpunt.
Ziedaar wat in het dagelijksch leven bijna altijd instinctmatig gebeurt Op het tooneel wordt het door heeren Rederijkers zoo vaak verzuimd. Jan spreekt tot Piet; Piet luistert met het oor, maar aan zijn oog kan men dat niet zien. En Piet, die daar staat om zijn toeschouwers te betooveren, is verstrooid; dat laat hij blijken. Wat kan daarvan anders
17
liet gevolg zijn, dan dat hij verstrooidheid zaait.
Leer toch vooral aan Piet, dat zijn oogen niet door de zaal behooren te dwalen om rond to gluren of zijn nichtje of zijn liefje zijn mooie pakje wel ziet. Zijn oogen behooren daar niet thuis; hij kan thuis wel vragen of zij het gezien hebben. Zijn oog behoort thuis tusschen de denkbeeldige lijnen van den harlekeins-mantel, het achterdoek en de zijschermen. Ea in die ruimte mogen zij ook niet naar willekeur gedachteloos ronddwalen. De oogen behooren daar waar zij zijn moeten. Zij hebben een ontzaglijke functie te vervullen, omdat het oog van den mensch de gedachten des harte verraadt De ziel, Mijnheer de Regisseur, spreekt uit het oog.
Laat mij een voorbeeld ter opheldering geven. Zet iemand voor eene schilderij, dat gij
DE BEDEKLTKEE. 2
18
als kunstrijk liera hebt aangeprezen. Hij zal zijn lippen openen, en l)ij zal zeggen, dat hij het ook mooi en schoon vindt; dat kunt gij hooren Maar gebruik uw oogen, en blik en schouw in de zijnen Als gij daaruit niet duidelijk de bewondering kunt lezen, dau, ja zeg dan maar gerust, dat de man huichelt of liegt.
Hebt gij, Mijnheer de Eegisseur, wel eens gezien hoe twee verliefden elkander aankijken; hebt gij wel eens gezien hoe de moedor baai-zuigeling aankijkt, hoe de olykert kijkt, hoe de gramme vader zijn ondeugenden bengel tegen-blikt, hoe het oog van den dierentemmer zijn wild dier tegenbliksemt? Ja, hebt gij dat gezien? Welnu, laat u dat aanleiding geven om uwe nieuwelingen te leeren hunne oogen op de planken te gebruiken. Vind daarin aanleiding om hen te leeren, dat, als zij op de planken een verpletterende tijding ontvangen,
19
hun oogon iets anders moeten zijn, dan het oog van hem, die naar zijn neef âdikke Dirkquot;' kijkt, of naar het liefje van zijne keuze in de zaal; van hem, die de naden telt tusschen de planken van den tooneelvloer.
't Zijn stakkers, tooneelstakkers, Mijnheer de Regisseur, die alleen luisteren naar het âwa^ht-Avoordquot;, en dan antwoord geven.
Men moet niet alleen luisteren; men moet zien â en gevoelen!
Jawel, Mijnheer de Regisseur! ik weet het wel. U wilt mij vragen: Mijn mannen zullen mij zeggen: Hoe wijd moet ik de leden openen, hoe snel moet ik de perels laten rond-rollcn van dat betrekkelijk ovale ding? Als ze dat vragen, kom dan maar weer met die groote en bijna alles omvattende tooneelwet op de proppen, die hun zegt: Wat uit de ziel komt, zal tot de ziel spreken; wat uit het
20
hoofd komt zal slechts tot het hoofd spreken. Leer hun voelen met de ziel, en de ziel zal spreken uit het oog. Is dit het geval, laat de oogen dan maar aan hun lot over. Zij zullen van zei ven uitdrukken, wat zij moeten uitdrukken. In dit geval zijn het gehoorzame dingen.
Leer hen dat en gij zult voorkomen wat men zoo vaak ziet, dat het oog het gesproken woord door den mond tot loochenaar maakt, of omgekeerd. Neen, Mijnheer de Regisseur, men bliksemt geen toorn uit een dof en wezenloos oog, en Lucinde zal Ferdinand nooit gelooven als zijn mond zegt: ik bemin u! terwijl zijn oogen getuigenis afleggen, dat zij eigenlijk in een tijger- of kattenkop thuis behooren.
Neen, Mijnheer de Regisseur, dat deugt allemaal geen steek! Oogen en ooren in functie en goed hoor! Zeg hun het volgende maar
21
gerust: Watje hoort moet dóór je trommelvlies heen tot in je ziel en daar moet je het voelen! En hebt je 't daar gevoeld, dan zullen je oogen spreken, reeds vóór je den mond hebt opengedaan.
Juist Mijnheer de Eegisseur, dat voelen, dat gevoel! Daar moet ge n veel aan gelegen laten liggen. Weet ge, hoe gij dat kunt?
Al uw mannen hebben gevoel, hebben gevoeld. Zij hebben ook nog herinneringsvermogen, een schoon vermogen in den mensch, een vermogen, dat terug kan doen komen, wat gevoeld is. Welnu, daarvan moet gij proflteeren.
Kunt gij, Mijnheer de Regisseur, omdat gij de knapste ouder uw medebroeders zijt, althans zijn moet, een weinig â hoe meer hoe liever! â gevoel van u over- en instorten, â des te beter! Kan dit niet, of niet in voldoende mate geschieden, vraag hun dan of zij aan hunne
22
herinnering eens willen vragen, wat zij gevoelden , toen zij gevoelden, en wat en hoe zij dan spraken. En laat ze dat dan nog eens herhalen. Hebben uwe mannen nooit een fout bedreven en daarover leed gevoeld, daarvoor vergiifenis gevraagd? Hoe hebben zij toen gesproken, als zij zeiden: Vader, vergeef het mij! of: Hoe spijt dat mij! of: Het doet mij leed 1 of: Het verscheurt mij de ziel! enz. Eoep de herinnering daaraan bij hen terug, en lateu zij dat zelfde nog eens zeggen, met hetzelfde leedgevoel van vroeger. Hebben zij nooit aan een sterfbed gestaan van een teergeliefde en onder snikken en heete tranen een laatst woord van afscheid gesproken? Voor den dag met de herinnering daaraan en het nog eens herhaald. Hebben zij zich nooit bijna te berste gelachen om een komiek ding; hebben zij nooit getoornd, hebben zij nooit het gevoel van af-
23
schuw gekend? Welnu dan, voor den dag er mee! Mijnheer de Eegisseur, het volle menschen-leven is te rijk aan gevoelsnuances, dan dat ik in mijn klein bestek op alles kan en mag wijzen. Voor u ligt een rijkdom van stof bloot. Herinneren en herhalen dus!
Laat toch niet langer toe, Mijnheer de Regisseur, dat men de heerlijkste en kunstrijkste gevoelsphrasen uit den mond smijt, met misschien nog minder gevoel dan dat, waarmede de brievenbesteller zegt: Een brief, juffrouw; asjeblieft een dubbeltje port.
En roept gij het gevoel uit het verledene terug, door bemiddeling van de herinnering, dan zult gij ook tevens de gevoeligheid opwekken, versterken. Gij zult gewaarwordingen op nieuw in het leven roepen, en uwe mannen kunnen daarvan profiteereu; zij kunnen ze op nieuw in toepassing brengen. Nu weet ik zeer
20
hoofd komt zal slechts lot het hoofd spreken. Leer hun voelen met de ziel, en de ziel zal spreken ait het oog. Is dit het geval, laat de oogen dan maar aan hun lot over. Zij zullen van zeiven uitdrukken, wat zij moeten uitdrukken. In dit geval zijn het gehoorzame dingen.
Leer hen dat en gij zult voorkomen wat men zoo vaak ziet, dat het oog het gesproken woord door den mond tot loochenaar maakt, of omgekeerd. Neen, Mijnheer de Eegisseur, men bliksemt geen toorn uit een dof en wezenloos oog, en Lucinde zal Ferdinand nooit gelooven als zijn mond zegt: ik bemin u! terwijl zijn oogen getuigenis afleggen, dat zij eigenlijk in een tijger- of kattenkop thuis behoorea.
Neen, Mijnheer de Regisseur, dat deugt allemaal geen steek! Oogen en ooren in functie en goed hoor! Zeg hun het volgende maar
21
gerust: Wat je hoort racet dóór je trommelvlies heen tot in je ziel en daar moet je het voelen! En hebt je 't daar gevoeld, dan zullen je oogen spreken, reeds vóór je den mond hebt opengedaan.
Juist Mijnheer de Eegisseur, dat voelen, dat gevoel! Daar moet ge u veel aan gelegen laten liggen. Weet ge, hoe gij dat kunt?
Al uw mannen hebben gevoel, hebben gevoeld. Zij hebben ook nog herinneringsvermogen, een schoon vermogen in den mensch, een vermogen, dat terug kan doen komen, wat gevoeld is. Welnu, daarvan moet gij profiteeren.
Kunt gij, Mijnheer de Eegisseur, oradat gij do knapste onder uw medebroeders zijt, althans zijn moet, een weinig â hoe meer hoe liever! â gevoel van u over- en instorten, â des te beter! Kan dit niet, of niet in voldoende mate geschieden, vraag hun dan of zij aan hunne
22
herinnering eens willen vragen, wat zij gevoelden , toon zij gevoelden, en wat en hoe zij dan spraken. En laat ze dat dan nog eens herhalen. Hebben uwe mannen nooit een fout bedreven en daarover leed gevoeld, daarvoor vergiffenis gevraagd? Hoe hebben zij toen gesproken, als zij zeiden; Vader, vergeef het mij! of: Hoe spijt dat mij! of: Het doet mij leed! of: Het verscheurt mij de ziel! enz. Eoep de herinnering daaraan bij hen terug, en laten zij dat zelfde nog eens zeggen, met hetzelfde leedgevoel van vroeger. Hebben zij nooit aau een sterfbed gestaan van een teergeliefde en onder snikken en heete tranen een laatst woord van afscheid gesproken? Voor den dag met de herinnering daaraan en het nog eens herhaald. Hebben zij zich nooit bijna te berste gelachen om een komiek ding; hebben zij nooit getoornd, hebben zij nooit het gevoel van af-
23
schuw gekend? Welnu dan, voor den dag er mee! Mijnheer deEegisseur, het volle meuschcn-leven is te rijk aan gevoelsnuances, dan dat ik in mijn klein bestek op alles kan en mag wijzen. Voor u ligt een rijkdom van stof bloot. Herinneren en herhalen dus!
Laat toch niet langer toe, Mijnheer de Regisseur, dat men de heerlijkste en kunstrijkste gevoelsphrasen uit don mond smijt, mot misschien nog minder gevoel dan dat, waarmede de brio-venbesteller zegt: Een brief, juffrouw; asjeblieft een dubbeltje port.
En roept gij het gevoel uit het verledene terug, door bemiddeling van de herinnering, dan zult gij ook tevens de gevoeligheid opwekken, versterken. Gij zult gewaarwordingen op nieuw in het leven roepen, en uwe mannen kunnen daarvan profiteeren; zij kunnen zo op nieuw in toepassing brengen. Nu weet ik zeer
24
goed, Mijnheer de Eegisseur! dat een mensch al datgene onmogelijk kan gevoeld liebbeu, wat door den schrijver verlangd wordt dat zal worden weergegeven. Niet allen hebben den ontzettenden angst gevoeld, als de storm de zee beroerde en het schip heen en weer slingerde; wie onder het levend geslacht kent uit ondervinding den doodstrijd? Maar, Mijnheer de Eegisseur, er is een machtig hulpmiddel , om dat gemis aan eigen ondervinding te vergoeden. Al wat door de herinnering onmogelijk kan worden teruggeroepen, kan worden voorgesteld door de verbeeldingskracht, het voorstellingsvermogen. Zie, Mijnheer, dat vermogen moet worden gesterkt, aangekweekt. Hoe kunt gij dat doen? Zoek den weg daarvoor op uw eigen terrein. Denk u toestanden in, en geef daarvan eene levendige schildering. Zijn zij er toe in staat, laat anderen het ook
25
doen. Schilder of laat schilderen, oin iets te noemen, het lijden van den martelaar, de angst van een ter dood veroordeelde, de stille smart eener verlatene, leer hen het vuur doen ontbranden dat uiteen hoopvol gebed vlamt, de moed om te sterven voor een goede en heilige zaak enz. Maar, Mijnheer de Regisseur bedenk wel, dat op dit uw terrein voetangels en klemmen liggen. Hiermede wandelt gij op een terrein, waarop gij, stap voor stap, over den steen van het ongekende kunt struikelen â door de nachtmerrie van den toonkunstenaar, genaamd overdrijving en onwaarheid. Gij moet de verbeeldingskracht aanvuren, en doet gij dit, dan zult gij maar al te vaak kunnen opmerken, dat gij ze ook moet weten te louteren, om niet in de groote tooneelzonden van overdrijving en onwaarheid te vervallen.
De mannen, die gij geroepen hebt, of die onge-
26
roepen zijn gekomen, zie Mijnheer de Regisseur, maken zich aan de onwaarheid, aan overdrijving 't meest schuldig, daar waar zij een hoogst tragisch of een moest komisch karakter hebben voor te stellen Eu doen zij dit, dan geven zij dei-waarheid een slag in het aangezicht. â zij staan hardop en ten aanhoore van een groot getal toeschouwers te liegen. De waarheid spreekt uit het hart en het gemoed, tot het hart en het gemoed; de logen verwekt door overdrijving afkeer.
Dwarskijker, Mijnheer de Regisseur, heeft eens bijgewoond, dat de overdrijving een getal van meer dan vijfhonderd toeschouwers den lachlust heeft opgewekt
Een liefhebber speelde eens de rol van een vader, van een ongelukkigen vader, die zijn kind in de golven zag spartelen, die de golven over het hoofd van zijn kind voor altijd zag
27
sluiten, 't Lag niet in zijn macht om een hand uittestrekken om hot veelgeliefd kind te redden.
Als die man eens weende, als hij de nagelen in de borst sloeg, als zijn vingeren door zijn haren woelden, als zijn handen vuisten werden en bonsden op hart en voorhoofd, â wie zou het dien vader euvel kunuen duiden, die zijn kind zag ondergaan?
Maar wat deed de vader-tooneelkunstenaar ? Van zijne armen maakte hij molenwieken, hij danste op zijn beenen, hij rolde als een clown over den vloer en bonsde met zijn vuisten op de vloerdeelen alsof hij stokvisch beukte, en uit zijn stembuis kwam een akelig gebrul, als van een stier, die gekeeld wordt. En wat was liet gevolg van deze onwaarheid, van deze overdrijving? De toeschouwers weenden niet met den weenenden vader, zij gevoelden hetsmarte-
28
lijke niet van een vader, wiens ziel door de
smart verscheurd wordtneen, liet publiek lachte! En waarom? De overdrijving heeft dit eigenaardige, dat zij spoedig zichtbaar of hoorbaar is; 't verstand van den toeschouwer bemerkt al spoedig, dat het misleid wordt. Men was gekomen om de nabootsing te zien, van wat geschieden zou, als het werkelijk geschied ware; en wat kreeg men te zien? Niets van dit alles; maar wel een karikatuur dat misleidde; 't tegendeel van de waarheid. Hoeveel malen, Mijnheer de Regisseur, bezondigt de komiek zich niet door overdrijving, door dingen te doen, welke nooit in de bedoeling \an den schrijver hebben gelegen, en somtijds kwalijk te vergoelijken zijn voor oen paljas. Hij moge daardoor voor een oogenblik de lachers op zijn hand krijgen, â de welopgevoede, de geestige man heeft er een afkeer van.
29
Leer toch, Mijnheer de Regisseur, uw mannen die overdrijving af; maken zij zicli daaraan schuldig, hak net zoolang met het snoeimes der waarheid, dat de wanstaltige uitbotsols zijn weggevallen; net zoolang dat de toestanden worden voorgesteld, zooals zij in werkelijkheid bestaan.
In het algemeen, Mijnheer de Regisseur, gij moet de opvoeder zijn van de mannen, die u omringen, voor zooverre de kennis hun ontbreekt van de dingen, die zij ondernemen willen. Gij moet ze gedurig, als zij onder uwe leiding zijn, leeren nabootsen.
Als gij in hun midden zijt, vraag dan of zij geen kennis hebben aan een of ander karakter, aan een of andere karakteristieke persoonlijkheid, of aan bijzondere hebbelijkheden, aan deze of gene eigen Laat hun opnoemen die eigenaardigheden en dat waardoor zij zich als eigenaar-
30
diglieden kenmerken, â maar dit niet alleen, Iaat huQ die ook nabootsen. Komen die eigenaardigheden van daag of morgen of nog over een jaar niet te pas, wat doet het er toe'? Gij leert hen nabootsen, en dat is hoog noodig! Leer hun op elke kleine omstandigheid, die zij in het volle en bewegelijke men-schenleven kunnen waarnemen, aandachtig letten: de boer heeft een andere manier van loopen dan een fat; de driftkop loopt weer anders dan de loome en trage straatslijper. Elke stand, elke klasse in de maatschappij, heeft zijne eigenaardigheden, die dienen bespied , die dienen nagebootst te worden. Op elke kleinigheid, op elke eigenaardigheid van meerderen omvang dient gelet te worden, zij dient te worden weergegeven, nagebootst. Zie, dat scherpt de opmerkingsgave, een gave van veel belang voor hen, die voor het voetlicht willen
31
komen. Maar niet alleen op de uiterlijke, ook op de innerlijke dingen dient te worden gelet. Leer de karakterkennis. Nu weet ik wel dat dit een studie van zeer omvangrijken aard is; maar er wordt ook slechts datgene gevergd wat mogelijk is. Hier geldt: beter wat dan niets. Spreek met hen over de karakters, die in hunne onmiddelijke omgeving zijn. Kennen zij geen driftige, geen trage, geen flauwe, geen mannelijke, geen moedige, geen slappe, geen neerslachtige, geen opgewekte, geen vroolijke karakters, enz. enz.? En hebben die karakters geen eigenaardigheden, die gekend moeten worden ?
Leert hun ook bespieden de eigenaardige gelaatsuitdrukkingen aan die karakters eigen en zichtbaar op het voorhoofd, in de oogen, aan de wenkbrauwen en neus, wangen, mond en kin. Leer hen de eigenaardige gelaatsuit-
32
drukkingen van arglistigheid, eigeDzinnigheid, deugenieterij, huichelarij, wankelmoedigheid, lachlust, enz. enz. 1)
Maar in 's hemelsnaam, zult gij, Mijnheer de Regisseur! zeggen, moeteu mijn nieuwelingen dan alles kennen en weten, vóór en aleer zij voor het voetlicht mogen kinnen. Hoor eens. Mijnheer do Regisseur! het onmogelijke wordt niet gevergd, slechts het mogelijke wordt geëischt Het mogelijke kunt gij doen, en doe het daarom Het is Dwarskijker niet te doen om volleerde tooneelkunstenaars van uwe nieuwelingen te maken: het is hem te doen alleen hierom: dat uwe nieuwelingen niet
(1) Die iets van gelaatkunde willen weten, kunnen terecht b:j de uitgevers-firma C L Langenhuysen te Amsterdam, alwaar Dwarskijker een werkje in het licht heeft gegeven, getiteld; Zou-i't wel weten. 'tKost slechts 35 cents.
33
denken dat, als zij hun schoenzool op den tooneelvloer hebben gezet, en hun mond geopend om wat te zeggen, dat zij dan maar dadelijk pasklaar zijn. Meer nog! Dwarskijker zou nooit zeggen tegen iemand: ga en verschijn voor liet voetlicht, en daarom zal hij ook nooit een letter op het papier zetten, om daartoe te animeeren. Hij wil alleen spreken tot hen, die dat reeds gedaan hebben, en het gedaan hebben laat ik het zeggen, - op eene min verdedigbare wijze. Doe het niet; alles goed en wel; maar doet gij het, doe het dan ook goed en wel. Verwaarloos dan niet wat een eerste vereischte is. Want geloof mij. Mijnheer de Regisseur, de brekebeenen en halfueden zijn in alles, â quot;t hooge woord moet er uit, â walgelijk! Walgelijk ? 't Is een hard woord, maar Dwarskijker neemt er niets vaa terug.
Mag ik u, Mijnheer de Regisseur, iets ver-
DE RF DERIJKER. 3
34
tellen ? Ik vroeg eens aan een liefbebber-tooneelkunstenaar, die aan zijn regisseur een rol had afgedwongen, waarin den nijd in persoon moest worden voorgesteld: Wat verstaat gij eigenlijk door nijd? âDat is een man, die nijdig is!'' Ziedaar het antwoord, dat ik kreeg. Met deze verbazende kennis toegerust, begon bij zijn spel op don tooneelvloer. En?
Niets kwam er voor den dag, wat eigenaardig is aan dien vuilen hartstocht. Niets dat do ergernis en het verdriet toekende over de welvaart van zijn tegenstander; niets van dien verdrietigen toon waarin de nijd zich uit; niets van die mimische gebaren, waardoor de nijd zijn opgekropt gemoed lucht geeft; niets van de uittartende houding, den nijd eigen. Neen, geheel iets anders! De man was nijdig, toornig, boos, zooals de man is, dien men op den teen getrapt, of dien men den hoed over
35
do oogen en ooren beeft geslagen. Is dat walgelijk, Mijnbeer de Regisseur, of is het dat niet? De auteur had een acteur gevraagd, die den nijd moest voorstellen, en u, Mijnheer de Regisseur, hebt toegestaan dat een pruttelaar en een pruiler hem op zijn dak is gestuurd.
Zie, dat zijn dingen, die niet gebeuren moesten. Vanwaar komen zij? Van onkunde! Wie zal het euvel duiden, dat niet Jan en Alleman op behoorlijke wijze den nijd kan voorstellen, of de droefheid, of de verbazing, of den schrik, of den toorn, of de schaamte en nog wat en nog wat. Waarachtig niet, niemand; Dwarskijker het allerminst! Maar belooft gij het te zullen doen, vrijwillig en ongedwongen, zorg dan ook, dat gij zooveel mogelijk volop weet, wat gij voorstellen moet. Kunt gij dat niet, laat het aan anderen over en neem plaats onder de toeschouwers.
3*
36
Mynheer de Regisseur, ik ga een hoofdstuk van mijn boekje besluiten Maar â allereerst een kleine verantwoording.
Gij hebt, zult gij zeggen, gesproken over alles en nogwat ten dienste der nieuwelingen en ik heb geen woord nog gelezen, opzettelijk met het oog op het gebarenspel neergeschreven, 't Is zoo, Mijnheer de Regisseur, en laat ik u zeggen, ik ben niet van plan, daaraan een afzonderlijke rubriek van mijn vingerwijzing te wijden. De stoffe is zoo uitgebreid, dat zij een afzonderlijk bescheiden boekdeeltje zou vorderen.
Dat mag ik er niet aan ten offer brengen. Ik schrijf slechts een vingerwijzing, en ben wel verplicht veel aan u. Mijnheer de Regisseur, over te laten.
Lees do volgende hoofdstuk. Daarin heb ik mij meer op zielkundig terrein bewogen, en
37
het mimisch gebaar in toepassing gebracht op den zieletoestand. Vul gij aan, Mijnheer, wat daarin niet voorkomt en door u noodig zal worden geoordeeld, en bedenk wel, dat al het noodige op een dergelijke wijze behandeld worde als ik het daar heb trachten te behandelen; bedenk wel dat gij dit doen moet als uwe nieuwelingen geen nieuwelingen meer voor u zijn, maar eerder behooren tot uwe oudere garde.
11.
Voor de oudere garde.
Mijnheer de Regisseur, Dwarskijker geeft hier eenige psycholochiscbe en teebnische wenken, waarvan gij diegenen bij zekere gelegenheden te pas kunt brengen, welke u noodig en nuttig toeschijnen.
't Zou kunnen gebeuren, dat gij hier of daar het niet met mij eens zijt, wat aangaat de opvatting. Ik neem u dat niet kwalijk, Mijnheer de Regisseur, en mag u dat niet kwalijk nemen, omdat ik mij geen onfeilbaarheid toeschrijf, en
39
allerminst met de schoolmeestersplak u mijne begrippen en ideeën opdring. Neem er uit wat n voorkomt goed te zijn, en verwerken verander wat u goeddunkt.
Maar een zaak zal ik u wel mogen opmerken.
De aandoeningen en de daaraan verbonden toonaard , gebaren , standen en handelingen, worden door mij veronderstelt in de hoogste graad van uitwerking. Voor elke nuance kan geen afzonderlijk regeltje geschreven worden. Daaruit volgt dat nog veel aan uw beleid, aan uwe kundigheden blijft overgelaten.
Nog iets. Aandoeningen komen zoo zelden, geheel alleen staande, en zonder inmenging van andere voor. Ook daarin heb ik niet kunnen voorzien. Dat zou voor mij oumogelijk zijn en daarom, Mijnheer de Regisseur, u aanbevolen!
NIJD
is ccn vuile hartstocht, die ontstaat uit ergernis ca verdriet over de welvaart of geestesgaven van anderen.
Meestal is de nijd stom; zijn lijden van ergernis en verdriet draagt hij meestal zwijgend; uit zich daarentegen die ergernis en dat verdriet in woorden, dan geschiedt dit op bitsen verdrietigen toon. Do nijd houdt er soms een verachtelijke vreugde op na; de vreugde over het ongeluk van een tegenstander, die benijd wordt.
Bij de voorstelling van den nijd. die in het
41
gemoed opgekropt ligt, worden geen levendige mimische gebaren vereisclit. De nijd verteert het lichaam en drukt een eigenaardig stempel op het gelaat. De nijd die zwijgt, moet dus meerondeels veraanschouwelijkt worden door dat eigenaardig gelaatsstempel De grimeur kan hier veel dienst doen. Laat hem, Mijnheer de Regisseur, die den nijd moet voorstellen, een sterk gefronsd voorhoofd teekenen, do wenkbrauwen zooveel mogelijk verbergen, de kaken hol en bleek, de oogen diep en weggezonken voorstellen. En hij, die den nijd voorstelt, laat hij zich zooveel mogelijk oefenen om de onderlip meer voorwaarts te brengen dan de bovenlip; om do mondhoeken zooveel mogelijk achterwaarts naar beneden te trekken. Ook hierin kan de grimeur van dienst zijn.
De houding is meer uittartend dan fier; het hoofd is altijd afgewend van het voorwerp dat
42
benijd wordt; het oog staart er dof en duister op.
Moet er gesproken worden, laat de toon steeds dof zijn.
Uit de nijd zich in woeste vreugde, dan blijke dit voor bet meerendeel uit de gesproken woorden; de mimische gebaren moeten altijd sober en kalm blijven, maar het gesproken woord woest en sarcastisch; de lach helsch, woest en plotseling als eene uitbarsting.
BLOOHEID,
ziedaar valsehe, ongemotiveerde, onnoodige en dwaze schaamte. Do blooheid is veelal belachelijk en uit zich door linkschheid.
De houding van het lichaam wordt geregeerd door een soort van halve angst, die aanleiding geeft, dat het dingen doet, welke den lachlust kunnen opwekken, omdat men in een zekere mate van âverbouwereerdheidquot; het tegenovergestelde allicht doet, van hetgeen men doen moet. Het oog moet veelal neergeslagen, het gelaat onbeweeglijk, de stap langzaam en wij-
44
felend zijn Do bloohcid mag nooit luid en beslist spreken, integendeel de spreektoon moet dof, onbestemd en halfluid zijn.
Een bloo menscli begaat nog al eens vergissingen ; ik heb ze gekend, die moeilijk een deur uit konden komen, die gemakkelijk openging; ik heb ze gekend, die iets aanvatten en het lieten vallen; ik heb ze gekend, die altijd verkeerd liepen, 't Is dan ook niet te verwonderen. De meeste menschen, die bloo zijn, zijn nogal eens verstrooid.
Ziedaar, Mijnheer de Eegisseur, kleinigheden; maar kleinigheden die in aanmerking dienen genomen te worden, omdat zij de levende illu-stratiën van een of ander karakteristiek uitmaken. Vergeet ze nooit; maar 't allerminst in die rollen, die uit zich zei ven weinig spreken, en ook weinig gebarenspel toelaten.
Geef last aan den grimeur, dat hij den blooden
45
man een kleinen smallen mond, een lange hangende kin, groote sombere uitpuilende oogen en een boogachtig voorhoofd teekent. De meeste bloode inenscben blozen licht; denk daar Avel aan.
J
VERBAZING.
Ziet men iets vreemds, onverwachts, wonderbaarlijks of groots, dan is men verbaasd, Die verbazing kan meer of minder sterk zijn, 't doet er niet toe; plotseling is zij altijd; altijd oogenblikkelijk wordt het bewustzijn eenigermate onderdrukt.
Deze aandoening kan korten of langen tijd werken; maar altijd moet verondersteld worden, dat datgene, waarover men zich verbaast, be grepen wordt. Het is eene plotselinge indruk, die men opvangt, door iets te zien, wat men niet verwacht heeft.
47
De verbazing, den hoogsten top bereikt hebbende , brengt eene zekere mate van verstijving des lichaams teweeg; dit gebeurt dan, wanneer de plotselinge indruk van verbazing de bloedsomloop dreigt te doen stilstaan. Zij is in dit geval nauw verwant aan den schrik, maar verbazing is geen schrik.
De verbazing ontstaat door te zien of te hooren; dus door hot gezicht of het gehoor; meestal echter door het gehoor.
De verbazing ontstaat snel, plotseling, 't Kan daarom geen kwaad die te doen samengaan door een lichten schok van het lichaam, dat vervolgens rechtstandig blijft. De oogen moeten wijd open gespalkt blijven staren, de mond moet, half geopend, onbewegelijk blijven. De armen nemen den vorm van bijna een halveu cirkel, in horizontale richting aan, de handen uitwaarts, de vingeren insgelijks en niet aan-
48
eoagesloten, maar eenigszins geopend. Dit laatste (van de handen) ook dan, Mijnheer de Regisseur, wanneer gij het beter en meer in overeenstemming vindt met de rol, om de armen, in hal ven cirkelvorm hangende, in achter-waartsche i'ichting kommandeert. Maar laat dan in dit geval het hoofd iets voorwaarts gebogen zijn.
Laat langzaam spreken, met iets vrageuds in den toon en het midden tusschen helder en dof in de stem houden. Begrijpt u, de verbazing heeft nog nooit bevolen, nog nooit op hoogen toon gesproken, nooit beslist. Die zich verbaast, staat voor een tot nu nog onopgelost probleem, men ziet uit naar de oplossing van een raadsel. Dus men wil weten en moet daarom iets vragends in den toon mengen.
Nog iets: is de verbazing van dien aard dat zij werkelijk het lichaam schokt, laat dan een
49
kreet uitstooteu, op hetzelfde oogeublik dat do schok ontstaat, onverschillig of de schrijver dien aangegeven heeft of niet. Zeg aan den man, die dat doen moet, dat kij eerst eenigc oogenblikken den adem inhoudt, en dan dien uitstoot. Die kreet kan bestaan in liet fluisterend of hardop (niet woest hard , alsjeblieft') uitspreken van een tusschemverpsel.
Aan den grimeur hebt gij in dit geval niets te belasten. Gij hebt hier tedoeametiets.dat de toeschouwer ziet komen en ziet gaan ; 't werk van betrekkelijk korten tijd. De man kan aan dergelijke eigenaardigheden van gelaatsuitdrukkingen al bitter weinig doen.
DE HEDEllIJKEE.
SCHRIK
is eeu bliksemsnelle aandoening van de ziel, bij het zien van een persoon of een voorwerp, of bij het hooren van een geluid.
Schrik gaat altijd vergezeld van een schok door het lichaam; die schok moet steeds merkbaar zijn, meer of minder, naarmate de graad van den schrik is.
De schrik werkt op de ademhaling; zorg dus dat een gestoorde ademhaling hoorbaar is. Laat nooit uit de borst. maar altijd uit de keel het geluid komen; nooit beslist, afgerond, altijd eenigs-zias belemmerd, trillend, sidderend. Mag men
51
veronderstellen dat de geschrokkene wat van den schrik bekomen is, Iaat hem dan een weinig huiveren. Hij, die wel eens huiverig (van de koude b. v) is geweest, zal het zoo heel moeilijk niet vallen te huiveren.
Het lichaam, Mijnheer de Regisseur? Van den schok hebben wij reeds gesproken; deze moet goed zichtbaar zijn door de beweging van het bovenlijf. Laat de armen iet of wat hoekig omhoog en bevend uitwaarts strekken, ze dan eenige oogenblikken in dien stand blijven, en vervolgens machteloos vallen.
Te gelijk met den schok moeten de wenkbrauwen worden opwaarts getrokken, de oogeu strak blijven staren, do mond half geopend zijn, de onderlip om de onderkaak van den mond strak gespannen en teruggetrokken worden, terwijl de bovenlip daardoor in vooruitstaanden stand komt.
52
De schrik zelf is bliksemsnel en dus oogeti-blikkelijk voorbij; maar de gevolgen er van duren nog eenigen tijd voort. Gij moet dus niet alleen laten blijken, dat gij schrikt, maar ook, dat gij geschrokken zijt; ook de gevolgen van den schrik moeten blijken. Die gevolgen kunnen gevoegelijk blijken uit eene lichte spraak, belemmering, onsamenhangende woorden te spreken, en eenigszins verward in zijn handeling te zijn. Mijnheer de Regisseur, de gevolgen van den schrik mogen niet anders dan langzaam verdwijnen. De schrik moet op het tooneel altijd sterven door verval van krachten.
Er zijn menschen die schrikken en dien schrik weten te verbergen. Voor den toeschouwer mag een verborgen schrik niet verborgen zijn. Komt dit geval voor, laat dan de boven omschreven uitingen van den schrik aan den toeschouwer zien, en laat hij, die aanleiding
53
tot dien schrik geeft en er gevolgtrekkingen uit zou kunnen opmaken als hij dien zien zou. zich even te voren van den schrikker afwenden, of een kleine bezigheid verrichten (zitten, opstaan of zoo iets) waardoor zijn opmerkzaamheid afgetrokken wordt.
SCHAAMTE
is een edel gevoel in de ziel, ontstaan door den spijt welken men gevoelt over het doen van een daad of het spreken van een woord. Schaamte is in zekere mate een plotseling en onberedeneerd berouw, als zij op eenmaal ontstaat , zooals zij dan ook meestal door de tooneel-anteurs wordt voorgesteld. Er is ook een blijvende schaamte, of liever gezegd een schaamte die van duur is en zich een betrekkelijk langen tijd uit.
De schaamte is in zekeren zin een vernietigingsproces van de vrijmoedigheid aan een
55
goed geweten eigen. Dc toon van de stem is dus gedempt, dof, iet of wat neerslachtige langzaam en niet luid.
De houding nederig, en neerslachtigheid aanduidende, eenigszins gebogen; het hoofd naaide borst geneigd, de mond gesloten, dc blik terneergeslagen.
Die met eenige inspanning juist zooveel het lichaam kan persen, dat het gelaat rood wordtr doet daar wel aan. Bij de schaamte. Mijnheer de Eegisseur, behoort onvermijdelijk de blos dei-schaamte. Moeten een paar stappen gedaan worden om te naderen of zich te verwijderen v dan moeten die altijd langzaam zijn.
Doet het geval zich voor, dat een rol moet worden afgespeeld van iemand, die gedurigaan gebukt gaat onder de schaamte, dan kan mijnheer de Grimeur daar weinig aan doen. De schaamte is van plotseling opkomende en lang,-
50
zaam voorbijgaanden aard en drukt dus geen merkteeken i n bet gelaat. Iedereen, met welke eigenaardige gelaatsuitdrukkingen ook, kan zicb scbamen.
Laat bij alleen den blos der scbaamte schilderen , en de tooneelkunstenaar-rederijker dient zicb verder naar omstandigheden in uitdrukking en gebaar te houden aan bovenstaand gegeven regelen.
BESCHROOMDHEID
is een gevoel van bange aarzeling bij het verrichten van een daad of het spreken van een woord.
De gang van een beschroomde is dan ook aarzelend, langzaam en onvast. De spreektoon insgelijks, behalve nog dat hij zacht dient te zijn- Een beschroomd mensch spreekt meestal nauw hoorbaar.
De houding van het lichaam is stijf en laat weinig mimisch gebaar toe. Moet met de lichaamsdeelen iets gedaan worden, dan bewegen zij zich langzaam en weifelend. Het hoofd
58
iets nederwaarts en de oogen gedurig naar den grond geslagen, en â moeten zij opwaarts blikken, laat ze dat dau doen langzaam, weifelend en onbestemd door de kassen dwalend.
De beschroomdheid doet niets liever dan vertrekken van de plaats waar zij beschroomd is, of uit de nabijheid van het voorwerp, dat de beschroomdheid verwekt. Komt dit voor, dan moet bij het vertrekken de beschroomde twee passen achterwaarts doen, zich langzaam omdraaien, stap voor stap vertrekken en, bij het punt van uitgang gekomen, zich snel verwijderen.
De beschroomdheid op het tooneel voorgesteld, is meestal een geruimen tijd blijvend. Laat de grimeur die eigenaardige keuteekens aan het gelaat geven, meestal eigen aan menschen, die aan een zekere mate van zielszwakte lijden. Ook beschroomdheid is zielszwakte.
Eea voorhoofd dus, Mijnheer de Regisseur,
59
dat aau de kruin iets uitwaarts, aan den neuswortel iets inwaarts loopt; laat vervolgens op dat voorhoofd veel rimpels teekenen van de slapen naar het midden schuins-nederwaarts toeloopenden, eenige kleine plooien aan de buiten-ooghoeken, een liinken neus met een gebogen bovenlijn, aan weerszijden een paar rimpels; een kleine smalle mond, moet het overige doen.
BEROUW,
ziedaar de edelste parel aan de ziel die misdaan heeft. Het berouw is eene aandoening van hooge waai-de, die altijd weldadig werkt. Het berouw heeft hoogst tragische eigenschappen, en daarnaar moeten ook stem en mimisch gebaar zich regelen. Berouw veronderstelt smartgevoel; de toon, dien men aanslaat moet ook een smartelijke zijn, en een smartelijke toon is langzaam, klagend, diep. Het hart, het innerlijke moet spreken; het berouw huisvest in het binnenste van den mensch.
De stap is langzaam, de houding eenigszins
61
gebogen, de linkerhand moet bij afwisseling gelegd worden op de plaats, waar de wondeplek ligt. De rechterarm kan machteloos neerhangen, en wordt het vereischt dat een traan vloeit, dan kan hij gebruikt worden om een traan weg te pinken. Het oog mag niet rechts of links blikken, slechts op- of nederwaarts staren Het hoofd kan nu en dan op de borst zinkeu en wordt het opgeheven, dan wende men het eeuigszius links, schijnbaar of het op den linkerschouder rust. Hot gelaat moet een smartelijke uitdrukking aannemen, door de lippen op elkander te sluiten en in den vorm vau een Ualven cirkel te brengen met het bolle bovenwaarts. De grimeur. Mijnheer, kan de mondhoeken in die richting wel een weinig verlagen. De oogen zijn half gesloten, de wenkbrauwen aan den neuswortel moeten een weinig opwaarts worden bijgeteekend.
62
Waar het berouw zwijgend en sprakeloos een verwijt moet aanhooren, kan het geen kwaad het lichaam een eenigszins gebogen houding te geven, en nu en dan, in beslissende oogen-blikken, een schok of een lichte trilling weer te geven. De berouwvolle boeteling moet bleek van kleur, met ingevallen wangen gegrimeerd worden.
AFSCHUW
is oen mindere graad van walging. Moet gij, Mijnheer de Eegisseur, iemand voor het voetlicht afschuw laten betuigen, zeg hem dan, dat twee aandoeningen sterk in hem moeten spreken: verontwaardiging en verachting. Deze hebben den volgenden spreektoon noodig: hard, maar niet te hard, kond, maar bovenal, daar de afschuw altijd beslist spreekt, vast van toon.
Staat men oogenblikkelijk voor den persoon of het voorwerp van afschuw, dan kan men dezelfde mimiek maken, welke is aangegeven bij de walging.
64
Mocht het zijn dat men zijne afschuw moet te kennen geven over een persoon of een voorwerp, tot het verledene behoorende, in dit geval mag de mimiek niet zoo sterk werken, als in het eerste geval. Sluit de oogen, schud het hoofd, steeds sterk en sterker, open de lippen, sluit de tanden op elkaar, bal do vuisten en houd de armen gestrekt een weinig achterwaarts.
In afschuw ligt nooit het begrip van toenadering opgesloten; wel van afwijking. De stand van het lichaam moet dus altijd teruggetrokken zijn, altijd verondersteld worden in een afwijkende houding van den persoon of het voorwerp, waarover men afschuw gevoelt.
WALGING
ontstaat door een bovigen tegenzin, ecu stuitend gevoel van afkeer voor een persoon of een zaak.
Mijnheer de Regisseur, u weet, walging op het tooneel voor te stellen kan nooit ecu pret-tigen indruk op den toeschouwer teweeg brengen. Toch is het soms noodzakelijk, dat het geschiede. Is het noodzakelijk, laat het dan doen, maar laat het dan zoo kort mogelijk doen. Laat nooit lang walgen, want dat walgt den toeschouwer.
Walgt u een persoon of een zauk, en moet die walging door woorden worden uitgedrukt,
DE EEDERIJKER.
66
spreek dan snel, spreek dan met verontwaardiging, stoot dan de woorden uit.
Wanneer de walging ontstaat, verwijder u dan snel mot een paar haastige stappen achterwaarts, maar zonder het lichaam te keeren. Zie dat gij -zorgt dat het walgelijke altijd zooveel mogelijk links van den walgenden speler blijft. Zijt gij een paar passen van het voorwerp, dat walging verwekt, verwijderd, blijf dan plotseling staan, strek het rechterbeen iets achterwaarts, werp het bovenlichaam schuins rechts van het walgende afgewend, en het hoofd flauw daarvan afgekeerd, de oogen half gesloten, het achter-vlak van de linkerhand ter hoogte van den rechterschouder gebracht, de rechterarm gestrekt iets uitwaarts, de rechterhand gebald tot een vuist, de wanglijnen van de neus tot de mondhoeken moeten zichtbaar worden door den neus iets op te trekken en
67
den mond half te openen, terwijl de handen gesloten blijven.
Den grimeur kunt gij wel zeggen, dat hij de lijn van den neus en mondhoek wat aanzet.
Legt de auteur woorden in den mond van deu speler, waaruit blijkt rlat hij bet voorwerp van afschuw niet wil of niet kan aanzien, laat dan door de handpalmen do oogen bedekken.
VERWONDERING
is een mindere graad van verbazing-, 't Laatste ontstaat door het zien of liooren van iets nieuws, iets onverwachts, iets wonderbaarlijks of iets groots dat begrepen wordt.
Ue verwondering ontstaat uit dezelfde oorzaken, met dit onderscheid dat men tegenover het onbegrijpelijke staat.
Zij ontstaat 6f door het gezicht óf door het gehoor. Meest door het gezicht.
Moet, Mijnheer de Regisseur, iemand zich verwonderen. Iaat hij dan beginnen met dat te doen, wat iemand, die uit een droom ontwaakt.
69
doet. Laat hij den adem diep uit de keel stooten, de handen zacht, doch hoorbaar in censlaan, ter hoogte van de borst, en dan samenvouwen: vervolgens moet hij die loslaten, en uitstrekken in de richting van het voorwerp of den persoon, die verwondering verwekt Laat hij het bovenlichaam in ietwat gebogen houding voorover brengen, den mond bewegen alsof hij iets vragen wil, de oogen onafgebroken gericht houden op het voorwerp of don persoon, welke de verwondering teweeg brengt. Laat hem mot eerbied spreken, zacht beginnende, met de volle rondheid der stem eindigende. Iets trillends in de stem, in den beginne, kan geen kwaad.
Verwondering komt in het leven vaak voor. Niemand, die zich niet eens verwonderd heeft. Leerscholen genoeg dus. Mijnheer de Regisseur!
Laat nooit, direct na de verwondering een
70
zekere afmatting blijken; een lichte opgewektheid voegt in de meeste gevallen beter, en vergeet vooral niet dat in normale omstandigheden, zonder buitengewone bijkomende zaken, de uitdrukking van de verwondering langzaam verdwijnen moet.
VREES
is een benauwende aandoening ontstaan door een naderend gevaar, gemengd met een sterke zucht tot zelfoehoud.
De vrees belemmert de ademhaling en beklemt de spraak. Spreekt de vrees, dan spreekt ze bijna altijd halfluid.
De vrees, Mijnheer de Regisseur, heeft verschillende uitingen bij verschillende menschen.
De vrees maakt voorzichtig. Doemt de vrees op, blijf dan plotseling staan, krimp ineen, zie schuw in het rond, luister mot een zichtba-
72
reu angst. Trek het lichaam te zamen, doe een paar passen achter- of zijwaarts; nooit vooruit. Staat ge, sidder dan, spalk de oogen wijd open, den mond half ontsloten, en gebruik de handen om afwerende bewegingen te maken.
Komt het voor, dat gij in uw vrees eea wapen moet gebruiken, grijp het dan schuchter, laat het vallen en raap het dadelijk weer op.
Aandoeningen, Mijnheer de Regisseur, komen zelden onvermengd met andere voor. Zoo is bij de boven omschreven vrees verondersteld, dat ze door een plotselingen schrik is voorafgegaan.
Is de vrees eene doorloopende, speel uw spel dan met een zekere gejaagdheid af, en laat die gejaagdheid blijken uit uw onrustige houding en gebaar, door uw onrustige en daarom ook,va-rieerende stem. En uw gelaat? De wenkbrauwen,
73
in liet midden, moeten sterk aangezet en opwaarts, door den griuieur worden bijgewerkt, uw oogen moeten onrustig rollen, de mond moot half geopend en do mondhoeken inwaarts getrokken worden, zoodat de lippen tegen de tanden sluiten.
WANHOOP
ziedaar een der vreeselijkste van alle aandoeningen! Hopeloosheid en radeloosheid en ontroostbaarheid gaan haar vooraf. Het is eene zelfmoordende hartstocht
Droefheid, mistroostigheid, pijn, wrok, schrik, ontzetting, afschuw, â alles is bij haar door-eengemengd, en maakt dat de mensch zichzelf niet meer meester blijft.
Dc gelaatstrekken moeten verwrongen zijn, en geheel het mengsel van aandoeningen weergeven, die door de wanhoop worden teweeg gebracht.
75
Veel voordeel kan hier verkregen worden, als men matig van contrasten gebruik maakt. Bijv: ween, en als gij geweend hebt, barst dan uit in een hollen schaterlach; plooi uw gelaat in vreesachtige trekken, en zie daarna dan driest uit uw oogen.
Aldus ook met het gebarenspel van het lichaam. Wring uw handen krampachtig te zamen eu laat ze dan moedeloos en slap langs het lichaam hangen; doe een paar haastige en woeste stappen en sta dan weer bliksemsnel stil; doe of gij uwe te bergen gerezen haren uit het hoofd wilt rukken, en vouw dan eensklaps uw handen, en zet u in eene biddende houding; doe of ge met uw nagelen uw borst wilt
scheuren , en val dan weer machteloos zetel, enz.
Wees wild, gejaagd; spreek wild, g(u o . laat uwe stem hare geheele toonladder door
76
loopen, maar altijd zoo, dat de toon van den volgenden zin den vorige contrasteert. Wat tandengeknars kan geen kwaad, Mijnheer de Eegisseur.
Laat de grimeur goed wat rimpels op het voorhoofd brengen, tusschen de oogen tot diepe plooien saamgedrongen, blauwe dikke aderen aan de slapen teekenen, maar laat hij vooral niet vergeten een pruik te gebruiken met opstaande haren. En zorg zelf, dat gij de bovenrij tanden over de lippen sluit.
BEWONDERING EN VEREERING.
Als het oog hot grootseho en verhevene aanschouwt, dan gevoelen wij een aandoening van bewondering; dringt dit geval door tot in de onzichtbare ziel, dan gevoelen wij vereering.
iloet gij op het tooneel iets of iemand bewonderen, stoot dan eerst een lichten kreet uit, of laat uw adem uit de diepte komen en hooger opstijgen. Spreek vervolgens langzaam; begin eiken volzin zacht en eindig die door sterker uw stem aan te zetten Meng in uwe beslissende uitdrukkingen zoo iets of wat van een vragenden toon. Het lichaam eenigszins achterover, past een waardige, eerbiedige houding. De armen mogen nooit slap langs het lichaam
78
hangen, de vingers altijd aaneengesloten, de palmvlakken der handen moeten altijd gekeerd zijn naar het voorwerp der bewondering; oogen en mond dienen matig geopend te blijven.
De gelaatsuitdrukking bij devereering, zoowel als de stand des lichaaras zijn verschillend van die, bij het gevoel van verwondering.
Wat wij vereeren is grooter dan wij; â daartegen over, Mijnheer de Regisseur, staan wij in de minderheid. Dat moet worden uitgedrukt door het geheele lichaam. Buig het hoofd voor wat gij vereert, sla de armen kruislings op de borst, de oogen neder. Spreek met een eerbiedige, eenigszins bewogen stem; sta doodstil; want een heilige vrees bevangt u.
Als het tepas kan worden gebracht, is er niets op tegen, dat men een kniebuiging maakt.
VREUGDE
is eenc opwekkende zielsaandoening, die tot verrukking voert, 't Is een aangename ontroering, teweeggebracht door den indruk, door een gewensclit goed op ons gemaakt.
Er zijn soorten van vreugde. Mijnheer de Regisseur !
Reine vreugde; zij wordt stil en gelukkig genoten. Het gelaat neemt eene vergenoegde uitdrukking aan; de mond is tot een lichten lach geplooid; het oog blikt helder. De stap is luchtig, het lichaam in edelen en rustigeu stand, de beweging van handen en armen
80
eonigsziüs snel. De toon van spreken is opgewekt, doch rustig.
Er is ook eon vreugde, die ziek stormachtig en wat woest uitdrukt.
Hier zijn de bewegingen van het lichaam sneller, eenigszins naar het woeste zwemende; de handen klappen, de voeten verrichten bijna danspassen, liet bovenlichaam wringt zich heen en weer, het hoofd knikt of schudt, quot;t Is begrijpelijk, dat de spreektoon daarmede in overeenstemming moet zijn, snel, rad, hoog, jubelend, doorspekt van korte juichtoonen en vroolijke tusschenwerpselen. Een vroolijke lach bekleedt ouder het laatste niet do minste plaats.
Laat de grimeur zorgen voor een glad voorhoofd, wenkbrauwen die goed zichtbaar boogsgewijze loopen, eu de hoeken van den mond met een paar trekken opwaarts brengen.
DROEFHEID
is een verdrietige kwijning door aangedaan leed of ongeval; zij is het tegendeel van vreugde.
De spreektoon moet een smartelijke zijn: in de stem moeten tranen spreken, langzaam, geroerd, treurig dof, nu en dan afgebroken door een snik of een zucht.
Droefheid verlamt, Mijnheer de Regisseur. Het hoofd moet links- of rechts op den schouder geleund zijn, (echter niet voortdurend) de lippen op elkander gesloten; het ooglid neergeslagen, en, opent het zich, dan moet de blik omhoog
DE BEDKHIJKEK. 'gt;
82
worden geslagen. Is het voorwerp of is de persoon, welke de droefheid verwekken, in de nabijheid, dan moet het oog sterk en stijf daarop blijven staren. De armen hangen nu eens slap en machteloos langs het lichaam, dan weder zijn do handen ter hoogte van de borst gevouwen. Ontsluiten zij zich, dan kunnen de handpalmen voor de oogen 'geslagen worden en de vinger een traan uit het oog wegpinken.
Stille smart, smart, die zich noch zichtbaar, noch hoorbaar uit, is de hoogste smart. Blijf met een gelaat, waarvan het lijdon is af te lezen , strak en stijf op het voorwerp der droefheid staren.
Overdrijf niet door misbaar, angstig en al te luid âhuilenquot;, afgrijzelijke kreten, door het stukbijten van het een of ander, stampen op den vloer. Dit doet do ongeduldige, de wanhopende; niet hij, die waarachtig bedroefd is.
83
Laat de grimeur een paar kreuken in het voorhoofd teekenen, de wenkbrauwen in het midden wat ophalen, door die aan te zetten, en de mondhoeken wat nederwaarts teekenen.
TOORN
is eene hoogere mate van grarascbap. Hij doet bij zijn ontstaan en door zijne werking bloed en bloedstroom aan; hij is een geweldige aandoening, die liet gelieele lichaam beroert, een liartstoclit, die zichtbaar is aan bijna geheel het uiterlijke van het lichaam.
De toon is luid en ruw; soms is het geluid van hem, die toornt, stamelend en stotterend; maar laat er vooral om denken, Mijnheer do Regisseur, dat iemand die toornig is, nadruk legt op eiken klank.
Als toorn zich heftig uit, staat hij veelal op
85
do grenzen dor razernij. Het gebaar moet dus veel bewogen en bliksemsnel aangewend worden. Handen kent de toorn niet; wel vuisten. Do voeten bewegen zich tot een snellen stap, tot stampen. Do bewegingen en bet gebaar moeten allen uitwaarts zijn, in de richting van het voorwerp, waartegen men toornt. Het hoofd moet beurtelings voor-, achter- en zijwaarts gebracht worden. De mond moot nu eens geopend zijn, en vóór hij zich sluit, moettandon-gekars hoorbaar zijn. De oogen moeten in de kassen rondrollen, do neusvleugels trillen. Een lichte beving der armen kan geen kwaad. Frommel een brief in elkaar, of verfrommel de kleeren, of klop op de borst, of grijp met do rechterhand in uw linkerarm, enz.
LEEDVERMAAK.
't Woord verklaart duidelijk den aard van deze aandoening: men schept vermaak in liet leed van anderen.
Moet men het voorstellen, Mijnheer de Ee-gisseur, laat men dan vlijmend, sarcastisch, tergend, ijskoud spreken. Vertoon daarbij nooit een gullen lach, maar altijd een minachtenden grimlach of een kwaadaardigen glimlach. Laat den stand van het lichaam rustig zijn, en, is een gebaar noodig om een uitdrukking te versterken , gebruik die dan sober, en leen het dan van het gebarenspel aan het waarachtig vermaak
87
eigen. Maar vergeet daarbij uooit, dat het leedvermaak den aanschouwer nooit mag voorkomen of liet't waarachtige vermaak ware. AN aai het werkelijke vermaak bijv. in de handen klapt recht voor de borst, daar moet het leedvei maak het desgevorderd doen eenigszins links, terzijde van de borst.
lets over Dramatische Kunst en hare onderverdeelingen.
Op het tooneel laat men levende, handelende personen optreden, die eene voorstelling van het werkelijke, of het als werkelijk gedachte leven weergeven.
Deze voorstelling vereischt noodzakelijk het behandelen van een of andere gewichtige gebeurtenis uit de geschiedenis van enkele personen.
Deze gewichtige gebeurtenis, zoowel als de personen, moeten door den schrijver geïdealiseerd zijn.
Do personen deelen elkander hunne denk-
89
beelden, aandoeningen en gevoelens mede door middel van den dialoog of de samenspraak.
Uit bovenstaande blijkt dus dat een goed stuk noodzakelijk drie boofdbestanddeelen vereischt: a. De gebeurtenis, de handeling, die genomen moet zijn uit de wereld der werkelijkheid of der verdichting. Altijd moet in een stuk oen hoofdhandeling zijn, waaromheen alle bijkomende handelingen zich gemakkelijk groe-peeren. Een fijn gesponnen intrigue moet daardoor heenloopen en langzamerhand en op meer en meer verrassende wijze den toeschouwer boeien en ten laatste in eene ontknooping eindigen.
Hierbij dient eenheid van tijd en plaats in acht genomen te worden.
I). De personen, die optreden moeten sterk geteekende karakters vertegenwoordigen; personen , die zich boven de sleur van het alledaag-
90
sche verheffen. Toeh mogen zij niet zijn uitsluitend ideale wezens, b. v. engelen of raensclien die geheel volmaakt zijn, neen, menschen van vleesch en bloed, met deugden en zwakheden. Deze laatste mogen geïdealiseerd zijn.
In elk goed stuk komt een hoofdpersoon voor, de voorstelling van een edel en verheven karakter dat bewondering, eerbied en liefde den toeschouwer afdwingt. Alle nevenfiguren mogen zich daaromheen groepeeren; waaronder ook zedelijk slechte. Door tegenstelling en verschel-denheid van kleur wordt de belangstelling gewekt.
c. De dialoog of samenspraak. In een goed stuk zal de samenspraak vlug, kort, klaar en krachtig zijn; nooit sleepend of gerekt, of opgevuld met langdradige bespiegelingen. De handeling en de persoon zijn meer hoofdzaak dan de dialoog; de dialoog moet de handeling
91
en de persoon als liet ware vergezellen en in beweging brengen; nooit mag hij rechtstreeks voor beide in de plaats treden.
Verder dient de dialoog karakteristiek te zijn; met andere woorden: lederen persoon moeten Avoorden in den mond gelegd worden, geheel in overeenstemming met het karakter, dat hij lieeft voor te stellen. Uit de keuze en den gang der woorden, welke den dialoog vormen, moeten de aandoeningen en hartstochten, in één woord het geheele innerlijke gemoedsleven, voor een groot gedeelte blijken.
Ziedaar, Mijnheer de Regisseur, waarop gij deugdelijk te letten hebt, bij de kenze uwer stukken. Voldoet een stuk niet aan deze gestelde hoofdvereischten dan zult gij niet alleen een ondankbaar, maar ook een eenigszins gevaarlijk werk ondernemen, door het op te laten voeren.
92
Alle stukken kuunen tot drie hoofdafdeelingen worden teruggebracht. Het Treur-, Schou w-en Blijspel.
a. Het Treurspel of de Tragedie. In zulk een spel verschijnt de held, die tegen een hoogere, sterkere macht dan hij in zich gevoelt, heeft te strijden. Hij delft in dien strijd zijn ondergang. Maar zijn nederlaag is niet vernederend , omdat hij moedig en kloek den adel van zijn karakter bewaard heeft, omdat hij zijn moed en zijn kracht heeft uitgeput tot het laatste, omdat hij valt als een slachtoffer van een onvermijdelijk grootere kracht, die hij niet ontwijken kan. Zijn ongeluk wekt ons medelijden en onze sympathie tevens.
Wilt gij, Mijnheer de Regisseur, een Treurspel laten opvoeren, let dan bij uwe keuze er op, of aan dat stuk een zuivere moraal ten grondslag ligt; of het stuk den toeschouwer een
93
tragische belangstelling inboezemt, of liet zijn ziel van het begin tot bet einde in beslag neemt; of de schokkende tooneelen niet eensklaps en geheel onverwacht, maar geleidelijk voorbereid, door den auteur bewerkt zijn; of de ontknooping zich geheel natuurlijk ontwikkelt uit den gang van het stuk; of stijl en taal ernstig en waardig zijn, vrij van gezwollenheid en bombasterij, enz. enz.
Men maakt, en terecht! onderscheid tusschen een Helden- en een Burgerlijk Treurspel. Zijn de personen genomen uit de zoogenaamde groote wereld, bij voorkeur historische figuren, dau behoort het stuk tot de eerste categorie; zijn de personen gekozen uit het gewone, maatschappelijke leven, dan behoort het stuk tot de tweede categorie.
h.) Het Blijspel. In het blijspel wordt ons de eene of andere menschelijke dwaasheid
94
of verkeerdheid op gecstig'en on spottenden toon voorgesteld. Het doel is die dwaasheid of verkeerdheid op de kaak te stellen, om er hartelijk om te lachen; dus, om de toeschouwers in een vroolijke stemming to onderrichten.
Moet gij, Mijnheer de Eegisseur, een degelijk stuk kiezen, let dan op, of hot aan bovenstaand veroischte voldoet, en of daarbij door den schrijver gebruik gemaakt is van schalkscho luim, van zonderlinge maar toch gemotiveerde toevalligheden, van zeer bijzondere omstandigheden, die buiten de sleur van het alledaagsche vallen. Sta nooit toe, dat stukkon worden opgevoerd, waarin ernstige zonden in oen vermakelijk daglicht gesteld, of lichaamsgebroken of treurige zielszwakten gogeoseld worden; waarin geen zedelijke moraal ten grondslag ligt, of waarin de wetten der welvoegelijkgeid overtreden worden.
Worden de dwaasheden en verkeerdheden
95
van personen gehekeld. clan noemt men het een karakterstuk; bepaalt dit karakterstuk zich tot de meest alledaagsche omstandigheden, dan noemt men het kluchtspel.
Spelen daarentegen kluchtige verwarringen en lachwekkende misverstanden een hoofdrol, dan noemt men het een intriguestuk.
c. Het Schouwspel, of tooneelspel, is een stuk , waarin wij de voorstelling zien eener belangrijke gebeurtenis, aan maatschappij of huisgezin ontleend, die zonder tragischen afloop eindigt, en ook niet ten doel heeft om dwaasheden of verkeerdheden belachelijk te maken.
Moet een dergelijk stuk gekozen worden, neem dan dat. Mijnheer de Regisseur, waarin de alledaagschheid vermeden is, en waaraan een hoogere ideale opvatting ten grondslag ligt, van goed en zuiver zedelijk gehalte.
Een paar Raadgevingen ten slotte.
Mijnheer de Regisseur, Heer en Rederijkers!
Ik hoop als goed vriend van u te scheiden, en meen in gemoede dit ook verdiend te hebben. Toch zou het kunnen zijn. dat zij onder n, die mijn boekje hebben gelezen, zeggen; Er gaat mij te veel tijd mee heen, om al wat het boekje aangeeft, in te studeeren, mij eigen te maken, en het dan in toepassing te brengen.
Die zoo zeggen hebben mijne bedoeling verkeerd begrepen; dat verkeerd begrip zou kunnen
97
schaden aan de vriendscliap tusschcn u en mijn boekje.
Dwarskijker verlangt niet. dat men zich uitsluitend neerzette en zijn geschrijf als een cursus bescbouwe, die achtereen ingestudeerd moet worden. Dwarskijker verlangt alleen, dat gij het uwe aandacht waardig keurt, dat gij het met aandacht leest en herleest; dat gij het leest vóór gij een eerstvolgden keer, voor het voetlicht moot verschijnen, en aanteekeningen maakt om te memoriseeren die raadgevingen, welke u zoo aanstonds van hoog nut kunnen zijn, door ze in toepassing te brengen.
Dat is toch waarlijk niet te veel gevergd.
âMaar, zult hem toevoegen, in het eerste gedeelte van uw boekje, Dwarskijker, verlangt gij toch, dat men zich niet alleen te vreden stelle mot het uitsluitend lezen, maar wel degelijk zich oefeue in stem, gebaar en handeling.quot;
DE REDERIJKER. 7
98
Dit is ook zoo; maar dit doet niets te kort aan lietgeon ik boven neerschreef.
Dat oefenen, waarop ik aandring, â is dat niet een dure plicht, die gij u vrijwillig hebt opgelegd ? Kunt gij uwe vrijwillig op u genomen taak in deze behoorlijk vervullen, zonder die oefeningen. Zijn zij niet een noodzakelijk bestanddeel van het geheel, dat gij onderneemt. Nu kunt gij wel zeggen: âJa, ziet u; wij oefenen ons in een en ander dat noodzakelijk is, dan, als wij ons stuk instudeeren.quot; Maar, goede Heeren, als gij dat dan moet doen, en met goed gevolg zult doen, dan zullen uwerepetitiëu onverkwikkelijk lang duren. Eu daarbij, brengt u den timmermansleerling, waarover ik in mijn voorwoord sprak, nog eens in herinnering. Moet hij door met moeielijke werkstukkeu aan te vangen, routine in de eerste beginselen opdoen ? Neen, niet waar. dit zijt gij met mij oeus.
99
â t Mijn boekje wijst u slechts op oen en ander;
nog eens, het is slechts een vingerwijzing!
it En wat het tweede gedeelte betreft, och kom,
it Dwarskijker verlangt niet dat gij al die psycho-
)- logische en technische beschouwingen van buiten
r leert. Volstrekt niet! Hij hoopt alleen dit,
k dat, als gij den nijd, de droefheid, de wanhoop
t. enz. enz. moet voorstellen, dat gij dan dat
n blaadje van zijn boekje opslaat, waarop die
, aandoeningen zijn behandeld, hoopt alleen, dat
e gij met datgene daaruit uw voordeel zult doen,
it waarmede gij dat kunt.
i Ik bid u, Heeren, beschouwt het doel van dit
t boekje uit dit oogpunt alleen, en schenkt het
ti daarom uwe vriendschap, al zou het maar alleen
t zijn om de goede bedoelingen, waarmede deze
0 vingerwijzingen op het papier zijn gebracht door
Dwakskuker.
v;-:
,
i
â â ;viV . 'v â¢â .
'i; ; â '
^ ^:-;V â :
% - - i.
/â ^ j .
.
.v-v'--
i-s-'quot; quot; - f ,. i-
X â â ; â â â â â . .
ï..rrv
'a V' â â ;; 'â '
N-vrfrgt;-gt;s^ p.
i. â . â L - -v
'u.â¢
1L. V'.
Door D. BOLLE te ROTTERDAM is mede verkrijgbaar gesteld:
Fr. MEYER
^imm
Handleiding: om zich iu gezelschappen onberispelijk te gedragen en daarin gepast te spreken,
alsmede opgaven der verschillende vormen, waaronder Invitatiëu, Bekendmakingen en de antwoorden daarop behooren te worden opgesteld, met de titulatuur, die aan verschillende standen der .Maatschappij gegeven wordt, verder de regelen der Wellevendheid tot in de kleinste bizonderheden, alsook Toasten, Toespraken , Brieven, enz., ten slotte eene Bloemenspraak, uitgezochte Albumversjes, Liefdesverklaringreu iu Poëzie, eenige nieuwe Aardigheden voor Bruiloften, enz., enz., enz., een boek voor den goeden toon en voor den meer gedistin-geerden smaak in taal, in gebaar, in houding en in gedrag.
4e Druk, 1 deel,
voor sleohts f O .'T'S.