G 5-II
DE NEDR®
m*
/ WETBOEK
'v V A NT S-
BfRGERLT-JKamp;^CHTSVORDERlNG
* dook
Mr., W. VAN- ROSSEM Bz.,
.\I»VOOAAT Pltlt;KJiniEUR BS- KANTOJsty.- 1 TK«-PI.AATSVKliVANGKK â jyv. '(«ftR'WBSiiAG'K.
-â ' -ff-A'
~ '
â ? 4v , DE DEEL.
f* -
^ 199â348.)
^ J,-
VIERDE DEEL. (Art. 348â620.)
's-ftRA VKWHAftE,
GEBR. BELINFANTE.
1886.
MOLENGRAAFF INSTITUUT
VOOR PRIVAATRECHT NIEUWE GRACHT 60 UTRECHT
ItE NEOEKLANDSCHE HKCHTSPKAAK
betreffende 11et
WKTBOKK VAN Hl HItERLI.IKE UKCHTSVORDKRIXd.
Cediukt bij CKIiR. ÃKI.IXI''ANTE, vooih.: A. I). SCHINKül-,
b OA-
L
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0704 0 36
DE NEDERLANDSCHE
RECHTSPRAAK,
GEBRACHT OP UK ARTIKELEN VAN HET
W E T B 0 E K
VAN'
BURGERLIJKE IIECIITSVORDERIKG
Mr. W. VAN ROSSEM Bz.,
ADVOCAAT, PUOCUREUB EN KANTONEECHTER-PLAATSVEKVANGER TE 'H-ORAVENHAUE.
DERDE DEEL.
(Art. 199â348.)
1886.
[Art. 199.
Art. 199.
I. De rechter in appèl (vernietigende een vonnis van den eersten rechter, ter zake van het niet pertinente en concludente van een bevolen getuigen-verhoor) is niet ambtshalve verplicht, in plaats van het geschil ten principale te beslissen, eenig ander bewijs op te leggen, indien door de belanghebbende partij daartoe in de instantie van appèl geen verzoek is gedaan of conclusie genomen.
Arr. v. 3 Febr. 1843, W. nquot;. 370; v. d. II.. B. I!., dl. IV, p. 298â30G.
9. Wanneer door den rechter ambtshalve eeue expertise is bevolen tot staving ecner vordering en daarin door den gedaagde is berust, is deze niettemin bevoegd, indien daartoe anders termen zijn, na atloop der expertise, tot staving zijner verdediging, een getuigenbewijs te vragen; â kunnende de admissie van een dier middelen (expertise of getuigen-verlioor) , geenszins de uitsluiting van het andere in zich bevatten.
Arr. v. 7 Maart 1844. W. n0. 491 . R., dl. XVII, § 53; v. n. II., B. II.. dl. IV, p. 210â238; (vernietigende het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 8 Sept. 1842, R. B. jg. 184'2, dl. IV, p. 705 sqq. en het vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Jan. 1842); idem, wanneer aanvankelijk een getuigen-verhoor had plaats gehad, hetwelk het geschil niet tot genoegzame klaarheid had gebracht, en de rechter, alvorens de hoofdzaak te beslissen, het incidenteel verzoek van eene der partijen, om gerechtelijke plaatsopneming, heeft toegewezen â bij arr. v. 19 Jan. '1855, W. nquot;. 4618. â In gelijken zin (als bij voormelde arrquot;. van den H. R.; bij arr. van 't P. H. v. Z.-Holland, v. '13 Nov. '1844-, W. n0. 561 ; idem bij vonnissen van de Arr.-R. Maastricht, v. 27 Maart '1845, W. n0. 015 en v. '13 Dec. '1855, W. n0.1758; idem van Amsterdam, v. 8 Nov. 1852, R. R. jg. 1853, p. 40â47, waarbij is beslist, dat de enquête is admissibel, al moge het waarschijnlijk zijn, dat later het caste quo wetenschappelijke der verklaringen, van het feitelijke zal moeten worden afgescheiden en het eerstgenoemde aan het onderzoek van deskundigen zal moeten worden onderworpen.
Vgl. navolgende beslissingen :
Wanneer èn eene expertise èn eene enquête noodig is, is het geoorloofd de eene te doen voorafgaan en de andere op te schorten, totdat de uitkomsten der expertise bekend zullen zijn.
P. H. v. N.-HoIIand, v. 13 April 1871, W. no. 3342.
Mr. W. van Rossem liz., liury. liechtso. iü*
Art. 19!».)
De rechter is bevoegd om, bij ontzegging der vordering (wegens onbestemdheid der gestelde feiten) tot gerechtelijke plaatsopneming of bericht van deskundigen, omtrent diezelfde daadzaken ambtshalve een getuigen-verhoor te bevelen.
P. II. v. Zeeland, v. 20 Juni 1855, li. B. jg. 1856, dl. VI, bh. 442â444.â Cf. art. 46 I!. li., air. v. 10 Nov. 1848, sub nquot;. 5.
3 De bepaling van art. 778 13. R. derogeert noch aan de regelen, voor alle incidenteele vorderingen, bij de artt. 247â21-!), noch aan die omtrent het getuigen-bewijs, bij artt. 199 en volgg. B. II, voorgeschreven.
Air. v. 3 Jan. 1845, W. nO. 501 ; R., dl. XIX. § 05; v. n. II., li. II.. dl. VT. p. 223â234. â ('f. art. 778 B. I!., ari-, van denzelfden datum sqq.
4-. De rechter kan eene partij, die den gestelden termijn om het getuigen bewijs te leveren laat verloopen, tot de verdere levering daarvan onbevoegd verklaren, en is niet verplicht telkens eene nieuwe toelating van getuigen-bewijs te bevelen.
Arr. v. 4 Dcc. 1845, VV. 11°. 007; R., dl, XXIII § 13; v. n. II.. B. It.. dl. VII, p. 199â214. â Vgl. ook hiermede een vonnis van t Ktg. no. 2 Amsterdam, v. 29 Juni 1846, R. 1!., jg. 1840, dl. VIII, p. 578â580, waarbij is beslist, dat de partij, die alleen door het dagvaarden van getuigen aan eene interlocutoire uitspraak, waarbij ht hel alyumcun bet leveren van bewijs ambtshalve was bevolen, heeft voldaan, bij het niet toelaten van die getuigen, verstoken is van de gelegenheid om haar recht langs andere wegen te bewijzen en haar mitsdien in dien stand van zaken hare vordering moet worden ontzegd. â Cf. art. 209 B. li., arr. van 't P. II. v. Limburg, v, 9 Jan. 1844, en art. 104 B. R.. vonnis van de Arr.-R, Maastricht, v. 3 Juni 1852, sub 11°. 2.
5. Het bevel tot getuigen-vehoor, ambtshalve door den judex facii. cam quo, te geven is facultatief.
Arr. v. 8 Jan, 1846, W. n0, 690; R., dl. XXIII. § 34; v. n. 11.. LI. 11.. dl. VII, p. 245â265; idem v. 10 Nov. 1848. VV. nquot;. 977; R., dl. XXXII, § 5; v. i). II., C. dl. VIII, p. 109â130.
O. Door den rechter kan, althans (Voffice, noch getuigen-bewijs, noch onderzoek van deskundigen worden bevolen, indien niet is ge-praeciseerd waaromtrent een en ander zou moeten loopen, en de
/4ï /
n^Lj^i/xï^y. oCi^ XZ^U^ V^JU. /k* â tiyC-L.'-1. -.» tr^^/yJU^y^A .t^t
'y^xZ.^_r^/-o~z. lt;. .-â r ^ l j ' ⢠'-^ /-*c
Hn^^i *
AröijO-' '. 2amp;. /£. (X) /e-^v-; /^/// y/ lt;-/SL.
635 (/1/7 11)9.
reohler buiten ile mogelijkheid is, om dat gemis ambtshalve aan te vullen.
'k~
Arr. y. 22 Nov. 1849, W. nquot;. 1095; R., dl. XXXIV, § 43; v. d.
f} n -^ll VI TX . .Vl^.v, t)Q T.. .-gt;: -1 Q~/. Igt; .11 VT Vil N.
II. /i.. dl. XI, p. 63â75; idem v. 23 Juni '1854, 11., dl. XLVII, § 48, bevestigende een arr. van 't P. II. v. Z.-Holland, v. 12 Jan. 1853, ii, ut supra, waarbij is beslist, dat, met het oog op art. 199 B. R., hetwelk niet op zich zelf, maar (in zaken van gewone behandeling) in verband moet worden beschouwd met de volgende artt. 202 en 203 B. R., eene conclusie (daartoe strekkende, dat men worde toegelaten om op alle bij de wet bekende wijzen en zelfs door getuigen te bewijzen, dat men of zijne auteuren sedert onheugelijke jaren als eigenaar zekere zalmvisscherij
I heeft bezeten) die noch de bepaalde bewijsmiddelen vermeldt, welke men heeft bezeten) die noch de bepaalde bewijsmiddelen vermeldt, welke men
I wil doen gelden, noch, wat het getuigenbewijs aangaat, de bepaalde
daadzaken, waaruit van dat bezit zou moeten blijken, in strijd is met de bij de wet voorgeschrevene proces-orde en mitsdien niet-ontvankelijk j moet worden geacht; idem bij vonnis der Arr.-R. Alkmaar, v. 1 Febr.
I 1844, R. 13. jg. 1845, dl. VII. p. 335 en 330 en van Amsterdam, v. 30
Juni 1847, liegt in Ncclerl., dl. IV, p. 357â300; idem (in eene procedure jl tot echtscheiding) Arr.-R. Assen, v. 22 Juni 1840, R. B. jg. 1847, dl. IX,
li p. 521 en 522.
f;
f, 5. Een getuigen-verhoor wordt, zelfs na het houden der pleidooien
over het geding ten principale, door de wet niet met den aard der zaak strijdig geacht, indien zulks tot ontdekking der waarheid kan leiden, â met dat gevolg, dat men (bij afwijking van de vormen, bij art. 202 B R. voorgeschreven) bij subordinate conclusie een getuigenbewijs kan vragen.
Arr. v. 4 April 1851, W. n0. 1215; idem bij vonnis der Arr.-R.'s-Her-togenbosch, v. 21 Juni 1842, \V. uquot;. 327, waarbij is beslist, dat, daar liet getuigen-verhoor ook ambtshalve kan worden bevolen, hieruit volgt, dat, ondanks de bepaling van art. 202 B. R., eene partij, in zake van gewone behandeling, ontvankelijk is in het getuigenbewijs over daadzaken eerst bij pleidooi ter audientie mondeling gearticuleerd; idem ten aanzien van summiere zaken, bij vonnissen der Arr.-R. Amsterdam, v, 16 Oct. 1878, W. n0. 4354, en van 28 Nov. 1878, \V. no. 4401 ; anders arr. P. U. v. Drente, v. 8 Sept. 1855, W. nquot;. 1749, waarbij werd beslist, dat de vordering tot getuigen-verhoor var. den gedaagde, eischer in reconventie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wanneer die gedaan is, nadat de zaak reeds in staat van wijzen was gebracht. â Vgl. hiermede art. 141 IS. R., arr. v. 24 Mei 1850, sub n0. 1 ; art. 139 B. R., vonnis van de Arr.-R. Appingadam, v. 31 Oct. 1850, sub nquot;. 1 en art. 202 B. R. sub n0. 1.
£gt;. Art. 19!) 15. R schrijft gebiedend voor, dat, indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn en het bewijs door getuigen bij de
/quot; cyo% oyium c^. l/t^yy h^tr ? t-C OJLâ c/^tr a/_^.'^
CnA^Sna- L iju. b £lt;u. y ^ ^ lsjkPcP , US. ^quot;5^3*2.
Tamp;eJ. Arl j^rg ^.U!
JW -, 1. amp;L.
»v ^/^ert-fOz- wet is toegelaten, de recliter, op verzoek van eene der partijen, ^^T_.een getuigen-verlioor zal bevelen, waaruit volgt, dat zoodanig verboor, aa^Tt-n-^^- immers wanneer de gestelde daadzaken ter zake dienende en afdoende * ./ zijn, niet ma3 worden geweigerd. ^
/i^ A,t- v- 5 ^i,art 1852' R - dL XLT- § 3G-
?) Stollingen, waaraan alle opgaaf van daadzaken ontbreekt, waar-zé ^ door beweerde recbteri zouden kunnen verloren of verkregen zijn,
7-6./2. hlt;n-. zijn ten onrechte als daadzaken gekwalificeerd.
liP'p, U*-. wbios- Hieruit volgt, dat de rechter niet ambtshalve mag opleggen een getuigen-bewijs in dezer voege- //dat het Rijk op den bedoelden grond zakelijke rechten heeft verloren en anderen daarop zakelijke rechten hebben verkregen1'.
Arr. v. 17 Febr. 1854. W. n0. 1518; R., dl. XLV11, § 8 (vernietigende liet daartoe betrekkelijk arr. van 't P. 11. v. Gi'oningen, v. 10 Mei 1853, mitsgaders het vonnis der Arr.-R. aldaar, v. 12 Nov. '1852). In gelijken zin bij vonnis van 't Ktg. Nieuwer-Amstel, v. (5 Sept. 1850, W. n0.1272, waarbij is beslist dat bij de niet-ontvankelijkheid van bewijsmiddelen voor rechtspunten, hetgeen eenlg en alleen door den rechter ten principale kan worden uitgemaakt, een getuigen-bewijs ontoelaatbaar is, om bet onrechtmatige eener daad (in casu aanhouding van een schip door tol-gaarders) te bewijzen.
IO AV anneer een eischer zich tot staving van zijn recht (in casa van zekere tienden) op verjaring heeft beroepen, en het bewijs daarvan door hem is aangeboden in eene conclasie, strekkende daartoe //dat hij zal worden toegelaten het bewijs te leveren dat hij en zijne auteuren gedurende meer dan dertig jaren te goeder trouw bezeten hebben de inschuld, welker voldoening gevorderd wordtquot;, dan mag de rechter, zonder dat hiertegen obsteert art. 1987 B. W., krachtens de algemeene bevoegdheid, hem tot het vorderen of opleggen van bewijs bij art. 199, al. 2, gegeven, ambtshalve bepalen en omschrijven het feit dat tot staving van des eischers beweerde verkrijging door verjaring, ingevolge zijn aanbod, door hem zou moeten bewezen worden, en mitsdien in cavi den eischer het bewijs opleggen, «dat hij en zijne voorgangers, gedurende dertig jaren, te goeder trouw bezeten en uitgeoefend hebben het recht tot heffing van zoodanige tienden11 enz.
Arr. v. KI Juni 1854, VV, n0. 1550. bevestigende een arr. van quot;t P. II. v. Z.-llolland, v. 2 Nov. 1853. VV. nquot;. 1488, en van do Arr.-R.'s-Graven-
I.f~p eyf~ lx*-â⢠c?~arry
pOJcu^ thx-4- ^kjLL/UJZ^fsuL. ^â¢/ccrtyv^r^o-^)' 1r*5------- cO-v-vy- Q-*-* CQ-k^ OJX^ thy*~y K^O~»~^J -O^rtrxjamp;j^
l/^ss(XJCm-TL- -L^yCc 4â X«-gt; q olt_,^ CA^L^X cfyy-iâ Q--iâ^X,C A^t, cSatr-v^ ^-CU^KJ t*rxjx,
liago, v. !2S Jan. 1853, W. n0. 1431 ; â anders echter bij air. van't P. II.
v. Gelderland, v. ^7 Juni 1849, R. B. jg. 1849, dl. XI, p. 393â390, waarbij is beslist dat, indien het onvolledige der gestelde daadzaken het gevolg is van eene dwaling omtrent de wettelijke vereiscliten van een gevorderd bewijs (in ccmu mede tot verjaring) er voor den rechter in hooger beroe))
geene termen bestaan, om, met aanvulling van die daadzaken, ambtshalve een meer volledig getuigen-bewijs te gelasten, ook dan niet, wanneer subsidiair is geconcludeerd, dat het Hof alsnog zoodanig getuigenbewijs zal bevelen, als het (in casn) tot bewijs van het verkrijgen der verjaring zal vermeenen te belmoren. â Vgl. ook hiermede een vonnis van 't Ktg.
Hoorn, v. 8 Oct. '1849, W. n0. 1*140, waarbij is beslist, dat de rechter (in het algemeen en mitsdien in eene zaak waar geene sprake was van verjaring) ambtshalve kan wijzigen de feiten, waarvan bewijs is aangeboden. â- Cf. art. 203 B. B., arr. van 't P. H. v. Zeeland, v. 30 Juni 1840.
11. Indien slechts blijkt dat, na afloop der pleidooien, aan den procureur van den appellant is verleend akte, dat hij bereid is om nader bewijs te leveren van de door hem gestelde feiten, zoo volgt daar niet uit dat de partij zou hebben gevorderd, om zoodanig getuigenverhoor door den rechter te doen crelasten, en staat het den rechter
gt;-â
geheel vrij, het nader bewijs al of niet ambtshalve te bevelen, zonder dat hij tot het gelasten van getuigenbewijs verplicht was.
Arr. v. 14 Jan. 1859, R., dl. LX1 § 11.
13. Artt. 199 en volgg. B II. hebben uitsluitend betrekking op een getuigen-verhoor, hetwelk bij de behandeling van een rechtsgeding ter terechtzitting wordt gehouden en waarin de bewijsvoering contradictoir tusschen partijen plaats heeft, maar niet, waar het geldt een verzoek tot afzetting van den voogd.
--â 'lt;gt; (
t-yi-
Arr. v. 1 Sept. 1804 (in raadkamer), \V. nn. 2017. R., dl. LXXV1I § 50; zie do daartoe betrekkelijke beslissing van het P. II. v. Overijssel, v. 30 Mei 1804, VV. n0. 2591, in gelijken, de conclusie van den proc.-gen. bij dat Hof in tegenovergestelden zin in W. n0. 2012.
Zie ten betooge, dat deze voorschriften wel van toepassing zijn op het getuigenverhoor bij een vordering tot onder-curateele-stelling, P. II. v. Overijssel, v. 13 Mei 1861, W. n°. 2001.
13. Getuigen-bewijs, strekkende om de onbekwaamheid des testateurs om bij uitersten wil te beschikken, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, buiten de acte van testament om, en dus
*
1;V. 1!)!).
zonder deze van valsclilieid te betichten, te staven, is ten volle toelaatbaar.
Air. v. 31 Maart 1870, W. nquot;. 3200; R., dl. XCIV § 33, waarbij is vernietigd air. P. II. in l'trecht. v. 5 April i8ü0, W. n0. 3127: idem P. 11. v. Gelderland, v. 4 Pee. 1861, W. n0. 2337. bevestigende vonnis Arr.-R. Tiel, v. 13 Mei 1859, in hetzelfde nummer van het Weekblad, waarbij werd beslist dat dat bewijs ook dan toelaatbaar is, wanneer in het testament omstandigheden voorkomen, waaruit voortvloeit dat de erflater, tijdens het maken van het testament, in het genot van zijne verstandelijke vermogens was.
S I. Het verzoek tot getuigen-verhoor is bij dit artikel zonder beperking toegelaten, en bij geene wetsbepaling is het uitgesloten voor het geval van afwijzing van eenigen vroegeren, andere feiten betreffende eisch daartoe.
Arr. v. 3 Juni 1870, \V. n11. 3218; R.. dl. Xt'V. S 13; v. b.W .B.H.. dl. XXXV. p. 1â27.
Al bleek reeds a priori de niet-ontvankeliikheid der ingestelde vordering, zoo zoude zulks niet medebrengen het ongeoorloofde van het bevolen getuigen-verhoor.
Arr. v. 18 April '1873, W. u0. 3583. â Zie hetzelfde arrest vermeld (ip art. 399 B. R. sub arr. 7 Maart 1850.
I O. De rechter kan, na een getuigen-verhoor, in een voor hem aanhangig rechtsgeding gehouden, niet ambtshalve een tweede getuigenverhoor bevelen, met opgave van de personen, die hij als getuigen wil hebben gedagvaard.
Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Sopt. 1844, W. nquot;. 540; li. li. jg. 1845, dl. VII. p. 32; zie echter het sub arr. v. 15 Oct. 1803 ad art. 348 IS. R. vermelde arrest Hof Amsterdam, v. 9 Nov. 1877. â Cf. art. 1954 R. \V.. arr. van 't P. H. v. Brente, v. 25 Nov. 1848 sqq.. sub n0. 22.
SS. Het is niet met de regelen eener goede procedure strookende, feiten, welke ter beslissing van een rechtsgeding dienende zijn, te ontkennen, en te gelijk feiten daartegen te stellen, welke, indien de eerstgenoemde bewezen mochten zijn, daaraan hare kracht bij wijze van exceptie zouden ontnemen, het bewijs daarvan aan te bieden en zich desniettemin tegen het bewijs der eerstgenoemde feiten niet te verzetten.
Tn zoodanig geval moeten, wanneer, gelijk in casu, de actie door eene exceptie van wanpraeslatie en van de resiliatie mutuo consensu wordt bestreden, één van beiden, of de daadzaken waarop die exceptie
(Art. 199
rust, worden ontkend, met dat gevolg dat, indien deze ontkentenis, waarvan hij die ze doet zeker moet zijn, waarheid bevat, de actie moet worden toegewezen, of moet, gelijk in casu het geval is, tegen de exceptie een beweerd pactum, waarbij die exceptie wordt geëhideerd, bij wijze van replicatio worden tegengesteld, met aanbod van de daadzaken hiertoe dienende des gevorderd te bewijzen, in welk geval echter de feiten tot de exceptie behoorende, moeten worden erkend, terwijl men niet te gelijkertijd, en de waarheid der exceptie kan tegenspreken, èn daartegen eene replicatie voorstellen, aangezien dit laatste middel dan zoude rusten op eene veronderstelde waarheid van ontkende daadzaken, welke veronderstelling met eene te goeder trouw gedane ontkentenis niet bestaanbaar is.
Arr.-ll. Nijmegen, v. 24 Febr. 'I84t''. \\. n0. 709. â Cf. art. 203 13. li., Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Nov. '1840.
18. Koe zeker het ook zijn moge, dat een gedaagde zich enkel kan bepalen tot de tegenspraak van het verzoek van getuigen-verhoor, zonder de te^en hem geposeerde daadzaken te erkennen of te ontken-nen, en hoezeer het dan ook waar moge zijn, dat eene enkele ontkentenis van schuldplichtigheid niet noodzakelijk en altoos insluit eene ontkentenis van door den eischer gearticuleerde daadzaken, neemt dit echter geenszins weg, dat, wanneer de appellanten, gelijk in casu het geval is, hunne ontkentenis van schuldplichtigheid afleiden uit een vermeend verbod der wet, om getuigen te hooren, op den rechter de verplichting rust. om te onderzoeken, of het gevraagd getuigen-verhoor al dan niet bij de wet verboden is, en, een zoodanig verbod niet bestaande, het getuigen-verhoor te gelasten.
Arr.-R. Utrecht, v. 2 Maart 1840, W. nquot;. 704; U. B. jg. 1846, dl. Vlli, [i, 219 en 220.
1?gt;, üe stelli ngen, dat een eischer een perceel steeds heeft bezeten alsof het hem toebehoorde, en dat een gedaagde hem in zijn bezit heeft gestoord, door omspitting en bezaaiing van den grond, zijn eene voldoende aanduiding van daadzaken, tot welker staving een getuigenverhoor kan worden toegelaten en bovendien genoegzaam pertinent en concludent, om eene vordering tot herstelling en handhaving in het bezit te beslissen.
Air.-R. Hoorn, v. 2 Febr. 184«, R. li. jg. 1849, dl. XI. p. 268 on 209.
'
i
Art 199.)
ÃO. De rechter kan, indien in jure liet bewijs door getuigen is toegelaten, niet in overweging nemen, of afdoende verklaringen zullen kunnen geleverd worden.
Arr.-R. Arasterdam, v. 8 Nov. 1852, R. 15. jg. 1853, p. 40â47;P. II. v. X.-Holland, v. 20 Sept. 1844. R. B. jg. 1845, dl. VII, blz. 145; idem Oudeman, B. R., 4de ed., dl. 1, p. 240, en de Pinto, lldl. B. R.. 11, 1. p. 341 ; â anders implicite P. II. v. Friesland, v. 20 Nov. 1841, W. n». 253. â Vgl. art. 203 B. 11., sub nis. 3 en 4, alsmede de Martini, ad art. v. n0. 3 en 4, die meent, dat het in zaken van gewone behandeling alleen voor het yetuigeiibewijs een vereischte zou zijn, dat de gestelde daadzaken zijn ter zake dienende en afdoende, maar dat het c/etuigenverhoor altijd zou moeten worden toegelaten, zoodra het door ééne der partijen wordt verlangd, welke onderscheiding echter wordt bestreden door de Pinto ut supra, p. 320 en Oudeman, I. c., p. 249.
8Ã. Geen getuigen-bewijs kan te pas komen, wanneer tusschen partijen geen verschil bestaat over de eigenlijke feiten zelve, maar alleen over de rechtsgevolgen aan erkende daadzaken te verbinden. De vraag, of ten gevolge van de vaststaande feiten een oude riool kan geacht worden uitsluitend, hoewel onder den last eener erfdienstbaarheid ten behoeve van een molen, tot het woonhuis van een der partijen te behooren, levert alleen een rechtsgevolg op.
P. II. V. /..-Holland, v. 10 Nov. 1856, W. no. 1808.
38. Wanneer beide partijen zich tot bewijslevering van het door hen gestelde bereid hebben verklaard, moet de oorspronkelijk eischer bij voorkeur worden toegelaten,
Arr.-R. Breda, v. 5 Oct. 1858, li., dl. LXV, § 03; VV. n». 2019; zie echter de vonnissen der Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 29 Juli 1879 en der Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Jan. 1879, beide opgenomen in W. 4411. waarbij beide partijen tot bewijs werden toegelaten.
83. Aan den eischer, wiens getuigen voorgebracht en gehoord zijn, kan niet na afloop der contra-enquête vergund worden, ter confronteering, op nieuw aan zijne nog ter audiëntie aanwezige getuigen vragen te doen richten.
Daarvan zou toch het gevolg zijn, dat iedere partij, telkens na het liooren der getuigen van zijne wederpartij, toegelaten zou behooren te worden, zijne getuigen nogmaals te doen hooren, hetgeen niet
fi4ll
{A rf. 199.
ireaclit lean worden in de bedoelinc: ties wetgevers tc hebben e-elegen,
Arr.-R. Rotterdam, v. 26 Sept. 1859, VV. no. 2192 ; Arr-R. 's-Graven-liage, v. 18 Juni 1861, W. n0. 2284.
'H. De waarde van goederen is geen feit, vatbaar om door getuigen te worden bewezen.
Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 8 Maart 1859, W. n». 2077.
«Sü. Zoowel dit artikel als art. 108 15. R, bepalen, dat de reebter, hetzij op verzoek van eene der partijen, hetzij ambtshalve, getuigenverhoor kan bevelen, wanneer dit tot beslissing der zaak kan leiden, en mitsdien is hij, die het getuigenverhoor vraagt, volkomen bevoegd deze vordering te doen, zonder op het fond der zaak te concludeeren, daar in het systeem des verzoekers en ook volgens de wet, in den regel de beslissing der zaak juist van het te leveren bewijs kan en moet afhangen.
Indien meestentijds op de zaak zelve wordt geconcludeerd, en liet getuigenverhoor subordinaat wordt gevraagd, dan is dit wel door de praktijk ingevoerd, maar daardoor kan het recht van partijen niet worden verkort, om verzoek te doen tot getuigenverhoor, zonder bij datzelfde verzoek het fond der zaak te behandelen.
Arr.-R 's-Gravenhage, v. 13 April 1860, W. n0. 2182.
3G. De conclusie om //door alle middelen rechtens te bewijzenquot;, niet: //tot enquête, behoudens alle middelen rechtensquot; is informeel en tiiet-ontvankelijk.
Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Jan. 1802, W, n0. 2385; idem Arr.-R. Amersfoort, v. 15 Aug. 1862, W. nquot;. 2682 ; zie ten betooge dat de conclusie om te bewijzen : »door alle middelen rechtens ook door getuigenquot; niets anders kan beteekenen dan om toegelaten te worden lut (jctnirienbewijn Arr.-R. Amsterdam, v. G Nov. 1878, R. li, jg. 1879, .1. p. 178 en de aant. van W. t. a. p., p. 180,
8Ã. Aan geene der litigeerende partijen is de bevoegdheid toegekend, om incidenteel te vorderen, dat de rechter, zoo hij hef. noodig oordeelt, van ambtswege bevele bewijslevering door getuigen of andere bij ds wet aangewezen middelen.
Arr,-R, Gorinchem, v, 25 Febr, 1862, VV, n0, 2407,
Mr. W. van liussi-.M Bz., Uury. liechlsv. Jl
641
Art. 199.)
38. Het medewerken van een gedaagde tot een getuigenverhoor sluit nief in zich liet afzien van liet door hem oorspronkelijke voorgestelde rechtsmiddel van niet-ontvankelijkheid.
P. II. in Drente, v. 'i Mei 180:!, W. n1. 251%
2W. De rechter mag een gevraagd getuigenverhoor niet toestaan wanneer hij als grond daarvoor moet opgeven, dat vooralsnog niet kan bepaald worden of de gestelde feiten in meerdere of mindere mate niet zouden kunnen zijn ter zake dienende of afdoende.
P. II. v. Zeeland, v. 24 Maart 1803, R. li. jg. 1805, p. 31.
30. Het getuigenbewijs loopende over eene vraag die alleen tengevolge van waarneming door deskundigen is optelossen, is ontoelaatbaar, vermits het op deze wijze zou worden rapport van eenzijdig gekozen deskundigen, en de vorm van enquête niet mag strekken om het vicieuse karakter eener naar rechten onwettige expertise te dekken.
Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Dec. 1803, \V. nquot;. 2571.
31. ilet staat den geconsigneerde vrij, door getuigen te bewijzen dat het bij het cognossement vermelde gewicht in het schip is geladen. Ook de verhouding van vreemd tot Nederlandsch gewicht kan door getuigen bewezen worden.
P. II. in N.-Holland, v. 19 Mei 1804, W. n0. 2025.
32. Om de oorzaak der overigens bewezen verminking bij eene actie tot schade-vergoeding ex art. 423 W. v. k te bewijzen, is het gestelde feit, quot;dat geweldige zeewederwaardigheden, rustelooze bemoeiingen tot redding en behoud van schip en lading en schokken en stooten, door den eischer zijn opgedaan en ondervondenquot;; zonder op te geven, waarin die wederwaardigheden en rustelooze bemoeiingen hebben bestaan, noch waar ter plaatse van het lichaam de eischer schokken en stooten heeft hekomen, onvoldoende.
P. U. v. N.-l lolland, v. 1 Kov. 1800, W. n». 2889.
33. Ken getuigenbewijs, alleen loopende over ontkenning van feiten, is niet als afdoende te beschouwen.
I'. II. v. Drente, v. 10 Mei 1800, W. n'. 2802.
[Art. 109
*tJL De pfirtij, die niet is toegelaten tot getuigenbewijs, kan andermaal dat bewijs vragen, wanneer de stand der zaak is veranderd en de gestelde feiten deels andere, deels gewijzigd zijn.
P. li. v. Groningen, v. 5 Sept. 187*1, W. nquot;. 3381, bevestigende Arr.-R. Groningen, v. 23 I)ec. 1870, W, nquot;. 3381.
3». Men afzonderlijke enquête mag niet gevraagd worden omtrent feiten, die men door bet gebruik maken van de contra-enquête kan bewijzen.
P. 11. v. Zeeland, v. 19 Nov. 1872, R. 1!. jg. 1873, dl. XX11I, [gt;.502.
3â¬Â». Eene incidenteele vordering tot getuigenbewijs, welke de strekking heeft te bewijzen, dat de zaken zich anders hebben toegedragen, dan in de bestreden acte is vermeld, is 5iie/-ontvankelijk.
Ait.-R. Assen, v. 12 Mei 1873, W. n0. 3720, waarbij werd overwogen, dat wanneer de gestelde feiten waar waren, de acte valscli zou zijn en de eischer om dit te bewijzen den weg van art. 170 sqq. IS. R. had behooren te volgen.
3 3. Wanneer het uit de motieven van de conclusie voldoende blijkt, uit welken hoofde de gevorderde som geëischt wordt, dan kan het niet-herhalen van de causa debïli in de tot bewijs gestelde daadzaak, niet het gevolg hebben, dat die als niet ter zake dienende en afdoende moet worden beschouwd.
Arr.-R. Groningen, v. 4 Dec. 1874, W. nquot;. 3857, waarbij nog werd beslist, dat het «schuldig wordenquot; is een zinnelijk waarneembaar feit.
38. De bereidwilligheid van den appellant om in eersten aanleg zeker bewijs te leveren, ontneemt aan het Hof de bevoegdheid niet om te beoordeelen of zoodanig bewijs in appèl al of niet nood zakelijk is.
Hof Amsterdam, v. 2 Mei 1884, W. n0. 5098.
3fl. liet opleggen van bewijs door getuigeu : //van zoodanige feiten waaruit kan resulteeren, dat de plaats van het geposeerde ongeval uitmaakt, een gedeelte van den openbaren weg ondere zekere gemeentequot;, is in strijd met de wet.
Hof Amsterdam, v. 2 Mei 1884, W. nquot;. 5094, vernietigende vonnis
Art. 199.)
Ait.-R. Amsterdam, v. Ill Jan. 1883, W. 4921, bij wolk arrest nog werd beslist dat de vraag, of dc plaats in kwestie uitmaakt een deel van den openbaren weg onder zekere gemeente niet betrefteen voorrechtstreekscli bewijs door getuigen vatbaar feit; of. art. 203 R. R. nquot;. (i.
Vgl. navolgende beslissing :
Het stellen dat gedaagde geen eigenaar is, noch als eigenaar bezit, zijn geen feiten voor bewijs door getuigen vatbaar.
Arr.-R. 's-llertogenboscb, v. 15 Febr. '1884., W. nquot;. 5058; idem Arr.-R. lii'ielle, v. 31 Mei 1872, W. n0. 3489, waarbij is beslist, dat bet bezit niet is eene daadzaak, vatbaar voor getuigenbewijs, maar dat men, om dat te bewijzen, bepaalde daadzaken moet stellen, waaruit dat kan voortvloeien; idem Arr.-R. Winschoten, v. 8 Maart 1871, \V. nquot;. 3505, waarbij is beslist dat de feiten »dat gedaagde de beemen in geschil meer dan 30 jaren heeft bezeten ais eigenaar en dat hij dooi' de tegenpartij nooit in het bezit is gestoord en nooit aan haar pacht heeft betaaldquot; niet voor getuigenbewijs vatbaar zijn; idem Arr.-R. Haarlem, v. 18 Jan. '1870, W. nquot;. 3958, waarbij is beslist dat door getuigen niet kan bewezen worden dat de kwestieuse grond is deel van een rijksweg. â Cf. art. 202 sub n®, 3.
40. Zie ten betooge :
«. Dat de beoordeeling van het al of niet- concludente va,u een verzoek om getuigenverhoor is /acti â
art. 99 R. O., arr. v. 8 Jan. IR40 sqq., sub B, n°. 40 (2de editie); vgl. ook arr. v. 9 Mei i856, lï.. dl. LII1, § 9; arr. v. 14 Mei 1858, W. n0, 1900; arr. v. SI Dec. 1859, W. nquot;. 2131 ; arr. v. 23 Oct. 1873, in overeenstemming met de conclusie van adv.-gen. Romer, bevestigende interloc. en eind-arrest P. 11. v. Limburg, resp. v. 22 Jan. '1(S72 en v. (5 Jan. 1873, \V. nn. 3652, lï.. dl. CV, §15; bij welke arresten dezelfde leer werd gehuldigd.
h. Dat eene acte van bekendheid, voor den kantonrechter opgemaakt, niet kan vervangen liet bewijs van zoodanige daadzaken, welke rechtens alleen door een getuigenverhoor kunnen worden bewezen.
het sub art. 1902 II. \V., n0. 86, vermeld arr. v. 't P. II. v. N.-Holland, v. 20 Maart 1851 sqq.; idem bij arr. van hetzelfde I'. II. v. 26 Sept. 1844, K. IJ. jg. 1845, dl. Vil, p. 145â147.
41. Zie over de regeling der getuigen-verhooren, een opstel van Mr. S. .1. IIingst in .V. Bijdr., jg. 1878, dl. IV, p. 132.
Zie eenige opmerkingen omtrent het getuigenverhoor en vergelijking van
«44
Art. 199.
siiinmiire bepalingen dezer afdeeling met die van I'uitentandsclie Wetboeken. Mr. M. li. Godefroi in Themis, 2de vera., dl. X, p. 56â02.
Vgl. wijders het aangeteekende op art. 103 T!. R.
Art 200.
I. J let voorschrift der wet, hetwelk bepaalt, dat in ccne zaak van summiere behandeling liet getuigenverhoor op de terechtzitting moet plaats hebben en daarvan in zaken, die in het hoogste ressort wordrn beslist, geen procesverbaal moet worden opgemaakt, heeft blijkbaar ten doel de bekorting en vereenvoudiging der procedure, en moet al'/oo als een voorschrift van openbare orde worden beschouwd ; met dat gevolg, dat, hoezeer ook in deze geene straf van nietigheid moge zijn bedreigd, het niet naleven van dit voorschrift (gelijk in casti, waar de rechter in eene summiere zaak, waarin liet getuigenverhoor op de terechtzitting moet plaats hebben, bevolen heeft, dat het verhoor voor een door hem benoemden rechter-commissaris zou geschieden), eene expresse wetschending daarstelt en alzoo grond geeft tot cassatie.
Arr. v. 19 Nov. 1852, W. n0. 1470; R.. dl. XM1I. § 35; idem bij arr. v. -19 Oct. 1866, VV. no. 2846, R., dl. LXXXIV S H); v. d. II.. b. //., dl. XXX, p. 455â473, ook aangehaald sub art. 140 15. R., vernietigende in overeenstemming met de concl. O. M. bet arrest van het P. II. v. Limburg, v. 23 April 1860, en de vonnissen der Arr.-R. Maastricht, v. 26 Oct. 1865, en 6 Jan. 1866: het gold in casn eene zaak, uit hai-cu aard niet summier, maar die als zoodanig door partijen werd behandeld ; dit arrest van den H. R. is bestreden door S. in W. nquot;. 2857: idem arr. v. 10 Nov. 1876, W. n°. 4050, R., dl. ('XIV tj 22, welk arr. wordt bestreden door S. in W. nquot;. 4056; idem bij ari'. van 't P. II. v. X.-Holland, v. 17 Juni 1847, VV. n». 934; R. 15. jg. I848. dl. X. |). 1â14; â Cf. Lipman, II. It., p. 96.
*5. Daar bij een getuigenverhoor, ter terechtzitting te houden, volgens art. 206 B. R de voorschriften voor summiere zaken moeten worden nageleefd, zoo volgt uit de art. 106 en 200 van dat \\retb., dat de uitspraak, waarbij het getuigenverhoor is bepaald, ingeval partijen, door hare procureurs oerterjenwoordigd, daarbij tegenwoordig waren, niet behoeft te worden beteekend.
Arr. v. 4 Febr. 1853. W. nquot;. 1539, vernietigende het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. II. v. N.-liraband, v. 13 Jan. 1852 en het vonnis der Arr.-R. 's-Hertogenboscli, v. 8 Febr. 1851.â Vgl. hiermede een vonnis
Art. 200.)
van dezelfde Rechtbank, v. 17 Jan. 1844, W. nquot;. 550, waarbij aan do woorden : vpartij en partijenquot; dezelfde beteekenis wordt gehecht -als bij voormeld arr. van den li. 1!.. doch evenwel de beteekening {in cam van een interlocutoir in eene summiere zaak voor de Arr.-R.) aan den procureur wordt noodig geacht op grond van art. 66 1). R. â Te recht echter ra. i. wordt opgemerkt door Oudeman, B. R., 4de ed., dl. I, p. 247, en is ook bij voormeld arr. van den If. 11. tacitc beslist, dat aan de alge-meene bepaling van art. 66 1!. R. door de bizondere van art. 106 is gederogeerd (Lkon). â Vgl. art. 60 li. R., sub n0. 2'2e.
!i De woorden bevolen en belegd, in art. 200 B. B., bevatten al wat betrekking heeft tot het houden van het verhoor, ook wat betreft de wraking der getuigen, omtrent welke anders voor summiere zaken en voor verliooren ter terechtzitting in gewone zaken niets zoude zijn bepaald. Hieruit volgt, dat een vonnis op eene voorgestelde wraking van een setuise in eene summiere zaak niet is vatbaar voor hoo-
O O
ger beroep.
Arr. v. 'i Dec. 1853. \Vr. nquot;. 1495; R., dl. X1 .VI, § 55; idem bij arr. van 't P. II. v. Gelderland, v. 11 Juli 1851, W. nquot;. 1276, zijnde daarbij tevens beslist, dat naar het stellige voorschrift van art. 84 van het Rijn-vaart-Reglement, do zaken voor den Rijnvaart-rechter mode suramierlijk moetende worden behandeld, ook in deze de bepalingen van artt. 200 en 108 li. R. zullen beboeren te worden opgevolgd; idem ook ten aanzien van het verhoor ter terechtzitting in gewone zaken, P. H. v. Drente, v. 3 Febr. 1872, W. nquot;. 3533; R. B. jg. 1872, p. 69; cf. Mr. v. Nootem in R. B. jg. 1879. .1. p. 75sqq. ; â anders Mr. C. L. Kxiphorst in Themis, 3de verz., jg. 1870, blz. 1, die betoogt, dat de woorden beueten en helcgf/en in engen zin moeten worden opgevat en dus daaronder do, bepalingen omtrent wraking niet begrepen moeten worden. Art. 213 ziet volgens den schrijver op het onderzoek op de terechtzitting en op dat bij den Rechter-Commissaris; hot verband tusschen art. 213 en het daaropvolgende toont ook duidelijk z. i. aan, dat hooger beroep van een vonnis op eene voorgestelde wraking van een getuige in eene summiere zaak geoorloofd is.
-8. liet getuigenverhoor gehouden wordende door den rechter en niet door de partijen, is het afzien van liet verder verhoor van een getuige door eene der partijen, voor den rechter geene wettige reden om diens verhoor aftebreken.
In ieder geval is, met het oog op art 107, j's. artt. 200, 109 en 112 13. 11, eene afgebrokene en bij gevolg gedeeltelijke verklaring van een getuige niet voor een getuigenis in den zin der wet te houden, als niet kunnende geacht worden te zijn eene verklaring der
^ lf~l r iZerö AJL. i^st£.crâ¬/amp;' ^du»v u -fft. '/*-/ £gt;J. 1- Trtyt^. 6rxr-?lt; *amp;l O. ct^gt;z
/lou^. £~lt;rt^rui t^-A_ ^ syrv-ercst- gt;-z. 1
26^ ^ -^r-. ^rr, 7? ï.7. gt;?lt;H ?*quot;L jro^quot;
617 ^ ^ ( l/V 201)7
q(li-^^egt;j(L^^nS4~quot;-tâtr*r^*r/f- cL^-^ -aaat
' / .....
U'elieele waarheid, en handelt dus de rechter verkeerd, wanneer hij bij ,u *
O C^~ ff-*- t*- '
afbreking liet aanvankelijk verklaarde als getuigenis aanneemt.
Arr. v. 23 Dec. 1853. W. n0. KVIH: R.. dl. XI.VI. § 04; v.ix 11.. II. I!.. h /^V dl. XVII, p. 320â344. â Cf. art. 210 It. 11. vonnis van 't Ktg. te.
Wijchen, v. 15 Sept. 1854. ^-lt;0,
. JL A.Samp;. *
5. De verwijzing door den kantonrechter, aan wien in casu, over-
eenkomstig de 2de alinea van dit artikel het verhoor was opgedragen, :
van een voorgestelde wraking naar de terechtzitting van het dele- //â amp;.
geerend college, is in de wet gegrond. W Lt-
Air. v. 28 Jnni 1878. W. nquot;. 4281. R.. dl. ('IX § 32; v. n. II.. II. II..^p97' ^ dl. XLII1, p. 288â297. â cf. de concl. van het O. M., aan dit arrest vour- 777Z' afgesaan, waarbij er nng op wordt gewezen, dat men missclilen anders kan oordeelen bij do delegatie ingevolge het derde lid van dit artikel; zie ook de uitgebreide noot der redactie van het VV. aan den voet van het arrest, naar aanleiding van de eenige tot de zaak betrekkelijke overweging, luidende :
O. »dat in deze de verwijzing door den kantonrechter uitgesproken,
door partijen niet wordt betwist, en ook moet geacht worden in de wet te zijn gegrondquot;; â vgl. Ktg. Maarssen, v. 17 Nov. 1843. K.B.jg. 1844, p. 210, waarbij werd beslist, dat wanneer door den kantonrechter, als gedelegeerd door de Arr.-R., een getuigenverhoor wordt gehouden, dan de bepalingen gelden aangaande het hooren der getuigen voor den rechtercommissaris voorgeschreven en niet die, welke betrekking hebben op liet hooren van getuigen voor den kantonrechter; idem Oudeman, II Jl.. 4de ed., dl. I, p. 248 en 254, waar de bevoegdheid om te oordeelen over de wraking aan den gedelegeerden rechter wordt ontzegd. Zie voorts ten betooge, dat de kantonrechter in dit geval geen rechter, maar slechts eenvoudig ambtenaar is, die de hem door den overdragenden rechter opgegeven getuigen moet hooren, zonder eenige bevoegdheid te bezitten.
om verschillen tusschen de partijen over do getuigen of over het recht tot het geven van uitstel te beslissen, enz. â In gelijken zin ten betooge.
dat, indien de Rechtbank het getuigenverhoor heeft opgedragen aan eeuc andere Rechtbank, alsdan niet de gedelegeerde Rechtbank over de wraking der getuigen beslissen moet â in de Vraycii van Nedcrl. liegt. dl. I.
p. 152â154. â Vgl. ook R. Igt;. jg. '1847, dl. IX, p. 800; zie in denzelfden zin vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Aug. 1808, W. n0. 3043, voor het geval de Rechtbank van een buitenlandschen rechter do delegatie heeft ontvangen. â
Anders ten betooge, dat de kantonrechter, gedelegeerd door het Prov.
Hof tot het houden van een getuigenverhoor, zonder dat daartegen art.
214, al. 1 B. R. obsteert, bevoegd is om te oordeelen over eene voorgestelde wraking der getuigen â bij vonnis van 't Ktg. Oostburg, v. . .
Maart- 1851, R. B. jg. 1852, p. 229 en 230; idem door S. M. in de O/mi.
en Mol., dl. VI, p. 39 en 40.
ii Indien een gedaagde, die bij interlocutoir vonnis der Rechtbank gemachtigd is, om ten overstaan van den kantonrechter zekere daad-
Art. 2110).
zaken door getuigen te bewijzen, aan dat getuigenverhoor geen gevolg geeft, dan moet de eischer (uit overweging dat niemand zich zeiven een eigen titel kan verschaften) als meest haast makende partij, in stede van aan den gedaagde, op eigen gezag, een termijn te stellen, binnen welken deze het getuigenverhoor zou moeten voortzetten, den kantonrechter adiëeren, ten einde van dezen, bij bevelschrift, de bepaling van dag en uur te erlangen, op welke het bevolen getuigenverhoor te zijnen overstaan zou kunnen plaats hebben.
Arr.-R. Utroclit. v. 22 Sept. 1843, R., dl. XX. § 94.
S. Gestelde daadzaken mogen bij pleidooi worden gewijzigd; immers de rechter kan ambtshalve de daadzaken wijzigen.
Arr.-K. Tiel, v. 22 Juni '1866, W. no. 3154.
8. Uit de verwijzing dezer bepaling naar de behandeling van het getuigenverhoor voor den kantonrechter, mitsdien ook naar art. 112, volgt, dat de rechter, onmiddellijk na het getuigenverhoor, partijen kan hooren en uitspraak doen. of daartoe dag bepalen, waardoor het denkbeeld wordt uitgesloten, dat aan partijen de lijd moet worden gelaten om het proces-verbaal te lichten en in het geding te brengen.
Ait.-R. 's-Hertogenbosch, v. 13 Febr. 1867. W. nquot;. 2929, R. H.jg. 1868. p. 392, waarbij nofgt;' werd overwogen, dat het opmaken van proces-verbaal van getuigenverhoor alleen is voorgeschreven, om te dienen voorden rechter die niet zelf de getuigen heeft gehoord.
Ue Nederlandsche rechter is niet bevoegd in een voor hem pcU- aanhangige burgerlijk rechtsgeding het hooren van getuigen aan eeneu
t/e^-^^Duitenlandschen rechter op te dragen, f
^ quot;⢠'n N.-llolland, v. 16 Dec. 1875, W. n0. 3963, R. II. jg. 1876,
^£/^4 ^ ' blz. 15, afd. .1. vernietigende vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Febr. 1875; ^ vlH. ook bet door do redactie van liet R. B. t. a. p. aangeteekende.
Anrlcrs Arr.-R. Utrecht, v. 16 Nov. 1855, R. IS, jg. 1856, dl. VR.p. 105; 'Dt Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Dec. 1875, R. B. jg. 1875, A. p. 49, hoofdzakelijk
op natemelden gronden, terwijl ook nog werd overwogen, dat de omstandig-/3 beid, dat de vreemde rechter niet verplicht kan worden aan het verzoek
te voldoen, geen bezwaar maakt», omdat, zoo hij zulks weigerde, de eischer W 'si-ijf. alleen de nadeelige gevolgen daarvan zou gevoelen. Tevens werd bij dat
vonnis beslist, dat de eischer bij het aanbieden van bewijs niet dadelijk de rogatoire commissie behoeft aan te vragen : cf. ook de aanteekening der redactie t. a. p. â Zie verder over de vraas, of de Nederlandsche
ise^T^ gt;e^c o'yyv 7 ---r^sgt; lt;⢠Vo-^»G-C~ 0-62â (^G- .
'yv^x, r-^-r-V quot;ct^t LAzn- f^/\/Z(U.e/t^-o^^è^ lt;. 'L. - ./^a quot;/OZ, /lt;7 sn^-Jo A lt;*--*~-£amp;C esw^S * ^ 'D
â fo*- . ^2., lt;^2,
fr-e*
n °Ã2. â UJ. -yuquot; /*2/7.
649 (.Ir/. 200.
rechter in eene voor hem aanliangijie zaak, getuigenverhoor aan den hnitenlandschen rechter kan opdragen, nl. in dien zin : of de opdracht zelve wettig is, niet of de buitenlandsche rechter verplicht is er gehoor aan te geven, llegtsgel. Adv., dl. V, blz. 159 sqq., alwaar die vraag bevestigend wordt beantwoord, hoofdzakelijk op grond, dat het nergens bij do wet is verboden; dat de wet integendeel zeer algemeen spreekt van het geval, dat de getuigen te verre verwijderd zijn, zonder beperking binnen onze grenzen, terwijl het daarenboven de wil des wetgevers is, dat de rechter zich zoo veel mogelijk de kennis der waarheid van de voor hem aangebrachte zaken versohaffe. â Zie over de wettigheid van de opdracht van een getuigenverhoor aan den Ned.-lnd. rechter, Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Dec. ISTT, R. I!. jg. 1878, p. 92; â cf. ook beschikking Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Nov. 1876, R. B. jg. 1877, afd. A, p. ü, waarbij werd beslist dat in geen geval de Nederlandsche rechter oen getuigenverhoor aan een hnitenlandschen kan opdragen in oen niet voor hem maar in het buitenland aanhangig geding.
10 Bij wraking van een getuige is de rechter niet verplicht een naderen termijn te verleenen. Deze beslissing is niet in strijd met art. 217 B. li. niet alleen, omdat deze bepaling voor eene bizondere wijze van procedeeren is voorgeschreven, maar ook omdat zij niet inhoudt, dat de Rcchtcr-Cummissaris dit verzoek altijd zal moeten inwilligen.
Hof 's-Hcrtogenbosch, v. 19 Dec, 1870, W, uo. 4191 : li. IJ. jg. 1878, p. 90, ook vermeld op art. 217 nquot;. 1 li. R.
Vgl navolgende beslissing :
Aangenomen dat in het algemeen het den rechter vrij staat, ook na oproeping van een onbekwamen getuige, een naderen termijn te ver-leenen, zoo zijn tot dit laatste in casu geene voldoende redenen voorhanden, nu de uitsluiting of onbekwaamheid van den voorgebrachten getuige bestond tijdens zijne oproeping, en de redeneii van uitsluiting aan de partij hekend waren.
Hof 's-llertogenbosch, v. 8 Febr. 1881, W. n». 4674.
11 . Al zou in liet algemeen in appèl hetzij op verzoek hetzij ambtshalve kunnen worden toegestaan om nieuwe getuigen te hooren, zoo kan zulks niet worden bevolen, wanneer appellant in gebreke blijft de nieuwe daadzaken en omstandigheden optegeven.
Hof Amsterdam, v. 1 Maart 1878, W. nquot;. 4309.
t}iyi__^ uâ amp;JL2jL*-yU0.ySlt;* Ule-idc . /ii. ^4r^.v(-^ir-x^â¢-- // ^A/tr^: (q !,lt;}
Art. 201.) 650 , ^
(jl_ yfp tyt - - amp;â /; .i^s-dra^y^ /ixej-s: , (X-*. t*0 /gt;*V-
0 A;1 201.
£gt;t/-. (/gt;â Cgt;.
^ I. Duar waar de rede is van eene voortdurende en zichtbare erl-dienstbaarheid (i« easu van lucht, licht en uitzicht), welker gebruik
^ cste, voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe der menschen toe-
yt*, ttS' ^vSiaXsi (tf.S-.C--
^0611 noodig is en waarvan door uitwendige werken blijkt , wordt
v*â¢*' quot;^6*' vereischt en komt zelfs niet te pas het stellen van zoogenaamde
oU- : actus possessorii (daadzaken die de feitelijke uitoefening van het bezit
//jr£lA^vlt;lt;/0- aanduiden).
Air. v. 5 Maart 1852, U.. dl. XI.I. § oG (vernietigende een vonnis van de Arr.-U. Zwolle, v. 29 Jan. '1851); anders bij vonnis van de Arr.-R. Amersfoort, v. 22 Sept. 1846, W. nquot;. 837- R. Ã.'jjr. 1847, dl. IX, p. 593, naar luid waarvan bij eene rechtsvordering tot handhaving in bet bezit, c/U.Qthorri- i tru' behoort te worden aangetoond, dat do eischer te voren zoodanige daden
heeft verricht, dat daaruit voor den rechter het gevolg kan worden afgeleid, dat men het stuk gronds, waaromtrent men de stoornis beweert, bezeten had even als of het den eischer toebehoorde (zijnde wijders bij voormeld arr., mede in strijd met het vonnis van de Arr.-U. Amersfoort ut supra, beslist, dat, volgens de tegenwoordige wetgeving, geen eenjarig ongestoord bezit wordt vereischt, om de actie tot handhaving in het bezit te mogen instellen). â Vergelijk hiermede art. 014 1!. W., sub nquot;. i.
â 8. Dit artikel is niet geschonden door, ten bewijze van het bezit van het recht van opstal tijdens de stoornis, toetelaten een feit, dat zich niet bepaalt tot den tijd der gepleegde stoornis, maar zich uitstrekt tot de dertig voorafgegane jaren, wanneer dit, als in casa. alleen is geschied tot toelichting en bevestiging van het bezit tijdens de stoornis.
Arr. v. 22 April 1870. VV. n«gt;. 3212; R., dl. XC1V. § 44.
3. I?ij eene possessoire actie is zoowel het getuigen-verhoor, tot bewijs der stoornis, door den eischer aangeboden, als het door den gedaagde voorgewend bestaan der overeenkomst, welke zijnerzijds eene gepleegde stoornis zoude wettigen, admissibel, en kan het leverai van dit bewijs bij een en hetzelfde vonnis worden bevolen.
Arr.-R. Gorinchem, v. 3 Oct. 1840, W. nquot;. 146. â Cf. art. 1933 li. W., vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum sqq., sub n°. 12.
4-. Indien in eene bezit rechtelijke actie niet alle, door den eischer als daden van stoornis opgegeven daadzaken, als zoodanig kunnen
2/JO ' ⢠lt; --âi**-1 a, -tt-Vquot; l^Crr-'^~ ' ^ j ' â ~ / ' tf* '* â 'J c*- . -/. V-A-» (Æ: rbv^JLL, quot;L' f f --iL .C-v Qs-*-Qc âf-' q-----
, %/rv f'-cM L^x-^JnA^. ^JoC tsn-*â^ JtA. amp;yvh^A~-t-£. èH^J. / aS~i ^J-
. /^, /c^^g-p ^ , w ^/V/ '/7yr/. 201.
worden bescliouwd, d:m moet evenwel de vordering ten deele worden toegewezen, indien het bezit naar eiseh is aangetoond. Indien bij pleidooi door den eischer eenige daadzaken zijn aangevoerd, waaruit dat bezit kan worden afgeleid, kan door den rec'iter het bewijs daarvan door getuigen ambtshalve worden gelast.
Arr.-R. Assen, v. 3 Juni 1844, R. li. jg. 1844, dl. VI, p. 528â530.
⢠lâ^_iy - -.x J ' â /' :'â¢gt; V. It^ X^*-'~-*~- ,' T Jij^t. o(jC~.
\r\. 20^
£. De wet laat niet toe om in de daadzaken, die rnen door getuigen bewijzen wil en die ingevolge het voorschrift der wet bij conclusie aan procureur beteekend zijn uitgedrukt, eenige verandering te brengen, anders dan bij gelijke acte, en dus geenszins bij de eindelijke conclusie ter rolle.
An*, v. 15 April 1842. \\'. nn. 30G ; U., dl. XIT, § '16, v. igt;. II., /?. /f., dl. Ill, p. 312â332; bevestigende een air. van 't P. 11. v. Utrecht, v.
quot;quot;quot; 28 Juni 1841, W. ut supra; idem bij vonnis der Arr.-R. Apingadam, v.
15 Maart 1850, W. n0. 1152, zijnde in overeenstemming hiermede beslist hij arr. v. 22 Nov. 1849, VV. n0. '1095; R., dl. XXX1Y. § 43,.v. 1'. H., B. It., dl. XI. p. (35â75, dat behalve in summiere zaken geen bewijs door getuigen in de dingtalen kan worden gevraagd en in alle andere gevallen de te bewijzen daadzaken, bepaaldelijk volgens art. 202 Pgt;. R., hij eene acte van conclusie van procureur tot procureur beteekend, moeten worden uitgedrukt; idem Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 248; â⢠anders, in eene zaak echter waarin de verweerder zeif door de nict-ohservantie van itrl. 143 /gt;. /»., van de voorschriften, hij zaJien, run gewoneheho/n-delimj in acht te nemen, is afi/ewelxn, en op grond waarvan bij ook uit overweging, dat de naleving van het voorschrift van art. 202 B. R. niet uitdrukkelijk op straffe van nietigheid is bevolen, niet is toegelaten in de later door hem opgeworpene exceptie van niet-ontvankelijkheid, daarop gegrond, dat de daadzaken, tot bewijs waarvan men wil toegelaten worden niet bij acte van procureur tot procureur, maar bij conclusie ter audientie zijn geposeerd â bij vonnis der Arr.-R. Kindhoven. v. 4 Dec. 1843, W. n°. 475, bevestigd bij arr. van 't P. H, v. N.-Braband, v. 25 Juni 1844, W. nquot;. 520; R., dl. XIX, § 89. â Cf. art. 140 B. R., vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 8 Itec. 1841 sqq., on art. 199 B. R., arr. v. 4 April 1851, sub nquot;. 7.
T
lt;ï. Daadzaken, waarvan in een geding het bewijs wordt aangeboden, moeten geacht worden bepaaldelijk te zijn uitgedrukt, wanneer uit hare omschrijving duidelijk volgt, welke lt;lc feiten zijn, waarvan men zich
t Jr ZöZ. f/cs^- ^^A-e^^^^t^joxnr /Y CJJ^. tsl.*JL-tZs,o^jf*.
(TTiA^-r e}xjLj *-amp;/gt;*â ' !/amp;lt;-*â kLtU- cj.e^Kyt^cJ A- e.^X^L C^â rf? i
Oei-r^x^c^z^- /e^ thxs^. CcjertTTiasx*. : /^gt;. lt;^gt; ^4y i^/- /y lt;*9 tycPZjf.
Art. 202.) fi52
voorstelt het bewijs te leveren, [let oordeel, of de gestelde daadzuken ingevolge de wet, bepaaldelijk zijn uitgedrukt, komt uitsluitend toe aan
den judex facU.
Arr. v. '20 Apiil 1855, VV. n0. 1638; R.. dl. L, g 12,
J5. Uit dit artikel in verband met de artt. 203 en 211 B. 11. volgt, dat de daadzaken, welke eene partij door getuigen wil bewijzen, moeten zijn bepaaldelijk uitgedrukte, voor ontkenning en tegenbewijs vatbare feiten.
Vermits bezit is een complex feit, bestaande uit speciale daadzaken, kan als zoodanig niet worden aangemerkt de geheel onbepaalde stelling, dat men heeft gehad het bezit eener zaak. Bepaaldelijk uitgedrukte, het bezit medebrengende, daadzaken worden gevorderd om een voortdurend bezit eener zaak gedurende zekeren tijd te bewijzen.
Air. v. 3 Juni 1859. W. n°, 2071. handhavende arrest P. II. v Zeeland. v. 22 Juni 1858, \V, n0. 2004, vul. ook Arr.-R. Assen, v. 13 INluart 1870. VV. n'. 4007; vgl. Arr.-R. Utrecht, v. 9 Dec, '1859, VV. nquot;. 2100, waarbij werd beslist, dat de feiten niet bepaaldelijk zijn uitgedrukt, waar bij eene actie tut ontkenning van een kind wel overspel en heimelijke bevalling worden gesteld, maar niet worden aangegeven feiten en omstandigheden, waaruit het overspel en clandestine bevalling zouden blijken; vgl. art. 199 li. R.. nquot;. 39.
â¢4. De beoordeeling, of genoegzame aanleiding bestaat tot het voor erkend houden van gestelde feiten, die binnen den bepaalden termijn niet zijn erkend of ontkend, â is in elk geval aan den rechter overgelaten.
Arr. v. 9 Juni 1871, VV'. no. 3337; 11.. dl. XCVII1 § IS. R. 1!, jlt;!. 1872 p. 13, waarbij nog werd beslist dat de uioeilijkheid zoo niet tie onmogelijkheid voor de partij, om daarop in caxu binnen den gestelden termijn te antwoorden, gevoegd bij de zeer korte overschrijding van dien termijn aanleiding kan geven, om de daadzaken niet voor erkend te houden; zie hiermede in verband Arr.-R. Assen, v. 24 Nov. 1873, R, I!. jg. i874. p. 473, waarbij implicite is beslist, dat waar de ontkentenis der daadzaken niet juist binnen de hier bedoelde acht dagen heeft plaats gehad, zij voor erkend moeten worden gehouden.
5. Dit artikel verbiedt den rechter niet, om een door partij aangevoerd feit als bewezen aantenemen, op grond dat het door de tegenpartij niet is weersproken.
Arr. v. 20 Jan. 1883, VV. n0. 4870; v, u. II,. Ji. I!.. dl. XI.VIII p. 121â134.
1
Ji__-ü-- -i- 3 â-⢠O- ts-e*--o-^yt . quot;X C/ quot;Z- tââ
/ a^o v^-r-tr^ . ^S-C* £^/-lt;/C, f)Ofi gt; ^i^Avt. '20 £.
^ y iT^ -^C3D «^-£- l L~.-â JL^- e^~- o-^-târ' aX-lt;^ t77 ------^ a 2- â¢\r-4yi .
Vgl. navolgende beslissing: kx^yt-. fiu. iLt -
Het in dit artikel gehuldigde rechtsbeginsel, dat de daadzaken, welke ^ r^-ó, eene partij door getuigen wil bewijzen, voor erkend kunnen gehouden worden, zoo zij niet uitdrukkelijk betwist worden, kan ook in summiere zaken zijne toepassing vinden, daar waar de verweerder bij zijne conclusie van antwoord de gestelde daadzaken niet heeft erkend of ontkend. Aan het oordeel en de onvoorzichtigheid van den rechter is het overgelaten, welk gewicht hij naar de omstandigheden aan dit stilzwijgen van de wederpartij moet hechten
I'. II. v. Liraburg, v. '29 Mei 1860, W. n0. '2197.
â¬Â» Hoezeer de rechter hij de wet is bekleed met het vermogen om gestelde daadzaken voor erkend te houden, ingeval die binnen acht dagen na de beteekening-, bij acte van procureur tot procureur niet zijn ontkend, zijn er, daar waar het geldt eene acte tot scheiding van tafel en bed, geene gronden aanwezig om van de voorzegde bevoegdheid gebruik te maken, wanneer uit de vroeger gehouden dingtalen kenbaar is, dat de door de eischeresse gestelde daadzaken door den verweerder stellig worden ontkend.
Arr.-R. Gorinchem, v. 30 Oct. '1841, W. n0. 246. â Cf. art. 264 R W.,
vonnis van de Arr.-R. Zwolle, v. 6 Dec. 1843 sqq., sub n0. 5, en pe Pinto,
mi. B. II.. II, 1, p. 345 vlgd.
S. Tndien de daadzaken niet zijn ter zake dienende en afdoende, is het niet noodig dat ze worden ontkend, of komt het voor erkend houden derzelve niet te pas, daar zij, in ieder geval en zelfs dan,
wanneer die al bestonden, toch tot de beslissing der zaak niets zouden afdoen.
Arr.-R. Tiel, v. 1 Dcc. 1844, R. li. jg. 1847, dl. IX, p. 788â790.
8. Een collectief feit, of zoodanig een, dat in zich zelf uit onderscheidene afzonderlijke daadzaken bestaat {in casu het beweren gedurende meer dan een jaar in het rustig bezit te zijn geweest van een plaatsje, achter zijne woning gelegen, met de daarop zich bevindende zinkput, zoo en in dier voege, als men het bij zijne woning in eigendom heeft verkregen) kan op zich zelf gesteld worden, ten ware de
Art. 202.) f)54
wet uitdrukkelijk gelast de afzonderlijke feiten, waaruit de daadzaak is zamengesteld, bepaaldelijk en bij name op te noemen.
Ait.-U. Amersfoort, v. 17 Dec. -1845, VV. nquot;. 837; K. 1!. Jg. -1840, dl. VIII, p. 2'2C en ^'27.
ïgt;. Art. 202 B. R., waar het eischt, dat de daadzaken, die eene partij door getuigen wil bewijzen, hepaaldelijk worden uitgedrukt bij de acte van conclusie, beeft blijkbaar gewild geene rechtsgeleerde kwalitication van daadzaken {in specie ten betooge dat iemand zich zoude hebben gedragen als zuiver erfgenaam), maar eene zoodanige aanduiding en omschrijving der te bewijzen daadzaken, als welke aan de tegenpartij geen twijfel kan overlaten, wat men zich voorstelt te bewijzen, en wat hij alzoo ingevolge de laatste alinea van art. 202 heeft te erkennen of te ontkennen.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 30 Uec. 1845, W. n0. 71
10. Art. 202, al. 1 15. R. is alleen van toepassing op gewone zaken, maar geenszins op zaken van echtscheiding, waaromtrent eene afzonderlijke wijze van procedeeren in art. 816 en volgg. 13. 11 is voorgeschreven.
Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 28 Febr. 4851, W. nquot;. 1208; â anders door Mr. A. O. in de O/jot. en Mod., dl. VII, p. 95â98, alsmede implicite bij vonnis van de Arr.-R. te Zwolle, v. 0 Dec. 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 702 sqq. en van de Arr.-R. Sneek, v. 5 Juni 1844, R. li. jg. 1840, dl. VIII, p. 694 en 695, zijnde bij laatstgemeld vonnis beslist, dat aan de bedoeling des wetgevers, in art. 202, al. I li. R. uitgedrukt, behoorlijk is voldaan, indien een eischer, in cas van scheiding van tafel en bed. in plaats van, zooals bij voormeld wets-artikel is voorgeschreven, de te bewijzen daadzaken bepaaldelijk uit te drukken, bij de dagvaarding en de geïnsinueerde conclusie dienaangaande, uitdrukkelijk verwijst naar de daadzaken, zooals die zijn gesteld en omschreven in liet vroeger aan de Rechtbank ingediend request, behoorlijk aan de partij beteekend. â Vgl. hiermede Mr. F. R. Penning, ad art., volgens wien, in zake van echtscheiding, niet al. 2, maar wel al. 1 van art. 202 B. R. van toepassing is. â Zie ook art. 5 li. R., vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. 21 Mei Mei 1851 sqq., sub nquot;. 34, en omtrent hetgeen rnoet worden verstaan onder opgave van daadzaken, in cas van art. 810 B. R. â art. 810 voormeld, vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. 5 Oct. 1842.
11. Aan het voorschrift van dit artikel is voldaan, zoodra de daadzaken, welke de eischer wil bewijzen, in eene acte, van procureur aan procureur beteekend, bepaaldelijk zijn uitgedrukt en omschreven en
{â bi 202.
tiesloten worden met eene even bepaalde en duidelijke conclusie. De woorden, bij den aanhef dier acte gebruikt : //zullende antwoorden op den principalen eischquot; kunnen den inhoud der acte zelve niet vitieeren noch nietig maken, veel min den gedaagde benadeelen, wanneer deze eveneens behoorlijk, bij beteekende acte van procureur aan procureur, heeft geantwoord op het incidenteel geschil en daarop geconcludeerd.
P. II. v. Z.-Holland, v. 27 Juni â¢1855, W. nu. 1091.
1^. De vordering des eischers tot bewijslevering van bepaalde daadzaken is prematuur, zoo lang niet vaststaat, of die daadzaken door den gedaagde voor erkend of ontkend worden gehouden.
Ktg. n0. I Amsterdam, v. 22 Febr. 1871, W, n0. 3352.
13. Waar feilen worden gesteld, niet met het doel om daarvan bewijs door getuigen te leveren, behoeven de voorschriften van dit artikel niet opgevolgd te worden.
Ait.-E. Amsterdam, v. 31 Oct. 1877, W. nquot;. 4170.
I J-. Uit dit artikel volgt niet dat men, in zaken van koophandel, ingevolge art. 299 15. R. als summiere zaken wordende behandeld, tot erkenning uf ontkenning van gestelde daadzaken gesommeerd, daaraan zonder op straffe, als bij art. 202 is bepaald, niet zou behoeven te voldoen.
Ait.-R. Rotterdam, v. 10 April IS80, NV. n0. 4520.
Art. 20.3.
1. liet is geheel aan den judex fadi overgelaten, om wanneer hij in fado aanneemt, dat de aangenomen daadzaken niet genoegzaam bewezen zijn, en dat daaromtrent verschil tnsschen partijen bestaat, ambtshalve een getuigenverhoor (in die gevallen waarin een bewijs bij getuigen toegelaten wordt) ten aanzien van die daadzaken te gelasten.
Air. v. 19 Nov. 1841, W. n». 250; R,. dl. XI. § 43; v. u. H., li. 11.. dl. 111, p. 30â66; idem impücite bij arr. v. 15 April 1842, W. n0.300; R.. dl. XII, § 16; v. d. 11., ibid. p. 312â332 en v. 3 Febr. 1843, \V. n0. 379; v. i). 11., B. 11., dl. IV, p. 298â306. â Vgl. hiermede, omtrent de vraag, wanneer kan worden geacht dat bet pertinente en concludente van ecu aangeboden getuigenbewijs is juris â â art. 99 R. O., arr. v. 22
/-C A. CXSiy2~, *2^6 *5 / -^0-*~' lt;X-0^t_A-0 £rzAâ*- rfa^Zi ts. /Scrt/Z^.
err,
Ly(/Co^-- ^lt;yu-^C. 2.0$ !gt;-£-.*- 1â'^y *-aJgt;~'f/2- *T^a^
Art. 203.) 656
/t^, cfC-r^e^iL, ; % 2-7 '^. ^gt;^Sv n-' amp;-Zlt;?/-
Oct. 1847 en v. 9 Maart 1849, sub C, n^. -|fl en 21 (dl. II, p. 30 en 37). -de editie, sub n0. 22 en 24, zijnde wijders voormeld an-, gewezen in strijd met de conclusiën van den toenmaligen adv.-gen. van Maanen, v. i). H., I. c. p. 50â62, op grond, dat nu bet eene feit niet was tegen-sproken en het andere stellig erkend, maar alleen over de gevolgtrekkingen, die daaruit waren af te leiden, geschil was, de Rechtbank, zonder kennelijke schending van art. 199 B. R,, de enquête, die hier gelast is, niet heeft kunnen bevelen.
8. Art. 199 of 203 li. R. is niet geschonden, indien de rechter,â de mogelijkheid niet ziende, dat uit liet aangeboden getuigenbewijs van langdurige tiendheffing en rechtverkrijging door praescriptie over een tiendblok, waarin zeker stuk land gelegen is, zou kunnen voortvloeien het bewijs van verkregen tiendrecht door verjaring, op het speciaal stuk in geschil (te meer daar hij hiervan als nieuw ontgonnen land geene verkrijging door praescriptie denkbaar oordeelt), â het aangeboden getuigenbewijs afwijst, overeenkomstig art. 203 B. R., als hebbende hij het niet ter zake dienende en afdoende beschouwd.
Air. v. 31 Oct. 1844, VV. n0. 559; R.. dl. XIX. § 24; v. u. H., B. It., dl. VI, p. 129â142. â Cf. art. 99 R. O., sub .4, nquot;. 7 (dl. II.' p. 20), 2de ed. eodem en art. 802 1!. W., arr. van denzelfden datum, sub nquot;.-13 en het betrekkelijk deze zaak gewezen arr. v. 't P. 11. v. Gelderland, v. 13 Sept. â¢1843, \V. nquot;. 433; R. B. jg. 1843, dl. V, p. 663â005, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Zutfen, v. 14 April 1842, W. ut supra R. R. jg. 1842, dl. IV, p. 083 sqq.
3. Art. 203 13 R., noch art. 1932 13. W. kunnen zijn geschonden, indien het Hof binnen de grenzen zijner bevoegdheid heeft uitgemaakt, dat de bizondere bepaling van schade door water, niet toepasselijk is op schade ten gevolge van aanvaring, en op dien grond een daartoe betrekkelijk aangeboden getuigenbewijs, als niet ter zake dienende en afdoende, heeft verworpen.
Arr. v. 28 Febr. 1845, VV. no. 601; R., dl. XX, § 24; v. d. H., II. f,.. dl. VI, p. 3/6â413. â Vgl. het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. 11, v. Gelderland, v. 14 Febr. 1844, W. nquot;. 001 ; R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 420 sqq.; R., dl. XX, § 24; bevestigende een vonnis der Arr.-R. Arnhem v. 29 Mei 1843.
4L Voor het in werking komen der Fransche wet, zoowel naar het Eomeinsche als naar het Fhesche recht, in Friesland, de res sanctae en de onvervreemdbare res publicae, waartoe de stadswallen te Leeuwarden behoorden, (ook met liet oog op de 1. 10, ff', si servilm vin-
657 {Art. 2Ã3.
dicelur) Tiiet vatbaar zijnde voor onilerwerping aan dienstbaarheid van waterleiding, uitgang of dergelijke, zoo volgt hieruit, dat niet kan worden toegelaten een bewijs door getuigen tot staving van een beweerd servituut van uitgang op raeervermelde stadswallen, hetwelk zou zijn verkregen door verjaring van meer dan 30 jaren vóór de invoering der Fransche wetgeving hier te lande.
Air. v. H Dec. 184(gt;, W. nquot;. 788; 11.. dl. XXVI. § 27; v. n. II.,*;./., dl. V. p. 226â242.
5. W anneer er van een getuigenverhoor sprake is, ambtshalve (art. 199, al. 2 B. R.) en niet op verzoek van partijen bevolen, dan kan er wel niet (in cassatie) aan eenige schending van art. 203 B. R gedacht worden.
Air. v. 14 Jan. 1853. \V. n0. 1403; li., dl. Xl.lll. § 79.
it. Een complex of collectief en daarenboven geheel negatief feit, [in cam : dat gedaagde niet heeft voldaan aan zijn contractueele verplichting), hetwelk rechtstreeks niet valt onder het bereik der zinnen, maar alleen kan blijken bij gevolgtrekking uit andere speciale, positieve en materieele feiten, kan niet door getuigen worden bewezen.
De vordering, strekkende om te worden toegelaten tot het bewijs van zoodanig feit door getuigen, ofschoon door de tegenpartij niet betwist, moet door den rechter ambtshalve worden ontzegd.
Arr. v. 17 Mei 1861. W. nu. 2280; cf. art. 199 li. R. n». 39.
3. De bewering, dat het van algemeene bekendheid is, dat iemand zijne betalingen heeft gestaakt, is vatbaar om door getuigen te worden bewezen.
Arr. v. 29 Nov. 1867. W. n». 2972; v. n. II., IJ. j!?., dl. XXXII. p. 64â74.
8. Wanneer de gestelde feiten strekken om de plaats van levering {in cam dezelfde als die der verzending) te bewijzen, daar waar bij eene zaak van koophandel de exceptie van onbevoegdheid van den rechter dier plaats is opgeworpen, kunnen die daadzaken niet aange--v- merkt worden niet ter zake dienende en afdoende te zijn.
Arr. v. 11 Febr. 1881, W. n». 4613; R.. dl. CXXVII, p. 123-130, v. ü. H., B. II., dl. XLVI, p. 62â68.
fgt;. Indien door den rechter aan eene partij het bewijs bij getuigen
Mr. W. van Kossem Bz., Bnnj. Rechtsv.
/irf. 20:i)
is toegelaten van daadzaken, die ten aanzien der andere partij niet ter zake dienende noch afdoende zijn {in ca.tu alwaar door den eigenaar van het praedium, tluminans, vermeenende in de uitoefening van zijn gesustineerd recht stoornis te hebben ondervonden door een derden persoon, geen eigenaar van bet praedium serviens, die derde persoon in rechten is opgeroepen, tevens tot het doen erkennen van het recht van erfdienstbaarheid van den eischer), clan kan laatstgemelde zich niet grond door zoodanige uitspraak bezwaard achten en levert dit termen op tot vernietiging.
I'. II. V. IVente, v. 0 Nov. -1839, U.. dl. Ill, § -10; Hcc/t in Xadn-l., ill. 11. p. 308 en 309.
IO. .M en is niet-ontvankelijk in eene incidenteele vordering, strekkende tot admissie om het bestaan der overeenkomst door getuigen te mogen bewijzen, wanneer uit de overeenkomst niet kan worden afgeleid het recht om zonder behoorlijke in verzuimstelling resiliatie te vragen van het contract met vergoeding van kosten, schade en interessen.
Arr.-R. Gorinchem, v. Ki .Mei 1840, \\. nn. 160. â Cf. art. 1274 B. W., suh n0. 7 en 1554, sub n0. i, vonnis van dezelfde Arr.-K. van denzelfden datum.
44. De beleedigde partij is in cas van overspel ontvankelijk, niet alleen tot het leveren van het bewijs, betrekkelijk het gepleegde adul-terium zelf, maar ook van de onbetamelijke handelingen, die het hebben voorafgegaan en op zich zelve niet zijn pertinent en concludent.
Arr.-U. 's-Gravenhage, v. '12 Maart -184-1, W. n0. 184.
f 2. Indien het aangeboden getuigenbewijs de strekking heeft om aan te toonen, dat de gedaagde in eene of andere betrekking gehandeld zou hebben, is zulks niet ter zake dienende in een geding, waarin de gedaagde slechts als privaat persoon geroepen is.
Arr.-R. Hoorn, nine die, W. n0. 370.
I â¢{. De rechter behoort altijd acte te verleenen van het aanbod tot het leveren van bewijs van voorgestelde daadzaken, al zijn deze zelfs niet ter zake dienende en afdoende.
P. II. v. N.-Braband, v. 7 Felir. 1843, W. nquot;. 413; R. Ti. jg. 1843,
{Arl. '208.
dl. V, p. 1 V.\ en 144. te dien aanzien verlieteronde een vonnis van de Arr.-R. 's-ITertoprenhosch, v. i4 Sept. 1842. \V. nquot;. 332.
14. iTet bewijs van gestekle daadzaken kan worden toegelaten, indien ze, hoewel niet nauwkeurig vermeld, echter {in cusu met betrekking tot den tijd waarop betalingen op eene verschuldigde rente van inbreng zouden zijn gedaan) niet zoodanig onbepaald zijn gelaten, dat het bewijs daarvan voor doelloos moet worden gehouden.
P. H. v. Drente, v. 17 Jan. 1846, R. R. jg. 1848, dl. X, p. 393â395.
lö. De rechter, afwijzende liet verzoek eens eischers, om bij ont-kentenis door den gedaagde van het recht van erfdienstbaarheid, hel onheugelijk bezit van dat recht door getuigen te bewijzen, kan niet ambtshalve een getuigenverhoor bevelen, om te bewijzen, dat de eischer gedurende een tijd van twintig jaren vóór de invoering van bet Wetboek Napoleon, het ongestoord bezit van den betwisten uitgang gehad heeft, vermits door zoodanige beperking van het te leveren bewijs des gedaagde verdediging ten principale wordt gepraejudiceerd.
P. 11. v. Zeeland, v. 30 Juni 1846, R. R. jg. 1847, dl. IX. p. 646. â Cf. art. â¢199 I!. R.. arr. v. 16 Juni 1854 sqq., sub n0. 10.
KJ. Indien de gedaagde zeker feit ontkent, met bijvoeging, dat, zoo het al mocht zijn geschied, zulks dan met toestemming des eischers heeft plaats gehad, dan moet dit feit niet voor erkend worden gehouden.
Arr.-R. Arasterdam, v. 4 Nov. 1846, W. n0. 862; H. R. jg. 1846, dl. Vlll, p. 736 sqq. â¢â Cf. art. i99 R. R,. vonnis van de Arr.-R. Nijmegen. v. 2/( Febr. 1846.
I S. De ten bewijze gestelde feiten mogen niet dienen om amite-vullen een feit, dat een der grondslagen is van de vordering en in de introductieve dagvaarding ontbreekt.
Arr.-R. Winschoten, v. 10 (let. 1855, R. li. jg. 1856, blz. 384.
18. Het bewijs van het bestaan van een beweerd gebruik, in strijd met algemeene wetsbepalingen, waarvan geene stilzwijgende afwijking is toegelaten, is noch ter zake dienende noch afdoende, vermits aan dat gebruik geen rechtsgevolg kan worden toegekend.
P. H v. Z.-Holland, v. 21 Juni 1858, W. n0. 1979, vernietigende vonnis Arr.-R. Rotterdam, v. 6 Jan. 1858, W. nquot;. 1956.
AH. quot;20;5.) (i(in
S?gt;. De eisclier, die eene vorflering instelde tot uitkeering eener bepaalde som als saldo eener rekening en verantwoording, welke hij beweert, dat liem door den gedaagde is gedaan, is niet-ontvankelijk in zijn inoidenteel verzoek tot getuigenverhoor betreflende daadzaken, waarvan de strekking is, het bewijs te leveren van des gedaagden reken plichtigheid.
Arr.-li. Goiinchein, v. 24 Nov, 1863, VV. n0. 254('gt;.
'«SSÃ. Een getuigenbewijs tot staving van bet feit, dat een overledene goederen heeft nagelaten, is toelaatbaar; ook dan, wanneer door den kantonrechter een procesverbaal van niet-verzegeling is opgemaakt, waarbij alleen is geconstateerd dat de comparanten verklaarden, dat er geene goederen nagelaten waren.
Air.-R. Utrecht, v, 17 Juni 1868, W. no. 3148, bevestigd door 't P. II. v. rtrecht, v. 22 Febr. 1869, W. nquot;. 3149.
34. Met quot;ter zake dienende en afdoendequot; is in dit artikel niet anders bedoeld, dan quot;tot beslissing der zaak kunnende leiden'1 in nrt. 1013.
Mitsdien kan het bewijs worden toegelaten van feiten, die, zonder de zaak geheel te beslissen, de beslissing kunnen voorbereiden, en door andere bewijzen gevolgd en aangevuld, eenen grondslag voor de beslissing der hoofdzaak kunnen opleveren.
Arr.-li. Amsterdam, v. 13 Deo. 1877. R. li. jg. 1878, p. 92.
8 'i. Zie ten betooge ;
a. Dat, wanneer iemand, die rekening en verantwoording wil afleggen van hetgeen hij voor rekening zijner committenten heeft verricht, concludeert bij zijne memorie van contra-debat, om tot het bewijs van eeni^e punten door getuigen te worden toegelaten, hij alsdan tot dit getuigenbewijs is admissibel â
art. 778 B. R., arr. v. 3 Jan. 1845 sqq.
b. Dat een aangeboden getuigenbewijs omtrent de uitoefening van zeker recht, zoo lang de oudste menschen geheugen, door den judex facfi als inconcludent kan worden verworpen â
't Kon. Besluit v. 8 Febr. ISIS, arr. v. 5 Juni '1846 (dl. I, p. 16). Zie in gelijken zin art 178 1!. R., arr. van 't P. II. v. Friesland, v. 20 Nov.
Art. 203
IKi'l, sub no. '2. â Vgl. biermede een uit. v. 't 1'. H. v. N.-Holland, v. 26 Sept. 1844, R. B. jg. 1845, dl. VII, p. 145â147, waarbij, in strijd inet het daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-K. Amsterdam, v. 10 Nov. 1844, een getiiigenbevvijs is toegestaan omtrent liet hebben bestaan van personen die volgens des eischers eigen rekening meer dan 100 jaren dood moesten zijn; zijnde dit arrest gegrond op de overweging, dat er geene redenen voorhanden zijn, om in doze reeds vooraf aan te nemen welke getuigen zullen worden aangevoerd, wat zij zullen verklaren, en welke redenen van wetenschap zij zullen bijbrengen. â Zie ook art. 199 I!. K., vonnis van de Arr.-li. Amsterdam, v. 8 Nov. 1852.
c. Dat in cas van art. 72 van het Reglement op het loodsen van zeeschepen, door het groot INoord-lIollandsch Kanaal van 19 Jan. 1836, liet leveren van het bewijs, dat door den gezagvoerder of de schepelingen geene loodsen zijn gezien, is irrelevant cn inconcludent â
't Kon. Ilesluit v. 25 Juli 18o7, nquot;. 71'. an. v. 18 .Inni 1847. sub n0. 2. (dl. I. p. 191).
Art. 204.
De vrijheid hier aan den rechter gelaten, om het getuigenverhoor te doen plaats hebben, hetzij ter terechtzitting, hetzij voor een Rechtercommissaris, is niet van toepassing op zaken, die, hoewel uit haren aard niet summier, echter als zoodanig door partijen zijn behandeld.
Arr. v. 19 Oct. 1866, W. n». 2840; II. dl. 1 .XXXIV § 16; v. n. II.. II. /(., dl. XXX. p. 455â473, ook vermeld op art. 140 I!. R.. bestreden in VV. n0. 2857; vgl. arr. v. 10 Nov. 1876. W. u0. 4050; R., dl. CXIV g 22; zie in anderen zin implicite Arr.-li. .Maastricht, v. 2 Nov. 1866. W. nu. 2846.
Art 205.
Uit de bepalingen van art. 109, jls. de artt. 18, 205 en 206 IS. R , vloeit voort, dat getuigenverhoor altijd, zelfs in summiere zaken, met gesloten deuren moet worden gehouden.
Hoezeer bij gemeld art. 109, in summiere zaken het houden dei-enquête oj) de terechtzitting is bevolen, en deze volgens art. IS. in den regel is openbaar, moet nochthans de bepaling van art. 205 op dit punt gehouden worden van eene algemeene toepassing te zijn bij getuigenverhoor, waaromtrent, daarbij uitdrukkelijk, onder meer anderen
fun
Art. 205.)
wordt bevolen, dat liet altijd met gesloten deuren zal worden gehouden, zoodat de verwijzing ook bij art. 206 in summiere zaken naar de terechtzitting, geene andere bedoeling heeft dan om in die zaken het verhoor voor een rechter-commissaris uit te sluiten, maar liet te doen houden voor al de rechters, die over de zaak zullen oordeelen, zonder dat er eenise gegronde reden is uit te vinden, waarom overigens het gebod van art. 203 ook dan niet van toepassing zoude ziju.
An-, v. 19 Nov. 1841, VV. no. 250, U., dl. XI, § 43; v. d. II., B. i!., dl. 111, p. 36â6G. â Anders Oudeman, B. 4de ed.,
dl. 1, p. 251, en dk Pixto, lldl. B. 11., 11, 1, p. 344, die aldaar de juistlieid dier beslissing' /.eer betwijfelen. De laatste acht die leer in jure constiluendo volkomen waar, maar meent dat zij niet is overeen te brengen met de wet, zoo als die is, omdat: 1°. ditbevel, om betgetuigenverhoor te houden in eene gesloten terechtzitting, voorkomt in een artikel, dat uitsluitend handelt over zaken van (/ewone hehandelinc/; en 2°. art. 200 al de bepalingen over het getuigen-verhoor voor den kantonrechter van toepassing verklaart in summiere zaken, met uitsluiting alleen van de artt. 119 en 121, en dus met inbegrip van art. 109. De heer dk Pixto, 1.1. is al verder, even als Lipman, p. 96 en Oudkman ut supra, van gevoelen, dat het voorschrift van art. 205 zeker misplaatst is, en meent, dat dit artikel had beboeren te worden gevonden, hetzij onmiddellijk na art. 199, zoo men het had willen maken van algemeene toepassing, hetzij na art. 204, zoo men het had willen beperken tot de zaken van gewone behandeling. Evenzeer verklaart zich Mr. .1. G. uk Witt Hamer -Iz., in zijn Hdh. voor dc Kantonyerechten, p. 22/, voor de meening dat art. 205 geenszins op zaken van summiere behandeling en mitsdien ook niet op de kantongerechten, waarbij het getuigen-verhoor altijd in het openbaar plaats heeft, van toepassing kan zijn, welk gevoelen echter om de paritas rcitionis niet wordt gedeeld door Mr. G. M. vak iifi- Kkmi', Ontw. ut supra, p. 150, (Mr. Gueevk betoogt in den 3den druk, p. 304. dat ook voor rechtbanken en hoven het getuigenverhoor in den regel niet met gesloten deuren mag gehouden worden) en door S. M., in de Opm. en Med., dl. I, p. 225. â Vgl. met dit een en ander Mr. (i. B. Kmants, Thcmis, dl. VIII, p. 506â516, die de bepaling van art. 205, al. 3, daar niet verkeerdelijk geplaatst beschouwt en haar overigens alleen van toepassing acht op het getuigenverhoor voor gedelegeerde rechters. Dit gevoelen echter, voor zoo verre bekend, alleen door den heer K. voorgestaan, wordt o. a. met een beroep zoo op de geschiedenis der wetgeving, als op de ratio Icgis, breedvoerig bestreden door Mr. G. I).. in de Opm. rn Med., dl. VIII. p. 63â83, die het eerste lid van art. 205 slechts toepasselijk acht op de gevallen, bedoeld bij art. 2006, in zóó verre ten minste, dat wanneer werkelijk het derde lid van art. 205 tot de in dat artikel bedoelde gevallen moet worden beperkt, het dan noodwendig beperkt moet worden tot de gevallen van art. 2006, en overigens (ook in strijd met het gevoelen van de Pinto, en meer in overeeustemmiiig
{Art. 205
met voomjeld arr. van den II. R.) art. 205 van toepassing acht op elk getuigenverhoor, dat aan de bepalingen der zesde afdeeling van den derden titel onderworpen is (en mitsdien niet op het getuigenverhoor voor den kantonrechter, hetwelk ook z. i. in den regel op de terechtzitting en in het openbaar moet gehouden worden), onverschillig hoe de zaak is gekwalificeerd en niet alleen op elk getuigenverhoor op de terechtzitting gehouden, maar ook op dat, hetwelk voor een rechter-commissaris plaats heeft; vgl. ook R. li. jg. 1875. afd. B, p. 209, waardoor de Redactie betoogd wordt, dat de bepaling, dat de enquête altijd met gesloten deuren moet plaats hebben, in handelszaken zeer nadeelig werken kan.
Art. 206.
i. Daar de wet van 22 Pluviose au VU geene bepalingen bevat omtrent de formaliteiten bij een getuigenverhoor in acht te nemen,
in die gevallen, waarin het bewijs door getuigen (gelijk omtrent de verhoogingen gedaan in strijd met voormelde wet) zal kunnen worden toegelaten, moeten de algemeene voorschriften, dienaangaande bij het o^/U. ugt; fc
Wetb. van Burg. Rechtsv. vastgesteld, noodzakelijkerwijze worden __^
nageleefd. Hieruit volgt, dat indien bij vonnis aan een geopposeerde __
van een dwangschrift in materie van registratie het getuigenbewijs van ^
de door hem gearticuleerde feiten is opgelegd, en dat getuigenverhoor - /^ (op de terechzittiiig) heeft plaats gehad, zonder dat de opposant op dien dag prorogatie had gevraagd, om zijnerzijds het tegenbewijs door . ^ ' ^ ^ getuigen te mo^en leveren, hij later daarin niet meer ontvankelijk is. â
0 0 0 ' â¢' o.r^zv--^
Arr.-R. Eindhoven, v. 40 Fébr. 1845, Regt in Xedert., dl. IV. p. 247 en 248. ___ ^
'i. Zie ten betooge : 1 'lt;â
a. dat, indien er een getuigenverhoor op de terechtzitting gehouden wordt, door de Rechtbank, ondanks de ontstentenis eener bepaling voor den kantonrechter of voor de Arr.-R., als bij art. 21 fi voor den rechter-commissaris gegeven is, voor het sluiten van het procesverbaal aan de bij dat verhoor verweerende partij kan worden toegestaan, dat er eene volgende terechtzitting worde aangewezen, tot het doen hooren ^ Vlt;/y/, /? r. ). van getuigen voor tegenbewijs. â lt;y/i o éi-.
art. '104 li. I!.. arr. v. 17 Maart 1870 sqq. sul) n®. I. - In gelijken zin, behalve de autoriteiten op art. 104 B. R. vermeld, du Pinto, lldl., /gt;U^ 60
11. 1. ]). 350; OriH'.M \n. 4de ed.. dl. 1. p. 138 en 144 en Pknninti ad tiZj (qoL
f ^
art. 21 ü li, R. quot; ,
/V.
.1/7, 2Ofi ) nf)4
h. dat het O. M. het recht heeft bij verhooren van getuigen vragen te doen â
Mr. C. I'. Tm. van Maankn. quot;het Openb. Ministerie in Nederlandquot; 1)1/.. 63.
Art. 208.
I. De verplichting tot de beteekening van het vonnis, waarbij, als gevolg eener bevolen wraking, een nader getuigenhewijs wordt bevolen, berust op straffe van niet-ontvankelijkheid op hem, ten wiens verzoeke dit nader getuigenhewijs is toegestaan en niet op zijne wederpartij.
Arr.-R. Arnhem, v. 30 Sept. 184i, W. n0. 016.
'i. L)e procedure tot getuigenverhoor met het tegenbewijs, dat rechtens is toegelaten, een geheel vormende, dat volgens art. 20S 15. R. begint te loopen van den dag der beteekening van het vonnis, floor de Meest geresde partij, volgt hieruit, ook met het oog op art. 211 B. ii.- (waarbij de bevoegdheid gegeven wordt, om ten zelfden da^e, de getuigen tot tegenbewijs op te roepen) dat het gewijsde, waarbij het getuigenverhoor wordt bevolen, niet andermaal moet worden beteekend door de partij, die van haar recht van tegenbewijs gebruik wil maken.
1'. I!. v. N.-Hrabant, v. 10 Dec. 4845, R.. dl. XXVI. § 89.
Het dispositief van een vonnis, waarbij een getuigenverhoor wordt gelast, behoeft niet te vermelden de daadzaken, welker bewijs wordt toegelaten, wanneer die daadzaken in de considerantia van het vonnis zijn opgenomen en daarnaar bij het dispositief wordt verwezen.
1'. 11. v. Z.-Holland, v. 27 Juni '1855, W. 11°. '1691.
Art. 209.
f . Door de beslissing van het Hof dat de partij, die de getuigen niet heeft gedagvaard tegen de terechtzitting of binnen den termijn bij het vonnis of arrest bepaald, niet meer tot liet bewijs door getui-
.1 r/. 209 )
gen kan worden toegelaten, beeft het Hof' de artt. 104, 105 en lOli geschonden en de artt. 209 en 210 B. II. verkeerd toegepast, 3
Am v. 18 Maart 1863, \V. n*. '2679; U., dl. LXX1-X, § 44; v. ü. II.. ' ' Vquot;'
/;. dl. XXIX, p. 313â326, vernietigende arrest 1'. II. v. Limburg, 'Atquot; ifo-.
v. 8 Nov. 1864, \V. n0. 2643, vgl. hetzelfde arr. sub art. 210 B. R.; 4^ * v-r-
idem Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Maart 1876, U. li. jg. 1876. blz. 180, ^
waarbij is beslist, dat verlenging van den termijn om gegronde redenen -
â -â yM' y-i/in a' a/t-
wel decreliik kan worden toegestaan. ,
'^.ZOZJ IW.
Zie echter navolgende beslissing: ^ quot; t ' -f-,
«j ,______i u\Agt; (uâ , vv- v^c u â %. tv-
Naar het alfremeen beginsel , gehuldigd in art. 209 15. 11., c*
O O 7 O O /
wordt de partij niet meer tot het bewijs door getuigen toegelaten.
zoo zij verzuimd heeft op den dag of binnen den bij art. 208 B 11. «-y» ^ ^ vermelden termijn de eerste acte dier onderneming te verrichten.
J-TZ
I'. H. v. fjiniburg, v. 9 .hm. 1844-, \\. nquot;. 505; H. li., jg. 1844, dl. VI, p. 433, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 29 Sept. 1842, K. B. jg. 1843, dl. V, p. 219; idem zelfde Mof v. 8 Nov. 1864, hierboven vermeld; idem waarbij is beslist, dat de partij na het verstrijken van den termijn tot getuigenbewijs niet meer gerechtigd is, om een naderen termijn te eischen, bij am v. 't P. H. v. N.-Brabant sine die, W. nquot;. 899; idem bij vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 3 Juni 1852, sub art. 104 B. R.. nquot;. 2; idem bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Nov.
186*1. VV. n0. 2361 ; en bij Oudeman, B. 11., 4de ed., dl. I, p. 246. â-Cf. art. 199 B. 1!., arr. v. 4 Dec. 1845, sub n0. 4.
Vgl. eindelijk hiermede in verband navolgende beslissing ;
Eene wederpartij, die noch op den dag der enquete van zijn kant getuigen tot tegenbewijs heeft opgeroepen, noch op een naderen in het proces-verbaal van enquête daartoe bepaalden dag getuigen heeft bijgebracht, is niet meer ontvankelijk in zijn verzoek, om alsnog tot tegenbewijs getuigen te. doen hooren. ^ ^
1'. H. v. Limburg, v. 29 Nov. 1869, \V. ir'. 3196. nquot; ^3^^.
â¢lt;ï. Het slot van dit artikel mist alle toepassing, wanneer van het vonnis, waarbij het getuigenverhoor ten deele is toegestaan en ten deele geweigerd, hooger beroep is ingesteld.
Arr. v. 1 i Nov. 1884. \V. nquot;. 5095, waarbij nog werd beslist, dat de termijnbepaling niet kan beschouwd worden als een praeparatoir vonnis in den zin van art. 336 I!. U. maar onafscheidelijk samenhangt met de interlocutie zelve, en alzoo, evenals de overige deelen daarvan, hangende liet beroep geen gevolg kan hebben.
Jrl. 20!).)
Ã5. Het verzuim der beteekening, in art. 208 13. R. gevorderd, noch het ver/.uim van het verschijnen op den dag tot het houden van het bevolen getuigenverhoor bepaald, kan, bij gebreke van een vooraf ingesteld hooger beroep, worden gedekt, door het nog voor den dag tot getuigenverhoor bepaald gedaan verzoek, om kosteloos de rechterlijke uitspraak, uit krachte waarvan het getuigenverhoor zou plaats vinden, aan hooger beroep te onderwerpen.
Arr.-R. Ariilieni. v. 30 Sept. 1844, \V. nquot;. O'Ui.
S De nauwgezette nakoming der termijnen op strafte van verbeurte van het recht tot getuigenbewijs, geldt bij analogie ook in summiere zaken en in die voor den kantonrechter.
Ari'.-K. lireda, v. 5 Jan. '1858, \\ . nquot;. 1944; cf. art. '104 u0. 2 11. R. en in anderen zin. arr. 18 Maart '18Gj sqq.. vermeid sub hoe art. en art. 21(1 li. R.
Art. 210
1. Dit artikel, hetwelk geschreven is voor het verhoor voor den llechter-(Commissaris, eu niet voor dat ter terechtzitting, beveelt wel op strafte van nietigheid, binnen den aldaar voorgeschreven termijn te doen beteeke-nen de namen en woonplaatsen der getuigen, welke eene partij wil doen hooren en verklaart wel bij verzuim daarvan, den nalatige niet gerechtigd op den bepaalden dag getuigen te doen hooren, maar daaruit volgt niet, dat zij (zoo als bepaald is bij art. 209) bij verzuim hiervan, nif.t meer tot het beivijs door getuiyen zal worden toegelaten.
Air. v. 18 Maart 1805, \V. nquot;. 2679; R., dl. LXX1X § 44, vernietigende, air. P. 11. in Lirnbui'g, v. 8 Nov. 1804. ook aangeli. sub art. 209 13. R. nquot;. '1 ; cf. arr. P. II. v. Gelderland, v. 11 April 1800, vei'ineld ad art. 210 li. R. ; zie ook Oudeman, B. 7i., 4de ed., dl. I. blz. 1:57 ; vgl. in anderen zin litg. lldermond, v. 20 Oct. 1855, vermeld ad art. 104 B. R. n0. 2, en Arr.-R. Breda, v. 5 Jan. 1858, aangehaald ad art. 209 sub nquot;. 4.
2. Het hooreu van getuigen moet geacht worden alleen te geschieden in het belang van die partij, welke de getuigen heeft opgeroepen, zoodat ieder der partijen bevoegd is, om afstand te doen van haar recht, tot het hooren der door haar gedagvaarde getuigen.
Ktg. Wijchen, v. 15 Sept. 1854, W. nquot;. 1580. â Cf. art. 200 li. R.. arr. v. 23 Ucc. 1853, snb n0. 4, alsmede aant. 2 op art. 211 B. li.
{-lil 210.
J#, in eetie procedure tot onder curateelestelling kuuneu ook andere getuigen worden gehoord, dan die ter voldoening aan art 191 B, W in het introductief request zijn opgegeven.
Arr.-R. Dordrecht, v. 5 Mei 1862. li, 1!. jg. 1863, dl. XI11. blz. 91âO'i.
JL. Deze bepaling geldt ook in het geval, dat de gecommitteerde rechter hiuteri het rechtsgebied van de Rechtbank, die de admissie tot bewijs door getuigen verleende, zitting houdt.
Arr.-R. Breda, v, 7 Mei 1867, \V. uquot;. 30'20.
.V liet is niet juist aantenemen, dat de wetgever bij deze bepaling van het denkbeeld is uitgegaan, dat het voldoende is, dat de procureur van de wederpartij van het te houdeu getuigenverhoor verwittigd wordt, om daarbij des verkiezende, tegenwoordig te zijn ; het is veeleer aantenemen, dat deze bepaling, (even als die, volgens welke vonnissen, geen condemnatie inhoudende, alleen aan procureur behoeven beteekend te worden) steuut op de bedenking, dat deze is rlominus litis en dat, wat aan hem is medegedeeld, kan geacht worden ter kennis van de door hem vertegenwoordigde partij te zijn gebracht.
Ari'.-li. üroda, v. 7 Mei '1807. W. iin. 3(120.
lt;i. liet voorschrift in de 2de alinea van dit artikel vervat, dat het bevel beteekend moet worden aan de woonplaats of aan de persoon der wederpartij, zoo er geen procureur is (dus zoo die verstek heeft laten gaan) geeft den defaillant geen recht, om nog tegenspraak te doen.
Mr. 1). Ringki! m Themis, 3de verss., jg. 1874, blz. 59 vlade. â Zie in strijd hiermede ten betooge, dat de bepalingen omtrent de beteekening van het vonnis, van liet bevelschrift van den Rechter-Conmiissaris en van de lijst van getuigen alleen kan te pas komen, wanneer contra-dictorio judicio bij interlocutoir een getuigenbewijs is opgelegd, Arr.-R. Nijmegen, v. 24 Juni 1857. W. nquot;. 1880.
Art. 211.
I . Alleen de wijze, waarop iemand in een proces optreedt, kan beslissen, wie partij en wie wederpartij in eene aanhangige procedure is.
Air. v. lt;i .lan. 1854, W. nquot;. 1506. â Cf. art. 152 li. lï.. arr. van hoi 1'. li. v. N.-üralnuit, v. 'i Maart 1842 sqq., suli nquot;. 7.
Art. 211.)
'i Het recht van tegenbewijs, aaii eene partij toegekend, is een voorrecht, waarvan het haar vrijstaat gebruik of geen gebruik te maken en krachtens hetwelk zij, naar goedvinden, in het geheel geen getuigen kan oproepen, of wel. zoo lang met hun verhoor geen aanvang is gemaakt, van liet verhoor van opgeroepen getuigen kan afzien
üe eischer kan mitsdien niet vorderen dat de getuigen, die de gedaagde na door hem te zijn opgeroepen niet hooren wil, alsnog ten koste van den gedaagde zullen worden opgeroepen en gehoord.
Air.-li. .Maastricht, v. 10 Jan. '1850. W. n'1. 1773; cf. aant. 2 op art. ±1(3 li. li.
3 Als de eischer de getuigen, die bij de enquête gehoord zijn, op nieuw wil doen hooren bij de contra-enquête, behoeven de namen enz. niet aan de wederpartij te worden beteekend.
Arr.-U. 's-Gravenhage. v. 19 Maart 1858, W. ii0. l'J'J'J.
Art. 213.
Zie ten betooge, dat de wraking van een getuige, gedaan na de beantwoording der prealabele vragen en vóór het getuigenis omtrent de zaak zelve, moet geacht worden tempore alili en overeenkomstig de bepalingen der wet te zijn gedaan â
art. 107 li. li., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenliage, v. 13 Dcc. 1839, sub n°. '2.
Art. 214.
1. In art. 207 en volgg. wordt geen voorschrift gevonden, waaruit is op te maken eene afwijking of uitzondering tevens van den regel, dat de uitspraak op de wraking van getuigen nimmer aan hooger beroep is onderworpen; â voor hoedanige afwijking trouwens het enkel verschil in den vorm, of de wijze, waarop het getuigenverhoor gehouden wordt, niet alleen geene noodzakelijkheid deed ontstaan, maar zelfs geenerlei aanleiding kon geven.
I'. 11. in Z.-Holland, v. 9 Nov. 1803, W. nquot;. 2542, waarbij nog werd overwogen, dat do, zin dor bepaling van art. 214 kennelijk geene andere
6fid {Art. 214.
is, dan dat ijartijen de beslissing over de wraking, die anders door de Rechtbank zou moeten gegeven worden, kunnen opdragen aan den R.-C..
indien zij verklaren zich daaraan te zullen onderwerpen, on alzoo van een beroep op de Rechtbank zelve afstand doen. x^-~ : q
irl i 1 1 u r ⢠t-»â ~
yofl. ook navolgende beshssino-: ... ,lt;r-
7/M-- Cr/ ie aâyfc- cnr-tW erlt;
Deze bepaling bevat geene uitzondering op, maar lioutlt veeleer de ^ â bevestiging in van den algemeenen regel, dat de uitspraken op wrakingen e/L^_
voor geen hooger beroep vatbaar zijn. , 2^
i/ '
P. If. v. Limburg, v. 22 .Mei 1800, W. u0. 2843, vernietigende Arr.-R. /(Pfif
Maastricht, v. 7 Oct. 1805, W. n0. 2839. In denzelfden zin Mi1, van / frok.y***'' Xootf.n in tl. 11. jg. 1879, A. p. 75 sqq.. die betoogt, dat van besl'ssingen ' 3'
tin I § val1 ^el1 quot;â quot;eftn hooger beroep bestaat, maar alleen bij wraking van
getuigen voor den Rechter-Commissaris beroep bij den rechter te pas ^ f2 komt, die hem heeft benoemd, welk beroep dan ook in de 3de alinea van â:â ^
dit artikel bedoeld wordt; zie verder ten betooge, dat de beslissing der 1
Rechtbank over de wraking in geen geval aan hooger beroep is onderworpen, Oprn. en Med., dl. XV, blz. 289 vlgde.; vgl. het aangeteekende sub art. 200 fi. R. n«. 3.
Dit artikel is eenig en alleen van toepassing op een getuigenverhoor voor een Rechter-Gommissaris.
I'. il. v. Drente, v. 3 1'ebr. 1872, VV. n0. 3533; R. 1'. jg. '1873,
dl. XXfll, p. 69, ook vermeld ad art. 200 n0. 3 li. R.; vgl. in anderen zin het daar aangehaald opstel van Mr. C. L. IvNipnor.st.
Art. 215.
De bij dit artikel bedreigde boete moet worden uitgesproken door den rechter, voor wien de getuigen waren gedagvaard, alhoewel deze niet is de recbter naar de wet op de rechterlijke organisatie, recht doende in strafzaken.
tt. 2^
Arr. (raadkamer), v. 24 Dec. 1808, W. n0. 3080; R.. dl. XC § 38; vgl. art. 389 1!. W., alsmede de wet van 15 Nov. 1870 StbL. n». 195 en de discussie daarover.
Art. 216.
1. De wetgever heeft door de woorden : aan hare partij, voorkomende in art. 216 B. R., kennelijk en alleen bedoeld die partij,
Art. 216.)
welke het getuigenverhoor heelt gevraagd; blijkende uit de geheele Ode afd. van den 3den titel, Iste boek van 't Wetb. v. B 11. dat daarin alleen gesproken wordt van twee tegenover elkander staande partijen, de partij namelijk, die liet getuigenverhoor vraagt, en de wederpartij, die van hare zijde een tegenverhoor kan vragen.
Hieruit volgt, dat van de wederpartij, die alle formaliteiten heelt vervuld, die zij jegens hare partij, met opzicht tot de contra-enquête, had in acht te nemen, niet meer, ook ten aanzien van hare medegedaagden, kan worden gevorderd de beteekening der namen en woonplaatsen der getuigen, die zij bij de contra-enquête wilde doen hooren.
Air. v. 0 Jan. '1854, W. n». '1500; R.. dl. XLVI, § 71 ; v. n. H.. Tt. li.. dl. X\ lll, p. 13â41, waarbij, mot vernietiging van het daartoe betrekkelijk en in tegenovergestelde!! zin gewezen arr. van 't P. II. v. Limburg, v. 22 Nov. 1852. W. ut supra; Fï. li. jg. 1853, p. 387 sqq., tevens is bevestigd het vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Jan. 1852, R. B. ut supra.
'i. Wanneer de voortzetting van een getuigenverhoor op eenen naderen dag wordt bevolen, dan kunnen de getuigen, wier namen eerst na den oorspronkelijk bepaalden dag aan de wederpartij zijn beteekend, op dien naderen dag niet worden gehoord.
Men kan eciiter voor het sluiten van het contra-enquêst verzoek doen om nog andere getuigen, ten fine van tegenbewijs, te doen hooren.
Arr.-R. Maastricht, v. 4 Maart 1852, W. nquot;. 1334; idem, wat dat laatste betreft, Arr.-R. Rotterdam, v. 7 Xov. '1857, W. n0. 1907; vgl. aant. i op art. 217 II. R.
'i. Na den afloop der contra-enquête, is de partij niet meer bevoegd op het proces-verbaal van tegenbewijs een naderen termijn tot het verhoeren van getuigen tot bewijs te. verzoeken.
I'. Jl, v. Limburg, v. 9 Kec. 1801. W. n». 2392; R. I!. jg. 1802, dl. X11. blz. 770â773.
4-. De bij dit artikel bedreigde nietigheid, ingeval de wederpartij verzuimt binnen den bepaalden termijn de namen en woonplaatsen der getuigen aan partij te doen beteekenen, brengt teiel mede eene verbeurd-verklaring van het recht om de getuigen alsnog te doen hooren.
P. 11. v. Gelderland, v. 11 April 1800, W. nquot;. 2824; R. B. jg. 1866, p. 382; vgl. arr. v. 18 Maart 1865, vermeld ad art. 210 B. R.
670
7 -cry 1 ___^ ^ â l^ln^-a-e â ~jr :ri~ *^c , ï-» ^i'- â ^ .n*/.
J Ã^tZiSfi-Cf v^v ' ⢠Æquot;â / quot; ^ â¢.'-gt;ââ 2--^----iâ â ''f* c ^ ^ / -' -''â
«71 c-lt;w â (//rf. 21 (i.
.j ' - ?- -' 'â ü/j' â/ Cls~h 7,**~y quot; i^ï . ^ [ £/T-£,
S». Het is bij de wet verboden, een getuige, nadat hij het proces- /?,, ^ verbaal van zijn verhoor heeft onderteekend. door de bewijs voerende partij in dezelfde enquête andermaal te doen hooren.
Arr.-R. Jfaaslriclit, v. 13 Mei -1800, W. n'1. 3139; anders Arr.-R.
Maastricht, v. S l'ebr, ISOS. \V. n0. 3071.
â¢Â». Zie omtrent de vraag: a. of in honger beroep een getuigen-bewijs kan worden gevorderd, waarvan in eersten aanleg geene sprake is geweest; h. of dit verhoor in die instantie andermaal mag plaats 'nebben over dezelfde feiten, welke het onderwerp van de eerste enqnête hebben uitgemaakt, en c. of men ontvankelijk is in booger beroep eene contra-enquête te vorderen, indien zulks in eersten aanleg niet heeft plaats gehad â
art. 348 B. R., arr. v. 2 Dcc. 1853, en arr. v. 15 Oct. 1863 sqq.
Art. 217.
1. De partij, die in één der gevallen van art. 217 B. R. een naderen termijn tot voortzetting van bet getuigenverhoor heeft verkregen, kan nieuwe getuigen doen hooren, en dus nog andere dan die, waarvan de namen en woonplaatsen aanvankelijk aan de wederpartij zijn beteekend geworden.
Arr. v. 11 November 1864, W. nquot;. 2641; 1!., dl. I.XXV1II § 25; 6^ -n'^ v. d. li.. T'. 1!., dl. XXTX, pagr. 87â100; vernietigende, in strijd met de conclusie van adv.-gen. Gregory , liet arrest P. H. in N.-FTol-land. v. 3 Dec. 1863 en vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Pee. 1862,
W. n0. 2471 ; H. B. jg. 1863, dl. XT1I, blz. 313 volgg. Dus ook de Arr.-R. Maastricht, v. 24 Febr. 1848, in strijd met de conclusie van liet Openbaar Ministerie (R. 11. Jg. 1848, dl. X, blz. 604, W. nquot;. 950); â
idem dezelfde Rechtbank, v. 14 Dec. 1843 (R. B. jg. 1844, dl. VI. blz. 57,
W. n0. 464), gewezen in overeenstemming met de conclusie van liet Openbaar Ministerie; idem bij arr. P. II. v. X.-Brabant, v. 22 Nov. 1874,
R. B. jg. 1876, afd. A, p. 95- idem bij vonnis der Arr.R. Arnliem, v. *1 Maart 1844, W. n°. 616, waarbij tevens is beslist, dat bet verzoek om een naderen termijn tot het alsnog doen hooren van een of meer getuigen, ook bij de Rechtbank zelve, ter gelegenheid van het incident over de wraking kan worden gevraagd; â anders bij vonnis der Arr.-R. Breda sine die,
W. nquot;. 414, waarbij is beslist, dat het verleenen van den naderen termijn, in art. 217 B. W. vermeld, kennelijk alleen ten doel heeft, om de gebrekige of gewraakte getuigen, de wraking afgewezen zijnde, op nieuw te doen dagvaarden en geenszins om het ontbrekend bewijs door het hooren van
Art. 217.) «72
F t F
c/ Ucr/nieuwe vroeger niet opgegevene getuigen aan te vullen ; dat zulks / voortvloeit uit den algemeenen geest der bepalingen, rakende het getuigen-
bOoü. verhoor in burgerlijke zaken, waarbij doorgaans ten grondslag ligt het , ^ ? y- y denkbeeld, dat eik der partijen op eenmaal de getuigen, welke men wil ' doen hoeren, moet doen kennen en niet bevoegd is later met anderen h 'AP ' op te komen, ten zij in het enkele geval, dat de verweerder zulks, nadat
de getuigen, door den eischer voorgebracht, zijn gehoord, voor zijn tegenbewijs noodig acht en dat deze uitlegging daarenboven de eenige is,door welke de bepaling van art. 217 li. R, met de voorschriften, rakende het getuigenverhoor in summiere zaken, of in het algemeen ter audientie to houden, in overeenstemming kan worden gebracht, daar het toch niet denkbaar is, dat tusschen deze beide vormen een zoo wezenlijk verschil zou zijn aangenomen; idem arr. Hof 's-IIertogenbosch, v. 49 Dec. 1876, I!. It. jg. 1878, .1, p. 90, zoo ook Mr. C!. Helinfante, in Themis, 2do verz., dl. XIII, blz. 490 sqq., die van oordeel is, dat de Hooge Raad, bij zijn arrest van den 11 Nov. 1864 zich te veel liet verleiden door het grootc gewicht, dat hij hechtte aan de beweerde overtolligheid van art. 217 1!. R., zonder te bedenken, dat onze wetgeving niet is zulk een type van nauwkeurigheid van redactie, dat nergens een woord of eene zinsnede te veel zou gevonden worden ; vooral hier, waar de materie ge-tuigenbewijs zoo verspreid is behandeld geworden. Schr. meent dat art. 217 eenvoudig aan beide partijen, en bloot in de drie in dat artikel aangeduide gevallen, een recht van verlenging van termijn toekent, met o-een ander doel, dan om het in haar getuigenverhoor buiten hare schuld ontstane vitium te herstellen, maar geenszins om het getuigenverhoor in quot;t algemeen tot in het oueitidic/e te vehken, terwijl juist alle voorafgaande bepalingen de strekking hebben, dat het verhoor spoedig afloope. â In gelijken zin, Oudem.vn, li. It.. 4e druk, dl. 1. blz. 257, die de bevoegdheid tot het op nieuw dagvaarden van den getuige, welke niet verschenen of weigerachtig is, of omtrent wien de wraking is afgewezen, alleen aan de wederpartij en niet aan den incidenteelen eischer, die het bewijs wil leveren, toekent; eveneens Mr. A. O. in Opm. en Meel., dl.. XVI, blz. 24' sqq.; vgl. ook Veiinéde op art. 217 noot 2, alsmede aant. 7 op art. 106 Ti. K.
Indien, in een van de drie gevallen, vermeld in art. 217 B. 11., de belanghebbende partij aan den recliter-comraissaris, bij gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor, geen naderen termijn heeft verzocht, is zij onbevoegd om later een nieuwen termijn te vragen.
P. II. v. N.-Holland, v, 3 Nov. 1853, W. no. 1507 ; idem P. H. v. Limburg, v. Mee. 1861, W. n0. 2392.
Art. 218.
1. De beteekening der processen-verbaal en de voortzetting der zaak, bedoeld in art. 218 B. 11., zijn facultatief en worden alleen
{Art. 218.
vereischt, voor zoover de meest gereede partij zie!) daarvan in iiaar belang wil bedienen eu tegen de wederpartij in liet geding gebruik maken.
Door dit artikel zóó te verstaan, dat die beteekening in elk geval, en alzoo ook wanneer de meest gereede partij de enquête niet beeft geprovoceerd en wanneer zij zich daarvan niet tot bewijs wil bedienen, zoodanig verplichtend is voor die partij, dat zij zonder die beteekening, onbevoegd zou zijn het geding ten principale voort te zetten, â wordt eene belangrijke, door den inhoud van art. 318 voormeld niet gewettigde afwijking of inbreuk aangenomen op liet erkend rechtsbeginsel, dat niemand gehouden is tegen zich zeiven bewijsstukken voort te brengen
Door het stilzwijgen der wet omtrent de beteekening, waar het een verhoor op vraagpunten geldt, wordt dit rechtsbeginsel bevestigd
Atr. v. 12 Nov. 1852, W. n0. 11)17 ; R.. dl. XL1II, § 28, vernietigende liet daartoe betrekkelijk arr. van 't P. II. v. N.-Brabant, v. 24- Juni 1851 en het vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 5 April 1850, waarbij is beslist, dat de beteekening der processen-verbaal van getuigenverhoor in elk geval, en alzoo ook, wanneer de meest gereede partij de enquête niet heeft geprovoceerd, en wanneer zij zich daarvan niet tot bewijs wil bedienen, zoozeer verplichtend is voor die partij, dat zij zonder die beteekening onbevoegd zou zijn, het geding ten principale te vervolgen en voort te zetten; in denzelfden zin als bet arr. van den II. R. hij arr. P. II. v. N.-Ilolland, v. 22 Febr. 1855, VV. n0. 1710, ten aanzien van zaken van summiere behandeling.
De bepaling van art, 218 ziet niet op summiere zaken.
Arr. v. 5 Oct. 1855, VV. n0. 1086, 1!., ril. LI § 12; v. n. 11, II. II.. dl. XX, p. lâ'10; idem Arr.-R. Haarlem, v. 22 Juni 1875, W. nquot;.3gt;002; anders de Pinto, Hdl., 11, 1, p. 342; cf. aant. 0 op dit art.
J8. De eischer is bevoegd na liet getuigenverhoor voort te proce-deeren, indien hij alleen het proces-verbaal van enquête, niet dat van contra-enquête, heeft doen beteekenen.
Arr. v. 15 Jan. 1875, W. nquot;. 3809; v. n. II., B. dl. XL. p. 18â35.
4-. Wanneer geen afschrift van het proces-verbaal van een gehouden getuigenverhoor in den processe is gebracht, â kan dit verhoor door den rechter niet in aanmerking worden genomen.
Arr.-R. Groningen, v. 31 Doe. 1858, R. 1!. jg. 1859, l)lz. 012â015.
Air. \V. van Kossem Bz., Burg. Uechtsv. 4:j
Art. 218.)
5. Eene partij, die zich van de door de wederpartij gehouden confra-enquête bedient, die zich op dat tegenbewijs beroept, om zijn beweren te staven, is verplicht van de verklaringen der tot tegenbewijs gehoorde getuigen aan zijne wederpartij mededeeling te doen, alvorens deze tot voortzetting van het geding ten principale kan gehouden zijn.
P. 11. in Limburg, v. 22 Dec. 1802, W. nquot;. 2450, vernietigende vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 27 Maart 18C2, in hetzelfde nummer van liet W.
4*. Zie ten betooge, dat in zaken van gewone behandeling, wanneer het getuigenverhoor op de terechtzitting plaats heeft, het proces-verbaal niet aan de wederpartij moet worden beteekend en de wettelijke verplichting, om in zaken van echtscheiding het getuigenverhoor op de terechtzitting te houden, te dien aanzien (ook dan, wanneer verstek is verleend), geen verschil te weeg brengt
Vragen van Nederl. Regt. dl. IJ, nn. 24; anders bij de Pinto, //(//.. II, 1, p. 342, volgens wien de bepaling, vervat in art. 218, tot de alge-meene regelen omtrent getuigenverhoor lietrekking heeft.
Art. 219.
De acte van bevinding, op te maken in geval van gerechtelijke plaatsopneming, vermeld bij dit artikel, is eene authentieke acte en mitsdien een schriftelijk bewijsmiddel, begrepen in art. 1903 I?. W. Air. v. 24 Jan. 1873, \V. no. 3554; R., dl. CJII § 12.
Zie ten betooge dat, ofschoon iti eersten aanleg een gerechtelijke plaatsopneming is geschied, de rechter in appèl niettemin een nader onderzoek in loco kan instellen â
P. 11. v. Overijssel, v. 9 Mei 1842, bij Mr. IIehtzveld ut supra, blz. 12.
Zie eenige npmerkingen over do vijfde, zevende en achtste afdeeling, in Thoviis, 2de verz., dl. X, p. (32â04, door Mr. M. II. Gopefugi.
Art. 22, i.
1. De door eene der litigeerende partijen incidenteel gevorderde expertise of opneming en bericht van deskundigen is doelloos en moet mitsdien door den rechter worden ontzegd, ingeval de tegenpartij de
«74
^b-Qyï- c j 2.'' gt; v
^1 ^ S
-vv^ v UPn'Z. ⢠quot;⢠. LrfT/Z. K'W1.
Z*t~^ IjOfy^'C- of. cJQ S~- ⢠7 (o td /p 1-lt;9-w^v-gt;^_ ^5^
222.
tegen lianr ingestelde vordering niet betwist heeft op die gronden, over welke de gevraagde expertise zou moeten loopen.
Air. v. 7 Juni 1850. W. iiquot;. I MS.
3. liet oordeel over het verstand van een contract van aanneming en de uitlegging daarvan is van rechtskundigen aard en behoort tot 's rechters attributen, met dat gevolg, dut de beslissing daarvan niet aan deskundigen kan worden overgelaten.
Air. v. 7 .Inni 1851). W. ii gt;. 1148.
S. Waar blijkens den inhoud van het beklaagde vonnis, do rechter het rapport der deskundigen voor juist houdende, zich met hun gevoelen heeft vereenigd, en verder naar aanleiding alleen van dat rapport de zaak zelve heeft beslist, zoo kan er geen sprake van zijn, dat de rechter het rapport niet tot voorlichting, maar als bewijsmiddel heeft doen gelden.
675
1852, W. nquot;. 2505; R., lt;11. XLIl, § 40; v. n.
Air.
/gt;*. /;.
di. XV, p. 130â147.
-I. Ken onderzoek van deskundigen kan niet worden bevolen over de mogelijke naleving eener aanneming, indien partijen het niet eens zijn over het recht verstand der overeenkomst. r^/7lt;- -Air. v. 0 April 1800, W. nquot;. 2780. ^ f*
£. fa * *
7 -r ^
U'S
X'*
Vsjl. ook navolgende beslissing1:
S( V ' ---- - ^
tle.
Een onderzoek van deskundigen komt niet te pas, zoo lang de feiten -niet vaststaan. ^ i / */ 4^-
Ait.-R. Amsterdam, v. 2 iMnart 1805. \V. n0. 2717.
9 â¢
De deskundigen, die in het geding tot onteigening in hun ^
verslag de gronden voor hunne bepaling der schadeloosstelling moeten ^ l*eJit47qyégt; opgeven, zijn noch aan de vormen door liet Wetb. van Burg. Rechtsv. ^quot;6)
gesteld, noch aan de gewone regelen van bewijs in burgerlijke zaken,
gebonden ; mitsdien kan de rechter, die naar zijne overtuiging het advies der deskundigen kan volgen, of daarvan kan afwijken, daarbij niet gebonden zijn aan de gewone wettelijke regelen en vormen.
Air. v. 20 Jan. 1873, W. n0. 3500, U., di. 0111 § 13; vgl. ook Mr. W.
Tiiorf.ecke. Stelsel en toepcisslny der onfcujenijiysKwl^ blz. i73 vlgd.
K* /- v *â¢
fr
Art. 222.)
ii De wet kent alleen eene benoeming van deskundigen als middel van instructie en tot voorlichting des rechters, aan wien steeds do eindbeslissing moet verblijven, zoodat deze niet â immers als partijen zulks niet zijn overeengekomen â aan deskundigen kan opdragen om eene zaak in geschil te beslissen en uittemaken op eene voor beide partijen verbindende wijze.
Ait. v. 3 Febr. -1882, W. n'. 4743; R., dl. C1XX. § 19; v. d. 11.. B. 11., dl. XLVII, p. 155â1G2; R. IS. jg. 1882, A, p. 42, waarbij nog beslist werd, dat een dergelijk vonnis niet een interlocutoire maar eene eindbeslissing behelst; vgl. arr. Hof 's-Gravenhage van 30 Jan. 1882, W. nquot;. 4992; R. li. jg. 1882, A, p. 38, ten betooge dat dit art. niet kan worden toegepast, wanneer het onderzoek eerst zijne uitwerking zou hebben nadat het hoofdgeschil is beslist.
Zie het arr. Hof Leeuwarden, v. 23 Febr. 1881, dat door gemeld arr. II. R. werd vernietigd in R. 1gt;. jg. 1882, A. p. 41 en p. 128.
De deskundigen, bij dit en de volgende artikelen bedoeld, worden benoemd bij tusschengeschil tot voorlichting van den rechter. Dit artikel is alzoo niet van toepassing, wanneer bij hoofdvordering gevorderd wordt het benoemen van deskundigen tot het opmaken van een plan van scheiding.
P. H. v. Drente, v. 10 Jan. 1858, W. nquot;. 1980; R. R jg. 1858, dl. VIII, blz. 529â531; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Sept. 1883, W. no. 5001 ; idem Hof Arnhem, v. 18 April 1877, W. n». 4149; R. 1!. jg. 1877, A, p. 175, waarbij beslist werd, dat een rauactie tot het verkrijgen van een bevel tot gerechtelijk onderzoek door deskundigen (buiten enkele speciale gevallen, als dat van art. 94 W. v. K.), zonder bestaand geding niet-ontvankelijk is ; idem pi'es. Amsterdam, v. 2/ Oct. 1877, R. B. jg. 1878, A. p. 281 ; vgl. echter beschikking pres. Amsterdam, v. 10 Dec. 1874, R. B. jg. 1879, A, p. 9, die zich onbevoegd verklaarde in kort geding van de hoofdvordering kennis te nemen, maar niettemin eene spoedvereischende expertise beval, omdat daaruit later zou blijken, wie der partijen in haar recht was ; cf. bet sub art. 289 li. li. vermeld vonnis pres. Amsterdam, v. 2 April 1877.
3. Men kan {in cam waar het geldt eene actie, ter zake van aanvaring en het voor alsnog niet blijkt, of die aanvaring aan culpa ol aan een casus fortuitus is te wijten) niet bij dagvaarding, ook dan niet, wanneer het al aan den eischer mocht vrijstaan zich bij requeste aan den president der Rechtbank te vervoegen tot benoeming van experts, om de toegebrachte schade op te nemen en te begrooten â eene actie tot benoeming van deskundigen instellen, ten einde schade
(.70
[Arl. 'Z'Z'Z
te coiustateereii en de hoegrootheid daarvan te bepalen, dan nadat de principale actie tot schadevergoeding is ingesteld. â In zoodanig geval moet principaliter worden geconcludeerd tot schadevergoeding en subordinaat tot eene expertise.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Juni 1839, R. li. jg. 1842, dl. IV, p. 777 en 778.
8. Het onderscheid tusschen een verzoek van expertise bij requeste aan den president en eene dagvaarding ad hoe voor de Rechtbank zelve, valt duidelijk in het oog, omdat het eerste alleen verleend wordt periculo pelentis, waardoor dus de partij noch betrokken, noch in zijne principale verdediging benadeeld wordt, terwijl integendeel de eisch, blootelijk tot expertise bij dagvaarding voor de Rechtbank, de gedaagden belet in liet doen hunner principale verdediging, welke niet te pas komt, dan nadat de eisch tot schadevergoeding is gedaan en genomen, en zij dus zijn bekend geworden met de gronden en bewijzen, waarop de eischer deze zijne vordering doet berusten.
Arr.-U. Amsterdam, v. 21 luni 1839, H. Ã. jg. 1842, dl. IV, p. 777 on 778.
O. Een gedaagde is niet meer ontvankelijk in eene vordering tot onderzoek door deskundigen, indien het geldt verrichte werkzaamheden aan een schip, waarvan hij de rekening meer dan een jaar beeft onder zich gehouden, zonder daarop eenige aanmerking te hebben gemaakt
Arr.-R. Amsterdam, v. 20 .Mei 1841, R. li. jg. 1846, dl. VUL p. 181 ; idem daar waar liet geldt eene vordering tot expertise van een reeds voor twee jaren afgeleverd en zonder reclame aangenomen werk, bij vonnis van dezelve Arr.-R. v. 28 Dec. 1853, R. B. jg. 1854, p, 185â'188 ; zie ook aant. 17 van dit art. ââ Vgl. hiermede een vonnis v. 't Ktg. nquot;. I Amsterdam, v. 1 'i Oct. 1853, W. n0.1486 ; R. B. jg. 1853, p. 470 en 477, waarbij is beslist, dat het bloote betwijfelen van de identiteit zonder meer, niet voldoende is om eene expertise af te snijden betreffende lood, een jaar vóór don aanvang van het geding gelegd, hetgeen te meer klemt wanneer, gelijk in cosii, de verwisseling van het lood den gedaagde oneindig meer zon gekost hebben dan het verschil bedroeg, waarover partijen twisten. â Vgl., in verband hiermede, omtrent de vraag, of en wanneer een incidenteel verzoek tot expertise nog ontvankelijk is met betrekking tot goederen, welke worden beweerd, hetzij van mindere kwaliteit te zijn, hetzij gebreken te hebben, doch welke men beeft onder zich gehouden, terwijl men des verkoopers eisch tot betaling van den koopprijs heeft afgewacht â art. 1519 B. W., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Nov. 1839 sqq., sub n0. 1.
lO. Er zijn geene. termen om eene expertise te bevelen over het
677
Art 232).
(quantum van een salaris, wanneer het bewijs ontbreekt, dat een salaris bedongen is.
Arr.-H. Amsterdam, v. '1G Maart 1849, W. n0. 103(5.
1 i. Wanneer op een stuk, waarop een eischer als erfgenaam eene reolitsvordering bouwt, zich bevindt beklad en onbeklad letterschrift en de handteekening van den oorspronkelijken schuldeischer, dan heeft een gedaagde belang bekend te worden met den inhoud van dat geschrevene en geconstateerd te zien den juisten stand dier handteekening.
1 liertegen kan niets afdoen, dat zoodanige eischer verklaart daarbij geen belang te hebben en daarvan geen gebruik te zullen maken.
Daarvoor bestaat geen ander middel dan eene expertise, die zelfs in den gegeven stand van zaken ambtshalve door den rechter moet worden bevolen, en heeft een translaat, hoezeer van een beëedigden translateur, geene bewijskracht.
Arr.-R. Tiel, v. 22 .Maart 1850, W. nquot;. 1112. â Cf. art. 139 I). li. sub n0. 9, vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum. â Vgl. hiermede liet artikel Tvauslctteurs, in 't W. n0. 1585, waaruit blijkt, dat aan den Minister v. Justitie geene wettelijke voorschriften hekend zijn, die aan de rechtelijke collegiën de verplichting zouden opleggen of bevoegdheid geven, om, degenen, die zich daartoe aanmelden, tot beëedigde translateurs, aan te stellen. Ditzelfde wordt erkend in een hoofdartikel in W. nquot;. 1580, alwaar op eene spoedige voorziening van dit onderwerp wordt aangedrongen.
Aan dien wcnsch is voldaan bij de wet, houdende bepalingen omtrent de beëedigde vertalers van 0 Mei 1878 {Stnatabl. n0. 30).
I'i. Bij verschil over den afkoopsprijs van eigendunkelijk jacht-recht behoort de gewone procesorde te worden gevolgd, ook ten aanzien der benoeming van deskundigen.
Arr.-R. Arnhem, v. 13 Dec. 1852, W. nquot;. 1430.
43. Een onderzoek van deskundigen «nadat aan dezen door partijen aangifte zal zijn gedaan van de verrichte werkzaamhedenquot; kan uithoofde der onbestemdheid, wegens de daarbij mogelijke geschillen over het al of niet verrichte werk, door den rechter nimmer worden bevolen, vermits deze, volgens de wet, gehouden is om zelf het voorwerp van het onderzoek of de opneming duidelijk te omschrijven en uit te drukken.
Arr.-R. Leiden, v. 17 Maart 1857, VV. uquot;. 1859.
fi78
679 .!/â (. 222 )
14 Aan deskundigen kan niet ter beoordeeling gegeven worden of er eene onrechtmatige daad is gepleegd.
Ait.-R. Utrecht, v. 27 Nov. 18(11, R. B. jh- 18113, p. lal sqq.
15 D aar, waar het punt in geschil meer van technischen aard is {in casu de kwaliteit van zekere waar), heeft eene expertise door deskundigen boven een getuigenverhoor de voorkeur, omdat dit laatste slechts eene expertise zoude wezen, waarvan de experts alleen door ééne partij benoemd worden.
Arr.-R. Roermond, v. 29 Jan. 18153, W. u '. 2502.
16. E ene expertise mag alleen strekken tot voorlichting van den rechter binnen de perken van het objectum litis en de litis contestatie, maar kan niet worden dienstbaar gemaakt om den eischer op het spoor te brengen van hetgeen deze vermoedt van den gedaagde te vorderen te hebben.
Arr.-R. Utrecht, v. 44 Dec. I8G4, R. 15. Jg. 1805, p. 203.
15. Ofschoon het bevelen van een expertise in het algemeen aan het oordeel van den rechter is overgelaten, behoort zoodanig onderzoek altijd onmiddellijk na ontvangst der afgekeurde goederen te worden verzocht en plaats te hebben, wil het aan den wetgever beoogde doel beantwoorden.
Ivtg. n0. 2 Amsterdam, v. 28 Juli 1804, 11. 1!. jg. 1804, 1)1/.. /13. â In casu had do gedaagde tot betaling van maakloon der hem geleverde kleedingstukken aangesproken, die zes weken in bezit gehad, welk feit den rechter op bovenstaanden grond aanleiding gaf de expertise niet toetelaten; vgl. verder hiertoe betrekkelijk, aant. 9 van dit art.
18. Eene expertise kan bevolen worden, terwijl de te onderzoeken zaak nog in het bezit is van den verkooper, en deze is ongehouden die zaak vooraf in bewaring te stellen van eeu derde.
Arr.-R. Leiden, v. 7 April 1808, W. n». 3027.
lO. De rechter, die een onderzoek door deskundigen beveelt, moet het voorwerp van het onderzoek in zijn vonnis duidelijk uitdrukken. Dit is onmogelijk, zoo lang de identiteit van het le onderzoeken voorwerp niet is uitgemaakt. - 'V
Arr.-R. Groningen, v. 0 Nov. 1874, VV. nquot;. 3792; cf. Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Nov. 1850, W. nquot;. 1817, R. B. jg. 1857, dl. VII. p. 280.
-
/(f , (Itca/fó, '4 /f'fa'amp;'c.
â
Art 222.)
*50. I'jeu bericht door deskundigen kan niet ten grondslag strekken van de beslissing des rechters, wanneer niet alle gegevens, waarop zij hun oordeel doen steunen, door hen met juistheid uit de stukken zijn geput.
Arr.-R. Middelburg, v. '21 Juni -1870, W. nquot;. 3992.
*11. Hij préparatoir of interlocutoir vonnis kan niet vooraf worden
heslist of liet in eene zaak door deskundigen opgemaakte bericht al
of niet moet worden beschouwd nietig en van onwaarde wegens niet
inachtneming der vormen bij de wet voorgeschreven.
Arr.-R. Middelburg, v. 21 Juni 1876, W. n0. 3992; bij dit vonnis werd overwogen, dat eene incidenteele vordering wel strekt om een rechtsgeding in staat van wijzen te brengen, dus ook om de middelen te verschaffen tot liet doen aannemen of verwerpen der ton processe gestelde daadzaken, maar dat de beoordeeling van de wettigheid, de waarde of de kracht dier middelen, welke bij de beslissing omtrent de feiten aan de waardeering des rechters zijn overgelaten, niet naar aanleiding eener zelfstandige conclusie liet onderwerp eener tusschenvordering kan zijn.
1,, de gevallen van artt. 493 en 494 W'. v. Iv. zijn uit den aard der zaak alle voorschriften van art. 222 H. R en volgg. (die alleen op een contradictoir proces slaan) niet in toepassing te brengen, welke, naar de omstandigheden gewijzigd, moeten worden opgevolgd.
Arr.-R. Amsterdam, v. G Jan. 1870, W. iiquot;. 3973.
Vgl. navolgende beslissing:
/ l)e bei)alin? van art- 222 al- 2 l5- 111 waarbi.i een ffetal van r,ric P/gt;tfe'n' deskundigen wordt aangewezen, is niet van toepassing op de expertise,
^ ^-l^l'ield bij art- 493 W- v- K-/quot;
Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Oct. 1854, 11. li. jg. 1857, dl. VII, Mz.039â cSLi ' 640; vgl. vonnis dierzelfde Rechtbank, v. 27 Jan. 1870, W. u0. 3980,
r , cbOcL-Htf* waarbij werd beslist, dat op de eenzijdige expertise van art. 493 sqq.
W v K de beginselen van art. 222 sqq, li. R., als de eigenaardige vormen van een contradictoir proces, niet toepasselijk kunnen worden verklaard.
33. Van eene buitengerechtelijke expertise kan geene sprake zijn waar de deskundigen op gerechtelijk gezag zijn aangesteld, en hun rapport ter griffie van de Rechtbank hebben nedergelegd.
Air. Hof Amsterdanj, v. 3 liec. 1880, W. u0. 4622.
(iSO
{Art. 222.
34 Zie ten betoogt- :
u. Dat liet middel van expertise geen uiider getuigenverhoor uitsluit, of omgekeerd â
art. quot;199 I!. R., arr. v. 7 Maart '1844 sqq., sul) 11°.
/j. I )at het geheel en al aan het arbitrium van den judex factl is
overgelaten, om eene verzochte expertise te gelasten â
art. 99 R. O., arr. v. '21 Mei 1844, sub /?, n0. 17 (dl. II. p. 30, Ãdo dr., p. 110) ; idoiii v. '27 Dec. 1850, v. d. II., B. 11., dl. XII, p. 221â 239; R., dl. XXXVH. § 39; Idem Ktg. Loenen, v. 21 Sept. 1804, W. uquot;. 2047.
c. Dat de rechter, (Vojjice althans, noch getuigenbewijs, noclgt; onderzoek van deskundigen kan bevelen, indien niet is gepraeciseerd waarover een of ander zou moeten loopen â
art. 199 B. R., arr. v. 22 Nov. 1849 sqq., sub nu. 0. â Vgl. in over-eenstemmins; hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Nov. 1843, R. 1!. jg. 1844, dl. VI, p. 514â510, waarbij is beslist dat, indien de gedaagde bij zijne dingtaal, noch do boeken noch de posten daarin, waaromtrent hij een onderzoek of opneming verlangt, beeft omschreven, de rechter door dit verzuim in de onmogelijkheid is om aan het ver-eischte van art. 222 R, R. te voldoen.
(I. Dat de exceptie tihi adversm ms non com,petit actio niet obsteert,
daar waar periculuw, in mora aanwezig is, â ongepraejudicieerd alle
rechten van partijen, â het toestaan van eene provisioneele incidenteele
vordering tot onderzoek door deskundigen naar de bevinding van een
gebouw, op het oogenblik van den aanvang van het rechtsgeding â
art. 51 li. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 20 Oct. 1843, sub nquot;. 2; zijnde bij arr. van 't P, 11. v. Z.-Holland, 13 Nov. 1844, W'. n0. 501 beslist, dat het daartoe betrekkelijk uitgebracht rapport den rechter later de bevoegdheid niet ontneemt, ambtshalve een getuigenverhoor te gelasten.
a. Dat de vordering, in booger beroep gedaan, tot het bevelen van een nieuw onderzoek door deskundigen, is praematuur en mitsdien niet-ontvankelijk, zoolang de hoofdzaak hij den eersten rechter nog aanhangig en onbeslist is â
art. 353 B. R., arr. van 't 1'. II. v Utrecht, v. 17 Mei 1852.
/'. dat de rechter, die ambtshalve een onderzoek van deskundigen heeft gelast, door die interlocutie bij de eindbeslissing niet is gebondenâ arr. v. 4 Mei 1855, vermeld sub arr. v, 7 Maart 1850, ad art. 399 B. R.
Art. 222.) 682
_ 1 ngevolge iirt. 27 d(-ir Wet v;ni 28 Aug jS51 [Sfhl. 11° 125),
regelende rle onteigening ten algemeenen nutte, is aan den rechter de bevoegdheid gegeven om slechts één deskundige te benoemen, o. a ter begrooting der schadeloosstelling â
(vgl. liet aangeteekende ad art. 625 B. W. sub d).
Art. 223.
I . Hoewel lt;le wet dit niet uitdrukkelijk bepaalt, moet de benoeming van arbiters door den rechter ook plaats hebben, wanneer eene der partijen in gebreke is gebleven, tijdig een arbiter op te geven, welke met den door de meest gereede partij opgegevene, een derde moest benoemen, in welk geval de gebrekige compromittent in de kosten van het rechtsgeding wegens die benoeming moet worden veroordeeld.
Ait-R. Amsterdam, v. Hi Aug. 1841, R. li. Jg. 1840, dl. VIII, pag.
190 en IDl.
'i. Iedere partij kan dadelijk afstand doen van de bevoegdheid om zelve deskundigen te benoemen, ten einde zich aan de benoeming door den rechter gedaan, te gedragen, zonder dat daarvan eenige kennisneming aan, noch eenige in-mora-stelling van de wederpartij vereischt wordt.
Arr.-R. Groningen, v. 27 Nov. 1S57. R. Ti. jg. 1859, dl. IX. Iilz. 578 584.
3. Volgens de Martini ad art. h 5 begint, indien er vonnis bij verstek is ge.iaan, de termijn van drie dagen, vermeld in art. 223 al. 2, te loopen acht dagen (art. 80) na de beteekening; idem Vernede, ad art., Oudeman, B. R., 4de ed., dl. I, p. 262 sq., meent echter, dat daaruit alleen kan volgen, dat eerst na acht dagen het vonnis kan worden beteekend aan de ambtshalve benoemde deskundigen en deze eerst dan kunnen worden opgeroepen; -anders door Penning, ad art., volgens wien art. art. 80 hier buiten alle toepassing moet blijven, als alleen geschreven voor bij verstek gewezen eindvonnissen, waarbij vcroorcleeliny is uitgesproken.
Art. 224.
|, Wanneer de deskunigen bij eindvmwns zijn benoemd en hunne werkzaamheden tot de uitvoering van dat vonnis behooren, moet de bepaling van den dag en het uur voor de beëediging der deskundigen 'loor partijen of door eene der partijen bij requeste verzocht of wel
(Art. 221.
bij introductieve dagvaarding gevorderd worden, maar kan die met geschieden door raiddel van oproeping bij acte van procureur tot procureur.
Arr.-R. Groningen, v. 27 Nov. 1857, R. IS. jü'. 1859, dl. IX, Wz. 578â 584, Lij welk vonnis werd overwogen, dat in deze afdeeling wel de wijze van procedeeren ten opzichte van het doen beëedigen van deskundigen is voorgeschreven, wanneer deze in den loop das gedinys zijn benoemd, maar daarin geene bepaalde voorschriften zijn opgenomen, om tot de beëediging te geraken, wanneer de deskundigen bij het eindvonnis zijn benoemd, en hun werkzaamheden tot de uitvoering van dat vonnis behooren.
3. Zie ten betooge, dat wanneer, in cas van art. 224, al. 3 B. 11, partijen aan elkander overlaten, de aldaar vermelde beteekening aan de deskundigen en geene de oproeping binnen den bepaalden tijd heeft verricht, er alsdan geene redenen bestaan ora het vonnis als vervallen te beschouwen en eene oproeping tegen eenen anderen dag niet toe te laten -â
v. d llonert, Forhiulierb., 3de dr., p. 134; idem Vernede, ad art., volgens wien een verlof tot oproeping tegen een naderen dag aan den rechter zal moeten worden gevraagd; idem Ouue.man, II. It. dl. I. 4de ed., p. 203, in de eerste noot.
Art. 225.
I Bij art. 1 der Wet van 15 Nov. 1S08 [Bulletin des Lois, n0. 39:35 ; Foutuijn', Ferzam., ill, 34), is uitdrukkelijk bepaald, dat de personen, in zake van registratie, als deskundigen te kiezen, moeten gedomicilieerd zijn binnen het ressort der Rechtbank, alwaar de goederen zijn gelegen.
Arr.-R. Maastricht, v. 23 Oct. 1840, W. iv. 852; R. 1!. jg. 1847, dl.
IX, p. 191â195.
'i Alhoewel een vroeger uitgebracht advies van een deskundige,
oo o 7
van ambtswege benoemd, over een en hetzelfde onderwerp niet bepaaldelijk als reden van wraking bij art. 1950 B. W. wordt opgegeven, moet echter de door partij ingebrachte reden van wraking tegen den deskundige, gegrond op het vermoeden, dat hij bij zijn vroeger uitgebracht gevoelen zal blijven volharden â onaangezien zijne eerlijk-
Art. 225.) 6S4
heid en onafhankelijkheid â als gegrond worden beschouwd en mitsdien worden aangenomen.
Arr.-U. Maastricht, v. 2:! Oct. 1840, VV. nquot;. 852; li. li. jtf. 1847, dl. IX, p. 191â195. â Cf. art. 1950 ]ï. W., vonnis van dezelfde Air -R, van denzelfden datum, sub n0. 9 (2de druk sub nO. 14).
3 Indien de aanstelling van deskundigen is geschied niet bij minnelijke overeenkomst van partijen, maar ingevolge uitdrukkelijke bepalingen der wet, behooren zij (ook met liet oog op de wraking) te worden beschouwd als deskundigen, van ambtswege benoemd.
Arr.-R. Maastricht, v. 23 Oct. 1846, \V. ii0. 852; li. B. jg. 1847, dl. IX. p. 191â195.
-I-. De bewering, dat een vonnis omtrent de benoeming van deskundigen niet vatbaar voor appèl zou zijn, omdat daartegen alleen het middel van wraking toegelaten zou zijn, is onjuist.
Immers er kunnen andere gronden van bezwaar aanwezig zijn, dan de bij de wet opgenoemde redenen tot wraking.
1'. II. v. X.-Holland, v. 29 Juni 1865, VV. n0. 2739.
Art. 226.
4. Dit artikel houdt slechts in eenen terminus ad quem. en belet alzoo niet, dat men de deskundigen ook vroeger en zelfs onmiddellijk na het uitspreken van de benoeming kan wraken.
Evenmin behoeft men met die wraking te wachten, tot dat eerst de gelegenheid om het in der minne te kunnen eens worden over andere deskundigen, dan de bij vonnis benoemde, voor partijen is voorbijgegaan door het verstrijken van den termijn, bij art. 223, al. 2 1?. R. vermeld.
Arr.-R. Amersfoort, v. 24 Jinii 1858, \V. nquot;. 2031.
Zie over het tijdstip, waarop de termijn begint te loopen â¢
de Pinto, lldl. II, I, p. 359 sq., en de Martini, ad art. lt;/, volgens wie de termijn van wraking van de benoeming, en mitsdien niet eerst van de beteekening van het vonnis loopt; anders echter Oudeman, li. 11., 4de ed., dl. 1, pag. 264 en bij van der IIonert , Ildh., § 220, noot 1, volgens â wien de termijn loopt van den derden tot den zesden dag na de beteekening van liet vonnis, uithoofde de benoeming des
Jrf. 220.
rechters voorwaardelijk is, dat is geene kracht of geen gevolg heeft, dan /.00 verre partijen binnen drie dagen na de beteekening van bet vonnis over de deskundigen niet zijn overeengekomen.
Cf. het aangeteekende op art. 101 1!. 1!.
Art. 227.
Hot 2do lid van dit art. is ingetrokken bij ilo Wet van 7 April 1800 (Slbl. nquot;. 55).
Art 228.
Daargelaten of een bericht van deskundigen nietig moet worden verklaard, wanneer daaraan substantiëele vereischten ontbreken â zoo beeft bet verzuim van de oproeping, bedoeld in de ;3de alinea van dit artikel, geene nietigheid ten gevolge.
Arr.-U. Middelburg, v. 2i .Inni 1S7Ã, W. n». 3992.
/^M.l/u c- -t* . ...... 'â /C
Jhi.* t, O ! âruO.â- --
fl. Wanneer de deskundigen vergaderd zijn geweest en liet onder-quot;f
zoek hebben aangevangen ter aangegeven plaatse en in tegenwoordig-
beid van partijen en bet daarbij (volgens het rapport dat niet weder- ^ gt;
quot;... . .
sproken is) blijkt, dat partijen zich uit eigen beweging en geenszins ^ ^
naar aanleiding van eenige verklaring der deskundigen, dat zijn hun .
onderzoek en beraadslaging geëindigd hadden, van daar hebben ver-
wijderd, dan is de verplaatsing der deskundigen (welke niet is verboden, Æ/S2^.
veelmin de nietigheid ten gevolge 'nebben kan) niet eene nieuwe daad
of een op nieuw aangevangen onderzoek, maar eene afgebrokene voort- ébW.
zetting van het eerste onderzoek, waarbij mitsdien partijen niet ten
tweeden male behooren te worden geroepen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Oct. 1845, W. nO. 082.
8. Al mocht eene opneming door deskundigen niet verboden zijn in eenigen stand van het geding, zoo veronderstelt de wet toch steeds eene bezichtiging of feitelijke verrichting in tegenwoordigheid van partijen, zoodat een bloot onderzoek, door deskundigen intestellen naar
Z-3o J* ^ ZjuMtc^
J-Olw- Of .SJt* /jctxP , 1*-° cflcPfX,
685
Art. '230.)
de vermoedelijke oorzaak van het {in ca.tu) lek worden van een schip niet kan worden toegestaan.
Arr.-R. Rotterdam, v. 2-4 April 1854, R. R. jg. 1854, p. 348â350. â Vgl. hiermede een arr. van 't P. 11. v. N.-Holland, v. 1 Maart 1849, \V. n°. '1103; R. R. jg. 1849, dl. XI, p. 140â143, waarbij, met vernietiging van een vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Sept. 1847, W. nquot;. 909; R. R., I.I., is beslist, dat, indien bet onderzoek van deskundigen overeenkomstig do wet beeft plaats gehad en omtrent de identiteit dor goederen geen geschil tnsscben partijen bestaat, alsdan de omstandigheid, dat ocne der partijen buiten 's lands en op verren afstand woonachtig, bij dat onderzoek niet is tegenwoordig geweest of vertegenwoordigd, geen grond kan opleveren, om do bewijskracht van het verslag van deskundigen, omtrent den toestand dei' goederen (in cam rozijnen) tijdens de ontvangst te betwijfelen.
li. Uit deze bepaling vulgt niet, dat de tegenwoordigheid van partijen bepaaldelijk bij al de werkzaamheden der deskundigen vereischt wordt.
Voor de oproeping van de tegenpartij bestaat stellig geen grond daar, waar aan deskundigen geen fiieuw onderzoek is opgedragen, maar hun alleen de beantwoording van een vraag naar aanleiding van het gehouden onderzoek gedaan is.
Arr.-R. Amsterdam, v. 11! April 1880, R. R. jg. 1881, p. 242, ook vermeld sub art. 231 1!. R.
Art 231.
I, Wanneer in liet verslag van deskundigen naar eene bijgevoegde schetsteekening wordt verwezen, en de judex fadi die stukken als één geheel beschouwt en verklaart, dat beiden de gronden bevatten van het gevoelen, door de deskundigen in het verslag uitgedrukt, dan is die beslissing geheel van feitelijken aard, zoodat de rechter in cass;itie daaraan is gebonden.
Arr. v. 14 Doe. -18(50, W. nquot;. 28()(); v. n. II., B. II.. dl. XXX, p. 532â551.
3, Ten einde eene verklaring van deskundigen als gerechtelijk rapport te doen aannemen, moet blijken door wien en op welke wijze die deskundigen zijn benoemd, of waaruit zij hunne kwaliteit hebben ontleend,
Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juni 1842, R. I!. jg. 1842, dl. IV, p. 048â 050; R, dl. XIII, § 103; idem, indien niet vooraf bij vonnis is uitga-
(580
(Art. 231
drukt, wat het onderworp van onderzoek moest uitmaken, of partijen niet in de mogelijkheid zijn geweest, dit geraden achtende, do deskundigen te wraken en hun zoodanige voordrachten en vorderingen te doen, als zij zullen goedvinden â bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 2 Febr. 1853, W. nO. 1409; R. B. jg. Ã853, p. 228â231.
li. De Nerlerlandsctie wetgever heeft, ten opzichte van een bericht van deskundigen, geene formaliteit voorgeschreven, waarvan het verzuim de nietigheid van het rapport zou veroorzaken, en zulks te recht, omdat de artt. 235 en 236 B. ii., overeenkomende met art. 322 G. de Proc. Civ,, volgens welke de rechter ambtshalve andere deskundigen kan benoemen, en ook bevoegd is, om een ander gevoelen dan dat der deskundigen te volgen, gereede hulpmiddelen aan de hand geven tegen alle zoodanige gebreken, welke den rechter buiten staat stellen, het bericht der deskundigen als regelmatig en gegrond aantenemen; â zijnde al verder bij voormeld arrest beslist, dat inzonderheid dan, wanneer het ingevolge eene speciale wet voor den rechter facultatief is, om al dan niet eene expertise te bevelen en het gevoelen der deskundigen te volgen, de rechter a qiio de eenige bevoegde beoordeelaar is, in hoe verre een door deskundigen opgemaakt rapport, ingevolge art. 231, met redenen is omkleed en de verlangde inlichting bevat, om ten gevolge daarvan al dan niet ambtshalve een nader onderzoek te bevelen.
P. II. v. N.-Holland, v. 20 Jnni -1842, W. nquot;. 300; R. R jg. 1842, dl. IV, p. 539â544; idem Carré, Qu., 1199. â Vgl, hiermede de daartoe betrekkelijke conclusie van den (voormaligen) adv.-gen. de Posen Kemper, R. li. 1. 1., pag. 542, volgens wien, bij het onbepaald voorschrift van art. 231 B. R. het rapport van deskundigen moet geacht worden genoegzaam met redenen te zijn omkleed, wanneer de deskundigen, ton genoege van den rechter, de juistheid van hunne conclusie aantoonen. â De Pinto, Hdl.. II, 1, p. 339 (2de druk, dl. I, blz. 362 sq.), merkt echter met het oog op dit arrest, op, dat bet in bet algemeen en voor zoo veel betreft de eenvoudige vormen juist kan zijn, doch men daarvan zal moeten uitzonderen die substantieele vereischten, bij gebreke van welke geen bericht bestaat, namelijk dat het schriftelijk zij, dat het zal moeten uitdrukken het gevoelen der meerderheid en dat het moet geteekend zijn; idem Oudeman, 1'. li. 2de ed., dl. I, p. 307 en 308, 3de ed., p. 202 en 203, volgens wien in lantstgemelde gevallen dezelfde deskundigen een nieuw bericht zullen moeten opmaken. Vgl. omtrent een bericht van deskundigen, dat niet met redenen is omkleed en aanleiding beeft gegeven tot het benoemen van andere deskundigen â een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 30 Sept. 1842, R. H. jg. 1843, dl. V, p. 184â187. â Cf.
«87
^ a*t. in, o^. U.H. 7 Mvn-, â¢-amp;
Art 231.) «88
ten betoofjo, dnt een rapport zonder daRteekening niet nietig is, Arr.-I!. Amsterdam, v. 10 Jfaart 1879, R. 15. jg. RSSO, /1. p. 3.
â¢4. Wanneer een der deskundigen, niet wat het eigenlijk bericht betreft, (waaromtrent tusschen hen geen verschil bestaat), maar alleen omtrent bijomstandigheden zijn persoonlijk van dat der anderen afwijkend gevoelen heeft kenbaar gemaakt, is het rapport niet in strijd met dit artikel.
P. II. v. Limburg, v. 23 April 1800, W. iv. 2103,. bevestigende vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 24 April 1850, W. nquot;. '1785.
â¢Â». Wanneer een (Ier deskundigen weigert medeteteekenen, moet
art. 038 15 R. bij analogie worden toegepast.
Arr.-R. Amsterdam, v. cS Dec. 1809, W. nn. 3197; it. 15. jg. 'IS70. dl. XX, p. 032.
C». Wanneer een der deskundigen het rapport niet lieeft onderteekend, noch mede heeft opgemaakt, is dat rapport nietig.
(W Arr.-R. tTtreclit, v. â 12 Mei 1875, W. nn. 3857.
JC'L./- ' â
^ S ⢠Wanneer de deskundigen ieder afzonderlijk een onderteekend ^ verslag uitbrengen, handelen zij in strijd met deze bepaling, en zijn
die rapporten nietig.
wra. ete- 7--quot;' - y\rr .j5 Amsterdam, v. 28 Juni 1877, W. nquot;. 4142, ook vermeld snh ^ ;irt. 232 15. R.
/f S Deskundigen behoeven in hun rapport de gevoelens van anderen
^veJerlejrffen of de beschuldiging te bestriiden, door tcedano-de
. teïfen de door den rechter benoemde experts aangevoerd.
' 1 0
^''r.-R- Amsterdam, v. 30 Aju-il 1880, R. 15. jg. 188-1, .1, p. 242.
fgt;. Ue vermelding van de voordrachten en vorderingen van partijen behooren niet tot de mhslantieele vereischten van het rapport, bij /fjfiS, â n gebreke waarvan aan het bericht alle kracht zou moeten worden ontzegd.
Arr.-R. Amsterdam, v. 30 A [u il 1880, R. 1!. jg. 18cS1. /1, p. 242, ook aangehaald sub art. 230, nquot;. 3.
Art. 232.
1. De vordering tot betaling van de getaxeerde declaratiën geschiedt
Art. 232.)
hier door beteekening van den staat met taxatie en executoir-verklaring en het bij die beteekening gedaan bevel tot betaling.
De deskundigen zijn niet gerechtigd betaling te vorderen, vóór dat zij den hun opgelegden last hebben vervuld ; het verzet op dezen grond tegen voorgenomen executie van bet bevelschrift, is mitsdien gegrond,
tntusschen kan in zoodanig geval de nietig- en van onwaardeverklaring der gedane taxatie en der executoir-verklaring of de buiten eHectstelling van het bevelschrift niet gevorderd worden.
Arr.-R. Maastricht, v. 26 Juni 1879. W. nquot;. 4410.
8. Het te laat indienen van het rapport brengt geene nietigheid te weeg.
Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Juni 4877, W. n0. 4142, ook vermeld sub art. 231.
3. De tweede alinea van dit artikel is niet van toepassing op de jurisdictio voluntaria.
Ktg. 's-Hertogenbosch si/ie die, W. n0. 4782; deze beschikking werd vernietigd door de Arr.-R. 's-Hertogenbosch t. z. [)., die dit art. in casu, waar niet gevraagd was een hevelschrift van ten-uitvoer-legging, niet van toepassing achtte, maar oordeelde dat art. 61 der wet v. 28 Aug. 1843 {Slhl. n0. 40), dat niet bloot als eene aanvulling van dit art. mag worden beschouwd, ook voor de jurisdictio voluntaria was geschreven.
-ft. Zie ten betooge dat, met het oog op art. 2;32, al. 2 B. R , de deskundigen geene solidaire vordering hebben tegen ieder der partijen tot betaling hunner door den Voorzitter der llechtbank begroote vacatiën â
S. M. in do Opm. e» Meil., dl. X, p. 159â167.
AH. 234.
1. De beteekening, waarvan art. 234 B. R. gewaagt, is blijkbaar alleen van toepassing op een bericht van deskundigen, dat tot bewijsmiddel op de vordering zelve moet strekken en behoort geenszins te worden toegepast op zulk een bericht, dat slechts het gevolg is van een voorloopig verzoek zonder invloed op de zaak ten principale (in specie eene opneming van deskundigen welke onverwijld noodzakelijk was om den staat van een gebouw te constateeren bij den aanvang
Mr. VV. van Kossem Bz., Ltury. Hechtsv. 44
Art. 234.)
van het geding, ten einde pendente lite noodwendige lierstellingen ann liet gebouw te doen tot voorkoming van verdere schade).
Indien men vermeent uit zoodanig bericht van deskundigen eenige gronden ten zijnen voordeele te kunnen aanvoeren, is men gerechtigd om daarvan eene expeditie te lichten en in het proces te brengen, behoudens liet vermogen van den rechter, om daarop al dan niet cando ten principale te letten, zoo als hij zou vermeenen te behooren.
P. 11. v. Z.-Holland, v. 31 Maart ']847. W. n0. 87G, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 21 Oct. 1845, W. n0. 693, zijnde bij laatstgemeld vonnis tevens beslist, dat de niet-nakoming van de bij art. 234 B. R. gevorderde beteekening aan de wederpartij, geenszins de niet-ontvankelijkheid, om voort te procedeeren, ten gevolge beeft, maar alleen in dit geval bet bericht, door dc meest gercede partij overgelegd, bij den rechter buiten aanmerking moet blijven. In gelijken zin Oudeman, Tt. Ft., 4de ed.. dl. I, p. 270.
8. De kantonrechter kan na afloop van een bevolen deskundig onderzoek, niet eerder uitspraak doen, dan na partijen omtrent dat onderzoek te hebben gehoord. Waar dit is verzuimd, moeten partijen naar den kantonrechter worden teruggewezen.
Arr.-R. Leiden, v. 7 April 1808, W. n0. 3027, vernietigende vonnis Ktg. Leiden, v. 5 Oct. 'I8C7, in hetzelfde n0.
3. Zie ten betooge dat, indien reeds vóór de bevolene expertise door beide partijen conclusiën ten principale genomen zijn, de zaak als contradictoir moet worden beschouwd en geen verstek kan worden verleend, ook dan niet, wanneer de gedaagde niet is verschenen op de nader aan hem gedane oproeping, nadat het rapport der deskundigen ter griffie was nedergelegd â
bet. sub art. 135 II. R., arr. v. 8 Oct. -1841, sqq., nquot;. I, vermelde vonnis van dn Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Maart -1839.
Art. 23 ö.
JL Indien bij liet aannemings-contract is bepaald, dat de aannemingssom zal moeten worden betaald, zoodra deskundigen het werk zullen hebben goedgekeurd, en de aannemer dien ten gevolge, op grond van een overgelegd goedkeurend rapport van deskundigen, de betaling eischt, dan handelt de rechter, in dat rapport niet vindende zoodanige algemeene goedkeuring der werken, als hij volgens den geest der
Art. 235.)
gemaakte overeenkomst in de bedoeling van partijen beschouwt, niet in strijd met eenige wetsbepaling, door, alvorens ten principale recht te doen, een nieuw onderzoek van deskundigen te gelasten.
' O O
Att. v. 10 Maart -1854, W. nquot;. lö'i'i ; R., dl. XLV1I, § 25, bevestigende een arr. van 't P. II. v. N.-llolland, v, 23 Juni 185;!, W. nquot;. 1407, waarbij was vernietigd het vonnis van de Arr.-R. Haarlem, v. 4 Jan. 1853, W. ut supra.
'i. De gemaakte aanmerkingen op een rapport van deskundigen (in specie ten aanzien van werken van den waterstaat), van wien ook afkomstig en zelfs dan, wanneer die in eenigerlei opzicht zouden kunnen gelden tegen liet bepaald en stellig gevoelen, door andere deskundige en onzijdige personen eenstemmig uitgebracht, kan, indien dit rapport niet in strijd is met 's rechters overtuiging, geen grond opleveren om een gevraagd of eenig ander nieuw onderzoek te bevelen.
Arr. v. 0 Juni 1854, W. nquot;. 1548.
tï. De wet verbiedt geen nader onderzoek van deskundigen, beperkt tot die punten, waaromtrent de rechter nadere voorlichting behoeft.
Arr. v. 0 April 1869, W. no. 3108; 11.. dl. XCI § 40; v. d. II., B. 11.. dl. XXXIII. p. 395â411, waarbij ook beslist werd dat zulks evenmin verboden is bij artt. 27 en 34 der onteigeningswet. Idem ten aanzien van eene aanvulling der gehouden expertise, Ktg. nquot;. 1 Amsterdam, v. 29 Dec. 1876, R, R. jg. 1878, p. 96. â Cf. Arr.-R. Assen, v. 24 Sept. 1883, W. n0. 5044; R. R. jg. 1883, /), p. Tl.
4. Dit artikel verbiedt niet, dat de rechter dezelfde deskundigen tot een nieuw verhoor benoemt.
Arr. v. 9 Sept. 1872, W. nquot;. 3503; R . dl. Cl, § 39; v. n. 11.. B. I!.. dl. XXXVII. p. 357â377, waarbij werd overwogen, dat aan do woorden vandere deskundige henoernenquot; niet de beteekenis moet gehecht worden, dat de Rechtbank alleen andere dan do vroeger benoemde personen moet benoemen, vermits dit artikel zonder eenige bedoeling van wijziging is overgenomen van art. 322 C. de Proc. Civ., alwaar de bevoegdheid des rechters was omschreven, als te bestaan in het «ordonner une nouvelle enquêtequot;. Tevens werd beslist, dat waar dezelfde deskundigen benoemd worden, niet om een nieuw onderzoek te doen, maar om verklaring van enkele punten te geven, van zelve alle formaliteiten vervallen, voorgeschreven voor de expertise in de onteigeningswet.
5. Een nieuw onderzoek van deskundigen kan niet alleen ambtshalve overeenkomstig art. 235 door den rechter worden bevolen, maar ook door eene der partijen worden verzocht.
'facile beslist bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 30 Sept. 1842,
fi!) 1
Art. 235.)
R. B. jg. 4843, dl. V, p. 184â187 ; idem implicite bij arr. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 5, Sept. 1850; Arasterd. Regtspr., dl. I, p. '100â108; idem he Pixto, B. /?., II, i, p. 342, (2de editie, dl. I, biz. 300), op grond dat het verzoek door partijen gedaan, den rechter niet kan versteken van een recht, dat de wet hem in het algemeen toekent; idem, Mr. W. Sassen .Tz., in 't R. B. jg. 4843, dl. V, p. 180; anders echter, met een beroep o. a. op Pigeau, dl. I, p. 315, Oudeman, B. It.. 4de ed., dl. I, pag. 270, volgens wien bet alleen aan de partijen vrijstaat den rechter np het onvolledige van het bericht opmerkzaam te maken ; idem P. H. v. X.-Holland, v. 19 Juni 1802, W. n0. 2457. Zie ook nog 't arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 5 Sept. 1850 ut supra, naar luid waarvan eene der partijen niet eene andere benoeming van deskundigen kan vorderen, wanneer zij de begrooting der deskundigen, {in casu om werktuigen in dien goeden en bruikbaren staat te brengen, als volgens de primitieve overeenkomst dooi' partijen was bedoeld) niet betwist.
tt. Een verslag, als uit den aard der zaak strekkende, om den oogenblikkelijken toestand der goederen te constateeren, kan geen bewijs opleveren van de schuld of achteloosheid des afzenders, als oorzaak der bizondere gebreken.
P. II. v. N.-Holland, v. 1 Maart 1849, W. u0. 1103; R. B. jg. 1849, dl. XI, p. 140â143.
Art. 236.
1. De rechter is bevoegd het verslag van deskundigen te volgen, zoo hij er door overtuigd is en het alzoo te doen strekken tot grondslag zijner beslissing.
Arr. v. 11 Febr. 1859, W. nquot;. 2034; R., dl. LXI, § 32; v. d. H., B. R., dl. XXIII, p. 88â96. â Cf. arr. v. 0 Oct. 1865, W. 11°. 2730; Léon. B. W. (ed. Asser), ad art. 1903 B. W. 110. 5 en art. 1902, ib. nquot;. 11.
*i. Met het oog op art. 16 der wet van 27 December 1817 [Stbl. n0. 37), kunnen de bepalingen van het W. v. B. R. niet op waardeeringen in cas van successie worden toegepast, vermits de deskundigen, naar aanleiding van art. 16 van die wet benoemd, geenszins een rapport uitbrengen, om daardoor den rechter slechts voor te lichten, maar om, door hunne uitspraak, de waarde van het gewaardeerde onherroepelijk te bepalen.
Arr.-R. Zwolle, v. 28 Nov. 1838, R., dl. I, § 18; â anders bij decisie van den Min. v. Financiën, v. 5 Jan. 1839, n0. 103; R. ut supra en in
692
«93 {Art ZW
oen air. van quot;t. Hoog Gerechtshof 's-Gravenliage, v. 23 Nov. 1831, to vinden in dl. Ill, § 15, der Algemeene Verzameling van decisicn, arresten enz.
De wet van 27 Dec. 1817 (Stbf. n0. 37) is afgeschaft bij de Wet van 13 Mei 1839 (Slb/. no. 36). â Vgl. art. 38 van laatstgenoemde wet.
ti. Met maken van gevolgtrekkingen uit vaststaande feiten, behoort tot rle taak der Reclitbank, maar niet tot die van deskundigen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Juni 1871, W. n0. 3350, in strijd met de conclusie van Mr. II. J. Kist in W. n0. 3353.
Art. 237.
I. Vraagpunten, gesteld om iemands bezit te bewijzen van eftecten, ^felke een ander beweert zijn eigendom te zijn, kunnen niet beschouwd worden als ter zake dienende, of als op de beslissing van het geding van eenigen invloed te kunnen zijn, zoo lang ten processe niet is gebleken, dat de eischer inderdaad eigenaar dier efiecten is.
A it. v. 12 Mei 1843, W. n». 411 . R., dl. XIV, § 24; v. n. 1!.. B. II.. dl. IV. p. 463â475. In gelijken zin bij het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. II. v. Friesland, v. 13 April 1842, W. n0' 297; R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 581â585 ; Rer/l in Sederl.. dl. lil, p. 260â262, vernietigende een vonnis der Arr.-R. Leeuwarden, v. 26 Oct. 1841, R B. ut supra. Vgl. ook art. 237 B. R., arr. van 't P. 11. v. Gelderland, v. 15 Dec. 1841 sqq.
'i. Wanneer ten behoeve of ten laste van den Staat is gecontracteerd door een agendaris [in cam een Gouverneur eener provincie, thans Comm. des Konings), is het (gelijk uit den aard der zaak altijd het geval is, vermits de Staat als zoodanig is incorporeel) niet mogelijk, dat incorporeele wezen te doen hooren, maar kan en moet alsdan dat verhoor uit den aard der zaak worden toegepast op dengene, door wien beweerd wordt, dat de verbindtenis is aangegaan en de Staat zou zijn verbonden. Indien voornoemd artikel in zoodanig bizonder geval, niet in dien zin wordt opgevat en toegepast, zou het alle toepassing moeten missen ten aanzien van alle mondeling aangegane of mondeling gewijzigde verbindtenissen, door en ten laste van den Staat gecontracteerd, en hetgeen zonder onderscheid tusschen alle partijen, bij de wet is toegelaten, in het bizonder en bij uitzondering alleen
Art. 237.)
tegen den Staat komen te vervallen, hetgeen in het belang eener goede en eenparige rechtsbedeeling onaannemelijk is.
Het beweren toch kan niet opgaan, dan in dusdanig gegeven geval van toepassing zou kunnen en moeten zijn het bepaalde bij art. 2ilt;2, n0. 2, 15. R., aangezien dat artikel alleen spreekt van, en klaarblijkelijk meer bizonder doelt op zoodanige bepaalde besturen van openbare instellingen, stichtingen en zedelijke lichamen, die uit bepaalde personen zijn samengesteld en door dezen worden vertegenwoordigd, doch waaronder de Staat met geene mogelijkheid kan worden begrepen ; gelijk dan ook het middel in dat cas aangewezen, om een van de leden dier lichamen te benoemen, met geene mogelijkheid op den Staat, die door geen administratief lichaam als zoodanig wordt vertegenwoordigd of beheerd, noch in deze gehandeld heeft, kan worden toegepast, maar clan veeleer uit de analogie van het bepaalde bij de 2de alinea, hetgeen den gehandeld hebbenden persoon verplicht, om wegens zijne personeele handelingen te antwoorden, tot de toepassing daarvan moet worden besloten.
Tegen dit alles kan niets afdoen de doode letter der wet, vervat in meerbedoeld art. 237, en de tegenwerping dat de Gouverneur geene partij in life is, vermits in toepassing op gevallen als het onderhavige, en in het bizonder in toepassing tot den Staat, in wiens naam en ten wiens behoeve en laste wordt beweerd door den Gouverneur te zijn gehandeld, deze als handelende partij alleen kan en behoort te worden beschouwd als in zoo verre de partij in den zin der wet, daar hij alleen in staat is om van zijn personeel feit rekenschap te geven en de beweerde handeling te erkennen, te ontkennen of toe te lichten, zonder dat vooralsnog te beslissen zij, welken invloed die antwoorden omtrent zijne personeele verrichtingen qq. op de verplichtingen van den Staat al of niet zullen behooren te hebben, daar hierop volgens de wet alleen zoodanig acht zal worden geslagen, als de rechter na het verhoor zal oordeelen te behooren, zoodat ook daarna alle weren en defensiën ten behoeve van den Staat, omtrent het al of niet ver-bindbare der beweerde handeling van zijn agendaris, vrij blijven en daarop geenszins wordt gepraejugeerd.
Arr. v. 8 Dec. 1843, W. n°. 464; R., dl. XVI. § 16; v. n. H., B. li.. dl. V, p. 90â109; zijnde dit arrest, overeenkomstig de conchisiën van
fi94.
{Art 2.'37.
den proc.-gen., (R.. dl. XVIII, p. 223â230) in revisie vernietigd bij arr. v. 21 Sept. 1844, W. 11°. 535; R.. di. XVIII, § 50, v. d. II..Zi..dl. VI, p. 1â20, hoofdzakelijk op grond :
Dat onder het woord partijen niet moet worden verstaan ieder, welke, zelfs als gemachtigde, partij is geweest in de overeenkomst, waaruit een rechtsgeding is ontstaan, maar alleen en uitsluitend zij, die in liet rechla-gedüu/, waarin men dat middel wil bezigen, als [lartijcn, dat is als eischers en verweerders, tegen elkander overstaan ;
Dat zulks niet alleen volgt uit het Wetb., waarin dat onderwerp voorkomt, zijnde dat van Burg. Rechtsv., waarin het woord partijen moet geacht worden een meer bepaalden zin te hebben, dien namelijk van partijen in lite, en uit meerdere artikelen in den titel, waarin over dit rechtsmiddel wordt gehandeld, als b.v. art. 160 en volgg., art. 170 en vólgg., art. 199 en vele andere, maar vooral uit art. 237 van het meergemelde Wetb., hetwelk als de zetel dor materie in deze moet worden beschouwd ;
Dat toch aan de zeer duidelijke woorden, waarin dat artikel is vervat, waarvan het den rechter niet geoorloofd is aftewijken, en waarin gezegd wordt dat de partijen, in allo zaken en in eiken stand van het geding, verzoek mogen doen, om elkander op ter zake dienende vraagpunten te doen hooren, niet wel eene andere beteekenis kan worden gegeven, dan dat hier alleen en uitsluitend de partijen in het aanhangig rechtsgeding zijn bedoeld ;
Dat bovendien de wet, om verklaringen van personen buiten het rechts-ueding te verkrijgen, het middel van getuigenverhoor hebbende voorgeschreven, maar tevens vermeend hebbende de gevallen, waarin dit laatste middel kan worden gebezigd, binnen meer enge grenzen te moeten beperken, terwijl dat van het doen hooren op vraagpunten meer algemeen kan worden gebezigd, â eene niet behoedzame onderscheiding ten deze tnsschen de personen, welke al of niet op vraagpunten kunnen gehoord worden, lichtelijk zon kunnen leiden, om aan iemand de gevolgen van het getuigenbewijs te verschaften, in de gevallen, waar do wetgever dit bewijsmiddel heeft willen uitsluiten;
Dat mitsdien, wanneer eene overeenkomst tusschen bizondere personen, van den eenen kant door een gemachtigde, is gesloten, en er daarover tusschen die personen een rechtsgeding ontstaat, die gemachtigde, geene partij in dat geding zijnde, daarin niet op vraagpunten mag gehoord worden, maar dat slechts het middel overblijft om hem als getuige te doen ondervragen, doch alleen dan, wanneer de wet zulks mocht toelaten ;
Dat, even als bizondere personen, ook de Staat overeenkomsten kan sluiten, en zulks niet alleen onmiddellijk, dat is â daar de Staat, die een incorporeel wezen is, zelf niet kan handelen, â door de algemeene landsregeering, zijn eenigen wettigen vertegenwoordiger, maar ook middellijk door mindere ambtenaren, of zelfs door bizondere personen, krachtens eene lastgeving, aan die ambtenaren of bizondere personen door de algemeene landsregeering verstrekt;
Dat, wanneer uit eene zoodanige overeenkomst, door een minderen
Art. 2.37.)
ambtenaar gesloten, tegen lt;len Staat, eon rechtsgeding wordt gevoerd, on door de wederpartij liet middel van liet hooron op vraagpunten wordt gebezigd, niet de mindere ambtenaar, door wien de overeenkomst, als gemachtigde, mocht zijn aangegaan, en die geene partij in het geding is, kan geroepen worden om op die vraagpunten te antwoorden, en dat zij, die tegen den Staat in dat geding als partij overstaan, hierdoor niet van nadeeliger conditie zijn, dan wanneer zij tegen bizondere personen een geding voerden, waar zij volmaakt in een gelijken toestand verkeeren, als zijnde ook daar (gelijk hierboven is gezegd) het verboor van den ge-rnachtigdc, door wien is gehandeld, maar welke geene//cWy in het rechtsgeding is, uitgesloten; idem arr. v. 30 April -1869, R. li. jg. 1870, p. 321 ; vgl. arr. P. II. v. Zeeland, v. 23 Juni 1808, K. 11. jg. 1800, p. 557, waarbij werd beslist, dat in een procedure van verzet tegen een dwangbevel, uitgevaardigd namens den Commissaris des Konings dooi' den ontvanger van een polder, welke laatste als geopposeerde optrad, eerstgenoemde niet als partij is aantemerken, en dus niet kan worden gehoord. Zie het vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. \ Deo. 1807, dat bevestigd werd bij gemeld arrest t. p., p. 72. â Cf. bet aangeteekende op art. 242 li. R. sub n0. 2.
!l. Jlet bepaalde in art. 237 15. R., waarbij het verhoor op vraagpunten in eiken stand des gedings is toegelaten, moet, in verband met de verdere vereischten der wet, in dien zin worden opgevat, dat het geding althans zóóverre zij gevorderd, dat de rechter kan oordeelen over de geschilpunten, waarover de vragen alleen mogen loopen, met dat gevolg, dat een verweerder niet-ontvankelijk is in zijne vordering om den eisclier op vraagpunten te doen hooren, indien hij nog geen enkel beweren of middel heeft in het geding gebracht tegen de door den eischer gedane dagvaarding en dienovereenkomstig genomen conclusie.
, . , Arr. v. 5 Juni 1840, W. nquot;. 724 ; R., dl. XXIV, § 49 ; v. I. II., JJ.
c/a.oc. w . r|| VIII, p. 18â27 ; bevestigende bet daartoe betrekkelijk arr. van 't 1'.
^ II- v. Groningen, v. 21 Oct. 1845, R. R. dl. VIII, p. 227â234 ; idem r j ^ , Arr.-R. Sneek, v. 6 Oct. 1841, W. nquot;. 077; R. li. jg. 1845, dl. Vil, p. 070 (naar luid waarvan eerst dan in den geest der wet kan worden gezegd tlt;ri- een geding te bestaan, wanneer partijen wederkeerig bare schrifturen en conclusion hebben gewisseld, of door den eischer, in cas van verstek, conclusie is genomen ; welke definitie wordt bestreden door de Redactie
__â / Yau 't W. in nquot;. 077 en verdedigd door v. n. R. in 't W. n0. 080); idem
' ' bij vonnis Arr.-R. Utrecht, v. 25 Juni 1879, W. n». 4447; R. B. jg. 1881.
'7lt;rir *2 ^' .I, p. I en bij vonnis Arr.-R. Appingadam, v. 22 Dec. 1870, W. nquot;. 3425;
' R. R. jg. 1872, p. 000, waarbij is beslist, dat waar des gedaagden ant-w001'd zoo onbepaald is, dat er niet uit valt optemaken, wat partijen eigenlijk verdeeld houdt, het verzoek van den gedaagde moet verklaard ^ c worden te zijn niet-ontvankelijk. Dit vonnis is vernietigd bij arrest P. 11. r^,r^ V. Groningen, v. 7 Nov. 1871, W. t. a. p. en in R. li. jg. 1874, p. .398, waarbij
.. werd beslist dat de rechter altijd gehouden is, de vraagpunten te onder-
Jjâ * o^»
lt;r
A
^ /f /quot;â¢quot;/â * L .
'£amp;. /r^i-rr
/.lajr, f. '' cfiS(» 2. .
^2. I /V
O
^/3 ^ -
/
J.-r.quot;
' gt;' ' U 'K ,
/rffo,
/(Poo
3 ^ , â hquot; ZSgt;.
, olt;^-amp; .* '
fi07
t jnl lt;/. ^ /X-tfX. rp, £jX . ^TLt/, -t-e.T-j.ocfe J, O- ui^/ axi â â ? â¢â
zoeken, en dat liij. oordeelende, dat ze, uithoofde van de onbepaaldheid /-fxry^4^A^r, der defensie of anderszins, niet ter zake dienende of afdoende zijn, het . ^ verzoek moet wijzen van de hand, zoodat eene niet-ontvankelijk-verklaring niet te pas komt. Zoo ook bij arr. van 't P. H. v. Friesland, v. 30 Juni . 'yquot;,
1 S.5'2, W. n'\ 1309 en bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 20 Febr. fj- ^ 12.1-4 1852, W. n0. 1331. waarbij is beslist, dat, hoewel een verzoek, om de '
wederpartij op feiten en vraagpunten te hooren, n limine litis kan gedaan worden, vóór dat er nog conclusiün genomen zijn, en een geding moet geacht worden aanwezig te zijn, zoodra de zaak door de dagvaarding ,/ aanhangig is gemaakt â de rechter evenwel kan verklaren, dat ei voor quot;^quot;alsnog geene termen zijn om dat verzoek intewilligen, wanneer er nog geene dingtalen zijn gewisseld, waaruit hij kan beoordeelen, of de gestelde vraagpunten ter zake dienende on tot niets anders betrekkelijk zijn; â
anders echter bij vonnis van de Arr.-R, Groningen, v. 8 Juli 1842, W.
li0. 307 ; R. I!. jg. 1842, dl. IV, p. 071 en 080 en v. 1 Nov. 1844, R. li.
jg. 1846, dl. VUT. p. 227 en 228; idem in de conclusie van den proc.-goii. /7^ (/2__
.......... quot;quot;quot; â quot;
werd geacht^quot;â cf. arr. Hof Amsterdam, v. 2 Maart 1883, W. nquot;. 4979.
waarbij werd beslist dat do toelaatbaarheid van een verhoor op vraag- /2-^ ^ punten, waartoe het verzoek vóór het antwoord is gedaan, moet beoor- '
deeld worden naar de feiten bij dagvaarding gesteld, welk gevoelen mede y w'f2-!M ' wordt gedeeld door Oudeman, B. li., 4de ed., dl. I, p. 270 sq.
Vgl. voorts over de beteekenis der uitdrukking «iu eiken stand van het gedingquot; Oüdeman, t. a. p., die even als de schr. in 't R. B. jg. 1843, dl. V,
p. 304 sqq., meent de woorden: »iii ellicn stand van het (lediny'quot; of vloiit ctat de causequot;, te moeten opvatten in den zin van den geheelen loop van het rechtsgeding, dat is totdat het O^cnb. Min. zijne conclusiën heeft
't P. II. v. Groningen, R. 1gt;. jg. 1840, dl. VIII, p. 228 eu 229 ; bij _arr. van 't P. 11. v. Z.-Holland, v. 20 Sept. 1843, W. n0.510; idem Arr.-R. Maastricht, v. 20 April 1849, W. n0. 1035; R. 1!. jg. 1849, dl. XI, ]gt;. 439â441, bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 2 Maart 1854, W. nquot;. 1528, en bij arr. P. H. v. Zeeland, v. 27 Oct. 1803, R. IS. jg. 1805, p. 47, en Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Febr. 1883, W. 11°. 4936, bij alle welke gewijsden hoofdzakelijk is beslist, dat er ecu geding en geschil aanwezig is, zoodra de zaak voor den rechter is gebracht, zoodat vóór en na het antwoord van partij het verzoek tot verhoor op vraagpunten ontvankelijk is; vgl. ook Hof Amsterdam, v. 23 Maart 1877, W. n0. 4210; zie ook arr. P. H. v, N.-Holland, v. 24 Dec. 1874, W. n0. 3808, waarbij het verzoek iu appèl gedaan vóór de memorie van grieven ontvankelijk f
r/owmen. Met dit gevoelen komen overeen een arr. van t i'. 11. v. quot;P/ ^ Z.-Holland, v. 20 Sept. 1843, W. nquot;. 510, waarbij is beslist, dat de wet, 'L in eiken stand van het geding aan partijen het vermogen toekennende om elkander op vraagpunten te doen hooren, het geval, dat de dingtalen in de principale zaak afgeloopen zijn en de dag van pleidooi daarin is bepaald, van de zoo algemeene bepaling der wet niet is uitgesloten; vgl.
arr. P. H. v. Gelderland, v. 8 Maart 1871, VV. nquot;. 3349; R. li. jg. 1872, p. 200;
arr. P. H. v. N.-Holland, v. 29 Juni 1871, W. n0. 3408, waarbij in een rekening-proces het verzoek is toegestaan, dat eerst gedaan was nadat de rechter-commissaris ex art. 778 Pgt;. R., den dag voor het uitbrengen
hjL amp;- 'm^-
'X/TsO^Xsy /? ö
0. (j~o
.'hr,
v
L J-it Ctc/~ l-c * Ct-tr-zry /-/ ^{'v' ï'tA-' tsTlc^' eCsu^,y/y/^z-oV^S*-^
!^,r, (^cC i-a.â camp;oUl^kïM' u-'K.2*c- 'V^^ lt;**â quot;nS
n.f CQA^~ /rA {*£i ^''^ / K^Z- f**xéLtT*rr
/- f i v ^ / ^-i /ttrx t 1*t-1~Co Kjanr-t^ ifââ ''- ? ''rTe^V't lt; r^.^yfi 'quot;t, li-Sf f
AH 237.) ^Agt;rJL ^98^^- ^
*/-:.( t/â *â ('/'^- J:?C~y '' ^ /(. quot; ^//y.
â 7,i trri^lt;rxn- quot;f van zijn rapport aan ile Reclitbank bepaald had ; arr. P. H. v. Groningen, , *£t v- 27 Oct. 1874, VV. nquot;. 3787, waarbij eene uitzondering wordt gemaakt
ifltJ V001' 'ie'' ëeva' d'1*' conclusie van liet Openb. Min. reeds is genomen; v'ornr'/ ^ zi0 in denzelfden zin Mr. Weve in Themis, 3de verz., jg. 1878, blz.
(fxrxn ie' 232, â anders bij vonnis der Arr.-R. Gorinchera, v. 21 Mei â¢1842, W.
uuJr_/z^i ^ - nn. 306 (vernietigd bij arr. van 't P. H. v. Z.-Holland ut supra); bij
/ zx.c-t^- vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 19 Juni -1843, W. nn. 417; van
slb jamp;m de Arr.-R. Breda, v. 20 Dec. 1859, W. n0. 2201 en van de Arr.-R. Arnhem, â ' v. 4 Maart 1839, AV. nquot;. 54, naar luid waarvan de woorden : in elhen b ⢠' stand van het (fedimj, voorkomende in art. 237 B. R., hoe ruim ook t^y./â gesteld, zonder omverstooting der gewone en in het algemeen aange-
a nomen regels van proces-orde (gelijk ook blijkt uit de bepaling van art.
^ J' 1988 B. W.. waarin dezelfde woorden voorkomen), niet wel anders kun
nen worden opgevat, dan in dien zin, dat het in eiken stand der instructie
. ^_ van het geding partijen geoorloofd is, den rechter te verzoeken, elkander
op feiten en artikelen te doen hooren, en hieruit volgt, dat het verzoek des eischers, om, na afloop der pleidooien en na bepaling van den dag der uitspraak, alsnog op vraagpunten te worden gehoord, niet is ontvankelijk ; welk gevoelen wordt gedeeld door dé Pinto, llól.^ II, 1, p. 350, / utâ' (2de druk, blz. 373), volgens wien de woorden : in eiken stand van het ^ gedhu/ hier zoo als elders beteekenen ; tot op het oogenblik dat de zaak voldongen en het jitdicieel contract tusschen partijen gesloten is, dat is, totdat er door partijen van weerszijden op de terechtzitting conclusion zijn genomen (en mitsdien hetzij pleidooi is aangevraagd of de stakken zijn overgelegd), idem bij vonnis der Arr.-R. Arnhem, v. 17 Nov. 1S70 W. kdm i-n. n0. 3397, terwijl bij arr. van 't P. H. v. Groningen, v. 27 April 1847, R., dl. XXXV. § 99, is beslist, dat in ieder geval een verhoor op vraagpunten niet meer in aanmerking kan komen, wanneer de zaak reeds gedeeltelijk is bepleit en de voortzetting dei1 pleidooien tot een naderen dag is verschoven. â Zie ook art. 141 B. R., arr. v. 24 Mei 1850 sqq.. sub nquot;. 1 en art. 139 B. R., arr. v. 22 Juni 1860 sqq. â Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 21 Jan. 1846, W. n0. 677, naar luid waarvan een geding zou zijn in staat van wijzen, nadat door ieder der partijen (een-y-z -t -vt-*- f y - maai) conclusie ter terechtzitting is genomen en waarbij op dien grond is . A / beslist, dat men daarna niet meer ontvankelijk is tot bet nemen van eene inci-lóquot;. ^ / denteele conclusie tot het verhoor van partij op vraagpunten, welk gevoelen,
ow- '('f'l/^ercrL'' ingevolge de noot van den inzender in 't R. B. jg. 1846, dl. VIII, p. 230 f ^ , h' S' ^ ^ en 231, in 1839 ook te Groningen is omhelsd. â Be Redactie van 't W.
brengt in n0. 677, even als de inzender en Oudeman ut supra, het beginsel _bij dit vonnis aangenomen, in verband met dat van dezelfde Rechtbank, v. 6 Oct. 1841 hierboven en opperen de vraag, wat, indien het verzoek, vóór de conclusie gedaan, Ie vroeg en na do conclusie te laat is gedaan, er dan van het verhoor op vraagpunten overblijftquot;? â Vgl. ook nog, als in verband staande met deze kwestie, een vonnis van de Arr.-R. Gorin-chem, v. 20 April 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 641 sqq., waarbij is beslist, dat, zoo al de woorden : in eiken stand van hel geding, voor-. komende in art. 237 B. R., in dien beperkten zin moeten worden uitge-
^?-â â*quot; legd. dat vóór het antwoord van den gedaagde in het algemeen geen
V t^n. . óLcl~ ' is Camp;.jamp;öL.
t£.ri~ quot; t ' ^~ â yy .â . - . j tfa/yi. IntfCXamp;f* Qamp;a/1lt;/C' JfrCV l£*-* tlt; f4£friO*_
^ltAr V^-v/' ^ trK^sis- ^ (h^ytr-nt^/fc-aJ^^ ic. t
V
cU^b* '-'âJ! tH â¢-quot;i quot;. Ijl^ ! Clt;.' â V' JFi'-y VCMt: Kt-f'.. K Jo-*-â y uC, lt-.Jlt;9 O is , r*amp;r cCc.
Cftfivsr^* ^ â â -V%^'quot; ' (Art. 337.
eigenlijk rechtsgeding aanwezig is, dit beginsel echter niet geldt, wanneer de procedure betreft verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis, met dat gevolg, dat alsdan de geopposeerde, zoodra hem de gronden van verzet van den opposant zijn kenbaar geworden, ontvankelijk is in zijne incidenteele vordering tot liet hooren op vraagpunten. â Zie ook nog 1'igeau, Proc. Civ., torn. I, § 1. n0. 2, sub nquot;. 1; Berriat de St.-Prix,
dl. I, tit. 6, p. 311, (Bruss. ed.), en de conclusion van den adv.-gen.
Gregory, v. d. H., I. c., p. 22â25; alsmede ten betooge dat de gedaagde niet, alvorens ten principale te concludeeren, bij incidenteele conclusie feiten kan stellen, ten einde door de partij te kunnen worden ontkend of erkend â art. 139 B. R., arr. van 't P. 11. v. Friesland, v. 30 Juni 1852.
Vgl. liiermetle navolgende beslissing:
Ken verhoor op vraagpunten kan worden toegestaan, ook na afloop van een getuigenverhoor.
P. 11. V. N.-Holland, v. 6 Maart 1802, R. B. jg. jg. 1803, dl. XIII,
blz. 492â495; cf. Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Juni 1862, R. B. jg. 1802,
pag. 724.
41. Een diikscollegie, tegen wiens dwangbevel de verzoeker was gekomen in verzet, moet, in den geest der artt. 237 en quot;M'S B. 11.,
jis. de artt. 1, 2 en 3 der Wet v. 9 Oct. ISU (Stbl. n0. 42), als vartij worden beschouwd, vermits bij art. 3 der voornoemde wet uitdrukkelijk is bepaald, dat de collegiën en besturen, bij de artt. 1 en 2 vermeld, bij dwangbevel en parate executie de omslagen en lasten van de schuldplichtigen zullen doen invorderen, en bij art. 10, dat de betaling gevorderd wordt uit naam van het collegie of bestuur, waaruit alzoo volgt, dat, om het even door wien die invordering namens het bestuur wordt gedaan in cas van verzet, dat verzet is gericht tegen het bestuur, hetwelk de richtigheid van den omslag moet verantwoorden in den persoon, door wiens intermediair de invordering geschiedt.
Arr. v. 17 Nov. 1848, W. n». 996; R., dl. XXXÃ. § 13;v. d. 11.. (i./..
dl. Vlll, p. 170â192. â Cf. do wet v. 9 Oct. 1841 (Slh/. nquot;. 42), arr.
van denzelfden datum, sub n0. 4 (dl. I, p. 178).
.V Het verhoor op vraagpunten is niet toelaatbaar, om daaruit te putten bewijs wegens gedane leverantiën, wanneer bij het contract van aanneming {in casu tusschen den Staat en den aannemer tot bevordering eener behoorlijke comptabiliteit en controle) is bepaald, dat de leverantiën, door den aannemer te doen, niet anders kunnen worden
bewezen, clan door deugdelijke bons, behoorlijk en binnen den bepaalden tijd ingeleverd enz.
Air. v. 25 Oct. 1850, W. n». H75 ; R., dl. XXXVI, § 1; v. n.
dl. XII. p. 94â115 ; te ilicn aanzien in revisie bevestigd bij arr. v. 23 Nov. 1854, W. n0. 1595, waarbij tevens is beslist, dat bepalingen als die, welke voorkomen in deze zoo geheel bizondere soort van contracten, niet als onzedelijk en onaannemelijk zijn aan te merken, maar bij eene overeenkomst als in casu tusschen den Staat en een aannemer, op den aard der zaak zijn gegrond; zijnde echter bij arr. v. 23 Nov. 4854 ut supra, niet vernietiging van dat v. 25 Oct. 1850, in eersten aanleg gewezen, beslist, dat in dien stand van zaken vraagpunten, welke melding maken van reeds geliquideerde declaration en dus betrekking moeten hebben tot declaration, waaromtrent werkelijk bons zijn ingediend, niet zijn in strijd met het contract en de Staat daarop kan of moet worden gehoord.
7-amp;e â ? v-zf** /c ^ T T-
O. De antwoorden bij een verboor op vraagpunten gegeven, kunnen een begin van bewijs bij geschrift uitmaken.
, Arr. v. 10 April 4852, W. nquot;. 4329; R.: dl. XLI, § 64 ; idem arr. v. 14
Mei 4877, W. n0. 4423, ook vermeld sub art. 334 B. R., idem bij het tot eerst-. .. j . gemeld arrest betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 28 Juni 1850;
' / R. li. jg. 1854, p. 302â365, hetwelk was vernietigd bij arr. van 't P. II. [Jh. nquot; aldaar, v. 18 Maart 4854, R., dl. XLI, p. 287â290; een en ander te
sy* y vinden in de 0//m. cn Mod., dl. IX, p. 29â34 ; idem Arr.-R. Rotterdam,
v. 22 Oct. 4877. R. B. jg. 4878, .4, p. 293, waarbij werd beslist dat de X/'/ïamp;k-CtS: bij het proces-verbaal geconstateerde antwoorden geacht moeten worden bevatten de juridieke bestanddeelen om vlg. art. 1939 B. W. als een begin van bewijs te kunnen dienen; idem Hof Amsterdam, v. 28 Mei 4880, W. nquot;. 4557; idem P. H. v. Z.-Holland, v. 4 Mei 4863, W. n0. 2507, bevestigende vonnis Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 18 Nov. 1862, W. nquot;. 2448, waai'bij nog werd beslist, dat de inhoud van het proces-verbaal in zijn ganschen omvang moet beoordeeld worden, cn niet ieder antwoord afzonderlijk. â In gelijken zin als bij gemeld arr. (v. d. H. R.) door Mr. A. O. in de O/jj». cd Mcd- ut supra, p. 27â34, alsmede bij Toullikr, Ie Droit Civil Francfiis, IX, p. 110; Pjgeau, la Procedure Civ., I, p. 238; Carré, Les leis de la J'rov. Civ., op art. 335, qu. 4202, en Penning ad art. Zie ook de Martini, ad art. 240 li 2, die, zonder te onderzoeken of een verhoor op vraagpunten een begin van bewijs bij geschrifte kan daarstellen, meent, dat in ieder geval dat verhoor voor den rechter genoegzame termen kan opleveren, om aan eene dor partijen ambtshalve den eed op te leggen, naar het voorschrift van art. 4977 B. W. (vgl. hiermede in gelijken zin art. 1978 B. W., arr. van 3 April 1846, sub n0. 5); anders door Berriat St. Prix, Cours da Proc. Civ., I, p. 318, note 37, en de Regtsg. Adv., dl. IV, p. 143â445. â Vgl. cok ten betooge, dat in de beslissing dat het gebonden interrogatoire op feiten en artikelen niet kan worden aangenomen als een begin van bewijs bij geschrifte, niet in het algemeen die der rechtsvraag gelegen is, of een verhoor op vraagpunten
/Hf iw. I-P^ vewl-zt- A-*U*- a«~
/ £--.^- «Am-
^ra-i. cr^ â¢? xa-.-s-y^ 'â â * / //}â amp;gt;. oCt^
701
al dan niet een begin van bewijs bij geschrifte kan uitmaken, maar daarin alleen gelegen is de beslissing quoad factum, dat het onderwerpelijk verhoor niet als zoodanig kan worden aangenomen â art. 1939 B. W., arr. v. 17 Juni 1841, sub n0. 1.
5. Vermits bij de arlt. 237 en 238 B R, niet is voorgeschreven,
binnen welke grenzen het onderzoek des recliters blijven moet, omtrent het al of niet ter zake dienende, en het al of niet tot het geschil betrekkelijke der vraagpunten, â kan de rechter, na onderzoek der overgelegde processtukken, beslissende, dat de gestelde vraagpunten aan die vereiscliten niet voldoen, en op dien grond het gevraagde verhoor van de hand wijzende, geene schending van de genoemde wetsartikelen begaan hebben, en zou de H. R, wanneer hij zich in deze al niet mocht kunnen vereenigen met de beweeggronden der uitspraak, die uitspraak nochtans moeten eerbiedigen.
Arr. v. 25 Juni 1852, R., dl. XI.11. § 31 ; idem ten betooge, dat op de beslissing omtrent het ter zake dienende der vraagpunten in cassatie niet kan worden teruggekomen bij arr. v. 28 Juni 1801, W. n0. 2288; R., dl. LXV11I § 44 en v. 4 Jan. 1801, R., dl. LX.VII, § 3; idoni arr. v. 3 Mei 1872. W. n0. 3402, waarbij werd beslist, dat de wet de beslissing'
omtrent het verzoek tot verhoor op vraagpunten geheel aan het arbitrium judicis heeft overgelaten ; â cf. ook arr. v. 24 Nov. 1870, W. nquot;. 4004;
vermeld sub n0. 8.
Vgl. navolgende uitspraak :
Het is geheel aan 's rechters oordeel overgelaten, om het verhoor te weigeren, waar het zonder eenig nut, slechts strekken zou, om liet geding le vertragen en de kosten daarvan te vermeerderen.
Arr. v. 20 Juni 1884, W. n0. 5053. * .
Hoewel art. 237 B. R. niet voorschrijft, dat de bij dit artikel vermelde vraagpunten moeten zijn afdoende, vordert het toch uitdrukkelijk, dat zij moeten zijn ter zake dienende, of, zoo als het door art. 288 wordt verduidelijkt, tot het geschil betrekkelijk. Zij moeten dus niet alleen belrekkiny hebben tot de zaak, maar hare beantwoording moet van eenigen invloed kunnen zijn op de beslissing van het geschil.
Behalve uit de woorden der wet volgt zulks ook hieruit, dat de wetgever geene reeds aanvankelijk blijkbaar geheel doellooze handelingen van procedure kan hebben gewild, welke slechts zouden kunnen strekken om het geding nutteloos te vertragen. l(,*f
Arr. v. 23 Nov. 1854, in revisie gewezen. VV. nquot;. 1595; idem arr. v. ,t
. . ^r^JL» AS2~ A~O~ S-* Tsztsyy- 4
-7 ^ZZ , CL-yi, ^ZJT ts) ^ 7-'-
Cy quot;h O /f*quot;* ^ (O .
(Art. 287.
Art. 237.)
-/é'j j,-.20 Dec. 1872, W. nquot;. 3539; [i , dl. CII, § 30, conf. concl. 0. ]\1. ver-quot; - L idoin n'et'getlf'e vonnis Hof v. Justitie v. Curasao, v. 22 Nov. '1871, W. nquot;. rtL ^ ' 349S; idem Arr.-R, Amsterdam, 6 Jnni 1802, R. 1'. ,jg. 1802, dl. XII,
/IjC ⢠^quot;^ihlz. 724â726; idem Arr.-R. Tie), v. 25 Jan. 1850, VV. n0. -1741; idem
Ttln- UPC/1. ^V'Z- kroningen, v. 28 Nov. 4802, R. B. jg. -1865, p. 307, waarbij nog
/ ' y ^werd beslist, dat de rechter dat alles ook ambtshalve heeft te onder-
Irfc/i. Y ^zoeken; idem Arr.-R, Amsterdam, v. 23 Dec. 4881, R. li. jg. '188.3,
'f A, p. '186.
^ ^ /L Z.'T trfa t 6_r. 3 (/(TT.
'fijL Vgl- quot;uk navolgende beslissing:
tVijl, Wanneer het blijkt, dat het verzoek is afgewezen, op grond dat de ,*--«*61A vraaol)U,|ten niet kunnen leiden tot het verkrijgen van erkentenissen.
kunnende strekken tot het leveren vaii het bedoeld bewijs en niet op grond, dat dit bewijs niet rechtstreeks door het verzocht verhoor zou kunnen worden geleverd, is er geheel conform de artt. 237 en 238 z B !?,. gehandeld.
Arr. v. 24 Nov. 1876, W. nquot;. 4064; R., dl. CX1V, § 33, ook aan-ata e-'C- gehaald sub nquot;. 7 ; idem. wanneer de rechter bevindt, dat de vraag
punten vreemd zijn aan de partij, tegen wie dat verhoor gevraagd wordt en de beantwoording van geene dienst of nut kan zijn bij de beslissing van het geschil, bij arr. v. '12 Jan. 1855, W. nquot;. 1617; vgl. hiermede: ln. een vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 1 Nov. 1844; 11. Pgt;. jg. 1840, dl. VIII, p. 227 en 228, waarbij het in art. 237 vermeld verzoek is geweigerd, op grond dat de gestelde vraagpunten den eisch of het geschil niet dadelijk specteerden, maar misschien in het vervolg betrekkelijk konden zijn tot pnnten van verschil die tusschen partijen zelve, bij het doen der rekening en verantwoording, soms mochten ontstaan, en zoodoende voor alsnog niet zijn pertinent; 2quot;. een vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 4 Jnli 1848, R. fi. jg. 1851, p. 53â55, waarbij is beslist dat uit de woorden in art. 238 B. R. ntothet geschil betrekkei ijkquot; en die in art. 237 »o/) tor zake dienende en niet tot iets andcra betrekkelijke vraagpuntenquot; volgt, dat de wetgever niet kan gewild hebben, dat de rechter reeds bij voorraad zou moeten beslissen of de antwoorden, welke men op de voorgestelde vragen veronderstelt te zullen kunnen ontvangen al dan niet zullen kunnen leiden tot de beslissing van het geschil of daarop van invloed kunnen zijn, vermits toch «. die antwoorden weder aanleiding kunnen geven tot ambtshalve te doene vragen, welker beantwoording van beslissend gewicht zoude kunnen zijn, en h. het den rechter voorshands niet kan blijken, of de antwoorden op die vragen de eenige bewijsmiddelen zijn, welke een eischer heeft, dan of die slechts moeten dienen, om een ander middel van bewijs te versterken of uit te lokken; 3°. een vonnis dor Arr.-R. Appingadam, v. 4 Maart 1852, W. n0. 1323, waarbij is beslist, dat de eisch tot het hooren op vraagpunten rechtens niet kan worden tegengesproken oji dezen grond, dat, al wierden ook alle de vragen bevestigend beantwoord, dit niettemin (uithoofde het finidroneutmn petendi aan eene absolute nietigheid zou laboreeren) van geen invloed zoude kunnen zijn
702
[Art. '237
op de principale vordering en het dus zon zijn fmstra ^rohatur quod prohaturr non relevat; 4°. een vonnis van 't Ktg. Breda, v. 5 Mei 1852, W. nquot;. 1338, naar luid waarvan do woorden der wet: ))ter zake dienende,quot; geene andere strekking kunnen hebben, dan dat de daadzaken of vraagpunten in een nauw verband moeten staan, maar liet nimmer (gelijk zulks te duidelijker blijkt ten aanzien van getuigenverhoor en bet verhoor op vraagpunten) in de bedoeling des wetgevers kan gelegen hebben, dat die zoo ter zake dienende en afdoende moeten zijn, dat de eindbeslissing daarvan uitsluitend afhankelijk zoude zijn, of dat die daadzaken of vraagpunten noodwendig zouden behooren te loopen over liet eigenlijk onder-werp van het geschil zelf, met dat gevolg, dat het voldoende is dat de gestelde vraagpunten kunnen leiden tot eene ware beoordeeling dei-hoofdzaak ; in denzelfden zin, het sub hoe art. vermeld arrest P. II. v. /.-Holland, v. 30 Juni 4850; en 5°. een air. van 't P. II. v. Gelderland, v. 15 Pee. 1841, R. R. jg. 1842, dl. IV, p. 295, waarbij op gelijke gronden als bij voormeld vonnis van 't Ktg. Breda, is beslist, dat er in cas van art. 237 B. R. alleen kwestie kan zijn of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn (en mitsdien wanneer die lijnrecht in strijd mochten zijn met daadzaken, door de wederpartij gesteld en bewezen, dit wel van invloed kan zijn op de eindelijke beslissing des rechters over het hoofdgeschil, doch geen grond oplevert, om a priori het verhoor der wederpartij op die vraagpunten te weigeren) ; idem bij vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 20 April 1844. R. B. jg. 184^. dl. VI. p. 641 sqq. en im-plicite bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 8 Juli 1842, R. B. jg. 1842. dl. IV, p. 671, alsmede door den proc.-gen. bij '1 P. 11. v. Groningen, R. B. jg. 1846, dl. VIII, p. 229 en de Pixto, Hdl., II. 1. p. 348, (2de druk, p. 372) en Oudeman, B. B., 4de ed., dl. 1, p. 273. â Cf. art. 237 B. R., vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 1 Maart 1852.
Het verzoek tot verboor op vraagpunten voor den kantonrechter raag mondeling en zonder beteekening aan de wederpartij geschieden.
An-, v. 9 Mei 1862, W. no. 2378; R., dl. LXXI, § 3; Ktg. Gouda, v. 24 Oct. 1872, W. nquot;. 3520 ; idem vonnis van hetzelfde Ktg. v. 22 Juni 1871, W. nquot;. 3368; idem vonnis Ktg. Groningen, v. 15 Jan. 1883, W. n0. 4885; idem Ktg. pl. 's-Gravenbage, Mr. A. J. W. v. Roi.ien, bij vonnis v. 12 Nov. 1883, W. n». 49G2. Anders Mr. Weve in Themis, :!de verz., jg. 1878, blz. 233, die van oordeel is, dat ook bij de kantongerechten het verzoek tot verhoor op vraagpunten schriftelijk en niet mondeling moet worden gedaan, op grond dat art. 125 B. R. de bepalingen omtrent het hooi en van partijen op zaken voor het Kantongerecht toepasselijk verklaart; schr. ziet levens nietin, waarom de partijen, ter terechtzitting tegenwoordig zijnde, zonder dat er sprake is van een voorafgegaan verzoek tot verhoor op vraagpunten, verplicht zouden zijn te antwoorden opvragen, hun door den kantonrechter ambtshalve of ten verzoeke der wederpartij gedaan.
Vgl. Mr. Greeve ca Mr. v. d. Kemp in v. n. Kemp's Onlw. ut supra. 3de druk, p. 324.
Art. 2;37.)
Vergelijk navolgende beslissing:
Met gezamenlijk goedvinden der partijen kan de beteekening achterwege blijven.
Iraplicite beslist bij Ktg'. Wijchen, v. 29 Jan. â¢1802, W. n0. 230'!.
40. Alhoewel volgens deze bepaling partijen in eiken stand van het geding mogen verzoeken elkander op vraagpunten te doen hooren, â kan in revisie van een arrest, waarbij eene incidenteele vordering tot getuigenbewijs is afgewezen, het verhoor niet worden gevraagd van de partij op vraagpunten, die de strekking hebben om de principale vordering te bewijzen.
Air. v. 10 Maart 1865, \V. n0. 2674; R., dl. LXXIX §40; v. n. /?., dl. XXIX, p. 300â308, welk beroep in revisie was gericht tegen het arr. v. 3 April 1802; cf, Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Oct. 4806, W. n0.2855, waarbij is beslist dat, zoolang alleen geschil over de competentie het onderwerp der litis contestatie uitmaakt, alleen die vraagpunten toelaat-baar zijn, die op dat geschil betrekking hebben.
I I. De bewering, dat met een verhoor op vraagpunten niet mag worden voortgegaan, zoolang op een wettig ingesteld hooger beroep niet is beslist en het vonnis a ([uo niet bij voorraad uitvoerbaar is, is ongegrond, wanneer de appellant niet heeft bewezen, dat het bedoeld verhoor heeft plaats gehad na de beteekening vau liet hooger beroep.
Arr. v. 48 Oct. 4872. VV. nquot;. 3518 (koloniaal appèl).
13. liet hof was alleszins bevoegd te beslissen op het incidenteel verzoek van de geïntimeerde om ten haren huize gehoord te worden, zonder den appellant uitstel te hebben verleend, om zich omtrent dat verzoek te verklaren.
Arr. v. 48 Oct. 4872, W. nquot;. 3548 (koloniaal appèl).
1,3. Wanneer in rechten verhaal wordt gezocht, hetzij vóór de ontbinding eener vennootschap hetzij daarna, wegens verbintenissen daaraan anterieur, en de verbonden firma te dier zake, zij het dan ook met de bijvoeging in liquidatie, wordt gedagvaard, staan die firma en hare individueele leden in lite, en zijn zij dus partij in het geding.
Arr. v. 24 Maart 4879, VV. nquot;. 4356, vermeld sub no. 43.
kv-cnts*- l C* vtM^TL. -cbv-f *L vrllt;~
/lamp;gt; . t y Mgt;^ ^Pfi. , ^ t -5^ ;
-v-
^az ri-^T* /
c^' ^ ,
/LL^
f*quot;-
, , â 1Alt;-quot;-' /^' quot; ' '' 'f'
quot;, e^.-/ â -quot;^lt;J2^ ^ A
li
-/
quot;7
,.^'V^- X'-
[Art. 237.
14. De gewezen vennoot, flie niet tot likwidateur is benoemd, kan in een proces tegen de vennootschap in likwidatie, betreffende verbintenissen daaraan anterieur op feiten en vraagpunten worden gehoord.
Arr. v. 21 Maart 1879, W. nquot;. 4850; R., dl. CXX1, S 28; v. n. II.
/;, /;., dl. XL1V. p. 97âlOS; R. B. jg. -1880, 11. p. 141, â anders het
daartoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Amsterdam, tweede kamer, 4 Mei
1877, W. nquot;. 4139; R. J5. jjr. 1877, A, p. 135; idem arr. Hof Amsterdam, atv* cjv^.wW
v. 14 Juni 1878, W. n». 4260; R. R. Jg. 1880, B, p. 136, waarbij gemeld vonnis £ im 7rv*t~
werd bevestigd. Zie de noot der redactie van het R. B. t. a. p.,p. 143 sqq.; . ^ uJ. qqamp;a -
idem Arr.-R. Amsterdam, v. 14 April 1881, R. 1!. jg. 1881, .1. p. 244. ^
De uitspraak berustte op het beginsel dat hij, die onbevoegd is het proces
te leiden, zooals in casu de gewezen vennoot, niet in den zin der wet
als partij kan worden beschouwd. Anders ten opzichte van dat beginsel !9a7rc'/f^^(^ I
dezelfde rechtbank, eei'ste kamer, v. 9 Moi 1877 t. a. p., p. 137, waarbij
het verzoek werd toegestaan om ook de vrouw te hooren, die met haar ,,
jrr-j l/Txva-'
./__
man, welke ten processe alleen voor de gemeenschap was opgetreden, ^
K fort, l.rz ' J'-* ' S/T J rf s*
, d . year's, ótn-iJ.
â .gt;. De vraagpunten mogen niet zijn onbestemde vragen, uit welker .^u
beantwoording men eenig licht hoopt te putten, ^naar moeten bestaan in vragen omtrent bepaalde feiten, welker beantwoording hetzij in untkennenden. lietzij in erkennenden zin, van invloed kan zijn op /
het bewijs der tusschen partijen betwiste feiten, v /Jt
Arr. v. 24 Febr. 1882, W. n'gt;. 4700; v. d. II.. B. II. dl. XLVII. n ^f2-
p. 221â228; R. B. jg. 1882. A, p. 44. fii'/-
iâ¬Â». De wet verbiedt niet, meermalen een verzoek tot verhoor op vraagpunten in dezelfde instantie te doen. ^
De toelaatbaarheid van een tweede verhoor, moet in ieder geval,
naar de omstandigheden, door den rechter worden beoordeeld.
ii/. n quot;JZ
Jle,
Arr. v. 29 Maart 1883, W. no. 4898; R. dl. CXXX1T1. § 47; vgl. arr v. Zwolle v. 1 Febr. 4882, W. 11°. 4780, waarbij is beslist, dat het niel ^
verboden is, om, na intrekking van oen verzoek tot verhoor op vraag- gt;L^e^-
punten, op nieuw een zoodanig verzoek te doen, behelzende dezelfde
feiten als het vorige. /./
Een tweede verhoor van dezelfde partij op vraagpunten in hetzelfde geding is niet altijd en onvoorwaardelijk ongeoorloofd. Zoodanig tweede a 9lt;jl_ verhoor mag echter alleen worden worden toegestaan in enkele gevai- ,/aa^c
len en om gewichtige oorzaken, die ten tijde van het eerste verzoek , tot verhoor niet bestaan hebben, of althans aan de vragende partij onbekend waren.
Mr. W. van Robsem Bz., Burq. Rechtsv. iö
gedagvaard was.
Vgl. ook art. 237 sub n0. 2.
23
Art. 237.) 70(5
j/L, I/mt/ Arr- v- 10 Nov- 1858. w- n0- 2014 ; «quot;⢠I^X, § 29; vgl. arr. P. H.
/' / quot; y v. N.-Holland, v. 20 Nov. 1857; R. B. jg. 1858, VIII, biz. 108, waarbij fl-!LI-rL~' zof f is beslist dat bet partij geoorloofd is, in dezelfde instantie ten tweeden T
a/? f n' égt;amp;a7 nla'e 'e verzoeken, zijne wederpartij op nieuwe vraagpunten te doen hooren, zelfs dan nog, wanneer haar vooraf gedaan gelijk verzoek is
afgewezen, met bevel, om ten principale voortteprocedeeren.
Zie ook navolgende beslissingen:
liet verhoor op vraagpunten kan in hooger beroep geschieden, ook '(ZrLi'^''rf' lla(lat reeds in eersten aanleg dezelfde partij van dat middel heeft ' gebruik gemaakt, vooral indien de vraagpunten niet geheel gelijk zijn
aan die, welke ter eerste instantie zijn gesteld, en de partij zich tegen
iJLln-t- â
Vy/'j- 'iet verzoek niet verzet.
P. II. v. N.-Holland, v. '28 Maart 1807, W. no. 2970, R. B. jg. 1807, p. 343. De rechter overwoog nog bovendien, dat bij de artt. 237 sqq. de ambtshalve tussehenkomst des rechters niet is voorgeschreven.
Na een eenmaal gehouden verboor op vraagpunten kunnen later nog eenige vragen worden voorgesteld, die uit de gegeven antwoorden, waarbij de tegenpartij niet tegenwoordig is, voortvloeien.
Arr.-R. Amsterdam, v. 13 April (Maart) 1870, W. n0. 3240, R. B. jg. 1871, blz. 230. De Red. van 't Bijbl. merkt bierbij aan, dat deze jniste beslissing weder aantoont, hoe afkeurenswaard het beginsel is, dat het verhoor buiten tegenwoordigheid der tegenpartij plaats vindt.
Ken tweede verhoor op vraagpunten kan niet worden toegelaten, wanneer het of vragen ten onderwerp zoude hebben, die reeds van de hand gewezen zijn, of dezelfde vragen als het eerste verhoor bevatte,
zonder dat daartegen iets afdoet de bewering, dat de wederpartij bij het verhoor deze .vragen verkeerd zou hebben opgevat of onvoldoende beantwoord.
Arr.-R. Almelo, v. 15 Dec. 1858, R. B. jg. 1859. dl. IX, blz. 270â279. Vergelijk voorts aant. 20 en 48.
1 S. Art. 237 B. 11. staat aan partijen toe, om elkander in alle quot; â zaken, zonder eenig onderscheid, op ter zake dienende en tot niets jlb, anders betrekkelijke vraagpunten te hooren, ook dan, wanneer de wet
o-cl-- kwC* alleen een bizonder bewijsmiddel (in cam alleen het opdragen van /V yiquot; den decisoiren eed aan hem die de bewaargeving ontkent, bij gebreke
crp van schriftelijk bewijs, met liet oog op de artt. 1923 en 1921. O N.), ,^^ter beslissing der zaak toelaat. ^
. mLcrcrr-
^ ^ (?lt; â uamp;cUn-fooLfiiCj 1*4-^ Lf 7
^ S' 'J*quot;' 'S^V*0-
^ ^ ^ ^ ^O. 0°*-' ^07/^7-
-ry) a-quot; *â ltsquot;/2--
-^r
S[rrO-amp; 0 | / . / 'J-
Ca.
Ire^ , T-^cry?â t^-A ^ ^, c^
6 Ã
f . / yt Z/j {/2. / T ^AA^e^e^x^- tlt;J lt;n ^0 ^^^9'
/r 707 ^ ^ (^4 237
Arr.-R. Sneek, v. 15 April 1839, W. nquot;. 101; â idem implicite, althans ter zake van de algeraeenlieid van den regel, in art. 237 13. R. vervat.
bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. li Maart 1847, W. nquot;. 831;
R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 482 sqq. en door Oudeman, Opm. en Meel.,
dl. I, p. 186â192 en B. R., 4de ed., dl. I, p. 274, die, aldaar bestrijdende het in een tegenovergestelden zin gewezen arr. van 't P. 11. v. Friesland,
v. 25 Juli 1844 en het vonnis van de Arr.-R, Leeuwarden, v. 21 Mei bevorens (vermeld op art. 1604 B. W., sub n0. 4)/opmerkt, dat de â
opvatting in dat arrest omtrent art. 1604, al. 2, B. W., alleen haren n*~ ~
grond heeft in de verkeerde plaatsing van het woord: valleenlijkquot; ^
aan het begin dier zinsnede, terwijl het bij vergelijking van art. 1715 C. N. en den Franschen tekst van het ontwerp blijkt, dat het in het midden behoort te staan enz.; zijnde de heer Oudeman wijders van gevoelen, dat het verbod om partij op vraagpunten te doen hooren alleen niet kan opgaan in die zaken, waar de toestemming der partij niet als bewijs kan gelden, welk gevoelen wordt gedeeld door de Martini, ad art. y 3; idem bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Nov. 1865, W. n0. 2787. â Penning, ad art. gaat verder en meent â op grond van de algemeenheid van art. 237, hetwelk gewaagt «van alle zakenquot; in verband met de omstandigheid, dat de te verkrijgen bekentenis later door ander bewijs kan worden versterkt, â dat ook het verhoor is toegelaten in die zaken, waarin enkele bekentenis niet als een bewijs mag worden aangenomen; cf. arrest Hof Amsterdam, v. 21 Mei 1880, R. B. jg. 1881, /1, p. 6, waarbij is beslist, dat bij processen van echtscheiding en scheiding van tafel en bed, het verhoor op vraagpunten is toegelaten, zoowel op grond van de uitdrukking in dit art. alle zaken, als omdat de bekentenis in bedoelde processen als bewijsmiddel niet bepaald is uitgesloten; â in gelijken zin de Pinto, IhU., B. B., II, 1, blz. 369; anders in cas van art. 1604 B. W., Arr.-R. Arnhem, v. 4 Juni 1855, W. n0. 1685, R. B.
jg. 1856, dl. VI, p. 610, en in cas van art. 1646 B. W., P. II. v.
Overijssel, v. 16 Juni 1873, W. n0. 3617. â- Vgl. wijders: 1°. de Martini ut supra, die (onder bijvoeging echter, dat dit gevoelen niet in zijne algemeenheid wordt gedeeld door Vazeilles, Traité de la Prescription, n0. 742), vermeent, dat het hooren van partijen op vraagpunten ook niet kan worden toegelaten in geval van verjaring, indien deze tegengeworpen wordt; 2°. omtrent de vraag, of het verhoor op vraagpunten ontvankelijk is, daar waar de rechtsvordering tot bekoming van den staat van kindschap is ingesteld en er geen begin van bewijs bij geschrifte aanwezig is, â de in onderscheiden zin gewezen vonnissen van de Arr.-R.
Groningen, v. 29 Juni 1849, sub art. 319 B. W., n°. 2 en van Maastricht,
v. 11 Maart 1847, ad art. 343, ibid, mede sub n0, 2 (zijnde bij laatstgemeld vonnis, waarbij het gold het onderzoek naar het moederschap dooi' onechte kinderen, beslist, dat een verhoor op feiten en artikelen is geoorloofd, hoewel de strekking hebbende, iemand zijne eigene turpitudo aan den dag te doen brengen); verg. met betrekking tot dit laatste,
aant. 36; en 3°. ten betooge, dat het verzoek tot het verhoor op vraagpunten ontvankelijk is, ook tegen den inhoud eener authentieke acte â
art. 1907 B. W., vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 4 Juli 1848, sub
Art. 237.)
nquot;. 11, idem he Pinto, IhV., Tt. /?,, 11, i, p. 372, (die echter aldnar tevens dnet uitkomen, dat men door het verhoor wel mag aantoonen de onwaarheid van hetgeen in de authentieke acte vermeld wordt, maar geenszins de vcdschheid der acte zelve, welke op de wijze bij de wet voorgeschreven (art. 17G en volgg. B. R.), moet worden bewezen); idem wat dat laatste aangaat arr. P. 11. N.-Braband, v.!) Maart 1809, W. nquot;. 4215; anders onder vigueur van den Code Nap., bij arr. v. 't P. II. v. Z.-Holland, v. 2!) Mei 1844, W. n0. 510; vgl. eindelijk Ktg. Gorinchem, v. 14 Dec. 1855. W. n0. 1747; waarbij is beslist dat, waar het verhoor niet de strekking heeft om iets te bewijzen, tegen of boven den inhoud eener notarieele akte, maar integendeel, om juist datgene te staven, wat daarin staat vermeld, â het verzoek moet worden toegestaan.
1^. De woorden //aan den rechter een verzoekschrift inleveren, hetwelk aan de wederpartij moet worden beteekend,quot; welke in art. 2:37 voorkomen, in verhand met de bepalingen der beide volgende artikelen, kunnen geene andere beteekenis hebben, dan dat de vordering in den vorm van een verzoekschrift aan den rechter moet zijn ingericht, en na insinuatie aan de wederpartij, daaromtrent op de gewone wijze worden voortgeprocedeerd en contradictoir behandeld, even als dergelijk voorschrift ook bij andere artikelen en in het bizonder bij artt. 274 en 28G gevonden wordt, doch kan daaruit geenszins worden afgeleid, dat het verzoekschrift vooraf aan den rechter moet worden ingediend, om daarop eenige beschikking te ontvangen.
P. H. v. Holland v. 1 April 1840 R., dl. IX, § 01; liegt in Nederl, lt;11.11, p. 374â370; idem bij vonnis dor Arr.-R. te Leeuwarden v. 28 Jan. 1840, R. liijbl.. jg. 1842 dl. IV, p. 014; idem Oudeman, B. Pi.. 4de ed., dl. 1, p. 278; de Pinto, Hdl., II, 1, p. 308; Sir. N. Olivier, Themis, 2dejg., p. 142sqq.; Mr. S. W. Tromp, R. Bijbl., jg. 1842dl. IV, p. 011 en volgg.; v. d. Hoxert, Formidierb., 3de dr. p. 140 volgg.; â anders bij vonnissen van de Arr.-R. te Leeuwarden v. 14 Jan., 7 April en 8 Juli 1841, R. Bijbl. ut supra, p. 009 sqq. en bij vonnis der Arr.-R. te Dordrecht v. 3 Juli 1839, Regt in Nederl., dl. II, p. 379, vernietigd bij arr. van 't P. G. van Z.-Holland als boven â naar luid van welke vonnissen het verzoekschrift ter griffie zou moeten worden overgebracht en vervolgens bij dispositie van de Rechtbank worden gelast, dat bet aan de wederpartij zal worden beteekend, die eerst daarna zou moeten worden opgeroepen, om zich over hare gehoudenheid te verklaren. â Dit laatste gevoelen schijnt mede te worden gedeeld door Penning ad art., die, hoewel erkennende, dat bet booren van de wederpartij op vraagpunten een incident is, evenwel meent dat het niet kan worden gedaan op de wijzen, bij de artt. 141 en 247 voor incidenten in bet algemeen bepaald, als zijnde hier z. i. eene bizon-dere wijze van procedeeren voorgeschreven.
708
{Art. 237
IW. Wanneer eau beklaagde bij arrest van de Raadkamer van een Prov. Hof, naar aanleiding van art. 133 Strafv., buiten vervolging is gesteld, dan is hij desniettemin gehouden, om in een later aangevangen burgerlijk rechtsgeding te antwoorden op vraagpunten, waaruit in hun verband van een gepleegd burgerlijk bedrog zou kunnen blijken.
P. H. v. Holland, v. 31 Maart 1841, VV. n». 180; liegt in Nedcrl., dl. III, p. 41â43.
80. Indien de eischer in eersten aanleg een verzoek heeft gedaan, om den gedaagde op feiten en vraagpunten te doen hooren, en de Rechtbank, dit verzoek met stilzwijgen voorbijgaande, den ingestelden eisch, tot staving waarvan het gevraagde verhoor dienen moest, gaaf heeft toegewezen (uit welk stilzwijgend passeeren van het verzoek, gedaan voor het geval, dat de rechter het voldoen daaraan voor zijne overtuiging noodig hield, geen ander gevolg kan getrokken worden, dan dat die rechter, reeds aliunde overtuigd van de gegrondheid der principale vordering, het leveren van verdere bewijzen, tot staving daarvan, in die instantie voor overbodig heeft gehouden, zonder dat aan die beschouwing kracht van gewijsde toegekend kan worden), dan kan, op het door den gedaagde van zoodanig vonnis geïnterjecteerd appèl, de geïntimeerde, oorspronkelijk eischer, zijn verzoek, om den appellant op de gezegde vraagpunten te doen hooren, bij rekwest aan het Hof herhalen, en heeft hij alsdan niet noodig incidenteel te appel-leeren van eene decisie, geheel in zijn voordeel uitgevallen, om in appel te blijven behouden de algemeene bevoegdheid, die de wet in alle zaken en in eiken stand van het geding aan partijen toekent.
P. H. v. Holland, v. 31 Maart 1841, W. nquot;. 180; liegt ui Nederig dl. III, p. 41â43; idem Oudeman, 4de cd., dl. I, p. 27(5 en (met een beroep op Pigeaii, dl. I, blz. 177 ; Carré, Oh., blz. 1229, en Berriaï St.-Prix, blz. 218) de Pinto, /W/,, II, 1, blz. 374, die evenzeer van gevoelen zijn, dat het verzoek tot het hooren op vraagpunten, kan gedaan worden in eiken stand van hot geding en dus zelfs in hooger beroep, ofschoon het in eersten aanleg niet was gevraagd. Zie voorts aant. 16.
58 JL. Een gedaagde is ontvankelijk in zijne incidenteele conclusie van dupliek tot het hooren op vraagpunten en artikelen, hoewel hij vóór de conclusie van repliek van den eischer aan dezen den beslis-senden eed had opgedragen, vermits dit laatste moet besciiouwd worden
700
Arl. 237.)
te zijn gedaan, niet om te afstand te doen van liet gedaan verzoek tot verhoor op vraagpunten, maar veeleer om geheel en regie te zijn, bijaldien zijne incidenteele conclusie tot verhoor op feiten en artikelen hem niet werd toegestaan.
Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Sopt. -1842; R. B. jg. -1843, dl. V, p. 609.
'i'i. Een verhoor op vraagpunten kan niet worden toegelaten, indien uit de gestelde vraagpunten wel eenige lichte vermoedens, mnar geen rechtstreeksch bewijs tegen den ondervraagde volgen zou, hetgeen te meer klemt, indien het, gelijk in casu, een geval betreft, waarin liet bewijs door getuigen bij de wet is uitgesloten.
P. H. v. Z.-Holland, v. 29 Mei 1844, W. nquot;. 510, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 24 Dec. 1842. â Dit arr. wordt breedvoerig bestreden door de Pinto, Hell., II, 1, blz. 369, die echter aldaar zeer onjuist als daadzaak stelt, dat in casu liet verzocht verboor op -vraagpunten zou zijn afgewezen, o. a. op grond, dat in do onderwer-pelijke zaak het getuigenbewijs door de wet zou zijn uitgesloten (Lkon). â Cf. Mr. N. Oj.ivier, Thcmis, 2de jg., p. 152, die doet opmerken, dat, indien men zoodanige vragen naar meeningen en gedachten toelaat, dit rechtsmiddel, hetwelk de wetgever zelf bedenkelijk en odieus noemde, in oene inquisitie ontaardt, die, met alle hare hatelijkheden, ten slotte doelloos is, daar niemand uit meeningen en gedachten van anderen rechte» onlleenen kan.
83. Tn geval van verhoor op feiten en vraagpunten, wordt de beantwoording eener vraag, voorgesteld over een punt, dat de rechter voor erkend houdt, noodeloos.
Arr.-R. Assen, v. Sept. 1844; R. Pgt;. jg. 184G, dl. VIII. p. 705â707, cf. Arr.-R. Arnhem v. 12 Febr. 1872, W. nquot;. 3511.
Vgl. navolgende beslissing :
liet verhoor op vraagpunten kan door een gedaagde niet worden ontgaan, door, na ontkentenis der feiten, waarop de vordering des eischers steunt, sommige vragen bij conclusie te erkennen en andere te ontkennen. Konde op die wijze op het verhoor worden geanticipeerd, dan zoude dit middel van instructie wel nimmer kunnen worden aangewend.
Arr.-R. Leiden, v. 22 Dec. 1854, W. no. 1679.
841. Ben antwoord op feiten en artikelen kan niet tot bewijs van hetgeen zij bevatten, door de partij, die het gegeven heeft, worden
710
[Art. 237.
ingeroepen, maar is eene acte van proces, aan beide partijen gemeen, waaruit door dengene, die geantwoord heeft, niettegenstaande de door hem gegeven antwoorden buiten aanmerking blijven, middelen van verdediging kunnen geput worden.
P. II. v. Limburg, v. 25 Nov. 1844, R. B. jg. 1845, dl. VII, p. 54Gâ548.
lt;Só. Na het in bevestigenden zin beantwoorden der voorgestelde daadzaken, doch met zoodanige wijziging, dat daardoor eene liberatie der gedane vordering zou worden teweeggebracht, kan alsnog het ge-tuigenbewijs op die daadzaken worden toegelaten.
P. II. v. Limburg, v. 25 Nov. 1844, R. B. jg. 1845, dl. VII, p. 546â548.
««. In eas van verhoor op vraagpunten voor den kantonrechter behoort, indien is onderzocht en beslist, dat de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn, de partij te worden gelast in persoon voor den kantonrechter in Raadkamer, zonder door een praktizijn te zijn bijgestaan en buiten tegenwoordigiieid van den verzoeker of diens praktizijn, te verschijnen, ten einde, zonder eenig opstel te mogen voorlezen, te antwoorden op de vragen, welke door den kantonrechter op de beteekende feiten en vraagpunten, of zelfs ambtshalve, naar aanleiding van deze, zullen worden gedaan.
Ktg. n0. 4 Amsterdam, v. 16 Sept. 1851, R. B. jg. 1851, p. 692 en 693.
8 S. De vordering van den incidenteelen eischer, dat de feiten zullen worden verklaard niet alleen ter zake dienende, maar tevens afdoende, ligt buiten de wet.
Arr.-R. Assen, v. 1 Maart 1852, W. no. 1461 ; R. B. jg. 1853, p. 510 en 511. â Cf. art. 237 B. R., sub nquot;. 8.
88. Eene partij, die hare wederpartij op vraagpunten wil doen liooren, moet die vraagpunten tekstueel opgeven, opdat de rechter kunne onderzoeken, of die vraagpunten ter zake dienen, en gaat het niet aan, te concludeeren tot een verhoor op vraagpunten, welke men zich voorstelt later te doen kennen.
Arr.-R. Amsterdain, v. 29 Maart 1853, R. B. jg. 1853, p. 249â254.
8». rl 1er beoordeeling van de toelaatbaarheid van het verzoek behoeft niet te worden onderzocht of van de beantwoording der vraag-
711
r ^ V .
y/Cis amp;-CST j^C-â--t*-ru amp;Ct^ iy?lt;_-^w ^Zgt;e^rry-ry-^igt; t^e^-
Q£^lt;. â . - VtfT f (r5-^;gt; -/ - a n* yjc ^ .'. 'rr-r.f^ j--/â â ' ----^ - ' S'c'' ^
__drt. 237.) . ^ 712 ,__^ . ,
y punten, de beslissing der zaak geheel en al afhankelijk kan zijn, maar ^AJtrS. /^oV alleen of die vraagpunten werkelijk in zooverre ter zake dienende zijn. ^ .o ,'y/ - dat zij tot staving der weren en middelen kunnen strekken, die de partij iu het aanhangig geding in zijn voordeel meent te moeten aanvoeren.
Arr. P. il. v. N.-Brabant, v. 24 April 1855, W. n0. 1652, vernietigende vonnis Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 30 Juni 1854, W. n0. 1651.
Tir sw*. Het verzoek tot verhoor op vraagpunten kan niet eenvoudig
. , bij incidenteele conclusie ter terechtzitting worden gedaan.
/yi/yso:' ^ ^
i , Het verzuim van het indienen van een verzoekschrift kan niet
LjUÃ -j^i-crZ/'O
^ worden gedekt, door eenige dagen na het nemen der conclusie, waarin
yJUvmüt^- tzsL. 0
verzoek tot verhoor is vervat, alsnog het rekwest aan de liecht-fa- 'wXsoJjwamp;jl. bank intedienen, en te doen beteekenen aan partij.
^ try^iJ-u^quot;-s~ â Arr.-R. Arnhem, v. 4 Juni 1855, R. B. jg. 1856, dl. VI, blz.dlOâ615;
Hijew******- idem Arr.-R. Goes, v. 30 Jan. 1860, R. li. jg. 1861, dl. XI. bh. 409â505.
r, jUft UPlt;ft , J--
' , 31. Ue rechter, die de al- of niet-toelaatbaarheid van, krachtens
yi b'jba.
art. 237 en volg. H. R. gestelde vraagpunten beoordeelt, mag niet vooraf op de hoofdzaak zijne beslissing geven.
1'. H. v. Z.-llolland, v. 30 Juni 1856, W. no. 1788.
33. De vrijwillige uitlandigheid van de eene partij kan de wederpartij niet berooven van haar rechtsmiddel om partij op vraagpunten te hooren, en kan voor den rechter geen grond zijn, om het gedane verzoek tot dat einde, aftewijzen.
I'. 11. in Z.-Holland, v. 7 Dcc. 1857, W. 11°. 1018; R., dl. LXI1I. § 70,
â¢tâ¢{ Niet de failliet, maar de curator moet op vraagpunten worden gehoord, ook dan wanneer het verzoek om den failliet te hooren, reeds voor het faillissement is gedaan.
P. H. in Gelderland, v. 27 Oct. 1858, W. nu. 2018; R. 1!. jg. 1858, dl. VIII, p. 489 sqf].; R., dl. LX11I § 70, bevestigende vonnis Air -H. Arnhem, v. 7 Jan. '1858, W. nü. 1902, li., dl. I,XV, § 64; R. 1!. Jg. 1858, dl. VIII, blz. 280â283; idem Arr.-R. Tiel, v. 6 Aug. 1862, W. n0. 2541 ; idem Arr.-R. 's-Gravenhago, v. 15 Oct. 1852, VV. nu. 1410 en Regtsgel. Adviezen, 5de verz., p. 215â221.
{An. 287.
SEen verhoor va)i den éénen gedaagde ten verzoeke van zijn mede-gedaagde is bij de wet niet hekend en doelloos.
Arr.-R. Aliuolo, v. 29 Juni 1859, W. nquot;. 2334.
Ken verzoek tot het hooren up vraagpunten is ontvankelijk, ook na eene ineidenteele conclusie tot getuigenbewijs, waaromtrent nog niet is beslist.
Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Mei 1860, W. iiquot;. 2210; anders arr. Hof Amsterdam, v. 20 Sopt. 1879. U. li. 1881, p. 4.
De rechtsregels : //dat niemand zijn eigen turpitudo tot grond eener vordering in rechten kan bezigen, en d .t, wanneer beide partijen eene bij de wet verboden daad pleegden, in jure causa melior est causa possidentis,quot; kunnen niet a priori het verzoek tot verhoor der wederpartij op vraagpunten niet-ontvankelijk doen zijn.
Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Doc. 1800, W. n°. 2250; Cf. vonnis Maastricht v. 11 Maart 1847, sub no. 17.
J1S. De vraagpunten moeten betreden eigenlijk gezegde handelingen, gebeurtenissen en omstandigheden, onder het bereik der zinnen van den mensch vallende, vatbaar om door de partij met zekerheid en ontwijfelbaar te worden erkend of geloochend, waardoor dus worden uitgesloten meeningen, oordeelvellingen en beschouwingen, vooral die, welke alleen met behulp van rechts- of andere wetenschappelijke kennis, kunnen worden gewaardeerd en waarover ieders oordeel kan verschillen.
Deze opvatting vau het woord vraagpunten, strookt zoowel met de geschiedenis van dit leerstuk, als met het erkend doel van dit rechtsmiddel.
Arr.-R. Gorinchem, v. 16 April 1861, W. nquot;. 2513; idem vonnissen Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Dcc. 1860, W. nquot;. 2250 en v. 19 Mei 1874, VV. n0. 3727, waarbij werd beslist, dat als partijen overeenstemmen omtrent de feiten, maar verschillen omtrent de rechtsgevolgen daarvan, een verhoor op vraagpunten overbodig is; idem vonnis Arr.-R. Amersfoort, v. 24 Juni 1874, W. n0. 3746, en Hof 's-Gravenhage, v. 30 Juni 1877, R. B. jg. 1878, A, p. 83, cf. arr. Hof Amsterdam, v. 28 Juni 1878, R. B, jg. 1879, A, p. 159. Anders P. II. v. Groningen, v. 15 Dcc. 1874. VV. n0. 3803, waarbij werd beslist, dat de vraagpunten ook rechtsbe-schouwingen ton onderwerp mogen hebben.
SS. De partij, die de eerste rechter gelast heeft op vraagpunten te doen hooren, kan, van dat vonnis appelleerende, niet van den
y y
r'j fr/j f'fi'O ck -Y- - q r 2. w
f ⢠^ ^
*v- ^ 7 -- -r^- ^''^v ïf/^K £-a£ Ir-Crtrr' ^a^espi* c^-t^- Irr^rT. -^j- a -st -^2- r t, y
1^'V-XS-S14.Ã' c'f-* ^ '^v- v ,gt; £. 0, t /zamp;f. ?_ T ^ / , '^t, sSj^sy Is'- a. 4- a-/t y
Art. 237.) 714 ^ ^'
Vt-^quot;7? e,lt;i'. ^.~C. jli,. y-tnirScitS-Ci^ /y -yy^- ^ J a , £3. rt quot; Sy l lt;j .
hoogereu rechter vragen, dat zijne wederpartij vooraf op vraagpunten worde gehoord.
P. II. v. Zeeland, v. 19 Mei 1863, R. li. jg. 1865, p. 40.
.VyW »». In een geding, waarin eene getrouwde vrouw is gedagvaard
t tot haren bijstand en machtiging haar echtgenoot, kan deze laatste
^ ^ULnl*. oPj^niet op vraagpunten worden gehoord.
1 ' I1- II- in Z.-IIdlland, v. 22 Febr. 1864, W. n0. 2567, ook vermeld sub
^ ^ art. 800 B. R.
40. Waar de exceptie van onbevoegdheid door meerdere gedaagden is opgeworpen, zijn ook de daartoe betrekkelijke vragen, slechts tot één hunner gericht, niet toelaatbaar, als kunnende diens antwoorden van geen invloed zijn op de beslissing ten aanzien zijner mede-excipienten.
Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Oct. 1866, \V. n0. 2855.
41. liet verzoek tot verhoor op vraagpunten behoort door den rechter te worden toegestaan, indien de wederpartij niet tot afwijzing of niet ontvankelijk-verklaring concludeert.
P. II. V. N.-Holland, v. 28 Maart 1867, W. n». 2970.
r' * - T' 'âs
â -43. De beteekening van het verzoekschrift, om de wederpartij op vraagpunten te mogen doen hooren, voorgeschreven bij dit artikel kan
.A-yvu.
⢠^Wwett;io geschieden, bij acte van ])rocureur tot procureur, en behoeft /^l f 'oe? n°(p6 aan wederpartij in persoon gedaan te worden.
l/f, -KsTÃ7 Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juni 1869, W. n». 3145, anders : zelfde Arr.-R.
t6, co**-. van 3 Jan. 1879, R. B. jg. 1879, A, p. 227.
if'quot; 413. Wanneer eene partij zich bereid verklaart om, ofschoon onver-
yio-r. Iamp;-9amp; â 1 J
P.*J- ^.^plieht, aan het verzoek der tegenpartij tot verhoor op vraagpunten te /99/voldoen, maar tevens acte vraagt van hare bewering, dat de vraag-punten naar hare meening niet zijn ter zake dienende, dan moet dit als tegenspraak beschouwd en die partij in de kosten van het incident veroordeeld worden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Sept. 1869, W. nquot;. 3152; vergelijk de aan-teekeningen art. 56 E, B. R.
-44 Wanneer in appèl alleen de vraag hangende is, of een zeker stuk uitmaakt een begin van bewijs bij geschrifte, met dit gevolg dat
{Art. 237.
getuigenbewijs toelaatbaar is, kan in die instantie geen verhoor op vraagpunten, loopende over de te bewijzen overeenkomst zelve, worden toegestaan.
P. II. v. Zeeland, v. 25 Mei ISGO, R. B. jg. ISTl, dl. XXi, p. 5G3; verg. aant. 10.
.|Wanneer in zaken a bref délai beide conclusion door partijen zijn genomen, een dag van pleiten door partijen is bepaald, kan de zaak dadelijk ten principale worden beslist, wanneer het gevraagde, maar geweigerde verhoor slechts strekken moest om bewijs te verkrijgen voor de positieven, waarop de gedaagde zijne verweringen grondde.
Arr.-R. Amsterdam, v. 19 April 1871, R. B. jg. 1872, dl. XXII. p 830.
4«. De vragen door den gedaagde gesteld, zijn niet afdoende, wanneer, ook bij de bevestigende beantwoording, geene verandering in de vordering van den eischer wordt gebracht.
Arr.-R. Amsterdam, v. 19 April 1871, ut supra.
-13. Op het verzoek van den oorspronkelijken gedaagde, dat de gedaagde in vrijwaring op vraagpunten zal worden gehoord, kan niet worden beschikt, wanneer de oorspronkelijk gedaagde, tegelijkertijd het debat over de hoofdzaak met den oorspronkelijk eischer wil voortzetten.
Arr.-R. Broda, v. 14 Dec. 1875, W. nquot;. 3990.
JIS. Wanneer door gemis van bepaling van een uur, een verkregen verhoor op vraagpunten niet heeft kunnen doorgaan, kan niet een tweede verzoek tot dat verhoor worden gedaan, maar moet de weg van appèl of rekwest civiel worden gevolgd.
Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Jan. 1878, R. B. jg. 1878, A, p. 85; verg. aant. 16.
49. Het verhoor van een overledene op vraagpunten kan niet worden bevolen.
Hof 's-Hertogenbosch, v. 8 Juli 1882, VV. no. 4828.
50. Uit de woorden »in eiken stand van het geding'1, die verstaan moeten worden in den zin van //gedurende den geheeleu loop van het procesquot;, volgt volstrekt niet, dat, als eenmaal een partij recht, heeft verkregen om een getuigenverhoor te doen plaats hebben, de
715
Art. 237.)
tegenpartij fie uitvoering van liet interlocutoir zou mogen schorsen, door weder een ander middel van instructie, iiiimelijk een verhoor op vraagpunten, inteschuiven.
Hof 's-Hertogenbosch, v. 14 Nov. 1882, W. nis. 4838 on 4864; cf. do aanteekening in R. B. jg. â 1881, A, p. 6, waar mededeelinggedaan wordt van de beslissing der Aiusterdainsche Rechtbank, die liet verzoek van den eischer toewees, door hem gedaan op den dag voor pleidooien bepaald, nadat er eene enquête had plaats gehad en de gedaagde van de contra-enquête had afgezien.
51. Zie ten betooge, dat een intervenient vooralsnog uiet-ontvan-kelijk is in zijne conclusie tot het hooren op feiten en vraagpunten, zoo lang hij nog niet als zoodanig in het geding is toegelaten â
art. 285 B. R., vonnis van de Arr.-R. Assen, v, 19 Jan. 1846.
58. Zie omtrent de vraag :
а. Wanneer het incidenteel verzoek tot het verhoor op vraagpunten al dan niet te gelijk met de hoofdzaak kan worden heslist â
art. 249 B. R., arr. v. 15 Febr. 1855 on air. van 't 1'. H. v. Z.-Holland, v. 20 Sopt. 184:!.
б. Of het in jure constitmndo is goed te keuren, dat de vraagpunten, op welke eene partij hare wederpartij wil doen hooren, vooraf aan deze moeten heteekend worden â
Mr. A. O. in du Opm. cn Mcd., dl. V, p. 239â249, on Mr. Weve t. a. p., die do inrichting van liet verhoor van partijen doelmatiger acht, wanneer de beteckening der feiten en vraagpunten aan dc partij vervalt, maar deze door middel der griffie aan den rechter ingeleverd worden, terwijl het verzoek tot verhoor eenvoudig gedaan wordt l)ij conclusie, bevattende de opgave, omtrent welk geschilpunt men de tegenpartij verlangt te doen hooren; vgl. Mr. 11. Verloren, die in \V. nquot;. 1721 het verlangen uitdrukt, dat het verzoek tot het hooren op vraagpunten bij conclusie geschiede. â In het ontwerp B. R. '1805, is in art. 103, do tweede alinea van art. 237 weggelaten.
Zie omtrent de wenschelijkheid van de afschaffing van het verhoor op vraagpunten, zonder dat het door eenig nieuw middel wordt vervangen â Mr. 1quot;. A. T. Weve in Thcmis, 3de vorz., jg. 1878, blz. 229â231; zie verder over het verhoor op vraagpunten de praeadviezen van Mrs. 1). J. Momviscii en J. Pinner in do Ned. Jur. Vereenigiug, Handelingen, jg. 1878, dl. I, p. 103 sqq., cn de discussie daarover ib. II, p. 7 sqq.
Zie mede omtrent het nut van dit bewijsmiddel in don tegenwoordigen toestand der rechtsbedoeling â Lipman, B. It., p. 109 ca 110.
{Art. 238.
Art. 238.
I Het is den rechter, bij liet onderzoek, of zekere vraagpunten tot liet geschil betrekkelijk zijn, niet verboden na te gaan, welke voorwaarden bij een aannemingscontract zijn voorgeschreven, en welke bewijsmiddelen zijn gevorderd bij het contract, dat den grondslag der vordering uitmaakt, ook dan, wanneer hij hierdoor zijne meening over de zaak ten principale eenigennate zou kenbaar maken.
Arr. v. 23 Nov. 1854, in revisie gewezen, W. nquot;. 1505; R., dl.
XLVIII, p. 204.
3. Ook dan, wanneer de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn, en de rechter dit in de motieven van zijn gewijsde erkent, is hij niettemin alleszins bevoegd, zoo hij zoodanig verhoor onnoodig acht,
het af te wijzen. ^ vèn-
Arr. v. 31 Maart 1871, W. nquot;. 3321; v. d. II. Ji. IS., dl. XXXV. quot;xquot;quot;
p. 595 sqq.; bevestigende arr. Prov. Ger. N.-Holland v. 13 Oct. 1870,
W. n0. 3331; cf. aant. 7 op art. 237 13. R. zi. .Xin . ufyj
3. Indien liet tweede vraagpunt de daadzaak, in het eerste vraag- ^
punt in kwestie gesteld en niet beleden, als waarheid veronderstelt,
is het eene strikvraag, waarop men niet gehouden is te antwoorden ' '
[in specie waar het 1°. de vraag gold, of de eischende societeit niet is ^'
eene vennootschap van koophandel, welke hare benaming ontleent aan '' r' het voorwerp harer handels-onderneming, en 2°. of die handelsver-eeniging niet tot onderwerp heeft het ontginnen van kolenmijnen,
welke niet aan de gezamenlijke vennooten toebehooren, en het leveren en uitverkoopen van steenkolen aan handeldrijvende en andere personen).
Arr.-R. Maastricht, v. 13 Jan. 1853, W. n0. 1432. â Vg). de Pinto,
B. It., II, 1, p. 354, (2de druk, p. 37ö sqq.); art. 00, Wetb. v. Strafv.
en de Bosch Kemper, Strafv., dl. II, 120.
â¢4. De daadzaken, waarover een verhoor op vraagpunten wordt gevorderd, moeten 'persoonlijk zijn verricht door hem, dien men wil doen hooren. Te dien opzichte bestaat geen verschil tusschen dat rechtsmiddel en de eedsaflegging.
717
Arr.-R. Tiel, v. 8 Juni 1855, W. n0. 1740.
ö. Waar de wederpartij bij eene door hem afgegeven verklaring
Art. 238.)
hare verplichting tot antwoorden uitdrukkelijk heeft erkend, is verder verhoor overbodig.
Ivtg. Wijchen, v. 29 Jan. 1802, W. nquot;. 2301.
(i. Het verhoor op vraagpunten is toegelaten als een buitengewoon middel om de waarheid van feiten, die eene partij persoonlijk of hare handelingen omtrent de zaak in geschil betreften, te ontdekken, als een middel, dat, welke nuttigheid daarin ook soms mocht gelegen zijn, nimmer behoort gebezigd te worden, om elkander te vergauwen of het gebrek van bewijs aan de zijde van de eene partij door de wederpartij door een getuigenis tegen haar zelve te doen aanvullen, waardoor dat middel zou worden van inquisitoriale!! aard.
Arr.-R. v. Assen, v. 4 Febr. 1807, W. nquot;. 2907.
S. De referte van de wederpartij omtrent het verzoek tot verhoor op vraagpunten ontheft den rechter niet de vraagpunten nauwkeurig te onderzoeken. ^ ^
Hof Amsterdam, v. 20 Sept. 1879, li. li. jg. 1881, A. p. 4.
Art. 239.
1. Dit artikel, ook bij een verhoor op vraagpunten voor den kantonrechter van toepassing, bedoelt niets anders, dan dat het verhoor niet in het openhaar zal gehouden worden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Nov. 1801, W. no. 2345; zie hetzelfde vonnis vermeld op art. 125 B. R.; zie ook art. 237, nquot;. 9.
3. Ook bij eene kantongerechtsprocedure behoort het vonnis inhoudende het bevel tot verhoor op vraagpunten aan de wederpartij betee-kend te worden.
Ktg. Groningen, v. 0 Nov. 1882, W. nn. 4801; cf. aant. 9 van art. 237.
3. Volgens Mr. Weve verdient aanbeveling dat het verhoor der partij altijd plants hebbe ter terechtzitting met gesloten deuren buiten tegenwoordigheid der wederpartij en praktizijns â
Tliemis, 3de verz. jg. 1878, IjIz. 230.
7 IS
ytamp;t /-lt; t-
hsCvZC.AA' 4?
l/C/L^A^or-iSi
QA'-fr^
syTX-v-v- OJZI^ ^y 0 a/^ e^etyf-
r^uy IriJ.
f Ax 4- irirteyCerfsi
719
H* 7lgt;
ïsruc'zi^
fa/quot; ïi* ó?yq/J-
. h v*JL,i- 'V^dbnrV o-c*-^ aju^Cr^y 'Z!Llt;J^j^AJL. o^^A-trx^^C
^ ,- Arl CJ4Q
^/t^cO-n-X , Jx^JyijL. o-p fa_, eAj-x^-^yu^. : ^26. UO fe^nr. C^t If ^ K/* t-t, yV.
\. Aan het verzoek om liet verhoor aan eene bnitenlamlsche recht-^;^ . , ,^4^iWgt;? hank op te dragen, kan worden voldaan, zoo daartoe termen bestaan ^ / â¢
. 'J f'Pt y yf. . - J /. jO\ c ygt; /Si/4 /i/ 14H /KTUl .
- tbïyysr cwt. cP l/e^ijOu^ /ysp*? . S. /*/ -^/s 0*1 /jay rt-0 /Zo ,
Stsrtramp;yyV OJU- / ^ ^ thnnr
fclt;ytâ/⢠^JLm._ ,rlt; £lt; /2 -C^^Ã^, Ji^ J)
, lt;?y ^ J /r rAtL ^ / üPfé
ngen, v. * ,
â â â¢lt;- 5 N0V. 1883 en M Sept. 1869, W. nquot;. 3152; anders arr. Hof 's Hage v. ^ c^iA, {- a-^^- ^ i2 April 1881, U. B. jg. 1881, A, p. 157; W. nn. 460!). Zie de noot dor \U^J.. redactie t. a. p. Vilz. 158; cf. Mr. T. M. C. Asser «Sctiets van lilt;!t inter- ju
vcC. rib, Mx^tut^vuryi (t /£*^,0/. TV
Arr.-R. Amsterdam, (implicite) W. n0. 5002; cf. Ktg. Gro
{Art. 240.
*rl
rj , â ' stilzwijgen der wet de opdracht ongeoorloofd is, wanneer
'£amp; ^L'^vU.tSfa, z'ch daartegen verzet^quot; verg. verder niet betrekking tot getuigenverhoor ^rt 200 B- R- aant- 1-
O . camp;SLs^â' 'e -*- r~-f'--£r
3. Nergens is voorgeschreven dat het proces-verhaal van non-
worden /quot;â u/t cJ.ytfyr.
nationaal privaatrecht», 2dc stuk, p. HT sqq. die van oordeel is, dat Itij
Kirueei is, iihu m , ,,. , /gt; t eene de; partijen/^
'Tvquot;^
comparitie ter kennisse van de niet verschenen partij moet gebracht of aan haar beteekend.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Nov. 1801, R. R. jg. 1862, p. 201 sqq. Gehaald snb art. 125 13. Rv.
1 ,
CWfïOiAf
^ 1^r
/yâ fttr~lt;rv
c /) / V/. t', , ' i t^é £4/- n r^n
^Xr/XJL' /lit.
,, _ » 2â cP .
I Bestuurdérs van quot;Corporatiën zijn niet alleen gehouden te ant-woorden op feiten die hen persoonlijk aangaan, maar ook omtrent '
feiten de Corporatie betreffende, die aan hen (((j. bekend zijn of kunnen 7^
zijn uit liet archief.
; y v
L
7 quot;
v f ^-VT
SJ^n^r- vZo. ïc. i4-
Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Febr. 1877, R. B. jg. 1877, .1, p. 97.
{ns^sisc. c* Q-*
lx eri^l lt;L'Wgt;.
J~/r
4
A_ (HjC^
V'
6HVJ
Ufn'ffcfy.
in den zin van art. 237 B. II â
art. 237 voormeld, arr. v. 17 Nov. 1848, sub nquot;. 4.
CfOt,» i. yL r/Z^r.^.y' i r~ ITi^yt, ae gt; ? n,mamp; . tyem i . . Aquot; n f T ZG AJ fkz
amp;1SI/o{'lt;L' â quot; 2-OTy fs.fy' â } f 't^-rrr' '^] ' /^^
toepasselijkheid van art. 242 B. R. niet alleen op zoodanige /V /^lt;7^'3ePaa'^e besturen van instellingen, stichtingen en zedelijke lichamen, quot; r ' die uit bepaalde personen zijn samengesteld en door dezen worden ver-U/. WS/O â tegenwoordigd, maar ook op den Staat, volgt uit de algemeenheid van Jln^dAM /quot;x. wetsartikel, gelijk zulks dan ook tacitc. is beslist bij arrquot;. van 8 Deo, lurv'- i. gt;-fr 1843 en 21 Sept. 1844, sub art. 237 B. R.. nquot;. 2. Uitdrukkelijk echter f-zbr. /p'ii l'-: â is dit wets-artikel ten aanzien van den Staat voor bet eerst toegepast
.bij arr. v. 23 Nov. 1854, W. n0. 1595, in revisie gewezen. â Bij dat
4 ,
00 (Z-
n.- .
X Q-
Cy-'-t 'i. â
e.
(7Loe- rt .
trpo
7;
-férfOU
IrClX^Cre^Z
\ 7-0-0
? *y2- ' ? %0amp;%(PO .
z^-
^9
1
le verzoeker was gekomen in verzet, moet worden beschouwd als partij ^
* p ) , £ TJLso/sCA-KJ lt;^-c^-gt;_» trf **- â¢/, c ^ â ââ¢*-amp;quot; _____gt; o^-*^^â⢠_
ns^j â x^llA- t^n^'JUy^ JL.-^ , KJVQ^U t 4gt;U^ f -fa^e. Lvr-s
lt;- i Ifjvf d*â rtrr^t, ~ ty o3, U/.^°y^So.
Art. 244.) 720
arrest is de Staat iler Nederlanden gelast, naai- aanleiding van art. 24'i Jj^^r o--^. B. R., in het lokaal der terechtzitting van den II. li. te verschijnen, ten
/tfe Co- einde aldaar voor een raadsheer-commissaris op de hij ilat arrest gearticuleerde vraagpunten te worden gehoord.
-faaeJlJ- â Bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Jan. 1840, in
.Vetter/., dl. II. p. 27'i, is de Administratie der Rijks-middelen en belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnsen beschouwd als een zedelijk lichaam, bestaande uit verschillende hoogere en lagere ambtenaren.
f/trwry *amp;lt;-gt; f -
ïrt. 244. A . , V* ,
1 ^^ ---/ ------------
lu het beweren, dat de zaak den geïntimeerde met aanging, kan niet worden gezocht eene zoodanige weigering om fe antwoorden, /f waaraan zou moeten worden verbonden liet. gevolg, hij art 244 15. R OcJ-^/^ voorgeschreven.
jS/J. P- II. v. N,-Holland, v. M Juni 1851. VV. n». 12154.
Vfl.
Art 245
ctvyu fea'h. |-ngevaj van verhindering van zoodanigen aard, dat het eind daarvan
niet te voorzien is, behoeft de rechter geen nader tijdstip te bepalen
ij-, ^quot;l6^ en kunnen desniettemin de feiten niet voor erkend gehouden worden
Arr.-R. Middelburg, v. 43 Maart 1878, W. nquot;. 4223, li. B. ,jg. 1878,
.4, i). 294.
Art. 247.
I. De bepaling van art, 778 B R. derogeert geenszins aan de regelen, voor alle incidentele vorderingen, bij de artt. 247- 249, noch aan die omtrent het getuigen-hewijs, bij artt. 199 en volgg. B. R voorgesch reven.
Arr. v. 3 Jan. 1845, W. nquot;. 591 ; R.. dl. XIX, § «5; v. n. II., B. II.,
dl. VI, p. 223â234; Cf. art. 778 B. R., arr. v. denz. datum sqq.
8 Bij de artt. 247â249 B R. zijn alleen voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop, en den vorm waarin incidenteele vorderingen J.
moeten worden aangebracht en vervolgd, doch zijn geenszins bepaald de aard of de grenzen dier vorderingen.
Arr. v. 3 April -184G, \V. 11°. 707; R.,dl. XXIV, §12; v. D. Honeut, Ti. It.. dl. VII. p. 30-1â388. â Vgl. hiermede het daartoe betrekkelijk vonnis,
Oi lt;L'0^-lt;--C Ã ^/Vâ
1
A
oLet^L. £* «jL ^-^-f. £ i
r 721
^(.^) cb*~ â £-
(/1)7. 247.
van de Arr.-R. te Leetnvarden, v. 'iT Feb. 1844, W. nquot;. 484; nt supra, bevestigd bij arr. van 't 1'. II. v. Friesland, v. 7 Mei â¢1845. â Cf. in gelijken zin v. d. IIonert. liöh., p. ,'{;!2 en Oudeman, /'. /(., 4do od.. dl. 1, p. 283.
3. Art. 247 B. R. kent aan den verweerder in een tusschen-gesc.ini wel de bevoegdheid toe, om op de incidenteele vordering te antwoorden,
doch legt aan dezen geene uitdrukkelijke verplichting daartoe op;
zoodat de rechter ten volle bevoegd is, om ook zonder dat antwoord ys ^ 'f-
het tusschengeschil te beslissen.
Arr. v. 2!) Oct. 1832, W. nquot;. 1383; R., dl. XL1I1, § 22; v. n. Honert, /ra- -yquot;quot;**- *% B. li., dl. XV, p. 211 sqq. quot;
-1-. Eene incidenteele vordering kan niet worden toegewezen, wanneer daardoor het principaal appèl zou worden gepraejudicieerd, en de appel- 'isstrrS**1 lant, indirect, ten deele, hetzelfde zou verkrijgen, als waartoe zijne principale conclusie in appèl strekt (in specie waar door den eersten ^
rechter is heslist dat eene verzegeling wel en te recht is gedaan en
U-,
/,^'b.
o fa-tQ rvT-
P. II. v. Holland, v. 1 Mei 1839, R., dl. IV, § 20. â Cf. art. 247 B. R., 7^ vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 14 Maart 1842, sub n0. 7. _ ,
5. De rechter die bevoegd is in het hoogste ressort kennis te nemen van eene personeele en mobilaire rechtsvordering [in casu tot bekoming van eene bepaalde som gelds, tot vergoeding van het gemis der waarde van hoornen en voor schade en interessen, aan den eigenaar veroorzaakt door uitrooiing daarvan), is eveneens bevoegd in het hoogste ressort, kennis te nemen van de incidenteele contestatie, welke ook haar aard of waarde zij, ingeval die kwestie, slechts als rechtsmiddel aangevoerd zijnde, niet is het onmiddellijk onderwerp der rechtsvordering.
P. II. v. N.-Brabant, v. 4 Jnni 1839, Regt in Ncderl., dl. II, p. 190â 192. â Cf. Pigeau, II, p. 23, ed. Tarlier, en een arr. van 't Hoog Gerechtshof te 's Ilage, v. 23 Juli 1824, bij v. Hamelsveld, II, 1823â 1825, p. 131.
O. De gedaagde kan, ook als de conclusiën ter audiëntie reeds genomen zijn en de dag tot pleiten bepaald is, nog eene incidenteele vordering tot stateering instellen, op grond, dat de eischer, na het
Mr. W. van Rossem Bz., fiurg. Rechtsv. 40
hangende liet hooger beroep bij incidenteele conclusie is gevorderd 1°. sequestratie van den hoedel. Ã0. benoeming van een sequester en 3°. de voorloopige ontzegeling en inventarisatie).
. L* -gt; t - e.S-t^£ â ^*0 o^-A.*..c** £- -----'
/ ó ü }
â/f. . / /lt; v^ z o-1L£a^ «
*y s* ...
. ^ ^ u^oia^. i_y(j^urL^-clo-0.^-:~'ya^ , o-u-t-â V
0-^mtM.-*.^-S l'-rr-rrr amp;Y^
JV%^ ^ ^ -. â...
j f t nemen (Her conclusion eene voorziening in cassatie heeft doen hetee-
'^-' kenen tegen de rechterlijke uitspraak, van welke hij, gedaagde, zijne
Æ /lt;? â ge]leele verdediging afhankelijk had gemaakt.
/Æ'â '-/ ^p 11 v Holland, v. 13 Jan. 1841, W. nquot;. 158. â Cf. art. 141 B. II.,
y/rSj an. v 24 Mei 1850 sqq. sub 11°. 1 en art. 254 B. R., arr. van 't P. II.
â £/qo-Z.,^- van N.-Holland, v. 21 Maart 1850 sqq 7.io omtrent de toelaatbaarheid
JJ van incidenteele vorderingen in het algemeen in voorschreven stadium
^ 7^7 van het geding, art. 139 B. R. arr. v. 22 Juni 18G0 sqq.
9. Aan hem, tegen wien eene vordering is ingesteld, ora zicli van alle verder beheer over zekere goederen te onthouden, en om rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en die aan den eischer de hoedanigheid betwist, waarin deze optreedt, over welke exceptie reeds is geconcludeerd, hoewel ze nog niet als voldongen beschouwd wordt, kan geene incidenteele vordering worden toegewezen, strekkende daartoe, om (zonder praejudicie van het hoofdgeschil) gemachtigd te. worden tot de openbare verpachting van landerijen, waarover het beheer zou loopen.
Arr.-R. Arnhem, v. 14 Maart 1842, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. C02â1)04. Cf. art. '247 B. R., arr. v. 't H. v. Holland, v. 1 Mei 1839, snb nquot;. 4.
Daar de vordering tol onderhoud, door de vrouw, uit krachte van art. 268 of art, 301 13. W. ingesteld, facultatief en niet imperatief is en berusten moet op het feit van behoefte van haar, die het vordert en van liet vermogen van dengene die verplicht is het te verstrekken, volgt hieruit, dat de daartoe strekkende incidenteele vordering en de akte, waarbij die vordering ter rolle is gebracht, op stralle van niet-ontvaiikelijkheid, de voorschreven middelen moet inhouden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Nov. 1854. W. n0. 1598. â Cf. het op art. 48 B. R, sub nquot;. 4, vermelde vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum.
Het is nergens bij de wet verboden, in zaken op korten termijn, nog ten dage voor de pleidooien bepaald, maar voor liet houden daarvan, eene conclusie van antwoord te nemen, vooral op eene incidenteele vordering.
Arr.-R. Arnhem, v. 3 Sept. 1857, R. B. jg. 1858, dl. VIII, bl. 194 197. Verg. betrell'ende dit piinl, in het algemeen, art. 139 B. li., nquot;. 1.
|
fr. . r I^f- T o^i. - 723 |
â¢JV?Z. [Art. 247, |
t». Ouk in zaken, die op korten termijn zijn aangebracht, kan getuigen bewijs bij incidenteele conclusie gevraagd worden, zonder op de zaak zelve te concludeeren,
Arr.-R. quot;s-Gravenhage, v. IS April 1800, W. n0. '21 S'i.
I 1. Eene incidenteele vordering kan niet bij rau-actie worden ingesteld. Ait.-R. Hoorn, v. 23 Mei IHOO, W. n0. 2837.
f 3. Zie over de vraag of na de pleidooibepaling nog incidenteele vorderingen kunnen worden gedaan â
arr. v. 22 Juni 18G0 sqq. sub art. 139 B. li. n0. 1.
Art. 248.
1. Eene beweerde schending van art. 248, jquot;. art. 50 B. R. vervalt, indien de noodzakelijkheid eener incidenteele vordering eerst is opgekomen, na een arrest van den Jl. R.
Arr. v. 3 April 1840, W. no. 707; R., dl. XXIV, § 12; v. igt;. IloNKRT. B. Æ?., dl. VII, p, 301â388.
8. De bewijzen, welke men verlangt aan te voeren, behooren nllc tegelijk te worden aangeboden, en het is niet geoorloofd die deels bij te brengen en bij ongenoegzaambevinding andermaal nieuwe bewijsmiddelen aan te voeren.
Arr.-R. Deventer, v. 17 Oct. 1800, R. II. jg. 1801, dl. XI, bl. 043â048. Verg. vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Nov. 1859, R. B. jg. 1860, p. 53â5(5; idem Arr.-R. Amsterdam, 18 Juni 1850, R. B. jg. 1850, dl. VI, blz. 350 â354, aangeh. bij art. 249.
Art. 249.
I. Er kan door het niet-verwijzen der zaak naar de Arr.-R , waartoe partij subordinaat voor het Hof had geconcludeerd, geene kwestie zijn van schending van art. 249, noch van art. 100 B. R , wanneer in fact» is uitgemaakt, dat noch exceptie noch tusschengeschil was gemoveerd, maar de gedane afstand ingevolge de bepalingen van art. 321 W v K is gelegtl tot fundament van verdediging tegen den principalen eisch zeiven, tot welks ontzegging onder beneficie van dien afstand was geconcludeerd.
slrf. 249.)
Arr. v. 23 April 1847, W. nquot;. 839; R, dl. XXVIl, § 36; v. n. ITonert, B. /;.. dl. Vin. p. 453â471. â Vgl. hiermede liet daartoe betrekkelijk arr. van 't P. H. van Gelderland, v. 15 April 184(5, W. nquot;. 800; R. R., j,T. 1840, dl. VIII, p. 489â491, bevestigende het vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 15 Dec. 1845, W. ut supra.
8. Wanneer de rechter, na de beslissing der hoofdzaak, opgenomen in het dispositief van het vonnis, verklaart dat het, ten gevolge dier beslissing, overbodig is op eene incidenteele conclusie van eene der partijen [in canu tot getuigenbewijs) te beslissen, dan is dit, indien overigens liet vonnis, ten opzichte van het incident, al de bij art. 59 B II. gevorderde bestanddeelen in zich vereenigt, eene wezenlijke beslissing omtrent de overbodigheid van uitspraak op dit incident, en heeft alzoo de rechter, door daarop niet afzonderlijk te beslissen, art. 249 B li niet geschonden.
Arr. v. 22 Dec. 1854, W. nquot;. 1007, R. dl. Xi.lX, § 14, vernietigende liet iu een tegenovergestelde!! zin gewezen arr. van 't P. H. v. 1quot; riesland, \'. 15 Maart 1854, W. n0. 1504.
3. De rechter kan bij de verwerping van het verzoek tot verhoor op vraagpunten, hetwelk een incident vormt, tevens de hoofdzaak 'TW. beslissen, indien hij oordeelt, dat die in staat van wijzen is, ook dan,
, L y ,, als de verzoeker, ofschoon daartoe in de gelegenheid geweest zijnde,
fkntilayK jUlU- _ i i j
7 V niet ten principale heeft geconcludeerd.
Mjl, '/.lt;y t-'Pjl Al.1, v 45 Feb, 1855, W. nquot;. 1021; R., dl. XL1X, § 43; v. d. Honert,
p.'/ox. jl. Tt, dl XIX, p. 03 sqq.; bevestigende oen arr. van 't P. II. v.
N.-lIolland, v. 2 Maart 1854, W. nquot;. 1528; idem bij arr. van betzelfde Hof 4 Sept. 1845, W. no. 037.
fvQnuiy ity Vergelijk ââk navolgende beslissingen :
Wanneer er geen redelijk belang bestaat, om de hoofdzaak nog niet te beslissen, behoort deze tegelijk met de incidenteele vorderingen te worden uitgewezen.
/Qjtlj lt; Arr.-R. Almelo, v. 18 Juni 1862, R. B., jg. 1803, dl. XIII, bl.634â639.
! %r Yi, h-f Wanneer de eischer zich bij conclusie van repliek niet uitsluitend
a bóTiQ ' bepaalt bij zijne incidenteele vordering, maar daarbij tevens in wederlegging is getreden van de beweringen des gedaagden omtrent de hoofdzaak, kan de rechter oordeelen, dat er voldoende termen aanwezig zijn, om, na afwijzing der incidenteele vordering, op de hoofdzaak zelve recht te doen, en zulks te meer, wanneer de eischer zich omtrent de
724
^CtX^^Co.' nb/ $*-Ai-s2- '-Oz^ -£--M^-7 z^j^^f. s^e^a/i^U^ £*
d*^ aiucl. 'â -^-^ ^ ^-^r
J-fU . , ^amp;, , ^?IL^- /S-^ft^. r*Prf/tP
hoofdzaak geeu ander bewijs heeft voorbehouden of aangeboden, en het bewijs door getuigen bij de wet is uitgesloten.
Arr.-R. Leidon, v. 17 Maart 1857, VV. riquot;. 1859.
De rechter kan, met voorbijgaan der incidenteele conclusie, de hoofdzaak beslissen, al ware het, dat de partij met opzet heeft verzuimd zich omtrent de hoofdzaak uit te laten.
P. II. v. N.-Holland, v. 19 Juni 1862, W. n0. 2458, bevestigende Arr.-R.
Amsterdam, v. 22 Oct. 1801, W. n0. 2457.
liet door een gedaagde gevoerd systeem van defensie, dat de eisch onbewezen is, brengt uit zijn aard mede, dat de zaak in dien toestand is om eene beslissing ten principale te verkrijgen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 15 April 1863, W. nu. 2504.
-E. liet is alleen aan den rechter overgelaten om, naar gelang van omstandigheden, de incidenteele vorderingen vooraf en afzonderlijk, dan wel tegelijk met de zaak ten principale te beslissen.
Arr. v. 24Maartl871, W. no.3320; v. li. Honert, dl. XXXV, p. 573 sqq.; vm.
idem arr. v. 20 Jan. 1872, VV. nquot;. 3433; v. ü. Honert, B. R., dl. XXXVI, , fiv.
|). 371 sqq.; idem aiT. P. II. Limburg, v. 23 April 1800, W. n0. 2181; idem y;quot;//
Ktg. Gorinchem, v. 10 Maart 1855, W. n0. 1745, waarbij tevens werd beslist 7-â n J dat zelfs eene uitdrukkelijke uitspraak omtrent het incident in ieder geval niet gebiedend wordt voorschreven, en van 14 Deo. 1855, W. n0. 1747,
waarbij word beslist dat de zaak afzonderlijke behandeling van het incidenteel verzoek medebrengt, wanneer de hoofdzaak nog niet in staat van wijzen is. Zie ook Ktg. Gorinchem, v. 29 April 1850, W. nquot;. 1757, vonnis Arr.-R. Amsterdam, 15 April 1803, W. no. 2504 en van Arr.-R. Gorinchem,
v. 10 Deo. 1850, W. n0. 1824; arr. P. 11. v. Z.-Holland, v. 27 Juni 1859.
W. n». 2092, waarbij beslist werd dat hot incident gelijktijdig mot de hoofdzaak moet worden behandeld, wanneer eerst uit het onderzoek van de geheele zaak te beoordeelen is, of al dan niet de subsidiaire conclusie zal te pas komen. Vergelijk met dit laatste ook arr. P. H. v.
N.-Holland, v. 7 Juni 1858, W. n0. 2048.
«. Hoewel een verzoek om de partij op vraagpunten te hooren, het principaal geding geenszins schorst, is het toch eene incidenteele vordering, welke, naar luid van art. 249 B. R., eerst en vooraf moet worden uitgewezen, indien de zaak het medebrengt. Dit laatste is het geval,
wanneer daardoor kan worden voorkomen, dat er een incident tot de zaak behoorende, ter beslissing overbleef, nadat de principale zaak reeds door een eindvonnis was afgedaan, als zijnde de rechter niet bevoegd
AH. '249.) 726
te beslissen op een incident in een geding, dat reeds door een eindvonnis op de hoofdzaak van denzelfden rechter was beslist, {in casu veroorzaakt doordien op den dag van pleidooi de gedaagde een inci-denteele conclusie heeft genomen tot het verhoor van den eisclier op vraagpunten, met verzoek tevens dat het pleidooi, hetwelk over de hoofdzaak op denzelfden dag bepaald was, mocht worden uitgesteld voor een onbepaalden tijd en de zaak aangehouden, totdat omtrent het gerezen incident uitspraak zou zijn gedaan, waarmede zich ook de advocaat des eischers vereenigde, doch welk verzoek evenwel door de Arr.-lv. te Gorinchem, W. ut supra, is van de hand gewezen, met dat quot;â¢evolg, dat eerst na de beslissing der hoofdzaak over liet incident is uitspraak gedaan, wanneer het gevraagde verhoor is afgewezen, op grond dat de dingtalen reeds waren geëindigd).
P. II. v. /,.-Holland, v. '20 Sept. 1843, VV. n0. 51ü.
4» Daar waar de voorgedragen exceptie of het incident in een onmiddellijk verband staat met de al dan niet-ontvankelijkheid of de al dan niet toewijzing der hoofdvordering, en mitsdien die beweerde exceptie of dit incident, hoezeer dan ook onder dien vorm voorgedragen, het wezen en liet karakter heeft van eene verdediging ten principale, kan de gedaagde niet de uitspraak ten principale verhinderen, door daarbij te persisteeren en zich zijne verwering ten principale te blijven voorbehouden.
Arr.-R. Amsterdam, v. lil Oct. 1845, W. n0. 664. â Cf. art. 135 W. v. K., vonnis van dezelfde Air.-II. v. denzelfden datum, sub n0. 2 en art. 160 B. R.. arr. v. '21 Jan. 1842 sqq., sub n». '2.
ï. l'ien geschil over de echtheid of onechtheid eener handteekening moet als een incident beschouwd worden, hetwelk eerst en voorafmoet worden uitgewezen.
Arr.-R, Maastricht, v. 25 Feb. 1847, W. n0. 901; K. I!., jg. 1847. dl. IX, p. 480 en 481.
S. In art. 249 B. R. ligt niet opgesloten, dat de znak ten principale kan worden beslist, zonder conclusiën daaromtrent van partijen.
Indien een eischer, gesommeerd om op eene enquête voort te procedeeren, zich bepaalt bij eene incidenteele conclusie tot mededeeling van stukken, kan hij, in zijn systema die stukkeu behoevende.
{Art. 249
alvorens ten principale te kunnen concladeeren, daaromtrent ook geene conclusie nemen, alvorens het incident was beslist esi zijn er in dien stand van zaken geene termen om met het incident tevens de hoofdzaak te beslissen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Oct. 1848, R. !gt;., ,jg. 1848, dl. X,p.563â56fi
fgt;. ^^^aIlneer in eene conclusie alleen is verzocht, dat de rechter op grond der gestelde en in cas van tegenspraak door getuigen of andere wettige bcwijsrniddeleii te staven daadzaken, den eischers hun eisch zou ontzeggen, stelt deze vermelding in transitu van daadzaken, te staven door getuigen of andere bewijsmiddelen, geene bepaalde incidentele conclusie tot getuigen-bewijs daar, op welke door den rechter afzonderlijk zou moeten worden recht gedaan.
Arr.-R. Nijmegen, v. 12 Aug. 1850, W. nquot;. 11(10; lv. !!., jg. I8.j0, dl. XII, |). (373 sqq.
IO l^en eischer is niet-ontvankelijk in zijne conclusie tot voeging der incidentele vordering hij de hoofdzaak, nadat hij op dat incident reeds had geconcludeerd.
Arr.-R. Groningen, v. 8 Nov. 1850, R. B, jg. 1854, p. 3G;) en 366.
fl. Welke uitzonderingen bizondere gevallen op de bepaling van art. 249, al. 1 B 11. mogen maken, behoort de beslissing van eene dilatoire exceptie, die toch vóór het antwoord ten principale moet worden voorgesteld, in den regel eerst plaats te vinden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Feb. 1851, W. n0. 1232; R. f!. jg. 1851, |gt;. 201â205; Amsterd. Regtspr., dl. I, p. 293â297.
1.58 De eischer, die een incident opwerpt {ïn casu de vordering tot openlegging van de brievenboeken van gedaagde), moet, wanneer hij nog tot andere bewijsmiddelen wil toegelaten worden, conjunctim of subsidiair met dat incident daartoe concladeeren.
Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juni 1850, R. B. jg. 1856, dl. VI, blz. 350â354.
13. Op eene incidenteele vordering tot teruggave of uitlevering van stukken en documenten, niet vallende onder de in art. 1923 B. W. omschrevene, noch tot de in a t. 148 B. R. bedoelde, behoeft niet afzonderlijk te worden recht gedaan. De uitspraak omtrent de inciden-
727
Arl. 24'J.)
teele vordering kan aangehouden worden tot de uitspraak op de hoofdzaak
Air.-R. Assen, v. 30 Juni 1856, R. B., jg. 1857, dl. Vil, bi. '217â21S.
14. liet gaat niet aan om, bij verwerping van een tusscliengeschi], tevens op de hoofdzaak recht te doen, zonder partij in hare verwering te hebben gehoord, en zonder dat de zaak dus voldongen is.
P. II. v. N.-Holland, v. 10 Sopt. 1857, W. nquot;. 19G6. waarbij nog werd beslist dat de conclusie tot opheffing van hot bref délai en subsidiair tot liet verleenen van uitstel voor het nemen van conclusiën en voor de pleidooien is eene incidenteele vordering; cf. air. zelfde Uof v. 24 Dcc. 1874, W. n0. 3808, waarbij werd beslist, dat waar appellanten van hun recht hebben gebruik gemaakt om vóór hot dienen van eene memorie van grieven incidenteel te concludeeren tot het verhoor van partij op vraagpunten, en dit verzoek wordt afgewezen, zij hun recht om alsnog van grieven te dienen niet hebben verbeurd. â Vgl. ook art. 249 B. R. sub n0. 3.
I .V Eene reserve in eene incidenteele conclusie van alle verdere weren van rechten verhindert den rechter niet, de incidentele conclusie passerende, de zaak ten principale af te doen, wanneer de partij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad alle weren van rechten te doen gelden.
P. II. v. Gelderland, v. 10 Febr. 1875, W. n0. 3805; cf. n0. 3, van dit artikel.
Art. 250.
I. Het ligt in den aard der zaak, dat er bij het nemen van een reconventionelen eisch, een eisch in conventie bestaan moet, en dat, bij gemis van den laatsten, de bevoegdheid tot het eerste ontbreekt.
Dientengevolge handelt geheel onbevoegdelijk een eischer, die, wanneer er bij rechtelijke uitspraak interveniënten in de zaak zijn aangenomen, en, dit gewijsde in rem judicatam overgegaan zijnde, het incident van interventie als zoodanig niet meer bestaat, tegen deze aangenomen interveniënten een zoogenaamden recon ventioneelen eisch instelt, voordat er van hunne zijde nog eenigerlei conclusie hoegenaamd, op en ten gevolge der toegestane interventie is genomen, zijnde het al verder even onbestaanbaar en onaannemelijk, wanneer in zoodanige toedracht
728
: : vor:^ PRiVAquot;
729 {Art. 250.
van zaken door dezen zoogenaamden reconventioneelen eisclier, bij wijziging in zooverre van zijne primitief ingestelde vordering tegen den gedaagde, tot eene veroordeeling van hem wordt geconcludeerd, mede ten behoeve en profijte van de aangenomen interveniënten, buiten hen en zonder hunne toestemming.
Arr. v. 13 Febr. 1852, W. no. 1305 (onder dagteekening v. 31 Jan. 1852) R., dl. XLI, § 22; â idem ten botooge, dat, vermits een eisch in reconventie eerst gedaan kan worden bij bet antwoord in conventie, een gedaagde bij conclusie geen reconventioneelen eiscb kan instellen, wanneer de eisclier ten dage dienende, vóór het nemen eener conclusie van eiscb. afstand van de instantie doet, bij vonnis der Arr.-R. Hoorn v. 19 Jan. 1848, R. li., jg. 1848, dl. X, p. 123â125. â Vgl. met betrekking tot bet arr. v. 13 Febr. 1852, Penning, ad art. die meent, dat in dit arrest {aryumcntum c contrario) ligt opgesloten, dat de eisclier in dit geval wel den eiscb in reconventie bad kunnen doen bij zijn antwoord tegen den intervenient, cn dat dus door «gedaagde)1 in art. 250 li. R. ook moot worden verstaan de eisclier tegenover een intervenient.
Indien het toegebrachte nadeel bestaat in een onrechtmatig gelegd conservatoir beslag, kan de daaruit voortgevloeide actie bij reconventie worden ingesteld, als niet vallende in de uitzonderingen, vervat in art. 250 B. R.
Hoezeer tusschen de wederkeerige actiën (tot van waarde verklaring en opheffing) een onbetwistbaar verband bestaat en die aan elkander zijn gecoordonneerd, kan daaruit echter geenszins worden afgeleid, dat die des gedaagde als het accessorium van die des eischers zou moeten worden aangemerkt, daar toch het denkbeeld van een accessorium een zoodanig verband met het principale in zich sluit, dat de regeling van het laatste, als een noodwendig gevolg, de regeling van het eerste te neeg brengt, terwijl de actie tot opheffing eene juist tegenovergestelde strekking heeft en alleen bestaanbaar is, wanneer die des eischers ongegrond zou worden bevonden en dan ook in de jurisprudentie van alle tijden is begrepen, dat de principale vordering der partijen accessoire onderdeden kan bevatten, maar nimmer de vordering des gedaagde, iietzij als exceptie, hetzij als reconventie voorgesteld, als een accessoir van de tegenpartij is beschouwd.
P. 11. v. N.-Brabant, v. 11 Febr. 1840, W. nquot;. 114; R., dl. Vil, § 29; idem de Pinto. B. dl. II, 1. p. 438 sq.; â anders bij arr. v. liet P. H. v. Utrecht, v. I Sept. 1841, R., dl. X § 29 (bereids vermeld op art. 152 li. R., sub n0. 15), naar luid waarvan de contrarie-conclusie tot
Art. 3.r,n.)
(ipheffinp; van 0011 bnslap' met allo gevnlften on aanklevo van flicn, freon eiscli in reconventie vomit; iiloni bij vonnis Arr.-R. Bridle, 0 Aug. 1861, W. 11°. 2297; idem Oudkman, B. B., I, 4 cd. p. 338; idem in de conclusie van Openb. Min. bij 11. II.. welke betrekking heeft tot het arr. v. 27 Nov. 1845, W. no. 071; v. n. II.. B. 7Ã, dl. VII, p. 179â198; R.,dl.XXIll. § (gt; (te vinden op art. 54 R. Org. sub n0.2), volgens welke ook de eisch tot kost- en schadelooze opheffing van bet arrest, de eenvoudige en gewone tegenvordering van den gearresteerde is. tegen don eisch tot van waardc-verklaring, en zij altijd behoort te worden gedaan, omdat eene eenvoudige afwijzing van den eisch tot van waarde-vorklaring niet genoegzaam is, om aan het gelegd beslag zijne kracht te ontnemen, en hiertegen niet obsteert het argument, dat do gearresteerde dadelijk en zonder den eisch tot van waarde-vorklaring af te wachten, afzonderlijk eono actie tot opheffing van het arrest en schadebotering kan instellen, daar die vordering is en altijd blijft niet anders dan eene verdediging tegen hot gelegd arrest en mitsdien, wanneer en hoe zij ook gedaan worde, eene contra-conclusie van den gearresteerde, gelijk dan ook, volgens het Openb. Ministerie, zeer terecht opmerkt Carré, C. de l'roc. Civ, ad art. 567, 11, p. 365, od. 4°. â Vgl. verder die conclusie, sub art. 250, n0. 4 on art. 253 B. R., arr. van 't P. II. v. N.-Brab. v. 11 Fobr. 4840 sqq., alsmede een vonnis v. Arr.-R. Maastricht, v. 24 Juni 1847, W. nquot;. 914; U. B., jg. 1847, dl. IX, p. 730â739, waarbij (mede in zake waar het gold de ophofling van een onrechtmatig gelegd arrest) is beslist, dat de eisch in reconventie niet is een onafscheidbaar accessorium van den eisch in conventie, hetwelk mot don eisch in conventie blijft staan of moet vallen, gelijk blijkt uit de bepalingen van art. 252 li. R.
CS Indien blijkt, dat partijen over en weder aan elkander gedurende onderscheidene jaren goederen hebben geleverd, voor elkander werkzaamheden verricht en betalingen gedaan hebben, henevens te zamen gemeenschappelijke handelingen gehad, uit welk een en ander tusschen partijen openstaande zaken zijn ontstaan, welke moeten worden verevend en de eene partij niet in acht neemt de proces-orde, voorgeschreven in den 5den titel van het tide boek 15. R., maar eene actie instelt tot betaling van hetgeen zij beweert haar van hare wederpartij toe te komen, onder afslag van hetgeen zal blijken daarop in mindering, compensatie of vergelijk te moeten strekken, dan is ook de wederpartij ontvankelijk in hare reconventioneele vordering, met betrekking tot datgeen wat zij vermeent te dier zake tegen den oorspronkelijken eischer in debet te kunnen doen gelden, en vervalt ook mitsdien te dier zake ten haren aanzien liet volgen der procedure uit krachte van art. 782 B. R.
Arr.-R. Gorinchom, v. 23 Mei 1840. W. 11«, 140.
7:50
{AH. 250.
731
4 Wat ook bij Romeinsche, Oud-Hollandsclie of vroegere Frnnsclie wetten of eostumen voorgeschreven of gebruikelijk ware, met betrekking tot fle eounexiteit, door eenige dier wetten in geval van reconventie niet, door andere wel gevorderd, heeft de wetgever in het thans ligeerend Wetb. v. B 11., speciaal in art. 350 !? II., gelijk ook blijkt uit fle geschiedenis van dit wets-artikel, uitdrukkelijk vastgesteld, dat de gedaagde in alle zaken bevoegd is eisch in reconventie te doen, zonder dat in de uitzonderingen op dezen regel, in hetzelfde artikel voorkomende, en welke dien regel bevestigen, de connexiteit der vorderingen in conventie en reconventie is opgenomen.
P. H. v. Overijscl v. 49 April 1841, Rcrjt in Nederl., dl. IV, p. 20 on 21; idem (mede ten betooge, dat er volgens do tegenwoordige wetgeving geene connexiteit behoeft te bestaan tusschen do vordering in reconventie en die in conventie), bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. 4 Nov. 1846, VV. nquot;. 862; R. li., jg. 1846, dl. VUT, p. 736 sqq. en hot Ktg. 's-Gravenhage v. 21 Juni 1843, W. n0. 449; â idem arr. v. Middelburg, v. 17 Maart 1875, R. 13., jg. 1875, A. p. 193. â Vgl. hiermede do conclusie van het Openb. Min. bij den 11. R., welke betrekking lieeft tot het arr. v. 27 Nov. 1845, (bereids aangehaald op art. 250, sub n0.2), waaruit blijkt, dat, hoewel 't Openb. Min. van moening was dat de leer der Franscbe rechts-doctoren omtrent de reconventie, in ons hedendaagsch recht niet kan worden ingeroepen, omdat deze de reconventie voel nauwer beperken, dan zulks in ons Oud-Vaderlandsch recht geschiedde en aan hetzelve bestaanbaar toeschijnt met de ruime bepaling, ten aanzien van do reconventie, in art. 250 B. R. aanwezig, niettemin geloofde, dat tot het wezen eener reconventioneele vordering behoort, dat zij haren oorsprong' hebbe in een beweerd recht van den gedaagde, antorieur aan de tegen hem ingestelde actie, of althans niet daaruit voorvloeiende; dat het een recht zij dat de gedaagde bad kunnen vindiceren, ook al ware de eisch in conventie niet tegen hem gedaan; dat dan ook met de definitie van IIurer (1) niet wel overeenkomt oeno vordering, alleen strekkende tot vergoeding der schade, die men zou geledon bobben door bot proces zelf, dat men tegen don eiscber voerde â (zie wijders die conclusie sub art. 250, n0. 2). â Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. 22 Jan. 1845, R. I!., jg. 1845, dl. VII, p. 292 en 293, waarbij is beslist dat, indien de grond tot contestatie van den eisch in conventie is gezocht in eene bijkomende omstandigheid, welke door den gedaagde in conventie is aangevoerd en hij daarop niet alleen zijne conclusie tot niet-ontvanko-lijkheid in conventie doet berusten, maar ook zijn reconventioneelen eisch heeft gebaseerd, hij (gedaagde in conventie) alsdan verplicht is do nood-
(1) âjRcconueii/ïV zegt Hueer, Prael. I, Cis. ad tit. ff., de cjuibus rebus ad eundum judicem edtur. Lib. XI. Tit. 2, âest reciproca actio, per lt;iuain reus aetorem apud suum (rei) judicem de alia causa conveuire potest, coiitiahendac litis gratiaquot;.
Art. 250.)
zakclijlilioid van den invloed van den reconventioncelcn cisch op den cisch in conventie aan te toonen, anders: bij vonnis Arr.-R. Breda, v. II Jan. 1859, W. nn. 2051, waarbij werd beslist dat aan eiscli in reconventie nog dit donkbeeld wordt gehecht, dat er tusschen de beide vorderingen in reconventie en conventie een zeker verband zal bestaan, zoodat de eerste eene verwering tegen de laatste in zich sluit, of met die verwering althans samenhangt. In reconventie kan volgens deze beslissing dus niet scheiding van tafel en bed worden gevorderd, berustende op verschillende daadzaken als oorzaak van die waarop de in conventie ingestelde actie tot scheiding van tafel en bed berust. â Verg. echter Arr.-R. Assen, v. quot;19 Febr. 1872, VV. n0. 3548, R. B., jg. 1873, p. 23, aangeh. op dit artikel. â Cf. omtrent den aard en het wezen van een eisch in reconventie en ton betooge dat er volgens het Nederl. recht geen verband behoeft aanwezig te zijn tusschen den eisch in conventie en dien in reconventie â v. d. Monert, Ilclb., p. 333; Oudeman, B. li., 4de ed., dl. I, p. 287 en de Pinto, B. /i,, dl. II, 1, p. 885 vlgde. â Vgl. ook Lipman, Aanm. op 't Ontw. v. W. v. 11. Rpl, p. 9C en den Hoogl. Nieniiuis, in zijne voorlezing ten betooge: dat het wenschelijk is, bij do tegenwoordige herziening onzer wetgeving, dezelve aan te vullen, door een volledig zamenstel van stellige regtsbepalingen omtrent de middelen tot handhaving van regt (Gron., 1833), p. 54.
S. De kantonrechter, aan wiens beslissing te gelijk eene conven-tioneele en eene reconventioneele vordering zijn onderworpen kan indien hij oordeelt dat laatstgemelde vordering zijne bevoegdheid te buiten gaat, zich niet onbevoegd verklaren om van de geheele zaak kennis te nemen, maar behoort hij, met beoordeelnig van den conventioneelen eisch, den reconventioneelen eischer met zijne vordering te verwijzen daar, waar zulks behoort
Arr.-R. Amsterdam, v. 19 April 18M, W. n0. 258; R. B., jg. '1840, dl. quot;VIII, p. 174 en 175; idem bij vonnis der Arr.-R. Leeuwarden v. 20 April 1842, W. no. 407, implicito bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Dec. I8G0, W. no. 2249 en Oudeman, B. R., 4de ed., dl. I, p. 288; anders bij vonnis van 't Ktg. 's-Gravenhage, v. 21 Juni 1843, W. nquot;. 449, waarbij is] beslist, dat in dit geval de gegrondheid hetzij der reconventioneele vordering, hetzij van den eisch in conventie, allooi als bewijsmiddel voor het bestaan der compensatie, door den kantonrechter, behoort te kunnen worden beoordeeld, daar laatstgenoemde niet behoeft te beslissen over het geheele bedrag dier schuldvorderingen, maar zijn onderzoek zich behoort te bepalen tot do vraag, of er eene liquide schuld bestaat, welke do in reconventie gevorderde som te boven gaat, bij gebreke waarvan eene vordering, gegrond op eene vernietigde schuld, door eene rechtelijke uitspraak zou kunnen worden bekrachtigd, hetgeen is ongerijmd en alzoo in rechten onbestaanbaar. â Verg. ook in geval van nauw verband tusschen de beide vorderingen bij vonnis Ktg. 's-Gravenhage, v. 2 Aug. 1858, VV. n0. 2045, waarbij werd beslist dat wanneer de kanton-
732
(Art. 250.
rechter onbevoegd is om te oordeelen over den eisch in reconventie (eene vordering tot vernietiging eener verbintenis), die z. i. niet van de vordering in conventie kan worden afgescheiden, hij eo ipso ook onbevoegd is om uitspraak te doen over de vordering in conventie (tot betaling krachtens verbintenis), hoezeer hij ten opzichte van de laatste, op zichzelve beschouwd, bevoegd moge zijn, welk vonnis is bestreden door S. M. in W. n0. 2057; ~ Vgl. een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 43 Febr. 'IS'IG, vermeld in het arr. v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 18 Maart 1847, VV. n0. 828, sub art. 40 Pgt;. R., nquot;. 24, waarbij die Rechtbank, zich onbevoegd verklarende om over de reconventionele vordering te oordeelen, het geding in conventie, overeenkomstig de conclusion van den reconven-tioneelen eischer, voor eenen bepaalden tijd beeft gestateerd, ten einde na gewezen vonnis van den bevoegden rechter, de zaak ten verzoeke van de meest gereede partij te hervatten.
G Indien iemand wegens verschuldigde huurpenningen is gedagvaard, dan kan hij den eisch niet tegenspreken op grond ven recht op schadevergoeding en korting op de huurpenningen bijwege van compensatie, ter zake van schade, hem toegebracht door stoornis in liet rustig bezit van het gehuurde, naar aanleiding van art. 1580 13. W nader te bewijzen, maar behoort vooraf die schade te blijken, bij staat opgemaakt en alsdan reconventioneel aangebracht.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 14 Jan. 1845, Rc;/t iu NcderL, dl. IV, p. 282 en 283. â Cf. art. 1303 13. W., vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 20 Mei 1840, sqq., sub nquot;. 5, in 2de editie ert. 1302 snb nquot;. 8.
5. De voogd, aangesproken wordende wegens eene schuld der pupillen, als erfgenamen hunner moeder, kan ten behoeve dier pupillen eene reconventioneele vordering doen tot uitkeering van datgeen, hetwelk, met het oog op de artt. 1401 en 1419 C. N., niet viel in de gemeenschap, maar de eigendom bleef der vrouw of van hare erfgenamen.
Arr.-R. 's-Gravenhage. v. 2 Jan. 184G, W. n0. 074.
S. Een gedaagde kan tegen den anderen gedaagde een eisch in reconventie instellen, indien die eisch voornamelijk ook tegen den oorspronkelijke!! eischer is gericht.
Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 19 Maart 1847, W. iio. 855. â Cf. art. 08 li. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1846, sub nquot;. 12; â art. 137 ibid., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 10 Nov. 1843, sub n0.1; de artt. 280 en 330 B. R., arr. v. 21 Mei 1847 sqq.; art. 344 li. R., arr. v. 't P. H. in Holland v. 4 Nov. 1840 en art. 250 H. R., vonnis van dn Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Nov. 1853, sul) nn. 14. Zie ook de aant. 20 en 43 op dit art.
733
stë//' easyiy
/ S -tr
jutr- c(a^ cu^r^ iâ ^ amp;e^6^A^
z-v Tcw- . Wff 6Jr yzyé.
f Art. 250.) ^ // 734
?gt;. De reconventioneele vordering blijft bestaan, wanneer na liet
antwoord afstand van den eisch in conventie lieeft plaats gehad en
deze afstand niet anders is aangenomen dan onder voorwaarde, dat op ilen cisch in reconventie zou worden voortgeprocedeerd.
Arr.-R. Maastricht, v. IA Juni 1847, \V. nquot;. 914; K. B., jg. â 1847, dl. IX, p. 7.%â739.
IO In den zin der wet kan niet worden geacht eene reconventioneele vordering te zijn ingesteld, wanneer de eisch in conventie afgewezen wordende, daardoor de reconventioneele vordering per se geheel en al vervalt.
Arr.-U. Assen, v. . . Nov. 4847, W. nquot;. 1209; U. 1!., jpr. 1852, p. 111â114. Zie een voorbeeld dat de niet-ontvankelijkheid der vorderinu' in conventie van zelve die der reconventie ten gevolge moet hebben, Arr.-R. Assen v. 17 April 1809, W. nquot;. :{15(), en Arr.-R. Breda, v. 24 Maart 1857, W. nquot;. 187(1.
I I. Wanneer de gezamenlijke erfgenamen zijn gedagvaard ingevolge art. 4, no. 4 B. R , dan zijn zij bevoegd als zoodanig een eisch in reconventie in te stellen, zonder dat daaraan de onbekwaamheid van een dier erfgenamen praejudicieert.
Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Febr. 1849, VV. nquot;. 1010; R. B., jg. 1849, dl. XI, p. 104 sqq.; Rp.yt in Nfiderl., dl. IV, p. 388â391. â Cf. art. 4 B. R., vonnis van dezelfde Arr.-R., v. denzelfden datum, sub n». 10.
13. De onbevoegdheid ratione personae valt niet onder de exceptiën van art. 250, al. 2 15. 11
Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Oct. 1850, Amsterd. Regtspr., dl. I, p. 150 â155. â Cf. art. 155 1!. R.. vonnis van dezelfde Arr.-R. v. denzelfden datum, sub n0. 15.
I 3. De echtgenoot, tegen vvien een eisch tot ecfdscheiding wegens kwaadwillige verlating is ingesteld, kan bij reconventie vorderen scheiding van tafel en hed wegens buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen. zonder de voorschriften van art. 816 B. R. te hebben nageleefd.
Arr.-R. Maastricht, v. 20 Juni 1851, W. nquot;. 1274; idem, daar waar eene actie tot scheiding van tafel en bed is ingesteld en door den gedaagde beantwoord met eene reconventioneele vordering tot echtscheiding â bij vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 8 Mei 1850, W. n0. 1105 en van Arnhem, v. 27 Juli 1847, W. nquot;. 883, bereids breedvoerig vermeld op
/m?. eM^,^. wny, 4- if ^
.,'W^. W^)735; (^r/. 250.
/^: quot;7
art. 204 B. W., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. -10 Oct. 1849, sub nquot;. 6; idem bij vonnis Arr.-R. Groningen, v. 20 (let. 1800, R. R jg. 1802,
dl. XII, biz. 117â125; Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Nov. 1855, R. R, jg. 1858. dl. VTII, biz. 178, ten aanzien van eene actie tot scheiding van tafel en bed, beantwoord met eene reconventioneele actie tot scheiding van tafel en bed; idem ten aanzien van eene actie tot echtscheiding beantwoord in reconventie met eene dergelijke vordering, Arr.-R. Tiel, v. 20 April 1804, W. n0. 2717^ anders: Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Fehr. 1870, W. n0. 4035; implicite zelfde Rechtbank v. 28 1'ebr. 1870, W. nquot;. 3232; ooi; aangeh. op dit artikel, en van 25 Aug. 1857, R. 1!.. jg. 1858, dl. VIII, p. 252; idem bij vonnis Arr.-R. fireda, v. 11 Jan. 1859, ó// /hnJamp;i ^' n0' 2051, vermeld op n0. 4, van dit artikel; idem P. II. v. Gelder-^ quot; land, v. 28 April 1875, W. nquot;. 3895; Arr.-R. Zierikzee, 0 Sept. 1881,
H \v. nquot;. 4742; Arr.-R. Rotterdam, v. 12 Mei 1879, R. R.. dl. 1880, A. oP^y ^ P- 8. ^â Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 24 ^Dec. 1853, W. n0. 1530, waarbij is beslist, dat er geen termen bestaan Ir-j.tóyy f1' -'urn te onderzoeken, in hoeverre de eisch in reconventie tot scheiding van i-ltrf- â tafel en bed gegrond is, als de eisch in conventie, tot hetzelfde einde i quot; iCA'-- strekkende, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; â anders echter
V 1 .1 O O ï
. ! yt (ei1 volgens Lkon te recht, op grond van de bepalingen vervat in de 1 â ^ artt. 277, 280 en 284 B. W.) in de Rcgtsg. Adv., dl. IV, p. 101 sqq.
'' / '
(4jJ-ve'1 1-#. Indien de eisclier qq., alle zoo bekende als onbekende of ^ afwezige gerechtigden tot zekere nalatenschap dagvaardt, ten einde te W^Miooren doen rekening en verantwoording van den boedel en niet liem
/y7^/- voort te procederen, ten einde tot bepaling van liet saldo te geraken, dan is ontvankelijk de reconventioneele vordering van enkele gedaagden tegen den eischer ingesteld, om hetgeen hij onder zich heeft aan hen ter verdeeling uit te keeren, vermits hij alleen in het bezit is der nalatenschap en bovendien een gedaagde tegen zijn medegedaagde niet kan concludeeren, daar er tusschen ben geene litiscontestatie bestaat. Wanneer al de andere daarbij betrokken medegedaagden vermeenen, dat zij ten gevolge van dien reconventionelen eisch, welke aan hen is beteekend geworden, in hunne rechten verkort worden, kunnen zij (zoo zij al hunnerzijds ook niet tegen den oorspronkelijken eischer daarvan zullen gebruik maken) daartegen die rechtsmiddelen van interventie als anderzins te baat nemen, die de wet hun aan de hand doet
Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Nov. 1853, R. 1!., jg. 1854, p. 149â157. â Cf. art. 250 li. R., vonnis van de Arr.-R. to 's-Gravenhage, v. 19 Maart 1847, suh n0. 8 en de overige beslissingen aldaar aangehaald.
15. De regel, dat het doen van eisch in reconventie in alle rechtsgedingen is toegelaten, niet behoorende tot de gevallen, bij art 250
2fTS
/Squot;/ j iX# . cp-e* r^t Cj^ ,( fiM.' ZY*-.* ' ' JV-iïquot;' ' StSajioL' '* 1' â -^''--'V /0amp;
rj)e. 2Ã-Oe7gt;t^ quot;//^ '.'^j ' â -quot; J *ââ '' t^Xxxy- /è: ; ''*'~f- lt;-$*'- . T/vo^o^a /$
Art. 250.) 736
H. li uitgezonderd, lijdt uitzondering, dnar waar voor sommige gevallen, uit faillissement ontstaan, bij het \V. v. K. eene bizondere proces-orde is voorgeschreven Tot die gescliillen, in den hiervoren aangeduiden zin, bebooren de zoodanige, die over de deugdelijkheid van den voor rang van schuldvorderingen in een faillissement geboren worden.
P. II. v. N.-Holland, v. 4 Maart 1854, R. Pgt;,, jg. 1854, p. ISO en 1 :!1. vernietigende het daartoe betrekkelijk en in ecnen tegenovergestelden zin gewezen vonnis van do Arr.-R. Arasterdam, v. 25 Mei 1853, R. li., jg. 1853, p. 459â407. Idem Arr.-R. Appingadam, v. 18 Oct. 1860, R. li. jg. 1809, p. 701, ten aanzien van de vordering, om als crediteur in een faillissement te worden toegelaten, welk vonnis len aanzien van dit punt werd vernietigd Lij arr. P. H. Groningen, v. 28 April 1808 R. B.. jg. 1809, p. 710. Vgl. art. 8'25 W. v. K. vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 19 April 1839 sqq. sub n0. 1, en aant. 37 van art. 250 li. R.
I©. De uitzondering van art. 250 n0. 1 is niet aanwezig, waar de verweerders, door wie eene reconventioneele vordering wordt ingesteld, in conventie opgeroepen zijn als erfgenamen van hunnen overleden vader, ten einde eene rekening te doen, waartoe deze gehouden was in zijne vroegere hoedanigheid van gemeente-ontvanger en waar de geldsommen, wier terugvordering den grondslag der reconventioneele vordering uitmaakt, voorspruiten uit uitgaven en betalingen, die hun vader ten bate der gemeente in gemelde hoedanigheid zou hebben gedaan.
Arr.-R. Roermond, v. 19 Oct. 1854, W. nquot;. 1029.
15, Wanneer de eischer volgens art. 782 15. R. eenvoudig procedeert ter fine van adjustement van het saldo van rekening, moet de vordering der gedaagden, om reeds nu tot het nog te bepalen saldo gerechtigd te worden verklaard, als prematuur en liggende buiten het onderwerp der tegenwoordige procedure worden aangemerkt.
Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Juni 1855, R. B., jg. 1857, dl. VII. blz. 257.
18. Verweerders in reconventie, die bij hunne primaire conclusie van antwoord geene exceptie tegen den vorm der reconventie hebben ingesteld, maar daarop onmiddellijk ten principale hebben geantwoord, zijn niet meer ontvankelijk om in hunne nadere conclusie van antwoord, genomen na de uitwijzing van des rechters bevoegdheid, op den vorm der reconventie terug te komen.
P. II. Friesland, v. 30 April 1850, W. nn. 1751, ook aangehaald sub art. 251 Rv.
{Art. 250.
lO. [n het geval, dat de gedaagde een eisch in reconventie put, uit dezelfde overeenkomst en dezelfde daadzaken, waaruit de eisclier zijnen eiscli in conventie geput heeft, en dat bij gevolg 's rechters beoordeeling dier overeenkomst en daadzaken noodwendig leiden moef tot gelijktijdige beslissing van beide vorderingen is de kantonrechter ratlone materiae onbevoegd, indien het gezamenlijk bedrag van beide eischen f 200 te boven gaat.
Ktg. Dordrecht, v. 15 Dec. 1857, W. no. 1978.
SO. Een eisch in reconventie kan niet door één der gedaagden
afzonderlijk worden ingesteld en deze niet-ontvankelijkheid moet door
den rechter worden uitgesproken, zelfs indien zij door den eischer in conventie niet is aangevoerd.
Ktg. Meppel, v. 18 Nov. 1858, R. B., jg. 1859, dl. XT, hl. 05â07; vgl. aldaar bl. 96, W. nquot;. 2200. De kantonrechter van Meppel grondde zijn beslissing daarop dat in de 90ste novelle niet gewaagd wordt van een recht van een der gedaagden om eisch in reconventie te doen, terwijl hij de juistheid zijner meening aan Voet § 78, ad tit. T). dc jvdicüs, Hellfeldt «jurisprudentia for en sist, blz. 74, Mertjla, «manier van procedeeren enz. belangende Civiele zaken», blz. 428 meent te moeten ontleenen. Anders Mr. II. J. van Lier, in W. n0. 2205, die de onjuistheid der uitspraak van den kantonrechter tracht aantetoonen door te betoogen, dat het Romeinsche recht hier niets kan afdoen, daar de 90ste novelle het stilzwijgen omtrent het hier behandelde geval bewaart; en dat juist het beroep op Voet wordt gelogenstraft door hetgeen deze gezaghebbende schrijver ad titul. V, de judiciis n0. 78 leert; «mok etiam impeditur onus ex pluribus reis.... reconvenire actorem ex negotio. quod ipsi soli cum nclorc intercessit, nee ci cum caeteris ejusdem litis consortihus commune est.» Daarenboven kan er, volgens Mr. van Lieu, geen reden voor pleiten, dat de toevallige concursus, als gedaagden, zal ten gevolge hebben, dat een van beiden van een recht, hem bij de wet toegekend, in het belang van de vereenvoudiging der procedure, verstoken worde, en levert de bepaling van art. 252 B. R. genoegzamen waarborg op tegen verwikkeling en verwarring. Vgl. ook aant. 8, 14 en 43 op art. 250 B. Rv. â Vgl. met betrek king tot het eerste punt vonnis Arr.-R. Alkmaar, v. 12 Juli 1859, W. no. 2124, waarbij werd beslist dat op den collectief tegen alle gedaagden ingestelden eisch tot het doen van rekening en verantwoording, slechts collectief in reconventie kan geageerd worden door alle gedaagden.
34. Wanneer de gedaagde formeel geen eisch in reconventie heeft ingesteld maar alleen bij antwoord beweetd heeft een zekere vordering tegen den eischer te hebben, kan voor zoover die tegen vordering is
Mr. W. van Kossem Bz., fturg. Rechtsv. 47
737
Art. 250).
belunsi. daaromtrent geen onderzoek noch uitspraak plaats hebben. Alleen kan de rechter het bedrag der vordering in conventie verminderen met bet erkend verschuldigd bedrag der tegen-vordering.
Arr.-R. Appingadam v. 5 April quot;1800, W. n0. 2201.
83. De eischer, die de ontvankelijkheid eener door den gedaagde ingestelde tegenvorderinflr, ter zake van hare niet-inkleeding in den
gt; j o O'
reconventionelen vorm niet lieeft betwist, en daaromtrent geen rechtsmiddel heeft gebezigd bij zijne ter rolle genomen conclusion en gevoerde dingtalen, kan daf nnar de bestaande proces-orde niet op geldige wijze doen bij de mondelinge pleidooien, welke dienen om de wederzijds genomen conclusion en aangewende rechtsmiddelen te ontwikkelen en toe te lichten
Arr.-R. Gorinclieni, v. 7 Febr. 18C0, W. nquot;. 2195, waarbij nog werd beslist dat de vorm waarin de reconventioneele vordering wordt gedaan, niet betreft de openbare orde. â Cf. art. 439 I!. U., P. H. v. N.-Hulland, v. 2 Nov. 1848 sqq.
lt;83. Wanneer eene vordering niet bij gewone of rau-actie kan worden ingesteld (zooals dit ten aanzien van de invordering van kadegelden, volgens art. 258 der Gemeentewet het geval is), moet zij ook, wanneer zij in reconventie wordt gedaan, met-ontvankelijk worden verldaard.
P. II. v. Gelderland, v. 5 Dec. 1860, W. nquot;. 2270, bevestigende vonnis der Arr.-R. Arnhem, v. 19 April 1800, W. n0. 2270.
841. Nergens is bij de wet verboden, dat de vordering in conventie en die in reconventie dezelfde zaak tot onderwerp zouden mogen hebben.
Wanneer in conventie wordt gevraagd ontbinding eener overeenkomst van koop met schadevergoeding en in reconventie naleving van datzelfde contract met schadevergoeding, dan hebben deze respectieve vorderingen voorzeker niet dezelfde strekking en vervalt daardoor de beweerde niet-ontvankelijkheid der reconventioneele vordering.
P. II. van Drente v. 23 Mei 18G3, W. n0. 2540, R. B., Jg. '1804, p. 0-15.
83. Wanneer de eisch in reconventie niet bevat een afzonderlijke vordering, maar hij een onmiddellijk gevolg is van het gestelde bij conventie en als eene verdediging tegen en een accessorium van deze is te beschouwen, volgt hij ook, wat de bevoegdheid des rechters betrelt.
738
739 {Art. 25Ã.
de hoofdzaak; en lieeft de eischer iii conventie geen belang bij de exceptie van onbevoegdheid op de reconventie, zoodat er geen termen zijn, om die exceptie toe te wijzen.
Ait.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1804, li. li., jg. 1804, p. 427.
Kene reconventioneele vordering kan subordinaat worden toegevoegd aan eene exceptie van onbevoegdheid rations personae.
Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Aug. 1807, W. n0. 2964; zio ook dezelfde Rechtbank v. 10 Nov. 1808, W. uquot;. 3092; verg. Ktg. nquot;. 4, Amsterdam, v. 25 Fehr. 185!), I!. li, 1859, dl. IX, lil/, i9. wanrliij In 't algemeen i« beslist dat hot rechtens niet verheden is eene reconventioneele vordering subsidiair in te stellen.
De curator in een faillissement kan in een geding tot verificatie eene reconventionele vordering instellen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Jan. 1807, \V. nquot;. 2907, I!. D., Jg. 1807. p. 551.
'iS. Eene reconventioneele vordering is ontvankelijk, al kan het daarbij gevraagde ook bij compensatie worden bekomen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Maart 1808, VV. n'1. 3017. Vlg. aant. 41.
Er is geene reden, waarom de voorloopig beslagene in Nederland niet gedomicilieerde persoon, en de voorloopig gegijzelde vreemdeling, de dadelijke opheffing van den tegen hem genomen voorloopigen maatregel niet even goed reconventioneel als afzonderlijk zou kunnen vorderen.
Arr.-R. Alkmaar, v. 3 Dcc. 1808, W. nn. 3120, ook aangehaald sub art. 764 B. Rv.
:io. Hij eene procedure tot echtscheiding kan de dagvaarding, in art. 821 al. i vermeld, door eene reconventionele conclusie vervangen worden, indien partijen reeds in lile zijn.
Arr.-R. Amsterdam, van 28 Febr. 1870, W. n». 3232; idem ten aanzien van de vordering tot scheiding van tafel en bed, arr. P. II. v. N.-Holland, v. 28 April 1859, W. no. 2104.
'S S . i )c bepal ing van art. 250 1quot; li. R. dat geene reconventioneele vordering mag worden ingesteld, indien de eischer in eene kwaliteit is opgetreden, eu de reconventie hem persoonlijk zou betreflen. of omge-
Art. 250.)
keerd, is niet van openbare orde, en mag dus op grond daarvan niet ambtshalve eene Jiiet-ontvankelijk-verklaring worden uitgesproken.
Voor kwaliteiten, hier bedoeld zijn niet te houden die van erfgenaam, legataris, vruchtgebruiker, kooper, huurder enz., waarop burgerlijke rechten zijn gegrond of waaruit deze voorspruiten, maar alleen die, welke bevoegdheid geven tot het namens en ten behoeve van een ander uitoefenen of doen gelden van op die kwaliteiten zelve niet gegronde of daaruit niet voortspruitende rechten, zooals de hoedanigheid van voogd, curator enz
Arr.-R. Maastricht, v. 2 Juni 1870, W. n0. 3257.
Zie nog met betrekking tot n0. 1 van dit artikel:
Vonnis der Arr.-R. Utrecht, v. 22 Jan. 1858, W. n0. 1004, waarbij werd beslist dat eischers in conventie de scheiding en deeling van de nalatenschap huns vaders vorderende, uitoefenen een persoonlijk recht, dat aan eiken erfgenaam cx Icqe toekomt.
Zie verder navolgende beslissing;
Nü. 1 van dit artikel is van toepassing wanneer de oorspronkelijk gedaagde in conventie persoonlijk en in reconventie als gemachtigde optreedt.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Juni \809, R. B., jg. -1870, dl. XX, p. 32*1.
38. De intervenient in een proces knn geen reconventioneelen eisch °'J' Z5 'instellen.
^ yu. Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Sept. -1870, W. nquot;. 3206.
'30*- ^
^ ^ n° 33 Wanneer de eischer vordert schadevergoeding en de verweerder
/l/ (^aaro'J antw,)ortlt, dat de eischer die schade aan zichzelf te wijten heeft,
, ⢠/ó'/2-'. doordien hij de orders niet heeft opgevolgd, welke de verweerder hem 'â ^ gegeven, en welke bij volgens contract had moeten opvolgen,
t'an 's eene verdediging ten principale, die alleen dan tot een op zich zelf staande eisch, bij reconventie aan te brengen, had kunnen aanleiding geven, indien de verweerder gesteld had, dat wegens het ^niet opvolgen der orders de schade van den verweerder grooter was ^ lrOJK, dan die door den eischer was quot;eleden wegens het niet leveren.
Lj-,
quot;(j Arb. uitspr. v. Mrs. M. J. ne Lange, Aug. Piiiups, en .1. C. de Koning,
W. no. 3302.
jutJquot;
740
{Art. 250.
3^. Het instellen van eene vordering bij vvege van reconventie, in plaats van bij afzonderlijke actie, is facultatief.
Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 2G Mei 4871, VV. nquot;. 3512; idem Ktg. n0. 2, Amsterdam, v. 20 April 1871 R. 1!., jg. 1871, p. 683, waarbij is beslist dat dit artikel den gedaagde niet belet om afzonderlijk zijne vordering tegen den eischer intestellen.
35. Waar de reconventioneele vordering ten eenenmale blijlt binnen de perken van het geschil over de kracht en ten uitvoerlegging van den in conventie ingeroepen titel, wordt zij zeker niet door dit artikel uitgesloten.
Arr.-R. 's-Ilertogenbosch, v. 15 Maart 1871, R B., jg. 1872, p. 495; waarbij verder werd beslist, dat ook om die reden, bij het vervallen van die ten uitvoerlegging, de reconventie is niet-ontvankelijk.
3â¬Â». De curator in een faillissement die reconventioneel wil ageeren, heeft ook daartoe machtiging van den Rechter-Commissaris noodig.
P. 11. v. Overijsel, v. 23 October 1871, W. no. 3507.
3Ã. Reconventioneel kan niet tegen de failliete massa een persoonlijke vordering worden ingesteld, omdat deze geldend gemaakt moet worden door het verificatie-proces.
Arr.-R. Maastricht, 23 Maart 1871, W. n0. 3397; cf. bet sub ti0. 15 van dit artikel aangeteekende.
38. I n reconventie kan alleen eene vordering worden ingesteld over eene andere oorzaak, dan die van den eisch in conventie.
Arr.-R. Assen, v. 19 Febr. 1872, W. nu. 3548, R. li., jg. 1873, p. 23. Zie verder hiertoe betrekkelijk aant. 4.
3» Eene reconventioneele vordering kan voorwaardelijk worden ingesteld, voor het geval namelijk de eisch in conventie mocht worden verklaard te zijn ontvankelijk.
P. H. van Drente, v. 1 Febr. 1873, W. no. 3671 (implicite beslist).
40, liet is in strijd met alle regelen van procedure en recht, in reconventie veroordeeling te vragen van twee personen op grond van feiten, slechts een hunner ten laste gelegd.
Arr.-R. Dordrecht, v. 11 Oct. 1875, W. n0. 3986.
41. De wet schrijft geen vorm voor, voor het doen van eene reconventioneele vordering.
741
Ail. 250 )
Mitsdien kan de bewering niet opgaan, dat de gedaagde in plaats
van zich op compensatie te beroepen eene reconventioneele vordering
had moeten instellen, ook al mocht de beweerde inschuld van den gedaagde betwist en niet bewezen zijn.
Arr.-lv, Assen. v. 17 Jan. 187C, W. nu. 4154. â Zie echter Ktg. fironingen, v. 10 Jan. 1870, W. n0. 4456, waarbij, in tegenstelling met do voorgaande beslissing, de compensatie wordt uitgesloten, zoodra de tegen vordering wordt betwist en ontkend. Zie ook in denzelfden zin het sub n0. 5 van dit artikel vermeld vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Deo. ISflO; verg. verder betrekkelijk dit onderwerp art. 1403 B. VV. (Lkonâ Asser) no. 1. â Zie ook ten betooge, dat nergens de vordering in reconventie aan eenige sacramenteels woorden is gebonden, Arr.-R. Arnhem, v. 28 Nov. -1881. W. no. 4765; vgl. aant. 28.
43. De gedaagde kan geen reconventioneelen eisch doen, wanneer de eischer niet ter terechtzitting verschenen is, en de gedaagde verstek tegen hem heeft gevraagd, met zijne vervallen-verklaring van de instantie.
Ktg. Groningen, v. 23 Juni 1870, W. n». 4430, aangeh. bij art. 75 B. Rv.
43. De gedaagde kan tetren één der eischers een vordering in reconventie instellen.
Ktg. nquot;. 3, Amsterdam, v. Oct. 1881, I!. R.. jg. ISSI. .1. p. 224; zio ook aant. 8, 14 en 20 op dit art.
44. Zie ten betooge :
a. Dat tegen den eisch van een aannemer, strekkende tot betaling van de ter zake eener aanneming verschuldigde gelden, de aanbesteder â zonder gehouden te zijn, zijne tegen-vordering in reconventie te doen gelden â ontvankelijk is in vergelijking te brengen de in de overeenkomst gestipuleerde som, ter zake van de casu quo niet tijdige oplevering van het werk â
art. 1463 1gt;. W., vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 10 Juni 1845, sub nquot;. 4.
h. Dat de redactie van art. ESD met betrekking tot de woorden: //of wanneer de rechter daartoe onbevoegd is met betrekking tot den persoon tegen wien de reconventie zoude worden gedaanquot;, ingevolge art. 65, nn. 1 en art. 67 der Organ. Wet, niet boven gegronde bedenking verheven is, daar die onbevoegdheden uit den aard der zaak behooren tot het onderwerp des geschils â
71.2
718 {Art. 250.
Mr. G. A. Focker in do Opm. r.n Med., ril. I, p. '273â277; idem Oudeman, B. It., 'idc od., dl. I, p. 288.
Zie omtrent hetgeen rechtens is niet betrekking tot de veroor deeling in de kosten, wanneer zoowel de eisch in conventie als die in reconventie wordt ontzegd â
art. 5G B. li., ai r. v. 29 Mei 1840, sub li., n0. 2 on omtrent de vraag of een vreemdeling, eischer in reconventie zijnde, ook zekerheid voor de kosten moet slellen â art. 152 !!. R., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Febr. 1849, sub n0. 15.
Art. 251.
I. De eiscli in conventie moet niet bij afzonderlijke akte worden gedaan, maar kan opgenomen worden in dezelfde akte, die de conclusie van antwoord bevat.
Arr.-R. Rotterdam, v. 8 Maart 18;i9, R. 1!., jg. '18:gt;9, dl. I, p. 27:!â
275; idem door den inzender, R. !gt;., jg. 1839, ut supra; de Pinto,
II. It., dl. 11, 1, blz. 386 sqq., en Oudeman, IS. It., 2de ed., dl. 1, p. 335 en 336, 3de ed. p. 283 sq., welke allen bestrijden het tegenovergesteld gevoelen, voorgestaan door v. d. Honert, Hclb., p. 336, noot 2.
lt;S. Hoewel art. 251, 2de al. B. II. voorschrijft, dat de eisch in ~y
reconventie in summiere zaken moet gedaan worden ter terechtzitting, ^
geheel onbepaald, â staat deze alinea in het nauwste verband met de ^ /
eerste en heeft zij geene andere strekking, dan om buiten twijfel te stellen dat, vermits in summiere zaken de verwering wordt voorgedragen y ^ ^ v bij conclusiën, ter terechtzitting genomen, de reconventioneele vordering ook bij die conclusiën ter terechtzitting moet worden ingesteld. Zulks stelt ,,
geene afwijking daar van het door den wetgever aangenomen beginsel,
dat de eisch in reconventie moet worden gedaan bij de eerste akte van verwering, onverschillig of die geschiedt bij antwoord, zoo als in zaken van gewone, of bij conclusiën, zooals in zaken van summiere behandeling, â met dat gevolg, dat in summiere zaken de eisch in reconventie, nadat de gedaagde reeds conclusiën had genomen, niet op de terechtzitting, voor de pleidooien bepaald, kan worden gedaan.
Arr.-R. 's Bosch, v. 4 Juli 1842, W. n0. 320, R. B., jg. 1842, dl. IV,
p. 695â697; idem Oudeman, Ti. Æ!., 4do ed., dl. I, p. 290.
if f ; a Ci? tl,'7amp;0yl-f *^ quot;' '' ' â â¢y-Z^C'i*^quot; tlï, f.-lt;
rf(c. 'ht.jvj //,/n^. Oj^y 6l. Kquot;~/~y. *; â¢moU.ï.^.-y u* ^ r, i^'e-'â e^re^A^i^JL. , ttn-r /lia^- ^i^JL cle- o'c- -amp;.aXyamp;~£.a~~e£
Art. 251 ) ' ^ 744 ^
3. Waar de verweerder geantwoord lieeft niet bij beteekende memorie quot; conform art. 148 B. 11., maar bij conclusie ter audientie naar art. 147 15. R is de eisch in reconventie bij laatstbedoelde conclusie gedaan, behoorlijk ingesteld.
f1quot;y.Sy2' ⢠P. II. van Friesland, v. 30 April '1S56, VV. n0. 1751, ook vermeld sub
art. 250 1!. Rv.; idem Oudeman. B. li., 4dc ed., dl I, p. 290; anders de Tinto, 13. R., dl. II, p. 387.
J: Eene reconventioneele vordering moet ook bij een rekening-proces dadelijk bij het antwoord worden ingesteld, en niet eerst bij de memorie van debat.
Arr.-R. Amsterdam, v. M Aup. 1868, VV. n0. 3048.
S Bij een exploit van verzet tegen een vonnis bij verstek kan geen eisch in reconventie worden gedaan.
Ktg. n°. 1, Amsterdam, v. 8 Juli 1875, R. B., jg. 1870, afd. .1., p. 77.
tt. Deze bejialing is niet van toepassing op de procedure bij den kantonrechter, om de eenvoudige reden dat een termijn van antwoord, re- en dupliek bij de wijze van procedeeren voor den kantonrechter niet is voorgeschreven.
Ktg. Amsterdam, v. 19 Mei 1879, W. no. 4402, R. li., 1880, A.. p. 0, waarbij is beslist, dat de gedaagde nog bevoegd is een eisch in reconventie te doen, nadat hij reeds eenmaal het woord heeft gehad; anders Ktg. pi. 's-Gravenhage, v. 10 Oct. 1808, VV. n0. 3055, waarbij is beslist dat de eisch in reconventie voor den kantonrechter behoort te worden gedaan op don eersten rechtsdag en dadelijk bij do verdediging (ook exceptieve, in cam die van onbevoegdheid dos kantonrechters), welke do gedaagde alsdan, naar art. 99 en 100 B. Rv., op den eisch heeft voor te dragon.
Art. 252.
1. Eene vordering in conventie kan niet geacht worden vatbaar te zijn afzonderlijk te worden algedaan, indien ln. die vordering niet is zuiver, stellig en bepaald in zich zelve, maar integendeel door den eischer in conventie uitdrukkelijk is in betrekking gebracht tot, en afhankelijk gemaakt van al hetgeen zal blijken daarop van de zijde des gedaagde in conventie, naar rechten, in compensatie of vergelijk te moeten verstrekken; 2°. de gedaagde in conventie des eischers vordering in
V***- amp;r etnvve^f. ISTSz^oCtscj^vj Ji^t^aCc-a^.?, lt;^rz. .
tCt/ePcquot;- ecjc-C, ^ TJ-Cscw*â¢-'^ , ~ ^ ^
'-^e /f / -
â t /fy? , / *^-£ac ccPJrlf â¢
w 6r~y.
[Art. 252.
745
dat cas wel in het algemeen erkent, maar niettemin beweert, dat er teu aanzien van liet juiste bedrag eenig verschil bestaat tusschen liet overgelegd extract uit het schuldboek van den eischer in conventie, en de met betrekking tot de kosten vroeger door hem gegevene rekeningen, welk verschil tusschen partijen nog niet is ontgonnen, veelmin toegelicht en tot een staat van beslissing gebracht en 3quot;. de gedaagde in conventie (in verband tot het slot van des eischers vordering in dat cas), uitdrukkelijk beweert op de, in conventie van hem, gedaagde, in dat geval gevorderde som. onderscheidene betalingen te hebben gedaan, welke daarop in mindering zoudeu moeten strekken, waartoe vooraf zeker punt, waaromtrent tusschen partijen verschil bestaat, tot klaarheid zou moeten worden gebracht.
Arr.-R. Gorinchem, v. 23 Mei 1840, W. nu. 140. â Cf. art. '250 B. R., vonnis v. dezelfde Arr.-R. v. denzelfden datum, sub no. 3.
3. Wanneer de vorderingen in conventie en reconventie in staat van wijzen zijn gebracht, dan mag niet alleen op de zaak in conventie worden beslist, met vrijlating aan den gedaagde om, ten opzichte zijner co7itra-pretentie, de eischers nader in rechten op te roepen
Arr.-R. 's Bosch, v. 31 Mei 4843, W. nn. 12GC, vernietigende liet in een tep:enovergestcldan zin gewezen vonnis van 't Ktg. Oss. v. 8 April 1842, W. ut supra.
li. De rechter kan niet de splitsing vau een conventioneelen en van een reconventioneelen eiscb bevelen, indien beide ten onderwerp hebben eene vordering van summieren aard en als zoodanig zijn voldongen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Dec. 1843, R. li., jg. 1844, dl. VI, p. 583â 585 en v. 8 Sept. 1852, W. nquot;. 1382. â Vgl. hiermede Oudeman, IJ.]!., 4de ed., dl. 1, p. 293, volgens wien, wanneer beide zaken voor eene summiere behandeling vatbaar zijn, de splitsing niet als volstrekt noodzakelijk bij de wet bevolen is.
41. De splitsing, daartoe termen zijnde, moet uitdrukkelijk worden bevolen en is de bedoeling van den rechter, afgeleid uit de aanhaling van het daarop betrekkelijk wets-artikel (art. 252, al. 2 H. R ), daartoe niet voldoende.
li
⢠| *' â r
tI 'i
Arr.-R. 's Bosch, v. 31 Mei 1843, \V. n0. 12CG.
5. Wanneer de oorspronkelijk eischer, bij incidenteele conclusie, vordert
Art. 252.)
de splitsing fier vordering in conventie van die in reconventie, dan kan de gedaagde, die eenige personen in vrijwaring had opgeroepen, op den dag tot liet nemen zijner conclusiën bepaald, volstaan met liet antwoord op dit incident en behoort hij niet tegelijk op de vrijwaring te concludeeren. Tot dit laatste kan hij eerst dan verplicht worden, als de rechter op de gevraagde splitsing zal hebben uitspraak gedaan
Arr.-R. 'sTiosch, v. 26 Juni 1844, W. n0. 041. â Vgl. wijders over do disjunctie dor vorderingen in conventie en in reconventie â een vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 5 Oct. 1849, W. n0. 1159.
O. Wanneer een eisch in conventie, tot voldoening van zekere geldsom, ten eenenmale afhankelijk is van de uitspraak der procedure in reconventie over de rekening en verantwoording, behoort de rechter, splitsende de gedingen in conventie en in reconventie, het eerste te schorsen tot na den afloop der rekeningsprocedure.
P. H. v. N.-Holland, v. 14 Fobr. 1850, W. nlt;gt;. 1156; U. B., jg. 1850, dl. XII, p. 93â97, vernietigende het in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. 16 Febr. 1849, W. ut supra.
Vergelijk ook navolgende beslissing:
Waar bij eindvonnis blijken zal, of de vordering, bij conventie ingesteld, als gecompenseerd door gedaagde bestreden, werkelijk gedelgd is door de tegenvordering (voor welke, zoo de vergelijking niet dadelijk kon aangenomen worden, reconventioneel eisch is gedaan), behoort op de conventie vooralsnog geene veroordeeling te volgen, maar de uitslag van het nader onderzoek omtrent de reconventie afgewacht.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Oct. 1865, W. no. 3905.
ï. Kr bestaan geene termen tot splitsing van eene vordering in conventie van die in reconventie, wanneer (gelijk in specie) de eischer vreemdeling is, en de gedaagde, indien hij, na toewijzing van den eisch in conventie en na voldoening van de daarbij gevorderde som, op zijn eisch in reconventie in het gelijk werd gesteld, zijne vordering moeielijk tegen den eischer zoude kunnen verhalen en ook de eisch in conventie, voor zoover de gevorderde retourkosten betreft, afhankelijk is van de al of niet gegrondheid van den eisch in reconventie.
Ktg. n0. 1, Amsterdam, v. 14 Nov. 1851, Amstcrd. llcgtspr., dl. 11, p. 237 en 238.
â¢^U. !rlr^U° quot;«Zy- , Zwamp;z^C ^a^- c^^/.
usv^-Au~ ^ ^
i-rvw ^ ^ ^
8 De processen over de hoofdzaak, de vrijwaring en den eisch in 7Z^quot;e^iyFjcr reconventie, alle te gelijk voldongen en in staat van wijzen zijnde. .
moeten ook gezamenlijk bij één vonnis worden beslist, zonder dat eenige voeging noodig zij, volgens de regels, gesteld bij artt. 73 en 252 H. R, op welke geene uitzondering is gemaakt voor het geval,
dat een der mede-gedaagden tegelijk gedaagde in vrijwaring en recon-ventioneel eischer is
Arr.-R. Amsterdam, v. '2il Maart 1853, R. I!.. js'. 1853, p. 249â254.
â¢gt; Wanneer, gelijk in casu, de rechter van oordeel is, dat de vordering in conventie in staat van wijzen was gebracht, doch dat ter beslissing der reconventioneele vordering een nader onderzoek door deskundigen wordt vereischt, dan is hij volkomen bevoegd de vorderingen te splitsen en afzonderlijk omtrent de eerstbedoelde uitspraak te doen.
['. 11. v. Overijsel, v. 17 Dcc. 1855, W. iiquot;. 1725.
lO. Er kan geen grond zijn voor de imjieratieve splitsing van conventie en reconventie, op grond van den summieren aard fan eerstgemelde,
wanneer die vordering als van gewonen aard is aangebracht en behandeld
Dit belet evenwel niet, dat de rechter splitsing kan gelasten voor het geval dat de ééne vroeger dan de andere kan worden afgedaan,
wanneer, gelijk in casu. de eisch in conventie van eenvoudigen aard,
floor de erkentenis van gedaagde voor dadelijke afdoening vatbaar is,
terwijl de vordering in reconventie eene omslachtige rekenings-procedure tot voorwerp heeft.
Arr.-R. 's Ilage, v. 1G Oct. 18G0, W. n». 2216; verg. deaanteekeningen sub art. 140 li. R.
4 1. Wanneer de conventioneele vordering erkend wordt doch de gedaagde tegelijk eisch doet in reconventie, en er tusschen de eerstgenoemde en de daadzaken, die de laatstgenoemde vormen geen rechtstreeksch verband bestaat, kan de erkenning als middel van bewijs in conventie worden aangenomen, en de beide vorderingen worden afgescheiden, zonder dat de bekentenis kan gezegd worden gesplitst te zijn.
Arr.-R. Roermond, v. 21 Mei 1803, W. nquot;. 2513.
Wanneer de rekenplichtige in het rekenings-proces, dat den eisch in conventie uitmaakt, zijne uitgaven niet doet gelden, maar die
Art. 252 )
recoiiventioiieel opvordert, terwijl de rechter dezen eisch heeft ontvanke lijk verklaard met aanhouding der beslissing daarop tot aan het eind vonnis op de conventioneele vordering, zoo is hiervan alleen het gevolg, dat de uitspraak betreffende de reconventioneele vordering gelijk zal plaats hebben met die op de conventioneele, maar niet dat het den rechter zou vrij staan de reconventioneele vordering in dier voege aan aan de conventioneele te verbinden, dat daarop bij eéne en dezelfde beschikking werd recht gedaan.
I', 11. v. N.-llolland, v. 4 Oct. 18(50, VV. no. 2886.
llf. Wanneer de in reconventie opgelegde decisoire eed niet sleclits invloed heeft op de al of niet toewijzing van de reconventioneele vordering, maar ook de eisch in conventie van het afleggen van dien eed afhankelijk is, dan behoort de eisch in conventie niet afzonderlijk in de eerste plaats te worden beslist.
P. II. v. Utrecht, v. 5 Sept. 1870, R. li., jg. 1872, dl. XXII, p. 141.
IJ-, Splitsing der vorderingen in conventie en reconventie moet uitzondering blijven en niet worden gelast, tenzij daartoe voor den rechter gewichtige redenen bestaan.
Arr.-R. Amsterdam, 29 Mei 1872, W. n0. 3529; waarbij werd beslist dat splitsing vooral dan hoogst onbillijk is te achten, wanneer cn de vordering van den eischer èn die van den gedaagde op dezelfde tusschen partijen gesloten overeenkomst berusten en wanneer alzoo do gedaagde genoodzaakt werd de voor hem daaruit voortvloeiende verplichtingen ten volle te vervullen, maar het aan den anderen kant onzeker bleef, of' de eischer al dan niet aan de verbintenissen, welke hetzelfde contract aan hem beeft opgelegd, had voldaan.
Zie over de vraag, wanneer het nauwe verhand tusschen de acties in conventie en reconventie geacht kan worden te bestaan, zoodat splitsing niet volgen kan, P. H. v. Z.-Holland, v. 31 Oct. 1859, W. n». 2112, vernietigende vonnis Arr.-R. Rotterdam, v. 14 Febr. 1859, t. z. p. tegen welk arrest het beroep in cassatie werd verworpen hij arr. v. 22 Juni 1860, W. no. 2180, R. dl. LXV, § 16.
Ãü. Alhoewel de conventie reeds in staat van wijzen is, terwijl de reconventie nog niet zooverre is gevorderd, behoort niettemin de splitsing niet te worden uitgesproken, wanneer eensdeels de acties nauw door haar oorsprong met elkander samenhangen, en andersdeels een eventueel vonnis door de oorspronkelijk gedaagden tegen de eischers
748
c^ri^tA^-txyAtj^ . /e^cux^,^ u-f.
lJLL-
Cok.
â 7
d S-e^jCc^/. / Cs% otitic-/. - c^uf^OA^i-eJiY'^
qcs;
7
verkregen, niet zuu kunnen worden ten uitvoer gelegd, als wonende deze in het buitenland.
Arr.-R. Amsterdam, v. 44 Dec. 1876, W. n0. 4132. Op de tegenwerping dat er voldoende waarde hier te lande aanwezig was, om daarop het schadecijfer te verhalen, antwoordde de Rechtbank, dat zoolang dat cijfer niet vaststond deze bedenking van geen invloed kon zijn.
quot;IC». De rechter is volkomen bevoegd naar zijn bevinding en zonder daarvoor eenigen grond optegeven, de zaak in conventie aftedoen en de beslissing op den eisch in reconventie aantehouden.
Arr.-R. Utrecht, v. 27 Dcc. 1882, W. n0. 4887.
4 t. Zie ten betooge:
a. Dat het althans in cas van art. 252, laatste al. B R., uit den aard der actie en alzoo uit de wettelijke bepaling zelve moet blijken, of eene rechtsvordering van gewone dan van summiere behandeling is â
art. 140 B. R., vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 8 Dec. 1841 sqq., sub n0. 4, en het sub hoe artikel vermeld vonnis Arr.-R. 's Ilage, v. 10 Oct. 1800.
b. Dat indien éene der twee zaken vatbaar is voor summiere behandeling, dan altijd de splitsing moet worden uitgesproken, hetzij die dour partijen gevraagd wordt of niet, ja zelfs als beide partijen er zich uitdrukkelijk tegen verzetten â
de plnto, Udl. 7)'. Ægt;., II, 1, p. 304 en 305, 2de ed. blz. 389; idem Oudeman, D. R., 4de cd., dl. i, p. 292. âVerg. ook vonnis Ktg. 's Ilage, v. 28 Aug. 1805 W. n0. 2759, in denzelfden zin. â Cf. v. d. IIonert, Ildh., § 252.
L6fj£ ^t.(j_i tr^\ r?^-V vl
{Art. 252.
-C^4
Art. 253.
Ã. Eene tegen vordering, om reconventioneel te zijn en dus ter bepaling van het rechtsgebied met de conventie te kunnen worden gecumuleerd, moet berusten op eene daadzaak, welke niet na de litis-contestatie is ontstaan, hetgeen niet kan worden geacht het geval te zijn, indien bij eene procedure tot van-waarde-verklaring, de tegen-vordering strekt tot ophefling van het arrest met vergoeding van schade, vermits in dit geval het nadeel, indien het mocht blijken te bestaan, gelijktijdig met, en dus niet posterieur aan dat beslag geboren is.
U-ercsip es G-ljloâ¬^3
oA Art. 253 )
eJ-C.
I'. II. v. N.-l'rabant, v, II Febr. 1840, \V. nquot;. 114; U., dl. VIT, § zijnde bij dit arr. tevens (op de gronden vermeld sub art. '250 B. R., nquot;. 2) beslist, dat de vordering tot opheffing en schadevergoeding niet is een gevolg der principale actie en mitsdien bij de bepaling der jurisdictie wel degelijk in aanmerking moet komen; idem bij arr. van 't P. H. van Gelderland, v. IS Nov. 1840, \\r. nquot;. 811; R. B., jg'. 1847, dl. IX. p. 449 â454, waarbij mede de vordering tot opheffing van het beslag wordt gekwalificeerd «reconventioneel» en overigens, ook met het oog op art. 253, 1ste al. B. R., meer expliciet de leer is aangenomen, dat, met betrekking tut iedere onbepaalde vordering van dien aard, het hooger beroep ontwijfelbaar moet worden toegelaten. -â Vgl. hiermede het arr. v. 27 Nov. 1845, W. nquot;. 071; R., dl. XXIII, § 0, v. D. 11.. Æ?. //..dl. VII. p. 179â198; (bereids vermeld op art. 54 R. Org., sub nquot;. 2, dl. II. p. '1 â¢gt; en 10, 2de editie, blz. 05) waarbij is beslist, dat, onverschillig of do vor-(xf. dering tot opheffing van een beslag met schadevergoeding (als een gevolo-
der gevraagde van-waarde-verklaring), al of niet als een reconventioneele eisch kan worden aangemerkt, in alle geval de rechter « lt;/iquot;' was geroepen om daarop recht te doen, en casu quo de gevraagde schadevergoeding toe te wijzen, zoodat zijne kennisneming wel degelijk daarover heeft geloopen, en alzoo over een onbepaald bedrag, hetwelk eerst later na ingeleverden staat zou worden gewaardeerd, en, naarmate van den aard van het gearresteerde, den korteren of langeren duur van het beslag en andere omstandigheden, de waarde, bij art. 54, n0. 2 R. Org. uitgedrukt, verre kan overtreflen. â Vgl. hiermede: 1°. een arr. van 't P. 11. van Zeeland, v. 7 Mei 1839. R. Tl, dl. VIII, p. 612, naar luid waarvan een verweerder op de van-waarde-verklaring van een revindicatoir arrest, bij reconventie opheffing van het arrest en vergoeding van kosten, schade en interessen vorderende, in geen hooger beroep kan komen van het vonnis, waarbij deze reconventioneele vordering (waarvan het bedrag in casu., naar hel schijnt, kon worden geacht t.e blijven tot beneden dat, vermeld in art. 54, n0. 2 R. Org., doch hetwelk, volgens Léon. niet belet, dat het bij dit arr. aangenomen beginsel is erroneus) slechts gedeeltelijk is toegewezen; en 2°. een arr. van 't P. II. van Friesland, v.
Ir- yi y
7
c/
gt;
Of-
l/rtsKnAAS' JC1alt; 7 . vu ^ ' -
j O-V
lt;n^e
â gt;
4 Maart 1840,
137; R., dl. IX, § G3, waarbij, in strijd met voormeld arr. van
len II. R., is beslist, dat eene, op zich zelve, wegens het geldelijk bedrag liet voor appèl vatbare, introductieve vordering, met het oog op art. 2.)3
VU'-
Uâ
l USz-t, â.
)iir
W. nquot;.
den
niet voor appèl
B. R., niet aan hooger beroep onderhevig wordt, door bijvoeging der tegenvordering, indien deze laatste niet behelst eene bepaalde of uitgedrukte geldsom, maar het bedrag daarvan nader door schatting van deskundigen zal moeten worden uitgevonden, of door den rechter zeiven rx nctiuo el hunu zal moeten worden geëvalueerd en vastgesteld; me Pinto. Udl. n. n., dl. II. 1, p. 306, (2de ed. p. 390 sq.), zegt, m. i. te recht, dat laatstgemelde beslissing met de letter van het artikel, hetwelk spreekt van het beloop van den eisch, wel is overeen te brengen, maar dat zij kennelijk strijdt tegen de bedoeling der wet, welke blijkbaar geene andere was. dan dat bet vonnis appellabel zou zijn, zoolang de twee zaken, te zamen gevoegd, niet in het eerste ressort zouden kunnen beslist worden. â (Léon) Cf. art. 250 b. R., arr. van't P. II. van N.-Brabant v. 11 Febr. 1840, sub n0. 2.
l6et
///v
t L- 1
cAxt-.ttrs aJi. z. ; ^5.X7.Je.c.t/.-n'etésr.
751 [Art. 253.
Vergelijk nog navolgende uitspraak :
Art. 253 15. Ilv. staat liooger beroep toe, wanneer liet beloop van den eisch in conventie gevoegd bij dien in reconventie te boven gaat. de rechtsmacht van den rechter om in het hoogste ressort recht te spreken: â met dien verstande dat daarmede niet alleen bedoeld wordt de samenvoeging van twee bepaalde bedragen, maar ook die van een bepaald op zich zelf niet appellabel bedrag met eene onbepaalde en dus per se appellabele vordering.
Gerechtshof Amsterdam, v. \ Juni 1870, W. n0. 4034.
8. Wanneer de schadevergoeding door den geïntimeerde, in eersten aanleg, ten gevolge der tusschen partijen incidentelijk gevoerde procedure [in casu tot echtverklaring van getalmerken), en mitsdien uit eene oorzaak, posterieur aan de litiscontestatie ten principale, gevorderd is, kan die vordering niet worden beschouwd als een reconventioneele eisch, waarvan het bedrag naar aanleiding van art. 253 15. R. zou moeten worden gevoegd bij het bedrag van den eisch in conventie, om de rechtsmacht te bepalen.
P. II. van N.-Brabant, v. 17 Nov. 1840, R., dl. VI, § 22.
3. Het hooger beroep van het vonnis a quo is [in casu waar het gold eene exceptieve defensie, op grond dat er geene connexiteit zou bestaan tusschen de reconventioneele vordering en den eisch in conventie) in zijn geheel ontvankelijk, indien tegen een eisch, die voor hooger beroep vatbaar is (petitoire actie) eene reconventioneele vordering (ten possessoire) wordt ingesteld, waarvan in den regel niet kan worden geappelleerd.
P. Ii. van Overijsel, v. 19 April 1841, Uegt in Nederl., dl. IV. p. 2U en 21. â vJf. art. 130 B. R., air. v. 15 Oct. 1847 sqq., sub nquot;. 3.
4. Indien bij een en hetzelfde vonnis op conventie en reconventie is uitspraak gedaan, doch alleen ten aanzien der reconventie delinitief, en op de conventie slechts bij interlocutie, dan is inderdaad de conventie alsnog niet vatbaar voor eene definitieve beslissing en van de reconventie afgescheiden en zijn mitsdien in den zin van art. 253, nquot;. 2, H. R., beide gedingen met de daad gesplitst.
Arr.-li. Leeuwarden, v. 2ü April 1842, VV. nquot;. 407. Vgl. hiermede een
Art. 253.)
vonnis van 't Kin. Meppel, v. 30 Doc. quot;1852, W. nquot;. â 1450, waarbij is beslist, dat ook dan, wanneer (gelijk in ccisv) de vordering in conventie ten gevolge van erkentenis is liquide en die in reconventie illiquide, als moetende nog door een getuigen-verhoor tot klaarheid worden gebracht, de wet niet verbiedt op het verlangen van heide partijen bij een en hetzelfde eindvonnis te beslissen.
ü. Wanneer een eisch in reconventie wel is toegewezen, (Joch tloor
tie daarbij nitdrukkelijk gevoegde verwijzing naar de in de motieven
van het vonnis aangenomene beginselen, werkelijk eene afwijzing van
dien eisch in reconventie bevat, dan zijn de reconventioneele eischers,
als zijnde bij deze uitspraak bezwaard, ontvankelijk in het appèl
daartegen ingesteld.
P. H. van N.-Holland, v. 14 Febr. 1850, W. n°. 1156; R. li., jg. 1850, dl. Xll, p. 93â07.
ft. Eene vordering bij den Kantonrechter behoorende, doch recon-ventioneel bij de Rechtbank aanhangig gemaakt, kan ook door partijen met de conventie, in appèl bij het Hof worden gebracht. P. H. v. N.-Holland, v. 12 Dec. 18G7, W. nquot;. 3028.
S. Aanbod en consignatie gevolgd door vordering tot van-waarde-^ verklaring zijn verweringen tegen de hoofdvordering tot betaling en geene eigenlijke reconventioneele vordering. In zoodanig geval kan dus T/w^^^txlit artikel niet worden toegepast.
fat P- H. in Limburg, v. 13 Febr. 1873, W. nquot;. 3612.
, Voor de vraag of de zaak is appellabel ingevolge alinea 1 van
dit artikel, doet het er niet toe of de eisch in reconventie al dan niet a?* ^ tempore utili is ingesteld of gegrond was; daar een en ander eerst bij
rJ'^ de beslissing der hoofdzaak in appèl moet uitgemaakt worden.
Arr.-U. Utrecht, 19 Nov. 1879, W. n°. 4513.
Art. 254.
I. De daadzaak van eigenaar te zijn van een te onteigenen perceel, stelt niet daar eene betrekking in den zin van art. 254, n0. 3 I?. II.
Mitsdien kan de overdracht, na den aanvang van het rechtsgeding, van dien eigendom aan een ander, geen grond opleveren om dat geding te schorsen.
752
v-.n. v]
f o :? â t^Ut^ oS-C-i - f ?.â ! yrj 7^r_ /l:,'h'f£- _ 'Z, Tquot; Sy '-J 0~ ^'J' ^
y ⢠- ' 'â ' ^2, ^r/ ï':'. f'xP^ ~ quot;y o /2~.
753
(Art. 254.
In het algemeen kan eene haiuleling, tusschen een gedaagde eu een derde aangegaan, na den aanvang der reclifsvordering tegen den eerst-gemelde ingesteld, het standpunt van partijen niet veranderen.
Arr. v. 15 Oct. 1840, W. n°. 752; II., dl. XX.V, § 47, v. u. IIuNKiri. B. R.. dl. VIII, |(. 122â137; -â Vorp-. ook arr. 15 Pee. 1805, W. n0. 2754, U., dl. LXXX1, § 36, v. n. IIonrut, B. /.'., dl. XXX, p. 130 sqq., waarbij is beslist dat liet zijn van scbuldeisclier geenszins eene lie trekking is, zooals in art. 254 nquot;. 3 is bedoeld, namelijk de betrekking, voortvloeiende uit de opdracht van bepaalde, van den persoon in privé afgescheiden, functiën. â Tn gelijken zin bij het tot eerstgemeld arrest betrekkelijk arr. van 't P. II. v. /..-Holland, v. 22 .Inli '1840, W. nquot;. 749. â Cf Voet, ad tit. //, de cdeinlii nquot;. 4; Bekkiat he St.-Prix, Court: lt;lr l'roc. Cl»., torn. I, p. 347, nquot;. 28, benevens de conclusie van den adv.-gen. Gregohv (v. d. II., /. c., p. 133 en 134; Tl., dl. XXV, p. 204 en 205), volgens wien men, bij de beoordeeling, of iemand een geding gevoerd heeft in betrekking, dan wel voor zich in privé, er op moet letten, of hij hot (dicuo iwniine dan wel suo nominr heeft gevoerd. â⢠Vgl. wijders art. 90 R. Org., sub /?, nquot;. 3i (d. II, p. 31 en 32) en art. 025 R. W.. arr. v. denzelfden datum (15 ()ct. 1840), sub n0. 2, (2de druk sub nü. 32).
VA. nog navolgende beslissing;
-A 1'jen verzoek tot schorsing op grond van art. 254, 3«, kan alleen
. amp; . gedaan worden door de belanghebbende partij, d. i. die partij, voor
welke aanvankelijk iemand uithoofde van zekere rechtsbetrekking als vertegenwoordiger optrad, welke daarna het recht daartoe verloor, fat thn Hof Amsterdam, v. 17 Juni 1881, W. nquot;. 4084, R. R.. jg. ISS'!, A, p. 245.1
3 Het valt niet in de termen der wet toe te staan een verzoek, door den Staat gedaan tot schorsing van een rechtsgeding, op grond
dat de schuldvordering, welke aanleiding tot de procedure gaf, nog niet is verevend bij de Algemeene Rekenkamer en over het onderwerp eene wets-voordracht bij de 2de Kamer der Staten Generaal in beraadslaging is.
Arr. v. 15 Juni 1849., W. nquot;. 1020.
3. Eene vrouw, die in haren ongehuwden staat op eigen naam een rechtsgeding heeft aangevangen, kan, met het oog op art. 165 B. W. (zonder dat hiertegen obsteert, dat de verandering van haren persoonlijken staat haar door de wederpartij niet is beteekend), niet op eigen naam en zonder bijstand van haren man, de vordering tot vervallen-
Mr. W. vav Rossem Bz., Bury, /techtso. 4ö
cJ.O
â Vr^, Ou^t
ctjLnz, 2 isJLJc* 2-^- *-
Art. 254.) 754 n â ,
eU^- e^ou^ cr-cn-cgt;U*-e. /fa. c9*~ Z%rr**J~ ^
verklaring der instantie instellen, nadat zij pendente lite is komen te L^fn/r.uP^ huwen. De bepalingen van art 254 en volgg. I! R, houden op dit ^ ^ pniït geenszins eene uitzondering op den algemeenen regel in
An-, v. 1 Febr. 1850, W. nquot;. HM. R., dl. XXXIV. § S3, v. n. II.. /.'. /i.,
dl. XI. p. 17:?â-1S9; â Cf. artt. 250 en 279 I!. R., arr. v. denz. datum.
4. De artt. 254â259 handelen alleen over schorsing van het rechtsgeding in de vier daarbij opgenoemde gevallen, derhalve betreffen de hier ten aanzien van hervatting gestelde voorschriften alleen de hervatting van het in de daarbij genoemde gevallen geschorste geding.
Arr. v. 24 Oct. 1850, W. n0. quot;1800, 1!.. dl. LIV, § '18, v. igt;. IIonf.ut,
/?. /;., dl. XXI, p. 22 sqq., en Arr.-R. 's Bosch, v. 8 Mei 1872. R. B.,
ilt;j'. -1874, p. 425, waarhij ook werd beslist, dat in de benoeming van den provisioneelen bewindvoerder ligt provisioneele verandering van staat â Zie verder omtrent deze vraag het aangeteekende sub art. 495 B. W. (Léon, Asser en Rombacii). â Zie echter ten betooge dat dit artikel niet limitatief moet worden opgevat, maar speciaal nquot;. 4 analogice ook van toepassing is, als do procureur zijn f OAAcLefri client bedankt, zich aan de zaak onttrekt en daarvan aan partijen
, / £./kennis geeft: vonnissen der Arr.-R.. Rotterdam, v. 30 .Tuli 1850, W. nquot;.
(/rroc 1782, ook vermeld sub art. 130 B. R.; der Arr.-R. Appingadam, v. 21
(/. u'éojv- Tan 185g) nâ_ 19G7 en 2f, Dec 4858^ w âo. 2083. Verg. ook Arr.-R.
Sneek, v. 13 Nov. 1873, W. nquot;. 3099. â Anders Arr.-R. Appingadam. v. 29 Dec, 1804, R. 1!.. jg. 1807, blz. 75, waarbij is beslist dat de woorden «verlies van de betrekking van den gestelden procureur» alleen zien op bet geval dat de procureur uit zjjne bediening is getreden.
Zie verder navolgende uitspraak;
(iemis van bijstand of machtiging des mans kan aati de tegenpartij wel aanleiding geven om schorsing van het geding tot revindicatie van eigendom, door de vrouw ingesteld te vragen, zoolang die bijstand of machtiging ontbreekt, maar geeft geen grond tot het aanvoeren eener exceptie van niet-ontvankelijkheid.
P. li. v. Z.-Holland, v. 25 Maart 1807, W. n0. 2903.
5. De bepalingen van art. 254 en volgg. B. 11., omtrent het
schorsen en het hervatten van een rechtsgeding zijn alleen gedurende
den loop eener instantie noodzakelijk, en alzoo niet, wanneer na den
alhiop der eerste instantie en hangende den termijn voor het hooger beroep, eene der partijen komt te overlijden.
Arr. v. 23 Nov. 1800. W. n0. 2220, R.. dl. LXVI, § 28; v. n. IIonrut.
Jl. Jl.. dl. XXIV, p. 399 sqq.
CLSvt-. 2,TLI ,
{Art: 254.
Vergelijk ook navolgende beslissing:
De exceptie tot schorsing, bedoeld in art. 254, no. 2 B. R., is niet aannemelijk en gegrond, ingeval eene der partijen van staat ver- â $. 3-a anderd is (meerderjarig geworden) hangende de vereffening van kosten.
I'. II. v. Ovcrijsel, v. '28 Febr. 1859, W. n0. 2091, overeenkomstig do ^70, 2-'*- a-^-conclusie van Mr. P. M. van Goens, in voormeld nnmmer voorkomende. fcp //t/o
â¬Â». Er bestaat geen de minste grond tot schorsing van een rechtsgeding, uit krachte van art. 254 B. R., wanneer erfgenamen zijn gedagvaard overeenkomstig art. 4, n0. 0 B. R., waarop door hen procureur is gesteld, met kennisgeving, dat zij als bloedverwanten van den overledene, in de graden bij de procureur-stelling omschreven,
bevoegd waren, om zich als diens éénige en algelieele erfgenamen te gedragen, en diezelfde ged». vóór die procureur-stelling, de nalatenschap van genoemden overledene blijken verworpen te hebben. In dit geval behooren zij buiten het rechtsgeding te worden gesteld, met veroordeeling in de kosten, door hunne verkeerde procureur-stelling veroorzaakt.
Arr.-R. Nijmegen, v. 17 Nov. 1841. R. ?gt;., jg. 1842, dl. IV. p. 373 en 374.
S. In cas van art. 254, n0. 2 B. R.. en mitsdien wanneer de loop van een rechtsgeding geschorst wordt door de verandering van den persoonlijken staat van eene der partijen, heeft de wetgever blijkbaar het geval voor oogen, dat er reeds eene procureur-stelling, en alzoo litiscontestatie, heeft plaats gehad, gelijk dit uit de volgende artikelen kan afgeleid worden, in welke van eene nieuwe, procureur-stelling gewag wordt gemaakt. â Hieruit volgt dat, mdien de verandering-van den persoonlijken staat is voorgevallen, eer nog procureur is gesteld, niets diegenen, welke den gedaagde vertegenwoordigen, belet,
dat zij zich op de dagvaarding procureur stellen.
Arr.-R. Nijmegen, v. 20 Sopt. 1842, R. 15., jg. 1843, dl. quot;V, p. 332â334,
idem 's Bosch, v. 5 Aug. 1842, R. 1!., jg. 1842, dl. IV, p. (')97â700. â
Cf. nrt. 135 Pgt;. R., sub nquot;. G en art. 256 lgt;. R.; vonnissen van dezelfde Arr.Rbn. â /.ie ook een vonnis van laatstgemelde Rechtb. v. 25 April 1843, W. n0. 443.
gt;S. Daaruit alleen, dat in 't W. v. 15. R. geene stellige bepaling te vinden is, krachtens welke de behandeling eener zaak zou kunnen
755
'i
i :
I amp;
Art. 254.)
worden geschorst tot na de uitwijzing van eene andere zaak, welke met gene in zuo nauw verband staat, dat de beslissing iu de eene van die in de andere volstrekt afhankelijk is, kan niet met grond worden besloten, dat zoodanige schorsing door den rechter, indien zulks door hem tot eene geregelde afdoening noodig mocht worden geacht, niet zou mogen worden uitgesproken.
Dit verband echter bestaat niet, wanneer de gedaagde, door een nieuwen kooper gedagvaard tot ontruiming van een gebouw, voorgeeft, dat de van tafel en bed van haar gescheiden echtgenoot dit onroerend goed voor hare gelden had aangekocht en zij op dien grond eene rechtsvordering tegen hem heeft ingesteld, o. a, dat het ten baren name overgeboekt zon worden, â vermits hij die beweert eigenaar te zijn van een goed, hetwelk hij zegt a von domino gekocht te zijn, geenszins tot staving van dit zijn beweren jegens den kooper, noodig heeft eerst den verkooper te conveniëren om de kwestie van al ol niet eigendom van dezen op het verkochte goed te doen uitwijzen, maar zich rechtstreeks tegen den kooper van alle zoodanige middelen kan bedienen, welke strekken om aan te toonen, dat deze eens anders goed heeft gekocht.
Arr.-R. Nijmegen, v. :! Nov. 184(1, W. nquot;. 709; anders bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. IG Dec. 1880, W. nquot;. 4083, waarbij is beslist dat op grond van connexiteit geeiiR schorsing kan worden gevraagd; zie ook art. 151 I!. Rv.. Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Mei 1850. â Cf. art, 2;)4 li. R.. nrr van quot;t P. H. van N.-llolland, v. 21 Maart 1850, en art. 7:i8 B. li., vonnis van de Arr.-R. Groningen v. 14 Juli 1848 sqq.
De afzonderlijke vordering tot schorsing van eene incidenteele vordering tot sequestratie is onnoodig en moeten de daarop gevallen kosten blijven ten laste van den verzoeker, als er verzet is gedaan tegen het vonnis, ten gevolge waarvan die sequestratie is gevorderd, vermits dat verzet reeds van zelf de executie van dat vonnis en de voortzetting van het debat stuitte.
Arr.-R. 's IIago. v. 27 April 1849, W. nquot;. 1051.
IO. De dood van den eiscber, waarvan zijn procureur onkundig is, doet niet. de ingestelde rechtsvordering van onwaarde zijn, indien dit. overlijden later nan de tegenpartij wordt beteekend, en daarbij tevens de arremenlen van het geding door de erfgenamen worden opgenomen
OGtJ- cJLOosi- A- ^yZ- '/J*.â qj^ ^ O^ asv£*£
X^ 'UU-lL ttn^c^cX. vr-ry £*-â . lt;?U.. '
/,Q- 'yt' job 2-.
Srvct- 3t^gt;^c^C ^Pojo, â 757 ^AH 254
Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Kcbr. 1850, W. n0. 1-1-13; R. B.. jg. 1850, dl. XII, p. 333â342. â¢â Zio in den/.olfden zin vonnis Ait.-U. Maastricht, v. 28 .lirni 1861, W. nquot;. 2334, waar liet gold een na dun dood van den crediteur te diens verzoeke gelegd conservatoir heslag. â Cf. art.25Gll.lv., vonnis van dezelfde Ai r.-R. van denzelfden datmn, sul) nquot;. 5, alsmede ten betooge, dat, indien iemand, die last tot bet instellen van booger beroep bad verstrekt op zijn procureur, komt te overlijden vóórdat de akte van appèl ten zijnen verzoeke is geëxploiteerd, en de procureur bot exploit lieeft doen verriebton, zonder dat bewezen zij, dat bij, tijdens dit exploit, van bet overlijden van zijn lastgever beeft kennis gedragen, alsdan dil appèl beboort gevolg te hebben â art. 343 I!. U., arr. v. 17 Febr. 1848.
ftl. Indien ile vordering, door een appellant' tegen twee geïntimeerden in eersten aanleg gedaan en in appèl herhaald, is één en ondeelbaar en liet uit de wijze, waarop die is ingesteld, duidelijk volgt, dat de appellant het er voor hield, dat een vonnis tegen den eerslen. geïntimeerde geen volkomen eilect kon hebben, tenzij de geïnti
meerde tevens veroordeeld werd, dan bestaat er geen wettige grond, om â wanneer die »«e^B-geïntimeerde in cassatie is gekomen van een incidenteel arrest, waarbij zijne vordering, om buiten het geding te worden gelaten, was afgewezen â hangende die cassatie het geding teiien den eersicu geïntimeerde alleen voort te zetten,
D O
P. 11. van N.-Holland, v. 21 Maart 1850, R. li., jg. 1850, dl. XII, p. 278 en 27!J. â Vgl. hiermede iu gelijken zin een arr. van hetzelfde 1'. II, v. 4 Sept. 1845, W. nquot;. 637 en v. 21 Maart 1850, IJ, H., jg. 1850, dl. XII, p. 278 en 279, waarbij is beslist, dat de behandeling van eene zaak iu booger beroep of cassatie moet worden geschorst wegens het instellen vau hooger beroep of cassatie tegen een vonnis of arrest, waarhij eene incidenteele conclusie is afgewezen, /.ie ook art. 247 I!. li., arr. van 't Hof van Holland, v. II! Jan. 1841, sub nquot;. 6 en art. 254 lgt;. 11., vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 3 Nov. 1846.
Ilt;5. Bij het uitvaardigen van dwangbevelen en liet proces daaruit geboren, handelt de ontvanger in zijne iioedanigheid en heeft de persoons-verwisseling geenerlei invloed op het schorsen en het hervatten van het geding.
Arr.-R. Groningen, v. 3 .luni 1853, li. li., jg. 1854, p. 425â428.
Een gedaagde is, ook met liet oog op art 151 B. R., niet bevoegd, de schorsing van het geding te vorderen, wanneer hij eene afzonderlijke actie heeft ingesteld tegen den procureur, die voor den eisclier is opgetreden, en tegen den deurwaarder, die namens den
Art 354.)
cischer heeft geëxploiteerd, en wanneer hij, bewerende, dat de procureur en de deurwaarder niet behoorlijk zijn gemachtigd, vordert, dat hunne akten en handelingen zullen worden gesteld buiten gevolg.
Arr.-K. 's IIage, v. (i Juni 1854, W. n0. 1550. â Cf. art. Oli 1!. K., vonnis van dezelfde Arr.-K. v. ÃS Juni â¢1854, sub nquot;. 5.
1-1. Indien een medegedaagde, gedagvaard als gewezen lid eener ontbonden firma, beweert, dat niet hij, maar de likwldaleur in het geding had behooren te zijn geroepen, dan levert dit geene termen op, om, hangende de definitieve beslissing op deze exceptie, de behandeling der hoofdzaak ten opzichte van den eersten gedaagde te schorsen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1854, U. li., jft'. '1854, [i. 530â533. â Cf. art. 151 B. R., vonnis van dezelfde Arr.-U. van denzelfden ilatuui,
IDoor de surséance van betaling houdt niet op de betrekking, waarin hij, die haar verkregen heeft, het geding voerde; van schorsing van geding kan alzoo geene sprake zijn.
P. II. v. N.-llolland, v. 4 Febr. 1858 li. 15., jg. 1858, dl. VIII. bl. 436â437.
Zie ook nog met betrekking tot den invloed van de surséance op dit ontwerp, navolgende beslissing:
Wanneer de verkrijger van surséance zich in een geding, dat reeds aanhangig was, voor dat de surséance werd verleend, door de bewindvoerders doet bijstaan, kan dit, bij genoegzaam gebleken belang aan de wederpartij wel grond opleveren tot vordering der buiten geding stelling van de adsisteerende bewindvoerders, maar nimmer tot schorsing van het geding of niet-ontvaukelijkheid dier vordering.
1'. II. in Gelderland, v. 4 Febr. 1858, R., dl. LX1V, § 73.
lO Wanneer eene vordering, waarvan de hoofdstrekking niet medebrengt, dat zij voor gedeeltelijke uitvoering vatbaar is, tusschen alle belanghebbenden gelijktijdig is aanhangig gemaakt, maar ten opzichte van twee der eischers is geschorst, kan zij ten opzichte van de overige niet worden voortgezet.
P. H. in N.-Brabant, v. 8 Juni 1858, W. n°. 2193, vernietigende de vonnissen der Reclitb. Breda van 23 Juni en 7 Juli 1857, resp. W. n°. 1879 en W. u®. 2193; bi j welk arrest nog werd beslist dat bet gegeven bevel tot voortzetting niet is een dictum ter regeling der proces-orde, maar een vonnis op een tusschengescbil gewezen.
{Art. 254
lï. De algemeene commissie van likwidatie, ingesteld bij de wet van 5 Maart 1852, n0. 45), houdende regeling der zaken van
do voormalige wees- en momboirkamers, een rechtsgeding hervattende, vroeger gevoerd tegen de commissie, belast met het beheer en de likwidatie der boedels, gestaan hebbende onder het beheer der voormalige weeskamer te Schiedam, is daarin tiiet opgetreden voor en heeft uie( voortgeprocedeerd als vertegenwoordigende deze ontbonden plaatselijke commissie, maar zij moet geacht worden haar te zijn opgevolgd, en haar te hebben varcaugen. zoodat het geding moet beschouwd worden, alsof het van den aanvang af tegen de algemeene commissie ware gevoerd.
l'. 11. in Z.-Holland, v. 527 Juni 1859, \V. nquot;. 2097, waarbij vooraf beslist werd, dat bij liet in werking treden van bedoelde wet ten aanzien der destijds aanhangige rechtsgedingen, bet geval bestond voorzien en geregeld bij art. 254 sqq. 15. Rv.
I S, Art. 254 al. 3 15. R. heelt alleen betrekking partijen, niet op dengenen die wel in eersten aanleg mede-gedaagde, en dus partij is tjetveesl, maar die zich tegen liet vonnis van den eersten rechter, waarbij des eischers vordering werd toegewezen, niet in hooger beroep heeft voorzien en alzoo geacht moet worden in dat vonnis te hebben berust.
P. II. v. Limburg, v. 5 Maart 1860, W. nquot;. '2172, waarbij nog werd beslist, dat wanneer meerdere personen, ieder voor zijn bizonder belang zicb tegen eene vordering hebben verweerd, eu die vordering is toegewezen, de een door den ander niet genoodzaakt kan worden hem in appèl te volgen.
I?gt;. Door de benoeming van een pmvisioneelen bewindvoerder over den gedaagde, met speciale machtiging om als zoodanig in het geding optetreden, ten einde de belangen van den gedaagde te verdedigen, wordt diens persoonlijke staat met het oog op dat geding zeer zeker veranderd.
Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Jan. '1803, R. 1!., jg. 1865, p. 300; waarbij nog werd overwogen, dat door het in rechten optreden van dien bewindvoerder niet wordt geschonden de rechtsregel : nul no plaide par procureur si non Ie roi; idem Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 28 Jlci 1871, W. n°. 3514.
80. Faillissement brengt verandering van den persoonlijken staat der gedingvoerende partij te weeg, zoodat volgens dit artikel, de
759
Art. 254. )
loop van het rechtsgeding moet worden geschorst, tengevolge eener zoodanige verandering van persoonlijken staat.
Ait.-R. Aru.sterdain, v. 24 Juli'18(5G, W. n°. 2831 ; et. vonnis van dezelfde Reclitb. in R. 1!., jg. 1882, .0, p. 127; anders vonnis dier/elfdo Reclitb. v. 23 Maait 1882, W. nquot;. 4798, R. B., jg. 1882, .1. p. 4«. â Zie ook R. li., 1878, /)', p. 1 'j'J, sqq., en Mr. .1. C. me Mare/. Ovkns: i.de beginselen van liet hedendaagsche laillietenreclit», blz. 71.
ïl. Het rechtsgeding tot ontkenning van de wettigheid van een kind wordt geschorst, wanneer dat kind is overleden, omdat de betrekking van den bizonderen voogd alsdan ophoudt.
Arr.-R. Ainsteidam, v. 10 Febr. 1880. \V. 4513, bevestigil bij arr. Iligt;l Ainstoi'dain, v. 30 Maart 1883, W. nquot;. 4980, beide opgen. in R. li., jg. 1884, A, p. 7â10 (1).
lt;ïlt;ï. /jie ten betooge:
a. Dat de wetsbepalingen betrekkelijk het schorsen en het hervatten van een rechtsgeding, voorkomende in het 1ste boek, ;3de titel, 12de afd. li. 11., alle toepassing missen in cassatie, met dat gevolg, dat eene voorziening in cassatie niet kan worden ingesteld op naam van iemand, die, hangende de zaak in appèl, is overleden, alsmede de tegenovergestelde leer â
art. 398 IJ. Rv., arr. v. 30 Sept. 1853 sqq.
b. Dat de zich beradende erfgenaam door een schuldeischer der nalatenschap in rechten geroepen, niet behoort te concludeeren tot niet-ontvankelijk verklaring van den eischer wegens den termijn van beraad, maar schorsing van het geding tot na den afloop van dien termijn behoort te vragen â
art. 1072 B. W., snb n0. 1, vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. 8 Febr. 1843 en art. 159 B. R., vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 23 April 1845, sub nquot;. (5.
Zie omtrent de vraag:
Of dc eisch tot schorsing eene dilatoire exceptie is â
art. 159 1gt;. R., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 14 Maart 1850. sub nquot;. 9.
(1) Na 1 Jan. 1885 heeft dc 11. Unail deze kwestie in boveiigeineldcn zin beslist bij arr. v. 30 Maart 1885, W. uquot;. 5151, en is de tegenovergestelde leer verdedigd in R. Adv. X, p. 133 sqq.
760
{Art. 255
.lit. '255.
I. Deze bepaling bevat niet een algemeencn rei;cl. maar een gehee! bizonderen voor de schursing van liet geding.
liet is met deze bepaling uiei in strijd, dat na het wederzijds nemen der conclusiën ter audientie en de bepaling van dag van pleidooi alsnog door ecne der partijen eene incidenteele vordering worde ingesteld.
Air. v. 22 Juni 1860, W. n®. 2-181 ; li., dl. L\V. § 17; v. n. IIoNKtsT. H. Æ(., dl. XXI V. p. 239 siq.: ook vermelfl op art. '139 B. Rv.
'i. Kene zaak is niet in staat vim wijzen in den zin van art. 255 15. j0. art. 1(1 der wet v. 5 Maart 1852 {SM. nquot;. 15), zoolang men in zaken van gewone behandeling recht heeft om te dienen van schriftuur van repliek.
Arr.-R. Ainstcrdarn, v. 20 Juni 1854, W. 11°. 1501 (I).
Zie ten betooge dat in summ iere zaken de zaak in staat van wi jzen is, zoodra de conclusie van antwoord is genomen, navolgende uitspraak:
Het ophouden der betrekking, waarin eene partij procedeert na de in eene summiere zaak genomen conclusie van antwoord, brengt geene schorsing van het geding te weeg.
Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Jan. 1870, W. nquot;. 3268; cf. hot suli n°. 3, van art. 139 B. Rv. aangeteekende.
3 Kene procedure kan niet gezegd worden in staat van wijzen te zijn, zoolang partijen gerechtigd zijn te coneludeeren, of zoolang de gelegenheid voor linar openstaat den stand van het geding te veranderen.
Arr.-R. Briello, v. 13 Sept. 1861, W. nquot;. 2320.
Alzoo wordt een rechtsgeding tot ontbinding van bot huwelijk ex art. 255 B. W., van rechtswege geschorst, wanneer do procureur van eene dor partijen na het vonnis, waarbij do verschijning der echtgenooten
(1) Bij Kon, besluit van 14 Sept. 1852 {Stbl. n°. 145), strekkende totuitvoe-ring van de quot;.vet v. 5 Maart 1852 (Stbl. n0. 45), zijn de voormalige plaatselijke commissicn tot likwidatie van de zaken der weeskamers opgeheven en hebben zij don 1 Oct. 1852 opgehouden te bestaan. Ingevolge art. 116 der genoemde wet, in verband met art. 255 15. R., zijn alle aanhangige rechtsgedingen tegen eene der voormalige plaatselijke eommissiën van likwidatie van weeskamers, op het tijdstip der in-werking brenging van de wet geschorst en moeten zij worden voortgezet tegen de algemeene commissie, met uitzondering van het geval, dat zij reeds in staat van wijzen waren. Vergelijk hiermede in verband, arr. 1'. H. v. Z.-Holland, v. 27 Juni 1859 sub art. 254 B. R.
761
s? //a^e/yff voor den tiij dat vonnis benoemden rechter-comraissaris overeenkomstig tijf- /7o^- J ai.|. 257 J!, \V. was lievolen, en voor de eej'ste verscliijning van partijen sèfevyâ¢' voor den Ijenoenidcn recliter-commissaris, opgebonden beeft bij dat college
s?s-, ^y. als procureur to occupeeren.
M02./r.u:/Sfo-Z- 1
' ^e' voorsc'lr''' val1 'le^ li'' van 'lit artikel is noodvveiulig
^ alleen dan van toepassini', wanneer de tussclienkomst van partiien niet
fr'y/Pt*'- ... . . .
^ meer noodig i.s, en niet zcjoals In casu waar wel conclusiën genumen
en |)leid()()ien gelmuden zijn, maar liet Hof bij arrest heeft gelast
openlegging der koopmansboeken van een der partijen.
1'. II. v. Drente, v. 4 Maart 1871. VV. nquot;. 3304. li. IJ., jg. 1871, p. 7(j'.l, ook vermeld ad art. 250 1!. Uv. nquot;. i. Verg. vonnis Arr.-R. Middelburg, v. 29 Jan. 11870, VV. nquot;. 4305, waarbij werd beslist dat een geding niet in staat van wijzen is, wanneer aan eene der partijen alsnog is toegestaan tegenbewijs dor ten processe gestelde feiten te leveren. Deze beslissing wordt bestreden dour den inzender t. z. p.
De loop van een rechtsgeding houdt door den dood van den gestelden procureur niet op, maar wordt daardoor slechts geschorst; eene nieuwe instantie behoeft derhalve niet te worden begonnen, maar moet hetzelfde rechtsgeding na nieuwe procureurstelling worden hervat.
P. II. v. Uverijsel, v. 26 Febr. 1872. VV. n0. 3533, contra conclusie O. M. t. z. p.
lt;». Na eene expertise kan eene zaak geacht worden in staat van wijzen te zijn, al hebben de gedaagden op de conclusie m de expertise niet, geantwoord.
Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Nov. 1873, VV. nquot;. 3004, waarbij werd overwogen, dat, kon door bet gemis van die conclusie de zaak belet worden in staat van wijzen te geraken, de afdoening der hoofdzaak geheel afhankelijk werd gesteld van den wil des gedaagde, lietgeen ongerijmd zoude zijn.
?. Bij het geschil over de likwidatie der proceskosten kan geen schorsing meer gevraagd worden, als zijnde een zoodanig geschil niet een op zich zelf staand geding.
Arr.-Ii. Uotterdam, v. 17 Dec. 1877. H. 1!.. jg. 1878, ,1, p. 130. VV. nquot;. 4202. â Anders zelfde Recbtb. v. 18 April 1877, t. a. p.; verg. arr. v. 8 Oct. 1841 sqq. sub art. 012 li. R.
N, Zie ten betooge:
a. dat uit de bepaling van art. 255, al. 2 li li. â volgens hetwelk in de aldaar bedoelde gevallen een rechtsgeding gehouden wordt in
c- i g -jt- n'/ï- C'f.n t lt;- : /(lit. -vâzx... Vï /y:? rQ--
J C-C 3 S-n/civ / t- V-CT rrf! -J-ï- ^ ^ e-zw^
At a «QMaf.yCt * *-/ tlct- ys^C^
^Ln^/C ^ âLc^lt;
^trxr-y
? S Cks^--**-
TnU- CA qQ^~ ^ ~
J-fe- wn-'^
staat van wijzen te zijn, zoodra de conclnsiën op de terechtzitting zijn genomen â niet volgt, dat de rechter dadelijk, en dus zonder dat du pleidooien gevoerd worden, op deze conclnsiën kan recht spreken â
uk I'into, //lt;//., II. 1, p. :!8ü (2(lo editie, blz. 405 sq.), alsmede, met een beroep up Pigeau., J, p. 418, IIdnnin, ad art. Ii43 ('.. d. l'r. en CAlilif;, 11, p. 51, liij üi'iiK.MAN, 4de ed.. dl. 1, p. i2!l5 sq.; anders liij Bei.i.ot, lïi'jjotsc dus mutifs de Ui loi dc Gchcvc, p. ili7.
b. dat deze artikelen niet van toepassing zijn in het geval, dat een appellant tijdens de akte van appèl reeds overleden was â
1'. II. v. Gelderland, v. 30 Sept. 1840,bij Mr. llEliTZVEi.ü, ut supra, blz. 18.
c. dat een door den ontvanger van 's Rijksbelastingen namens de administratie gevoerd geding door de verplaatsing van dien ontvanger niet wordt geschorst â
1'. II. v. Overijsel, v. 22 Mei 1848 bij Mr. Heutzvei.ii, ut supra, blz. 33.
Art. 256.
1. Bij art. 256 B. 11. is kennelijk niet sprake van eene beteeke-ning aan de partij, bij wie de oorzaak van schorsing is ontstaan en die dus daarmede van zelve bekend is, maar aan de wederpartij, die daarvan van zelt' geene kennis draagt.
An', v. 1 Febr. 1850, W. nquot;. 1111; U., dl. XXXIV, § 82 en 83, v. n. 11., li. /{., dl. XI, p. 173â189. â Cf. artt. 254, sub n«. 3 en 279 1!. li,, arr. v. denz. datum, en art. 250 li. It., air. van bet 1'. 11. v. N.-Holland, v. 25 Sept. 1851 sqq., sub nquot;. 6.
3. De beteekening, waarvan in art 256 B. R. gesproken wordt, is doelloos en behoeft niet te geschieden, wanneer uit andere omstandigheden (ó; casu, doordien de tegenpartij zelve de oorzaak had beteekend aan de partij, bij welke ze was ontstaan) het legaal bewijs wordt geleverd, dat de tegenpartij van de reden der schorsing niet onkundig is geweest.
Arr. v. 2 Jan. 1852. H., dl. XL, § 70; Amsterd. Ue.utspr., dl. 11, p. 245â247; idem Arr.-R. Middelburg, v. 29 Jan. 1879, W. nquot;. 4305, R. li., jg. 1880, .1, p. 3. Deze beslissing wordt door den inzender t. p-bestreden; zie ook Ktg. Ter borg, v. 3 Oct. 1870, W. nquot;. 4105, waarbij
Art. 256.)
werd beslist, dat niet-beteekening het uitspreken der schorsing niet in den weg slaat. Anders Hof 's-Gravenhage, v. IS Juni IS77, \V. 110.4120, waarbij beslist werd dat de beteekening noodzakelijk is voor de schorsing, zooals blijkt uit de slotbepaling van art. 256 li. Rv.
:5 Het in de artt. 256 15. R. en volgg. voorgesclirevcne (waaronder ook de beteekening) is niet van toepassing in de gevallen, m welke de gedaagde, voor den dag, bepaald om ter rolle te verscliijnen, en gedurende den loop van den hem gegeven termijn, om zich over den ingestelden eisch te beraadslagen, zijn vroegeren staat heelt verloren (i/i casu door onder-curateele-stelling) waardoor hem de wet zelve de bevoegdheid en het recht ontneemt om zich te verdedigen, of om als bdancjhebbende de door hem ondergane verandering van staat aan zijne partij kenbaar te maken; behoorende hierbij tevens niet uit het oog te worden verloren, dat de wet zelve in dit geval de wijze heeft bepaald, waarop de verandering van staat aan het algemeen moet bekend gemaakt worden, (door plaatsing in de dagbladen, ingevolge art. 4!).S li. W.) en partij dus kan en moet geacht worden door die bekendmaking, o]) eene wettige wijze van die verandering van staat kennis ontvangen te hebben.
Air.-li. Nijmegen, v. 20 Sept. 1842,1!. Ija. 1843, dl. V. p. 1532â334; idem bij vonnis van de Air.-R. 'süosch, v. 5 Aug. 1842, R. li., jg- '1842, dl.
IV. p. 097â700. â Cf. art. 254 B. U., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. dcnzelfden datum, vermeld sub nquot;. 7.
4. De vermelding in een vonnis, dat de procureur op zekere terechtzitting niet is verschenen voor den gedaagde, waarvan toen akte is verleend aan den eischer, kan niet in de plaats treden voor de betee-kening, in art. 256 15. 11. vermeld, daar nimmer een procureur, door stilzwijgende nict-verschijning, kan gerekend worden aan partij kennis te geven, dat hij heeft opgehouden als procureur in eene zaak te fungeeren.
Ktg. Maarssen, v. 17 Nov. 1843, R. Igt;.- jg- 1844, dl. VI, p. 210.
S». Bij de wet is nergens het tijdstip bepaald, binnen hetwelk de aanneming van de arrementen van het geding behoort te geschieden, maar is alleen in art 256 H. R. voorgeschreven, dat alle procedures, na de beteekening van den dood van partij, nietig cn zonder eenig gevolg zijn.
764
f-'- f'-~' i V-1_1J-^, 1 ..^, i^-J, cr^^'-y ?sp4
. ^/Ce--- 'â¢/ lt;-r- i-nu ' £. , c'*- i~~ i-gt;
, /. ^M, amp;J Ce.a~^ yja^z^rcA e-^-r.^/x
h O-TA /â f quot; â I /
' 705 , {Art 256,
rL^ f-Aquot; ^ , 'l-^ quot;-/It,,
Arr.R. Amsterdam, v. 12 Febr. 1850. W. n°. 1113; U. B., Jg. 1850. 2-quot;
dl. XII, p. 333â342. â Cf. nil. 254 I!. Uv., vonnis van dezelfde Air.-R. o^z.
v. denzelfden datum, sub n0. 10.
?t quot; 32-,-
lt;». Onder ile belanghebbenden in art. 250 B. R. is, gelijk dit nog ySupji
duidelijker blijkt uit de artt. 257 en 259, niet de wederpartij, maar Fir.'?. apCji,
zijn alleen de rechtverkrijgenden des overledenen te verstaan. .A-*-.
1'. H. v. N.-Ilolland, v. 25 Sept. '1851, VV. n0. '1208; Amsterd. Reotspr..
dl. 1 [, p. -jS5â'187; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 12 .linii ; lt;4^^, 4gt; o fa,*** 1851 ⢠Amste,quot;d- Regtspr., dl. H, p. '110â-118, heide ook aangehaald in ,
R. B., jg. '1875, A, p. Ai sqq.; â idem bij arrest Hof Overijsel, van r c4gt; Je*d-. lt;#94 2(5 Juni 1848, W. nquot;. 2089, ook aangeb. in U. T!., jg. 1875, A, p. 43; üJr H.0yo/2~. â
' -s ..c \____ n ah.. ......... oo .iOi'.r; D T) A Qi'A \ »» QHQ «rr,., ,.i.:; ló â
cf. Arr.-R. Alkmaai', v. 28 Jan. 1806, R. B., jg. 1809, p. 308, waarbij is ^ â
(M ft' bsamp;y â |jes|ist iPit onder belangbebbenden niet is te verstaan de defungeerende
jfyf- /-/quot; ^ quot;/' partij, maar bare opvolger, welke laatste dan ook alleen do oorzaak dei _
7 - oeZ~ scborsing kan beteekencnl cf. Arr.-R. Leeuwarden, v. 15 Nov. 1877, R. B.,
«-3J* ^ jp. 4880, .1. ]). 0; verg. vonnis Arr.-R. Amsterdam, v, 21 Juli 187'.', \\.
f/PaS , ⢠â nquot;. 4431, R. B., jg. 1880, /1, p. 4, waarbij werd overwogen dat onder
SMT nScff- belanghebbende verstaan wordt, de partij die â zooals in mw bij failliet-
t verklaring, â de verandei'ing van staat beeft ondergaan, maar niettemin de a-ü^ ^ J-avr
f? zo ~ beteekening door de benoemde curators werd celdig geoordeeld. â Vgl. * ~
c â - met dit alles arr. P. II. v. Gelderland, v. 4 Kebr. 1874, VV. nquot;. 3703 en R. B.
jg. 1875, A. p. 43, waarbij wel eveneens werd overwogen dat onder
-. öbelanghebbende» alleen bedoeld wordt de belanghelibende van de zijde
/ o/ '','r partiji '''j welke de oorzaak der schorsing is ontstaan, maar niettemin
7 y*quot; ' werd beslist, dat ook aan de wederpartij het recht is overgelaten, om,
y fvw1 â 1,11 gebreke van beteekening dor oorzaak van de schorsing door de belang
/aoL,
(j/ï'yvp hebbende partij, de schorsing van het geding te vorderen. â Cf. art. 250
B. Rv., arr. v. 1 Febr. 1850, sul)
7^- ................â. â---------
Ai IT 1 1 7 7 7. _7. 7.___.7.. . n n il Ti d 13 Iisgt;..n1r.. »v\ mtrl/t ^ ' ^-''V'A
â J. Het woord helanghebhenden, in art. 256 B. R, voorkomende.'--'
wordt in algemeenen zin gebezigd en begrijpt niet alleen hen, die in quot;
de rechten en verplichtingen der afgetreden partij zijn getreden, maar '
ook hen, die, hunne vroegere bevoegdheid om te handelen verloren utz hebbende, daardoor belang hebben gekregen, om niet langer met een ^
proces, in die vroegere bevoegdheid ondernomen of gevoerd, en met 4/,. »gt;?
de verantwoordelijkheid, die het aankleeft, belast te blijven, ten effecte, uffi.
dat niet slechts de opvolgers van de afgetredene partij, maar ook die fA.n'é'rti.. partij zelve, en mede nog de procureur, die, door den dood of veran- y,o Ãamp;c. Wyi derden toestand van zijn meester, zijn mandaat verloren heeft, bevoegd zijn, door eene beteekening van de oorzaak der schorsing, den loop van het geding te doen staken.
Bij deze uitlegging van het gemeld art. 256, moeten de daarop
I J- !â VJ*-
. ^ âedimr gehandeld wordt, worden verstaan in dien zin, dat, bij de he-
het rechtsgeding zal plaats hebben, wanneer gedaan wordt de beteeke-ning door hem, die te gelijkertijd de bevoegdheid bezit om de arre-^rrr?t ^ menten van het proces op te nemen, en welke gelijktijdige opneming ^in dat geval nog niet is verplichtend, maar facultatief, daar bij gebreke
11» üJll J^cvai iuj^ lucu ------
(^e11 aan tesequot;i«rti.i aiieen ^et rec^t: 's om lolt;
'T x ⢠hervatting van het rechtsgeding te ageeren.
â / « ff P. II. V. N.-iirfilmnt, v. 18 April lSr.4. W. nquot;. 1355, R.. dl. L, § 80,
Mcrz^p. (]iell aauz|on vernietigende oen vonnis van dn Arr.-lf. s Hoscli, v.
/rf/*. 7/# jlinj 1X5/!.
f ais voâg(l in hooger beroep gedagvaard, als zoodanig procn-
lieect âgg^ifi, is onbevoegd om de e.xcepüo disquahjicatorla voor
^^5^'te stellen op grond, dat zijne voogdij tijdens de akte van appèl was geëindigd; maar moet, als hij in die kwaliteit niet wil voortproce-h°lt;?/'â¢gt; deeren, de schorsing beteekenen volgens dit artikel.
Igt;. II. V. Ãverijsel, v. 20 Juni 1805, W. n0. 2822.
». Ofschoon bij niet-beteekening van de oorzaak der schorsing van het rechtsgeding aan de wederpartij, dit geding kan worden voortgezet, is die voortzetting echter in geval van faillissement minder wensche-lijk, zoodat het uit dien hoofde noodig is, dat gevolg worde gegeven aan de imperatieve bepaling van art. 254 B R. en de rechter het
geding schorse.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Juli -1800. W. n0. 2831.
IO Wanneer eenige der partijen zijn overleden, doch de dood niet als oorzaak van schorsing is beteekend, moet het rechtsgeding op de quot;â¢ewone wijze worden voortgezet.
R II. v. Ãverijsel, v. 22 Jan. 1872. W. n0. 3533, cf. Arr.-R. Assen, v. 23 Maart 1803, W. nquot;. 2504.
| f, Voor schorsing vordert de wet alleen het bestaan en de betee-kening van het feit, waaraan zij schorsing als gevolg hecht, zonder dat erquot; sprake kan zijn, dat de schorsing zou zijn een dilatoire exceptie, bij conclusie op te werpen. De beteekening van het feit der schorsing
Art. 256.) . .j
, ââWp^rio orft 9,fS7 on 258. waarin van de hervatting van het rechts-ttrrrm-ï vmDc
getlii.amp; 0-........
teekening van de oorzaak der schorsing, alleen clan de hervatting van
i'
{Art. 25fi,
is niet bij uitsluiting van anderen toegelaten aan partijen, maar aan de belanghebbenden bij het geding, als hoedanig ook is aan te merken de provisioneele bewindvoerder over den persoon en de goederen van eene der partijen.
Arr.-R. 's-Ilertogenboscli, v. 8 Mol 187*2, 11. 1!., jg. 1874, dl. XXIV.
p. 425, ook vermold sul) art. 254 !gt;. Rv. Verg. over di» beteekenis van «belanghebbenden» arr. Hof N.-Brabant, v. *18 April 1854, sub art. 250 Rv.
I 'i, Wanneer de gewezen curators in een faillissement en de gewezen failliet aan de tegenpartij de oorzaak der schorsing hebben laten beteekenen (nam. de hangende het geding plaats gehad hebbende homologatie van het accoord) zijn eerstgenoemden met-ontvankelijk om alsnog in die hoedanigheid ter rolle van de rechtbank op te treden, ,
en een verzoek tot schorsing te doen ou
n m «v?? fat,: /£6.
Arr.-R. Rotterdam, v. 22 Aug. 1877. R. B., ,jg. 1878, A, p. 134.
13. Na een verhoor op vraagpunten is het geding zeker nog niet Cfcl-. in staat van wijzen, wanneer te voren uitdrukkelijk is verklaard dat een conclusie ten principale wordt gereserveerd, en daarin is berust.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 15 Nov. 1877, W. nquot;. 4218.
1-I-. Schorsing werkt niet van rechtswege, maar heeft alleen op initiatief van partijen plaats.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Jan. 1882, R. B. jg. 1882, A, p. 108.
Art. 257.
1. De dagvaarding tot hervatting van het geschorste rechtsgeding doet niet ontstaan eene nieuwe rechtszaak, maar is slechts een incident in het reeds aanhangig doch geschorst rechtsgeding, welk incident alleen onder het nummer van het geschorste geding ter rolle behoort te worden vermeld.
P. H. v. Gelderland, v. 28 Maart 18()C, W. nquot;. 2827. R. 1!., jg. 1800, p. 08C, waarbij beslist werd, dat do kosten door liet tor rolle stellen op een verkeerd nummer veroorzaakt, komen ten laste van de incidenteelen verweerder, aan wiens zi jde in chsk die verkeerde handeling was gepleegd. Vergelijk in verband met bet hierboven aangenomen beginsel, P. II. v. Overijsel, v. 27 Juni 1804, bij Mr. IIektzveld, ut supra, blz. 73.
TC,7
I
I Vt
' I,
tt
w Je Ut '/On-'t-f i^ â *-- 2.Tamp; lt;wU- /««^g-, ^
»C£, ui ^AA»^â / ^ O-A-JIJL.â /-^lt;^-. JrT^uA*~sij
/ y â â 4,^.0^.*. . / - ^7T-/ i -p-m. £-yy~t r -e -amp; r-^-- r^y~L^r-e^/-[0-^n . i'amp;-*
â 2570 ^ ^ 70S ^ ? ^ (
Jfryy, L t^c-a i- A- /?-' ? . %y «ij-L , yuquot; ó amp;--6gt;.
3. liet voorschrift in dit artikel vervat heeft uitsluitend op betoog
de heteekening door de partij, bij wie de oorzaak der schorsing ontstaan is.
liet volgend artikel regelt slechts de wijze, waarop die partij door hare wederpartij tot hervatting kan worden genoodzaakt. Art. 259 eindelijk wijst den weg aan, dien de partij, bij wie de oorzaak der schorsing is ontstaan, in ieder geval zal hebben te volgen, als zij zonder eene oproeping van de wederpartij, of gedagvaard zonder eene rechtelijke beslissing af te wachten, tot hervatting wil overgaan.
lldf 'sBosch, v. 0 Deo. 1881, W. n°. 4771.
Art. 2oS
I. Erfgenamen moeten tot hervatting van een rechtsgeding op de gewone wijze, ieder afzonderlijk en niet collectief worden gedagvaard. Art. 4 n0. G bedoelt alleen dagvaardingen of exploiten, welke, ware de overledene nog in leven, tegen hem zelf zouden zijn gericht geworden.
P. II. v. Zeeland, v. 20 Juni 1855, \V. n». 1074, R. 1!.. jg. 1850, di. VI, blz. 444. _ Hut Hof overwoog Jat het onderwerp der dagvaarding tot hervatting van liet geding eene vordering behelst, waarvoor de overledene bij zijn leven nimmer in rechten had kunnen worden geroepen, als zijnde de aanleiding daartoe eerst ontstaan door zijn overlijden en verzuim der erfgenamen; of. aant. 4 op art. 4 li. R.
3 Volgens dit artikel is elke partij gerechtigd en moet zij dit noodwendig zijn, om een geschorst geding met de wederpartij, of wie deze vervangt, te hervatten, behoudens de verplichting dier partij, om bij en in die hervatting te observeeren de wijziging van rechten en verplichtingen, sedert de schorsing ontstaan, en om desnoods, zijne con-clusiën, ingevolge art. 134 B. li. te wijzigen. Indien die verplichting van de opvolgende partij tot hervatting niet werd aangenomen, zou men tot het ongerijmde gevolg komen, dat een geding zonder vonnis en zonder toestemming van partijen kon worden geeindigd, of wel de instantie als vervallen beschouwd, niettegenstaande de wet zelve geen vervallen van de instantie zonder vonnis toelaat.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Febr. 1850, W. n». 1742. R. li., jg. 1850. dl. VI, blz. 288â293.
[Art. '261
Art. 259.
Indien in cas van art. 259 B. R. liet aanlian^ine rechtsgeding wordt vervolgd niet ter rolle, maar bij dagvaarding, alsdan is men niet-ont-vankelijk in den bij die dagvaarding ingestelden eisch en de daarop genomene conclusie.
Arr.-R. Groningen, v. 28 Nov. 185,1, R. Igt;., 1854, p. 380â382.
Art. 261. An yamp;T ^
\. Om op te houden partij in eenig geding te zijn, is liet niet voldoende, dat men trerechtelijk verklare tot de voortzettinic daarvan door hooger beroep aan den procureur geen last te hebben gegeven,
noch wordt die verklaring voldoende door de opgevolgde verklaring o^n^c^rz.
van den procureur, dat hij zijn ministerie aan de partij onttrekt.
P. TI. van N.-Rrabant, v. 23 Febr. 1847, U. 1!., jp;. 1847, dl. IX, p. 2/ Chf. 513â517. â Cf. art. 2C3 B. Rv., arr. van hetzelfde P. II. van denzolfden ^
datum. kï-.'H.- yalt;?r.
a.*t,
Lj
8. jNergens is verboden, om nadat bij verstek het rechtsgeding is hervat verklaard en zoolang het eindvonnis niet is gewezen nog bij procureur te verschijnen, terwijl het doel van den wetgever in geen enkel opzicht wordt miskend, door na het verstek alsnog den procureur in het geding toe te laten.
Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 4 Mei 1881, W. n°. 4707, R. I!., jg. 1881, A, p. 247. â Cf. het sub n°. 4a van dit artikel aangeteekende.
3. Wanneer op de dagvaarding tot hervatting, van meerdere gedaagden één niet verschijnt, behoort de regel van art. 79 15 R. gevolgd te worden.
Hof 's rSosch, v. 25 Oct. 1881, W. n0. 4708, R. li., jg. 1882, A, p. 58; anders Hof Amsterdam, v. 10 Maart 1882, R. R., jg. 1882, A, p. 57.
â 4. Zie ten betooge:
a. Van de niet-toepasselijkheid van art. 75 B. R., indien door den eischer aan de oproeping van een gedaagde, om na het overlijden van den gestelden procureur een nieuwen te stellen, tot wederopvattiug der instantie, niet wordt voldaan en dat in een zoodanig geval de hoofdzaak bij verstek behoort te worden beslist â
Mr. W. van Kossem 13z., Bur//. Hechtsv. 4'j
769
Art. 261.)
nrt. 75 R Rv.. arr. v. quot;2 Dec. 1842, sub n0. 1. â In rrelijknn zin bij de Pinto, Ildl., It, 1, p. 383, (2de od. pag. 408); Oudeman, 4deed., dl. 1, p. 299 en Penning ad artikel, welke laatste tevens van meening is, dat ook andere artikelen van de afdeeling, handelende over verstek en verzet, niet toepasselijk zijn op het geval, in art. 261 voorzien. Cf. het sub hac artikel vermeld vonnis Arr.-R. 's Bosch, v. 4 Mei 1881.
b. Dat in een geding, waarin wegens de niet-verschijning van een der geïntimeerden gehandeld is overeenkomstig art. 7!) H. R , niet op nieuw dienovereenkomstig moet worden gehandeld, wanneer op eene dagvaarding tot hervatting van het rechtsgeding wegens het inmiddels plaats gehad hebbende overlijden van der appellanten procureur, de reeds vroeger niet verschenen geïntimeerde wederom niet compareert â art. 79 li. Rv., arr. van 't 1'. II. v. N.-Holland, v. 4 Nov. 1847.
Art. 263.
I. Artt. 263 en volgg. 15. 11. hebben alleen betrekking op de daarbij vernielde verrichtingen van procureurs en niet op die van deurwaarders, al geldt het ook een exploit, waarin eene procureur-stelling is vervat.
Arr. v. 14 Febr. 1851, \V. n0. 1240; idem Arr.-R. Goes, v. 27 Jan. 1865, R. R, jg. 1867, p. 467; idem he Pinto, Ildl. B. li., II. 1, p. 368 2de ed. blz. 392 sq. en Ouueman, B. 1!.. 4de ed., dl. I, p. 301.
De beteekening van een bevelschrift, waarbij de dag van pleidooi
in het in cassatie aanhangig geding is bepaald, is niet anders dan eene
akte tot de procedure behoorende, met betrekking tot welke de dienende
procureur als lasthebber handelt, en waaromtrent mitsdien eene ont-
kentenis en daartoe betrekkelijke vordering, op den voet van art. 263
15. R. niet zijn ontvankelijk.
Arr. v. 22 April 1853, W. nquot;. 1467; R., dl. XLIV, § 63, v. d. Honert, B. R., dl. XVI, p. 345 sqq.
3. Wanneer in fado niet vaststaat, dat de procureur niet voorzien
is geweest van bij dit art. vermelde bizondere en bepaalde schriftelijke
machtiging, kan de beweerde schending van art. 263 15. R. niet in
cassatie worden onderzocht.
Arr. v. 18 Aug. 1873, W. nquot;. 3627, R. dl. C1V, § 33, v. n. Honert, B. /;. dl. XXXVÃII, p. 420 sqq.
770
'2â r/s ftre#- r/G-, o-cSr^s é^-A-
£y
ae ^s ïs?quot;#, lt;j lt;â S* t ^j-~ 'n^o 2â 'yy?s**^/^-t^c* /£-*â #lt;-
^'â ' ^ 771 , '{Art. ét.
r'égt; 'lt;~iy^gt; J-Tgt; faA- itPfquot;? 'ft-ru. quot;X. ^Ar? /^eSamp;rtry^ t riy^-2-. u/tp t?, M °
4-, Daar de bepaling van art. 263 15. 11., als van [weiialeu aard,
moet worden geacl'.t limliatic.f en niet enwiüaüef iv zijn, volgt hieruit
dat art. 263 15. Ã. bij uitsluiting van toepassing is op de numinulim,
en speciaal daarin opgenoemde verrichtingen, en mitsdien alleen is
toegelaten tegen zoodanige verrichtingen van procureurs, waarvan in
het zoo even genoemde art. 263 15. 11 de opsomming geschiedt , cnJkst*
Arr. v. 11 Juni 1880, \V. nquot;. 4527, ï!., dl. CXXV, § '17; v. n. Honf.ut,
It. n., dl. XLV, p. 257 sqq., U. Ti., jg. 1881, .1, p. 248, waarbij word verworpen de cassatie gericht tegen bet arrest van bet Hof te .
's-Oravenbage, dd. 20 Dec. 1879. W. nquot;. 4532, 11. Igt;., jg. 1881. ,-l.p. 20; c'
bij welk arrest vernietigd werd bet vonnis der Arr.-R. Middelburg, van den 12 Maart 1870, W. nquot;. 4532. . 2£.
Arr.-R. Snoek, v. 10 Oct. ISIIO. \V. nquot;. 08; 11. I!., jg. 1845, dl. VU, / ,
p. 8â10; Uef/t in Neded., dl, II. p. 300â312 en Maastricht, v, (i Maart '*/quot;â ***' 1840, W. n'1. 770; R, Tgt;,, jg. 1846, dl. Vlll, p. 514â510; in gelijken zin Sfyer f iiij ue 1'iN'TO, \WI. Tl. /1., p. 309; Oudf.man, II. /;., 4de ed., dl, I, p. 300 âr/v aa^v^wL.in do Opm. en Mcd., dl. V1. p. 47â54-; â alsmede bij Caruk, /
I-(quot;S de 1quot; I'roc t- quot;⢠n0- 1301; Roguon ad art. 353 C. lt;1. I'. C.;
CsuJ fóuJ- 'Nomine Desmazures, Comment, sur le C. de /'. C. ad art. 352; Favauh,
/ic/j. de la Xohv. I.e(/ifil.. voce Dcsnven, S; 1, nquot;. 5. â In strijd meteen 2^i./?. lï- on anc|er meent Penning ad art., dat art. 203 ook zon voorzien in bet,
yjiiC geva] dat iemand beweert, volstrekt geene volmacht te hebben gegeven
Uh. p'Jquot;-- aan den procureur, die voor hem beeft geoccupeerd.
ö. De eischer in cas van désaveu is verplicht zich in dezelfde hoedanigheid tegen de handelingen der voor hem occupeerenden te verzetten, als waarin hij ten processe bekend was. Ook clan wanneer hij (gelijk in cam) ten onrechte ontkent de hoedanigheid, waarin men hem heeft doen ageeren, moet daarvan eene niet-ontvankelijk-verklaring het gevolg zijn.
Arr,-R. Snoek, v. 10 Oct. 1839, W, nquot;. 68, U, I!., jg. 1845, dl, VII.
p. 8â10; Reut in Nadert., dl. II. p. 309â312.
© Art. 263 15 II. is, met het oog op de artt. 263 en 125 15. li.,
in verhand met het vervangen art. 106 der wet v. 29 Maart 1828 (Slbl. n0. 19) en van art, 32 der wet v. 29 Maart 1828 nquot;. IS),
alleen toepasselijk op die gerechtelijke verrichtingen, welke bepaaldelijk door een procureur als zoudauuj, en niet in het algemeen door een lasthebber zijn gedaan.
Mitsdien kan de actie tot ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen niet worden ingesteld tegen den yelasügde van eene der partijen in
Art 263.) 772
eene procedure voor het kantongerecht en mitsdien ook niet tegen een procureur, die in kwaliteit als lasthebber een rechtsgeding heeft gevoerd voor een kantongerecht.
Arr.-R. Sneek, v. quot;10 Oct. 4839. W. n0. G8; R. R., jg. 1845, dl. Vil, p. 8â10; Rccjt in Nederl., dl. II, p. 309â312; idem'de Pinto, B. II, 1, p. 308 en 309, '2de ed.. p. 392 en Oudeman, /gt;'. 11., 4de ed,, dl. I, p. 301; â anders door Penning ad art.
'J. I)e gerechtelijke verrichtingen van den procureur kunnen niet door de tegenpartij worden aangetast, maar verdienen (behoudens de gevallen waarin de wet bepaaldelijk bewijs van volmacht vordert) in rechten geloof, zoolang die op de wijze, bij het Wetb. v. 13. II. voorgeschreven, niet door de partij, welke de procureur vertegenwoordigt, zijn ontkend geworden.
P. II. v. N.-Brabant, sine die, W. n». 331, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. 12 Maart 184'1, W. ut supra.
8. He ontkentenis, vermeld in art. 26:5 B R. kan niet plaats hebben door eene verklaring, opgenomen in eene deurwaarders-akte, «dat men van de procedure niets weet en daarvan afzietquot;.
P. H. v. N.-Brabant, sine die. W. n0. 331, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. 12 Maart 1841, W. ut supra. â Cf. art. 278 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. 8 .Tuni 1842.
Eene actie, strekkende tot ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen, is niet ontvankelijk, indien niet voorgegeven noch gebleken is, dat de gedesavoueerde eenige aanleiding, toestemming, gerechtelijke erkentenis gedaan of aangenomen heeft, of wel, dat op zoodanige van zijne zijde gedane handelingen, een ten nadeele van den desavouant gewezen vonnis is uitgesproken, en de zaak, zonder zoodanige handelingen, eene andere beslissing zoude hebben ontvangen.
Arr.-R. Maastricht, v. 0 Maart 1840, W. n0. 770; R. 1!., jg. 1840, dl. VIII, p. 514â519.
lO Buitengerechtelijke handelingen, bij exploiten wederzijds beteekend (in casu van den cliënt aan den procureur, dat hij geen last gegeven heeft, om mede uit zijn naam appèl in te stellen en van den procureur aan den cliënt, dat hij ophield zijn ministerie aan hem te verleenen), kunnen niet het gevolg te weeg brengen, of van ontkentenis der
{Art. 264.
gerechtelijke verrichtingen, of van eenige andere judiciëele verrichting,
waardoor men huiten het, proces zou zijn gesteld.
P. 11. v, N.-Brabant, v. 23 Febr. 1847, R. 1!.. jp;.- 1847, dl. IX. p. 513 â517. â Cf. art. '261 I!. Rv., arr. van hetzelfde P. 11. v. denzelfden datum,
sub n0. 1.
11. Eene gerechtelijke bekentenis kan niet anders worden herroepen dan op grond en op de wijze, als bij art. 15. W. en dit artikel
is voorgeschreven.
P. 11. v. Drente, v. 3 Sept. 1870, R. li., jg. 1871, p. 750.
Art. 205. v-l L-
Uit deze bepaling vloeit voort, dat, wanneer het geding, tot liet ^
instellen waarvan de lastgeving aan den procureur wordt betwist, ban-ifende was in hooger beroep, toen de ontkentenis werd ingesteld, â
deze laatste nïet voor den rechter in hooger beroep, maar voor den eersten rechter moet worden aangebracht.
l/wy
Op deze bepaling wordt geene uitzondering in de artt. 268, 269 en
,fev- JT-TT»'
270 aangetroffen.
P. 11. v. N.-Brabant, v. 5 April 1864, vernietiiiende vonnis Arr.-R. - \ ' 's lioscb. v. 23 Sopt. 1803. boido opgenomen in VV. nos. 2804 en 2902. ' , Hot Hof besli.ste dat in zijn systeem de eene rechter niet geroepen wordt â¢'
over de gewijsden van den ander uitspraak te doen, of de mindere rechter -
om de uitspraken van den hoogeren te vernietigen, maar integendeel ^ .
ieders bevoegdheid in allen deele wordt gehandhaafd. ^ /
____jy /â / 7 ; ^
Ari. 266. uc 7^
6^, / 'f'V / ,
Eene partij in de hoofdzaak, in het geding van ontkentenis opgeroe- gt; '
pen, is niet bevoegd om ten dage dienende, reeds ten principale te concludeeren.
Arr.-R. Sneek, v. 10 Oct. 1839, W. nquot;. 08; R. 15.. jg. 1845, dl. VII,
p. 8â10; Recjt in Xedei-l., dl. 11. p. 309â312.
Ari. 269.
Volgens Mr. A. he Pinto, {Ilaiull. lot het Well). v.Bunj. lle/jlav.. II, biz. 371, 2de druk biz. 390), schijnt de zin van dit artikel deze te zijn, dat de partij^ die oene der handelingen in art. 203 genoemd wil ontkennen, en het daarop aewezen vonnis wi! doen vernietigen, de keuze heeft om de actie tot désaveu
773
, cre-ï,.
Pr Cfi--------__. ^ ^âJ, ,ri_^-=»
/l_ â amp;* d-o-eJi^JL' ' tëamp;gt;~ ^C~fl^y^-o^^Zd 2.6~ /^amp;-fry. éc/^ gt;â ⢠*
/fO-Cno .
.1)7. riOt) ) 774
Intestellou óf van dat vonnis in lioogei1 bemep te komen. Zie editor O^nn. rii Mal., dl. Xi, blz. 150, waar het gevoelen van Mr. de I'into bestreden wordt en de Schr. betoogt, dat liet verband van art. 20'J met liet voorafgaande, de zienswijze van Mr. he I'into reeds weder legt, en dat volgons die beide wets-bepalingen, de vordering tot nietig-verklaring iu appèl gedaan, steeds op de tocr/civczon onlkentenis moot steunen.
' De procureur (Tie, wegens eene tegen hem ingestelde doch ongegronde /bs- ca clesaveit, schadevergoeding vordert, moet het bewijs leveren
'f dat hij materieele schade geleden heeft.
frj. Arr.-R. Maastricht, v. (i Maart 1846, W. n0. 77(i; R. 1!.. jg. '1 S-Wi.
dl. Vlll, p. 514â519.
Art. 27:!
Zie ten betooge, dat de bepaling, vervat in art. 89 13. R , niet toepasselijk is in het geval, voorzien bij art. 273 van dat Wetb., wanneer de eischer in den vorm, bij art. 274 H R. voorgeschreven, den aldaar bedoelden eisch tot verwijzing naar een ander Hof heeft ingesteld, zonder dat de verweerder, niettegenstaande het rekwest van eiscli behoorlijk is beteekend, daartegen is opgekomen, noch zijn antwoord ter griflie heeft nedergelegd of procureur gesteld en dat in dit geval de kosten moeten worden voorbehouden tot de beslissing ten principale â
art. 89 11. 1!. air. v. 14 Mei 1840, sub nquot;. 1; iduni uk I'into, ihu. II. 11.. 11. 1, p. 37:! en :!74 ('2de ed. pag. 398).
Art. 274
8, De beteekeniug der vordering tot verwijzing, in art. 274 H. li. vermeld, kan (behoudens het bepaalde bij art. 94 15. R.), op straflé van nietigheid, niet gesciiieden aan de woonhuizen der procureurs, die in eene andere afgeloopene procedure hebben geoccupeerd, en moet, wat buitenlands woonachtige gerekwireerden betreft, geschieden op de wijze, bij art. 4, n0. S 15. R. voorgeschreven.
A it. v. 17 Nov. 1848, Râ dl. XXXll, * 12: v, u. 11.. B. li., dl. X, p. 130â134.
{Art. 274.
'i Het voorschrift, dat fle eiscii tot verwijzing zal worden ingesteld hij een verzoekschrift der éene partij en dat dit zal worden beteekend aati de wederpartij, met aanmaning daarop te dienen van antwoord met middelen, is van openbare orde, waarvan mitsdien bij minnelijke overeenkomst van partijen niet mag worden afgeweken.
Arr. v. 13 Sopt. 1859, li., dl. LX11I, Sj 2.
3. lüj het verzoek tot verwijzing naar een ander gerecht, ten gevolge van toegelaten wraking of reden van verschooning, wordt in art. 274, laatste lid bepaald, dat de loop van het rechtsgeding zal warden ycsclwrst van den dag der heteckcn uif/ in het tweede lid van dat artikel vermeld. â Lipman, li. It., p. 125, merkt op, dat hieruit blijkt, dat met het woord ((Hetzelve», te midden van het eerste lid, oen nieuwe regel behoort te beginnen, daar de zinsnede, welke met dat woord aanvangt, blijkbaar die is, waarop de wetgever doelt. â Vgl., in verband hiermede, ten betooge, dat art. 274 li. R., uit de redactie van art. 229, olf. uitgave van 1830, moet worden verklaard â quot;t 11. IJ., jg. 1841, dl. Ill, p. 194 on 195 waar men tevens meent, dat de schorsing, vermeld bij art. 274, laatste al. 11. R., niet dooi' den rechter moet worden uitgesproken, maar van rechtswege plaats heeft.
Art. ilb.
Bij arr. v. 14 Mei 1840, v. u. Honert, JB. 11., dl. I, p. 147â149, vermeld op art. 89 li. R., sub nu. 1 en art. 273 ibid., is tegen oen verweerder, die. niet beeft geantwoord, verstek verleend, he Pinto, Hill., li. 11., 11, 1 p.373, 2de ed. p. 398, leidt hieruit af, dat, naar het oordeel van den II. R., men tegen een arrest van verwijzing kan komen in verzet. Hij meent echter te moeten betwijfelen, of dit wel de bedoeling der wet is.
Art. 27«.
1. liet Hof kan geen uitspraak doen als rechter van een jurisdictie-geschil, wanneer het niet larujs den wey, bij de wet aangewezen daarvan is gesaisisseerd.
Conclusie van Mr. P. M. van Goens opgenomen in W. n0. 215G, beboo-rende bij het arrest Hof Overijsel, v. 0 Febr. 1860, W. n0. 2159.
Zie over de definitie van jurisdictie-geschillen in het Ontwerp van een Wetb. voor liurg. Regtsv., Mr. v. Bonevai. Fauue in S. Bijdr., jg. 1866, dl. XVI. p. 224.
775
i'^ 1rquot;/n 'isu--e- l/wdy
; Uk- l*~riru ^ C'L~~ tWcL â¢. . 4- ^ ^ -lt;- 'M 5/ '(bui- cjfi-cj ij ^
Cïbt.
^J. .C . t~ri~ crv^TL.
AH 277.) 776
Art. 277.
1. Afstand van het incidenteel hooger beroep is geen afstand van de instantie.
Arr. v. '20 April 1855, W. n». 1038, R., dl. L, 1'i.
Vergelijk navolgende uitspraken ;
Hen excipiënt heeft het recht zijne voorgestelde exception, nadat de geëxcipieerde die bij conclusie heeft beantwoord, eenvoudig in te trekken,
zonder aanbod van kosten, liet opwerpen van excejitieve middelen stelt toch geene nieuwe instantie daar, zoodat de bepalingen van deze afdee-ling daarop niet van toepassing zijn
Arr.-R. Zwolle, v. 13 Juli 1800, W. nquot;. 2311.
Onder het doen van afstand der instantie heeft de wetgever slechts ^ bet oog op vorderingen bij dagvaarding aangebracht, geenszins op
incidenteele vorderingen, zooals het verzoek tot verhoor op vraagpunten,
l/TrrYquot;
dut dus altijd kan worden ingetrokken zonder toestemming der wederpartij,
â ytlo â¢' V _ 0 i -n
mits slechts ten haren laste niet komen de nutteloos aangewende kosten. ^ Arr.-R. Zwolle, v. 1 Febi'. 1882, W. n». 4780. '/lê.
' . /lt;S*cPamp;
])e geldigheid van den afstand, gedaan na het antwoord, is volgens_ 6 ' 0 ' a gt;. -573 7
Imtjpâlt;3â^ art. 277 15 R., (waarbij zijn afgesneden de controversion, welke ten
fj^^Ti^.ggvolge van de facultatieve redactie van art. 402 0. de L'roc. (Jiv.
MJ^r onder de Fransche wetgeving ontstaan waren) afhankelijk van de
^ j, toestemming der wederpartij, zoodat bij weigering van die toestem-
afstand door den rechter niet ambtshalve kan worden uit-
rquot; â 'Z-yy gesproken.
thtr^-y CL^f-y
i- amp;JL. v- N.-lgt;rabant, v. 28 April 1839, R., dl. 1, § 58; liegt in Nederig
vkk d] n ^ 148_,151. idem Oudeman, II. 11., 4de ed., dl. 1, p. 312. Vgl.
ook v. n. IIonert, llclb., § 277 cn 278.
TOvyx^ £*--â .
li. Door het antwoord van den üredaai'de is daar^estekl eene litis-
CCoUu^tejoll*-^ _ . .
contestatie en hierdoor geboren een judicieel contract, waardoor partijen 'n ^611 ö6!'.]^6quot; stand van zaken zijn gebracht, om door een eindvonnis 6rytroâ eülle beslissing van het geschil te verkrijgen.
tê, p- H- v- N.-Brabant, v. 23 April 183!), R., dl. I, $58; lioftl in NcdcrL.
dl. II, p. 148â151.
Zó . /aPcP?
f i_f TL quot; S'i . .
wt*. olu J qZ-^U t -yz Iro-trtamp;asC
jJ^ fe / ^Jj^cUJm-le-^j l^o ^£pv. uPy! OÃ. n° (óasy. 7 ' /777 (A
â yv C â â -2^ ^ 0
{Art. 277.
4. Een gemeentebestuur kan afstand doen van eene instantie, zonder speciale autorisatie van Gedep, Staten, op wier machtiging die is ondernomen.
P. H. v. N.-Brabant. v. 23 April 1839, R., dl, l, § 58; ltci/l in Ncdcrl.,
dl. II, p. 148â151.
ü. Ken opposant tot een en hetzelfde verzet procedeerende, uit tweeledigen hoofde in zijn persoon onafscheidelijk vereenigd, kan, door een van beide te laten varen, en desniettemin denzelfden eisch te blijven doen, rechtens niet geacht worden eenigen afstand van zijne actie te doen.
Arr.-R. 's Bosch, v. 25 Febr. 1846, W. 110, 728.
lt;». Art. 277 15. R. is ook op eene exceptieve conclusie (alleen tot ybotTy/^itC niet-ontvankelijk-verklaring) van toepassing, zoodat ook in dit geval zonder de toestemming van den gedaagde, ten principale moet worden recht gedaan. ? ^
P. II. v. N.-Holland, v. 23 Dec. 1847, W. no. 933. bevestigende een
vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 April 1840, W. n0. 737 (waarbij echter die rechtsvraag* meer in het midden is gelaten). trryx*^*-
trA/ O err r â
Vergelijk echter navolgende uitspraak ; j^asyyv^
De woorden : wvóór het antwoordquot; in dit artikel beduiden het ant- v^-^-woord ten principale en geven te kennen, dat de afstand steeds ge-
/yyi 'ml
sollieden kan, zoo lang niet werkelijk Un principale d. i. op de zaak
zelve is geantwoord, zonder dat in aanmerking komt, of er al of niet .
had moeten zijn geantwoord. ^/c, *â . ujf
Ktg. n0. II, Amsterdam v. 12 Oct. 1868, \V. uquot;. 3045. ^
^-7 iif. â hquot; T/It-
ï. Eene vordering tot scheiding van tafel en bed kan niet door
eene bij de rechtbank onbekende verzoening gerekend worden van
zelf te zijn vervallen. Hieruit volgt dat, indien die vordering niet
uitdrukkelijk is ingetrokken, de daartoe betrekkelijke hernieuwde actie,
binnen den termijn van drie jaren ingesteld, niet-ontvankelijk is.
Arr.-R. Alkmaar, v. 29 Juni 1848, R. li., jg. 1848, dl. X, p. 392 un 393. â Cl', art. 816 1!. R., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 5 Juli 1848.
N. Het is niet als eene litiscontestatie te beschouwen, welke de intrekking van het exploit van dagvaarding, huiten toestemming fier
tA VXAjC^ U^~cL ^ tfxrC Cj c -y ClU^JL. Ar£~ £e
IrOu^ -amp; t lA amp;Jl4~ JLo^ic^J Ira-nJLjL-^ \J~CJU^ O(JUgt; CLQ~nAjCê^ ^ 1 L^0 --
ripn'^-r, -ir^^- r{t gt; PJJ tU- -w^a^o^l- XL^-^o eUt-*^-oL irzx^J c*^ r-y^sit-eL I^/AJA- fc
gt; Art. 277 ) . ^778
S) â gt;/i i/tyry) o-'quot;- lt; 'â^ : //, /..Cvvgt; r. Z.Z.^asny . /Jamp;rC tl/^â k quot; (P
tegenpartij onmogelijk maakt, wanneer die tegenpartij niet, zooals rle eisclier van haar verlangt, procureur stelt, maar uit hoofde van den aard van het geschil [in cam betaling van successie-recht, eene memorie van antwoord beteekent.
Arr.-R. Amsterdam, v. ^7 Juni 1850, R. li., jg. 1850, dl. XII, p. 010âG'l:i.
*gt;. Hetgeen in cas van afstand van instantie geldt van den eisclier in het algemeen, moet evenzeer geacht worden te gelden van een der cischers, die gezamenlijk met anderen als zoodanig is opgetreden.
Hieruit volgt dat, wanneer twee eischers te zamen iemand hebhen gedagvaard, niet een hunner zich ten gevolge eener tusschen hen gemaakte overeenkomst, aan het geding kan onttrekken, en volstaan met aan den gedaagde te kennen te geven, dat het geding in het vervolg alleen door den anderen eisclier zal worden gevoerd. Ook in dit geval kan en moet men (vermits de wet algemeen spreekt en geene aanleiding geeft tot eenige onderscheiding voor zoodanig geval, waarvoor ook dezelfde ratio legis geacht moet worden te bestaan) gebruik maken van het middel van afstand van de instantie.
Arr.-R. Winschoten, v. 10 Sept. 1851, R. IJ., jg. 1852, p. 391 en :!'.)'2.
f O De wederpartij is niet verplicht voor de weigering eenige reden aan te voeren, zoodat de rechter de aangevoerde reden niet behoeft te beourdeeleu.
Ktg. 's-Gravenhage, v. li Dec. 1855, W. iiquot;. 1734. Verg. P. II. v. Gelderland, v. 7 Juli 1841. Iiij Mr. lliiiiTZVEUi, ut supra IjIz. 27, waarbij is beslist dat de rechter niet kan treden in de beoordeeling van de gronden der wemeriim.
i
é
/
« 1:1. Mergens is voorgeschreven dat ais er meerdere gedaagden zijn,
de afstand hen alleen zou moeten betreilen, zoodat de eiseher het recht heeft om van de ingestelde actie afstand te doen tegen een der gedaagden en die tegen den andere voorttezetten.
Arr.-R. Arnhem, v. 3 Sept. 1857, W. nquot;. 1921, R. li., jg. 1858, dl.
VIII, p. 194.
I£ De interveniënt, die, na een tusschengeschil over het stellen van cautie, van zijne verschijning heeft afgezien, mits iedere partij bare eigen kosten drage, handelt in strijd met de bepalingen van dit artikel.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Jan. 1857, W. u0. 1855.
i
ayv^yerp ^ £L~.â- z^exz-a^^/:
Trr^â c^ J- -2-/7 j r'^ quot;W* 7*'^
â ;{. Dit artikel i.s ook van toepassing in liet geval van vrijwaring. He gedaagde in vrijwaring is mitsdien bevoegd eene definitieve beslissing op de tegen hem ingestelde actie te vorderen, wanneer de oorspronkelijk gedaagde, eischer in vrijwaring, den tijd, bij dit artikel gesteld, heeft laten voorbijgaan.
Arr.-R. Breda, v. 17 Maart 1857. W. n0. 1807.
1-4. Wanneer eene vordering verkeerd is ingesteld en de eischer eune andere terzelfder oorzake wil aanvangen, is desistement facultatief gesteld als een middel om kosten te mijden, maar niet gebiedend voorbeschreven.
Arr.-R. Amsterdam, v. i Maart '1859, li. 1!., ,jg. '1859, dl. IX. hl/,.
397â402.
I .V Het zich aan de zaak onttrekken van een procureur staat niet gelijk met afstand van de instantie.
Arr.-H. Amsterdam, v. 4 Sopt. '1801, W. nquot;. ^33'i.
8 4». Het bestuur der registratie is in de procedure van verzet tegen een uitgevaardigd dwangschrift als eischer te beschouwen.
Het is alleszins bevoegd tot aan de contra-memorie van den opposant afstand van de instantie te doen, ook al neemt men aan dat het Wetb. v. B. Rv. ten deze van toepassing is,
Arr.-R. Appingadam, v. 20 Oct. 1804, R. li., jg. 1807, p. 70; waarbij
nog werd heslist dat er overigens quot;eene denkbare reden is, waarom het Bestuur, dat hier bijwege van strafvordering boete cischt wegens een verzuimde formaliteit, niet vrij zou zijn aftezien van die vordering onder aanbod der bij art. 05 der wet van 22 Frimaire an Vil bedoelde kosten. Zie verder over de vraag, wie in een geding als eischer is te beschouwen, art. 152 li. R. aant. 15, 24 en 30.
I é. De eischer, die vóór het antwoord afstand doet, moet daarbij tegelijkertijd de kosten aan de wederpartij betalen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Juli 1800, W. n0. 2829; waarbij nog word overwogen, dat dit geen vereischte is na het antwoord, omdat do gedaagde de onontbeerlijke toestemming niet zal geven, voor en aleer hij voor zijn kosten zekerheid heeft.
IS. Van een hooger beroep kan niet gedeeltelijk afstand worden gedaan zonder uitdrukkelijke opgave van dat gedeelte van het vonnis, waarin men niet verlangt te berusten.
2 2». ^ f lt;' amp;Cl~^ ^.q t £amp;-.
ryxX^X-C ^ ^ tJ^ (^crr ü J^
8f#, De gedaagde kan bij conclusie van dupliek, daags voor de pleidooien ingediend, van zijne reconventioneele vordering geen afstand meer doen, zelfs onder betaling der kosten, zonder toestemming der wederpartij.
Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Juli 1868, VV. n0. 3041; cf. vonnis dierzelfde rechtbank v. 20 Jan. 1870, sub art. 134 li. R.
30. liet staaat den gedaagde niet vrij van de summiere procedure,
waarin hij door zijne handelingen aanvankelijk had toegestemd, eigendunkelijk af te wijken en zich op eene memorie van antwoord beteekend vóór dat de zaak weder ter rolle moet dienen, te beroepen, ten einde den afstand van instantie buiten zijne medewerking te verijdelen.
Arr.-R. Rotterdam, v. 30 Dec. 1872, W. n0. 3547; verg. in verband hiermede aant. 2 op art. 140 1!. R.
quot;i f Waar bij één dagvaarding gevorderd wordt de onteigening van meerdere grondstukken, aan verschillende onbekende eigenaren toebe-hoorende, is intrekking van den eisch ten opzichte van één of meerdere dier grondstukken, geeu vermindering can den eisch, maar afslawl van de instantie.
Arr.-R. Arnhem, v. 1 Febr. 1875, W. n». 3922.
Arl. 278
4. Wanneer al bij art. 278 B. R. de wijze wordt aangegeven, waarop afstand kan worden gedaan, is die bepaling meer bizonder van toepassing voor het geval dat de zaak reeds ter rolle is aangebracht en door de wederpartij reeds procureur is gesteld; zijnde bij geene wettelijke bepaling verboden, om den afstand ook op eene andere wijze aan de partij kenbaar te maken, vooral wanneer de zaak nog niet ter rolle is aangebracht en ook nog geene constitutie van procureur aan de zijde van de wederpartij heeft plaats gehad. Hieruit volgt dat eene
{Art. 278.
781
hi ZrVn
â V» ; ' . 1 â¢
r â L â¢wi-r.
e, ei ? t
'SUamp;ryUi^st' V: 'ópxrtSL
dagvaarding, waarvan de termijn nog niet is verschenen, en waarop door den gedaagde nog geen procureur is gesteld, â of wanneer (gelijk in ca-tu) die procureur-stelling, buiten weten van den eischer, in eene andere gemeente is geschied op denzelfden dag, waarop de eerste dagvaarding was ingetrokken en tevens bij hetzelfde exploit eene nieuwe rechtsvordering was ingesteld, â vóór de inschrijving van de ^ / zaak ter rolle, bij een gelijk exploit van dagvaarding over hetzelfde onderwerp kan worden ingetrokken, en dit als een wettige afstand van de eerst ingestelde actie met de gevolgen van dien kan worden aangemerkt
P. TI. v. Gelderland, v. 15 (20) Jan. 184'1, W. n0.1G6, bij Mr. Hertz veld / a-,
ut supra blz. 23, zijnde bij dit arr. tevens beslist, dat liet desistement na procureur-stelling van den gedaagde door het doen eener tweede ^
dagvaarding wegens hetzelfde onderwerp zonder betaling van kosten,
vóórdat, wegens niet-verschijning ten beteekenden dage, op do eerste dagvaarding togen hein verstek is kunnen worden verleend, den gedaagde '{amp;'w rt-ow/Ale,
de bevoegdheid geeft om door alle middelen rechtens de kosten van constitutie van procureur, even als die van het verstek (indien, gelijk in casu. de procureur van den eischer, aan wien de constitutie van des U, /aU*
gedaagden procureur op de eerste dagvaarding was beteekend, nalatig f
is gebleven laatstgemelden procureur tot voorkoming van noodelooze .
kosten te informeeren van de intrekking of ten dienende dage dien -afstand zijne uitwerking te verzekeren) op den eischer te verhalen, doch dat de niet-voldoening daarvan geen grond oplevert tot niet-ontvanke-lijkheid van den eischer in diens nieuwen aanleg; idem hij vonnis van dn Arr.-R Groningen, v. 25 April 1845, R. I!., jg. 1845, dl. VII, p. 680 â082 (in eene zaak waarin de eischer, die had gedagvaard, ontwarende dat dit exploit door een ratione loei onbevoegden deurwaarder was gedaan, op den volgenden dag aan den gedaagde bij deurwaarders-exploit had doen beteekenen, dat hij de vroeger gedane dagvaarding introk,
onder aanbod van voldoening van alle wettige kosten te dier zake gemaakt, en wijders bij ditzelfde exploit den inhoud der dagvaarding van den vorigen dag had herhaald, terwijl de gedaagde onmiddellijk na het ontvangen der eerste dagvaarding en vóór de intrekking daarvan,
zijn procureur verzocht had zich daarop procureur te stellen, en deze,
van die intrekking niet onderricht, zulks eerst drie dagen daarna had gedaan) zijnde; bij dit vonnis beslist dat het boven alle bedenking verheven is, dat men eene dagvaarding weder kan intrekken, zoo en in dier voege als dit in casu heeft plaats gehad, en dat, zoo op die dagvaarding reeds procureur is gesteld, zelfs vóór de intrekking, en dus a fortiori na die intrekking, die procureur-stelling van zelve komt te vervallen, behoudens nochtans de verplichting om de veroorzaakte kosten te vergoeden, vergelijk Arr.-R. Groningen, v. 28 Mei 1858', R. B.,
1 lt;' VT*/-»
jg. 1859, dl, IX, blz. 592â594, waarbij is beslist, dat het desistement
/-/rf OSl
Art. m.) 7S2
ook gescliicden kan op andere dan de bij dit artikel uitgedrukte wijzen: zooals bij notarieele akte, waarvan de inlioud door gedaagde is goedgekeurd blijkens de beteekening daarvan ton zijnen verzoeke aan den procureur des eischers gedaan; â anders echter bij vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. '17 April '1840, VV. n°. 140 (vernietigd bij arr. van 't P. II. v. Gelderland, v. ia Jan. '1841 ut supra) bij welk vonnis is beslist, dat al zoude men ook moeten aannemen, dat afstand van eene instantie kan plaats vinden op elke wijze, waarop van den wil van dengenen, die afstand doet, genoegzaam blijkt, zonder volstrekte gebondenheid aan de voorschriften van art. 278 li. R., men nochtans, om zich met grond op den gedanen afstand te kunnen beroepen, naar de algemeene beginselen van de manier van procedeeren, en do gevolgen, daarbij aan procureur-stelling toegekend, naar aanleiding van welke een wettig gestelde procureur rnoet worden beschouwd als dnmimts litis, ongetwijfeld gehouden is om den procureur zijner partij den afstand op eene in rechten verbindende wijze kenbaar te maken, en dat mitsdien op geene instantie tusschen partijen kan worden recht gedaan, dan die geopend is na de voldoening der verschuldigde kosten; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Maart 1841, I!. 1!., jg. 1840, dl. VIII, p. 108â170, waarbij op gelijke rechtsgronden is beslist, dat het desistement na procureur-stelling van den gedaagde, door het doen eener tweede dagvaarding wegens hetzelfde onderwerp, zonder betaling van kosten, de niet-ontvankelijkheid van den eischer ten gevolge moet hebben; verg. ook Ivtg. nquot;. 11, Amsterdam, v. 28 Sept. 1868, W. nquot;. 3045, waarbij werd beslist dat tot afstand der instantie wordt vereischt óf een daad van den eischer conform art. 277 al. I, of eene handeling van den verweerder ex art. 75 Rv., óf eene handeling van beide partijen conform al. 2 van art. 277 Rv., zoodat waar van dat alles niet blijkt, een briefje van gedaagde waarin van toestemming in afstand van de instantie geen sprake is, maar alleen wordt meegedeeld dat de zaak geen doorgang kan hebben, en de eischer wordt uitgenoodigd de zaak uit te stellen niet tengevolge kan hebben, dat de eenmaal voor den rechter aangebrachte zaak niet meer aanhangig is: cf. met een en ander een betoog van Mr. R. Coiiex in VV. n0. 4894 «Mengelwerk», â alsmede navolgende beslissing:
De partij zelve kan â buiten haar procureur om â afstand doen van de instantie of die aannemen.
De partijen kunnen van hun wilsverklaring ook op andere wijze doen blijken, dan hier is voorgeschreven.
Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Mei 1883, W. nquot;. 4950.
/o /atPo, iS. -yi' fy/ti.
lt;J, De verklaring des eischers, bij deurwaarders-akte aan den gedaagde beteekend en in limine litis (vóór het antwoord des gedaagde) herhaald, //dat hij van de ingestelde actie afziet en deze herroeptquot;, is onvoldoende, om, bij niet aanneming daarvan door den gedaagde, een einde aan de
(Art. 278.
instantie te maken en heeft de gedaagde in dat geval het recht de niet-ontvankelijk-verklaring des eischers cum expensit te vorderen.
Arr.-Tv. 's Bosch, v. 8 Juni '1842, W. n0. 307; â anders bij nrr. van 't voormalig Hoog Gerechtshof van 's ITage, Eerste Civiele Kamer, v. 7 Jan. '1829, te vinden In do Bijdragen van Mrs. hen Tex en v. 11 am.. dl. V. p. I IGâ121. de Martini, ad art., noot r/i, herinnert hij do aanhaling van dit arr., dat de Nederl. wetgever de bepalingen omtrent den afstand hoofdzakelijk nit den C. de Pr. Civ. heeft overgenomen, met dat onderscheid, dat thans de afstand vóór het antwoord onderscheiden wordt van dien, daaniff gedaan. Hij meent, dat voormeld arr. van 't Hoog Gerechtshof ook thans van toepassing is op den afstand vóór liet antwoord, doch acht zulks minder zeker omtrent den afstand na het antwoord gedaan. Ook ne Ptnïo, Iltll., B. li., dl. H, 1, p. 385, 2de ed. p. 410 schijnt het toe, dat de beslissing van voormeld Hoog Gerechtshof ook thans nog kan worden gehouden voor juist, mits het exploit tevens inhoude aanbod van betaling der kosten, an de dmrwnarder voorzien zij van cctii; behoorlijke volmacht. â Oudeman, B. /i., 4de ed., dl. T, p. 312 en Vernede, ad art., meenen, dat ook thans na het antwoord de afstand bij deurwaarders exploit zal kunnen worden gedaan, doch in dit geval van de toestemming uit het exploit of door hot bij die gelegenheid gegeven antwoord, of uit eene nadere akte of exploit zal moeten blijken. Verg. Arr.-R. 's Bosch, v. 25 Oct. 1805, W. n0. 2748, waarbij werd beslist dat aankondiging van afstand, bij deurwaarders-akte gedaan, niet voldoende is, wanneer men daarmede niet voor don rechter verschijnt, voor wien het geding hangende is; zoodat de buiten gerechtelijke wilsverklaring door hem die afstand wil doen, ter terechtzitting moet worden gebracht, en in judicio bij monde van een procureur voorgedragen.
ii De toestemming van den procureur van den gedaagde in den afstand van instantie, gedaan door den procureur van den eischer, kan de persoonlijke tegenwoordigheid van partijen op de terechtzitting of hare volmacht niet overbodig doen achten. In dit geval moet de afstand als geheel vergeefsch beschouwd en de zaak op de rol behouden worden.
P. H. v. N.-Brabant, v. 0 Febr. 1844, R. li., jg. 1844, dl. VI, p. 198 en 199; R., dl. XYII1, § 54.
4, Indien de eischer aanvankelijk heeft gevorderd, èn de van-waar-verklaring van een gelegd conservatoir arrest, èn betaling van eene geldsom en bij eene latere ter rolle genomene conclusie, zijne vordering tot laatstgenoemd onderwerp heeft beperkt, dan kan er geene kwaestie zijn van het doen van afstand van de instantie, noch van eene door hem aan te bieden of te ellectueeren betaling der kosten van de principale vordering.
788
Art. 278.) 784
Arr.-R. Groningen, v. 21 Nov. 1845, R. B.. jg. 1847, dl. IX, p. 379 en 380. â Cf. art. 134 1!. R., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. denzelfden datum.
S. Het verzoek om roieering en het roiement zelf, op de toestemming der partijen bevolen en bewerkstelligd, kan voor niets anders gehouden worden, dan berustende op eene declaratie van afstand, welke van rechtswege het gevolg heeft, dat alles over en weder in denzelfden staat is teruggebracht, als waarin de zaak was voor de dagvaarding.
Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Jan. 184C, R. B., jg. 1846, dl. VIII, p. 390â392; anders door den hoogl. v. IIai.l, R. 1!., ut supra, volgens wien niet doorhaling op de rol, maar, uf uitdrukkelijke afstand, óf vervallen-verklaring van de instantie het geding doet een einde nemen en de noodzakelijkheid eener nieuwe dagvaarding te weeg brengt; idem Arr.-R. Breda, v. 22 Dec. 1868, W. n0. 3173, waarbij is beslist dat het roiement van de rol, volstrekt niet belet om dezelfde zaak opnieuw op de rol te doen brengen. â Cf. art. 1 B. R., vonnis der Arr.-R. Amsterdam van denzelfden datum.
De procureur is als dominus litis volkomen vrij, om zonder machtiging van zijn cliënt en zonder toestemming der wederpartij een verdedigingsmiddel in te trekken.
Arr.-R. Winschoten, 2 April 1874, W. n0. 371G, ook vermeld sub art. 334 B. Rv.; cf. arr. 20 April 1855 sqq. sub art. 277 Rv.
ï. Zie ten betooge ;
1quot;. Dat de vrijwillige afstand van de instantie door een eischer, die toelating bekomen heeft om kosteloos te procedeeren, deze toelating niet doet vervallen â
art. ^64 li. R., arr. van 't P. 11. v. Zeeland, v. 10 Sept. 1839.
2C'. Dat in cas van de artt. 277 en 278 15. R. de processtukken, eeden enz., der vorige instantie niet in de nieuwe kunnen gebruikt worden, even als in art. 283 13. R. omtrent de peremptie is bepaald,â
Oudeman, B. li., 4de ed., dl. 1, p. 313 sq. en de Pinto, IML, B. /;., II, 1, p. 386 en 387, (2de ed. p. 411 sqq,). â Vgl. ook Vernede, ad art. 278, noot B, 4, volgens wien bij de nieuwe instantie ongetwijfeld gebruik zal mogen gemaakt worden van vroeger bestaan hebbende titels en bescheiden tot staving, die niet, ten gevolge van verrichtingen in de vorige instantie hun aanwezen hebben bekomen.
{Art. 27!)
Art. -17'.).
I Wanneer eene vrouw pendente lite is gehuwd, dan is zij onbevoegd, om zonder machtiging van haren nian eene vervalien-verklaring der instantie op grond van art. 279 R. R te vorderen.
A it. v. I Felir. '1850, \V. n0. 1111 . R.. dl. XXXIV. S ^ en 83; v. n. II.. Ægt;. II., dl. XI. p. 173â-189. â Cf. artt. sub nquot;. 3 en 250 1!. R., an-, van denzelfde datum, suli nquot;. I.
De bepaling van art. 279 H. R . houdende, d;it alle instantie vervalt, indien de zaak binnen de drie jaren tijds niet is voortgezet, veronderstelt klaarblijkelijk, dat er een rechtsgeding is aangevangen, dat bet nog werkelijk aanhangig is en dat de rechter, ten gevolge van eene door hem gegeven definitieve beslissing, daarvan niet is gedesaisis-seerd, zoodat, indien er geene instantie meer bestaat, het verzoek tot ver vallen-verklaring der instantie niet kan te pas komen.
Hiertegen doet niets af, dat het vonnis, hetwelk een einde maakt aan het aangevangen rechtsgeding, nog vatbaar zou zijn voor hooger beroep, vermits in cas van hooger beroep eene nieuwe instantie zou geboren worden, en, ingeval van vernietiging van het vonnis, die reeds getermineerde instantie alleen zou herleven, zonder dat men evenwel hieruit zou kunnen besluiten, dat tijdens liet verzoek tot peremptie de op bovengemelde wijze geëindigde instantie nog aanhangig was.
A it. v. 15 l-ebr. 1X50. W. nquot;. HU; R.. dl. XXXV. § 4; v. n. II.. B. II.. dl. XI, |gt;. 242â253; anders bij bet daartoe betrekkelijk arr. van 't P II. v. Zreland, v. 3 April IS'i'.l. I!. 11.. jfr. IX5II, dl. XII, p. 480â4X2, op grond, dat bet vonnis, betwelk een einde maakte aan bet aanjrevangen rechtsgeding', nog vatbaar was voor booger beroep.
15. In de procedure van verzet tegen een dwangbevel, moet het dwangbevel bij vervallen-verklaring der instantie, daaronder worden begrepen.
Arr, v. 23 April 1858, W. nquot;. 1967, R. dl. I.IX, § I I ; v. n. II.. 11 II.. XXHe deel, p. 192â204; bij welk arr. implicite schijnt te worden aangenomen, dat bij verzet tegen een dwangbevel, uitgegaan van bet Domein-bestuur strekkende tot betaling van renten, dit Bestuur als eiscber is te beschouwen. Zie verder hieromtrent aant. 6.
-t. Het antwoord op eene sommatie, door den oorspronkelijken eiscber, na het verzoek tot vervallen-verklaring van de instantie, aan
.Mr. W. van Rossem Bz., Rurfj. Itechlsv. 50
Art. 279.)
den verweerder en verzoeker gericht, om op een in liet principaal geding gerezen incident voort te procedeeren, bij welk antwoord tot nietigheid dier sommatie, op grond van. aanhangig verzoek tot vervallenverklaring der instantie, is geconcludeerd, is niet te beschouwen als eene voortzetting van het principaal geding, noch met het ferzoek tot peremptie in tegenspraak te zijn.
P. II. v. Zeeland, v. '27 Maart IHIt). K. 13.. jo:. 1850, dl. Xfl. p. 480. waarbij tevens is beslist, dat ook in appèl op dezen liTond van verdediging tenen het verzoek tol vervallen-verklaring geen acht kan worden geslafren. indien ten processe blijkt, dat over de voormelde, van wege den oorspronkelijk eiscber, in eersten aanleg gedane sommatie om voort te procedeeren in het principaal geding, tiisschen pai iijfn ofti nf-iinih-rlijl; ijrsrhil was gerezen, hetwelk op zich /.elf was behandeld, geïnstrueerd en door de rechtbank bij een afzonderlijk vonnis was beslist geworden, zonder dat er eenige vereenig'ing of voeging van dat geschil met dat over de gedane vordering tot vervallen-verklaring der principale instantie was verlangd of gevraagd geworden.
ö Het niet voortzetten eener procedure kan niet anders gerekend worden dan van de laatste proces-akte. Als eene wettige verhindering om de zaak binnen drie jaren voort te zetten, kan niet worden beschouwd het niet antwoorden binnen 14 dagen door partij op de memorie van grieven, aan haar beteekend, met dat gevolg, dat de termijn der peremptie tegen eene partij aanvangt, ook gedurende den tijd, waarin zij niet kan voortprocedeeren.
P. 11. v. X.-Brabant. v. 8 Maart 1803. \V, nquot;. I 'lt;4(gt;.
â¬Â». De opposant in het dwangbevel is als eischer te beschouwen, zoodat tegen hem peremptie kan gevraagd worden.
Arr.-R. Groningen, v. 1-? .bini 1853. 1!. R.. jg. 1854. p. 42r)â428.â ( f. art. 81 11. I!.. vonnis van de Arr.-R. Dordrecht, v. 2b Jan. 1852, sub nquot;. 9.â /.ie verder over de vraag, wie als eischer is te. besclionwen, art. 152 R. Rv. Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Maart 1850 sqq.
S. Uit de schorsing van het rechtsgeding door het overlijden van een der occupeerende procureurs, vloeit ten opzichte der peremptie, volgens de wet, geen ander rechtsgevolg voort, dan alleen dit, dat de termijn, voor het vervallen der instantie in het algemeen gevorderd, met zes maanden wordt verlengd. Hieruit volgt dat, vermits de eischer in dit geval het vervallen verklaren der instantie had kunnen voorkomen,
(Arl 27!)
door zijnerzijds ni tijds te dagvaarden tot hervatting van het rechtsgeding, overeenkomstig art. 258 B R., het verzuim van den gedaagde om binnen den termijn van verjaring der instantie, ter vervanging van 'zijn overleden procureur een nieuwen procureur te stellen, geenszins tegen de vervallen-verklnring der instantie obsteert,
Arr.-R. Pordrep.lit, v. 2-4 Oct, '1853, W. uquot;. I 'gt;^2.
N. Alleen de gedaagde, niet de eischer, heeft het recht de vervallenverklaring der instantie te vorderen, dewijl de eischer uit den aard der zaak geen belang kan hebben om tot die vervallen-verklaring te ageeren vermits het eflect daarvan het door hem aangevangen rechtsgeding zou vernietigen, terwijl de gedaagde daarentegen er groot belang bij heeft, dat hij uit een proces geraakt, waarin hij zijns ondanks gewikkeld is.
Even als de wet den duur der actiën zelve beeft bepaald, heeft zij ook een termijn voor de uitoefening dier actiën vastgesteld, na verloop van welken, indien die begonnen uitoefening niet is vervolgd, de partij, tegen wie zij is gericht, vragen kan, dat zij worde verklaard vervallen zoodat het verloop van den termijn, vereischt tot de vervallen-verklaring eener instantie, beschouwd moet worden als eene soort van praescriptie, zijnde een exceptioneel middel, door den gedaagde teiïen den eischer verkregen.
Arr.-R. Uroningen. v. Ki Dec. 1853, R. I!., jg. 1854, p. A'Xi en A'M.â Cf. art. 282 B. R.. vonnis van dezelfde Arr.-R. van dcnzelfden datum, snli n0. 2.
Zie ook navolgende beslissins;:
Hoezeer de wet uitgaat van de onderstelling, dat de eiscb tot vervallen-verklaring der instantie altijd znl worden gedaan door den gedaagde, is, indien zulks door den eischer geschiedt, en de gedaagde daartegen geeue bedenking opwerpt, de rechter zeker niet verplicht, ambtshalve die vordering te ontzeggen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Mei '1867, W. n0. 2930.
ff Zie ten hetooge, dat de termijn, vermeld in art 279 H li , niet is van toepassing op appellanten, welke in cas van art. 79 H. R . niettegenstaande de sommatie van den verschenen mede-lt;reintimeerde, in
7S7
'
Art. 279.)
gebreke zijn gebleven met de beteekening enz. in laatstgemeld artikel bevolen. â
liet si\li art. 7'.' B. 1!.. nquot;. '2. vermeld nrr. v. 't P. II. v. N.-Holland, v. 27 Jiin. 1848.
/a ÃCCZ- 'Y-rr-ns'^i*
Art. 2 SO.
Daargelaten in hoeverre de onbepaalde remise, met wedemjdsclie toestemming van partijen, door den rechter verleend, de peremptie zou kunnen beletten, kan zulks nimmer het geval zijn daar, waar, gelijk in specie, die onbepaalde remise op verzoek van slechts mie partij, en alzoo buiten weten van de andere partij, is verleend geworden, wier recht aan deze door dergelijk uitstel niet kan worden verkort.
P. H. v. Zeeland, v. i'i Sept. 1849. ti. li,, jfj. 1 STitI. ill. XII. p. 48^.
Art. 281.
I. Een eisch tot vervallen-verklaring der instantie moet als ondeelbaar in zijne strekking en gevolgen aan al de oorspronkelijke litis-consorten worden toegewezen of ontzegd, met dat gevolg, dat voor de geldigheid van den eisch tot vervallen-verklaring de mede-werking van al de litis-consorten wordt gevorderd
Arr. v. I Febr. 1850. \V. iift. â¢HM; R. dl. XXXIV. S en S:i. v. n. Hokert, B. n.. dl. XI. p. I7Hâ189; vernietigende liet daartoe betrekkelijk en in een tegenovergestelden zin gewezen arr. van t P. II. v. Zeeland, v. :«gt; .lan. 1840, li. li., jg. 1850, ril. XII. p. i~Tgt; sqq. â Cf. Meiü.in. (JilcstiOHS ih' Ih'oit. voi'f in't'i'uitioi' il Inshim'i'. i^ 0. nquot;. 2. eil. lïi'ux., XI. p. 288 sqq.. de conclusie van den proc.-gen. bij den 11. It., v. n. II.. nt supra, p. 179â18(1 en 1!.. ut supra, p. i'V.IâXiti.
'i. Pe letter en de geest der voorschriften zoo van de Fransche als van de Nederlandsche wetgeving, laten geen t wi jfel over, of de bevoegdheid van een gedaagde, om te vorderen dat de instantie vervallen verklaard zal worden ten gevolge van het niet door den eischer. binnen den bij de wet bepaalden tijd voortzetten der zaak, gaat verloren indien die eischer. eer de vordering tot vervallen-verklaring is gedaan, eene geldige proces-acte heeft verricht, waaruit tot zijn wil ter voortzetting van de begonnen instantie moet worden besloten.
Arr.-Pv. Arnhein. v. 28 Juni 1839. R., dl. III. § 43.
7S9 (Ari. 281.
l'lxploiteii, strekkende tot overbrenging van eene zaak. uit kraehte van art. 53 der wet op den overgang gedaan, moeten beschouwd worden als in den zin der wet te zijn behoorlijke proces acten, geschikt om de bevoegdheid der gedaagden tot den eisch van peremptie of vervallenverklaring, welken zij tot op dat oogenblik toe niet hadden ingesteld, te doen ophouden.
Ait.-R. Arulieni. v. '28 Juni 18.'!!). R., il!. lil. 43.
-i-. De vordering tot vervallen-verklaring der instantie wordt geacht reeds van zelve te bevatten de overbrenging van het geding, hetwelk reeds voor eenig door de invoering der nieuwe wetgeving opgeheven rechtelijk college was aanhangig geweest.
Air.-It. Aiiistenhiiii, v. 15 Aug. IS4quot;). li, 1!.. jg. ISi'i, til. VI, |gt;. 142; -- anders bij arr. van 't I'. II. v. Drente, v. '25Nov. 1843, R. 1845, dl. VII, p. 188 en ISO, waarbij, met het oog op artt. 256 en volgg. en bepaaldelijk art. 201 B. R., is beslist, dat de overbrenging van eene zaak. welke reeds vóór de invoering der nieuwe wetgeving is aanhangig geweest en de vervallen-verklaring der instantie niet bij één en hetzelfde vonnis bij verstek kan worden uitgesproken.
â¢Ã¯. De rechter kan niet de vervallen-verklaring der instantie uitspreken, wanneer daartoe niet expresselijk wordt geconcludeerd, maar de partij, die haar wil doen gelden, zich ten opzichte daarvan aan het oordeel der Rechtbank refereert, tevens omtrent de zaak zelve ten principale concludeerende.
Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Jan. 1844. li. IJ., jg. 1844, dl. VI. p. 714.
i» De vordering tot vervallen-verklaring vervalt niet ten gevolge van de beteekening van stukken, namens de tegenpartij of haren opvolger, welke heeft plaats gehad, nadat de eisch tot overbrenging der zaak en vervallenverklaring der instantie was ingesteld.
P. II. v. Drente, v. 29 Juni 1844. I!. I!.. jg. 1845, dl. VII. p. 190â193.
5 Het provisioneel staken der hoofd vordering door den eischer, ten gevolge van een door de gedaagden aan den Koning extrajudiciëel gedaan verzoek, tot erkenning van hun eigendomsrecht op de door het domein bij de dagvaarding gereclameerde gronden, kan geen grond van niet-ont vankei ij kheid opleveren tegen het verzoek tot peremptie.
i.
Art. 2 SI.)
1'. 11. v. Zeelui ui, v. Ji. Miirirt en â 'lt; April 1840. It. I!., jg. 1850, dl. XII, p. 478â480, bevestipende een vonnis van de An'.-U. noes. v. 18 Sept. 18IS. Ilclt;/t, hi Xnlrrl.. dl. IV, p. 8(54 en
.S. Alleen processueele handelingeii en geene oiulerhixntlelingen tusschen {le partijen, om de zaak in der minne bij te leggen, kunnen den eisch tot vervallen-verklaring der instantie schorsen.
Air.- (ironingen, v. :i Juni 1853, R. Ij., jg. 1854, p. '125â 428.
fgt;. Ook liet geven van uitstel tot het nemen van conclusie moet als eene voortzetting worden beschouwd, die de vervallen-verklaring uitsluit.
Arr.-R. Anisterdani. 20 Dec. '1870. aangeliaald in li. I!.. jg. 1877. afd. 1. p. 0.
Ui. -282.
I. Eene eenvoudig acte (zoo als die benaming in het W. v. B. R. meermalen voorkomt) is eene proces-akte, welke in den loop der instantie, vanwege den procureur van eene der partijen aan dien zijner wederpartij wordt beteekend en waarvan de beteekening ingevolge art. 133 B. R. moet geschieden aan de gekozene woonplaats bij den gestel-den procureur, ten ware de aanlegger eene andere keuze had uitgedrukt.
liet beteekenen van eene zoogenaamde eenvoudige akte aan de werkelijke woonplaats van de partij zou zijn in strijd met den aard en het wezen der akte zelve, en kan dan ook uit dien hoofde de wetgever, bij bet aangehaalde art. 282. geene andere beteekening, dan die aan de gekozene woonplaats, hebben bedoeld.
â 7 7,^* A IT. V. I l'e.br. 1850. W. nquot;. Uil; R.. dl. XXXIV, ij 82; v. n. H..
7^0^. rj i; dK x| ^ m__m. ideil| bij an, v, â , p, v; Zee|aild. v. :!.)
Jan.. en ti en 27 .Maart 1840, I!. li., jg. 1850. dl. XII. p. Vinâ480; idem , . , 1'. H. v. Overiisel. v. 23 Doe. '1867,bij Mr. IIeutzvki.ii. ut supra, blz. 80;
UJ. Wtü. .. , 1 , , . 1 II â ,â /, ,--i
' idem ten netooge dat onder de benauung ilt;c'e// yoi«ai;/e naar stijl van
wet ok niet kan worden verstaan een deunvaarders-exploit, bij vonnis van de Arr.-R. Di;n-drecbt, v. 24 Oct. 1853. \V. iv. 1552; idem ten betooge dat door eouvoudige akte wordt verstaan eene procumirs-aUte, die beteekend wordt aan de woonplaats door partij gekozen, P. 11. v. Groningen, v. li April 1803. \V. nquot;. 2518; idem Ojini. rn M . dl X\. bl/. llSsrjq.: verg. voorts Oiw.man. II. It., dl. 1, 4de ed., p. 310, welke scbr. op pag. 317 opmerkt, dat wanneer de procureur ontbreekt, de akte kan beteekend worden aan de partij zelve of aan hare woonplaats, en. waar de partij
790
{Art. 282.
ct'n procureur lieoft. ook :i;ui dezou. Verg. v. u. HoNEr/r, hown. hock. 3de druk p. 1(16 sqq. die twee formulieren opgeeft: liet eene. id. procureurs-akte. voor liet geval de vvederzijdsche procureurs nog als zoodanig occupeeren, als wanneer de beteekening geschiedt èn op de gewone wijze van akten van procureur tot procureur èn bovendien aan de partij in persoon of ter liarer woonp'aatse, liet andere, voor liet geval beideofeen van beide procureurs niet meer occupeeren, in den vorm â van en be-teekend op de wijze van een gewone dagvaarding.
Anders l'. II. v. N.-Brabant, v. IS Nov. 18(12, W. n11. 2469, waarbij werd beslist, dat de akte altijd moet beteekend worden aan /«'Wy zelve of aan bare icerkelijkc woonplaats.
£. De bepaling van art. 282, al. 2, H, R , met betrekking tot de compensatie van kosten, vervangende die van den Code de Proc. Civ., volgens welke de principale eischer in alle kosten van de vervallen procedure veroordeeld wordt, is geenszins in strijd met het beginsel dat alleen de gedaagde en niet de eischer het recht heeft, de vervallenverklaring der instantie te vorderen, terwijl die bepaling, blijkens de beraadslagingen hierover, enkel en alleen is gemaakt, omdat die compensatie billijker scheen dan de veroordeeling van den principalen eischer in de kosten, vermits toch de voortzetting der zaak onder het bereik van den verweerder is en hij derhalve ook in zekeren zin medegewerkt heeft om de instantie te laten perimeren, zoodat men uit die bepaling omtrent de compensatie van kosten, geenszins de gevolgtrekking kan maken, dat de principale eischer daarom ook het recht heeft de peremtie van het door hem zelf aangevangen rechtsgeding te vragen en ons hedendaagsch recht alzoo daarin zou verschillen van het Fransche recht, volgens hetwelk de eischer de bevoegdheid daartoe niet had.
Ait.-R. Groningen, v. 16 Dec. 1853. R. B.. jg. 1854. p. 433 en 434. -â Cf. art. 279 li. R., vonnis v. dezelfde Air.-R. v. denzeifden daturn. sub nquot;. 8.
C8. Zie ten betooge, dat in cas van art. 282, al 2, B. ït., de kosten van de procedure tot vervallen-verklaring, ingevolge art. 56 B. R., komen ten laste der in het ongelijk gestelde partij, indien deze den daartoe strekkenden eisch heeft bestreden â
art. 5(1 U. R.. arr. van t 1'. li. Drente, v. 29 .luni 1844. sub B. n0. 21.
41. De procureur is als clomïnus litis bevoegd de vordering tot
Art. -282)
pereinptie, (die als een accessoir vim liet geding moet beschouwd worden), zonder bizondere lastgeving van zijn cliënt aantevangen ; het instellen van die vordering is van waarde, ook dan, wanneer de cliente op dien tijd overleden was, maar de procureur daarvan onkundig is..
1'. II. v. ('iiMningen, v. li April 1803, W, 11quot;. quot;i.'dS, reeds aangeliaalil sub n0. I.
All. 2(S3.
Onder verklaringen in dit artikel kunnen niet anders worden verstaan dan zoodanige verklaringen, die onbetwist van de partij zelve, tegen wie men er zich op beroept afkomstig ziiu, zoo en in dier voege als zij van de partij zelve zijn uitgegaan. Daaronder kunnen de overwegingen van een vonnis quoad facta, en allerminst van een vonnis van den kantonrechter niet worden begrepen.
Air.-li. Amsterdam, v. 7 Dcc. 1880, VV. n0. 4615.
Art. 285.
t. interventie heeft naar de wet ten doel om in een rechtsgeding, hangende tusschen andere partijen, tnsschentekoinen. Derhalve kan de requirant van interventie niet worden toegelaten tot het treheel overnemen van een geding, met buiten-proces-stelling desverlanijeiule van den oorspronkelijk gedaagde.
Air. v, 15 .Inni 1849, \V. nrt. lOli,quot;); II.. dl. XXXIII, S 8; v. ü. IIonekt. f.. '/... dl. I\. p. 120â153: idem uk Pinto, //'//.. B. II. 1, p, 375 ('2de ed. p. 40(1) en Oudeman, B. I!.. 4de. ed. dl. 1. p. 318 sq. Kerst-gemelde. gewag makende van liet verschil tusschen voeging en tussclien-komst ingevolge de definitie daarvan door de Regeering gegeven in hare memorie van toelichting (namelijk dat de eigenlijke voeging te pas komt, wanneer een derde belang heeft zicli met eene der partijen te voegen, en dan de partij en de gevoegde te zamen in het geding blijven; terwijl de interven lent, eigenlijk in de plaats der partij tusschen-treedt (zie v. 11. Honf-PT, lldh., p. 353) maakt bierbij tevens (geheel in overeenstemming niet voormeld arr.) de opmerking dat men daaruit evenwel niet moet opmaken, dat de intervenient ooit in eenig geval de zaak van ééne der partijen kan overnemen en deze buiten liet geding stellen, gelijk zulks alleen plaats heeft ingeval van vrijwaring wegens zakelijke rechten (art. 7(1). â Vgl. echter hiermede een vonnis
e» _ ó*Si_-£-
£ir4-~ ---
b*^*Cests? '24b
{Art. 2lt;S5. .
jg. IWJ, (II. IV, 6y-.?L°lflt;quot;:
6lSCS^
-w fcV dt^7 ,
L f/é'l'
f.
egt;£ .
a-o
f
y^asT^r qr-ct^.
'/024^/tA^cèjm-3â 'yvisvl-'
ê. /tS
/
'i Wanneer (ie rechter a quo liet belang van den intervenient heeft aangenomen o. a, op de omstandigheid dat de partij bevoegd zoude zijn den intervenient in het aanhangig geding in vrijwaring op te roepen, kan die rechter niet gezegd worden het recht tot tusschenkomst te hebben verward met dat tot oproeping in vrijwaring.
Air. v. 9 Jan. IS(i:i. W. ir. iUS; v. n. II.. II. dl. XXVII, p. IflMl â220.
v;m de Arr.-li. Ainstcidinii. v. t20 Doc. 1830, R. Igt;..
I». SDO, uit de» niet duidelijke redactie waarvan zou kunnen worden opgemaakt, dat daarbij liet tegenovergesteld beginsel /.lt;»11 zijn . aangenomen, als zijnde beslist, dat, wanneer de intervenient beweert, dat de zaak lieni alleen en itrincipalitcv aangaat, bij diensvolgens eene der partijen, die in lilc tegen elkander overstaan, of ook wel beide van zich afkeert, m builen het proces steil. Cf. Lipman, jR. /gt;., p. 130, die doet opmerken, dat vroeger bier te lande de iusxcfienkoniende partij liet geding overnam.
flt rfbrPill
â 79;5
u/ysr /. k:
â¢5 Degeen, die ofschoon in eersten aanleg geene partij zijnde geweest, in hooger beroep door de appellanten is geroepen, om zich bij hen in liet geding te voegen en wiens verzoek om voor het Hof als inter-venient op te treden, alleen is afgewezen op grond van zijne dagvaarding als geïntimeerde, waardoor hij reeds partij was in het geding en dus geen verlof meer behoefden moet niettemin worden aangemerkt, als toegelaten om zich te voeden of tusschen te komen.
/i fjf Ou*
///. ïtffPZfy
/r
Ih-r. .1 /O/P.
j^Q-â llt; A. gt;~
bL* t^-urC^ JCfhTl- cl^ ZtrC-
7^-.-
R.. dl. xcvill. ;
8 Mei IS7I. Verg. on onteigeningswet» lil/., v. I'.l Mei -1808, VV. i wordt
11). vernietigende k .Mr. W. Tnon-87.
iquot;. 3014, waarbij toegewezen, doch â teijcusprckeii.dc kosten dor inter-17 April 18695
-yyxjZjrt. .
crlL Zie, K, Y CPq/j,
An*, v. 24 Maart 1804, \V. n0. 257(3: U.. dl. LXXVL § 33. /ie hot arrest v. 't P. 11. v. Gelderland, v. 30 Oct. 1801 in \V. n0. 2338, wam bij den geintimeerde zijn eiscli tot voeging of tnsscbenkoinst ontzegd Avas.
liet arrest waartegen de cassatie gericht was is van 28 Jan. '1863, te vinden in \V. 2472.
f. Hij die in een onteigeningsproces intervenieert en in liet gelijk gesteld wordt, mag niet eenige proceskosten dragen, ook niet die veroorzaakt door eenc nadere expertise, al heeft de timc/imkom*! eerst hij de eiudcoHvlusie jilaats (jehad.
Air. v. 12 Jnni 1871. \V. nquot;.
vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v BECKE: ((.stelsel en tóepassing do /.ie echter Arr.-R. Amsterdam is beslist, dat de intervenient, wiens vnrderin eeniglijk geconcludeerd had tot veroordeeling van partij in de kosten, bij gebreke van tegenspraak in ventie moet veroordeeld worden: cf. Arr.-R. Assen.
suli art. 285 15. R., nquot;. Mc.
J/tfTjy /uy^tClSU^M-eryi-^tX- (Jt i^rrMy tJ Q1L**. QSX^J fj » c^/- CJLla^. ^
frJUx*^. JLts fAurof*^yx^uel**.~ci^ ZCxr^Z , c)^A- c^r^ /-cJv^e^V *%** Ze-c-£*amp;y
tHdc. rZu dJl^ ct/pun^dU^J^lc ^ ^nMxJp,y*.,
^/a- Art 285 ^ y ^-^, .W 4y' ''-â
zijn de bij dit art. toegekende he-/ ^-^T^voegdheid van eiken belanghebbende tot tusscheidcomst in een tus-sclien iindereii gevoerd geding, moet /.ij niettemin worden geacht te zijn uitgesloten, wanneer zij, zoo al niet uitdrukkelijk ontzegd bij eeue bizondere wet, echter geheel in strijd is met hnre strekking en met de door haar vastgestelde voorschriften.
A it. v. 'iS Mnai't IST'J. \\. nquot;. IMMI; li., dl. ('. i; .'i7; v. n. II.. /gt;. //.. ill. XXXVII. p. 9- quot;i'J, ui rami golil liet flo intcrvtjiitie van den Imrfre-meestei' van Anistei'dam als opkomende voor lt;lo voormalige bij de wet van 5 Maart 1852 (.S/W. nquot;. tö) ontbonden verklaarde Wees- en Mom-boirkainer van Amsterdam.
lt;». Ofschoon reqniranten van interventie bebooren aan te toonen liet
l/lo (/Zrfcz-^ belang dat zij hebben bij de zaak, tusschen andere partijen aanhangig,
strekt zich dit evenwel niet verder uit dan summier en schijnbaar, m\\-
â lS gezien de toelating: alleen is voorafgaande en voorbereidende, en geens-cfa, lom, ^ â - o
zins litis declsoir, als blijvende de beoordeeling en beslissing ten principale ongepraejudicieerd en in haar geheel.
jL^g ()lb {{rv ci. Arr. v. i) Mei -IST.'i. W. n'. ;in9'l, idem air. Hof Cnrai-ao, Mgt; Jlei 1884.
\V. .quot;gt;()5'.â¢: Air.-li. Amsterdam, v. -io Dcc. I8:«l. R. 1!.. ,jg. IHtó. dl. IV.
10 |i. 800: idem Arr.-R. Assen. v. 10 Jan. 1841'.. R. I!.. jg. I8W. ,11 X. p.
.. o ^ iOtZâ104, im:ir luid waarvan Itij de luianlwoordinji' der vi'aag, of de hpytj . 1* * t intorvenieiit l)ela!ilt;i; heeft l»ij de voepin^ lt;gt;r tn.ssclienkonist. volgens den aard der zaak niet kan worden onderzoclil, of liij zoodanige geldende middelen kan aanvoeren en bijbrengen, dat daarmede de primitieve vordering geheel en al zonde kunnen worden bestreden; idem Amsterdam, v. 7 Jan. -1852, R. R. jg. 'I85!2. p. 189â195 (waarbij is beslist, dat het verzoek eerst dan zon moeten worden afgewezen indien reeds dadelijk bleek, óf van de ongegrondheid der snstenni'ii van den reqnirant. of van het gebrek van invloed daarvan op de hoofdzaak.waaromtrent het oordeel aan den rechter is overgelaten): idem P. 11. v. Holland, v. 25 Maart 1840, W. n0. 110, naar Inid waarvan tot de admissie der interventie wordt vereischt, dat ze in oinKuhlcllijh verband sta met do zaak ten principale en de intei-venient bij de beslissing daarvan belang heb be: idem Ari'.-R. Amsterdam, v. 8 Mei i85(), W. nquot;. 1804. Verg. ook Arr.-R. Rotterdam, 0 Jan. 1858, W. 51°. 2128: arr. P. II. v. N.-Holland, v. W Mei 1855, W. nquot;. 1728. Arr.-R. Maastricht, v. 22 l^ebr. 1855. \V. nn. 1030, ten betooge dat de-vraag in hoeverre verzoekers tot interventie ontvankelijk of gegrond zijn in hnn nader te doene vorde/'ingen niet te onderzoeken valt bij gelegenheid van de contestatie over de interventie; zie verder ook het vonnis van laatstgen. Rechtbank van 20 Nov. 1808, VV. nquot;. 3079. â Idem P. H. v. Groningen, v. I Sept. 1808. bevestigende vonnis Arr.R. Gi'oningen, v. 10 Jan. 1803, beide in R. B., jg. 1804, blz. 500 en 494. â Vgl. ook
/' X---S. Tloe alaremeen nok mosre ziin de bij dit art. toesreke
l/lsu . tnttjr tfS lv^tvvlt;M.fcjL r
/ , l â
â L.
L- 'lât^/é
7m -^v 1 f-Cfiwy^ lt; i-criâ I-^ASISIAZ qA~£
^ .IrpCjl,
795 285
â¢ZjeyVy.
lik-i'inede iquot;. liet arr. v. 't 1'. II. ,v. N.-Iirabnnt. v. 2i A|ii'il 1839, R.,dl. 11. ? .'!(i. wiiiirliij Is ht'slist, dat de verzoeker Int interventie, die beweert eenlji recht of aanspraak np aangehaalde goederen te liebben, dut recht, althans suminierlijk, behooi't aan te toonen, of ten minste zoodanige in rechten aannemelijke middelen voor te dragen, door welke dat recht zon kunnen winden bewezen, zonder in eenig onderzoek der zuuk ten principale te treden, en 2quot;. een arr. van 't P. H. v. Limbnrg. v. 17 Mei 1852, W. nquot;. 1347; R. I I.. jg. 1853, p. 385â387, wuarbij de eischers tot interventie geen voldoeml bewijs van belang hadden bijgebracht of aangeboden bij te brengen, en uit dien hoofde hnn eisch tot interventie als van allen grond ontbloot is afgewezen. â Vgl. wijders over den aard en bet wezen vun het belang, wanneer het kun geucl ^ liet zich uitstrekt, met opgave van â zijn daarvan - dk Pinto. IhH. IS. li..
he Martini, ad art. I; 3 en 1; Pige.vu, I. 278 en 27'.l, Caiiuk, Qii. I27(!. Zie ook Arr.-li. Maustricht. v. 2(i Jnni 1869, W. nquot;. 3137, ten betooge dat onder belang hier dat belang is te verstaan, hetwelk ieder er bij heeft, dut zijn recht niet worden verkort: Hof Amsterdam, van 17 Jan. 1879. W. n0. 439C, waarbij werd beslist dat een cognoscement fy, 4m, van een kist boeken, waarop bij aankomst revindicatoir beslag is gelegd, iyj_ aan den geccnsigneerde, tevens cognoscementhonder genoegzamen titel yfaidairt J-1 oplevert om in het geding over dat beslag te intervenieeren. Vergelijk P, ï.i. ifj1 verder Arr.R. Alkmaar, v. 24 Juni 1869. VV. uquot;. 3228. waarbij is beslist
eding. waarin zijn schuldenaar l)eti,okl\en liet belang van een derde, wanneer van inir van een geding afhangt. lt;»f hij al dan niet eenig door hem x ^ bezeten onderpand zal zien vvegnenien of vrrminderen en P. li v. Drente. eO*- r-.\. 3 Sent. 1870, W'. nquot;. 3254. li. II..
^ j vi dat bier wordt bedoeld een belang in «5i/Va11 'let i'echt. Arr.-R. rtrecht. v 15 rfjitsud' ^ p cf ook het sub hoc art. vermeld arr.
5. Op de ontzegging der vordering van den intervenient op dezen grond, //dat hij zijn belang, immers zijn dadelijk belang niet heeft bewezenquot; kan in cassatie niet worden teruggekomen.
Arr. v. 9 Mei 1873, \\ . nquot;. 3591.
S. De intervenient is niet-ontvankelijk in eene conclusie die inet de principale vordering niets te maken heeft.
Hij moet in zoodanig geval in de kosten op de interventie gevallen worden veroordeeld.
Juni 1877. W. nquot;. 411
frA^ilat het belang mm 1quot; b. v. niet te
dl. CXVI. Sj 1:
.1.
Vfl
fa.
;]('
ficquot;
lA quot;'
worden t(^ bestaan en Imever voorbeelden van het aanwezig p. 370 (2de ed. p. 4(H),
â V
r O'
â t r\
Ve.
yk'i
trfq0!
1 zijn een persoonlijk, direct en rechtsbelang, wuur-verstaan is liet belantr. dat een schuldeischer heeft
l/pty. -
- 10-4 r'.
[b
^ ondei
/ . LrcLf bij den uitslasï van een
'otU-H , i , r â â
d. doch wel te begrijpen i
d
J
6
YL . 'O
-.v.]. ^1°, â h. ' 30.
llcslis
1-
Ã2-*t
g. 1871, p. 750. wuurbij is beslist -f) rechten, en niet het volledig bewijs luni 1804, R. 1!.. jg. 1865, p. 196; 1J. II. v, Amsterdum v. 22 Febr.
vx- /cp lyf-Cn £.
rf?', v Z-
/fly, ,
M; '
it-
V
i oo
â¢Ã³olf.
gt;.
11 lt;JLX
Jl/y~ o-e 4â
\fi fjfâr^ex V2,
JZzs*- Cf
amp; CiiXa.
y.quot;
Arr.
1879.
7^ .
e^, asT/f.m turf
tSLcMJ?.
IA
ft*.
?
â/t. nt
1 * tgt; L _ f . 1*eriAAy. i*J. yx-3 0050.
â -gt;t- «V-yv l 'R -vz - â-*1quot; ^e-yx
'2-^tQ. Xcsi. -fâ
trv -j -j -w^ ^ )
7.Agt;. /P.. 1.L JjiAsnst. c^,
I
1
Art 285)
ft. Eene voeging als species van het gemis iuiervmUe, wanneer nunielijk een derde /ioh mm eene der part ij en aansluit en met deze dezelfde verdediging doet (zie v, d Honeut, dejinitie. sub n0. 1), veronderstelt, dat de voegende en gevoegde partij, zoo al niet hetzelfde geldelijk belang, dan ten minste dezelfde reden van tegenspraak hebben en is die eigenlijk gezegde voeging volstrekt onmogelijk, indien het (gelijk in casu, waar door den oorspronkelijken eiseher en den inter-venient van denzelfden gedaagde hetzelfde gevorderd werd) tot het gebied der waarschijnlijkheid of mogelijkheid behoort, dat de oorspronkelijk gedaagde geene reden tot tegenspraak hoegenaamd heeft tegen de vordering van den oorspronkelijken eiseher, en de verzoeker tot tusschenkomst zeker geene andere, dan om zijn vordering tegen den oorspronkelijk gedaagde zeiven te doen gelden
Arr.R. Anisti'i'dani, v. 1 '1 Maart. IS3'.). R. II.. jjr. dl. IV. p. 7ft2
â764.
I O. De bewering van on waarheden, welke in een proces-verbaal van aanhaling, uit krachte der Wet v. Aug. IS22 [Slhl. nu. oS) opgemaakt, zouden zijn opgenomen, stelt geen middel van interventie, maar een middel ten principale daar.
P. H. v. N.-liratiant, v. 24 April '1839, R.. dl. II. § :«i.
8 6 . Ook in het geval van actie tot toepassing van strafbepalingen, wegens overtreding der wetten op de in- en uitgaande rechten en accijnsen kan er (hoewel de berechting aan den correctioneelen rechter is opgedragen) door derden worden geïntervenieerd.
1'. II. v. N.-Brabant, v. April 183'..). 1!.. dl. II. ^3li; idem (uit hoofde bepaaldelijk de vervolging krachtens de evengemelde wetten, soms meer tegen de goederen, welker eonliscatie kan worden gevorderd, dan tegen de delinquenten is gericht) lgt;ij vonnis van de Arr.-R. Breda, v. 3 Aug. 1846, W. nquot;. 738.
St5. iemand kan alleen dan als intervenient worden toegelaten, wanneer hij geene partij in het aanhangig rechtsgeding is en zijne belangen zonder die inter, entie zouden kunnen worden in gevaar gebracht Arr.-li. Amsterdam, v, '2 Mei -1839, R. R, jg. 184ti dl. I\. p. 771.
!S ti. Art. 285 en volgg. zijn ook van toepassing op ondeelbare verplichtingen tot het doen van rekening en verantwoording (in specie
V
f-
797 {Art. 285
het aanvnarrlen van eene nalatenschap onder beneficie van inventaris, door onderscheidene erfgenamen onder vigueur van den Code Nap.), met dat gevolg, dat, indien slechts één dier belanghebbenden [in cam (ot het doen van rekening) in rechten wordt aangesproken, de medebelanghebbenden door voeging of tusschenkomst in het geding voor hunne belangen kunnen waken.
Ait.-R, Utrecht, v. 27 Dec. 1839, R., d1. V. § 2(i. bevestigd, wat het di.s|iositief betreft (docli alleen op grond dat de mede-belanghebbenden doof eene buiten hen afgelegde rekening niet kunnen bevoordeeld of
benadeeld worden en deze voor ben is eene ren wtrr allo* acta), liij arr. v. 'l I'. 11. v. Utrecht, v, UI Juli 1840. R., nt snpra ; Iler/t iu Ncdcrl.,
dl. II. |i. 3()3â365. â Cf. art. 1096 11. \V., sub nquot;. '1, en bet oj) art.
159 B. R., mede sul) nquot;. I, vermeld an'. v. liet/,. P. II. v. denz. datum.
g 5 Een eisch tot eene zoogenaamde déclarulio7i en jugem,ent com.m.un.
ook wel passieve tusschenkomst geheeten (eene derde soort van tusschenkomst waarvan de Fransche schrijvers, doch niet de Code de Pr, Civ gewagen) wordt in de rechtspraktijk toegelaten tegen personen, die belang hebben hij een hangend of voldongen proces, zonder daarin nar tij te zijn geweest, en aan wie te dier zake het middel van interventie of van verzet door derden is toegestaan.
K.-Brabant, v. 15 Sept. 1810. W. n0. 294; R., dl. V. Jj 64.â /2^. k./Ifamp;ri
323 en DE PlXTO. '4*
p. 375. (2de ed. p. 400), die, met een beroep tMgt;lt;P
fib Vergelijk biermede OrnF.MAX. /gt;. /!.. 4de ed.. d If«l/.. Jl. /;.. II. U p. 375. (2d.....I. p. 400
^ c ' lip M F.RI.IX. Itrji. in nice I n Irrrrn I li'ii. ^ I. Ilo. ('.-MUM.. (Jif. isii en /' a /
fc/.'Tt'* Ãycfé- ®EI5RIAT St. Prix, van oordeel zijn, dat men bij een zoodanigen eisch ^ '*
' tot verklaring van gemeenschappelijk vonnis, een derde, wien men beweert lt;7 ^.belang te iiebben in een aanhangend reiditsgeding. nooilzaakl zich daarin
y' partij te stellen, ten einde bet te wijzen vonnis ook voor hem verbindend
-v-quot; to makeu. en te voni'koinen. dat bij bet later duur middel van verzet
door derden aanvalle. â Oüdemax, I. c. meent, dat ook die derde tusscben-komst bij de Xederl. wetgeving niet is verboden, maar veeleer uit art, r 376 B. li. bet tegendeel zon kunnen worden afgeleid en geeft, met aan-
A haling van Caiirk, (Ju. 1271. ....... I en liEtiinAT Sr. I'liix. p. 323, de
wijze op, boe men den eisch tut verklaring van gemeenschappelijk vonnis / /nl0etp|1 instellen. - De Pixto eebte1!' acht het bedenkelijk een zoo-danig rechtsmiddel hij het volkomen stilzwijgen der wet toe te laten vnoral bij ons, waar het geheele onderwerp der tiisschenkoinst met veel oPq? «neer zorg en volledigheid is ontwikkeld dan in den Code de Pr. C.. en meent dat zulks in iedei' geval niet uit art. 376 B. I!. kan worden atge-/ ^ geleid. â Vgl. biermede een vonnis van de Arr.-R. Maast richt, v. 20
1271
Si/ifaart '1851, W. nquot;. 1244, waarbij is heslist, dat, aangenomen dat de
^ t ^f-J'assievc interventie onder de Nederl. wetgeving is toegelaten, zij dan in
anJLa^ J.. A
v ft _ _ lt;r7\ A Jr 4/-
^ ' */*/â
Art. 285.) 798
allo creval invest old moet wordon te^cn ecne partij, die liet reel it zou liol)ben, om duur verzet door derden tegen het le wijzen vonnis op te komen.
I.» liet volgt uit den aard der zaak, dat eene vordering, om te morren tussclienkomen, alleen daar kan geschieden, waar eenig geding, waar men belang bij meent te hebben, aanhangig is. Hieruit volgt, dat in eas van interventie het domicilie de competentie der Rechtbank niet kan regelen.
arr.-t!. anistordarn. v. 10 doe. isw. li. i!.. ju. im'i'i. dl. v1, |i. i^l â )s.'.
i lt;; i 'Ir bestaan geene termen tot voeging of' vereeniging van twee ap pell en, van verschillende kanten ingesteld, tegen twee interlocutoire vonnissen in dezelfde zaak gewezen.
i'. 11. v. t)rente. v. 5 april -18.45. li. li., jg. 1847, dl. w. p. 5!)!1-fl(12.
19. De rechter is (in earn in geval van art. 523 IS. W.) niet ambtshalve verplicht een interveniënt af te weren, of het recht van
interventie te onderzoeken, indien partijen het daaromtrent eens zijn.
p. ii. v. x.-holland, v. 15 .tan. 184(5. w. nquot;. (iso.
I .S. Ken interveniënt is voor alsnog niet-ontvankelijk in zijne conclusie tot het hooren op feiten en vraagpunten, zoolang hij nog niet als zoodanig in het geding is toegelaten.
arr.-r. assen. v. 11» .hm. 1840. r. 11. jft. 1848, dl. x. p. 4(12â4(14.
1?» De bepaling van art. 749 B. II. ontneemt den origineelen debiteur het recht niet te interveniëren in het geding, ten line van declaratie tusschen zijn crediteur en den derden gearresteerde, als zijnde het belang van den orgineelen debiteur daarin gelegen, dat, hoe minder de som is, welke de declarant verklaart aan hem verschuldigd te zijn, hoe minder hij, origineele debiteur, jegens zijn crediteur wordt ontheven.
arr.-r. amstordam. v. 20 jan. 1848. 1! b.. jg. 1848, dl. x. p. 184â180.
Zie ten betooge dat een derde niet kan intervenieeren in een ver-klarinesproces, wanneer de beslagene niet tegen het beslag is opgekomen.
p. ii. van overijsel. v. 27 mei 18:19. bij air. hkhtzvei h, m, s. hlz.
«O. Men kan in den zin van art. 285 li. R., belang hebben, dat de boedel, waarin men beweert crediteur te zijn, niet uit handen van
^ '
Ql - , -9u«» st o ^ £*-*ââ a*-*-' a^J3-^â^ Q-^ ^c^r-c^f-*-^--
?/. ^ ^CCPO^I y^O â¢
/ 7 79!) (/lr/. 285.
den curator, in wiens bezit en administratie eene wettelijke zekerheid gelegen is, overga in handen van wellicht niet-gerechtigden ofquot; minder soliede bezitters, waardoor de wettelijke zekerheid zou kunnen verloren gaan.
An'.-R. 's-Gravenliage, v. 10 April 1849, \V. n1. 1049.
'21 . De aanwijzing, waartoe de tusschenkomst zal moeten dienen, en welke dus de strekking zal zijn der ten principale te nemen conclusie, is niet voldoende om den rechter in staat te stellen, bij liet vonnis van toelating tevens een eindvonnis te wijzen.
Ait.H. Amstmlnni. v. 7 Jan. IS.Vi. R, 11.. jg. 1SIVJ. |i. ISOâ'195. -Cf. art, 280 lgt;. R.. vcjniiis van ili1 Ari'.-R. 's Ilase. v. '18 .I:iii. *18rgt;0.
Sllll nquot;. (i.
2*2. liet voorstellen van middelen van ongegrondheid tegen den eiscli tot interventie, vóór die van niet ontvankelijkheid, heeft geenszins ten gevolge de voorgestelde niet-ontvankelijkheid te doen verwerpen.
P. 11. v. Liinhurfr. v. 17 .Mei 1S.VJ. W. nquot;. 13.17: R. B.. jii'. -ISTi.quot;!. p. :\xgt;â:{S7.
'2;8. Bij eene vordering tot herstelling van zeker werk, tegen twee gedaagden ingesteld, welke beiden erkennen daartoe gehouden te zijn, doch waarvan de een beweert, dat de verplichting tot herstelling uitsluitend op hem rust, kan de, eene gedaagde toegelaten worden als tusscben-komende partij in het geding, tusschen de eischers en zijn medegedaagde aanhangig, zonder dat het geding op de interventie eenig nadeel kan toebrengen aan de eischers welke daarbij geen belang hebben.
Arr.-R. Maastricht, v. 2(gt; Mei 'I8.V1, NV. n0. l.MO. â Cf. mot betrekking tot de veroordeelina; in de kosten in dit geval â art. 5(1 li. li., vonnis van dez. Arr.-R. v, denz, datnin, snb .1, nquot;. 7.
2-I-. De Rechtbank, die bij een eerder vonnis eene partij als tussohen-komende partij had toegelaten, is volgens alle beginselen van recht onbevoegd om bij een later vonnis in dezelfde zaak aan die partij hare conclusie om als tusschenkomende partij optetreden, te ontzeggen en alzoo het vroeger vonnis te vernietigen.
1'. 11. v. X,-llnlland, v. 1'1 Sept, 1S54. R. 1!.. jg. 1 NTitl, dl. \ 1. Ij]/, i.
\V. nquot;. 11128.
tri- gt;141, Tsamp;vl/f-tJcSZ.^-o-k* 14 l -tHl-L /v-tLjptAa^ZH ,
-j , â -? 0-ur tai , amp;S. vasjfc)
/ ' quot; b quot;T^ , /VtU3.£e'' gt;9?quot; - i amp;amp;£. (*0Q£( fó.y.'t*0 to^5c?. s
amp; ^quot;(Pcï/'
[OCJf oicJL' t -S L a- w?- /^-- ^ l 'V^/rTlt;^-ej3rL2rt/ ^ -a-u^lp / ^7 ^ ^^'hz. / -^y C* 9 V
Art. 285.) 800
7r/F^t- y^7 X'Xc \, l ^A-f-1- /â /c- Iroeamp;o . tóir/ A. lt; /gt;,:-lt; A? (a^y^ Jgt;. C
'ih. Er bestaat niet voldoende belang om te intervenieeren, wanneer de enkele grond voor interventie (lt;« ca.?;lt; mz appel) deze is, dat de vordering bf aan den appellant bf aan den intervenient moet worden betaald. Hierdoor toch wordt het recht van eerstgenoemde niet betwist, en trekt de intervenient zijn eigen aanspraak in twijfel.
P. H. v. N.-Holland, v. Mfti 1855. W. nquot;. -1723.
°JS». Aan den intervenient in appel kan niet toegewezen worden eene vordering, waarover in eersten aanleg alleen tusschen appellant en geïntimeerde is gehliwonieK/i'friJ.
P. II. v. X.-Holland, li Mei '1855, \V. nquot;. I72H. waarhij tevens werd beslist dat d(^ intervenient zijn belang tegen toewijzing der vordering aan den appellant in deze instantie bad kunnen doen gelden door hot verzoek zich liij den geïntimeerde te voegen.
'ia In een geding over de uitvoering van een bestaand pacht-contract is de intervenient op grond van beweerden eigendom niet ontvankelijk.
P. II. v. \.-Holland, v. 24 Mei quot;1855, \V. n0. 1753.
2S. Een crediteur, die ter verificatie in een faillissement zich geene partij heeft gesteld bij de betwisting eener vordering en mitsdien niet gerenvoieerd is naar de terechtzitting, kan later in het tc dier zake gerenvoieerde geding niet intervenieeren.
Arr.-R. Amsterdani. v. 28 Nov. 1855. IJ, B., jg.'1856, dl. \ 1. blz. 74sqq. De rechtbank overwoog, in strijd met de conclusie van bet O. M.. dat art. 825 W. v. Iv. eene stilzwijgende uitzondering bevat op den regel van dit artikel: art. 825 toch wil geen geding doen aanvangen, alvorens de li. C. getracht heeft partijen te vereenigen, en de gelegenheid daartoe heeft de R. C. niet gehad l)ij den crediteur, die bij verificatie het stilzwijgen bewaart en zich later door interventie partij stelt.
â¢4fgt; Indien men ook al aan het woord: rfchingedivg in dit artikel eene zóó letterlijke en ruime heteekenis toekent, dat daardoor een tweede gedaagde niet zou mogen interveniëren in het zoo genaamd judicieel contract tusschen een eischer en een eersten gedaagde (en zoo ook wederkeerig) dan nog zijn de gedaagden zelve. â volkomen in overeenstemming met de voorschriften der wet en met het onderwerp dezer alleniaüc.ve tegen de gedaagden ingestelde actie -â bij machte
T
.oL cJU fa- â
£jL rhsC: q ?:. yy^. 'f â ö-flâ
f Jtlt; P, y^2.r^y.â
7-1 ajZ-x cyt*- V^ ^ O-»
sz^hâ j-i
cyC^~^LaJ-^_ â f-zs
^T/tA.yv-^ f amp;-*£*
d^b ^/L ^__^ .UU^ ^AJ?'isx.-tr ⢠* â
^ 801
,-9-1 £. (*,lt;?.-e b l ^SLJLU. --»T. lt; y .
' |{. .⢠. '1
ó^e.^
ysin. too.
J^:,^ /) J^,y. wqo , ugt;-,
elkander in vrijwaring op te roepen, en, zoo doende, tussclien lien dat jtquot; (sosi. judieieel contract te vestigen.
Arr.-U. Amsterdam, v. '18 Juni 1850, R. li., jg. 1856, dl. VI, blz. 350â354.
SO Hij, die reeds qualHate qua partij in een geding is, kan in zijn privé daarin als intervenient optreden
P. li. v. Z.-Holland, v. 27 April ISST, W. nquot;. '1867, vernietigende liet vonnis dei' Arr.-R. Rotterdam, v. 7 Jan. '1857, \V. nquot;. 1855; idem 1'. 11.
v. N.-Holland, v. 15 Mei 18(0, \V. nquot;. 2408; vernietigende Arr.-U. Amsterdam, v. 15 Mei 1861, W. nquot;. 2294.
31. Degene, die bij eene dagvaarding eener firma mede is genoemd
als ten name dier firma te hebben gehandeld, zonder dat hij wordt
voorgesteld als lid der firma, kan verzoeken om in het geding Ie
mogen tusschenkomen.
P. II. v, Z.-Holland, v. 14 Maart 1859, W. nquot;. 2048, vernietigende het vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 30 Juni 1858, U. 11.. jg, 1859, dl. IX. p. 74.
38. De rechter is bevoegd te onderzoeken, of de verzoeker van tusschenkomst belang heelt in het rechtsgeding, ook indien partijen zich omtrent dat verzoek aan zijn oordeel hebben gerefereerd.
Arr.-R Amsterdam, v. !V1 October ISOO, I!. II.. jg. 1802. dl. XII.
blz. 546â549.
33. Eene commissie heeft geen belang en kan dus niet tusschen komen in een rechtsgeding, waarin de individuëele leden dier commissie, met ontkenning hunner kwaliteit, als bizondere personen worden aangesproken.
Arr.-R. Arnhem, v. 5 Si^it. 1861, 1!. M., Jg. 1862, dl. XII. 1)1/,. 313â320.
3-4. Wanneer de verzoeker tot interventie reeds partij in het aanhangig geding is, door dien de procureur van zijn mede-gedaagde zich ook voor hem heeft geconstitueerd, kan de tusschenkornst niet worden toegestaan.
Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Mei 1861, W. n0. 2294. Ue procnreiirstelling had in casu plaats gehad tegen den wil van den requirant tot interventie,
en deze had wel zijn procureur na de constitutie bij exploit doen aanzeggen geene verdere handelingen te verrichten, doch tot nog toe niet ingesteld de actie van désaveu, die bij zich bad voorbehouden. Verg. in verband met het bovenstaande,de Ued. van 't R. II. Jg. 1876, p. 151, en Mr. S. J. Hingst, .V. Bij'lr., jg. 1875, p. 546, en het vonnis derzelfdo
.Mr. W. van fJossEM Bz., Burg. Hechtsv. .*1
*7^ (/1/7. 285.
quot;Ia/O-*
M
Art. 285.) 802
reclitbank van Oct. 1*^75, R. 1'.. jü'. ISTH, l»lz. 151, waarbij word beslist dnt «Ie eene gedanirde de conclusie van den andoi' niet inag' bestrijden.
Jt.V Hij die be.laiicr lieeft; in een rechtsgeding, tusschen andere partijen aanhangig, kan daarin niet alleen tusschen komen om de rechten van eene dier partijen te ondersteunen, maar kan evenzeer de interventie doen strekken om zelfstandig op te treden, de rechten des noodig van beide partijen te betwisten en voor zich eene nieuwe vordering te doen gelden omtrent het litigieuse onderwerp.
De intervenient, bewijzende feitelijk eenig ingeschreven hypothecaire schuldeischer te zijn geworden, heeft het. recht zich tegen den door den vroegeren hypotliecairen schuldeischer aangekondigden verkoop van het verbonden onroerend goed te verzetten, op grond, dat diens inschrijving niet meer bestond.
Arr.-R. Rotterdam, v. 27 (10) ,]an. ISC.S. W. nquot;. 2991, li. I!., \s. 1.%8, hlz. KHI.
;i«. vv anneer de intervenient de veroordeeling in de kosten alleen heeft gevraagd bij teijpuspraah, moet bij gemis van tegenspraak hij de proceskosten dragen, ook al worden zijn conclusion toegewezen.
Arr.-R. Amslerdain. v. lil Mei 1808, W. nquot;. zii^ verder hiermede
in verband aant. 9 (i|) art. 50 K,
Jïï. Eene interventie is niet gegrond, hierop steunende, dat een
schuldeischer, door conservatoir beslag te hebben gelegd onder handen
van een derde, reeds daardoor alleen ook beslag zou hebben gelegd
onder handen des schuldenaars van dien derde.
Arr.-R. Maastricht, v. 20 Juni 1809. VV. nquot;. H1.'V7, bevestigd bij arr. 1'. 11. v. Limburg, v. 10 .Tan. 1870, \V. nquot;. Ii179, lieide vermeld ad art. 7:irgt; li. Rv.
SS. Een gedaagde tot vrijwaring, die zich als gevoegde partij krachtens art. 72 liv. wil stellen in het geding op de hoofdzaak, moet hiertoe een formeel verzoek aan den rechter doen, conform de artt. 141 en 285 sqq. 15. llv.
P. H. v. Groningen, v. 14 Sept. 1809, VV. nquot;. 3158.
PiU |)e omlerteekenaar van een orderbillet heelt, geen belang om
/1° intervenieeren in een proces tusschen den houder van dat accept en
a v alge ver.
r7/
u.
⢠/ / f l-ezs.aeJ'-'SL' ^
sU,
â fOLSr-fc/L
(Art. 285.
Ait.-K. Amstfirdam, v. -I Mei 1873, K. 11.. jp. -1875, afd. .1. p. 241. Iievestigd wat liet dispositief betreft bij arr. I'. II. v. N.-llolland, v. 2 Dec. IS/.). Il. 1gt;.. iiS/0, afil. .1 - p, I.i'.). liet Hof onideeliJe de interventie in liet algemeen wel toelaatbaar, maar achtte in lt;â¢Â«.«)/ liet belang niet aangetoond.
40. hen interveniënt, die niet zelf in honger beroep is gekomen van liet vonnis, waarhij, in strijd met zijne conclusie in eersten aanleif, de vordering der oorspronkelijke eischers is toegewezen, kan ook in appèl tegenover die partij niet anders conoludeeren dan tot bekrach-tiging van het vonnis, of eene lijdelijke liouding aannemen, en, deze gedragslijn niet in acht nemende, moet hij niet-ontvankelijk verklaard en in de kosten veroordeeld worden.
1'. II. v. N.-Holland, v. 28 Mei 1X7:1. W. n°. 3012.
â 41. Interventie en voeging zijn slechts te beschouwen als een verkorte proceswm, ten einde de tusschen meerdere partijen bestaande geschillen dmul et sem.el te beslechten, doch kunnen niet strekken om aan de interveniëerende of zich voegende partij rechten te geven, die zij niet reeds overeenkomstig het burgerlijk recht bezat.
Kén interveniënt mag derhalve wel conclusiën tegen de oorspronkelijk litigeerende partijen nemen, doch geene andere, dan die eene reeds bestaande rechtsbetrekking tot grondslag hebben.
P. 11. V. N.-llollnnd, v. 28 Mei '1874, W. n0. 377!!.
42. Een ieder, die in de procedure tot onteigening verlangt te intervenieeren, behoort zich steeds vooraf in eiken stand van het geding tot den rechter te wenden, met het verzoek om te mogen tusschen-komen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1877. W. nquot;. 4141.
-13. hr bestaan dan slechts termen tot interventie, wanneer ervoor dengeen, die het verzoek doet, gevaar bestaat, van bij de uitspraak in zijn belangen te worden benadeeld.
Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Febr. 1878, li. II., 1879, .1. p. 18. waarbij werd beslist dat wanneer bij bet vonnis kan worden bepaald bet saldo, waarvoor de eiscber cnsv crediteur van een derde zal worden, deze laatste belang beeft te intervenieeren; cf. arr. I' II v Z-llolHnd v 9 Mei 18:,!). W. nquot;. 2002, waarbij wer.l beslist dal waar de gevoloen eener veroordeeling van eene der partijen op den intervenient zonden terugwerken, deze bet vereiscbte belang tot tussclienkomst lieeft.
SO.'5
(I
I il
; I
) . ! . ' i:
- \1 0
44-, Met gevolg der toelating tot interventie is niet. dat des inter-venients beierde re.cMeu nis juist worden erkend. Voldoende vereischte tot toelating toch is, dat hij summierlijk zijn belang (d i. den feitelijken grondslag van zijn beweerde rechten) aantoone.
Hof Amsterdam, v. '22 l'ebr. 1878, W. nquot;. «07. R. H. jg J870. .1. bevestigende vonnis An-.-K. Amsterdam, v. Mei ts// t. z. igt;. p. 21; cf. het sub uquot;. (gt; van dit artikel nangeteekende.
-45. De provisioneele bewindvoerder kan intervenieeren in een geding waarin de curandus, gedaagde bij verstek is en alsdan het middel van niet-ontvankelijkheid opwerpen, gegrond op het feit dat de gedaagde mist het jus standi in judtcio.
Am-U. Amsterdam, 13 Oct. 1870, U. li., ,jg. 1880. .1, p. xerg. ook Arr.-U. 's Bosch, v. 22 Oct. 1856, W. nquot;. 1822.
-Kt. Dit artikel is niet van toepassing bij een geding van ten uitvoerlegging op een onroerend goed. Daarbij is geen andere tusschen-komst toegelaten dan die van hem, die het beslagen goed als zijn eigendom wil opvorderen.
Arr.U. Maastricht, v. 26 Febr. 1.881, W. n« 4650, U. 1!.. jg. 1881. -t. p. 250.
4L ®. Zie ten betooge :
a. Dat bij de vordering judicalum solvi, in enkele gevallen eene der (buiten den eischer en den gedaagde) overige partijen grootendeels helans kan hebben, om in zoodanige contestatie te intervenieeren en zich partij te stellen, welke partij in dit geval voorzeker gerechtigd is afschrift der conclusion te vorderen met betrekking tot het incident, dat exclusief tusschen den oorspronkelijken eischer en gedaagde genomen wordt, benevens dag-bepaling te vragen tot het nemen barer conclusie â
art. 72 U. R.. sub nquot;. 2 en 152 ibid., sub nquot;. 6, vonnis van de Am-U.
'sltoscli. van 1 lgt;cc. 1841.
h. Dat indien de reeders afstand van vracht en schip hebben gedaan, zij, met het oog op de algemesne rechtsbeginselen omtrent het abandon, niet-ontvankelijk zijn om in een tusschen andere partijen hangende procedure, ter zake van een door deze gesustineerd wordend recht op de opbrengst van schip en vracht, te intervenieeren
Art. 285
Art. 321 W. v. K.. vonnis van de Arr.-R. Ainsterdam, v. 7 Nov. 18-45, suti n0. 8 ('2do ed. nquot;. 7),
u. Dat indien, in cas van voeging of tusschenkomst, de hoofdvorderiug nietig of wel de hoofdeischer niet-ontvankelijk wordt, alsdan de inciden-teele vordering b.et lot van de hoofdvorderiug volgt en alzoo de eerste staat en valt met de laatste â
S. M. in de Opm. cti Med., d. VII; p. 190â203, die zicli tot staving van zijn gevoelen beroept op een arr. van 't llof van Poitier v. 5 Jidi I82C en van Nimes, v. 16 Jan. 1832; idem Arr. R. Assen, v. 20 (let. 1857. W, nquot;. 1007, en v. 17 April 1809, W. nquot;. 3150; âanders echter hij arr. van 't Fransche llof van cassatie v. 16 Juli 1834, (Sirev, t. XXXIV, p. 540) un Iiij Cn.\i'VKAr A imi.imiLc.s loin dc In I'roc. ( '.ok. par Carrk, t. Ill, p. 138, no. 1273. lüj het vonnis der Arr.-li. Assen, v. 20 Oct. 1857 I. c. werd daarenhoven beslist, dat de kosten der wettig gedane interventie, in cas van niet-ontvankelijk-verklaring van den oorspronkelijk eischer. moeten kornen ten laste van dien eischer. Bij het vonnis der Ari.-K. Assen v. 17 April 1809, waar het de tusschenkomst gold ter gelegenheid van eene vordering tot onteigening, werd tacite beslist dat die kosten in geval van niet-ontvankelijk-verklaring van den origineelen eisch ten laste van den intervenient komen. Verg. het aan-geteekende sub art. 50 L. I). Rv.
Art. 2Sfi.
Ã. Een appellant mag tegen een mede-geïntimeerde, die in eersten aanleg met hem is opgetreden als gevoegde partij (en mitsdien aldaar was des eischers mede-gedaagde en geenszins zijne partij), niet dezelfde weren en rechten inbrengen als tegen den principaal geïntimeerde.
Arr. v. 21 Mei 1847. W. nquot;. 821 ; v. n. 11.. I!. I!.. d. IX, p. 51 â09.â Cf. art. 339 B. R.. arr. van den/., datum; art. 344 1!. R., arr. van 't Hof v. Holland v. 4 Nov. 1840; art. 08 li. R.. vonnis van de Arr.-R. Ainsterdam v. 18 8ept. 1846, sub nquot;. II; art. 137 15. li., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 10 Nov, 1843, sub n0. 1 en art. 250 I!. R, vonnis van de Arr.-R. 's Rage v. 19 Maart 1847 sqq., sub n0. 8.
Zou de wet, ten opzichte van de vordering tot tusschenkomst, bepaalt, dat die bij verzoekschrift zal worden gedaan, houdt dit niet in, dat er een bizonder verlof des rechters noodig zoude zijn, om daartoe te worden toegelaten, maar is zulks alleen een gevolg van den ouden regel der Fransche wijze van procedeeren, bij het tegenwoordig Weth, v. 15. li. overgenomen, dat alle tusschengeschillen en tusschen-
SO 5
t y/Pljf, ^-/gt;-(L~' '£samp;-^ytr^s c^rzy^cjCt^
fa.l ^
*- -Art. 286.) 7-OvjC
/
'!rtA^d- kninsten in eone bereids nanliiin^ige rechtszaak, nimmer bij dagvaarrling,
rf-, maar steeds bij verzoekschrift moeten aangebracht worden.
/jtrr, bf. k? Hieruit volgt, dat het mededeelen van gemeld verzoekschrift aan Pioó. partij of partijen, vervangt de anders noodig zijnde dagvaarding en
volmaakt dezelfde kracht heeft.
Arr.-R. Anistcidani v. 24 Iksc. IS3S. li. I!..,jjr. 1842. il. IV. |..2tKlt;â2(5.-); idem Oüheman. \'gt;. li., 4dc cd., tl. J., p. ;!2(); â anders Vgt;ij vdimis Ai r.-R. L'trecht v. 12 Febr. 187!), veiinekl snli md. 2S7 11. Rv. cn uk I'intó, J[(U. 11. It., II, I. j). .'gt;7(1 (2e ed., )iag. 401), die hot voorafgaand verlol niet alleen nuttig en uoodlg acht, maai' zell's meent dat hol, bij de wet in duidelijke woorden wordt voorgeschreven. â Cf. art. 2lt;SS H. H.. vonnis van de, Aii'.-ll. silage, v, 18 .Tan, IsriO.
S. Oe bepaling van het 2de lid van art. 286 lgt;, 11. kan alleen dan van toepassing worden geacht, indien er stukken tot staving voorhanden zijn.
I [ieruit volgt, dat waar die stukken ontbreken, hij, die zich in een rechtsgeding, hangende tnsschen andere partijen, voegt of daarin tussclien-komt, bevoegd en gerechtigd is, om het belang, dat hij in dat rechtsgeding heeft, te bewijzen door een aan de partijen, tusschen welke dat geding hangende is, opgedragen eed,
Arr.-R. Assen, v. \ Maart I8li0, Ito;/! m Sclcrl., d. II. |i. .11 on 32, vernietigende liet daartoe betrekkelijk en in een te^onoverüestelden zin gewezen vonnis van quot;t Ktlt;r. te Meppol, luyl in Nclcrl.. 1. c.â Vgl, liiermede een vonnis van de Arr,-U, Assen v, lit Jan, 1840, li. II., ,jg. 1848, dl. X, p. 402â404,
4. Wanneer eene kerkgemeente vraagt, als tusschenkomende partij in een geding te worden toegelaten, dan moet het daartoe strekkend verzoekschrift geschieden op naam der bestuurders, en is het niet voldoende wanneer daarin enkel de generieke benaming dier gemeente is uitgedrukt,
Arr.-R. Sneok, v. 27 Maart 1839, I!. 11.. jg. 1844. dl. VI. p. 62r.cn 026.
ü. De voorschriften der wet. volgens welke hij, die verlangt als tusschenkomende partij in een geding ontvangen te worden, de stukken tot staving van zijn vermeend recht, dadelijk behoort over te leggen, hebben wel ten gevolge, dat, bij gebreke van bewijsstukken, het verzoek tot tusschenkomst niet kan worden toegestaan, en dat eene nadere bewijsvoering den voortgang der hoofdzaak niet kan ophouden, maar
â â¢'quot;or r
«07 2S6.
er bestaan geenc redenen, om, wanneer de hoofdzaak nog niet in staat van wijzen is, en partijen zich eenig en alleen bepalen tot liet tusschen-geschil over de bevoegdheid van den requirant tot interventie, van den algemeenen rechtsregel, dat men ook in hooger beroep nadere bewijzen mag bijbrengen, af te wijken, en de bevoegdheid hiertoe te ontzeggen aan de partij, die, in hooger beroep, met den origineelen eischer en gedaagde alleen over de kwaliteit van tusschenkomst gelitiscontesteerd hebbende, het gebrek van bewijs, op grond waarvan hij in eersten aanleg niet-ontvankelijk is verklaard, in eene tweede instantie tracht te herstellen.
I'. II. v. N.-lloll. van t»8 Mei 1840. K. I!., j-ï. ISiT, (II. IX. p. tM.'iâ'215, vernictlgoiidc het vonnis van de Arr.-lt. Anistordam v. 17 Sopt. IcS/iT). If. II. ut snpra.
lt;». Het rechtsgeding wordt door een eisch tot interventie geschorst, met dat gevolg, dat het niet ten principale kan worden voortgezet, vóórdat op den eisch tot interventie is uitspraak gedaan en die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Ait.-H. 'sllajio v, 18 Jan. ISIVI. W. nquot;. II(H(; vcr^. odk het snli art. t!S7 I!. Uv. vernield vimnis Arr.-U. rtrecht. v. 1'2 l'olir. 1879. â ('1'. art. '28,quot;) 11. II., vonnis van de Arr.-K. Aiiistcrdain, v. 7 Jan. IS,V2.
S. Er bestaat geene wets- of reglementsbepaling, die tot bestanddeel van een verzoekschrift tot interventie, schriftelijke machtiging van den cliënt op den postuleerenden procureur, veelmin de vertooning dier volmacht aan de wederpartij eischt.
I'. II. v. Limburg v. 17 Mei 1852. W. iiquot;. I:!'i7 ; 11. 1!.. jtj. 1853, p. 385 â387.
Bij het rekwest dient duidelijk vermeld te worden van welk der beide middelen (voeging of tusschenkomst) men 'verlangt gebruik te maken.
Air.-1!. Deventer, v. 18 Felir. 1857 I!. 1!.. jg. 1857. dl. VII. Iilz. â¢'''â¢Jâ570, dat ook omtrent het verschil tusschen lieide middelen kan geraadpleegd worden. Het lieslist, dat de voeging liet middel i.s om ter onderstenning van eene partij zich partij te stellen alleen tegenover de wederpartij, terwijl men bij wijze van interventie in het geding optreedt als derde, partij, tot handhaving of bewering van eigen rechten, zich partij stellende èn tegen eischer en tegen gedaagde, /ie daaromtrent igt;quot;k de conclusie van den Subst.-Officier bij de Arr.-U. te Amsterdam, Mr. VV. 11. J. Jolles, in U. 15., Jg. 1857, dl. VU, blz. 424â425.
tgt;. Dit urtikel verbiedt den intervenient niet, om na de toelating tot interventie, andere gronden (In casa van niet-ontvankelijkheid) aan te voeren dan die, welke in bet verzoekschrift zijn vermeld.
I', II. v. Gelderland, v. 18 Nov. 1874, gedeeltelijk vernietigende een vonnis van de Arr.-K. /.utphen. v. 18 Dec. 1873, beiden in VV. n gt;. 3808. Zie intusHclien navolgendo beslissing:
De gevoegde partij is niet-ontvankelijk om bij conclusie den ingestelden eiscb op andere gronden te bestrijden, dan in haar intro-ductiel' verzoekschrift tot voeging zijn uitgedrukt, bepaaldelijk niet op exceptieve gronden.
Ari .-li. tlroiiinücn, v. 14 Sept. ISCiü. li. 1!.. jg. 1802, dl. XII, bl. 05 100. â Cf. ook art. 134, sub n». 74.
to. w anr de zaak ten principale op de gewone wijze is aangebracht, en daarna als summiere zaak is behandeld geworden, moet het verzoek tot interventie bij conclusie ter audientie geschieden, zooals is voorgeschreven bij art. 141 15. llv.
Hof v. Justitie Curarao, v, 1(1 Mei 1884, \V. nquot;.
t Ã-. Zie omtrent de vraag, of in eene summiere zaak de interventie kan geschieden ter audientie, zonder het indienen van een verzoekschrilt aan de Arr.-R. of voorafgaande beteekening aan partij â
art. 141 1gt;. 1!., vonnis van de Arr.-U. Amsterdam v. !⢠Juni 1840 .sqq., sub nu. 4.
1«. Zie ten betooge;
dat op het verzuim van aanbod der stukken niet (even als op het
verzuim der vermelding van de namen, beroep en woonplaats der
tusschenkomende of zich voegende partij) kan geacht worden de strat
van de nietigheid der akte te zijn gesteld â
uk 1'into, llcll. B. /;.. II. I. p. 377 (2de ed., p. 402) en Oudeman, B. 11., 4de ed.. dl. 1, p. 321 en dat dit verzuim evenmin als dat van de stukken ter griffie over te brengen de niet-ontvankelijkheid van bet verzoek tengevolge heelt. â vonnis Arr.-R. Maastricht 22 l*ebr. 1855, W. nquot;. 1050, bevestigd bij air. Hof 10 Sept. 1855, VV. nquot;. 1742.
w
(AH 2S7
SO!)
02.
Art. 287.
I. Indien de voeging of tusschenkomst betwist wordt, behoort du rechter, oj) daartoe uitgedrukt verlangen van eene der partijen, de afzonderlijke behandeling van dit incident toe te staan.
liet belang tot tusschenkomst moet zijn wettig, geoorloofd en rechtstreeks; het enkel behalen van voordeel of een zijdelingsch belang komt daartoe niet in aanmerking.
Ren lid eener tinna, die op het verzoek tot failliet-verklaring dier lirma is gehoord, is, na geruiinen tijd in het daarop gevolgde vonnis van failliet-verklaring berust te hebben, en alzoo voor zich zeiven de termijnen van appèl of verzet te hebben laten verloopen, niet-ontvan-kelijk in zijn verzoek om zich te mogen voegen in liet verzet, door het mede-lid der firma tegen dat vonnis ingesteld.
Air.-II. Amsterdam, v. 3 Nov. 1859, \V nlt;gt;. 21155,
7
lan 's rechters oordeel hebben gere-
3. Al mogen de oorspronkelijk eischers in hunne conclusiën op de interventie de zaak ten principale behandeld hebben en door tal van bewijsstukken hebben toegelicht, kan vooralsnog niet ten principale worden recht gedaan, wanneer datzelfde niet het geval is van de zijde des requirants van interventie, die zich uitdrukkelijk in cas van admissie iiet nemen van conclusion heeft voorbehouden, noch ook van den kant der oorspronkelijk gedaagden, die zich alleen ten aanzien van het verzoek tot interventie fereerd.
Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Mei 1801. W. uquot;. 2294. Verg. ook air. I'. II. Amsterdam, v. '17 Nov. 1879. It. 1!.. jg. '1879, .1. p. 22(5, waarbij werd overwogen, dat eene regelmatige procesorde medebrengt, dat vooraf worde beslist betrekkelijk de interventie; cf. liet daartoe betrekkelijk vernietigde vonnis der Arr.-R. Amsterdam v. 29 Maart 1878, t. z. p, blz. 222, voornamelijk ter beoordeeling van de voorwaarden, waarop liet verzoek tot interventie mag worden toegestaan of geweigerd.
3. De intervenient is bevoegd om op zijn verzoek om te mogen tusschenkomen en zich voegen eene voorafgaande beslissing der rechtbank te verlangen, niettegenstaande zijn verzoek met wordt tegengesproken.
De oorspronkelijk gedaagde heeft alsdan recht te vorderen om de
â¢7-.
7 â¢
'lâ--
v... i oygt; w . jv -
Art. 287.) ;f~/- 810
hehandeling van dc hoofdzaak uit te stellen, totdat door den rechter
zal zijn uitspraak tfedaan op het verzoek tot interventie.
A it.-I!. I trecht. v. lLi Fcbr. IS70. \\ . nquot;. 437Ii. ! i. 1!.. Jg. IS/'.I. |i. '211gt;.
Ir/. '2SS.
I. Met verzoek tot voeging is ontvankelijk op iederen dag voor het nemen van conclusiën bepaald, ook van die conclusiën, welke bij de artt. i:3S en 139 li llv. niet met name zijn genoemd.
a it. v. 10 April 1884, W. uquot;. 5027; If., ill. CXXXVI. S 04; \. lgt;. II /;. II.. dl. X MX. p. 325â3:57, dok vcrineM suli art. i:«t II. II. nquot;. 3; idem ai r. Hof Cnrnrao, Ui Mei 1884, \V. n». 5059.
Vergelijk ook navolgende beslissing:
De interventie is nog geoorloofd zoolang er nog gelegenheid is gelaten tot liet nemen van conclusiën, al zijn het de bij de wet in summiere zaken niet bekende conclusiën van re- en dupliek.
A it.-11. Rotterdani, van 10 Dcc. 1877. li. II., jp. 1878, /1, p. llö; idem Arr.-K. Anistcrdain, 3 Mei 1877, R. I!., jg. 1870, A. p. 21, cf. arr. Hof 's lioscli, v. 25 .Sept. 1881!. \\. nquot;. 40112. waarbij is beslist, dat zoulaug geen pleidooi, conclusie van liet (KM. of uitspraak is bepaald, voor voeging of tussclienkomst gelegeulieid bestaat.
lt;5. Een mede-appellant, die. (gelijk in casu) na het overlijden zijner vrouw tevens ten haren name in hooger beroep is gekomen van een vonnis, in eersten aanleg tot beider nadeel gewezen, kan (tot redres daarvan) in zijne hoedanigheid van voogd der minderjarige kinderen, welke in de rechten van de overledene zijn opgevolgd, niet na bet voldingen der procedure alsnog in voormelde kwaliteit als interveniënt in liet rechtsgeding aangenomen worden.
I'. II. v. Gelderland, süic lt;hc. \\. nquot;. 199. â Cf. art. 34.! 1!. K.. Iictz. arr.
3 De eischer in cas van interventie is. nadat het verzoekscbrilt daartoe strekkende (aan de Arr. R. ingediend) aan de gekozen woonplaats van partijen is beteekend, deze daarop procureur hebben gesteld en ter audientie zijn verschenen, doch vóór dat daarop vonnis is ge-
|
wezen, partij in bet reclitsgeciiny en als zoodanig bevoeg( akte eene incidenteele vordering in te stellen. |
^ ~gt; Z.1. â tjquot;» AH. 288. J 'lt;r#2.f rfr/r-y' /f/rsr, 6Sr |
Ait.-U. 's-di'avonlia^e, v. 18 hm, 1850, \V. liquot;. 111II l. -yW tPSéZ'-
JL De interventie in eene rekenings procedure kan na het bij art.
772 Wetb. li. Rv. bedoelde vonnis niet meer worden toegelaten.
1'. II. v. Z.-lliilhuid, .11 Aujj;. 1871. VV. nquot;. .quot;gt;l!74', IMHCsli^cmii' vnimis der An-.-K. 's llase, v. 30 .Iniii 1871. VV. nquot;. ;!3(gt;S.
Dit artikel is niet in het belang der openbare orde geschreven. Waar eischer en gedaagde zich niet verzetten, mag dus de rechter, ook al is in summiere zaken van eiscb en antwoord gediend, hot verzoek tot interventie geenszins niet-ontvankclijk verklaren.
I'. II. v. N.-Holland, v. 30 April 1871, \V. iiO. 3727, vernietigende vonnis Arr.-R. Arnstei'dam, v. 17 Dec. 1873, VV. nquot;. 3089; verg. aaiil. 1.
tt. Al verbiedt dit artikel tusschenkomst, nadat de conclnsiën door partijen ter terechtzitting zijn genomen, dan valt uit dit artikel, blijkbaar geschreven met het oog op een contradictoir geding, niet af te leiden, dat bij niet-verschijning van een gedaagde, tussclienkomst reeds zou zijn uitgesloten, zoodra er eenige conclusie voor den eischer is genomen. -. nrfc- *-gt;2.
Arr.-K. Appingedain, v. 1!) l'elir. |,S7(i, V\'. nquot;. 3!)()9, I!. I!.. IS77, .1, |gt;. 81.
«w r/ ⢠, i «Pyz. ,
4 /ac ten bctooge dat. indien partijen op den dag, tot liet nemen van conclnsiën bepaald, deze niet nemen, maar overeenkomen die vóór den dag van pleidooi te wisselen, alsdan de interventie nog open staat, â
liet sub art. 141 li. R., arr. v. '24 Mei -1850, nquot;. 1. vermeld air. van 't 1'. II. v. N.-Holland, v. 13 Juni 1842.
- De I'into, //'//. 11. I!.. II. i, p. 37(1 (2de ed. pag. 101). meent,
niet een beroep op art. 353 li. [{., dat tnsscbonkoin.st of voeding ontvankelijk is zelfs in liooger beroep, totdat door partijen conclnsiën zijn genomen ter terechtzitting; anders door Pknning, ad art., oj» grond dat in dit geval aan de oorspronkelijke partijen eene eerste instantie over dit gescliil zonde worden ontnomen, waartoe zeker eene stellige wctslie-lgt;aling noodig zon zijn, enz.
!2(s *-fgt; LcrJ- A
K L^- ep^r^. ^ ^
; wW- ' .1W. 28!)) 4^^. sia^/ ^ /5
^ ,/ . â / sA 7,° /^//- ^ Ã?. u/c.u^, .
. rc.. . Ui^cUP^ _[/â {., *2Si). J
I. Niet uan al de uitspraken van den Voorzitter der Arrend.-Rechtbank in kort geding is liet karakter eener voorziening bij voorraad toegekend.
Hij dit artikel wordt immers onderscheiden tusschen zaken, '/waarin, uit hoofde van onverwijlden spoed, eene onmiddellijke voorziening wordt vereischt, en de gevallen, waarin het belang van partijen eenige onverwijlde voorzieningen bij roorraad vordert.quot;
Air. v. '20 Oct. 1809. \V. nquot;. 3100, I!., dl. XCill. § 12. v. n. IIoneüt, /gt;'. /;.. XXXIV, [). '23, R. I!., jg. '1870. j). 718: waai-bij nog werd beslist dat wanneer de algflindc opheffituf van bet beslag, is een noodzakelijk en onverrnijdelijk element der geprovoceerde voorziening alsdan zoowel de kennisneming als do toewijzing daarvan geheel binnen de grenzen van de bevoegdheid van den president gelegen is. Verg. en .l/lt;'(/.. dl. I \ .
p. 101. â waarin de schrijver op de gronden aldaar breedvoerig ontwikkeld. aanneemt twee verschillende klassen van gevallen, waarin liet kort geding te pas kan komen, als de eerste waarin de voorzitter definitief beslist, en dc tweede, waarin die beslissing bij voorraad geschiedt.
Onder de eerste categorie worden door hem gebracht alle zaken waarin, uit hoofde van onverwijlden spoed eene onmiddellijke voorziening wordt vereischt: a. hetzij ten aanzien van de ten uitvoer legging van een vonnis of van een executorialen titel ; h. hetzij in geval van verschil over verzegeling of ontzegeling; c. betzij ten aanzien van de verplichting eens kantonrechtei's tot bet staan over eenige wettelijke akte, welke geen uitstel kan lijden, of wegens dergelijke verigt;licbtingen van notarissen.
Onder de tweede categorie rangschikt de schrijver alle gevallen, waarin het belang van partijen eene onverwijlde voorziening bij voorraad vordert.
Vergelijk navolgende uitspraak;
Art. 289 15 Hv. verbiedt niet, dat de onmiddellijke voorziening,, waarvan in liet eerste gedeelte van dat artikel gesproken wordt, ook eene beslissing ten principale wezen kan. Deze kan echter niet genomen worden dan in de opgenoemde zaken, en in die welke daarmede overeenkomst hebben, hetwelk in caxu het geval niet was.
P. II Gelderland, v. '29 Mei 1872. K. I!.. jg. 1872, p. 727. wat de rechtsvraag betreft conform de beschikking van den President der Rechtbank Nijmegen, dd. '11 April i8/2, beide i!i W. iiquot;. 34G0; met veinietiging echter van het dispositief. 1'e president had de vordering niet-ontvankelijk verklaard, bet Hof besliste echter dat hij zich onbevoegd had moeten verklaren.
Anders de Pinto. B. It.. II- I. S 211. p. 410 sq.; cf. Oiideman, li. I!.. 4de druk 1, p. 325. volgens wien de beslissing in kort geding alleen dan
rzj--tlt;y~L/rir^y~ cr^Ayy^-^vx^amp;Crt l^stfjZ- *^«-ââ
f j ^/V^v. UJlJj t fa/quot; gt;1. 0 {_: ;trf .
S1 ;i {Art 2S9
kan plaats vinden, wanneer zulk oen onverwijlde spoed en onmiddellijke voorzieninp gevorderd worden, dat ook de dagvaarding op korten termijn niet voldoende is; cf. pres. Amsterdam, v. 27 Oct. '1S77. H. R., jg. '1878,
^1, p. 281, waarbij is beslist dat alleen onverwijld noodzakelijke voorzieningen hij voorraad, buiten prejudice van de hoofdzaak, aan de bevoegdheid van den president zijn onderworpen als hoedanig niet is te beschouwen eene vordering tot herstel van oen muur en tot schadevergoeding; cf. het sub hoe art, vermeld arr. P. II. v. Gelderland, v. 19 Aug.
1858 en van 7 Juli 1858. /.ic ook 1'. 11. v. Gelderland, v. 10 Mei 1865,
bij Mr. IIf.utzvem), ut supra blz. 97.; P. II. v. Overijsel, v. I ! Febr. 1839,
bij .Mr. Heutzvei.d, ut supra, blz. 1.
Overigens verspreidt de geschiedenis der wetgeving hieromtrent niet veel licht. â (/.ie v. d. Honert, It'll., p. :ï50) â Vernede, ad art. 289.
a 2, meent dat zoodanige buitengewone rechtspleging alleen kan worden toegestaan in gevallen, waarin eene onmiddellijke of onverwijlde voorziening bij voorraad wordt vereischt. terwijl de hoofd vordering zelve op de gewone wijze van rechtspleging moet worden afgedaan.
'i. Noch uit dit art. noch uit art. 292 B. 11. volgt, dat de president alle mogelijke voorloopige beschikkingen, al bestaat daartoe geen grond hoegenaamd, zou moeten verleenen, alleen omdat zij aan de zaak ten principale geen nadeel toebrengen. De beslissing of daartoe al of niet termen bestaan, hangt af van de omstandigheden en van het oordeel van den rechter.
Arr. v. 2 Juni 1870, W. nquot;, 3997.
(tt*- l~ â '-V-t rquot; tsZXst .
',t. De president is bevoegd deskundigen te benoemen in eene zaak. ^2â
die ten principale door de Rechtbank moet worden beslist. tw-r
Arr. v. 22 Maart 1883, W. 4897, R., dl, CXXXIII. § 40; v, n. Honert, au*
II. I!.. dl. XlA'Ill, p. 243 sqq., ook vermeld op art. 46 I!. Rv.
Jt. De bevoegdheid om, in gevallen van onverwijlden spoed, de ^7^^» vorderingen in kort geding voor den president der Arr.-II. te kunnen - yaz
brengen, is beperkt tot zoodanige spoed vereischende vorderingen, welke 6l/'*.quot;yjsy. kunnen worden toegewezen, zonder dat de beslissing bij voorraad lAhS)*-⢠nadeel aan de zaak ten principale toebrengt, waaronder niet kan worden A-zSWr? gerangschikt een eisch, gedaan tot het zuiver opheffen van een execu-toriaal beslag [in cam op grond, dat het zou zijn gelegd voorliet bevel ^ ^ . tot betaling)
De bijvoeging in des presidents beslissing bij kort geding, dat die beslissing wordt verleend bij voorraad en onverkort de sustenuën en rechten der partijen, kan eene vordering, die op zich zelve niet voor
«â Vr^^~ ^ ^
aa^Jt^Z. PVL*. '^- iamp;rr-t- r 609^ ^ 6?t; f' ^ ^ ^
//;â¢/. 289). «14. ,
fr/t-lt;n4 vnquot;! -i^ms cl.e^ vw* l^nyamp;rr-rpo fV- ' ea âf***-*-'*
1 onderzoek in kort geding vatbaar is, aan zoodanig onderzoek niet ah U'-'f- on(]erW()rpell doen zijn.
A tfquot; 1gt;, II. v. r.elderlana, v. M Maart -18.«!, I!.. dl. XXXI. § 97.
Jfv!l.clt;. ito-'
ffPrUr-quot;--â -^ â¢Â»â '^e voorzitter der Arr.-R. is, niet liet oog op art. 796 B. R.,
niet bevoegd om in kort geding te oordeelen over een aanbod van gereede betaling, gevolgd door consignatie.
£ t*.** nrt amp; * ^ f^ Voorzitter der Arr.-R. Maastricht, v. 17 Aug. 1S49, \V. nn. 1-115.
^ . p* V-'' -f ' -2tji, Oiü- quot;lOtrt-^Axsj^kAJii yyT^i U/. H.* -/ /.iP/ Ccu£. Ut./Z. fyf jXjt^(? li*, $-£3 b?-
â z. lt;» Tn kort sedinsr, waar alleen sprake kan zijn van eene spoedige
(yf 0-* n O» I â '
6,1 dadelijke voorziening, zonder formeel proces, kan niet te pas komen
V^. '/to-? en 's nie^ ('en riar(^ daarvan strijdig liet voeren van langwijlige en
n lt;v? ingewikkelde procedures, en kunnen er mitsdien geene termen zijn tot
/ ^ het gelasten bij interlocutoire uitspraak van een formeel getuigen-
/quot; verhoor, noch van eene expertise.
Sjzy y, 6y. amp; '
// Arr.-R. 's-(;ravenhage, v. 2S Dcc. 1849, W. nn. 1(IS.'{.
/ 5, De beslissing van den President, in kort geding, behoeft niet in
het openbaar te worden uitgesproken.
I'. II. N-Holland, v. X April 1850. K. R, jg. 1857, dl. VII. bi. 247â 251, ook o|igononicii in W. nquot;. 1855 en in R., dl. LXV, Sj :)S.
8. De president eener rechtbank is niet bevoegd om onverwijlde voorzieningen bij voorraad te gelasten, wanneer de verzoeker door eigen daad aanleiding heeft gegeven tot de noodzakelijkheid eener onmiddellijke beslissing en hij het in zijne macht heeft die noodzakelijkheid ieder oogenblik te doen ophouden en zijn recht op de gewone wijze te achtervolgen.
I'. II. Gelderland, v. 19 Aug 1858, R. I!.. jg. 1859, dl. IX. hlz. 291 â 295; R.. dl. LXV, ^ 5(1. \V. nquot;. 2005, vernietigende vonnis Pres. Arr.-R. Ai'idiem, v. 24 Juli 1858.
. A A *1quot; ' ? -n
ïgt; De vraag, of rrne der partijen, en meer bepaald een plaatselijk ^ bestuur, zeggende te handelen als politie-macht, bevoegd is om, han-\ quot;ende het onderzoek van den hoo^eren rechter, zich zelve recht te .S verschaffen, is niet vatbaar om in kort geding te worden beslist.
Pres. Reclitb. Maastr-iclit, (kort geding) v. S Sept. 1858, W. nquot;. 1995. IO De Voorzitter der Rechtbank in kort geding uitspraak doende.
ftt.T,£-t*~^c/. ^;'2^1^^0^'^^'/ ^~'y
^zt^. Ay^JtjljL*- J* a^nAy^--^ â a^^J!^- 2^-^ /â amp; .'L^C^ -- '- /
C . SO ;, «15 {Art. 289. ,
-K£/Z.t inry^^ /Z^- ^Uto^Ue^,^ /£ ^7, /J. ?, -gt; éjCamp;. er-^L S/
lt;le scliorsiiiff hevelende van een tusschen partijen voor scheidslieden aanhangig geding, totdat op een hij de Arrond. llechthank aanhangig -r^.
verzet van eene der partijen tegen de executie eener arbitrale dispositie ^ '. /y hij uiterlijk gewijsde zal zijn recht gedaan, handelt binnen de grenzen ^ ^
zijner bevoegdheid, ook dan. wanneer eene latere arbitrale dispositie, ^7**'- ^ waardoor aan de eerste werd gevolg gegeven en waartegen geen verzet ^
werd gedaan, feitelijk huiten werking wordt gesteld. ^ i.
P. II. N.-lIoIland. v. 17 Jan. 1850, W. 11°. 2-^ A-~
I I. Hij de beslissing in kort geding kan en behoort het eigenlijke 6 -~
punt in geschil niet te worden uitgemaakt, doch zijn partijen alleen he-voegd te vorderen zoodanige voorloopige mantregelen en schikkingen, £
als dringend noodzakelijk zijn om een eventueele beslissing der kwestie zelve door de Rechtbank mogelijk te maken, of om te voorkomen r Aa.
â y CL
dat deze door de tegenpartij illusoir gemaakt worde door het object ^
in geschil inmiddels uit te voeren.
Llt;Pffl 7iü /o.
Oi2.
A.
JT-ik. oJ^Lstâ
Voorz. Amersfoort, v. -14 Dec. l.SOd. I!. I!.. jo-. ISCVI ill XI lil VXt_/,')lt;) , j n , /,
I 8. Een geschil over den eigendom van in beslag genomen goederen behoort niet tot de rechtsmacht van den president der rechtbank.
zijnde bij art 450 15. Ilv. de weg aangewezen, die te volgen is door hem, die beweert eigenaar van in beslag genomen roerende goederen te zijn.
llfiditb. Utrecht, v. 22 .Inli -|S(M. li, li., jrv, iS03, dl. Xlll.lil. .-)2Câ529.
13. De President is bevoegd, in geval van dringende noodzakelijkheid tot een onmiddelijke voorziening, als voorloopige maatregel te gelasten, dat de huurder na het eindigen van een schriftelijk huurcontract provisioneel het gehuurde goed dadelijk zal verlaten, zonder praejudice van de rechten van partijen omtrent de zaak zelve noch van eventueele latere uitspraken van den gewonen rechter.
Voorz. Amersfoort, v. 10 Maart 1801, R. i!., jg. -1864, dl. .\l\. hl. Til:!
'' , r-Ccn--) . /lcr/dt-L lt;--{a -rrl- -2/ fed-, /c'y/, /i *7 gt;? - J-Al P- V-J-
I-i Eene vordering betrell'ende het verzet tegen de uitvoerleetjino'
van eenen executorialen titel is uit den nanl der zaak van oiiverwijlden spoed en een onmiddellijke voorziening vereischende.
Pres. Arr.-R. IJoorn, v. !2ü Jan. 1804, W. 110. 2579.
Ivvli^o^z, l yi k.crv L- . t^ny-LcF/L ^*~igt; j-t ^4 tt-C-c-*,*.
'J Tl ) 4U. /yuit^c-' ± ^ t i-'Z O *elt;rr^^7i /4 I-
.â UfLoeJc. ^ ^ftAu*/- ^ -gt; . ?^Ozr^ /?amp;-gt;lt;:£. Z. 0~T^
{/Pj£/, n 0 nfjcP.
^ -#â
-à sia*jl£. n ^ / e ^ ./â. â/./, * . v. t' , - ,____. . .
f/1
ó^-CK^TA^f^ OiSV^
aj^vâ o^jZ^U iJZ^-cU-^
amp;
rlt;-~ 'V- 0-r/-r~ ^ ^_, oCjt^ fis, .
j-yy^, ^quot;OkxT^- at-S^ 'V-~is-z^S' y^JL*^*~s Ocamp;^isfy--a^.
816
O
r-za*-
^ '2-^ Art. 289.)
â «2^1- WA^o-e-4~
C-^JZ- ^£--£~CS1 '
% ----- --â â
Ié». Eene vordering, waarbij de rechtmatigheid wordt betwist om den eischer in kort geding door uitvoering van lijfsdwang zijne persoon- ⢠( lijke vrijheid bij voortduring te ontnemen, op grond van schorsing van de executie van het vonnis tengevolge van appèl, moet geacht worden tot die zaken te behooren, welke, uit hoofde van onverwijlden ^lt;»/4^. spoed, eene onmiddellijke voorziening vereischen, en dus vatbaar zijn^5-^5 om aan het rechtsgebied van den rechter in kort geding te kunnen worden onderworpen.
P. 11. Groningen v. I I Dec. 1860, \V. nquot;. 2897, R. B., jg. 1809, p. 585.
ÃO. Waar het geldt een verschil omtrent de weder in bewaring-stelling van den failliet, die voor zijn faillissement in gijzeling gesteld op last van den Rechter-Commissaris naar zijne woning is overgebracht om bij de inventarisatie te assisteeren, is de President der A.rr.-R. bevoegd van dat geschil kennis te nemen.
Bescliikkinfr President Kechtb. Amsterdam, van i9 (4) Sppt. -1807, \V. 11°. 29()7. U. 11.. jg. 1807, p. 786.
4 5. Vermits bij het geding tot onder curateele-stelling het nemen van voorbehoedmiddelen onbekend is, zoo is ook de President der Rechtbank niet bevoegd bij voorraad in het kort geding voorbehoedmiddelen te bevelen, ten einde een door den curandus, hangende het geding tot onder curateele-stelling. voorgenomen openbaren verkoop zijner onroerende goederen te beletten.
Arr.-R. Rotterdam, v. 4 Kebr. 1868, \V. n0. 2980
18. Eene vordering waarvan het gevolg kan zijn dat de kwestieuse roerende goederen uit het bezit der eene partij in dat der andere geraken, gaat de rechtsmacht van den President te boven.
P. H. Drente, v. 5 Febr. i870. \V, nquot;. 3230, R. R., jg- 1870, dl. XX. p. *118, vernietigende beschikking van don President der Recbtb. Assen, v. 28 Aug. 1869.
§?gt;. De quot;Voorzitter is onbevoegd om in kort geding kennis te nemen van eene vordering daartoe strekkende, dat de advokaat de processtukken aan den cliënt afgeve.
Arr.-R. Maastiiclit, v. 20 Sopt. 1871, W. nquot;. 3398, op grond dat liet hier geldt de vraag of do gedaagde tot die afgifte al of niet verplicht is en de beslissing mitsdien zou zijn ten principale, hoedanige bij een twistpunt als bet onderwerpelijke niet tot do bevoegdheid van den President behoort.
Ssquot;
Æ= 0Jkl t-Oyï- f lieert? ele-s-
-p
- /v'/
ej-vr-ë-^, -z-r zjzgt;(_
O ^
j ix^». oc^a ^y*
{art. 289. Wkw uj.rtoT.
3lt;l. Een eisch tot schorsing van de teu uitvoerlegging van executoriale titeJs. m cam een akte van schuldbekentenis met hypotheek, kan, ook ^
buiten het geval van betichting van valscliheid, in kort geding worden ingesteld. /jptrr', JPz-yT
Vonrz. Roel,tl,, riigt;oronveeii, (kort .ircdin.ü) Sr;]it. 1872. W. nquot;. ;c.()S. ^ ^f'
* i â Het beroep op dit artikel is ongegrond, wanneer het niet betreft /quot; -v- â
de ten uitvoerlegging van den executorialen titel en eene onmiddc.lijke ^
voorziening te dien aanzien, maar een maatregel ter bekoming eener rechtelijke uitspraak om later zich juist tegen de executie van dien titel te kunnen verzetten.
Avr.-R. Winschoten, v. 3 Api'il -1872, W. nquot;. 3538.
^3. Wanneer de president bevoegd is, om van de ingestelde actie A-quot;*^ r'
lt;7/^ lt;2-
y
lil kort geding kennis te nemen, is hij ook bevoegd om te beschikken omtrent alles, dat dienen kan om het instellen der actie mogelijk te maken, wat anders tot de competentie der Rechtbank behoort.
Pres. Arr.-R. 'sllage, 9 Aug. 1872, \V. nquot;. 'M'.Yl. ^
'iïi. Terwijl de termijn hangt, bedoeld bij 891 W. v. K., kan de '
Il
gegijzelde bij den president in kort geding tegen de gijzeling zich r
verzetten en de voorloopige schorsing vragen der rechtsvervolrWnt; Pres. Amersfoort, v. 31 Mei 1872, W. n11. 3500.
kt. h °
verlangde onderzoek van deskundigen nadeel zal toebrengen ann de ^
zaak ten principale, terwijl daarbij gesteld is dat die maatregel onvenvilld
.... ' ' ~ â¢' ~nc- c*rlrl. _
noodzakelijk en in beider partijen belang is, zoo is de president he- z. s , â
voegd. Blijkt intusschen bij de verdere behandeling der zaak werkelijk se*â, At
van bedoeld nadeel, zoo dient de vordering te worden ontzegd. .-â¢t--.
Pres. Amsterdam, v. 2 April 4877. 11. R, jg. 1879, ,1. p. 10. .vt â.-i.' -
v f a/z* / r^lt;-
a_ci. /l
'â¢* Waar de gevraagde voorziening bij voorraad zoozeer het hoofd- £
geschil treft, dat de uitwijzing daarvan onnoodig geacht kan worden na toewijzing der voor den president gedane vordering, moet deze zich ^
onbevoegd verklaren. ^
, 0rvilt;lt;a-^ z-y^z-t-
IIot s-Gravenliage, .gt; Maart, 1877, li. 1!., jg. 1880, .1. p. 130. , ^
Jlr. W. van kossem 1!z., «iiiy/. hmiusik
'H. Wanneer uit de dagvaarding niet blijkt, dat het in kort geding
â *-lt; * /£-
^ /u
gt;-i.e »-«i
tz£x* ~ zrojf x~ e6
â - ^2» 7gt;.
V
cyrr o *
^/7 X . ai 6 rfr.
fcn £ _ itrr cm. lt;\s1 a ⢠al ó s' a^öf^. ^ ^
-i f-2'quot;ï?^ .
â quot;dtcytsfr {.so t-
s
/ ^
V- lt;3 -^y tjj
--- ^
â L amp; t *y
^t-sy^y
7
'7
Zs~â¬st4f ^ â
_ nX«_ Q-*.'â gt;1-
sis
â¢7
, » tyv-e-^ O-^1- ⢠q/cst*amp; o^*-
Art. 289.)
t', C_^ C.â¢quot; 'f*
®0. De president is mei bevoegd eene voorziening bij voorraad te
bevelen, welke te gelasten, volgens eene speciale wetsbepaling [in cam /(PcPcP art. 352 B. Uv ) tot de competentie van eene andere rechtsmacht ^ behoort. 7*04*j
Pres. Amsterdam, v. C2H Ang. 4878 R. 1»., jir. 1878, A. p. c28(). waarbij nog ton aanzien van dc bier ingosteldo vordoring tot voorloopige staking dei* executie van een vonnis, dat beweerd wordt ten onrechte voorloopig uitvoerbaar to zijn verklaard, en van welk vonnis ook overeenkomstig art. '^gt;2 T». Rv. was geappelleerd, werd overwogen, dat de President onbevoegd â is van eene dergelijke vordering kennis te nemen, omdat die vordering
in den tegen woord igen stand van bet geding nimmer aan bet oordeel der Recbtbank zon kunnen worden onderworpen.
Zie nog hieromtrent de redactie van bet R. Pgt;., t. a. jgt;. blz. ^77 sqq.
/£*^ej Zjt-v*-*^ fr-eST-
â¢r^-j-
/---^
r. 187iS. 094, li.
1.
n
Juli
â¢isr,.s. w.
Art. 79 15, Rv. is niet van toepassing in zaken in kort geding.
-'S.
^-u /r
pzyt-
/jerS-, bS
3. De president is onbevoegd, wanneer de eischer -â niet hande-lende krachtens vonnis of executorialen titel, maar krachtens onderband-sclie akte, â eene dejiniüe.rp, veroordeeling vraagt L.7SUyiiaC^c^^-- Pres. Zievikzee, van '10 Jan. 'IS78. \\ . nquot;. 4-2411.
I1- -S:i- cf' nrl'- 11 quot;⢠v
, j?. -],sr,8. p. 4.so.
V:
Pres. Zierikzee, v. 10 Jan. 1878, R. li., jii'. 1878, A. |i. '284 kan ccn verzoek tot oproeping in vrijwaring door den president worden toegewezen, zelfde pres. v. 5 April 1878, t. a. p. en in \\. nn. 4279; cf. liet sub hoe artikel vernield vonnis pres. Hoorn, v. 20 Jan. 1S04, waarbij is beslist dat de gewone regelen van procedure in kort geding niet van toepassing zijn en liet aan eene der partijen niet kan vrijstann om door het opwerpen van excepties de beslissing te verdagen, zoodot, alhoewel de gedaagde verklaard heeft zich te bepalen tot de dooi- hem voorgestelde exceptie van onbevoegdheid, zulks den president niet belet om, die exceptie verworpen hebbende, nopens de vordering zelve te beslissen.
Ook de Staat kan in kort geding voor den president der rechtbank gedagvaard worden ter zake eener persoonlijke vordering. De woonplaats des eischers wijst dan den bevoegden president aan. Pres. Tiel. v. 2:5 Nov. 1880, W. nquot;. 4043. U. 1!.. jg. 1881. A. p. 250.
:60. De rechtspraak van den president kan alleen worden ingeroepen om voorziening te bevelen tegen een werkelijk bestaand gevaar, waarbij des eischers belang is betrokken, en niet tegen een gevaar, dat het gevolg kan zijn van een nog te nemen besluit.
Pres. Tiel, v. 23 Nov. 1880, ut supra.-
II
\nr-TlO ^ ^ f. _ ZJP-J . â¢quot;
r/0~
e ^ ^ ^ ~ â AyI
- ^' / l /lt;ix^ atn^ '-UL^jJ^ sL?. ._, C- quot;lt;^ (? ^ c?^âV -ts^n *-yy^
(2»~4r-trj~ lyto*, lt;\âlt;-* r -7-^ SIS ^.^sz; (Art. 289. X ^ o^ct. t/ ,
-7X? t -lt; -v w/ t* t ^ l/nAl. t-fjx- , -/ji*^/, / 74gt;0 , » lt;/ t-ll^ 'fe/t^oC^Ok.y^,--/
' :6 I Het verordenen van maatregelen, do strekking hebbende om /-V. hrgt;
zonder de zaak ten principale te prejudicieeren, partijen in den toestand P.v.Y erfcstf *.es-/. te brengen waarin zij verkeerden, vóór dat de eene partij op het he- r?,^ ^Lisi. weerde recht van de andere inbreuk maakte, waarvan groote schade in L/4T^gt;ti^-cic^n. het bedrijf van laatstbedoelde het gevolg was, behoort tot de compe- A? :
tentie van den president. 2 I'
Hof '.s-Gravenliaffe, v. 10 .Maarl 18X4, W. nquot;. .quot;gt;(»'i(l.
^ j t t-AAsY* /tr'A Ct-AAStS' f^cn^A- jZf a-*- ^ tr^x - £c ts-c f CA-Tamp;^'XST cy^
ÃüLamp;l/'. â Ãt-fc-r J ^^Avf. 21)0. ^ /^7- £AS~zsr f *â /. W J.
^ i a* fr Ty~0^
rJV⢠gt;⢠â¢'quot;rX/- Zie ten betooge, dat bij eene procedure in kort geding de bijstand ^ ^^
zaAa . dnt. vnw een procureur niet wordt vereischt â
' ,/ l£me..lt;y^ .amp;rgt;lt;Jgt;^. /fif, quot;quot; J
'/// quot;! HF.MAN. It. It., ^dcquot; ed. I. ]). :ö(i, nader tungeliclit in de Oiuk.oi Mc'l.. rf^ l-*
%°6o6f- dl. II. p. 01- «IS; v. Ham.. It. 1!.. jlt. ISliO. dl. I. p. W.; Vkiinkok. i j
art. 290 H. It.. ........ '2 on v. n. IIonkut. Ihlh.. § 290; Mr. W. van j- 1
i'kf.i.om, diss. (Leiden iS59) »de alleensprekende regterquot;. pat;'. 108, 't j
liestrijdende liet p'vnelen van ]\fr. iiK PiNTO; â anders echter liij uk ,
Pixto, //-//. 11. /;.. II. I. p. 302, 2de ed. lil*. 418, op izrond van dearlt. ^
133 en l.i.) II. It., vooral van hel eerste, liui.we.lk aan icdcrcn iinnleffi/ri' fkA*x- ir?* irn/} de verplichting oiile^t orn nrocnrenr te stellen, zoodat die artikele'n ('behalve
I â ⢠I 1 , 1 , I 1 ⢠â 1 y'y^V ri gt;quot;^gt;
'ij ('fi Kiiiiion^Ti'chlcn) ld tcrl ijk van too passing zoudon zijn oi) icdci't' âquot;â^ .
I ⢠i 1 ii .. p^O f-yiJlslZ
|)i ocean re in eersten aanleg, waarvan liet kort gedmp; een lt;gt;nderde(!l *
uitmaakt. fmr*. 'J'
r* 'J' 4
.a «. yss-Q- .
'â i/Dsisi- cjrju*U±4s-Camp;u*
/ ^
â ' Z/u!^ Jeu, i â â â â¢-yu, (f . it* J rCO.
I. Dit artikel is niet geschonden of verkeerd toegepast door de beschikking van deu President, waarbij hij zicli onbevoegd verklaart, om van de vordering tot ophelling van een executoriaal beslag krachtens een vonnis bij verstek kennis te nemen, en beveelt dat de verdere voortzetting daarvan zou worden geschorst, tot dat op het verzet daartegen zou zijn uitspraak gedaan, en partijen te dien einde naar de terechtzitting verwijst.
Arr. v. 19 Fehr. 187.quot;), W. nquot;. 3827, R., dl. CIX. !; 10- v n II 11 I! dl. XI,, p. MSâ130.
i. De vraag of het belang der partijen eene schorsing van deu voorgenomen onherroepelijk bedongen verkoop vorderde en of daar-
PcPcn
I
enyc^~ c^-^- ⢠l ^3 f ZZ*. /fbriscOtu^ o^o/-- 24j /lt;f /JL, ólt;}~, n*yjjrjZ, .
iLdi? ^W-, £^/ tós. QtU^Joi' amp;rxj~ C^rx^^y^ryy^^ a -â oCa~ aJLCt^ ^.ajüUaJL»^
ULa^s v^W Uc^O-U ^C-^-ö-V VtsVTsvi~amp;amp;4-uJi~c*:y? cr^4-yi-o^lt;y~*-~0L^ crri/i. ct-^ aC**-^
Art, 291.) «20
/'{TL/. CA*?* hJu^-4~ . /^ZCS* . /y ^i'OV. ^ /£. t ^ ' i.
door nan de znak ten principale nndeel werd toegebracht, is alleszins
vatbaar voor eene voldoende toelichting in kort geding.
Arr. v. !l Jfnart iS83, W. nquot;. 4-SS7. F!., dl. CXXXIIl. S â 'â quot;gt;: v. p. II.. II. I!.. dl. XT.VIII. p. '214â222.
If. In zaken van kort geding is de president niet gerechtigd, met
verwijzing der zaak naar de Arr.-R. tevens een rechter-commissaris te
benoemen, en op diens rapport die zaak tc doen aanbrengen, maar
behoort die op eene hetzij gewone, hetzij op korten termijn nit te
vaardigen, dagvaarding te worden aangebracht.
Ufastxss- ***, use.Me'-f'- j\1T.p Leeuwarden, v, 25 Juli 1843, \V. n0. 444; idem Oi'demax. /a, ^o-(L^cn-^-a~' ea-- /J, /;., 4[ie ed., dl. T. p. 327, volgens wien liet uit de bepaling van art. 1yv^aj_ U. crr^^tCay^rt 201 duidelijk is, dat do partijen niet tengevolge van de verwijzing ter op !'0quot;e verschijnen, maar de eisclier eene dagvaarding, op gewonen of op
. korten termijn moet doen uitgaan. â A'gl. hiermede een vonnis van do ^ Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Juni 1852, R. I!.. jg. i852, p. 350â302, waarhij
jg ^ggjjgt^ (jat Wanneer van de oorspronkelijke hij dagvaarding in kort
JfU*_k*n/i- geding aangebrachte vordering, de rechtbank noch door een renvooi van
ci^chs*-^! den president, noch door eene nieuwe dagvaarding is gesaisisseerd ge-
/Ix-dU.' - fa.Tt'1 worden, deze informaliteit dooi- de toestemming van partijen mag worden , , gehouden voor gedekt.
ur{7 / -â
â¢*. ; Voorzitter der Arrond.-Rechtb. oordeelende dat de zaak uit j hoofde van het onderwerp des geschils niet valt onder die bedoeld 0 , in art. 289 B. E,v. behoort zich onbevoeqcl ie verklaren, en niet de
â (quot; ' v(,r('er'ng niet-ontvankelijk te verklaren, met verwijzing van partijen
/sas1 n!lar gewone wijze van rechtspleging.
^ p. ]|. Gelderland, v. 7 Juli 1858, R. R, jg. 1858, dl. VIII. blz. 480â jj 483 vermeld op art. 28!) R R nquot;. 27, en van 20 Mei 4872, W. nquot;. 3409.
/ F *ar,ct,-j vermeld op art. 280 P.. Tïv. nquot;. 1.
Od. 1
Art. 292
De bepaling van dit artikel, dat de beslissingen bij voorraad
geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale, slaat alleen terug
op de in de hceeile plaats bij art. 289 genoemde gevallen.
Arr. v. 29 October 1809, W. nquot;. 3100, I!.. dl. XC1II, S 12, v. n. II.. II. li., dl. XXXIV, p. 23â41, aangehaald sub art. 289 li. Rv.
'i. Hij dit artikel is het aan den voorzitter verboden om zijne in
/* .'Cs-*-* ' ':'s '⢠£' cy - ^ ^ J 70 i : f r t, ^ca £â L- ï ' ^ ^ ^ M -l'
/ '
^zjyc^. X. c^cA. C(/gt;a/f, /r' (a iJcP.
[AH. 29SJ.
lt;9-.
/e ⢠^ ii*v
821
kort geding te gelasten voorziening bij voorraad te doen steunen op
eene bescliuuwing der /.ank ten priiieijiale. _
oaS lt;LQ/? ^--yl^crt^C -y-a^
Pies. Tiol v. 28 Oct. 1874, W. nquot;. 3779. -t~ y *
â sZi. z,? /J0 7, ty*
fCCa- Zy^ó
'//-?â : â .C/I^. ^ â¢â
Ar\ £94.
I. Nocli uit deze bepaling, noch uit de volgende, nooh fut eemge ^6-
andere volgt, dat tegen uitspraken in kort geding (al of niet bevestigd in hooger beroep) geene voorziening in cassatie zou zijn y c^n^-.
toegelaten.
£!h ?t°jr3Slt;*.
Air. v. 29 October 1809. W. 11«. olGO, I!.. dl. XC1II, S â -⢠R- H- IS-|.S7(I, p. 718.
Anders Dli 1'into, Ægt;'. /t.. 2du ed. II, I. [gt;. 420 ('lo cd. II, I. p. igt;94) en Ouiieman, II. II., 'idc ed. 1, p. 329.
'£ Deze bepaling is niet van toepassing op beschikkingen van den president op requesten, waarop de wederpartij niet is gehoord, liet verzet tegen eene zoodanige beschikking moet voor den president worden gebracht.
Pres. Amsterdam, v. 13 Juli 1803, R. I!., 1804, p. 417. In 'rcmi gol'! het een bevel tot sequestratie. , / ^ f/.
Vquot;'
ycrcnJL. c^y
(CrzU. GJamp;LAI^cj.
Art. 295.
/amp;S. U . It tw. lt;w4-. sy
Lye fé.. $. ~ r i
I. Het beweren als zoude geen provisioneele, maar eene definitieve U/KyC. {J/f, beslissing gevraagd en dus eene vordering gedaan zijn buiten de kf-qSd:.
grenzen der judicature op kort geding gelegen, is een grond, behoo- z-8~e ,
rende tot liet onderzoek ten principale der vordering in kort gedinir, ^quot;-^9 y ^ejCry.
welk onderzoek geen onderwerp van rechtelijke kennisneming kan uit- '9(/i~' ?/ â maken, zoolang de verwering in eersten aanleg zich bepaald heeft tot
de exceptie van onbevoegdheid raüone materiae. ,
P. II. N.-llolhtnd. v. 5 Fcbr. 1857. W. nquot;. 1830. /
*5. Bij het ontbreken van stellige wetsbepalingen omtrent de appel-labiliteit van vonnissen in kort geding, moet worden teruggekeerd tot het gewone recht, d. i. de bevoegdheid der Rechtbanken in dezen
r /
?
f O Ae'
c
£1. £ A o 2
%
r ^ CX£ -7 O-KT-I y? lt;
^ f ls~e /7 ö- 'LJâL- ^
/t-t/! 7-t quot; ^ y 0
-7~, -jTry S'
~ / f r'1
r
s-lJt A
ArL 295.)
1'. H. lt; Ivorijscl, v. :!() .Imii llt;S7(), VV. n0. .'üS-i on liltli'J. waailiij lie.slist wi'id dat di^ licscliikUing van (Iimi prosident ex art. 67.') aquot;. lt;S II. Uv. niet voor hooacr beroep valliaar is, omdat la^t liiei' geldt eeiie voor-loopigc voor/iening, waartegen, ware ze dooi' een reclitljaiik gegeven, geen liooger beroep was toegelaten.
li. De bevoegdheid van liet Hof, in appèl over een vonnis in kort geding oordeelende, heeft dezelfde grenzen als die van den president der Reehtbank.
I'. 11. v. Gelderland, v. 20 Mei '1871, I!. P,., jg. 1872, p. 727,
Art. 3!)7.
/iie over de ten nitvour-legging der uitspraken van den voorzitter der llechtbank in kort geling op de minuut â
een vertoog van Mr. (i I). in de. 0/»«i. en Mvd., dl. IV, p. 99âlol!, die, eveiirnin als de beide na te melden .schrijvers, deelt het gevoelen van den heer v. n. HoNKUT, in zijn Forimtlicrh., p. :i|8, dat nanielijk dr. wijze, waarop eene uitspraak op de minunt in een i'egistei' moet worden ingeschreven, in de praktijk tot mueielijkhedeii kan aaideiding geven en zicb overigens in dit stuk in zooverre vereenigt met het gevoe-len van Mr. VKIiNKOK op art. 2'.I7 en van Mr. OuiiKman, li. li., 4de ed dl. I. p. :gt;28, dat door de inschrijvinij in art. 2(.K» bedoeld wordt eene oret'sclii'ijviit;/ dei- minuut in het register, doch verschilt in gevoelen ten aanzien hunner nieening, dat hel register uit afzonderlijke bladen zou mogen bestaan.
Art. 29S.
i De woorden «zaken van koopliandel'1 moet in art. I W. v K. en art. 1985 15 VV. in denzelfden zin als in dit artikel worden opgevat, d. w. z. als liandelsreclitsvorderhigen of gedingen.
ilen haiulelsgeding nu is een zoodanig, waarbij de handhaving gevorderd wordt van een liaiulelsverbmtenis, d. i. van een verbintenis die haren grond vindt in eene daad van koophandel.
Arr. v. 18 ,ypri,l 1878. \V. nquot;. '1240, It., dl. CXVI1I. p. o37; v. n. II.. II. It.. dUj^ff.111, p. 175â181; ook aanuohaald sub art. I. \V. v. K. (Li;v\), ii0. 29; vcru;. wijders vonnis An .-lv. Lnouwnrdon, v. 22 .limi iJWAK W. n0. .'i.'iOT. \vaarl)ij is beslist dat liet voor het herrij» van zaak â ^van koophandel voldoende is dat de overeenkomst in geschil van de zijde
S22
(.4)7. 298.
vim deu gedaagdo-koiipei' een daad van koophandel oplevert, cl', vonnis Arr.-U. Amsterdam, v. 3 Maart W. nquot;. 2490 en 25(17, bev. vonnis
Ktg. IV, Ainsterdam, v. (i .Mei I SO, \V. nquot;. 2504, idem vonnis Arr.-U v. Rotterdam, v. 8 Oct. 1879, VV. u0. 4434, te dezen opzichte coidorm ai'r. Hof 's Ilage, v, 24 Mei 1880, \V, n0. 4553. Cf. Ktg. Rotterdam II. VV. uquot;. 4739, ten botooge dat de vraag of de zaak eene zaak van koophandel is, eenig afhankelijk is van de vraag of de zaak ten aanzien van den t/cclncuide dat kenmerk draagt. Zie verder over het begrip van zaak van koophandel het aangehaalde sub artt. 1. 2, 3, 4, en 5, nquot;. (12, VV. v. K. en art. 1935 li. VV.
'i. De vordering tot vernietiging wegens wanpraestatie van eene overeenkomst, door een schuldenaar met zijne schuldeischers, ter zake van commercieële schulden aangegaan, heeft eene zaak van koophandel ten onderwerp.
Arr.-R. Amstenlain, v. 3 April 1839, R. II.. jg. 1842, dl. 1V. p. 7(19. In gelijken zin bij Mr. C. 1). Asseu, v. s. ad art. 3 W. v. K.
'S. Wanneer het in liet daadzakelijke of in rechten niet voldoende blijkt, ofquot; eene aaak tot den koophandel betrekkelijk is, moet die voor eene gewone burgerlijke zaak worden gehouden.
Ktg. Assen, v. 5 l-Vhr. 1852, W. nquot;. 1452, R. B., jg. 1853, j». 530â532. â Vgl. wijders met betrekking tot kooplieden en daden van koophandel', het aangeteekende op de artt. 2, 3 en 4 W, v. K.
I. De rechtspleging in zaken van koophandel geldt ook voor de terugvordering van het te veel betaalde, bij de voldoening van eene handelsschuld.
Ktg. n0. IV, Amsterdam, v. 25 Nov. 1870, R. 1!.. jg. 1870, dl. XX, p. 798; vernietigd bij vonnis Arr.-U. Amsterdam, v. 10 Maart 1873, VV. 11°. 3017, waarbij het tegendeel werd heslist, ook vermeld ad art. 3 VV'. v. K. n0. 39, (ed. Levy.)
Art. 299.
S. De rechtsvordering, spruitende uit eene overeenkomst, welke naar het recht van het land, waar die is aangegaan, eene handelszaak is, kan daarom in Nederland niet als handelszaak worden aangebracht en behandeld.
P. 11. v. N.-l!iabant, v. 28 Juni 1842, VV. nquot;. 338.â Cf. art. 15(11). U., arr. v. hetzelfde 1'. 11. v. denz. datum.
Art. £99.)
'£. Zie ten betouge, dat eeue zaak, welke naar de bepalingen der wet, onder de burgerlijke zaken behoort, doch door den eersten rechter als eene handelszaak is beschouwd, waarin door partijen is berust, niet door den boogeren rechter als handelszaak beschouwd en (m casu met betrekking tot de bewijsmiddelen, alleen in handelszaken toegelaten) behandeld kan worden, â
ail. is 1). 1!.. mi'I', v. 22 Moi 1840, snh. nquot;. 7.
Art. ;5ni.
Iii' ili'nli' lai vii'i'dc iilinca van ilil arükel zijn liij ilc wel van lio .Mei IS77 (Slhl. nquot;. l.'iS) alilns üi'wijziud :
tcrinijn is van ten minste /.es vrije dajjvn. indien do ^edaaüdr vvdont hiiiuoa een ander arnindissenient onder liet i'eclitsgeliied van hetzelfde ^ei'ecldsliid. Wanneer de gedaagde binnen het leclitsgebicd van een ander gerechtshof woont» enz.
@ . Wen j)articulier, die eene daad van koophandel verricht en overigens niet bewijst te zijn koopman of handelaar, is bevoegd, om binnen den bij art. ;5()l 15. R. gcstehlen termijn te laten dagvaarden,
indien het consteert, dat de gedaagde koopman is en talis eene
daad van handel heeft verricht.
Ivtlt;r. V Ilage, v. 2!) .luni ISid, W. nquot;. 114.
** Wanneer iemand, geen koopman zijnde ter zake van eene liandelsschuld is gedagvaard op kortere termijnen, vermeld in art. 301 IS. 11., dan moet met het oog op art. 7 en 92 15. li., de daartoe betrekkelijke dagvaarding op de vordering van den excipiënt worden nietig verklaard.
P. II. v. Liinlmrg, v. 12 Nov. '1849, \V. nquot;. 1080; idem ini|ilicite hij vonnis v. quot;1 Ktg. 's IIage, v. 29 .luni 184(1, nt supra; idem Vi'.liNliUK,
ad art. 29!) I!. U.; .â anders echter hij v. n. IIoneut, hdh., p. ;i04,
noot I, en he -Martini, ad art, volgens wien de gedaagde in dit geval geen recht heeft om te vorderen de nietig-verklaring van het exploit, en bot in dit geval, mot bet oog op art. 94 II. R., den rechter is overgelaten (im te bevelen, dat op de gewone wijze zal worden voortgeprocedeerd, met verlenging van den termijn van dagvaarding. â Cf. meer iu den ziu van 't P. II. v. Limburg, ut supra, Otdeman, /gt;. li.. 4de od., dl. 1, p. 3:M; de Pinto, ft. 11., dl. II, 'I, lilz. 421). â Volgens de Pinto,
I. I. zal, wanneer de cischer bewijst, dat de gedaagde door de ovei'-
j tC* Q-- J
^ ^
éy3o.
(ArI. 301.
treding iiiet is benadeeld, de rechtei'eenvoudig de verbetering der (mi'Cfïet-niatigheid ten koste van den eisclier kunnen bevelen, door aan den gedaagde nog eenen termijn voor zijn antwoord te verleenen.
De eisclier die gedagvaard heeft op korten termijn, moet bepaald bewijzen, en het is niet voldoende, indien hij slechts beweert, dat de gedaagde koopman is.
I'. II. v. Limburg, v. 12 Nov. 1849, VV. nquot;. 1089.
-I. I5ij dagvaarding aan het in eene andere provincie gekozen domicilie,
dan waarin de rechter zitting houdt en de geopposeerde tevens woont,
moet evenwel dc termijn van tien vrije dagen in acht genomen worden.
I'. II. v. N.-Holland, v. Febr. 1806, W. nquot;, 2824; verg. aant. 1 op art. II.
/lit, OÃO. TrtAs-fh
liet verlof' tut liet beslag, vermeld in art. oO-quot;} 1!. Iv,., moet verleend quot;5 ^T'a~'r9~.
worden door den voorzitter der rechtbank, welke van den eiscii tot '
. . .
betaling en van waarde-verklaring van het beslag kennis neemt en is , ^ ,
/1 cy A^en*._
deze daartoe bevoegd, ook wanneer de in beslag te nemen goederen , . , zich buiten het rechtsgebied dier rechtbank bevinden,
f -TL
Arr,-U. lüiidlioven, v. 28 Febr, 1848, \V. nquot;. 8I.)9; â anders bij Mr. A. . quot;iObrfh: OiiiiHMAN, J!. li., 4de cd., dl. I. |i, liiSli; nader toegeiielit in de C/k/i. eji * .
J/.W., dl. IV, p. (Kjâ09; alsmede bij nr, 1'ixto, Ihll,., II. II., dl. II. \ 'M. lt;
bi/.. 4:?4. â Vgl. ook v. ii. IIonkut, Ihlh. § ;10.quot;gt; en art, 099 I!. li.,
vonnis van de Arr.-K. Maastricht, v. 24 .Ian. ISM sqq. Jt**?. Ult;gt;lt;}4,amp;
° bïlW.
iXb.ts
//. 2(nP.
I Het maakt geen verschil, of iemand houder is van een orderbriefje door endossement, dan 'vel ten gevolge van de onmiddellijke ^,1^^
afgifte, hem door den onderteekenaar gedaan, om hem gerechtigd te doen zijn tot het leggen van het conservatoir beslag, bedoeld bij art. ^lt;2*â *50 1' Ij, li,
Arr,-ll. Ainsterdain, v, 20 April I8iiï. tï. II.. jg. I84gt;!, p. ~i'u.
Dit artikel geldt alleen dan, wanneer volgens het materieele , ^
recht aan den houder eene actie toekomt.
s-o Af ïr quot;
825
Ad. 301..
Ad. 305.
- - ^ -----k~~ 'Tamp;J- â Lt^-
^'ènr^A â , jfrf g Dj, uitdrukking daden van huopkandel in dit artikel omvat ook gi/Ti â 91 ^ ^dc in art. 5 Wetb. van K(joj)li. bedoelde zalc/n van koophaudc.l.
. Arr. v. (i Mui IS70, VV. nquot;. t!t2!7; II., dl. XCV, § '2; veniiotiij;uiido
arr. I'. II. v. Zeeland, v. '21 Dec. 18(30, il. I!., jg. IS7I, \gt;. ............ ver
/ niold sub art. 450, 1!. Uv.
'壉 Ofschoon dit artikel in andere bewoordingen is vervat dan art. ft*quot;- I'll 15. 11,, is de geest van beide artikelen evenwel geheel dezelfde en komt daarop neder, dat de schuldenaar, onder wiens handen een schuld-eischer beslag wil leggen, moet zijn begonnen met de verduistering /'ijlier roerende goederen.
liet is volgens dit artikel niet voldoende, dat er bestaat gegronde vrees voor verduistering, maar dit artikel vordert liet bestaan van gegronde vrees wegens verduistering van des schuldenaars roerende goederen ; dat is, er moet gegronde vrees bestaan voor het niet verkrijgen van betaling der schuld, omdat de schuldenaar is begonnen met de verduistering zijner goederen.
Arr.-R. Winschoten, v. 1 Dec. 1858, W. n0. 2048.
Zie echter ten betooge dat onder //gegronde vrees, ivegens verduistering van des schuldenaars roerende goederenquot; niet moet worden verstaan vrees voor het niet erlangen van betaling der schuld, omdat (of ingeval) de schuldenaar is begonnen met de verduistering zijner goederen, maar dat integendeel in navolging van het Oud-Hollandsch recht en van het Wetboek van 1830 het verlof hier kan worden verleend bij vrees voor verduistering van het goed, zoodat bet niet noodig is, dat de schuldenaar met het verduisteren der goederen begonnen zij â
/.Æ ^ OjDii. cn dl. xiil bi/.. 110 volg'iï. Verg. ook in dezen zin Ohjeman,
. 't** quot; ' B. It., I, (idc oil.), |). 335; uk Pinto, li. It., II, '1, p. 435. ('I'. pres.
vj-mvM-z liL'schikk. Arr-ii. /wulle, 28 Doe. lS7:i. W. 3G05, waarliij is iiitüesprokcn
'lïj ^ ^ ^ Vijofncmoi 0111 to vorduisteron blijken moot.
liet feit, dat iemand aan een ander veel geld schuldig is, evenmin
-1. Waar de schuldenaar het plan heeft de goederen naar het buiten-te vervoeren, krachtens een contract van levering, kan niet gedacht worden aan vrees voor verduistering.
AiT.-U. Middelljurg, v. !S Juni 1881, li. I!., jir. IS82, .1, p. 'JlN. \V ii,,. 4711.
Art. 307.
In tegenstelling van art. 72!) 15. R. kan de president hier het stellen van zekerheid bevelen, alvorens verlof tot bet leggen van beslag te verleenen.
I'rcs. (liirincliem, quot;1-gt; Nuv. 1855, VV. n '. 170-].
Zin wijders lea betuogi; dut uit deze lje|ialiiig volgt, dat do zekerheid dooi' den president moet worden goedgekeurd, en dat die goedkeuring hier geldt voor de aanneming van de zijde der partij, die de zekerheid ijitd Udin niet meer kan bestrijden, he I'into, II. /(., dl. 11, 1, p. 1.' Ouniï.MAN, II. I!., dl. i, 4de (!d. p. .'loO.
v6
rJrt. 309.
3 Tegen het bevelschrift van den voorzitter tot het leggen van conservatoir beslag, verleend bij verstek (immers zonder oproeping of verhoor van den eischer) is geen verzet toegelaten.
Arr. v. 1!) Juni 1874, W. nquot;. .3735; U., dl. CVIl, § 18, bevestigende het vonnis van liet Hof van Justitie in Suriname van 30 Augustus 1S72.
quot;ï. Krachtens de artt. 301i en 731 B. R. behoort de vordering van den gearresteerde, die opkomt tetren een u'elegd arrest, vóór dat nog'
de eisch tot van-waarde-verklaring door den arrestant is ingesteld, ge- , ^
bracht te worden voor de Rechtbank van het arrondissement, waarin , â , , het arrest is gelegd, ook dan wanneer de arrestant en de gearresteerde ' ^ '
Cis* quot; thlt;P ^Jj ni
beiden in een ander arrondissement (binnen dit Rijk) woonachtig zijn, Zi-nlvT-s. en behoort mitsdien de vordering tot opheffing van een arrest, niet
/ r'lWUeiamp;y^ Mé. cL.
/-^ c-Lti- j , is. ai- 1^2-i ^
lt;2 ,
U9 * ,
'yiw^
rOt- ^
-3 gt;^z. / V ⢠CaPlt;^ 3 /
h* XGquot;. quot;amp;6 2-£~,
Sr'.l.
jpv, quot;'â¢9
â Ji
Jl
Art. 309.)
J,( â ⢠hjrrfcX^ l -'quot;K lt;-. 77^ .
even als de eisch tot van-waarde-verklaring, gebracht te worden voor de rechtbank, welke bevoegd is om over de schuldvordering, voor welke het beslag gedaan is, kennis te nemen.
Ait.-K. 'sllagc, v. 10 Ju ui 1842, VV. iin, 327. â Cf. art. 738 1!. li., vonnis van dc An.-U. Ainstcrdiuii, v. 'it» Juni 1848.
li l^t den aard der zaak en uit de bepalingen, bij art. 309 H. U. vastgesteld, volgt, dat tot de bedendujlwj of vau-waanh-oerklarhnj van het in voormeld artikel genoemd beslag, de deugdelijkheid en gegrondheid der schuldvordering, waarvoor het beslag is gelegd, als wettig bewezen moet kunnen worden aangenomen, zal bet arrest van waarde kunnen worden verklaard. Dit nu is het geval niet, daar waar de arrestant zelf beweert, dat er nog procedures over zijne sehuldvurdenng (elders voor een anderen rechter) aanhangig zijn.
Ait.-K. Gunnclic-m, v. 10 Aug. 1845, U. j!., jg. 1x40, dl. Vlll, [i. s^,.
I liet is volstrekt niet in strijd met dit artikel dat, nicttegen-staande de vordering van den arrestant tot van waarde verklaring v.in ^ , liyt, hoshur, de gearresteerde den arrestant dagvaardt tot ophelling van
^9quot; het arrest, en dus tegelijkertijd twee rechtsvorderingen aanliangig zijn, vtsalt;^9-c*- ^ waarin partijen in omgekeerde verhouding tot elkander staan
Air.-U. Midilell.urjr, v. 8 J.mi 1881, W. i,«. 4711, li. Ã., jg. 18®, .1, j ^ â p ^ IS.
i-yi a (amp; ^ 'y amp; â¢
Art. 310
I De woorden, voorkomende in art. 310 15. li , dat de ophelling van een conservatoir beslag altijd moet geschieden, belmoren in een gezonden zin en in verband met andere wetsbepalingen aldus opgevat 7 iUv' te won'l'ni daardoor te kennen gegeven wordt, dat, al bleek ook sunnnierlijk van de deugdelijkheid der vordering of van het doelmatige /^«d^^Van het beslag, het desniettegenstaande in allen gevalle tegen genoeg-⢠'^^V.arae zekerheid zoude moeten opgeheven worden, maar daaruit volgt, quot;uk blijkens den inhoud van 732 B. R , nog geenszins, dat de rechter ophelling niet anders dan tegen het stellen van zekerheid zoude /.mogen gelasten, ook dan, wanneer al aanstonds van de ongegrondheid
U'*' der vordering of van het onnoodige van het beslag bleek.
'
[Art. 310.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jnni iS^'l. II. Pgt;., Js. 1S4C. dl. VTTf. |). '184 en -185; idem Ooteman, It. It., dl. 1, 4de ed., p. 337 sq.
liet karakter van de mniw.ierr, of voorloopige beslissing, Itier bedoeld, brengt mede, dat de reehter zich niet te zeer beeft in te laten met de nevenfeiten en détails, welke op de rechten van partijen kunnen van invloed zijn, maar slechts heeft te onderzoeken, of het hoofdgeschilpunt van het geding voorloopig ten voordeele van eene der partijen kan worden beslist, behoudens de bevoegdheid der wederpartij, om op dat geschilpunt bij de eigenlijke beslissing daarvan meer in bizonderheden terug te komen.
Arr.-R. Amsterdam, v. (i Maart '1850, li. II.. j^. iSfiC), dl. VI. lil. '294 â298, W. nquot;. 174(1.
Dit artikel is limitatief.
Arr.-R. Amstordam, v. I'i -luli i88l). W. nquot;. 4(il'i. li. I!.. )lt;;. 1882, /1, p. 221.
Anders Arr.-R. Middelburn;, v. S Juni 1881. W. nquot;. 4711. If. 11.. jg. 1882. .1. p. 218.
S29
anders bij Oudemax, B. It., dl. I, 4de od. p. 338.
At hquot;ó6s/J,
Art. 313.
y jï- é/-
Dit artikel ziet zoowel op dagvaardingen, als op alle andere exploiten, als een sommatie tot afgifte.
liet geldt ook niet alleen in zeezaken, maar ook in de andere zaken bij art. S12 15. I!,v. bedoeld.
Arr.-R. Utrecht, v. 17 üct. RSIiCi W. nquot;. 28C3.
y'fsCC. ~0~' 6-e^s-e.j£ rlxf-£ 0-1^ XJLAj^JCerxsx^.^.^- ^Tt^y A-^^J
-,U^Sf ya /Un^- ~ ^ ^ *' ^ ^ â6
tijr-t^t- ^e^iO-A 49- cAyi-T et-C'â ul^é^ri lt; f) /^tt c/ lt; r^'^.^- .- /rit,, -vta jlQ* â â¢quot;- ^
. ^ .4r/. 314.) ^ ^ 830
Art. 314.
I. Olsclioon bij art. 314, nquot;. 4 H. II. de bevoegdheid is gegeven om zijne partij te dagvaarden voor den rechter, binnen wiens rechtsgebied de waar is geleverd, volgt hieruit geenszins, dat de eisclier, van wien de dagvaarding uitgaat, volstaan kan niet de willekeurige ver-nielding der plaats van leverantie. I5ij de bewering van 's rechters incompetentie aan de zijde des verweerders, op grond, dat te dier plaatse de levering niet was overeengekomen, noch had plaats gehad, dient wel degelijk te worden onderzocht, wat van die gecontesteerde bewering in fado mocht bestaan, met dat gevolg, dat de rechter a in dat onderzoek behoort te treden, en daardoor niet kan geacht worden art. 154 en volgg. B. R. te schenden.
Door zoodanig onderzoek naar de waarheid eener beweerde daadzaak, waarvan 's rechters competentie bij voornoemd art, 31 !⢠Pgt; R. geheel is afhankelijk gemaakt, wordt niet in een willekeurig onderzoek van het geschil ten principale getreden, maar alleen datgene onderzocht wat tot vestiging dier competentie volstrekt vereischt wordt.
quot; Air. v. 27 Sept. ISM. W. n'. r.W; R.. dl. XVIII. § 51 â v. n. II.. B. tl.. dl. VI, p. 43â5!); idem Iiij vonnis der Arr.-R. Amstenliim. v. 7 Oct. 1S44, W. m0. ;)43; li. li., ip;. iSM, dl. VI. |i. 813âSI7 ;â andei'sliij vonnis der Arr.-R. Sneek, v. I Nov. ISili. W. n°. iS.V vernietigd liij :\rr. nt snpia. â Vgl. ook hiermede een arr. van 't voormalig Hoog Gerechtshof van quot;silage, v. f. Febr. '1824, v. Hamf.i.Svei.p, dl. 1, p. 2:i0, volgens hetwelk bet beweren, dat do levering van koopvvni'en had )Hoefen geschieden ter plaatse alwaar men zijne partij in rechten heeft betrokken, reeds voldnendo ⢠/L, J2''. k-- 's ('c bevoegdheid van de rechtbank dier plaats daar te stellen.
^ '* ^ anneer een koopman, als zoodanig in rechten aangesproken, Ijipo {in canu tot staving der incompetentie) beweert, dat niettegenstaande ^ ' quot;zijn stand van commergant, het onderwerp van den eisch van louter
burgerlijken aard is, dan moet niet de oorspronkelijke eisclier en geëxcipieerde de ongegrondheid, maar wel de gedaagde en excipiënt de gegrondheid van dit positief bewijzen.
Arr.-R, Rotterdam, v. 17 Felir. IS/ill. /tcjjl in Ai'dcrl.. dl. III. p. :!0 â32; idem Ktg. Aljilien, v, 10 Sept. 1802, VV. nquot;. 2413, en 11, li,, jg. 1803, dl, XIII. l)lz, S.»,»â8;)8, â Cf, art, 155 li, R,, vonnis van de Arr,-R, Amsterdam, v. 9 Maart 1848,
(//;â¢/. .'514,
S, Art. 314 1?, R is ook van toepassing voor de rechtspraak nes kantonrechters.
Ait.-R. Amsterdam, v. iA Jan. 1 1!. II.. jfr. 1X42, dl. IV. p. 40(gt; _410. â Cf. v. n. HnxF.Rï. Ih'h., § 31/1-.
t-. Het sluiten van eene overeenkomst van bevracliting op eene bepaalde plaatfty is {in cam ten aanzien der competentie niet het oog op art. 314, al. 3 15. R.) hij gebreke van eenig bewijs vnn het tegendeel, voldoende bewezen, indien zulks bij dagvaarding is beweerd, door de wederpartij niet is tegengesproken en bovendien de lading aldaar heeft plrmts gehad.
Arr.-R. fJtrecht. v. 31 Mei ISU. li. I!., jK. IHU. .11. VI. p. 447â455.
â¢Â». De ondernemer van eenis; middel van vervoer kan, ook met het oog op art. 4, n0. 5 W. v. K , bij niet-bestelling van bet hem toevertrouwde, voor den rechter der plaats, alwaar de bestelling had moeten geschieden, gedagvaard worden, indien hij elders gedomicilieerd is, vermits door hetaliny in art. 314, n0. 4 13. R niet uitsluitend wordt verstaan de voldoening van eene schuld in geld, maar in het algemeen het kwijten van elke verbintenis en de vervulling van datgene,
waartoe iemand, ten gevolge eener op hem berustende verplichting, was gehouden. £-y,tyLt;- ?6. i â 'lt; ^ tr ' amp; sta,
Arr.-R. Utrecht, v. 23 Moi ISAS, R. Igt;.. .ijï. 1^45, dl. VII. p. 031â033;
R., dl. XXXI. S 105.
Vergelijk nog over het begrip van betaling, navolgende uitspraak:
Art. 314 al. 4, gewagende van de plaats, waar de betaling had moeten geschieden, heeft kennelijk op het nog niet de schadepenning,
831
door den ('énen contractant aan den anderen bij eventueele wanpraestatic verschuldigd, maar den prijs, hetzij den huur- of koopprijs, ah initio bedongen- lt;â (*- gt;T/
'ij v'?. /;'
Anquot; ^244.
Arr.-R. Nijmegen, v. 20 Nov. ISCjI. W. nquot;. 2355. gj/i*
lt;» De rechter van de plaats waar de betaling moet geschieden (ter woonplaats van den eischer, indien geen bizonder beding nopens de plaats der betaling blijkt gemaakt te zijn) is in handelszaken bevoegd kennis te nemen van de verschillen, die gerezen zijn over de contracten, waaraan die betaling een einde moet maken.
Art. 314.)
Ktg. nquot;. i, Amsterdam, v. 5 Juli 1S47. W. nquot;. 120quot;); II. 11. jcr. ISquot;).0!, j). 05 en 0(1.
5, J let is {in .ipecif, waar bet niet geldt eene daad van koophanclel) een dwaalbegrip, dat de betaalbaarstelling van een orderbiljet, op eene andere plaats dan de werkelijke woonplaats, met het oog op art. 314, laatste alinea, B. R, gelijk staat met en in zich sluit keuze van woonplaats of domicilie-stelling ter aangeduide plaats van betalings-aanwij/.ing, tot welk einde er eene uitdrukkelijke verklaring van den onderteekenaar zou worden vereischt (dat men namelijk, ter zake daarvan domicilie
stelt of woonplaats kiest te...... daar toch de verklaring, dat men
zich justiciabel stelt voor een ratione personae vreemden rechter, zich veel verder uitstrekt dan die, dut men aanneemt eene zekere som te zullen betalen op eene aangeduide plaats, welke wijde klove tusscben deze beide verklaringen door geene extensieve interpretatie kan worden weggenomen of aangeduid).
Arr.-R. Groningen, van Oct. 1847, R. 1!., jg. '1850, dl. XII. p. 700 â711; R.. dl. XLIII, ^ 02; idem, ten lietooge, dat in burgerlijke zaken de overeenkumst der partijen, dat de betaling van eene vordering op zekere plaats geschieden zal, niet kan beschouwd worden als eene vaststelling, dat de rechtbank dier plaats door partijen zou gekozen zijn, voor welke de geschillen, uit do schuldbekentis ontstaan, zonden worden behandeld â hij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Aug. 1848, in Xcflerl., dl. IV, p. 352. â Vgl. ook hiermede omtrent de strekking van de keuze van woonplaats (domicilie) door een executant gedaan â art. 435 B. R. vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v, 2/i Oct. 1843.
â¢V Het lid eener ontbonden ürma, welke te Batavia gevestigd was, te Amsterdam woonachtig, kan, met het oog op artt, 4 en 314 B. li. en art. 32 W, v. K., in overeenstemming met hetgeen daaromtrent in liet Oud-Hollandsch en Romeinsch recht als beginsel gehuldigd was (van dek Linden, p. 449â451, 1. 40, 1. 65, § 10 ft', pro socio), voor de rechtbank aldaar gedagvaard worden, ter zake van verbintenissen de firma betreffende.
1». ÃI. V, N.-IIolland, v. 18 Jan, 1840, R, I!.. jg, '1840, dl. XI. p. 04â 00. te dien aanzien bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. *15 Dec. 1847, W, n°, 944; R. B., jg, 184-8, dl. X, p. 25â30.
?gt;. De rechter van de woonplaats des eischers is bevoegd recht te spreken, indien het geldt de vordering van schadevergoeding, door den
832
(Art. 814.
trekker tegen den houder van een wisselbrief, ook dan, wanneer die houder den wissel slechts ter incasseering in handen heeft.
Ktg. nquot;. 2, Amsterdam, v. 7 Juni 1849, U. I!., jg. 1849, dl. XL p. 525 â527. â Cf. art. 17!) W. v. K., vonnis van hetzelfde Ktg., vermeld op sub n0. 8.
lO. IJij verkoop van waren alleen soortelijk aangewezen en welke mitsdien bij de maat, liet gewicht of getal worden verkocht [in cam twee oxhoofden siroop), valt aan geene levering, immers aan geene geheel geperfedfterdf. levering (in den zin van art. 314 15. 11. en met toepassing daarvan op de rechtelijke bevoegdheid) te denken, voordat die door den kooper gewogen, gemeten of geteld zijn, of deze in de opgaven omtrent maat, gewicht en getal door den verkooper of afzender gedaan, na eene summiere inspectie heeft berust.
Arr.-U. Groningen, v. 8 Maart 1850, R. 1!.. jg. 1854, p. 358â300.
14. Ofschoon het erlangen van betaling door middel van een wisselbrief in den handel gebruikelijk is, blijkt het volstrekt niet, dat zulks een bestendig gebruikelijk beding is, hetwelk met het oog op art. 1429, al. 2, 15. W., ook in handelszaken toepasselijk, zou kunnen tc kort doen aan het wettig domicilie van betaling, waarvan het rechtsgebied afhankelijk is.
Arr.-R. Rotterdam, v. 2 Maart 1853. W. n0. 1428, li. H., jg. 1854.
p. 342â345 (aldaar onder dagteek. v. 2 Maart 1854).
13. [ndien een orderbiljet, hoezeer dan ook toevallig, is onderteekend in een zeker huis gelegen buiten de gemeente van den schuldenaar, dan regelt dit huis (als bestaande de verbintenis alleen in de verplichting tot betaling van het orderbiljet) de competentie van den rechter, voor wien de eischer met het oog op art. 314, al. 3, kan dagvaarden.
Ktg. n0. 2, Amsterdam, v. 13 Maart 1854, R. 1!.. jg. 1854. p. 219â222.
I -VL- -
1». W aar een handelshuis door zijn gewonen reiziger een koop 1
sluit, dan moet het geacht worden verkocht te hebben ter plaatse, /â¢
waar die reiziger zich bevond, niet waar het huis is gevestigd. ^
Arr.-R. Nijmegen, v. 30 Mei 1855, R. R., jg. 1856, dl. VT, bl. 023â020 ^' quot;â Y/'
idem ten aanzien van den koop door middel van een makelaar gesloten,
Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Maart '1877, R. 1!., ig. 1877, 11, p. 100. . /
' 5 .Ir. 1 1 1 , v ^ t A
INIr. W. van Rossem üz., liurg. Hecht.tv. Ct'.i . . _
^ -^r^v^S) ^t4uirgt;msvx j
Ugt;e^°C- it ^ . lt;^Ã= . r^VU^r-^oU-^u- amp; -$e-e- . C'OaLf fit'. upa T /3
â 814.) ^ 834
/Cj^T- Pjjl ert^ * ------ 0t4-. (/PcJtP, /. l-i. e/P5' â
I -4. De vordering is eene zaak van koophandel, wanneer de handeling van partijen, die het onderwerp is der actie, onverschillig of eene der partijen koopman is, al dan niet, bestaat in een der daden, die als daad van koophandel moet worden gekwalificeerd.
I'. H, v. N.-Hülland, v. Ãü Jimi 1857, U. II.. jj;'. 1857, p. 554.
I â¢quot;» De verbintenis van bewaargeving moet geacht worden tot stand te zijn gekomen ter plaatse, waar de gedaagden hunne toestemming in de hun voorgestelde bewaarneming hebben gegeven; terwijl, bij gebreke van bepaling of aanwijzing bij de overeenkomst van de plaats alwaar de teruggave zou moeten geschieden, die teruggave moet gedaan worden op de plaats zelve, waar de bewaargeving geschied is.
Arr.-R. Maastricht, v. ö Juni 1861, W. n0. Li30G.
\ â¬t. Het is, om dit artikel te kunnen inroepen, niet noodig, dat de dagvaarding in handelszaken behelst eene uitdrukkelijke vermelding, dat zij eene «aak van koophandel ten onderwerp heeft, maar het is voldoende, indien slechts in de dagvaarding de commercieële aard dei-actie door den eischer met genoegzame duidelijkheid is aangewezen.
P. II. v. K.-HoIIand, v. 22 April 1869, \V. n0. 3118.
fiji. . i: £/ Wco, V. WC O itquot; ik.
Vergelijk hiermede in verband navolgende beslissingen :
liet verzuim van de vermelding in de dagvaarding van het bestaan van een of meer der gevallen hier bedoeld, is op zich zelf niet voldoende, om de onbevoegdheid van den rechter aan te nemen.
Ilnf Arasterdani, v. 30 Nov. 1877, lï. 1!., jg. '1879, .1, p. 47, \V. nO.
/ ' 4218, idem Mr. v. d. Kemp, Ontw. ut supra, (3de druk) p. 234 sq.
/ ''f
«â - (quot;J / De kantonrechter behoort zich, in geval van dit artikel raüoue f,quot;quot; ' / personae onbevoegd te verklaren, wanneer in de dagvaarding tot eene , y handelszaak betrekkelijk niet blijkt van de omstandigheden, in dat ^ ;f(.,^artikel aangewezen, krachtens welke de keuze van de plaats der dag-
vaardini' aan den eischer is overgelaten.
lt;szgt;fvquot;Tgt; ' , Air.-U. Assen, v. 2S .Inni 1801, W. nquot;. 2338, waarbij tevens iniplicite
, Lnth'''''^ werd beslist dat de eischer zijn verzuim in appel kan herstellen, idem
fM ' , / Arr.-R. Haarlem, v. 10 Oct. 1876, W. n0. 4039. Verg. vonnis der Air.-K.
' Jio, - ... ...........
2 ' / ' Amsterdam, v. 3 Maart 1803, sqq. vermeld sub. art. 5 li. li.
tbm]'
. /slt;_0 /Lat- li Jefrt-. h^quot; U'o'f djj^ ^hnct^ T-U TZt^. Mo^rf(/.(P^o2-.
rtfiXsyr /J-vi- /Tl$ W' (T^J c*L*- ^u^aXc^- ' y ~ *quot;
, n0. 2202 en vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Sept. '1875, W. n0. 3934,
quot;i R. li., 1870. afel. .1, p. '19, waarbij [n sitccic is lieslist, dat ten aanzien van -
UPfal0J'- iie actje voortspruitende uit art. 345 W. v. K., de competentie zich niet Zl1} $ regelt naar de plaats van levering of die van betaling, vermits die actie fj) Mgt;j IP% TKe schadevergoeding tegen den schipper voortspruit uit de wet en in ^ ^
' ^ ^ art. 314 gedoeld wordt op levering en betaling, als gevolg van een gesloten '' * // ' ____
overeenkomst; verg. Oudeman. II. II.. dl. I, p. 333. , ,
, ' 11 .
®0. üe vordering van den agent tegen den koopman, die hem Srf0^ (. 'lee^ aangesteld, steunende op het contract van aanstelling, is als een handelszaak te beschouwen.
lit*. (IjY
^ 1/ )^yt van de bevoegdheid des rechters, heelt niet alleen betrekking op di/^ .[liquot;-, uPll verbintenissen, uit we reen komsten voortgevloeid, maar ook op die,\ ^12^- ^
welke uit kracht der tvet zijn ontstaan. _
lt;Wüï. Air.-R. Zwolle, v. 21 Jan. 1874, W. nn. 3753^ anders KTT in'' \V.L^, f
i gt; Art. 1550 15. \V. ziet alleen op het geval dat de betaling
\ll*1 ^ gelijktijdig met de levering moet geschieden. Is de levering reeds ^ .â fi1' ,ft. geschied, dan quot;eldt voor, de plaats van betalinu' de reirel van art. 1429
V, wr à =
:tyâ ^ .i â â ^ 'â quot;p? _ viq. erf^'- ybb. lt;. ^11 '^2-'-cLr.^-u ,2^ f-sdy. uïzo . /-/â¢'. . o.^amp;O K-'btfy '
'â *^ - ' e^nUro , 4'r%t ytr- 2.V font- l cJh rt-quot; yi^y
f J,»^ A/t'
ij?'-''jy 'â !;6 .5. Eetie vordering tegen den man, die geen koopman is, op grond ^ i*- l £ van de handelsverbintenis zijner vrouw, kan ten zijnen opzichte niet ^
F', /â quot;,.'
Hof Amsterdam, v. 4- Mei 1870, R. Pgt;., 1870. H. p. 198 sq.
34. De actie tot betaling van een saldo van rekening-courant tusschen een bankier en zijn cliënt, of' van een commissionair en zijn commissie-gever, draagt slechts een commercieel karakter voor den
P. II. v. Gelderland, v. üit ,1an. IS7;{. vernietigende vonnis' der A it. li. ^ ^ Ainhem, v. 29 April '1872, W. n0. 3020, ook vermeld.ad art. 1550 li. \V.
als handelszaak worden beschouwd.
Air.-U. Ain.sterdiun. v. G Doe. 1870, W.
Hof Amsterdam, \. 15 Juni 1870, W. n». 4014.
(^/^. 314.
'£â} O-- ^*-amp; â 4- a fig
eerste.
O
IG.Ilt;
OCb-yyi
r72
ir
Jox
oe-'
f
, C'quot; 1 1^-'Kin../OHL U-r. â Wquot; fa $ Lf U. ^^Uru/V crc**c
- i'l i». De pl aats der betaling, in dit artikel aangewezen tot het regelenS '
' - -V
'isrjs^y amp;jc.â_lt;_gt; /1sl^ , (Lc^s C 4^ CiiL^n
'2^1 ivd 9fc^,',-' fs- iw-A cA-^£â-â¢
/
Wanneer de commissionnair handelt op naam zijns lastgevers, V- 'f wordt hij gelijk gesteld met een gewoon mandataris, zoodat het oiuler-
/ werp der overeenkomst eene civiel rechtelijke verbintenis wordt, en
0 1 J, /1 1- â quot;)
j /V^f
,u
/-
â 1
HMx, Za^yfc. . /y-Cs
?-i* iz-cr^* Q,â-i /^YZ^J
irJ^ lt;l 0-^--T ^l
^y)i
td**'1
/iex*.
^ is^o-e tjOyk
\fj-M , jzarz, c^u.. /T-ro 3. m. A ^
835
l^C
(y~?-(. -^i^y
3/^ {t quot;-3285, R.Ii.,jg-.1872,1).97. ^ ,
r'
J*
:*'â
fSSEllgt;; 'i; 'gt; U li-in .^X/ffTV /Ã/i-
'luj- ICtliMMsiXJuöLu^ IT-My^. /s^t u}-. â¢
i. 2.*
â tfa, fdt ILW?0 £J~. (h'bt^ . ___
_ ___cL â'---- quot; quot;quot; â¢
/ygt;. ^'(ramp;a?.. jfó. â /S eyp
J
de*.
c}iamp;S' *1'. * ' '
ir*
n/t^
â Z-
JLs
'2^ 'f'
crramp;~. ^
lt;7 2- 3 - Sóf
o^o ires*-bamp;v*e-smjtstâ'^ï-öâ^ 'yi^-a-^L.
^diQjL^- --------- tW-fl o-^-^eLuJLc^
_ de commissioTiiiair bij de dasrvaardincr niet «eliruik kan maken van de quot;____bevnequot;d!ieid, in dit artikel den eischers quot;eleven.
Irf-flirr. IJl*',
quot; . f. Arr.-K. IjCeuwai'don, v. ^(t l'elir. IST'.I, W. nquot;. 4415.
u^^1- â
33 Ook de jVederlandsche rechter is bevoegd kennis te nemen van de commercieele vordering door een buitenlands '.venenden vreemdeling ingesteld tegen een Nederlander, mede in het buitenland woonachtig, wanneer blijkt dat de betaling binnen 's rechters ressort had moeten geschieden.
Arr.-R. Maastricht, v. 17 Febr. '1881, W. n0. 4650.
34. Op den onderteekenaar van een orderbillet is alleen dan de rechtspleging in zaken van koophandel van toepassing, wanneer hij is koopman en het accept ten behoeve van zijn bande! heeft geteekend.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 31 Maart â¢1881. W. nquot;. 4098.
8.V Zie ten betooge:
a. Dat de rechter, binnen wiens rechtsgebied de betrokkene woonachtig is, niet bevoegd is kennis te nemen van eene actie tot rembours van een niet geaccepteerden wissel tegen den trekker ingesteld, wanneer deze zoo wel als de houder niet binnen dit rechtsgebied gedomicilieerd is en de wissel van non-acceptatie is geprotesteerd geworden â
art. 180 W. v. K., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Oct.'1839, sub nquot;. 2.
h. Dat de acceptant van een wisselbrief, betaalbaar op eene andere plaats, dan waar hij zelf woonachtig is, tot betaling daarvan kan gedagvaard worden voor den rechter van de plaats, waar de wissel voor de betaling is gedomicilieerd geworden â
art. 180 W. v. K., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Maart 1842, sidi n0. 3.
c. Dat indien zoowel de eischer als de verweerder een vreemdeling is en ds handelsovereenkomst, naar aanleiding waarvan is gedagvaard, buiten bet Rijk is aangegaan, partijen niet geacht kunnen worden zich stilzwijgend aan de jurisdictie van eene rechtbank hier te lande onderworpen te hebben door de bepaling, dat de alievering en de betaling van liet gekochte ter plaatse alwaar die rechtbank is gevestigd, geschieden zullen â
i
X~rU~ ^ Ul.
Vi-jy a't -ju£-.^y o^- t\jLv~amp;. -a isST^ovy
jj 'feli- 'JOO ' P quot;⢠'â '''790 1 ' **'⢠^ 'S37 ^ (Art. 814.
art. ISCi 1!. R, vonnis van de Arr.-R. Anisterilain, v. 20 .luni 1848, en in verband hiermeie dat, indien de partijen zich ook, niet bevinden in een der gevallen bij art. 314 11. R. vermeld, een vreemdeling een buitenlands woonachtigen Nederlander niet voor eenen Nederl. rechter kan dagvaarden tot van-waarde-verklaring van een arrest onder derden art. 9 Alg. liep., snb n0. 11 (dl. 11, p. 74 en 75, 2de ed. sub nquot;. 9) art. 127 li. U., snb n0. 2, en art. 738 li. I!., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Nov. 1849.
Verg, ook navolgende beslissingen;
Deze bepaling wijst wel aan, welke rechter kan worden gearlieerd in handelszaken, waarvan de beslissing aan den Nederlandschen rechter behoort, maar is niet attributief van jurisdictie d. i. kent geen rechtsmacht toe aan den Nederlandschen rechter over vreemdelingen.
Arr.-R. Rotterdam, v. '12 Juni â 1871, \\ . n0. 3377 en v. 31 Juli 1857, \V. nquot;. 1881. â Zie echter Arr.-R. Haarlem, v. 13 Nov. 1860, W. nquot;. 2249, waarbij, blijkens de overweging dat de artt. 120 en 134 li. R. den Nederl. rechter ook over den vreemdeling rechtspraak geven, het tegendeel schijnt te zijn aangenomen.
Ken beroep op de hier geregelde competentie kan eerst opgaan, wanneer de bevoegdheid van den Nederl. rechter in het algemeen vaststaat.
Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Maart 1880, W. nquot;. 4509.
d. Dat ondanks de niet-overneming van art. 420 CJ. de l'roc. (J. in 't W. v. B. II., art. 314 van dat Wetboek toepasselijk is op de erfgenamen van dengene, die, krachtens dit artikel, voor den daar aangewezen rechter kan geroepen worden â
S. M. in de Opm. en Mcd., dl. I, p. 12â15, anders Arr.-R. Groningen, v. 31 Oct. '1856, \V. n0. 1870.
Zie omtrent de vraag, of in handelszaken de van-waarde-verklaring van een beslag onder derden, ingevolge art. 738 15. 11 . gevraagd moet worden bij den rechter van de woonplaats des debiteurs, dan wel of de eischer ook de keus heeft, bij art. 314 van dat Wetboek o inschreven â
art. 738 R. R., arr. v. 31 (Jet. 1845 sqq.
|
â |
\\JLLAASV £gt;0 |
0 |
|
j |
-y | |
|
yi, |
' j | |
|
/} tfTo nscA. |
rc*^- |
Art. 315.)
Art. ;3J5.
I. De voorloopige tenuitvoerlegging, vermeld bij nrt. 315 15. R., kan slechts bevolen worden, indien de eischer daartoe geconcludeerd heeft onder borgtocht of aanwijzing van voldoende zekerheid.
In alle gevallen blijft het geheel aan den rechter overgelaten, om de bij gemeld artikel bedoelde voorloopige tenuitvoerlegging al of niet te bevelen.
Arr. V. 2tgt; Juni -1849, W. nquot;. 1011 ; U., dl, XXXIII. § 1:5 ; v. n. II., /». It., dl. X. |gt;. 423â438. Cf. liet betrekkelijk deze zaak gewezen arr. van het P. H. v. N.-Holland, v. 22 Febr. 1849, W. nquot;. 1106, R. ]gt;., jg. 1849, dl. XI, p. 491 sqq,
quot;Vergelijk ten betooge dat de voorloopige ten uitvoerlegging niet dan onder borgtocht of aanwijzing van voldoende zekerheid kan geschieden â
Ait.-R. Arnhem, v. 12 Febr. 1855, W. n0. 1G42 en P. II. v. Gelderland, v. 13 Juni 1800. W. no. 2195.
3. Pit artikel laat geene uitzonderingen toe, wat betreft het stellen van cautie. Derhalve moet het ook dan worden bevolen, wanneer in de toewijzing der vordering geen in geld waardeerbaar object is begrepen.
Arr. v. 15 Dec. 1876, W. nquot;. 4001; I!.. dl. CXTV. § 41; U. II.. jg. 1878, p. 100, ten dezen aanzien vernietigende arr. Hof v. Amsterdam, v. 13 April 1876, t. z. p. p. 97.
lï. Ook een incidenteel vonnis, waarbij in eene handelszaak een verhoor op vraagpunten wordt afgewezen, kan bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.
Arr. v. 15 Dec. 1876, ut supra: idem hot daartoe betrekkelijk arr. Hof v. Amsterdam, v. 13 April 1876, ut supra, waarbij werd vernietigd liet vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1876, 1!. R., jg. 1876, blz. 178.
4. Wanneer een vonnis in eene handelszaak, bij verstek gewezen, is verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie, onder borgtocht of aanwijzing van voldoende zekerheid, dan behoeft de borgstelling of zekerheid niet te geschieden, noch kan zij worden gevorderd, indien niet is gebleken dat
'^' ---^ ^ ^V^2--
830 quot; ' ~- quot;
£f/?t^-- '0' ytj
er eenig verzet tegen dat vonnis is gedaan en overigens die tenuitvoerlegging niet is geschied hij voorraad, maar op de gewone wijze van tenuitvoerlegging, met liet oog op den bij de wet (art. 316 B 11.)
bepaalden termijn.
Arr.-R. 's Bosch, v. :'gt; Jan. '1844, \V. n». 594. â Cf. art. 590 1!. Iï..
vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juli 1843 sqq.
7». De vordering, ingesteld ter zake van de handeling eens makelaars in zijne betrekking als zoodanig, betreft eene handelszaak en kan bij gevolg in dit geval de voorloopige tenuitvoerlegging onder borgtocht worden bevolen.
P. II. v. N.-Holland, v. '29 April 1847, W. n°. 902.
lt;i De vrijheid, den rechter in art. 315 B. 11. verleend, om in zaken van koophandel de voorloopige tenuitvoerlegging te bevelen, kan zich niet uitstrekken tot die zaken, waarin de wet (zoo als bij de toelating van een schuldeischer op de lijst der erkende crediteuren in een faillissement en de rechten daaruit verkregen, in het bizonder het recht tot het stemmen over een accoord) geene voorloopige tenuitvoer legging toelaat.
P. li. v. N.-Ilolland, v. 7 tiet. 1847, W. nquot;. 9:11 ; li. 1!., jjr. 1847, dl. IX. p. 647â649. Cf. art. 831 W. v. K.. air. van hetzelfde P. II. v. denz. datum.
S. Indien het geschil, door arbiters te beslissen, eene handelszaak is, moet ook de vordering tot benoeming van arbiters, als handelszaak worden beschouwd,
Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Dec. 1856, 1!. I!., jg. 1857, dl. Vil, bl. 295 â296. Verg. Mrs. iM. hes Amorie van iieu Hoeven en Ann. dk Viiies, Heritsg. Opst. bl. 78.
Eene vordering tot voorloopige tenuitvoerlegging kan niet worden toegewezen, wanneer niet blijkt, dat de handeling van den gedaagde als eene daad van koophandel is te beschouwen.
Arr.-R. Assen, v. 27 Febr. 1865, W. nquot;. 2773.
ïgt; De al dan niet uitvoerbaar-verklaring bij voorraad, als zijnde een punt niet van materieel recht, maar van procedure, moet ook, waar het rechten en verpliclitingeii geldt, voortspruitende uit eene in den
Art. ;iló.)
vreemde aangegane en uitgevoerde overeenkomst, naar de Nederlandsche wet worden beslist.
P. II. v. CtoldorlaiKl, v. IT) Dec. IS()0, W. nquot;. 3178, in zoover confoni] vonnis Arr.-K. Tiel. v. 14 .Mei 1809, \\'. nquot;. 1)150.
SO. liet toetreden tot eene vennootschap van koophandel, bestaande in het bijeenbrengen van kapitaal, om daarmede voor gemeenschappelijke rekening handelsdaden te verrichten, is tusschen de vennooten zelve, eene daad van zuiver burgerrechtelijken aard, en de vorderingen die de vennooten tegen een hunner tot nakoming /.ijner verplichtingen uit de overeenkomst voortspruitende, instellen, zijn niet te beschouwen als voorttekoraen uit eene handelsschuld, zoodat op grond van dit artikel de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad niet kan worden toegestaan.
Ktg. nquot;. 11 Rotterdam, v. 18 Oct. 1872, VV. n0. 3531.
Art. 316.
Zie omtrent de vraag of hij die in verzet komt tegen een vonnis, bij verstek gewezen, door den oorspronkelijk eischer, later geoppo-seerde, als handelszaak aangebracht, in ieder geval, met betrekking tot de in acht te nemen termijnen, de rechtspleging in zaken van koophandel moet volgen â
art. 83 li. R.. vonnis van de Arr.-R. Arasterdam, v. -10 Maart 18.42.
,1)7 ;517.
I. in geval van aanvaring, zijn er geene termen om bij vonnis gedaagden te veroordeelen om mede te werken tot het benoemen van experts door de rechtbank, indien volstrekt nog niet consteert of de gedaagden al rlan niet tot schadevergoeding zijn gehouden.
Arr.-K. Amsterdam, v. 21 â Inni 1839, R. 1!.. ju'. 1842. dl. 1\, p. 777 en 778. â Cf. art. 222 IJ. R., vonnis van dezelfde Arr.-R, v. denz, datum, sub iiquot;. 8.
'i Kene overeenkomst, waarbij de keuze van deskundigen aan eene der partijen zou zijn overgelaten, is in strijd met dit artikel, dat
{Arl 317
vordert of dat hlijke .an overeenstemming van partijen, of van de tussclienkomst des rechters.
Arr.-Ii. Amsterdam, v. 23 Mei lS7:i. \V. nquot;. 3630.
3. Jiet Engelsch recht vordert niet dat deskundigen tot het houden van expertises in zeezaken door het openbaar gezag worden benoemd. Voor een expertise, gehouden in een haven waar dat recht geldt en geen Xederlandsche consul is gevestigd, is het mitsdien geen essentieel vereischte dat de deskundigen door het Openbaar Gezag benoemd zijn. De waarde van zoodanige expertise staat ter beoordeeling van den rechter, terwijl de partij, tegen welke men zicli op die expertise beroept, de onjuistheid daarvan mag bewijzen.
Arr.-K. Rotterdam, v. ÃCi .lan. l-STG, \V. nquot;. 3945.
Art. 320.
Hoewel de wet in art. 620 B. R. aan ieder de vrijheid geeft, om zijne geschillen aan de beslissing van scheidslieden te onderwerpen, die als goede mannen kunnen oordeelen zonder aanzien van de regelen des rechts, zoo is toch niemand bevoegd, naar willekeur voor den gewonen rechter, wettelijke, in het publiek belang voorgeschreven formaliteiten, al of niet op te volgen.
Hij dus, die volgens art. 320 15. Rv. geldig bij de rechtbank homologatie wil verzoeken der verdeeling bij avarij-grosse, moet waken, dat de gekozen deskundigen, die haar hebben opgemaakt, vooraf, conform art. 319, beëedigd worden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 2iS Nov. 1872, li. 1!., jg. 1875. -V. /i.. dl. I. .1, p. 06 sqq.
Art. 321.
Zie ten betooge. dat in handelszaken de kantonrechter oo/c moncleUny verlof kan verleenen om van uur tot uur te dagvaarden â
Mr. 1,. ('gt;, Ghkf.ve, 3de druk. Mr. van der Kemp's Outw. ut supra til/.. 260 volgg.; anders Mr. .1. U. Kist: quot;Oeginselen vim ilaudolsregt», dl. VI. II.'
811
^Z^C\/' QJ2~'^' JfO^CrtAuJ'Zamp;j. 4.sy^ ⢠c /^i/ rlt;-rlJl-e £7 JLOamp;X- â¢
^/o. *2. /amp; Aft 323) ,yfyy^£ /jrTrP, {S. Kquot; r?-Ja?.
Art. .'323.
1. liet Openb. j\lin. kan niet beschouwd worden aanlegger of hoofdpartij in het geding te zijn, wanneer het heeft gerequireerd de executabel-verklaring van eene resolutie van den gouverneur eener provincie, tot onteigening ten algemeenen nutte (in specie uit krachte der thans vervangen wet van S Maart 1810)
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jan. 1839, JUyl in Xnlrrl.. dl. II. p. 20â28.
lt;ï. Het strijdt met de beginselen der bestaande rechtspleging, in een civiel geding kennis te nemen van een eisch tot schadevergoeding, gericht tegen het Openb. Min. of den Staat, ter zake van ambtshalve verrichte daden,
I'. II. V. N.-Holland, v. 27 1-ebr. 1843, W. tiquot;. 392; R. J!.. jg. 1X43, dl. V. p. 289â295; It., dl. XVI. § 22. - Cf. het aanprctcckonde op art. 704 W. v. K., sub n0. 8.
3. Zie ten betooge dat wanneer de wraking wordt voorgesteld tegen den ambtenaar van het Openb. Min,, die als hoofdpartij werkzaam is, de rechter zich niet-ontvankelijk moet verklaren om van de vordering tot wraking kennis te nemen â
Mr, C. F. Tn. van Ma an en, «bet Openb, Min, in Nederland», bl/. 04 en 05.
Art. 324.
I. De bepalingen van de artt. 2 en 3 der wet van 21 Aug. ISlfi [SM. n0. 34), vaststellende het eenvormig stelsel van maten en gewichten, zijn van openbare orde in den zin van art. 324, n0. 1 R. R Mitsdien behoort een arrest te worden vernietigd, waarbij zonder het hooren van het Openb. Min , over de al dan niet toepasselijkheid van voornoemde bepalingen is beslist.
Arr. v. 5 .Mei 1848. W. nquot;. 938, R.. dl. XXXI, § 74, v. n. 11. II I! dl. IX, p. 355.
8. Art. 324, nquot;. 6 B. R. moet in dien zin worden verstaan, dat alleen dan het verhoor van het Openb. Min. noodig is, wanneer er minderjarigen als partijen in het proces voorkomen, en niet wanneer
{Art. 32*.
een meerderjarige op eigen naam ageert, ofschoon dan ook uit krachte eener beschikking van den rechter, waaruit zoude kunnen blijken, dut daarbij ook minderjarigen indirect zijn betrokken.
Air. v. 5 Oct. 1849, \V. nquot;. 1070. IJ,, dl. XXXIV, ^ 17, v. d. II., B. I!.. dl. XI, p. 15â'29.
18. Wanneer volgens de feitelijke beslissing van den rechter in appèl het niet is gebleken, dat door den eersten rechter verzuimd was het Openb. Min. te hooreu, kan geen schending of verkeerde toepassing van dit artikel worden beweerd.
843
Air. v. 14 Oct. IS59. 1!.. dl. LXIII. 5; '21; V. ü. . 358â377.
II. dl. XXUI.
1'
4:. Wanneer uit het arrest, dat een vonnis bevesligt, waarbij verzuimd is in een der hier genoemde gevallen het Openb. Min. te hooren,
niei blijkt dat dit in eersten aanleg is verzuimd, en evenmin een der partijen zich in appel op dat verzuim hebben beroepen, en tot nietigheid hebben geconcludeerd, dan is dit artikel door het Hof niet geschonden.
Arr. v. 17 Mei ISlVI. W. n0. ti!279. 1!.. dl. 1.XV1I1, 7.
5. Door het verzuim van het hooren van het O. M. in de gevallen,
waarin dat gebiedend is voorgeschreven, is art. 324 geschonden. Alhoewel de straf van nietigheid niet op het niet opvolgen van het voorschrift ij ^ i
van 324 is bedreiffd, zoo moet toch het vonnis gewezen, zonder dat ^
het O. M. gehoord is in de gevallen van art. 324, vernietigd worden,/
' / gt;U^,
Immers dat verzuim is meer dan een verzuim in de vormen; â aan '
een zoodanig vonnis ontbreekt een essentieel vereischte. /irf/-
Air. v.'21 Febr. 1879, W. n0. 4353, 1!.. dl. CXXI, § -18; v. n. II.. li. II..
dl. XLIV, p. 73â78, R. n.,,jg. 1884, p. 251; idem arr. U. R. (in raadkanier) /ff ^ v. 9 Ifaart 1877, W. n0. 4089, R., dl. CXY. § 35, voorts arr. v. 15 Oct. I84(), ^
W. n°. 753; R., dl. XXV, §40; v. n. 1!.. B. li., dl. VIII, p. 138â152; idem arr. rfaaSquot;. Hof's Bosch, v. 1 April '1884, W. n0. 5093; idem. ten aanzien van nrt. 324,
no. 6 B. R., bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 30 Oct. 1845, W. nO.
723; R. B., jg. 1846, dl. VIII, p. 25 sqq.; /'wj! in Xnlcrl.. dl. IV, p. ^
'281 en 282; idem P. II. v. Zeeland, v. 8 Dec. 1863, R. B., jg. 1865, p. 57,
dl. II, 1.
nd. bi. 446) en van Maanen, in Nederland, hlz. 86 en 87; â anders echter in do adv.-gen. Oregorv, v. d. H.. I. c.. p. 146 en 147
398 pp volgnquot; ; (2dp
P
idem Oudeman, B. R.. dl. I, 4de druk p. 345 sq., de Pinto. Hdl. B. Tl., ep
et O. M. lrervt.oti.-frJ!^A^
conclusie van den . R.' dl. XXV, p. 197
en 198, hoofdzakelijk up grond, dat de weglating eener bevolene akte fref
2-5 Sifrt. , u)-. rrc)a63.
Arl t.)
van rechtspleging niets andrrs dan een verzuim in do vormen der procesorde zon daarstellen en dit zoo zijnde, inet liet oog op art. 106 li. Org., naar welk voorschrift zicli de 11. R., krachtens art. 419 li. I!.. moet regelen, niet elk verzuim in de vormen, maar alleen zulk een waarop de straf van nietigheid is gesteld, aanleiding tot vernietiging van een vonnis kan geven. â Vgl. ook hiermede een arr. van 't P. II. v. Zeeland, v. 5 April 1842, \V. n0. 296; ii. I!.. jg. 1842, dl. IV, p. 353. waarbij is beslist, dat, ofschoon, volgens de bepalingen van art. 324 B. R., in alle zaken, daarbij vermeld, het Openb. Min. moet worden gehoord, zulks echter niet van noodzakelijke toepassing te achten is op een enkel üerzoe/c van verstek tegen een afwezig gebleven gedaagde, waarop door den rechter dadelijk, en zonder dat nog eenige conclusie, tot de zaak zelve betrekking hebbende, is voorgedragen (i'/i casu echter tevens met nietigverklaring der dagvaarding), wordt beschikt; met dat gevolg, dat daaruit geene nietigheid der uitspraak is af te leiden, noch ten gevolge van eenig voorschrift der wet zoude moeten worden uitgesproken; anders Mr. van Maaxkx, «ut supra», hlz. 75.
lt;». Daar, waar geen verschil bestaat over den burgerlijken staat van een cler partijen, maar alléén over de haar in haren onbetwisten staat toekomende bevoegdheden, moet art. 624, 2U. B. ü. buiten toepassing blijven.
Arr. v. 12 Ree. 1879, W. nquot;. 4454, R., dl. CXXUI. §32; v. d. li.. b. li., dl. XL IV, p. 333â345.
â S, |)e in nquot;. 6 van art. 324 B. R. voorkomende woorden: quot;en in
het algemeen alle personen die door eenen curator verdedigd wordenquot;, beteekenen, in tegenstelling van de voorafgaande uitdrukking; //onder
1 cilsylfaa** 01 n..... 0 , 0
curaleele gestelden'', zoodanige individuen, wier persoonlijke rechten
niet zoo zeer aan curators zijn toevertrouwd, maar wier belangen over
/-V. 4fipyquot;7/ het algemeen, en dus ook wier goederen door curators moeten ver-
ji'ZG' worden, ouder welke een failliet, of zoo men wil de algemeen-
1 o btjib heid zijner crediteuren, de massa, zeer zeker behoort.
/ v' N--ll')liand. v. 30 Oct. 1845. W. nquot;. 723; R. 13., jg. 1846,
1 CS-- dl. VIII. p. 25 sqq.: Reyt in Xcderl., dl. IV, p. 281 en 282, â Cf. art. 1 n324 IJ. R., sub nquot;. 5 en art. 813 W. v. K., arr. van denzelfden datum,
lt;- sub n0. 12.
EmT Noch art. 324 noch art, 327 B R bepaalt, hoedanig de con-
844
^-«^7 clusie van het Openb. Min. in burgerlijke zaken moet wezen, zoodat cene bloote referte van dien ambtenaar nergens verboden is.
1'. 11. v. X,-lInlland, v, 15 Jan. 1852, Amstcrd. llcytspr., dl. 11, p. 2.)9 â263. â Cf. iik I'into. /Æ(//. It. It., dl. II. 1, p. 402 en 403; cf. van Maaxen, nt supra, lil/,. 78 sq.. ten betooge dat de conclusie niet bestaan
{Art. o 24.
inriü,quot; in cene eenvoudige referte nan het oordeel van den rechter, vermits de conclusie zelve een oordeel over de zaak moet bevatten en dit niet kan gebaseerd zijn op eene nog niet uitgesproken meening.
O. Wanneer niet blijkt dat op de vorderingen tot rectiticatie van de nkten van den burgerlijken stand liet Openb. Min. ter rolle is geboord, of dat, gelijk iu casu, de beschikking of het vonnis in het openbaar is uitgesproken, is die beschikking of dat vonnis van onwaarde.
P. H. v. Overijsel, v. 21 Febr. '1853, . nquot;. 1440.
10 Zie ten betooge dat:
a. liet Openb. Min. over de vereftening van kosten der cassatieprocedure niet behoeft gehoord te worden â
W. n°. 3684, rubriek «Mengelwerk».
h wanneer het Openb. Min. in eersten aanleg niet is gehoord, en het, vonnis op dien grond in appèl wordt aangevallen, het voldoende is dat de proc.-gen. conclusiën neemt en dat de zaak dan niet naar den eersten rechter behoeft te worden teruggewezen.
Mr. van Maaxex, «liet Openb. Min. in Nederland», blz. 74 en l.t.
c. dat na de wet van wet van 7 April 1S77 {S///1. nquot;. 72âSO) ook in procedures voor den kantonrechter het Openb. Min. moet gehoord worden in de zaken waarin het booren van bet Openb. Min. in het algemeen zoowel hier (er plaatse als elders bij de wet wordt bevolen â
Mr. L. G. Greevf, (3de druk van v. n. Kf.mp's Ontw., ut supra blz. 40 vlug;.), alwaar ook uitvoerig de gronden dei'tegonoverge.slelde ineening worden gevonden. Zie ook in anderen zin Mr. v. Nootf.n. in li. 1!.. ,jg'. â¢1870, A, p. 90.
14. Zie eindelijk over de vraag of de conclusiën van liet Openb. Min. al dan niet nuttig en weuschelijk zijn.
O pin. en Med.. dl. XIV, blz. 268 volgg., alwaar te vinden zijn de verschillende argumenten pro et contra aangevoerd door Regeering en Vertegenwoordiging naar aanleiding van do ontwerpen van wet op de samenstelling der rechterlijke macht der Ministers Donker Crtn'ins, van hek r.uiJGGHEN, linuT en GoriEi lioi: ^Ir. t'. 1'. Tn. van Maankn. ntsiipra blz. 69 sqq. en Prof. v. ItoXKVAi. FaiïRE, in .V. Tiijdr., jg. 1861, dl. XT, blz. 421 sqq.
De nuodzahelijliheid van bot optreden van het Openb. Min. in burger-
845
[Art. 324.
lijke zaken wordt betoogd door Dr. I . C. von Aunoi.I), «die Uragestaltung dos Civilprozesses in Deutschlund in den Grmidsiltzen erörtert» (waarvan het tot dit onderwerp betrekkelijk gedeelte vertaald wordt aangetroflen in .V. Bt/rfr., jg. *1SG3, dl. Xlll, pag. 47(5), doch allee» in die gevallen, waarin de Staat een middellijk maar tocli wezenlijk belang heeft en niet reeds vertegenwoordigd is. Heeft dit plaats, dan moet volgens den schrijver het Openh. Min. niet alleen adviseerend maar ook intervenieerend optreden.â Vergelijk ook vóór het behoud der conclusion, eene brochure van Mr. F. F. Kauseiioom : Afschafling der conclusion van het Openb. Min. in burgerlijke zaken, anders dan bij een beroep in cassatie, beoordeeld en in zooverre bestreden door Mr. J. A. Jolles, in W. n°. 3Ã()i.
Zie voorts; Een lid der mngistmtuur, in W. nquot;. 30(15. Verg. eindelijk ook O. ü. in W. nquot;. 30Ã2.
/Iri â â Vil.
Zie ten betooge, dat wanneer de rechter de stukkeu heeft gesteld in handen van het O. M., partijen g'eene nieuwe schrifturen meer kunnen indienen â
Mr. vax Maani.n. «liet ()peiib. Min. in Nederlandn. blz. ST».
Art. 329.
Stilzwijgende prorogatie is in strijd met de bepaling van art. 324lt; (Regl. op de B. R. in Xed.-Tndiö), gelijkluidend met aan dit artikel.
Hoog Gerechtshof van Ned.-Indie (eerste instantie) van 17 Oct. 1872, VV. n0.
Art. 332.
1. De eischer, die heeft gevorderd schadevergoeding ten bedrage van eene som van f 300, of ingeval van tegenspraak, van zoodanige andere som, als bij staat zal worden opgemaakt, is, wanneer er tegenspraak gedaan is, en er eene veroordeeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, is uitgesproken, ontvankelijk om van dit vonnis (als zijnde in dit geval het bedrag, waarvoor de vordering bij staat zal worden opgevoerd, ten eenenmale onzeker) te komen in hooger beroep.
^ £Sozgt; ^ ^ ^
o J~J? -gt;quot;-' c szs ^tArr^ r/1. ^sux^Cj
quot;âJ c^l vmâc. ^ ^
n // / y, â â r, ^^tytquot;. C-e/o-o , ^ 7^'^
^a^uU- - hmf. ^ ^ S47 / /^ T (,i^. 332.
Air. v. 30 April 1852, W. no. 1330; 11., dl. Xl.1. § GO; v. igt;. H., B. Ji., dl. XIV,
p. 203â277: verg. arr. v. 29 Jan. ISihS, W. nquot;. 11141. R.,dl. LVIII,§ 15, waarbij werd beslist: dat om stellig te doen blijken dat de waarde van eene vordering vrnSe-t^-j
niet meer beloopt dan f 1110-, het bedrag der vordering in geldswaarde moet y .
zijn uitgedrukt en dat bij gebreke daarvan het appèl steeds is toegelaten.
als zijnde de vordering van een onbepaald bedrag en dat de rechter ^
onbevoegd is op eigen gezag de waarde te begrooten, vermits die bere- ^
kening des rechters nooit tot de rechtskundige zekerheid kan leiden, dat de onbepaalde waarde is beneden de sorn, bij de wet voor appèl vereischt a^-â¢
en dat de uitzondering (geen appèl) bestaat. ^
â¢*
Wanneer de vordering strekt alternative tot betaling van eene
li
som beneden de Æ 400. of voor zoo veel minder als door den rechter, â . ^ volgens een daarvan op te maken staat, mocht worden bepaald, dan
moet het vonnis ingevolge art. 54, n0. Si, R. Org., als in het hoogste
/7
ressort worden aangemerkt, vermits in dat geval een bepaald bedrag als maximum der gedane vordering aanwezig is, welk â maximum bij den ^
irei-te-fhu c-
te leveren staat niet mag worden overschreden.
Arr. v. 30 April 1852, sub nquot;. 1 geciteei'd; verg. art. 339 B. R., vonnis . xn/U. van de Arr.-K. Nijmegen, v. 12 Aug. 1850.
ï L~ ^^ ^
3. De ingezeten eener gemeente heeft, met het ooy op de artt. 143, ,, Aas
o O 1 ' . (''t- ⢠quot;2* â
al. 3 en 194, litt. i, gem-wet, geene bevoegdheid om in hooger beroep te komen van een vonnis waarin de gem.-raad berust.
Arr. v. 18 Maart 1853, W. n0. 1473; R.. dl. XLIV, 55 40; v. d. II.; D. JR., dl. XVI, p. 154â173, Gem.-Stcin, n». 103, vernietigende het in tegenovergestelden zin gewezen arr. van het P. II. v. Gelderland, v. 30 Juni 1852, de/j(.-Sli'm* nquot;. 50.
-ft. Van alle vonnissen is hooger beroep toegelaten, tenzij bij de wet of' bij eenig wettelijk voorschrift het tegendeel is bepaald; alzoo staat dit middel open bij vonnissen, houdende beslissing alléén omtrent de vraag, of de zich aanmeldende persoon al of niet tot het alleggen van den eed als advocaat bij het college behoort te worden toegelaten, en waarbij derhalve van geene disciplinaire bestraffing van een reeds beëedigd en ingeschreven advocaat, eenige sprake is.
Arr. v. 10 Nov. 1855; W. 11quot;. 1700; R, dl. LI. Sj 39.
ö Bij artt. 55 en 6ö B. R., is wel aan partijen veroorloofd eene voor hooger beroep vatbare zaak of alleen voor den lageren of rechtstreeks voor den hoogeren rechter te brengen, maar bij geene wetsbepaling is de macht verleend den daartoe door de wet geroepen rechter
o ; ^ /J/ a~S~, ^/T 0 rP 2. â¢5quot;'Z .
/ O â ra,
â¢/-t-V j ^ eJLi^ cuyy^JLsC cJL er- caaA^U^-M. a^-^c. J% l en*^hgt;~A~ ^AA~*JX^
trf trf^ t q^, , cXL ^ QjiAsM^ ,
TJUJUJH tr^nj:.-' ^r '-, ^ ^ajlAXJCU^ â ^. C^-
Art. 332.) 8#! ' . , ,, - u â
Zj7 l)li wege van prorogatie van jurisdictie te doen ()t)rdeeleii in hooger
J^. pj^-üS. beroep, veel min in liooger beroep van een houger beroep.
Arr. v. (i Maart '1857, W. nquot;. 18.%, met tiet daartoe betrekkelijk arr. 1'. 11. v. Gelderland, v. ^ April 1850, vermeld sub art. 338 11. U.
aXJlfy UyOJ^-
^ Hij de verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid,
oij-0p de bewering, dat de appellant niet heeft opgeroepen de in -â gt; eersjen nanleg gelitigeerd hebbende mede-gedaagden, die in het vonnis l^x_ ^ jn gersten aanleg hebben berust, zijn de artt. 332 en 343 15 R. niet âjjiju^toegepast en kunnen die ook niet zijn geschonden, omdat art. 332 ^Annyru^e-, alleen toekent het recht van hooger beroep in zaken, in het eerste lo«/7 ressort behandeld, en art. 343 alleen voorschrijft den aanvang van het
tr^Aj-a^J-. beroep door dagvaarding en den vorm van dien.
v 7 j[ej 1858, W. no. -195(); verg. tftn hetooge dat het wel regel-qjj K jJjr\ 1-. matiger, maar niet verplichtend is om alle partijen van eersten aanleg, / H/quot; Oiil-fi- 011 ^6'^8 ziine mede-veroordeelden, in hooger beroep op te roepen; arr. ^)i2'' ' J v. 2Cgt; Jan. '1872 en de conclusie van den adv.gen. Smits, daartoe betrek
kelijk. \V. nquot;. 3433. Xiet in strijd daarmede zijn volgens bedoelde conclusie do arresten van 20 Mei 1805 en 10 April 1852, beide bij v. n. II.. /gt;. \\.. dl. XXIX. blz. 423, cf. verder hiertoe betrekkelijk de beslissingen ad art. 15lJ, nquot;. 1. li. R. Idem P. 11. v. Groningen, v. 24 Juü 1856, R., dl. LXI, § 71 ;
verg. ook 1'. 11. v. Gelderland, v. 27 Oct. 1858, sub art. :'gt;.'52 li. R.
ï . Hij die vu hoedanigheid van vader en voogd is opgeroepen, maar
___ blijkens zijn middel van verdediging, dat hij namelijk ten onrechte
als zoodanig is gedagvaard â in privé is verschenen, terwijl tegen hem een vonnis in voormelde hoedanigheid is gewezen, is ontvankelijk om iv eigen naam. tegen dat vonnis in hooger beroep te komen.
Arr. v. '10 Dec. 1859, W. nquot;. 2120; R., dl. LX111. § 59; v. n. 11 . JJ. /ï,, dl. XX1I1, p. 457â480, idem bet daartoe betrekkelijk arr. P. II. v. Limburg, v. 10 Mei 185!», W. n0. 2085.
S. Op de benoeming van een voogd of toeziendeu voogd zijn niet toepasselijk de gewone regelen van de artt. 332 en 345 13. II. Uit art. 415 B. W. immers blijkt, dat de wet bet verzet daartegen tot het daarbij uitgedrukt geval heeft willen beperken.
Arr. v. 29 Juni 1800,W. nu. 2182; R.. dl. LX V, §22; v. n. 11.. /?. r(.,dl.XXI\ , p. 250â263; ook aangehaald sub art. 415 11. W. nquot;. 2, (ed. IjÃONâAsskr).
!gt;. Onder partijen, aan wie bij dit artikel het recht van hooger beroep wordt toegekend, zijn -â naar den aard der zaak en naar de stellige aanduiding van art. 345 al. 2 â voor beschikkingen op rekwest de belnnghebbenden bij dusdanige beschikkingen begrepen.
-JL._- - - -_r_
kr-rji -L.⢠S4.9 - t {Art. 332
â ^ â¢. y^ 7/rzt *-â¢-' Z*/ /y/y, -- -
Arr. v. i April 1XG!2, (in raadkamer), W. n0. 2377; R,, dl. LXX, §53, __;
in strijd met de conclusie van den adv.-gen. Gregory, vernietigende f bescliikking van de Arr.-R. 's-Gravenliage, v. 19 Dec. i8()i W. n0.2374.
Hij het arrest wei'd beslist, dat testamentaire erfgenamen wel degelijk ^
zijn te beschouwen als de belanghebbenden, aan wie bij art. 086 B. R., L/
het recht tot medewerking tot den te houden verkoop is gegeven, /.ie /gt;
, . ... . . â . . 1*- . /» léârrfL ...
Utf
f0
â [ XXVI1' Mhu: eSff
f M.' tóf Ji-j
ook aant. 14 en ci() op dit artikel.
I O. Tegen rechtelijke dicta ter rolle uitgevaardigd ter hevimiering ^
eener behoorlijke recbtsjiraak en ter verzekering van den geregelder) â' t-
loop eener procedure staat geen hooger beroep of cassatie open. ,
Arr. v. 29 Jan. 1864, W. 11°. 2560; li., dl. LXXVT, § 11. v. n. II.. B. I!..
dl. XXV11I, p. 271 en volgg., bestreden in VV. 11quot;. 2564 door S. ook 'ót.
vermeld sub art. 398 li. R. lJvx,. v. 5/ . ifquot; ^
44. Eene accessoire vordering tot sequestratie gevoegd bij eene â¢^^e'
possessoire actie, volgt de hoofd vordering en, is evenals deze, niet^ â¢'^re-onderworpen aan hooger beroep. Ac-é.
Arr. v. 29 Jan. 1864, sub nquot;. 10 geciteerd.
â 2. Tegen de, hangende liet geding over de afzetting van een
. . . eèy-
voogd, uitgesproken schorsing in de voogdij is geen hooger beroep toegelaten.
Arr. v. 1 Sept. 1864, (in raadkanier), VV. nquot;. 2617, I!..
§ 50.
13. Het herstel van eene onbeduidende onnauwkeurigheid in het dispositief in een vonnis, behoeft even als dat van een error calculi,
geen aanleiding tot eene nieuwe instantie te geven.
Arr. v. 2 Jan. 1874, W. nquot;. 3681. R.. dl. CVI. § 1; v. n. II.. 11.
dl. XXXIX, p. 1â17.
44. Wie partijen zijn moet naar de dagvaarding beoordeeld worden.
Arr. v. 23 Mei 1884, W. nquot;. 5043. Zie verder over de beteekonis van het woord iiartljea, Mr. van Maanen: «het Openb. Min. in Nederland»,
blz. (gt;8, ten betooge dat het Openb. Min. niet bevoegd is te appelleeren van vonnissen, waarbij het geene hoofdpartij was. Verg. ook aant.
9 en 26.
45. Men is niet-ontvankelijk in een herhaald geïnterjecteerd appèl,
indien niet de latere akte eene intrekking of vernietiging der eerste inhoudt en het eerste appel door het ontslag der instantie van de geintimeerden bereids geheel was getennineerd, hetgeen te meer klemt
.Mr. W. van Rossem Ba., Diirtj. Hechtsv. i»4
y ïbCcA-d-**'
Ift. P)iJ de beoordeeling of eene personeele rechtsvordering, uit hoofde van haar geldelijk bedrag, vatbaar is voor hooger beroep, kunnen niet in aanmerking komen, renten, posten of andere accessoiren [in ^ - xpecie de protestkosten van een wissel), welke geene op zich zelve
; * staande vordering uitmaken, maar alleen gevolgen en uitvloeisels zijn der hoofdvordering. ^
'/ P. 11. v. Utrecht, v. 1 Se])t. 1841, R., dl. X. § Ã9. Vgl. art. ITr)
, r cr,2-lt;=t3 ' W. v. K., air. van denzelfde datum, â en de in een tegenovergestelden zin genomen beslissingen (waarbij wordt onderscheiden tusschen de renten, gevorderd vóór of na de dagvaarding) vernield op art. 54, al. 2 en 3 R. 0., arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 23 April 1845 sqq. (dl. II. }). '10 en '17) 2e ed. art. 54 al. 2 n°. 5.
IS. Indien gedaagden in eersten aanleg luinne in die instantie voorgestelde exceptie van incompetentie niet aan alle de eischers in liet geding hebben beteekend en alleen tegen sommigen hunner hebben geconcludeerd tot admissie van die exceptie c. e., en alzoo de anderen daaromtrent niet in bet geding hebben geroepen, dan zijn die gedaagden, appellanten in hooger beroep, niet-ontvankelijk om die oorspronkelijke mede-eischers, welke in de exceptioneele instantie voor den eersten rechter geene partij zijn geweest, in de appellatoire instantie daarover te betrekken en behooren mitsdien laatstgemelden ook in de instantie van hooger beroep over het exceptie!' middel buiten het geding te worden gesteld.
1'. II. v. Z.-H. v. 25 Jan. 1843, R.. dl. XIV. § 05. â Cf. art, 135li. R.. snh nquot;. II. â Vgl. biermede de Martini, ad art. 4, volgens wien in hooger beroep ook kunnen komen vennooten en borgen, die geene partij in de zaak in eersten aanleg geweest zijn, omdat zij hoofdschuldenaren zijn. â Minder zeker acht liij de vraag, of eene mede-eigenaar van een onverdeeld onroerend goed, die in eersten aanleg niet is gedagvaard geworden, tegen eene veroordeeling, betreffende dit goed, in appèl kan komen.
18. De omstandigheid dat het eindvonnis voor geen beroep vatbaar is, moet het noodzakelijk gevolg hebben, dat ook het incidenteele vonnis daaraan niet kan onderworpen worden.
o.s-~- /r 7/^_ .quot;P-v s
' 851 [Art. 332.
i'. II. v. Utrecht, v. 8 Aug. 1843, K. I!., ,jg. 1843, dl. V, p. 084â088; idem met betrekking tot een vonnis, waarbij do rechtbank eene exceptie van non-kwalificatie heeft verworpen, in eene zaak waarvan zij in het hoogste ressort kennis nam, bij arr. van hetzelfde Hof v. 13 Jan. 1845, R. IJ., jg. 1845, dl. VII, p. 088 en 080. â In gelijken zin is beslist; 1quot;. bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 4 Sept. 1845, quot;VV. no. 726; R. B., jg. 1846, dl. VIII, p. 262 en 203, dat een recht van privilegie uit krachte van art. 1195 B. W., even als een récht van hypotheek, is een accesso-rium van eene hoofdvordering en mitsdien volgens de algemeene beginselen van rechten, ook met betrekking tot de competentie, het lot van de hoofdvordering moet volgen; te dien eflecta Aamp;i ook dan wanneer daartou door den geïntimeerde niet i* yeconcludeerd, het hooger beroep bij het P. H. niet is ontvankelijk, daar waar het geldt de al dan niet admissie als preferent crediteur in een faillissement van eene vordering minder dan /'400 ; 2°. bij arr. van hetzelfde P. H. v. '27 Nov. 1851, W, nquot;, 1311, dat van eene schadevergoeding, gevoegd bij een verzet tegen een dwangbevel dat niet vatbaar is voor hooger beroep, naar den regel naccessorium sequitur prineijMlev, niet kan geappelleerd worden; 3°. bij arr. van 't 1'. H. v. N.-Brabant, v. 17 Nov. 1840, R., dl. VI, § 22, dat voor de bepaling der al of niet-appellabiliteit een bewijsmiddel nimmer geacht kan worden eene hoogere geldelijke waarde te hebben, dan het ten principale te bewijzen geldelijk bedrag zelf en het gevolgelijk altijd het accessorium is, dat door het principale wordt gewijzigd en bepaald (cf. art. 337 B. R.. arr. van hetzelfde P. II. v. denzelfde datum) (1). â Vgl. hiermede een arr. van 't P. II. v. Gelderland, v. 24 Jan. 1849, W. n0. 1008; R. B., jg. 1849, dl. XI, p. 176 sqq. (aldaar onder dagteekening van 24 Jan. 1848), waarbij is beslist dat, hoewel een eisch tot vrijwaring behoort tot de incidenteele vorderingen, die aan een hoofdgeschil haar bestaan ontleenen, hij evenwel de strekking heeft, om de rechten en verplichtingen tusschen den waarborg en den gewaarborgde te regelen en vast te stellen, waarbij de rechter kan worden geroepen om over ingewikkelder en belangrijker geschilpunten te beslissen, dan waartoe het hoofdgeschil aanleiding geeft en die ook niet zelden tot het hoofdgeschil in geene of zeer verwijderde betrekking staan en uit dit tweeledig oogpunt, waaruit een eisch tot vrijwaring moet worden beschouwd, van zelf voortvloeit, dat om te beoordeelen, of een vonnis, waarbij over een eisch tot vrijwaring door den eersten rechter uitspraak is gedaan, al dan niet voor appèl vatbaar is. het niet voldoende is te onderzoeken, tot welke oorspronkelijke rechtsvordering de eisch tot vrijwaring betrekking-heeft, maar de hoogere rechter daarenboven in een onderzoek behoort te treden naar den aard van het geschilpunt, dat tusschen den eischer en den gedaagde in vrijwaring is behandeld en beslist. (Bij dit arrest echter, wat het dispositief betreft bevestigd bij dat van den H. R. v. 22 Febr. 1850, v, d, II., B. B., dl. XI, p. 280â288; W. nquot;. 1141;
â 1) Hetzelfde beginsel is in strafzaken aangenomen bij arr. v. 1G Jan. 1844, sub art. 44, al. 2, nquot;. 2, li. O., (eodem, 2de ed.).
Art. .-332 )
R., dl. XXXV. § 8, (vgl. art. 74 B. R., arr. v. denz. datum) zijn de appellanten niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingesteld hooger beroep, uithoofde er geen verschil is ter sprake gebracht, hetwelk ten oevolge zonde moeten hebben dat de eisch tot vrijwaring niet evenals de oorspronkelijke eisch. als eene possessoire actie zoude moeten worden beschouwd).
IW. Wanneer eene rechtbank zich bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een verzet tegen een dwangschrift van het domeinbestuur, tot betaling van zekeren cijns (op grond, dat bij art. 17 der Wet v. 27 Ventöse IX'10 jaar, wel de vorm van procedeeren, maar niet de vorm van vonnissen en de wijze om die aantevallen is geregeld), dan is deze beslissing aan hooger beroep en niet aan cassatie onderworpen.
I'. II. v. Groningen, v. '23 Sept. 1845, R. 1!., jg. 1845, dl. VII, p. 813 â8'1lt;.); li., dl. XXVI, J; 95; idem, op grond, dat art. 05 dei' Wet van 22 Frimaire, an VII. uit krachte waarvan de vonnissen, in materie van registratie gewezen, alleen voor cassatie vatbaar zijn, uitsluitend van toepassing is in geschillen, welke de administratie derregisti'atie betreffen en dat dit artikel niet tot de administratie dei' domeinen kan worden uitgestrekt â bij arresten van t P. H. v. N.-Brabant, v. 21 Sept. 1847, W. nquot;. 897 en v. 18 Jan. 1848, R., dl. XXX, § 43. â Cf. Merlin, /1 /â /h'i'It. XVI, p. 194- slt;|lt;|.; (Juestioits, t. VI, p. 194 en het arr. van 4 April 1845, v. tgt;. 11., (1. /... dl. III. p. 99â125; W. uquot;. 014; R., dl. XX, § 44.
30. Wanneer een gedaagde in eersten aanleg aan den eischer een decisoiren eed heeft opgedragen en tevens heeft geconcludeerd, om ingeval die eed mocht worden afgelegd, te worden toegelaten om zekere daadzaken door getuigen te bewijzen, dan is, wanneer de rechter den eischer beveelt den opgedragen eed te zweren, doch het overige gedeelte der vordering ontzegt, de gedaagde ontvankelijk in zijn hooger beroep tegen dit vonnis, vóór dat de eischer dien eed zal hebben afgelegd.
I'. II. v. N.-Brabant, v. 2 Dec. 1845, W. no. 081.
81. De veroordeeling van een derden beslagene, als zuiver schuldenaar van eene schuld, minder dan /' 400 bedragende, is met liet oog op art. 1275 15. W., artt. 129 en 740 B. 11. en art. 54 der Org. Wet, niet voor hooger beroep vatbaar.
P. II. v. Drente, v. 27 Dec. 1845, W, uquot;. 820; R. I!., jg. 18V7, dl. IX. |i. 520 en 521.
s 5 2
{Art. 332
lt;Slt;5. J let honger beroep strekt (in cam waar liet geldt eene dwaling omtrent feiten) niet alleen tot herstel van dwalingen of misslagen van den eersten rechter, maar ook tevens van die door partijen begaan.
Ai'i',-1!. Utrecht, v, 24 Nov. 1848, \V. n0. â 1003.
Elk vonnis, waarvan hooger beroep wordt ingesteld, wordt uit zijn aard in alle zijne deelen geacht als niet te bestaan, zoolang het niet door den tweeden rechter is bevestigd, of geheel of gedeeltelijk is verbeterd, zoodat het ontwijfelbaar vaststaat, dat een vonnis, hetwelk voor appèl vatbaar is, ook tevens vatbaar is voor appèl, zoover betreft de uitspraak over de kosten, die daarvan een sequeel uitmaakt, ook dan wanneer het bedrag dier kosten, als bevattende eene summa minor, voor geen hooger beroep vatbaar zou zijn.
Ait.-R. Groningen, v. 5 Jan. 1840, 11. I!.. Jfr. ISiVl. p. 70â73; idem bij a it. van 't P. II. v. Z.-Holland, v. 28 Sept. 1842, W. nquot;. 329. â Vgl. met betrekkin';' tot liet eerste vonnis, de noot van don lloogl. v. IIai.i., 1. c.. die zicli met de uitspraak zelve gereedelijk kan vereenigen, ofschoon hij den grond, die daarvoor wordt opgegeven, niet volkomen juist adit. â Zie ook art. 343 li. 15.. vonnis van do Arr.-R. Sneek, v. 6 Jan. 1841.
*141-. Een appellant is op grond van eene gesloten dading ontvankelijk in hooger beroep, doch alleen dan, wanneer de beweerde transactie vóór de uitspraak ter eerste instantie heelt plaats gehad, daar hij in dat geval bezwaard zou kunnen zijn door een vonnis waar geen geding meer bestond.
De artt. 435 en 438 B. 11., waarop de geïntimeerde zich tot staving zijner exceptie beroepen heeft, zouden alleen dan in aanmerking kunnen komen, wanneer de bewuste schikking na het vonnis zou hebben plaats gehad.
Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Febr. 1850, 11. 1!., jg. 1850, dl. X1T, 342â347.
2A. Onder de partijen, in art. 332 H. R. bedoeld, moeten al diegenen worden gerangschikt, tegen wie eene veroordeeling is uitgesproken. Hieruit volgt, dat hij die als gedaagde tot vrijwaring veroordeeld is, in de voorziening in hooger beroep, ook ten aanzien van de oorspronkelijke eischers, ontvankelijk is.
P. H. v. Gelderland, v. 12 Maart 1851. \\ . nquot;. 12-10: R B.. jg. 18.gt;2, p, 403â416; idem Penning, ad artikel, volgens wien ook onder nparlijcint
853
(7i~ék*r h u~ OJU-. 55^ oJïjxu- c^namp;^ irezjAasas^ ^ Aü- cu^-yfe^ «u
(Lr f ^ ^ ^ * ^ '
' ⢠⢠-/- /Oj, O ⢠'â«Jr t^t-/ G-a-Dsutesy^S
vpaalCZe^b**- / A-«-tJ
erfvurtp*^.^ rf v*~v ^
i. ⢠/ â ^, /v», lt;7f7 zul moeten worden verstaan liii, die zicli in een tussclien andei'en aan-qiip.'VjvL â *-y*-' vtquot; 'quot;-'- . . quot;
liangig geding heeft gevoegd of'is geïntervenieerd, wanneer luj als zoodanig
â¢gt;-'^-2-- js toegelaten.
r^JL- ^ ' '
'^e a^ ^ai1 niet-out vankei ijklieid van het iiooger beroep ten .vw ^-e., aanzien van een vonnis bij verstek, later ten gevolge van het gedaan ^ verzet contradictoir gewezen, moet worden beoordeeld naar de vordering waarop het vonnis bij verstek is gewezen en niet naar de som voor -uU. vergoeding van schade, die de opposant later heeft gevorderd ter zake van het in beslag nemen zijner goederen.
Arr.-R. 's Bosch, v. 14 Maart 1851. W. nquot;. 1253.
8S. Ken vonnis is voor hooger beroep vatbaar, wanneer de recht-bank daarbij kennis heeft genomen van eene vordering, gegrond op «w-f- een beweerd, doch door den gedaagde betwist recht op eene jaarlijksche ' uitkeering van f 161.06°, gevestigd op zekere landerijen, en zulks frjtJaw os quot; â ofschoon die vordering slechts strekt tot betaling van die uitkeering
over twee jaren, en mitsdien van eene som beneden de f 400. /job, â In zoodanig geval geldt het inkomsten, welke, tot bepaling der
waarde van het onderwerp der rechtsvordering, volgens art. 54, n0.
R. Org., tegen 5 ten honderd, tot hoofdsom moeten worden gebracht.
P. 11. v. Z.-Holland, v. 2 Nov. 1853. W. nquot;. 1488; idem bij arr. van 't P. 11. v. N.-Brabant, v. 9 Mei 1848. li., dl. XXX V, §96; anders (naar hot scliijnt echter o. a. op grond dat de vordering is van zoodanig miniem belang, dat zij gekapitaliseerd tot heneden de Æ400 zou verblijven), hij arr. van 't P. H. v. N.-Holland. v. 11 Sept. 1845, R. B.. jg. 1840, dl. VIII, p. 263â265.
'* S. Wanneer de rechtbank heeft ontzegd eenen eisch tot scheiding van tafel en bed, na vooraf te hebben toegewezen de incidenteele vorderingen der eischeresse, gedaan uit kracht van de artt. 267 en 268 B. W. bij vonnis, waartegen door partijen niet is opgekomen, dan kunnen bij appèl op de hoofdzaak deze incidenteele vorderingen niet andermaal voor het Hof worden ingesteld.
P. H. v. Drente, v. 18 Dec. 1852. W. n0. 1626.
lt;Sfgt;. De bewering dat van eene veroordeeling in de kosten geen hooger beroep wordt toegelaten, gaat niet op, wanneer, zooals in casu de appellant opkomt tegen zijn veroordeeling in de kosten, in zijn
/UcLcJ^ Iz^cf t-cTTr^jiL. t L wclt;7irrgt;.£3s^
i-y f J f Q
_ ,
cU. apj* *. eJL. «vui J. iJ /ti ctejLa a-fi-iU-*-
LC~ . Ti^cJ, Zi 7â1 /JW u/. s^ryy-
f' t~ 2-1 .HSgt; a amp; uuy n-'S-S-ÃXk .
v-yJl .Sej^ae^» r^-c^u^te-tcl-
c^-o-^T- cJ2-t-^-l«XAj2rf^/^. r., tj2^jUL^ 8 5 5 C --------------- \/l ! 1*, *J'J*J
lóvC 'â ' t , fejs-^r 4 'Jo , CiZ-JJl* /,
privé, on (le/.e grief in zich uevat een niet-berusten in de beslissing op de hoofdzaak.
I'. II. v. Zeelund, v. I Dcc. 1857, U. ]!., jg. 1858, p. 3G9.
30. De failliet die vroeger partij in het geding was, maar in eersten aanleg door zijn curator op regelmatige wijze is vervangen, is geen partij meer in het geding en behoort dus in hooger beroep niet mede te worden gedagvaard. Diens oproeping brengt echter niet mede de niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep.
1'. H. v. Gelderland, v. 27 Oct. 1858, W. nquot;. 2018, li. li., jg. 1858, dl.
VIII, p. 489â495, R., dl. LXII1, § 70, cf. art. 332 B. U. n°. 6.
31. Noch bij art. 332 noch bij art. 339 15. R. is bevolen, dat.
hij, die van een te zijnen nadeele gewezen vonnis in hooger beroep verlangt te komen, om in dat beroep ontvankelijk te zijn, dit vonnis vooraf aan zijne tegenpartij moet beteekenen. liet voorschrift van gemeld art 339 heeft geene andere strekking dan den termijn van beroep te doen loopen tegen hem, aan wien het vonnis is beteekend.
I'. II. v. Overijsel, v. 16 Jan. ISfiO, W. n0. 2144, ook vermeld sub art.
430 R. R. â Verg. Arr.-R. 's Bosch, v. 15 Mei '1844 sqq. sub. art.
343 li. R.
32. Wanneer de vraag of eene arbitrale uitspraak vatbaar is voor appèl aan den zin der bedingen van de polis, betreffende het ressort der arbitrale rechtspraak moet getoetst worden, dan hangt de appellabiliteit van het vonnis a quo niet af van de strekking der vordering, welke niet meer is dan een eenzijdig gevolg door ééne partij aan bet verschil gegeven, maar van de wederzijdsche beweringen omtrent den aard van het verschil en de bedingen van de polis, welke hier gelden, zooals de litiscoutestaüe in eersten aanleg die doet kennen.
1J H. v. N.-Holland, sine dato. W. n0. 1981.
33 Een vonnis, waarvan geen afschrift ten processe is overgelegd, / ^
kan geen punt van 's rechters onderzoek in hooger beroep uitmaken.
Arr.-R. Groningen, v. 2 Mei 1862, R. II., jg. 4863, dl. XIII, hlz. 815â820. -,^3 «â '
341. Niettegenstaande verandering in het personeel van het bestuur ^ .
0 n 1 rM- e/y â
eener stichting ten tijde dat de dagvaarding in appèl is gedaan, behooren ^ ^ ^
' quot;'f t / bet. i/cA. x
61/^K-
2.2.
'ya amp;s~~^
A-J-. ^ ajt, 1gt;C. t.^. V
-tâ lt;»â ^ ^
/ t 1^ 'â *-*- «-o c^v-trt^ a-2 -t- U..(/l. quot;L ^Ssr-. Ld^J it ^lt;9- ^ tcamp; / â
Alt. 332.) 856
dezelfde bestuursleden, die in eersten aanleg procedeerden, ook in appèl op te treden.
Arr.-R. Dordrecht, v. 14 Jan. 1807, W. nquot;. 29(12.
3«. Het niet stellen eener cautie, die door het Hof bevolen is ten opzichte van het appèl van de uitspraak des eersten rechters op de vordering in conventie, kan geen grond opleveren om een appellant (in eersten aanleg verweerder in reconventie) te beletten zijn hooger beroep van het vonnis, voor zooveel de reconventie aangaat, te vervolgen.
P. II. v. Gelderland, v. 2 Maart 1870, W. ii0. 3244, nok vermeld ad art. 152 sid) nquot;. 14.
Schorsing van executie tengevolge van ingesteld hooger beroep beteekent dat alles in statu quo blijft; en niet dat hetgeen reeds tengevolge van de executie is verricht, als beslag enz. wordt opgeheven.
Pres. der Arr.-R. v, Amsterdam, v, 8 Aug. 1870. U. B., jg. 1879, .1, p. 4.
35. Wanneer de rechter a quo naar aanleiding van art. 58 B. R. tegen den appellant in kwaliteit van burgemeester voor een gemeente opgetreden, eene veroordeeling in privé heeft uitgesproken, kan deze niet in eigen naam van dat vonnis in beroep komen.
Arr.-R. Eindhoven, v. 0 Maart 1876, W. 4070; waarbij nog werd beslist dat daaraan niets afdoet, dat uit het blijkbaar abusive gesteld intitnlé van het vonnis kan af te leiden zijn dat het den appellant in privé betrof
38 W anneer in eersten aanleg eene gedaagde commissie collectief is opgetreden zoodat onzeker bleef wie de leden waren, kunnen de leden die bij dat vonnis in privé veroordeeld zijn en aan wie in privé de wederpartij de uitspraak van den eersten rechter heeft doen betee-kenen nominatim van dit vonnis in appèl komen.
Hof Arnhem, v. 16 Oct. 1878. R. jg. 1879, ,1. p. 41.
3Ãgt;. Wanneer het blijkt dat inderdaad de revindicatie van art. 629 B. W. van eene onbepaalde waarde is ingesteld, is het vonnis daarop gewezen, aan hooger beroep onderworpen, niettegenstaande de eischer in eersten aanleg zelf, alsmede de rechter a quo de ingestelde actie als eene possessoire hebben gekwalificeerd.
Hof Amsterdam, v. 22 Nov. 1878, W. 4344.
Jamp;ofXAAt/ tv-S â £amp; Z^egt;~^Q^~j / Cen^c/ Qj^ ZsjCumsS'- / o^iLAytr±samp;.o6 ^^Tquot; i
/iDa-^ â _ quot;tC^-C^f UstJhx 'é* ms â /J 'rfO, j?
-ilt;gt;. Wninieer de appellant geen enkel bezwaar aanvoert tegen Int vonnis a quo, voor zoover betreft den eisch in conventie, waarin bij is gesuccumbeerd, zoo volgt daar niet uit, dat zijn tegen bet gebeele vonnis ingesteld hooger beroep, voor zoover het den eisch in conventie betreft, niet-ontvankelijk is, maar dat het vonnis a quo, voor zoover bet op dien eisch is gewezen, eenvoudig behoort te worden bevestigd. Hof Arnhem, v. (i Nov. 1S78, \V, n0. 4344.
-#1. Wanneer de dagvaarding in appul wordt ingetrokken vervalt het gebeele hooger beroep, onafhankelijk daarvan of door den appellant is geconcludeerd en de geintimeerde kennis dragende van de intrekking een termijn voor contra-conclusie heeft gevraagd.
Iluf Arnhem, v. 17 Hec. 1879, R. 1!.. jg. 1884, /1, p. 11.
4«. W anneer er onbeperkt is geappelleerd en de appellant is bij het vonnis a quo gedeeltelijk in het gelijk gesteld, behoort de rechter ook ambtshalve hem niet-ontvankelijk te verklaren in het hooger beroep, voor wat betreft het gedeelte, waaromtrent de appellant beeft getriumfeerd â
Hof Arnhem, v, 3 Nov. 1880. R. 1!.. jrr. 1881, .4. p. 84, \V. 11°. 4014.
-#3. Zie ten betooge:
a. Dat het hooger beroep niet afhankelijk is van de verklaring des rechters omtrent zijne uitspraak gegeven, maar wel van de bepaling der wet ten aanzien der al dan niet appellabiliteit, -â
Air. v. 8 Oct. 1839 sqq.. sub n0. 1 (dl. II. p. 10) van art. 41, al. 2 R. O.
h. Dat ter beoordeeling van de appellabiliteit in aanmerking moet genomen worden^le som, zoo als die, na de in contradictoriu judicia bij conclusie gemaakte vermindering (in eerste instantie) definitivelijk geëischt wordt â /$- /eSn^- .r,ay-, ^ ev/ys,
.1. ..nquot;-
r
. K- 2-^ â Arr. v. 1 Juni 1883 sub art. 134 B. R.
~ . rfc-l. â 'iflyl- 7- quot;3d
j 'cl Dat de verkeerde aanhaling van een wetsartikel niet van invloed
kan zijn op de al dan niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep â
P. H. v. N.-Hollaml. v. 18 Maart 1847, W. nquot;. 828: R. R., jft. 1848,
dl. X, p. 103 en 104.
' X
/ït- «u.' '----- r lt;⢠.. ⢠⢠_ ,â . ^
»_
irgt;*- cs.»t -.^-v â â â .y-lt;â . . f#- . -Of-, ^ v. . /)tf
ev .. â ..... «.
c^xo^ S.oJ fi t-
cgt;amp; /JL^ â â Vi-v' jitJZyrs? amp;é~£'/gt;x-
â 'â L: â â /i v.' c gt; , - . .- T
Ziquot; quot; quot; r h° m
64
Art. 332.)
(I. Dat het algemeen erkeml rechtsbeginsel, dat de rechter, na eenmaal een vonnis te hebben uitgesproken, ophoudt rechter te zijn, niet toepasselijk is op zoodanige praeparatoire en interlocutoire vonnissen, welke, om te kunnen worden uitgevoerd, eene wijziging of aanvulling behoeven â
P. II v. Overijssel, v. 7 April 1851, art. 54 li. R., suh nquot;. 2.
Dat. een vonnis op eene voorgestelde wraking van een getuige in eene summiere zaak niet vatbaar is voor hooger beroep â
Air. v. 2 Dec. 1853, sub nquot;. ,'i, art. 200 li. R. â Vgl. wijders over ilo al dan niet appellabiliteit in civiele zaken, de onderscheidene beslissingen, aangeteekend op art. 54 R, O.
Zie voorts ten betooge dat hij die op eigen verzoek onder cnrateele is gesteld niet in hooger beroep kan komen van de betrekkelijke beschikking, art. 4!I7 li. W. (ed. LéonâAsser).
Zie over de vraag of de appellabiliteit zich regelt naai' de oorspronkelijke dagvaarding of naar de gewijzigde conclusie, de aanteekeningen op art. 54, nquot;. 2, R. O. sub nquot;. 8, art. 54, nquot;. 5, sub n0. 2, (ibidem ed. Léonâv. Kmden); voorts Arr.-R. Roermond, v. 28 Oct. '1858, W. nquot;. 2090.
Zie over de vraag of een vonnis houdende benoeming van scheidsmannen appellabel is, onafhankelijk van de waarde der vordering ten principale, arr. v. 15 Nov. 1807 vermeld sub art. 024 B. R.
Zie eindelijk over de vraag wanneer een beschikking op request vatbaar is voor hooger beroep, arr. v 10 Mei '1867 sqq. sub art. 345 B. R.
Art. 333.
£. Art. 333 B R beveelt alleen dat in geschillen over onbevoegdheid het beroep ontvankelijk is, ofschoon ook de rechter, wiens bevoegdheid betwist wordt, van de zaak in het hoogste ressort mocht kunnen kennis nemen, maar niet dat, als die bevoegdheid in eersten aanleg niet is betwist of ambtshalve opgekomen, het vonnis, als het door tijdsverloop of berusting kracht van gewijsde heeft bekomen, nog aan hooger beroep zou onderworpen zijn, wanneer men slechts goed vond, om in apjjèl de incompetentie ralione materlae voor te stellen.
Arr. v. 28 Juni 1845. W. n°. 512; R., dl. XVIII. § 23; v. n. H., B. It., dl. V, p. 32Gâ347; idem bij arr. v. 7 Mei 1847, W. n?. 829; R., dl. XXYI, § 86 v. d. H., ibid. dl. IX, p. 15â28, (waarbij tevens is beslist dat, bijaldien zoodanig geschil in eersten aanleg niet is gerezen of opgekomen en door den rechter incompetente)* ten principale is recht gedaan in het hoogste ressort,
lii u lJjUjU- ^ tamp;yyi lt;x.
yvtU^C *r^ eU vPuhe^vyeiJit^ tJ -Æ * ,~A4,,
* CrU^k^-^ . W ^ ^ *' ''^ï-
7 / SÃ9 Mr/! 333.
nlsdan legen dal ]irinci|)ale vonnis, cimfiinn arl. 99 U. ()., alleen de weg van cassatie is opengesteld; vergelijk ook arr. v. 13 Juni 1879, W. n0.
4..'i89; R.. dl. CXXII, ij 26; idem liij vonnis van de Arr.-R. 's Ilage, v.
9 Jan. '1845, W. nlt;\ 622; idem op grond van de algemeenheid der bewoordingen van art. 334 1!. R., waarbij niet is onderscheiden met betrekking tol vonnissen, door een onbevoegden rechter gewezen, bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Mei 1851, W. n0. -1263; â anders bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Juli 1843. W. nquot;. 423; R. B., jg. 1844,
dl. VI, p. 134â138, vernietigd bij arr. ut supra. â Cf. art. 156 B. R., arr.
v. 10 Jan. 1845 sqq.. sub nquot;. '1 : alsmede Henrion, de la cornpctence das jiiyes de pai.r, hoofdst. 59 over art. 454' C. d. Pr. Civ. en de conclusie van den voormaligen adv.-gen. van Maanen, v. d. H., B. It., dl. V,
p. 337 en de Pinto, Ildl. ut supra, p. 413, (2de ed. p. 461).
lt;5. Art. 333 15 R. is, niet betrekking tut de ontvankelijkheid in hooger beroep in geschillen over onbevoegdheid, niet van toepassing daar waar blijkens art. 1 van het Reglement, betreflende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden van de arresten, in burgerlijke zaken gewezen door 't Hoog Gerechtshof in Arederlandsch-Indië, vastgesteld bij Kon. besluit v. 28 Sept. 1850 {Slbl. n0. 63)
j0. art. 9 der Organ, wet. het hooger beroep aan dien Raad is toegelaten van arresten door het Hoog Gerechtshof in Nederlandsch-Indie,
in eersten aanleg in burgerlijke zaken gewezen, indien de Gouverneur-Generaal, of de Regeering van Nederlandsch-Indië als gedaagde, wegens eene niet-zakelijke en geene belasting of pachten betreffende vordering.
waarvan het onderwerp de waarde van Æ 10,000 te boven gaat, wordt aangesproken.
Arr. v. 23 Juni 1854, W. nquot;. 1552; R. B., jg. 1854, p. 417â422.
3. In gevallen van geschil over onbevoegdheid staat ook in zaken door den kantonrechter in het hoogste ressort gewezen het middel van hooger beroep open. In een dusdanig geval is alzoo het beroep in cassatie niet-ontvankelijk
Arr. v. 4 April 1856, W. n0. 1776; R.. dl. Lil, S; 63; v. n. H., B. Jt..
XXe deel, p. 285â294; waarbij op grond van de overwegingen van hel vonnis de door den rechter tl r/i(o uitgesproken niel-onlvankelijkheid werd beschouwd als een bedekte onbevoegd-verklaring; idem Arr.-R.
Breda, v. 20 Dec. 1864, \\ . n°. 2686, waarbij werd overwogen, dat de bepalingen van dit artikel en art. 99 R. O. zijn overeen le brengen,
wanneer men in aanmerking neemt, dal bij arl. 333 B. R., is voorzien in liet geval, dal de kantonrechter omlrenl zijn competentie heefl uil-spraak gedaan of op een voorgedragen exceptie van onbevoegdheid geen
Art. 333.)
a cl it heeft, geslagen, (cf. nquot;. '1 van tlil. artikel), terwijl art. 99 Ji. I â¢. zal worden toegepast wanneer de vraag over de competentie nocli een onderwerp van debat, noch van rechtspraak heeft uitgemaakt.
-1-. Voor de toepasselijkheid van dit artikel maakt het geen onderscheid, of de bevoegdheid betwist is van de rechterlijke macht in hel algemeen, of van den geadieerden rechter in het bizonder, en of bij de beslissing over de exceptie van onbevoegdheid tegelijk in het hoogste ressort op de hoofdzaak is uitspraak gedaan of niet.
Arr. v. 27 Jan. 1865, W. n0. 2664-; R. dl. LXX1X, ^ 10: v. n. II.. 11. II.. dl. XXIX. p. 244â257.
ü. Indien het eindvonnis wegens des rechters incompetentie wordt vernietigd, vervalt daardoor van zelve de kiacht van de daartoe betrekkelijke interlocutoire (en ook praeparatoire) vonnissen
Arr.-R. Amsterdam, v. ii Jnli '1843, W. nquot;. 423; li. 1!.. dl. VI. p. â¢134â138; Jter/I in Neder/., dl. IV. p. 21 en 22,
O. De bepaling van art. 18 der wet van 1841, [S/bl. nn. 12) welke alleen aan den algemeenen regel van art. 833 B. R. derogeert in de speciale procedure, bij die wet ter bespoedigde invordering van polder-lasten ingesteld, kan niet worden ingeroepen in een rechtsgeding, waartoe de invordering van polderlasten wel is waar aanleiding heeft gegeven, doch waarbij een verschilpunt van zuiver burgerlijke rechtsvordering is beslist, dat ten aanzien der vraag over de al dan niet appellabiliteit door dit artikel wordt beheerscht.
P, 11. v. N.-Brabant, v. 41 Nov. 1850, W. nquot;, 1801.
S. Zie ten betooge dat in strafzaken niet kan worden toegepast het voorschrift der wet voor de burgerlijke rechtspleging, ter zake van geschillen over onbevoegdheid, in art. 333 13 R. vastgesteld â
art. 44, al. 2 1!. Org., arr. v. 22 (Jet. IS-tö sqq. (dl. II. p. 10 en 11), (2de ed. sub n°. 3).
Art. 334.
I . Hoewel eene referte tot de uitspraak des rechters, zonder wederspraak of verdediging, aan den rechter overlaat, om, zonder acht te slaan op niet bijgebrachte gronden van dengene, die zich refereert, ambtshalve recht te doen, kan zulks echter geenszins ten gevolge
sfin
{Art 334.
hebben, dat zoodanige referte zou moeten beschouwd worden als in te
houden eene berusting in, of onderwerping aan elke uitspraak, welke
daarop mocht volgen, al hield die eene geheele veronachtzaming van
den vorm, of eene schending der wet in, met dat gevolg, dat de
daarop voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid in cassatie (of
in appèl) is ongegrond. t/eiy. ''O-VL. lo uamp;Py, LcS. .TfS'.
. Arr. v. 3 Dec. 1840. v. d. II.. R., dl. I, p. 294â339; R., dl. \:l,
Is.Ij-t/vk- '' | 56; idem bij arr. van quot;t P. H. v. Groningen, v. 5 April 1853, R., dl.
XLVI, gt;5 102, waarbij tevens is beslist, dat zoodanige referte bloot is te houden voor eene handeling, waardoor men verklaart af te zien van eene verdere adstructie of te houden pleidooi; idem P. II. v. Zeeland, v. 19 Mei 1803, R. B., jg. 1865, p. 40, en Arr.-R. Utrecht, v. 0 Jan. 1884. W.
n0. 4980 vermeld sub art, 348 li. R.
Vergelijk ook voornamelijk ten opzichte van dit laatste punt in den-/iq( zelfden zin, P. 11. v. Groningen, v. 2 Dec. 1873, W. nquot;. 3720; cf. dk Pintü. nt supra, IT, I biz. 404. Vergelijk ook P. II. v. Gelderland, v.
% '15 Juni 1864, W. nquot;. 2647, ten betooge dat allerminst van berusting fâ¢slquot;'ake kan zijn, wanneer het terugkomen op do referte het gevolg is . ,^,van later door partij in het geding gebrachte stukken. /
Het aanbod van gedeeltelijke betaling van de kosten zonder ^
IjlJ l â¢
^ protest of voorbehoud van eenig recht van cassatie, met betrekking
A'/^tot een arrest, hetwelk geene andere veroordeeling dan die in de /'
kosten ten laste des eischers inhield, stelt eene, zoo al niet uitdrukke- â , .
liike, dan toch stilzwijgende berusting (1) in het gewijsde en dus eene ,
, r x//JU ' ' w *â ^ ^ tsyz,
. ^ uitdrukkelijke niet-ontvankelijkheid in (appèl of) cassatie daar, zelfs
dan, wanneer het gedane aanbod niet is aangenomen; naardien na dat ,,, r.
Larf* ' 0 ^
l aanbod «een verschil meer kan bestaan over de kracht van des rechters â â (oVquot;T' A ^4^2-
condemnatie, maar alleen over het bedrag der kosten, des noods te ^^ ^
vereffenen volgens de voorschriften der artt. 613 en volgg. B. 11. yyyé..
Arr. v. 14 Jan. 1841, R., d. VII, § 14, v. n. H., 7?. Tl, dl. TI, p. 39â 50. â Cf. bet daartoe betrekkelijk arr. van het P. II. v. Friesland, v. 26 Feb. 1840, W. n°. 95, vernietigende een vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden v. 19 Maart 1839, W. n1. 31; idem art. 99 R. Org., arr. v. 16 Juni 1843, sub/I, n0.4 (dl. II, p. 26), 2e ed.eodem, alsmede de Pinto, Ihll. ut supra, II, 1, 416; 2de druk bl. 464. Berriat de St.-Prtx, t. I, p. 361 sqq.; Merlin, Rèpcrhrirr, voce ('.untral Jiidiclairc, n°. 2; Pigeau, Pra-céihtrc, t. I, p. 484.
1
v. 28 April 1841, K., (II. XII, § 8.'!.
Art. 334.)
t) Vit
sea
Vergelijk navolgende uitspraken omtrent de al- of' niet berusting hij betaling der kosten;
Berusting op grond van betaling der proceskosten mag niet worden aangenomen, wanneer die betaling is geschied onder uitdrukkelijk voorbehoud van hooger beroep.
Arr. v. li) Nov. 4869, W. no. 3169; K.. dl. XCllf. § 21; v. d. II.. C. dl. XXXIV, p. 73â91; in strijd met de r.unclusie van den adv.-gen. Karseboom, volgens wien die reserve gevoegd bij de betaling dei' proceskosten als een protestatio actui contraria is te beschouwen. â Verg. arr. 1'. 11. v. N.-Holland, v. 7 Dec. 1854, R. 1!., jg. 1856, p. 9.
3. Men is ontvankelijk om de cassatie te provoceeren van een uro^i. interlocutoir vonnis, waarbij een getuigen-verhoor is gelast, wanneer nien, onder reserve van het recht van cassatie, zich niet heeft verzet '. tef;en het houden van dat tretui^en-verhoor.
rfe / .o - S. -PJ-r A -
Arr. v. 19 Nov. 1841, W. nlt;gt;. 250; R. dl. XT. § 43; v. d. II., li. II.. dl. III, p. 36â66; v. 23 Dec. 1853, K., dl. XLVI, £ 64; v. 13 Oct. 1854, W. nquot;. 1609, en v. 23 Maart 1855, W. nquot;. 1629, in de Ncd. Rcutspraal;, alleen bij uittreksel en zonder de tot deze kwestie betrekkelijke overwegingen opgenomen, zie R., dl. XLIX, p. 318 sqtp; idem arr. v. 8 Dec. olââ 18()5, VV. nquot;. 2752; idem, onder gelijke omstandigheden en onder gelijke reserves, met betrekking tot de ontvankelijkheid in hooger beroep tegen , frcnJL een interlocutoir vonnis â bij arr. van bet P. II. v. N.-IIolland, v. 24 Oct. 1850, W. n0. 1186, bij arr. Hof Leeuwarden v. 11 Oct. 1880,
f-jL/f- mr-trx-C?~ .,T . â '
VV. nquot;. 4620 en van de Arr.-R. Maastricht, v. 5 .Tnni 1851, W. nquot;. 1267; idem, wanneer de procureur van eene der partijen, bij het getuigen-Uquot; *- verhoor verschijnende, verklaart daardoor niet te willen geacht worden
Vl- - a
1 _
quot;Y.
oi* I
V-dsyy-
l/n Ctxyi^-c*- ^lt;2^
L
Of*;
jïJi *
ckx^- (te. rit.
in het interlocutoir te berusten â¢â bij arr. van het P. 11. v. N.-Brabant, v. 9 Nov. 1847, R., dl. XXXIV. § 95; cf. ook arr. Hof 's-Gravenhage, 5 April 1880, R. R., jg. 1880, A. p. 359, waarbij is beslist dat er aan berusting in het interlocutoir niet te denken valt, wanneer de medewerking tot uitvoering daarvan is geschied onder uitdrukkelijk voorbehoud van het recht van appèl; idem wanneer verlenging van den termijn gevraagd wordt voor de contra-enquête onder uitdrukkelijk voorbehoud van appèl, bij arr. P. H. v. Limburg 23 Nov. 1858, W. nü. 2092. Vgl. ook een in gelijken zin gewezen arr. van het P. H. v. Gelderland, v. 23 April 1845, W. n«. 621; R. R. jg. 1847, dl. IX. p. 474 en 475; R., XXVI, § 90, waarbij is beslist, dat. waaneer eene der partijen inr yj. zjcy1 ]iej. getujgenYeriloori |(.n gevolge van een interlocutoir vonnis, het recht van voorziening in cassatie, maar niet dat van hooger beroep voor-beli'indt, hiervan nimmer het gevolg kan zijn, dat een vonnis, volgens de wet aan hooger beroep onderworpen, zou moeten geacht worden in hel } hoogste ressort te zijn gewezen en hieruit zeker niet eene berusting in ]|e(. vonnjS) van Wege den appellant is af te leiden; â anders echter,
(Ow I uszrvtJji~.\ f-U^. .yï-iAA-!
yb/\-oL --t
// fot, IA/K'Tiïaio.
--â
tnK..
2
óh J! '(A '
TT-r*».-
â â
£lt;sxr-r££/X
-éZjtsC- 'xx.cJL. 4.
cP-rgt;-.^ -tst
'bz- amp;-*-.
£j2-^-amp;c2ZZZ
lt;lsr^ oC^_
/â¢quot;-
-7
I/VÃ/- ^ 5
a y -
^ -sr*
Z zi-t â /, /Ttr-o.
r/:
' ^
amp;y j (*£, .tCo CLjtyo. y ?. tyu-Jamp;r'
â óes^etj, ^tf^- f^-'L -T U-^-ta-f-jCz-^l- t^n, ZL- (, .y-,
bt ^ £fgt;srt~i *C 1rtST. 2~lt;*e^4- ^
up fï-Cr, ; ^ -nquot; óivT.
863 (./?â¢/. 334.
' ; ^».-t lt; ' ^ gt;â -e/t amp; v r l ! J ^a â â 0r lt; t A â ^quot; £- f t f-'! £amp;*â¢*lt;
indien men na de betéekening van het interlocutoire, vonnis, zonder uit- /
drukkelijke reserve van het beroep in cassatie, slechts onder een zeer algemeen voorbehoud, ten einde niet gepraejudicieerd te worden in zijne defensie ten principale, de bevolen enquête zelfs door eene contra-enquête heeft gehomologeerd â bij arr. v. 10 Maart 1843, W. 11quot;. 384; R., dl. XTV;
§ 81; v. i). li., /gt;'. //., dl. IV, p. 420â432; idem, wanneer men onder nagenoeg gelijke omstandigheden zich eerst na. de enquête de cassatie heeft voorbehouden, al is van dat voorbehoud acte verleend en al heeft de tegenpartij daarin toegestemd â bij arr. v. (1 Oct. '1843, W. n0. 443
Ti. dl. XVI, § 40; v. d. H., B. li., dl. V, p. 1âi l; idem, wanneer men.
onder expresse reserve van het recht van appèl, het vonnis heeft ten uitvoer gelegd, door het, gelijk ui crtsw, aan zijne wederpartij te doen betee-kenen, gelijk ook daarna de namen en woonplaatsen der zijnerzijds te hooren getuigen en die zelve te doen dagvaarden (wanneer die reserve kan worden geacht te zijn eene protestatio actui contraria, terwijl verder de rnlio dccidcudi, welke tot die beslissing heeft geleid, daarin-'-' schijnt gelegen te zijn, dat hier de appellant eene meer actieve uitvoering aan het interlocutoir heeft gegeven door zelf het initiatief te nemen en â getuigen te dagvaarden, terwijl bij de beslissingen v. '19 Nov. 1841 sqq. ut supra de appellant eene meer passive rol had vervuld en in die zaken f' aan hem do getuigen waren beteekend) bij arr. van het P. H, van N.-Holland v. 3 Feb. 1848, W. nquot;. 974; R. li., jg. 1848, dl. X, p. 85â88; idem, wanneer door den appellant in eerste instantie ten gevolge van een interlocutoir ook zijnerzijds getuigen zijn geproduceerd â bij arr. van 1 het P. li. v. Friesland v. 5 April 1843, W. nquot;. 401; idem daar, waar het geldt eene veroordeeling in de cautiu judiccUuni solui, welke (daargt;re-laten, dat dit vonnis op die kwestie is een eindvonnis) men geheel en / vrijwillig, doch onder protest en reserve van appèl, heeft ten uitvoer gelegd â bij arr. van het P. H. v. N.-Holland v. 12 Sept. 1850, W. nquot;. ' 1159; Amsterd. Regtsp., dl. I, p. 95â99; bij arr. van het P. II. v. Limburg v. 7 Juni 1842, U. B., jg. 1842, dl. IV, p. 710 en 711 en v. I Maart 1852, W. n0. 1330; van Gelderland v. 6 Maart 1844, W. nquot;. 501 : R. B..
hquot;
eniA}
/w lt;V
7. ^ r-'ls* t'
OA yej-/» quot;f. .
.4-, hy
V ^ A a^j
/ i-
yi n f- /â
jg. 1844,
§ 30 en v. 27 Juni 1848, W. nquot;. 938; R., dl de Arr.-R. te Maastricht v. 15 Mei 1851, W. nn
VI, p. 431â433; van N.-Brabant, v. 7 Feb. 1843, R., dl. XV, / ^
XXXV, 15 97; en van 1263; idem, wanneer
â â °7T
men zonder voorbehoud of protest uitvoering heeft gegeven aan een yr-k^.
v i 0
quot;r. b IT irS O-
'ï?~
interlocutoir vonnis, waarbij een gevraagd getuigen-bewijs stilzwijgend en ilus virtualiter is ontzegdâ bij arr. v. 28 Feb. 1851, W. n0. 1228; v. n II.. B. dl. XII. p. 381â397 (1).
Verg. voorts aant. 31 op dit artikel.
Irf'
0-*.
ci(s
/7 4-1* 'yasn
(1) De al dan niet bevestigende beantwoording der vraag, of hij die, berust
hebbende in eene interlocutoire uitspraak, verdediging ten principale gevoerd heeft, 'UjlL.^
ontvankelijk is in zijn appèl togen dat vonnis, naar het Nederl. recht hoofdzakelijk rn ^ ; ^rf afhankelijk van de vraag, of men zich al dan niet, alvorens verdediging ten prin-
heeft in Frankrijk tot
A ^
cipale te doen, het hooger beroep heeft voorbehouden, verschillende decisiën aanleiding gegeven.
-ylt* (â â.
S asn . /^lt;32.
^7//7'
rr «c
/iSr -t'^â e -a- « --e-fiXjj^-gt;-^-t ^i^r-e^Ut^y^ f y
⢠864 ^,, . z ⢠_^gt;«- Tji-t ^ ^ -quot;^
'^^Wl
1 i-, 1A . /? . 5 ^(-Ln-U-. -xffS^ a«. Ã'J/V
T £ . -O ⢠/«- . cy ---⢠~ 7~ . . 1- ,
A. Indien eene partij, die opgeroepen is om tegenwoordig te zijn bij eene eedsaflegging, aan de wederpartij bij interlocutoir vonnis ambtshalve opgelegd [doc/i viel uii voer haar verklaard bij voorraad)., daarbij werkelijk verschijnt en dien eed zonder eenige tegenspraak of protest ytt/J: toelaat, dan stelt zulks daar de berusting, in art. 334 B R bedoeld.
- Am v. 10 Mei 1844, W. n«. 501; 11.. dl. XVII, § 28; v. d. H., B. fi.. ^â¢/vvcUrquot;) quot; (11 v ^ 268â284 en v. 0 Mei 1845, v. n. H., ibid., dl. Vil. p. 58â78; ] i 'J- v1â W. n°. 602; K.. dl. XX, § 60; idem bij vonnis van de Arr.-R. Ltrecht,
. O- v. 28 April 1841, R., dl. XII, § 83; â anders op grond, dat men zoowel II üu-- 'V^0' ' vóó|. a|s tegelijk met het eindvonnis tegen een interlocutoir in hooger K'TI*5-'beroep kan komen en nergens is voorgeschreven, dat men, om zijn recht J /jqï van hooger beroep te behouden, zich tegen het bij interlocutoir vonnis
Jfe.al-1'~t' ' bevolen bewijs behoort te verzetten, enz. â bij vonnis van de Arr.-R.
. ,rb^. Groningen, v. 5 Nov. 1852, R. B, jg. 1854, p. 394-397. - Hetr echts-
ü â n 1 gevolg echter van het afleggen van dien eed tru ck'linitive is bij beide
arresten (v. d. H. R.) verschillend beslist. Terwijl toch bij het arr. v. 10 Mei 1844 is aangenomen, dat door het afleggen van dien eed de rechter niet is gebonden om den principalen eisch toe te wijzen, indien die, (jelijk in deze zaak, naar het recht is ongeoorloofd en ongegrond, is daarentegen bij het arr. v. 9 Mei 1845 beslist, dat het ZinKjnnKUud interlocutoir, waarbij een suppletoire eed wordt opgelegd, na die eedsallegging een onherroepelijk ellect ten definitieve bekomt, zelfs dan, wanneer partij zich de bevoegdheid van het hooger beroep of voorziening in cassatie bij het doen van den eed heeft voorbehouden, hetgeen echter, met betrekking tot laatstgemelde omstandigheid, in een tegenovergestelden zin is beslist bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Mei 1851, W. nquot;. 1203. â Cf. art. 1977 li. W., sub n*. 2 en 3; art. 46 R. R., arr. v. 26 Juni 1846 sqq. en v. 10 Nov. 1848 sqq., sub nis. 4 en 5.
5. Het dulden van de executie van een vonnis, dat uitvoerbaar is verklaard bij voorraad, kan niet beschouwd worden als eene daad van
Zoo vindt men voor de beveimgemfe beantwoording dier vraag, een arrest van het Hof van Rennes v. 28 Dec. 1808 en 8 .Tan. 1812; Parijs, 1G Mei 1809; Colmar, G April 1810 (Sirry, 1814, p. 380); Trier, 1 Aug. 1810 (SlRET, 1811, p. 323); Nancy 28 Juli 1817 (S rky, 1818, p. 89).: Bourges, 23 Juli 1823 (SiRF.v. 1824, p. 3C0) en 2 Febr. 1824, (Sirf.y, 1824, p. 362); Grenoble, 0 Dec. 1823 (Sirey, 1824, p. 519); van het Hof van Cassatie v. 22 Mei 1822 (Sirey, 1824, p. 396), Caen, 2 Aug. 1826 (Sirf.y. 1827, p. 223); Toulouse, 10 Juli 1827 (Sikey, 1828, p. 23GJ.
Voor de ontkennende beantwoording, een arrest van het Hof van Cassatie v. 29 Nov. 1818 (Sirey, 1818, p. 182); Angers, 21 Aug. 1821 (Sirey, 1824, p. 360). Zie Dai.t.oz, i, p. 169; Brussel, 28 Jan. 1836, dourn. de Brux. 1836; Bf.rriat St.-Prix, p. 410; Demiav, p. 325; Hamtf.ff.uii.i.e, p. 255 en 256; Carré, art. 4.gt;! (ed Bruss. 1849) Q. 1616, p. 419 en de aldaar in utramque partem aangehaalde jurisprudentie; Pioeaf, torn. II, p. 72; Mf.ui.in, Ré,,, in voce AinM. (Leon)-
/ $6. . ^ Zte*gt;. iq/cn, üA. ^quot;^rzP
/( Ssl~/j?, £-lt;JQJr^A ff c^ca ^..j /(y amp; amp; s amp;'â: gt;r-0 lt;amp;*/amp;amp;.
8fi5 / [Art. 334.
berusting in dat vonnis', ook dan niet. wanneer men door nartii den . â
s_,-/-lsi.lt;rJ.CrV4 Cc-^-g
haar bij dat vonnis ambtshalve opgelegden eed heeft laten alleggen f zonder eenig protest of verzet.
A IT. v. 10 Mei 1844, W. n0. 504; R., dl. XVIII, § 4; v. d. H., 7?. /,'., ^ '
a dl. V. [j. 284â303; v. '20 Febr. 1840,. W. n°. 096 : R.. dl. XX11I, § 03; ? ' 1 v. d. II., ibid., dl. VII, p. 297â30!); v. 22 Dec. 1848, W. n». 983; R., ^
/y/y, dl. XXXII. § 33; v. d. H., ibid., dl. X, p. 212â224; idem bij arr. van Trv-mn^c^a^cS-. 't P. H. v. N.-Holland, v. 2 Maart 1834, W. nquot;. 1528, naar luid waarvan (yJ.qbW zelfs medewerking tot de executie geene berusting daarstelt in een vonnis, / uitvoerbaar bij voorraad; zie in verband met deze laatste beslissing, arr. oPlt;ya i
^ ^ / I'. II. v. Z.-Holland, v. 5 Dec. 1804, W. nquot;. 2075. Verg. ook vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 2 Dec. 1809, W. nquot;. 3240, waarbij is beslist. ££j^- dat door het laten executeeren zonder verzet of tegenspraak bet recht
van appèl niet verloren gaat, wat te meer klemt bij vonnissen bij voorraad uitvoerbaar, en arr. P. 11. v. N.-Holland, v. 30 Oct. 1850,
R. B., jg. 1857, dl. VII, blz. 378, R., dl. LVIII, § 07, ook vermeld op dit artikel, waarbij is beslist dat, wanneer het vonnis bij voorraad uitvoerbaar is, het zich niet verzetten tegen de executie, niet als eene daad van berusting kan beschouwd worden, vermits dat verzet toch niet zou baten. â In gelijken zin is beslist bij arr. v. 14 Nov. 1850, W. n0.
1184; v. ?t Hof v. Holland, v. 30 Juni 1841, JRer/f in XederL, dl. Hl,
p. 145 en 140 en van de Arr.-R. Breda, v. I Dec. 1840, W. nquot;. 815, dat men nog ontvankelijk is in hooger beroep of cassatie, wanneer men zich enkel feitelijk en zonder protest (in cusUms door het niet verlaten van zijne woning dan nadat men met behulp van den sterken arm daaruit was gezet) tegen de uitvoering van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis heeft verzet; idem wanneer men aan den deurwaarder tijdens het in beslag nemen der goederen de hoofdsom heeft betaald (in eene zaak echter, waarin men de executie niet door vroeger in hooger beroep te komen, maar alleen dooi' vroegere betaling bad kunnen voorkomen), bij arr. v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 11 April 1842, R. B., jg.
1842, dl. IV. p. 199 sqq. en 299 sqq. en lleyl in Nederl., dl. Ill, p. 235 en 230. Zie ook nog in gelijken zin een arr. v. 14 Maart 1851, W. n°.
1215; R.. dl. XXXVIII, § 21; v. d. II.. B. dl. XII, p. 397â418. â
Vgl. met dit een en ander een arr. v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 25 Maart 1847, W. n0. 833; R. B., jg. 1847, dl. IX. p. 327â330, naar luid waarvan men moet geacht worden in een vonnis, waarbij aan zijne partij de suppletoire eed is opgelegd, en welk vonnis is verklaard uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande voorziening in cassatie (of hooger beroep) mils stellende zekcrlwid, te hebben berust, indien men zijn procureur heeft doen tegenwoordig zijn bij het afleggen van dien (aan partij) opgelegden suppletoiren eed, zonder dat men eenig verzet gedaan of eenige reserve genomen heeft en men vervolgens aan de verdere ten uitvoerlegging van het vonnis, tot op den laatsten actus toe, haren vrijen loop heeft gelaten,
en tut die executie zelf ileeft medegewerkt, door zich tot bewaarder zijner in beslag genomene goederen te laten aanstellen, terwijl hiertegen niets afdool de in het vonnis a quo vervatte provisioneele executabelverklai
Air. \V. van liossi.M liz., Uur ij. Uechtsv.
es? «t?
Art. 334.)
wanneer die bij dat vonnis ulleon gegeven is onder de mits van zekerheid te stellen, en men alzoo, door die zekerheid-stelling niet te vorderen, duidelijk genoeg heeft te kennen gegeven, dat men, zelfs de executie niet als eene provisioneele, maar als eene definitieve ten uitvoerlegging van liet vonnis a (/((« beschouwde. Verg. in verband met dit laatste, arr. v. 'id Jan. 1X72. up dit artikel.
O. Degeen, die de executie van een tegen hem gewezen vonnis stilzwijgend heeft aangezien, eu alzoo heeft gedoogd, dat de veroordeeling op het principale punt, tegen hem uitgesproken, is ten uitvoer gelegd, is daarna niet ontvankelijk om, al is de wettelijke termijn nog niet verstreken, beroep in cassatie in te stellen, maar moet geacht worden, door zijne stilzwijgende berusting, zijne bevoegdheid daartoe te hebben verloren.
Arr. v. 4(gt; Mei 1845, W. n0. (104; R., dl. XX, § 04; v. d, li., II. It., dl. VII. p. 78â87.
In strijd met de conclusiën van den adv.-gen. van Maanen (v. d. H., I. c., p. 85 en 80, R., dl. XX, |). ;!07â309), op grond, dat de termijn van drie maanden na de beteekening van het arrest, bij de wet aan den eischer gegeven, om zich daartegen in cassatie te voorzien, niet kon worden verkort door de executie van het arrest, door den triumphant gedaan vóórdat de tijd was verstreken; dat de verliezende partij geen ander middel van verzet had tegen de ten uitvoerlegging van het arrest, dan het beroep in cassatie; dat mitsdien uit het tijdelijk dulden van die ten uitvoerlegging, zonder verzet, niet kan worden afgeleid, dat hij in 's Hofs uitspraak zou hebben berust; dat bij de wet niet bepaald zijnde, dat men tot bewaring van zijn recht om zich tegen eene rechterlijke uitspraak in cassatie te mogen voorzien, aan de partij, die deze ten uitvoer legt. een protest zou moeten laten beteekenen, ook het tijdelijk dulden dier executie zonder zoodanig protest niet als eene berusting kan worden aangemerkt; dat uit de bepalingen van de artt. 81 en 82 B. R. niet kan worden afgeleid, dat liet tijdelijk toelaten van de ten uitvoerlegging van het vonnis in het algemeen, als een bewijs van acquiescement daarin moet worden aangemerkt, daar die artikelen alleen toepasselijk zijn op het verzet tegen bij verstek gewezen vonnissen, ten aanzien van welke speciaal bepaald is, dat door de executie het verzet niet meer ontvankelijk wordt; â eene bepaling, die (volgens adv.-gen.) niet kan worden uitgestrekt tot de executie van contradictoir gewezen vonnissen, als berustende op andere beginselen en rechtsvermoedens dan voor laatst-gemelde moeten gelden.
5. Bij de wet niet bepaald zijnde, dat in elk geval eene onvoorwaardelijke beteekening van een vonnis of arrest volstrekt als eene daad van berusting in zoodanig vonnis of arrest moet worden aangemerkt, moet de appreciatie, welke daad stilzwijgende berusting aanduidt,
(Art. 334.
naar de bedoeling waarmede die i.s verricht, geschieden, cn de handeling van dien aard zijn, dat daaruit niet anders kan worden besloten, dan tot den wil en de bedoeling der belanghebbende partij om te berusten.
Zoodanig besluit kan niet worden opgemaakt, wanneer eene in allen opzichte gesuccumbeerd hebbende en veroordeelde partij de beteekening van het condemnatoir vonnis of arrest aan den triumphant laat doen, vermits in die daad van de zijde van zoodanige veroordeelde partij geen begin van executie en geen bewijs van onderwerping en van berusting te vinden is, naardien zij van hare zijde, uit krachte van zoodanig vonnis of arrest niets te execnteeren heeft; die daad van beteekening is alzoo ten eenentnale doelloos en kan alleen aan een wanbegrip of misverstand zijn toe te schrijven, waaruit het doel niet onbetwistbaar is af te leiden om zich te versteken van het recht van hooger beroep.
Air. v. C) Nov. -1X40, VV. nquot;. 7CU; I!.. dl. XXVI. § 9; v. d. II.. G. dl. \. p. 117â129; idem bij air. v. 27 Juli 1852, R., dl. XLII, § 40, naar luid waarvan de gedane beteekening van het vonnis, in zake van onteigening gevallen, zonder dat daarbij eenige reserve of inhaesie van cassatie heeft plaats gehad, niet als blijk van berusting in bet vonnis is te beschouwen, vooral niet wanneer bij die beteekening uitdrukkelijk is verklaard, dat zij geschiedde opdat de beteekende van het vonnis op eene wettelijke wijze kennis zoude dragen: zie verder hetzelfde beginsel aangenomen betreffende stilzwijgende berusting, bij arr. v. 29 Oct. 1809, VV. nquot;. 3159: K., dl. XCI1I, § 11; v. d. II.. B. /i., dl. XXXIV, p.14â23; idem en nagenoeg onder gelijke omstandigheden, bij arr. van 't P. H. v. Z.-Holland, v. 31 Dec. 1851, W. nc. 1318; idem bij arr. van 't P. II. v. Drente, v. 5 April 1845. I!. li., jg. 1847. dl. IX, p. 599â002, waarbij is beslist, dat de beteekening van het vonnis en sommatie tot voortzetting der zaak, onder gt;'il'li'uhkrlijl; voorbehoud van het middel van appèl na het eindvonnis, geene berusting daarstelt. â Vgl. hiermede de Pinto, lldl.y B. li., II, 1, p. 415 en 410, 2de ed., p. 403, die, met een beroep op Carré, Qti. 1553 en 1504, van oordeel is, dat hij, die een vonnis, waarbij hij voor een gedeelte in het gelijk en voor een ander gedeelte in het ongelijk is gesteld, doet heteekenen, daarbij alleen het oogmerk kan hebben, of om het vonnis ten uitvoer te leggen, óf om den termijn van appèl voor zijne partij te doen loopen en het vonnis te doen gaan in kracht van gewijsde en dat hij het recht van appèl verbeurt, tenzij hij zich dit uitdrukkelijk hebbe voorbehouden. â Zie wijders, met betrekking tot het arr. v. 0 Nov, 1840, de daarmede in strijd zijnde conclusie van den adv.-gen, Gregory, v. n. II., 1. c., p. 120 en 127 en R., 1. c., p. 22 en 23, volgens wien, hoe vreemd het ook moge voorkomen, dat de partij, die bij een arr. geheel en al in het ongelijk is gesteld en in al de kosten is veroordeeld, dat
arr aan do winnende partij doet beteekenen, lgt;ij die, daad ecliter geacht moet worden een zeker doel gel.ad te hebben, ten ware zij, ten gevolge (.ener dwaling, mocht zijn geschied; dat echter, indien van zoodanige dwalinquot; niet blijkt en de beteekening heeft plaats gehad mt eigene vrije beweoino- en zonder eenig protest of voorbehoud, het er voor moet gebonden worden, dat de succumbant door die beteekening heeft willen te kennen quot;even, dat bij zich naar bet gewezen arrest wilde gedragen, en de afdoening der zaak wenschte bespoedigd te hebben, enz. ; verg. voorts aant. 49 en art. 339 B. R. no. '21.
8. Uit bet stilzwijgen van partij op den jegens haar gelevenlen staat van kosten, kan niet worden afgeleid de stilzwijgende berusting in, en alzoo de afstand van liet recht, om later nog op te komen te^en het vonnis of arrest.
Arr. v. 6 Nov. 1846, W nquot;. 709; R., dl. XXVI, § 9; v. n. II.. 7-
dl V p. 117_129; idem. ten betooge, dat het beteekenen van een staat
der proces-kosten, het concludeeren op de verevening door de declaranten en bet uitstel vragen van de gedeclareerden, ten einde op de conc usien, van vveo-e de declaranten genomen, te antwoorden, voor de gedeclareerden de bevoegdheid niet uitsluit tot cassatie, daar zulks nog met als eene medewerking van bunnen kant tot verevening kan
beschouwd worden - bij arr. v. 11 Mei 1848, W. n°. 9O0; U dl. XXXI. ^ 48. v n II 7?. /?., dl. IX, p. 369â385; idem bij vonnis der Arr.-lv. Amsterdam, v. 23 Maart 1847, W. nquot;. 931; R. 1!.. jg- 1847, dl. IX â G5G en 057, waarbij is beslist, dat bet aannemen van een exploit, waarin vervat is een' staat van kosten, schade en interessen zonder eenig protest door den beteekende, geenszins als eene daad van berusting in dat vonnis kan beschouwd worden.
z W Art. 334 B R. mist alle toepassing in het geval, dat eene ver-
f ^ klaring van berusting in een vonnis niet is gedaan vóór het daarvan
^ 1 ingesteld hooger heroep. maar (gelijk in mm) veertien maanden daarna.
^ U*- Arr. v. 17 Feb. 1848, W. nquot;. 930; R.. dl. XXIX, 8 74; v. n. II.,
dl. VII, p. 105â187.
a 1Uit het eenvoudig door den iechter bepalen van een dag voor
~ pleidooi, nadat het beklaagde arrest aan des eischers procureur was be-*/ teekend', met sommatie om den volgenden dag voor de Arr.-R te OpAr- verschijnen en met de verweerders op de hoofdzaak voort te proce-
dee ren en daarop conclusie van antwoord te nemen en te pleiten, terwijl noch de conclusie namens de eischers genomen, noch het pleidooi gehouden is, kan geene berusting door den encher in het beklaagde arrest worden afgeleid.
Sfi!) (///â¢/. 334.
Arr. v. :â¢, .Tiinl is.-i.s, W. 11°. !J22; IT., dl. XXXI. § 27; v. d. II., /.'. /;..
.li, X, |i. I âIS.
14. In een bevel, ten gevolge van het vonnis des eersten rechters door den eischer aan de verweerders na de voorafgaande beteekening van het vonnis gedaan [in cam ten einde het daarvoor te doen houden,
dat zij op een bepaald uitgedrukt tijdstip zouden zijn getreden in het eerste van een zes-jarig landgebruik) welk bevel de verweerder niet kon voorkomen of' beletten, kan niet de executie van dat vonnis gelegen zijn, met het efl'ect dat daardoor aan den verweerder de termijn van appèl zou zijn afgesneden of verkort, â noch kan in de toelating dier daad des eischers, alleen hangende den termijn van appèl, tegen het gebeele dispositief van het vonnis competerende, gevonden worden de bedoeling des verweerders tot berusting in dat vonnis.
Hieruit volgt alzoo dat, hetzij men de beslissing over de vraag, of 7- ⢠r'0f2-f er stilzwijgend is berust, als facü beschouwe, hetzij men haar in het * -Hquot; ondcrwerpelijk geval als van rechtskundigen aard aanmerke, de rechter ad /ju.fm.. door ten deze de beweerde berusting te verwerpen, noch art. 334 B. R. noch eenig ander ingeroepen wets-artikel heeft geschonden.
Air. v. 3 Oct. 1851, W. nquot;. I'iTO: R.. dl. XL. § 1: v. d; H., I!. /;..
dl. XIII. p. 175â193. â Cf. art. 334. air. v. 17 .liini 1853, sqq. (1).
-
(I) De viaag, of de beslissing of deze of gene akte of daad in den zin der wet als eene berusting moet worden aangemerkt van rechtskundigen aard is, wordt bevestigend beantwoord door Favard, die daaromtrent zegt; âLorsqne les juges du fond out déeidé que tel aete eonstitue un acquiescement, la cour de cassation peut juger le contrairequot;. Evenzoo zegt Ka ruk : âLa cour apprécie le caractère d'un acte ou d'un far. presenté comme un acquiescementquot;. Aangenomen nu de juistheid dier stelling, merkt de adv.-gen. Guf.gory, R., dl. XL, p. 6, op, dat daar, waar gecne aete of feit bij het beklaagde arrest is rjecunstateerd (maar de rechter nd ijtievi alleen heeft uitgemaakt, dat van het ten uitvoer leggen van het vonnis of van der appellanten berusting daarin niet op eene voldoende wijze is gebleken) geen onderzoek naar de rechtskundige kracht van eene acte of een feit kan worden ingesteld, vermits dc II. II. dan eerst een onderzoek zou moeten instellen naar het bestaan van de eene of andere aete of feit, waaruit de berusting zou kunnen worden opgemaakt cn die acte of dat feit moeten constateeren, waardoor bij op het gebied van den judex /acti zou treden. â⢠Dit gevoelen is echter door den 11. 11. bij voormeld arrest niet gedeeld, als zijnde daarbij ook in jure uitspraak gedaan over de rechtsgeldige kracht van het gedaan bevel. â Vgl. hiermede uk Pinto, //(//., B. li., 11, l,p. 414,
2de ed. pag. 462, volgens wien de vraag in hoeverre er al of niet stilzwijgend is berust, meer is eene (jlines!in facit dan juris, ofschoon zoowel het Hof van cassatie in Frankrijk, als de II. li. bij ons er zich meermalen mede hebben ingelaten. â
^gl. ook over de kwestie ten principale bij voormeld arrest beslist, art. 334 B. R.,
vonnis van de Arr.-K. Gorinchem, v. 30 Dec. 1848 sqq.
^ ^ C-
L-^c -*-' Oquot;-*quot;â f 2 (C 1 ~ ~n ' ' - ^
' j /^ /-J /A^?.
J
Art. b34.) 870
Vn-I. in verband mot lict Uuitstu â¢â¢edceltc van voovnield arrest on de niml tiieronder een arr. v. 24 Jnni 1853, U.. dl. N'LV. § 2S, waarbij is beslist dat, vermits art. 334 li. R. in geenen deele eenipe (ipgave bevat van datgene, wat al of niet als blijk van berusting behoort te worden aangemerkt, aan den appellatoiren recbter geheel is overgelaten de beoordeeling van hetgeen al of niet als blijk van berusting in bet vonnis ff ./f» behoort te worden aangemerkt en mitsdien deze niet kan worden geacht eenige wotscliending of verkeerde toepassing van wet te doen, dooi in de beteekening van het vonnis quot; /onder eenig voorbehoud gedaan, op onderscheidene feitelijke gronden geen bewijs van berusting te vinden.
Vergelijk vertier omtrent fle al- of niet toelaatbaarheid van liet onderzoek in cassatie naar de berusting, de navolgende uitspraken:
Waar de berusting is aangenomen op grond dat de door partij verrichte daden aan den rechter a quo van genoegzaam gewicht voorkwamen om daaruit de bedoeling at te leiden, dat partijen zich aan de beslissing wilden onderwerpen en daartegen niet in appèl komen, kan op deze feitelijke beslissing, in cassatie niet worden teruggekomen.
Arr. v. 14 Maart 1873, W. nquot;. 3569.
Wanneer de rechter in hooger beroep de exceptie van berusting in liet vonnis a quo heeft verworpen niet op grond van waardeering of appreciatie van handelingen of gedragingen van den verweerder aan zijn appèl voorafgegaan, maar op grond van eene rechtskundige beschouwing omtrent den aard van het vonnis, waarbij aan de eischeresse de suppletoire eed was opgelegd, kan de vraag of al of niet te recht de exceptie van berusting door den rechter in appèl is verworpen in cassatie worden onderzocht.
Arr. v. 31 Jan. 187,.t, hieronder vermeld sub hoe art.; verg. hiermede in verband arr. v. 8 Maart â 18ti7 sqq., sub hoc art.
48. Een interlocutoir vonnis, waarbij het bewijs van het bestaan eener schuld-oorzaak is toegelaten en dat in kracht van gewijsde is gegaan, moet tusschen partijen als eene zaak buiten contest beschouwd worden, waartegen geen har er meer bevoegd is op te komen.
Arr. v. 12 Dec. 1851, W. nquot;. 1308; R., dl. XL. § 53.
1». Eene zonder verzet van de tegenpartij gedoogde poging om een vonnis te executeeren, bestaande in het doen opmaken van een proces-verbaal van niet-bevinding bij den geëxecuteerde, stelt op zich
{Art.. 334.
zelve ^een bewijs duur voor eene beweerde berusting in dut vonnis te meer, indien de tegenpartij, vóórdat die poging werd aangewend, hoewel vruchteloos, getracht heeft eene admissie-gratis voor de procedure i7i cassatie te erlangen en daardoor getoond heeft, in het vonnis niet te willen berusten.
A it. v. 17 Juni 1853, W. iv. 445!»; 11. dl. XLV, § 21: v. d. II., B. /?., dl. XVII, p. (58â78. â Cf. art. 82 li. R., arr. v. denz. datum sqq. sub il0. 2.
f-1-. De ])artij, die aanvankelijk, mits vóór het principaal appèl der tegenpartij, in een vonnis heeft berust, verliest hare bevoegdheid niet om daarvan incidenteel te appelleeren. Immers, zoodanige berusting is uit haren aard voorwaardelijk en houdt op van het oogenblik af, waarop de partij zich in hooger beroep voorziet en den stand van het geding door hare handeling ten eenenmale verandert.
Arr. v. I I Mei 1855, vernietigende het arrest van'tP. H. v. N.-Holland, v. 18 Mei 1854, VV. nü. 1647; R.. dl. L, § 21; v. d. II.. Ægt;'. Jl.. dl. XIX. p. 294â304; vergelijk ook arr. van 't P. II. v. N.-Brabant, v. 4 Dec. 1864, R. R.. Jg. 1868, p. 374'.
tö. De oorspronkelijk eischer, die â na het vonnis waarbij eene oproeping in vrijwaring is toegestaan â op de sommatie om voort te procedeeren niet is verschenen, en niets heeft verricht om de uitvoering van dat vonnis ts verhinderen, moet geacht worden daarin te hebben berust.
Arr. v. 26 Juni 1857, W. nquot;. 1865; R.. dl. LV1, § 41; v. n. II.. II. It.. dl. XXI. p. 336â347.
ICi. Al is in het interlocutoir berust, zoo is niettemin de rechter alleszins bevoegd om bij de eindbeslissing terug te komen op het bij het interlocutoir voorloopig aangenomene.
Arr. V. 12 Nov. 1858, W. nquot;. 2(11)9; I!.. dl. LX. Sj 27: v. li. 11.. It It.. dl. XXII, p. 451â459; idem arr. v. 24 .liini 1864, R., dl. LXXV1I, 25. Zio ad art. 46 li. R.. nquot;. 5.
4S. De behandeling der zaak ten principale, zelfs zonder eenig voorbehoud ten aanzien van het interlocutoir, raag niet worden aangemerkt als eene daad van berusting in het interlocutoir vonnis.
Arr. v. 11 Mei 1860, W. 11°. 2170: I!.. dl. LXIV, § 59; v. d. II.. /?. II.. dl. XXIV, p 130â140, ook vermeld op dit artikel, n0, 31.
871
18. De niet verschijning fier psirtij ter terechtzitting waarop (ie iinclere partij den bij vonnis opgelegden eed zweert, brengt gecnc berusting mede, wanneer te voren is beteekend, dat men zich alle zijne rechten voorbehoudt.
Air. v. 20 Dec. 18(5-1, W. n0. 2340, R.. HI. LX1X, S; 34.
Ifl. Hij die zich tegen een eindvonnis op een incident [iu cam l)ctreft'ende wraking van een getuige) het recht van cassatie heeft voorbehouden, maar desniettegenstaande de zaak ten principale vervolgt, en dus van dat voorbehoud geen gebruik maakt, moet geacht worden in genoemd vonnis te berusten.
Arr. v. 0 Febr. 1802, W. nquot;. 2352.
30, De stelling, dat het nemen van eene subsidiaire conclusie geacht zou moeten worden reeds bij voorbaat medetebrengen berusting in de afwijzing der primaire, is ongegrond.
Arr. v. 28 Febr. 1862, U.. dl. LXX, § 38; v. n. II., /.'. dl. XXVI. p. 295â318; idem P. II. v. Gelderland, v. 0 .Tnni 1875. VV. nquot;. 3,.KI8; zie verder in verband hiermede arr. v. 11 Juni '1880 sqq. lt;ip dit artiiiel en arr. v. 20 Oct. 1849 sqq. ii[) art. 339 II. R.
lt;81. De betaling der proceskosten gedaan, nadat men, na herhaald bevel, met executie wordt bedreigd, kan niet gehouden worden voor berusting in het vonnis, waarbij men in die kosten veroordeeld is.
Arr. v. 2 Jan. 1803, W. uquot;. 2447; I!.. dl. LXXIII. S 'i: v-quot;⢠quot; i quot;â dl. XXVII, p. 183â194; dit arrest wordt bestreden in 1!. li., jg. 1804. dl. XIV, p. 171 sqq., cf. ook eodem p. 334 sqq.; verg. Arr.-R. Utrecht, v. 25 Jan. 1801. VV. no. 2290.
Verg. navolgende beslissingen:
De betaling der gerechtskosten, waarin de eischer tot cassatie bij liet arrest a quo is veroordeeld, kan geen grond opleveren tot met-ontvankelijkheid van het beroep, als die betaling alleen blijkt uit het onsplitsbaar aveu, dat zij is geschied, onder voorbehoud van het recht, om tegen het arrest op te komen.
Arr. v. 13 Juni 1850, W. nquot;. 1858; v. u. 11., U. It., dl. XX. p. 411
â 428.
De appellante, eischeresse en vervolgster der zaak in eersten aanleg, die de kosten en voorschotten aan den grülier en den exploiteerenden
(.1/7. 331'
en ter tereclitzitting dienstdoende deurwaarder betaald heeft, kan niet geacht worden in het vomiis a quo berust te hebben.
Arr.-R. Winschoten, v. 2 April 1874, W. nquot;. 37-l(gt;, ook vermeld sub art. 278 II. R.
lt;82. De partij, die, na een vonnis van wraking een termijn vraagt om, in plaats van den gewraakten, een anderen getuige te doen hooren, en die daarvan gebruik maakt, alles zonder voorbehoud, moet geacht worden in het vonnis te hebben berust.
A it. v. 29 Jan. 18G4, VV. ii». 2562; R.. dl. LXXVI. § 10; v. n. II., B. dl. XXYIII, p. 253â271.
«3 I it de afwezigheid bij de executie van een vonnis kan geene berusting worden afgeleid; evenmin kan men zich in dergelijk geval er op beroepen, dat geene daad of protest tegen de executie is gedaan.
Arr. v. 8 Maart 18(57, W. nquot;. 2901; R.. dl. I.XXXV. Sgt; 60; v. n. II.. /;. dl. XXXI. p. 178â190; idem arr. v. 31 Oct. 1862, W. n°. 2429, R., dl. LXXII. § 16; v. D. II., /.'. 1\.. dl. XXVII, p. 37â53; idem arr. v. 20 1'elir. 1874, W. nquot;. 3693; R., dl. CVI. S 21; v. d. H., 7)'. dl. XXXIX, j). 186â197; waarbij nog werd aangenomen dat liet daags na de executie instellen van het beroep in cassatie bewijst bet reeds tijdens de ten uitvoerlegging bestaand voornemen om niet te berusten. Zie hiermede in verband arr. 1'. II. v. Limburg, v. 11 Juni 1866, W. nquot;. 2824, waarbij berusting is aangenomen op grond van de overwegingen, dat de appellanten, door de beteekening van het vonnis met bevel, in kermis waren gesteld met de aanstaande ontruiming, dat een van de appellanten woonachtig in dezelfde gemeente, alwaar de ontruiming is geschied. daarvan heeft moeten kennis dragen, en dat niettegenstaande dit alles, de appellanten 2^; maand hebben laten verloopen zonder iets te doen, waaruit een voornemen om tegen het niet bij voorraad uitvoerbare vonnis optekomen, kon blijken. â Verg. Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Febr. 1859; R. B., jg. 1859, dl. IX, p. 394 sqq.; waarbij is beslist dat daden van executie niet het bewijs van berusting van den kant der veroordeelde partij medebrengen, wanneer niet van hare persoonlijke tegenwoordigheid bij de executie blijkt, en zij vóór de voltooiing der executie de akte van hooger beroep heeft doen beteekenen.
84. Ken procureur is onbevoegd op eigen gezag eene conclusie in te trekken: mitsdien blijft de eens genomen conclusie bestaan, en kan uit die intrekking geen argument voor het afzien van verdedigingsmiddelen geput worden.
Arr. v. 26 Jan. IS72, W. uquot;. 3433; ook vermeld op dit artikel.
Art. 334.) S74
Uit de omstandigheid alleen, flat ilc veroordeelde bij de executie van het vonnis a quo, de aanstelling van zich zelf als bewaarder verkoos boven die van eenen vreemde, mag geene bernsting worden afgeleid.
Ait. v. 26 .Tan. 1872, \V, n°. 3433; verg. aant. 5 in fine.
8© Dit artikel spreekt alleen over de gevolgen van berusting in een vonnis, niet in eene vordering.
Air. v. 25 Mei 1877. W. n0. /il20; v, n. II.. B. li., ril. XLII. p. 207 â276.
89. Desistement van het ingesteld hooger beroep van een interlocutoir belet niet dat men daarvan tegelijkertijd met het eindvonnis appelleert.
Arr. v. M Mei 1877. W. n11. 4123; ook vermeld sub art. 237 B. R., sub nquot;. 6.
Dit artikel geldt ook bij voorwaardelijke eindvonnissen, omdat daarin evenzeer kan worden berust als in de onvoorwaardelijke.
De mogelijkheid van berusting in een voorwaardelijk eindvonnis, waarbij als voorwaarde een eed is opgelegd bestaat reeds ten opzichte van den daarbij opgelegden eed.
Arr. 31 Jan. 1879. \V. n°. 4343; 1!.. dl. CXXI, § 11; v. d. II.. dl. XLIV, p. 47â56; R. li., Jg'. 1882, A, p. 86; ook vermeld sub nquot;. 11 van dit artikel; waarbij nog werd beslist dat de Raad niet bij machte was in deze zaak ten principale recht te doen, daar de rechtbank zich had onthouden van de oplossing der vraag of in casu al of niet berusting had plaats gehad.
lt;J?gt;. Uit de beteekening van een interlocutoir vonnis zonder voorbehoud mag niet worden afgeleid de wil om daarin te berusten, wanneer namelijk vo^Jr den aanvang van het daarbij bevolen getuigenverhoor ook door de beteekenende partij akte is gevraagd en verkregen dat zij, door mede te werken tot dit verhoor, niet geacht wil worden afstand te hebben gedaan van voorziening in cassatie tegen bet bedoelde vonnis. De beteekening moet geacht worden hier alléén te hebben gestrekt om onder gemeld voorbehoud tot de executie van bet interlocutoir vonnis te geraken.
Arr. v. 16 Jan. 1880, W. nquot;. 4463; R., dl. CXXIV, § 7; R. R., ,jg.
'l/cnnJ*ul/ïrrV éLx t ---- quot; ' j
// ,A,^clt;~r.
/ «75 f^r/. 334.
^Jtle.'TPl' Lirzr^/aAjU^t^l) it*s A-a t-e 1*^1 Ar£ rt^l riA m a* v ^ ^
1882, .1. j). 85. Zie eene bestrijdin,;; van deze beslissing in W. nquot;. 4470. /r,,,T waar betoofrd wordt dat, hoewel bet waar kan zijn dat de beteekeniiiüV^ lt;Æ van een interlocutoir vonnis niet noodwendig berusting medebrengt, liet niet te loochenen valt dat deze beteekening, waarbij van geen voorbe-hond is gebleken (als men op haar alleen let), gedaan zijnde om aan /tva^, ^ het vonnis executie te geven, onvermijdelijk berusting involveer!.
:ïo. w anneer de principale conclusie van den gedaagde is afgewezen,
maar de subsidiaire toegewezen, dan kan de gedaagde belang hebben bij de bestrijding van dat vonnis op het eerstgenoemd punt, waaraan de subsidiaire vordering slechts ondergeschikt is; en wordt het hooger beroep terecht uit dien hoofde ontvankelijk verklaard.
Arr. v. quot;H Juni quot;1880, nader vermeld sub art. 263 B. li.; VV. nquot;. 4527,
waarbij verworpen is het beroep in cassatie tegen het arrest van het Hof 's-Oravenbage, dd. 20 Dec. 1879, W. nquot;. 453'! R. R. 1881, A p. 20 sqq;
bij welk arrest nog werd beslist, dat hetzelfde moet gelden ook in het geval, dat de geïntimeerde zich mot de uitspraak des eersten rechters bezwaard acht, dat laatste in strijd met de conclusie van het Openb.
.Min.; idem P. II. v. Utrecht, v. 17 Dec. '1866, R, B., jg. 1867,p.321 sqq.;
idem P. 11. v. Groningen, v. 26 Jan. 1875, W. n0. 3846; anders Arr.-R.
Amsterdam, v. 6 Sept. 1881, R. B.. jg. 1881, A, p. 143. quot;Verg. arr. v.
28 Febr. 1862 sqq. sub art. 334 1!. R.. en arr. v. 26 Oct. 1849 sqq.
sub art. :«) P.. R.
31. liet meewerken zonder reserve tot de bevolen enquête en het a-a^~'-vragen, mede zonder reserve, van een contra enquête, brengt herus-^quot;quot;*^ tin.? mefJe- fcy.n'Z fA
/X x-'a it. v. 3 Juni 1881, W. nlt;'. 4669; v. d. II.. /gt;'. dl. XIA I.
^ ^ p. ;?97â401; R. B., 1882, A. 83; idem arr. v. 25 Jan. 1884, W. c^-r â t M0*' n0' 5005' 'dein arl - v- 11 Mei 1860, W. nlt;gt;. 2170, Râ dl. LX1V. § 59, ^ 4 â **amp;â -cT/1'1 mede vermeld sub hoe artikel, waarbij werd beslist dat de exceptionneele ^ â
j 'fiquot; bepaling van art. 336 al. 2 B. R.. iiilahdleiid betreft de praeparatoire
vonnissen; idem arr. v. 16 Jan. 1874, W. nquot;. 3682, R.. dl. ('VI. § 10;-^e-r. idem arr. v. 16 Dec. 1842, v. n. II., B. dl. TV, p. 128 sqq.; R.. dl. / e^' XTIT. § 88 en v. 10 Maart 1843, v. igt;. 11., I. c., p. 420 sqq.; W. uu. 384; ' -
li., dl. XTV. S 81; idem arr. P. 11. v. Utrecht, v. 27 Juni 1859. W. nquot;. 2085.
waarbij nog werd overwogen, dat de uitzonderende bepaling van art. 336.
al. 2 B. R., bevestigt de stelling, dat art. 334 B. R., zoowel op interlocutoire als op eindvonnissen van toepassing is; idem P. 11. v. Utrecht, v. 8 Febr. . , ,
1869, W. iiquot;. 3113; idem Arr.-R. Arnliein, v. 13 Dec. 1855, W. n°. 1757. '
R. B., jg. 1856. dl. VI, p. 615 sqq.; idem 1'. 11. v. Drente, v. 4 Juni /-/ejtn-e 1853, W. n0. 1667; idem P. H. v. Limburg, v. 26 Juni 1871, W. nquot;. 3447; / yai\ sgcS idem arr. P. H. v. N.-Holland, v. 4 Dec. 1873, W. n0. 3687; idem arr. P. H. v. \ '
v⢠N.-Brabant, v. 19 Febr. 1867, W. n0. 4202; idem arr. Hof's-Hertogen- Vv ?*^^~ boscb. V. 16 Oct. 1877, W. nquot;. 4242, R. B., jg. 1879. .1. p. 43; idem J- 'fa'/
cXJ v lt;^lt;9
lOfy â JUj.' «y» y O ./ux-J J j â 'y ' A ^ ^^ /gt; ^ 1/. lt;^0.
Cjjw-Jïr^ 0^1*4- QJ^UJUI- inn^) aSvivT-^ t.â r^t^£-cgt;~t^^-gt;riSX-, lt;s*-4. a-^
4- ^ ^ k ^ A?
A/l .'544 ) s7'!
UPM w.-K0 ihirbs. ,, f A , i
â7 Ait.-K. Ainstcidmn. v. 20 April 1883, VV. nquot;. 4947; an;. Flof Amsterdam.
v. 2 Febr. 1883, W. iin. 4979; bij alle welke uitspraken is beslist, dat bet zonder voorbehoud meewerken tot een bevolen getuigenverhoor, door daarbij tegenwoordig te zijn en vragen tot de getuigen te richten, ol uitstel' voor enquête of contra-enquête te vragen, als berusting is te
beschouwen. . ..
Verg. vonnis Arr.-K. Amersfoort, v. I I Oct. 1871. W. n''. 3423, vvaarl.i,
is beslist, dat de enkele lijdelijke tegenwoordigheid bij een getuigenverhoor, niet als daad van berusting kan worden aangemerkt.
Vergelijk met dit alles de navolgende beslissing:
Hoewel het in de praktijk gebruikelijk moge zijn, is fle reserve voor de enquête gemaakt, van honger beroep tegen liet interlocutoir onnoodig, waar de wet liet recht geeft, om zich van een interlocutoir eerst in appèl te voorzien tegelijk met liet eindvonnis.
Hof Leeuwarden, v. 15 Maart 1880, W. nquot;. WOO, 1! 11., jg. 1882, .1,
84; waarbij nog werd beslist dat de tegenwoordigheid bij de enquête, en het richten van vragen aan de getnigen n\ct als daden van berusting zijn aan te merken. Vergelijk voorts aant. 3 op dit artikel.
:i'i De openbaarmaking van een vonnis krachtens de artt. 140Sen 1409 B. W. gewezen, is een daad die, in casu, zonder medewerking van den veroordeelde heeft plaats gehad, zoodat deze niet gezegd kan worden in het vonnis te hebben berust, al brengt hij de dagvaarding in cassatie eerst na die openbaarmaking uit.
Arr. v. 13 Mei 1881, W. iv. 4038; K., dl. (.'XXVIII. § 9; \. igt;.
77., dl. XI.VI. p. 339-357.
:«». Waar feitelijk is beslist dat de lijfsdwang is misbruikt om den verweerder te dwingen tot het teekenen van eene verklaring van afrekening, waartoe deze niet was verplicht, en wat hij alleen bereid was onder reserve van zijn recht van appèl te doen, mag geene berusting in liet vonnis door betaling zonder voorbehoud, worden tegen-geworpen.
Arr. v. 14 Jan. 1881, VV. nquot;. 4601; II., dl. CXXV1I, Sj 4; v. n. !!.. II. r;., dl. XLVT, p. 17â24, waarbij nog werd overwogen dat tegen du1, beslissing niets 'afdoet, dat de verweerder wellicht door het middel van art. 009 B. R.. of door eenig ander wettig middel zijn persoonlijke vrijheid onmiddelijk had kunnen terngbekornen, omdat tot het bezigen van zoodanig middel de uitoefening van zijn vrijen wil noodig ware geweest, en deze. volgens do feitelijke beslissing was overmeesterd door het aangewende geweld.
{Art. 334.
S7 7
Zie liet daartoe betrekkelijk air. P. â¢1880, VV. nquot;. 4539.
34. Wanneer de uiet-ontvankelijk-verklaring berust op eene beoordeeling der judicieele houding van een der partijen, die liet Hof als in strijd met hun latere, zij liet dan ook subsidiaire betwisting van het interlocutoir, en blijkbaar als een berusting daarin heeft beschouwd, kan op deze feitelijke beslissing in cassatie niet worden teruggekomen.
Arr. v. 18 Maart 1881. VV. ir'. 4025; R.. dl. CXXVI1. § 25; v. h. II..
It. 7i., dl. XI.VI. p. 172âISO: verg. in verband hiermede aant. 'I I van dit artikel.
3«V Het vrijwillig en zonder eenig protest meewerken tot de uitvoering van een vonnis door aan den last tot voort procedeeren zonder reserve te voldoen, brengt berusting mede.
Arr. v. 10 Maart 1882, W. no. 4756; v. n. II.. /;., dl. XLVII. ' p. 235â24-1; R. B., jg. 1882. .1, p. 9:!.
Een appellant is nog ontvankelijk in zijn hooger beroep,
wanneer, sedert de instelling van dat hooger beroep, door een derde is voldaan aan de veroordeeling, vervat in een vonnis, waarvan hij,
tegelijk met een voorafgaand vonnis op de exceptie gewezen, hooger beroep heeft ingesteld. jZj.
P. II. v. Zeeland, v. 28 Dec. 1841, R. li., Jg. 1846, dl. VIII, p. 627â029; 7-tof *lt;*,*gt;*â idem, ten betooge, dat de daad van de echtgenoote van den afwezigen snccnm-bant (die geene partij in de zaak en ook niet gemachtigd was oniar-jm's.sc nf lacite in het vonnis te berusten), van op bekomen bevel des deurwaarders en nit kracht van het bij voorraad uitvoerbaar vonnis, bereidwillig het huis te ruimen, de meubelen daaruit weg te dragen en den sleutel van het huis aan den deurwaarder over te geven, geene wettelijke berusting in het vonnis n quo oplevert â bij vonnis van de Arr.-U.
Maastricht, v. 20 Febr. 1845, W. nquot;. 623; idem, op grond, dat het in zake van acquiescement een vrij algemeen aangenomen regel is, dat alle berusting alleen mag worden afgeleid uit de daden der partij zelve, en zelfs niet eens uit die van hare raadslieden, die haar in het geding vertegenwoordigd hebben â he Pinto, Ifdl.. /gt;' tl.. II. I. p. 410, (2de ed.
p. 464).
'.t«. Indien het aangevallen vonnis uit twee hoofddeelen. bestaat,
sleept de berusting in het eene gedeelte niet noodwendig de berusting in liet andere gedeelte na zich.
v. 's-Hertogenhoscli, v. 15 Maart
bh â ytsyW0-
sc- yui- ic'elquot; lj'i arl'' v' 4 ''â v' v- ''!l Jan- '1852, W. n0. 134*1, waarhij
/yf |g |jeg|js^ (iat ilet i)erusten in dat gedeelte van een vonnis, waarbij een pi^rt ^ appellant is veroordeeld geworden tot voldoening van den huurtermijn,
^ geenszins van zelf noodwendig medebrengt eene berusting in de bij dit l'i tj vonnis gedane van-waarde-verklaring van een gelegd pandbeslag. â Vgl.
/lt;#-, vS bl-Ta, hiermede eon arr. v. 't 1'. II. v. Limburg, v. :lt; Jan. 185:!, W. n0. 1427, -7^ waarbij is beslist, dal de berusting in een vonnis, waarbij een getnigen-
Irinii'. ⢠quot; ' verhoor is bevolen, tevens medebrengt de niet-ontvankelijkheid van het
fa 'lt;V~' beroep tegen de overige gedeelten van dat vonnis, indien (gelijk in casii)
o ij/olt;f ile uitvoering van het enquest in zoodanig verband staat niet die andere
. beslissingen, dat een en ander voor onafscheidbaar of ondeelbaar dient te worden gehouden. â Zie ook een arr. v. 28 l'ebr. 1851, W. nquot;. 1228 't^L ULn-rU. v. n. 11., /gt;. /i.. dl. XII, p. 381â:i97; en art. 158 1!. II., arr. v. 't P. II.
v. N.-Holland, v. 4 Fehr. 1847, sub nquot;. I.quot;gt;.
VU' _
/Oran
c. »8. Het vragen van uitstel, om den eed bij vonnis opgelegd
p nieste ren. onder uitdrukkelijk voorhehoud van non-praejudice om den
I ' ' opgelegden eed aan te nemen, kan (hoezeer bij die reserve van geen
auuèl o-ewaawd is) niet als eene berusting in het vonnis (ook wat het 11 0 D y
\fTft A, '
te
hooger beroe]) betreft) worden aangemerkt.
Arr.-11. 's Bosch, v. 15 Mei 1844, W. nquot;. 5Ã5. â Cf. art. 334 li. U.. arr. v. 10 Mei 1844 sqii-
Uit de verklaring in judicia van een procureur na de uitspraak van een vonnis, waarbij op een incident is recht gesproken, dat hij hij zijne ten principale genomene conclusie persisteerde en uit het instellen daarop van eene andere incidenteele vordering, kan met geen grond worden afgeleid, dat de succumbaut in dat vonnis heeft berust en alzoo van zijn recht van hooger beroep daarvan zou moeten worden geacht afstand te hebben gedaan, krachtens de bepaling van art' 334 H. li.
P. II. v. Friesland, v. 25 Juli 1844, liegt in Nctert., dl. IV, p. 18;)â 1S7. â Cf. Meui.in, /iV/ikW., voce acquiesccmeitt.
40 Hij die, na bij vonnis in zijne vordering niet te zijn ontvankelijk verklaard, in stede van reeds dadelijk daarvan in hooger beroep te komen, denzelj'den eisch op nieuw tegen dezelfde partij in dezelfde kwaliteit (en alleen met verandering van den datum waarop zekere handeling zou hebben plaats gegrepen) heeft ingesteld, moet geacht worden door deze wijze van procedeeren, daadwerkelijk, stilzwijgend en
[Art. 334.
duidelijk in liet vonnis van niet-ontvankelijkheid te hebben berust;
met dat gevolg, dat liij â bijaldien hem bij het tweede vonnis zijn -
v * . '^(Lt 1'/
eisch is ontzegd en hij van beide uitspraken gelijktijdig in appèl is gekomen â in zijn hooger beroej) tegen het eerste, vonnis niet-ont- /
vankelijk moet worden verklaard.
Arr.-R. Groningen, v. til Maart 184S, W. nquot;. 975; li. li., jü'. 1851, , ^
l/i ^2- ^
i). 75â77 (aldaar voorkomende onder 31 Maart 1849). / / * ,
41. Indien de rechter verwerpt eene door den gedaagde voorgestelde fj?
exceptie van onbevoegdheid, met last aan partijen, om ten principale ca^
voort te procedeeren, de eischer den gedaagde met beteekening van ^.y. ^cr1 het gewezen vonnis hiertoe tegen een bepaalden dag doet oproepen, uP. laatstgemelde niet verschijnt en de zaak buiten zijne tegenwoordigheid voortgang heeft â dan stelt dit niet-verschijnen eene (stilzwijgende)
berusting in het vonnis daar.
Arr.-R. Gorinchem, v. 30 Dec. 1848, \V. no. 1013; R. R, jg. 1849,
dl. XI, p. 502â5()0 (1).
-43. Het beroej) is niet-ont vankelijk tegen een vonnis, waarbij de notaris bevoegd verklaard wordt om in rechten betaling te vorderen van mobilaire goederen, door zijn ministerie ten behoeve van derden verkocht, wanneer men zich daarna zonder reserve over de zaak ten principale heeft uitgelaten.
Arr.-R. Maastricht, v. 5 Juni 1851, W. n0. 1267.
413. Tot berusting wordt eene daad gevorderd afkomstig van hem,
wien de berusting wordt tegengeworpen.
879
1
Vgl. art. 334 B. R., arr. v. 3 Oct. 1851. sub n0. 11, (LÃon). Zie verder betrekkelijk dit punt arr. 8 Maart 18G7 sqq. sub hoc art.
Art. 334.) S80
P. II. v. Drente, van IS Dec. 1852, W. nquot;. 1602, R. R., jg. 1855, dl. V. biz. 517; on van S .Ian. -IS50, W. nquot;. 2(171. Zie ook aant. 13 op ilit artikel.
-IJ-, Hoewel het in het algemeen waar is, dat derden voor zich geene rechten kunnen ontleenen uit eene rechterlijke uitspraak, waarbij zij geene partijen zijn geweest, wordt deze regel evenwel in evenwicht gehouden door het geldende rechtsbeginsel, dat niemand bevoegd is, om zelfs tegen die derden, rechtstreeks of zijdelings op te komen tegen een vonnis waarbij aan die derden rechten zijn toegekend en waarin men heeft berust, en dat alzoo in kracht van gewijsde is gegaan.
Arr.-R. Nijmegen, v. 20 Jan. 1854, W. nn. 1515.
4.». Uit eene huuropzegging, gedaan nadat de kantonrechter zich in eene daartoe betrekkelijke actie tot ontruiming van het gehuurde onbevoegd had verklaard, kan, ondanks den schijn van berusting, welke daaruit zou kunnen worden afgeleid, als zijnde in deze de waarschijnlijkheid niet voldoende (hetgeen te meer klemt indien kort na die huuropzegging het hooger beroep is gevolgd) niet worden opgemaakt eene stilzwijgende berusting in den zin van art. 334 B. 11.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 25 April 1854, W. iiquot;. 1559.
4«. Hij, wiens conclusiën om door alle middelen rechtens, zelfs door getuigen, zekere feiten te bewijzen, zijn toegewezen, moet geacht worden in de daarop gevallen uitspraak te berusten, en is mitsdien in zijn hooger beroep tegen die uitspraak niet-ontvankelijk.
Arr.-R. Maastricht, v. 19 April 1855, R. B., jg. 1857. dl. VII. p. 90â92.
4-7. De bloote tegenwoordigheid bij de executie levert niet bewijs van berusting op.
f'. 11. v. N.-Holland, v. 30 Oct. 1850, R. li., jg. 1857. p. 378. ook vermeld sub nquot;. 5 van dit artikel.
4«. De voogd, die tot het afleggen van rekening en verantwoording is veroordeeld en tevens in zijn privé in de kosten van het proces, aan het eerstgenoemde voldoet onder reserve van zijn reclit van appèl, is ontvankelijk in zijn hooger beroep van de beslissing bctrell'ende de proceskosten.
P. II. v. Zeeland, v. 1 Dec. 1857, VV. nquot;. 1949, R. 1!., jg. 1858, p. WJ.
{Art. 334.
4-tt. Niet elke onvoorwaardelijke beteekening van een vonnis kan pp.r se als eene daad van berusting worden aangemerkt.
F1, iï. v. V-Holland, v. .iO Sept. 1858, \V. nn. 2083, waarbij beslist
werd, dat uit de beteekening van een vonnis, waarbij men ten deele
heeft getrinmfeerd, en ten deele in liet ongelijk is gesteld, geen berustinü' kan worden afgeleid.
Vergelijk in verband hiermede de navolgende beslissing:
De beteekening van een vonnis levert een vermoeden op, dat de partij zich aan de uitspraak onderwerpt.
Dat vermoeden vervalt alleen, wanneer in de akte van beteekening het recht van hooger beroep uitdrukkelijk wordt voorbehouden, of ook, wanneer het ondubbelzinnig blijkt dat de beteekening moest strekken tot eenig ander bizonder doel, waarmede de wil om zich het recht van hooger beroep voor te behouden, bestaanbaar is.
1'. 11. v. K.-Holland, v. 4- Nov. 1869. \\ . n0. 3305* verg. verder aant. 7,
oO. Wanneer de appellant in eersten aanleg op de oproeping van den geïntimeerde om den door den kantonrechter hem opgelegden suppletoiren eed af te leggen werkelijk i.s verschenen, en zich zonder protest of reserve bereid kc.efl verklaard om dien eed af te leggen en daarvan zelfs akte heeft verzocht, moet hij geacht worden in dat vonnis te hebben berust, ook al is de eed zelf achterwege gebleven, door
' 0 0 7
omstandigheden echter van zijn wil onafhankelijk.
Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Sept. 1859, R. II.. jg. 1800. blz. 02. Verg. het aangeteekende sub nquot;. 4 van dit artikel.
51. In het brengen van de zaak in zoodanigen staat, als waarin
w O 7
zij zonder toestemming van den geïntimeerde, niet anders komen kan, dan tengevolge van eene onherroepelijk gedane betaling van het ge-ëischte, kan niet anders dan berusting liggen, al heeft de appellant ook aanvankelijk zich het recht om tegen de veroordeeling op te komen, voorbehouden.
P. II. v. Z.-Holland, v. 19 Dec. 1859, VV. n . 2135.
Wanneer eene partij veroordeeld is om een door baar gelegd beslag op te heften, en zij dat doet met de uitdrukkelijke verklaring, ter voldoening aan de tegen haar uitgesproken veroordeeling, dan doet zij voorzeker eene uitdrukkelijke daad van berusting.
Mr. W. va\ Ross km Bz., Burg. Hechts». 50
Art. 334.) «82
Dit wordt niet in bet minst ontzenuwd, doordien de appellant, bij de opheffing van bet kwestieuze arrest, onmiddellijk op de vroeger gearresteerde gelden andermaal arrest gelegd beeft, te minder, wanneer gelijk in casu, de bevolen opheffing van bet arrest niet een gevolg is van een of ander gebrek in den vorm, maar van de ongegrondheid der vordering zelve, krachtens welke het beslag is gelegd.
Igt;. II. v. N.-Holland, v. ü Oct. 1859, W. n0. ±181.
ö't De berusting van eenige eiscbers in het vonnis des eersten rechters beneemt, uit hoofde van de ondeelbaarheid van het voorwerp.
crv *ââ¢
* / fr _ . ...
n ^ den anderen eiscbers de bevoegdheid niet, om van dit vonnis in hooger u ^ i,eroep te komen en het door eenigen der eischers ingesteld hooger (amp;. n° beroep komt, ingeval van vernietiging van het vonnis, wel degelijk te
/l-4'^stade aan hen, die in het vonnis hebben berust.
gjb - yquot;
V-quot; ^1'. II. v. Gelderland, v. 28 Dec. 185!). W. nquot;. 2155.
54. Door aan den rechter-commissaris bepaling van den dag te
I rgt; 0/^^ ' I quot;quot;
verzoeken tot het doen van rekening en verantwoording, waartoe zij
bij het vonnis a lt;iuu waren veroordeeld, moeten appellanten geacht
worden in deze recliteliike uitsijraak te hebben berust.
K ⢠-
^ rcsv''quot; ty p. II. v. N.-Holland, v. 5 Dec. 1861, VV. n0. 2440.
55. liet zich enkel niet inlaten met de executoriale handelingen va]l (je wederpartij is uit zijn aard niet als berusting aan te merken.
Air.-U. Amsterdam, v. 2(1 Febr. 18G2, W. n... 2392.
Cf. echter:
Waar blijkt dat het vonnis, dat niet uitvoerbaar bij voorraad is, ten uitvoer is gelegd, zonder dat de appellant zich tegen die tenuitvoerlegging heeft verzet, moet hij geacht worden te hebben berust.
1'. II. v. N.-Holland, v. 5 Dec. 1861, ut supra. â Cl. liet suli lioc art. n0. 0, vermeld arrest van 16 Mei 1845.
5ft. Waar het recht van appèl is voorbehouden, kan uit liet pro-duceeren van getuigen door eene partij tot bewijs van een feit, dat zij zelve als voor getuigenbewijs onvatbaar heeft bestreden, niet berusting worden afgeleid.
1'. II. v. Gelderland, v. 26 Juni 1862, VV. nquot;. 2391.
{Art. 834
óï De brief van ilen man aan zijn vrouw daags na de uitspraak der scheiding van tafel en bed geschreven en van den volgenden inhoud: «De Rechtbank heeft de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Volgens dat vonnis zullen ook twee onzer kinderen van elkander gescheiden worden. Om het ongeluk dier kinderen te voorkomen, en ter vermijding van verdere kostbare procedures, stel ik u voor om te Hreda te gaan wonen en uwe zorgen aan al de kinderen te gaan wijden. De voorwaarden, waarop een en ander geregeld moet worden, zullen bij vvederzijdsche welwillendheid gemakkelijk te regelen zijn. Bij acceptatie stel ik u voor enz.quot; brengt geene onvoorwaardelijke berusting in het vonnis a tjuo en afstand van het recht van hooger beroep mede.
P. H. v. N.-Holland, v. 4 Anp1. 1863, W. n». 2536.
58. Gedeeltelijke voldoening aan het vonnis, door betaling in mindering van hoofdsom, renten en kosten gedaan, zonder reserve, stelt fado berusting in het vonnis daar en maakt het appèl niet-ontvankelijk.
P. H. v. Gelderland, v. 23 Maart -1864, W. no. 2602 R. B., jg. 1865, p. 504.
A9. De referte aan quot;s rechters prudentie in eersten aanleg, na vooraf den eisch te hebben bestreden, belet niet in appèl op nieuw tegenspraak te doen.
P. II. v. Gelderland, v. 15 Juni 1864, W. nquot;. 2647; waarbij nog werd beslist, dat daarenboven i/i casu volstrekt niet van berusting sprake kan zijn, waar de latere tegenspraak berust op eerst in appèl ontvangen bescheiden.
ttO. Het zelfs, zonder de beteekening af te wachten, voldoen aan den inhoud van het vonnis zonder reserve, stelt berusting daar.
P. li. v. Limburg, v. 14 Maart 1870, VV. nquot;. 3251.
61. Wanneer bij de memorie van grieven omtrent eene der beslissingen van den rechter a ciuo (waarvan mede is geappelleerd) niets is in het midden gebracht, moet de appellant geacht worden in die beslissing te hebben berust.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1871, W. nquot;. 3373, zie daarover R. in VV. no. 3376; idem arr. P. H. v. N.-Holland, v. 26 April 1875, W. n°. 3873; of. arr. P. H. v. N.-Holland. v. 7 Mei 1857. W. nquot;. 1867.
Art. 334.) 884
«®, De berusting in eene informaliteit heeft ongetwijlekl liare gevolgen sedert de berusting, maar werkt aiet terug op te voren genieegde handelingen.
.Vrr.-R. 'sRosch. v. April -1S71. R. B.. jg. IWi. |gt;.
Handelingen gepleegd, nadat men in hooger beroep is gekomen en terwijl men dat beroep voortzet, kunnen voor de vraag naar berusting
niet in aanmerking komen.
Arr.-R. Rotterdam, v. :! Oct. 1883, W. nquot;. 4965.
«3 Ue gedaagde, die aan den last des rechters om ten principale voort te procedeeren voldoet, zonder eenig voorbehoud om op de verworpen exceptie van nietigheid der dagvaarding terug te komen, is niet-ontvankelijk om van laatstgemelde uitspraak in appèl te komen.
]gt; H. v. Groningen, v. 7 Nov. 1871. W. nquot;. .5413. R.
p 605: ide... bij venverping der exceptie van onbevoegdheul. An-.-K
Middelburg, v. 24 Jnli 1877. R. I!.. jg. 1878, .-1. p 138 Z.e ten aan.en van interlocutoire beslissingen aantt. 3 en 31 op dit art.kel.
«4. Een vonnis, waarbij eerst eene exceptie van niet-ontvankelijk-heid is verworpen, en daarna eene enquête is gelast, is eindvonnis, voor dat deel, waarbij de exceptie is afgewezen. De gedaagde, die tot uitvoering van de interlocutoire uitspraak medewerkt, moet to ip*o worden beschouwd van het appèl der op de exceptie (die van zoo peremptoiren aard is, dat, ware ze toegelaten, de gansche vordering zou zijn gevallen) gevallen eindbeslissing af te zien en m die beslissing
te berusten.
T II v /.-Holland, v. 25 Jan. 1875. W. nquot;. 3821.
Met Hof overwoog dat de voorgestelde exceptie van /.oo peretnptoiren aard was, dat wanneer die was opgegaan en de mscher niet-ontxankel K was verklaard, de eerste rechter zich niet verder met de gansche vordei n des eischers zon hebben ingelaten, en er dus ook geene mterlocnt.e /ou zijn gegeven.
«3. Berusting van den procureur in het gevolg van zijne eigene onbevoegde daad bindt de partij zelve niet.
Hof 's-Hertogenbosch. v. 30 Mei -1870, R. B., .jg. quot;1878, A, p. 138.
««. In de ten uitvoerlegging van een vonnis, voorzoover het voor-deelig is, en het appèl daarvan, voor wat de ontzegging betrek, ligt
(1/7.
niets tegenstrijdigs; zoodat uit de executie, ouder reserve viiu liet recht \au hooger beroep van dat gedeelte, waarbij men in liet ongelijk is gesteld, geene berusting kan worden afgeleid.
Hof 's-Hertogenbo.se]i. v. 7 Juli 1870, W. n0. 4018.
â¬Â»?. De rechter die bevoegd is kennis te nemen van de exceptie van berusting, is ook bevoegd te oordeelen over de middelen van verwering daartegen, en kan dus ook kennis nemen van de voor het eerst in appèl gedane vordering tot vernietiging van eene schriftelijke verklaring waaruit de berusting volgt, die als middel van verweer tegen de exceptie wordt voorgebracht.
Hof 's-Hertogenbosch, v. 5 Nov. 1878. \V. 4354.
ttS. Jlij (I ie alleen voortprocedeert met den oorspronkelijken eischer, nadat hern het verzoek tot oproeping in vrijwaring is ontzegd moet geacht worden daadwerkelijk in het vonnis, waarbij dat verzoek wordt van de hand gewezen, te hebben berust.
Ait.-R. Maastriclit, v. :lt; Jan. 1^78, VV. nquot;. 4572.
â¬Â»?gt;. Berusting kan niet worden afgeleid uit een exploit, dien inhoud behelzende, gedaan namens de commissie, die in eersten aanleg collectief gedaagde was, wanneer de leden daarvan nominatim in appèl optredende, ontkennen dat die aanzegging bij exploit namens hen is geschied.
Hof Arnhem, v. Ui Oct. 1878, H. 1!., I87it. A. |i. 41, ook vermeld sub ai't. 332 P.. R.
«O 11 oezeer een gefailleerde in het vonnis van zijne failliet verklaring, zonder zijn voorafgegaan verhoor gewezen, kan berusten, zoo mag zoodanige berusting niet lichtvaardig worden aangenomen.
Als berusting kan niet gelden de onderteekening door den gefailleerde van de door den curator opgemaakte boedelbeschrijving, wanneer de gefailleerde zelf de aanwijzing der te beschrijven goederen heeft gedaan ; en hij tot de onderteekening lichtelijk kan zijn geleid, alleen om daardoor ook zijnerzijds de door hem gedane aanwijzing te consta-teeren; hetgeen te eerder moet worden aangenomen, waar, zooals i/i cusu, de failliet bij de verzegeling verklaard heeft, dat hij door zich
SS5
Art. «â¢'U.)
rlaar niet tegen te verzetten, niet geacht wil worden in liet vonnis te berusten.
Hof Arnhem, v. 22 ,lan. 1879, W. n». 4864: verg. arr. Mof's-Graven-liage, v. 20 Juni -1882, R. R.. jg. quot;1882, R, p. 201, ten betooge .lat de failliet niet geacht kan worden in het vonnis van failliet-verklaring te hebben berust, door zonder reserve medetevverken tot de inventarisatie
31. Uit het zich onttrekken van den procureur na een interlocutoir vonnis mag niet afgeleid worden, dat de partij daarin berust.
Hof Amsterdam, v. 10 Oct. 1879. R. 1!.. jg. 1882. .1. p. 82.
De oproeping van den gedaagde bij deurwaarders-exploit, om voor den rechter-comnnssaris te verschijnen tot het alleggen der rekening, door den eischer gedaan uit kracht van een vonnis, waarbij den gedaagde bevolen is rekening en verantwoording te doen en de eischer is veroordeeld in de kosten der procedure, brengt geene berusting mede van den kant des eischers in zijne veroordeeling.
Hof 's-Hertogenboscb, v. 20 Jan. 1880, \V. nquot;. 4484.
De partij, die zich met de wederpartij in een uitvoerig debat begeeft over den invloed van het getuigenverhoor op de hoofdzaak, moet geacht worden zijn voorbehoud van appèl van het vonnis, waarbij dat verhoor is opgedragen, te hebben prijs gegeven en in die uitspraak-te hebben berust.
Hof Leeuwarden, v. 10 April 1881. \\ . nu. 408.).
34. Hij, die een interlocutoir vonnis heeft gekregen, geheel conform zijne conclusie en dat heeft uitgevoerd, kan van dat vonnis niet meer appelleeren.
Hof Leeuwarden, v. 22 Febr. 1882, W. n0. 4800.
Zie ten betooge dat hij die zich in gijzeling heeft doen stellen, zonder zich daartegen te verzetten, (art. 604] van het vonnis krachtens hetwelk de lijfsdwang is toegepast, niet meer in hooger beroep kan komen â
Jhr. Mr. 1). O. van Teumngen. in Thcrnis, 3de ver/. 1875, blz.
200 sqq.
{Art. 335.
Art. 335.
I. De bepaling van dit artikel, dat liet middel van verzet tegen cene veroordeeÃTig bij verstek is uitgesloten, indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, geldt zoowel bij onbeperkt als bij partieel appèl.
Air. v. !gt; Oct. '1874, W. nquot;. :!77C); li., dl. CVIII, § v. n. II.. dl. XXXIX, p. 514â519; waarbij het beroep in cassatie werd verworpen legen het vonnis der Arr.-R. Haarlem, v. 17 Dec. -1872, W. nquot;. 3552, waarbij bovenstaande stelling implicite werd gehuldigd, en voorts nog beslist dat wanneer de defaillant ook in hooger beroep zijne verdedigingen niet doet gelden, hij niettemin het recht van verzet tegen liet in eersten aaideg gewezen vonnis beeft verloren.
lt;5. De hier gestelde regel dat van veroordeelingen bij verstek geen hooger beroep valt voor den defaillant, geldt niet voor de op zijn verzet contradictoir tusschen partijen gewezen vonnissen.
Air. v. 14 April 1882, W. nquot;. 4708; R.. dl. CXXX. * 48; v. n. 11.. dl. XLVII, p. 332â335.
Jï. Bij de artt. 335 en 339 15. li. is het recht en de bevoegdheid van het aldaar vermeld incidenteel beroep, uitsluitend toegekend aan de partij tegen welke het hooger beroep is gericht, maar geenszins aan de mede-belanghebbenden [covsorle.s litis) van den appellant, die door dezen, uit hoofde van gemeenschappelijk belang, in hooger beroep mede zijn gedagvaard.
P. II. v. Utrecht, v. ., Jan. â¢1842, W. n». 253.
JL, Wanneer bij niet-verschijning van den opposant tegen eene ontzegeling [in cam in kort geding voor den president der Arrond -liechtb. ten gevolge van een renvooi van den kantonrechter) geen verstek door den rechter cl'ojfice is uitgesproken, maar de zaak eenvoudig op en overeenkomstig de conclusion van den geopposeerde ten principale is beslist, alsdan is de opposant (ondanks de daartegen door den geopposeerde opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid) ontvankelijk in het hooger beroep tegen zoodanig vonnis, als zijnde bij den eersten rechter geen verstek gevraagd of verleend.
I'. Tl. v. Drente, v. 17 .Tan. 1844, K. li., jg. 184quot;). ill. VII. p. 823â826(1).
(1) Dit arrest komt mij voor onjuist rc zijn ; de niet-verschijning van den opposant had m. i. de toepassing van art. 75 B- R. ten gevolge nioeten hebben, en de
/Ir/. .'i .'5 ó.)
5. Indien door den rechter a quo zijne uitspraak ten onrechte is gekwalificeenl als bij verstek te zijn gewezen, dan kan naar de bepalingen van de wet, te vinden in de artt. 333 en .335 B. R., zoodanige onjuiste kwalificatie niet aan het hooger beroep in den weg staan, en niet te weeg brengen dat tegen dat vonnis het middel van verzet zou kunnen worden aangewend.
P. II. V. Z.-Holland, v. 17 April 1844, R., dl. XIX. S W.
©. Uit deze bepaling kan niet, opgemaakt worden dat hij, die eenmaal gedaagde was, door het instellen van hooger beroep eischer wordt,
I'. II. v. N.-Holland, v. iTi Nov. 1866. W. n0. '.28112. ook vermeld snli art. 1TÃ li. R.. nquot;. 0.
S. Ook de vonnissen van verstek, waarbij eenvoudig beslist wordt dat er verstek is, zijn niet appellabel, daar zij een onafscheidelijk geheel uitmaken met de beslissingen bij verstek.
1'. II. v. Groningen, v. 28 Fe.br. 1871, W. n». 3302, R. I!.. js. 1872, p. 44. Zie over de vraag of er hooger beroep is toegelaten van den defail-lant tegen vonnissen van verstek, d. i. tegen bet verleende verstek zelf Mr. A. Oudeman. in Tijdsein', v. h. Ned. Refit, dl. IV, blz. 80 volgg.. alwaar tevens worden nagegaan de bepalingen der verschillende wetgevingen met opzicht tot hooger beroep bij verstek.
8. In 't R. li., jg. 1842, dl. IV, p. 7'I5 sqq.. wordt door S. M. betoogd op grond der verandering die art. 70 ondergaan heeft, dat door de achterhlijvendc partij in art. 335, al. 2. alleen verstaan wordt degeen. die, op de eerste dagvaarding verschenen zijnde, later wegblijft. â Df. Pinto, Ihll. Tl. //., II, 1. p. 418, schijnt dit gevoelen te deelen, (2de ed. p, 466); â anders echter bij Mr. C. M. van der Kemp, Ontiv. nt supra, p. 190 (3de druk. blz. 379). op grond, dat bet algemeene rechtsbeginsel, volgens hetwelk een ieder, die met. een beroepbaar vonnis op tegenspraak bezwaard is, daarvan in beroep kan komen, zicb tegen die opvatting verzet, â Ook Oüdeman, Tl. Jt.. 2de ed., dl. II. p, 6 en 7, (4de ed. p. 10 en M), gelooft, dat bier meer algemeen alle partijen bedoeld zijn, tegen welke dit vonnis als op tegenspraak gewezen beschouwd wordt, ofschoon zij niet in bare verdediging geboord zijn. â /ie ook Lipman.
geopposeerde van de instantie moeten zijn ontslagen. Dit nu door den rechter n //ud niet in acht genomen en ten principale recht gedaan zijnde, had de opposant nog in hooger beroep moeten zijn verklaard niet-ontvankelijk, niet op grond, gelijk door den geopposseerde in hooger heroep is aangevoerd, dat er van eene veroordeeling bij verstek geen hooger beroep valt, welke stelling in hare algemeenheid, met het oog op art, 335 15, R. niet juist is, maar uithoofde de rechter a c/uo de wet had overtreder., door ten principale recht te doen, daar waar wegens niet-verschijning van den eischer het. verval ha 1 belmoren te zijn uitgesproken, (Lióon).
SSS
(Art. 335.
Tl. 1!.. p. Hi) en irgt;(). on omtrent liet niet-;umnenielijke In jure ('unsliliicnrln,
van lt;le redenen, welke den wetgever hebben bewogen van veroordeelingen bij verstek gewezen, geen liooger beroep toe te laten (zijnde liet rekken van procedures door kwade betalers, zie v. d. Honkrt. Jhlh.. p. 384) â S. M. I. c.
-pjU-A. VTn sisuid f irf- O^rcrxjkït. (X^ cj ,
A Vt »3») 6 icct-j^j Oamp;i CM-r^o^crxiiA^. o^c^i^JL ,
o^jg) c_A-« /ti/ quot;VVv^e 4~ (s-aA- oClt;/Vvv^t-lt;_^
I. De artt. 33H en 337 B. li. in hun verband, moeten zóó worden ^ c^yr^ay^ verstaan, dat wel van een praeparatoir vonnis, al is het zonder voor-beiioud ten uitvoer ffelesrd, met het eindvomiis alsnoc: kan, en zelfs ?
1-1 T 1 , .
gelijktijdig behoort te worden gekomen in hooger beroep of in cassatie,
en dat, ofschoon ook tegen een interlocutoir vonnis te gelijk met het ^ eindvonnis kan worden opgekomen, dit echter niet plaats kan hebben,
wanneer partijen daarin, zonder voorbehoud, door ten-uitvoerlegging hebben berust. Indien de voornoemde artikelen niet in dien zin werden verstaan, dan zouden de woorden; «zonder voorbehouding enz ,quot; in ⢠het 2e lid van art 336 H R.. geenerlei beteekenis hebben.
Air. v. 10 llec. 1842, R.. dl. XIII, £ 88; v. d. H.. /?. dl. JV. ji.
128â147; idem v. 10 Maart 1843. W.'n0. 384; R., dl. XIV, § 81; v. n.
II., 1. c.. p. 420â432; idem P. II. v. N.-lirabant. v. 7 Febr. 1843, I!..
dl. XV, § 30. â Vgl. hiermede de onderscheidene beslissingen in gelijken zin o|i art. 334 B. R., sub n°. 31.
sso
3. Ook dan wanneer door den eersten rechter het vonnis, waarbij de exceptie van nulle dading was verworpen, verkeerdelijk mocht zijn beschouwd als praeparatoir, waarvan geen beroep dan gelijktijdig met het eindvonnis konde geschieden, volgt hieruit nog niet, dat de rechter verplicht was, om na de verwerping der exceptie van nulliteit der dagvaarding, door den gedaagde voorgesteld, de verlangde schorsing der zaak tot na de uitspraak in hooger beroep toe te staan, zoolang van geen werkelijk aangevangen hooger beroep door den appellant was
gebleken.
P. II. v. Zeeland, v. 28 Dec. 1841. R. li., jg. 1840, dl. VIII, p. 027-629, alwaar echter dit vonnis door den inzender wordt bestreden, op gniiid. dat volgens dozc leer, de wederpartij hot steeds in hare macht zou hebben, om de beslissingen der hoofdzaak door te drijven, wanneer de gedaagde ecne exceptie van mdle-dading heeft voorgesteld, doch daarin in het ongelijk gesteld is, en niettegenstaande deze aanstonds verklaart in hooger beroep te /.uilen konien van de verwerping zijner exceptie
t , $ Mo cJZ-, / tyeéjïZ- a^iL. ejLgt;~- }' r^-rvrvtl*
f / '
. n ' ^ ^L gt; a-____ ^ 'â ' - ! ^ ^ yi- ''' S / /^c ^c.f- ^r â - f? r . v cev-o-
/^^^ /_/ , 7/ra-f e/j-*~ lt;^7-^-/1 '/'â ' , £-9; ic.''/gt;£'/i. .
Arl. ;5;ifi.) 890
dat, wel is waar, deze verklaring sleclits een voornemen aanduidt, waarvan de uitvoering geheel aan den veroordeelde vrij hlijft, doch /.niks niet helet, dat â vermits geen pleiter in staat is, om in dezelfde terechtzitting, waarin eene door hem voorgestelde dilatoire exceptie wordt verworpen, eene akte van appèl te produceeren van het zoo even gewezen vonnis, â¢â de rechter hern zijn verzoek tot nitstel behoort toe te staan, en hem een uitstel van minstens 14 dagen te verleenen, uit hoofde van art. 342 li. R.
3. Zie omtrent praeparatoire vonnissen, waartegen het hooger beroep niet openstaat dan te gelijk met het eindvonnis â de beslissingen vermeld op art. 40 li. R.. sub nis. 2, fgt;, 22, 24 en 27, â en omtrent hetgeen in het algemeen moet worden gehouden voor eind, interlocutoir en praeparatoir vonnis â de overige beslissingen, aangehaald op art. 46, mitsgaders die op art. 06 B. U. Zie ook ten betooge dat de aard van het vonnis alleen uit het dispositief moet worden opgemaakt, arr. v. 28 Febr. ISOS. VV. nquot;. 2995, R., dl. LXXXVill, § 20.
-I-. Het vonnis, waarbij aan den eischer zijne ingestelde vordering wordt toegewezen, mits hij een bij dat vonnis omschreven eed zwere. tevens met bepaling, dat, indien hij dien eed niet aflegt, hem alsdan zijn eisch en genomen conclusie wordt ontzegd, is een eindvonnis, vatbaar voor hooger beroep.
I'. II. v. N.-Holland, v. 2(1 Maart 1850, It. 1!.. jg. 1857. hl. 244â245; verg. arr. I I Mei 1855 sqq. suh art. 40 li. II.
⢠~ a ^ i , o o -y
^ . . r^rr-n^^/- *All' 'J'il.
^ocA-^v0^ r
y I. Partijen die gebruik willen maken van de hevoegdbeid om van jj. fcffj.rA-t- het interlocutoir vonnis in hooger beroep te komen, vóórdat het eind-^vonnis geslagen is, worden noodwendig daarin door de al of niet tquot; appellabiliteit vaii dat eindvonnis beperkt, en bestaan er in dit geval
e â geene redenen om de appellabiliteit van het interlocutoir gewijsde óJ. fibeo vrln 'le'' e'IulV0,,nis afhankelijk te doen zijn.
^ 1'. II. v. N.-lirahant. v. 17 Nov. 1840. If., ril. VI, S- 22.
18. Het appèl van een interlocutoir vonnis na het eindvonnis is niet meer ontvankelijk, wanneer drie maanden na de beteekening van het interlocutoir vonnis verloopen zijn.
Arr.-H. Assen. v. 23 Oct. 1843, VV. nquot;. 457; idem I'. II. v. Gelderland, v. 8 Mei 1844. W. nquot;. 750 (onder bet jaartal 1840); U. 1!., dl. VUT, p. 077â08*1; Rcgt in Ncderl., dl. IV, p. '187âquot;191 ; idem l'. H. v. /..-Holland, V. 22 Febr. 1853, W. nquot;, 1417; idem in de O,.»,, en Meel., dl. 1. p. 213
- ^J!ty£ amp;cJrC2_ «()] cA 9^^(\ii, ;5;37.2^ ^
â217; ÃUDKMAN. /gt;'. /â¢'.. 2de cd., dl. II. |). 4 on 5, Ide od. p. 8 on !gt;: 'y amp;/? P
i»e I 'into, //lt;//. 11. /i.. II, i, p. 421â424, 2de ed. p. 470 sqq.: idem door /
ilon IIoog!. des Amorif, v. ii. IIokven, Rcr/f.sr/. (gt;iisi. 1852. |gt;. 64â71. be-strijdende daarbij de tegenovergestelde mcening van Mr. .1. G. A. Fa der In de Nedcrl. .hiarh, voor llefitsr/. r,ii Welf/., ju. '1850, |i. 659â676. welke laatste ook aangenomen is liij vonnis van de Arr.-K. Amsterdam, v. H Juli 1843, W. nquot;. 423; R. 1!.. Jg. 1844. dl. VI, p. 134â138. â Voormelde Iloogl.
heeft daarbij ten slotte doen uitkomen dat on/e wetgever, nog dnklelijhor dan de Fransche, interlocutoire vonnissen, als een op zich zelf staand Uentis, van de jtritejiarntuire lieeft willen afscheiden, zoodat bij ons, imi/
minder dan onder de interpretatie van den Franschen Code, datgene wat in art. 336 over den termijn van appèl bij iirdcparcitnirr vonnissen gezegd wordt, op interlocutoire vonnissen mag worden overgebracht, terwijl de leer van Mr. I aiif.k vooral op de tegenovergestelde meening schijnt gebouwd te zijn. â Cf. art. 336 I!. R., sub nquot;. 1.
In denzelfden zin nog Pigeau. II. lit; HerriatâSt.-Puix 290; Meki.in.
Itêp.: in voce «Interlocutoir» n0. 3, en (Ju. de druii eod. § 2, n°. 7.
Carré, (Brussel 1849) ()u. 1629, die vroeger evenwel eene andere meening was toegedaan; de Pinto, W. nquot;. 1968 die met nadruk het na te melden arrest van den II. R. bestrijdt, en betoogt dat het duidelijk is, dat alhoewel het appèl van een interlocutoir ook na het eindvonnis kan worden ingesteld, dit hooger beroep ondergeschikt is aan de algemeene voorwaarden waarvan de wet de beroepbaarheid afhankelijk maakt. Daarenboven in art. 336 wordt alleen voor praeparatoire eene uitzondering maakt niet voor interlocutoire vonnissen.
Anders: arr. II. R. v. 7 Mei 1858, W. n0.1957; R., dl. LIX, §20; v. u.
11., B. 7?., dl. XXII, blz. 231; op grond dat in het tegenovergestelde geval.
zoo ooit. slechts zelden van de bevoegdheid om tegelijk met het eindvonnis van het interlocutoir te appelleeren zou kunnen gebruik gemaakt worden, en dus de beteekening van het eind-vonnis moet worden aange- â
merkt als de aanvangstermijn ook voor liet beroep van het interlocutoir ftV,
vonnis te zijn. Idem arr. v. 8 Dec. 1865. AV. nquot;. 2752, R.. dl. LXXXI. , ' /. / § 32; v. ii. H., Tt. I!.. dl. XXX. p. 107â126; cf. P. II. v. Utrecht, v. ^ ^ a
2/ Juni 1859, AV. n0. 2085, en van 8 Feb. 1869. W. n '. 3113; idem Hof '' ^ quot;// ' * ^ Arnhem, v. 13 Dec. 1876, R. H.. jg. 1877. A. p. 24. W. nquot;. 4067, Zie StPoó de bestrijding van de leer der arresten van den II. R. in W. nquot;. 1984 en 'rijdsch. v. 11.. dl. IV, p. 88 sqq. â Idem P. H. v. Zeeland.
v. 6 Dec. 1864. R. B., jg. 1865. p. 766.
3. Bij eene (in specie) stilzwijgende afwijzing eener incidenteele vordering tot getuigen bewijs bij interlocutoir vonnis, is men, zonder éw-
het instellen van liet hooger beroep tegen het interlocutoir, in liet appèl tegen het eindvonnis (ook dan wanneer het eigenlijk meer tegen 'jnA^h^c'c' het interlocutoir was gericht) ontvankelijk, vermits de rechter (volgens den regel: quot;Vinterlocutoire ne lie pas Ie juge) bevoegd is daarop nog bij eindvonnis recht te doen. i^ïhL./ ***â
ya^y~ /^00, ytyS/.
^9-^ j Y f - Q. 4-r t t---- Ol «- ' ^ lt;2 quot;~~a-^ -----l * Q 4~*-* ff « ^
ci cr-rr-yquot; U. 0. tr et-tgt;~irv ? * L lt;--
X.Q O P-lt;T~ ^ ' y '
r Lây C-_ (2» 9.'â-cfâe oA O- ^ 9. rLyiâ*j-â¬. a-P r/quot;£ rt lt;_ 2--j crx^ -*
_ 0 '
J2 SL~ï/y^' _____( 4- lt;*â fl fl a.st. --»
cy~i/~xrx^------1 .
4 TS7r-gt;^i^iïamp; '£srz^*3AjL^.amp;-^, atjnJt^T^^sZx/^-
r/^atsC oy^^f J!*
^ ^/*-lt;_gt;«.(.l;7. SST .S-a^v
s\dS ^ . Si
T
i
fit* . IT 'lt;fo , OJ. quot; 5~TSgt;95 .
QJZ^s^
^ f ^â amp;~. g37lt;*-£- z. ?amp;*-
â'-lt;2^ 4â C~^Tf~Z^C -â *SO ^ -7y^
a^_ö_e^.c*r_Jâcy ------- ⢠/SV
Aii. 337.) C «02
'?â. Zfy A£ K' ?yf?-
/ / Arr'.-lï. ÃNijriio^en, v. I'i Aiijï. 18rgt;(l. VV. nquot;. I IOO; I!. 1!.. jg. 1852. dl.
.-^r'^rS' u- \|| p ii7-i gt;q(I. â Cf. art. 4Ã 1!. R., sub nquot;. 5.
SUor-C quot;O()oer heri)(;P van het interlocutoir vonnis fca?t wèl ingesteld
quot;'orden vóór het eindvonnis, maar dit voorschrift is geenszins gebiedend.
P. II. V. Drente, v. 18 Dec. 1852. R. li., jjr. -1855, dl. V, blz. 517; W. fa / iiquot;. 1002; idem P. II. v. L'treclit. v. 5 Oct. 1868, vermeld sub art. 3')9 1!. R.
i^xs, ^ j[e(. beroep tegen een interlocutoir vonnis is niet ontvankelijk,
wanneer de grieven, tegen dat vonnis aangevoerd, kunnen worden /a ^ aangemerkt als zoovele grieven tegen het eindvonnis, waarvan mede is
gea|)[)elleerd en de appellant bij bet beroep van het interlocutoir geen
/j/ gt;~s .
rechtsbelanff kan hebben.
'ÃÃLo- 0
turquot;'ti'X - p. II, v. Drente, v. 28 Ndv. 1857, W. uquot;. 213ti.
i* |n geVal, bij appèl van de eindbeslissing, tevens is geappelleerd jtrur#. vall een interlocutoir vonnis //voor zoover dit nuttig of noodig mocht
blij ken te zijnquot; moet, indien de rechter in appèl ontdekt, dat zulks lt;_â -'r4â (gelijk in cam) noch nuttig, noch noodig was, de appellant geacht s'ocf~a-'~ worden van het interlocutoir niet te zijn in hooger beroep gekomen. 7lt;U^rv va*AM*J ,, || v K.-llollaml. v. i Oct. i8(W. W. nquot;. '254().
* De bepaling van de eerste alinea van dit artikel bevestigt den regel, dat het booger beroep van een interlocutoir tegelijk met het /i^O booger beroep van het eindvonnis kan worden ingesteld
P. H. v. ütreclit. v. Oct. 18G8. II. li., jii*. 1878. p. ^4(gt;. ook vermeld
L~^; 339,!-l!
J H. Het is in strijd met eene geregelde proces-orde, om, in de
9? tl*
7 instantie van appèl van een interlocutoir vonnis, zij bet dan ook
onder den schijn van verbetering van een vergissing, een getuigenverhoor toetestaan tot het leveren van bewijs van daadzaken, die pertinent en concludent kunnen zijn voor de beslissing van de zaak ten principale, maar niet voor die van de incidenteele vordering des oor-spronkelijken eischers
I'. M. v. /.eeland. v. ly Nov. 1872. li. I!.. jg. 1873. p. 5ü2.
|
Wanneer door bezwaar tegen appellant van een interlocutoir vonnis geen dictum van dat vonnis wordt aangevoerd. den bet » enkel |
moot zijn appèl tegen dit vonnis geacht worden ongegrond te zijn en
('-Tf j t/âty
het vonnis worden bevestigd. '
I'. II. v. Gelderland, v. li Jan. IST'i. W. nn. 375S.
10. De bepaling van dit artikel is algemeen en onderscheidt niet,
wanneer gedurende den loop van het rechtsgeding ten principale het appèl van het interlocutoir vonnis kan worden ingesteld, en zondert ook het geval niet uit, dat het interlocutoir aanvankelijk is ten uitvoer gelegd, mits men in de uitspraak niet hehbe berust. ' '
I'. II. v. Groningen, v. 2() Jan. IS?.quot;!. W. nquot;. H84G. De berusting werd gt;«' ;
in casn niet aangenomen, oji grond van de uitdrukkelijke reserve van liet recht van appèl bij de ten uitvoerlegging gemaakt. Cf. arr. !lof -/ ⢠/o/y U/'. Tjeenwarden, '22 Fehr. 1882. sub art. 3.'M li. U. 6 quot; ^
11. w anneer de Rechtbank bij het vonnis, waarbij twee zakenc^r
worden gevoegd, verklaart dat die uitspraak geschiedt alvorens ten â ^
principale recht te doen, moet die verklaring geacht worden de beide 7 ^ e
vorderingen te betreften, zij het ook dat de meening door den rechter -J ,
⢠0 Hrf-
is kenbaar gemaakt, dat de eene vordering als ongegrond is te be- . . . .
schouwen. Een zoodanig vonnis is ook ten aanzien van laatstgemekle /,
vordering eene interlocutoire uitspraak en vatbaar voor appèl. ^v d'f/,
/ â¢' y' 9
P II- V. N. Holland, v. 14 Oct.. IS7:gt;. W. nquot;. 3022. I!. B.. jg. 1877. â '
r. v**.
. 1. p. 78.
18. In W. n°. 1721 wordt door Mr. II. Vehloren gewezen op liet groot verlies van tijd en kosten, welke uit de bepaling van art. 337 al. 1 voortvloeit.
De schrijver geeft den wensch te kennen, dat bij eene herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het beginsel mocht worden aangenomen, dat het hooger beroep tegen voorbereidende vonnissen niet anders kan worden ingesteld dan gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis. Dat beginsel is gehuldigd in het Ontwerp-Wetboek Burg. Recbtv. '1805. 111e Boek. -ie Titel,
art. 5, lilz. 54 en '182.
i:lt; Zie omtrent de ratio leyis van art. 337 H. II. (het kunnen bezwaard zijn door een préjngé), en ten hetooge, dat dit artikel in strijd is met de leer, ((.que VinterlocAitoirc nv lie pas Ic jiKjet), enz. â een vertoog van J. V . in t VV. n0. 1428.
/ AtAL, f . s ⢠*
. iL/'i sti* r* 'e y ^ C*. /Vt ('rf-rL.^2rT-riy~
f -S-t /Csxii faxt- r'ré. ^
r ⢠' / /7 f
f ' f '*'gt; * ' * -i-' tst s ^.é£-1,1â j/t ^ ^
-74'' ntfy (?.
Æ
tâlt;-«? iXi U . o» ^ ^ 'c *^0^ C -wo tg -v-T- ^CJ-TrjS
2. U^r-O-, 73 !'0JZ , 11-° gt;amp;â
Art 3.38). 894
yl/V 338.
I. Dit artikel is alleen geschreven om te voorkomen dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep door de belanghebbende partij in eiken stand van het geding zou kunnen worden opgeworpen. Vermits al zoo dit artikel alleen voor partijen en niet voor den rechter is geschreven, zoo ontheft het dezen laatste niet van zijne verplichtingen, om zich ambtshalve onbevoegd te verklaren in hooger beroep kennis te nemen van eene zaak, die volgens de wet F â¢, 'nc-'kz'* op de Recht. Org. in hoogste instantie is gewezen /ook wanneer de cit geïntimeerde daartoe niet heeft geconcludeerd.
w, (ynU. ï'iCj Arr. v. O Maart 1857, W. nquot;. 1830, R., dl. I.V. ij ;iS; v. n. Ilâ B. II..
y j__ dl. XXI, p. quot;ISFȉ'108; bevestigende arr. P. H. v. Gelderland, v. 2 April
^ 1850, W. n0. 1777, R., dl. l.IV, § 02, idem v. 13 Nov. 1803, W. nquot;.2530, f A R., dl. LXXV, § 20; v. n. H.. li. dl. XXVIII, p. 85â1(11, v. 17 Mei
1800, W. n». 2810, R., dl. LXXX111. § 9, v. n. 11., 11. It., dl. XXX. 4 âju-s [gt;. 380â395, alle beslissingen in sti'ijd met het gevoelen van het
Openbaar Ministerie liij den Hoogen Raad; idem arr. v. 14 Dec. 1883.
quot; '' W. n0. 4985, v. 22 Febr. 1883, R., dl. CXXX11I. p. 185; implicüe bij yxCaL '' 't'*J arr. II. R. v. 13 April 1855, W. n0. 1072, en arr. v. 5 Jlei 1805, W. ^ {_ c}lt;L~~*T'~ay n0. 2091 ; idem irnplicitc P. II. v. N.-Pirabant, v. 8 April 1850, W. n0.
7 1940. Idem Arr.-R. Amersfoort, v. 5 Jan. 1802, R. H.. jg, 1804, dl. XIV,
M- blz, 315, bij welllt; vonnis werd beslist (in tegenstelling van de meening
quot;W? van het Openb. Min. bij den H. li., zie de conclusie van Mr. Gregory, f' V nMW m l'- jg- 1865, blz. 399 en in W. n0. 2091) dat de exceptie van
onbevoegdheid moet worden onderscheiden van die van niet-ontvankelijk-heid in appèl; dat bij art. 338 jreen sprake is van de eerste, maaralleen van de laatste, die steunen kan op berusting, verloop van den termijn, of op eenige andere oorzaak, waardoor de bestaan hébhendc bevoegdheid nm te appelleeren is teniet gepjaan; idem P. H. v. N.-Holland, v. 11 Sept. 1845, R. I!.. jg. 1840. dl. VIII, p. 263â205; R., dl. XXXI. § 99; idem in de conclusie van den proc.-geu. bij quot;t P. H. v. Z.-Holland, en implicite bij het daartoe betrekkelijk arrest van dit Hof v. 2 Nov. 1853, VV. n0. 1488; idem Pf.nnint;, ad art., bestrijdende de tegenovergestelde leei', voorgestaan door me Pinto, Iftll. B. It.. II, 1, p. 284, (2de ed. pag. 300), en welke is verdedigd, behalve door het Openb. Min, bij den 11. R., in Rcr/lxi/. Adv., 5de verz. blz. 101â104 en door Oudeman, het Ned. Wclh. r. B. Ilr.. (4de ed.), II, blz. 23 en 24, hoofdzakelijk op grond, dat uit de geschiedenis blijkt de bedoeling des wetgevers om in dit artikel alle excepties, en dus ook die van onbevoegdheid ratione materiae te begrijpen, en dat, al is die exceptie van openbare orde, de wet echter in sommige gevallen aan de geding-voerende partijen vergunnen kan van de regelen daartoe betrekkelijk af te wijken, zooals zij in art. 43 R. O. en 157 B. R., alsook in dit artikel gedaan heeft-terwijl de tegenovergestelde leer onvereenigbaar is met bet voorschrift
{Art. 338.
van dit artikel, dat de exceptie moet worden voorgesteld vóór alle weren van rechten, vermits, als de rechter ambtshalve de exceptie zou moeten toepassen, hij wel a fortiori er op zou moeten letten, als zij bij latere conclusie of pleidooi werd aangevoerd. Verg. mede A. O. in O/nu. en Mi /I., dl. VII, p. 308 en 309. â De leer van den 11. R. wordt verder bestreden door v. 1!. F., in R. I!., jg. 1864-, lilz. 3'1S sqq. en in R. B. Jj;'. '1805, blz. 400, alsmede door S., in W. n0. 2544. In jiirr cuuaUhumdu is de leer van den 11. R. aangenomen in het Ontw. in '1805 der 2de Karner aangeboden.
2. De toepasselijkheid der als geschonden voorgestelde artt. ]54 tot en met 161 en 338 B. R. vervalt, wanneer het Hof noch den eersten rechter, noch zich zelt' heeft verklaard onbevoegd om kennis te nemen van het onderwerpelijk geding, noch den eischer verklaard heeft niet-ontvankelijk in zijn hooger beroep.
Air. v. 29 Juni 1800, W. n°. 2182; v. n. II.. II. II.. dl. XXIV. p. 250â203; 11., dl. LX V, § 22.
3. De rechter mag de niet-ontvankelijkheid van liet appèl uit hoofde van planum litis consortium, niet onderzoeken, indien daartoe bij het slot der conclusie niet is geconcludeerd.
Aim*, (koloniaal appèl) v. 6 Maart i8()8. W. n0. 2993.
4L Dit artikel bepaalt wel, dat hij, die mocht beweren, dat eene zaak niet vatbaar is voor hooger beroep, de exceptie van niet-ontvankelijkheid, daartoe strekkende, zal moeten instellen vóór alle andere weren van rechten en niet verplicht is zich, hangende dat geschil, uit te laten over de zaak zelve; doch van de bevoegdheid is geen gebruik gemaakt door den geïntimeerde, die dus concludeert: //dat het den llove moge behagen, den appellant in zijn appèl te verklaren niet-ontvankelijk of wel hem den eisch in appèl te ontzeggen.quot;
Air. v. 20 Jan. 1872, W.nquot;. 3433; v. n. II., dl. XXXVI, p. 371â390.
5. De exceptie van niet-ontvankelijkheid in appèl kan niet meer door den geïntimeerde worden voorgesteld, nadat hij reeds bij akte den appellant heeft gesommeerd om in de zaak, zooals die in appèl aanhangig is, en dus ten principale, ter audientie conclusie te nemen en tot het gewijsde voort te procedeeren.
P. II. V. Holland, V. 19 Febr. 1840. R., dl. IN. § 00.
Zie ecliter navolgende beslissing:
Wanneer geïntimeerde zich, bij constitutie van procureur, uitdruk-
890
Art. :m.)
kelijk nlle exceptiën en weren heeft voorbehouden en avenir hebbende gegeven om voort te procedeeren en te concluderen, de appellant heeft geconcludeerd, waarna door den geïntimeerde is geantwoord en daarbij onmiddellijk de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het appèl op grond van berusting is voorgesteld, dan moet hij, geïntimeerde geacht worden zijne exceptie tijdig te hebben opgeworpen en dus ontvankelijk worden verklaard, vermits hij in deze summiere zaak bij de eerste hein voorkomende gelegenheid zijne exceptie heeft opgeworpen.
P. II. v. Z.-l[rilland, v, IS Mei 1857, W. nu. 18(12, I!.. dl. LXV. S; 57.
©. In de woorden, vervat in art. 338 H. R., '/dat de excipient niet verplicht is, zich hangende liet geschil over de zaak zelve uit te laten,quot; ligt, ook met het oog op art 160, al 2, 3 en 4 15, R., de bedoeling des wetgevers opgesloten, dat de excipient het vermogen heeft bij zijne gestelde exceptie, met uitsluiting van alle andere weren van rechten te verblijven, waarom in dat geval zijne wederpartij hem niet kan verplichten of noodzaken, om zich met de verdediging ten principale in te laten. Meergemelde woorden sluiten echter des excipients keuze, om de exceptie met de defensie ten principale te vereenigen, niet alleen niet uit, maar veeleer in zich,
Arr,-R, Leeuwarden, v, :gt;l Jan, 1843, W, nquot;, 39(i; idem Penning, ad art,; idem Hof 's Bosch, v, 3fl Mei '1871), R, R,, jg, 1878, A, p. ISS; idem air. Hof Amsterdam, v, 18 April 1877, R, B., jg. tSSS, A. p. 10'i, waarbij is beslist dat de bevoegdheid bestaat, om op de exceptie van niet-ontvankelijkheid een conclusie op de zaak zelve te doen volgen, â Cf, bet sub art, !)li B, R,. n°, li, vermelde arr, v, 't P, H. v, N,-Brabant, v, 1 Maart 1858 en art. 155 li. R,, vonnis van ile Arr.-R, Amsterdam, v, 7 Oct. 1844 sqq., snb nquot;. 10,
S. De appellant kan, wanneer de geïntimeerde zijn aan den appellant tegengeworpen middel van niet-ontvankelijkheid te gelijk met de zaak ten principale bij conclusie heeft voorgedragen, niet vorderen, dat de rechter eerst afzonderlijk en afgescheiden van de hoofdzaak over dat middel van niet-ontvankelijkheid zal beslissen,
P, 11, v, Groningen, v, 18 Nov, 1849. R. B,, jg, 1851 p, 296â802,
S. Bij gelijktijdige appellen van een vonnis over de camp;niie.judicatum. sold en van een vonnis over de hoofdzaak, moet bij het opwerpen der exceptie van niet-ontvankelijkheid, met betrekking tot eerstgenield
[Art. 338.
vonnis, zonder dat de geïntimeerde zich op de hoofdzaak heeft uitgelaten, het ééne van het andere worden afgescheiden.
II. v. N.-Holland, v. quot;12 Sept. 1850, W. nquot;. 1159; Ahitslcril. Ueytsiir. dl. 1, )). 95â99.
De bevoegdheid tot het instellen van een incidenteel appèl kan alleen door dengene, wiens rechten daardoor zouden kunnen geschonden zijn d. i. door den mede-geïntimeerde, en niet door eene andere partij betwist worden.
De principaal appellant, wiens rechten daardoor niet geschonden zijn, kan zich alzoo van deze exceptie van niet-ontvankelijkheid niet bedienen.
1'. II. v. N.-Holland, v. 10 Fel.r. 1859, VV. n». ±li5.
IO Eene referte aan 's rechters oordeel omtrent de vraag, of een appellant in zijn appèl ontvankelijk is, kan niet in de plaats treden van de daartoe strekkende, vóór alle andere weren van rechten in te stellen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
1'. II. v. N.-Holland, v. üt! Juni LSliS, W. u0. 2447.
41 Met afleggen van een ambtshalve opgelegden eed en in het algemeen de uitvoering, aan een vonnis gegeven door de partij , die het heeft verkregen, uok zelfs eer dat de wederpartij heeft geappelleerd, brengt op zich zelf niet diens niet-ontvankelijkheid van het latei-gedaan appèl te weeg.
1'. II. v. N.-Holland, v. 19 Oct. 1808, W. n0. H()7(i.
Art. 339.
4. Wanneer een punt, hetwelk tot de litigieuse onderwerpen behoorde, waaromtrent des rechters uitspraak in eerste instantie was gevraagd [lh cam de lijfsdwang), door den eersten rechter niet is afgewezen, maar hij verzuimd had daarop uitspraak te doen, dan kan zoodanig punt, door den verweerder in appèl, zonder incidenteel appèl van zijne zijde, op nieuw in de instantie van hooger beroep in lite gebracht worden. De vordering, welke hij alsdan daaromtrent doet, is niet anders te beschouwen dan als de herhaling van de vroegere.
S97
r
19^
- a -^ â
IfXamp;Zim. ».. * m , a. - a
/amp;?tc*yjamp;tP/- ^ quot;⢠v- Zeeland, v. iO Jan. 1847, on vonnis van do Arr.- 's liap:e, v.
0 ^ 0 Juni 4853.
8. Met incidenteel appèl is niet bestaanbaar tegen mede-geïntimeerden
Arr. v. 21 Mei 18/i7, W. n* 821; v. d. II., /?. /»'., dl. IX, p. 57â()0;
idem bij arr. v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 14 Jan. 1844, R. B., jg'. 1844.
dl. VI, p. 205â272 en v. 2 Oct. 1845. W. n0. 942; hij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Oct. 1844. R. R, jg. 1845, dl. VII. p. 37 en 38; bij arr. van quot;t P. H. v. Gelderland, v. 15 Oct. 1845, W. n0. 680 en v. 12 Maart 1851, W. n0. 1240; R. B.. jg. 1852, p. 403 â416, bij welke beide laatste arresten is l)eslist, dat, hoe algemeen ook de bewoordingen van art. 339, al. 2 B. R. mogen zijn. in ieder geval die woorden zelve aan-t.oonen dat bet incidenteel appèl door een gedaagde in booger bei'oep alleen kan worden gericht tegen zijne wederpartij, dat is tegen den appellant, naardien bet moet worden ingesteld, of bij scbriftnnr van antwoord.
volgens art. 347 j0. art. 143 B. R. aan den eischer in booger beroep te beteekenen, öf bij eenvoudige akte, aan den procureur zijner wederpartij, den appellant, te beteekenen, en door den wetgever alzoo niet eens aan een geïntimeerde het middel wordt aan de band gedaan, om incidenteel appèl jegens een mede-geïntimeerde in te stellen, en deze woordelijke uitlegging van art. 330 B. R. volkomen overeenstemt met de beginselen der rechtspleging, daar toch bet incidenteel appèl eigenlijk een gevolg is van, en een verdedigingsmiddel tegen liet principnal appèl, en mitsdien alléén kan worden gericht tegen hem, die in booger beroep is gekomen en de vernietiging van bet vonnis vordert en geenszins tegen hem die in de uitspraak heeft bernst, terwijl, naar Inid van het arr. v. 12 Maart 1851. bet incidenteel appèl door den wetgever met eene reconventionele vordering wordt gelijk gesteld. â In gelijken zin bij Oudeman. 7». pi -dl. II, 4de editie p. 17: bij arrest van het Hof van Bonrges, v. 12 Febr.
'1823, bij Sikev. Tom. XXTII. 2, 328; Dam.oz, .hirlsitntrlnia' dti \f.\
sircle, voce Appel, sect. 0, p. 160 (Brnss. ed.); Caiire, op art. 443,
n0. 1573. en de aldaar aangehaalde redenaars van bet gouvernement.
Bigot de Prkamenei', en van het tribunaat Aebisson, en arrest van het Hof van Rennes, v. 10 Nov. 1810; â anders en in strijd met bet gezag der voorin, rechtsgeleerden en gewijsden, wordt bet tegendeel geleerd;
1°. door de Pinto, If'll. B. II, 1, }gt;. 420 en 421. (2de ed. p. 468),
met een beroep o|gt; den regel: farorcs ampHandi. en een arrest van het voormalig Hoog (lercchtsbof te 's llage, bij van HamEi.SVET.d, (tcu\^
verz. 1823, 1, 20â30, en 2°. in de Hcytsu. A dr., dl. I, p. 136â138, op grond, dat geen uitdrukkelijk verbod in de wet is opgenomen, dat een gedaagde in beroep belet van zijne incidenteel beroep tegen een medegedaagde in beroep in te stellen, en de eenige wetsbepaling, waarop men dit beweren doet rusten, een volkomen stilzwijgen omtrent deze vraag bewaart, ja zelfs, door bare algemeene bewoordingen, geene beperking schijnt te hebben willen toelaten, terwijl in allen gevalle, al mochten de woorden dier bepaling (art. 339 B. R.. art. 443 Code de Pr. Civ.) in te-
[Art. 339.
^«mlcel srliijrien nieor in het tegenovergestelde systeem te zijn neder-ceschreven, dan nog, in duhio, en zoo lang znlks niet boven allen mogelijken twijfel zou verheven zijn, eene tegenovergestelde uitlegging zou moeten worden verkozen, om den regel: «Ic.r iwu itn interpretanda est. ut fit, nhsvrda, sed ut ritio careal.* De berusting van den gedaagde in beroep moet, volgens bet advies, geacht worden alleen gegrond te zijn op zijn verlangen, dat het vonnis zoodanig blijven zal, als het door den rechter is uitgesproken; maar zoodra het door een principaal appèl voor vernietiging wordt vatbaar gemaakt, treedt hij wederom in zijn natuurlijk recht, om zijne bizondere belangen tegen elke der partijen, en dus ook tegen mede-geïntimeerden, te doen gelden. â Kenigzins in overeenstemming met dit laatste, althans vmplicitc, is beslist bij arr. van ( 1'. II. v. N.-Brabant, v. 15 Sept. 1840, W. nquot;. 294; R., dl. V, § 64, dat de wettige oproeping van mede-geïntimeerden niet kunnende daarstellen (oven als in cas van praescriptie) eenige interruptie ten aanzien van een niet opgeroepene, er uit de tijdige dagvaarding der mede-geïntimeerden a'eene geldige argumenten zijn te ontleenen, om de dagvaarding â welke aan een der geïntimeerden eerst na den bepaalden termijn, doch urn op denzelfden dag met de overigen in rechten te verschijnen, is geëxploiteerd, â als insgelijks tempore utili geschied te beschouwen, met dat gevolg, dat het recht van laatstgemelden door de res judicata geboren, hem niet kan worden ontnomen door eene zoogenaamde drclaration en ment. eomini'n. â Vgl. art. 68 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1846, sub nquot;. '12; art. '137 B. R. vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 10 Nov. 1843 sqq., nA. 1 ; art. 159 B. R , arr. v. 21 Maart 1845 sqq., sub nquot;. I; art. 250 B. 1!.. vonnis v. de Arr.-R. 's Ilage, v. 19 Maart 1847, art. 285 B. R., arr. van 't P. 11. v. N.-Brabant, v. 15 Sept. 1840, art. 286 B. R., arr. v. 21 Mei 1847, en art. 344 B. R.. arr. van 't Hof v. Holland, v. 4 Nov. 1840.
tï. üe oorspronkelijk eischer, wiens subsidiaire vordering is toegewezen, is in hooger beroep ontvankelijk in zijn incidenteel appèl wegens het niet toewijzen zijner primaire vordering.
899
Arr. v. 26 Oct. 1849. W. nquot;. 1068, R.. dl. XXXIII. § 40; v. n. H.. Æ?. R., dl. XI, p. 44â64; idem bij arr. van quot;t P. H. v. Z.-Holland, v. 28 Mei 1845, W. n-. 652; R. B., 'jg. 1845, dl. VIL p. 574; R., dl. XXIII, p. 84, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 24 April 1844. R.. ut supra. â In gelijken zin Carrk ad art. i44 C. de Pr. Civ.. n0. 1584; Meri.in, liep v. napdesccment, § 6, t. I, 134 en voornamelijk BerriatâSt.-Prix, tit. IV, de raequicsc, p. 363 not. 12. â Vgl. ook ten aanzien van quot;t arr. v. 26 Oct. 1849, bet daartoe betrekkelijk arr. van 't P. H. v. N.-Holland. v. 18 Jan. 1849, R. B.. jg. 1849, dl. XI. p. 94â96, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Dec. 1847, VV. nquot;. 944; R. B., jg. 1848, dl. X, p. 25â30. Verg. arr. v. 28 Febr 1862 sqq. en arr. v. 11 Juni 1880 sqq., beide vermeld sub art. 334 B. R.
liet incidenteel hooger beroep, hetwelk wordt ingesteld door den
Art. 339.)
gedaagde in beroep, of bij zijne schriftuur van antwoord, of bij eeue eenvoudige akte van procureur, is slechts eeue incidenteele vordering ter gelegenheid van het principaal beroep, en daardoor wordt (jeene afzonderlijke instantie gevormd. De derde alinea van dit artikel zou ten eenemnale overbodig zijn, indien het incidenteel beroep eene op zich zelve staande instantie deed ontstaan.
Air. v. 20 April 1855, VV. nquot;. 1638; H., dl. L, § 1 'i; v. d. II.. fl. II..
dl. XIX, p. 248â257. waarbij op die gronden werd beslist dat door liet afzien van liet incidenteel beroep, geen afstand van eene instantie wordt gedaan, maar alleen van een middel van verdediging.
ö. Eene handeling, welke, als een ondubbelzinnig bewijs van berusting in het vonnis, het instellen van het principaal hooger beroep zou afsnijden, verhindert daarentegen het incidenteel appèl niet.
Arr. v. 11 Mei 1855, W. n0. 1647; R.. dl. L, 21; v. n. 1!.. II. II..
dl. XIX. p. 294â304, vernietigende P. II. v. N.-Holland, v. 18 Mei 1854. W. n0. 1555: de llooge Raad besliste dat het er dus niets tue afdoet, of de beteekening van bet vonnis door eenige daden van executie is gevolgd; in denzelfden zin, vonnis Arr.-R. Sneek, v. 12 Mei 1858, VV. nquot;. 2179;
idem bij arr. P. 11. v. N.-llolland, v. 10 Jan. 1856, R. li., jg. 1857. dl. p
VII, lil. 239â242, VV. n0. 1829, en bij nr. Pinto, lid/., B. II., II, 1, p.
420, 2de ed. p. 468, hoofdzakelijk op grond, dat, hoewel de wet hier uit-V ff/- v , drukkelijk slechts melding maakt van een soort van berusting, er geene ^ ' reden van onderscheiding denkbaar is, en het er voor moet gehouden
l worden, dat het onverschillig is, op welke wijze men berust hebbe, zoo
lang niet door de tegenpartij principaal is geappelleerd. Ook Ouheman,
'/ 7). /1'., dl. II. 4de ed. p. 12. schijnt met een beroep op C'aürk. Oh. 443 'S â en 1576 dit, gevoelen te deelen; verg. aant. 33. n C\ f
J, quot; oclsLA^ H.ït
t)e bevoegdheid tot het instellen van incidenteel appèl is alge ^
/' r r, . . /!
, , ineen en strekt zich uit tot alle beslissingen in eersten aanleg, waar-yin»»»^*'^
900
o^-
P'-
^v'door de geïntimeerde zich van zijne zijde bezwaard acht. u
Dit artikel beperkt die bevoegdheid niet tot het incidenteel appèl ^ ' 1 - 1 0 11
egt;'J » tegen hetzelfde, vonnis, waartegen het principaal appèl is gericht. fâr urm.
Wanneer derhalve het principaal appèl is gericht tegen het eind -
^ vonnis, is het incidenteel appèl tegen het interlocutoir alleszins ont-
^ vaiikelijk. 7^..^ ^ ,
tquot;-*1 Arr. v. 11 Nov. 1870, bevestigende arr. P. II. v. Groningen, v. 22 Jnni
, rfjé, 1869, W. no. 3174 en 3267, R.,'dl. XCVI, §18; v. n. II.. B. W.. dl. XXXV, eJVoic
^^r.9o, P' ^38' |
, , S. Incidenteel appèl kan alleen betreüen een, reeds in eersten aan- /
jlVt à CjUCLppQLOvoOL i.arVrU.
iamp;cps-, oy. â *quot;
flz cjquot;quot;y2-
62.0 Q.
{Art. 339.
leg aan 's rechters oordeel onderworpen, doch door hem afgewezen gedeelte der vordering en alzoo geenszins een nieuwen, voor het eerst in hooger beroep gedanen eisch.
Air. v. 14 Nov. 1873, W. n». 3658.
S. In West-Indische zaken wordt de tijd der instelling van het hooger beroep bepaald door den dag der aauteekening en niet door dien der akte van prosecutie.
Air. v. 19 Nov. 1874, R.. dl. CV1II. §
fgt;. Waar het onbeperkt aj)pèl alleen voor zoover is ontvankelijk verklaard, als het vonnis a quo den appellant nadeelig was, is de beslissing juist, dat de geïntimeerde het vonnis niet kon bestrijden ten aanzien van dat deel, waarin hij in het ongelijk was gesteld; wanneer hij zijnerzijds niet incidenteel in appèl was gekomen.
Arr. v. 10 .Tmii 1881, W. iin. 4048: R.. dl. ('XXVIII. ij 21; v. n. II.. /gt;'. dl. XLVI, \K 412â441.
I O. Wanneer door den rechter eene door den gedaagde tegen den eischer opgeworpene exceptie is verworpen, met last om ten principale voort te procedeeren, dan is eene beteekening van het vonnis, met sommatie om ter rolle te verschijnen en voort te procedeeren, alleen aan te merken als eene poging des eischers om den gedaagde te nopen tot vrijwillige uitvoering van het vonnis en mitsdien een ontoereikend middel om partij te noodzaken daaraan te gehoorzamen, zoolang de termijn van drie maanden, bedoeld bij art, 339 B. R., nog loopende is, doch is daartoe, namelijk om partij te dwingen, om, of ten principale voort te procedeeren, bf te komen in hooger beroep, noodig eene gedwongene executie [execution jorcée).
Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Jan. 1842, R. B., jg. 1842, dl. IV, p. 74 en 78 en v. 20 .Tan. 1844, R. B.. jg. 1844, dl. VI, p. 080 en 681; â anders echter (in eene zaak waarin eene exceptie van stateering van procedures was verworpen en de excipient bij procureurs-akte was gesommeerd om ten principale te antwoorden) bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam (Kerste Kamer) v. 12 Juni 1844, W. n0. 553, op grond, dat de wetgever bij het stellen van den termijn van drie maanden, niet de bedoeling gehad heeft, aan eene verliezende partij steeds dien geruimen tijd te geven, om den voortgang eens gedings te kunnen ophouden, maar veeleer moet geacht worden alle beroep van een vonnis na dien tijd te hebben willen afsnijden en dat nergens bij de wet aan eene triumpbeerende partij de verplichting is opgelegd, om af te wachten of bare partij zal kunnen goed-
!)()!
H ^ Li M..~ nu, : /^7- â ^ ^ 'J'*' f
lt;/
6/.
. C/iL
0
^cro / U.'
quot;/f'
QJIJIjzjuÃJI :
; ^j-rrCb, Lgt;____irtPW* ^ c/*,
jD/
vinden in hoojjer beroep te komen en zij derhalve gerechtigd is voort te gaan, ten einde hare partij te noodzaken, om aan het verkregen vonnis te voldoen of in hooger beroep te komen; idem hij vonnissen van dezelfde Arr.-R. v. 25 Sept. 1850, R. I'., jg. 4850, dl. XII. p. 022 en 623,waarbij evenzeer is beslist dat de wet niet bepaalt, dat geen vonnis binnen drie maanden na de beteekening kan worden ten uitvoer gelegd, maar dat het appèl slechts binnen dien termijn kan plaats hebben; idem bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 23 Nov. -1853. W. iiquot;. 1544, waarbij is heslist. dat de woorden in art. 350 B. li., dat het hooger beroep de ten-uitvoerlegging van het vonnis schorst, blijkbaar doen veronderstellen, dat de wetgever eene ten-uitvoerlegging, aangevangen en voortgezet binnen den termijn van hooger beroep, heeft toegelaten. Vgl. hiermede een belangrijk vertoog van S. M. in de Ojnn. en Med., dl. Vil, p. 72âS7. die, naar aanleiding van de door tik V. in R. B.. jg. 1850, dl. XII, p. 623 en 624. gemaakte opmerking, dat kundige rechtsgeleerden (zie Hoi/nrs. Nederl. Faillielenriyt, p. 319 en 320) zich met de wets-uitlegging, welke het vonnis v. 25 Sept. 1850 aanneemt, niet schijnen te vereenigen, maar integendeel van het beginsel uitgaan, dat een vonnis, in eerste instantie gewezen, niet binnen de drie maanden in kracht van gewijsde kan gaan. (m. i. te recht) mede met een beroep op artt. 342 en 350 B. R.. die leer bestrijdt en doet uitkomen, dat dit beginsel ook niet is gehuldigd hij vonnissen van de Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Jan. '184'2 en 26 Jan. 1844 ut supra, maar daarbij alleen de beteekening van het vonnis met sommatie om ter rolle te verschijnen en voort te procedeeren, een ontoereikend middel is geacht om de partij te noodzaken daaraan te gehoorzamen, zoo lang de termijn van drie maanden, bedoeld bij art. 339 I!. R., nog loopende was, doch daartoe noodig geoordeeld is eene gedwongene executie, b. v. door het beteekenen van een staat van kosten (naar het gevoelen van Mr. C. J. Fortuin, zie R. B., jg. 1842, dl. IV, p. 77). â Overigens bestrijdt de schrijver, met een beroep op I'igeat, la J'roc. dir., tit. II. p. 43 (Brussel 1833), ook die leer en vereenigt hij zich geheel met het beginsel, aangenomen bij de vonnissen v. 12 Juni 1844 en 25 Sept. 1850 ut supra, o. a. op grond, dat onder de in den eersten titel van het tweede boek, W'etb. v. Burg. Rechtsv., vermelde wijzen van ten-nitvoer-1 egging van vonnissen, niet alle gevonden worden welke zich in de praktijk kunnen voordoen, doch slechts de meest gewone gevallen; dat overigens die sommatie om voort te procedeeren in vele gevallen het middel van executie zal zijn. indien de kosten, hetzij worden gereserveerd, hetzij gecompenseerd, en mitsdien het gevolg van dergelijke leer zoude zijn, dat sommige vonnissen nimmer uitvoerbaar zouden zijn. â Cf. Oüdemak. II. li., dl. II. 4de ed. p. 12, die mede de juiste leer voorstaat, dat de termijn van hooger beroep geen termijn van gratie is, gedurende welken de wederpartij haar voordeelig vonnis niet zou kunnen ten-uitvoerleggen; art. 55 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Nov. 1853 en art. 398 B. R., vonnis van de Arr.-R. Sneek. v. 24 April 1844 (Lkon.)
U. Wanneer een gedaagde in eersten aanleg, zoowel de niet-ontvankelijkheid van flen eischer (op grond, dat deze niet bevoegd was
[Art. 339,
om zonder machtiging te procedeeren) als de ongegrondheid van de door dezen gedane vordering heeft beweerd, en in het eerste punt in het ongelijk, op het tweede echter in het gelijk gesteld wordt, dan kan hij niet, op het appèl door den eischer opgeworpen, tot bevestiging van het vonnis a quo concludeerende, tevens liet door den eersten rechter verworpen middel van niet ontvankelijkheid andermaal doen gelden, wanneer hij van de verwerping niet incidenteel heeft geappelleerd, in welk geval hij geacht moet worden in het vonnis des eersten rechters op dit punt te hebben berust.
1'. II. v. Zeeland, v. 19 Jan. 1847, K. II.. ju'. 184-8, dl. X. p. quot;151 â 1.).!. idem air. P. II. v. Z.-Holland, v. II Jan. 1804., W. n». 2560, verg. avr. 1'. H. v. Z.-Holland, v. 4 Mei '1863, W. n°. 2402, en arr. van hetzelfde Hof V. 8 Jan. 1872. \V. n». 3-427. - Cf. art. 339 li. I!.. arr. v. 4 l-'ebr. I84'l en vonnis van de Arr.-R. sllage, v. (i Juni 1853.
4 2. Indien ten principale is geappelleerd, op grond van een misslag, door den eersten rechter begaan in het formulier van een gede-fereerden decisoiren eed, alsdan is ook ontvankelijk het incidenteel appel van de partij aan welke de eed is gedefereerd, hoezeer die partij den appellant ten principale, met beteekening van het gewezen vonnis, heeft gesommeerd, om bij de eedsaflegging, zoo als die door het vonnis was bepaald, tegenwoordig te zijn; omdat hier (waar het vonnis niet bestond in verschillende beschikkingen, waarvan de eene onafhankelijk van de andere kan blijven bestaan, maar uit eéne beschikking, welke door de gevorderde verbetering eene. geheele verandering zoude ondergaan) alleen kwestie zou kunnen zijn van eene berusting in het vonnis, zoo als het door de Rechtbank was gewezen, maar geenszins in het vonnis, zoo als het, na in hooger beroep aangevallen te zijn, zou veranderd kunnen worden.
1'. H. v. N.-llulland. v. IS Maart 1847. I!. I!.. jir. 1848, dl. X. p. 104
107.
Hoezeer in den regel de behandeling van het principaal appel het incidenteel beroep behoort vooraf te gaan, zal het omgekeerde dienen plaats te hebben, indien de vordering in garantie, waartoe het principaal appèl betrekking heeft, bizonderlijk volgens het petitum dier vordering, geheel ondergeschikt en at bankelijk is van de beslissing
Art. 339.)
omtrent de oorspronkelijke vordering, tegen welker toewijzing, in zooverre die heeft plaats gehad, het incidenteel appèl is gericht.
1'. II. v. Drente, v. 8 Juni -1850, W. nquot;. 1460.
'14-. Uit de omstandigheid, dat de eischer bij vvege van schadevergoeding eene bepaalde som heeft gevorderd, of zoo veel min of meer als de rechter zou vermeenen te hehooren, volgt niet (als behoorende die formule tot de abundanüa quae non nocent) dat de eischer niet-ontvankelijk zou zijn in liet incidenteel appèl met betrekking tot het bedrag der schadevergoeding, hem door den eersten rechter toegekend.
Arr.-R. Nijmegen, v. 1 'i Aug. 1850, R. B., jjr. 1850, dl. Xll, p. 673â (â ,7c,. _ Cf. art. 332 I!. R., arr. 30 April 1852.
â 5. Ken ingesteld voorwaardelijk incidenteel appèl, waarvan het bestaan wordt afhankelijk gesteld van het eventueele lot van het principaal appèl, is rechtens niet bestaanbaar.
P. II. v. N.-llolland. v. 24 Oct. 1850, W. nquot;. 1186, idem Hof's Ihigo, v. 3 Oct. 1881, 11. Pgt;., Jg. 1882, .1, p. 100; anders P. II. v. Limburg, v.
. , 26 Juni 1871, W. nquot;. 3360.
quot;
Het rechtsgevolg der niet-beteekening van het vonnis is, dat
fe 3. het voor hooger beroep vatbaar blijft, zoo lang de praescriptie daar-/ / . . .
tegen niet is geacquireerd.
P. 11. v. N.-Brabant, sine die, W. nquot;. 1226.
1?. Het incidenteel appèl aan een geïntimeerde bij de wet onbepaald veroorloofd en gevolgelijk niet afhankelijk zijnde van de conclusie van den principalen appellant, zoo volgt daaruit, dat de geïntimeerde ontvankelijk is in zijn incidenteel appèl, strekkende tot toewijzing van de in specie ook door den appellant gedane vordering, tot vernietiging van het vonnis a quo, voor zoo veel daarbij de kosten der procedure in eersten aanleg, waarin de eischer is verwezen, niet zijn gesplitst, en het bedrag, aan elk der geïntimeerden in de geliquideerde som toekomende, niet afzonderlijk is opgegeven.
P. 11. v. Overijsel, v. 19 April 1852, W. n°. 1447; idem bij vonnis der
Arr.-R. Nijmegen, v. 2 Nov. 1841. R. B., jg. 1842, dl. IV, p. 372. _
Vgl. hiermede ten betooge, dat het principaal appèl bet incidenteel appèl niet primeert of drukt â Carré, les lois de la prnaklure civile, vol. Hf. ]gt;. 348, n°. 1579, p. 349, u0. 1581 en in not. 1 et p 238, nquot;. 1453. â
5)04
Jba.
qsnr. rsjl
{AH. :W!),
Zie nuk (imti'ont do gevolgen, ten aanzien dor kusten van een incidenteel appèl, alleen strekkende tot toestemming in liet principaal appèl â liet vonnis van do Arr.-K. Nijmegen ut snpra, vermeld op art, 56 li. It., arr, v. 29 Mei 1840 sqq., sub G. nquot;. 1 en speciaal hot aldaar vermelde vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. 'I'J April 1841.
IS. Indien de oorspronkelijk eischer van het geheele vonnis heeft geappelleerd, brengt dit wel voor den geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde, het recht mede om zich tegen die vordering te verdedigen, zoo als hij te rade zal worden, maar herleeft daardoor niet stilzwijgend (en mitsdien zonder ingesteld incidenteel beroep zijnerzijds) eene tegen-vordering, welke hij ter eerste instantie (wel als middel van verdediging maar zelf eischende in reconventie) heeft willen doen gelden en wanr-omtrent hij bij het vonnis in het ongelijk was gesteld.
Arr.-R. quot;s Hago, v. (5 Juni 1S5I1 W. nquot;. 1455, li., dl. XLVl, § 1(14. â Cf. art. ;i39 H. R.. arr. v. 4 Febr. 1841, en arr. v. 't P. II. v. Zeeland, v. 1!) Jan. 1847.
Ãfgt;. Met incidenteel appèl, behoudens de bij de wet uitdrukkelijk aangeduide afwijkingen, onderworpen zijnde aan de voorschriften, voor het hooger beroep in het algemeen geldende, volgt hieruit dat eene exceptie van niet ontvankelijkheid van een ingesteld incidenteel appèl moet worden geprovoceerd vóór alle andere weren van rechten, en de incidenteel geïntimeerde niet verplicht is, zich, hangende het geschil over de exceptie, in het geding over de zaak zelve uit te laten.
P. II. v. N.-IIolland, v. 18 Mei 1854, W. no. 1555.
lt;50. De termijn tot appèl is niet aangevangen, waar alleen een extract uit het audientieblad en geene behoorlijke expeditie of grosse is beteekend
P. 11. v. /..-Holland. 18 Mei 1857, W. nquot;. ISli'i. I!., dl. I.XV, ïj .quot;,7.
4. Uit art. .'339 al. 2 B, R. volgt geenszins argumento a contrario, dat elke onvoorwaardelijke heteekening van een vonnis per sa ais eene daad van berusting kan aangemerkt worden.
P. II. v. N.-Holland, v. 30 Sopt. *1X58. VV. iigt;'. 20K1. zie ook liet aan-getoekende ad art. 334 li. 1!.. sub. nquot;. 7 en 49.
*lt;i3. De geappelleerde, die bij zijne ter terechtzitting genomen conclusie vmi antwoord incidenteel appèl heeft ingesteld, is bevoegd bij
iinö
ty ^ quot;^o-C
eene latere conclusie ter terechtzitting van dat incidenteel appèl afstam! te doen.
T'. II. v. Limburg, v. 2.'! Nov. 1858, W. uquot;. 2()!I2.
Ten einde in een incidenteel appèl ontvankelijk te zijn, is het voldoende dat de geïntimeerde eene conclusie neme tot geheele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis a quo en zulks bij eene der hier genoemde akten, ook zonder uitdrukkelijke verklaring, dat hij incidenteel in beroep komt.
1'. II. v. N.-Holland, v. 10 April 1863, W. nquot;. 2507; I!. II.. jg. 1804, p. 008; idem arresten van hetzelfde Hof v. A Juni 1808. W. u». 'AOAA. en v. 30 Juni 1870. op dit artikel vermeld.
Verg. met deze beslissing arr. v. 18 Dec. 1874, W. n0. 3801; R.. dl.
CVIII. § 35; v. ti. H., B. It., dl. \XXIX. p. 638â653.
'i t. W anneer den eischer bij het vonnis a quo zijne vordering volledig is toegewezen, en de gedaagde tegen dat vonnis een onbeperkt hooger beroep heeft ingesteld, is de hoogere rechter niet alleen bevoegd,
maar zelfs verplicht alle middelen van eisch aan de wet te toetsen, ook die welke de rechter a quo onjuist heeft bevonden, al heelt de geïntimeerde niet incidenteel geappelleerd.
P. H. v. Drente, v. 2 Mei 1803. W. uquot;. 2533.
'O». De vraag of de eerste rechter, in specie de rechtbank, bevoegd was om van dett eisch in reconventie kennis te nemen (als behoo-rende tot de bevoegdheid van den kantonrechter), kan geen onderwerp van nader rechterlijk onderzoek uitmaken, wanneer de geïntimeerde heeft verzuimd van het vonnis, waarbij de rechter a quo zich bevoegd heeft verklaard, in hooger beroep te komen. Berusting van den geïntimeerde in dat vonnis heeft een gelijk gevolg als het niet opperen der exceptie itt eersten aanleg, volgens art. 157 B. R. zou hebben gehad.
1'. II. V. N.-llolland. v. 21) Juni 1805, W. uquot;. 2730.
lt;Ãlt;S. Door den geïntimeerde kan niet meer incidenteel worden geappelleerd, nadat de principaal appellant afstand van de instantie heeft gedaan, die door geïntimeerde was aangenomen.
P. II. V. Gelderland, v. 0 l'ebr. 1807, VV. nC. 2870.
lt;8S. lietie gepretendeerde berusting in het vonnis door den nu appellant katt niet geldett voor de hier gevorderde beteekening.
» S' '1. r-rLrt. C-i-vt, i S J AfT
'lt;POt , Ul. tv' ^(acc .
Arl. 339.) !»06
(Art. 339
1'. II. v. LI tred it, v. Oct. I SOS, W. iiquot;. IVlT'i. If. I!.. ju. 1 S7!gt;. ill XXIJI. p. 246, ook venunld suli art. 337 I!. Ii. nquot;. 4.
Het incidenteel appèl is niet meer ontvankelijk, nitfliit He geappelleerde op het ingesteld hooger beroep (met eene exceptie van nict-ontvankelijkheid) heeft geantwoord, al heeft de geappelleerde zich dat appèl bij zijne conclusie van antwoord voorbehouden.
P. H. v. Limburg, v. 2 Nov. i868. W. nquot;. 3101.
«». Ue, na het onvervolgd laten door den appellant van het zijnerzijds ingesteld hooger beroep, aan hem van wege den geïntimeerde gedane sommatie, om conclusiën te nemen en voort te procedeeren, is met als een blijk van berusting van den geïntimeerde in het vonnis te beschouwen, waardoor hij wordt verhinderd alsnog bij zijn schriftuur van antwoord, of bij prooureurs-akte, daartegen bij incidenteel hooger beroep op te komen.
P. 11. v. Z.-Holland, v. 22 .luni 18(18, W. nquot;. ;iü20.
JSO. Appèl van een deel van het vonnis en mitsdien ook van dat gedeelte, waarbij de rechter zich incompetent heeft verklaard, is ontvankelijk.
P. II. v. X.-Holland, v. :'(⢠Juni 1870. W. nquot;. 1(232; in caxii had de rechter a (/no zich tegelijkertijd incompetent en de actie ontvankelijk verklaard.
»1. W aar de rechter a quo zich ambtshalve heelt onbevoegd verklaard met veroordeeling van den eischer in de kosten, is de geïntimeerde ook ontvankelijk in zijn incidenteel appèl, dat dezelfde strekking heeft als het principaal beroep van den oorspronkelijk eischer.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Maart 1871. li. li., jg. 1872. dl. XXI. p.251. waarbij, wat de kosten betreft, beslist werd dat deze behooren gereserveerd te worden tot de uitspraak teu principale door den rechter, naar wien. bij vernietiging van het vonnis n qnn, de zaak verwezen werd.
De geïntimeerde mag ook incidenteel appelleeren, al heeit hij geen andere grieven dan de appellant.
Arr.-R. Amsterdam, v. 29 April 1873, R. I!.. jg. 1877, .1, p. 2(i.
£3. De appellant kan zich tot staving van zijn beweren, dat het vonnis nog vatbaar is voor hooger beroep, niet beroepen op gebrek
007
Art. 339.)
aan lieteekeiiitig van het vonnis a quo aan zijn procureur, wanneer dat vonnis (misschien ten onrechte) door den rechter a quo is genoemd een vonnis bij verstek.
P. II. X.-Holland, v. '21 Oct. 1875. I!. li., jj;'. ISTti, .1. p. 8tgt;.
33. Eene beteekening van het vonnis m.et bevel tot hetalhuj, zonder eenige reserve gedaan, staat het incidenteel beroep niet in den weg.
Hof Leeuwarden, v. 27 Sept. '1876, W. n°. 4102, K. 1!., jg. 1882, .1. p. 90; verg. aant. 5.
3.V De termijn van hooger beroep begint te loopen van den dag
van beteekening van het vonnis hetzij aan den persoon, hetzij aan
diens werkelijke woonplaats, en niet van den dag van beteekening aan 7,/, L-~ het bij den procureur gekozen domicilie.
7/ j
' f Hof Arnhem, v. 24 Maart 1879. \V. n0. 4371. anders Oi ukman, /gt;. l\.. ./a.--' â - dl. II, 4de druk, p, M sqq,, die onder woonplaats meent te moeten
irftj . verstaan behalve de werkelijke woonplaats, ook die welke overeenkomstig art. 81 H. \V. voor een bepaalde zaak gekozen is. Vergelijk ook arr. Hof hquot;tZ- â Justitie Suriname, v. 10 Maart 1878. W. n0. 1250, ook vermeld op art. 91! I!. U.
Wanneer een vonnis twee afzonderlijke en op zich zelf staande uitspraken bevat (te weten eene eindbeslissing en eene interlocutoire uitspraak), moet elk van deze, voor zooveel betreft de vraag aangaande den termijn van hooger beroep, als een afzonderlijk vonnis worden aangemerkt, naar welks eigen karakter die vraag moet beantwoord worden.
Hof Arnhem, v. :! Maart '1880. I!. 1!.. jg. 1882. .1. p. 98.
^c . .
3S. Het beroep is ontvankelijk, wanneer de beteekening van het
iW
Qj/lc . vonnis aan den persoon van den appellant ten zijnen woonlniize op
Maart heeft plaats gehad, en de akte van dagvaarding op 5 .luni
/ d. a. v. is beteekend.
.nO-rt t/vx ^
oüm*' ^ Hof Leeuwarden, v. li Oct. 1880, \V. nquot;. 4620.
^ ' 7/ J â â n' /, 'OoV,
If ^ : /,
^ 3S. Wanneer de geïntirneercfe^ niet opkomt tegen het dictum van
. het vonnis, maar alleen tegen de verwerping van een in eersten aanleg aangevoerden rechtsgrond, kan die grief in appèl worden onderzocht, â i1/tal is geen incidenteel beroep ingesteld,
u Hul' quot;s-Oravcnlmge, v, 2Igt; April 1883. W. 4949.
DOS
K. .W' l f â» S-JU^^/o//. '-J: :
^VJ
- ^ /j tqtrW, ^-A.^ 'l^ry 'y* /'/rz^ 1 ^
tHlf? tAS7:'~zamp;£-i^' ^^ryy^^yf-' - amp;£lt;gt;- ~ v^rtt. */^c /_ /jr -~/^^/7 /ycrS'f amp;/. ft,* .
909 {Art. 339.
ir«
»51. Zie ten bet,ooi
a. Dat bij een stilzwijgend afgewezen verzoek tot het hooren van partij op vraagpunten, de geïntimeerde niet noodig heeft incidenteel te appelleeren van eene decisie, geheel in zijn voordeel gewezen, â
;itt. 'Jli7 li. 1!.. air. van 't 1' li. v. Holland, v. .ü Maart 181].
b. Dat de termijn van hooger beroep alleen loopt tegen hem aan witin, niet tegen !iem, door icïeu het vonnis beteekend is, wanneer dit namelijk geschied is onder protest, -â
uk Pinto, ]hU. B. /?., II, 1, p. 425, 2de ed. p. 473, â met een beroep op Merlin, /lép. in voc. défai, sect, i, § 'i; Carré, Qti. 1553 en BerriatâSt.-Prix, 295; idem Hof 's Bosch, 7 Juli '1S76, W. n0. 4018, R. B., jg. 1882, .1, p. 95. Verg. P. H. v. Overijsel, v. 1 (gt; Jan. I860, W n0. 2144, aangeh. bij art. 332, idem Hof Leeuwarden, 27 Sept. 187(1, W. n°. 4102, R. B., jg. 1882, .1, p. 90, waarbij is beslist, dat de betee-kening den termijn doet aanvangen te loopen tegen den beteekende, voor zoover deze bij het vonnis in het ongelijk is gesteld, geenszins echter tegen den insinuant, voor zoover deze gesnccumbeerd heeft; cf. air. v. 20 Dec. 1878, vermeld sub art. 398 B. R. Anders echter (o. a. op grond van dezelfde ratio leg is en omdat anders eene beteekening van wederzijden zou worden gevorderd, hetgeen eene doellooze vermeerdering van kosten ten gevolge zou hebben) door Mr. Penning, ad artikel.
6'. Dat (in strijd met het gevoelen van Oüdemax, B. li., 2de ed., dl. 11, p. 13 (4de ed. p. 17) nader door hem toegelicht in de Opm. eu Med., dl. TUT, p. 98 sqq., alsmede door Mr. Sciiuu/er en impliclte in een vonnis van de Arr.-li. Gorinchem v. 28 Nov. 1840, W., n0. 195) â in civiele appèllen van summiere behandeling het incidenteel appèl zeer wel bij conclusie ter audientie (en niet bij akte aan den procureur) kan worden opgeworpen, als zijnde dat appel, gelijk het woord zelf aanduidt, eene incidenteele vordering en derogeerende art. â¢346, 1ste lid, voor summiere zaken, aan art. 339, 2de lid, even als in eersten aanleg voor summiere zaken art. '141 derogeert aan art. 247, 1ste lid, hetwelk even als het 2de lid van art. 339, alleen op gewone zaken van toepassing is. â
den Hoogleeraar M. des Amok if v. i». Hoeven, Itcyt.iy. Opal., jg. 1852, p. 72â77; den Hoogl. v. Hall, in de Niemve Bijdragen, ]£. 1852, dl. 11, p. 343 en breedvoeriger in 't R. B., jg. 1852, p. 554â557; den procureur A. .1. ten Hof.t, R. B., ut supra, p. 055 en 050 en Mr. F. R. Penning, p. 104, idem Arr.-R. Winschoten, v. 3 Oct. 1871, W. nquot;. 3513, waarbij insgelijks
is beslist, dat de bepaling van dit artikel alleen ziet op zaken van gewone behandeling; idem bij arresten Hof 's-Hertogenbosch, v. SS .luni 1881 in W. n0. 4GG4 en 4711 en v. 20 Deo. 1881. \\'. nquot;. 4-9('gt;8.
Anders navolgende uitspraak :
Jlet voorschrift dat het incidenteel appèl ook bij akte aan den procureur beteekend kan geschieden, is juist gegeven met het oog op zaken van summiere behandeling, waar geene schriftuur (memorie) van antwoord te pas komt. Bij die zaken kan dus niet bij conclusie ter fuiflientie het incidenteel appèl worden ingesteld, ook daarom niet, omdnt uit eene vergelijking van dit art, met art. 443 2e lid C. de 1'r. Civ. duidelijk wordt dat onze wetgever gewild heeft dat het incidenteel appèl wordt ingesteld, vóórdat door partijen conclusie is genomen.
P. 11. v. Overijsel, 27 Jan. I87;i, W. nquot;. 3507; idem hetzelfde Hof bij arr. v. 20 Juli '1805, \V. n0. 2822, R. I!., jg. '1806, p. 725 sqq. ook vermeld op art. .'548 B. I!. Verg. arr. P. 11. v. Groningen, v. 4 April â¢1871, R. 1!., jg. '1872, p. 453, W. nquot;. 3358, waarbij is beslist dat, ofschoon in eene zaak van (tcwoiir behandeling geen memories zijn beteekend, hel incidenteel beroep toch niet bij conclusie kan worden ingesteld.
Zie over de termijnen van appèl in andere wetgevingen en in het ()nd-IInliandsch recht. Mr. A. Oi;iiic.man. TijdKchr. v h Ned. nujl. dl. IV, blz. 90 vlgde, alwaar ook do bepaling omtrent incidenteel appèl, alsmede die omtrent de bewijsvoering in hooger beroep met andere wetgevingen worden vergeleken.
41. /.ie over de wenschelijkheid van de verkorting van den termijn van beroep Mr. M. II. Goiif.iroi. in Tliemis, 2de ver/., dl. X. p. 53â50.
Art. 340.
Een vonnis, waarbij eene exceptie van niet-ontvankelijkheid is verworpen, is een definitief vonnis, waartegen men niet-ontvnnkelijk is in hooger beroep, indien het is ingesteld meer dan zeven maanden nadat liet aan den appellant was beteekend en dat vonnis bovendien zonder eenig protest of reserve is geëxecuteerd.
Arr. v. 28 Juni '1844, \V. n». 5-12; R.. dl. XVIII, i? 23; v. n. H..H. I!.. dl. V, p. 327â347. â Cf. art. 00 Pgt;. R.. arr. van denzelfde datum sqq..
sub ii0. 2.
(Art. 340.
Zie het wetsontwerp tot intrekking van de artt. 88 en 340, wijziging en aanvulling van de artt. ~igt;. 81. 8'i. 339, 341. 385. 388 en 398 van liet Weth. v. Burg. Rechtsvoi'dering met de M. v. T. in W. nquot;. 3099.
AH. ;341
Uit art. 341 15. R kan hoogst genomen niets meer of anders worden afgeleid, dan dat de termijn van beraad en van boedelbeschrijving, nan de erfgenamen gegeven, gedurende den loop van den termijn van cassatie eene schorsing zoude kunnen opleveren waardoor de termijn van cassatie met dien, voor beraad en boedelbeschrijving gegeven, â /oude worden verlengd; doch dit artikel levert geen den minsten grond op voor de bewering, dat, na verloop van den termijn van cassatie, liet voorrecht van beraad of boedelbeschrijving, daarna ingeroepen, het effect zoude hebben, dat de termijn van cassatie nog niet was begonnen, en de verkrijger van een vonnis of arrest nog andere middelen dan de bij art. .39S voorgeschreven beteekening zoude moeten bezigen, om dien termijn te doen aanvangen, welke hem door geene wetsbepaling zijn voorgeschreven.
A it. v. 19 Mei 1854. W. iv. 1543; R., dl. X1AI1, § 01 ; v. n. II., II. II.. dl. XVIII. |i. 391â402. â Cf', art. 398 1!. I!.. air. van denzelfden datum.
Art. 342
1.. Art, 342 I? R. is geschonden, wanneer bij liet hooger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kon worden ten uitvoer gelegd, ingesteld binnen de acht dagen na de uitspraak, door den rechter in hooger beroep niet is uitgesproken de niet ontvankelijk-verklaring in appèl, maar integendeel door ten principale uitspraak te doen, de appellant daadwerkelijk ontvankelijk is verklaard. Hiertegen doet niets af, dat de tegenpartij, in strijd met de 2de alinea van voornoemd artikel, zoude begonnen zijn het vonnis binnen de acht dagen te executeeren, daar zulks wel grond kon opleveren om tegen die executie in verzet te komen, maar niet om tegen het vonnis vóór den bepaalden termijn hooger beroep in te stellen.
911
f/tr-nsJ OeSb£-. ?r*/£ '^^tSZ
/ /f nlr,! It 0 b ^ ó^2lt;2ayyis\jaLJi^^-3 rr^ a/^u^
'0~! 2-i --LA^o/e^- f â a -^-
f/rxsrUaamp;^aSZ. , Orrrâ tr-i? A^. uso^Oi.
Art. 342.) 912
-tiJlTTamp;t- /TT^At-O^^ct. ; ?yamp;. Z~ 2.
Art', v. tlT» .lnrii Ilt;S'il. \V. uquot;. 2^0; I!.. ill. VIII, ^ 7(J; v. n. II.. II. It../'c**r dl. II, p. quot;ilAâ288; Idem bij air. van 't 1'. II. v. Drente, v. 22 Mei ISM, /'?â¬17' I!.. dl. VIII, ^ 83, waarbij mede is beslist, dat er geene termen zijn om nquot; binnen acht dagen, bei'oep in te stellen van een vniinis, hetwelk niet bij Oto/-provisie executabel is; dat dit verbod in stellige en gebiedende woorden ^ f-j.h is gedaan, en als tot de publieke orde behoorende. ambtshalve door den rechter behoort te worden toofjenast. ».
quot; ' (Cj LOy iS- .
Zie in overeenstemming met dit laatste, de navolgende beslissing: h ^J3 '
Deze bepaling is van openbare orde, zoodat de rechter haar ismbts-. ^ yyi - halve behoort toe te passen, ook wanneer tusschen partijen daarover / /t^gt; niet is gehtiscontesteerd.
I(f( - /_
. J frrr1 Gerechtshof te Leeuwarden, v. 27 Maart 1876, W. nquot;. 4031. R. I!..
.IfftM ! *- jg. '1877. A. p. 34; idem Hof Curacao, v. KI Maart 1877. VV. n0. 4135.
t/Hp .quot;qj Uh n'y/^J1 r ZoJZort, .fcrpp
1/. l' Indien een sredaaffde bij eindvonnis is veroordeeld tot betaling, v
.M Lt! . 0 faC.fS-X-.
onder de mits van het afleggen van een suppletoiren eed aan de zijde
^ v ie- '^v^tn den eischer, dan geeft die eedsailegging, ten bepaalden dage plaats
U'-y'0. hebbende, aan liet vonnis geen verbindend etlect, zoodanig dat daardoor
'l Aamp;tLgt;' liet hooger beroep zou zijn afgesneden. Hieruit volgt dat, met liet
r oog op art. 342 15. R, die eedsdelatie niet het ellect kan hebben van
' / 1 quot; .
, c ' - , i' een vonnis, hetwelk bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd en
y^j . .
, (^e veroordeelde dus in alle geval bij het instellen van het hooger
beroep verplicht blijft in acht te nemen den bij art. -'M'Si bepaalden ^^f'ternnjn van den dag der uitspraak van het vonnis, zonder binnen ^ dien termijn het appèl reeds dadelijk en vóór die eedsprestatie te
fasfy kunnen interjecteeren.
Air. v. 27 Dec. 18.quot;,II, R., dl. XXXVII. S; 40; v. igt;. II.. II. It., dl. XII. p. 214â220.
18 Art. 342 al. 2 B. 11, betreft alleen de uitvoering van aan hooger beroep onderhevige vonnissen, geenszins van vonnissen, in hooger beroep gewezen.
Air. v. 30 Oct. 1874, W. nquot;. 3783; R.. dl. CV1II. § 14; v. n. II.. Jl. /;., dl. XXXIX. p. 520â542.
De schorsing der executie, bedoeld bij de tweede alinea van dit artikel ziet wel op de executie van het vonnis door de triumpheerende partij,
maar niet op de voldoening aan het vonnis door de verliezende partij.
Arr.-R. 's Boscli. v. IS Jan. 1884, W. n(gt;. 491)^. ook vernield snh art. GO Uv.
Je*â amp;*u- JUâ¢** ^, i^-^u
â. r
A Cr^Wif â Cf/* lt;^~ ,. f
/7 ^ Æ' f/»// /vy ^13 * (At'l. 34^.
- fZ ^~ '9quot;' ;7 ^ ^ r^.r-r^fu * ^
Verg. bij art. 342, art. 2 der wet van 18 April 1874 {Slhl. nquot;. 68) waarbij dit artikel niet toepasselijk wordt verklaard op de in art. I dier wet bedoelde l.escbikkinjien des kantonrechtei's.
A rl. 31:5.
I Een exploit waarbij, zonder bepaalde interjectie van honger beroep, voor den hongeren rechter wordt gedagvaard tot vernietiging van een door den lageren rechter gewezen vonnis, voldoet aan de vereischten van eene akte waarbij het honger beroep wordt aangevangen, bij art. 31lt;3 B. li., voorgeschreven.
Air. v. 28 Juni 1844, W. n». .quot;14; R., dl. XVII. § 95; v. n. H.. J. en V., dl. II. p. 129â'100; idem, wanneer slechts wordt geëischt toewijzing der conclnsiën, in eersten aanleg genomen â bij arr. van 't P. H. v. N.-Brabant, v. 4 April 1848, W. n'. 0(ifl; R.. dl. KXXV. S 04.
'i Indien bij een beklaagd arrest als bewezen is aangenomen, dat door den later overleden appellant bij zijn leven is verstrekt, last op den procureur tot het hooger beroep, en geenszins is bewezen, dat de procureur, als lasthebber, vóór de uitvoering van zijnen last heeft geweten, dat zijn lastgever kort daarna was overleden, dan volgt hieruit, wat het recht betreft, dat de procureur als lasthebber geenszins heeft gehandeld tegen de rechtsvoorschriften omtrent het mandaat, en dat mitsdien noch zijn geschonden de artt. 343, 1. â¢% 92, 90 en 133 15. 11., noch, in verband daarmede, de artt. 1855 B. W. en 257 15. II. verkeerdelijk zouden zijn toegepast.
Arr. v. 17 Febr. 1848. W. nquot;. 930; R., dl. XXIX. S44; v. u. II.. G. 7... dl. VII. p. 1(55â187. â In gelijken zin bij bet daartoe betrekkelijk arr. van'tP. II. v. N.-Brabant, v. 23 Febr. 1847. \V. n1. 8(11; R. R. jg. 1847. dl. IX, p. 513â517; idem P. II. v. N.-llolland. v. -If. .Ian. 1851. Amslcnl. Ilegtspr., dl. 1. p. 277â279. - Cf. art. 254 1!. 11.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Febr. 1850.
:S. Ter beoordeeling in hoeverre bij de akte van appèl het hooger beroep is beperkt, moet zij in haar gcJiP.d worden beschouwd, derhalve behoort daartoe mede gelet te worden op bet vermelde bij het slot fier akte.
Alhoewel dus volgens 's liofs feitelijke beslissing de appellant zich in hooger beroep heeft voorzien walleen voor zoover hij is veroordeeld tot betaliniï der transportkostenquot; is de rechter in hooger beroep niettemin bevoegd te oordeelen over de condemnatie in de proceskosten
Mr. W. van Kossem Bz., Burg. Rechlsv.
Z, J-Lf
Art. .'543.)
914
t. H ° 7/^r.
van eersten aanleg, wanneer in liet slot fier nkte van appèl is geconcludeerd tot veroordeeling van den geïntimeerde in de kosten ran errdtn aanley.
An-, v. 21 Jmii '1807, \V. nquot;. 2914; R.. dl. I.XXXVI. § 2:i; v. n. II. li. It., dl. XXXI, p. 339â347.
4-. De rechtbank gesaisisseerd van eene zaak door een akte van appèl, spreekt niet recht als rechter in eersten aanleg, maar haar vonnis is noodwendig een vonnis in hooger beroep, ook dan, wanneer zij het vonnis van den kantonrechter, die zich competent verklaarde, vernietigt, en zich zelve bevoegd verklarende, ten principale recht doet. Mitsdien stant tegen dergelijke beslissing het beroep in cassatie open.
Air. v. 27 Mei ISSl, \V. nquot;. 4067, waarbij echter werd beslist, dat in dergelijk geval de reclitliank in die instantie niet ten principale recht had rnngen doen.
.V Het appèl van een vonnis, na hel overlijden van eene der partijen op haren naam ingesteld, is onaannemelijk.
P. H. v. Gelderland, nine die, W. nquot;. 199 â Cf. ten betnoge, dat in dit geval de vader en voogd van de minderjarige kinderen, na het voldingen der procedure in voormelde kwaliteit, niet als intervenient in het rechtsgeding kan aangenomen worden â art. 288 B. R., hetzelfde arrest, snb n0. 2.
Vergelijk navolgende beslissing:
Wan neer tijdens het instellen van het appèl de geïntimeerde overleden is, moet de appellant niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn appèl.
Hof 's-Hertogrenbosch. v. 8 Juli 1882. W. no. 4828.
lt;». Hij geene wet is verboden, om, indien iemand van een vonnis, bij hetwelk hij zich bezwaard acht, in hooger beroep komt, de vernietiging van het geheele vonnis te vragen, al ware hij ook slechts op sommige punten der vordering in het ongelijk gesteld.
Indien, naar het sustenu des eischers, de vordering bij den eersten rechter ingesteld, {in cam tot betaling bij lijfsdwang der krachtens wisselbrief gevorderde som), slechts is éeu en van elkander onafscheidbaar, konde hij niet alleen, maar behoorde hij zelfs (wilde hij niet implicite het onrechtmatige van zijnen eisch, zoo als die bij den eersten rechter was ingesteld, erkennen) de vernietiging van de geheele uitspraak des rechters te vorderen.
â -
CeT^eJcA.fie. cyCt.-/ cf^-AV: ci-Cfra*^ lt;^CX-^~ C-v^ ix^rzlt;-a(- ofx^ o^^VCLI-J ina^J Aj-J~
X/Lcrvj^ 4lt;LZ*~ef, â y^Aiâ '^- lt;~T~.-C~~.^-
^ cZ- -rtjoC c,.^ ^
1 ^Uai (-. /V^J /^quot;cfrf'r'^-
915 [Art. 34.3,
Arr.-R. Sneek, v. 0 Jan. 1841. Rcql in Xp/lofl.. dl. ITI, p. 15 eni6.â
Cf. art. 332 B. R., vonnis van de An-.-R. Groningen, v. 5 Jan. 1849, sqq.
S. l)e beteekenin^ van een vonnis is in den grond niet anders dan eene akte van executie, vreemd aan het appèl, uit welk beginsel volgt dat men van een vonnis kan appelleeren, hoewel het niet is beteekend.
Arr.-R. 's Bosch. v. 15 Mei 1844, W. nquot;. 505; idem bij vonnis der Arr.-R. Winschoten, v. 20 Maart 1851. R. 1!., jg. 1852, p. 17â20; waarbij op gelijke gronden is beslist, dat een appellant zich uit dien hoofde jurr niet kan beklagen, dat hem slechts een onvolledig en gebrekkig extract van het ten zijnen nadeele gewezen vonnis is beteekend; cf. het sub art. 332 B. R. aangehaald arrest van 't P. H. v. Overijsel, v. 16 Jan. 1800;
idem, met een beroep op de artt. 339 en 343 B. R., welke niet vorderen dat do dagvaarding waarmede het hooger beroep wordt aangevangen, van een afschrift der stukken vergezeld ga â bij arr. van het P. H. v. Drente.
v. 14 -Maart 1840, R. Ji., jg. 184(5, dl. VIII, p. 704; idem de Pinto,
B. Ti., dl. 11, I. p. 024, 2de ed. p. 473, en Oudeman, 11. Ji., dl. II,
4de ed. p. 12, â anders bij vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v.
28 Nov. 1840, W. n0. 195. Verg. het sub hoe artikel vermeld arrest van 't P. H. v. N.-Holland, v. 11 Maart 1875. â Cf. art. 60 B. R,, vonnis van de Arr-R. Maastricht, v. 20 Febr. 1845 sqq., sub n gt;. 10.
Een deelgenoot in eene vennootschap, die beweert dat zijn medevennoot onbevoegdeiijk voor de firma gehandeld heeft en dat de firma wegens zoodanige handeling ten onrechte is veroordeeld, kan niet togen die veroordeeling in hooger beroep komen op zijn eigen naam en conclndeeren tot vernietiging van het vonnis, voor zooveel hem aangaat, maar moet integendeel in appèl komen op naam der iirma en vragen vernietiging van het vonnis, waarbij deze is veroordeeld.
P. II. v. Utrecht, v. 13 Jan. 1845, W. nquot;. 583, R. 1!.. jg. 1845, dl. VII,
p. 02â64; R.. dl. XXV. § 88.--Cf. art. 17 W. v. K.. arr. van
denzelfden datum sqq.. sub n0. 3.
Sgt;. De wet heeft nergens een bepaalden vorm aangeduid, hoe het vonnis, waartegen men opkomt, moet worden omschreven, zoodat er (gelijk in cam), gevallen kunnen bestaan waarin het afschrift van liet exploit van appèl, zelfs met eene daarin geslopene schrijflbnt met betrekking tot den datum van het vonnis waartegen men opkomt, ten volle aan de bedoeling der wet voldoet.
1'. II. v. N.-Holland, v. 24 Dec. 1845, \V. nO. 704; li. li,, ig. 1846. dl.
VIII, p. 265â207. â Cf. art. 94 IJ. R., arr. van hetzelfde P. 11. van denzelfden datum.
ÃO. Aan de keuze van woonplaats voor den eersten rechter, kan
7 /
A
/ff .-9 t \ é
7 quot; quot;if ^
'gt;-. A/^, 'â ' ^57.
niet die uitbreiding worden gegeven, dat aan (Tie gekozen woonplaats het liooger beroep kan worden heteekend.
Ari'.-R. Assen, v. 10 Febr. 1841;, R. li.. Ja'. iS/jS. dl. X, p. 404â40(1.
f- Uf. jiavolgende beslissing :
.H:
7 eyv1-
/â , K;. /â¢yay y ' #/gt;?
De beteekening der akte van appèl aan den procureur, die in eersten
aanleg occupeerde, is onvoldoende.
Hof Amsterdam, v. li Jan. 1884, W. n0. 5028; zie ten aanzien van if*- het appèl van interlocutoire vonnissen, aant 21'/.
/,/,Y f ^ t . â ,
L*M-qQ-L^
' I I. De beteekening van de admissie-gratis aan partij in booger ' beroep is nerirens voorbeschreven en is bet als voldoende te beschouwen,
â 4^0 .fig (yâct^yp
' ' dat die admissie werkelijk besta en daarvan blijke.
*gt; p jj v N.-Hrahant, v. 4 April 1848, \V. 11quot;. 9(i!); R.. .11. XXXV, §04.
^év. /c/oip, ^ â Cf. art. 807 li. I!., arr. v. 27 Sept. '1844, waarbij is beslist, dat ook in cassatie de beteekening der admissie om kosteloos te procedeeren niet ijnpiy. verplichtend is.
/gt; - ^ ^
h/l'TÃ /
/W. 343.) â ,, ' V-
91«
i
1
14. W anneer de dagvaarding geen twijfel overlaat omtrent de kwaliteit waarin partijen zijn opgeroepen, en omtrent bet vonnis waarvan men appelleert, is zij ten deze opzichte niet in sfrijd met art. 343 j0. a 13. R., al is de kwaliteit, waarin de geïntimeerde in eersten
aanleg procedeerde, niet uitdrukkelijk in de akte van appèl vernield
P. H. v. Zeeland, v. II Sept. 1855, R. B.. jg. 1856, dl. VI. biz.-Mien 44quot;).
Vergelijk navolgende beslissing:
Wanneer in de akte van appèl de vermelding verzuimd is van de kwaliteit des appellants, kan hij niet geacht worden in privé optetreden, wanneer uit den inhoud der dagvaarding duidelijk blijkt, dat hij dezelfde vordering, die in eersten aanleg beslist is, voor den hoogeren rechter brengt.
Hof Amsterdam, v. 30 Juni 1876, R. B., jg. 1877. A. |gt;. 34; anders Ait.-R. Dordrecht, v. '27 Nov. 1876, t. z. p. p. 36.
15. Uit eigen kwade trouw of eigen dwaling in eersten aanleg kan men it; dezelfde procedure, â en vermits de wetgever blijkens dit artikel het hooger beroep beschouwt als een voortzetting der vroegere zaak -â dus ook ter gelegenheid van het hooger beroep niet een middel van verdediging ontleenen [in casu tegen de aangewezen woonplaats van geïntimeerde in de akte van appèl).
I'. H. v. Groningen, v. 5 Mei 1857. R. B , jg. 1861, p. 435 sqq., vernietigd bij arrest v. 11 Deo.1857, l!..dl. I.V1I, Mz. 214, vermeld sub art. 95 li. R. waarbij echter de motieven van het Uroningsch arrest zijn onaangetast, maar de vernietiging plaats had op grond van niet-ambtshalve toepassing van art. 95 15. R.
IO. Dit artikel wordt noodwendig beheerscht door liet beginsel dat de gedaagde, die appelleert, door zijne dagvaarding in appèl, niet in strijd behoeft te komen met zijne judicieële contenance, met dit gevolg dat hij niet gehouden kan zijn, den geïntimeerde op te roepen in eene kwaliteit, wier niet bestaan hij beweert.
P. II. v. N.-Holland, v. 29 Juni 1865, W. uquot;. '2713; verg. ook arrest v. 16 Dec. 1859 sqq., vermeld op art. 332 B. R.
13. De wet schrijft geene formule voor, voor de aanduiding van welk gedeelte van een vonnis men in appèl komt en wijst ook niet de plaats in de dagvaarding in hooger beroep aan, alwaar die aanduiding moet voorkomen. Derhalve is het voldoende, dat de bewoor-deningen der dagvaarding geen twijfel overlaten, tegen welke beslissingen van den rechter a ([tio het hooger beroep is gericht.
P. II. v. N.-Holland, v. '22 Nov. 1866, W. nquot;. '2893.
IN. Nergens is voorgeschreven dat eene partij, die van een bij de akte van appèl behoorlijk omschreven vonnis in hooger beroep komt.
U ^ : .e_; . .. . ' â
z./-'^,/.; c- lt;lt;.*-. â¢â .â y.
Art. .'548 ) 918
l)ij die iikte juist die hoedanigheid aan hare tegenpartij moet toeschrijven, welke deze in eersten aanleg zich heeft toegekend.
1J. II, v. Drente, v. 10 Jimi IStili, W. n0. 2913; verg. aant. 7 op art. 160 B. li.
I fgt; De appellant is verplicht de stukken over te leggen, waarop zijn appèl is gegrond, en daaronder het vonnis, waarvan wordt geappelleerd.
P. H. v. N.-Holland, v. 11 Maart 1873, W. n0. 8850, waarbij weid beslist dat bet verschil tiisscbcn art. 133 li. R. on dit artikel hierin bestaat, dat de appellant niet â zooals in eersten aanleg â- op strafte als bij eerstgenoemd artikel is bepaald â de stukken n limine lil is behoeft te produceeren. Vergelijk bet snb artikel 133, n0. 5 vermelde.
*lt;50. Waar het duidelijk is dat de dagvaarding in appèl van den geïntimeerde i?iprivé. â terwijl die in eersten aanleg in kwaliteit is opgetreden, â alleen aan eene schrijft'out te wijten is, behoort op dien grond de niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep niet te worden uitgesproken.
Hof Amsterdam, v. 1 'i Mei 1880. W. n0. 4550.
I. Zie ten betooge:
a. Dat art. 94 B. R. ook van toepassing is in het geval dat bij de akte van dagvaarding in hooger beroep de gevorderde procureur-stelling is nagelaten en de geïntimeerden daardoor niet in hunne verdediging zijn benadeeld; â
art. 04 I!. R., arrest van 't 1'. 11. v. Z.-Holland v. 30 Nov. 184'i. idem indien het hooger beroep aan het in eersten aanleg gekozen domicilie wordt beteekend â art. 94 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 16 Febr. 1846, sub no. 3.
h. Dat de dagvaarding in appèl ook van een interlocutoir vonnis aan den persoon of de woonplaats van den geïntimeerde behoort te worden gedaan en dat het niet voldoende is, dat die beteekend worde aan den procureur, die in eersten aanleg voor hem geoccupeerd heeft; â
art. 133 li. R., arrest v. 'ii Jan. '1845 sqq., snb nquot;. 1.
c. Der bestaande tegenstrijdigheid (met betrekking tot de beteekening van het beroep en de uitdrukking der bezwaren) tusschen de artt. 343 en 487 li. 11.; â
een hoofd-artikel in 't W. n0. 555.
d. dat wanneer het Hof zich niet heeft gehouden aan de Hlis-con-testatie der partijen in hooger beroep, het arrest moet worden vernietigd â
arr. v. 30 Dec. 1870, W. n0. 3291, dl. XCV1. S 33; v. d. 11.. B. li.. dl. XXXV, p. 279-299.
919 {dr(. 343.
â Zie nopens de vraag, of, indien er een rechtstrijd tusschen onderscheidene personen is aangevangen, de instantie in hooger beroep tusschen allen moet worden voortgezet; â
art. quot;159 li. R., arrest v. 'il Maart -1845 sqq.. sub nquot;. I.
Zie over de uitlegging van art. 3 van het reglement wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door het Gerechtshof in Suriname -â
A it. v. 7 Juni !8tjl, W. nquot;. 2'28'2; ]{.. ill. LXV1II. ij ^1: v. n. 11..
li. /;., dl. xxv. p. 312â:m
ArL 344.
1. Een gedaagde in hooger beroep, die gebruik wil maken van de
bevoegdheid om den termijn, waarop hij is gedagvaard, te vervroegen,
is (ook wanneer het geldt eene koloniale West-Indische zaak, naar
aanleiding van art. 19 va7i het Kon. besluit v. 11 Jan. 1840 {Slhl.
ii0. 1), houdende vaststelling van een reglement wegens het hooger
beroep aan den H. R. van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen
door het Gerechtshof te Suriname) verplicht, om bij de oproeping van
zijne wederpartij ter terechtzitting, in acht te nemen den gewonen
termijn, dien de wet als minimum voorschrijft, in aanmerking genomen
de woonplaats van den appellant, die wordt opgeroepen en de plaats
waar de rechter, die van de zaak kennis moet nemen, zitting houdt.
Eene oproeping tegen een vroegeren rechtsdag, waarbij die termijn
niet is in acht genomen, is alzoo nietig.
Air. v. li Jan. 1843, W. n0. 368; v. u. II.. II. It., ill. IV. p.'242âtM?; idem bij arrest van 't P. II, v. Z.-Holland, v. :t Febr. â 1847, \V. n0. 784; â anders ten betooge, dat de geïntimeerde bij de anticipatie niet is gebonden aan de termijnen van dagvaarding, welke alleen zijn gesteld voor hem die gedagvaard wordt en niet in bet belang van deneisclier â in de aanmerkingen op voormeld arrest, Wrcldilvl nt snpra, alsmede bij arr. v. 24 Nov. 1854. W. n0. 1084, I!.. dl. XLVIII. i; C.l ; bij air. van liet P. II. v. Drente, v. 31 Deo. 1866, \V. n0. 2944, R. 13., jg. 1869, p. 750. ook vermeld op dit artikel (ook op grond dat het recht op anticipatie niet beperkt is tot de gevallen, waarin op langer dan op den wettelijken termijn wordt gedagvaard); bij arrest van het P. H. v. Zeeland, v. 3 Oct. 1865, R. B.. jg. 1867. p. 436; bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Nov. 1881!, VV. n0. 5009; bij arrest van bet 't P. H. v. Z.-Holland, v. 7 Juni 1854, \V. n0.
Ar I. 344 )
1557 (ook op gi'ond, dat de ojiroeping liier mocht geschieden bij akte. van procureur ami procureur te beteekeneu, waarbij de termijnen, voor dagvaardingen voorgeschreven, alle toepassing missen); door Mr. C. .T. 1'riAN'cois. Themis, 4de jg., p. 34â48; he Pinto, fhll.. II, 1, 2de ed. p. 484. en Oudeman. Jgt;. II.. dl. II. 4de ed. p. 20.
Indien de geïntimeerde den rechtsdag bij geinsinueerde sommatie heeft geanticipeerd en niet alleen daarvan aan den mede-geïntimeerde, nu gerequireerde, bij behoorlijk exploit heeft kennis gegeven, maur ook hem heeft gesommeerd, om op die geanticipeerde terechtzitting bij procureur te verschijnen, op poene van verstek, dan bestaat er (ook met het oog op art 34I-. j0. art. 7!» 15 R) geene wetsbepaling, welke in zoodanige omstandigheden aan een geïntimeerde het vermogen ontzegt om tegen den niet-verschijnenden mede-geïntimeerde, wanneer de procureur van den appellant op den geanticipeerden rechtsdag zich daartoe ongehouden rekent, verstek te vragen, waarvan het rechtsgevolg zal zijn de aanhouding der zaak ingevolge art 79 H II.
I'. II. v. Holland, v. 4- Nov. 184(1, Themis, 4de jg.. p. 45 47. -lt;'f. art. 68 Pgt;. R., vonnis van do Arr.-U. Amsterdam, v. 18 Sept. 1846, art. 137 11. I!., vonnis van de/elfde Air.-li, v. 1(1 Nov. â¢18'ir! sqq., sub u1quot;. I: art, 250 1'. ï!., vonnis van de Arr.-U. 's llage, v. 10 Maart 1847, sub n0. 8 en de artt. 286 en 339 U. li., uit. v. 21 Mei 1847, sub nis. 1 en '2.
Indien een appellant, in eersten aanleg gedaagde en tevens eischer in cas van vrijwaring, in hooger beroep op den termijn van vier maanden dagvaardt den oorspronkelijken eischer geïntimeerde in hooger beroep met en benevens den gedaagde in vrijwaring, die een vreemdeling is, en de geïntimeerde op dien termijn anticipeert, dan bestaan er geene termen om te statueren op het ter audiëntie door den appellant gedaan mondeling verzoek, strekkende daartoe, dat de zaak van de rol znl worden geroieerd of wel aangehouden, tot dat de wettelijke termijn voor de dagvaarding rechtens aan den (op den geanticipeerden rechtsdag niet verschenen) vreemdeling, in eersten aanleg gedaagde in vrijwaring toegekend, zal zijn verstreken.
I'. II. v. Holland, v. 15 Feb. 1841. Themis, 4de jg., p. 45â47. â Cf. art. 141 B. R., arrest van hetzelfde 1'. 11. van deuz. datum, sub n0. 3 en art. 308 li. It., arr. v. 10 Nov. 1848.
t. Wanneer een geïntimeerde den termijn waarop hij in hooger
(Art 344
beroep gedagvaard is, vervroegt, dan kan bet Hof aan den appellant, op diens verzoek, een uitstel tot bet nemen van conclusiën verkenen, wanneer dit in zijn belang volstrekt noodzakelijk is.
P. H. v. Zeeland, v. 21 Sept. 1841. R. B., jg. 1840. dl. VIII, p. (122 en G28.
ö Zoowel uit de bedoeling des wetgevers, bij de vaststelling van art. â¢'! I I B. 11. aan den dag gelegd, als uit de woorden, daarbij gebezigd, volgt dat de geïntimeerde, door gebruik te maken van de bem bij dat artikel verleende bevoegdheid tot vervroeging van den termijn waarop bij gedagvaard is, niet is te beschouwen als incidenteel eischer in cas van anticipatie, als zijnde thans (in tegenoverstelling van de vroegere wetgevingen) dat recht tot vervroeging toegekend, zonder aan eenige bewilliging of weerspraak der tegenpartij of beoordeeling en vergunning des rechters te zijn onderworpen.
Hiervan is het gevolg, dat wanneer van deze bevoegdheid tot vervroeging wordt gebruik gemaakt, de stand der litigeerende partijen niet in het minst wordt veranderd, en de procedure, op den door den geïntimeerde vervroegden rechtsdag aangebracht, nadat van die vervroeging behoorlijk kennis is gegeven aan al de in lite zijnde partijen, volmaakt in denzelfden staat verkeert, als waarop zij zich zou bevinden, indien zij door den appellant zeiven op dien dag ware aangebracht.
Ofschoon nu dien ten gevolge de vordering van den appellant, op den vervroegden rechtsdag gedaan, om wegens bet niet ter rolle verschijnen van mede-geïntimeerden de zaak aan te houden, mocht zijn afgewezen, zoo kan dit evenwel niet ten nadeele van laatstgenoemden uitloopen, zoodat zij, wanneer zij op den door het Hof bij het arrest op des appellants vordering bepaalden rechtsdag niet zijn verschenen, volgens art. 79 B. E., het recht behouden om na eene tweede oproeping te verschijnen, en moet de zaak, met verstek tegen de defaillan-ten, ten opzichte van de verschijnende partij worden aangehouden.
I'. 11. v. Gelderland, v. 13 en 20 Nov. 1850, W'. n0. 1194; U. li., jp. 1851. p. 511â514.
lt;» De appellant, die een arrest van aanhouding verkregen heeft en niet verkiest dit aan den defaillant te beteekenen met nadere oproeping, kan, met bet oog op de artt. 145, léf) en 314, j0. art. 79 H. R.,
921
Art. 344.) 922
^een naderen termijn hiertoe vragen, zoo de versclienen partij hem
sommeert om voort te procedeeren. I Æ
P. H. v. N.-Ilnllaiid. v. Nov. 1853, W. u0. 1504. â Cf. liet aange- .
teekende sub art. 79 B. R., n0. 2. |
ï. Deze bepaling, den geïntimeerde de bevoegdheid toekennende den termijn, waarop hij gedagvaard is, te vervroegen, is ook dan van toepassing, wanneer er mede-geïntimeerden zijn. Deze zijn niet te beschouwen als de bij dit artikel bedoelde wederpartij. Wanneer de andere geïntimeerden niet mede op den vervroegden termijn zijn opgeroepen, kan geen verstek tegen hen verleend worden, met aanhouding van de zaak tegen den verschenen geïntimeerde.
P, H. v. N.-Holland, v, (1 Maart 185«. \V, ii0. 1826, R. H., jg. 185«,
dl. VI, lil. 276.
8. Ãe anticipatie kan ook bij eene tweede procureurstellmg, waarbij de eerste wordt ingetrokken, plaats hebben.
1'. H. v. Prenle, v. HI Dec. 1860, W. n0. 2044, H. H.. jg. 1869, p. 750.
ook vermeld sub n0. 1 van dit artikel.
Zie omtrent de vraag, of bij een verzet, dat niet is geschied met inachtneming dei' voorschriften van de artt. 83 en 84 1!. R. en waarbij dus de geop-poseerde op een langeren termijn, dan bij de wet vereischt wordt, is gedagvaard,
met goed gevolg op dien termijn kan worden geanticipeerd â art. 83 1!. R.,
1
arr. v. 14 Mei 1852 sqq., sub n0. 2.
I
w-ö /l.⢠/â 'o.wv.ü v' ' lt;â / â-y s. £ Q/u~quot;y lt;
X, Ij-frL ?-v CLA**£ilci VUÃCJ- fttJUticir: tb./? tf~7e gt;⢠I ./.
_ \t
1. Onder de beschikkingen op rekwest, bij art. 345 B. R. bedoeld,
worden geeue andere verstaan dan die, welke gevallen zijn op verzoe- \ ^
ken, in den vorm van rekwest aangebracht, en op welke verzoeken j
ook in den vorm van beschikking is recht gedaan, en geenszins op die gevallen, wanneer, uit krachte eener speciale wet, 's rechters beslissing niet bij gewone dagvaarding, maar bij rekwest ingang gevende tot de rechtsvervolging en waarop de wederpartij wordt gehoord, moet ^ ^
worden ingeroepen q
Arr. v. 29 Mei 1840, VV. n0. 107; R., ill V, § 11; v. u. H., B. II.. ^
dl. 1, |). 161â196; idem arr. v. 7 .lan. 1841, R., ill. VIII, ij 52; v. n. H..
ibid., dl. II, p. 1â20. jd
C-c^u e is* Cj Cs â
^ ij. - ^
â ê i
: lé ^2-. 2 O
qJL^rtrL^^
fhamp;o^ot -
t c/^Q^ ehj-W c/-*.-
Aw.
x / CirU- . ^tPiP 't
0 - 7/*. ft. zfy
amp; 0»_^_ 2jj2^4-A amp;*-*
cdWP , LLS' ^cquot; S''J quot;h!
[Art. 345.
cLi^gt;
16.K.
K/i'ii ^ ® Dit artikel bej)aalt alleen den vorm en den termijn van het hooger beroep op beschikkingen op rekwesten en onderscheidt ten aanzien van den termijn tusschen den verkrijger eener zoodanige beschikking £^-
i-. 2gt;4vr
(''Ja. {jl_ , Jfp/L, WyS ^ quot; f'n iyr f ^re-:'^0J2^Z%gt; o^gt; i*âvJ*.
J-
en de overige belanghebbenden; daarbij is derhalve niets bepaald ten opzichte van het recht van hooger beroep, en alzoo moet voor elke soort van beschikkingen uit de daarmede in verband staande wetsbepalingen worden afgeleid, wie naar de bedoeling der wet zijn te houden voor de helanghehbenden. . â amp;(* *lt;â ' y yrr// 0 ^
Ait. v. '23 April 1857, W. u0. 1849; U.. dl. LV, Slj'i; waarbij bevestigd ra:n quot;â¢werd liet arrest van liet P. H. v. Z.-Holland, v. 5 Jan. 1857, W. n°. 1816: /
liij welke arresten werd beslist, dat de algemeene commissie ter likwidatio van de voormalige wees- en momboirkamers niet als belanghebbende ^ kan opkomen tegen eene beschikking op rekwest, waarbij ingevolge do - bepaling van art. 546 B. W. vergunning tot inbezitneming van eene nalatenscliap is verleend. Verg. met betrekking tot de in den hoofde âdezes gestelde beslissing air. v. 4 April 1862, en vonnis Arr.-R. 's-Gra-
_ venbage, v. 19 Dec. 1861. beide vernield sub art. 332 li. 1?., n°. 9.
â¢UMS1
iiSBuWamp;i? tlâ
U
-1 Tegen beschikkingen op verzoekschrift is het hooger beroep toegelaten, tenzij de wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt.
Arr. v. 16 Mei 1867. W. nc. 2902; R., dl. I.XXXN I. § 7; indeuzelfden yxró- /jn hij arr. v. 17 Mei 1866. W. n0. 2810; 1!., dl. I.XXXI1I. ij 9; v. u. 11.,
H. /i., dl. XXX, p. 386â395; waarbij werd beslist dat verzoekschriften en daarop te geven beschikkingen, waarbij de recbten van anderen kunnen worden verkort, geacht moeten worden gelijk te staan met burgerlijke rechtsvorderingen, waarvan blijkens art. 53 R. O., in den regel behoudens hooger beroep, wordt kennis genomen, en dat daarenboven uit de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waar »;lt;»«» «et-bis liet recht tot appèl van beschikkingen wordt gegeven, (als art. '(35, 438 en 439).
niet (x conlrario mag worden geredeneerd.
Verg. ook P. H. v, N.-Holland, v. 20 Dec. 1866, \V. n0. 2896, waarbij f'i/y, '^90
is beslist.dat ook van vonnissen houdende insolvent-verklarinc kan worden ,
/ v /. UrG ö
geappelleerd. Zie ook in dezen zin, Oudeman, 3de druk, dl. Ill, bl. 200sq. 6' '
Anders ten aanzien van beschikkingen van den Kantonrechter, in specie,
eene gegeven ingevolge art. 94 W. v. K., bij arr. v. 13 Nov. 1863, W. 2 ^ n0. 2536, R., dl. LXXV, § 20; v. n. 11.. B. dl. XXV11I bl. 85sqq., ook '/ a vermeld sub art. 338 B. R. n0. 1, waarbij in strijd met de conclusie van het ^
Ojienb. Mm. is beslist dat de rechtbank tunhtshalve zich had moeten JWZ-onbevoegd verklaren in hooger beroep van de beschikking kennis te
*{. Op de benoeming van een voogd of toezienden voogd zijn niet ^'v' toepasselijk de gewone regelen van de artt. 332 en 345 15. li.
Arr. v. 29 Juni 1860, vermeld op art. 332 B. 1!. nquot;. 8; zie verder art. 115 li. \V. iic. I en 2; alsmede de conclusie Openb. Min. voorafgaande aan vonnis Arr.-R. Sneek, v. I Mei 1871. VV. n'. 3375.
u rC* /v £e.
L.
/C1
fVVVr cin.
'.-srrfr- **4-.
x-tncL.^,
Ulsuï-A- Mn _ -yLü.â -
. /f.
fatrf-
3
7
Is* quot;r £~-,cse-lt;£yi eJ?*- fyi a.
A
â fa.
U^rt/L- /]/-rX'*~~' tiP '~^'^\/L*^- IaP y lf ( c/. lA~ ' Ã-(P
/rfrr jrtyo 1^~ ÃAjl. Us* I: S-^ JLeyLt-* i^U.
(.La^ (rr* (^xM irZSiA-ir* Is^*. L ^jL^cr-f^^ 3-ââ
__Ã '3 U ^ ^ /*quot;â,/'',3
^__^ nemen; idem Arr.-R. Hoorn, v. 11 Mei 1859, W. ii0. 2I'27; vergelijk ook
,^/r£ air. van het, P. H. v. Overijsel. v. 1 Mei 1871. \V. n0. 3331. waarbij ^ / v is beslist, dat deze bepaling niet voorschrijft, dat olie beschikkingen op J
il'. rekwest aan hooger beroep zijn onderworpen, maar alleen den vorm â
t/lyTA,ririeaigt;-^ ^aanwijst, waarin liet appèl van beschikkingen op rekwest moet worden ingesteld, in geval die aan hooger beroep onderworpen zijn. In denzelfden // M.mJ. . zin n Adv d| VII ^ ,n- sqq
V.y y lAPOOfhquot; Vergelijk ook S. in W. n0. 2544 over dit onderwerp en voornamelijk over de vraag of de rechter ambtshalve het beroep kan niet-ontvankelijk
5^ .
verklaren.
.» Art. 345 15. li., is, wat eene beschikking aangaat krachtens art. 373 15. W., gewijzigd door art. 2 der wet van 18 April 1S74 (SW. n0. 68).
Mitsdien kan de toeziende voogd, die op het verzoek niet is gehoord, niet in beroep van de beschikking komen.
Air. v. 27 (let. 1870, VV. n0. 4075; R., dl. CXI\. ,§11; vernietigende de beschikkingen der Arr.-Rechtb. en van liet Ktg. Appingadam, resp. v. 20 Ang. 1876 en 28 Juli 1876, beide in liet W. t. z. p. opgenomen.
lt;». Aan hem, die van eene beschikking op rekwest in hooger beroep komt, wordt de verplichting?/^ opgelegd, om dat hooger beroep te doen beteekenen. Air. v. 15 Keb. 1878, R, dl. (quot;X \ III. S 21 v. n. II.. tl. It., dl. X 1,111. 88âS3.
5. l)e rechtbank beschikkende omtrent de homologatie van een accoord doet recht op een door den gefailleerde gedaan en aan de rechtbank door den Rechter-Commissaris overgebracht verzoek.
Mitsdien zijn de regelen van proces bij rekwest en in het bizouder dit artikel op die beschikking van toepassing
A IT. V. 4 Mei 1883, W. n0. 4916; R., dl. CXXXIV. $3; v. n. II.. fl. It.. dl, XI,VIII. p. 308â372.
8. Tegen eene beschikking, op rekwest verkregen, kan geen verzet, maar alleen hooger beroep worden toegestaan. De niet-ontvankelijkheid, uit het niet bezigen van het hooger beroep resulterende, moet (indien, gelijk in casu, is gedagvaard ten einde te hooren verklaren, dat men te recht is gekomen in verzet, ook dan wanneer daartoe niet bepaaldelijk is geconcludeerd), als van publieke orde, door den rechter ambtshalve worden uitgesproken.
Arr.-R. Amsterdam, v, 30 Dec. 1844. VV'. n0. 509; H. B,, jg, 1845. dl. VII. p. 51 sqq,; F!,, dl. XXVI, §100; liegt i» Neder!., dl. IV, p, 242â240.
ïgt; De beschikking, waarbij eene rechtbank weigert over te gaan tot de beëediging van een makelaar, is niet aan hooger beroep onderworpen. 1'. 11. v. N.-Holland, v. 0 Oct. 1845, W. nc. 665.
O-fâtpJZ. y -^gt; 5,7^
4
/^T. Uf. IvTÃt/ Ié).lx.. /6 iA o^/cPcPlt;ï?.
/,^UClt; X^Cf tr% -------c* !?, C â ^ lt;L /rr£. *-ra »z *A-r-t crquot;'io^_
quot;' ! w « -V - i /'quot; â¢lt;'â¢Â« quot; quot; ~quot; *'quot; *quot;';
IU~ - quot;quot; âquot;quot;'
â - /^ »25 '^(Art. 345.^^'
^ ^ ^ / P.-'. ^sr ~'6s .
lO. Het l5. H. kan gelasten, ilat een bij rekwest ingesteld hooger beroep van een vonnis, gevallen op een rekwest tot failliet-verklaring,
ter rolle van liet Hof worde aangebracht, ten einde door de meest haast-rnakende partij in hooger beroep worde geprocedeerd, zooals in summiere zaken is voorgeschreven, met last dat die praeparatoire dispositie, ter diligentie van den appellant, aan den geïntimeerde worde beteekend.
P. H. v. Gvoninfren, v. 8 Sept. quot;1848, R. B., 1840, dl. XI. p. 314 en 345 (1). â /,7
f 1. Tn zaken van curateele moet het'hooger beroep bij rekwest en
niet bij dagvaardinquot; worden aangevangen!' Hiertegen kan niet afdoen, /Qtoamp;n-'ji/0 â
... quot; ' i? â¢// dat 's rechters uitspraak in art. 496 B. W. wordt genoemd een vonnis,
dewijl het niet valt te betwijfelen, dat dit woord hier niets anders -
(xPc/f fi - tb0
beteekent dan beschikking, zoo als zulks blijkt uit eene vergelijking van dit artikel met het kort voorafgaand art. 494 van hetzelfde Wet- y/n^ui hoek, waar de rechter gezegd wordt te beschikken op het verzoekschrift
tot curateele; hoedanige heschikkinnen dan ook verder bij onderscheidene /lt;'ï-'r' .
, , . â 1 1 â ' 'j 1 wetsbepalingen voorkomen, als de generieke benaming^van uitspraken,
waaronder vonnissen zijn begre|)eii. amp;vzyxygt;.a-o 7/^^ y
/ _ /amp;amp;lt;s n'/tty.
P. II. v. Groningen, v. 28 Dec. 1848, U.. dl. XXXI. !; 100; cf. art.
W' Squot;'' 2' ?^lt;^n.a-u It-r-'r a 'iPtPlt;P P. iquot; h. ...........; . ,7
lb
2^'
'i. Indien het verlangen tot het getuigen-verhoor ontleend is uit k-°
een vonnis van een vreemden rechter, kan de aanvrage daartoe bij , , ,,
. â n'róétfj
den rechter, zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep, hier te â , , ' ,
... to (-â l'0T
lande niet anders dan bij wege van verzoekschrift, geschieden. ^ ^
P. H. v. Overijsel. v. 7 Mei '1849. \Vr. nquot;. 1017; idem Air.-11. Amster-dam, v. 30 Deo. 1844. W. n®. 569; R. B., jg. 1845, dl. VII, p. 51 sqq.;
|}., dl. XXVI. § 100. â Cf. art. 152 I!. R, sul) ii0. 10 en 431 B. R.,
arrest van hetzelfde P. II. v. denzelfden datum, alsmede art. 10 Alg.
Bep.. vonnissen van de Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Mei 1842 en 22 Maart 1849, sub n0. 6, (dl. II. p. 76 en 77), '2de ed. pag. 231.
I 3. Al neemt men aan, dat onder de bij dit artikel bedoelde belanghebbenden bij eene beschikking op rekwest gerangschikt moeten worden niet alleen degenen, die daarop in hun belang zijn gehoord,
J
(1) Later zijn door hetzelfde Hof soortgelijke incidenteele arresten gewezen bij gelegenheid van hooger beroep van curateele en van de bevoegd-verklaring van de voogdij. (Leox.)
k
â o- zf1 u clt;^ {k.jr-rquot;-::y c..,./' qslSZa^ -e^c-',
Art. 345) 926
of als belangliebbenclen zijn aangewezen, mnar allen, die door de inwilliging van het verzoek kunnen worden benadeeld, -â dan toch volgt uit de bepaling van dit artikel wel, dat die belnngliebbenden de bevoegdheid bezitten om van die beschikking in hooger beroep te komen, ten einde de handelingen, waartoe vergunning is verleend, te voorkomen, maar daaruit kan nimmer worden afgeleid, dat hij, die eene beschikking op rekwest verkregen heeft, waarin ten zijnen behoeve rechten worden eikend aan derden, die daarop niet zijn gehoord, die beschikking als een gewijsde kan tegenwerpen.
Ait.-R. 's-Gravenlinare, v. 2S .luni W. n', 20113.
8-t. Wanneer de kantonrechter zich dadelijk onbevoegd verklaart om te beschikken op een rekwest, dat gezegd wordt op grond van art 451 15. W. in verband met de wet van IS xVpril IS74 (Sihl. n0. (58) te worden gedaan, is de termijn van beroep tegen die beschikking drie maanden, en niet de bij art. 2 der laatstgenoemde wet voorge-schrevene van. 14 dagen.
Arr.-R. Rotterdam, v. 7 Dec. 1883, W. n0. 5010.
Art. 340.
1. Uit de bepalingen van de artt. 138 en 139, j0. art. 340 B. R. volgt dat, wanneer een geïntimeerde eene exceptie van niet-ontvanke-lijkheid en tevens een antwoord ten principale heeft voorgedragen, alsdan de appellant niet gerechtigd is een uitstel te vragen, om op de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid te antwoorden.
P. II. v. Z.-eland, v. 28 April 1840, R. B., jg. 1847, IX, p. 043 en 644.
Het middel van onbevoegdheid des eersten rechters, in hooger beroep tot verbetering van bet vonnis a ingeroepen, is een rechtsmiddel, dat men tegen evengemeld vonnis doet geiden, en geenszins eene exceptie, die, zoo als zulks in eerste instantie behoort te geschieden, in hooger beroep afzonderlijk dient te worden beslist.
Hoewel in summiere zaken, ook na het nemen der conclusiën, bedoeld bij de artt. 138 en 139 B. R., zoolang het onderzoek niet is afgeloopen, om gegronde reden, door de rechtbank een termijn kan worden verleend, om, bij nadere conclusiën, nieuwe rechtsmiddelen bij
{Art. 346.
te brengen, is echter nergens in de wet eene bepaling te vinden, waaruit zoude af te leiden zijn, dat een appellant gerechtigd is te vorderen, dat ingeval een eerste, door hem bijgebracht rechtsmiddel door de Rechtbank mocht verworpen worden, hem worde toegestaan, tot bestrijding van het vonnis a quo, nieuwe rechtsmiddelen te doen gelden ; daar door zulk eene handelwijze de procedures op eene zeer kostbare wijze tot in het oneindige zouden kunnen gerekt worden, en eene goede rechtspleging daarmede niet zoude overeen te brengen zijn.
Arr.-H. Maastricht, v. 0 Febr. 1851, R. B., jg. 1851, p, 208â271. â Vgl. hiermede een arrest van 't 1'. 11. v. Zeeland, v. 5 Oct. 1852, li. B., jo;. 1853, p. 586 on 587, waarbij is beslist dat in honger beroep in snrnrniere zaken niet meer na de conclusion van eisch en antwoord, nadere termijnen tot het nemen van conclusiën knnnen worden toegestaan, wanneer de conclnsiën des geïntimeerden geene incidenteele vorderingen inhouden. â Zie ook art. 139 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 21 .luli 1846, sub nn. 3.
Vergelijk navolgende beslissing:
Na het nemen der wederzijdsche conclusiën van eisch en antwoord behoort tot de pleidooien te worden overgegaan of van pleidooi te worden afgezien en recht op de stukken te worden verzocht, en komen de kosten der akten van rechtspleging, vervat in het vragen van verlof tot en het nemen van eene bloot persisteerende nadere, conclusie ten laste van den procureur, die zich deze akten heeft veroorloofd.
P. H. v. Friesland, v. 12 Dec. I860. R. B., jg. 1862, dl. XII. bl. 641â657.
3. Wanneer de appellant noch in eersten aanleg, noch bij zijne conclusie in appèl zijne verdediging ten principale heeft toegelicht is het billijk dat de rechter, na beslissing van het incident, hem alsnog daartoe de gelegenheid geve; vermits intusschen meer dan twee conclusiën in appèl niet worden toegestaan (en deze iti ca.m reeds genomen zijn) kan den appellant alleen daartoe een nieuwe pleitdag worden gegeven.
Arr.-R. Amsterdam, v. â¢19 Mei '1876, W. nquot;. 4010.
Art. 347.
I. Indien er, nadat de procureur van den principalen appellant zich heeft geconstitueerd, en voor hem, ten beteekenden rechtsdage, is verschenen, vervolgens, binnen den termijn, bij de wet bepaald, geene
927
^ ' *- quot; . . « » _ OAJLSX-Câ
Zi' ua^i s-y â¢, ''
O ^«^7 -^-^- 3 /f ^ tquot;*}
^quot;f A^ UiSa^-^ /i yïi^-.lt;-y.l//, (*y- ,â yf -)J,oi.
r^r Art, ui.) ^ ,, â - / ^
^hl- iw ^-I yyz-ctv Jamp;- ae.
- ^ heteekening vnn memorie van hezwaren van zijnentwege geschied is, ytej7~o-* a]s(jnn 7ijn er geene termen tot het verleenen van verstek en absolutie van ile instantie (naardien zulks alleen te pas kwam en had hehooren ^9-_ fa't/evraagd te worden bij von comparitie van den appellant, door zijnen procureur ten beteekenden rechtsdage), maar moet de zaak contradictoir, alleen op de verwering van den geïntimeerde afgedaan worden.
Air. v. 20 Oct. 1843, R., dl. XVI, § 46; â anders bij air. van quot;t P. M. v. Zeeland, v. 29 Oct, 1889, lï. H., jrr. ISK), dl. VIII, p. 614, waarbij is beslist, dat tejien een appellant, die uitstel tot het nemen van concinsiën heeft bekomen, doch op den bepaalden dag in gebreke blijft zulks te doen en eene nadere remise daartoe verzoekt, welke geweigerd wordt, verstek ^-k-w- lndioort te worden verleend en de geïntimeerde van de instantie behooi-t c. worden ontslagen.
De appellant is niet verplicht, bij de heteekening zijner memorie
bezwaren aan den geïntimeerde op nieuw te vermelden of te be-
(]e sjUlcl?en. waarvan hij in hooger beroep gebruik zal maken,
^Véfy~. fen ware jn hoosrer beroep eene nieuvw vordering werd gedaan, op â p v '
/o/en, /⢠nieuwe bewijsstukken rustende.
/aoZ. n-'/Só- p |i v Zeeland, v. 2 Juni 1840, R. li., jg. 184(1. dl, VIII. p. 018. -
, ⢠i-, Cf art 133 li, 1!.. uit. van 't f', 11. v. N.-Brabant, v. 4 Jan. 1842. sub n0. 2.
t (it cu
:{, fn hooger beroep is de appellant, na de heteekening van bet .iW antwoord des geïntimeerden op de memorie van grieven, nog gerech-
^ tigd nieuwe bewijsstukken te produceeren, als zijnde de zaak dan nog
u^'
/ niet in slaat van wijzen.
l*7**'quot; ' P. 11. v. Zeeland, v. II Juli 1843, li, li., jg. 1847. dl, IX, p. 14 en
Wanneer de geïntimeerde, hoewel in rechten verschenen, tegen ft'quot; ' ,. u. de conclusie van den appellant tot vernietiging van het vonnis geene - ia? tegenspraak doet, kan die conclusie worden toegewezen, zonder onder-r/.f/- zoek der grieven.
, tP. II, v. N.-Holland, v, 24 Juni 1809. W. n°. 3249,
A . ⢠' / /7
iJo^f -cv ^-2-7 -CU
(igt; i **' 1 jj. De eenvoudige verwijzing naar de voor den eersten rechter aan-
/^. gevoer^e middelen kan niet worden aangemerkt als de formuleering
der bezwaren tegen het vonnis a quo. ⢠r/t-,,.
Hof Arnhem, v. 17 Oct. 1883 W. n . 4971, f (lt;f- »' 69ty
£ ^ 00/0 '
DE NEDERLANDtSCHE
RECHTSPRAAK,
GEBRACHT OP DE ARTIKELEN VAN HET
WETBOEK
V AN
BUEGrERLIJKE R ECHTS VORDERING
DOOR
Mr. W. VAN ROSSEM Bz.,
ADVOCAAT, PROCUREUR EN KANTONRECHTKR-PLAATSVEIiVAXGKH TE 'S-GUAVEXIIAOE.
VIERDE DEEL.
[Art. 348â620.)
VGRAVKNHAGE, GE BR. BEL INFANTE
1
c-
t
eerst lijk-in h is ii van geid in ge
niei
VOO
zooi .in d
acti uits ges
»-⢠/- JL^S c^^.- t-quot;â i-y-/7q*~ quot;^o l-*- J/YI^^
. j y.
â n ^ /
CXaj^cl, /t^.
/ 7 O f~\ lt;-e i $â /* * 'v(v^-/Cf ^yCfo^J-
(^r-c^V V /
929 Art. 848.
quot;Zll 'yytjfyftr-v-r^quot; t^^fCaCaé' gt;-«-i.'a egt;t^-^.lt;2â^
1. i)e oorspronkelijk verweerder, aan wien, op de door hem in quot;yimf
eersten aanleg aangevoerde gronden, zijne conclusie tot niet-ontvaiike-lijk-verklaring van den oorspronkelijken eischer is toegewezen en die iu hooger beroep tot bevestiging van dat vonnis heelt geconcludeerd.
is niet bevoegd om in appèl (bij pleidooi) nog een geheel nieuw middel van niet-ontvankelijkheid teijen den oorspr{)nkeliiken eisch te doen
â¢' 0 r J OLY* r
geiden, waarover de kennisneming van den eersten rechter niet was ingeroepen. ^
Arr. v. 30 Mei 1839, W. n^. iö en 31: R., dl. IT, § 27; v. u. H.,
fe'. /;.. dl. I, p. 4â24. â Vgl. het daartoe betrekkelijk arr. van 't Hof â¢'
v. Holland, v. '13 Febr. 1839, waartegen de onderwerpelijke voorziening is verworpen, in 't W. n0. 7.
lt;8. .De wetgever heeft in art. 34-8 B. R., met betrekking tot de nieuwe weren van rechten, welke de oorspronkelijk verweerder niet voor het eerst in hooger beroep kan doen gelden, alleen op het oog zoodanige weren van rechten, welke op strall'e van verval vóór alle andere weren van rechten, immers vóór het antwoord ten principale,
â waaronder echter niet de exceptie quot;ühi aclversus me non competit actioquot;', ook zelfs dan niet, wanneer de excipient ter eerste instantie uitsluitend verdediging au fond heeft gedaan â moeten worden voor-gesteld. ^ja
Arr. v. 11 Deo. 1840, W. nquot;. 77n: R,, dl. XXV, § 70; v. d. H., (â¢'. /..
dl. V, p. 200â226; idem arr. P. H. v. Overijsel, v. 20 April 1846, bij ' ^
Mr. Hertzveld, ut supra, blz. 20; idem de Pinto, B. li., dl. 11, 1, p. 440 sqq. 2do ed. pag. 492 en Penning, ad art. â¢â Verg. P. H. v. Gelderland,
v. 18 Dec. 1872, W. n0. 3573. R. B. jg. 1874, p. 109, ten betooge dat de exceptie «tihi nou competit haec actio» een peremptoir middel van niet-ontvankelijkheid is, en mitsdien eene verdediging ten principale oplevert, dat dus niet door een in eersten aanleg' gevoerde verdediging au fond wordt gedekt. Cf. art. 160 B. R., arrest v. denzelfden datum.
sub n0. 5; 't Vorstelijk Besluit v. 23 Febr. 1814, arrest v. denzelfden datum, sub nquot;. 1, dl. I. p. 11 en v. d. Honert. Hrtt}.. p. 395.
Zie echter navolgende beslissing:
Wanneer de geïntimeerde in eerste instantie wel heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring der vordering, maar ook tevens, op de zaak zelve zich uitlatende, geconcludeerd heeft tot ontzegging en niet
Mr. W. van Kossem Bz., Burg. Rechtsv. 59
q /?
^,41 -â_â 1 O X lt; ^ T*-A.â quot;UL*. f ~amp;Z lt; «à lt;-
lt;2x^0, l t i t i Aa. r -Ctzs a. A- 4â lt;* ^ ^
ic O? v-c -«rVquot;a T ^ . rfx*. /4 - Slt;*-i £. ^y3^.
e-cj^re- i3 «. â¢w -wJ-«-/t.â
óygt; '-~'^L' ' ! ~PJ~ ^ l^-*r^?c'-^-' fa t ^-i^-CJ f-y?-*-: a^â',quot;â¢
rVr'v l^- t--^- 'quot;S 'p-'quot;/^7 1 ^ l~yt~ j.0-amp;(fc-^y-*-/ Jgt;X~ (quot;'-r,.__cJ^lt;L,lt;L ^ »^-«- Irt-r*'cl I. thUiy^J-a, f-gt;.~~ U.T ^e oJIl. ,
rU^ âL ArL 348.) 930 / / / ,
^ ^ a.ff-yu^-y irt^ OA^- ^
/ ll heeft voorgesteld eene zoodanige peremptoire exceptie, waardoor appel
lant's actie niet tegen hein geïntimeerde had kunnen worden ingesteld, kan hij dat laatste niet in appèl doen. â * 'aw /â¢
1(,o~j^i p n v /â-Holland, v. 29 Maart 1858, W. n0. 1951. ly'^ xlquot; J ^ u'
JJjJi\ t-Cj o J ^ ,y .f-
3. Een Hof, in appèl de vorderine, tot het voldoen waaraan de
Af iA0quot;/cf^(- .
// gedaagde reeds in eersten aanleg veroordeeld was, toewijzende, doch de 3c0. M't-/'f/2®vV-geldsom naar een anderen maatstaf berekenende, heeft onderzoek en uitspraak gedaan naar dezelfde vordering, die voor de Rechtbank was m tyLTix-c^-t- /iffâ aanhangig gemaakt. In zoodanig geval kan er geene sprake zijn van een nieuwen eisch.
1 Air. v. \ April 1851, W. iiquot;. 1249: v. n. H.. H. it., dl. XIII. ii. 1â25.
cZeiTBL^- ... .. 1
In gelijken zin bij bet daartoe betrekkelijk arrest v. quot;t, 1'. 11. v. Limburg, - v_ ;j.j Dec. 1849, W. nquot;. 1088; li. I!.. jg. 1850, dl. XII. p. 489 sqq.
/f7*,
/ -1-. Art. 348 B ïi. geeft een appellant bet recht, in hooger beroep
/ Æ* een door getuigen) te doen gelden, waarvan in eersten
â * aanleg (jeene kwestie is geweest en hetwelk aldaar, om welke reden dan t ' ^ ook, is nagelaten.
eJ^Tx. quot;T^O-r- Arr. v. 2 Dec. 1853, W. nquot;. 150(1; H., dl. XI.VI. 8 5. â Vgl. art. 348
g II al.,.est v. 15 Oct. 1803 sqq. sub nquot;. 13.
^â
Vergelijk navolgende beslissing:
c' ^ '
£2^ liet strookt volkomen met de bedoeling van den wetgever om in
hooger beroep het aanvoeren van nieuwe bewijzen als geoorloofd te beschouwen.
p j| v Groningen, v. 12 Juni 1800, R. I!., jg. 1807, l)lz. 60.
JU,, w
hvt- / ^ ^ rec'1'er i'1 appèl mag niet op die gronden tot nietig-verklaring
van eene arbitrale uitspraak acht slaan, welke voor het eerst in hooger beroep zijn bijgebracht.
Arr. v. 27 Jan. 1854, W. n0. 1515; R., dl. XLVI. § 89; v. D. H., Ti. R., dl. XVIII, p. 92â10quot;, bevestigende een arrest v.'t P. II. v. Gelderland, v. 2 Maart 1853, W. nu. 1438; R. li., jg. 1853, p. 320â327.
â¬Â». Indien de verweerders, die in eersten aanleg hadden geconcludeerd tot ontzegging van den eisch, â in hooger beroep voor het geval, dat het Hof mocht vermeenen het vonnis van den eersten rechter te moeten verbeteren, subordinaat concludeeren, dat het Hof den eischer alsnog
iV.
- ft'- J---'C ^~ / -'â
/erlt;ri (i/Pyt~quot; â £
ȉ '51 (Arl. ;j-J*S.
^SLe.
trCiMJe.
C.C-..
.4^
^ t 'amp;L A'Uy
r. ^,. ^JCSC/
r
-ot/l
/â
*7'
idiiH
:v4-
U/: /gt;égt;t/S. f:, i/.,.. u-. '2-'2-
^ 6. I / 7 /I,
sV* ylOÃ.
Arr. v. 4 Dec. 1857, W. n0. 1914; R., dl. LVII, § 41; v. d. H., B. It.,
dl. XXI, p. 418â434; bevestigend air. 1'. 11. v. N.-Holland, v. 20 Febr.
1857, W. n0. 1865; R. 13., jg. 1857, dl. VII, bl. 529â531; het arrest van ^ : H
den Hoogen Raad besliste dat, waar tijdens de aanvankelijke toestemming ^
in de oorspronkelijke vordering nog niet aanwezig was het feit, waarop '«â¢'
de nieuwe verwering was gegrond, geene dekking kan plaats gehad hebben, /g /M '
Cf. ook in denzelfden zin, arr. P. 11. v. N.-Holland, v. 25 Maart 180!).
\\r. n0. 3163. L \ â
l^eJtyTL . 'hw
fgt;. De oorspronkelijk gedaagde, eischer in vrijwaring, mag in hooger $/1 rtP, beroep nieuwe weren van rechten aanvoeren, niet alleen tegen den oorspronkelijk eischer, maar ook tegen den door hem opgeroepen verweerder in vrijwaring.
Arr. v. 11 Dec. 1857, W. n0. 1915; R., dl. LVII, § 44; v. n.H., B. U.,
dl. XXI, p. 447â407; in zoover vernietigende arrest 1'. 11. v. Limburg,
v. 2 Maart 1857, W. n0. 1835.
IO Dit artikel wijkt in zoovele opzichten af van art. 464 C. de Proc. Civ., dat het niet daaruit, maar alleen uit zich zelf mag worden uitgelegd.
Terwijl het tweede gedeelte van het artikel uitdrukkelijk betreft alleen den oorspronkelijk verweerder, bedoelt het eerste daarentegen
zal verklaren niet-ontvankelijk of wel hem zijn eisch zal ontzeggen, *^ t-, maar geene andere gronden als in eersten aanleg aanvoeren, dan kunnen
zij niet geacht worden inderdaad nieuwe weren van rechte te hebben ^ 'J-^0 ingebracht. '
Arr. v. 13 Juni 1850, W. nquot;. 1858; H., dl. LUI, §38; v, n. H., B. 11.,
dl. XX, p. 411â428.
S. De verdediging van den borg dat, alvorens tegen hem recht van verhaal kan worden uitgeoefend, hij tot betaling had moeten worden aangemaand, is aan te merken als een peremptoir middel van niet-ontvankelijkheid, strekkende tot finale afwijzing der ingestelde vordering, en mitsdien eene verdediging ten principale.
Ai r. v. '20 Juni 1850, W. n0. 1701; R, dl. LUI, § 43; v. D. II., B. R.,
dl. XX. p. 428â437; ook vermeld suli Imc art. n0. 73/f; verg. ook arr. P. 11. v. Overijsel. v. 20 Nov. 1855, bij Mr. 1 Ikutzveld, ut supra, blz. 54.
â S. Lit de slotbepaling van art. 348 volgt ontegenzeggelijk, dat de oorspronkelijk verweerder in hooger beroep mag aanvoeren in eersten aanleg nog niet bestaande verdedigingsmiddelen.
diSieJU*
XLa___-trrrr-eK £rA- Se^*JU*ï~ry ^c*-â Cgt;^. ^ Jïx^A amp;£Sej'y?
fajcln/* rj r^eftr*- ntoJxd' fiéie* X?* ^âyr /r^j2âfc r*e*^ a o-^j^ d **.â amp;*£ 'Ãr ^ , cjlt;2*sVi
e^ftfc f- ttrnt.,-:-*^, A -^quot; A.-/M i^''jlt;;a-amp;L -. ?*.,/ --
tlrr/ xwi ^ L ^ quot;
^ .4rlt;. '348.) ' 932
krachtens zijne bewoordingen, uitzonderingen en tegenstelling met het tweede, alleen den oorspronkelijk eischer. Meer in het bizonder betreft de onder n0. 2 voorkomende uitzondering alleen de vergoeding van nadeel, als accessoir der in eersten aanleg gedane principale vordering, doch eerst na het vonnis des eersten rechters verschuldigd.
Air. v. 12 Febr. -1858. W. n0. 1935; R., dl. LVI1I. § 28; v. u. H-, B. ^ /;,. dl. XXII, |i. 44â59; idem arrest v. 30 Dec. 1870, W. n0. M301; 1!..
ill. XCV1, § 30; t. i). II.. J?. /;., dl. XXXV. p. 315â327; en arrest P. 11. ^
v. N.-Holland, v. :«) April 1857, R., dl. LVII, § 62, ten betooge dat liet ; ^
eerste deel van ilit artikel alleen betreft den oorspronkelijk eischer. ^
Vergelijk ten betooge;
dat de laatste alinea van dit artikel niet van toepassing is op den appellant, die niet oorspronkelijk verweerder, maar oorspronkelijk ^
eischer is. gt; ^
P. 11. V. Limburg, v. 14 April -1852. W. n0. 1345. i ^
11. De exceptie dat de appellant niet de kwaliteit zoude hebben, Q
waarin hij heeft geageerd en dus niet bevoegd zou zijn als zoodanig eene actie in te stellen, levert zonder twijfel eene rerdediging ten ^
principale op, welke voor het eerst in hooger beroep kan worden aangevoerd.
Arr.v.-12 Maart 1863, W.n0.2466; R., dl. LXXII1, §44; v. d. H., B. I!.. l/l/^ ' dl. XXVII, p. 312 en volgg.; idem arrest P. H. v. N.-Holland, v. 27 Juni 1861,
W. nquot;. 2313; idem arr. Hof 's-Hertogenboscb. v. 13 Sept. 1881, W. n8. 4741; lpM idem P. H. v. Overijsel, v. 22 April 1844, W. n0. 496; R. B., jg. 1844, dl. VI.
p. 60«; R., dl. XÃX, § 95; Begt in NederL, dl. IV, p. 128â130, (bereids vermeld sub art. 160, n0. 5). Anders Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Oct. 1869, W n0. 3170; de Pinto, dl. H, 1, p. 301; verg. ook arr P. H. v. Zeeland, v. 12 April 1859; R., dl. LX1H, § 71; R. 13., jg. 1861. blz. 21â24. â Vgl. hiermede 1°. een arrest v. 't P. 11. v. N.-Holland, v. 1 Oct. 1847, W. n0. 867, waarbij is beslist dat bij gebreke, zoowel van eene bepaalde conclusie van de zijde der appellanten als van incidenteel appèl van de zijde des geïntimeerden, de rechter in hooger beroep niet bevoegd is ambtshalve te treden in een nieuw onderzoek naar de al dan niet-ontvankelijkheid eener voorgestelde exceptie van non-kwalificatie met betrekking tot een vonnis, waarbij met verwerping der exceptie van non-kwalificatie, tevens ten principale is recht gedaan; 2°. ten betooge dat, wanneer het verzet van non-kwalificatie in eersten aanleg slechts tegen één der eischers is opgeworpen, alsdan in hooger beroep niet tegen de overige eischers een ander middel van niet-ontvankelijkheid kan worden aangevoerd, niets gemeens hebbende met dat hetwelk bereids tegen dien eischer was gebezigd, â een arrest v. 't P. H. v. Gelderland, v. 9 Sept. 1846, W. n°. 864; R. B., dl. \ III,
- If C'^ Q.@oamp; fZ o t. oC- £~a-4- *. '-c^s-f ^
^rquot;''-quot;quot; quot;
de i*^rtiC--'''tö' irx-^ A-w-yat' (jcn^ry-r,
rf^ 6 cté?-. Mr^f, ó?-. Zc0 amp;amp;/'/'
.t
933 [AH 348
p. 081â685; R., dl. XXX, Si 45. bevestigende een vonnis van de Arr.-R.
Nijmegen, v. '21 Nov. '1845; 3°. dat een koopman door het verkrijgen van surséance zijne persona standi in judicia niet verliezende, hieruit ju^^yC,
volgt dat bewindvoerders die in eersten aanleg als zoodanig zijn opge- ,
treden, doch na het ingesteld hooger beroep hadden opgehouden die quot; ' lt;
betrekking te vervullen, als zijnde inmiddels de tijd voor de verleende surséance verstreken, niet-ontvankelijk zijn in hunne exceptie van non- j f/ ,
kwalificatie en eiscli om buiten het geding gesteld te worden vóór de ugjya tH behandeling van het appèl, â een arrest v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 14 ,
Febr. 1850, R. B., jg. 1850, dl. XII. p, 275â278, en 4°. dat indien een /7 .
geding gevoerd en een vonnis gevallen is in eersten aanleg, tusschen ^ miiM-
N. N. en de gemeente......., en daarvan wordt gekomen in hooger [_ ei^1
lieroep, nadnt inmiddels de nieuwe gemeentewet was ingevoerd geworden.
alsdan de burgemeester dier gemeente, in dat hooger beroep gedagvaard zijnde in hoedanigheid van burgemeester en als vertegenwoordigende de gemeente (art. 71 der Gem.-wet) niet met grond de exceptie van non- ââ' kwalificatie, en van niet-ontvankelijkheid in appèl kan voorstellen, op het j
beweren, dat hij de hoedanigheid niet zou bezitten van de gemeente te iramp;-^-vertegenwoordigen en dat vonnis a quo niet tegen hem, maar tegen de gemeente gewezen is. â een arrest v. 't P. IT. v. N.-Brabant, v. 28 Juni 1853. R.. dl. XI.VI. § 96. ^ Ut?*-
I J 1lt;8. In appèl kan quot;'een verlof worden verleend tot het hooreu van //}-
i ^ dezelfde of van nieuwe ijetuigen tot bewijs van dezelfde feiten, als quot; , tjaâ sp ^ 00 â¢' ^ 7 A® â â
j 1 waarover in eersten aanleg reeds enquête en contra-enquête hebben L
^plaats gehad^^A^»^-r'tji. -fan dm
Ait. v. 15 Oct. 1803. W. n . 2531; 11.. dl. LXXlV.§7ü; \. igt;. li.. B. B.. ^
b y . -hvU--*.. dl. XXVIII. p. I 'pâ24; idem P. 11. v. Gelderland, v. 21 Jan. 18G3, W. n0. 2455. A****.â
â /i â¢/ R. B., jg. 1863, dl. XIII, blz. 704 en van 5 April 1871, W. n0. 3397; idem P. H. ,
â¢uvV) i £-7y ^ 0 1 Clt;7rzv(.a. 're â *
t. /..-Holland, v. 23 Oct. 1865, W. n0. 2741; idem Arr.R. Amsterdam, v. 21 Vi , Ax yquot;bi^J- Febr. 1805, W. nquot;. 2707; idem P. II. v. Limburg, v. 5 April 1852. W. n0.1345 1 **'-
t, en van'10 Dec. 1860. W. n0. 2273; idem P. II. v. N.-Brabant, 9 Oct. 1860, m ?oy^,_
W. nquot;. 2297; idem Arr.-R. Breda, 5 Jan. 1858, \V. uquot;. 1944: idem bij . ^ p ^9. 'ZjP arrest v. 't P. 11. v. Overijssel, v. 16 Sept. 1839, R., dl. III. p. 252 sqq. quot;/ â , . Verg. Hof Amsterdam, v. 9 Nov. 1877. I!. B., jg. 1878, .1. p. 292, W. â * 'fjf-
n°. 4256. waarbij is beslist, dat het niet aannemelijk is. dat de wet aan--
J^7. bPfyf pai'tijen het recht heeft willen geven oin het hooreu van getuigen ander- ^7, /
maal te eischcn. maar het aan 's rechters oordeel is overgelaten, of bij ^ ^
het al of niet oirbaar acht opnieuw getuigen te hooren; idem P. H. v. ttfqa £(9.
t W'flVZ' N.-Holland, v. 26 Jan. 1871, W. n0. 3357, waarbij is beslist dat door
' partijen niet een tweede verhoor over dezelfde feiten kan gevorderd ^ i.3'7'
^ worden, maar dit wel ambtshalve door den rechter mag worden bevolen.
V AndersTiij vonnis Arr.-R. Assen. v. 23 Maart 1863. \V. ir. 2504;
wijders in Iteytsy. Adv.. dl. VII, blz. 131â133; verg. ook arrest v. I P. //
II. v. N.-Holland, v. 12 Dec. 1867. VV. n0. 3028, waarbij is beslist dat ^' ^ ^ wanneer de geïntimeerde zich niet verzet, de appellant kan toegelaten
t worden om hetzelfde feit dat hem in eersten aanleg te bewijzen was
' S Vyquot; gt;
^ .Sya*5r /W. st-quot;y
^ j.- Cc-n^ts sryv-c^ â
â Cyer-nmy*, r ^
Aamp;L Ir^JC^ -frxrt ~~
JT
^ - ^ f -'-T- ^^^ n/ ^LfJ'
1
io- ^ y/- W ijs vsi__t! J. tS t â v Le~ t-rt-' ' ...... 1quot;
/ / ⢠- 7
Oj O- c^- . ^ 1 Z^C 1.^ Astlj) lt;-'' 1 â¢- A~t ^ * TtJh 3 â V^t'.'.^ 1 tlt; H.
' c * ^
Arzn~ cLl~ £. 11 - ^ '' 1 t . ' gt;cAn;^tlgt;(-lt;r^7 -t^r^c . i»-o,Vj- ,, ^V/quot; ^ â¢' quot; r' ',' ^''' ^ ' : r ^
',^1âvv '77 Aquot; ?gt;
. , t I - .â - â quot;â ^
/ZrC, 348.) n;M.
h ^y2- ^â (â t^-..
opgelegd, doch waarvoor hij geene getuigen had bijgebracht, door getuigen te bewijzen. Zie wijders Opm. en Meel., dl. V111. p. 152â'100. De schrijver van dit artikel beweert, met een beroep zoowel op het Romeinsche recht (I. 4, C. lie temijoribim cl rejMfcitio.iihH.i nppellalionnm, VII 63) en het oud-Vaderlandsclie i'eclit (Grokxkwegex, Tmclattis de legihus dbrogatis, ad h. I. en Voet, ad Pand, lib. XL1X, tit. 7, n0. 2). als op do Fransche Jurisprudentie (Carré. Lea Lois ele In Proeed. dr.. op art, 404, Ow. 1078), dat zoodanig tweede getuigen-verhooi , loopende over dezelfde feiten, /fib tw waarover reeds in eei'ste instantie eene enquête beeft plaats gehad, alles-
^ â ptAjL. zins in hooger beroep adraissibel is. Ook Mr. Pesniso, ad art. 210 en
CM^. 3.48 |J. 11.. helt tot dit gevoelen over, op grond van het beginsel «m
T - nj)jtellcU 'wnd)HS mm i/eihielu iledtfn. iicn jieoheftquot; pi'ohni't jtOx*HnI. waarop ^ /» / â/ art. 348 geene uitzonderiuquot;: mankt. De 1 biojrl. M. des Amorie v. n. IIokvex
* {_rf ^ _ __
echter, li. 1!,, jg. 1852, p. 47'iâ477, acht de vraag, welke het hier geldt, ^ -even (/eieielitin als moei.elijl;. Zonder eene stellige meening tedni'ven uiten, verklaart hij echter meer tot de onll;c/ini'ii'le beantwoording dezer kwestie geneigd te zijn. Beantwoordende den schrijver in de Ojiui. en Med., doet de Hoogl. uitkomen, dat Carré, 1. 1., alleen behandelt de vraag over de bevoegdheid van partijen, om in hooger beroep nieuwe feiten aan te voeren, en die nieuive door alle middelen rechtens te bewijzen; geenszins, over het op nieuw herhalen on heropenen, over het aanvallen en verbeteren van eene enquête, die reeds in eersten aanleg over dezelfde feiten heeft plaats gehad, waar hier alles op aankomt; dat Chauveau in zijne bijvoegsels op Question 1 i36 van Carw, wel verre van het gevoelen van den schrijver in de en Med., tedeelen, zich integendeel nitdrnkkelijk daartegen verklaart; dat die rechtsleer (gehuldigd door de Prov. Hoven van Overijsel en Limburg) dan ook van oudsher in bet algemeen Europeesche recht is aangenomen, nnz. â Cf. art. 348 Jt. 1!.. arrest v. 2 Dec. '1853, sub n° 4
Vergelijk hiermede in verband navolgende beslissingen :
Eene partij kan in hooger beroep niet worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, indien hij in eersten aanleg daarvan geen gebruik heeft gemaakt of ervan heeft afgezien
iïsrr/^IIquot; Nov. i8C)3, W. n0. 2541, R.. dl. J.XXV, § 28; v. d. II., B. 11.,
f' (II. XXA IU. ]gt;. Hl â123; idem nrrest v. 11 Maart '18lt;S1. W. ii0. 4623;
69-. R. li., jg. '1882, A. p. 104, v. u. II.. li. li., dl, XI,VI. ]gt;. 121â124, ook nog vermeld sub hoc art, en art, 353 1!. Rv., waarbij is beslist dat het ver-
A // boden is in appèl op de contra-enquête terug te komen, zoodat het tegen-
^y bewijs in die instantie niet mag worden aangevuld; idem P. H. v. N.-
.. *2 * ePoq Brabant, v. 27 Jan. 1803, VV. n°. 2478; idem Hof Amsterdam, 30 Dec.
^7/ 1881, W. n°, 4738, li, Bâ jg. 1882, ,1, p, 100,
[S. n-'ytf/Z- Anders vonnis Arr,-R, 's-Gravenhage, v. 9 Jan, 1845, W. n0, 022. ^
hi.i art- 23 van de onteigeningswet voorgeschreven formaliteiten is
yflfiv- IJS. Het verzuim van overlegging van het bewijs, dat aan al de
/7 ^ ,
' / , ... voldaan, kan in hooger beroep niet worden hersteld.
/
m
bo-yl- amp; cJtseyzjo cb'c^K. crtrfcs crrz. ISÃ^- c^-ouat- cX^/^JL.
J^^LJLHÃ% / a^A- c_x- CJL (Z-CAS*^ CnJTTlcJ-C^. Q*-cA/lamp;^c£lt;}-~â ^nr^- cns^d-eJT^ (^.SL^
CL Ctj^-O t*- Itxs-'- â M- itë- /7 quot;- /J~'^ t'P '4- ^ K-quot; £5-06-
gt;4. t^K-ZÃ-dA-* .
u
fzJjp
Shy/-, /^tcm '^^^/?7''£s^£, p^5
[Art. 348, v. d. H., 7?. Pi..
Arr. v. 2 April 1809, W. n0. 3104: R.. dl. XCI, § 39; dl. XXXIII. p. 381â394.
44. De bewering dat niet ex contractu, maar quasi ex delicto had moeten worden geageerd is eene peremptoire exceptie, ontleend aan den grond der zaak, en welke exceptie de bepaalde strekking heeft om de ingestelde vordering finaal te doen afwijzen; eene zoodanige bewering levert mitsdien eene verdediging ten principale op.
Arr. v. 30 Juni 1876, W. n0. 4055; idem bij vonnis Arr.-R. Nijmegen, v. 28 Nov. 1854, W. n0. 1629; waarbij werd overwogen, dat deze stelling ook waar is, al lieeft bet verdedigingsmiddel veel overeenkomst niet de exceptie Dtihi adversus me non competit haec actio)). Wijders werd bij dat vonnis beslist dat hier van gedekt zijn geen sprake kan wezen, omdat bet niemand vrij staat toe te stemmen in bet instellen van eene actie, die door de wet niet wordt toegekend.
1.â¢quot;gt;, Van schending of verkeerde toepassing van dit artikel kan geene sprake zijn, waar de oorspronkelijk gedaagde niet belet is in hooger beroep eene nieuwe weer van rechten in te brengen, maar hem alleen de gelegenheid is geweigerd tot het nader bewijs van feiten.
A it. v. 11 Maait 1881. W. n0. 4623; R. dl. ('XXVII, § 23; R I!.,jg.l882, ,1. |gt;. 104; v. d. II.. li. /;.. dl. XLYI. p. 121â124; ook aangehaald snh nv. 12.
4 lt;i. Waar in factis vaststaat dat geene nieuwe weren van rechten maar enkel nieuwe gronden in hooger beroep zijn bijgebracht, kan de rechter door deze niet Ie onderzoeken dit artikel niet hebben geschonden.
Arr. v. 6 April 1882, W. n0. 4766; R., dl. CXXX, § 43; v. d. II.. 11. dl. XLVII, p. 297â301.
I?. Al kan bij gemeenschappelijk eigendom de vordering tot scheiding worden ingesteld door elk der gerechtigden, zoo belet zulks niet, dat volgens den stand van een zeker geding de eene gerechtigde als eischer, de andere als gedaagde te beschouwen is.
|
Arr. v. 19 Jan. 1883, W. nquot;. 4869: /gt;'. /;.. dl. XLVIIl. p. 101-lirgt;: It. I snb art. 697 11. R. |
W.. dl. CXXX lil, § 1883, ,1, p. 55; 01 ; v. D. II.. aangehaald |
I S. Ook dan wanneer het beweren dat men vreemd is gebleven aan eene akte, welke een derde namens den belanghebbende zou hebben aangegaan, niet als een rechtsgrond maar als een rechtsmiddel te be-
/ c'. c. . esisj Irfsr
rTLth*'' .
fz ff, 7-^ O- r(c '^^Tgt;- ai-r^c-rL A^-,7 dtri- .»/^^^9- O,n 6, / lt;â ' ae---- -zy^.e*^~S£
l / / / /
^ v rgt;. ^ Tiet- ire^amp;cS-L?ps^âL-y /-e^~~ ^ iysgt; amp;-vtyi eS
â ^ Ar/. 348.) 030
?6../c. ufc, 'H quot;777'-
schouwen ware, bestaat er geene wetsbepaling, welke de betrokkene partij belet dat middel voor het eerst in hooger beroep te doen gelden.
P. H. v. N.-Brabant, v. 1 Jnni 1841. R. dl, I.V, § 24,
Ãf). Indien een vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, na de beteekening van het geïnterjecteerd appèl is ten uitvoer gelegd, kan men (hoewel, gelijk uit den aard der zaak volgt, de akte van appèl daaromtrent het stilzwijgen heeft moeten in acht nemen) later in appèl bij behoorlijke conclusie tevens eisch doen om in het bezit der zaak te worden hersteld met vergoeding van kosten, schaden en interessen : als zijnde in dit geval de vordering van den appellant tot reïntegratie en schadevergoeding als een zaaksgevolg te beschouwen van het na de beteekening van het appèl ten uitvoer gelegde vonnis,
Arr.-K. 's Bosch, v, '27 .lull 1841, W, 11°. 'i'i.'H: verg, Arr.-R. Utrecht, v, 20 Jan, 1870. W, n0, 3240, â Tn gelijken zin is beslist bij arrest v. t P, H, v, N.-Holland, v, 27 Febr, 1843^ W, n0. 392; R, B,, jg, 1843, dl, V, p, 289â295; R., dl, XVI, S 22, dat de vordering tot schadevergoeding volgens art, 348 B, R, eerst dan voor het eerst in hooger beroep kan worden ingesteld, wanneer de vergoeding van het geleden nadeel als een accessoir van de in eersten aanleg gedane principale vordering, en als onmiddellijk daarin begrepen, doch eerst tw het vonnis verschuldigd geworden, beschouwd moet worden en dat mitsdien voor het eerst in hooger beroep geene vordering tot schadevergoeding aannemelijk is wegens schade, die evenzeer róór als na het vonnis, waartegen appèl, bestond, â Cf, art, 348 B, R.. arrest v, 't 1', 11. v, /..-Holland, v. 29 Mei 1844,
lt;SO. Appellanten welke in eersten aanleg tot niet-ontvankelijkheid tegen een verzet hebben geconcludeerd, kunnen voor het eerst in hooErer beroep als middel aanvoeren dat geen derde tot verzet tegen eene beschikking op rekwest kan toegelaten worden.
P, 11, v. Z.-Holland, v, 5 April 1843. VV, nquot;. 389, Râ dl, XV. § 03.
lt;81, De exceptie, dat de ingestelde actie zou praematuur zijn, levert geenszins eene verdediging ten principale op in den zin van art. 348 laatste al, B. R., maar eene dilatoire exceptie, welke moet geacht worden ter eerste instantie te zijn gedekt en alzoo in appèl niet meer admissibel is, aangezien de strekking daarvan alleen is. dat de hoogere rechter, zonder in de beoordeeling der gedane vordering zelve te treden.
^ J i * ^ V.-- ' 'tS ⢠-( lt;?- .' ^.^2 /r ^r * QS'1quot;--^-*- tsons? --^ ^ ^
Ists-v^ Lyhsi*yLi/y7^L~ /tgt; . CiPcjZ. f (-t^~. -^-lo (o'bay.
937 (Art. 348,
flen oorspronkelijken aanlegger vooralsnog diiarin niet-ontvankelijk zal verklaren.
P, H. v, Overijsel, v. 'iLi April 1844, W. n'. 490; It., dl. XIX, § 9.quot;): 7?«// in Xeclerl., dl. IV, 128â130. â Cf. art. 159 R. R.. sub n0. 5.
2lt;i. Eene gebeurtenis, posterieur aan liet vonnis van den eersten rechter (in specie homologatie van een accoord na de ontzetting uit de voogdij wegens faillissement), kan bij de beoordeeling van de uitspraak des eersten rechters in hooger beroep, in geene aanmerking komen, noch daarop van invloed zijn.
1'. II. v. Z.-Holland, v. 29 .Mei 1844, R., dl. XX. § 85. â Cf. art. 437, al. 5 B. W., li0. 1, arrest van betzelfde P. H. v. denzelfden datum; art. 348 B. I!.. vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. 27 Juli 1841.
Zie ook navolgende uitspraak :
In eene vordering tot scheiding van tafel en bed ter zake van mishandelingen en grove beleedigingen, welke in eersten aanleg niet-ontvankelijk is verklaard op grond van daarop gevolgde verzoening,
kan de eischer in hooger beroep niet worden toegelaten om beleedigingen of mishandelingen te bewijzen, welke na de verzoening zouden zijn gepleegd,
P. II. v. N.-Holland, v. 17 Jan. I8Ã1, K. li. jg'. I8t«, dl. XII. bl. 080 -â685.
lt;83. Indien de ingestelde eisch dezelfde is gebleven, kan in appèl een andere beslissende eed dan in eersten aanleg worden opgedragen,
vermits in dit geval slechts een nieuw rechts- of bewijsmiddel wordt aangevoerd, bovendien de beslissende eed kan worden opgedragen in eiken stand van het rechtsgeding en dus ook in appèl, wanneer zulks in eersten aanleg niet is geschied. Mitsdien staat het opdragen van eenen geheel anderen eed in hooger beroep dan die in eersten aanleg, volkomen gelijk met het geval, dat er ter eerste instantie gecnerlei eedsdelatie hoegenaamd was geschied.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Oct. 1844. R. 1!.. jii. 1845. dl. VII. |). 32â35.
«4. De wet. niet bepaaldelijk de gevallen voorziende, waarin een rechts-collegie ten tweeden male geroepen kan worden om van een rechtsgeding kennis te nemen, moet geacht worden de meeste vrijheid aan partijen
Ls JtCi OaTscrtJZ'. 'â^A^ra-r/d '^- â e±sv4amp;^-gt; i-i»-c^_~é_^' i»c^t,_
^ o. - clt;samp;sO a^t~'££,au*-t- cb^oST-équot;***-â 'ïrcijé^» .fc^X^f T^^o. 7- f â
Jceyyt. ,5^7 AuLyZ^ZjL** /-o^. Jlt;L*(.. X^-^a-r
AH. 348.) n 988 . ^
lt;nv(r UtSk^a.â iâ¢â 'WuJo*-r â â
^e gelaten, om hare sastenuën toe fe lichten door alle die
^ iUw middelen, welke tot staving van haar recht kunnen strekken, met dat ^ lt;j_ gevolg, dat, wanneer bij de cassatie van een arrest de zaak naar het ^ ''',, , P. II. wordt verwezen, om op de overige middelen van appèl te worden
r'trft^Vtro ...
beslist, de appellant nog bevoegd is, andere dan de reeds voorgedragene _ . bij te brengen en nadere bewiizen aan te voeren.
/ff-SrU-./otro â¢' 0 â¢'
ös * ^ V. li. v, N.-Rrabant, v. 9 Febr. '1847. \V. n0. 818; R. B. jg. 1847. dl,
^ * ' IX. p. 600 sqq.
555. Indien de introductieve dagvaarding is gegrond op eene bestaande overeenkomst en tevens op eene onrechtmatige daad, dan kan de actie dp, in rem. verso geen punt van onderzoek in hooger beroep uitmaken. 1'. II. v. Ovei'ijsel, v. '21 Juni 1847. \V. 110. 875.
quot;*!» Het moet gehouden worden voor het instellen van een nieuwen eisch, waarin men alzoo niet-ontvankelijk is, indien eene der partijen in eersten aanleg zeker incidenteel verzoek (in specie tot overlegging van stukken aonder meer, zoo als het door de wederpartij was gedaan) ingewilligd hebbende, dat verzoek door deze laatste op nieuw voor den hoogeren rechter, met veranderingen en uitbreidingen (namelijk de overlegging dier stukken in forma prohanti, d. i. gezegeld en geregistreerd) wordt voorgedragen.
P. II. v. Zeeland, v. 4 April 1848, R. I!.. jg. 1850, dl. X1T, p. 376'en 377, I!.. dl. XXIX, § 87; /1n/t in \cdcrl., dl. TV, p. 355 en 350.
3S. De gedaagden die ter eerste instantie hebben berust in het aanbod van het doen van rekening en verantwoording, mits de reken-plichtigen zouden worden veroordeeld in de daarop gevallene kosten van het geding, zijn, indien hun dit laatste wordt ontzegd en zij worden veroordeeld èn tot ontvangst van rekening en tot betaling der kosten, in hooger beroep niet-ontvankelijk in hunne exceptieve verdediging, daarop nederkomende dat de gedaagden geene vordering hadden tot het opnemen van rekening, maar slechts tot betaling krachtens contract, -â als leverende zulks niet op eene verdediging ten principale terwijl bovendien de exceptie in eersten aanleg is gedekt. P. H. v. Friesland, v. 21 Juni 1848. li, li., jg. 1848, dl. X. p. 513â520.
3N, liet betwisten voor het eerst in hooger beroep der betrekking,
^2-' '1*gt; t'-fl X - Q^oC^A.^, Z/t-c^b^*-* Za^/xJa^t^
1 tm.fyi-eL/Z' t*-^Q^- trtrjry £*-*â £- -GJBJl t ^ L^* ^-^rcr-^fL^r -£gt;4 'z^c'vi-oca-â ay^txrzn.^
tt^*. . i/f cls-cksoOiJamp;y l/vZamp;l- -yTX^^ OSTJU art^XÃQ-. . 24/*^(3£cngt;e£^
J oJ^USX^^Sj O $ / uf?t0yjjóo. QOQ fjdco^iW ^rsM /yp. ;'/!/â¢/ 34,^ ï-*^cUlt;^
i lt;â £amp; Z^xaJc. u£4ja^£hrtJi_0SLAJLns9
waarin eene vordering is ingesteld, levert in ieder geval geene termen op tot niet ontvankelijkheid van het beroep zelf. ^
QJL-â- gt;79
Arr.-R. Goiinchem, v. 30 I loc. 1848, W. n0. 101.'!: U, li., j^. 1849, dl. / *
1 ''0 rtrza, r'4*-csisyrx,Q^gt;
XI. p. 562â566. ,V^_ /
Tf? oa**- -y**' te-
3O. Indien een gecommitteerde met zijne mede-gecommitteerden 'â¢/'~
in rechten is aangesproken en laatstsemelden na eenise litis-contestatie ^ ^^
ö I 0 0 C^eLt. flt;AMSlt;L
met den eischer buiten het geding zijn gesteld, alsdan is de over-
blijvende gecommitteerde welke daarin heeft toegestemd en verklaard ,
de verantwoordeliikheid der zaak alleen op zich te nemen, niet se- ^ l 1-ran*L ⢠^ rechtigd daartegen in hooger beroep te komen. â . /-nrf-'
Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Juli I849, W. n0. 1053. .y4evugt;/tvr%roM~
JiO. Indien de appellant het door hem in eersten aanleg gevoerd 6 ^UnJ-â y'â amp;, sustenu in appèl niet heeft volgehouden, alsdan ligt de beoordeeling van het bestreden vonnis op dat punt geheel buiten de cognitie van den hoogeren rechter.
P. 11. v. X.-Holland, v. 17 Jan. 1850, li. li., jg. 1850, dl. XII, p.90â93.
S I. De gedaagden in eersten aanleg, die zich als grond van nietigheid eener gedane brandverzekering, heeft beroepen op de omstandigheid, dat door den verzekerde aan de roerende goederen, in de polis vermeld, eene andere bestemming is gegeven, dan aan de verzekeraars was bekend gemaakt, is ontvankelijk om in hooger beroep dit zijn beweren door nieuwe, hoezeer tot hetzelfde resultaat leidende, middelen van verwering ten principale te staven.
Tacite beslist bij arrest v. 't 1'. II. v. X.-Holland, v. 17 Jan. 1850,
R. B., jg. 1850, dl. XII. p. 90â93. â Cf. Ohukman*. /{., dl. II, 4de ed. p. 25 sqq.
:i'i Men k an, niet-ontvankelijk verklaard zijnde wegens niet bewezen hoedanigheid, in hooger beroep door nieuwe middelen het bewijs leveren, dat men die hoedanigheid werkelijk bezit.
P. H. v. Gelderland, v. 30 Jan. 1850, R. B., jg. 1851, p. 145â161.
In gelijken zin is beslist bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Oct. 1853, R. B., jg. 1854, p. 144â146, dat men bij eene rechtsvordering tegen den eigenaar van een hond ter iake van schade door dit zijn dier toegebraclit., in hooger beroep adraissibel is tot bet leveren van het bewijs van het feit, dat de beet is toegebracht door de eigene schuld des gewonden. â In gelijken zin Ouheman, B. 1!.. dl. II, 4de ed. p. 25, - Cf. art. 134 B. R., sub u0. 6.
Prï.a^ti-ef* T' -eMi-G- i^*-
^ ^rrm.) '' 940 ___ es/^y^.
. -v~trlt;ry i~ J- J '
/qcrc oJ-- 'i'i- In liet algemeen is de rechter in appèl onbevoegd, over eenige â¢â^i zaak te oordeelen, als zij niet door middel van het appèl aan hem is
onderworpen. Uit dien hoofde reeds mag de rechter in hooger beroep over geene nieuwe vordering in appèl oordeelen, dan die bij de wet is uitgezonderd, waartoe de garantie niet behoort.
Bovendien is de oproeping in vrijwaring, ten opzichte van den garant eene principale zaak, welke niet van eene eerste instantie mag worden beroofd.
P. II. v. N.-Holland, v. Jan. 1851, W. nquot;. 1^124; Amslerd. Ih.ylsjir. dl. I, p. 272â276; irlem P. H. v. Drente, v. 15 Dec. '1806, W. n0. 2942. R. R., jg. 1868, p. 113. Anders P. H. v. Friesland, v. 23 Maart 1870. W. n0. 3281, waarbij is beslist, dat de eiscli in vrijwaring voor het eerst in appèl kan geschieden, en dat ook de oorspronkelijk eischer, geïntimeerde daartoe de bevoegdheid heeft, wanneer de conclusie van eisch in appèl daartoe voor liet eerst aanleiding geeft. â Cf. ten betooge dat, indien men in eerste instantie eeu termijn tot oproeping in vrijwaring heeft bekomen en daarvan geen gebruik gemaakt heeft, men dan niet meer in appèl in die vordering ontvankelijk is â art. (39 B. R., arrest van quot;t P. H. v. Utrecht, v. -10 Nov. 1845, sub n0. 2. â Vgl. ook de Martini, ad art. 09, i'. 3 en art. 73 B. R., r, 3 en het aldaar geciteerd arrest van 't Hoog Gerechtshof te 'sllage, v. 14 Mei â¢1849 (v. Hamelsveu», Gewijsrfai, dl. IV, p. 89), volgens hetwelk eene vordering tot vrijwaring, te gelijk met de zaak ten principale ter eerste instantie ingesteld, ofschoon de zaak ten principale is beslist en partijen in dit vonnis berusten, evenwel nog een punt van onderzoek in appèl kan blijven, niettegenstaande de zaak ten principale, als in kracht van gewijsde gegaan zijnde, niet meer in hooger beroep kan worden gebracht.
34. Hij, die in eersten aanleg zelf den gedaagde voor den rechter heeft geroepen, kan niet diens met-ontvankelijkheid in appèl beweren, op grond van een gebrek aan administratieve machtiging, welke hij, eischer, in eersten aanleg niet had geprovoceerd.
I'. II. v. Friesland, v. 15 Sept. 1852, R. B.. jg. 1853. p. 156â174. â Cf in gelijken zin art. 100 B. R., vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 8 Oct, 1845 sqq,, sub n0. 21.
35. liet (bij art. 1491 B W. gegeven) wettelijk voorschrift, dat. wanneer er tot de nietigverklaring van eene verbintenis wordt geageerd, al de daartoe strekkende gronden te gelijk zullen moeten worden voorgedragen, zou geheel illusoir worden gemaakt, indien bet mocht vrijstaan om, nadat één dier gronden hij den eersten rechter was voorgedragen, in appèl nog een tweeden, en daarvan geheel onderscheiden grond, die
I CtryveZwlc. ^ i â gt; A-Vj? j f^r-rz.
-7 ^ /. , / .' , X lt; 7 / /gt;-?-» ^ /z^ ^ 7^'iQ^Cch
L '-Lu-trjtri, .'^n^ff^. pzoCo-*-ri f * lt;-quot;
-Co^c-UJZ^* S^. i.^^r ' ^O
, - 941 â gt;, , , o [Art. ;}4S.
. ! OQ ,-? Tr^SlsV £ £kSl^^\ m ^ gt;a^lt;i -f-i -l- cvlt;lfl.u a 0^7 . / Cgt; (* /- r{e^gt; l ^/gt;trOc /1 , . . (7
/ ^/ / . slt;rgt;p2. / *X»
in de eerste instantie niet of niet in den behoorlijken vorm was voor- .
gedragen, in liet hooger beroep te mogen voorstellen.
P. H. v. Groningen, v. 22 Febr. 1S53. R.. dl. XLTV, § 91.
3ii. liet voor het eerst in hooger beroep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, dat de door den voorheen eisclier, nu geïntimeerde ingestelde vordering zoude zijn buiten doel en belang, levert geene verdediging ten principale op, en kan mitsdien niet meer door den appellant worden voorgedragen.
P. H. v. Gelderland, v. 14 Oct. 1iS57, W. n0. '1951.
33. Ue verdediging, voor het eerst in hooger beroep aangevoerd,
tegen een eisch tot terugbetaling van geleende gelden, dat de schuld niet zou zijn opvorderbaar bij gebreke van tijdige opzegging, levert wel grond op tot niet-ontvankelijk-verklaring van de ingestelde vordering,
doch geene verdediging ten principale. Zij is in ieder geval eene nieuwe were van rechten, gedekt door de in eersten aanleg gevoerde verdediging, dat die gelden niet zijn verschuldigd.
P. 11. v. Gelderland, v. l i Oct. 1857, W. n0. 1934.
JJW. Volgens dit artikel kunnen door appellanten alleen nieuwe gronden voor een vroeger aangevoerd middel, geen nieuw middel van niet-ontvankelijkheid worden voorgesteld; veelmin een middel dat in eerste instantie is gedekt.
Mitsdien kunnen zij die in eersten aanleg hebben beweerd, dat zij als boekhouders waren in rechten geroepen, en zelfs bij hunne conclusie uitdrukkelijk hebben vermeld, dat zij in hunne gemelde kwaliteit waren gedaagden in het geding, op die houding en dat beweren in hooger beroep niet terugkomen.
P. H. v. -Holland, v. 17 Mei '1858, W. ii0. 1981; verg. met deze beslissing de conclusie van den proc.-gen. Mr. van Goens, dd. 20 .Tnni '1859 voorafgaande aan arrest P. H. v. Overijsel, v. 19 Sept. 1859 in W. n0. 2228.
Wanneer in hooger beroep het ter eerste instantie gedaan aanbod van bewijs niet is herhaald, dan behoeft dit aanbod niet verder te worden onderzocht en beoordeeld.
P. H. v. Z.-Holland, v. M Oct. 1859. \V. n0. 2112.
J-O. Wanneer de appellanten hun in eersten aanleg gedane vordering hebben gewijzigd ten gevolge van het overlijden van een der gedaagden na het vonnis a quo, en er daardoor geene verandering is ontstaan in de rechtsbetrekking tusschen den anderen gedaagde en den appellant, kan er geene sprake zijn van eene nieuwe vordering.
P. H. v. N.-Holland, sine die W. ii0. 2^05.
â¢Al. De verwering â dat, bij onwil eener partij tot liet verlijden eener noodzakelijke akte, de rechter wel ontbinding met schadevergoeding uitspreken kan, of wel veroordeeling tot liet alsnog verlijden der akte met gepaste poenaliteiten voor het geval van niet-voldoening daaraan, doch geenszins onmiddellijk een vonnis geven kan, dat der plaats der bedoelde akte vervangen zoude -â krui, ofschoon in eersten aanleg door den geïntimeerde niet te berde gebracht, nog in hooger beroep worden voorgedragen, omdat zij daartoe strekt, dat de ingestelde vordering niet voor toewijzing vatbaar is, en alzoo behelst eene verdediging ten principale.
lJ. H. v. N.-Holland, v. ti Juni 1801, W. n°. 2301.
A3. Wanneer de eischer in eersten aanleg verzuimd heeft in de dagvaarding de omstandigheden te relateeren waaruit volgens art. 314 B. Rv. de bevoegdheid van den rechter a quo volgt, kan hij dat verzuim in hooger beroep nog aanvullen.
Ait.R. Assen, v. 2S Juni 180*1, W. n0. 2338.
De exceptie van nietigheid der dagvaarding kan niet voor het eerst in hooger beroep worden voorgesteld.
Arr.-R. Sneok, v. 8 Jan. 1802, R. B., jg. 1802, dl. XII. bl. 544â540, waarbij nog beslist werd dat waar die exceptie niet is voorgesteld, de rechter ze niet onderzoeken mag.
AJr. De oorspronkelijk eischer kan ook nieuwe weren van rechten inbrengen ten aanzien van een opgeworpen exceptie van verjaring, vermits hij tegen die exceptie als verweerder is aan te merken.
Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Nov. 1803. R. li. jg. 1805, p. 371.
415 Het middel van verdediging, daarin bestaande dat eene rau-actie tot schadevergoeding zonder voorafgaande ontbinding der bilaterale
T, . ^ yOjcLc*xxyyt~ ; /2. /-rp^ynr. /-? ^ lt;A Vt0
943 {Art. 348.
overeeukomst, door cie wet wordt gewraakt, is niet eeue exceptieve verdediging, maar eene judidieke defensie au fond, althans eene zoogenaamde peremptoire exceptie, die met eene verdediging au fond wordt gelijkgesteld, zoodat de appellant bevoegd is dit middel voor het eerst in appèl op fe werpen.
An.-R. Amsterdam, van 17 Oct. 1865. W. n0- 2756.
Ki Een rechtsmiddel, in casu de exceptie van gewijsde zaak, dooiden gedaagde ter eerster instantie voorgesteld, doch bij vonnis verworpen, kan in hooger beroep niet als eene nieuwe were worden voorgesteld.
1'. II. v. Overijsel, v. Juni 1865, \V. n0. 282'J, U. 1!.. jg. '1866, p. 725. waarbij nog bovendien werd beslist dat genoemde exceptie, als kunnende alléén voor of met liet antwoord ten principale worden voorgesteld, in appèl als gedekt moet worden beschouwd.
-i-7. Wanneer de oorspronkelijk verweerder zich alleen bepaald heeft tot het verdedigen van zijn aangenomen stelling door overlegging van nieuwe stukken in appèl zonder nieuwe weren van rechten is niet art. 348 maar alleen art. 56 13. 11., van toepassing.
P. II. v. Gelderland, v. 22 Juni 1865, lï. 1!.. jg. 1865, p. 629.
-I-S. Het beweren dat eene in mora-stelling had moeten geschieden levert eene verdediging ten principale op, welke echter iu casu is gedekt door een interlocutoir tot getuigenverhoor, tot welks uitvoering appellant heeft medegewerkt, en waarvan hij niet heeft geappelleerd, terwijl dat bevolen getuigenverhoor betreft feiten, welke niet ais afdoende hadden kunnen beschouwd worden, indien werkelijk de toewijzing der vordering van een ingebrekestelling afhankelijk ware.
P. H. v. Groningen, v. 26 Sept. 1865, R, IS. jg. 1867, blz. 47; idem ten aanzien van de beslissing, dat de bewering, dat in verzuimstelling had behooren voorafgegaan eene verdediging ten principale oplevert. P. II. v. Drente, v. 11 Maart 1865, W. n°. 2797.
Het beweren, dat de eischer ontbinding vragende met terugkeer van het verkochte in zijn vrijen eigendom, tevens zich had moeten bereid verklaren het genotene terug te geven, levert eene verdediging ten principale op.
P. H. v. Groningen, v. 26 Sept. 1865, R. B., jg. '1867, p. -47.
Art. 348.)
SO. Het beweren, dat art. 456 B. li. niet van dadelijke toepassing is bij een conservatoir beslag onder derden, mag door geïntimeerden in hooger beroep voor het eerst worden aangevoerd, als opleverende eene verdediging ten principale, die ïn casu in liet geding ter eerster instantie niet door eenige daarmede strijdige toestemming of'erkentenis was gedekt.
P. H. v. Z.-Holland, v. 25 Maart -1867, W. n0. 2903.
I. In hooger beroep kan de uitvoerbaar-v erklaring bij lijfsdwang niet worden gevorderd, indien zulks niet in eerste instantie was gevraagd.
P. H. v. N.-Holland, v. 25 Juni IStifv W. n*. 3o51.
58. Daar het den oorspronkelijk verweerder bij deze wetsbepaling uitdrukkelijk is vergund in hooger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, moet het aan den oorspronkelijk eischer evenzeer geoorloofd zijn, de rechten, welke voor hem uit die nieuwe weren geboren worden, wederkeerig te laten gelden.
P. H. v. Friesland, v. 21! Maart -1870, W. u0. 3281.
.»3. Art. 848, n». 2 15 li., laat slechts nieuwen eisch tot schade in appèl toe, wanneer nieuwe elementen van schade sedert het vonnis a quo zijn bijgekomen, maar niet, wanneer die nieuwe eisch moest strekken ter vermeerdering van liet gevorderde cijfer van schadevergoeding, wanneer dit door den langen duur van het proces ontoereikend is geworden.
P. H. v. N.-Holland, v. 17 Maart 1870, W. nquot;. 3213.
5JI-. Het beweren, als zoude de introductieve dagvaarding bevatfen eene verboden cumulatio actionum is een middel van niet-ontvanke-lijkheid, hetwelk in eerste instantie niet voorgesteld, in hooger beroep niet meer kan worden opgeworpen, als geene verdediging ten principale opleverende.
P. li. v. Gelderland, v. l i Pee. '1870, W. n0. 3337.
ö.V De gedaagde die in eerste instantie in het bewijs van zijn bevrijding is tekort geschoten, mag zich voor het eerst in hooger beroep op de onsplitsbaarheid zijner bekentenis beroepen.
P. H. v. Limburg, v. 27 Dec. 1870. W. 3403.
944
{Art. 348.
AU Het tegenwerpen van de voorschriften van artl. 176â19S levert geen nieuwe weer van rechten op.
1'. II. v. N.-Holland, v. I Jnni '1871. R. ]gt;.. ju. 187^, dl. XXII. p. :!7 sqq., ook aangehaald snli art. 176 I!. R., sub n°. 5.
.quot;éï De door den appellant aangevoerde bewering, die strekt om te doen zien dat het vonnis a nuo op een onjuisten grond berust, omdat de door den rechter als arbitrale uitspraak vernietigde akte niet dat karakter zou hebben, behelst een rechtsgrond of eene weer van rechten, die een verdediging ten principale oplevert, die in casic niet is gedekt.
P. II. v. (ii'oningen. v. I'1 Sopt. 1871. 1!. 15., jg. IX7'i. dl. N11. p.
â¢quot;i.S. De exceptie plurium litis consortium is geenszins een peremptoir middel van niet-ontvankelijkheid en kan dus niet voor het eerst in hooger beroep worden geopperd.
P. II. v. (telderland. v. 18 Dec. 187'J. 11. lgt;., jg. 1874-, dl. XXi\. p. ld!). Uij datzelfde arrest werd liet tegendeel beslist ten opzichte van de exceptie atihi non ('oiit/tctil haac ncHu)).
â¢sfl. De appellant mag, voor het eerst in appèl als nieuwe weren van rechten, zich beroepen op eene dading, die, vóór de uitspraak van liet vonnis a quo, is tot stand gebracht.
P. II. v. N.-lirahant. v. 'il ) iet. 1873, VV. n0. 86(gt;9.
UO. De vraag, of de vorm van een bevelschrift van den voorzitter der Rechtbank tot het dagvaarden in kort geding geldig is; kan niet voor het eerst in appèl worden opgeworpen.
Gerechtshof Amsterdam, v. 17 Febr. 1*76. VV. nquot;. l-SOOi).
lt;»l. De verdediging dat de vordering niet-ontvankelijk is, omdat zij strekt tot ontbinding van een gedeelte van eene één geheel betreffende overeenkomst, is eene defensie ten principale.
Hof Arnhem, v. 17 Oct. 1877. \V. n .
De bewering dat de schuldenaar, die ontslag uit de gijzeling met schadevergoeding vordert, geene schade heeft geleden, betreft eene verdediging ten principale, die voor liet eerst in appèl kan worden gevoerd.
Mr. W. van Kossem Bzm Buffi. Hechts ik t»0
Art. 34S.)
Hof Leeuwarden, v. 29 Jan. 1877, W. n0. 4135, ook vermeld sub art. 000, nquot;. I R R.
Al heeft men zich bij de verdediging tegen eene actie tot schadevergoeding wegens het niet laten volgen van verschuldigde tienden, in eerste instantie niet voorbehouden het recht om de tiendplich-tigheid zijner gronden te betwisten, zoo staat die betwisting den geinti-meerde toch vrij, als zijnde eene nieuwe weer van rechten ten principale.
Hof's Bosch. v. 18 Febr. '1878. W. n0. 4356, conf. concl. Proc.-Gen. te vinden in W. n0. 4360.
«4. In h ooger beroep kan de toepasselijkheid van het middel van lijfsdwang niet voor het eerst worden bestreden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Juni '1878. R. B., jlt;r. 1879. A, p. 44.
ft». Wanneer de toen gedaagde geopposeerde nu appellant voor het eerst in appèl als verwering tegen den eisch tot opheffing van het door hem gelegd beslag aanvoert dat hij, die den nu geïntimeerde ter zake van zijn gevoerd beheer als secretaris en penningmeester der buurtschap Wissel kwiteerde en dechargeerde, daartoe was onbevoegd en niet gerechtigd, levert deze verwering eene verdediging ten principale op, die niet kan geacht worden in het geding ter eerster instantie te zijn gedekt.
lluf Arnhem, v. 10 October '1878, W. nquot;. 4341.
ftft. Vermits de strekking van de zoogenoemde exceptie van minderjarigheid is om de ingestelde vordering geheel en al te doen afwijzen levert zij in zooverre in den zin van dit artikel eene verdediging ten principale op en kan derhalve voor het eerst in hooger beroep worden voorgesteld, wanneer ze in eerste instantie niet gedekt is.
Arr-R. 's-Gravenliage, v. 27 Juni '1879, \V. u0. 4412, R. 1!., jp. 1880, A, p. 41, waarbij nog beslist werd dat van het gedekt zijn in casu geen sprake kan zijn, daar de minderjarige zelf van de exceptie der minderjarigheid noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend afstand kan doen, en de vader in eersten aanleg niet in het geding was geweest.
Verg. navolgende beslissing:
Een middel van niet-ontvankelijkheid, daarop gegrond dat een der geïntimeerden, oorspronkelijk mede-gedaagden niet sui juris is, maar
91.fi
{Art. 348.
oiuler curateele is gesteld, en dus zijn curator qq. had moeten gedagvaard worden, kan voor het eerst in appel worden opgeworpen.
Hof 's-llertogenboscli. v. '2('i April IS8I. \V. n0. 4703, R. T!.. jfr. iS81. .1, )gt;. 192, waarbij nog werd beslist dat dat middel niet kan opgaan, wanneer intusschen vóór de dagvaarding in appèi, do curateele is opgeheven en de vroegere curandus /elf geen beroep doet op zijno vroegere onbekwaamheid.
OS. De bewering dat men ten onrechte in privé is gedagvaard, is geen diskwalificatoire exceptie, maar levert niettemin een den grond der vordering betreffend middel van niet-ontvankelijkheid op, dat mitsdien voor het eerst in hooger beroep kan worden voorgesteld.
Arr.-R. Leeuwarden, v. 8 Mei '1879, W. n°. \'M.
4iS W anneer in eersten aanleg verzuimd zijn op te geven de daadzaken waarin het geposeerde verborgen gebrek zou bestaan, kan dit verzuim in appèl niet meer worden hersteld, daar het aanvoeren van zoodanige nieuwe feiten niet tot bewijs maar als grondslag der vordering strekkende, als een nieuwe eisch moet worden aangemerkt.
Arr.-R. Amsterdam, v. 'IS Juni '1880, B. B., jg. 1882, /1, p. 103; \\ . nquot;. 4605.
tin. De bewering dat zekere bepalingen der liuwelijksche voorwaarden niet tegen derden kunnen werken, omdat niet de lijst der roerende goederen daarin vermeld, ter griffie is ingeschreven, is een verdediging ten principale bij een verzet tegen den executorialen verkoop.
Hof Arnhem, v. 9 (t9) Maart 1881. W. n0. 4040 en 4653.
3O. Betwisting van in mora te zijn gesteld is eene verdediging ten principale tegen de actie tot ontbinding met schadevergoeding.
Hof 's-Gravenbage, v. 15 Jan. 1883, W. 4940.
ï 1. In hooger beroep kan worden hersteld liet verzuim van den gedaagde in eersten aanleg om de conclusie, waarbij een eedsopdracht werd aangenomen, te onderteekenen.
Hof Amsterdam, v. 19 Oct. 1883, \V. n0. 4995.
3*3. De bewering dat eene opgedragen eed niet beslissend is, is niet gedekt, al heeft men zich in eerste instantie omtrent deze vraag aan het oordeel des rechters gerefereerd.
047
'Cc^. Cfex\^~ ' quot;-fy /, gt; lt; f-i.
VTTCjz^, cM~ v^ 16ââu^r- ; amp;gt;. ft, SW /i ^ fjj//, oh **yJLb~v.
Art. 348.) 948
Air.-R, Utrecht, v. 9 Jan. '1884, W. n0. 4980, ook aruigeh. hij art. 334 B. R.
ïit. Zie ten betooge:
a. Dat een verhoor op vraagpunten, zelfs voor het eerst, in hooger beroep kan worden gevorderd -ââ
art. 237 B. R., arr. van 'I P, H. v. Holland, v. 31 Maart 1841 sqq.. sub n0. 10.
i. Dat, wanneer eene der partijen tot staving van hare vordering, andere stukken in hooger beroep wil doen gelden, dan waarvan zij zich in eersten aanleg heeft bediend, zij in dat geval van dat recht niet anders dan ten haren koste kan gebruik maken â
art. '133 B. R., arr. van 't P. li. v. X.-Brabant, v. 4 Jan. 1842. snb n0. 2.
c. Dat, indien geïntimeerden voor het eerst in hooger beroep nieuwe weren van rechten hebben aangevoerd, welke zij reeds in eersten aanleg hadden kunnen inroepen, alsdan art. 348 13 R. termen oplevert om, wanneer de hoogere rechter zich met die weren vereenigt, de kosten te compenseren tot op bet voordragen daarvan gevallen, zelfs dan wanneer in appèl niet zijn onderzocht de middelen van verdediging, bij den eersten rechter aangevoerd â
art. 51) B. R., arrest van 't P. H. v. Z.-Holland, v. 5 April 1843, vernield op suh B, 11°. '18, bestreden door de Pinto. Jf'll.. B. II.. dl. |[, I. p. 444, 2de ed. p. 494.
d. Dat er ook in cas van interventie geene redenen bestaan, om, wanneer de hoofdzaak nog niet in staat van wijzen is en partijen zich eenig en alleen bepalen tut het tusschengeschil over de bevoegdheid van den requirant tot interventie, van de algemeene stelregels, dat men ook in hooger beroep nadere bewijzen mag bijbrengen, af te wijken â
art. 286 B. R., arrest van 't P. H. v. N.-Holland, v. 28 Mei 1840, sul) n0. 5.
e. Dat de rechter in hooger beroep verplicht is zich uitsluitend te bepalen tot het geschilpunt, hetwelk de partijen zelve in eersten aanleg aan bet rechterlijk oordeel hebben onderworpen â
art. 48 B. li., arrest van 8 Jan. 1847. sul). nu. S.
T/Tt-r* t-(~*~-lt;^^i,c*y^lt;)u j e, a ettAzy2~ '$* yamp;c*- ⢠/ rt esLn t^-'
rL.'0*JUy Y1^- ^â '-
'j T-l--. 'Zt-'f 3-quot; '^97 â u9- T -'â¢
949 (Jr/. 34S.
f Dat de bevoegdheid, bij art 134 B. R. aan een eischer gegeven.
om zijn eisch bij conclusie te wijzigen of te verminderen, niet alleen is toegestaan in eersten aanleg, maar zicli ook tot het hooger beroep uitstrekt â
art, 13-4- B. R., arrest van quot;t P. II. v. Drente, v. 8 ApriH84.8. suli 110. 35.
(j. Dat ook in hooger beroep bet onderwerp van den eisch niet wordt veranderd, indien de vordering zelve op een anderen grond is gevestigd â
art 134 B. U.. arrest van 12 April 1850 .sqq., sub n0. (i.
h. Dat de beslissing, of een in hooger beroep gedane eisch in zich bevat eene nieuwe of andere en vermeerderde vordering, dan die in eersten aanleg was gedaan, is facti â
art. IJ'J R. Org., arrest v. 3 April 1840 sqq.. sub 13, n0. 29. dl. II.
p. 31, 2de ed. -â Idem, ten aanzien van liet onderwerp van den eisch â-bij arrest van 12 April '1830, v. d. H., (1. dl. X, p. 181â197; W. n0.
1115; R.. dl. XXXV, § 44. Verg. ook arr. v. 20 Juni 1856, W. n0. 1761,
I!., dl. LIK, §43, (vermeld sub n0. 7) waarbij werd beslist dat eene beslissing, gegrond op eene opvatting der in dit artikel voorkomende uitdrukking: «mits niet gedekt in het geding ter eerster instantie» niet eene feitelijke is.
Zie over de beteekenis der uitdrukking: '/mits niet gedekt in het geding ter eerste instantiequot;, navolgende beslissingen:
Jlet gedekt zijn van een middel van verdediging kan geen andere beteekenis hebben, dan dat de verweerder daarvan uitdrukkelijk of ook stilzwijgend heeft afgezien.
Arr. v. 9 April 1875, W. 11°. 3841: R, dl. ('IX, § 33; v. D. II.. B.
It., dl. XL, p. 212â221; (in overeenstemming met de conclusie van adv.-gen. Smits); waarbij werd beslist dat onder het stilzivijc/end afzien ^ ^ IC,amp;S begrepen zijn allo handelingen, medebrengende de ongetwijfelde erkenning van datgene, wat bij het nieuwe middel wordt betwist, en volstrekt ' wquot; onbestaanbaar is met de verdediging. In ccisu gold het, het inroepen van de nietigheid eenor overeenkomst in appèl, terwijl hare rechtsgeldigheid Ltfot.
in eersten aanleg tusschen partijen vaststond. Verg. ook hiermede in ^7 '
verband, arresten P. H. v. Overijsol, v. 24 Juni 1844 en v. 21 Oct. 1867 bij Mr. Hertzveld, ut supra, resp. blz. 20 en 80.
Vergelijk in denzelfden zin. arrest van 13 Maart 4857, W. n0. 1836.
11., dl. LV, § 40; v. d. II., B. R., dl. XXI, p. 468â482; conf. concl.
Openb. Min. voorafgaande aan arrest van 42 Maart 4863, R., dl.LXXIII,
§ 44; v. d. li., B. B.. dl. XXVil. p. 312â324. Zie ook het hierboven
s«..« ' -
Art. 348.)
aangehaald arrest van 20 Juni 4856, ten betuoge dat om eene nieuwe were voor gedekt te liouden, het niet genoeg is dat de oorspronkelijk verweerder deze in eersten aanleg had kunnen doen gelden, maar dat hij er van moet hebben afgezien.
Zie ook het sub hoe artikel gemeld arrest 1'. II. v. Gelderland, v. 18 Dec. 1872. cf. Arr.-R. Groningen, v. 7 Maart 1879, \V. n°. 4414 en arrest P. H. v. X,-Holland, v. 27 Juni 4861, W. n0. 2313 ook vermeld sub hoe artikel n0. 41, waarbij werd beslist dat een middel van verwering alleen dan gedekt is, wanneer daarvan öf uitdrukkelijk öf met de daad is afgezien. Verg. Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Oct. 4869, \V. n0. 3476, waarbij is beslist, dat de oorspronkelijk verweerder, aan wien op de door hem in eersten aanleg aangevoerde gronden zijne conclusie tot niet-ontvankelijk-verklaring is toegewezen en die in hooger beroep tot bevestiging van het vonnis heeft geconcludeerd, niet bevoegd is om in appèl nog een geheel nieuw middel van niet-ontvankelijkheid te doeu gelden, daar dit geacht moet worden te zijn gedekt. Zie ook concl. van Mr. Gregory, \V. nquot;. 4985.
i. Dat de compensatie, ofschoon in eersten aanleg niet voorgesteld, tot de nieuwe weren van rechten behoort, die de gedaagde in hooger beroep voor het eerst raag opwerpen â
lie Pinto, lldl.. 7gt;. I!.. dl. 11. I, p. 443, 2de ed., p. 492; Oudeman, 13. II.. dl. II. 4de ed. p. 244; anders bij de Martini, ad art., die echter ten deze reconventie en compensatie op ééne lijn plaatst. Cf. v. d. H., Ildl.. p. 395.
j. Dat wanneer er een nieuwe eisch gedaan wordt en de tegenpartij, zonder het verbod, bij art. 348 B. W. vermeld, in te roepen, daarop antwoordt, alsdan de rechter den nieuwen eisch moet onderzoeken en daarop recht doen â
de I'into. Ikll.. B. dl. li. 4. [j. 439, 2de ed. p. 488. â Vgl. Iiier-mede Penning, ad art., die zich, met het oog op art. 457 li. R., met het gevoelen vereenigt, indien het appèl is gebracht bij de Rechtbank, maar niet indien het appèl is ingesteld voor het Prov. Hof, o. a. op grond, dat eene siilzivijgende prorogatie van rechtspraak aan 't P. II. niet bestaat.
Vergelijk navolgende beslissing;
Waar de rechter in appèl van meening is, dat de in eersten aanleg gedane vordering in hooger beroep is verwisseld met eene andere vordering, behoort hij zelfs ambtshalve die nieuwe vordering voorbij te gaan.
Air. v. 19 Juni 1857. \V. n0. 1863; R., dl. LVl. J; 35; ook vermeld sub art. 134 li. K. Verg. aant. 4 van art. 434 li. 1{.
950
951 {Art. 348.
3-4. Zie omtrent de vraag, of de met-ontvankelijkheid op grond van liet niet in acht nemen van de termijnen, vermeld in artt. 83 en 84 B. R,, nog in appèl kan worden voorgesteld, indien zij niet reeds in eersten aanleg was opgeworpen â
het sub art. 83 B. R.. n0. arrest v. 14 Mei 1852. vermeld vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Sept. 1841.
Zie ten betooge dat de exceptie van gewijsde zaak behoort tot quot;de nieuwe weren van rechten, welke eene verdediging ten principale opleveren, die de verweerder in hooger beroep voor het eerst kan inbrengenquot;.
de conclusie van Mr. II. .1. Kist in W. n°. ;!8()7 in de zaak, beslist door Arr.-R. Arasterdam, v. 13 Oct. 1873.
re.z n, lt; .y*/lt; . * t ; ..'Lrrsrvi r ^
/ * / ,7 /J * , â - £ p ^ r/lt;? â¢? -t*-. J rlt; £ en t eyje P^
rjaLuLii vcrmJ, (u.壉 ~ . ,y7 ^ f
I. Een der gevolgen van de schorsende kracht van het appèl »7
dat wanneer een vonnis in hooger beroep wordt bevestigd, de bij die bekrachtigde uitspraak bepaalde termijnen ipso jure op nieuw beginnen te loopen. /W.
A# Z.
Arr. v. 30 Oct. 1873. R., dl. CV, §17. , / S ^
^â *â
'i De bepaling in het arrest, in appèl gewezen, dat eene nadere / '{*quot; ^5-aanwijzing van een dag voor het getuigenverhoor aan den eersten rechter moet worden gevraagd, schorst de procedure bij den eersten rechter niet, maar geeft alleen aan de meest gereede partij de bevoegdheid, om eene aanvrage te doen tot bepaling van dien dag, zoodat de eischer zich wel kan verzetten tegen de voortzetting van het geding zonder die aanvrage, maar niet kan vragen schorsing van het geding.
Arr. v. 5 Nov. '1880. W. n0.4574; v. d. 11.. B. JJ., dl. XIA . bl. 323â.'!27.
3. Door het hooger beroep wordt de executie van een vonnis eenvoudig geschorst, niet gestaakt, zoodat bij de bevestiging van het vonnis a quo, de executie niet op nieuw met een bevel tot betaling behoeft te beginnen, maar op het vroeger gegeven bevel wordt voortgezet.
Arr.-R. Groninfren, v. 14 Juni 1845, R. B., dl. VII, p. 087; idem Oudeman, dl. II, 4de ed., p. 30.
/amp;*⢠a/.*z'6?j5r.
vzn^i/,inr^rr ^ ^ ^ éeA^ft-,
. / ⢠/ / â L -4. va.'*- ch^- -yâ¢* Irr-m-' «te- f*'
* ' * * S U L- rrâ^J- .1-^
hvur. ^ -fâ r^'*z' ^r'
A.« r - ârâ «r- ^ quot;quot; - *quot;' quot;fcZ*
-4. Wanneer een vonnis is verklaard uitvoerbaar bij voorraad, mits
a^H^quot;
vvwvLA^''U^ ü. De schorsende kracht van het appèl heeft ten gevolge, dat de appellant, die krachtens het vonnis van den eersten rechter is gegijzeld, u weder moet worden in vrijheid gesteld.
0o^-'x'rzn^£'~ Ili. v. (Ironinoen, v. li l)oc. 180(gt;. \\ . n . 28-)/. waarbij aog' word
n L- Dverwdgon dat iJt* bepalingen der artt. ;gt;'â quot;*» iï. Kv. on 888 \\ . v. K. niet
, trT' i^eA''' l'uimen dernseeren aan de liij dit artikel vastgestelde scbursende kracbt. rZM^J tfttS7*?
âu. ^ Zie daarentegen ten betooge:
dat als de schuldenaar vóór de onderteekening van de acte van mgevan-genisstelling niet heeft geappelleerd, het later ingestelde appM van geen yp (jï^T invloed kan zijn op de gijzeling, omdat dan de tenuitvoerlegging voltooid,
het appèl niet meer bestaanbaar, en er dan niet eene loopende executie aanwezig is, welke nochtans voor schorsing noodzakelijk is, â
Mr. li. Comkx. in Ojtm. en dl. XVII, blz. 'igs vlgg. Schrijver
betoogt verder djit. wanneer de sclmldenaar zich niet verzet heeft tegen de gijzeling, hij geacht moet worden in het vonnis te hebben berust, met dat gevolg dat de akte van appèl daarna uitgebracht hare snspensieve kracht heeft verloren, en zij geen invloed meer uitoefent op de executie. Kindelijk zegt schrijver, dat wanneer het ingesteld appèl invloed had op den toestand van gijzeling, waarin de schuldenaar zich bevindt, die invloed zich zou openbaren in ontslag uit do gijzeling, waarvan het gevolg zou zijn dat het hooger beroep in dit geval het beslag mcl schovstv maar (gt;rliicf.
Art. 35J.
I De vordering tot voorloopige tenuitvoerlegging, in eersten aanleg
./ c* ^ ontzpuxi, kan wel in appèl, conform art. 351 B. R., summierlijk ten
,. . daffe der eerste terechtzitting worden ingesteld, ten einde flie terstond
*j * ^ 0 ... , . cüi^ ^ ^ verkrijgen, doch niets kan beletten die bij de conclusie te vorderen,
- ten einde daarop bij het definitief gewijsde uitspraak te erlangen.
^ An. v 8 De(. IS.IS. W. 11°. (.)8;{; R.. dl, XXXII. § quot;27; v. u. II., II. /{..
- Vov: dl. X, p. IC,1-175.
L'
quot;hro^Ar^ stallende zekerheid, en de wederpartij in hooger beroep is gekomen, dan kan de executie niet geschieden, alvorens de cautie gesteld zij.
VA-*-'
âXvvejTJr daar deze is de voorwaarde, waaronder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Air.-R. Amsterdam, v. 14 Nov. 1855. II. 1!.. jg. 185(i. Ij'. '278- Lilt;9.
liPrjb 1 ^
.1
bcjOl
_ v^vquot; /7^amp;-tnSz. CA^r^ -J ___/ tZs i ^^^-,/f/l /t^ ^^y-c^y:
r / /
£ o ri. amp;--4-S' I amp;(*- cUjgt; st ^ i-o^j j/£ r * cl/-c, is^^l
. / J , sL 7/rryKs^* ^ C, jC^O S-â- tJZ^j Irfsi d-zdk~^ J
V~r. **â . . 953 ^ â . [Ar, 351 ,
op irrC^^^,
'i. De bevoegdheid, om een ei.sch of verzoek te doen tot staking der voorloopige tenuit voerlegging van een vonnis, wanneer zoodanige } ^ ^
/ ' JTAS?tJlSZ'. . /L. quot;20 »~/yO~gt;4' fAflÃ'Y /
y~jc/ *3~y~ IS-wtlSI. eA^^ -cf Is-r-r-i, rZs £ /L- *^-lt;y-tr--lt;f
quot; S yf y / ^ -
cU*fgt; /t^ 7/^ t £ c/^, /Lry^ (L^ca^C
li
tenuitvoerlegging buiten de gevallen, bij de wet voorzien, is bevolen, is niet aan ben gegeven, die van bet vonnis niet hebben geappelleerd.
Hof v. Holland, v. 25 Sept. 1839, R., dl. VI. § 59,
Jï. Art. 351 B. R kan alleen {in casu in een der gevallen, voorzien bij art. 53 15 li.) toepassing vinden, wanneer de tenuitvoerlegging bij voorraad door den eiscber voor den eersten rechter is gevorderd geweest. Mitsdien kan de executie bij provisie van een vonnis niet voor bet eerst in appèl worden gevorderd.
Ait.-R. s Bosch. v. 20 Juni 1850. \\.
r.
noscn. v. 'iii Juni IJSon, \\. n . 1308; â anders^bij arii'sl \ U~~~S v. Zeeland, v. 15 Api il I8G2. \\ . n0. 23(18. R. B., jg. 4864. dl. XIV.
lil/. 117â130, waarbij ook werd beslist dat om in die vordering ontvan- ^rf ^
kelijk te zijn slechts twee omstandigheden vereischt worden, '1°. dat de ifen%OL*~s tenuitvoerlegging een geval betreft, waarbij ze door de wet is toegelaten ^ en 2°. dat ze nxvt door den eersten rechter is bevolen; idem Hof Amsterdam. van 18 April 1879. R. 1!., jg. 1880, ,1. p. 153; idem de conclusie van den adv.-gen. Gregory voorafgaande aan liet arr. Hof's Ilage, v. Ui Mei » '1881, in R. R.. jg. 1881, .4, p. 215 sqq., waar bet sold een der gevallen
A
â U. n*
sqq..
voorzien bij art. 52 R. R. en voorts implicte bij dat arrest zelf t. a. p.; f7 vervolgens bij Ouukmax. ]gt;. I!.. dl. II. 4de ed. p. 30, (die tevens, met /, //, aanhaling der auteuren, ihiet opmerken, dat onder de Fransche wetgeving jifjâ verschillend over dit rechtspunt werd gedacht); idemDEPiNTO, ?M?.,dl. II. I. p. 155. 2de ed.. p. KiO; â anders Penning, ad artikel.
41 Een geheel ander geval, dan bij dit artikel bedoeld, bestaat, indien bij het vonnis des eersten reenters, waarbij bevolen wordt zekerheid te stellen, alleen verzuimd is den termijn te bepalen, binnen welken de bevolen zekerheid moet worden aangenomen of betwist, In dat geval behoort dit verzuim hersteld te worden niet door den rechter, bij wien de zaak in hooger beroep is aangebracht, maar door den rechter, die het vonnis gewezen heeft, op verzoek van de belanghebbende partij.
1'. II. v. N.-Holland, v. (i Maart 1850, R. 1!.. jg. 1850, bi. 270â277.
â¢s. Zie omtrent de vraag of de voorloopige ten-uitvoer-legging bij het vonnis moet worden bevolen, indien het is gewezen uit krachte van een authentieken titel â
art. 52 li. R.. arrest vai sub n0. 13.
v. N.-Holland, v. 15 ,b
185
Art. 352.)
Art. 352.
1. Wat er ook zij van liet beweren, dat geene voorloopige ten-nitvoer-legging van een vonnis mag worden bevolen, indien dit niet is gevraagd, is, wanneer de rechter zulks gedaan heeft, de veroordeelde partij niet bevoegd, om van het Plof, ingevolge art. 352 15 R., bij eene eenvoudige akte, verbod van executie te vragen, vermits dan alleen de executie van zoodanig vonnis, ingevolge de bepaling van art. 352 B. 11 kan worden gestaakt, wanneer die ten-uitvoer-legging buiten de gevallen, bij de wet voorzien, is bevolen.
I'. II. v. N.-Holland, v. Ki Maart 1840, W. n0. 85. â In lt;relijken zin. met een beroep op Carré, (ju., 1600, door de Pinïo, Ildl., II, 1. p. 150, 'ide ed. p. 107.
2. In het geval van dagvaarding op korten termijn, bedoeld bij art. 352 B. R., is (bij niet-comparitie van sommige geïntimeerden) de bepaling van art. 79 B. R. toepasselijk.
P. II. v. X.-Holland, v. I Aug. 1844, R. B., jg. 1844, dl. VI. p. 713.
3. De zin en strekking van art. 352 B. R. is geen andere, dan dat, wanneer buiten de gevallen, bij de wet voorzien, de provisioneele ten-uitvoer-legging van een vonnis is bevolen, de succumbant bevoegd is, ter voorkoming van schade en kosten, te vorderen, dat aan dit bevel geen gevolg worde gegeven, zonder dat het noodig zij, dat werkelijk reeds met de uitvoering een aanvang zij gemaakt, daar dit bereids een onherstelbaar nadeel zou kunnen toebrengen.
P. H. v. Gelderland, v. 28 Jan. 1840, W. n0. 800; R. 1!., jg. 1840, dl. Vlll. p. 480â489; idem P. 11. v. Overijsel, v. I .Mei 1805, W. n°. 2819, en de daaraan voorafgaande conclusie van het Openb. Ministerie te vinden in haar geheel in W. n0. 2077.
41:. De naar aanleiding van art. 352 B. R. door den rechter in appèl te beantwoorden vraag, of de provisioneele ten-uitvoer-legging van het vonnis a qno al dan niet is bevolen buiten de gevallen, bij de wet voorzien, moet beantwoord worden, afgescheiden van alle onderzoek der zaak ten principale.
P. H. v. N.-Holland, v. 29 April 1847, W. n0. 902; R. R., jg. 1848, dl. X. p. 109 en 170. â Cf. P. II. v. Z.-Holland, v. 2 Deo. 1857, W. n0 2049, ten aanzien van het onderzoek naar den uitgesproken lijfsdwang.
954
[Art. 352.
S. Wanneer buiten de gevallen, bij de wet voorzien, de provisioneele ten-nitvoer-legging van een vonnis zonder borgtocht is bevolen, is de rechter in hooger beroep, bij de schorsing dier provisioneele ten-uitvoerlegging, tevens op nieuw rechtdoende, gerechtigd om, indien er eene erkentenis van schuld bestaat, de uitvoerbaar-verklaring bij voorraad onder borgtocht of aanwijzing van voldoende zekerheid te bevelen.
I'. II. V. N.-Holland, v. 15 Juli 1851, W. ii0. 1-263.
Vergelijk ook navolgende beslissing;
Wanneer volgens dit artikel de appellanten verzoek kunnen doen tot staking van de executie, indien buiten de gevallen, bij de wet bevolen, de provisioneele ten-uitvoer-legging van een vonnis is gelast, dan kan ex analogia aan dezelfde appellanten de bevoegdheid niet worden ontzegd om voor de provisie, in de gevallen, bij de wet bepaald, bij de executie het stellen van zekerheid te vorderen, en in zooverre wijziging te vragen van het vonnis des eersten rechters, waarbij, in strijd met de wet, het stellen van zekerheid niet was gelast.
P. li. v. Gelderland, v. 13 Juni i860, W. n0. ;M95; anders in het geval dat de rechter a quo geen zekerheid heeft bevolen bij de toepassing van art. 52 B. Rv., Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Dec. 1879, li. B., jg. 1880, A, p. 338. â Cf, art. 52 B. R., arrest van denzelfden datum, sub n0. 10.
lt;». üe termijnen van art. 10 13. R. kunnen nooit worden verkort; mitsdien ook niet in cas van dit artikel.
P. 11. v. Z.-Holland, v. 2 Nov. 1857, W. n0. 2049, ook vermeld sub art. 7, n0. 2 li. R.
?. Dit artikel schrijft geenszins voor, noch valt daaruit af te leiden, dat eene bevolen voorloopige ten-uitvoer-legging van een vonnis zou worden geschorst, enkel door een verzoek tot staking, in hooger beroep gedaan of door eene tot dat einde bij dagvaarding gedane oproeping der wederpartij.
Integendeel brengt dit artikel mede, dat de staking der gelaste voorloopige ten uitvoerlegging van een vonnis dan eerst plaats heeft, wanneer die staking door den hoogeren rechter is bevolen, zoodat tot zoolang met de ten-uitvoer-legging kan worden voortgegaan.
P. 11. v. Overijsel, v. 30 Dec. 1801, W. n0. 2477.
955
Art. 352.)
8. Noch de reeds gedeeltelijk aan het vonnis a gegeven executie, noch het voor den voorzitter der Rechtbank gevoerd kort geding ter /.elfder zake, geëindigd met de intrekking van den eisch aldaar, noch de verklaring des geïntimeerde dat hij niet voornemens is de executie van de schade te doen plaats hebben, kunnen den appellant in den weg staan om gebruik te maken van de onvoorwaardelijke bevoegdheid, aan eene veroordeelde partij bij dit artikel geschonken.
I'. II. v. N.-Holland, v. i Nov. 1875. W. n0. 3931: R. H.. jg. 1870. :ifrl. .1. p. 4'2.
liet onderzoek tiaar de innerlijke waarde van de titels moet aan den rechter ten principale worden overgelaten en mag m cas van gevraagde staking der executie niet te pas komen.
Hof Amsterdam, v. 13 t'rt. I87(i. Ã. !gt;.â jg- '1877. afd. .1. p. 44:, W. 11°. 4093. In laatstbedoeld stadium hoeft dc rechter alleen de vormeli.jhc waarde der door den rechter n (/(«lt; aangehaalde bescheiden to onderzoeken, zonder te mogen letten op het belang der in het ongelijkgestelde partij.
I O. Zie ten betooge :
a. dat een vonnis, waarbij wordt verworpen eene exceptie van incompetentie, met last aan partijen om ten principale voort te procedeeren, niet kan worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep -â
art. 52 H. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Dec. ISi'i-sul. ii0. 4.
b. dat, indien bij eene arbitrale uitspraak, buiten de gevallen bij de wet voorzien, de provisioneele executie is bevolen, de rechter in appèl, eu niet de Rechtbank, door wier Voorzitter die arbitrale uitspraak executoir is verklaard, bevoegd is de staking der executie te gelasten.
Air. Hof v. Gelderland, v. I I Nov. i8/i0 bij Mr. Heutzveld, ut supra p. 18; verg. hiermede arr. van hetzelfde Hof v. Nov. 1840, t. a. p. 1,1/ -21. waarhii het tegenovergesteld*1 werd beslist, voor hel geval dal de staking gegrond wordt op een middel ten principale.
Art. 353.
I. Uit de bepaling van dit artikel [in casu betreffende het getuigenverhoor) volgt wel dat de rechter in appèl dezelfde regelen te volgen
957 {Art. 353.
beeft als die in eersten aanleg, maar niet, dat hij verplicht zou zijn
om over dezelfde feiten, die reeds eenmaal het onderwerp van een
getuigenverhoor hebben uitgemaakt, op nieuw gelegenheid tot het leveren van getuigenbewijs te geven.
A it. v. 11 Maait 18X1. W. n0. 46Li.r?; R.. ill. CXXVil. p. 195â19',»; v. n. H., IS. n., dl. XLVI, bl. 121â124; H. li,, js. 1882, .1. p. 104; verg. air. v. 15 liet. 1803 sqq., ad art. 348 B. R.
lt;5. De vordering in hooger beroep gedaan tot het bevelen van een nieuw onderzoek door deskundigen, is praematuur en mitsdien niet-ontvankelijk, zoolang de hoofdzaak bij den eersten rechter nog aanbangig en onbeslist is.
1'. II. v. I'(recht, van 17 Mei 18.VJ, VV. n . 1355.
.'8. De niet-erkenning van een geschrift of van eene ouderteekening en het daaruit voortvloeiend gerechtelijk onderzoek kan ook voor het eerst in hooger beroep geschieden.
P. II. v. Zeeland, v. ;! Juni 18C2, 11. Igt;., jfr. ISC.'i, dl, XIV. 1,1, 121- 124.
4. Wanneer de procureur van den appellant ten dienenden dage verklaart, dat hij zich aan de zaak onttrekt, dan heeft de geïntimeerde het recht doorhaling te vragen van de zaak ter rolle. Art. f2 Regiem, is bij analogie hier toepasselijk.
Arr.-R. Nijmegen, v. 15 Sept. 1868. VV. n . 3087,
5. Zie ten betooge:
a. Dat een appellant tegen een mede-geïntimeerde, welke in eersten aanleg met hem is opgetreden als gevoegde partij, niet dezelfde neren en rechten mag inbrengen als tegen den principaal geïntimeerde â
art. 280 li. R.. arrest v. 21 Jlei 1847, sub n . I, â Zie ook art. 3;gt;1) H. 1!., arrest van denzelfden datum, sub n0. 2.
h. Dat het verzoek tot voeging, vermeld in art. 158 H. 11,, niet voor het eerst in hooger beroep kan worden voorgesteld â
art. 158 li. R., arrest van 1 P. II, v, X,-Holland, v. 9 Maart 1848, sub n0, 10,
c Dat art. 353 B. R, is limitatief, en mitsdien al hetgeen daarin niet uitdrukkelijk vermeld wordt, in hooger beroep niet mag worden toegepast â
dk Pinto, Hdl., li. I!.. dl. U, 1, p, 455; 2de ed. p. 495.
Art. 353.)
ii. Zie omtrent de vraag:
1°. of, ook met het oog op de catdio judicatum solvi, het hooger beroep slechts is de voortzetting van het geding in eersten aanleg ââ¢
art. 152 li. R.. arrest van 't P. H. v. N.-Rrabant, v. I staart 1842 sqq.. sub n0. S.
2quot;. of' de tusschenkomst of voeging, vermeld in art. 285 en volgg. igt;. 11., ontvankelijk is zelfs in hooger beroep, totdat door partijen conclusiën zijn genomen ter terechtzitting â
art. 2S8 in fine.
Art. 354.
f. Uit art. 354, n0. 2 15. 11., volgt niet, dat de rechter in hooger beroep, die een vonnis vernietigt en de uitvoering zijner uitspraak niet aan zich wil houden, altijd verplicht is daartoe een anderen rechter aan te wijzen, dan dien, van wien het vernietigd vonnis afkomstig is, maar alleen dat hij den rechter moet aanwijzen ; derhalve is het geheel aan zijne voorzichtigheid overgelaten, om zulks naar de omstandigheden, hetzij aan den rechter a quo, of aan eeu anderen rechter op te dragen.
Arr. v. 31 Jan. 1845, W. ii0. 596; R., dl. XIX, § 78: v. n. li., B. Ti.. dl. VI, i). 329â349; idem arrest van 18 Nov. 1870, \V, n0. 3271. ook nog vermeld sub hoc art.; idem Oudeman, B. li.. dl. K, 4de ed., p. 32 en Vernede ad art.; idem Pigeau, II. 89; â anders, met een beroep op Carré, Of., 1698, de Pinto, dl. 11. 1, p. 447, 2de ed. p. 497.
lt;ï. Ofschoon de stellige wetsbepaling, voorkomende in art. 526 C de Proc. Civ., in onze tegenwoordige wetgeving overbodig geoordeeld, en daarom niet overgenomen zij, volgt echter uit de voorschriften van de artt. 630 tot en met 634 B W. duidelijk, dat thans hetzelfde beginsel moet gelden, en dat er alzoo bij de vordering tot teruggave van ffenotene vruchten, waartoe iemand is veroordeeld, op dezelfde wijze moet worden geprocedeerd als tot liet doen van rekening en verantwoording; met dat gevolg, dat in dien stand van zaken, met afwijking van en bij uitzondering op den regel, in het voormelde art. 354 vastgesteld, de manier van procedeeren, bij art 773 B. II. voorgeschreven, moet worden in acht genomen.
958
959 (Ar(. 354
Arr. v. 8 Pee. 1848, \V. n0. 985; R., dl. XXXII, § 2(1; v. d. II.. II. It.. dl. X. p. lOö-â212. â Vgl. hiermede liet daartoe betrekkelijk en in gelijken zin gewezen arrest van 't P. U, v. Zeeland, v. 22 Febr. '18i8. W. n0. 985; R. R., jg. 1850, dl. XII p. 372 en 373, waartegen de onder-werpelijke voorziening is verworpen.
,*5 Krachtens het beginsel, toegepast en erkend bij de nrtt 331 en 135 B. R., behoort in den regel de kennisneming vnn de ten-uitvoerlegging- van een gewijsde ann den rechter, door wien het is gewezen. Dientengevolge is nok de Hooge Raad, in geval van cassatie met verwijzing, bevoegd kennis te nemen van de uitvoering van zijn gewijsde, en bijgevolg om dat gewijsde tegen verkeerde uitlegging te handhaven, terwijl zonder die bevoegdheid de bepalingen van de artt. 422 en 424 B. R. geheel ijdel zouden zijn of kunnen worden gemaakt.
Arr. v. 4 Febr. 1859, W. n0. 2035; R., dl. LXI, § 23. (gewezen in strijd met de conclusie van den adv.-gen. Gregory) vernietigende arrest van 't P. II. v. N.-Holland, v. 18 .Maart 1858, W. n0. 2019. In gelijken zin een arrest van bet Hof van Appèl te Rrussel, Belg. Jud. 1804, p. 885 vlgg. en een arrest van bet Hof van Cassatie in Frankrijk van 8 Nov. 1802, in de Gazette des 'l'ribuiutux, van 15 Nov. 1802.
4. Over het verzet tegen de executie van een arrest, waarbij het in eersten aanleg gewezen vonnis, hetzij voor het geheel of voor een gedeelte, is te niet gedaan, moet de rechter oordeelen, die dat arrest heeft gewezen.
Arr. v. 8 Mei 1808, \V. n0. 3004; R.. dl. LXXXIX. §4: v. n. II., D. dl. XXIII, p. 71â87
.V Tot de gevallen, in welke de wet de rechtsmacht opdraagt, in dit artikel bedoeld, behoort ook de rechtsmacht van den Voorzitter ten aanzien van onmiddellijke voorzieningen uit hoofde van onverwijlden spoed bij de ten-uitvoer-legging van executoriale titels. '''J1 â
Arr. v. 29 October 1809; W. n0. 3100, R., dl. XCH1, § 12; v. n. \\.. ü. R.. dl. XXXIV, p. 23â41; I!. li., jg. 1870, p. 718, ook vermeld ad art. 289 B. R.
O. Het is niet in strijd met art. 354â350 15. 11. dat de hoogere rechter gelast dat de uitspraak â zoowel ten aanzien der bewijsvoering als wat na zulks, de verdere en eindbeslissing aangaat â zal worden ten-uitvoer-gelegd bij den rechter a quo, die met voorbijgang van het aangeboden bewijs, den eisch ten principale ontzegde.
4
Art 354). 960
Arr. v, 18 Nov. 1870. W. 11°. 3271 ; v. li. II.. /?. \\.. ill. XXXV. p. 157 â 171; cf. echter liet sub art. 355 II. II.. vermeld arrest van 't P. II. v. Overijsel, v. 1 Juni 1803.
3. Indien eene der partijen door liet Hof, in hooger beroep oordee-lende, met gedeeltelijke vernietiging van het vonnis a quo (zonder bepaalde aanwijzing van een rechter om van de uitvoering kennis te nemen ten gevolge waarvan de eerste rechter van de zaak ten eenemale is o-edesaississeerd) veroordeeld is om binnen zekeren tijd zekere wegruiming te bewerkstelligen, op verbeurte van zekere schadepenning voor iederen dag vertraging, dan kan de competentie van het Hof' niet worden betwist om te cognosceeren over de vraag: of er tempore utili aan dien last is voldaan geworden, op grond, dat die vraag reeds dadelijk na het ontvangen bevel tot voldoening, en dus vóór den aanvang der eigenlijke executie ontstaan is.
I'. II. v. Gelderland, v. 17 .Maart â¢185'i. W. nis. 1335 en 13'i'i: R. I!.. jü'. 1852, j». 570â571; f{.. lt;11. XIA I. ^ 08.
S. Niet het Hof, dat bet vonnis a quo bevestigde, maar de Rechtbank, die bet vonnis heeft gewezen, is bevoegd uitspraak te doen op het verzet tegen de executie van het arrest, waarbij door bet Hof de bij het contirmatoir onvereiïend gebleven kosten zijn gelikwideerd. i'. II. v. Gelderland, v. 'i'i Deo. 185(1. W. n . 183!».
ïgt;. Het vonnis a quo uitvoerbaar zijnde verklaard bij voorraad, is bij bekrachtiging daarvan, de voorloopige uitvoerbaar-verklaring van de uitspraak in hooger beroep overbodig.
1gt;. II. v. N.-llulland. v. 21 Nov. 18(14, W. n'. 2(i09.
IO De lagere rechter is onbevoegd om door zijn uitspraak tot de executie van een beslissing, waarbij het vonnis van dien rechter is vernietigd, als is het ook ten deele, mede te werken Arr.-R. Assen. v. 1^ l oln'. 18(i8. \\. n .
I I . Zie ten betooge:
1°. Dat na de vernietiging van een vonnis in appèl door een P. H., alleen de President van het Hof, die het vernietigde vonnis heeft gewezen, bevoegd is de vergunning te geven om een exploot van executoriaal beslag, krachtens dat arrest, op Zondag te doen -art. 14 li. R., sub n'. 2; idem (Huikman. li. It., dl. II. 'ide ed. \gt;. 33.
/flaJLctto-* 5 S^5~ - STzP (fas. ui ^
7£rJ?-^-v lt;^~ Ltr^^-r /Ccamp;y(- amp;te-i_a ^ A-
J /^OJ, bSn quot; Cpmy .
9(il {Art. .'554.
2°. Dat men in zake van zuivere uitvoering de wetten van de plaats moet volgen, waar, en den tijd in aanmerking nemen, wanneer de uitvoering moet plaats hebben en art. 354 1' Ti. een uitvloeisel van dit beginsel is â
Mr. I., Oi.iif.Niiuis (Ikatama. in ile O/im. ivlt; Mp.iI.. dl. VII. p. lilö.
1®. Zie over den oorsprong van de overbodige, onbeduidende en zinlooze. uitdrukking iu vonnissen of arresten, in hooger beroep voorkomende, vcrnictifil hel gt;lr. F. li. CoNiNCK Tjf.istixg in Tijdschrift van het Xcd. Bagl. II.
Iilz. 74 en volgg., alwaar betoogd wordt dat de vernietiging van het appèl ingeval van bekrachtiging van het vonnis a quo reclitstreeks van de oude Gerniaansche rechtsinstellingen afstamt, terwijl de vernietiging van het hooger beroep tegelijk met het vonnis, schijnt afkomstig te zijn uit bet tijdvak der bestrijding van bet Gerniaansche kampgevecht.
Art. 35quot;).
1. Art. 355 en zelfs het daarmede in verband staande art. 350 H. li., missen alle toepassing daar, waar (gelijk in canu) alleen de rede is van een vernietigd peremtoir middel van niet-ontvankelijkbeid
au fond.
Arr. v. 7 Jnni IS.'iO. \\ . uquot;. 1135; I!.. dl. XXXV. S3: v. n. II.. H. I!.. dl. XII. p. 71 â S7. \gl. bet betrekkelijk deze zaak gewezen arrest van 't 1'. II. v. Gelderland, v. 21 Nov. 1849, W. ir. 1100: R. I!..jg.-1850, dl. XII. |gt;. ObOâ(U'ia.
lt;5, Wanneer op liet hooger beroep van een interlocutoir vonnis de zaak ten principale wordt afgedaan, is het daarmede volstrekt niet strijdig, dat de rechter tevens beslisse, of liet interlocutoir vonnis in den vroegeren stand van bet geding al dan niet juist gewezen was en had moeten gehandhaafd worden,
A it. v. i'i Nov. 1850, \V. n. iis.-l.
Jt. Dit artikel is verkeerd toegepast en art. 357 geschonden door, bij het bekrachtigen van het vonnis, waarbij de rechter van eersten aanleg zich eeniglijk bevoegd had verklaard, de zaak aan zich te houden, zonder daartoe strekkende opdracht van partijen.
Arr. v. 4 Dec. 1863, VV. n0. '2542, ook vermeld ad art. 857 B. R.
mi*. nv. van iltisskm V'/,.. If ui'ff. Hechlsv. 01
Art. 355.)
-1. De rechter in hooger beroep ban bij de vernietiging van een vonnis, waarbij een decisoire eed is opgedragen, zonder dat de partij in de gelegenheid is gesteld, dien eed aan te nemen, te weigeren of terug te wijzen, en waarbij bovendien de eed is opgedragen noch door de partij zelve, noch door een daartoe bizonder gevolmachtigden persoon, de zaak aan zich houden en den eed opdragen, indien die regelmatig in appèl wordt herhaald.
Air.-H. quot;s Bosch, v. ir. Mei 1844, \V. nquot;. 5()5, â Cf. art. 1969 li. NV., vonnis van dezelfde Air.-R. van denzelfden datum, sul) n0. (5.
ó. Bij het instellen van hooger beroep tegen een op grond en naar aanleidinrv der verwerping van alle andere middelen van verzet, gewezen interlocutoir vonnis, is de appellant, met het oog op de artt. 355 en 356 B, R., bevoegd, om behalve zijne bezwaren tegen dat interlocutoir, tevens de zaak ten principale te behandelen.
P. II. V. N.-Holland, v. 17 Juni 1847. U. H., jg. '1848, dl. X. p. 1â14.
lt;». Hoewel in eersten aanleg alléén uitspraak mocht zijn gedaan op het voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid, gegrond op de beweerde vereeniging van het petitoir met het possessoir, kan echter de rechter in appèl op de hoofdzaak beslissen, indien partijen, zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep, hare middelen ten principale doen gelden, en de zaak alzoo in staat van wijzen is gebracht.
P. II. v. Limburg, v. 11 April '1S5H. \\. u . 1437.
S. Verwijzing van een in hooger beroep gelast getuigenverhoor naar den eersten reciiter kan niet geschieden, wanneer deze de gedane vordering bepaald beeft ontzegd en dus daarop tinaal heeit recht gedaan, alhoewel tevens daarbij werd melding gemaakt, dat de eisch zou zijn niet-ontvankelijk.
P. II. v. Overijsel, v. I Juni 1863, NV. n°. '2571. waarbij nog werd beslist, dat bij dit art. een verwijzing alleen dan wordt voorgeschreven, wanneer nog op do hoofdzaak beslist moet worden, /ie echter aiiest 18 Nov. 1870, vermeld ad art. 354 B. R.
S. Op grond van het imperatieve voorschrift van dit artikel moet de rechter de verwijzing uitspreken, ook al is daartoe door den geïntimeerde niet geconcludeerd.
Arr.-R. Groningen, v. '22 Juli 1875, W. n0. 4028,
962
{Art. ;355.
O, Zie ten betooge, dat het oordeel, of in cas van art. 355, al. 2 B. R., het geding in dien staat is, dat daarover en over het tusschen-geschil bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist, is facü â aiT. v, i) April '1847, sub B. n0. 36, eodem 2de ed.
--?Oe.^ 9^-rr^ c'Jr-Tquot; ^
jLvt 856 7 TtVL- n / /C-C ^ ^ ^ r
^ f --12_ -V-fX ^
1. I5ij art. 356 15. li. is aan den hoogeren rechter, die een inci--,-^-^ ^ «W. denteel of ook een interlocutoir vonnis te niet doet, alleen dan de '^^7
bevoegdheid gegeven om de zaak ten principale tot zich te trekken,
indien door of na die vernietiging de zaak ten principale in staat '
van wijzen is, maar niet, wanneer door de executie van dit interlocu-toir, de zaak nog eerst in staat van wiizen moest worden trebracht
An\ v. 3 Jan. 1845, W. n0. 574; R., dl. X!X. § 67; v. n. H., B li.. ^ t-dl. VI, p. 249â271. vernietigende liet daartoe betrekkelijk arrest van quot;t, ^ â,
I'. II. v. Z.-Holland, v. 29 Juni 1844, W. n0. 512; K. B., jg. 1844, dl. VI. ^
p. 591 en jg. 1845, dl. MI, p. 248â252; R.. ut supra; idem arrest 1'. II. v. ' ^ ^_
X.-lirabant, v. 3 April 1860, VV. n'. 2169. â In overeenstemming met '
vom meld arrest v. 3 Jan. 1845, is dan ook bij arrest v. 9 Febr. 1849. ^ ^
VV. n0. 992; R.. dl. XXXII, § 54; v. n. II.. B. It., dl. X, p. 265â279; 7-p beslist, dat, indien de rechter in appèl een incidenteel verzoek tot het ur *2.^ *£-
hooren van getuigen, hetwelk in eersten aanleg was geweigrerd, toestaat. / , r, _
bij dan niet bevoegd is om te bevelen, dat bet verhoor voor hem en niet ^ 0
voor den eersten rechter zal plaats hebben, en alzoo zich de zaak aan ^ w,
te trekken, zonder dat partijen er in hebben toegestemd, of ook de zaak ^
ten principale in staat van wijzen was.
»-r-
7
'i Nergens is bij de wet voorgeschreven, dat de Hooge Raad, in
revisie oordeelende, het volgens art. 374 Rv. verplichte tot zich trekken der zaak uitdrukkehok zou moeten uitspreken en met name te kennen
^ 1 ^12- t-ri-**-
treven. ,
/O gt;1 :?lt;* .
/
21 x-e
Arr. (in revisie) v. 8 Nov, 1855, R., dl. LI, § 36.
Aquot; //rei
3. De rechter in hooger beroep, volgens deze wetsbepaling, de zaak , ^ tot zich trekkende en ten principale vonnissende, treedt in de plaats van den eersten rechter, naar wien de zaak had kunnen worden verwezen,
zonder (behalve de bepaling van hoogste ressort) eenige meerdere of andere bevoegdheid te hebben verkregen dan die eerste rechter bij terugwijzing zou hebben gehad, en derhalve ook onder de verplichting dat de hoofdzaak eerst op eene regelmatige en bij de wet voorgeschreven
963
Art. 356.)
wijze na het nemen van conclusion aan zijne beslissing onclern'oriien zij, alvorens uitspraak te doen.
Air. v. 10 Dec. -1858. W. n0. '2191 ; R.. dl. LX, § 37; v. D. II., B. li.. dl. XXII, p. 497â513; cf. arrest v. 14 Mei 1875, ad art. 374 Rv.
4:. liet vonnis, waarbij de beslissing over een zeker punt wordt uitgesteld tot na die over de hoofdvordering, is geen interlocutoir, noch een vonnis op een tusschengescbil bedoeld bij art. .'355 13. R. zoodat de hoogere rechter, die dat vonnis vernietigt, ook de hoofdzaak niet tot zich kan trekken
Arr. v. 0 December 1867. W. n0. 2960, R., dl. LXXXVII. S 35; v. d. 11-B II.. dl. XXXII, p. 95â117; vernietigende vonnis Arr.-R. Leiden, v. â¢1-2 Maart 1807. De Hooge Raad bepaalde tnsschengescbil als een ffescbil. opgekomen tijdens de behandeling van de hoofdvordering.
5. Dit artikel beeft alleen betrekking op zaken, waarin nog geene beslissing ten principale is genomen. Eene bepaling toch, als in dit artikel opgenomen, is overbod'g, wanneer de eerste rechter de zaak ten principale zelf heeft behandeld en beslist. Bij geene enkele, wetsbepaling is voorgeschreven dat de rechter, bij hooger beroep van een eindvonnis, de zaak zonde moeten terugwijzen naar den eersten rechter, alleen omdat deze het overbodig heeft geacht zijn oordeel uit te spreken over een der voorgestelde rechtsmiddelen, [in cam de verjaring) hetwelk op zijne beslissing van geen invloed was.
Arr. v. '25 Juni '1869, \V. n0. 3131; R.. dl. XCII. § 21; v. n. 11.. II. It.. dl, XXXIII. p. 474â493; R. li., jg. 1870. p. 312 sqq.; /ie eebter Hol Arnhem, v. 7 April 1880. W. n0. 4583.
«. Indien de reebter in hooger beroep vermeent dat er geen nader onderzoek, hetzij van deskundigen, hetzij op eenige andere wijze te pas komt, dan kan er, met vernietiging van het vonnis a quo, waarbij een onderzoek van deskundigen was bevolen, op de hoofdzaak worden recht gesproken, en zulks te meer, indien dit zoo wel door den appellant als door den geïntimeerde wordt verlangd.
p, 11. v. X.-Holland, v. 30 Mei 1842, W. n0. 295.
S. Waar door appellant is geconcludeerd ten principale, voor het geval dat bet Hof termen mocht vinden om de zaak aan zich te houden, en de geïntimeerde pleitend heeft te kennen gegeven er niet tegen te
{Art. 35fi
hebben dat het Hof de zaak aan zicli trekke, zoo kunnen deze verklaringen niet als onderlinge vordering van partijen worden beschouwd.
1'. II. v, Groningen, v. 28 Maart 1871. R. R,. jg. 1872. dl. XXIF, p. 440.
S. Wanneer de partij, aan wie bij interlocutoir getuigen bewijs is opgelegd, in appèl de nietig-verklaring van dat vonnis vraagt en een ander bewijsmiddel â namelijk den decisoiren eed â aanbiedt, kan bet Hof met buiten effect-stelling van bet voorschreven getuigenbewijs de zaak tot zich trekken en in bet hoogste ressort ten principale vonnissen.
Hof Amsterdam, v. 4 April '1884, W. n°. 5090.
Art. 357.
1. Dit artikel is geschonden en art. 355 verkeerd toegepast door, bij het bekrachtigen van het vonnis, waarbij de rechter van eersten aanleg zich eeniglijk bevoegd had verklaard, de zaak aan zich te hebben gehouden, zonder daartoe strekkende opdracht van partijen.
Arr. v. 4 Dec. 1863, W. n0. 2542; zie hetzelfde arrest ad art. 355 n0. 3.
2. Ingeval van vernietiging van een vonnis, waarbij de rechter van eersten aanleg zich verkeerdelijk heeft bevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen en de zaak in eerste instantie bij den rechter in appèl bad moeten zijn aangebracht, is de rechter in appèl bevoegd om ten principale recht te doen, althans wanneer de conclusiën van partijen daartoe strekken.
Arr.-R. Amersfoort, v. 2('gt; Febr. 1X02. R. B.. jg. lS(j4, dl. XIV. bl.
327â329.
Jï. Zie over de vraag wat de hoogere rechter doen moet, indien de eerste rechter, na zich bevoegd verklaard te hebben, de hoofdzaak behandeld heeft, welke beslissing ten principale door den hoogeren rechter wordt vernietigd, maar alleen als gevolg van eene vernietiging der competent-verklaring.
Moet hij partijen verwijzen, daar en waar zulks behoort, of mag hij de zaak ten principale tot zich trekken?
li. B., jg. 1880. .1. p. 334.
Art 358 )
Ari. 358.
liij de wet van 'ili April '1870 {Slhl. n0. 86) zijn in al. 4 van dit artikel de woorden: «de provincie» vervangen door de woorden: «het rechtsgebied van het gerechtshof»: â en is tevens de vijfde alinea vervallen.
I. Wanneer, ingeval van beroep van een vonnis van onbevoegd-verklaring, de eene partij niet tegenspreekt het bij conclusie stellig uitgedrukt verlangen barer wederpartij, dat door den hongeren rechter de zaak tevens ten principale afgehandeld worde, wordt zij rechtens geacht, liet judicieel contract, hetwelk uit art. 358, al. 1, volgt, stilzwijgend te hebben aangegaan; zijnde bij dat art. 358, al. 1, geenszins voorgeschreven, op hoedanige wijze van die vordering of dat verlangen zal behooren te blijken, alzoo wordt daartoe geene stellige verklaring of conclusie van de beide partijen vereischt, maar kan die vordering of dat verlangen evenzeer u'.t de houding der partijen in rechten worden opgemaakt.
Arr. v. 5 Maart 1847. W. n0. 8()Li: R.. dl. XXVII. ^ ü; v. n. H . II. li.. dl. Vlll. p. 351â377. â Vgl. hiermede 't daartoe betrekkelijk arrest van 't P. II. v. Zeeland, v. '27 Jan. '1846 on 't vonnis der Arr.-R. Middelburg, v. 25 Juni 1845, R. ?gt;.. jg. 1847. dl. IX. p. 306 sqq. Verg. P. II. v. Drente, v. 21 April 1866. W. n0. 2860, R. I!.. jg. '1867, blz. 253, waarbij beslist is, dat bij verstek van deu geïntimeerde de hoogere rechter de zaak aan zich kan houden, -wanneer de appellant bij de akte van appèl daartoe geconcludeerd heeft.
8. Hoe algemeen en gebiedend de bepaling van art. 358 15. R. ook mo^e zijn, kan zij echter niet worden toegepast, wanneer de rechter, aan wien de zaak ten principale, ingevolge dat artikel, zou moeten worden verwezen, uit anderen hoofde {in cam rations personae) niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Arr. v. 26 Maart '1847. W. n0. 840; R.. dl. XXVI. S 81; v. rgt;. II..
. /.. dl. VI. p. 50â65.
. 13e bepaling van flit artikel is uist van toepassing, wanneer de eerste rechter zich heeft onbevoegd verklaard op gronden, die slechts kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Arr. v. 2 Maart 1866, W. n0. 2776; R., dl. I.XXXII. S 27; v. n. 1!.. /ï. /;., dl. XXX. p. 218-233.
'4. Waar de Rechtbank de eischers ontvankelijk heelt verklaard in hunne vordering, maar zich onbevoegd verklaarde om van het tusschen
{Art. 358.
partijen bestaand geschil kennis te nemen en door het Hof op het appèl van ieder der partijen tegen het punt, waarop zij respectievelijk in het ongelijk zijn gesteld, is beslist dat de Rechtbank bevoegd was, (en de zaak ten principale naar die Rechtbank is gerenvoyeerd), zoo is het gevolg van die uitspraak niet, dat de rechtbank daardoor bevoegd wordt, maar dat zij a limine litis bevoegd is geweest, en derhalve terecht de voorgestelde niet-ontvankelijkheid beeft onderzocht, en zijn de artt. 154, 155, 156 en 358 n0. 1 door deze beslissing niet geschonden.
Ait. v. 17 Jan. '1873, W. 11°. 3553. Zie vooral de daaraan vooraf conclusie van den toennialigen adv.-gen. Römer.
â¢V De rechter in hooger beroep vernielicjende het vonnis a quo, op grond dat de kantonrechter onbevoegd was van de zaak kennis te nemen heeft geene bevoegdheid de zaak au fond te behandelen, maar behoort zich van de zaak te onthouden en die te renvoyeeren daar waar het behoort.
Heslist de hoogere rechter desniettegenstaande de zaak ten principale, dan is een dusdanig vonnis een vonnis in appèl gewezen, en mitsdien vatbaar voor cassatie.
Air. v. 27 Mei ISSI. W. nquot;. 4007: li., dl. ('XXVIII, p. UH-irü: v. n. II.. B. /;.. dl. XI.VI p. 381â391; li. 1!.. jg. 1882. .1. p. HUI. cf. de opmerkingen der redactie van het R. li., t. a. p., blz. 107.
lt;». De hoogere rechter behoort [in cam waar het geldt een geding, waarbij slechts eéne partij belang heeft en het een speciaal reval betreft) de zaak mi fond te beslissen, indien eene Arr.-ll. zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de bij rekweste aan haar gedane vordering, tot de afgifte van de onder haar berustende goederen van een door den strafrechter vrijgesproken beschuldigde.
P. II. v. Holland, v. 24 April 1839. W. n0. 24. Cf. art. 53 R. Org., sid) n0. 3, dl. II. p. '15. 2de ed. sub n0. 2.
5. Wanneer door den rechter ad qicm is te niet gedaan een vonnis van den rechter a quo, waarbij deze zich had onbevoegd verklaard en de zaak tevens naar denzelfden rechter is teruggewezen, om door hem ten principale te worden afgedaan, dan is voor den rechter a quo dit arrest zoodanig verbindend, dat door hem geene andere en nieuwe gronden van onbevoegdheid meer kunnen worden onderzocht.
Ivtg. 's IIage, v. 22 l)ec. '1842, VV. n°. 303.
Art. M5S.) 908
Wanneer de Rechtlwnk in appèl een vonnis vernietigt van den Kantonrechter, op grond, dat deze zich bevoegd had verklaard in eene zaal:, die behoorde tot de competentie van de Rechtbank, dan kan zij (ook met liet oog op de artt. 157 en 355 tot en met 358 15. H j al* rechter in appèl de zaak tot zich trekken, op verzoek van beide partijen en ten principale uitspraak doen, zonder dat het noodig zij. dat die op nieuw bij litis-introductieve dagvaarding bij haar aanhangig gemaakt worde.
Air.-H. Amersfoort, v. M Maart 1852, W. n'. 1337.
De uitspraak ten aanzien der exceptie '/non tibi contra me com-petit actioquot; is een eindvonnis, gelijk staande met een vonnis op eene exceplie van incompetentie gewezen, waarvan dit artikel gewaagt, zoodat de hoogere rechter in zoodanig geval dan alleen de zaak aan zich moet houden, als beide partijen dit vorderen.
Igt;. II. v. Utrecht, v. r» Dec. W. n~. .^970.
IO Ziie omtrent de gevolgen van de ambtshalve onbevoegd-verkla-ring van, of miskenning van liet, recht door den rechter, met betrekking tot de veroordeeling in de kosten â
het aanget. op art. i)6 B. R.. lilt (gt;-
Art. 859.
I Wanneer de H. H. in eersten aanleg ambtshalve eene niet-
ontvankeiijk-verklaring heelt uitgesproken, moet dan in revisie hef
exceptief middel afzonderlijk worden behandeld, dan wel kan dit met
de behandeling van de gegrondheid fier zaak zelve gepaard gaan?
Deze bedenking: heeft zich voorgedaan in zake J. K.. contra de erl-genamen van Z. M. Wii.i.em 11.
In dit geding hebben de llooge Erfgenamen den heer L. .1. K. in eenvoudige vrijwaring geroepen en heeft de II. R.. recht doende in eeisten aanleg, hen, met veroordeeling tot betaling aan den oorspronkelijken eischer, niet-ontvankelijk verklaard in den eisch tot vrijwaring. Tegen dit arrest zijn de oorspronkelijk gedaagden gekomen in revisie en is m die instantie door de, respective partijen, zoowel de niet-ontvankelijkheid, als de zaak der vrijwaring au fond behandeld. â Bij arrest van den 11. R., in revisie gewezen, dd. 30 Juni 1853, W. n°. 1450, is recht gesprokenen op de vordering van den oorspronkelijken eischer, èn op de niet-ontvan-
(.1 rt. 859
ketijkbeid, èn op het middel der vrijwaring au fond. (Cf. art. 48 B. R.. sub n0. 11 en art. 08 ibid, sub n0. i). â Eu vermits nu de II. R.. recht doende in revisie en daarbij verwerpende het in eersten aanleg ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, niet tevens de zaak ilc. novo naar den H. R., recht doende in eersten aanleg, heeft verzonden, om de gegrondheid van den gedanen nisch in vrijwaring av fond te beslissen, moet (bij de wijze van procedeeren, door partijen in deze in acht genomen) de aan het hoofd dezes gestelde vraag geacht worden tucilc in den laatstyemelden zin te zijn beantwoord (Lkon).
1/7. 360.
Hij de wet van -21 gt; April 1870 {SIM. nc. 8(5) is dit artikel gewijzigd als volgt:
quot;Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in die zaken, waarin, zoo zij voor den gewonen rechter gebracht hadden kunnen worden, door dezen in het hoogste ressort zou zijn beslist, noch in zake van rechtsweigering'.
In die gevallen oordeelt de llooge Raad in eersten aanleg bij arrest».
Reeds in 1875 drong prof. .1. A. Fp.uin in W. n0. 3914 op wijziging van de oorspronkelijke bepaling aan, die volgens dien schrijver door de intrekking van art. 65, n0. 1 R. O. hij de wet van -10 Nov. 1875 {Slhl. n0. 204) geen zin meer had; zie echter wat dit laatste betreft, Mr. 1'!. Hoas. in W. nc. 3920.
AH. 374.
De Hooge Raad in revisie, volgens flit artikel de zaak tot zich hebbende getrokken, kan en mag die, hoezeer dan ook nu in het hoogste ressort, alleen berechten even als in eersten aanleg, met inachtneming der wetsbepalingen, betreffende die instantie, voor zooverre daaraan, ten opzichte van de wijze van procedeeren voor den Hoogen Raad, niet bepaald is gederogeerd, üene zoodanige derogatie aan art, 134 15. Rv. komt in de wet niet voor.
Ali', v. 14 Mei 1875, (in revisie), W. n . 385t'): R.. dl. ('X. S I-: lt;â¢!. hit. v. 10 IJec, 1858. vermeld ad art. 350 li. R.
Art. 370.
à Uit art. 370 15. R. vloeit niet voort, dat iemand, die geenc partij in een geding geweest zijnde, wil opkomen tegen een daarin gevallen gewijsde, dit bij middel van verzet zou moeten, niet cam tjua
9 ft 9
(in het geval, bij art. 23 (J. de Proc. Civ. en bij art. 621, j0. art. 604 en 585 1}. W. gesteld) bij aanwending van eene possessoire actie zou mogen doen.
Air. v. lil Nov. 184]. W. n0. 250: li., dl. XI. § 43; v. n. il . II. II..
dl, 111, p. 36â0('gt;; idem, met een beroep op Merun, in voce opposiiion
(licrce) § 0, en Carrk, Qu. 1722. 1)ij tie Pinto. Ihll.. IT, 1. p. 457 en 458, 2de ed. p. 507.
°i. Eene gerechtelijke toewijzing is (ook met het oog op de artt. 522 en 551 B. 11.) te houden voor een vonnis in den zin van art. 376 15, 11.. waaromtrent het (zonder dat daartegen obsteert het bepaalde bij art. 522, met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van zoodanig vonnis in hooger beroep) aan eiken derden belanghebbende â en daaronder ook de hypothecaire schuldeischer die bedongen heeft de onherroepelijke, machtiging, in art, 1223, al, 2 B. \V. vermeld, alsmede de wettige koop er van het goed in geschil vóór de gerechtelijke toewijzing, waarin hij noch in persoon, noch vertegenwoordigd als partij voorkwam â vrij staat in verzet te komen.
Air. v. 10 Nov. 1848. W. n . lt;,)78; U.. dl, XXXII. § 7: v. n. II.. B. II.. dl. X, p. 96â112. In gelijken zin bij het daartoe betrekkelijk arr. van 't I'. II. v. Gelderland, v. 29 Sept. 1847, \V. nquot;. 886; R. B., jg.'1847, dl. IX. p. 772â778; R., ill, XXXVI, § 65, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v, 12 Maart 1847. li., dl. XXXVIII. § 75,â Cf, art, 511 B. R.. arr, v. denz. datnm.
Een vonnis, waarbij de grenzen worden geregeld tusschen elkander rakende eigendommen, houdt van zelf daadwerkelijk in eene toekenning van recht aan de twistende partijen op die punten, waar de grensregeling plaats heeft en daardoor kunnen mitsdien de rechten van derden zijn benadeeld.
I'. II, v. Drente, v. til Sept. 1839. \\'. n'. 66.
4-. Eene vordering van verz.et als derde, ingesteld door een mede-marktgenoot, is aannemelijk, indien bet daarbij geldt de kwestie over een uitsluitend toekomend eigendom, en het arrest, waartegen verzet, tea onderwerp heeft de grensregeling van marktgronden, welke de marktgenooten onvertU.dd onder elkander bezitten; als kunnende in dit geval de mede-marktgenoot niet geacht worden in den zin der wet geroepen, of partij bij liet bestreden arrest te zijn geweest.
1'. II. v. Drente, v. '21 Sept. ISIiU. \V. n . GO.
^ 071 7 376.
^*-â â¢- t vr - r/« ^ '7âi--- Syamp;xgt; , quot;pSyO 'f
ö. Het middel van verzet door derden is niet-ontvankelijk tegen eene rangregeling van schuldeischers, door een rechter-commissaris opgemaakt, â uithoofde zijn proces-verbaal niet voor een vonnis kan worden gehouden en voorts bij art. 377 is voorgeschreven, dat dezelfde rechter, die het vonnis heeft gewezen, ook het verzet door derden moet beonrdeelen, hetgeen in ^evnl van rangregeling onuitvoerbaar zou zijn.
Air.-R. Amsterdam, v. IT Nov. 1841. R. li., jg. 1842. dl. IV, p. 117 â 120. â Cf. nrt, I57)gt;, Mi'. Dijkers in jinf.
lt;J, Noch bij art, 370 1?. R , noch bij eenige andere wetsbepaling is het middel van verzet door derden tegen beschikkingen op rekwest toegelaten; â toonende liet voorschrift van art. 377 li li. van voormeld wetboek, volgens hetwelk het verzet moet worden aangebracht door eene dagvaarding tegen al de partijm, tusschen welke het vonnis is gevallen, almede onbetwistbaar aan, dat de wetgever, bij de behandeling van bet geheele onderwerp van verzet door derden tegen vonnissen,
volstrekt niet aan eenvoudige heschikkingen, op rekwest van eenigen belanghebbende verkregen, en waarbij geenerlei behandeling der zaak tusschen partijen heeft plaats gehad, kan gedacht hebben.
?. II. v. Z.-Holland, v. 5 April 181;!, W, nquot;, 389; R., dl. XV, S 03;
idem door den adv,-gen. Gregouv. R., dl. XXXII, |i. 188 en'189; Oudeman,
/.', n., dl. H, 4de ed. p, 48, en de Pixto, UdL, li. li. dl, II, I, p. 400 on 401. 2de ed., pag. 510 sqq.; anders Penning, ad art. (1), Verg, ook hot sub art. :i77 I!. H. vermeld vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Juni 1859,
(1) De onder de auteuren en in de jurisprudentie betwiste rechtsvraag, of onder vigueur van artt. 474 en 475 C. de 1'roc. Civ., welke algemeener zijn gesteld dan onze artt. 376 en 377 B. R. (daargelaten nog dat wij, gelijk df. Pin to I.e. opmerkt, de in het Fransche recht onbekende bepaling van art. 345 hebben, die aan derde belanghebbenden tegen zulke vonnissen het middel van hooger beroep geeft), het middel van verzet door derden tegen beschikkingen op rekwest is toegelaten, is, in strijd met de conclusiën van den adv.-gen. Grkoory ut supra, het gezag van Piokait, de redevoering van den redenaar van het Gouvernement en Carré lois de la Proc. CU, blijkens de Brusselsche uitgave van 1849, Quest. 1708, in medio, bevestigend beantwoord bij arr. v. 2 Febr. 1849, v. d. II., G. Z.. dl. VIII, p. 307 â325; W. n0. 993; K., dl. XXXII, § al, op grond dat bij de gezegde wets-artikelen aan derden in het algemeen de bevoegdheid is toegekend om onder de daarbij vermelde voorwaarden in verzet te komen tegen een vonnis, hetwelk hunne rechten benadeelt, en dat om de vonnissen ojt rekwest gewezen, aan de toepassing van dit
Art. 376.), ^
972
9 Eene blonte kennisgeving van een vonnis sluit liet verzet niet uit, maar zou alleen de gevolgen daarvan kunnen wijzigen.
Arr.-U. Breda. v. 'J Oct. 1849, VV. n0. 1079, met overneming der motieven bevestigd bij air. v. 't 1'. 11. N,-Brabant, v. 17 Sept. -1850.
Cf. art. 492 li. R.. arr. v. 17 Oct. 185*1 en art. 510 I!. R.. vonnis van dezelfde Arr.-R. v. denz. datum. j
9 Æ ';lC / 1
H. Om bij verzet door derden tegen een gewezen vonnis te kunnen opkomen, moet de derde partij, die zich van dit middel wil bedienen,
door dit vonnis in hare rechten zijn benadeeld.
I w â -
h ,lt;J
V '
.
Arr.-R. Maastricht, v. 20 Maart 1851. W. n0. 1244, cf. P. 11. v. Gelderland, v. 20 April 1865, W. n0. 2723, li. B.. jg. 1805, p. 534. waarbij beslist werd dat alleen gekrenkte rechten aanleiding tot verzet door derden mogen geven.
fgt;. Er kan geene kwestie zijn van benadeeling van belangen, noch van schending van rechten, welke een derde verzet zoude kunnen wettigen, indien het vonnis, waartegen men in verzet komt, niet berust op eigendomsrecht, maar alleen op eene overeenkomst van lastgeving tusschen de derde opposanten en den (bij het eerste vonnis) veroordeelden schuldenaar.
Arr.-R. Amsterdam, v. '22 Febr. 1854, VV. n°. 1535: R. B., jg. 1854. |j. 290â292, vernietigende het daartoe betrekkelijk en in een tegenover-gestelden zin gewezen vonnis van 't Ktg. n0. 3, Arasterdam, v. 21 April 1853, \V. ut supra. â â Vgl. ook hiermede, ten betooge, dat bij verzet door derden, op grond van mede-eigendom, die mede-eigendom behoorlijk moet zijn bewezen â een vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 21 Febr. 1848, I!. B.. Jg. 1848, dl X. p. 319â323.
lO. De hypothecaire schuldeischer kan niet geacht worden door zijnen schuldenaar vertegenwoordigd te zijn in het geding over de ontbinding van den koop van het onroerend goed, waarop het zakelijk
rechtsmiddel te onttrekken, eene uitzonderende bepaling zou worden vereiseht, welke noch in de gezegde artikelen, noch op eene andere plaats in de wet wordt aangetroffen. Het tegendeel echter is beslist bij arr. van 't P. II. v. Utrecht, v. 20 Juli 1846, li. B., jg. 1847, dl. IX, p. 292â296, en v. 6 Nov. 1847, vernietigd bij arr. van den H. R. ut snpra, naar luid waarvan een vonnis op rekwest gewezen, alleen den rekwestrant aangaat en zij die daarbij geene partijen zijn geweest of daarop zijn gehoord, dooi zulk een vonnis niet benadeeld worden in de ongestoorde uitoefening van alle hunne rechten, waarbij zij bewaard zijn gebleven, even als of zoodanig vonnis voor hen niet bestond. (Léon).
1 gt;«, ^ I/ et-,/}- t*quot; â K-d-^ ^y Jrw o^-^n l^ufU
£u~ A **' ^ «-yW ^
; ,',. «n. OU. ^ 973 J [Art. 37fi ⢠/yjbsyt^ tU/fy ?
égt; 6 lt;yy-
reent is «evesti^d. Den Gjroncislaor van het vonnis van ontnindin^ . 7Æ
ÃJ ~ ~ o ~ ^ r7^ _ ^
en de reclitinatigheid der uitspraak willende bestrijden, behoort , ^ ^ bij het middel van derde \erzet te gebruiken, hem bij dit artikel - /
lp e /fris: (lt;0# S-)
rrprrp v Pil ⢠. -
C/J^' iA^CAj^ ^ UL t ^ ., ^ ^
T - . ⢠Hof Groningen, v. 15 N'nv. 1870, W. n0. ;i'2(iii. /U jccrfaiJB**?- ^ //.^
C. â gt;â I I Hij die bij verstek veroordeeld is tot betaling met van \ AjJla. ^quot;quot;quot;'/(vaarde verklaring van een derde arrest, kan bij wege van derde verzet V,
opkomen tegen het vonnis waarbij de derde beslagene tot afgifte is l
'fCtT. ' ~
'tSlS 2.1/Z,
| veroordeeld.
f*17*' . /}l/rf. Ait.-R. Amsterdam, v. 15 Febr. 1877, li. H.. jjr. 1877. ,1. n. 88, ook -. gt;⢠h -' vermeld ad art. 81 II. R.
r
13. Zie ten betoo^e :
amp; n-fl
w
door middel vnn verzet door derden op te vorderen â ciïlt;jj
a. Dat art. o;38 en volgg. 15. R niet uitsluiten de bevoegdheid van
mede-eigenaren, om ook na de uitwinning van hun eigendom, het Jl,/b
7-
art. 538 B. R., vonnis van de Arr.-R. Arasterdam, v. (i Febr. 1843. Vel. hiermede een arrest van 't 1'. 11. v. I 'trecht, v. 25 Maart 1850, W. n°. 1120, waarbij in eene zaak, waar het achter niet c/old een derde verzet togen de dejinitieve toewijzing van een onroerend f/oed, maar de hcreditatis pel if. ia, is beslist, dat liet éénig doel van een verzet door derden hierin bestaat, om te beletten dat bet vonnis, tegen hetwelk liet is gericht, nadeelig zal werken voor de rechten van den opposant, die bij dat vonnis niet was opgeroepen geweest, doch dat dit eenig doel niet meer bestaat met betrekking tot een vonnis dat ten uitvoer is gelegd, vermits qiwd factum eat fieri infectum nequit, waarom dan ook, volgens de Fransche rechtsdoctoren, een verzet door derden tegen een ten uitvoer gelegd vonnis, niet denkbaar is. â Vgl. hiermede, in een tegenovergestelde!! zin, de Pinquot;to, lldl. li. dl. II. I. p. A(11 en i(12. 2de ed. p. 512 en Ocdeman. Igt; . ill. II. 4de ed. p. 4!). â Zie ook art 538 li. R.. vonnis van de Vrr.-R. Amsterdam, v. ti Febr. 1843 sqq.
Verg. navolgende beslissing :
Onder de algemeene benaming van rec/iisgeding behoort (jok de executie begrepen te worden, zoodat zij, die volgens art. 538 IS. R. bevoegd zouden zijn geweest zich vóór de toewijzing als tusschen-komende partij in de executie ie stellen, bevoegd zijn zich te verzetten tegen het vonnis van toewijzing.
Arr.-R. Groningen, v. 6 .Tmii 1856, R. I!., jg. 1857. p. 001.
Art. 876.)
ö. Dat appellanten, die in eersten aanleg tot niet-ontvankelijkheid tegen een verzet hebben geconcludeerd, voor het eerst in hooger beroep als middel kunnen aanvoeren, dat geen derde tot een verzet tegen eene beschikking op rekwest kan toegelaten worden â
art. 'MS IS. K., arrest van 't J'. fi, v. /â-Holland, v. 5 April 1843.
c. Dat zoons en eenige erfgenamen van een overledene niet naaide letter en den geest van art. 376 H H. als derde personen, vreemd aan het geding, kunnen beschouwd worden â
art. SI ü. II.. air. v. II I\lci 1848, sub ii0. I.
d. Dat een legataris (met het oog op art. 1058 15. W. en art. 376 B. R.), ten opzichte van den executeur-testamentair, als derde moet worden beschouwd -â
art. 1917 15. \\.. arr. v. l i Nov. 1851, sul» 110. 4. â X ül. ook art.
785 15. R., airest v. 2^ Jnni 1848 sqq.
e. Dat liet recht van verzet van een schuldeischer tegen de faillietverklaring van zijn debiteur het karakter draagt van derde verzet en is gebonden aan de bepalingen van dezen titel.
Arr.-H. 1.eenwarden, v. il Maart 1882. li. K, jg. 1882. B |i. 203.
Mr. (i. F. Dijkkrs, in zijne dissertatio de conventione curn cnxlitoribiis, rpiam jure nustro mercatores (jut foru cesserunt, ineimt (Leijden 1845) leei't. dat sommige schuldeischers, die niet mede hebben beraadslaagd over liet accoord, verzet door derden zouden kunnen doen tegen liet vonnis van homologatie. â Deze stelling wordt, vooral in hare algemeenheid, zoo al niet bestreden, dan toch zeer in twijfel getrokken door de Pixto, Themis, dl. VUT. p. 142, die de vragen oppert: a. of het vonnis van homologatie, dat verbindend is voor alle schuldeischers, ook niet moet geacht worden tegen allen te zijn gewezen; h. of niet bovendien het middel van verzet door derden in den regel alleen gegeven wordt aan hem, voor wien een vonnis niet verbindend is, en c. of, nu art. 376 B. R. het middel van verzet door derden heeft beperkt tot reehtsyeditHien, daarvan in eenig geval sprake kan zijn. indien er geen verzet en mitsdien geen rechtsgeding geweest is. â Cf. art. 370 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam. v. 17 Nov. 1841, sub n0. 5, alsmede Oudeman. 11. li., dl. II, 4de ed., p. 'il. die aldaar aanhaalt een arrest van 't P. 11. v. Groningen, v. 2 Oct. 1840, waarbij is beslist, dat schuldeischers van een failliet onbevoegd zijn verzet te doen tegen een vonnis, gewezen tegen de curatoren iii een geding, dooi' hen in het belang der massa gevoerd, daar deze de schuldeischers vertegenwoordigen.
974
975 {Art. 377
cn*J!rlt;^y 6^ 6 rt.° /o .
Art. 377.
Verzet duor derden moet worden aangebracht bij dagvaarding en is dus niet toelaatbaar bij incidentele conclusie.
Hiertegen doet niets af, dat bij dit artikel tevens wordt bepaald, dat verder de algemeene voorschriften wegens de wijze van procedeeren op dit verzet toepasselijk zijn, vermits daaruit niet volgt, dat met omverwerping van het bepaalde beginsel, als in éénen adem bij hetzelfde artikel de bevoegdheid zou zijn gegeven, om pro lubitu daarvan af te wijken en de zaak incidenteel aan te brengen volgens art. 141; â zijnde bij het slot van art. 377 alleen aangeduid, dat de zaak, bij dagvaarding aangebracht zijnde, verder wordt behandeld, zooals zaken, op die wijze aangebracht, naar de algemeene voorschriften der wijze van procederen, moeten worden behandeld, terwijl hiertegen niets afdoet het bepaalde bij art. 378 1?. 11. omtrent liet geval, waarin een vonnis aan een derde wordt tegengeworpen in een rechtsgeding, omdat ook dan de aanbrenging wordt gevorderd op den voet van het voorgaande artikel en alzoo bij dagvaarding.
Air. v. Id Jan. -IS.tI. W. n . ll'Hi; It., dl. XXXVII. § 45; v. |.. II.. B. II.. dl. XII. |i. 252âüti'i; bevestigende een arrest van liet P. II. v. I'trecht, v. 25 Maart 1850. W, 11 . 1120; idem vuimis der Air.-R. Rotterdam, v. 20 Juni 1859, W. ti . 2'I45; idem Oudeman, dl. II, 4de ed. p. 49; he I'into. //'//., 15. It., dl. II. I. p. 4(i2, 2de ed. p. r)'12 en Penning ad art.
Ar/. 378.
Uit artikel is ook van toepassing op execution.
Ari'.-R. Rotterdam, v. 31 lt;)ct. '1S8I. \V. n0. 4752; If. I!.. jg. 1882. .1. p. 163, waarbij is beslist dat liet geschil over de rangregeling nok kan worden geschorst tot de uitwijzing van een derde verzet.
S/7. 379.
Door de bijvoeging: //in geval daartoe gronden bestaanquot; heeft de wetgever te kennen gegeven, dat die schorsing niet aan 's rechters willekeur is overgelaten, maar integendeel deze nauwkeurig heeft te
Art. 879.)
tjPuM^s^. tyrS, â¢
v onderzueken of door de executie van het aangevallen vonnis voor den
opposant een toestand worde geboren, waardoor hij in een dadelijk
aanwezend en werkelijk belany onherstelbaar wordt benadeeld De rechter
beeft toch bij beoordeeling van eene gevraagde schorsing, te letten niet
alleen op het belang van den opposant, maar ook op dat van den
geopposeerde.
Arr.-H. Winschoten. .. Jan. i8t)9, W. n . 3108: waarbij werd licslist dat door den opposant die benadeeling moest gesteld en zoo noodig bewezen worden. Zie ook in denzelfden geest Avr.-R. Amsterdam, v. 15 Nov. 1870. W. n0. l-OOS.
Art. oS I.
Dit art. is ingetrokken bij do wet van 7 April 1869, (SI hl. ne. 55).
Art. 882.
I, De rechtbank die â in eeu geval waarin de belanghebbenden teruggave gevorderd hebben van, naar zij vermeenen, te veel betaalde rechten, en het bestuur der registratie daarentegen heeft geconcludeerd tot handhaving en goedkeuring der heffing, â den eischers hun eisch beeft ontzegd, kan niet beschouwd worden als ultra petita, en als bij afwijking van de conclusiën te hebben gevonuisd, omdat, hoezeer het bestuur niet tevens uitdrukkelijk tot ontzegging had geconcludeerd, deze opgesloten ligt in de conclusie tot handhaving en goedkeuring, zoodat de bijvoeging der ontzegging overtollig kan geacht worden.
Arr. v. 15 F«hr. ISf®. v, u. II.. /. It. ph Snee., dl. I. p. ISâ1!.. dl. I. § 55.
8. Welke ook de beweegredenen zijn, bij een beklaagd arrest aangevoerd, zijn er geene termen tot rekwest-civiel, indien bij het dispositief geene andere uitspraak is gedaan dan omtrent de geëisebte zaak.
Arr. v. 26 Juni 1846. W. ir. 728: K. dl. \XV. S 7: v. u. 11.. II. //.. dl. VUL p. 28âSO.
3 Het middel van cassatie en niet dat van rekwest-civiel moet worden aangewend, wanneer men wil opkomen tegen een vonnis, waarbij de rechter â hoezeer slechts het recht wegens de vereeniginff
(/pTriamp;te 'quot;gt;t â T.ey ~ ucf yi ysilt;i.^
t /'' ⢠^// /lt;X quot; *^_/'
l.rrnXo ett-Q' -va tv rctjyvie^t - Oamp;vieJ! c^rrx I CL#^ lil' ^ o-ty- ' ^ ^oamp;^y-A .. e ty6f2-UjLj
')11 ( (Arl. 382.
fsavfy 1 /-0(0 Zp /emv (-(/Sq^? (lt;£. cfr-.J1, UPc^eP ^ ^amp;P^.
van de helft van liet vruchtgebruik met den hlonten eigendom was gevorderd, â van de veronderstelling uitgaande, dat het voor de ver-eeniging van het geheele vruchtgebruik was voldaan, de teruggave van de helft gelast, zonder het bedrag of de som te vermelden.
A it. v. 17 l'ehr. 1848, W. n3. 90f) en 015; l;.. dl. XXX, $ i; v. n. If..
/.. It. en Svcc., dl. Hf. ]). 56â105. â Cf. art. 00 R. (),. snli K, (1°. 1!
dl. II, p. 30, 2de ed., snb D. ii0 M.
-t. Er bestaat geen grond tot cassatie, maar wel tot rekwest-civiel,
indien de rechter, na verstek en voeging, den defaillant bij het eindvonnis niet veroordeelt in de kosten, door zijn verstek veroorzaakt.
.Vit. v. 17 .Ttini 1851, W. n'. 1245; v. n. II.. H. /?., dl. Xlff, p. 15(1 â171.
â¢Â». Men is niet-ontvankelijk in cassatie, wanneer, bij afwijzing van eene vordering in conventie, de rechter het voor alsnog onnoodig heeft geacht op eene reconventioneele vordering uitspraak te doen,
maar zou men hiertegen bij rekwest-civiel moeten opkomen.
A it. v. 5 Dec. 1851, W. nquot;. 1288; R.. dl. XI.. sj -17.
«. Volgens art. 382, nn. 5 li. R. moeten al de vijf aldaar genoemde vereischten te zamen loopen, om de herroeping eener uitspraak te kunnen verkrijgen, en behoeft alzoo de rechter, na beslist te hebben,
dat één dier vereischten ontbreekt, geen onderzoek naar de overige vereischten in te stellen.
Arr. v. 18 Nov. 185:!, W. n0. 1401; v. n. H., 11. 11.. dl. XVII.
p. 232â254.
S. Er kan geen grond bestaan tot rekwest-civiel, wanneer de rechter in appèl, het vonnis a quo vernietigende, avihtshalve niet-ontvankelijk verklaart eene vordering tot vergoeding der schade door den oorspronkelijk gedaagde voor het eerst in appèl ingesteld, omdat de uitspraak niet betrof eene niet geëischte maar wel degelijk eene uitdrukkelijk gevorderde zaak.
Arr. v. 12 Febr. 1858, VV. n0. 1035; R., dl. LVfll. § 28.
S. Wanneer op grond der artt. 14Ã8 en 1400 B. VV. is gevorderd 1°. schadevergoeding, 2°. de daar bedoelde verklaring, 3°. de aanplakking en eindelijk de in de wet onbekende openbaarmaking in een
Mr. W. van Kossem Bz., Dury. Rechlsv. c2
VTX*.lt;^ ^Jlj- 7lt;fa Z.quot; ^-quot;i Al/- C {UL-, ;
.'⢠â JirKJL- S-O â UfsiV cS- â¢Â«-* CPAHJ. £gt;^aâ ygt;, ^/LrSZ va~~ ml $lt;PZ- â f^°/
Art. 382.) ^ 7 Ã78
dagblad, en alle? is toegewezen behalve de schadevergoeding, kan niet wezeijd worden dat iets anders toegewezen is dan gevraagd was.
Air. v. 13 Mei 1881. W. iiquot;. 4638: R.. dl. CXXVIli. § 9; v. igt;. 1!.. C. n.. dl. XLVI. p. 339â357.
fgt; Indien de verdediging zich alleen heeft bepaald tot eene niet-ontvankelijk-verklaring voor als nog, is de reenter niet bevoegd den eisch niet-ontvankelijk te verklaren en dien bovendien te ontzeggen.
Hof v. Holland, v. 6 April -1840, W. n0. 111. â In gelijken zin bij arr. van 't P. 11. v. N.-Holland, v. 23 Nov. 1848. W. n0. 1028; R. B.. jg. 1849, dl. XI, p. 0â10; Begt in Sederl.. dl. IV, p. 379 en 380, waarbij is beslist, dat de rechter handelt ultra petita. wanneer hij over de hoofdzaak uitspraak doet, terwijl de gedaagde, ofschoon hij ook ten principale lieeft geconcludeerd tot opheffing van een gelegd arrest onder derden, evenwel nog geene conclusie ten principale genomen heeft, doch met eene incidenteele vordering om tot getuigen-bewijs te worden toegelaten, den eisch beeft beantwoord.
tO. Indien is gevorderd, dat het te interveniëren vonnis zou worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hooger beroep, dan blijkt het dat de kennelijke bedoeling des eischers geweest is, om van liet benelicie der uitspraak zoo spoedig mogelijk genot te hebben, en kan de rechter in dit geval niet geacht worden ullrapetita te hebben gestatueerd, door de dadelijk uitvoerbaarheid, bij het vonnis bevolen, nader te omschrijven en op de minuut, zonder voorafgaande registratie, toe te staan.
P. H. v. N.-Brabant, v. 23 April 1844, W. n0. 498; R., dl. XX\.§ 85, bevestigende een vonnis van tie Avr.-R. s Bosch. v. 23 Maart 1844. W. ut supra.
11. Daar geen rechter mag oordeelen ultra petita. mist een Prov. Hof de bevoegdheid om te treden in een onderzoek, of en in hoeverre sommige daadzaken, waaromtrent een getuigen-bewijs bij het vonnis a quo niet is aangenomen (en waarin de geïntimeerde, zonder incidenteel te appelleeren, heeft berust) uithoofde van haar verband en samenhang met die. waarvan liet verhoor van getuigen door den eersten rechter is gelast, voor bewijs door getuigen vatbaar zijn.
P. H. v. Utrecht, v. 2 Maart 184G, W. n0. 704; R. li., jg. 1846, dl. VIII, p. 219 en 220.
13. Het recht doen op verklaringen, bij pleidooi afgelegd, doch
.
rrf-tXyCijC- a~£~£jLM^--
C/C,C.^' ' 0 ^â quot;Vtx^â' cA-i^*â (LCy* r CA^- Ouls'i-. WZ- /
'.
TJU (s1JCUC*Xil^~4-°-ii£^ ^e.lt; lt;U'
W quot;gt;quot;gt; **~~v- fTntSt. r:^.
pp,ill a
^Jrrrrr
die slechts hij conclusion konden worden gedaan, is oordeelen vltra 1?-,_rTlf-
I'. II. v. N.-Holland, v. '2 Nov. I84S. \\ . n . 1030: I!. B.. ,jp. 1X4«. dl. ^
X p. firWâ(gt;:». â Cf. art. 139 li. R.. mr. v. donzoit'dpn datum. suVm0. y. â /amp;*. j
£fZ^ â.
1.3. De rechter, die onderzoekt en beslist, of aan een gedaagde in /^^*^,lt;5^2-cas van onteigening ten algemeenen nutte, meer als schadevergoeding j^rcC
/fó.
toekomt dan de gevraagde som, gaat ultra petita. Arr.-li. Leiden, v. 'i Sept. IS4-1). \\ . iv. lO.M.
'fa i/Oauist*â
1-1-. liet in de dagvaarding vermelden van eene onwaarachtige daadzaak door den gedaagde in cas van rekwest-civiel, welke tot gevolg heeft gehad de veroordeeling bij verstek van den eischer in cas van rekwest-civiel (oorspronkelijk gedaagde en defaillant) en welke onwaarheid door dien eischer uit den aard der zaak niet vóór zijne terugkomst van eene buitenlandsche zeereis, en dus na de uitspraak en ten-uitvoer legging van dat vonnis kon worden ontdekt, stelt daar bedro? of arglist, in den zin van art. 882, n0. 1 B. R.
Ait.-R. Winsclioten. v. 22 Jan. ISM. I!. I!.. jp. 1852. p. 13â15. â
Cf. Oudeman. B. B.. dl. II. -ido ed., p. 53; de Martini ad art. ij, â 3 en he PrNTO. JJrll.. h. it., dl. II. I. p. «10 en 170. 'idc od. p. -AA sqq.
IS. Alléén dan kunnen, in den zin van art. 382, al. 5 B. R.,
geacht worden twee tegenstrijdige vonnissen gewezen te zijn, wanneer,
in de beide zaken de onderwerpen der geschillen dezelfde geweest zijnde,
door den rechter twee uitspraken zijn gedaan, die met elkander niet zijn overeen te brengen.
I'. 11. v. (relderland, v. 10 Nov. IS.VJ. R. I!.. jg'. 1853. p. 308â312.
Ki W anneer een rechter zich onbevoegd verklaart, kan dit wel aanleiding geven tot hooger beroep, indien dit is toegelaten, maar geenszins tot rekwest-civiel of vernietiging
P. H. v. Gelderland, v. 2 Maart 1853. \V. n . 1i38; |{. H.. jü. 1853.
p. 320â327.
I 1 De woorden in een dictum van een vonnis: «vergunt den eischer het door hem bij dagvaarding gestelde nader te bewijzen quot;
hebben klaarblijkelijk geene andere bedoeling dan die van de gewone
â t*l~ amp;Ã-/- amp;rj4L . â¦
R. /l. ^^pAJL^M^y^yzA^
f(rrr^* -f.
/â
Art. 3S2.) 980
formule: //srelast partijen ten principale voort te procedeerenquot;. Zij kunnen dus nimmer als eene uitspraak, ultra pe/ifa. gelden.
P. II. v. Drente, v. 21 Juni '185(). R. P).. jg. 1857. dl. Vil. bl. 20() en 207.
IN, liet feit op zich zelf dat eene partij stukken, die tegen haar zouden getuigen, niet overlegt, kan niet als bedrog of arglist worden aangemerkt.
Ait.-H. Amsterdam, v. 'iti Mfti ISTO, W. n0. 40l:i.
Hgt;. Wanneer aan de hoofd vordering eene bij vordering voor zooveel noodig is gevoegd, en de rechter die vorderingen toewijzende in zijn dictum niet opneemt //voor zooveel noodigquot;, kan niettemin niet beweerd worden dat meer is toegewezen dan geëischt.
Hof Arnhem, v. 9 l ebr. 1881. W. n0. 4B42.
«O '/ie ten betooge :
a. Dat niet het middel van cassatie, maar dat van rekwest-civiel
behoort te worden aangewend, indien verzuimd mocht zijn op een
gedeelte van den eisch uitspraak te doen â
art. 99 1!. Org., air. v. 25 Juni I8i0, sub n0. 1. dl. II, p. 38; 2de od., sub \). n' . 1 ; â anders, indien bet geen eigenlijken eisch, maar eene geproponeerde exceptie geldt en er in dit geval termen zijn om bet er voor te houden, dat de exceptie virludlitcr. dat is stilzwijgende, is verworpen â bij arr. v. 2r) Juni 1841, snl) art. 99 1!. Org. /â¢., n , 2. 2de ed., sul) D, n0. 2. Zie de bedenkingen daartegen van pk PlNTO,iïW/., B. dl. II. 1. p. 471 en 472. 2de ed.. p. 521 en 522 (1).
ö. Dat, ook zelfs dan, wanneer art. 48 B. R., kon geacht worden te zijn geschonden, door in hooger beroep de feiten, waarvan het ge-tuigenbewijs was toegelaten, niet op dezelfde wijze als de eerste rechter te admitteeren, maar die te veranderen, zonder dat daartoe zelfs niet subordinaat was geconcludeerd, tegen zoodanige uitspraak bet middel van rekwest civiel en niet dat van cassatie admissibel is â
art. 99 Ti. Org., arr. v. 15 April '1842, snl» K, n0.
c. Dat, indien al art. 59, al. 3 H. R., jlt. art. 17.3 der (ir^. v. 1815,
(1) Alle aanhalingen h. t. p. uit R. Ã. zijn in de 2de editie op art. 9!» onder de hier genoemde nummers sub /), te vinden.
[Art. 382.
moet geacht worden te zijn geschonden, als eene veroordeeling tot schadevergoeding is gegrond op, en gemotiveerd door aanhaling van art. 612 B. R, daardoor wellicht opening is gegeven aan de toepassing van de bepalingen van art. 382 15. 11. op het rekwest-civiel, maar geenszins tot cassatie â
art. 99 R. Org., air. v. lü IJec. '184ti, sub /.. n . 4.
(I. Dat, indien de rechter in hooger beroep, buiten de litis-couteslalie tusschen partijen, te niet doet eene incidenteele veroordeeling in de kosten, waarin was berust en waarvan niet incidenteel was geappelleerd, hiertegen door het middel van rekwest-civiel, en niet door dat van cassatie moet worden opgekomen â
art. 99 K. lt;gt;i'u;.. air. v. 8 llec. 184:!. suli n . .quot;gt;.
e. Dat, wanneer een beklaagd vonnis of arrest geene uitspraak bevat over het eigenlijke geschilpunt, of daarbij geheel iets anders of meer is toegewezen dan gevraagd was, alsdan daartegen het middel van rekwest-civiel en niet dat van cassatie openstaat â
art. 99 R. Org., arr. v. 'Jquot;) Oct. 1844, suti n0. (i.
f. Dat de omstandigheid, dat de rechter in hooger beroep, na een vonnis bij interlocutoir arrest te hebben vernietigd, dat bij definitief arrest weder zou hebben bekrachtigd, wel aanleiding kan geven tot liet bezigen van het middel van rekwest-civiel, doch geenszins tot eene voorziening in cassatie â
arl. 99 1!. Org., arr. v, 4 Jtec. 1845, snli /â ,. n . 8. dl. II. p. 39.
g. Dat het middel van revisie zoo verschillend is van dat van cassatie, dat niet uit analogie of convenientie van de toepasselijkheid van het eene tot die van het andere middel kan worden besloten â
art. 99 R, Org., arr. v. 4 Deo. 1845. sub n0. 9.
h. Dat eene rechterlijke uitspraak, die men beweert ultra petiia te zijn, en die niet vatbaar is voor appèl, geen grond kan geven tot cassatie, maar alleen tot rekwest-civiel â
art. 99 R. Org., arr. v, 9 April 4847 sqq.. suli K. iic. ld.
i. Dat, indien een in eersten aanleg gevoerd sustenu in appèl niet
ypjLcJL -. /^., 2.V lCjcr^t c^. Its- Sdw . -AtSe^ ^./f.r^.^/j
/gt;7 ^r.C /yr Oc^yU^è- ic^. ^U. UJtnycL^ tk^aVfe^ ofi^ zz^e^/f- -c^vüJl
LU.nSjbcT, AJ gs2^ f 1)82
qrxjevramp;- tâ¢*. a-nA^. ÃO i amp;â amp;â
wordt volgehouden, alsdan de heoordeeling op dat punt geheel buiten de cognitie van den hongeren rechter is â
art. H48 15. R.. arr. v. 't I'. II. v. N.-Hollaud. v. 17 Jan. 1850.
/. Dat het middel van rekwest-civiel niet in ieder geval de gelijktijdige voorziening in cassatie uitsluit â
q art. 398 li. 1!.. arr. v. 18 Nov. ISquot;):-!, sul] n0.
k. Dat men zich tegen een vonnis, op een rekwest-civiel gewezen, h.ïp.I in hooger beroep, mnar wel in cassatie kan voorzien â
y A. O. in de O,,,,,. Mcd.. dl. VIII. )gt;. 48â.quot;»2: anders ten aanzien
lt;rcryL van het hooger beroep, nu Pinto. Ildl.. dl. II. I. p. -484, 2dc ed., p.53o.
â waartegen echter Mr. A. t). I. c. nprnerkt. dat de heer uk Pinto nit hoi «og heeft verloren, dat in cas van rekwest-civiel steeds do rede is van een vonnis hetwelk voor geen honger heroep vatbaar is.
jUf yk-«-. ft.
I, Dat wel het afleggen van den suppletoirei/. doch niet van den
amp; decisoiret/ eed, waarvan naderhand de valschheid hlijkt. liet bedrog
daarstelt, dat reden geeft tot rekwest-civiel â
Oudeman. It. /;.. dl. II. 4de cd., p. hf. Martini, ad art. // i en he Pinto, Hd!.. T'. It., dl. 11. '1, p. 470 en 471. 2de ed.. p. 520. I.aatst-gemelde echter maakt daarbij de ni. i. onaannemelijke onderscheiding ol de snppletoire eed bij voorafgaand dan wel hij eindvonnis is opgelegd, daar men in het laatste geval niet zon kunnen zeggen, dat het bedrog gepleegd is in lt;lr pvoceduves die reeds waren afgeloopen. maar vooral niet, dat het vonnis zon berusten op den eed die eerst na het vonnis gedaan is. â De schrijver schijnt daarbij nit het oog te verliezen, dal. wanneer de snppletoire eed wordt opgelegd bij alternatief eindvonnis, bet afleggen van den eed is inbaerent aan. en als het ware hel complement van het eindvonnis, zoodanig, dat zonder die eedsaflegging de triumphant niet is gebaat en geen bedrog kan plegen, hetwelk later aanleiding zou kunnen geven tot rekwest-civiel. (Léon.)
m. Dat rekwest civiel ook is toegelaten, wanneer de in nu. 8 van dit artikel bedoelde terughouding van beslissende stukken door nalatigheid heeft plaats gehad : opzet wordt in dat nummer dus niet vereischt, op grond van het verband tnsschen n0, 1 en nquot;, 8 van dit artikel, welk laatstgenoemd nummer, nam men de tegenovergestelde leer aan, overbodig zou zi]n: en vermits noch de letter noch de bedoeling der wet zich tegen deze opvatting verzetten, die ook bij vergelijking van dit nummer met het voorafgaande de juiste schijnt,
Opïii. i'n Mcd.. dl. X \. bl. 1 Hi «^ïi voljiir.
{Art. 383
Art. 3S;i.
Zie leu betooge, dat het geval, dat een minderjarige rekwest civiel instelt, omdat hij niet verdedigd is, geene uitzondering maakt op de bepalingen der wet, volgens welke rekwest-civiel alleen kan plaats hebben tegen vonnissen in het hoogste ressort gewezen â
Mr. A. 0. in O/mi. en Meil.. dl. HI, p. 221â226. â Cf. v. d. Honkiit. //lt;//).. p. 4-24.
Art. 385.
f. Wel is waar beeft de wet ten aanzien van het rekwest-civiel niet uitdrukkelijk bepaald dat het na verloop van den termijn Tiiet meer kan plaats hebben, of dat de instelling binnen den termijn moet geschieden op strafle van verval, zooals is voorgeschreven ten aanzien van hooger, revisie en cassatie. Daaruit volgt echter niet, dat het rekwest civiel ook na den daarvoor bepaalden termijn nog is ontvankelijk, vermits elke wettige termijn van zelf medebrengt dat het daartoe betrekkelijke binnen den gestelden tijd moet geschieden en het na verloop daarvan niet meer is geoorloofd.
Air. v. 4 Nov. -ISM. VV. li0. 2G38; U., dl. LXX\III. § 111. Zie hetzelfde arrest ad art. 382. n0. 15 j. en ad art. 398 B. R., bevestigende arr. v. 't I'. H. v. Limburg, v. 18 April '1864. Dit arrest wordt bestreden in W. n0. 2648 door S.. die liet eenig motief van bet arrest «dat iedere termijn van rechtswege fataal is» volstrekt ongegrond acht. Het tegendeel is Juist. Overal waar men de termijnen fataal heeft willen maken, heeft men dit uitdrukkelijk gezegd. En de gevolgtrekking is derhalve, dat zij lief niet zijn van rechtswege, en dat zij liet bij gevolg niet zijn, waar de wet het niet zegt. De artt. 340. 361, 398 en zoo vele andere zijn daar om dit te bewijzen.
lt;ï. Lipman, /gt;. B.. p. 170, leidt uit art. 385 B. R. af. dat de eiscber. bij niet-verschijning van den gedaagde, des verkiezende, diens wettelijke bevoegdheid tot het aanbieden van rekwest-civiel steeds zal kunnen verijdelen, door bet vonnis niet ten uitvoer te leggen dan drie maanden na de beteekeniiifi; anders Oudejian, B. It.. 2de ed., dl. II, p. 61 en 62. 3de ed.. p. 55 en he Pinto. /ï. dl. 11. 1. p. 480. 2de ed.. p. 529 sqq.. volgens wie, hoezeer men zulks duidelijker had moeten en kunnen uitdrukken, voor de vonnissen bij verstek de termijn van drie maanden eerst begint te loopen van af den tijd dat liet vonnis niet meer vatbaar is voor verzet. â Vgl. hiermede Penning ad art., die opmerkt, dat. ook dan wanneer de meening van den beer Lipman juist mocbl zijn, art. 387 B. R. daartegen bet middel van redres aan de band fteeft.
Art 891.) 984
AH. 391.
Dit m'tikel is ingetrokken lgt;ij wet van 7 April 1869 (Sthl. nc. 55).
Art. .'593.
Dit artikel is ingetrokken bij de wet van 7 April 181)9 (Sthl. n0. 55).
Art. 394.
I!ij de wet van 7 April 1869 (SfW. n°. 55) is al. I van dit artikel aldus gewijzigd: «Indien het rekwest-civiel wordt aangenomen, zal liet vonnis worden herroepen en de partijen in denzelfden staat teruggebracht, in welken zij vóór liet vonnis waren; hetgeen, tengevolge van de veroordeeling. bij bet vonnis uitgesproken, genoten of ontvangen is. zal worden teruggeven».
De wet verbiedt om bij hetzelfde vonnis of arrest, dat het rekwest-civiel aanneemt, de zaak ten principale verder te beslissen.
' Ditzelfde geldt wanneer slechts behoeft te worden aangevuld een begaan verzuim.
Arr. v. '22 Nov. 1867. W. nc. '2956; R.. dl. LXXXVII. S 28; v. li. II.. /'. li., dl. XXXII. p. 52â64; vernietigende arr. v. '1 P. II. v, Limburg, v. 8 April 1867. W. ii0. '2891.
De llooge Raad vereenigde zich alzoo. in dit arrest, niet liet gevoelen, dat het gevolg van een gegrond bevonden rekwest-civiel éénig en alleen is herroeping van bet vonnis en herstel der partijen in denzelfden toestand, waarin zij het vóór het vonnis bevonden; en dat de partij, die het rekwest-civiel instelt, niet bevoegd is te vragen, en de rechter niet bevoegd is toe te wijzen aanvulling en verbetering van het vonnis en beslissing van liet geschil ten principale, welk laatste eerst kan geschieden, nadat over het rekwest-civiel is gevonnisd, en zulks geheel onverschillig of het rekwest-civiel gevraagd wordt op grond, dat verzuimd zon zijn op een der gedeelten van den eisch uitspraak te doen. of op eenigen anderen grond.
liij het ontwerp van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (in 1865 onder toezicht van Mr. A. A. de Pinto uitgegeven) is hetzelfde gevoelen aangenomen, als door den Hoogen Raad is omhelsd. Blijkens art. 9 toch van den 3en titel van het 3e hoek wordt bij het vonnis, dat de herroeping van het aangevallen vonnis inhoudt,do terechtzitting bepaald, waarin partijen zullen moeten verschijnen om op de hoofdzaak voort te procedeeren.
Vergelijk met een en ander de hoven geplaatste wijziging van hel artikel in 1869.
{Art. 3fHi
Art. 396.
Zie ten belooge, dat onze wetgever â tot wegneming van den twijfel, of onder de woorden; aucune partie, in art. 503 G. de i'. C, ook hij was begrepen, tegen wien het rekwest-civiel was aangenomen, dan of zich het verbod van een tweede rekwest-civiel alleen beperkte tot dengene, die van dat raiddel had gebruik gemaakt en daarin gesuc-cumbeerd had â de woorden: nhet zij hetzelve aangenomen zif\ in het tegenwoordig art. 391! opgenomen heeft, â
S. M. in ilo Ovm. râ Mril.. dl. VII. p. 132âKU.
Art. 398.
I. Het beroep in cassatie tegen een gewijsde, waarbij het verzoek van schuldeischers om failliet-verklaring is afgewezen, behoort onder de zoodanige, waaromtrent bij uitzondering slechts een kortere termijn dan de gewone, tot het instellen daarvan is toegestaan.
A it. v. 29 Jan. 1841. W. n0. 165; R.. dl, VIM, § 55; v. n. li.. It. II.. dl. II. p. 107â119.
'i. In de berekening van den termijn voor het beroep in cassatie, moet gevolgd worden de tijdsbepaling voor het beroep tegen de hoofd-heslissing toegestaan, ook dan wanneer er slechts tegen eene accessoire beslissing wordt in cassatie gekomen.
Air. v. 29 Jan. 1841. W. n0. H55: R.. dl. VIM. ij 55; v. i.. II.. H. It., dl. II. ]!. 107â119.
3. De termijns-bepaling voor het instellen van bet beroep in cassatie betreft de openbare orde; de rechter is mitsdien verplicht op de nakoming daarvan ambtshalve te letten, zelfs dan wanneer zulks door de wederpartij niet uitdrukkelijk is gevorderd.
Air. v. 29 Jan. 1841, W. nc. 105; R., dl. VIM. * 55; v. n. II.. II. It.. dl, II. 107â119; idem v. 24 April 1851. v. n. 11.. 7i. It., dl. XMI. |gt;. 52â07; K.. dl. XXX VMI, § 54. â In gelijken zin door Mr. A. O. in de O/mi. en. Meel., dl. VII, p. 300â311, die aldaar ter toetse brengt en wederlegt de ralion.cn diibiiandi, omtrent de juistheid dezer beslissing geopperd door de Pinto, Jf'll., It. It., II, 1, p. 487, 2de ed., p. 540. lgt;o heer A. O. beroept zich daarbij op de omstandigheid, dat de wetgever liij art. 399 Pgt;, R.. uil liet onderwerp van Itooger beroep alleen de artl.
985
Arf 308)
.0)34, 336. 337 «tl 34-1 en niet art. 338 op het rechtsgeding in cassatie toepasselijk lieoft verklaard, hetgeen hij gelooft, ook met het oog op art, 3(11, opzettelijk te zijn geschied. De schrijver meent hieruit niet zonder grond het gevolg te mogen trekken, dat de verweerder in cassatie niel verplicht is de niet-ontvankelijkheid der cassatie vóór de verwering op de hoofdzaak voor te dragen, welk middel anders voor gedekt moet worden gehouden, en dat zich hieruit een niet onbelangrijk argument voor de leer van den II. R, ontwikkelt, nl. dat deze exceptie, die in eiken stand van het geding kan worden voorgesteld, van openbare orde is. en dus. gelijk die van art. 156 ?gt;. 1!.. ook door den rechter ambtshalve kan aangevuld worden.
-i-, liulien bij een arrest de genomene conclusiën van partijen tot afstand en vervallen-verklaring van de instantie zijn ontzegd, en de siiccumberende partij, in cas van admissie-gratis van een der litigauten, tot betaling der in debet gestelde rechten aan den fiscus wordt veroordeeld, alsdan behoort men, vermeenende daartoe termen aanwezig te zijn. tegen dit arrest zelf te komen in cassatie.
(n het bovenvermeld geval kunnen niet dezelfde gronden van cassatie in aanmerking worden genomen tegen een later vonnis, waarbij de succumberende partij tot betaling van de kosten is veroordeeld, indien men in het arrest zelf heeft berust.
Air. v, IS Maart 1842. VV. ir. 307.
.V De ingang der drie maanden, binnen welke de voorziening in cassatie moet worden ingesteld, vangt aan met den eersten dag na de beteekening en is de bepaalde termijn verstreken, zoodra de bepaalde drie maanden welke op dien dag ingaan, zijn verloopen, â met dat gevolg dat een vonnis, hetwelk is beteekend op 23 Maart, is ingegaan met middernacht tusschen 23 en 24 .Maart en de termijn is geëxpireerd of verloopen te middernacht van den 23 op den 24 Juni.
Arr. v. -11 Dec. 1843. VV. n . 401: R.. dl. XVII, § 9; v. d. H.. li. li.. dl. V. p. 110â128: idem arr. v. 6 Nov. 1846, v. n. H.. ihid.. dl. VIII. p. 174â191 : W. n0. 791; R.. dl. XXV, § 56. â Cf. omtrent de vraag, of de dien ad quem inoet worden berekend in den termijn van cassatie, voorgeschreven in art. 398 B. R. â Voet, ad tit. ff. de feriis el dila-lionihu*. n0. 14: Mert.in, Répertoire, in voce sect. I. § 5. 11° 14.
tom. T. p. 452: Grenier, 'Traité des Hi/jiotlicqiies. toni. I, p. 208 (ed. 1824); Berrtat-St.-Prix. Cours de Procéd. Civile, Chap. IV, art, 2. quaestio 9, p. 148 en de conclusie van den adv.-gen. van Maan ex. v. d. H., I. c., p. 117â127. â Cf. wat het eerste arrest betreft, het daartoe liet rekkelijk vonnis der Arr.-R, Nijmegen, v. 7 Maart 1843. W. ir. 391.
i/irt. ÃJOS
« Bij art. 4, nquot;. 8 15 li. uitdrukkelijk bepaald zijnde, dat alle exploiter! aan hen, die in de koloniën van den Staat wonen, moeten gedaan worden aan den ambtenaar van het Openb. Min. bij het rechterlijk collegie, voor hetwelk de vordering moet gebracht worden, moet dergelijk exploit eo ipso geacht worden aan de woonplaats der belanghebbenden te zijn geschied, met dat gevolg, dat ook in dit geval de termijn voor het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen den termijn (van drie maanden), bij art, 398 B. R. voorgeschreven, te rekenen van den dag waarop het arrest aan den geïnsinueerde (in ca*u gevestigd te Batavia) in den persoon van den proc-gen. bij het Prov. Hof (onder welks rechtsgebied het arrest is gewezen), is beteekend.
In deze kan niet uit de analogie van art. 10 15. R. worden geredeneerd, daar toch niets billijker is dan dat hij, die van zijne woonplaats rauwelijks wordt geroepen, om elders te recht te staan, in staat zij, om van die voor hem dikwijls geheel onverwachte roeping kennis te dragen ; gelijke billijkheid vordert echter niet dat, wanneer hij nu met zijne partij buitenslands in lite is, aan hem voor elke verdere instantie gelijke termijn worde gelaten, daar hij alsnu in staat is, om, wakende voor zijn recht, orders te stellen tot vervolging zijner rechten, des noods tot in de laatste instantie: door in die gevallen even lange termijnen als voor de dagvaarding te verleenen, zou hij inderdaad op gunstiger standpunt worden gebracht, dan partijen, hier te lande gevestigd.
Ait. v. Id Nnv. IS48. \V. ir. !)(i9: U.. dl. X\\ll. ijti: v. n. II,. dl. X. |i. 112â13(1; â anders ecliter bij vonnis van de Ait.-R. AVinschoten. v. 10 Sept. 1851. R. H., jfi;. 1852. |i. 393 en 394. waarbij liet verleenen van den gewonen termijn van dagvaarding (art. 7 R. R.) in hooger beroep afhankelijk is gemaakt van de omstandigheid, of de vreemdeling bij de beteekening van bet (ten zijnen faveure) verkregen vonnis, woonplaats had gekozen binnen bet Rijk of de gemeente waar de executie zou moeten geschieden.
S. Omtrent de wijze, waarop de termijn, bij art. 52 der wet v. 2^ Aug. 1851 [Sthl. nu. 125) voor de voorziening in cassatie in zake van onteigening voorgeschreven (binnen drie dagen na de uitspraak), behoort te worden berekend, is de slotbepaling van art. 14 B. R, van toepassing. Daarentegen moet die wet het richtsnoer zijn in alles, wat betreft de wijze waarop de bedoelde voorzieningen worden ingesteld,
987
//rt. 398.)
vervolgd en ter cognitie van den reciiter gebracht, alsmede omtrent hetgeen aan de partij moet worden medegedeeld en beteekend.
Air. v. 27 Juli 1852, R.. dl. XL11. § 4(1 (1). Cf. art. W.I B. I!.. uit. v. ilcn/. datum.
Vergelijk hiermede navolgende beslissing:
De procureur, die voor de partij in eersten aanleg heeft geoccupeerd, is in onteigeningszaken eveneens bevoegd tot het aanteekenen van het beroep in cassatie.
A it. v. 30 Nov. 1803, W. n0. 2544; R.. dl. LX XV. § 29; v. n. II.. /gt;. /;., dl. XXVIII, p. 123â144. De H. R. overwoog, dat de procureur den cischer vertegenwoordigt tot de beteekeniug van }iet vonnis, en dat de aanteekening van cassatie moet geacht worden te belmoren tot die handelingen, waartoe de procureur als zoodanig bevoegd is ter bewaring van de rechten des eischers.
Vergelijk in verband hiermede, Mr. VV. Tuorbecke: «Stelsel en toe-|ias.sing dei' Onteigeningswet» p. 255 sq.. alwaar o. a. betoogd wordt dat. voor zoover de cassatie-procedure in de Onteigeningswet niet geregeld is. de bepalingen van liet Wetboek van Burg. Rechtsvordering, en daaronder ook die van de wet van 20 Juni 1870 (Slhl. n0. 124), hier van toepassing zijn, cf. in denzelfden zin de conclusie van den toenmaligen adv.-gen. 1'oi.is, voorafgaande aan arr. v. fl .Tan. 1877, W. n0. 4077,
Eene voorziening in cassatie kan niet worden ingesteld op naam van iemand, die hangende de zaak in appèl is overleden en aan wiens erven het arrest is beteekend; als zijnde het beroep in cassatie een buitengewoon rechtsmiddel en daarstellende een nieuw rechtsgeding, geheel afgescheiden van de instantiën, die daaraan zijn voorafgegaan ; waaruit al dadelijk volgt, dat de wetsbepalingen betrekkelijk het schorsen en het hervatten van het rechtsgeding, voorkomende in het 1ste boek, :3de titel, 12de afd. B. li., ten deze alle toepassing missen, en het reeds in den aard der zaak zelve gelegen is, dat geen rechtsgeding kan worden ingesteld of aangevangen door of op naam van een persoon, die niet meer bestaat, hetgeen te minder kan geschieden, nadat de verweerders het beklaagde arrest, waarbij die overledene is in
(1) Am. .quot;gt;1â54 der voormelde wet v. 28 Aup;. 1851 regelen de bespoedigde manier van procedecren in cas van onteigening insgelijks de artt. 21â28 dei-Kieswet v. 4 Juli 1850, (.§(6/. nquot;. 37) betrekkelijk kieskwestiën. (Lkon.)
»88
9S9 [Art. ;59S.
it 'le'' quot;ngelijk gesteld, hadtien beteekeiul aan de gezamenlijke erfgenamen
en in eens.
Air. v. 30 So.pt. IS,-):!. W. -117(1; U.. dl. XLVI. S Iquot;: v, n. II.. /gt;. /;.. dl. XVH. |t. 123â110; anders; arr. v. 0 Oct. 1868, W. n0. 3040. R., dl. XC, i; 4; \. n. II.. Ti. n., dl. XXXIIf, ]i. I Iâ14. V^l. hiermede de liestrijding van het enrstae.noomde arr. dooi'K. S. in quot;t VV. n0.-1479. beaamd door .1. \ . in t W. n . 1480. naar luid waarvan de leer dat de cassatie is een hnitengewoon rechtsmiddel, onder die maclitsprenken behoort, die wij gewoon zijn, op goed geloof onze Fransche naburen en elkander na
n te praten, zonder ons zeiven rekenschap te geven van hetgeen wij daar
mede eigenlijk zeggen en zonder te bedenken, dat onze cassatie in ieder geval geheel iets anders is dan die van onze huren. Het arrest van den 1 II. R. echter, overeenstemmende met dat van 't Hof van Cassatie, v. 8
ir Mei 1820. te vinden bij Dai.i.oz, Jnr. fhi -19 nircle, voce CnssfUlon, sect.
,1 2, p. 330, wordt verdedigd door S. K. in 't W. n'. 1482, o. a. op grond,
ie dat het beroep in cassatie eeno nieuwe instantie is. /.ie ook in eerstge-
io- melden zin hcytsf/. Adv.* Verz. \ III. bi. 100âi Iquot;. Verg. hiermede dn
dissertatie van mr. J. i'. Vaii.i.axt. cfc cassohoiK'. ciiicilix sciuihd supi'ewc p. r(i)niictit (Utrecht 1847). en de heoordeeling daarvan door Jfr. A. de
t. Pinio. in de Ihewis, dl. \ III, p. (gt;'10â014. â Ook laatstgemelde be-
s. schouwt, even als Oudeman, Opm. rn Mud., dl. I, p. 149, de cassatie als
»r een buitengewoon rechtsmiddel, dat niet gemakkelijk en vóór dat alle
io- ' gewone middelen zijn uitgeput, moet worden toegelaten.
O. Wanneer de gronden, door den eisclier in cassatie tot herstel van zijne vermeende bezwaren in cassatie aangevoerd, niet dezelfde zijn als waarop door hem rekwest-civiel is of kan worden ingesteld, en hem alzoo voor 'net op die gronden te zoeken herstel, geen ander middel dan de cassatie openstaat, dan kan hem niet, op grond van het voorschrift van art. 103 der Org. wet, de niet-ontvankelijkheid in
j cassatie worden tegengeworpen.
11 Arr. v. 18 Nov. 1853, W. aquot;. -irgt;80; U., dl. XLVI. jj Wj; v. n. II.,
f, Igt;- 'dl. XVII, ji. 214â232; idem he Pinto, //lt;//., ]1. It., dl. H, 1,
ij P- 468, 2de ed.. p. .)18. â Verg. in verband hiermede ligt;n betoog;e. dal indien een arrest èn voor rekwest-civiel èn voor cassatie vatbaar is.
? eerst, inzonderheid met hef oog op art. 103 R. Org., het rekwest-civiel
n z;l' behooren te worden beproefd ca in dat geval de lerinijn van
cassatie eerst begint te loopen van de beteekening der uitspraak, bij welke het rekwest-civiel is verworpen â Mr. A. O. in de O/tni. en Med., dl. I, p. 147â151 en Oi:deman, dl. II, 4de ed., p. 08; â anders bij arr. v. 4 Nov. 1804, (ook vermeld sub art. 385 en onder n0. 20 van art. 398 D. R.). AV. n . 2038; R.. dl. LXXXIII. '19. waarbij werd beslist dat bet gelijktijdig 'aanwenden van beide middelen nergens is verboden, en dat evenmin uit eenige wetsbepaling volgt, dat een van beide middelen zou behooren voortegaan; voorts I'rcKAr. t. I, p. 004, die
Arl. :59S.) V»W(!
in liit annraadl to «relijkortijd rekwcst-civiel 'Mi cassatie in 1lt;1
stellen, ten einde niet gedurende de eerstgeraelde procedure de termijn van cassatie verloope.
JLO. De beteekenini; van een arrest, overeenkomstig art. 4, n0. fi. B R, aan de erfgenamen van eene hangende het geding in hooger beroep overleden [lartij, doet den termijn van cassatie tegen die eri-irenamen loopen, ook dan, indien zij, tijdens die beteekening, nog zouden kunnen gebruik maken van het recht van beraad, en dit werkelijk later gedaan hebben,
Arr. v. 19 Mei 1854. W. n. I.V,:i; 1!.. dl. XI,VII. S lil; v. d. II.. li. P,.. dl. XVUT. p. 391â402. â Cf. nrt. MA Ti. R.. arr. van den/.
11. Het beroep in cassatie wordt terecht ingesteld door Regenten van een tresticht, met behoud van dezelfde namen als in de intro-ductieve dagvaarding, niettegenstaande verandering in het personeel sedert dien tijd,
Arr. v. '23 Mei 1856. W, n0. 1753; li., dl. Uil. S v- i'- quot;â dl. XX. p. 306â384.
12. Hij, die bevoegd is te komen in appèl, is ook bevoegd later terzelfder zake te komen in cassatie, indien er geene bepaling bestaat, die het tegendeel te kennen geeft,
Arr, v. 13 .Inni 185(1, R.. dl. I.lll. Sj 39: v. n. II., /gt;*. dl. XX. p. 411 -428.
13. !)e verweerder in vrijwaring is onbevoegd in cassatie te komen tegen dat gedeelte van een arrest, waarbij de oorspronkelijke eisch werd beslist, wanneer hij in dat geschil geen partij was,
Arr. v. -13 Maart 1857. W. 110. 1837 en 1848 in welk laatste notnmer de feitelijke tnedrnclit der /aak is opgenomen,
1J-. Cassatie van een arrest kan niet volgen daar, waar liet beroep eenifflijk is gericht tegen eene geheel ten overvloede aan de hoofdoverweging toegevoegde overweging.
Arr, v. 21 Mei 1858, W. n®. 1971; idem arr. v. 9 Mei 1856. R.. dl. UIT, ^ 9. Cf. arr. 16 Oct. 1868. W. n0. 3050.
lo. Degeen, die als belanghebbende, ofschoon geene eigenlijke partij zijnde geweest, in appèl is gekomen van eene beschikking op
(jr/. 398.
rekwest, en als zoodanig in appèl partij in de zaak is geworden, is bevoegd om tegen de uitspraak in appèl in cassatie te komen.
Arr. v. U Oct. -1859. R.. dl. LXIII. S 21; v. d. H.. B. ft., dl, XXIII. p. 358â377.
1« De voorziening in cassatie, ingesteld door het hoofd van het geraeentebsstuur. ten tijde dat de gevorderde hoogere goedkeuring nog niet was verkregen, maar wel was aangevraagd is onimnkdijk, wanneer die later is verkregen en aan den verweerder is geïnsinueerd.
A rr. v. -i.quot;) Mei I860, VV. n. '217:'.: 1!.. dl. LXIV. S v. n. II.. II. ft., dl. XXIV. 157âIfiS.
I?. Niet-ontvankelijk is in cassatie het beroep tegen eene beslissing van een raadsheer-commissaris, door het Hof' benoemd tot het hooren van den verweerder op de door eischers gestelde vraagpunten, zoo lang eischers niet vooraf hunne bezwaren tegen de beslissing van den raadsheer-commissaris hebben doen gelden bij het Hof, hetwelk hem heeft benoemd
Arr. v. 31 Mei 1801. R.. dl. LXVII1. * 14; v. n. 11.. ft. ft., dl. XXV. p. '270â281.
18. Op de uitlegging eener dagvaarding kan in cassatie niet worden teruggekomen.
Arr. v. 5 Dec. 18(32. \\. n . ^438; ook vermeld ad art. 99 I!. li. O. aant. 85; welk artikel over deze en dergelijke vragen te raadplegen is.
lO. Tegen rechtelijke dicta, ter rolle uitgevaardigd ter bevordering van eene behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van den geregel-den loop eener procedure, staat geen hooger beroep of cassatie open.
Arr. v. 29 Jan. 1864, VV. ir. 2560; R.. dl. LXXVI. § 11; v. d. II.. B. B., dl. XXVIII, p. 271â280. Dit arrest, bestreden door S. in W. iic. 2564. is ook vermeld snb art. 332 I!. R.
80. Het voorschrift van dit artikel dat het beroep in cassatie heeft eene schorsende kracht, betreft alleen de ten uitvoerlegging van het vonnis of arrest, geenszins den aanvang van den termijn voor het rekwest-civiel.
Arr. v. 4 Nov. 1804. VV. ir. 2038; R.. dl. LXXVIII. Sj 19,ook vermeld ud art. 382 R. R. n0. 15 j. en sub art. 385 B. R.
0-lt;-JCKJUL Ujpp^. \ru-rsy\sJ3 t^W , chut- oJLx 4JL^. VxrcA^ASZL.as2M£^fc
-^A^^O'Vtvw^^O tsi /z- £gt;H^*~£~OJU*AS£/vx, l \gt;~j^4ylt;U~- UsT.rtjy*^~. l^A-c^py^A^JtjJL* fAyr-jâa~
'Wjt-Jy-a.A- LA ^CA-^VLr-fau^* l ----^ LA^Sl*JL*â. $ â¢^-^xv-^^^, /^5^ c^, 4 gjfa ,quot;
lCc. $. â Lamp; Art. 398.) yj'S, bS- ^ 992 ^ve^-
lt;51. De beslissing dat door de voorziening in cassatie de uitvoering van de reclitelijke uitspraak niet alleen maar ook van de authentieke akte, die daarvan een uitvloeisel is, wordt geschorst, is juist
Air. v. till Oct. ISCi'.l, \V. n . lilüd; R., dl. Xf'Ill. ^ 13; v. n. II.. /;. 7?.. dl. XXXIV. |I. ittâ4-1 ; R. li., ju'. 1870. dl. XX. |i. 718.
'â £*£. Wanneer de voorziening is gericht zoowel tegen eene voor-loopige beslissing van het beklaagde interlocutoir, als tegen de bekrachtiging daarvan bij het mede aangevallen eindarrest, kan zij, wegens den slechts voorloopigen aard van eerstgenoemde beslissing, alleen tegen het eind-arrest gelden.
Air. v. ül KeVir. 187:!. W. n . X*Cgt;: R. I!.. jg. 187:!. dl. XXIII. p. 420.
183. De bij dit artikel bedoelde beteekening is niet die van dengeen die bij liet vonnis of arrest is in liet ongelijk gesteld, maar van dengeen, die in het (jelijk is gesteld en dus belang heeft dat de daar bedoelde termijnen worden afgesloten.
Air. V. 20 Dec. 1878. W. n'. 432:!; R.. dl. I.XX. g MO; v. i,. H., dl. Xfillï, p. 400â410: R. B.. jg. 1882. .1. p. 07. Zie ook ten aanzien van appèl art. 339 Rv. n0. 30 ?gt;.
34- Het beroep is niet-ontvankelijk tegen dat gedeelte van het vonnis, waarbij aan den eischer zijne eigen conclusiën zijn toegewezen.
An-. V. Kl Deo. 188-1. W. n0. 4722; v. n. II.. dl. XLVII. p. 87â95.
3ö. Moewei de wet aan het beroep in cassatie eene schorsende kracht toekent, is nergens voorgeschreven dat men met de tenuitvoerlegging van een vonnis of arrest tot na den afloop van den daarvoor gestelden termijn zou moeten wachten.
Air.-R. Sneek, v. 24 April 1844, R. R.. jg. '184(1. dl. \ Ml. p. 694. â Cf. art. 339 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Jan.'1842 sqq.
anneer men in cassatie komt van een arrest, niet bij voorraad uitvoerbaar, waarbij aan eene der partijen is opgedragen het verrichten van eene daad binnen een bepaalden termijn, dan vangt deze termijn niet aan van den dag der beteekening van 's Hofs arrest maar wel van dien van het arrest van den H. 11 , waarbij de cassatie is verworpen.
P. II. v. Gelderland, v. 17 Maart 1852. W. m-. 1335 nn 1342; R. li.. jg. 1852. p. 570â574; R., dl. XLV1, § 08.
y . 993 [Art. 398.
f ~ ^ ^ L^A^.
lt;SS. De sclior.semle bepaling van dit artikel is uit den aard der zaak niet van toepassing op praeparatoire vonnissen.
Arr.-R. Goes, v. 2 Jan. quot;1863, li. li., j^r. 1 S(j.5. p. 70, ook aan^eli. ad art. 46 II. K.. sul) n°. VI.
'£H. Het beroep in cassatie schorst ook de uitvoering van het vonnis, voor wat betreft den daarbij opgelegden eed.
Mof Amsterdam, v. 'i Juni 1880. li. !gt;.. J^'. -1882, .1. p. 92.
Zie ten betooge:
a i)at het middel van cassatie in Nederland niet kan worden toegepast wegens schending van eene buitenlandsche wet. die ïiiet als hier te lande in viguenr, maar als eene vreemde wetgeving is toegepast geworden â â
arr. 99 R. Org'., arr. v. 9 April 1847 sqq.. suli /â . n0. 7, dl. II, p. 40 en 41. 2il(', ed., sidi ii . 7; idem bij arr. v. 28 April 1854, \\'. n .'I58'I;
li., dl. XI.VII. S 53; zijnde liij laatstgemeld arrest tevens beslist, dat de omstandigheid, dat de eischers in hunne memorie hetzij met, hetzij zonder quot;-^2-
de aangehaalde artikelen uit do vreemde wetgeving, ook nog artikelen irrty
uit de Nederlandsche wetgeving hebben aangevoerd, hiertegen kan niets ^ quot;lt;vn^
afdoen. Zie ook in denzelfden zin arr. v. 23 Nov. 1860, VV. n0. 2221)
K.. dl. I.XVI. § 28 en v. 28 April 1854, \V. n0. â¢1581. ' ^ ' '
Yergelijk ook navolgende beslissing;
Men kan zich in cassatie niet beklagen over schending of' verkeerde J., toepassing van bepalingen uit de Nederlandsch-Indische wetgeving. Mocamp;eët, ^ Arr. v. -KI Oct. 1808, W. n0. 3050; J uPp KyS, twr/k.
i. De niet-ontvankelijkbeid in cassatie bij verkeerde toepassing of schending van costumier ongeschreven recht â
art. 99 H. Org., arr. v. 22 Oct. 1847, suli /â , n0. 5. dl. II. |j. 40; 2de ed., sub n0. n0. 5, anders in de Ucgltsy. Adv.. dl. IV. p. 103â107.
c. Dat tegen het vonnis, bedoeld bij art. 26 der Onteigeningswet (28 Aug. 1851 Stbl. 125) geen cassatie is toegelaten.
Arr. v. 30 Juli â 1879. \V. n0. 4410. idem bij vele andere arresten aangehaald bij Mr. W. TiioiinECKE. «stelsel en toepassing der onteigeningswet»
blz. 168, noot 1.
SO. Zie omtrent de, vraag of men bij eene voorziening in cassatie verplicht is, zijne mede in het ongelijk gestelde deelgenooten, die in die uitspraak berusten, in het geding te roepen â
Mr. W. van Rossem Bz., Burg. Rechtsv, 6a
Art 398.)
nrt. 159 li. I!,, arr. v. 21 Maait i845 sqq.. sub n0. I.
Zie het .mtwei'p tot wijziging van de bepalingen omtrent de wijze van procedeeren in cassatie in burgerlijke zaken ingediend den 12 Mei 1875 en de Mem. v. Toel. daarvan, respectievelijk in W. n0. 3857 en 3801. Zie eene kritiek over dit wetsontwerp in W. n0. 3986 en Mr. A. P. Th. Eysski.i. in Tliehtis, 3de verz. â¢187('). bl. 195 sqq. Zie omtrent de wet van 7 April 1809, {Slhl. n0. 55) in VV. n0. 3101, en naar aanleiding van de discussiün over dat wetsontwerp in de Tweede Kamer, een opstel van Prof. van Bonrvai. Fatjre, in W. n°. 3096.
Arl. 399.
4. Tndien een beklaagd arrest teu aanzien van de bevestiging van het deiinitief' vonnis niet behoort vernietigd te worden, dan volgt daaruit, dat het onderzoek, of door de bevestiging van het interlocutoir vonnis eenige. wetsbepaling is geschonden of verkeerd toegepast, nutte loos en zonder doel zoude zijn.
Arr. V. 14 Mei 1840. I!.. dl. V, § 9; v. n. II.. /gt;. dl. I, j). 135â147.
lt;ï. Het beroep in cassatie is ontvankelijk, ook wanneer het slechts is gericht tegen een gedeelte van het dispositief van een interlocutoir vonnis of arrest.
Arr. v. 10 Nov. 1848, (ook vernield sub art. 40 U. Rv.) VV. n0. 9quot;7: U., dl. 5(XX1I. § 5; v. d. II., G. /.. dl. VIII. p. 109â130; waarbij werd beslist dat het alleszins is toegelaten om tegelijk te beweren èn dat de wet geschonden is door het bevelen van een getnigenbewijs door zijne wederpartij gevorderd, èn dat de wet daarentegen terecht is toegepast door het toestaan van een getnigenbewijs, waartoe men zelf eisch had gedaan.
3. Een beroep in cassatie van een interlocutoir, niet gericht tegen liet dispositief der interlocutoire uitspraak, maar alleen tegen den inhoud der daaraan voorafgaande overwegingen, welke tot de zaak ten principale in verband staan, (waarop dus bij de eind-uitspraak kan worden teruggekomen), â is niet-ontvankelijk.
Arr. v. 7 Maart 1856; I!., dl. LH, § 47; arr. v. 12 Febr. 1858; R.. dl. LV111. § 27; W. n0. 1936; arr. v. 12 Waart 1858; li., dl. LVHI. § 42; W. n0. 1940; arr. v. 15 April 1859; R., dl. LXII, § 4; W, n0. 2056; arr. v. 15 Juni 1860; R., dl. LXV, § 9; VV. n0. 2179; arr. v. 14 Nov. 1861; R., dl. LX1X. § 19; VV. n0. 2329; arr. v. 5 Dec. 1862; VV.
994
T
f -clt;/^i ff-- --(-^^irz^y^e -»-t-
Zsex-n. t^yy-
â siydr, £.lt;$/f* -^rt^p^- *-*r -w-rr
;)95 -£Atquot;? c/trf7.
/Wl .-*.-â 1 '
r^f '/ r S ^r
^ (*â.
â } 'â ' (/*?,. f (i4r/. 399.
/Z '
yr?
(TVls? t cr~y\. lt;2
^.- Zó. /£â
v. 'IG Jan. 1803; R., dl. 1.XXTII. ^ 8; idGni arr. v.
'J 869; R. 11,, jtr, '1870. lt;**-' crP^p
0 Q~ QQ «â1. -------,^l.l - . . '
18 Nov. I870; \\ . 11°. 3271 ; idem air. v. 18
p. l/l . \\. ii . 3129; an- \. i8 Ajiril '18/3; \V. u0. 3583, ook vernield sub art. 199 H. R.; air. v. 17 Maart '1870; R.. dl. CXTI, ij 2(1; zie ook liet liierboven aangeh. arrest v. 10 Nov. 1848; cf. air. r. 4 Jloi -1855. W . nc. 1048, R., dl. L, § 18; waarbij is beslist dat de rechter die ambtshalve een onderzoek van deskundigen heeft gelast, door die interlocutie bij de eindbeslissing niet is gebonden, en dus door dat bevolen onderzoek de aangehaalde wetsbepalingen, die alleen de zaak zelve betreffen niet kunnen zijn geschonden.
Vergelijk hiertoe betrekkelijk ook het arr. v. 25 Mei 1849; v. ri. II.. dl. IX. J). 81â'HKl; \v. 11°. 1(122; R.. dl. XXXII, § 103; waarbij werd beslist dat het beklaagde arrest, hoewel interlocutoir en ofschoon bevattende; «alvorens ten principale recht te doen» wel degelijk moet worden gecasseerd wanneer hot Hof tgt;/t met het recht sifijditn' jvridieke gronden tut erne interlocutie ia yekomen, hij welker dispositief iels als rerhoden zou aangenomen zijn, n-aaromtrent geen verbad bestond, en wanrOjt dus de wet niet toepasselijk teas.
Zie ook arr. v. 11 Dec, 1808. W. n0. 3007; R., dl. XC, ^ 30; v. n. II., ö. 7?., dl. XXXIII. p. 182â-194; waarbij implicite werd beslist dat bet beroep in cassatie gericht tegen het dictum van bet interlocutoir in verband met den daarvoor aangegeven beweeggrond, ontvankelijk is.
Vergelijk intnsschen met dit alles arr. v. 23 Dec. 1881. W. n0. 4724 ⢠R.. dl. ('XXIX. g 33; v. n. II., dl. XI,VII, p. 95â404; waarbij de II, R. zeer in het algemeen heeft beslist, dat het beroep in cassatie tegen een interlocutoir ontvankelijk is, vóór dat het eind-vonnis is gevallen en waarbij de II, R.. niet in overeenstemming met de conclusie van het Openl). Min., twee middelen van cassatie niet gericht tegen bet dictum, maar tegen de overwegingen, heeft onderzocht, cf. art. 40 R. R,, arr. v. 10 Nov. '1848 sqq.. sub n0. 5, en art. 422 B. R., arr. v. 25 Mei 1849.
-4. Daargelaten of in eene zaak van openbare orde berusting kan plaats hebben, bestaat geene berusting, indien de handeling waaruit men die wil afleiden, en door den Officier der Rechtbank zou zijn verricht, niet geschied is op last van den procureur-generaal, die zich in cassatie heeft voorzien en daarvan niet heeft gedesisteerd {in cam gold het de toelating van een advocaat).
Arr. v. 13 Juni '1850, W. n0. 1702; Râ dl. LUI, § 39; v n li /; dl. XX, p. 411â428.
». Indien de rechter in hooger beroep het interlocutoir vonnis des eersten rechters, waarbij een aangeboden getuigen-bewijs was toegelaten, te niet doet en voorts, met verklaring dat de zaak in staat van wijzen is, daarin ten principale recht doet, hoezeer er van de zijde des appellants wel tot vernietiging van het interlocutoir, en voor het geval van
2438;
UM. quot;lt;y^
Ct -ylt; â tvJ?-
oLl
//â
é
/rr4~ i-^tJU^r-y tsamp;^y^ iyilt;4fcyisi ïfCsiA Siiy^^jtésyy / c^-^*-
(Xx-xjut/L- . r. /2 - v ⺠. Ai -^ â¢
/rquot;^ ftL v (' - ér' ^ ,- ./t. 2^6 /t^^o /^XV â
ib^L ^
JhaU- i^- ^
â
U/'-qéjv-
Art. 399.) 99fi
afdoening der zaak in het hoogste ressort, tot toewijzing van zijnen eisch ten principale was geconcludeerd geworden, docli van de zijde des geïntimeerden alleen tot bevestiging van het interlocutoir en niet ten principale was geconcludeerd, dan kan het besluit door den rechter in hooger beroep, bij het vaststaan dier feiten er uit afgeleid, dat de zaak zich in staat van wijzen bevindt en voor afdoening ten principale vatbaar is, niet als feitelijke beslissing beschouwd worden, aan geen onderzoek in cassatie onderworpen.
Ait. v. 10 Dec. 1858; K.. lt;11. LX. § 'M, (gewezen in slrijil met de conclusiën van den adv.-gen. Gregoky). Zie echter arr. v. 9 April 1847, R.. dl. XXVII. blz, 104 sqqâ aangehaald R. O., ad art. 09, I!. n0. 36.
lt;». De exceptioneele bepaling van art. 33fi B. R. als uitsluitend betreffende praeparatoire vonnissen, mag niet worden uitgestrekt tot interlocutoire.
Arr. v. li Mei -18(10, vermeld onder art. 334 1!. R. sub nos. 17 en 3*1.
S. Uit de artt. 399 en 334 volgt, dat alleen berusting in het gewijsde waartegen men in cassatie wil komen, een middel van niet ontvankelijkheid tegen die voorziening oplevert. Berusting in het bij dat gewijsde bevestigde vonnis doet niets af.
Arr. v. 3 .Tan. i80Ã, R., dl. I.XX. § I ; v. n. II., 11. It., dl. XXVI.
n. 118â143.
ismSn- H. Niet-ontvankelijkheid der voorziening in cassatie moet bij uit-
£Jt~ ^^'drukkelijke conclusie worden gevraagd.
A,t- v- 13 Nov- ,X,',3' W- n0- 2530; l! ' dl- LXXV- §
i 7-' ' «| Waar de eischer in cassatie tengevolge van het verlies van een
zijner kwaliteiten te dien opzichte niet-ontvankelijk verklaard moet
ramp;OtA 4 ^
, worden, brengt zulks niet mede dc niet-ontvankeliikheid van den eisch.
L- _ ...
Mc. /?. voor wat betreft de andere hoedanigheden, waarin de eischer is opge-
uS- ^ treden.
cjjTpB. Arr. v. 20 Nov. 18(53, \\r. nc. 2541; li., dl. LXXV, § 28.
40. De partij , die zich in eersten aanleg of hooger beroep niet uitdrukkelijk heeft verzet tegen den gevorderden lijfsdwang, buiten de gevallen, waarin de wet dien toelaat, kan zich daarover nog in cassatie beklagen.
i-viâ Tr^n~GUxyamp;i c^ rxay
I I u l~t yf i 41 ^ ^'' ^ oL*tQ~ Oj 1 Z^r. amp;. Xamp; uA^y. KJ 15 f éc/ï
\ ICtj'iTfo,
n97
{Art. .*59?).
Hiertegen doet niet af. dat de eischende partij bij de beteekening
van liet vonnis uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaart, dat door
haar van den lijfsdwang geen gebruik zal worden gemaakt, daar deze verklaring de veroordeeling niet kan teniet doen.
An*, v. 7 Febr. 1868, W. n0. 2988: in strijd met de conclusie van den adv.-gen. Gregory.
t l Zie omtrent de vraag, wanneer en onder welke omstandigheden de cassatie niet-ontvankelijk is ter zake van berusting, â
de in onderscheiden zin aangeteekende beslissingen op art. 334 B. R.
At, A.j2-tramp;. '^ £* â *
Uit art. 401 B. 11 , hetwelk in verband moet worden beschouwd met het voorafgaande art. 400, volgt, dat onder het woord «defaillant11 in eerstgemeld artikel voorkomende, moet worden verstaan de persoon,
die bij verstek is veroordeeld. Dienovereenkomstig is art 401 niet van toepassing in bet geval, dat eene dagvaarding door den rechter ambtshalve is nietig verklaard en in verband met die verklaring en het verbod van art. 92, nn, 2 van het Wetboek, geen verstek is kunnen worden verleend.
Arr. v. 5 Febr. 1847, W. nquot;. 791; R.. dl. XXVI. § (13; v. n. II., B. Æ}..
dl. VIII, i). 305â320.
Art. 406.
Dit artikel is gewijzigd bij de Wet van 26 Juni 1876 (.S'(6Z. n0. 124) tot wijziging van de bepalingen omtrent de wijze van procedeeren in cassatie in burgerlijke zaken, â en luidt thans aldus:
Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij eene dagvaarding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als in eersten aanleg, behoudens de volgende wijzigingen :
Art. 5, n°. 3 blijft ten deze buiten toepassing.
De dagvaarding bevat eene omschrijving der middelen van cassatie, met aanwijzing hetzij van de op stralï'e van nietigheid voorgeschreven vormen ot' van de wettelijke voorschriften, die de eischer beweert te zijn verzuimd, geschonden of verkeerdelijk te zijn toegepast, betzij van de beweerde overschrijding van regtsmagt en de daartoe betrekkelijke wetsbepalingen.
7
Wa.. - irlt;- â - V»-- - quot; ' - ⢠_:£(lt;-. V. - .-
.4r/. 406.) 998
lt;9 ,..1411 U- *â¢â gt;*:'â « â ~ -ey -j^l.
De eischer is geliouden in liet exploit van dagvaarding een advocaat bij den -'-lioogen Raad aan te wijzen, die hem in liet geding zal vertegenwoordigen, op j , ^ strallë van nietigheid.
Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij dien advocaat, tenzij liet ytrfi-- exploit eene andere binnen de gemeente 's Gravenhage gekozen woonplaats a lt;-â nitdiukt».
⢠\ ooraf was bij de wet van / April quot;1869 (Sthl. n0. 55) de boete van cassatie / afgeschaft: doch de j-cdactie dier wet is door die van de wet van 1876 t- vervangen.
? 4. De omstandigheid, dat een rekwirant van cassatie bij zijne ccm-quot;clusie min nauwkeurig heeft geconcludeerd tot geheele vernietiging van een vonnis of arrest, doch slechts ten aanzien van een gedeelte dier uitspraak gronden voor die voorziening heeft aangevoerd en tevens slechts daaromtrent tot eene door den Hoogen Raad te doene uitspraak heeft geconcludeerd, â kan geene aanleiding geven tot eene niet-ontvankelijk-verklaring in die voorziening.
Air. v. 24 Sept. 184-1. W. n0 230; R.. dl. IX. § 10; v. n. II.. II. /gt;'.. dl. II. p. 290â310.
3. Bene niet-ontvankelijkheid in cassatie op grond van beweerde schending van art 406, n0. 2, B. 11, kan niet daaruit worden afgeleid, dat, bij eene beweerde verkeerde toepassing van de Wet v. 27 i)ec. 1817, op het recht van successie, op eene oudtijds daargestelde testamentaire beschikking, iu de memorie van cassatie bepaaldelijk zijn behandeld en aangewezen de daartoe betrekkelijke wets-artikelen op het recht van successie, en niet tevens de artikelen van het burgerlijk recht, welke tijdens de testamentaire beschikking van kracht waren.
Air. V. 2!) Oct. 184-1. W. n0. '237; R.. dl. IX. § 58; v. d. II ./.. /;. en Sttcc., dl. II. p. 83â103;. Cf. art. 406 B. R.. air. v. 17 Deo. 1847 sqq., sub n0. 3.
IJ. Tndien handelingen en verbintenissen haren oorsprong ontleenen aan de wetgeving, gevigeerd hebbende vóór de invoering van het Nederlandsche recht, en mitsdien, overeenkomstig de artt. 3 en 4 van de Wet op den overgang, moeten worden beoordeeld naar de vroegere wetgeving, dan mag in cassatie niet worden gelet op de beweerde schending van wetsartikelen uit het Nederl. Recht, noch van wetsartikelen uit het vroegere recht, waarvan de schending bij de â memorie van cassatie, ingevolge art. 406, nquot;. i 15. R., niet is beweerd.
L'.-C â ruO.--
nn!) [Art. 406.
Arr. v. 17 Dec. 1847. W. ii0. 8(37; v. n. II., '/... dl. VII. p. 45â08; v. 10 Febr. 1840. W. n0. 1018; R.. dl. XXXII. § 57; v. n. II.. il.id,. dl. VUL p. 342â359 en v. 0 April 1849. W. nquot;. '1019; R.. dl. XXXII. §83; v. d. H.. I. c.. p. 398â415; idem (ten betooge. dat, Indien een vonnis is gewezen onder vigiieur der vorige wetgeving, in cassatie alleen detoege-paste artt. der vorige wetgeving als geschonden kunnen worden opgegeven) 1)ii arr. v. 9 Felir. 1844, W. n0. 472; v. rgt;. H., li. II., dl. V, p. 153â103; idem (in cas van verjaring, aangevangen vóór de invoering van het B. W., wanneer niet mag worden gelet op de in do memorie van cassatie beweerde schending der bepalingen van het Pgt;. \V.) bij arr. v. 30 Nov. 1849, W. n0. 1101; li., dl. XXXIV, § 49; v. n. II.. II. /}., dl. XI. p. 76â93; idem (ten betooge, dat, indien de eischers in cassatie in gebreke zijn gebleven het voorschrift dei- wet aan te toonen, waarbij bepaald is, dat de wettigheid eener voogdij, die bij testament in een vreemd land aan iemand alhier is opgedragen en welke hier te lande rechtsgevolgen moet hebben, naar de bepalingen dier vreemde wet moet beoordeeld worden, er dan, bij het niet aanwijzen van zoodanig voorschrift dor wet, hetwelk in deze zonde geschonden zijn. geene sprake kan zijn van verkeerde toepassing van art. 397 C. N. en art. 409 B. W.) â bij arr. v, 25 Jan. 1850, \\ . n0. 1092; v. n. II., B. II.. dl. XI, p. 153â173; idem, wanneer do akten en bescheiden, waaruit de judex fact! het bewijs van het bestaan van rentplichtigheid heeft geput, anterieur zijn aan de invoering van het li. W. en evenwel artikelen van het N. B. W. in de memorie als geschonden zijn opgegeven â bij arr. v. 3 Junï 1853, W. n0. 1590; R., dl. XLV, § 10, zijnde al verder beslist: 1°, bij arr. v. 17 Nov. 1848, W. n0. 1025; li., dl. XXXII. § II: v. n. II.. G. '/... dl. VIII. p. 192â207; (bereids vermeld in dl. I, p. 214), dat ook dan, wanneer een reglement als eene wet moet worden beschouwd, de verkeerde aanhaling van oen artikel (in casu 87 in plaats van 90 en 93) de cassatie uitsluit, en 2°. implicitc bij arr. v. 6 April 1849 ut supra, dat het. in de hij voor-nielde ovrcstcn omschreven yevcdlen den eischern in enssatie niet hetn haten, tater hij hunne cunchtsiën de hecjane dwalinfi te heestellen, door ook daarhij ah geschonden aan te wijzen de ivets-artiheten nil het vroegere recht, tijdens hel plegen der hundeliiig in vigueur (1). Vgl.
(1) Het beginsel bij voormelde arresten aangenomen (dat m. i. niet van te strenge opvatting is vrij te pleiten, daar de verkeerde aanhaling eener andere geheel gelijkluidende en vroeger gevigeerd hebbende wet, of van het eene wets-artikel in stede van het andere dikwerf alleen aan eene dwaling of vergissing is toe te schrijven), is steeds in zijne algemeenheid bestreden door het Openb. Min. bij den II. li., gelijk o. a. blijkt uit de eonelusiën van den voormaligen adv.-gen. (thans proc.-gen.) van M aankn ; v. igt;, H., /j., li. en Succ,, dl. 11, p. 92 en 93 en B. li., dl. V, p. 108 en 159 en van den adv.-gen. Gkegouv; v. d. II., G. Z., dl. V, p. 403 en 404 en dl. VIII, p. 410 en 411, hoofdzakelijk op grond (gelijk uit eerstgemeide conclusie blijkt) dat art. 40G B. R. bepaalt, in de eerste plaats, dat de eischer in cassatie bij de memorie moet voordragen aixe middelen van cassatie en er bijvoegt, dat geene andere dan deze door partijen kunnen worden aangevoeld en hierop het voorschrift volgt dat de wetten, die men beweert geschonden of verkeerdelijk toegepast te zijn,
/Irt. 406.)
art. 4.061). R.,arr. v. 8Febr. 1850 sqq-. sub n0. 4 en art. 406 ibid., arr. v. 20 Oct. 1841, sub n0. 3. Eenigzins in strijd met dit een en ander, is bij arr. v. 10 Febr. 1847, W. n0. 838; R., dl'. XXVI. § 72; v. d. 11., G. dl. V, ]). 394â420, beslist dat een eiscber in cassatie, die, tot staving van eene beweerde grondwetsscbennis, ten aanzien van verordeningen, onder de Grondwet van 1815 vastgesteld, in de memorie van cassatie bij wege van dwaling heeft aangehaald de woordelijk overeenkomende artikelen der in 1840 gewijzigde, in plaats van die der oorspronkelijke Grondwet vun 1815, niet kan geacht worden in overtreding van art. 406, n0.2 B. R. te hebben gehandeld, noch op dien grond niet-ontvankelijk in cassatie te zijn. â Zie wijders art. 40G B. R., arr. v. 20 Oct. 1841, sub n0. 2.
-4. Hij art. 400, n0. 1 B. R. bepaald zijnde, dat de memorie van cassatie alle de middelen moet inhouden, zoo volgt daaruit, dat niet mag worden gelet op die gronden, welke door partijen, hetzij op de terechtzitting, hetzij bij schrifturen worden aangevoerd.
Arr. v. 8 Febr. 1850, W. n0. 1122; R.. dl. XXXIV. § 88; v. n. II.. /». 11.. dl. XL p. 225â242; idem v. 13 Dec. 1850, W. ii0. 1180 en v. â¢I I Dec. 1845, W. n0. 605; v. n. H., dl. VIL p. 214â232. â Vgl. het
in de memorie moeten worden aangewezen ; dat de wet dus onderscheidt tusschen de middelen van cassatie en de aanwijzing der wetten, die men beweert geschonden te zijn; dat de II. K. in cassatie geen acht mag slaan op middelen die niet in de memorie zijn aangevoerd, maar de wet niet zegt, dat geene wetten, die niet in de memorie zijn aangewezen, niet bij de pleidooien tot staving van het middel van cassatie zouden mogen worden bijgebracht of invloed mogen hebben op de beslissing der rechten omtrent de gegrondheid van het aangevoerde middel: dat, indien de IT. T\. bevindt, dat door eene bij de memorie als grond van cassatie voorgedragene verkeerdheid in eene rechterlijke uitspraak, behalve de reeds bij de memorie aangewezene wetten, nog andere zijn geschonden of verkeerd toegepast, hij niet alleen door art. 406, n0. 2 B. R. niet is verhinderd daarop acht te slaan, maar daartoe zelfs, met het oog op art. 48 B. 11., verplicht is: dat mitsdien het verzuim van eene geschondene of verkeerd toegepaste wet in de memorie aan te wijzen, het gevolg niet kan hebben, dat het middel van cassatie, hetwelk daartoe betrekking heeft, niet door den Raad worde onderzocht, en het veel min grond kan opleveren om den eischer niet-ontvankelijk te verklaren, en dat slechts dan wanneer bij het pleidooi, vroeger niet aangewezen wetten door den eischer worden aangevoerd als geschonden of verkeerdelijk toegepast en de beweerde schending dier wetten geacht moet worden een nieuw middel van cassatie op te leveren, daarop geen acht zou kunnen worden geslagen; â anders echter, en meer overeenkomstig voormelde arresten van den IT. R., dk Pinto, B. R., dl. II, 1, p. 497, volgens wien de memorie alleen en volstrekt moet inhouden de aanwijzing der tv et! en, welke men meent te zijn geschonden of verkeerd toegepast en eene korte opgave der redenen waarom mea dit beweert, terwijl de ontwikkeling dier redenen, de uiteenzetting der gronden die men daarvoor meent te hebben, bij het pleidooi behoort te geschieden. (Leon). â Zie echter de Fiisto, B. R. 2de ed., dl. II, 1, p. 553 sq. Vgl. ook Oudeman, B. /?., 2de cd., dl. TT, p. 82, 4de ed. p. 60.
1000
'/- O-a^ouhjl. â«â oCa-S^^x. ?'ââ
$- z^quot;*, / A (ksrvUU-K : ugt;- të. 6 Alt;^C. /yta-, ÃS. K*Jijiy.
mol [Art. 40fi.
air. v. G April 1849, snli art. 40(5 II. I!.. ir. 3 en arr. v. 1 Afei 18(18, li. li., jij. 1800. p. 105.
Vergelijk art, 419, zooals dit in 1870 is quot;ewijzigd,
â¢V Een middel van cassatie moet geacht worden voldoende uit de memorie te blijken, indien de tegen dit middel aangevoerde verdediging ten volle aantoont, dat het genoegzaam overeenkomstig de wet is aangeduid.
Arr. v. 3 Mei 1850. W. nquot;. 1152; 1!.. dl. XXXV. § 00; v. i». II.. It. I!.. dl. XII, p. 30â38.
C». De Hooge Raad is als rechter van cassatie in burgerlijke zaken zóózeer gebonden aan de memoriën van cassatie, dat hij in geen geval ambtshalve mag vernietigen, ook dan niet wanneer het vonnis a quo door niet behoorlijke motiveering geene zoodanige feitelijke beslissing inhoudt, als de Hooge Raad zou kunnen in staat stellen de rechtskundige uitspraak aan de wet te toetsen.
Arr. v. 20 Febr. 1874, W. n0. 3093; U., dl. CVi. § 21; v. n. 11.. It. It., dl. XXXIX, p. 180 â 190. â Zie in denzelfden zin een opstel van (i. I!.. in \V. n0. 3396.
ï. Alhoewel eene beknopte forrauleering van het middel wenschelijk is en in overeenstemming met de bedoeling der wet, zoo schrijft zij dit toch niet voor op straffe van niet-ontvankelijhheid.
Arr. v. 23 April 1880. W. n . 4501; R., dl. t'XXIV. § 39; v. d. II.. B. It., dl. XI,V, p. 108â189; idem arr. v. 7 Dec. 1883; W. n0. 4981. ook vermeld sub art. 457 Rv.; R.. dl. CXXXV, § 30; v. n. 11.. B. B.. dl. XLIX, p. 74â80; verg. ook arr. v. 13 Dec. 1861, W. n0. 2342; I!.. dl. I.XIX, § 30; v. n. II.. C. B.. dl. XXVI. p. 93â104.
8. Waar uit de dagvaarding in cassatie duidelijk blijkt, dat het middel alléén gericht is tegen dat gedeelte van het arrest, waarbij de eischer in cassatie is in het ongelijk gesteld, is de voorziening ongetwijfeld voor zooverre ontvankelijk.
Arr. v. 27 Mei 1881. W. n0. 4666: cf. art. 398, aant. 24.
W. De dagvaarding in cassatie mag niet worden gedaan aan het voor vroegere instantiën gekozen domicilie.
Arr. v. 4 Mei 1883, VV. nquot;. 4911. ook vermeld sub art. 94 li. R.
Art. 406 )
IO Zie ten hetonge:
a. Dat de opgave bii een middel van cassatie, dat zekere artikelen zijn geschonden of verkeerd toegepast (d, i. of geschonden of verkeerd toegepast) niet verboden is â â
Concl. van den adv.-jren. Smits, voorafgaande aan air. v. 28 Dec. 1883.
W. n0. 5000.
b. Dat de vermelding in de memorie van eenige titels van het burgerlijk wetboek, met overlating aan den Hoogen liaad om na te gaan, welke artikelen in de bedoeling des eischers hebben gelegen, niet geacht kan worden uit te maken de bij art. 406 B R. bedoelde aanwijzing der wetten, welke men beweert te zijn geschonden of verkeerdelijk toegepast
Conci. van drm adv.-gen. Karsrp.oom. behoorende bij bet arr. v.
14 April 4870; W. n0. 3212; R.. dl. XCIV. § 40; v. n. H.. B. tt.. dl.
XXXIY, p. 401â4*H ; verg. ook arr. v. 2 Juni 1870, W. n0. 3997 (1).
Arl. 407.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 26 Juni 1876 (Sliil. n0. 124) aldus:
«De verweerder kan den termijn, waarop bij gedagvaard is, verkorten door bij een van de gekozen woonplaats des eiscbers beteekend exploit dezen tegen een vroegeren dan den in bet exploit van dagvaarding opgegeven rechtsdag op te roepen».
De redactie van de wet van 7 April 1869 (Slbl. n°. 55) is daardoor vervallen.
I/V. 408.
Dit artikel luidt thans volgens de wet van 26 Juni 1876 (Sihl. n0.124) aldus:
«De advokaat bij den Hoogen Raad, die voor den verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der zaak ter terechtzitting.
«Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het zittingblad.
1002
«De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijnen advokaat. Hij kan echter ook eene andere woonplaats, mits binnen de gemeente 's Gravenhage, in het zittingblad opgeven».
(1) Sommige arresten, die met Me vroegere wettelijke bepalingen in verband staan, nam ik niettemin op, omdat de daarbij aangenomen beginselen m. i. ook thans nog van belang kunnen geacht worden.
\ - ejLztA. â â â - vrr-it Ci , , ~
', _ - Zjc , // / ' v -⢠gt;JL ' '.
1003 {AH. 400.
l*; . £ó. X . J '-(â ' , /f j ' % 111gt; Æ / ^
Art 409.
'isiAte-yt J? /. z-xJ^*~ tstrtrz.
Dit artikel is thans volgfins de Wet van 26 Juni 'I87() (Slhl, n0. 124) aldus gewijzigd: c^U-ou,
quot;De feitelijke grondslag der middelen van cassatie kan alleen worden bewezen door het aangevallen arrest of vonnis en voor zoover zij betreffen vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, ook door de stukken, waaruit van dat - ^ âtn verzuim kan blijken».
1. Wat er nok zijn moee van de redactie van dit artikel (zooals ,, _
... /i^nry:-- . /amp;amp;SZ
het vroeger luidde) zoo kan nimmer uit dat artikel de bevoegdheid .
vaiiden lloogen Raad voortvloeien om te heslissen over rechtsmiddelen
// /? -If
of beweriniren. waaromtrent in de beklaagde uitspraak scene beslissing voorkomt.quot; ' quot;
7 iT/P.
Vrr. v. 10 Maait ISóH. W. u'. l 'rlS: U.. dl. XI.IV. § 33; v. ». 11.
/gt;. //.. dl. XV I, p. '108â'120: ari'. v. I Juni 1858: lï., dl, I.. § :!7: arr1.
v. 22 Oct. 1858; U.. dl, LX. § 15. Verg. conclusie van den adv.-gen.
Romer, gevoegd bij arr, v. 31 Mei 1872. W. nquot;. 3475; v. d, II,.
Tl. //,. dl. XXX VII. p. '192â202: cf, arr. v. 21 April 1859 sqq., sub art.
409 B, R.
8, In cassatie kan niet voor het eerst een bezwaar worden opgeworpen, dat in vorige instanties niet is geopperd, en mitsdien geen onderwerp van geschil tusschen partijen bij den judex faeü heeft uitgemaakt.
Arr, v. 21 April 1859, W, n°. 2060; v, n. 11,. Æ?. dl. XXIII, p.
219â225: ten aanzien van een middel van niet-ontvankelijkheid voor 't eerst in cassatie opgeworpen; idem v. 5 April '1861, W. n0. 22G5,
R,, dl. LXVII. § 48 (ten aanzien van eene beweerde nietigheid van een getuigen verhoor); idem v. 5 Dec. 1862, W, n0, 2438, (ten aanzien van bezwaren tegen de door den judex facli te bewijzen opgelegde daadzaken); arr. v. 18 April 1873, W. nquot;. 3583, waarbij werd beslist dat in cassatie niet voor het eerst eene exceptie van nietigheid der dagvaarding kan worden voorgesteld.
Vergelijk onder meer de arresten v. (i Juni 1884, W. n0. 5051. v. 16 Mei 1884, W, n0. 5035 en v. 9 Oct. 1884, W, nquot;, 5081. hij alle welke arresten is beslist, dat op eene bewering, voor het eerst in cassatie voorgedragen, geen acht kan worden geslagen,
',i. Men kan zich in cassiitie ?ne( beroepen op feitelijke beslissingen voorkomende in een vonnis, dat in hooger beroep is bevestigd, indien door den hoogeren rechter niet uitdrukkelijk de motieven van den eersten rechter zijn overgenomen.
^ ctnyi-.
(^/L , - ' â
USv-c£~f. OfrlU**- Inmsisotyf as y/A-a
I ..... GS-.â
: O*. /Z. th -M* cX /f/i, ^ mS Jtr//
f 'â¢gt;v-(rsr at-SL^yx^r-a^- ^jye^r -n^ojU-^L/. . ^Jr ^ â
^/UO^e- VO~.- OJ^ OJW-JU^i- inr-fjMK-t, o~oâ rxsU. , ^CMX, /6/. ,
-J
â aj^4~' it) -n^jiH^ y3 fi.CtJ: '-£a-vj.~ ïZe-oS) .5.x-'-cjj u^yx, ^'i
Art. 409.) 1004
Air. v. II .Maart 18(11.. W. n0. â¢i:ü\ : I!.. dl. I.XXV1, 5; '28; v. \k 11.. /gt;'. It., dl. XXVIII. i). :i94â413; idem arr. v. 9 Mei 185(5. W. n0. 1752. 1!.. dl. I.lll. § 9: v. li. II.. R It., dl. XX. p. 325â338.
-1. Fn cassatie kan niet worden teriiirjjekomeii oj3 beslissingen van den eersten rechter, waartoe de oorspronkelijk appellant zijn beperkt hooger beroep niet had uitgestrekt.
Arr. v. 18 Juni 1869, W. n0. 3129; I!. B., dl. XX. jg. 1870. p. 171.
5. De stelling in cassatie, die niet is de grondslag der bij introduc-tieve dagvaarding ingestelde actie, zooals die dagvaarding blijkens het bestreden arrest is opgevat, kan niet in cassatie worden onderzocht.
Arr. v. 23 Nov. 1877. \V. n0. 4194; v. d. H., II. It., dl. XI.II. p. 421 â429.
lt;». Waar de toewijzing der gewijzigde incidenteele vordering bij het arrest niet berust op eenige wetsbepaling en speciaal niet op de in casu als geschonden voorgestelde artt. 148, 133, 139, 143 en 144 B 11.. maar alleen op het judicieel contract, dat volgens den judex facti fusschen partijen is aangegaan, is geen cassatie mogelijk.
Arr. v. 3 Dec. 1880. W. n0. 4580; v. n. H., 7?. dl. XLV, p. 373 en 374.
J. Zie over den strijd tusschen deze bepaling (zooals die vroeger gelezen werd) en art. 105 R. Org., â
een Hoofdartikel in W. nquot;. 3535.
Art. 410.
Dit artikel is bij de Wet van 2(5 Juni 187(5 {StbL n0.124) thans aldus gewijzigd;
«De verweerder, van zijne zijde in cassatie wenscbende te komen, doet dit op straffe van verval, Oij zijne conclusie van antwoord.
«Die conclusie bevat alsdan eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in art. 400 vermeld.
«De verweerder is in dit incidenteel beroep ontvankelijk ook na verloop van de in art. 398 gestelde termijnen en zelfs na berusting in liet arrest of vonnis.
«Art. 409 geldt ook voor het incidenteel beroep.
«De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen».
^ro-o^
{Art. 410.
De oorspronkelijk verweerder kan niet na ailoop der instantie van cassatie, van zijne zijde beroep in cassatie instellen.
Air. v. 8 Febr. 1884, W. u0. 5(108; R.. dl. (â¢XXXVI. § 22; v. d. 11. II. li., dl. \\.\\. j). 1!Wâ197.
Art. lil.
Uit artikel luidt thans volgens de Wet van 20 .luni 187G (S(W. 11°. 124) aldus:
«Wanneer de verweerder niet reeds op den eersten recbtsdag zijne conclusie van antwoord neemt, wordt hein tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend.
«Hij is gehouden alle exception met zijn antwoord ten principale te vereenigen, op straffe van verval.
«Alleen de in art. 159, 2e lid bedoelde exceptie wordt ook in cassatie, op straffe van verval, afzonderlijk vóór alle weren van rechten, behalve de vordering tot zekerheidstelling, voorgedragen».
I. Bij pleidooi kan niet worden gedesisteerd van een middel in de memorie van cassatie voorgesteld.
Arr. v. 28 Maart 1873, VV. n0. 3577. r7 O U J
amp;trzjtlt;A H-
lt;ï. Het strijdt met de bepaling van dit artikel om de exceptie van IT berusting bij pleidooi voor te stellen. u° 66s-^-
Arr. v. 7 Jan. 1881, VV. n0. 4000; U.. dl. CXXVII, § 3- v, d. 11..
B. II., dl. Xl.VI, p. 8â17; cf. het aangeteekende snh art. 139 li. R. n0.2.
Art. 412.
Dit artikel is thans bij de \Vet van 26 Juni 1870 (.S'/W. n0. 124) aldus gewijzigd:
«Ingeval van incidenteel beroep, of indien door den verweerder eene exceptie tegen liet principaal beroep wordt aangevoerd, wordt den eischer. op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend om liet incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
«Is liet een of ander het geval niet, dan wordt onmiddellijk na liet nemen der conclusie van antwoord de dag van pleidooi bepaald, ten zij partijen, onder overlegging dei' stukken, daarop recht vragen».
1005
Art. 413.)
Ail. 4J 3
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van !2G Juni 4870 {SÃjI. nc. 124): i Partijen zijn gehouden de stukken, waarop zij zich beroepen, elkander over en weder mede te deelen in afschrift of door nederlegging van liet oorspronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen».
AvI. 41 k
Met voorsclirif't van art, 414 ju, art. 409 11 R, is kennelijk alleen van toepassing op de gronden, die door den gedaagde of verweerder worden aangevoerd ter bestrijding van de middelen van cassatie, en geenszins op eene voorgestelde exceptie van niet ontvankelijkheid tegen de voorziening in cassatie, welke laatste uit den aard der zaak mede moet kunnen worden gestaafd en bewezen door middel van stukken, die posterieur zijn aan bet beklaagde vonnis of arrest, en alzoo bij den rechter a quo niet hebben gediend.
Arr. v. 17 Juni 1853, W. n0. 1405: R., dl. XLV. § 2'2; v. rgt;. 11.. II. 1!..
d'. XVII, p, 61â08; idem de Pinto, Hell.. B. It., dl. II, I. p. 504 en .)(!;gt;, 2de ed., dl. II. p. .)()2. en Pf.nninc;. ad art. Zie ook Oudejian. B. It., dl. II. 4de ed., p. 73 sq.
All. 415.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 20 Juni 1870 (Slbl. n°. 124): ⢠he artt. 152 en 153 zijn van toepassing in cassatie.
quot;Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende in cassatie, niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.
â â De verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet hij het instellen van incidenteel beroep.
lt;iDe in vroegere instantiën gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.
quot; De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle andere weren van regten».
Art 410.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 20 Juni 1870 (S/W. 124): «De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidenteele vorderingen worden ingesteld bij conclusie ter rolle.
10 Of)
(Art. 41H,
â¢â De verweerder op het incident neemt in dezelfde of in eene nadere door den Hoogen Raad te bepalen terechtzitting zijn conclusie van antwoord op het incident, dat door den Hoogen Raad, na partijen, zoo zij dit verlangen, in de mondelinge toelichting harer conclnsiën en het Openli. Min. te liebhen gehoord, afzonderlijk wordt beslist».
Art. 417.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van Juni 1870 (SVM.n0.124)aldus:
«Overlegging ter griffie of mededeeling in afschrift van de volmacht van den volgens art. 407 of art. 408 aangewezen advokaat kan door de wederpartij worden gevorderd.
«Hij blijft de partij vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander advokaat bij den Hoogen Raad is aangewezen bij aan de wederpartij beteekend exploit, of hij zelf aan deze laatste bij beteekend exploit of tor terechtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere behandeling der zaak onttrekt».
.1/7. 418.
Aan bet oorspronkelijk artikel is bij de Wet van 20 Juni 1876 (Slhl. n0. 124) een nieuw tweede lid toegevoegd, dus luidende:
«De pleidooien kunnen ook gebonden worden door andere dan volgens de artt. 407 en 408 aangewezen advokaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is».
1W. 419.
Aan het oorspronkelijk artikel is bij de Wet van 26 Jnni 187('gt; {Stht. n0.124) een nieuw derde lid van den volgenden inhoud toegevoegd, dus luidende:
«Geen andere middelen van cassatie komen bij de uitspraak in aanmerking dan die, welke overeenkomstig het bepaalde bij de art. 406 en 410 zijn voorgesteld».
.1)7. 422.
I. Het Hof, aan hetwelk de zaak door den Hoogen Raad was verwezen, ten einde met inachtneming der uitspraak van den Raad de zaak verder te handelen en te beslissen, handelt niet in strijd met die uitspraak, door de zaak naar een lageren rechter te verwijzen, ten einde in eersten aanleg ten principale te worden beslist.
1007
s-a-~ cAjL^yi^j-r^-^^yenr ^ fis ~
«U^ w-*â /g/, ^ ^^oo-
^ . n c. .\ c^ /iro-*-^ i^(o naj^e-v y ^ ^ cru^L. yPa f,'. £ M px*i ^ a r^T
Art. 409.) 1004
Ait. v. M .Maiii't 1864. W. 11°. 'J57I ; I!.. (II. I,XXVI. § 'JS; v. n. H.. II. II.. dl. XX VIII. ]). .â i94â413; idem arr. v. 9 Jlei 1856. W. n=. 175'J. I!.. dl. Mil. § 9; v. n. H.. /gt;'. It., dl. XX. p. 325â338.
-I-. Tn cassatie kan niet worden teruggekomen op beslissingen van den eersten rechter, waartoe de oorspionkelijk appellant, zijn beperkt hooger beroep niet had uitgestrekt.
Air v. IS .Tnni 1869, W. 11°. 3120: li. I!.. dl. XX. jg. 1870. p. 171.
ü. De stelling in cassatie, die niet is de grondslag der bij introduc-tieve dagvaarding ingestelde actie, zooals die dagvaarding blijkens liet bestreden arrest is opgevat, kan niet in cassatie worden onderzocht.
Air. v. 23 Nov. 1877. W. nquot;. 4194; v. n. II.. B. It., dl. XI.II. p. 421 â429.
â¬Â». Waar de toewijzing der gewijziirde incidenteelo vordering bij het arrest niet berust op eenige wetsbepaling en speciaal niet op de in casu als geschonden voorgestelde artt. 148, 133, 139, 143 en 114 I? R.. maar alleen op het judicieel contract, dat volgens den judex facti tusschen partijen is aangegaan, is geen cassatie mogelijk.
Arr. v. 3 Dop. 1880, W. n0. 4586; v. 11. II.. /gt;'. /?., dl. XLV, p. 373 en 374.
S. Zie over den strijd tusschen deze bepaling (zooals die vroeger gelezen werd) en art. 105 R. Org., â
ce.11 Hoofdartikel in W. nquot;. 3535.
Avt. 410.
Dit artikel is bij de Wet van 26 .Tnni 1876 (Slhl. n0.124) thans aldus gewijzigd:
«De verweerder, van zijne zijde in cassatie â wenschende te komen, doet dit op straffe van verval, liij zijne conclnsie van antwoord.
â gt;T)io conclusie bevat alsdan ecnc omscbrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in art. 406 vermeld.
«De verweerder is in dit incidenteel beroep ontvankelijk ook na verloop van de in art. 398 gestelde termijnen en zelfs na berusting in liet arrest of vonnis.
«Art. 409 geldt ook voor het incidenteel beroep.
«De afstand van bet principaal beroep doet liet ingesteld incidenteel beroep niet vervallen».
(Art. 410.
De oorspronkelijk verweerder kan niet na afloop der instantie van cassatie, van zijne zijde beroep in cassatie instellen.
Air. v. 8 Felir, 1884, \V. u0. 5(1(18; lï., dl. CXXXVI. § '22; v. D. II. It. li., dl. XLIX. \gt;. 193â107.
All. 111.
Uit artikel luidt thans volgens de Wet van tili .liini 187ü (.S7W. 11°. 124) aldus;
«Wanneer de verweerder niet reeds op den eersten rechtsdag zijne conclusie van antwoord neemt, wordt hem tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend.
«Hij is gehouden alle exceptiën met zijn antwoord ten principale te vereenigen,
op straffe van verval.
«Alleen de in art. '159, 2e lid bedoelde exceptie wordt ook in cassatie, op straffe van verval, afzonderlijk vóór alle weren van rechten, behalve de vordering tot zekerheidstelling, voorgedragen».
I. Bij pleidooi kan niet worden gedesisteerd van een middel in de memorie van cassatie voorgesteld.
Air. v. 28 Maa,, «73. W. ... Equot; quot;-iffquot; '
3. Het strijdt met de bepaling van dit artikel om de exceptie IT berusting bij pleidooi voor te stellen. ^ u' 66s-^.
Arr. v. 7 Jan. '1881, W. n0. 4G60; R.. dl. CXXVII, § S: v. D. IJ..
B. II.. dl. XLVI. p. 8â17; cf. liet aangeteekende sub art. 139 R li. n0. 2.
Art. 412.
Dit artikel is thans bij de Wet van ^6 Juni '187() (.S77gt;/. n0. 124) aldus gewijzigd:
«Ingeval van incidenteel beroep, of indien door den verweerder eene exceptie tegen bet principaal beroep wordt aangevoerd, wordt den eiscber, op zijn verlangen. een termijn van hoogstens vier weken verleend om liet incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
(Js het een of ander bet geval niet, dan wordt onmiddellijk na liet nemen der conclusie van antwoord de dag van pleidooi bepaald, ten zij partijen, onder overlegging der stukken, daarop recht vragen».
1005
Art. 413.)
Art. 4J3
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 20 Juni 1870 {SlhL n0. â¢1'24): lt;Partijen zijn gehouden de stukken, waarop zij ziel] beroepen, elkander over en weder mede te deolen in afschrift of door nederlegging van het oorspronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen».
Ail. 41 k
Het voorschrift van art. 414 j0. art. 409 15. R. is kennelijk alleen van toepassing op de gronden, die door den gedaagde of verweerder worden aangevoerd ter bestrijding van de middelen van cassatie, en geenszins op eene voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen de voorziening in cassatie, welke laatste uit den aard der zaak mede moet kunnen worden gestaafd en bewezen door middel van stukken, die posterieur zijn aan bet beklaagde vonnis of arrest, en alzoo bij den rechter a quo niet hebben gediend.
Arr. v. 17 Juni 1853, W. n°. 1405; R., dl. XI.V. §22; v. n. II.. H. II.. d'. WIT, )gt;. (.11â08; idem de Pinto, Hdl... B. 11.. dl. TI. I. p. 504 en 505, 2de ed., dl. II, p. 502. en Penning, ad art. Zie ook Oudeman, /gt;'. It., dl. II, 4de ed., p. 73 sq.
4/7. 415.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 20 Juni 1870 (Slhl. n°. 124): â De artt. 152 en *153 zijn van toepassing in cassatie.
quot;Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende in cassatie, niet, gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.
quot;I)e verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.
oDe in vroegere instantien gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.
«De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle andere weren van regten».
Art 41(5.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 2(i Juni 1870 (Slhl. 124): De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidenteele vorderingen worden ingesteld bij conclusie ter rolle.
inofi
(Art. 41H.
«De verweerder op het incident neemt, in dezelfde of in eene nadere door den Hoogen Raad te bepalen terechtzitting zijn conclusie van antwoord op het incident, dat door den Hoogen Raad, na partijen, zoo zij dit verlangen, in de mondelinge toelichting barer conclusion en het Openl). Min. te hebben gehoord, afzonderlijk wordt heslist».
Art. 417.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van '2(i .Tnni 1870 (5VM. n0. 424) aldus:
«Overlegging ter griffie of mededeeling in afschrift van de volmacht van den volgens art. 407 of art. 408 aangewezen advokaat kan door de wederpartij worden gevorderd.
«Hij blijft de partij vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander advokaat hij den I longen Raad is aangewezen hij aan de wederpartij beteekend exploit, of hij zelf aan deze laatste bij beteekend exploit of ter terechtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere behandeling der zaak onttrekt».
Art. 418,
Aan het oorspronkelijk artikel is bij de Wet van 2(1 Juni 1876 (Sthl. n°. 124) een nieuw tweede lid toegevoegd, dus luidende:
«De pleidooien kunnen ook gehouden worden door andere dan volgens de artt, 407 en 408 aangewezen advokaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is».
Art. 419.
Aan het oorspronkelijk artikel is bij de Wet van 20 Juni 1870 (S7W. nquot;. 124) een nieuw derde lid van den volgenden inhoud toegevoegd, dus luidende:
«Geen andere middelen van cassatie komen bij de uitspraak in aanmerking dan die, welke overeenkomstig het bepaalde hij de art. 400 en 410 zijn voorgesteld».
Arl. 422.
1, Het Hof, aan 'hetwelk de zaak door den Hoogen Raad was verwezen, ten einde met inachtneming der uitspraak van den Raad de zaak verder te handelen en te beslissen, handelt niet in strijd met die uitspraak, door de zaak naar een lageren rechter te verwijzen, ten einde in eersten aanleg ten principale te worden beslist.
1007
p
Art. 422.) 1008
Air. v. 24 Oct. 185(). W. n'. 1860; li., dl. I.IV. § 18; v. n. H.. li. H.. dl. XXII. p. 22â37.
'i. In den regel behoort de kennisneming van de ten-uitvoerlegging van een gewijsde aan den rechter, door wien het is gewezen; de Hooge Raad is derhalve, in geval van cassatie met verwijzing, bevoegd kennis te nemen van de uitvoering van zijn gewijsde, en bij gevolg om dat gewijsde tegen verkeerde uitlegging te handhaven, terwijl zonder die bevoegdheid de bepalingen van de artt. 422 en 424 B. 11. geheel ijdel zouden zijn of kunnen worden gemaakt.
Air. v. \ Febr. 1859: W. iic. 2035, R.. dl. LXI, § 23: v. u. II,. II. /;.. dl. XXIII. p. 71â87.
3. Door de woorden «verwijzing naar den rechter, die van de zaak heeft kennis genomenquot; wordt in dit artikel en in art. 424 niet anders bedoeld dan de verwijzing naar hetzelfde rechtscollege, niet naar dezelfde rechters, die bevorens van de zaak hadden kennis genomen.
Air. v. 17 Nov. 1808, \V. 11°. 30(13: R.. dl. XC, § 21 : v. d. 11.. II. I!.. dl. XXXIII. p. 108â122.
-t. Bij air. v. 25 Mei 1841) (soli art. 399 13. K.. n0. 2) is beslist, dat eene interlocutoire uitspraak vatbaar is voor cassatie, wanneer de rechter op met de wet strijdende jiirullcki: gronden tot de interlocutie is overgegaan. Op die gronden beeft de H. R. eene interlocutie vernietigd. Met bet oog echter op art. 422 15. R., naar luid waarvan geene beslissing der hoofdzaak ten deze bij de vernietiging van het beklaagd arrest mocht, maar alleen eene verwijzing van het geding moest geschieden, hoeft zich de H. R., hoezeer hier de ontzegging der vordering ten principale het noodwendig gevolg moest zijn van de uitgesprokene vernietiging, niet de zaak kunnen aantrekken en ten jirincipale recht doen, en uit dien hoofde alleen het geding verwezen naar hetzelfde Hof, ten einde, met inachtneming van 'sRaads arrest, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen. â Art. 422 1!. R. bevat dus voor die gevallen werkelijk eene uitzon-dering van den algemeenen regel, hij art. '105 van de ⢠Irp;. Wet (in afwijking van het Fransche Hof van Cassatie) aangenomen. Zon de wetgever daaraan wel bij de vaststelling van art. 422 15. R. hebben gedacht'.' Kn zou dan ook niet m. jfivG cotfsiihfcnflo art. 4-22 15. R. m overeenstemming beboeren te worden gebracht met voormeld art. *105quot;.' (Lkox.)
Art. 423.
t . De door den verweerder voorgestelde niet-ontvankelijkheid in cassatie, daarop gegrond, dat de eischer goedgevonden heeft zijne in
[Art. 42;3.
appèl niet-ontvankelijk verklaarde subordinate conclusie, m cassatie te vernieuwen met zekere wijzigingen en onder zekere vrijlating tot ampliatie, kan niet eerder een punt van onderzoek uitmaken, dan wanneer de 11. R., bij eventuele vernietiging van het aangevallen arrest, mocht geroepen zijn om ten principale recht te doen, en kan aizoo dit middel van niet-ontvankelijkheid, indien overigens de voorziening op zich zelve buiten eenigen twijiel ontvankelijk mocht zijn, in geen geval de strekking hebben om het onderzoek in cassatie geheel af te snijden en is het ook daarom ongegrond.
Air. v. 2:'. .Juni 1854, R.. dl. XI.VU, § 84: v. d. H., It. Jl.. dl. XVIII. Igt;. 470â495.
'i. Zie over de beslissing van den 11. 11. bij arr. v. 30 Dec 1881, W. n0. 4727, waarbij met vernietiging van het vonnis a quo, dat ten principale had recht gedaan en het vonnis des kantonrechters die zich onbevoegd verklaarde, had vernietigd, laatstgemeld vonnis niet werd bevestigd, omdat die bevestiging niet was gevraagd, maar ten principale werd recht gedaan, waartoe was geconcludeerd â
\V. n0. 4735, dat deze beslissing in tearenstelling' van Mr. R. .1. Poi.enaaii, in W. n0. 4742, als veiward kenmerkt.
Arl. 424..
1. Daar de llooge Raad niet bevoegd is om, indien door den rechter a quo over een punt in facto geene uitspraak is gedaan, daarover in cassatie tc beslissen, bestaan er evenmin termen om de zaak ter beslissing van dit punt weder naar den eersten rechter te verwijzen, indien de ingestelde vordering daarop niet is gegrond geweest.
Arr. v. -17 Juni '1842, R., dl. XIII. § 65; v. n. II., '/... /;. en Suce., dl. II. p. 173â-187: idem v. 17 Oct. 1845, VV. n0. ()55; v. d. H.. H. II.. dl. VII, p. 121â142. Verg. hiermede in verband liet sub art. 400 li. R. vermeld arr. v. 20 Febr. 1874, \\ . n0. 3093. waarhij echter het zwaartepunt der beslissing berustte op het feit, dat bij het middel niet geklaagd was over gemis van eene feitelijke beslissing omtrent zeker punt.
8. Art. 424 B II. bevat niet eenig voorschrift, hetwelk door een Hof of Rechtbank zou kunnen worden opgevolgd of toegepast, maar
Mr. W. vax Kossem Bz.. Burg. Hechlsv. «4
100 li
Art. 424.) 1010
alleen eene bepnlinij wat fle Hooge Raad te doen liebbe. indien hij in liet daar bedoelde geval een vonnis of arrest casseert.
Air. v. Hi Dec. 1S42. v. n. II.. Tl. II.. dl. IV p. l'iSâ117.
3. De Hooge Raad is niet bevoegd de hoofdzaak te beslissen, als bij het bestreden vonnis, blijkens de daarin voorkomende woorden: daargelaten of door de eerste, opposante in dat gecal aldan niet boete zal zijn verschuldigd, zelfs in 's rechters overwegingen een gedeelte van het eerste middel van verzet der verweerders geheel onbeslist is gelaten. Arr. v. 'K') M1856, 11.. dl. L1IJ, § i5.
Art. 425.
Dit artikel is bij de Wet van 26 Juni 1870 (Slhl. n0. 124) als volgt gewijzigd;
«Er wordt geen verzet toegelaten tegen arresten door den Hoogen Raad bij verstek in cassatie gewezen dan alleen wanneer er gronden waren tot nietigverklaring van de dagvaarding, of liet beroep was ingesteld na verloop van den wettelijken termijn en mits het verzet geschiede binnen veertien dagen na beteekening van bet arrest».
y V\ ^ _l /⢠'viA ó. tt'c '-â¢y ic
⢠- __Xrf- 42 8 â -^ -V
^ . Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 2(5 Juni '1876 (S'W. n0. 124) aldus:
^ , âHet beroep in cassatie tegen beschikkingen op request wordt bij den Hoogen ' Raad insgelijks bij request aangebracht.
âDe artt. 334, 336, het eerste lid van art. 337, het tweede lid van art. 345, C^c. ; het tweede lid van art. 3f)8 en art. 409 zijn op dit beroep van toepassing».
1, vU. D® oorspronkelijke redactie van dit artikel was reeds ingetrokken bij de Wet
â -J / van 7 April 1809 {Sthl. n0. 55).
v-
Art. 429.
Dit artikel luidt thans volgens de Wet van 26 Juni 1876 {Sthl. nc. -124) aldus:
«Het verzoekschrift bevat eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in art. 406 vermeld.
«Geene andere middelen komen bij 's Hoogen Raads beslissing in aanmerking.
«Ten aanzien van die beslissing gelden de bepalingen van artt. 421, 422, 423 en 424».
De oorspronkelijke redactie van dit artikel was reeds ingetrokken bij de Wet van 7 April 1869 [Sthl. n°. 55).
(Ar(. 4.2 9.
In de Themis, '2de verzameling, jaarg. '1854, p. 673â684, vindt men een vertoog; «Over het middel van cassatie in burgerlijke zaken» waarin â ook met het oog op de nadeelige gevolgen, deels in cassatie voortvloeiende uit de onzekerheid wat facti dan wel juris is â de meerdere voortreffelijkheid van één Hof van appèl, aan hetwelk de kennisneming van alle voorzieningen in hooger beroep zou kunnen worden opgedragen, boven de instelling van den Hoogen liaad als Hof van cassatie, wordt uiteengezet. De schrijver acht dan ook, bij de aanstaande herziening der wet op de R. Org., die verandering wenschelijk, en komt die hem voor niet in strijd te zijn met art. 462 der Grondwet.
Het behoud van het middel van cassatie in burgerlijke zaken wordt verdedigd in een geschrift, door Mr. J. W. Tvdeman opgesteld, waarin de meening van de leden der Vereeniging van de Amsterdamsche balie wordt uitgedrukt, getiteld: «Het rechtsmiddel van cassatie, in verband met Rechterlijke Organisatie en Burgerlijke Rechtsvordering», Amsterdam 1856, beoordeeld door Mr. J. van Ham., in N. Bijdr.. jg. 1857, dl. VII, p. ±22 en bestreden door Mr. J. J. L. van der Brugghen: «Advies in zake cassatie», Utrecht, 1860, aangekondigd in .V. JStyri/'., jg. 1860, dl. X, pag. 496.
De wenschelijkheid van het bestaan van het middel van cassatie wordt bestreden door' Mr. J. ü. A. I aber in Themis, 2de verz. dl. Hl, p. Ii88.
Oordeel van een praktisch jurist over de cassatie in burgerlijke zaken, A . Bijdr., jg. â 1863, dl. Xlll, p. 435 en nog een oordeel daaromtrent, eod. pag. 575.
Zie over de cassatie in burgerlijke zaken :
1°. het advies uitgebracht dooi' Mr. J. Kaweijne van ue Coppello in de eerste vergadering der Juristen vereeniging (Ilandelitir/en Jiiristenvereeniginy 1870);
2°. de reeks van dissertation en schrijvers, aangehaald in de Sedcrlandsrha Ucchtsliteratuur van van Oppen en Sasse, Voce; Casmtie, bl. 257â260; â vergelijk over de veranderingen in *1876 in het Wetboek van Burg. Rechtsvordering gebracht: van den Honert. J'ormulicfbock, (3e uitgave), bl. 201 â 204.
lüli
T W E !â ; ] ) E B O K K
é'*» 4- vttjLJi-
Art. 430.
Zyy^.
;1 Het stri)okt geenszins met den geest eu de vrijgevige bedoeling des wetgevers ter voorkoming van chicane, zoo als dit o. a. in de artt. 90 en 94 !gt;. 11 uitkomt, eene nietigheid te zoeken in de gebezigde uitdrukking quot;/;/ uaam m van wega den Koulny' of dergelijke uitdrukkingen, in stede van 'iln naam das Konïngs\ hetgeen, volgens art. 480, n0. 2, B. Ti., aan het hoofd der grosse, in dat artikel vermeld. moet voorkomen.
Air. v. rgt; .luni 1840, W. nquot;. TI'J: li., dl. XXIII. § 80; v. n. II.. /gt;'. /;., dl. VIII, p. 7â17; â idem de Pinto, Hdl.. dl. II. p. rgt;'14, 2de ed., dl. II. 2, p. 571 sqq., Oudeman, B. B., 2de ed, dl. II, p. 93, 3de en 4de ed., p. 81 en Vernede, ad art. (volgens wien dit beginsel ooi; in strafzaken toepasselijk is); â anders bij liet daartoe betrekkelijk arrest van 't 1'. II. v. Friesland, v. 15 Oct. 1845, W. nc. 681, bevestigende een vonnis der Arr.-H. Sneek, v. 30 April 1845, R. B.. jg. 1845, dl. VII, p. 072. â \'gl, Iiiermede ten betooge, dat het nergens gebiedend en op straffe van nietigheid is voorgeschreven, dat de formnle «in naam des Konings» of «in naam en van wege den Koning» in de nrwnftoi der rechterlijke gewijsden opgenomen en bij de pronunciatie uitgesproken moet worden â art. '100 der Grondwet van IS-IO, arr. v. 29 Juni â¢1841. soli n0. 2, dl, I, p. 59).â /.ie ook art. 100 der Grondwet, ut supra, sub m ~. 1 en 3; vergelijk art. '145 Grondwet 1848.
lt;5. quot;Vermits de al of niet-executabiliteit van een vonnis de competentie des rechters niet regelt, en het bovendien in art. 431 15. R. een bizonder geval geldt, waarin de wetgeving, blijkens de geschiedenis onzer wetgeving (vgl. v. d. Honert, ad art.) uitdrukkelijk zijne bedoeling heeft te kennen gegeven, om onder het Rijk de koloniën te begrijpen, zoo volgt hieruit, dat vonnissen, in onze koloniën gewezen, hier te lande uitvoerbaar zijn en omgekeerd.
[Art. 430.
Ait.-Pi. Amsterdam, v. -IS ])cc. 1849. W. ii0. 1097; It. II.. jo-. 1850. ill. XII. |i. 181â180. met de gionden waarvan zich heeft vereeniL'd liet I'. H. v. N.-Holland, bij arr. v. 30 Jan. 1851, W. n0. 1232; R, B. ig. IS.rl. p. 128â132; Anmterd. Itcgtfjir., dl. 1. p. 286â290; â idem' bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 13 April 1853, R. B..Jg. 1853, p. 430â439 waarbij o. a. met een beroep op art. 91. al. 2. K. Org., (waaruit volgt, dat niet appellabele of in kracht van gewijsde gegane koloniale vonnissen of arresten ook in Nederland kracht van gewijsde zaak hebben), is beslist dat ook de hoedanigheid, dooi- eene Nederlandsche autoriteit in Indir wettelijk opgedragen (in ca.su liet beheer van een desolaten boedel door den Raad van Justitie te Samarang aan de weeskamer aldaar gegeven), het recht geeft om als zoodanig in Nederland op te treden; idem op denzelfden grond, alsmede op het na te melden motief, ontwikkeld door Mr. J. II deh Kindriikx. bereids aangevoerd door sommige van de andere autori-loiten ut, supra. - bij arrest van quot;t I'. II. v. /.-Holland, v. 21 Dec. 1853. VV. n . 1;,)00 (alwaar liet gold de grosse eener authentieke akte. dooreen daartoe bevoegden notaris opgemaakt) en v. 'Ilt;S Juli 1854. \V. n0. ISlil te dien aanzien bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Leiden v. . . . 1X54. \V. n0. I55() (bij welk laatstgemeld arrest tevens is beslist, dat men quot;in dergelijke vonnissen ten uitvoer te kunnen leggen, moet bewijzen.
dat ze aan den procureur van den debit...... zijn beteekend). lu gelijken
zin ten betooge. dat de grossen van vonnissen en authentieke akten aan liet hoofd voerende; «in naam des Konings!» gewezen en verleden in Nederland en in de Nederlandsche overzeesche bezittingen, over en weder executoir zijn â de Pinto, lldl.. II II.. dl. II. 2. p. 515 sqq.. 2de ed.. p. 573; OiiDK.MAN. II. I!.. 2de ed.. dl. II, p. 94. 3de en 4de ed.. p. 82; de Maüïini. Penning en Vehneue. ad art. 13(1 1!. 1{.; door den lloogl. .Al. des Amokie v. ii. Hoeven in zijne «l'ruevc van eene hmnUooordiny ih'r rechtsvrcn;/: kan een Nederlander, in Ned.-lndie met der woon quot;e-vestigd, in personeele rechtszaken, wanneer de eischer op het grondgebied van het Rijk in Kuropa woont, voor de Rechtbanken van het moederland gedagvaard worden?» â (Vgl. art. 126 I!. 1!.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. IS Dec. 1849, sul» n . 8); â idem in de conclusie van liet Openb. Min., bij monde van Mr. F. F. Karseboom, welke heeft geleid tot rneervermeld vonnis v. 18 Dec. 1849. Bij deze vrij eenstemmige beschouwing over voormelde rechtsvraag is het opmerkelijk, dat de Regeering iu het najaar van 1852 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend ontwerp op het beleid der regeering van Ned.-lndii' art. 94 lieeft opgenomen, luidende; «Vonnissen door den rechter iu Nederland gewezen en bevelen door hem uitgevaardigd kunnen in Ned.-Indië worden ten uitvoer gelegd. Zoo ook kunnen vonnissen en bevelen door den rechter in Ned.-lndii; gewezen of uitgevaardigd, in Nederland ten uitvoer geleed worden, «waaromtrent de Oud-Raad van Indië, Jhr. J. P. Cornets de Kroot van K i I a a i.t in k r K(;. in zijne Aanmerkingen op voormeld Regeerin^s-Reglement. ad art. 94, zegt; «dat tot dusver de vonnissen der Rechtbanken in Nederland niet executabel zijn in Ned.-Indië», welk gevoelen wordt gedeeld door den onbekenden oud-lndischen ambtenaar, zijn tegenstander, in diens antwoord op deze aanmerkingen op p. 32. â Vgl. niet
1013
Art. 430.)
dit een en ander een vertoog van Mr. T. II. nEii Kindeeen, destijds griffier bij den Raad van Justitie te Soerabaya, Themis, XlVde jg., p. 281â295, die meer bepaaldelijk bestrijdende het gevoelen van Mr. A. de Pikto, ut supra, alsof, ten gevolge der bedoeling des Nederlandscbe wetgevers, dat de vonnissen, door de rechters in Nederlands Overzeesche bezittingen gewezen, ook in Nederland zouden kunnen worden ten uitvoer gelegd, ook de woorden: «hel Ftijk» en «het Koiringrijk», in de artt. 430 en 436 B. R. zouden moeten worden opgevat, als te beteekenen hut Rijk in en Int Hen Europa, en met een beroep op Foelix {Traité de droit internation(d privé. Paris, â¢1848, p. 365), als eenige reden waarom, naar zijn gevoelen, aan de grossen van vonnissen en authentieke akten, gewezen en verleden in Nederland en in de Nederlandsche Overzeesche bezittingen, over en weder executoire kracht moet worden toegekend, doet gelden de woorden : «in naam des Koniinis», die zoowel in Nederland als in Ned.-lndié aan het hoofd staan van de grossen van de vonnissen enz., dewijl de executoriale titels alleen aan de uitvoerende macht in den Staat, bij ons de Koning, hunne kracht ontleenen. Verg. Mr. N. I . van Nooten, in .V. Bijdr.. jg. 18()8, dl. XVIII. p. 34 (1).
3 De beteekening van het vonnis moet gedaan worden aan de partij; '/ij moet voorts beschouwd worden als de voortzetting van -â en als eene akte van procedure hehoorende tot â het rechtsgeding, waarin het vonnis is gewezen.
Wanneer de partij als voogd geprocedeerd heelt, en deze voogdij door de meerderjarigheid van den pupil heeft opgehouden, terwijl de verandering van staat niet is beteekend, behoort de beteekening te geschieden aan de partij in denzelfden staat waarin zij geprocedeerd heeft.
An-, v. 18 Mei 1860. W. ir . 2170; R.. dl. LX1V, § 62; v. d. II.. dl. XXIV. p.'141 â157; bevestigende arr. P. H. v. Overijsel, v. 28 l-'ebr. 1859, W. u0. 2091; idem arrest van hetzelfde Hof v. 16 Jan. 1860, W. n0. 2144. ook aangehaald sub art. 332 1!. R.
(1) De wetenschappelijke strijd, over bovengemelde reehts-kwestie gevoerd, heeft thans zijn belai.g verloren, nu het onderwerp in den zin der gevestigde jurisprudentie is geregeld bij het in 1854 door de wetgevende macht hier te lande vastgesteld Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-Indië, waarvan het tijdstip der in werkingtrediug aldaar ingevolge art. 131 door den Koning wordt bepaald.â Art. 104 toch van dit Reglement luidt als volgt:
.,Vonnissen door den rechter in Nederland gewezen, en bevelen door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten aldaar verleden, kuniien in Nederlandsch-Indië worden ten uitvoer gelegd.
âZoo ook kunnen vonnissen en bevelen, door den rechter in Nederlandsch-lndic gewezen of uitgevaardigd, alsmede grossen van authentieke akten aldaar ten overstaan van Europeesche openbare ambtenaren verleden, aan welke gelijke kracht als aan de vonnissen is toegekend, ten uitvoer gelegd wordenquot;. (Leon).
1014
[AH. 430.
A, Art. 4w0, al. .'3 is uief- van i)|)eiibare orde.
An-, v. '2 Dec. 1881, \V. n0. 4717, K.. dl. CXX1X. § 20.
ö Aan de woorden: '/in naam des Konings,quot; die de grossen der vonnissen, in de Nederlanden gewezen, aan het hoofd moeten voeren, heeft de Nederlandsche wetgever dezelfde kracht verleend als aan het bevel, bij de Fransche wetten onder de vonnissen gevorderd, waarin het bevel van de uitvoerende macht aan alle openbare machten ligt opgesloten, om, des wel en wettig gevorderd, aan de uitvoering der vonnissen den sterken arm te verleenen Hieruit volgt dut er (in liet Nederl, recht) geen wetsartikel wordt gevonden, waarbij bepaald is, dat de rechter zoodanig bevel moet geven.
Arr.-R. Tiel (uitspraak van den president in kort geding) v. 4 Mei 1852, W. n0. 1378.
©. Hoezeer bet, ondanks het stilzwijgen daaromtrent bij de wet in acht genomen, met het oog op de artt. 439, al. 2, en 503, jls. cie artt. 123 en 124 B. R. duidelijk is, dat bij de ontruiming van een huis of land, krachtens de grosse van een vonnis, een termijn moet gelaten worden, is echter de hoegrootheid van dezen termijn niet expresse door den wetgever aangegeven, zoodat deze tennijnsbepaling, als zijnde een punt van wetgeving, zal behooren te worden afgeleid uit de bepalingen der wet, die de ten uitvoer-legging van vonnissen regelen, waaruit volgt, dat de rechter de bevoegdheid niet heeft, om naar zijn goeddunken dien termijn te bepalen, maar dat hij {doch niet de kantonrechter naar luid van art. 435) eerst bij een gerezen geschil betreflende de hoegrootheid van dien termijn zal moeten beslissen.
Ivtg. Wychen, v. 20 Juli 1854, W. n0. 1563.
ï. Onder de middelen, om aan een rechtelijk gewijsde gevolg te geven, bij het Wetboek van Burgerlijke liechtsvordering voorgeschreven, behoort geenszins, dat, wat in casu is voorgesteld, nl. om indien de gedaagde mocht in gebreke blijven aan 's rechters uitspraak tot uitlevering van een der duplicaten van een akte te voldoen, het vonnis de plaats te doen vervangen van bedoeld schriftelijk stuk, en daaraan dezelfde gevolgen toe te kennen als aan dat stuk, en het vonnis alzoo te doen gelden als de schriftelijke akte van de overeenkomst.
1015
AH. 430.)
Arr.-li, Groningon, v. :! April 1857. U. li., jg. 1857. dl. \ll. lil. 635â637.
8. De oproeping van partij om ten principale voort te procedeeren, nadat bij vonnis pene exceptie is verworpen, met bevel om op de hoofdzaak verder voort te procedeeren, is nici te beschouwen als eenc daad van executie in den zin van dit en de volgende artikelen.
Arr.R. Amsterdam, v. 14 Jan. 18(ii2, \V. nquot;. 2388; Idem Ktg. II. Ilotterdam. v. 24 Sept. *1875, W. nquot;. 3017.
Uit artikel bepaalt alleen den vorm van vonnissen, zullen zij voor
executie vatbaar zijn, maar behelst niets omtrent hunne al- of niet
schorsende kracht zoo daartegen rechtsmiddelen aangewend worden.
I'. II. v. N.-1lollmid, v. KI Xov. 1804, W. nquot;. 2684: bevestigondi' vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. (i Sept. 1864. W. ii0. 2628.
â O. Het bevel van den president, bij art. 290 B. R bedoeld, schriftelijk gegeven zijnde, vereischt geene afzonderlijke beteekening en vnlt niet in de termen van dit artikel.
Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Oct. 1868. \V. nquot;. 3053.
II. w anneer een incidenteel vonnis in appèl is bevestigd, is de oproeping om voort te procedeeren niet de uitvoering van het arrest, (waardoor slechts werd opgeheven de door het hooger beroep ingetreden schorsing der ten uitvoerlegging van genoemd vonnis), maar van het vonnis; voorafgaande beteekening van het arrest is dus onnoodig. Hof Arriliem. v. 21 Mei I87lt;t. W. iiquot;. 4401,
1«. Zie ten betooge;
a Dat ook het bestuur der registratie, rechtstreeks verhalende de in debet gestelde rechten op de snccumbeerende partij, gehouden is zich te gedragen o. a. naar de voorschriften omtrent de vereischten ter executie van veroordeelingen â
art. 8(i0 I1!.. arr, v, 18 Maart 1842.
b. Dat de grosse eener akte ook tegen de erfgenamen van een debiteur executabel is â
art. 436 I!. li., arr. v. 't P. 11. v. N,-Holland, v. 17 Juni 1847.
1016
(Art.. 480.
c IJat tie toepassing van liet laatste lid van art. 4o0 B. 11. nict wordt vereischt bij den verkoop van een vast goed uit krachto van het beding, vermeld in art. 1323 B. W. _
art. '1223 J!. VV. vonnis van de Arr.-IJ. Ar-iiljcrn, v.'l Juli JHW. sidi m0. (i.
(2(Je ed. pro et contrn, soli n0. I I).
d. Dat eene grosse niet slechts aan de partij, welke het proces heeft gewonnen, maar aan ieder, die partij in het geding is geweest, mag worden afgegeven -â
OliliK.MAN. dl. II. Iflc dl., p. 82.
⢠«J- Zie over de middelen viiu tcri-uitvoerleggins' v;iii liier te lande gewezen vonnissen, een vertoog van Mr. L. Ouikniiitis Ghatama. in de O/mi. m Mcd.. dl. VII, |). 191â190, volgens wien onze wetgever zieli in nrt. 430 en volgt;1. B. R. alleen tot liet. stellen van algemeene voorschriften en verhodshepalingi'ii heeft bepaald en in vele gevallen de middelen van nitvoering aan den rechter heeft moeten overlaten en ook overgelaten beeft, met dat gevok. dat alles wat op bet s(iik van nitvoering van vonnissen niet bij de wetten verboden is. en door den rechter ter zake dienstig en doelmatig wordt oeoor-deeld, tot dit doel geoorloofd moet zijn en door den rechter kan en niau: woiden gelast, hetzij ambtshalve, betzij iip de conelnsien van partijen; idem ten betooge, dat hetgeen voor ten-nitvoerlegging in art. -WO te bonden zij, steeds aan de uitlegging blijft overgelaten, en die uitlegging nagenoeg geen vast standpunt heeft van waar zij zal uitgaan, vermits zij uit den aard der zaak geheel op feitelijke gronden lierusten moet â Mr. A. .1. /rin.i, R. Pgt;.. jlt;r, 1851. p. 91. â Vgl. ook hiermede een vonnis van de Arr.-R, Amsterdam, v. 20 Jan. 1848, R. II., jg. 1848, dl. X, p. 184â180. waarbij is beslist dat liet geding op bet doen \an declaratie door een derden gearresteerde moet bescbonwd worden als executie van bet vonnis, waarbij bet arrest is van waarde verklaard. â Cf. omtrent dit laatste, art. 82 B. R., sub n0. 9.
slrt. 431.
I. De inroeping der wettelijke bepalingen omtrent de gerechtelijke ten-uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten, komt niet te pas, wanneer een huitenlandsch vonnis of authentieke akte blootelijk als bijkomend bewijs [in casu eener familie-betrekking) wordt aangevoerd.
Air. v. 30 Mei 1839, \V, nK 2:5. :il ; R., dl. II, ^ 27: v. n. II.. ft. /;., dl. 1, p. 4â24. Verg. arr. v. 23 Nov.-I860, W. n°. 2220. R.. dl. L.\ VI, ^ 2S; v, ii. 11.. B. I!.. dl. XX1 \ . p. 399â417; waarbij is beslist dat dit artikel niet is gescbonden, waar bet niet geldt executie van een vreemd vonnis, maar bet alleiden van een zekere bevoegdheid uit een zoodanige uitspraak. In gelijken
1(117
zill tiij V. U. UoNERT. ÆÆ(/'lt;., p. 255; HE J'lNTO. Hdl.. /?. ii., dl. 11. Li. p. 520; ' 2de ed., p. 579, en Oudeman, II. U.. dl. li. ^ide ed., p. 84; idem en mede ten lietoope, lt;liit een vreemd vonnis kan gelden als bewijs eener daadzaak l (in cnsit het teniilinnden eener ladinf;' in bet buitenland), bij arr. v. 7 April 1854, W. V. 1529; R., dl. XLVIL § 43; idem dat een vreemd '7 / quot;â vonnis als authentieke akte feiten en erke.ntenissen kan bewijzen, maar 'â â _ (Uit de beslissing zelve niet onder de feiten kan worden gerangschikt; /- - M» Arr.-R. Amsterdam, v. 3 April 1862, \V. n0. 2398 en van 4 Juni 1802. rM*.» 'â â w no 9399. Arr.-R. Maastricht, v. 31 Mei 1873, W. n0. 3033; idem ^waar het gold eene failliet-verklaring, in een vreemd land uitgesproken,
/ ^ ,, 7 en bet daartoe betrekkelijk vonnis als bewijs van dit feit is aangenomen,
'$,H' ' , bij vonnis der Arr.-R. Haarlem, v. 20 Jnii 1842. W. n0. 340; R. B.. ' .'-IC. â t.t-yi-- jo- I843. dl, V. p. 829. Het tegendeel is heslist bij vonnis der Arr.-R. h - ' Middelburg, v. 21 Sept. 1871. I!. li., jg. 1872. p. 780, waarhij de koopman
door een buitenlandsch vonnis failliet verklaard, bevoegd is geacht bier te lande op eigen naam te ageeren: idem. met betrekking tot de uit-C{!gt;' â spraken van vreemde autoriteiten, niet alleen voor zooverre zij feiten
constateeren. maar ook peDiOneele hoechfnic/heclen vestigen, bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Dec. 1850, Amstercl. Fuytspr., dl. 1. p.
2'29_'gt;32, ook aangehaald sub n0. 15, naar luid waarvan het erkennen
bier te lande van een syndic in een buitenlandsch faillissement geeue executie van een vreemd vonnis is; zijnde bij dit vonnis beslist: a. dat een vreemd vonnis bij ons invloed genoeg heeft, om daaruit de gevolgen eener van onze wetgeving verschillende bepaling van kracht te doen zijn. en b. (als een gevolg der reverentie, verschuldigd aan de uitspraken van vreemde autoriteiten, voor zooverre zij feiten constateeren en personeele boedanigheden vestigen, en der onmogelijkheid om op eene andeie wijze vreemde belangen te vereifenen en ten einde het eene volk niet geheel van het andere te isoleren), dat, indien een syndic in een faillissement zijne kwaliteit ontleent aan de uitspraak van een vreemden rechtei, dit niet belet dat bij die kwaliteit en personeele boedanigheid, welke uit dat vonnis voortspruit, overal behoudt en deze, zoolang het vonnis in den vreemde blijft bestaan, niet kan worden betwist. - â hieimede het
sub hoe artikel vermeld arrest Hof Amsterdam, v. 20 Juni 1879 sqq.. het aangeteekende op art. '10 der Algem. Bep. van Wetg., sub n . 0, dl. 11, p. 7ti en 77. 2de ed.. sub u0. 9 en omtrent de toepassing van het personeel statuut, ingeval van faillissement â eene ook voor ons land belangrijke procedure, gevoerd voor het Hof van Cassatie in België, te vinden in de Bc/f/iV/ffe .1 iilt;licinirc, v. 5 l-ebr. 1854, t. XII, n . 11, alsmede in 't R. B., jg. 1854, p. 407â410. â Zie ook het bereids sub art. 430 B. U.. aangehaald betoog van Mr. A. J. Zuhli, R. 1!., jg. 1851,
v, 0|_9c, jp aldaar de vraag behandelt, of de strekking van art. 431
B. R. is. om daaruit ook andere gevolgen dan een verbod van executie van vreemde vonnissen af te leiden, in hoeverre namelijk een geëxecuteerd vonnis door onze rechters in de gevolgen mag aangenomen worden. De schrijver tracht in dit stuk die vraag op te lossen uit den aard van de statuta jjersoxaiia en realia, toegepast op bet verschil tusschen executie van en bewijs door vonnissen, en doet daarbij o. a. uitkomen.
iUri: cKn.1. tin fur. Vvamp;tf- ot»A- juu^, i. a^0lt;u2^u.j^_ ^
. / /) n ^ tJ sgt; L, i-xrrtsvTAia -4- ^tr^- t^n^/o O^L, aC o^^sxAsyn. CLyamp;^s*.
lots- â
fyX-t*^' Ãâ / t^a^x^a^v- o^ ^
^JL. rz^A/v-- ^ 4, ^
/ ^ --â - â¢-!gt; tarr-w-ï-^-» ''- ^,.._ gt; / f â 3 -/ /j -t â ^
A'.c. fquot;» - 7 1019 (iirif. 431.
! './fyiVi^ y / â 'IJ 'gt; /â â / ^Jlj ^''â quot;Vl 2 Squot; â . ^ fcPcPcP . quot;VLquot; 5^^*»'. ' quot;''
lt;â (. dat personeel statuut alleen dan dooi' de wetten van een vreemd land verloren gaat, wanneer de wetten van beide Rijken daartoe de mogelijkheid doen geboren worden, of wanneer het vonnis op eene wettige wijze ten uitvoer gelegd is, en h. dat de bewijskracht (en niet de verbindbaarheid) van vreemde vonnissen (behoorlijk gelegaliseerd en in behoorlijken vorm opgemaakt), volgt uil art. 1905 1gt;. \V. Zie ook art. 740 R. R..
vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Maart 1842 sqq.. alsmede, ten aanzien van voornoemde arresten van den H. R., het daartoe betrekkelijk arrest van 't Hof van Holland, v. 11! Febr. i8;!9, VV. n0. 7; v. Z.-Holland,
v. 4 Mei 1853, W. n0. 1430 en het vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v.
11 Juni 1851. W. n0. 1242.
3. De Nederlandsche rechter heeft de bevoegdheid om de vreemde vonnissen, door hem na eene zelfstandige behandeling en afdoening juist bevonden, binnen Nederland uitvoerbaar te verklaren.
Air. v. 5 Jan. 1800, W. iiquot;. 2705; R., dl. I.XXXII. §4: v. o. II..
dl. XXX. p. 170â'180; idem vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 10 Deo. 1803,
AV. n0. 2585; waarbij nog beslist werd dat bij het op nieuw behandelen en afdoen het onderzoek niet op zich zelf en buiten verband met de vreemde uitspraak moet plaats hebben, maar dat integendeel het onderwerp der nieuwe behandeling is de vraag of het vreemde vonnis juist is t gewezen en of mitsdien de uitvoering hier te lande kan bevolen worden, â* en van 31 Mei 1873. W. n0. 3033: ook vermeld sub n0. 1 van dit artikel. '
cf. ook Mr. A. P. Tn. Kyssei.i.. «De Regtsmagt over vreemdelingen in ^
Nederland», bl. 79 en 80; Mr. de Pinto, 2edruk, 2e ged., 2estuk, §301, fy.tfl, h^Oirt.
bl. 577; Mr. Oudeman. Slt;id. 117». v. B. Ru., dl. H, 4de cd., p. 83. In
tegenovergestelden zin Jlr. .1. R. Voute, «Bijdrage tot het vraagstuk der
buitenlandsche vonnissen, aam. up art. 431 lgt;. R.» en Mr. .1. Fheskmax
Viëtor. «De kracht van buitenlandsche vonnissen» in riicutis. 2de ver/..,
dl. XIII, blz. 413â415 en in W. n0. 2773. Deze schrijver betoogt, dat al gt; / y
. â â i i komt de Nederlandsche rechter in de door de wet niet uitgezonderde
gevallen na eigen onderzoek tot hetzelfde resultaat als de vreemde rechter,
dan nog zijne uitspraak de kenmerken eener geheel op zich zelf slaande a-trz^t t2_--
veroordeeling moet bevatten, en hij het vreemde vonnis niet uitvoerbaar
mag verklaren. Zoo ook zullen partijen zich. volgens dien schrijver, ^
afwijkende van het gevoelen van Mr. Voute) niet eenvoudig mogen be-^ ^
palen tot het ondersteunen en bestrijden van het vreemde vonnis, maar 'f' ^
zal de eischer bij eene met redenen omkleede conclusie den eisch moeten quot; n^'^Xj
doen voordragen, en de gedaagde de posita des eischers moeten ontzenu-
wen. Vergelijk over een en ander en in het bizonder over de aangehaalde ge- ^ ^
schriften van do Hoeren Voute en Ireseman Viëtor, Mr. A. A. de Pinto,
in Themix. 2de verz., dl. XIII, blz. 151 sqq.. welke schrijver aldaar op
p. 105 sq., de leer van den Hoogen Raad eveneens bestrijdt.
Zie voorts in laatstgemelden zin, vonnissen der Arr.-R. Amsterdam, v.
3 April 1877, R. B., jg. 1877, .4, blz. 172 en v. 10 April 1877, W. nquot;.
4134, in zoover bevestigd bij air. Hof Amsterdam, v. 28 Dec. 187/. \\ .
n°. 4220; voorts Arr.-R. Goes, v. 30 Juni 1871. R. H.. jg. 1872, p. 224;
idem air. llof 's Hertogeubosch. v. 19 Juni ISSI^. VV. nquot;. 4913.
y~ /? / / / -7
⢠rz'» . / dx. . i. CosOLsi- ^a.
Lo lt;0VS'4, c^f- /pof, b/?i° sso?
? :â - .....J ^ camp;e, r£L*é^-. â ï---' ,
ytviZZ ^ . fZt. tict-oOiJUiL.sj, 2/ /f/Z., Ct/
â V' yf--
lt;^Ã/c£-,
$ .\o S~â¬--
'y0-
, Mnamp;oj**--. Ait- v- r» JalL 1 «lt;â ''â¢â¢ W. n0. 27(55. 1!.. (II. LXXXII. § i: v. ». II..
It. /;.. dl. XXX. |i. 170â180; idem Arr.-R. Maastricht, v. 10 Dec. '1803. jlfa, W. u0. 2585: idem Arr.-R. Amsterdam, v. â¢'! April 1877. I! I'gt;., j^'. 1877.
f.-' i t?quot;?â Iâ 1'. 172. en v. ld April 1877. W. nquot;. M'M. in zoover lievestipxl bij air. Ilnf Amstei'dam, v. 28 T)ec. 1877. \V. rr. 'i220 Vergelijk ook Mr. /;'. kquot;'quot;7quot;/'' Imikskman Viktoi; in Thcniis. Sdc vei'z. dl. Xlll. p. iOO. Icn lietooire dat
de voorname beteekenis van de tweede alinea van dit artikel hierin lint. dat de Xederlandsche rechter door deze hepaling lievoegd wordt, recht te spreken ook tnsschen hier niet verblijvende vreemdelingen. Is namelijk de natnnrliike rechter van den jredaagden vreemden debiteni' gesaisiseerd geweest van de zaak. dan wil onze wetgever den crediteur helpen, wiens schuldemiar hier te lande eigendommen bezit, door hem de gelegenheid te verschallen een in Nederland executabel vonnis te verkrijgen. Anders, zelfs niet als hier Ir IhikIc is gelegd arrest, Arr.-R. Amsterdam, v. 20 April 18(50, W. n0. 2822. R. I!.. Jg. 1800, p. 700. op grond dat de tegenovergestelde meening is irrationeel en in strijd met art. 127 B. R.. terwijl voor vreemdelingen geen bevoegde rechter is aan te wijzen en do keuzo van den rechter nooit kan zijn overgelaten aan de onbeperkte willekeur des eischers.
Vergelijk liet aangeteekende op art. 127 1!. R.
l'jcn curator zorg dragende voor den onder curateele gestelden An/. / persoon, voldoet slechts aan de hem bij de wet opgelegde verplicbtin-/-âpf l- i-^^gen, doch geeft daardoor geene uitvoering aan het vonnis, waarbij de
onder de curateele-stelling is uitgesproken.
On, Door eene beslissing, deze stelling tot grondslag hebbende, kan dus
â¢quot;â¢'a r quot; art; 431 fiv. niet zijn geschonden.
C/vcy amp;0--
An-, v. 2 .Inni 1870. VV. n°. 39!I7.
Waar gesproken wordt van uitvoerbaarheid van vreemde vonnissen
^ ^ worden alleen bedoeld de zoodanige die in een geding zijn gewezen en die
zonder nadere rechtelijke tusschenkomst rechtstreeks kunnen worden ten
Æ?/, uitvoer gelegd op de goederen of den persoon van den veroordeelde.
l^rr^n- Arr. v. 0 April 1882, VV. n0. 4758; li., dl. ('XXX. § 44; It. 1!.. jg.
2t/ 3^ Wï- 1882, .1, p. 145; v. u. H., B. 11.. dl. XLV11, p. 301-312,
{oüér m-ri' //^/ ^ 1quot;^^,
//,./Z / /^: ó^ó - A.
7, /qo2~, ut; tv0 â¢?â ,/? â ^ yamp;J*-
7rW Art. 431.) e ^ '' / iâ2(f '
^ , 6l/quot;?l'' gjrM,
(fAx^ /fvrv 2 ;( Uit het verband der tweede met de merite /.insneden van dit
/ cc'- /e.- ⢠^
artikel volgt keimelijk, dat de daar bedoelde gedingen, betreflende de
on denverpen, waaromtrent reeds door vreemde rechtbanken vonnissen
zijn gewezen, in het algemeen en zonder eenige uitzondering of eenig
onderscheid, en ook dan derhalve, wanneer zij uitsluitend betreffen
vreemdelingen, opnieuw bij den Nederlandschen rechter kunnen worden
behandeld en afoedaan.
/
â /jâ o^A. -/-â .â- quot;- ^ ^ ^ 'te-
y quot;f, sj-,.-,/' 'â ***'*â 'quot;quot;â
j, l'^' quot;Jtf â --'â â 'â lt;^f^]021 Jt.so*. quot;(Art. 431.^ ^ /%.,
«» Metis onmwdig in eenige beschouwing te treden omtrent de.
rechtskracht Iner te lamle van een buitenlandsch vonnis, wanneer l)ij dat vonnis op de vordering van partijen alleen akte verleend is van ^ quot;quot;ï' *-'' eene bevorens door hen getroffen overeenkomst, welke (gelijk in casu) ^
ook zonder die sanctie voor partijen verbindend is.
Air.-li. Amsterdam, v. 28 .Inni ISW. I!. ».. jg. IRtó, dl. IV. |i. 704â7iMi. ^'Jf
fyquot;£ $/â *
S. Het eenvoudig gevolg geven door eene Arrond.-Rechtbank hier te lande aan een interlocutoir vonnis van den bnitenlandschen rechter. -
in zoo verre daarbij het bewijs door getuigen is bevolen en het ten 6.^*quot; gevolge daarvan doen hooren der getuigen, kan niet geacht worden eene daad van executie, of van ten uitvoer-legging van een vonnis te /. 'l
zijn in den bepaalden en strengen zin van art 431 15 R j s./I.'/1*
' O ⢠v
In dit geval behoeft niet vooraf verlof van executie te zijn verleend, /?
in den vorm bij de wet voorgeschreven, noch vooraf de wederpartij te Ac / 'T-worden gehoord, indien het intorlocutoir vonnis niet alleen buitenlands fa, contradictoir is gewezen, maar ook aan hem, die zich daarmede bezwaard acht, is beteekend.
In dit geval doet het niets ter zake, of de Arrond.-Rechtbank, dan «el de kantonrechter hier te lande bevoegd was, om van de oorspron- c^^1-kelijke vordering kennis te nemen,
P. H. v. Overijsol, v. 7 Mei 1840, W. n , 1017. â Ken tegeiuiveroesteld *'£?*'â gevoelen ((initront liet gevolg- quot;(jven aan eene rojralolre cnniinissie, door -^oe.
een vreemden rechter verstrekt) is voorp;estaaii in de conclu.sie van Mr M 11 rfltr n. â â L-
6onEFR(3i, W. r.°. 592: I». B., jg. 1845, dl. VII. 56-(l(): welke heeft geleid tot liet vonnis der Arr.-U. Amsterdani, v. :«) Dec. 1844, W. n0. Hc 500; I! H.. ut supra, p. 51 sqq.; II,vi i,, Xnlrrl., dl. IV. p. 212â24(1. quot;J'9' waarbij echter deze reclitsvraap;, uit hoofde van andere redenen van niet-ontvankelijkheid, onbeslist is gebleven. â Cf. artt. 152, suli n . Ui en :!/|5 li- li-, arrest van hetzelfde P. II. v. denzelfden datnm.
Een arrest onder derden, in een vreemd land gelegd, is geldig en van waarde, met dat gevolg, dat de Nederlandsche schuldenaar, voer de (Nederl.) Rechtbank geroepen, om zich tot betaling van het door hem verschuldigde te hooren veroordeelen en het gelegd arrest geldig te hooren verklaren, niet kan vorderen de nietig- en van onwaarde klaring van dat arrest.
à ver-
Arr.-lt. Breda, v. S Nov. 185:?, W. n0. '1401. â Cf. art. I5à R. li. vmmis van de Ait.-ü. Amsterdam, v. 20 .Timi 1848 sqq., sub n0. i().
^ / J /v y v'_-y X. ^v --quot;: â - - 'â'ââ -. â . l^r- r- y^ ' ' ^ ''^ ^ ^ -â'2â.
L _ ^ ___
py tï / f f â â y ___ n^e no^ ~'y^ ' ^____^ ^'J- ^ ^ '- ' â ^ ^
(lt;y(-tj-e-^~ -Cgt;s~-K /-e--rJ~rj-cs^ ? lt;.,_ ^ ^-.^^,'/p----â ^ -0ââ â¢
yjrl. 431.) . 1022
t fqcrv , us. -rr-' rPZsamp;O .
f». Het onderzoek van den rechter feu deze is in den regel bepaald tot de vraag, of de titel, krachtens welken gehandeld wordt, de uiterlijke vormen van een executorialen titel in zich vereenigt, of aan den inhoud daarvan is voldaan, en of, bij ten uitvoer-legging de wettelijke voorschriften zijn in acht genomen.
Het oordeel over de innerlijke waaide van den titel is daarbij in den regel uitgesloten.
lJres. Ueclitl). Nijmegen, v. '20 Deo. 185(3, li. li., jg. 1857, dl. \ II. ji. quot;129.
IO v onnissen, door vreemde rechters gewezen, moeten hier als niet bestaande worden beschouwd, en kunnen alzoo niet ten grondslag strekken van saldo's van rekening om die hier in te vorderen, zonder nieuwe behandeling der zaak.
Ook dan, wanneer de partij zelve, tegen wie de vreemde uitspraak wordt ingeroepen, die procedure heeft aangevangen, verbindt haar die uitspraak niet in Nederland.
An'.-U. Amsterdam, v. i! April 1802, NV. n . 2398.
I I. De Kon. decreten van 17 Jan. en 21 Dec. 1846 toonen ten duidelijkste aan, dat de bevoegdheid der Xederlandsche consulaire agenten in Turkije zich thans niet verder uitstrekt dan tot vereffening in der minne van geschillen.
Geene wet verleent aan eenig Xederlandsch ambassadeur of ministerresident de bevoegdheid om rechters te benoemen of zelfs eeuige rechtsmacht uit te oefenen. â Ook de toestemming van partijen kan aan dat beginsel geene afbreuk doen.
Arr.-U. Amsterdam, v. \ Juni 18112. VV. n0. 2399.
l'i. Ook in geval van ten-uitvoerlegging van een vreemd vonnis, na «ene nieuwe behawilfling eu afdoening, moet die rechter van de zaak kennis nemen, binnen wiens arrondissement het vonnis moet worden ten uitvoergelegd.
Air.-R. Maastricht, v. 10 Deo. 1863, W. n0. 2585; ook vermeld sub n0.2.
13. Dit artikel verstaat onder het woord gedingen in de tweede alinea geene andere dan die, waarin door vreemde rechters of rechtbanken vonnissen zijn gewezen.
Air.-li. Maastricht, v. 10 Dec. 1863, ut supra.
{Art. lu3J .
102a
1-1-. Alleen in de bij de wet uitdrukkelijk genoemde gevallen kan de Nederlandsche rechter op een eenvoudig verzoekschrift van hdavg-hebbtudev bij uitzondering verlof verleenen tot de executie van een vreemd vonnis.
Arr.-R. Amsterdam, v. Nov. 1«S7(). li. I)., jg. 1S77, A. j». 7. Vergquot;, ook de noot der lied. t. a. p.. p. 8, door wie op de wenschelijkheid eener eenvoudige en onkostbare procedure ten deze wordt aangedrongen.
15. Hij die bij een buitenlandsch vonnis in een vreemd faillissement tot curator is benoemd, moet ook door den Nederlandscben rechter als zoodanig erkend worden, vermits de rechtspersoonlijkheid en rechts-bekwaamheid van den vreemdeling door de wet van zijn land wordt beheerscht, en ook in Nederland moet gelden.
Hof Amsterdam, v. 20 .limi 1S79. R. 1!.. jji'. 1880, .1, p. '120. W n0. 4419, /.ie ook W. n0. 4H86, in de rubriek «Berigten»; idem Arr.-R. Zwolle, v. 19 Dec. 1877. VV. n°. 4228. R. 1!.. ju'. 1882. .1. (i. '144; idem Ait.-R. Amsterdam, v. 12 l)oc. '18rtn, ,l(/(.s7. !irt'hIsjgt;r.. dl. I, p. 220â2^2 en v. 22 Nov. '1877, R. li., jg. 1878, A. p. 9, contra concl. Openb. Min. t. z. p.. p. '13 sq., cf. ook de Red. v. 't R. B., t. a. p., p. '15 sq.
Anders Mr. J. Fueseman Viktou, in T/icmix, 2de verz., dl. XIB, blz. 468 sqq. die betoogt dat een vonnis van failliet-verklaring van oen vreemden rechter afkomstig evenmin als ieder ander vonnis (volgens den regel van dit artikel) hier te lande kan worden ten-nitvoei'gelegd Het optreden van den bij een buitenlandsch vonnis benoemden curator als zoodanig is begrepen onder het ten-nitvoerleggen van dat vonnis: ergo moet deze in zijne actie, tegen een der debiteuren in bet faillissement voor den Neder-landschen rechter ingesteld, worden niet-ontvankelijk-verklaard; idem Mr. Hartogh in zijne conclusie behoorende bij het vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Nov. 1863, M. i'. II.. dl. V, blz. 281 en dat vonnis zelf in W. n0. 2538, waarbij werd beslist dat in deze niet de vreemde wet zelve, maar de rechtspraak des vreemden rechters de rechtsbevoegdheid vaststelt, zoodat dan van de toepassing van de leer van het personeel statuut geen sprake is, maar van het rechtsgevolg van vreemde vonnissen; idem Arr.-R. Haarlem, v. 6 Nov. 1877, R. I!.. jg. 1878, A, p. 7, \\ . n0. 4174; idem air. P. H. v. N.-Holland, v. 23 Febr. I860, W. n°. 2227. bevestigende Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April '1859, W. nquot;. 2080.
Vergelijk ook navolgende uitspraak :
Het aan dit artikel ontleende bezwaar tegen het optreden hier te lande van een curator in een buitenlandsch faillissement vervalt, wanneer het geldt een trustee in Engeland benoemd in geval van eeue liquidation by arrangement on composition, vermits die benoeming aldaar geschiedt door de crediteuren.
Art. 431.)
An.-H. Amsterdam, v. '2 .lan. 1880, W. ii0. 4502; li. li.. jg. 1880, .4. p. 125. Zie ook vonnis derzelfde Rechtbank v. '.I Mei 1878, W. n0. 4308 en de dissertatie van Mr. T). Joskpiius Jitta. «liet vonnis van failliet-verklaring in liet internationaal privaatrecht», besproken in \V. n0. 450(1. Zie in verband met dit underwerp, R. 1!.. jlt;i'. '188^, B. yi. 323 sqq.
1« Een buitenlandscli vonnis, inhoudende een vervroegde dagbepaling van de opening van een buitenlandscli faillissement kan hier te lande geene rechtsgevolgen hebben, zonder dat de beweegredenen tot die dagbepaling door den Xederlandschen rechter op nieuw zijn onderzocht.
Iluf Amsterdam, v. 20 Jnni 1870, W. n0. 4110, iiociteerd in \V. n0. 4380, in de i'ubriek «lierigten».
15. He \rederlandsche rechter is bevoegd in de niet uitgezonderde gevallen het aan zijne kennisneming onderworpen geschil zelfstandig le onderzoeken, alsof er geen vreemde uitspraak bestond â en kan dus, wat de Belgische rechter naliet te doen, de onbevoegdheid van den rechter ratione personae uitspreken op grond van liet tusschen partijen bestaande pactum de coinpromittendo.
Hof ?s Bosch, v. IC) Sept. 1870, W. n0. 4/i48, 1!. 11.. jg. 1882, .1. p. 147. Vergelijk ook Mr. .i. I'ükskman Viëtor, in Tlieitiis, 2de verz., dl. XIII, lil. 429 sq.: ten betooge dat de Nederlandsche rechter op daden of toe-steniniingen vnor den vreemden rechter door partijen bedreven of gegeven acht zal mogen slaan, maar dat men te vergaat, wanneer men het niet aanwenden van een verdedigingsmiddel in den vreemde hier beschouwt als een bewijs dat de gedaagde er van afziet. Immers de wet vordert hier eene ijchccl iiiemvc behandeling (nl. in de niet uitgezonderde gevallen) der gedingen; de gedaagde moet dns alle mogelijke middelen van verdediging kunnen voordragen.
I «. Zie ten betooge;
a. Dat door de Xederlandsche Rechtbanken in de gedeelten van Limburg, welke weder tot het gebied der Nederlanden zijn teruggekeerd, uiet kan geweigerd worden de executoir-verklaring van een vonnis, door eene Belgische Rechtbank in die gedeelten gewezen den 12 Juni 1839 -
art. 23 van het op 19 April 1839 {Slbl. n'. 26) met België gesloten Imetaal. air. v. 3 .lan. 1845, sub n0. 2. dl. I. p. 220 en 221.
h. Dat het beginsel, aangenomen bij art. 23 van evengemeld Trac-
1024
(Art. 1-31
taat, ook van toepassing is ten aanzien van crimineele en correctioneele vonnissen â
art. 23 voorniclil. air. v. 'i'i Seiit. 1840 sqq.. sub 11°. I.
v. Dat die vonnissen, welke, onder het Belgisch beheer, door eene bevoegde Belgische Rechtbank zijn gewezen tegen ingezetenen van die gedeelten van Limburg, welke, overeenkomstig het Tractaat, den 19 April 1839 tusschen de Nederlanden en België gesloten, onder het gezag van 'L M. den Koning zijn teruggekeerd, beboeren tot de zoodanige, wier kracht en werking bij het meergemeld ïractaatzijn gehandhaafd, en met inachtneming van 't Kon. besluit van 20 Juli 1839, hier te lande ter executie mogen worden gelegd â
air. v. 't P. II. v. Limburg-, v. 'iri Maart 1843, R. I).. jo- -|843 dl Y p. m;!â515.
d. Dat, indien de verzekerde in het geval, voorzien bij art. 658 \V, v. K., niet heeft voldaan aan de voorwaarde, hem bij het slot van dat artikel opgelegd (het aanwenden van middelen enz , om de bij een vreemd vonnis uitgesprokene prijsverklaring van zijn schip of lading af te weren), alsdan dit vreemde vonnis hier te lande voldoende is om den verzekeraar van het betalen der door den verzekerde geleden schade te ontheften â
Oüiieman, II. It., dl. II. 4de ed., p. 85. /.Ie ook v. n. IIoneut. Ihlh.. p. 455 en Fonindierh., p. 376, en de Pinto. lid/. 11'. v, A'., dl. II, § 477. Verg. ook Voute: ut supra p. 06.
«. Dat het verlof tot executie van een vreemd vonnis, volgens art. 4.31, al, 3 15. R, door de Rechtbank van eeu arrondissement verleend, voldoende is om zoodanig vonnis ook in een ander arrondissement ten uitvoer te kunnen leggen â
v. ii. Hi'Xi rt. h(ir)iiiilievh.. p. 378, on OroEMAN, B. I!.. dl. 11. 4de ed. p. 86; â anders door de Pinto, lldl. B. II.. dl. 11. 2, p. 521 en 522. 2de ed. p. o80 ^11 'Iheniix, jo-. V. j). 241. volgens wien. naai' de letter der wet. het cxccpuitui' moet worden gevraag'd in ieder arrondissement, waar men bet vonnis ten uitvoer wil leggen.
/. Dat en nit de woorden van de eerste alinea van dit artikel//behalve in de gevallen uitdrukkelijk hij de wet vermeldquot;, èn uit den geest van dit wetsartikel, nl. het wantrouwen van onzen wetgever in vonnissen
-Mr. W. van Ross km I'z., linrg. Hecht sc. t;5
1(125
Art. 431.)
van vreemde rechters, blijkbaar uit het feit dat de Nederlandsche reeliter de zaak yelieel op nieuw moet onderzoeken en beslissen, alvorens een vreemd vonnis hier te lande kan worden ten-uitvoergelegd, moet worden afgeleid dat die ten-uitvoerlegging niet beperkt moet worden tot die welke in hef; 2de Boek van Burgerlijke Begtsvordering is be-lumdeld, maar dat daaronder moet worden gebracht ieder geval, waarin op eenige wijze aan liet vreemde vonnis wordt uitvoering gegeven; zoodat een vreemd vonnis b. v. bier te lande niet de kracht heeft van een gewijsde zaak, en dus de exneptio rei judicatae daaraan niet kan worden ontleend â
ÃSIr. J. Frkseman Viktor, in Themis, 2de verz., dl. Xlll. p. 485 sqq. en in diss.: «de kracht der Imitenlnndsclie vonnissen» pau. 170, en Mr. .1. R. Voute, ut snpra, beide beoordeeld door JFr. A. A. de Pinto, in Themls, 2de verz. dl. XIII, lilz. '\7A sqq.; zie eindelijk Ilec/tsci. Adv., dl. VIII, p. lilâ115. Verg. liet sub n0. 1 en 15 van dit artikel aangeteekende.
I W, Mi'. N. I . van Nooten in de .V. Bijrlr., jg. 1808, dl. XVIII, hlz. 27 .sq(|. bespreekt de voorschriften betrekkelijk de ten-uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten in een vreemd land gewezen of verleden voorkomende in ons Wetboek van 1!. Rv., in den Code de Proc. Civ. en in het Ontwerp van een Wetli. van Burg. Regtsv. â Hij wijst op de wensebelijkheid dat de wetgever, wanneer hij bepaalt dat de uitvoerbaarheid van vreemde vonnissen tusschen de Staten onderling bij tractaat kan worden geregeld, voorschrijve dat die trac-taton moeten worden goedgekeurd door de Staten-üeneraal. Volgens den schrijver hebben de vonnissen van de Centrale Rijnvaart-Comniissie en die der linitenlandscbe rijnvaartrechters hier te lande geene kracht van executie ihm na i'cttr nitvourhaar-verklaflng overeenkomstig art. 431 H. R.. (vergelijk art. 85 van de overeenkomst tnsschen de Oeverstaten van den Ri jn enz. van 31 Maart 1SI!I Slid. n0. 19). Na de herziening van die overeenkomst bij tractaat van 17 (Jet. 18158 (N/W. n°. 75) is volgens art. 40 o. i. schrijvers ineening niet meer ami twijfel onderhevig.
Art. 432.
ijit amp; 'â ^32 B. li. is niet van toepassing, wanneer, na de afwijzing
.. van een verzet tegen eene executie, daarmede wordt voortgegaan, omdat
cdwi^ 0 ' _
^ ^ alsdan niet het afgewezen verzet, maar de titel wordt geëxecuteerd, die , / ^ ,fitten grondslag ligt aan de aangevangen executie.
Air. v. 20 Nov. 1847. \V. n0. 897; U.. dl. XXIX, § 31; v. n. II.. B. 11.. f quot; ' c dl. IX. p. 100â181.
fcj T-
fJ-_ aquot; bsoti â
1026
J 027 ( !;â /. 432.
8. De gerechtelijke bewaarder is tegenover den executant te beschouwen als een derde. Op hem zijn bij het ten-uitvoerleggen van een door den nrrestant tegen den gearresteerde verkregen vonnis, van toepassing de bepalingen van nrtt. .SB en 432 1!. !!,, in dier voege echter, dat alleen de gerechtelijke bewaarder en niet de gearresteerde bevoegd is zich op de niet-nakoming der voorschriften van gemelde artikelen te beroepen.
Arr.-H. Croningen, v. 24 April tS'ld; R. li., jo-. 1847, dl. IX, p. _
402; â â niiflers door S. M.. in de Opm. eu Mcd., dl. IV. p. 255_2Cgt;7.
diigt;, met con beroep up he Pinto, Ihll.. B. It., dl. II, 2. p. 543, 2de ed., p. 582 pgt;i Chauveatj Adolpiik, in zijne uitgave van Les Lois ih' la lgt;roc. ^- par Cauri;, dl. II, p. 9(i (Brnx. 1840), in dt' noot, van meening is: 1 . dat ile door den deurwaarder gerechtelijk aangestelde liewaarder tegenover den executant niet als dei-de is te beschouwen, omdat de deurwaarder altijd en in ieder geval de macht van aanstelling van den executant ontleent, welke gelieel naar verkiezing rtieii deurwaarder met ile executie belast, die bem goeddunkt, zoodat de deurwaarder, ook met het oog op art. 4I!4 li. li., do lastliebber is van den arrestant, terwijl het waarschijnlijk is. dat door de vermenging van sequester met quot;erechte-Iijken bewaarder, ook de Rechtbank te flroiiingen dezen laatsten niet als cnntractfint, maar als dorde heeft beschouwd, en 2°. dat. al ware hij nu ook een derde tegenover den executant, dan nog hij het ten-uitvoerlegaen van het door den arrestant tegen den gearresteerde verkresren vonnis. ui rasK ()|) dei; bewaarder niet van toepassiliff zijn de bepalingen van de artt. 8(1 en 4.!2 H. 1!.. omdat de bewaarder in allen gevalle geen derde is, tegen wien eeu vonnis teu-nitvoergelegd wordt.
\ erg. ook het. sub art. 47;) I!. li., vermeld arr. v. 7 Nov. IS7H, ten betooge dat in dergelijke gevallen de schuldenaar zich niet kan beroepen lt;ip het niet in acht nemen der vormen van een arrest onder derde.
«I. Door derde)/- in dit artikel worden niet bedoeld alle andere personen hoegenaamd, mits zij slechts geen partij waren, maar alleen zij die of uit hoofde van hunne hoedanigheid of betrekking, of ambtshalve, tot de uitvoering van het vonnis moeten medewerken.
Arr.-E. Zwolle, v. 12 Nov. 1802. W. nc. 2004 en 2014, waarbij werd beslist dat de rekening en verantwoording, door den provisioneeleu bewindvoerder te doen. niet kan aangemerkt worden als de uitvoeriua' van het vonnis, waarhij de aanvrage tot curateele is iiiet-ontvankelijk-verklaard.
-1-. /.ie over dit artikel en over de termijnen bij de executie in het aliremeon â W. Romuoits in \\ . nc. .'1707.
nrtsyt- c^4. ^n/Sr. I
Art. 433.)
Art. 4:33.
I'ieiie annteekeniiiii' ter griffie, naar aanleiding- van art. 133 15. R geilnan, dat men zicli in liooger beroep voorziet, kan rle voortzetting der scheiding en verdeeling eener nalatenschap, op den vroeger door alle belanghebbenden bepaalden dag, niet vvettiglijk verhinderen, zoolang niet van een werkelijk ingesteld hooger beroep blijkt.
Wanneer in dit geval, de met sommige belanghebbenden samen-gekomene onzijdige personen, door de llechtbank, ter vertegenwoordiging der weigerachtigen of afwezigen benoemd, goedvinden om de afwezigheid der overigen, in verband met bovenbedoelde aanteekening ter grillie, te houden voor een wettig beletsel tot voortzetting der werkzaamheden (en zulks in weerwil der verschenen belanghebbenden), dan kunnen de niet voortzetting en de daardoor vruchteloos aangewende kosten van samenkomst, niet gezegd worden een noodzakelijk gevolg te zijn van do gedane aanteekening ter griffie en van de afwezigheid van sommige der belanghebbenden. Mitsdien zijn in zoodanig geval de verschenen belanghebbenden ongegrond in hun eiscb tot veroordeeling der afwezig gebievenen in de vergeefs aangewende kosten van samenkomst en tot vergoeding van kosten, schade en interessen, door hunne aanteekening ter griffie veroorzaakt.
P. II. v. Zeeland, v. lit Jan. IS47, R. li., jg. 1848. dl. X. p. 151 â151-!.
Art. 134.
I. Van de volmacht, waarvan, naar aanleiding van art. 13 1 13. R , de deurwaarder behoort voorzien te zijn, behoeft niet op het procesverbaal der gijzeling melding te worden gemaakt, noch die tijdens bet executeeren van den lijfsdwang te zijn geregistreerd,
Arr.-R. Kindhoven, v. 13 Mei 1839, liegt in Neder!., dl. II. p. I9(jâ '200; idem ten aanzien van art. 156 Code de Pr. Civ. (evenzeer bij de interpretatie van art. 434 B. R. van toepassing), bij arrest van 't Hof van cassatie v. 15 April 1822. te vinden bij Dam.o/, dl. XXIV. p. 100, alwaar men leest: «('.cl article uc prescrit, retativement av pouvoir spécial, aucuiie furmaiitó; 1/ n c.riije /ia* ija'it noil cn forme aiithen-tiquc ui qu i/ suil eurer/istré avaiit Ie saisic; au contraire, il sufjil, fiour rempiir Ie voen de la 10i, (rue fhuissiev en soit muui et qu'il
1028
{Art. IU.
lHiissc h' ffju'i'st'ii li'r I' hi jD'cimci'c riij ii I *11 ion dn ilcbi leid', cic. m -
Vgl. art. 590 H. I\., vonnis van ile Arr.-U. to Ainstei'dani, v. Hi.limi IS-i en art. H. R,, vonnis van de Arr.-U. Arnhem, v. 14 Febr. 1848.
lt;ï. I5ij de executie van een vonnis treedt de deurwaarder wel nis gemachtigde van den executant op, maar hij is persoonlijk aansprakelijk voor de onrechtmatige daden, die hij bij de ten-uitvoerlegging van een vonnis begaat. .'5 7^. P- £.
Ari .-R. Anisterdain, v. '19 Maart 1880, W. n°. 4548, R. I!,, jg. 1882, C/gt;lt;jr/, 11quot; lt;6 1- 1gt;- 148.
Als eene xoodanige onrcchtinati-re daad werd bij dat vonnis aangeuiuuen , , y â
liet in beslag nemen en executoriaal verknopen van roei'ende goederen ^
voor nog niet vereflende proceskosten, en tevens werd beslist dat het niet nakomen van bij de wel voorgeschreven formaliteiten nadeel toebrengt, 'vrZ m- «. waartegen niet npweegt dt; bewering dat door het sparen van gerechts- r/y,_
kosten het belang van partij zcjii zijn behartigd.
Anders betrelVende het hoofdpunt air. Hof Leeuwarden, v.'2'J Jan. 1877.
\V. n°. 4135, waarbij beslist is dat hij die een vonnis bij lijfsdwang r executeert, verantwoordelijk is tegenover zijne tegenpartij voor de schade /4mnr die de deurwaarder tengevolge van verzuimde formaliteiten toebrengt; lt;,
verg. ook vonnis Arr.-R. Winschoten, v. 24 April 1861. W. n0. 2353.
Ã8. Zie ten betooge, dat eene volmacht tot het in gijzeling stellen /amp;â
van een schuldenaar der massa niet door al de benoemde curators in Zéa,lt;xAjtj*v\ een faillissement behoeft te worden geteekend â l^
art. 813 VV. v. K.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Jan. I8'i5, Jrv?.
sub n0. 9.
Art. 435.
1. Geschillen over het ten-uitroerleggen van een vonnis moeten, tenzij die executie eene onverwijlde beslissing en eene voorwaardelijke voorziening vordert, beoordeeld of beslist worden door den rechter, die het vonnis heeft uitgesproken, en niet door dien, in wiens ressort de executie plaats heeft, hebbende de Nederlandsche wetgever dit in het Fransche recht bij art. 554 (J. de Proc. Oiv. stellig erkend beginsel, o. a. in artt. 351 en 611 B. 11 erkend en gehuldigd.
Hiertegen obsteert niet de keuze van domicilie door den executant in een ander arrondissement, dewijl die keuze slechts de strekking heeft, om den geëxecuteerde de gelegenheid te verschaften, aan die gekozen woonplaats alie beteekeningen te laten doen, bij voorbeeld, om hem
1 020
⢠/-w A^v^-- , «âcn t- lt;V o^ /^_j5_,-7^l^V-T--c^
ïtJU^ rJ-e-^
^rü. 435.) ' 1030
' bevoegd te maken, om, wanneer het vonnis, uit kracht van hetwelk lt;le executie geschiedt, slechts bij verstek is gewezen, zijn verzet tegen ^dat vonnis en de dagvaarding aan den oorspronkelijken eischer te doen , heteekenen, doch niet om aan den rechter, binnen wiens ressort de executie sreschiedt, de bevoegdheid te tjeven. om over dat verzet en
oys7 - Jâ⢠o o o 7
.«^^ 'f'^over het vonnis tesen hetwelk het gericht is, te coffnosceeren.
^ / tat-i o o
Ai'i'.-R. Nijrnegen. v. 24 Oct. 1843, R. B.. jg. 1844, dl. VI, p. 183â185; K.. dl. XIX, § 97; â in gelijken zin bij Oudeman, B. li.. 4de ed.. dl. II. Igt;. 92. Vgl. art. 314 li. R.. viinnis van do Arr.-R. Cironingen. v, 22 t â¢â¢â **. / Oct. 1847 sqq.. sub n®. 7.
. De kantonrechter is onbevoegd om een verzoek tot het gratis ten-uitvoerleggen van een vonnis toe te staan
Kttr. 's Hage, v. 18 Oct. 1844. \V. n°. 541.
' ^
Jl. Het verzoek tot zekerheids-stelling in geval van voorloopige ^ ^ / ten-uitvoerlegging, benevens het verzoek eens eischers om een bepaald
ijoecl voor het bedratf der veroordeel!ng verbonden te verklaren, behoort (ook dan wanneer dit verband uit de wet zelve mocht volgen) niet tot de bevoegdheid des kantonrechters, nademaal deze verzoeken betrek-king hebben op de ten-uitvoerlegging van vonnissen
Ktg. n0. 1. Amsterdam, v. 29 Oct. 1850, Aimtei'il. Iteyts/jf., dl. 1, p. 168â173. â Cf. art. tiiO li. R.. vonnis van betzelfde Ktg. v. denzelfden datum; idem (ten betooge dat de kautonrecbtcr niet bevoegd is kennis te nemen van gescbillen civer de gegoedheid van een borg, gesteld om te kunnen overgaan tot de ten-nitvoerlegging van een door hem zeiven gewezew vonnis, voorloopig uitvoerbaar verklaard, niettegenstaande het daarvan ingesteld booger beroep) â in de llr/jl.sij. .-I//»â¢.. dl. II. p. 122â124.
â 4. De kantonrechter kan verwijzen tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, naar aanleiding van art. 612 B. R.
Ktg. Loenen, v. 28 .Sept. 1853, VV. ii'. 1489; idem bij Veunede. ad art.; â anders Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Nov. 1842 R. B. jg. 1843,dl. V. p. 236 en bij .Mr. C. M. van iiki; Onhr. enz., |i. 195 en 196, die
meent dat. hoezeer ook de artt. 612â615 in het algemeen bij art. 125 up de kantonrechten toepasselijk zijn verklaard, de verwijzing van art. 12.) naar de bepalingen van artt. 612â615 evenwel niet verder kan getrokken worden dan daartoe, dat bet bedrag der kosten in het vonnis /elf moet worden uitgedrukt. Met dit gevoelen vereenigt zich de heer v. d. Honert in 't R. li., dl. 1. p. 330â333, op grond, dat de kanton-recliter, door het uitspreken van eene veroordeelhig tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, lichtelijk, uithoofde der onzekerheid van het
1031
l)cdrag, zijne rechtsmacht zou kunnen te buiten gaan, terwijl de veroordeelde daardoor tevens tol aan de beteekening van dezen staat in onzekerheid zou verkeeren, of dit vonnis al dan niet aan hooger beroep is onderworpen. Zie voorts ten aanzien van de veroordeeling in de proceskosten nader op te maken bij staat, Mr. v. n. Kemp, ut supra, :Me ed.. p. 358. Zie ook üe Martini, ad art. .gt;â 4. die het betwijfelt, of een geschil over kosten, schaden en interessen, d. i. over de hoegrootheid der som. door de verliezende partij te betalen, voor een geschil over de ten-uitvoerlegging zij te houden. Verg. met betrekking tot dit laatste het sub hoe art. vermeld vonnis Ktg. Tiel, v. 7 Febr. 1859.
De vraag of de kantunrechter bevoegd is te cognosceeren over een geschil betrekkelijk het stellen van zekerheid of borgtocht, door hem bij eindvonnis opgelegd, is tacitc bevestigend, beantwoord bij vonnis van 't Ktg. n0. 2 Amsterdam, v. quot;li Febr. 1844 (vgl. art. GIG 13. R., vonnis van 't Ktg., ut supra). Pit wordt echter, en volgens Lkon te recht, bestreden door Mr. C. M. v. u. Kemp, Onhv., p. 190, 3de ed., p. 350; ue Pinto, B. !!.â dl. 11. 2, p. 1178. 2de ed., p. 744 en in de Beylsg. Adv., dl. II. p. 122â124. volgens wie zoodanige vordering voor de Arr.-R. behoort te worden gebracht.
Mr. van dei: Kemp. Onto:., p. 105, 3e ed.. p. 385, meent dat tegen de wijsheid der bepaling van art. 435 1!. li., die iu liet Fransche Recht niet bestond, maar waarvan het tegendeel door de rechtspraktijk scheen aangenomen, gewichtige bedenkingen kunnen gemaakt worden. â Vgl. hiermede de opmerkingen ten aanzien der voormalige vrede- en tegenwoordige kantongerechten, voorkomende in 't W. n0. 13(i onder het Mengelwerk, inzonderheid op p. 3. kol. 3.
5. De rechter die eene partij verwijst in de proceskosten is alleen bevoegd van de daarover ontstane verschillen kennis te nemen; waar nu tusschen partijen verschil bestaat over de likwidatie der proceskosten, waarin de eene partij ten behoeve van de andere is veroordeeld bij vonnis van den kantonrechter, is ook deze bevoegd van dat verschil kennis te nemen.
Ktn\ Tiel, v, 7 Febr. 1859, W. n0. 2248.
Art. 436.
quot;l. De Arr.-Kechtbanken hebben geene bevoegdheid om authentieke akten, zelfs niet die onder het gebied eener vroegere of vreemde wetgeving zijn verleden, van eene uitvoerbaar-verklaring te voorzien in de gevallen, dat zij daarvan zijn verstoken.
Arr.-R. Gorinchem, v. 22 April 1843 en v. 16 Mei 1846, W. n0. 1043, H. B., jg. 1849, dl, XI, p, 557â-560; â zijnde bij eerstgemeld vonnis
Art. 43fi.)
tcvciis l)(?slisl: I . dut srechters bevoegdheid, volgens do wet, is beperkt tot het teruggeven van de uitvoerbare kracht aan die akten, quot;welke naar de voorschriften der wetten, onder velho' cfdncd zij zijn uityeyevcti, waren voorzien van eene iioar die ivetlcn geldende uitvoevhdar-veyklfiyiny, indien die kracht is rcrlaren gegaan hetzij door de inmiddels voorgevallene verandering in de wetgeving, hetzij dooi* het gebruik maken daarvan onder het gebied eener vreemde wetgeving, hetgeen nader wordt bevestigd door art. quot;2 van 't Kon. besluit v. 20 Febr. i81() n0. 15), en door het Kon. besluit v. 20 Juli 1830 (Stb/. n0. 32); en 2°. dat aan ('ene akte van schuldbekentenis, hier te lande onder het Oud-Hollandsch recht verleden, en welke voorzien is van eenig destijds gebruikelijk bedinquot;* van willige condemnatie. dooi* den rechter de gerechtelijke uitvoerbaarstelling kan Avorden toegevoegd. â Vgl. hiermede een vonnis van dn Arr.-R. Utrecht, v. 31 Dec. 1845, R. B., jg. 1840. dl. VIII. p. 348â353. waarhij â zonder te treden in een onderzoek of eene akte, in behoorlijken vorm onder eene vroegere wetgeving verleden, onder de tegenwoordige van de executoire formule voorzien en alzoo ten uitvoer gelogd kan worden â is beslist, dat in ieder geval zoodanige uit voerbaar-verklaring niet gevraagd kan worden ten laste van een derden bezitter, die bij de akte geene partij geweest, noch als de vertegenwoordiger der partij te beschouwen is.
'3. De vraag, of het geval aanwezig is waarin aan eene authentieke vim eene uitvoerbaar-verklaring niet-voorziene akte, door den Rechter de uitvoerbare kracht zou kunnen worden toegevoegd, is eene vraag van openbare orde, op welker beantwoording dus der partijen houding in rechten van geen invloed kan zijn.
Arr.-R. Groninn-en. v. '22 April 1843. R. H. jg. mil. dl. XI. p. 557 â559.
3 Hij, die krachtens de grosse eener authentieke akte ageren kan, is bevoegd zijn recht ordinario modo voor den burgerlijken rechter te vervolgen, als zijnde die bevoegdheid alleen gegeven in het voordeel van den houder der grosse, die daarvan al of niet gebruik kan maken, naar mate hij dit in zijn belang raadzaam oordeelt,
Arr.-R. Kindhuven. v. 4 Dec. '1843. W. m0. 405: idem v. Utrecht, v. 15 April 184(1. R.. dl. XL. S; 8U; idem Hof Leeuwarden, v. 15 Jan 1885 \V. ii0. 5180.
4. liet voorschrift van art. 430 B. R. omtrent de beteekening van grossen vóór de executie, is een algemeen beginsel, toepasselijk op alle executiën, vermeld in de elkander opvolgende titels van het 2de boek van voornoemd Wetboek, aan het hoofd van welke de eerste titel van dat boek, houdende algemeene bepalingen voor alle wijzen van ten-
l(i;J2
[Art. 130.
uitvoerlegging van vonnissen of iiutlientieke akten, geplaatst is. Dien tengevolge moeten ook de grossen van authentieke akten, even als die van de vonnissen, alvorens ten uitvoer te kunnen gelegd worden, op strnlle van nietigheid (als geldende het hier eene substantieöle formaliteit, zonder welke de gerechtelijke akte van executie jure niet geldig kan zijn) aan den schuldenaar beteekend worden.
1'. II. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847, W. ir. 934: R. li., jg. 184«, dl. X. p. 1 â 14, bevestigd bij air. v. I'J Mei 1848, W. P,.. dl. XXXI,
I). H. 11. li., dl. IX. p. 404âidem gt; m pi tri tc liij vonnis drr A it.-11. Assen. v. 7 .Maart 1853. R. li., jg. 1853, p. 520 en 521 ; de Pinto. It'll. II. II.. dl. II. 2. p. 517. 2de ed., p. 57(gt;: Ocukman. II. II.. dl. II. 4de ed.. p. 89. v. n. Hoxert, HiII,.. p. 451 en Mr. C'. II. IIknnv. in li. 1!.. Jg. 1840. dl. \ lil. p. 532â544 en in \V. n'. 837; andc.i's bij vonnis van de Arr.-R, Ai'idiein, v. 10 Jan. 1840. R. 1!.. jg. i84(), dl. VIII. p. 532. (waarbij is beslist, dat uit kraclite der grosse van eene aiitbimtii'ke akte. execnforiaal beslaii' onder iJo'ilcn kan worden alvoren.s ille grosse aan den scluddenaar is beteekend) en door Mr. (1.1.. Jansma v. n. Pi.oeo. in VV. nis. 8(17. 834 en 835. â Cf. art. 475 li. I!.. vonnis van de Arr.-R. Alkmaar, v. 2 Nov. 1843 sqrp
.» De hoofdbepaling van art. 87 7 C. .Nap., dat namelijk de executoriale titel evenzeer geldig is tegen de erfgenamen des debiteurs als tegen dezen zei ven, ook thans nog rechtens zi jnde, hoewel die niet nominalim in de Ned. Wetboeken wordt gevonden, zoo volgt hieruit, dat de grosse eener akte tegen de erfgenamen van een debiteur, even als tegen den debiteur zeiven, executabel is.
P. H. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847. W. n0. 934; R. li., jg. 1848, dl. X. p. 1â14, bevestigd bij arr. v. 12 Mei 1848. v. n. 11.. li. II.. dl. IX. p. 404â435; W. n0. 910; Râ dl. XXXI. § 20.
fc. Bij de artt. 430 en 430 H. R. is wel voor de grossen van vonnissen en van authentieke akten, bedoeld bij art 1905 15. VV., bepaald, dat zij, om ten uitvoer te kunnen gelegd worden, aan het hoofd moeten voeren de woorden: »\n naam des Koningsquot;, maar ten opzichte der exceptioneele procedure bij dwangbevel in zaken van registratie, wordt nergens voor zoodanig dwangbevel een bepaalde vorm, op straffe van nietigheid, voorgeschreven, en zijn de vereischten daarvoor alleen, dat het door den ontvanger der registratie uitgevaardigd en door den rechter van het kanton, waarin het kantoor is gevestigd, geviseerd en executoir verklaard worde.
1(138
Art. 436.) 1034
Ait.-li. Sneck. v. Iti April *1848, W. 11°. 9'2i) (1): idem (o. a. ouk up grond, flat cen ilwangsclirift uit zijn aard niet kan gelijk gestold wmdun met de authentieke akten, bedoeld liij art. 430 I!. R.) bij vonnis van de Air.-R. Maastricht, v. 31 Maart 1854, R. 1!.. jg. 1855. p. 63â73 en v. â 20 Oct, -1854, \V. n0. 1G20.
%. De grosse eener authentieke akte, binnen dit Rijk verleden op ] Sept. 1S38 en uitgegeven vóór de invoering van het thans viijeerend Wetb. van Burg. Rechts v., ingevolge art. 3^ van 't I5esl. v. d. Suuve-reinen Vorst v. 11 üec. 1813 [Stbl. nquot;. 10). aan het hoofd voerende de woorden; //In naam der Hooge Overheidquot; en overigens voldoende aan de wettelijke voorschriften, moet beschouwd worden als te zijn voorzien van het wettig executoir, en kan mitsdien nog gerechtelijk worden ten uitvoer gelegd.
Arr.-R. Ltrecbt. v. quot;J'.t Nov. 1848. \V. n0. 1005. â Cf. Vi kni.nE. uil art. eu de Martini, ad art. 430, lt;/ 3.
S. liet geheele verband der bepalingen onzer wetgeving omtrent de ten-uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten wijst duidelijk aan, dat de wet met ten-uitvoerlegging het oog heeft op het verhalen eener bepaalde geldsom, en nergens om in het bezit te worden gesteld van eenig goed.
Deze opvatting is niet in strijd met art. 529 13, R. maar wordt daardoor veeleer bevestigd.
Arr.-R. Assen. v. hi Mei 1873. \V. n0. 37'i(', Zie echter arr, v, 14 Mei 1S75, vermeld sub art, 437 B. R,
fgt;. Ook de grosse eener notarieële akte, inhoudende eene eenzijdige schuldbekentenis is voor ten-uitvoerlegging vatbaar, mits daaruit blijke van het bestaan eener dadelijk jopvorderbare inschuld.
Arr.-R. Rotterdam, v. 28 Febr, '1870, W. n0, 3963.
IO Een uittreksel hetwelk voor woordelijk gelijkluidend uittreksel
(I) Dat de dwangschriften niet in naam des Konings behoeven executoir verklaard te worden, is bereids uitgemaakt bij vonnis van de voormalige Rechtbank van eersten aanleg te Amsterdam, v, 15 Dec. 1831 : bij arrest van 't voormalig Hoog Gerechtshof te quot;s Huge, v. 29 Jan. 1835 en bij vonnissen van de Arrond.-Rechtbanken Appingadam eu Rotterdam, v. 22 eu 23 Juni 1840. 'Zie Periodiek Woorden-hoek, dl. II, 1842, p. 27; dl, X, 1831, p. 4:quot;): dl. 11,1834, p. 39; dl. II, 1835, p. 109; 1846, n0. 40G ; 1847, nquot;. 43 ; lij'.UchrijU roor de Jicjistrctic, 1847, nu. 4, p. 333). (Li^on).
AH. 436.
geheel uvereenkomstig de wet op het notaris-ambt als eerste grosse is uitgegeven â van een proces-verbaai van een door een notaris, overeenkomstig de bij de wet van 22 Pluviose an VII verleende bevoegdheid gehouden openbare verkooping van roerende goederen, door dien ambtenaar met inachtneming van de voorschriften der wet â Ier plaatse waar hij daartoe bevoegd was, â opgemaakt geheel in den vorm en overeenkomstig de bepalingen ten aanzien van het verlijden van akten voorgeschreven bij de wet op het notaris-ambt is een executoriale titel.
Ait.-R. Almelo, v. l:! Maiirl l«78. VV. ii0. 4420.
1)7. 1:5 7.
Dit artikel sluit niet uit de ten-uitvoerlegging eener authentieke akte door ontruiming.
Arr. v. l i Mei INT.), \\ . \i . R.. dl. CX, i; II overeenstcm-
ining niet do conclusie van den adv.-gen. Smits); v. h, H., It. II.. dl. XJ, |i. 315â;ö7 ; verg. liet vonnis der Arr.-R. lioermoiid. v. Ui Jan. 1873, \\ . ir, 35.)iJ. waarbij is beslist dat eene gewelddadige ontruiiiiing zonder voriu van proces krachtens een in executorialeii vorm uitgegeven gi-osse van een notarieele akte. niet oplevert eene onrechtmatige daad. Verquot;-, echter in verband met liet airest de aanteekening sul) art. 436 li. R., n0. 8.
Art. 138.
t. Hoewel gewoonlijk in de praktijk, bij afwijzing van een verzet tegen executoriale uitwinning, gevraagd en gegeven wordt bevel om de aangevangen executie voort te zetten, is zulks eigenlijk overbodig, vermits art. 1-38, al. 3 H. R. bepaalt, dat de wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde niet stuit den aanvang of de voortzetting der executie, en gevolgelijk, bij afwijzing van het verzet, de executie van zelve voortgaat, zonder rechterlijk bevel.
P. H. v. Utrecht, v. 11 Maart 1840. \V. n0. KXIÃ.
8. Vermits, volgens art. 438, al. 2 H. R,, geen verzet den voortgang der executie stuit, mag de rechter de gevraagde schorsing der bij een vonnis toegelatene provisioneele executie niet bij provisie bevelen,
1030
0CjU 0 tcx^^ r7
C'
erf O a i^vy-yJtT -c^-yTquot; eyC-C^.
Of o
'h^\^^rt.iKK
1036
alvorens hij de gegrondheid of ongegrondheid van het verzet overwogen en beslist heeft.
1'. II. v. I'trodit. v. I 'i Maart IHÃI, \\', if. lll(l(i.
iS. Met de woorden : quot;den aanvang of de voortzetting' in art. 438
15. R., kan de wetgever geene andere bedoeling hebben gehad, dan de geheele executie tot aan het einde toe, en is dus daaronder ook de verkoop begrepen.
Bij art. t3S 15. li. wordt niet gesproken van het geval, dat de geëxecuteerde de zaak in hooger beroep wil doen behandelen, en wordt zonder eenige reserve of uitzondering aan den executant de bevoegdheid tot de executie gegeven.
Air.-R. 's lla^o. v. April 1S.)1. \\. 110. bij ilispositie
\:ui 1 P. II. v. /.-Ilullinid. v. ^21 Mei 1N.gt;1. \\ . nc. 'Il2^(). \vunrbij li«^t Hof, boscliikl\lt;.'inlc op eene gevraairdc' admissie, om in lirt lioonor heroep van vlt;mgt;rinoldo uitspraak kosteltios te mogen procedeeren. dit verzoek c.r iHcritis cansac lieeft van de hand gewezen.
i. Zoowel naar den aard der zaak, als naar aanleiding van het in dit artikel voorgeschrevene, is de berechting en beslissing van een geschil over en bij de uitvoering van een executorialen titel niet wel anders in den regel te beschouwen dan als van spoed-vereischenden aard, die door de kamer van vacantie moet worden behandeld.
Hiertoe doet niets af dat bereids door den President in kort geding is uitgemaakt dat de zaak voor uitstel vatbaar is, mits de executie geschorst blijve.
Arr.-R. Rotterdam, v. :i0 Juli 1856. Li. 15., jir. 1857. dl. Vil. bl. 173 â 175.
â¢gt;. In dit artikel is geen sprake van verzet tegen het vonnis zelf, maar alleen tegen de executie van het vonnis, waarin men overigens berust heeft,
P. 11. v. N.-Holland, v. 10 Nov. 1864. VV. 11°. 2684, bevestigende vonnis Ait.-I!. Ainsteidam, v. 6 . 18(14, \V. u0. 2lt;gt;28.
Verg. ook navolgende beslissing:
Het onderzoek van de innerlijke waarde van den titel, krachtens welken geëxecuteerd wordt, is in den regel uitgesloten bij de beslissing in kort geding op een verzoek tot schorsing der executie, uithoofde
gt;4
of.
tyriX
es'Cé^tyx/Z-'
Jyt-cT^-O. t amp;£-*â *?' I 4 'C* e-x_____
f*. hr 2. tlt;iy r ^u S^-
tPy tf
(ri~lt;-r' ^-Ct- //t^ct.'X-. ^ e:\rz/~L^ 1037
T~r
IA
f-e.(^~ f
amp;J Se-lt;L.. quot;Pjlt
J^t -£lt;2 c_
438.
/? r.£. upjf- -n* rs-, van daartegen gedaan verzet. Jlet onderzoek van den rechter bepaalt zich tot de vraag, of de titel, krachtens welken gehandeld wordt, de uiterlijke vormen van een executorialen titel in zich vereenigt. of aan den inhoud van dien titel is voldaan, en of bij de ten-uitvoerlegging de wettelijke voorschriften zijn in acht genomen.
|
Pres. Reclnh. Nijinegen. v. Ã(i ])ec. I)etooge dat liot ^voorH rri-zrl in art. heteekenis van reclame, cinita.slntic, tenen den aanvan.u' ot de viini'tzettina' iiSaii. W. nquot;. 1 S5igt;; /ie ook ten 438, ai. 2, is te verstaan in de tegenkantinjj; of wei wederspraak der (ixecutie /(^ive en niet tou'en |
het vonnis hij verstek. S. M. in O/hh. en .!/lt;â (/.. dl. I. p. 89â01.
tamp;JL' TzCLnZamp;Vttf'
1» Olschoon bij eene gevraagde schorsing der executie de President niet mag beoordeelen au fond de gronden, waarop het verzet testen de â
aangevangen executie is gebouwd, behoort deze niettemin in eene algemeene appreciatie van den meer of min gewichtigen aard dier gronden en van hunne strekking te treden, om in verband daarmede, het noodzakelijke of wenschelijke eener schorsing te toetsen.
P. H. v. Drente, v. 15 April 1872, li, li., ju'. 1873, dl. XXIII. p. 72,
W. n0. 3551. waarbij nojr werd lieslist dat de, aangevoerde .......den, lt;lat
de executie niet enkel moclit ^esehieden krachtens het ten-nitvoer-cele^d arrest, en dat dit als niet executabel den wetlioen oi'ondsla^ voor de executie miste, Jilleszins de sclmrsing reclilvaaivligen.
5. Dit artikel legt den geëxecuteerde geene verplichting op om den President in kort geding te adieeren, op straffe van later niet-ontvan-kelijk verklaard te worden in zijn wederspraak of verzet {in cam nietig-verklaring van eene scheiding en deeling bij vonnis bevolen).
P. H. v. Gelderland, v. 18 lgt;ec. 1872, H. 1!.. ju-. 1874, dl. XXIV, |i. 109.
Uit al. 2 van dit artikel is de bedoeling van den wetgever af te leiden, dat het verzet tegen den verkoop van in executoriaal beslaquot;
genomen goederen door hem die beweert daarvan eigenaar te zijn, en derhalve door een derde de executie van rechtswege schorst.
Pres. Arr.-R. Amsterdam, v. 2 April 1878, R. II., Jg. 1879, ,4, p. 0.
waarbij nog beslist werd dal de schorsing der executie niet is opgeheven zoolang de rechter over de geldigheid van bet verzet geen uitspraak beeft gedaan of zoolang de termijn van 8 dagen bedoeld in art. 342 B. R. na de uitspraak van het vonnis, waarbij het verzet is afgewezen, niet is verstreken.
ïgt;. Wanneer het geschil tusschen partijen betreft de vraag in hoeverre
'-tj-t/ 3 y Wr - ' ^rjV.
Art 438 ) 103S
een vonnis, gewezen tegen erfgenamen ter zake van eene schuld van tien erllater vóór dat zij verklaard hebben diens nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, na die aanvaarding op hun eigen goederen knn worden ten uitvoer gelegd, heeft dit geen betrekking op de al of niet vervulling van de eene of andere formaliteit bij de 'executie, maar op de rechten en verplichtingen van partijen uit bet gewezen vonnis voortvloeiende, en is mitsdien de President der Rechtbank onbevoegd van dat geschil kennis te nemen.
Pres. Air.-I!. llaarlom, v. (i Dec. 1878. W. n , 433].
iO. De uitvoering van eene grosse, â waarbij eene crediet-hypo-theek met het beding van art. 1220 15. W. is verleend â door verkoop van het verbonden goed, is niet begrepen onder de executie, bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
AI ware dit zoo niet, dan brengt die alinea niet noodzakelijk mede, dat bij verzet van den geëxecuteerde eene provisioneele vordering tot schorsing van den verkoop in strijd zou zijn met, den aard een er grosse, en dus ontoelaatbaar.
Hof Arnliem, v. I'.t Nov. IHT'.t. W. n0. 4492.
I I. liet gebruik maken van eene machtiging op dr winnende partij bij het vonnis verleend, om bij gebreke van de veroordeelde partij,
zelf het werk te verrichten, kan niet gerekend worden onder de bepaling van alinea ] van dit artikel te vallen; vermits dit artikel alleen geschreven is voor execution in engeren zin, d. i. op de goederen of den persoon van den schuldenaar.
Hof Amstordam. v. 3 Feltr. 188(1. \V. n0. 4.V28.
12. Dit artikel geeft geene aanleiding om de in art. 289 1'. 11. aan den President gegeven bevoegdheid te beperken tot het geval, dat met eene executie feitelijk is begonnen.
An .-R. 'sPiosch, v. 25 April 1883. W. n0. 4904-. gt;-gt;â *- /Lgt;. .
/cTcPcP.
â 't Ver/et tegen het exploit, houdende bevel tot betaling, kan, als de executie voorafgaande, niet als verzet tegen de executie worden aangemerkt.
Ait.-R. Leeuwarden, v. 17 Jan. 1884. W. n0. 5080; in denzelfden zin I quot; Arr.-R. Arnhem, v. I(i .luni I8G2. W. n0. 2450; Arr.-R. Arnsterdam. v.
14 Dec. 1875. W. ii0. 3950; cf. art, 430 li, R., aant. I,
j
v*
_/i I Mlt;ri â â t â¢quot;». â¢) â 'Z-
(/Ir/. 438.
1-1-. Zie op welke omstniidiglieden ile President te letten heeft, wanneer hein krachtens liet 2de lid van art. 438 gevraagd wordt het 'oevei, dat de executie hangende het onderzoek omtrent het verzet zal worden geschorst.
nr. I'ivm, (ii. II. -2. 'Ale druk. p. r.S7 s(|. ......... Onir.VAN, â 'ide ed
dl. II, p. ');i.
15. Zie ten betooge dat de executie, hangende de procedure in kort geding, bedoeld in het slot van art. 438, al. 2, wordt geschorst-
de Pinto, dl. II. 2. p. .VJ7 ilt;n rgt;'28, '2de ilndi. p. 08(5. en (icnK.MAN, 'nl.' drnk dl. II, p. 93, â anders Pf.nmso ;iiI art.
ArL 439.
1. Noch bij art. 139 H. noch bij eenige andere wetsbepaling wordt aan het bij gemeld artikel voorgeschreven bevel tot betaling, hetwelk een executoriaal beslag moet voorafgaan, de kracht gegeven om aan den geïnsinueerde het recht te ontnemen, om op eene mtUige. wijze, {en onrftrmunlerd het recht, aan de. sc/iuldei.icher* toegekend hij art. 1377 /gt;'. // .. ingeval er (je.handeld wordt in fraudem creditorum), over zijne alsdan nog niet onder beslag gelegde goederen te beschikken.
1'. II. v. Zeeland, v. 'J| Mei 1839, I!. F,., j^. 181(1, dl, VIII. p. ü'13; I!.. dl, III, !lt; 41 : idem (ook up de motieven, in liet na te melden vonnis \an do Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Doe. '1841 sqq. vervat) l)ij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Sept. 1844. R. I!.. jjr. iS-ir». dl. VII. p. 28_31.
- Vd. ook hiermede art. 1377 li. W.. vonnis van de Arr.-R. I troeht. v. 1(5 Sopt, 1842 sqq.. sub n0. 0. '2do ed., sub n0. 8 en art. 777 W. v. K. m line en in verband hiermede, ten betoogo. dat door hot doen van eer] bevel, de ten-uitvoerlegging van een vonnis niet gerekend moet worden te zijn begonnen â art. 88 I!. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Dec. 1841 sqq., snb n0. 7. Cf. aant. 13 van art. 438.
lt;S. Hij, bij wien door den executant in een bevel, een executoriaal beslag op roerend goed voorafgaande, woonplaats is gekozen, moet geacht worden door dezen tot de aanneming van een aanbod te zijn gemachtigd, met dat gevolg dat de executant, na zoodanig aanbod, niet meer bevoegd is met de executie voort te gaan.
Arr.-R. Assen. v. 11 Sopt. 1843. W. n , M.quot;); R. 1!.. jg. 1844. dl. VI. p. 471â473; â anders in het geval, voorzien hij art. 1441. n0. G initio
â ij/t, T c-fr/^ O tv istrzrr *// ⢠- ts ' t-r V '1 f T '7 * jsid
. A-Xf^t quot; //'/â
Art. 439.) 1040
B. W,. liij nr: IMaiiïini, ad art. /'. 4 en in neti aldaar aangehaald arrest van quot;t Frnnsche Hof van Cassatie (llAi.t.iiz. t, XX, p. 503). â Vgl. ook art. 1440â1441! H. \V.. vinmis van de Arr.-li. 's Rosch, v. 15 Maart '1 Sfit) .sqq., sidi 110. 17, 'iile ed., stili 110. 18.
15. De bij art. 439 H. R. aan tien executant opgelegde verplichting, om bij bet bevel woonplaats te kiezen binnen de gemeente, waar de executie moet plaats hebben, is ten behoeve van den schuldenaar voorgeschreven, en kan niet /uóver worden uitgebreid, dat aan dat gekozen domicilie alle tot het beslag betrekking hebbende exploiten (en
/ ; quot; / /lt;,, . mitsdien, o-eliik in casu, ook die, quot;'edaan door derden ter zake van
ICc^' ) o .1 ^ -
/ 1 reclame of oiivorderini' van eigendom, welke, op straffe van nietigheid, wttf. zonder dat daartegen art. 91- B. 11. obsteert, moeten geschieden aan
â »quot;, den persoon of aan de gewone woonplaats) zouden kunnen worden ocC-C.t- gedaan.
cUi*- ^Arr.-U. Assen, v. ü Nov. 184;!, \\. nquot;. 45(1; idem (ten ln'tniige, dat. â ylAs^L. ifpf naar de bepaling van art. 45(), jquot;. art. 1 H. [{., liet exploit van verzet tl- quot; éo/f' tegen de executie van ia beslag genomen goederen niet van waarde is.
indien liet aan den procureur en niet aan den persoon van den gedaagde Ic'-ftn-ci is beleekend) lgt;ij arrest van '1 l'. 11. v. N.-liral)ant. v. (23)'24 Blaart'1846,
I!,, dl. XXIX, ij 82, lievestigende een vonnis van de Arr.-K. 'sBoscli, v, â¢18 Ajiril 1845, R. li.. Jg. 1845, dl. Vil. p. (:i94â(i9(i. â Cf. art. 04 H. k..
dfqSquot; gt;t 1 arrest van hetzelfde 1'. II. v. denz. datum, suli uc
-f. Indien een (het/,ij conservatoir, met het oog op 730 B. R , het/.ij executoriaal) beslag wordt gedaan zonder het kiezen van woonplaats, doch dit verzuim bij eeue herhaalde inbeslagneming wordt hersteld en de arrestant vervolgens, alleen krachtens laatstgemelde inbeslagneming, de van waarde verklaring vordert, dan kan de rechter geen acht slaan op de nietigheid, welke bij de eerste inbeslagneming is begaan,
Arr.-R. Amersfoort, v. 10 Jan. 1844, W. 11°. 541 ; idem P. H. v. Overijsel, v. 10 Mei 1845, W. 11° 031.
â¢Â». Het conservatoir arrest wordt door het vonnis zelf', waarbij het van waarde verklaard wordt, in een executoir arrest veranderd, zoodat in ieder geval gt;ia het vonnis tot van waarde verklaring, daarbij een voorafgaand en herhaald bevel (zelfs dan wanneer het bij het doen van het conservatoir arrest zou worden gevorderd, hetgeen echter ontkennend is beslist bij na te melden vonnis en bij dat van de Arr.-R.
dw-elz. r Uf fcJL) i2x.quot;,v Trtmamp;t- t-
â amp;gt;. lt;e. 3 â ^ yï / ^i' / tamp;Z o f . //xr/'
1041
Amersfoort, v. 10 Jan. 1844, zie art. 730 B R,, vonnissen van de/,. Arr.-Eechtbanken v. dez. data) niet meer kan te pas komen.
Arr.-R. Groningen, v. 24 April quot;1846. R. B., jg.'1847. dl. IX, p. 398â402.
O. Vermits de termijn, in art. 439, al. 2 13. R. vermeld, kennelijk strekt om den debiteur de gelegenheid te geven, niet alleen tot betalen,
maar ook tot het doen van al die beteekeningen aan den executant,
die hij noodig oordeelt, volgt hieruit, dat de termijn tusschen het voorafgaand bevel en het beslag op roerende goederen, bij een invallenden Zondag (bij de wet niet bestemd tot betaaldag en evenmin tot het doen van exploiten; met een dag moet worden verlengd, lt;5.^-
a/fp 1} v N.-Holland, v. 17 .Inni 1847. VV. nquot;. 934; Ti. 1!.. Jlt;r. 1848. dl.
JfUbeZ /'AM X. p. 1â\ 4. bevestigd bij an-, v. l'i Mei 1848. W. nquot;. 916; R.. dl. XXXI,
9f 1 J/Hfli ^ ; v' D' quot;quot; rquot;' Kt'lijk'ill zin door
' 'r' '' ikt/ Mr. .1, de Bosch Kemper, in W, n0. 833; â anders door Mr. G, L, é** ^nquot;r â ' ' .Tansma van der Ploeg, in W, 11°, 834 en door S, M. in de Opm. en Meel., dl, HI, p, 205-â210. laalstgemelde met een beroep op een vonnis jxi de Arr.-R, Roermond, v. li en een v. 2') 1'elir. 184,quot;S. W. nis, 010 en
j .cj-flzk- 622, snb art. 106 R. R.. n0. A.
V^Oquot; r,i ï. Zelfs in geval van een beslag op roerende goederen, kan de
wetgever niet geacht worden voldoende te hebben beschouwd een bevel
(Jr- ~ ^
1^°' rji- »e(^aan beteekening van een vonnis bij verstek gewezen, vermits,
wanneer dit kon geschieden, art. 440 in strijd zou zijn met art, 80 van dat Wetboek, daar, volgens eerstgemeld artikel, de ten-uitvoer-tfo J- quot;1- legging kan geschieden twee dagen na het bevel, en volgens art. 80, A-' de executie van een vonnis bij verstek eerst acht dagen na de betee-
I r* O
^ kening vermag )gt;laats te hebben,
' f'' Arr.-R, Tiel. v. 18 Aug, 1847. VV, 11 . 86(t; anders dom' A. It. H.
_ in 't W. 11°, 870, hoofdzakelijk op grond, dat nn. gelijk nok bij voormeld , ,,lt;5 j vonnis is beslist, bet bevel geene ten-nitvoerlegging is (vgl, art. 439.
/, ^ nc, 2). dit bevel ook binnen de acht dagen, gedurende welke hel
IA - ^ vonnis niet mag geëxecuteerd worden, zal mogen geschieden, en dit nu
^ quot; zoo zijnde, bet bevel dan ook tegelijk met ile beteekening van het vonnis
. ^ '!a' kunnen plaats hebben, daar art, 439. al. 3 onk oji vonnissen bij
- verstek gewezen van toepassing is. â Cf. art. .quot;gt;lt;'2 B. R,, vonnis van dezelfde Arr.-R. van denz. datum en art. 88 H. I\. aant, 7,
In cas van de artt, 430 en 439 H, R. heeft de wetgever, op ^ straüe van nietigheid van het beteekeiide afschrift en derhalve ook van ^ de daarop gevolgde executie eti in beslagneming der (in specie) roerende
\ dquot;- W. van Kossem liz., liurq. Hechtso. 00
yy'- ^ O.
r vw^ 'â âA
r ..v^
pi
c?.
Art. 439.)
goefleren, geene gedeeltelijke beteekening (ook niet van een staat van kosten zonder inbegrip der posten die door den Haad vnn discipline doorgehaald of verminderd zijn) gewild, mnar vereisclit, dat het vonnis of' de akte in zijn geheel, zonder eenige weglating hoegenaamd, aan de partij beteekend worde, ten einde deze met den geheelen inhoud daarvan worde bekend gemaakt en in staat zij te weten, zoowel hetgeen ten haren voordeele als ten haren nadeele daarbij is uitgemaakt.
Arr.-R. Maastricht, v. 28 Juni -1851, W. n0. 1257.
ÃJgt;. Het is volstrekt onaannemelijk, dat geen verbod van executie uit krachte van iiotarieële akten zou mogen plaats hebben, zoo lang die authentieke stukken rechtens bestaan, daar het toch geheel afhankelijk is van de gronden, welke voor het verzet kunnen worden bijgebracht. of de authentieke stukken, waarop de executant zich beroept, rechtens nog bestaan, dan of die het effect en de kracht van executie rechtens hebben verloren, of wel nog niet voor executie vatbaar zijn, hetgeen juist op het gedane verzet kan en behoort te worden uitgemaakt, en alleen de strekking van bet verzet zijn kan.
Arr.-R. 's Hage, v. 28 Juni 1853. W. n0. 1450; R.. dl. XL VII. S »1.
alt;». Een vonnis, in kwaliteit gewezen (m cam tegen den boekhouder eener reederij, in zijne hoedanigheid van mede-reeder), kan niet in privé (op de goederen van dien boekhouder) worden geëxecuteerd, terwijl een bevel in privé gedaan, ten gevolge dier in voormelde hoedanigheid verleende beslissing, informeel is en zoodanige executie niet kan wettigen, vermits anders een vonnis zou worden vervolgd tegen iemand, tegen wien het niet uitgesproken is en het eene verwarring van begrippen daarstelt, bij de executie eene nieuwe partij in het geding te brengen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Aug. 18.Vi. R. 13., jg. 1854, p. 530â538. â In gelijken zin bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 6 Nov. 1843: R. R., Jg. 1844. dl. VI, p. 501 en 502.
1:1. Een executoriaal beslag kan niet anders worden gelegd dan uit kracht van een vonnis of van eene authentieke akte in executorialen vorm; als hoedanig niet kan beschouwd worden een uittreksel of gedeelte van een akte, als grosse uitgegeven.
Arr.-R. Arnhem, v. 16 Juni 1802. W. n°. 2450.
1042
1ifa /20 A
7a. Z t £ cv^-é- iz-rc-v-L ''-*- t,
/7^ ^-K tlt;P^ Z. Z^-- U O t^crf
I 01 ;?
ÃS. I)e nan liet heslag voorafjjegnne exjiloiten, hniuleiule bevel eti lierhaald bevel tot betaling zijn niet nietig, omdat, hoewel daarin woonplaats is gekozen in de gemeen Ie waar de executie moest plaats bebben ten huize van den in die gemeente jongst aangestelde;) gemeente-veldwachter, deze vroonplaats daarin abusievelijk is aangewezen in eene andere buurtschap van die gemeente, dan waarin die veldwachter woonde.
Air.-Ti. Almelo. KI Maart 187S. W. rr. 4420.
1». Zie ten betooge:
«. Dat, indien in het aeval van art. 439, al. 5 H. R., het verzet of het hooger beroep aan bet gekozen domicilie geschiedt, cam quo de termijn van art. 8, al. 2 B R. moet worden in acht genomen -â
art. S R. R.. vonnis van «ié Arr.R. Assen. v. 0 Nov. quot;1843 sqq.. snbn0. I.
h. J)at bij de bevestiging van het vonnis a quo na een geïnterjec-teerd appel, de executie niet op nieuw met een bevel tot betalintf behoeft te beginnen
art. 3oO ]!, R.. vonnis van Hp Arr.-R, to Groninjren. v. l-i .Inni 1845.
c. Dat een eiscb, strekkende tot zuivere opheffing van een executoriaal beslag (in rasu uit hoofde het zou zijn gelegd vóór het bevel tot betaling) niet vatbaar is om in kort geding te worden behandeld â
art. 289 R. R.. arrest van het 1'. li v. Gelderland, v. M Maart '1846. sub n0. 4.
d. Dat, wanneer in eene akte in bet algemeen woonplaats gekozen is, die zich, ingevolge art. 81 B. W., zelfs tot de executie uitstrekt, desniettemin door den executant in het bevel op nieuw woonplaats moet worden gekozen â
de Pinto, dl. II. 2. p. 532, 2(1 e ed. p. 591 sq.; â anders bij Oudeman. /?. /;.. dl. II. Idü od.. p. t)7; die dit evenwel voorzichtig acht. ten einde allen grond weg te nemen voor het beweren, dat eene op straffe van nietigheid voorgescbrevene formaliteit zon zijn verzuimd.
e. Dat hij, aan wien bevel is gedaan, niet bevoegd is daartetren in verzet te komen â
I'. II. v. Overijsel, v. argt; Nov. 1850 hij Mr. Hertzveld, ut supra blz. 38: ct. aant. 13 op art. 438 B. R.
Zie over dit artikel W. Romrouts. in W. n0. 1^767.
' r 3: -f * itr~c-v .. . - -y 'â -â - / â¢to
^V- ^Zix^^^^^l^'~''y'
* ^ - V? â ~«_i- .quot; ^ - -T / / * /3 Vquot; lt;
^rlt;. 440.) ' 1044
/ , - , ,â â :.â¢â â - ⢠I CC. 'öty.jJ'. jyamp;J.
' ' ' / Art. 1(1. ^
f. De schuldenaar, nnrler wien beslag i.« gelegd, is niet meer bij machte des schuldeischers onderpand ten zijnen nadeele door nieuwe schuld té verminderen.
An*. V. 7 Dec, i883. W. nc. 4981; R., dl. CXXXV. § 30: v. o. H.. /?. n.. dl. XLIX. p. 74â80.
lt;8. Ken executoriaal beslag op roerende goederen wordt terecht aangevangen tegen den gearresteerde, indien deze is hoofdbewoner van het huis, waarin de goederen zich bevinden.
Arr.-R. Utrecht, v. ±2 Juli 180]. B. li., jg. 1803, dl. 52(5â520. verg. P. h. v. Gelderland, v. 7 April -1852 bij Mr. Hertzveld, ut supra, bl. 67. en Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1870, suli art. 456 B. R.
3. Vermits dit artikel onderstelt, dat het herhaald bevel en het beslag slechts één exploit uitmaken, moet dit plaats vinden ditór. waar de in beslagneming wordt gedaan, om het even, of er al dan niet aldaar een persoon wordt gevonden, aan wien het bevel kan worden geëxploiteerd.
P. H. v. N.-Holland, v. 27 Juni 1872. W. nc. 3501.
â 4. Zie ten betooge :
a. üat art. 92 B. R. niet van toepassing is bij de uiet-naleving der formaliteiten, in art. 440, refererende tot art. 5, voorgeschreven â
art. 5 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's Bosch. v. 23 Sept. 1846 sqq.. sub n0. 24; â anders bij nr, Pinto, dl. 11. 2. p. 533, 2de ed., p. 592. â
Cf. art. 13 R. R.. arbitrale uitspraak v....... 1842 en bet aangetee-
kende aldaar.
h. Dat de personen, die volgens artt. 1947 en 1949 B. W, onbekwaam zijn om in rechten getuigenis af te leggen, ook niet als getuigen bij eene beslagneming zouden mogen fungeeren â
de Pinto, dl. 11, 2, p. 535. 2de ed.. p. 594; â â anders bij Oudeman, dl. II, 4de ed.. p. 97 en 98.
Art. 441.
1. Al is de hoegrootheid der vordering onbepaald, zoo neemt dit niet weg dat de vordering zelve bepaald kan zijn.
(Art. 441
1045
het beslag.
'4. Indien een gedaagde bij vonnis is veroordeeld tot betaling van eene bepaalde som, onder aftrek nogthans van betgeen hij zal bewijzen daarop in mindering te hebben betaald of op eenige andere wijze te hebben gekweten en nu van zoodanige betaling of kwijting (hoewel de gedaagde bij het doen van bevel tot betaling van de bij het vonnis vermelde som te gelijk is gesommeerd om bewijs te leveren van hetgeen hij daarop zou vermeenen te kunnen korten en alzoo ten overvloede deswege in mora is gesteld) noch ten tijde van het gedaan bevel, noch bij het beslag en den voorgenomen executorialen verkoop, iets is gebleken, dan levert het later gedaan gerechtelijk aanbod van betgeen de gedaagde beweert per resto schuldig te zijn. niet gevolgd van consignatie, geene termen op om de schorsing van den executorialen verkoop te bevelen.
P. II. v. Groningen, v. 3 Uct. 1854. VV. n0. 1592. â Cf. art. 5 B. R.. vonnis van de Arr.-R. fiorincheni. v. 26 Oct. 1844 sqq.
S. Wanneer de opposant en zijne mede-veroordeelden gezamenlijk zijn verwezen in de kosten, zonder aanduiding van het aandeel van hetgeen ieder zou moeten betalen is de triomferende partij dus alleszins bevoegd om die kosten te verhalen op roerende goederen, welke naar haar beweren aan den opposant en zijne mede-veroordeelden gezamenlijk toebehooren en in onverdeelde gemeenschap worden bezeten, en krachtens dat gewijsde aan hen gezamenlijk bevel te doen en die goederen in beslag te nemen.
Geene wetsbepaling schrijft voor dat zij, op straf van nietigheid van het gelegd beslag, verplicht zoude zijn geweest bij dat bevel die kosten
Art 441.)
te splitsen, en bepaaldelijk aan elk hunner en dus ook aan den opposant op te geven, hoeveel hij in die kosten zou moeten betalen.
K II. v. Ovwijsel. v. I(i .hm. 18(50. \V. 110. -1 ii hierboven vermeld. Bij het arrest van het Hof werd nojx beslist dut. /.00 al de opposant kon geacht worden een voldoend aanbod voor zijn aandeel in die kosten te hebben .iredaan. daarvan geenszins het gevolfr kon zijn. dat liet gelegde beslag zoude zijn nietig, doch alleen, dat de opposant zich dan zoude kunnen verzetten tegen den verkoop tier in beslag genomen goederen, welke hij bewees, dat hem toebehoorden.
Dit artikel verbiedt niet den executoriale!) verkoop voor niet vereffende executiekosten, wel voor niet gelikwideerde proces-kosten. Ivtg. Groningen, v. 31 Dec. 1883. W. 11°. 5020.
Ar/.. 442.
Een beslag kan, zooals volgt uit deze bepaling, ook gelegd worden voor de kosten, en, al ware dit niet het geval, dan zou nog een overigens wettig beslag daardoor nog geenszins worden eene onrechtmatige daad.
IfHfi
Arr.-R. Amsterdam, 20 Febr. 1855, VV. n0. 1628.
13.
/â 11
/ f Art.
^J Bij flit artikel is het den deurwaarder niet verboden het getal bij
/H, (£* ^schatting te bepalen; en al ware een voorafgaande telling vereischt,
nog is tegen het niet naleven dezer bepaling geen nietigheid
LKJ- 'L 1
â ZoCf0 )
^iji
,1, ^J'J1
bedreigd.
_, Hof 'sGmvenhage. v. 7 Maart 'I88'l. li. I!.. jg. I883. .1. p lti ^
179.
1/7. i n
Zie ten betooge:
a. Dat, indien in een der gevallen, bij art. 444 B. li. voorzien, de burgemeester of de commissaris van politie zijne medewerking weigert, de deurwaarder niet op eigen gezag de deuren of het huisraad
1047 (Art. 414.
mag openen, doch de bedoelde ambtenaren voor de uit hunne weigering voortvloeiende schade aansprakelijk zijn â
de Pinto, dl. II. 'i. |). 537. 2de ed.. p. 597 en Oudeman. dl. 11, 4de ed.. p. 99 sqq.
h. Dat onder de cerlecjenwoordiyers van een beslagene, in den zin van art. 444 B. R , ook zijne huisgenooten worden bedoeld â Penning, ad art.
Ari. 445.
Zie ten betooge dat de executant, indien er geene opposanten zijn, de door den deurwaarder bij de in-beslagneming gevonden gereede penningen en het geldswaarde hebbende papier onmiddelijk, en dus zonder voorafgaande overbrenging ter griffie, kan overnemen in mindering van zijne vordering â
v. d. Honert, lldb.. p. 473, noot '2: â anders bij de I'into. dl. 11, 2. |i. 538, 2d(' ed.. p. 597 sq.; OüDEMAN- dl. II. Wc od.. p. 99 on Vernede. ad art.
Art. 447.
f , Zie ten betooge :
a. Dat dit en het volgend artikel ook van toepassing zijn in geval val, faillissement, niettegenstaande de bepaling van art. 8()8a van het W'etb van Kooph.
Opm. en Med.. dl. XIII, blz. 252 vlgo;.
b. Dat onder de bewoordingen in n0. 2 van dit artikel voorkomende
op de kleederen, waarmede de eerstgenoemde en hunne kinderen gekleed en gedekt zijn'quot; niet begrepen zijn goud, zilver en edelgesteen-
⢠/ /~r~/
^ ten waarmede de bedoelde personen omhangen of versierd zijn, op quot;grond dat de bepalingen in dit artikel, evenals die in het eerste ge-^deelte van het volgende, zijn uitzonderingen op den algemeenen regel van art. 1178 13. W., en deze uitzonderingen ziju stnctae mier prei a-â ' tionis; terwijl daarenboven, evenals in de dagelijksclie beteekenis onder
f kleederen niet kleinoodiën worden verstaan, onze wetgever blijkens
/f -A/p t/y
6J-. ïl'.
lt;^7, ^ - -y'Lij, o~~Aâ^ ^ «c quot; 2^
/Ir/. 44.7.) J04S
art. 184 B. W. laatstgenoemde voorwerpen ook niet onder kleederen schijnt te rangschikken.
O,,quot;'- 'â quot; -^'V.. (II. XIV. lil/. IS Vnjjro.
c. Dat deze bepalingen, wijzigende het algemeen voorschrift van art. 1177 B. W., veeleer tot het Burgerlijk recht dan tot de Rechtsvordering behooren â
Adnotatio ad art, 447 et 448 Cod, de inetii. [iruc, in cans. civ., diss, van G. I'quot;. C. nn Eerhns, T.ngd. Bat.
8. Volgens Mi'. Godekrol in T/temis, 'ide verz, dl, X, |) 93, wordt hier het beslag niet onvoorwaardelijk verboden, maar beteekent het verbod dat op de onder dit nummer genoemde voorwerpen wel het executoriaal beslag op onroerend, niet dat op roerend goed toepasselijk is.
j*.
Art. 448.
f Ten onrechte wordt beweerd dat in dit artikel de woorden quot;echter zullen de zaken in dit artikel opgenoemdquot; zouden moeten gelezen worden alsof er stond vin dit en het vorig artikel. ^
Arr.-R. 's Gravenhage. v. 29 Juni 1877. W, n0. 4141.
Art- C-jl-ZL
fa,, ' 45. Zie teu betooge, dat het handschrift van een schrijver niet kan
^.^«worden in beslasj genomen â
pf. PiNTo. dl. II. quot;j. p. ,'i4'i, 'ide cd., p. oo-J en lgt;e Martini, ad art, n. 3, ^
' '* *2''quot;- - â iw:
quot; â / t r ^ vr^-V.
h.^n c1'Art- 1'30,
I. De gerechtelijke bewaarder moet op zijn verzoek ontslagen worden, na aÃoop van het geding, en hij kan loon vorderen overeenkomstig art. 60 van het Tarief van justitiekosten en salarissen; zijnde hij ook in dit geval gerechtigd het goed onder zich te houden tot aan de volle voldoening van hetgeen hem ter zake der bewaring verschuldigd is.
Arr,-H. Assen. v. 'i'.i Kebr, 184-9. VV, iiQ. I'i7ti.
*lt;J. Art. 450 B. R. spreekt alleen van een geschikten bewaarder; het duidt in § 2 de personen aan, die niet als bewaarders mogen worden
r
tnxsrt o£*sgt;^
/4 e -
eiSiJb
â â '-⢠- - / ^/ ' i-i*i 'i VZ-*rt^-gt;
aangesteld, terwijl bet noch een maatstaf aangeeft van solvabiliteit,
noch van minderjarigen gewaagt, Bovendien is het aanstellen van een amp;lt;£,-
ge quot;-nikten bewaarder niet voorgeschreven op strafte van nietigheid van liet gedaan beslag en zou de aanstelling van een niet geschikten bewaarder wellicht recht geven om een anderen (geschikten) bewaarder te doen benoemen.
sfar coJlzM-*- -trcu^ esu^ -
An-.-R. 's Bosch. v. 27 Sept. -1840. VV. n0. IKb. . quot;*â
IJ, Zie omtrent de vraag, of de gerechtelijke bewaarder, in art 150 ^
1 0 _ Ccrzrute*.-*^ s
B. R. bedoeld, tegenover den executant te beschouwen is als een derde enz. â ,s^, amp; ,a
/jUnr s
1049
/J . .*JU*y / f
. ^.yr'J-e V-'-'a -yr L rJf.'-i
L 0-$'
OL â ££-4--0-~â'
art. 432 15. 1!.. vonnis van 'Ie Arr.-R. Groningen, v. 24 April 1846 sqq., snh n0. 2.
Zie ten betooge, dat de deurwaarder niet behoeft in te staan voor
den door hem gestelden bewaarder â
v. d. Honert, Udh., |). 475; Oüdeman. dl. 11. 4de ed.. p. 103, en Vernede. ad art.; - anders de Pinto. dl. 11. 2. p. 544. 2de ed.. p. 604.
Art. 1-5 I.
I. De door den kantonrechter ingevolge dit artikel aangestelde bewindvoerder over in beslag genomen vee is tegenover den beslaglegger niet als lasthebber tegenover den lastgever te beschouwen.
Kt;:. Zwolle, v. 27 Maart 1860. W. h0. 2253.
'i. Vruchten te velde, niet van den grond gescheiden, zijn omroerend: de vormen voor beslag op roerend goed kunnen te dien aanzien niet worden in acht genomen.
Arr.-R. Middelburg, v. 26 Sept. 1877. K. H.. jii. 1879. .1. p. 105.
VV. n0. 4161.
Verg. navolgende beslissing:
Men kun geen beslag leggen op vruchten die nog te velde staan, ten laste van den pachter van den grond als schuldenaar.
Arr.-R. Middelhnrg. v. 10 Oct. 1877. VV. n0. 4164.
/
t 't
' ^6^ f
[Art. 450. q tL ^r-
^y', ^7 0 Cf-a 5' O ,
1
Art. 454.)
Art. 154,
Uit deze en de volgende wetsbepalingen vloeit voort, dat het recht van den bewaarder om loon te vorderen, eerst geboren wordt bij quot; len afloop van het beslag.
Arr.-R. Gorinchein. v. 18 Dec. 1860. W. n0. 2510.
Ir/. 456.
fi De dagvaarding in hooger beroep in cas van reclame of revindicatie van goederen, bij art. 456 13. R. omschreven, behoeft niet aan den bewaarder der in beslag genomene goederen te worden beteekend, vermits die beteekening aan den bewaarder wel bij art. 456 H. II., ten aanzien van het verzet tegen den verkoop der gearresteerde goederen, bij de dagvaarding in eersten aanleg is geboden, maar geenzins gelijke beteekening der nkte van appèl of van de dagvaarding in appèl is voorgeschreven.
An. v. 'id Nov. 1847. \V. o . 8Ã7: R.. dl. XXIX. § 31; v. d. H.. 8. li., dl. IX. p. 100 â181; idem bij het daartoe betrekkelijk arrest van 't P. H. v. Friesland, v. 0 Jan. '1847. Themis, jg. 1847, dl. VIII. p, 229â 231: â anders door Mr, S. VV. Tromp, Themis, ibid. p. 223â229.
Vergelijk echter navolgende beslissing:
De nkte van appèl, niet aan den bewaarder beteekend, kan hoogstenj worden nietig-verklaard, maar dit verzuim geeft geen aanleiding tot niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep.
Air. Hof Leeuwarden, v. 23 April 1883. W. nquot;. 5039.
3 Noch dit artikel noch art. 458 is, waar de rede is van conservatoir arrest, van toepassing.
Air. v. 18 Jan. 1850, W. nc. 1717; R.. dl. LH. § II: v. n. H.. B. li.. dl. XX. p. 157â109: idem Arr.-R. Rotterdam, v. 17 Deo. 1850, W. 2010: R.. dl. LX1\,§ 7(): idem Arr.-R. 's Gravenhage, v. 27 Deo. 1870, W. n0. 3285, waarbij werd beslist: dat liij die eene hein toe behoorende zaak wil opvorderen, welke begrepen is in een ten laste van een ander gelegd en van waarde verklaard pandbeslag, niet volgen moet den weg in dit artikel bedoeld, maar in liet geding tot van waarde-verklaring had moeten tnsschenkomen, of als derde in verzet komen tegen liet vonnis van van waarde verklaring. Verg. met deze beslissing aant. 0 van dit artikel. Idem Arr.-R. 's Gravenhage, v. 1 Febr. 1884, W. n0. 5015. Vergelijk art. 459 sub n°. 1.
1050
£c^--gt;-i râa? e oé-c^a--*^ -zst^-r- AyiZ. 2rr4yé.amp;-ir^a ^ cyr^JL-^B-^-^I' . /tfe. .s'amp;wa tamp;LvOet^r,
(T^* . ___/py; *7 ,.r^-, /fc.
1051 {^Art. 456,
3. De gezamenlijke beneticimre erfgenamen kunnen niet jure, op grond van art. 456 B R,,, in verzet komen tegen den verkoop van roerende goederen, volgens hun beweren nan den gemeensohappelijken boedel toebehoorende. welke ten liuize en ten laste van een hunner zijn bevonden en gearresteerd, indien zij niet tevens het bewijs hebben geleverd, dat zij bepaald den eigendom hebben van eenig gearresteerd voorwerp, met uitsluiting van den eigendom der gearresteerde, welke betzelfde recht, uit krachte der tusschen baar en den erflater bestaan hebbende gemeenschap bezit op elk der gearresteerde of niet gearresteerde, maar op den inventaris voorkomende goederen.
Arr.-U. Sneek. v. 'i Nov. IS40. I!. i!.. ju'. 1845. dl. Vil, p. 002â664. â¢â Cf. art. 1112 li. W., vonnis van dezelfde Arr.-U. van denzelfden datum, sub n0. 2, 2de ed.. sub n0. 9.
fi- Indien uit eene akte, houdende uadm-r. overeenkomsten, blijkt dat bij eene vroegere en oorspronkelijke akte van koop en verkoop geen eigendoms-overgang van goederen had plaats gehad, maar slechts een voorwaardelijk recht van pand of voorrang was toegekend aan hem. die zich ingevolge art. 456 B. R.. tegen den verkoop dier goederen, nadat daarop door een ander beslag was gelegd, verzet, dan is. bij het niet vervuld zijn der voorwaarde, de geopposeerde als derde gerechtigd zich op die nadere akte te beroepen en moet de opposant niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzet en in zijn eisch tot uitlevering der goederen.
Ait.-R. Utrecht, v. 28 April 1841. W. ii0. 244. â Cf. art. 1910 B. W.. vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum, 2de ed., sub n0. 1.
5». Art. 456 B. R. schrijft wel voor, dat het verzet aan den bewaarder moet worden beteekend op straffe van nietigheid, doch bepaalt geenszins het tijdstip waarop zulks moet geschieden : alzoo kan de opposant die beteekening gelijktijdig met liet verzet of we! later doen, mits zulks slechts ter bekwamer tijd geschiede; bij verschil daarom trent is het aan deti rechter overgelaten uit den stand der tussclier partijen hangende zaak tijdens die beteekening, te beoordeelen, of die nog wettig en valabel konde plaats hebben, en is liet voldoende, dat die beteekening geschiede, vóór dat het rechtsgeding in staat van wijzen is gebracht.
ut~ c'- 1^^^--^ ^ --^
Jnn-V^ ?L^~ trv^â rlJ~~- l^ ^ J
Arl. 45fi ^ /yo~v , 1052 ^9,
quot;â¢h, ^-yx. â â » i.- quot;i. An-.-R. '8 Bosch, v. 44 Jan. IK'tó, W. n0. 313 en v. '29 Nov. 1848.
VV. n0. 1089; â idem bij Oüdeman, lt;11. II. 4do ed.. \gt;. 140. â Vgl. ^ ^ hiermede Mr. S. W. Tromp, Themis, jg. 1847, dl. Vilt. p. 224, die
â¢n»- ^6/va- ^ «-ja, quot;-quot;^meent, Jat do beteekening aan den bewaarder, gelijk de dagvaarding ^ elt;c. 'o â¢Â«'*gt; zelve, moet geschieden twr het tijdstip tut den wkooji bepaald; dat.
indien do beteekening op dat oogenblik no» niet is geschied, er geen volledig en geldig verzet is, de arrestant tot den verkoop kan overgaan â yiy^i i- ^ lt;-^-^9-- en de bewaarder niet slechts gerechtigd maar ook verplicht is, orn aan â yUi-aC :'o A-hem de goederen tot dat einde af te geven â en dat, wanneer de arrestant. in plaats van dadeliik gebruik te maken van de nietigheid van hei
/J ri/f Q * ^ ⢠' , , , . I
--verzet en den verkoop te doen doorgaan, dezen uitstelt, dit uitstel wel
ylb o.^ geen afstand van de exceptie van nietigheid medebrengt en de arrestant
IL L 'f /' 'n (^'e exceP^e ontvankelijk blijft, maar de rechter alsdan gebruik zal
' kunnen maken van de aan hem bij art. 94 B. R. verleende bevoegdheid, (|e exceptie verwerpen, en bijaldien de opposant zijn verzuim nog niet
i a-tf ^ heeft hersteld, kunnen bevelen, dat de beteekening alsnog zal geschieden.
n , /. ./a â Cf. art. 456 li. R.. arrest van 't P. II. v. Groningen, v. 1 Nov. 4842.
s-. Q, cyxscr-*--^ ^
⢠/ â éaa, sub n0. 6, Zie ook dit artikel sub n0, 15.
Hij, die eigenaar beweert te zijn van de onder den schuldenaar
Y'
/ hij conservatoir arrest in beslag genomen goederen (en mitsdien een
Irffji ^ (jer(je^ tegen den verkoop verzetten en de uitlevering vorderen,
vóór dat het arrest van waarde is verklaard.
-./.^/vo4' ' P. II. v. Groningen, v. 1 Nov. 4842, T/iv/J 'm \ederl.. dl. Ill, p. 374
/ en 375, bevestigende een vonnis van do Arr.-R. Groningen, v. 23 Sept. 1842, Bet/t in Xederi. ut supra; R. 1!.. jg. 4843, d!. V, p. 222. Verg. echter het sub no. 2 aangehaald vonnis der Arr.-R. 's Gravenhage, v, 1 Febr. 4884, waarbij is beslist dat. gesteld dat analogische uitbreiding hier geoorloofd ware, dan nog de toepassing van art, 456 bij conservatoir beslag eerst nó de van waarde-verklaring zou kunnen geschieden.
S. Een verzet is niet nietig, wanneer de opposant den arrestant en
den gearresteerde wel tegen denzelfden rechtsdag, maar afzonderlijk, bij
twee exploiten en op verschillende dagen gedagvaard heeft.
L -t-Urt* /IK,. A ^ n - (gt;y32-.
P. 11. v. N.-Holland, v. 24 Oct. 1844, R. n.. jg. 1844, dl. VI. p. 787â
790, vernietigende het daartoe betrekkelijk en in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Hoorn. v. 3 April 1844. VV. n0. 504.
Art. 16 der Wet v. 22 Mei 1815. {Slbl. n0. 22) op de invordering van 's Rijks directe belastingen (welk artikel heeft vervangen de bepaling van art. i der Wet v. 12 Nov. 1808, hier te lande executoir verklaard bij Decreet v. 8 Nov. 1810 en welke bepaling, bij vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. 7 Febr. 1840, W. n0. 101; R., dl. VI, 28; van Amsterdam, v. 16 Jan. 1844, R, 13., jg, 1844,
/t isvz^letMâ
;rts1 ay/rlt;^ - - 'x *â. « ^
(jy^sv-e^ rS*- *-'! ^ epT^j.^fr^~j ^-â a. .^ . -
.r^^r:-y ffo-
1053 x ö [Art. 456.
cfiâ^ ^^r-a Uh -y* quot; y fyj,
dl. VI, p. 585 en 586; liegt in Nederl., dl. IV, p. 136 en var
Zierikzee, v. 17 Jan. 1845, ü. B., jg. 1845, dl. Vil, p. 540â542,
verklaard is noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend door de Grondwetten
van IS 15 en 1840 te zijn afgeschaft), verbiedt aan derden, die op de
door den ontvanger in beslag genomen roerende goederen geheel of
gedeeltelijk recht meenen te hebben, dadelijk de zaak op de gewone
wijze voor de rechtelijke macht te vervolgen, zonder voorafgaande
inlevering van een bezwaarschrift bij den Gouverneur der provincie,
door tusschenkomst van den ontvanger,
Air.-R. Gorinchem, v, 23 Jan, 1847. li. R.. js. 1848. dl. X. p. 55 en quot;iti: idem Amsterdam, v. 20 ,lan. 1847. W. nK 702 en 842; R. B., jg,
1847. dl. IX. p. 550 en 551 ; idem bij Resolutie van den Min. v. Fin. v.
3 Sept. 1846, n0. '11, W. n0. 702, naar luid waarvan het woord «kumiem),
in art. 16. al. 1 der voormelde Wet, niet? anders uitdrukt dan het denkbeeld van bevoegdheid en recht en geenszins dat van vrijlating, om hierin naar verkiezing te werk te gaan, zoo als ten overvloede blijkt uit liet gebruik van datzelfde woord in het 2de lid, alwaar niemand zich omtrent de bedoeling vergissen kan: idem en ten betooge, dat na eene afwijzing van het bezwaarschrift door den Gouverneur, de dagvaarding, met bet nog op het aangehaald art. 16, al. 2. op ximffe van niet-ontvcmkëlijk-heid moet worden gedaan binnen drie dagen na de beteekening dier afwijzing â bij vonnis der Arr.-R. Utrecht, v, 8 Aug, 1848. R. R., jg.
1848, dl. X. p. 502â504,
ifljkr quot; Om roerende goederen aan eene in-beslagneming ten laste van
5 bezitter te onttrekken, wordt het volledig bewijs gevorderd, dat
^ ^ 1716,1 eigenaar van die goederen is, ü
pciU Arr.-R. Arnhem, v. 2ri Nov. I847, \\ . u . I(l(i5 ou v. 27 Nov. 1848. ^
J ' \V, iv. 1030; R. I!.. jg. 1840, dl, XI, p. 306â401. of. Arr.R. Sneek, v. fa_ff OU.
7 Mei 1868, NV. n0, 3033. ^
40, Uit art. 456 B. R. kan niet worden afgeleid, dat een derde,
ageerende ten fine van reclame en ten wiens laste het beslag niet is gelegd geworden, bevoegd zou zijn om dat beslag uithoofde van nietigheid in de vormen te bestrijden,
Ait,-R. Arnhem, v. 2ö Nov. 1847, W. n'. 1(165,
14. Aan de bij art. 456 B R. aan hem, die beweert eigenaar te zijn van de in beslag genomen goederen, toegekende bevoegdheid, om ^iw-
verzet tegen den verkoop te doen, kan geen ander rechtsgevolg worden gegeven, dan dat de verkoop, hangende de beslissing over de opvorde- uf. sSSi-ring van die goederen, worde geschorst.
(_ O-pfl.J i-ji- ^
rCa. L, i/~v-amp;/c, cr-^âcâ f C UJl- , / ^ quot; y-atJcf
A^pZ e^j '^cirryrl : r. ' lt;^U 1/n^l
../ y') ; l*--'-*-* ' f'-JSL-.
? A-ogt;. ^ ^1 Ccrfyi^o^tyuiL^ ^ \ â /1 -r .quot;gt;ts.i ^
TTyt ; f^J_[ , . f '
Jbxr/ v^eJia^c/-r #amp;. cta^ ttpa^g^ 6 uti.,
'3 (M,. 6gt;.
-6^ -^rr;
G^2 t-^jtsr^y-o
lt;?^ï3t. ^Zas** Sx ^
r^rn-^-
^/r/. 456.)
,vlt;vVt^quot;
het voorschrift (vervat in nrt. 4:^, nl. 2) M liet verzet van
t Cj y-x^y^J /lt;ylt;y sr 6y. 7^ quot; sfgt; 2-j? 2..
1054
/~f.'2^, £-lt; ____ _
-f-^-i^y â amp;* i^tt j£a xsT-zr
v:
'^UM- worde geschorst. Pr, 7y' â ? y ' * (lt;/-
, .on!' Wtfl, â
0.1.^1 f J, n v Geldet land. v. IS Mei IRtS, \V. nquot;. 1455; H. It.. ,jg. 4853,
|). 334 en 335; id..... Pres. bescli. Arr.-R. Amsterdam, v. quot;2 Apvil 1878.
R. 1!.. jsr. 187',). A. p. ii en v. '27 Aupr. 1881. li. li., jg. 1882. A. p. 156.
n
}iv tjiM- ^12 He derde eigenaar, die zich niet tijdig verzet heelt, behoudt ylé. cU~ quo krachtens art, 140] B. VV. recht op schadevergoeding. .
Vquot;^quot; I'. II. v. /â-Holland, v. 31 Jan. 1859. W. nc. 2042. Iievestipend.-vonnis
l/J.^7' ' Vit.-T!. Rotterdam, v, 30 Juni 1858. W. ii0. 2012.
7-6 Â»Æ ff a-
^ . iJvn* g;|, jJe enkele aanzegging of kennisgeving aan den bewaarder dat ^6, ^ ^^eene dagvaarding aan den genrresteerde gedaan is, zonder dat die 0. textueel of copielijk aan den bewaarder is overgegeven, voldoet niet
rul. â¢
P. II. v. N.-Holland. v. 20 .Inni 1802. W. nü. 2405, R. B.. jpc. 1803. dl. XII1. bi. 595â(503: idem 2 April 1803. W. ii0. 2505.
a«» â aan de bij dit artikel vereischte beteekening.
' â *quot; gt;
4, Art. 94 li. 11. is ook toepasselijk, wanneer een der formaliteiten. op strafte van nietigheid bij dit artikel voorgeschreven, niet is vervuld.
r. II. v. K.-Holland, v. 20 .Inni 1802. W. n0. 2405; R. B.. jg. 1803. dl. XIII. lil. 595â003, en v. 2 April 1803, W. n0. 2505; anders Arr.-R. Maastricht, v. 5 April 1879. AV. n0. 4007. R. B.. jg. 1882. A. p. 149, cf. ibid., p. 153. beslissende dat art. 94 alleen van toepassing is op de voorschriften der artikelen vermeld in art. 92 B. H.
SS. Jlet verzuim van beteekening van de dagvaarding aan den bewaarder heeft de nietigheid dier dagvaarding en van het verzet (welke heide niet anders dan als eéne handeling te beschouwen zijn) ten gevolge.
TJ. II. \. N.-Holland, v. 20 Juni 1802, VV. n0. 2405; R. 13.. jg. 1803. dl. XIII. bi. 595â003 en v. 2 April 1803, \V. n0. 2505; anders Hof 's Hertogenbosch. v. 28 .Inni 1879 in strijd met de conclusie van het Openb. Min.. \V. n0. 4495, li. B.. jg. 1882, A. p. 150, vernietigende vonnis Arr.B. Maastricht, v. 5 April '18i9, W. n . 400/, R B., jg. 1882, A, hl. 149. â waarbij als voren was beslist dat, indien de beteekening niet is gedaan vóór den dienenden dag. het bij de dagvaarding gedaan
l'nsu). lt;*vtur- Otf, Cffl^V^oL -yxj----1/x^J
^^len geëxecuteerde den nnnvrnig of de voortzetting der executie in den '
t^Me. * den geexecuieerde iipii :i:iin:ni!f in uc »â¢â¢quot;quot; «/.«;niquot;i; gt;â gt;-â ... ..-.â
' -q resel niet stuit, is rle hetloelinü; fles wetgevers af te leiden, flat, hij ^^^fverv.et door derden, de aanvang of voortzetting fier executie werkelijk
vtP^2-
Pr-l
'J/paJL** lra-'n- £ 1/Hsyi. r*SLyC r £/dbs. 'U ^ Ofo /y^-
r *J ,^nnlt;9m -«£â**â O^â- cUâ ^zn-oc^c ^ ^ ⢠^ ^
*-£.â *â ' ~ !^é~ I / Ã/A ^t- £-0 ^'~gt;'7^ i^CL-^r^ e~ 0lt; Q Zc- cyT^Q -V-I, ^V- ^-O. £gt; 9 n^-c ^tr £. amp; Q quot;2-,quot;,, ,
\ y^ 4~ f / / /
J\?7'-}*J2k. / 5quot; *- quot;l CVquot;. (lP^ v^. lXO^-^ lt;--U-
XT*; ^ -/â¢'quot;' ----i^£7~~*7 rlt;'^5«'«^^
'^f2- lt;Slt;f3 lAt-Q n, rfo. /flr#fM. .. /^gt;. verzet nietifr is. Het Hof besliste, dat er geene enkele reden bestaat, f^yyt, tfjivt;
\ waarom voor de nalating der beteekening liet verzet ten opzichte van ^
V f-nob arrestant en gearresteerde nietig zon zijn; en dat de bedoeling vaquot; 'â¢'»â '*â ⢠'* â¢ Æ , wetgever alleen is oni bel verzet ten opzichte van den bewaarder 'j/.tf^* als niet bestaande te verklaren.
leen
llt;». Beneficiaire erfgenamen, wier privé goederen in executoriaal beslag genomen zijn krachtens een bij verstek tegen de gezamenlijke erfgenamen gewezen vonnis, moeten wanneer ze in den eigendom van hunne eigen goederen willen gehandhaafrl worden, niet in verzet komen tegen dat vonnis, doch zich, krachtens dit artikel, tegen den executorialen verkoop hunner goederen verzetten. Zij toch zijn ten opzichte van de ten-uitvoerlegging van het vonnis te beschouwen als rf-c^
derden, wier goederen zijn in beslag genomen. /5
Arr.-R. Zwolle, v. 13 Jan. 1864. W. n0. 2062. ^ Ut
I ?. Eene dagvaardin?, die niet inhoudt rle opgave van den titel, ' quot; . waarop het eigendomsrecht berust, is nietig. ^ z y.^./ X
Ari'.-R. Groningen, v. 19 Oct. 1800. R. 1^.. jg. 1868. )). 074. /ja6, ^i 7r as?y5ir
lt;9d-gt;»-«- 2_
:e
1 Hoezeer ook deze bepaling niet van dadelijke toepassing moi
zijn in het geval, dat is gelegd niet een executoriaal beslag onder den 6, ?, lt;â c*/^â schuldenaar maar gelijk hier, een conservatoir beslag onder derden, â f.-,
zoo volgt daaruit niet, dat rle eigenaar, die door een beslag onder derden ten laste van zijn goed gelegd, belemmerd wordt in de be- 'J05,
schikking over hetgeen hem toebehoort, hiertegen niet onmiddellijk ^ zou kunnen opkomen en herstel eischen van dengeen door wiens toe- ^
doen die belemmering werd veroorzaakt. 4. /0^ â¢
/x.
P. H. v. Z.-Holland. v, 25 Maart 1867, W. nquot;. 2903. gt;7, '^
I ïï. in geval van verzet tesen een vonnis, waarbij een executoriaal beslag is nietig verklaard, bij verstek gewezen tusschen den geoppo- fiP-^, ^ â seerde als eischer, den arrestant en den gearresteerde als gedaagden,
moet de opposant (de gearresteerde) ook zijn vroegeren mede-gedaagde (den arrestant) in lltf. brengen, al blijkt ook, dat deze zijnerzijds in het vonnis heeft berust en bet arrest opgeheven.
Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juli 1867. W. n0. 2946.
De executant is schadevergoeding verschuldigd, wanneer hij
a lt;P lt; quot;-^ - -quot; _ ^ (T' ^*W ^j- ^ Ixv^-a^. ^5 S. ^amp;ârr^}0^â^' f
â i *gt;â amp;-9-xJi* gt;? s-i^i^ ^ ^ ^ c» e/~- - ^ -7 - -^^* ^gt; -f ^r.â^ ^ a â lt;â-
^ 'Ã - . â C , . , , ^
L lt;nrCo^^-y or^yf^ vâ1^a{~ ^e^^-vZ- ^ ^ ^ ^ t^^lâ -f ^v
1 /\c:i* T^/f- As'oCamp;si*.
J) ^_ .-V ^ ev/^w cyCL^*. Q^^ yUjL-^. ⢠H Aa^- CtPCfr
^ _____ ,i:â ^
--'/ (S~C/f- UXÃ'b*, CsCS- r* J -7 ^quot;~r _ , 1
had kunnen en moeten weten dat hij goederen in beslag nam, die den schuiacnaar niet toekwamen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1870. R. R . jg. -1871. p. 269 sqq.: cf. aanl. 22c. 7?*«: lt;^j
34. Deze bepaling is ook van toepassing op hem, die j»ro ^I
^-.mede-eigenaar is van de gearresteerde goederen, v^t-'/'t-k^~
P. H. v. Gelderland, v. 5 Jan. 1870. bij Mr. Hertzveld, ut supra Wz. eU. *.- . v,' - â 102; idem Arr.-R. 's Hertogenbosch. v. 4 Aug. 1881, W. n0. 4753, R. B..
tswi. u-f 'quot;'*â quot;*â 'â¢â ', iff- '1882, ,4. p. '158; waarbij tevens werd beslist dat tegelijk met liet verzet j / i '. - tegen den verkoop (in casv van al de goederen) de vervallen-verklaring ^
quot; ' van het beslag kan gevraagd worden, vermits een executoriaal beslag, i^a^4-waarop geen verkoop volgen kan. volkomen doelloos is. óVL
cfy^yyi tASv-tJ1 *1 .
ru~. ï-quot; ^3. Zie ten betooge ; /r C^. ^ ^
^ /^7 *quot; / ^70
a. Dat het in cas van art. 739 13 R. niet, even als in dat van art. //quot;
?rVc^/- ' ' .
456 noodig is dat de persoon, tegen wien het beslag is gelegd, in 2,- ^ ^ quot; 1
. het sedino: worde gebracht â
crKnjuc^ryy^'^-1/^-
. IM-. apt. 739 B. R.. arrest v. 30 ^[ei 1839.
tj. Dat de bepaling ten behoeve van den schuldenaar, op wiens
⢠^ -yxS f? '/ 0° â¢
goederen executoriaal beslag is gelegd, in de laatste zinsnede van art. .4.39 jj }!_ voorkomende, niet vatbaar is voor uitbreiding in het geval,
voorzien bij art. 456 B. 11. â
tf. art. 439 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Assen. v. 6 Nov. 1843 sqq..
My ftquot;. -? sub nc. 3.
/£ /eA^- ^
liP^ Dat de schuldeischer, die executoriaal beslag heeft doen leggen op
roerende goederen, gevonden in het bezit van zijn schuldenaar en ge-â¢' arre,steerde, niet aansprakelijk is voor schadevergoeding, wanneer hem
/t eersj na |let iirres| js kcibaar gemaakt, dat die goederen aan een and Jjk^ if?/ K jn eigendom behoorden en zich bij den gearresteerde in bruikleen v i)evon(]eni zijnde in dit geval, ondanks den regel qui agii cerim w
Jlc iZLgt;JuP'a'°JL'debet, deze dwaling van den arrestant een error facti alieni tolerahïlis, fas welke hem rechtens niet kan worden geïmputee.rd â
art. 1401 B. W., vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 30 Juni 1846, sub ^nc. 22. 2de ed.. no. 38. in denzelfden zin Ktg. 7..-Bommel, v. 3 Juni 1863.
aangeli. eod, sub n0. 80. en Arr.-R. Amsterdam, v. 21 April 1840, aangeh.
V 'eod.quot;sub n0, 26; anders Hof Holland, v. 4 Nov. '1840 ter laatstgenoemde
(/*- ^ M- plaatse. â Vergelijk P. H. v. Z.-Holland. v. 31 Jan. 1859. W. nc. 2042.
'Ui/rrrfei' 'l . (ad art 1401 B. W. sub n°. 75) ten betooge dat bij die \i'\si dat de
// y-y^-
t, yOi.'i - ^ CC-K- k-U it**
J. r
/) ' Pr-eS f '
( ert' ^ ^ *r- ^ ir^Zfl. *44 6x*gt;'lt;L4.t£. /rf. £^Arrr~r. rÃG SU /-/s^
$tgt;égt; lt;*1 % ' 76****. ? /v ⢠'féfs U/*re cfij/y.
'L lt;- , VZr- irP' quot;
Jl^r;â jS'b aJL.!gt;. *=â¢*- a-A-
yC2^r:
-y ^ ^
é^u~
â xtr '1--Z J3. tâ
C
c7*
{Krt. 45fi.
goederen door licm in beslap; jrenomen zijn nirl aan zijn schnldenaar behoorden, een oni'eclitmatige daad jdeegt, cf'. Ai r.-R. Amsterdam, v. 24- Mei ISTO. liici'boven vermeld sub n0. 20. â AVI. ook bet aanpet. op art. 478.
d. Dat de verkonper van roerende en nog onbetaalde goederen, die recht van terugeisching heeft, zich tegen verkoop daarvan kan verzetten â
Oudeman, dl. li, -We ed. p. 109 sq.. â anders liij Penning, ad art., volgens wie li de verkooper die goederen moet terugvorderen van den beslagene als kooper, daarbij oproepen den arrestant en de opposanten om die afgifte t,e dulden en zijne vordering aan den bewaarder lieteekenen.
'ilt Zie omtrent de wijze, waarop, als het geldt eene reclame van in beslag genomen goederen, uit krachte van art. 456, door den inter-venient de daadzaak van den anlerieuren koop en verkoop kan worden bewezen â
art. 1494 II. W,, vonnis van de. Arr.-R. 's Bosch. v. 25 Febr. 184-2, sub n0. 4-, 2de ed., sub n0. 6.
Art. 456, 3e lid is niet ingetrokken bij de wet van 7 April 18G9 ($lhl. n°. 55), ofschoon de intrekking daarvan liij het ontwerp werd voorgesteld.
A.
Art. 457.
f.. De schuldeischer wiens vordering ontstaan is gt;ia het beslag, heeft niet het recht van verzet tegen de afgifte der kooppenningen.
Arr. v. 7 Dec. 1833, W. n0. 4981, ook vermeld sub art. 406 fi. R. n0. 7.
Welke beginselen ook vroegere wetgevingen, omtrent de rechten van den verhuurder op de meubelen van den huurder, mochten hebben aangekleefd, stellen het de bepalingen van art. 457 B. R. buiten twijfel, dat ook de verhuurder, voor de door hem verschuldigde huurpenningen, wanneer de goederen des huurders zijn in beslag genomen, niets anders dan oppositie tegen de afgifte der kooppenningen kan doen.
Arr.-R. 's Rosch, v. 14 .lan. 1842. W. n°. 313. â â Cf. art. ü('gt;7 li. W.. n0. 3, 2de ed., sub n0. 5 en art. 1188 ibid., n0. 4, vonnis van dezelfde Arr.-R. v. dezelfden datum.
3. Hij, die als crediteur in eene failliete massa, ten opzichte van een beslag, vroeger op eenige goederen van den failliet gelegd, zou
Mr. W. van Rossem Bz., Burg, Rechtsv. 07
Art. 457.)
willen opkomen, knn zijne nctie niet doen strekken tot vernietiging van het beslag, maar kan alleen ontvankelijk zijn in eene oppositie tegen de afgifte der kooppenningen, ingevolge art. 457 B. R.
1'. li. v. N.-Brabant, v. 2S Maart '1848, R., dl. XXXVI, § 64.
4. Deze bepaling strekt blijkbaar om liet maken van noodelooze onkosten door bet opeenstapelen van inbeslagnemingen te voorkomen, docb daaruit vloeit tevens voort, dat de opposanten voor hunne onkosten van oppositie en de latere plaatsing np den staat, op eéne lijn moeten gesteld worden met den executant, en hunne oppositie een integreerend deel uitmaakt met de door hem aangevangen uitwinning.
Arr.-R. Amersfoort, v. 17 1'ebr. '18.quot;i8. W. ii0. '1998.
ü Eene beslissing van den rechter-conimissaris o\er de wettigheid eener oppositie staat niet gelijk met een vonnis van de rechtbank, zoodat voorziening daartegen niet bij den hongeren rechter, maar bij de rechtbank moet ingesteld worden.
Arr.-R. Assen, v. ±1 Deo. '1868, W. n0. 3236.
â¬Â». Eene beteekening aan de gekozen woonplaats van den arrestant en niet aan hem in persoon of aan zijne werkelijke woonplaats gedaan, is in strijd met dit artikel en brengt de algeheele nietigheid der oppositie met haar gevolg te weeg.
Arr.-R. Assen. v. 21 Dec. 1868, ut supra.
5. Er bestaan geene termen om den deurwaarder tot vergoeding van schaden en interessen aan te spreken, wanneer hem noch boos opzet noch onachtzaamheid, noch onbekwaamheid te wijten is; maar wanneer er integendeel een vermoeden is, dat de deurwaarder in last heeft gehad de beteekening der oppositie juist zoo te exploiteeren als hij heeft gedaan, zoo dat de schade niet aan zijn toedoen kan worden toegeschreven.
Arr.-R. Assen, v. 21 Juni '1869, W. n0. 3244.
â Zie ten betooge (met een beroep op de, geschiedenis der wetgeving, v. n. Honert, Hdb., p. 479 en 480), dat opposition, door schuldeischors tegen de afgifte der kooppenningen, gcrlurcncle den verkoop der goederen gedaan, van kracht en van waarde zijn â¢â S. M,. in de Opm. en Meel., dl. II, p. 75 en 76; idem Oudeman, dl. II. 4de ed.. p. 112, en onder vigueur van 't Fransche recht.
1058
(Art. 457.
105!)
|
PrGF.au, dl. TT, y). 98 en Bonnin, ad art. Ft. li., dl. TT, 2, p. 538 en 547. 2de od.. sleclits ontvankelijk is tot cicoi of vóór goederen; idem Lipman. Tl. II., p. -197. |
flOO; â anders liij he Pinto, Trill.. Igt;. (307 sq,. volgens wien het verzet den verkoop der in beslag genomen |
Art. 459.
1. Het verbod van dit artikel geldt 9iie( voor conservatoir maar is
beperkt tot executoriaal beslag. )Kâ /fc. /* ^0r: 6# st'étór.
Arr. v. li Mei 1870. W. n0. :!2'l7: R.. dl. XCV. § 2; v. n. II.. II. II..
dl. XXXIV. p. 440â452; ook annjzehaalrl sub art. 305 B. R.. idem Ari'.-R.
Amsterdam, v. 29 Maart 4878, R. B., juquot;. i879. .1. p. 187, waarbij is beslist, dat de van waard o-vork la rini: van een proces-verbaal van vergelijking beti'eH'ende conservatoii' beslag niet kan gevraagd worden, vermits bet proces-verbaal zelf als eene kracbtelooze handeling moet worden beschouwd. Verg. ook art. 45(), snb n0. 2.
2. Alleen dan, wanneer het aan den deurwaarder, die belast is niet het doen van liet arrest, wettelijk blijkt van eenig vroeger gelegd beslag (hetgeen o. a. niet het geval is, indien de over dat arrest aangestelde bewaarder zich als zoodanig niet aan den deurwaarder heeft bekend gemaakt noch hem het proces-verbaal van inbeslagneming heeft vertoond) is hij verplicht te recolleeren, terwijl hij anders gerechtigd is op nieuw beslag te leggen.
Arr.-R. Assen, v. 28 Mei 1844, \V. n0. 512. Tn gelijken zin hij nu Pinto.
dl. TI. 2. p. 549. 2de ed., p. 009, volgens wien. hij het leggen van een tweede beslag door den deurwaarder, hij verzuim van aan hem gedane bekendmaking door den bewaarder van hel bereids gelegd beslag, het tweede beslag geldig zou zijn. docli de meerdere kosten daarvan moeten komen voor rekening van den bewaarder, door wiens verzuim zij veroorzaakt zijn.
3. De regel, dat geen arrest op arrest gelden kan, heeft slechts denen zin dat op voorwerpen, waarop beslag kleeft niet feitelijk meerdere arresten kunnen worden ten uitvoergelegd; de wet echter behoudt wel bepaaldelijk aan meerdere schuldeischers het recht van beslag leggen voor en voorziet in hunne onderlinge rechtsverhouding en in de regeling tot verhaal hunner vorderingen.
P. TT. v. Zeeland, v. 21 Dec. 1809, Ti. Ti., jg. 1871, dl. XXT. p. 509.
Art. 461.) 1060
AH. 461.
Zie ten betooge, dnt nu de opheffing van liet hoofd beslag, ter zake van nietigheid in den vorm, naar bet Nederlandsch recht, (overeenkomstig den regel: nquod ah initio non valei'quot;) alle opposition vernietigt (en daardoor heeft opgehouden de twistvraag, daarover ontstaan onder den C. de Proc. Civ., die geene uitdrukkelijke bepaling hieromtrent had, vgl. Oudeman, B. li., dl. II, 4de ed., p. 113,) daaruit voor de opposanten eene actie wordt geboren tegen den deurwaarder, die de nietigheid heeft veroorzaakt, tot vergoeding van de cam quo
/ door hen geleden schade â
/, lt;2,
7 Vf.rnf.de, ad art.
4 r - ^
x r^x. r
Ai'l. 1' 6i 7.
De aanteekening van den gedanen aanslag der billetten in [ geval van inbeslagneming, door den deurwaarder aan den voet van zijn proces-verbaal van arrest te plaatsen, is aan de registratie onderworpen en zal, wanneer aan dat proces-verbaal een exemplaar van het aangeslagen billet is gehecht, ook dit exemplaar aan die formaliteit zijn onderworpen.
Decisie van den Minister van Financiën v. 'i'2 Maart -1839, n°. 43, R., dl. III, § 50.
Art. 471.
Zie over de vraag of nog niet opvorderbare gelden vatbaar zijn voor beslag onder derden â
Arr.-R. 's Hertogenbosch, v. 30 Dec. '1874. W. n0. 3840 sqq., sub art. 475 IJ. I!.
ArL 474.
Zie ten betooge, dat de deurwaarder die na gedanen executorialen verkoop, den koopschat noch ter griffie noch op eene andere plaats ter bewaring overbrengt, maar in strijd met de wet, de geheele opbrengst
2^quot;^ e?-TSt^ r/a ~
(^/ZJL^JL^1^'*^ Cfy. ^ f^ytrr^T-
L-ytS? * ^
der executie in zijn bezit en onder zijn beheer houdt, moet geacht quot;quot;fz*quot;-
worden vrijwillig en zonder last eens anders zaak te hebben waar- ^e-~ f-o.
genomen, en als zoodanig rekening en verantwoording schuldig is â
art. 1390 11. \V., vonnis van lt;ie Arr.-II. Gorincliem, v. 'li Dec. 1 S i7. ^r t- quot; ⢠^ sul) n0. ü, 2de ed., n0. 16. /yips 'Z*
â Bij arrest win 't 1'. II. v. Groningen, v. 22 Juli 1841, It egt in Neder!.. 'd7Jr5 ^ ' f'£: dl. III, p. 239 is, in tegenstelling van liet daarbij vernietigd vonnis van de fa/ 6,6. %xP Arr.-R. Winschoten, v. 27 Nov. 1840, Itajt in. Seder!., ut supra, beslist, dat de daad van hem, die zijne eigene roerende in beslag genomen goederen, waarover hij zelf als bewaarder was aangesteld, heeft verduisterd, niet valt in de termen van art. 408 van den toen nog vigeerenden Code Pénal, welk gevoelen volgens Lkox te recht, blijkens Ouueman. B. li., 2de ed., dl. II, p. 130, (4de ed., p. 11(1.
3de ed., p. 115), ook dooi' de Arr.-R. Groningen wordt gedeeld. â Vgl. hieromtrent v. n. II., Hdb., p. 489 en Oude.man ut supra, welke laatste herinnert,
dat bij het destijds gedeeltelijk aangenomene Neder!. Wetboek van Strafrecht,
in den 2den titel van het 2de boek, in die gaping is voorzien, gelijk vroeger in Frankrijk bij de herziening van den Code Pénal in het jaar 1832.
liet feit is thans ook hiertelande strafbaar krachtens art. 11)8 Ned. Wetb.
\an Stiatnxht. t9z^r»^~psCgt; Jt-lt;rc.£- ___
t~~*â*-0â^ ^ â
,y a gt; . etznyr^
7 Si-.-.-.' ^ (£
i , Wanneer het beslag is gelegd onder een anderen persoon dan den schuldenaar, heeft alleen de derde onder wien het beslag is gelegd, ^ ^
en niet de schuldenaar belang en recht te beweren, dat de executie -/Zcr^c slechts moet plaats hebben overeenkomstig de voorschriften der wet ^ ^
met betrekking tot het executoriaal arrest onder derden.
f « v), - . ^ lt; 0 / ro tt, ' ^
Kn. u l* â¢
Ari*. v. 7 Nov. 1873, W. n0. 3(134; R., dl. CV, § 22: idem het daartoe -7^,^.2. ,r ^quot;^betrekkelijk arrest P. II. v. N.-Holland, v. 27 Juni 1872. W. u0. 3501.
oyï
'1' 'i liet goed dat onder een gerechtelijk bewaarder is opgeslagen kan . {l;en opzichte van den eigenaar niet gezegd worden ouder een derde te
^-pj ^ ^ 1061 -----[Art. 474
^ .' f^^/Ajj^t lt;Z~~ syf-r* -« â £-- 'Is1'' - - amp; * z.T^oquot;V*-t-, isri-éc^ lt;* tusy^S»-â U. â *- * â
t berusten.
Arr. v. 7 Nov. 1873. ut supra.
;5. Bij gebreke van een voorafgaand bevel tot betaling aan den
eigenlijken schuldenaar, is de eischer met het oog op art. 439, al. 2,
B. R. niet-ontvankelijk in zijn executoriaal beslag onder derden.
A it.-11. Alkmaar, v. 2 Nov. 1843. R. li., jpr. 1845, dl. VII, p. 334 en 335; idem bij Oudeman, li. 11., dl. II, 4de ed., p. 120 en he Pinto, lldl. B. li.,
ft
Art. 475.)
dl, II, '2, |gt;. 555. 2d(i)). (VU), welke beide in ilit geval niet alleen vordei'en het doen van liet bevel, maar ook de voorafgaande beteekening aan den schnlde-naar; â anders echter bij vonnis der Arr.-R. Assen, v, 7 Maait 1853, 11, I!,, jg. 1853. |gt;, 520 en 521. waarbij is beslist, dat. wanneer, gelijk in cdsii. het vniiiiis uit kracht waarvan beslag was gelegd, vóór dit beslag was betenk end, er alsdan tot een executoriaal beslag onder derden geen voorafgaand hevel noodig is; idem hij arr. P. Jh v. Z.-Holland, v. 10 Jan. 1860, W. n0. 2181, Ikinfd/.akelijk o[) grond dat de wet, waar zij een bevel wil. ilit uitdrukkelijk bij ieder bi/onder geval bepaalt, als in art. 430, 502 en 509 B. R., terwijl een algcmeene regel deswege niet is voorgeschreven ; idem Arr.-R. Leeuwarden, v. 23 Maart 1H82, W. n0. 4814 ; R. 1!., jg. IS82, A. p. 100. /.ie pro et contra, W. nquot;-. 807 en 837.â Vgl. Iiierinede art. 430 B. R., arrest van 't P. H. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847 sqq . sub n0. 4, en meer in het bizonder bet aldaar vermelde vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v I!gt; Jan. 1840.
-ft. De regel, dat men niet gelijktijdig op twee onderscheidene wijze van beslag op dezelfde goederen executie mag dirigeeren, verhindert niet dat men goederen, die men in conservatoir beslag genomen heeft, met ter zijde stelling van dat beslag, bij executoriaal arrest onder derden op nieuw in beslag neme.
P. H. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847, W. n0. 934; R. B., jg. 1848, dl. X, p. 1 sqq.
5. De bepalingen omtrent executoriaal arrest onder derden, voorkomende in artt. 475 en volgg. B. R., moeten gevolgd worden, als men beslag wil leggen op inschulden, die een debiteur, als er beslag op zijne roerende goederen gelegd is en hij zoodoende geëxecuteerd wordt of is, van derden mocht te vorderen hebben, of in dat geval op goederen van zoodauigen debiteur, welke onder derden mochten berusten, zoo als het woord geëxecuteerde en de plaatsing dier bepalingen in den titel van genoemd Wetboek, handelende over de gerechtelijke ten-uitooerlegging op roerende goederen, waarvan dat executoriaal beslag een gevolg is, duidelijk aantoonen; terwijl het arrest onder derden, waaromtrent de vorm van procedeeren is voorgeschreven bij artt. 735 en volgg. van datzelfde Wetboek, voorkomende in het .3de boek, 4den titel, te pas komt in liet geval, als er van zoodanige executie geene kwestie is, zoodat een crediteur niet naar zijn welgevallen een dezer middelen mag kiezen, maar de conditie, waarin hij zich bevindt, moet toetsen aan deze beide middelen, en dat middel bezigen, hetwelk op hem van toepassing is, althans executoriaal beslag onder darden niet
10(13
J? d /lt;-lt; isyy amp; rr '-/ a M Otsv
/ /- ^
-/J tyJ~'yya^C^c^ o£tï y JLo.il
yat-, 6^*'
/y £^--gt;t-â ^ c/£ J-ls c/4- 0lt; AV-*^gt; Cf J J-
* 1 ^/7 7^ 7
vr^y^' 'vx^' cn^\0sr~ -Llt;e^ -L^£ . ^ / Xxj /-im*'. MXM? , Cx . ZTxPf.
1063 ^ [Art. 475.
i^t^t^C^^CeyCo^tâ'/ cW-, -e^' - - â¬- esfi^Ko J ZcsJtJtxs\âJ
ten uitvoer leggen, als hii niet reeds bezig is, /ijn debiteur in diens '
losse goederen te execiiteeren. o£
Ait.-R. Groningen, v. 28 Juni en lil Jlec. ISriO, li. I!., jg. -1854 |). 3t)(l â¢? es#* â3(52 on 3t)7â309. â Vgl. hiertegon de bedenkingen van A. n. V. in 't R. H., ut supra, p. 504 en 505, die aldaar doet uitkomen, dat bij dit vonnis schijnt te zijn aangenomen, dat een i'^vcutofuial arrest onder pt**â ' derden niet mag worden aangewend, tenzij er reeds een beslag onder /t° 7^ eigen banden van den schuldenaar, een i/eïwevfccfde en een f/cCwcnlecrfl y u^-
wo)'duii(le hucdcl besta. Te recht m. i. is de lieer A. d. V. van meening,
dat men door den fjec-reculcct'tlr, in art. 475 bedoeld, eenvoudig moet ^ / verstaan hoti, wiens (joedci'cn onder ilct'deit, ten fine van executie in lies lag genomen worden en mitsdien ile executie onder derden van de My^C.
2de afdeeling des titels niet afhankelijk is van de executie, onderbanden ^6, ta-
van den schuldenaal, in do 1ste afdeeling vermeld^Kvenzeer leert Oudeman, â â , v
* 'r'lJL 2*0 SU /Tri/t'
0\iin. en Med., dl. VI, p. 240â251 en Mr. Penning, ad art., dat ook nit art. 471 I!. li. niet kan worden afgeleid, dat tot het leggen van een ^
executoriaal beslag onder derden noodzakelijk eene executie op de roerende â¢ForPI.
goederen van den geëxecuteerde zou moeten voorafgaan, maar dit beslag alleen is een middel van executie, den schuldeiscber gegeven, die van een - a-executorialen titel is voorzien, gelijk hij, zoodanigen titel niet hebbende, ^ ^ /7^^, onder derden conservatoir beslag kan leggen volgens de bepalingen van ^ -
artt. 735 en volgg. Uat dan ook het executoriaal arrest ouder derden in laatstgemelden zin moet worden beschouwd, wordt geleerd door Oudeman, vy1^0' B. Jt., 2de ed., dl. II, p. i-40; 4de ed.. p. Tl!) sq., 3de ed., p. ITS sq.,
de Pinto, Hdl.. B. li., dl. 11, 2, p. 555; 2de ed., p. Gi5sqq.; de Martini,
ad art., litt. //(, enz. â Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Arnhem,
v. 19 Jan. 1840. li. B.. jg. 1840, dl. Vilt, p. 532 en v. 21 Juli 1840, W 11°. 791 : li. 1!.. jg. 1840. dl. VHI. )). 559 sqq.. waar deze vraag wel niet opzettelijk behandeld, maar het beslag steeds in dien zin is toegepast.
(Léon.)
Met het oog op art. 4, n0. 3, B. R. kan men volstaan met op van gemeentewege aan een derde verschuldigde gelden executoriaal arrest te leggen onder deti burgemeester en ook laatstgemelden alleen (en niet tevens de wethouders) op te roepen tot het doen van verklaring.
Arr.-R. Amsterdam v. 27 Nov. 1850 \V. 11°. 1197; .\mslcfd. lleglsi)r., dl. 1, p. 170â178. â Cf. art. 4 li. R., vonnis van de Arr.-R. Nijmegen,
v. 0 Jan. 1854, sub 11°. 3 ('1).
3. Uit art. 21, al o der wet van 7 Mei 1856 [S/hl. nquot;. 32) volgt dat op scheepsgage onder geene voorwaarden beslarj kan gelegd worden,
1
Léon betwijfelt ton sterkste de juistheid dezer beslissing en vereenigt zich veeleer met het boveiiaangehuald vonnis van de Arr.-R. Nijmegen.
AH. 475.) 1064
want hetgeen daar omtrent bloed- en aanverwanten van den schepeling vermeld staat, ziet alleen op cessie.
Arr.-R. Amsterdam, r. Oct. 18C4, W. n0.
N. Bestuurders van een zedelijk lichaam, tevens medeleden van ⢠diit zedelijk lichaam, kunnen als derden beschouwd worden, onder wie executoriaal beslag mag gelegd worden ten laste van dat zedelijk lichaam.
Ait.-II. Rotterdam, v. 1quot;gt; Kcbr. W. u0. 268-t.
W. Geen executoriaal beslag ouder derden kan gelegd worden op hetseen den geëxecuteerde in zoodanige betrekking of' kwaliteit competeert, dat hij daarvan jegens anderen verantwoording schuldig is.
Arr.-K Amsterdam, v. ^(gt; Jan. 1S70, VV. 110. 3225, U. li., ju. 1870, ]i. 246 sqq.
lift Executoriaal beslag onder derden vordert in geen geval, ook niet wanneer het is gelegd krachtens een dwangschrift voor registratierecht, eeue van-waarde-verklaring
Arr.-fl. Maastriclit, v, 2 Maart 187'!, VV. n0. 3:!'12. Zie over de kenmerken van een zoniianiji' beslag in tegenstelling van liet conservatoir beslag, dezelfde beslissing,
tl. Uit de bepaling van art, 471 li. R kan wel worden afgeleid, frv â¢Â»- *1
,,, rbji dat, wanneer de executant de hand reeds gelegd heeft op titels van
., / rrr/v ' ' o vj x.
⢠, noc niet opvorderbare inschulden, hij niet een tweede dan geheel doelloos middel van verhaal ten koste van zijn schuldenaar mag aan-/ rrv^ ^ wenden, maar daaruit volgt niet noodwendig, dat, wanneer die nog eL*n/ niet opvorderbare titels niei liggen onder executoriaal beslag, het middel van beslag onder derden verboden is.
Arr.-R. quot;s Hcrtouenboscli, v. MO Dec. IS/ i, \\. 3840; ct. urt. /35 B. R.,
Arr.-R. Ainsterdaru, v. 20 Oct. 1845 sqq. Bij hel vonnis werd nog overwogen,
^ , n .............. . .
''[jJ- dat de juistheid van die uitspraak nog wordt bevestigd door de wet van I ,j 24 Jan. 1815 (Stbl. n0. 5), waarbij ook liet beginsel, dat op nog niet ' r '4V1 M verschenen termijnen beslag kan worden gelegd is aangenomen, w beginsel is gehandhaafd bij de wet van 'J Mei 1840 {filbl. n0, 24) en
' t . ft ^ .Af ' ,1/» I gt; i rl o o 1 ⢠\ â o n ii» dn \-ril» ^)! AT n I 1 i Ssllil n® l\\.\
71 ^ de herziening daarvan, in de wet van 21 Mei 1lt;87I! (Slhl. n0, 64).
^ r l'i. De vordering tot betalins moet worden toegewezen ook dan,
, fret O O
j- wanneer executoriaal derde arrest onder den debiteur ten laste van den
quot;Ui* r ^
W ' Ml1-
{Art. 475.
crediteur is gelegd, wanneer niet blijkt, dat eerstgenoemde nog niet tot het doen van verklaring is gedagvaard.
Arr.-ll. Amsterdam, v. '25 April 1882, U. I!., jg. 1882, A', p. 102.
/ ^ ' , ''1 â M â --- f â ' '*â T.
Art. 476. t It^r-.ysS Zie ten betooge. dat geen executoriaal beslag onder derden mag ^
worden gelegd op de in de artt. 756 en 757 15. R. opgenoemde â
goederen en gelden, doch wel ()[) die, welke in de artt. 447 en 448 4a~lt;***r
15. R. zijn vermeld. â ^ ^
he PlXTC, dl. II. 2, p. 555 en 550, 2de ed.. hl. 010 sq.;âanders, voor zuoveel het laatste punt betreft, bij Penxixg, ad art. â¢
1065
van den geëxecuteerde, vloeit niets anders voort dan eene relatieve onbevoegdheid van andere rechters, waarop zich alleen de geëxecuteerde, ten wiens behoeve zij is bepaald, kan beroepen: met dat gevolg dat deze bepaling geene onbevoegdheid ratione materiae kan teweeg brengen. ây, /A , ^ . Vs- ,â¢Â»
An-, v. 12 Mei 1848, W. n0. 910; 11., dl. XXXI. !? 20; v. n. 11., R. di. IX. p. 404â435. Vtrl. hiermede bel vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Jidi 1840, VV. n°. 791; R. 1!.. jff. 1841). dl, VIII. p. 55!) sqq,, bevestigd bij arrest 't P. H. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847, VV. n0. 934; R. B., jg, 1848, dl. X, p. 1 sqq., alsmede P, H. v. Z.-Holland, v. 10 Jan. 1800, sub hoc art.
'i. De exceptioneele proces-orde, door de Wet van 22 Frimaire, an VI1 en 27 Ventose, an IX der Fransche Republiek in het leven geroepen, alleen betrekking hebbende tot het invorderen van registratie- of andere door het bestuur der registratie te heffen rechten en tot de geschillen welke zich, met betrekking tot de heffing der rechten, mochten opdoen, volgt hieruit, dat het bestuur der registratie, in verzet komende tegen een beslag, te zijnen laste onder derden gelegd, procureur moet stellen,
Arr.-ll. Maastricht, v. 9 Nov, '1848, W. n0. 998; R. 1!., jg. 1849, dl, XI, p. 420 en 427,
Art. 477.
tiS. 1* ^sréO /c?£gt;c9 ?i,'3S'. J/l-n I. Uit de bepaling der wet, dat het verzet tegen een executoriaal
beslag onder derden moet worden gebracht voor den bevoegden rechter 'p^cu^ci -z^cj
C ^ £ (XcL 'r 'i
/?t/ /cpagt;lt;),
IfOW 'j l (f r i- ,
/j2h2. Cf IJZJLST tsuTry- ^2â amp; ^Q^£S-rJamp;
c ^ s
/Lnw^- - ^ /Ccr/^r^y^L---Æ ^W; Afenfl (S-, rt,quot; aytJS.
Art 477.) 1066
3. Uit de bepaling dat bet verzet moet worden gebracht voor den bevoegden rechter van den geëxecuteerde vloeit niet voort, dat dit altijd en alleen zoude zijn de rechter van diens woonplaats.
Wanneer de geëxecuteerde geen woonplaats heeft binnen het Koninkrijk, maar buitenslands is gevestigd, is de rechter van de dooiden executant bij het beslag gekozen woonplaats alleszins bevoegd van iiet verzet kennis te nemen.
P. IJ. v. Z.-lIollaud. v. I(j .Ian. IStiO. VV. n0. 2181 waarbij bovendien werd beslist dat vermits bet voorscbrilt van de 3de ai. van dit artikel kennelijk is gegeven in het belang van den geëxecuteerde, de executant zich op bet niet nakomen van die bepaling niet tegen liem kan beroepen.
â¢4 Ofschoon bij dit art. de geëxecuteerde gezegd wordt binnen acht dagen na de beteekening van het beslag daartegen te kunnen in verzet komen, is hieruit niet af te leiden, dat dit later niet meer zou kunnen geschieden, daar toch, eensdeels, aan het laten verloopen van den gestelden termijn geen zoodanig gevolg bij de wet is verbonden, en anderdeels uit den samenhang van dit art. met art. 4*79 duidelijk is, dat de termijn van acht dagen is bepaald om de voortzetting der executie gedurende dien tijd te doen schorsen, ten einde den geëxecuteerde gelegenheid te geven er tegen op te komen, doch niet om dezen te verhinderen, ook nog daarna in verzet te komen, zoolang de executie nog niet is voortgezet, en de derde gearresteerde niet is gedagvaard tot het doen zijner verklaring.
1'. II. V. Z.-Holland, v. IC. Jan. 18li(). W. n0. 2iSl, verg. echter vonnis dei- Arr.-R. Zwolle, v. 21 Maart 1877, sub hoc art.
». Geen ander dan de geëxecuteerde kan volgens dit artikel in verzet komen tegen liet onder derden gelegd beslag; â de echtgenoot des geëxecuteerden, ook al beweert zij, dat het beslag op haar privaat eigendom is gelegd, evenmin als ieder ander derde. Hij zoodanig verzet, ware het ontvankelijk, zoude niet alleen de arrestant, maar evenzeer de geëxecuteerde iu het geding moeten worden gebracht,
Arr.-R. Amsterdain, v. 18 Sept. 1807. \V. n0. 2981; li. li., jg. 1868, p. 327.
â¬Â». Het verzet is vervallen, wanneer niet tevens binnen den voorgeschreven termijn voor den bevoegden rechter is gedagvaard.
10fi7 (Art. 477.
Air.-U. Zwolle, v. ïl Maart 1877. VV. 110. 4157; It. 1!.. jj;'. 1879, A, 1). 199; waarbij nog werd beslitst dat de hier geregelde competentie is t'CitiOHc fici'suiifte.
S. Wanneer de kennelijke strekking van de vordering niet is een verzet als bedoeld bij dit artikel, noch ook de opschorting eener aangevangen executie beoogt, maar wel de nietig-verklaring van een onrechtmatig gelegd beslag [in casu zonder voorafgaande)! executorialen titel), missen de bepalingen van dit artikel geheel hare toepassing,
Arr.-li. Leeuwarden, v, 5 Juni 187'.l, W. n0. 4442, li. B., ju'. 1882, .1, p. Kil.
S. Zie omtrent de redenen, welke den wetgever hebben geleid om aan den geëxecuteerde het vermogen toe te kennen, in verzet fe komen tegen een executoriaal arrest, dat te zijnen laste onder derden wordt gelegd en de gevallen waarin daartoe termen kunnen bestaan â
v. igt;. Honf.rt, 110b., § 477 en Oudeman, B. /(., dl. II, 4de ed., p. 122 sqq.
Art. 478.
Hit artikel is niet ingetrokken bij de wet van 7 April 1809 (.S'/W. n0. 55), ofsclioon de intrekking daarvan bij bet ontwerp werd voorgesteld.
Zie ten betooge, dat de schadevergoeding, waarvan in art. 478 B. R. gesproken wordt, niet altijd van zelve volgt uit het gegrond bevinden van het verzet en ook dan niet kan worden toegewezen, wanneer de executant te goeder trouw het beslag heeft gedaan, b. v. indien hij onbewust is geweest, dat hetgeen hij onder derden heelt beslagen, niet aan den geëxecuteerde iu zijn privé behoorde â
v. ii. IIoNERT, Milh.. § 478; â anders bij he Pisto, IhH.. It. I!.. dl. II. 2. p. 558 en 559, 2do cd., p. 020 en Ouheman. JS. It., dl. II. 4de ed., p. 123 en 124, die volgens Leon te recht opmerken, dat bet genoeg is, dat de daad in zich, objective, onrechtvaardig is eu schade veroorzaakt en de geëxecuteerde dus alleen heelt te bewijzen, dat de executant had kunnen en mitsdien behooren te weten, dut zijn beslag onwettig was en bij daardoor is benadeeld. â Cf in gelijken zin. art. 1401 B. W., arrest van 't P. II. v. Holland, v. 4 Nov. 1840, sub n0. 8, 2de ed., sub n0. 26, alsmede omtrent de vraag, of bij gegrond-bevinding van het verzet, ter zake der niet nakoming van het bepaalde bij art. 476 B. I!.. de in art. 478 B. R. vermelde schadevergoeding bij lijfsdwang kan worden toege-
Art. 478.)
wezen â liet sub art. 585 IS. H., vonnis van do Arr.-Il. Amsterdaiu, v. 11 Mei 18'i'i, vernielde arrest van t P. II. v. N.-Ilnlland. v. 17 Juni 1847. â Zie ook art. iAOi 1!. W. sub u0. '±1. tide ed.. nquot;s. 38 en SO en art. 456 B. R. sub n0. 22c.
Art try.
1, Een executoriaal beslag, gelegd op het loon of tractement van een stedelijken ambtenaar, kan zich niet uitstrekken tot de termijnen of kwartalen, welke tijdens de verklaring van den derden gearresteerde niet zijn verschenen, â daar een vonnis door middel van het executoriaal beslag wel kan worden ten uitvoer gelegd op de gelden en inschulden, welke de veroordeelde tijdens het beslag, tot op den dag der verklaring toe, van derden heeft te vorderen, onaangezien die inschulden geheel of ten deele. eerst na de verklaring betaalbaar en opvorderbaar mochten worden, maar zoodanig beslag zich niet kan uitstrekken op inschulden, die op liet tijdstip der verklaring nog niet zijn geboren, waarvan het geheel onzeker is, of zij wel ooit zullen bestaan, en die nog niet in den eigendom van den schuldenaar of gearresteerde zijn.
Deze op zich zelve zoo duidelijke stelling wordt nog ten overvloede bevestigd door onderscheidene positieve wetsbepalingen in materie van beslag; dat toch zelfs daargelaten, dat de wet enkel gewaagt van beslag op inschulden, welke de geëxecuteerde van derden mocht te vorderen hebben, of op goederen van hem, welke onder derden mochten berusten, â altijd tegen den derden gearresteerde, wanneer hij geene negatieve verklaring uitbrengt, desnoods na tegenspraak, een vonnis moet worden gewezen, houdende onvoorwaardelijke veroordeeling tot afgifte of betaling eener vastgestelde en bepaalde geldsom of zaak, welke veroordeeling tegen dien gearresteerde op de gewone wijze kan worden ter executie gebracht.
Zoodanige veroordeeling kan ten deze met betrekking tot de toe-
O o '
komstige kwartalen niet worden uitgesproken, omdat boven alle bedenking de derde gearresteerden de vrijheid behouden, om de bestaande overeenkomst met den gearresteerde te wijzigen en te veranderen, waardoor de veroordeeling krachteloos zoude worden gemaakt, hetgeen niet is overeen te brengen met de onvoorwaardelijkheid en bepaald-
JOBS
{Art. 479.
heid, welke eene recliterlijke veroordeeling moet nankleven ; terwijl al verder het daardoor steeds onzeker zou blijven, wat en hoeveel er is verschuldigd, en daarover dus later nog geschil zoude kunnen rijzen, hetwelk in strijd is niet de wet, die juist beveelt, dat het quantum van het verschuldigde, de.s noods na tegenspraak tusschen den arrestant en den gearresteerde, door den rechter bepaald zal worden vastgesteld, â terwijl al verder de arrestant ook volgens de wet een uitsluitend recht op het gearresteerde verkrijgt, indien geene meerdere arresten, vour dat het vonnis tot afgifte is gewezen, zijn gedaan ; waaruit insgelijks volgt, dat executoriaal beslag alleen op die zaken kan worden gelegd, welke reeds in den eigendom van den schuldenaar zijn, omdat toch zijne andere schuldeischers, die verzuimd of niet verkozen hebben, om ook hun recht op het gearresteerde uit te oefenen, in hun geheel moeten blijven, om later te deelen in het hun verschuldigde, te verhalen op hetgeen in het vervolg door hunnen schuldenaar in eigendom mocht worden verkregen.
Arr.-R. Breda, v. '2 Maart 1847. W. nquot;. 853; â anders, met betrekking tot liet arrest onder derden, liij vonnis der Arr.-R. Zwolle, v. 2 April 'i8M, vermeld op art. 730 I!. li., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. '20 Oct. 1845 sqq.
'i. De executanten kunnen door het gelegd executoriaal beslag onder derden niet meer recht bekomen, dan de geëxecuteerde zelf zou hebben kunnen uitoefenen.
Hieruit volgt dat, indien een geëxecuteerde recht heeft op een hem eerst bij ontslag uit zekere betrekking of aan zijne erven of rechtverkrijgenden bij overlijden uit te keeren aandeel in de gedeclareerde bezittingen van zekere spaarkas, dit recht, als eene waarde hehhende onlichamelijke zaak, tot zijne goederen behoort, die als gemeenschappelijke waarborg voor zijne schuldeischers bij executie aansprakelijk zijn, doch waarvan in dit geval door den executant geene dadelijke af- of overgifte kan worden gevorderd, maar eerst op het oogenblik der opvorderbaarheid na ontslag of overlijden.
Arr.-R. Utrecht, v. 22 Sept. 1852. R. B,. jlt;r. 1853, p. 77â81. â Vgl. hiermede de artt. 742 en 744 li. R., vonnis van denzelfden datum en een vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 14 April -1847. W. n0. 858; R. 1!.. jg.'1847, dl. IX, p. 77â81.
nine
f (/w. lyCL^-f lt;T^3 OA-J- CÃJ^C-C^C/XX,
_ I ^ j ft '. /amp;s . o'' â CC ^ ^
Art. 479.) 1070
3. Hij, flie een tweede of later beslag onder eenen derrie legt is verplicht dezen te dagvaarden tot het doen van verklaring, â ook wanneer reeds verklaring op een vorig beslag gedaan is.
i. Arr. v. li. voorm. Prov. Oer. van Utrecht, v. 10 Oct. 1857. vernieti
gende een vonnis der Arr.-R. Utrecht, v. 81 Juli -1857, R. B., jg. 1858, .jj ^ y'-?*- dl. Vill, )i. 209â22(i, alwaar ook de conclnsiën van liet Openb. Min. te aLiii/s'- v'nden zijn. Het arrest wordt op pap;. 222 aldaar door een inzender ^ bestreden, en verdedigd door J. J. v. L., in A'. Bijdr.. jg. 1858. dl. VUT.
pap. 27().
Zie ten helooge;
a. Dat, hoewel nergens is bepaald dat de executant gebonden is aan een termijn tot dagvaarding van den derden gearresteerde om verklaring te doen, men hier echter zal moeten toepassen den termijn, in
, / .var ('e ^ en ^hepaald en bij analogie moeten aannemen,
? 'e l00Pen vaj! af den dag, in art. 477 vermeld, indien
er geen verzet is gedaan en, indien dit wel is gedaan, van af den dag-van liet vonnis, waarbij het verzet is afgewezen â
Penning ad art.
b. Dat de executant, bij de oproeping van den derden beslagene tot het doen van verklaring ingevolge art. 479, zal moeten bewijzen, dat hij het beslag aan den geëxecuteerde tijdig (art. 476) heeft doen be-teekenen, en bij gebreke daarvan de derde beslagene zal mogen weigeren verklaring te doen, op grond der nietigheid van het beslag, als hebbende laatstgemelde zelf' (daar hij tegenover den geëxecuteerde aansprakelijk blijft voor eene verklaring, maar vooral voor eene betaling, krachtens een onwettig beslag gedaan) een persoonlijk en onmiddellijk belang bij de exceptie â
he Pinto, HdL. B. 7?., dl. II. 2, p. 556 en 557, 2de ed., p. CA7.
Zie omtrent de wijze en de gevolgen ook van een executoriaal beslap: onder derden, het aangeteekende op de artt. 740 en volgg. B. R.
Arf. 480.
Betalingen aan opposanten gedaan, zonder inachtneming van deze artikelen behoeven door den geëxecuteerde niet erkend te worden. Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Dec. 1859, W. n0. 2184.
(Jigt;, /? 'L2-£-£-.
u.
H'
z J-
//a- -fgt; -^ ^
^ J r ' ⢠r*- â----- ^ -Jquot; (J ' 0 t
, ^ ^ ^ -7 ^ 7
CT , ' ^^\ri*.t~ amp;gt;.'â lt;?**' â *â i~^/.c.-^c-u~. â***..*
^ ^â 'A/'quot;t r' ^ quot; \mJ^sL^^ [Art.
â'Tvr,!:,..,. ;, â ^
eO^'j ^T''*quot;quot; ArL IS,-^_ t.t^~ ^S-
Mr. II. Vkki.oiji.n* stlt;'11 in \\. 110. i72i ofiio wijzioin^ vooi* v;ni dit artikel,
ten doel hebbende mu den invloed vnn den neox ecu leerde op de onderhandsche verdeel in «2: der peiininiien tc; lieperken, en zoodoende vein knstbni'e ranfirejïel in ji.'en te voorkomen. _ ^ - / s ^ ./ -c ^ . / /
A ' uVL k-UZ ^ ^ f? ^ âV r V^' ..... uf:
^ 4S1 ^'â â quot;'r ? 'quot;i* quot;'t*-
l-t T- ^ ' 'f' 1
Zie ten hetooge dat, ondanks de letter van art. 484, niet alleen de opposanten tegen de verdeeling der opbrengst van hij executie verkochte roerende goederen, maar ook de executant en geëxecuteerde de bevoegdheid hebben bij den rechter-commissaris wederspraak te doen tegen den staat van rangregeling der schuldeischers â
/iV///.«/. Adv.. ill. III. p. l'iSâ-132; Ou he max. Ti. It., dl. If. /ide cd..
]i. I2S en he Pinto. Hill.. It. It., dl. II. Ã, p. 508 en Mii). 2de ed .
1». (HiO. â Iiiennwle v. i». JIonf.iït. Ihih., § 484, en een vonnis van de Ait.-R. '.s Hage, v. 17 Jan. 1845, W . n0. 1)09, waarbij die rechtsvraag wel is behandeld, maar niet uitgemaakt, uit hoofde de geëxecuteerde niet liet wettig middel, om tegen de rangschikking zijner schuldeischers op te komen, had aangewend.
Ari. IS5.
Met het oog oji de artt. 485 en 489 B. li., kan er alsnog geene sprake zijn van afgifte van borderellen, wanneer nog niet blijkt, dat er geene wederspraak of beroep in cassatie is gedaan.
Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Aug. \8.19. W. n°. 1003.
.
Art. 48fi.
I . De wet schrijft nergens bepaaldelijk voor, dat, in geval van tegenspraak teilen eene rangregeling, de opposant verplicht is al zijne gronden vsn tegenspraak onmiddellijk op te geven en op het procesverbaal van verzet te doen opteekenen. Het is voldoende dat er tegenspraak bestaat, om de zaak door den rechter-commissaris naar de terechtzitting der Rechtbank te verwijzen, ten einde aldaar op akte van procureur tot procureur te worden beslist.
Ui^ *c~ a..
AH. 48«.) 1072
Indien de verkeerde aanhaling in het proces-verbaal door den rechtercommissaris van art. 558 in plaats van art. 48fi B. R., geen den minsten invloed heeft gehad op den vorm of inhoud van dat procesverbaal of op de verdere behandeling der zaak, welke is voortgezet en behandeld, even alsof art. 486 ware aangehaald geworden, dan is door geene der partijen eenig nadeel door die verkeerde aanhaling ondervonden, noch eene harer in hare rechten van verdediging benadeeld.
Air.-R. Amsterdam, v. 7 Aug. 1840. \\ n0. '1003.
3. Wanneer de rechter-commissaris partijen niet tot tegenspraak heeft in de gelegenheid gesteld, veelmin hen naar de terechtzitting heeft verwezen, is het alleszins geoorloofd, dat de meest gereede partij bi] gewone dagvaarding de zaak voor de rechtbank aanhangig mnakt.
Ait.-R. Assen, v. '21 Dec. 1808, W. ii0. 323(gt;.
Art. IS7
, , ,.f o Zie ten betooge:
;t. a. Dat in cas van art. 487 de ontvankelijkheid van het hooger beroep moet worden afgeleid uit de hoegrootheid niet van de geheele som, welke moet worden verdeeld, maar alleen van de betwiste vorde-
nE Pinto, mi., B. iï., dl. li. 2, p. 570, 2de ed.. p. 032 on Oudeman. tfr~ R. /?., dl. II. 4de ed.. p. 130; â anders Carré op art. 069 Code de
y Proc. Civ., O»., 2192.
a
]jer bestaande tegenstrijdigheid (met betrekking tot de beteekening /-/a/ van het beroep en de uitdrukking der bezwaren) tusschen de artt. 343
gt;'⢠^'en 487 B. R. â
hqzo. een hoofd-artikel in 't W. n°. 555.
c. Dat de bij dit en art. 558 B. Rv. voorgeschreven termijnen niet van toepassing zijn bij de rangschikking in het faillissement â
Hof Amsterdam, v. .. Mei 1883, W. n0. 407;).
(Art. 490.
Art. 490.
T)e Pinto. Hdl., B. It., dl. II. p. 573, 2de ed.. p. 034; Oitdeman. B. II.. dl. II, 4de ed., ji. 130, on de Martini, ad art. /; 2. leiden uit het woord ««((dec-iitigD voorkomende in art. 490 1!, I!,, met liet oo|z' op art. 559, af, dat de interessen wel ophouden te loopen tusschen de; belanghebbenden onderling, maar geenszins ten opzichte o. a. van den schuldenaar of geëxecuteerde; â anders, op grond dat nergens uit blijkt, dat onze wetgever heeft willen afwijken van art. GT'i C. de Pr. Civ. â Penning, ad art.
Zie eenige opmerkingen over dezen titel en vergelijking van sommige barer bepalingen met die van buitenlandsche wetboeken, .Air. M. II. OoriEHiui in Themis, 2de verz., dl. X, hl. 7Gâ100.
.Irf. 491.
S. Door de beslissing dat eene crediet-liypolheek, in verband met het bewijs der schuld, ten opzichte der executie met eene gewone hypotheek gelijk staat is dit artikel niet geschonden.
Air. v. 22 Dec. 1871, W. n0. 3414: H.. dl. XC'IX. § 33; v. n. II.. 11. dl. XXXVI. p. 320â345.
Zie echter navolgende beslissing:
Eene gerechtelijke uitwinning kan niet worden beproefd op grond van eene notariëele akte, welke niet de schuld zelve vestigt, maar alleen strekt om zekerheid te geven bij hypotheek voor eene eventueel ontstane schuld, welke schuld in cam geconstateerd wordt bij de onder-handsche akte.
Arr.-R. 's Hertogenbosch, v. 15 Maart 1871, W. ii0. 3494.
lt;S. Wat er ook zij van de juridische natuur van den verkoop krachtens onherroepelijke volmacht, hetzij die worde beschouwd als een vrijwillige of ais eene executie, zoo is die verkoop in allen gevalle niet de gerechtelijke verkoop, welke in boek I!, titel 3 afd. 2 15. Rv. wordt geregeld, zoodat art. 536. als alleen geschreven voor den gerechtelijken verkoop, niet op den verkoop volgens art. 1223 li. W. van toepassing is.
Arr. v. 19 Nov. 1880, W. n0. 4579, bevestigende vonnis Hof Justitie Suriname, v. 23 Mei 1879, W. n0. 4413, waarbij de verkoop krachtens onherroepelijke volmacht als een vyijwilliyc verkoop werd aangenomen, idem Arr.-R. Amersfoort, v. G Febr. 1807, \\ , n0. 2898, ook vermeld sub art. 555 B. R.
Mr. W. van Russem Bz.f Burg. Hechlsv. os
ii)7;i
Art. 492.)
Verg. navolgende beslissing:
Het gebruik maken van liet beding van art. 1223 15. W. is eene uitwinning zonder tussclienkomst des rechters, dus geene gerechtelijke uitwinning, zoodat daarop niet toepasselijk zijn de bepalingen van den 15den titel van het tweede boek van Burg. Rechtsvordering.
Ai r.-R. 's Hertogenboscli, v. 24 Maart 1874, W. n0. 3495; waarbij werd beslist dat hier de voorafgaande beteekening der grosse niet noodig is; idem Arr.-U, Ainsterdain, v. 30 Oct. 1857, conf. conclusie Openb. ^fin. li. I!.. ji;'. 1858, dl. VIII. lil/. 253â257. Verg. anders: art. 500 1!. U,. aunt, l en art. 1223 B. W. sub n0. 11 in utramquc ^arlem.
Art. 492.
fi. Art. 492 B. R. is niet van toepassing op een bizonder legaat, aan een mede-erfgenaam besproken.
Dit artikel, blijkens het woord niettemin, eene uitzondering behelzende op den algemeenen regel, vervat in het onmiddellijk voorafgaand art. 491, houdt eene verbodsbepaling in voor het geval, dat er sprake is van het ter koop aanslaan van het aandeel van een mede-erfgenaam in de onroerende goederen eener nalatenschap, en kan dus, noch naar de letter noch naar den geest, eenige toepassing vinden in het geval dat voor het geheel zijn uitgewonnen eenige vaste goederen, behoord hebbende tot de nalatenschap van zekeren persoon, welke die goederen under zekere voorwaarden aan zijn zoon in eigendom had gelegateerd.
Air. v. 17 Oct. 1851, W. n0.1272; v. D. 11., B. dl. XIII, p. 199â212. â Cf. liet daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Breda, v. 2 Oct. 1849, W. n0. 1079, met adoptie der motieven bevestigd bij arrest van 't 1J. II. v. N.-Brabant, v. 17 Sept. 1850, waarbij de jii'Je.r fucli des eischers uiet-ontvankelijklieid in hun verzet als derden tegen een vonnis van definitive toewijzing liierop heeft gegrond, dat zij ter rechtvaardiging van dit bun verzet, geenszins kunnen volstaan met hunnen mede-eigendom in zekere onverdeelde erfgoederen te bewijzen, maar zij, alvorens de nietigheid van den gedachten verkoop te doen uitspreken, zouden moeten doen lilijken bij scheiding op de betwiste goederen een beter en uitsluitend recht te hebben verkregen (de juistheid van welke overweging bij het voormeld arrest van den II. R. onbeslist is gebleven).
3. Art. 492 B. R. sluit geenszins in zich, dat de aldaar vermelde vordering der schuldeischers tot scheiding, van Let oogenblik waarin
1074
2aP Yffnr. lt;^3 'vir. (3 a-^ , *gt;gt;-! r/t*3 -, j,*- f'ó-i
v ^/'. ajyf * °*f-
1075 {Art. 492.
de vordering is ingesteld, niet anders dan met voorkennis en medewerking van den schuldeischer zal kunnen geschieden.
Voormeld artikel heeft, in afwijking der bepaling van het Fransche recht, alleen de strekking, om, zoo in het belang der mede-eigenaren, als in dat van den schuldeischer, vóór de uitwinning de voorwerpen te doen aanwijzen, waartoe de schuldenaar uitsluitend gerechtigd is en die alzoo het onderpand zijner crediteuren zijn; met dat gevolg, dat aan het oogmerk des wetgevers en aan het doel der door hem toegekende actie is voldaan, zoodra die aanwijzing is geschied.
Mitsdien kan het instellen dier actie de principale belanghebbenden niet obsteren, wanneer zij vrijwillig tot eene scheiding en verdeeling zullen overgaan en verplicht dit hen ook niet den schuldeischer, die hen lieeft gedagvaard, daarbij te roepen, althans niet zoo lang deze niet, hetzij door hunne eigene daad. hetzij bij rechterlijke gewijsde, als partij in de scheiding is erkend.
Ait.-R. Breda nine die, W. n0. i\5; idem Arr.-R. Assen, v. 19 Maart 1855, \\. 110. It. B., jg. 1857. dl. \ II, lil. â W. â In gelijUeii zin
Ouüeman, Jl. It., dl. II, 4de cd.. I' 133. â /ie ook Arr.-R. Nijmegen, v. 12 April -1870, W. 110. 3245 en v. 7 Maart 1871. W. n0. 3390, waarlvij het beginsel wordt gehuldigd dat sclnddeischers zich zoo min mogelijk met de scheiding en deeling tiisschen limine debiteuren zullen inlaten. Vgl. ook Yoguduin, dl. IV. p. 273 en Asseu, § 559.
.8, Len schuldeischer kan geene scheiding en deeling vorderen van een door hem in beslag genomen onroerend goed, voor een deel aan zijn schuldenaar, doch voor een ander deel aan een derde toebeboorende, kunnende echter dit gebrek aan voldoenden rechtsgrond door de toestemming van dien derde worden gedekt, zoodat de rechter alsdan den gedanen en in rechten gegronden eisch niet kan ontzeggen.
De vordering is evenzeer in rechten ongegrond, indien het pand den schuldenaar, ten deele uit eigen hoofde, ten deele mandeelig met minderjarigen toebehoort, in dit geval is zijne toestemming ongenoegzaam om het gebrek aan rechtsgrond aan te vullen, en moet de onsplitsbaarheid der vordering, bij de noodwendige ontzegging van den eisch tegen den eersten gedaagde, ook de ontzegging tegen de overigen ten gevolge hebben
Arr.-R. Groningen, v. 5 Jan. 1844, 1!. li., jg. 1844. dl. VI. ji. 530â532.
ft*__
/ V -yx__XSZ^- ott- l/rrz C-CjSL /oA fx rh' ^ (2 â y r amp;~amp;-rry f^SX-
e. /'?lt;,.~ *. ^'2quot;- ^ ^ 'Vquot;
^ 9rtC- ^â *4- /.**â â ,;â ,'**â r -7»â ^
/Ccryr^ e f ^ ^ ^ /
irA 492.) 1076 . ^
/V^ 4t. Dit artikel kent den executant alleen het recht toe om de daar /.syk**- quot;r7r''- bedoelde scheiding en deeling te vorderen, doch niet om tevens te
/â¢/2â f|oell bepalen, dat de aldus gevraagde boedelscheiding onder zijne
fSquot; ^ ' ' medewerking en toezicht, althans in zijne tegenwoordigheid, zal plaats
/Jfa.e1- ^ hebben.
3quot;' Ai'r.-R. Maastriclit, v. I I Nov. 180!), W. n0. .r!2lt;')i. De gedaagden
hadden in casn in de geheele vordering toegestemd.
.». De schuldeischer van een der deelgenooten, die, na het onverdeeld aandeel van dezen in onroerende goederen in beslag te hebben genomen, gebruik maakt van de bevoegdheid, hem bij dit artikel verleend, om eene scheiding en verdeeling te provoceeren, doet dit niet als uitoefenende de rechten van zijnen schuldenaar, maar suo jure, dat is als derde, en is bij gevolg niet gehouden de schikkingen of verbintenissen, door dien schuldenaar met of jegens zijne deelgenooten 1 aangegaan te eerbiedigen, tenzij de rechten, daardoor verkregen, een zakelijk karakter dragen.
cUi
s Ari'.-R. Breda, v. tgt;l Maart 1871. W. n0. 34/i8.
f is* r
V ' (i â
^'lW. Het voorschrift dat de arrestant-crediteur scheiding mag vorderen, ,, is alleen beperkt tot onroerende goederen.
^ .. An.-ll. s ITei'togenbosch, v. 4 Aug. 1881, \V. 11°. 47.k'.
\c' ^ «W»*-
^ ^ â ^ie ten betooge:
, , ij1~
v_ ^ a. Dat het verbod van art. 492 B. 11., (zoo als in het geval, beslist
bij vonnis van de Arrond.-Rechtbank te i?reda, sub n0. 2), toepasselijk is op iedere onverdeelde gemeenschap, op grond van analogie van % t- rechten en van artt. 1129 en 183 B. W. â
v'quot;' Oudeman, II. /(., dl. II. 4de e l., p. 133: idem Arr.-R. Groningen, v.
^cJLü^quot; 3 Juli 1846, R. 1'.. jg. 1847. dl. IX. p. 405, waarbij is beslist dat dit jjJ'- artikel ook van toepassing is op een gemeenschap tnssehen erven van ./ c ,m/lA' ^ een overleden man en diens overgebleven echtgenoote. â Cf. Arr.-R. v.
n'V V/â 0 quot;
tS*'*- Breda. 21 Maart 1871. sub l;oc art. â anders Penning, ad art. en vonnis ^ h4 Arr.-R. jMaastriclit, v. 25 Juni 1881, W. n0. 4872; R. Pgt;., jg. 1883., A.
^ quot; p. 1, cl', ib. p. 11, waar de beslissing juist wordt geacht, maar de gron-
-rP1, den bestreden.
^ ... ^
t b. Dat de cessionaris van onverdeelde aangeduide goederen in eene
J/.K ? r^: ^
/Pj
^ pof^-y ,/./3
r;
Jy
(j ^er^'â -ZO /yO?r
^ V r /vquot;quot;
13''
ui ^
/- Y^- S...''â £?* .ne i.-r ,; r'''^ ?/ iT?-:-ry^- Æ:â t -j , ;â ?
cfs-yo
1077
nalatenschap, ook uit analogie van art. 492 H. II., bevoegd is de scheiding en deeling daarvan te vorderen â
art. M'i'i B. \\.. vonnis van de Air.-R. 's Bosch, v, 20 Jan. 1843, sub n0. 12, 2do ed., sub n0. 19.
Art. 493.
Indien men wettelijk met hypotheek heeft bezwaard zijn onverdeeld gedeelte in eene nalatenschap, met overige mede-erven bezeten wordende en die eigendommen bij latere akte van scheiding voor liet geheel aan codividenten zijn toebedeeld, dan kan de hypotheekhouder aan zijn titel kracht van executie geven en overeenkomstig art. 2166 O. Nap. en art. 493 B. 11. zijn hypotheek-recht vervolgen tegen de mede-erfgenamen, die in het bezit der vaste goederen zijn gekomen.
I'. II. v. Friesland, v. 30 Sept. 1840, VV. n0. 153.
Art. 498.
De kennisneming eener vordering, strekkende tot schorsing eener aangevangen executie op onroerend goed, behoort aan de rechtbank van het arrondissement, waarin liet in beslag genomen goed gelegen is.
Air.-li. Groningen, v. 13 April 1860, W. n0. 2479; R. I!., jg. '1862, dl. XII. lil. 81â83.
Art. 499.
i. Ook het httslag op onroerend goed is nietig, wanneer het voor een nog niet verevende schuld is gelegd. af
Arr. v. 29 Maart 1877, waarbij bevestigd werd arrest Hot' quot;s Horlogen-boscb, v. 17 Oct. 1876. li., dl. CXV. § 48; v. n. II., II. I!.. dl. XI.II. / p. .170â179; W. uo». 4038 en 4105; K, I!., jg. 1879, .1, p. 197 sqq. *'$£â
'è. Wanneer na het aanbod, vermeld in art. 1441, n0. 3 B. \\r,.
waaronder ook consignatie van eene som voor proces- en executiekosten onder voorbehoud van nadere vereileiiing, de executant geene schorsing noch termijn tot likwidatie van kosten vraagt, moet de voor-
Vff
Ju:
â ' 'â gt; ! - 'Z/ i_ 6 i'/fiyj7 u--* e ~ / C'
ty?yT. j/?
Art. 1.99.) in7S
genomen gerechtelijke verkoop niet slechts gestaakt, maar ook het arrest opgeheven worden.
A it.-li. Amsterdam, v. 15 Juni 1852, lï. I!.. jjr. 1852, ]gt;. 350â.%2.
Art. 500.
I, De verkoop van een verhypothekeerd goed, krachtens onherroepelijke volmacht, overeenkomstig art. 1223 B. W., is met der daad eene vereenvoudigde soort van uitwinning, en dus art. 500 B. II. ook daarop toepasselijk.
Arr.-R. Amsterdam, v. 8 .Timi 1853, W. ii0. 1529, IJ., dl. L, ^ 95; zie echter arr. v. 19 Nov. 1880 sqq. suti art. 491 15. R.
Aan de hier voorgeschreven formaliteit is genoegzaam voldaan, ook al zijn in de insinuatie, aan den vader of voogd als zoodanig gedaan, niet de namen van alle zijne kinderen of pupillen genoemd.
Arr.R. Tiel, v. 8 Juni 1855, \V. n0. 1740.
CS. De kennisgeving, bij dit artikel bedoeld en het bevel van betaling kunnen, mits de eerste aan het laatste voorafgaande, in één exploit worden vereenigd.
P. II. v. N.-Holland, v. 2 Maart 18G5, \\. n0. 2722.
fn**- »r t a .\rf 50]
i Uit dit artikel volgt, dat, al kon de schuldenaar bewijzen, dat van liet bedrag der schuld, waarvoor het beslag is gelegd, een gedeelte was betaald, de gerechtelijke uitwinning niet kon worden ver-, hinderd.
y amp;~c'u? *
f'cr* d â gt; Arr.-R. Tiel, v. 25 Jan. 1856, W. n0. '1741.
^ â¢Â£ /,ie ten betooge dat het beginsel van art. 131lt; B. I!,. ook is
gehuldigd in dit artikel â
S. v. . j) j| v N.-ll(ill;md, v. 22 April 1lt;S75, siili ;mi. 1:14 I!. !!.
uPyj n'
(Art. 502.
Art. 502.
I. Het beslag op on roerend goed moet (met liet oog op de artt. 1243 en 1279 B. W., bij vergelijking met tie artt. 2161 en 217fi C. quot;N., de artt. 1-39, 493, 502, 505, 515 en 563 13. R. en in verband met de geschiedenis der wetgeving) worden voorafgegaan door een bevel alléén aan den schuldenaar en niet tevens aan den derden bezitter te beteekenen, gelijk zulks o. a. blijkt uit de bepaling van art. 502 15. R., waar alleen wordt gesproken van de beteekening van een bevel aan den schuldenaar, als hoedanig de derde bezitter, volgens de beginselen van de Nederlandsche wetgeving, niet wordt beschouwd; terwijl ook de inhoud van een bevel, gelijk die bij hetzelfde artikel wordt voorgeschreven, in geenen deele overeenstemt met de verplichtingen, die volgens rle Nederlandsche wetgeving op den derden bezitter rusten
1'. II. v. Gelderland, v. 15 Oct. 18/,.quot;), W. n0. 08(gt;; U. I!.. jg. 1845, dl. VII. p. 789â702. â Cf. v. n. Honetit, IhJIj., § 502.
. Uit de artt. 80 en 502 l!. R. volgt, dat de beteekening van het vonnis [in cam bij verstek gewezen) en het bevel twee onderscheidene akten zijn, in strekking verschillende, het eerste om het vonnis bekend te maken, en het tweede eene laatste waarschuwing om In mora te stellen, terwijl in de bepaling van art. 502 B. R., om in het bevel melding te moeten maken van den titel, blijkbaar de bedoeling der wet ligt, dat een afzonderlijk bevel na de beteekening van het vonnis moet gedaan worden.
Hoezeer een bevel geene ten-uitvoer-legging is (vgl. daaromtrent art. 8gt;S B. R., sub n0. 7), blijkt de noodzakelijkheid daarvan voor een beslag op onroerende goederen (op poene der vernietiging van die inbeslagneming, zonder dat hiertegen obsteert art. 04 B. R., uit hoofde er hier geene kwestie is van eene nietigheid in de akte van inbeslagneming) ten duidelijkste uit de omstandigheid, dat de bepaling van art. 439. al. 3 B. R. niet gevonden wordt in art. 502.
Arr.-R. Tic), v. IS Aug. 1847, \V. 110. SCiO. ook verin old sub art. 439 II. U.; anders Arr.-R. Tie), v. 3 Juli 1807. W. n0. 2959, Hof v. Justitie Suriname, v. ^29 Sept. 1877. W. n0. 4233 en door A. R. II. in t W. n0.879, volgens Avien men uit de bijvoeging in art. 592 1». II. wel eenig/ins het gevolg zou kunnen trekken, dat het melding maken van den titel, uit kracht waarvan de vervolging plaats heeft, niet behoeft te geschieden bij
1070
Art. 503.)
bevol op roerende goederen, lietwclU oclitm' ook niet juist zoude zijn, -doch geenszins dat liet lievcl niet liij de beteekening van liet vonnis kan geschieden en vooral niet dat de wet beteekening en bevel als twee afzonderlijke akten beschouwt, die niet te gelijk zouden mogen plaats hebben, waaromtrent art. 439 liet tegendeel leert: dat overigens de omstandigheid, dat de bepaling van art. 439, al. 3 niet gevonden wordt in art. 502, hier geene aanleiding kan geven tot toepassing van den regel: qu i dcuno dicit, (/lt;â altcfu ucjal. daar art. 439 te dien aanzien geene exceptioneelebepaling inhoudt en hier veeleer, bij het bestaan van eene volkomene paritas vcUtuitis, de regel: nhi cmlcm cat /tvyts ratio, ihi eadem est lef/is disposition kan worden ingeroepen. â Eveneens is Oüoeman, dl. II. 4de ed., p. 140, met een beroep op v. n. IIonerï, Ihlli.. § 502, van gevoelen, dat de. Uegeering eene uitdrukkelijke vermelding van het voorschrift, «lat de beteekening van het vonnis of van de akte, krachtens welke de vervolging geschiedt, niet het bevel of vroeger moot geschieden, hier ter plaatse niet noodig schijnt geoordeeld te hebben.
Ofschoon ook liet voorschrift van art. 4-39, laatste al. B. li,, om aan de bij een bevel gekozene woonplaats alle beteekeningen, zelfs van werkelijk aanhod of verzet te laten doen, niet moge zijn opgenomen in art. 503 ibid., kan toch aan hem, aan wien een bevel, een beslag van laatstgenoemden aard voorafgaande, wordt beteekend, het recht niet worden ontzegd, om de nadeelen, die uit zulk een beslag voor hem zouden kunnen voortvloeien, in tijds zoo mogelijk te voorkomen, door voor het geval dat hij mocht meenen niets schuldig te zijn, de nietigheid van het bevel bij den bevoegden rechter (in specie het Prov. Hof, op grond van welks uitspraak het bevel gedaan is) te vorderen.
V. 11. v. Gelderland, v. 17 Maart -1852, W. nK 1335 en 1342: I!. R.. jg. 1852, p. 570â574; 1?.. dl. XLVT. § OS. _ Cf. echter 438 1). R.. n0. 13, art. 439 B. R., sub 13«, art. 88 B. R.. sub n0. 7, en art. 604ibid., arrest van quot;t P. II. v. Zeeland, v. 20 Mei 1840.
S, Bij het bevel van betaling is behoorlijk woonplaats gekozen, wanneer dit geschied is in het hoofd van het exploit van beteekening met hevel, en bij dit laatste naar dat hoofd verwezen wordt.
Arr.-R. Tiel, v. 3 Juli lS(j7. W. n0. 2959, ook vernield sub n°. 2 van dit artikel.
1 'T'^/, â¢Â» Ho domicilie-keuze hier bedoeld, is niet op straffe van nietig-
^ ^ . ' *
beid voorgeschreven.
Arr.R. Nijmegen, v. 11 Febr. 1808, W. n'. 3043; anders Hof Suri-_ name. v. 23 Juni 1876, VV. n°. 4000, ook vermeld sub art. 533 11. R,, en DE PiN-T0) J5 /; ii^ 2, 2de edâ j). 642.
IS*
1 080
{Art 502.
(» De bepaling van .art. I-'Ã), al. 5 mag niet uitgestrekt worden tot het beslag op onroerend goed of op den persoon, zoodat de uitvoering van het vonnis ten dezen aanzien niet geschorst wordt door de beteekening van de akte van appèl aan het gekozen domicilie.
Arr.-R. 's Hertogenbosch, v. 12 April ISTl. U. 1!.. ji;,'. 'J872, dl. XXII. |i. 502.
Arl. 503.
Het exploit van bevel, den familienaam van den gesommeerde onjuist vermeldende, is, met de daarop gevolgde executie, nietig.
An.-R. (ironingon, v. 11 .Juni ISCil, W. u°. 245('). R. II.. jjl. 18(12, p. -149. waarliij nng beslist werd, dat in cas van executie verzet niet dagvaarding on niet met rekwest liet wettig reelitsniiddel is ; verg. met trekking tot dit laatste art. 533 li. R. aant. 3.
______^ ⢠r'' quot; i ' '7jrgt; o ^
f/, wAc-.u't/, ly.?. uPfi,,* (O.
Art. 504.
i . De naam van den schuldenaar is behoorlijk vermeld in het proces-verbaal van beslag, wanneer hierin gesproken wordt van na te melden schuldenaar, en diens naam uitdrukkelijk voorkomt in het slot van het stuk.
Arr.-R. Tiel, v. 3 .Tnli 18(17. W. n0. 2950.
Zie ten betooge, dat, het doen eener keuze van woonplaats, in cas van art. 504 B. R, een wezenlijk en substantieel vereischte is, ook van het exploit van inbeslagneming van onroerende goederen en mitsdien het verzuim daarvan het gelegd beslag nietig maakt, hetgeen niet het geval is, indien het beslag gedaan wordt zonder voorafgaand bevel (art. 502 15. R.) â
dk Pinto, J/f//., It. /;.. dl. II. 2, p. 580 en 581. 2dlt;' ed., p. MA en Oudeman, dl. II, 4de ed.. ji. 139 sq.; - anders, met betrekking tot het bevel, I'EXNiNTr. ad art
'S. Igt;. in een ingezunilon stuk in \V. n0. 2138. was van oordeel, dat dit artikel niet op de door de Reyceriny in I 860 (in bet wetsontwerp op de wdjze van overdracht van oni'oerende goederen en daarmede in verband staande verbeteringen van bet bypothecair stelsel) voorgestelde wijze kan worden aangevuld, zoolang liet kadaster geen waren maatstaf van den eigendom aangeeft, tenzij uien eene wijde deur wil openen voor de reclames, vermeld in art. 538 eod.
1081
Art. 505.) 1082
e*sx4-. cj~o ^ . C/: ~
Art. u05.
'/' 1. Zie ten betooge, dat indien, in cas van art. 505, al, 1 B. R.,
' 'quot;de schuldenaar niet tegenwoordig of althans niet ter plaatse der inbe-
/Xe^ slagneining woonachtig is, alsdan, naar analogie van art. 453 B. R.,
06.^0 'iet proces-verbaal afzonderlijk moet worden beteekend aan den persoon,
tegen wien het beslag gedaan is of te zijner woonplaatse â
oljiieman, li. Jt.. dl. II, 4cle ed.. p. I'll: de plnto, If'U., 11. I!.. dl. II, 2, ]). 583, 2(le od.. p. 644; v. n. Honert, Fornmlicfh., 3de ed., |). in de noot. â Eerstgemelde voegt er liij. dat, aangezien Iiier geene sprake is van het openen der deuren door een ambtenaar, liij niet tegenwoordigheid van den geëxecuteerde, de algemeene bepaling van art. 2 B. R. zal moeten worden iu acht genomen
lt;£. Volgens Mr. I'knnink (aant. op verscliill. artt. van bet Wetb. van linrg. Rechtsv.) verbiedt de wetgever in de vierde alinea van dit artikel onvoorwaar-tlelijl: het vervreemden, verhypothekeeren of verburen van in beslag genomen onroerende goederen, als achtende de wet die handelingen altijd ten nadeele des inbeslagnemers.
Anders O/iiii. en Mf l.. dl. Xl\'. blz. 7.quot;) vlgg.
'C. Zie ten betooge dat de vordering tot doorhaling der overschrijving van liet beslag valt binnen de competentie van den rechter, onder wiens ressort de onroerende goederen gelegen zijn.
1'. II. v. Overijssel, v. 10 Jan. 1870 bij Mr. llEiiTZVEi.n, ut supra, blz. 911.
Arl. 506.
Zie ten betooge, dat liet verzoek, vernield in art. 506, al 3 B. R , behoort te geschieden bi] verzoekschrift en niet bij dagvaarding â
OniEMAN. II. II.. dl. II, 4de ed., p. 145; he Pinto, lld/. /J. II.. dl. II. 2, |i, .V.H, 2de ed., |). 652 sq.; v n. Honeut, Fdnnitlierhocl;, 3do ed,, ]gt;, 244 en Veiineuk, ad art.; anders v. d. Honeut, Formulicrb., Ie ed,, p. 461,
Art. 509.
De koop krachtens het beding van art. 1223 al, 2 B. \\r. is geldig ook dan, wanneer de hypothecaire schuldeischer, die van zijne onherroepelijke volmacht gebruik maakt, iu gebreke blijft de formaliteit te vervullen, bij art, 509, al. 2 B. R. voorgeschreven.
/
- i.T'ï-u ui- (' /-t t-
, ' - ~ - ârt-â/⢠$ /â
n â lt; b~r . ^ fC. syn. èâ ^ l'u 'y l /k-ercrxD Clt;n. \ ^
/ / ^
r* o'b- Zi- â 7 falt;2./CJt C-'. 4;
f quot;zWijr XT . ACfo, '-x9-. â¢yr-'
[Art. 509
Am v. 21 Nov. 1873, W. ii0. 3K62; R., dl. CV, § 30, in overeenstemming met de conclusie van don adv.-gen. Smits, vernietigende arrest 1'. 11. v. Gelderland, v. H Dec. 1 W. n0. 3565, waarbij werd vernietigd liet vonnis dor Am-K. Tiol, v. 2'.) Maart 1872, W, nquot;. 3574; de drie beslissingen zijn ook opgenomen in li. 1!.. jg. 1874, p. 13 sq(|.
Art. 510.
1.. De voorschriften der artt 509, al. 2 en volgg. B. R., waaronder het overbrengen der opbrengst van liet verkochte voorwerp ter griflle van de Rechtbank, ingevolge art. 510 15. R., zijn voor den hypothe-cairen schuldeischei', die uit kracht van art. 1223 B. W. ageert, niet verpliclitend, indien de executant, vermeld in art. 508 B. II, verzuimd heeft het door hem gedaan beslag binnen vier dagen na de overschrijving aan den hypothecairen schuldeischer te beteekenen, althans in gebreke is gebleven om liet bewijs daarvan ten processe overteleggen.
De hypothecaire schuldeischer, in dien stand van zaken onverplicht en ongehouden zijnde om, na aftrek van liet aan hem verschuldigde, de gelden van den verkoop ter grillie der Rechtbank neder te leggen, volgt hieruit, dat ook dan, wanneer hij al de ten zijnen behoeve met hypotheek bezwaarde goederen, krachtens de aan hem verleende volmacht, verkocht heeft voor eene som, zijne schuldvordering verre te boven gaande, en alleen door den kooper van het eerste perceel de gerechtelijke rangregeling tot verdeeling van den koopprijs is verzocht (art. 1256 B. W.), in deze van geene andere rangregeling de rede kan zijn, dan alleen van de verdeeling van den koopprijs van dit eenige perceel onroerend goed, en mitsdien de rechter-commissaris, tot de plaatsing der geproduceerd hebbende crediteuren overgaande, te recht na de plaatsing der proces-kosten, met inachtneming van het beginsel der ondeelbaarheid van de hypotheken, den [in cam eersten) hypothecairen schuldeischer voor deze zijne vordering naar de dagteekening der inschrijving heeft geplaatst, ook dan wanneer van de te verdeelen som niets voor den executant, die niet al de onroerende goederen van zijn schuldenaar in executoriaal beslag heeft doen nemen, overblijft,
I'. II. v. Gelderland, v. 10 Maart 1847, W, n0. 8(17; I!. I!., jg. 1847, dl. IX, p. 408â471, bevestigende een vonnis van do Am-U, Tiol, v. 2(i Sept. 1845, W. ut supra.
ins ,3
I'. - W ü trx^ Z^t- i*JZJ~v, t^répX
/, 5-7 0 ^ ^ - =gt;-- , ^
' O- «r ; A 77' fi-*r â lljio . C^hJ^-v cZ^-U.â^ ^/7 /~lt;?/^. C*.POjf, 6lt;A ?-lt;_ö - 6 'lA , v^.iyyv . //â
510 ) 1084 /^. ^ ^óJ
3. TJit art. 510 in verband met art. 509 B. R.. evenals uit art. 859 in verhand met de artt. 858 en 855 W. v. K. voli^t, dat indien de verkoop van liet hypothecair verbonden goed door den hypothecairen schuldeiseher uit kracht van het bij art. 1223 B. W. vermeld beding, plaats heeft na voorafgaand executoriaal beslag, daarop gelegd door een anderen schuldeiscber, of nadat de eigenaar van het hypothecair verbonden goed is verklaard te zijn in staat van faillissement, de koopprijs moet worden betaald in handen van den hypothecairen schuldeiscber en zulks in zijn geheel, en niet slechts ter concurrentie , r van het beloop van diens vordering met de interessen en kosten. / ' ' A it.-li. Maastricht, v. 31 Juli IS7I!. W. n0. 3071. Zie hetzolfiln vonnis
aaniieli. snli art. '12.')3, 11°. 0 I!. W.
1 ,, li Zie ten betooge:
lerl.Soci a. Dat, in cas van 510 B. R, eene rangregeling alleen kan aan-
5^, °wijzen aan wien het gedej)oneerde geld moet worden uitgekeerd, indien
ilT-i de belanghebbenden zich onderling niet kunnen verstaan, maar in dit
/ ,,/i ^ geval de crediteur-mandataris (m cam waar de executant heeft voldaan
aan het voorschrift van art. 508 B. R.) niet in die rangregeling moet
/ worden begrepen, die, wanneer hij meer van den koopprijs afhoudt
piTf ' ^ clan hem toekomt, op dezelfde wijze kan genoodzaakt worden zijn
depot te verbeteren, als men hem tot het deponeeren zeli zou kunnen
dwingen, indien hij alles onder zich hield â
^'rIquot; ^ H-.2- efiii vertoofi' van air. P. A. df. Lange, in de Thmii*. jg. 1844, dl. V,
« ⢠p. 138â140; idem he Tinto. Heli., 11. I!.. dl. 11,2,11. 590, 2de ed., yt. C52.
f^l' . ftA '' /;. Dat, in cas van art. 510 15. R., de kooper gerechtigd is, dadelijk na de betaling (of na het depot) de doorhaling der inschrijvingen te vorderen en hij niet door de rangregeling, welke aan de belanghebbenden moet worden overgelaten, het gekochte perceel van de hypotheken behoeft te doen zuiveren â
air. P. A. de Lange, Thcini*, ut supra, p. 140â147, en v. I'uttkammku in na te melden advies, p. 62â70; anders in de Ref/tsfi- Adv., dl. 111. p. 132 en 133; de Pinto. Ildl, It. 11.. dl. II. 2. p. ;gt;S7â^gt;90. 2de ed.. p. 649 sqq. en Oüdeman, B. I!.- dl. II. 4deed., p. 149. âVgl. \«omins. ad art. 1259 1!. \V. en Asser. B. 11'. § 643.
c. Dat uit de bepaling van art. 510 B. R. volgt, dat van het oo^enblik dat de kooper betaalt, tot op dat wanneer de crediteur-
^ £j .
1085 [Art. 510.
mandataris deponeert, het reclit der Liter ingeschrevene crediteuren alleen bestaat in de personeele actie, //dat hij zal deponeerenquot; â
Mr. P. A. nr. Lange, ut supra, p. HO en 147.
d. Dat onder de kosten, bedoeld in art. 510 B. R., welke de crediteur-mandataris van den koopprijs kan afhouden, niet alleen zijn begrepen die welke door hem zijn aangewend, maar al de kosten van executie, welke ingevolge art. 1195 13. W. bevoorrecht zijn, zelfs boven hypotheek eti welke dus allen door hem aan den schuldeischer, die de executie heeft begonnen, moeten worden uitbetaald, alvorens hij zich zeiven voldoen kan â
A. II. 1!.. in /.''â ;// en UVlt;, dl. IF. p. 48â'4; Mr. F'. A. de Lange, ut supra, p. 117; he Pinto, Hill.. It. /;.. HI. IF. '2. p. SSi) en 590, tMe ed., p. (551 nu Ouheman, II. It.. «II. II, 4dc ed. p. 140. â Anders van Pettkammeii iu zijn advies over de voorgestelde vraag: Hoe zonder gevoav f/eld gt;gt;/' liyiiotheck ho.it ivoi'deti ijrjil/iiitsl (Leeuwarden, â I84'5). p. 13â18, volgens wien de livpotliecaire schnldeisclier bevoorrecht zou zijn boven de kosten van nitwinning en hier dus eene uitzondering zoo bestaan op art. '1195 lgt;. W.; cf. vonnis Ktg. F'.nschedé, v. 47 Oct. 1872, W. n0. 3533, waarbij is beslist dat de executant van onroerend goed de door hem aangewende execntie-Uosten, welke volgens art. ;)27 P». R. bij voorrecht worden betaald uit den koopprijs, niet bij rau-actie kan terugvorderen van den hypotlieeklmuder met onherroepelijke volmacht, die de in beslag genomen goederen verkocht, en den koopprijs daarvan ontvangen heeft; maar dat hij don weg bij art. 551 B. R. sqq. voorgeschreven, volgen moet.
e. Dat de termijn van vier dagen, vermeid in art. 510 B. R., begint te rekenen na de overbrenging van de opbrengst enz. ter griffie â
Oudeman, /)'. Ti., dl. II, 4de ed.. p. 148, daarbij bestrijdende do meening van v. d. FFonert, Ffn'tnuhet'h.. ]». 481 en igt;e ^Fartint, ad art. y, 2, volgens wie die termijn, daar voor do overbrenging ter griffie geen dag is bepaald, een aanvang zou nemen van den dag des verkoops.
f. Dat de bepaling van art. 510 B. R., die in strijd is met de algemeene beginselen, betreffende de verdeeling der opbrengst van executie, daarom in ons Wetboek niet goed is, of, als uitzondering beschouwd, beter ontwikkeld en met de overige wetsbepalingen in verband had moeten worden gebracht â
Mr. P. A. de Lange, ut supra, p. 139.
Arl. 511.)
Art. 511.
. I- list verzuim van opvolging der fonunliteiten, voorgeschreven bij '
Louiv^ ^z^lt;f.art- 511 !5. R , kan geenszins voor den hypotheekhouder het verlies ten â . . gevolge hebben van zijn bij art. 122:3 B. W. omschreven recht, ver-
(LA-'O 1 â
mits lle poenaliteit bij art. 512 R li. voor een ander geval is bepaald, to^ojuyUA^-^ in art- 511 is aangewezen. -4 lïcr^^A/- /lt;, 1f-/. â I_p^r U/.\
Air. v. 10 Nov. 1848, W ii». »78; ....... XXXII, § 7; v.n.11.. /,'. f\.. no ^ L
__ dl. X. p. 96â1*12; zijnde bij het daartoe betrekkelijk arrest van 't P. 11. /
y.cL. ;lt;*â¢*â v_ Gelderland, v. 29 Sept. Ã84-7. W. n0. 880: R. B., j--. -1847, dl. IX. â¢
Irxnn^sT^cxs^-c P.jp- 772â77S: It., dl. XXX\ I, § 05. bevestigende ecu vonnis van de Air.-li./^r r-'' '~-_⢠Xijnieren, v. 12 Maart 1847, 1{.. dl. XXXVII1. § 7.quot;). beslist, dat de ver- 7/,^,^^,
znimde opvolging van gemeld art. 511 slechts aan den procurenr van oi)^.c^vt- PtJcL-u*, den executant de bevoegdheid geeft, om met de executie voort te gaan. ^7^ 1 / h. -iS ^00'1 'n ^ 8'evn' ('e eerste hypothecaire schuldeischer, die de daarbij
-lt;c~- 0 bevolen kennisgeving heeft nagelaten, en desniettegenstaande nog lciniiore ^ fa si tU-2â quot;l'li /.ijn recht tut openharen verkoop wil doen gelden, persoonlijk de -I kosten zal moeten dragen welke de procureur des executants, tengevolge Æ
ïtHjitJi , van diens onderstelde onbekendheid met het voornemen des schuldeischers,
ojiyL. 572. /? nu^t- na verloop van 14 dagen, sedert de beteekening van het beslag, tot
a bevordering daarvan heeft aangewend; zijnde wijders bij dit arrest, te Ptsvs-. S ' ^ â 'LC. jjg,, aanzien vernietigende liet vonnis van de Air.-R. Nijmegen, utsuora, ,
beslist, dat de hypothecaire schuldeischer en wettige kooper tevens van het goed in geschil vóór de gerechtelijke toewijzing, waartegen hij later door middel van het derde verzet opkomt, indien zijn derde verzet tegen die latere gerechtelijke toewijzing wettig is verklaard en hij. met vernietiging van dit vonnis, in zijne rechten van eigendom wordt gehandhaafd,
te dier zake niet op schadevergoeding kan aanspraak maken. â Cf. art.
376 P). R., arrest van denzelfden datum en art, 511 B. R. sub n0. 2.
Het door den hypothecairen schuldeischer niet in acht nemen van den termijn, voorgeschreven bij art. 511, kan de partij tegen wie het beslag is gedaan, niet versteken van haar recht, om ook na den dag der overschrijving, bij art. 505 B. 11. vermeld, het in beslag genomen onroerend goed ook door een gemachtigde te vervreemden, mits zulks niet zij geschied ten nadeele van den in beslagnemer.
Arr.-R. Nijmegen, v. 12 IMaart 1847, R,, dl. XXXVIII. S 75.
S. De termijn, bedoeld bij dit artikel, is alleen bepaald voor het regelen der rechten tnsschen den hypothecairen schuldeischer en den beslaglegger, doch iieef't op de rechten van den schuldenaar geenerlei betrekking.
Arr.-R. 's llertogenbosch, v. 24 Maart 1871. W. n0. 3495.
J 086
%r/i- bu- tU-y-rv 3 * ' â amp; yjXZ - ^ rns^.r/z
/lvr li -7âquot;lt;?/ _ gt;,^^X 4-^1 «alt;Z 1 -7^-â e^L.^4-.-^ *T~. â *.lt;* S *-*lt;- i^c^.cCa^l-U~ CU ~frim^rK-.r^ -, lt;-cwiw^~ trr^s ShX- ,^Vlt;«^lt;Z t âCe
. -fc â¢^wgt;,- 'y âf^iZnirf â
Q O* fh @ ^ ^ x- ^*- â quot;â^ t^nj~Z'c^-^-^- ⢠/'V- //lt;_, ^ ^ -^- /o^, St** ~? amp; £ ^/: £{~c
T? / //rlt;. 513. , ^ . 7
' 7 ?(quot;T/ '^- lt;gt;ï 1 »1 J / - lt;:-* ü Sty*' gt; quot;'â /lt;
Eene nalatigheid van den eersten beslaglegger karr slechts dan een za^Ar-qa-^ eisch tot subrogatie wettigen, wanneer zij posterieur is aan het later ^lt;
door een ander gelegd beslag. , jsaâ .
rCj^ ^r -gt; 7 - ^ ,_r-L 4- c^zrrSe.
An-.-R. Assen, v. 28 .\rei 1866, W. n0. 20irgt;. ^ , . .
iv ?r-v amp;Y~ tSt-o. , ve _
?jt-^~ r^-~ '^e 2-t^rrrct _
â '! ft, 51 O. â^ cjJLry^-t- £- _
Zie ten betooge dat de woonplaats, waarvan art. 514, nquot;. 4 spreekt,
is de werkelijke of (jewone en niet de gekozene woonplaats â
Oudkman, /V. //., ill. II. 4de cd.. |i. I.V2 en 153; nr. Pinto, Wdl.. /?./(.,
dl. 11, '2. p. 591 en 592, 2de ed.. p. 653 sq.; de Martini en Vernicde,
ad art. en G. D. in de Ojfiii. en Mad., dl. II, p. 308 en 309; â anders in een vertoog in 't R. I!., ,j,u;. '1839, dl. I, p. 40 en 41, naai' luid waarvan men onder ifuoiiplanl.i te verstaan lieeft, de woonplaats die de arrestant ets arrcsldiit heeft, en die hij reeds bij het bevel (art. 502 I!. R.) binnen het arrondissement kiezen moet, welk gevoelen echter door de schrijvers ut supra, op de gronden aldaar ontwikkeld, volgens Léon te recht, wordt wederlegd.
Art. 510.
De beteekening in art. 516, al. 2 13. R. kan. indien ze aan de mede-eigenaren van een onroerend goed is gedaan, voor dezen niet anders dan als eene bloote kennisgeving gelden, welke voor hen, als daardoor geen partij in het geding geworden zijnde, de bevoegdheid niet uitsluit in verzet te komen ingevolge art. 376 15. II., maar zou alleen de gevolgen van dat verzet kunnen wijzigen.
Arr.-R. Breda, v. 2 Oct. 1849, W. n0. '1079. met adoptie der motieven bevestigd bij arrest van 't P. II. v. K.-Brabant, v. 17 Sept. '1850.
- l it het extract uit het register der Resolution van den Minister van Finantiën van '17 Juli 1840, n0. 85, afd. reg., (Bijv. Slbl. v. 1840, n0. 192), blijkt dat op de akte van depót, opgemaakt ter griffie van de Rechtbanken, van de stukken in zake van gerechtelijke uitwinningen, bedoeld in art. Mti li. R., naar aanleiding van art. I. n0. 2. al. 9, van het Keizerlijk Decreet, v. 12 Juli 1808 j0. het Kon. besluit van 3 Sept. 1830 (Stbl. n0. 57), voor redactierecht verschuldigd is eene somma van f 1.50.
De griffierechten, en in het bizonder voormeld Keizerlijk Decreet, bestaan thans niet meer, maar zijn afgeschaft bij de wet van 31 Dec. 1856 (.S'tW. n0.105).
Art. 520.)
Art. 520.
Aan liet voorschrift van de eerste alinea van dit artikel is voldaan, wanneer slechts binnen den gestelden termijn de dagvaarding is
heleelcend.
Air. v. 17 (Id) Nov. 1882. W. n0. 4843; I!.. dl. CXXXII, S H»; v. n. II.. V-, tl., dl. XI.VIII. \). 20â2(1.
Art. 522.
1. Zie ten betooge, dat het vonnis van verkoop of toewijzing, hoewel, krachtens de bepaling van art. 522 B. 11., niet onderworpen aan hooger beroep, evenwel, gelijk ook blijkt uit art. 551 B. 11., door den wetgever als met alle andere rechterlijke uitspraken op gelijken voet staande beschouwd en mitsdien ook vatbaar is voor verzet door derden â
art. 37G Ti. I!.. air. v. 10 Nov. 1848. suli n°. 2; idem en mode met een beroep op art. 551 li. R., dat dit vonnis is vatbaar voor cassatie -een arrest van quot;t P. II. v. Zeeland, v. 7 Maart 1848, R. li., jg. 1850, dl. XII. p. 375; idem ten aanzien der cassatie. Lipman, B. /?.. p. 220 en Oriuc.MAN, li. tl., dl. II, 4de ed.. ]). 103.
8. Door Mv. 11. Vf.ui.oren wordt in W n0. 1721 de wenschelijkheid aangewezen. dat de verkoop van in beslag genomen onroerend goed ter audientie worde afgeschaft. He schrijver meent, dat die verkoop behoorde te geschieden op dezelfde wijze als liij art. 857 W. v. K. voor faillissementen en bij art. 453 li. W. voor minderjarigen is bepaald.
Art. 523.
Ten aanzien der kosten van uitwinning van onroerend goed, komt geene executoir-verklaring of beteekening van een staat van kosten, maar alleen taxatie te pas.
Ait.-R. Amsterdam, v. 15 Juni 1852, R. I!.. jg. 1852. p. 350â302.
Art. 524.
Om het laatste gedeelte van het tweede lid van dit artikel toete-passen is in verzuimstelling onnoodig.
Hof Amsterdam, v. II Maart 188quot;1, W. n0. 4001.
1088
(AvL 529.
Art.. 529.
t Hoe duister ook liet laatste lid van art. 529 B. R. moge zijn, ten gevolge van het daarin voorkomende woord //gehuurdequot;, kan die bepaling, in verband gebracht met het algemeen in de wet opgenomen beginsel, dat de wettelijk bestaande huren van kracht blijven, zoowel bij gerechtelijken als bij willigen verkoop, geene andere strekking hebben, dan om de wijze te regelen, waarop een geëxecuteerde tot de ontruiming kan worden genoodzaakt.
Air.-R s lioscli. v. 2-4 l-Vlir. IKM. \V. iic. 17^: idem Oukeman, Tl. I!.. dl. li, 4de ed., p. Ui.»; idem en ten iiotndgc tevens, dat art. ai. 2,
den kooper krachtens het vonnis van toewij/ins' de bevoegdheid ^ceft, om zonder verder voorafgaand vonnis tot ontrniming over te gaan, in een vertoog van den procureur II. L. Troost. Themis, dl. XIII. p. Oilâ023; â anders Pennixo. ad art., volgens wien. het vonnis van toewijzing de ontruiming niet gelastende, de kooper daartoe vonnis zal moeten vragen en wel liij de Rechtbank. â Vgl. hierniede ten hetooge, dat liet woord «geliiiurde» in art. 529, al. 2. I!. R. zal moeten zijn ('fickochtcn I... in t R. li., jg. 1839, dl. I. p. 58 en 59; Thanix. dl. II. p. 370; de M.urnxr. ad h. 2, en Pkxning ad art. â Vgl.
wijders Lipmax, B. /;.. p. 238 en v. n. Hoxert, Ihlh.. 529, in de noot.
'i Zie ten hetooge:
a. Dat eene gerechtelijke toewijzing, bedoeld in art. 529 B. R., te houden is voor een vonnis in den zin van art. 376 B. R., waartegen het aan eiken derden belanghebbende, ââ waaronder ook de hypothecaire schuldeischer, die bedongen heeft de onherroepelijke volmacht in art. 1223, ai. 2, B. W. vermeld en die wettige kooper was van het goed in geschil vóór de gerechtelijke toewijzing, waaraan hij vreemd is gebleven â vrijstaat in verzet te komen -â
art. 370 13. R. arrest v. '10 Nov. 1848, sub ii0. 2. Zie ook art. 511 I!. R., arrest van denzelfden datum, sub n0. 1.
b. Dat zoowel naar de woorden als naar den geest van art. 529, aan den griffier, alvorens door hem het vonnis van toewijzing van gerechtelijk uitgewonnen onroerende goederen afgegeven wordt, niet het bewijs moet geleverd worden van de betaling van den koopprijs. â
Mr, K. I. Assf.r, R. I!.. jg. 18;«). dl. I, p. 209-210; â anders echter he Martini, ad art. o. 2; Ouiieman, B. li., dl. II, 4de ed , p. 103 sqq. en he Pinto, ÆÆlt;//., B. II.. dl. II, 2, p. 000, 2de ed., p. 002, die meenen, dat men ten deze behoort te onderscheiden en bet gevoelen van den beer Asser dan alléén gegrond is, wanneer in de veilconditiën niets omtrent den tijd der betaling is vastgesteld.
Mr. W. van Eossr.jr Ez., Rurg. Rechlsv. 09
I OS!)
Art. 529)
c. Dat de getuigen die den deurwaarder bij de ontruiming, vermeld in art. 529, al. 2, zullen bijstaan, door de Rechtbank die liet vonnis van toewijzing heeft gewezen, op een daartoe ingediend verzoekschrift zullen worden benoemd, â
een betoog' van den imicureur II. L Tuoost. jjr. 1852,dl. XIII.
p. (Vilâ(S3; â andei's dour Mr. A. ''. in do O/im. en Mrtl.. dl. \ III. p. 253â250, volgens vvien die Vionoeniing door den kuntonreclilor /on moeten geschieden; verg. ook Oude.max, ft. li.. Ma ed.. dl. II. p. 10.).
Art. 532,
De vordering tegen den gebrekigen kooper, waarbij het provenu der herveiling wordt gereclameerd, moet gebracht worden voor den rechter van de woonplaats van den debiteur, niet voor dien rechter te wiens overstaan de executie heeft plaats gehad.
I'. 11. v. /..-Holland, v. 2S Febr. 1S5!). W. nquot;. 2071-!. Imvostigende vonnis Arr.-R. s Gravenhage, v. 29 Dec. lcS57. \V. n0. lOoO, nok vermeld ad art. 151) II. li.
Art. 533.
I. De vordering tot nietigverklaring en opheffing van het gelegd beslag met schadevergoeding, verschilt geheel van die, bedoeld bij dit artikel, welke alléén strekt tot herstel van verzuimde formaliteiten.
Mitsdien is dit artikel verkeerd toegepast door de niet-ontvankelijk-verklaring uittespreken op grond dat eerstgenoemde actie volgens art. 533 15. Hv. te laat zou zijn ingesteld.
Air. v. 5 Juni 1803, W. n0. 249:1: li., dl. I.XXIV. S 25; v. u. II.. 11. I!.. dl. XXVII, p. 388â398, waarbij vernietigd word liet arr. P. II. v. Groningen, v. 0 Jloi 1802, hierna sub uquot;s. 3 en 4 vernield, edoch zonder uitspraak omtrent de daar o]igeuomen heslissingeu.
'i, Indien niet alle formaliteiten, voorgeschreven voor eene gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen, zijn nageleefd en noch de geëxecuteerde noch de ingeschrevene schuldeischers de vervulling daarvan gevorderd hebben binnen den termijn, bepaald bij art. 533 li, R,, dan heeft het Openbaar Ministerie niet de bevoegdheid om te vorderen, dat de verzuimde formaliteiten zullen worden vervuld.
Arr.-K. Nijmegen, v. 17 Juni 1848. W. nquot;. 932.
IfHtO
(Art. 533.
JS. Het verzet tegen liet beslag hier bedoeld kan bij den rechter worden aangebracht bij dagvaarding.
1'. II. v. Groningen, v. (gt; Mei ISti'i. U. 1!.. jir. 1 StH. 11. 'iTil I; cf. liet daartoe betrekkeli)k vonnis der Air.-R. Gi'oninn'en, v 14 .linil '1S61 suli art. 503 li. li. â Verg, bet snli n0, '1 niedegedeeld arrest v. Juni'ISliB.
-ft. Onder de bij dit en het volgend artikel bedoelde formaliteiten behoort ook het bevel tot betaling, waarover in de artt. 502 en 503 I?. Rv. gehandeld wordt.
I'. II. v. Groningen, v, (1 .Mei i8(ö, U. 1!.. jg, ISii'r, p. 450, waorliij met vernietiging van bet vonnis der Arr.-R. Gi-oningen, v. i4 Jnni 18Ct.
VV. n0, 'i45(j. It. li,, jg, tS(i'i. lil. j40, werd beslist dat verzet oji grond van bet verzuim van bet bevel tot betaling ook binnen den bier voorgeschreven termijn moet geschieden, â Verg, bet soli nD. I medegedeeld arrest v. 9 Juni '18Gi!.
Zie echter navolgende beslissing:
De wetgever heeft bij dit artikel (art, 480 Wb. B, Rv, voor Suriname)
alleen on het 002: de formaliteiten na het beslag. » ^ '*â
quot; c^cA.. ,r.l fyzg.
Hof Suriname, v, Juni 1870, W, n0, 4000, ook vermeld sub art.
502 B. R, n°. 5,
.1//, 530,
Zie over de vraag of dit artikel van toepassing is op den verkoop volgens art. hi'ü5. B, W.
Arr. v. 19 Nov. 1880 sqrp, sub art. 491 li. R.
â Zie een betoog van Mr. II. .1. van Lier, in W. n0. 3458, waarin bet ongegronde wordt aangetoond van de bewering, dat de opposant scnuldeiscber de aanteekening van zijn verzet eerst zou kunnen vorderen, nadat de executant de executie bij de Recbtbank beeft aangebracht.
At'!. igt;3 /.
f, Ingevolge onze hedendaagsclie wetgeving ligt liet buiten de bevoegdheid der Rechtbank, aan de belanghebbende partijen, wier vaste goederen in executoriaal beslag zijn genomen, verlof te verleenen, om de gerechtelijke uitwinning te staken en een notaris te benoemen, ten einde tut een vrijwillige!) verkoop over te gaan, al waren ook alle de
1091
[Art. 537. 1092
belanghebbenden het dienaangaande eens, meerderjarig en hun eigen meester.
Ait.-R. Maastricht, v. 14 (Jet. JSiT. \V. n0. 9:!9; I!. li., jg. Ilt;S/i-7. dl. iX. ]i. 805 en SOIi. â Cl', v. n. IIünkut. IIiIIj., II. li.. ^ 587.
Deze bepaling legt in verband met art. 458, den schuldeischers. die verzet doen, uiet de verplichting op vonnis te nemen tegen den geëxecuteerde, maar is geschreven om het maken van overbodige gerechtskosten te voorkomen, zonder den schuldeischer te verhinderen in zijn recht om tegen den schuldenaar een executorialen titel te nemen, welke voor hem van belang kan zijn, om nog andere redenen dan om zijn verzet te staven.
Ait.-R. quot;s llertogenboscli, v. 24 Jan. 180(), W. n0. 2827.
Jï. Het onderzoek naar de wettigheid der oppositie mag uit den aard der zaak niet verder gaan, dan over de vraag of de schuld bestaat, zoodat het onverschillig is wanneer de schuld ontstaan is.
Air.-li. Assen, v. 20 Nov. 1870, \V. n0. 4004.
/ r'c /tyquot;* :'y r
1. Een huis, in het gemeen behoorende aan eene moeder en hare 7 minderjarige kinderen, tegen de moeder in haar privé zijnde geëxecu-^ / teerd, zonder dat daartegen de toeziende voogd, hangende de procedure tot executorialen verkoop, incidenteel is opgekomen, kunnen de minderjarigen die in deze procedure niet waren vertegenwoordigd (als een gevolg van hun zakelijk recht en met het oog op art. 731 O. d. Pr. Giv., letterlijk overgenomen in art. 535 B. II. en op de facultatieve w öt-et lt;*â ''' bepaling vervat in art. 538 15. R.) ook na de definitieve toewijzing L~/'lt;quot; van het perceel, nog hun aandeel daarin door middel van verzet door derden reclameeren.
' Ari'.-Ti. Amsterdam, v. 0 Febr. 1843, W. n0. 3CG, bevestigd 1gt;ij arrest
van 't P. II. v. N.-Holland, v. 18 Sept. '1845, VV. n0. 072; â idem bij
de Martini nd art. en LiI'MAN, II. J!.. p. 222, die mede van gevoelen
lt;£⢠, C«- i*quot; â zijn, dat de regelen omtrent de opvordering van eigendom, vocirgesclireven
.__in art. lil C. de Pr. Civ. en art. 538 B. R., niet gelden de eigenlijke
fl.ottcy- revindicatie, maar de vordering tot onttrekkinu van u'oed aan liet beslag,
7 iaMV' . 0 , '' '
(( â¢- ' ' /(( dciiiandc cn dislraclum volgens de Fransclie inocednre; idem o. a. Iiij
Z2.h.
J n0-]
_______ TOO.'5 lo Alt;^./4lt;rtr /$yi, 5;;s.
f £1' 0e'£amp;quot;p
('aukk. ;i(i ui t. I'll C'. do Pr. Civ. en liij eon arrest van 't Hof van Cassatie van Parijs, v. 9 Maart '18M. bij Sirev, t. XV. 'ido part., p. i(')7. â Zie ook art. 370 B. U., arr. v. 19 Nov. 1841, sub n0. I en Oudeman, \). /;., dl. 11, 4de ed.. p. Iü8.
'i. De uitoefening van het. recht tot opvordering van eigendom,
is door geenerlei wetsbepaling uitgesloten tea opzichte van vaste goederen, die ter invordering van deswege, krachtens executoir verklaard kohier, door een derde verschuldigde grondbelasting, tegen dezen zijn in beslag genomen.
A it. - li. Utrecht, v. 11 April 1855. 11. IJ.. Jg. i8r)5, p. 375 sqq.
!{. Men mag bewijzen dat er werkelijk iets anders is beslagen dan hetgeen door de kadastrale nummers zou worden aangeduid.
y^cUru^lt;y ^ '--a ^ ~ liKT'r ylri^-^-^--^^
Air.-li. Utreolit, v. li April 1855, ut supra.
-1-. Zie ten betüo^e dat in het Grediiii' van ten uitvoerle^inc' (n)
onroerend goed geen andere tusschenkomst is toegelaten dan die bij dit artikel bedoeld.
Ari .-lï. .Maastriclit. v. 'iti 1'ebi'. 1881. aangehaald sub art. 285 11. I!. $ â¢
6/.
/Zt,. quot;P
Art. 539. ^^76ffr-
I . Kene opvordering van eigendom [reicindivatio) bedoelt in (\vn ^rv-
zin van de art. 539 en volgg. 15. R. altijd tusschenkoinende personen, ï1quot;quot;quot;
dat is: derden buiten den gearresteerde en den arrestant.
l'. II. v. 1 i'iesland, v. 30 Se|it. '1810. VV. n0. 153, idern .Vrr.-K. Tiel, v. ^
8 Juni 1855, W. n0. '1740, waarbij werd beslist dat de; bedoeling van art. 538 sq. niet is, dat de scbuldenaar zijn in beslag genomen eigendom lt; 'y /'
zou kunnen opvorderen, hoezeer ook bij de in beslagneming de vereischte . ^ ^ formaliteiten niet mochten hebben plaats gehad. c 7' J ^
Zo . /(yef
'4, t3ij eene terugvordering van gearresteerd vast goed door een ^ z
derden bezitter, moet aan alle o-earresteerden het verzoekschrift van 'V {,
/H'/. w- ^
tusschenkomst, de reclame behelzende, worden beteekend. â¢yioo
Arr.-R. Assen, v. ii Juni 1846, It. li., jg. 1847, dl, IX, p. 522 en 523
ff/C. fZ-zT T'*
Art. 543.
Art. 543, 2e lid is niet Ingetrokken bij de wet van 7 April 1869 (.S(W. n0. 55), ofschoon de intrekking daarvan bij het ontwerp werd voorgesteld.
L ^ . S~57 1râ¬'T â 4- OLSLSZ-. S'C^O ; ÃAQ C^L £lt;SJ:AS
, . (!_--/^2^, ö /S~3amp;.
Art. 551.) 1094
Je-, Jfaj PAer^^ â â,
(fy^s fok. //' -lt;e*^y tte, , Jlt;L éhx^p 2^^ '
j ^ ^ I , De wijze van procedeeren tot doorhaling van hypothecaire a inschrijvingen geldt niet ten aanzien van die tot opheffing van een ' ' ' krachteloos geworden executoriaal beslag; te dezen aanzien moet de
gewone wijze van procedeeren gevolgd worden.
Air. v. 4 April 1X84. W. n0. 5024, R.. dl. CXXXVI. § 51; v. n. II.. /gt;. /!., dl. XI,IN. p. 'Vloâ315; ook vcrmold ad art. 554 li. K., ideiu liet daiiitne betrekkelijk arrest Hof Leeuwarden, v. 12 Sept. 1883, waarbij vernietigd werd liet vonnis der Air.-R. Assen. v. 15 Jan. 1883, beide opgenomen in W. nquot;. 4SHi7.
Vergelijk navolgende beslissing:
Bergens in de wet wordt aan den kooper van in executoriaal beslag genomen vast goed, die â gelijk in casu, als eerste hypotheekhouder met het beding van onherroepelijke volmacht zel(' het goed heeft verkocht en met de opbrengst nog niet ee7is zijne geheele hypo-thekaire schuldvordering met renten en kosten, kan dekken â de verplichting opgelegd, om ter verkrijging van de doorhaling der overschrijving van het gelegd beslag, rangregeling te vragen, te minder waar geen geschil over regeling van voorrang of verdeeling van den koopprijs bestaat. Die doorhaling kan dus bij rau-actie worden gevorderd.
^ 1'. II. v. Gelderland, v. 18 Maart '1874, W. n0. 3780; waarbij ook werd
beslist dat in bet algemeen onder doorhaling van inschrijvingen bier niet
te verstaan is, de doorhaling van de overschrijving van een beslag.
h)xn, - '' ^
^ .⢠j,. lt;5. indien door een schuldeisclier, krachtens eene hypotheek met ^
j ^.j.y 1/. i.quot; onherroepelijke volmacht, is verkocht het gehypothekeerde goed van /
/I zijnen schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, dan kan tv
/ i , , . , Jyj-rjlt;py'
' __iaj: 71°£ '
' K; Thr. Arr.-R. Assen, v. 2'2 Nov. 1858, R., dl. I.XII. § 88; R. I!.. jg. 1859.
⢠^ UX dl. IX, bl. 49-1. W. n°. 2021. (/ ^ uy,
lt;-gt;, j^»/, 3. Zie ten betooge dat er geene tegenstrijdigheid bestaat tnsschen 0-
on/'
â ^ de koo])er van dat goed geene rangregeling vragen volgens dit artikel, ^v. /, Töy
X V,. UX dl. IX, bl. 191, W. 11°. 2021. r ^ urr,f
fry,1- _ _
.om '.h art. 125() B. VV. en art. 551 R. li. en de wetgever door beide artikelen /Æ%', 'p' ' . ...
' heeft willen bepalen, dat het verzoek tot rangregeling uiterlijk na ver
loop van eene maand moet geschieden ââ
tbvtriwioe/L tri- OuDEMAN, /gt;. /;.. dl. II. 4do cd., p. 173 sqq.. die. ook met een beroep / . uil den Hooui. v. Hai.i., de fationrs (hihilan.di tei' toetse brengt en
-M //14 A/y7 Q V^yi^- 1 c ^
^ wederlep:t. omtrent die kwestie geopperd in L R. !gt;.. Jliquot;. 1841, dl. III.
22-örm-, ^ 0.quot;)â07. â Vlt;il. hiermede het aanzet, op art. I25() 15. \V., sub n0.
/]A*^yi^lan/L4 -yvxs
siâ/1 , 75,, gt; ,/7,vo i ° zs. Ji/~'n quot;
HJr '*9°' C P?0
{Art. 551
/.if. over ilo wcnscliolijklioiil ihit tli- raii^rfiigt;eling liij mn ooroiul soed up do/.elfdo wij/.e worde geregeld als Air. Vf.iu.oüen dit voorstelt voor tli; rangregeling liij roerend goed, Mr. 11. Vi lil.oi'.KN in W. nquot;. '1721 en de aant. sub art. 48'1 I!. R.
bi. 551.
I. Dit artikel heeft niet de strekking om het reclit der schuldeischers om in de rangregeling begrepen te worden, afhankelijk te stellen van de oproeping, die hun zal worden gedaan, maar bedoelt alleen, dat aan de schuldeischers kennis zal worden gegeven dat er voor hen gelegenheid bestaat om hun rechten bij de rangregeling te doen gelden.
Air. v. 4 April '1884, W. nquot;. 5024, ook vernield ad art. 551 1!. R.
3. Deze bepaling, waarbij voorgeschreven wordt, dat de schuldeischers hunne bescheiden aan den rechter-commissaris moeten inleveren, brengt //iet mede, dat ieder hunner verplicht is een schriftelijk bewijs zijner vordering over te leggen, en wel een zoodanig, dat daardoor die vordering niet alleen tegen den schuldenaar, maar ook tegen derden beuezen worde.
Ait.-R. 's llcrtogenboscli, v. Ql\ Jan. 1S66, \\. n0. 2827.
*⢠- V'-*.....*â quot;- V
'It,. rfl. Ui U-lt;iclt;: LiPyis CJ- n'é'S'oz..
Arl. 555.
S. liet staat den rechter commissaris niet vrij bij het opmaken der ^ 7,,.
rangregeling, de innerlijke waarde der stukken te beoordeelen, bijaldien
zij naar de bepalingen der wet zijn opgemaakt.
Arr.-R. Utrecht, v. 1 Febr. 1850, W. n0. 1130, ook vermeld ad art.
â 1226 1!. W.
gt; â¢sâr- 'â TXâ ,, 2tlt;a '
Zie ten betooge dat het den rechter-commissaris wel degelijk vrij staat te onderzoeken of de schuldeischers zich behoorlijk hebben bekend ^ -t-c-
semaakt en mitsdien of zij al of niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek ' quot;
O 1 0 * ' ,-(j -r- 1 â A -ZtA
om in de rangregeling te worden begrepen. ^ ^
Hof Suriname, v. 23 Mui 1879, W. n0. 444:5. ^
% in de artiKele7\ 555 en volgende wordt gehandeld over rang-
-.1 gt; gt;«V3-'/lquot;
regeling na gerechtelijke uitwinning, waarbij, op grond van art. 5o3 â ;Sy \ â
lt;r) 1/11 v*-t-
t . 6-r 4c'/yv.
1095
\ -IA. 1
Art. 555.)
'â geene sjjrake kan zijn van tegenspraak tegen het opmaken der
rangregeling wegens verzuim van formaliteiten, die hadden moeten
voorafgaan aan den gerechtelijken verkoop.
Air.-R. Amersfoort, v. O Fobr. imi, \V. 110. 2898, ook vermeld sub art. 5.)8 li. i{.. waarbij voor de rangregelmir na verktiop krachtens art. 122,3 1!. W.. liet tegendeel werd beslist, op grond dat alsdan art. 533 1». Igt;. niet van toepassingquot; is en waaromtrent geene andere overeenstemmende bepaling wordt gevonden; verg. aant. 2 op art. 491 li. U.
Ai'l. 556.
De wet schrijft niet voor dat bij eene rangregeling, welke het gevolg is van de gerechtelijke uitwinning van een onroerend goed, de executant, welke niet tevens is de vervolgende partij, moet worden opgeroepen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Nov. 1841. R. IJ., jg. 1842, dl. IV. p. 117-120; â anders echter pk Tinto, Ud/., It. dl. II. 2. p. 610, 2de ed . p. 673, Wh'n deze beslissing in strijd voorkomt zoowel met de quot;woorden als met den geest der wet. â In gelijken zin Ãnifman. B. It., dl. II. 4de ed.. p. 177. â Cf. Lu-man. It. It., p. 224 on Veknede, ad art. 559, noot 3.
Art. 557.
i Zoolang eene rangregeling niet definitief is gesloten, komt het recht van verzet en tegenspraak toe aan de schuldeischers die zich bezwaard rekenen, doch dit middel is bij de wet onbekend na de definitieve sluiting
Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Jan. 1847, W. n0. 817; l\. I!., jg. 1847, dl. IX. p. 439.
quot;S. Zie ten betooge:
a. Dat het middel van verzet door derden niet ontvankelijk is tegen eene rangregeling van schuldeischers, door een rechter-commissaris opgemaakt â-
art. 376 I!. li., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Nov. 1841, sub ii°. 5. â Vgl. du bedenkingen daartegen in quot;t R. 1!.. Jg. 1842, dl. IV. p. 119, in de noot.
IdOfi
sji * www** t V 1
1097 [Art. 557.
h. I)at wanneer bij eene rangregeling, uit krachte van art. 557 B. li., geeno contestatie is gerezen, de kosten wegens de tusschenkomst van een advocaat, ter zake van werkzaamheden door hem verricht, niet in rekening kunnen worden gebracht â
art. .quot;gt;7 li. I!.. bescliikkini: van dc Air.-15. lt;ingt;iiiiigeii, v. 1'J .liuii IS'iü. sub 11°, (i.
Art. 55S.
I. De nietigheid eener geopende rangregeling kan niet opgeworpen worden bij gelegenheid van de verschijning voor den rechter-coinmis-saris, bestemd tot het doen van tegenspraak der gedane plaatsing.
Arr.-R. Maastricht, v. ÃS Maart 1850, R. 1!., jlt;;. 1850, dl. XII. p. 508 â514.
/f t . . ' â '. ^ , 7 Gei . IrfJO! ' X x â (TJ ff? .
'i. Hij de tegenspraak van eene rangregeling, bepaalt zich de bevoegdheid des rechters uitsluitend tot de kennisneming van die geschilpunten, welke in het proces-verbaal van verwijzing van lt;len rechtercommissaris zijn opgenomen. sa oPyg, 60. st'frZS
Arr.-R. Maastricht, v. '28 Maart 1 S.V). R. !!., ju-. 1X50. dl. XII, |). 508 â514, idem Air.-R. Deventer, v. '12 Nov. '1850, R. J!., jg. 1857, dl. Vil,
KI. 516â51!).
IJ. Personeele scluüdeischers hebben, evenzeer als hypothecaire, het recht om de door den rechter-commissaris gedane plaatsing tegen te spreken.
Arr.-R. .Maastricht, v. 28 Maart 1850- R. I!.. j^;. 1850, dl XII. p. 508
-4. De kortere termijn van hooger beroep, voorgeschreven in art.
558, al. 3 B. R., is toepasselijk voor alla vonnissen (en mitsdien ook voor opkomende incidenten of uitvloeisels van hoofdgeschillen) in eene instantie van rangregeling gewezen.
P. H. v. Limburg, v. 24 Febr. 1851, R. 1!.. jg. 1851, p. 247â249.
De bevoegdheid der Rechtbank bepaalt zich uitsluitend tot de kennisneming van die geschillen welke in het proces-verbaal van den liechter-Commissaris zijn opgenomen, zoodat voor de Rechtbank geene
'T
fl t-wi fr-x S^P z^/ oClA, Si/Llt;*j-e~-c*y\.(yC oult;^L^^vv_- ? isise^amp;^lt; *lt;-*-'
'tinji. t L^tx^ quot;t ^n-' r^Z^yj.U . i^J C-Lc^ tUsyis^ J t^U^T J r , ^1
cJU -v e-c. iM~~s ^ ^ U^w-c^ f. quot; j
l/\ d-»/~ l~-lquot;. b, jfO sysy L,. f^i-v-i.
^' .1/7. 558.) 1098
oCt^, tk iSno. ldgt;dgt;°, Clt;/? ^quot;TW/i.
' r â¢- '
iimlere geschillen kunnen worden gebracht, nocli andere personen toegelaten, dan die naar de openbare terechtzitting zijn verwezen.
Air.-U, Deventer, v. -12 Nov. 1856, R. 1!.. jg. 1857, p. 516.
lt;». Uit de bepaling van dit art. volgt, dat een geëxecuteerde, die geene tegenspraak tegen de rangregeling voor den rechter-commissaris gedaan heeft, en al zoo niet verwezen is, nimmer partij is in het geding,
en het geding alleen gevoerd wordt tusschen die partijen, welke de plaatsing op de rangregeling hebben tegengesproken en tot handhaving daarvan zijn opgetreden.
Arr.-R. Deventer, v. 18 l'ebr. 1857, R. !gt;., jg. 1857. dl. VII. lil. 565â 570; in denzelfdon geest, dezelfde Rechtbank, v. Iti Nov. 1856, I!. I!.,
jg. 1857, dl. VII, bl. 516, vermeld sub hoc art.
1. Dit artikel is blijkens art. 1256 B. W. ook van toepassing wanneer na willige verkooping van een bezwaard goed, de kooper het gekochte wil doen ontlasten van de hypothecaire lasten, die den koopprijs te boven gaan.
De tegenspraak hier bedoeld kan ook mondeling geschieden bij den rechter-commissaris ten tijde en plaatse bij art. 556 B. llv. bedoeld.
Het strijdt zeker niet met de bedoeling der wet, indien reeds vóór de zitting van den rechter-commissaris aan dezen van die tegenspraak bij rekwest wordt kennis gegeven en daarna, tijdens die zitting, daarbij wordt gepersisteerd.
Ait.-R. Amersfoort, v. 6 Febr 1867, \\. ir. 2898. ook aangehaald snli art. 555 R. R.. waarbij tevens werd beslist dat de recbter-cominissaris do tusscben partijen ontstane geschillen niet zelf mag beslissen, maar die, althans naar den regel, naar de terechtzitting der Rechtbank ter beslissing moet verwijzen.
De appellabiliteit van een vonnis naar aanleiding van dit artikel gewezen, hangt niet af van de hoegrootheid der betwiste vordering in haar geheel, maar alleen van het bedrag der som, waarover de twist loopt.
Wanneer b.v. de collocatie van eene vordering van f 500 betwist wordt, omdat hij tot f 300 moet worden verminderd, is appel niet toegelaten, omdat het eigenlijk geschil loopt over /' EOO,â .
Mr. M. II. GodeI'Roi, in 'rUüirii,s1 2do ver/.., dl. X. p. 88; zie ook I/teinix,
2de verz. dl. Vil. p. i!57 en in; I'ixto, «Handl. tot het Wetb. v. I!, ft., 2d(' ed., dl. II. 2, p. 675. /ie over de tweeledige nitlegging van de woorden van laatstgenoemde, Mr. ('â ohfiROI. t. a. p.. bl. Si).
A
jlu (U i- 171
- XQ_. quot;^Q , gt;£2.
. yj2 *~
/ / /
/lt;gt;-rj^~
(/â //â¢lt;. 55S.
^
,rfgt; ^gt;.
I 0!)9
W. Zie ten betooge dat de termijnen van hooger beroep, bij de artt. 487 en 558 B. R. voorgeschreven, niet van toepassing zijn bij verzet tegen de rangschikking in een faillissement.
Hof Amstordani, v. ... Mei 18lt;SH. \V. 11°. Wï't.
Ar/. 55!).
Art. 559 15. R. bepaalt wel, dat na de rangregeling, de interessen der schuldeischers, die batig geplaatst zijn, ophouden tusschen hen onderling te worden berekend, behoudens elks recht tegen den schul-denaar, doch deze bepaling heeft alleen de strekking om het recht en de personeele actie der hypothecaire schuldeischers voor hun achterwezen jegens hunnen hypothecairen schuldenaar te bewaren, maar niet om den kooper van met hypotheek bezwaard goed met verdere rente te belasten, dan tot den tijd, waarop na rangregeling de som is bepaald, welke oogenblikkelijk van hem kan worden opgevorderd, en die hij alzoo moet beschikbaar houden, om op de eerste aanvrage des crediteurs, echter tegen bewijs van doorhaling van de hypotheek van diens zijde, te worden uitbetaald, zoodat hij daarvan na dien tijd geen genot kan nemen, en alzoo ook na de rangregeling geene renten meer kan verschuldigd zijn, dan in geval van nalatigheid en alzoo ex mora.
Arr. v. '2 Dec. 1842, \V. n°. 365; R.. dl. XIII, § 51; v. n. 11.. D. dl. IV. p. 77â94. â¢â In gelijken zin liij 't daartoe hetrekkelijk arrest van 't P. 11. v. Holland, v. 1 Deo. 1841, I!. I!., jg. 1840, dl. VIII. |i. 180, vernietigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Mei 1841 ; tl. 1!.. ut snpra. â Cf. art. 1I!74 i!. NV., arrest van dcn/.clfden datum-sub n°. 1.
Ir/. 5fi0.
\radat de rangregeling van een bepaald bedrag kooppenningen zonder tegenspraak bevolen is, is men niet meer ontvankelijk om te vorderen, dat daarin ook verkoopskosteu zullen begrepen worden.
Arr.-R. Groningen, v. 1 Oct. 1852, R. 1!.. jg. 1854. (gt;. .'gt;90â392.
l.ii'MAN. /â¢'. /i., p. 224, merkt op. dat. noch in het fransche ntirli in liet Nedeilaudsche recht is lieslist. welken weg een niet behoorlijk opgeroepen en alzoo uitgesloten scliuldeischer zal moeten inslaan, om zijne rechten alsnog te
TS-
Art. 560.) 1100
iloon gelden cm geeft ten deze de voorkeur uuii ei-n verzet door derden (tierce-opposition) boven liet reclit van Iloog'or Ijerotip, dat de Fransche jurisprudentie licni te dien aanzien toekende: â anders Arr.-R. Anisterdam. v. 17 Nov. 18fl, li. I!.. jg. '1842, dl. IV. p. 117, Oude.man, /)'. li., dl. If. 4de ed., p. 180 en '181, die aan liet middel van liooger beroep de voorkeur ü'eeft. De Pinto. Il'f/.. II. I!.. dl. II. 2. p. (114â(V10. 2de ed.. p. (17(1 sqq.. beschouwt de rangregeling voor de scbnldeischers, welke daartoe niet zijn opgeroepen, als eene ren inter cdlux, zuodat zij uit kracht van art. 551 eene nieuwe rangregeling zonden kunnen vorderen. Volgens Penning echter, ad art., hebben de schuldeischers ook dan, wanneer zij niet zijn geroepen, geen rechtsmiddel tegen de dellnitief gesloten rangregeling, maar hebben zij in het laatste geval tegen den verzoeker, die volgens art. 554 verplicht was hen op te roepen en zulks heeft nagelaten, krachtens de artt. 1401 en 1402 li. \V., eene actie tot schadevergoeding.
Ar(. 56 i.
Oüukman, II. I!.. dl. II. 4de ed,, p. -181, merkt op, dat art, 5(11 1). li. eene afwijking bevat van het bepaalde bij art. '1240 I!, W., als zijnde l)ij eerstgemeld artikel de hypotheekbewaarder tot de doorhalingen gehouden op het bloote vertoon, terwijl bij 't li. W. voor deze doorhaling de ovcr-'lei' authentieke akte of van een authentiek afschrift van zoodaniquot;o, of van het vonnis daartoe strekkende, gevorderd wordt. Mij meent dat daartegen art. 3 van 't Kon. besluit, v. ii Maart '1840 (Slid. n°. 6), hetwelk voor de doorhaling van de overschrijving der processen-verbaal van inbeslagneming de nfrrlfcjfjiiKj van de akte of het vonnis, of van een afschrift vereischt, niets kan afdoen, uit hoofde hier niet hetzelfde geval is bedoeld als in art. 5(11 en ook een besluit geene verandering kan maken in de bepaling der wet. â Vernedk. ad art., merkt hiertegen op, dat hoewel art. 501 li. 1!. is vastgesteld en herzien na art. '1240 li, \V.. en daaruit zon kunnen worden afgeleid, dat art. 1240 li. \V. door art. 5(11 li, R, is gewijzigd, art, 3 van het voormeld Kon, besluit slechts strekt om uitvoering te geven aan hot beginsel, dat bij de uitvoering zal moeten worden opgevolgd. â Zou men hier niet kunnen bijvoegen, dat de latere vaststelling van een wets-artikel, afwijkende van eene vroeger aangenomene wetsbepaling, tot juist verstand van het geheel, hetwelk het onderwerp beheerscht, minder afdoende is, mi èn het li. VV. èn 't W. v. B. li. gelijktijdig zijn ingevoerd? (Léon,)
Art. 562.
I. Hoewel bij eene rangregeling de hypotheken op andere goederen kunnen worden geplaatst, dan waarop die zijn ingeschreven, is echter hieruit eaamp;u, naar de beginselen van het h'ransche recht, onder vigueur waarvan de hypotheken zijn genomen), geenszins af te leiden, dat die hypotheken, juist op al de panden, waarop zij gevestigd zijn.
(AH 562.
moeten worden geplaatst, wanneer ze door plaatsing op sommige panden volledig kunnen worden voldaan.
Indien evenwel op goederen, in gemeenschappelijken eigendom bezeten, eerst ten laste van de beide eigenaren voor liet geheel en later ten laste van den eenen eigenaar, op de door hem verkregene helft in den eigendom dier goederen, hypothecaire inschrijvingen genomen zijn, dan kunnen de eerstgenoemde inschrijvingen geenszins voor hei geheel op de niet afzonderlijk bezwaarde wederhel/i van de gezegde panden worden geplaatst.
1'. II. v. (Ii'ldi'iiand, v. 11 Fclir. U. li., ,jg. IStó. dl. IV. p. 101â
11)7; /.*(â ;// Soh;-!.. dl. 111. ]lt;. li2Sâ2:K. â Cf. art. .VI(I li. R., arrest van hetzelfde l'. II. v. 10 Maart 1847.
'i. !)e verwijzing in art. 1256 B. \V. omvat ook art. 562 B. llv. Uit laatstgemeld art. blijkt dnt personeele schuldeischers, zonder dat gevorderd wordt dat ze zijn ingeschreven, het recht hebben om verzet te doen tegen de rangregeling, en dat dit verzet de voorwaarde is, waarvan hun aanspraak op de verdeeling van het overschot der koop-penningen na de betaling dier hypothekaire schulden en :ler kosten, afhankelijk is.
P. H. v. N.-Holland, v. 4 Febr, 1858. \V. n0. -1084. R. 1!.. jg. 1858, dl. VUI. l.lz, 420â430.
Art. 563
8. Voor de opheffing van een executoriaal beslag zijn geene vormen voorgeschreven. Het ontslag van de bewaarders, zonder in de plaats stelling van andere en het feitelijk vrijgeven van het schip, brengt van zelve die opheffing mede, zonder dat daartoe eene schriftelijke acte wordt vereischt.
Ari'.-R. Rotterdam, v, 2 Oct. IS71, W. n0. Igt;gt;)i97.
3. Zie omtrent de vraag, of de bepalingen, vervat in den kien titel van het tweede boek Wetb. v. B. 1!,., zijn limitatief, dan wel of bij het stilwijgen der wet, en daar waar zij niet uitdrukkelijk naar de bepalingen van den 2den en den 3den titel verwijst, de voorschriften van die beide titels kunnen worden gevolgd â
art. 570 li. R., arrest van 't I'. II. v. Groningen, v. 13 Nov. 1849 sqq.
nni
Art. 561.) '102
â 1)7. öd.
Veroordeeliniïen te^en tien schipper tot schadevergoeding, ter zake vaii eene aanzeiling, kunnen als verbindend voor den eigenaar van het schip beschouwd en bij wijze van executoriaal beslag worden verhaald op het schip, door den schipper gevoerd geweest zijnde, zonder dat de eigenaar in de gevoerde rechtsgedingen partij geweest is.
Air.-R. Aiiisleidiiin. v. 10 Sept. ISIO. W. n0. 100. â Cf. art 321 W. v. 1\.. vonnis van de/^lfde Arr.-li. van den/olfden datum, snli n . .».
A/7. .jH7.
I it dit art. kan niet worden afgeleid dat in zaken van arrest de schipper als vertegenwoordiger van den buitenlandschen of onbekenden reeder of boekhouder zou worden beschouwd.
Air. 1 lof's-(Iravenhage. v. 18 .hini 1877. W. nquot;. 41.'.!.
Arl. 576.
/ ⢠/ lt;rZ quot;e wet voor de executie van schepen afzonderlijke regelen gesteld /, cu voorschriften gegeven hebbende, en mitsdien de in het Wetb. v.
15.11. voorkomende afdeeling: quot;van opvordering van eigendom,// daarbij c-.. ^ niet in aanmerking kunnende komen, zoo volgt hieruit, dat de termijn â . 9-L ten aanzien der ontvankelijkheid in hooger beroep vastgesteld bij art.
^ , /» 542 15. 1!. niet van toepassing is bij reclame van schepen.
,0 5. /» J. */ |'. II. v. Groninaen v. I:! Nov. 1S19. R. liijl)!.. j,-. 1851, p. 297-302.
zijne liij .lit arr. tevens op gelijke recbtsgronden heslist: c. dat bij eisclicn tot reclame van scliepen niet zijnde voorgeschreven, dat de eisclier den-^4. gene, tegen vvien liet beslag gelegd is, voor den rechter behoort te roepen.
'bij daartoe niet verpliebt is. terwijl in allen gevalle wel de niet voor den rechter geroepene, doch geenszins de arrestant daarbij belang kan hebben. /l'.C- ^ vvelk.ï laatste niet gerechtigd was om op bet mogelijk bezwaar van een
ââ 3 derde, niet geroepene, een middel van niet-ontvankelijkbeid te gronden.
C en h. dat bij. die ten onrechte een eisch tot reclame van een schip instelt.
behalve de proceskosten, niet nog bovendien kan veroordeeld worden tot quot;cT'J'A vergoeding van kosten, schade en interessen. â De beslissing echter van
/ heide reebtspunten heeft eene krachtige bestrijding gevonden in S. M..
m,. a â in de 0]int ,1. VI. p. 108âi7(5. De vraag, of men bij de actie
,7,-, /lt; . K0 (ot reclame van schepen ook verplicht is dengene op te roepen, tegen
110;5 (Arl. 57(1
wien liet beslag crelotrrl is. lionntwoordt He sclivijver lievestipfend, a. op i^i'ond, dat volgens den reclitsvegel: nhl cadoit iHflio, ihi rfidcm Irt/is (lisj)ositio, de wetsbepalingen opzichtelijk reclame van goederen, bij bet stilzwijgen der wel. ook hier bij reclame van schepen bare toepassing bebooren te vinden; dat overigens de vraag, of men in dit systeem te volaen hebbe de voorschriften voor reclame van roerend, dan wel van onroerend goed, nutteloos mag geacht worden, daar de rechtsbepalingen omtrent beide soorten van reclames, door gelijksoortige voorschriften, ook de/elfde beantwoording opleveren: dat bet gemis van eenig voorschrift tot oproeping van dengene. tegen wien bet beslag gelegd is, te voel bewijst, vermits men op denzelfdrn grond zou kunnen beweren, dat, aangezien bij den eisch tot reclame van schepen niet is voorgeschreven, dat men den arrestant behoorde op te roepen, ook daarom de eischer daniioe niet verplicht was en er alzoo op deze wijze niemand meer zou zijn die behoefde opgeroepen te worden, enkel en alleen op grond, dat de artt. 576 en 577 1!. R. dit niet uitdrukkelijk voorschrijven; dat overigens de arrestant bij die oproeping wel degelijk belang heeft, aangezien bier twee andere partijen over den eigendom van liet goed twisten en niemand meer dan de gearresteerde bevoegd en geschikt kan worden geoordeeld, de twistende partijen voor te lichten omtrent het punt in geschil, terwijl men zelfs mag betwijfelen of de arrestant, zonder zoodanige oproeping, wel gerechtigd is om bet schip, hetwelk hij als den eigendom van een gearresteerde in beslag heeft doen nemen, aan den eersten den besten, die dit als zijn eigendom komt reclameeren, over te geven, zonder gevaar te loopen zich deswege jegens den gearresteerde aansprakelijk te stellen, enz. â De tweede vraag, of hij, die ten onrechte een eisch tot reclame van een schip instelt, behalve de proceskosten nog bovendien kan veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, beantwoordt de schrijver bevestigend, niet alleen op grond van analogie van recht en bepaaldelijk naar aanleiding van de art. 450 en 543 1!, H . maar ook op de algerneene beginselen van recht en billijkheid, ingevolge art. 1401 R. W.
Ten blijke al verder tot welke moeielijkheid men geraakt, indien men aanneemt geene uitbreiding te mogen toelaten der vormen, met betrekking tot het executoriaal beslag op en den verkoop van schepen, en ton aanzien der bestaande lacunes (behalve in cas van verwijzing, in de artt. 573, 58i, 582 en 584 I!. U. uitdrukkelijk vernield) niet te mogen vecur-reeren tot de bepalingen van den '2den en 3den titel van hetzelfde boek, vergelijke men een vonnis der Arr.-U. Groningen v. 14 Sept. 1849. R. 11,. jg. 1851, p. 140 en '141, waarbij is beslist, dat, ofschoon de wetgever in den 4den titel van het 2de boek li. U.. handelende over executoriaal beslag o/gt; en verkoop van- schepen, niet voorschrijft, dat, wanneer de verkoop vertraagd is dooiquot; een eisch tot reclame, men met den verkoop niet kan voortgaan, dan na vernieuwde bekendmaking en aanplakking der billetten, zooals zulks uitdrukkelijk is bepaald bij art. 513 (2de boek, 3de titel) van gezegd Wetboek, opzichtelijk opvordering van eigendom van onroerend goed. het evenwel regelmatig en onvermijdelijk is, dat die vernieuwde bekendmaking en aanplakking bij afwijzing van den eisch
Art. 576.)
|jl*r\ts 1 n'lit)i'. waai'tim' noocKvondiü' kusten irmcten wotlIimi ii^nirewcnd, wiiarvun de eisclier, in zijne reclame in liet ongelijk gesteld wordende, de nur/.nak is. terwijl liij den gedaagde daardoor scliade heeft toegebracht, welke dus, naar rechten, door hem gedragen moet worden.
Dit he/.waar echter schijnt, althans in zijne algemeenheid, niet te worden gedeeld door ut; Tinto. IhH. li. It., dl. II. '2, j.. 018 en (HO, 2de ed.. p. (18(1 sqq., die aldaar, â bestrijdende een arrest van liet 1'. 11. Zeeland, v. Si April 18:i0. \V. n0. 41 : U. I!.. jg. ISiC), dl. VUT. p. 611 : R, dl. 1. ^ /,,(». waarbij (niet vernietiging van hot daartoe betrekkelijk en in een tequot;enovcrgestelden /in gewezen vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. i~ Febr. T8:!(l, \\'. en li. ut supra) is aangenomen, dat. ingeval van een executoriaal beslag op en verkoop van schepen, niet alleen de bepalingen van den 4den titel van het 2de boek van het Wetb. v. li. li. van toepassing zijn. maar dat men ook verplicht is. om, in hetgeen bij zoodanig executoriaal beslag en verkoop voorkomt en in dien titel geen voorschrift vindt, tevens na te komen de bepalingen van don 2den titel van hetzelfde boek, handelende over de gerechtelijke ten-uitvoerlegging op roerende uoederen en mitsdien de opvolging van art. IVTCi en volgg. I!. li. mrl uitxluil de inachtneming der bepalingen bij artt. 450 en 457 (uicosii de
lieteekening ook aan den hcmun-clcr van de gedane revindicatoire oppositie tesren den verkoop van het in beslag genomen schip), ingeval van reclame of oppositie, bij eene executie van rocroidc goederen voorgeschreven, â de meening ontwikkelt, dat de wet een volledig samenstel van bepalingen voor het beslag op schepen geeft en dit onderwerp daarbij op eene geheel eigenaardige en op zich zelve staande wijze wordt geregeld; dat het beslag op schepen is stii generis en men alleen daar, waar dit volstrekt noodig is, bij analogie, zijne toevlucht mag nemen tot de bepalingen, hetzij van den 2den. hetzij, en dat wel meestentijds, van den 3den titel, naarmate het te verkoopen schip tien lasten of meer bedraagt (artt. 57.-!, 58-1 en 582 1!. R.). zonder dat men ooit kan vorderen de nakoming van formaliteiten, welke in een dezer twee titels worden voorgeschreven, doch hier voor het hizondcrc ondcrwvrii niet herhaald. â Het gevoelen van den heer df. Tinto wordt, althans wat betreft de ontkennende beantwoording der vraag, of ook bij het in beslag nemen van schepen de beteekening aan den bewaarder, ingevolge art. 450 li. R.. wordt gevorderd, bevestigd bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 20 Juni 1851. R. I!., jg. p. :gt;.72â374; 11., dl. XI.VII. § 97 (aldaar onder dagteekening v. ISJuni), op grond, dat de wetgever schepen niet in allen deele behandelt als andere roerende goederen, en speciaal over executoriaal beslag op, en verkoop van schepen niet handelt in den 2den titel. 2de boek, maar, na in den 3den titel over de gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen gesproken to hebben, eerst in den 4den titel komt tot de executie van schepen, daarvoor eigene vormen voorschrijft, afwijkende van die. welke de roerende goederen betreffen, en in art. .gt;84 15. K. vel verwijst naar don 3den titel over onroerende, maar niet naar den 2den over roerende goederen, en dat de beteekening der reclame aan den bewaarder wel nuttig en noodig is bij roerend goed, hetwelk niet ter rolle der Rechtbank wordt verkocht, maar doelloos wordt bij een schip.
{Art. .r)7(!.
welks verknn|i. Iiniiuoilfli1 li(gt;t jroilini;' over illquot; rcclinnc, wmilt vwliinilenl door liet inbrengen iler reclame ter jirillie. volgens art. quot;i7(i li. II., en mitsdien noch nit de wet, nocli nit de rntio Icr/is blijkt, dat de wetgever art. 450, 'Iste lid lï. H. heeft willen toepasselijk maken op reclame van in beslag genomen scliepen, maar bij integendeel geacht rnoet worden die toepasselijkheid niet (e hebben gewild. â Vgi. wijders Oitpemax. B. /gt;'., dl. II, 4de ed., p. 100 sqq., die, hoewel in het algemeen instemmende met het gevoelen van de Pinto nt supra, echter meent, dat, zoo er aanvulling noodig is, de toepassing der bepalingen opzicblelijk het beslag van roerend of onroerend goed afhankelijk is van de grootte van het schip, al of niet beneden de tien lasten, met welk gevoelen zich ook vereenigt Vernede, ad art. 5(13.
Dit voorschrift is alléén van toepassing op schepen van meer dan tien lasten.
Arr.-R. Utrecht, v. Sept. '1804. W. u . /ie eene bestrijding
van dit vonnis door Mr. A. O. in O/»/», rn Mnl.. dl. .\\ II, p. 29 sqq.. /.ie ook lt;Htdeman, Ti. I!.. 4de ed.. dl. II. blz. 192, waar betoogd wordt dat dit. en het volgend artikel up lt;'//lt;â schepen zonder onderscheid van toepassing zijn.
Art. 582.
f . Onverminderd de vraag of' de huurprijs van een schip behoort ouder de bevoorrechte schulden, bij art. 582 B. R bedoeld, volgt uit het verband van laatstgemeld artikel en art. 7 fS W. v. K., dat een zeilree schip, oorspronkelijk de rivieren en binnenwateren bevarende, doch hetwelk beweerd wordt ook soms wel eene buitenlandsche reis gedaan te hebben, niet vatbaar is voor arrest, indien bet niet laatstelijk van huiten 's lands is gekomen ofquot; derwaarts is bestemd.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21! .lull 1S44, W. n0. 521.
Een schip kan niet gezegd worden zeilree te zijn, indien nog ontbreekt de laatste formaliteit, van welker vervulling het vertrek des schippers afhankelijk is [in casu waar de luiken en openingen van het vaartuig door de ambtenaren nog met lood of cachet moeten worden voorzien, en de schipper, om te kunnen vertrekken, zich nog moest vervoegen tot de Rijks-beambten, ten einde nader te doen invullen een der kolommen in dorso van het consent of de consenten gedrukt, en door welker invulling eerst de noodige formaliteiten zijn vervuld, om zich ter uiterste wacht te vervoegen en aldaar zee te kiezen).
Mr. W. van Rosshm Uz., Ilnyy. Hechtsv. 70
AH. 582.)
Ait.-U. Amslfiidnin, v. :H 'IS'm. \V. ii°. rgt;S:i; R. I!.. js. IS'ili. dl. VIII, ii. 293 en 294. Verg. nok vnnnlssen Arr.-R. Alkm-.i.ir. v. 9 Maait 1X7(1 vermeld ad art. quot;gt;82 li. R.. en van 27 April IS7(,i, li. I!.. jg. '1870, aid. II. ii. -1:«» snq.. W. n0. 4IHHI en de o|iiiierkinlt;;nii der reilactie van liet R. B., t. a. p., p 138.
S. üp grond van de bepaling van art. 9 der wet houdende A. 1?. betreft dit artikel niet alleen inlandsche. maar ook vreemde schepen. 1'. II. v. /.-Holland, v. 21 April 187:?. W. n0. ;i.V.l|.
JlyvoLw â J . Deze wetsbepaling moet geacht worden mede van toepassing te
fijl, ,'tlt;L' n-atUn..yjj,, ,,1, hefc conservatoir beslag.
c^CLn^L''^ u Het bewijs dat een schip zeilree lag, berust op hem, die de opheffing
Jamp;cP(9 ' ⢠^
r , r â / van dat beslag vordert.
Vöb. W. 71° Sb O ^
Arr.-R. Alkmaar, vnn 9 Maart 1S7(gt;, \V. n0. AiHl(), IJ. I».. jg. '1S7(gt;. nfd. /gt;, |gt;. DiO; idem redactie U. I».. t. a. p. lgt;l. 1S.gt;.
C^n 'jT.-o â¢Â» Daargelaten of het verbod, in dit artikel vervat, zoowel hij conservatoir als bij executoir beslag van toepassing is, â is het nooit toepasselijk op schepen, die uit eene vreemde haven vertrokken, over Nederlandsch grondgebied komen.
Arr.-R. Middelburg, v. 21 Juni â¢187(1, W. 110. 3992. R. R.. jg. 187(1, afd 1'. IjIz. 172 sqq.
De pleidooien zijn opgenomen in W. n0. 3990 en in R. B., t. a. p. â Dit vonnis is bevestigd bij arrest Hof 's Gravenliage, v. 25 Jnni 1877. \V. ii0. 4131. R. B., jg. 1878, B. p. 271.
Het Hof heeft ook de vraag onderzoclit of dit verbod bij conservatoir beslas van toepassing is. en deze vraag ontkennend beantwoord.
Zie in anderen zin, wat dat laatste betreft, aant. 4.
Art. 585.
I Op grond van nquot;. 8 van dit artikel kan lijfsdwang alleen worden uitgesproken legen hem, die het misdrijf of de onrechtmatige daad heeft begaan, en niet tegen anderen, die met den dader voor de schade aansprakelijk zijn.
Air. v. 17 Dec. 1858, W. n0. 2022, R.. dl. IA', ij 38, v. n. 11.. B. dl. XX11, p. 543â528, in zoover vernietigende (in strijd met de conclusie Openb. Min. in W. u0. 2010). arrest 1'. II. v. N.-Holland, v. 10Nov. 1857, VV. n0. 1918: idem Arr.-R. Leeuwarden, v. 29 Juni 1875. W. n0. 3983; cf. vonnis Arr.-R. Rotterdam, v. 12 Jan. 1870. W. n0. 3192; idem P. H. \. Gelderland, v. 31 Oct. I860. R. 1!.. jg. 1861, dl. XI, bi, 385â386, W. n0.2234.
(Art. .quot;iSquot;).
â¢lt;S. Waar lijfsdwang in strijd met, de wet is uitgesproken {in cam met nquot;. cS van dit artikel, als doelende dit niet op schadevergoeding wegens niet nakoming eener overeenkomst) kan de eisclier in cassatie daartegen opkomen, ook dan, wanneer hij, in eersten aanleg en hooger beroep, de vordering daarvan niet opzettelijk heeft bestreden.
Air. V. 7 ISdS. W. 110. 'JilSS; v. o. II.. II. dl. XXNIl. p.'iO:'.
â214; iu strijd met de (â .nnclusic van den ailv.-nen. fiiiKcoliv; liij welk arrest ildg, meile in strijd met de coiiclnsie van liet ()|M!iili. Min., werd beslist, dat aan de ontvankelijkbeid van bet cassatiemiddei evenmin iu den weu' staat bet feit, dat do verweerder verklaard beeft onvonrwaar-delijk van den nitgesproken lijlsdwanu' afstand te doen.
;8. Lijfsdwang is niet toegelaten voor proceskosten.
Air. v. 24 N'nv. 1882, \V. n . ISi'i; I!.. dl. ('\XXII. S 1(1; v. n. II.. Æ)'. It., dl. XLVIII. |i. 26â30; ook vermeld ad art. 55 li. li. /.ie ten lietnofje dat de/e nilspraak. allbans ten aanzien van vreemdelingen, minder juist is, Mr, .1. Romracii in W, n0. quot;iHiO; idem in handelszaken liij arrest 1'. II. v. Limlinrj;;, v. 2 Maart 1S57. \V. n0. ISICi; cf. Arr.-U. Arnhem, v. 12 Fehr. '1855, VV. n0. 1(142, ook vermeld sul) artt. 580 en 590 li. R.. idem Ari'.-U. Maastricbl, v. :!() Oct. 1845, li. 1!.. jü. 1840, p. 510â514. Anders dan bet ancsl van den Ibiogen Kaad. vnimis Hol v. Justitie Suriname, v. liO Dee. 1881, \V. n . Verg', aant. 18. /ie
ook omtrent deze vraag. Mr. Bicmon van I.Isski.moniik. in zijn liieronder vermeld proefschrift, p. 218, noot.
-1. Voor eene vordering wegens berg- ot hulploon ten laste van een vreemdeling, die geene vaste woonplaats binnen dit blijk heeft, kan noch op grond van art. 585, nu. 10, noch op grond van art. 580. n0. 4 B. li. het middel van lijfsdwang verleend worden, vermits zoodanige vordering niet kan gezegd worden te zijn eene schuld, door een vreemdeling ten be,hoeve van. Nederlanders aaugegaan, noch ook hij de wet met een contract van zeehandel gelijk gesteld te zijn, terwijl er overigens voor dat geval bij geene wet uitdrukkelijk lijfsdwang is toegelaten.
f'. II. v. /eeland. v. K! UH. 1840, U., dl. XI. S lil; li. I!.. ,|g. I8/1O. dl. VUL j». (M9. â Cf. art. quot;» W. v. K.. mresl vmii I P. II. v./.-Il(»ll-.in(l, v. 17 Jan. IS-VJ.
S. Ook de kantonrechter is bevoegd, den lijfsdwang tegen een gedaagde uit te spreken, wanneer die is inhaerent aan de vordering, welke aan zijne kennisneming en beslissing is onderworpen.
I 107
Art. 585.)
Ait.-H. Snoek, v. (gt; Jan. '1841, R. I!., jg. 1845, dl. VII. p. 608 en (Kilt; I te; 11 in SnJrrl.. ill. HI, p. 15 en Ki (vernietigende een vonnis van '1 Ivtquot;. Leinmer, v. 9 Sept. 1840, lici/t m Ncdrrl., dl. 11, p. 391); idem Ktff. tlldenzaal. v. '20 .Tidi 1844. W. ii0. 5ifl; idem (.)UDEMAN', 4de ed.. dl. I, p. 1quot;)1 s(|.: v. li. KemI', Oiihr., p. 173 (gt;n '174, 3de dcid; p. 351 en l.ii'MAN, B. It., p. '259, welke laatste doet opmerken, dat de wetgever alleen de len.-vitviicr-lrf/rihiij van den lijfsdwang, gelijk van alle andere vonnissen, aan den kantonrecliter heeft (intlionden.
lt;». Ken veldwachter, die, zonder het bestaan van een rechterlijk vonnis, eene ontruiming ten uitvoer legt, pleegt eene onrechtmatige daad in den zin van art. öS.j, nn. 8 B li.., met dat gevolg, dat de lijfsdwang afhankelijk is van het bedrag der uit te wijzen schadevergoeding.
Ktg. Alplien, v. 9 ,111ni 1841, W. n . 190. â Cl', art. 1401 li. VV., vonnis van hetzelfde Ktg. van denzelfden datum, snli nü. 9; 2de ed.. p. 27. waar almsievelijk liet vonnis als afkomstig van het kantongerecht van (Idiula is aangehaald.
S. Lijfsdwang maakt minder een gedeelte van de veroordeeling nit, maar stelt veeleer het middel daar, om de uitvoering daarvan te verzekeren.
P. 11. v. Gelderland, v. 27 April 1842, R. 11., jg. 1842, dl. IV. p. 504 â506; idem hniilicite. bij vonnis van 't Ktg. Oldenzaal, v. 20 .Tnnii844, W. n0. 510 en bij van men Kkmp, Outir.. p. 174, 3de drnk p. 351 sq.
S. Onder de woorden misdrijf of onrechtmatige daad in art. 585, n0. 8 B. R. zijn alleen begrepen de delicten of quasi-delicten, kunnende mitsdien ter zake van de niet-nakoming eener burgerlijke overeenkomst, ook dan wanneer de schade /' 150 mocht te boven gaan, de lijfsdwang niet worden verleend.
Arr.-R. Amsterdam, v. li Mei 1842. 1!. !gt;., jg. 1843, dl. V, p. 854 en 855, alwaar liet gold eene vordering tot schadevergoeding Ier zake van de niet-nitlevering van graan, ingesteld tegen eene niet-commerciële vennootschap van molenaars voor het bemalen van graan; â idem v. -18 Juli 1843, R. B., jg. 1844, dl. VI. p. 85â87 (waarbij is beslist, dat hetgeen de aanbestede!' ten gevolge der wanpraestntie voor het maken of op nieuw bearbeiden van het, aanbestede moet betalen hoven don aanbesteden prijs, van den oorspronkelijke!! aannemer niet terug gevorderd kan worden dooi- middel van lijfsdwang, indien die som f '150 te boven ga-at) idem (ten aanzien van de niet-nakoming eener overeenkomst van liuur en verbuur) hij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 9 Sept. 1844, R. 1!.. jg. 1844, dl. VI. p. 721â724 en bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Dec.
I I IIS
{Art. 585.
1873, W. ii0. ;{(j83. Hetzelfde lieginsel wordt gelmldigd liij vonnis Ari'.-R. Aiuliem, v. 31 Jan. 1878, W. n0. 4277; idem wegens sclmdeveigoeding ter zake van de niet-afgifte van eenen titel, als zijnde niet liet gevolg van eeno onrechtmatige daad in den zin van art, 585, nquot;. 8 11. R.. bij vonnis van de Ari'.-R. 's llage, v. 'i Jan. 18iü, \V. nquot;. ()74; idem (ten aanzien eener burgerlijke overeenkomst van lastgeving) bij vonnis van de Air.-lt. I trecbt, v. 17 .Mei 1850. W. n0. 11'f2; idem bij arrest van I P. II, v. N.-Holland, v. 17 .Inni â¢1847, VV. n0. !»3/i; 1!. 1!.. ,jg. 1848, dl. |i. 1 â14 en bij vnimis der Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Juni '1854, li. B., jg. 1854. p. 4-80â488, waarbij, mede als een gevolg der stelling, dat i rider de woorden misih'ij/ nj unt'i.'c/iIukithj'' do,ud in art. ;)8;), n0. 8 B, R. jlleen zijn begrepen de delicten ol'lt;[iiasi-(lelicten, is beslist, dal, bij lt;i|dief(mg van een onwettiglijk gelegd arrest en veroordeeling te dier zake tot scbadevergoeding nit kracbte van art. 478 j0. art. 47(i lgt;. li., de lijfsdwang niet kan worden toegewezen; idem (alwaar het gold de opheffing van een arrest onder derden) bij arrest van hetzelfde 1'. 11. v. 23 Dec. 1847, \V. n0. 933 (te dien aanzien vernietigende het in een tegenover-gestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 April 184(1. \V. ii0. 737); â idem vonnis Arr.-R. Nijmegen, v. 3 Juni 48()2, \V. nquot;. 2402 en arrest 1'. II. v. I trecht, v. ö Sept. 1S7Igt;. R. B., jg. 1872. p. lil: â anders echter (en volgens Léon onjuist) bij vonnis der Arr-R. quot;s Bosch, v. 5 Mei 1844, VV. n°, 551, waarbij is beslist, dat ter zake van een uit krachte van art. 450 B. R. ingesteld verzet tegen een beslag voor verschuldigde hiuirpenningen, welke in rechten ongegrond is bevonden, de lijfsdwang kan en behoort te worden uitgesproken, indien de schade de, /' 150 te boven gaat. /.ie ook arrest Mof Leeuwarden, v. 20 Jan.'1879, W. ii0. 4338, waarbij de lijfsdwang wordt uitgesproken ter zake van schadevergoeding tengevolge van wanpraestatie in eene koopovereenkomst, welke beslissing bestreden wordt in \Vr. n0. 4340, door Mr. II. J. van Lieu, â Cf. art, 585, vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Jan. 1854. sidi n0. 12, en art. 1401 B. W. aant, 2 en 3.
fgt;. De conducteur eener onrlerneming van algemeene postwagendienst, is ten behoeve van de onderneming niet bij lijfsdwang aansprakelijk voor onder hem vermiste en niet opgeleverde gelden of goederen aan zijne bewaring toevertrouwd, als spruitende de vordering voort uit de verplichting, welke hij als verhuurder van zijnen dienst als conducteur en bewaarnemer jegens de ondernemers had op zich genomen en als zijnde die geenszins gegrond op een misdrijf of eene onrechtmatige daad.
non
Arr.-R. Utrecht, v. 5 Juli 1842. li. B.. jg. 1842. dl. IV. p. 752 (1).
I ] Zou hier niet kunnen gcaeht worden dezclfile ratio Ifjis auuwezig te zijn als in het geval, voorzien bij art. 1740 15, W.f
I O. De voogd is tot de uitkeering vim het goed slot '/i jner rekening niet bij lijfsdwang gehouden, indien de rechter van oordeel is, dat daartoe geene termen bestaan.
Ait.-R. (ïiii'inchcin. v. 22 ' 'rI ISiti, \\ . n . â¢gt;.gt;/; amlrrs I'M \nl^oiigt;
I.kon zeer ü; recht, ....... iln nidactie van 'l \V. at, supi'a; UK 1'lNTO, B.
dl. II, '2, |i. (Vil, 2(1 e cd., p. 704 en 7iCi oa lt;)iini;MAN, Jl. /('.. lt;11. 11. Ide cd., |». 200 sq.
£ I Het wederrechtelijk wegnemen eener waterloozing is zoodanige onrechtmatige daad, als bij art. 585, nquot;. 8 15. li. is bedoeld.
Arr.-I!. Aiiisterduin. v. 17 Nov. IS/i7. li. Igt;., j.u'. I^'i8, dl. X. p. 22 on 23.
13. De niet-betaling van bet gekochte levert geene onrechtmatige daad o|) in den zin van de art. 1401 l'gt; \\ . en 585, nquot;. 8 B. R.
Ari'.-lv. Ainstcrdani. v. 12 .lan. 1854. li. 1!.. jfr. ISigt;'i. j'. 153- i5.gt;. â Cl. act. 585 I!, li., vonnis van de Arr.-li. Anistcrdam, v. li Mei 1842 sfjq.. sub 11°. S.
13 l/ijfsdwang, zijnde een middel van executie op den persoon, kan uit dien hoofde niet tegen een zedelijk lichaam {in ca.ia de weeskamer qua talis) worden toegepast, te minder, omdat de leden in den regel niet in hun privé aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van het zedelijk lichaam.
Raad van Justitie Batavia, v. 3(1 .Inni l8.Vk VV. n'. ItiOl; cf. aant. 15.
IJ. Uit het voorschrift van art. 585, n0. 10 Pgt;. R. volgens hetwelk lijfsdwang tegen vreemdelingen alleen plaats heeft voor schulden, ten behoeve van Nederlanders aangegaan, volgt dat voor schulden, door hen aangegaan ten behoeve van vreemdelingen en derhalve door deze laatsten als schuldeischers, de owrlye rc.chUmlddeleu hier te lande evenzeer kunnen aangewend worden, als flit door Nederlanders kon geschieden
I'. II. v. /.-Ilnlland. v. 20 Sept. ISfw. \V. ir. 1805. Vgl. nok art. 127 I!. li. n0. I.
IS. De algemeene conunissie van likwidatie der zaken van de voormalige wees- en momboirkamers, welke niet als een zedelijk lichaam is te beschouwen, is, bij lijfsdwang harer individueele leden, aansprakelijk en gehouden tot het doen van rekening en uitkeering van het saldo.
1'. 11. v. Z.-lliilhmil. v. '21 I'Vlir. ISPi'J, \V. liquot;. '2049, bovestigcnde Arr.-R. 's (Ji-avcnliiigc, v. 8 Scpl. IS.quot;)7, W. 11°. 20'iU; idom ten aau/.inn' van de al- en overjiüle van het saldo, arrest van voorni. Hof v. '28 Juni |Sr.8, \V. n°. 'IDIIO. in zoover veniietigende, vonnis Ai'r.-K. 'sllage, v. '21 Nov. 180(1. \\'. n0. l'Ji'2; idem arrest van voorin. Iluf v. 10 A|iril 18(55, VV. n0. '2(i87: cf. aant. 13.
Ilt;*. Krach tens art. 585, nquot;. !) li. R. kan lijfsdwang uiel worden toegepast tegen den vader, die niet als voogd, maar als bewindvoerder, tot rekening en verantwoording wordt geroepen
Air.-U. Uoennond. v. '27 Oct. I8rgt;!l, W. n0. '2188.
19. Wanneer in eene procedure tegen eene maatschappij lijfsdwang is gevraagd /.onder opgave van den persoon, tegen wien die gevorderd wordt, kan de rechter dit verzuim niet aanvullen, en alzoo den lijfsdwang niet uitspreken.
Arr.-R. Anisterdani. v. '23 Jnni I8()'i., VV. n0. quot;2(i|.'gt;.
18. Hoe algemeen art. 585, n0. 10 I?. R. lijfsdwang moge toelaten tegen alle vreemdelingen, die geene vaste woonplaats binnen het Koninkrijk hebben, voor alle schulden zonder uitzondering, ten behoeve van Nederlanders aangegaan, kan toch die bepaling niet gelden voor de proces-kosten, waarin een vreemdeling ten behoeve van een Nederlander veroordeeld wordt
Arr.-K. Maastricht, v. '20 Jnni 1865, W. n0. :U(gt;7, idem 1'. II. v. (Werijsel, v. 11 Juni 18(1(1 liij Mr. 'hoiiTZVKi.u, ut supra p. 0i, anders Mr. S. .1. ('oiikn in l'ln'm is, '2de verz. dl. XIII, lilz. 700 sqq.. ilio betoogt dat hetzij men de betaling der proceskosten schadevergoeding noeine tengevolge van eene onrechtmatige daad, en dus eene verbintenis, die uit kracht der wet tengevolge van 's nienschen toedoen ontstaan, hetzij da( men die proceskosten betalen moet tengevolge van een judicieel contract, doordien men de beslissing des rechters over een of ander gesehil|iunt van burgerlijk recht inroept, altijd zullen die kosten, tot de betaling waarvan de vreemdeling veroordeeld wordt, wel onder de henaming van schuldoi tea behoeve van Nederlanders aangegaan moeten gerangschikt worden ; het is toch niet aan twijfel onderhevig dat onder schulden in dit artikel ook verbintenissen begrepen zijn, die zonder 's menscheu toestemming zijn ontstaan. Zie in denzelfden zin Mr. W. C. Mkks, in zijn subhocart. vernield proefschrift, pag. '2:! sqq. en Mr. O. J. A. BlCIION van USSEI-moniik. in zijn mede hieroii'ler vermeld proeischrif(. p. I/d sr|. Vgl. aant.
|?gt;, Waar alleen verzuimm maar geene onrechtmatige handelingen.
JP tT â nCAtP 7-a ^
s^C-O* fl . ^ -9 , lt;Tn 1-7 T ' lt;*â n^t-ST.
/
1112
1 rc n-j£. t-a al~ â¢^-, -7s zseyi^ts~r -) |
c lt;, 7^-?Lo ^ ?-r|
worden te laste gelegd, kan geen sprake zijn van toepasselijkheid van art. 585, n0. 8 15. R.
Arr.-R. (iorinclieiu, v. i Dec. 18011, W. n0. '2914. cf. KUr. Leeuwarden, v. 2S Juni 1809, W. n0. .1138.
20. De al dan niet toepasselijkheid van den lijfsdwang, als zijnde een punt van materieel recht, moet beoordeeld worden naar hetzelfde recht als de schuld, waarvoor dit middel van executie zou plaats hehben.
P. 11. v. Gelderland, v. 15 Dec. '1869, W. nquot;. 3178, in zoover vernietigende vonnis Air.-U. Tiel, v. li Mei 1869, W. n'. I{15(i; verg. Arr.-R. Breda, v. i(i l'elir. 1875. aangeliaald suli art. 588 B. R.
In auderi'ii zin. Air.-li. Arnliem, v. 15 Oct 18S;{. \\'. n0' 195(1; Hol 's Bosch, v. (') Juni 187(1, R. I!.. jg. 1878, |). 29, W. iiquot;. 1173.
'I I De vervulling van een poenaal beding, aangegaan tot meerdere zekerheid der uitvoering van het tusschen partijen gesloten bodemerij-contract, als geldende de uitvoering van een contract van zeehandel, kan door lijfsdwang verzekerd worden.
Arr.-R. Winsclioten, v. 1(1 Maart 1870, VV. n . 3'i'iS.
«3. W anneer bepaald is dat de kooppenningen in handen van den verkooper of diens gemachtigde ten kantore van den notaris moeten worden voldaan, is art. 585, 7°. niet van toepassing, bij de opvordering dier gelden van den notaris, die ze als gewoon gemachtigde heett ontvangen.
Arr.-R. Arnliem. v. 5 Jan. 1874, W. n°. 3093.
Lijfsdwang kan niet worden uitgesproken (met name niet op grond van nquot;. 8 van dit artikel) wegens aan de revindicatie toegevoegde vordering tot vergoeding der schade, door den houder van onroerend goed aan den eigenaar toegebracht, tengevolge van het blijven bezitten na geëindigden huurtijd.
P. II. v. Gelderland, v. 20 Mei 1875, \V. n0. 3897.
lt;84 Lijfsdwang wegens vergoeding van kosten, schaden en interessen kan niet worden uitgesproken, vóór dat door de vereffening bewezen is, dat het verschuldigde bedrag de som van /' 150 te boven gaat.
P. II. v. Liinlnng, v. 7 Juni 1875, W. n0. 3871.
{Art. 558.
lt;S»i. Zie te» hetooge :
a, Dat de niet-toepassing van den lijfsdwang een individueel recht betreft, waaromtrent, bij afstand of berusting dienaangaande, geene aanvulling door den realiter ambtshalve kan plaats hebben â
artt. 48. su'gt; u0. 28. 588 sub n0. '1 en 590, sub u0. - B. U., vonnis van de Arr.-R. Ainsterdain. v. 18 Juli 1843. â Vgl. in verbaml hiermede, ten beton^'i!, dat ook in die gevallen waarin de wet den lijfsdwang veroorlooft, de rechter idtfa petila zou oordeelen indien hij den lijfsdwang uitsprak, waartoe door partij niet was geconcludeerd â de Pinto, D. II . dl. II. 1. |i. 471. 2de ed.. p. 521 en Oudkman, B. I!.. dl. 11, 4de ed.. p. 208.
Ij. Dat het vragen van lijfsdwang bij conclusie ter rolle, ofschoon die niet bij de dagvaarding was gevorderd, geene vermeerdering, maar wel eene wijziging van de ingestelde vordering is â
art. 134 1!. R.. arrest van I P. II. v. Zeeland, v. 23 Api-il '1850 sqq.
c Dat onder de personen, vermeld in art 585, nquot; 7 B li. ook de procureurs zijn begrepen â
(â¢uiieman. /gt;. //.. dl. II. 4de od.. p. 202. en v. n. Uonkkt. p. 573, volgens wien de/.e bepaling 0(d\ op de advocaten /iet; â anders, watdit laatste betreft, bij Vkuxkhe ad art.
d. Dat een amanuensis en rentmeester, aan wien door de beheerders van een quot;esticht bij instructie werkzaamheden zijn opgedragen, noch taal- noch rechtskundig te beschouwen is als beheerder vallende in de termen van art 585, nn. 9 â
P. 11. v. Gelderland, v. 15 Nov.'1848 bij Mr. Hkrtzvei.d, ut supra, lilz. 59.
e. Dat de bepaling van art. 585, n0. 10 15 R, (overeenkomstig den regel; «nemo plm juris Iransferre potest quaw. ipse habet) alleen toepasselijk is op de schulden, die oorspronkelijk ten behoeve van een Nederlander zijn aangegaan, doch niet op die welke door een vreemdeling aan een Nederlander zijn afgestaan â
de I'into, U. I\.. dl. II. 2, p. 042, 2de ed., p. 700; Oudeman, /gt;'. dl. II 4de ed.. p. 201. â Cf. v. d. IIonert, p. 575.
- Ten aanzien van het recht verstand van hetgeen in een rechtskundigen zin eene onrechtmatige daad oplevert, is zeer belangrijk een arrest v. 18 Febr. 1853. I!.. dl. XI.IV. § 18, waarbij is beslist dat eene daad kan zijn rechtmatig en geoorloofd en niettemin de dader verantwoordelijk, en tot schadevergoeding
1113
Art 585 )
voi'iilicht kan /ijn. waiinnor liij daarljij oiivnurziclitolijk lirell geliamlcld. ziniiiat ocn anilitiMiaar. met, lict (iiispdi't'ii ili'r iiiisdiijvon lielast, ru als /niidaiiig dc rnchlinatigo daad van ii|iii]aUing van innces-vurhaal uitncfoiiendc. iiietloniin Icrfchl tot .scluidevergoediiif; vei wezeu wurdt, indien hij dooi' oniiaiiwkenriiic opgaven in dat stuk oiivou)quot;'iclitclijk de aanleidende oorzaak is van de onrcclit-matige aanliouditig on gevankelijke wegvoering van een persoon.
Verg. over deze afdecling Mr. VV. ('. -Mi;igt;, in zijne dissertatie, (Leiden ISlt;Sl) «de gevallen, waarin volgens liet Wetboek van Hnrg. Ueelitsv., lijfsdwang kan worden toegepast».
Mr. M. C. ('. Melciictis in het snh art. 127 I!, li. nquot;. I, vermijd proelsehrift hlz. Ili3 si|q., alwaar ii]i p. Kill sq. wonlen opgenocnnl de verselnllende Staten, waar de lijfsdwang in ciirililgt;i(s is afgtvschaft.
Zie over ile vraag of hot hohond van den lijfsdwang al of nii't wenschelijk is, het praeadvies van Mr. Lew in de Ned. J nr.-Ver. en de daarover gevoerde discussie, //'//., 1874, dl. I. ji. ;!4, dl. II. p. 17 sqq.
Zie over do wenschelijklieid van het helioud van liet middel van lijfsdwang in ji'fc consliliiciidii, Ojnn. ch Mcd., dl. XV, hlz. I'.K! t22'!, alwaar echter wordt voorgesteld vermindering van en wijziging in de gevallen, waarin ze kan toegepast worden; alsmede dat de rechter niet gedwongen moet zijn don lijfsdwang nit te spreken, maar dal dit facultatief moet worden gelaten.
Zie over do hardheid, welke gelegen is in den dnnr van den lijfsdwang en de wijze, waarop hij wordt uitgeoelënd, een artikel van .Mr. .1. ['otti.i; van Loon in W. n0. I(lü.-).
â Zie over lijfsdwang een opstel van d. 1'. in \V. n0. ;t7rgt;8, heantwoord door Mr. .1. A. Lew in \V. n0. 070',) en de dissertatie van den heer C. .1. A. Bichon van I.Isselmonde, quot;Do afscliafliiig van den lijfsdwangquot; (Utrecht, 1885), alwaar de lotgevallen van den lijfsdwang ook in andere landen worden medegedeeld.
Arl. 586.
I. Waar nog niet eene veroorfleeling veel min eene l)i| lijfsdwang is uitgesproken, kan geene sprake zijn van verkeerde toepassing van art. 586 B. li.
Air. v. 18 Mei 1872. W. n0. IMlW; li., dl. CL S 5; v. \gt;. II., II. II.. dl. XXXVIL p. Li:!âIW.
lt;5. De aclttereenvülgende vennelrling van kooplieden, bankiers, kassiers en makelaars in art !â W. v. K. toont, ook met het oog op de artL 62, 64, 6ii en 77 VV. v. K., aan, dat liet woord quot;koopliedenquot; in art. 586, n0. J, B. R. in een ruimen zin moet worden opgevat en alzoo mede op bankiers, kassiers en makelaars moet worden toepasselijk geacht.
I III
Ait.-I». Aiiistcriliiin. v. 7 Juni 1842. II. li., j?. 1842, lt;11. IV, p. («S *-
(IK); li., ill. XIV, ^ 7(1. Cf. len bctoojro, ilal onn makükiur, oon oidor-1,1 Hot leekeilende, met vwiiiclilinji van genotune waarde /.onder verdere solinldiiiirzaaU. gearlit nmel worden hel ter zake van zijn l)eroe|) te hebben geleekcnd en Ijij mitsdien bij wanbetaling aan den lijfsdwang is ondei'Wor|ien - arl. ti.quot;gt; W. v. K.. vonnis van dezelfde Arr.-U. van den-zelfden datinn, snb n0. I en art. .VSG li. K.. vonnis van de Arr.-lt. Assen,
v. :ii Mei -IS47. sub n0. 4.
li |)e lijfsdwang kan worden gevorderd en uitgesproken tegen een k(io]imnn, die met zijne echtgenoot eene acceptatie heeft onderteekend
Arr.-li. Aiiislordain, v. IS Juli 1.S4:!. U. li., jg. 1841,dl. VI, \gt;. «$â85.
I. liet is niet genoeg dat men koopman zij en een orderhillfl geteekend hebhe, om aan lijfsdwang onderworpen te zijn, indien de oorzaak, in het billet uitgedrukt, aan den handel van den ondergetee kende (zijnde li/ casu een aardappel-geneverstoker of brander, terwijl,
naar luid van bet orderbillet, de waarde in houtwaren is geleverd)
\ reemd is.
Arr.-li. Assen. v. ill Mei ISi7, W. nquot;. '.m. II. 1$.. .jg. 1849, dl. XI.
p. 121) en 127. -⢠t'f. art. öSti II. li., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam,
v. 7 .Inni sul» 11 .
. Ken orderbriefje, door een koopman onderteekend, luidende.
-waarde in contanten ontvangeir moet geacht worden voor zijn handel te zijn aangegaan, zoodat die woorden niet kunnen gezegd worden eene andere oorzaak dan handelsschuld uit te drukken.
Arr.-U. Amsterdam, v. HI Aug. IS47, II. li . jg- 1847, dl. IX. p. 72S. â
Vgl. hiermede ten betooge, dat de scliuldenaar mag bewijzen, dat er
eene ririflc sclmld.....zaak bestaat en dat bij door dat bewijs van den
lijfsdwang wordt ontslagen nK. Pinto, dl. II. 2 p. Uil. 'ideed.. p.70Ss(i.
en UruEMAN, B. I!.. dl. II, 1de ed.. p. 2(«; anders: Arr.-U. Leiden, v,
2 Mei 1854, \V. n0. 1512, li.. lt;11. I.. S 'â¢';i: Ri' Anisterdain, v.
7 .Inni 1842. snb 12 aangebaaldy 'S ^
4* De liifsdwanir, gevorderd wegens handelsschulden, kan niet worden betwist, op grond, dat de persoon, tegen wien de lijfsdwang wordt gevraagd, beeft opgehouden koopman of koopvrouw te zijn.
Arr.-U. (iorineliem, v. 28 Oct. 1848, W. ii0. 1043; U. B., jg'. 1849, â M.'éySÃ. lt;11. XI. p. .Mid; idem Ktg. quot;s Uravenliage. v. April 1853, NV. nc. 1473, ^ ^ bevestigd bij vonnis der Arr.-R. s Gravenbage, v. 14 Nov. 1853, W.
n0. I 4SS; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 7 (let. ISC,3, W. n0.2547 ; Arr.-U. ,
/-'af t 'f-n ^ -quot;Z.
///â *cv*féy
Uh f '
Art. 586.) 111« quot;J* '
$L.h*ffv~£*'quot;*' Amheni. v. 27 .Maart 4J®5, W. n0. '2692; idem Mr. W. C. Mees in liet , , suli art. 585 II. It. aangehaald proefschrift, bl. 31 sqq.; en Mi'. Bichon van IJsselmonde in zijn mede sub art. 585 B. R. vermeld proefschrift, p. 2(17.
Anders Mr. F. A. T. Weve, als pi.-kantonrechter, zie vonnis Ktgr, 's Gravenhage, v. 8 Sept. 1856, W. ii0. 1793 en als schrijver in Themis. jg. 1856. p. 283 sqq. in hoofdzaak op grond dut lijfsdwang alléén dan kan worden toegepast in de gevallen itit'h'ulilmlijlt bij de wet genoemd en men alleen door analogische uitbreiding van art. 580, 1° er toe kan komen, onder kooplieden ook (/ewzcn okooplieden te verstaan. Daarenboven merkt schrijver aan dat. hadde de wetgever ook (juwezvn kooplieden bedoeld, hij het artikel zou hebben doen luiden: «ter zake van handelsschulden, door een koopman aangegaan». In denzelfden zin bepleitte . \ir Wevi; deze vraag als advocaat in de zaak voor de Arr.-R. s llage.
- ||iei.)|(,vell aangehaald: idem Ktg. Alphen, v. 24 Aug. 1804, VV. nquot;. 2015
5 /ïA-s-Wf, (kantonrechter Mr. A. A. Weve), R. B.. jg. 1805. p. 2«». Vgl. Inerniede a' in gelijken zin, ten aau/.ien van het alsnog in staat van faillissement P.y.'l: 7 ' luinnen stellen van hem die opgehouden heeft koopman te zijn. ter zake
van handelsschulden, aangegaan toen hij koopman was â een vonnis
der Arr.-R. beiden, v, 12 Maart 1843, sub art. 764, nquot;. 5, W. \. I\.. en de aldaar aangehaalde plaatsen.
S. Ten aanzien van den expediteur, die zich tevens belast met liet vervoer van brieven, is bij vermissing en opvordering van de waarde daarvan bij wege van schadevergoeding, met het oog op art. 86 en volg. W. v. K. en de verplichtingen van den expediteur aldaar omschreven en de bestaande wet op de posterijen, nrt. .)S6, n . 1, 1? 11. niet van toepassing, terwijl het hier ook niet geldt het geval hij art. 585, nquot;. 8 bedoeld.
Arr.-R. Utrecht, v. 17 Mei 1850, W. n0. 1142. â Cf. art. 585 1!. R., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. .» .luli 1842, sub n . 9.
8. De bloote te kennengeving in de introductieve dagvaarding van een rechtgeding en in sommige ex])loiten, dat eene vrouw zou zijn handelsvrouw, levert daarvoor geen bewijs op, als behoorende de te kennengeving van het beroep van een gedaagde of geëxploiteerde niet tot liet onderwerp van akten van exploit.
Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni I8.)2. W. nc. 1351.
*gt;. Wanneer lijfsdwang gevorderd is, voor zooverre de schade /l-)0 te boven gaat, en dus blijkbaar krachtens art, o85, 8n H. II en de rechter beslist, dat hij krachtens art. 586, 1° als tegen kooplieden behoort te worden uitgesproken, moet hij nochtans slechts verleend
Sl^uL ^cj2JijL. lt;_£}. Atr£~ é?J3-*~jzâS~' tnj^ OJP a_^-^t-^OT,^ y
2^rf- xe_^. yosL, ^vTw y*sy^.
n . s, â ^1117 , ^ [Art. 5Sfi
t-t ftj^orQJ^Q^h?^* '. ⢠v\~ * £gt; ^A/crs* t£gt; a S amp;'â '^' y^'d^Kp f c
worden, voor zooverre de schade f 150 te. haren gaaf, daar anders meer zou worden toegewezen dan gevraagd werd.
Air.-R. Anistoriliini. v. 1quot;) Nov, 185quot;), li. 1!.. jo-, i85(i, dl. \ 1. |i. (Mâ0(gt;,
141 Hij die zich tegenov er derden als koopman voor eigen rekening handeldrijvende gedraagt, kan ter ontkoming aan den lijfsdwang,
geen beroep doen op gemis van patent of op de bewering dat hij slechts tot bijstand van zijne vrouw handelt.
Arr.-R. Arnhem, v. 12 Febr. 1855, W. n0. '1(U2, ook vermeld snli art.
585 15. 1!.. 11°. :!.
I I. Wanneer een orderbriefje gehouden moet worden geteekend te zijn voor en namens eene firma, en ten dienste van den handel dier lirma zijn alle hare leden bij lijfsdwang verbonden.
Ktg. Alphen, v. !l .Inn. 185(1. \\ . n0. ITliS.
1 'i. Er bestaat geen grond om den lijfsdwang toe te passen, welke door den eischer is gevraagd tegen een smid, die slechts voorwerpen hem niet toebehoorende, herstelt of verwerkt.
Ktg. Dordrecht, v. 12 Febr. I85lt;'), W. n0. 1734.
13, Li jfsdwang kan niet worden toegewezen, wanneer wel de eischer voor den gedaagden koopman eene handelsschuld heeft betaald, maar de daarvoor door den gedaagde ten behoeve van den eischer gcteekende schuldbekentenis, waaruit de tegenwoordige vordering tot betaling voortspruit, niet betreft eene handelsschuld tusschen den eischer en den gedaagde, in luinne betrekking van kooplieden, ter zake van hunnen handel als zoodanig.
Ktr;. n0. IV, Amsterdam, v. 9 .Inni â 1857. R. Pgt;.. ju'. 1857. dl. VII. bl. 429â431.
l-i. liet woord contract in art. 580, nn. 4 li. 1!,. heelt de hetce-kenis van verbintenis, ook die ex lege.
P. II. v. Z.-Holland. v. 4 Juni 1860, W. n0, 2200. Anders Arr.-R. Leeuwarden, v. 29 .Inni 1875, W. nquot;. 3983, on K. in \V. n0. 2212.
I .V Lijfsdwang heeft niet plaats tegen personen, geen kooplieden zijnde, die orderbriefjes hebben geteekend, wanneer niet blijkt uit het orderbillet zelf of van elders, dat zij zich ter zake van koophandel hebben verbonden.
rU. cn^C-'x f-*- nrZST-Cquot; ---- , quot; n ^-
/. o _____ AxZ. S'lPb rfis. . âgt; ^7quot; ^ T a
r---- ' --J L
/r/ A»lt;?-gt;'./3/2. . C*/gt;-gt;Z^
/'quot;ia.
7 ts-cy :
Ad. 58«) llls
Ktjr. 's Gravenliafre, v. '28 Ault;j. 'ISCm. W. 11°. 'iT.V.I- cf. Air.-U. Assen, v. Tl Fe,l)r. 1805. W. m0. 2773; lii.i vonnis der Arr.-R. Deventer, (id. !i .Ian ISOquot;). R. li., jfi. 1805, p. 117 is Oeslist dat geen lijfsdwang tegen
den gedaagde kan worden uitgesproken, wam...... liet den rechter ook
anilitslialve Wijkt dat de lastliel)l)er, lt;lie voor gedaagde een accept I.....ft
afgegeven, daarin zonder tnachlin'tiiu lieeft geplaatst de ......-den : «waarde
ten dienste van mijn handel genoten)).
14» Waar de liandeling in geschil door de partij is verricht in zijn hoedanigheid van deelgenoot in eene handeling voor gerneene rekening kan niet recht de toepassing van den lijfsdwang worden gevraagd.
|'. II. v. Gelderland, v. 14 .Inni -IS05. II. H.. jg. '1800, p. 'MA.
I?. Voor het toepassen van lijfsdwang is het niet voldoende dal des eischers handeling is eene daad van koophandel, maar behoort het, te blijken dat de gedaagde een daad van koophandel heeft vernclil, als hoedanig niet is aan te merken liet koopen van scheepstmgage.
Arr.-R. Assen. v. T Kelir. 1805. I!. I!.. jg. ISOO. p. VXlt;.
1!^, De landbouwer, die een orderbillet heeft geteekend, waarin staat «waarde in contanten ten dienste van mijnm handd ontvangen kan viel krachtens art. 586, 3quot; K. bij lijfsdwang veroordeeld worden.
1'. II. v. Drente, v. '20 Mei 1800. W. ii0. 2828. It. I!.. jg. 1807. p. 257. Het Hof overwoog dat «ter zake van mijn handel» in het rdgemeen (en zoo ter zake van een landbouwer) niet gelijk staat met «ter zake van mijn /.â oo/)handel.., en dat daarenboven uit hovengemelde woorden met blijkt dat de oorzaak van verhintenis in eene daad van koophandel is
gelegen. , ,
' Verg. P. II. v. Drente, v. 10 (9) Mei 1800. W. no.2802. R. H., .ig.18()/. p. 255, dat besliste dat waar dezelfde woorden «ter zake van mijn handelquot; zijn gebezigd, maar de onderteekenaar {in rcisu molenaar) een patent als koopman heeft, die uitdrukking, in verband met het nemen van patent geacht moet worden gelijke beteekenis te hebben als «ten dienste van mijn koophcniclel».
lïgt;. De borg voor den koopman, die geld heeft geleend, is als zoodanig niet bij lijfsdwang aansprakelijk.
Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Maart 1808. W, n0. 3015.
â¢lt;80. De man, die geen koopman is, kan niet op grond van de handelsverbintenis zijner vrouw bij lijfsdwang veroordeeld worden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Dec. 1870. W. n°.3285; ook dan niet wanneer
hij een accept beeft geteekend betrekkelijk eene handelsschuld zijner
{Art. rWJ
vi'niiw. met wit- liij in iiljielipfili1 ^'t'iiiianiiscli:i|i is irflmwd. Klj;'. Nijmegen, v. 24 Dec. -1X77, VV. n0. 4198, R. 1!.. jjr. ISS'J. A. |gt;. â 1(15: niiders vonnis Ktg. Dcinlreclit, Juli 'IS73. \\ . n0. '.MA'.'.
?l. De verplichting van den eenen vennoot tegenover den anderen
voortvloeiende uit de handelsvennootscliap en uit de aan eerstgenoem-
den hij overeenkomst opgedragen likwidatie, is te beschouwen als eene
haiuJAsxcliuld, waarop art. 580. al. 1 li R. toepasselijk is.
I'. II. v. N.-Holland, v l-etn'. 1S74. W. 11°. :i70r), i{. II.. Jg. 1S7.V II, lil/. .quot;gt;!. waartiij is licslist dal de verpliehting tol liet jieven van in/age der boeken is een li:iinleissrl11lid. anders Ai*r.-R. Anisterdam, v. I'i Dcc. â¢|S()4, \V. ii' . 'ilKiH, !!. I!. Ju1. -IXdr». p. ti24. waarbij werd beslist dal, de vorderingen welke vennooten over en weer jegens elkander mocli-(en lieblien. geene //'/gt;lt;'/e/N-scliiildvorderingen /.ijn.
«3. Het vonnis, waarhij een in een faillissement gehomologeerd accoord, wegens niet nakoming, wordt ontbonden verklaard en de gedaagde tot schadevergoeding ten beloope van de oorspronkelijke vordering, die eene handelsschuld betreft, wordt veroordeeld kan bij lijfsdwang worden uitvoerbaar verklaard.
Arr.-R. Rotterdam, 7 Febr. '18XH, VV. nquot;. 4X71).
*4 3. Zie ten betooge;
a. Dat in onze wet tegen de erfgenamen van den wisselschuldenaar
geen li jfsd waiig - verleend wordt â
Mr. I). Polak 1)aniï;i.s (te dien opzichte bestrijdende de dissertatie van Mr. H. M. van her Sandi-;) in Thrmix, jg'. XI (1X50). p. 320.
Dat ter toepassing van art. 568, nu. 3, B. li niet vereiseht wordt, dat het stuk zelf eene handelsverbintenis als schuldoorzaak vermelde, maar dat het voldoende is, dat de onderteekenaar zich ter zake van koophandel 'nebbe verbonden â
he Pinto, lldl. U. 11.. dl. II. 2, p. 045, (2de ed.. p. 709 sijq.)
«4. Zie omtrent de vraag:
a. Of de leden eener handcls-lirma, wanneer zij individueel voor hun privé acceptatiën hebben onderteekend, beschouwd kunnen worden als kooplieden te hebben gehandeld â
art. 2 W. v. K.. sub n0. X.
1119
/Ir/. 586 )
b. In lioe verre bestuurders van naamlooze vciiiiootscliappen, bij wesje van lijfsdwang kunnen worden gedwongen tot nakoming van de verbintenissen der vennootscliap jegens derden â
art. 45 W. v. K.. arrest van 't 1'. 11. v. N.-llulland. v. 17 .hm. IS.Ml s(|q., en ailiitr. uilsiir. v. '29 Dec. IS'iN.
VVW ^ ArL 587.
, L , 4. ' L C-----/O . ⢠⢠- -z'5'
De vorderingen, door den toezienden voogd ten behoeve van de ^ ',V'. ^ minderjarige kinderen van den vader en voogd ingesteld, tot het V ' ^ ' âpmalcen van boedelbeschrijving, hypotheek-stelling enz., vallen onder 2-quot;^-het bereik van art 587 B. R. en kan mitsdien te dier zake de lijfs-(jpyo, dwang niet worden uitgesproken.
yv-Ay- A it -R Amsterdam, v. C) .Tan 1847, W. n0. 847; U. 1'... Js. -1847. dl
IX. p. 541-547: Hegl en Wel, dl. II, V. 440-454: /gt; quot;V.m- dit artikel uit een oogpunt van zedelijklieid en recht, W. 110. 1987.
Art. 588
1. Wel is verboden bij art. 588 V. R. zich te onderwerpen aan een lijfsdwang, bij de wet niet vastgesteld, immers wordt daarbij de submissie van rechtswege nietig verklaard, doch dit is niet zoo zeer geschied, ten gevolge van art. 14 der Algem. Bep van wetgeving, maar deze exceptieve bepaling is gemaakt ten gunste der persoonlijke vrijheid, zelfs voor hem die lichtvaardig van die vrijheid zon afzien, doch nergens in de wet komt eene bepaling voor, inhoudende, dat de bij de wet voorgeschrevene, door eene partij in acht te nemen en door de wederpartij te vorderen formaliteiten, bij de uitvoering van een wettigen lijfsdwang, ook bij afstand van de vordering door de wederpartij, door den rechter zouden moeten worden aangevuld, daar waar de gegijzelde zich niet daarop beriep; verblijvende dan ook dit punt van rechten onder dc toepassing van den algemeen en regel: quot;dat een ieder afstand kan doen van een recht, te zijner gunste ingevoerdquot;.
Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juli 1843, R. T!., ,ig. 1843, dl. V. p. 577â 502: H., dl. XVII, § 103. â Cf. art. 48, sub n0. 28 en 500 I!. I!.. sul) n°. 2, vonnis van denzelfden datum sqq.
120
(Art. 5Ss.
3. XJit dit artikel volgt dat fie Nederlamlsche wetgever den lijfsdwang niet wilde beschouwd hebben als een geoorloofd onderwerp of als een gevolg eener contractueele verbintenis, maar als een middel van bedwang door de wet, uit hoofde van haren aard, aan zekere verbintenissen verbonden.
Arr.-fl. Breda, v. Ki Felir. 187rgt;, W. n0. 3857.
â¢â Zie ten betooge, dat. ook krijgslieden kunnen worden gegijzeld â iif.Pinto, dl. II. y. p. (gt;quot;gt;quot;). 2de od.. |i. Oltdf.man, dl. II. 4de ed., p. 212 on Vkrnede, ad artikel, die liet betwijfelt of tlians nog geldig is art. 03 der wet van 'lOJnli 1701 (Fobtuvn, dl. I. |gt;. 470) l)e|ialeiide. dat de niilitair in wei'kelijken dienst, tegen wien lijfsdwang is uitgesproken en die binnen twee maanden na die uitspraak aan zijne verplichtingen niet heeft voldaan, geacht wordt zijn ontslag uit den dienst te hebben genomen.
All. .ÃS9.
Onder de vonnissen, bedoeld in art. 589 B. R., zijn ook de uit-spraken van scheidslieden begrepen, die ook in de bij de wet bepaalde gevallen lijfsdwang kunnen uitspreken, zooals uit art. 653 blijkt;
OuriEMAN, 11. 77., dl. IF. 4de ed., p. 207.
Art. 590.
1. Een vonnis, waarbij de gedaagde tot het doen van rekening en verantwoording bij lijfsdwang is veroordeeld, kan voorloopig bij lijfsdwang, ook zonder het stellen van zekerheid, worden ten uitvoer gelegd, indien er wel van sommige dispositiën van zoodanig vonnis, doch niet van de veroordeeling bij lijfsdwang zelve tot het doen van rekening en verantwoording is geappelleerd geworden.
Arr,-R. Kindhoven, v. 13 Mei 1839, Itcyt iu Ncilcrl.. dl. II. p. 190â200.
2. Rij art. 590 R. R. wordt gevorderd het stellen van zekerheid, niet absoluut en zonder beperking, maar onder de mifs van dit. met andere woorden, van het aldaar bepaalde geval.
De woorden; quot;dit gevalquot; doelen â gelijk dit volgt uit de natuurlijke afscheiding met twee deelen van het artikel, volgens de gestelde
Mr. W. van Rossem Ba., Burg. Rechtsv. 71
Art 590.)
leesteekenen â niet bij tegenstelling op het geval van het aanwezig zijn van een vonnis, of uitvoerbaar bij voorraad, of niet uitvoerbaar bij voorraad, maar, bij tegenstelling, op het geval, 0/ van het aanwezig zijn van verzet, booger beroep of cassatie of van bet niet aanwezig zijn daarvan, gelijk dit nader wordt aangedrongen door de vergelijking met art. 2()()8 O. N., tot aanvulling van welk beginsel de tweede zinsnede van art. 590 schijnt daargesteld te zijn.
- , Hieruit volgt, dat iemand, die, veroordeeld zijnde bij een vonnis,
quot;f ' uitvoerbaar is verklaard bij lijfsdwang, mits stellende zekerheid,
ifeCcL zekerheidstelling niet heeft gevorderd en zich alzoo zonder inroeping
^ daarvan heeft laten gijzelen, gedurende de gijzeling met meer daarop yrvoux ' ' kan terugkomen en de nietigheid vorderen.
Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juli 1843, R. li., jg. 1843. dl. V. p. 577-ZeJieC 592; R., dl. XVII, § 103; â idem ten betooge, dat indien een vonnis,
. /eJr***- 'hij lijfsdwang bij verstek gewezen is executabel verklaard, niettegen-/ staande verzet of andere voorziening, maar alleen onder cautie, alsdan. 'jutAcéeOite*' /ool.ing de gedaagde en defaillant tegen dit vonnis niet is gekomen m verzet,^ noch in eenige andere voorziening, het gewezen vonnis, ook zonder het stellen van borgtocht of voldoende zekerheid, kan worden ten uitvoer gelegd â bij vonnis der Arr.-R. Hoorn, v. 4 Aug. 1843, R. B., jg. , , . , , dl V p 625â033; idem (mede in cas van lijfsdwang), bij vonnis der
Ai r -R. Arnhem, v. 3 April 1843. W. n0. 399 en v. 14 Febr. 1848, \\ . no 903. R h., jg. 1848, dl. X. 450-472; idem len betooge dat de , . trrlL ' woorden «in dit geval» alleen het geval bedoelen, wanneer de veroordeelde van verzet of hoogere voorziening heeft gebruik gemaakt, Jhr. Mr. ^ van Tevi.ingen, in T/icmis, 3de verz. 1875, p. 250 sqq; idem Oudeman.
, 4de ed., dl. II, blz. 208; idem het hieronder aangehaalde vonnis der Arr.-K.
, Arnhem, v. 12 Febr. 1855; âanders in de conclusie van Mr. c. II. li. Hoot
/ ⢠£-7*quot; (welke, hoewel in een tegenovergestelden zin, 1 leeft geleid tot bet vonnis
/ . der Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juli 1843). hoofdzakelijk op grond, dat
âOU V.....lis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande verzei
/. 9 âf appèl mits stellende cautie, waarvan alleen in art. 590 1!. R. kwestie
. . ..eT . . ⢠I i.....i...... 1.:: ...o.wt /,.11 viin /m» hillüquot;
. . / /r/of, iSi nooit en in geen geval uitvoerbaar bij voorraad zou zijn, zoo lang aan die waaronder de provisie werd toegestaan, niet is voldaan.
tl/.*'6 6 en die mits toch de conditie si/te lt;]ua /om zon zijn van de toegestane
⢠provisie, zoo als, wanneer een gedaagde veroordeeld is, mits de eisclier rfrft ^ /.were, vóói' dal de eischer den eed heeft afgelegd enz. \gl. onitrent
de (met deze kwestie in een nauw verband staande) vraag, of de rechter.
. Aquot;quot; _ / VJ »v »t - /
quot; die niet alleen in het cas van de artt. 152 en 153, maar ook van de -u'tt. 52 en 53 B. l i., zijn vonnis bij voorraad uitvoerbaar verklaart legen r(fi- het stellen van borgtocht of zekerheid, bij datzelfde vonnis gehouden is
1122
den termijn te bepalen voor het stellen en aannemen of betwisten van die zekerheid â art. OIO li. li., vonnis van 't Ktg. n0. I Ainsterdain.
A
â W
,AU^ ' v. 29 Uct. 1850 sqq.
f-ÃC-
{Art. 590
3. Wanneer het vonnis bij voorraad uitvoerbaar het stellen van zekerheid niet heeft bevolen, daar waar het behoort (en de rechter kan in cas van artt. 315 en van 590 B. R. daarvan geene vrijstelling verleenen) dan behoeft bij verandering van dat vonnis op het daartegen gericht verzet niet alle uitvoering worden tenietgedaan, wanneer niettemin zekerheid is gesteld.
Arr.-R. Arnhem, v. IFehr. '1855, li. li., jir. 18.quot;).quot;). dl. V, lilz. 4511. W. n0. 1642, ook vernield sub artt. 585 n0. 3 en 58(5 li. IJ.
-1. Omtrent den termijn van het stellen van zekerheid komt in de wet geen bepaald voorschrift voor. Daartoe behoort een redelijke termijn te worden vergund, voor liet geval het verzet of de hoogere voorziening plaats heeft.
Arr.-R. Arnhem, v. -12 Febr. '1855, R. 15., ,jg. 1855, dl. V. blz. 450, W. n0. '1642, ook vermeld sub artt. 585 eti 586 li. R., waarbij werd beslist dat het stellen van cautie binnen drie dagen na bet verklaarde en tenzelfden dage herhaalde verzet niet als te laat gedaan, kan worden beschouwd; ander» Mr. van Persvn, in .V. Bijdr., jg. 1855, dl. V, p. 339 sqq., volgens wien de. zekerheid dadelijk na het verzet of de hoogere voorziening moet g'esteld worden.
â¢Â». Wanneer de rechter bij uitvoerbaar-verklaring bij voorraad ontheft van de verplichting tot het stellen van den bij art. 5o 13. K, bedoelden borgtocht, dan volgt hieruit geenszins vrijstelling van den borgtocht, bij art. 590 B, R. bedoeld, welke laatste integendeel krachtens de wet zelve, altijd door den veroordeelde kan worden gevorderd vóór de tenuitvoerlegging van den lijfsdwang bij voorraad.
1*. II. v. /..-Holland, v. 2 Deo. 1857, VV. n0. 2040, nok vermeld snli art. 53 li. li. aant. 9.
Art. 591.
Zie ten betooge, dat in het geval van dit artikel liet ontslag, indien ⢠de schuldeischer het weigert, niet door den cipier op eigen gezag kan worden verleend, maar door den schuldenaar op de wijze, bij art. fill i'. ti omschreven, moet worden gevraagd â
Oudf.man. II. I!.. dl. II. 'ide ed., |i. 221 en v. n. lloNl'.liT, p. ;j83; â anders betrekkelijk bet ontslag na vijf jaren, ue I'into, B. li.,
dl. II. 2, p. 651, 2de ed., p. 715.
1123
Ar/.. 592.)
Art. 592.
I De gegijzelde heeft nimmer eeiie actie tegen den sclmldeischer tot betaling van de som tot onderhoud, in art. 592 B. R- bedoeld, met dat gevolg dat, bij volstrekt en erkend onvermogen van een gegijzelden schuldenaar, deze ook geene actie heeft tegen zijn schuul-eischer, om hem de onmisbare kleedinijstukken te verschaften.
Een gegijzelde, bewerende dat de cipier hem het noodige onderhoud (waaronder ook de onmisbare kleedingstukken schijnen te zijn begrepen) niet verschaft, kan legen hem te dier zake geene vordering in rechten instellen, maar moet zich tot bekoming van herstel aan die autoriteit adresseeren, die met de administratie van het huis van verzekering is belast, als zijnde het toezicht over de behandeling en het onderhoud der gegijzelden, alsmede de beoordeeling der klachten te dien aanzien, van een geheel administratieven en huishoudelijken aard (1).
Arr.-n. 'sllage, v. 8 Oct. -1839, W. n0. 59; Tl., dl. V. Sj 152. â Tn gelijken zin bij df. 1'into. dl. II. 2, p. 004, 2de ed.. p. 730 en Oudkman, 4de ed., dl. II. p. 207.
'i. Het ontslag uit de gijzeling moet volgens dit artikel gevraagd worden bij rekwest, en niet door middel van eene dagvaarding.
Ait.-R. Middelburg, v. 23 Oct. 1879, W. n0. 4517; I!. I!.. Jg 1882, A. j, -ie,7. _ Intusschen zag de rechtbank er geen bezwaar in om liet bij dagvaarding gevorderde ontslag toe te staan, vermits tegen de inwilliging van het verzoek geen bezwaar was ingebracht.
1124
â Rij Kon. besluit v. 11 Nov. 1843, n°. 45, (Bijv. SM. v. 1843, n0. 328), is (met intrekking van het vroegere Reglement, vastgesteld bij Kon. beslint v. 15 Sept. 1841) gearresteerd een nieuw Reglenient op liet onderhoud en de verpleging van om schulden gegijzelden in de gevangenissen. Naar luid van dit
(1) In ile zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 24 .7uli 1849 is door de Commissie voor de petitiën rapport uitgebracht over het adres van zekei en persoon, (toen) sedert December 1844 civiel gegijzeld in het huis van arrest te Gorinchem, die zich beklaagde zoowel over de hoogst gebrekkige inrichting van dat gebouw, als over de slechte voedingsmiddelen, en inzonderheid over de harde behandeling die hij van den cipier ondervond, terwijl zijne reclames, naar hij beweerde, bij de autoriteiten steeds onverhoord waren gebleven. â De Commissie, die overigens gaarne in een breedvoerig onderzoek dier klachten zon zijn getreden, adviseerde om over te gaan tot de orde van den dag, omdat het adres op ongezegeld papier was gesteld, waarmede de Kamer zich vereenigde (Bijbl. 1848â184!), 2de Kamer, vel 179). (Leon.)
(Art. 592.
Besluit zal (onder anderen): 1°. indien een gegijzelde onvermogend of ongenegen is om zelf voor zijne kleeding te zorgen, doch alleen bij liet bestaan van dringende behoefte, daarin, op uitdrukkelijke machtiging der Commissie van Administratie of van het Collegie van Regenten, uit den Rijks-voorraad worden voorzien : 2°. de gegijzelde, ingeval van ziekte, des verlangende door den geneesheer van het gesticht worden behandeld, en de voorgeschrevene geneesmiddelen hem. op de voor de andere gevangenen gebruikelijke wijze, ten koste van het Rijk worden verstrekt; li0, de begrafenis van een overleden gegijzelde, indien zijne nabestaanden daarvoor niet op eigene kosten wenschou te zorgen, plaats hebben op den voor de gevangenen gebruikelijkeu voet en zullen de kosten daarvan, iu zoodanig geval, als eene uitgave ten laste van het Rijk worden geleden; 4°. de gegijzelde, die zijn ontslag vordert, uit hoofde dat de schuldeischer in gebreke is gebleven binnen den bepaalden termijn het voorschot voor het onderhoud te vernieuwen, indien hij onvermogend of ongenegen is, ten eigen koste in zijn onderhoud te voorzien, gevoed worden uit de algemeene schaffing voor de gevangenen, behoudens bet verhaal deswege voor het Rijk op den schuldeischer; 5°. de cipier aan de Commissie van Administratie, ten behoeve van ;s Rijks schatkist, uitkeeren tien ten honderd van hetgeen hij voor het onderhoud van eiken gegijzelde geniet, als eene vergoeding voor de bijdragen, welke het Rijk tot huisvesting eu onderhoud der gegijzelden verstrekt.
liet Kon. besluit v. 'i'-l Dec. ISi'i. ii0. 95 (/gt;'(,/w. Xlhl. v. IRtó, n0. 388). R., XV, § 42, bepaalt (mot afwijking van het voorschrift, vervat in de Circulaire v. 25 April 1828, n0. 3S8, te vinden inde Vo-zamcliiiy van Arresten, Vonninscii cu Decisiën in registratiezaken, dl. XXII, art. 4812, n0. 19, p. 406), dat. wanneer het onvermogen van den gegijzelde door eene verklaring van het plaatselijk bestuur zal zijn bewezen, alsdan vrij van zegel zullen zijn, zoowel het verzoek, als het getuigschrift, bedoeld in art. 592 B. R. en het daaropvolgende bevel van den rechter tot ontslag uit de gijzeling, alsmede dat de twee laatst-gemelde stukken in die gevallen gratis zullen worden geregistreerd. Zie ten aanzien van het zegel ook art. 27, .1. n0.19 der wet van 3 Oct. 1843 (SW. n°. 47).
Bij Kon. besluit v. 25 Aug. 1843 (Stbl. n0. 36), is voor kosten van onderhoud van gegijzelden bepaald 70 cents per dag, in de maanden April tot September en 80 cents per dag gedurende de overige maanden. Dit Kon. besluit, reeds gewijzigd bij Kon. besluit v. 27 Juli 1856 {Stbl. n°. 40) is vervangen door Kon besluit v. 15 Maart 1873 (Slht. n0. 40) waarbij de kosten van onderhoud zijn bepaald op f 1.20 per dag gedurende de maanden April, Mei, Juni, Juli, Augustus en September, en op f 1.40 per dag gedurende de overige maanden van het jaar.
Zie ten betooge, dat het Keizerl. Decreet v. 4 Maart 1808, concernant les atirnens des déhiteurs de Vétat detenus eii firisou (Bulletin n0. 184; RonduX-neau, dl. I, p. 435; Fortuvn, dl. III, p. 10), niet bij de Wet v. 16 Mei 1829 (Slht. n0. 33) is ingetrokken of vervallen â quot;t Keizerl. Decreet v. 4 Maart 1808, arrest v. 13 Nov. 1846, dl. I, p. 235 en 236 en do Circulaire van den Min. van Financien, v. 17 Juli 1843, n0. 13 (Bijv. Stbl. v. 1843, n0. 214), houdende (in bet algemeen) nadere inlichtingen nopens de toepassing van 't Wetb. v. 1!. R. op de aanwending van den lijfsdwang ter uitvoering van strafvonnissen; bij welk arrest tevens is bevestigd dat van quot;t I'. II. v. Gelderland, v. 16 April 1845, W. n0. 614; R. B., jg. 1845, dl. VII, p. 468â473, waarbij is beslist, dat de bepa-
1125
Art. 592.)
linjrcn, ten aanzien van de tenM.itvoer-leg-ing van den lijfsdwang in liet NVetbock
v. li. U. gemaakt, met uilzoiulvfiiitj van. dc hij art. (HM», hdv lui B. It. mst-i/rslMe consiijaatic van dr kosten van onderhoud, uit krachle van liel Kcizrrl Dccrcet v. 4 Maart 1808, mede van toepassing zijn wanneer het rechtsmiddel van lijfsdwang in strafzaken geldt; â anders echter bij vonnis der Arr.-K. Utrecht, v. 29 Nov. 1850, R. li., jg. 1851, y. 549-551. naar luid waarvan liet Iveizerl. Decreet v. 4 Maart 1808, w.wrliij de Staat van het consigneeren van de noodige gelden tot onderho\id van zijne schuldenaren wordt vrijgesteld, zou zijn vervallen, welk gevoelen evenwel wordt bestreden door den lloogl. v. Hmx. in 't K. 1!., ut supra, p. 551 en 5;)'2.
Art. 59fi.
Noch dit artikel noch art. 8S8 Kooph. kunnen geacht worden van
de in art. 350 B. R. vastgestelde schorsende kracht iets te rlerogeeren.
1', II. v. Groningen, v. II Dcc. iSC.C), W. nquot;. 2897, waarbij werd beslist dal mitsdien bet gevraagd initslag uit de. gijzeling op grond van de snpensieve kracht van art :(5lt;) I!. U. beliodit te worden toegestaan.
Art. 597.
Buiten de twee hier genoemde gevallen kan een schuldenaar wegens dezelfde schuld alleen dan op nieuw worden gegijzeld, wanneer bij het ontslag de crediteur zich daartoe 'net recht heeft voorbehouden, en dc schuldenaar uitdrukkelijk dit voorbehoud heeft aanvaard.
Arr.-R. Breda, v. tgt;:! Maart 188:!, W. ii0. 488:!.
Art. 599.
I. liet bevel tot betaling bij de beteekening van een vonnis, waarbij macht tot lijfsdwang is verleend, is geene akte of begin van uitvoering, maar moet slechts worden beschouwd als eene laatste waarschuwing om, zoo mogelijk, de executie zelve te voorkomen, weshalve art. 316 B R., als alleen sprekende van de uitvoering van het vonnis (en waaruit men in deze heeft trachten af te leiden, dat het bevel tot betaling niet gelijktijdig met de beteekening van het vonnis bij verstek, in eene handelszaak gewezen, mar de voorschriften der wet zou hebben
1 I i (l
' C'-fficJt-i^~' â êt 61' olsO-*^ ^ â 3l^- f^gt;L^y ~ gt;t- L./^â â y!~' .- ^-'-yj^-^- ~ ^ a***, ilt;~
pOf .quot;. ^ .~7,6iCJU-^ey -' /^2, ^ orp f ^S: ft* ^/5quot;.
1127 f.4r/. 590.
mogen geschieden, maar dat tusschen die beteekening en het bevel minstens een termijn van éenen dag had hehooren te loopen) in deze van geene toepassing kan zijn.
f'. II. v. Gelderlanfl, v. 31 Mei *1843, W'. 110. 421; li. li., ji;'. â¢1843, dl. V. |). (gt;57â659; 1 i.. dl. Wl. § 21, lievestigendo een vonnis vim de Air.-R.
Arnhem, v, 3 April 1843, VV. 11°. 3(J!I. â Vgl. hiermede art. 88 H. U..
sub n0. 7.
55 i)e Arr.-ll. is niet bevoegd nader te beoordeelen de gronden
â¢- o 7
welke den president dier Rechtbank gewichtig genoeg zijn toegeschenen,
om de dadelijke ten-uitvoer-legging van den lijfsdwang (art. 599, al. 2)
bij rekwest aangevraagd, toe te staan, als zijnde bet aan den president der Rechtbank eenig en alleen verbleven dat verlof' te ver-ieenen, zonder aan eenige macht rekenschap te geven der gronden,
welke hem daartoe hebben geleid.
Arr.-R. Hoorn, v. 4 Aug. 18i'l, IJ, |!., jg. ISI;!, dl. V, p. (i25â(gt;33;
idem Arr.-R. Arnhem, v. 12 Febr. 18r)rgt;, VV. n0. 'lt')42, R. 1!., jg. 1855,
dl. V. hlz. 45(1 (1).
Jï. Art. 599 B. R. vordert niet, dat het exploit, houdende beteekening van het vonnis en bevel tot betaling, tevens vermelde, dat, bij gebreke van betaling, tot gijzeling zal worden overgegaan, noch de vermelding der procuratie, verstrekt op den deurwaarder, met de executie van den lijfsdwang belast.
Ai r.-li. Amsterdam, v. Hi Jiml 1843. li. I!., jg. 1843, dl. V, |i. (iOf)â (1(18;
idem itK Pinto. Ih'.L Jl. /i., dl II. 2. p. (gt;54 en ()55. 2de ed.. |». 720 en (gt;riii;.MAN. 'ide cd., dl. II. |p. 213. â ('f. art. 434 1!. li., vnnnis van ile Arr.-H. Kindhoven, v. 13 Mei 1839, sul» ii0. I en art. 606 I!. li., vnnnis van do Ari'.-R. Ai-nhem, v. 14 Febr. 1848, sub nquot;. 2.
(1) Lipman, /gt;. li., p. 261, teekfjnt op art. ;V»*.), al. 2 aan, dat men maj; verwachte»», dat in het belang der persoonlijke veiligheid van die wetsbepaling niet dan met de meest mogelijke behoedzaamheid woi'de gebruik gemaakt. Het daartoe beti'ekkelijk aangevraagde verlof zal dan ook zeer zeker niet behooren te worden toegestaan, wanneer om deze of gene reden de failliet-vei'klaring, op eigene aangifte gedaan, niet wordt uitgesproken, maar de beslissing van de Keehtbank deswege geschorst. â Vgl. hiermede het aangeteekende op art. 764 VV. v. K. in Jine en dk Pin to, Udl. B. R-, dl. 11, 2, p. Cfgt;2 en 653, 2de cd., p. 717, volgens wien het verlof eerst dan zal behooren te worden verleend, indien er werkelijk gegronde vrees voor eene geheime vlucht bestaat.
Art. 599.) 1128
4. Uit art. 599, 2(le lid B. 11. vloeit niet voort, dat, daar de lijfsdwang, op verlof des voorzitters, dadelijk kan worden ten uitvoer-gelegd. zulks zonder beteekening van het vonnis en derhalve ook zonder bevel tot betaling zou mogen plaats hebben.
De meening toch, alsof de lijfsdwang op verlof des voorzitters zonder beteekening van het vonnis, waarbij die is uitgesproken en derhalve ook zonder bevel tot betaling, bij die beteekening zoude kunnen worden ten uitvoergelegd, is niet alleen in strijd met de bepalingen van de artt. (if;, 80 en 430 van hetzelfde Wetboek volgens welke geen vonnis, veel minder een vonnis tot lijfsdwang, kan worden ten uitvoergelegd zonder voorafgaande beteekening, maar stemt ook niet overeen met hetgeen betrekkelijk de daarstelling van het tweede lid van voormeld art. 599, tusschen de Regeering en de Tweede Kamer der Staten-Generaal is verhandeld geworden, doordien de op art. 599 gemaakte aanmerkingen niet hebben betroflen de voorafgaande beteekening van het vonnis, met bevel tot betaling, maar alleen de tijdsruimte van een dag, welke tusschen die beteekening en de ten uitvoerlegging van den lijfsdwang moet verloopen, zoodat de bijvoeging van het tweede lid bij dit artikel a j , â¢Z»'1- njef, kan geacht worden tot iets anders, dan tot die tusschen ruimte â.âfa ^ v betrekking te hebben.
rjVf1' 7 n
/^d-' p_ li, v. N.-lirabant, v. 23 April IS'i'i, \V. ii0. 498; 11.. dl. \X\. ^s.).
^ bevestigende een vonnis van de Arr.-R. s Tloscli, v. .Maart iS44, \\.
V'j- , ut supra; â anders bij dk 1'into, /gt;'. li., dl. II, p. (5o'2, Ãde ed., p. /1/. 6,1 'ide ed., dl. 11, p. 210 sq.
ü. Nergens is in de wet op straffe van nietigheid voorgeschreven, dat de beschikking, waarbij het naar aanleiding van 599, door den president te verleenen verlof wordt toegestaan, moet inhouden de woorden : quot;iu naam, des Konings '.
Arr.-li. Maastricht, v. 24 Jan. I8.VI. W. ii0. 1225; li. I)., jg. 1851, p. 265â268.
lt;». In art. 599, al. 2 B. R. wordt bedoeld de president der Armnd.-Rechtbank die bet vonnis heeft uitgesproken, en niet die van dat collegie onder welks gebied een vonnis van lijfsdwang wordt ten uitvoergelegd.
Arr.-R. Maastricht, v. 24 Jan. 1851, VV. n0. 1225; II. H.. jg. 1851, p. 265â268; â idem Hoorn, v. 4 Aug. 1843, R. 1!., jg. 1843, dl. V,
{Art. 599.
]i. (525â633 en Penning, ad art.; â anders bij Oudeman, 4de ed., dl. II, p. 211, nader toegelicht in de Opm. en Mcd., dl. A 11- |i. 134âl il. alsmede, met een beroep op art. 004 B. R., door de Pinto, iïrf/., B. ft., dl. 11, 2, p. 053, 2de ed., p. 717 sq. en Schui.i.er, IV. v. B. li., met aant. ad art. 599. â Vgl. ook v. d. Honert, p. 539 en art. 303 li. R., vonnis van de Arr.-R. Eindhoven, v. 28 Febr. 1848.
S. Dit artikel, en met name de tweede alinea, is ook van toepassing op den lijfsdwang bij een vonnis bij verstek uitgesproken.
Arr.-R. Arnhern, v. 12 Febr. 1855, W. n0. 1642, R. li., j-- 18do, bl. 450. ook vermeld sub art. 585, 586 en 590 1gt;. U.: andei's Mr. Perst.in, in .WBijilr., jg. 1855, dl. V, bl. 343, volgens wien de 2de al. van dit artikel niet van toepassing is, wanneer het geldt een vonnis, dat niet bij voorraad uitvoerbaar of bij verstek gewezen is.
â¢S. De keus van woonplaats, bedoeld bij art. 599, § 3, 15. R. is op straffe van nietigheid voorgeschreven.
Die keuze moet ook dan geschieden, wanneer de executant in dezelfde gemeente woonachtig is.
Arr.-R. Nijmegen, v. 2 April 1861, W. n0. 2275, ook vermeld sub art. 611. n°. 9 B. R.; waarbij nog werd beslist, dat gebrek van alle belang den rechter van de verplichting niet kan ontheffen om de ingeroepen nietigheid uit te spreken.
!gt; De bewering alsof § 3 van art. 599 B. li. alleen toepasselijk zoude zijn, in geval gebruik wordt gemaakt van het verlof, bedoeld in § 2 van dat artikel, is ten eenenmale onaannemelijk.
Arr.-R. Nijmegen, v. 2 April 1861. W. u0. 2275.
I O. De exceptioneele bepaling van het laatste lid van art. 439 15. 11. is ?iiei van toepassing op de ten uitvoerlegging van den lijfsdwang.
Arr.-R. 's Bosch, v. 12 April 1871, W, n0. 3499, ook vermeld sub art. 502 B. R. liij arrest v. 31 Mei 1872, W. n°. 3475 werd de vraag niet beslist, omdat het daartoe betrekkelijk middel van cassatie zijn feitelijken grondslag miste.
I 1. Zie ten betooge, dat het bevel tot betaling, hetwelk volgens art. 599 B. R. de beteekening van het vonnis van opneming in de gijzeling vergezelt, alleen aan den gefailleerde en niet aan diens curator moet worden gedaan â
art. 889 W. v. K., arrest v. 't l'. II. v. Gelderland, v. 31 Mei 1843, sub n0. 1,
1129
Art. 59!).)
â 8. /jie omtrent de vraag of, indien niet gelijktijdig met de betee-keiiing van het vonnis, uitvoerbaar bij lijfsdwang, maar later bevel is o-edaan, deze omstandigheid grond kan opleveren, om de opgevolgde gijzeling nietig te doen verklaren â
de sub art. Gl'1 li. li., vonnis van de Arr.-U. Arnlioni, v. li 1'lt;'lgt;r. iS'iS sqq., iic. vernielde vonnissen van do Ait.-H. Ainsterdam.
,1c/. 600.
Jln cu â ⢠Ue schuldenaar mag, even als in ietier ander bizonder huis, ook
in zijne eigene woning worden gegijzeld, zonder dat de deurwaarder door den in art. fiOO B. li., al. t, aangewezen ambtenaar vergezeld / '1^ij, indien maar de plaats, waar de gijzeling geschiedt [in casu de ge-lagkamer der herberg) voor een iegelijk openstaat.
/
cUas Arr.-U. Sneck, v. 22 Nov. IS.M. \V. 110. lOol, ouk vermeld sul) art.
v': (i(H |!, R.
' igj, 7 . Anders navolgende beslissing:
/y^o-£ c
Ook wanneer de schuldenaar gegijzeld wordt in de tap-of gelagkamer quot;V;Ui ziine eiquot;-en woning, behoort de kantonrechter tegenwoordig te zijn.
â Hof Leeuwarden, v. 29 .Ian. 1S77, W. n0. ..ok aangehaald sul.
quot;r''^ ai'tt. ifiS en (VI I 1!. 11.
^ â gt;-
'i. Onder //gestelde machtenquot; in art. 600, nquot;. % is geenszins dc nrifjier te verstaan, die wel het beheer voert op zijne griflie, doch niet
aÃl^s J - ⢠i 1
w-kan quot;ezeffd worden daar eene zitting te houden.
Met de dienovereenkomstige conclusie van .Mr. M. .1. van Lknni;i', in \V. ii0. 27C.5, vonnis der Arr.-U. Amsterdam, v. '22 Jan. 1800, L. |gt;. cn rU^ ^'' i Je- 1866, p. 003 sqq,
. Lbt -A -'a Art. 602.
/^'L p koQ0'
[flcii ^ Uit het proces-verbaal van gijzeling behoeft niet te blijken, dat dc getuigen, die daarbij hunnen bijstand aan den deurwaarder hebben verleend, daartoe de bevoegdheid bezaten,
Arr.-U. Arnhem, v. 14 l ebr. 1848, W. n0. 903; U. U, jg. 184S, dl. X. ]gt;. 470â472.
I 180
quot;udcc yi/ â Zsvamp;e^J^-^G Qe -t. ^gSX-^yC- _
douo-v-, i'-^e i ^-t-vs ^ ef/^S) ^ .^- O^L. 2-óquot;f fZv- -SW.
) / A_X. l'lr ^^.9 2-1 ^w- '9°? 1 ^*VBif,sri'/'
amp;!, a/tes^. U^J-wy-'-t-l'^' 'llol f ~J r [.\rt. fi(t1-.
.1/7. (i()4.,
I. Jiet niet gebruik maken van het recht bij dit artikel en art. (i I I gegeven doet niets te kort aan het recht van den provisioneel gegijzelde, om vooraf eene uitspraak te erlangen op den eisch tot van waarde verklaring, wanneer die eisch in staat van wijzen is, en tot de beslissing van de hoofdzaak in geen verband staat.
A it. v. :«gt; Juli 187.quot;). W. 11°. 3884; 1!.. dl. ('X. § v. igt;. II.. It. It. dl. LX, p. AOiâ413; ook vermeld sub art. (ill li. U.. Ijovestigcndc arrest P. II. v. Z.-Holland, v. 30 Juni 187.quot;), VV. u0. 3873.
lt;8. Hij die, ter voldoening aan een vonnis, met gijzeling wordt bedreigd, behoeft niet, nadat het daartoe vereisohte bevel bereids is beteekend, de werkelijke aantasting van zijnen persoon af te wachten (en zulks uithoofde van het groot belang, hetwelk hij zoo voor zijn persoon als voor zijne ambtsbetrekking er bij kan hebben om te voorkomen, dat hij met de gijzeling worde overvallen), alvorens den executant in kort geding voor den president der Arrond.-Rechtbank te dagvaarden, tot voorloopige staking van alle verdere executie.
1'. II. v. /.et-land, v. 'J5 Mei ISiO, li. 11., 4«. 184«, lt;11. VIII, p. tV17. Cl', art. 88 1!. li., vonnis van de Arr.-lt. Ainsterdani, v. 31 Dcc. 'ISil sqq.
J8. Vermits het een algemeene regel is, bevestigd in art. 332 B. II, dat het hooger beroep altijd wordt toegelaten, tenzij het uitdrukkelijk is uitgesloten, is het niet te vermoeden, dat de wetgever de beschikking des voorzitters van de Arrond.-Uechtbank, vermeld in art. 604, laatste alinea, aan de kennisneming van den rechter in hooger beroep zou hebben willen onttrekken. ^
I'. II. v. Holland, v. 21 Juni 1811, W. n0. '213; 1!.. dl. Ml. S Sl)- -Cf. iirt. m B. li., arrest van hetzelfde 1'. II. v. «len/.elldeii datuin. Vgl. hiermede ten betooge, dat de geëxecuteerde l»ij zoodanig hooger beroep niet als middel van verwering kan bezigen de omstandigheid, dat dr genoegzaamheid eener door hem gedane consignatie in kort geding voor den president der Rechtbank niet is betwist â een arrest van t \\ II. v. Zeeland, v. w20 Mei 1840. nt snpra.
4-. Dit artikel geeft wel aan den schuldenaar, die zich tegen de gijzeling verzet, hei recht, maar legt hem niet op de verplichting zijne
ilr quot;â '^e y*'â S* â tr^a 6 e-^s,
/CC. I fyT T-tlt;'lt;ï~ ^ ^rS-^f
^ (T-cf-. A/C.Z 'P.l-.y./afi -gt;«quot; 2o5~- ^^-quot;T-tPéo/ 2-C 'J - ^
'a^. fior.) ^ ' 1132 X
daartoe strekkende vordering in kort geding te brengen voor den president der Rechtbank, ^'rr Ay~~ t* ^ /-Ay lt;.at* £ â 9quot; /V
Ait.-R. Sneek, v. ^1 Nov. 1854, \V. 110. 1031, ook vernield sub art.
000 ^ ^ L // Vri rlt;9l7'/, ^S^ '/X
i'â T i-P-r *â st s * s
l ⢠gt; ^ 2.0 ft*
Art, 605.
Uit de laatste zinsnede van art. G05 15. R (bepalende dat de gegijzelde moet worden overgebracht naar de gevangenis in de plaats zijner aanhouding, en indien aldaar geene gevangenis bestaat, in die eener naastbij gelegene gemeente) volgt, dat een gegijzelde niet in elke gevangenis, van welken aard ook, kan worden overgebracht, maar dat het moet zijn eene plaats, wettiglijk tot bewaring van gegijzelden verordend. Mitsdien zou een gegijzelde eerst dan recht hebben zich te beklagen over zijn vervoer naar eene naastbij gelegene gevangenis, indien door hem het bewijs ware geleverd, dat in de gemeente zijner aanhouding wettiglijk eene plaats is, tot bewaring van gegijzelden bestemd.
P. 11. v. Gelderland, v. 1(1 April 1845, W. n0. 014; R., dl. VII, p. 408.
_ Vgl. hiermede omtrent de vraag, of een deurwaarder, uitsluitend bij
een Ktg. aangesteld, na op het territoir van zijn kantonrechter een proces-verbaal van gijzeling te hebben opgemaakt, bevoegd is den ten line van gijzeling gearresteerden persoon buiten zijn kanton ter in gevangenis-stelling over te brengen en aldaar de daartoe gevorderde akte op te maken â art. 95 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v.
8 Juli 1840 sqq., sub n0. '2.
Art. 606.
1. In het afschrift van een proces-verbaal van gijzeling, aan een gegijzelde beteekend, behoeft niet de beslissing bij voorraad van den voorzitter ingevolge art. 604 13. R, omtrent de wettigheid der gijzeling in haar geheel te worden opgenomen, maar is het voldoende datuaaiin van die beslissing melding worde gemaakt.
Arr.-R. Amsterdam, v. -18 Juli 1843, R. 1!., jg. 4843, dl. V, p. 577-592: R., dl. XVII, § 103.
'i. Nergens is in de wet voorgeschreven dat aan den te gijzelen persoon een afschrift der volmacht moet worden gegeven, ten blijke,
(jer^ tfUS' UiréUÃ-^u-^yt, zrf
t^Ci-CL-rT-l -esyT- Z/T^zsT-^e'lt;^é^ f
-â 5 i Aekt^quot; 2.h ^W 11.33 ^-f3 6J-- *â quot; 6$ya-[Art. «06.
dat de deurwaarder tot de executie van den lijfsdwang is gemachtigd, zijnde liet integendeel voldoende dat die volmacht ten processe is overgelegd en in liet proces-verbaal van gijzeling behoorlijk is vermeld.
Arr.-U. Avnliem, v. W Febr. 1848, W. n0. 903; R. Pgt;.. jir. 1818. dl. X. a P- 450â472. â ('t. nrt. 434 li. R., vonnis van de Arr.-R. iMiidliciven, v.
Ky4\ '!3 Mei 1839, sul) n0. 1 en art. 599 I!. R., vonnis van de Arr.-R. Ainstei-
quot;yfn'n dam, v. 10 Juni 1843, sub n0. 3.
3. Tot het opmaken der akte van ingevangenis-stelling van den gegijzelde wordt niet vereiscbt de tegenwoordigheid van twee getuigen.
Ait.-R. Arnbeni, v. 14 Felir. 1848, W. n '. 90.°,; R. li., ju. â¢|,S48. dl. X. p. 450â47*2.
4-. Zie ten betooge;
a. Dat het voorschot van onderhoud, vermeld in art. 606, n0. 5, niet toepasselijk is op de schuldenaren die van wege den Staat worden gegijzeld, alsmede van de verbindende kracht van 't Keizerlijk Decreet, v. 4 Maart 1808 â
't Keizerlijk Decreet voormeld, arrest v. 13 Nov. 1840, dl. I. p. 235 en 236 en het aanget. op art. 592 B. R. aan bet slot.
ó. Dat de keuze van woonplaats moet geschieden in de akte van
ingevangenisstelling, niettegenstaande dit reeds in het proces-verbaal van gijzeling zij geschied â
Oudeman, dl. II, 4de ed., p. 216.
5. Zie omtrent de vraag, of het niet in acht nemen der formaliteiten, voorgeschreven in art. 606 B. R., de nietig-verklarinlt;ï der gijzeling moet ten gevolge hebben â
art. 011 li. R., vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 14 Febr. 1848 sqq., sub n0. 9.
Art. 607.
Wegens de niet-nakoming van het bepaalde bij art. 607, al. 1, B. 11. (het verzuim van den cipier om de akte van ingevangenisstelling in zijne registers in te schrijven), kan de schuldenaar niet tegen den schuldeischer de nietig-verklaring der gijzeling eischen, daar zoodanige vordering alleen kan berusten op de nietigheid, ontstaande
i4vi. ó// ^ -2 â¢
c U-
/ é^t/. SI
C'
Art 607 )tA^w-'
1184
Tf f-â¬-/^ L 'dyt ^ '(/ö 2_ , JT.SJ â
«it het verzuim van'die formaliteiten, waarvan de inachtneming behoorde tot de taak des deurwaarders, die des schuldeischers lasthebber was en voor wiens daden hij alleen kan verantwoordelijk zijn.
Ait.-R. Amstcidain, v. Ui Juni 1843, K. H., jg. 18-43, dl. V, p. 005â (â¢,0«. _ Vgl. met betrekking tot de afwijzing eener vordering tot schadevergoeding tegen den cipier, ter zake van het niet inachtnemen der noodige surveillance en de ontvluchting van een gegijzelde â een vonnis van de Arr.-ll. Leeuwarden, W. n0. 393 onder de berichten.
â Volgens art. 27, .1, n0. 30 der Wet van 3 Oct. 1843 («W. n0. 47), zijn ,le registers en de verdere akten, in art. 007 1!. R. vermeld, vrij van zegel. Die vrijstelling strekt zicb echter, naar luid eener circulaire van den Minister van Justitie, v. 7 Nov. 1850, W. n0. 1173, niet uit tot copii'n of uittreksels, door de cipiers aan anderen dan het Ãpenb. Min. uitgereikt.
. â â , o, j../ «1 | lt;Pa â¢gt;. * 7 a/.?.
r-,/, â quot;JL.CO^ oir.
I. De bepaling van art. 65 en volgg. der Wet v. 22 Fnmaire an Vil, volgens welke vonnissen, in zaken van registratie, met voor appèl maar alleen voor cassatie vatbaar zijn, is niet mede van toepassing op de vordering tot ontslag uit de gijzeling en schadevergoeding wegens onwettige gevangenhouding, waartoe de invordering der boete aanleiding gegeven heelt.
'/â ((ciVe beslist bij arrest v. 13 Nov. 1840, W. n0. 770; II., dl. XX\. k (50: V. 11. II.. (â¢'. dl. V. p. 140â154; bevestigende een arrest v;,ri '1 I'. II. v. Gelderland, v. 10 April 1845, W. no.0l4; R. R.. Jg. 1845, dl. VII. p. 408â473
't. Des rechters bevoegdheid, om, ingevolge van art. 611, al. 3 B. R. den schuldeischor tot schadeloosstelling te veroordeelen, is niet beperkt tot het geval, dat de ten uitvoergelegde gijzeling als eene onrechtmatige daad kan worden beschouwd. Het is geheel aan de hescheiden-heid des rechters overgelaten, daaromtrent te beslissen.
Arr. v. 30 Juli 1875. W. ,1°. 3884: 1!.. dl. CX § 3U: y. 11. Ij- /lt;'. /;..
dl. LX. p. 401â113. Zie lietzelfde arrest aangehaald, ip art. 004, nl. I I!. K.
:ï. Hoewel de vordering tot nietigverklaring der gijzeling, bij gebreke van inachtneming der voorgeschreven formaliteiten, volgens art. (ill B. II., door den schuldenaar kan worden gebracht voor de Rechtbank van het Arrondissement, alwaar hij in gijzeling is gesteld, is dit artikel
/xrZ ^ uamp;ts o*yzj£. amp; /S CC^/ (S-KS.
s lt;7
IS) tsu'^'t- â 'f- C*~ CA.^ Of / (Xjfsr lt;5^^- «-^s/T ^*^«r^ '7^142^^' f-^'
Sl ' Q-/ 'Z/w ^ bszJt} CL-T-V^. 5o Jft* '^t -eJ 74,quot; aw
yfzoft-p A^-^rL. /1135 ' (j
7'^. 0]1. ^lt;-o tt,*
echter niet van toepassing, daar waar de voorzitter in kort geding
bereids uit krachte van art. ()Ã4 B. R, over de validiteit van de tsamp;â
gijzeling heeft beslist, in welk geval die beslissing alleen vatbaar is
voor hooger beroep n'^2.c?S.
!gt;. 11. v. Holland, v. '24 Juni 1841. W. u0. '213; 1!.. dl. XII. § SO; idem BIC PlNTO, Ihll. B. /f., dl. II, 2. p. tj(i2, 2de ed., p. 727; OuniiMAN, JS. /;..
dl. 11. 4de ed.. p. 215 en Penning ad art. â Cf. art. I')0i lgt;. li., ari'est van hetzelfde l'. II. v. denzelfden datum, .sul» n0. ii.
!ï. Een gegijzelde kan bij zijne vordering tot vernietiging der gijzeling (in specie ter zake van liet niet in acht nemen van twee essentiële formaliteiten als: a. de ten uitvoerlegging van de gijzeling niet eanen dag na maar bij de beteekening, en zulks h. in het door hem bewoond huis buiten tegenwoordigheid van den kantonrechter)
niet vorderen, gemachtigd te worden om de gevangenis met behulp van den sterken arm te doen openen en zich zoodoende de vrijheid te verschatten.
Air.-U. Arnlieii], v. 24 Oct. 1842, \V. n0. :i87; li. li.. jlt;?. 1843, dl. V.
p. 342â:!4(); R.. dl. XI V. § 2!).
.V In cas van art. Gi l li. li. is het op korten termijn procedeeren niet afhankelijk gemaakt van de goed- of afkeuring van den president der Arrond.-Rechtbank, met dat gevolg, dat de Rechtbank, indien de gegijzelde zich daartegen verzet, onbevoegd is uitstel te verleenen tot het voordragen der conclusiën en tiet behandelen der op korten termijn aangebrachte dagvaarding.
Air.-lï. Hoorn. v. 4 Aug. â 1843, I!. II., jg. 1843, dl. V. p. ()2rgt;â(gt;27.
lt;». üaar bij uitzondering ter zake van gijzeling, volgens art. 611 I?. R., de functiën, welke anders in den regel aan den president der Arrond.-Rechtbank competeeren, aan de Rechtbank van het Arrondissement zijn opgedragen, alwaar de schuldenaar is in gijzeling gesteld,
kan aan de Rechtbank geene mindere macht worden toegekend dan bij de artt. 293 en 297 aan den voorzitter is gegeven, en kan mitsdien ook de Rechtbank in cas van art. 611 een vonnis verklaren uitvoerbaar bij voorraad op de minute, zonder voorafgaande registratie.
P. II. v. N.-Unibaut, v. 23 April 1844, W. n». 498; II., dl. XXV. §8.quot;),
bevestigende een vunnis van de Air.-lt. 's Huscli. v. 23 Maart 1844. VV.
t ht-- 6'! cryywr^- ?-e quot;A
.WWA ^i ^ .â .-^
^-a-A «te- /'TJZ^CC^ s- -T^e^ S6L~ £*-^a*SCé-a£~ cre-c*-rre^~*K- rrtïf
/^. Aurrf-Art. 611.) -^Atv^ rnrt*;^'- 1136 .^w. /. /y^lA/c*
/ ' ^ %-'- ..^ ^Squot; /e^V: /7 C , Slt;9r /-t ^
nt s'upra; â anders l.ij vonnis «Ier Arr.-K. 'Arnhem, v. 24 Oct. 1842, vernield sub art. 53 F!. R., n0. 2, en in de conclusie van Mr. C. II. li. Hoot (welke geleid lieeft tot een vonnis der Rechtbank Amsterdam van iS Juli 1843, waarbij die vraag onbeslist is gelaten, R. 1!.. jg. 1S43, dl V, 1gt;. 585 en 580), op grond, dat de wet, slechts in de gevallen van de artt. 123 en 207 B. R. zoodanige uitvoerbaar-verklaring op de minuut veroor-loovende, noodwendig geacht moet worden dit in alle overige gevallen te bobben uitgesloten. Vgl. de bedenkingen daartegen van Mr. F. I-. Kausk-uoom. in li. 1!.. ut supra, p. 588â592 en v. d. Honert, S 2(.)7.
3 . Bij de beoordeeling in hoeverre er bij de nietig-verklaring eener quot;ijzeling termen zijn tot veroordeeling tevens in vergoeding van kosten, schilde en interessen, kan en behoort door den rechter m aannierkuig te worden genomen, of er voor den schuldeischer gegronde redenen hebben bestaan, om de gijzeling te doen uitvoeren en voortduren. -Hieruit voli;t, dat er geene termen zijn om het bestuur der registratie tot schadevergoeding te veroordeelen, ter zake van liet doen ten uit-voerleggen van den lijfsdwang in eene strafzaak overeenkomstig de beslissing van het hoogste rechterlijk collegie in dit Rijk.
lgt;. II. V. Gelderland, v. 10 April 1845, W. n0. 014: I!. II., jg. 1845, dl. VII. p. 408â473.
S. Nergens wordt in de wet voorgeschreven, dat aan den gegijzelden persoon een afschrift der volmacht tot gijzeling moet worden overgegeven.
Arr.-R. Arnhem, v. 14 Febr. 1848, W. n0. 903; R. li., jg. 1848, dl. X, p. 450â472.
». Hoewel art. OU B. R. inhoudt, dat bij gebreke van inachtneming der voorgeschrevene formaliteiten, de schuldenaar de nietig-verklaring der gijzeling kan eischen, en daarin ligt opgesloten dat verzuim dier formaliteiten nietigheid (ofschoon bij de wet niet bepaald uitgedrukt) kan medebrengen, is het echter niet aannemelijk, dat de wetgever m art. Gil door die formaliteiten andere zouden hebben bedoeld dan dezulke, bij welker niet opvolging, ten nadeeie van den schuldenaar, eene der wetsbepalingen wordt overtreden, de zaak zelve of het wezen der zaak betretlende, en dus geenszins zulke formaliteiten, welke blootelijk den vorm eener akte betreffen {in casa de niet-vermelding van de woonplaats van den gegijzelde ingevolge liet voorschrift van art. 000, n0. 4), terwijl er overigens geene kwestie was van de identiteit van
T
[Art. fill.
den persoon. Ten aanzien van deze formaliteiten kan liet algemeen voorschrift van art 90, omtrent nietigheid, door de bepaling van art. (i I 1 niet zijn aangetast.
Arr.-R. Arnhem, v. l i Kehr. â 1lt;S48. VV. m0. 903; li. 11., jn-, 'I848, dl. X. p. 450â472; idem (waar het. gok) de niet-naknming van art. (i0(i. iiis. 2 en 3, docli de akte van ingevangenis-stelling verwees naar liet aan den pepijzelde behoorlijk heteekend proces-verliaal van gijzeling, in hetwelk wel degelijk de schuldeischer is vermeld en vooi'hem dunncilie is gekozen) bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. (1 Oct. '1848, W. n0. 981; zijnde bij dit vonnis al verder beslist, dat voor de gegrondheid der vordering ter zake van het verzuim dier formaliteiten, in ieder geval zou moeten blijken van bet daardoor aan den gegijzelde veroorzaakte nadeel en lt;re-volgelijk van bet werkelijk belang; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Sept. 1846, W. n0. 790; R. B., jg. 1840, dl. VJII, p. 732â 734, waarbij is beslist dat, indien niet gelijktijdig met de beteekening van bet vonnis, uitvoerbaar bij lijfsdwang, maar later bevel is gedaan (art. 599 1'. R.), deze omstandigheid (als zijnde alleen betgeen volgens de wet vervat is in téne akte, verdeeld geworden en in hvee akten, zonder dat. dit in eenig opzicht praejndiciahel was voor den gegijzelde) geen grond oplevert om de opgevolgde gijzeling nietig te doen verklaren; anders vonnis dierzelfde Rechtbank, v. 27 Juli 1858. W. n0. 1980, cf'. Arr.-R. Nijmegen, 2 April 1861. W. n0. 2275, ook vermeld sub art. 599 B. R., waarbij werd beslist, dat gebrek van belang den rechter niet ontheft van de verplichting om een ingeroepen nietigheid uit te spreken, maar dat het voor de toewijzing der schade-actie noodig is, dat blijke dat schade is geleden tengevolge van de verzuimde formaliteit; cf. ook het vermeld vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Maart 1883. â Vgl. biermede Carré, 2629, met de bijvoegselen van Chauveau en de aldaar aangehaalde schrijvers, alsmede de, in strijd met bet vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Sept 1846, uitgebrachte conclusie van het Openb. Min., R. B., ut supra, volgens welke de wetgever bij de bepalingen en voorschriften omtrent een zoo krachtig rechtsmiddel als dat van den lijfsdwang, oneindig strenger beeft willen zijn dan elders; dat hij de toekenning van bet recht van gijzeling, den schuldeischer tevens de stipte inachtneming van beschermende vormen is voorgehouden; dat uit dien hoofde de fogt; 'mcditciten voor de ten uitvoerlegging van den lijfsdwang o/i straffe van nictüjheid zijn voorgeschreven, geene, hoe gering ook, uitgezonderd; dat daarom ook bij de beoordeeling van de nietigheid, bij gebreke van inachtneming dezer voorschriften, noch onder de Fransche wet de bepaling van art. 1030, noch onder onze wetgeving die van art. 90 uitsluitend als maatstaf kan worden gevolgd, maar die nietigheid onder eerstgemelde wet uit art. 794 en onder onze wet uit art. 011 moet worden afgeleid, en dat inzonderheid de bewoordingen van laatstgemeld artikel allen twijfel ten deze opheffen, waarbij toch, in geval van verzuim der ten deze voorgeschreven formaliteiten, den schuldenaar het vermogen wordt toegekend om de nietig-verklaring der gijzeling te eischen.
Mr. W. van Kossem Bz., Burg. Hechtsv. 72
1137
*
......./ 1138
Ten uitvoerlegging van den lijfsdwang, zonder vooraf het vonnis, waarbij lijfsdwang is uitgesproken, aan den procureur van den gegijzelde te laten beteekenen, is eene bij de wet verboden en alzoo on rechtmatige daad, die aanspraak geeft op vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke geacht moeten worden door de gijzeling en berooving der vrijheid te zijn geleden.
Ait.-R. Nijmegen, v. 28 Jan. 1857. W. n'. 18;)0.
fO. Bij dit artikel wordt niet bepaald, dat, op grond van alle middelen, de zaak ten principale betreffende, de nietig-verklaring van den lijfsdwang kan gevraagd worden, maar de zin daarvan is, dat, als er termen bestaan om op middelen, rakende de zaak ten principale, die nietig-verklaring te vorderen, die actie moet gebracht worden voor de Rechtbank, welke met de uitvoering van het vonnis is belast.
De kracht van gewijsde zaak brengt mede, dat zoodanige middelen alleen kunnen zijn die, welke ontstaan na de uitspraak van het vonnis.
An-.-U. 'sllalt;re. v. 19 Maart 1869, W. n0. 3107. Verg. ook Arr.-U. Amsterdam, v. 11 .lan. 1857. W. nquot;. '1842, bevestigd door het P. II. v. N.-Holland, v. 14 Juli 1857, W. n0. 1907, waarbij werd beslist dat de opheffing van den lijfsdwang, op grond dat die onrechtmatig zon zijn verkregen en uitgesproken niet mag gevorderd worden door de lner bedoelde actie, vermits de. rechter die opheffing uitsprekende, in de daad bet vonnis zon buiten eftect stollen, in strijd met het gezag, dat de wet aan een rechtelijk gewijsde, toekent. Om tot de opheffing van den alzoo uitgesproken lijfsdwang te geraken, behoort men Im^wrr utili in honger Leroep te komen.
11. Eene aanhouding is niet onrechtmatig, wanneer tegen het vonnis op informeele wijze eene akte van appel is beteekend.
Berusting in die informaliteit kan niet terugwerken op te voren gepleegde handelingen.
Arr.-U. 'sRosch, v. 12 April 1871, W. n°. 3499.
I Het geldt hier bepalingen van openbare orde, waarop door eene gepresumeerde berusting van de belanghebbende partij geen inbreuk kan worden gemaakt.
Daarenboven verplidding tot dadelijk verzet tegen de wettigheid dei-
gijzeling bestaat niet.
ÃCuJU4t--r clt;j^ â ï^- ' 'j/- -
iT OiPgamp; C-tâ amp;amp; . t ^ c/pyh^, éeQ-
(139 (///â¢lt;. 61].
^^7'
Hof Leeuwarden, v. 20 Jan. -1877. W. n®. 4135, ook vermeld sub artt.
348 en 000 B. R,
13. Wanneer het aan den veroordeelde zelf beteekende afschrift van het vonnis in afwijking van het origineel en het aan den procureur beteekende copie, geene melding maakt van den daarbij uitgesproken lijfsdwang, behoort de gijzeling nietig te worden verklaard.
A it.-li. Rotterdam, v. l i Nov. 1877. W. n0. 4170.
I-4. Zoo al moet worden aangenomen, dat de bepaling, waarbij de mogelijkheid erkend wordt, om de vordering tot nietig-verklaring te doen steunen op middelen, rakende de zaak ten principale, ook betrekking heeft op het geval dat de hoofdzaak bij gewijsde is afgedaan, zoo zullen in alle gevallen die middelen moeten betreften feiten en omstandigheden daarna opgekomen.
Arr.-R. Rotterdam, v. 0 Juni 1883. VV. n0. 4017.
fo. Zie ten betooge:
a. Dat het verzet tegen een vonnis bij verstek met betrekking tot den daarbij uitgesproken lijfsdwang ontvankelijk is tot de daad-werkelijke inhechtenisstelling van den veroordeelde â
art. 82 li. R., arrest v. Hof v. Holland, v. 21 Juni 1841 sqq., suli n0. 5.
h. Dat de bepaling van art, 594- B. II., volgens welke de nietigheid der gijzeling geenszins die der aanbevelingen ten gevolge heeft, alleen ziet op aanbevelingen, gedaan door een anderen schuldeischer en niet door hem, die den schuldenaar heeft doen gijzelen, indien hij later vonnis heeft bekomen wegens eene andere schuldvordering ââ
de Pinto, dl. II, 2, |gt;. C08, 2de ed.. p. 733 en Ouukman. dl. II 4(1 eed..
p. 2'10; â anders l)ij nu Makïini ad art. 594 (/ 4 en lgt;i| I'i nmnc ad art. 58U.
/
Arl. 612.
1. Het geding ter vereffening der kosten van het proces kan niet als een nieuw rechtsgeding worden beschouwd, maar alleen worden geacht de voortzetting te zijn van de vroeger reeds tusschen partijen gevoerde procedures, welke daardoor eerst geheel worden teu einde gebracht.
far vU^, ^ 1' -^-cralT^Jo
â¢. Ks.ft.i'- vj£lt;TV- ^
Zulks volgt'zoowel uit de bepaling van art. 014 15. R., bevelende
dat de zaak bij eeue eenvoudige akte van procureur op de terechtzitting zal worden gebracht, als uit die van art. 612 B. R. omtrent de beteekening van den staat van kosten aan de woonplaats, bij den aanvang van het rechtsgeding door de partij gekozen, welke artikelen, indien het hier een nieuw rechtsgeding gold, ten eenemale zouden m strijd zijn met het beginsel, bij art. 133 B. H. aangenomen, dat name-^ ^ lijk alle akten der procedure aan die gekozen woonplaats moeten worden quot; _ beteekend, doch niet verder dan tot en met het eindvonnis, met weglating der woorden (die vroeger in dat artikel werden gevonden): «of die betrekkelijk zijn tot de executie der eindvonnissen.quot;
Arresten v. S Oct. 1841, W. ii0. 231; R.. dl. IX. §_12: v. d. H.. II. 11., dl. 11, p. 322â328; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Jan. 1843, It. B.. jg.' 1845, dl. V, p. 546â349; idem bij vonnis der Arr.-R. Alkmaar, y. o 99 Juni 1843. R. li., jg. 1845, dl. VII. p. 331 en 332 en bij arrest v. t
/:! â gt;0 p. 11. v. Zeeland, v. 12 April 1842, H. H, jg. 1847, dl. IX. p.11, waarl.,,,
7 â cMZ op grond van hetzelfde rechtsbeginsel, is aangenomen, dat er geen verstoU
' â behoort te worden verleend tegen hem die, overeenkomstig art. 614 R. R., tL'amp;ï/o , ' t((t vei.evenintr van procedures opgeroepen zijnde, niet is verschenen, en
Qat._ v»^v^ in dit geval de eisch als contradictoir zal moeten worden toegewezen; ^ 1 idem Arr.-R. Amersfoort, v. 20 Juni 1855, W. n0. 1712, waarbi) werd
~ beslist dat er niet ten tweeden male verstek behoort verleend te worden; idem Arr.-R. Utrecht, v. 28 Aug. 1878. R. B jg. 1879, ^ ^ , i) -164; idem bij vonnis der Arr.-R. Amersfoort, v. 1 i ov.
Itrtf i, , 'cu. quot; 459!). waarbij op dezelfde gronden is beslist, dat men bij een en
â - - ft- betzelfde exploot in verzet kan komen tegen twee vonnissen, waarvan bet eerste de hoofdzaak betreft en bet laatste ter vereffening der proces-^ quot; quot;'^kosten is gewezen; idem bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Maart 186/ R li., jo-. 1867, p. 686, waarbij op grond van betzelfde beginsel is beslist dat de cessionaris van eene der partijen de likwidatie der proceskosten niet op de hier voorgeschreven wijze kan vervolgen. Vergelijk Ktg. Boxmeer, v 22 Jan 1857, W. n0. 1865, P. II. v. Gelderland, v. 24 Dec. 18o6, \\ . n0 quot;839. P. II. v. Overijsel, v. 28 Febr. 1859, W. n0. 2091, waarbij met een beroep op het feit dat deze wetsbepalingen voorkomen in het tweede boek li. R. handelende over ten uitvoerlegging van vonnissen, het geding tot verellening van kosten beschouwd wordt als «')(. muhlel tot ten uit-vorrhminq van het nou,is. dat laatste in strijd met vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1801, W. n0. 2295, waarbij beslist werd, dat schadelikwidatie niet als executie van het vonnis, maar als voortzetting van het no?- aanhangig geschil moet beschouwd worden; cf omtrent dit .AâA/^.punt n°. 2 van dit artikel; idem P. H. v. N.-Holland,__v. 6 Febr. 1868, / x VV n0. 3033; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 17 Dec. 18//, R. B.. ,|g. 18/8, ^ A p. 137; Amsterdam, v. 27 Jnni 1878, R. B.. jg.1878, gt;1, p. 211. Anders
vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 18 April 1877, W. n0. 4104, R. B., jg.
vya
xS*
J-
Mr/.
IS7S, .1, p. 130, waarbij werd beslist dut hoewel de vereU'eiiin^ der proceskosten als de executie van liet vonnis kan beschouwd worden, een geschil dat bij of over de vereffening ontstaat een afzonderlijk rechtsgeding uitmaakt dat geschorst kan worden, voorts door X. in'tW. n0. 372 en X. N. in 't W. ii0. 374. wordende in laatstgemeld stuk het arrest nf supra in verband gebracht met dat van 18 Maart 1842 (sub art. 8('gt;0 i!. I!.), waarbij aan het bestuur der registratie liet recht is toegekend, om de in debet gestelde rechten, ingeval van admissie-gratis, rechtstreeks te verhalen op de succurabeerende partij, doch tevens beslist, dat gemeld bestuur gehouden is, om zich bij zoodanig verhaal te gedragen naar de verplichtingen bij do wet opgelegd omtrent de waardeering van kosten, waarin eene partij is veroordeeld en naar de voorschriften omtrent de vereischten ter executie van condemnation, en daarvan nu, volgens schrijver, het gevolg zal zijn, dat con ikmj niet ten. einde gehmcht i'rchts'jcdi)/'/ zal worden voortgezet, niet Inxxchen de partijen welke de I'mer/efe fieneednres hehben 'jernertl. maar tusschen geheel anderen, en zulks niet alleen tusschen het bestuur der registratie en de in het ongelijk gestelde partij, maar tusschen deze en even zoovele personen als er belanghebbenden zijn bij ile kosten. â Vgl. ook het met deze kwestie in een nauw verband staande arrest v. 25 Juni 1852, snb art. 013 li. R.. n0. 1, alsmede nog: 1°. een vonnis van de Arr.-R. Appingadam, v. -17 luni 1852. W. n°. 1340, waarbij is beslist, dat de eisch tot bepaling van liet qttaiition der' proces-kosten, waarin eene partij bij een vroeger gewezen vonnis is veroordeeld, hoewel die als een uitvloeisel en gevolg der vroegere procedure is aan te merken, evenwel, voor zoover zulks, gelijk in deze. eerst na het wijzen van het hoofdvonnis een punt van verschil heeft opgeleverd, als een afzonderlijk en op zich zelf staand geding moet beschouwd worden, en dat uit do bepalingen der wet hieromtrent volgt, dat eene latere vordering tot vereffening der kosten van een vroeger uitgewezen proces rnoet worden gebracht bij hetzelfde rechtscollegie, bij hetwelk de hoofdvordering is aanhangig geweest en beslist, doch daaruit niet noodwendig volgt, dat dit college juist uit hetzelfde personeel moet zijn samengesteld als dat. hetwelk, op de hoofdzaak beslissende, de succum-beerende partij in de kosten heeft verwezen; en 2°. een arrest van'tl lof v. Holland, v. 3 Febr. 1841. W. n°. 103, waarbij is beslist, dat bij eene veroordeeling tot vergoeding van kosten, schade en interessen, dezelfde rechter, indien het daartoe betrekkelijk vonnis niet is vernietigd, van tie likwidatie tot schadevergoeding moet kennis nemen en men niet meer ontvankelijk is in de exceptie van incompetentie (rnlione materiae) eerst bij de verevening van kosten tegen dat vonnis ingesteld. Verg. aant. 31.
'4t. De verevening der proceskosten, waarin eene der partijen is verwezen, is niet anders te beschouwen dan als de ten uitvoerlegging van het condemnatoir gewijsde en kan er mitsdien niet aan eenige verjaring der vordering tot taxatie van kosten gedacht worden, zoolang het veroordeelend gewijsde zelf niet is verjaard. Wanneer de Staat de veroordeelde partij mocht zijn, is in zoodanig geval alle beroep op
1111
Art. 612.) 1 142
de wetten van S Nov. IS15 (Stbl. nquot;. 51) en v. Oct. 1841 {Stbl. n0. 10) almede buiten toepassing.
Ait. v. 8 April ISIVi, 1!.. dl. XLI\. S
CJ. Het bedrag der proceskosten, waarin eene der partijen bij vonnis is veroordeeld, kan van deze niet door de andere worden gevorderd bij afzonderlijke actie, onverschillig ot er verschil bestaat over het bedrag, of over de al- of niet-voldoening der bij het vonnis niet verevende kosten.
Arr. v. (14) IS Jan. 18(V1. W. ii0. 2242; R., dl. LXVII. § 8; v. n. M.. Ægt;. dl. XXV. p. 3quot;»â46; anders Arr.-It. Amsterdan), v. 28 Maart 1871, VV. n°. 3347, R. I!.. ig;- '1872, p. 309, waarbij werd beslist dat on do. vordering tot vorefl'ening van proces-kosten èn ilio tot voreffenin};' dor kosten, scliaden en interessen liij rau-actie en liij eene en dezelfde dau-vaarding kunnen worden aanliangig gemaakt.
4. Voor de vereffening van proceskosten is uitgesloten de afzonderlijke voor den als zoodanig bevoegden rechter in te stellen actie.
H ,v Arr. v. 18 Jan. 186-1. ut supra; waarbij nog werd Iteslist dat liet geschil bij akte van procureur tot procureur moet worden gebracht voor
PK U. /-â lt;-quot; den rechter, die de veroordeeling in de kosten heeft uitgesproken. Zie
. iJT echter arr. v. 7 Nov. 1873, W. u°. 3654, R.. dl. CV. § 22. ....... het
/ylt;VAt ' geval waarin het geldt beiialvc de verdere vereffening der toegewezen
im-vvu schadevergoeding, do van waarde verklaring van een conservatoir arrest
quot; ter verzekering dier schadevergoeding gelegd.
Vergelijk navolgende beslissing:
M Proceskosten kunnen niet worden verhaald bij wege van gewone
gi ^L. actie, maar de inning dier kosten maakt een punt van executie van
/ lt;- . het gewezen vonnis uit.
Ktg. n0. 1. Amsterdam, v. 21 Juli 1X71). R. B.. jg. 1876, .1. p. 292.
Vergelijk in verband met het bovenstaande, de navolgende beslissingen :
Wanneer het vonnis a quo in hooger beroep is bevestigd, is de
rechter a quo alleen bevoegd om kennis te nemen van de vereflening
der kosten in eersten aanleg gevallen.
Arr. v. 27 Juni 1856, W. n0. 1801: R.. dl. LUI, § 53; idem I'. 11. v. N.-Holland, v. 16 Oct. 1862, W. nquot;. 2448; idem 1J. 11. v. Zeeland, v. |9 Oct. 1858. R. R.. jg. 1859. dl. IX, p. 487, waarhij beslist is, dat men.
(Arl. 612
liij bevestiging van liet vonnis a quo, alleszins ontvankelijk is, om het gescliil over de vereiïening der kosten in hooger beroep afzonderlijk hij den hoogeren rechter aan te brengen; idem het sub nquot;. I van dit artikel vermeld 1'. II. v. Gelderland, v. 'IA Itec. 1856, W. n0. IXlin, vvaaibij is beslist dat in dat geval de vereiïening der kosten in hooger beroep gevallen, uitsluitend door den hoogeren rechter wordt gedaan.
5. Zoowel het geschil over het bedrag, als dat over de al of niet voldoening der bij liet vonnis niet verefiende kosten, moet volgens dit en volgende artikelen worden behandeld.
Air. v. 18 Jan. 1801, \V. n0. '2'i42; U.. dl. LXVII. g 8; v. n. 11.. B.
It., dl. XX V. p. .'55 on volgg.
lt;». Wanneer liet bedrag van eene zekere som tot schadevergoeding is toegewezen op grond: //dat het cijfer noch onrechtmatig noch te hoog is te achten, en daarop door de tegenpartij geene aanmerking is gemaaktquot;, kan deze mitsdien daarop in cassatie niet terugkomen.
Air. v. '2:i Dec. 1870. W. nquot;. U.. dl. XCVI, § :«»; v. n. II..
dl. XXX V. p. 240 en volgg.
S. De toepassing van den bij dit art. op den voorgrond geplaatsten re^el van dadelijke bepaling van schadebedrag is uitsluitend afhankelijk gesteld van de mogelijkheid dier bepaling en geenszins van de omstandigheid, of er al dan niet eisch is gedaan tot schadevergoeding, op te maken bij staat, terwijl het bestaan dier mogelijkheid geheel aan 's rechters oordeel is overgelaten. /c^. I(ra-nigt; 2y quot;i » V-3 !
Ai-r. v. 27 Dec. 1878, bevestigende de vonnissen van het Hof van n quot;' Suriname, dd. 25 Jan. en 40 Mei -1878, W. n0. 4:532. I!. 1!., jg. 1879, .1.
p. 169. Hetzelfde beginsel is gehuldigd bij arrest v. 2 Jan. 18/4, W.
n0. 3681. bij arrest v. 9 Dec. 1881, W. n0. 4718. en bij vonnis Arr.-U.
Amsterdam, v. 15 Sept. 1874. R. 1!.. jg. 1876, .1. p. 32.
/.ie ten betooge dat de rechter tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat kan veroordeelen. al is een zeker qxicnitum geiiischt; arrest v. 4 tebr.
1870, sub art. 134 1!. R.
Bij het eerstgemeld arrest is nog Iteslist dat over tardieve productie der bescheiden, waaruit de rechter quot; quo zijn gegevens tot schadebepaling heett,
afgeleid, niet geklaagd kan worden, o. a. op grond dat de tegenpartij in de gelegenheid is geweest ook Itij de pleidooien alle verweringen te doen gelden en alle rechtsmiddelen aan te wenden, die hij oorbaar achtte, /.ie in verband daarmede art. 139 B. U., nos. 2 en 14.
I 1 43
Art. «12.)
hoofdvordering duidelijk blijkt, dat geene schade is geleden, daaromtrent tegelijkertijd uitspraak te doen.
Air. v. 22 Dec. '1882, \V. ii0. 486-1; R.. dl. C'XXXII. § HO: v. d. II.. /gt;'. /(.. dl. XI.VIII. p. 64â72.
W. De eischer tot ontbinding eener overeenkomst is niet gerechtigd, ten algemeenen titel van schadevergoeding, eene willekeurig begroote geldsom te vorderen, maar is verplicht, indien hij de hoegrootheid der schadevergoeding bij dezelfde actie, als de ontbinding der overeenkomst wil uitgesproken zien, de daartoe leidende daadzaken op te geven en daarvan het bewijs te leveren. Zoolang dit niet is geschied en alzoo de waardeering der daadzaken geen eigenlijk onderwerp van het proces tusschen partijen heeft uitgemaakt, moet de rechter buiten staat geacht worden het beloop der geleden schade te bepalen en heeft hij dus ook geene bevoegdheid om die naar eigen goedvinden te waardeeren. maar is hij verplicht partijen naar de voorgeschrevene opmakiny bij .Haat te verwijzen, enz.
De eischers, in hooger beroep komende van het vonnis, waarbij de door hem gevorderde schadevergoeding door den rechter slechts voor een zeer gering bedrag is toegewezen, is in die instantie van appel niet-ontvankelijk '.iet bewijs te leveren der geleden schade en winstderving.
1'. II. v. Zeeland, v. 8 Dec. 1840. H. li., jir. 184(1, dl. VIII. p. 620 en 621.
IO Wanneer kosten, schaden en interessen, tot vergoeding van welke de eene partij is veroordeeld, bij het vonnis niet zijn verettend geworden, dan moet. met in achtneming der bepalingen van artt. 61 a en volgg. B. li, het geheele bedrag daarvan in eens van de partij worden ingevorderd.
Hieruit volgt dat op den staat, bedoeld bij art 612 13. R . ook moeten worden gebracht de kosten in appèl gevallen, wanneer de rechter a quo, ingevolge art. 354 li R. over de ten uitvoerlegging van het in hooger beroep bekrachtigde vonnis oordeelen moet.
1'. 11. v. Friesland, v. 26 Jan. 1842, \V, n0. 308; Uccft in At lt;lrrl.. dl. III. ]gt;. 222â224-. â Vgl. hiermede he Pinto, HcU. /gt;'.. dl. II. 2, p. 670 en 671, 2de oil.. 736 en Oudeman, Ti. It., dl. II, 4de ed.. p. 231 die het beginsel van het voormeld arrest niet onbepaald aannemen, maar onderscheiden of bet vonnis van den eersten rechter in hooger
1 114
(ó 12 £-04* rX^z, jb Qawv^tztaJZjL^
i^-ftï- *â 1*^4,1*^* ^O-s ^rytri ^ te-
yfj./j^/U ^ n^U-JT U^yL- cU-^ -* o^-*.ÃUU*-. Æ ^lt;n~£cs J UW ^-^i..;j^
. /^r U ^ytC^ /f G / 't.J'-t- amp; t^J-L^. 0lt;u^r
«4^-;. hvu.-t* J^-nj- '/f ^ 1145 a,* - ^*B- f jri fi IO
/ ' ' tdt^o-Ih. t
bemep wordt vernietigd of' bekrachtigd, en meenen dat in liet eerste geval de geheele vereffening bij den hoogeren rechter behoort, die de ^
geheele veroordeeling in de kosten heeft uitgesproken; doch dat in het tweede geval de vereffening der kosten, in eersten aanleg gevallen, moet r-Le^,.
geschieden bij den eersten rechter en die in hooger beroep niet anders 'Ji
dan door den rechter in hooger beroep.
I I Een £redaaa;de in cas van schadevenroeclinsr die erkent schade
. . -Vvi^ lt;quot;lt;â -
te liebhen toegebracht en tot vertgt;'(jeding daarvan verplicht te zijn, doch ,
. . 'i*y. over het bedrag dier schade met den eischer verschilt, kan in dien
stand van zaken geen quot;eldi? aanbod doen, ten einde zich voor verdere
procedures en kosten te hoeden, maar behoort die schade, daar waar, jr
1 !/S/'-a . - //
gelijk in casu, de rechter het bedrag daarvan a priori niet kan bepalen.
]uh. / ^
tl UA^bPob tv. 'h°5-Ãgt;0'2..
1
nader te worden gelikwideerd en vastgesteld, met inachtneming der voorschriften van artt, 612 en volgg. 15 li
Arr.-R. Arnhem, v. 24 Febr. 1lt;S43, Itcr/l in Xcdcrl.. dl. I\ . jgt;. 3 en 4.
13. De procedure tot vereflening van kosten, schade en interessen ingevolge art. 612 15. II., vindt dan alleen hare toepassing, wanneer er a priori van het wezenlijk bestaan van schade is gebleken, doch alleen het beloop daarvan niet gelijktijdig met de veroordeeling tot vergoeding is kunnen bepaald worden.
1'. II v. Z.-Ilolland, v. T, Dec. 1843, \V. n0. 'liil. Cf. art. 1401 I!. \V.. arrest van hetzelfde P. H. van denzelfden datum, sub n0. 101.
I Ji. Noch art. fil2 B. R., noch eenige andere wetsbepaling vordert, dat de staat van kosten eenige onderteekening drage. Gesteld echter dat een zoodanige staat onderteekend moet worden, dan nog kan dit geldig geschieden door den procureur, die in het geding voor den declarant geoccupeerd heeft.
1'. II. v. N.-Hnlland, v. 21 .bdi 1847. 1!. li.. ,jg. ISW. dl. X p. 20:!. bevestigende een vonnis van de Air.-l!, Amsterdam, v. 12 Mei 1847. W. nquot;. 883.
141. liet komt niet met den geest onzer wetgeving overeen dat eene partij, die niet slechts door toestemming, maar daadwerkelijk toegeeft aan alles, wat van haar wordt geëischt, haars ondanks in eene procedure zou kunnen worden gehouden ; dit kan niet worden aangenomen, zoo niet de noodzakelijkheid daartoe wordt aangewezen of eene wetsbepaling, welke tot die gevolgtrekking leidt.
Ail. fil2.)
Zoodanige gevolgtrekking kan niet worden afgeleid uit de artt. (il2 â(115 B. II., welke wel de wijze voorschrijven van vereiTening van proceskosten, waarin eene der partijen is verwezen, doch geenszins bepalen, dat geene proceskosten, zonder voorafgaande veroordeeling daartoe, kunnen worden vereftend.
Door het uitdrukkelijk door den gedaagde gedaan voorbehoud van nadere vereffening, is reeds een voldoende titel aan den eischer gegeven tot verkrijging van hetgeen de proceskosten meer dan de aangeboden en aangenomen som mochten bedragen.
Arr.-R. Arnhem, v. Nov. 4853, W. n0. 1517.
f o. Onder de schade in art. (112 is niet alleen begrepen vergoeding van het verlies, hetwelk men heeft geleden, maar ook van de winst welke men heeft moeten derven, doch niet verder dan tot kosten en schaden, die men heeft voorzien of kunnen voorzien.
P, II, V. Gelderland, v. S Febr. -1854, U. li., jg. -1854, p. '240â252; idem Atr.-U. Amsterdam, v. 8 Maart 1854, R. I!.. jg. 1854, p. 304â306.
I tt. De renten wegens geleden schade, voorkomende in den staat, vermeld in art (US 15. R,, zijn verschuldigd van den dag waarop de schadevergoeding gevorderd is.
P. II. v. Gelderland, v. 8 Fehr. 1854, R. I!., jg. 1854, p. '249-252.
I S. Hij wiens actie of exceptie gaaf is toegewezen, kan, om tot eene likwidatie van de kosten der gevoerde procedures te komen, in geen geval vorderen noch behoeft af te wachten de beteekening van het vonnis door de succumbeerende partij.
Ktg. liquot;. III. Amsterdam, v. *27 April I8.V1. \V. n0- 1545. â Cf. art. (UI li. R.. vonnis van de Air.-R. Maastricht, v. 20 Febr. 1845 sqq.. snli nc. 10.
JL8. Art. (112 en volgg. B. R. hebben alleen betrekking tot eene likwidatie van kosten, in welke de eene partij ten behoeve van de andere is veroordeeld en gelden niet daar waar sprake is van kosten, waarover tot dusverre geene uitspraak is gedaan.
Arr.-R. Rreda. v. 27 Juni 1854, W. n°. 1560. Cf. art. I IS. li., vonnis van dezelfde Arr.-R. v. donzelfden datum, sub nquot;. 1(gt;.
ü O. Wanneer, op grond van wanpraestatie des verkoopers van
111.6
[Art. (il 2
liantlelswaren, rley.e met vernietiging der overeenkomst, veroordeeld is tot vergoeding der schade, geleden of nog te lijden, dan moet als maatstaf der schade worden aangenomen de marktprijs, tijdens de kooper zijne rechten deed gelden, en niet een latere.
Ait.-K. Amsterdam, v. 19 Oct. 1851. IJ. !gt;., 1854, p. 505â.gt;08.
«O Rij verefl'ening van proceskosten is het voldoende, dat slechts één afschrift van den staat vau kosten ten behoeve van meerdere gerequireerden gelaten wordt, indien dat afschrift beteekend wordt ter gekozen woonplaats van den door allen gesteiden procureur.
I'. II. v. /eelaiid, Ã'i Fnni IS,quot;).quot;). VV. nquot;. I(174.
31. Hij de vereffening van proceskosten tusschen partijen kunnen alleen in aanmerking komen de zoodanige, welke tot het voeren van het geding noodzakelijk zijn geweest.
Ktj;'. Winscliotnn. v. tT) Sept. IS.quot;).quot;), \V. nquot;. 17'J'i.
lt;5ti. xVrt. 612 volgg H. il. stellen een voor sommige gevallen exceptioneel forum daar en hehooren daarom strictissime te worden geïnterpreteerd, zoodat het niet opgaat om daaronder bij deductie te rangschikken zoodanige kosten, welke een meer of min verwijderd gevolg van een rechterlijk vonnis zijn, doch niet daaruit volgen.
An-.-R. Amsterdam, v. M Jan. 1857, R. 1857, dl. Vil. 1)1. 'iOfiâ309.
'Ui. Wanneer geprocedeerd is tot ontbinding van eene overeenkomst met schadevergoeding, op te maken bij staat, en in dat geding de procureur des gedaagden zich aan de zaak onttrokken heeft, dan kan de staat van kosten nog beteekend worden ter woonplaats van dien procureur, als de gekozene woonplaats der partij.
Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Kelir. 1850, R. li., jir. '1850, dl. IX. lil. 45.
3-1- Waar schadevergoeding in rechten gevraagd wordt, alleen omdat partijen zich niet omtrent het bedrag kunnen verstaan, kan geene der partijen gezegd worden in bet ongelijk gesteld te zijn en hehooren de kosten, noodzakelijk om tot debat en fixatie van den schadestaat te geraken, gedragen te worden door dengene, die op het eigenlijke punt in geschil (het bedrag der schade) zal succumbeeren.
Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Dec. 1859, VV. n0. 21 Xi
11 17
Art. RIS.)
â¢Jâ¢quot;». Ten onrechte wordt in casta bij wijze van iikwidatie van kosten, schade en interessen, waarin partij, met toewijzing der re vind i-catoire vordering, is veroordeeld gevorderd restitutie van den koopprijs van grond, door den gedaagde ante litem moiam aan derden verkocht, eene principale vordering, die nooit in eene zakelijke, veel minder in de sequele daarvan, stilzwijgend kan worden begrepen.
Ait.-R. Bi'cda. v. 24 Jan. 1860, \V. n0. 2205.
Bij vereffening der kosten van een proces, gevoerd tegen verschillende personen, allen tot ééne reederij in betrekking staande, doch afzonderlijk gedagvaard, en te hunnen voordeele beslist, kan elk hunner afzonderlijk en onafhankelijk van den ander tot betaling der zijnerzijds gevallen kosten ageeren.
Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1865, W. nquot;. 2730.
'i S. Het door den schuldenaar gedaan aanbod overeenkomstig art 1441 li. \V. verhindert niet, dat de schuldeischer, liet onvoldoende achtende, den schuldenaar tot vereffening oproepe.
P. 11. v, Ovenjsel, v. -19 Jan. 1806, liij Mr. Hertzvei.u. ut supra, hlz. 77.
3S. De vereffening in rechten van proceskosten, waarin een der gelitigeerd hebbende partijen is verwezen, moet tusschen diezelfde partijen plaats hebben, en de cessionaris van eene der partijen heeft het recht niet in plaats van zijn cedent die liquidatie te vorderen, veel min om daaraan tevens eene veroordeeling van het vast te stellen bedrag ten behoeve van hem cessionaris te verbinden.
Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Maart '1867, W. n0. 2917. Verg. dezelfde lleclitliank v. 29 Mei 1867. \V. n0. 291L waarbij is beslist, dat bij die oen recht tot invordering van proceskosten aan een ander verkocht heeft, er belang bij boeit en bevoegd is om de vaststelling dier kosten van don rechter te vragen.
De woorden; //gekozen woonplaats'quot; in dit artikel kunnen niet anders beteekenen dan de woonplaats van partij, bij den aanleg van het geding (dat tot de veroordeeling van kosten aanleiding gegeven heelt) gekozen.
P. II. v. N.-Holland, (i Febr. '1868, W. n0. 3033, waarbij ook werd beslist dat do, vereffening der kosten niet een nieuw geding is, /.ie n0. 1,
1J48
{Art. 612.
JJO. De begrooting van proceskosten en die van het bedrag der schadevergoeding behoeven niet altijd gelijktijdig en vereenigd tlt;; worden gevorderd : het geval toch is bestaanbaar dat de vereffening eener toegekende schadevergoeding bij voorraad kan plaats hebben, en die der proceskosten moet blijven opgeschort.
P. H. v. /..-Holland, v. 31 Mei 1809. \V. ii0. 3ll2'i.
31 Eene vordering tot vereffening van proceskosten is uiet-ontvankelijk, waar die reeds bij het eindvonnis zijn geliquideerd.
KIquot;'. 1 linten, v. 30 Sept. 1870, W. n0. 4573.
112. De vereti'eningsprocedure is eene voortzetting van het geding waarin de veroordeeling in de kosten is uitgesproken ; zoodat die procedure tusschen dezelfde partijen moet worden gevoerd, zonder dat verandering van staat (zooals in ca.ta door huwelijk) daarop van invloed mag zijn, tenzij de oorzaak der schorsing is beteekend.
Ait.-R. Amsterdam, v. 24 Jan. 1882, R. 1!., Jg. 1882, .1. p. 168. â Verg. echter wat het laatste deel der uitspraak lietreft, I'. II. v. Overijsel, v: 10 Jan. 1800, W. n°. 2144. â waarbij is aangenomen dat de beteekening der oorzaak van schorsing naar aanleiding van art. 255 1!. R. van geen invloed meer kan zijn, als zijnde het rechtsgeding in staat van wijzen. Verg. aant. 2.
33. Wanneer de rechter bij zijn vonnis de proceskosten niet heeft geliquideerd en getaxeerd, behoort ook na de invoering der wet van 23 April 1879 (Sfhl. no. 75) de verellening volgens dit artikel en volgende plaats te hebben.
Ivtg. Tilburg, v. 1 Juni 1883, \\ . n0. 4935.
34 Zie ten betooge:
a. Dat, indien al art. 59, al 3 B. R., j0. art. 173 der Grw. v. 1815, moet geacht worden te zijn geschonden, als eene veroordeeling tot schadevergoeding is gegrond op, en gemotiveerd door aanhaling van art. 612 B. R., daardoor wellicht opening is gegeven nan de toepassing van de bepalingen van art. 382 B. R. op het rekwest-civiel, maar geenszins tot cassatie â
art. 99 R. Org., arrest v, 16 Dee. 1842. snh n°. 4, dl. II. p. 38, 2de ed., ad art. 99 ll, sub n0. 4.
1149
Art. 613.)
/j. Dat, wanneer bet vonnis is gewe/.en bij verstek en de veroordeelde partij mitsdien geene woonplaats heeft geko/en. of, indien het geldt een vonnis van een Kantongerecht, waarin de gedaagde in de meeste gevallen ook geene woonplaats gekozen heeft, er alsdan geen ander middel overblijft dan om de beteekening te doen aan den persoon of aan de werkelijke woonplaats der partij â-
de I 'into, lid/. H. 11.. dl. li. '2. p. 671, 2cle ed., p, TUT e;i- OiidemüSquot;. II. It., dl. II. ide ed. p. 226.
c. Dat een geschil over de likwidatie der proceskosten waarin een der partijen door den kantonrechter verwezen is, ook tot de kennisneming van dezen rechter behoort â
het sub art. 4:55 B. II. vermeld vonnis Ivt^r. Tiel, v, 7 Febr. 1859.
IÃ.V Zie omtrent de vraag, of eene veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, op te maken bij staat, altijd appel-label is â
art. 54 R. Org., arrest v. 2S Dec. 1842, sqq.. sub n0. I. (dl. II. p. 15), 2de ed.. ad art. 54, al. 2 sub a0.1, en omtrent de mogelijkheid tot dadelijke iiegrootlng der schade, in het vonnis zelf hij eene civiele schade-actie en wanneer daartoe, gelijk in casu, genoegzame voorlichting aanwezig is â een vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 27 April 1854, W. n0. 1559 en van die te Amsterdam, v. 16 Mei 1872. U. H.. jg. 1876, .1. p. 273, of. Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Febr. 1878, W. n0. 4278, R. I!., jg. 1878, .1. p. 288, waarbij is beslist dat, alhoewel de eischer den rechter zoo mogelijk tot dadelijke begrooting van het scbadecijfer behoort in staat te stellen, het verzuim daarvan geene niet-ontvankelijkheid der vordering tot schadevergoeding nader op te maken bi j staat ten gevolge heeft. Anders A it.-K. Groningen, v. 4 Febr. 1875, R. I!.. jg. 1876. .1. p. 96.
Arl. 613.
I- De bepaling van art. (513 15. li,, houdende, dat de verweerder gedeclareerde binnen veertien dagen na de beteekening van den
A-ij-/4quot;^staat van kosten gehouden is een aanbod te doen, heeft, in verband
/ / ö
r-iC. ,, ^ t- volgende art. 614, kennelijk de strekking om partijen op
.. , ^-7___«vr» 0
l' n eene legale wijze in de gelegenheid te stellen, zich in der minne en
14..o-f /0 ' _
, ' zonder de recliterliike tusschenkomst ten aanzien der verefleninii: van
SUw* l/j ^ .1 ö
«nvt proceskosten te verstaan.
^ J.J £ - â ]- 'tt-rt ii /= * .i. , Sri /' K' ix t
tjc ren ^ ^ ^ ' * 1â
ÃX'Ca L. 1 r' ~ ^ lt;â V _ .....Ir*1 l,
rjU-gt;x s?r/'/rTamp;: .gt;2, /amp; .
J? L '. 7. ( {(* yy *1 1 ' f i t
1150
(Jrt. fil3.
J151
Het verzuim om binnen den bepaalden termijn een aanbod te doen kan rechtens geenszins dat gevolg hebben, dat het bedrag van den staat van kosten onherroepelijk zou vaststaan, zoodat de gedeclareerde zelf zou zijn verstoken van de bevoegdheid, om den staat te contestee-ren ; maar heeft de declarant daarentegen steeds het recht om na het verstrijken van dien termijn (hetzij er een aanbod gedaan is of niet) het geschil op de terechtzitting te brengen en door den rechter te doen uitwijzen; kunnende in dit geval het door hem begaan verzuim alleen van invloed zijn op de uitspraak over de kosten, op de vereffening quot;ev all en. lt;gt; _,
Air. v. 'iquot;) Juni 1 STiÃ, W. n0. 1340; U., dl. X1.11. § 33; idem hij arrest ' %. 27 Juni 1X5(1. li., dl. LUI, § 52 en liij arrest v M Kebr. 1873. R., ^ dl. CUT, § 2. R. R., jg. 1873, W. 415, in strijd niet liet Opent). Min , J
Arr.-R. Deventer, v. 15 Felir. 18(i0, R. 1!.. jü'. quot;1801, dl. XI. lil. 406, Arr.-R. v ^ /.
/ Amersfoort, 5 Sept.1800, R. Ti.. Jg. 1801, dl. XI. lil. 479; Ktg. Ridderkerk, v. uy't. 19 Jan. 1859, W. n0. 2098. idem Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Jnli 1875, R. li., y jg. 1870, .1. p. 98, ook vermeld sub art. 57 B. R. n0. 8; cf. Arr.-R. 'f'i' Middelburg, 15 Febr. 1805, R. li., jg. 1860, p. 502; idem Arr.-R. Utrecht, ' v. 28 Aug. 1878, R. Ti., jg. â¢1879, A, ji. 103; idem bij arrest van 'tl'. 11, v. N,-Holland, v, 31 Jan, 1842, W. n0. 275; R. Ti., ,'jg. 1842, dl. IV, p, 67â71; R., dl, X., ^ 2S; Rcyl in Aff/o'/.. dl. III. p. 193 en 194; idem ' quot;'/ â bij vonnis der Arr.-R. Leiden, v. 3 Maart 1846, W. n0. 692; Amsterdam, yt* ft* v. 8 Febr. 1854, AV. n0. 1528; R. 1!.. jg. '1854, p, 284â286; verg. ook T', TT. v, Gelderland, v, 10 Jan, 1844, bij Mr. ITekïzvei.d, ut supra, p. 30 sq. idem de Pinto, /f'//. B. I!.. dl. II, 2. p. 672â(gt;75, 2de ed., p. 738 sqq. en Tlti'in/.s. jg. 1844-, dl. V. p. 242 en OüHEMAX, JJ. li., dl. II. 4de ed., p. 228 en 229, die. boewei aldaar de bedenking van den TToogl. v. TIai.i . R. Ti., jg. 1843. dl. V. p. 195, dat namelijk een geschil over de verelle-ning der kosten, een geschil is over de executie van bet vroegere vonnis, betwelk als een eindvonnis moet worden beschouwd, gewichtig ooi'deelende, en ofschoon mede geneigd het geschil over de proceskosten te beschouwen als een geschil over de executie van het vonnis, bij hetwelk de succum-beerende partij in de kosten is -veroordeeld, het daarom niet noodig acht tot eene andere conclusie te komen dan de beslissing in bovenvermelde arresten enz. vervat; â anders bij vonnis van de Arr,-R, Haarlem, v. 28 Dec. 1841, R. li., jg. 1842,dl. TV, p. 19â22, alsmede bij arrest van het P. TT. v. N.-Tirabant, v. 9 Nov. 1841, W. n0. 237; R., dl. IX, § 25; idem in een vertoog in bet R. B., jg. 1839, dl. I. p. 225 sqq., alsmede door den proc.-gen. bij bet P. TL v. N.-Holland, in zijne conclusion, welke hebben geleid tot het in eenen tegenovergestelden zin gewezen arrest van quot;t P. II van N.-Holland, ut supra, R. li., jg. 1842, dl. IV, p. 35â38; Rcyl, in Nederig dl. ITT, p. 188, naar luid van welke conclusie en sommige beslissingen, een staat van kosten opgemaakt ten gevolge van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, en waartegen niet ingevolge art. 613
77.
f
T
I
Art «13.)
1». R., binnen 14 dagen na de beteekening aanbiedingen gedaan zijn. beschouwd moet woi'den een integi'erend gedeelte van betzelfde vonnis nit te maken, welk beginsel mede imjilicitc is gehuldigd bij arresten van 't \\ II. v. N.Holland, v. 24 Dec. 1850, Amslercl. licytsjH'., dl. I, p. 205 en 2(K), waarbij is beslist, dat bij gebreke van eenig aanbod binnen den termijn bij art. 61 ^ vermeld, de rechter in dit geval de kosten zal be-grooten op het bedrag daarvan, door de wedei'partij bij staat opgemaakt, â terwijl al verder meer in den geest van voormeld arrest van den Hoogen Raad is beslist, bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Oct.
1840, R. li.. jg. 1842, dl. VI. p. 799 en bij arrest van 't P. 11. v. Zeeland, v. 28 Febi*. 1843, II. B.. jg. 1847, dl. IX. p. 13 en 14; v. 20 Mei 1841, R. Igt;., jg. 1847, dl. IX, p. 644 en 045; v. lt;S Jnni 1847, R. B., jg. 1848, dl. X. p. 150 en v. 4 Febr. 1851, R. B., jg. 1852, p. 008â070, dat, ondanks het niet doen van een aanbod of het doen van een voorwaardelijk doch onvoldoend aanbod binnen den wettel ij ken termijn, de npge-nlaakte en beteekende staat van kosten aan (1(^ beoordeeling en taxatie des rechters blijft onderworpen (1). â Vgl. hiei'inede het met deze kwestie in een nanw velband staande arrest van den Hoogen Raad, v. 8 Oct.
1841, snb art. 012 li. R., n0. 1 : alsmede ten betooge dat bij verzuim van aanbod de gerequireerde de proces kosten moet dragen, ook ill had de requirant te veel gevorderd arrest,â P. 11. v. Overijsel, v. 20 Mei 1843 en v. 20 Nov. 1875, bij Mr. 11F.irr/VF.i.n, ut snpra. resp. p. 1() en 121.
ilet aanbod oj) een beteekenden staat van kosten gedaan, om te betalen zoodanige som, als de rechtelijke taxatie der beteekende declaratie van kosten zal uitwijzen, is niet genoegzaam en voldoet niet aan de wet
1152
{Art. (U.S.
I'. II. v. Zeel ami, v. 28 Kc.lir. 484-3, R. li., jjr. '1847, ill. IX, |gt;. 1 â gt; en 14 en v. 8 Jiini '1847, R. 1»., jgquot;. '1848, ill. X. |gt;. 1.; idem P. II. v. Z.-l lolhmil, v. '18 April 1855, VV. n°. ilW.l en 1'. II. v. Zeelanil, v. 1 Sept. 1857. I!. I!., j^. '1858, ill. VIII, lil. 3(il); iilem (alwiiar het jiulil liet aan-liml inu voor kosten te lietalen; «zoo veel als ile recliter zal goedvinden te begiijpen. dat onder de noodwendige salarissen belioort, die aan den gedaagde aan te i'ekenen zijn»), liij vonnis van de Arr.-li. Leiden, v. 15 Maart â 184(1. W. n0. C.ü'i.
3 Ken gedaagde, erkennende de verschuldigdheid van .schadevergoeding kan, ter bespoediging van de bepaling dezer schadevergoeding, het bij dit artikel bedoelde aanbod doen, zonder af te wachten, dat eene veroordeeling tot schadevergoeding tegen hem zij uitgesproken, noch dat daarna door den eischer aan hem een staat der te vergoeden kosten, schaden en interessen beteekend zij.
Arr.-R. Maastridit, v. '21 Inni '1855. VV. n'. 11gt;81 i: cf. aant. 7 op art. Cil-J li. I!.
â 4. liet aanbod oehoelt niet gepaard te gaan met het aanbieden van ge reedt- penningen.
1gt;. II. v. Zeeland, v. 1!) Oct. 1858. H. li., jg. 1859, dl. IX, 1.1.487 489.
â¢quot;». De gedeclareerde is niet verplicht bij het door hem overeenkomstig dit artikel gedaan aanbod ook nog bovendien eene zekere som voor nakostftn aan te bieden.
P. H. v. Groningen, v. 17 Sept. 18(gt;7. VV. n0. 2951, vernield suli art. (M4 li. R.
Ook bij verschil van partijen omtrent een enkelen post, zijn alle posten aan 's rechters vereffening onderworpen.
I'. II. v. Overijsel, v. 18 Nov. 1872, bij Mr. llF.iiTZVKl.n, nt snpra, p.'103. waarbij mede is aangenoraen dat wanneer twee likwidatie-procedures worden gevoerd, de eene voorzien bij artt. (512â614 en de andere bij art. 015 W. v. B. R., en de staat in twee hoofdrubrieken is verdeeld, alsdan op elke dier rubrieken de voorschreven beginselen nfzonilerlijk moeten worden toegepast.
Art. 614.
I . Indien een gedaagde is veroordeeld tot uitreiking van goederen het vonnis opgegeven, en bij gebreke daarvan tot vergoeding van
Mr. W. van llnssKM Hz., liury. Jiechlsv.
11 r,:;
/tM.
jfvéèb^J iJQe^ HjcS, ufycji-j.
Art. 614.) 1154
kosten, schade en interessen, nader op te maken bij staat, de eischer ten gevolge daarvan dien staat heeft opgemaakt en aan den gedaagde doen beteekenen. alsdan heeft de gedaagde, die een aanbod heeft gedaan met betrekking tot de goederen en zich niet tevens mbonlinaat over den hem beteekenden staat van kosten en schade heeft uitgelaten, na de afwijzing van dit aanbod, geen recht te vorderen, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld, om tot betwisting en verevening der berekende schade te procedeeren.
An1, v. '28 April 1847, \V, m0. 889; ({.. dl. XXVII. ^ 36, v. n. II.. II. . dl. VIU. p. 453â471; bevestigende het daartoe betrekkelijk arrest van quot;t P. II. v. Gelderland, v. 15 April 1840. \V. n0.8(i(l; li. li., jg.1840. dl. VIII, 489â4111.
'i. Hij, aan wien een staat van kosten, schade en interessen wordt beteekend, waartoe hij bij vonnis eener Rechtbank was veroordeeld, in verzet komende tegen het arrest, waarbij zijn beroep van dat vonnis, bij verstek tegen hem appellant nietig is verklaard, kan niet tevens de merites van dien staat van kosten, schade en interessen debatteeren.
P. II. v. Zeeland, r. 12 Mei 1840. R. li., ,jg. 1840. dl. VIII, p. OIO.
3. Bij eene begrooting van schade door wanpraestatie van den gedaagde geleden, welke heeft geleid tot de nietigverklaring van den koop en verkoop van eene aanzienlijke partij goederen, kan de rechter, indien de declarant en gedeclareerden het over het bedrag daarvan, mitsgaders over het gewicht van de goederen, waaromtrent de ontbinding van de overeenkomst is uitgesproken, oneens zijn, niet zonder voorlichting van der zake kundigen tot eene begrooting daarvan overgaan.
Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Maart 1854, R. li., jc. 1854. p. 304â300.
â J Wanneer het blijkt dat de declarant het aanbod van den gedeclareerde heeft aangenomen, en deze niet in mora is geweest, is eene rechtelijke beslissing onnoodig, en behoort de declarant de kosten der likwidatie-procedure te dragen.
I'. II. v. Uroningen. v. 17 Sept. 1807. \V. ii0. '2951. vermeld soli art. ü 13 I!. R.
O
. 6-- i-ir-ij-. UVp
1155 [Art. filó.
Art. 615.
Krachtens art. A der wet van 23 April '187i( [Slhl. n0. 75) moet aan liet slot van ilit artikel worden toegevoegd: intM uitzondering van die, bedoeld in liet derde lid van art. 56» (1).
i . Wanneer de curator in een gerlinjr, door den gefailleerde aangevangen vóór het faillissement, doch door hem voortgezet, wordt in het ongelijk gesteld en in de kosten veroordeeld, dan zijn daaronder begrepen de kosten, zoowel vóór als die ua het faillissement zijn gemaakt.
Arr. v. 27 Kebr. I87i. W. n0. :!6(.M ; 11.. dl. CVI. S 23; v. n. II.. li.lt.. dl. XXXIX. p. 205â208; idem arrest v. 18 .limi 1875, W. n0. 38(iti. R., dl. CX. S 30.
'i Uit eene betaling op rekening van proces-kosten gedaan, is wel af te leiden een'e erkentenis van proces-kosten verschuldigd te zijn, maar geenszins eene goedkeuring van het volle bedrag, of afstand van de gerechtelijke verevening.
P. H. v. Drente, v. 4 Dec. 1841, U.. dl. XL ^ tlli.
Jl. Het aanbod eener bepaalde som tot voldoening van proceskosten, welke de succumbeerende partij beweert te hoog te zijn gesteld (waaromtrent niet van toepassing zijn de voorschriften van art. 794 B. R ; â cf. art. 794 H. R., arrest van het na te melden 1'. 11.) kan in rechten worden beoordeeld en moet bij zoodanig beweren niet noodwendig de taxatie gevraagd worden.
P. II. v. Drente, v. 4 Dec. 1841, R., dl. XI. $
lt;4. Onder de kosten van verevening behooren geene salarissen van advocaten te worden begrepen, vermits hun ministerie tot dit gedeelte der procedure niet noodig is geacht.
Ari'.-R. Leiden, v. 3 Maart 1846, W. n0. 61)2.
S. De gedaagde, die een onvoldoend aanbod doet, behoort te worden veroordeeld in de kosten op de verevening gevallen, indien door den rechter geene termen worden gevonden om ambtshalve de declaratie, te wijzigen.
(I) Alhoewel vele beslissingen tengevolge van de aangehaalde wet van 1879 haar direct belang hebben verloren, zoo kwam het toch niet onnuttig voor ze ie vermelden.
/$ */'lt;*^-. /JO V/ ^cP/ö ^ â -Coa^)
(£4l^n^â Art. 615.) jïe-^-o 1156
I*. II. v. Zeelanfl, v. S Jnni i8/i7, R. R., Jq-. ISiS, dl. X, p. 150. â Vgl. in verband liierniede oen vonnis van do Arr.-R. Leiden, v. .'gt; Maarl 18/M), VV. n0. r»(.gt;i. waarbij is beslist dat. indien de gedaajzdo wordt voi-klaard in ver/nim te zijn door liet niet doen van oen goldii»; aanbod en «Ie vordering des eiscbers aanmerkelijk wordt verininderd, beide partijen oj) eenige punten over en weder in het ongelijk moeten worden gesteld. on al zo o elk een zeker aandeel in do kosten dor verevening behoort te dragon; idom arrest van t P. II. v. Overijssel, v. ilt;S AjiimI 1859, bij Mr. IIeutzvf.i.d, nt snpra, bl. 63, terwijl bij arrest van 'tp. 11. v. Zeeland, v. /| April '1851, R. li., jg. 1852, p. 008â070. is beslist, dat indien de beteokondo staat van kosten wol gedeeltelijk verminderd wordt, docb dilt;k vermindering zeer gering is en do gerekwiroerden Inm aanbod te laat bobben gedaan, zij moeten geacht worden in hot ongelijk te zijn gestold en mitsdien voor hot geheel te worden veroordeeld in do kosten op do verevening gevallen. Verg. bot aangeteekende sul» art. 50 7?, R R., n0. 40.
li. De taak des rechters, belast met de vereffening van proceskosten, bepaalt zich tot de beslissing van de vraag, of de, door de bevoegde autoriteiten, getaxeerde posten van de verschillende declaratiën, als noodwendig gemaakte kosten, ten laste van de verliezende partij moeten gebracht worden, zonder dat het quantum van ieder dier posten, op zich zelfs, een onderwerp van 's rechters cognitie uitmaakt.
1'. n. v. N.-Hollani). v. 19 Maarl 1857. R. I!. jg. 1857, dl, VII. bl.
533â534.
S. Wanneer partij in hooger beroep door een anderen advocaat wordt bijgestaan, dan in eersten aanleg, kunnen de kosten van dezen laatsten, voor zooverre zij als noodwendig gemaakt, ten laste van de verliezende partij komen, zich niet verder uitstrekken, dan tot die bemoeiingen na afloop van het geding in eersten aanleg door het daar in gewezen eindvonnis, die noodzakelijk waren ter inlichting van den advocaat, met het voeren van het geding in appèl belast.
De kosten van den advocaat in hooger beroep kunnen niet verder op de verliezende partij verhaald worden, dan tot aan den afloop der pleidooien in appèl.
P. IJ. v. N.-Holland, v. 19 Maart 1857, R. B.. jg. 1857, dl. VII. bl. 533â534.
S. De kosten gemaakt voor de beteekening van een vonnis, waarbij een verzoek tot interventie wordt toegestaan, die, volgens de wet, door de meest gereede partij, tot voortzetting van het geding kan gedaan
1157 (Art. (gt;15.
worden, zijn niet noodelooze, doch noodwendig fjernaahle kosten welke o]) de verliezende purtij kunnen worden verhaald.
1'. II. v. N.-Holland, v. Ill Maart IS.quot;)?. R. !gt;., Jtr. IS,quot;)7. dl. \ II. lil. r)33â534.
Het beweren, dat honorair en salaris te hoog zijn opgevoerd, is ook zonder specitieke opgave, welke posten te hoog gesteld zijn, als tegenspraak op den bevorens beteekenden staat aan te merken.
P. II. v. Zeeland, v. 19 Oct. 1858, R. 11.. jg'. 1859. dl. IX. bl. 487â489.
IO. De partij, welke in de proces-kosten verwezen is, is niet gehouden tot het doen van een aanbod, zoolang de tot bewijs van den staat van kosten strekkende bescheiden niet aan haar zijn medegedeeld of ter gridie nedergelegd
Ai r.-R. Amsterdam, v. 2(i Oct. 1858. R. R., jg. 1859. dl. IX, bl. 167â109.
I I Indien de winnende partij bij vergissing kosten mocht hebben betaald, waarvoor de verliezende partij direct aansprakelijk zijn zou, kan zij die betaalde kosten niet van de verliezende partij bij de ver-eflening terugvorderen.
Ktg. Ridderkerk, v. 19 .Ian. 1859, VV. n0. 2098.
I 'i Eene vereflening van kosten zonder specificatie gaat in rechten niet op.
P. II. V. Zeeland, v. 29 April 1862. R. li., jg. 1864, dl. XIV, bl. 120â121.
158. Ter toepassing der voorschriften van art. 615 15. R. wordt gevorderd, dat door den rechter eene verwijzing in de kosten hebhe plaats gehad.
Ivtlt;r. 's Graven 1ïage. v. (3 Jan. I8(gt;8. \\ . n0.
l-l. Zelfs wanneer de verliezende partij (gedeclareerde) zich aan het oordeel des rechters heeft gerefereerd, kan op een ongespeciticeerden staat der proces-kosten geen recht worden gedaan.
Arr.-R. Zionkzee. v. Ki Mei 1879. W. rr. 4380, R. I!., jg. 1880. .1. |). 22.
â .V De vordering tot likwidatie van proces-kosten is ontvankelijk, ook als een aanbod van gereede betaling gevolgd door consignatie vóór het beteekenen van den staat van kosten is gedaan.
Ktg. Assen, v. 19 Juni 1879, R. B., jg. 1880, 4, p. 2H.
A rl. 615.)
tlt;». Zie ten betooge dat bij eenc veroordeeliug in de kosten ter. behoeve van meerdere eischers uitgesproken, elk hunner slechts aanspraak heeft op een gedeelte daarvan â
het sub art. 50 B. R.. /. vermelde vonnis van de Air.-li. Amsteidam. v. 10 Oct. 1840.
â Zie omtrent de vraag, hoever do verwijzing van art. 125 li. li. tot do bepalingen van artt. 012â015 kan getrokken worden â art. 125 li. li, snh ii0. 5 c en art. 4-35, Ktg. Loenen, v. 28 Sept. 1853. sqq. snb n0. i.
__ Met den Oden titel van 't 2e boek van 't Wetb. van li. R. staat in verband:
1°. art. 244 der Alg. Wet v. 20 Aug. 1822 (gt;/W. u0. :!8). en 2°. het daarmede nagenoeg gelijkluidend of overeenstemmend art. 280 der Gemeentewet (v. 29 Jnnl 1851, Slhl. ii0. 85), als mogende, volgens beide wetsartikelen, de staat van do op te maken kosten, schade en interessen van vei'kccrd-clijk mtvjclumhle (/ocdercii. niet niccr bedragen dan één ten honderd s inaauds van de waarde dier goederen.
Heide laatste wetsartikelen hebben aanleiding gegeven tot twee niet onbelangrijke recbtskwestiën, vooreerst, of de maatstaf der schadevergoeding, bij art. 244 der voormelde Alg. Wet vastgesteld,ingeval van verkeerde aanhalingen van üdederen, toepasselijk is op de vergoeding van schade, veroorzaakt (huif hrl zonder weltelijhcn lt;frond in beshcj nemen cn weyvocrcn ven wcrlUuufcn ml rcnc f'ibrii'k, hij Cfcsnstinccrdc overlrcdiny cenvr of ondcrc brlnstiin/irrl. In (â en ontkcivncndcii. zin is dit rechtspunt beslist bij ai r. v. 't P. II. v. Gelderland, van 12 Oct. 1842, R. B., jg. 1843, dl. V, p. 280 en 287, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 14 Maart 1842, li. li., jg. 1842, dl. IV, p. 004 -000 (bereids vermeld op art. 1401 li. \V., sub n0. 148); â anders echter bij vonnis van do Arr.-R. 's Gravenbage. v. 20 Febr. 1855, W. ri°. 1032. Het arrest v. quot;t P. II. v. Gelderland ten deze berust op de navolgende overwegingen:
quot;Dat in het algemeen bij art. 3 der Wet v. 20 Aug. 1822 bepaald is, dat door bot woord: vriocderenquot; in die Wet worden begrepen allo waren en koopmanschappen, geeno uitgezonderd, mitsgaders paarden en allerhande vee;
»Bat hieruit reeds van zelf volgt, zoo als ook de lezing van de artt. 200, 242, 243 en 244 en volgg. in een natuurlijken zin medebrengt, dat, wanneer in die Wet van aanfjehaalde (jocdcren wordt gesproken, aan geene andere goederen wordt gedacht dan aan waren en l.oojimnnscltdjgt;igt;en aan rechten van in-, uit-of doorvoer, dan wel aan accijnsen onderhevig, en ter zake van gesustineerde of werkelijke overtreding dei' wetten op het stuk dier rechten, hetzij wettiglijk. hetzij wederrechtelijk aangehaald;
«Dat deze uitlegging van het woord (/oederen, speciaal ook in art. 244, bevestigd wordt door den officieëlen Franschen tekst, in den tijd van de Wet v. 20 Aug. 1822 uitgevaardigd, alwaar dit woord vertaald is door niarc/nuidiac.s;
«Dat ook alleen iu dien zin de vergoeding van schade door verkeerde aanhaling, berekend op een maximuni van één ten honderd der waarde van de aangehaalde goederen, als eene leczcnlijhc en alleszins billijke schadeloosstelling kan worden beschouwd, doch dat dit geenszins het geval zou zijn, wanneer diezelfde maatstaf werd uitgebreid tot gevallen als het onderwerpelijke en toe-
1158
[Art. 615.
gepast op it'crl;l((ilt;icn, of ook wol tot gedeelten van werktuigen nit eene fabriek uitgebroken, in beslag genomen en weggevoerd, ten gevolge waarvan een ingezeten in de uitoefening zijner broodwinning wederrechtelijk i.s verhinderd geworden, vermits de onbeduidendheid van de alzoo te geven vergoeding tot ongerijmdheid zou leiden, en alsdus het rechtsbeginsel, ook in art. 192 der Wet v. 20 Aug. 1822 gehuldigd, dat een iegelijk gehouden is de schade, die liij door zijne daden aan anderen toebrengt, te vergoeden, niet betrekking tot de administratie van 's lands belastingen in dit geval ten eenemaal zon zijn verkracht.
liet tegenovergesteld beginsel, aangenomen hij vonnis der Arr.-R. te quot;s Hage ut supra, is gegrond op de motieven als volgt:
»Dat volgons de bepalingen der Alg. Wet v. 20 Ang. 1822 (Slhl. n0. ^gt;8) en naar den aard hunner function, de beambten bevoegd en verplicht zijn, om. wanneer redelijke vermoedens hun ter goeder trouw daartoe aanleiding en genoegzarnen grond schijnen op te leveren, met observantie der bij de wet bepaalde formaliteiten, visitation te doen, en daartoe termen vindende, bekeuring aan to zeggen en de verdachte goederen aan te halen en op te brengen, terwijl het aan de administratie is verbleven de handelingen der beambten als genoegzaam gegrond ie approberen en de gedane bekeuring te vervolgen;
»riat deze handelingen der beambten, door de wet geboden en op de wet berustende, nimmer als onrechtmatige daden kunnen worden beschouwd:
Dat dan ook de visitatie en bekeuring, volgens het overgelegd proces-verbaal, regelmatig geschied zijn. de aanhaling en opbrenging der goederen van den oischer (bestaande in H/iecic in gereedscliappen en llesscben gedistilleerd, wolk oen en ander later van wege de administratie, zonder eenig verder gevolg te geven aan de gedane bekeuring, ten huize van den bekeurde is terugbezorgd), als noodzakelijk en wettig gevolg daarvan, niet is of kan zijn eene wederrechtelijke daad, welke grond kan geven tot eene vordering van schadevorgoeding. volgens art. l'iOl li. W.quot;
Gelijk blijkt nit de conclusion van partijen en van hot Openb. Min., laatst-uomold vonnis voorafgaande, is hot daarbij aangenomen beginsel niet van wege de administratie, noch door het olïicie aangevoerd on mitsdien door de Rechtbank ambtshalve aangevuld. â Daargelaten in hoever dit kan geacht worden slechts de aanvulling te zijn van een rechtsgrond, in don zin van art. 48 15. 11.. mag hot verwondering baren dat de Rochtb. in deze in goone ontwikkeling hoegenaamd is getreden omtrent do onderscbeiding tussclien de verkeerde aanhaling van goederen, dan wel van gereedschappen en, gelijk uit do onderhavige zaak blijkt, met het oog op een en ander, zich alleen heeft bepaald bij eene alquot;'emeene beschouwing over hot recht verstand van hetgeen dnor onrechtinatigo daad moet worden verstaan. â Wat mij betreft, kan ik mij geenszins vereeni-gon met bet beginsel, hetwelk de Rechtbank in deze heeft vermeend ambtshalve le moeten aannemen, en vereenig ik mij met de gronden, daartegen in hel voormeld arrest v. 't 1'. II. v. (toldorland. Iievestigende een vonnis van de Arr.-R. le Arhem. aangevoerd. Ik meen er dit Le moeten bijvoegen, del arl. 2i i nar AUj. Wei zx'l oii cchc s/ifc tftlc Jirjtftl in'!. quot; vu a hot gcniccuc vcchl.
i.vfidi'VfiH '!lt;' stt'ililc tiiejtiilt;i. nnfn' tnsrji'ii vun t'i'chlcii, steels tjt.'hicilcHiJ wordt ycvorderd; dan bet er bovendien, ia het slchcl run de Hcchlhc.iih, minder toe afdoet, of de ongegronde aanhalingen, het zij van de goreedschappen. hetzij van de goederen, al dan niet eono o/irechtniatige daad van de ambtenaren
1 15'.)
Art (I I 5 )
daarstolt, omdat in ieder geval die daad. ook liij het ontbreken der culpd of van den dolu*, grond geeft tot schadevergoeding, docli in dit geval die schade, volgens het vonnis, is beperkt tot het maximum, vermeld in art. 244 der Algem. Wet (en ook in art. 280 der Gemeentewet); en eindelijk, dat. wanneer die daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebracht {tout fait quid-ronque de Hiommc qui cause ü nul rui un dumtnaije, volgens art, 1382 Code Nap.), aanspraak geeft op vergoeding, het beginsel van art. 1401 li. W. van toepassing wordt, ook dan wanneer al die daad niet volstrekt onrechtmatig mocht zijn. â Vgl. ook hiermede het arr. (H. R.) v. -18 Febr. '1853. sub art. 585 B. R. in fine.
De tweede niet minder belangrijke vraag, waartoe de Ode titel van t 2de boek van 't Wetb. v. 11. R.. in verband met art. 244 der meergemelde Alü. Wet en het nagenoeg daarmede overeenstemmend art. 280 der Gemeentewet, heeft geleid, is deze: (If dan. wanneer ter zake van verkeerde aanhaling van goederen is ingesteld eene actio, nit krachte van artt. '1401 en 1403 li. W.. of met andere woorden, is geconcludeerd tot vergoeding van al de door eeue wederrechtelijke aanhaling geledene schade, op te maken bij staat, de eischer in die actie moet worden verklaard niet-ontvankelijk. Bevestigend wederom is die vraag beantwoord bij voormeld vonnis van de Arr.-R. 's Hage, v. 20 Febr. 1855 ut snpra. op grond:
«Bat, volgens art. 244 der dikwerf genoemde Algem. Wet. ingeval van verkeerde aanhaling, wel schadevergoeding aan den aangehaalde wordt toegekend, doch deze vergoeding alleen is bepaald voor het gemis van de opgebrachte goederen gedurende den tijd, dat de aangehaalde daarvan is verstoken geweest, berekend naar de waarde der goederen, en niet te boven gaande een percent 'snmands, maar niet is eene vergoeding wegens schade, veroorzaakt door onrechtmatige handeling der beambten, en niet is de onbepaalde vergoeding, in het algemeen toegekend bij art. 141H B. W . voor schade, door onrechtmatige daden veroorzaakt.
11 Dat des eischers vordering strekkende om vergoeding te bekomen voor de schade hem door de onrechtmatige inbeslagneming en wegvoering zijner goederen toegebracht, en bepaaldelijk gegrond op de artt. 1401 en 1403 B. W.. daarop art. 244 der gemelde Algem. Wet niet is van toepassing».
Dit zelfde beginsel is mede, met betrekking tot art. 280 der Gemeentewet, in zake P. K. Spruit contra het Gemeentebestuur van Zwijndrechtaangenomen bij arrest van 't P. H. v. Z.-Holland, v. 20 Juni 1854. bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Dordrecht, v. 23 Mei 1853. De gedaagde gemeente en evenzoo de oflicier bij de Arr.-R. Dordrecht, die Rechtbank zelve, de proc.-gen. en het 1'. II. v. Z.-Holland, (en later in cassatie de adv.-gen. Gregory) beweerden in substantie: haec non comjietil actio; dat de eischer niet-ontvankelijk was in zijne (jeheelc actie en op geene schadevergoeding hoetjcnaamd aanspraak had, uit hoofde hij meer had gevraagd, dan het bepaalde liij art. 280 der Gem. wet. â Hiertegen is in cassatie, bij monde van Mr. van Stipriaan Luïscius, o. a. aangevoerd, «dat de eischer voorshands alleen had gevraagd verklaring van zijn recht op schadevergoeding in. het uli/emec/i, afgescheiden van het bedrag, welk laatste was iiosterioris curae; dat dit recht op schadevergoeding den eischer was gegeven bij de artt. 1401 en 1402 B. W., en, voor zooveel noodig, was gesanctionneerd bij art. 280, al. 1 der Gemeentewet; dat, nu Rechtbank
J 100
[Art. 615.
en Hof zelve vooropstelden des eiscliers recht op scliadevergoeding, zij hem nooit niet-ontvankelijk liadden kunnen verklaren in zijne actie tot schadevergoeding'; dat toch de exceptie: haec non competit actio, eerst dan kon opgaan, als men ageerde uit een verkeerd fundamentum petendi; dat, nu de eischer vroeg vergoeding van al de schade, op te maken bij staat, nooit aan verkeerde actie, hoogstens aan iilnris itcHtio zoude kunnen gedacht worden; dat echter pluris pclitio nooit niet-ontvankelijk-verklaring der cjeheelc actie kon ten gevolge hebben, maar hoogstens, tegenover den verweerder, die niets aanbood, toewijzing van het verschuldigde, afwijzing van het meerdere; dat echter in den tegen-woordigen stand der zaak nog niet behoefde onderzocht te worden naar het quanUtm; dat de eischer ook hier vereffening hij staat kon vragen, en dat bij 's Rechters oordeel over dien staat, de vraag zou zijn of de eischer dien staat te hoog opvoerde enz.» â Met dit beginsel heeft zich de Hooge Raad ver-eenigd bij arrest v. ;!() Maart '1855, VV. n°. '1035, R., dl. XLIX, § 7'i; (hetzelfde arrest is opgenomen ad art. 280 Gemeentewet, 2de ed., n°. 1), hoofdzakelijk op grond (en wel ter zake der beweerde schending van de artt. '1401â'14031!. W., j0. artt. 612 B. R. en 280 der Gem.wet):
«Dat de aangevallen beslissing, waarbij is verklaard niet-ontvankelijk een eisch tot vergoeding van al de schade, te regelen hij staat, veroorzaakt door eene verkeerde aanhaling ter zake van gemeente-belasting, eeniglijk en geheel berust op de stelling, dat bij art. 280 der Gemeentewet zoodanige onbeperkte vordering zoude zijn uitgesloten en alleen zoude zijn toegelaten eene bepaalde vordering, het bedrag van één ten honderd 's maands van de waarde der goederen niet te boven gaande.
«Dat bij het Iste lid van gezegd art. 280 der Gemeentewet, de aanspraak op schadevergoeding, en dus het recht om die te vorderen, onbeperkt is erkend;
))üat bij het 2de lid daaraan niet is gederogeerd, maar slechts bepaald, dat de vergoeding niet meer zal kunnen bedragen dan zeker maximum in verhouding staande tot de waarde der aangehaalde goederen;
«Dat uit die bepaling wel volgt, dat de rechter verplicht is, hij grooter bedrag der schade, niet meer dan dat maximum toe te wijzen, maar geenszins dat de eischer verplicht zoude zijn op straffe van niet-ontvankelijkheid een bepaald bedrag in verhouding tot do waarde der goederen, dat maximum niet te boven gaande, bij de dagvaarding te vorderen, daar toch eerst na het begrooten der schade door den rechter, des noodig, op de wijze voorgeschreven bij art. 012 1!. R.. kan blijken hoeveel zij bedraagt, en in welke verhouding zij staat tot de waarde der goederen en eene vordering tot vergoeding van al de schade moet worden toegewezen; indien bevonden wordt, dat zij dat maximum niet te hoven gaat;
»Dat eene onbeperkte vordering tot schadevergoeding alzoo bij art. 280 der Gemeentewet uiet alleen niet is verboden, maar zelfs als geoorloofd is verondersteld. en dat bij het aangevallen arrest het Hof, door te bevestigen een vonnis, waarbij zoodanige vordering is niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij bij dat artikel zoude zijn verboden, dat artikel verkeerd heeft uitgelegd en geschonden, enz.» (Li:on).
1161
Art. OIR.)
,1)7. fil«.
I. In art. 125 15. 11 geene mekling gemankt zijnde van den 7den titel van 't 2de boek van^'t W. v. 13. R. moet daaruit noodwendig worden afgeleid, dat de wetgever dien titel met van toepassing heeft willen maken op zaken, bij den kantonrechter te behandelen.
Hieruit volgt, dat de schriftelijke verbinding voor de borgen in art. 619 15. R vermeld, niet toepasselijk moet worden geacht, daar waar het geldt een geschil betrekkelijk het stellen van zekerheid of borgtocht {in cam de cautio judicaium sold), door den kantonrechter bij
eindvonnis opgelegd.
Ktquot; n0. 11. Amsterdam, v. ±2 Fehr. 1*11. 1!. li., jg. Wi- '11. VI. p.
;!():! er, :»/.â ; idem l.E l'ivm. //'//., B. I!.. lt;11. H, tl, p. C7S, ............ p.
Wi- Om.EMAS, B. /;., dl. M. 1de cd., p. aö sqq.: I'KNNIN^. ad art. on Itciilsy. Adv., dl. II, p. 1^-125. â Cf. 't aangeteekendc op art. â Wr. li. I!.. 11°. A.
'i. De bepaling van een termijn voor het stellen van zekerheid in geval van voorloopige ten uitvoerlegging der veroordeeling komt eerst te pas, wanneer het stellen van zekerheid op de vordering van den veroordeelde bevolen wordt en kim daarvan geene sprake zijn, zoolang men niet, in weerwil van een door den veroordeelde ingesteld hooger beroep, met de ten uitvoerlegging wil voortgaan.
Kf 11° I, Amsterdam, v. 29 Oct. 1850, Amslvnl. dl. I.
IfiS-lTr'.; â in gelijken zin bij Lipman, B. li., p. '275, en nnjdmk-bij I'knnisg, ad art.; â anders echter in oen vertoog in 't W. 11°. b-u, alwaar hel zeer wordt afgekeurd, dat. hoewel art. IVIO voorschrijft, .la( hot vonnis waarbij bevolen w.irdt zekerheid te stellen, den termijn zal bepalen, binnen welken die zal moeten zijn aangenomen ol betwist, -echter gewoonlijk door de rechterlijke collegiën do provisie zo.....burgerlijke als in handelszaken wordt toegestaan, zonder dat in de arresten ol vonnissen do hiervoor in art. 010 IS. R. vermelde termijn bepaald wordt. De redactie van 't W. I. c. veronderstelt, dat het gevoelen van Oaruk, (lie. (hi. 1824, leert, dat de rechter bij het bevel tut voorloiipipe ten uitvoerlegging van zijn vonnis aan deze voorschriften van art. (gt;10 gt;.
niet gebonden is, doch daarvoor alleen eenige gronden van convementie âceft, welke alleen in iiu-r conslitxauh, in aanmerking zouden kmiiieii komen, onze Hoven en Rechtbanken op dit dwaalspoor heeft geleid. Men vindt op bovengemelde gronden, meer breedvoerig ontwikkeld, de leer van Carré wederlogd bij m. Pinto, Ih/I., B. R., dl. II, 2. p. (wbâ / . 2do cd., p. 742, die er meer bizonder tegen opkomt, dat in de praktijK voormelde wetsbepaling alleen van toepassing wordt geacht op de cautw judicaium aolvi.
1162
(Art. filfi.
Verg. Mr. 11. J. van Leeuwen, die betoogt dat liet nocli met den geest niicli met dc letter der wet is overeen to brengen, om bij een vonnis executabel verklaard bij voorraad, mits stellende cautie, geen termijn te bepalen binnen welken de zekerheid moet gesteld en aangenomen of betwist worden en dat de rechter ook ambtshalve zoodanigen termijn liepalon moet, ÃV. TJijdi'., dl. IV. jg. 1878, p. 52â59. T. z. p., bl. 59 sqq..
behandelt schrijver de vraag:
Wanneer begint de termijn van acht dagen, binnen welken do zekerheid moet worden gesteld, te loopen?
Mr. II. .1. van Leeuwen kan met de drie verschillende antwoorden.
die op deze vraag gegeven worden, niet raedegaan. â Do eerste meening (o. a. gehuldigd in een vonnis van Rotterdam, dd. '1 Nov. '1870, VV. n0.
â 5044 bevestigd bij arrest Hof 's Gravenhage, dd. 23 April '1877, VV. n0.
jfó -5109, R. I!.. jg. '1S7S. .1. p. 103, doch op andere motieven (1), als zoude ,de termijn beginnen te loopen van het oogenblik dat de geëxecuteerde de i/«gt;^«2^''Ji'quot;ïgt;'zekcrheid eischt), â acht do schrijver onjuist, omdat hij de stelling ver-
werpt dat liet stellen van zekerheid van do vordering dos geëxecuteerde lt;â 'lt;â
afhangt. â¢â De tweede zienswijze^Tdat do termijn begint te loopen van a. 7 ./2-af den dag van do beteekening van hot vonnis kan de schrijver niet ^ â¢c./C^o doelen, vermits zoodoende aan eene winnende partij zeer dikwijls eono doellooze ver|ilichting zou worden opgelegd, die eigenaardige moeielijk- . ^ ^ ' hodon kosten en formaliteiten medebrengt. Het stolsel der Amsterdamsche U ^ecl'tbaiik, als zonde do termijn van 8 dagen aanvangen op don dag ^
7*^quot; ^ volgende op dien, waarop do gecondemnoerde tegen het vonnis is gekomen u. /re.
Jimt ,|! verzet of cassatie, acht schrijver ook onjuist omdat de rfUio / ^ ^ L
A, i I , J ^ . . . . . ,, 'jt (*73
- voor liet stellen van zekerlieid /.. i. niet gelegen is in net appel, verzet/ '
*(****â ui' cassatie, maar in het exocutoeren niettegenstaande van deze rechts- ' '
middelen wordt gebruik gemaakt, zoodat schrijver als zijne zienswijze tiX
voorstelt dat dc tormijn begint te loopen op liet oogenblik dat do exocu- â , (- ^
'UnniUaiquot; (.|1|j eene (|,ia(| vall executie verricht, in weerwil van een bestaand
~ L-.t.
'â *'' verzet, ap|ièl enz.
Jfa. Cn'dH/at. .
:t Wanneer de termijn niet bij liet vonnis is bepaald, staat liet
ter beoordeeling van den rechter, die rechtspreekt op het verzet tegen Jirt* 1 TT? ^. ÃZss dat vonnis, of de feitelijk gestelde zekerheid bij tijds is geschied. H-
Arr.-R. Arnhem, v. '22 Fobr. 1855, U. I!., Jg. 1855, dl. V. bl. 450. 1. 1] ^J2-
â h' élyZ.
4. Het verzuim in een vonnis om den tijd te bepalen, binnen v 1 welken de bij dat vonnis bevolen zekerheid-stelling door de wederpartij moet worden aangenomen, kan niet in appèl hersteld, maar moet door /*.
/ x/
/*j~n:
(1) liet Hof bevestigde het vonnis en achtte dus het aanbod om zekerheid te stellen prematuur, op grond dat er nog van geene executie sprake kan zijn, en dus Is.
ook niet van het stellen van zekerheid, daar de voorwaarde waaronder de vordering zcaiA .'lt;1*^0'. was toegewezen (namelijk het afleggen van een eed) nog niet was vervuld. /Wc 7/3,
s
I] 63
J O.
c H ^ ^ ^7 * Ur Asa^r JU- l~cr-rn.-i ^Z-f ', l^a.â lZ-{^ r-iyt^ a ^Z. { rx t £ *.-A s
/f^rmq 7 ^ 'Xs ^ -t- ^ a 2 ^v-L. ^ ^ 1^ -w- £ f-l t^-_ 'U-ysr Xjz â £. Q - _____
^ i^«_-i, 7 'J t f ^?' lt;jtâ' iquot; (- amp;«... â ^ lt;t- »â lt;3- ': lt;Z*âgt; ^ 'V t^ryja. £*~a. -yâ â - c '1 -C. -' i-^-^--' f (â lt;â s
* ^ '^ArL fil'e.fquot; ^ ^
t\^.0-A ^quot;Tquot; ^ 'quot; ^z-t â â ' â¢â .- /vt 2# 'J I^T'-^ t?'â:â â¢;-' -gt; -t* ^ _
ri den eersten rechter zei ven op verzoek van de belanghebbende partij
â l â aangevuld worden.
, /if L I'- H. v. N.-Holland, v. G Maai t liSSO, W. n0. '1820, en liet naar aan
leiding van dat arrest gewezen vonnis Arr.-R. Amsterdam, v, 17 A|iri! ^c. '1850, W. n0. '1820, R. 1!., jg. 1850, dl. VI, p. lilC) sqq.
' â /ftj. lA'r-
**⢠11 is een dwaalbegrip, dat, zonder vooraf te hebben voldaan aan de voorwaarden van het vonnis, te weten het stellen van zekerheid,
/r?â¢
/£*- pM**1'- Arr.-R. Assen, v. 4 Maart '1807, W. n0. 2952. Anders Tijilschr. v. h. Lyu- Rcderl. Recht, dl. I, n. 300, waaiquot; betoofrd wordt dat het stellen van
Ccri/yr' ' ' 7 1 0
1lvrlt;A is*- ' borgtocht eerst te pas komt, als er werkelijk verzet of hooger beroep
^ fik ^ â¢y â Wordt gedaan.
' , fcjn-- De bepaling van art. 22 al. 2 van het reglement vastgesteld bij Kon.
besluit van 11 Jan. 1840 (Slhl. n0. 1) wegens het hooger beroep aan den .g.,4 '7- *â l' /_ Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door liet ' , Gerechtshof te Snriname, beeft deswegen alle onzekerheid wesgenomen.
Lrr-'f' ... . ' .
* ^77' â¬Â». Zie omtrent liet rechtsffevoli' van het niet stellen der cautio
' u6^' ⢠â¢
trW* quot; judicaturn. soln binnen den bij het daartoe betrekkelijk vonnis gestel-
ly' i (£⢠' \
/gt; à ^ gt;Z ⢠.\J ts9 rrl Z k. Cast--^. / 5~Z. 7*-° /*// S/£.
rf ''-i'-s -y»quot; ^IJ*n'/'JAVM*.e, / '
152 B/R.. arrest van quot;t P. II. v. N.-Holland, v. 22 Oct. 1840sqq..
** n°. ---7-----
h.lSquot;. /â â .. ⢠.ai . . ..-L x * L U â /
*rt. 018. .
^ 7? M----⢠h'â â â â * , ⢠' ^ f9 |
f. Bij het betwisten der zekerheid moet de opposant binnen den
l_tL i- , bij het vonnis bepaalden termijn zijne beslissing ter kennis van den
â '/ t~ Ui- rec',^er brengen, hij kan niet volstaan binnen dien tijd den geoppo- ^
^ ^ ^ seerde kennis te geven, dat hij betwist, en een lateren dag te bepalen, ^ lS^
waarop die zaak zal worden berecht. ?â¢' 2
Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Sept. 1870. \V. n0. 4441, U. 11. jg. 1882.
/ L J j 4, p. '170.
u L ?â ?!p'n'â
~ ^ie ten hetooi^e .
A-i-y a Dat, indien de partij, vermeld in art. 018 B. R., tegenspraak
Ui-JseAfui-U doet, zij verplicht is dit te doen binnen den bij het vonnis bepaalden Chat cU S-a j termijn, bij gebreke waarvan zij gehouden wordt de aangebodene zeker-/v»/n i'. heidstelling stilzwijgend te hebben aangenomen en later niet meer in het betwisten daarvan ontvankelijk is â
i /7 / , , ^ ^ ^
, _ J-ItascI .⢠°(i- rrvx^^p^é. u-o-yv. â-
â / { c' 3 L (a/. uquot;rCs.
trfrCCi^ ( i-i* ^ -4- ^ l» i-^^ aLo âJ ^ 5* ⢠t wlt;PJ ,
d ^^-»1- vquot;' âC-*t , '/^c *TJ1 , t L? f /â *â 7 1 ^ m
/v lisc. quot;let de executie zou kunnen worden bsgonnen.
cn^rCn^-o- -W . lt; '((£. cïrit-i 1 s t Ver-ir. /cPcP^ S/.S. O 5~//, éO'S. S-er-r^
fyfo o-^ eA 2- J7 ^ex^L.. ZcPcPcP /, cyf â¢
c ' *
â z^'li ^At
^ â¢â , , ^ é-c^.-£0^1 t-a2^3ix^ '^gt; ^ov-x^ lt;^- öe-A^-ïX^-L^- ^Xt lt;gt;,
/^ -^ryr.
v ^ ^ fn65 ^ 61^ ^7
Oiiiif.man. !gt;. It., dl. 11, 7?. /;.. We od., p. 2'i-i en uk 1'into, /gt;. /1'.. ir-z-i-n.Zb.iTE.
ill. II. li, |i. (iV'.l en (iS(gt;. Ãde ed.. p. 7i(i. Verg. beschik king Pres. derArr.-l!. $-(u:..üPirf
V liosch. v. 17 Aug. IS7(gt;, VV. 11°. :{249, en VV. 110. 3;}G(I. waai'liij werd , 1 lt;. '
lu'slisi, dat art. (VIS voor alle soori van zek(M'licid is gesclireven en dat de ' ^ aainieniing geacht moet worden aanwezig te zijn, waar de termijn voor-
oproeping ter terechtzitting verloopen is. /, ^
lil- 1 'into, //'//.. 7gt;. /;., dl. II, % p. (iSO, 2de ed.. p. 74(1; â andei I'F.nninü ad art.
b. Dat in eas van art. 6JS de eischende partij, al lieel't zij ook bij de afdoening belang, niet bet recbt heeft de zaak te vervolgen â
tSL- V
/^4- /â¢-/e^ tu-L*- rt-
Art. (gt;19. t/o-fif*-'
1'lr is geene reden om aantenemen, dat, in geval de; zc kerheid ^7^7 beslaat in eenen borg, er altijd moet zijn een verklaarde aanneming ' â -lt;/
v 'S j* -pj /1
van dien door de wederpartij of anders eene rechtelijke toelating. quot;
l'res. der Arr.-R. s Bosch, v. 17 Aug. 'IX7(t, vermeld snb art. f'rlS R. 15., *
waarhij nog werd beslist, dat aan bet woord'/(/u(/wwwci(, in art. 0'I9 1!. R., fje..
iieein; andere beteekenis kan ue^iven worden (l:ni die. waarin liet voor- 2^lt;y
knint in de voorafgaande artl. IVlIi en 1)17.
lt;7rgt; OJ: n *
t4xL. ^ (/?'6o57 A*â¢
â 'r y r s * ' *
, . /r
fr -L £ ,ti â ; ^4.^.
(yas's lt;gt;£-lt;â¢/. l/r*- C.f.a lt; ^ (jLcrcey *'/-*.(?* Oc- - ' ' Zcrz -lt;? C* rtK»-
l W f r( e*- ^' s â â ^ i t-' i t gt; f fa ^ gt; /quot; , ⢠{ /quot; '
{- *4-1 ' cytL^s.t-'-'TO -T-fr-rr : ' i. - ^ /lt;-,' :/
(fxC, ti-'cPyfY, (^nv. fa. .(/gt;. A y. y^7, C.x..
'
c V7. A tlt;s- lt;22.--1^4 ', C-JZ--ir-^rrsi/ia ^L. I ^ ^si4gt;
Irei JLa £
a_^
*11^1 j-i L? s'â.-: :1 rr- ,-Ca*â « «.^.-o.-^j.-r»»â, .-'- -y- â e-i, y- _ ... ran, - .J:;
Zl/J ~~Arl. 616.) 1164 ^
/ ////.' / / ? i 1 3 ^l- 2-^~â .-V â¢' -lt;â C^-2 -â quot; lt;Jlt;- gt;-^*r t^~r' 'Vt Z# c -^gt; /tTlt;-â lt;3^_ , »-?? ^- lt;7 O- ,
^ ^v! ('en eer,s'en rechter zelven op verzoek van de belanghebbende parti)
aangevuld worden.
^J-. . ~ s wâ a
, 4^.Z 1'. II. v. N.-Holland, v. ü Maart â¢1850, W. n0. 1820, en Iiel naar aan
leiding van dat arrest gewezen vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 17 April v. '^j 1856, W. n0. 1826, R. R, jg. 1850. dl. VI. p. 305 sqq.
o /17- ^'
^ â¢gt;⢠Het is een dwaalbegrip, dat, zonder vooraf te hebben voldaan
aan de voorwaarden van het vonnis, te weten het stellen van zekerheid,
/ ^ '
/./^^niet de executie zou kunnen worden bsaronnen.
irr^- f*-r
l «ii-Arr.-R. Assen. v. \ Maart '1807, W. n0. 2952. Anders Tijilaclir. v. h.
JScdcrl. Recht, dl. I, p. 306, waai' betoogd wordt dat het stellen van /l^1' borgtocht eerst te pas komt, als er werkelijk verzet of hooger beroep
â wordt gedaan.
^ f ,, De bepaling van art. 22 al. 2 van liet reglement vastgesteld bij Kon.
.jk'Sa/*n^ 2 besluit van '11 Jan. *1840 {SthL n0. '1) wegens het hooger beroep aan den
, . ^ /; k [â ' Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door het ) ' , Gerechtshof te Suriname, heeft deswegen alle onzekerheid weggenomen.
omtrent het rechtsgevolg van het niet stellen der cautio
chy^l , r w
iri^0 â ' judicatum, solex binnen den bij het daartoe betrekkelijk vonnis gestel-
ly yü'
-t:/rz nquot; /V éé1. S~/é
rt} y jy**- -/gt;quot; y.L'^T'MWj.u.e S 1 '
, ArV'Hwt. 152 B/R.. arrest van.'t P. II. v. N.-Hollaud. v. 22 Oct. '1840 sqq..
r^.^f-k^^ub no. ----7 - ~ ~ _ -
quot; â¢/.
^VrV/Art- 618- gt;t . â - -
1 â â â - â fo,.0 7?i:
I. Bij liet betwisten der zekerheid moet de opposant binnen den
' L f '''j 'lef vonnis bepaalden termijn zijne beslissing ter kennis van den
,,f Æ. rechter brengen, hij kan niet volstaan binnen dien tijd den geoppo- ^ jcrn-
. (, seerde kennis te geven, dat hij betwist, en een lateren dag te bepalen,
Ir^vx^u frquot;. o gt; .j i o i ^ j-u-c.ay?,
faml?waarop die zaak zal worden berecht. 'P'-J upcji
ftrvHAAfi*-* Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Sept. 187!l. W. n0. 4441. U. H.. jg. 1882.
, j .. A. n. 170.
t/ £ flift
'ly^yv o{lt;i-y ~ ^ie ten betooge .
a Dat, indien de partij, vermeld in art. 618 B. R., tegenspraak UaJsdoet, zij verplicht is dit te doen binnen den bij het vonnis bepaalden ett cO. Aty termijn, bij gebreke waarvan zij gehouden wordt de aangebodene zeker-/wn- i*\'. heidstelling stilzwijgend te hebben aangenomen en later niet meer in llet betwisten daarvan ontvankelijk is â
y-hn^cA.^ «Ce, i^w U ^ ^/v. ^â'
ié I svl.- / i L Sa/I Pi ° S'(3 tPe3 â
^ j ^ ^ MJU~ '/n 5~ t-OkPj ,
yj 'Sp , X ^CJ2* t r, t? Clt;C* £ lt; A ili' 1
syyy^tji ^ â 7-âo -iv 1 3 t, i/erv. /cPcP^ S. 5quot;5V/^ amp; a^S. S~er-r^~
cA 2.y . ZcPcPcP r-,^7. /lt;PcPcPf 7^ **quot;gt;
C ' ö c O 7
^ â¢â¢, _ . /gt;_^i ll**sc~M~e~- CÃamp;-4 jmâ (--aitsSo-^ c!gt; A.o*~* af-^ (?kJ-I~SC}
^ fr^c^â «ypr
I). Dat in cas van art. 618 de eischeiide partij, al heel't zij ook bii de afdoening; belang, niet liet reclit heeft de zaak te vervolgen -â
df. I'into, Wdl., H. /â¢*., dl. II. ti. p. (iS(). ed., |). 741 \; â uiiders Penning :ilt;l nrt.
-7 71165 - 6lg
^ 6tX ^gsx^z,,
ni iieman. 7?. /1.. dl. IT. /'. /;., We ed., p. 241 üii he Pinto, /lt;'. /,'.. i^i-rT-.Zb-rfZ. ill. II, 2. |i. 679 en 080. 2de ed., p. 74(gt;. Verg. bescliikklng Pres. der A rr.-K. '? £ $-amp;.£. oPf?
s linscli, V. 17 Aug. 1870, VV. 110. :{249, en VV. 11° :f:!(i(). \v;i;iilgt;ij werd ~fl e lieslist, dot art. (VIS voor alle seort van zekerheid is geschreven en dat de '' ' ^
aamieinliig geacht moet werden aanwezig te zijn, waar de tei'niijn voer /
djiroeping ter terechtzitting verlonpen is. Ju L
/)(t^ /v/trf/t/
v'ü v f â â ⢠'f' â
ArL fil 9. i/aft riy-
Kr is geene reden om aantenemen, dat, in geval de zekerheid y
hesl.aat in eenen borg, er altijd moet zijn een verklaarde aanneming ' 'tl y
van dien door de wederpartij of anders eene rechtelijke toelating. ^
Pres. der Arr.-R. sUnsch. v. 17 Ang. 1870, vernield suh art. fcIS R. li., * £ire~-'Z-waarhij nog werd beslist, dat aan lie! Wiiurii I'llH'jr/nniir,t in arl. (Vin II. lï., /yamp;M.
gee 111' andere beteekenis kan gegeven worden dan die, waarin het vom- 2.j
kmnt in de vunrafgaanih! arll. (VKl en (VI7. /^rjL .y
its', üJ? n quot;
C* ^ t^A ^.-fL-S et '/' ' f l^r__
J. 'r
tr'L é- rt*. Alj ^ 4, ^
^JtJ-r-C tsT*-_____- (Zcrz.^ * r»-C?* Of - â (Zcz O* r/
(Scrrv- s ft- quot;». 4- r( t* s *--*- â Js^ipsr C2. aJ~ -£ Az- rlt; / U y
^£â 4â lt;3~A ^-C Q â J.yi -lo /â cyCL-rt.amp;'-'Ta - f ^ t^l ~ /£3 e/f c i. ~ /lt;- ^ -^fV^r
/tö cpyfY. (*quot;i rty, - £-0 ⢠x â o.-x fa-lt;Se : f tl. .
w ,^y â ^ ^ /J^a. /yrs-/ /sS. ^
â
âââ
I
/
.
B ij de Uitgevers dezes zij n verschenen; Mr. A. A. DE PINTO.
ONTWERP WETBOEK
VAN
BURGERLIJKE RECHTSVORDERING.
Boek IâV :
Prijs: Æ 6.25.
J. VAN DEN HONERT Thz.,
FORMULIERBOEK
DER ONDERSCHEIDENE AKTEN BKHOMRENDK TOT DE
BURGERLIJKE RECHTS VO RD E R1 N G.
herzien, omgewerkt en vermeerderd door Mr. J. Heemskerk Az.
3e druk. aangevuld door Mr. G. Belinfante. Prijs; ing. Æ 10, geb. in linnen band Æ 11.
Mr. C. P. K. WINCKEL.
FORMULIERBOEK
0er
BURGERLIJKE lïCHTSYORDSRING
IN
NBDERLASDSCH-INDIÃ.
Prijs: mg. Æ 16, geb. in lederen band Æ 20.
Mrs. L. J. VAN OPPEN en J. C. SASSE.
NEDERLANDSCHE RECHTSLITETRATUUR.
Prijs der 5 deelen ingenaaid .... f 35.â Gebonden in 5 heel linnen banden - 38.25 â â 1 half lederen band . - 40.â â â 2 â â banden - 42.50
Gedrukt bij Gebr. Belinfonte. voorli. : A. D. rchintei. â T)pti