-ocr page 1-

l

//

./O n

\'V / c

1897

li\'.---)

oVet^ Uergünningen

V

Iets

VAN HET

OPENBAAR GEZAG

VÜOIi

Weiken of Ondeinemingen van Aleemeen Nut

„,JV-

S

PROEFSCHRIFT

ÜÜOH

lU, A. m I Q H E E IL s,

-ocr page 2-

/^aL qu.
192

-ocr page 3-
-ocr page 4-

rè^t

\'m

•«y

fi • ■

-ocr page 5-

Iets over ver.u\'uniiini>\'Oii van liot
openbaar ixcvAVrX voov werken on
ondernoininaen van alaonioon nnt.

stoomdruk

vain Mastuigt en Vkrhokven,

ahnhem.

-ocr page 6-

rVrW

A -

-h.i\' Vf. ■ C...

r\'-m

■\'ml..

V

.m

I \' ), \'I \'

m

4

. ■f-

r\' ..

V

-ocr page 7-

S OVER VERGUNNINGEN

VAN HET

OPENBA-AR GEZAQ.

voor Werken of Ondernemingen van algemeen nut.

PROEFSCHRIFT

TER VKKKKIJUINU VAN UKN URAAD VAN

oftor \\\\\\ |jedit$tttiiti|ttsifljaii

AAN DE j^IJKS-pNlVERSlTEir TE pTRECHT,

NA MACHTIGING VAN UEN KECTOR-MAGNIFICUS

D". C. A. PEKELHARING,

Ilooglccrajir in de Fiicultcil der Geneeskunde,

VOLGENS IJESl.UIT VA.N DliN SENAAT DER UNIVERSITEIT

TEUbN UK IIEUENKINGEN VAN

IE VEUDEDIOEN

op Vrijdag 9 Juli 1897,

\'s namiddaga to ^ uron,

DOOR

bOUIS AI511AHAM MICIIRKLS,

goboron to ARNHEM.

----

ARNIIKNJ. — VAN MASTklGT cn VKRHOKVEN. - 1897.

-ocr page 8-

■ *

i; ,

i

\'y -1 :i>- a ^ • 3 .

^ « • ■ ^ ■ ^ - , r^ • ; . .f*^^

• iixil ^«by-iV ■ \' ■

\'r.rs^jy,-\'

■ 4■

-ocr page 9-

(^aji fjnjnc (sudcto-

-ocr page 10-

V - ffiV ■ \' • > \'

: :, : yr---

r:-

j

fe: A ■ :

IaT

• , . ft\'

f\' "
vlx

-ocr page 11-

Ild i» mi/} r.cnc behoefte hij hel eindigen mijner aca-
demische dndiën mijnen oprechten dank te kiitigen aan
dc lloogleeraren der Juridische Faculteit. Vooral U,
mijn hooggeachten IVomotor, Professor
Mr. de Louteh.
betuig ik mijne bijzondere erkentelijkheid, voor de .stccdf
welioillende hulp, van U ondervonden.

-ocr page 12-

m

5C,,

m.-

m

-ocr page 13-

INDEELING-.

Pag.

INLEIDING.............III.

HOOFDSTUK 1............

De Slaat en zijn Werkkring len opvAcAUo
van werken en ondernemingen.

HOOFDSTUK II . . ..........20.

Do werken on ondernemingen ton dienste
van hel pnbliek, waarvoor vergnnning
noodig is.

HOOFDSTUK III...........Si.

Kechlskarakler der vergunningen.

HOOFDSTUK IV...........120.

Uechlsgevolgen.

BIJLAGE A.............130.

BI.ILAGE n.............1-14.

-ocr page 14-

■•■ivvrîl

..^ ■■•\'O\'. . . \' ■ v. -

i

.i-;;,-.jicbsn-,\'^»jmiij ivt k-r^-vv

• • • . • . . . iii xnn^r:,«;;!..\':,

. 11

\' .......^

. , f-: h \'at / .h iv

■ • \'

■•T

>

\'"Wi

iji

-ocr page 15-

IX LEI 1)1 NO.

Eene vergunning lol aanleg van een werk inoel
noodwendig in zich sluiten eene tot exploitatie van
dat werk. Die exploitatie zal de winst moeten op-
leveren, die den ondernemer deed hesluiten de
voor het bedrijf noodige werken te maken en met
het oog waaroj) hij zich de kosten daarvan getroostte.

Daarentegen ligt in eene vergunning voor eene
onderneming\' • niet altijd opgesloten dio voor het
aanleggen van eenig werk, hetzij zoodanige onder-
neming geen werk vereischt, hetzij voor den aanleg
er van geene vergunning noodig is.

Abs men zich kon denken eene maatschappij,
waarin geen staatsgezag zich bekommert om de
stofTelijke belangen zijner onderdanen, dan zou men
alleen die werken aantreiïen, die ceue onderneming

-ocr page 16-

INLËIDINÖ.

beoogen en dus winst beloven. Men zal slechts als
ondernemer willen optreden, wanneer men kans
ziet voordeel te behalen; dat streven naar winst
zal de aanleiding zijn, dat in de eene of andere be-
hoefte van het publiek — een min of meer groot,
min of meer bepaald aantal leden der gemeenschap
— voorzien wordt.

yan andere w^erken, die niet dergelijke winst in
het vooruitzicht stellen, die hunnen oprichters geen
stoffelijk voordeel aanbrengen, zal geen sprake zijn.

Kn toch behooren daartoe sommige, welke voor
dc gemeenschap van het allergrootste gewicht zijn,
ja, die zelfs eene voorwaarde uitmaken voor het he-
st;ian dier gemeenschap, zooals waterkeeringoii, ver-
dedigingswerken. Waar niemand zoo belangloos is
deze aan tc leggen cn tc onderhouden en geen
staatsgezag zijne onderdanen daartoe veri)licht, zal
het beslaan eener duuiv.ame maatschappij onmogc-
lijk zijn.\'

Daarom heefl de Staal len allen lijde begrej)en,
(bil hij hier moest ojilreden en heefl of het gezag
van den staal een zijner onderdeden derprclijko
werken op zich genomen.

iMaar daartoe heefl zich in den loop der tijden dc
staatijtaak niet bepaald. Naarmate in het algemeen
zijne werkzaamheid zich uitbreidde, moest zij zich

IV

-ocr page 17-

INLEIDING. V

ook doen gevoelen iDij die werken en ondernemingen
ten dienste van het publiek, die het behalen van
winsten op den voorgrond stellen en daarbij wel
eens alle maat te buiten konden gaan.

Waar men in onze eeuw een streven waarneemt
naar concentratie in de handen van weinigen van
onderscheiden productiemiddelen, waardoor gewel-
dige monopolies ontslaan, ontdekt men veelal den
wensch naar staatsinterventie, eischt men vaak dal
alleen de Staat zulke werken op touw zette.

Eveneens doel diezelfde reusachtige vooruitgang
der industrie en dc wijze, waarop zij uitgeoefend
wordt, eigenaardige verhoudingen en toestanden in
het maatschappelijk verkeer ontstaan, die den vreed-
zamen loop daarvan op verschillende wijze dreigen
te verstoren: zij schept agglomeraties van bevolking,
die onder zeer ongunstige physische omstandigheden
kunnen geraken; z\\j levert gevaar op voor personen
en eigendommen. Daarom noemt men ook hier de
staatstusschenkomst zeer noodig en vandaar dal be-
halve het toezicht der overheid bovendien veelal
hare voorafgaande verguiniing wordt geeischt al-
vorens men een werk kan aanleggen, om daardoor
eenig bedrijf uit te oefenen.

Ten slotte, alle groote uitvindingen van oir/.en lijd
deden .spoedig haar algemeen nut en groot belang

-ocr page 18-

INLEIDING.

voor de ontwikkeling en welvaart der maatschappij
gevoelen — men denke slechts aan die op het gebied
der verkeersmiddelen — terwijl de groote kosten,
noodig om die uitvindingen voldoende vrucht-
baar te maken, alleen voor groote maatschappijen
met veel kapitaal de mogelijkheid schiepen in de
klimmende behoeften te voorzien en dan nog veelal
eerst na de helpende tusschenkomst des Staats.

Ook dan zal er meestal een monopolie ontslaan,
waartoe in dit geval de Staat zelfs heeft meegewerkt.
Waar de Staal om die reden reeds niet zelf optreedt
ter vooi\'ziening in den publieken dienst, maar deze
overlaat aan de vrije maatschappij, heeft hij hier
toch ruimschoots gelegenheid de nadeelen uit zulk
een monopolie te temperen. Immers in ieder voor-
komend geval kan hij aan het verleenen zijner hulp
die voorwaarden verbinden, die hij noodzakelijk
acht in hel belang van hel jiubliek, dal door het
beoogde werk zal gediend worden.

De vergunning zelf om een werk of onderneming
len dienste van het |)ul)liek lol stand le brengen, is
dan het noodzakelijke gevolg van het onmisbare
(lier staatshulp en beval de regels, waarnaar hel
openbaar gezag wil, dal hel werk zal ondernomen
worden en van welker stipte naleving hel zijne ad-
sislenlie heelt afhankelijk gemaakt.

VI

-ocr page 19-

INLEIDING. VII

Tot goed begrip nu van die alomtegenwoordige
staatswerkzaamheid voor het algemeen welzijn,
speciaal ter voorziening in de materieele behoeften
des volks — waardoor ook de zgn. vrijheid van
beroep meermalen aan banden moet worden gelegd —
diene, aan de hand der ethische school, eene korte
uiteenzetting van het staatsbegrip, om te komen tot
\'t gebied der staatswerkzaamheid en de grenzen die,
in het algemeen, de Staat zich daarbij heeft te stellen.
In een tweede hoofdstuk valt na te gaan voor welke
werken en ondernemingen ten dienste van het pu-
bliek, volgens het positief staatsrecht, vergunning
van het openbaar gezag noodig is. De twee laatste
hoofdstukken zullen achtereenvolgens bevatten het
rechtskarakter en rechtsgevolgen dier vergunningen.

-ocr page 20-

\'■-i; \'li mii a ^uuml >i ^\'t^Ji^r-.-üïji^i^

.

■■ ...^^^ta-f--

■■sa- ■

i

•■X-i^j;«

. .■• -\'li •■s\'i

*

>

• .

,—
.1.
11.

rilt-

••»■iK.

-ocr page 21-

HOOFDSTUK I.

Do Staat en zUne werkkring ten opzichte
van werken en ondernemingen.

Stichter der ethisclie scliool is Karl Christian
Friedrich Krause (1781—1832) met zijn „Grundlage
des Naturrechles" 1803 en „System der Rechtsphi-
losophie" 1828, o.a. uitgegeven door Röder in 1874.

Zijne leer is vooral verhreid door de geschriften
zijner leerlingen: Röder, o.a. in diens „Grundzüge
des Naturrechtes" en II. Ahrens „Cours de droit
naturel."

Volgens hare leer is de Staat een zedelijk-ethisch
organisme, hierin onderscheiden van de gewone
natuurlijke organismen, dat tot de vele factoren, die
voor zijn ontstaan meewerken, ook behooren die van
de menschelijke vrijheid en verantwoordelijkheid.

\'s Menschen bestemming, leert ze verder, is de
verschillende vermogens zijner Rede of Zelfbewust-
zijn, zijn denk-, gevoels- en wilsvermogen, volledig
en harmonisch te ontwikkelen; dat vormt de reali-
satie van alle goederen, die tot de ware behoeften

-ocr page 22-

10

van den mensch behooren ~ \'l ware, \'t schoone
en \'t goede.

De Staat nu is de rechtsgemeenschap, het vol-
komen organisme der zedelijke voorwaarden, waar-
van het bereiken van \'s menschen bestemming in dc
maatschappij afhangt, \'t organisme des rechts, niet
in den beperkten zin, -^vaarin Kant van recht spreekt,
wanneer hij het doel des Staats bepaalt tot de hand-
having des rechts, nl. dat ieder zich vrij kan ont-
wikkelen en dat men elkaar daarbij niet lastig valt \').
De ethische richting brengt het recht tot de reëele
goederen, Avelke niet inhaerent zijn aan den per-
soon, maar buiten hem door zijne inspanning moe-
ten worden verworven. Het beantwoordt aan die
behoefte van den menschelijken geest, die ze aan-
duidt onder het begrip het goede, dat is dc harmonie
tusschen ons wilsvermogen en de eisch der dingen
buiten ons. Dat goede kan ook zijn moraal, nl.
wanneer die harmonie bestaat tusschen onze inwen-
dige motieven en de objectieve wereld daarbuiten,
\'t is recht, wanneer ze bestaat tusschen onze han-
deling zelf en de eisch der dingen buiten ons, on-
verschillig de motieven.

Daarom is het recht slechts voorwaardelijk, for-
meel, niet materieel, steeds verschillend naar lijd en
plaals en daarvan afhankelijk.

Wèl vallen de voorwaarden, waardoor het alleen
mogelijk is het objectief goede te verwezenlijken niet

1) Mr. C. W. Opzoomcr, do Grenzen der Staatsmacht, 1873,
bU. 60
V.

-ocr page 23-

11

alle binnen dat rechtsbegrip: er zijn een aantal phy-
sische voorwaarden, die, afhankelijk van de natuur
buiten ons, buiten het bereik van den mensch en
zijne vermogens vallen: temperatuur, bodemsgesleld-
heid, droogte enz. Andere, de moreele voorwaarden,
kunnen door menschelijke inspanning, krachten en
instellingen worden vervuld, b.v. om te zorgen, dal
de sterkere niet geniet de vruchten van de inspan-
ning des zwakkeren.

Overal, waar een daad van den wil vereischt
wordt, eene menschelijke daad, als eene ol)jeclief te
herkemien voorwaarde" voor hel verkrijgen oi\' ont-
wikkelen van een goed, daar vertoont zich altijd
noodwendig hel recht en al wal daartoe behoort is
recht, de voorwaarde, waarvan de verwezenlijking
der zedelijke goederen afhangt. Zelfs kan de mensch
op de i)hysische voorwaarden, door de natuur ge-
steld, in zekere male eenen grooten invloed uitoefe-
nen: woestijnen en plassen omzetten in vruchtbaar
land, dammen opwerpen legen eene vijandige natuur.
Waar de mensch lol zoodanige iieerschappij in slaat
is, is ook hel recht, is hel een eisch van hel
recht.

Is het recht dus het geheel der voorwaarden, die,
vau den wil afliankelijk, noodig zijn voor de har-
monische vervulling der menschelijke beslemming,
dan leert de ethische school, dal de Slaat is het
georganiseerd uitwendig waarneembaar geheel dier
voorwaarden, die hel recht vormen, de uitwendige
gestalte, waarin zich dat geheel openbaart en de
voorwaarden zich organisch verloonen.

-ocr page 24-

12

Het wezen, de oorsprong, het doel van den Staat is
dan tevens \'t wezen, de oorsprong, doel van het
recht.

Daaruit leert men ook de staatstaak kennen, die
zich openbaart overal, waar de noodige voorwaar-
den zich aanmelden tot de harmonische ontplooiing
van de menschelijke persoonlijkheid en verklaart
zich de nauwe aanraking van den Staat met alle
levenskringen der menschheid: wetenschap, religie,
stoffelijke welvaart enz.

De eerste voorwaarde, die de Staat heeft te ver-
vullen, is
het beginsel van vrijheid, autonomie, zoowel
in den zin van de onafliankelijkheid der gemeen-
schap zelf— waaruit de staatszorg voor de defensie —
als in den zin van de vrijheid, die noodig is, opdat
elke in de maatschappij voorhanden kiem de ruimste
gelegenheid heeft zich te ontwikkelen, naar gelang
van ieders aard en aanleg.

Een tweede beginsel is dat van orde, coëxistentie,
eene keerzijde ■ van het eerste. De zorg van den
Slaat, dal er geene botsing komt van den een met
den ander: de Slaat weerl af, • schept niet iels
nieuws.

Daartoe dient de inrichting van justitie en politie,
ter verhindering van wal uit al te groole vrijheid
zou kunnen voortvloeien, ter beperking van de vrij-
heid van ieder ten bate van die van anderen.\'

rjelijk de Staat die individueele of burgerlijke vrij-
heid handhaaft — d. i. de bevoegdheid om te leven,
zooals men wil, om zijne vermogens le ontwikkelen
en met het daarmee verkregene le handelen naar

-ocr page 25-

13

goedvinden en dus omvat de vrijheid van heroep,
bestaan, beweging, immigratie, emigratie enz. — deze
waarborgt door zijne bescherming van persoon en
goed en de aanvallen daarop van particulieren af-
weert door het privaat- en strafrecht, die van den
Staat zelf door het administratief recht, zoo moet
de Staat die vrijheid ook beperken.

Het geheele recht is het middel om de vrijheid
te waarborgen, maar ook om ze te beperken. De
coëxistentie eischt die beperking van ieders vrijheid
ten bate van die van anderen, de gemeenschap
zelve. Daarom is bescherming der vrijheid tegen
de wet eene contradictio in terminis. De wet be-
schermt ze maar met noodzakelijke beperkingen,
die repressief werken: de Slaat slelt ieder verant-
woordelijk voor het gebruik derzelve, maakt iemand
er gebruik van om een ander le beleedigen, hij
wordt er voor gestraft.

Daarmede evenwel kan niet iedere Staat volstaan:
elke Staat moet ook nog preventieve maatregelen
nemen, ook voorkomen, dal er misbruik van wordt
gemaakt. Meestal ligt de preventie in de juiste toe-
passing der repressie, die snel en conseciuent werkt.
Maar toch zijn er misbruiken zoo schadelijk, dal men
ze reeds a priori moet voorkomen en daartoe dient
dan de politiezorg van den Staal.

Waar hel gebruik der individueele vrijheid gevaar
mocht opleveren voor de openbare orde, de goede
zeden, gezondheid, veiligheid en zekerheid der ge-
meenschap, hinder of gevaar zou doen ontstaan,
komt die politiezorg van den Staat lusschenbeide,

-ocr page 26-

14

verbiedt ze sommige handelingen en laat andere
slechts voorwaardelijk toe.

Op het uitgebreid terrein van het industrieel leven
eener natie openbaart zich die preventieve staatszorg
door eene staatsinmenging in verschillenden vorm en
op verschillende wijze. Nu eens legt de overheid
het uitoefenen van een bedrijf, het inrichten eener
werkplaats aan banden, dan weer houdt ze op deze
een voortdurend toezicht, vaak ook eischt ze hare
voorafgaande vergunning, alvorens men zich met
een beroep mag bezig houden of eene fabriek op-
richten.

Dusdanige vergunningen, als uitvloeisel van de
politiezorg van den Slaat, worden niet verleend met
het oog op den openbaren dienst, waarin zij ten
behoeve van het publiek, \'t algemeen, zullen voor-
zien; zij komen voor bij tal van beroepen, tal van
werken, ook bij die welke een zeer klein en indivi-
dueel belang vertegenwoordigen.

Eene andere is de vergunning, welke het open-
baar gezag geeft voor werken van groot algemeen
nul, welke der geheele gemeenijchap als zoodanig
len dienste slaan — daar ze niet voor ieder indivi-
dueel lid dier gemeenschap hetzelfde belang behoe-
ven te vertegenwoordigen — ondernemingen, zooals
spoorwegen en andere vervoermiddelen, telegraaf,
post, telefoon, verlichting, waterleiding, munt- en
bankinstellingen enz.

Dikwijls, waar het particuliev inilioiief niet bij
machte is in de behoeften te voorzien, moet de
Staat zich met de vervulling derzelve belasten, het

-ocr page 27-

15

aanleggen en exploiteeren dier werken op zich
nemen, dikwijls ook is alleen zijne hulp voldoende
om de maatschappij zelf in hare behoeften te laten
voorzien. Dan ligt in het verleenen dier hulp van
zelf opgesloten de goedkeunng der overheid, hare
vergunning om het werk tot stand te brengen, welke
hulp en vergunning zij natuurlijk slechts geeft met
het oog op \'t algemeen nul, in casu op de diensten,
welke het publiek van \'t werk zal trekken, en zullen
de voorwaarden, waaronder zij dal doel, de afzon-
derlijke bepalingen der vergunning uilmaken.

De zorg der overheid voor werken van dezen
aard, welke eene voorwaarde uilmaken voor den
bloei en den vooruitgang der gemeenschap, vaak
zelfs eene levens(iuaeslie voor deze zijn, hehoorl tot
de vervulling door den Slaat van de derde en laatste
der zedelijke voorwaarden, waarvan \'l bereiken van
de bestemming van een volk al hangt:

Hel hcgimel van adsi\'itentie, een i)osilief beginsel,
waarhij de Staat zich niet heefl te bepalen tol af-
weren, niet meer optreedt als gebieder of verbieder,
maar zelf handelt om te leiden, le steunen dat, wal
dien steun van den Slaat noodig heeft.

Hier staal de Staal niet tegenover enkelingen, maar
tegenover maaLschajipelijkc verschijnselen, waarbjj
do enkeling op den achtergrond, \'l maalschai)i)elijk
verband, waarin hij zich bevindt, op den voorgrond
treedt. „Pflege" tegenover „Staalszwang." Ook hier
komt het voorwaardelijk karakter van het recht
duidelijk uit: de Staat heefl .slechts de voorwaarden
le realiseeren, waarvan \'t welslagen van dc in de

-ocr page 28-

1(>

maatschappij voorhanden kiemen afhangt, zonder
ooit op te treden als causa, oorzaak, motor. Hij
vervult slechts voorwaarden. De ontwikkeling der
maatschappelijke krachten hangt in de eerste plaats
af: van hare eigen waarde, levensvatbaarheid. De
Staat trede nimmer op als ondernemer op stoffelijk
terrein, want de ontwikkeling der stoffelijke welvaart
vindt haren oorsprong in de ondernemingsgeest der
individuen. Treedt de Staat op als ondernemer, dan
verdringt hij den natuurlijken oorsprong van alle
welvaart, treedt hij causaal op, in strijd met zijne
natuur.

De Staat is alleen verplicht zooveel mogelijk de
voorwaarden te scheppen, waardoor de in de maat-
schappij voorhanden kiemen zich op stotïel|jk en
geestelijk terrein kunnen ontwikkelen. Lastig is de
vraag: welke zijn die voorwaarden. Zij zijn velerlei,
deels van algemeene strekking en voor alle niaal-
scliappclijke krachten van belang, deels ook bij-
zondere, van gewicht voor de ontwikkeling van
deze of gene bron van welvaart: landbouw, industrie,
handel enz.

Binnen dit bestek vallen alleen de algemeene
voorwaarden.

De eerste is de zorg van den Staat voor de hand-
having der nationale eenheid en onafhankelijkheid,
eene tweede: de verplichting van den Staat\'t\'stolïe-
lijk en geestelijk kapitaal des volks, van de voor-
ouders geërfd, in stand te houden. Daartoe behooren
\'t klimaat (bosschen), de bodem (waterstaat), his-
torische gedenkteekenen, nationale instellingen in

-ocr page 29-

17

verband met nationale eigenaardigheden. De meest
omvangrijke en waarbij het meest verschil van
meening voorkomt is de derde: de aanvulling van
de voorwaarden van bestaan en ontwikkeling van
die sociale groepen, welke een of ander goed doel
najagen.

Er zijn in de maatschappij tal van kringen met
een of ander maatschappelijk doel met betrekking
tot de stofielijke welvaart, verstandelijke ontwikkeling,
godsdienstigen en zedelijken vooruitgang.

Bij het geven van hulp heeft de Staat zich in het
algemeen vier vragen te stellen:

1". Is het belang, waarvoor de staatshulp wordt
gevraagd, een positief goed te noemen.

2". Kan de groep, die het behartigt, niet zelf in
de behoeften voorzien.

3". Kan de Staal daarin voorzien.

4". Welke belangen komen in de eerste plaats in
aanmerking.

Past men deze beginselen toe op de sloirelijke
belangen der maatschappij — die Wirthschaftspilege
des Staates — en wel alleen op de algemeene voor-
waarden, die de Staal heeft le vervullen — niet die
welke de Staat len behoeve van bijzondere lakken
van welvaart verricht — dan zijn de voornaamste
dier voorwaarden: hel muntstelsel, de verkeerswegen,
waaronder de scheepvaart, de post en de telegrafie.
Bovendien liggen nog vele andere zaken op den weg
van den Slaat: regeling van \'l malen- en gewichten-
stelsel, instelling van jaar- en weekmarkten, oprichten
van beurzen, verlichting, waterleiding, afvoer van

0

-ocr page 30-

18

faecaliën. \'t Plaatselijk verschil van omstandigheden
heeft hier altijd grooten invloed.

Paul Leroy-Beaulieu\') pleit voor staatsonthouding:
de Staat is eenzijdig, niet plooibaar, geeft aanleiding
tot versnippering van krachten, zoodat hij nergens
voldoet; zijne werkzaamheid op dit terrein leidt tot
groote kosten en verkwisting.

Ongetwijfeld leert de ondervinding, dat de Staat
hier voorzichtig moet zijn en gevaar loopt kostbaar
te worden, maar Leroy-Beaulieu is hier te eenzijdig:
de Staat staat dikwijls voor de vraag: inertie of
staatswerkzaamheid en dan is de laatste dikwijls
zeer nuttig. Ook O is hij hevig gekant tegen ieder
staatsmonopolie: op het terrein, waar de Staat zich
zoodanig monopolie heeft voorbehouden, kan alle
technische vooruitgang door hem worden tegenge-
houden ; ook de verantwoordelijkheid van den Slaat
drukt niet zwaar: men zal er niet spoedig toe over-
gaan hem die verantwoordelijkheid hij de wet op le
leggen. Evenwel wordt door hem voorbijgezien, dal
onder een regeeringsslelsel, waarin de maatschappij
sterken invloed uitoefenl door htlre vertegenwoordi-
ging, deze bij machte is hare bezwaren in te brengen
en verbetering le eischen en dat dikwijls het voordeel
van privaat-exploitatie, zooals hij o.a. bij de spoor-
wegen wil, wordt verkregen len koste van hoogere
belangen, van die van het publiek, welke wijken
moeten voor de commercieele der ondernemers.

]) l\'Etat moderne ct ses fondions p. 159 v,
2) P. Lcroy-Bcaulicu t. a p., p. 15G v.

-ocr page 31-

19

In hoeverre nu deze beginselen hunne toepassing
gevonden hebben in het positief recht met betrekking
tot de vergunning, van de overheid te vragen, om
een werk of onderneming ten dienste van het publiek
tot stand te brengen, zal in het volgende hoofdstuk
worden nagegaan.

-ocr page 32-

HOOFDSTUK II.

De werken en ondernemingen ten dienste van
publiek, waarvoor vergunning noodig is.

In \'t voorafgaande bleek, dat, waar de vrijheid van
beroep niet uitdrukkelijk beperkt is door \'t open-
baar gezag, ze onbeperkt bestaat. Ze is een van de
zgn. rechten der burgers, niet in den zin van de
oorspronkelijke, abstracte, onvervreemdbare „droits
de 1\'homme" maar van die, welke hunnen grond
hebben in de grenzen, door de constituties aan
\'t staatsgezag gesteld.

Evenwel in onze Grondwet en ook in andere is
van dit recht geen spoor te vinden. Toch bestaat
\'t, maar men vond niet noodzakelijk \'t als zoodanig,
uitdrukkelijk in de G.W. op te nemen: men gevoelde
geen vrees, dat de overheid ooit op dit gebied de
grens zou overschrijden. Zoo zijn er vei scheiden
andere rechten der onderdanen niet in de G.W. ge-
noemd: de vrijheid van beweging, immigratie, emi-
gratie. Alleen, waar de vrees bestaat, vaak op de
ondervinding gegrond, dat \'t gezag zich zal te buiten
gaan, de grenzen uit \'t oog zal verliezen, ontstaat

-ocr page 33-

2t

de behoefte om ze uitdrukkelijk in de hoogste wet,
d. i. de G.W., te gaan bepalen, formuleeren. Eerst
dan bestaat er een grens, door de overheid te eer-
biedigen \'). Nu die vrijheid van beroep bij ons niet
grondwettig is gewaarborgd, kan \'t staatsgezag
daarmee naar goedvinden handelen en ze beperken,
i In ons hedendaagsch positief recht vindt men
dat de overheid op verschillende wijzen en in ver-
schillende maten die vrijheid van beroep geregeld
heeft. Reeds is in \'t vorige hoofdstuk aangetoond,
dat ze zich daarbij moet laten leiden door overwe-
gingen, die in \'t algemeen tot twee verschillende
categoriën zijn te brengen: de eene, voortvloeiend
uit de zorg van den Staat voor de coëxistentie, eene
der zedelijke voorwaarden, waarvan \'l bereiken van
de bestemming van een volk afhangt en welke door
den Slaat moeten vervuld worden; de andere uit die
voor de adsistenlie.

Derhalve, uit een oogpunt van politie, eischt de
wet bij ons voor de uitoefening van sommige i)e-
drijven of ondernemingen eene voorafgaande ver-
gunning der overheid. De voornaamste weiten, die
dit doen, zijn:

de wet van ii Juni 1875 S. n". 95 — Hinderwet —
tot regeling van \'t toezicht bij \'t oprichten van in-

1) üc Staatsregeling van 1878 bevatte wel dit rccbt: art. wieder
burger is volkomen vr\\j om te bcscbikken over lyne goederen, in-
komsten on dc vruchten vnn ï^n vernuft cii arbeid cn voorts om
alles lo doen, wnt dc rccbtcn van cen ander niet schendt./\' \'t Leer-
stellige en rngo heeft dit artikel gemeen met de overige algcmccnc
beginselen van dezo Staatsregeling.

-ocr page 34-

richtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen
veroorzaken in art, 1 ;

de wet van 28 Mei 1869 S. n°. 97, regelende \'t
toezicht op \'t gebruik van stoomtoestellen, in art. 1 ;

de wet van 10 April 1869 S. n°. 65 tot vaststelling
van bepalingen betrekkelijk \'t begraven van lijken,
de begraafplaatsen en de begravenisrechten, in art. 14»
de wet van 27 April 1884 S. n°. 96 tot regeling
van \'t Staatstoezicht op krankzinnigen, in art. 7;

de wet van 18 September 1852 S. n". 178 omtrent
de waarborg en de belasting der Gouden en Zilveren
werken, die in art. 30 eigen aangifte voorschrijft;

de wet van 21 Juni 1881 S. n°. 97 — Drankwet —
tot regeling van den kleinhandel in sterken drank
enz, in art. 1.

Ook kan men hiertoe brengen de artt. 1 en 5
van de wet van 22 Juli 1815 S. n°. 86 houdende
verbod van alle vreemde of particuliere loterijen
zonder vergunning, waaromtrent de li. R. bij arrest
van 25 Jan. 1897 W. n«. 6922 besliste, dat op dat
verbod geen straf bestaat, althaiis voor \'t aanleggen
of houden van loterijen"; wel is strafbaar „\'tcollec-
teeren voor buitenlandsche loterijen" \')•

Bovendien bemoeien deze wetten en tal van ande-
ren zich ook met de uitoefening van \'t bedrijf zeM",
en maken ze daarop de controle van de overheid
mogelijk, alles ter voorkoming van misbruiken,

1) Zie hieromtrent cn ook aangaande de vergunning, noodig voor
\'t oprichten van ccn //huis van pand of bcleening// het opstel van
A. Duparc iu hel
Algemeen Uandekhlad vau 11 Maart 1897 no. 21471.

-ocr page 35-

23

waartoe tal van bedrijven zeer licht aanleiding
zouden geven. Dan behooren er ook toe de fa-
briekswetten, geneeskundige wetten enz., kortom
de geheele sociale wetgeving.

Ofschoon niet altijd scherp hiervan te onderschei-
den, wat betreft den grond voor \'t eischen van ver-
gunning, zoo is \'t, in \'t algemeen, uit een economisch,
fiscaal of politiek motief, dat de overheid — geleid
door hare zorg voor \'t materieel welzijn des volks,
met \'t oog op de adsistentie die ze daarbij moet
verleenen — vergunning verleent voor den aanleg en
onderneming van werken ten dienste van het i)ubliek.

Deze vergunning wordt vereischt:

1". Waar de wet haar uitdrukkelijk heeft voorge-
schreven ;

2". Waar zij een noodwendig, ofschoon onuitge-
sproken gevolg is van eene wettelijke bepaling,
(b.
V. hij het brievenvervoer);

3°. Waar voor den aanleg van het werk de tus-
schenkomst des Staats onmisbaar is (b. v. bij
onteigening, subsidie, rentegarantie enz.)

Zoo behoudt art. 1 van de wel van 12Ai)ril 1850
S.
11°. 15, tot vaststelling van \'l briefport, den Slaat
een monopolie voor lot \'t vervoer van brieven. Alleen
eene nieuwe wel zou, bij wijze van dispensatie, aan
particulieren hiertoe vergunning kunnen verleenen.

De wet op de telegraaf van 7 Maart 1852 S. n".
schept ook slaatsaanleg en staatsexploitatie, doch
geen staatsmono|)olie: art. 2 schrijft voor den aanleg
door bijzondere personen vergunning des Konings

-ocr page 36-

24

voor: „Bijzondere personen of maatschappijen, die
electro-magnetische telegrafen wenschen aan te leg-
gen, behoeven daartoe onze machtiging" \')•

De wet van 22 December 1863 S. no. 148, art. 1:
/\'Geen circulatiebank kan worden opgericht, dan
krachtens eene bijzondere wet, op den voet en de
voorwaarden bij zoodanige wet te stellen." Hier is
\'t wederom in den vorm eener wet, dat de vergunning
door \'t staatsgezag gegeven wordt.

In hoever tot deze soort vergunningen kunnen
gerekend worden, die welke voortkomen uit een nog-
geldend keizerlijk Decreet van 21 October 1811 art.
4 (Boogaard, Wetten enz. op den Waterstaat I, 81)
en uit art. IG van een K. B. van 10 Mei 1820, S.
no. 2 •■\') (Boogaard t. a. p., p. 205) zal later blijken.

AVanaeer hiermede de wetgeving kan uitgeput ge-
noemd worden, voor zoover ze uitdrukkelijk of slil-

1) Art. 2 zou overbodig zyn, wnnnccr voor \'t aanleggen der be-
noodigde werken steeds noodig was \'t gebruik van eens anders eigen-
dom, toegestaan bij art. -t jo 5 der wet.- Nu is dezo vergunning
des Konings ook noodig, waar men voor den aaulcg der werken knn
volstaan met \'t gebruik van eigen grond of door minnelyke schik-
king verkregen, zelfs voor ccn telegraaf voor eigen gebruik, en in
zoover is zc, gelijk ook die tot \'t oprichten van eenen circulatiebank,
ook op tc vatten als eene politicvergunning.

2) hk 1\'avcnir aucun droit ne pourra être établi sur les routes,
canaux, ponts, écluses, passages d\'eau ou do terre do toute espèce
dans les départements de la Hollande sans dccrct spécial émané do nous."

3) //De Staten der provinciën zullen zorg dragen, dat in hunno
provincie door geene gemeenten, corporation of particulieren, oenigo
nieuwe wegen of communicaticn worden aangelegd, zonder dnt al-
vorens dc projecten daarvan door Ons zijn goedgekeurd."

-ocr page 37-

25

zwijgend vergunning eischt om zich met een of ander
beroep of onderneming bezig te houden, volgt daaruit
niet, dat voor andere werken ten dienste van \'t publiek
eene voorafgaande vergunning der overheid onnoodig
is. Vele werken van zeer onderscheiden aard en met
\'t oog op den openbaren dienst van groot belang,
vereischen de tusschenkomst van den Staat of een
zijner onderdeden,\' kunnen niet anders tot stand
komen dan met diens hulp, welke verschillende ge-
daante kan aannemen. In welken vorm en op welke
wijze deze hulp gegeven wordt, valt na te gaan, maar
in de praktijk bij ons vindt men, dat bijna alle wer-
ken, die door hunne bestemming ten openbaren
dienste vooiv.ien in de eene of andere behoefte der
gemeenschap, dezen bijstand van noode hehhen.

Zoo dikwijls nu die adsistentie van den Staat ver-
leend wordt, zoo dikwijls zal ook
noodig zjjn eene
vergunning van den Staat om \'t werk tot stand le
brengen, waarvoor zijne medewerking wordt inge-
roepen en wdke hij slechts verleent, wanneer \'t open-
baar belang in voldoende mate er hj) betrokken en
er door gebaat is. Daarom, ten i)eiioeve van die
belangen van \'t algemeen, zal hij wel meestal hij
\'t verleenen zijner hulp, daaraan voorwaarden ver-
hinden, die, in de vergunning vervat, de belangen
van \'t publiek bij de goede uitoefening van den open-
baren dienst, waartoe \'t werk bestemd is, zullen
waarborgen.

\'t Geheel dier voorwaarden maakt nu de eigenlijke
vergunning uit, ofschoon ook, wanneer de Staat
onvoorwaardelijk zijne hulp geeft, ook dan in \'t ver-

-ocr page 38-

26

leeneii dier hulp zelf ligt eene stilzwijgende vergun-
ning, een verlof der overheid om \'t werk tot stand
te brengen, eene sanctie die \'t openbaar gezag
schenkt aan "t inrichten der onderneming, en zonder
welke sanctie deze onmogelijk is.

Niettemin is de Staat, ook waar zijne hulp niet
gevraagd en bij^jevolg geene vergunning der over-
heid te pas komt, in de gelegenheid voor de belangen
zijner onderdanen bij een werk ten openbaren dienste
op te komen. Immers — en dit geldt natuurlijk ook
voor ondernemingen, waartoe hij reeds eenmaal ver-
gunning gegeven heeft — door zijne wetgeving, d. i.
\'t stellen van algemeen bindende regels, bezit hij len
allen tijde de macht en de bevoegdheid voor die be-
langen te waken, zelfs om in bestaande ondernemin-
gen in te grijpen, mits zich houdende aan de be-
palingen der Grondwet.

Behoort men nu ook bij ons ten lande de vrij-
heid om werken en ondernemingen ten dienste
van \'t publiek aan te leggen en te exploiteeren in
dien zin te beperken dat, daarvoor altijd en met
\'t oog op den openbaren dienst vergunning der
overheid noodig is, ook al is hare hulp niet vereischt?

Deze (luaestie is hier in de jaren tusschen 1800
en 1870 zeer aan de orde geweest, in periodieken,
monografiën, in de vergaderingen der Staten-Gene-
raal enz. \'). Men trachtte te komen tot eene alge-

1) Men zio voornl hierover dc disscrUtic van G. He Bosch Kemper:
Dc conccssicn volgens \'l Ned. Hecht, Leiden ISßß, p. 57: "Omtrent
do wijze van conccssievcrlcening tot den aanleg van bruggen, overzet-

-ocr page 39-

27

meeiie wettelijke regeling van \'t onderwerp. Zoo
komt bij de beraadslaging over de Spoorwegwet van
1859 in de Tweede Kamer herhaaldelijk de wenscb
van vele leden uit dat, zoo men al niet kon komen
tot eene algemeene wet op \'t verleenen van ver-
gunning voor werken ten openbaren dienste, \'t dan
toch noodzakelijk was eene wettelijke regeling te
treffen op \'t concedeeren van eene belangrijke soort
dier werken, de spoorwegen \')•

Tccrcn, kanalen, water- cn gasleidingen cn tot do uitgifte van bank-
papier bcstait geen algemeene regel. Dc rcgccring heeft by K. IJ.
of dc wetgevende macht bij ccno wet (op do Ncd. Bank) zich do
bevoegdheid voorbehouden om niot naar vaste regels, maar naar dc
behoeften van \'t oogenblik concessie lot \'t uitoefenen dier industriccii
tc verleenen.

Do vclo leemten in onzo wetgeving, do grooto vcrscheidonhsid
onderling der bestaande voorschriften, waar overeenstemming mogclyk
was; on wat erger is, hun menigvuldige strijd met don geest cn
letter onzer wetten, heeft sinds lang do behoefte doen gevoelen ann
eenparige regeling". Vervolgens geeft hy een ovorzicht van do her-
haalde ]K)gingcn om daartoe to komen.

1) Do uitvoerige geschiedenis dier beraadslagingen vindt men by
J. F. Boogaard, Wet van 31 Aug. 1859 no. 98, omtrent \'t gebruik
der spoorwegen.

\'t Vierde hoofdstuk dor wet omsehryft \'t recht van den Staat op
\'l gebruik der spoorwegen. Do heer Duymaer van Twist, hoewel met
onderscheidene andere leden \'t af keuronde, //dat in do wet op \'t
gebruik der spoorwegen, dio ceno politiewet moet zyn, bepalingen
voorkwamen, dio behoorden in eene wet op \'t conccdceren der spoor-
wegen. oordeelde dit kwaad toch minder groot dan dio bepalingen
te verschuiven tot ccnc wet, die wij noj niet weten, wanneer zy cn
of zy wel ooit tot stand znl komen/\'.

M. i. is deze uitspraak van dien heer uict juist. In do gchcclc

-ocr page 40-

„Eindelijk," zoo de Bosch Kemper t. a. p. pag.
1% „27 Febr. 1865 werd \'t lang verwachte, dikwerf
beloofde wetsontwerp (tot regehng van concessie
verleening) der Tweede Kamer aangeboden" door
den Minister van Binncnlandsche Zaken, Thorbecke.

Het voorloopig verslag is van 14 Juli 1865; inde
volgende zitting weder ingediend, werd 14 Maart
1866 wederom een voorloopig verslag uitgebracht.
Het ontwerp is overigens nooit in openbare beraad-
slaging geweest.

,Toch zijn de gewisselde stukken, de twee memo-
den van toelichting en de twee voorloopige ver-
slagen voor dit onderwerp van veel belang, omdat
ze duidelijk in \'t licht stellen de bestaande praktijk

wet komt geene bepaling voor omtrent \'t verleencn van vergunning
voor den aanleg van \'t werk. üat er behalve politiebepaiingen ook
bepalingen in voorkomen, die \'t bedryf regelen, die eene Staulsin-
menging in ccn tak van particuliere industrie toelaten, is waar, maar
daarto\'; is do Staat altijd bevoegd, ook zonder dat cr van ccnc
voorafgaands vergunning sprake behoeft to zijn.

Dc wetgever kan ten allen tijde dwingend optreden tegenover do
eenen of andoren tak van bedrijf, voorwaarden stellen in \'t algencen
belang bij de uitoefening daurvan in acht te nemen, alles binnen de
perken der Grondwet. Daarvoor is volstrekt niet noodig ccnc alge-
meene afzonderlijke wet op \'l concedecren van spoorwegen. Zoo
eischt ook dc wet van 1880 op dc openbare middelen van vervoer
gcenc voorafgaande vergunning meer cn geeft toch bepalingen voor
\'t bedryf, waardoor zo evoncons in reeds bestaande ondernemingen
ingrypt.

Bovendien is \'t stellen van regels uit een oogpunt van politic niet
altyd scherp to ondcrschciden van die, welke cen ander, ccn econo-
misch, liscaal, politiek belang der gcmeen^chap op \'t oog hebben.

-ocr page 41-

iiü

én de moeilijkheden daarvan, die men meende op
le lossen. Daarom is eene eenigszins uilvoerige uil-
eenzelling er van noodig.

Hel welsonlwerp zelf vindl men in de Bijlagen B;
korte inhoud er van\') is: arl. 1 eischt eene ver-
gunning door of vanwege den Koning voor werken
of ondernemingen van algemeen nut en binnen den
kring hunner huishouding door provinciale en ge-
meentebesturen. Artt. 2—5 regelen de wijze van
aanvraag en \'l voorloopig onderzoek der regeering
welke volgens arl. 0 tot gevolg kunnen hebben eene
concessie door de regeering verleend; art. 7 hoe
te handelen bij meerdere aanvragen en de artt. 8,
9, 10, 12, bevallen de gevallen waarin de tusschen-
komst des wetgevers vereischt is; 27 en 28 han-
delen over provinciale en gemeentelijke concessies;
de overige artikelen bevatten de rechten en verplich-
tingen van den concessionaris, terwijl \'t slot artikel
29 de retro-activiteil uitsluit.

In hare memorie van toelichting zeide de regeering:
„dat \'t ontwerp zag op werken en ondernemingen,
die strekken ten openbaren dienste of ten gehruike
van \'l publiek"; art. 1 zou daarom spreken van
„algemeen nut," waarbij ze verwees naar de engere
beteekenis dier woorden in arl. 14-7 GW.

Rechtsgrond der concessieverleening was de be-
voegdheid, ja soms de verplichting der overheid
— indien niemand concessie vroeg — \'werken van

1) Ilandulingcn Stalen üencraal ISGl—1SG5 B\\jlagen II 005.

-ocr page 42-

30

algemeen nut, zooals wegen, kanalen, havens, spoor-
wegen, telegraaflijnen, openbare gasverlichting enz.,
aan te leggen zoo al niet te exploiteeren. AVaar de
Staat dien aanleg en exploitatie aan anderen op-
droeg, was \'t toch \'t Rijk, die \'t werk deed uit-
voeren en konden derhalve de concessionarissen
slechts beschouwd worden als aannemers, voor
eigen rekening, die nu niet voor eene bepaalde som
in eens of in termijnen \'t werk uitvoerden, maar
hunne belooning hoopten te vinden in hetgeen de
onderneming hen opleverde. De concessie-verleening
beoogde dan : \'t stellen van bijzondere voorwaarden
en regels voor eene bepaalde onderneming. Hierbij
haalde de voorsteller \'t voorbeeld van naburige
Staten aan, o. a.:

Frankrijk, waar de wet van 7 Juli 1833 voor de
uitvoering van alle groole publieke werken, rijks-
wegen, kanalen, spoorwegen, havens?^ dokwerken enz.
van staatswege of door bijzondere maatschappijen
met of zonder heffing van rechten, met of zonder
rijksbijdrage, met of zonder afstand van rijksgrond,
(domaine public) ondernomen, eene wet eischte, na
voorafgaand onderzoek. Bij K. B. kan vergunning
worden verleend voor de uitvoering van wegen, ka-
nalen en zijtakken van spoorwegen, die minder dan
20 K.M. lengte hebben, bruggen en alle andere werken
van minder omvang. Ook hier gaat een onderzoek
(enquête) vooraf; de wijze van ondei-zoek is geregeld
bij een reglement van 18 Febr. 1834.

Volgens een arrêté van 19 Ventôse an XI, ge-
schiedt de uilvoering van publieke werken door

-ocr page 43-

31

particulieren bij wijze van openbare aanbesteding,
welke regel later algemeen is gemaakt voor alle con-
tracten door den staat aan ie gaan en o. a. op con-
cessies voor spoorwegen toegepast.

België, waar de wel van 19 Juli 1832 de Re-
geering machtigt concessie Ie verleenen, uitgezon-
derd voor verbetering, kanalisatie van rivieren, welke
concessie bij wijze van publieke aanbesteding, na
onderzoek omtrent \'t algemeen nut, de te treffen
rechten, de duur, verleend wordt. Volgens de wet
van 15 April 1843 wordt voor eenen spoorweg van
meer dau 10 KM. geene concessie verleend, dan bij
de wel, welke bepaling by de wet van 16 Maart
1845 mede op kanalen toepasselijk is verklaard.
Reglementaire bepalingen betreffende Honderzoeken
van concessie-aanvragen zijn vervat in \'t K. B. van
29 November 1830, \'l welk ook geldt, wanneer de
concessie wordt gevraagd voor langer dan 90 jaar
of mei uitsluiting vun mededinging of voor kanali-
satie van rivieren (of voor spoorwegen) als wanneer
de concessie niet dan bij de wet kan worden ver-
leend.

Bjj art. 1 verklaarde de regeering, dat, wat van
de bevoegdheid van \'t gouvernement werd gezegd,
ook moet gelden ten aanzien van provincie- en ge-
meentebesturen binnen den kring hunner huishou-
ding, evenals nu reeds krachtens de jirovinciale en
gemeentewet zij tol den aanleg en verbetering van
wegen en andere werken besluitende, die op de ge-
wone wijze kunnen doen aannemen.

By art. 12 betoogde zjj, dat het gezag, hetwelk con-

-ocr page 44-

32

cessie verleent, \'t bedrag der te heffen rechten na
overleg met den concessievrager heeft vast te stellen
en de wetgevende macht zal gelijk bij werken of
diensten door de overheid zelf volvoerd, oordeelen
en bekrachtigen, gelet natuurlijk op \'t belang, dat
de concessievrager verbieden zal de concessie be-
neden zeker tarief te aanvaarden.

Eindelijk bij art. 27 vond zij \'t van zelf spreken,
dat provinciale en gemeentebesturen niet dan onder
hooger goedkeuring concessie verleenden, zoo dik-
wijls meer algemeene belangen zich kunnen doen
gelden. Gelijke goedkeuring werd mede in \'t algemeen
voor alle heffingen voorgesteld, welke krachlens con-
cessie van die Ijesturen zullen geschieden. Daardoor
is zooveel mogelijk voor deze heffingen de waarborg
gegeven, welke voor de andere heffingen in de
wet ligt."

„\'tVoorloopig verslag \') trof in \'t ontwerp slechts
eene herhaling der voornaamste voorwaarden en
bedingen aan, die men bij \'t Departement van
Binncnlandsche Zaken gewoon is in verleende con-
cessies op te nemen.

Ofschoon toegevende, dat \'t verleenen van con-
cessie een daad van uitvoering is, wenschte .toch de
Kamer zich \'t recht van concessie-verleening te zien
toegekend ter voorkoming van eene slechte keus
der Regeering tusschen de verschillende aanvragers
eener concessie voor dezelfde onderneming, zooals

1) Handelingen II, Bijlagen p. 1417.

-ocr page 45-

8H

tot dusver mogelijk was en achtte daarom concessie-
verleening voor groote openbare werken en onder-
nemingen, zooals spoorwegen en kanalen, nood-
zakelijk bij de wet, zooals in Engeland en België en
onder de wet van 1833 (toen vervangen door een
senatus-consulte van 1852) ook in Frankrijk.

Te meer pleitte voor die noodzakelijkheid, dat voor
groote openbare werken meestal eene onteigenings-
Avet noodig is, dikwijls ook eene subsidie uit \'s Rijks
schatkist, een recht tot \'theften van tollen zou
moeten worden toegestaan of afstand van \'s Rijks
grond, middelen, meestal onmisbaar voor \'t tot stand
komen van \'t werk en waarover alleen de rijks-
wetgever kon beschikken, zooals dan ook de artt.
8 en 12 van \'t ontwerp terecht inzagen, wanneer ze
in zoodanig geval bekrachtiging van de door den
Koning verleende concessie door de. wet vorderden,
evenwel alleen voor zoover die tegemoetkoming of
dien afstand betreft en de verklaring van \'t algemeen
nut van \'t werk of onderneming.

Enkele leden zochten, evenals de regeering, den
rechtsgrond dér concessieverleening in \'t openbaar
nut van \'t werk, waarvan de uitvoering op twee
wijzen kon geschieden: of rechtstreeks o]) staats-
kosten, in welk geval de ondernemer aannemer
wordt van \'t Ryk, of
(\\ dat wordt afgewacht tot
een ondernemer daarvoor concessie vraagt, in welk
geval hij aannemer is voor eigen rekening; tevens
vonden zij bij meerdere aanvragen \'t stelsel van
openbare uitbesteding, zooals in België, wenschelijk.
Maar daarom, zeide men, was de aanduiding der wer-

3

-ocr page 46-

u

ken, waarvoor concessie n oodig zou zijn, niet juist. Im-
mers
„Memorie van Toelichting zoowel als bewoor-
öingen van öe considerans en van arl. 1 verwyzen
naar art. 147 G. W. en schijnen dus te kennen te
geven, dat de voorgestelde bepalingen alleen dan
toepasselijk zijn, wanneer voor het tot stand brengen
der onderneming eene onteigeningswet noodig is.
Maar dan heeft de wet eene veel te beperkte strek-
king." "

De onveranderde indiening bij K. Boodschap van
27 Februari 1806, gaf der regeering gelegenheid, in
eene nieuwe Memorie van Toelichting op deze be-
zwaren der Kamer te antwoorden: \')

„Met klem handhaafde zij haar stelsel van concessie
verleening door de regeering.

Immers, wat zou de wet moeten behelzen? Om-
schrijving van "twerk; die omschrijving zou plaats
hebben bij de wet tot onteigening voor zoover zjj
althans bij de wet geschieden kan, dat is in hoofd-
punten en algemeene trekken. Bovendien de om-
schrijving van een geconcessionneerd werk aan
bekrachtiging der wet onderwerpende, zou de wetgever
veel verder gaan, dan bij vaststelling van een groot
publiek werk voor rekening van den Staat, in zoover
daarbij \'t werk niet dan in enkele hoofdtrekken pleegt
te worden aangeduid. Bepalingen omtrent de wijze
en tijd van uitvoering] Dat is onmogelijk, zelfs de
wijze van uitvoering kan slechts in algemeene trekken

1) linndclingcn Slnlun-Gcncraal 18C5/186C, II Bijlagen pag. 1212.

-ocr page 47-

35

in eene akte van concessie geregeld worden, de tijd
voor de uitvoering is niet met volle zekerheid le
bepalen. Eew ander bezwaar \\s, dal, wanweer de
voorwaarden, zooals ze door de regeering en de
aanvragers zijn vastgesteld, hij de discussies gewij-
zigd worden, dan de concessie zonder
gevolg blijft.

De Fransche wet van 1833 heefl niet met concessie
tc doen maar beval slechts in arl. 3, dat „tous grands
travaux publics, routes royales, docks, entrepris par
VElat ou pas compagnies particulières avec ou sans
subside du Trésor, ne pourront être exécutés, ({u\'en
vertu d\'une loi, (pii nc sera rendue ([u\'après une
enquête administrative" etc., dus \'t beginsel, dat \'t
ondernemen van groole werken van staatswege
of althans ten deele voor rekening of met be-
hulp van den Staat, aan de wetgevende macht af-
zonderlijk, niet eerst hij de begrooting onderworpen
wordt.

Dat bij ons de wetgever toch met de concessie ge-
moeid wordt wegens de onteigening,i)leit eveneens meer
voor haar standpunt, dan voor dat van \'l voorloopig
verslag. In FranTcrijk en België wordl niet voor elk bij-
zonder geval eene wet tot onteigening geëisclit. By
ons komt deze in de plaals der bijzondere wet,
die in Frankrijk volgens de wet van 1833 tot \'t
werk of zooals in België, tol conce.ssie-verleening
machtigt.

Als laatste argument gebruikte de regeering, dat
bij concessie-verleening door de wet dezelfde zaak
tweemaal voor den weigever komt: eerst zal op
grond van \'l algemeen nut concessie worden verleend,

-ocr page 48-

36

daarna zal dat algemeen belang of algemeen nut
nog eens opzettelijk worden verklaard. Of liever er
zal concessie worden verleend en daarbij als grond-
slag aangenomen \'t algemeen nut, waaromtrent de
wetgever eerst later bij de wet tot onteigening be-
sluiten zal. Dan moet de wet tot concessie verlee-
ning samengaan met de wet tot onteigening, maar
dan zal ook eerst alles moeten geschieden, wat de
wet van 1851 tol indiening van een bijzonder wets-
ontwerp tot onteigening vordert, n.1. volledig uitge-
werkte plans enz., een werk van veel arbeid, tijd
en kosten, en dat in den regel dan ook komt ten laste
van de maatschappij, nadat die gevestigd is, maar
\'t welk nu door iederen aanvrager zal moeten be-
kostigd worden.

Tegen de bedenking, dat niet duidelijk wordt aan-
gewezen, in welke gevallen het verleenen van con-
cessie te pas komt, antwoordde de regeering, dat
werken, welke de toepassing der onteigeningswet
vorderen, binnen dat gebied zullen vallen, wanneer
zij ten dienste van \'t publiek zijn bestemd. In die
bestemming, niet in de noodzakelijkheid van ont-
eigening is \'t kenmerk te zoeken. Het gebied der
onteigeningswet is, voor zooveel werken betreft, aan
den eenen kant ruimer, dan dat van deze voordracht.
Vele werken zijn van algemeen nut, zonder tot pu-
blieken dienst bestemd te zijn; aan den anderen
kant gaat \'t ontwerp verder en zal ook voor eene
lijn op eigen grond, wanneer de exploitatie door
openstelling voor \'t publiek plaats heeft, concessie
noodig zijn. Dus is ook de exploitatie van Staats-

-ocr page 49-

37

spoorwegen eene onderneming ten dienste van \'t
publiek, van concessie-verleening afhankelijk; anders
is met \'t droogmakerijen, verveeningen, mijnontgin-
ningen. Dergelijke ondernemingen, van hoe groot
algemeen nut zij mogen zijn, zijn niet ten dienste
van allen, niet voor openbaar gebruik bestemd en
kunnen alzoo niet binnen de grenzen van dit wets-
ontwerp vallen.

Rechtsgrond tot concessie-verleening is de zorg
van \'t gouvernement, van de overheid in \'t algemeen,
ter verzekering van de belangen van den puhlieken
dienst.

Voor eene en dezelfde soort van werken zal con-
cessie van de landsregeering, van \'t provinciaal of
gemeentebestuur noodig zijn, naar gelang bij \'t werk
een algemeen rijks-, een provinciaal- oi" gemeente-
belang is betrokken. Provincie- en gemeentebesturen
zullen concessie geven elk binnen haren kring.

Bij arl. 8 verklaarde de regeering, dal in den
regel geene concessie vooi\' den aanleg van werken
gegeven wordt .zonder tusschenkomst van den wet-
gever tol onteigening der benoodigde gronden. Daar-
door vereischt soms eene zeer onbeduidende con-
cessie die tusschenkomst, terwijl eene van groot nut
deze niet noodig heeft.

Bekrachtiging van concessie-voorwaarden door de
wel, 01) den voet van \'l voorloopig verslag, zou
alzoo in de loei)assing bezwaarlijk te verdedigen zijn.
Ondei-scheid tusschen concessies, die wcl en die niet
zouden behoeven le worden bekrachtigd, ware niet
wel zonder willekeur le maken. De regel zou dan

-ocr page 50-

38

moeten zijn: wettelijke bekrachtiging van alle con-
cessies zonder onderscheid. Zoodanig stelsel zou
\'t voorbeeld van België, en welk ander land ook vèr
achter zich laten. Maar \'t zou tevens alle maat van
wettelijke tusschenkomst te buiten gaan ; elke voor-
waarde, elk beding van concessie, hoe nietig ook,
zou als wet gelden en alleen bij de wet kunnen
worden gewijzigd.

Bij art. 28: waar ten behoeve van een werk, eene
onderneming, door een provinciaal of gemeentebe-
stuur te concessioneeren eene rijkssubsidie of afstand
van rijksgrond wordt toegezegd of onteigening ten
algemeenen nutte noodig is, komt de wet tusschen-
beide. Waar eene provinciale of gemeentelijke sub-
sidie of afstand van provincialen of gemeentegrond
wordt toegezegd, zal men volgens de provinciale of
gemeentewet handelen."

. „\'tVoorloopig verslag van 14 Maart ISOG\') bevat
de zeer juiste opmerking, in eene afdeeling der
Kamer gedaan, dat deze voordracht een stilzwijgend
recht van \'t staatsgezag aanneemt om concessie te
verleenen tot \'t uitvoeren van openbare werken, het-
welk op niets rust, terwijl enkele leden zelfs zoover
gingen, dat ze de noodzakelijkheid niet inzagen om
die bevoegdheid van \'t openbaar gezag tot concessie-
verleening thans in eene wet uitdrukkelijk te erkennen.
Bij onteigening, subsidie, afstand van rijksgronden
is de Staat van zelf in de uitvoering betrokken.

1) llandclingcii Sintcn-üciicranl II, Bijlagen pag. 1392.

-ocr page 51-

39

geene reden is er om in andere gevallen concessie
te verleenen; zoodanige tusschenkomst van den Slaat
werkt slechts belemmerend op de vrije ontwikkeling
van de nijverheid der ingezetenen.

Hiertegen voerden anderen aan: \'t recht van con-
cessie „behoort" (sic!) aan \'t staatsgezag te blijven,
want \'t schenkt de gelegenheid om \'t algemeen be-
lang bij den aanleg van groote openbare werken te
behartigen en eene ontijdige mededinging, voor dat
de plannen tot genoegzame rijpheid zijn gekomen,
te beletten. Ook in Engeland wordt concessie voor
openbare werken door een act of Parliament verleend.
Bij die wet worden tevens de statuten der maatschappij
goedgekeurd en haar \'t recht gegeven om voor de
uilvoering harer werken te onteigenen.

Ook nu nog waren vele leden niet voldaan met de
omschrijving der gevallen, waarin concessie moet
worden verleend: de omschrijving in art. 1 is on-
voldoende en bovendien geeft de Memorie van Toe-
lichting eene andere omschrijving, die „de nood-
zakelijkheid der concessie-verleening zoekt in de
bestemming ten dienste van \'t publiek" een begrip
veel minder uitgebreid dan „algemeen nut."

Daarom ware veel beter te spreken van werken,
bij welker uitvoering de Staat uit anderen hoofde
betrokken is; maar ook dit is onzeker; zekerheid
krijgt men alleen door de werken en ondernemingen
bij name ie noemen, wat onmogelijk is.

Is \'i verleenen van concessie eene daad van uit-
voering, niet van wetgeving, dan is die medewerking
van den wetgever in \'t ontwerp vreemd. De aau-

-ocr page 52-

40

vragers worden dan zeer bezwaard door de kosten
van eene uitvoerige beschrijving en de plannen van
\'t werk zonder eenige zekerheid. Dit is te meer
onnoodig, daar voor \'t uitvoeren van groote open-
bare werken toch altijd eene onteigeningswet noodig
is en dan kan de wetgever toch de verleende con-
cessie beoordeelen en hare uitvoering als hij die in
strijd acht met \'t algemeen belang onmogelijk
maken.

Daarom werden verschillende stelsels aan de hand
gedaan: de Regeering moest door eene algemeene
omschrijving openbaar te maken, aanvragen uitlok-
ken, of ook slechts voorwaardelijk concessie ver-
leenen.

Uit vrees voor willekeur en gunstbetoon door \'t
uitvoerend gezag hielden velen ook vast aan \'t stelsel
van concessie-verleening door de wet, zooals in
Engeland en België voor groote openbare werken.
De wetgever was toch al noodig bij onteigening,
subsidie of een recht tot \'t doen van heffingen, voor
\'t gebruik der aan te leggen werken en was een-
maal concessie verleend door de wet, dan was de
onteigening geene tweede behandeling. Omtrent \'t
werk zelf was dan beslist en dus geldt \'t in \'t laatste
geval alleen de vraag, welke eigendommen voor
de uitvoering te nemen en welke waarborgen aan
de eigenaars te schenken.

Wanneer aldus de aanleg van groote openbare
werk(;n bijna nimmer zonder zoodanige bemoeiingen
des wetgevers zal geschieden, dan vervalt daardoor
de nuttigheid van \'t voorgestelde beginsel, want dan

-ocr page 53-

41

zal de eindbeslissing toch van den wetgever aflian-
gen. Hij zal alleen minder vrij zijn in de uiting zijner
meening en veelal door de handelingen der Regeering
zedelijk gebonden zijn om in de verleende concessie
te berusten."

Hetzij dat de regeering \'t niet met de Kamer kon
eens worden, hetzij om eenige andere reden, \'t ont-
werp is, zooals reeds opgemerkt is, nooit in open-
bare beraadslaging gekomen en bovendien is er
nooit een nieuw betreffende dit onderwerp inge-
diend.

\'t Scheen wel, dat de behoefte aan wettelijke
regeling nu niet zoo bijzonder groot was en wan-
neer men dan ook de praktijk nagaat, kan men met
eenige restricties tot dezelfde slotsom komen als die
weinige leden der Tweede Kamer, die bij \'t afdee-
lings-ondei-zoek \'t noodzakelijke van eene algemeene
wettelijke regeling van \'t onderwerp der concessies
niet inzagen. Bovendien kan de aard der verschil-
lende werken en ondernemingen ten dienste van het
publiek, zoowel van die, waarvoor ook nu reeds
meestal eene vergunning van de overheid noodig
is, als van diej waarvoor men zoodanige vergunning
tot eene wettelijke verplichting zou kunnen maken,
zoo verschillend zijn, dat het zeer ongewenscht is
eene algemeene regeling voor alle vast te stellen.

Het stellen van regels voor eene concessie is
slechts in opportunistischen zin op te vatten: in
ieder voorkomend geval is hijkans eene afzonderlijke
regeling noodig.

-ocr page 54-

42

Zelfs — althans zooals ze door de regeering in
\'t besproken wetsvoorstel is neergelegd, — kan zoo-
danige algemeene regeling niet anders dan nadeelig
werken in een land, dat, gelijk \'t onze, zich mag
verheugen in een van ouds zeer ontwikkeld parti-
culier initiatief en waar men over \'t algemeen wars
is van staatsinmenging in takken van bedrijf, in
casu de voorziening van wege den Staat in de
behoeften van \'t publiek door middel van staats-
•werken. In de praktijk toch klopt men van zelf
bij den Staat aan, waar diens hulp voor \'t tot stand
komen van \'t werk onontbeerlijk is.

Hierbij kunnen zich in het algemeen drie mogelijk-
heden voordoen:

1". De aanvrage om staatshulp wordt geweigerd
op grond, dat \'t werk, waarvoor ze gevraagd wordt,
niet van voldoend nut is voor de gemeenschap om
die hulp te rechtvaardigen.

^ 2"^. Is dit wel in genoegzame mate aanwezig, dan
kan die hulp verleend worden al of niet onder
voorwaarden, die \'t openbaar belang in \'t algemeen,
en den publieken dienst in \'t bijzonder zullen be-
hartigen. Dan ook kan men spreken van eene ver-
gunning, verlof, concessie der overheid om \'t werk
tot stand te brengen.

3®. Maar oordeelt \'t openbaar gezag om de eene
of andere reden dat zijne onderdanen er beter door
gebaat zullen zijn, wanneer het zelf zich belast met
den publieken dienst, waartoe \'t werk zal bestemd
zijn, ook dan zal er volgen afwijzing van \'t verzoek
om hulp, van de concessie-aanvrage, ofschoon daar-

-ocr page 55-

43

mede \'t werk zelf niet veroordeeld, verboden is.
Wellicht zal de aanvrager ook zonder staatshulp,
uit eigen kracht zijne onderneming nog kunnen doen
in \'t leven treden.

De aard dier hulpmiddelen, waarover de Staat
beschikt en de wijze waarop hij ze verleent, zijn de
volgende. Dikwijls wordt er meer dan één gevraagd
en gegeven.

Onteigening, \'t Onteigeningsrecht is een recht, dat
uitsluitend den Staat toekomt. Alleen hij is bevoegd
en in staat den privaat-eigendom te ontnemen, de
rechtsbetrekking, eigendom geheeten, af te breken.
Eene algemeene wet dient alleen om de vormen te
regelen, waaraan de uitoefening van dat recht
gebonden is; de llijkswetgever uitsluitend is de
drager van dat recht.

Toch constateert terecht art. 2 van die al-
gemeene wet van 28 Aug. 1851, S. n". 125 \') de
mogelijkheid, dat de uitoefening van dat den Staat
eigen recht wordt overgedragen aan bijzondere per-
sonen of vereenigingen \'■\'), ten name van welken dan
in \'t publiek belang onteigend wordt. Geheel over-
bodig zegt \'t artikel nog, dat hun de uitvoering van
T werk moet zijn toegestaan; dic toestenuning
si)reekt wel van zelf.

1) //In dnl publick buinng knii ook. ton immo vnii b\\j£ondcro pci-
fconon of vereenigingen ann wie do uitvooring van \'l werk, dnt onl-
eigening vordert, is toegestnnn, worden onteigend.«/

2) lleclitspcrsoonlijkbcid is voor dese InaUto gccn verciscblc.

-ocr page 56-

44

Om die vergunning tot onteigening te krijgen en
daarmee als \'t ware die tot aanleg van \'t werk zelf,
moet men bij de regeering komen, die — wederom
volgens de door de G.W. geeischte algemeene wet —
uitsluitend bevoegd is eene onteigeningswet in te
dienen en wel met inachtneming der formaliteiten
mede in die wet gevorderd. Alvorens de wet in te
dienen, die \'t algemeen nut der onteigening zal uit-
spreken, behoort zij met \'t oog op dat nut der ge-
meenschap met de aanvragers in overleg te treden,
opdat bij den aanleg en exploitatie van \'t werk deze
komen tot eene zoo goed mogelijke behartiging van
\'t algemeen belang, speciaal van den openbaren
dienst \')•

Is men daaromtrent lot eene slotsom gekomen,
dan moet \'t oordeel der wetgevende macht worden
ingeroepen, die de verklaring van \'t algemeen nut
der onteigening natuurlijk kan weigeren, wanneer
naar haar oordeel in de voorwaarden der vergun-

\' 1) Dc Leer Vliclandcr Hein, in dc vergndering der Sinten van
Zuid-llolland van 12 November 1880 (Handelingen bladz. 14) achtte
\'t een noodzakelijk en door den aard der zaak zelf geboden beginsel,
vnn welks prijsgeven nergens in eenigo wet schyn of schaduw is tc
vinden, dat \'t openbaar gezag in \'t publick belang zijne voorwaarden
heeft tc stellen, zoo dikwijls hetzij in den vorm van ccnc onteige-
ningswet, hetzij door ccn verzoek om gchcele of gcdceltelyko be-
schikking over eunu ten publieken dienste van allen bestemde zaak
cen oiïer van \'t recht wordt gevraagd. Zio ook \\V. Burg. Adm.
No. ICCOj Adm. Bijdragen 25, p. 319.

-ocr page 57-

ning niet voldoende voor de publieke behingen ge-
waakt is \')•

Een bezwaar tegen dit stelsel van concessie-ver-
leening noemde \'t de voorsteller van \'t ontwerp van
1865, dat nu bij een werk, zelfs van zeer gering en
hoogst plaatselijk belang, waarvoor onteigening
noodig is, eene vergunning door den rijkswetgever
moet verleend worden, waardoor deze in de gelegen-
heid is zijne voorschriften te geven voor den puhlie-
ken dienst, waartoe het werk bestemd is, terwijl
voor een ander van groot algemeen nut, maar
waarvoor de benoodigde eigendommen door minne-

1) Ilicrovcr is veel getwist: eene uitvoerige beschouwing vindt
men by do Bosch Kemper t. a. p. png. G3 en 183 v

Vissering — Ecn woord ter toelichting van \'t vraagstuk betref-
fende de onteigening voor den spoorweg van Leiden nanr Woerden
18G1 — ontzegt der Kamer do bevoegdheid op dien grond dc ont-
eigeningswet tc verwerpen. Anders terecht de Pinto, Thcmis 18G1
p. GS9. «Uo wetgever mag en moet onderiocken of \'t gcconcessio-
neerdc werk en zooals \'t gcconcessioneerd is, is van algemeen nul en
van publiek belang cn moet do onteigening of liever dc verklaring,
dat doze door \'t algemeen nut gevorderd wordt, weigeren niet alleen,
indien h\\j bevindt, dat \'t werk zelf geheel of gedccltclyk niot van
algemeen maar van byzonder nut is, mnar ook als hy in do voor-
waarden der concessie bepalingen aantreft, in sUyd mei \'t publick
belang.

De Tweede Kamer mag do concessie niet amcndecrcn, heeft zo
alleen door dc onteigening toe te staan, goed 1c keuren.w Dit laatalc
volgl, evenali
by de goedkeuring van tractatcn door do vertegen-
woordiging, uit den aard der zaak, daar door verandering in do voor-
waarden \'t tusschen dc regccring en do
aanvragers ovcrccngekomcno
zou ongedaan worden gemaakt.

-ocr page 58-

46

lijke schikking kunnen verkregen worden, beide —
die vergunning en staatsinmenging — achterwege
blijven.

Wat \'t eerste betreft, is die inmenging van den
wetgever een gevolg hiervan dat de G.W. voor iedere
onteigening eene afzonderlijke Avet eischt, terwijl \'t
laatste geval zich nooit of zeer zelden in de praktijk
voordoet, daar, zooals boven is opgemerkt, werken
van eenigen omvang bijna altijd de hulp van den
Staat in den eenen of anderen vorm noodig hebben.

Bovendien vergat hij dat de overheid altijd door
middel van de wetgevende macht kan opkomen
ter bescherming harer onderdanen tegen de tyrannie
van maatschappijen, zooals zij reeds gedaan heeft
o.a. door de verschillende spoorwegwetten, door de
wet van 23 April 1880 S. No. G7 op de openbare
middelen van vervoer, en ook door die van 1 Juni
1861 S. No. 53 op \'t vervoer van landverhuizers.

Siihsidie, rente-garantie of andere geldelijke tege-
moetkoming.

Ongeveer \'t zelfde treft men hier aan, met eenig
verschil door de wijze, waarop deze staatshulp
wordt verleend. Ook hiervoor, gelijk overal, waar \'t
betreft \'s Rijks financiën, is de tusschenkomst van
de wetgevende macht vereischt.

Deze hulp kan gegeven worden hetzij bij de jaar-
lijksche begrooting van uitgaven hetzjj bij eene\'afzon-
derlijke wet. Geschiedt ze b\\j gene, dan heeft men
hetzelfde als bij onteigening : alleen de regeering
dient de begrooting in, waarop zij de door haar

-ocr page 59-

47

noodig geoordeelde uitgaven brengt. Brengt dan
de volksvertegenwoordiging eenen post voor eene
subsidie daarop, of verhoogt zij eenen door de
regeering gewenschte, deze behoeft er zich niet
aan te storen; wèl natuurlijk wanneer - de Kamer
den post vermindert of weigert. Ook hier zal zij
zich laten leiden door \'t algemeen nut, waarin de
onderneming belooft te voorzien, waarbij tevens
in aanmerking komen de voorwaarden, waaronder
de aanvragers dat algemeen belang zullen dienen.
Formeel is ook hier amendatie dier voorwaarden
der vergunning door de Tweede Kamer mogelijk,
feitelijk niet, om dezelfde reden als hierboven is
vermeld.

Wordt de subsidie, hetzij op initiatief der Staten-
Generaal hetzij op dat der Koningin, bij eene afzon-
derlijke wet verleend, dan kan er bij de begrooting
geen sprake zijn van vermindering of schrapping,
noch door de regeering noch door de Tweede Kamer,
ze vormt dan geene vrije uitgave, maar eene, waartoe
de Staat verplicht is krachtens eene wet.

Hier biedt zich ook de mogelijkheid aan voor ver-
gunningen van provinciale en gemeentebesturen,
naar de regels\'der provinciale en gemeentewet.

Wanneer voor \'t werk noodig is de beschikking,
geheel of gedeeltelijk, van eigendom van H Hijk of een
zijner onderdeelen
— privaat domein — zal eveneens
noodzakelijk zijn do tusschenkomst der Staten-
Generaal, het provinciaal of gemeentegezag. Ook
dan spreekt men meestal van eene vergunning,

-ocr page 60-

48

óohcessie; maar nu niet is \'t de eenzijdige publiek-
rechterlijke daad van \'t openbaar gezag, waarbij
het zijne hulp verleent en daardoor de gelegen-
heid schept om de onderneming te verwezenlijken.
Thans is het de tweezijdige handeling, waarbij de
Staat geheel of gedeeltelijk en op de wijze in \'t pri-
vaat recht vervat, afstand doet van zijn eigendoms-
recht, een recht, dat hij met ieder zijner onderdanen
gemeen heeft en waarbij de ondernemer, aanvrager
der concessie, hetzelve verkrijgt.

Die afstand geschiedt, waar \'t betreft rijkseigendom,
in den vorm eener wet.

\'t Juiste begrip vergunning vindt men terug waar
verlangd wordt alleen
\'t gebruik van H publieke domein,
een eenvoudig verlof om voor den aanleg en exploi-
tatie eener onderneming gebruik te mogen maken
van zaken, die overigens buiten den handel zijn en
waarvan geen afstand, noch geheele, noch gedeelte-
lijke, kan gedaan worden, omdat niemand er eene
uitsluitende bevoegdheid over kan verkrijgen, \'t Is
\'t zgn. domaine public uit \'tFransche recht: zaken,
die den Staat of een zijner onderdeden toebehooren,
althans onder hun beheer slaan, en bovendien ten
algemeenen nutte zijn bestemd. „Algemeen nut" is
uitgebreider dan „publieke dienst"; voor \'t laatste
is altijd nog een werk of onderneming noodig, en
met \'t oog daarop wordt hier \'t gebruik eenér zaak,
die ten algemeenen nutte strekt, gevraagd.

Behoort nu zoodanige zaak aan \'t Rijk zelf, dan
zal de vei;gunning, noodig voor \'t min of meer uit-

-ocr page 61-

49

gebreide, iii ieder\' geval van \'t gewone afwijkende
gebruik, gegeven worden in naam der Koningin
door \'t hoofd van \'t betrokken departement, hetwelk
met \'t beheer van en \'t toezicht op die zaken belast
is, meestal den Minister van Waterstaat, Handel en
Nijverheid, altijd ten minste zoo \'s Rijks financiën
er niet door getroffen worden.

Behoort ze aan de provincie of gemeente, of staat
ze onder haar beheer, dan is \'t wederom \'t provinci-
aal of gemeentebestuur, waarbij op te merken valt
dal arl. 230 Gemeentewet \'t eenigsle artikel in onze
wetgeving is, dal spreekt van de wijze, waarop eene
zaak buiten den handel dat karakter kan verliezen. \')

Deze eenvoudige toestand moet plaals maken voor
eenen meer ingewikkelden, zelfs verwarden, wan-
neer \'l gebruik verzocht wordt van
wegen hetzjj
rijks, provinciale of gemeentelijke, heizij particuliere,
maar onder \'l beheer der overheid slaande en voor
\'l ojienbaar verkeer boslemd. Hier zal \'t bij uilslok
gelden werken ten dienste van \'l publiek, zooals
ver.schilleiide soorten tramwegen, ga.s-, water- cn
telephoon-leidingen, welke juist ter bevordering en
vergemakkelijking van den openbaren dienst zooveel

1) Op grond van \'t liclTcn van rcclilcn door parliculioren voor
\'t gebruik van door hen en voor hunno rekening aangelegde cn gc-
üxploileerdo werken is goane vergunning der overheid noodig, voor
zoover nict \'t Keizcrlyk Decreet van 1811, wat betreft die, by wyze
van tol geheven, daarop in zekeren zin eene uitzondering maakt.

Immers \'t zyn alleen belastingen, wanneer ze door een publiek-
rcchterlyk gezag geheven worden.

4

-ocr page 62-

50

mogelijk \'t gebruik betrachten van reeds bestaande ver-
keerswegen en gronden, die toch al ten algemeenen
nutte en ten behoeve van \'t publiek bestemd zijn.

En door de verscheidenheid der wegen, welke
vooral uitkomt bij den aanleg van tramwegen, in
\'t bijzonder van die, welke een intercommunaal ver-
keer beoogen, èn door de gebrekkige regeling van
\'t wegenrecht ten onzent stuit men waar men voor
den aanleg van werken de vergunning behoeft om
van dezelve gebruik te maken, op tal van dubia en
moeilijkheden. Daaraan is de uitgebreide litteratuur
aangaande dit onderwerp te danken, zoowel over
ons wegenrecht in \'t algemeen als over de tram-
wegen in \'t bijzonder. Hier volgt slechts eene korie
uiteenzetting.

De groote moeilijkheid is de verscheidenheid der
vergunningen, die men noodig heeft en welke niet
alleen verkregen moeten worden van de eigenaars,
maar bovendien nog van tal van autoriteiten in den
Staat, die allen in zekere betrekking tot den weg staan.
Deze dan komen herhaaldelijk met elkaar in bot-
sing en geven vaak voor eenzelfde werk vergun-
ningen, waarvan de eene bepalingen inhoudt, zooal
niet van tegenstrijdigen aard mét die der andere,
dan toch van geheel verschillenden; ja, de weigering
van één dier besturen, al is \'t stuk van den weg,
waarvoor het de vergunning moet verleenen nog
zoo klein, is \'t vaak voldoende \'t geheele werk te
doen échoueeren. \')

1) Men zie o a. Arntzenius, Bijdragen, 25 p. 418 v., von llecken,

-ocr page 63-

51

Wel zal, wanneer de vergunning lot gebruik van
den weg voor de voor eene tram benoodigde werken
niel toegestaan wordt, de aanleg van deze veelal
lot de onmogelijkheden behooren; maar gesteld, dal
zij zich desnoods daarvan, en van iedere andere
hulp der overheid kan spenen, dan slaat ook niets
zoodanige onderneming in den weg. Immers noch
de Koningin, noch \'t provinciaal of gemeentebestuur
kunnen bij strafverordening verbieden \'l aanleggen
en ondernemen van eenig openbaar middel van
vervoer, zooals eenen tram- of omnibusdienst, daar
de verschillende spoorwegwetten en die van 1880
op de openbare middelen van vervoer de regeling
daarvan lot eene rijkszaak gemaakt hebben.\') \'l Zelfde
geldt voor gas-, electriciteits-, water-, lelephoon- en
andere geleidingen in \'t bijkans ondenkbare geval,
dat het leggen daarvan niet behoeft plaats te heb-
ben op, onder of boven den publieken grond; hier
zijn het de wetten van 1857, de Hinderwet, en die
van 28 Mei 1809, S. n". 97, de Stoom wet, die dal
beletten. O

Thcmis 51 p. 27; Mcnnida: Iels ovor don onnlcg van tramwegen.
Leiden, 1887, prrt.; Oskar llubor: Dio Conccsaionserteilung für Stras-
sen-, Eisenbahn- und Tramway-unternohmungcn. Bulach 1888, diss.
W. Burg. Adm. no. 1788. Gern. Stem nos. 1.173, 2201, 2285,
2300, 2313, 2319, 2349 ; W. van \'t Hecht no. 6GC0 ; arrest II. 11.
19 Oct 1685, üem. Stem. no. 1799; hof Amsterdam 3 Juni 1881
W. no. CG8.

1) W. Burg. Administratie, no. 1738.

2) Mr. L. F. ü. P. Sehrcuder: Iets over de Hinderwet. Themis,
1897, png. 7 V.

-ocr page 64-

52

Mr. J. Roëll, Bijdragen 25 p. 305 v. noemt voor
den aanleg van tramwegen op de gewone wegen
noodzakelijk:

1". de vergunning van \'t openbaar gezag, veranl-
Avoordelijk voor den goeden toestand der wegen, de
publiek-rechtelijke beheerders, terwijl mogelijk is

2°. die van \'t politie-wetgevend gezag, dat binnen
zijn ambtsgebied en met inachtneming der ambte-
lijke hiërarchie in een politie-reglement \'t gebruik
dier vervoermiddelen zonder voorafgaande vergun-
ning kan verbieden in \'t belang der algemeene
veiligheid.

Mr. Krabbe in de Bijdragen 30, acht buiten quaestie:
1". de vergunning van den beheerder, want door
\'t leggen der rails ondergaat \'t lichaam van den weg
eene verandering, welke aan de publieke bestemming
afbreuk kan doen. Bovendien, ofschoon volgens
hem ten onrechte: \')

2". de vergunning van den eigenaar van den weg,
daar de regeering geen provinciaal reglement goed-
keurt, wanneer men daarin den aanleg van tram-
wegen buiten vergunning van den eigenaar wil ver-
zekeren;

1) Z. i. ligt \'t gebruik van den weg voor eene tram binnen de
bestemming van den weg als verkeersmiddel cn juist nl die rccbtcn
van den eigenaar slapen, welke door de bestemming van den weg
niet kunnen worden uitgeoefend; zijne bevoegdheid sluit alleen die
beschikking over den weg in zich, welke niet aan de publieke \'be-
stemming tekort doet.

2) Zie \'t »dres der Staten van Z.-Holland aan den Koniug by
Arntzenius t. a. p.

-ocr page 65-

53

3». alleen wanneer ze uitdrukkelijk is voorbehouden,
eene vergunning van \'t politiegezag, dat zijn de Prov.
Staten, terwijl in \'t reglement op de tramwegen van
N. Holland eene vierde vergunning voorkomt, vooraf-
gaande aan die van Ged. Staten, n.1. die van de
besturen der gemeenten, waarin de wegen gelegen
zijn, voor \'t geval die besturen noch eigenaars, noch
beheerders dier wegen zijn.

Ten slotte neemt Schepel, in zijne dissertatie over
ons wegenrecht (Gron. 1895) p. 370 v. de volgende
vergunningen als noodig aan:

1". die van de publiekrechtelijke beheerders, omdat
\'t lichaam van den weg kan worden beschadigd en
de onderhoudslast verzwaard;

2\'. die van de privaatrechtelijke beheerders, dat
zijn particulieren of commissies, wier beheersrecht
uit den eigendom voortvloeit; \')

3". die der Prov. Staten, die maatregelen voor-
schrijven, waarnaar zich in \'t belang der openbare
orde de tramwegondernemers hebben te gedragen
en in bedoelde belangen ook voorafgaande vergun-
ning lot tramaanleg kunnen eischen.

Hoewel \'l provinciaal reglement op de tramwegen
van N. Holland ook voor den aanleg op rijkswegen
uit een polilieoogpunt die vergunning van Ged.
Staten voorschrijft, is \'t toch door de regeering goed-
gekeurd, hetgeen doet bl|jken van eene veranderde
meening ten dezen, daar zij vroeger hare bekrach-
liging aan zoodanige bepaling weigerde.

1) Dit is gccno vergunning vnn \'t openbanr gcwg cn valt derhalve
geheel onder \'t burgerlek recht.

-ocr page 66-

54

Deze beginselen zijn naar analogie geheel toe te
passen op \'t leggen van andere geleidingen dan de
rails eener tram, op, onder of boven den publieken
grond.

Ook betreffende de concessie, noodig voor \'t aan-
leggen van wegen zelf, geeft Schepel t. a. p. pag.
321
V. eene duidelijke uiteenzetting.

Gelden hieromtrent in \'t algemeen dezelfde be-
ginselen alsook voor alle andere werken die ver-
gunning behoeven, zoo komt hier bovendien nog in
aanmerking \'t reeds vermelde Keizerlijk Decreet \'van
21 October 1811 en \'t K. B. van 10 Mei 1820 S. no. 2.
Beide, voor zoover hunne werking gaat, behouden
den Staat een uitsluitend recht voor, respectievelijk,
om tol te hetren en wegen aan te leggen. Hetzij
dit doende uit een politieoogpunt, hetzij uit eenig
ander motief, kennen zij den Staat daartoe \'t mono-
polie toe, waarvan hij, bij wijze van eene vergun-
ning ten behoeve van particulieren, afstand kan
doen.

AVat aangaat de tegenwoordige werking van dat
Decreet, komt Roëll \') terecht tot de conclusie, dat
voor tolhefling op provinciale- en gemeentewegen
\'t Decreet zijne verbindende kracht heeft verloren
door de provinciale- en gemeentewet, welke deze
besturen tot belastinghefting bevoegd maken. Die
op particuliere wegen in strijd met \'t Decreet is

1) J. llocll: \'t llcglcmcnt op \'t onderhoud cn gebruik der wegen
ill du provincie Ulrcc\'ul.

-ocr page 67-

55

mogelijk, want dit heeft geene strafrechtelijke sanc-
tie, maar „ontduiking der wederrechtelijk geheven
gelden zal geen grondslag tot eene vordering in
rechten kunnen opleveren." Alleen voor geconce-
deerde wegen is het nog van kracht en zal de
Koningin vergunning tot tolheffing verleenen. Meer-
malen wordt concessie gevraagd om op eenen parti-
culieren weg, brug of ander werk tol te mogen
heffen. Roëll vindt dat zulks niet mag worden toe-
gestaan, tenminste indien de weg enz. particulier
blijft: tolheffing is alleen geoorloofd voor \'t gebruik
van wat voor den publieken dienst bestemd is. \')

\'t Voortdurend bestaan van \'t K. B. van 1820 heeft
volgens Schepel alleen deze gevolgen, dal de i)ro-
vincie en gemeente geen voorschriften mogen uil-
vaardigen, waarbij wegenaanleg of verbetering zonder

1) Z. i. knn wel ccn particulier op eigen grond voor zich ïclven
eenen weg aanleggen zonder concessie cn ook daarby \'t gebruik voor
\'t geheele publiek vrylaten, dcch dat kan nooit eene algemeene voor
\'t publiek bestemde communicatie z\\|n, moar blyft alt\\jd eene byzon-
dere. 7/onder concessie kan geen particulier eenen weg tot openbaren
verhefTen, zoodat ze kome te staan onder do hoede en \'t toezicht van
\'t openbaar gezng cn do politio daarover gevoerd worde als over eenen
provincialen of gernccntoweg. Do bestemming voorden publieken dienst
nnn zulke wegen eigen, knn alleen door \'t provinciaal of gemeente-
gezag worden uitgesproken. Zoo ook Mr. ü. do Vries, Bydrngen 18,
p. 08
V. Zoo definieert A. J. M. J. van Wynbergen: «Onze Mar-
ken.« 1\'rft. Amsterdam 1893, blz. 82 te recht den openbaren weg
als r/eon streek grond.% op bepaalde en duidolyke wyze als weg ten
gemeoncii nutte, ten oponbnron dienst bestemd, door het openbnar
gezng, hetwelk dc bevoegdheid heeft aan dio bepaalde streek gronds
diu publieke bestcinming Ie gevon en tc handhaven.//

-ocr page 68-

56

voorafgaande vergunning harerzijds wordt verboden
— immers \'t Rijk heeft zich voorbehouden te zorgen,
dat door dien aanleg en verbetering geen algemeene
belangen worden geschaad en in de tweede plaats,
dat, waar de provincie of gemeente niet zelf den
weg aanlegt, de vergunning der Koningin niet over-
bodig is geworden.

Na aldus nagegaan te hebben, welke vergunningen
voor werken of ondernemingen ten dienste van \'t
publiek in ons positief recht zich kunnen voordoen
en de wijzen waarop zij door \'t openbaar gezag
verleend worden, heb ik, — met uitzondering, waar
\'t ons wegenrecht raakt, doch daar alleen door de
gebrekkige regeling van dat recht, — niet de be-
zwaren ontmoet, die èn bij de regeering èn bij de
meerderheid der 2c Kamer in 1865 èn bij vele schrij-
vers bestonden tegen \'t stelsel van concessie-ver-
leening, dat geene algemeene wettelijke regeling kent.
Gevaar voor gunstbetoon bjj meerdere concessie-
aanvragen of voor onvoldoende behartiging der pu-
blieke belangen is al zeer gering bij eene krachtige
contrôle der volksvertegenwoordiging, die zelfs boven-
dien meestal bij \'t verleenen der vergunning ge-
moeid is. Daarenboven zijn dat slechts gevolgen
eener minder goede toepassing van ons stelsel, dat
zooveel mogelijk beoogt vrijlating aan \'t particulier
initiatief om in de behoeften van \'t algemeen.te
voorzien, terwijl de overheid door middel van hare
uitgestrekte machtsmiddelen in staat blijft den onder-
nemers ook \'t openbaar belang te doen behartigen.

-ocr page 69-

57

Zelfs leent \'t onderwerp zich zeer slecht tot wet-
telijke regeling, heft deze de bezwaren niet op en
doet ze nieuwe ontstaan, tenzij men hier te lande
aanneme \'t Fransche stelsel, bij concessieverleening
van openbare werken en onderneipingen in zwang,
waarvan ook \'t ontwerp-Thorbecke van 1865 uitging
en hetwelk eveneens duidelijk uitkomt bi] eene an-
dere gelijkelijk mislukte poging om te komen tot eene
wettelijke regeling, nu niet van \'t geheele onderwerp
der concessies, maar slechts van een belangrijk on-
derdeel, hetwelk zeer zeker \'t meest voorziening be-
hoefde, n.b die, noodig voor \'t aanleggen en ver-
beteren van wegen en vaarten.

Door den minister van W., H. en N., Tak van
Poortvliet, werd in de zitting der St. Generaal van
1878 ingediend een ontwerp van wet ,betrelTende
de vergunning tol den aanleg en verbetering van
wegen en vaarten." \')

Dit ontwerp zou daardoor eveneens eenige verbe-
tering brengen in den slechten toestand, waarin ons
wegenrecht verkeert, doch slechts voor een klein
deel, daar \'t alleen betrekking had op die wegen en
vaarten, voor wier aanleg of verbetering eene ont-
eigeningswet of subsidie uit \'s Rijks schatkist noodig
was. Wel was dat niet de uitdrukkelijke bedoeling
des ministers; hij toch verklaarde de vergunning
noodig bij belangrijke openbare werken en dat de
omvang en beteekenis dier werken zou worden af-

1) linndolingcn der Stntcn-ücncrniil 878—1879 II, Bijlngcn 1131-4.

-ocr page 70-

58

gemeten naar de al of niet noodzakelijkheid eener
onteigeningswet of subsidie. Dan achtte hij \'t tevens
eene plicht der overheid, die zorg voor den aanleg
en verbetering op zich te nemen, hetzij ze recht-
streeks uitoefenend, hetzij ze aan anderen over-
dragend; geheel eene navolging van \'t Fransche
stelsel van concessie-verleening.

In deze uitbreiding der staatszorg en staatsbe-
moeiing zagen dan ook thans vele leden der Kamer
eene gevaarlijke en ongewenschte uitbreiding van
\'t begrip „toezicht", in \'t hoofdstuk der G. W.
ontwikkeld; slechts in sommige gevallen betreffen
de concessies, die de overheid verleent, werken, die
zij zelve, ware geene concessie aangevraagd, op een
gegeven oogenblik zoude hebben moeten uitvoeren.
Bovendien, zeide men, regelde \'t ontwerp eigenlijk
niet de concessies, geeft \'t geene omschrijving voor
welke werken concessie zal worden verleend en
noodig is, maar alleen de voorwaarden, waaronder
twee middelen om tot den aanleg van een werk te
komen, toepassing kunnen vinden. Immers, subsidie
of onteigening is niet een juist criterium voor \'t groote
belang van \'t werk, dat alleen de. wettelijke nood-
zakelijkheid van concessie-verleening zou kunnen
rechtvaardigen. Vele voor \'t publiek belangrijke wer-
ken hebben noch \'t een noch \'t ander noodig en
zullen, gelijk dan ook in de praktjjk geschiedt, zonder
voorafgaande vergunning tot stand komen, tel\'wijl
menig klein werk, van betrekkelijk algemeen en uit-
sluitend locaal belang eene onteigeningswet en rijks-
subsidie, bijgevolg tussclienkomst van den wetgever

-ocr page 71-

59

vordert, \'t Tot stand brengen van zoo\'n gering werk
zou dan niet minder onder de uitsluitende bevoegd-
heid van \'t openbaar gezag moeten vallen, op hetwelk,
— ook al zou \'t den aanleg bij wijze van concessie
. overdragen aan anderen: particulieren of een publiek-
rechtelijk onderdeel van den Staat, — alle rechtsge-
volgen uit de verleende concessie zouden neerkomen,
zooals: overgang ipso jure aan den Staat na alloop
der vergunning, veelal met vergoeding uit \'s Rijks
kas, de noodzakelijkheid om vervallen te verklaren
en te naasten, waardoor \'t werk geheel onder \'t
beheer van \'t Rijk zou gebracht worden.

Had \'t ontwerp Thorbecke nog de prov. en gem.
besturen binnen den kring hunner huishouding vrij-
gelaten in \'t zelf ondernemen of aan anderen over-
dragen van werken van provinciaal of gemeente
belang, dit ontwerp verwaarloosde hierdoor geheel
dat beginsel, dat ieder staatsgezag binnen den kring
zijner huishouding werken van algemeen belang kan,
soms moet uitvoeren of ook aan anderen overlaten.
Krachtens de nu voorgestelde bepalingen zouden
die organen van den Staat thans zelf concessionaris
worden voor de uitvoering van werken, waartoe z|j
publiekrechtelijk verplicht zjjn en de Staat eigenaar
en bestuurder van werken van provinciaal- of ge-
meentebelang.

Overigens zouden, wanneer subsidie en onteigening
op zichzelf een onjuist criterium zyn voor \'t al of ^
niet eischen der vergunning, zij evenmin eenen grond
kunnen wezen om de inmenging van den wetgever
uilsluitend in die gevallen Ie wettigen.

\\

-ocr page 72-

60

Ten slotte: waar \'t ontwerp voorstelde concessie-
verleening bij de wet en \'t ontwerp Thorbecke alleen
den wetgever de door de regeering verleende con-
cessie liet bekrachtigen wanneer onteigening, rijks-
subsidie, afstand van rijksgrond of heffing van rechten
die tusschenkomst noodzakelijk maakte, waren ook
hier leden, die alle regeling onnoodig achtten en
bij de bestaande praktyk wenschten te volharden.
Daartoe droeg vooral bij, dat ook nu evenals bij \'t
ontwerp-Thorbecke, voor den wetgever alleen al
of niet bekrachtiging der reeds door de regeering
feitelijk verleende vergunning zou overblijven, terwijl
thans ook zonder algemeene wettelijke regeling, de
wetgevende macht, bij de wet tot onteigening, rijks-
subsidie of afstand van rijksgrond, in de afzonderlijke
voorwaarden der vergunning kan ingrijpen, in ieder
geval daarvan \'t al of niet toestaan dier middelen
afhankelijk maken en zoodoende voor de belangen
van \'t publiek waken, grove fouten en misbruiken
keereri.

Ook dit onlwerp heeft \'t nooit verder gebracht
dan \'t afdeelingsonderzoek, en ook liier was het groote
struikelblok de onmogelijkheid nauwkeurig de ge-
vallen aan te wijzen waarin dan die concessie noodig
zou zijn.

Een geheel ander stelsel b|j werken en onder-
nemingen ten dienste van \'t publiek volgt men-in
Frankrijk en ook in België.
Van oudsher \'), bevestigd door de hedendaagsche

1) Dalloz, Répertoire, vocc concession administrative.

-ocr page 73-

ül

wetgeving en praktijli, is \'t daar de Staat, die bij
den aanleg van alle groote werken ten dienste van
\'t publiek gemoeid is, zelfs zoo zeer, dat hij \'t feitelijk
is, die "t werk doet uitvoeren. De noodzakelijkheid
van staatshulp deed hem \'t geheele werk absor-
beeren, ofschoon in de uitvoering daarvan groot
verschil mogelijk is en daarbij voor \'t particulier
initiatief min of meer gelegenheid bestaat zich te
uilen; maar altijd, in hoogsten ressort, is \'l de Slaat,
die \'t werk doet ondernemen. \')

\'t Meest gebruikelijk, ook bij ons, wanneer er een
werk voor \'l Kijk of een zijner onderdeden moet
gemaakt worden, is dat de Slaat een contract sluit
met eenen aannemer, die zich verbindt voor eene
bepaalde prijs, betaalbaar in eens of in termijnen,
en onder zekere voorwaarden \'t werk uit le voeren,

1) Aucoc, Oonfércnccs sur Ic droit administrnlif II, no. Gil, noemt
drie verschillende wijzen, waarop in Frankr\\jk de Slaat of ccn zijner
onderdeden ccn werk kan tot stand brengen:
la régie, fenlreprite ou
marché
en la coHceuioH.

De ri^ie, waar dc Staat zelf \'t werk uitvoert zonder tusschcnkom&l
van aannemers of concessionarissen, wedero.\'n tc verdeden in la ri\'gio
simplc OU par économie, wanneer \'t werk wordt bestuurd door ccn
staatsambtenaar, uitsluitend belast met \'t algemeen toezicht op \'t fbian-
ciecl beheer; cn la rdgie intcrcss(^e, waar die tank vervuld wordt
nict door cenen vaslcii staatsambtenaar, maar door iemand, dio een
tractement geniet in evenredigheid met do uilgaven, dio hy zelfs
in sommige gevallen voorschiet. Overigens komt dc gchcelo régie
weinig voor.

L\'cnlrcprisc ou marché is do gewone overeenkomst van aanneming
van werk.

-ocr page 74-

62

waarbij deze \'t risico loopt dat zijne berekeningen
of de omstandigheden min of meer juist, min of
meer gunstig waren, \'t Is een ge\\voon burger-
rechtelijk contract, bij ons geregeld in \'t B. W.,
waarvan men natuurlijk door afzonderlijke bedin-
gen kan afwijken; voorafgaande aanbesteding kan
voorkomen.

Eene variatie van dit contract, vormt nu \'t contract
van concessie, dat alleen hierin afwijkt, dat nu niet
de Staat, maar een concessionaris, een of meer par-
ticulieren, voor hunne rekening nemen zoowel de
kosten van aanleg van \'t werk, als de risico\'s die
de exploitatie er van zullen opleveren. Hunne schade-
loosstelling, eventueele winst bestaat nu niet in eene
vaste som gelds, die hem de Staat rechtstreeks na
afloop van \'t werk uitbetaalt, maar in den min of
meer langen duur, gedurende welken de Staat hem
\'t bedrijf overlaat, in welks provenu zij hunne be-
looning, mogelijke winst denken te vinden.

Dan is duidelijk, dat \'t ook hier \'t werk van den
Staat is, en dat deze concessie daarom geheel ver-
schilt van die, welke b|j ons gegeven wordt als \'t
geheel der voorwaarden, waaronder enkel de hulp
van den Staat wordt verleend, of waar deze onvoor-
waardelijk helpt als \'t verleenen dier hulp zelf\').

l) Ook (lat Fransche stelsel van conccssicvcrieening komt by ons
voor, b.
V. waar de maatschappy tot exploitatie van S S. ter voltoóing
van haar net zelf den aanleg van nieuwe lynen onderneemt, hetgeen
vroeger den "Staat deed, daar deze nieuwe lynen, evenals de door
den Slaat aangelegde en door haar geëxploiteerde, staatseigendom zyn.

-ocr page 75-

Ü3

Die hulp van den Staat bij de uitvoering van \'t
werk kan natuurlijk ook bij de Fransche concessie
voorkomen, doch daar maakt ze slechts eene der
bepalingen van \'t contract van concessie uit, eene
der voorwaarden waaronder de concessionaris een
werk voor den Staat onderneemt en dat den Staat
toebehoort. Alleen dus, waar het openbaar gezag
niet zelf \'t werk uitvoert en exploiteert, is er voor
\'t particulier initiatief een gebied van werkzaamheid
overgelaten, om, bij wijze van concessie, \'t werk tot
sland te brengen, maar altijd in plaats en ten be-
hoeve van den Staat.

De wetgeving, waarop dit stelsel rust, is \'t eerst
vervat in de reeds genoemde wetten van 7 Juli 1833
en 3 Mei 1841. \'t Sénatusconsulte van 25 December
1852, dat de wet van 1833 verving, wijzigde \'t be-
ginsel dier wet in dien zin, dat nu niet meer eene
wet noodig was, maar dat voortaan een Keizerlijk
Decreet de vergunning zou geven om \'t werk tol
sland te brengen en eischte de medewerking der
wetgevende macht slechts in zoover als \'s Rijks
financiën bij \'l werk betrokken waren \')•

Ook komt voor, roornl by locnalspoorwcgcn, dnt de mnntseliappy (cn
do Stnnt) tulk een conlrnet sluit mot een partieulier, dio op licli
neemt in aansluiting ann \'t net van oorilgenoemdo ccn loeaalspoor
ann te leggen en gedurende eekor aantal jaren to exploiteeren.

Voor Belgio lio men : Pasicrisio Belgo o.a. 1889 III C, 1890 II
409; 1891 I ICO, 185 II 55, 335; 1893 II 159; 1894 I 188;
1895 II 253, 274; 1890 III 129.

1) Aneoe no. 576 t. a. p. deelt \'t rapport medo van den president
van den Senaat, Troplong, aangaande die wljriging : Sans doute lo

-ocr page 76-

64

Maar nu deden zich dezelfde moeilijicheden voor,
waarvoor ook bij ons de 2e Kamer beducht was bij"
\'t\' onderzoek der beide besproken wetsontwerpen,
zoodat in 1870 de keizerlijke regeering zelf voor-
stelde terug te komen tot \'t systeem van 1830. In
de Mem. van Toel. erkende ze dat haar stelsel niet
te handhaven Avas »Qu\'en fait le corp slégislatif,
appelé à voter les subsides, nécessaires à l\'exécution
des travaux ou à ratifier les engagements, pris par
le\' gouvernement et qui imposaient des charges au
Trésor, avait été forcément entràiné à l\'appréciation
de l\'ensemble des conditions, dans lesquelles le

pouvoir d\'exproprier est exorbitant du droit commun et l\'on ne
saurait laisser la propidté privée au caprice d\'autorités subalternes;
mais le pouvoir central est placé si haut et dans dc telles conditions
d\'impartialité, qu\'il est le juge le plus juste et le plus éclairé do
l\'utilité publique. Sans doute encore, les grands travaux, demandent
des vues d\'ensemble et des combinaisons étendues, mais lo pouvoir
central- n\'est chargé d\'administrer en grand que parce qu\'il est cx-
cellcracnt pos« pour les embrasser. Il reste donc dans son rôle d\'ad-
ministrateur silprême cn dirigeant l\'activité nationale vers les travaux
qui développent les richesses du pays et mettent à côté des popula-
tions les véritables moyens de combattre la misî-ro.

On convient cependant que, toutes les fois que ces travaux impo»
sent tt l\'Etat des dépenses non prévues, l\'allocation des crédits ap-
partient au pouvoir politique qui est appelé par la constitution à
vôter l\'impôt. Mais notons-le-bien, ce sont les frais du travail et non
le travail en lui-même, qui sont soumis à la sanction législative. Pour
que l\'équilibre soit conservé entre le pouvoir exécutif ct le pouvoir
législatif, il faut que le premier reste appréciateur libre, souverain dc
l\'utilité et\'de la direction du travail, comme l\'autre reste juge cn
dernier ressort de la dépense....

1) Aucoc t. a. p.

-ocr page 77-

G5

travail était exécuté; qu\'on ne pouvait éviter ([ue
le pouvoir, qui dispose des ressources et qui d\'un
autre côté, représente les intérêts des populations,
appelées à profiter de l\'entreprise, ne lit prévaloir
la combinaison, qui lui semblait la meilleure pour
assurer la satisfaction de ces intérêts \')•

Voorop staat thans art. 1 van de wet van 27 Juli
1870, welke den Staat \'t monopolie geeft van aile
groote werken ten dienste van \'tpubliek:

„Tous grands travaux publics, routes impériales,
canaux, chemins de fer, canalisation de rivières,
bassins et docks -), entrepris par l\'Etat ou |)ar com-
pagnies particulières, avec ou sans péage, avec ou
sans subside du Trésor, avec ou sans aliénation
du domaine public, ne pourront êtie autorisés \') (pie
par une loi, rendue après une eiKiuête administrative.
Un décret impérial, rendu eu la forme des règlements
d\'administration publiciue et également précédé d\'une
en(iuête pourra autoriser l\'exécution des canaux
et chemins de fer d\'embranchement de moins de

1) tij noo(l/,nkclüklici(i lol ünlcigcning kon zich dit gevftl nicl
voordoen, omdat daarvoor gceno afzondcrUjko wet of andere inmen-
ging van den wetgever noodig is, daar do uilspraak van deze onder
dc wol van 18:J:{ cn dio der regccring onder \'l sónalusconsullc van
1852, dat \'t Mcrk noodzakclyk was voor \'t algemeen nut (rulilitó
publique) vnn zelf dc bevoegdheid tot onteigening meebracht.

2) Aucoc t. a p. noemt dczo opsomming enuntiatief.

:() Aulorisalion is dus niet gcl\\)k concession, dnar ook voor werken
welke do Staal zelf uitvoert cn onderneemt zoo\'n autorisatie van den
wetgever noodzakelyk is.

•t) Te vergclykcn met \'t voorafgaand onderzoek, v/xjrdat by ons
ccnc onteigeningswet wordt voorgedragen.

5

-ocr page 78-

66

vingt kilomètres de longueur, des lacunes et rectifi-
cations de routes impériales, des ponts et de tous
autres travaux de moindre importance.

En aucun cas les travaux, dont la dépense doit
être supportée en tout ou en partie par le Trésor
ne pourront être mis à exécution qu\'en vertu de la
loi, qui crée les voies et moyens ou d\'un crédit
préalablement inscrit à un des chapitres du budget

Art. 2. Il n\'est rien innové, quant à présent en ce
qui touche l\'autorisation et la déclaration d\'utilité
publique des travaux à la charge des départements
et des communes.

Heeft nu eene zoodanige wet of decreet de „utilité
publique" van \'t werk uitgesproken, dat nu verder
door \'t R\\jk zelf of een zijner staatsrechtelijke
onderdeden kan worden ondernomen of ook aan
particulieren geconcedeerd, dan brengt zoodanige
uitspraak van zelf \'t onteigeningsreclit mede en is
daarvoor geene afzonderlijke wet of andere handeling
noodig. Daarom zou, zooals de 2c Kamer bij ons terecht
inzag, de uitvoering ten onzent van dit Fransche stelsel
op deze moeilijkheid stuiten, dat, wanneer de regee-
ring concessie verleende, gelijk \'t ontwerp-Thorbecke
voorstelde, èn door de bekrachtiging dier concessie
door den wetgever volgens art. 8 van \'t ontwerp èn
door de behandeling der onteigeningswet zelf twee-
maal eenzelfde zaak door dezelfde autoriteit zou
behandeld worden; en hetzelfde zou zich ook voor-
doen, wanneer de wetgevende macht zelf de concessie
verleende, zooals in \'t ontwerp-Tak van Poortvliet,
en daarna de onteigening toestond. Het stelsel, dat

-ocr page 79-

67

die beide tol één vereenigt is juist dat, wat thans
bij ons in de pralvtijk wordt gevolgd en ook daarom
verre te verkiezen boven eene algemeene wettelijke
regeling zooals in bovengenoemde ontwerpen neer-
gelegd \')•

De \'Fransche wel op de onteigening van 3 Mei
1841 stelt in art. 2 de vereischten voor de uiloefening
van dal recht.- Ges formes consistent:

1". dans la loi ou l\'ordonnance royale qui autorise
l\'exécution des travaux pour lesquels l\'expropriation
est recjuise.

2". dans l\'acte du préfet qui désigne les localités
ou territoires sur lesquels les travaux doivent avoir
lieu, lorsque celte désignation ne résulte pas de la
loi ou de l\'ordonnance royale,

3". dans l\'arrêté ultérieur par lequel le préfet
détermine les propriétés particulières auxciuelles
l\'expropriation est applicable. Cette apj)licalion ne
peulêire l\'aile à aucune propriété particulière ({u\'après
que les parties intéressées ont été mises en élat d\'y
fournir leurs contredits, selon les règles exprimées
au lit. 2,

art. 3 herhaalt nog eons ten overvloede, dal alle
groote openbare werken slechts na eene wet of
decreet kunnen tol sland gebracht worden.

Vooral OJ) \'t belangrijke terrein der comnnmicatie-
middelen, der wegen, komt dit stelsel duidelijk uil.

1) Iu ons tegenwoordig stelsel knn \'t maken van \'t werk afliangcn
van \'t toestaan der onteigening; in IVankryk is \'t omgekeerd do
vergunning om \'t werk tc maken, waaivan do onteigening afiiangt.

l!

-ocr page 80-

68

Terwijl de aanleg en \'t beheer der wegen „d\'intérèt
général" uitsluitend tot de bevoegdheid en de rechts-
sfeer van \'t Rijk behooren, vallen die van locaalbelang
onder de competentie der locale besturen, in het bij-
zonder der départementale.

Zoo hebben volgens de wet van 11 Juni 1880 „sur
les chemins de fer d\'inlérêt local," départementale
en gemeentebesturen \'t recht, èn om zelf locaalspoor-
wegen aan te leggen èn om deze" te concessioneeren,
wanneer zij dan ook na afloop der 90 tot 99 jaar
durende concessie door \'t zoogenaamde, maar minder
juist uitgedrukte, recht van „Rachat" wederom in
den volkomen eigendom van den weg treden. Hierbij
valt op te merken, dat, daar ook voor den aanleg
dezer werken eene verklaring van \'t openbaar nul
— déclaralion d\'ulililé publique — noodig is, gelijk
de wet van 1870 voorschrijft, de vergunning om den
locaalsjioorweg aan le leggen altijd moet gegeven
worden door eene wet, nooil door een decreel, ook
al is hij minder dan 20 K.M. lang; eene voorafgaande
enciuête door den Staatsraad is noodig.

Bovendien regelt deze wet van 1880, in een tweede
gedeelte, ook den aanleg van tramwegen, dal zijn
die middelen van vervoer, die, door paarden- of
mechanische kracht gedreven, niet noodig hebben
\'t aanleggen van nieuwe wegen, maar alleen — voor
\'t leggen der rails — \'l gebruik behoeven van be-
slaande rijks-, départementale of gemeentewegen.
Daarvoor is geene wet noodig. maar wordt de con-
cessie verleend:

a. door den Staat, als de lijn moot worden gelegd,

-ocr page 81-

69

geheel of len deele, op eenen weg onder beheer van
den Slaal — dépendant du domaine public de l\'Elal —;
zulk eene concessie kan ook aan déparlemenlen lOf
gemecnlcn gegeven worden, mei verlof ze verder le
concessioneeren ;

b. door den déparlementalen „conseil général",
als de lijn, zonder eenen rijksweg le gebruiken, wordl
gelegd ()f op eenen déparlemenlalen of op eenen an-
deren belangrijken weg — chemin de grande com-
nmnicalion ou d\'inlérêl comnmn — of zich over
meerdere gemcenlen uilslrekl; zoodanige concessie
kan ook aan den Slaal of eene gemeente ge-
geven worden, met de bevoegdheid tol verdere con-
cessioneering.

(\'. door den „conseil nmnicipal", als de lijn geheel
ligt op \'t grondgebied van eene gemeente en levens
op eenen minder belangrijken weg — chemin vicinal
ordinaire ou chemin rural.
Daarenboven bestaan er lal van forinalileilen, \')

1) Rocll. Uydrngcii 25. p. 355 v.; üsknr llubcr p. 31. t. a. p. \\

üccno concessie wordt verleend, dan nn voornfgaande enquête, gerc- ^

geld bij decreet van 8 Mei 1861 //portant rrglcnicnt d\'administrntion |

inil)liquo sur la Tornic des cnqut\'lcs cn niaiirrc do cbcniins do fcr \'

d\'inlörft locnl cl do t/nniwiiys,« Munrbij bcpr-nld is, dnt de dcparlenicn- j:

Inic cn gemeenteraden, wier grondgebied doorsneden wordt, ïullcn i,;

moeten geboord worden, wanneer \'t verleenen der concessies volgens \'

bovcnstnnndc regels, niet «..in licn toekomt. li\'

Afgcbclieidcn van dc conccssicverlccning nioot by dccrcct vnn den

rresidcnt der llcpubllck, den lln.-id van State geboord, machtiging jj
worden verleend lot dc uitfocring van clko concessie cn haar alge-

meen nut worden erkend, Icrwyl do plannen vnn uitvoering moeten „f
zijn goedgekeurd door den Minister van Openbare Werken, als dc

-ocr page 82-

70

vereischt, alvorens de concessie definilier is geworden,
een gevolg te meer van de sterke mate van centra-
lisatie in dat land en de weinige zelfstandigheid der
staatsrechtelijke onderdeelen, departementen en ge-
meenten, Avelke hare werking doet gevoelen ook op
\'t uitgestrekte gebied der werken ten dienste van het

concessie deor den Slaat is verleend; door den conseil general, op
voorstel van den prefect, als gemeld lichaam dc concessie gaf; en
deor den conseil municipal onder goedkeuring van den prefect, als
van die conseil de concessie uitging. Verder is bij decreet van den
President van 6 Augustus 188j, ingevolge de bepaling dezer wet
ccn type //cahier des charges// rastgcslcld, door den llnad \'an State
goedgekeurd, waarin lal van bepalingen voorkomen, omtrent dc wijze
van aanleg, ligging der rails, aantal reizen per dog, recht van over-
name door de autoriteit, die conccssic gaf, einde der conccssio cn
daaraan verbonden gevolgen; verplichting tot opname van personen
cn goederen, tarieven, waarborgsom en afkortingen daarop enz.

In België bestaat eene wet van 9 Juli 1877 op dc Tramways met
ecn reglement van 10 September van hetzelfde jaar. Dc concessies
worden daar verleend:

lo. door dc regccring voor de rijkswegen of die, welke zich over
meer dan ccnc provincie uitstrekken.

2o. door dc provinciale besturen, nadat dc belanghebbende ge-
meenten gehoord zyn, voor de provinciale wegen;

3o. door dc gedeputeerde commissies dier besturen, voor die, welke
zich over meerdere gemeenten uitstrekken, ook, nadat die gemeenten
gehoord zyn;

4o. door den gemeenteraad, voor die, welke binnen \'t gebied der
gemeenten bHjvcn.

Dc volgens 2, 8 en 1 verleende concessies behoeven de goedkeu*
ring des Konings; particulieren kunnen slechts op den voet van open-
bare mededinging voor hoogstens 50 jaar conccssic
krygen ; do poli-
licreglcmcnlen worden vastgesteld door \'t gezag, dat do conccssic
vcrlccnJc cn moeten deor dc regccring worden goedgekeurd.

-ocr page 83-

71

publiek, waarop men in \'t algemeen naar analogie —
gelijk dat ook bij ons \'t geval is — bovengenoemde
regels kan toepassen.

Dat Fransche stelsel van staatswerkzaamheid bij
\'t tot stand komen van werken en ondernemingen
ten dienste van \'t publiek, hetwelk bijna geheel die
van pai-ticulieren absorbeert, heeft over \'t algemeen
niet gunstig gewerkt \')•

hl Engeland is de toestand geheel verschillend van
dien in Frankrijk „dans le premier c\'est aux
particuliers, aux corporations, tout au plus aux
localités (ju\' incombent les grandes oeuvres de
travaux publics: l\'Etat peut sinon s\'en désintéresser
absolument, du moins n\'y intervenir (|ue dans une
mesure très restreinte, et en général, plutôt par de
simples avances remboursables (lui font ])roliter les
entrepreneurs de la supériorité de son crédit (jue
par des subventions, des garanties d\'intérêt ou une
gestion directe."

Toch maakt Leroy-Beaulieu zich bevreesd, dal

1) p Lcroy-Bcnulicu p. 143, t. a. p : «rdlroitcsso d\'esprit —
legenover do maatsclinppijen, die eoncessio verkregen —et la jalousie
des pouvoirs publics — op do particulière cncrgic — ont retenu
de (quinze ans dans notre Franco l\'ctablissemont des chemins defer;
CO sont les mêmes viccs do caractî\'rcs des mômes pouvoirs, qui font
que la Franco actuello prolitc beaucoup moins que rAngleterrc, les
Ktnts-l)ni|^ rAIlcmngnc, la Belgique, la Ilollandi:, do toutes les
découvertes rccenlc, que les tinniways, les téléphones, les entreprises
d\'clcclricilc, mtimc do gaz, sont moins répandues dans notro riche
nation, ct n prix beaucoup plus élové que partout ailleurs.

3) P. Lcroy-Bcaulicu t. a. p. blz. 143.

-ocr page 84-

72

ook in Engeland, \'t traditioneele land der vrijheid,
dat staatssocialisme verder zal dóórdringen, speciaal
\'t zoo door hem bespotte „industrialisme municipale."

„Mais cette tendance, qui ne touche que les pouvoirs
locaux et non le pouvoir national, est relativement
récente.

Si l\'on considère les roules, les canaux, les che-
mins de 1er, les docks et les ports, dans la C4rande-
Bretagne, on trouve à leur origine une initiative
individuelle ou une initiative d\'associations libres et
de corporations; les localités y ont joué aussi un
certain rôle, mais généralement secondaire, simplement
auxiliaire.

Quant au pouvoir central, il est presiiue demeuré
spectateur, se contentant d\'accorder, (juand cela était
nécessaire, des bills d\'incorporation \')> l^f^ii\'C des
chartes ou des cahiers des charges, la plupart assez
larges pour (ju\'on s\'y pût mouvoir à l\'aise. On sait
comment, en dehors des grandes routes stratégiijues,
les routes à péages, construites et administrées par
des commissions ou des syndicats, ont constitué chez
nos voisins un précieux réseau de viabilité cin(iuante
ou soixante ans avant (jue l\'Europe continentale
jouit, par les sacrifices de l\'Etat, du même bienfait."

Deze voorstelling is niet geheel juist. Weliswaar
speelt \'t particulier initiatief in Engeland eenen
grooten rol, hetgeen vooral duidelijk blijkt bij de
spoorwegen, daar de Staat zich in \'t geheel niet

1) Incorporation is \'t verleenen van reehlspersoonlykheid aan ver-
cenigingen, te meer noodig, omdat in Engeland dc naamlooze vcnnoot-
scbnppen, die van zelf rechtspersoon zyn, verboden waren.

m

-ocr page 85-

73

lieeft bezig gehouden met \'t maken van dusdanige
werken noch tot dusver met \'t exploiteeren. Maar
toch vindt die staatsonthouding eenigszins een tegen-
wicht hierin, dat aan iedere vergunning, — private
bill, die gegeven wordt voor den aanleg van eenen
spoorweg evenals voor eenen gewonen land- of water-
weg en voor alle werken waarvoor onteigening of
andere staatshulp noodig is en waarbij tevens de
statuten der vereeniging kuunen goedgekeurd en
rechtspersoonlijkheid verleend worden — een lang-
durig en kostbaar parlementsonderzoek voorafging
en bij die vergunning zekere regels gesteld werden,
waarnaar de spoorwegmaatschappijen zich hadden
te gedragen en die den Staat een toezicht gaven,
in \'t belang van \'t openbaar verkeer geëischl, hoewel
nog niet in voldoende mate. Dan blijkt tevens dui-
delijk, wanneer men die Engelsche spoorweg-
maatschappijen tot voorbeeld neemt, dat Leroy-
Beaulieu hier te eenzijdig is, als hij staatsonthou-
ding aanprijst, waarvan hij de nadeelen over \'t
hoofd ziet. Deze toch genoten overigens groote
mate van onafhankelijkheid, waarvan de misbrui-
ken zich weldra deden gevoelen: \') verschillende
gevallen van „undue jireference." soms weigeixlen ze
zelfs te vervoeren; tarieven waren geheim, de toe-
passing er van willekeurig en onbillijk; de veiligheid
werd verwaarloosd; misbruik werd gemaakt van de
krachten der ondergeschikten.

1) Mr. Pckclliaring, Vrngoa des Tyds 1800 p. 310: Kuropccscbc
(•poorwcgatclscls.

-ocr page 86-

74

Sedert 1839 stelde \'t Parlement herhaaldelijk en-
quêtes in. De wet van 1838 legde der maatschap-
pijen \'t vervoer der brievenmalen op; die van 10
Augustus 1840 de verplichting aan de Board of Trade
verschillende statistische mededeelingen te doen, hare
politiereglementen aan hare goedkeuring te onder-
werpen ; zij bedreigde straf tegen \'t berokkenen van
gevaar voor een trein en verklaarde de Board be-
voegd door hare inspecteurs weg en werken te doen
schouwen. De wet van 9 Augustus 1844 geeft der
regeering \'t recht op bepaalde tijden de tarieven te
veranderen en te verlagen .en maakt eene naasting
der spoorwegen mogelijk; in Engeland bestaat dus
niet de vaststelling der tarieven door de overheid en
vandaar de groote concurrentie tusschen de ver-
schillende lijnen. De wet van 8 Mei 1845 bepaalde
o.a. dat elke lijn, die na deze wet werd geopend, na
een een-en-twintigjarig gebruik van rijkswege zou
kunnen worden genaast, hetgeen evenwel nog niet
is voorgekomen.

In Engeland vindt men dus den Staat bijna geheel
buiten de spoorwegen staan: slechts door algemeene
wetgeving heeft hij in sommige dringende behoeften
van \'t publiek voorzien en
S|)rekende misbruiken
gekeerd. \')

1) Pekelharing t. a. p.: wüoor de vorming van even grooto nis
machtige maatschappijen werd, in verband met de Uritschc opvatting
naar welke dc spoorwegen als industricelc ondernemingen worden
beschouwd, in wier onder \'t Burg. Hecht vallende exploitatie \'t Stnats-
bestuur zich slechts bij uitzondering heeft tc mengen, verhinderd,
dat diep ingrijpende maatregelen van overheidswege werden genomen,//

-ocr page 87-

75

In Frankrijk daarentegen ziet hij in de opkomende
spoorwegen terstond een nieuw gebied voor zijne
werkzaamheid, hetwelk hij geheel tot zich trekt, dien-
volgens de richting der lijnen voorschrijft, de „utilité
publique" van \'t werk verklaart en ze daardoor tot
\'t domaine public brengt als hoofd- of andere wegen,
zoodat geen afstand van zijn eigendomsrecht mogelijk
is, maar slechts de exploitatie dier onvervreembare
wegen aan privaatondernemers kan toevertrouwd
worden, onder de door hem voorgeschreven voor-
waarden en voor zoolang als hij wil, dat die intus-
schen volledig georganiseerde ondernemingen niet
aan hem zullen terugvallen.

Een eigenaardig beeld vertoont Zwitserland op \'t
gebied der verkeerswegen, een gebied, dat zich bij
uitstek leent tot \'t oprichten en ondernemen van
werken ten dienste van \'t publiek.

Gelijk in bijna alle landen van Europa een staats-
monopolie voor de post en telegrafie bestaat, in \'t
eene van grooter omvang dan in \'t andere, zoo he-
sbiat zoodanig staatsregaal ook in Zwitserland,
maar hier van zeer verre strekking, — een staats-
monopolie voor.alle ondernemingen, die zich op de
eene of andere wijze oj) \'t vervoer toeleggen.

Art. :}3 der Zwitsersche constitutie van 1874
arl. 3() bepaalt: „Das Post und Telegrafenwezen
im ganzen Umfange der Eidgeno.ssenschaft ist Bun-
dessache.

Der Ertrag der Post und Telegrai)hcnverwaltung
fällt in die eidgeniissische Kasse."

-ocr page 88-

76

wsmmm

Ter uil voering van arl. 33 beslaal de Ihans nog
geldende bondswet over \'l Postregal van 4 Juni 1849:
art. 1 „das Postregal im ganzen Umfange der Eidge-
nossenschaft steht dem Bunde
zu," en verder om-
schrijft zij het: „dasselbe besteht in dem ausch-
lieszlichen Recht a) des Transportes von verschlos-
senen Briefen; b) des Transportes von andern
umschlossenen Gegenständen aller Art (Pakete,
Geld etc.) wenn sie nicht über 10 Pfund schwer
sind, c) des regelmässigen periodischen Transportes
von Personen; d) der Beftirderung von Personen
durch Extraposten.

Volgens art. 5 al. 1 kan de Bond voor \'l vervoer
van personen en hunne bagage, op spoorwegen,
scliepen en voertuigen, voor transporten door „Extra-
posten" evenals voor dal van brieven, pakketten,
geld en personen door stoomboolen op gezette tijden,
legen eene zekere recognitie — Gebühr — bepaalde
concessies geven.

Voor de spoorwegen droeg de wel van 28 Juli
1852 „über den Bau und Betrieb von Eisenbahnen
im Gebiete der Eidgenossenschafl", de concessionee-
ring dier wegen den\'kantons over, terwijl den Bond
alleen verbleef hare toestenuning te geven uit een
oogpunt van defensie. De nieuwe spoorwegwet van
23 December 1872 maakte \'t siioorwegwezen weder
geheel lot bondszaak en bracht de spoorwegen terug
onder \'tden Bond toekomend Postregal, terwijl een
decreel van den Bondsraad van 18 Februari 1878,
„betreffend Konzessionen für Telephonleilungen\'\',
dat regaal verder uilbreidde, door er ook onder

mm

-ocr page 89-

77

te bi\'eiigen den aanleg en exploitatie van tele-
fonen \')•

Waar aldus de Staat zich eene uitsluitende be-
voegdheid heeft voorbehouden tot uitoefening van
eenen tak van nyverheid, hebben particuliere per-
sonen of ondernemingen vergunning der overheid
noodig, om zich met dat geregaliseerde bedrijf te
kunnen bezig houden. O

1) Dr. F. Mcili, dus Telephonrccht, Leipzig 1885. De Bondsraad
ging hier ten onreelite uit van het denkbeeld, dat de telephoon vnn
zelf begrepen is onder art. 1 van de wet van 20 December 1851:
wDcm Bunde steht das ausschlieszliclie Recht zu, electrischo Tele-
graphen in der Schweiz zu crrichlen oder die Bewilligung zur Er-
stellung von solchen zu erteilen.//

In Engeland, wnar. ccrst in 1SG9 de telegrnphio in banden van
den Staat kwam wegens den onvoldoenden toestand waarin dezo zich
bevond, bracht ceno uitspraak van do duccn\'s Bcnch van 20 De-
cember 1880 — afgedrukt bij Mcili t. n. p. — ook do telcphonio
daaronder.

In België besinnt ccne wet vnn 11 Juni //concernnnt rótablissement
ct l\'exploitation do réseaux téléphoniqucs// in Nederland is cr ccn
ontwerp vnn wet wtot regeling der gcmeenschnp door electrischo
telcphonen// ingediend b\\| de Tweede Kamor den 12\'\'" April 1880,
doch nog niet tot wet geworden.

2) Bovendien nemen velo Zwitserscho schrUvcrs o. a. Huber p.
90 t. n. p, cen zgn. Wegehohoit van den Stant aan, d. i. do ver-
plichting des Staats om voor algemeene verkeerswegen to zorgen,
wclko dan stilzwygend zou meebrengen eene uitsluitende bevoegdheid,
waaruit wederom voor eenen particulier do noodzhkel\\jkbcid volgt om
voor den aanieg van eenen weg vooraf vergunning der overheid tc
vragen. Dit af tc leiden uit art. 37 al. 1 der constitutie: der Bund
übt dio Oberaufsicht über dio Strassen und Brückon, an dessen Er-
haltung dio Eidgenossenschaft ein Intcrrcssc hat// gaat tc vcr, dnar

-ocr page 90-

78

Somtijds nu is \'t zeer wenschelijk, dat de Slaat
uitsluitend eenen tak van industrie op zich neemt;
een algemeene regel daarvoor is niet te geven, maar
de Staat moet hierbij in ieder geval nauwlettend te
werk gaan en vooral rekening houden met de mate
van ontwikkeling van \'t particulier initiatief. Want
ook zonder zich een monopolie voor te behou-
den of voorafgaande vergunning te eischen, kan
de Staal waken voor de belangen zijner onderdanen,
hetgeen ook bij ons ten duidelijkste uitkomt in het
verkeersrecht, waarmee de Staat zich van oudsher
bemoeid heeft, als bij uitstek zijne tusschenkomst
vorderend, wegens de groote belangen die daarbij
betrokken zijn.

Neemt de overheid zelf \'t vervoer op zicli, dan
Staatsexploitatie, die bij ons voorkomt voor een be-
paald vervoer, zoowel als monopolie — voor \'t brieven-
vervoer — volgens de wet van 1851,
w^^sV particuliere
exploitatie,
— met betrekking tot \'t pakkettenvervoer.

Éen derde stelsel van overheidsbemoeing bij \'t
vervoer was \'t
concessie stelsel: dat men zich niet
mocht bezig houden met vervoer zonder eene voor-
afgaande vergunning der overheid. Dat stelsel be-
staat niet meev bij ons, met uitzondering voor \'t
vervoer per telegraaf. De machtiging toch des Konings
welke art. 2 der telegraafwet voorschrijft, schijnt
eene vergunning tot uitoefening van \'t bedrijf te zijn;
immers, ook al heeft men de hulp dier wet niot

deze bepaling slechts spreekt van een oppertoezicht en zoo\'n slanta-
regaal slcehls op eene uitdrukkelijke wetsbepaling kan rusten.

-ocr page 91-

79

noodig voor \'t aanleggen der voor de telegraaf be-
noodigde werken, al strekt deze slechts tot particulier
gebruik en bevindt zij zich uitsluitend op particulier
terrein, toch is eene vergunning noodzakelijk \')•

Vroeger ging dat aanvragen van concessie verder:
wilde men eene diligence laten rijden, eene stoom-
bootonderneming aanleggen een K. B., respectievelijk,
van 24 November 1829 S. no. 73 en van 31 Juli
1841 S. no. 20 schreef uitdrukkelijk eene vergunning
voor; en dat dit niet alleen geschiedde uit een oog-
punt van politie, ter verzekering der goede orde en
veiligheid en ter voorkoming van schade, hinder en
gevaar, blijkt uit verschillende bepalingen o. a. om-
trent goedkeuring der tarieven, dienstregeling enz. |
Ten onreciite besliste de II. 11., dat dit alles niet
wettig was, welk arrest noodzakelijk maakte de wet
op de openbare middelen van vervoer, met uitzon-
dering der spoorwegdiensten, van 23 April 1880,
S. n". ()7, waarin voor het daar genoemde bedrijf
vrijheid van beroep wordt toegestaan.

Thans kan er bij de vervoermiddelen alleen nog
sprake z[jn van eene vergunning der overheid, die
uil den aard der zaak volgt, wanneer men voor den
aanleg van \'t vervoermiddel — en daarmede indirect
voor de uitoefening van den dienst, \'t bedrijf — de
staatshulp noodig heeft, in eenen der besproken vor-

1) \'t Oniwcrp.lclcphoonwct vnn 1880 cisclit voor den winleg vnn
particuliere verbindingen aicchta eeno «politicrcchtcrUjke vergunning//
van den minister, gccno conccssio van den Koning.

2) Do wet ïict speciaal op diligences, vrachtwagens, stoombooten
enz., niet op de s]>oorwegcn.

-ocr page 92-

80

men. Dan is er voor eene tram-, eene spoorweg-
onderneming vergunning noodig; niet wanneer b.v.
de ondernemer zijne lijn kan leggen over particulieren
grond, mits zich houdende aan de wettelijke veror-
deningen betreffende dergelijke ondernemingen.

Evenals de door de wet van 1880 afgeschafte K.
Bh., bevat ook deze wet, gelijk de spoorwegwetten
van 21 Augustus 1859 S. n". 98 en die van G April
1875 S. n". 66, welke de eerste verving, naast tal
van politiebepalingen vele, die ingrijpen in de vrijheid
van beroep en de vrijheid om dat bedrijf naar goed-
vinden uit te oefenen. Bij . geen ander bedrijf heeft
de overheid zooveel regels gesteld, waaronder vele
van dwingende kracht, als bij \'t vervoer: niet alleen
wordt aangegeven de overeenkomst van vervoer,
maar ook de rechtsgevolgen daaruit, de aansprake-
lijkheid van den vervoerder enz. Die dwingende regels
vloeien hieruit voort, dat \'t publiek economisch
zwakker is, waar het slaat tegenover enkele groote
maatschappijen, die zich met \'t vervoer belasten en
waarvan men zich feitelijk moet bedienen. Zoo zijn
de spoorwegmaatschappijen niet vrij om de pi-ijzen
le bepalen; ze moeten worden goedgekeurd door
de overheid, zoo ook met de vaststelling der dienst-
reglementen \').

1) Deze stnntstusschenkomst wordt tegenwoordig by tal van andere
bedrijven gevraagd, zoo bij \'t vcriekeringsbedryf, spaarbanken ; drin-
gend is regeling noodig van \'t arbeiderscontract in \'t algemeen ; voor-
beelden van zoodanige regeling vindt men reeds by ons in de wet-
geving op den arbeid in fabrieken cn wederom zeer duidelyk in

-ocr page 93-

81

Bovendien heeft bij dergeUjke bedrijven als \'t spoor-
wegvervoer, de overheid \'t zich zoozeer tot plicht
gerekend tusschen beide le komen en te zorgen dat
\'t publiek niet gekneveld wordt, dat steeds de con-
cessies, waarbij de hulp van den Slaat wordt ver-
leend, aanleiding hebben gegeven tot \'t bedingen van
voorwaarden in \'t belang van \'t publiek, die de vrij-
heid van den concessionaris aan banden leggen,
omdat feitelijk, ook door de positie van monopolist,
de ondernemer van zijne macht kan misbruik maken.

Vat men nu de gevallen samen, waarin ons positief
recht eene vergunning eischt voor werken of onder-

\'t Tcrkccrsrccht, wnar \'t arbeidscontract tusschen recders on hunne
ondergeschikten, dc schepelingen, zoo uitvoerig geregeld is.

Een ander voorbeeld van wcnschclykheid van stnatstusschonkomst
vindt men by \'t vervoer over zee door do grooto stoombootmnat-
schappycn. Ook daar zyn do grooto kooplieden overgeleverd aan
\'t feitclyk monopolie dat dezo lyncn bezitten. Het grooto nadeel
daarvan komt voornamelyk uil l)y do clausulei, waarmco zy hare
aansprakclykhoid
by \'t vervoer beperken. Daaraan moest dc wetgever
zekere grenzen stellen cn al tc groote beperking dier aansprakclyk-
hoid, dio somtyds op geheele uitsluiting neerkomt, verbieden. Immers,
waar by \'t verbintenissenrecht geldt de vryheid, is hier geen sprake
van vryo overeenkomst: do kooplieden staan in dezelfde positie
tegenover dc stoomvnartmaatschnppyen, als het publiek tegenover do
spoorwcgmaatschappycn cn do arbeider tegenover den werkgever.
Dio vryheid geeft aanleiding, dat de belangen van ccne der partyen
oit het 00^ wordon verloren ten voordcelo vnn dc andoro; vandaar
dat do spoorwcgmaatachappyon niet vry tyn haro aansprakolykheid
10 beperken.

8

-ocr page 94-

82

nemingen ten dienste van \'t publiek, dan ziet men,
dat eene vergunning tot uitoefening van \'t bedrijf
slechts voorkomt 1". bij de telegrafie en \'t oprichten
van eene circulatiebank — \'t laatste volgens de wet
op de Ned. Bank van 22 December 1863 S. no. 148 —
en 3". dat overigens alleen sprake kan zijn van eene
vergunning noodig voor den
aaiileg van het werk,
daar, waar in den eenen of anderen vorm de staats-
hulp onontbeerlijk is. Indirect is zoodanige ver-
gunning tevens eene tot
uitoefening van H bedrijf,
door de vele bepalingen, die zij met \'toog op-de
exploitatie van het werk bevat. ") Buiten die drie
gevallen zal er bij ons geen sprake zijn van eene
voorafgaande vergunning der overheid voor werken
of ondernemingen ten dienste van het publiek, en,
waarop men wel heeft te letten, ook niet met het
oog op den
openharen dienst, waarin die werken
voorzien.

Wel trachtte \'t ontwerp van 1866 \'t verleenen van
concessies te maken tot \'t overdragen der uitvoering
van eenen staatsplicht op bijzondere personen of ver-
eenigingen — n. 1. om te zorgen voor de belangen
van den publieken dienst, — en den concessionaris
als \'t ware den drager van een regeeringsrecht;
maar de navolging van dit Fransche stelsel zou.

1) De vergunningen, gcëischt enkel uit ccn oogpunt van politic,
komen bier niet in aanmerking; ook die volgend uit \'t Keizerlyk
Decreet van 1811 en \'t K. IJ. van 1820 blyven verder buiten
beschouwing.

2) W. Burg. Adm., n"». 1557, 15C0, 1500, 1570.

wmï

-ocr page 95-

83

buiten zijne economische nadeelen, bij ons ook
moeilijk toe te passen zijn^ wegens de regeling van
ons onteigeningsrecht en vooral de mindere cen-
tralisatie ten onzent en de grootere zelfstandigheid
der staatsrechtelijke onderdeelen.

I

-ocr page 96-

HOOFDSTUK III.

Rechtskarakter der vergunningen.

Tot (lusver werd gesproken door elkaar van ver-
gunning en concessie, als van eenzelfde zaak. De
meeste schrijvers evenwel houden beide streng uit
elkaar en onderscheiden zeer scherp het begrip
„ver-
gunning^^
van dat van „concessie". Op het voetspoor
van Duitsche en Fransche schrijvers, doen dat bij
ons De Bosch Kemper en de door hem aangehaalde
schrijvers. \') Genoemde schrijver geeft eene duide-
lijke uiteenzetting van \'t woord concessie en zijne
geschiedenis en toont uit verschillende bronnen aan.
dat
„concedere" in de rechtstaal der Romeinen de
Ijeteekenis had van 7
toekennen- van een recht van
gebruik op den publieken grond.
Zoo spreekt men
nog in \'tKarolingische tijdperk vaneen „beneficium
concessum cst", waar van vervreemding van rijks-
domein sprake is en vooral later als
de uitgifte ran
land onder leenverband.

1) Pag. 21, t. a. P

2) Laferricre spreekt dan ook van //concessions féodales//; //conces-
sion et acceptation d\'un fief//; Proudhon van «concession des droits

-ocr page 97-

85

Wat als de oorsprong van \'t tegenwoordige begrip
kan aangemerkt worden, is, dat men in \'t lands-
heerlijke tijdvak de concessies in verband bracht
met de
regalia van den vorst. Terwijl Zachariä spreekt
van regaliën afgestaan door „Kaiserliche Konzession",
verdeeld Klüber ze in
concessahilia en inconcessahilia.
Thans bedoelen de Duitsche schrijvers, onderschei-
dende de
regalia essentialia van de accidentalia sive
minora,
natuurlijk niet meer \'tjus regis, maar ver-
staan ze onder de eerste de z.g.n.
Hoheitsrechfe van
den Staat, welke hem als
Hoheit toekomen, in zijne
(jualiteit van publiek gezag, voortvloeiende uit zijne
souvereiniteit, en waarvan hij geen afstand kan doen;
de andere,
regalia in engeren zin genaamd, kan de
Staat bij wijze van concessie overdragen. Meili: \')
die modernen Regaliën sind exklusive Berechtigungen
des Staates zur Ausübung gewisser wirthschaftlicher
Thiltigkeiten.

In ons oud-vaderlandsch recht komt die beteekenis
van concessie als \'t toekennen van een recht, dat
zijnen grond vindt in een staatsregaal, vaak voor;
zoo sprak \'men van concessie van den lol; ook onder
den naam van privilegiën, handvesten en gratieuse
concessiën, gratil^i, vrijdommen, octroyen, beneficiën,
uilgiile, gunste, vergunning.

Voor dat begrip concessie is thans b[j ons geene

do propriété dos îles et îlots, droit« de moulins, do bues«; lUepsact
vnn »concessions do bénédccs et d\'tionnours//; Zncliariii van wconcessio
cocturao salis»; Waitz van wconccssio tolonis.«
Zio hierover Dc Bosch Kcmpcr, t. a. p.
1) l\'ftg. 68, t. a. p.

-ocr page 98-

86

plaats meer, daar in ons positief staatsrecht geen
regalia meer voorkomen, uitgezonderd dat voor de
posterijen; maar bij dit heeft de Staat zich een uit-
sluitend monopolie voorbehouden, waarvan hij tot
dusver ten behoeve van particulieren geen afstand
heeft gedaan en derhalve geenerlei concessie heeft
verleend.

Toch, ofschoon op geen enkelen wettelijken grond-
slag rustend, wordt dat begrip door de meesten onzer
schrijvers, in navolging van Duitschen en Franschen,
zeer uitgebreid en wordt door hen in tal van gevallen
eene concessie als noodzakelijk beschouwd. Natuurlijk
op verschillende wijze geformuleerd, komen hunne
definities van het rechtsbegrip
concessie hierop neer,
dat zij er onder verstaan: de overdracht aan par-
ticulieren van een recht, — zeer vaak tot een
Hoheitsrecht verheven — dat uitsluitend den Staat
toekomt en tevens den staatsplicht meebrengt om te
zorgen voor den publieken dienst, d.i. de vervulling
dier onmisbare behoeften der gemeenschap, waarin
ten nutte van dat algemeen moet voor/ien worden.
Dat recht houdt in de eerste plaats in het maken
van werken, die in dien publieken dienst zullen voor-
zien. en, wanneer de Staat \'t aanleggen of onder-
nemen derzelve aan particulieren overlaat, is er
overdracht van een recht van den Staat, welke over-
dracht de concessie oplevert.

hl \'t Fransche recht nu is inderdaad zoodanig
rechtsbegrip op zijne plaats, niet bij ons.

Zij, die dit begrip aannemen, verstaan dan onder
vergunning eenen gewonen politiemaatregel, niet een

-ocr page 99-

87

recht, dat door den Staat overgedragen, voor een
bijzonder persoon in \'t leven geroepen wordt, maar
„een verlof, van staatswege gegeven, tot \'t plegen
van handelingen, die op zich zelve aan bijzondere
personen toekomende en geoorloofd, door wettelijke
bepalingen in \'t algemeen belang zonder verlof on-
geoorloofd zijn verklaard." \')

Gesteld nu, dat men ook voor ons recht zoodanig
begrip concessie — als de overdracht van een recht
van den Staat — kan aannemen, juist dan gaat
iedere onderscheiding van concessie en (politie) ver-
gunning mank, en is er inderdaad maar één soort
concessie, vergunning, verlof of hoe men \'t anders
moge noemen.

1) S. M. S. do llnnitï, Bydrogcn IV, pag. 356; hy spreekt wol
niot in verschillenden zin van vergunning cn concessie, mnar bedoelt
toch ecn ander soort concessie of vergunning, waar
hy op pag. 362
spreekt van eene concessie //waardoor don concessionaris ccn rccht,
eeno bevoegdheid verleend wordt, welke
hy, afgezien van wcttelykc
bepalingen, niet bezat; en bestaande in den afstand door den Staat
van ccn rccht van genot of van eigendom.*/

üo Boscli Kemper, pag. 32 t. a. p., onderscheidt scherp vergunning
van concessie en noemt alleen concessie: //dc publiekrechtclyko han-
deling, waardoor do Staat ten algcmccno nutte eon hem tocbehoorend
recht aan een particulier in eigendom overdraagt.//

Laferricro, Cours do Droit public ct administratit. Tomo II, App.
II, p. 804:

I/autorisation — politicvergunning — implique ordinairement do
la part do celui qui l\'obtient, rexistonco antérieure d\'un droit, dont
l\'oxercico seulement était subordonné i\\ une permission administrative,
tandis quo la concession donne naissance au droit, dont auparavant
celui qui en devient titulaire n\'avait même pas lo gcrmo.

-ocr page 100-

08

Immers beide zullen toch wel \'t gevolg zijn van
eene uitdrukkelijke wetsbepaling, waarbij de Staat
de uitoefening van zeker bedrijf — waartoe ook
behoort \'t ondernemen van werken ten dienste van
\'t publiek — heeft verboden of met zijn verlof heeft
toegestaan.

Volstrekt onverschillij? voor \'t positieve recht, —
voor \'t rechtskarakter en de rechtsgevolgen der ver-
gunning — zijn de motieven, die de wetgever voor
zoodanig verbod of reglementeering had, hetzij dit
was een politierechtelijk — uit de zorg van de over-
heid voor de coëxistentie — hetzij uit een econo-
misch, fiscaal, politiek motief — uit die voor de
adsistentie. Eveneens is onverschillig of \'t openbaar
gezag zich zelf met het verboden of gereglementeerde
bedrijf heeft belast, zoodat men kan spreken van
eene overdracht aan een bijzonder persoon.

Zoo doet \'t er niet toe of \'t staatsgezag hij de
instelling van \'t regaal van de Post, geleid werd
door overwegingen van politierechtelijken aard of
door een economisch motief — wellicht geschiedde
dat door beide —; in de gevolgen bljjft dat\'t zelfde;
mocht de wetgever te eeniger tijd, bij wijze van
dispensatie, eene vergunning tot dat bedrijf verleenen,
deze zal er niet door van aard veranderen.

Te spreken van een „nieuw" recht, dat door de
overdracht ontstaat en van een „oud", dat van knel-
lende banden bevrijd wordt, gaat niet op: in beide
gevallefi ontstaat eerst \'t positieve recht door de
vergunning.

Dan is ook duidelijk, dat zoowel in \'t spraakgc-

-ocr page 101-

89

bruik als in \'t gebruik der woorden in de wetgeving
en bij vele schrijvers men nu eens spreekt van
concessie dan weer van vergunning, zonder daartus-
schen verschil te maken, ja, dat zelfs die schrijvers,
welke die begrippen principieel scherp onderscheiden,
toch niet altijd deze onderscheiding kunnen volhou-
den. \')

Eene geheel andere onderscheiding voor de ver-
gunningen kan men, op grond van het bovenstaande,
aannemen, n.1. die, welke de wet uitdrujd^ijk voor
^ zeker bedrijf voorschrijft of §ülzwijgend volgen
uit een wettelijk verbod van \'t openbaar gezag, om
zich met den eenen of anderen tak van industrie
p bezig te houden; en die, Avelke
uit den aard der
^ ^k volgen, omdat de Staat bij het tot stand komen
daarvan positieve hulp verleent.

Deze laatste zijn \'t dan, welke alleen voorkomen
bij werken of ondernemingen len dienste van \'l
publiek, omdat alleen met hel oog op dic belangen
van \'t algemeen de overheid hare hulp verleent.

Weliswaar zullen onder eene wel, die, hetzij uit-
drukkelijk, hetzij stilzwijgend, eene vergunning der
overheid voor de uitoefening van zeker bedrijf vordert,
ook die ondernemingen vallen, welke in dien lak van
industrie zich belasten met de voorziening in de be-
hoeften van hel publiek; maar ook dan is zoodanige
vergunning niel een aproristisch vereischte voor \'t ver-

1) W. Burg. Adm. no. 1788; rb. Amsterdam vpn 1 februnri 1887»
W. no. 5G55.

-ocr page 102-

90

strekken van diensten aan het publiek, maar om den
wille van het bedrijf zelf, dat de onderneming beoogt.
Met het oog op dat bedrijf staan zij gelijk met alle
andere ondernemingen van dezelfde soort, waaronder
ook zij, welke op beperkter schaal werken en niet
ten doel hebben hare diensten te bewijzen aan eene
geheele gemeenschap.

Dit onderwerp betreft alleen die vergunningen, die
een gevolg zijn van de aanvrage om de hulp van den
Staat. \') Dan kan men ook tot deze brengen, die,
welke nochtans uitdrukkelijk zijn voorgeschreven
in art. 2 der Telegraafwet en in art. 1 van de wet op
de Nederlandsehe Bank, in zoover ook voor deze on-
dernemingen de staatshulp meestal onmisbaar is.
Wat betreft de eerste daarvoor is de hulp gewoonlijk
noodig in den vorm, welken art. 4 j» 5 der wet aan-
wijst, en ook bij \'t oprichten van eene circulatiebank
verleent de Staat zijne hulp, o. a. door het toelaten
van.bankbilletten voor betaUngen voor aan het Rijk
of een zijner onderdeden, hetgeen een krachtig hulp-
middel is voor het bestaan en den bloei van zoo-
danige onderneming. (Men zie ook art. 14 der Bank-
wet en art. 27 n". 3ó der Zegelwet.)

I\' ^
f

KiV

M.

m-

ii\'

I\'

lt(

Wat betreft \'t rechtskarakter en de rechtsgevolgen
dezer vergunningen, hoewel in hoofdzaak bij alle
gelijk, vertoonen zij toch enkele afwijkingen, naar
gelang van de wijze, waarop de hulp van den Slaat

ï

lm

1) \'t W^ord concessie dat in het gewone spraakgebruik do be-
teekonis heeft van wtc gemoet koming// drukt dat begrip »vergun-
ning// juist uit. ,

-ocr page 103-

91

verleend wordt en die in \'t vorige hoofdstuk behan-
deld zijn. Daarom zal ik ook nu eerst haar alge-
meen karakter trachten na te gaan, en daarna, wat
in de praktijk daaromtrent aan \'t licht komt, bij de
verschillende gevallen, waarin en de wijzen, waarop
de Staat zijne medewerking verleent.

Het verleenen dier hulp bestaat nu daarin, dat de
Staat aan één of meerdere — bepaald aangewezene
— zijner onderdanen een recht, eene bevoegdheid
geeft, wel niet direct een om het werk tot stand te
brengen — hetgeen in het voorafgaande is weerlegd —
maar een om daarvoor gebruik te maken van de
noodzakelijke hulpmiddelen, waarover alleen de Staat •
bij machte is te beschikken en dus indirect een om
het werk tot stand te brengen. Hij verleent zijne
hulp eenzijdig, willekeurig, naar goedvinden, al of
niet onder voorwaarden, in het belang der gemeen-
schap en van het publiek. De wjjze, waaro}) hij
zich daarbij uit, is die eener regeeringsdaad, het
stellen van een richtsnoer, niet een algemeen ver-
bindend, voor al zijne onderdanen en in alle ge-
vallen van gelijke soort geldend, maar een voor een
bei)aald persooii, in een bepaald geval, wien hij
daarbij een recht geeft, waarnevens meestal ver-
l)lichtingen staan, als de voorwaarden, waaronder
dat recht verleend wordt. Dergelijke handeling van
het openbaar gezag noemt men eene
priva lex, een
yrivate hill, een privilege. \')

1) Windscbcld, Tandcktcn System I, § 135: //rrivilegium ist die,

-ocr page 104-

92

Gelijk reeds gebleken is, kan die staatshulp in
verschillende vormen gegeven worden: naar gelang
de beschikking over het gevraagde hulpmiddel be-
hoort tot de competentie van de rijks-wetgevende
macht, is het in dien eener wet; voor zoover zij ge-
geven wordt door de staatsrechtelijke onderdeden
moet men handelen naar de bepalingen der provin-
ciale en gemeentewet en de wettelijke verordeningen
omtrent de waterschappen; wordt het gebruik ge-
vraagd van zaken buiten den handel, waaronder de
wegen eene voorname plaats innemen, dan is ge-
woonlijk voldoende eene bewilliging dier aanvrage
door het gezag, dat eigenaar is dier zaken, of allhans
het beheer derzelve heeft, behoudens hetgeen in
het vorige hoofdstuk omtrent de wegen is opgemerkt.

Zoodanige daad nu der overheid — evenals iedere

einer individuellen Person oder einer indiriduellen Sache oder einem
individuellen llcchtsvcrhiiltniss gewährte llechtsbcgünstigung. ...

Der Ausdruck Privilegium überhaupt bezeichnet an und für sich nicht
blos die verschaffte günstige Rechtsstellung, sondern auch und zwar in
erster Linie, den die günstige Ilcchtstellung begründenden Rcchtsatz."
Zic ook W. B. A. 1078, ücm St. lOßl, 1726, 1727, anders

;i

^ i

: \\

arrest II. 11. 4 Jan. 1870 bij v. d. Honert, Gemengde\'/aken, 25 png. 07.
Gcm. St. 1030: «Hij, die dc concessie verleent, doel daarmee
j ccnc rcgecringsdaad; beweegt zich op publiekreehtclyk nict civiel-

1 rechtclyk terrein. Wel treedt hij niet cp als algemeene wetgever

, voor de ingezetenen en maakt hij slcchts ccnc regeling voor den

concessionaris, bindt deze aan voorwaarden, in het openbaar "belang
j na tc komen, wier niet-nakoming geen politiestraffen kan na zich

sicepcn, maar niettemin heeft de concessionaris \'t publiek-, niet
\'t burg, recht tot grond// enz.

Zic ook dc llanitz, pag. 353, t. a. p.

-ocr page 105-

uiting van het staatsgezag als zoodanig eene puUielc-
rechtelijke
handeling — kan men brengen, wat zijne
rechtsgevolgen betreft, deels onder
publiek, deels
onder
privaat recht.

Publiekrechtelijk voor zoover zij is eene eenzijdige
handeling van \'t staatsgezag, regelend eene rechts-
betrekking tusschen twee ongelijke subjecten, die
ongelijke belangen vertegenwoordigen, waarvan het
eene eenzijdig dwingende macht heeft over het andere
tusschen een heerschend gezag en beheerschten on-
derdaan, Daarbij dan verleent de Staat eenzijdig,
uit zijne machtsvolkomenheid, souvereiniteit, een
recht aan één of meerdere zijner onderdanen,
meestal onder voorwaarden, eveneens eenzijdig —
ofschoon wederzijdsche onderhandeling voorafgegaan
zal zijn — door hem vastgesteld, en welke, onaf-
scheidelijk aan het recht verbonden, daarvan deel
uitmakend, bij niet-nakoming ook \'t recht zelf doen
te niet gaan, ipso jure. Het intrekken der vergun-
ning door de overheid is dan het uitdrukkelijk con-
stateeren der overtreding, hetgeen voor de zekerheid
noodig is.

Maar tevens doet zij ontstaan eene rechtsbetrek-
king van
privaatrechtelijkeu aard, tusschen gel|jke,
gelijkelijk aan een hooger gezag onderworpen sub-
jecten ; geeft zij den begunstigden een recht, te eer-
biedigen door een ieder en een iegel|jk, een ver-
mogensrecht, en wel een absoluut, d. i. een, welke
eene bevoegdheid tot handelen geeft, hetz|j tot het
verrichten van bepaalde, hetzij van eene enkele be-
paalde soort van handelingen. Dat recht heeft de

-ocr page 106-

94

gepnvelegieerde tegenover zijne medeburgers, welke
verplicht zijn den gerechtigde in de uitoefening zijner
bevoegdheid niet te storen.

Tegenover den Staat heeft hij niet zoodanig recht;
deze blijft bevoegd ten allen tijde door middel van
dezelfde of hiërarchiesch-hooger-staande autoriteit,
welke hem \'t recht verleende, en op dezelfde of op
krachtiger wijze het weer te ontnemen of te wijzigen:
zoo kan eene nieuwe wet eene vorige ongedaan
maken, zonder dat zij daarbij verkregen rechten heeft
te ontzien, noch schadeloosstelling behoeft te geven,
voor zoover de G. W. deze niet oplegt. \')

1) Opzoomer in zijne Aanteekening op de W. houdende A. B. ad
art. 14: «Gelijk iedere wetsbepaling, behalve die, welke in dc Q.W.
voorkomen, is dit een voorschrift, dat alleen den rechter bindt en
hem belet vroeger verkregen rechten naar dc uitspraken eener latere
wet te behandelen. Dc wetgever zelf is door dit art in het minst
niet belemmerd en kan op z\\jno vroegere beschikkingen
altyd, hctzy
in het geheel terugkomen, hctzy ze wyzigen door op den algemeenen
regel eene uitzondering tc maken. Wil hy dus aan eenige wet terug-
werkende kracht verzekeren, dau kan men hem daarom nog geen
stryd met zich zelf tegenwerpen of zyno bepaling op grond van dit
artikel voor ongeldig verklaren ...

Alleen eene gebiedende noodzakelykhcid mag den wetgever be-
wegen om door zyne wet inbreuk te maken op verkregen rechten . . ,

Is het belang van den Staat zoo groot, dat \'t tegen al do ver-
kregen rechten der byzondero burgers opweegt cn is cr daarby geen
gevaar, dat door dc opheffing dier rcchten \'t vertrouwen op dü vast-
heid des rechts zal geschokt worden, dan alleen mag dc wet ook op
het verleden haren invloed uitoefenen. By zulk eeno terugwerking
maakt dc Staat dc byzondcre belangen aan dat van het algemeen
ondergeschikt cn oflcrt ze daaraan op. Dat offer, waar \'t onvermy.
delyk is, moet zoo licht mogelijk worden gemaakt. Daarom bestaan

-ocr page 107-

. 05

Maar ook kan de concessie eene privaatrechtelijke
betrekking vestigen tusschen den gepriveligieerde en
den Staat en kan de concessionaris evenals tegen-
over zijne medeburgers, tegenover den Staat komen
te staan als gelijk rechtssubject, terwijl beiden gelijke-
lijk aan een hooger gezag zijn onderworpen. Dit is
het geval, waar bij het verleenen van het recht, d. i. de
vergunning, de Staat zich, als eene der voorwaarden
der concessie, privaatrechtelijk verbonden heeft jegens
den concessionaris, tot eene zekere praestatie, hetzij
dergelijke bepaling uitmaakt een tweezijdig contract
tusschen Staat en concessionaris, hetzij een eenzijdig,
waaruit alleen voor den Staat eene verplichting
voortvloeit, maar dan onder eenen bezwarenden titel,
eene voorwaarde of tijdsbepaling.

De privaatrechtelijke rechtsverhoudingen nu vinden
hare regeling in het burgerlijk recht, waarvoor art.
150 G. W. zoo al geene codeficatie, dan toch alge-
meen verbindende wetten voorschrijft. Deze wetboeken
of afzonderlijke wetten bevatten de wijzen, waarop de
civiele rechtsbetrekkingen ontstaan, te niet gaan,
overgaan, gewijzigd worden, en daarop vermag geene
publiekrechtelijke daad der overheid, eenzjjdig en
willekeurig inbreuk te maken voor eene bepaalde
privaatrechtelijke rechtsbetrekking, voor een enkel
bepaald geval, zelfs niet in den vorm eener wel. \')

I

cr biliyklicidsgrondcn voor schadeloosstelling, waar gceno onteigening
plaats vindt.«

1) Bu\\j& G.W., II, 227: Uit 160 volgt do onbevoegdheid van den
provincialen cn plaalselyken wetgever om \'t burg, cn strafrecht lo

-ocr page 108-

96

Öeeft dus de Staat zicli bij het geven van zoodanig
privelege verbonden tot eene zekere praestatie, zoo-
dat er eene privaatrechteUjke betrekking is ontstaan
tusschen hem, Staat, nu niet als gezag maar als
gelijke met zijne tegenpartij, waarbij in het een of
andere geval, hij gehouden is tot een geven, doen of
niet doen, dan is en blijft de Staat daaraan gebon-
den en kan hij niet door gebruik te maken van zijne
wetgevende bevoegdheid, dus als publiek gezag, enkel
voor dit geval daaraan ontkomen of daarin verande-
ring brengen. Daarvoor zou noodig zijn het stellen
van een allen bindenden, voor alle gevallen van die
soort geldenden regel en wel in den vorm eener
wet, hetwelk in het geheele burgerlijk recht eene
verandering zou brengen.

m

Bij gevolg kan men bij eene vergunning tweeërlei
soort bepalingen onderscheiden;
die, welke eene civiel-
rechtelijke sanctie hehhen,
welke niet naar willekeur,
eenzijdig, zelfs niet door den rijkswetgever, mogen
gewijzigd worden en
die, welke zoodanige sanctie niet
hehhen,
waarin de overheid, die de vergunning ver-
leende naar willekeur mag ingrijpen, waarby alleen
billijkheidsargumenten voor schadevergoeding in aan-
merking komen, geene argumenten tegen die in-
trekking of wijziging door de overheid. Alleen voor

1/ ■

regelen, een gevolg van do uitdrukkclyke opdracht van dio regeling
aan den algemeenen wetgever in dit geval. Van meer gewicht dan
\'t gebod, dat de wet \'t regelen moet, is dc bepaling, dat die regeling
moet zi)n eene algemeene, d. w. z. éénzelfde voor het geheele Ko-
ninkrijk, wat dc Staatsregeling van 1708 noemde //algemeen voor dc
gansche republiek.//

-ocr page 109-

97

zoover de Staat zich privaatrechtelijk verbonden
heeft, kan men van een contract spreken, een- of
tweezijdig, bij verbreking \\vaarvan hij tot schade-
loosstelling gehouden is, te bepalen door den rechter.

Algeheele intrekking der vergunning door het con-
cessioneerend gezag, zoowel als de minste wijziging
in de voorwaarden — welke wijziging, eenzijdig door
dat gezag, alleen mogelijk is, voor Zoover op de te
wijzigen bepaling geene privaat-rechtelijke sanctie
rust — doet de vergunning te niet gaan. \')

Tengevolge daarvan zal nu meestal eene contrac-
tueele verplichting ontstaan, welke in de concessie
gesteld is op de intrekking of het te niet gaan van
deze, hetzij voor ieder van beide partijen, hetzü voor
ééne van haar. Immers, die intrekking of dat te
niet gaan zal de opschortende voorwaarde vormen,
waarvan \'t ontstaan dier verbintenis is afhankelijk
gesteld.

Maar, waar uit de bepalingen der vergunning geene
contractueele verbintenis voor den Slaat voortspruit,
hetzij uit een eenzijdig, hetzij uit een bilateraal

1) Wanneer uitdrukkoHjk in do concoasio vermeld is, dat by wy-
tiging van tekero bepaling écno der pariyen of beide tot do ceno
of nndero pmostatio zal gehouden zyn, mnakl de mogolykheid van
zoodanige wyziging zelf ceno voorwaarde der concessie uil cn zal,
wanneer dio inderdaad plaats heeft, natuurlyk do conccssio niot ver-
vallen, maar alleen do opschortende voorwaarde vervuld zyn, waardoor
do partyen tot dc bewuste praestatio verplicht zyn. Dio voorwaardo-
lyko verbintenis kan niet door ceno dor partyen noch zelfs doorhol
publiek gezag eenzydig gcwyzigd worden. Zio verder png. 98, noot 1.

8

-ocr page 110-

98

contract, kan hij naar willekeur daarmede handelen,
de vergunning wijzigen of vernietigen. \')

Wat betreft de verplichtingen van den concessionaris,
wil deze gebruik maken van het hem door de con-
cessie verleende recht, bevoegdheid, dan moet hij
zich stipt houden aan de voorwaarden, waaronder
hem dat recht is verleend, aan de bepalingen der
vergunning. Overtreding dier voorwaarden, zooals zij
in de concessie vervat zijn, doet voor hem de vergun-
ning te niet gaan, waarbij men natuurlijk dient in
het oog te houden, dat de bepaling eener boete of
iets anders op de overtreding van een der voorschrif-
ten der concessie, zelf eene voorwaarde dier con-
cessie uitmaakt. Voor het algeheele te niet gaan, gel-
den dezelfde beginselen als hierboven vermeld.

Geene publiekrechte: lijke straf kan in de vergun-
ning bedreigd worden tegen de niet-nakoming of
overtreding der voorwaarden door den concessionaris,
om dezelfde reden als hierboven is opgegeven: Art.
1.50 G. W. eischt ook voor het strafrecht algemeene,
dat zijn allen bindende, voor alle gevallen van de-
zelfde soort geldende wetten. .

1) Bij wijziging gant dc oorspronkelijke vergunning tc niet, mnar
ontstaat terstond eene nieuwe, zoo dc concessionaris met do wyziging
genoegen neemt.

De mogelykheid tot overdracht — ook die aan ccnc naaml. ven-
nootschap — moet
vitdrvkkelijk in de concessie iicpaald zyn, daar dc
vergunning slechts verleend is aan een bepaald persoon, groep vnn
personen of rechtspersoon.

■2) üem. St. no. G47: dc openbare macht treedt by het verleenen

-ocr page 111-

99

Thans de verschillende gevallen nagaande, waarin
de hulp van den Staat onmisbaar is, ontmoet men
in de eerste en voornaamste plaats de
onteigening:
hier wordt door bijzondere personen gevraagd en
aan deze verleend de uitoefening van een recht, dat
door onze G. W. alleen aan het hoogste staatsgezag
is opgedragen, hoewel onder beperkingen. O. a.
eischt zij de regeling van dat recht door eene al-
gemeene wet, waardoor ontstond de wet van 28
Aug. 1851 S. n». 125. Art. 2 dier wet
constateert
uitdrukkelijk de mogelijkheid, dat de uitoefening van
dat recht wordt overgelaten aan bijzondere personen;
niet
schept dit artikel die mogelijkheid, ook zonder
dat zou deze bestaan: niets belet het staatsgezag
een hem toekomend recht aan één of meerdere
zijner onderdanen over te dragen.

Dat recht tot onteigening wordt den aanvragers
eigenmachtig door den Staat verleend, \'t Is eene
eenzijdige rcgecringsdaad, in denzelfden vorm eener
wet, als noodig is wanneer de Staat zelf van zijn
recht wilde gebruik maken.

Daaraan worden bijna altjjd voorwaarden verbon-
den, welke een punt van onderhandeling tusschen
de regeering eii de aanvragers zullen uitgemaakt
hebben. Deze onderhandeling kan nooit geleid hebben
lot een contract, omdat daarvoor o.a. noodig is, dal

van conccssio nict op als algemeene wetgever voor dc ingeictcnen; anders
do Bosch Kemper pag.~252, t. a. p. //uit krachte zü»cr souvcreiniteit
kan hy (de Staal) geldboete cn gevangenisstraf bedreigen en werkclyk
t\\)n (in de conccssio) op onderscheiden voreuimendeïo straffen gesteld.«

-ocr page 112-

I

100

het object der overeenkomst eene zaak in den handel
is, hetgeen hier reeds dadelijk niet het geval is. Wel
kan de Staat zich civielrechtelijk verbinden, doch
daarvoor is noodig de goedkeuring van den rijks-
wetgever, gelijk overal, waar \'s Rijks financiën bij
betrokken zijn. In dit geval zal die goedkeuring toch
al vereischt zijn, omdat dergelijke privaatrechtelijke
verbintenis eene der voorwaarden uitmaakt, waar-
onder \'t recht tot onteigening wordt toegestaan en
voor alle voorwaarden dezer vergunning, ook voor
die, welke den Staat geene enkele verplichting op-
leggen de bekrachtiging der wetgevende macht noodig
is, daar zij een onafscheidelijk deel uitmaken van
het verleende recht.

Wat betreft de verhouding van den Staat tot den
concessionaris, welke uit de verleende vergunning
is ontstaan, ook daarvoor gelden de hiervoren ver-
melde algemeene beginselen.

De concessie en daarmee \'t recht tot onteigening
vervalt, wanneer aan de voorwaarden, daarin ver-
j] vat, niet wordt voldaan; voor zoover \'t reeds

ij is uitgeoefend, treft de ontbinding de gevolgen, die

;i uit dat recht voortspruiten. Door de onteigening

toch wordt de onteigenaar eigenaar van de door
hem onteigende goederen, maar altijd onder dc
voorwaarden in de concessie vervat en door deze
\'i beperkt; hem is slechts een voorwaardelijk eigen-

j domsrecht gegeven; waar hij die voorwaarden niet

vervult, vervalt de concessie en verliest hy ipsojure
ii den eigendom. In zoodanig geval zal de eigendom

f tot den Staat moeten terugkeeren, en niet tot den

-ocr page 113-

101

vroegeren onteigenden eigenaar; want altijd is het
de Staat, die onteigent, ook al geschiedt dat ten name
en ten behoeve van particulieren: deze komen altijd
op in plaats van den Staat, oefenen slechts een recht
uit, wat alleen hem toekomt.

Ook hier kan de Staat, waar geene privaatrechtelijke
sanctie bestaat, waar hij zich geene civielrechtelijke
verplichting heeft opgelegd, de vergunning intrekken
en wijzigen naar willekeur; schadeloosstelling, in
zooverre er geene onteigening plaats heeft, is slechts
billijkheidshalve te verleenen. \')

Mutatis mutandis geldt \'t zelfde, waar alleen eene
subsidie of andere geldelijke tegemoetkoming, zooals
rentegarantie, van den Staat gevraagd wordt. Meestal
gaat daarmede samen de staatshulp in een anderen
der besproken vormen.

Bovendien bestaat op dit terrein de gelegenheid
voor de publiekrechtelijke onderdeelen van het Kijk,
provincie, gemeente en waterschap om door dat
middel van subsidie hunne zorg te wijden aan werken
of ondernemingen len dienste van hel publiek, alles
naar de regels der Prov. en CJem. Wel en de wet-

1) Nnasting vnn spoorwegen is derhnlvo gcono onteigening mnnr
dü vervulling dor voorwnnrde, welke do duur vnn hot verleende recht
bcpnntt. Mceslnl verbindt do iStnat zich dnnrbjj voor zckcru som
werken cn nintericel ovor tu ncniun, dus besinnt or ceno priviml-
rcchtelyko snnctio. Wnnr dezo niel is, vnlt nlleen hel nfgcslnno recht
ntin den Stnnl terug, in cnsu nlleen do grond en znl h\\i voor do
werken en het mnlerieel zich niet den concessionaris moeten versljinn
of lol onteigening zyno toevlucht nemun.

-ocr page 114-

102

SS

w

n

! ■ ?■
y. ; ?.

; !»•

lelijke verordeningen, den waterschappen betreffende.
: De vergunningen, die daaruit voortspruiten, hebben
binnen de door die wellen geregelde bevoegdheid
dier besturen, dezelfde kracht en dezelfde rechtsge-
volgen, als degene, welke door \'t Rijk verleend
worden en hierboven besproken zijn. Zoo zal ook
bij het eindigen der vergunning, hetzij door tijds-
verloop, hetzij door niet-nakoming der voorwaarden,
waaronder zij is verleend, hetzij op andere wijze, de
subsidie moeten gerestitueerd worden, tenzij daar-
van door bijzondere bepalingen is afgeweken.

Verreweg de meest voorkomende gevallen, waarin
voor den aanleg van \'l werk eene vergunning der
overheid noodig is, zijn die, waarin gevraagd wordt
het
enkele gebruik van eene voor den algemeenen pu-
hlieken dienst bestemde zaak,
welke aan \'t Rijk of een
zijner onderdeelen toebehoort, of onder hun beheer
staan. Dit komt voor bij werken van onderscheiden
aard en grootendeels uitsluitend van provinciaal en
gemeentebelang, welke, ten gevolge daarvan, ook
meestal \'t gebruik van provinciaal of gemeente-eigen-
dom behoeven en, hetgeen wederom hiermede samen-
gaat, waartoe de vergunningen gewoonlijk ook door
die besturen worden verleend: zoo die tot den aanleg
van trams, lelephooninrichtingen, water- en gas-
leidingen. \')

1) Dat/ deze soort vergunningen niet zoo vaak voorkomen by wer-
ken van ryksbelang vindt zyne verklaring hierin, dat wegens do
uitgestrektheid van zoodanig werk de aanlegger meestal niet volstaan

-ocr page 115-

103

Men heeft hier te doen met het gebruik van zaken
buiten den handel, dat zijn die, welke strekken ten
algemeenen nutte, — waarvan een deel uitmaken,
die, welke bestemd zijn ten dienste van \'t pu-
bliek \') — en welke den Staat of een zijner onder-
deelen toebehooren, althans onder hun beheer
slaan.

De gevolgen van dat buiten den handel zijn komen
hierop neer, dat voor zoover dat noodig is ter in-
sland-houding van \'l algemeen nut, waaronder hel
ongestoord plaals hebben van den publieken dienst,
zij onttrokken zijn aan de regels van het burgerlijk
recht. Met \'t oog daarop verklaart dan ook art. 593
B. W. ze onvatbaar voor hypotheek; 1990 voor ver-
jaring, terwijl eindelijk 13ü8 verklaart, dat ze geen
voorwerp kunnen uilmaken van overeenkomst. "\')

Doordat de overheid ze bestemd heeft ten alge-
meenen nutte, kunnen zij niet ter beschikking staan
van bijzondere i)ersonen, zonder dat het algemeen

kan mot hct onkel gebruik vnn publiek domein vnn \'t ryk, nmnr
bovendien nog dc atiintahulp in cenen anderen vorm noodig hccfl.
Waar voor dit soort van werken, van provinciaal en gemeentebelang,
\'t gebruik van publiek ryksdomcin gevraagd wordt, verleent do Minister,
in naam der Koningin, do vergunning, ten minste voor coover \'s liyks
iinanciün cr nict door gctrofTon worden.

1) Vestingwerken b.v. syn buiten den handel omdat ey eyn van
alguniecn nut, maar daarom slaan zo nog niot ten dienste van hel
algemeen, in den zin, dal ccn ieder cr gebruik van kan maken.

2) Buiten den handel zyn ook dio zaken, welke ongeschikt zyn om
lo sUan in de hecrscha])py vnn byzondcro personen, omdal hol physick
onmogolyk is; zoo do rcs communes: do lucht, \'t slroomcndo water, «nz.

;j) Zio ook liSl li. W.; 491 B. Rv.

-ocr page 116-

104

belang geschaad wordt. \') Maar ook dit is geen abso-
lute regel, art. 1368 B. W. is niet geheel juist. Voor
zoover zij niet bestemd zijn ten algemeenen nutte of
ten openbaren dienste, kunnen zij wel het voorwerp
eener overeenkomst uitmaken, is zelfs de eigendom
van privaat-personen er op bestaanbaar. Zoo kunnen
b.
V. de bermen van den publieken weg zeer goed
de eigendom van eenen particulier zijn, zoodat,
wanneer naderhand de publieke dienst ook deze zou
vorderen, eene voorafgaande onteigening noodig is;
zoo kan ook omtrent eene kamer in een stadhuis
een huurcontract worden aangegaan, maar hier slechts
onder de stilzwijgende conditie, dat, wanneer de pu-
blieke dienst later het gebruik dier kamer eischt, dc
huur van zelf komt te vervallen.

Zelfs kan, ook voor zoover de zaak buiten den
handel strekt ten dienste van het publiek, -hetgeen
voornamelijk voorkomt waar deze een weg is, de
overheid — naar dc onderscheidingen en op de
wijzen waarop, gelijk in Hoofdstuk II is nagegaan,
de verschillende besturen betrokken zijn bij \'t ver-
leenen van vergunning tot het gebruik van den pu-
blieken weg — vergunning geven aan een bepaald

1) Men knn sicli zulko zaken donken, dio toebehooren nnn ccn
bijzonder persoon; zoolang dc Staat die zaken niot aan zich heeft
getrokken, gevoelt mon dio noodzakclykhcid voor den nlgctnccnon
dienst nog niet ernstig, is hy nog niet oflicicel erkend un zyn zc
derhalve ^iet buiten den handel; zoo b.v. krankzinnigengestichten,
bcgranfplantsen. Dc misbruiken, dio daaruit kunnen voortspruiten,
heeft do wetgever tracliten tc voorkomen door do reeds vermelde wet-
ten van 1884 cn 1869.

-ocr page 117-

105

persoon of groep van personen, tot een bijzonder,
alleen aan hen toegestaan gebruik, dat afwijkt van
het gewone voor een ieder geldende, zooals tot het
leggen van rails, van pijpen of andere geleidingen
onder den beganen grond, het plaatsen van palen
daarop, het spannen van draden daarboven enz.
Eerst door zoodanige vergunning wordt mogelijk de
uitoefening van het bedrijf, waarom het te doen is.
De overheid kan ze weigeren of toestaan naar goed-
vinden; in het laatste geval alleen en voor zoover
de bestemming voor den publieken dienst er niet
blijvend door wordt gestoord. \')

Daarom is ook deze vergunning, gelijk de vorige,
eene eenzijdige publiekrechtelijke daad van het be-
trokken openbaar gezag, all|jd herroepbaar, altjjd ver-
anderlijk naar goedvinden, waarbij voor schadeloos-
stelling slechts overwegingen van billijkheid, niet
van recht in aanmerking komen.

1) Anders zal corst do zaak in den handel mocton worden go-
bracht. Traniaanlcg zal veeleer den publieken dienst bovordoron.

2) W. IJurg. Adm. no. IJ76. Do gemeenteraad van Don Bosch
had in 1852 aan oon partieulier de uitaluitondo vergunning gegeven
om gedurende .10 jaar aan do gemeente — niot alleen — maar ook
aan haro ingezetenen gaslicht to leveren. Dit werkte verkeerd, \'t gas
was duur cn slecht. Do Kamer van Koophandel wenddo sich by
adres tot den Minister van B. Z om don Koning dit lUadsbealuit
van 10 Aug. 1852, als in stryd mot 230 Clom. Wet on met hot
algemeen belang, tu doen vorniotigon.

\'t Antwoord des Ministers — W. B. A. n«». IIÜO en 2234, ücm.
Stem no. 1070 —luiddo: dnt cr geene aanleiding bestond tot tusschen-
komst der llcgcering, want dat dergolyko beschikking over do publieke
straten, z. i. behoorde tol do bevoegdheid van don ücnicenternad.

-ocr page 118-

106

Voor den concessionaris ontstaat alleen tegenover
zijne medeburgers een absoluut vermogensrecht tot
het leggen, het houden en gebruiken der door hem
op, onder of boven den publieken grond gemaakte
werken, waardoor deze verplicht zijn zich te ont-
houden van alles, wat den concessionaris in de
uitoefening van diens recht kan storen. \')

Bij de daarover gevoerde discussie werd geconstateerd, //dat de
Minister thans had toegegeven, dat \'t geven van vergunning om ge-
bruik tc maken van de publieke straten is eene rcgecringsdaad, die
uit den aard der zaak geene civielrechtelijke verbintenis op de ge-
meente kan leggen — eene concessie, die door dc bevoegde macht,
in casu den Gemeenteraad, kan worden ingetrokken of ook aan anderen
verleend. Ook voor bepaalden t\\jd verleend, zijn zc aan intrekking,
opzegging of wyziging onderworpen, omdat, kunnen uit de vergunning
geen rechten voortvloeien voor den concessionaris,
hy evenmin ccn
recht heeft op inachtneming van den bepaalden
tyd cn deze do
overheid niet kan binden, wanneer een algemeen belang bekorting
van dien tyd vordert.

Uit ccnc publiekr. vergunning ontstaan voor den vcrkryger geen
rechten tegenover \'t gezag, dat haar verleende, daar do vergunningen
\'t uitvloeisel zyn uitsluitend van rcgecringsbevocgdhcid cn zy zich
alzoo enkel op \'t gebied van \'t publiek recht bewegen.

\'t Onderscheid tusschen privaat eii publick recht leidt er toe, dat
op laatstgenoemd gebied niet van rechten in privaatrcchtr. zin kan
gesproken worden. Dit gcldl nict by gemeentegrond, niet voor den
publieken dienst bestemd, aan een inwoner tot ccn of ander gebruik
tegen ccnc huur gegeven //

1) Dc gemeente Wildervank had in hare algemeene palitic-vcr-
ordening van 13 Juli 1887, artt. 72 en 85, verboden karren to
schuiven* over dc rails ccncr tramwcgmaatschappy, dio vergunning
had gekregen zc in den publieken weg tc leggen. Do quacstic of
hierdoor dc gemeentcwel^fcvcr eene bepaling had gemaakt, strekkende
om het recht van ccn privaat persoon tc beschermen cn dus zyne

-ocr page 119-

107

Maar ook hier kan de concessie de eene of andere
bepaling bevatten, waarbij de provincie of gemeente
zich privaatrechtelijk verbindt en gehouden is tot
zekere praestatie in een bepaald geval; deze moet
stipt nagekomen worden ook door het gezag, dat de
concessie verleende. Bij niet-nakoming moet de^
burgerlijke^ rechter gesaisisseerd worden, waarbij
natuurlijk in aanmerking moet genomen worden, dat
de meestal voorkomende arbitrage-clausule, zelf eene
voorwaarde der vergunning uitmaakt, en wel eene
van privaatrechtelijken aard. \')

boTocgdhcid was lo buiten gegaan, had do II. R. te beslissen in zyn
arrest van 2 Juni 1890 W. no. 5892, W. B. A. no. 2154. Uit dat
arrest — dat besliste, dat or van toodanigo bepaling hier geen sprako
was, maar dat \'t volgens art. 135 Gom. W. den Raad vrystaat do
verordeningen to maken, vereischt voor do openbare orde, waartoe
blykcns art 170
h dier wet ook de zorg voor do veiligheid dor
publieke wegen behoort — blykt dat do U. R. do mogelykheid aan-
neemt van ceno burgcriyko actio tot schadevergoeding wegens hot
wcdcrrcohlclyk gebruik van eens anders goed, hetgeen reeds ge-
schiedt, wanneer men met ceno kar
orer dt raib Ktrnift.

Nicl zoover gant \'l reglement van jwlilio vnn Friesland op dc
waterstaatswerken, nicl in onderhoud cn behoor
by dc provincie of
\'l ryk, ran 16 Novcmbor 1899, hetwelk ceno strafbepaling inhoudt
tc^on hem, dio do spoorslaven van eenen tramweg
borydl nicl eon
voertuig, niot tol do ondorneming var. don tramweg bohoorondo cn
r<oor:ien roti een of meer tot riJtUn lang$ ffe *pooritaren iiu/erichte vielbanden.
Mon zio Tordor Schepel t. a. p. en W. B. A. no. 8253; ook \'l regle-
ment op do tramwegen in Drenthe.

1) Bepalingen als daar zyn, dat gclyko conccssic aan geen ander
zal verleend worden of waarby zy voor bepaalden tyd gegeven wordt,
«yn, als uitmakende ccnc betrekking van publickrcchlolykcn aard,

-ocr page 120-

108

Waar deze sanctie niet bestaat, kan het conces-
sioneerend gezag met de vergunning handelen naar
goedvinden. Maar ook zonder in de concessie zelf
in te grijpen, terwijl zij deze onaangetast laat, is
de overheid, geleid door hare zorg voor de huis-
houding der gemeenschap of voor de openbare orde,
zedelijkheid, gezondheid, soms genoodzaakt en
gerechtigd, om — ofschoon indirect — stoornis, be-
lemmering, wijziging, zelfs opheffing (tijdelijke of
altijddurende) in het bedrijf van den concessionaris
te weeg te brengen.

Immers die zorg zal dikwijls van de overheid
eischen \'t maken van werken van algemeen nut en
waar daarvoor \'t gebruik van den publieken grond
noodig is, waarop zich eveneens de door den con-
cessionaris voor zijn bedrijf aangelegde werken be-
vinden, zal meestal eene botsing onvermijdelijk zijn.
\'t Natuurlijk gevolg daarvan is, dat het belang van
den concessionaris zal moeten wijken voor dat van
het algemeen, zelfs zonder dat er rechtens eene
schadeloosstelling vereischt, \'is ten minste, wanneer
het openbaar gezag zich niet voor dat geval uit-
drukkelijk daartoe verplicht heeft. Het recht van
den concessionaris, op het gebruik der publieke
zaak kan toch slechts zoover gaan, als de bestem-
ming voor den publieken dienst deze niet in beslag

nici Tcrl^ndcnd voor dü ovcrbüid. Uvcrtrcding daarvan dool wul dc
conccssiü tc niet gaan mcl du gevolgen daarvan; maar enkel op
dien grond behoeft geene schadeloosstelling gegeven te worden.

1) üem. St. no. 172G; W. Burg. Adm. no. 1835.

-ocr page 121-

109

neemt, in casu voor het leggen van een werk van
algemeen nut. \')

Dit rechtskarakter der vergunningen is dan ook
in onze jurisprudentie, waarvan in de ISijlagen A.
eenige uitspraken, altijd gehandhaafd, trots de uit-
eenloopende meeningen.

Een geheel ander rechtskarakter heeft de vergun-
ning, waarbij het Rijk of een zijner onderdeelen ten
behoeve eener onderneming ten dienste van het
publiek
geheel of gedeeltelik afstand doet van staats-
domein
— domaine privé — dat, niet ten algemeenen
nutte of speciaal voor den openbaren dienst bestemd,
ook niet eene zaak buiten den handel uitmaakt, maar
waarvan de Staat eigenaar is op dezelfde wijze en
in gelijke mate als ieder ander zijner onderdanen.
Daarover kan de Staat dan ook beschikken gelijk
ieder eigenaar dat over zijn eigendom kan, op de
wijzen in het burgerlijk rccht bepaald; daaromtrent
kan hij iedere geoorloofde overeenkomst treffen hetzij
eene der nominati, zooals koop, huur, ruil, pacht,
hetzij een contractus innominatus. Sluit nu de Slaat
zoodanig contract met een bepaald persoon of groep
van personen, dan spreekt men eveneens van eene
concessie, wanneer dergelijke overeenkomst i)epa-
lingen bevat len nutte van het nlgemeen of die

1) Do railï, pypcn, p»lon enz., welke do conccs^ionnris in-, op* of
boven den publieken grond heeft niingebracht, x^jn geen taken builen
den handel cn eyn »clfs niet onroerend, omdat to noch bestemd tyn
altyd »nn dien grond verbonden te tyn ni>ch do eigenaar van den
grond of ander takclyk gcrcchligdo to daaraan bevestigd heeft.

-ocr page 122-

110

strekken ten behoeve van het pubUek, van den open
baren dienst, waartoe dat staatsdomein zal aangewend
worden en wel door middel van de exploitatie van\'
een werk van algemeen nut. Dergelijk werk kan
reeds als eigendom van den Staat aanwezig zijn,
maar eveneens is mogelijk, dat de ondernemer van
den publieken dienst nog eerst de werken moet aan-
leggen, en daarom alleen den grond, die den Staat
behoort, noodig heeft. In dat geval zullen ook om-
trent dien aanleg bepalingen in \'t contract met den
Staat kunnen voorkomen.

\'t Eigenaardige dezer overeenkomst is alleen, dat
zij moet gesloten worden in den vorm eener wet,
voor zoover haar object is rijksdomein, bij wier be-
heer de Staten-Generaal betrokken zijn. \') Is het
domein van een der staatsrechtelijke onderdeelen van
\'t rijk: provincie, gemeente of waterschap, dan moet
gehandeld worden naar de voorschriften, daarom-
trent in de provinciale en gemeentewet of de wette-
lijke verordeningen, den waterschappen betreffende.

1) Ook hier doet zich evenals bij de onteigening dc vraag voor
of de rükswetgever zich ook moet bemoeien met dic bepalingen, dio
niet zien op \'s Ilijks financiën. Sommige 8chr\\jvcr8 cn leden dor
Staten-Generaal achten ook daartoe don liykswclgovor bevoegd.
M. i. te recht, omdat ook hier, door deze bepalingen, dio toch ook
de voorwaarden uitmaken, waaronder over dc eigendommen von \'t liyk
of de exploitatie daarvan wordt beschikt, aan de goedkeuring des
wetgevers\' tc onttrekken, men — zydelings — dio, welke door den
wetgever «yn vastgesteld, kan te niet doen. Do regeering evenwel
laat alleen die bepalingen door de vertegenwoordiging bekrachtigen,
wier inhoud zoodanige bekrachtiging noodzakelyk maakt.

-ocr page 123-

111

Overigens, in aard en rechtsgevolgen, is deze ver-
gunning gelijk ieder andere privaatrechtelijke over-
eenkomst, zoodat, waar de vergunning zwijgt, de
voorschriften van het B. W., B. Rv., en daar de
meeste ondernemingen ten dienste van het publiek
handelsondernemingen zijn, ook die van \'t Wetboek
van Koophandel gelden.

Draagt de Staat den eigendom over, dan ontstaat
er in zoodanig geval voor den concessionaris een
voorwaardelijk eigendomsrecht, beperkt door de
voorwaarden, die in de concessie vervat zijn; over-
treding dier bepalingen vormt, mits uitdrukkelijk
als zoodanig in het contract opgenomen, de ontbin-
dende voorwaarde, gelijk de duur der concessie, de
ontbindende tijdsbepaling. Overigens geldt art. 1302
B. W., waarbij nog op te merken valt, dat arl. i:i()2
niet geldt voor een eenzijdig contract, al is hel onder
bezwarenden titel. \')

Waar de Staal den eigendom niet overdraagt,
blijft dc zaak behooren tol \'t staatsdomein, maar
zal door de exploitatie daarvan ten nutte van \'t al-
gemeen, door de aanwending len dienste van hel
publiek, buiten • den handel geraken, met al dc ge-
volgen daaraan verbonden.

Zoodanig contract komt \'t meest overeen met de
in Krankrijk geldende „concession". \'l Is dan een
pachlcontracl, welke (lualificatie o. a. uitdrukkelijk
wordl gebezigd in de overeenkomt tusschen tien

1) Optoomcr, H. W. V. 179 cn nog onlangs too l)C8list in ccn
vonnis H. den Haag van 18 Nov. 1809 W. no. 0911.

-ocr page 124-

112

Staat en den Hollandschei^ Spoor, betreffende de
exploitatie van den N. Hollandschen Staatsspoorweg
Amsterdam—Helder door laatstgenoemde.

Dergelijke concessies, in den zin van een civiel-
rechtelijk contract, kunnen ook voorkomen tusschen
eene provincie of gemeente en een of meer parti-
culieren, betreffende (de exploitatie van provinciaal-
of gemeente-eigendom, hetzij dit daarbij overgedragen
wordt; hetzij het provinciaal- of gemeente-eigendom
blijft.

Doch met uitzondering voor de verkeersmiddelen,
— waaronder de spoorwegen — komt bij ons \'t laatste
geval weinig voor. Zelden nemen de Staat of zijne
onderdeden zelf den aanleg van werken len dienste
van het publiek op zich, en, waar ze dat doen, be-
lasten zij zich tevens met de exploitatie daarvan,
zooals bij gemeente-gasfabrieken, waterleidingen,
telephoon-inrichtingen enz. \')

1) Wnnr de stad cen contract sluit met eene maatjchapp\\| tot
levering vnn \'t benoodigde gas voor dc openbare straatverlichting cn
die der overige aan de gemeente toebchoorende of door haar beheerde
raken, maakt dit, hoewel meestal aan de concessie — lot gebruik
van den publieken grond — oanccngckoppeld, cen afzonderlek con-
tract uil. Daarby treedt dc Staat dan op als zcdcUjk lichaam,
als rechtspersoon, gelyk ieder ander rechtssubject; ook kan do stad
zich verbinden aan geen ander do verlichting dier taken to zullen
geven; maar zy kan niet, zelfs niet als openbaar gezag, laat staan
als rechtspersoon, ccn gasmonopolic scheppen, om uitsluitend ook aan
de ing<fzetcnen gas te leveren. Zooals tc voren is opgemerkt, kan
zy niet \'l bedryf eener gasonderncming verbieden, wel, dat daarvoor
gebruik wordt gemaakt van den publieken grond; hetzelfde geldt
Toor trams en andere dergelyke ondernemingen.

-ocr page 125-

113

Maar veelvuldig geschiedt dit in Frankrijk.

Is daar het werk — d\'utilité publique — op de in
Hoofdstuk II vermelde wijze tot stand gebracht, dan
zal \'t gaan behooren tot de zgn. dominialité, d. i. het
geheel der zaken, welke tot \'t publiek domein be-
hooren en daardoor onderscheiden zijn van die „qui
appartiennent à l\'Etat". \')

De artt. 538 en 540 van den code civil noemen
eenige zaken op, die daartoe behooren, vooral op
\'t gebied der verkeersmiddelen, der wegen in \'t alge-
meen. AVegen van algemeen belang behooren er toe,
maar niet alleen „les routes dites nationales c\'est
i\\ dire celles (]ui, parcourant des lignes d\'une vaste
étendue, ouvrent des communications d\'un intérêt
généi\'al, mais encore les routes départementales, ou

Te rcolit nocmt ücm. Slem no. 23G5 gemeonle-gosfnbrickcn buiten
don Imndcl «omdnt do geschiedenis van nrt. 238 Oeni. Wct Icert dut
rcclilen, hoc ook gcnnnmd, geheven wegens genot van openbare ge-
meentewerken onï. cn die voor door of van wcgo iicl gcmecnlcbc-
sluur verstrekte diensten, voor plaatselyko belastingen gehouden en
daarmede gclykgcslcld worden./« Zio ook Ucm. Stem, no. 2373.

Builen den handel zijn r.o ook, omdat zo stretkcn ten algemeenen
nutte cn voorzien iti den publieken dienst

1) Dalloz, Kópcrtoirc voco Domaine Pul)lie. : O\'est l\'cnsemblc des
choses, qui ont pour destination d\'être asservie« ii l\'usage ou à la
protection do tous ut qui cn raison même do cctlc destination ct
tant ([u\'cllo dure, n\'appartiennent propriétaircment ii personne, pas
même ù l\'Ktat, lequel n\'exerce a leur égard qu\'une cspccc do posscs-
Boiro au nom et dans l\'intérêt du public.

Ofschoon men meestal by ons den eigendom dezer zaken wcl ann den
Staat toekent, komen zc overigen!» overeen met ons Ix\'grip van //rjiken
builen den handel./\'

8

-ocr page 126-

m

celles qui n\'établissent de communication que dans
l\'intérieur d\'un département ou avec les départements
voisins et môme les chemins vicinaux." \')

Zoo ook behooren daartoe, volgens de wet van
15 Juli 1845 de spoorwegen d\'utilité publique die,
zooals is aangetoond eigenlijk door den Staat zijn
aangelegd, eensdeels omdat zij onderworpen zijn aan
de wettelijke bepalingen betreffende de „grande voirie"
en derhalve tot de „routes dites nationales" gaan
behooren, anderdeels door de omstandigheid, dat
zij slechts door medewerking van \'t staatsgezag kon-
den tot stand komen.

Daardoor heeft men in Frankrijk het verschijnsel,
dat de ondernemers van spoorwegen, — die op eigen
kosten en voor eigen rekening zich de voor den
aanleg en exploitatie noodige middelen moesten aan-
schalTen — niettemin niet als eigenaars dezer onroe-
rende zaken kunnen beschouwd worden, waarop zij
zelfs geen zakelijk recht kunnen hebben, een recht
van vruchtgebruik of opstal. Wat zij hebben is slechts
een
persoonlek recht, uit een soort pachtcontract,
welks inhoud te vinden is in de algemeene bepalingen
der cahiers des charges, welke voor alle concessies
van eenzelfde soort gelden, en de in ieder bijzonder
geval met hen aangegane overeenkomst: een recht,
om overeenkomstig genoemde bepalingen, gedurende
den duur hunner concessie de spoorwegen te\' exploi-
teeren, die steeds staatseigendom waren en blijven,
althans onder \'t domaine public vallen.

1) Dallüz, t. n. p.

-ocr page 127-

115

Hun rechtstoestand is als die van tijdelijke pach- \'

ters van de den Staat toehehoorende of liever tot
\'t domaine public behoorende spoorwegen. Slechts op
die voorwaarde heeft de Staat hun de concessie —
die eigenlijk alleen strekt tot exploitatie — verleend,
hun \'t alleen hem toekomende recht van onteigening
gedelegeerd, wellicht op andere wijze bij \'t maken
van \'t werk ondersteund.

Dan is ook duidelijk, dat de zgn. „Rachat" niet is
een wederinkoop, eene herkrijging van een over-
gedragen eigendomsrecht, maar enkel de billijke
schadeloosstelling voor zeker damnum emergens en
lucrum cessans. \')

1) Cour d\'nppcl, Brüx. 30 Juni 1890 Pasicrisio Belge: «A. quo
lorsque rUtnt raelièlo 1
b concession, c\'est à dire lorsqu\'il rcjircnd son
droit ftux péages, moyennant un prix qui n\'est qu\'une indemnité
pour les péages futurs, rétirés au concessionaire" . . .

Tribunal, Brüx. 2S Juillet 1888 P. B. 1889, III. 6: «Kst incor-
recte l\'expression «rach.it do elicmin do fer« «[ui se rencontre dans
certains cahiers des charges: l\'Etat n\'a pas racheté lo chemin de fer,
puisque la ligno lui appartenait depuis la création ct qu\'il v.i de soi
que l\'on n\'achète pus sa propriété; que d\'autre part l\'Etat n\'eût
nit\'mo pas aliéner co chemin do fur, puisque celui-ci faisait partie
du domaine public inaliénable.

A. que l\'Etat n seulement payé une indemnité « la société |>our
la reprise ou le retrait dc son droit d\'exploitation; indemnité con-,
tractuelle, flxé ù forfait, représentant en capital la valeur do ce ((uo
la société pourrait encore cs])érer do bénéfices par la perception des
péages jusqu\'au terme do la concession.

^ics terrains, actiuis par le concessionaire cn dehors des rî-glcs et
limites tracées par le cahier des charges restent sa propriété person-
nelle. L\'état doit, en cas dc rachat do la concession, les lui payer
en sus du prix stipulé pour ce rachat. Une destination publique

-ocr page 128-

ii6

Thans een enkel woord over die in Frankrijk
gebruikelijke
cahiers des charges. Naast de door den
Staat met de private ondernemers gesloten overeen-
komsten gaat een zgn. „cahier des charges" gepaard.
Voor deze scheiding in tweeën van de voorwaarden
of bedingen der overeenkomst in een cahier des
charges en in de overeenkomst zelf bestaan de vol-
gende gronden:

Voor overeenkomsten met den Staat zijn niet alleen
vereischt vele formaliteiten en meerdere inslai;ties,
maar is bovenal noodig vaststelling in den vorm
eener wet. Daarom is wenschelijk \'t einde der onder-
handelingen daardoor te bespoedigen, dat in de
overeenkomst slechts de hoofdbepalingen worden
opgenomen, terwijl men zich voorbehoudt \'t vast-
stellen der minder belangrijke, meer technische be-
palingen.

• Ook kan de reden voor de scheiding hierin ge-
legen zijn, dat de eene partij de andere den inhoud
van \'t cahier des charges van te voren voorschrijfl
en verklaart slechts op die grondslagen te willen
onderhandelen, terwijl \'t contract zelf dan die bepa-
lingen bevat, waarover onderhandeling mogelijk is.
Dit zal voornamelijk voorkomen, waar de Slaat zulk
een cahier des charges over technische bedingen
aan de andere jiartij voorlegt. Bij ons komt dit voor
bij aanbestedingen, waarbij van le voren\'de voor-

attribucc illégalement à ees terrains, serait impuissante à les Taire
sortir du domaine du conecssionairc pour les incorporer dans le
domaine public).

-ocr page 129-

117

waarden der gunning worden bekend gemaakt, n.1.
in de bestekken.

Een derde grond voor die scheiding vormt \'t nut,
soms de noodzakelijkheid om, als te gelijkertijd met
meerdere ondernemers contracten moeten gesloten
worden, die, hoewel in vele opzichten van elkaar
verschillend, toch een aantal gelijkluidende en vooraf
vast te stellen bepalingen zullen hebben. Zoo zijn
in brankrijk sedert \'t jaar 1857 de cahiers des charges
voor alle spoorwegondernemers gelijkluidend vast-
gesteld. Hiermede zijn dus eenigszins te vergelijken
onze algemeene spoorwegwetten en de algemeene
reglementen, die daaruit voortvloeien en door den
Koning zijn vastgesteld, daar deze alle ook voor nog
aan te leggen spoorwegen gelden.

Dusdanige rechtstoestand o|) dit gebied als in
Frankrijk, zal ook bij ons heerschen, waar de Slaat
de uitvoering van werken, ten algemeenen nutte en
voor den dienst van \'t publiek bestemd, niet meer
zelf of door middel van aaimemers onderneemt, maar
eene concessie verleent, alleen hierin van \'t gewone
contract van aanneming onderscheiden, dat de con-
cessionaris-aannemer als loon voor dien aanleg, ge-
durende zekeren tjjd de vruchten der onderneming
zal mogen plukken. Dat dit stelsel inderdaad bij
ons in enkele gevallen voorkomt, ziet men, waar
\'t betreft den aanleg van spoorwegen voor rekep.ing
van den Staat door de
exploitatie-maatschappij, of
hetgeen ook geschiedt — b. v. bij den ontwor-
pen loc<irtls|)oorweg Schoonhoven—(^ouila — door

-ocr page 130-

118

particulieren voor rekening van genoemde maat-
schappij.

Ten slotte valt nogmaals op te merken, dat de
verschillende, hierarchiesch aan elkander onderwor-
pen wetgevende machten in den Staat ten allen tijde
hare staatsrechtelijke bevoegdheid behouden om door
het stellen van algemeen verbindende regels voor \'t
algemeen belang te zorgen, ook al grijpen deze,
hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, in verkregen
rechten\' der onderdanen in, zelfs in contracten door
den Staat met deze aangegaan of aan hen verleende
vergunningen, zonder dat het staatsgezag rechtens
lot eenige schadeloosstelling verjilicht is, ten minste
voor zoover er geene onteigening plaats heeft.

\'t Motief, waardoor de wetgever zich daarbij laat
leiden, hetzij van politierechtelijken aard, hetzij eenig
ander, een economisch, fiscaal, politiek oogmerk,
doet niets ter zake.

Te recht zegt de Gemeente stem n°. 11)71 betrel-
feiide de wet van 1880, die geene vergunning meer
eischt tot „het in werking brengen" van een openbaar
middel van vervoer — over diO tot den aanleg of
bouw van den weg laat zij zicli niet uit — „dat de
gemeente en provincie nog wel voorschriften kunnen
geven in \'t belang der openbare veiligheid en orde
en tegen de overtreding daarvan straf kunnen be-
dreigen, maar dat de overtreding nimmer aanleiding
kan geven tot intrekking der concessie."

Dit geldt natuurlijk ook van alle andere, algemeen
verbindende, wetten en wettelijke verordeningen, die
— uit haren aard — in bestaande concessies in-

-ocr page 131-

1431

grijpen; overtreding harer voorschriften zal de con-
cessie niet doen vervallen, daar deze niet een specifiek
deel eener l)epaalde concessie uitmaken, maar voor
alle gevallen van dezelfde soort gelden.

AVat aangaat eene willekeurige, eenzijdige, binnen-
lijdsche intrekking door de overheid van de publiek-
rechtelijke vergunning voor werken ten dienste van
\'t publiek, deze is welhaast een casus non dahilis.
Innners ook waar geene privaatrechtelijke verplich-
ting van de overheid — als rechtspersoon. — daarvan
\'t gevolg is, noch overwegingen van billijkheid \'t-
openbaar gezag weerhouden, zal deze toch op on-
overkomelijke feitelijke bezwaren sluiten. Daardoor
toch zal niet alleen, lot groot ongerief voor\'t publiek,
de publieke dienst gestaakt worden, maar ook zal
de overheid om dezelve te kunnen voortzetten of
tot onteigening der door den concessionaris aange-
legde werken hare loevluchl moeten nemen, met al
de bezwaren en \'t lijdsverloop, die daarmede gepaard
gaan, of zelf de daarvoor noodige werken moeien
aanleggen. Een en ander levert voldoenden waarborg
legen willekeur van do overheid, die, wanneer de
concessionaris door oviM\'lreding der voorwaarden der
vergunning rechlen.s de hem verleende bevoegdheid
heef! verloren, zelfs eerder zal trachten hem tot na-
koming dier aanvaarde verplichtingen le dwingen,
alvorens lol hel uilersle over te gaan en hem ver-
vallen le verklaren van hel hem geschonken recht.

-ocr page 132-

HOOFDSTUK IV.

Rechtsgevolgen.

AVelke rechtsgevolgen uit de verleende vergunning
voortvloeien voor het concessie verleenend gezag en
den concessionari.s, is in \'t vorige Hoofdstuk be-
sproken. Thans blijven over die, welke tusschen
laatstgenoemde en de overige leden dor gomeenscha|)
ontstaan.

Voor zoover deze zijn schuldeischers van den con-
ce.ssionaris, gelden de bepalingen van \'t burgerlijk
recht: zijn geheel vermogen is voor zijne schulden
aansprakelijk en deze kunnen daarop verhaald
worden, natuurlijk in dezelfde mate en binnen de-
zelfde grenzen, als de schuldenaar zelf bevoegd is
over zijne vermogensbestanddeelen te i)eschikken.
Tot dat vermogen behooren ook die zaken,\'welke
kraciitens de hem verleende vergunning voor den
pul)liel<en dienst bestemd zijn, en waarvan hij (jf
eigenaar kan zjjn, maar dan onder de bepalingen
dier concessie, of geen eigenaar, wanneer ze meestal

-ocr page 133-

121

eigendom van den Staat en ijuiten den handel zul-
len zijn. \')

Van meer belang zijn hier de rechtsgevolgen, die
uit de vergunning voor de geheele gemeenschap, als
zoodanig, ontstaan.

Waar men te doen heeft met ondernemingen ten
dienste van \'t jiubliek, vau \'t algemeen, die van zoo
groot en onmisbaar belang zijn voor de geheele
gemeenschap, dat \'t nut er van voor geene betwis-
ting vatbaar is, al behoeven ze daarom nog niet
voor ieder individueel lid dier gemeenschap dezelfde
onmisbaarheid te vertegenwoordigen, al hel)l)en ze
zelfs voor den een of ander in \'1 geheel geene waarde;
waar men aantreft dusdanige werken, die in de
eerste en belangrijkste behoeften der menschheid
voor/ien en daarbij en als gevolg daarvan vaak een
feitelijk monoj)olio hebben, rijst terstond de vraag,
of en in hoever de ondernemer van dergelijk werk
iemand uit \'t i)ubliek het genot daarvan kan ont-
zeggen of wel onder meer bezwarende voorwaarden
dan ieder ander daartoe kan toelaten.

Deze (juaestie kan zich ook voordoen hij de tal-
rijke andere inrichtingen, die van meer individueel
belang en — al naar de behoeften zondanige in-
richting winstgevend maken — in eenen bepaalden
tak van bedrijf in grooten getale aanwezig zijn, zoo-

1) Zoo Jinl \'t fnilliMnnicnt vnn den conocMioniiris op r.iohielf dc
conccssic nicl to niet doen gnnn; eerst do niet-nniconiing der voor-
waarden, daarin verval, tal dut gevolg hebben.

-ocr page 134-

122

dat .\'t publick de voorziening in zijne behoeften naar
keuze over een groot aantal ondernemingen van
dezelfde soort kan uitstrekken.

Bij deze laatste nu valt te onderscheiden: die in-
richtingen, die meestal een aanbod doen in \'t alge-
meen, aan \'t publiek, door middel van uitstallingen,
prijscouranten, enz., en die, welke hare diensten
niet vooraf aan \'t publiek aanbieden, maar afwachten
tot\'t publiek aanvrage doet en in ieder voorkomend
geval, na voorafgaande overeenkomst, hare diensten
presteeren. In de eerste gevallen kan men aan-
nemen dat de overeenkomst tol sland is gekomen,
wanneer op dal aanbod is ingegaan, \'l geld is op
de toonbank gelegd, de postwissel is verzonden, enz.
Duilsche schrijvers brachten dit onder \'t gezichtspunt
van een „Anerbielen zum Verkauf\'. \')

Men kan dit loepassen op alle aanbiedingen aan
\'t publiek, waar \'t niet aankomt op den persoon
waarmee gehandeld wordt, op diens (lualiteiten, maar
waar de persoon van den contractant geheel onver-

1) Onder dc Duitsche scliryvers zijn do mceningen vcrscliillend ;
sommigen zeggen, dht, wnnneer er is ceno ofrerto nnn \'t publiek, diin
moot men \'t niot licht nnnncmen: hel is ecno uilnoodiging nnn \'l pu-
blick om zelf ccn nnnbod te doen, zoo J. Bierman, llechlszwang zum
Contrahiren, in Jehring\'s Jahrbücher, dl. 33, ])ng. 267 v.

\'t Duitsche Ilnndelsgesetzbuch art. 337 noemt \'t aanbieden tol
verkoop gecnc verbintenis: men behoeft niet lo verkoopen: wDas
Anerbielcn zum Verkauf, wclchcs erkennbar für mehrere Tersonen,
insbesondere durch Mittheilung von Preislisten, Lagerverzcichnisscn,
Proben oder Muster geschieht, oder bei welchcm dic Waare, der
Preis oder die Mecge nicht bestimmt bezeichnet ist, ist kein verbind-
licher Antrag zum Kauf.//

-ocr page 135-

123

schlllig is; waar men in eene advertentie eene dienst-
jjode vraagt, komt natuurlijk de persoon in aan-
merking, maar, waar men artikelen te koop aanbiedt,
is de persoon die de koop sluit een factor zon-
der eenig belang; verleent men hem crediel, dan
doel men dat weer met \'t oog op den persoon.

Wel moet ieder aanbod cum grano salis opgeval
worden: \'t strekt slechts zoolang de voorraad toe-
reikend, de beschikbare plaatsen niel bezet zijn. Ook
kan degeen, die \'t aanbod gedaan heen, bepaalde
personen uitsluiten, door hun vooraf bekend le maken,
dat er voor hen geen aanbod beslaat, dat hij met
hen niel wil conlracleeren; zoo een schouwburg-
ondernemer, die eenen recensent schrijfl, dat hem
geen toegang zal verleend worden — ook niel legen
betaling. Bovendien is ook de persoon niel altijd
geheel onverschillig: hij, die \'t aanbod doel, kan
terugwijzen ex justa causa; de persoon is dronken,
wekt de vrees op de openbare orde le zullen ver-
sloren, of waar de welvoegelijkheid zekere vereischlen
stelt om te worden toegelaten (bepaalde klecding).
Dil zjjn voorwaarden, die, stilzwijgend, verondersteld
worden bekend te zijn, evenals men zich door \'t
aanbod aan te nemen, ondcrweri)l aan de uitdruk-
kelijk gestelde.

O. a. o|) \'l gebied der vervoermiddelen komt
\'t groote gewicht dezer zaak duidelijk uit. Nalnurlijk
behoeft een rijtuigverhuurder, die een i)rivaalmiddel
van vervoer heefl, niel iedereen le vervoeren. Maar
daartegenover slaan de oj)enbare middelen van ver-
voer, bij ons geregeld door de wet van 1880, welke

-ocr page 136-

124

de verplichting voorschrijft om aankondiging te doen
van de vertrekken en tarieven, althans voor \'t pas-
sagiersvervoer. \') En dan zijn de ondernemers vol-
gens bovenstaand betoog tot vervoer verplicht naar
de vooraf door hen vastgestelde tarieven en dienst-
reglementen, tenzij zij daarop voor iemand eene
uitzondering gemaakt hebben.

Deze algemeene beginselen gelden nu ook vóór wer-
ken of ondernemingen ten dienste van het publiek in
engeren zin, maar hier is \'t van belang de vraag scher-
per te stellen, n.1. of deze gedwongen zijn iedereen,
zonder uitzondering op te nemen, en wel op gelijken
voet als elk ander, zonder dat men in \'t vooraf
bekend maken der dienstregelingen en tarieven een
aanbod tot \'t publiek heeft te zien, zoodat voor eon
bepaald persoon geene" voorafgaande intrekking van
dat aanbod te pas komt. In hoever deze „flonlra-
hirungszwang" op dergelijke ondernemingen kan
worden aangewend, moet thans worden nagegaan.

In de eerste plaats is een grond voor \'t aannemen
van dien dwang eene uitdrukkelijke wetsbepaling.
Bij ons legt de wet zoodanige verplichting op aan
den ondernemer van eenen spoorwegdienst. Art.
31 al. 1 van de spoorwegwet van 1875: „De onder-

1) lU). Groningen 10 Juni 1881 \\V. no. 4728: «Opcnbnnr niiddel
vnn vcr*t)cr van personen i» ieder rijtuig, lietwolk bestemd is om
geregeld, d. i. op vaste, telkens tcrngkecrende tijdstippen lanfp een
bepaalden ten behoeve vnn \'t publiek dc gcmecnschnp tusschen
twee plaatsen tc onderhouden.

-ocr page 137-

125

nemers zijn verpliclu tegen de vraclitprijzen l)ij de
openlijk aangekondigde tarieven en op de voorwaar-
den, bij de reglementen bepaald, de reizigers en de
aangeboden, niet door wettelijke bepalingen uitge-
sloten goederen te vervoeren, zonder verleening van
gunst aan bijzondere personen, vereenigingen, onder-
nemingen of zedelijke lichamen", terwijl de alge-
meene reglementen voor \'t vervoer op de spoor-
wegen uitdrukkelijk de gevallen noemen, waarin de
spoorwegondernemer \'t vervoer van personen of goe-
deren mag weigeren, \'t Doet er hier dus niet toe
of men in \'t openbaar maken der tarieven en dienst-
regelingen een aanbod aan het publiek heeft te zien.
\'t Zelfde is bepaald ten opzichte van \'t telegraafver-
voer door de artt. (> en 8 der Wet van 1852; ook
in art. 5 der Berner conferentie tot regeling van \'t ver-
voer van goederen op spoorwegen. \') De wet tol

1) Mcili, png 152 v. l. n. p. geeft ccn duidclyk ovcriiclit vnn
de gevftllcn, wnnrin in vcrschillendo sinten die Conlrnhirungsiwnng
door dc wet is oi>gelegd.

Tcrwyl by do Engclsche sjworwcg enquête vnn 1870 dc heer Mnrlin
wikron of the Court of Knchcqucr« verklanrde, dnl, wnnr do spoorweg-
concessies geen dusdnnigcn Conlrnhirungszwnng hebl)cn opgelegd, do
jure roodnnigc verplichting niet bcstnnt, nnm ecn nndcrc rechter
Urninffcll dczo wet nnn. Steunend op deze «glorious unccrtninly of
lnw<» vcrkinrcn do spoorwcgmantschnppycn in Engeland in tnlrykc
gevallen, dal zy voor \'t vervoer vnn bepaalde voorwerpen ophouden
«common carriers to zyn; ccnc koninklykc cnquflc van 1807, achtte
ccnc algcmccno wctlclyko regeling dcicr verplichting dringend nood-
eakclyk.

Kent Commentaries iwg. 459: /fin thii country (America) it has
been held, Ihat a railroad, being a public use, as shown by the
cxcrcisc of eminent domain in its favor, cannot arbitrarily cxiudc

-ocr page 138-

126

vaststelling van \'t briefport van 12 April 1850 S. n". 15,
evenals die van 22 December 1863 S. n°. 148, op de
Ned. Bank, leggen stilzwijgend aan de Post en de Ned.
Bank der veplichting op, aan iedereen die zich aan-
meldt hare diensten te praesteeren. Dit volgt hieruit,
dat beide wetten nadrukkelijk voorschrijven, respec-
tievelijk het oprichten van postkantoren en dat van
agent- of correspondentieschappen, terwijl de laatste
wet zelfs nauwkeurig voorschrijft, waarin de werking
der Bank bestaat.

Kan nu die Gontrahirungszwang, ook wanneer de
wet ze niet uitdrukkelijk of stilzwijgend oplegt, bij
ons worden aangenomen bij ondernemingen ten
dienste van \'t publiek, op grond van de, in het
voorafgaande besproken, vergunning der overheid?

Dat dit niet het geval is, moge uit het volgende
blijken.

Een treffend geval vindt men vermeld bij Meili t. a. p.
Iemand te Zürich, eischte, daar hij zich niet kon
verstaan met de telephoon-maatschappij over de
schadeloosstelling hem verschuldigd voor \'t gebruik
van zijn dak voor telephoondraden meer dan noodig
was tot aansluiting van zijn huis bij \'t telei)hoonnet
wegneming dier overtollige draden. De maatschaiipij
deed dat, doch weigerde tevens hem verder te be-

pcrsons from its benefits// In\'t zelfde werk zegt hy elders ten opzichte
van dc telegraaf: Thus it would
probably be held, that they are
bound to* transmit messages for all who offer them and who arc
ready to pay the usual or settled charges."

In Zwitserland, Duitschland, Rusland, Frankryk, Engeland legt
de wet dien Gontrahirungszwang den telcgranf-ondernemers op.

-ocr page 139-

127

dienen, brak de aansluiting af, niettegenstaande hij
den abonnementsprijs wilde betalen. Hij wendde zich
toen tot den gemeenteraad, maar de telephoon-
maatschappij verklaarde: Sie bestreite dass irgend
jemand ein Recht hatte zu reclamieren, wenn sie
sich weigere ein Telephon zu erstellen, oder dass
sie sich darüber zu verantworten habe." De Raad
oordeelde zich incompetent, doch de zaak werd
verder in der minne geschikt.

De maatschapi)ij ging hiervan uit, dat, waar deze
dwang uitdrukkelijk in \'t Zwitsersche telegraaf-, post-
en spoorwegrecht is voor geschreven, hij derhalve niet
bestaat, waar hij niet wettelijk is vastgesteld en dat
dan de regels van het burgerlijk recht gelden, welke
de volste vrijheid geeft al of niel overeenkomsten
aan te gaan.

Meili nu komt hiertegen op en grondt den Contra-
hirungszwang op de „Öffentliche Zweckbestimmung"
dier ondernemingen, daaruit vloeit voor hem voori
„eine nffentlicli-rechtliche Obligation mit jedem, der
sich prilsentirt, zu kontrahiren." Die verplichting be-
hoeff volstrekt niel uitdrukkelijk opgelegd le zijn,
want zij heeft, haren grond in het ongeschreven
rechl, vloeit voort uil \'t
puUiek recht\'. „Das Gesetz
slaluirt ihn, weil es sich um die Befriedigung von
allgemeinen Hedürfnissen handell, welche eine Öffent-
liche Zweckbeslinmnnig haben."

Vindt inen dit beroep op \'t jus publicum le onbe-
stemd, dan zegt hij: „der liefere (Irund des Kontra-
hirung.szwanges liegt in denjenigen
liescrratrechten
des Staates, welche sich auf die Wahrung der üffenl-

-ocr page 140-

128

liehen Zweckbestimmung und allgemeinen Gebrauchs-
möglichkeit der betreffenden Anstalt stützen"; en
verder: „Jedermann hat einen individuellen Anspruch
und daher ein Privatrecht gerichtet auf Erfüllung
der den öffentlichen Anstalten obliegenden Ver-
pflichtungen"; \') met welke „öffentliche Anstalten"
hij alleen bedoelt die, „welche nur mit der Maassgabe
autorisirt worden seien, dass sie dem usus publicus
dienen müssen"; uit deze stelling dat „der Kontra-
hirungszwang der öffentlichen Anstalten ist der pro-
nonzirteste rechtliche Ausdruck ihrer dem allgemei-
nen Wohle dienenden Zweckbestimmung" vloeien
van zelf andere gevolgen voort: niemand mag voor
zich alleen zoodanige inrichting in beslag nemen,
want dat slrijdt tegen \'t algemeene, openbare ge-
bruik; daarom is niet altijd mogelijk bij vooruitbe-
stelling op eenen bepaalden tijd er over te beschikken;
de klanten mogen niet op ongelijken voet behandeld
wórden en de een niet eerder bediend dan de ander.

1) Ich gebe zu, dass es nicht cinfach ist, diese Kcchle zu klassi-
fizircn, und dass man über die Natur derselben streiten kann. Viel
wichtiger aber als der Streit über diese juristische Taufe dürfte dio
Thatsochc sein, dass jene Berechtigungen auch mit einer Klage aus-
gerüstet sein müssen. Die Begründung derselben dürfte kaum er.
hcblichen Bedenken unterliegen. Sic müsste sich auf den Ilccht&satz
stützen, dass es sich um öfTcntlichc Anstalten handle, welche nur
mit der Maassgabc autorisirt worden seien, dass sio dem usus publicus
dienen müssen. Es müsste weiter ausgeführt werden, dass dieser
Grundsatz ein jus populi darstelle, und dass ihm deswegen cino
actio pdpularis, gerichtet auf den Schutz der öffentlichen Zweck-
bestimmung, zur Seite stehen, Dio Konklusion wäre ein Begehren
auf Anerkennung dieser Ikirechtigung und Kondemnation in das
ganze id quod intercst, wclchcs durch dessen Verletzung entstanden ist.

-ocr page 141-

129

• Volgens het jus constituenduin is dit betoog vail
Meili volkomen juist. Inderdaad, waar het staatsgezag
uitsluitend zich het recht heeft voorbehouden tot
uitoefening van eenen tak van bedrijf, rust de plicht
op hem ieder gelijkelijk in de gelegenheid te stellen
gebruik te maken van de diensten, die het met dien
tak van industrie verricht. Uit het staatsmonopolie
volgt de
zedelijke verplichting van het staatsgezag,
eens ieders behoeften aan hetgeen het als monopolist
op zich genomen heeft, te bevredigen. Daarvan even-
wel eene
wettelijke verplichting te maken, welker
nakoming met eene actie kan geëischt worden, gaat
niet aan, zoolang de
wet zelf die verplichting niet
heeft opgelegd. Eerst dau kunnen de leden der
gemeenschai) ook in rechten het staatsgezag tot
nakoming dier verplichting noodzaken.

Ditzelfde moet eveneens gelden, wanneer de Staat
de uitoefening van dergelijk „Reservatrecht", staats-
regaal, aan bijzondere j)ersonen met z\\jne vooraf-
gaande toestennning heeft overgelaten, hetgeen bij
ons niet, doch, zooals is opgemerkt, veelvuldig in
Zwitserland voorkomt. Daar toch heeft de Staat
onder zijn postregaal zoo verscheidene soorten onder-
nemingen begrepen, die zich met het vervoer bezig-
houden, dat talrijke vergunningen aan i)articulieren
noodig zijn om in die behoeften van het publiek
te voor/ien, omdat de Staat alleen niet bjj machte
is zich daarmee te belasten. Eerst wanneer de wet,
uitdrukkelijk of stilzwijgend, de verplichting bevat
om voor een ieder dat gemonopoliseerde bedrijf open
te stellen, eerst dan kan ieder, ook in rechten, het

9

-ocr page 142-

130

gebruik of genot dier werken of ondernemingen
vorderen.

Eveneens .rust slechts die zedelijke verplichting
op hem, .die, zooals bij ons gebruikelijk is, van de
overheid vergunning gekregen heeft voor een werk
of onderneming ten dienste van het publiek. De hulp
toch, die het openbaar gezag daarbij verschaft, het
is meermalen betoogd, verleent het slechts in het
belang der geheele gemeenschap. Zelf, als iets ab-
stracts, kan de overheid geen genot hebben van het
door hare medewerking tot stand gekomene; billijk
is het dus, dat de concessionaris ieder lid dier ge-
meenschap doet deelen in het nut, dat zijne onder-
neming oplevert.

Maar, ook al zijn in de concessie opzettelijk voor-
deelen bedongen ten behoeve dier leden — in de
eerste plaats, wanneer uitdrukkelijk de Gontrahirungs-
zwang is opgelegd — ook dan nog stuit men bij
ons wegens het ontbreken van een goed geregeld
administratief recht en rechtspraak op groote moei-
lijkheden, Avanneer het geldt de handhaving dier
verplichtingen, welke ten behoeve van derden den
concessionaris door de overheid ziju opgelegd. Ook
hier moet men zich dan weer behelpen met het
burgerlijk recht en de verhouding, die tusschen den
concessionaris en de overige leden der gemeenschap
ontstaan kan, daaronder trachten te brengen. Dan
geeft ^.Sainctelette \') eene bevredigende oplossing aan

1) Cli, Sninctelcttc, contrats d\'utilité publique, in do llcvuó dc
Droit-Intcrnational 1S88 (20).

-ocr page 143-

131

de hand, waar liij de verplichtingen bespreekt, die,
overeenkomstig het Fransch-Belgisch recht betref-
fende de concessies, uit zoodanige concessie voort-
spruiten. Daar toch maakt de concessie uit een
gewoon burgerlijk contract en wel tot uitvoering van
een werk ten behoeve van den Staat of een zijner
onderdeden.

De Staat komt er toe zoodanig contract aan te
gaan, waar de behoeften zijner onderdanen zoo al-
gemeen worden, dat de overheid er op moet gaan
letten, hoe daarin het best is te voorzien. Te dien
einde sluit hij een contract met een particulieren
ondernemer, door Sainctdette karakteristiek aan-
geduid met
..contrat d\'utilité publique."

Bovendien is voor zoodanig werk veelal een mono-
polie noodzakelijk en ter afwering der nadeden
daaruit voor het publiek, moet de overheid zijne
voorwaarden stellen in \'t belang van dat publiek.

In het algemeen zal, zegt Sainctdette, de over-
heid zoodanig contract niet sluiten vóor zich zelf,
maar „c\'est surtout en vue des besoins de la plupart
des habitants, conime membre du public (lue stipu-
lent les autorités publi(iues beaucoup plus (lue par
considération du domaine i)ublic et privé des entités
politiques." Zoo bij die conlraclen, „(jui ont direc-
tement pour object l\'ulilité du public p. e. Tinstal-
lalion d\'une gafe de chemin de fer ou de tramway
vicinal, stipuleé i)ar l\'administration comme condition
de la cession d\'une i)artie du domaine privé, la
stipulation est uniciuement en vue du public. L\'avan-
tage en est accessible à (luicontiue."

-ocr page 144-

132

Treedt hier stilzwijgend \'t publiek gezag gezag op
ten behoeve zijner onderdanen, duidelijk vertoont
zich dit karakter van overeenkomst ten behoeve
van een derde, waar de overheid uitdrukkelijk
rechten heeft bedongen voor \'t publiek.

Immers zoodanig contract ten behoeve van derden,
w^aar \'t Romeinsche beginsel „alteri nemo stipulari
potest" geldt, onmogelijk, is iri deze eeuw, legem.oet
komend aan de behoeften der praktjjk, opgekomen \').

Zelfs de jurisprudentie heeft de mogelijkheid aan-
genomen, dat uit een contract rechten en voordeden
kunnen ontstaan voor
ongenoemde derden, n.1. voor H
geheele publiek,
hetgeen dan bij een „contrat d\'utilité
publi(iue" het geval is. Sainctelette geeft een voor-
beeld : 30 Maart 1873 had de stad Mons aan eene maat-
schappij uitsluitende concessie verleend tot \'t leveren
van gas aan de gemeente en hare inwoners. Nu deed
zich het geval voor, dat de stad — in rechten — terug

1) Omdat in \'t Ilomcinsch rccbt — in tegenstelling met \'t heden-
dangschc — \'t paetum in favorem tertii niet voorkwam, vindt men
lierliaaldelijk de nietigheid cr van uitgesproken. Zoo: L. 11 1). 7
dc obligationibus et actionibus, L. 73 § 4 t). do regulis juris öO. 17,
Just. Inst. III 10 dc inutilibus stipulationibus. Zie ook Windschcid,
rnndcktcn § 310.

J. r. Moltzcr, hct beding ten behoeve van een derde. Leiden,
1870, ptft. komt voor ons recht tol de conclusie dat art. 13.\'»1 U. W.
— dnt dnl Romeinsche beginsel nog huldigt — met \'l oog op «lo
behoeften van \'t verkeer verouderd is. Saincteletlc evenwel houJl
zich
nog aan \'t strenge Romeinsche verbod vast maar komt tol de-
zelfde slotsom door aan te nemen, dat er zekere privaatrcchlelykc
verhouding beslaat tusschen het hcerschend gezag cn den behcerschten
onderdaan «ct quc i>our 1\'un l\'autre n\'esl pas aulrui.«

-ocr page 145-

133

eischle, hetgeen zij en hare inwoners-abonnés vol-
gens \'t contract gedurende drie jaar te veel hadden
betaald. Het tribunal de commerce A^an Mons, 10 Mei
188G, oordeelde de stad: „sans qualité pour réclamer
la restitution des sommes, (jui auraient été ]}erçues
au détriment des habitants; (fue si elle pouvait en
cas de contestation, faire reconnaître en principe le
droit, résultant pour les habitants du contrat de
1873, elle n\'avait pas d\'action pour contraindre la
société gazière à restituer les sommes ({u\'elle n\'avait
pas stipulées pour elle-même."

Beide, de stad Mons en de Société gazière kwamen
in appel, de stad o. a. aanvoerende: (jue les pouvoirs
publics parlants ct agissants dans les limites de leurs
attributions et de leur ressort stipulent valablement au
profit de tous tiers (luelconques, leurs administrés,
et non pas seulement au profit de la personne déter-
minée, dont ils régissent sj)écialement le patrimoine."

BiJ arrest van 7 December 1S86 verwierp \'t hof te
Brussel beider api)el.

„A. (lue „loin de refuser force de loi à la con-
vention de 30 Mars 1873, l\'arrêt atta(iué décide (lu\'en
cas de contestation la ville
a quaUié. pom- faire m-m-
naître en principe les droits résultant pour les habitants
de la dite convention
et (lue ceux-ci ont individuelle-
ment le droit d\'exiger de la société l\'exécution des
stipulations faites à leur profit."

Te recht komt Saincteletle hier tegen op en wijst
op de ongerijmdheid, dat\'t arrest derhalve wel erkent
de „énergie obligatoire" — verbindende kracht —
van zoodanig beding ten behoeve van ongenoemden

-ocr page 146-

134

dérden, maar niet aanneemt de „force exécutoire",
den executoirialen titel, die zoodanige erkenning voor
die derden oplevert. —

Daar nu de vergunning, ofschoon meestal van
publiekrechtelijken aard, ook bij ons zeer goed
bepalingen kan bevatten, die eene civielrechtelijke
betrekking in het leven roepen tusschen het gezag
dat de concessie verleende en den concessionaris,
zoo kunnen daarin eveneens voorkomen bedingen,
die zoodanige rechtsbetrekking scheppen tusschen den
concessionaris en de overige leden der gemeenschap.

Het publiek gezag kan aan de concessie niet alleen
voorwaarden vastknoopen, die strekken in het belang
van de gemeenschap als zoodanig, een zedelijk lichaam,
een rechtspersoon, uit economische behoefte ontstaan,
in \'t bezit van goederen en in dien toestand in be-
trekking met private personen; maar kan ook ten
behoeve van die private personen zelf, de afzonder-
lijke leden dier gemeenschap, voordeelen bedingen.

Derhalve heeft men deze rechtsverhouding: dat
de Staat als drager van \'t staatsgezag bij \'t ver-
leenen van een zijner talrijke hulpmiddelen voor het
lot stand brengen van een werk of onderneming
len dienste van hel i)ubliek, daarbij zijne voorwaar-
den kan stellen niel alleen in hel belang en ten
behoeve van den Staal als rechtspersoon, als \'t or-
ganisn)e der gemeenschap, maar ook in dal van zijne
onderdanen, de individuen. Zoodanige bedingen in de
publiekrechtelijke vergunning, als van civielrechtelijken
aard, maken uil een beding len behoeve van derden.

-ocr page 147-

135

Het gevolg is, dat ieder eeii individueel persoon-
lijk recht krijgt op nakoming van de ten behoeve
van \'t publiek in dat beding geformuleerde verplich-
ting des ondernemers.

Dan ook zal \'t concessie verleenend gezag zelf
voor dat publiek in rechten kunnen optreden en zal
eene rechterlijke uitspraak alsdan verkregen, eenen
executorialen titel opleveren voor alle personen, die
in de termen vallen dat zij er van kunnen gebruik
maken.

Zooals hier getracht is de bestaande wetgeving
.en praktijk op het punt van werken of ondernemin-
gen ten dienste van het publiek te interpreteeren,
bestaat er bij ons weinig behoefle aan verdere wet-
telijke regeling of wijziging der bestaande.

AVel ontmoet men moeilijkheden, waar voor der-
gelijke werken het gebruik van wegen gevraagd
wordt, doch de oplossing daarvan wacht, op eene
hoog noodige betere wetgeving van ons wegenrecht,
evenals eene spoedige regeling van het administra-
tief recht en rechtspraak wenschelijk is ter betere
ver/.ekering en handhaving van de rechten van het
publiek tegenover den concessionaris.

-ocr page 148-

BlJLAGBx\\ A,

Eenige uitspraken der Jurisprudentie aan-
gaande vergunningen verleend voor het tot
stand komen van werken of ondernemin-
gen ten dienste van het publiek.

I, By Rjuulsbesluit van 81 Mei 1848, had de Gemeente-
niad van Miuiatricht, den lieer Kogout — wien een pa^ir jaar
to voren overeenkomstig \'t K. B. van 31 Jan. 1821, S. n". 19,
by K. B. het oprichten eenor gasfabriek was toegostjuin —
onder zekere voorwaarden vergund gaspypen to leggen ondor
do openbaro straten.

By nader besluit van den Raad van 10 October 185-1, werd
hem deze vergunning ingetrokken. De concessionaris weigerde
nu de gasbuizen op te ruimen en do stnuit in haren vorigen
toestand te horstellen. In alle instanties word hy diuirtoo
op vordering dor gemeonto door den burgeriykon rechter ver-
oordeeld op grond „dat do toelating om in sUulstraten gaa-
huizon tp leggen, niets anders is dan eene eenvoudige toló-
rance, uit den aard herroepbjuir, naar goedvinden van do
plaatseiyke autoriteit."

Rb. Maastricht 11 Juli 1857, W. n". 1867; hof Limburg

-ocr page 149-

137

2 November 1858, W. n". 2007, v. d. Honert, Geui. Zaken,
16 pag. 179.

H. R. 3 Juni 1859, Gein. Stem 401, v. d. Honert, Geui.
Zaken, 16 ptig. 168, •

II. Iets dergelijks deed zich voor in Amsterdam. Ook d;uir
Wivs by eene beschikking van B. en W. van 15 Juli 1846,
;uui de heeren de Bruyn en Zonen - wien by K. B. van 15
Juni 1846, verlof was verleend tot oprichting eener gasfa-
briek -- op hun request daaromtrent aan B. en W. goedgun-
stig toegestaan eene concessie „tot \'t leggen van pypen door
stadsstraten, over bruggen en onder stadswallen, tot woder-
opzeggings toe, onder waarschuwing van een jaar to voren,
wanneer er
by B. en W. termen mochten zyn, do concessiön
geheel of gedeelteiyk to doen eindigen."

Over de intrekking dezer concessie ontstond cr geschil.

M. i. ten onrechte nam de substltuut-ofllcier by den rb. to
Amsterdam de mogeiykheld aan — welke volgens hem Inder-
daad uit bovengenoemde concessie voortvloeide — „dat de ge-
meente \'t recht hoeft zich voor to behouden \'t verschaflbn
van licht of water aan do ingezetenen of \'t recht tot vervoer
langs do gemeentewegen als betroffcndo zaken, wojirby allen
belang hebben cn voor de uitoefening der desbetrelTonde in-
dustrie alzoo eon monopolie to schoppen, welks uitoefening
zy
by concessie ;um particulieren kan afstajui."

Diuirvan onderscheidde hy dan als eene „vcrgiuming" het
voriof om pypen in derv grond to leggen; beido nu zouden
in de conccssio verward zyn cn zoodanig als gchoel be-
schouwd, dat \'t bowusto art. 1, dat bovenaUuuul veriof lot
\'t leggen van pypen inhoudt, ook op do concessie moet slmui.

Daarentegen nam do advocaat genenuil by \'t hof to Am-
sterdam in.i. terecht juvn, dat de concessie van B. en W. geen

-ocr page 150-

138

civielrechtelijke. overeenkomst is, ma{ir een eenvoudig ,flat"
op een verzoek.

Tot eene beslissing dezer quaestie kwam het evenwel niet.
Het hof toch overwoog:

„dat de eerste rechter met juistheid heeft overwogen, dat
de door appellant (de Bruyn en Z.) gevoerde bewering, dat
de concessie in deze is eene civielrechtelyke overeenkomst ligt
buiten de grenzen dezer procedure, omdat niet de schennis
van een contract, maar een beweerde onrechtmatige daad des
gedaagden den grond van de onderwerpelljke actie uitmaiikt."

Rb. Amsterdam 1 Februari 1887, W. n". 5655, Hof Am-
sterdam 28 November 1888, W. n". 5656. Zie ook. W. Burg.
Adm. n». 1899.

III. Tc Arnhem w^l3 by nuidsbesluit van 29 October 1887
besloten tot \'t leggen van een groot riool in eene straat,
waarin zich ook eeno tramgeleiding bevond, welke nu tydclUk
moest geamoveerd worden, hetgeen stoornis in het bedryf
der trammaatschappy ten gevolge had.

De door deze, op grond van inbreuk op het haar by con-
ccssio verleende recht, ingestelde eisch tot schadovorgooding
werd iKuir terecht in alle instantiön ontzegd.

Zeer duideiyk gïif by dozo z;uvk de officier van justitie by
den rechtbank to Arnhem, Nahuys, \'t rechtskarakter dezer
concessie weer; o.a. zegt hy: „Dikwyia toch worden mm eeno
concessie — „eon publiekrechtoiyko handeling" — priviuitrech-
teiyko verbintenissen toegevoegd, aoms cenzydige, soms ook
bilaterale. Zoo heeft in casu onder meer do tratnmiuitschappy
zich van hare zydo verbonden don weg tusschen do rails tu
onderhouden. Aan dozo conccssio is dus in do voorwjuirdcn
eeno cenzydige verbintenis van de trammaatschagpy toege-
voegd. Ook ware omgekeerd denkbaar, dat de gcmccnto zich
divarby privaiUrechteiyk verbonden had b.v. door aan de ium-

-ocr page 151-

139

deelen der nia<itschiippij een zeker percent to garandeeron,\',
(iM.i. is dit voorbeeld ongelukkig gekozen; Immers \'t ver.
leenen van zoodanige garantie evenals \'t gebruik van den
publieken weg is het verleenen van de hulp van \'t
publiek
gezag, een reden tot concessleverleening en dus een publiek-
rechtelijke
daad der overheid).

Wat aangaat de tijdsbepaling aan de vergunning gesteld:
„zy is slechts eene belofte by de vergunning, welke de ge-
meente uit den aard der zaak, nu zy eenmaal gegeven is,
zal nakomen, „maar tot welker nakoming zy niet door den
civielen rechter Tan gedwongen worden," onulat de tydsbe-
paling goen adhaerant is van eene privaatrechteiyko verbin-
tenis, mjwr van eene publiekrecliteiyke vergunning. Had do
concessionaris iets meer gewenscht, dan deze niet veel moer
dan moreele, in ieder geval niet privajitrechteiyko verplichting
der gemeente, dan bad
hy moeten zorgen, dat by \'t tot atiuid
komen der concessie do gemeente zich diuiromtrent priviuit-
rcchtciyk verbonden bad, iets wat b.v. mogeiyk ware geweest
door do gomeento "zich to doen verplichten tot \'t geven van
eene zekere som, in geval van intrekking vóór het einde van
dien tcrmyn."

Kb. Arnhem 12 November 1891 W. n". 0107, hof Arnhem
7 September 1892 W. n". 0259, II. 11. 20 April 1893 W.
n". 1720, 1727, von Ueekon Themis 1898, ö-i blz. 27. .

IV. To I.xelles deed zich eon geval voor mot vool over-
eenkomst met dat te Arnhem en dat to Amsterdam.

81 December 1871 hadden ü. on W. cen contract gesloten
met do bondon Impcrial and Continental Gaz-Company tot
loveriiig van gas lum do gomeento en luvar diuirby eene ver-
gunning gegeven om voor het leggen harer pypen gebruik te
maken van den publieken weg.

Later deed \'t gouvernement door concessionarissen wcrkon

-ocr page 152-

140

aanleggen op dien publieken weg, ten behoeve van eenen
locaalspoor; de maatschappij meende zich daardoor in hare
rechten gekrenkt: zij beweerde een uitsluitend recht van
concessie op die wegen gekregen te hebben, in den zin ala
hiervoren opgemerkt is dat in Frankrijk en België concessie
gegeven wordt voor werken „d\'utilité publique."

De procureur-generaal bij het hof van cassatie te Brussel,
22 December 1890, betoo^at er hier een gewoon civielrechtelijk
contract is, onder den naam van „marché-vente" in rechten
bekend en geregeld in de artikelen 1285-1598 van de code
civil; dat er geen sprake is van eene concession „qui est
toujours un acte de la puissance publique qui agit, non comme
propriétaire, mais comme directrice suprême de l\'intérêt géné-
ral qu\'elle représente. A ce titre, elle dispose temporairement
du domaine public, conformément sa destination en vertu
de l\'imperium, dont elle est investie. Il en est ainsi des
concessions de mines, marais, polders, de péages etc.; pour
lors, concédant et concessionaire ne se trouvent pas in con-
tractu, mals dans les rapports do déléguant
î\\ délégué, rela-
tivement à un objet d\'utilité publique.

Co qui parait avoir engendré ici quebiuo confusion dans
les esprits, c\'est la permission o.\\;lusive, accordée la coin-
pagnlo d\'établir sa canalisation dans lo sol de la voie publique
et dont elle s\'arme comme d\'un vrai titre de concession."

Do maatschappy heeft niets anders dan „une permission
exclusive, rien de plus et comme elle s\'applique h la voirie,
permission do voirie, qui n\'a rien d\'inconciliable avec la des-
tination des rues, et chemins, nullement différents de ces
tolérances accordées par l\'administration ot qui, révociibles
en tout tomps, nc renferment rien do nuisible pour le public ;
rien de privatif par conséquent, de nature iX affecter le do-
maine de la voirie d\'aucun droit réel."

Men kan hier scherp twnwyzen „la différence profonde qui

-ocr page 153-

141

dans la convention de 1871 sépare en droit, d\'abord l\'enga-
gement réciproque relatif à la fourniture de gaz, d\'avec l\'oc-
troi qui autorise l\'installation des conduits dans le sol de la
voie publique.

Autant le premier relève du droit civil exclusivement; au-
tant l\'autre lai est-il étranger. Par le premier la volonté libre
des parties, de commun accord, donne naissance à un vrai
droit privé, susceptible de transmission et de toute espèce
de transactions ; par le second, la compagnie ne stipule qu\'une
simple facilité d\'accès à cette même voie, dans son tréfonds,
d\'un caractère Incontestablement précaire, dégagée de tout
apparence de réalité et sl réfractaire à toute espèce de pos-
session juridique, qu\'elle n\'aurait en justice aucune action
pour la protéger.

Ce qu\'a fait l\'administration pour l\'utilité d\'un temps elle
peut le défaire pour l\'utilité d\'un autre. La nécessité publique
n\'est pas contraire à l\'empire du mieux; son exercise n\'est
contenu par aucune limite; son droit jamais elle nel\'épulse;
il lui est interdit de se donner des chaînes pour l\'avenir et
de renoncer d\'avance rien de ce qui peut faire le bonheur
du peuple. Ce qu\'elle a jugé bon, dans lo temps, cn vue
d\'un service déterminé, elle peut être appelée le faire pour
d\'autres encore, dans une mesure qui échappe j\\ toute pré-
vision humaine.".

In eene circulaire van \'t ministerie van binnenlandsclie
zaken ter onderwerping aan do goedkeuring der vertegen-
woordiging, - overeenkomstig art. 81 van de gemeentewet,
- van de vergunningen om in het lichaam van de „pctito
voirie" püpon to leggen voor de gasverlichting en waterlei-
ding zegt do minister terecht, zich beroepend op een arrest
van het hof van appel to Brussel van l(i April 1887 P. B.
1887 JI 208:

„Cet arrêt fait ressortir qu\'on cherche en vain dans lo

-ocr page 154-

i4â

contrat en cause la trace d\'un des droits réels immobiliers,
d\'une servitude ou d\'un service foncier prévus et réglés par
la loi; que le soussol de la voirie est aussi inaliénable
que sa surfiice en tant qu\'il est destiné à des usages et ser-
vices publics tels que les canalisations pour les égouts, pour
l\'eau alimentaire, pour le gaz etc.; que l\'occupation du sous-
sol de la voirie par le moyen de tuyaux, de canalisations,
destinés à un service public ne peut avoir le caractère de la
jouissance du locataire ou de l\'emphytéote ; qu\'on ne peut
d\'ailleurs pas plus louer au sens exact de ce mot le domaine
public que le vendre; qu\'on peut seulement concéder sur ce
domaine, en respectant son affectation à l\'usage public cer-
tains droits personnels, mais que ces droits sont précaires en
ce sens qu\'ils demeurent subordonnés h l\'intérét général et
peuvent toujours être retractés pour des nécessités d\'ordre
et de police, sauf indemnité s\'il y a Heu, d\'après les con-
ventions."

Met dit betoog vereenigdo zicli ook liet hof in z^n arrest :

„A. que par le contrat du 31 Décembre 1871 le collège do
bourgmestre et échevins d\'I.Kelles, après avoir stipulé quo la
compagnie continentale fournira le gaz h la commune per-
met exclusivement i\\ la compagnie d\'établir sous la voio
publique la canalisation nécessaire l\'exécution de son obli-
gation ;

A. qu\'en accordant cette permission, la commune n\'a pu
concéder sur lo sol de la voie publique aucun droit do nature
ii restreindre les prérogatives do l\'administration do la volrio ;
qu\'après comme avant le contrat cette administration a pu
exercer tous les pouvoirs qui lui sont attribués sur les routes
ct les chemins par les lois do son organisation;

A. en effet (lu\'en tant qu\'ils sont affectés à l\'usage public les
chemins et les routes sont hors du commerce; quo nul no
peut ac(iuérir sur eux, nl par convention, nl par proscription

-ocr page 155-

m

un droit privé qui puisse faire obstacle ù, cet usage et porter
atteinte au droit de l\'administration, de le régler et de le
modifier en tout temps, d\'après les besoins et l\'intérêt de la
généralité des citoyens.

Qu\'il suit de là que le gouvernement, exerçant les foncti.
ons d\'administrateur de la voirie, a pu faire exécuter sur la
voie püblique à Ixelles par des concessionaires les travaux
nécessaires pour établir sur cette voie un mode de circula-
tion nouveau,
î\\ savoir la circulation par chemin de for et
que si l\'exécution de ces travaux a lésé les-intéréts do la
compagnie du gaz, elle n\'a pas porté atteinte it ses droits."

Zio vorder aangiumdo dezo zaak: Paslcrisie Belge 1890
I 80 ; over dergeiyico gevallen beslissen in denzelfden geest
0. a. \'t arrest van hot hof van appel to Brussel van IG April
1887 P. B. 1887 If 209 en nu onlangs ecno ultspnuik van
datzelfde college van 27 Jul! 1890 P. B. 1897 pivg. 02.

-ocr page 156-

BIJLAGEN B.

Wetsontwerp van 1865 tot regeling van
concessleverleenlng.

Art. 1. Concessie tot aanleg en exploitatie van werken
of ondernemingen van algemeen nut, wordt door Ons of van
Onzentwege, en binnen den kring hunner huishouding door
provinciale en gemeentebesturen verleend.

Art. 2. Aanvrage van concessie bevat eene beschryving
van het werk of van de onderneming, waaruit do bestem-
min"g genoegzaam blykt, met vermelding van. do hoofdvoor-
waarden waarop de concessie wordt verlangd. Daarby ge-
schiedt tevens opgavo van de kosten, waarop de uitvoering
is geniamd.

Art. 8. Zoo do aanvrage in overweging kan worden ge-
nomen, legt de aanvrager binnen een to bepalen termyn de
verdere stukken over, welke gevorderd worden om liot werk
of de onderneming in grooto trekken cn de voornaamste by-
zonderheden te doen kennen.

Do termyn kan uit hoofde van byzondore omstandigheden
worden Verlengd.

Art. 4. Na afloop van het onderzoek worden, behoudens
de bepaling van het volgend artikel, den aanvrager de voor-

-ocr page 157-

145

waarden, waarop concessie kan worden verleend, kenbaai
gemaakt met bepaling van een termyn, binnen welken hy
zal hebben te verklaren, of de concessie op dien voet door
hem wordt verlangd.

De bepaling der 2e. zinsnede van het vorig artikel is op
dezen termyn van toepassing.

Biyft de aanvrager in gebreke de verklaring binnen den
gestelden termyn te doen, dan vervalt de aanvrage.

. Art. ö. Kan geen concessie verleend Worden, dan wordt
den aanvrager hiervan, zoo spoedig mogeiyk, met opgave
van redenen, kennis gegeven.

In dit geval en wanneer, vóór do aanneming der voor-
wjuirden in art. 4 bedoeld, de aanvrager van zyne sxanvrage
afziet, worden hem, op zyn verzoek, de overgelegde stukken
teruggegeven.

AnT. G.^ zyn dc voorwaarden door don aanvrager aange-
nomen, dan wordt hem voorloopig concessie verleend.

Binnen oen van Regeeringswege te bepalen termyn, die
niet langer kan zyn dan van zes maanden na do voorloopigo
concessieverleening, legt de concessionaris eene wojirborgsom
neder, wjuirvan het bedrag by de concessie niet beneden drie
ten honderd van de geraamde kosten zal worden bepaald,
en doet hy tevens
biyken, dat genoegzame middelen voor-
handen zyn om het werk of de onderneming ton uitvoer to
brengen.

De bepaling dor 2e zinsnede van art. 8 geldt ook ten a-m-
zlon van don hier bovengenoemden termyn.

Wordt door den aanvrager ajxn een en ander niet voldaan,
dan vervalt de voorloopigo concessie.

By concessie a.-xn een provinciaal, gemeento-of waterachaps-

10

-ocr page 158-

m

bestuur kan van de storting eener waarborgsom vrijgesteld
worden.

Art. 7. Zijn verschillende aanvragen voor werken of on-
dernemingen van dezelfde strekking gedaan, en is de uitsl.ig
van het onderzoek omtrent alle gunstig zonder dat twee of
meer dier aanvragen gelijktijdig kunnen worden toegesUum,
dan worden, voor zooveel de .aard der zaak toeliiat, de voor-
waarden van concessie aan al de aanvragers meegedeeld en
wordt de concessie verleend aan hem, bij wiens plan het
algemeen het meest wordt gebtuit, en die den meesten w;uir-
borg voor de behooriyke uitvoering aanbiedt.

Auï. 8. Indien by de concessie geldeHjke tegemoetkoming
uit de schatkist in de kosten van minleg of e.xploitatie of wel
afstand van Ryksgrond is toegezegd, of indien ter uitvoering
van de concessie verklaring
by de wet van het algemeen nut
van het werk of van de onderneming noodig is, wordt de
concessie niet verleend dan behoudens bekrachtiging
by do
wet, voor zooveel die tegemoetkoming of dien afstjind betreft;
of behoudens verklaring van algemeen nut van het werk of
de onderneming.

Art. 9, Byaldien in do gevallen van het vorig artikel,
do bekrachtiging by do wet niet verleend of het algemeono
nut niet by do wet verklaard wordt, vervalt do concessie.

De concessionaris hoeft dan geen recht op 8chadovoiï?oo-
ding, doch wordt hem de wajirborgsom teruggegoven.

Art. 10. Nadat aan de bepaling der 2o zinsnede van
art.
ü vohhuxn en zooveel noodig bekrachtiging by do wet of
verklaring van algemeen nut geschied is, wordt do voorloo-
pigo concessie definitief verkliwird.

-ocr page 159-

147

De wiuvrborgsoin kun worden teruggegeven, op de wijzo
by de voorwcoarden der concessie bepaald. In geen geval kan
teruggave geschieden, tenzy ten minste het dubbele bedrag
van hetgeen teruggegeven worde ten behoeve van het werk
of van de onderneming is besteed.

Aut. 11. De concessionaris mag de concessie zonder too-
btenmiing der Regeering niet overdragen dan aan eene tot
dat eindo op to richten njuvmlooze vennootschap.

Aut. 12. Hefilng van rechten wegens het gebruik van
werken of van ondernemingen, dooi Ons of van Onzentwege
geconcessioneerd, behoeft bekrachtiging door do wet.

Onder rechten wordon vrachtpryzcn niet begrepen, noch de
tarieven van telognuifdienston, genoemd in art. 2 der wet van
7 Miuut 1852 (Stbl. no, 48).

Aut. 18. üy do concessie kan goono voorwiuirdo worden
gesteld, wölke strekt om mededinging uit to sluiten.

Aut. 14. Aan den concessionaris kan by do conccssio
voorkeur voor cen ander verwant werk of ceno andere ver
wanto onderneming worden toegekend.

Dio voorkeur -vervalt, waimeer door anderoii ceno jumvrago
van dat werk of dio onderneming wordt gediuin, en do eon-
cessionaris niet binnen cen hem tc stellen tormyn van
zyno
voorkeur op oven gunstige voorwaarden als do andoro iuvn-
vragers juinbieden, gebruik miuikt.

Aut. 15. Geene concosslo kan voor langer dan negentig
jaren wordon veiieend.

.\\Uï. lü. ßyaldien do juiulcg cn hot onderhoud dor werken

-ocr page 160-

148

en de exploitatie niet behoorlijk en overeenkomstig de bepa-
lingen der concessie of de bevelen, krachtens de concessie
gegeven, plaats hebben, en de concessionaris in gebreke blyft
binnen een te stellen termyn aan de ontvangen bevelen to
voldoen, kan de Regeering, ten koste van den concessionaris,
ambtshalve doen voorzien.

In dat geval is de Regeering bevoegd zich in het bezit te
stollen van hetgeen voor den aanleg voorhanden is, en van
de middelen van exploitatie, en zich de opbrengsten \'der on-
derneming tot het bedrag der gemaakte kosten toe te eigenen.

Wanneer de kosten, krachtens dit artikel te maken, niet
door do opbrengsten der onderneming gedekt zyn, kunnen die
op de waarborgsom, voor zoover ze niet is teruggegeven,
worden verhaald.

Ten aanzien van spoorwegen geldt hetgeen by do wet van
21 Augustus 1859 (Stiuitsblad n". 98) is bopajild.

Aut. 17. Tegen werken of ondernemingen, welko aan hot
werk of juin do onderneming van den concessionaris nadoel
toebrengen of daarmede in luinraking komen, kan hy zich
niet verzotten.
Hy kan echter, ingeval diuirdoor zyn werk
of ondernoming belemmerd of met kosten bezwiuird wordt,
schadevergoeding vorderen.

De schadevergoeding, dio ten lasto van do ondornemera
der nieuwe werken of ondernemingen is, wordt by gobreko
van mlnneiyko schikking door don rechter bepiuild.

Ten juinzien van spoorwegen biyft art. 8 der wet van
21 Aug. 1859 (Stiuitsbl. n». 98) voor de djuir bedoelde ge-
vallen van kracht.
f

Art. 18. De concea-sionaris wordt beschouw<l In do vol-
brenging zyner verplichtingen in gebreke to zyn gebleven door
het eenvoudig verstrykon der gestelde torinynen, zonder dat

-ocr page 161-

149

liet noodig is, daarvan door eenige acte te doen biyken, ten
ware de vertraging jum daden van publieke beambten zy toe
to schryven.

Aut. 19. Nadat do conccssio van een werk of zyner ex-
ploitatie twintig jaren heeft geduurd, kan zy worden inge-
trokken, mits de concessionaris een jaar te voren zy go
wiuirschuwd.

xVuT. 20. By de intrekking dor concessie volgens art. 19
verkrygt de Staat den eigendom van hetgeen door den con-
cessionaris is gemaakt of verkregen, voor zooveel het niet
volgens de concessie mocht worden vervreemd, tegen beta-
ling van een bedrag dus te bepalen:

Men berekent de zuivere inkomsten van do zeven laatste
jaren, trekt diiarvan de twee ongunstigste jaren af, en neomt
hot gemiddeld bedrag der na do aftrekking overbiyvende vyf
jaren, brengt do alzoo verkregen som, door vermenigvuldiging
mot twintig, tot kaplUval en voogt daarby cone premie van
vyftion ten honderd.

Aut. 21. Do .concosslonaris kan van zyno rechten verval-
len wordon verklajird:

indien, nadat de concessie deflnltlof is verklaard, zes nuian-
den zyn vorloopen, zondor dat iuui do conccssio oen begin
van uitvoering is gegevon;

Indien hot goconcossloneorde werk of do goconcossionoordo
onderneming niet binnen den gcstelden
tyd is tot sUind go-
bnicht;

indien do concosslonaris in gobroko biyft voor den luuileg
en hot onderhoud dor werken en de exploitatie te zorgen,
nadat reeds eonm.ial door de Kcgoerlng knxchtens art. 10 is
vooralen;

-ocr page 162-

150

voorts in de gevallen, bij de concessie bepaald.

Art. 22. In geval van verval len-verklaring verkrijgt de
Staat den eigendom van hetgeen door den concessionaris is
gemaakt en verkregen, binnen de grens in art. 20 bepjxald,
tegen betaling van eene som, die ten hoogste vyf en zestig
ten honderd kan bedragen van de waarde naar de schatting
van drie deskundigen, te benoemen één vanwege de Regeering,
één door den concessionaris en één door den Hoogen Raad.
Hunne uitspraak is in het hoogste ressort.

Wanneer do concessionaris geen deskundige mocht benoe-
men, doet de Hooge Raad dit in zyne plaats.

Met do vervallen-verklaring kan onmiddeliyk over hetgeen
voor den aanleg vooriianden is en over het materieel en per-
soneel der exploitatie worden beschikt.

Hetgeen van do wiuirborgsom nog niot ia terug gegeven,
vervalt ium den Stjvat.

•Art 23. In het goval, by het vorig artikel bedoeld, kan
do uitvoering der concessie op de gestelde voorwjuvrden in
het openb:uir worden besteed.

Do concessie wordt gegund aan hem, die do grootste som
biedt voor hetgeen roeds is geauwkt-on verkregen, cn ccno
wjuirborgsom nederlogt ten bedrago van hetgeen van do
vroeger nedergclegdo som niet is terug gegeven.

Art. 24. In de gevallen, WiUirin den concossionaria hctzy
by do voorwaarden van conccssio of knichtens do concoaalo
ecn termyn voorgeschreven werd, is
hy niet ontvankeiyk, om
welke\' reden ook, overmacht in to roepen,
tenzy hy binnen
dertig dagen na dc gebeurtenissen of omsüindigheden,
Wiuir-
uit do overmacht ontsUuit, lUin het gozag, dat de conccssio
vericende heeft doen biykcn, dat die gebcurtcniaacn of om

-ocr page 163-

i5r

stjindigheden werkelijk besbun en welken invloed zij hebben
uitgeoefend.

Gelijke reden geldt by daden, welke de concessionaris aan
publieke beambten meent te kunnen wyten.
Hy zal er geen
beklag op mogen gronden, tenzy hy het bestaan en den in-
vloed
by het plegen dor daad, of binnen ten hoogsto dertig
dagen daarna, hebbe doen kennen. In geen geval zal Inj
eenige vordering op mondelinge lastgeving van publieke be-
ambten mogen gronden.

Aut. 25. Na afloop van den tyd, waarvoor de concessie
is verleend, verkrygt do Staat den eigendom van hetgeen
door den concessionaris is gema;vkt en verkregen, binnen de
grens in art. 20 bopajild, tegen betiiling van de waarde, welke
eon en ander dan heeft volgens de schatting van deskundi-
gen, volgens art. 22 benoemd.

Aut. 20. Uy bet eindigen dor concessie moot hot werk,
de ondernoming en hetgeen tot oon cn ander behoort, in vol-
komen goeden sbut van onderhoud verkeoren.

Zoo de concessionaris gedurende do vyf jaren, wolko dat
tydstip voorafgium, niet zorgt om behooriyk juui dio verplich-
ting te voldoen, kan do Regoering vorderen, dat do ontvang-
sten !uui den Stuit wordon verantwoord en, desnoods,
juin
anderen dio ontvangst opdragen, tx3n eindo het werk, de on-
derneming en hetgeen tot oen en ander behoort, in goeden
stiuit to brengen.

.Vut. 27. Krachtens art. 1 wordt door provinciale- cn gc-
mcentobeaturen geen conce8.«ïie,
wjwrby het algemeen Ryks-
bclang is betrokken, anders dan mot Onze goedkeuring ver-
leend.

Do hetïlng van rechten wegens bet gebruik van werken of

-ocr page 164-

152

van ondernemingen waarvoor door provinciale- of gemeente-
besturen concessie is verleend, eischt Onze goedkeuring.

Art, 28. Ten aanzien van concessiön, door een provinciaal
of gemeentebestuur verleend, gelden de bepalingen dezei wet
met dien verstande, dat de uitdrukking: Staat, worde ver-
vangen door: provincie of gemeente; Regeering, door provin-
ciiial- of gemeentebestuur; en Hooge Raad, door: gerechtshof
of rechtbank, onder welker rechtsgebied de gemeente behoort.

Art. 29. Deze wet is op concessiön, vóór haro in werking-
treding verleend, niet van invloed.

-ocr page 165-

STELLINGEN.

I.

Algemeene wettelijke regeling van het onderwerp
der concessies voor werken of ondernemingen van
algemeen nut, is in ons. land noch noodig noch
wenschelijk.

II.

De vergunning van het openbaar gezag tot het
leggen van rails in den openbaren weg kan ten allen
tijde door dat gezag worden ingetrokken.

III.

Concessionarissen van werken van algemeen nut
z\\jn niet verplicht het gebruik of genot dier werken
aan een ieder te vergunnen, tenzij de concessie of
de wet, waaruit de concessie voortvloeit, zoodanige
verplichting beval.

IV.

Een wetsontwerp tol onteigening ten algemeene
mille mag niet door de Tweede Kamer geamendeerd
worden.

V.

Art. 23 van de wel van 15 April ISülS. No.87 —
Postwel — is in strijd met art. 150 Gw.

-ocr page 166-

VI.

Het in art. 89 der Prov. Wet bedoelde lid der
Provinciale Staten behoeft niet de vereischten te
bezitten, voor het lidmaatschap der Gedeputeerde
Staten gesteld.

VII.

.Iure Romano is hij, die door inaedilicatio eigenaar
is geworden, eigenaar onder eene ontbindende
voorwaarde.

Vlil.

Invoering van de zgn. Eri)schein, in den geest van
de §§ 2353—2370 van het Duitsche Burgerljjk Wet-
boek is zeer aan te bevelen.

IX.

Het legaat van onroerend goed is wijze van eigen-
dómsverkrijging.

X.

De schriftelijke schuldbekentenis of betalingsbe-
lolte, waarin geene causa wordt .vermeld, is naar het
Nederlandsch Recht desniettemin verbindend.

XI.

Van het door de legitimarissen ingekorte oj) git-
ten onder de levenden behoeft geen successierecht
betaald te worden.

xn.

De verkrijger van een vruchtgebruik van eene
geheele of gedeeltelijke nalatenschap is geen deel-
genoot bij de boedelscheiding.

-ocr page 167-

3

XIII.

De last van openbaren weg op privaten grond is
als zakelijk recht onbestaanbaar.

XIV.

Het ware wenschelijk dat ons B. W. in dien zin
gewijzigd werd, dat het huwelijk geenerlei vermo-
gensrechtelijke gevolgen heeft.

XV.

Art. 019 B. AV. is in strijd met art. (>01 B. W.

XVI.

Hel recht uit de levensverzekering len behoeve
van ,de erfgenamen" gaal verloren door eene ver-
werping van de nalalenschaj).

XVII.

Het ware beier geweest, wanneer hel AV. van
van Burg. Kv. bepaald had, dal hel getuigenverhoor
altijd voor den llechler-Commissaris gehouden zou
worden.

XVIII.

Gratie kan niet verleend worden van de boete,
die vrijwillig is betaald.

XIX.

Art. 5, laatste lid, van het W. van Sr. heefl alleen
betrekking oj) no. 2 van dat artikel.

-ocr page 168-

XX.

De in art. 403 W. v. Sv. genoemde „verklaring
yan den persoon tegen wien het feit is gepleegd"
behoeft geene beeedigde, formeele getuigenverklaring
te zijn.

XXI.

Art. W. V. Sv. heeft geenen zin.

XXII.

Protectie is ten allen tijde en overal van nadee-
ligen invloed op de volkswelvaart.

-ocr page 169-

\'■.-ji

-ocr page 170-

J." . ■ \'^Âiilli]\' , "r •• • \' • • - • wiâV^.\'i »-ïn Vî. • â\'-!^. - \' ^

\' -M h

1 i

-ocr page 171- -ocr page 172-

•ÄYif.

m

lM

(\'4

iw-i