-ocr page 1-
1M *) ré
s- <<? 7
BEKNOPTE GESCHIEDENIS
DER
KATHOLIEKE MISSIE
IN
SURINAME,
t
inii ii!
EEN PATEB REDEMPTORIST.
UITGKGEVKX TEN- VOOKDEEI.K UIER MISSIE, K.V MEER BEPAALD
DER IJ. K. WEESHUIZEN ALDAAR.
\'
i
\'
GULPEN.
BOEKDRUKKER» VAX M. ALBEBTS. — UITGEVER.
1884.
i
mm
-ocr page 2-
yv\\/V) löS^ff
Kast 232
PI. J N».19
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
BEKNOPTE GESCHIEDENIS
DER
KATHOLIEKE MISSIE
IN
SURINAME.
/
-ocr page 6-
.
!
-ocr page 7-
■/■a
zzz
BEKNOPTE GESCHIEDENIS
DER
KATHOLIEKE MISSIE
IN
SURINAME,
DOOR
EEN PATER REDEMPTORIST.
UITGEGEVEN TEN VOORDEELE DIER MISSIE, EN MEER BEPAALD DER
R. K. WEESHUIZEN ALDAAR.
-^H-^|^a®^|M4—i-
GTJLPBN-,
ROEKDRUKKERIJ VAN M. ALBERTS. — UITOEVERi
1884.
-ocr page 8-
Mgr.JOANNES HENRICUS SCHAAP
Bisschop van Hhtalonie i/>.<.
3U- Vicarius aposlvan Suriname
van de Congregatie des Allerh. Verlossers.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000004384537B
0438 4537
-ocr page 9-
***-/•&
BEKNOPTE GESCHIEDENIS
DER
KATHOLIEKE MISSIE
IN
SURINAME,
DOOR
EEN PATER REDEMPTORIST.
UITGEGEVEN TEN VOORDEELE DIER MISSIE, EN MEER BEPAALD DER
R. K. WEESHUIZEN ALDAAR.
IJL I<
^
^Stf
GULPEN,
BOEKDRUKKER» VAN M. ALBERTS. — UITGEVER»
1884.
-ocr page 10-
Door den Hoogw. Pater N. Mauron, Generaal-0verste onzer Con-
gregatie, daartoe gemachtigd, verleen ik bij dezen het verlof, om de
^Beknopte geschiedenis der katholieke Missie in Suriname, door een Pater
Redemptorist,"
zijnde volgens voorsohrift door twee theologen onzer
Congregatie behoorlijk onderzocht, in het licht te geven.
Amsterdam, 4 Maart 1884.
P. OOMEN, c. ss. r.
SUP. PROV. HOLL.
—■ »~sa"<r——
IMPRIMATUR.
J. M. SCHOLTIS, Par. et Dkc.
ad hoc delegatus.
Galopiie, 6 Martii 1884.
-ocr page 11-
INLEIDING,
Suriname, de belangrijkste onzer West-Indische Bezittingen,
is geen vreemd land. Het kan den Nederlander niet onbekend
zijn en het mag den katholiek niet onverschillig laten.
Het Noordoostelijk gedeelte van Zuid-Amerika\'s kust, ivaar-
over voor ruim twee eeuwen het gerucht verspreid was, dat
er, aan de oevers van het meer
Parima, een goudland (El-
dorado) bestond, iverd door zeer vele fortuinzoekers bezocht, en
hoewel de tochten derwaarts ondernomen, veelal noodlottige ge-
volgen hadden, hebben zij toch dit voordeel opgeleverd, dat
Guyana meer bekend werd.
Ons Nederlandsch Guyana of Suriname, — dat afwisselend
aan
Frankrijk, Engeland en de Bataafsche Republiek toebehoorde,
tot het, sedert
1816, in het ongestoord bezit bleef van het Ko-
ninkrijk der Nederlanden, —-Suriname is bij alle natiën bekend
en talrijk zijn de schriften, die over deze kolonie het licht zagen.
In zijne
»Beschrijving van Suriname" \') geeft Jhr. C. A. van
Seijpesteijn eene lijst van niet minder dan 160 grootere en
kleinere werken, die afzonderlijk over Suriname geschreven
teerden, zoodat men veilig zeggen kan: daar bleef geen enkel
onderwerp van eenig belang voor de historie, de wetenschap
of de kunst onaangeroerd.
Schept er de weetgierige lezer vermaak in, zich in den
geest naar andere gewesten te verplaatsen, en, door lwt lezen
van reisbeschrijvingen, kennissen uit den vreemde op te doen,
hij behoeft op die wijze ook Suriname niet onbezocht te laten:
een
Simon van Beaumont, 2) een Adriaan van Berkel, 3) een
1) \'sGravenhage, bij de gebroeders van Cleef, 1854.
2 Pertinente beschrijoinge van Guiana, geleyen aan de vaste kuit
van America.
Amst , 1676, in 4°. Een groot gedeelte van dit werk il
in het laatst der 17 eeuw afzonderlijk uitgegeven onder den titel: Be-
schrijvinge van het heerlijek ende gezegende landt Guyana , ivaarin ge-
legen is de zeer voorname landstreke Serramene.
3) Amerikaansche voijagien, behelzende een reit na Bio-de-Berbite, ent.,
-ocr page 12-
— VI —
Edward Bancroft \') een John Stedman *) zijn slechts enkele
namen, geheel willekeurig gegrepen uit de menigte van Schrij-
vers, die hem hier tot gids willen dienen. Is men, op het ge-
bied der geschiedenis en der aardrijkskundige landbeschrijving,
verlangend meer te weten over de ontdekking des lands en
zijne ligging, over zijne grenzen en bodem, zijne bergen en
rivieren, over zijne bewoners en hunne zeden, over zijne histo-
rische personen en voorname feiten, over de opeenvolgende re-
geeringen, zijne inwendige onlusten of buitcnlandsche verwik-
kelingen, men neme een
Hartsinck, *) een Fcrmin, \') een
Teenstra b) of anderen. Wil de geneesheer zijne kennissen, ten
dienste der lijdende meuschJieid vermeerderen, zoowel op het
gebied der kruidkunde als der in
S iriuamc iuheemsc\'te ziekten
zijn werken te zijner beschikking. Geneeskundigen als
Fermin, \')
en na de colonie van Suriname, met gekleurde platen. Amsterdam, Johan
ten Hoorn,
1695, 1 dl. in 4°. In het Hoogduitsch: Beschreibung seiner
Reisen nach Bio de- Bertnce und Surinam, aus dem Hollaudischen
Mem-
mingen, Seijler, 1789, in 8°.
1)  Beschrijving van Guiana, in brieven. Amsterdam bij G. Boos, 1744,
in 8».
2)  Narrative of o five years expedition, against the revolted nrgmes
of Surinam, etc.
(177^—1777) illustrated with 80 elegant engravings from
drawings made by the author.
London printed for J. Johnson, St Paulus
Churohyard, and J. Edwards, Pall-Mall, 1790, 2 dln. in 4°. Tweede druk
in 1813, bij Johnson te Londen, 2 dln. in 8". Dit werk is in de meeste
talen overgezet; onder anderen, in het Nederduitsch: Amsterdam bij Jo-
hannes Allart,
1799, 4 dln in 8» In het Kransch: par HENRï. Pari»,
Buisson, An VII, 4 vol. in 8°: (eene andere uitgave is van 1799, 3 dln.
in 8".i In het Hoogduitsch: Hamburg, tioffman, 1797, in 8".
3)   Beschrijving van Guiana, o( de wilde kust in Zuid*Amerika, enz.
Amsterdam bij Gerrit Tielenhurg, 177(1 iNov.), 2 dln gr. 4*. met kaarten
en platen Hiervan is eene Duitsche vertuling van .4. Witiemberg. Burlin,
Unger. 1784, in 8».
4)  liiscription générale, historique, gfoyraphi/ue et physique de la co-
lonie de Suriname, etc. enrichie d\'une carte topngrapliique du pais et de
figuren.
Amsterdam chez E. van Harreveld, 1709, 2 dln in 8". Dit werk
is in het Nederduitsch vertaald en uitgegeven te Harlingen bij V. van
der Plaats,
Januari 1770. En in het Hoogduitsch: Berlin, Pauli, 1775,
2  dln. in 8°. Nog komt van dezen schrijver voor: Tableau historique
et politique del\'ètat ancien et actwl de la cnlonie de Surinam
Maestricht,
Dufour et Bou.c, 1778. I dl gr 8°. In het Engelsch vertaald en uit-
gegeven te Londen, 1781, in 8°
5)  Beknopte besclirijving van de Xederlumlsche Overzeesche bezittingen,
enz met een kaartje en eene plaat. Groningen bij J. Oomkens Jzn. 1852,
3  dln. in kl. 8«.
6)   Traite des maladie* fréquentes d Surinam, avec une dissertation
-ocr page 13-
— VII —
Schilling,\') van Voegen van Engelen 3) schreven over de ziekten,
Bondt, 3) Prof. de Vriese *) over de geneeskracht der Suri-
naamsche kruiden. Om kort te gaan, men vindt met betrekking
tot Suriname geschriften over landbouw, cultuur en kolonisatie;
over handel, nijverheid en finantiën; over slaven, slavenliandtl
en emancipatie; over ordonnantiën, ■placcaten en rechtswezen;
daar bleef niets onaangeroerd. Men daalde zelfs af tot bijzon-
derheden: zoo vindt men bijv. met betrekking tot de natuur-
lijke historie, niet alleen boekwerken over dieren en planten
in het algemeen, neen, de Surinaamsche insecten in liet bij-
zonder, vonden een schrijver in
de Mérian, s) de Surinaamsche
vlinders werden eene kostbare uitgave waardig gekeurd te
Amsterdam, B) zelfs schreef Dr. Fcrmin \') een dissertatie over
de Surinaamsche pad!
En de godsdienst?! Komt die vraag niet onwillekeurig bij
mijne lezers op de lippen?
Welnu, ook over godsdienst werd geschreven. Doch, helaas!
wat schreef men? Wij leerden de dwalingen kennen der arme
sur Ie fameux crapaud de Surinam, nommé Pipa. Maestricht, 1764, en
Amsterdam, 1765, in 12°.
1)    Verhandeling over de melaatschheid, door dun Heer Gadefriedus
Wilhelmus Schilling, wanneer de:elve op Utrechts Hongnschool tot Doctor
in de geneeskunde bevorderd wierd, den
1t*n üec. l;i.9. Uit het Latijn
vertaald. Utrecht bij /. C. ten Bosch, 1771. (Van dezen schrijver komen
in tijdschriften nog verhandelingen voor over de lepra- en yawsziekten.)
2)   DeSurinaamschearts. Paramaribo bjj W.H Poppelnum, 1788, ldl.8".
iij Verhandeling over de uitmuntende eigenschappen van den bast der
Surinaamsche Geoffraea in de geneeskunde, met verscheidene xva>irne
mingen en aanmerkingen van voorname geleerden.
Vertaald en ver-
meerderd door //. A. Bake. Leijden, llonkoop, 1790.
4)   De palmen van Suriname, beschouwd in betrekking tot derze.lver
kruidkundige kenmerken, kuituur en nut voor nijverheid en handel.
Leijden bjj J. G. La I.au, 1848, in 4». (Dit werk opgedragen aan Mr.
//. C. Focke te Paranmri\'o, komt ook voor in de jaarboeken der Kon.
Maatsch. tot aanmoediging van den tuinbouw, 1847—48.)
5)   Melamorphosis insectorum Surinamensiunt. Amsterdam, 1705, gr.
folio, en in het Fronsch vertaald: Disscrtatian sur la génération et la
transformution des insectes de Surinam.
La Have, 172K, gr. folio.
6)   Natuurlijke historie van Surinaamsche vlinders. Amsterdam, bij
/ C. Sepp/ii en Zoon, begonnen met afleveringen in 1828. De tekst is
in het Fransch en Xederduitsch. 25 afleveringen met 100 platen zijn in
het licht verschenen en het werk zou in 35 of 40 afleveringen kom-
pleet zijn.
7)  In bovengenoemd werk.
-ocr page 14-
— VIII —
heidensche bevolking, wij zagen de afgodische vereering, ivélke
een neger aan zijn
kankantrie \') bewees, of andere dergelijke
praktijken; waar echter een werk van eenigen omvang het
licht zag over den dienst des waren Gods of over het christen-
dom, daar was het een werk van de sekten, van de dwaling,
van de Israëlieten! De protestanten der vroeger onverdraagzame
staatskerk, de steeds in
Suriname van regeeringswege bevoor-
rechte hernhutters, de joden zelfs (want zij waren er, en al
spoedig in dat El-dorado), zij allen hebben, op eene of andere
wijze, hunne geschiedenis. De katholieke Missie alléén moest
die tot nu toe ontberen.
Daarmede is echter niet gezegd, dat wij niet veel omtrent
die Missie vernomen hebben. Herinneren zich niet velen, vooral
ouderen van dagen, hoe indertijd vde Godsdienstvriend"
J) de
roerendste tafereelen schetste 9 Hoe door dat orgaan de klaag-
en smeekstem alom gehoord werd\'? Nu was het een dier eer-
biedwaardige Aartspriesters van vervlogen jaren, die dringend
aanhield om arbeiders in dat verlaten gedeelte van \'s Heeren
wijngaard; dan wederom was het een der enkele, maar moe-
dige mannen, die er heentogen, en van daar uit de armoede
en den nood der Surinaamsche Missie blootlegde, om de hand
tot eene aalmoes naar de geloovigen te kunnen uitstrekken.
Herinneren zich niet sommigen, en met een soort van wee-
moed in het hart, hoe bijv. een collectant, bij het inzamelen
der kleine liefdegiften, hun toesprak: »God zal het u loonen,
voor de kerk van Paramaribo?" Voegen we echter al aanstonds
hieraan toe, dat, niettegenstaande den nooit volprezen ijver
der Nederlandsche Geestelijkheid, niettegenstaande den alom
gekenden liefdadigheidszin van Neerlands katholieken, de arme
Missie van
Suriname steeds karig voorzien was en van pries-
ters èn van middelen , tot instandhouding van den eeredienst
zoo noodzakelijk!
Het zij verre van ons door deze ontboezeming een blaam
te willen werpen op den ijver der priesters\'of de mildheid der
katholieken.
Suriname had zijne wéldoeners en zijne apostelen:
1) Van het Engelsen cotton tree (katoenboomV.
i) De Godsdienstrriend. Godsdienstig tijdschrift. 1817—1856.
-ocr page 15-
— IX —
namen, als die van Mgr. Van Wijkerslooth en anderen, zijn
er met onuitwischbare karakters gegrift in de harten der ge-
loovigen; mannen als een
Wennekers, een Van der Horst, een
Grooff, een Schepers, en zoovelen als Suriname Missionarissen
telde, zullen het schoonste sieraad zijn en blijven in de ge-
schiedenis van het katholieke Nederland! Ook nu heeft de
Missie hare weldoeners, wij erkennen het zoo gaarne en zoo
dankbaar ! Niet vergeefs heeft, nog in
1875 en 1876, de Wei-
eer w. 1\'.
van Rijekevorsel een beroep gedaan, op de mildda-
digheid der geloovigen in de bisdommen van
Haarlem en
Breda. Die weldoeners zijn het vooral, aan wier verlangen
door deze vlieknople Geschiedenis" gaal voldaan worden, en
aan wie wij ze zoo gaarne opdragen. Doch groot en veel-
vuldig zijn de behoeften! Mocht dit werk er toe bijdragen, om
haar, door beter kennis der toestanden, meer weldoeners te
verzekeren!
Suriname verdient wel onze belangstelling, en mag
vooral den katholieken Nederlander niet on verse)iillig laten.
Waar de sekten, onder alle opzichten sedert jaren bevoorrecht,
den machtigen mammon des gelds tot hunne beschikking hebben,
daar mag de katholiek niet nalaten, zooveel hij kan, den Mis-
sionaris te steunen, die, niet voor zich, maar voor Jezus
Christus en Diens kerk, voor den armen neger en diens on-
sterfelijke ziel, den geldelijken bijstand behoeft!
De taak, om een alleszins betrouwbaar verhaal over de
opkomst, hei leven en den strijd der Kerk in
Suriname te
vervaardigen, was niet gemakkelijk. Niet weinig feiten lagen
in liet duister, en zonder de opstellen in y>de Godsdienstvriend"
zou nog veel meer verloren geraakt zijn. Die bouwstoffen waren
echter niet voldoende: van vele feiten bestonden vei\'schillende
lezingen, en dat kon wel niet anders. Eene Missie, zoo dikwijls
onderbroken, daarbij nu en dan beschreven door personen, die
niet lang genoeg in de kolonie vertoefden om een juist oordeel
te kunnen vellen, dat alles maakte het, voor den opsteller eener
waarlijk betrouwbare geschiedenis, noodzakelijk ieder feit te
onderzoeken, het te toetsen aan gelijktijdige gebeurtenissen der
ongewijde geschiede7iis
, aan de verschillende toestanden,
waarin de kolonie gedurende haar 250jarig bestaan ver-
keerde, aan de zeden eindelijk en gewoonten der inwoners,
-ocr page 16-
X
die, uit alle natiën samenvloeiend, haar achtereenvolgens kwa-
men bevolken.
\'A\\dk een arbeid vorderde, behalve eene jarenlange onder-
vinding, ook eene niet geringe mate van toewijding, van studie
en van gedidd.
De Zeereerw. Pater A. Bossers, de gunstig bekende schrijver
van het leven des H. Alphonsus Maria,
\') die weldra lei jaren
in de
West (waarvan bijna il in Suriname/ vertoeft, onder-
nam dien arbeid en bracht hem in het vorig jaar ten einde.
In zijne Inleiding, geteekend van\\ Maart
1883, zegt hij: -»Wij
omogen, naar wij meenen, dit werk van geduld den geachten
y>lezer met vertrouwen aanbieden; hoezeer wij overtuigd zijn,
•»dat, in weerwil der vele aangewende zorgen, nog menige
»leemte overblijft, en meer dan ééne onnauwkeurigheid onze
^aandacht zal ontgaan zijn."
Dat de Zeereerw. Schrijver zich hierdoor, zoowel de Suri-
naamsche Missie als het katholieke Nederland, ten zeerste heeft
verplicht, lijdt geen den minsten twijfel. Zijn iverk echter is
veel meer geworden dan eene geschiedenis; de aard der zaak
leidde er wel toe: het werd eene ^kritische verhandeling over
Suriname." We hopen van harte, dat dit werk eenmaal het
licht moge zien, voor het oogenblik echter was het te groot van
omvang en daardoor te kostbaar, om, in geval van uitgave,
op genoegzame verspreiding te kunnen rekenen. Ziedaar de
reden, waarom een zijner Eeriv. Medebroeders het in eene
y>Beknopte Geschiedenis" samenvatte.
Het toezicht over deze uitgave, waarin niets voorkomt, dan
wat ontleend of getoetst is aan het vermelde Handschrift,
werd mij door den Hoogeerw. Pater Provinciaal opgedragen,
met den last tevens liet werk van eene korte Inleiding te doen
voorafgaan.
Ziedaar, I^ezer, de geschiedenis \'van dit boek.
Gij zult wel niet van mij verwachten, dat ik er hier eene
beoordeeling van neerschrijve: eene critiek zou mij onmogelijk,
\\) Leven van den H. Alphonsus Maria de Liguori, Bisschop van
S\' Agatha der Gothen, en Stichter van de Congregatie des Allerh. Ver-
lossers.
-ocr page 17-
r
— xi —
doch zoo ook mogelijk, in mij hatelijk zijn, en eene lofspraak zou
u terecht verdacht moeten voorkomen. Ik durf u echter ivel uit-
noodigen dit boek te lezen, ik raad het u zelfs dringend aan.
Gij zult daardoor nog meer die weldaad Gods waardeeren, te
leven in Jezus\' ware Kerk en in eene muatschappij, waar de
christelijke wetten ten minste nog geëerbiedigd en openbare
ergernissen niet aan de orde van den dag zijn; gij zidt meer
medelijden hebben met duizenden en duizenden uwer natuur-
genooien, die, te midden eener zondige samenleving, nog boven-
dien verstoken zijn van het licht des geloofs en gezeten in de
schaduwe des doods; gij zult den priester, den Missionaris,
die daar zijn arbeid en zich zelven ten offer brengt, niet be-
klagen (hij is dan ook veeleer te benijden!/ maar gij zult Item
nog hooqer achten en nog meer beminnen; gij zult, ik houd
er mij van overtuigd, èn door uw vurig gebed, en, zoo moge-
lijk, door geldel ijken steun, medewerken ter verbreiding van
Jezus\' Rijk in het arme
Suriname!
Nog rust op mij de plicht, en ik vervid dien zoo gaarne,
om namens den Schrijver dank te zeggen aan allen, die hem
zoo welwillend hunne hulp verleenden, of ook hunne dienst-
vaardiglteid betoonden door nasporingen te doen, of pogingen
daartoe aan te wenden, al werden die misschien niet altijd
door eene bevredigende uitkomst bekroond.
Mgr. J. F. Vregt, Vic. gen. te Haarlem; Mgr. P. Claessens,
Kanunnik te Meehelen; de Hoogeerw. lieer A. H. Van den Corput,
Vic. gen. te Breda; de Hoogeerw. Pater J. Trix, Provinciaal
der EE. PP. Minderbroeders, te
Weert; de Zeereerw. Meeren
J. B. v. d. Velde, Deken en Pastoor te Turnhout; G. Peter?
rustend Pastoor te Boxmeer; J. Koekhoven, Pastoor te Alphen a/R.;
H. M. Maas , Pastoor te Winterswijk; de Zeereerw. Paters A.
F. Nieuwenhuizen, O. S. F. Archivaris te Weert; Serv. Dircx,
O. S. F. Archeoloog te St. Truijen; A. Van Lommel, S. J. en
vele anderen gelieven hier onzen oprechten dank te aanvaarden.
We gaan hier onze eigen confraters stilzwijgend voorbij; echter
niet zonder dankbaar te vermelden, dat de meeste inlichtingen
hier te lande, door toedoen van den Hoogeerw. Pater Provin-
ciaal, verkregen werden, en wij de y>Necrologia" van Suri-
name\'s Archivist, den Z. E. P.
Romme, in het laatste hoofd-
-ocr page 18-
— XII —
stuk benuttigd hebben. Trouwens als hier namen vermeld
werden en niet allen, dan is liet zeker niet, dat wij den niet
genoemden minder erkentelijk zijn; ive hebben eenigen willen
vermelden vooral om den lezer te toonen, dat wij niets onbeproefd
lieten, om zooveel mogelijk nauwkeurige opgaven te erlangen.
Eindelijk blijft mij over hier eene bekentenis af te leggen.
De Kerw. Schrijver meldde mij,
»m vele door Item medegedeelde
^bescheiden, de oudere schrijfwijze en woordvoeging eenigszins
^gewijzigd te hebben, wijl hij meende daardoor het aangename
Ttder lezing te bevorderen, zonder der waarheid in iets te kort
»te doen," en verleende mij bovendien de vrijheid hier en daar,
als ik het nuttig oordeelde, den zinbouw te veranderen. Ik heb
eenige malen van die vrijheid gebruik gemaakt, niet genoeg \'den-
kend aan het spreekwoord: i>Le mieux est souvent l\'ennemi du
bten!" Daardoor is liet mij wellicht gebeurd, iets, wat goed gezegd
ivas, minder goed te zeggen; maar zeker heb ik daardoor alle
fouten en onnauwkeurigheden te mijnen laste gekregen. De
zinstorende fouten, na afdruk orüdekt, heb ik
o/j de laatste blad-
zijde aangeteekend, en voor de. overigen, zullen mij en mijn
dierbare confrater èn de welwillende lezer verschoonen. Zij
mogen denken, dat ik liet werk met liefde verrichtte, maar
dat het lach geen alledaagse]^ werk voor mij ivas.
En hiermede zij deze y>Deknopte Geschiedenis" de ivereld
ingezonden! Zij moge talrijke lezers vinden, Gods eer verhoogen,
liet heil der velen bevorderen , en ook der Roomsch-Katholieke
Missie van
Suriname ten bate komen!
Wittem, 1 Maart 1884
K. M. A. L. WULFIXGH,
C. SS. R.
*—^@!)^(^vv-\'
-ocr page 19-
J.
INHOUD.
I8,e HOOFDSTUK.
Suriname en zijne Bevolking.
Aardrijkskundige beschrijving: ligging, oppervlakte, grenzen,
bodem, vruchtbaarheid, klimaat, 1. Geschiedkundige schets: eerste
nederzetting der Franschen, 1640; der Engelschen, 1650, t. Oor-
sprong van Paramaribo. De Zeeuwen 1667 en 1668. Fort Zeelan-
dia. West-Indische Compagnie, 1682, 3. Cornelis van Aarsen van
Sommelsdijck. Het papenhatend Zeeland Godsdienst. Geoctrooieerde
Sociëteit, 1683, 4. Engelschen, 1799. Bataafsche Republiek, 1802.
Engelschen, 1804. Koningrijk der Nederlanden, 1816, S.
Bevolking: Indianen, Caraïben, Arrowakken en Warauwen 5.
Boschnegers, Negerslaven, Slavenhandel, 8. Stelselmatige wering
van het Christendom onder de slaven. Eerste negerslaaf in de ge-
reformeerde Staatskerk gedoopt, 1747. Hernhutters •• Katholie-
ken (1.......................1
ir HOOFDSTUK.
Eerste vestiging van Roomsen Katholieke
Missionarissen in Suriname.
Treurige toestanden onder de geoctrooieerde Sociëteit. Van
Sommelsdijck. Karakterschets, 13. Labadisten. Waalsch-Lutherschen.
Israëlieten, 14. Waarom Van Sommelsdijck verdraagzaam was, 1«.
De komst der eerste Missionarissen door Wolbers verklaard. Wol-
bers weerlegd, 18. De EE. PP. Van der Hofstadt, Fuller, Crols.
De leekebroeder Joannes Graefdorf. Hun loven, arbeid, dood, tv>.
Opheffing der Missie, tS. Papenhaat der Staten van Zeeland, tB.
Van Sommelsdijck vermoord. 38. Eene eeuw zonder priester. Plan-
ten van Surinaamschem bodem 33............13
-ocr page 20-
— XIV —
IET HOOFDSTUK.
Van de herleving der katholieke Missie in 1786 tot de
sluiting der kerk in 1793.
Verdraagzaamheid. Advies Tan het Surinaamsche Hof, SS.
R. K. Kerkbestuur. Verkeerd begrip daarvan in Suriname, 38. In-
lijving der Surinaamsche Missie bij de Hollandsche Missie. Eerste
Missionarissen Van Doornik en Kerstens, il Oot. 1786, 40. Her-
derlijk schrijven van den Aartspriester Meijlinck, 42. Einantieele
toestand. Beroep op Nederland\'s liefdadigheid, 48. Huis tot kerk
ingezegend, 4J. Kerkeraad. Af hankolijkheid der Missionarissen. Aan-
matigingen v»n den kerkeraad, 48. Vertrek Tan den E. H. Kerstens.
Dood van den E. II. Van Doornik, SI. Verslag der werkzaamhe-
den, .ï£. Twee maanden herderloos. De E. II. Van Noort, SS. De
E. II. Meddens, 84. Beider samenwerking, SS. Vertrek van den
E. II. Meddens, 58. Dood van den E. II. Van Noort. Verslag der
werkzaamheden, 5J. De E. H. Eeltjens. Armenverpleging, Cl. Slui-
ting der kerk, 1793, SS. Vertrek van den E. II. Eeltjens. Verslag der
werkzaamheden, Ut. Toestand der Missie. Herderloos tijdvak (SS) 35
IVde HOOFDSTUK.
Van de voorloopige staking der openbare godsdienstoefe-
ning, in 1793, tot de aankomst der twee voornaamste
grondleggers der Surinaamsche Missie, in \'t jaar 1817.
Hopolooze toestand, Comité der Bataafsche Republiek. Engelsen
Protectoraat. Bataafsche Republiek, «7. De kerk geopend voor
Spaansche troepen, 58. Tijdelijke opening der kerk onder Berranger,
• 9. De kerk verhuurd aan Engelsch-Episcopalen, .0. Beroep van
den kerkeraad op den Hoogw. Sehinck. Briefwisseling. Toestand, Si.
Aankomst van den Hoogw. Sehinck, 1810, 81. Zjjn werkzaamheden
en dood, -1814, 8*. Een jaar herderloos. De E. II. Van der Hoven,
89. Zijn vertrek, 80. Nogmaals zonder herder.......67
Yde HOOFDSTUK.
Van de komst der twee voornaamste grondleggers der
Surinaamsche Missie, iu 1817, tot den eersten Apostoli-
schen Prefekt met rechtstreeksche zending van de
Propaganda, in 1826.
Oproeping van Missionarissen. Twee mannen Gods, 83. Wen-
..**&. \\-.....
-ocr page 21-
— XV —
nekera en Van der Horst, 1817, «5. Herderlijk schrijven van den
Aartspriester Cramer, 96. Hun optreden, 9Ï. Ontbinding van den
kerkeraad. Nieuw kerkbestuur, 98. Herderlijk schrijven van den
Aartspriester, 99. Circulaire van Wennekers, 10*. Vervolgingen,
103. Heilige levenswijze der priesters, 105. Werkzaamheden. Verslag
van Wennekers, IOC Eerste Indiaansche kinderen gedoopt, 113.
Behoefte aan een kerkgebouw. Stichtende trekken van nieuw bekeer-
den, 118. Instelling der Memorie of Gedachtenis der overledenen.
Eerste Negcrengelsche catechismus. Volksgezangcn in de volkstaal,
il». Zorgen voor het onderwijs der jeugd, 1*0. Droevigo toestand.
Beroep op de liefdadigheid in Nederland, ltl. Verslag van werk-
zaamhoden, «85.
SUtuenbevolking. Toestand geschetst. Bequest aan Z. M. door
Deken Tomas te \'s Gravenhage, ISO. Request aan Z. Af. van Wen-
nekers, 129. Geringe uitwerkselen , ISO. Andere circulaire van
Wennekers, ISt. Gevolgen, 133. Dood van Conoly. Aanleiding tot
het eerste plantage-bezoek, 135. Richard O\'Forrall, Sr, ISO. Banna
de Creolen-mama gedoopt, 139. O\'Ferrall lid van het kerkbestuur,
138. Wennekers en de andersdenkenden. Zijn brief aan den Evan-
gelisch-Lutherischen kerkeraad. Brief aan den voorstander der mo-
ravische broeder-gemeente, 140. Groote brand. Kerk verwoest.
Gevolgen. Martina, nog catechumeen, geeft haar huis tot kerk.
Zij wordt gedoopt. Haar ijver. Toestand der Missie, lil. Be-
roep op de liefdadigheid in Nederland. Wekelijksche II. Mis voor
de weldoeners. Wat zij ontvingen? Adres aan Z. M. den Koning.
Kerkbouw uitgesteld. 149. De E. H. Van Leeuwen. Zijn vertrek,
154.
Wennokers uitgeput. Draagt de pastoreele bediening over op
Van der Horst. Zijn verblijf in Opper- en Neder-Nickério. Arbeid
aldaar. 154. Van der Horst vraagt hulp van nieuwe Missionarissen.
Verdere arbeid van den lijdenden Wennokers, 158. Laatste dagen
van den ijvcrigen Missionaris. Zijn dood. Begrafenis, 1S1. De
E. H. Willemson. Zijn arbeid. Vertrek, lOO. Van der Horst op-
nieuw alleen. Zijn karakter en deugd. Verlangen om hulp van
nieuwe Missionarissen, 19.1. Zijne werkzaamheden. Bezoek bij do
Leprozen op Voorzorg. Een militair ter doodstraf geleid. Bckeerin-
gen in de gevangenis, lï«. Mgr. Van Wijkcrslooth, Procurator
der Missie, 1*0. Heroep op de liefdadigheid in Nedeiland, 181.
De »Phenix" gekocht. Tot kerk vertimmerd. Van der Horst sterft
vóór de voltooiing, 184. Ruim zes maanden herderloos. De kerk-
meester Van don Bergh. Verzegeling van het II. Tabernakel, 188.
Verslag van werkzaamheden, 190.............93
-ocr page 22-
— XVI —
Vf\' HOOFDSTUK.
Van de oprichting der Apostolische Prefectuur, in 1825,
tot het begin van het Provicariaat van Suriname,
in 1843.
Personeel. Martinus Van der Weijden. Jacobus Grooff. De Apost.
Prefectuur opgericht. Weldadigheidscommissie in Nederland, «02.
Inzegening der nieuwe kerk, 193. Zieledienst voor Van der Horst.
IJver van den Apost. Prefect. Eerste en laatste bezoek te Batavia.
Zijn dood, 195. Grooff, Prefect a. i., definitief aangesteld. Zijn
t lestand, 13 J. Hagemann en Peters. Hagemann krankzinnig. Ver*
trekt, 190. Peters sterft, tOO. Grooff opnieuw en dertien maanden
a\'leen, SOS. Schepere en Ferstappen. De laatste vertrekt. Janssen.
Kempkes. \'Donders, SOS................192
Apostolische werkzaamheden :
I. De Stad en de Plantages.
Finantioele toestand, SOS. Grooff\'s eerbied voor zijne Voorgan-
gers, SOS. Bekeering van misdadigers, SU. Bevoorrechting der
moravische broeders, 21*. Plantage Toledo en Johanna Catharina.
Het Fort Nieuw-Amsterdam, SIS»............206
2. Batavia.
Grooff\'s roem. Zijn arbeid onder de melaatschen. Ridder van
den Ned. Leeuw, 217. Hij zegent er eene kerk in, £31. Zijne reis
naar Europa. Vervangen door Schepers. Grooff terug. Eere- Kamer-
heer benoemd door Gregorius XVI. Zijne nederigheid, £23. . . .217
3. Coronie en Nickérie.
Bezoek der Kust. Schenking van grond op Cardrosspark. Apost.
werkzaamheden, SM. Schepers pastoor te Coronie. Opgevolgd door
Kempkes , SS9.
Grooff Apostolisch Vicaris van Batavia benoemd. ■ Dood van
Janssen, tSJ. Suriname wordt Provicariaat en de Hoogw. Schepers
Provicaris benoemd. GrooiFs afscheidsrede en vertrek, SSS. Grooff
Bisschop gewijd te Leiden. Zijn korte arbeid in Oost-Indiën. Terug-
keer als balling, 830. Algemeen verslag van de werkzaamheden,
1826-43. SSt....................224
-ocr page 23-
XXII
VIT HOOFDSTUK.
Van de instelling van het Apostolisch Provicariaat in 1843,
tot de oprichting van het Apostolisch Vicariaat
van Suriname, in 1852.
Personeel. Heinink. MeurkenB. Mgr. Grooff, Visitator Apostoli-
cub , 238. Kutten , te Paramaribo prieBter gewijd. Sterft, 234.
Magnée.
Apost. werkzaamheden. Heinink op Batavia, 138. Meurkens te
Paramaribo, kapelaan te Coronio. Sticht eene kerk te Nickéric. Keert
terug naar Paramaribo, 23ï. Kempkes to Coronio. R. K. Begraaf-
pluats op Cardrosspark, 239. Algemeen overzicht der werkzaam-
heden tot 1° Januari 1850, til. Laatste verblijf en zalig afsterven
van Mgr. Grooff, 1852. 213...............233
VIIP HOOFDSTUK
Van de oprichting des Apostolischen Vicariaats van Snri-
name, in 1852, tot de aanvaarding van het bestuur
door den eersten Kerkvoogd uit de Congregatie
des Allerh. Verlossers, in 1865.
De Surinaamsche Missie tot Apost. Vic. verheven. Mgr. Schepers,
Bisschop van Mellipotamos en Vic. Apost. van Suriname benoemd,
1852, 243. Regeling der salarissen. Mgr. Schepers naar Europa,
Prov. Apost. a. i. de Iloogeerw. Donders. Mgr. Schepers Bisschop
gewijd. Terugkeer te Paramaribo 246. De E. H. Swinkels. Donders\'
werkzaamheid te Paramaribo tot 1856. Op Batavia 1856—66. Meur-
kens Pastoor van Esthersrust en Killenstein, 243. Swinkels en
Magnée te Paramaribo. Oprichting van Meisjesscholen. Broederschap
van den Levenden Rozenkrans. Aankoop van Concordia. Tweede
kerk St. Rosa, 248* E. H. Masker , 219. Uitgaven in het Neger-
engelsch, 250.
Katholiek onderwijs. Zusters penitenten van Rozendaal, £51.
Zorg voor de weezen, 252» Eene Mettray, 253.
Algemeene staat der Missie, 251. Laatste dagen en stichtende
dood van Mgr. Schepers, 258. Meurkens Provicaris. Romme. De
Hoogw. Provicaris naar Europa. Eerw. Swinkels Provicaris a. i. Zijn
ijver voor de scholen, 281. De Provicaris te Rome. De Surinaamsche
Missie opgedragen aan de Congregatie des Allerh. Verlossers. Mgr.
J. B. Swinkels, Bisschop van Amorium en Vic. Apost. van Suriname
-ocr page 24-
— XVIII —
benoemd. Geconsacreerd te \'s Bosch, 1865, 8Al. De Hoogeerw.
Meurkens, Eero-Kamerheer benoomd door Pius IX. Blijft in Neder-
land, S«S.....................245
IXde HOOFDSTUK.
Het Apostolisch Vicariaat van Suriname onder de zorg
van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers.
1866-1883.
Aankomst en ontvangst Tan Mgr. Swinkels.........263
ARTIKEL i.
Personeel der Missie.
Mgr. Swinkels. EE. PP. Van der Aa en Van Rooij. F. Lamber-
tus en Eduardus. Vertrek der EE. HU. Swinkels en Masker, ÏG4.
Dood van Fr. Lambertus. Levensschets. PP. Lui]ben, Baptist, Ver-
beek. FE. Franciscus en Joannes , Sflï. Overlijden van P. Baptist.
Levensschets, ïoj. P, Bossers. Religieuze professie der PP. Donders
en Romme. Fr. Clemens, 890. PP. Odenhoven, Van Mens, Van
Kool wijk. Fr. Alphonsus. Vertrek E. 11. Kempkes, 831. Eerste ka-
nonieke Visitatie. Mgr. Swinkels onderneemt eene reis naar Europa.
Vertrek van Van Koolwijk. FF. Michaël en Nicasius. Terugkeer van
Monseigneur. Dood van P. Van Rooij. Levensschets, S9S- Pries-
terwijding der PP. Broos en Van Coll. Ziekte en dood van P.
Van der Aa. Levensschets, 879. P. Startz. Dood van Fr. Michaël.
Levensschets, 883. P. Van de Kamp. Fr. Fidelis. Vertrek P. Van
Mens. Hoogeerw. P. Schaap, 887. Dood van Mgr. Swinkels. Levens-
schets, 888. Provicariaat van den Hoogeerw. P. Schaap. Vertrek
der PP. Buhrs en Van de Kamp, 884. De Provioaris naar Europa.
Mgr. Schaap Bisschop van Hetalonië benoemd en Apost. Vic. van
Suriname. Geconsacreerd te Wittem, 1880, 803. Terugkeer des
Bisschops. PP. de Weerd en Currier. Vertrek van P. Startz , 883.
PP. Stassen en Houben. Fr. Justus. P. Currier vertrekt. Tweede
kanonieke Visitatie. P. Eijsink en Fr. Remigius. Priesterwijding der
PP. Zirks, Borret en Van Tooren. 888...........264
ARTIKL 2.
De Apostolische werkzaamheden.
I. Parimaribo.
1. De Stad.
Oefeningen in beide kerken, 887. Itetraiten. Mariamaand,
-ocr page 25-
— XIX —
St. Josephsmaand, 300» I3oederschap der II. Familie. Van den Le-
venden Rozenkraas. Van O. L. Vrouw van AUijddurenden Bijstand
en van den H. Alphonsus Maria, SOS. Vruchten. Kern van goede
christenen. Hooger te waardeeren door tegenstelling. In Suriname
wordt het geloof bedreigd. Bijgeloovige praktijken. Gemengde hu-
welijkon. Maatregelen. Concilio van Trinidad ingevoerd. Officieele
kerkzang, 30In Suriname worden de zeden bedreigd. Maatrege-
len tegen het concubinaat. Verdeeling der stad in wijken. Avond-
school voor Jongens. Roeping der 11. Familie in Suriname, 809. . \'297
S. Katholiek Onderwijs.
Noodzakelijkheid. IJver van de Hoofden der Surinaamsche Missie.
Scholen voor jongens en meisjes. Verslag tot 1883, 314. In de
Districten. Toestand en behoefte geschetst door Mgr. Schaap, 318. 31 i
3. Weezen.
Wat zijn weezen in Suriname? Hun groot getal, 330. Kosten
der weezenverpleging. Moeilijkheden, 331. Weesmeisjes. De »enge-
len van Gods Voorzienigheid," 383. Weesjongens. Livorno, 333.
Steun en waardeering, 385...............320
II. Missie-reizen naar de Plantages en de Indianen.
1. Plantages.
Groot getal. Katholieke bevolking...........326
8. De Indianen.
De EE. PP. Donders en Romme. Eerste bezoek, 383. Arro-
wakken. Caraïben, 388. Arrowakken. De plantage Sans-souci. De
negerbastiaan de Meer, 339. De Vier Kinderen. Overburg, 330.
Vruchten. Caraïben, boven de Joden-Savannah, 331. Verslag, 338.
Doschnegers. Taal der verschillende stammen, 334.......327
III. De Statiën Coronie en Batavia.
Coronie. Toestand, 334. Apost. arbeid. Drie kerken. De H. Fa-
milie, 335. Verslag, 338. Verheffing van het gebeente der oud-
Missionnrissen : Wennekers, Van der Horst, Van der Weijden ,
Grooff en Peters, 341.................334
-ocr page 26-
xt
ARTIKEL 3.
lte It. K. Gemeente onder stoffelijk opzicht.
De Missie kan in eigen behoefte niet voorzien, 3*3. Uitgaven
door vermeerderd personeel, reparatiën , noodzakelijkheid eener
nieuwe kerk, 344. Fratersschool, priesterwoning, St. Rosa, armen-
scholen. Kapel te Livorno, te Buitenrust. 345. Mary\'s-hope, Wei-
gelegen. Kerkhutten der Indianen, 347...........343
BIJLAGE I. Personeel. *• Naamlijst der Missionarissen .... 350
B.  Naamlijst der Fraters......353
C.  Synoptisch overzicht der laatste 18 jaren 354
> II. Documenten betrekkelijk de eerste Zending 1683 . . 356
» III. Franciscaner kronijk » i »
           »          » . . 358
i IV. Documenten » » tweede » 1785 . . 361
» V. » » Pastoor Meddens .... 363
-ocr page 27-
r HOOFDSTUK.
Suriname en zijne Bevolking.
Aan de noordoostelijke kust van Zuid-Amerika, tusschen den
tweeden en zesden graad N. B. en den vier-en-vijf\'tigsten en
zeven-en-vijftigsten graad W. L. van Greenwicli, vindt men liet
grondgebied, dat Nederlandsch Guiana, of gewoonlijk, Suriname
genoemd wordt. Het beslaat eene oppervlakte van 2917,30 vier-
kante geographische mijlen of ongeveer zestien millioen zeven
duizend bunders. De gezamenlijke Guiana\'s, dat is, Brazdiaausch-,
Venezuelaansch-, Britsch-, PYansch- en Nederlandsch Guiana
hebben eene oppervlakte vnn honderd zestig millioen en zeventig
duizend bunders, terwijl het grondgebied van Suriname alléén
vijfmaal grooter is dan dat van Nederland.
Suriname wordt ten noorden begrensd door den Atlantischen
Oceaan,
ten oosten door den Marowyne-stroom, welke het van
Fransch-Guiana scheidt, ten zuiden door het Tumuc-lliimac-
gebergte
en ten westen, bij Engelsch Guiana, door de rivier de
Covantijn.
Het geheele land wordt doorsneden van groote en kleinere
rivieren en van tallooze kreken, die het water, dat in de beide
regen-seizoenen omvangrijke plassen vormt, naar zee voeren.
Geen land, dat zoo rijk met van de natuur gevormde water-
wegen is gezegend. Het verkeer en vervoer binnen de kolonie
geschiedt daarom haast uitsluitend te water.
Aan de oevers van die rivieren en kreken liggen de plan-
tages, waar men zich op den landbouw toelegt. Deze is altijd
het hoofdmiddel geweest van bestaan voor de kolonie. Van den
landbouw leefden èn eigenaren èn bestuurders èn werklieden.
Het produceeren van suiker, cacao, koffie, katoen enz., het vol-
doen aan dun mammon en de eischen der weelde, was het
Suriname,                                                                                                                          J,
-ocr page 28-
56°
Ho
ÓH°
lo
\'>o
10
50
40
10
JO
20
ÖO
\'20
/o
|\'""""1"1"" \'ii\'........|m|"
Jiiriiiinin n I                iiiirmiir
UB.......■"\'""                          .iiiiiiiiiiiiiiiiiiii
«» r a JV T I & «Z-.M -Jkamtm^ ° c/m A . .
■e»
**         \'STf^ti-gjM. ^\'pC
^**S
Jf**
50
ff"-^f.v.sen
Purffèert/rfi/t\'rrt./ »
*5J <&Laa*i bosch &\\metMoerassen
c°tUcn
          7                k\'
m^
„\'<")■
Post WT M Mem/rik/rtrUWÈk
\' É\'f
Zroamp.
/                //<ia K /C^rT^T^l 1MRAMAWB0 IJ BU
Post) l\'Experance
&
Lt.tiorno
c*>.J Ci\\ ( \\ -i
Ho o ff sBo s c />
mei Sqoanna\'je p               .             )
3«<
30
yllbina <
og Land
<
8 \\a»-f5*\' (/nor"»-/^. ^jj                                                               sf/on/reatttnï\'s Oord \'¥jjS\\         i—
Si>/0f),"S\'r"\'<""\'/^ rOv* *»** *"«/•* Bosschert.
. /loon Land f£
tffl        ^                 t
£r i*»? "t*V /ios&c/ien en
20
%. Land t/tcf <$fxtnaar/fo.vc/i H <£
10
/o
jS\'ai\'anrta \'s.
Bffmuwf /ierq\'
van rle
K4&01IIK SVBIMMUK
of
IBDERLAHBSCH
axM-cuaX^ e an&< 1,000.000
.1?
^fHoogB^acktyLan* ^%£ï\\
Bk               nollandsrhe zeemijlen of uren éaans vari 20 op I graad.                 -\'S
mtt intaar Boosch /u\'\'J*y**Vrhrijj^V                                                                             r *                      <0
#^ l=                           —<------\'------\'------1 1 1                               »\\^
^ Jfel
heteekeni-
•^
Armina
\\^»          RK. Kerk, kapel
*              0/ bulniaats.
V0
,>ö
rJornïpn^.
■——
57°
5\'6r\'
30
?fl
ba
IO
/o
50
■)o
Jfl
/O
2ff
Lithographie vonMAlbtrts ui uu.lp.eiv.
-ocr page 29-
— si —
streven van allen, met achterstelling, vaak met uitsluiting, van
elk beter doel, zelfs van den godsdienst.
Het alluviaal gedeelte, dat zich langs de geheele zeekust
(deze is GO uren lang), tot een afstand van acht of tien uren
gaans naar het zuiden uitstrekt, is hoogst vruchtbaar; liet oor-
spronkelijke
land vertoont rotsen, heuvelen, gebergten, levert
kostbare houtsoorten, en brengt andere tropische gewassen voort,
wijl het bijna overal met eeno dikke laag vruchtbare teelaarde
bedekt is. De bodem is rijk aan goud, onderscheidene gesteen-
ten , ijzer, enz. Geen wonder, dat de geschiedschrijvers van
Suriname gewagen als van een El-dorado, en dat vanouds her
velen er henen togen om hun geluk te bedroeven !
liet klimaat in het bebouwde gedeelte, is niet alleen dra-
gelijk, maar, ten gevolge van de dagelijks op den middag terug-
keerende zcebries, zelfs aangenaam en verre verkieslijk boven
dat van Nederland, met zijne minstens negen gure maanden
per jaar. Het is zelfs gezond voor den Europeaan, als hij geen
veldarbeid behoeft te verrichten, en met de gewone voorzorgen,
die in elk tropisch gewest noodig zijn, in alles wijze matigheid
weet in acht te nemen. Vooral het veronachtzamen van dit
laatste was oorzaak, dat Suriname wel eens ten onrechte ge-
noemd is: het Kerkhof der Nederlanders !
De schulprits, waarop Paramaribo gebouwd is, werd,
volgens de meest waarschijnlijke berichten, aanvankelijk door
Indianen bewoond. De eerste geregelde nederzetting van Eu-
ropeanen in Suriname was die der Franschen, onder Poncet de
Bretirjny
, in het jaar 1640. Zij kozen genoemde schulprits tot
hun verblijf en legden er een klein fort aan. De Franschen,
hetzij door de Indianen verjaagd, hetzij de aanhoudende aan-
vallen dier lastige vijanden moede, hetzij om de toenmalige
ongezondheid der plaats en de sterfte hunner makkers, hebben
hun verblijf in Suriname spoedig opgebroken.
In 1650 landden er de Engelschen, die door Lord Wil-
loughby, graaf van Parham, waren uitgezonden om er bezit
van te nemen. Zonder wederstand te ondervinden, begonnen zij
het fort te versterken, en bouwden daarin een steenen huis tot
bescherming tegen de Indianen. Ljrd Willoughby liet een paar
honderd bunders land bij het fort vlak maken, en stichtte er
-ocr page 30-
_ 3 —
ecu soort van Indiaansch Kamp of dorp met een vijftigtal
kleine woningen of onordelijk door elkaar geplaatste hutten. Zie-
daar het begin van Paramaribo, de zetelplaats van het bestuur
van Suriname, thans eene stad met 23,000 inwoners, van welke
7000 katholiek zijn. Van den beginne af was ook deze plaats het
centrale punt der katholieke Missie. Daar vestigden zich de eerste
Missionarissen; van daaruit bezochten zij de op het land ver-
spreide Katholieken; daar alléén kon, tot voor nog slechts
weinig jaren, een eigenlijk gezegde parochie op geregelde wijze
bediend worden. Vandaar dat Paramaribo in deze geschiedenis
een zeer voorname plaats moet innemen. De stad ligt op 5°
44\' 30" N. B. en 55» 12\' 54" W. L. van Greenwich. \')
In het begin van 1667 werd Suriname door de Zeeuwen
veroverd, die het fort bezet hielden en er den huidigen naam
van Zeelandia aan gaven. Ofschoon bij den vrede van Breda aan
Holland afgestaan, kwamen de Engelschcn niettemin Suriname
terugnemen en bijna geheel ontvolken. De Zeeuwsche Comman-
deur A. Crijnssen wist in November 1668 Suriname op nieuw
te veroveren, en zoo wei-den de Staten van Zeelund eigenaren
der kolonie. Door de vele uit Suriname komende klachten, door
de groote onkosten en lallooze, met het bestuur verbonden, mooi-
lijkheden afgeschrikt, wenschtcn zij zich van het eigendom der
kolonie te ontdoen. Onderhandelingen werden daartoe met de
Wesi-Indisclie Compagnie aangeknoopt, en den 6 Juni 1682
werd men het eens, dat Suriname voor eene som van twee
honderd en zestig duizend gulden aan de West-Indische Maat-
schappij zou overgaan, die den 23 September 1682 als bezitster
van Suriname, door de Algemeene Staten geoctrooieerd werd.
Door dit octrooi werd de verhouding tusschen het moederland
en de kolonie, tusschen de Algemeene Staten en de Compagnie,
tusschen de West-Indische Maatschappij en de kolonie met hare
bewoners, als het ware bij grondwet, vastgesteld. Dan, de
West-Indische Compagnie zag weldra in, dat de kolonie haar te
1) Het is derhalve to Paramaribo eerst 1\'2 uur des middags als het
to Amsterdam reeds vier uur in den namiddag is. De jongste opgave
van den Heer Cateau van Rosevelt stelt Paramaribo op 5° 49\' 25* N. B.
en 55" 10\' W. L. van Greenwich.
-ocr page 31-
— 4 —
zwaar zou drukken, en, slechts weinige maanden na de overne-
ming van Suriname, verkocht zij daarvan een derde gedeelte
aan de stad Amsterdam en een ander derde gedeelte aan Cor-
nelis van Aerssen, Heer van Sommélsdijck.
Den 21 Mei 1683
werden de voorwaarden van dit contract te Amsterdam getee-
kend. De drie gezamenlijke eigenaars noemen zicli in dat koop-
contract: De geoctrooieerde Sociëteit van Suriname. Het octrooi
was hetzelfde; als dat ten vorigen jare aan de Compagnie gege-
ven was. Bij Resolutie der Algemeene Staten, dd. 5 October
1686, werd het koopcontract goedgekeurd. Zeeland echter, dat
zijne oude kolonie nog niet kon vergeten, wilde in de Staten
Generaal zijne toestemming tot het contract niet anders verlce-
nen dan onder voorwaarde: y>Dat geene personen in den vader-
lande of in Suriname, die den Paapschen godsdienst belijden,
zouden toegelaten ivorden tot eenig bestuur of bewind van
genoemde kolonie; alsook dat niemand van de Paapsche Reli-
gie eenig deelgenootschap in de vermelde Sociëteit zou mogen
hebben of houden, noch voor iemand anders in dezelfde So-
ciëteit uitoefenen, of eenig bewind, gezag, directie of admi-
nistratie hebben;"
enz.
Onder de hoede .der Staten Generaal bleef nu de Geoc-
trooieerde Sociëteit van Suriname
tot aan hare ontbinding,
eigenares en regeerster van de kolonie. In haar inwendig is ge-
durende al dien tijd geene verandering gekomen, behalve dat het
één derde gedeelte van de Erven van Sommélsdijck later ook in
eigendom aan de stad Amsterdam is gekomen, en dat de West-
Indische Compagnie, ten gevolge van vele tegen haar ingebrachte
klachten, den 1 Juni 1792, op gezag der Algemeene Staten, door
den Raad van Koloniën vervangen is. Met de vlucht van Prins
Willem V en den val der oud-hollandsche Staatsinstellingen in
1795, verdween ook de Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname
van het tooneel.
                 «.
Onder de Bataafsche Republiek kwam Suriname onder een
Comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen van den
Staat in Amerika en aan de Kust van Guinea,
doch alles
bleef binnen de kolonie op den ouden voet, alle wetten en ver-
ordeningen bleven van kracht, en alle beambten werden beves-
tigd in hunne bedieningen.
-ocr page 32-
— 5 —
Wel zag Suriname zich in 1799 bij verdrag aan de Engel-
schen overgegeven; doch in 1802 bij den vrede van Amiëns
kwam het weder terug onder het staatsbewind der Bataafsche
Republiek.
Den 30 April 1804 moest het echter met de En-
gelschen capituleeren, onder wier bestuur het bleef van 6 Mei
1804 tot 26 Februari 1816, toen Suriname eene bezitting werd
van het Koninkrijk der Nederlanden.
De bevolking van Suriname kan, met inbegrip van Bosch-
ncgers en Indianen geschat worden op 65000 zielen. Hieronder
zijn mede begrepen de Chineezen, Partugeezen en Britsch-ln-
dische
immigranten of Coolie\'s en anderen, die de werkkrachten
der negers zijn komen vervangen. Het totaal-cijfer der immi-
granten van 1853—1883 bedraagt ongeveer twaalf duizend. De
Coolie\'s zijn deels heidenen, deels Mahomedanen. Sommigen
van hen, alsmede van de Chineezen, hebben het Katholicismus
omhelsd. Eenige weinigen waren reeds in hun land gedoopt. De
Portugeezen, nagenoeg allen van Madeira afkomstig, belijden
den R. K. godsdienst. Het gezamenlijk getal Katholieken be-
draagt 13000.
Het aantal onafhankelijke Boseh-negers en Indianen is niet
met juistheid op te geven; de cijfers, die men daarover vindt,
loopen zeer uit elkander. Het ziclental der eersten kan men
begrooten op 8000, dat der tweeden op 4000. Slechts één
duizendtal dezer Indianen bewonen de kustlanden en het oor-
«
spronkelijk terrein boven den 5den graad, en komen met de
overige bevolking in aanraking, terwijl de andere drie duizend
geheel afgezonderd in de hooge binnenlanden hun verblijf\'
houden.
De kustlanden en de laagste streken van den oorspronke-
lijken bodem van Suriname, beneden de watervallen, werden,
toen de eerste kolonisten daar aankwamen , bewoond door de
Indiaansche stammen der Caraïben, Arrowakken en Warau-
wen.
Uit de geschiedenis blijkt, dat zij talrijk en machtig wa-
ren. Ontevreden over de nieuwe bewoners, die hen in het
eigen land kwamen verdringen en zich alle gezag aanmatigden,
lieten zij niet na zich tegen die indringers te verzetten, en hun
veel kwaads te berokkenen. De Caraïben waren het talrijkst en
zouden, volgens de oudste berichten, de oorspronkelijke bewoners
-ocr page 33-
— 6 —
der kusten geweest zijn. Dit ruw en oorlogzuchtig volk voerde
onophoudelijk krijg met zijne naburen, bracht hen in slaver-
nij, of doodde en vernielde hen, deed vele rooftochten, nam
vele plaatsen op zijne vijanden in, en maakte zijne wapenen
over Trinidad en andere Westindische eilanden gevreesd. \')
Ofschoon zij in den beginne een tijdlang rustig bleven, vermits
zij in den verkoop hunner krijgsgevangenen aan de Europeanen
hun voordeel zagen , begon toch hun onderdrukte wrevel zich
allengs meer te toonen; zij begrepen zeer goed, dat de indringers
ook hen niet sparen, maar veeleer verdelgen, in slavernij brengen
en hun land geheel in hezit zouden nemen. De geregelde Euro-
peeschc troepen bedwongen hen echter in het jaar 1084. Zij
vernielden de kampen of dorpen der Indianen, maar hen zelven
te dooden of gevangen te nemen vermochten zij niet. Die bosch-
menschen wisten zich of in het woud te verbergen, of dieper in
het land door te dringen. Dewijl zij evenwel begonnen in te
zien, dat zij op den duur niet tegen de macht der Europeanen
bestand zouden wezen, werd de aangeboden voordeelige vrede
door hen aangenomen. De drie genoemde stammen werden als
vrije en onafhankelijke bewoners van Suriname erkend, met de
uitdrukkelijke verklaring, dat zij nimmer, tenzij alleen om groote
misdaden, in slavernij zouden gebracht worden. Sedert dien tijd
is hot verbond trouw nagekomen, en niet alleen zijn de genoemde
drie stammen overal als weerlcoze naburen toegelaten en ge-
holpen geworden, maar heeft de kolonie ook meermalen veel
dienst van hen gehad. Hun getal is, zoo door uitsterven als
wellicht ook door terugtrekken in de binnenlanden, veel ge-
slonken.
Zij leiden een zwervend en zorgeloos leven. Onbeschrijfelijk
lui en onverschillig van aard, brengen zij hun tijd in de hang-
mat door, liever dan iets meer te werken dan tot het voorzien
in de allereerste levensbehoeften noodig is. De vrouwen houden
zich bezig met het planten van de tot eigen gebruik noodige
1) Men moet donken, dot zij hierbij ongetwijfeld door vreemde krijgg-
oversten zijn moeten geleid worden; de lage trap hunner tegenwoordige
beschaving en de oorspronkelijke middelen van vervoer, die bestaan in
cano\'e of uitgeholde boomen, laten niet toe hun krijgsbeleid toe te kennen.
-ocr page 34-
— 7 —
aard- of vcldvruchten, met liet vervaardigen van eigenaardige
waterkannen, mandjes en korfjes, met het spinnen van katoen
uit de hand enz., behalve het gewone dagelijksche werk der
spijsbereiding. De mannen zijn liefhebbers van de jacht.
De voornaamste hartstocht der Indianen is misschien wel
de zucht naar sterken drank. Het misbruik dat zij daarvan
maken is niet eene geringe oorzaak van hun achteruitgang en
hunne verdierlijking. Zelfs de zachtaardige Arrowakken en Wa-
rauwen worden wreed en oproerig in dronkenschap. Deze beiden
hebben betere gesteldheid voor beschaving en godsdienst dan de
ruwe, wrecde, sluwe en wantrouwende Caraïben: ze zijn vrees-
achtiger, vredelievender en gedienstiger. De Warauwen, die
zeer weinig in getal zijn, en uitsluitend in het westelijk gedeelte
der kolonie, aan de Maratacca en de Corantijn wonen, hebben
zich, volgens Jhr. C. A. van Sypesteyn, »Beschrijving van
Suriname" en andere schrijvers, door meer werkzaamheid on-
derscheiden.
Het zwervend leven, de verre afstanden van de van elkan-
der verspreid liggende kampen, met eene bevolking van slechts
twintig tot vijftig bewoners, de ingeboren liefde voor een-
zaamheid, vrijheid en onafhankelijkheid in hunnen natuurstaat,
hun verregaande onverschilligheid, het slechte voorbeeld en de
sterke dranken der kolonisten werken (met, God weet! welke
andere oorzaken nog meer) noodlottig zarnen, niet alleen om
het zaad des Evangelies voor hen onvruchtbaar te maken, maar
zelfs om hen te beletten het te ontvangen. En, wat de
Indianen betreft, die in de hooge binnenlanden rondzwerven,
(dit geldt evenzeer voor de boven de watervallen wonende
Bosch-negers en de hier en daar in het woud bij troepjes ver-
spreide afstammelingen van in later tijd weggelobpen slaven),
eenieder, die eenigzins met de toestanden bekend is, zal het
voor eene onmogelijkheid houden, dat daar, met de beschik-
bare gewone middelen
, eene Evangclie-prediking tot stand
kome.
Van de Indianen, die van tijd tot tijd met de overige be-
volking in aanraking komen, zijn in de laatste twaalf jaren
door de Missionarissen een groot getal gedoopt, van welken echter
reeds zeer velen overleden zijn.
-ocr page 35-
— 8 —
De Boschnegers zijn veel talrijker dan de Indianen. Ze zijn
afstammelingen van de Marons of\' wegloopers van de plantages,
die, na hunnen meesters ontvlucht te zijn, zich in de bosschen
vestigden. Bereids in 4084 of 1085 waren zij zoo geduchte vij-
anden der kolonisten, dat men met hen een voordeeligen vrede
wenschte te sluiten. Het ontvluchten der slaven van de plan-
tages, en het ondernemen van strooptochten tegen de. plantages
door de Boschnegers, bleef, nu eens uit zelfbehoud, dan we-
der uit roofzucht en wederwraak, gedurende anderhalve eeuw
aanhouden. Duizenden mcnschenlevens en verbazende sommen
gelds kostte het aan de kolonisten, om zich tegen deze hunne
vijanden te verdedigen. Aanzienlijke krijgsverrichtingen van ge-
regelde Europeesche troepen, die het garnizoen bij herhaling
kwamen versterken, konden deze vijanden vaak niet bedwingen,
terwijl nog het meerendeel dei- troepen spoedig zijn graf vond
in de ongezonde boschstreek.
Gedurende deze loopende eeuw hebben zij zich als vrije en
onafhankelijke bewoners in hunne bosschen teruggehouden \') ,
en verlaten die slechts om hout 2) ter markt te brengen en
daarvoor het weinige, wat zij behoeven, in te ruilen.
Ze zijn niet minder ontoegankelijk voor het Evangelie dan
de Indianen.
Volgt nu een woord over de Negerslaven, die altijd veruit
het grootst gedeelte der Surinaamsche bevolking hebben uit-
gemaakt, en die als werktuigen gebezigd werden tot productie
van suiker en andere stapelproducten. Om zich een denkbeeld te
vormen van het aantal Afrikaansene Negerslaven in Suriname, is
het genoeg te weten, dat de West-Indische Maatschappij zich
in 1730 bij vernieuwing van het Octrooi, verplicht had, jaarlijks
\'2500 slaven ter Surinaamsche markt aan te voeren, terwijl het
den planters, tegen betaling van eenig recognitiegeld, nog daaren-
boven vrij bleef aanknopen te doen bij andere slavenhandelaars.
Volgens eene op goede gegevens gegronde berekening, die zeker
t) Met uitzondering van eenige kampen van in later tijd ontvluchte
slaven.
2) Tegenwoordig is do houthandel Ceen niet onbelangrijke zaak in
Suriname, waar de huizon van hoit gemaakt worden, en tevens hout
wordt uitgevoerd) bijna uitsluitend in hunne handen.
-ocr page 36-
— 9 —
niet te hoog is genomen, bedroeg het aantal slaven ten jare
1690 niet minder dan 25000. Fermin spreekt van ecne slaven-
bevolking van 51*000 zielen in het jaar 1791. Bij de volkstelling
in 1812 bedroeg liet aantal slaven in ronde cijfers 50000.
Toen deze menschonteerendc handel in 1808 en later, den
17 September 1818 bij Koninklijk Besluit, en den 20 November
deszelfdcn jaars bij de Wet verboden was, trachtte men zich
door-sluikhandel schadeloos te stellen. Het getal slaven, welke
op die wijze toen nog jaarlijks werden ingevoerd, wordt op
duizend begroot. Daar komt bij, dat wel de Afrikaansche sla-
venhandel maar niet de handel in slaven met andere slaven-
houders verboden was. Eerst in 182G kreeg hij in de strenge
Publicatiën van den Gouverneur A. de Veer den doodsteek. Was
nu de handel in slaven verboden, zij zelven bleven het juk nog
dragen tot 1 Juli 1803, toen allen, krachtens de emancipatie-
wet des vorigcn jaars, hunne vrijheid erlangden.
Een historisch feit is het, hetwelk door niemand kan ge-
loochend worden, dat gedurende het lange tijdperk van het
slavenstelsel, deze allen, op weinige uitzonderingen na, die ge-
lukkig in het eerste vierde-deel van onze eeuw vooral zijn voor-
gekomen , dat deze allen stelselmatig van het Christendom
zijn teruggehouden.
De eigenaren vreesden, dat het Christendom
hun het onbeperkt meesterschap ook over de ziel en het moreele
der slaven zoude ontnemen.
Sommige bewindvoerders der kolonie wendden nu en dan
eenige pogingen aan, ten einde het Christendom ook voor den
slaaf toegankelijk te maken, doch te vergeefs. De Gouverneur
Mauritius schreef den 30 November 1751, dat al zijne pogingen
bij het Hof schipbreuk hadden geleden. Hij maakte de opmer-
king, dat een groot beletsel der verkondiging van Gods woord
in den weg stond, het slecht voorbeeld namelijk van het mee-
rendeel der slavenmeesters, zoodat hij dacht, dat de bekeering
der zoogenaamde christenen die der heidenen moest voorafgaan.
De Gouverneur yan der Meer kwam den 18 December 1755
met een nieuw voorstel, tot verkondiging van Gods woord aan
de heidensche slaven, bij het Hof aan, maar werd koel ont-
vangen.
Onder den indruk van deze koele ontvangst schreef hij
in zijn dagboek het volgende: »18 December 1755. Ik moet tot
-ocr page 37-
— 10 —
mijn leedwezen zeggen, dat de kolonisten niet zeer religieus
zijn." Dit getuigenis komt trouwens overeen met hetgeen de
Conventus Deputatorum (eene vergadering die door de hoofden
der verschillende gereformeerde kerken jaarlijks gehouden werd)
niet lang daarna zeide : »Het moet Gode geklaagd zijn, dat de
godsdienst hier te lande in plaats van cenigszins hersteld te
worden, jaarlijks meer en meer vervalt."
Tegen de Hernhutters \'), die zich de bekeering der slaven
ten doel hadden gesteld, werd in hot Hof van Politie den 21 No-
vember 1740 besloten, hunne openbare godsdienstoefeningen te
verbieden en den huiselijken eeredienst te beperken tot de broe-
ders alléén.
De eerste negerslaaf, van wien de bckecring vermeld wordt,
is op den eersten Juni 1747 in de gereformeerde kerk gedoopt.
De gevallen dat eigenaars er toe overgingen ook maar enkele
slaven, zelfs in de gereformeerde staatskerk, te laten doopen,
bleven intusschen uiterst zeldzaam. Omtrent het midden der
18\'1» eeuw vindt men slechts van zes melding gemaakt. In
1) Eone piëtistische secte van Protestanten, die uit afgescheidenen van
het Lutheranisme, Calvinisme en Hussitisme door vereeniging met zekere
voortvluchtige partjjgangers (de Doheemscbe of Moravische broeders)
door den graaf von Zinzendorf, tusschen de jaren 17-2-2 en 1727, te
Hernhut in Sakson, tot een kerkelijk lichaam gevormd werd.
Hunne hoofdleer is, »do verlossing van de zonde en van de hel door
het bloed en den kruisdood van den goddelijken Heiland;" hun doel:
»zielen voor don Heiland te winnen ;" daarom ook onthouden zij zich
van veel over leerstellige begrippen te spreken. Nergens ter wereld is
het aantal Hernhutters zoo aanzienljjk als in Suriname. ■— Onder allo
Protestantsche secten hebben zij zich in de vorige eeuw in Suriname,
door een eigenaardigen jjver tot bereiking van het dool hunner zending
onder de heidenen onderscheiden. Waren de resultaten vroeger onbe-
duidend, dos te belangrijker zijn die geweest in de laatste vijftig jaren.
Jhr. C. A. van Sypesteyn zegt, tot toelichting hiervan, in zijne «fieschrij-
ving van Suriname" het volgende: » Door do stichting der Maatschappij
ter uitbreiding van het christendom onder da slaven en verdere heiden-
sche bevolking in de kolonie Suriname
in 1828, verkregen de Moravische
zendelingen grooto ondersteuning en werd aan hunnen werkkring een
groote uitbreiding gegeven. Hoewel dit in de eerste jaren daarna minder
merkbaar was, is die uitbreiding ovenwei thans (1853) zoer belangrijk
vooruitgegaan."
In 1831 was het aantal hunner lidmaten 2182, in 1853 bedroeg het
18972, onder welke 18000 slaven. Bij de emancipatie in 1803 telden zij
27547 zielen. —
-ocr page 38-
— 11 —
de boven genoemde Acta conventus depidatorum wordt bij het
jaar 1788 nog dit vermeld: »De predikanten onderwijzen van
tijd tot tijd negers in den Christelijken godsdienst en nemen
hen aan tot lidmaten van Vorst Messias."
Daar waren nu in dien tijd geen Katholieke Missionarissen.
Maar zouden dezen, zoo zij er geweest waren, de eigenaren der
slaven beter hebben kunnen bewegen om hun de deur tot het
Christendom te openen ? Zouden zij zelfs eenige weinige vrije
lieden
hebben kunnen bekeeren? Met het oog op de toestanden,
kon dit niet verwacht worden. Eerst en vooral kon men in die
dagen niet verwachten, dat het uitoefenen van den Katholieken
godsdienst ook maar oogluikend zou worden toegelaten. In 1743
wilde zeker Katholiek een geloofsgenoot, Smith geheeten, voor-
bereiden tot het ondergaan der doodstraf. Die pogingen werden
hem zoo kwalijk genomen, dat een besluit van het Hof uitging:
»Dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mocht
worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiozaken
zal mogen spreken, dan met speciale permissie van den Gouver-
neur." De eenig geijkte godsdienst duldde geene mededinging!
Zelfs den Lutherschen, die in 1740 met de uitoefening van hun
eercdienst begonnen waren, werd door den Raad - fiscaal verbod
gegeven, » wijl die bijeenkomsten strijdig waren met de wetten
des lands." En zelfs, nadat zij van de Regeerders der kolonie de
toelating van hunnen eeredienst verkregen hadden, moesten zij
nog gedurig belemmeringen ondervinden. Al wie lust heeft zich
met de haarkloverijen der kerkbesturen van Suriname in de
18de eeuw bezig te houden, kan zich van die belemmeringen
in andere historieboeken overtuigen.
De werkkring van den Katholieken priester zou zich der-
halve, vóór en gedurende de 18deeeuw, uitsluitend tot de blanke
bevolking hebben moeten bepalen. Deze nu was betrekkelijk zeer
gering. In 1690 bedroeg zij 1800 zielen, van welke een derde
gedeelte Israëlieten waren; in 1791 waren er 3790, van welke
1760 Joden, en in 1812 slechts 1300 Joden en 757 Christenen.
En hocveleo van deze Christenen waren Katholiek ? Teenstra
stelt het aantal Katholieke Europeërs, zelfs in het jaar 1830, op
slechts 209. Dit cijfer is voor dien tijd zeker te laag gesteld;
maar wat de voorgaande eeuw betreft, is het wel to vermoeden,
-ocr page 39-
— 42 —
dat de Katholieken in Suriname, bijna uitsluitend in het garni-
zoen te vinden waren. Uit de oudste registers der Missie blijkt
althans, dat zich onder de militairen steeds een aantal Katho-
lieken bevonden.
Men moet waarlijk den moed der Nederlandsche Katholieken
bewonderen, die onder zulke ongunstige omstandigheden niet
geaarzeld hebben de vestiging der Katholieke Missie tot twee-
maal toe te beproeven, eens bij den aanvang, eens bij het
einde van het rijk der Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname.
Eer aan den ijver der waardige priesters, die deze vestiging
durfden ondernemen!
-ocr page 40-
ir HOOFDSTUK.
Eerste vestiging van Rooinsch Katholieke Missionarissen
in Suriname.
De geoctrooieerde Sociëteit van Suriname was door aankoop
eigenares der kolonie geworden en de Heer van Sommelsdijck,
een der medeëigenaars, had aangenomen, zelf naar Suriname te
gaan, en zich als Gouverneur met het bestuur der kolonie te
belasten.
Allertreurigst was aldaar de toestand. De slaven werden op
een vreeselijke en onmenschelijke wijze behandeld, zoodat men
zich niet ontzag hen, zelfs voor betrekkelijk geringe overtredin-
gen te verminken en te dooden ; ieder was zijn eigen rechter,
zoodat de grootse gruwelen straffeloos bedreven werden; de
planters waren zoo losbandig, dat recht en gerechtigheid hun
onbekend schenen. Door onderlinge twisten verdeeld, verweten
ze aan elkander, oorzaak te zijn van het verval der kolonie.
Kortom, Suriname bestond uit eene ongelijksoortige bevol-
king van gelukzoekers, wier zedelijkheid zeer laag was. Zeeland,
ten einde raad, hoe het met die kolonie aan te leggen, was tot
het besluit gekomen haar te verkoopen. Geen wonder dus, dat
de nieuwe eigenaren hier een man aan het hoofd wilden stellen,
wiens belangen met de hunne vereenzelvigd waren. Die man
was van Sommelsdijck.
Hij landde te Suriname den 24 November 4(583.
Rond krijgsman, van onbekrompen begrippen en met edel-
moedige gevoelens bezield, streefde hij onvermoeid naar de ver-
wezenlijking van een plan , waaraan zijn eigen roem en welzijn
grootendeels verbonden waren. Dat plan was de welvaart en de
bloei van Suriname. In gunstiger omstandigheden, met dieper
inzicht en de praktijk van de geestelijke krijgskunde, zou hij on- •
getwijfeld voorzichtiger, zachtmoediger en grootmoediger geweest
zijn, en het kwaad in anderen met beter gevolg bestreden
-ocr page 41-
— 14 —
hebben. Hij bezat een vast en doortastend karakter en voerde
met onverbiddelijke gestrengheid zijne plannen door. Zijne be-
stuursdaden kenmerkten hem als iemand, die liefde had voor
het recht, de goede zeden en den godsdienst. In eene beoor-
deeling van zijn privaat leven hebben wij niet te treden. De
berichten daarover loopen te zeer uit elkander. Zeker is het,
dat ook van Sommelsdijck heeft ondervonden, hoe moeilijk het
is, nauwlettend te wezen op orde en goede zeden en daarbij
beveiligd te blijven tegen de wederwraak des lasters. Ziedaar
den man, die, ofschoon protestant, in Suriname de deur voor
den Katholieken godsdienst geopend heeft.
Doch, om ons te kunnen verklaren, hoe de vestiging cener
Roomsch Katholieke Gemeente in Suriname tegen het einde der
17de eeuw mogelijk is geweest, moeten we met van Sommels-
dijck en zijne bestuursdaden nog nader kennis maken.
Aan de wanordelijkheden, die de Zeeuwen ontmoedigd
hadden, trachtte hij paal en perk te stellen. Eerst en vooral
zocht hij de Indianen en Bosch-negers te bedwingen. Hij ves-
tigde vervolgens zijn blik op de kolonisten, verbood de huwe-
lijken en de gemeenschap van blanken met negerinnen, alsmede
het eigenmachtig verminken of dooden van slaven, richtte een
Raad van Politie en Crimineele Justitie op, en stelde eene
Weeskamer en desolate Boedelkamer in.
Van godsdienst, zeggen de oude schrijvers, gaf hij zelf het
voorbeeld. De zondagviering en de bepalingen daaromtrent in
het moederland bestaande , die sedert 1034 ook voor de volk-
plantingen in de Nieuwe Wereld door de Algemeene Staten van
kracht waren verklaard, handhaafde hij niet groote gestrengheid.
Hij onderhield twee Hollandsche predikanten en een Waalschen,
stichtte een gereformeerde kerk op het fort, dat zijn naam draagt,
en lokte de Labadisten uit, om zich in Suriname te vestigen. \')
1) Volgens II. J. Koenen, »do Geschiedenis van de vestiging en den
invloed der Fransehe vluchtelingen in Nederland" (Leiden 18i(5), en vol-
gens de «Geschiedenis der uitgewekenen" door een Professor in do Ge-
schiedenis aan het Lycée Iionaparte, (Paris 1853), zou zekere Dalbus
de eerste predikant der Waalache Gemeente geweest zijn. Deze Dalbus
moet dan vóór 1090 in Suriname geweest zijn, wjjl in dat janr, volgens
andere documenten, zekere Jean JJriffault voor de Waulsche gemeente als
-ocr page 42-
— 15 —
Met deze laatsten te begunstigen toonde de Gouverneur, dat hij
de uitbreiding van het Christendom, ook onder de heidenen, in
de hand wilde werken. Dat immers beoogde de secte der Laba-
disten. Ook schijnt het, dat Waalsche predikanten reeds onder
van Sommelsdijck begonnen zijn er zich op toe te leggen, om hei-
denen in het Christendom te onderrichten. Die pogingen, ofschoon
geheel vruchteloos aangewend, bewijzen toch, dat de Gouverneur
niet behoorde tot die exclusief-Gcreformeerden, die geen andere
belijdenis naast zich toelaten. Ook de Israëlieten, destijds ver-
mogende ingezetenen der kolonie, bleven onder hem in het volle
genot der hun verleende voorrechten. Zij hadden vrijheid van
godsdienstoefening, mochten naar hunne eigen gebruiken trouwen,
waren niet verplicht den Zondag te vieren, bezaten een eigen
predikant optrad, terwijl in de rij zijnor opvolgers van geen Dalbus
meer sprake is.
De secte der Lahadisten had tot stichter zekeren apostaat Jean de
Lahadie
, die, den 13 Februari 1G10 te Fiourg in Guienne geboren, als
knaap veel verstand, redenaarstalent en vroomheid aan don dag legde.
Ten gevolge eener verkeerde richting van geest en hart, verviel hij eerst
in een valsch mysticisme en eene overdrevene gestrengheid, daarna in
zelf begoocheling door zich in te beelden eene bijzondere zending als boet-
prediker ontvangen te hebben; vervolgens in de strikken van de onreine
drift, die hem met het voorhangsel van godsdienst tot een verleider der
zielen maakte, en eindelijk in de ketterij. Calvinistisch prediker geworden,
stichtte hij overal onrust, tot hij, van die bediening uitgesloten, oene
sekte van eigen maaksel opzette, waarvoor hij aanhangers te Amsterdam,
Middelburg en Bremen vergaderde, lljj stierf te Altona in Holstein, in
het jaar 1074. Zijne volgelingen vestigden zich te Wieiverd in Friesland.
Van Wleuwerd ging in het jaar 1681 hunne vestiging in Suriname uit,
waar zij tot standplaats kozen La Prooidence, een plantage aan de Su-
riname. Hun doel om door eene zachtzinnige behandeling hunner slaven
de heidenen te bekeeren, bereikten zij niet. De eendracht en tucht van
Wieuwerd was op La Providence niet te vinden. Nieuw aangekomen broeders
vonden er, in plaats van een Eden, een ziekenhuis en eene hel! Nog een
korten tijd rekte de stichting der Labadisten in Suriname haar kwijnend
leven tot dat zij geheel verdween. — (Vergelijk H. Van Berkum, bij
J. Walbers).
Wat Professor Weiss verhaalt van de resultaten, door de predikntiën
der Waalsche predikanten voortgebracht is, volgens Jhr. van Sypest* yn,
minst genomen erg overdreven; »in geen ander geschrift," zegt hij,
«wordt er melding van gemaakt." Men heeft geen besef van de moeilijk-
heden aan dit werk verbonden. Nog heden ten dage ondervinden de
katholieke Missionarissen in Suriname, wat het zeggen wil Indianen, en
vooral Caraïhen, te bekeeren, en hen tot de voor het H. Doopsel ver-
eischte kennis en gemoedsgesteldheid te brengen.
-ocr page 43-
— 16 —
rechtbank voor civiele zaken (tot aan zekere som), en hadden
het recht van verbanning over hun eigen geloofsgenooten. Of-
schoon zij de moesten dezer voorrechten tot het jaar 18\'25 bleven
behouden, was toch in den loop der 18de eeuw hunne positie zeer
verschillend van die, welke zij vóór en tijdens van Somrnelsdijck
innamen. Onder liet bestuur van dezen behoorden zij tot de aan-
zienlijkste kolonisten, terwijl zij in de daaropvolgende eeuw buiten
de vergaderingen der Christenen gesloten werden, verstoken ble-
ven van hoofdambten en voorname bedieningen in den lande, en
zelfs een tijdlang, na het jaar 1750, het voorwerp waren van
beraadslagingen en voorstellen aan de Geoctrooieerde Sociëteit
van Suriname,
om hen meer van de andere ingezetenen af te
zonderen, en hun een afzonderlijk kwartier in de stad ter be-
woning aan te wijzen.
De verdraagzaamheid, waardoor van Somrnelsdijck zich onder
zijne tijdgenooten onderscheiden heeft, strookte geheel en al met
zijn plan, om de kolonie zoo spoedig en zoo veel mogelijk te
bevolken. Allen die zich aanmeldden waren welkom: Duitschers,
Franschen, Nederlanders en Joden. Zelfs verzocht en verkreeg
hij in 1084, dat de misdadigers in de provincie Holland, in
plaats van in tuchthuizen te worden opgesloten , naar Suriname
verscheept werden, om daar aan \'s lands werken of anderszins
dienstbaar te wezen. Zelf had hij bij zijn vertrek naar Suriname
(3 September 1081$) verscheidene honderden Frahsche uitgeweke-
rien medegebracht, waaronder vele ambachtslieden en landbou-
wers, die hij bij hunne aankomst met landerijen bedeelde. Latei-
volgden nog veel meer anderen.
Verre van onverschillig te zijn voor het Christendom, lette
van Somrnelsdijck er evenwel niet zoo nauw op, of de kolonisten
al dan niet de leer der Gereformeerde Staatskerk aankleefden.
Als Christen wilde hij de bekcering der heidenen bevorderen,
als landvoogd duldde hij de Evangelieprediking, ook al geschiedde
deze buiten de richting van de heerschende religie. Goede staat-
kundige redenen hebben wellicht ook het hare tot deze in die
eeuw ongewone verdraagzaamheid bijgedragen. Toen do land-
voogd er eindelijk in geslaagd was den vrede met de Indianen
en Bosch-negers te sluiten, was er voor hem alles aan gelegen,
dien ook duurzaam te maker. En zou hij, naar middelen
-ocr page 44-
— 47 —
uitziende, om dit doel te bereiken, blind zijn geweest, en de
machtige hulp hebben kunnen voorbijzien, welke de bekeering
dezer heidenen hem daartoe zou aanbieden? Nog eens, was van
Sommelsdijck een orthodox protestant, of zelfs, gelijk Teenstra
aanmerkt, »cen bittor protestant," dan was hij toch een bitter
protestant van eene bijzondere soort, die niet alleen godsdienst-
vrijheid en bescherming verleende aan Joden, en aan protestanten
van eene andere belijdenis dan de zijne, maar daarenboven,
altoos volgens denzelfden geschiedschrijver, »niet zeer sterk
tegen den katholieken godsdienst was ingenomen." Het bewijs
dat Teenstra hiervoor bijbrengt, dat namelijk van Sommels-
dijek\'s gemachtigde en geldschieter in Nederland Roomsch Ka-
Katholiek was, beduidt niet veel; zooveel echter kan men er uit
afleiden, dat van Sommelsdijck zich boven »bittere protestan-
ten", die geen katholieken als gemachtigden of geldschieters
willen, gunstig heeft onderscheiden. Hij was niet een spapen-
hater", gelijk het toenmaals vele Staatslieden in het moederland
waren. De Gouverneur van Suriname, ofschoon orthodox pro-
testant, had godsdienstige en staatkundige beginselen , geheel
verschillend van die der Algemecne Staten en der sterk Calvi-
nistisch gekleurde Staten van Zeeland. Daarom was hij bij dezen
ook weinig bemind. We zullen gelegenheid hebben hiervoor te
geschikter plaatse cenige staaltjes ten bewijze aan ti voeren uit
de wederzijds gewisselde brieven.
Beter en meer afdoend bewijs, voor van Sommelsdijck\'s
verdraagzamen geest, is de toelating en uitoefening van den
R. K. godsdienst in Suriname. Wij hebbengemeend ietwat in
het breede over dezen Gouverneur te moeten uitweiden, deels
omdat wij ons nog altijd voor die hoog te waardeeren wei-
daad verplicht gevoelen, deels ook, opdat men. verbaasd over
het verschijnen der katholieke kerk in een tijdperk, toen de
papenhaat, ook bij de regeering, nog in vollen gang was, er
niet toe komen zoude, het optreden der eerbiedwaardige Mis-
sionarissen van onvoorzichtigheid of roekeloosheid te verdenken.
Een Gouverneur toch als Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck,
ofschoon protestant, schonk eenigen waarborg voor hunne
personen, en stelde de hoop van te kunnen slagen ten minste
niet al te ver uit het verschiet.
Suriname,                                                                                                                            m
-ocr page 45-
- 48
Ziehier nu hoe de geschiedschrijver Wolbers in eenige wei-
nige regelen de stichting en onderbreking der Surinaamsche
Missie verhaalt:
»De Heer van Sommelsdijck had zekere som gelds, ter vol-
doening van zijn quotum in de Sociëteit, opgenomen van een
koopman te Amsterdam, Philippus van iJulten, \') die de R. K.
godsdienst beleed. Toen van Sommelsdijck naar Suriname ver-
trok, stelde hij dezen van Hulten aan als gemachtigde voor zijn
aandeel in de Sociëteit. Deze man, een ijverige Iioomsche, zond
twee priesters in wereldlijk gewaad naar Suriname, die echter
kort na hunne aankomst overleden."
Geloove wie het kan, dat de Heer van Hulten eigenmachtig
en zonder voorkennis des Gouverneurs deze priesters naar Suri-
name gezonden hebbe! Het optreden in wereldlijk gewaad der
Missionarissen wettigt die onderstelling geenszins, daar het pries-
terlijk kleed, om wille der booze tijden, zelfs in het moederland
niet gedragen werd. Daarenboven, hoe zou de eerste zending van
priesters reeds een jaar later door eene tweede zijn gevolgd, als
de Gouverneur en wellicht de Sociëteit zelve daarbij geen vrede
hadden gehad? Verder, de Heer Van Hulten moge nog zoo ijverig
katholiek zijn geweest, hij moge den priesters de behulpzame
hand hebben geboden, en zelfs, mot andere katholieken, hunne
zending van de Hooge kerkelijke Overheid verzocht en verkregen
hebben, de eigenlijke Zender kon hij niet wezen. Deze was de
aartsbisschop van Dainascus, Mgr. Sebastianus Antonius Fanara, -)
Apostolisch Internuntius bij het Hof te Brussel, door Cle-
mens X, tijdelijk met de geestelijke rechtsmacht, over Suriname
en de voormalige Hollandsche Zending belast. Wijl het nu
niet mogelijk is aan te nemen, dat de gezant des Pausen deze
priesters hebbe uitgezonden, zonder zich te voren met de be-
stuurders van Suriname op eenige wijze verstaan, en van hunne
gevoelens vergewist te hebben, zoo blijft ons alleen over, aan
van Sommelsdijck de rechtmatige eer toe te kennen, dat hij
1) Omtrent dezen weldoener der Missie is ons niets meer bekend.
2.) Mgr. Fanara werd in 1687 tot Nuntius bevorderd, eerst te Keulen,
vervolgens te Lissabon en later te Weenen. Den 1-2 December 1G95 tot
de waardigheid van Kardinaal verheven, is hij den 5 Mei 1724 overleden.
-ocr page 46-
- 10 —
het geweest is. die aan de katholieke kerk, in die dagen van onvcr-
draagzaainheid in den godsdienst, vrijheid en bescherming ver-
gunde, om zich op Surinaamschenbodem te vestigen. Die vesti-
ging nu dagteekent van de maand December 1083, of van het
begin der maand Januari \'108i. Tiet weinige dat wij van de
vestiging en den werkkring dier eerste Missionarissen kunnen
mededeelcn, is geput uit echte en geloofwaardige bronnen,
namelijk uit de oude kronieken der Paters Minderboeders van
de Ncderduitsche Provincie. Wij hebben twee eensluidende
afschriften van die kronieken , een van die van het klooster van
Antwerpen, en een ander van het klooster te S\' Truiden, in
Belgisch Limburg, voor ons liggen. In ilie afschriften is alles
opgenomen, wat die kronieken van de Surinaainsche Missie
behelzen. De kopie van S\' Truiden is in het jaar 1807 door
den Zeereerwaarden Pater Joscphus Bell, Gardiaan deskloosters,
eigenhandig genomen op een handschrift uit liet jaar \'1714, en
door hem gewaarmerkt. Van den letterlijken latijnschen tekst,
dien wij in een aanhangsel mededeelen, laten wij hier eene
getrouwe, ofschoon eenigszins vrije vertaling volgen, waarbij
enkele toelichtingen gevoegd worden.
De kopie luidt als volgt:
»An° 1683. Twee van een wonderbaren zielenijver bran-
dende Paters Minderbroeders, uit het klooster te Leuven in
Brabant, werden den 4 November 168:3, \') voorzien van de
11 Naar een dit jaar ontvangen borioht uit het klooster te \\Vnert,
zouden de eerste Eerw. Paters te Paramaribo zijn aangeland den \'24"
November 1083. Hiertegen bestaan bezwaren; immers het decreet van
aanstelling en de niededee\'ing der noodige faculteiten gingen van de
Congregatie de Propaganda Fitle uit op 2\'2 September 1083. Die
stukken met een b"geleideuden brief aan den Iloogeeiw. Pater Ff.
Kofnruad Graven,
den Minister-Provinciaal, werden dooi- zjjne Exeel-
lentie, Mgr. Fauara, Internuntius, den 1i Oetober 1U83 uit lirmmel
naar genoemden Pater Provinciaal opgezonden, met verzoek, om de
documenten in veiligheid naar de voor zeven jaren als Missionarissen
aangestelde Paters over te zenden. Neemt men nu aan, dat de zende-
lingen den 4 Novcmbjr vertrokken zijn, dan konden zij den \'24 der-
zeilde maand niet in Suriname aanlanden. Zouden zij waarlijk den \'2i
November te Paramaribo zijn aangekomen, dan is men verplicht, hun
vertrek op den 26 Oetober of daaromtrent te bepalen, om met eene
buitengewoon snelle vaart in vier weken, of in ééne maand, de zeereis
af te leggen. .Maar die datum van 21 November doet ons denken aan
-ocr page 47-
— 20 —
noodige volmachten der bevoegde Overheid, naar de, op onge-
veer den zesden graad Noorderbreedte gelegene Surinaamsche
Eilanden, \') in de West-Indiën gezonden. Beiden waren zij
uitgekozen onder verscheidenen, die zich vrijwillig, bij gelegen-
heid van een daartoe gedaan voorstel, tot die Zending hadden
aangeboden.
»I)ie twee edelmoedige mannen waren Fredericus Van der
Hofsladt
en Thomas Fidler. Eenigen tijd later werden zij ge-
volgd door Pater- Petrus Grol 2) en den chirurgijn-leekebroeder
Joannes Graefdorf. 3)
»Deze zending nu had ten doel: vooreerst de aldaar ge-
vestigde Europeesche katholieke suikerplanters, die met onka-
tholieken van meerdere secten en met Israëlieten over de ver-
schillende eilanden, verspreid waren, en, verstoken van de
priesterlijke bediening, onder de wilde Indianen, een volk zonder
bepaalden ecredicnst en zonder wetten, groot gevaar liepen
den Gouverneur C. van Sommnhdijck, die zich don 3 September 1683
inscheepte aan boord van den Jonge Pioter, en don 2i November 1683
te I\'arnmariho aankwam. Zou hot wellicht geoorloofd zijn te veronder-
stellen, dat er redenen bestonder, om de Paters niet den Gouverneur op
reis te zenden, voordut do vormelijke aanstelling, enz. door de Propa-
ijnnda
geschied was? Wij laten die gissing geheel in het midden, en
vermelden haar niet, als bozato zij in onze oogen eenigo waarde. Het
gevoelen, waartoe wij het meest overhellen, is, dat de Kerw. Paters
den 4 November zijn vertrokken, en den 24 December of daarom-
■trent, te raramariho voet aan wal hebben gezet. Naar die berekening
zouden zij eene gewone gunstige zeereis van zes of zeven weken gehad
hebben. Zie Bijlage II.
•1) Ofschoon Suriname op den vasten bodem van Zuid-Amerika is ge-
legen, wordt toch, bij verschillende oude schrijvers van de «Surinaamsche
Eilanden" gewaagd. Dit komt, ofwel omdat men Suriname tot de West-
Indische eilanden rekende, ofwel omdat hetzelve door stroomen, rivieren
en tallooze kreken doorsneden, duizenden plekken gronds aanbiedt, dio
in meer uitgebreiden zin waarlijk eilanden kunnen genoemd worden,
wat vooral het geval is in de regenseizoenen, als het water uit de berg-
landen en uit de aldaar gevormde moerassen, of zoogenaamde zwampen,
in zijn vaart naar zee, over de oevers der kreken heen stroomt.
2)  In het 8!8" deel van »De Godsdienstvriend" wordt zijn naam ge-
schreven Croll, en in de kopieën, berustende in het Archief van het
Apost. Vicariaat van Suriname, éénmaal Crols.
3)  De kopie van Pater J. Bell schrijft Graafdorf; die genomen is op
de kroniek van Antwerpen Graesdorf, »de Godsdienstvriend" \\van
Grasdorf.
-ocr page 48-
— 21 —
zelvon te verwilderen, met het brood des goddehjken woords
te voeden en door het gebruik der heilige Sacramenten te ver-
sterken; ten andere, het zaad des waren gcloofs verder heen
uit te werpen, en, onder den zegen des hemelschen Planters,
na verloop van tijd den rijksten oogst onder de zeer barbaarsche
Indianen in te zamelen.
»Met welken ijver echter en met hoeveel arbeid die Bedie-
naren van Christus, na onmetelijke zeeën doorkliefd te hebben,
het bovengenoemd doel hebben trachten te bereiken, valt moeielijk
te zeggen; zooveel slechts kan uit de van daar gezonden brieven
worden afgeleid, dat hunne brandende, hunne Apostolische
harten alleszins waardige, hunne met Apostolischen ijver werk-
zame liefde jegens God en den naaste, niet dan met hunnen
dood den eindpaal bereikt heeft, die niet eindigen zal in eeuwigheid.
»Do eerste, die het verdiende loon voor zijnen onvermoeiden
arbeid ontving, was Pater Fredericus van der Hofstadt. Door
zijn mcdehelper met de Sacramenten der stervenden behoor-
lijk voorzien, stierf hij in de stad Paramaribo, den 27 Octo-
ber in het jaar Onzes Heeren 1684, in de elfde maand sedert
de daar geopende Missie, op den dag zclven, waarop hij drie
dagen te voren voorzegd had te zullen sterven. Hij was 46 jaren
oud en telde 26 jaren religieuze professie. Zijne geboorteplaats
was de stad Jouven. Gedurende verscheidene jaren reeds scheen
hij, om zijne uitstekende zeden en om de reinheid zijner ziel,
iets groots te voorspellen, toen hij Minderbroeder werd. In de
bedieningen, welke hem in de Orde werden toevertrouwd,
onderscheidde hij zich door gestrengheid jegens zich zelven en
door goedheid en buitengewone nederigheid jegens anderen. Het
gering gevoel van eigenwaarde, dat hem altoos bezielde, straalde
ook daarin door, dat hij niet ophield, met den grootsten aan-
drang zijn ontslag van alle bedieningen aan te vragen. De wijze,
waaroj) hij die aanvragen deed, scheen ook iets meer te verra-
den; het was alsof hij bewust ware van de moeielijker taak,
welke de Hemel voor hem bestemd had. Dat hij niet als marte-
laar gestorven is, was niet aan zijne vurige verlangens, maar
aan Gods wijze beschikking te wijten. Immers den 13 Ja-
nuari 1684 schreef hij uit Suriname volgenderwijze aan zijn
Overste:
-ocr page 49-
_ 22 —
« « Dagelijks bclagon zij ons (do ongoloovigen namelijk en
de onkatholieken), maar daarover bekommeren wij ons weinig,
mits wij onze loopbaan voleindigen en niet te leur gesteld
worden in onze verwachting; liet doel onzer zending bereiken,
zielen winnen voor God , en de kroon der martelie wegdragen,
ziedaar al ons streven. Reikhalzend zien wij dagelijks dien rocm-
rijken dood te gemoet; dagelijks bereiden wij ons daartoe voor,
want in dat wekelijksch rivierreisje" (om de acht dagen toch
begaven zich beide Paters beurtelings op reis, om hunne be-
diening uit te oefenen onder de katholieken, die op de afge-
legene eilanden verspreid waren) » verkeeren wij in aanhoudend
levensgevaar van de zijde onzer vijanden , de Indianen, \') door
wier grondgebied wij moeten heenvaren. Velen worden door
hen gevangen genomen en wreedaardig vermoord. Langzaam
verbrand en gebraden worden zij half levend door hen op-
gegeten."
»Na den dood van Pater Van der Hofsladt bevond zich
Pater Fuller alleen; zoohaast mogelijk echter werd hem een
medehelper toegezonden uit België, om de ledige plaats des
overledenen aan te vullen, en zijne Apostolische werkzaamheden
over te nemen. Die opvolger was Pater Petrus Crol, geboortig
van Rozendaal, en een tijdlang Vicaris in het klooster te He-
renlhah.
Maar door de vermoeiende reizen afgemat, door het
zwaardrukkend klimaat overmeesterd, en door het gebrek aan
levensbehoeften uitgeput, stierf hij den 7 Maart 1686, om, na
weinige maanden arbeids, de rijke vruchten van vele jaren te
gaan inoogstcn."
»Pater Thomas Fuller bevond zich nu andermaal van den
I) De ongewijde geschiedenis vermeldt, dat de Indianen, vooral de
Caraïben, niet ophielden de kolonie door hunne invallen te verontrusten.
In de jaren 1(183 en 1(184 liet do Gouverneur van Sommelsriijck onop-
houdeljjke tochten tegen hen doen. Hij verwoestte vijf hunner kampen
en gaf last aan de planters, om de (\'araïben, waar zij hen ook ont-
moetten, zonder genade dood te schieten, üf zij in den regel zoo wreed
waren, als Pater Van der Hofsladt hier verhaalt, is niet uit te maken.
Doch ook is het niet te verwonderen, dat de feiten, welke hij verhaalt
en die hij zelf vernomen had, of had zien gebeuren, toen nog uit weder-
wraak plaats vonden, vooraleer namelijk in den loop van 1684, de vrede
tot stand kwam.
-ocr page 50-
— 23 —
troost eens goeden vriends en oprechten medebroeders beroofd;
doch sterk door zijne zuivere bedoeling en vol edelmoedige ziels-
kracht, teckende hij ook zich zelven met al de reinheid en edel-
moedigheid zijns harten, even duidelijk in zijn tweeden en laatsten,
als in zijn eersten brief, aan zijn medebroeder in België, Pater
Qiristophorus Aforet. De eerste brief luidt aldus :
Paramaribo, \'14 October 1085. \')
» »Wat de oprechte meening in den dienst van God ver-
mag, weet ik bij ondervinding; want aan alles gebrek lijden ter
liefde van Hem, die zich ter liefde van ons geheel heeft over-
geleverd, is overvloed hebben aan alles. Ik heb vergeten het
noodige voedsel te nemen; maar mijne ziel lijdt geen honger.
Meermalen ontbreekt het mij aan genoegzame boomwortelen,
het hier gewone voedsel; 2) intusschen bezwijk ik niet, want
1)   In de kronieken der Minderbroeders van de kloosters te Brussel,
te llortentlaal, te Leuven, te Mechelen en te Antwerpen , evenals in de
kronieken van het klooster te S\' Truiden, wordt de li October 1689
als dagteekening van dezen eersten brief van Pater Thomas Fuller aan-
gegeven. Dit moet eeno schrijffout wezen der eerste opstellers of der
kopiisten, want uit de ongewijde geschiedenis van Suriname blijkt met
zekerheid, dat de Missio arissen reeds in 1687 overleden waren. Op de
naamlijst van het provinciaal kapittel der Minderbroeders, gehouden te
Brussel, 31 Augustus 1687, komt mede de naam van Pater Thomas Fuller
op het dooden register voor. Uit eene vergadering der Paters Minder-
broeders, den i September 1(58(5 te Amsterdam gehouden, blijkt, dat
het bericht van den dood des laatsten Missionaris, Thomas Fuller,
reeds was aangekomen, en dat dientengevolge eenparig werd goedge-
vonden, de gewijde en ongewijde goederen en meubelen, vooral de hei-
lige vaten , ten gebruike der kerk en der priesters bestemd, onverwijld
uit Suriname op te vragen, tenzij om eenige later voorkomende omstan-
digheden anders beslist zou moeten worden. Wij hebben die fout ver-
beterd, met in plaats van 1689 te schrijven 1685.
2)   Door boomwortelen, waarvan hier sprake is, moeten wij verstaan
de cassave, een heeslergewas, welks wortelen ofwel gekookt, ofwel, na
geraspt en tot meel vervaardigd te zijn, op andere wjjzen toebereid en
gegeten worden. Do cassave is nog tegenwoordig een hoofdvoedsel in
Suriname en het bjjna eenige voedsel der Indianen. De gewone kost der
inlanders zijn nog heden cassaven, bananen en eenige aardvruohten,
welko voedingsmiddelen, voor pas aangekomen Europeanen, niet alleen
weinig smakelijk, maar daarenboven volstrekt onvoldoende zijn tot be«
hoorlijk onderhoud van het leven.
Ook in andero tropische gewesten hebben de Missionarissen, die,
overeenkomstig do heilige regelen hunner instelling, of tot meerdere
gelijkvormigheid met de armoede van Christus, zich met het voedsel
van den gemeenen man tevreden stelden, sterfgeval op sterfgeval onder-
-ocr page 51-
— 24 —
ik word verzadigd met het brood der tranen, en in de verster-
ving smaakt men de blijdschap des geestes. Kom en proef, hoe
zoet de Heer is voor degenen die voor Hem arbeiden, enz."
»In den brief, na den dood van Pater Crol geschreven,
drukt hij zicli in de volgende bewoording uit:
»Paramaribo, 13 April 1686.
»»Andere medehelpers worden gevorderd ten gevolge van
den vrede met de barbaarsche Indianen gesloten. Dit gewest
is zeer uitgestrekt en volkrijk, en na verloop van tijd zijn er
ontelbare vruchten te verwachten. Derhalve, dring er te gelo-
gener en ongelegener ure op aan, om tot ons getal te kunnen
gerekend worden. Grootmoedige soldaten worden door deij dood
hunner strijdmakkers niet afgeschrikt, maar veeleer tot den
strijd aangevuurd, en dezen strijden voor eene vergankelijke
vonden. Men vergelijke hetgeen deswege in het »Loven van den Eerwaar-
digen Pater LUtermarm, Stichter van de Congregatie van hot tl. Hart
van Maria en eersten Gencraal-Oversto van de Congregatie van den
H. Geest en van het Onbevlekte Hart van Maria," (Paris, Julien Lenier &
C\'*, 1855, blz. 419) door den (aldaar niet genoemden) Kardinaal Pitra,
gezegd wordt. We lezen daar over Mgr Benoit Ti-u/fut, die op voordracht
van den Eerwaardigen Eibermann tot Apostolisch Vicaris der beide
Guineas en van Senegambië was aangesteld, het volgende:
«Nauwelijks was deze bisschop der Zwr.rten in zijn Vicariaat aan-
gekomen, of hij begon zich, in de voedingswijze, geheel naar dezen te
regelen, lljj rekende te veel op zijn sterk gestel; daarom vergenoegde
hjj zich met het voedsel der inlanders. Dit was eene dwaasheid, waarop
zich niemand verwacht had. Niets toch had er aanleiding toe gege-
ven, en tot op den dag van heden is deze zijne handelwijze onverklaar-
baar gebleven. Het scheelde weinig, of al de Missionarissen bezweken
er onder. Binnen zes maanden, namelijk den \'25 November 1847, stierf
Mgr Ii. Truffel aan eene kwaadaardige koorts, welke slechts drie dagen
geduurd had."
Wijl dan het inlandsch voedsel alleen voor den Europeaan onvoldoende
is, weiden in Suriname garnizoen en zeemacht, die tot voor weinige ja-
ren uitsluitend uit Europeanen bestaan hebben, en worden zij nog heden
door de Hollandscho schepen gedeeltelijk geproviandeerd. De llollandsche
kost was intusschen niet zelden, door het uitbljjven der schepen, schaarsch
in de kolonie. Voor de militairen was dit dikwijls eene aanleiding tot
ontevredenheid, vooral in die eerste tijden, waarin onze Missionarissen
leefden. Ja, welhaast zullen wij zien, hoe gebrek aan het noodige rant-
soen voor hen eene aanleiding werd tot muiterij, tot den moord des
landvoogds en tot gewelddadige bemachtiging van het gezag.
tiet is dorhah e niet te verwonderen, dat ook onze arme priesters zich
menigmaal moesten tevreden stellen met het voedsel van den slaaf, en
zij daarom spoedig door gebrek stierven.
-ocr page 52-
— 25 —
kroon, terwijl wij, tor belialing van cenc onsterfelijke ten
strijde zijn aangegord. Die herwaarts overkomen, zijn zooveel
als Christus\' blijde-schutters. En wat is eraan gelegen, dat wij
spoedig sterven? Wij sterven immers voor Hem, die voor ons
gestorven is, en door Wiens dood wij onsterfelijk worden. En
is er wel iets roemrijkers dan voor zulk een glorierijken Aan-
voerder te sterven? Vruchteloos wordt datgene bewaard, wat
door bewaring bedelft enz."
»\\Yic zou niet iemand, met dusdanige trekken afgebeeld,
voor eetien allersterksten kampveehter aanzien? Doch, hoezeer
ook sterk van lichaamsbouw, is hij, van vermoeienissen uitgeput,
in den bloei zijns levens, den 14 Juli dcszelfden jaars, bezwe-
ken. Hij stierf op zeven-cn-dertigjarigen leeftijd, waarvan hij
zestien jaren als Minderbroeder had doorgebracht. Londen in
Engeland was zijne geboortestad. Zijne achtenswaardige ouders
behoorden tot eene niet onaanzienlijke familie, en bezorgden hem
eeno goede opvoeding te Antwerpen in Brabant, alwaar hij ook
do Seraphischc Orde van den H. Franciscus binnentrad. Hij
muntte uit door bedrevenheid in verscheidene talen en door
grondige kennis der gewijde wetenschappen. Daarmede uitgerust
en met den vurigsten ijver bezield, was hij een allergcsehiktst
voorvechter dor Kerk. Getrouw aan zijne roeping, hield hij niet
op, door woord en voorbeeld, het geloof te verdedigen en uit
te breiden. Het was vooral daardoor en door zijne heldhaftige
daden, dat hij zich waarlijk groot en onsterfelijk maakte. Met
zijnen dood nam deze verafgelegcne Missie een einde." \')
Het is ons niet gegeven bijzonderheden omtrent den aposto-
lischen arbeid dier heldhaftige mannen mede te doelen; de be-
richten daarvan zijn of verloren gegaan, of wellicht niet der
moeite waard geoordeeld, om aan de nakomelingschap te worden
overgeleverd. De priesters hielden hun verblijf te Paramaribo.
Getrouw aan de ontvangen zending, deden zij hunne rondreizen
•I) liet lutjjnsclie stuk is onderteekerul: «Woord voor woord licb ik.
ondergeteekendo, het bovenstaande uit een manuscript van het jaar
1714 overgeschreven» ; hetgeen ik getuig, Fr. Jmutphua Bell, Gardiaan
der Recollectcn-Minderbroeders, in het klooster van S1 Truiden, den
20 Mei 18Ü7." Zie Bijlage III.
-ocr page 53-
— 26 —
om hunne heilige bediening aan de katholieke Europeanen,
die op de plantages verspreid waren, aan te bieden; zij heb-
ben gepredikt, zij hebben, als waarachtige priesters des
Heeren het onbloedig offer des Nieuwen Verbonds zeer dikwijls,
indien niet dagelijks, aan God opgedragen; ook andere Sacra-
monten zullen zij aan de geloovigen van Suriname (die, gezien
het geringe aantal christen blanken, zeker niet talrijk waren)
hebben toegediend; de vruchten echter van hun ijver en van
hunne gebeden zijn ons onbekend gebleven. Aan de Indianen
hebben zij waarschijnlijk het Evangelie niet in eigenlijken zin
kunnen verkondigen; zij stierven te spoedig na den gesloten
vrede, en één of hoogstens twee gebreklijdende priesters waren
daartoe in zulke moeilijke omstandigheden, zonder medehulp en
taalkennis, menschelijkerwijzo onbekwaam.
De martelkroon, waarnaar zij haakten, is hun ontgaan in
zooverre zij geen bloedgetuigen des geloofs zijn geworden; mar-
tclaars echter zijn zij wel geweest, door het verlangen en door
zelfopoffering, om wille des geloofs en der christelijke liefde;
zoozeer martelaars, dat zij dientengevolge hunne dagen ver-
kortten, en, alle gevaren, vermoeienissen, armoede, ontbering en
smaad trotsecrend, Jesus Christus en Dien gekruist, door woord
en voorbeeld tot den dood bleven verkondigen. Die mannen,
klein in de oogen der wereld, vervolgd en versmaad door het
losbandig heidensch en Calvinistisch Suriname, waren voor God
en de engelen groot. Ook de ware wijsgeer, die weet, dat al
het goud der aarde niet kan opwegen tegen een pareltje van
de hemelschc kroon, en dat alle grootheid en genot des levens
verdwijnen voor een straaltje van de glorie, de ware wijsgeer
kan de verdiensten dezer mannen eenigermate waardceren, maar
alleen de eeuwigheid is in staat te openbaren, wat goed zij aan
Suriname gedaan, wat zij voor hetzelve; verworven hebben.
Behalve het reeds medegedeelde uit de kronieken der Eerw.
Paters Minderbroeders, zijn ons nog de volgende bijzonderheden
omtrent die eerste Missionarissen bekend.
De Eerw. Pater Fredeink Van dei\' Hof\'stadt was dooi\' liet
provinciaal Kapittel, gehouden te Antwerpen op den 15 April
1674, aangesteld geworden, tot lmtructor of leermeester van het
eerste en tweede noviciaat, in liet klooster te Leuven. Het vol-
-ocr page 54-
— 2* —
gonde jaar verwisselde liij die betrokking mot die van Vicaris
in het klooster Boetendaal bij Brussel. Zes jaren daarna be-
lastten zijne oversten hem met de opvoeding der jeugdige reli-
gicuzen in het klooster te Antwerpen, in welke bediening hij
werkzaam bleef tot het tijdstip zijner overzoosche zending.
Van den Eerw. -Pater Petrus (\'.rol weten wij, dat hij in
het provinciaal kapittel, den 27 Augustus 1084 te Mechelen
gehouden, tot. Vicaris in het klooster te. llerenthals was aan-
gesteld, en hij in den loop van het jaar 1685 \'met den
leekebroedcr heelmeester Joanncs Graefdorf te Paramaribo aan-
landde. Het schijnt, dat hij earst in de tweede helft van dat
jaar aankwam en bijgevolg spoedig daarna stierf. \'—
Waarschijnlijk zijn de Eerw. Paters Petrus Grol en Tlio-
mas Fuller,
even als de Eerw. Pater Fredericus Van dei\'
Hofstadt,
van wien het met zekerheid bekend is, in de stad
Paramaribo gestorven. In een schrift, berustend in de Archieven
van het Apostolisch Vicariaat van Suriname, wordt verhaald,
dat zij op het fort Sommelsdijck zijn begraven, »maar dat de
rechte plek gronds onbekend is." Waarop dit beweren gegrond
is, wordt in genoemd stuk niet aangegeven. Het schijnt veel
aannemelijker, dat zij te Paramariho, op de gewone begraaf-
plaats der blanken, zijn ter aarde besteld.
De leekebroedcr Joannes Graefdorf werd, na den-dood van
Pater Thomas Fuller, door zijne oversten naar de Nederduitsche
Provincie der Orde teruggeroepen. Hij verliet Suriname waar-
schijnlijk tegen liet einde van 1G8G, en scheepte denkelijk ook
de heilige vaten en misgewaden in. Immers wijl de Missie nu
eenmaal was opgeheven, zal hij daartoe van zijne oversten wel
order ontvangen hebben. Door later ontvangen berichten uit het
Franciscaner klooster te Weert, weten wij verder, dat Joannes
van Grasdorf
of Graefdorf, leekebroeder ziekenoppasser, in
1655, te Alsembera (Provincie Belgisch Brabant) geboren werd,
den 2!) September 1682 het H. Ordeskleed ontving te Boe-
tendaal
bij Brussel, en den 10 April 1687 te Antwerpen over-
leed.
De Surinaamsche Missie had aan de Nederduitsche Provincie
der Minderbroeders binnen den tijd van twee jaren en acht
maanden het offer gekost van drie der uitstekendste en heiligste
-ocr page 55-
— "28 —
Missionarissen. Daarenboven moest zij zelve, hoc arm ook, nog
voor het levensonderhoud der zendelingen zorgen, wijl de hulp-
bronnen van Suriname of van het moederland ontoereikend
waren. De Provincie deed al wat zij kon om de Missie in stand
te houden. Zulks blijkt duidelijk uit eene vergadering, die, onder
voorzitterschap van den Zeer Eerw. Pater\' Cornclius de Vroom,
Superior der Missiën, te Leiden den 24 Januari 1085 gehouden
werd, en uit eene hoogere, die in Februari \'1686 te Mechclen
bijeenkwam, ten einde het vastgestelde, op de LEIDSCHK verga-
dering te bevestigen, en andere doelmatige middelen van
onderstand te beramen.
Kon intusschen de onderstand, wolken de Provincie ver-
strekte, niet beletten, dat de Missionarissen gebrek leden en
tengevolge daarvan vroegtijdig stierven, de ramingen op nieuwe
middelen van onderstand, die in deze vergaderingen gemaakt
waren, verniQchten evenmin te voorkomen dat de missie uit
gebrek aan geldelijke ondersteuning
moest worden verlaten.
Na den dood van den Eerw. Pater Petrus Grol en, naar
het schijnt, nog vóór dat het overlijden van den Eerw. Pater
Thomas Fuller (14 Juli 1686) in Nederland bekend was, werd
in het ccijtitidum definitorium, den \'20 Augustus 1686 te
Brussel gehouden, met eenparige stemmen besloten de Missie
van Suriname
vaarwel te zeggen. Daarbij werd echter bepaald,
dat de Hoogoerw. Provinciaal, Pater Cosmas Meersmans zijne
Excellentie den Apostolischen Internuntius te Brussel zou mede-
doelen , dat de Nederduitsche Provincie der Minderbroeders
nog voortdurend bereid bleef, Missionarissen voor Suriname te
leveren, mits de middelen tot bestrijding der kosloi konden
gevonden worden.
Zouden we bij dit treurig feit ons zei ven de vraag moeten
stollen, of er, onder de toenmalige katholieke Nederlanders, geen
mannen to vinden waren, zooals er later zoovelen werden ge-
vonden, die, bij het vernemen van de armoede der Surinaamsche
Missie, haar met hunne liefdc-offers wilden steunen? Men
bedenke, dat het belang van den godsdienst, die in Suriname
wel is waar oogluikend werd toegelaten, toch volstrektelijk
verbood, aan zaken, de Surinaamsche Missie betreffende,
eenige ruchtbaarheid te geven. Hierdoor kwam het, dat ook
-ocr page 56-
— 29 —
werken van Hefdadigen aard niet met dien spoed konden uitge-
voerd worden als in onze\' dagen. Overigens, wij zouden onrecht
plegen jegens den milddadigen zin van onze voorvaderen uit de
17da eeuw, als wij geloofden, dat het werk dezer Missie bij ge-
hrék aan middelen tot bestrijding der kosten
zoude zijn onder-
broken gebleven, zoo niet andere, niet weg te nemen oorzaken
waren bijgekomen, om hot bestaan der katholieke kerk in Su-
riname voor langen tijd onmogelijk te maken.
In die dagen van politieke ontstemming waren vele klach-
ten van Zeeuwsche en Surinacnnsehe ontevredenen tegen den
Gouverneur van Sommelsdijck bij de Algemeene Staten ingeko-
men. De maatregelen tot handhaving van orde, zedelijkheid en
rechtvaardigheid genomen, hadden velen verbitterd, wijl zij zich
in hun gezag gekrenkt, in den vrijen loop hunner hartstochten
belemmerd, of in hunne belangen benadeeld achtten. Ten deze
kon zich de Gouverneur volkomen rechtvaardigen, maar deed
het op bitsen en mecsterachtigon toon, die ook de Staten ont-
stemmen moest. Nu werd eene andere beschuldiging tegen hem
ingebracht, dat hij namelijk de uitoefening van den Uoomsch
Katholieken Godsdienst in Suriname had toegelaten. Dit kon
moeilijk weerlegd worden. Evenwel bij beproefde het. De man,
onder andere opzichten zoo vol moed, en die alles durfde, werd
klein toen hein eene begunstiging van de Katholieke kerk werd
aangewreven. Ook hij dus had den indruk van zijne antipapisti-
sche eeuw ondergaan! Van Sommelsdijck begon met te ont-
kennen, ofschoon ontkennen bij gcone mogelijkheid tot zijne
verontschuldiging kon bijdragen. De Gouverneur toch kon en
moest kennis hebben gedragen van de uitoefening van den
katholieken ceredienst, en droeg er ook werkelijk kennis van.
Ziehier de toedracht der zaak.
De Staten van Zeeland waren heimelijk onderricht gewor-
den, dat van Sommelsdijck de uitoefening van den Itoomsch
Katholieken godsdienst, niettegenstaande zijne deswege gedane
ontkenning, oogluikend toestond. De Zecuwschc Staten deelden
daaromtrent hunne bezwaren aan de Algemeene Staten mede,
waarop het volgend schrijven der Statcn-Generaal den Gouver-
neur werd toegezonden: y>Dat men in de kolonie Suriname
geene predikanten had;"
(men vergat hierbij Ds. Baseliers, die
-ocr page 57-
— 30 —
in 1G.18 als zoodanig was aangesteld en eerst in 1(589 overleed)
ernaar dat men integendeel toeliet, (\'zooals den Heeren Staten
van Zeeland bericht werd} dat de Paapsche godsdienst aldaar
in de kolonie ivierde uitgeoefend en onder anderen
, door een
paapje omtrent liet fort"
(dat is, in de stad) y>welk paapje ge-
zegd werd, door zijne kluchten en fabeltjes, de Papisten, ook
Indianen en ons eigen volk, tot zijn gehoor te trekken, enz."
Ten slotte gelastten en bevalen de Staten, dat de priesters naar
Nederland werden teruggezonden.
Hiermede was van Staatswege de opheffing der Katholieke
Missie voor goed en officieel voltrokken.
Vol wrevel en gekrenkte eigenliefde was het van Somtnels-
dijck
niet mogelijk te zwijgen. Zijne handelwijze ware te recht-
vaardigen geweest door het aanvoeren van gezonde politieke
redenen; dat verzuimde hij. Het eenige wat hij in zijne veront-
waardiging deed, was de lastgeving der Staten op eene voor
H. Hoogmogende hoogst smadelijke wijze uit te voeren.
Zooals wij gezien hebben, was de leekebroeder Joannes
Graefdorf
waarschijnlijk tegen het einde van l(i8(i, naar het
vaderland teruggekeerd. De Eerwaardige priesters, weleer door
van Sommelsdijck begunstigd, misschien zelfs gewaardeerd, wa-
ren allen overleden. Voor eerbied echter jegens de nagedachtenis
dier mannen, kon, op dat oogenblik, in het van toorn gloeiend
gemoed des landvoogds, onmogelijk plaats wezen. Zonder te
denken, dat hij de laatste rustplaats schond der drie grootste,
eerbiedwaardigste en heiligste mannen, welke Suriname\'s schoot
ooit had ontvangen, liet hij hunne lijken opgraven, en zond hun
gebeente naar Zeeland, met den volgenden zeer eigenaardigen
brief\' aan de Heeren Directeuren van de geoctrooieerde Sociëteit:
»Edele Groot Achtbare Hoeren!
»Met schipper .Tohannes Plas heb ik aan de Heeren Staten
van Zeeland toegezonden de beenderen van de drie alhier over-
ledene Papen, welke zij \') gelieven Geestelijken te noemen; met
een brief, waarvan hiernevens de kopie gaat. Ik geloof, dat zóó
eene kist vol dukaten haar beter contentement en vergenoegen
zoude doen, maar dat zijn vruchten die tot nog toe hier niet
1) Zij d. i. de Staten van Zeeland. Officieel erkende van Sommels-
-ocr page 58-
— 31 —
wassen; doch ik hoop, dat hij gebreke van dien, de overvloed
van suiker haar schreeuwende keelen zal verzoeten en verzach-
ten, en met siroop en jalap haar van hare razende koortsen
genezen, en haar dus betere kennis doen bekomen van~ hetgeen
hier passeert".
«Waarmede,
Edele Groot Achtbare Heeren!
UE. Groot Achtbare onderdanige Dienaar,
C. van Aersscn van Sommelsdijck
Actum Suriname, 5 September 1687."
Na hevige klachten van wege de Sinten van Zeeland over
deze ruwe en beleedigende handelwijze van van Aerssen, werd
door de Staten-Generaal bevolen, de beenderen dier priesters
weder naar Suriname terug te zenden en in de vorige graven
te doen rusten. \')
Met eene voor die dagen waarlijk zeldzame toegevendheid,
had van Sommelsdijck aan deze priesters de gelegenheid aan-
geboden, om het martelaarschap der begeerte en der zoltbpofl\'e-
ring in Suriname te komen beoefenen; zonder er aan te denken,
was hij nu nog het middel geworden, waardoor zij dit marte-
laarschap, zclt\'s na hun dood, konden voortzetten. Trouwens, ook
na hun sterven werden deze helden, in hunne geheiligde over-
blijfselen, vervolgd en gemarteld, wel is waar niet ter oorzake,
maar ten gevolge van hunne priesterlijke bediening op den
bodem van Suriname!
De Gouverneur kwam op jammerlijke wijze om het leven.
De ontevredenheid, die om zijn gestreng handhaven der orde
allerwege heerschte, werd al grooter en grooter, tot dat het
smeulend vuur des opstands eindelijk ontvlamde. Terwijl van
Sommelsdijck
op den morgen van den 10 Juli 1088 voor het
dück de priesters wel voor Roomsehen, maar niet voor Roomsche Gees-
telijken.
\\) Al deze bijzonderheden zijn te vinden bjj 7. Iiarlsinck, 2\'u doel,
blz. 048, — Teensira, De Landbouw in de kolonie Suriname, 1"« deel,
blz. 33 en Jhr. C. A. van Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, blz.
20 en 21. De spelling der eigenaardige brieven is eenigzins door ons
gewijzigd.
-ocr page 59-
— 32 —
Gouverncmentshuis op en neer wandelde, kwamen elf saamge-
zworene soldaten op liem toetreden, die meer rantsoen van hem
eischten. Van Sommelsdijck tastte naar zijn degen om hen af
te weren, doeh, zoodra hij den arm ophief, legden allen te gelijk
aan. De landvoogd zeeg ter neder, met het zwaard in de hand
en met 47 wonden bedekt!
In den namiddag van dien zelfden dag werd zijn lijk door
de rebellen, die zich het bestuur hadden aangematigd, in het
fort plechtstatig begraven.
Mogen de heldhaftige priesters, eerste Missionarissen van
Suriname, in die bange ure nog zijne voorsprekers bij God
geweest zijn !
Honderd jaren lang bleven nu de katholieken van Suriname
herderloos. Het is niet bekend, of in die lange tijdruimte daar
ooit een priester voet aan wal zette. Katholieken werden er
intusschen wel altijd gevonden, zoo ouder de militairen van het
garnizoen, bij de zeemacht en koopvaardijvloot, als onder plan-
ters, ambachtslieden en vrije arbeiders. Want niet alleen katho-
lieken uit Nederland, maar ook uit andere landen van Europa
en Amerika hebben zich in den loop dier jaren in Suriname
nedergezet. Groot nochtans zal hun getal niet geweest zijn,
aangezien het cijfer der geheele blanke bevolking steeds betrek-
keiijk gering was. En hoe velen dezer katholieken waren dat
bij naam alleen! Hoc velen, die zich zullen aangesloten hebben
bij eene protestantschc secte! Die hunne kinderen in het hei-
dendom
lieten opgroeien! Die met een bezwaard geweten zon-
der priesterlijke hulp ~zijn moeten sterven! Die eindelijk voor
tijdelijk gewin lichaam en ziel hebben opgeofferd!....
Intusschen, de gedachten, dat onder onze niet-katholieke
landgenooten van die dagen, het H. Doopsel, met eerbied en
zorg, op eene geldige wijze werd toegediend, geeft cenigen
troost; want aanzienlijk is het getal kinderen, die in Suri-
name voor de jaren der onderscheiding sterven, deze ten minste
zijn de hemelvreugde ingegaan! Ook onder de volwassenen
kunnen er velen gevonden worden, op wie de barmhartige God
een ontfermenden blik heeft neergeworpen! Doch bij dit alles
zeggen we: waar is het hart, dat zich niet bewogen voelt, bij
bet beschouwen dier algemeene schandelijk afgodische dienst-
-ocr page 60-
— 33 —
baarheid der blanken, meesters en onderdanen, dienstbaarheid
aan de afgoden des gelds en der ontucht, en, om wille van
dezen, aan het heidendom zelf; dienstbaarheid, te wier be-
hoeve de afschuwelijkste wreedheden en onrechtvaardigheden
gepleegd werden, en die niet geheel kon worden afgeschud, zelfs
toen de slaaf zijne ketenen zag verbreken!
Eene schoone plant echter, éénc, voor zoover ons bekend is,
heeft Suriname in dat honderdjarig tijdvak nog aan de Katho-
liekc kerk geschonken.
De naam Lemmers werd in de achttiende eeuw (te bcgin-
nen bij het jaar 1721) veelvuldig in de kolonie aangetroffen. In
den Staatkundigen Almanak van Suriname van het jaar 1796
(door Charles Brouwer) komt die naam vele malen voor, en
daaruit blijkt, dat de dragers daarvan tot de aanzienlijkste
inwoners behoorden. \') Waarschijnlijk waren zij naaste blocd-
verwantcn van den bevoorrechten man, dien wij hier in het
voorbijgaan tot roem van Suriname vermelden.
Joannes Gerardus Lemmers werd te Paramaribo, waar-
schijnlijk in de eerste helft van het jaar 17155 geboren. In den\'
hervormden godsdienst gedoopt en opgevoed, zeide hij, gedu-
rende zijne jongelingsjaren in Nederland vertoevende , vaarwel
aan de dwaling om het katholiek geloof te omhelzen, en begon
zich op de voorbereidende studiën tot het priesterschap toe te
leggen. In het jaar 1761 werd hij tot de H. Priesterwijding
toegelaten. Een tijdlang was hij als kapelaan werkzaam te
\'s Hage. Tot pastoor van EJam benoemd, vervulde hij deze be-
dicning van 176!) tot 1795 met" veel ijver en meer dan gewo-
nen bijval. Zijne ijverige bemoeiingen voor kerk, armen en wce-
zen werden zoozeer gezegend, dat zijne requesten, zelfs door de
protcstantsche overheden , buitengewoon gunstig werden beant-
woord, en dat hij op die wijze verkreeg, wat misschien geen
ander priester zou verkregen hebben. De eeretitel van Vader
der Armen en Weezen
komt den waardigen man toe. Gedu-
1) Abraham Lemmers, eerste Raad van het Hof van Politie ; Jacohus
Petrus Lemmers,
koopman ; de wed. Nicolaa* lemmers, eigenares van
drie plantages; C. Lemmers-Goilefroy, Commissaris van kleine, vacee-
rende over groote zaken; J. J. Lemmers, \'2\'1" luitenant der l*le Compie
Jagers, en G. J. Lemmer», Directeur eener plantage.
Sarimmc,                                                                                                         3
-ocr page 61-
— 34 —
rende ruim 25 jaren bediende liij als pastoor de kerk van
Edam. Sedert den 20 Juni 1705 emeritus, leidde hij als rustend
pastoor, een stil en ingetogen leven, maar hield niet op, door
gebed, voorbeeld en stichtende lessen, mede te werken tot het
heil der zielen. Na ceue verdienstvolle priesterlijke loopbaan van
ruim 62 jaren, stierf hij te Edam, den 19 November 1823 op
den leeftijd van bijna 89 jaar, en werd den 24 daaraanvolgende
in de groote kerk te Edam begraven. \')
Ongetwijfeld had deze ijvervolle bekeerling, gedurende zijne
lange priesterlijke loopbaan, het oog geopend voor zijn ge.boor-
teland, en zal hij, zoo te zeggen, alle kansen hebben berekend,
om er het licht van het II. Katholiek Geloof opnieuw te kun-
nen ontsteken. Wel moeten die kansen zeer ongunstig zijn
geweest, en de hinderpalen, die aan de wedervestiging eener
Missie in den weg stonden, velen, wijl eerst in het jaar 1785 eene
betere toekomst voor de Katholieken van Suriname aanbrak.
•I) Men vergelijke de Bijdragen tot de Godsdienst vriend, \\\' deel 18\'2i,
en do Bijdragen tot do Geschiedenis van het Iiisdom van Haarlem, 3"
deel, blz. li. Hierbij zij vermeld, dat Suriname nog eenmaal het voor-
recht heeft genoten, het eerste levenslicht aan een toekomstigen priester
te verschaffen. Het verhaal evenwel, dat wij daarover te dezer plaatse
aanknoopen, hehoort tot de I9« eeuw De Weleerwaarde Heer Gerardu»
Curnelius Derieks
werd, den 25 Augustus 18i9, te Suriname uit katholieke
en godsdienstige ouders geboren , en don 20 daaraanvolgende te Para-
maribo in do St Petrus en Pauluskerk gedoopt Hij deed zijne eerste
H. Communie te Paramaribo don \'25 Mei 1860, on vertrok later naar
Nederland, waar hij in April 1862aankwam. Hij studeerde eerst te St Mi-
ihiels-Gi\'sli\'l.
en vervolgens van 18(17 te Uaaren, waar hij zijne philoso-
phie voleindigde. Van het jaar 1809 tot 1873 deed hij zijne theologische
studiën op het Seminarie Rüsenburg, en werd den 15 Augustus 1873,
te Utrecht priester gewijd. Bjj zijne eerste II. Mis, te Winterswijk,
hield Mgr. Meurkens, Heken van Oldenzaal en Pastoor te Enschedé,
vroeger Pastoor en Apost. Pro-Vicaris van Suriname, de feestrede. Bet
volgend jaar werd do jeugdige priester als Assistent naar Kamerijk
(Provincie Utrecht) gezonden, doch moest na eenige maanden, ter oor-
zake zjjner zwakke lichaamskrachten, de II. bediening verlaten, en zich
naar zijne ouderlijke woonplaats Winterswijk begoven. Zijn zwak gestel
liet hem niet toe veel te doen; toch predikte hij enkele malen. Toon
echter in het nabij gelegen Oeding, hulplcerk van Südlohn, de Missio-
naris, Bernard Boock, den \'29 S^pt. 1879 overleed, toonde de ijverige
priester zijn moed, en begaf zich iederen Zaterdag naar Oetlinij, om
s Zondags, na de Hoogmis, naar Winterswijk terug te keeren. Kort
voor zijn dood, werd het hem van regeeringswege verboden. Hij stierf,
na een stichtend en voorbeeldig leven, den 1 April 1880.
-ocr page 62-
IIP HOOFDSTUK.
Van de herleving dei* Katholieke Missie in 1786 tot de
sluiting der kerk in 1793.
Meermalen hadden de katholieken van Suriname pogingen
gedaan, om de vrije openbare uitoefening van hunnen godsdienst
en hunne erkenning als zelfstandige Gemeente te verkrijgen.
Die pogingen waren echter altijd mislukt.
Intussehen, nadat Amsterdam voor twee derde eigenares
der kolonie was geworden, en Amsterdam\'s kooplieden de geld-
schieters en, na verloop van korten tijd, ook de bezitters
werden van de plantages, namen de relatiën dier stad met
Suriname zeer toe, werd de aandacht der Amsterdammers, die
familieleden of betrekkingen in de kolonie hadden, opgewekt,
de belangstelling grooter, en ook de kathlieken begonnen zich
hunne Surinaamsehe geloofsgenooten sterker aan te trekken. Zij
wendden zich tot de Hoeren Directeuren en Regeerders der
kolonie Suriname
(deze titel was door de Staten-Generaal
in 1778 verleend), om voor de katholieken dier kolonie de vrije
uitoefening van hunnen godsdienst te verzoeken. Het daartoe in-
geleverd request werd naar Suriname opgezonden, ten einde er
het gevoelen van Gouverneur en Raden over te vernemen.
Suriname, hoewel inwendig verarmd, \') baadde zich des-
tijds, door middel der rijke voorschotten, die de kooplieden van
Amsterdam aan de plantages verstrekten, volop in weelde : men
droomde van schouwburgen en feestmalen. Zeker aantal voor-
name ingezetenen, die doortrokken waren van de vrijzinnige
denkbeelden der Fransche wijsbegeerte, lieten niet na deze
1) Volgens de «historische Proeve" bovonden zich ten jare 1786, van
de m.3Pr dan 500 plantages, slechts tusschen 80 en 90 eigenaren in Su-
rinmiie, al de overige waren in het buitenland.
-ocr page 63-
— 3Ü —
denkbeelden, zoo door middel van boekwerken als in letter-
kundige genootschappen, te verspreiden. \') Zoo begon, onder
den invloed van den tijdgeest en bij den zwijmclbeker der ver-
maken, de vroeger zoo streng-calvinistische toon gaandeweg af
te nemen, en, zij het dan ook door ongeloof of godsdienstige
onverschilligheid, plaats te maken voor ecne althans uiterlijke
of burgerlijke verdraagzaamheid
Gelijk wij gezien hebben, was het reeds aan de Lutherschen
toegestaan, hunnen eeredienst naast de Gereformeerde staats-
kerk uit te oefenen. Omstreeks 1770 werd daartoe ook ver-
gunning gegeven aan de Hernhutters. Verder meegaande met
de veldwinnende begrippen, moest men eindelijk er wel toe
komen, om ook aan de lang geweerde katholieke kerk eenc
plaats in te ruimen. Dit kon echter niet geschieden, tenzij onder
beding van eenige vernederende en drukkende voorwaarden.
Ziehier het advies van het Hof van Suriname, ten gunste van
de vestiging eener katholieke Gemeente aldaar uitgebracht. 3)
In hoofdzaak luidde de missive aan Heeren Directeuren en Re-
geerders
als volgt:
»In aanmerking nemende, dat wij thans tijden beleven,
in welke vele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraag-
zaamheid hoe langer hoe meer\' veld wint bij de beschaafde
volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der
requestranten, mits onder de volgende beperkingen, kan worden
toegestaan:
1)  Het jaar 1775 zag een eersten en het daaropvolgende jaar nog
een tweeden schouwburg verrijzen. Een letterkundig genootschap onder
de zinspreuk: «Docendo docemur" kwam in 1785 tot stand, dat ge-
steund werd door zeker vermogend Israëliet De Montel. Dczo beminnaar
der Fransche letteren stelde zijne rijke bibliotheek ter beschikking van
het collegie. Het collegie zelf bracht eene boekerij tot stand, zóó wel
voorzien, dat zij voor geene in Amerika behoefde te wijken, en ver-
scheidene groote bibliotheeken van Europa evenaarde. — Onder den
naam van »Surinaamsche lettervrienden" trad in 178C een ander ge-
nootschap te voorschijn, waarin weldra deïstische gevoelens geuit wer-
den. Naar aanleiding hiervan ging spoedig eene klacht uit van het
protestantsch » Convenlus deputalorum" tegen het » licentieus boek-
drukken." — In het jaar 1773 werd de eerste loge «Concordia" gesticht;
twee andere loges de «Union" en de «Standvastigheid" volgden in 1786.
2)  Men vergeljjke de Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Fe-
bruari 1785, bij J. Wolbers.
-ocr page 64-
- 37 —
4°. Dat de plaats tot openbare godsdienstoefeningen geene
andere zij dan één enkel huis in de stad Paramaribo.
2°. Dat hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien
hebbe, dan dat van een gewoon burgerhuis.
3°. Dat slechts wereldlijke priesters de bediening waarnemen,
en, in geval van wangedrag, \') door Gouverneur en Raden, zonder
vorm van proces, uit de kolonie kunnen weggezonden worden.
•4°. Dat omgangen of openbare processicn verboden blijven,
en de priesters niet anders dan in burgerklecding op straat ver-
schijnen.
5°. Dat, zij zorgvuldig moeten toezien, dat hunne armen niet
ten laste van den lande komen. \'\')
0°. Dat zij zich wel wachten, eenige slaven hoegenaamd, tot
hunnen godsdienst te lokken, aan te moedigen en veel meer
aan te nemen.
7°. Dat, bij aldien zij tegen het een of ander der vastge-
steldc punten zouden handelen, hunne kerk of\'vergaderplaats
dadelijk zal gesloten worden, en zij van deze gunstige beschikking
zullen verstoken zijn.
8°. Eindelijk, dat zij zich in alle opzichten zullen gedragen
volgens de voorwaarden en bepalingen, welke bij plakkaten en
reglementen van de Heeren Staten van Holland, omtrent de
uitoefening van den Roomsch-Katholieken godsdienst, geémaneerd
en in gebruik zijn."
1)  Het is niet noodigdeze bepaling aan eenige hatoljjkheid Tan de zijde
des Hofs toe te schrjjven. De verwikkelingen, die in den loop der 18\'10
eeuw mot de leeraren en kerkbestuurders der andere Gemeenten bij
herhaling ontstonden, wettigen dezen maatregel van voorzichtigheid.
2)   De armen en weezen van Suriname werden in het gereformeerde
diaconiehuis verzorgd. De inkomsten van dit gesticht sproten voort uit
de op sommige wetsovertredingen gestelde boeten. Later werd daar, bij
het toenemen van het getal der armen, eeno subsidie van Gouverne-
montswege bijgevoegd. In het jaar 1792 werd de Administratie van het
diaconiehuis aan den hervormden kerkeraad ontnomen, en op laat der
Itegeeider» onder vier regenten geplaatst, die door het Hof benoemd
werden. Armen en gebrokkelijken van andere geloofsbelijdenis werden
ook opgenomen, zoodat deze instelling haar streng gereformeerd karakter
oenigzins had verloren. De Lutherschen waren ook slechts toegelaten op
voorwaarde, dat zij voor hunne eigen armen zouden zorgen, en eene
belasting van f (iOO \'s jaars ten behoeve vati het militaire hospitaal
zouden betalen. Deze belasting werd in \'t jaar 17(10 door hen afgekocht.
-ocr page 65-
— 38 —
Aan Hoeren Regeerders van Suriname lieten het de Raden
van den Ilove verder over, andere beperkingen en bepalingen
te maken , welke zij raadzaam mochten oordcelen. Die Hoeren
Regeerders schijnen meer vooringenomen te zijn geweest tegQn
den katholieken godsdienst dan de Leden van het Hof: dezen
immers hadden alleen verboden slaven tot den katholieken
godsdienst te lokken, aan te moedigen en daarin op te nemen;
maar de Regeerders der kolonie wilden het zesde artikel uitbreiden
en toepassen, ook op vrije kleurlingen en negers. Op dat voor-
stel antwoordden Gouverneur en Raden, den 21 December\'1785:
»Dat het verbod aan de Roomsch-Katholieken van slaven tot
hunnen godsdienst Ie lokken, aan ie moedigen en veel meer
aan te. nemen,
uit staatkundige redenen voortvloeide, om gecne
openbare gelegenheden te geven, tot het insluipen van vorschei-
dene ongeregeldheden, die, onder den dekmantel van godsdienst-
oefening , door de slaven bedreven, of waartoe zij gebezigd
zouden kunnen worden; doch, dat vrije kleurlingen en negers,
(die, ofschoon voor het grootst gedeelte vrijgegeven, nochtans
al de voorrechten van vrijgeborenen in den burgerstand genieten)
niet gevoegelijk kunnen beperkt worden in de omhelzing van
een godsdienst, of in de verwerping van. eene of andere geloofs-
belijdenis, welke zij, misschien uit overtuiging, zouden willen
aannemen." Gouverneur en Raden verzochten dus, dat het ar-
tikel onveranderd blijven en niet uitgebreid zou worden. Aan
dit verzoek gaf men gehoor.
Nauwelijks was de toelating van den Roomsch-Katholieken
eeredienst in Suriname, hoezeer ook beperkt, bekend geworden,
of de Hoogere kerkelijke Overheid in Nederland sloeg de handen
aan het werk, om aan de oprichting der Katholieke Missie een
begin van uitvoering te geven. De Amplissimus Anlonius Cltris-
tiaan Meylink,
Aartspriester van Holland en Zeeland, schreef
twee brieven, den eersten op den 25 Augustus en den tweeden
op den 8 December 1785, aan den Heer Francois Nicolet, inge-
zetene van Paramaribo. Zijn Hoogeerwaarde deed hierbij mede-
deeling van de verkregen toestemming der autoriteiten, en be-
sprak, met het oog op de voorloopig te nemen maatregelen, de
oprichting van een kerkbestuur.
Gelijk wij spoedig zien zullen, is het verkeerde begrip, dat
-ocr page 66-
_ no —
men in Suriname van liet wezen van een Roomsch-Katholiek
kerkbestuur opvatte, wellicht een van de grootste rampen ge-
wcest, die deze Missie ooit getroffen hebben.
De Aartspriester ontving het volgende antwoord uit Su-
riname :
»Wij ondergeteekenden, door den Heer Francois Nicolet
bekend gemaakt met de Missives van den Hoogeerwaarden Heer
A. C. Meylink, Aartspriester over Holland en Zeeland, zoo van den
15 Augustus als van den 8 December 1785, verklaren na rijpen
rade, tot onzer en anderer zielen zaligheid, de bediening van
Kerkmeesters aan te nemen, over de te stichten Roomsch Ka-
tholieke Kerk in deze kolonie, en die betrekking met alle vlijt
en ijver, voor zooveel in ons vermogen is, en als braven kerk-
vaderen betaamt, te zullen beklceden en waarnemen; met de uit
het vaderland aan te komen priesters alles aan te wenden, wat
tot stichting van onze geloofsgenooten en tot bloei der Kerk kan
worden verricht, en ons te gedragen naar de algemecne kerk-
vcrordeningen en plakkaten bij de Overheid geëmaneerd."
»Ten blijke van onze oprechtheid hebben wij hiervan drie
eensluidende afschriften gemaakt en onderteekend.
«Alhier te Paramaribo, dezen zesden Februari 178(5."
(w. g.) sFrancois Nicolet.
»Joh. A. Pommer.
»Johann Schasné.
»H. Blom."
Inmiddels werd de Missie van Suriname, bij besluit van_ de
H. Congregatie tot Voortplanting des geloofs, van den 28 No-
vember 1785, te Rome geregeld. Het luidde aldus (bijlage IV. 2"):
«Naardien ons is medegedeeld, dat de katholieken der Ne-
dcrlandsche kolonie Suriname verstoken zijn van kerkelijke
bedienaren, om hun de Sacramenten en andere geestelijke
hulpmiddelen te verstrekken, wijders, dat hun door de bestuur-
ders dier kolonie de vergunning is verleend, om vrijelijk den
katholieken godsdienst uit te oefenen: zoo heeft de H. Con-
gregatio, op voorstel van den Hoogeerwaarden Heer Stepha-
nus Borgia,
secretaris, goedgevonden en besloten, voornoemde
Surinaamsche Missie in te lijven bij de Hollandsche Missiên, en
intusschen den Hoogwaardigen Apostolischen Nuntius te Brussel
-ocr page 67-
— 40 —
de taak op te dragen, om twee seculiere of reguliere Priesters,
uit de Vereenigde Nederlandsche Provinciën, derwaarts te zen-
den, den cencn voor zeven en den anderen voor vijf jaren,
onder algeheelc afhankelijkheid van voormelden Nuntius, door
wien de noodige faculteiten aan bedoelde Misionnarissen moeten
medegedeeld worden. Bijaldien zij zich, in de uitoefening der
hun toevertrouwde bediening, loffelijk zullen gedragen hebben,
heeft deze H. Congregatie den Hoogwaardigen Heer Nuntius
en zijne tijdelijke opvolgers gelast, bij de verdceling der Ne-
derlandsch parochiale standplaatsen, met de Missionarissen, die
liun diensttijd volbracht hebben, rekening te houden en te
zorgen, dat zij behoorlijk voorzien worden."
sDeze uitspraak der H. Congregatie is door denzelfden
Hoogeerwaarden Heer Secretaris, in eene audiëntie van den 4
December 1785, aan Onzen Allerheiligsten Heer Paus Pius VI
medegedeeld. Zijne Heiligheid heeft die goedgunstig in alles
goedgekeurd, en gelast, dat zij ten uitvoer gelegd worde."
«Gegeven te Rome, uit het paleis van gezegde H. Congre-
gatic, den 17 dag van December 1785."
(w. g.) »L. Kardinaal Antonellus.
«Prefect."
/Plaats van\\                                         »S. BoRGIA,
^ het zegel. )                                                            Secretaris"
»Ik betuig do eensluidendheid dezer kopie met haar origi-
neel.
Brussel, den vijfden Januari 1786."
»M. Cansati,
Administrator der Apostolische Nuntiatuur."
De Apostolische Nuntius, onder wiens rechtsmacht Suriname
gesteld werd, was destijds Monseigneur Antonius Felix Zonda-
dari,
Aartsbisschop van Adenc i. p. i. \') De tusschenpersoon
1) In 1785 als Nuntius naar Brussel gezonden, -word hij in 1790 to-
ruggeroepeti om dn bediening van Secretaris van de Congregatie rtn
Propaganda Vide
waar te nemon. Hij bekleedde vervolgens den Aartsbis-
schoppeljjken zetel van Sienna, zijne geboorteplaats, en werd in 1801
tot het Kardinalaat verheven. In deze waardigheid is hij in 1823 over-
leden. Zijn opvolger te Brussel was Mgr. Omar Drancadoro, die ia
1790 tot Internuntius, en in 1791 , door Paus Pius VI, tot Nuntius en
-ocr page 68-
— 41 —
van den Nuntius, die de uitzending deed en de correspondentie
voerde, was de Aartspiiester van Holland en Zeeland.
Den 19 Mei 4786 mocht hij de heugelijke tijding naar Su-
riname zenden, dat reeds twee priesters voor die Missie benoemd
waren.
Intusschen had het zoogenaamde kerkbestuur zich beijverd;
om de noodige gelden, tot bestrijding der onkosten, te verza-
melen. Naar zij den 27 Augustus vermeldden, hadden 51 personen
voor een bedrag van ƒ1696 ingeschreven, en wijl dit bedrag
onbeduidend was voor de behoeften, gaven zij niet ondui-
delijk te kennen, dat de lasten der Missie door Suriname
alléén onmogelijk konden gedragen worden. De bouwstoffen,
arbeidsloonen, de kosten van inwoning en mondbehoeften, zeiden
zij, zijn hier tweemaal zoo duur als in Nederland. Daarenboven
worden hier vele plichtvergeten katholieken gevonden, die van
geen intcekening of bijdragen weten willen. Als niet in Nedcr-
land milde handen zich openen, dan kan ons werk niet voltrok-
ken, veel minder in stand worden gehouden.
Bij gebrek aan voldoende geldmiddelen, en in de hoop op
liefdegaven uit Holland, wachtte men dus met het stichten dei-
kerk tot de aankomst der priesters. Voor dezen hadden zij oen
geschikte en welgelegen woning willen huren, doch waren ook
daarin niet geslaagd. Maar zij, kerkmeesters, die zich in de be-
noeming hunner herders verheugden, zouden hen met alle gul-
heid ontvangen. \')
Den 17 October 478G landden .zij te Paramaribo. Zij waren
de Zeer Eerwaarde Heeren Albertus van Doornik, \') geboortig
van Zierikzee (Zeeland) en Adrittnus Kerstens, geboortig van
Breda, beide bekwame en voorbeeldige seculiere priesters, voorzien
met de noodige volmachten, om als Apostolische zendelingen
Lrgatits a latere benoemd werd. Evenals Zondadari was hij Superior der
Zendingen van Groot-Brittanje en \\ieo- Superior der Hollandsohe Missie
1) Zakelijke inhoud van don brief der kerkmeesters d<l. \'27 Augustus
■J780. Archief\' van het Vicariaat.
Ü) Do naam van Pastoor van Doornik wordt verschillend geschreven,
to weten: van Doornijk, van Dornijk, van Doornick, van Doorninck on
misschien op andere wjjzen, welke wij ons thans niet herinneren. Zie
Bijlage V. De handteekening des Pastoors in Suriname was: A. van
Doornik.
-ocr page 69-
— 42 —
het heil der Surinaamschc Missie te kunnen behartigen. De
eerste, als Pastor primarius, was aangesteld voor vijf, de an-
dere voor zoven jaren.
We deelen hier het herderlijk schrijven mede, dat de Aarts-
priester A. C. Meijlink tot de geloovigen van Suriname zond.
Het luidde:
»De Aartspriester van Holland en Zeeland groet de
»de II. K. Geloovigen te Paramaribo/\'
»Ziedaar, geloofsgenooten, Roomsch-Katholiekc Christenen,
»to Paramaribo eu daaromtrent wonende, aan uwe vurige be-
»geerte en verlangen voldaan; ziedaar twee Eerwaarde TIceren
«Priesteren van de ware Roomsch-Katholieke Kerk, als zende-
»lingen met eenc goddelijke macht bekleed, uit het midden van
«ons tot u gezonden, om aan uw vurig verlangen te voldoen,
»te weten, om door hen naar dé wetten van God en van de
»Kerk bestuurd en ter zaligheid geleid te worden. Erkent dan
»nu de oneindige goedheid Gods, die zich uwer ontfermde, u eene
«gunst heeft doen verwerven, die de inwoners uwer landstreek
«sedert honderd jaren en meer, niet hebben mogen genieten;
»erkent, zeg ik, de gunstige werking der goddelijke Voorzienig-
»heid, die de harten der Overheden, van deze landstreek be-
»wogen heeft, om uwe smeekingen aan te nemen en die in
«te willigen; erkent aldus de genegenheid en liefde, die dezen,
»als ware Landvaders, u bewijzen, door u vrije godsdienst-
«oefening te vergunnen ; maar erkent tegelijk, welk eene ware
«erkentenis en standvastige dankbaarheid gij hun, naast God,
»voor deze weldaad verschuldigd zijt. Erkent dan ook de ver-
»plichting, die op u rust, als ware geloovigen, zoo ten op-
»zichte van God, <lio u deze onwaardeerbare gunst en genade
«bewijst, dat Hij deze twee waardige mannen tot u zendt,
»om u als zijne verstrooide en afgedwaalde schapen wederom
«bijeen te vergaderen, zijne heilbronnen voor u te openen, u
«daarmede te verkwikken, te genezen, te heiligen, als ten op-
«zichte van deze twee waardige mannen, die ter liefde van
«God, en voor uw zielenheil, op zich genomen hebben, u, door
«hunne medewerking, deel te doen nemen aan die goedheid en
«genade, welke God zich gewaardigt u aan te bieden; erkent,
«zeg ik, de verplichting, die gij ten opzichte van God nu bij-
-ocr page 70-
_ 43 —
«zonder hebt, hierin bestaande, dat gij allen, oud en jong,
«rijk en arm, rehtvaardigen en zondaren, God over deze goc-
»dertierenheid looft en prijst; maar ook u wilvaardig toont,
van den eenen kant om zijne wetten en bevelen stipt te on-
)d;rhouden, en van de andere zijde, om met allen ijver te na-
aderen tot de heilbronnen zijner genade, ik zeg, tot de Heilige
«Sacianienten, wier gebruik te verzuimen of na te laten, nu
»voor u onverschoonbaar en dus misdadig zoude zijn; immers
»nooit kan men God meer behagen , dan met naarstig deel te
«nemen aan de gunsten, die Hij ons aanbiedt, en nooit kan
»men zijnen wil, dien Hij ons bekend maakt, meer tegenwerken,
»dan met dien te versmaden of niet te achten ; erkent en ver-
«vult dan deze verplichting ten opzichte van God, en gij zult
«kennen en vervullen al wat gij aan deze twee Eerwaarde
«Hoeren, als aan uwe wettige Herders, volgens Gods bevel
«verschuldigd zijt, te weten, eerbiedigheid, gehoorzaamheid en
»bijstand. Zij zijn het namelijk, die van wege Jezus Christus,
»als gevolmachtigden zijner Kerk tot u gezonden worden met
»bcvel, om u liet Evangelie te verkondigen en te. leeren on-
iderliouden al datgene, wat Hij aan zijne geloovigen geboden
vheeft,
Matth. XVIII. \'iO; die dus de plaats bekleeden van hen,
»tot welke Jezus Christus gezegd heeft: Die u hoort, hoort
T>mij, en die u versmaadt, versmaadt mij,
Luc. X. 10. Zij zijn
«het, aan dewelken gij, volgens de vermaning van den H. Pau-
»lus, Hebr. XIII. 17, gehoorzaam en onderdanig moet wezen,
tials zijnde diegenen, die voor u bezorgd zijn, en. werken, en
»zens reken:chip zullen moeten geven wegens hel bestier uwer
y>ziele>i;
welke gehoorzaamheid en onderdanigheid bestaat: in
«hunne leering, vermaning en onderrichting gretiglijk te volgen;
»in te doen en te oefenen hetgeen zij u van Godswege als
«wetten en heilzame deugdoefeningen voorstellen; in te laten en
»to vermijden al datgene, wat zij u uit de wet Gods, als zon-
»dig en verderfelijk voorhouden; deze uwe gehoorzaamheid en
«onderwerping is noodzakdjk zelfs, opdat zij met vreugde hun-
»nen rheid, dien zij ter liefde van uw eeuwig heil onderno-
«men hebben, mogen verrichten en geene reden hebhen, over
«uwe weerbarstigheid en ongewilligheid, tot God te klagen en
«te verzuchten; want, zooals Paulus u waarschuwt, wanneer
-ocr page 71-
_ 44 —
«gij hun roden gaaft, over uw onchristelijk gedrag te klagen
»en te zuchten, dat zoude u nadeelig zijn; immers zoodoende,
szoudt gij uw oordeel zeer verzwaren, en voor God veel straf-
»schuldiger zijn, dan indien zij niet tot u gekomen waren.
»Zij zijn het, die, naar de vermaning van Paulus I. Tim.
»V. 17. wegens de bestiering, die zij ten uwen opzichte waar-
»nemen, en dus arbeiden in het prediken, lecren en bedienen
»der Heilige Sacramenten, dubbele eer waardig zijn, voor wie
«gij een meer dan menschelijk ontzag moet hebben, aan wie
»gij den hoogsten eerbied en achting moet bewijzen, en wie
«gij tevens naar het tijdelijke niet moogt onverzorgd laten; want
«de Schriftuur zegt, ook ten aanzien der geestelijke arbeiders,
«zoowel bij Matthcus, waar de Zaligmaker zelf spreekt, als in
«den brief van Paulus aan Timotheus V. 18: Een arbeider is
y>zijn loon waardig.
Ondersteunt dan uwe broeders in den zwa-
»ren arbeid en last, dien zij voor en om uw zielenheil zoo wil-
»vaardig ondernemen en uitvoeren; ondersteunt hen, zeg ik,
»door hun een waren eerbied, eene vaardige gehoorzaamheid,
»en een milddadigen onderstand te bieden; degene, die onder-
»wezen wordt in liet woord en de zalige leering, deele mede
f>van alle goederen aan dengene, die hem onderwijst,
zegt
Paulus. Gal. VI. G.
«Welaaii dan, Geloovigc Christenen, hoort deze mijne vcr-
«maning, neemt ze aan, en volgt ze; de liefde voor uw
«eeuwig welzijn, die mij zoo veel moeite, arbeid en kosten met
«vermaak heeft doen ondernemen en aanwenden, heeft dit mijn
«sermoon reeds opgesteld, en ik zend u dit, in de verwachting
»en in de hoop, dat het zulk uitwerksel zal hebben, als tegelijk
«dienen moge tot bevordering van uw tijdelijk en eeuwig geluk,
«tot opbouw en voortplanting van onzen godsdienst, tot hervor-
«ming der zeden, tot uitroeiing van losbandigheid en ondeugd,
«tot stipte onderhouding der goddelijke en kerkelijke wetten,
«die u gebieden aan God te geven, wat God toekomt, en aan
«de wereldlijke overheid, wat het hare is: schatting, aan wien
y>gij schatting, lol, aan wien gij lol, vrees, aan wien gij
y>vreeze, en eer, aan wien gij eere schuldig zijt,
zooals Paulus
«spreekt Rom. XII. 7.
«Zoodoende zult gij het Opperwezen behagen, bij uwe
-ocr page 72-
- Ib -
«Overheden in achting zijn, groote vreugde en vergenoegdheid
»geven aau uwe geloafs- en landgenooten, en mij verplichten,
«om bij aanhoudendheid te toonen, hetgeen ik u zeg in waar-
»hcid te zijn,
«Uw genegenstc vriend en dienaar,
»A. C. Mkulinck.
» Aartspriester."\'
De Missionarissen namen hun intrek ten huize van den
eersten kerkmeester Francois Nicolet, waar zij door het kerk-
bestuur werden verwelkomd. In de woning van genoemden heer,
een man, gehuwd met eenc katholieke vrouw en die katholieke
kinderen had, moesten de priesters een vijftal maanden verblijven.
In eene bovenkamer des huizes, hielden zij gedurende al dien
tijd de godsdienstoefeningen, en droegen er de H. Offerande op.
Eenige kerkmeubelen en sieraden alsmede de noodige altaaibe-
hoeften hadden zij, als geschenk van den Aartspriester, mcdegc-
brachtjof zij ook geldelijke bijdragen, tot stichting der kerk,
medebrachten, staat niet vermeld. De eerste geldelijke onder-
steuning uit Nederland, waarvan gewag wordt gemaakt, is door
den opvolger van A. C. Meylink \'), den Amplissimus F. Ten
Huisdier,
met zijn eersten brief aan den kerkeraad opgezonden,
en was bestemd tot aflossing der kerkschuld. Wijl nu do Aarts-
priester toenmaals betuigde, dat hij die som van zeven honderd
en zestig gulden, in de moelelijke tijden, die het vaderland be-
leefde, maar met veel moeite had kunnen bijeenverzamelen, zoo
gclooven wij, dat de kerkmeestereh wel eenigzins zullen te leur
gesteld zijn, in hunne hoop, »dat de goede lieden in den vader-
«lande hunne milde hand zouden openen om de Surinaamsche
«katholieken in hun werk te hulp te komen," en dat de aange-
kornen priesters ten minste niet met vele «penningen voor den
bouw eener nieuwe kerk voorzien warer." ■)
Men sloeg dan zelf de handen aan het werk.
Uit een brief van het kerkbestuur van den 3 Maart 1787
aan den Aartspriester A. C. Meylink, zien wij èn wat er gedaan
1)  Overleden te Amsterdam in de maand September 1787.
2)  Brief van hot kerkbestuur dd. 27 Augustus 178G.
-ocr page 73-
— 46 —
was, èn de geldelijke behoefte, waarin de ontluikende Missie
verkeerde. De brief luidde:
»Ons laatste schrijven aan UwHoogeerwaarde op den 27 Au-
gustus 1786, zal, zoo vertrouwen wij, UwHoogeerw. wel ont-
vangen hebben, ofschoon wij tot onze groote verwondering en
tot ons leedwezen, tot heden bet geluk hebben moeten missen
met een antwoord vereerd te worden. Intusschen zijn te rechter
tijd de Eerw. Heeren Priesters A. van Doornik en A. Kerslans
bij ons aangekomen, en beiden genieten tot nu toe ecne vol-
maakte gezondheid........Wat de stichting van onze kerk
betreft, hiermede waren wij, bij de aankomst der priesters,
sedert ons laatste schrijven, nog niets gevorderd. Maar zoodra
de Eerwaarde Heeren waren aangeland, zagen wij de verwij-
derde Christenen allengs toenaderen, en wij belegden eene ver-
gadering van het kerkbestuur, waarin wij, onder anderen, het
plan beraamden, om obligatiën uit te geven. Dit werd dadelijk
ten uitvoer gelegd, zoodat wij tot op heden daarvan reeds voor
ongeveer zes duizend gulden, meerendeels onder de Roomsch
Katholieke ingezetenen, geplaatst hebben. Die obligatiën loopen,
zonder interest en lasten, tot zoolang de kerk bij machte zal
zijn die af te lossen.
Vervolgens hebben wij een huis, dat zeer geschikt voor-
kwam, voor de som van tien duizend gulden Ned. Cour. aan-
gekoeht, waarvan bij het transport vijf (luizend, en voorts
jaarlijks duizend gulden, zonder interest, moeten gest >rt worden.
Dan, om dit huis tot uitoefening van den godsdienst geschikt
to maken , alsmede voor het jaarlijksch onderhoud van pastoor
eu kapelaan en voor de verzorging van onze Roomsch-Katholieke
armen, zal nog wel omtrent vijf duizend gulden \') benoodigd
zijn. Nauwelijks waren de Heeren Geestelijken aangekomen, of
wij ontvingen een Bevelbrief van het Hof van Politie, waarbij
ons gelast werd onze armen uit eigen middelen te onderhouden.
1) Deze raming van f 5000 was daarenboven veel te laag. I!ij hot
jaar 17!K1, zullon wij zien, dat ze de Armenverzorging afzonderlijk
beraamden. Overigens moest men weispaarzaam, en jegens kerk en
priesters zeer karig zijn, om daarvoor in Suriname slechts vijf duizend
gulden te ramen.
-ocr page 74-
— 47 —
En dus, hoe voorspoedig alles nu ook met de stichting der kerk
moge gaan, kunnen wij toch geen genisten blik in de toekomst
werpen, naardien wij geen vooruitzicht hebben, dat wij het
uit eigen kas alleen kunnen staande houden en dat de ge-
heele stichting, zonder geldelijke ondersteuning uit het vader-
land, niet weder tenietga. Om die reden verzoeken wij [JwIIoog-
Eerwaarde allerminzaamst, door middel van eene collecte of
anderszins, de liefdadigheid der gegoede lieden van het vaderland
in te roepen, opdat zij ons met milde giften, in het werk der
stichting en instandhouding van de kerk ondersteunen. Onder
betuiging van altijddurende dankbaarheid, wachten wij, in gela-
tenheid en vertrouwen, UwHEw\'s aangename tijding af enz."
(w. g.) F. Nicolet, J. Pornmer, J. Schasné, A. Blom,
J. P. Kramer, 13. Schlosscr, M. J. Claessens, J. Pineau.
Het huis, door het kerkbestuur aangekocht, \') was vrij ruim
en werd beneden tot pastorie en boven tot kerk ingericht. \'\'\')
Op den eersten April kon deze nieuwe kerk worden betrokken.
Alles wat wij daarover kunnen mededeelen, is genomen uit de
«Historische Proeve," 2Je deel, blz. \'18 en 19, en uit de »Ge-
schicdenis" van J. Wolbers, bl. 409.
Op den 1 April 1787 werd de eerste plechtige Mis met in-
wijdingsrede in de nieuwe kerk gehouden. De Gouverneur Wicliers
en de leden der beide Hoven waren tot het bijwonen der plech-
tigheid uitgenoodigd, en woonden die ook bij. De toevloed van
nieuwsgierigen was zeer groot. De meeste inwoners, zoo Pro-
testanten en Joden als Katholieken-, hadden tot voltooiing van
het gebouw bijgedragen, hetzij door op de inzendingslijsten in
te teekenen of obligatiën te nemen, hetzij door eene zekere som
11 Van den luitenant-kolonel en kommandant der troepen Juriain
Francais de Vrederici,
die, in 17!)0 waarnemend, en in 1792 effectief
Gouverneur-Genoraal vau Suriname werd
\'2) J. Wolbers en anderen beweren, dut de kerk beneden wa9; maar
het archief van liet Apostolisch Vicariaat van Suriname weerspreekt dit.
Voor de lezers in Suriname teekenen wij aan, dat deze eerste katholieke
kerk in de Wagewegstraat gelegen was op het erf, dat thans toebc-
hoort aan S. van Lierop, die er onlangs een paar nette burgerwoningen
deed bouwen.
Het huis van den Hoor Franfois Nicolet, waar de Missionarissen ge-
durende vijf maanden verbleven en godsdienstoefeningen hielden, stond
in de nabijheid van deze kerk.
-ocr page 75-
— 48 —
gelds bij gelegenheid der algcrneene collecten te storten. Allen
verlangden de inwijding daarvan bij te wonen. Velen, die in
Suriname geboren waren en nooit Europa hadden bezocht, ston-
den verbaasd bij de indrukwekkende plechtigheden der Katholieke
Kerk , welke zoo weinig met de ceremoniën der protestanten
overeenkomen. De Joden meenden in deze godsdienstviering eenige
overeenkomst te vinden met die, welke eertijds in hunnen tempel
te Jerusalem plaats vond. In één woord, het was het bruilofts-
feest der Katholieke Kerk iu Suriname, en gebrek aan toejuiching
was er niet. Ook »veel eere," zegt J. Wolbers, »en begroetingen
en heilwenschen werden den Autoriteiten toegebracht."
Op den 1<3 Augustus nam het Hof eene gunstige beschikking
ten opzichte van de katholieke kerk, door haar van de belasting
der huurwaarde vrij te stellen, voor zoolang het gebouw als
kerk in gebruik zou blijven.
Omtrent het punt der Armenverzorging toonde het Gouver-
nement zich ook langen tijd inschikkelijk, daar het den finantiëe-
len toestand der parochie in aanmerking nam, en op verbetering
der kerkekas bleef hopen.
Ue stichting der kerk was een werk van opofferende liefde,
waarbij eendrachtige samenwerking een groote macht kon uit-
oefenen. Wel vestigde dus de.God der liefde zijn oog op Suriname\'s
katholieken; maar ook de satan ontbrak niet om verdeeldheid
te zaaien, en de edele pogingen van sommigen door de tegen-
werking en onverschilligheid, of door het slechte voorbeeld en
misverstand van anderen, te verijdelen. In en door het zooge-
naarnde kerkbestuur poogde hij het kwaad te stichten, en slaagde
hierin maar al te wel. In plaats van zich te vormen tot eene
commissie, om alles, wat tot de uitoefening van den godsdienst
en tot de ontvangst der priesters allereerst noodig was, te regc-
len, volgens de bedoelingen van den Aartspriester, hadden zich
eenige voorname ingezetenen, van den beginne der onderhan-
delingen af, tot een kerkeraad geconstitueerd, die geheel op
protestantsche leest geschoeid was. Hij bestond uit ouderlingen
en diakenen. Later in 1788, toen door liet Gouvernement ver-
gund was, jaarlijks ook op de plantages, ten behoeve der kerk,
eene collecte te houden, werden die diakenen in stads- en in
districtsdiakenen onderscheiden. Allen voerden zij den titel van
-ocr page 76-
— 49 —
»Eerwaarde." Zij bepaalden zich niet bij het toezicht houden
op tijdelijke aangelegenheden van kerk en pastorie, ook het
huishoudelijk leven der priesters, zelfs de kerkverordeningen, re-
kenden zij tot hunne competentie. Geestelijke zaken, die hen
volstrekt niet aangingen , wilden zij beoordeelen, en, als kerk-
vaderen, matigden zij zich een gezag aan, dat alleen aan het
hoofd der Missie toekwam.
De priesters moesten zwijgen. De noodlottige afhankelijkheid,
waarin die eerste Missionarissen verkeerden, maakte het zelfs
tot een gebiedende noodzakelijkheid te zwichten, zoolang zij dit
zonder gemocdsbczwaar doen konden. Die toestand was aller-
treurigst, vooral in zijne gevolgen. Dikwijls toch werd spreken
gebiedende plicht voor den priester, wijl ook in den kerkeraad
leden werden gevonden, die do meest ernstige terechtwijzingen
van den priester behoefden. Ofschoon enkelen hunner een leven
leidden, dat niemand en vooral geen kerkmeester past, is het
evenwel niet noodig een blaam te werpen op het geheele col-
lcgie. De toon en handelwijze der kerkmeesters kunnen toege-
schreven worden aan overdreven en dwazen ijver van kortzich-
tige lieden, die zich uit ijdelheid gewichtig trachten te maken,
en vóór alles bezorgd zijn te voorkomen, dat men hen beschul-
dige van de belangen der kerk te verwaarloozen. Zoowel hunne
brieven aan den Aartspriester, als hunne houding te Parama-
ribo, geven dit duidelijk genoeg te kennen.
Nauwelijks vier maanden na de aankomst der Missionarissen
meende de «Eerwaarde Kerkeraad" van zijn hoog oppergezag
blijk te moeten geven. De Geestelijken waren nog bij den Heer
Nicolet gehuisvest. Terwijl eenieder bezig was en zich beijverde
het aangekochte huis zoo spoedig mogelijk te verbouwen en tot
kerk in te richten, behaagde het aan die Eerwaarde Kerkmees-
ters, den Heer van Doornik verlof te geven, om de aangelegen-
heden der kerk met hen te behandelen, maar den Eerwaarden
Heer Kerstens daarvan uit te sluiten. Deze werd verzocht, szich
» voortaan niet meer met het huishoudelijke en den bouw der
«kerk te bemoeien, maar eenvoudig vroom en prijslijk te leven,
»de kerkdiensten te verrichten, voor de kerkmeesteren te bid-
ï den, enz."
Ofschoon ook hier niet zoozeer aan boos opzet te denken
Sa rlmiae.                                                                                                          4
-ocr page 77-
_ ÖÓ _
valt (immers, als ware het gebeurde hunnerzijds eene helden-
daad geweest, gaven zij van alles nauwkeurig verslag aan den
Aartspriester), kon deze handelwijze van het kerkbestuur niet
dan allergrievendst wezen voor de priesters, en moest zij eene
noodlottige verdeeldheid in den boezem der gemeente verwekken.
Die staat van ondergeschiktheid, waarin de Eerwaarde Heer
Kerstens door het Kerkbestuur geplaatst was, deed hem bij de
eenen, in het zoo noodzakelijk gezag en in achting, dalen, terwijl
hij bij anderen wrevel wekte tegen het kerkbestuur zelf, en
allicht ook tegen den Eerwaarden Heer van Doornik, dien men
gemakkelijk als ééne lijn trekkend met den kerkeraad kon voor-
stellen. Door de list der hel werd alzoo de invloed van beide
Geestelijken op het volk, reeds in den aanvang, gevoelig geknakt.
De Eerwaarde Heer Kerstens kon wel een tijdlang geduldig
toezien, wat bij trouwens gedaan heeft; maar op den duur er
in berusten mocht hij niet.
Op den 7 Maart ging het kerkbestuur de bovengemelde
dwaze, trotsebe en noodlottige daad met eene andere, even af-
keurenswaardig, bekronen. Nadat de priesters vier maanden
in het huis van den Heer Nicolet verbleven hadden, werd het
eindelijk tijd, dat het kerkbestuur zich de belofte herinnerde,
om voor het onderhoud hunner Geestelijken zorg te dragen.
Men kende dan aan den Eerw. Heer van Doornik een tracte-
ment toe van f 3000, waarvoor hij tevens een kapelaan moest
onderhouden; maar den Eerw. Heer Kerstens beloofde men een
salaris van twee gulden en tien stuivers daags, terwijl het
kostgeld, bij den Heer Nicolet, voor beiden in mindering werd
gerekend. Duidelijk bewijs, dat zij den Eerw. Heer Kerstens
tot vertrekken wilden noodzaken. Trouwens zij hadden reeds
den Aartspriester zijne vervanging door een ander verzocht, en
wel op grond, dat hij te weinig preektalent, maar te veel
volmacht, alsmede te veel theologische kennis bezat. Daarop
althans kwam het neder.
Niemand zeker zal beslissen, wie van deze priesters, die
beiden, met den geest Gods bezield, slechts het heil der zielen
beoogden, in onaangenamer en hachelijker toestand verkeerde:
hij, die door den kerkeraad tot heengaan gedwongen werd,
of wel hij, die door denzelfden kerkeraad, onder den schijn van
-ocr page 78-
- 54 -
vóórtrekking en begunstiging, van zijn eenigen geestelijken
raadsman en biechtvader ging beroofd worden.
Daar kwam, wel is waar, ecnige verbetering, toen zij, den
1 April 1787, de pastorie konden betrekken, en gezamenlijk
eene op zich zelf staande huishouding voeren; ook bleef de
Eerwaarde Heer Kerstens het nog vijf maanden uithouden; doch
eindelijk, zeker wijl zijn invloed veel geleden had, besloot hij
den «Eerwaarden kerkerade" eene laatste voldoening te sehen-
ken, en vertrok den 9 Juli 1787 naar het vaderland. \')
Vier maanden na het vertrek van den Eerwaarden Heer
A. Kerstens, en bijna elf maanden na zijne aankomst in de
kolonie, stierf de Eerwaarde Heer Albertua van Doornik, plot-
seling, of althans na eene kortstondige ziekte van twee dagen,
zonder priester en zonder de gewone troostmiddelen der kerk.
daar de priester, die tot vervanging van den Eerw. Heer Kerstens
verwacht werd, nog niet was aangekomen. Deze vroegtijdige
dood viel voor op den 9 November \'1787. Daags daarna werd
de Pastoor op het protestantsch kerkhof »de nieuwe Oranjetuin",
toenmaals de algemeene begraafplaats der blanken, begraven.
Door den Heer Nicolet werden de kosten der begrafenis, waarin
ieder kerkmeester zijn aandeel zou dragen, voorgeschoten. Een
behoorlijke inventaris der kerkgoederen werd opgemaakt, en
zekere J. B. Neef, als pastoriebewaarder en bestuurder der
4) Of de Weleerw. Hoer Kerstens, na.zijne terugkomst uit Suriname,
nog eenige kerkelijke bediening uitgeoefend heeft, hebben wjj niet met
volstrekte zekerheid kunnen achterhalen. Uit de vele nasporingen, ook
door den Hoogeerw. Heer van den Corput, toen nog Secretaris van
\'t Bisdom van Breda, ingesteld, kunnen we met genoegzame zekerheid
opmaken, dat hij althans in Nederland, niet meer in functie geweest is.
Hij schijnt in België gewoond te hebben; in het jaar 1821) kocht hij een
huis te Turnhout, dat hij tot aan zijn dood bleef bewonen, en alstoen
aan de Parochiekerk vermaakte. Hij stierf, als ambteloos priester, in den
gezegenden ouderdom van 73 jaren. In het doodenregister van Turnhout
vindt men opgeteekend: »In het jaar des Heeren 1830, den 25 Mei,
omstreeks negen uren des avonds, overleed de Eerwaarde en Zeerge-
leerde Heer Adrianus Kerstens, geboren te Breda den 49 Augustus \'l757,
Priester en Baccalaureus in de H. Godgeleerdheid, zoon van Corneliu»
Kerstens
en Comelia Wag-makers, en eerste Apostolische Missionaris
van Suriname, in Amerika."
(w, g.) J II. Moons.
We danken dit Extract en andere inlichtingen aan den ZeerEerw. Heer
J. B, van de Vulde, Deken van Turnhout,
-ocr page 79-
— 52 —
huishoudelijke zaken, aangesteld. Intusschen besloten de kerk-
meesters gedurende de afwezigheid eens priesters, alle zondagen,
godsdienstige bijeenkomsten in de kerk te blijven houden.
Aan hunne trotsche en ongepaste houding, aan hunne on-
voorzichtige openbaringen, waren èn het vertrek van den eenen,
èn misschien ook de al te vroege en zoo weinig benijdens-
waardige dood van den anderen godsgezant, te wijten; twee-
dracht hadden zij gezaaid tusschen de gemeenteleden; en,
tengevolge daarvan, begonnen velen nalatig te worden de toege-
zegde bijdrage voor kerk en armen te betalen; ook moest de
mare dier oneenigheden de harten der weldadige lieden in Ne-
derland verengen; de toelagen uit het vaderland, tot instand-
houding der Surinaamsche gemeente zoo noodzakelijk, vloeiden
slechts karig; de list des duivels was, helaas, maar al te wel
gelukt!
Aan diezelfde oorzaak hebben we reeds, voor een goed deel
ten minste, de weinige resultaten toegeschreven, door de beide
eerste Missionarissen verkregen. Uit de doop-, trouw- en sterf-
registers van Suriname maken we het magere verslag op van
hunne apostolische werkzaamheden.
Het getal doopsels door hen (17 October 4786—1788) toe-
gediend is zeven, namelijk twee van wettige en vijf van onwet-
tige kinderen. Voor de eerste maal werd het doopsel aan twee
onwettige kinderen toegediend op den 9 Februari 1787, dus
bijna vier maanden na hunne aankomst, terwijl pastoor van
Doornik
op den 13 October 1787 voor de laatste maal een kind
doopte. Het is moeilijk te gelooven, dat er in geheel den tijd
hunner bediening geen slaven of ten minste slaven-kinderen, die
eigendom waren, van eenige voorname en plichtbetrachtende
katholieken, in stervensnood zouden gedoopt zijn; echter is daar-
van niets bekend. \') Een enkel huwelijk werd, den 16 September
■1) Het verbod der Regeering om slaven te doopen, kon door middel
van vrijgeving ontdoken worden. Daar de vrijgeving, zoo vaak de dood
met zekerheid voorzien werd, zonder bezwaar der eigenaren kon ge-
Bchieden, moesten de katholieken daardoor ten sterkste worden aange-
spoord. Misschien zijn zulke doopsels ook meermalen door leeken en,
tot ontduiking der formaliteiten der wettelijke vrijgeving, geheel in het
geheim toegediend.
-ocr page 80-
— 53 —
1787, kerkelijk ingezegend. In het dooden-register staan aan-
gegeven: in 1786, twee overledenen, namelijk één ingezetene en
één militair; in 1787 slechts één burger; zij zijn waarschijnlijk
zonder Sacramenten gestorven, dewijl er geene melding van ge-
maakt wordt. Omtrent liet aantal biechten en communiën en,
in het algemeen, omtrent alle andere werkzaamheden ontbreken
de berichten.
Aan het verzoek om een plaatsvervanger van den Eer-
waarden Heer Adrianus Kersteus, had de Aartspriester A. C.
Meylink
gevolg gegeven. Zijne keuze was gevallen op den Eer-
waarden Heer Petrus van Noort, geboortig van \'s Gravenfiage,
een zeer deugdzaam seculier priester, voor wien hij de noodige
zending en faculteiten van den Nuntius te Brussel ontvangen
had. Hij was zoo dierbaar aan den Aartspriester, dat hij hem,
korten tijd voor zijnen dood, de schriftelijke toezegging over-
handigde, van , bijaldien zijn collega vertrok of overleed, als
Pastoor of Missionarius primarius te zullen erkend worden.
In de eerste dagen van Januari 1788 landde hij te Parama-
ribo aan, maar vond, geheel teleurgesteld, zijn collega reeds
overleden. De kapitein A. Wildeboer, een braaf katholiek, die
hem had overgevoerd, geleidde hem naar het huis van een der
kerkmeesters, B. Schlosser. Ofschoon deze ziek te bed lag, en
uit dien hoofde de ontvangst niet schitterend kon wezen, snel-
den toch spoedig de andere kerkmeesters toe, om den nieuwen
pastoor welkom te heeten. Eén echter, die anders steeds op den
voorgrond stond, Francois Nicolet\' bleef ontbreken. Na eene
pooze toevens werd de Pastoor, door de Heeren J. rommer
en J. Pineau, naar de pastorie begeleid, wier sleutels toen bij
F. Nicolet berustten. Deze laatste was gebelgd, omdat de Pastoor
hem voorbijging, en gaf de sleutels niet af vooraleer de Heer
J. Pomtner hem tweemaal een bode gezonden had. Waarlijk
geen vriendelijke ontvangst! Uithoofde van de bestaande oneenig-
heden tusschen de gemeenteleden te Paramaribo, had de Aarts-
priester aan den Eerw. Heer van Noort bevolen, zich niet bij
den Heer Nicolet aan te melden, maar eenvoudig naar de pastorie
te gaan.
In de pastorie aangekomen, vond hij daar twee zwarte
schepselen, moeder en dochter, die het eigendom der kerk
-ocr page 81-
— 54 —
waren, en bestemd voor zijne huishouding. Zij boezemden den
pas aangekomen pastoor afschrik in, en werden reeds den 1 Fe-
bruari door het kerkbestuur verkocht, dat nu de huishouding
van den pastoor door huur-slavcn, namelijk eene kook.ster en
een negerjongen deed waarnemen. Zeker Europeaan, Joseph
Lem,
een gewezen militair, was koster en bediende van den
pastoor.
Bij de heerschende tweespalt kwam het goedaardig en
meegaand karakter van dezen Missionaris uitmuntend te stade.
Bij herhaling slaagde hij er in de verwikkelingen bij te leggen,
die in het kerkbestuur, en zelfs in de kerk, voorvielen, en zoo
ruchtbaar waren, dat de Gouverneur Wichers, en later ook de
Frederici,
er op wezen als op voorboden van mislukte pogingen.
De grond dier oneenigheden en stoornissen der liefde schijnt
gezocht Ie moeten worden in de prikkelbaarheid en lichtgeraakt-
heid vooral van sommige vrouwelijke familieleden der kerk-
meesters, die het moeilijk met elkaar konden vinden. Wij
maken er alleen melding van om hot standpunt der Missionaris-
son te doen uitkomen. In den eersten brief, welken de Eerw. Heer
van Noort, den 8 Januari 1788, en dus weinige dagen na zijne
aankomst, tot den Aartspriester richtte, en waarin hij den Am-
plissimus H. F. Ten Huisdier, een hem, in deze omstandigheden,
zoo noodigen medehelper verzoekt, wijst hij op die oneenigheden
en geeft het standpunt aan, waarop hij zich met wijze voorzichtig-
heid geplaatst heeft. »Ten andere," zegt hij, »is mijn vriendelijk
verzoek om een collega, eensdeels om elkander door goeden raad
bij te staan en mijn geweten te ontlasten, ten andere om mij
in mijn werk te ondersteunen. Doch gelieve UwHEw. iemand te
zenden die, gelijk ik, hier vreemd is; want anders zouden de
onlusten tusschen de leden der gemeente misschien weder plaats
grijpen,___ ik neem bij allen eene stipte onzijdigheid in acht,
en ik hoop daarin met Gods hulp tot het einde te volharden."
In Mei van hetzelfde jaar berichtte de Aartspriester dat een
Missionaris zou komen, en den 20 Juli, dat hij reeds reisvaardig
was. Deze Missionaris was de Zeereerwaarde Heer Bernardus
Meddens
, in 4759, te Groningen geboren. Hij was seculier
priester en had de H. Bediening reeds in het vaderland uitge-
oefend sedert 1782. Maar gaarne verliet hij, in die onrustige
-ocr page 82-
— 55 —
tijden, zijne standplaats, om elders aan het zielenheil te arbeiden.
De Amplissimus roemde hem als een deugdzaam en bekwaam
geestelijke, onder alle opzichten geschikt om de katholieke kudde
van Suriname te besturen en te bewaken. Hij was gezonden
als opvolger van Pastoor van Doornik, en had den 24 Mei zijne
aanstelling als Missionaris primarius met de gewone en buiten-
gewone volmachten van Zijne Excellentie den Nuntius Antonius
Felix Zondadari
ontvangen. Zie Bijlage V.
Den 9 Octobcr in den mond der Suriname aangekomen,
snelde hem pastoor van Noort, door twee kerkmeesters verge-
zeld, te gemoet, en heette hem, aan boord van het koopvaar-
dijschip, hartelijk welkom.
Beide deze priesters hebben veel voorzichtigheid en nederig-
heid aan den dag gelegd. De Eerw. Heer Meddens, ofschoon
het hoofd der Missie en als dusdanig bij het Gouvernement en
het kerkbestuur erkend, liet zijn collega, den Eerw. Heer van
Noort
, die de gemoederen zoowel had weten te bedaren , als
pastoor voor het volk optreden, terwijl deze alles in de meeste
afhankelijkheid en in overleg met den pastoor Meddens zoo
goed mogelijk regelde. Een andere weg hadde hoogstwaarschijn-
lijk tot de vroegere onlusten teruggevoerd. In de vergadering
van het kerkbestuur, waarin de aanstelling van den nieuwen
pastoor werd medegedeeld, nam de Eerw. Heer van Noort het
woord op, en zeide in ronde woorden, dat het hier cene gees-
telijkc zaak gold , met welke de kerkmeesters niets hadden uit
te staan, en dat zij eenvoudig te gehoorzamen hadden aan den
Eerw. Heer Meddens, zoo als zij hem, toen hij alleen was,
gehoorzaamd hadden; verder betuigde hij, dat hij voor hen
beiden, als zijnde beiden hunne wettige herders, al dien eerbied
verwachtte. welken zij hem voortdurend betoond hadden. Deze
toespraak van den beminden Heer van Noort werd goed opge-
nomen. Ook de Aartspriester schreef den \'20 Juli 1788 in den-
zelfden geest aan het kerkbestuur, hij waarschuwde het in-
zonderheid zich wel te wachten, ooit iets te doen, zoo als
vroeger geschied was, wat in het oog van vreemdelingen,
den priesters ook maar den schijn van eenige verdeeldheid kon
aanwrijven. Na eenige woorden over den Eerw, Heer Meddens,
vervolgt hij :
-ocr page 83-
- 56 —
» Alleen maar beveel, of liever smeek ik UWcled., in de
ingewanden van Jezus Christus, dat gij hem aannemet als uwen
geestelijken medevadcr, hem eerbiedigt, als gehoorzame schapen
naar zijne stem luistert, en dat er onder u, gelijk voorheen,
geen tweespalt, geen partijdigheid meer zij. Gij zult nu, met
de aankomst van dezen Heer voorzien zijn <an twee allerbraafste
herders. Slaat dan met hen, slaat mot elkander de handen in
één, tot opbouwing van Christus\' geestelijk lichaam, zijne Heilige
Kerk, wier lidmaten gij zijt. Laat mij toch niet ter oorc ko-
men, hetgeen de lecraar der Volkeren, Paulus, van de verdeelde
Korinthièrs hooren moest: »Ik behoor aan Apollo, ik aan Pau-
lus, ik aan Cephas;" denkt, dat zij heiden dienaren zijn, die
voor Jezus Christus werken , voor Christus, zeg ik , die niet
verdeeld wezen kan. Geenszins twijfelende of gij en de geheele
gemeente zult gehoor geven aan deze mijne vermaningen, en
medewerken met mijne heilzame inzichten, beveel ik UWeled.
en de geheele gemeente in Gods heilige bescherming enz."
De gelijke achting en eerbied, die de Aartspriester, blijkens
de door Zijn Hoogeerwaarde gebezigde; woorden »medevader"
en «medeherder" voor beide Missionarissen beoogde, hebben zij
werkelijk mogen genieten. Zij genoten het vertrouwen zoowel
als de liefde.
Dit neemt niet weg dat zij veel verdragen moesten. Voor
hun onderhoud genoten zij drie duizend gulden. Ofschoon zij
geen gebrek leden, stelde deze jaarwedde, welker uitkeering
zich somtijds liet wachten, bij de voortdurende ziekelijkheden
van den pastoor Meddens, hen zekerlijk niet bloot aan buiten-
sporige uitgaven.
Zij moesten er in berusten aan den leiband van Heeren
kerkeraden te loopen, en hun van alles tot in de minste bijzon-
derheden rekenschap geven. Men moet zich noodzakelijk met
de verbeelding in hunnen toestand verplaatsen, om hunne ncde-
rige en voorzichtige handelwijze te kunnen billijken.
Na het vertrek van den Pastoor Meddens, die, uithoofde van
voortdurende ziekelijkheid, den 28 Februari 1790 repatrieerde,1)
1) In het raderland teruggekeerd, werd de Zeer Eerw. Heer B. Meddens
-ocr page 84-
- 57 —
heeft zich de Eerwaarde Heer van Noort zeer veel vernedering
moeten getroosten. Vroeger had hij veel kunnen verdragen;
doch nu, op nieuw zonder troost en steun van een niedehclper,
voelde hij de behoefte, zijn hart aan een, zooals later bleek,
niet te betrouwen vriend uit te storten. De zaken werden er
slechts ernstiger door, het zenuwgestel van den goeden zwakken
pastoor werd hevig geschokt, alles (luidde aan, dat zijne loop-
baan op aarde langzaam ging eindigen; maar Gods H. Voorzie-
nigheid voegde het zoo, dat hij de hulp zijns opvolgers nog
genieten mocht. Hij ontving de H. Sacramenten, met al den
troost der priesterlijke bediening, en stierf den 18 December
1790, veertien dagen na aankomst van den Eerwaarden Heer
Jan Baptist Eelljens.
Ziehier het verslag der Apostolische werkzaamheden over
de jaren 1788, 1789 en 1790, namelijk gedurende de bediening
van den Eerwaarden Heer Petrus van Noort, die de parochie;,
ruim anderhalf jaar, zonder medehulp van Pastoor Meddens,
waarnam.
Slechts één huwelijk werd ingezegend, namelijk door P.
van Noort
op 10 Februari 1788. Het H. Doopsel werd in 1788
toegediend aan tien, waaronder drie wettige, kinderen; in
1789 aan veertien personen, waaronder vier wettige kinderen;
in 1790 aan twaalf, kleinen en grooten, onder welke drie wet-
tige kinderen voorkomen. — Het sterfregister geeft het getal
dooden op, als volgt: in 1788 stierven elf personen, nl. van de
militairen vier, van de burgers drie mannen en drie vrouwen,
in het jaar 1790 tot Pastoor van Groningen benoemd, nam gedurende
lange jaren de aanzienlijke betrekking Yan Aartspriester van Groningen
waar, verkreeg in 1821, na oen reeds in 1818 ingodiend request aan
den Koning, de oude zoogenaamde Broederkerk, ter uitoefening van
den eeredienst der katholieken, en verving daardoor eindelijk, niet zon-
der moeite, de vijf bestaande kerkjes. Eerst in 1834 werd \'s Koning»
geschenk aangenomen, toen immers werd de jaarljjksche subsidie tot
onderhoud der kerk zooveel vermeerderd, dat de katholieke gemeente
oordeelde de kosten to kunnen dekken. Ten jare 1836 werd die kerk
ingewijd. Door Mgr. Ciumberlani van het Aartspriesterschap ontheven,
werd hij, (onder diens opvolger als Vico Superior, Mgr. Ferrieri) op zjjn
vtrzoek, in 1842, eveneens van de herderlijke bediening ontslagen. Hij
stierf te Groningen, als ambteloos priester, den 25 Juli 1845,
-ocr page 85-
~ 58 —
allen voorzien met de Sacramenten der stervenden, en één man,
die plotseling overleed; — in 1789 staan zeventien sterfgevallen
geboekt, te weten: drie militairen, die van alle Sacramenten
voorzien werden, en één militair, die alleen het H. Oliesel ont-
ving; zes ingezetenen, die ten volle bediend waren; vijf volwas-
senen, die kort na het ontvangen van het H. Doopsel stierven ;
één gedoopt kind, en ééne brave getrouwde vrouw, die plotse-
ling overleed; — in 1790 telde men slechts tien dooden, namelijk
vier civielen en twee militairen, allen ten volle bediend; één
braaf mensch, plotseling, en drie katholieke officieren, zonder
Sacramenten overleden. \')
Het getal der jaarlijksche biechten en paaschcommunièn (en
hieronder werden ook gerekend de communién van sommige
stervenden , alsmede van hen , die vóór of na den paaschtijd
kwamen biechten en communiceeren) 2), dat getal was in 1788
honderd twee-en-twintig en in 1789 honderd achttien. De lijst
der communicanten van de twee genoemde jaren bestaat nog in
het Archief van het Vicariaat, en is blijkbaar een memoriaal van
den Eerwaarden Heer P. van Noort. Ofschoon die lijst namen
bevat, welke er in al de volgende jaren niet op mochten voor-
komen; alhoewel zij door onvolledige aanduiding van personen
en onnauwkeurigheden in de opgaven, een juist oordeel onmo-
gelijk maken, toch biedt zij ons eenigen maatstaf om het getal
der plichtbetrachtende katholieken uit die dagen te kunnen be-
grooten. Op de lijst van 1789, die de beste aanduiding van
personen schijnt te geven, worden als communicanten aange-
gevcn:
Één majoor, de Baron von Clcyst.
Twee officieren.
Vijf zee-officieren van gezondheid.
1)  Militairen en officieren worden dikwijls gedetacheerd op posten", die
verre van de stad verwijderd lagen. Bij het snel verloop, dat in Suriname
de ziekten plegen te hebben, is het hoogst moeilijk personen, die op
zulke posten door ziekten overvallen worden, nog tijdig van de Sacra-
menren te voorzien.
2)  Dit bevreemde niemand. Uithoofde van de locale toestanden is zelfs
nog in het Provinciaal Concilie van Trinidad ten jare 1807 de tijdruimte,
binnen welke men aan de paaschplicht voldoen kan, bepaald van den
eersten zondag in de Vasten tot het feest der Allerh. Drievuldigheid.
-ocr page 86-
Eén en veertig gemeene soldaten.
Eén schipper.
Zes stuurlui.
Twee chirurgijns.
Twee administrateurs van plantages.
Negen directeurs van plantages.
Eén apotheker.
Acht-cn-twintig burgers (kooplieden enz.)
Twaalf vrijgeboren vrouwen.
Twee vrijgegeven vrouwen.
Eéne slavin.
Eén neger.
Eén koopvaardij\'s-kapitcin.
Drie andere blanken, namelijk één boer en twee zonen van
een scheepsgezagvoerder.
Wij voegen hierbij eenige aanmerkingen.
Naar evenredigheid der katholieke militairen, die toenmaals
wellicht vier a vijf honderd in getal waren, \') zijn negen-en-
veertig communicanten niet veel.
Bijna alle katholieken van dien tijd waren blanken, uit
Nederland en van elders naar Suriname gekomen, of in Suri-
name van katholieke ouders geboren.
Daar het niet waarschijnlijk is, dat er te dien tijde, be-
halve het garnizoen en de koopvaardijvloot, meer dan twee tot
drie honderd katholieken in Suriname waren, is het getal^ vijftig
of zestig paaschcommunies, en dus van een vierde of een vijfde
der katholieke bevolking, en wel in dien tijd, geenszins te
versmaden.
De namen van de meeste zoogenaamde ouderlingen en dia-
kenen des kerkcraads, die in den loop van ruim zes jaren zijn
op- en afgetreden, en de notulen der vergaderingen hebben
onderteekend, komen op de communicanten-lijsten van 1788 en
\\) De oorlog der Engelschen met de Nederlandsche republiek en de
onlusten met de Boschnegers, die gedurig het hoofd weder opstaken,
waren oorzaak, dat Suriname een sterk garnizoen had. Daar die mili-.
tairen vele tochten te doen hadden, waren ze dikwjjls buiten gelegen-
beid hunne godsdienstplichten te vervullen.
-ocr page 87-
— 60 —
1789 voor. Twee hunner stierven in Suriname \') en irie ver-
trokken naar Ne.Ierland vóór liet, voor de kerk van Suriname,
zoo noodlottige jaar 1793.
Onder deze ouderlingen en diakenen bevonden zich de
voornaamste en aanzienlijkste katholieke ingezetenen. Evenwel
niet allen waren zij de ijverigste. Om een denkbeeld te geven
van de katholiciteit in Suriname tijdens de kindsheid van haar
bestaan, voegen wij hierbij, uit de berichten van die dagen nog
eene naamlijst van andere katholieke ingezetenen, welke voor
sommige lezers, die zoo in Nederland als in Suriname er hunne
eigen namen in terugvinden, eenig belang kan inboezemen, en
wellicht nog tot ecnigerlei ontdekking op het gebied dezer
historie leiden kan.
Als ouderlingen en als diakens of collectanten figureerden
achtervolgens of gelijktijdig: F. Nicolet, J. A. Pommer, J. Schasné,
A. Blom, Jos. Don. Justus Thijm, J. B. Kramer, M. J. Claes-
sens, J. Pineau, B. Schlosser, J. F. Boitx, Jacques Le. Gros,
11. J. Scfwrdeyn, F. Kreutedijn, F. A. Isadc, Kapitein Antonie
Wildeboer, Kapitein Willem Dijker, J. G. Walbach, E. N.
Sallcbry, P. Tournier, J. von Papenheym, J. D. A. Kustner,
M. J. Menetré, E. C. Meytt, J. H. Leevering, J. 11. Brandt,
J. van Lintelen, J. B. Bonman, Fcrdinand Schuurman,
A. Nierman, N. J. Broekhoven, E. Transkowski, F. W. Tree-
senberg, W. Ordenbach.
Drie der vermelde Hoeren waren admi-
nislrateurs, namelijk Johan Schasné, J. D. J. Thijm en A. Blom.
J. A. Pommer
was chirurgijn. F. Nicolet, J. B. Kramer, E. N.
Sallebry, M. J. Claessens
en de zeven op hem volgende Heeren
waren stadbewoners, en in onderscheidene betrekkingen van
11 Antonie Mom, Administrateur van plantage, schrijver van een
werk over den «landbouw in Suriname" dat in 1780 en 1787 liet licht
zap, en lid van het genootschap ter beoefening der natuurlijke historie,
dat in den «Hortus Surinamensis" aan den rijweg naar Kwatta verga-
derde, stierf gedurende het herdeiiooze tijdperk in 1808 aan de Sara-
maccastraat; ook Frnnfois Kicolet schijnt in het herderloos tijdperk
overleden te wezen, daar de weduwe Nicolet, in later [tijd, bij herhaling
als doopborg vermeld staat. Deze beide Heeren voorul waren het, die
. zich naar uit de verwarde berichten is op te maken, meer dan de an-
dere leden van het kerkbestuur door afgekeerdheid tegen elkander en
bemoeizucht onderscheiden hadden.
-ocr page 88-
- 61 -
handel of nijverheid werkzaam. J. G. Walbach, P. Tournier en
de veertien op laatstgenoemde volgende Hecren waren plantage-
directeuren. Op de lijst der katholieken van dien tijd komen
verder nog voor de directeurs J. Sitaart, N. Chevalier, J. Fa-
verey, J. Stieler, Joh. Ushing
enz. en onder de stadbewoners.
Hendi\'ik Verberne, Apotheker, Francois Colsonl, Mevrouw Gros-
poil,
geboren Des Marès, en vele anderen mot vreemde en schier
niet te ontcijferen namen. Behalve den gehuwden kerkmeester
Jon. Thijm, staan ook Jan Baptist Thijm met zijne echtgc-
noote en Lambertus Thijm als katholieken van dien tijd be-
kend. Gehuwde paren trof men toen, even als tegenwoordig,
zeer weinig aan; schier allo directeurs van plantages waren onge-
huwd. Onder de katholieke bevolking kunnen, naar het althans
schijnt, twaalf getrouwde paren genoemd worden; zeker waren
vier van deze gemengde huwelijken. Wel was hot, bij deze
zedelijke gesteldheid der Snrinaamsche maatschappij, moeilijk
ook maar alleen uitwendig stichtend te leven. Maar veel, zeer
veel kostte het, om voortdurend aan alle eischen van het katho-
liek geloof als brave christenen te voldoen. En toch waren er
die voor zoodanige doorgingen. In katholieken die zich toelegden
midden in het bederf, hot voorbeeld van een zedelijken levens-
wandel te vertoonen, voelen wij ons geneigd, den trots en de
prikkelbaarheid van gemoed, wat daaruit ook gevolgd zij, zoo
toegevend mogelijk te beschouwen.
De opvolger van den Ecrw. Heer van Noort, was Jan
Baptist Eeltjens,
geboortig van Breda, een seculier priester
van 40jarigen leeftijd, die reeds verscheidene jaren in bedie-
ning was geweest.
Onder zijn Pastoorschap werd de grootc levensvraag van
het bestaan der Roomsch Katholieke gemeente in Suriname
opgelost.
Onder de voorwaarden, waaronder de uitoefening van den
katholieken godsdienst te Paramaribo was toegestaan, behoorde
de verplichting, welke de kerk op zich moest nemen, om de
katholieke armen op eigen kosten te verplegen.
Het Gouvernement, ofschoon bij herhaling op het nakomen
dezer voorwaarde aandringend, bleef tijdens het bestuur van
-ocr page 89-
— 62 —
Gouverneur Wichers inschikkelijk en liet zich op vertoog van
de armoede der kerk door de schoone beloften van het kerk-
bestuur paaien. Verleende het Gouvernement uitstel van beta-
ling, het kerkbestuur was nooit in staat die te effectueeren. De
armen der gemeente werden in het gereformeerde diaconiehuis
verzorgd. Den 2(5 Juni 1791 werd van wege het Hof van Politie
en Crimincele justitie eene lijst ingeleverd van niet minder dan
zeven blanke armen, die in de laatste zeven of acht maanden
in dat gesticht waren opgenomen. De gecommitteerden van het
Hof beteekenden aan den Pastoor, dat, zoo de kerk hare armen
niet onderhield, men tot strenger maatregelen zou overgaan. Op
eene juiste door het kerkbestuur verstrekte inzage van den
slechten staat der kerkelijke geldmiddelen, verleende het Hof
den 16 Augustus 1791 wederom een uitstel van twaalf maan-
den, ten einde men zich tot kwijting der verschuldigde gelden
zou kunnen voorbereiden. Daar werd echter bepaald dat, ingeval
men alsdan de armenverzorging uit eigen middelen niet aan-
vaardde, het zevende artikel der voorwaarden, waaronder de
uitoefening van den katholieken godsdienst was toegestaan, in
toepassing gebracht, en de openbare ecredienst zou verboden
worden.
Den 14 December des volgenden jaars werden de Pastoor
en twee kerkmeesters bij den Gouverneur-Generaal F. J. de
Frederici
ontboden. Deze maakte hun, ondershands en bij wijze
van waarschuwing, de resolutie bekend, welke het Hof, na het
verstrijken van het vergunde uitstel, voornemens was te nemen.
Om te voorkomen dat hunne kerk op den 1 Januari 1793 zou
worden gesloten, konden zjj nu nog bij tijds aan hunne ver-
plichting voldoen. Den 28 December echter stond het Hof nog-
maals toe, dat het kerkbestuur zijne armen voor den tijd van
één jaar in \'s lands gasthuis kon laten verplegen, mits op zijne
kosten. De tijd werd vergund om hierover te beraadslagen, en
zoo werden gestrengere maatregelen nog een tijdlang verdaagd.
Maar het kerkbestuur zag zich in de volslagen onmogelijkheid,
om de verpleging zijner armen voor vast op zich te nemen.
Het deed allerlei voorstellen, om kerk belastingen te mogen
heffen, om diegenen die weigerachtig waren de sommen te be-
talen, waarvoor zij ingeschreven hadden, te kunnen vervolgen;
-ocr page 90-
— 63 —
om ten minste ontslagen te worden van de verzorging van niet
plichtbctrachtende katholieke armen, alsmede van de verpleging
der R. K. militairen, die hun leven in den dienst der Geoctrooieerde
Sociëteit hadden doorgebracht: het Hof bleef doof voor al deze
redeneeringen en antwoordde door een besluit van dezelfde dag-
teckening als het request der kerkmeesters, dat het volharden
bleef bij zijne resolutie van den L2S December, maar dat het
aan requestranten vrijstond, zich tot de Hecren Directeuren en
Regeerders der kolonie te Amsterdam te vervoegen.
De Pastoor begaf zich met de Hoeren Kreuterlijn en J. D. J.
Thijm
tot den Gouverneur om Z. Excell. bekend te maken, dat
men besloten was de belangen der kerk aan de Regeerders te
Amsterdam voor te dragen, maar dat men, in afwachting hun-
ner liooge beslissing, eerbiedig verzocht om van de betaling der
verpleegkosten in \'slands gasthuis ontslagen te worden. Mocht
Zijne Excellentie hierin niet kunnen toestemmen, dan zouden de
katholieken hunne kerk sluiten.
De Gouverneur weigerde dat ontslag van armen verzorging
toe te staan; en zoo werd de openbare uitoefening van den
katholieken godsdienst in Suriname gestaakt. Geen beambten
werden uitgezonden om de kerk gerechtelijk te sluiten. De
Pastoor hield eenvoudig op den publieken eeredienst te verrich-
ten, en de geloovigen tot deelneming aan de H. Geheimen in
het openbaar toe te laten.
Deze kerksluiting moet hoogstwaarschijnlijk op den 1 Maart
1793 gesteld worden. \')
Uitzicht, dat de katholieke eeredienst spoedig zou hersteld
worden, was er niet. De Pastoor besloot dus te vertrekken;
maar wijl den 3 April het bericht was aangekomen, dat Frankrijk
aan Engeland en Holland den oorlog verklaard had, moest die
reis gewijzigd worden, en heeft Zijn Eerwaarde die hoogstwaar-
schijnlijk over Amerika genomen. De kerkmeesteren vonden oor-
i) Volgens bescheiden in het Archief van het Apostolisch Vicariaat
voorhanden, is het zeker, dat de chronologische tafel van Chr. Brown,
in den Staatkundigen Almanak van 17Ë6, alsmede J Wolters en Jhr. C.
A. van Sijfjesteyn,
in het aangeven van het tijdstip der kerksluiting,
gefaald hebben.
-ocr page 91-
— 64 —
baar, om, bij eenige gegoede en welmeenende Jieden, eene milde
gift voor de reis en de uitrusting van den Pastoor te verzoeken.
In een boekje van ontvangsten van de hand des Eerwaarden
Eeltjens, staan van den 2 tot den 10 April zeven honderd zeven-
en-zcventig gulden, als jaarlijksche kerkelijke bijdrage of als
geschenk aan de kerk opgeteekcnd, behalve nog eene gift van
f 50, die uitdrukkelijk voor zijne reis door den Heer F. Kreu-
terlijn
gegeven was. Het moet daarom bepaald voor eene fabel
worden gehouden, het bericht, dat deze priester bij gebrek aan
het noodige reisgeld de fortuin in het kaaVtjspel zou beproefd
hebben, en daarin zoowel zoude geslaagd zijn, dat hij weldra
in staat was de reis te ondernemen!
Het is nochtans duidelijk, dat de flnantieele toestand der
kerk sedert 1791 erg was achteruitgegaan, en dat do Eerw. Heer
Eeltjens zich in Suriname niet weinig heeft moeten behelpen.
De vraag van den Pastoor om schriftelijke bescheiden over
de kcrkschulden te ontvangen, werd door het bestuur stilzwij-
gend beantwoord. Klaarblijkelijk wilden de kerkmeesters open-
baarheid omtrent de geldmiddelen der kerk en den staat der
katholieken in Suriname vermijden. Wel gaven zij den Pastoor
de volgende bescheiden mede:
»Wij volmuchtigen den Hoogeerw. Heer Aartspriester, benë-
vens onzen Eerw. Heer Pastoor ./. B. Eeltjens om" (natuurlijk in
Holland) »alles aan te wenden tot herstelling van onzen godsdienst."
»De jaarlijksche uitgaven voor de kerk worden begroot
zonder onderhoud der armen op vijf duizend gulden."
»De inkomsten der twee laatste jaren zijn geweest, in 1791
drie duizend drie honderd en zestig gulden en negentien stuivers,
en in 1792 drie duizend en twintig gulden en tien stuivers."
Eindelijk machtigden zij de Heeren J. Schasné, J. Thijm
en Ferdinand Schuurman om den Weleerw. Heer Eeltjens
zijn «kerkelijk ontslag"... te doen toekomen.
Het getal gedoopten door Pastoor Eeltjens bedraagt negentien.
Eén huwelijk werd den 8 April 1792 kerkelijk ingezegend.
Het sterfregister bevat over de jaren 1791, 1792 en 1793
twintig sterfgevallen van katholieken in de stad, te weten: in
1791 tien, van welke drie volwassenen een plotselingen dood
stierven, vier kleine kinderen waren en de drie overigen, name-
-ocr page 92-
— 65 —
lijk twee burgers en één officier der marine, al de Sacramenten
der stervenden ontvingen; in het jaar 1792 stierven acht katho-
lieken, onder welke twee kinderen, vier burgers, met alle Sa-
cramenten voorzien, en twee plotseling overleden waren; in het
begin van 1793 hadden twee sterfgevallen plaats.
Van biecht- en communielijsten, onder het pastoorschap van
den Eerw. Heer Eeltjens, en van andere bescheiden omtrent
zijne apostolische werkzaamheden, is niets bewaard gebleven. \')
Dat de katholieke geest in dien tijd weinig ontwikkeld was,
dat het christelijk leven kwijnde, wien zal het verwonderen?
Meerdere katholieke Directeurs onttrokken zich aan de bijdrage
voor de kerk; anderen, die door niet geringe geldelijke bijdragen
voor rechtgeloovig en vroom wilden doorgaan, leidden niettemin
een ergerlijk leven. Daar waren er echter ook, en niet weini-
gen, van wie de berichten niets crgerlijks mededeelen, en die
tot de 11. Sacramenten toegelaten werden.
Dat de kerk zoo spoedig gesloten werd, was de schuld van
de onverschilligen, die niets of veel te weinig wilden bijdragen.
Doch wie kan van slechte katholieken veel opofferingen ver-
wachten? De aan de kerk getrouwe leden hebben inderdaad
veel gedaan. De aanteckeningen van de Zondagsche collecten
wijzen uit, dat de weinige kerkbezoekers veel offerden. »Uit
gegevens," zoo schreef de Eerw. Heer van Noort aan den Am-
plissimus den 8 Januari 1788, »uit gegevens blijkt genoegzaam,
met hoeveel ijver de katholieken dezer kolonie gearbeid hebben
tot stichting van pastorie en kerk, terwijl zij altijd te vergeefs
op hulp uit het vaderland wachtten.....De ingezetenen van Su-
riname hebben reeds dertien duizend gulden betaald."
• Te veel rekenend op de schoone beloften, hun zoowel in
Holland als in Suriname gedaan, zagen de goedgezinde leden
der kerk zich eindelijk bedrogen. Wijl hun aantal daarenboven
■1) Nadat wij het bovenstaande hadden geschreven, is ons bij toeval
nog eene naamlijst van Communicanten, gedagteekend 12 April 1793,
J. B. Eulljcns, Pastoor van Suriname, in handen gevallen. De lijst bevat
124 namen, ongeveer voor de helft van officieren, soldaten, matrozen,
scheepskapiteins en stuurlieden. De opgaven van den Weleerw. Heer
P. van hoort in 1788 en 1789 stemmen vrijwel met de lijst van 1793
overeen, en toonen aan, dat do vooruitgang van den godsdienst tot iu
1793 niet merkbaar was.
Suriname,                                                                                                                                                   ,"l
-ocr page 93-
- 66 —
niet groot was, on zij voor het meercndcel slechts tamelijk be-
middeld waren, werden de kerkelasten voor hen te zwaar.
De bezigheden der priesters waren beperkt tot de stad en
haren omtrek, daar zij geen gelegenheid hadden, om de katho-
lieken op de plantages te bezoeken. Men had hun daartoe cene
tentboot met roeiers moeten leenen, want deze uit eigen mid-
delen, of uit de inkomsten der kerk bekostigen, konden zij niet.
Aan de plantageslaven het Evangelie te verkondigen was bo-
vendien verboden. In de stad onderwezen zij wel cenige slaven
en doopten slaven-kindcren, zoo vaak deze door de ouders en
eigenaren ten doop werden aangeboden; maar hun werkkring was
belemmerd; hun beste krachten werden, door hunne afhankc-
lijkheid van den kerkcraad en de bekrompen geldmiddelen der
kerk, verlamd. Zóó konden zelfs de ijverigste pogingen met geen
voldoende resultaten bekroond worden.
God zond zijnen Zoon in de wereld, en Hij was er tot val
en opstanding van velen,.... opdat de gezindheden der harten
openbaar zouden worden.
(Luc. II. 35.) Gods Voorzienigheid
heeft de stichting dezer kerk als cene genade voor velen ge-
wild , en tot straf van anderen hare vernietiging toegelaten. Wie
is de mensch, die Hem vrage, waarom Hij zulks kon toestaan?
Hij, door Wiens toelating de gehcele wereld met de Fransche
revolutie een tijdperk was ingetreden van vernietiging voor alle
godsdienstige en maatschappelijke instellingen!
Welke pogingen de Eerwaarde Heer Eelljens, in Nederland
teruggekeerd, in het belang dei\' Surinaamsche Missie heeft aan-
gewend, is niet bekend. De tijden waren ongunstig en de kerk
bleef vele jaren herderloos.
In het jaar 17.95, in de maand Augustus, werd de Eerw.
Heer Eeltjens (waarschijnlijk was hij in 1793 weder in Holland
teruggekomen), benoemd tot eersten Pastoor te Alphen, in het
bisdom van Haarlem. In deze bediening overleed hij den 44 Au-
gustus 1823, in den ouderdom van bijna 72 jaren.
De pastorie, die hij in Suriname gedwongen verlaten had,
wci\'d verhuurd, terwijl de weinige eigendommen der kerk door
een kassier, van wege het in stand blijvend kerkbestuur, beheerd
werden.
-ocr page 94-
ÏVde HOOFDSTUK.
Van de voorloopige staking der openbare godsdienstoefe-
ning, in 1793, tot de aankomst der twee voornaamste
grondleggers der Surinaamsclie Missie, in liet
jaar 1817.
Van stappen, door de Roomsch-Katholieke inwoners der
kolonie bij Hecren Regeerders van Suriname gedaan, is ons
niets bekend geworden. Zeker waren de tijden daartoe toen niet
gunstig.
In 4795, ruim twee jaren na de sluiting der kerk van
Pararr.aribo, ging de Geoctrooieerde Sociëteit zelve, met den val
der Stadhouders, ten gronde. Onder liet Comité, dat nu namens
do Bataafscbe Republiek Suriname kwam besturen, bleven alle
vroejrere wetten en besluiten van kracht, en het koloniaal bewind
in handen van denzelfden Gouverneur en van dezelfde Raden,
die de Roomschc kerk hadden doen sluiten. De katholieken waren
nu, evenmin als vroeger, in staat, den last der armenverzorging
op zich te nemen. Daarenboven stak de kerk diep in schulden.\')
Ook tijdens het Engelsch Protectoraat bleven wetten en bestuur-
ders dezelfden; het octrooi van 4G82, zoowel als de Frederici
en de Raden van den Hove werden gehandhaafd. Daarenboven
was de correspondentie met Nederland, dat bondgenoot van
Frankrijk was geworden, toen hoogst moeilijk. De katholieken
konden dus weinig ondernemen om priestez\'s te verwerven, en
zich alzoo de, bij de capitulatie van den 21 Augustus 4799,
door de Engelschen verleende vrijheid van godsdienst, ten nutte
te maken. Het bestuur van den Gouverneur Pierre Berranger,
1) Uit de notulen eener korkmeestersvergadcring van den 6 November
■1810, waarin de kassier, de Hoer ./. Thijm, verantwoordiug van zjjn
beheer gaf, blijkt, dat huis en kerk toen onbelast waren, en er een
saldo in kaa overbleef.
-ocr page 95-
— 68 —
die de katholieke kerk weder opende, en aan de Roomschen zit-
ting verleende in het Hof, duurde nauwelijks vijf maanden. Die
tijd was te kort, om daarin het herstel van den katholieken
godsdienst in de kolonie te bewerkstelligen. Suriname, hij den
vrede van Amiëns (27 Maart 180\'2) onder het Staatsbcwind der
Bataafsehe Republiek teruggebracht, werd door de Engclschen
genomen, en den 7 Mei 1804 tot wingewest verklaard van Groot-
Brittannië en Ierland, zooals het dan ook bleef tot den alge-
meencn vrede in 1814. In die dagen der Engelsche heerschappij
was de briefwisseling met Europa, uit hoofde cener steeds
aanwezige vijandelijke vloot in de West-Indische zee, hoogst
moeielijk, en handelsrelatiën met Nederland bestonden er vol-
strekt niet. De koopvaardijers konden alleen onder begeleiding
der Britsche vloot naar Engeland stevenen. Daarenboven wa-
ren de levensbehoeften in Suriname, hoofdzakelijk tengevolge
van het continentaal-stelsel, verbazend duur, zóó zelfs, dat soms
premiën op derzelvcr invoer werden uitgeloofd. Al die redenen
maakten cene vestiging van priesters in de kolonie niet alleen
bezwaarlijk, maar zelfs de daartoe vereischte onderhandehngen
konden slechts moeilijk gevoerd worden.
Het schijnt niet, dat de katholieken zich, vóór het bestuur
van den Gouverneur P. Berranger, in hunne kerk hebben ver-
eenigd, ook niet na de door de Engclschen verleende godsdienst-
vrijheid, om even als na den dood van Pastoor van Doornik,
onder leiding van een kerkmeester, gezamenlijk te bidden. Waar-
schijnlijk zal de Frederici, die onder het Protectoraat Gouverneur
bleef, en natuurlijk zooveel mogelijk in alles aan het oude vast-
hield, hiervan grootendeels de oorzaak geweest zijn.
Slechts bij eene enkele gelegenheid, voor zooveel ons be-
kend is, werden de kerkpoorten geopend. Het was zes jaren na
hare sluiting en korten tijd vóór het Engelsch Protectoraat. Don
Manuel D\'Amperan, scheepskapitein, in dienst van den koning
van Spanje, was den 14 Februari 1799, met een korps van 600
dappere Walen, tot verdediging dei- kolonie tegen de Engelschen,
aangeland. Ten dienste der katholieke manschappen was een
priester, in hoedanigheid van aalmoezenier aan dezen zeebodem
toegevoegd. Deze priester nu wendde zich tot het kerkbestuur;
om den H. Dienst in de kerk te kunnen verrichten. Het kerk
-ocr page 96-
— 69 —
bestuur kon of durfde zulks op eigen gezag niet toestaan, maar
wendde zich den 29 April tot den Gouverneur de Frederici,
met verzoek de godsdienstoefeningen te laten houden, niettegen-
staandc aan de verplichting van armenverzorging uit eigen mid-
delen nog niet voldaan was. Op den rand van het ingezonden
smeekschrift antwoordde de Frederici, onder dagteekening van
den 30 April 1799, het volgende:
»Gelezen het nevengaande request, en gelet op de punten
van capitulatie, tusschen de Bataafsche Republiek en het Hoofd
van Madrid vastgesteld, vcroorloovcn Wij aan de supplianten,
om door den katholieken Geestelijke, verbonden aan het deta-
chernent Waalschc lijfwachten, in hun kerkgebouw dienst te
laten doen, en zulks tot ons kennelijk wederopzeggen; zullende
de supplianten gehouden zijn van dit ons verlof aan den Heer,
eersten Raad - Fiscaal, behoorlijk te doen blijken." Dewijl men
bevreesd was, dat de Hollandsche schepen door de Engelschen
zouden genomen worden, liet men de Spaansche hulptroepen, op
zondag den 5 Mei, weer in zee steken. Eerst in Juli keciden ze
terug, zoodat men van de hierboven vermelde vergunning niet
spoedig gebruik maakte. De eerste plechtige dienst werd gehouden
op Zondag den 28 Juli, of die echter nog door een anderen is
opgevolgd, kunnen wij niet uitmaken. Wat men gevreesd had,
gebeurde : den 13 Augustus 1799 kwamen twee Engelsche oor-
logsfregatten voor den mond der Suriname. Daar de middelen
van verdediging niet bestand werden geacht, besloot men eene
voordeelige capitulatie aan te gaan, die den 21 Augustus onder-
teekend werd, en bij welke Suriname onder Engelsch Protectoraat
kwf.m, dat weldra, voor een wijle dooreet Bataafsch Staatsbe-
wind onderbroken, door eene definitieve Engelsche Regeering
werd opgevolgd.
De katholieke Gouverneur P. Berranger had den 19 Dc-
cember 1803, in overeenstemming met het Hof van Politie, en
naar aanleiding van den .herderloozen staat der gereformeerde
kerk, eene publicatie uitgevaardigd, waarbij werd voorgeschrc-
ven, dat, te beginnen met 1 Januari 1804, op alle Zon- en fecst-
dagen door een lid van den kerkeraad eene predicatie zou gelezen
worden, en dat de leden der gemeente bij die gelegenheid ge-
beden moesten storten en psalmen zingen. Alle leden der kerk
-ocr page 97-
— 70 —
werden tot het bijwonen daarvan dringend uitgenoodigd. Bij deze
gezindheid van den Gouverneur, die de Roomsche Kerk geheel
vrij verklaard had, mogen wij wel veronderstellen, dat ook de
katholieken zich in hun kerkgebouw zullen vereenigd hebben,
om eene of andere godsdienstige oefening, onder leiding van een
der kerkmeesters, te honden. Ook zullen zij die godsdienstige
bijeenkomsten onder het Engclsch bestuur hebben doorgezet;
daar het immers zeker is, dat en protestanten èn episcopaten,
die ook herderloos waren, zulks onder dat bestuur gedaan heb-
ben. Men kon die vergaderingen beschouwen als een middel, om
de hcrderloozc schapen tegen afdwaling te behoeden. \')
1) Zoo dachten en schreven wij, voordat wij toevalliger wijze een
document aantroffen, dut onder andere papieren van latere datums als
verdwaald was geraakt. Het bedoelde stuk is een extract, uit het register
der Notulen en Rcsolutiën, van het Hof van Politie en Crimineele Justitie.
De Resolutie is van den \'27 i)ec. 1809, in antwoord opeen request van het
katholiek kerkbestuur, dat de vrije uitoefening.van öen godsdienst vroeg.
Het verzoekschrift aan den Gouverneur, werd door dezen don 27 De-
cember ter tafel gebracht, nadat hij reeds op den 2 December verlof
gegeven had, om Pater ./. Schinck te ontbieden. Het Hof stond in zijn
antwoord niets anders toe, dan hetgeen reeds in 1703 was toegestaan,
dat namelijk do Roomechu armen in \'sLamis gasthuis konden verzorgd
worden, mits do katholieke gemeente do kosten betaalde, evenals do
andere gezindten; alle overige bepalingen van 1785 bleven van kracht.
Nochtans het was bekend, dat Pater ./. Shinck een ordesgeestelijke was,
en dat de armenverzorging waarschijnlijk ten laste van het Land zou
komen, tenzij meer bijdragen of collecten de kerkekas stijfden. Hierover
bestond later ook geene moeielijkheid. Die Resolutie scheen als voor de
leus gegeven, en door den zwakken en do oude grootheid van het Hof
vleienden Gouverneur uitgelokt, om geene vijanden te maken. Uit het
request van het kerkbestuur evenwel en uit do Resolutiën van het Hof
zou blijken , dat de katholieke kerk tot geen openbaren eeredienst was
geopend geweest, en dat men vroeger, onder den Gouverneur 1\'. Ber-
ranqer,
geen verlof had gekregen, om de kerk te openen, of dat althans
do katholieken daarvan onkundig zijn gebleven.
Hier zij in het voorbijgaan een ander Gouvernements-stuk, dat onder
\'t oude papier verborgen lag, aan de vergetelhoid onttrokken. Den 5 Juli
1810 schreef de Raad-Fiscaal, Dn Reus, aan den heer J. Tliijm, kassier
des kerkbestuurs, dat hem de twaalf honderd gulden Sur. Cour., voor de
huur der katholieke kerk, ten behoeve der godsdienstoefening van de En-
gelscho Troepen, op /on- en feestdagen, onder leiding van den Engel-
schen garnizoonsprediker, Mr Austin, alsmede de reparatiekostcn van
het kerkgebouw, volgens goedgunstige beschikking van den Gouverneur
Charles Baron van lientin< k, van \'s Lands wege zouden betaald wor-
den. Dus hebben de episcopaalsche Engelsche troepen , vóór de komst
van pastoor ./ Schinck, (hoe lang, weet men niet) in de katholieke kerk
hunnen eeredienst uitgeoefend.
-ocr page 98-
— 74 —
Bijna zeventien jaren waren, na het vertrek van den Eerw.
Heer Eeltjens, vcrloopen, en nog stond de katholieke kerk van
Paramaribo verlangend naar de komst van een Missionaris uit
te zien. Daar verneemt eensklaps de leckenraad, dat eindelijk
het uur geslagen is, om een bcslissenden aanval te wagen op
het hart van een Missionaris, die hun als zeer begeerlijk is af-
geschilderd. Op protestautsche wijze, en gewis niet zonder raad
en medewerking van onkatholieken, doen zij een zoogenaamd
«kerkelijk beroep" op den Hoogeerw. Pater Jacobus Schinck,
Apostolisch. Prefect dei- Missie van Curacao. Ziehier den inhoud
van het schrijven, dat zij, onder dagteekening van den 2 De-
cember \'1809, den man hunner keuze toezonden:
» Den Eerwaarden, zeer geleerden Medebroeder Jacobus
Schinck, Prefect der Missie, geacht en geliefd Evangelie-
dienaar bij de H. Roomsch-Katholieke Kerk, op het Eiland
Curacao, enz. enz.
«Aangezien de Roomsch-Katholieke gemeente in deze kolo-
nic, sedert het vertrek van den Eerw. Heer/. D. Eeltjens, ruim
zestien jaren herderloos is geweest, en dientengevolge godsdienst
en goede zeden tot aanmerkelijk verval zijn gekomen ; vermits
het dus hoogst noodzakelijk is, dat de gemeente eindelijk weder
voorzien worde van een godvruchtig, getrouw, rechtgeloovig en
welbegaafd herder en leeraar, zoo hebben wij, ondergeteekenden,
in naam der gemeente en onder goedkeuring van Zijne Excel-
lenüe den Heer Gouverneur Citaties Bentlnck enz. enz. zooals
aan den voet dezes zal blijken, op heden in onze vergadering
besloten, een wettig beroep te doen op voornoemden Hoogeerw.
Pater Jacobus Sclthick."
»Naardien dan de beroeping met eenparige stemmen op
U Hoogeerwaarde, als den besten herder en leeraar dezer ge-
mcente gevallen is, en er bij ons geen twijfel bestaat, of die
keuze van den Heer kome, hebben wij U Hoogeerw. tot herder
en lecraar onzer kerk willen uitnoodigen en beroepen, opdat
U Hoogeerw., onder den zegen des hemels, niet slechts het werk
van God onder ons staande houden, het gevallene weder op-
richten, en het gebrokene van harte met het in duisternis rond-
tastende troosten en verlichten moget, maar ook den vooruitgang
de uitbreiding en den bloei onzer kerk, door woord en daad,
-ocr page 99-
— 72 —
tot verheffing van Gods heiligen Naam, tot stichting onzer ge-
mcente, tot nut der maatschappij en tot opbouwing van Christus\'
Kerk in geloof en christelijke deugden, moget bevorderen en
duurzaam maken."
»Wij vertrouwen en bidden desnoods, dat U Hoogeerwaarde
deze goddelijke en wettige roeping, in des Hceren vreeze, vaar-
dig en zonder bezwaar, tot voormeld heerlijk doeleinde en tot
blijdschap van onze herdcrloozc kudde, op de ncvengaandc be-
dongen voorwaarden, zult gelieven aan te nemen."
»Van wege onze gemeente beloven wij U Hoogeerwaarde
allen eerbied, behoorlijke onderwerping en oprechte liefde."
»Intusschen wenschen wij U Hoogeerwaarde Gods milden
zegen, gezondheid, voorspoed en oene gelukkige reize herwaarts,
alwaar onze hccle gemeente uwe overkomst reikhalzend en
vertrouwend te gemoet ziet."
«Gedaan in onze vergadering, den 2 December 1809."
Aan den voet dezes was geschreven:
«Paramaribo, 2 December 1809."
»Wij, Charles Bentinck, Gouverneur, Kommandant en
Chef, President over alle colleges over de kolonie Suriname Ri-
vicren en Districten enz. enz. enz. verklaren het vorenstaand
kerkelijk beroep, uitgebracht door den Eerw. kerkeraad der
Roomsch-Katholieke Gemeente, op den Eerw. Heer Jacóbas
Sehinck,
Prefect der Missie; en Evangeliedienaar bij de Roomsch-
Katliolieke Kerk, op het eiland Curacao, gezien, gelezen en on-
derzocht te hebben, en bekrachtigen hetzelve met onze goed-
keuring en toelating in deze kolonie."
De volgende schriftelijke verbintenis was, betrekkelijk de
voorwaarden, aan dat beroep toegevoegd :
»Wij ondergeteekenden, leden der H. Roomsch-Katholieke
Kerk, in de kolonie Suriname, verklaren hiermede in naam der
voornoemde gemeente, tot gewoon herder en leeraar voor de-
zelfde gemeente beroepen te hebben den Hoogeerwaarden Zeer
Geleerden Heer Jacobus Sehinck, Prefect der Missie, geacht
Evangeliedienaar bij de H. Roomsch-Katholieke Kerk op het
Eiland Curacao, onder de navolgende voorwaarden:
\'»1«, De Eerwaarde Heer Pastoor J. Sehinck zal een vast
jaarlijksch salaris genieten van vijf duizend gulden, behalve de
-ocr page 100-
- 73 -
bijinkomsten, welke wij wel op twee of drie duizend gulden
durven schatten. Voornoemd salaris zal beginnen op den dag
der inscheping van Zijnecrwaarde te Curacao, op het vaartuig
herwaarts bestemd." ■
»2°. De Eerw. Heer Pastoor J. Sehinck zal genieten vrije
woning in de pastorie en vrije bediening van slaven."
»I3". Aan den Eerw. Heer Pastoor J. Sehinck is toegestaan
een vrije overtocht van Curacao naar Suriname, terwijl de
ondergeteekenden zich verbinden, onmiddelijk na de aankomst
in de kolonie het passugegeld te zullen betalen." *)
1) Dit salaris, in schijn vrij aanzienlijk, was het in werkelijkheid niet.
Omtrent de waarde daarvan zal de Pastoor zich wel ietwat bedrogen
hebben. Het Koloniaal Bestuur had namelijk sedert langen tijd, en her-
haaldeljjk, wegens geldgebrek, hoogen nood of om verhooging van bo-
lastingen te vermjjden, eene papieren munt, in obligatiën of kaarten
uitgegeven, oin de onkosten to bestrijden. Dit papieren geld vertegen-
woordigde geene waarde, en was dus een valsch kapitaal. Wel kon het
een tijdlang, zonder vermindering van koers, alléén in de kolonie,
gangbaar blijven; zoo lang, namelijk, als er genoegzame evenredigheid
bestond tusschen de betalingen naar buiten Ido jaarlijkseho binnenland-
sche vertering van hetgeen uit Europa of van elders werd ingevoerd) en
de winsten van binnen ide producten of do inkomsten dor kolonie);
maar zoodra die betalingen de winsten overtroffen , en het kapitaal niet
onaangeroerd bleef, moesten die verteringen, welke uit do gewone gang-
bare inkomsten niet konden bestreden worden, natuurlijkerwijze op de
massa van het papieren geld drukken, eri dit in waarde doen dalen,
wijl daarmede een onoutb erlijk en hooger gewaardeerd betaalmiddel
werd aangekocht. De armoede, derhalve, of de schaarsehte aan een,
buiten de kolonie gangbaar en pijjshoudend betaalmiddel, was de oor-
zaak der hooger en hooger klimmende agio\'s op het Surinanmsch papier.
Daarom dient men het onderscheid tusschen Ni\'ritulund-ch en Surinauuiwh
Courant,
steeds in het oog te houden. De koers van het Surinaamsrh
Cuurant
was zeur verminderd. In den loop don 17de en 18\'le eeuw bo-
droeg het agio \'20 tot 30 ° „, maar tegen het einde der laatste eeuw
werd de waarde al minder en minder. Jn 1807 stond 2 gulden Sur.
Cour gelijk met 1 gulden Ned. Cour. In de jaren 1810—1812 ging het
Surinaamsch kaaitengeld zoo ver achteruit, dat i gulden Sur. nog niet
t gulden Holl Cour. evenaarde Daarom word het tractement van den
pastoor iu het begin van 1811 gebracht op f 8000 Sur. Cour. met eene
toelage f800 Sr. Cour. voor bedienden-loon, en op het einde van
hetzelfde jaar vroeg hjj nog vorhooging. daar de prijs der eerste levens-
beboefteu zoozeer gestegen was, dat f 8000 tot 9000 Sur. niet meer
waarde had dan f \'2000 Nud. Cour. De bewering van Wolbers dat de
katholieken hunnen Pastoor f 12000 Sur. Cnur. toekendon, is eene be-
paalde onnauwkeurigheid.
De gereformeerde en engelache predikanten genoten hunne jaarlijksche
tractementen deels uit de koloniale, deels uit de souvereinskas; de
-ocr page 101-
— 74 —
» Aldus besloten in onze vergadering, te Paramaribo, dezen
tweeden December 1809."
Spoedig werd dit zoogenaamde kerkelijk beroep door een
tweede gevolgd, hetwelk door den volgende brief gemotiveerd
werd :
«Suriname, 2 Augustus 1810.
»Met den Heer Laurens de May Crisson vonden wij, op
den 19 Juli 1.1., ons vereerd met Uw Hoogecrwaarde\'s geëerde
missive van den 12 Juni dezes jaars, benevens inliggende kopie
van een verzoekschrift door de Roomsch-Katholieke gemeente,
op het Eiland Curacao aan U Hoogeerwaarde gericht, ten einde
zoo mogelijk U Hoogeerwaarde te bewegen, om van besluit te
veranderen. U Hoogeerwaarde toch kondigdet aan de gemeente
van Curacao, op den 27 Mei, aan, dat uw besluit genomen was,
om aan ons beroep van den 2 December 1809 gevolg te geven,
en dat besluit bleef onwrikbaar, tot slechts weinige dagen vóór
het vertrek van den Heer Ci-isson."
»Wij kunnen het diep lecdgevoel niet beschrijven, dat die
tijding algemeen in onze gemeente veroorzaakt heeft; de Heer
Crisson kan zulks getuigen."
«Ofschoon wij aan de gemeente van Curacao liet recht
niet betwisten, om alle pogingen aan te wenden, ten einde uw
mcnschlievend hart te treffen en het aan Curacao te binden, ja,
al vinden wij het zeer natuurlijk, plichtmatig en dankbaar, dat
de gemeente van Curacao U Hoogeerwaarde tracht te behou-
den, en al zouden wij onverschilligheid jegens een zoo uitmun-
tend herder, die bijna het derde eener eeuw op Curacao werk-
zaam was, ten hoogste misbillijken en zwarte ondankbaarheid
noemen, toch mecnen wij niet onbillijk te zijn, noch van
onedelmocdigheid en liefdeloosheid te kunnen beschuldigd worden,
ter oorzake van ons dringend beroep op U Hoogeerwaarde. Im-
mers Curacao zou niet herderloos blijven, dewijl de brave en
luthersche werd gesalarieerd door den kerkeraad. De engelsche predi-
kant werd eerst in 1812 aangesteld en genoot f 10000 Sitr. Cour.
(f 3000 Ned. Cour), liet in do dure tijden verhoogde tractement dor
gereformeerde en luthersche predikanten stond nagenoeg gelijk uiet
hetgeen do Pastoor genoot.
-ocr page 102-
1
— 75 —
kundige horder en lecraar, de Heer Peruviano, aanwezig is, en
den Hoogeerw. Heer Prefect kan vervangen. Wanneer de Pre-
fect jaarlijks een reisje deed naar Aruba, naar de Spaansclie
Kust enz., dan werden alle diensten door den Eervv. Heer
Peruviano alléén en ten volle waargenomen. Daarenboven waren
nog onlangs drie pastoors op Curacao, en dus is het daar veel
gemakkelijker priesters te bekomen. Hieruit volgt, dat, bijaldien
den Ecrw. Heer Peruviano, wegens gemelde lichamelijke ongc-
steldheid, het werk te zwaar mocht vallen, gemakkelijk een
tweede pastoor kon worden gevraagd en verkregen, dewijl de
gelegenheid daartoe zich te Curacao zoo dikwijls en zoo gnnstig
voordoet."
»Hct schijnt, Hoogeerwaarde Heer, naar ons mondeling
medegedeelde berichten, dat men te Curacao niet zooveel zwa-
righeden tegen uw vertrek zou opperen, bijaldien een ander
pastoor uwe plaats op Curacao kwame innemen. Maar wie kan
de gemeente op Curacao vooraf verzekeren, dat dezelfde vrees,
welke thans aldaar betrekkelijk den braven Pastoor Peruviano
gekoesterd wordt, niet bestaan zou ten opzichte van een ander
plaatsvervanger? En kan een dergelijke zwarigheid cene af-
doende reden zijn om U Hoogeerwaarde te beletten tot ons
over te komen?"
»Het is ons niet onbekend, Hoogeerwaarde Heer, dat er,
voor eenige jaren geleden, briefwisseling heeft plaats gehad
tusschen U Hoogeerwaarde en onze gemeente, en dat U Hoog-
eerwaarde, toen ter tijd, lust en genegenheid aan den dag
legdet, om ons te hulp te snellen, waarin echter destijds be-
staando zwarigheden, welke thans geheel van hier geweken
zijn, uw medelijdend hart hebben tegengewerkt."
»Ook is het ons duidelijk gebleken uit een brief, dien U
Hoogeerwaarde verleden jaar aan Ds Pieter Jan van Escli, Prc-
ilikant bij de hervormde gemeente alhier, hebt geschreven, dat
die oude, toen zoo ondubbelzinnig betoonde en zoo edelmoedig
aangeboden liefde en genegenheid tot onze gemeente, met den
loop der jaren, niet zijn uitgedoofd; in dat schrijven immers
zegt U Hoogeerwaarde aan Ds van Each: »dc nadere schikking
van den kerkeraad zal ik afwachten, en wat ik voor het welzijn
dier gemeente doen kan, zal ik met een liefdevol hart verrichten."
-ocr page 103-
— 76 —
»Hoc plichtmatig derhalve sloegen wij den 2 December des
vorigen jaars, op het vernemen van die gevoelens, de handen
ineen, om dat belangrijk werk tot stand te brengen, nadat al
de vroeger hier bestaande en ons belemmerend\'! zwarigheden,
door bewerking van den onzer Roomsch-Katholieke gemeente
zoo zeer toegenegen Ds 1\'. J. van Esch, geheel en al waren
uit den weg geruimd. "Wij brachten dicnsvolgcns op U Iloog-
eerwaarde een wettig kerkelijk beroep uit, opdat U Hoogeer-
waardc onze gewone herder en leeraar zoudet worden."
»Gerust kunnen wij thans voor den Alwetenden God de
verklaring afleggen, dat wij met dit wettig beroep geen ander
oogmerk hebben, dan naar plicht en geweten te handelen, in
het vertrouwen, dat U Hoogeerwaarde in Gods hand het werk-
tuig en middel zijn moget, om cene diep vervallen, talrijke,
meer dan zeventien jaren herderlooze en waarlijk ongelukkige
gemeente weder op te beuren. Wij kunnen plechtig verzekeren,
dat wij veel belang stellen in de voortplanting van onzen H.
Godsdienst, waartoe een groot getal Europeanen in deze kolonie
behoort, en tot welks instandhouding onze voorvaderen zooveel
hebben gedaan en geleden. Een langer gemis van een geschikt
herder en leeraar, zou noodzakelijkerwijze een toenemend ver-
val van godsdienst en deugd ten gevolge hebben ; en daarmede
zouden èn wij, èn onze kinderen, onherstelbaar ten verderve
loopen."
                                                 »
»Ingevolge uitgedrukte gevoelens van ons hart, — gezien den
strijd dien het bedanken voor ons eerste beroep U Hoogeer-
waarde gekost heeft, — ernstig nagedacht hebbende op alle bij-
komende omstandigheden, — in aanmerking genomen de alge-
mecne roepstem, die onder onze gemeente; voor U Iloogecrw.
opgaat, in weerwil der onaangename tijding, welke wij ontvangen
hebben, — den waren toestand onzer gemeente beschouwende,
de arme kinderen namelijk, die zonder Doop en onderwijs op-
wassen, de zieken, die naar troost zoeken, de verslagenen ■van
harte, die geenc hulp vinden, de weenenden, die dagelijks om
uitkomst bidden, en, om meer andere redenen, vinden wij ons
verplicht, in naam der Roomsch-Katholieke gemeente van Suri-
name, een tweede beroep op U Hoogeerwaarde te doen, en dat
wettig en kerkelijk beroep, evenals het eerste, te bekrachtigen
-ocr page 104-
— 77 —
door do goedkeuring van Zijne Excellentie den Gouverneur-
Generaal dezer kolonie, den Iloogodelgestrengen Heer, Charles
Bentinck.
— In afwachting van Uw Hoogeerwaarde\'s spoedige
overkomst, en heilaanbrengend verscliijnen in ons midden enz."
Ziehier den inhoud van het bijgaand tweede beroep:
»Den tweeden December 1809 beriep de kerkeraad, in naam
der Roomsch-Katholieke gemeente van Suriname, U Hoogeer-
waarde tot herder en lecraar , onder de daarbij gevoegde voor-
waarden, en met goedkeuring van Zijne Excellentie den Gouver-
neur dezer kolonie. Doch tot ons diep leedwezen heeft een schrijven
van den 12 Juni ons de tijding gebracht, dat U Hoogeerwaarde
aan ons beroep niet kondet voldoen. Aangezien nochtans onze
katholieke gemeente zoo vurig naar U Hoogeerwaarde verlangt,
en U Hoogeerwaarde beschouwt als een anderen godvruchtigen
Nohemias, die ons vervallen Jerusalem weder op kan bonwen,
en den vervallen godsdienst, door uitbreiding des geloofs en aan-
kweeking van deugd en zedelijkheid, andermaal zal opbeuren en
bestendigen, zoo doen wij, met goedkeuring des Gouverneurs,
en onder dezelfde voorwaarden als verleden jaar, ons tweede
wettig beroep met bijvoeging der voorwaarde, dat het U Hoog-
ecrwaarde volkomen vrij zal staan, na verloop van eenigen tijd,
wanneer do godsdienst hier hersteld en de kerk van een ander
pastoor voorzien zal wezen, op onze kosten naar Curacao terug
te koeren."
»Daar alzoo, zeer lieve en beminde Broeder, onze gemeente
u, voor de tweede maal-, zoo vurig tot haren herder en leeraar
begeert, noodigen wij U Hoogeerwaarde uit, des noods onder
dringend smeekgebed, ons tweede beroep, in de vreeze des
Heeren, zonder eenige bedenking of bezwaar, tot ons aller
blijdschap, te willen aannemen, en zoo haast mogelijk over te
komen; enz. enz."
»Gcdaan in onze vergadering, den 2 Augustus 1810."
Wij hebben gemeend deze overigens al te uitvoerige stuk- ,
ken aan de katholieke lezers te moeten mededeelen. Allerduide-
lijkst zullen zij daaruit leeren, wat van den katholiek gewordt,
als hij niet zorgt den vertrouwelijken omgang met onkatholie-
ken, zoodra deze de grenzen der maatschappelijke relatiën en
der burgerljjke beleefdheid overschreidt, te vermyden, en hoe-
-ocr page 105-
— 78 —
Zeer, op godsdienstig gebied, eene besliste afscheiding en bo-
paalde kleur wenschelijk en zelfs noodzakelijk zijn. Wat een
p\'rotestantsche tint hadden die katholieken van Suriname in ker-
kelijke uitdrukkingen, gebruiken en begrippen gekregen! Maar
was het wel anders mogelijk, hij den dampkring, dien zij
inademden? Neen, en daarom gevoelen wij ons meer opgewekt
tot een diep medelijden, dan wel tot het doen van een scherp
verwijt. Mochten wij echter even zoo kunnen bevestigen, dat
niet velen schipbreuk in het geloof en vooral groote schade aan
de zeden hadden geleden!
De Hoogeerwaarde Pater J. Schinck zal uit de hem toege-
zonden hoven aangehaalde brieven , en uit al hetgeen hij waar-
schijnlijk reeds wist, of, na eene jarenlange ondervinding te Cu-
raeao, van Suriname veronderstellen koude, den weinig katho-
lieken geest of beter gezegd, den ongelukkiger! toestand der
kerk aldaar gezien hebben. De voorstelling, die hij zich van de
Missie moest maken, zal zeker oneindig meer hebben uitgewerkt
om hem te doen besluiten derwaarts te gaan, dan de sehilde-
ring, die de kerkmeesters er van gaven, dan de lieve woorden
en beloften, die zij hem toezonden, en die bij den Prefect van
Curacao ongetwijfeld weinig krediet hadden.
Met dit alles blijft het echter een bevreemdend, haast on-
verklaarbaar feit, dat Pater Schinck, na eene eerste weigering,
toch eindelijk aan dat »protestantsch kerkelijk beroep" gehoor
heeft gegeven, en dat de 02jarige, om zijne deugd hoog gc-
achte en van den H. Stoel met de waardigheid van Apostolisch
Prefect beklocde grijsaard, de Surinaamsche Missie op zijne be-
jaardc schouderen is komen nemen.
Doch hervatten wij den draad der geschiedenis.
Het kon niet anders of de indruk, welken de kerksluiting
in Suriname op een tijdstip dat de leuze »vrijheid, gelijkheid en
broederschap" alom in \'t ronde klonk, bij Neerlands katholieken
teweegbracht, moest hen die kolonie doen beschouwen als een
ouderwetsch, onverdraagzaam en voor hunne geloofsgenooten
onherbergzaam oord. Ken gewoon Missionaris, zoo zal men ge-
oordeeld hebben, kan daar niet worden heen gezonden. Hij die
met de taak der zielzorg in Suriname belast wordt, moet iemand
wezen van onversaagden moed, van het taaist geduld, van
-ocr page 106-
schranderen ijver, van rijpe ondervinding. Geen wonder, dat de
geestelijke Overheid lang te vergeefs bleef zoeken naar een persoon
die al deze hoedanigheden in zich vercenigde. Eindelijk zal zij dien
man gevonden hebben in den Hoogcerw. Pater Jacobus Schinck.
Uit het tijdschrift »de Godsdienstvriend" loeren wij, dat de
kerkelijke Overheid (Nuntius was destijds de Hoogwaardigste
Heer Aloysius Ciamberlanï) zich, in het begin dezer eeuw, we-
derom tot de verdienstelijke Orde der Minderbroeders wendde,
om Missionarissen voor Suriname. Hit had plaats tijdens het
bestuur van den Hoogeerw. Pater Godef\'ridm Kennen, Provin-
ciaal der Nederduitsche Provincie, en dus tusschen de jaren 1801
en 180(5. Waarschijnlijk is dit aanzoek gedaan, nadat de Gou-
verncur Berranger de strafbepaling, door da Frederici togen
de katholieke gemeente ten uitvoer gelegd, in December 1803,
voor zooveel noodig, had vernietigd, en het bericht daarvan in het
voorjaar 1804 in Nederland was aangekomen. Geen twijfel, dat
de Franciscanerorde, altoos vol ijver om aan de wenken van den
II. Stoel te gehoorzamen, al liet mogelijke gedaan heeft, om
ook ten deze aan het verlangen van den vertegenwoordiger des
11. Vaders voldoening te geven. Nu was het zeer natuurlijk, dat
de Provinciaal aan zijn ondergeschikten medebroeder te Curacao
mcdedeeling gaf van het aanzoek, dat bij hem voor de statie te
Paramaribo gedaan was, en dat hij den in het II. Dienstwerk
vergrijsden Missionaris, die zoowel op de hoogte der West-
Indische toestanden moest geacht worden, daarover raadpleegde.
Wc mogen gelooven, dat deze Provinciaal in Pater Scltinck den
geschikten man voor Suriname erkend heeft, en dat, tengevolge
daarvan, over eene verwisseling van standplaats is onderhandeld
geworden. Dit kon ook in Suriname niet onbekend blijven. En
zóó verklaart zich, hoe het Surinaamsch kerkbestuur den 2 Au-
gustus 1810 aan den Prefect van Curacao konde schrijven: »Het
is ons niet onbekend, dat er voor ecnige jaren briefwisseling
heeft plaats gehad tusschen U Hoogeerw. en onze gemeente, en
dat U Hoogeerw., toen ter tijd, lust en genegenheid aan den
dag lcgdet, om ons te hulp te snellen enz."
Welke zijn echter de zwarigheden geweest, die, volgens de
medegedeelde brieven, den goeden Pater zoolang hebben terug-
gehouden ?
-ocr page 107-
— 80 —
Uit de omstandigheid, dat die in Suriname zelf gelegen
waren, en dat een hervormd predikant die geheel uit den weg
ruimde, heeft de Hoogeerwaarde Pater waarschijnlijk in de
meening verkeerd, dat ofschoon vrijheid van Godsdienst in Su-
rinamc wettelijk verleend was, deze toch feitelyk niet bestaan
zou, en dat dus zijn werkkring, even als die der vroegere al-
daar verblijvende Missionarissen, zou belemmerd worden. Die
vrees was niet zonder grond. Den toestand van Suriname zal
hij onderzocht hebben, en dan kon het hem niet onbekend
wezen, dat, zooals wij boven reeds gezien hebben, èn onder
de Bataafsche Republiek , èn onder het Protectoraat van En-
gelands koning, dezelfde Gouverneur en Raden aan het bewind
waren gebleven, die onder Pastoor Eeltjens de kerk hadden
doen sluiten. Geen wonder derhalve, dat hem de betere ge-
zindheid, ten opzichte der katholieken, van het definitief En-
gclsch Bestuur, ten minste wat verdacht voorkwam. Ds Pieter
Jan van Esch,
die omtrent een jaar te voren, zijne standplaats
te Curacao met die van Suriname verwisseld had, zal hij als
een rechtschapen man hebben leeren kennen. Door de brieven
nu van dezen predikant, door de handteekening van den Gou-
verneur op het hem toegezonden schrijven van den kerkeraad,
werd de Apostolische Prefect van de meest betrouwbare zijde
gerustgesteld, dat hetgeen hij vreesde, in waarheid onder het
Engelsch definitief bestuur niet meer bestond, en dat bijgevolg
de uitoefening van den katholieken eeredienst, ook feitelijk,
niet zou belemmerd worden. \') Zoo ruimden het zoogenaamde
kerkelijk beroep, dat waarschijnlijk door den hervormden pre-
dikant was ingegeven, en de door hem verstrekte inlichtingen,
de bezwaren uit den weg, die den Apostolischen Prefect tot
dusverre hadden teruggehouden naar Suriname over te komen.
Dit groote bezwaar was, door de correspondentie met Ds. P.
J. van Esch,
waarschijnlijk reeds voor een goed gedeelte weg-
1) Wellicht heeft de Predikant daarbij uit eigen bevinding kunnen
berichten, dat de oneenigheden, die vroeger in de gemeente bestaan
hadden, geheel waren geweken. Wellicht heeft hij ook de hand gehad
in het tot stand brengen eener overeenkomst, betreffende het bestrijden
der onkosten van kerk en pastorie.
-ocr page 108-
81 —
gevallen, toen de Hoogeerwaarde Pater schroef: »Ik zal de na-
dere schikking van den kerkcraad afwacliten." Gedurende den
tijd van beraad, welken hij zich had voorbehouden, kwamen nu
de tijdingen uit Suriname die verder geheel wegnemen.
Niettegenstaande de nasporingen, die wij gedaan hebben,
is het ons niet gelukt, zijne kerkelijke zending voor Suriname
te achterhalen. Daar Pater Schinck in de eerste vergadering van
het kerkbestuur in Suriname, zijne zending voor Curaeao, te
gelijk met de machtiging des Pausen om het H. Vormsel toe
te dienen, ter tafel bracht, komt het ons voor, dat deze zijne
zending en machtiging uitgebreid zijn geworden tot Suriname,
en dat het daartoe strekkend schrijven, evenals de autorisatie
voor het H. Vormsel, later verloren gingen , ofwel, dat die
zending geheel ondershands door middel zijner reguliere oversten
geschied zij. Want, hoezeer de briefwisseling in die dagen ook
belemmerd was, toch bleef de Pater deze met zijne oversten en
ordebroeders onderhouden. Zoo verhaalt ons de kroniekschrijver
der Franciscanen, dat Pater Jacóbus Schinck uit Suriname aan
zijne overheid om een medchelpor verzocht heeft, aan welk ver-
zoek echter, tengevolge der tijdsomstandigheden niet is kunnen
voldaan worden. Zoo vinden we ook iu »dc Godsdienstvriend,"
81 "• deel, blz. \'150, melding gemaakt van een anderen brief,
welken hij aan zijne ordebroeders, de Paters der Statiën »Mozes
en Aaron" en »IIet Boompje" te Amsterdam, toezond. Wij declen
dien later mede.
Toen Pater Schinck, den 25 September 1810, te Paramaribo
voet aan wal had gezet, ontving hij de welkomsgroeten van den
lutherschen en van den hervormden Predikant. Ds. van Esch
schreef ook een brief van gelukwensching aan het katholiek
kerkbestuur, dat hem, op zijne beurt, voor alle bewezen dicn-
sten bedankte. Eene commissie van kerkmeesters ging den pro-
testantschen Gouverneur Charles Bentinck bedanken, hem tevens
het voorzitterschap (!) in de vergaderingen van het Roomsch-Ka-
tholiek kerkbestuur opdragende. Ook begaf zich eene commissie
naar den lutherschen Dominé, J. A. Koop*, om hem, namens
de katholieke gemeente, dank te betuigen voor diensten van
kerkdijken aard, gedurende het herderlooze tijdperk aan de ka-
tholieken van Paramaribo bewezen. Wel moet het hart van dezen
Suriname.                                                                                                                           Q
-ocr page 109-
- 82 —
priester, welks fijnste snaren men kunstig had weten te roeren,
om hem tot overkomen te bewegen, door diep medelijden zijn
getroffen, bij het gezicht van die overdreven en gevaarlijke in-
nigheid, die er bestond tusschen de hoofdpartij der Roomsche
gemeente en de leeraren der van de katholieke kerk afgeschei-
dene sekten ! Wel \'moeten er ook redenen bestaan hebben om
iets ergs te doen vreezen, en moet de gemeenschap met
andersgezinden ook in godsdienst, eene gewoonte en een euvel
geweest zijn, waaraan voorshands niets te verhelpen was; im-
mers, hoe zou de Hoogeerw. Pater daarbij hebben kunnen be-
rusten, ware hij niet door dringende beweegredenen van wijze
voorzichtigheid geleid geworden? Evenwel hadden de wederzijdsche
plichtplegingen, waarvan hij getuige was, in zooverre voor hom
waarde, dat hij daarin een nieuw bewijs vond, dat vijandelijke
gezindheid jegens katholieken (iets wat wij boven voorstelden, als
de groote zwarigheid, die hem geruimen tijd belet heeft, zich
met de Missie van Suriname te belasten), metterdaad niet te
vreezen was. Zelfs, naar luid van mondelinge overleveringen,
bleef hij voortdurend de goede verstandhouding met onkatholie-
ken op prijs stellen en onderhouden. Het komt ons voor, dat
aan de goede trouw der toenmalige protestantsche leeraren, door
den Hoogeerwaarden Pater volstrekt niet getwijfeld werd, zoo-
min als aan de geldigheid der van dezen toegediende doopsels.
Eene doopakte, door den Pastoor op den 22 Maart 1811 afgege-
•ven, strekt daarvoor ten bewijze; die akte legt getuigenis af
van een katholiek doopsel, toegediend op een tijdstip (den 31 Ja-
\'nuari 1808), dat er geen katholiek priester in Suriname was;
terwijl een doopceel van den lutherschen kerkeraad denzelfden
persoon aanwijst, als zijnde door Ds Koops op den 31 Januari
4808 gedoopt geworden. \')
1) Het is niet aan te nemen, dat zekere geruchtmakende feiten, die
op protestantsch-kerkelijk gebied de laatste jaren hadden gekenmerkt,
voor Pater Schinck een geheim waren. Hij zal dus de bedoelde Doopsels
niet onvoorwaardelijk, maar slechts na behoorlijk onderzoek, voor
geldig erkend hebben. Het is overigens de leer der katholieke kerk, dat
de geldigheid der Sacramenten niet afhankelijk is van de rechtgeloovig-
heid of de moraliteit des bedienaars. Cons. ïrid. S. VII. Can. 2 de Sacr.
et Can. 4 de Bapt. — Over die feiten leze men do »Bijdragen tot de
-ocr page 110-
— &3 —
Pater Schinck is vervaardiger van een kleinen Catechismus
voor de jeugd, in het Hollandsen; althans in 1811 vroeg het
kerkbestuur aan den Gouverneur verlof om dien te laten druk-
ken. \') In latere berichten wordt van dien Catechismus volstrekt
niet gewaagd. Zoo hij ooit het licht gezien heeft, dan zijn de
exemplaren bepaald verdwenen.
Bij de aanvraag om een Catechismus te laten drukken, vroeg
P. Schinck ook, om een schooltje te mogen openen. Dit werd
ingewilligd den 23 Juli 1814.
Het vijf-en-twintigjarig jubilé van de inwijding der katho-
lieke kerk van Paramaribo, werd onder Pastoor Scliinck op den
29 Juni 1812 plechtig in de kerk gevierd. Waarom dit jubilé
den 29 Juni, het patroonfeest der kerk, en niet op den verjaar-
dag der inwijding, den 1 April gevierd werd, staat in de notulen\'
der kerkmecstersvergadering niet opgeteckend.
De eenige bescheiden, die in het Archief van Suriname over
de apostolische werkzaam heden van Pater Schinck berusten, zijn
het Doop- en Trouwregister; cene lijst van ge vormden, de coin-
municantenlijst en het doodenregister ontbreken.
Door de priesters, die sedert het jaar 1787 tot 1793 de
kerk van Paramaribo bediend hadden, waren zestig personen
kennis der Nederlandscho Koloniën," waaruit wjj het volgende aanstippen.
Op den 4 November 1801 had hot Hof van Suriname de openstaande
Predikantsplaats bij de hervormde gemeente aangevuld, door de benoe-
ming van zekeren Abraham Van TrUht, die door üs Van Schaick go-
noemd wordt een lage bedrieger, op vertoon van valsehe papieren,
door de gemeente beroepen en bezoldigd. Hij was vroeger te Nieuw-
dam in Nederland, vervolgens op S\' Thomas, Predikant bij de hervormde
gemeente geweest en werd het later in Amerika. Menige schanddaad
kwam aan den dag, en zoo moest hij Suriname ontvluchten. Hij liet zijne
vermeende echtgenoote achter, die op grond van zijne verklaring, dat
hij reeds elders gehuwd was, hare verbintenis met hem gerechtelijk deed
vernietigen. De huwelijks-verbintenissen die voor hem waren aangegaan
werden nietig verklaard. Üe door hem gedoopten en tot leden der gc-
meente aangenomenen moesron door een wettig leeraar herdoopt en an-
dermaal aangenomen worden. Den 26 December 1802 hield hij zijne
afscheidsrede en vertrok.
1) De Gouverneur Wichers (1784—1790) had, naar aanleiding van
het «licentieus boekdrukken" verboden, voortaan nog iets te drukken,
zonder zijne voorafgaande goedkeuring, en gelast, dat theologische
schriften eerst tor inzage moesten komen van den oudsten Predikant
van Paramaribo.
-ocr page 111-
— 84 —
gedoopt en drie huwelijken ingezegend; de Hoogeerwaarde Pater
Schinck doopte twee honderd drie en vijftig personen, zoo vol-
wassenen als kinderen. In het jaar 1810 doopte de Pater 15
personen. In 1811 bedroeg het getal doopsels 130; in 1812
slechts 43; in 1813 beliep het getal niet meer dan 23, ter-
wijl het in 1814 weder tot 42 klom.
Het Trouwregister geeft slechts vijf, onder Pater Schinck
kerkelijk voltrokken, huwelijken aan, namelijk drie in 1813 en
twee in 1814. \')
Er was dus vooruitgang in de katholieke gemeente. Waar-
aan dit toe te schrijven? Wij gelooven, dat het voornamelijk te
danken geweest is aan de verhouding, waarin deze Pastoor tot
de gemeente stond, en die geheel verschillend was van de ver-
houding der Missionarissen, die hem waren voorgegaan.
De Hoogeerwaarde Pater Schinck was, ofschoon naar Suri-
name vertrokken, rechtens Apostolisch Prefect van Curacao ge-
bleven. Krachtens door den H. Stoel hem verleende volmacht,
had hij zijnen medebroeder Pater Peruviano de noodige facul-
teiten voor Curacao medegedeeld, en hem mitsdien tot Viee-Prefect
aangesteld. Om die reden werd laatstgenoemde Pater, eerst na
den dood van den Hoogeerwaarden Pater Scltinck, door de
H. Congregatie de Propaganda Fide, definitief\' tot Apostolisch
Prefect van Curacao benoemd. Met deze hoogere waardigheid be-
kleed, had Pastoor Scldnck van zelf\' een zeker overwicht op den
zoogenaamd «eerwaarden" kerkeraad, die vroeger zooveel moei-
lijkheid berokkende en onberekenbaar kwaad stichtte. Zou de
geestelijke Overheid, met alles zoo wel bekend, dat overwicht
niet beoogd hebben? Te oordeelen naar het klein getal verga-
deringen van dien »kerkeraad," vergaderingen, die, naar men uit
1) Voor de lezers in Suriname voegen wij hierbij eene lijst van kerk-
meesters en collectanten in de jaren 1810—1812: J. Thijm, Ad. Klaassen,
F. A. Isack, J. H. Brandt, H. J. de Schordeyn, G. Wildeboer, A. T.
Bordas, F. Casali, P. Bucker, J Coupain, C. J Fuchs, J. H. Hek, H. J.
Himmen, J. Mützoll, J. W. Muller, W. Rijke, C. de Betting, P. W. Du-
iuont, P. J. Pohl, E. Franskowsky, C Desmontiers, F. C. Meyer, A. Ei-
nig, J. Stieler. J. J. de Noker, Oandlau, Bergman, F. Buillat, J. Servas,
F. van Sachten, B. V. D Sant, J. H. Eessinck, H. Kuypers, J. Negele,
Th. Plunkett, Wanner, Sandral, L. Benesia, II. F. Colsoul, S. Frederik,
Bouffaié, J. F. Esser, P. Dekkers.
-ocr page 112-
— 85 —
de afwezigheid van notulen kan opmaken, onder Pastoor Schinck,
langen tijd geheel gestaakt werden, en waarin overigens weinig
zaken van aanbelang werden behandeld, bleef de Hoogeerwaarde
Pater niet in gebreke zich in dat overwicht te handhaven. En
uit de omstandigheid, dat hij zich niet voor vast aan de Missie
heeft willen verbinden, maar zich, voor het geval hij dit later
verkiezen mocht, vrijen overtocht naar Curacao door het Suri-
naanisch kerkbestuur liet beloven, uit die omstandigheid leiden
wij af, dat hij hierin volgens een vast plan te werk ging. Eene
losse aanteekening van Mgr Grooff als zoude Pater Schinck van
plan geweest zijn, om naar Curacao terug te koeren, (aantee-
kening, die door andere berichten schijnt weersproken te wor-
den), kan in zooverre gegrond zijn, dat de Pater, tot handhaving
van zijn overwicht op den kerkeraad, niet in gebreke zal zijn
gebleven, de katholieken van Suriname bij tijd en gelegenheid
te doen gevoelen, dat hij niet definitief aan hunne Missie ver-
bonden was, maar eigenlijk te Curacao, waar hij met open
armen werd afgewacht, te huis behoorde. Zóó wordt tevens
duidelijk gemaakt, dat de grijze Pater het smeekschrift der
katholieken van Curacao om bij hen te blijven, niet uit eene
zijne jaren en zijn karakter onwaardige ijdelheid naar Suriname
opzond, maar om zich daardoor het hem zoo noodzakelijk gezag
over kerkbestuur en gemeente van Paramaribo te verzekeren.
Meer zelfstandig en onafhankelijk geworden, kon de Hoogeer-
waarde Pater aan het heil der zielen ook met meer vrucht
arbeiden en, vrijmoediger dan zijne voorgangers, den katholieken
eigenaren van slaven, de verplichting op het hart drukken,
dezen te laten onderwijzen, hun desnoods den vrijdom te doen
verdienen, en in alle geval, na voldoende onderricht, in stervens-
nood te laten doopen.
Onder linantieel opzicht nochtans bleef ook Pater Schinck
nog van het kerkbestuur afhankelijk. In schijn was hem een
groot salaris toegezegd, in werkelijkheid was het dit volstrekt
niet. Het verbazend agio van het Surinaamsch papier en de
duurte der tijden waren daar oorzaak van. Het tractcment van
den Pastoor stond ongeveer gelijk met dat van de Predikanten
der andere gemeenten in Suriname. Pater Schinck zal wel, even
als zijne voorgangers, van tijd tot tijd op uitkeering van zijne
-ocr page 113-
~ 86 —
gage hebben moeten wachten, vermits alle kerkegeldcn, door
middel van collecten of vaste bijdragen, bijeengebracht moesten
worden. Daarop doelt gewis de aanteekening van Mgr Grooff,
in welke terloops bericht wordt, dat Pater Schinck gebrek heeft
geleden in Suriname. In een anderen zin opgevat, is dat. gebrek
lijden niet te rijmen met het verzoek, dat hij tot zijne reguliere
oversten en medebroeders richtte om een medehelper. Waar één
niet heeft om van te leven, daar kan moeilijk sprake zijn van
het onderhoud eens tweeden. Ziehier wat wij in het 81sle deel
van »De Godsdienstvriend," blz. 159, vinden opgeteekend:
«In 1812" (moet zijn 1810) «verliet de in den strijd ver-
grijsde Pater Schinck het eiland Curacao, waarop hij meer dan
dertig jaren als een onvermoeid werkman in \'s Heeren wijngaard
had gearbeid, om ook de kolonie; Suriname de vruchten van
zijnen immer jeugdigen ijver te doen gevoelen. Intusschen wel
bemerkende, dat hij weldra in het stof der aarde zou gaan
rusten, schreef hij eencn brief naar eenigen zijner ordebroeders,
de Paters Missionarissen, in de Statiën Mozes en Aaron en het
Boompje, te Amsterdam, waarin hij hen opwekte, het vaderland
te verlaten, ten einde in Suriname de fakkel des geloofs te ont-
steken voor de menigte, die nog gezeten was in de duisternis
en de schaduw des doods. «Reeds twee" (lees: vier) «jaren na
zijne komst werd de godvreezende Pater door den Heer des
wijngaards opgeroepen, om in betere gewesten het loon voor
zijn zwoegen te ontvangen."
Door mondelinge overlevering van Mevrouw de Wed. J. H.
Himmen,
\') die op den jeugdigen leeftijd van ongeveer tien
jaren, met hare moeder .1/. ApoUonia_ Ricliter, eenige maanden
voor Pastoor Schinck, van Curacao naar Suriname overkwam,
weten wij, dat de Hoogeerwaarde Pater te Curacao zeer bc-
mind was. Dij zijne aankomst in Suriname werd hij ontvangen
ten huize van den Heer G, Wildcboer, een zeer plichtbetrach-
tend katholiek en vermogend ingezetene, met wicn hij steeds
op den besten voet bleef. Pater Schinck had zijn koster \') en
1)  In Februari 1883 te Paramaribo overleden.
2)  Willem Frcderik Jlernhard. Zijn zoon, Mattheus Bernhard volgde
zijnen vader, eenige jaren na diens dood, in do bediening van koster
-ocr page 114-
— 87 —
zijne bedienden, te zamen vier personen, van Curacao medege-
bracht. In de kerk, ofschoon arm aan meubelen en sieraden,
was nochtans een preekstoel en een orgeltje, dat bespeeld werd
door een der kinderen van den Heer J. H. Ilimmen. Op de
werkdagen las Pater Schinck, geregeld om 6 uren de H. Mis;
maar des Zondags hield hij een gezongen dienst met eene Hol-
landsche preek, en na den middag om 3 uren het lof. Hij ging
weinig uit, en bad veel. Zijne lange gestalte en grijze haren
gaven hem een eerbiedwaardig aanzien, terwijl zijne welwillende
goedheid de harten trok. Men begrijpt, dat hij noch de priester-
toga, noch veel minder zijn kloosterkleed in Suriname kon dra-
gen, maar gewoon was in zwarte burgerklecding uit te gaan.
De Hoogeerw. Pater was in het jaar 1748 te Venlo, in
Hollandsch Limburg, geboren. Te Erkelens, in Pruisen, had hij
den 22 Maart 1769 de religieuze Professie als Minderbroeder der
Nederduitsche Provincie afgelegd.
In 1772 priester gewijd, vertrok bij in 1778 als apostolisch
Missionaris naar Curacao, waar bij den 12 Mei 1787, den
Hoogeerwaarden Pater Brouwers, als Prefect der Curacaoschc
Missie opvolgde. Zijne faculteiten dateeren van den 10 Juli 1787,
en zijn hem ad beneplacitum van de II. Congregatie de Propa-
ganda Fide, doch slechts voor de Missie van Curacao, verleend
geworden, met de vergunning van die faculteiten, hetzij geheel
of gedeeltelijk, aan een ander, door de Congregatie de Propa-
ganda goedgekeurde!) en gezonden medebroeder zijner Missie,
voor korteren of langeren tijd, naar gelang bet de Prefect
raadzaam zal oordeelcn, te mogen overdragen. Van die volmacht
maakte hij gebruik, bij zijn vertrek naar Suriname, door Pater
Peruviano tot Vice-Prefect der Curacaosche Missie aan te stel-
len. Over zijne zending naar Suriname, zooals reeds gezegd is,
ontbreken de bescheiden. Hij was ()2 jaren oud toen hij zich
met deze Missie belastte, telde reeds 32 jaren van apostolischen
arbeid te Curacao, waarvan hij de laatste 23 jaren aan het
op, en werd later daarin vervangen door een leekebroeder van de Con-
gregatie des Allerheiligsten Verlossers. Intusschen heeft hij tot heden
niet opgehouden. aan zjjn talrijk kroost, het voorbeeld van een onbe-
sproken christelijken levenswandel te geven.
-ocr page 115-
— 88 —
hoofd dior Missie gestaan had. Ruim vier jaren bracht de afge-
leefde grijsaard in Suriname door, om daar eindelijk, zonder den
troost der priesterlijke bediening (daar hij de eenige priester in
de kolonie was) te sterven. Toch kon hij de komst van den
Heer des wijngaards met vertrouwen en blijdschap te gemoct
zien; zijn geweten immers betuigde hem, dat zijn lange levens-
dag vol was geweest van heilige werken, met edelmoedige
opoffering voor het heil der zielen ondernomen. En ook de Voor-
zienigheid droeg zorg voor haren dienaar. Zij bood den Eerw.
Pater, in zijne laatste ziekte zelve, eeno allergeschiktste gelegcn-
heid, om zich kalm en bedaard tot den dood te kunnen voorbe-
reiden. Op den 10 November 1814 bezweek hij aan een lang-
zaam verval van krachten en stierf, naar luid van een bericht
van Pater Peruviano aan zijne oversten in Nederland, zooals
het voegt aan een zoon van den H. Franciscus, arm en ontbloot
van aardsche goederen. \')
1) Wij hadden gehoopt meer licht te kunnen verspreiden over de
zonderlinge en duistere zending van den Hoogeerwaarden Pater Jacobus
Schinck.
Apostolisch Prejekt van Curacao tot den dag van zijn overlijden in
Suriname, 14 Nov. 1814, was hij toch, sedert den 24 Sept. -1810, fun-
geerend Pastoor te Paramaribo,
zonder eenig bewijs van zijne wettige
zending voor Suriname
te hebben achtergelaten.
Reeds Monseigneur Sihepers, en later Monseigneur Sivinkels, hebben
die zaak onderzocht, doch zonder bevredigende uitkomst. In den laatsten
tijd hebben wij alle wegen ingeslagen , langs welke wij meenden eene
oplossing te kunnen vinden. Wij stelden een onderzoek in bij de Missie
van Curacao,
bij do EU. PP, Franciscanen, in de Archieven van \'t Bis-
dom te Hiarlcm,
in \'t Archief der Apostolische Internuntiatuur, te \'s Gra-
venhage,
in de Archieven der Propaganda, te Bome, eindelijk bij den
Zeer Eerw. Pater A van hommel, S J, als oudheidkundige en geschied-
kundig navorscher zoo gunstig bekend; overal, wij erkennen het dank-
baar en luide, vonden wij goreeden toegang en medewerking, doch
nergens het antwoord op de moeilijke en duistere vraag
Olsclioon , gelijk wij het reeds in di\'n loop des veihaals gezegd heb-
ben, goede redenen aanwezig zijn, die ons ku>ni\'t>, en, zoolang het
tegendeel niet bewezen is. moeien doen veronderstellen dat eene geheime
ons onbekende zending den lloogeoiw. Pater gemachtigd en bewogen
hebbe, daar vier jaren te blijven, blijft Int toch zeer opmerkeljjk (zoo-
als de Z E Pater van Lommei terecht aanmerkt), en laat het een niet
bevredigenden indruk achter, dat Suriname op de Naamlijsten der Mis-
sionarissen
in de jaren 179V«—1808 als vacant, on in de jaren 1809/1> —
1817 volstrekt niet meer voorkomt.
Ten slotte merken wij hier op, dat de Hoogeerw. Pater Jacobus Schinck,
-ocr page 116-
— 89 —
Na den dood van Pastoor f. Schinck bleef de kerk van
Suriname een vol jaar herderloos. Intusschen werd de pastorie
weder verhuurd, en in de keuze der huurders was men niet
kiesch; trouwens brave christen huurders waren er maar wei-
nigen. De kerkmeesters moesten de kerkezaken weder, zoo goed
als zij dat verstonden, legelen, en den Hoogeerw. Heer Jambus
Cratner,
die in 1811 den Hoogeerw. Heer H. F. Tan Huisdier,
als Aartspriester van Holland en Zeeland was opgevolgd, bene-
vens aan den Hoogeerw. Pater Peruviano en aan anderen,
kennisgeven van het overlijden huns herders, en een anderen
Pastoor aanvragen. Middelerwijl bleef de kerk voor het gebed
geopend, en werd er des Zondags cenige openbare godsdienst-
oefening gehouden; terwijl op de werkdagen \'s avonds de rozen-
krans gebeden werd.
De Hoogwaardige Vice-Superior der Hollandsche Zending
liet het oog vallen op den Ecrw. Heer Petrus Ludovicus Van
der Hoven,
die sedert den 3 April 1812, als Assistent te
Amsterdam, in de H. Bediening werkzaam was, en deed hein het
voorstel de plaats van den Hoogeerw. Pater Schinck, te Suri-
name als Missionaris te gaan innemen. Dit voorstel werd
leaamd, en den 30 Augustus door zijne zending bevestigd. Eene
aanteekening, door den Amplissimus J. ./. Cramer nagelaten,
bewijst dat de Eerw. Heer Van der Hoven een regulier geeste-
lijkc \') was, die, vóór zijne zending naar Suriname, bij de Hol-
landsche Missie, waaronder de kolonie ressorteerde, werd ingelijfd.
Dat hij, geheel alleen, naar Suriname moest vertrekken, werd
door den drang der omstandigheden gevorderd; de geestelijke
Overheid kon het alleen dulden, in de hoop van spoedig een
tweeden Missionaris derwaarts te kunnen zenden. In die hoop
echter vond zij zich later te leur gesteld.
De Eerw. Heer P. L. Van der Hoven.was in het jaar
niet te verwisselen is met den Z. E. Tater Jon unes Schinck, eveneens
Franciscaan. Deze, de eigen broeder des PrefeMs, was (volgens de »B|j-
dragen" van \'t liisdom van Haarlem, Deel 11. bid. 17-2), van 1795-1800
Kapelaan, en van 1809 tot zijn dood, 11 Aug. 18li, Pastoor te Outtewater.
Zij stierven dus in hetzelfde jaar.
1| Van de Saksische Provincie van het II. Kruis der Franciscaner-
Orde.
-ocr page 117-
— 90 —
1785 te Rotterdam geboren, en werd in 1808 tot priester ge-
wijd. Hij was dus 30 jaren oud en telde 7 jaren priesterschap,
toen hij den 30 November 1815 te Paramaribo aanlandde. Vol-
gens Mgr /. Grooffz.g., uit wiens aanteekeningen wij het
weinige , dat van zijne werkzaamheden in Suriname bekend is,
kunnen putten, vond hij de pastorie bewoond door een kerk-
meester, die eene ongeoorloofde samenleving onderhield. Vermits
die heer het huis niet verkoos te ontruimen, en het den Missio-
naris nog minder beviel, met zoo iemand onder één dak te
wonen, besloot de pastoor zijn intrek te nemen bij den braven
kerkmeester Gerardus Wildeboo; \') die ongehuwd en reeds op
jaren zijnde, hem de gelegenheid tot een ingetogen en rustig
leven kon verstrekken. Intusschen moest de priester zich laten
welgevallen, het H. Misoffer op te dragen en andere geestelijke
handelingen te verrichten in eene kerk, waaronder zich openbare
zondaars ophielden.
De katholieken waren verheugd over de komst van hun
nieuwen herder, en aanvankelijk werd hij vriendelijk en voor-
komend bejegend. Gelijk altoos in den beginne was alles naar
den wensch van het volk. Niet zoo bij den Eerwaarden Heer
Van der Hoven. Veel zag deze, wat hem mishaagde, en, daar
hij alles behalve een vleiend profeet was, begon hij vrijmoedig
het zwaard des Goddelijken woords te zwaaien, en daarmede
duchtig\' op de afgoden Venus en Mammon in te hakken. Toen
veranderden de gemoederen bij de meesten, want zij waren
aanbidders van deze verfoeielijke godheden! In stede van eerbied
en gehoorzaamheid, toonden zij den ijvcrigen Missionaris nu
niets anders meer dan onwil, versmading, hoon en laster. Daar
men hardnekkig in de boosheid bleef volharden, meende de Mis-
sionaris dat zijn arbeid vruchteloos op zulke harten veiloren
ging, en dat het Gods H. Wil was Suriname\'s katholieken, tot
straf der vele schuldigen, van de priesterlijke bediening te be-
roovcn. Hij schudde het stof van zijne schoenzolen over Suriname
af, en- vertrok naar Nederland.
\\\\ Voor onze lezers in Suriname teekenen wij aan: deze heer bewoonde
het huis, thans in eigendom toebehoorend aan den Heer Levie, gelegen
aan de Saramaccastraat, naast de Steenbakkersgracht, en tegenover de
tegenwoordige St. Rosakerk.
-ocr page 118-
— 91 —
De ijver en godsvrucht van den Eerw. Heer P. L. Van
der Hoven,
zegt Mgr Grooff, werden te zijnen tijde nog door
de oude kolonisten geroemd. Het is dubbel prijzenswaardig de
vernederende waarheid niet te verhelen voor menschen, van
wier goede stemming men in het tijdelijke geheel afhankelijk
is, zooals dat de priesters van Suriname destijds waren.
Zeven harde maanden heeft de Eerw. Heer Van der Hoven
in de kolonie doorgebracht, in welk tijdsverloop hij, van den
1 Januari tot den 0 Juni, 26 doopsels heeft toegediend. Twee
sterfgevallen staan in het Doodenregister, van den 30 November
1815  tot Juli 1816, opgeteekend; do een *) stierf, voorzien van
alle H. Sacramenten, de ander zonder Sacramenten.
Alle andere bescheiden ontbreken.
De Eerw. Heer P. L. Van der Hoven kreeg in Holland
verscheidene statiën voor geestelijken werkkring. Na eerst vier
a vijf jaren, in ondergeschikte betrekking van zielzorg te heb-
hen gesleten, werd hij in 1821 tot Pastoor benoemd te Overschie,
in 1833 te Abcoude, in 1836 te Raamsburg, in 1840 te Lisse,
waar hij in 1842 eene nieuwe kerk bouwde, welke in 1843
werd ingewijd, en waar hij, in 18-40 zijn eervol ontslag nam.
Den 16 Octobcr 1866 overleed de Oud-Missionaris van Suriname,
als rustend Pastoor te Sassenheim, in den hoogen ouderdom
van 82 jaren, na een 58-jarig priesterschap.
Gedurende het verblijf van den Eerw. Heer Van der Hoven,
kwam de nieuwe Gouverneur-Generaal W. B. van Panliuys
met 1000 man troepen in do kolonie aan, om het bestuur van
de Engelsehen over te nemen. Ofschoon hij reeds den 26 Januari
1816  geland was, werden toch ongeveer zes weken vcreischt om
de noodige schikkingen te maken, zoodat het bestuur van Su-
riname eerst den 27 Februari 1816 in zijne handen overging.
In het Regcerings-rcglcment van den 14 September 1815,
n° 58 art. 22 werd omtrent de vrijheid van godsdienst het vol-
gende bepaald:
Aan alle godsdienstige gezindheden, thans in de kolonie ge-
vestigd , wordt de vrije uitoefening van hare respectieve gods-
t) De Heer J. MuiziU, echtgenoot van A. M. Melker, lid van het
kerkbestuur onder Pater Schinck.
-ocr page 119-
— 92 —
diensten en het genot van hare voorrechten verzekerd, mits zich
onderwerpende aan de plaatselijke wetten, daaromtrent reeds
gemaakt of nog te maken."
In de Instructie van den Gouverneur-Generaal luidde art. 25
als volgt:
»De Gouverneur-Generaal zal vorgen, dat alle godsdienstige
gezindheden in de vrije uitoefening van haren godsdienst worden
gehandhaafd."
Hiermede was de oude staatskerk gevallen en werden de
beperkingen op de vrijheid der katholieken weggenomen. Feito-
lijk wel is waar bleef de godsdienstvrijheid, vooral met bctrek-
kirig tot de slaven, nog aan banden, zooals het vervolg zal
loeren; wettelijk was die echter verzekerd.
Sedert de wedervestiging der Missie waren in alles te
zamen nog maar 33!) personen in de kolonie gedoopt geworden.
Thans brak voor haar de dageraad eener betere toekomst aan.
-ocr page 120-
Vde HOOFDSTUK.
Van de komst der twee voornaamste grondleggers der
Snrinaamsche Missie, in 1817, tot den eersten
Apostolische» Prefect, met rechtstreeksche
zending van de Propaganda, in 1826.
Zeventien maanden bleven Surinamc\'s katholieken, na het
vertrek van den Ecrvv. Heer Van der Hoven, zonder priestcr-
lijke hulp. Nochtans bereidde hun Gods H. Voorzienigheid, ge-
durende dien straftijd zelven, eene alleruitmuntendste weldaad.
Voor lang reeds had de Geestelijke Overheid begrepen, dat de
onheilen dier Missie, vooral daaruit voortsproten, dat de Missio-
narissen onder geldelijk opzicht afhankelijk waren, zoo van de
katholieken der Kolonie in het algemeen, alsook van den aldaar
bestaanden kerkeraad in het bijzonder. Nooit was het mogen
gelukken hiertegen cenigen afdoenden maatregel te treffen, en
enkel, omdat men niet goed besluiten kon de Missie gehee 1 op
te geven, had men lijdelijk dezen toestand laten voortduren.
Daar kwam eindelijk de ure van barmhartighei 1. God, die altoos
de gezindheid dei- menschen beheerscht, wist de harten van
weldadige lieden in Nederland zóó te treffen, dat men in staat
gesteld werd, Missionarissen te zenden, die niet meer afhankelijk
zouden zijn van den onderstand der gemeente. Tezelfder tijde
klopte ook de Goddelijke Zender van evangelische arbeiders aan
liet hart van twee uitgelezen mannen aan, die zelfs der geeste-
lijkheid tot voorbeeld strekten; zij meldden zich aan voor de
Missie van Suriname. Was het voor den Aartspriester een groot
offer, zulke mannen van zich te verwijderen, dat offer werd
gebracht, de Surinaamsebe Missie moest op een hechten grond-
s\'ag gevestigd worden, en daartoe waren mannen noodig als
dezen, mannen van Gods keuze, die zich zelven geheel vrijwillig
en met de grootste edelmoedigheid, voor de toenmaals zoo on-
gunstig bekende parochie van Paramaribo,
hadden aangeboden
-ocr page 121-
- 94 -
Dit aanbod was geschied, naar aanleiding van een rondgaanden
brief, welken de Aartspriester J. Cramer (na vele vergeefsche
pogingen om priesters voor Suriname te krijgen) aan alle Dekens,
Pastoors en Kapelaans van zijn rechtsgebied richtte. Die brief\'
was van den volgenden inhoud :
»Een groot aantal zielen loopt, bij gebrek aan een herder,
het grootste gevaar van eeuwig verloren te gaan. De Missie van
Suriname verkeert in den uitersten nood, en het moet tot ons
grievend leed erkend worden, daar is niemand, die zich aanbiedt,
om de vele katholieken aldaar, die om een priester smeeken, te
hulp te snellen.
«Vergeet niet, dat zij meenen een zeker recht op u te
hebben, vermits zij kinderen zijn van ééne moeder, de H. Kerk,
broeders van ééne en dezelfde geestelijke familie, leden van liet-
zelf\'de Rijk, en onderdanen van denzelfden voortreffelijken Koning.
Komt hun dus te hulp in hun grooten geestelijken nood, en
geeft der wereld de ergernis niet, dat, onder het aanzienlijk
getal van seculiere en reguliere geestelijken, niet een paar edel-
moedige priesters zouden gevonden worden, met zooveel liefde
voor de zielen, dat zij bereid zijn, ten koste van eenige opofté-
ringen, haar ook in Suriname te hulp te snellen.
Stelt u voor oogen het leven, den arbeid, het vasten, de
armoede, de wederwaardigheden, het lijden en den bitteren dood
van den Zoon Gods, om de zondaren tot boetvaardigheid, en de
verdwaalde schapen van het huis van Jacob tot den schaapstal
terug te brengen. Gedenkt de Apostelen des Heercn en zoovele
apostolische mannen, die bijna de geheele wereld doorkruist,
woeste oorden opgezocht, onder onbeschaafde volkeren geleefd,
on, te midden der uiterste armoede, de zielen, door Jezus\' Bloed
vrijgekocht, achtervolgd en ingehaald hebben! Overweegt, welk
een groot en verdienstelijk werk het is ecnen broeder te win-
nen, en welk een loon er weggelegd is, voor de medehelpers
van Jezus Christus in het bekeeringswerk der zielen! Beschouwt
eindelijk, dat de oogst overvloedig en het getal groot is van
katholieken, die van alle hoop des levens en der eeuwige zalig-
heid verstoken zijn, of ten minste, te vergeefs de Sacramenten
der kerk in het uiterste gevaar afsmeeken.
»Met het oog op al deze beweegredenen, twijfel ik er niet
-ocr page 122-
- 95 -
aan, of het noodige en voldoende getal van twee priesters zal
zich, door Gods stem opgewekt, aanbieden, om weldra de zee-
reis met het binnen kort zeilvaardig schip te ondernemen.
» Niemand worde afgeschrikt door den slechten dunk, waarin
de volwassen katholieken van Suriname hier en elders staan
aangeschreven; want, behalve dat men daar in den uitersten
nood verkeert, zijn er ook onlangs nog aangeland, die niet be-
dorven zijn; jongelingen en kleine kinderen roepen uwe hulp in,
en strafwaardig schijnt het zoovele zielen aan het gevaar der
eeuwige verwerping prijs te geven.
»Dat ook niemand wane onder de barbaren en tot allerlei
zware beproevingen gezonden te worden; de zending geschiedt
integendeel naar menschen , die in de uiterste weelde eri in
wellust leven, en als ware het, daarin begraven liggen. Daaruit
moet de Missionaris hen optrekken, en tot eene matige, fatsoen-
lijke en zuivere levenswijze terugbrengen.
»Na dit alles hopen wij, dat er onder zoo vele priesters,
welke de Hollandsche Missie bedienen, licht twee zullen gevon-
den worden, die, vol van zielenijver, zich bereidvaardig zullen
aanbieden. Intusschen verzoeken wij de Zeereerwaarde Hueren
Dekens, ons vóór den 20 Augustus de Geestelijken, die zich
aanmelden, bekend te maken."
De mannen Gods, die zich op dit schrijven aanboden, waren
twee Kapelaans van Amsterdam, Amsterdammers van geboorte
en van nagenoeg denzelfden jeugdigen leeftijd van 28 tot 20 ja-
ren. Deze in wetenschap en deugd uitmuntende priesters waren
ranlus Antonius Wennekers \') en Ludovicus Van der Horst.
Door den Hoogwaardigen Heer A. Ciamberiani aangesteld, en
met de noodige volmachten voorzien, ontvingen zij hunne zen-
ding van den Aartspriester Jacobus J. Cramer, die de tusschen-
persoon van den Vice-Superior, en met de bijzonderheden van
het bestuur belast was. Zij vertrokken den 43 October van Am-
sterdam en zetten, na eene voorspoedige reis van slechts 35 da-
gen, den 21 November 1817, feestdag van Onze-Lieve-Vrouw Pre-
1) Van den "Weleerw. Heer P. A. Wennekers berust het doop^xtract
in het Archief van het Vicariaat van Suriname, waaruit blijkt, dat bij
den 11 Augustus 1789 te Amsterdam gedoopt werd.
-ocr page 123-
— 96 —
sentatie, te Paramaribo voet aan wal. Do pastorie was ledig,
en werd terstond van al het noodige in overvloed voorzien. Als
gezanten des vredes werden zij alom met vreugde begroet.
Paulua Antonius Wennekers was gezonden in hoedanigheid
van Pastoor en Prefect, \') en Ludovicus Van der Horst als
Kapelaan of medehelper.
De volgende brief, welken de Hoogccrw. Heer ■/. ./. Cramer,
onder dagteckening var; den 7 November 48-18, aan het kerk-
bcstuur, de collectanten en aan alle leden der Roomsch-Katholieke
gemeente van Suriname schreef, levert een bewijs, hoc hoog
deze jeugdige priesters onder de Nederlandsche geestelijkheid
stonden aangeteekend.
»Na vele jaren, menigvuldige wisselvalligheden en aange-
wende moeite, is het ons eindelijk gelukt, of liever heeft het
der goddelijke goedheid behaagd, het verlangen van ons hart
te vervullen en u twee geestelijken te mogen zenden, die met
den geest der Apostelen bezield, in geleerdheid, deugdzaamheid
en ijver zoo zeer uitmunten, dat wij hen beiden volgaarne bij
ons hadden gehouden, om hen bier op den kandelaar te plaatsen,
om de geloovigen in het vaderland, ja zelfs de geestelij ken, te
stichten. Wij zeggen het nog eens: veel heelt het ons gekost
hen van hier tot u te zenden. Doch de dringende nood, het
gevaar van een groot aantal zielen, het schier algemeen zeden-
bederf, de losbandigheid en de verkeerde gevoelens van velen in
de kolonie, dat alles heeft de overhand gehad, en ons eindelijk
bewogen, hen naar u te laten gaan, in het vast vertrouwen,
dat gij hen met liefde ontvangen, niet zorg en weldadigheid
ondersteunen , en luisteren zult naar hunne woorden, naar
\'hunne leeringen, naar hunne raadgevingen en voorbeelden, en
alzoo zoudt mogen geraken op den weg der eeuwige zaligheid,
enz." —
Hun apostolische loopbaan in Suriname werd, zooals het
vervolg zal leeren, opgeluisterd door waren ootmoed, zachtzin-
1) Hij bezat of verwierf de meest uitgebreide volmachten, nfettcgen-
BtiiHiide Suriname deel bleef uitmaken van de Uollandsche .Missie, en
nog niet tot eene op zieh zelf staande Apostolische Prefectuur verheven
was. Als Prefect werd hij echter ook door Home getituleerd.
-ocr page 124-
- 97 -
nigheid, geduld, versterving, vertrouwen op God, en inzonderheid
door voorzichtigen en onverdroten ijver voor de zaligheid der
hun toevertrouwde zielen. De glans hunner deugden plaatste de
levenswijze der meeste kolonisten in een beschamend daglicht;
dit alles, gevoegd bij de schranderheid van hunnen geest en bij
een onafhankelijk bestaan in het tijdelijke, verbitterde wel is
waar een groot gedeelte der blanke bevolking, maar dwong
allengs ook eerbied, onderwerping, liefde, ja bewondering af,
en werkte bij velen ware vruchten van boetvaardigheid en van
bekcering.
De eerste maand na hunne aankomst gebruikten de vrome
godsgezanten, om zich door gebed en overdenking te sterken, en
maatregelen te beramen tot een beslisten aanval op de geduchte
sterkte der hel. Bij verreweg de mecsten was het katholiek ge-
voel uitgedoofd en het hart bedorven; het kwaad zelfs werd
vergoelijkt en gebillijkt. Aan de twee priesters was de taak
opgelegd, geloof en christelijke zeden over de verregaande mis-
bruiken te doen zegevieren. Moeilijke; taak! Maar, bij de kribbe
van den kleinen en zwakken, en toch almachtigen God-Mcnsch
putten zij kracht en moed, om een eersten stoot zoo krachtig
te geven, dat hij door heel de gemeente gevoeld werd. Terwijl
zij voor de vergaderde geloovigen, die weinig ontwikkeld en
allerwege in kwade voorbeelden verstrikt, de voorzorgen vooral
eenor ontfermende en vaderlijke liefde behoefden, voorzichtig-
heidshalve het Woord Gods nog als brood toedienden, meenden
zij van den anderen kant, dat de tijd wel gekomen was, om
met het kerkbestuur een anderen weg in te slaan, en tegenover
hen het Woord Gods als tweesnijdend zwaard ter hand te nemen.
Op den tweeden kerstdag kwam het kerkbestuur volgens
gewoonte bij zijnen president, den Pastoor, om over de aange-
legenheden der kerk te beraadslagen. De Zeereerwaarde Heer
Wennekers maakte van die gelegenheid gebruik, om, met al
den ernst, de vrijmoedigheid en de liefde van een Apostel, aan
dezen nog altijd voortbcstaanden kerkevaad een welsprekend,
lang en wel doordacht vertoog voor te dragen.
Het buitengewone woord van den nieuwaangekomen, nog
jeugdigen priester veroorzaakte een schok, die, als ware hij van
clectrische kracht, diep gevoeld werd. Voor cenigen, in den
Suriname.                                                                                                                           7
-ocr page 125-
— 98 —
boezem dier vergadering, bracht die schok boetvaardigheid voort;
voor den kerkeraad zelven was hij het begin zijner gelukkige
ontbinding; maar ook voor velen eene ergernis.
De onverbeterlijke leden van den kerkeraad legden, de een
voor, de ander na, eene betrekking neder, welke te zeer in het
oog liep, en, bij hun onzedelijk gedrag, hun eerder tot schande dan
tot eer gerekend werd. Die kerkeraad, vroeger zoo noodlottig
voor de geestelijken, werd op deze wijze van het kaf gezuiverd,
en, tot groot genoegen van den Prefect, in een behoorlijk kerk-
bestüur herschapen. De Prefect zelf regelde nu het bestuur,
stelde, als Hoofd der kerk, het reglement op, dat hij bezielde
en den kerkmeesters ter aanneming voorlegde, en aldus werd
het kerkbestuur, naar eisch en behooren, aan het kerkelijk gezag
onderworpen. Maar bij deze heilzame gevolgen van zijn vrij-
moedig woord, had Wennekers ook eenige tegenovergestelde uit-
werkselen, die overigens niet konden uitblijven, te betreuren,
het gevolg namelijk der gekwetste eigenliefde , de wederwraak
der drift. Vele plicht verg\'\'ten christenen, en inzonderheid eenige
heethoofden uit den afgetreden kerkeraad. joegen zich in het
harnas tegen den Prefect, en wisten een algemecne ontstemming
en heftige tegenwerking te veroorzaken. Met de Joden van voor-
heen, die profeten verlangden naar de booze neigingen van hun
hart, en de ware godsgezanten, welke hun \'s Hemels straffen
aankondigden, haatten en vervolgden, zóó ook riepen de trotsche
en wulpsche christenen van Suriname : «Spreekt ons van ge-
noegelijke dingen, profeteert ons dwalingen!" Niet alleen durfde
men beweren, dat het Evangelie door deze priesters verkeerd
werd uitgelegd, namelijk, dat God geene onmogelijke geboden
kon geven, zooals de volstrekte kuischheid was, in een land,
waar het huwelijk met zoovele bezwaren gepaard ging, enz.,
maar men beriep zich ook op liet stilzwijgen en de tegenover-
gestelde gedragslijn der vorige priesters, die zich, ongelukkiglijk,
niet konden verdedigen tegen den blaam, op hunne nagedach-
tenis geworpen. Het is mogelijk, dat de voorgangers van den
Weleerw. Heer Wennekers, uit wijze voorzichtigheid, meermalen
hebben gezwegen; dat zij de waarheden van het Evangelie op
een zachtere of minder gevoelige wijze aan hunne hoorders
voordroegen, ten einde door onvoorzichtigen ijver niet alles om-
-ocr page 126-
— 99 —
ver te werpen, en zóó de Missie, voor de katholieke kerk, geheel te
doen verloren gaan; het is zeer wel mogelijk, dat in de om-
standigheden, waarin die priesters verkeerden, maar alleen aan
behoud des geloofs, doch weinig of\' niet aan verbetering van
zeden kon gedacht worden; dat zij echter de bestaande mis-
bruiken zouden hebben goedgekeurd, is geheel in strijd, niet
alleen met hun priesterlijk karakter, maar ook met de geschie-
denis hunner apostolische werkzaamheden. — Over de voor-
gangers van Wennekers, die in groote afhankelijkheid verkeerden,
en zich onder menig opzicht als ondergeschikten moesten ge-
dragen , had men heerschappij kunnen voeren. Geen wonder
dus, dat diezelfde lieden tot oproerige gezindheid oversloegen,
nu hun een schrander en jeugdig priester de les hunner laag-
heden kwam oplezen.....Het verzet, dat de waardige Missionaris
ondervond, was zóó groot, dat de tussclienkornst van den Aarts-
pricster noodig werd. In het reeds aangehaald schrijven
van den Amplissimus aan de gemeente van Suriname, dd. 7
November 1818, spreekt de Hoogeerwaarde ,T. J. Crarner met
den grootsten lof over beide zendelingen, en vereenigt zich in
alles met de leer en practijk, welke op de vergadering van den
2(5 December door Pastoor Wennekers was voorgedragen. Ver-
mits een extract uit dien brief ons de voornaamste onderwerpen
van Wennekers\' aanspraak op de bijeenkomst dei- kerkmeesters,
en van het Vasten-mandement van den 20 Januari 1818, in het
kort mededeelt, laten wij dit hier volgen:
».....Wij hebben de aanspraak van den Heer Pastoor en
Prefect der Missie, dd. 2G December 1817, gelezen, als ook het
gedrukte stuk van den 20 Januari 1818. Wij kunnen niet dan
goedkeuren, en zelfs hartelijk en ten hoogste toejuichen, hetgeen
daarin voorgehouden wordt, en wel bijzonderlijk wat betreft
de bijzitten, of de samenwoning met vrouwen zonder onver-
breekbare belofte of altijddurend contract, en wat daar verder
gezegd wordt: over de mayons, over de verplichting om de kin-
deren en slaven te laten doopen, over het vasten voor degenen,
die niet gedispenseerd zijn, over de paaschcommunie, en al het
overige, dat volkomen overeenkomt met do leer en tucht der
katholieke kerk door de geheele wereld. Wat daar gezegd
wordt, kan nimmer beter in den geest van zachtmoedigheid en
-ocr page 127-
— 100 —
waren zielenijver gezegd worden, waarom wij daarover, als in-
houdende den waren geest van de katholieke kerk, grootelijks
verblijd waren en volkomen betrouwden, dat het bij u gereedelijk
aangenomen en stiptelijk onderhouden zou worden. Immers
gijl. weet, dat de Zoon Gods, op aarde gekomen om ons van
de eeuwige verdoemenis te verlossen, en den weg der eeuwige
gelukzaligheid aan te wijzen, gezegd heeft aan zijne Apostelen,
en in hen, aan al hunne wettige opvolgers: y>Die naar u hoort,
hoort naar mij; en die u versmaadt, versmaadt mij.
(Luc. X.16.)
En wederom: ?>Wie u niet hebbe ontvangen, en niet ge-
hoord naar uwe woorden, gaat dat huis of die stad uit, en
schudt het, stof van uwe voeten af. Voorwaar zeg ik u: ver-
dragelijker zal het voor \'t land der Sodomeérs en Gomorreërs
zijn op den dag des oordeels, dan voor die stad."
(Matth.X.14.15.)
»Maar van verscheidene kanten vernemen wij, dat de ge-
woonte van een of meer bijzitten te hebben steeds blijft aan-
houden, te weten, ééne of meer vrouwen te houden, zonder zich
aan eene derzelve voor altoos te verbinden, en men dus gestadig
in hoererij blijft leven. Dit gaat zooverre, dat gijl. uwe Apostelen
van overbodige strengheid beschuldigt, omdat zij u aanmanen
óf dezelve te verlaten, óf er onverbrekelijk voor altoos mede te
trouwen, en het voorbeeld voorwendt der vorige zendelingen,
die zulks niet openlijk tegenspraken. Wat hiervan zij, wij kun-
nen niet oordeelen, dat zij hunnen plicht niet volbrachten, maar
kunnen het misschien aan de versteendheid des harten van eenigen
toeschrijven, dat zij hebben moeten ontveinzen,hetgecn zij niet kon-
den verbeteren; want nimmer is het ons ter oore gekomen, dat zij
de H. Absolutie of Communie zouden gegeven hebben aan hen, die
zóó leefden."
»Wij zullen ons niet verledigen met te bewijzen, dat zoo-
danige levenswijze strijdig is, met de eerste wetten van de natuur
zelve, in aller harten geschreven; met het algemeen gevoelen
aller beschaafde volkeren; met de wetten van staat en kerk,
bij welke het huwelijk als eene verbintenis geldt voor het gansche
leven; eindelijk, met die van het Evangelie en van de katho-
lieke kerk, bij welke het huwelijk onverbreekbaar is. Uw
Pastoor zal u dat wel bondig en duidelijk genoeg ontwikkelen.
Wij zullen alleen aanhalen het verbod der Apostelen aan de
-ocr page 128-
— dW —
heidenen, bij hun eerste intreden in de kerk van Jesus Christus.
Hoe aangekleefd, hoe verouderd zij ook in die gewoonte wezen
mochten, de Apostelen geboden hun zich te onthouden van
hoererij, en, in weerwil van alle zwarigheden en voorgewende
onmogelijkheid, zag men welhaast de geloovigen daarvan af-
zien, ja zelfs zeer dikwijls den maagdelijken staat beleven."
»Wij verwonderen ons niet, dat er eenigen onder u zijn,
die daarom hunne geestelijken niet beminnen, en weinig voor hen
over hebben; dezen moeten eene wonde openen, dio diep en
verkankerd is; dit doet hun zeer; zij klagen over geneesmeesters,
die hen willen genezen en eeuwig gelukkig doen worden!"
»A1 is het dat de drift" (uw hartstocht) »hun" (dezen ge-
neesmeesters) »pijn veroorzaakt, zij zullen den moed toch niet
verliezen; maar volkomen op de Voorzienigheid des Hemels ver-
trouwen. Hunne gebeden en de onzen zullen verhoord worden.
Misschien zal nog eens de kolonie het puik worden van Amerika
in geloof en godsvrucht, zoodat er de katholieken die van het
eerste christendom zullen evenaren. Dit zoude uwen zendelingen
tot spoorslag strekken om zich ook nog eens onder de Heidenen
te begeven, en daar eene luisterrijke kerk te stichten. Het
zij zoo!"
»Wij bevelen u in de bescherming des Hoeren, opdat Hij
in u werke het willen en het volbrengen. Daarbij wenschen wij
u de rijkste zegeningen des Hemels."
«Amsterdam, den 7 November 1818.
(w. g.) J. Cramer, Aartspr."
Aan den voet van dezen brief teckende Pastoor Wennekcrs
het volgende aan:
»Bij mij ontvangen den 7 Januari 4819, en in dezelfde
maand, door mij aan de vergadering der leden van het kerkbe-
stuur medegedeeld. Tweemaal, door afkondiging in de kerk, de
lezing daarvan in mijn huis , en aan desbegcerenden een afschrift,
aangeboden; zoo ook in de Rivieren dezelfde kennisgeving, bij
liet zenden der lijsten aan de Hecrén Van Middachten, kassier
en G. Rietstap, secretaris, aan laatstgenoemden ook het notu-
leercn dezer medcdeeling aanbevolen."
(w. g.) P. A. Wennekei\'s, R.-K. Pastoor."
Het is alzoo duidelijk genoeg, dat vele katholieken in verzet
-ocr page 129-
— d02 ~
waren tegen hunne priesters, en dezen een ruim veld ter bcoefe-
ning van lijdzaamheid en heldhaftig geduld open stond. Be-
spotting, hoon en laster waren hun aandeel zoo van protestantsche
als van katholieke zij Je; maar het bitterst harteleed, dat zij bij
dit alles te verduren hadden, was het verlies der zielen, de
ergernis, de hardnekkige en Godtergende versmading van Jesus
Christus, in zijne kerk en in zijne bedienaren. Daarover beklaagde
zich de waardige Prefect der Missie, zoowel bij monde, in de
kerk en elders, als bij geschrifte en in gedrukte stukken.
Den 7 December 1819 gaf hij een rondgaanden brief uit
met het opschuift: »Aan het Geëerd Publiek." Die brief, te
Amsterdam, in den vorm ecner brochure van 15 bladzijden uit-
gegeven, en in de kolonie algemeen verspreid en gelezen , had
ten minste dit goed gevolg, dat het belccdigen en bespotten
van de personen der priesters beteugeld werd. Doch dit was
ook bijna het cenig uitwerksel, volgens de getuigenis van Wen-
nekers
zelven, op den 1!) September 48\'20. Die rondgaande brief
was een woord van waarlijk apostolische vrijmoedigheid, den
Missionarissen door het lijden van eene, zooals zij het noemden,
smeer dan tweejarige zijdclingsche vervolging, zoowel van ka-
tholieke als van protestantsche zijde" afgeperst. Die vervolging
bestond »in geestige uitvindingen van spot en laster, in het
aanwrijven van hatelijke en licfdclooze bedoelingen, ten einde
alzoo de lidmaten der kerk eerst van hunne herders zelven , en
vervolgens ook van de kerk afkcerig te maken." Aan het slot
van dat stuk zeggen zij, dat overigens bezadigde lieden bij hen
ten sterkste hadden aangedrongen op gerechtelijke vervolging
«wegens de bijzondere dadelijkheden in menigte tegen hunne
personen gepleegd." Wat zij te verduren hadden, leiden wij
verder af uit de volgende woorden:
«Iedereen zal het bekennen, dat het niet eervol is voor een
katholiek, wanneer hij om spot of laster zijne plichten ver-
zuimt! Men moet-het de grootste laf hartigheid noemen, wanneer
hij zich schaamt, om bijv. het kruistceken te maken, het kruis-
teeken, dat door de geheele wereld als het onderscheidend
teeken van den Christen erkend en door oudheidkundige pro-
tcstanten zelven geëerbiedigd wordt! Het is blijkbaar eene laf-
heid, wanneer hij zijne hoogfeesten, zijn vasten, in één woord,
-ocr page 130-
— 103 —
geheel zijn godsdienst ontveinst, in een land, waar zelfs de
heiden zijn afgodendienst durft uitoefenen!"
»Maar als dat nu tóch geschiedt, moet men dan niet aan-
nemen, is het dan niet duidelijk, dat de katholiek, die tot zulke
laagheid besluit, van hem, ten wiens gevalle, hij dit doet, om
of wegens zijn godsdienst
iets te vreezen of te weren heeft?
En inderdaad, wie twijfelt er aan of hier eene zekere vervol-
ging der katholieke kerk bestaat? Is het geene aanranding der
vrijheid van den katholieken godsdienst, als men personen, die
ons gerecommandeerd zijn, belet tot ons te komen? Is het
niet reeds een groote vervolging aan een zieke, die met aan-
drang en herhaalde malen naar den bijstand van een Roomsch-
Katholieken Geestelijke vraagt, zulks standvastig te weigeren,
ja, ons zelven in persoon stellig den toegang tot zieken te be-
letten ?
En wat heeft men niet gedaan, om deze handelingen
als \'t ware te wettigen, om onze landgenooten, die niet tot
onze kerk behooren te doen gelooven , dat wij een paar men-
schenhaters waren, die niet dan vloek en haat ademden, en
alle bestaande orde en subordinatie den bodem wilden inslaan?"
Wanneer nu bejegeningen, zooals hierboven worden aan-
gestipt, dagelijks voor iederen gcloovige, die zijne godsdienst-
plichten getrouw wilde vervullen, te vreezen waren, dan behoeft
men waarlijk niet meer te vragen, wat de priesters te verdu-
ren hadden.
Ook het bezoek der katholieke lijders in het militair hos-
pitaal ging met moeilijkheden gepaard. Hoogstwaarschijnlijk
waren die niet zoozeer te wijten aan :ene persoonlijke vijandige
gezindheid van den Chef, als wel aan de booze inblazing en
tegenwerking van anderen, wien de dienstijver der Missionarissen
een doorn in \'t oog was. Het dagclijksch bezoek, alle geestelijke
dienstverrichtingen, uitgenomen alleen de hoogst noodzakelijke,
en elk onderzoek, hoc algemeen en onbeduidend ook, naar den
aard der ziekte \'), werden onzen Missionarissen verboden. Niet
anders dan op verlangen der zieken en bij ernstige gevallen
mochten zij , met verlof van den Chef, bij de lijders worden
1) Om te kunnen oordeelen of het raadzaam is aan de lijders de
H. Sacramenten toe te dienen, werd soms eenig onderzoek ingesteld.
-ocr page 131-
— 104 —
toegelaten. Deze waren (blijkens de wederzijdsche correspondentie
van Pastoor Wennekers en bedoelden Chef van het militair hos-
pitaal, ])\'\' Kuhn) de voorwaarden onder welke alleen, zij hunne
geestelijke bediening bij de zieke militairen mochten uitoefenen.
Na behoorlijke toelichting evenwel kwam men tot eene schikking
in der minne, en de goede verstandhouding tusschen genoemden
Chef en de Geestelijken bleef voortbestaan. Het is niet te ver-
wonderen , dat priesterlijke bezoeken en vooral het biechthooren
der zieken, in dien tijd , als nadeelig werden voorgesteld ; ten
allen tijde immers en overal werden er gevonden, die, hetzij
uit onkunde en verkeerde opvatting van de biecht en verdere
bediening, hetzij uit godsdiensthaat, of ook uit menschenvrecs
of eigenbelang, tegen het ziekenbezoek der priesters geijverd
hebben. Overigens is het den tocninaligen geneeskundigen van
Suriname, van wie misschien niemand, althans bij persoonlijke
ondervinding, getuige was geweest van de gemoedskalmte en
tevredenheid, waardoor de bediening gewoonlijk gevolgd wordt,
niet euvel te duiden, dat zij de voordeden ervan ook naar het
lichaam, over het hoofd hebben gezien. En verder, dat men,
desgevorderd, voor zijn ecuwig heil wijselijk cenig tijdelijk ge-
vaar moet weten te trotsecren, hoc weinigen, die daaraan zullen
gedacht hebben, in eene kolonie, waar ternauwernood geloof
werd gevonden ! ....
Om terug te komen op de vijandige richting van dien tijd
tegen de priesters, en te doen zien hoe weinig hunne liefdedien-
sten bij de zieken, door de bedorven menschen gewaardeerd
werden, declen wij hier nog het volgend uittreksel mede uit
eenen brief van Pastoor Wennekers aan gemeldcn Dr Kuhn, van
10 Juni 1820:
»Toen ik eergisteren, op uitnoodiging van den heer Thur-
kow,
met de heiligste zaken van onzen godsdienst bij mij, naar
het civiel departement kwam bij zekeren Dufour, werden, in
het daarnaast gelegen wooilhuis der suppoosten, de grootste
bespottingen en vloeken geuit, zooals ons reeds dikwijls te voren
is overkomen.
Kijk ! Hem ! Zie , die moest er ook nog wezen!
enz.; en dan verscheiden allermoedwilligste vloeken. Ik zcide
daarop enkel: »Dat zal vandaag wel voor het laatst wezen," vol
vertrouwen op Uw Welcdclgestr. billijke denkwijze." — Inderdaad,
-ocr page 132-
— 105 —
na dien tijd begon men meer ontzag voer de Geestelijken op
te vatten.
Mgr Grooff z. g., die, zooals hij zegt, uit de rijke bron
van Pastoor Wennekers\' handschriften (jammer genoeg, deze
zijn thans bijna geheel verdwenen!) putten konde, en zn niet
zelden met tranen in de oogen las en herlas, getuigt van zijn
hoogvereerden voorzaat, dat deze niet alleen veel smaad, hoon
en laster, maar zelfs stokslagen heeft moeten verduren; »maar,"
zegt Zijne Doorl. Hoogw. in een schrijven van het jaar 18152,
»het wonderlijk door Wennekers beoefend geduld brengt nic-
nigwerf, tot op den dag van heden, de heerlijkste en heilzaamste
vruchten voort."
Bovendien, volgens denzelfden Hoogw. Schrijver, onderwierp
zich Pastoor Wennekers met zijnen ambtgenoot aan eene bc-
krompen levenswijze , liet zich de behoefte welgevallen, en on-
derging eene vrijwillige armoede, terwijl zij toch voor persoonlijk
onderhoud ruimen onderstand uit Nederland ontvingen. Zij kozen
deze armoede uit, om liefdewerken te kunnen verrichten , om
door vasten , aalmoezen en gebed de genade des Hemels over
zich en hunne werkzaaudicdcn.af te trekken, om door hun ver-
storvcn en bclangloos leven der prediking meer kracht bij te
zetten, en om den armen Jezus meer van nabij te volgen.
Harde arbeid, onder een drukkende hitte; vermoeienis, uit-
putting en ziekte; armoede en behoefte ; teleurstelling , tegen-
werking, hoon en laster; eindelijk een allergrievendst hartcleed
over de zonden van hun volk~ waren niet voldoende voor den
brandenden ijver dezer christen helden: zij voegden daarbij nog
de vrijwillige lijfkastijding en lieten de tuchtroede op hun eigen
lichaam vallen, naar het voorbeeld des grooten Apostels, die
zijn lichaam kastijdde en onder bedwang hield, om niet, na
anderen de waarheden des Evangelies verkondigd te hebben, zelf
verworpen te worden. Toevallig werd deze geheime boctpleging
door een Israëliet aan \'t licht gebracht. »Toen deze namelijk,"
aldus verhaalt Mgr Grooff\', »op zekeren avond voorbij de kerk
ging, hoorde hij een ongewoon geluid, dat zijne nieuwsgierigheid
niet weinig opwekte. Hij nadert daarop zoo dicht mogelijk tot
de plaats, van waar het uitging, en bemerkt, dat de beide
priesters bezig zijn hun lichaam voor het altaar des Hecren te
-ocr page 133-
— 106 —
tuchtigen. Op dit gezicht, riep die man vol bewondering uit:
»Bestaan er heiligen, dan zijn het deze menschen!" Aldus
Mgr Grooff.
Zoodanige mannen waren Wennekers en Van der Horst.
Zij mochten ecne taal voeren, zooals eerstgenoemde in de
vergadering der kerkmeesters van den 26 December 1817 liet
hooren: »Dat geen tegenstand, geene hinderpalen, geene droef-
heid of behoefte van den kant der gemeente ooit zoo groot
zouden kunnen worden, dat zij besluiten zouden de schapen
andermaal herderloos te laten." De deugd dezer mannen, hoezeer
gevreesd door do boozeu, en door de hardnekkigen op de proef
gfsteld, liet niet na achting en eerbied af te dwingen. TtBij
Hoomsch en Onroomsch
," zegt Mgr Groofl\', Divordt Wennekers
nor) tot heilen
(1832) erkend, als de eerste, die den echtelijken
stand eerbied en acfiting en der losbandigheid een zekere
scliande heeft welen bij te zetten."
Hiermede gaan wij over tot een verslag van de apostolische
werkzaamheden dezer twee vurige arbeiders in \'s Hoeren wijn-
gaard. In het eerste tijdperk hunner bediening komt de Zcereerw.
Heer Wennekers meer op den voorgrond, terwijl in het tweede
meer bepaaldelijk over zijnen ambtgenoot en opvolger, den
Zecrcerw. Heer Van der Horst wordt gesproken.
Naar de getuigenis der overlevering was Wennekers klein
van gestalte, tenger, zwak van gezondheid en had hij een ern-
stig en bezadigd voorkomen. Onvermoeid in gebed en arbeid,
hield hij zijne veelvuldige bezoeken wijselijk beperkt tot de
zieken, en tot de plantages, die hij gewoon was in cene tent-
boot te bereizen. Algemeen werd hij als cen heilig man aan-
gezien.
Van de eerste twee-en-twintig\'maanden van hun Apostolaat,
laten wij hier het eigenhandig verslag van Wennekers zelven
volgen. Het vertoont ons in het kort den geheelen werkkring
der Missie, en geeft tevens den toestand der eerstvolgende jaren,
met inachtneming van uitbreiding en vooruitgang, vrij duidelijk
te raden.
Ziehier zijne woorden:
»Het getal der leden aan het Fort (stad) Paramaribo woon-
ftchtig, is (buiten een paar honderd gedoopte kinderen, die de
-ocr page 134-
— 107 —
hoop zijn onzer opkomende gemeente) niet zeer aanzienlijk; het
bedraagt misschien met blanke burgers, vrijheden en slaven, als
men de zeelieden daar niet bijtelt , geen vier honderd. Het
garnizoen alhier, dat uit omstreeks twaalf tot veertien honderd
manschappen bestaat, kan gemakkelijk voor een derde katho-
liek zijn , zoo het niet meer is. Op de plantages kunnen, de
kinderen daaronder begrepen, wel twee honderd en waarschijn-
lijk nog meer katholieken gerekend worden. Er is ook een
nieuwe aanleg van plantages in deze kolonie naar den kant der
Engelsehe kusten, genaamd Nickerie, \') meest door Engelschen
bewoond; ook daar bevinden zich zeer vele katholieken, vooral
slaven. Men vaart er in twee dagen heen langs de zeekusten; \')
wij zullen genoodzaakt zijn, er ieder jaar eenigen tijd door
te brengen, en hopen daartoe binnen kort gelegenheid te be-
komen."
«Gedurende ons verblijf alhier zijn 136 kleine, 33 grootc
kinderen en 77 volwassenen gedoopt. Er waren onder deze
laatsten drie van 90 jaren of daaromtrent, en verscheidenen van
50 tot 70 jaren. Het gezamenlijk getal is dus 246."
»Wij hebben van de kleurlingen slechts een getal van bijna
25 tot de eerste H. Communie toegelaten, waaronder (een be-
wijs hoc het hier met de opvoeding en het onderwijs der kin-
deren gesteld is) maar één kind, zijnde een meisje van 12
jaren."
»Er zijn nochtans cenige weinige jonge dochters van 16 tot
18 jaren tot de H. Communie aangenomen; maar deze zijn ge-
lijk volwassenen in Europa, en kunnen geen kinderen meer ge-
noemd worden."
«Behalve cenige weinige protestanten, die uit eigen bewe-
ging naar onze kerk kwamen, en van welke nog maar ééne
tot de H. Communie is aangenomen, zijn ook een Jansenist en
een Wallachijer-Griek tot den schoot der H. Kerk teruggekeerd.
Beiden zijn militairen, die bijzonder in godsvrucht uitmunten."
»Tocn wij hier kwamen, vonden wij onder de nieuwe
1)  De twee districten, welke vroeger Neder- en Opper-Xickerie heet-
ten, worden thans Nickerie en Corortie genoemd-
2)  d. i, naar het eigenlijke Nickerie,
-ocr page 135-
— 408 —
christenon nog geen enkel huwelijk, noch onder de vrij-lieden,
noch onder de slaven; het is ons, God zij dank! na veelvuldige
pogingen gelukt, tot nu toe een getal van 44 huwelijken voor
hot altaar dos Heeren in te zegenen, welke, tot dusverre allen
gelukkig zijn, en waarvan wij reeds twee wettige kinderen ge-
doopt hebben, zijnde dezen de eersten onder de katholieke klcur-
lingen."
»Van de blanken hebbeu wij al dien tijd slechts een enkel
paar, volgens het gewoon gebruik, openbaar getrouwd. De goede
Pastoor Sehinck was te oud, en de Ecrw. Heer Van der Hoven
was te kort hier om genoegzaam de taal te lecren, en grondig
genoeg met die menseben te kunnen spreken."
»Het getal der overledenen op het doodenregister bedraagt
\'M i, ook de kleine kinderen daar onder gerekend."
»Met getal der geloovigcn, die op de paaschlijst zijn ingc-
schrevcn of liever, die, bet gchecle jaar door, tot de H. Sa-
cramentcn zijn genaderd, bepaalde zich in het jaar \'1848 tot
472, en voor dit loopendc jaar is het getal van 4 Januari tot
20 September, tot 150 geklommen, waarvan bijna de helft militai-
ron, een derde gedeelte blanke burgers en de overigen klcurlin-
gen zijn. Onder de genoemde blanken bevinden zich verscheidene
zeelieden, onder welke eenige kapiteins zijn, die ook door hun
voorbeeld op Zon- en feestdagen, zeer vele officieren en matro-
zen naar de kerk trekken. Zulk een voorbeeld hebben wij in
een voornaam officier van de militairen, die door eene geregelde
waarneming zijner godsdicnstplichten, gevoegd bij groote ver-
diensten voor het welzijn en de veiligheid der kolonie, zich ge-
acht heeft gemaakt bij alle weidenkenden."
»Wij hebben het genoegen onder de militairen, van welken
sommigen niet alle jaren bij ons kunnen komen, veel ijver aan
te treffen, te midden van het kwaad voorbeeld der meeste an-
doron en van den spot van velen."
«Ondanks het ongevoelige, voor geen diepen of duurzamen
indruk vatbare karakter der kleurlingen en negers, vooral dei-
Creolen of inboorlingen, zien wij echter meermalen de bewijzen, dat
de genade ook de natuur overwint. Somtijds zijn er reeds des
morgens te zes uur in de kerk, enkel om hun gebed te doen,
vooral die naar hun werk moeten gaan, en de H. Mis te zeven
-ocr page 136-
— d09 —
uur niet kunnen bijwonen. Ik heb eens eene kleurlinge, welke
alleen in de kerk was, zonder dat zij mij zien kon, van verre
zien bidden, niet eene houding, met een eerbied en geestdrift,
die verwonderlijk waren in iemand, die van eene plantage
kwam, en misschien, voor on na haren doop, nog geen zes on-
derrichtingen en wellicht weinig meer kerkdiensten had bijgc-
woond. Daar zijn er, die reeds al den tijd, dat wij hier zijn (ja
zelfs een jaar en vier maanden na hare eerste H. Communie
gedaan te hebben) bestendig drie, ja soms viermaal \'s weeks
den catechismus bijwonen."
»Des Zondags na de Vespers is er een catechismus of liever
eene homelie in de landtaal over de Epistel- en Evangelielessen.
- Des Maandags, Woensdags en Vrijdags, te drie uren na den
middag en des Dinsdags en Donderdags, te zeven uren \'s avonds,
heeft er eene onderrichting plaats in het Neger-engelsch; des
Zondags te twee uren na den middag, en des Woensdags te
acht uren \'s morgens, is er catechismus voor de kinderen in het
Nederduitsch."
»Des Vrijdags te zeven uren hebben wij een gezongen dienst
met uitstelling, zegen en vereering van de Reliquie van het
H. Kruis, waarvan wij de twee feestdagen plechtig, en, van den
kant der nieuwe christenen, met veel ijver vieren." \')
1) Tegenover do velerhande afgodische vcroering, in Suriname in
zwang, stelde Wenneker» de godsdienstige vereering van het H. Hout
dos levens. Hij achtte zich overgelukkig daarvan een kostbaar gedeelte
te bezitten. Van Zijne Heiligheid Paus Pius VII verwierf\' hij voor nlle
geloovigen van Suriname een vollen aflaat, te verdienen op de feostda-
gen van Kruisvinding, (3 Mei), en Kruisverheffing (14 September) ten-
einde alzoo do vereering van het II. Kruis te bevorderen. Op de feest-
dagen der II. Apostelen Petrus en Paulus (2\'J Juni) en van den II Franciscus
Xavoriu8 (ü December), do groote toonbeelden aller Missionarissen, kon
men dezelfde aflaten verdienen. Door eene bijzondere vergunning des
Pausen, was het voor hen, die van de priesters verwijderd waren, niet
noodig te biechten en to communiceeren, maar konden zij aan al deze
aflaten deelachtig worden, met een voldoende berouw te verwekken over
hunne zonden, het vast voornemen te maken van niet meer te zondigen,
en oenigen tijd te bidden volgens de meening van onze Moeder de
H. Kerk. Het Kruis was onzen Missionaris het wapen, waarvoor de af-
godsboomen vielen, het boek,, waarmede hij de heidenen onderrichtte,
hot teeken, waaraan hij elke overwinning toeschreef! Bij plechtige gele-
genheden weerklonk steeds zijn geliefkoosd: »Vexilla Regis",
-ocr page 137-
- iiö —
»Dcs Zaterdags zingen wij, \'s avonds te zeven uren, de
Litanie van de H. Maagd, waarop zij allen met geestdrift ant-
woorden: Ora pro nobis, en waarna wij gemeenschappelijk den
rozenkrans bidden."
«Gisteren, Zondag 19 September, hebben wij voor het eerst
bet Onze Vader in bunne taal gezongen. Ik zal ben binnen kort
ook des Zondags vóór den catechismus bet Wees Gegroet en
bet Credo laten zingen."
»Wij kunnen bet levendig geloof en den diepen eerbied van
ben, die tot de eerste H. Communie zijn toegelaten, niet genoeg
ioemen. Zij moeten tot alles bereid wezen, en gereed zijn om
zieken op te passen en anderen te onderrichten. Daar zijn er
onder, die zich bier bijna geheel aan toewijden!"
«Betrekkelijk de samenleving buiten \'t huwelijk is op te
merken, dat de kleurlingen bij onze aankomst, te dien aanzien,
schier geen denkbeeld van kwaad hadden. Thans echter begint
dit, vooral bij ben, die tot de H. Communie zijn toegelaten, zóó
te veranderen, dat wij eene jonge dochter zichtbaar hebben zien
vervallen, alleenlijk (naar wij van goederhand vernomen hebben)
omdat zij vreesde genoodzaakt te worden, het voorstel van een
aanzienlijken blanke, volgens beersebend gebruik gedaan, te zul-
len moeten aannemen. De aanvrage bad geen gevolg."
«Buiten degenen, die bunne II. Communie gedaan hebben,
en behalve de kinderen, zijn er ook nog een vijftigtal of daar-
omtrent, uit eigen beweging , komen biechten."
»Dit is nu bet aangename en bet stichtende; maar het
grootste getal der vóór onzen tijd aan het Fort (de stad) ge-
doopten, blijft, ofwel omdat zij door het algemeen gebruik wor-
den meegesleept, ofwel omdat zij veelal ter oorzake van slavernij
van de kerk en van de noodige onderrichting verwijderd leven,
ofwel omdat zij door den omgang met anderen bedorven wor-
den, of ook omdat zij worden afgeschrikt door de bezwaren,
welke bet huwelijk der slaven vergezellen, in ongeoorloofde be-
trekking voortleven; en daar lichtzinnigheid het grootste en
lastigste gebrek dier menseben is, verlaten zij catechismus,
kerkdienst, ja, eindelijk de kerk zélve, omdat zij bij de pro-
testanten deswege niet zoo sterk worden nagegaan. Wee der
wereld om de ergernissen!"
-ocr page 138-
- 414 —
»De afgoderij blijft den godoopten der protestanten (de
hernhutters niet uitgezonderd), ja zelfs den katholiek-gedoopten,
als zij zonder onderricht en godsdienstoefening hebben vooitge-
leefd, zóó vast aankleven, dat kundige en ervaren protestanten
zelven mij meermalen toegaven, dat slechts de volle kracht der
It. K. ceremoniën, kerkdiensten, gewijde voorwerpen enz. in
staat is, hun hart daarvan af té trekken. Wij zien dit dan ook
duidelijk in den afkeer, welken de negers, uit katholieke kolo-
nién afkomstig, van de afgoderij hebben. Hierdoor worden wij
niet weinig bevestigd in de overtuiging, dat de Geest der waar-
heid, welke voor eeuwig aan Jesus Kerk beloofd is, onze Moe-
der de H. Kerk van den beginne af geleid en bestuurd heeft
in het vaststellen harer plechtigheden en gebruiken." \')
» Willen wij niet, dat een paar honderd kinderen, zonder
eenige kennis van den godsdienst, opgroeien, willen wij hen
niet tot afgoderij zien vervallen, dan hebben wij volstrekt eenc
school noodig , om hun de gebeden en de eerste gronden des
geloofs te leeren, of ten minste een fonds om daaruit iemand
te onderhouden."
»Ook moeten wij een kerkhof stichten en onderhouden voor
de slaven; zij worden thans onder de heidenen hegraven,
en, daar de hernhutters een eigen kerkhof hebben, blijven
velen uit dien hoofde van onze kerk verwijderd."
«Hiertoe bevelen wij onze arme nieuwgcloovigcn in de
milddadigheid der katholieken van het geheele rijk der Neder-
landen, en ons zelven en al de onzen in hunne bijzondere gebe-
den aan."
«Paramaribo, den 20 September 4849"-(w.g.) »P. A. Wen-
nekers."
Onder dagteekening van den 2G Juli 4820 gaf de Prefect
ook een verslag aan de Congregatie van het H. Officie te Rome,
waarin hij o. a. zegt, dat er in Suriname weinige Europeesche,
vooral katholieke Europeesche vrouwen waren, en dat hieruit
1) De Missionarissen van Suriname, erfgenamen Tan den eerbied huns
grooten voorgangers voor de ceremoniën der H. Kerk, wijden tot heden
toe eene bijzondere zorg aan de nauwgezette inachtneming van de voor"
schriften der H. Kerkgebruiken.
-ocr page 139-
— 412 —
veel ongeoorloofde samenleving geboren werd. Gedurende twee
jaren en acht maanden hadden zij (Wennekers en van der
Hord)
slechts twee huwelijken van Europeanen publiek inge-
zogend. Bij hunne aankomst aldaar troffen zij onder de blanke
katholieke bevolking, behalve een klein getal gotrouw Ie sol-
daten, slechts twee gehuwde paren aan, van welke beide par-
tijen katholiek waren. Het was hun nochtans gelukt van vijf
blanke mannen zooveel te verkrijgen, dat zij, voor den Pastoor
en twee getuigen, een geheim huwelijk wilden aangaan, ver-
mits zij niet konden besluiten publiek voor de burgerlijke wet
te trouwen. De burgerlijke wetten toch verboden den Geestelijken
een huwelijk van vrije persenen, publiek in de kerk in te ze-
genen, vooraleer het burgerlijk voltrokken was. Daarenboven
was het burgerlijk huwelijk tusschen een vrijen persoon met
eene slavin, even als dat tusschen de slaven onderling, verboden.
Onder de gezagvoerders van plantages werden dan ook schier
gcene getrouwden gevonden, daar de meeste eigenaars en ad-
ministrateurs zoo verblind waren, dat zij geene gehuwden als
plantage-directeurs wilden aannemen. Het gevolg daarvan was,
dat zulke directeurs, zoowel katholieke Nederlanders, als Fran-
schen, Spanjaarden, Italianen enz., gewoonlijk in concubinaat
leefden niet heidensche vrouwen, doorgaans slavinnen, welke
slaven-kiuderen voortbrachten, die maar zelden gedoopt werden,
en overigens toch onder heidensche negers opgroeiden. »Van-
daar", zoo schreef hij, »dat van de, .\'300 Europeanen, nauwelijks
30 Paschen houden! Van daar, dat al de directeurs, op één na,
die voor twee jaar een zeer gelukkig geheim huwelijk aanging,
hun paaschplicht verzuimen!" Zij durfden niet burgerlijk trouwen
uit vrees van hun bestaan te verliezen. Met eene slavin wilden
zij zich, om redenen van mcnschelijke voorzichtigheid niet voor
altoos verbinden, en, verwijderd als zij waren van de kerk, en
verstoken van eene goede omgeving, gaven zij voor, dat ont-
houding hun onmogelijk was. In één woord, de staat der ka-
tholieke kerk in Suriname was ellendig. Wennekers schreef die
ellende vooral toe aan het langdurig gebrek van priesters in
de kolonie. »Want," zcide hij, »hoe bedroevend het ook nog
zijn moge te zien, dat de kuischheid weinig geëerd en be-
grepen wordt, dat de kerkelijke wetten van vasten en onthou-
-ocr page 140-
— 413 —
ding \'), van het vieren der Zon- en feestdagen, van biechten
en communiceeren met voeten worden getreden, dat de-kinderen
en slaven ongedoopt blijven en de opvoeding der jeugd verzuimd
wordt: toch is, in de twee jaren, dat wij hier zijn, de toestand
veel verbeterd!"
Onze blikken van deze bedroevende schildering afwendend,
gaan wij liever de heilige priesters voet voor voet op hun zegen-
rijken arbeid volgen.
Bij de H. Dienstverrichtingen van hun apostolisch leven,
die wij reeds boven hebben loeren kennen, moet nog gevoegd
worden, dat zij op de Zondagen eenc Vroegmis deden, met
Ncgercngelsche toespraak, en eenen Hoogdienst, waaronder de
Hollandsche preek, te negen uur. Sedert den 21 Januari 1821
ging ook een hunner op de Zon- en feestdagen naar het Fort
Nieuw-Amsterdam, anderhalf uur varens van de stad. Desbe-
treflènd schreef Wennekers, den 27 Februari 1821 :
»De nieuwe kerk op het Fort Nieuw-Amsterdam, d. w. z.
het altaar enz., zal deze weck gereed zijn; ofschoon wij er reeds
1) De feestdagen en vastendagen waren in Suriname verplichtend
volgens de kerkreglementen van het Aartspriestersohappeljjk gebied van
Holland, Zeeland en West Friesland. Na kennismaking met de Suri-
naamsche toestanden, verzocht en verkreeg Wcnnekers van den II. Stoel
daarin eeno wijziging. Behalve de Zondagen bleven verplichtend voor de
slaven: Kerstmis, \'sUeeren Hemelvaart, II. Sacramentsdag, O.. L. V.
Boodschap
en Hemelvaart, St. Petrus en l\'aulus en Allerhriligen. Daaren-
boven kon de Prefect, op die dagen , de slaven nog van het Mishonrcii
en van de onthouding van slaafschen arbeid, of ook van beido tegelijk
dispenseeren. Den vrijen werden geene andere verzachtingen geschonken,
dan dat de Prefect hen, bij het vieren der Aposteldagen of andere,
waarop alleen do verplichting bestond van Mis te hoorert, daarvan kon
dispenseeren. — Betreffende de vasten en de onthouding was ten jaio
181U door Paus Pius Vil het volgende vastgesteld: 1° In de Goede week,
op Aschdag, op de Quatertemperdnyen en op allo Vrijdagen en Zuter-
dagnn
door het jaar, waren vleeschspijzen verboden, doch, behalve op
Goeden Vrijdag
, zuivel en eieren toegestaan. Op andere vastendagen,
niet op een Vrijdag, Zaterdag of Quatertempf.rdag invallende, was het
gebruik van vleescli éénmaal daags toegestaan Gesmolten vet of reuzi I
mocht men bovendien nog \'s avonds gebruiken. Het gebruik van visch
on vleesch hij itenzelfilen mailtijd bleef streng verboden. —
Aan den paaschplicht kon voldaan worden , door do bewoners van
Paramaribo en het Fort Nw. Amsterdam tot den \'21\' Zondag na Pascben,
door de bewoners der buiten-divisiën tot Pinkster, Pinkstermaandag \'ui-
gesloten.
S inname.                                                                                                           8
-ocr page 141-
— 11-4 —
sedert den 21 Januari alle Zon- en feestdagen op eene tafel
dienst gedaan hebben. De officieren zijn zeer ijverig. Er zijn twee
Brabantsche kapiteins bij__ De eerste is gehuwd, en zijne
vrouw doet alles, en wil alles blijven doen, wat in haar ver-
mogen is. Hadden wij nu maar linnen en zijden stoffen voor
kerkgewaden, alsook passementen, kanten enz. dan zou alles
wel door baar gemaakt worden. Want dit alles telkens mede
te nemen, is op den duur ondoenlijk; ook lijdt er ons kerkgoed
te veel mede." \')
»De Eerwaarde Heer Van der Horst beeft ook 11. Zondag
reeds twee kleintjes op bet Eort gedoopt. De moeder, die won-
derlijk ijverig voor het geloof is, zal ook eerstdaags gedoopt
worden."
» . .. . Het is nu al vrij druk, en er kan niet veel meer bij-
komen. Als de Eerw. Heer Van der Horst op bet Fort is,
moet ik op Zon- en feestdagen tweemaal Dienst doon, prediken,
catecbisatiën voor kinderen en voor bejaarden, en Vespers
houden; behalve het doopen, zieken bezoeken enz., en dat, ter-
wijl ik nog altoos vrij zwak ben; maar God versterkt mij
bijzonder, en geeft mij kracht naar werk!"
Om redenen, waarin wij bet wijze beleid van den schranderen
en waardigen Prefect wenschen te eerbiedigen, en die hoogst-
waarsehijnlijk in bet geringe besef der toenmalige katholieken
en nieuwbekeerden in Suriname, voor het Hoogste aller Ge-
beiménissen moeten gezocht worden, werd het Allerheiligste
Sacrament zelden ter aanbidding uitgesteld. Gewoonlijk werd
alléén op den eersten Zondag der maand de zegen niet bet
Allerheiligste aan de vergaderde geloovigen gegeven.
Naast eene bijzondere vereering van bet H. Kruishout, be-
vorderden de Missionarissen met alle kracht de godsvrucht tot
de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria. Daarom leerden
zij de geloovigen het gebed van den rozenkrans, en spoorden er
1) De zoo voortreffelijke Vereeniging tot bevordering der vereering
van het Allerheiligste Sacrament en tot versiering der behoeftige kerken
van ons land, was destijds nog niet opgericht. Hoe gaarne zou zij
anders zulk een Missionaris met hare ondersteuning voorkomen hebben,
\'gelijk zij hot later, ten behoeve dezer Missie, zoo herhaaldelijk gedaan
heeft.
-ocr page 142-
— 145 —
hen dagelijks toe aan, door woord en voorbeeld. Ongetwijfeld
moesten zij deze devotie uit den grond ophalen, wijl deze
destijds, zelfs in Nederland, nog niet zoo algemeen werd be-
ocfend. Zij beschouwden den rozenkrans als een allerkrachtigst
wapen tegen ketterij, ongeloof en zedenbederf. Daarom trachtten
zij hem populair te maken en besloot Wennekers ook de A arts-
broederschap van den H. Rozenkrans op te richten. Met de in-
stelling dier Broederschap had hij nog een geheel bijzonder doel.
Volgens een brief van den \'22 Juni 1820, beoogde hij daardoor
de bekeering der Indianen af te bidden. Arme Indianen! Hij
had zooveel medelijden met hen. Hoe verheugd hij dus was,
toen het hem op Zondag, den 7 Mei 1820, gegeven was voor
het eerst Indiaansche kinderen te doopen, laat zich gemakke-
lijk uit zijne ontboezemingen, in laatst genoemden brief af-
Iciden:
»Vóór de Vespers", zegt hij, »had ik het geluk, voor het
eerst twee kleine Indiaansche kinderen te doopen , en wel van
den Opperste of kapitein der Indianen, genaamd Francois,
aan de Marowijne, waar men gewoonlijk over zee heengaat;
zij is gelegen aan de grenzen van Fransch Guiana. De ver-
dienstchjke kapitein Kreyter had hem, op mijn verzoek (sedert
lang aan Zijncdelgestr. gedaan) den weg tot mij laten wijzen.
Juist waren mij drie kleine kinderen gebracht om te doopen,
hetwelk ik mij niet herinner anders ooit op Zondag namiddag
gebeurd te zijn, toen hij, met twee vrouwen bij zich, die ieder
een kind droegen, bij mij binnenkwam. Hoc ruw de overige
Indianen ook zijn, was deze, hun Hoofd, evenwel vrij beschaafd.
Behalve dat ik met hem, zooals men mij later zeide, ook in
het Fransch had kunnen spreken, verstonden wij elkander zeer
goed in het Negerengelsch."
»In mijn voorhuis, met het kruisbeeld in de hand, (want
het is ongelooflijk hoezeer dat den weg, bij het verkondigen
van het Evangelie bekort), gaf ik hem een kort denkbeeld van
den christelijken godsdienst, waarbij hij zóó oplettend was, dat
hij mijne woorden gestadig na iedere zinsnede herhaalde. Ter
gelegenheid van het doopen der drie kinderen, sprak ik hom
over het geluk en de uitwerking van den H. Doop, en noodigde
hem eerst alleenlijk uit, om de toediening daarvan bij de zijnen
-ocr page 143-
- 4iö —
te zien. Toen ik ecliter hoe langer hoc meer zijne goede ge-
steldheid meende op te merken, geloofde ik hem zelfs in zoover
te mogen beproeven, «lat ik sprak van de wet om niet meer
dan ééne vrouw, en dat wel met ecne vaste verbintenis, te
mogen hebben, hetgeen hier anders hij de heidenen zoo vreemd
klinkt. Toen ik hem ook hierdoor niet afgeschrikt zag, zeide ik
hem, dat hij het slechts behoefde te verzoeken, om ook die kin-
deren, zelfs aanstonds, dat geluk te doen verwerven. Hij gaf
daarop niet alleen zijne begeerte deswege te kennen, maar
betoogde zelfs vrij breedvoerig in zijne taal, aan de bij hem
zijnde vrouwen, wat deze zaak inhad, waarop zij de kinderen
gewillig aan de peet-moeders overgaven. Hij zelf bleef met de
vrouwen aan den ingang der kerk, niet alleen bij het doopen,
maar ook gedurende den gehcelen tijd der Vespers. Bij gelegen-
heid van den eersten Zondag <\\vv maand en het uitstellen van
liet Allerheiligste Sacrament, was juist het altaar meer dan op
andere Zondagen versierd, terwijl na de Vespers de plechtige
zegen met het Hoogwaardig Sacrament, volgeus het Romeinsch
Ritueel, gegeven werd, iets wat hier, om verscheidene redenen,
zelden, en zeer zelden meer dan t;énmaal daags geschiedt."
»Aan het huis van kapitein Kreyter teruggekeerd, toonde
hij aan Zijnedelgestr. veel gevoel en tevredenheid; en wat meer
is , hij betuigde zijne goede voornemens, ook met betrekking tot
de iTOUiven,
zoodat ik redenen heb te hopen, hem binnen kort
terug te zien, en wat God geve! door hem zelven bij de zijnen
gebracht te worden. Hij heeft een zeer groot huis, waar ge-
melde kapitein wel bij hem geweest is. Hij en zijn volk zijn
met ons bevriend, en ditmaal nog, is hij bij zijne Excellentie
den Gouverneur a. i. op audiëntie geweest. Des anderendaags
kwamen de vrouwen nog eens met de kinderen terug, en
vraagden, op zijn echt Indiaansen, om wat rokken en kleederen,
hetwelk goede hoop geeft, dat zij op het stuk van zich te bc-
dekken gedwee zullen zijn."
»Ik schrijf deze belangrijke gebeurtenis, die den weg kan
openen tot de bekeering voor gehcelc volkeren en landen, bij-
zonder toe aan de gebeden der geloovigcn van het moederland,
vooral aan de nieuwe Broederschap van den H. Geest; en deze
gebeden zullen, hoop ik, ook den Algoeden Vader der lichten
-ocr page 144-
— 117 —
bewegen, om zijn begonnen werk te voltrekken ter verlichting
der Indianen van Guiana !" \')
Noch Pastoor Wennekers, noch zoovele opvolgers als Suri-
name Missionarissen gehad heeft, mochten die vrome wenschen
ooit in vervulling zien treden. Ofschoon in een later tijdstip,
zooals wij niet zullen nalaten te verhalen, het licht des Evan-
gelies over een aantal kustbewonende Indianen is opgegaan, en
eenige honderden in de katholieke kerk werden opgenomen, is
men, zoo bij gebrek aan personeel als aan middelen , er nooit
in kunnen slagen, deze zwervende stammen tot christenhcden te
vercenigen, wat toch eene noodzakelijke voorwaarde moet ge-
acht worden, om die ongelukkigen, onder den vollen invloed
van het Christendom, tot ware beschaving te kunnen brengen.
Vereenigingcn, op kleine schaal ondernomen, hebben nooit duur-
zaamheid gehad, vermits het nomadisch leven bij den Indiaan
als het ware natuur is geworden.
Wijl het de overtuiging onzer Missionarissen was (Wenne-
kers\'
eigen woorden hebben het ons bewezen) dat de Geest der
waarheid de II. Kerk in het vaststellen liarer plechtigheden steeds
blijft bestieren, daarom wijdden zij ook al hunne zorg aan den
«eredienst. Altoos zochten zij dezen zoo groot mogelijken luister
bij te zetten, om zóó door de zinnen heilzaam op de gemoederen
te werken. Vandaar dat zij de huwelijken , ook die der slaven,
zoo het maar mogelijk was, altoos plechtig gedurende het
II. Misoffer en liefst des Zondags inzegenden. Kostelijk middel om
der gekleurde bevolking een hoogen dunk van het christelijk
huwelijk in te prenten! Vandaar dat zij, vier tot vijfmaal \'s jaars,
het II. Doopsel op plechtige wijze aan een aantal volwassenen
1) Voor zooveel de uitgebreidheid aangaat, ma» het grondgebied der
Indianen gerust, onder den naam van landen der Indianen, worden aan-
geduid; die van volkeren evenwel moet in den meer beperkten zin van
volkstammen worden opgevat.
Hot was waarschijnlijk inot het oog op do Evangelieprediking onder
de Indianen, dat IVenneker» reeds in I818 uitbreiding van zijne rechts-
macht, ouer de yeheele kuststreek tot Brazilië, van den II. Stoel verzocht
en verwierf. Ook op die plaatsen, welke aan een kerkelijk Hoofd onder-
worpen waren mocht hij, met toestemming dier Autoriteit, gebruik maken
van al de gewone en buitengewone volmachten, die hem voor Suriname
verleend waren.
-ocr page 145-
— 118
plachten toe te dienen. Vandaar ook hunne liefde voor den luister
van het huis des Hceren.
Dienaangaande schreef Wennekers in 1820:
»Wij verlangen vurig hier te Paramaribo cene nieuwe kerk
te bouwen. Ofschoon wij Zijne Majesteit verzocht hebben, om
acht duizend gulden Ned. Cour., ter reparatie van onze vervallene
kerk, zien wij, hoe langer hoe meer, dat wij het geld als weg-
werpen met hier te repareeren.
»De kerk staat in eeno zeer gemeene buurt, met de
huizen gelijk, in de nabijheid van een piket, waar men, onder
de allerheiligste onbloedige Qfferande, dikwijls het slaan en af-
zweepen der negers moet hooren. Als al onze geloovigen in de
kerk kwamen, zou zo niet half\' groot genoeg zijn. Zij is thans
zelfs voor hen, die komen, reeds klein, en laat geen plaats
meer overig voor nieuwe christenen , veel minder voor protes-
tanten en heidenen, die eens komen om te zien. Alles is be-
krompen Voor processiën enz., wat toch anders zoo treffend is
voor nieuwe christenen."
Hier wendt hij het oog tot de geloovigen, de levende kerk
Gods, welke hij had opgebouwd; hij vervolgt:
»Al bestaat onze vrucht niet in getal, toch kan ik u ver-
zekeren , dat wij, sedert ruim twee en een half jaar, den
eerbied en de godsvrucht van hen , die in de kerk komen , ver-
bazend zien toenemen, zoodat wij de kerk somtijds, zelfs in de
Vespers, zien gevuld, en we menigen trek van godsvrucht zouden
kunnen aanhalen, b. v. van nieuwgedoopte vrouwen, die, op
dagen, dat het H. Sacrament ter aanbidding uitstaat, vijf, zes
ja zeven uren . en zelfs wel achtereenvolgens, en meestal ge-
stadig op\' de knieën, in de kerk hebben doorgebracht, enz."
Uitwendige godsvrucht, als waarvan hier gesproken wordt,
treft men niet zelden in bekeerlingen aan. Van nature is de
Afrikaan daartoe geneigd, terwijl de staat van slavernij, waarin
hij steeds verkeerd heeft, er daarenboven het zijne nog toe
bijbrengt. Overdreven , soms zelfs belachelijk in plichtplegingen
tegenover zijne meerderen, wordt hij dit ook op het stuk van
godsdienst. Vandaar dat de godsvrucht den inwendigen geest
dikwijls geheel mist, en de beoefening ervan aan eene betreu-
renswaardige onbestendigheid is blootgesteld. De Afrikaan kan
-ocr page 146-
— 419 —
even gedachteloos uren in de kerk doorbrengen, als hij die wer-
keloos in zijne negerlint weet te slijten. Nochtans zijn stichtende
trekken, als door den Weleerw. Wennékers worden aangehaald,
niet zoo zeldzaam , vooral in heidenen , die zich in bedaarden
leeftijd tot het Christendom bckecren. Hij vooral zal de trekken,
die hij mededeelt, wel vooraf\' getoetst hebben.
In het belang der levende en overledene gcloovigen niet
alleen, maar ook tot opluistering van het huis Gods, stelde
Pastoor Wennékers in 1822 eene Memorie, in, of Altijddurende
Gedachtenis der Overledenen.
Maandelijks werd dan eene H. Mis
voor de ingeschreven overledenen opgedragen, terwijl uit de te
storten bijdragen, een fonds voor kerksicraden gevormd werd.
Nog in 1848 plaatste Mgr. Grooff den verdienstelijken J. G. Le
Sage ten Broek,
en andere weldoeners der Missie van Suriname,
op de naamlijst dezer Memorie.
Wij hebben gezien, dat Wennékers zijn missie-werk in Su-
rinamc begon met eene poging, om katholieken , die het meest
invloed hadden, tot betere denkwijzen en gevoelens te brengen.
Niet minder was hij bedacht om , in de inlandsche bevolking
der negers en kleurlingen, de kiem neer te leggen eener ge-
loovige gemeente voor de toekomst. Daarvoor behoefde hij de
kennis der landtaal, wijl toen vooral de inlandsche bevolking
bijna geen Hollandsch verstond. Zijne correspondentie met den
Heer Cassali, in het voorjaar 1818, over de vertaling van het
Onze Vader, het Wees gegroet, het Credo enz., toont duidelijk
aan, met hoeveel ernst en nauwgezetheid de Missionarissen zich
toelegden, om de leer der II. Kerk in het Negerengelsch te
kunnen weergeven.
Den 4 Maart 1822, gaf hij den eersten Negerenaelschen
Catechismus uit voor de kolonie Suriname. De leer van het
boekje was zuiver en grondig, de stijl eenvoudig en doelmatig,
en de taal verdient, wanneer men zijn tijd en zijne hulpbronnen
in aanmerking neemt, allen lof. De uitgave, die daarvan in
1847 opnieuw bezorgd werd, is niet vrij te pleiten van on-
nauwkeurigheden. Wennékers verrijkt zijn Catechismus met on-
derrichtingen voor den tiood-doop, morgen- en avondgebeden,
eene uitlegging der tien geboden Gods en der vijf geboden van
de H. Kerk , alsmede met eenige gezangen en andere, bij het
-ocr page 147-
— 120 —
onderricht van kinderen en heidenen, nuttige wenken. Meer
dan dertig jaren bleef dit boekje bij het godsdienstig onderwijs
in gebruik.
Verscheidene volksgezangen in het Negerengelsch vloeiden
uit zijne pen voort, zooals liet Driekoningenlied: »Wilt heiden-
dom van vreugd opspringen," dat, mot weglating van een paar
coupletten, ook op het Pinksterfeest, op doopdagen en bij andere
gelegenheden werd gezongen; het Onze Vader, het Wees ge-\'
groet,
het Tantum ergo en het Vexilla Regis. Dit laatste; gezang
droeg hij op aan Mejuffrouw Anna Susanna van Gelderland,
eigenaresse der plantage La Ressource, in de rivier de Sara-
macca, toen hij daar, den 24 Juli 1812, het II. Kruis plantte
op de plek gronds, waar hij een kankantrie (cotton tree), boom,
dien de Negers afgodisch vereeren, had doen omhakken.
Mocht Wennekers al veel voor de volwassenen ondernemen,
eene toekomst voor de Missie zocht hij bij hen niet. Daarvoor
had hij zijne verwachtingen op de jeugd gevestigd. Een der
eerste zorgen, bij zijne aankomst in de kolonie, was geweest
eene school te openen \') voor katholieke kinderen. Reeds in 1818
schreef hij naar Nederland , om een braven en kondigen onder-
wijzer. Wijl echter zijne pogingen ten deze niet wilden slagen,
1) Tot het jaar 1809, stond het onderwijs der jeugd in Suriname op
een zeer lagen trap. Door de aankomst van Joliannes Vrolijk, een kleur-
ling van Suriname, die zijne opleiding in Nederland had genoten, kwam
daarin spoedig oenige zelfs verrassende verbetering. In 181(5 werd do
kundige Hoofdonderwijzer (\'orstiaan Aart Batenburg naar 1\'aramaribo
gezonden, die zich tot 18(53 niet eigenaardige belangstelling aan het
onderwijs bleef toewijden , en aan drie geslachten de opleiding geschonken
heeft. Van Gouvernemeiitswege werd eer.o eerste regeling van het onder-
wijs ingevoerd den 19 Mei 1817. Bjj de bepalingen, door Gouverneur en
Kaden (oen ingevoerd, werd nog eene plaats verleend aan het godsdien-
slig onderwijs. De onderwjjzers moesten zich toeleggen, God, zijn woord
en zijnen dienst altjjd te doen eerbiedigen, daarvan een voorbeeld geven
aan hunne leerlingen, en dezen bij allo gelegenheid er toe opwekken.
Trouwens, volgens het Regeeringsreglement van 1815. moest de Gouver-
neur toezien, «dat in de scholen voor de behoorlijke opvoeding der
jeugd en derzelver opleiding in godsdienstige beginselen gezorgd werd."
Een gevolg dier bepaling was de bovengenoemde verordening op de
scholen.
Er bestonden, ten tijde van Wennekers, te Paramaribo twee vrjj wel
ingerichte lagere scholen, doch hiermede was het katholiek onderwijs
niet gebaat.
-ocr page 148-
— 121 —
nam hij met zijn verdienstelijken ambtgenoot, ook nog de taak
van het onderwijs op zijne schouderen. Wat hij alzoo op kleine
schaal voor de kinderen had aangevangen, bleek evenwel spoe-
dig onvoldoende te wezen. Spoedig kwam hij tot do overtuiging,
dat het, tot het behoud van een groot aantal kinderen, volstrekt
noodzakelijk was een Gesticht te openen, waarin dezen, gedu-
rencle de jaren hunner opvoeding, nacht en dag konden ver-
blijven.
»Had ik maar een bekwaam catechist," zoo beklaagde hij
zich (\'21) September 1820) »of eenigc liefdezusters; want, buiten
het materieel gebeden lecren enz., moet ik alles zelf doen."
Omtrent zijne plannen met de opvoeding bezitten wij nog
het volgende bericht van de hand van Wennetten, ild. 22 Juni :
»Tot een nieuw bewijs hoe volstrekt noodig alhier een
ruim liefdegesticht is, alsook hoe noodzakelijk godvruchtige en
bekwame personen (zooals die in Noord-A merika worden gevonden)
tot opvoeding en onderwijs van kinderen zijn , moeten wij tot
onze grievende zielesmart berichten, dat wij op H. Sacraments-
dag, slechts één enkel jongetje tot de eerste H. Communie
hebben kunnen aannemen, schoon wij daarbij niet weinig wor-
den opgebeurd door het aannemen van vier militairen en twee
bejaarde dochters. Wij hebben nochtans een schoon vooruitzicht,
indien loij on* liefdegesticht verder kunnen uitbreiden en nol-
tooien,
om aanstaande jaar een aanzienlijk getal kinderen tot
de eerste II. Communie op te leiden."
>Hct bestuur van meestal heidensche en afgodische moe-
dors bederft alles. Daarom moeten wij een huis hebben, waar
zij, hetzij gratis, hetzij tegen betaling van het noodigc, nacht
en dag verblijven. Wij ondervinden maar al te zeer, om welke
redenen de katholieke kerk van hare stichting af, steeds zoo
bezorgd was, om gecne gedoopte kinderen aan het bestuur van
heidensche ouders over te laten, en altoos huiverig was, om
kinderen, buiten gevaar van sterven, en zonder voorkennis hun-
nor heidensche ouders, te doopen, \') wanneer zij namelijk geen
genoegzaam recht bezat, om die aan hun bestuur te onttrekken."
I) Lees: zonder waarborg van de zijde hunner heidensche ouders.
-ocr page 149-
— 422 —
»Hoe afgrijselijk toch is het denkbeeld, dat christen kinde-
ren tot den dienst van satan en tot afgoderij worden opgeleid,
en dat zij, reeds in hunne teederste jaren, den godsdienst van
Jcsus Christus, zijne kerk en priesters versmaden, zooals wij
helaas, hier ondervinden."
»Hierbij komt nog, dat het kwaad onvermijdelijk is. Wij
kunnen aan Europeanen niet weigeren hunne kinderen te
doopen," niettegenstaande »die vaders de opvoeding en vooral
het godsdienstig onderwijs hunner kinderen, zoo vaak op hci-
densche moeders laten aankomen, en, door omstandigheden,
vooral door den dood, verhinderd worden er zelven voor te
zorgen."
«Waarlijk redenen genoeg voor nadenkende en mededoo-
gende katholieken!.....Niet noodig hen op te wekken tot
hulpbetoon door het voorbeeld van een protestantschen vorst,
den Koning van Denemarken, die in de vorige eeuw verbazende
sommen overzond, voor do opvoeding van kinderen van heidenen,
door luthcrsclie Predikanten, in de Oost-Indiën, gedoopt."
Dan, het is den liefdcvollen Missionaris niet gegeven ge-
worden, zelfs dit heerlijk plan met eenigen uitslag bekroond
te zien.
»Allerjammerst," zoo schreef hij den 34 Januari 1821, »dat
eene som van misschien f 2500. Sur. Cour. vermist en vrij
zeker verbrand is, \') welke som den armen toebehoorde en het
restant was van een kapitaal, waarmede ik verleden jaar het
liefdegesticht voor kinderen heb willen beginnen, zonder dat
iemand zijne kinderen zelfs gratis daartoe heeft willen geven!...
Zóó, voorzeker, is het geen wonder, dat de goddelijke Voor-
zicnigheid heeft toegelaten, dat het gezegd gedeelte van dit
ongelukkig legaat verbrand is."
Het liefdegesticht was alzoo eene mislukte onderneming;
onderwijs en opvoeding bleven gebrekkig.
Uit medelijden nochtans werden eenige kinderen, zoo van
vrijen als van slaven, door de priesters opgenomen en verpleegd.
1 > Hij den brand van 20 Januari i8\'2l , waarover wij, iets verder,
zullen spreken,
-ocr page 150-
- 423 —
Die liefderijke Missionarissen zonderden, van de milde giften der
Nederlandsche katholieken, een karig bestaan voor zich zelven
af, en besteedden hot overige, onder anderen, tot den aankoop
en de opvoeding van een zestal kinderen, die zelve hun vrij-
dom moesten verdienen. Veel troost hebben zij echter van die
kinderen niet beleefd. Twee hunner werden als catechisanten en
kosters gebruikt, en hebben, vooral Jan Brasilie, een tijdlang
•veel dienst bewezen. Wij komen daarop later terug.
Hooren wij intusschen den waardigen priester zelven nog
eens over het mislukken van zijne edele pogingen spreken. Al-
lcen bedacht op Gods eer, en brandend van ijver voor het heil
der hem toevertrouwde zielen, is Wan imkers door geene teleur-
stellingen afgeschrikt of ontmoedigd, integendeel, vol geloovig
vertrouwen op de H. Voorzienigheid, ziet hij, met helderen en
hoopvollen blik, naar cene eerste gelegenheid uit, om zijne hei-
lige plannen voor de Surinaamschc jeugd, wederom met vast-
beitidenheid en kracht op te zetten, en tot uitvoering te brengen.
Ziehier het fragment eener memorie, te dier zake door hem
opgesteld en berustend in het Archief van het Apostolisch Vica-
riaat van Suriname.
«Onder al de beproevingen, waarmede de goede God, sedert
ruim drie jaren, in deze kolonie ons geduld gelieft te oefenen,
is zeker wel de grootste het mislukken van al onze pogingen,
in menigte aangewend, voor de opvoeding en het onderwijs der
. jeugd."
»YVij hebben er altijd cene eer in gesteld te erkennen, dat
wij de meeste onzer goede inrichtingen in de kolonie voor de
zaligheid der zielen, te danken hebben aan het voorbeeld van
onzen grooteu beschermheilige, den II. Franciscus Xaverius,
aan wiens voorspraak wij zooveel verplicht zijn, eu wel bijzon-
der, dat wij van hem geleerd hebben, (hetgeen ons nochtans
ook door den Hoogeerw. Heer J. Cramer, en andere godvruchtige
en geleerde Geestelijken, zoo bijzonder was aanbevolen) met de
kinderen te beginnen, wilden wij de kolonie verbeteren."
»De Hoogeerw. Heer Aartspriester weet uit eene menigte
van brieven, wat moeite wij hebben aangewend, om een be-
kwamen katholieken schoolmeester uit Europa te bekomen. Al
onze geachte vrienden weten, hoezeer wij, drie jaren lang, bij
-ocr page 151-
— 124 —
hen hebben gesmeekt en aangedrongen, om ons te helpen ter
oprichting eener school voor de jeugd, en wel bijzonder voor
eene gelegenheid ter opvoeding."
«Onze gemeente hier te Paramaribo, ja de gehcclc kolo-
nic, weet en is getuige geweest van al wat wij, ondanks de
bijna algemeenc onverschilligheid en het gebrek aan deelneming,
beproefd hebben, zooveel zelfs, dat wij daarom ons zelven aan
den spot en laster van het publiek hebben zien overgeven."
«Niettegenstaande wij door de wereld-wijsheid wel vooruit
gewaarschuwd waren, dat al onze pogingen daaromtrent hier
vruchteloos zouden wezen, hebben wij die nochtans niet gehoord,
m.iar getrotseerd, —gelijk wij zelfs nu nog, na een <e|ensp3ed
van drie jaren, door ceno bijzondere versterking des Allcrhoog-
sten, moed genoeg hebben die te trotseeren. Nooit hebbeu wij
vergeten de aanbeveling van onzen Hooggeachten Vader (den
Hoogcerw. lieer Aartspriester, wiens groot vertrouwen op
den goddelijker! bijstand wij buitendien leerden kennen) de
aanbevolen herinnering namelijk aan liet voorbeeld van den
II. Philippus Nerius, die zonder menschelijke middelen, met dit
vertrouwen alléén, zoo groote werken voor God durfde onder-
nemen. Een ware en zelfs belachelijke dwaasheid in de oogen
der wereld, die zij ons ook niet lichtelijk zal vergeven."
«Maar wij srneeken dan ook onzen zelfden waardigen Aarts-
priester, dit Zijn Hoogeerwaarde zoo eigen vertrouwen, ook te
doen gelden, om ons krachtdadig bij te staan, in het oprichten
van eene school en een opvoedingsgesticht voor kinderen alhier,
en, in dit vertrouwen, hetwelk hem bezielt, een of meer daartoe
voor God bekwaam geoordeelde personen aan te moedigen en
af te zenden."
«Het verleden heeft ons in zooverre afgeschrikt, dat wij
niets anders meer behouden hebben, dan een genoegzaam \'on-
derwijs in de gebeden en in de noodige geloofslcering voor onze
kinderen, in dezelfde vertrekken, die; ons thans, na den brand
van den 21 Januari, tot kerk dienen."
«Wij zijn hiertoe gebracht geworden door de wijze raad-
gevingen van zijn Hoogeerw., overeenkomstig de toen be-
staande omstandigheden, alsook bijzonder door de verschrikke-
lijkc en reeds vroeger gcblekene ongevoeligheid der kolonie
-ocr page 152-
— 125 —
voor deze onze beste bedoelingen, en eindelijk ook door de on-
langs voorgevallen algemeene ramp en liet verlies der voor het
liefdegesticht bestemde penningen."
Welsprekend bewijs van Wennékers ijver voor het onder-
wijs en de opvoeding der jeugd 1 Waarlijk, hij was de man om
te hopen tegen alle hoop in, en zóó, onder Gods medewerking,
groote dingen tot stand te brengen. Dan, in Gods raadsbesluiten
waren de tijden nog niet aangebroken, om Pastoor Wennékers
met de verwezenlijking van zijn geliefkoosd en grootsch plan te
"verblijden.
Alvorens liet H. Dienstwerk op de plantages, dat den Pre-
fect zoo na aan het hart lag, tn bespreken, laten wij eerst nog
een kort verslag volgen van de Doopsels en Communiën van 20
September 1819 tot ultimo December 1820.
«Gedoopt: 2!) bejaarden (onder welken van 80 jaren en
daarboven), 5ü van 7 tot 11 jaren, 114 beneden de 7 jaren;
te zamen \'199 gedoopten, van welken verscheidene kleinen en
12 reeds bejaarden, kort daarna, zoo wij hopen, het Rijk Gods
zijn ingegaan. Op de paaschlijst, ot\' liever, op de lijst der com-
municantcn van het gcheelc jaar, bevinden zich voor het laatst _
gedeelte van 1819 negen-en-twintig, en voor 1820 honderd vier-
en-negentig, dus te zamen twee honderd drie-en-twintig perso-
nen, van welke elf tot de eerste II. Communie zijn aangenomen,
namelijk één kind en tien volwassenen, waaronder twee Fran-
schen. Eén hunner, een jong blank officier (opzichter eener plan-
tage) was door de dringende brieven zijner moeder en door de
omstandige verhalen, welke zij gaf van de vruchten der Missio-
narissen te Toulouse bewogen, eindelijk aan hare moederlijke
uitnoodigingen gehoor te geven, en heeft zich bij mij gedurende
acht dagen zeer voorbeeldig daartoe voorbereid."
Aan dit verslag van den 14 Maart 1821, voegen wij nog
cenige zinsneden toe, uit eenen brief van Wennékers van 5
Maart:
«Gisteren heb ik een gewezen Jood, dien ik op den fecst-
dag der II. Drievuldigheid 1819 gedoopt, en *)p den 1 Januari
1820 tot de eerste H. Communie had aangenomen, van een
verafgelegen post bij mij gehad, alléén otn te biechten en te
comnmniceeren, hoewel hij zijnen paaschplicht in het afge-
-ocr page 153-
— 126 —
loopen jaar reeds volbracht had. Men moet do leiding Gods
bewonderen in de wijze, waarop hij over het geestelijk leven
weet te spreken." Nochtans »moet ik erkennen, dat een korpo-
raal, ook bij ons van het Jansenisme teruggekomen en aange-
nomen, hein ecnigen tijd goede lossen en een goed voorbeeld
heeft gegeven. Het is opm \'rkelijk, dat de kommandant van het
Fort, wetende dat deze korporaal bij ons zeer eigen was, mij
verhaalde, dat hij hem tot sergeant had bevorderd. Een blijk,
dat de godsvrucht hem zijne overige plichten volkomen had doen
betrachten, ofschoon hij er hier en daar veel bespotting om
verduren moet. Dit is hier het geval met elk die godsdienstig
leeft .. . Daarom moeten zij, die in Europa reeds zwak waren,
vooral niet hier komen. Alles gaat dan verloren, ten ware zij
door Goil op eene bijzondere wijze getroffen werden."
De sla venbevolking, vooral die van de plantages, was van
den beginne het voorwerp cener bijzondere bezorgdheid van
de Eerwaarde Heeren Wennekers en Van der Horat. Nauwe-
lijks in de kolonie aangekomen, schreven zij, dat de vruchten,
welke in Suriname voor het rijk des eeuwigen Konings konden
geoogst worden, onberekenbaar waren, vooral indien de plantage-
eigenaren tot medewerking bewogen, hunne slaven aanspoorden
tot getrouwe vervulling van hunne godsdienstplichten, en ouder
anderen, tot bet aangaan van wettige huwelijken. Eenige maan-
den later gaven zij andermaal hun vurig verlangen te kennen,
dat het toch bij Gouvernementsakte of bij Koninklijk Besluit,
den gedoopten slaven vergund wierde, wettige huwelijken aan
te gaan, alsmede, dat het den eigenaren verboden ware, de
echtgeuooten, afzonderlijk of van elkaar gescheiden, en de moe-
ders zonder de kinderen, te verkoopen. Hadden zij maar vrijen
toegang tot de plantages, dan zouden zij den eigenaars en direc-
teurs wel toonen, dat dezer tijdelijke belangen door den gods-
dienst gebaat worden, en er niet zoo vele diefstallen en onge-
regcldhedcn zouden gepleegd worden.
Omtrent denzelfden tijd was op Curacao en Bonaire de
ijverige Pater Minderbroeder J. Stoppel, in denzelfden geest
werkzaam. Kort na zijne aankomst op Curacao — (hij stierf
reeds den 18 October 1818) — schreef hij een brief aan den
Weleerw. Heer Hermanus Tomas, Pastoor van de Fransche
-ocr page 154-
— 127 —
kerk te \'s Gravenhage, met verzoek den inhoud daarvan aan
den Aartspriester mede te doelen. Dien inhoud laten wij hier in
hoofdzaak volgen, om den cllendigen toestand der slaven in de
koloniën, en tevens de middelen, welke daarin verbetering kon-
den brengen, te beter in het licht te stellen. .De brief van
Pastoor Totnas is gedagteekend van den 15 Juni 1817.
»Ik heb dezer dagen een brief ontvangen van den Eerw.
Pater Stoppel, waarin Zijneerw. mij den zedelijken toestand
van Suriname en Curacuo mededeelt. De hoofdzaak komt
hierop neder, en Suriname belooft het jongere en opkomend
geslacht veel goeds, terwijl de volwassenen en bejaarden een
geringen oogst doen verwachten. Dit heb ik vornou.en, schrijft
hij, uit den mond van iemand, die aldaar anderhalf jaar
vertoefd heeft. Intusschen is het wenschelijk dat twee Geestelijken
derwaarts worden gezonden, die van genoegzaam levensonder-
houd voorzien en op niets anders uit zijn, dan om zielen voor
den hemel te winnen. Voorts zeggen nadere berichten uit Su-
riname,
dat de Priesters aldaar in den regel geen verlof van
de plantage-heeren kunnen bekomen, om de slaven, hetzij kin-
deren , hetzij volwassenen, te doopen. Op Curacao is het tegcn-
overgestelde waar. Maar wat de huwelijken betreft, is het in
beide koloniën hetzelfde. Men belet den slaven te huwen, en,
zijn zij getrouwd, zoo gebeurt het menigmaal, dat de man zon-
der de vrouw of omgekeerd verkocht, en bij gevolg de onzede-
lijkheid bevorderd wordt. Daarenboven draagt men gecne zorg
voor hoogbejaarde, afgewerkte en stervende slaven."
»Daar nu uit onkunde der eerste en voornaamste .zedelijke
plichten niet dan wanorde, en dus hierdoor het grootste nadeel
aan de burgerlijke maatschappij wordt toegebracht, moest men,
volgens het verzoek van den Weleerw. Pater ter voorkoming
van het een en ander, zijne Majesteit allernederigst en nadruk-
kelijkst verzoeken, een Reglement tot verbetering van den zede-
lijken toestand der slaven in Suriname en Curacao
te doen
vervaardigen."
»De Eerw. Pater Stoppel, de vriend mijner jeugdig»; jaren,
noodigt mij uit, onder goedkeuring van U Hoogeerwaarde, dat
verzoek te doen. Gaarne en met liefde voldoe ik aan die ver-
eerende uitnoodiging van den godvruchtigen en plichtbetrachten-
-ocr page 155-
~ 128 —
den Pater, die mij op ecnigo, in hot verzoekschrift niet te ver-
goten punten opmerkzaam heeft gemaakt. Die punten zijn de
volgende:
»\'1°. Dat de Geestelijken vrijen en onbelemmerden toegang
zullen hebben tot de plantage-slaven, onder wiens beheer die
ook mochten staan, teneinde hen in de christelijke geloofs- en
zedeleer behoorlijk te doen onderwijzen; en dat de plantage-
hoeren dienvolgens een daartoe geschikt lokaal moeten bestem-
inen, en het belangrijk werk begunstigen."
»k2\\ Dat, wanneer de slaven gevaarlijk ziek zijn, de plan-
tage-heeren don Geestelijken geen beletsel stellen, in het toe-
dienen van de laatste troostmiddolen der kerk."
»\'.ic. Dat het don slaven, hetzij op de plantages, hetzij
daarbuiten, in of\'buiten de woningen hunner meesters , vergund
wordt! een wettig huwelijk aan te gaan, onder voorwaarde
nochtans, dat de plantage-slaven gehouden zullen zijn, hunne
keuze te bepalen tot een persoon derzelfde plantage, on dat
alle andere, uit wen zich de keuze kunnen voorbehouden, wan-
neer zij namelijk niet reeds (met toestemming of zonder kracht-
dadigc belemmering hunner meesters) met eene andere een
ergerlijk leven leiden, en bijzonderlijk als zij een of\' meer kin-
deren bij haar verwekt hebben; want in zulke gevallen kunnen
zij, door het huwelijk, hunnen voortdurende!) handel en hunne
kinderen wettigen. Dat overzulks het burgerlijk en kerkelijk huwe-
lijksvordrag gratis geschiede, wijl zulke partijen wezenlijk arm
zijn. on bij gebrek aan geld, tot betaling der gewone huwelijks-
gorechtjgheden gevorderd, van een wettig huwelijk worden af-
geschrikt."
»i°. Dat, wanneer de slaven wettig en kerkelijk verbonden
zijn, hot den meesters niet vrijsta een slaat\' zonder zijne weder-
helf\'t te vorkoopen; maar dat beiden met hunne minderjarige
kinderen aan een en denzelfden meester moeten overgaan. In-
geval echter ét;n van beiden vrij is, zoo koine den vrije het
voorrecht toe, zijne wederhelft en kinderen, die in slavernij ver-
keerden, voor den gewonen prijs te kunnen vrij koopen."
ü5°. Dat het den meesters vergund zij eeneu slaaf de vrij-
heid met eene vrijdomsacte, naar den voorinaals gebruikelijken
prijs, te verleenen, mits zij zorgen voor het onderhoud van den
-ocr page 156-
— 429 —
slaaf, wanneer deze, om aanhoudende ziekte, zwakheid, hooge
.jaren of minderjarigheid, niet in staat is den kost te winnen."
»6°. Dat de hoeren en meesters geen beletsel stellen aan
den doop van slaven, zoo kinderen als meerderjarigen, maar
zulks helpen bevorderen."
»7°. Dut Hunne Excellentiën, de Gouverneurs der koloniën, ■
worden aangezocht, om bovenvermelde beschikkingen des Gou-
vernements en Zijner Majesteit, met al hun vermogen voort te
zetten, ten einde den slaven met zedelijke en godsdienstige
gronden aan het verstand gebracht worde, welke verplichtingen
zij als mensch, als christen en als onderdaan, jegens hunne
meesters, jegens de maatschappij, jegens het vaderland en jegens
Zijne Majesteit den Koning, ten allen tijde te vervullen hebben..."
Op het voorbeeld van Pater Stoppel, die met zijn verzoek-
schrift weinig of niets ten gunste der slaven verkregen had,
nadert ook Wennekers in Juli 1819 den koninklijken troon.
In zijn smeekschrift zegt hij:
»Dat hij bij.....de eigenaren verhindering ontmoet, niet
alleen in de vrije verkondiging van het Christendom in het
algemeen, maar wel bijzonder:
»1° In het doopen van slaven, die na behoorlijke beproeving,
zulks zelvcn begeeren, als ook van slaven-kinderen, wier ge-
doopte vader of moeder het begeert en verzoekt."
»2° In het bekomen van verlof om een christelijk huwelijk
voor de kerk aan te gaan, voor slaven, die zulks begeeren."
»3°. In het noodig onderwijs der gedoopte slaven en voor-
namelijk der kinderen in den godsdienst; alsook in de toe-
diening der troost- en hcilmiddelen van den godsdienst in ziekte,
of ingeval zij verwijderd zijn van de kerk."
»Dat het eerste (om niet eens van de onbeperkte zending
des Heilands te spreken) strijdig is met do vrije voortplanting
van den christelijken godsdienst, steeds door de christen Mogend-
heden beschermd, ja zelfs met de vrijheid, om den christelijken
godsdienst aan te nemen^ welke vrijheid, als opgesloten in art.
190 van de Grondwet, toch zeker aan elk gewaarborgd wordt."
»Dat het vrijlaten van het huwelijk aan gedoopte slaven,
zóó vast met het vrijlaten van den Doop zelven verbonden is,
als het aan een christen moet vrystaan, de christelijke wet te
Suriname,                                                                                                                           9
-ocr page 157-
— 130 —
mogen onderhouden. Dat buitendien zonder huwelijksband, als
zijnde van den beginne door den Ahvijzcn Schepper verordend,
geen oprechte kinder- of ouderliefde, on dus ook geene goede
opvoeding, geene verzedelijking, en gevolgelijk ook geene chris-
telijke denkbeelden kunnen stand houden."
»Dat eindelijk, indien de gedoopte slaven niet verder ondir-
wezen worden, of den invloed van den godsdienst genieten, hun
hart ook niet kan verbeterd worden, en dat zij, tot schande des
Christendoms, er slechts den naam of een ijdelen waan van
behouden: wat aan oppervlakkig denkenden aanleiding geeft tot
de nadeeligste vooroordeelen tegen deszelfs voortplanting."
»De ondergeteekende meent zich desbetreffend te mogen
verlaten op de door Z. M. zelve gekoesterde hooge denkbeelden van
het Evangelie, hetwelk, behoorlijk aan de heidenen gepredikt,
altijd heeft uitgewerkt, en nog niet anders kan uitwerken, dan
goede orde en ondergeschiktheid, werkzaamheid, eerlijkheid, op-
rechtheid en goede zeden, en dat ook het eenig krachtdadig
middel is, om het voor den christen afschuwelijk wangedrocht
der afgoderij op een zachte wijze uit te roeien; zijnde alle
tegenovergestelde uitwerking alleen aan een niet geëvenredigd
onderwijs, aan de gewone hartstochten, aan vreemde indrukken
of aan vreemde godsdienstoefening toe te schrijven."
»Te vaster hoopt ondergeteekende van Z. M. eene gunstige
beschikking, wijl hij in gemoede oordeelt, dat ze niet alleen
niet in het minste nadeelig, maar zelfs ten hoogste bevorderlijk
zijn zal voor de welvaart der kolonie, en in het belang van
ieder eigenaar in het bijzonder. Hij vordert bij den doop van
slaven of slaven-kinderen geen de minste schade voor den eige-
naar. Het onderwijs der kinderen zal bij verkiezing in die jaren
geschieden, dat zij nog geen voordeel kunnen aanbrengen, en
dat der bejaarden, op vrije of gelegene uren. Het trouwen der
slaven is sedert lang door deskundigen aangegeven, als beproefd
en erkend voordcelig voor de bevolking. Ondergeteekende vraagt
daaromtrent geen ander offer, dan dat ten minste de gedoopte
slaven, desbegeerende, niet belet worden voor de kerk te trouwen,
en dat zij, rnet voorkennis hunner meesters getrouwd zijnde,
niet zoodanig voor altoos van woning gescheiden worden, dat
zij geen toegang tot elkander belwuden."
-ocr page 158-
— -hl —
»Mocht ook hot voor de plantages eenvoudig plan, om,
door het doopen der Creolen, als een nieuw geslacht aan te
kvvecken, en de bejaarden slechts langzamerhand, na behoorlijke
beproeving en bij wijze van gunst of belooning te doopen, de
goedkeuring van Z. M., gelijk die van vele kolonisten, wegdragen,
opdat daardoor vele planters tot het bevorderen van het tijdelijk
en eeuwig geluk der hunnen worden aangemoedigd! Mochten nog
zooveel stemmen meer den eenigen waren God, eene lange
reeks van jaren, om het behoud bidden van Zijne Majesteit!"
»Met te grooter vertrouwen nadert de ondergetcekende den
troon van Z. M., daar Z. Exc., de Gouverneur-Generaal a. i.
dezer kolonie , met den inhoud dezes bekend gemaakt, zich des-
wege goedgunstig heeft gelieven te uiten, en hij acht zich ver-
zckerd, dat Z. Exc eene gunstige beschikking van Zijne Majesteit
in deze als een wenschelijke zaak beschouwt enz."
Ter tegemoetkoming aan deze zoo rechtmatige bezwaren(
werd nu door het Bestuur het kerkelijk huwelijk niet meer
verboden aan de slaven, die in geen geval een burgerlijk huwe-
lijk mochten aangaan. Meer echter kon de Prefect niet ver-
krijgen.
Van de zijde der eigenaren mocht hij voor het oogenblik
geenc medewerking hoegenaamd verwachten, op geene tegemoet-
koming rekenen. In zijn woord »Aan liet Geëerd Publiek", den
7 December 1819, verzocht hij, ten minste éénmaal \'s jaars, op
de plantages tot de gedoopte slaven te worden toegelaten, en
hun, ingeval van ziekte, op de plantages zelve, (zoo zij niet naar
de stad konden vervoerd worden), de troostrniddelen der kerk
te mogen toedienen. Ten behoeve der katholieke militairen op
de buitenposten, had de Gouverneur Vaillant dit reeds toege-
staan, ja zelfs geschiedde dit op kosten van het Gouvernement.
Tot allen, die het mocht aangaan, richtte de Prefect in die cir-
culaire daarenboven de ernstige bede, dat aan alle katholieken
het verlof zou worden toegestaan van jaarlijks den paaschplicht
te vervullen, en dat zij, om het kruistceken en om het ver-
richten van gebeden, niet meer bespot, noch ook tot het gebruik
van verboden spijzen zouden gedwongen worden. Doch, wat de
ijverige man ook deed, alles scheen vruchteloos. Eerst in de
laatste helft van 48\'20 mocht hij op ééne enkele plantage ver-
-ocr page 159-
— -132 —
schijnen; al de andere bleven voor de priesters gesloten. En
niet alleen weigerde men de heidensche slaven te laten doopen;
ook de gedoopten moesten buiten gemeenscha]) met hunne herders
blijven. Wennekera besloot dan een nieuwe circulaire tot de
eigenaars en administrateurs te richten. Die brief, gedagtcekend
van den 4 October 1tf\'20, was van den volgenden inhoud:
»Ik heb in mijn betoog aan het «Geëerd Publiek" in deze
kolonie verzocht, tot de gedoopte slaven op de plantages, ten
minste eens in \'t jaar en in zware ziekte, te worden toegelaten.
Ik weet zeker, dat zelfs dit jaar meermalen verscheidene, of op
de kust van Afrika of op de Fransche eilanden gedoopte negers
publiek verkocht en naar de plantages zijn overgebracht. Door
een der kapiteins zelven is mij verzekerd, dat thans de door
Portugeezcn gedoopte negers, aan de kust, \') een gesneden-
kruis of kruisje op de borst dragen of in hun bezit hebben,
gelijk ik ook zelf gezien heb. Overigens zijn die gedoopte negers,
op eenige zeer jonge kinderen na, kenbaar aan bet kruismaken.
»Ook bevinden zich op de plantages verscheidene negers,
geboren of vroeger gevestigd op Fransche, Spaansche of Por-
tugeesche eilanden of koloniën, en die allen zijn gedoopt."
»Ik smeek dan andermaal uwe menschlicvendhcid, mij toch
den toegang tot deze, hoewel onaanzienlijke, maar toch waarlijk
aan God toebeboorende schapen, ééns in het jaar en in ziekte
niet te weigeren, indien men hen niet aan het Fort bij mij kan
zenden. UWeledelen gelieven slechts de goedheid te hebben,
deswege op de plantages te laten onderzoeken, en mij een klein
bewijs van uwe hand toe te zenden, om dit bij gelegenheid van
het bezoeken der plantage, aan den Directeur te kunnen vertoo-
nen. Ik aanvaard zelfs voor desverkiezenden maar één dag
te verblijven, als namelijk het getal katholieken niet zeer groot
is, met bepaling tevens, voor wie zulks begeeren mocht,
alsdan enkel de gedoopte negers aan te spreken, en alles te
doen zonder schade of kosten der plantage, ja ook met onder-
werping aan andere maatregelen of bepalingen die UWeledelen
mocht noodig achten."
1) Coronie.
-ocr page 160-
.— 133 —
Wat verwachtte Wennekers van die circulaire?
Hoort hem, den 12 October 1820:
»AI onze hoop is gevestigd op het gebed der H. Kerk, en
vooral van het moederland, tot voortplanting des Geloofs. An-
ders blijft mij in deze, hoe allcrredelijkste zaak ook, geen voor-
uitzicht. Hadde mijne circulaire een gunstig gevolg, dan zou ik
noodzakelijkerwijze eene boot of klein vaartuig moeten hebben;
trouwens nu reeds zou mij, voor de militairen, die op afgcle-
gene posten wonen, een bootje te pas komen; de kosten zijn
echter te groot. Wat de negers betreft, deze zou ik nog wel
ter leen krijgen, want drie, en bij slecht weder, vijf negers zijn
toereikend." — Veel dus rekende de apostolische gcloofsheld op
de goedgekeurde en met aflaten verrijkte Broederschap van den
H. Geest, die voor Suriname waarlijk eene bron van zegening
geweest is.
En wat geschiedde?
Het »Slaven-Rcglemcnt" voor Suriname, van 1784, was niet
alleen nog in volle kracht, maar werd daarenboven door de
planters in het algemeen, zooveel mogelijk in hun eigenbelang,
en tot instandhouding van hun onbeperkt gezag, toegepast en
uitgebreid. Wel was door den Gouverneur Bernard Texier, in
1782, een verbod uitgevaardigd tegen het in zwang gekomen
misbruik van eene slavin-moeder en hare slavcn-kindercn afzon-
derlijk, de eene van de anderen afgescheiden, aan verschillende
meesters te verkoopen, of de kinderen van de moeder te schei-
den; maar aan dat verbod werd weinig waarde gehecht, zoo
vaak het in strijd scheen met de belangen der eigenaars. Dezen
wilden een onbeperkt meesterschap over hunne slaven; en niet
tevreden van over hen, gelijk voogden over minderjarigen, to
kunnen gebieden, wildon zij de slaven, geheel naar het bar-
baarsche beginsel der heidenwereld, als zaken beschouwd hebben.
Konden zij, met betrekking tot de lichamelijke behandeling hun-
ncr slaven, zich niet altijd als onaansprakelijke beheerders
doen gelden, (immers het koloniaal Bestuur ging zulks te keer);
met betrekking tot de zielen deden zij dit feitelijk wèl. Het
wilde er niet in, dat slaven iets meer dan zaken of gekochte werk-
tuigen waren, en even als zij, mensehen, naar Gods beeld gescha-
pen, en tot een hooger en eeuwig leven bestemd. Als christenen, of
-ocr page 161-
— 434 —
ten minste als ontwikkelde burger?, konden en moesten zij de
hoogere verplichtingen, die hun het bezit van hun menschen-
eigendom oplegde, beter kennen; maar, zich zelven als halve
goden beschouwende, trachtten zij alle denkbeeld van gelijkstcl-
ling tusschen meester en slaaf zoo ver mogelijk van zich te
verwijderen. Zij gevoelden de gevolgen van het Doopsel, het
Huwelijk, de Biecht en de Eucharistie, van de prediking en
herderlijke waakzaamheid van de bedienaren des Evangelies.
"Wat don Doop van slaven aangaat, in den loop der voorgaande
eeuw beschouwde men dien, als bijna gelijkstaande met vrijge-
ving van den gedoopte, of\' ten minste de verplichting daartoe
insluitende. In dit denkbeeld was nog weinig verandering geko-
mcn. Dit verklaart ons de geruststellende verzekering, door Wen-
nekers
in 1819 aan de slavenhouders gegeven, dat geone vrij-
geving hoegenaamd gevorderd werd. Voor het huwelijk der
slaven deinsden de meesters terug, in de meening, dat dit de
slavenbevolking verminderen, de handen der eigenaren binden,
en de waarde der plantages zou doen dalen. Zedeloosheid,
onrechtvaardigheid, hoogmoed en dwingelandij, alle dingen op
wier gebied liefst gcene afkeurende zedemecsters en cerbied-
waardige rechters ontmoet worden, brachten het overige er toe
bij, dat de negers, helaas, in hunne heidenschc blindheid en
afgoderij werden gelaten. Om zulke redenen mochten noch pre-
dikanten, noch leeraren, de plantages bezoeken; geen wonder,
dat de katholieke priester nog met meer zorg geweerd werd!
Zóó bleven de slaven onder het schier onbeperkt gezag hunner
meesters, niet alleen wat de plantagctucht betreft, maar feitelijk
ook, in het al of niet aannemen van een godsdienst, en het ont-
vangen van het christelijk onderwijs. Aan dien toestand kwam
eerst in 18:52 voorgoed een einde. Toen werd, bij Koninklijk
Besluit van den 9 Augustus, allen eigenaren, administrateuren
en directeuren van plantages gelast: leeraren, geestelijken of
zendelingen onder do slaven toe te laten, en kinderen, bene-
den de \'14 jaren, iu de gelegenheid te Stellen godsdienstig en
ander onderwijs te ontvangen. De dageraad van betere tijden
voor de Evangeliepredikiug onder de slaven, was aangebroken.
Wij komen hierop latei- terug, en zullen de redenen dan zien,
waarom, iu den aanvang vooral, de hernhutters en niet de
-ocr page 162-
— 135 —
Roomsch-Katholiekc Geestelijken op de plantages toegang heb-
ben verkregen. Te dezer plaatse zij slechts opgemerkt, dat de
innige betrekking, waarin de katholieke priester tot zijne ge-
meente staat, den slavenhouders niet onbekend was, en bij velen,
hoezeer ook ten onrechte, het vermoeden en de vrees zal heb-
ben opgewekt, dat, ingeval hunne slaven katholiek werden, het
onrecht jegens dezen gepleegd, en de verdierlijking, in hen be-
werkt, maar te eerder ontmaskerd en aan het licht zouden ge-
bracht worden, en dat de gestrengheid der katholieke moraal
niet zou gcdoogen, de samenleving buiten het huwelijk, zelfs
niet als het hunne eigen personen mocht gelden, door de vinge-
ren te zien.
Vóór het jaar 1832 werd slechts zelden op de plantages,
van den een of ander katholieken eigenaar, dienst gedaan. De
plantages, waarvan onder Wennekers en Van der Horst kinde-
ren gedoopt werden, waren: Berg-en-dal, Rorac-en-Klaverblad,
Toledo, Boxel, L\'Espérance,
gelegen aau de Suriname; De
Vier Kinderen,
aan de Tawaricoerekreek; Frederikslust aan
de Warappakreek; Goed-Accoord alsook La Jalousie aan de
Boven-Commewijne ; La Ressource en de Morgenster, aan de
Boven-Saramacca; eindelijk Voorburg en het Fort Nieuw-
Amsterdam
aan de Beneden-Suriname, zonder hier te spreken
van den Leprozcngroud Voorzorg, aan de Saramacca, en van
Coronie, waar kinderen en volwassenen ter plaatse zelve ge-
doopt werden.
Het is bekend, dat Wennekers, behalve liet Fort Nieuw-
Amsterdam
en Coronie, de plantages Toledo, La Ressource en
Maria Petronilla, en ook de Warappakreek bezocht, en er zijn
geestelijk-dienstwerk verricht heeft. Waarschijnlijk vertoonde
hij zich ook op andere plantages.
De dood van een katholiek Engclschman, Eduard Conoly,
gaf aanleiding tot het bezoek cener plantage in de Boven-Suri-
name,
welke aan een katholieken eigenaar toebehoorde. Laten
wij Pastoor Wennekers daarover sprekend invoeren, door eene
bijna letterlijke aanhaling uit eenige zijner brieven. In een
brief van den \'19 September schrijft hij:
»Den 12 dezer overleed alhier (in de stad Paramaribo) de
Heer Eduard Conoly, een Engelschman van geboorte, doch
-ocr page 163-
- 436 -
Rooinsch-Katholick, nalatende twee plantages", (Boxel en Afary\'s
hope)
welker negers hij mij, op zijn sterfbed, vergunde te on-
derwijzen en te doopen. Twee zijner executeurs, die Roomsch-
Katholiek zijn, hebben dit, in \'s mans tegenwoordigheid, aan
hem en aan ons beloofd. Nu komt een derde executeur, die
protestant is, dit alles beletten, omdat het niet is beschreven.
Wat er van komen moet, zal de tijd leeren. Ondertusschen
houden de twee Roomsche executeurs zich vrij ferm, om den
wil des overledenen ten uitvoer te doen brengen. Gisteren ver-
zochten zij hunnen protestanschen mede-executeur, of ik, als
passagier op den schoener van* wijlen den Heer Conoly naar Nic-
kerie
\') waar deze plantages gelegen zijn, \') mocht medegaan;
doch het werd hun en mij geweigerd. Daarentegen hebben
de gemelde Roomsche executeurs mij verleden Zondag vier
kleintjes van eene der plantages laten doopen, en morgen zal
ik er denkelijk nog twaalf van die plantage doopen, zoo
jongens als meisjes. Zij loeren thans in mijne school, doch
moeten Donderdag weder naar de plantage terug. Bij het
afsterven van hunnen meester bevonden die kinderen zich aan
het huis des overledenen. Dit voorval werkt ten goede, wijl
een der Roomsch-Kafholieke executeurs, die ook eigenaar van
plantages is, de negers schijnt te willen laten doopen, althans
nog dezen morgen heb ik er een kleintje, dat in de stad was,
van gedoopt. Ook de moeder van dit kind heeft den eigenaar
reeds voorgeslagen, om zich te laten doopen. Dus hebben wij
nog veel hoop en moed, dat niet de duivel, maar het Kruis zal
zegevieren."
De Heer Eduard Conoly had de H. Sacramenten der Biecht
en van het Laatste Oliesel ontvangen. Zijn voorbeeldig sterfbed
maakte indruk op menig hart, inzonderheid op den Heer Richard
O\'Ferrall
Sr, zijnen vriend en executeur-teslametitair, die reeds
vroeger meermalen door den waardigen Pastoor was aange-
1)  Thans Coronie genoemd, waar de loten 225 en 226, welke de
plantage Marijs hope uitmaken, hem toebehoorden.
2)  Namelijk do twee loten, waaruit de ééne plantage van den Heer
Conoly, Mary\'s hope, bestond. Zijne andere plantage, Boxel, lag in de
Suriname.
-ocr page 164-
— 137 —
maand. Uit een brief van den 12 October 1820 loeren we daar-
omtrent het volgende:
«Zaterdag den 7 dezer, met den Heer Richard O\'FerraU,
een Ier, Roomseh-Katholiek en eigenaar van de plantage Toledo,
aan de rivier de Suriname, op diens gemeld eigendom, God zij
dank, aangekomen, heb ik daar Zondag, Maandag en Dinsdag
de H. Mis gelezen. De eigenaar verzocht mij, bij die gclegen-
heid, uit eigen beweging, zijne sla ven-kinderen te doopen. Hoe-
wel lang te voren daartoe door ons aangezocht, had ik er ZEd.
dien dag niet van gesproken. Ik doopte dan den 8 en den 10
October al de kleine Creolen, benevens cene bejaarde Creolen-
mama. \') Die oude moeder zal zelve de groote kinderen lecren,
en, naardien zij den grootsten invloed heeft op de andere negers,
heb ik goede hoop, dat, bij een tweede bezoek, nog verscheidene
anderen zullen gedoopt worden. Aanstaanden Zaterdag, den 14
dezer, doopen wij weder vier, tot die plantage behoorende
slaafjes, die zich thans in de stad bevinden. De dochter van
dezen heer heeft dit jaar hare eerste H. Communie gedaan, en
is zeer ijverig om anderen te onderwijzen, en zelve den gods-
dienst nauwkeurig te betrachten. Overigens verflauwt de ge-
meente niet, maar neemt, God zij lof, in vurigheid toe. Bijal-
dien evenwel de katholieken, alleen van Paramaribo, des Zondags
allen ter kerk gingen, dan moesten er zeker driemaal zooveel
komen." Den 5 Maart 1821 schreef Pastoor Wennekers, nopens
de plantage Toledo, deze regelen:
»Ik heb gisteren den Directeur der plantage Toledo, waar
ik die kinderen en de Creolen-mama gedoopt heb, gesproken.
Toen ik hem naar Hanna, de creolen-mama, vroeg, weidde hij
sterk uit in den lof dier oude negerin, en zeide, dat hij zich niet
genoeg over haar kon verwonderen. Hij zou zulke verandering
als iets onmogelijks beschouwd hebben. Tevoren moest zij schier
elke week om leugentaal, dieverij, luiheid enz. geslagen worden.
Eertijds ten uiterste onwillig en onbuigzaam, doet zij nu alles
gedwee. Dit laatste had ik reeds van den eigenaar zelven en
i) Eene Creolen-mama was eene bejaarde negerin, die de moederlijke
verpleging voor de gezamenlijke jonge kinderen der plantage waarnam,
terwijl de eigenlijke moeders tot den veldarbeid gebruikt werden.
-ocr page 165-
— 138 —
van diens deugdzame dochter gehoord. Dat is nu zoo, reeds
sedert vijf maanden. God geve haar de volharding tot glorie
van het H. Kruis!"
Het goed voorbeeld van den Heer /{. O\'Ferrall S\' werd door
de Geestelijken op prijs gesteld. Den 9 Februari verkoos men
hem tot lid van het kerkbestuur, welke ccrcbctrckking hij bleef
beklcedcn tot 1827, tijdstip, waarop zijne dienstjaren volgens
het toen bestaand reglement, ten einde waren. Hij werd toen
vervangen door zijnen zoon Richard O\'Ferrall J\'.
De rondreizc van den Weleerw. Heer Wennekers, gedu-
rende de maand Juli 1821, in de rivier de Saramacca, hebben
wij reeds aangestipt. Hij begon daar zijn dienstwerk op de
plantage La Ressource, die toebehoorde aan een katholieke dame
A. S. van Gelderland. \') Het was daar, dat hij het kruis
plantte, ter vervanging van den zijden-katoenboom, welken de
negers afgodisch plegen te vereeren. Zijne werkzaamheden te
Coronie, die \'s mans apostolische loopbaan bekroond hebben, zul-
len wij aan het slot vermelden. Te dezer plaatse vvenschen wij
het portret van den grooten Missionaris eenigszins nader af te
werken, en den buitengewonen man te doen kennen ook in zijne
betrekkingen met onkatholieken.
De wijze waarop Wennekers ten hunnen opzichte handelde,
en over hen schreef, duidt iemand aan, wiens hart vol is van
apostolische vrijmoedigheid en liefde, en die do pen, welke hij
daarin doopte, altoos zelfstandig en op meesterlijke wijze wist
te besturen. Twee zijner brieven, die zeer uitvoerig zijn, zullen
wij hier verkort laten volgen. Op den 17 Juli 1820 noodigdc
de Evangelisch-luthersche kerkeraad het R. K. kerkbestuur uit,
tot bijwoning der afscheidspreek van Ds J. A. Koops, op 23 Juli,
en der entree-predieatie van Ds Arend Meijer, op Zondag 30
Juli 1820, \'smorgons te half negen uur. Op die uitnoodiging,
welke het kerkbestuur niet mocht aannemen, antwoordde Wen-
nekers,
den 22 Juli 1820:
»Ik beschouw deze uitnoodiging, als voortkomende uit vre-
1) Deze naam moet onderscheiden worden van dien cener andero ka-
tholieke eigenaresse van plantage, Anna Maria Mvrtina van Gelderland,
alias Schelkes, over welke later.
-ocr page 166-
— 139 —
delicvende gevoelens, en, wijl ik die ook heb, en het hoogste
belang stel in de onderlinge goede verstandhouding, mag ik niet
nalaten uwc uitnoodiging schriftelijk te beantwoorden. Ik zeg
schriftelijk, wijl ik daaraan door bijwoning der predicatie niet
voldoen kan, en dus ook ons kerkbestuur dat niet kan verzoeken.
Ik zou voor reden kunnen opgeven, dat wij op hetzelfde uur
kerk moeten houden, maar ik wil oprecht zijn, in het vertrou-
wen, dat mijne openhartigheid niet zal misbruikt worden tegen
mijne bedoeling.\'"
»Het is dan algemeen bekend, dat de katholieke kerk wel
de gemeenschap in burgerlijke en maatschappelijke betrekkin-
gen , maar nergens in het godsdienstige, met andere gezind-
heden toestaat. Mocht een Geestelijke anders handelen, het
komt op zijne rekening. \') Neen, Broeders ! hoewel van ons
afgescheiden, zijn wij niet liefdeloos jegens u. Volgens de
christelijke liefde moeten wij uwe afzondering van onze kerk
met recht betreuren, en mogen wij u niet in den waan
brengen, dat wij uwe afscheiding goedkeuren, of u door ge-
mcenschap in het godsdienstige, te verstaan geven
, dat de
oude moederkerk opgehouden heeft eene ware moeder te we-
zen, en haar edel karakter tegenover eene onwettige slavin te
handhaven."
«Zulke deelneming, als waartoe UEd. ons uitnoodigt, werd
nooit, zelfs niet in die landen, waar katholieken en protestanten
liet minzaamst niet elkander omgaan, ook niet in ons moeder-
land, door de protestanten van ons, als bewijs van goede ver-
standhouding met elkander, gevorderd."
»I)e gegronde vrees nochtans, dat, niet zoozeer door UEd.
als door vooringenomen en tegelijk onkundige lieden , deze onze
onttrekking als eene liefdebreuk zal beschouwd worden, is de
reden, die mij zoo verre doet uitweiden, om UEd. benevens de
gehcele luthersche gemeente van onze onverbreekbare christelijke
liefde te verzekeren."
1) Wat hier volgt is in het handschrift, dat wij voor ons hebben,
conigszins duister. Echter mecnen wij den «in en de gedachte van den
Eerwaardigen schrijver goed gevat, en in de opvolgende cursief gedrukte
regelen, getrouw te hebben weergegeven.
-ocr page 167-
- 140 —
»Er, om ons geweten ook voor den God des vredes genist
te stellen, verzeker ik UEd. in dezen, ook namens mijn Eerw.
ambtgenoot en namens onze gchcele gemeente, dat wij , niet
tevreden met cene enkel uitwendige en kortstondige gemeen-
schap, steeds verlangen naar den terugkeer van die alr/emeene
gemeenschap en eenheid,
die ons de goddelijke bijbel afteekent:
van die eenbeid van hart en ziel van de eerste christenen; van
die eenheid des geloof\'s, waardoor wij allen hetzelfde gevoelen
en zeggen, zooals Paulus leert; tot dien vrede bied ik volgaarne
mijne hulp aan, offer ik dagelijks mijne gebeden op, en zal ik
voortgaan mijne gemeente tot gevoelens van christelijke liefde,
jegens UEd. en de luthersche gemeente, en jegens alle men-
schen op te wekken."
Den 3 April 1821, vernam de Prefect het op handen zijnde
vertrek naar Philadelphia (Vereenigde Staten) van den heer
F. LangbaU, voorstander der moravische-broeder-gemeente te
Paramaribo. Dit gaf hem aanleiding, om \'s anderen daags, en
dus 4 April 1821, een zeer uitvoerigen brief aan de gezamenlijke
regenten, of aan genoemden voorstander, te schrijven. Wij dee-
len er een paar bladzijden uit mede :
»Ik heb altijd, gedurende den tijd van ruim drie jaren, dat
wij ons hier bevinden, mijne opmerking gemaakt over den ijver
en den arbeid, de ingetogenheid en de zedigheid der moravische
broeders, en ik zoude zelfs cene goede trouw willen veronder-
stellen, wegens hetgeen, volgens de bekende leer der katholieke
kerk, of liever, volgens de leer van den groeten Apostel der
heidenen (Rom. X. 15.), aan uwe prediking ontbreekt, namelijk
de wettige afkomst en zending van de Apostelen, die onmiddel-
lijk door den Heerc Jezus Christus zelven gezonden zijn, en,
na welken wij door geen bijbel, of cenig ander goddelijk gezag
weten, dat ooit iemand, onmiddellijk door Hem gezonden is;
doch zulke goede trouw valt in bijbclkundige menschen zeer
moeielijk aan te nemen."
»De Goddelijke Voorzienigheid heeft op wonderbare wijze
gezorgd, dat de stichter van de geheele Hervorming aan deze
gewichtige waarheid cene hulde bracht, die op eens alles af-
doet, omdat zij juist den geheelen grond zijnereigen hervorming
wegneemt, en hij, op cene wonderlijke wijze, evenals Caïphas,
-ocr page 168-
Ui
zonder liet te weten, tegen zich zelven geprofeteerd heeft. Tot
bewijs onzer volmaakte onpartijdigheid, nemen wij deze zijne
woorden uit een zeer partijdigen lutherschen geschiedschrijver,
die zelfs y<u\\ de partij van Zwingel tot die van Luther was
overgegaan, namelijk Sleidan of Sleidanus, in het Vde Boek
zijner «Geschiedenis," uitgave van -1555, blz. (>!). »Thomas
Muncer, die — even als de oude Tertulliaan in het begin dei-
derde christeneenw zeide: »Wat vrijstaat aan Marcion, staat
ook vrij aan een leerling van Marcion;" evenzoo redeneerde:
«Wat vrijstaat aan Luther, staat ook vrij aan zijne volgelin-
gen;" — Thomas Muncer had, steunend op dit grondbeginsel,
zijne eigene gevoelens, welke met die van Luther in strijd
waren, durven uiten. Daarop vaart Luther tegen hem uit en
vraagt hem af: wie hem gezonden had ? Hij bezigde daarbij deze
klemrede: »Zoo hij antwoordt, dat het God is, dan moet hij dit
door een duidelijk mirakel bewijzen; want door dusdanige tee-
kenen maakt God bekend, wanneer Hij in do gewone schikking-
der zending ecnige verandering wil maken."
«Dewijl nu UWelcd., met de beste bedoelingen der wereld,
toch niet beweren zult, door God zelven onmiddellijk gezonden
te zijn, en zij, die u gezonden hebben, de onmiddellijke zending
van God met geene mirakelen hebben bewezen, en daarbij de
gewone zending, namelijk de zending, bij opvolging en last-
geving van onmiddellijk gezondenen, welke geene anderen zijn
dan de Apostelen, zekerlijk nergens anders dan bij de Roomsch-
Katholieke kerk, de eerste en oudste der kerken, te vinden is:
zoo volgt hieruit, dat, met de beste bedoelingen der wereld, uwe
prediking altijd aandruischt tegen dezen tekst: » Hoe zullen zij
prediken, zoo zij niet gezonden worden?"
(Rom. X. 15.)
»Wij zouden in UWeled., zeide ik, de beste goede trouw
ondersteld hebben, zoo niet een gewichtig punt mij daarin had
tegengehouden, namelijk: van geene blijken van uwen kant
ontvangen te hebben, welke getuigen kunnen van uwe zucht
naar vereeniging in Jezus Christus. Immers, zonder aanstonds
op den voorgrond te stellen , wie van beiden, de ware leer van
Jezus Christus verk\'ondigt, kunnen wij toch niet beiden tegelijk
de waarheid hebben; want dewijl niet ik of eenig ander priester,
maar onze kerk, in al hare kerkvergaderingen, catechismussen
-ocr page 169-
— 442 —
en publieke stukken verklaart, en ik dus in geweten verplicht
ben te verklaren, dat wij elkander in een beslissend artikel
tegenstrijdig zijn, kunnen wij niet beiden tegelijk de waarheid
hebben."
• Daarbij moeten wij erkennen, dat wij in het kerkelijke
wezenlijk van elkander verschillend en afgescheiden zijn, en als
twee van elkander verschillende christelijke gemeenten beschouwd
worden.... y>Ts Christus dan verdeeld\'?" zoo kan nog dagelijks
ieder ongeloovige uitroepen en zich ergeren. Hoe men liet ook
gelieve te noemen, inderdaad bestaat er een nieuwe scheidsmuur
in plaats van dien, welke door Jezus Christus is weggenomen;
en, wee den mensch, zegt Jezus, door wion de ergernis komt.
Dus moet in een waar minnaar van Jezus Christus, steeds de
zucht tot vereeniging branden, maar tot WARE vereeniging, ge-
lijk ik die in het nevengaande stuk, aan de luthersche gemeente
van mijnen kant heb aangeboden."
«Dewijl nu de protestantsche kerken zich toch het eerst
hebben afgescheiden, (waarbij de godvreezende protestanten den
tekst van Judas V. 17. 18. 19. wel eens mogen vergelijken) \')
mogen wij terecht den eersten stap tot vereeniging van hunnen
kant verwachten, te meer, wijl de oude moederkerk nooit op-
houdt hare zucht en haar verlangen naar hunnen terugkeer, bij
alle gelegenheden te kennen te geven, en hen daartoe uit te
noodigen. Alzoo is het proselitismus in de katholieke kerk in
plaats van hatelijk te wezen, de grootste trek van hare mocder-
lijke liefde."
«Desniettegenstaande, gelijk ik verleden jaar aan de luthcr-
sche gemeente mijn hartelijken wensch tot vrede heb aange-
boden\', gelijk ik aan den gereformeerden heer Predikant, onzen
1) Vos autem cliarissimi, momores estote verborum, quse prrodicta
«lint ab Apostolis Domini nostri Jesu Christi, qui dicebant vobi.s-, quo-
ïiiam in novissimo tempore venient illusores, secundum desideria sua
ambulantea in impietatibus. Hi sunt qui segregant semotipsos, animales,
Spiritum non habentes.
Dat gij, zeer geliefden! gedenkt do woorden, die voorzegd zijn door
de Apostelen van onzen Heer Jezus Christus, die u zeiden: er zullen in
den laatsten tijd spotters komen, die naar hunne lusten in goddeloos-
hcden wandelen. Dezen zijn het, die zich afscheiden, dierlijke raenseben,
die den (leest niet hebben.
-ocr page 170-
— 143 —
weldoener (toen ik hem bij liet tegelijk nederstorten onzer beide
kerkgebouwen , voor zijne welmeenende aanbieding van een huis
tot woning, ging bedanken), den wensen uitte, dat deze
gebeurtenis mocht leiden tot onze groote vereeniging in Jezus
Christus: zóó wil ik nu ook, vóór uw vertrek, niet nalaten,
ecne eerste poging deswege bij de broedergemeente te doen, en
wel bij u, als grijs geworden in den arbeid , en, door jaren en
ondervinding, zeker boven eene menigte vocroordeelen en spits-
vondigheden verheven." Ten slotte stapelt de ijverige priester
eene menigte van drangredenen op elkander, om den voor-
stander en zijne broedergemeente van het noodzakelijke en wen-
schelijke hunner vereeniging iti ééne kerk te overtuigen, en
hunne harten daarvoor te winnen.
Zoomin van dit schrijven als van hetgeen hij aan den luther-
sehen kerkeraad gericht had, is ons de indruk, welke er door
veroorzaakt werd, bekend geworden. Zooveel echter weten wij,
dat menschen, bij wie de dwaze grondstelling: wij dienen allen
éénen God en erkennen allen denzelfden Middelaar,
het groote
en haast ecnige beginsel is, dat zulke menschen weinig rede-
neeren en moeiclijk te overtuigen zijn.
De ontzettende ramp van den 21 Januari 1821, waarbij het
aanzienlijkst gedeelte der stad Paramaribo in asch werd gelegd,
bracht het hare bij, om de deugd onzer ijverige Missionarissen
te beproeven en te louteren, ja, maar ook om haar des te meer
te doen schitteren. Op Zondag namiddag half twee was de
brand uitgebroken en er verliep bijna een geheel etmaal, voor-
alecr hij gebluscht was. \') Wij laten den Prefect zelven zijne
indrukken bij die ramp wedergeven. Hij schreef den 31 Ja-
nuari 1821:
»Vóór do opening dezes zal de ramp van Paramaribo u wel
t) Bijna 400 huizen en wel voorzieno magazijnen werden in de aseh
gelegd. Het verlies werd geschat op ongeveer zestien millioen gulden. Ned.
Cour. Vele handschriften en belangrijke documenten zijn daarbij verloren
gegaan. Deze brand is de zwaarste, waardoor de stad geteisterd werd;
hij wordt tot heden bestempeld met den naam van groote brand, ter
onderscheiding van den tweeden verschrikkelijken brand, die den 3 Sept.
1832 plaats had, en kleine brand genoemd wordt. Toen branden 40
woonhuizen af, terwijl 13 andere omvergehaald of zwaar beschadigd
werden. Het getal zij- en achtergebouwen was wel driemaal grooter. Do
-ocr page 171-
— 444 —
ter oore zijn gekomen. De Roomschc kerk en pastorie zijn dan
ook tot den grond toe afgebrand. Hiernevens eene beschrijving
in haast opgesteld..... Ik ben vol moed en betrouwen op God,
zelfs omtrent het tijdelijke van Paramaribo, als de menschen
zich tot God bekeeren, zooals het zich laat aanzien.... De nieuwe
kapel op het Fort Nieuw-Amsterdam vordert ook het een en
ander. Wij verflauwen niet in onze gebeden, voornamelijk voor
de leden der Broederschap van den H. Geest en voor al onze
weldoeners......"
» Nadat ik op Zaterdag 20 Januari, ons plan om eene nieuwe
kerk te bouwen door gebrek aan genoegzame deelneming, voor-
eerst ten minste, had opgegeven, heeft de Goddelijke Voorzienig-
licid, — wellicht over den aanblik van ons sedert drie jaren
vervallend godshuis vertoornd, terwijl wij lang tusschen het
herstellen der oude en het bouwen eener nieuwe kerk besluite-
loos bleven, — onze kerk bij de andere puinhoopen van Paramaribo
neergeworpen, en ons, als het ware, verplicht, Hein eene waar-
diger woning te bouwen."
»Ons verlies is zekerlijk groot, vooral ook wegens de pas-
torie, welke hot onderste gedeelte van het kerkgebouw uitmaakte,
en van alle grootc stukken der kerk (uitgenomen nochtans het
altaar met bijna al zijne versierselen en ook het altaarstuk, de
heilige vaten, misgewaden enz., welke gered zijn). Ons orgel
was oud en gebrekkig, en, God zij dank, nog niet tegen een
beter verwisseld, zooals wij voornemens waren geweest. De
preekstoel had ook niets voortrcfl\'elijks. De marmeren doopvont
is in den tuin gebarsten, doch wordt, met behulp van een ver-
tinden bak, nog gebruikt. Erg jammer van de onlangs ontvangen
schilderijen: slechts drie, die nog in het voorhuis hingen, zijn
gered. Gelukkig dat kapitein ScJirant zoo lang wegblijft met
schade werd toen berekend op 800000 gulden. De steenen kerk der
lutherscho gemeente, benevens de woning van den predikant en het
diaconie-huis werden eene prooi der vlammen. Deze laatste brand was moed-
willig uit roofzuoht, door eenige negerslaven veroorzaakt. Ten gevolge
dezer ramp verscheen de verordening van 27 September 1832, waarbij
verboden werd, de huizen dor stad voortaan met singels of houten
plankjes te dekken; alle voortaan te bouwen huizen, moesten met pan-
iiüii, tichels, leien of andere onbrandbare stoffen gedekt worden. —
-ocr page 172-
- itö -
onze nieuwe beelden. God geve hem cene behouden aankomst
daarmede ! Overigens de communiebank, alle stoelen en
banken en, helaas, ook onze twee schoone kerkkronen, zijn
eene prooi der vlammen geworden. De grove huismeubelen,
stoelen en tafels zijn schiet\' alle verbrand. Aa:i mijne boeken
heb ik zeer veel schade: ik mis verscheidene geheele werken.
Allerjammerst is het, dat bij de grootste voorzorg, toch door
de algemecne verwarring en door misverstand, eene som
van misschien f 2500 Sur. Cour. vermist en vrij zeker ver-
brand is....."
»Ik zelf was afwezig en heb, na des morgens te zeven
uren den vroegdienst verricht te hebben, onze kerk en pastorie
niet wedergezien, \'t Is zeker opmerkenswaardig, dat wij, juist
dienzelfden dag, voor het eerst eene nieuwe kerk of kapel ge-
kregen hebben op het Fort Nieuw-Amsterdam, ruim een uur
varens van hier gelegen. Ik had er \'s morgens in een daartoe
bestemd ledig huis, op uitnoodiging van den Kommandant
Matüle en den Majoor Ruide van Liliénstern, met goedvinden
van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal, voor de eerste
maal, onder de gewone militaire honneurs, den H. Dienst ver-
richt."
«Behalve dat geen redelijk wezen ooit een oogenblik zal
aarzelen, om in zulke verschrikkelijke gebeurtenissen de hand
des Heercn te erkennen, laten verscheidene omstandigheden van
dezen rampzaligen brand ons deswege geen den minsten twijfel
over. Reeds de eerste regels van het hiernevensgaand gedrukt
belicht over do onzekerheid van den oorsprong, ja zelfs van het
huis, waar de brand ontstond, doen ons dit treffend gevoelen,
daar zij toch een bewijs zijn van de geringheid der eerste oor-
zaak eener zoo ontzettende verwoesting."
»Men ziet ook in de beschrijving van den brand en van zijn
loop, als een afgetcekend plan, naardien hij juist aan het begin
van het Fort onstond, vervolgens bijna den geheelen waterkant
(omtrent geheel uit huizen, winkels en magazijnen vol koop-
waren bestaande) wegnam , en nagenoeg alles verslond tot aan
die hoeken, waar rijkdom en handel, vertier en weelde schier
ophouden. Het mag hierbij ook in het voorbijgaan worden aan-
gestipt, dat het juist de dag was voor het begin der Vendw\'fn,
Suriname.                                                                        10
-ocr page 173-
— Ug —
die anders bijna liet hcele jaar door plaats hebben, en juist in
deze maand stilstaan."
»Niet zonder reden herinnerde ik mij ook , dat het juist de
feestdag was der H. Agnes, waarop ik drie jaren geleden, voor
liet eerst zes personen plechtig doopte, van welke ik kan
rekenen slechts één enkelen slaaf voor het algemeen bederf, het
houden van bijzitten, te hebben behoed. Tegenwoordig neem ik
geheel andere maatregelen bij den doop van volwassenen. Ik
doop minder jongelingen en jonge dochters; doch het getal
doopsels gaat daardoor niet achteruit....."
»Daarbij, niets was in staat het vuur tegen te houden; de
vlam verscheen schier overal onverwachts. Toen ik des avonds
te tien uren aan de stad kwam, had ik het akeligste gezicht
vóór mij: de kerk was niet meer te genaken. Ik hoorde dat
het H. Sacrament naar het Combii (buitenwijk ten noorden van
liet Fort Zeeland ia) vervoerd was, en daar bracht ik den nacht
door in het gebed. Met anderen waren wij van oordeel, dat
onze kerk, en al wat aan de westzijde van het plein der gcre-
formeerde kerk stond, geen gevaar liep. Verscheidene lieden
hadden zelfs hunne goederen aan ons huis gebracht; doch toen
de gereformeerde kerk, dat rond steenen gebouw, vuur had ge-
vat, en eindelijk als een kool geheel in vuur stond, was alle
hoop voor onze geheele straat, die op dat plein uitloopt, ver-
loren..... Wij zijn nog meer versterkt in het denkbeeld ,
dat deze ramp van de hand des Heeren komt, en zelfs een uit-
werksel zijner barmhartigheid is, dooi\' de heilzame gevolgen
van bekeering, die wij bij onze geloovigen reeds ondervonden
hebben. Zelfs dezen brief heb ik moeten afbreken om de biecht
te hooren van ecu Parijzenaar, dien ik nooit te voren met
kennis gezien had, en die reeds Zondag, bij de eerste ontmoe-
ting, tot het wegzenden zijner bijzit enz. bereid was. Verschei-
dene anderen hebben hetzelfde beloofd. Zij, die nooit ter kerke
kwamen, komen thans gebedenboeken koopen..... Daartoe
brengt zeker niet weinig bij, dat het Gouvernement de uitdeeling
van brood aan het kerkbestuur heeft opgedragen, en ik thans
een voorraad van 457 pond brood heb uit te deelen; doch ook
hierin bewonder ik de leiding des allerbarmhartigsten Vaders
met zijne verdwaalde kinderen."
-ocr page 174-
Ui
»Nict minder zijn wij bevestigd in het vertrouwen, dat
God de Heer onze kerk slechts heeft neergeworpen, om ons een
betere te geven. Want al aanstonds, te midden der algemeene
verslagenheid, mochten wij een zeer groot huis betrekken, het-
welk aan cene geloofslecrlinge toebehoort, die tot den H. Doop
onderwezen wordt. Het huis beneden is groot genoeg, om tevens
tot kerk te dienen. Zij lieert ons, evenals een kind hare
ouders, opgenomen zonder overeenkomst: al hare vertrekken
heeft zij ingeruimd, al hare fraaie meubelen tot ons gebruik
gegeven. Na Zaterdag, door Z. Exc. den Gouverneur-Generaal,
de toezegging van zes maanden huur van het Gouvernement te
hebben gekregen, hebben wij gisteren het huis van haren zaak-
gelastigde gehuurd, voor de som van f 3500 Sur. Cour. in het
jaar. Haar rijke boedel is met zware hypotheken belast; anders
zou zij er, volgens hare betuiging, niets voor aangenomen
hebben."
»Zij heeft ook eene plantage, en heeft reeds beloofd de
negers, in tijd van nood, te zullen laten doopen. Daarop is zij
dan ook gisteren gedoopt geworden. Tot mijn genoegen be-
speurde ik, onder het vertellen van de beroemde daad des
II. Marlinus, toen hij nog catechumeen of doopleerling was,
dat haar doopdag juist de feestdag was van de II. Martina,
wier naam zij ook ontvangen heeft. Het was in dit huis, dat
ik den 25 Juli 1819", (volgens het Doopboek 1818) twee oude
vrouwen, van omtrent 90 jaren of daarboven, doopte; ééne,
welke nog in leven is, was de moeder van Martina. Die hoog-
bejaarde vrouw viel, bij do eerste intrede in onze nieuwe kerk,
uit eerbied plat ter aarde neder. Zondag was onze nieuwe kapel
geheel vol."
»Wij hebben mede het genoegen te kunnen melden, dat
ook door dit allertreurigst ongeval, de ijver voor eene nieuwe
kerk bij onze voorname leden zeer veel grooter is geworden.
De leden van het kerkbestuur zijn reeds begonnen eene ruime
inteekening te openen. Wij vertrouwen dus vastelijk op den
goeden uitslag, onder den zegen des Allerhoogstcn en den
krachtdadigen bijstand der katholieken van geheel het Neder-
landsche Rijk, die er allen het grootste belang in moeten stellen
hier cene katholieke kerk te hebben, wyl er een zeer talryk
-ocr page 175-
— 448 —
garnizoen is uit alle, zoowel Zuidelijke als Noordelijke Provinciën.
Deze bijstand is dringend noodig, want het getal gegoede katho-
lieken in Suriname is zeer gering, en de onkosten van bouwen
worden hier schromelijk hoog berekend."
In een schrijven van den \'29 Februari 1821, zegt Pastoor
Wennekers opnieuw:
»Ik hoop nu op de ondersteuning der geloovigen van ge-
heel Nederland tot den opbouw der nieuwe kerk...... zij
zullen het belang van den godsdienst wel inzien, om hier ecne
groote, ruime, deftige, hoewel eenvoudige kerk te stichten; onze
godsdienst immers in zulk een gebouw verricht, moet noodzake-
lijkerwijze indruk maken op den heiden."
Omtrent Martina, de eigenares van de tijdelijke hulpkerk
en pastorie, wordt in geniekien brief nog gezegd: t>Martina, die
als eene andere Martha, aan Jezus Christus (in zijn H. Sacra-
ment) met zijne Apostelen huisvesting gaf, heeft woord gchou-
den; en zonder voor haren zaakgelastigde te vreezen, eene brave
Fransche negerin, door mij te dien einde onderwezen, naar
hare plantage gezonden, om de wacht te houden en in gevaar
van sterven, te doopen." Dusdanige maatregelen waren noodza-
kelijk, omdat de protestantsche zaakgelastigde den toegang tot
de plantage-negers wilde beletten.
De nieuwbekeerde Martina was eene kleurlinge, en reeds
vijftig jaren oud, toen zij op den 30 Januari 1821 gedoopt
werd. \') Haar huis diende, ruim vijfjaren, beneden tot kerk
en boven tot pastorie. Aangaande die nieuwe standplaats der
1) Voor onze Surinaamsche lezers teekenen wij aan, dat de naam van
deze weldadige vrouw in het Doopregister staat opgeteekend als Anna
Maria Marlina van Sihelken,
ofschoon zij in de wandeling ook na hare
manumissie genoemd werd Anna Maria Martina van Gelderland, naar
eene plantage van dien naam, waarvan zij, zoowel als hare oude moeder,
herkomstig was. De naam van Schelleen duidt op den Heer E. M. Schel-
kes,
een protestant, wien Martina had toebehoord, en die haar nie.t alleen
den schat der vrijheid, maar ook het huis met toebehooren en de plan-
tage schonk. Welke plantage haar heeft toebehoord is ons niet duidelijk.
Haar huis stond in dezelfde Wageweystraat, aan dezelfde zijde als de af-
gebrande kerk, en ongeveer vijf minuten verder westwaarts; het
grensde aan de Zwartenhoven brut/straat. In dat mus zijn de twee
groote grondleggers der Surinaamsche Missie den dood der rechtvaardi-
gen gestorven.
-ocr page 176-
- 149 —
Missionarissen, hunne werkzaamheden aldaar en de plannen die
zij voor eene nieuwe kerk vormden, gaan wij nu menige bij-
zonderheid mede te doelen.
Uit deze zijne nieuwe verblijfplaats schreef Wennekcrs, den
7 Februari 1821: »Ik kan toch niet nalaten te vermelden , dat
ik thans als in een half klooster ben. Reeds sedert een jaar
hebben zich op dit groote erf, waarbij zeer vele achterhuizen
zijn en een groot zijhuis, de braafste en godvruchtigstc lieden
der kleur nedergezet, zoodat wij, als ouders bij hunne kinderen,
kwamen inwonen. Zonder er nog aan te denken om hier te
wonen, was ons geredde goed meest hierheen gebracht. Wij
bidden, \'s morgens en \'s avonds, gezamenlijk, bijna twintig in
getal. Ik ben arm aan meubelen, en heb toch nergens gebrek
aan....." Een ander uittreksel van een gelijktijdigen brief luidt:
«Wederom een nieuw bewijs der goddelijke goedheid. Den 2
Februari arriveerde kapitein Pieter Hans Bos, met een bewijs
van f 700 Holl. Cour. voor eene nieuwe kerk. Hoe aangenaam!
Hoe te goeder ure! Als een regen op een verzengden grond!
Hoe genoegclijk zal het zijn voor de edele gevers of geefsters,
ons in zulke omstandigheden te hebben opgebeurd! Wij hebben
met zeer veel aandoening gezien, het hooge belang, dat de aan-
zienlijke weldoeners en weldoensters van onze zending èn in de
gebeden van ons, onwaardige bedienaren van Gods groote gehei-
men, èn in die van onze geloovigen stellen. Dit is ons, te midden
der beweenenswaardige onverschilligheid van andere katholieken,
een zeer sterk bewijs van hun groot geloof en van hunne hooge
achting voor den katholieken godsdienst, van recht christelijken
eenvoud en van eene nederigheid, die hen in de oogen des Al-
lerhoogstcn groot maakt! Om dus aan hunne zoo redelijke als
godvruchtige wenschen, op eene aan hunne grootmoedigheid
geóvenredigde wijze te voldoen, verbinden wij ons, zoolang wij
ons, één van beiden, in deze kolonie zullen bevinden, de H. Of-
ferandc op te dragen voor de weldoeners onzer kerk en zending
alle Vrijdagen te zeven uren, mits wij niet wettiglijk belet
zijn. Op dat uur wordt de H. Dienst gezongen, met uitstelling
en vcreering van het kostbare gedeelte van het Hout des Le-
vens. dat wij zoo gelukkig zijn te bezitten, en waartoe onze
ijverige nieuwgeloovigen als om strijd te zaïnen komen. O, hoe
-ocr page 177-
— 450 —
zullen zij voor u bidden, katholieke landgenooten! Hoe zullen
zij u voor God zegenen, wanneer gij ons eene nieuwe kerk
helpt oprichten, waartoe zij hunne wel ongenoegzame, maar
toch grootmoedige bijdragen, ja zelfs, evenals weleer de doch-
teren Israêls, bij gebrek aan geld, hare oorsieraden ten ofl\'er
brachten. Moge de nieuwe kerk van Paramaribo, (wij durven
dit van den Almogende verwachten), moge de nieuwe kerk van
Paramaribo eene moederkerk worden, en door uwe grootmoedig-
heid ook het aanzien daarvan hebben! Dan zal ook de Alzcge-
naar de droevige puinhoopen der stad wederom oprichten, en de
kolonie Suriname in alle opzichten voor het moederland meer
en meer belangrijk maken."
(w. g.) P. A. Wennekers, Praef, Mis.
L. Van der Horst, Miss. Apost.
Vóór den brand reeds was de Prefect tot de overtuiging
gekomen, dat het beter ware eene geheel nieuwe kerk te bou-
wen, dan de oude te reparceren; doch na die algemecne ramp
was dit noodzakelijk geworden. Over de plaats, waar men nu
zou bouwen, werd over en weer beraadslaagd. Daar de buurt,
waarin de oude kerk stond, niet bijzonder gunstig was, viel het
oog vooral op het huis en erf van Mar Una, dat reeds tot
noodkerk diende, en nu door den onlangs uit Nederland
aangekomen bouwmeester W. de Vroome en den architect
Paardekooper, onderzocht werd. Maar het gebouw, dat toch te
klein was, scheen aan de deskundigen niet voor vertimmering
vatbaar, zoodat dit plan werd opgegeven.
Eeltige zinsneden uit Wennekers brieven hebben getoond,
hoezeer het bezit van een eigen Roomsen-Katholiek kerkhof in
liet belang werd geacht der Missie. De Gouverneur van Suri-
naine, door wien een stuk land (ter westerzijde van de Wani-
caslraat)
tot It. K. begraafplaats verleend was, had tegelijkertijd
te kennen gegeven, dat, bijaldien men een geschikt terrein in de
stad zelve kon bekomen, er van Gouverncmentszijde geen be-
zwaar bestaan zou, daar ook de begraafplaats aan te leggen, en
aldus kerk en kerkhof te vereenigen. Het voordeel, onmisken-
baar hieraan verbonden, was te groot, om daarvoor niet aan-
stonds elk ander plan op te geven. Wijl men, door aankoop
van een naastgelegen erf, het terrein der afgebrande kerk ge-
-ocr page 178-
- 154 —
nocgzaam kon uitbreiden, werd niet meer op deszelfs minder
gunstige ligging gelet. De aankoop werd bewerkstelligd, een
stuk land, dat tot begraafplaats kon dienen, zou men nog daarbij
koopen, en zoo was het plan, dat kerk en kerkhof zou verecnigen,
voor goed vastgesteld. Men bedankte den Gouverneur voor de
aangeboden Havanna \') en belastte den kerkmeester, kapitein
J. H. Kreyter, met liet toezicht over de werkzaamheden van den
aanleg. De Creolen kwamen, cenigen tijd later, zich aanbieden,
om op eigen kosten het nieuwe kerkhof\' te omheinen.
Om te toonen, hoe onze Missionarissen zich na den brand,
niet alleen, wat de dagelijksche behoeften aanging, wisten te
behelpen, maar daarenboven het plan tot stichting van eene
nieuwe kerk, pastorie en school, — eene stichting door Wennekers
reeds vroeger innig begeerd, doch nu noodzakelijk geworden,
— met alle kracht wisten na te streven, moeten wij, voor
zooveel het ons gegeven is, ook de hulpbronnen aanwijzen,
welke Gods H. Voorzienigheid hun te gelegener ure ten dienste
stelde. Wij doen dit des te liever, wijl er nu geen gevaar meer
bestaan kan, door dit klein bewijs van erkentelijkheid, den oot-
mocd der weldadige gevers te kwetsen.
In den eersten nood dan na den rampvollen brand kwam
het Gouvernement te hulp. De huurprijs van het huis, door de
Missie in gebruik genomen, bedroeg f .\'1500 Sur. Cour. per jaar.
Van 1821 tot 1825, werd deze som jaarlijks voor de helft door
het Gouvernement uitgekeerd. In het eerstgenoemde jaar ver-
leende de Gouverneur-Generaal daarenboven nog eene tegemoet-
korning van f 2500 Sur. Cour. voor bewezen geestelijke diensten
aan het garnizoen.
Voor do nieuwe kerk was, den 29 Januari 1821, in Suri-
name eene inteekening geopend, die denzelfden dag eene som
vertegenwoordigde van f 3650 Sur. Cour., en door de beide
priesters en acht kerkmeesters was bijeengebracht. De heer
/. H. Brandt, die reeds voor f 500 had ingeschreven, gaf daar-
enboven nog eene pretensie van f 777 aan de kerk ten ge-
schenke. Dat die inschrijvingen niet meer bedroegen, is niet te
1) Savanna is een stuk woeste en in het algemeen magere weide.
-ocr page 179-
152
verwonderen, wanneer men op de ongunstige tijden let, en in
het oog houdt, dat er nog andere intcekeningslijstcn en collecten
bestonden, voor het gewone onderhoud van kerk, Geestelijken
en armen. \')
Ten bate der kerk kwamen ook nog cenige legaten, als:
een van f 4000 Sur. Cour. (en van f 1000 voor kerkdiensten)
van den heer G. Wüdéboer, in 1819, en een ander van An-
thony laaac,
in 1811 gelegateerd (wat echter in 18\'2\'2 inkwam)
was beraamd op f 10000 doch wierp inderdaad slechts f 3579
Sur. Cour. voor de kerk af. 2)
Ook was men in het bezit van een koninklijk geschenk.
Reeds vóór den brand had Zijne Majesteit eenc som van f 8000
Ned. Cour. aan den Prefect doen toekomen. Dit geld stond
ten gevolge cener transactie tegen f 16000 Sur. Cour. ten allen
tijde beschikbaar bij den kolonialen ontvanger.
Behalve ecnige voorloopige giften van mevrouw de douarière
Gilles en van een onbekende, door den Hoogwelgeboren Heer
Cavellier van Adricliem ingezonden, ten bedrage van f 1200
Sur. Cour., werd van Maart 1821 tot Maart 1822 ontvangen
eene som van ongeveer f 12000 Sur. Cour., welke voortsproot
uit collecten, in Holland en België, misschien ook hier of daar
in Engeland, gehouden. Hieronder was tevens begrepen eene
som van f 4000. Ned. Cour. van het bisdom Mechelen en
van Zijne Doorl. Hoogheid, den Prins de Mëan, Aartsbisschop
van Mechelen en Primaat der Nederlanden.
1)  Geen der beide priesters genoot tractement; een verzoek, zelfs
onder goedkeuring des lïouvcrneurs gedaan, ten einde voor één hunner,
in hoedanigheid van aalmoezenier des legers, eenig sajaris te verkrijgen,
was nog in 18\'2l van de hand gewezen. Wat do armen betrof, deze
worden onderhouden van de afzonderlijke collecten, dio voor hen plaats
hadden en door bijdragen uit het liefdefonds. Do administraties van
kerk- en armenkas waren door Wennekers gescheiden.
2)   In 1819 had de Heer D monl twee legaten nagelaten, een van
f 1000 Sur. Cour. voor zielediensten en waslicht, en een ander tot vrjje
beschikking van den Weleerw. Heer Wcnneker», ten bedrage van f 7000
Sur. Cour. Hij beschikte daarover ten voordcele van de kerk en van de
armen, ieder voor de helft. Het laatste gedeelte meende hjj voor zijn
licfdegentichl te besteden, ja had het reeds gedeeltelijk daaraan besteed,
toen de rest in den brand zoek geraakte. — He erfmaking van den Heer
Eduard Conoh/, van f 9000 voor de nieuwe kerk en f 1000 Sur. Cour.
voor de armen, heeft haar doel gemist.
-ocr page 180-
— 153 —
Mot dit alles bedroeg de geldswaarde der kerkekas, op den
21 Maart 1822, nog slechts f 41204.00 Sur. Cour., waarlijk cene
onbeduidende som om den bouw te beginnen cener kerk, waar-
van de kosten door den bouwmeester op f 285000 Sur. Cour.
geraamd waren!
Nog cene laatste poging. In Mei 1822 waagde het kerkbc-
Stuur een geduchten aanval op de edelmoedigheid van Nccr-
land\'s Koning, met namelijk van Zijne Majesteit eenc som van
niet minder dan f200000 Sur. Cour. te verzoeken; doch, ver-
mits dit verzoek werd afgewezen, en de inkomende geschenken
en collecten niet in evenredigheid stonden tot de plannen, die
men had opgevat, werd besloten den bouw cener nieuwe kerk
uit te stellen. \')
En dit uitstel duurde tot het jaar 1824, toen de Weleerw.
Heer Wennekers, we mogen het godvruchtig geloovcn, reeds
het loon van zijn vurigen ijver voor Gods eer in den tempel
zijner heerlijkheid mocht genieten.
Ofschoon de kosten van bouwen in Suriname verbazend
hoog, en in den tijd waarvan wij spreken, toen het voor-
naamste gedeelte der stad uit de asch moest worden opgehaald,
nog veel hooger zullen geweest zijn, mag men toch uit deze
begrooting van meer dan f 100000 Ned. Cour., veilig besluiten,
dat onze Missionarissen zich niet gaarne met een onaanzienlijk
kerkje tevreden stelden, maar een deftig en Godc waardig ge-
bouw wilden oprichten. Zij begrepen er het groot belang van,
en waren overtuigd, dat, als de luister van den godsdienst niet
alleen Gode behagelijk, maar ook in staat is de menschen
1) Niet al te zeer moet men zich over dit stout verzoekschrift ver-
wonderen. Het was niet zoolang geleden, dat de Regeering ide Engel-
schej zich zeer edelmoedig betoond had jegens do gereformeerde kerk.
Toen er in 1810 sprake was, eene k*-rk te bouwen, en do kosten op
f300000 begroot werden, besloot de Gouverneur, in eene zitting van het
Hof op den 1 Juni, het één derde gedeelte daarvan uit de Souve-
reinskas te betalen, namelijk het één derde van het op te nemen kapi-
taal er de helft van den interest der te beleggen geldleening. Daaren-
boven besloot het Hof, op den 3 September 18IO, nog tot den aankoop
van een orgel, beraamd op 300 pond sterling (f 3600.00 Ned. Cour.),
betaalbaar uit de kas der Modique lasten, enz.
Deze kerk, die ook in den brand was neergestort, werd eerst in 1835
door eene andere vervangen.
-ocr page 181-
— -154 —
overal ter wereld te trekken en aan zich te boeien, rlit vooral
het geval moet wezen, waar het menschen geldt, die zich bijna
uitsluitend door de indrukken hunner zintuigen laten bchoer-
schen. Dit nu was en is nog heden het geval met duizenden
in Suriname.
Vier maanden na den grooten brand, op den 25 Mei 1821,
landde de Weleerwaarde Heer Antonim van Leeuwen te Para-
maribo. Door den Aartspriester gezonden om den arbeid der
twee andere Missionarissen te verlichten, smaakte hij het geluk
niet dat doel te bereiken. Te Nieuwkoop, in het bisdom
van Haarlem, in 179G geboren, en in de protestantsche sekte
der remonstranten gedoopt en opgevoed, had hem de godde-
lijke genade in zijne eerste jongelingsjaren, tot den schoot der
ware kerk teruggebracht. Als ijverig bekeerling begon hij te
studecren voor den priesterlijken stand, en had het geluk, in
1820 de H. Priesterwijding te ontvangen. Na een korten
tijd de priesterlijke bediening in het moederland te hebben
uitgeoefend , werd hij in 1821 als apostolisch Missionaris
naar Suriname gezonden. Dan, in de kolonie bleek liet al
spoedig, dat hij aan tering lijdende was, het klimaat niet kon
verdragen en, tot mogelijk herstel van zijne gezondheid of tot
. vertraging althans van den dreigenden dood, naar het vaderland
moest wederkeeren. Hij vertrok den 4 Februari 1822, ruim
acht maanden na zijne aankomst in de kolonie.
In Nederland verergerde zijn toestand zoozeer, dat hij reeds
den 13 September van hetzelfde jaar te Nieuwkoop, op den
leeftijd van 20 jaren, godvruchtig in den Heer overleed. Als
Missionaris van Suriname blijft hij er in de gebeden en jaar-
diensten voor de overledene zendelingen doelen.
Zorg, gepaard aan zwaren arbeid, onder een drukkend kli-
maat, hadden Wennekers\' krachten ondermijnd en langzaam
geheel uitgeput. In Maart 1822 had hij, op raad van den genees-
heer schier alle werkzaamheden gestaakt, en den 29 Mei droeg
hij, hiertoe door den Aartspriester van wegc Mgr Ciamberlani
gemachtigd, de pastorcele bediening op zijnen ambtgenoot
Ludovicus Van der Horst over. Die verlichting van zorg en
van arbeid had evenwel gcenc verbetering in zijn toestand aan-
gebracht. Vier maanden later gaven de geneesheeren te kennen,
-ocr page 182-
— 455 —
dat alleen eene reis naar het vaderland nog eenige hoop kon
geven op zijn herstel. Aanvankelijk liet de Prefect zich hiertoe
hewegen; doch reeds twee dagen later, den 21 Juli, verklaarde
hij op nadere aanschrijving uit Nederland te willen wachten, en
zijne reis tot de aankomst van een ander priester te zullen
uitstellen.
Trouwens, na het vertrek van den zieken Missionaris A. Van
Leeuwen,
was door don Coadjutor dos Aartspriesters, den Hoog-
eerwaardeii Heer J. Van Banning, in »de Godsdienstvriend",
eene uitnoodiging gericht aan alle geestelijke Overheden van
Noord- en Zuid-Nederland, om zich do belangen van Suriname
aan te trekken, en priesters te verwerven, die de twee zwakke
Missionarissen, daar sedert eenige jaren werkzaam, zouden ver-
vangen. \')
In de maand September ontving Wennekers eindelijk het
1) Ofschoon de Welcerw. Heer Van der Horst eon krachtig gestel had,
kon toch zijne gezondheid, daar al het werk op hem alléén neerkwam,
toen wel geknakt zijn. Overigens moet erkend worden, dat het bedoelde
stuk in »de Godsdienstvriend," Deel IX blz. 205, slechts het werk kan
zijn van iemand, die van de toestanden niets begreep, en. op zijn zachtst
genomen, uit gegevens zijner verbeelding tot de werkelijkheid der toe-
standen besloot. Het zielental o. a. dor katholieken in Suriname wordt
daarin begroot op tien duizend, terwijl er in werkelijkheid, do vijf ii zes
honderd katholioke manschapp en van het garnizoen modo gerekend,
geen twee duizend waren. De officieele stukken, bjj den Aartspriester
berustende, zijn door dien schrijver zeker niet geraadpleegd. Wennekers
kan zich, in de hoop van toegang tot de plantages te krjjgen, groote
verwachtingen voorgespiegeld en in dien geest geschreven hebben ; en
hadde hij toegang gekregen, hot getal katholieken in de kolonie zou
spoedig en op verbazende wjjze zijn toegenomen: niemand die bet be-
twijfclt; maar het was don schrjjver niet geoorloofd, eene bloote mogeljjk-
heid tot oen feit te maken. In het X\'le Deel van hetzelfde tijdschrift wordt
eveneens een brief medegedeeld van den Weleerw. Wennekers, doch
vergezeld van eene opmerking, die al even ongerijmd en onwaar is,
namelijk, dat er toen ter tijd drie duizend communicanten waren in
Suriname! —■ Wij voor ons meenen, aan de betrouwbaarheid, welke de
katholieke pers zich waardig moet toonen, verschuldigd te zijn, ons, bjj
het bespreken der toestanden dier kolonie, te moeten gedragen als trouwe
kopiisten van het aldaar vervaardigde werk, en de enkele bemerkingen,
die van ons zijn, niet zonder inlichting van daaruit te mogen inlasschen.
Wij willen nog aanstippen, dat in het eerstgenoemde stuk (IXde Deel)
vooral een beroep werd gedaan op religieuzen, bij voorkeur wel op
Trappisten. Dezen zouden er een klooster hebben moeten bouwen. Ter-
wijl de Paters er de geestelijke bediening uitoefenden, konden de leeko-
broeders voor het onderwijs benuttigd worden.
-ocr page 183-
— 156 —
bevel, om mot de eerste schcepsgolcgenhcid te vertrekken en
tevens de tijding, dat reeds een ander Geestelijke naar Suriname
op weg was. Daar hij echter Pastoor Van der Horst niet al-
leen wilde laten, meende hij op de aankomst van don beloofden
priester te mogen wachten. Hij wachtte te vergeefs , en bleef
wachten tot de maand December, toen hij het bericht ontving,
dat de bedoelde Geestelijke, uit hoofde van ziekelijkheid, het plan,
om naar Suriname te komen, had moeten opgeven. Waarschijn-
lijk was die priester de Eorw. Heer Willemsen, die een tijd
later werkelijk naar Suriname kwam, doch ook om redenen van
gezondheid weder moest repatrieeren.
Wennckers, wiens vurige ijver door gcene ziekte kon wor-
den nitgcbllischt, besloot nu, daar hij in geen geval zijn mede-
helper in don steek wilde laten, een reeds lang gekoesterd plan
te verwezenlijken, en Opper- en Neder-Nickérie te bezoeken.
Wellicht zou dit reisje heilzaam werken voor zijne gezondheid,
en kon hot tevens bevorderlijk zijn voor de bekeering en zalig-
heid dor hem toevertrouwde kudde.
Na het kerstfeest dan van 1822 , of wel in het begin van
Januari \'1823, vertrok de ijverige priester naar Opper-Nickêrie,
thans Coronie of ook wel eenvoudig de Kust gohecten. Deze
reis geschiedt ter zee, en duurt van 12 tot 24, ja soms, 48 uren,
terwijl de terugreis in den regel tweemaal zoolang is, ofschoon
de afstand op de kaart slechts ongeveer 25 uren bedraagt. Zijn
verblijf op de Kust duurde drie maanden. Hij nam er zijn intrek
op de plantage Novar bij den eigenaar, den Heer Mackensie,
een protestantsch Engelschman. Hij doopte er bejaarden, vol-
wassenen en kinderen, te zamon ten getale van 67, doch, vol-
gens een schrijven van don Wolecrw. Heer Van der Horst, won
hij er 70 zielen voor Jezus Christus, zoodat er drie, die reeds
gedoopt waren, tot don schoot der kerk werden teruggebracht.
Do plantages, welke haar aandeel droegen in de door den
Missionaris gedoopten, waren: Novar met 25, Sfary\'s hope met
38, Bellemie, John, Totnes-i en Clyde ieder met één. Daaren-
bovea trouwde hij vier paren op Novar en drie paren van Ma-
rif s hope.
Toen hij op de Kust aanlandde, vond hij op de plantage
Novar tien gedoopten, van welke slechts drie katholiek waren;
-ocr page 184-
15Ï
op de overige plantages echter, evenals op Nickérie, zouden,
naar een schrijven van denzclfden Missionaris, eene menigte
Portugccsche slaven geweest zijn, die waarschijnlijk allen ge-
doopt waren. Uit een paar brieven van de beide Missionarissen
zullen wij nog eenige bijzonderheden aangaande de Kust en
haren eersten Apostel aanhalen.
Den 22 Januari 182:> schreef Pastoor Van der Horst :
» De Weleerw. lieer Wennekers is thans aan de Zeekust,
gedeeltelijk om te zien of\' de zeelucht eenige verandering in zijn
zwak lichaanisgestel zal aanbrengen, deels op uitnoodiging der
brave echtgenoote van den Weledelgestr. Heer, Majoor Kreijler,
die aldaar, op last van het Gouvernement, een nieuwen post
aanlegt, en wel bijzonder om er verscheidene kleine kinderen te
doopen, en, naar zijn zwak vermogen, onder de daar zijnde
incnschen goed te stichten. God zegene de pogingen, welke deze
zeer geëerde, godvruchtige, in alle opzichten eerbiedwaardige
zielenherder, daar aanwendt, om zijnen dorst naar de zaligheid
der zielen te lesschen : zijn leven strekke mij immer ten voor-
beeld en regel! Echter wenschte ik hartelijk, dat een Geestelijke
uit het vaderland hem verving; want Zijn Eerwaarde zal nog zoo-
lang werken, dat hij er de eene of andere maal onder bezwijkt.
Zijne magerheid alleen wekt reeds het grootste medelijden, ter-
wijl zijne buitengewone zwakheid hein bijna alle beweging ver-
biedt; en toch werkt hij voort zooveel hij kan."
»Ik geloof dat men in Europa, daar Zijn Eerwaarde toch
in het leven blijft, zijnen toestand minder in het oog houdt,
dan men wel behoorde te doen. Eén priester alleen kan op den
duur onmogelijk alles verrichten, dit kan ik met waarheid en
bij ondervinding zeggen. Wie kan al het voordeelige opnoemen,
dat ik moet achterlaten, om het hoogstnoodige en dringendste
waar te nemen? De goede God zal ons, naar ik hoop, uitkomst
geven, en het hart van een mijner ambtgenootcn in de heilige
bediening bewegen, om mij in mijnen arbeid te komen onder-
steunen."
In dezen zelfden brief haalt de Weleerw. Van der Horst
nog de volgende bijzonderheden aan, uit een schrijven van den
waardigen Wennekers zelven:
»Onder het schrijven dezes ontvang ik aangename tijding
-ocr page 185-
— 458 —
van de plantage Novar aan de Zeekust, gedagtcekend van den
15 Januari. Zijn Eerw. schrijft o. a.:
»Ik ben hier op de plantage van den heer Mackensie, een
vriend van O\'Ferrall, en die getrouwd is met eene Roomsche
vrouw. Van dezen man, hoewel protestant, verdient de naam
te worden vereeuwigd, wijl hij, tot beschaming van alle R.-K.
eigenaren de eerste is, die mij met genoegen vergund heeft, al
zijne slaven, die zulks begeerden, 55 in getal, te onderwijzen
en te doopen. Dezen morgen heb ik reeds negen Creooltjes ge-
doopt ; drie van zeven jaren en daarboven heb ik uitgesteld. Het
beste vertrek zijner woning heeft hij ontruimd, om mij eene
kamer gelijkvloers te geven, waar dan ook het altaar staat.
Met één woord, hij behandelt mij als priester. zoo als wij
weinig gewoon zijn behandeld te worden. Ook de heer O\'Neill,
wiens kind ik Zondag gedoopt heb, heeft mij, naar zijn vermo-
gen zeer wel ontvangen, en mij zelfs den eersten avond aan de
geheele macht zijner slaven voorgesteld. Ook heb ik aldaar 25
kleintjes gedoopt. Er zijn hier eene menigte Portugccsche slaven,
die uren ver te kerk komen, doch zeer onwetend zijn; twee
hebben er reeds gebiecht. U Eersvaarde kan wel begrijpen,
dat ik er zwaar onder zucht; want ik heb hier geen medehcl-
per, zooals te Paramaribo."
Van der Horst gaat voort nog eenige bijzonderheden uit
denzelfden brief mede te deelen :
»Zijn Eerwaarde meldt ook, dat de heer Mackensie zijn
paard naar den Majoor Kreyter gezonden had om hem af te
halen, dat hij voornemens is ook naar de Nickérie te gaan, en
begeert, dat ik hem vele rozenkransen en waskaarsen zende.
Dan, ook daar, is de booze geest op de been geweest, om de
bekeering der heidenen te beletten. Zijn Eerwaarde heeft, vóór
dat hij nog één kind gedoopt had, een brief met zware bedrei-
gingen ontvangen van den heer Van der Sclioor, Drost aldaar,
en van den heer Cameron, Hoofdingeland, die schrijven, dat
Zijn Eerwaarde met oproerige voornemens daar gekomen was.
De Weleerwaarde Heer Wennekers heeft hen, in zijn antwoord,
moeten beschamen, en verwezen naar de wetten des lands en
die der kolonie, volgens welke hij ten minste Pastoor is der
Roomsch-Katholieken, en zijne pastoreele bedieningen onder hen
-ocr page 186-
— -159 —
kan uitoefenen. Na dien tijd hoort Zijn Eerwaarde er niets meer
van, en gaat hij voort met het rijk Gods den heidenen te ver-
kondigen."
Tot nadere kennismaking met de apostolische werkzaam-
heden en de gevoelens van onzen ijverigen zendeling, deelen wij
nog het volgend bericht mede uit eenen brief van Novar, ge-
schreven en gedagteekend van den 28 Januari:
«Eindelijk heeft het dan der Goddelijke Goedheid behaagd,
de gebeden van zoovele Nederlandsche godvruchtige katholieken
voor de plantage-negers in Suriname te verhooren. Eindelijk
kan ik den ijverigen weldoeners dezer Missie een allertroostelijkst
nieuws melden. De Heer Mackemie, hoewel eenigszins ge-
schokt door den algemeenen tegenstand, is niet teruggedeinsd.
Zondag 11., den 2(> Januari, heb ik in plaats van vier of zes,
zoo als ik geschreven had, tien groote negers gedoopt, acht
mannen en twee vrouwen, behalve nog drie groote kinderen.
Ik heb gezien, dat ik omtrent de voorbereiding en liet vooraf
lceren der gebeden moest toegeven, daar ik bemerkte, dat het
vrijgeven van werken voor een paar halve dagen, hoewel reeds
toegestaan, de zaak toch zoude omverwerpen. Ik had, in de
scheiding der negers van hunne bijzitten, en in den ijver, dien
zij aan den dag legden, om de avondonderrichtingen en gebeden
bij te wonen, reeds een bewijs van hunne goede gesteldheid.
Wat alles overtreft, en wat ik niet weet, dat ooit in deze Missie
gebeurd is: na toediening van het II. Doopsel, mocht ik vier
paren van hen in den christelijken echt vereenigen, van welke
acht personen vier nicuwgedoopten en drie nieuwbekeerde on-
katholieken waren. Dezer dagen hebben zes onkatholieken ge-
biecht en zich met de Kerk verzoend. \') Nooit is hier een
priester of een predikant geweest, en dat vindt men allertreurigst!
Maar moeten katholieken langen tijd van priesterlijke hulp beroofd
zijn en bevinden er zich predikanten of valsche leeraars, hoe
droevig is dan hun lot niet ? Wij worden hierbij aan eene
treurige waarheid herinnerd, dat namelijk, op andere plaatsen
1) In verband met het vroeger bemerkte moeten we hier niet denken
aan onkatholieken, die, of in het geheel niet, zooals de Mennisten, of
slechts twijfelachtig geldig gedoopt waren.
-ocr page 187-
— 4(30 —
der West-Indiën, waar geen katholiek priester is, do katholieken
schier even hard naar de protostantsche kerk gaan als de pro-
testanten zelven, en daaraan hunne kinderen overgeven, zooals,
God betere het! het geval is in zoovele onzer koloniën. Op Cu-
racao \') en naburige eilandjes, zijn acht-honderd kinderen van
Roomsche ouders zonder doopsel! En hoevele bejaarden of vol-
wassenen sterven niet zonder II. Sacramenten, bij gebrek aan
Geestelijken! Dit alles schreeuwt luide en vermindert het gees-
telijk genoegen, dat ik thans smaak."
»Onder de nieuwgedoopten alhier bevinden zich ook de
bastiaan en zijne vrouw. 2) Nu kan U Eerwaarde en kunnen
onze Brabantsche en Hollandsche weldoeners begrijpen, hoe de
kapelletjes, crucifixen, rozenkransen, kruisjes enz. te pas komen,
vooral om de huizen der nieuwgetrouwden te meubileeren. Be-
halve den directeur van Nouar, die een Fransche Mulat is, heb
ik hier negen gedoopten aangetroffen, van welke te voren slechts
twee katholiek waren. Zoo men daarbij voegt negen kleine
Creolen en de dertien van Zondag, dan zijn er reeds 32 chris-
tenen op deze plantage, en zie, terwijl ik dezen brief schrijf,
komen zeven groote werknegers tegelijk mij vragen om gedoopt
te worden. Eenigen dezer hebben vrouwen, die naar hun zeggen
hetzelfde verlangen koesteren, en van welke zij bereid waren
voor eenigen tijd te scheiden. Dus ook deze laats en hoop ik
aanstaanden Zondag te doopen en te trouwen, zoodat er, onder
Gods zegen, hoop bestaat, dat deze geheele grond een aangc-
namen geur voor God Almachtig zal verspreiden. Dan, wij
moeten blijven waken en bidden; want ook de vijand zal niet
stilstaan. De heer Mackensie heeft reeds vergund, dat wij op
1)   Zelfs zou de ijverige Wennckers eene reis naar Curacao onderno-
nien hebben, als de geneesheeren hem niet reeds in 1822 alle vermoeiende
werkzaamheden verboden hadden. Den \'J December 1821, had Zijne Hei-
ligheid, Paus Pius VII, aan don Prefect der Surinaamsche Missie de fa-
culteit toegestaan om al zijne gewone en buitongewone Apostolische
Volmachten aan zijne medepriesters, in denzolfden wijngaard des lleeren
te kunnen mededoelen, en bovendien veroorloofd, dat de Missionarissen,
die verkregen volmachten, ook in de Missie van Curacao, geldig en
wettig mochten uitoefenen.
2)   De bastiaan is een neger-oprichter, die onder den blankofficier,
d. i. don blanken opzichter, of onder den directeur eener plantage, het
opzicht houdt over de andere negers.
-ocr page 188-
— 461 —
zijnen grond eene kleine kapel bouwen en er alle jaren heen
komen. U Eerwaarde kan wel begrijpen, dat mevrouw Macken-
sie,
die katholiek is, al dat goede schier alleen bewerkt heeft,
en dit, niettegenstaande zij geheel haar leven zonder kerk,
priester enz. geweest is. Nog zeer jong zijnde, is zij van het
eiland Grenada naar Nickêrie gekomen. Zij heeft nog hare
Roomsche moeder en eene blinde grootmoeder van 80 jaren;
ook deze hoop ik binnen kort te bezoeken. Haar vader"
(N. HerbertJ »heeft er meer dan ééne plantage. Ik heb dus
niet zonder reden, sedert zooveel jaren getracht in dit district
te komen, alhoewel ik dit alles niet zonder de grootste ver-
moeienissen doen kan: steeds blijf ik dezelfde, zoo ik al niet lang-
zaam verminder. Hoe het zij, Gods werk moet gedaan worden!
Kan ik geene hulp krijgen, dat men dan toch veel voor mij
bidde, \'om den voor mijne zwakheid zoo zwaren strijd tot het
einde toe vol te houden. Het is zichtbaar Gods hand, die mij
ondersteunt en versterkt."
»1 Februari. — Ik heb sedert twee dagen de koorts gehad,
en dacht\' dat het er met mij op aankwam. Veel beter is hot
nog niet, doch, God dank, ook niet erger. Ook mijn kleine
Jan Brasüie is sedert eenige dagen recht ziek, zoodat hij de
geheele plantage met zijn liefelijke stem niet meer kan ver-
rukken , noch de gebeden aan de negers leeren. Geve God, dat
hij weldra hersteld zij!"
«Ondanks mijne Engelsche circulaires, bijna gelijk aan die
van den 4 October 1820, zendt mij niemand zijne katholieke
negers; en toch heb ik het wederom allernederigst verzocht.
Ik zal dus spoedig afgewerkt hebben. Ondertusschen zie ik veel
ijver in de nieuwgedoopten, vooral in den bastiaan en den
timmerbaas, die ook beiden getrouwd zijn."
Zóóver het verhaal van den Welecrw. Heer Wennekers
zelven; andere bijzonderheden zijn voor ons niet bewaard ge-
worden.
Toen het paaschfecst nu voorbij was, greep de haast ster-
vende Missionaris nog gretig de gelegenheid aan, om zich naar
Neder-Nickérie (d. i. het tegenwoordig eigenlijk gezegde Nicktb\'ie-
district)
te begeven en ook daar het Evangelie te verkondigen.
Op alle gebeurlijkheden bedacht, schroef hij den 31 Maart
11
-ocr page 189-
462 —
(Paasch-Maandag), aan boord van de schoener Coronie nog een
codicil op zijn in Nederland verleden testament, hetwelk door
hem zelven en twee getuigen onderteekend, en door den Land-
drost Van der Scftoor gewaarmerkt was. Hiermede verklaarde
hij zijnekleederen, boeken enz. na te laten aan den Welecrw. Heer
ƒ,. Van der Horst, en verzocht dezen het geld, dat hij hij zijn
sterven onder zich mocht hebben, den armen uit te deelen.
Intusschen was de hemel met den goeden wil des ijvcr-
vollen missionaris tevreden: de kroon, die welhaast zijn eerbied-
waavdig hoofd zou sieren, had de haar eigene volmaaktheid
reeds bekomen. Wegens den bedenkelijken toestand, waarin de
Eerwaardige lijder op zijne voorgenomen Nickérie-reis geraakte,
werd hij naar de stad afgescheept, waar hij, den 5 April, des
avonds, in eene tentboot aankwam. \') De Weleerw. Heer Van
der Horst, die zich in gezelschap van den kerkmeester, J. de
Heyder, aanstonds naar het vaartuig had begeven, vond den
zieke zóó zwak en afgemat, op eene matras uitgestrekt, dat hij
terstond eenige lieden ontbood, om hem zoo zacht mogelijk aan
den oever te dragen. Dit vermoeide den zieke zoozeer, dat hij
op het punt scheen van te sterven, en de Weleerw. Heer Van
der Horst hem de H. Absolutie gaf. Een weinig bijgekomen,
werd hij met veel omzichtigheid naar de halverwege staande
woning van den heer de Heyder, en vervolgens, op verlangen
des zieken, naar de pastorie vervoerd. Des anderen daags,
Zondag den 6 April, was hij, schoon doodelijk zwak, toch iets
beter en verlangde, daar hij in acht weken de H. Mis niet
meer had kunnen lezen, de H. Paasch-communie te ontvangen.
Dit zijn verlangen werd den 7, \'s morgens te half zes, bc-
vredigd. Den tweeden Zondag na Paschen, 13 April, vroeg
de waardige zieke de H. Sacramenten der stervenden, die hem
dan ook na de Hoogmis, in tegenwoordigheid van al de kerk-
meesters, toegediend werden. Dat deze vooral levendig aange-
daan werden, kan wel niet anders; want de stervende ijveraar
van Jesus\' Bruid verhief nu plotseling zijne stem, en verklaarde
plechtig en op helderen toon, dat hij stierf als Priester der
i) Van de Saramacca uit loopt een kanaal naar Paramaribo; langs
dien weg wordt de reis met roeivaartuigeu afgelegd.
-ocr page 190-
— 463 —
oude Roomsche, KaÜtolieke en Apostolieke Kerk, en dat et\'
buiten die Kerk geene zaligheid is.
Onbeschrijfelijk was de in-
druk, welken deze taal op alle aanwezigen maakte. Men be-
schouwde zijne woorden als eene laatste herderlijke waarschu-
wing; eene waarschuwing tegen de heerschende onverschilligheid
in zake van godsdienst, en tegen de zoo algemeene als onge-
rijmde bewering, dat liet om liet even is, welken godsdienst
men belijdt, als men God maar dient;
of wel: dat elke gods-
dienst goed is, wijl allen één en denzelfden God naar hunne
overtuiging dienen, ofschoon de vormen min of meer ver-
schillen.
In den avond van dienzelfden dag sprak de eerbiedwaardige
zieke met veel aandoening deze woorden uit: Scio, cui credidi,
(].
i. ik weet, wien ik mijn pand heb toevertrouwd! Waar-
schijnlijk wilde hij met deze woorden zijn bedroefden ambt-
genoot bemoedigen. Meer en meer begonnen nu de krachten
des zieken te verminderen; in den morgen van den 14 April
1823, om half vier uren, trad hij in een korten doodstrijd, en gaf,
de brandende waskaars mot beide handen omklemmend, zacht
en kalm zijnen geest. Wijl het vertrek des zieken boven de
kerk gelegen was, waren de gewone Vespers daags te voren
niet gehouden; het volk had zich echter in de kerk verzameld,
om in stilte te bidden. Meer dan zeventig geloovigen, be-
halve de blanke wakers bij het ziekbed, vertoefden den ge-
heelen nacht door biddende in de kerk. Het scheen alsof op
hun gebed het lijden van den dienaar Gods verkort werd;
want toen de Eerw. Heer Van der Horst zag, dat de doodstrijd
naderde, had hij de in de kerk vergaderde geloovigen om de
spoedige ontbinding van zijnen dierbaren vriend laten bidden,
en weldra hierop was de reine ziel haar sterfelijk omhulsel ont-
vloden. Toen de Pastoor de tijding van het overlijden in de
kerk bracht, vielen allen weenend aan zijne voeten neder, en
betreurden dezen dood als dien eens geliefden herders en vaders.
Hoe diep ook getroften, toch begon Van der Horst aanstonds met
de geloovigen den H. Rozenkrans, het geliefkoosde gebed des
overledenen, voor de rust zijner ziel te bidden. Bijna aanhoudend
bleven de nieuwe geloovigen in de kerk, of in de nabijheid van
liet lijk, totdat het begraven werd. Drie achtereenvolgende
-ocr page 191-
— 464 —
dagen hield Pastoor Van der Horst Zoo plechtig mogelijk de
uitvaart van zijnen hartevriend. Reeds des Maandags \'s morgens
te 7 uren werd de eerste plechtige requiem-mis gevierd, ter-
wijl des avonds te 6 uren de ziolenvespcrs en daarna de rozen-
krans gebeden werden. Des anderen daags, dag der begrafenis,
werd het eerbiedwaardig lijk, in volle priesterlijke kleeding, des
morgens te 5 uren, processicsgewijze door blanken en klcur-
lingen der gemeente in de kerk gebracht. Met eene waskaars
in de hand, en onder het gezang subvenite sancti Dei, verge-
zelden zij het lijk, dat in een fraaie cederhouten doodkist,
waarop een koperverguld kruis, rustte, tot in het koor der
kerk. Na de metten en lauden der overledenen, zong de Wel-
eerw. Heer Van der Horst den plechtigen uitvaartdienst, onder
welken hij, zielsbedroefd als hij was, slechts een korte, maar
zeer toepasselijke lijkrede uitsprak, naar aanleiding van Psalm
LXVIII, 10: Zehis domus tuce comedit me.
«Gelijk David verslonden werd," dus sprak hij, »door den
ijver voor Gods huis, zóó kon ook de Eerw. Wennekers zeggen,
verslonden te zijn door den ijver voor Gods glorie, vooT de
uitbreiding van het Christendom onder de heidenen, door den
ijver om zielen te winnen, wier verlossing niet minder gekost
heeft dan het Bloed van den Zoon Gods. De Eerwaarde
Wennekers kon zeker geen grooter bewijs geven van zijn ver-
slindenden ijver dan hij gedaan heeft: met een lichaam zoo
zwak, dat hij nauwelijks met groote moeite de H. Mis kon
lezen, ondernam hij eene reis naar de zeekust, en won er ze-
ventig zielen voor Jezus Christus; terwijl hij nog op Paaschdag,
geheel afgemat en op een\' stoel gezeten, aan een neger den
H. Doop toediende. Als een andere Franciscus Xaverius, nooit
verzadigd, begaf hij zich, hoe verzwakt ook, nog scheep, om
naar Nickérie te stevenen! maar op dien tocht gaf God zelf
hem, als het ware, te kennen, dat Hij voldaan was, en hem
weldra het loon van zijnen arbeid zou schenken. Zijn Eerwaarde
kreeg op het schip een zoo hevigen toeval, dat de schepelingen
genoodzaakt waren hem terug te voeren; en zóó zorgde Gods
vaderlijke Voorzienigheid, dat hij, ondanks zijne doodelijke zwakte,
nog weder aan het Fort (Paramaribo) kwam, om de hemelsche
Teerspijs te ontvangen, en verkwikt en versterkt te worden met
-ocr page 192-
— 165 —
dat goddelijk manna, hetwelk hij gedurende zijn leven zoo god-
vruchtig vereerde, on in welks tegenwoordigheid hij zoo menig
nachtuur biddend doorwaakte."
Na het zingen van het Libera en de gebruikelijke ceremo-
niën bij de katafalk, werd het lijk wederom op dezelfde wijze
als bij het inbrengen, uit de kerk gedragen, en onder het ge-
zang In paradisurn ter beaardiging op de kerkplaats in de open
lucht gebracht. Daar kerk en pastorie één waren, en de kerk,
die beneden was, tot ontvangst der genoodigden moest dienen,
werd het altaar of priesterkoor door gordijnen afgezonderd. Het
was half negen geworden eer men optrok, om het lijk van den
onvermoeiden en eerbiedwaardigen Wennékers naar zijne laatste
lustplaats te brengen. Het werd gedragen door twaalf kleurlin-
gen, allen in het wit gekleed, met een zwart rouwfloers om
den linker arm. Vier misdienaars, op dezelfde wijze gekleed,
droegen de slippen van het zwarte lijkkleed, dat van de boven-
zijde met een wit kruis versierd, de kist bedekte. Ter zijde van
het lijk gingen lansdragers en dienaars der justitie, terwijl het
gevolgd werd door den Weleerw. Heer Van der Horst, de
heeren kerkmeesters en eenige zoowel onkatholieke als katho-
lieke notabelen, o. a. den kolonel Bühn, den grootmajoor Kreyter,
den raadsheer Gollenstede enz. De in het wit gekleede nieuwe
geloovigen sloten den stoet. Het lijk werd in den Nieuwen
Oranjetuin,
de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld; later
werd dit graf omheind en met een zerk bedekt.
Des namiddags te vijf uren werden de zielen-vespers en de
rozenkrans in de kerk gebeden. Op Woensdag morgen te negen
uren werden de zielen-metten en lauden plechtig gezongen, en,
onder den daaropvolgendcn gezongen lijkdienst, had Pastoor
Van der Horst het genoegen, een groot aantal geloovigen, zoo
blanken als kleurlingen, tot de H. Tafel te zien naderen. Zoo
eindigde, na het Libera, de uitvaart van den kundigen, schran-
deren, ij vervollen en hoogst verdienstelijken Prefect der Suri-
naamsche Missie, Paulus Antonins Wennékers. Alle geloovigen,
blanken en kleurlingen namen over hem den rouw aan. De
groote man, die zoo al niet de volmaaktste, dan toch zeker de
edelste en krachtigste figuur is geweest in de rij der Surinaam-
sche Missionarissen, en wien niemand den titel van Stichter en
-ocr page 193-
— 166 —
Grondlegger der Sitrinaamsche Missie ontzeggen kan, stierf,
na een verblijf in de kolonie van vijf jaren en bijna vijf maan-
den, op den leeftijd van 33 jaren en ongeveer acht maanden.
De Weleerw. Heer Ludovicus Van der Horst, op wien do
roemrijke overledene, reeds lang voor zijnen dood, den last met
al de volmachten van Pastoor en Prefect der Missie liad over-
gedragen, roemde zeer het gedrag der kerkmeesters, inzonderheid
der hoeren E. J. Van den Bergh en .ƒ. de Hegder, die door
den zalig ontslapene tot uitvoerders van zijn laatsten wil benoemd
waren. Dan, de geheele nalatenschap bestond aan contanten
slechts uit f 355 Sur. Cour., of ongeveer f 150 Holl. Cour.,
welke som evereenkomstig zijne begeerte aan de armen werd
uitgedeeld , terwijl de kosten van begrafenis uit de kerkekas
bestreden werden.
Tevergeefs had men sedert 1822 op een priester, als mede-
helper in de Surinaamsche Missie, blijven wachten. God had
gewild, dat Wennekers, de groote Apostel van Suriname, zich
tot den dood toe voor zijn volk zou offeren. Ook na diens o ver-
lijden moest zijn opvolger nog ruim zes maanden alléén blijven.
Het verhaal der werkzaamheden van Pastoor Wennekers, had,
zooals blijkt uit een brief (opgenomen in »de Godsdienstvriend"
Xde Deel), de roeping beslist van den Weleerw. Heer Joannes
WiUemsen,
die den 15 September uitzeilde, en een en dertig
dagen daarna, op den 10 Octobor 1823, te Paramaribo aankwam.
Hij was in 1797 te Eist in Gelderland geboren, in 1820 tot
priester gewijd én als kapelaan te \'sHeerenberg geplaatst. Nau-
welijks in Suriname aangekomen, begon de jeugdige priester
aan de borst te lijden, bloed op te geven en erg te verzwakken.
Vandaar dat zijn verblijf in de kolonie slechts van korten duur
geweest is. Hij heeft het verhaal daarvan zelf opgesteld, dat
in 1837 in »de Godsdienstvriend" gepubliceerd werd. Eenige
onnauwkeurigheden daarin hebben al den schijn van voort te
komen van de hand eens correctors, die den oud-Missionaris
waarlijk een onhandigen dienst heeft bewezen. Met weglating
hiervan, en zonder ons bijzonder aan den zinbouw te houden,
laten wij het woord aan den Eerw. Heer WiUemsen zelven.
Hij schrijft:
«Mijne ongesteldheid begon van dag tot dag te verergeren
-ocr page 194-
- 467 —
en klom eindelijk zóó hoog, dat de geneesheer mij de keuze liet
tusschen twee uitersten : of wel naar Europa terug te keeren
of binnon kort te Paramaribo begraven te worden. Wijl het den
geneesheer meer dan waarschijnlijk voorkwam, dat ik op mijn
geboortegrond zon hei-stellen, mocht mijne keuze niet lang on-
beslist blijven. Ik moest, hoezeer in mijn voornemen teleur-
gesteld, en hoe ongaarne ook, toch besluiten naar Europa terug
te keeren. Juist omtrent dien tijd kwam de heer Mackensie,
een Engelsch protestant, die mijn reisgenoot naar Suriname gc-
wecst was, om zaken te Paramaribo, en bracht mij een bezoek.
De vele vriendschapsblijken , die hem , op den aanbevelingsbrief
van wijlen den Eerw. Heer Wennekers, door de voorstanders
der Surinaamsehe zending (in Holland) betoond waren, hadden
hem aangespoord, om wederkecrig alle goede diensten aan de
Missionarissen (in Suriname) te bewijzen. Hij verdiende metter-
daad cene vriendschappelijke behandeling om al het goede, reeds
aan den Eerw. Heer Wennekers gedaan, en hij heeft er nog
meer recht op gekregen door zijn gedrag tegenover mij, tegen-
over zijn volk, ja, tegenover bijna alle plantage-houders."
»Deze heer noodigde mij allervriendelijkst uit, met hem
naar Chronie te varen , en daar cenigen tijd te vertoeven. Die
tocht moest eensdeels tot mijn herstel dienen, vermits de zee-
lucht het verblijf aan de kust koeler en gezonder maakt; en
anderdeels vond ik mij daartoe opgewekt, door de verzekering,
dat zijne vrouw en de negers zijner plantage zeer verlangend
waren naar de komst eetis priesters. Onder goedkeuring dan
van den geneesheer werd het aanbod met dankbaarheid aan-
genomen."
»De Zeekust grenst aan Nickérie, dat aan de westelijke
zijde der kolonie ligt. Men vindt er geene andere dan katoen-
plantages. Van eene dier plantages was de heer Mackensie
eigenaar; zij telde omtrent dertig koppen slaven. Hij zelf was
wettig gehuwd met een zekere juffrouw Herbert, die, ofschoon
door een predikant gedoopt, den katholieken godsdienst beleed,
en moeder was van zes kinderen, van welke vijf gedoopt waren.
Echter had zij, vóór het jaar lS\'itf, nooit een priester gezien.
In December 18\'22 was de heer Mackensie te Paramaribo, en
kwam bij die gelegenheid den toestand zijner vrouw aan Pastoor
-ocr page 195-
— 168 —
Wennekers blootleggen. Hij noodigde Zijn Eerwaarde uit, om
aan het verlangen van zijne eclitgenoote naar een onderhoud
met een Geestelijke te willen voldoen, en gaf terzelfder tijd
het bewijs, dat hij de schier algemeene vooroordeelen tegen de
toediening van het 11. Doopsel aan slaven, overwonnen had;
immers hij openbaarde zijn verlangen om al zijne slaven te laten
doopen. De Eerw. Heer Wennekers, hoe zwak hij ook was,
meende toch, dat hij deze gelegenheid niet ongebruikt mocht
laten voorbijgaan. Hij vertrok dus zoo haast mogelijk naar
Coronie. Doch nauwelijks had hij voet aan wal gezet, of hij
vernam de lage kunstgrepen, welke gebezigd waren om mevrouw
Mackensie tegen hen; in te nemen. Die vrouw verhaalde mij
zelve, dat een priester haar was afgeschilderd als een monster
en als het uitvaagsel der menschen. Evenwel, met den goeden
geest bezield, was het genoeg Wennekers slechts een oogenblik
gezien en gehoord te hebben, om aanstonds van het tegen-
deel overtuigd te zijn. Onmiddellijk werd nu een begin ge-
maakt met het bekecren der heidensche plantage-negers; doch
wijl de Eerw. Heer Wennekers zeer verzwakte, kon hij het
dienstwerk niet verrichten, en moest hij al spoedig naar Pa-
ramaribo terugkecren. Zoo vorderde dan ook het belang van
den godsdienst, dat ik de reis met den lieer Mackensie on-
dernam."
»Voorzien van alle Mis-benoodigdhcden, en vergezeld van
een jongeling (als catechist en misdienaar), vertrok ik aan boord
van een kleine schoener. Dit vaartuig, zeer beladen met plan-
tagc-behoeften, bood den platten grond, vaten enz. tot rustplaats;
dan, voor een zendeling van den Gekruiste, zijn lichamelijke
ontberingen zeer geschikte middelen om Gods zegen over de
apostolische werkzaamheden af te trekken. Om den voortduren-
den tegenwind kostte die zeetocht dagen varens. Eindelijk toch,
na vele ongemakken, kwamen wij op de plaats onzer bestem-
ming. In gezelschap van den lieer Mackensie spoedde ik mij
naar zijne plantage, en werd daar met blijdschap ontvangen.
Mijn eerste dienstwerk bestond in het kind mijns gastheers, dat
gedurende zijne reis naar Holland geboren was, te doopen; de
moeder was Gode daarvoor zeer dankbaar. Nu moest er voor
een kerkje gezorgd worden. In het huis van den eigenaar bood
-ocr page 196-
— 169 —
zich geen geschikte plaats aan, weshalve wij daarvoor de dichtst-
bijgelegene ncgerwoning inrichtten. Zoo zou weldra het altaar
van het Lam Gods zicli bevinden in eene slavenhut, die vol
gens den wil des eigenaars voortaan eene bidplaats moest
blijven voor de christenen. Wat herinnerde het treffend aan den
armoedigen stal van Bethlchem! Nu kwamen de negers opdagen
en mij om strijd hunne hulde en eerbewijzing aanbieden. Na de
gedoopten in de kleine bidplaats verzameld te hebben, wees
ik hen op de goedheid Gods, die in mijne zending onder hen
doorstraalde, en op hunne verplichting om van de aangebodene
gelegenheid, voor velen misschien de laatste, een goed gebruik
te maken. Aangaande de gedoopten won ik, op eenige uitzon-
deringen na, de meest bevredigende getuigenissen in: zij waren
ijveriger bij liet werk. en hadden niet zooveel bestraffing en dwang-
middelen noodig als te voren. Ook de heidensche slaven der
plantage kwamen zich aanbieden, om onder het getal der doop-
lcerlingen opgenomen te worden. Ten huize van den heer Mac-
kensie
trof\' ik eene vrije Mulattin aan, van nagenoeg zeventig
jaren, die van een Fransch eiland naar Xickérie was overge-
braclit. Hare herinnering strekte zich zóó ver uit, dat zij wist
eenmaal op haar zevende jaar, de kinderbiecht te hebben ge-
sproken. Sedert dien tijd had zij geen priester meer gezien. Doch
in de laatste dagen was zij met ongeduld de komst verbeidende
van den onverwachten zendeling, die haar door mevrouw Mac-
kensie
(zij had deze bij de bevalling bijgestaan) was aangekon-
digd. De vrouw was met den besten geest bezield, verloor ge-
durende de onderrichting geen oogenblik het geduld, en had het
geluk, met mevrouw Mackenxie hare eerste H. Communie te
doen. Beider vreugde was overgroot. De zeventigjarige trachtte
hare dankbaarheid te toonen, door mij eene verzorging te schen-
ken, als niet beter kon verlangd worden."
»Hot duurde niet lang of mijne aankomst was over de ge-
hcele Kust bekend, zoodat ook de gedoopten van andere plan-
tages mij kwamen bezoeken. Ecnigen dezer waren op een
Spaansch eiland geboren en van de jeugd af christenen geweest.
Toen ik den eersten Zondag de H. Mis las, was het kerkje
reeds tamelijk gevuld. Ik begreep spoedig, dat het hoofddoel
mijner reis, het herstel namelijk van mijne gezondheid, ten ge-
-ocr page 197-
— 170 —
volge der vele werkzaamheden, en daaraan verbonden onophou-
delijko inspanning, wel niet bereikt zoude worden; doch liet
vooruitzicht van zielen voor Jezus Christus te winnen, stelde
mij er schadeloos voor, en troostte mij overvloedig. Op de Zon-
dagen had ik geen oogenblik rust: altijd boden zich eenige
volwassenen aan om gedoopt te worden. Somtijds klom het ge-
tal zelfs tot vijftien, zoodat liet onderwijs en de doopplcchtig-
heden veel tijd innamen. De oogst ware ongetwijfeld zeer groot
geweest, indien de duivel geene voorstanders had gevonden, om
het goede tegen te werken."
»De eigenaars of beheerders der andere plantages bewezen
mij alle vriendschap. Ten einde mij niet te vermoeien, als ik
mij naar hunne plantages wilde begeven, kon ik vrij over hunne
paarden of muilezels beschikken. Zulke diensten bewezen zij
gaarne, mits ik maar niet sprak van hunne slaven te doopen.
Natuurlijk wilde ik van die voorwaarde hunner vriendschap niet
weten; integendeel, zij dwong mij de verklaring af, dat ik
iederen door mij onderzochten en wel voorbereiden neger, om
het even wiens slaaf hij ware, doopen zou, en to:inde hun, dat
het bevel van Jezus Christus bij mij zwaarder woog, dan hunne
vriendschap. Geen het minste leed is mij door die verklaring
berokkend, en de voorzorgen die tegen mij in acht genomen
werden, hebben niet kunnen beletten, dat ik mij ten laatste
over een gezegenden oogst mocht verblijden. Ik mag niet ver-
geteu hier nog in het voorbijgaan te vermelden, dat mij het *
geluk te beurt viel het eerste, buiten Paramaribo, in den echt
geboren, slaven-kind te doopen."
»Na afloop mijner voornaamste bezigheden, moest ik de
niet alle dagen voorkomende gelegenheid, om naar Paramaribo
terug te koeren, niet ongebruikt laten. Paschen, dat op handen
was, vorderde ecnigermate mijne tegenwoordigheid in de stad.
Evenwel de schoener, op welke ik inscheepte, zeilde vooreerst
niet verder dan tot de monding der Co/ipename, waar wij onder
gunstigen wind spoedig aankwamen. Ik nam er de voorberei-
dende werkzaamheden tot ontvangst der melaatschen in oogen-
schouw; deze laatstcn moesten eerlang daarheen overgebracht
worden. Er is een militaire post, bestaande uit een luitenant
met eenige manschappen. Aan mijn verzoek om met de katho-
-ocr page 198-
— 171 —
lieke soldaten (zoo er waren) te kunnen spreken, werd door den
luitenant voldaan; maar ik had het geluk niet, hen tot het
ontvangen der H. Sacramenten te kunnen bewegen. Ik be-
hoefde dus hier niet te vernachten, en vertrok daarom nog den-
zelfden dag met eene tentboot, van dien militairen post naar
eenc aan de rivier de Saramacca liggende suikerplantage, waar
ik vernachtte. In dezelfde richting voortvarende kwam ik op de
hoogte van den Boasi- of Leprozen-grond (de plantage Voor-
zorg).
Hiertegenover bevindt zich een andere militaire post met
één kapitein en dertig soldaten. De kapitein had medelijden met
mij, toen hij vernam dat ik de melaatschen bezoeken wilde. Ik
mocht de rivier, welke tusschen beide ligt wel oversteken, doch
de negers, die mij zouden brengen, mochten daar geen voet aan
wal zetten. Op een gegeven sein zou men mij weder terug-
halen."
»0p mijn verzoek aan den directeur werden de christenen,
honderd vijftig in getal, bijeengeroepen. Toen zij voor mijne
oogen verschenen, moest ik de verschrikkelijke verwoesting
aanschouwen, welke de ware en vergevorderde mclaatschheid
op het nienschclijk lichaam aanricht. Wat wenschte ik die diep
vernederde menschen hartelijk geluk, met het licht des geloofs,
waardoor zij leerden hunne ware grootheid te stellen in een
goed levensgedrag, in christelijke onderwerping aan den II. Wil
van God en andere deugden! Van de samenleving der menschen
verstoken, en van allen menschelijken troost beroofd, kunnen zij
toch gelukkiger zijn dan vele anderen, die, naar de wereld, ge-
lukkig en groot zijn. In den namiddag doopte ik daar een kind,
hoorde eenige biechten, en bezocht de bedlegerige zieken; tegen
den avond werd ik, op het gegeven toeken, naar den militairen
post teruggehaald. Dit was Zaterdag. Zondag morgen begaf ik
mij andermaal naar den Boasi-grond, las de H. Mis, en verrichtte
er mijne verdere priesterlijke bedieningen. Zondag-avond aan-
vaardde ik de reis naar Paramaribo, waar ik den volgenden
dag aankwam." Hier eindigt het verhaal van den Weleerw.
Heer Willemsen.
Hij bezocht de Kust, juist één jaar na het bezoek van
Pastoor Wennekers, en diende het H. Doopsel aldaar toe aan
74 personen, zoo volwassenen als kinderen. Van dat getal be-
-ocr page 199-
— 172 —
hoorden 16 tot de plantage No var, 34 tot de pi. Man/s Jiope,
9 tot de pi. Sarah, 10 tot de pi. Leasowes, 4 tot de pi. Belle-
vue,
5 tot de pi. Totness en 1 tot de pi. John. Nog zegende
hij 10 huwelijken in, namelijk 7 paren van de pi. Man/s hope
en 3 paren van de pi. Novar.
Waarschijnlijk was hij in het begin van Januari 1824 naar
de Kust vertrokken; en hij verbleef daar tot het begin van
Aj ril. Den 3 April was hij nog niet te Paramaribo teruggekeerd,
zooals blijkt uit een brief van den kerkmeester E. J. Van den
Bergh
aan mevrouw Douarière Boent Van Alkemade, waarin
deze, onder dagteckening van den 3 April 182-4, over Zijn Eer-
waarde het volgende schrijft:
»De Weleei\'w. Heer Willemsen houdt zich, gedeeltelijk
voor zijne gezondheid, nog steeds aan de Niekêrie-kusl op. Deze
brave en achtenswaardige jonge man, in gevestigde reputatie
zoo buiten als binnen onze gemeente, heeft ook weer het groote
ongeluk bloed op te geven. Het zou mij ontzaglijk leed doen,
als Zijn Eerw., om het vermeerderen dier kwaal, weder zou
moeten repatriêeren."
Dan, twee maanden na zijne terugkomst van dien gezegen-
den apostolischen tocht naar Coronie, moest hij, uit hoofde van
zijne borstkwaal, den 26 Juni 1824, naar Nederland terugkeeren,
den ZeerEerw. Heer L. Van der Horst alléén achterlatend.
De herhaalde pogingen, later (na den dood van den Zeer-
Ecrw. Heer Van der Horst) door de kerkmeesters aangewend,
dat toch de Wcleerw. Heer Willemsen, al was het slechts voor
één enkel jaar, in gezelschap van een ander priester, zou terug
komen, bewijzen genoegzaam, dat hij zich in Suriname achting
en liefde had weten te verwerven. De kennis van het negeren-
gelsch had hij zich spoedig en goed eigen gemaakt, reden, waar-
door de kerkmeesters hun verzoek vooral ondersteunden. Des-
niettegenstaande is er nooit gevolg aan gegeven.
Op zeven-en-twintigjarigen leeftijd verliet Willemsen de
kolonie, en verwisselde het Missionarisleven met de geestelijke
bediening in Nederland. In 1830 weid hij Pastoor te Nijkerk
in Gelderland, en in 1840 te Arnhem. In het jaar 1848 werd
hij Pastoor te Duiven en Aartspriester van Gelderla)id. Hij
was de laatste der voormalige Aartspriesters van Gelderland,
-ocr page 200-
— 173 —
daar deze, bij de wcderinvoering der kerloelijke hiërarchie in
1853, vervielen. Oud-Aartspriester bleef hij nochtans het ambt
van Pastoor tot 1859 te Duiven waarnemen. Intusschen was hij
twee-en-zestig jaren oud geworden, en werd toen emeritus, of
rustend-Pastoor, te Arnhem. Ridder van de Spaansche orde van
Isabella la Cattolica, en Geheim Kamerheer van Z. PI. Paus
Pius IX, werd de verdienstelijke oud-Aartspriester en Pastoor
in 1868 nog verheven tot Proost van het Mctropolitaan-Kapittcl
van Utrecht, in welke waardigheid hij te Arnhem, den 25 Au-
gustus 1871, in den ouderdom van 74 jaren is overleden.
Ludovicus Van der Horst, kapelaan en medehelpcr van
den Eerw. Wennekers en Amsterdammer even als deze, was in
November 1817 met hem te Paramaribo aangekomen. Met ver-
lof der Geestelijke Overheid had hem de Prefect, reeds den 29
Mei 1822, de herderlijke bediening overgedragen. Na diens
overlijden bleef Van der Horst, als Pastoor en Prefect aan liet
hoofd der Missie, en betoonde zich zijn grooten voorganger vol-
komen waardig. Met uitzondering van de acht maanden, welke
de Eerw. Heer Wïllemsen in de kolonie doorbracht, was hij
tot zijnen dood, den 31 Juli 1825, de eenige priester op geheel
het grondgebied van Suriname.
Zoolang hij den Eerwaarden Wennekers nog als kapelaan
ter zijde stond, deelde hij met hem de H. Bediening. Nochtans
werd hij door dezen bij voorkeur gebruikt voor den dienst der
kerk te Paramaribo, voor het onderwijs der doopelingen en
nieuwe christenen, voor het predikambt, den biechtstoel en het
bezoek der zieken. Volgons Mgr Grooff\' z. g. was Van der
Horst
het toonbeeld van een echt volksmissionaris. Altoos blij-
gemoed vond men hem tot alle diensten bereid. Zoo van natuur
als door genade was hij zachtaardig en lieftallig; hij muntte
uit in zedigheid en bescheidenheid; eenvoudig en nederig van
harte, was hij daarenboven een man van gebed en van verster-
ving. Aller harten wist hij in te nemen. Zonder de kerkelijke
tucht maar ecnigszins uit het oog te verliezen, of aan cene rek-
kelijke verdraagzaamheid toe te geven, had hij zich bij katholiek
en niet-katholiek bemind gemaakt. Ofschoon de ijver, waarin
hij uitmuntte, meer ijver des medelijdens kon genoemd worden
wist hij toch, zoo noodig, ook krachtig op te treden. Zijn forsche
-ocr page 201-
— 474 —
Stem en zijne krachten stelden hem hiertoe in staat. Een grootcn
dienst bewees hij daardoor aan zijnen Prefect, die, hoe bekwaam
<m ijverig ook, echter veel te zwak was, en daarom het ver-
moeiendste werk aan zijnen kapelaan moest overlaten. Wenne-
kers
en Van der Horst waren twee echte menden, die, ofschoon
van een verschillend karakter, elkander altoos verstonden, hoog-
achtten, beminden en tot hetzelfde grootc doel steeds eendrachtig
samenwerkten. De grootc en ijvervolle Wennekers kon steeds
rekenen op de deugd en de liefdevolle gehoorzaamheid van zijnen
ambtgenoot, en verheugde zich over de vruchten van diens
arbeid; de goede en nederige Van der Horst zag met eerbied
op naar zijn verstandigen, kundigen, ijvervollen, vastberaden en
heiligen Pastoor, en beschouwde hem als zijnen raadsman, zijn
hechten steun en het gestadig voorbeeld van alle deugden. Niet
zonder eene goddelijke beschikking had Wennekei\'8 een zoo hei-
deren en vluggen blik ontvangen; hij was de man, wiens oog
alles overzag, die nadacht, naar tijd en omstandigheden schreef,
sprak, regelde en beval, eindelijk, die krachtig wist op te tre-
den, zonder de zachtmoedigheid te kwetsen en eene wijze terug-
houdcnhcitl te verwaarloozen. Daar echter lichtelijk afkeer wordt
opgevat tegen den vermaner en berisper, inzonderheid tegen den
invoerder van onbehagelijke en den afschaffer van genoegelijke
dingen, zoo was het eene wijze en gelukkige beschikking, dat
de Eerwaarde Van der Horst, langs den weg der overreding,
en met de hem eigene goedaardigheid, zalve kon aanbrengen
en olie kon gieten op de geslagen wonden, en die genezen.
Eenigc regelen door Pastoor Van der Horst na het overlijden
van zijnen Prefect aan den Mede-Aartspriester, J. Van Ban-
ning
\') geschreven, zullen het reeds gezegde bevestigen. Die
brief was van den 24 April 1823:
1) ƒ. Van Banning, Pastoor van Zoctrrwoude, stond den hoogbe-
jaarden Aartspriester J. Cramn; gedurende de twee laatste jaren van
diens leven, als Coadjutor ter zijde, en volgde hem op in zjjne bediening.
De Hoogw. ./. Cramcr was Protouotarius Apostolicus. Doctor in de
H. Godgeleerdheid en i« de Wijsbegeerte, en {(> jaren lang Pastoor in
liet Maagdenhuis te Amslcrilam. IIjj stierf, den 9 Maart 1824, in het
80"le jaar zijns levens, het 5üs" zijns priesterschaps, het 13J* van zijn
Aartspriesterschap, als een man rijk aan deugden en goede werken,
wiens nagedachtenis in zegening blijft.
-ocr page 202-
— 475 —
»Het is niet zonder gevoel van aandoening, dat ik mij in
de noodzakelijkheid geplaatst vind uwe Amplitudo de treurige
tijding te zenden, dat mijn Zeereerwaarde, godvruchtige, ij ver-
volle en zeer geleerde Collega, de Weleerw. Heer P. A. Wen-
nekers,
Pastoor dezer gemeente en Prefect der Missie, in den
vroegen morgen van den 1-i April, dit kortstondig leven met
het eeuwig gelukzalig leven, zoo ik vertrouw, heeft verwisseld.
Welgemoed zag Zijn Weleerwaarde zijne nakende ontbinding
te gemoct, en het kon niet anders in een man, als hij, die al
zijne krachten had uitgeput tot uitbreiding van Gods grootcn
naam onder de heidenen, en tot zaligheid der zielen. Mijne pen
is onbekwaam het verlies te melden, dat ik met het afsterven
van Zijn Weleerwaarde heb geleden, die mij als biechtvader,
voorganger, raadsman" (met één woord) »in alles dierbaar was.
Dan ik aanbid met onderwerping Gods H. Wil; het is de o ver-
ledene, die mij daarvan zoo menigmaal het voorbeeld heeft
gegeven. U Hoogeerwaarde zal betrekkelijk de ziekte, het af\'ster-
ven, de uitvaart en begrafenis breedvoeriger verslag krijgen
door den heer Eustace, wonende ten huize van mevrouw
Douarière Roest van Alkemade te Amsterdam. De hoeren kerk-
meesters, die den overledene alle achting hebben bewezen, ver-
trouwen dat U Hoogcerw. alles zal aanwenden, om mij zoo
haast mogelijk een Collega te zenden, gelijk U Hoogeerw. uit
hunnen brief zal vernemen. Ja, Hoogeerwaarde Heer, ik voeg
mijn wensen bij den hunnen, en bid u toch alle middelen bij
de hand te nemen, opdat ik niet alléén blijve; want hoe gezon-
der en sterker ik ben, hoc spoediger het misschien op eens met
niij zal gedaan wezen; en het valt zoo hard zonder biechtvader
te sterven, en de gehecle gemeente te moeten prijs geven! Hoe
verblijd was de nu zalige overledene, na met de H. Sacranun-
ten bediend te zijn! Hoc deugdzaam en godsdienstig iemand
ook wezen moge, gelijk Zijn Eerwaarde het werkelijk was,
sterven zonder bediening valt toch hard. Voor mij zelven dus,
opdat ik niet verplicht worde zonder biechtvader te blijven, en
ook om de gemeente bij mijne ongesteldheid niet herderloos te
laten, zal U Hoogeerwaarde, naar wij vertrouwen, ons welhaast
met een nieuwen Collega verblijden."
Pastoor Van der Horst bleef, gelijk wij reeds verhaald
-ocr page 203-
— 176 —
hebhen, zes maanden alléén vooraleer een Collega kwam, een
Collega echter, die slechts een halve was, en na acht maanden
den goeden Pastoor, tot aan diens dood, dat is ruim een ge-
heel jaar, alléén in Suriname achterliet. Wat hij gevreesd
had, gebeurde: hij stierf\' zonder Sacramenten, doch kalm en
gelaten, zooals wij verdei1 zien zullen, op den 31 Juli 1825.
De geestelijke bediening ging onder Pastoor Van der Horst
op deiizelfden voet door. Hadde hij een medehelper kunnen bc-
komen, dan zou er zeker nog meer geestelijk werk verricht
zijn; want, vermits hij te veel werkzaamheden vond, zelfs te
Paramaribo, kon er niet aan gedacht worden, de Kust, het
Fort Nieuw-Amsterdam, en Voorzorg of later Batavia met de
ecne of andere, van de reeds door Wennekers bezochte plan-
tages, te bereizen.
Evenwel, eene maand ongeveer, nadat de Eerw. Heer
Willemsen in Suriname was aangekomen, nam Pastoor Van
der Horst
de gelegenheid te baat, om op uitnoodiging van den
Gouverneur A. de Veer, de pi. Voorzorg (den Leprozen-grond
aan de Stramacca), ongeveer acht ïi negen uren van de stad,
te bezoeken,.1) aan gedoopten en nietgedoopten het Evangelie
te verkondigen, de ongelukkige bewoners met God te verzoenen,
hen te vermanen, te troosten, te bemoedigen, en hen door het
gebed en de deelneming aan de H. Sacramenten te sterken,
en in hunne goede voornemens te bevestigen.
In datzelfde jaar was bij het Gouvernement besloten, de
melaatschen van den grond Voorzorg te verwijderen, en naar
het meer afgezonderd Batavia, aan de rivier de Coppename,
ongeveer twee mijlen van hare monding, te vervoeren. Reeds
1) Mgr Grooff verzekert, dat Pastoor Van der Horst de eerste ge-
woest is, die den melaatschen van Voorzorg een bezoek bracht. W\'en-
nekrrs
nochtans, die de Saramaaa, lang vóór Van der Morst, bezocht,
zal wel al liet mogelijke beproefd hebben, om aan die ongelukkigen
den troost van den godsdienst te verschaffen. Op den 2 Juni •18-20
wendde zich de ijverige man, in een schrijven, tot den 1""" luitenant
S Hesw, directeur van Voorzorg met het verzoek om aan de besmotte-
lingen te willen voorstellen, of zij niet zouden wensehen door een
priester bezocht te worden. Blijkens antwoord van genoemden luitenant
van den 20 Juni, waren de melaatschen daar zeer verlangend naar, en
hadden zij hem verzocht, zulks aan Zijn Eerw. bekend to maken.
-ocr page 204-
— 177 —
in de voorgaande eeuw, vóór liet jaar 1786, werd do behoefte
aan eene inrichting tot verpleging van Boasi-lijdcrs sterk ge-
voeld, en, wijl de melaatschheid alle jaren meer en meer uitge-
breidheid kreeg, bij herhaling in het Hof van Suriname bespro-
kcn. Er werd op aangedrongen, dat het Gouvernement eene
plaats zou aanwijzen, waar de behoeftige leprozen, afgezonderd
van de overige bevolking, konden verpleegd worden. Eindelijk
werd in 1790 de plantage Voorzorg, gelegen aan de toenmaals
nog onbebouwde oevers der Saramacca, hiertoe bestemd. Een
rond jaar verliep inct den aanleg van dit toevluchtsoord der
ellende. Den 21 December 1791 werden eenige besmette neger-
slaven als eerstelingen daarheen gebracht. Na de bebouwing en
bevolking der Saramacca, werd deze inrichting minder doelma-
tig, ja zelfs schadelijk geoordeeld, uithoofde der dichtbij gelegene
plantages, en der onmogelijkheid, om de besmettelingen ge-
noegzaam afgezonderd, en buiten aanraking met de gezonde bevol-
king te houden. Zoo kwam men er toe om den leprozen-grond,
Batavia,
die nog bestaat, en vroeger een militaire post was,
aan te leggen, en de melaatschcn van Voorzorg daarheen te
voeren. De eerste overbrenging der leprozen van Voorzorg naar
Batavia had waarschijnlijk plaats in het jaar 1824; de besmet-
telingen werden in twee afdeelingcn, met zekere tusschenpoos,
per pont vervoerd. \')
Op Voorzorg dan bezocht Van der Horst in November
1823 de melaatschen. Gedurende de dagen, welke hij er door-
bracht, doopte hij (18 November) 95 besmettelingen, klein en
groot, terwijl 12 huwelijken van daar verblijvende melaatschen
1) Volgens Jhr C. A. van Sypesteyn, «Beschrijving van Suriname"
r.ou de overbrenging in het jaar 1823 hebben plaats gehad, ja, volgens
in Suriname berustende schriftelijke aanteekeningen, zou de Zeereerw.
Heer Van der Horst hen zelf begeleid hebben, en met hen den 19 No»
vember te Batavia zijn aangekomen. Wij kunnen het een, zoo min als
het ander, in overeenstemming brengen met het reisverhaal, dat wij
reeds hebben medegedeeld, van een geloofwaardig getuige, den Weleerw.
Heer Wülemsen. Daaruit blijkt duidelijk, dunkt ons, zoowel dat in het
begin van April 1824 nog geen melaatschen op Batavia waren, als dat
Voorzorg nog met 150 katholieke leprozen bevolkt was, zonder te
spreken van de nog heidensche bevolking. Evenwel werden toen de
voorbereidselen, tot ontvangst der besmettelingen, te Batavia gemaakt.
Suriname.                                                                                                      12
-ocr page 205-
— 178 —
kerkelijk werden ingezegend. Dit verklaart hoe Wülemsen er
zoo vele katholieken konde aantreffen. Het is niet bekend of de
Zeereerw. Heer L. Van der Horst, na het vertrek van zijn
tijdelijken Collega, die in April 1824 te Voorzorg geweest was,
andermaal een herderlijk bezoek aan de Boasi-lijders te Voorzorg
of te Batavia gebracht heeft; \'t is zelfs niet waarschijnlijk.
Eenige regelen uit een langen brief door Van der Horst
nog vóór den dood van Wennekers geschreven, kunnen ons
nog verder betrekkelijk zijne herderlijke ambtsbezigheden in-
lichten. Die brief is gedagteekend van 22 Januari 1823.
»Juist toen ik deze onaangename tijding ontving", (de on-
gunstige beschikking op het ten vorigen jare ingediend request
om eene som van f 200000 Sur. Cour. voor den bouw der
nieuwe kerk), «meldde zich een gereformeerde bij mij aan, om
katholiek te worden. Dat beurde mij op. Sedert den 22 No-
vember heb ik weer veertien volwassenen gedoopt, en aanstaanden
Zaterdag doop ik er weer vijf\'. Ik reken hier niet bij de kleine
kinderen, die mij soms drie of vier tegelijk worden aange-
bracht. Op Driekoningendag heb ik er tien tot de H. Communie
aangenomen, en een paar zwarten getrouwd. Vóór de Vasten
zal dit voorbeeld nog door vijf paren worden gevolgd. Zaterdag
voor Kerstmis heb ik eenen militair ter dood moeten geleiden.
Zeer welgemoed, droeg hij, van de gevangenis tot de gerechts-
plaats, openlijk het kruis, en hield dit vastgeklemd, tot hij den
doek voor de oogen kreeg. Na hem, in dien staat, voor het
laatst gevraagd te hebben, of hem nog iets bezwaarde, liet ik
hem, nadat hij mij zijne gerustheid had te kennen gegeven, de
woorden uitspreken: »Vader in uwe handen beveel ik mijnen
geest." Hij herhaalde die met alle tcekenen van overgeving;
toen weck ik ter zijde, en aanstonds viel het schot,.... hij
was getroffen, en gaf niet het minste teeken van leven meer.
Na een kort gebed voor de rust zijner ziel, toog ik weer van
de strafplaats naar de kerk, en aan mijne bezigheden" (tot
voorbereiding van het Kerstfeest). »Dcn volgenden Maandag
hielden wij zijne uitvaart, bij welke meest alle R.-K. militairen
tegenwoordig waren.
»Wat een groote menigte toen op de been was, en naar
het kruisbeeld heenzag !... Hij ruste in vrede 1"
-ocr page 206-
im
»Ik was aangedaan bij het doodsbericht van mijn waar-
digen ambtgenoot, den Wcleerw. Heer Van Leeuwen. Hij ruste
in vrede! Laten wij ook in Gods wil berusten. Zoo plechtig
mogelijk hebben wij zijne uitvaart en de maandclijkschc gc-
daehtenis gevierd, door \'s avonds te voren de zielen vespers, en
ook \'s morgens vóór de H. Mis, de Metten en Lauden der over-
lcdcnen te zingen."
»In de vorige weck heb ik weer een sterk bewijs gekregen
van de onverdraagzaamheid der protestanten. Een meester en
twee negers, die zich aan moord hadden schuldig gemaakt,
moesten het doodvonnis ondergaan. Ik had mij reeds lang te
voren aangeboden om hen, na de uitspraak, te bezoeken. Nu
vernam ik, daags vóór de executie, dat het Hof besloten had,
er de hernhutters bij te roepen. Ik begaf mij hierop naar den
Fiscaal, die mij hetzelfde bevestigde. Als reden , waarom men
zulks gedaan had, gaf hij op: dat de hernhutters eene sekte
zijn, die tusschen beide ligt,
en de drie administrateurs van de
plantage," (tot welke de veroordeelden behoorden), »van ver-
schillenden godsdienst waren, de een katholiek, de ander gerefor-
meerd en de derde luthersch. Toen dit mij vreemd voorkwam,
wijl ik mijnen dienst te voren had aangeboden, vroeg hij mij,
na lang praten: »Wilt gij er dan ook naar toe gaan, en samen-
werken?" Ik.zcide hem, dat samenwerken niet ging, maar dat
ik er wel heen zou gaan, als de hernhuttersche leeraar Heijman
er reeds geweest was en niet wederkwam. Daarop scheidden
wij. Tehuis gekomen voelde ik mijn geweten niet gerust. Ik
schreef daarop twee briefjes, één aan den heer Fiscaal, om een
bewijs van toegang tot de gevangenis te verzoeken, en een
ander aan den gevangenbewaarder, om te vernemen of do
hernhuttcr-leeraar er al of niet geweest was, en of hij ook
terug zou komen. De cipier, een katholiek, antwoordde mij,
dat hij zelf den heer Fiscaal verzocht had mij te roepen,
doch dat deze zulks belet had; hij voegde er bij, dat de
hernhutter-predikant er reeds geweest was, en ook zou
terugkomen. De heer Fiscaal zeide aan den brenger des
briefs, dat hy mij zoude antwoorden. Dan, hiervan zal weinig
komen."
Deze vóórtrekking der hernhutters boven de katholieken
-ocr page 207-
— 480 —
werd na verloop van tijd nog veeh duidelijker; ja, met betrck-
king tot de Gouvernements-slaven was die algemeen.
Nog vóór de aankomst van den Weleerw. Heer Willemsen.
ontving Prefect Van der Horst incdedeeling van het Koninklijk
Besluit, van den 21 April i8c2\'3, waarbij een traktement be-
paald was van negen duizend gulden Sur. Cour. (f 3600 Holl.)
voor den Pastoor van Suriname, en voor ieder der kapelaans,
die voorloopig twee moesten zijn, cene toelage van vijf duizend
gulden Sur. Cour. (f 2000 Holl.) in het jaar.
Ofschoon de Weleerw. Heer Willemsen, eerst na uitvaardi-
ging van dit Besluit, uit Nederland vertrokken was, schijnt
hij het kapelaanstraktcment toch niet genoten te hebben; al-
thans het koloniaal Gouvernement maakte zwarigheid om het
uit te koeren. Hij was reeds lang vóór de toekenning der trak-
tementcn besloten, zich aan de Missie toe te wijden, en had
geen bewijs, dat hij door de Regeering voor de Surinaamschc
Missie was uitgezonden. Geldelijke ondersteuning van Regeerings-
wege is nooit een lokaas voor R.-K. Geestelijken geweest, om
naar Suriname te komen. Van de vestiging der Missie af, bleef
het voor de Geestelijke Overheid steeds een punt van de grootste
bezorgdheid, het voldoende aantal priesters voor de kolonie aan
te werven.
Eene groote aanwinst voor de West-Indische Missiën, was
de benoeming van den Zeereerw. Hoogwelgeboren en Hoogge-
leerdcn Heer Cornelius Ludovicus Baron van Wijkerslooth,
Heer van Schalkwijk en Professor der H. Godgeleerdheid in het
Seminarie te Warmond, tot Procurator dezer Missiën. De Vice-
Supcrior der Hollandsche zending, Mgr. Ciamberlani, deed deze
benoeming en aanstelling eerst door twee particuliere brieven
van den 11 Juli en den. 15 September 1823, en later den 17 Fe-
bruari 1827 door een publiek schrijven, waarin Zijne Hoogw.
met Apostolisch Gezag, de voorgaande benoeming en aanstelling
bekrachtigde, en den Zeereerw. Heer Professor, opnieuw en
voor altijd, benoemde en aanstelde tot geestelijken Procurator
der Missiën van Suriname en Curacao. Als beweegreden dier
benoeming gaf Mgr. Ciamberlani op, dat hij geen krachtiger
middel had kunnen vinden, om die twee Missiën, voor welke
zoo moeilijk priesters te bekomen waren, en die zoolang herdcr-
*
-ocr page 208-
— 181 —
loos of door een ongenoegzaam getal Geestelijken bediend
waren, voortdurend van goede Missionarissen te voorzien. Daar
immers de Zeereerw. Heer Professor de studenten in de H. God-
gelecrdlieid onderwees, eu de gave bezat van de harten zijner
leerlingen te winnen, kon hij de inborst, de zeden, het verstand
en de kunde van elk hunner leeren kennen, en de geschiktste en
ijverigste kwcekelingen des heiligdoms, tot edelmoedige aanvaar-
ding der apostolische werkzaamheden opwekken, en tot welge-
wapende Missionarissen vormen. De Vice-Superior had zich niet
bedrogen; Professor van Wijkerslooth toonde zich voor zijne taak
berekend, weshalve hij drie jaren daarna op Apostolisch Gezag
in het ambt van Procurator in spiritualibus der Missiën van
Suriname en Curar;ao bevestigd werd. De Procurator, die in
1832 tot Bisschop benoemd en in 1833 gewijd werd, had echter
geene rechtsmacht over de Geestelijken, noch beheer over de
goederen der Missie; hij was de voorstander harer belangen,
en bezorgde haar herders en Missionarissen.
Met dit geestelijk ambt was ook innig de zorg voor het
tijdelijke der Missie verbonden. Daar de persoonlijke gegoedheid
des Procurators, zoowel als de ruime middelen zijner familie,
en zijne invloedrijke betrekkingen met vermogende en hoogge-
plaatste personen, hem in staat stelden, in menig opzicht der
Missie en den zendelingen hulp te verleenen, zoo werd de Hoog-
waardige Procurator in spiritualibus tevens een verdienstelijk
Procurator in temporalïbus. De geschiedenis zal dit bewijzen.
Na den dood van den Weleerwaarden Heer Wennekers, en
zelfs reeds eenige maanden vroeger, kwam de zorg voor het
tijdelijke der Missie, en voornamelijk dé bekommernis omtrent
de nieuw te bouwen kerk, met al de gewone werkzaamheden
tot het heil der zielen, op Pastoor Van der Horst, als Hoofd
der Missie, drukkend neder. Met zijn zieken ambtgenoot had hij
vurig naar een Gode waardig kerkgebouw verlangd. Eene
stoute daad was toen beproefd, om namelijk, door koninklijke
tegemoetkoming in staat gesteld te worden, eene steenen kerk
te bouwen. Door die eerste weigering op het gedaan verzoek
niet afgeschrikt, deed men nu een tweede aanzoek bij Zijne
Majesteit, evenwel zonder eenige som te bepalen. Maar de om-
standigheden waren ongunstig. Het beraamde plan moest dus
-ocr page 209-
182
blijven rusten, te meer ook, wijl nog op bijdragen uit Nederland
en Suriname gerekend werd. Den 22 Januari 1823 schreef
Pastoor Van der Horst:
ü>Er blijft ons weinig hoop over tot het verkrijgen van ecne
ruime kerk, ten ware de Voorzienigheid de reeds gegeven gelden
door nieuwe milde giften kwame vermeerderen, en ons in staat
stelde te kunnen zeggen: T>Onze kerk is een monument van de
•»liefdadiglieid en de godsvrucht der Nederlanders!"
"Waarlijk
het zou stichtend zijn voor de heidenen, eene kerk te zien, gc-
bouwd van de liefdegiften der geloovigcn. Mocht dat eens ge-
beuren, wat zouden onze nieuwe geloovigcn dankbaar zijn, en
welk plechtig Te Deum zouden wij, bij de voltrekking van zulk
een tempel den Allerhoogste aanheffen ! Ik voor mij zend
mijne zwakke gebeden te dien einde hemelwaarts, alsook de
gezongen Mis op Vrijdagen voor de weldoeners \'van kerk en
Missie."
Het slot van dezen langen brief luidt aldus:
»Zoo dikwijls ik over de puinhoopen onzer afgebrande kerk
ga, voornamelijk sedert het ongunstig antwoord van het Gou-
vernement, moet ik mij zeer bedroeven, daar de giften uit het
vaderland ontvangen, gevoegd bij die welke hier zijn ingezameld,
op verre na niet toereikend zijn om eene, cenigszins ruime kerk
te bouwen, die het dagelijks toenemend getal geloovigen (groo-
tendecls onvermogenden) kan bevatten. Treurig is die gedachte!
Maar wij hopen op Gods Voorzienigheid, en zenden onze ge-
beden hemelwaarts, opdat de harten der gegoede katholieken
van het vaderland, zoo in de Noordelijke als in de Zuidelijke
Provinciën, mogen opgewekt worden, om door hunne milde
giften de nog ontbrekende gelden bijeen te brengen. Zij mogen
ons in staat stellen eene kerk te bouwen, die, ofschoon eenvoudig,
toch ruim genoeg zij, om onze schapen bij het breken van het
goddelijk woord, te kunnen verzamelen, en den H. Dienst
met dien luister te verrichten, welke aan God toekomt! Welaan,
ware godsdienstvrienden! weest onzer arme kerk gedachtig, en
slaat in den geest een medelijdend oog op de puinhoopen van
ons vernield Godshuis, \'t Is waar, na den ongelukkigen brand,
die onze oude kerk in een puinhoop veranderde, werd reeds
met zooveel liefde eene collecte gehouden in de meeste kerken
-ocr page 210-
— 483 —
van Nederland; doch brengt nog iets bij, hoe weinig ook, tot den
opbouw dezer kerk! Uwe giften zullen ons in staat stellen, om in-
geval de bijeengevoegde aalmoezen voor eene steenen kerk niet
toereikend mochten wezen, ten minste eene houten kerk te
bouwen."
Zoo was het van wege de priesters en het kerkbestuur,
aanhoudend bedelen, om de noodige som bij elkaar te krijgen.
In de laatste twee jaren nochtans was het fonds voor de nieuwe
kerk bijna tot tweemaal de sorn van den 21 Maart 1822 ge-
stegen. Destijds bevond zich tot dat einde in de kerkekas eene
som van f 41246 Sur. Cour., en den 26 Februari 1824
f 73010 en 3 stuivers Sur. Cour. Daarom was men nu van
gedachte niet langer meer te moeten wachten, maar zijne
plannen naar de beschikbare middelen te moeten wijzigen.
Er bood zich eene gelegenheid aan, om het tooneelgebouw
y>de verrezene Phoenix", in eigendom aan het Israëlitisch too-
neelgezelschap toebehoorend, aan te koopen. De Weledele Heer
E. J. Van den Bergh werd daartoe gemachtigd. Hij sloot den
koop van de comedie, met bijgebouwen en erf, tot den prijs
van f70000 Sur. Cour. of ongeveer f 24000 Ned. Cour., bij
onderliandsche akte op den 23 Maart, en bij openbare koopakte
en transport op den 24 Maart 1824. Nu bleef de groote moci-
lijkheid de noodige sommen te vinden, om het gebouw voor een
gedeelte tot kerk, en voor een ander tot pastorie in te richten
De bouwmeester TV. de Vroome eischte, voor het inrichten tot
kerk alléén en voor een torentje , eene som van f 64000 Sur.
Cour.; waar deze te vinden? Evenwel besloot men er toe over
te gaan. Intusschen ontving Pastoor Van der Horst, in No-
vember 1824, een verblijdend schrijven van den Zcereerw. Heer
Procurator der Missie, die het kerkbestuur aanraadde de ver-
timmering van het gebouw te voltooien, en ter oorzake van
gemis aan genoegzame penningen, het werk niet onvolmaakt
te laten. Zijn Eerwaarde gaf hun te verstaan, dat hij in Neder-
land voor de noodige geldmiddelen wel zou zorgen. Daarop be-
sloot men ook de pastorie {Van der Horst had zich bereid ver-
klaard een klein zijgebouw op het erf der comedie te betrekken,
daar er geen geld was voor eene pastorie) in orde te brengen,
en f 25000 Sur. Cour. daarvoor uit te geven. Eene geldleening
-ocr page 211-
184
van f 40000 Sur. Cour. werd nu, op raad van den Baron van
Wijkerslooth,
in Februari 1825 aangegaan, en zoo was men in
staat de vertimmering door te zetten, en in 1826 te voltooien.
De groote geldquaestie was opgelost! Het werk werd aange-
vangen, reeds verblijdde zich de Pastoor in eene dichtbijzijnde
toekomst, en zie, de zoo gezonde, zwaarlijvige man-wordt, den
24 Juni 1825, op eens van eene ernstige koorts aangetast. Wel
was hij de eerste drie dagen nog niet geheel aan het ziekbed
vastgekluisterd, en las hij Zondag, den 20 Juni, nog met
veel moeite de H. Mis, doch dat was ook de laatste maal. De
koorts nam in hevigheid toe, en bleek weldra eene gevaarlijke
rotkoorts te wezen, waaraan hij, den 31 Juli 1825, overleed.
Den 27 en 28 Juni, riep de zieke dikwijls om den heer Van
den Bergh,
zijn vertrouwdsten vriend, die echter om zijne ambts-
bezigheden van heemraad, juist in de Commewijne vertoefde.
De Heer de Heijder, een ander vriend en kerkmeester van
Pastoor Van der Horst, liet nu den heer Van den Bergh ont-
bieden, die zich zoo haast mogelijk naar de stad spoedde. De
zieke onderhield zich met hem over alles, wat omtrent kerk
en parochie, bij een onverhoopt verscheiden, moest gedaan wor-
den, en benoemde hem met den heer de Heijder tot zijne
executeurs-testamentair. Altoos kalm, geduldig en Gods H. Wil
aanbiddend, stichtte hij allen, die hem bezochten. De geheele
stad trok zich den geachten Pastoor aan. Zelfs in al de prote-
stantsche kerken, werden, ongevraagd, openbare gebeden voor
zijn behoud gedaan. De Gouverneur met zijn adjudant kwam
hem in persoon bezoeken. Dr. Kühn, de Chef van het hospitaal,
die hem sedert lang had leeren hoogachten, en nu zijn gewone
geneesheer was, toonde alle belangstelling in den zieke, en
werd di arom door iedereen geprezen, ofschoon hij het dierbaar
leven, dat een oogenblik aan het gevaar scheen te ontsnappen,
niet mocht behouden.
De heer Van den Bergh was zeer gesticht over al de
blijken van achting en liefde, van geloovigen, oppassers en be-
dienden, jegens zijn beminden Pastoor bewezen. Vooral stond
hij verwonderd over de edelmoedige offer vaardigheid van een
jongen gehuwden kleurling, Antony Baspin, die sinds twee jaren
door de kerk voor f 2000 Sur. Cour. was aangekocht, om als
-ocr page 212-
— 485 —
tweede koster dienst te doen, en hiermede zijne vrijheid lang-
zamerhand te verdienen. Sedert lang reeds had hij de hoogach-
ting verworven, en nu bleef hij nacht en dag ter zijde van den
Pastoor, die zijne diensten ook niet gaarne ontbeerde. De heer
Van den Bergh moest den ijver van den braven jongeling
matigen, om hem wat meer rust te verschaffen. ,
Pastoor Van der Horst stierf op Zondag, den 34 Juli, des
avonds, om half acht uren, met een kalm en vriendelijk gelaat,
het kruis in de ééne, en de gewijde kaars in de andere hand,
zonder ecnig tecken van schok of ontroering te geven. Hij was
slechts 37 jaren oud, toen hij, na een verblijf van zeven jaren
en acht maanden in do kolonie, tot ontvangst van het over-
groote loon, voor zijne liefde en edelmoedige zelfopoffering, werd
opgeroepen. De Weledele Heer Van den Bergh bezong zijnen
ontslapen herder in een eigenaardig treurdicht, dat wij, niet
om deszelfs dichterlijke waarde, maar als de ongekunstelde
ontboezeming van een oprecht katholiek gemoed, hier mede-
deelen. De vijf coupletten stellen den priester-missionaris in een
helder daglicht:
«Gesierd door deugd en vrome zeden,
Vol ijver bij elk priesterplicht,
Wierd \'t moeilijkst steeds met vreugd verricht
En \'t werkensuur was altijd \'t heden.
Geen mid-nachtstond, geen mijlige enden, \')
Geen pestlucht hield den held terug;
Nooit aarz\'lend, blijgemoed en vlug,
Zag elk spelonk hem der ellenden.
Aan disch, in aardsch gemak armoedig,
Wars van den zweem van overdaad,
Doch, op het eerst bedrukt gelaat
In \'t vroolijkst geven overvloedig.
1) Geen verre afstanden.
-ocr page 213-
— 186 —
» Drang \') op elk rang tot plichtbetrachten!
Johannos, Paulus soms in toon:
Maar... heul voor d\'ongcschoeiden zoon!
Dwang voor al \'t koude, om hem te achten.
Geen Horst meer hier! uit droef gewemel
Daar, waar hem \'t zalig koor begroet,
Waar hij zijn God als Heer ontmoet,
Zijn vriend 3) als burger van den hemel.
»9 Augustus 1825.
De begrafenis van den Weleerw. Heer Van der Hord was
in zekeren zin nog deftiger dan die van den Prefect Wennekers.
Den 1 Augustus, \'s morgens te 10 uren, werd het lijk, in vol
misgewaad, in de kerk uitgesteld, terwijl het altaar met zwart
behangen en met veel licht bezet was. Het baarde verwondering
dat men op het gelaat van den ecrwaardigen overledene , die
zwaarlijvig en in een heet klimaat aan de rotkoorts gestoiven
was, bij het dekken dei- kist en vóór het uitdragen, gccne ver-
andering kon bespeuren; integendeel een lach van vergenoegen
stond er op afgeteekend. Ook gaf het lijk niet den minsten
reuk af, zoodat het noodeloos was kruiden en reukwerken te
branden. Om vijf uren trok de lijkstoet naai\' de algemeene
begraafplaats, den Nieuwen Oranjetuin, waarop een graf naast
dat van zijnen ambtgenoot P. A. Wennekcrx, voor den over-
ledene was aangekocht. Het lijk werd gevolgd door zeventig of
tachtig blanken, waaronder Zijne Excellentie de Gouverneur met
zijnen Staf, de heer Fiscaal, de Boekhouder-Generaal, verscheidene
leden van het Hof van Politic, de President van het burgerlijk
Gerechtshof, al de Secretarissen, het College van kleine zaken
en andere colleges. Hoewel de toeloop van aanschouwers ont-
zaglijk groot was, hcerschte er niettemin de grootste orde en
1 ■) Als een liefderijke .Ionunes spoorde hjj elkeen , van welken rang
ol\' stand ook, tot plichtbetruchting aan. Do ongeschoolden of\' de slaven
en behoet\'tigen beminden hem als hunnen helper en vertrooster, en zelfs
de onverschilligen, do koudon, waren gedwongen hom te achten.
\'2) Zijnen vriend, den Weleerw. P. A. Wennekers, den 14 April 1823
overleden.
-ocr page 214-
— 187 —
de eerbiedigste stilte. Het graf werd met een hek omgeven,
zooals dat van Pastoor Wennekers, terwijl liet kerkbestuur
twee zerken uit Nederland liet komen. Na ontvangst hiervan
was men voornemens een request in te dienen, om de twee
ijveraars der Missie bij de nieuwe kerk te mogen begraven;
doch eerst eenige jaren later, in Februari 1832, werd daaraan
gevolg gegeven.
In eene vergadering van het kerk- en armbestuur, na de
begrafenis gehouden, werd besloten den thesaurier van het kerk-
bestuur, E. J. Van den Bergh, tevens tot President te benoe-
men, en aan Zijnedele de leiding der zaken op te dragen. Deze
was, door den zalig ontslapene, volkomen ingelicht omtrent de
te volgen gedragslijn in het toedienen van den H. Doop, in het
sluiten van huwelijks-contractcn, in het bezoeken der zieken,
zoowel in het hospitaal als in particuliere woningen enz. Dage-
lijks zouden de gebruikelijke avondgebeden in de kerk verricht,
en daarna de rozenkrans voor de zielerust van den overleden
Pastoor gebeden worden. Zondag \'s morgens zou men den Hoog-
dienst vervangen door gezangen, door de Misgebeden te lezen,
door de litanie en den rozenkrans te bidden. En \'s Zondags
\'s avonds moest er eene onderrichting (catechismus) in het neger-
engelsch worden gehouden. Ook zou men elke maand in de
kerk te zamen komen, om eene gedachtenis te houden van den
ontslapen Pastoor en voor hem te bidden. De bouw der kerk
moest met allen ijver worden voortgezet, om gereed te kunnen
zijn bij de aankomst van een nieuwen priester, welken de heer
Van den Bergh verzocht werd, met aandrang van den Procu-
rator al\' te smeeken.
Op Dinsdag, den 2 Augustus, was de kerk over vol om de
uitvaart van den Pastoor te vieren. Men las de Metten der
overledenen voor; men bad vervolgens rozenkransen, litaniën
enz., waarna de heer Van den Bergh, alvorens tot verzegeling
der gewijde zaken over te gaan, een woord van opwekking tot
de geloovigen richtte. Nu werd het H. Tabernakel, waarin zich
bevonden de Monstrans met de H. Hostie, de Ciborie met
eenirje kleine Iwstiën,
de reliquie van het II. Kruis en het
zilveren hostie-busje tot bediening der zieken, in aller tegen-
woordigheid verzegeld. Terwijl dit plaats had ontstond eene
-ocr page 215-
— 188 —
levendige aandoening door de gehccle kerk. Waarlijk aandoon-
lijko plechtigheid, die niet door Rubrieken verordend, maar door
allcrtreurigstc omstandigheden gevorderd werd. Gecne der hei-
lige zaken werd bij die verzegeling aangeraakt. Den sleutel des
Tabernakels borg men bij de miskclken en ander zilverwerk,
de corporalen en kelkdoekjes in een glad houten kistje, terwijl
de H. Olion met toebchooren in een ander kastje bewaard werden.
De koster A. Ras pin en zijne vrouw werden voor het huis-
houdelijke der Pastorie aangesteld. De twee jongelingen Jan
Brasilie
en Kavel Cleans, door de Pastoors opgeleid om de
gebeden voor de zieken, de catechetische onderrichting en den
nooddoop te doen, werden door Van den Bergh met vaderlijke
goedheid, doch tevens, opdat zij hun plicht niet zouden vergeten,
met eene gepaste strengheid behandeld. Zij waren destijds jon-
gelingen van veel aanleg en goede zeden, die veel van zich
deden verwachten, en bewezen goede diensten in de kerk en bij
de zieken; tijdens de ziekte en na den dood van Pastoor Van dei-
Horst
doopten zij elf personen. Dan, het vervolg huns levens
heeft, helaas, niet aan dit goed begin beantwoord.
Gedurende dit herderlooze tijdvak werden twee huwelijks-
verbintenissen voor kerkmeesters gesloten.
Het getal personen, door de kerk onderhouden, beliep den
17 Augustus 1825, vijftien; meestal verlaten kinderen, zoo
vrijen als slaven, die door de Geestelijken waren opgenomen.
Later ontdeed men zich van dezen last, en behield men slechts
zes slaven, wien men in 1849 de vrijheid toestond.
Onder leiding van den heer E. J. Van den Bergh, die
recht tegenover de nieuwe kerk in de Gravenstraat woonde,
d. i. in de tegenwoordige Pastorie, ging de kerkbouw vooruit en
werd in het begin van 1826 voltooid. Het front der kerk had
het uiterlijk aanzien der comedie behouden, uitgenomen het
torentje met het kruis daarop, en het volgend door Pastoor
Van der Horst of door den Hoogeerw. Heer M. Van der Wey-
den
vervaardigd jaarschrift: lx Isto transfIgUrato LoCo
officrIMUs nUxC soLI Df.o Vero. \') Dit jaarschrift, in den loop
1) d. w. z.: »In dezo van gedaante veranderde plaats offeren wij nu
aan den alleen waren God." liet «offerimus nunc" (offeren wij nu) werd
-ocr page 216-
- 189 —
der jaren door een ander vervangen, werd door Mgr Swinkets
z. g. weder hersteld. Deze kerk, waarop bij herhaling vele kos-
tcn gevallen zijn, is veel te klein geworden voor de tegenwoor-
dige katholieke bevolking, en vcreischt, uithoofde van bouwval-
lighcid, zóó groote reparatiën, dat men bij den aanvang dezes
jaars (1883) begonnen is een nieuw ruimer kerkgebouw, om
het oude heen, op te richten, om het, zooals wij hopen, bij
gedeelten te voltrekken.
Meermalen hebben wij in den loop van dit hoofdstuk de
namen genoemd van de kerkmeesters /. de Heijder en E. J.
Van den Bergh.
Van den eerstgenoemde is ons weinig meer
bekend, dan dat hij ten jare 1820 huwde, als katholiek huisva-
der en als kerkmeester zijne plichten stichtend vervulde, en
vele diensten bewees aan kerk en Geestelijken. Hij bekleedde,
althans in 1825, de betrekking van gequaliiiceerd eersten ge-
zworen klerk (zooveel als notaris) en stierf in 1832.
De Weledel Achtbare Heer Ernest Josepli Van den Bergh,
in 1775 te Amsterdam geboren, kwam onder het Engelsch
Bestuur, in 1812, in de kolonie, en bekleedde, na verloop
van eenige jaren de eereambten van Heemraad en Raadsheer
aan het Hof van Politie en Crimincele Justitie. Deze bedieningen
vervulde hij, onder het Hollandsch Bestuur, tijdens het verblijf
der Weleerw. Hcercn Wennekers en Van der Horst, en tot
zijn vertrek uit de kolonie. In het jaar 1819 werd hij kerk-
mcestcr, en vervulde die betrekking met allen lof, achtereen-
volgens gedurende elf jaren. Als secretaris en thesaurier van
het kerkbestuur werd hij steeds bevestigd, en hield als dusdanig
de briefwisseling met de edele weldoeners en weldoenstcrs der
Missie. Hij beijverde zich vooral voor de nieuwe kerk, en zorgde
voor de stipte nakoming van alles, wat Pastoor Van der Horst
hem op zijn sterfbed gelast had. Hij was ongehuwd, en een
hoogst fatsoenlijk en godvreezend man. Gelijk hij de vriend was
geweest van Wennekers, Van der Horst en Willemsen, zoo
was hij het ook van den Hoogeerw. Heer Van dei\' Weijden
eigenlijk eerst in het jaar 1826 bewaarheid, ofschoon het kerkgebouw
in het jaar 1825 voor den H. Offerdienst volkomen gereed was.
-ocr page 217-
— 190 —
en den Eerw. Heer ./. Grooff, hunne opvolgers. Onder de Pre-
fectuur van den Hoogecrw. Heer ./. Grooff in 1830, keerde hij,
nu vijf en vijftig jaren oud, naar Holland terug. Hij werd bur-
gemeester te Lissc, (Zuid Holland), on stierf daar op acht-cn-
zestigjarigen leeftijd, in den nacht van den 1 op 2 Januari 1844.
Daags vóór zijnen dood, op oudejaarsdag 1813 mocht de brave
man nog den troost genieten een vriendschappelijk en verecrend
bezoek te ontvangen van Mgr van Curium, Baron van Wijc-
kerslooth
en van Mgr J. Grooff, Bisschop van Canéa i. p. i. Bei-
den stelden de verdiensten van den eerbiedwaardigen grijsaard
op hoogen prijs. Op den dag der uitvaart begaf zich de Bis-
schop van Curium
naar Lisse, om er het H. Misoffer voor de
zielrust van den verdienstelijken overledene aan God op te
dragen.
Wij besluiten dit hoofdstuk met een algemeen verslag van
de apostolische werkzaamheden.
1.  Van den 21 November 1817 tot het einde van 1825
staan in de doopboeken aangeteekend, zoo aan volwassenen als
kinderen toegediende doopsels:
In het doopboek van de stad .... 1182
» »
         »           » Coronie .... 141
» »          »          » Bataria ....         90
te zamen 1419
2.  De trouwregisters geven aan: in de stad (met de twee
onder Van den Bergb)..........74 paren
Op Coronie.........17 »
Op Batavia.........12 »
te zamen 103 »
3.  Tot de eerste H. Communie toegelaten:
In de stad............64
Op Coronie............2
te zamen 66
A. Onder de bovengenoemde toegelatenen tot de eerste H.
Communie waren bekeerlingen uit de eene of andere secte-
kerk...................6.
5. Het sterfregister der stad geeft sterfgevallen aan van
Volwassenen en kinderen ten getale van......594.
-ocr page 218-
— 1!M —
Mgr Grooff x. g. heeft ten jaro 1832 eene opgave gedaan
van 1378 doopsels, 95 huwelijken, 64 eerste communiën en
532 sterfgevallen van kinderen en van volwassenen, die van de
H. Sacramenten der stervenden voorzien waren. Deze opgaven
strooken niet met de bestaande registers. Wellicht zijn die later
gecompleteerd. Het getal eerste communiën in de stad schijnt veel
te laag opgegeven, als men bedenkt, dat, reeds in \'t jaar 1821,
veertig eerste communiën hadden plaats gehad. Een register
van dien tijd ontbreekt.
Het sterfregister, dat niet alle katholiek overledene/i van
Suriname bevat, noch ook zich uitsluitend bij stadbewoners en
berechten bepaalt, geeft ons geen maatstaf tot beoordeeling der
katholieke bevolking.
/
-ocr page 219-
Vr HOOFDSTUK.
Van de oprichting der Apostolische Prefectunr, op het
einde van 1825, tot het begin van het Provicariaat
van Suriname, in 1843.
Door do bemoeiingen van den Zeercerw. Procurator der
Missie, werden twee priesters aan de II. Congregatie de Propa-
ganda
voorgesteld, om in den wijngaard, door Wcnitekers en
Van der Horst aangelegd, voort te werken. Zij waren Marti-
nus Van der Weyden
en Jacobus Grooff, die beiden door de
H. Congregatie tot apostolische Missionarissen benoemd werden.
De eerste kreeg zijne aanstelling als Apostolisch Prefect, en
werd van gewone en buitengewone volmachten voorzien, zoo
voor zich als voor andere medearbeiders, die er op zijn gezag
en onder zijn bestuur, bet H. Dienstwerk verrichten zouden. In
1800 te Aadanderveen geboren, ging hij reeds spoedig met
zijne ouders naar Nieuwkoop (sommigen hebben hem, bij ver-
gissing, als van Nieuwkoop geboortig te boek gesteld), waar
hij zijne kinderjaren doorbracht. Terwijl hij zijne theologische
studiën deed, was hij tevens Professor te Oud-Hageveld, in
welke betrekking hij (intusschen priester gewijd in 1824) tot
aan de sluiting der Seminaiien verbleef. \') Toen hij Apostolisch
Prefect
benoemd werd, telde bij slechts 25 jaren.
Zijn even jeugdig ambtgenoot, Jacobus Grooff, was den
3 Augustus 1800 te Amsterdam geboren, en den 19 Augustus
1825, na cene nog niet geheel voltooide theologische studie
aan het Seminarie van Warmond, tot priester gewijd. Daar
hij aan voldoende kennis zeer veel godsvrucht, ijver en edel-
1) Bij gelegenheid zijner eerste H. Mis, stelde Mgr. Broere z. g. een
gedicht op, dat in de verzameling van Mr J. F. A. Leesbery te vinden is.
Zie «Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem," 12\'\'"
deel, l\'* aflevering, blz. 16.
-ocr page 220-
— 193 —
moedigheid paarde, was de keuze, onder de bestaande omstan-
dighcden, op den Ecrw. J. Grooff gevallen. Worden zoodanige
benoemingen ook slechts door nood afgeperst, zij getuigen in den
regel van bijzondere deugd en bekwaamheid in de betrokken
personen.
Alvorens in December 1825 de reis naar zijne Prefectuur
te ondernemen, trachtte de Hoogcerw. Van der Weyden, de
liefdadigheid van Necrlands katholieken zoo sterk mogelijk te
prikkelen. Hij beoogde het liefdefonds van Wennekers te besten-
rligen en uit te breiden, en aan de liefdegaven een vasten loop
en eene geregelde bestemming te geven. Tot dat einde gaf hij
eene brochure in het licht, en werden twee dames-commissiën,
die het middelpunt der weldadigheid zouden wezen, opgericht:
eene te Amsterdam en eene te \'s Gravenhage. Te Amsterdam
bestond ze uit vrouwe G. M. Steins Bisschop, geb. Koek, vrouwe
E. J. Ten Sande, geb. Van den Berghen, en mejuffrouw C. J.
Van Berckel;
en te \'s Gravenhage, uit vrouwe E. van Griensven,
geb. Berntz
en mejuffrouw A. Van Straten.
Op den 8 Februari 1826, des avonds om half zeven uren,
zetten de twee jeugdige priesters, tot groote blijdschap der ka-
tholieken, te Paramaribo voet aan wal. Aan de monding der
Suriname, vier uren van Paramaribo, werden zij door den kerk-
mecster ./. G. de Heyder en de arrnmeesters Richard OTerratt
Je
en P. Büdeker verwelkomd, en namen daar plaats in de
tentboot, die hen, met in het wit geklecde neger-roeiers bemand,
kwam afhalen. De Gouverneur A. de Veer, bij wien zij zich
naar lands gebruik aanstonds aanmeldden, toonde hun de meeste
welwillendheid. Zij spoedden zich vervolgens, van eene menigte
nieuwsgierigen omgeven, naar de woning van den heer Van
den Bergh,
op wien de zorg voor kerk en kerkelijke zaken
hoofdzakelijk was neergekomen, en die zich in waarheid zeer
verdienstelijk gemaakt had. Als engelen uit den hemel werden
zij daar ontvangen. De nieuwe kerk met pastorie, die recht
tegenover zijne woning lag, werden nu eerst bezichtigd. Daarna
begaven zij zich, onder geleide van genoemden heer, naar het
eerbiedwaardig huis, waar het Allerheiligste Sacrament in het
verzegeld Tabernakel rustte, en dat Wennekers en Van der
Horst
door hunne deugden en hun zaligen dood geheiligd hadden.
13
-ocr page 221-
— 494 —
Aanbiddend en dankend vielen zij neder, en smeekten ootmoedig
den God der Tabernakelen, hunne zending te willen zegenen. En
wat zij gevoelden? »Het verleden en de toekomst, droefheid en
blijdschap," aldus schreef de Ecrw. Grooff, «maakten dien eer-
sten nacht slapeloos." Voor hem was dit slechts het voorspel der
vele slapclooze nachten, die hij in Suriname zou doorbrengen!
Zooveel de omstandigheden het toelieten, besteedden onze
Missionarissen de eerste drie dagen tot geestelijke afzondering.
Op Zondag den 12 Februari las de Eerw. Heer Grooff de eerste
H. Mis in de oude huiskerk, en assisteerde vervolgens den Hoogeerw.
Prefect bij de ontzegeling des Tabernakels in den Hoogdienst. Die
plechtigheid werd met niet minder aandoening bijgewoond dan
die, waarmede de verzegeling der H. Bewaarplaats geschied
was; gelukkig was zij van een geheel tegcnovergestelden aard.
Met recht mocht de Prefect, naar aanleiding van Ps. LUI. 18.
thans spreken over Gods barmhartigheden : voluntarie sacrificabo
tibi et confitebor nomini tuo Domine, quoniam bonum est.
Op Zaterdag den 4 Maart 18\'26 werd de nieuwe kerk plech-
tig ingezegend, en toegewijd aan de HH. Apostelen Petrus en
Paulus.
Voor de laatste maal werd dien morgen het H. Offer
in de oude huiskerk, door den Eerw. Grooff, aan God opge-
dragen. Bij de inwijding der nieuwe kerk en den Hoogdienst
daarin, door den Prefect opgedragen, waren de Gouverneur met
zijn Staf,
de Hoven van Politie en Civiele Justitie, alle bur-
gerlijke en militaire Autoriteiten
tegenwoordig. De Prefect hield
daarbij ten slotte eene leerrede over de billijkheid en de nood-
zakclijkheid van den uitwendigen eeredienst, naar aanleiding der
tekstwoorden III. Reg. VIII. 18. 19.: Et alt Dominus ad David,
patrem meum: quod cogitasti in corde tuo cedificare domum
nomini meo, bene fecisti, hoc ipsum mente tractans. Verum-
tamen tu non wdificabis mini domum, sed fdius tuus
, qui
egredietur de renibus tuis, ipse wdificabit domum nomini meo.
En de Heer zeide tot David: gij hebt in uw binnenste het
plan gevormd om een huis te bouwen voor mijnen Naam
, en
gij liebt wel gedaan, reeds door dit in uwen geest vast te
stellen. Echter niet gij zult mij een huis bouwen
, maar uw
zoon, die uit u zal geboren worden, hij zal een huis bouwen
voor mijnen Naam.
-ocr page 222-
- 195 —
De eerste zorg van den Prefect, na de wijding der kerk,
was nu, zieledicnsten te houden voor de overledenen, inzonder-
heid voor Pastoor Van der Horst en de overledene weldoeners
der Missie.
Slechts drie dagen vóór de aankomst der priesters was een
der kerkmeesters, Lodewijk Tlwnus, na tevergeefs om priester-
lijke hulp gebeden en gesmeekt te hebben, overleden. Die brave
man liet eene bedrukte weduwe na met vier kinderen. De Prefect
schonk haar uit medelijden vrije woning in het huisje ■, op het
kerkterrein aan de straat gelegen, en nam haar, tegen behoor-
lijke vergoeding, in dienst, om de huishouding der pastorie waar
te nemen. De priesters zelven bewoonden de nieuwe pastorie
achter de kerk.
De Hoogeerw. Heer Van der Weijden kwam in de vurig-
heid van een Elias, en nam dicnsvolgens maatregelen, welke
van zeer groote energie getuigen. Zoo wilde hij, dat voortaan
aan katholieken, die hun paschen niet hielden, geen vaste zit-
plaatscn in de kerk afgestaan werden. Zijn opvolger (zelf toch
heeft de ijverige man er hot uitwerksel niet van beleefd) kon
zich in die aangenomen stelling onmogelijk handhaven.
In twee woorden vermelden wij, wat op stoffelijk gebied
onder dezen Prefect plaats vond. Eerstens werd de bouw-
meester der nieuwe kerk afbetaald. De kerk echter bleef met
eene schuld bezwaard van ongeveer f 16000 Ncd. cour., welke,
daar een verzoekschrift om subsidie, aan het Ministerie van Eerc-
dienst in September 1820 gericht, zonder gevolg bleef, eerst onder
den opvolger van den Hoogeerw. Heer Van der Weijden is kunnen
gedelgd worden. Het plan zijner eerbiedwaardige voorgangers,
om kerk en kerkhof te vereenigen, trachtte de Prefect vervol-
gens tot uitvoering te brengen. Den 18 Juli 1826 diende hij bij
den Gouverneur een verzoekschrift in, om de aanzienlijke strook
gronds achter de kerk en aan de overzijde der Sommelsdijcksche
kreek
gelegen, tot begraafplaats te mogen aanleggen; doch de
vergunning hiertoe bleef achterwege.
De eerste, helaas ook de laatste apostolische tocht van den
Hoogeerw. Heer Van der Weijden was naar de melaatschen,
en had plaats in de maand September 1826, toen de bcsmette-
lingen omstreeks twee jaren naar hun nieuw afzonderingsoord,
-ocr page 223-
— 496 •
Batavia, waren overgebracht. Hun getal bedroeg ongeveer drie
honderd. Eene der hutten zegende hij, den 17 September, tot
oratorium of bid plaats, en doopte er, van 21 tot 30 September,
120 personen, over welke de katholieke Directeur van het
etablissement, ./. II. Hek, althans voor een gedeelte, doopborg
bleef. Ook op stoffelijk gebied was er op Batavia veel te ver-
beteren, zoowel wat de huisvesting en verzorging der melaatschen,
als vooral de geregelde loozing van het overtollige boschwater
aanging. De werkzaamheden van den Missionaris waren zóó
vermoeiend en afmattend geweest, het gevoel van medelijden
had hem zóó sterk aangegrepen , de ontbering wellicht ook en
de verpesting der lucht, met de ongewoonheid van het klimaat,
hadden zóó nadeelig op hem gewerkt, dat hij door eene ziekte
werd aangetast, aan wier gevolgen hij spoedig zou bezwijken.
Van der Weijdcn plantte te Batavia aan den rivierkant een
houten kruis, ter plaatse waar een kankantrie, de afgod der
heidensche negers, gestaan had. Dien boom had hij doen om-
houwen, of liever, naar luid van eene andere lezing, zou een
rukwind dien boom hebben neergeworpen, daar zelfs de christen
negers, uit vrees van wraakneming op hun eigen personen, niet
gaarne hunne handen leenden, om zulken boom neer te vellen.
Toen hij den 10 of 11 October te Paramaribo terug was,
nam de koorts zoo sterk toe, dat zijn leven in gevaar kwam.
De Eerw. Heer J. Groojf voorzag zijnen Prefect van de laatste
H. Sacramenten, en sprak daarna zelf zijne biecht aan den ster-
vende. Van der Weijden wenschte, dat zijn gering geldelijk
overschot geheel voor de armen van Batavia zoude besteed
worden. Dat toevluchtsoord van menschelijke ellende was zóó
diep in zijne ziel geprent, dat hij den Eerw. Heer J. Grooff
aan zijn hart klemde, en hem, met gevouwen handen en tranen
in de oogen, bad en smeekte, van toch die melaatschen, als de
armen van het Evangelie, te willen beschermen, en hen door
de troost- en hulpmiddelen der H. Kerk te ondersteunen. Al-
dus stierf de eerste *) Apostolische Prefect der Surinaamsche
1) Wel werden de Weleerw Heeren P. A. Wennekers en L. Van der
Horst,
die hunne rechtstreeksche zending niet van de Propaganda
hadden, ook Prefecten genoemd, doch kwamen meer overeen met vroe-
gere Hoofdmissionarissen van Suriname.
-ocr page 224-
— 497 —
Missie op den jeugdigen leeftijd van 26 jaren, Zaterdag den 14
October 1826, des avonds te half negen uren. Met bijzondere
vergunning van den Gouverneur werd de Hoogeerw. Heer
Martinus Van der Weijden op het plein, achter de nieuwe
kerk, begraven. \')
Met buitengewone volmacht van Paus Leo XII, had hij den
15 en 25 Augustus aan 80 personen het H. Vormsel toegediend.
Het register van gevormden door Ludovicus Van der Horst,
die daartoe in 1824 vergunning had gekregen, schijnt verloren.
Uit een getuigschrift, door hem voor een priester van het eiland
Granada in 1825 afgegeven, blijkt evenwel, dat ook hij dit Sa-
crament heeft toegediend.
Tot nadere voorziening vanwege de Congregatie de Propa-
ganda, had de Hoogeerw. Van der Weijden de Prefectuur en
daaraan verbonden rechtsmacht op zijn ambtgenoot J. Grooff
overgedragen. Reeds in het begin van 1827 werd deze door
den H. Stoel daarin bevestigd. Hij was toen slechts 25 jaren
oud. Daar stond nu de jeugdige, onervaren priester gedurende
ruim 16 maanden alléén; daar stond hij, zonder medehelper,
zonder raadsman, in den vreemde, te midden van ongeloof, zeden-
bederf en ongodsdienstigheid; daar stond hij voor de leiding en
zorg van eene kudde, die niet te overzien was, niet kon worden
nagegaan! Het Gouvernement was den katholieken niet gene-
gen; de sektekerken konden de zwakke en onwetende katholie-
ken vrij bestoken, en de ergerlijken onder deze laatsten vergalden
den priester het leven. Vele zaken van het hoogste gewicht
rustten op zijne zwakke schouderen, en baarden hem de bangste
1> Toen Monseigneur Van Bommel, Bisschop van Luik z. g., voorma-
lig Regent van het Seminarie Hageveld, in 1810 Siegenbeek s openbare
beschuldiging, dat nl. in Hageveld »de domheid werd georganiseerd," in
het openbaar logenstrafte, beriep hij zich op tal van Hagevelds kweeke-
lingen, die den roem uitmaakten des vaderlands. Onder dezen wordt
ook Mgr. Van der Weijden in korte maar kernachtige woorden ge-
schetst. Hij noemt hem »den onvergetelijken Van der Weijden, die in
eene korte maar schitterende loopbaan in Suriname, wilden en beschaaf-
den, Roomschen en hervormden, door heldendeugden meer nog dan
door de wegslepende taal eens Apostels, verbaasde en tot zich trok,
wiens naam en nagedachtenis, nog op heden, bij allen aldaar in zego-
ning is."
-ocr page 225-
Msr. JACOBUS GROOFF.
Bisschop van Canea </><
Wcartus apost-.vanNed-.Oost Indië oud Prefec
en later Visitator apostvan Suriname.
-ocr page 226-
— 198 —
zorgen. Wie zou in zulke omstandigheden niet beven? Moest
hij niet vreezen, evenals zijne voorgangers, spoedig te zullen
bezwijken, en te moeten sterven zonder de troostmiddelen der
H. Kerk? Wat hij zich ook voorstelt, leven of dood, altijd moet
hij sidderen èn voor zich zei ven, èn voor de hem tocvertrouw-
den. Daar hij aangenaam aan God was en een voorbestemd
werktuig ter volvoering van grootsche plannen, en tevens om
in hem het bewijs Ie leveren van de kracht eencr gelouterde
deugd, zond God hem nog bovendien beproeving op beproeving.
Nederigheid, geduld, grootmoedigheid en edele naastenliefde wa-
ren de deugden, welke hij in zijn geloof putte, en waardoor hij
de kracht en wijsheid Gods in zijn zwakken persoon openbaarde.
De verordening van den Hoogcerw. Van der Weijden, om-
trent de zitplaatsen in de kerk, bracht zijnen opvolger reeds
het eerste jaar in groote verlegenheid, en perste hem aanvan-
kelijk voor één jaar, doch vervolgens stilzwijgend telken jare de
noodig geoordeelde toegeeflijkheid af. Ook op het zangkoor
heersehtc groote oneenigheid, zóó zelfs, dat het orgel, in het
begin van 1828, eenige maanden niet bespeeld werd »ter voor-
koming" zoo heet het in de Notulen van het kerkbestuur van
Januari 1828, »van meer andere dienst- en godsvruchtstorende
voorvallen en gedragingen." In het algemeen doen wij opmerken,
dat in den loop der jaren het zangkoor veel verdriet aan de
Geestelijken en soms ergernis aan de gemeente heeft gegeven.
Het ontbrak den Hoogeerw. Prefect ook niet aan lichame-
lijk lijden. Zijne acclimatisatie ging gepaard met zoovele pijn-
lijke aandoeningen en verzweringen, dat hij, naar zijn eigen
zeggen, van lepra verdacht werd, geruimen tijd geene kousen
of schoenen kon dragen, en meermalen genoodzaakt was bloot-
voets, en met behulp van een stok, zieken te gaan bedienen.
Driemaal doorstond hij, terwijl geen ander priester in de kolonie
aanwezig was, ziekten, die hem op den rand des grafs brachten.
Toen hij, in ééne dier ziekten bij het bestaande levensgevaar,
aan het H. Sacrament begon te denken, dat in het Tabernakel
was opgesloten, nam hij het edelmoedig besluit zich zelven de
H. Teerspijze toe te dienen. Hij wilde het Hoogwaardigste niet
bloot stellen aan hetzelfde lot, als bij den dood van Pastoor
Van der Horst was voorgevallen. Ofschoon druipende van het
-ocr page 227-
_ 199 —
zweet, en nauwelijks kracht genoeg bezittend om overeind te
blijven, begeeft hij zich, eer kruipend dan gaande, van zijne
kamer naar de kerk, (pastorie en kerk waren aan elkander ver-
bonden) en werpt zich aanbiddend op de trappen van liet altaar
neder. Vervolgens opent hij het Tabernakel, nuttigt de H. Hostiën,
blijft nog cene wijle in dankzegging bidden, en keert dan blijde
en verheugd naar zijne kamer weder. Deze misschien eenigszins
gewaagde daad had zulk gunstig gevolg, dat de geneesheer hem,
bij het eerste bezoek reeds buiten alle gevaar, ja, bijna geheel
hersteld aantrof. God had op zijn geloof neergezien!
Een gevoelig hart, met een zenuwachtig gestel, kan den
mensch veel doen lijden. Grooff bezat beide in hoogen graad.
Door de afwisseling van allerlei gebeurtenissen, was hij nu eens
opgewekt, dan wederom zwaarmoedig en terneergeslagen. Ver-
moeienisscn, ziekten, hartzeer, zorgen, slapelooze nachten en de
invloed van het klimaat ondermijnden zijn zwak gestel; het
gevolg hiervan waren herhaalde zenuwtoevallen en koortsen,
die niet zouden ophouden zonder eerst den draad zijns levens
te hebben afgebroken. Was hij dan een man, die veel leed
moest torschen, hij wist zich ook spoedig en gemakkelijk te
troosten. Dit voordeel dankte hij niet alleen aan zijn gevoelige
en gezellige inborst, aan menschelijke aanmoediging of aangc-
namc ontmoetingen, neen, veeleer aan zijn groot vertrouwen,
aan zijn ijver voor de zielen, aan zijne zelfopoffering, in één
woord aan deugden, welke de Hemel dikwijls, met zichtbare
teekenen van goddelijk welbehagen, goedkeurde en bevestigde.
Een buitengewone vreugde verschafte hem telkens de aan-
komst van nieuwe Missionarissen. Dan, ook deze was meer dan
eens van korten duur. De vier eerste priesters, welke hij tot
medehclpers ontving, konden hem weinig of geene diensten be-
wijzen, en één hunner gaf hem, zonder het te willen, reden tot
bittere droefheid.
De twee eersten landden in het begin van 1828 in Suri-
name. De oudste der twee was Joannes Henricus Hagonann,
uit het bisdom van Keulen. Den 8 Juli 1815 door Mgr. Gaspar
Maxiniiliaan L. B. Von Droste zu Viscliering
tot priester gewijd,
had hij te Rees de geestelijke bediening uitgeoefend.
Ruim vijf weken na zijne aankomst werd Hagemann krank-
-ocr page 228-
— 200 —
zinnig. De ziekte openbaarde zich op Goeden Vrijdag, den 4
April, terwijl de Hoogeerw. Prefect in de kerk de lijdensmedi-
tatie hield, en de kerk overvol toehoorders was. Tot hevige
ontsteltenis van den Prefect, tot droefheid van alle braven en
verstandigen, en, men kan het denken, ook tot genoegen van
zulken, die altoos bereid zijn met den godsdienst en zijne bedie-
naren den spot te drijven, verscheen de zinnelooze priester, met
het kruis in de hand, voor het altaar, en kwam verwoed op den
Hoogeerw. prediker aanloopen. Toen greep er een tooneel plaats,
waarvan de optcekenaar slechts zegt, dat het niet te beschrijven
is; liefst wilde hij er niet van gewagen. Gedurende den opvol-
genden nacht werd in de pastorie alles kort en klein geslagen.
Zoowel de Prefect als de Eerw. Heer Peters, die met Harje-
mann
in de kolonie was gekomen, namen de vlucht, om niet
in de handen te vallen van hun beklagenswaardigen ambtgenoot.
De Prefect was genoodzaakt hulp van buiten in te roepen, en
moest zich »de zielesmart getroosten van een priester Gods
tusschen gerechtsdienaars naar het hospitaal te zien brengen."
Den 24 April gaf de chef van het hospitaal, Dr Kühn, een ge-
tuigschrift af omtrent de krankzinnigheid van den Eerw. Heer
Hagemann, die veroorzaakt scheen door het klimaat, en waar-
schijnlijk geneesbaar zou zijn door terugkeer naar Europa. Don
3 Mei ging de krankzinnige, na verloftractement verkregen te
hebben, scheep, en werd in Nederland door den Procurator der
Missie, den baron van Wijckerdooth, bezorgd. Den 21 Septcm-
ber 1829 werd hij door Z. M. den Koning als kapelaan van
Paramaribo ontslagen , en op een wachtgeld gesteld van f \'200
s\' jaars, uit \'s Rijks schatkist te betalen. \')
Hagemann had een bijzonder talent om zelfs de ruwste
kinderen te temmen; geen enkel durfde hem in de oogen
zien of zich verroeren. Ook meende de Prefect in dezen
priester een tweeden Aaron tot woordvoerder te hebben gevon-
den. Geen wonder dus, dat hij zich diep vernederd en bitter
teleurgesteld gevoelde. Hij beschouwde het gebeurde met al de
i) Wij veronderstellen dat deze Missionaris reeds lang is overleden.
We hebben echter hoegenaamd niets meer van hem gehoord of ge-
lezen.
-ocr page 229-
- 201 —
akelige omstandigheden, die er mede gepaard waren, als een
droevigen slag, niet alleen voor zich zei ven, maar ook voor de
Missie.
Dit plotsclijk krankzinnig worden is niet zonder voorbeeld in
de tropische gewesten. Zelfs de geschiedenis der gereformeerde
kerk in Suriname levert een dergelijk voorval. D* E</go Fonkens
van Hoevenberg
kwam in de maand Augustus 1743 in\' de ko-
lonie aan, en werd, slechts twee dagen na zijne aankomst,
krankzinnig. Negen maanden later werd hij naar Holland terug-
gezonden, en genas er; immers vijf jaren later, keerde hij,
hoewel voor slechts korten tijd, naar Suriname terug.
De eene beproeving was nauwelijks geëindigd of de andere
stond reeds aan de deur. De Eerw. Heer Cornelius Peters,
die nu gedurende elf maanden de steun en troost was geweest
van den Prefect, had het ongeluk, den 1G Januari 1829, bij een
tocht naar eenen zieke, uit het rijtuig te vallen en het been
te breken. De zenuwachtige Prefect, die op het rumoer naar
buiten geloopen was, en daar het ongeluk vernomen had,
viel, bij den Eerw. Heer Peters aangekomen, in onmacht. Deze
toonde integendeel zeer veel zielskracht, en sprak, te midden
van zijn lijden, den Prefect nog moed in. Hij had het grootste
geduld gedurende de hevige koortsen en benauwdheden, door de
ontsteking veroorzaakt, en voegde den Prefect lachend toe: »Ik
heb de eer van in den Surinaamschen strijd ook iets ter liefde
Gods te mogen- verdragen." Bij de groote amputatie van het
been, die den \'23 Januari plaats had, was de lijder zoo onver-
schrokken, dat iedereen er zich over verwonderde. Van be-
dwelmende middelen wilde hij niets weten, maar zat recht
overeind de amputatie aan te zien. Geen enkel woord kwam
van zijne lippen; één gil alleen ontsnapte hem bij het door-
zagen van het been. Nauwelijks was de amputatie afgeloopen,
of de zieke liet den Hoogeerw. Prefect bij zich roepen, dien hij
bemoedigde en verzocht, hem maar niet te bezoeken, totdat
zijne zenuwen zouden bedaard zijn. De laatste H. Sacramenten
had de Prefect hem \'s avonds den 22° reeds toegediend. In den
morgen van Zaterdag den 24 Januari liet de lijder weten, dat
hij zich vrij wel bevond; doch die beterschap was van korten
duur. Om acht uren, terwijl de Prefect bezig was het H. Doopsel
-ocr page 230-
— 202 —
too te dienen, hoorde hij den zieke met krachtige doch bevende
stem roepen: Vader! Vader! Oogenblikkelijk schoot hij toe, en
had nog juist den tijd om de generale avso\'utie te geven, en
de gebeden der stervenden, in tegenwoordigheid van den genees-
heer en van cenige geloovigcn, te verrichten. Onder den uitroep
van: Jerusalem! Jerusalcm! gaf\'hij op Zaterdag, 24 Januari,
zijne reine en rijke ziel den hemelschen Vader weder. Ook het
lijk van dezen priester werd, met vergunning van den Gouvcr-
neur, achter de kerk begraven.
De Wclecrw. Heer Cornélius Peters was den 27 Mei 1800
te Overassdt, in de provincie Gelderland, geboren, deed zijne
lagere studiën te Wen, in Noord-Brabant, en voltrok de hoogere
onder leiding van den Pastoor van Groot-Linden. Deze Pastoor
gaf tijdens de suppressie der Seininarién, in het voorportaal
zijner kerk, onder den toren, aan een twintigtal jongelieden
theologische lessen. Onder dezen behoorde ook Gerardus Schepers.
dien wij als Missionaris en Bisschop zullen leeren kennen, en de
Missionaris-Redemptorist, de Zeereerw. Pater Hermamis Michels,
die, terwijl wij deze proefdrukken herzagen, den 30 Dec. 1883,
iu den ouderdom van bijna 80 jaren, te Roermond overleed.
Cornélius Peters onderscheidde zich reeds tijdens zijne stti-
diën door bijzondere godsvrucht en ijver, en aanvaardde, nauwe-
lijks tot priester gewijd den 10 Maart 1827, de edele taak om
naar de West te gaan, en zielen voor Jezus Christus te winnen.
Dan, in Gods inzichten werd hij er heengevoerd, om daar zijne
eigene glorickroon in korten tijd te volmaken.
Daar stond nu de Hoogeerw. Prefect wederom voor ruim
dertien maanden geheel alléén. »Wel heeft," zoo troostte hij zich
zdven en klaagde tevens, »wel heeft het bloed van den jeug-
digen leviet C. Peters gediend, om de vlekken uit te wisschen,
door den armen Hagemann op deze zending geworpen; wel
heeft de algemcene deelneming, bij dezen droevigen slag, het
voorgevallene met Hagemann doen vergeten; toch kan ik het
H. Oflér voor mijn afg"storven vriend niet opdragen, zonder den
Heinel te smeeken om uitkomst voor mij zelvenl"
Eindelijk kwam er uitkomst. Den 14 Maart 1830 arriveerden
twee priesters, de Eerw. Heercn Gerardus Schepers cu Adriunus
Ferstappen.
-ocr page 231-
— 203 —
Gerardus Schepers was den 18 Augustus 1798 te Dingden,
in het bisdom van Munster, geboren, en den 20 April 482!) te
Keulen priester gewijd. Zijne hoogere studiën had hij gedaan
bij den Pastoor te Grool-TAnden, zonder nochtans bij de Geeste-
lijkheid van het district Grave te zijn ingelijfd. Na voltooide
studiën werd hij bij de Hollandsche zending opgenomen, en
priester gewijd, om als Missionaris naai- de West te vertrekken.
De eerste jaren sukkelde do Eorw. Heer G. Schepers bijna
voortdurend aan oogen, boenen, enz., zoodat hij steeds zuchtte
onder de behandeling der geneeshecren. De Prefect getuigde,
dat deze priester veel moed bezat om alles ter eerc Gods, voor
de zaligheid der zielen en ook uit liefde en genegenheid tot hem
te verdragen. »Mocht de Hemel hem eenmaal den schat der ge-
zondheid wedergeven, dan zou ik van hem niet alleen troost,
maar ook veel hulp ontvangen." De Hoogeerw. Grooff was zeer
beducht wederom alleen in Suriname te moeten blijven. Een
plan, door den Eerw. Heer Scliepers reeds in \'t begin van 1832
opgevat, om tot herstel.zijner gezondheid, en tevens in het be-
lang der Missie, ecne reis naar Europa te ondernemen, moest
eindelijk in 1835, nadat hij voortdurend was blijven sukkelen
en nog laatstelijk eene zware ziekte doorstaan had, worden
uitgevoerd. De Prefect behoefde nu niet meer alleen achter te
blijven, wijl een ander priester, reeds sedert den 27 Maart 4834,
in de kolonie was aangekomen. De afwezigheid van den Eerw.
Heer Scliepers duurde evenwel slechts van Maart tot Decein-
ber. — Wij komen op dezen Missionaris terug bij het jaar
4840, toen zijn optreden voor de Missie van meer belang werd.
Zijn reisgenoot, de Eerw. Heer Adriaan Ferslappen was
een geboren Hollander, en had de H. Bediening reeds in zijn
vaderland uitgeoefend. Een lichaamsgebrek, dat hem in Neder-
land in zijn dienstwerk niet gehinderd had, begon hier zoodanig
te verergeren, dat hij naar Europa moest terugkeeren. Tot
groote droefheid van den Prefect, die met den ziekelyken heer
Schepers alléén bleef, vertrok hij den 44 Mei 4834, na veertien
maanden in de kolonie te hebben doorgebracht. Hij werd eerst
kapelaan, daarna Pastoor te Texel, en in 4844 te Sclioorle,
waar hij den 27 November 4840 overleed.
Ongeveer twee jaren na het vertrek van den Eerw. Heer
-ocr page 232-
- 204 —
Ferstappen, landde de Eerw. Heer Joannes Vitus Janssen te
Paramaribo. Het was op Witten Donderdag, den 27 Maart 1834.
Hij was den 9 April 1803 te Ztcolle, uit katholieke ouders,
die echter te Emmerik metterwoon gevestigd waren , geboren.
Na voltrekking zijner studiën te Kuilenburg en to \'sHeerenberg
in Gelderland, werd hij, waarschijnlijk in 1827, priester gewijd.
Dat jaar werd hij tot kapelaan van Arnhem benoemd, en bleef
in die betrekking ruim zes jaren, tot zijn vertrek naar de West,
zeer ijverig werkzaam.
Ook in Suriname gold hij als een bekwaam en voorbeeldig
Missionaris. Bijna uitsluitend was hem de stad Paramaribo tot
werkkring aangewezen. In het jaar 1837 ondernam hij, in het
belang der Missie, eene reis naar Nederland, en verving in
1838 en 1839, voor eenige maanden, den Apostolischen-Prefect,
tijdens diens verblijf in Europa. In den loop dier maanden ont-
ving hij van het Gouvernement den grond van het nog be-
staandc kerkhof ten geschenke, en legde, met bijdragen uit
Nederland en Suriname, deze katholieke bepraafplaats aan. Toen
de tijd aangebroken was dat de Eerw. Heer Janssen -liooger op
den kandelaar zou geplaatst worden, werd do verdienstelijke
Missionaris door God opgeêischt. Hij stierf den 12 Maart 1843
op den leeftijd van 39 jaren.
Tijdens zijn verblijf in Nederland, in 1838, deed de Hoog-
eerw. J. Grooff de aanwinst van een jeugdigen Geestelijke, die
de tonsuur en de mindere Orden ontvangen had, en omtrent
wien goede getuigenissen waren ingewonnen. Die Geestelijke
was de Eerw. Heer Theodorus Kemphes, geboren den 21 April
1809 te Veen bij Xanten. Vier jaren had hij als postulant en
proeflcerling bij de Jesuïeten in België doorgebracht. Ofschoon
die Religieuzen over zijn gedrag, zijn goeden geest en gelukkig
karakter volkomen tevreden waren, bleek het echter, dat hij te
weinig aanleg had voor Hollandsen en Fransch, oin dor Sociëteit
in België en Holland van dienst te kunnen wezen. Na behoorlijk
examen ondergaan te hebbon, ontving hij de H. Priesterwijding
van den Bisschop van Curium.
Hij zong de eerste II. Mis te Wassenaar, den 20 Januari
1839, feestdag van den Zoeten Naam van Jezus en titelfeest der
Sociëteit, jegens welke hij nooit heeft opgehouden erkentelijkheid
-ocr page 233-
— 205 —
en hoogachting te koesteren. Aan den geest, dien hij van haar
ontvangen had, schreef hij het in latere jaren toe, te midden
van allerlei kruisen steeds volhard te hebben.
De Prefect der Surinaamsche Missie, met wicn hij den
20 Februari ÏHIÏO zou uitzeilen, woonde zijne eerste H. Mis bij,
terwijl ook Mgr. van Curium die met bisschoppelijke assistentie
opluisterde.
De goedhartige Grooff mocht vóór zijn vertrek nog het
genoegen smaken, den vriend zijner prille jeugd en den eersten
leidsman zijner studiën, den Welecrw. Heer Jonnnes Roelevink,
Pastoor aan den Rijndijk, de laatste christelijke eer te bewijzen.
Den 7 April, beloken Paschen, kwam hij, in gezelschap van
den Eerw. Heer Kempkes, te Paramaribo aan.
Drie jaren en vijf maanden later, den 10 September 1842,
had de Hoogeeiw. Prefect het genoegen een ander allerijverigst
arbeider in den wijngaard des Hoeren te ontvangen, den Eerw.
Heer Petrus Bondera.
Petnis Donders werd geboren te Tilburg den 27 October
1809, en deed zijne studiën in de Scminaricn van het Vicariaat
van \'s Bosch. In 4840 ontving hij het H. Subdiaconaat te
Mec)>elen, en in 1841, op Quatertemper-Zaterdag vóór Paschen
het Diaconaat, en het H. Priesterschap den 5 Juni, Quatertemper-
Zaterdag na Pinkster van hetzelfde jaar, te Oegstgeest, uit
handen van Mgr C. L. van Wijckcrslooth, Bisschop van Curium.
Eenigc weken vóór zijn vertrek naar Suriname, nam hij te
Warmond de bediening waar van kapelaan of assistent. Geen
Missionaris heeft zich zoovele jaren onafgebroken voor Suriname
ten offer gebracht, en thans op vier-en-zeventigjarigen leeftijd,
is hij nog, even als een jeugdige priester, van den vroegen
morgen tot den laten avond, met het II. Dienstwerk bezig.
Na onze lezers in kennis gesteld te hebben met de Gceste-
lijken, die den arbeid van den Hoogeerw. Heer Grooff kwamen
deelen, zullen wij hier in het kort op de voornaamste gebeurte-
nissen wijzen, die zijne Prefectuur gekenmerkt hebhen. Wie er
meer van wenscht te weten, leze »de Godsdienstvriend", waarin
uitvoerige mededeelingen desbetreffend en eene menigte stich-
tende brieven voorkomen.
Aan de zaken, die betrekking hebben op de kerk van Pa-
-ocr page 234-
— 206 —
ramarlbo, knoopen wij alles vast, wat de plantages aangaat,
wijl deze van do stad uit bediend werden. Hierna behandelen
wij het groote werk van den Hoogeerw. Grooff, namelijk Ra-
tavia,
en eindigen vervolgens met oen woord over Coronie en
Nickérie.
I. De Stad en de Plantages.
De tijdelijke aangelegenheden der kerk en de vele heilzame
inrichtingen, die hij tot stand moest brengen, baarden den
Prefect Voortdurend groote zorgen. Noch voor de priesters, dio
het getal van twee of drie niet te boven gingen, noch voor de
gebouwen op Batavia, Coronie en Nickérie, noch voor het on-
derhoud der kerk in de stad, noch voor armen en weezen, noch
voor school en onderwijzer, waren de geschenken, bijdragen en
collecten van Suriname toereikend; de Missionarissen konden
niets uitrichten, zonder gedurige en aanzienlijke bijdragen uit
Nederland, liet was dus van de zijde des Prefeets een aanhou-
dend bedelen. Wel had bij dit al doende goed geleerd; maar
het bleef hem een harde en onaangename taak , te meer, wijl
zelfs de edelmoedigste tegemoetkomingen hein niet toelieten, het
bedelen te staken; telkens verrezen nieuwe behoeften, terwijl
de oude schulden nog steeds onafgelost bleven.
Eindelijk toch, in Maart 1828, werd door cene edelmoedige
gift van f 9000 van de Hoogwelgeboren Jonkvrouwe S. Gilles,
en van f 4000 Ned. Cour. van den Weledelen Heer E. J. Van
den Herijk
zooveel van de kerkeschuld afgelost, dat er nog slechts
f 2055.37 Ned. Cour. te betalen overbleef, en ook deze som
werd gedurende de twee volgende jaren afbetaald.
Maar zelfs in de loopende behoeften kon niet voorzien wor-
den, zelfs niet in die van de kerk van Paramaribo alléén. Van-
daar alweder een verzoekschrift aan den Koning, om een subsidie
van f20000 Ned. Cour., en een ander, om cene jaarlijksche
tegemoetkoming van f 850 Ned. Cour., voor de jaren 1828 en
1820. Beide verzoekschriften bleven zonder gevolg.
Integendeel, in 1832 werden de tractementcn der Geestelij-
ken , tengevolge eerier algemecne bezuiniging in het beheer der
kolonie, verminderd, en het getal der gesalarieerde Geestelijken
-ocr page 235-
._ 207 —
voortaan tot twee beperkt. Tot nu toe waren drie Geestelijken
bezoldigd, de Pastoor met een salaris van f 3500, (en na 1829
met f 90 \'s maands verhooging), en twee Kapelaans, ieder met
een salaris van f 2000. Nu werd aan den Prefect een salaris van
f 3500, en aan slechts één Kapelaan een toelage van f 1500 Ned.
Cour. toegekend. Echter was die bepaling van geen toepassing
op de reeds in dienst zijnde Geestelijken, die in hunne tracte-
menten werden gehandhaafd. Ook legde de Gouverneur-Generaal
Van Heeckeren den Hoogeerw. Heer Grooff in 1830 eene gra-
tilicatic toe van f\' 1C00 \'sjaars, ten aanzien vooral zijner werk-
zaamheden op Batavia.
De f 2000 die het liefdefonds van Wennekers, hij de
aankomst van Prefect Van der Weijden nog hezat, een legaat
van f 1000, in 1832 door den heer Richard O\'Ferrall, \') en
een ander van f 5000 door den heer Lambertus Thijm J) in
1830 aan de kerk nagelaten, alles werd door de loopende be-
hoeften verslonden.
Houten gebouwen vorderen gedurige reparatie en moeten
daarbij met groote kosten steeds onder verf worden gehouden.
Hierdoor alleen is aan de kerk van Paramaribo, na hare vol-
tooiing \'zeker, op zijn minst genomen, cene som van f 10000
besteed. Ook de verzorging der armen vorderde; groote uitgaven.
Eerst in 1834 nam het Gouvernement de geneeskundige ver-
zorging der armen voor zijne rekening. Het afzonderlijk arrn-
bestuur, door Wennekers opgericht, was uiteengegaan; allen
moesten uit de kerkekas voorzien worden, do zieken en behoef-
tigen zoowel als de vele kinderen, wier opvoeding zich de edele
Wennekers en Van der Horst hadden aangetrokken. Wat die
kinderen betreft, veel genoegen is aan de moesten hunner niet
beleefd. Ook trachtte; het kerkbestuur, tusschen de jaren 1832
•Ü De legatcur Richard O\'Ferrall S\', oud-korkmeester, stierf in Hol-
land in 1831. Zijn zoon, Richard O\'Ferrall, was ook lid van liet
kerkbestuur en stierf, van de laatste II. Sacramenten voorzien, den 15
Maart 185(1, in den ouderdom van 57 jaren.
2) De heer Lambertus Thijm , reeds kerkmeester onder Pastoor Wen\'
nekers
, trad in zijne laatste levensdagen wederom in het kerkbestuur.
In 1832 wist hij het verlof te bekomen om eene klok in den toren te
hangen, en die te mogen luiden. Hij stierf voorzien van de II. Sacri*-
menten in Augustus 1830. — Nota voor Suriname.
-ocr page 236-
— ï>08 —
en 1849 zich daarvan los te maken. In het laatstgenoemd jaar
werden de nog overige zes slaven der kerk vrijgegeven.
Wat echter vooral groote uitgaven vorderde, was, zoo als
wij zien zullen, de stichting op Batavia. De belangen dier
stichting moesten, op verzoek van Mgr. van Curium, in 18.18,
met die van Paramaribo vereenigd worden.
Baarde dan het tijdelijke aan den verdienstelijken Prefect
vele zorgen, beheerschen konden hem die zorgen niet: zoo groot
man als hij was om de eer van God te bevorderen, zoo weinig
kennis bezat hij, om bet tijdelijke te beheeren. Zijn geest was
daarop niet gesteld. De bangste zorgen beletten hem daarom
ook nimmer, zich aan allerlei werken van zielenijver, van barm-
bartigheid, van milddadigheid toe te wijden, en groote dingen
te ondernemen.
Alvorens deze zijne voortreffelijke hoedanigheden nader toe
te lichten, willen wij hier een bewijs aanhalen van zijn eerbied
jegens zijne onsterfelijke voorgangers, Paulus Antonius Wen-
nekers
en Ludovicus Van der Horst, een eerbied, die overigens
in al zijne schriften doorstraalt.
Na herhaalde aanzoeken bij het Gemeentebestuur, *) was
hem eindelijk het verlof gegeven, de dierbare gebeenten zijner
onvergetelijke voorgangers, in den Nieuwen Oranjetuin op te
graven\', en achten- de kerk, bij de graven van den Hoogeerw.
Van der Weijden en den Eervv. Heer Peters, bij te zetten. Den
13 Februari 1832 begaf hij zich, vergezeld van den doodgraver
naar de algemecne begraafplaats, en vertoefde er van \'s avonds
zes tot negen uren. Met behulp des doodgravers, en van eene
brave in de nabijheid wonende arme negerin, voltooide hij zijn
liefdewerk zóó volkomen, dat hij al de gebeenten en de over-
1) Dit Gemeentebestour was ecne dor scheppingen van don Coramis-
saris-Generaal Van don Bosch, die door Z. M. naar West-Indië was
afgevaardigd, om algemnene voorzieningen aan te brengen. Den 21 Juli
1828 werd het oude Regeerings-Reglement door een nieuw vervangen,
waarbij aan alle vrijen gelijke rechten werden toegekend. Het Hof van
Politie verdween met al zijn luister en grootheid. Het Gemeentebestuur,
met de moesto scheppingen van Van den Jlosch, vervielen door het
Koninklijk Besluit van den 9 Augustus 1831, waarbij andermaal een
nieuw Reglement op het beleid der Regeering in de kolonie Suriname
werd vastgesteld.
-ocr page 237-
— 209 —
blijfsflen van het een of\' ander kloedingstuk on der kisten bijeen-
vcrzamelde. Daarop word do Eorw. Hoor G. Schepers ontboden,
om de eerbiedwaardige overblijfselen, op cenc baar geplaatst,
en door vier van Gouvernemontswege aangestelde negers gedra-
gen, naai\' do kerk, ongeveer 10 minuten ver, te begeleiden.
Ofschoon het lichte maan was, wat anders tal van wandelaars
naar buiten lokt, heerschte er dien avond oon grootc stilte. Drie
negers gingen hen stilzwijgend voorbij, benevens do Commissaris
van Politie, de lieer Muller, die met cenige beambten, welke zieh
in eene andere nabijgelegen straat bevonden, oon wakend oog
moest honden. Terwijl de kleine en ongewone lijkstoet het hos-
pitaal voorbijtrok, kwam de militaire wacht, die waarschijnlijk
omtrent de gebeurtenis onderricht was, naar buiten, en presen-
teerde het geweer. Bij hot naderen van de kerk ging do Hoog-
oorw. Grooff vooruit, om do dierbare gebeenten aan do poort
van hot kerkplein te ontvangen, on ze vervolgens in eene, op-
zettelijk daartoe in rouw getooide, kamer neer te zotten. Des
andoren daags werd eene plechtige Requiemmis gezongen, waarna
men de gebeenten , onder het bidden van den Psalm De pro-
fundis,
begon te wasschen, en alle deelen ordelijk in elkander te
zotten. Intusschen worden twee cederhouten doodkisten vervaar-
digd. Van buiten waren zij zwart geschilderd, on voorzien van
een zilveren beslag, van een kruis en vier handvatscis, en van
binnen met witte zijde gevoerd. Tegen den avond werden de
geraamten zoo ordelijk mogelijk daarin neergelegd, on met bar-
rct, lijnwaad en kruisbeeld versierd. Na het bidden van don
rozenkrans, het geliefkoosde gebed van dozo eerbiedwaardige
grondleggers dor Surinaamsche Missie, worden hunne gevierde
overblijfselen door eonigo hoeren, die er eer in stelden en hot
verzocht haddon, graf\'waarts gedragen. Zoo werden Wennekers
en Van der Horst den 14 Februari, in tegenwoordigheid van
oenige leden der gemeente, met de meest mogelijke kerkelijke
plechtigheid, doch in stilte, voor de tweede maal begraven. Den
volgendon morgen werd • wederom cene Requiemmis gezongen,
waarbij nagenoeg de goheele gemeente tegenwoordig was. Na de
H. Mis snelden allen naar de graven om er te bidden, en hunne
eerbiedwaardige herders te beweenen; vervolgens naar den
Hoogcerw. Prefect, om hem te bedanken voor de eer aan ziel*
Suriname.                                                                                                      14
-ocr page 238-
\'210
Zörgers bewezen , aan wie velen, ja, allen zoo onbegrijpelijk
veel verplichting luidden. De hoeren, die om strijd naar de eer
gedongen hadden, om de overblijfselen van Wennekers en Van
der Horst
grafwaarts te mogen dragen, waren: de koopman De
Wit
en de kerkmeesters II. O\'Ferrall Jr en .ƒ. G. de Hei/der. l)e
laatste was een van die weinigen, die sedert zijne komst in de
kolonie nooit den breeden weg des verderfs was opgegaan, en
die sedert de laatste twaalf jaren, met den beer ƒ*,\'../. Van den
lienjli
, aan de spits der ijveraars gestaan bad. Hij dacht er aan
om, uit bijzondere hoogachting voor de eerbiedwaardige Wen-
nekers
en Van der Hord, de graven, waarin zij, de een bijna
negen en de andere ruim zes en en een half jaar gerust badden,
voor zich en zijne familie aan te koopen; doch zie, nauwe-
lijks zijn vier weken verloopen, of reeds is zijn uur geslagen!
Het was den 12 Maart 1832. Hij stierf, voorzien van alle H. Sa-
cramenten, en, naar bij verdiend bad, geëerd, geprezen en ge-
zegend door alle weldcnkenden. Erkentelijk jegens den heer de
Hei/der,
die steeds een troost voor zijne herders was geweest,
kon de Prefect diens laatsten bartelijken wenscb niet onvervuld
laten; bij droeg zorg, dat bet lijk, in de kist van zaliger Van
der Hord
en in bet graf van zaliger Wennekers, in den Nieuwen
Oranjetuin, begraven werd.
Eene eigen begraafplaats voor Roomsch-Katboliekcn bestond
destijds niet. De Eervv. Heer Janssen, die den aanleg daarvan
begonnen bad, mocht dezen niet geheel voltooien; eerst den 10
April 1840 kon het kerkhof ingezegend worden. Die plechtigheid
werd bijgewoond door den Gouverneur-Generaal ./. C. Rijk en
eene onafzienbare menigte volks, dat door den Hoogeerw. Prefect
werd toegesproken over bet voorrecht van in gewijde aarde te
rusten, en over de voorwaarden, die vereisebt worden, om in
dit voorrecht te mogen deelen."
Vrome eerbied, gemoedelijke piëteit voor de overledenen
waren den goedhartigen Missionaris eigen; hij beoefende deze
deugden alleen met liet oog op de ecre Gods en het heil
der onsterfelijke zielen. Zijn ijver voor deze laatsten schitterde
daarom te heerlijker. Wat hij tot bekeering van hardnekkige
zondaren ondernam, liet niet na, een allergunstigsten invloed
op de gemoederen in het algemeen uit te werken. Het was het
-ocr page 239-
211
zachte geweld, dat werken, die zuiver uit geloof verricht wor-
dcn, noodzakelijk teweegbrengen.
Verscheidene misdadigers werden door hem met God ver-
zoend, en naar de gcrechtsplaats geleid.
»In 18\'28," zoo .schreef hij zelf omtrent vier jaren later,
»heb ik drie dagen en drie nachten in de gevangenis moeten
doorbrengen hij een hardnekkigen zondaar, die ter oorzake van
moord ter dood veroordeeld was. Nadat liij met Gods genade
voorbeeldig was bekeerd, heb ik hem ook ter dood mogen ge-
leiden. Even voordat hij den kogel ontving, drukte hij mij, tor-
wijl ik bij hem op de strafplaats geknield lag, aan zijn hart,
en rukte een knoop van zijnen rok, dien hij mij tot gcdach-
tenis aanbood."
Andere dergelijke bekeeringen \') voorbijgaande, willen we
alleen die der groote brandstichters nog vermelden.
In den nacht van il op 4 September 18.\'12, ontstond te
Paramaribo een hevige brand, door eenige weggcloopcn slaven,
die zich in het Picorna-bosdi nabij de stad ophielden, hetzij uit
hoop op een goeden buit in de algemeene verwarring, hetzij uit
wraakzucht, aangestoken. Een aanzienlijk gedeelte der stad werd
in do asch gelegd. De schuldigen bekenden, dat zij zich met de
wegloopers hadden vercenigd, om tegen de blanke on vrije be-
volking ten strijde te trekken, de stad aan te vallen, en het
land te overmeesteren. Een hunner, (lodjo genaamd, had ver-
klaard, dat hij zich, na de overwinning, tot opperhoofd zou
hebhen opgeworpen.
Hot Gerechtshof te Paramaribo sprak, den 1!) Januari 18\'):5,
het volgend vonnis tegen de schuldigen uit: Codjo, Mentor en
Present moesten, aan een paal gebonden, levend verbrand wor-
den; twee anderen, Winst en Fom zouden gehangen, en de
overige medeplichtigen gegeeseld, in boeien geklonken en tot
strafarbeid gedwongen worden. De vijf ter dood veroordeelden,
1> »De Godsdienstvriend" laat den Hoogeerw. Gronff nog van eon an-
deren delinquent gewagen, bij wicn de Prefect niet minder dan 40 dagen
en 40 nachten in de gevangenis zou hebben doorgebracht. We begrijpen
moeilijk hoe dit, bij het gering getal van priesters, nvt de geestelijke
bediening vereenigbaar geweest zij, en laten daarom dit beweren voor
rekening eener Redactie, die niet op de hoogte was der toestanden,
-ocr page 240-
— 212 —
flic, behalve Fom, jonge negers waren, ondergingen hunne straf
den 26 Januari 18113, de drie eersten, ter plaatse waar de
brandstichting geschied was; \') de twee anderen op de gewone
strafplaats der slaven.
Omtrent de bekeering dezer veroordeelden verhaalt de heer
M. D. Teenstra, een protestant, die vrij onverschillig is in zijne
wijze van schrijven over alles wat de katholieke kerk aangaat,
dat hij zich, den 24 Januari, Donderdags \'s morgens te acht
uren, naar de gevangenis begaf\', in gezelschap van den mora-
vischen broeder-zendeling, den heer J. II. P. Voigt. De hoofd-
misdadigers werden naar eene grootere en lichtere kamer over-
gebracht, en de vier ongedoopten Codjo, Mentor, Present en
Fom op eene daar staande bank geplaatst. De heer Voigt deed
nu alle pogingen, oin hun eenige godsdienstige denkbeelden in
te prenten, zooals van berouw over bedreven zonden, van een
Alwetend Opperwezen, van een ander leven na den dood, van
rechtvaardige vergelding, enz. enz., maar de zendeling sprak te-
vergeefs. »Gedurende twee uren tijds, in welke zij zich
tevens zeer geduldig lieten portretteeren, heb ik hen met de
meeste oplettendheid waargenomen, en hun kalmen staat bc-
wonderd......"
«Vrijdag den 25n begaf zich de Weleerw. Heer J. Grooff,
R. K. Pastoor alhier, naar de gevangenis, en, ofschoon ook deze
alle pogingen aanwendde, om hen eenige teekenen van berouw
te doen geven, en God, en Jezus Christus om vergiffenis te
bidden, werd dit slechts niet een onverschillig »ja" beant-
woord. Present gaf mij, op de vraag, hoc zij zich gevoelden,
alleenlijk ten antwoord: »0 alla bakra moesoe dede toe,
(d. i. alle blanken moeten ook sterven). Codjo zeide daarop,
terwijl hij met zijn geboeide banden op de steenon vensterbank
sloeg: da ston srefi moesoe broko (d. i. deze steen zelf moet
breken), waarmede hij aanduidde dat alles hier beneden ver-
gankelijk is." Teenstra vervolgt zijn verhaal met deze woorden:
»Na mijn vertrek schijnen zij echter, door den volhardenden
ijver en het taaie geduld van den Roomsch-Katholieken Gccste-
1) Het erf van Moses tfunes Monsanto aan d3n HcUigenweg.
-ocr page 241-
— 213 —
lijke, tot ccnige toenadering te zijn gekomen, wijl zij zich als-
toon hebben laten doopen." — Het maandschrift »Dc Katholiek"
vermeldde nopens die gebeurtenis van den 2-4 en 25 Januari
1833, in de necrologie des Hoogwaardige» ontslapenen .ƒ. (ri\'uo//,
ten jare 1852, liet volgende: »Xadat de lieer Teenstra en een
moravischc zendeling-broeder zich vruchteloos uitgeput hadden,
om den ter dood veroordeelden ecnigc godsdienstige; denkbeelden
in te prenten, kwam de Eervv. Grooff den volgenden dag bun
zijne geestelijke bediening aanbieden, verkeerde van dat oogenblik
tot de voltrekking van het vonnis bijna nacht en dag onder
hen, bracht er hen allen toe om het H. Doopsel te vragen , dat
zij ook ontvingen, geleidde hen naar de strafplaats, en bleef hen
tot de laatste oogonblikkcn bij. Toen drie hunner, die aan staken
gebonden levend verbrand werden, reeds geheel door de vlam-
men omgeven en overdekt waren, bleet\' hij hun nog van zóó
nabij bemoedigend toespreken, en vergat zoodanig zich zelven
ten behoeve dof stervenden, dat hij in gevaar raakte, van zelf
door de vlammen aangetast te worden, waartogen hij slechts,
doordien anderen hem van daar wegrukten, beveiligd werd."
Vier nu dezer veroordeelden waren door hem gedoopt , en
een, reeds vroeger gedoopte, had, den 25 Januari 1833, in de
gevangenis de eerste en laatste H. Communie ontvangen. De
lloogeerw. Grooff gaf hun bij den II. Doop de hein immer zoo
dierbare namen zijner overledene voorgangers, terwijl de Eerw.
Heer Schepers hun doopborg bleef.
De troost, welken hij van tijd tot tijd uit dergelijke be-
keeringen mocht smaken, was de vrucht zijner edele zelfopof-
fering. Vooroordeelen , die in menigte tegen de katholieke
kerk bestonden, moesten allengs wijken voor den glans van zijn
apostolischcn ijver en voor de kracht zijner liefde; Grooff werd
daarom geëerbiedigd, zelfs geroemd. Evenwel kon dit niet
beletten, dat hij het grievendst hartelced te verduren had. De
toeleg, die er bestond, om zijnen ijver binnen zoo klein moge-
lijken werkkring te beperken, was onverholen. Ecnerzijds tracht-
tende slavenhouders het bekeeringswerk hunner slaven, zooveel zij
konden, te verlammen. Art. 4 van het Koninklijk Besluit van 1832\')
1) »Zjj, die beheer voeren over slaven, zijn verplioht om leeraars\'
14\'
-ocr page 242-
— 214 —
was gedurende de eerste tien jaren, om zóó te spreken, van
gecne waarde voor de katholieken. — Anderzijds ontzag liet
Gouvernement zelf zich niet, om al de voordeden dier bepaling
ten bate te doen komen der mort anneke broedera, en, in strijd
met Art. 114 van liet Rcgeerings-Iteglement van 1828, \') de
vrije uitoefening van den katholieken godsdienst aan banden te
leggen.
De protestantsche Maatschappij tot uitbreiding van het
Christendom onder de slaven en verdere heidensehe bevolking
in de koloniën, was in 18\'28 tot stand gekomen, en vond zooveel
bijval, zoo in Suriname als in Nederland, dat zij \'sKonings
goedkeuring ontving, en zich tot eene geduchte macht tegen de
katholieke kerk ontwikkelde. Onder de ontwerpers en deelnemers
bevonden zich invloedrijke mannen; protestanten, en zelfs leeraren
van verschillende kleuren, hoezeer ook anders verdeeld, veree-
nigden zich om de Evangelicprediking aan kleurlingen en zwar-
ten, zooveel mogelijk, met uitsluiting van alle anderen, alléén
aan de hem]tutters
toe te vertrouwen. Om dat streven te
billijken, deed men als voorwendsel de vrees gelden, dat ver-
schil in hel godsdienstige
de rust en welvaart dei\' kolonie soms
in gevaar mocht brengen: «kerkelijke tweespalt" moest boven
alles vermeden. Inschikkelijk genoeg, stelden de gereformeerde
en de luthersche Domino\'s zich met de zorg der blanke bevol-
king tevreden, en gaarne had men ook de katholieke Geestelijken
dit voorbeeld zien navolgen; dezen echter, gezonden door den
Meester, die gezegd heeft: gaat in de geheele wereld en pre-
dikt liet Evangelie aan
alle schepsel (Mare. XVI. 15.), en
voor wie dus: niet is..... slaaf en vrije, maar Christus alles
is en in allen" (Col. III. 11), dezen konden onmogelijk hierin
berusten.
geestelijken of zendelingen, tot uitoefening van hun dienstwerk, onder
de slaven toe te laten, en om kinderen , beneden de 14 jaren , in de
gelegenheid te stellen tot het erlangen van godsdienstig en ander on-
wijs.....
1) «Hij (de Gouverneur) drage zorg, dat do christelijke godsdienst
zooveel mogelijk onder de heidensehe bevolking worde uitgebreid, en
door alle gepaste middelen worde aangemoedigd, en dat niemand in de
uitoefening van zjjnen door den Staat erkenden godsdienst worde ge-
krenkt of gehinderd."
-ocr page 243-
— 215 —
Behalve zijne katholieke blanken gunde men daarom den
Pastoor nog\' daarenboven het weinig benijdenswaardige Batavia;
maar bij de slaven en vrije arbeiders, zoowel van den Lande
als van de protestantsche eigenaars, moest hem de pas afge-
sncdenl Het scheen wel, dat de katholieke kerk niet »de ge-
paste middelen" aanbood, om (volgens liet Rcgecrings-Reglement)
»zoovecl mogelijk" het Christendom uit te breiden, en, dat de
dienstbaarheid aan den Lande een voldoende titel werd geacht,
om de katholieke dienstbaren in hunnen godsdienst te mogen
krenken.
Bij dezen stand van zaken en de noodzakelijkheid, waarin
de Prefect zich bevond, van voortdurend te bedelen, zoo om
geldclijken onderstand als om geestelijke arbeiders, is het niet
te verwonderen, dat de werkzaamheden der katholieke priesters
onder de plantage-slaven, tot het jaar 184:>, tijdens het Provi-
cariaat van den Hoogcerw. Heer G. Sclia^ers, van weinig be-
lang en haast niet noemenswaard geweest zijn.
De plantage Toledo, waar Wennekera reeds gearbeid had,
schijnt later tot het jaar 18U4 weinig of\' niet bezocht, daar de
Hoogecrw. Groo/f in een zijner brieven meldt, dat hem in dat
jaar de geestelijke zorg over Toledo weder was opgedragen.
De plantage Johanna Catimrina, in de Suramacca, werd eerst
in het jaar \'18-42 voor den katholieken Missionaris geopend. Den
9 Mei hield de Prefect zijne eerste toespraak tot de negers Her
plantage, en won er, behalve de reeds gedoopte kinderen, van
de 156 zielen, dertig catechumenen. Dat getal bleef steeds aau-
grocicn. Bij hunne reizen naar Batavia waren de Missionarissen
gewoon deze plantage te bedienen. — Omtrent denzelfdcn tijd
werd ook het Fort Nieuw-Amsterdam weder in hunnen werk-
kring opgenomen. De Hoogcerw. Grooff verrichtte er den
H. Dienst op Zondag, den 14 Mei 1843, voor het garnizoen, de
zich daar bevindende vrije lieden en de Lands-slavcn. Het ge-
bouw, weleer door den Prefect Van der Wegden, onder aan-
roepiug van den II. Martinus, ingewijd, vond hij in een arsenaal
herschapen; maar de Majoor-komniandant der artillerie, die een
katholieke vrouw had, voorzag hierin door een zijner kamera
tot kapel in te richten, en verzocht den Prefect, dat het Fort
voortaan geregeld door een priester zou bediend worden. Gaarne
-ocr page 244-
— 216 —
stemde deze er in toe, het Fort om do veertien dagen of drie
weken, als het getal priesters zulks toeliet, te doen bezoeken.
In 18i5 werd een oud gebouw vanwege het Gouvernement
gerepareerd, en bestemd voor de godsdienstoefening der katho-
lieken, hervormden en luthcrschen. In de jaren 18\'28 en 1829
bezocht Groojf, op zijne reizen naar Batavia, ook de Gouver-
nements suiker-plantage Voorzorg, waar hij in 18\'29 niet minder
dan tachtig katholieken telde, die reeds vroeger, toen zij zich
nog op het Fort Niouw-Amsterdam of elders bevonden, met
voorkennis en toestemming van <U~n Majoor Dursteler, onder-
wezen en gedoopt waren. Intusschen werd van Gouvernemcnts-
wege een hcrnhutter-leeraar te Voorzorg geplaatst, en den
Pastoor de toegang tot zijne 80 katholieken bemoeilijkt. Door
den Raad-Commissaris van \'sLands domeinen werd hem het
on lerwijzen en doopen van Lands-slaven of van hunne kinderen,
zonder zijne voorafgaande toestemming, verboden; en die toe-
stemming werd steeds geweigerd. Groojf kon zich niet weer-
houden daarover zijn beklag te doen bij den Gouverneur P. ƒ?.
Cantz\'laar, die hem wel eene betere toekomst in het verschiet
voorspiegelde, maar hem tevens zedelijk ei1 wijze dwong, geen voet
meer op Voorzorg te zetten. Dit, buiten openbare bekendheid,
door den Gouverneur uitgeoefend dwangmiddel, werd, naar het
heette, slechts gebezigd;, ten believe van den hernhutter-leeraar,
en ter voorkoming van godsdienstige verdeeldheid, ofschoon mid-
dclerwijl de Surinaamsche couranten niet verhinderd werden,
allerlei hatelijkheden tegen de bedieimars en belijders van den
katholieken godsdienst uit te braken. Het ging zóó ver, dat de
Prefect zich daarover zeer gepast bij den Gouverneur beklaagde:
»Ik heb geleerd," zeide hij, »en ben tot zekere maat verplicht
te verdragen; ook zal ik Uwe Excellentie daarover niet lastig
vallen, ik haal bet slechts aan, om Uwe Excellentie indachtig
te maken, dat zulke dingen niet onopgemerkt voorbijgaan."
Bij missive van 27 Januari 18Ï10, deelde de Gouverneur-
Generaal hem mede, dat alle Lands-slavcn en alle Lands-etablis-
sementen, Batavia alléén uitgezonderd, uitsluitend aan de »nto-
ravische broeders"
waren toevertrouwd. Zoowel als het doopen,
was ook bet bedienen van reeds katholieke Lands-slaven verbo-
den. Wel kon de Raad-Commissaris zijne toestemming voor het
-ocr page 245-
— 247 —
een en voor het andere vcrlecnen, maar weigering stond vast.
Intusschen verkeerde de priester in niet geringe verlegenheid,
zoo vaak hem kinderen van Lands-slaven ten doop aangeboden
werden, of hij hij stervenden werd geroepen. Dan, God was bij
machte hem middelen in te geven, waardoor hij de onrecht-
vaardige bevelen heimelijk ontduiken en tevens het heil der
zielen kon verzekeren. En, daar het nooit tot een openbare
vredebreuk is gekomen, mogen v/e veilig aannemen, dat die
goede Voorzienigheid zulks gedaan heeft.
Grooff moest zwichten voor den zedelijken dwang van den
Gouverneur Cantz\'laar, onder verklaring echter, dat de geno-
men maatregel in strijd was met de wetten der kerk, en met
zijne rechten als Pastoor der katholieke gemeente, en dat hij
zijne hoogere kerkelijke Overheid van alles onderrichten, eu in
Nederland bij het hooger burgerlijk gezag zou appclleeren.
De opvolgende Gouverneur, baron V(in Heeckeren, was,
ofschoon een groot voorstander van de Maatschappij tot uitbrei-
ding van het Christendom, minder ongunstig gezind jegens de
katholieken. De Gouverneur-Generaal Julius Constantijn Rijk
was den Hoogeerwaarden Prefect zeer toegenegen, en maakte
er geen bezwaar uit, dat de Lands-slaven katholiek gedoopt en
opgevoed, en in ziekte door de priesters bediend werden. Slechts
weinige dagen na zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal
(27 November 18.18), had de schout-bij-nacht J. C. Rijk een
wclwillenden brief geschreven aan den Bisschop van Curium,
waarop do Prefect van Suriname, die toen in Nederland ver-
toefde, hem te Medenblik een bezoek bracht. De zaken namen
nu een gunstiger wending, en zouden waarschijnlijk nog spoe-
diger geheel ten goede gekeerd zijn, hadde niet de Prefect, die
reeds den 29 October 1836 met de Ridderorde van den Neder-
landschen Leeuw vereerd was, zijn goed recht met al te veel
vurigheid verdedigd in cene particuliere audiëntie, welke Z. M.
de Koning hem met Mgr den baron van Wijkerslooth verleende.
2. Batavia.
Grooff onderscheidde zich door een meer dan gewone liefde
voor »de armen van het Evangelie en de meest verlaten zielen;"
-ocr page 246-
— 218 —
<lo grond van al den roem, dien Jiij later verwierf, was zijn
liefdewerk hij de melaatschcn. Bij liet gering getal priesters
kon liij Batavia, dat in geestelijke aanwinst verscheidene plau-
tages gold, beter dan wel oenige van elkander verwijderde
plantages, tegelijk met de stad bedienen. Bovendien was de werk-
kring op Batavia voor den priester verdienstelijker, voor de
goede zaak eervoller, en de onderneming dienvolgens eene zeer
gelukkige! De stervende Van der Weijden kon zijne vurige
aanbeveling aan geen betere aarde toevertrouwd hebben; zij
heeft, onder Gods zegen en Groofifs onvernioeidon arbeid, hon-
derdvoudige vruchten voortgebracht.
Nochtans werd Batavia, gedurende de eerste vier jaren,
slechts één- of hoogstens tweemaal \'s jaars bezocht: veelvuldige
ziekten van den Prefect en gebrek aan medearbeiders waren
er oorzaak van. Den 27 Januari 18ISU werd Batavia aau tien
Prefect, op diens aanbod, voor goed tot werkkring door het
Gouvernement aangewezen. Van dat tijdstip af wijdde hij er
alle zorgen aan. Na aankomst van twee Missionarissen, begon
hij er in 1830, uit aalmoezen van Nederlandselie weldoeners,
eene kerk met pastorie te bouwen. Daar hij zich meermalen in
groote geldelijke verlegenheid bevond, ging- de bouw maar lang-
zaam vooruit, en duurde, met al de werkstakingen er bij gere-
kend, omstreeks zes jaren. Van 182(> tot 1830 diende eene
ellendige hut tot kerkgebouw, en tijdens het verblijf des priesters,
tevens tot woning. De wanden van dit gebouw bestonden uit
naast elkaar geplaatste palissaden, terwijl liet gedekt was met
bladeren van den pina-palm. Aan de voorzijde der hut was eene
galerij, die tot kapel diende, en reeds door den Hoogeerw. Van
der Weijden
was ingezegend. Van weerszijden der straat, die
op deze galerij uitliep, stonden de hutten der melaatschcn. Als
de H. Mis begon, kwamen zij, die zich niet verder bewegen
konden, naar buiten, om zóó, onder den blooten hemel, de IJ.
Offerande bij te wonen.
Den 7 September 1830 vaardigde de Gouverneur Cantz\'laat\'
eene publicatie uit, krachtens welke alle besmet verklaarde
slaven, en ook de vrije personen, die zich niet van alle mensche-
lijke samenleving wilden afzonderen, en zich, bij dag of bij
nacht in het openbaar vertoonden, naar Batavia zouden vervoerd
-ocr page 247-
— 219 —
worden. Voor zooveel de slaven aanging, gold die bepaling als
eene wet. Nooit echter is die publicatie in al bare gestreng-
heid toegepast, en sedert de laatste 20 en 30 jaren is zij bijna
in vergetelheid. Gemiddeld werden er, tot 1855 toe, jaarlijks 45
besmettelingen heengevoerd, behalve in 1831, toen dit getal 1!)4
bedroeg. Vandaar dat Groo/j\' een schrijven van den 4 Maart
1832 volgendcrwijze aanving:
■»Coppename, waar de ellende van dag tot dag toeneemt."
Hij laat hierop eene korte beschrijving van den toestand
volgen:
»Ik heb er, sedert den dood van mijn onvcrgetelijken Van
der Weijden,
reeds 407 arme en van de maatschappij verlatene,
doch, zoo ik hoop, Gode bchagelijke zielen, gedoopt. Verleden
jaar, even vóór het vertrek van den Eervv. Heer Ferstappen,
had ik nog het onbeschrijfelijk genoegen, op die nootlottige
plaats, drie-honderd-en-zestig arme besmet telingen te doopen.
Onder dezen waren er ruim zestig, die, de een zonder handen,
de ander zonder voeten, deze of gene geheel en al opgezwollen,
in eene armzalige hut lagen te kermen en te zuchten. Velen
schenen onder mijne handen te zullen bezwijken, zoodat ik in
de ééne hand het doopwater hield, en in de andere wat azijn
of wijn tot hunne verkwikking. Ten andere was ik verplicht,
bijna al mijn linnen, wat ik had medegebracht, te gebruiken
om hunne afzichtelijke naaktheid te bedekken. Zoo ellendig en
betreurenswaardig het was, deze arme schapen aan te zien en
te behandelen, zoo groot was ook onze vreugde, toen wij aan
tien hunner, die reeds op den rand des grafs stonden, den
laatsten heilzamen troost van onzen godsdienst mochten toebren-
gen." Voor ons bestek achten wij deze schildering der akelige
melaatschheid voldoende. \') Het bevreemdt ons niet, dat Groo/j\',
die zoo gaarne onder de melaatschcn verbleef, en Batavia »zijn
lusthof" noemde, de bewondering van eenieder opwekte, en als
wiend der lijdende menschheid en weldoener des vaderlands"
1) Wie er meer van wenscht to woten, leze de «Beschrijving der inde
kolonie Suriname voorkomende Elephaiitiusis en Lepra, door A. Van
Hasselaar, lid van het Colleg. Medic. te Paramaribo," Amsterdam. 1835,
-ocr page 248-
— 220 —
door room.sch on onroomsch uitbundig geprezen werd. \') Het
Bestuur van Suriname toonde op de ondubbelzinnigste wijze,
lioe het Grooff $ liefdewerken aandachtig had gadegeslagen, )
en Z. M. de Koning vereei\'de liein niet de Ridderorde van den
Nederlandsclien Leeuw, eene onderscheiding, die zelfs door de
protestantsche dagbladpers \') luide werd toegejuicht.
Grooff verdiende dien lof volkomen.
Het is waar, een jarenlange ondervinding heeft geleerd,
dat de priesterlijke bediening, zonder eenig govaar voor besmet-
ting, onder de mclaatschen vervuld wordt, maar hun eerste
Apostel had die ondervinding niet opgedaan; integendeel vreesde
hij, en destijds eenieder met hem, daarvan het ergste. Daarom
schreven de »Bijdragen", dat hij meer dan zijn leven gewaagd
had. Ook kenmerkte zich het verblijf\' op den Lazarus-grond, ge-
durende de tien eerste jaren, door allerlei ontbering, terwijl de
aanblik van ellenden, zooals in verwaarloosde zieken gezien
werden, voor een gevoelig hart als het zijne, onvcrdragelijk
was. Voor de natuur werd te Batavia niets aanlokkelijks, maar
alles tcgenstrijdigs gevonden. Menseden met verminkte lichamen,
die afgrijzen inboezemden, en eene ondragelijke lucht verspreid-
den; zielen, in liet heidendom opgevoed, en tot hunne bekeering
verslaafd aan ontucht, afgoderij en bijgeloof; klagende lijders,
die ontevreden in hun lot, onhandelbaar van aard, en over het
algemeen ondankbaar waren; armen, die gcene lompen hadden
om hunne naaktheid te bedekken: wie geeft niet toe,, dat zijne
zelfopoffering voor zulke lieden in den edelen Grooff iets held-
haftigs verried.\'
De liefderyke Prefect deed alles wat hij kon om bet lot
der arme zieken te verbeteren, en het verblijf aldaar te vcraan-
I) Vergelijk het aangehaalde werk van A. van Hasselaar en de «Bij-
dragen tot de kennis dor Nederlandsche en vreemde koloniën" in de
> Katholieke Nederlandsche Stemmen" blz. 403.
\'2) liij resolutie van ilen ( o iveraeur-Goneraal Van Heecheren, 10 Sep-
tember 18-ii-, werd, «als blijk van tevredenheid", en «gelet op den
voorbeeldigon ijver, door den R. K. Pastoor ./. Grooff voor de onge-
lukkige bestnettelingen betoond", hem do allodiale eigendom geschonken
van de kerkplaats tot de rivier Cup^en-tme, on van den grond achter de
kerk.
\'$) o. a. de Bredasche Courant.
-ocr page 249-
— 221 —
genamen. Den 7 Februari 1836, wijdde hij de nieuwe kerk in.
De Gouverneur Van Heeckeren vaardigde den Gou vernemen ts-
Seeretaris af, om daarbij tegenwoordig te zijn, en den Prefect,
namens Zijne Excellentie en deszelfs cchtgenoote, niet een zeer
milde bijdrage te verrassen. Dit kerkgebouw, welks bovenge-
deelte tot pastorie diende, had een vrij net aanzien. In liet
koepeltorentje hing een helderklinkendc klok, en boven elk der
vier ingangen las men cene zinsnede uit Matthëm Hoofd. XI. 5.
Boven den hoofdingang stond het beeld van den H. Rochus,
patroon der kerk. Door herhaalde reparatiën heeft men dit monu-
ment der Ncderlandsehe weldadigheid tot heden mogen behouden.
Achter de kerk bevond zich de begraafplaats, aan de zijge-
vels stonden fraaie palmboomcn, terwijl van voren, waar
een nette tuin was aangelegd, een recht pad, met oran-
jestruiken bezet, naar den rivierkant leidde, waar men over
de breede Coppename het gezicht heeft op de zee. Twee kleine
stukken geschut lagen daar steeds gereed, om de cene of an-
derc feestviering, waarmede hij zijne zieke parochianen ver-
kwikte, op te luisteren. Niets mocht ontbreken, om het ver-
blijf in dit oord van ellende, zooveel mogelijk te verzoeten.
Aan de rivierzijde werd in 18-11 een kapelletje opgericht ter
eere van O. L. Vrouw Behoudenis der Kranken. Driemaal in
de weck toog men des avonds, na de gezamenlijke avondgebr-
den en lust rozenhoedje in de kerk, daarhenen. Voorop ging het
kruis, daarna de priester in koorhemd, en zijne misdienaars, en
allen, jong en oud, volgden onder het zingen van een godvruchtig
lied. Als de stoet van deze verminkte processiegangers bij het
beeld was aangekomen, werd de klok geluid, om hen, die te
gebrekkig waren om den optocht mede te doen, te beduiden,
dat het gebed bij het Moeder-Gods-Beeld aanving. Dan werd
het beeld met wijwater besproeid en bewierookt, en bad men
luid op vijfmaal het Onze Vader en het Wees ijcyroct, om door
de voorspraak der Allerheiligste Maagd te verkrijgen, dat de
zonden van afgoderij en onkuischheid meer en meer zouden
gebannen worden. Deze plechtigheid, die met eene tweede be-
wierooking van het beeld, cene herhaalde besproeiing met
wijwater en den terugtocht naar de kerk eindigde, was zeer
stichtend, en bij helderen maneschijn schilderachtig.
-ocr page 250-
— 222 —
Aanzienlijke giften van gegoede weldoeners in Nederland,
en de inzamelingen van- »de üodsdienstvriend," voor de boasi-
lijjers,
stelden den goedhartigon priester in de gelegenheid,
zijne zieken van tijd tot tijd te verblijden niet klecdingstukken,
windsels en ecnige versnaperingen, zooals brood, beschuit, kaas,
haring, enz.
Ook het Gouvernement begon langzamerhand verbetering
aan te brengen in de huisvesting, voeding, kleeding en genees-
kundigo verpleging; in \'1850 althans, werd er een geneesheer
geplaatst. Spaarzamer geest dan die van Groo/f, zon gewis de
lichamelijke verzorging meer aan het Gouvernement hebben ge-
laten, doch ook de zieken zonden daardoor ter prooi zijn geble-
ven aan grooter ellende, en God en Gods zaak ware minder
eer gegeven.
Al die verbeteringen maakten, dat de Prefect zijn Batavia,
gedurende de eerste jaren alleen in bovennatuurlijken zin »een
lusthof", nu ook natuurlijkerwijze aangenaam vond, en zijne
«buitenplaats" placht te noemen. «Ik beschouw," dus schreef
hij tUn\\ 1 Januari 1840, «die arme, van de maatschappij verwij-
derde gemeente, als mijn lusthof, waar ik volgaarne, buiten
het gewoel der wereld, onder die ongelukkige slachtoffers ecner
ellendige pcstkwaal, zon wenschen te blijven."
Voor niets deinsde hij torng om de harten dezer lieden,
die bij »dc armen van Jezus Christus" placht te noemen, aan
zich te verhinden. In de goede week wicsch hij de voeten van
twaalf zieken, die, door de overige wereld zoo verafschuwd,
hierover ten hoogste verstomd waren. \')
Gedurende de afwezigheid van den Prefect (18.\'J3—1839)
werd Batavia door den Ecrw. Heer Schepers bezocht. Na diens
terugkomst niet den Eerw. Heer Th. Kempkes, hadden de me-
laatschcn liet voordeel, meer geregeld en voor langoren tijd een
priester in hun midden te bobben. Vóór 1844 echter heeft geen
1) In 1840, waarvan het bericht dagteekont, was men derhalve reeds
veel bekomen van die groote vrees voor besmetting De plechtigheid der
voetwasaching werd zoowel door den Eerw Heer Theod KVwi/iAvw, als
door den Prefect zelveii. gehouden. Daar er in lateren tijd geen melding
meer van wordt gemaakt, gelooven wij, dat zij in 1840 en 1841, slechts
door redenen van bijzonderen aard, raadzaam zal zijn geoordeeld.
-ocr page 251-
— 223 —
priester zijn bestendig verblijf op Batavia kunnen vestigen.
Docb de Eerw Hoeren \' Scluuws, Kempkes en later Heinink,
Donder*
en anderen wedijverden met den Prefect in zelfbpoflfc-
ïing voor de melaatsclien.
Te midden zijner liefdewerken, en der hierdoor ingeoogste
loftuitingen en eerbewijzen, bleef (Jroojj\' steeds dezelfde nederige
priester. Terwijl zijne verdiensten in Europa hemelhoog werden
verheven, en door burgerlijke en kerkelijke autoriteiten om
strijd geprezen, vernederde bij zich voor God en de menschen,
<n schreef in dien geest aan den Bisschop van Curium, dat hij
gaarne, tot luister van den godsdienst en tot troost der ongc-
liikkige besmettelingen, te Batavia zou willen blijven, «terwijl
ik," voegt bij er bij, »langs dien weg gaarne iets zou willen
lijden, om in de nog overige dagen mijns levens, voor de
wonden, die mijne arme ziel gedurende twaalf jaren bier be-
komen heeft, te boeten. Want, Hoogw. Vader, men moge dan,
in de katholieke maandwerkjes en tijdschriften, tot mijn innig
leedwezen, van mijnen titel als Prefect en als Ridder van den
Ned. Leeuw, zooveel ophef maken als men wil: wees verzekerd,
dat de doornen, onder deze rozen verborgen, menigvuldiger en
scherper zijn, dan men zich kan voorstellen."
Toen Zijne Heiligheid Paus Gregorius XVI hem, den 2.\')
April 1840, tot Kamerheer-honorair benoemd had, schreef hij
den 27 Juli volgenderwijze: »Dit hooge bewijs van goedkeuring,
welwillendheid en genegenheid, waarmede Z. H. mij wel heeft
willen vereeren, strekt mij wezenlijk tot eene rechtmatige
vreugde, troost en opbeuring. Maar wanneer ik het oog vest\'g
op mijne waardige voorgangers, den onvermoeiden Vader Wen-
tiek&rs
, den ijverigen Van der Horst , den braven Van der
Weijden,
die allen vroegtijdig, door den ijver voor Gods huls
verteerd, met ongeloofelijke moeite, geduld en arbeid, met de
grootste zelfverloochening, ja, met opoffering van hun jeugdig
leven, hier het ijs gebroken, en den weg gebaand hebben, dien
wij thans bewandelen ; wanneer ik hier in de eenzaamheid de
groote onvolmaaktheden overweeg, waarmede, helaas, zoo me-
nigwerf, mijne zwakke en nietig»! pogingen voor de eer van
God en de zaligheid der mij toevertrouwde zielen gepaard gingen;
ach, Hoogw. Vader, dan moet ik U, in eenvoudigheid des harten
-ocr page 252-
- 224 —
en giilwcg bekennen, dat ik met dit gunstbewijs van Zijne Hci-
liglieid waarlijk verlegen bon."
Jaren U»iifj; had «Ie Hoogecrw. Prefect in apostolische tochten
en nederige liefdewerken doorgebracht. Niets wenschte hij nu
vuriger dan zijn verblijf voor goed op Batavia te vestigen, en
er zich, voor liet overige van zijn leven, geheel aan de melaat-
schen toe te wijden; doch Gods H. Voorzienigheid had er anders
over beschikt.
3. Coronie en Nickérie.
Met een terugblik op Opper- en Neder-Nickérie, sluiten
wij het tijdvak der Apostolische Prefectuur van Suriname.
Na den apostolische» tocht van den Weleerwaarden lieer
WiUemsen werd de Kust, bij gebrek aan priesters, gedurende
ruim zestien jaren niet bezocht.
Den 8 October 1840 begaf zich de Eerw. Heer Sclwpers
daarheen, en wendde pogingen aan, om er eene statie te vcsti-
gen. Hij verbleef er omstreeks eene maand, zegende één huwelijk
in, en doopte 23 personen, bijna allen kinderen. Ofschoon hij
bij sommige eigenaars eenige tegenkantingen ontmoette, en de
hernhutters juist bezig waren daar eene kerk te vestigen, ont-
dekte hij bij andere eigenaars en bij vele, zoo blanke als zwarte
bewoners eene volstrekt niet vijandige stemming.
Den 10 October 1841 ging hij andermaal op reis, doch nu
met den Hoogecrw. Prefect zelven. De tocht ging van Coronie
naar Nickérie en van daar weer terug naar Coronie. De Prefect
vertrok den 8 November naai\' Bataina, doch de Weleerw. Heer
Schepers bleef nog ruim eene maand aan de Kust vertoeven.
Dertien personen werden te Coronie gedoopt, doch het voor-
naamstc goed, dat dit bezoek opleverde, was de schenking van
een stuk gronds op de plantage Ca rd ross-Park, ten einde er
eene kerk te bouwen.
Te Nickérie, waar zij den 27 October aanlandden, werden
zij door den Landdrost, de overige Autoriteiten, alsmede door
de ingezetenen, zóó vriendelijk ontvangen, dat de aanbevelings-
brief van den Gouverneur-Generaal /. C. Rijk overbodig was.
Op alle plantages, die zij bezochten, werden verscheidene ka-
-ocr page 253-
225 —
tliolieke slaven gevonden, die afkomstig waren van Fransche
eilanden, of wel door de vroegere priesters gedoopt, derwaarts
waren overgebracht. Op Zondag den 31 October werd in het
stadje Nieuw-Rotterdam , in een tot de godsdienstviering af-
gestaan huis, voor de eerste maal sinds de kolonie bestond, het
H. Misoffer opgedragen, en het woord Gods door een katholiek
priester verkondigd. Ken paar kinderen ontvingen bij die gele-
genheid het H. Doopsel. Zeer vele slaven en arme vrije lieden,
de katholieken van den militairen post, en zelfs verscheidene
onkatholieke ingezetenen, woonden deze godsdienstoefening met
belangstelling bij. De Prefect verliet (4 November) deze plaats
niet, zonder den vurigen wensch te uiten, aldaar spoedig een huis
te huren, en er, ten behoeve dezer herderloozc katholieken, een
Missionaris heen te zenden.
Den 3 November kwamen zij te Coronie terug om er, nu
niet meer als vergenoegde gasten, de 17 plantages, niet ongeveer
1500 zielen bevolkt, te bezoeken, maar bij de aanzienlijke eige-
naren, wier tegenwerking zij duchtten, de voornanr.e reden
hunner komst bloot te leggen. Door verscheidener. hunner wer-
den zij met blijkbare teekenen van hoogachting ontvangen, en
kregen van hen, zoo niet volkomen toegang tot hunne plantages,
dan toch de verzekering, dat de verkondiging van Gods woord
aan de slaven niet zou bemoeielijkt worden.
Wat de slaven zelvcn aanging, onze twee reizigers waren
over hen getroffen; want, meest allen, die voor 18 jaren door
Wenneket\'s en ■ Willemsen gedoopt waren, kenden hunne ge-
beden nog zóó goed, alsof zij die pas geleerd hadden. Vele an-
deren meldden zich tot doopleerlingen aan.
Toen zij te Novar de H. Mis opdroegen, kwam een Euro-
peaan zich rouwmoedig voor hunne voeten nederwerpen, met
de bede hem weer onder hunne herderlijke zorgen op te nemen;
«want," zeide hij, «ofschoon ik katholiek geboren en opgevoed
ben, heb ik tal van jaren mijne godsdienstplichten verwaarloosd,
ja zelfs, uit tijdelijke inzichten, het geloof verzaakt."
Treffend was het ook, dat de proteslantsche eigenaar, \')
1) Dio eigenaar was niet meer de heer Mackensie; maar, naar ons als
waarschijnlijk is medegedeeld, de heer Charles Stuurt.
Suriname.                                                            15
-ocr page 254-
— 226 — ,
uit eerbied voor de godsdienstviering, en tevens om meer negers
tot de bijwoning dier plechtigheid te kunnen toelaten, zijne
eigene kamer afstond, die van alle meubelen ontdeed, eigenhan-
dig de tafel met bet beste damast bekleedde, en alles voor de
H. Mis in gereedheid bracht. Hetzelfde kamertje, waarin de
VVeleerw. Wennekera gelogeerd had, werd tot hun troost, ook
hun als verblijf aangeboden.
Terwijl de Prefect des morgens de godsdienstoefening ver-
richtte , hield de Eerw. Heer Schepers \'s namiddags catechismus
voor de slaven. Verscheidenen kwamen van naburige plantages
om de twee Missionarissen te zien en te booren. In één woord,
»de geestdrift dier arme inenschen," zegt de Prefect in de be-
schrijving dier reis, «overtrof alle verwachting." Daarom ver-
bleef ook de Eerw. Heer Schepers, na het vertrek des Pivfects
naar Coppename, nog eenige weken 0[> de Kust, ten einde de
plantages rond te reizen, en een goeden oogst te verzamelen.
Den 12 December kon Schepers, ondanks eenige tegenkantingen,
die hij had moeten ondervinden, den Hoogeerw. Groojf te Ba-
tavia
de tijding brengen, dat de heer William Ferrier, een
episcopaal, gratis een stuk land op zijne plantage voor eene
katholieke kerk had afgestaan.
Den 18 Februari 1842, stelde de Prefect den "VVeleerw.
Heer Schepers tot Pastoor van Coronie aan. Dit geschiedde met
veel plechtigheid, des Zondags, onder den Hoogdienst, terwijl
hij cene rede uitsprak, naar aanleiding der tekstwoorden: Gaat
en leert alle volken.
Nog denzelfden dag vertrok de Missionaris.
Evenzoo wilde de Prefect zoo spoedig mogelijk den Eerw. Heer
/. V. Janssen als Pastoor naar Sickérie zenden, waar reeds
een huis gehuurd wras, dat tot kerk en pastorie moest dienen.
De Voorzienigheid beschikte bet anders. Toen hij, na aankomst
van den Eerw. Heer P. Donders, als het ware gereed stond om
met Janssen naar Nickêrie te vertrekken, en hem daar als
Pastoor te installeeren, kwam zijne benoeming tot Bisschop. De
Weleerw. Heer Janssen, die den Prufect in het bestuur der
Missie zou moeten opvolgen, kon nu de stad niet verlaten, en
zóó bleef de stichting eener parochie te Nickérie achterwege.
Weinige weken na zijne aankomst te Coronie, maakte
Pastoor Scliepers een begin met het bouwen zijner kerk. Dit
-ocr page 255-
— 227 -
onaanzienlijk gebouw van slechts 51 voet lengte en 20 voet
breedte, dat beneden tot kerk en boven tot pastorie diende, en
zijne godsdienstige bestemming alleen door een onbeduidend to-
rentje verried, kostte naar berekening van den Prefect de ongc-
hoorde som van f 10000, en 12 maanden arbeids. Men vergete
niet, dat de bouwmaterialen van Paramaribo langs zee derwaarts
gebracht moesten worden. Den 19 Maart 1843 werd deze kerk,
met machtiging van den Prefect, door Pastoor Schepers en den
Eerw. Heer Kempkes, die hem assisteerde, aan de Allerheiligste
Maagd, onder den titel van hare Onbevlekte Ontvangenis toe-
gewijd. De grond Cardross-park was den 8 December 1841,
feestdag der Onbevlekte Ontvangenis, geschonken geworden.
Slechts eenige dagen na deze plechtigheid moest Pastoor Schepers
vertrekken, en de zorg der kleine gemeente aan den hem toege-
zonden assistent overlaten. Zóó aanvaardde de Weleerw. Heer
Tlieod. Kempkes cene bediening, welke hij vol edelmoedigheid,
en bijna altijd geheel alléén, gedurende 25 jaren bleef vervullen.
Na zijne benoeming tot Apostolisch Vicaris van Nederlandsen
Oost-Indië, kon bij Mgr. Grooff geen twijfel beslaan omtrent de
keuze van zijn opvolger in Suriname. De Weleerw. Heer Janssen,
die den afwezigen Prefect reeds vroeger vervangen had, was de
hiertoe aangewezen persoon. De II. Congregatie de Propaganda
Fide,
die, bij de gelijktijdige verheffing der Apostolische Pre-
fecten van Caracao en Suriname, deze laatste Missie tijdelijk
onder het opperbestuur van den nieuwen Apostolischen Vicaris
van Guracao geplaatst had, kwam spoedig terug op eene be-
schikking, welke zoowel aan Mgr. Niewindt, als aan Mgr. Grooff
en de Missionarissen van Suriname onuitvoerbaar toescheen, en
ook werkelijk was. Onkundig, dat een nog hooger gezag reeds
op andere wijze over den Weleerw. Heer Joannes Vitus Janssen
beschikt had, benoemde zij dezen priester., bij decreet van den
8 April 18411, tot Provicaris. Intusschen was deze echter den 12
Maart reeds in de armen van zijnen Prefect gestorven.
Gedurende drie weken had de Weleerw. Heer Janssen met
bewonderenswaardig geduld een zwaren bloedloop doorgestaan.
Drie dagen voor zijnen dood, ontving hij met voorbeeldige gods-
vrucht de laatste H. Sacramenten en hield zich van toen af, los
van alle aardsche bekommernis en geheel met Gods wil veree-
-ocr page 256-
— 228 —
n!gd, uitsluitend mot het gebed bezig. Tot liet laatste oogenblik
mocht hij het gebruik behouden van zijne verstandelijke vermo-
gens. Toen hij te zwak was geworden om zelf een boek ter
hand te nemen, verzocht hij den Hoogwaardigen Prefect van
hem ten minste driemaal daags uit »Do godvruchtige Leidsman"
voor te lezen. Onder liet uitspreken der H. Namen van Jezus,
Maria en Joseph , en terwijl hij de gewijde kaars in de hand
hield, gaf hij zijne reine ziel aan haren Schepper weder. Mgr.
roemde hem als een godvruchtigen, ijverigen, bekwamen en
algemeen geachten Missionaris. Overeenkomstig het uitdrukkelijk
verlangen van den overledene, werd hij bij het kruis, op het
door hem zelf aangelegd kerkhof begraven. De Gemeentenaren
vereerden zijne laatste rustplaats met een marmeren grafsteen.
•De Woleerw. Heer Janxxen beschouwde het vertrek van
Mgr. Grooff, dien hij hoogachtte en liefhad, in de gegeven om-
standigheden, als eene ramp voor de Missie. Daarom had hij
dezen,- in het vooruitzicht van zijnen dood, biddend gesmeekt
van toch al het mogelijke bij den H. Stoel te beproeven, ten
einde van de zending naar Oost-lndië verschoond te blijven.
Monseigneur, die de redenen van den stervenden Missionaris
beaamd had, gaf gevolg aan diens verzoek, en richtte uitvoerige
brieven desbetreffend naar Rome, en tot den Hoogwaardigen
Procurator der Missie; doch niets mocht baten. Zelfs in de hoop
om zijn vertrek tot de aankomst van twee nieuwe Missionarissen,
die in het voorjaar 1844 verwacht werden, te mogen uitstellen,
werd hij teleurgesteld. In antwoord ontving hij de uitdrukkc-
lijke lastgeving om zóó spoedig mogelijk te vertrekken, ten einde
in Nederland de Bisschopswijding te ontvangen, en zich tot zijne
groote zending voor te bereiden. Rome wilde hem in Oost-lndië,
terwijl aan het hoofd der Surinaarnsche Missie een Provicaris
geplaatst werd. Deze voorziening in het geestelijk bestuur bleef
gedurende negen jaren van kracht, namelijk tot de oprichting
van het Apostolisch Vicariaat van Suriname.
Met aandachtigen blik overzag Mgr. Grooff nu nog eenmaal
de Missie, die hem zoo dierbaar was geworden, dat hij haar
slechts gedwongen kon verlaten \'), en hield op Zondag, den 24
1) Kerk- en Armbestuur werden wederom van elkander geseheiden,
-ocr page 257-
— 229 —
September, onder een plechtigen Hoogdienst, zijne afscheidsrede.
Na den Hoogeerwaarden Heer G. Schepers, als opvolger in het
bestuur aangekondigd en hem de Pauselijke aanstelling met de
sleutelen van het heiligdom toegereikt te hebben, \') beval hij
dezen in hartroerende bewoordingen de belangen aan der ge-
mcente, en vergat vooral niet op zijn geliefd Batavia aan de
Coppename te wijzen. De Surinaamsche Courant van den 25
September 1843 besloot hare beschrijving van deze plechtigheid
met de volgende woorden:
»Zóó eindigde de godsdienstoefening, waarvan de indruk
nog lang bij ieder der aanwezigen werkzaam zal blijven; zóó
voleindigde de waardige Grooff zijnen arbeid te dezer plaats,
die hij, door zijne mcnschlicvonde daden zoozeer aan zich ver-
plicht heeft. Hem zij dan ook eere, die aan den ijver, waar-
mede hij aan het gebouw der christelijke deugd arbeidde, de
hoogst moeielijke zorg paarde, om voor het welzijn van bekla-
genswaardigc besmettelingen te waken, en geene opoffering te
groot achtte, om het lot dier ongelukkigen, zoo dragelijk moge-
lijk te maken. De tijdgenoot heeft eerbied voor zulk ecne groote
mate van menschlicvcndhcid, en schenkt den dader in zijn hart
die onwaardeerbare hulde, welke boven alle ceretitels der we-
reld verheven is; en de nakomelingschap zal, aan de betoonde
belangstelling voor zijne beminde gemeente en aan Batavia
gedenkende, den naam van Grooff met diep ontzag uitspreken,
en zijne edele daden met erkentelijkheid roemen."
Den 9 of 10 October verliet de gevierde Kerkvoogd Suri-
nanie, terwijl hij door honderden en honderden vol aandoening
tot aan den oever vergezeld werd. Eerst den 24 December
landde hij in Nederland en werd, den 26 Februari 1844, te
Leiden door Mgr. van Gurium tot Bisschop gewijd. Na de
en dus op den voet teruggebracht, zooals die onder Wennekr.rs geweest
waren Nog een der kerkmeesters, bij deze gelegenheid op den \'ii Sep-
tember benoemd, de heer J. I\'. Haasu, is overig, en bleef tot heden
onafgebroken deze eervolle onderscheiding genieten. Van den toen opge-
maakten inventaris zijn nog eenige kerk- en pastorie-goederen, en een
gedeelte der bescheiden en oorkonden, overgebleven.
1) Het verslag der apostolische werkzaamheden, toen opgemaakt, dee-
len wij aan het einde van dit Hoofdstuk mede.
-ocr page 258-
— 230 —
graven der H. Apostelen bezocht te hebben, en tot Huisprelaat
en Assistent-Bisschop bij den Pauselijken Troon benoemd te zijn,
werd hij ook door Z. M. den Koning in zijne hoedanigheid
erkend, die bom daarenboven den 20 November, eene opbeu-
rende Audiëntie verleende. Vier priesters waren reisvaardig, om
den Docrluchtigen Zendeling naar zijne nieuwe Missie te verge-
zellen. Van 1 tot 6 December bad Den Helder bet voorrecht,
dat eerwaardig gezelschap te berbergen. Terwijl de Bisschop in
de voormalige stad zijner inwoning van alle zijden met eerbe-
wijzen werd overladen, vond bij er behagen in het nederige
dak te bezoeken, waaronder hij zoovele jaren geleefd had, en
zijne warme gevoelens van dankbaarheid jegens zijne weldoe-
ners te openbaren. Den 6 December ging hij onder zeil en
landde, den 21 April \'1845, te Batavia. Dan, zijne zending mis-
lukte, en wel zoozeer, dat hij, na eene menigte alleronaange-
naamste ontmoetingen, reeds den 3 Februari 1846, als balling,
van daar moest wederkoeren.
Bij het vertrek bad men gemeend, dat alles voor de zen-
ding geregeld was; doch ééne zaak, waarvan toch bet welslagen
afhing, was over bet hoofd gezien of althans te licht geteld. De
edelmoedige, door de Regecring van het moederland uitgezonden
en door allen hooggeprezen man, had er niet op gerekend, dat
het Oost-Indisch Bestuur destijds zooveel verschilde van het Op-
perbestuur in Nederland, en van het Bestuur der West-Indische
Bezittingen. Mocht de letter der Oost-Indische Staatsregeling
den katholieken al niet volkomen gunstig, of zelfs vatbaar zijn
voor opvatting in vijandelijkcn zin, de geest der verordeningen
werd in dien tijd verondersteld gematigdheid en rechtvaardig-
heid te ademen. De onwaardige behandeling, welke het Oost-
Indisch Bestuur van die dagen den Hoogwaardigen Bisschop van
Canéu deed ondergaan, zal hetzelve steeds tot oneer strekken.
Nemen wij ook aan, dat de Apostolische Vicaris, tegenover een
lichtgeraakt en aanmatigend Gouvernement, in de vormen cenigs-
zins gezondigd hebbe, dan wordt hierdoor zijne verbanning als
openbaar krenker des gezags, als rustverstoorder en staatsge-
vaarlijke, nog geenszins gebillijkt. De moedige verdediger der
onafhankelijke geestelijke Rechtsmacht en der kerkelijke tucht,
zal niet ophouden door elk onpartijdig en reehtlievend mensch
-ocr page 259-
— 231 —
hoog vereerd en geprezen te worden. Nochtans ware deze on-
gelukkige botsing tusschen het wereldlijk en kerkelijk gezag,
met bedaard overleg en wat meer geduld, misschien te vermij-
den geweest. Hoe het ook zij, Gods Wijsheid heeft ze toegela-
ten, en ongetwijfeld daarmede de heilrijke gevolgen beoogd, die
er, naast vele noodlottige, voor de kerk uit geboren werden. Als
zoodanige gevolgen beschouwen wij de Koninklijke Besluiten,
waarbij de Oost-Indische quacstie voor goed werd geregeld, en
die, naar aanleiding van gemelde treurige verhoudingen, geno-
men werden. Ook leidde de gedwongen verwijdering van Mgr.
Grooff langzamerhand, doch wellicht nog spoediger dan het,
wanneer hij daar gebleven ware, zou gebeurd zijn, tot eene
geheele vernieuwing, zoowel van die Missie zelve als van haar
personeel. God, die Monseigneur in de kwelling niet verlaten
had, deed daar zijn voordeel mede. De goede verstandhouding tus-
schen kerkelijk en wereldlijk gezag werd in Ooxt-lndië hersteld.
Hiermede nemen wij afscheid van den Apostolisclien Vicaris
van de Oost, dien wij eerlang in de West, als eenvoudig Pastoor
van het Leprozen-etablissement Batavia weer zullen ontmoeten,
en eindigen dit hoofdstuk met een algemeen overzicht der apo-
Stolische werkzaamheden, van het jaar 1826 tot den laatsten
dag van Augustus 1843.
Gedooptcn te Paramaribo en op cenige plantages 2100
»            Batavia.........1034
»            Coronie .........186
Huwelijken te Paramaribo en elders..... 95
»             Batavia.........149
»            Coronie......... 10
Nieuw-communicanten te Paramaribo . . . 305
y>                   »                    Batavia ■ . . j . 83
Nieuw-bekeerden uit verscheidene secten:
»            »         te Paramaribo...... 25
»            »          » Batavia....... 30
Het getal Paasch-communiën had in de laatste
jaren bedragen te Paramaribo 225
te Batavia . . 70
Kinderen en berechte volwassenen gestorven te
Paramaribo 776
-ocr page 260-
— 232 —
Van Batavia en Coronie ontbreken de opgaven der sterf-
gevallen. Overigens was het niet mogelijk deze opgaven met
de gewenschte nauwkeurigheid te doen, daar de priesters niet
zelden geheel onkundig bleven van het overlijden der door hen
gedoopte personen, vooral op buitenposten en plantages.
De katholieke bevolking werd toen begroot op vier duizend
zielen, van welke de helft te Paramaribo woonden.
•^H~~*
-ocr page 261-
VIIde HOOFDSTUK.
Van de instelling van het Apostolisch Provicariaat, in 1843,
tot de oprichting van het Apostolisch Vicariaat
van Suriname, in 1852.
Toen Mgr. Grooff de kolonie verliet, bleven slechts drie
Missionarissen in Suriname over: de Hoogeerwaarde Provicaris
G, Schapers met den Eerw. Heer P. Donders te Paramaribo,
en de Eerw. Heer Theod. Kemphes te Coronie. De H. Con-
gregatie de Propaganda had intusschen twee Pater* Capiicijnen
bestemd, om de opengevallen plaatsen in Suriname aan te
vullen; doch gaf hun, den 2 September 1843, verlof om Mgr.
Nieivindt naar Curacao te vergezellen, mits de Procurator
onverwijld twee andere priesters naar Suriname kon zenden.
Monseigneur van WijkeifAooth had die gevonden; zij waren de
Eerw. Ileeren Gerardus Joannes Heinink, kapelaan te Losser
in Overijsel, en Steplianus Antonius Henricus Mewkens, pries-
ter uit het Seminarie van Warmond. In het vertrek van laatst-
genoemden , die door den Aartspriester van Gelderland te Ter
Beek
in bediening geplaatst was, kwam eene vertraging van
ongeveer een geheel jaar, zoodat de Eerw. Heer Heinink, in
het najaar, alléén de Surinaamschc reis moest aanvaarden. Hij
landde te Paramaribo den 13 December 1843. Reeds twee jaren
had bij de bediening van kapelaan waargenomen, telde 30 jaren,
en was geboortig \\ran Oldenzaal.
We laten hier de lijst der Eerw. Geestelijken volgen, die
achtereenvolgens in dit tijdvak de apostolische werkzaamheden
van den Provicaris zijn komen doelen.
De Eerw. Heer Meurkens kwam te Paramaribo den \'28 De-
cember 1844. Hij was den 25 Maart 1813 te Hulhuizen, bij
Nijmegen, geboren, en had den 29 Augustus 1843 in het Semi-
narie van Warmond het II. Priesterschap ontvangen uit handen
van Mgr. van Gurium.
Den 28 Juni 1847 werd de Bisschop van Canéa, die als
balling door Neerlands katholieken reeds met zoo innige deel-
-ocr page 262-
— 234 —
noming, bewondering en uitbundigen lof ontvangen was, te
Paramaribo, niet algemeene blijdschap, als Visitator Apostolicus
begroet. Gelukkig weer in hun midden te wezen, en met open
armen ontvangen, aanvaarde hij, geenszins door de telcurstel-
lingen der laatste jaren ontmoedigt], gaarne \'s Pausen verwerende
opdracht, die hem wederom de administratie der hem zoo over-
dierbaar geworden -zending toevertrouwde. De parochiale en
apostolische bedieningen bleven meerendeels op de schouderen
van den Hoogeerw. Heer G. Schepers rusten, terwijl de Hisschop
zich meer bepaaldelijk de hoede zijner besmette schapen op
Batavia voorbehield, althans zoolang de herhaalde zenuwschokken,
waaraan hij leed, zulks eenigszins toelieten.
De Eerw. Heer Paulus Joannes Riitten zette den 21 Ja-
nuari 1848, na cenc zeereis van 31 dagen, te Paramaribo voet
aan wal. Van dezen Eerw. Geestelijke, dien God maar weinige
jaren aan de Missie liet, kunnen wij het vermeldenswaardige
uit zijn leven, evenals van dat des hiernavolgenden Missionaris,
te dezer plaatse in korte woorden samenvatten, ten einde later
in gcene herhalingen te vervallen.
Paulus Joannes Rvtten was te Tilburg den 29 November
1823 geboren. Na zijne studiën in de Seminariên van \'s Bosch
volbracht te hebben, verliet hij Haaren in October 1847, en
werd door Mgr. van Curium te Oegstgeest tot Diaken gewijd.
Zes dagen na zijne aankomst te Paramaribo begaf hij zich naar
Mgr. Grooff, op Batavia, en verbleef bij Zijne Hoogw. tot Maart.
Zaterdag voor Passie-Zondag werd de Eerw. Heer Ratten, te
Paramaribo, tot Priester gewijd. Van toen af bewees de jeug-
dige priester zijne diensten, als prediker en bedienaar der
II. Sacramenten. Huisgenoot en secretaris van Mgr., verge-
zelde hij dezen gewoonlijk op zijne reizen naar Batavia. Den
3 Maart 1850 stierf\' de jeugdige priester op den leeftijd van
\'2(i jaren en 3 maanden te Paramaribo, aan de gevolgen ecner
hevige rotkoorts, die hem in drie dagen naar het graf sleepte.
Mgr. Grooff, die toen te Batavia vertoefde, was ontroostbaar
over het verlies van dezen godvruchtigen en ijverigen priester.
Een" geseculariseerd Norbertijner Geestelijke, de Eerw. Heer
Charles Guittaume Magnée, die zich in het jaar 1850 te Rome
bevond, werd door de II. Congregatie de Propaganda, op den
*
-ocr page 263-
._ 235 —
3 September van dat jaar tot Missionaris van Suriname aangesteld,
en landde reeds den 29 November daaraanvolgende te Parama-
ribo. Hij kwam den ziekelijken Bisschop van Canéa, als Pastoor
van het Leprozen-etablissement Batavia opvolgen, en bleef in
die bediening van \'t jaar 1851 tot 1855. Daarna was bij ge-
durende drie en een half jaar te Paramaribo, waar hij het H.
Dienstwerk met nog twee andere Geestelijken deelde, en ver-
liet den 4 Juni 1859, de Surinaamsche Missie.
Charles Guillaume Majnée was geboren te Diest (België),
den 17 Januari 1821. Op jeugdigen leeftijd trad bij in de Orde
van Premonslreit, en werd regulier kanunnik van de abdij van
Pare bij Leuven. De bediening van Pastoor op Batavia, welke
hem ten deel viel, eischte niet geringe offers. Naar Europa terug-
gekeerd begaf hij zich van daar als Missionaris naar Mexico
vertoefde in 1806 tijdelijk in België, en keerde van daar wederom
naar Amerika terug. In 1872 werd bij door den Vicaris-Gene-
raal van Meclwilen, Mgr. Lamvens, z. g. aan de parochiale kerk
van de H. CatJtarina te Brussel verbonden. Naar wij vernemen
is Zijn Eerwaarde eindelijk te Marseille overleden. Wijl deze Mis-
sionaris in Suriname steeds in ondergeschikte bediening isgebleven,
hebben wij gemeend dit weinige uit zijne verdere loopbaan te dezer
plaatse, en buiten liet verband der tijdsorde te kunnen aanstippen.
Het Provicariaat baarde den Hoogeerw. Heer G. Schepers
vele zorgen, wegens den berooiden staat der financiën, het ge-
volg van verminderde bijdragen, zoowel uit hei moederland als
uit Suriname, dat sterk in -welvaart achteruitging. Van Gouver-
nementswegc werden alleen de Provicaris en de Eerw. Heer
Heinink (na diens overlijden de Eerw. Heer Kempkes) gesala-
rieerd, de eerste met f .\'3500 en de tweede met f 1500 \'sjaars.
Door een goedgunstige beschikking van Z. M., van den 28 Sep-
temberl845, werd den Hoogeerw. G. Sctiepers nog eene jaarlijksche
toelage verleend van f 1800 voor tienjarigen dienst, welke toe-
lage reeds den 7 September 1843 door den Gouverneur beloofd
was. Daar echter uit die sommen vijf of zes priesters onder-
houden, en de reparatiën, welke de gebouwen der Missie (alles
van hout) voortdurend vorderen, moesten bestreden worden, is
het niet te verwonderen, dat er veel ontbrak, dat de kerk in
schulden kwam, en dat de menigte der armen en behoeftigen
*
-ocr page 264-
- 236 —
niet naar behooren kon bedeeld worden. We mogen hier de
namen niot verzwijgen van een paar weldoeners, die de behoeften
der It.-K. kerk te Paramaribo onder de oogen hadden, en tracht-
ten daarin eenigermate te voorzien.
Bij testament van den 18 Juli 1847 legateerde de lieer
Gaêtano Polichy het huis, dat recht tegenover de kerk is ge-
legen , en nog tegenwoordig het middengedeelte der pastorie
uitmaakt; doch eerst den 23 December 1850 kwam de R.-K.
gemeente daarvan in bezit. In November 1847 mocht men
insgelijks een legaat aanvaarden van wijlen den heer /. Thijm,
ten bedrage van f 2000. Wat kerkmeubelen en sieraden aan-
gaat, deze alle waren geschonken geworden, en werden nog
voortdurend verstrekt door Mgr. van Curium, door de familie
Gilles en den Hoogwelgeb. Heer Cavellier van Adrichem. Noch-
tans mogen wij niet verzwijgen, dat ook Suriname zijne gods-
dienstige gevers had, onder welke wij den heer Gaëtano Po-
licluj,
als schenker van een mahoniehouten Tabernakel, en den
heer Lambertua Thijm, als gever van een zilveren Ycnerabel,
vermelden. Mgr. Grooff bracht bij zijne wederkomst een fraai
altaar mede, \') en liet bij zijn overlijden, het één derde go-
dcelte van zijn wel is waar gering particulier verinogen aan de
R.-K. armen, zijne bibliotheek aan het Leprozengesticht, en do
kostbare bisschoppelijke sieraden, waarmede luit katholieke Ne-
dcrland den Hoogwaardigen balling vereerd had, aan de kerk
van Paramaribo.
Dan, zulke schenkingen, hoe welkom ook, konden toch maar
weinig de zorgen verlichten van den Provicaris voor de loopende
behoeften der Missie. Het Provicariaat verkeerde steeds in be-
krompen omstandigheden, doch heeft zich, in weerwil daarvan,
in groote geestelijke aanwinst mogen verheugen.
In het kort stippen wij hier den gezegenden werkkring aan
der toenmalige Eerw. Geestelijken.
Na een halfjarig verblijf in de stad vestigde de Eerw. Heer
G. ./. Heinink, in do maand 1814, zijn vast verblijf op Batavia\'
Onder zijne leiding ging het godsdienstig onderwijs en de zedc-
i) Allerwaarschijnlijkst eene gift van jonkvrouwe Sophie Gilles, mild-
dadige weldoenster der Surinaamsche Missie.
%
-ocr page 265-
— 237 —
lijkc verbetering aanmerkelijk vooruit. Onder de bevolking
heerschte een goede geest, en bij zelf was er best tevreden.
Gedurende ccnigcn tijd nam bij, bij de geestelijke bediening, ook
bet tijdelijk bebeer dier gemeente waar. Het gebruik, dat de
ijverige priester van zijn tijdelijk gezag maakte, om.de booze
neigingen van eenige ontevredenen te beteugelen, scbijnt hem
op den 18 üctober 1849 het leven gekost te hebben. Zekere
Andnes die zijne godsdienstplichten verwaarloosde, zich aan
euveldaden van dronkenschap, oproer, ontucht en afgoderij scliul-
dig maakte, en de rustige bewoners dermate met schrik ver-
vulde, dat zij hem niet eens durfden aanklagen, zou een haat
tegen zijn Pastoor hebben opgevat, daar deze, na vele vergeefsche
vermaningen, berispingen en gebeden, eindelijk het vaartuig
(corjaal!, waarmede de sterke drank (dram) in overvloed werd
binnengesmokkeld, onbruikbaar had doen maken. Hij zou zich
over zijn plan tot wederwraak aan den een of ander hebben
uitgelaten. Pastoor Hcinhik, die hiervan in het geheim onder-
richt werd, kon er niet aan gelooven, en sloeg de waarschuwing
in den wind. Twee derde der besmette bevolking hield Andries
voor den giftmenger, en een zekere neger-meid voor de persoon,
die het gift aan den Pastoor in de melk zou hebben toegediend.
Gerechtelijk echter scbijnt de zaak nooit bewezen te zijn. Ken
feit is het, dat de Eerw. Geestelijke drie dagen lang aan kram-
pen in de maag leed, zelf eindelijk de vergiftiging vermoedde,
en, den 18 October 1849, \'smorgens om 10 uren dood gevonden
werd. Omtrent vijf maanden later stierf bedoelde Andries, in
het hospitaal te Paramaribo, na van het II. Oliesel voorzien te
zijn. In Suriname heeft niemand de vergiftiging betwijfeld , die
naar waarheid de slechte zijde van het negerkarakter schetst.
Heinink stierf zonder priesterlijke hulp, die onmogelijk bij
tijds kon worden ingeroepen, maar toegerust met groote ver-
diensten van godsvrucht en ijver, gaf bij zijn leven ten hoste
voor zijne schapen, op den jeugdigen leeftijd van 35 of 36 jaren.
Gedurende zes jaren had hij zich edelmoedig voor de melaatscben
van Batavia opgeofferd.
De twee eerste jaren, na zijne aankomst in de kolonie,
stond de Eerw. Heer Meurkens de twee priesters van Paramaribo
in hun dienstwerk ter zijde. In Februari 1847 kwam hij ter
-ocr page 266-
— 238 —
assistentie van den Eerw. Heer Theod. Kempkes, die ten-
gevolge van een ongeval sedert drie maanden geen dienst had
kunnen verrichten, te Corotde, en werd in Juli als Kapelaan
van Coronie benoemd. Van daaruit begon hij zijne uitstappen
naar Nickérie. De eerste maal, in Februari 18i8, begaf hij zich
derwaarts in gezelschap van den Eerw. Heer Kempkes. Hun
doel was de katholieken van het garnizoen en de geloovigcn, op
de plantage verspreid, te bezoeken, en tevens de vestiging vau
eene statie aldaar te beproeven. Tot tweemaal toe had de
Hoogeerw. Heer G. Schepers zich met datzelfde doel derwaarts
begeven, doch zonder te kunnen slagen. In Mei, toen do Eerw.
Heer Meurkens andermaal Nickérie bezocht, vond hij de ge-
moederen veranderd, en bood men hem gratis een stuk land
aan, om daarop een kerkje te bouwen. Die kerk was spoedig
voltooid; reeds den 4 November 1849 wijdde hij deze, daartoe
door den Apostolischen Visitator gemachtigd, onder aanroeping
van den II. Fruuciscus Xaverius , aan den dienst van God toe.
De schuld was reeds in 1850 uit giften en bijdragen van
Nederlandsehe katholieken afgedaan. Dan, slechts twee ja-
ren kon Zijn Eerw. deze kerk blijven bedienen. Daar waren
slechts een zestigtal katholieken, de godsdienst vond er weinig
bijval en ontmoette vele tegenkantingen. De Eerw. Heer Meur-
kens
nam daarom weinige maanden voor den dood van Mgr.
Grooff, het besluit zich weder bij de Geestelijken der stad aan
te sluiten, waar hij meer vruchten van zijnen arbeid mocht
verhopen. Nickérie werd intusschen nog cenige malen door
Zijn Eerwaarde, en later door andere priesters, bezocht. Het is
waarschijnlijk aan eene verplaatsing der cultuur, en tier water-
loozing op plantage Puradise, toe te schrijven, dat Mgr. ./. B.
Sivinkels
z. g., in 1867, het kerkje geheel bouwvallig en haast
ongenaakbaar in eene moeras gelegen aantrof, weshalve het voor af-
braak moest verkocht worden. Het getal katholieken was destijds
zeer gering, maar is naden slaventijd aanmerkelijk toegenomen. Het
plan echter om op een voor het oogenblik geschikter standpunt
eene nieuwe kerk te stichten, is vooralsnog onuitgevoerd gebleven.
Terwijl de Eerw. Heer Meurkens zich te Nickérie beijverde,
bleef de Eerw. Heer Kempkes trouw op zijn post te Coronie,
waar hem de kruisen geenszins ontbraken.
-ocr page 267-
— 239 —
Tot omstreeks 1849 had hij veel te lijden van zekeren
eigenaar, die hem beletten wilde avond-diensten in de kerk te
houden, onder voorwendsel dat de slaven daar gelegenheid von-
den, om hem op zijne plantage te komen bestelen. Dit te vergen,
stond schier gelijk met te vragen om de kerk te sluiten , daar
immers de slaven bij dag naar het werk en niet naar de kerk
gezonden werden. Veel had de goede priester van dezen woest-
aanl te verduren, «lic in beschonken uren meermalen dreigde
de kerk in brand te zullen steken.
Den 24 November 1846, naar eene afgelegen plantage ge-
roepen, om een zieke te bedienen , had hij het ongeluk van het
paard te vallen, en het been te breken. Dit ongeval belette
hem gedurende niet minder dan zes maanden de H. Offerande
op te dragen, en bleef zijnen gang tot zijn dood toe belemmeren.
De Hoogeerw. Provicaris kwam allereerst zelf om zijnen mede-
broeder hulp te bieden, en zond hem vervolgens den Eerw. Heer
Meurkens, zooals wij reeds boven gezien hebben, ter assistentie.
Voeg hierbij eene poging tot vergiftiging, welke hij altijd ge-
meend heeft dat op hem gemunt was, en een giftdrank, dien
hij bij vergissing innam, en die zijn overigens sterk gestel
zwaar geschokt heeft, en men zal toegeven, dat den Eerw. Heer
Kampkes de kruisen waarlijk niet ontbroken hebben. Daarbij
smaakte hij weinig voldoening van zijne parochianen. Immers
uit een schrijven van Mgr. Grooff z. g. blijkt, dat de slaven der
Kust wel van goeden wil waren, maar dat zij bij het schrale
onderhoud, onder zwaren arbeid gebukt, het onderricht niet
naar behoorcu konden bijwonen, en velen, zelfs des Zondags,
om arbeid en verre afstanden, niet naar de H. Mis konden komen.
Uit hoofde van do verre afstanden smeekten reeds , in 1843,
de negers van het westelijk gedeelte der Kust, dringend om een
kerkje op Sarah. Omstreeks het jaar 1848 werd op die plan-
tage een kamertje gehuurd, tegen f 220 per jaar, ten einde er
om de twee of drie weken dienst te doen. Die dienst bestond
hoofdzakelijk in het geven van godsdienstig onderricht; de
H. Mis werd daar zelden of nooit gelezen. Onmogelijk kon de
half kreupele priester, die geen paard meer bestijgen dorst, de
moeilijke tochten derwaarts langen tijd volhouden, alhoewel hij,
uit hoofde van vermoeienis die tochten nooit gestaakt zou hebben.
-ocr page 268-
— 240 —
Als blijk hoc Zijn Eerwaarde tegen vermoeienis gehard was,
stond nog jaren lang een houten gebouw, dat hij, nagenoeg al-
léén, en eigenhandig, op het terrein der Missie heeft opgericht
en dat later tot school diende.
Aan de kerk zelve worden omstreeks 1840 oenige verbetc-
teringen aangebracht, en de heer George Cruden, eigenaar van
Cardross-park, en welgezind jegens Pastoor Kempkes, schonk hom
eene strook gronds, waarop de R. K. begraafplaats werd aangelegd.
De werkzaamheden der priesters in de stad vermeerderden
tijdens het Pro vicariaat; doch het aantal priesters hield niet al-
leen geen gelijken tred met de vermeerdering der katholieke
bevolking, zoo in als buiten Paramaribo, maar bleef volstrekt
hetzelfde. Die toestand in het oog gehouden, moet men erkennen,
dat de toenmalige Geestelijken, verbazend veel gearbeid en voor
den hemel verdiend hebben. Hoofdzakelijk doet zich wel het
Provicariaat kennen door de uitbreiding van den geestelijken
werkkring op de plantages. De Hoogeerw. G. Schepers en de
Eerw. 7\'. Donders (bijgestaan, gedurende een halfjaar, door
den Eerw. Heer Heinink, en gedurende twee jaren door den
Eerw. Hoor Meurkems) waren gedurende het Provicariaat de
voornaamste bezoekers der plantages, en verrichtten daarbij nog
liet meeste werk in de stad.
In 1843 werden, behalve Batavia en de plantage van
Coiouie, slechts twee plantages en het Fort Nieuw-Amsterdam
bezocht; doch dit getal was in 1852 reeds tot twaalf gcklom-
men, \'namelijk de plantages Toledo, sedert 1834, Joanna Ca-
tharina
sinds 1842, Pieterszorg van het jaar 1840, Lust tot
runt
van 1847, Boxel, Peperpot, L\'Espérance aan de Suriname
en Caledonia aan de Saramacca sinds 1849, Susanna,s-da(d
aan de Suriname, Montrésor aan de Beneden - Commeivijne,
Voorburg
aan de Suriname en Goudmijn aan de Boven-Comme-
wijne
voor het eerst sinds 1852. \') — Door plantage-bezoek ver-
staan wij hot uitoefenen der pastorale bediening op eene plan-
tage gedurende een of meer dagen in de maand of om de twee
1) Op sommige dier plantages kwamen ook naburige negers ter kerke,
zooale op Montrésor en later op Ellen waar zich de katholieke en ca-
techumenen van Leliendaal, Alkmaar en later ook van Vitsersiorg,
W\'ederzorg
en Zoeten vereenigden.
-ocr page 269-
— 241
of drie maanden. De werkzaamheden hieraan verbonden gaan
met veel meer moeite gepaard, <lan zij meenen, die er geene
ondervinding van hebben, en zijn te afmattend, dan dat de
meeste gestellen er op den duur tegen bestand zijn.
Vaste statiën kwamen tijdens liet Provicariaat niet tot stand;
in het bouwen eencr nieuwe kapel op het Fort Nieuw-Amster-
ilam,
waartoe de materialen reeds waren aangeschaft, werd de
Hoogeerw. G. Schepers, om welke reden is niet bekend, teleur-
gesteld; daarentegen werd op de plantage Johanna Cutharina aan
de Saramacca, in 1844, eenc R. K. begraafplaats kerkelijk inge-
zegend.
Wat de tijdelijke aangelegenheden der Missie aanging,
was de Proviearis zelf het levend reglement van zijn kerkbestuur;
de oude regeling, door Mgr. Grooff, vóór zijn vertrek opnieuw
ingevoerd, kwam evenals vroeger weer spoedig tot verval.
Alvorens nu het laatste verblijf en het zalig uiteinde van den
Visitator Apostolicus, in Suriname, te bepreken, geven wij hier
een overzicht van de Surinaamsche Missie in dit tijdperk.
De Eerw. Missionarissen hebben den volgenden algemeenen
staat der Missie op 1 Januari 1851 achtergelaten:
4. In de stad......2484 katholieken.
2.  Op het fort N. Amsterdam .         85         »
3.  Op de pi. Lust tot Rust . .         75         »
» » » Susanna\'s-daal . 200         »
» » » Toledo .... 100         »
» » » Boxel .... 130         »
» » » Peperpot ...         80         »
» » » LEspérince . . 420         »
» » » Jolkanna Cutharina 450         »
» » » Caledonia ...         90         »
» » » Pieterszorg ... 450         »
Op de pi. i\\rontresor, Ellen,
Alkmaar en Leliëndaal .         50         »
4.  te Batavia ...... 448         »
5.  te Coronie ...... 671          »
6.  te Nickdrie ......         60         »
7.  Op verscheidene punten der
kolonie verspreide katholieken,
Europeanen en inboorlingen,
bij benadering.....4000         »
Totaal 5893
Suriname.                                                                 16
-ocr page 270-
- 242 —
Bovenstaande begroeting van de katholieke bevolking is kleiner
dan die welke Jhr. van Seypesteyn mededeelt, namelijk:
Op 1 Januari 1849 . . . 5900 \')
»
              » 1850 . . , 6370 ,
»              » 1851 . . . 6740
»             » 1852 .. . 6852
»             » 1&53 . . . 7128
Hieruit blijkt, dat de de katholieke bevolking gedurende liet
Provicariaat van den Hoogeerw. G. Schepers, en vooral sedert
de terugkomst van Mgr. Grooff, merkelijk is toegenomen; want
in 1843 werd die bevolking nog slechts op 4000 begroot. De ijver
der toenmalige Missionarissen , die weinig op schrift hebben na-
gelaten, noch iets van zich hebben doen spreken , wordt luide
genoeg door deze cijfers geprezen.
De volgende staat, over liet jaar 1846, doet de Surinaamsche
Missie nog beter in hare bijzonderheden kennen:
STAAT OVER HET JAAR 1846.
STAD EN\'
PLAN-
TAGF.S.
Bata-
VIA.
CORO-
NIE.
To-
TAAL.
267
39
57
363
Bekeerlingen uit protestantsche
17
2
19
14
9
1
24
401
105
2
508
Biechtelingen, nog niet tot de
H. Communie toegelaten . .
304
181
127
612
Overleden: a) voorzien van de
H. Sacramenten
46
34
7
87
» b) plotseling . . .
6
2
8
» c) zonder bediening
9
10
19
» d) spoedig na het
doopsel ....
20
7
5
32
» e) kinderen . . .
55
55 1
6
66
1) Kennelijk is de opgave voor hot jaar 1849 van 3900 eene drukfout
in het werk van Jhr. C. A. van Sypestryn, waarom wij die hier ver-
beturd hebben.
-ocr page 271-
— 243
In 1850 waren er flus 131 doopsels, 36 huwelijken, 61 com-
municoerenden en 76 nog niet coinmuniccerende biechtelingen meer
dun in 1846. Zelfs was deze verhouding nog gunstiger geweest
in 1849, toen het getal doopsels tot 631, dat der communicee-
renden tot 612 en dat der nog niet communiceerendc biechtelingen
tot 907 steeg.
Thans blijft ons nog een woord te zeggen over het laatste
verblijf en het zalig afsterven van Mgr. Groo/f.
Daar de Geestelijken in de kamers, die van de achterzijde
aan de kerk verbonden waren en tot pastorie dienden, niet
ruim gehuisvest waren, betrok Mgr. Groo/f, bij zijne wederkomst
in de kolonie, een gehuurd huis, en bleef dat tot omstreeks
het einde van 1851, voor den tijd, dien hij in de stad doorbracht,
met één der priesters bewonen.
Aan het hoofd der Missie geplaatst, nam hij weer ijverig
deel aan de apostolische werkzaamheden, en droeg veel bij om
de Missie in aanzien te doen stijgen. In het begin der maand
Uctobcr 1847 deed hij de oefeningen houden van het\'jubilé,
door den nieuwverkoren Paus Pius IX, bij zijne troonsbestijging,
aan de christenheid verleend. Op Zondag den 7 Mei richtte hij
met zoo groot mogelijke plechtigheid de broederschap op van
het Aller)ieili<jste en Onbedekte Hart van Maria.
Onmiddellijk
lieten 160 leden zich daarin opnemen. Het lof en de onderrich-
tingen, welke des Zondags voor de leden plaats hadden, werden
goed bezocht en de godsvrucht nam zichtbaar toe.
Monseigneur bezocht de verschillende statiën, en diende
overal het H. Vormsel toe.
Zijne verhoudingen met het West-Indisch Bestuur waren
zóó uitmuntend als die met het Oost-Indische treurig geweest
waren. Zijne eerste visitatie-reis naar Batavia, dat hy nu ruim
vier jaren niet gezien had, deed hij in gezelschap van den Gou-
verneur en diens gevolg. Op alleraandoenlijkste wijze werd de
goede Bisschop door zijne geliefde besmettelingen ingehaald, en
Batavia bleef ook nu weer het voornaamste veld voor zijnen arbeid.
Het jaar 1851 begon met den Bisschop van Canea krach-
tige waarschuwingen te geven, omtrent den naderenden dood.
Sterke zenuwtoevallen herhaalden zich telkens, en bleken hoe
langer hoc meer verschijnselen van epilepsie te wezen. Deze
-ocr page 272-
— 244 —
putten hem langzamerhand geheel uit, en maakten hem onbe-
kwaam tot eenige bezigheid. Den 11 Octobcr had hij een huis
aangekocht in de Gravenstraat \'); in dat huis bezweek hij aan
een dier aanvallen van zenuwberoerte, op den 29 April 1852,
op den leeftijd van 51 jaren en 9 maanden, min 4 dagen. Veel
had de groote man in zijn leven aan den lijdcnskelk moeten
drinken: hij bleef hem proeven tot het einde toe. Bitter moest
voor hem die staat zijn van algemcene machteloosheid, waartoe
hij zich in de laatste dagen zijns levens gebracht zag; want de
gevierde man was bijna een kind gelijk geworden.
Mgr. Grooff was een verdienstelijk, oprecht godvruchtig en
deugdzaam kerkvoogd en een kampvechter voor het geloof in
Oost en West. Hij hield de Surinaamsche Missie staande in
allermoeielijkste omstandigheden, en wist haar, door eenc bij-
zondere voeging van Gods Voorzienigheid, aanzien en bloei te
schenken. Het nageslacht prijst hem, die zich een nederig zen-
deling noemde, als den Apostel der Melaatsclien!
Het lijk van den Hoogwaardigen en algemeen beminden
kerkvoogd werd op een praalbed ten toon gesteld, en door
duizenden van allen stand en rang, door roomsch en onroomsch
met eerbied bezocht. Talloos was de menigte, die den lijkdienst
en de begrafenis-plechtigheden bijwoonde. Op vurig verlangen
van den hooggeschatten overledene, werd zijn stoffelijk overblijf-
sel op het kleine kerkhof, bij zijne waardige voorgangers, Wen-
nekers, Van der Horst, Van der Weijden
en Peters bijgezet.
Zijn lichaam is in vrede begraven en zijn naam leeft van
geslacht tot geslacht!
1) L. A. n. 10.; recht tegenover het tegenwoordig huis der Eerw.
Zusters Franciscanessen.
-ocr page 273-
Vm- HOOFDSTUK.
Van de oprichting des Apostolischen Yicariaats van Suri-
name, in 1852, tot de aanvaarding van het hestnnr
door den eersten Kerkvoogd uit de Congregatie
des Allerh. Verlossers, in 1865.
Na het zalig afsterven van den Hoogwaardigen Visitator
Apostolicus
stond de Provicaris wederom aan het hoofd der
Missie. Zoozeer Gods Voorzienigheid Mgr. Grooff, wien door bij-
zondere roeping eene buitengewone rol was toevertrouwd, met
glans omgeven had, zoo weinig ook lette zij, in de keuze van
diens opvolger, op buitengewone talenten of gaven; er werd
een man gevorderd, die, vol vaderlijke bezorgdheid, op eenvoudige
en voorzichtige wijze, den gebaanden weg volgen, en Christus\'
Rijk uitbreiden zou.
Zoodra de tijding van Mgr. Grooff s overlijden te Rome
was aangekomen, werd de Surinaamsche Missie besproken, en
tot Apostolisch Vicariaat verheven. En daar de Provicaris G. Sche-
pers
zich het vertrouwen van den H. Stoel had waardig ge-
maakt, werd hij den 20 September 1852 tot Apostolisch Vicaris
en tot Bisschop van Mellipotamos verheven.
Alleen de naam van Mgr. Grooff, die zoo tallooze verecr-
ders en weldoeners telde, was voor de Missie, ook onder tijdelijk
opzicht, een hechte steun. Doch die steun was haar, even als
reeds eenige maanden te voren, die van Mgr. van Curium \'),
den edelmoedigcn Procurator der Missie, ontvallen. Geen wonder,
dat de Provicaris zich al aanstonds in verlegenheid bevond, en
dus beginnen moest met alles te beproeven, om de arme Missie
voor de geleden verliezen zooveel mogelijk schadeloos te stellen.
1) De verdienstelijke Bisschop van Curium, Mgr. van Wijkerslooth,
de ijverige Procurator dor West-Indische, en sedert 1844 ook der Oost-
Indische Missiën, overleed te Oegstgeent, den 10 November 1851. Zijn
naam is onsterfelijk in de Surinaamsche Missie.
-ocr page 274-
Mgr.GERARDUS SCHEPERS.
Bisschop van Mellipoiamos i.P.i
lsieVicanus apost.van Suriname.
-ocr page 275-
- 246
Op zijn dringend verzoek ontving hij, den 22 November 1852,
eene resulutie van den Gouverneur Jhr. J. G. O. Staart von
Schmidt atif\' Altenstadt,
waarbij f 1000 salaris aan den Geeste-
lijke op den Loprozengrond vergund werd. Den 7 October 1854
werd dit vast salaris tot f 1500 verhoogd, en bovendien nog f 1000
voor huishuur aan de gezamenlijke Geestelijken toegestaan.
Eerst in het laatste tijdperk van zijn bestuur, gewerd Mgr.
Scheper* het Koninklijk Besluit van den 27 September 1802,
waarbij met ingang van 1 Januari 1863 aan zes Geestelijken
traktementen werden toegekend, aan één der lst8 klasse
f 3500, en aan vijf anderen van de 2de klasse ieder f1500;
doch de bijzondere jaarlijksehe toelage van f 1800 aan zijn
persoon werd hem, gedurende al den tijd van zijn bestuur, van
Gouvernementswege nog daarenboven uitgekeerd.
In Mei 1853 begaf zich Mgr. G. Schepers, benoemd Bis-
schop van Mellipotamos naar Nederland, om er de bisschoppe-
lijke Wijding te ontvangen. Hij ontving die den 7 September
1853 in de kapel van het Seminarie te Haaren, uit handen van
den Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Joannes Ztvijsen.
Na de belangen der Missie in Nederland behartigd, en op
verlangen des Aartsbisschops het H. Vormsel te Kuilenburg,
Schalkwijk, Beesl
en Tiel te hebben toegediend, zag de nieuwe
Bisschop, vergezeld van een nieuwen Missionaris, den 4 Scptem-
ber 1854, zijne kudde weder.
Deze Missionaris was de Weleerw. Heer Amoldus Michaël
Carolus Joannes Swinkels,
geboren te Maren, in de Provincie
Noord-Brabant, den ü Januari 1824. Na zijne lagere studiën in
het Seminarie van S\' Michiels-Gestel voltrokken te hebben,
deed hij zijne hoogere studiën te Warmond, werd den 15 Au-
gustus 1848 priester gewijd, en nam gedurende bijna zes jaren
(tot zijn vertrek naar Suriname) de bediening waar van kape-
laau te Voorburg in het bisdom van Haarlem. Den naam van
dezen volijverigen priester, die bij zijne drukke werkzaamheden
in de stad en op de plantages, nog daarenboven de bediening
van secretaris des Bisschops vervulde, zullen wij, in dit als in
het volgend hoofdstuk, bij herhaling moeten vermelden.
Tijdens de afwezigheid van Mgr. Schepers, van Mei 1853
tot September 1854, stond de Eerw. Heer Donders aan het
-ocr page 276-
— 247 —
hoofd der Missie, en verrichtte met den Eerw. Heer Meurkens
al de apostolische werkzaamheden van stad en plantages. Na
de terugkomst van den Apostolischen Vicaris tot 1864, bevon-
den zich schier voortdurend twee Missionarissen bij dezen in de
stad.
De Eerw. Heer Donders is do eerste priester geweest, die,
niet lang na zijne aankomst in de kolonie, het plantage-bezoek
in de Beneden-Suriname en Commewijne op zich nam; veel-
tijds bezocht hij ook nog de plantages in de Boven-Suriname,
alsmede die van de Saramacca. Van September 1842 tot het
einde van 1855 of het begin van 1856, was het hoofdverblijf
van dezen Missionaris in de stad. Vol van den vurigsten ijver,
was hij aanhoudend werkzaam, en, opgewassen tegen allerlei
vermoeienis, behoefde hij maar uiterst zelden zijne bezigheden
om ziekte te staken. Alleen tijdens eene epidemie van gele
koorts in 1851, werd hij als slachtoffer zijner zelfopoffering ook
door deze ziekte aangetast; God spaarde hem echter liet leven.
Omstreeks het begin van 1856 werd de Eerw. Heer Donders,
ter vervanging van den Eerw. Heer Magnée, naar Batavia ge-
zonden, waar hij verbleef tot Octobcr 1806, en van waar uit hij
de plantages aan de Saramacca, en sedert Juli 1864 tot Maart
1866, ook Pieterszonj en de Resolutie bediende.
De Weleerw. Heer Meurkens werd, omtrent datzelfde tijd-
stip, benoemd tot Pastoor over de plantages Esthersrust en
Killenstein, hield bij afwisseling zijn verblijf op eene dier statiën,
en bezocht van daar uit verscheidene plantages. in de Boven-
en Beneden-Commewijne
, in de Boven- en Beneden-Coltica,
en zelfs, in de Beneden-Sariname, benevens het Fort Nieuw-
Amsterdam.
In dezen vermoeienden werkkring volhardde de
ijverige Missionaris, onder allerlei ontbering en zelfopoffering, tot
den dood van Mgr. Schepers.
De Eerw. Heeren Swmkels en Magnée namen, bij de be-
diening der stad, ook die van de plantages aan de Bouen-Suri-
name
waar. Onder den van God gezegenden arbeid der Suri-
naamsche Missionarissen begon het II. Geloof allengs dieper te
wortelen. Zelfs zag men naar middelen uit," om de godsvrucht
te voeden. Zoo werd ten jare 1855 in de Sl Petrus-en-Paulus-
kerk eene congregatie opgericht onder de gewone directie van
-ocr page 277-
- 248 —
don Eorw. Heer A, Swinhels. De vrouwelijke leden dezer Con-
gregatie, genaamd van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria,
vergaderden op Zondag namiddag. Tot heden nog bestaat deze
Congregatie, die steeds veel bijdraagt om, vooral in jongere
meisjes, de vruchten der eerste H. Communie te bewaren.
Den 40 Februari 1856 richtte Mgr. Schepers, in dezelfde
kerk, de Broederschap op van den Levenden Rozenkrans. In
latere jaren stierf die Broederschap allengs weg; doch is, den
8 September 1880, weer opnieuw ingesteld.
Wat bij de bekrompen geldmiddelen tot opluistering van
den eeredienst of tot uitbreiding daarvan gedaan kon worden,
werd niet nagelaten. Door de goede diensten van den heer
L. Schaap, waren eenige jongelieden voor den koorzang opge-
leid. Toen deze in 1855 de kolonie verliet, en de kerkekas niet
bij machte was een gesalarieerd organist te bekostigen, trachtte
men hierin, door vrijwillige bijdragen op eene algemcene intee-
keningslijst, te voorzien. Insgelijks werd door middel van bij dra-
gen en door de bemoeiingen van den Heer J. P. Haase, in
1861 een nieuw harmonium met twee manualen en vrij pedaal
in de kerk geplaatst; dit is hetzelfde wat nog heden bespeeld
wordt, en voor f 12111,55 werd aangekocht. De kerk zelve onder-
ging in 1858 en 1859 groote reparatiën, waarbij het front een
meer kerkelijk aanzien verkreeg. Dit werk kostte f 7775,92 \\;
doch de Gouverneur verleende eene subsidie van f 2000, ten
einde het begonnen werk te kunnen voltooien.
Op den 18 Mei 1800 kocht Mgr. Schepers, op publieke
veiling, het Loge-gebouw aan de Saramaccastraat (L. E. n. 69)
van het Vrijmetselaars-genootschap Concordia. »Vijf en twintig
»jaren lang," zoo zeide Monseigneur, sis de oprichting eener
»bijkerk te Paramaribo een punt van besprek en overweging
«geweest, thans mag ik mij eindelijk over de gelukkige voorzie-
»ning in deze lang gevoelde behoefte verblijden." De koopsom
f 7000 werd, onder borgtocht van de heeren kerkmeesters J.
P. Haase
en C. S. 7\'. Dericks, uit de koloniale kas voorgescho-
ten, en de terugbetaling daarvan, bij resolutie van den 22 April
1861 , aan de Missie kwijtgescholden. \')
1) Na den brand van 1832 was aan de hervormden een renteloog
-ocr page 278-
_ 249 —
De benedenlokalen van dit gebouw werden nu tot kerk
jngericht, terwijl de bovenverdieping en vliering onveranderd
bleven. Spoedig was men zoover gereed dat deze kerk, onder
aanroeping der H. Rosa van Lima, aan den dienst van God
kon worden toegewijd. Aanvankelijk werd er alleen op Zondag,
Dinsdag en Vrijdag dienst gedaan, doch tegen het einde van
18(35 vestigde de Eerw. Heer Masker daar zijn verblijf, en ver-
richtte er alle kerkelijke diensten zooals in de hoofdkerk.
Van het gebouw zelf, dat in 1784 door y>Concordia" werd
aangekocht, is alleen vermeldenswaard de verscheidenheid zijner
bestemming. De bovenverdieping werd door de Vrijmetselaars
tot hunne werkplaats gebezigd. De negers, die van verre dat
»werken" afluisterden, hadden er vermaak in het op stekelige
wijze te betitelen, met den naam van een afgodischen dans
(winti), welke hun streng verboden was, en noemden de werk-
plaats Bdkra-winti, d. i. afgoderij der blanken. Bdkra-ivinti
bleef tot 18(iü zijne bestemming behouden, doch diende intusschen
tot vergaderplaats van de Maatschappij : Tot Nut van \'t Alge-
meen
, van de Maatschappij van weldadigheid (opgericht in
1827), van het protestantse!) Genootschap ter bevordering van
het christendom onder de heidensche bevolking,
(opgericht in
1828), van het Landbouwkundig Genootschap : ?>Prvdesse cona-
mur"
(opgericht in 1829), eindelijk tot kerk voor de lutherschen,
en na den brand van 1832, ook een korten tijd voor de gere-
formeerden.
We hebben den naam genoemd van den Eerw. Heer Masker,
die den 16 September 1859, weinige maanden na het vertrek
van den Eerw. Heer C. Magnêe te Paramaribo aankwam. Petnis
Franciscus Masker,
geboren te Delft, den 4 October 1824, en
den 15 Augustus 1854 te Warmond tot priester gewijd, was
reeds vijf jaren in het bisdom van Haarlem in bediening ge-
weest, toen hij als Missionaris naar Suriname vertrok. Aanvan-
kelijk als Kapelaan aan de hoofdkerk verbonden, werd hij door
Mgr. Schejwrs, na de oprichting der S4 Rosa-kerk, tot Pastoor
voorschot uit \'s Lands kas toegestaan, hetwelk later door Z. M. Koning
Willem II aan die gemeente is geschonken. Ook in 1801 werden aan
do andere kerkgemeenten toelagen geschonken.
-ocr page 279-
— 250 —
daarvan benoemd. Tegelijkertijd nam hij ook met den Weleerw.
Heer Swinkels den dienst waar op de plantages aan de Suriname,
zooals: Peperpot, L\'Espérance, Boxel, Waterlund, de Guinee-
sche Vriendschap
met Tuledo\'s bevolking en aan de /\'ara-rivier:
de Vier Kinderen.
Zeer verdienstelijk hebben zich de Weleerwaarde Hoeren
Meurkens en Masker gemaakt door het uitgeven van menige
pennevrueht in het Negerengelsch. De catechismus van den
Hoogecrw. Heer Wennekers, zooals die gewijzigd en in 4847
herdrukt was, behoefde eenige herziening. Gelijk de Eerw. Heer
A. Swinkels daaraan in 1855, door het uitgeven van eene «Eerste
onderrichting in de Christelijke leer enz.", voor de Hollandsen
sprekende bevolking te gemoet kwam , zoo gaf de Eerw. Heer
Meurkens in hetzelfde jaar eene «Christelijke leer of Catechismus
ten dienste der R.-K. jeugd in Suriname" uit in het Neger-
engelsch, met Hollandsche vertaling naast den tekst. Van
liet jaar 1856 bestaat: een jABC boekje met godsdienstig on-
derricht voor R.-K. kinderen," in de Negerengclsche taal; van het
jaar 1857, het gebedenboekje: Joe nem moesoe de santa! van
1803: Som beyi na kroisi-passi, en de Epistels en Evangeliën
in het Negerengelsch; twee laatstgenoemde werken waren de
gezamenlijke vruchten der Eerw. Heeren Meurkens en Masker,
even als het gebedenboekje Gado-Rosoe, dat in 18(35 te Leiden
bij Van Leeuwen werd uitgegeven, en jarenlang tot kerkboekje
der katholieke neger- en kleurling-bevolking gediend heeft. Vanden
Eerw. Heer Masker zag nog het licht eene verkorte uitgaaf van
den Negerengelschen Catechismus. Zoo benuttigden deze Gees-
telijken hunne weinige vrije uren; zoo werkten zij altoos door
aan het heil der zielen en vergemakkelijkten den arbeid hunner
opvolgers. Hoe verdienstelijk zij zich hierdoor voor de Missie
gemaakt hebben, kunnen alleen zij beoordeeion. die bij onder-
vinding weten, wat het zeggen wil, niet alleen in eene vreemde,
maar in eene arme taal, die geen enkele uitdrukking voor eenig
afgetrokken denkbeeld aanbiedt, de geheimen des geloofs aan
onbevattelijke mensehen te verklaren.
Hoe na het onderwijs der jeugd den katholieken Missionaris
ook steeds aan het hart ligt, kon toch na den dood van den
Eerw. P. A. Wennekers, daaraan niet meer gedacht worden.
-ocr page 280-
— 251 —
Nauwelijks echter was, bij de komst van den "Welecrw. Heer
A. Ferstappen, in 1830, de Apostolische Prefect voor de tweede
maal gered uit het treurige alleen-staan voor den geheelen werk-
kring der Missie, of men begon zich de opleiding der jeugd
wederom aan te trekken. Sinds dien tijd voorzagen de Missiona-
rissen zei ven, eerst in de stad, en later ook te Coronie en
Batavia, zooveel doenlijk, in het schoolonderwijs. Nochtans kon
dit, bij liet klein getal priesters en de vele hoogst gewichtige
ambtsbezigheden, die op hen rustten, slechts zeer gebrekkig
wezen. Mgrs. Groojf en Schepers wenschten vurig, door het stich-
ten eener katholieke school, hierin te gemoet te komen ; doch
hoe dien wensch in vervulling brengen? Bij de mocielijkheid om
personeel voor eene katholieke school aan te werven, voegde
zich niet alleen weinig belangstelling van den kant der kolonie
in het onderwijs der slaven, maar zelfs tegenwerking. De mo-
ravische broeders, die eenige scholen bezaten , mochten alleen
onderricht geven in hun godsdienst, in het zingen en lezen;
terwijl hun eerst in 1856, werd toegestaan onderwijs in het
schrijven te geven. Naar gelang echter de slaventijd zijn einde
naderde, nam de belangstelling in het onderwijs en het getal
scholen in de kolonie toe. Tijdens zijn verblijf in Nederland
(1853—1854) bracht Mgr. Schepers zijne plannen voor de Suri-
naamsche jeugd tot rijpheid. Hij slaagde er in, bij gebrek aan
onderwijzend personeel van geestelijke mannen-eorporatiën, een
wereldlijk onderwijzer over te halen, om met hem de terugreis
te ondernemen naar Paramaribo, onder waarborg daar als onder-
wijzer aan eene op te richten katholieke; school werkzaam te
zijn. Deze jongman, 1\'etrus Dirk Koek, bleef bedoelde school,
met ondergeschiktheid aan en onder tegemoetkoming van den
Apostolischen Vicaris, een tweetal jaren leiden, doch zette, na
zijn huwelijk met mejuffrouw Anna Sopltia Guilmin, eene an-
dere op voor eigen rekening, en verliet in 1805 Suriname, om
op St. Thomas en elders de fortuin te beproeven. In zijn edel
plan voor de mannelijke jeugd slaagde de Bisschop dus slechts
een korten tijd.
Toen Mgr. Schepers naar een katholieken onderwijzer uitzag,
onderhandelde hij tevens over eene stichting van geestelijke
Zusters te Paramaribo, aan wie hij de opvoeding en het onder-
-ocr page 281-
— 252 —
wijs der vrouwelijke jeugd wilde toevertrouven. Eindelijk slaag-
den de pogingen des prelaats bij de Eerw. Moeder Josèphe,
Algcmcene Overste der Zusters Penitenten van den H. Fran-
ciscus, te Rozendaal, die de vestiging te Paramaribo aannam.
In Suriname werd liet plan des Bisschops hartelijk toegejuicht,
en de uitvoering ervan met verlangen te gemoet gezien. Twee
jaren daarna, den 19 November \'1856, kwamen de eerste zes
zusters, onder geleide van den heer W. Giesberts, die ook den
Hoogw. Bisschop van Canea naar Oost en West vergezeld had,
te Paramaribo aan. Het huis tegenover de kerk was voor haar
in gereedheid gebracht. Daar zelfs openden zij hare school, die
binnen weinige dagen met leerlingen gevuld was, zoodat spoedig
grootere lokalen noodig werden. Desniettemin bleven zij er zeven
jaren. De Eerw. Missionarissen hadden intusschen hun intrek
genomen in het huis, dat uit den boedel van Mgr. Grooff door
de kerk was overgenomen, en waar die prelaat gestorven was.
Zij verbleven er tot het einde van 1863.
Den 11 Augustus van dat jaar had Mgr. Schepers het huis,
waar tegenwoordig de Zusters verblijven; van de wed. II. Camer-
ling,
geb. Cantz\'laar voor de som van f17700 aangekocht, zoodat
het huis tegenover de kerk weder tot pastorie gebruikt, en het
huis van wijlen Mgr. Grooff te gelde gemaakt kon worden. In
later tijd deed de Weleerw. Heer A. Swinkels nog twee ruime
schoollokalen bij het huis der Zusters optrekken.
In Suriname was steeds en is nog het aantal weezen zeer
groot. Niet slechts ouderloozc maar ook onwettige kinderen,
wier moeder overleden is, en die geen wettig erkenden vader
bezitten, worden als zoodanig beschouwd. Sedert het protestant-
sehe weeshuis door den brand van 1821 vernield was, werden
de weezen door de Weesmeesters van Gouvernementswege bij
partikulieren besteed, zoo de familiebetrekkingen zich niet met
de verzorging dier kinderen belastten. Wij hebben gezien, hoe
de liefdadige heeren Wennékers en Van der Horst zich reeds
het lot dier arme kleinen naar best vermogen aantrokken. In
185\'2 was het getal weezen tot 350 geklommen, een cijfer,
slechts te verklaren door de omstandigheid, dat bijna alle weezen
onwettige kinderen zijn, wier natuurlijke vaders zich aan de
verzorging onttrekken.
De verpleging dier kinderen liet steeds
-ocr page 282-
— 253 —
reel te wenschen over. Om daarin verbetering te brengen, wer-
den de behoeftige weezen, bij Gouvernements-resolutie van den
31 December 1856, aan de verzorging der verschillende kerk-
en armbesturen toevertrouwd, onder het oppertoezicht evenwel
van den Weesmeester, die de maandelijksche alimentatiegelden
aan de kerkbesturen van Gouvernementswege moest uitkeeren.
Het koloniaal Bestuur betaalde voor elk behoeftig weeskind
f 5 voor voeding en f 1 voor kleeding per maand. Later werd
de toelage voor kleeding tot f 2 verhoogd, zoodat aan elk kind
van vrijgeboren ouders f 7 \'s maands werd uitgekeerd. Toen de
behoeftigen van niet vrijgeborenen, bij de opheffing der sla-
vernij, in 1863, ook aanspraak kregen op onderstand van Gou-
vernementswege, werd aan dezen f 5 \'s maands toegekend.
Zoodra de kinderen den leeftijd van 16 jaren bereikt hadden,
werd de alimentatie hun niet langer verstrekt.
Het R. K. kerkbestuur besteedde aanvankelijk de weezen
hij partikulieren uit; doch reeds het volgend jaar vcreenigde
Mgr. Schepers de roomsche weezen in een gebouw aan de Gra-
venstraat, de Oude Bank geheeten, dat hem het Gouvernement
voor den duur van 25 jaren, tot katholiek weeshuis, gratis en
vrij van huurwaarde had afgestaan. Daar werden nu eenige
jongens en meisjes door de bejaarde weduwe J. II. Himmen
verpleegd en opgeleid. In 1861 zonderde Mgr. Schepers de
meisjes van de jongens af, plaatste de eersten ter verpleging
hij de geestelijke Zusters, terwijl de jongens, onder het toe-
zicht en de verzorging der weduwe Himmen, in de Oude Bank
bleven.
Toen de resolutie van den 31 December 1856, betref-
fende de weesverzorging werd uitgevaardigd, had zich van
protestantschc zijde eene maatschappij gevormd tot oprichting
van eene Mettray \'), waar minvermogende kinderen, vooral
1) Deze naam is ontleend aan het dorpje Mettray. nabij Tours in
Frankrijk. Dit dorp is merkwaardig geworden door eene aldaar in 1840
opgerichte landbouw-kolonie, voor jeugdige veroordeelden on zedelijk
verwaarloosden. Toen in 1850 op het landgoed Rijsselt, bij Zutfen, iets
dergelijks tot stand kwam, werd dit Xederlandsch Mettray geheeten,
zoodat men onder dezen naam eene kolonisatie te verstaan hebbe, die
min of meer op den voet van bovengenoemde Franscho is ingericht.
-ocr page 283-
— 254 —
weezen van het mannelijk geslacht, onderwezen, opgevoed en in
den arbeid zouden geoefend worden. De Gouverneur Schimp/f\',
die sedert zijne komst in de kolonie (1855), van dergelijk plan
zwanger ging, beloofde ondersteuning en medewerking, indien
men een opvoedingsgesticht in zijnen geest wilde tot stand
brengen. De verlaten plantage Lustrijk aan de Boven-Comme-
wijne
werd nu aangekocht, en was den 15 April 1857, toen er
de eerste kweekelingen heengebracht werden, in eene Mettmy
herschapen. In weerwil van den Gouverneur, die zelfs den 8 Fe-
bruari 1858 eene resolutie uitvaardigde, waarbij alle protestant-
sche behoeftige weosjongens van 8 tot 14 jaren verplicht werden,
op de Mettmy verpleging en opleiding te ontvangen, wilde de
onderneming niet gedijen. Een half jaar na het vertrek van den
Gouverneur Cli. P. Schimpff, en ongeveer drie jaren na hare
totstandkoming, werd zij onder den Gouverneur Reinliart Frans
van Lansberge,
in Februari 1860, geheel verlaten. Lustrijk was
wel is waar ongelukkig voor de onderneming gekozen \'), maar
de onderneming zelve miste ook levensvatbaarheid, welke alleen
in de kracht van het geloof en der christelijke liefde gepit wordt,
en haar voedsel vindt, niet in de macht van het kapitaal, dat men
er aan besteedt, maar in de edelmoedige zelfopoffering van hen,
die zich met de verzorging der kinderen belasten. In een volgend
hoofdstuk bespreken wij de richting, welke de R. K. gemeente,
tot onderwijs en vorming harer weosjongens en tot hunne oplei-
ding voor den landbouw, gevolgd heeft, en welke daarvan de
vruchten geweest zijn.
Na bovenstaande punten, welke de bijzondere bezorgdheid
van Mgr. Schepers bezig hielden, te hebben besproken, laten wij
hier den algemeenen .staat der Missie volgen.
Terwijl de moravische broeders, omtrent den tijd van de
vrijverklaring der negers, tot het hoogste punt van getalsterkte
1) Lustrijk was ver ran do stad in een verlaten oord gelegen, moe-
rassig en ongezond, kostte veel aan aanleg en onderhoud, en werd met
koelheid en mistrouwen van de bevolking aangezien: redenen, die den
sterksten voorstander moesten ontmoedigen, liet plan der Maatschappij,
Om die weesinriohting in de nabijheid der stal te vestigen, is nooit tot
uitvoering gekomen.
-ocr page 284-
- 255 —
geklommen waren, \') hadden de katholieken ook een punt be-
reikt, dat, gelet op de omstandigheden, zeer aanzienlijk was, en
zeker de uitkomsten der hernhutters evenaarde, zoo niet over-
trof. Wij zeggen: gelet op de omstandigheden; immers, gezien
de tijdruimte van ontwikkeling der plantage-bediening, sedert
1840 (vóór dien tijd toch bezochten do priesters geene andere
rivier-plantages dan Toledo en Johanna Catharina en het Fort
Nieuw-Amsterdam), — gelet daarenboven op het gering aantal
Missionarissen, dat, bij de hernhutter-leeraren vergeleken, als 4
tegen 6 stond, terwijl zij toch ternauwernood een zesde gedeelte
der plantages, welke de moravischc broeders tot voornaamsten
werkkring badden, geregeld konden bezoeken,—ja dan mag het
wonderbaar heeten, dat de katholieke bevolking van ongeveer
vijfduizend tot tien of elf duizend gestegen was, en dus ruim 2/,
der hernhutter-bevolking bedroeg. Sinds dat tijdperk hebben de
moravische broeders eenige duizenden belijders verloren, terwijl
de katholieken een paar duizend in getal zijn toegenomen.
Onder alle plantages genoten die van de Kust, de Boasi-
grond,
het Fort Nieuw-Amsterdam, de plantages Kslhersrust
en Killenstein een bijzonder voorrecht.
Zoowel de eigenaars der twee laatstgenoemde plantages, de
heeren A. H. en A. G. Bots van Helmond, als de Administra-
teur de heer J. P. Haase, waren plichtbetrachtende katholieken.
Zij lieten hunne slaven onderwijzen en doopen, gaven dezen alle
vrijheid tot beoefening van den godsdienst, en verlangden zelfs,
dat een Missionaris op Esthersrust, en later ook op Killenstein,
zoude verblijven \'■\').
De Weleerwaarde Heer Meurkens, woonde sedert 1855, bij
afwisseling, nu eens op Esthersrust, dan weer op Killenstein,
al naar gelang de behoeften der plantages van de Commewijne,
de Cutticu en de Warappakreek, die hij tegelijkertijd bediende,
1)  Zij telden 0000 belijders in de stad, en 20000 op de plantages, en
hadden 12 vaste posten met kerk en school. Behalve de stad werden
180 plantages bediend door zestig leeraars, nl. dertig mannen en dertig
vrouwen, behalve een groot getal inlandsche catechisten, of nationaal-
helpers , zooals zij die plegen te noemen.
2)  In 1852 werden zij eigenaren van EitUersrust, en 1854 van Kil-
lenslein.
-ocr page 285-
— 256 —
zulks vorderden. Op beide plantages had hij cene kapel. Die
van Esthersrust werd door Mgi*. Schepers ingezegend, onder
aanroeping van den toen gelukzaligen, thans heiligverklaarden
Petrus Claver, die ook, den 17 November 1861, door den
H. Stoel als patroon der kapel erkend werd. Esthersrust werd,
den 9 Augustus 1853, voor de eerste maal door een priester
bezocht. Bij die gelegenheid doopte de Weleerw. Heer Meur-
kens
daar dertig kinderen.
Killenstein werd, den 13 November 1854, voor de eerste
maal dooi\' de Weleerw. Hoeren P. Donders en A. Swinkels be-
zocht, en komt vervolgens, in de berichten van dien tijd, als
Missie-statie met eene kapel voor.
We laten hier den staat der Missie volgen zooals die den
4 Mei 1861 werd opgemaakt.
1861.
GE-
CA-
DOOP-
TEN.
TECH.
COMM.
6000
100
900
750
60
30
301
4
155
40
10
90
10
90
40
60
4
65
15
73
4
25
60
4
50
50
16
20
20
40
10
90
12
9
4
25
7762
432
1102
Stad Paramaribo.........
Coronie............
Batavia............
Plantage Caledonia (hcvolking 79) . . .
» Johanna C.atharina (bevolk. 148)
» Boxel (van 124 zielen) . . . .
» LEspcrancc (van 125 zielen) . .
» Guineesche Vriendschap en Toledo
(met een zielental van 177) . .
» Peperpot (met eene bevolking van
73)...........
» Vier-Kinderen (met 207 zielen) .
» Waterland (met 260 zielen) . .
» Voorburg en Anna\'sburg (met 178
zielen)..........
» Resolutie (met 441 zielen) . . .
» Lust tot Rust (met 80 zielen). .
» Pieterszorg........
» Picardie (met 70 zielen) . . .
-ocr page 286-
- \'257
GE-
LOOP-
TEN.
CA-
TECH.
COMM.
7762
432
1102
80
10
4
19
5
1
4
40
4
40
17
30
80
20
60
20
100
15
8
50
1500
0670
612
1115
Transp. . .
Plantage Ellen (met 180 zielen) en conige
omliggende plantages.....
Plantage Groot-Marseille (met 177 zielen) .
» Groot-Cuylenborg (met 100 zielen)
» Halle in Saxen (met 134 zielen) .
» Brunswijk (met 60 zielen) . . .
» Goudmijn (met 132 en St. Germain
met 53 zielen).......
» Killenstein (met 84 zielen) . . .
» Esthersrust (met 172 zielen) . .
Fort Nieuw-Amsterdam.......
Nickérie en elders verspreide katholieken,
militairen, vrijlieden en slaven bij
benadeling........
Totaal . .
Het getal gedoopten en catechumenen in het begin van 1861
bedroeg dus 10288, in 1862 werd het zielental begroot op
11753, waaronder 3504 vrijen, en in 1863 op 12000 katholieken.
Daar de negerbevolking steeds blijft verminderen, is het getal
katholieken, sedert dien tijd weinig of niet aangegroeid. In het
«Handboekje voor de zaken der R. K. Eeredionst" over het jaar
1864 staat een communicanten-getal aangegeven van ruim 3100;
hieronder hebben wij te verstaan in de kolonie verblijvende
katholieken, die daar of elders communicant zijn geworden,
doch niet 3100 personen, die jaarlijks hun paschen houden.
Dergelijke fautieve opgaven, omtrent den staat der Missie, zijn
nu en dan ter oorzake van verkeerde opvatting gepubliceerd ;
zooals daar o. a. gezegd werd, dat te Paramaribo slechts een
zestal mannen hun paseben hielden. Dit is onjuist; het getal
mannen was wel gering, en oude kolonisten zeiden daarom,
toen zij voor cenige jaren eene generale communie van ongeveer
120 mannen bijwoonden: Goddank, de tijden zijn verbeterd;
Sarimnw.                                                                                                      17
-ocr page 287-
- 258 —
vroeger zagen we, zelfs bij Hoogtijden, geen zes mannen te
zamen aan de communiebank !
Tot aan de emancipatie mochten de slaven niet anders dan
kerkelijk trouwen; het getal burgerlijk gesloten huwelijken van
katholieken, was in de eerste jaren na de vrijverklaring der
negers niet groot. Voor hen bestonden geene afdoende redenen,
om de reeds wettig gesloten verbintenissen door het civiel con-
tract te doen bekrachtigen. Indien men echter het getal katlio-
liekc huwelijken vergelijkt met het gemiddeld getal huwelijken,
die van 1848—1802, over de geheele kolonie, werden aangegaan,
dan spannen de katholieken, boven alle andersgezinden, verre
de kroon.
Ten tijde dat Mgr. Scliepers in de kolonie aankwam, waren
er nauwelijks drie duizend katholieken, en in 1863 was hun
getal blijkens de opgaven tot twaalf duizend geklommen. Met
innige dankbaarheid kon de trouwe evangelische werkman terug-
zien, op zijne drie-en-dertigjarige loopbaan in Suriname, waar hij
de hitte des dags en den last des arbeids edelmoedig gedragen
had. Het huis zijns Heeren had hij, als eenvoudig rentmeester,
met trouw en zorg bestuurd en de bezittingen van zijnen
Meester vergroot, en bij al zijn werken had hij zich nooit een
ander doel voorgesteld, dan het rijk des geloofs uit te breiden en
dat der glorie te verwerven. Geen twijfel of hij, hij vooral, heeft
de woorden der vergelding mogen hooren: Zeer wel, gij goede
en getrouwe dienstknecht! omdat ge over weinig getrouw zijt
geweest, zal ik u over veel stellen: ga in tot de vreugde uws
Heeren.
(Matth. XXV. 21.)
Geruimen tijd was Zijne Hoogwaardigheid sukkelend en lij-
dend geweest, aan de kwaal welke hem ten grave voerde. Om
verandering van lucht en ontspanning bracht hij eenigen tijd op
Batavia en Coronie door, om, als het met den H. Wil Gods
overeenkwam, het leven nog wat te rekken. Intusschen ver-
volgde de ziekte haren loop en den 27 November 1863, overleed
de verdienstelijke Kerkvoogd (in de pastorie tegenover do kerk)
aan de gevolgen eener longtering, op den leeftijd van 05 jaren.
Z. D. Hoogw. werd op de algemeene R. K. begraafplaats, achter
liet kruis, begraven.
Wij kunnen niet nalaten hier een brief, nog onlangs van
-ocr page 288-
— 259 —
den Oud-Sccrecrctaris van Mgr. Schepers ontvangen , grooten-
deels mode te deelen. We doen het met te meer voldoening,
omdat daardoor niet alleen de overleden Bisschop, maar tegelijk
de echt apostolische geest der vroegere Missionarissen nog te
meer gewaardeerd zal worden.
»Het is mij niet slechts een overgroot genoegen u eenigszins
van dienst te kunnen zijn maar het doet mij waarlijk innig goed,
iets te kunnen bijdragen tot het bestendigen der nagedachtenis van
een hoogst cenvoudigen, beproefd heiligen, en naar mijne ge-
gronde meening, waarlijk grootcn Bisschop. Ik had het geluk
hem tien jaren, als mijn besten Vader in .1. C, ter zijde te staan
tot hij eindelijk afgewerkt, ja afgetobd en -gezwoegd, in mijne
armen als een arme Missionaris is gestorven, om daarna, volgens
zijn verlangen, als een arm man gekist en begraven te worden.
Mgr. Scliepers z. g. was voor het Surinaamse!) Vicariaat
een groot man ....
Ongetwijfeld waren de Hoogw. Wentiekers, Van der Horst,
Peters
en Van der Weijden, de eerste ijsbrekers, heilige en
groote mannen; maar èn de tegenwerking der hel, èn hun zeer
kortstondig leven in Suriname, waren oorzaak, dat zij weinig
doen konden. Daarom zeiden wij dikwijls: onze eerste voorgan-
gers waren heiligen, die door hunne bekwaamheid en hunne
moedige pogingen, maar vooral door hun zeer heilig leven, een
goeden dunk en eene gunstige meening voor latere R. K. Mis-
sionarissen gevestigd hebben.
Mgr. Grooff heeft het verbroken ijs verder vermorzeld. Wat
zal ik zeggen? Varia simt dona — en bijgevolg verscheiden ook
de operatiën van een Missionaris. ... Mgr. Grooff z. g. was in-
derdaad een groot man voor Suriname!
Maar een der eerste en beste medewerkers van Mgr. Grooff
was ongetwijfeld onze Mgr. Schepers ..., die hem dan ook een-
maal in het bestuur opvolgde.
Het stoffelijk onderhoud van kerken en huizen was zijne
aanhoudende zorg, en wel zoodanig dat hij eens, in mijn bijzijn
(hij zou eene order teekenen voor bcnoodigde spijkers) zijn naam
schreef: -{• G. Spijkers, waarover hij hartelijk moest lachen.
Na zijne benoeming als Vicarius Apost., was zijne eerste
zorg een hechten grondslag te leggen voor een goed godsdienstig
-ocr page 289-
— 2<X) —
onderwijs. Hij vestigde het thans nog bloeiende Zusterhuis, eene
Jongensschool en Weeshuis. Hij richtte verder eene tweede pa-
rochie op, 8t. Rosa\', hij droeg zorg voor eene nieuwe regeling
van het salaris der Geestelijken en voor een subsidie van het
onderwijs, a f\' 3000. Ik herinner mij hoe hij kort voor zijn dood
het aangekochte Zusterhuis, reeds op de beenen waggelend,
nog wilde zien. ...
Bij dat alles was hij een man des gebeds zonder wederga,
een door en door heilig en verstorven priester, een onvermoeid
biechtvader.
Tot weinige dagen voor zijn dood bracht hij uren en uren
achtereen in de kerk door. Hij onderwees er oude, domme en
gebrekkige menschen, om vervolgens in den biechtstoel of\' in het
gebed te verwijlen. Hij predikte veel, dikwijls en goed, nooit
zonder voorbereiding. Als de minste priester verrichtte hij het
H. Dienstwerk, zoowel in de kerk als daarbuiten bij de zieken.
Hij was dan ook een man, door zijne onderhoorige kinderen
als op de handen gedragen.....
Mij dunkt er is grond te over om te beweren, dat Mon-
seigneur Sdwpers een zeer groot man was voor Suriname.
Die brave en getrouwe arbeider des Heeren zal zich in alle
eeuwigheid verheugen in den hemel; ook hier blijve zijne nage-
dachtenis in eere!"
Naai- het voorschrift van de H. Congregatie de Propaganda
had Monseigneur, ter voorziening in het voorloopig bestuur der
Missie, den Hoogcerw. Heer S. H. A. Meurkens tot Provicaris
aangesteld, die ook door het Gouvernement erkend , en als zoo-
danig met een traktement van f 3500 en f 1000 voor huishuur
gesalarieerd werd.
Onder het Provicariaat landde, den 8 Februari \'18(54, de
Weleerw. Heer Joannes Iiomme. Deze Missionaris viel al zeer
spoedig op een uitgebreiden en drukken werkkring en bewees,
zoo in de stad als op de plantages, uitmuntende diensten aan
de zijde van den Weleerw. Heer A. Swinkels. De Weleerw. Heer
Joannes Romme werd den 22 Maart 4832, te Beek bij Breda
geboren, en bleef, na zijne priesterwijding (17 Mei 1856), in dat
bisdom werkzaam tot 27 November 1863. Hij was achtereen-
volgens Kapelaan te den Hout, te Etten en te Gilze.
-ocr page 290-
— 201 —
Do Hoogeerw. Heer Meurkens leed reeds sedert geruimen
tijd aan eene kwaal, die zijne krachten merkelijk had uitgeput,
zoodat eene reis naar het vaderland tot herstel van zijne ge-
zondheid noodzakelijk geacht werd. Bovendien scheen hem eene
mondelinge bespreking van den toestand der Missie van zoo hoog
belang, dat hij, ofschoon slechts vier priesters in de kolonie
overbleven, de reis in gezelschap van den "Weleerw. Heer Mos-
her
besloot te ondernemen. Intusschen zou de Zecrecrw. Heer
A. Sivinkels als waarnemend Provicaris de Missie besturen.
Onder de vele goede diensten door dezen Provicaris, den
Zeereerw. Heer Sivinkels, aan de Missie bewezen, noemen wij
vooral zijne zorg voor de scholen. Hem werd het eerst eene toe-
lage (groot f 3000) van Gouvernementswege, als subsidie voor
het onderwijs der arme kinderen, uitgekeerd. Bij de woning der
geestelijke Zusters werden, op zijne kosten, twee ruime en doel-
matige schoollokalen bijgebouwd. Met de zorg voor het bestuur
moest hij de geestelijke bediening van stad en plantages ver-
eenigen, waarin hij slechts door den Eerw. Heer Romme werd
bijgestaan. Geen wonder, dat hij, niet zonder groot nadeel voor
zijne gezondheid, aan al die werkzaamheden het hoofd kon bieden.
Na een jaar afwezigheid keerde de Weleerw. Heer Masker
weer in de Missie terug, en aanvaardde opnieuw de bediening
der St. Rosa-kerk. De Hoogeerw. Heer Meurkens begaf zich op
reis naar Home, om de belangen der Missie aan de Propaganda
voor te stellen. De beraadslagingen liepen hierop uit, dat de
H. Congregatie het oog vestigde op de Redemptoristen, en dezen
de Surinaamsche Missie opdroeg. In de maand Maart 1805 werd
die zaak tussclien Zijne Eminentie den Kardinaal Barnabö en
den Hoogwaardigen Pater N. Mauron, Generaal-Overste van de
Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, afgehandeld. In de
vergadering der Kardinalen van 17 Juli 1805, werd nu besloten
liet Apostolisch Vicariaat van Suriname aan de Redemptoristen
iler Hollandsche Provincie toe te vertrouwen, welk Besluit den
30 Juli door den Paus goedgekeurd en den 31 Augustus, door
een Decreet bevestigd werd. De Hoogeerw. Pater ./. B. Sivinkels,
Provinciaal der Redemptoristen in Nederland, den-12 September
tot Apostolisch Vicaris en Bisschop van Amorium benoemd,
werd reeds den 15 October daaraanvolgende in de St. Josephs-
-ocr page 291-
— 262 —
kerk te \'s Hertogenbosch, door den Aartsbisschop van Utrecht
Mgr. J. Zwijnen, bijgestaan door Mgr. Van Genk, Bisschop van
Adras i. p. i. en Coadjutor van Breda, en Mgr. Deppen, Bis-
schop van Santos i. p. i. en Adjutor van \'s Bosch geconsacreerd.
De Hoogeerw. Heer Meurkeiïs werd, ter erkenning der
gewichtige door hem bewezen diensten aan de Surinaamsche
Missie, door Zijne Heiligheid Paus Pius IX, tot Eere-Kamcrheer
verheven. De arbeidzame priester kon echter niet besluiten, al
had hij reeds veel gearbeid, voortaan te gaan rusten; hij trad
in Nederland wederom in de geestelijke bediening, werd na
korten tijd tot Pastoor te Apeldoorn in Gelderland, en in 1872
tot Pastoor van Enschedé en Deken van Oldcnzaal benoemd,
in welke bedieningen Zijn Hoogeerwaarde op zeventigjarigen
leeftijd, nog ijverig werkzaam is.
t-^$&Êèr~->
-ocr page 292-
IXde HOOFDSTUK.
Het Apostolisch Vicariaat van Suriname onder de zorg
van de Congregatie des Allerheiligstcn Verlossers.
1866-1883.
Nauwelijks was de tijding in Suriname vernomen, dat het
Z. H. Paus Pius IX behaagd had, die Missie op te dragen aan
eene religieuze Congregatie, of de ijverige Missionarissen wezen
de hun toevertrouwde geloovigen op hot voordeel, daarin voor
hen gelegen. Voortaan zouden zij niet meer, zooals herhaaldelijk
geschied was, geheel en al van priesterlijke hulp verstoken zijn,
noch ook, zooals nog steeds het geval was, slechts een onvol-
doend getal Geestelijken hebben.
Geen wonder dan ook, dat Mgr. Swinkels en zijne gezellen,
den 20 Februari 1866, niet alleen met alle blijken van eerbied,
maar ook met juichende blijdschap ontvangen werden. De waar-
nemende Provicaris, de Weleerw. Heer Swinkels, naamgenoot,
hoewel geen bloedverwant, van Monseigneur, snelde hun te ge-
moet, en, toen zij te Paramaribo voet aan wal zetten, was geheel
de waterkant door eene volksmassa bezet. Monseigneur begaf zich
met de Missionarissen onverwijld naar de kerk. Ook deze was
vol volk, en al de Geestelijken der Missie, met uitzondering van
den Weleerw. Heer Donders, die door ambtsbezigheden bij de
melaatschen weerhouden werd, waren bij deze plechtige inhul-
diging tegenwoordig. De klok werd voortdurend geluid; aan de
kerk waren kleine zwarte weesjes, die onder geleide der Eerw.
Zusters bloemen strooiden voor de voeten des Bisschops. Bij het
intreden der kerk werd het orgel bespeeld, en aan het altaar
gekomen, hief Monseigneur, in pontificaal gewaad gekleed, het
plechtig »Te Deum" aan, en hield dan. eene korte maar har-
telijke toespraak. De zegen met het H. Sacrament besloot deze
plechtigheid. Zij was voor den Bisschop eene ware voldoening,
en als het ware eene vergoeding voor de vele ongemakken hem,
door een gedwongen oponthoud van 69 dagen te den Helder
en eene zeereis van 36 dagen, veroorzaakt.
-ocr page 293-
Mgr.joannes baptist swinkels,
Pl\'.STHOP "VAM AMSBIUKy".
2 ie Vicarius aposlvan Suriname
van de Congregatie des Allerh: Verlossers.
-ocr page 294-
- 264 —
Een grootc on niet gemakkelijke werkkring bood zich hier
aan. De ondervinding had het geleerd en voor den lezer dezer
geschiedenis is het duidelijk: Op dien akker was veel onkruid.
Evenwel was het werk niet alleen begonnen, men had het met
kracht doorgezet en was reeds een goed eind wegs gevorderd.
Daarbij was alles zoo goed en met zooveel beleid geregeld , dat
niets eenige verandering behoefde. Het GOED hegonnen werk
voortzetten EN UITBREIDEN, ziedaar de taak der nieuwe Missio-
narissen, ziedaar ook het eenige, waardoor zich de Congregatie
des Allerheiligste!) Verlossers, gedurende haren achttienjarigen
arbeid, heeft gekenmerkt.
Ten einde de lezer een juisteren blik kunne werpen, ter
beoordeeling van de apostolische werkzaamheden, laten wij
een kort verslag voorafgaan, dat jaar voor jaar de dienstdoende
Geestelijken doet kennen; daarna zullen we de werkzaamheden
zelveu behandelen, om vervolgens met de stoffelijke aangelegen-
beden der Missie te sluiten.
ARTIKEE 1.
Personeel der missie.
Monseigneur Swinkels aanvaardde de hem opgedragen taak
met de vijf (ons reeds uit het vorige hoofdstuk bekende) Zeer-
eerw. Heeren: A. M. C. J. Swinkels, Tlt. Kempkes, P. Donders,
P. F. Masker
en ./. Ilomme, en twee Paters Redemptoristen,
de EE. PP. Van der Aa en Van Ilooij, 1) die de reisgezellen
des Hisschops geweest waren. Ook was met hen aangekomen
de leckebroeder, frater Lambertus, die reeds den \'25 April een
modehelper ontving in frater Eduard, uit St. Thomas, waar
hij in ons klooster cenigen tijd zijne goede diensten bewezen
had, derwaarts gezonden.
Twee der boven vermelde Geestelijken, de Zcereerw. Heeren
Swinkels en Masker, zagen zich weldra, om redenen van ge-
11 Ten einde door het vermelden van geboortejaar, priesterwijding,
enz. het verhaal niet meer dan noodig is te onderbreken, geven wij in
de eerste Bijlage drie lijsten : ééne van de Surinaamsche Missionarissen,
ééne van de Fraters, en ééne tot overzicht van het personeel gedurende
de laatste achttien jaren,
-ocr page 295-
— 265 —
zondheid, genoodzaakt hun ontslag te vragen. Onnoodig te zeggen,
dat hun vertrek een groot verlies voor de Missie zijn moest;
doch daarom mocht den verdienstelijken Missionarissen, in zulke
omstandigheden, het verzoek niet geweigerd worden; zij ver-
trokken den 2 Juli 18(50. In Nederland teruggekeerd, werd de
Weleerw. Heer Swinkels aangesteld als Rector van het gesticht
»de goede Herder" te Leiderdorp (tevens Assistent te Soetcr-
woude
aan den hoogen Rijudijk); terwijl de Weleerw. Heer
Masker, in 1807 als Pastoor te Bleiawijk benoemd, in 186!) in
diezelfde hoedanigheid naar Zwxng, en nu in Januari 1884 naar
Stompwijk verplaatst werd.
Bij dit verlies van twee Missionarissen kwam weldra een
ander door den dood van frater Lambertus.
l)e gele koorts, sedert eenige maanden epidemisch te Para-
maribo, had reeds den 1 Juli Monseigneur zelven aangetast, zijn
leven bedreigd, doch gelukkig gespaard. Nauwelijks hersteld en
door Gods goedheid behouden, zag hij frater Lambertus het
slachtoffer worden derzelfde ziekte. Het pleit was spoedig beslist:
den 2 Augustus door de koorts aangegrepen was hij reeds den
(5 Augustus een lijk.
Ijxmbertux Justinus Swinkela, aldus werd de frater in de
wereld gcheetcn, was de zoon van Joannes Baptista Swinkels
en Maria Anna Leurs en jongere broeder van Monseigneur.
Geboren te Helmond, den 27 November 1816, werd bij, na
eene godielistige opvoeding, door zijne ouders voor het fabriek-
wezeu bestemd. Hij was van karakter zeer vurig en driftig,
maar tegelijk edelmoedig, zoodat hij voor geene offers terug-
deinsde en tot alles bereid was. Zijne godsvrucht tot de H. Maagd
en bijzonder tot den II. Rozenkrans, In-acht hem tot het kloos-
ter, gelijk zij hem later sterkte in de moeilijkheden, met zijne
driftige inborst onvermijdelijk verbonden. In eene vlaag van
jeugdige onbezonnenheid had hij het voornemen opgevat, om
zeeman te worden, en ging met dat doel naar Antwerpen. Den
rozenkrans, dien hij altijd bij zich droeg en dikwijls bad, wierp
hij nu van zich weg; doch zie, op datzelfde oogenblik gevoelt
hij eene inwendige knaging, bij neemt den rozenkrans weer op,
en, in plaats van naar Antwerpen te gaan, begeeft hij zich
naar Wittem, waar zijn oudste broeder, Mgr. Swinkels, zich
-ocr page 296-
_ 266 —
destijds als pater bevond. Daar nam hij het besluit in het
klooster te gaan, en werd als eandidaat-leekebroeder opgenomen.
Het was in 1847. Hij ontving het kleed den 24 Mei 1848 te
St. Truijen, waar 1 tij ook, na behoorlijke beproeving, den 15
April 1852, tot de H. Geloften werd toegelaten.
Lnmbertus was in den waren zin des woords een werk-
broeder; onvermoeid arbeidde hij voort en wist zich niet te
sparen. In verschillende kloosters bewees hij zijne diensten, tot
hij in 1805 geroepen werd om zijn Hoogwaardigen broeder,
Mgr. Swinkels, als leekebroeder te vergezellen. Dat hij, te Pa-
ramaribo aangekomen, waar hij ruim twee maanden de ecnige
leekebroeder was en dus voor alles gebezigd werd, zich met allen
ijver, ja met zelfopoffering aan den arbeid wijdde, is hij zijn
karakter licht te begrijpen. Misschien heeft hij zich met het oog
vooral op het klimaat, dat wel voorzichtigheid vorderde, te weinig
ontzien, en zich meer vatbaar gemaakt voor de heerschende epi-
demie. Dan, zou het wel gewaagd zijn, hier cene andere ver-
klaring van zijn spocdigen dood te durven neerschrijven? Het
was de 2 Augustus, feestdag van den H. Alphonsus, toen hij
door de koorts op het ziekbed werd neergeworpen. Zóó Innig
v/as de aanval en zóó sterk woedde de koorts, dat men hein
reeds den 4 Augustus met de laatste H. Sacramenten voorzien
moest. Hij. ontving die met volle bewustzijn en met gevoe-
lens van warme godsvrucht, hij, een leekebroeder, hij zou het
eerste slachtoffer zijn van de Congregatie in de Surinaamsche
Missie. Was dat niet de wil des H. Stichters? Daar boven in
den hemel had hij het oog op zijne zonen gevestigd, en met
den eerbiedwaardigen Joachim Gaitdicllo, den eersten Rodemp-
torist, die ten hemel voer, en die zich daarom op zijn sterfbed
verheugde de Vaandrig der Congregatie te zijn, wilde hij ook
een ecnvoudigen frater als Redemptorist-Vaandrig van de Missie
in Suriname.
Hij stierf den 0 Augustus, feestdag van \'s Hoeren Gedaante-
Verandering , in den vroegen morgen, en werd reeds \'s namiddags
te 5 uur, plechtig en onder een grooten toeloop van volk, op
liet R.-K. kerkhof begraven. We durven hopen, dat hij al spoe-
dig het verheerlijkt Gelaat van Jezus aanschouwd hebbe.
Daags na het overlijden van frater Lambertus werd Mon-
-ocr page 297-
— 267 —
seigneur opnieuw door de gele koorts aangetast. Zij bracht hem
aan den rand des grafs, doch ook nu bleef hij behouden. De
heide paters, die niet den Bisschop gekomen waren, werden
achtereenvolgens door dezelfde ziekte geteisterd, doch vooralsnog
hleef hun leven gespaard.
Den 8 September kwam de E. P. Wühèlmus Lvijben te
Paramaribo aan, en was al spoedig getuige van eene heugelijke
gebeurtenis. Twee der seculiere Geestelijken, de Ecrw. Heeren
Donders en Romme, hadden besloten zich bij de Congregatie
des Allerh. Verlossers aan te bieden. Zij meenden de roepstem
van God, in de leiding Zijner Voorzienigheid, te erkennen, en
vroegen het kleed van Redemptorist. Zij ontvingen het op Aller-
heiligendag uit de handen van Mgr. Swinkelu, onder wiens
leiding zij nu te Paramaribo het noviciaat hielden. Werden door
de oefeningen van het noviciaat de bezigheden voor de andere
Missionarissen vermeerderd, nieuwe hulp daagde al spoedig op.
Den 24 November kwamen de EE. PP. Baptist en Verbeek
uit Nederland aan, vergezeld van de fraters Franeiscus en Jo-
annes.
God riep echter één hunner tot zich voor nog het jaar
ten einde spoedde. De E. P. Baptist wenl door eene hevige
koorts aangetast, en in enkele dagen naar het graf gesleept.
Gerardus Petrus Baptist werd te \'s Hertogenbosch uit gods-
dienstige ouders van den deftigen burgerstand geboren. Zijn
vader was Petrus Baptist, zijne moeder Catharina Verharen.
Gerardus,
die den 3 Mei 1825 het eerste levenslicht aanschouwde,
toonde reeds van zijne vroegste jeugd zijne neiging tot den gees-
telijken stand. Edelmoedig van inborst volgde hij de roepstem
der genade, die hem hooger riep, en wijdde zich, na voltooiing
zijner lagere studiën in het Seminarie te St. Michi\'els-Gestel, aan
den kloosterlijken staat. Hij ontving het kleed van Redemptorist
te St. Truijen, den 15 Mei 184-4, en mocht, na volbrachten
proeftijd, één jaar later op dienzolfden datum , de H. Geloften
afleggen. Gerardus had vele talentim van God ontvangen, en
hij maakte daarvan een goed gebruik; hij deed zijne hoogere
studiën te Wittem met het beste gevolg, en werd, don 21 Sep-
tember 1851 , te Rolduc priester gewijd door Monseigneur J.
A. Paredis.
Na cenigen tijd in de H. Bediening te hebben doorgebracht
-ocr page 298-
— 26$ —
werd hij, den 5 Januari 1853, tot Lector der Moraal-Theologie
te Wittetn benoemd, in welke betrekking hij bleef tot 12 Sept.
1800. Gelijktijdig was hij van 27 Juli 1850 tot aan zijn vertrek
uit Wilton, de eerste bestuurder der H. Familie, waarbij hij
grootcn ijver aan den dag legde, en ook nu nog herinneren
zich de oude leden dier broederschap hunnen eersten directeur
met cene ware liefde. Zijn vacantie-tijd besteedde hij gaarne
aan het geven van missiën en retraiten.
Professor der Moraal heeft hij gedurende ruim zeven jaren
velen tot het H. Ministerie gevormd, en als een waar leerling
van den H. Alphonsus Maria, diens heilzame leer zuiver en on-
vcrvalscht aan anderen medegedeeld. In September 1800 als
Missionaris aan het huis te Amsterdam verbonden, bleef hij
daar tot zijn vertrek naar Suriname in 1800. Hij nam deel aan 42
Missiën, geleidde 7 geestelijke oefeningen en 22 retraiten. Hoe-
veel goeds hij hier te lande, en vooral te Amsterdam, heeft ge-
sticht, hoe ijverig hij er de Yrouwen-afdecling der H. Familie
bestuurde, hoeveel dwalenden, zoowel zondige katholieken als
andersdenkenden, hij op het rechte pad terugbracht, is opgetee-
kend in het boek des levens; maar, dat hij in Holland dankbare
harten had achtergelaten, dat bewees de talrijke opkomst van
geloovigen bij de plechtige lijkdiensten, die niet alleen te Am-
sterdam, maar ook in verschillende andere plaatsen, waar hij
Missiën gegeven had, voor zijne zielrust gehouden zijn.
Door zijne Oversten voor de Missie van Suriname bestemd,
onderwierp hij zich edelmoedig aan de gehoorzaamheid, en bracht
het offer, dat van hem gevraagd werd. Toch bleef hij de vrees
koesteren, dat zijn gestel voor het tropisch klimaat minder ge-
schikt was. Aanvankelijk deed de zeereis hem bijna niets lijden,
doch nauwelijks waren zij ouder de keerkringen of hij onder-
vond den invloed van het warme klimaat. Hij leed hevige
smarten in de ingewanden en meer dan eens vreesde de kapi-
tein, dat hij hem niet levend zou overbrengen. Hij bleef echter
welgemoed en tevreden, en schreef van het schip een brief vol
humor aan zijne medebroeders in Nederland. Dat Monseigneur
Swinkels hen allen met hartelijke vreugde ontving, behoeft wel
niet gezegd; maar dat in het bijzonder de aankomst van Pater
Baptist hem genoegen deed, is niet minder waar. Behalve de
-ocr page 299-
— 269 —
hulp, welke hij van hem als ijverigen Missionaris kon verwachten,
stelde hij zich in den begaafden oud-lector van Moraal en Ka-
noniek Recht, een raadsman voor, van wiens licht hij vaak ge-
bruik zou maken. De pater bevond zich bij zijne aankomst Ie
Paramaribo (24 November) zóó wel, dat hij reeds den 2 Decem-
ber (\'t was de lste Zondag v. d. Advent) den kansel beklom ,
en onder de Hoogmis, naar aanleiding van bet Evangelie, het
laatste oordeel predikte.
Monseigneur ging dan ook, niets kwaads vermoedend, met
den E. P. Romme op reis, om te Batavia het H. Vormsel toe
te dienen.
Den 9 December echter werd de goede pater door cene hevige
koorts aangetast, die met zooveel kracht voortwoeddc, dat men
hem reeds \'s anderen daags de laatste H. Sacramenten moest
toedienen. De ziekte nam steeds toe en den 11 December tegen
den middag was Pater Baptist niet meer! Hij stierf, den 17«n
dag na zijne aankomst te Paramaribo, in den ouderdom van
41 jaren en zeven maanden. Monseigneur Sivinkeln, kwam den
volgenden nacht van zijne vonnreize terug en vond zijn mede-
broeder reeds gestorven; zijn stoffelijk overschot lag daar, ter
begrafenis gereed, in eene lijkkist! Droevige aanblik voor den
toch zoo gevoeligcn Bisschop! Intusschen het offer moest ge-
bracht worden. »Het is voor ons allen," zoo schreef Mgr. Swin-
kch
aan den Provinciaal in Nederland, sdoch vooral voor u en
»voor mij een zware slag. Nauwelijks is de wond door den
»dood van frater Lambertus aan mijn hart toegebracht, eenigs-
szins geheeld, of ze wordt op het alleronverwachtst wederom
«opengerukt. Hij is dood, op wicn ik mijn grootsten steun en
«mijne grootste verwachting gesteld had! Doch ik weet, dat
»mij die steun ontnomen is dooi- Hein, die van mij vor-
»dert, hoofdzakelijk op Zijne Zorg en Goedheid te vertrou-
»wen. Ik zal mijn best doen de hand, die mij slaat, te
«zegenen!"
Monseigneur wilde niettegenstaande zijne vermoeidheid de
lijkplechtigheden zelf verrichten, en den 12 December werd het
eerbied waai dig lijk ter aarde besteld op de begraafplaats aan
de Rust-cn-Vrede-straat. »Eene ontzaggelijke menigte volks ver-
«gezelde het lijk, waaronder de Adjudant van den Gouverneur
-ocr page 300-
— 270 —
»en die van den Commandant der troepen, beiden in groot
»tenue."
Pater Baptist had den strijd volstredenl God was tevreden
met het offer en hei;ft zijn lijden verkort. Het oordeel, dat hij
in zijne laatste predikatie zoo schrikkelijk voor den zondaar af-
maaldc, zal hom een genadig geweest zijn; hij heeft, we twij-
felen er niet aan, uit den mond zijns Rechters vernomen: 9 Kom,
y>yoede en getrouwe knecht
,... . ga in tot de vreugde uws
tHeeren."
(Matth. XXV. 21.)
Zóó eindigde het jaar 18ö6, het eerste jaar, dat de Con-
gregatie des Allerh. Verlossers zich met de Missie van Suriname
heiast zag. God had een dubbel offer gevraagd: één pater en
één frater. Twee mannen in den bloei des levens en in de
volle mannel\\jkc kracht, op wier arbeidzaamheid, ieder in zijn
werkkring, men gemeend had te mogen steunen! Ondoorgronde-
lijk zijn de plannen Gods en de wegen zijner Voorzienigheid
zijn onnaspeurlijk ; doch deze is de troost der waarheid, deze is
de weg Gods: y>al gaande en iveenende zaaiden zij hun zaad;
ernaar met gejuich zullen zij wederkomen, dragende hunne
vgarven."
(Ps. (\'XXV. 6.)
Den 42 Mei 18!>7 kwam de E. P. A. Bossers, die reeds
cenige jaren op het Hectische eiland St. Thomas vertoefd had,
te Paramaribo aan, om er als Missionaris te blijven. Het moet
den waardigen man, die als Novicen-meester, zoovele jaren de
liefde tot de Congregatie en haren geest aan anderen had meo-
gcdecld, die zoo dikwijls, door den Generaal daartoe gemachtigd,
de geloften had afgenomen, eene ware voldoening geweest zijn,
al kort na zijne aankomst, de plechtigheden cener religieuze profes-
sie te mogen bijwonen. De beide Novicen-Priesters werden den 2i
Juni 1807 geprofest. De Hoogwaardige Pater Generaal had zich,
voor deze vrome priesters, met een proeftijd van acht maanden
vergenoegd , en Monseigneur Swinkels gemachtigd de geloften
af te nemen: de Eerw. Meeren Donders en Romme waren van
nu af Paters Redemptoristen!
Met nog de komst te vermelden van frater Clemens, die
den 28 Augustus te Paramaribo aanlandde, zijn al de wijzigingen
van het personeel in 18G7 aangegeven.
Het volgend jaar had de Missie geen enkel verlies te be-
-ocr page 301-
- 271 -
treuren, won echter één pater. De E. P. Engelbertus Odenhoven
kwam den 10 Augustus te Paramaribo. Hij was een jeugdig
priester, die eerst onlangs te Willem zijne studiën voltooid
had. \') Het volgend jaar bracht meer verandering. Den \'10 Mei
kwamen 2 patera uit Nederland, de EK. PP. Van Mans en
Vun Kool wijk; zij waren vergezeld van een Icokebroeder, frater
Alphonsus, die even als de vroeger vermelde frater Clemcns,
zich voor het onderwijs bekwaamde, en na cenigeu tijd het
examen als onderwijzer te Paramaribo aflegde. Frater Eduard
was reeds in het moederland tot onderwijzer bevorderd. Deze
fraters, zoowel als de anderen, die reeds in Suriname waren
of er later aankomen, bewijzen in hun betrekkelijke!) werkkring
voor kerk- en huiswerk, voor land-, huis- en kerkbouw, alsmede
voor de opvoeding en het onderwijs van een aantal wees- en
schoolkinderen, gecne geringe diensten aan de Missie.
Ook moest Suriname dit jaar een Missionaris verliezen. De
Weleerw. Heer Kempkas, die 30 jaren, grootendeels aan de
Kust en veelal alléén, in de kolonie geweest was, verbleef
sedert Octobcr 1807 te Paramaribo, in de communiteit der Pa-
ters. De man had veel geleden, en de gebrekkelijkheden, waar-
onder hij zuchtte, deden hem naar eene trouwens v/èl verdiende
rust verlangen. Toch moest hij, ofschoon 30 jaren werkzaam,
den termijn van 10 jaren als gesalarieerd Geestelijke van den
2n rang afwachten, om aanspraak op pensioen te kunnen maken.
Hij bewees nog zijne diensten in de stad, zoowel bij de zieken
als in de kerk, lot eindelijk het tijdstip daar was; hij vertrok
den 1 Januari 1869 naar Europa. In zijn vaderland teruggekeerd
vond er de zestigjarige grijsaard de rust niet, welke hij ver-
wacht had. Terwijl hij in de omstreken van Xanten (Pruisen)
de geestelijke bediening waarnam, moest hij deelen in het lot
der andere priesters. Onwillig de dwangbevelen der Pruisische
Uegeering ten uitvoer te leggen, ontweek hij een tijdlang den
Duitschen bodem. Eindelijk, na veel gestreden en nog meer ge-
leden te hebben, voor liet geloof der vaderen, is hij in de maand
■1) Terecht is men var meening, dat de jeugdige leeftijd de accli-
matisatie bevordert.
-ocr page 302-
- 272 —
Juni 1879, naar wij mccncn in zijne geboorteplaats Veen bij
Xanten, de ware, de eeuwige rust ingegaan!
In bet jaar 1870 kwam slecbts één leekebroeder, frater
Ediiiondus, den 11 Juli te Paramaribo aan; ook deze frater
legde na eenigen tijd het examen voor onderwijzer af.
De E. P. WiUielmus Van Vlokhoven kwam den 23 Ja-
nuari 1871 uit Nederland. Eenige jaren was bij als Kapelaan
in het bisdom van \'s Bosch werkzaam geweest, toen hij in de
Congregatie trad, en na volbrachten proeftijd en professie naar
Suriname werd gezonden.
Twee dagen later arriveerde de Hoogeerw. Pater Provinciaal
/. II. Sdiaap, vergezeld van den Zeerecrw. Pater J. Van Rijcke-
iw.se/, om een eerste Visitatio Canonica te houden. Zij ver-
trokken wederom den 7 Maart, vergezeld van Monseigneur
Swinkels, die door zijn ziekelijken toestand genoodzaakt werd
eene reis naar Europa te doen.
Gedurende de afwezigheid des Bisschops verloor Suriname
één Missionaris. De Welecrw. A. J. Van Koolwijk. vertrok met
machtiging zijner Oversten, den 4 Juni 1871, en ging tot het
Apostolisch Vicariaat van Curacao over, waar hij als Pastoor
werd aangesteld. Den 12 Augustus kwam frater Miclutêl uit
Nederland aan, en werd den 28 September door frater Nicasius
gevolgd. Het was ook op dezen dag, dat Monseigneur van zijne
reis terugkeerde. De verandering van lucht had hem goed ge-
daan en zijne gezondheid was merkelijk beter. Een groot ver-
lies echter kwam hem droefheid veroorzaken, de E. P. Van
Rooi)
stierf te Coronie, den (5 November 1871.
De E. P. Joannes Van Rooij, te Oerle in Noord-brabant
geboren, was de zoon van eenvoudige landlieden, die echter den
schat der deugd hooger achtten dan de rijkdommen en de ijdel-
heden der wereld. WiUielmus Van Rooij en Joanna Rurgers,
ziedaar de namen der echtelieden, uit wier gezegend huwelijk
Joannes ontsproot. Hij werd geboren den 17 Augustus 1830.
Voor hen, die den pater gekend hebhen zal de beminnelijke
eenvoud zijner manieren en de kinderlijke onschuld , die zich op
zijn gelaat afspiegelde, onuitwischbare indrukken hebben achter-
gelaten. Hij was reeds tamelijk bejaard, toen hij zijne studiën
begon; immers hij ontving het kleed der Congregatie te St. Truijen,
-ocr page 303-
— 273 —
den 2-4 Mei 1853, en was dus, toen hij den 2-i Mei van het
volgend jaar, te St. Truijen geprofest werd, on zijne hoogere
studiën in het studiehuis Wittem ging beginnen, bijna 24 jaren
oud. Toch was hij niet minder kinderlijk, ja muntte onder allen
uit door beminnelijke eenvoudigheid. Na zijne priesterwijding,
welke hij den 7 Sept. 1859 te Wiltem van Z. D. H. Monseig-
neur Laurent ontving, werd hij als pater aan de Communiteit
van Wittem verbonden. Hij hield zijne eerste predikatie op
Zondag G November 1859 in onze kerk aldaar, en toen reeds gc-
voelde men, dat de ongekunstelde Missionaris, in Gods hand,
een eenvoudig maar krachtig werktuig zou worden tot heil der
zielen. Den 4 Maart 1801 verliet hij Wittem, om aan het klooster
van Limerick verbonden , als Missionaris in Ierland te arbeiden.
Hij verbleef er tot hem zijne Oversten den 1 November 1805
naar Nederland terugriepen, om Monseigneur Swinkels naar de
West te vergezellen. De zielenijver, die hem verslond, deed
hem deze taak met vreugde aanvaarden. Reeds gedurende zijn
oponthoud te den Helder, en op reis, legde hij zich op het
Negerengelsch toe, en met zóó goed gevolg, dat hij , op Maan-
dag van de Goede Week te Paramaribo aangeland, reeds acht
dagen later, den tweeden Paaschdag, onder de Hoogmis den
kansel beklom: hij sprak in het Nejerengelsch tot de inlandschc
bevolking van Suriname!
In de maand Juli, toen de "Welcerw. Hceren Swinkels en
Masker vertrokken, werd hij door Monseigneur voor de St-Rosa-
kerk bestemd, waar hij, vooral aan de Negerengelsch sprekende
bevolking, grootc diensten bewees.
Die taak was niet gemakkelijk voor hem, daar genoemde
kerk op twintig minuten afstand ligt van het gemeenschappelijk
huis der Missionarissen, waar hij inwoonde, en hij tweemaal
daags, \'s morgens en \'s namiddags, heen en weer moest gaan
ter vervulling zijner bedieningen. Toch, gesterkt als hij was door
de genade, die den gehoorzame overvloedig geschonken wordt,
torschtc hij dien last met heilige blijdschap.
Twee jaren later belastte hem de gehoorzaamheid met een
nog uitgebreider en moeielijker werkkring op de statie Co~
ronie.
Het ging hem als zekere planten die, als zij naar een
zwaarderen grond worden overgeplaatst, nog weliger groeien,
Suriname.                                                                                                       13
-ocr page 304-
— 2f4 —
Daargelaten de velerlei ontberingen, veroorzaakt door het moeie-
lijk en ongeregeld verkeer inet Paramaribo, de ongeriefelijke
woning, die den Missionarissen tot huisvesting dient, de overvloed
van veelsoortig, zelfs gevaarlijk ongedierte, de vreeselijke stor-
rnen, die daar niet zelden loeien, het gebrek aan drinkbaar
water ten tijde der droogte en meer dingen van soortgelijken
aard, waaraan men daar blootgesteld is, levert deze post een
zwaren arbeid op aan de dienstdoende Geestelijken. Coronie heeft
eene uitgestrektbeid van 5 a G uren gaans langs de zoogenaamde
Wilde Kust van Suriname met eene reeks aan elkander gren-
zende plantages, Behalve de herderlijke bedieningen, de dage-
lijksehe onderrichtingen en hunne kloosteroefeningen, moeten de
Missionarissen de katholieken op de plantages gaan bezoeken,
en ook zelven voor de kinderen school houden. Buiten de paro-
chiale kerk te Coronie bestaat er op drie uren afstands nog
eene kapel op Burnside, waar des Zondags door een der twee
paters dienst wordt gedaan.
Hij zelf was de eerst aanleidende oorzaak tot het aan-
nemen van dezen post. Hij ging er iederen Zondag heen, dik-
wijls te voet, soms niet zonder levensgevaar. Hij deed er voor
\'t eerst de H. Mis den \'29 Januari 18C9, en het was reeds Juni
van het volgend jaar, vóór dat een muilezel ter beschikking der
paters gesteld werd. Ook dit bracht nu en dan in ongelegen-
heid. »Het had tusschen Zaterdag en Paaschzondag," zoo schrijft
hij zelf, »zoo verschrikkelijk geregend, dat wij niet hadden kunnen
slapen, en toen wij \'s morgens vroeg opstonden, ontwaarden wij
dat onze tuin, om zoo te zeggen, in eene zee herschapen was.
Wij waren dus niet zeer tot vreugde gestemd; zou ik naar
Burnside rijden? Daar liet op den duur al te zwaar was om
de reis naar Burnside en andere plantages te voet te doen, had
Mgr. Swinkels ons een muilezel en een rijtuig laten aanschaffen, ik
kon dus zeggen: zou ik rijden? Er was voor en tegen, de wegen
waren zeer slecht, het dreigde nog meer te zullen regenen; maar
er moesten heidenen gedoopt, bekeerlingen met de kerk ver-
zoend, paaschbiechten gehoord worden; dus, in Gods naam, ik
zou gaan, en ging alles in gereedheid brengen met de in-
tentie om op Burnside te vernachten. Alles gaat wèl een uur
ver; ik tracht mij zelven in eene godvruchtige en vroolijke
-ocr page 305-
— 275 —
stemming te brengen, ten einde die aan mijne toehoorders te
kunnen mededeelen, toen eensklaps de muilezel als het ware
met den duivel bezeten werd; hij schopt en stampt, er gaat
iets los of er breekt iets; dan gaat hij op hol, van den weg af
langs cene diepe helling. Mijn God! verzuchtte ik, wat gaat er
nu gebeuren? een van twee, of wel de muilezel of het rijtuig
gaat op mij nedervallen. Maar terwijl ik nog op deze wijze
redeneerde, was ik reeds buiten gevaar. Want op hetzelfde
oogenblik dat het rijtuig overhelde om te tuimelen, gleed ik
zachtjes er uit; de ijzeren staven, die de disselboomen met het
rijtuig verbonden, braken, er kwam dus cene scheiding tusschen
den muilezel en het rijtuig, en terwijl ik het laatste achter mijn
rug in de diepte hoorde ocdcrplofien, liep de muilezel nog eenige
schreden\' met mij vooruit; toen braken de riemen die ik nog
immer met beide handen vasthield, en zoo stond ik daar onge-
hinderd op den landweg, met het eenc oog den muilezel, die
de vlucht nam , nastarende, met het andere oog naar het oni-
geslagen rijtuig gekeerd. Wat nu gedaan? Eerst den goeden
God hartelijk bedanken, die mij zoo wonderbaar gered had. Ver-
volgens moed opgevat, dat alles terecht zou komen, hopende dat
ik zelfs dien morgen nog op Burimde zoude komen, alhoc-
wel ik er bijna nog twee uren van verwijderd was, en ik daar
geheel alleen stond zonder een sterveling om mij behulpzaam
te zijn. Ik ben in mijne hoop niet te leur gesteld geworden!
De muilezel was op eene nabijzijnde plantage binnengeloopen,
en had de menschen daar met schrik en angst voor mijn lot
vervuld. Een jong mensch (hernhutter) had het dier opgevangen
en kwam dadelijk in vollen galop naar de plaats des onheils
gereden. Dus, het dier was weder in mijn bereik, en daar ik
als door een zeker voorgevoel (door God daartoe aangeraden,
gelijk een negerjongen opmerkte) den zadel ook bij mij had, be-
sloot ik er gebruik van te maken. Tot mijne groote ver-
wondering, was de muilezel zoo bedaard, alsof er niets gebeurd
was. Ik was ook zoo kalm, dat eene oude negerin zeide: »Zie,
vader doet niets dan lachen, en wij zijn half dood van schrik!"
Een braaf katholiek bie It zich aan, om hot ontredderde rijtuig
naar Burnside te trekken, waar het gratis gerepareerd is. En
zie,
hier kwam ons nog de goede dienst van een Israëliet van
-ocr page 306-
— 276 —
pas. Deze leende namelijk een van zijne ezels om liet rijtuig
naar genoemde plaats te brengen. Zie, zóó heeft onze Lieve
Heer zich van hernhutters, joden enz. bediend om een armen
Missionaris bij te staan. Moge de Heer het hun vergelden! Maar
luister eens, ik ben nog niet op Burmide. Ik stap zachtjes
vooruit; ik had nog een tamelijk zwaar pakje met de cene hand
vast te houden; de weg stond op vele plaatsen diep onder
water, het begon intussclien ook weder sterk ta regenen, en toch
deed ik niets dan vroolijk zingen: Laudate Dominum omnes
gentes;
Looft den Heer alle volkeren enz. Maar daar doet de
muilezel weder een van zijne gewone knievallen, en... »daar ligt
dan Jantje van Rooij met zak en pak in \'t slijk?..." Abuis! ik ver-
loor gelukkig mijn evenwicht niet; en nauwlijks had ecne negerin,
die mij op korten afstand volgde , tijd om een diepen zucht te
lozen, of het dier was weer op de beenen, en weldra waren wij
op Buvnside, druipende van het regenwater. Daar een weinig
de kleedercn bij \'t vuur gedroogd, eenige verwisseld, dan eene
plechtige H. Mis gezongen, het volk een hartelijk woordje toe-
gesproken, wat in de gegeven omstandigheden eenen diepen in-
druk maakte; — en zoo was het tusschen een en twee uur,
toen ik een kopje warme chocolaad had. En toch was ik niet
oververmoeid, zoodat ik na den middag \'weder een frisch man
■was, om biecht te hooren en eenigen tot den doop voor te be-
reiden, en dus daags daarna het genoegen had een ouden heiden
te doopen en vier personen met de kerk te verzoenen."
Hoeveel zielen hij daar, in ruim vier jaren, voor God ge-
wonnen, hoeveel katholieken in het geloof bevestigd, hoeveel
onkatholieken tot den schoot der kerk teruggevoerd, hoeveel
heidenen tot het H. Doopsel bereid en aangenomen heeft, is
God alleen bekend!
In de maand October 1871 overviel hem de koorts, die
daar niet zeldzaam, doch doorgaans niet doodclijk is. Zij week
ook weder, doch nauwelijks hersteld hcrWel hij op nieuw ten
gevolge van een tocht naar Burnside, waar hij na de H. Mis
en de preek in de volle hitte van den dag ecne oude vrouw
moest gaan bedienen. Van toen af bleef hij min of meer kwijnend.
Om wat meer rust naar ziel en lichaam te genieten, hield hij
zjjne jaarlijksche geestelijke afzondering van 10 dagen. Heilige
-ocr page 307-
— 277 —
gedachte voorzeker, door God zelven hem ingegeven, om zich
ernstig en kalm tot den naderenden dood voor te bereiden! In-
tusschen nam zijne verzwakking van dag tot dag toe, zoodat
hij slechts nu en dan de H. Mis kon lezen. Op Allerheiligenfeest
droeg hij voor \'t laatst het H. Offer op en niet dan met de
grootste inspanning; maar het offer van zijn eigen leven was
bereid. »Ik hen bereid," zeide hij op Allerzielendag, na nog ge-
biecht en gecommuniceerd te hebben, »om aan deze kwaal te
sterven, zoo het Gods wil is." En ja, het was o God, Uw wil!
Gods voorzienigheid scheen echter te willen, dat het nog duide-
lijker blijken zou , hoe onze pater viel als slachtoffer van zijn
zielenijver voor de negers. In den nacht van den 2" op den 3n
November, terwijl hij een diepen slaap genoot, die hem zoo
noodig was en wellicht zoo heilzaam zou geweest zijn, werd hij
opgeroepen voor een zieke, dien hij te voren reeds bediend had.
Zonder aarzelen begaf hij er zich heen. (Men had zijn Overste
den Eerw. pater Van der Aa, die zelf met de koorts te bed lag,
niet gewaarschuwd.) Deze daad van zelfopoffering was zijn dood.
Xa zijne tehuiskomst sliep hij niet meer in; hevige koortsen
met cene bezetting op de borst overvielen hem; hij kon bijna
niet meer spreken. Binnen drie dagen vond de dokter hem
hoogst bedenkelijk, zoodat de Eerw. pater Van der Aa er toe
overging hem de laatste H. Sacramenten toe te dienen. O
wat een zalig genot, welk een zoeten voorsmaak der eeuwige
vergelding moet de Heer Jezus, bij zijn laatste bezoek, den Mis-
sionaris niet in het harte storten, die op het voorbeeld van den
goddelijken Herder zijn leven veil had voor de arme verlatene
zielen, en niet aarzelde daarvoor alles te verlaten, en zelfs den
Oceaan over te steken! Dit was zeker liet geval met pater
Van Ilooij. Want toen broeder Edmond bij zijn bed kwam
staan, staarde hij dezen met groote oogen aan, richtte zich even
op, glimlachte en wees met de eene hand naar boven, terwijl
hij de andere op zijne borst hield. Zoo gaarne had hij zijne
heilige blijdschap met woorden geuit, maar hij kon niet meer.
Het was den 6 November, twee uren \'s namiddags; het uur
door God bepaald was geslagen. Terwijl een goede neger, wien
onze stervende; Pater zeer genegen was, hem voortdurend de
11. Namen in het oor fluisterde, waren de Eerw. pater Van
-ocr page 308-
— 278 —
der Aa en broeder Edmond, bij liet sterfbed neergeknield en
baden luide de litanie van alle Heiligen. Eer deze nog ten einde
was, gaf de Eerw. pater Van Rooij, nauwelijks 41 jaren oud
kalm en zacht zijn geest, om zich bij zijn H. Vader Alphonsus
te voegen, wiens leus: Hij heeft mij gezonden om den armen
het Evangelie te verkondigen,
hij zoo trouw tot de zijne ge-
maakt had.
Nauwelijks luid de treurige mare: »|>ater Van Rooij is dood,"
zich over de Kust verspreid, of het volk stroomde van alle
plantages ter kerke, waar het lijk in zijne kloosterkleeding was
uitgesteld. Eer het avond werd , was de kerk geheel bezet niet
negers en negerinnen, allen in het sneeuwwit, wat bij hen de
zwaarste rouw is. Zij wilden den ganschen nacht bij het lijk de
wacht houden, maar wijl dit hun niet werd toegestaan, deden
zes negers dezen dienst. Des anderendaags \'s morgens te 9 uren
had de begrafenis plaats met eene eigenaardige doch treffende
plechtigheid. Na de II. Mis togen de negerinnen twee aan twee
de kerk uit naar het kerkhof; hierop volgde de Eerw. pater
Van der Aa niet de misdienaars; verder de commissaris, de
commandant van den militairen post in uniform , de directeur
der plantages, een groot getal der voornaamste personen van
Coronie, zoowel protestanten en joden als katholieken. Bij het
graf hield de Eerw. pater Van der Aa, eene korte en indruk-
wekkende lijkrede, die menigmaal door het weenen en snikken
der negerinnen onderbroken werd. Hierna wierp ieder drie spa-
den aarde op de kist. iniddelerwijl het Dies irae in het Neger-
engelseli
gezongen werd. Daarmede was de plechtigheid afge-
loopen. Maar nog eene gelicclc week daarna zag men dagelijks
negers en negerinnen naar de kerk komen, om voor de zielerust
des oveiledenen de H. Mis te hooren, te corninuiiiccercn, het
rozenhoedje of den kruisweg te bidden, en bij het graf van hun
dierbaren pater Van Rooij neer te knielen. Bij het lezen dezer
plechtige teraardebestelling en der laatste eerbewijzingen zal een
ieder onwillekeurig bij zich zelven zeggen: »Dic priester bezat
inderdaad de harten dei\' negers." Maar was liet te verwonderen?
Had hij zich niet van het oogenblik dat hij scheep ging naai\'
Suriname geheel en al voor hun heil opgeofferd.\'
\'t Is duidelijk, God had hem voorbeschikt om de apostel
-ocr page 309-
— 279 —
der negers te zijn. Hierboven hebben wij reeds gezien hoe hij
zich letterlijk uitputte in het bedienen der St. Rosa-kerk te
Paramaribo; op de kust van Coronie bracht hij in waarheid zijn
leven voor hen ten ofler. Hij had als eene gunst van zijne
oversten verzocht, het overige gedeelte zijns levens aan het zie-
lenhcil der negers te mogen toewijden.
Hoe oprecht hem dit gemeend was, blijkt zonneklaar uit
zijne hooge belangstelling voor zijne dierbare negers. Pater
Van der Aa getuigt desaangaande: »Zijne grootste liefhebberij,
als het ware, was reeds \'s morgens vroeg na \'t ontbijt, na
schooltijd, en wederom des namiddags na de oefeningen der
H. Regelen, kinderen, heidenen of gedoopten te onderwijzen en
voor te bereiden tot do H. Sacramenten. Daardoor is de Kust
in korten tijd zoo vooruitgegaan. Men kon hem geen grooter
plezier doen dan middelen met hem te beramen, om arme zon-
daars en verdwaalde schapen het spoedigst en het doelmatigst
te recht te brengen."
Hij heeft den goeden strijd gestreden en den goeden geur
van zijn stiohtenden levenswandel, van zijne stipte onderhouding
der H. Regelen, van zijne teedere godsvrucht tot Jezus in het
H. Sacrament en de H. Maagd Maria, aan allen tot een voor-
beeld achtergelaten!
Suriname telde een voorspreker meer in den hemel.
Zijne plaats te Coronie werd wederom aangevuld, en ook
de Missie werd weldra met twee nieuwe Missionarissen verrijkt.
Twee onzer studenten uit Willem , die reeds den 10 November
te Paramaribo waren aangekomen, ontvingen den 10 December
de H. Priesterwijding uit handen van Mgr. Swinkels. De EE. PP.
Droos en Van Coll deden het getal Missionarissen tot twaalf
stijgen, die door acht fraters werden bijgestaan.
Reeds bij den dood van den E. P. Van Itooij hebben wij
vermeld, dat de E. P. Van der Aa, die hem bijstond in het
stervensuur, zelf lijdend was; hij was toen reeds zoo ziek , dat
hij nauwelijks de begrafenisplechtigheden kon verrichten. De
oorzaak van beider ziekte kwam eerst na den dood van den
goeden pater Van Rooij aan het licht. In dien tijd vormde
zich langs de gcheele kust eene rnodderbank, die zich toen
recht voor hunne woning (CardrossJ, op slechts 10 minuten
-ocr page 310-
_ 280 —
va» zee gelegen, vestigde. Door die modderbank werden do
looskanalcn verstopt, zoodat men zich van liet regenwater
niet kon bevrijden; het bleet\' op de velden en in de bosschen
staan. De slechte uitdampingen, die hiervan het gevolg waren, ver-
oorzaakten moeraskoortsen, waaraan beide paters geruimen tijd
lijdende waren. Niettegenstaande hun lichaam alzoo dagelijks
ondermijnd werd, gingen zij voort school te houden en catechis-
mus te geven voor ruim honderd kinderen, en daarenboven nog
de zieken te bezoeken en de overige priesterlijke bedieningen
waar te nemen. Die toestand moest den armen paters veel, zeer
veel lijden veroorzaken. Onophoudelijk koorts, weinig of geen
eetlust hebben, het gebruik van kinine, dat den mensch, vooral
in Suriname, waar de geneeshecren het in zulke groote hoeveel-
heden voorschrijven, loom maakt, onverschillig en zenuwachtig;
daarbij weinig nachtrust, deels door de ziekte, deels ook door
de vele muskieten, die er toen waren; dat alles gevoegd bij
eene onvoldoende verpleging (zij hadden voor al den arbeid
slechts één frater met een neger-jongen), ja , dan begrijpt men
dat zij bitter geleden hebben. De E. P. Van der Aa was dan
ook verplicht de volle waarheid aan Mgr. Swinkels te schrijven.
Hij had het vroeger moeten doen, nu echter, nu hij alléén was,
mocht hij het niet laten. Zijn brief was kort: »de E. P. Van
llooij
was overleden en ook hij ... kon niet meer." Aanstonds
vertrokken de; EE. PP. Bosxers en Odenlwven om hem te ver-
vangen ; de E. P. Van der Aa kwam naar de stad terug. »Maar,
mijn hemel, hoe zag hij ei- uit!" schrijft een zijner medebroeders,
«meer dood dan levend, als een geraamte, hij was een man van
80 jaar!" En toch de ijverige Missionaris telde ei\' slechts vijftig.
Hij was geboren te \'sHertoyenbosch, den i\'3 Augustus 1822.
De goede pater had het einde zijner aardschc loopbaan bereikt.
Wel herstelde hij nog cenigermate, en zelfs heeft hij nog één-
maal gepreekt, doch zijn leven was van nu af een langzaam
sterven. We willen, vóór wij zijn zalig afsterven vernielden, den
pater nader doen kennen. Martinus Van der Aa, een banket-
bakker te \'s Bosch, en Maria Elimbeth Gooxsens, zijne echtge-
noote, waren de ouders van onzen pater, die bij het 11. Doopsel
de namen Joannes Barthólomeus ontving. In het godsdienstig
gezin opgevoed werd hij aanvankelijk door zijnen vader voor de
-ocr page 311-
— 281 —
affaire bestemd. Het duurde echter niet lang of zijne neiging
tot den geestelijken stand openbaarde zicli en hij werd naar
het Seminarie te St. MichieU Gastel gezonden. Hij was zeer goed
student, en met een anderen begaafden jongeling, was hij steeds
de eerste of de tweede zijner klas. Zijne talenten en nog meer
zijne deugd, die in hem met een vroolijk en gemoedelijk karakter
gepaard ging, hadden hem de liefde zijner Professoren verworven.
Als hij zijne lagere studiën voltooid had, kwam hij zich aan-
bieden bij de Congregatie des Allerh. Verlossers, en ontving het
kleed te St. Truijen, op den feestdag der H. Theresia, in
hot jaar -1844. Een jaar later tot de H. Geloften toegelaten,
kwam hij naar Wittem, om zijne studiën voort te zetten. Zijne
teedere godsvrucht nam hier nog toe, en menigmaal gaf hij aan
do gevoelens van zijn hart lucht door ze in eenige dichtregelen
neer te schrijven, en aan zijne medebroeders voor te lezen.
Hij was geen dichter, doch maakte een goed vers, en daar-
door wist hij niet zelden, nu zoowel als vroeger op het Semi-
naric, de feestelijke gelegenheden op te luisteren, of eene gulle
vroolijkheid te weeg te brengen. Hij ontving het H. Priester-
schap te Roermond, den 22 December 1849, uit handen van
Mgr. Paredis.
Als hij in \'t volgend jaar zijn tweede Noviciaat te Luik
gedaan had, werd hij als Missionaris naar Engeland gezonden,
waar hij gedurende twaalf jaren zeer veel heeft gearbeid. In
Nederland teruggekeerd, in het najaar van 1862, werd hij aan
het klooster te Wittem verbonden, en arbeidde als altijd met
rusUloozen ijver. Wel had hij aanvankelijk veel moeite om in
zijne moedertaal te preeken, doch het duurde niet lang of die
hinderpaal was geheel uit den weg geruimd. Tal van Missiën
en retraiten, octaven en andere geestelijke oefeningen heeft hij
geleid of was er bij behulpzaam. \') Wat echter de kroon zette
1) Om een klein denkbeeld te geven van zijne verbazende werkzaam-
licid schrijven wij de namen, alléén van die plaatsen, waar hij Missie
gttf in de jaren \'1863-05, dus in een tjjdverloop van ruim twee en een
halfjaar: S wal men , tieythui\'en , Heldenkapel, Reymerstok, lirunsmtm
en (iuttecoven, in liet bisdom van Roermond; Nieuwnamen, Ilengstilijk,
lluncltkapelle, Standtlaarbititen, Heen, Kocwacht, Axel. l\'hilippine, Steen-
tergen, Chaam, iïispen, Lïten, tluogcrlwidc,
en Beek in het bisdom van
-ocr page 312-
— 282 —
op al zijn arbeid, hij bleef steeds een eenvoudige, opgeruimde
en stichtende religieus, zijn ijver verflauwde niet, en men mag
van hem zeggen, dat hij bij al zijn werken naar buiten, toch
steeds een blik naar binnengekeerd hield: hij was een inwendig
man, een waar kloosterling!
In het jaar 1865 werd hij door zijne Oversten bestemd om
een der eerste gezellen te zijn van Mgr. Sivinkeh, met wien
hij, den 2G Maart 18(50, te Paramaribo aanlandde. Toen in Juli
de EE. HH. Sivinkels \'en Masker naar Europa terugkeerden ,
werd hij door Mgr. voor de hoofdkerk te Paramaribo bestemd,
waar hij met veel ijver voor zijne parochie arbeidde. In Sep-
tembcr 1866 had hij cene hevige gele koorts te verduren, die
hem aan den rand «les grafs bracht, maar tevens hem een schat
van verdiensten bezorgde, wijl hij met een voorbeeldig geduld
liet kruis omhelsd had. Om zijn herstel te bevorderen werd hij
in \'t laatst van September te Batavia geplaatst, waar hij een
jaar lang het H. Ministerie uitoefende , om dan met den E. P.
Luijben naar Coronie te gaan arbeiden. Zoo wisselde hij van
standplaats, overal den goeden geur zijner deugden, en de sporen
van zijn werkzamen ijver achterlatend. Het goede wat hij ver-
richtte is Gode bekend. In 1870 weer te Batavia geplaatst,
werd hij in Juli van dat jaar wederom naar de stad geroepen
om er de H. Bediening uit te oefenen, en tevens de plantages
en de kampen der Indianen te bezoeken. In Eebruari 1871,
werd hij nogmaals in Coronie geplaatst; daar zagen wij hem
aan het sterfbed van zijn reisgezel, den E. P. Van Rooij, van-
daar zagen wij hem terugkeeren naar Paramaribo, in een deer-
nissvaardigen toestand. Het herstel, waarvan wij boven gewag
maakten, was niet van langen duur. Tegen het einde van Ja-
nuari (1872) vertoonde zich een begin van waterzucht, waarom
hij op aanraden des geneeshcers, in \'t begin van Mei, naar de
Breda; St. Maarte».* Varren, Graven Voeren en ifoulingen, in hot bisdom
van Luik, torwijl hij ook deel nam aan de Missie, in zijn geboorteplaats
\'slii\'sih, in het jaar 1805 gegeven.
Als men hierbij bedenkt, dat hij in dicnzidfden tijd nog eene octaaf,
eene driedaagsche oefening, 15 retraiten aan religieuzen (broeders en
zusters), ééne aan theologanten en drie aan pensionnairen gaf. en daar-
bij tal van gelegenheidspredikatiën hield, dan kan men wel zeggen:
xliij heeft zijn brood niet in ledigheid gegeten."
-ocr page 313-
— 283 —
plantage Esthersmst werd gezonden. Helaas, het mocht niet
baten. Niettegenstaande de frissche zeelucht en de liefdevolle
verpleging van den directeur, den heer J. de Haan, \') nam de
ziekte zulk ecne ernstige wending, dat hij naar Paramaribo
moest terugkeeren. De onderwerping aan Gods H. Wil, die de
toetssteen is der ware deugd, zooals onze H. Stichter Alphonsus
Maria zegt, schitterde in den lijder, die gedurende de geheele
maand Juni groote benauwdheden verduurde, zonder den mond
tot klachten te openen.
Een zijner medebroeders, die er bij tegenwoordig was,
schrijft ons omtrent zijne ziekte: »Altijd was hij even opgeruimd
»en welgemoed; de walgelijkste en bitterste medicijnen nam
»hij als lekkernijen in. Eens zeide ik hem: Het schijnt, pater,
»dat gij den smaak verloren hebt. «Zoover," antwoordde hij
glimlachend, sheb ik het nog niet gebracht in de volmaaktheid.
»>Maar wat zal men doen? hoe lastiger men is bij het innemen,
»»hoemeer het ook kost.... en daarbij, men moet ook wat doen
»» voor O. L. Heer." Zelden kon hij gelooven, dat hij ging ster-
»ven, en de reden, welke hij daarvoor gaf, was: »ik heb nog
»»te veel lust, om voor die arme negers te werken. Ach, pater,
»»zij hebben het zoonoodig; ik zou nog lang willen leven, enkel
»»en alleen om hen te kunnen helpen." Men bad intusschen vurig
voor zijn herstel: zijne medebroeders, de zusters, de weeskinde-
ren vereenigden zich, om den Hemel een heilig geweld aan te
doen. En inderdaad scheen God hen te willen verhooren. Na
eenc novene ter eere van O. L. V. van Altijddurenden Bijstand
gehouden, werd de zieke verlicht, de waterzucht week geheel
en al, al zijne ledematen herkregen hun gewonen vorm; kortom
zijn herstel was zóó volkomen en zóó spoedig, dat hij den 6 Juli
het H. Misoffer kou opdragen. De geneesheer verklaarde, dat hij
genezen was, en in alles de orde van het huis kon volgen. Dit
herstel, eigenhandig door hem aan zijne Oversten medegedeeld,
veroorzaakte bij de inwoners van Paramaribo cene groote vreugde,
en velen weenden van blijdschap, toen zij den goeden pater den
12 Juli in de open lucht zagen verschijnen.
1) In 1882 omhelsde deze directeur, die protestant was, op zijn sterf-
bed het katholiek geloof.
-ocr page 314-
— 284 —
God echter had andere plannen met zijnen dienaar, Hij had
htm eene grootere vreugde toegedacht, en oordeelde hem rijp
voor den hemel. Het koud vuur vertoonde zich op eene zorg-
wekkende wijze; hij gevoelde zelf, dat zijn einde nabij was, en
bracht met liefde het offer van zijn leven. Bij het toedienen der
H. Sacramenten had hij zelf het Ritualc in de hand en volgde de
gebeden. »Zie zoo," zeide hij na de bediening, »als ik nu sterf,
»dan is het toch___ voorzien van de laatste H. Sacramenten."
Als hij nog van zijne negers sprak en men hem antwoordde,
dat het volmaaktste was, zich voor leven en dood, geheel en al
te onderwerpen aan de beschikkingen Gods, zeide hij : »0 zeer
«zeker, ik ben ook volkomen bereid om te sterven, ik laat alles
»aan den goeden God over: zooals Hij doet en beschikt is het
»mij wel; ik zeg maai- alleen, dat ik voor die arme negers nog
»zou willen werken. Beslist God anders, ook goed!" Dezelfde
pater, uit wiens brief wij eenige zinnen aanhaalden , voegt er
nog aan toe: »Op Zondag namiddag, daags voor zijn dood, zeide
hij mij: »»Ik gevoel het, het is met mij gedaan! Bid veel voor
mij en ..... vaarwel!....."— Hij was vol vertrouwen op God:
»zeven-cn-twintig jaren," sprak hij, »heb ik mijnen God in de
»Congregatie gediend, ik hoop veel van zijne barmhartigheid."
Als men hom vroeg of hij gerust was en tevreden, dan luidde
het onveranderlijk: »ja — geheel en al— in alles tevreden met
»Gods H. Wil, — neen, — ik ben niet ongerust." In den vroe-
gen morgen van den 15 Juli, te vijf uur, gaf hij kalm en zacht
den geest in den ouderdom van bijna 51 jaren.
Hier werd ten volle bewaarheid, dat de dood de weerschijn
is van het leven, en dat de dood der rechtvaardigen schoon is
en kostbaar in Gods oogen !
De Congregatie verloor een oprechten zoon, de Missie een
ijverigen Missionaris, de Communiteit een dierbaren medebroeder,
die steeds een voorbeeld van deugd was.
Bij zijne begrafenis bleek het nog eens te meer hoe men
hem liefhad. Reeds denzelfden dag, \'s avonds, moest het lijk
ter aarde besteld worden.
Nauwelijks was het stoffelijk overschot des dierbaren over-
lcdenen naar de kerk gebracht, of van alle zijden stroomden de
geloovigcn, in hunne beste kleederen uitgedoscht er heen, om te
-ocr page 315-
— 285 —
bidden. Drie a vier duizend menschen vergezelden den rouwstoet,
zoodat eene eenvoudige negerin uitriep: »Als de koning der ko-
ningen begraven werd, kon er niet meer volk bij zijn!" Een
groot getal marechaussees en politie-agonten hadden post gevat
bij het kerkplein, om de orde te handhaven, en vergezelden
met datzelfde doel den lijkstoet. Die orde werd evenwel geen
oogenblik gestoord. Eene die]) gevoelde maar stille droefheid,
die zich door tranen en snikken, maar vooral door gebeden lucht
gaf, was de schoonste immortellenkrans, welken het volk neder-
legde op zijn graf.
Monseigneur Sivinkels, die steeds lijdende was, zag alzoo
zijn laatsten reisgezel sterven. Frater Lambertus, de E. P. Van
Rooij
en nu de E. P. Van der Aa, waren hem vooruitgegaan
naar het hemelsch Vaderland! Hij, de oudste en de zwakste van
gezondheid, werd door God behouden tot welzijn der Surinaam-
sche Missie!
De E. P. Startz kwam den 22 November te Paramaribo
de open gevallen plaats aanvullen, zoodat het getal Missionaris-
sen bij het einde des jaars hetzelfde bleef; dat der fraters werd
echter met één verminderd. Den (J December stierf de Eerw.
frater Michaël. Deze goede frater, wiens geboorteplaats Baden
in Belgisch Limburg ligt, was desniettemin Nederlander van
geboorte; immers hij kwam ter wereld den 19 Octobcr 1817.
Hij was van zijne jeugd af een braaf\' kind en de troost zijner
ouders (Jacobus Louwy en Maria Catharina Bertram). Stil en
bedaard van karakter groeide hij in deugd op, en kwam zich in
1846 als leekebroeder te WUtem aanbieden. Men nam hem met
vreugde aan, en hij trad den 20 Juli in het klooster, waar hij
bijna anderhalfjaar als candidaat werkzaam was. Naar St. Truijen
gezonden om het eerste Noviciaat te houden, ontving hij daar
den 24 Mei 1848 het kleed, en bewees vervolgens in verschil-
lende kloosters zijne goede diensten. Den 20 November 1800
werd hij wederom te WUtem geplaatst, doch was intusschen
den 15 April 1852 te St. Truijen tot de H. Geloften toegelaten.
Den 7 Augustus 1808 werd hij verplaatst naar Amsterdam.
Overal was hij dezelfde, een voorbeeldig kloosterling, ijverig,
dienstvaardig, gehoorzaam, ingetogen en zedig. In de versehil-
lende betrekkingen, welke hij waarnam, heeft hij zich zoowel
-ocr page 316-
— 286 —
bij de Eerw. Paters als bij zijne medebroeders verdienstelijk
gemaakt en bemind. Vooral als ziekenbroeder muntte hij uit, was
medelijdend, minzaam en zeer bezorgd. Hij was steeds in zijne
gedachten peinzend wat den zieken dienstig of aangenaam zou
kunnen zijn, zoodat men waarlijk zeggen kon, dat hij van zijne
bezigheden eene studie maakte.
Tot meerdere volmaaktheid bood bij zich bij zijne Oversten
aan voor de Missie van Suriname, volgens het verlangen, dat
God hem ingegeven had; hij was toen 5i jaar oud. Den 25 Juni
•1871 ging hij scheep en kwam den 12 Augustus te Paramaribo
aan. Hier was hij, als overal, de voorbeeldige frater, die door
zijne vele goede hoedanigheden en vooral door zijne ingetogenheid
aller harten won. Als een trek dezer laatste deugd vermeldt de
kroniekschrijver van Paramaribo, dat frater Michaël, geheel voor
God en zijne bezigheden levende, de stad Paramaribo, waar hij
toch bijna 15 maanden woonde, te nauwernood gezien heeft.
Voor zoover men kan achterhalen, kwam hij slechts éénmaal
buiten liet huis om eene wandeling te doen. Als men bedenkt,
dat hij hierin door niets verhinderd werd: zijne gezondheid im-
mers liet aanvankelijk niets te wenschen over, de H. Regelen
lieten het hem toe, en alles daarbuiten : de planten, de men-
schen, de gehcele natuur was nieuw voor hem; — dan pleit dit
wel voor zijne deugd , voor eene ingetogenheid , die door over-
winning op de natuur verkregen werd. God en zijn plichten,
ziedaar zijn eenig streven!
Is liet te verwonderen, dat een heilige dood zijn stichtend
leven bekroonde? Na eenigen tijd lijdende te zijn geweest, on-
derging hij, met voorbeeldige onderwerping, verschillende kleine
maar pijnlijke operatiën aan zijne vingers, die allen door de fijt
werden aangetast. Eindelijk, in \'t begin van December, kreeg hij
eene schijnbaar lichte ongesteldheid, die echter weldra zóó toenam,
dat ze hem binnen 24 uren naar het graf sleepte, \'s Morgens
te 9 uur bevond de doctor zijn toestand zorgwekkend, en men
diende hem de laatste II. Sacramenten toe, die hij met veel
godsvrucht ontving. De vrceselijke benauwdheden maakten hem
het liggen onmogelijk, waarom hij, op de beddeplank gezeten,
en door een Eerw. pater met een frater ondersteund, den dood
te gemoet ging. Nog gezond zijnde had hij een voorgevoel, dat
-ocr page 317-
— 28? —
hij weldra sterven zou. Wijl hij van alles onthecht wilde zijn,
bracht hij een kastje, verschillende reliquieën bevattende, bij
zijnen Overste: sNeem dit," zeide hij, swant ik vrees, dat ik er
«enigszins aan gehecht ben; na mijn dood kan uien die gebrui-
ken." Niemand dacht, dat zijne ongesteldheid die wending zou
nemen, hij alléén was er van overtuigd spoedig te zullen ster-
ven. Aanhoudend bad hij en vereerde de verschillende gewijde
medaljes, welke hij in de baud hield. Hij volgde als \'t ware
den dood, die zich van hem meester maakte; gedurig voelde hij
zich zelven den pols, en zeide dan: »Hij wordt al zwakker en
zwakker, — heel lang zal \'t niet meer duren." Eindelijk, toen
hij de hand op zijn been liet rusten, riep hij verheugd uit:
«Goddank, ik ben reeds halfdood! De boenen zijn reeds dood,
nog eenige oogenblikken en het is gedaan!" Noch de pater, noch
de frater, die aanwezig waren, kouden gelooven, dat hij zoo
spoedig sterven zou; doch zie! eene benauwdheid overvalt hem,
de pater geeft hem nogmaals de II. Absolutie, en frater Michaël
was niet meer! Bij zijn sterven zweefden nog de namen van
Jezus, Maria en Joseph op zijne lippen. Het was den 6 Deccm-
ber 1872, \'s middags te half één uur. De nederige frater ging
groot worden in het rijk der hemelen.
De schoone Maria-maand van het volgend jaar zag wederom
een nieuwen Missionaris te Paramaribo aankomcr. De Eerw.
Pater Van de Kamp, die (hoewel te Velp, bij Arnltetn, gebo-
ren) in de Duitsche Provincie was aangenomen, en in 1870 het
Duitsche leger in-Frankrijk als aalmoezenier vergezeld had, stond
daarom niet minder aan den vCulturkampf" bloot, waarom hij
zich bij den Generaal voor de Missie van Suriname aanbood. Hij
kwam te Paramaribo den 7 Mei 187.\'i, en was vergezeld van een
leekebroeder, frater Fidelis. Het personeel der Missie, dat nu
behalve den Vicarius Apostolicus, uit 12 paters en 8 fraters be-
stond, zou tot den dood van Mgr. Sivinkels behouden blijven.
Wel had het volgend jaar cene persoonsverwisseling plaats, daar
do Weleerw. Pater Van Mens den 2 Januari, uithoofde van
voortdurende ziekelijkheid, naar het moederland moest terugkee-
ren; doch spoedig werd hij, als Pastoor van Paramaribo, door
den aftredenden Provinciaal, den Hoogeerw. P. Schaap vervan-
gen. Niet alleen werd deze met de zorg der parochie, en, even
-ocr page 318-
— 288 —
als zijii voorganger, met de leiding der kloostergemeento belast,
maar Monseigneur stelde hem tevens tot Vicaris-generaal aan,
en droeg alle mededeelbare buitengewone volmachten op hem
over.
Dertien maanden later bezweek Monseigneur Surinkel*.
Monseigneur was te Woensel,\' in Noordbrabant, geboren den 14
April 1810. Zijne ouders, reeds vroeger bij den dool van frater
Lambertus vermeld, hadden hun oudsten zoon lief\'en genoten
ook veel troost van hun kind. Hij hal veel aanleg, en werd, na
voltooide studiën, te Warmond priester gewijd, den 20 Sept.
1834. De volijverige Procurator der Surinaamsche Missie, die
de H. Wijding verrichtte, Mgr. C. L. van Wijkerdooth, zal wel
niet vermoed hebben, dat hij toen den toekomstige» Bisschop
van Amorium, den derden Apostolischen Vicaris van Suriname,
de handen oplegde.
In October 1835 werd de jeugdige priester tot Professor
benoemd te Oudenbosch, en in- November 18)56 als Rector van
het gymnasium te Helmond aangesteld. Negen jaren had hij
zich verdienstelijk gemaakt in het onderwijs der jeugd, toen
God hem riep tot het kloosterleven. Hij ontving het kleed te
St. Trnijen, den 25 Maart 1844, en deed er. het volgend jaar
op dienselfden feestdag van O. L. V. Boodschap, de H. Geloften.
Aan het klooster van Willem verbonden, arbeidde hij met al
den ijver van een apostel, en die ijver bleek sterker dan zijn
gestel, daar hij reeds in die eerste jaren herhaaldelijk bloed
opgaf. Als Missionaris bezat hij veel talent, en had dan ook.
zoowel op de missicn, als op de talrijke retraiten, welke hij
ook later, Provinciaal geworden, gaf, den grootsten bijval. Hij
was vurig en werkzaam van geest, had een vroolijk en aange-
naam karakter, en won daardoor gemakkelijk het vertrouwen
en de lietUe van allen.
In zijn arbeid leerde men hem meer en meer kennen. Hij
was een man, die, zonder van zijne andere talenten te gewagen,
uitmuntte door gezond verstand en praktische!) geest; hij had
een doordringendon blik en een juist oordeel, was daarbij vast-
beraden en edelmoedig, zoodat hij al spoedig voor de moeilijkste
ondernemingen gebruikt werd. In 1851 werd hij als Superior
benoemd voor de nieuwe fundatie te Amsterdam. Wat van
-ocr page 319-
— 289 —
iedere nieuwe stichting gezegd mag worden, gold wel inzonderheid
van deze: zij was zeer moeilijk en vorderde een man vol moed,
die met de voorzichtigheid een doortastenden en onversaagdcn
wil kon paren, en die man was Monseigneur Swinkels! Hij
kwam dan ook door zijn onvermoeide pogingen, door tijdig in-
gewonnen raad en door een onbeperkt vertrouwen op God, alle
tegenkantingen te boven. Toch had hij slechts ecne zwakke go-
zondhcid en was, door zijn zenuwachtig gestel, voor aandoeningen
en indrukken zeer vatbaar. Toen in 1855, nadat het generaal
kapittel onzer Congregatie , waaraan ook pater Swinkels deel
nam , voor het eerst te Rome was gehouden , de Hollandsch-
Engelsche Provincie werd opgericht, viel het oog op Amsterdam\'s
Rector, en werd hij tot eersten Provinciaal benoemd. Oude]1 zijne
jurisdictie waren toen do kloosters van Amsterdam, waar hij
resideerde, van Wittem in het bisdom van Roermond, van \'sBosch,
van Clapham te Londen, van liishop-Kton bij Livcrpool en van
Limerick in Ierland. Hij bestuurde zijne provincie met allen
ijver en met eene vaderlijke, wij mogen zeggen, moederlijke
zorg. Jaarlijks bezocht hij in persoon alle huizen, en \'t is God
alleen bekend, welk goed hij bij deze kanonieke bezoeken tot
stand bracht. In het jaar 1865 werd Engeland tot Provincie
gevormd; de huizen van Nederland, die onder het bestuur van
den Provinciaal Swinkels met dat van Roermond, waren ver-
meerderd, vormden nu de Hollandsche Provincie. Intusschen hadden
te Rome de onderhandelingen over de Surinaamsche Missie plaats
gehad tusschen den Kardinaal-Prefekt der Propaganda en onzen
Hoogw. Pater Generaal. Naar aanleiding daarvan werd de Hoog-
eerw. Pater Swinkels, den 24 Mei 1805 als Provinciaal ver-
vangen door den Hoogeerw. Pater A. Koninys, en de Oud-Pro-
vinciaal werd tot Bisschop van Amorium en Apostolisch Vicaris
van Suriname benoemd. De benoeming dagteekent van den 12
September 18G5. Reeds den 20 September volgde de erkenning
door Zijne Majesteit den Koning, en, ingevolge ministerieele aan-
schrijving, die van het Gouvernement in Suriname op den 21
November.
Als Apostolisch Vicaris en benoem 1 Bisschop van Arno riinn,
nam Monseigneur Swinkels \'deel aan het provinciaal Concilie van
Utrecht, dat van 24 September tot 4 October te \'s Hertogenbosch
Suriuime.                                                                                                        19
-ocr page 320-
290 —
gehouden werd. \') Den 15 October ontving hij de bisschoppelijke
wijding in de Sl Josephskerk te \'s Hcrtogenbosch (zie bldz. 261),
en zou nu reeds in \'t begin van December, met het zeilschip
»De jonge Eduard" naar Suriname vertrekken. Hij verliet Am-
sterdam don 12 December en kwam te Nieuwe Diep. Dan, tegen-
wind belette hen uit te zeilen, en veroorzaakte een oponthoud
van niet minder dan 09 dagen. Toen zij echter den 19 Februari
1860 de haven verlieten, was de zeereis zeer voorspoedig, en
na 30 dagen kwam de ijverige Vicaris te Paramaribo aan. Reeds
vroeger hebben wij de ontvangst aldaar beschreven. Volgen wij
nu den Missionaris in den arbeid, welken hij als een gewoon
pater met de anderen verrichtte. Behalve de reizen, welke hij
als Apostolisch Vicaris naar de verschillende Districten onder-
nam, a) arbeidde Monseigneur in de eerste jaren te veel, al te
veel voor zijne zwakke krachten. Daarbij werd de bovennatuur-
lijke zielenijver, waardoor hij brandde, in hem gedragen door
een natuurlijk gestel, dat hem wegens de zenuwen, steeds te
strijden gaf tegen de voortvarendheid. Hij werkte met te veel
inspanning en gunde zich geen rust. Hij predikte iederen Zondag
onder de Hoogmis, en wel met liet hem eigenaardig talent. Zijne
preeken waren veel meer onderrichtingen of conferentién, waarin
hij zijne toehoorders waarlijk wist te boeien. Jaren lang had hij
ook te Amsterdam diezelfde taak op zich genomen, en nog heden
leeft bij vele katholieken de nagedachtenis van den man, die
op eene hem alleen eigen, maar duidelijke en boeiende wijze, de
leer der katholieke kerk verklaarde. Ook te Paramaribo kwamen
protestanten naar hem luisteren, en zelfs verzochten hem de
paters, dat hij liever\'s avonds zijne preeken zou houden, om den
protestanten meer gelegenheid te geven, zooals dan ook in de
1)  De Apostolische Vicarissen der Nederlandsche koloniën, in Oost en
West, waren dat jaar gelijktijdig in Nederland. Mgr. Vrancken, Mgr.
Kistemaker en Mgr. Swinkels woonden dienvolgens geheel het provinciaal
Concilie als Synodales honorarii bij.
2)  Monseigneur diende het H. Vormsel toe op Bitavia in 1866, 1868
en 1871 en in dit laatste jaar op de terugreize ook op Kraai\'\'s hoop en
Joanna Catharina; in 1867, 1869, 1871 en zelfs nog in 1873 to Coronie.
In 1866 en 1869 op Esthersrust in de Warappa-kreek; in 1872 op
Sans-souci in de Orelana-kreck, en in 1873 op do plantage Goudmyn
jn de Boven Commewyne.
-ocr page 321-
— 291 —
laatste jaren zijns levens geschiedde. We zullen in een volgend
artikel bij het behandelen der apostolische werkzaamheden
zien, welk aandeel Mgr. Sivinkels er in nam; zooveel is zeker,
dat hij na vijf jaren arbeid zoo goed als uitgeput was, en cene
buitenlandsche reis voor hein noodzakelijk werd. Hij verliet niet
gaarne het grondgebied der Missie. Slechts drie malen heeft hij
gedurende zijn Vicariaat daartoe besloten. Een eerste maal uit
gehoorzaamheid aan dim H. Stoel, toen hij (krachtens het Decreet
van de Congregatie de Propaganda Fide, dd. 17 Aug. 18(i(5)
door den Apostolischen Delegaat, Mgr. Joachim Lud. Gonin,
Aartsbisschop van Trinidad, \') tot het tweede Concilie der En-
gelsche, Hollandsche en Deemche koloniën
geroepen werd. Dat
Concilie, te Trinidad gehouden, duurde van 12—-23 Januari
■1867. Hij had Paramaribo den 2 Januari verlaten, en was vóór
het einde der maand wederom tehuis.
Een tweede maal gold het een tegenbezoek aan den Apos-
tolischen Prefect van Framch Guijana (Cayenne), Mgr. Drosmt,
Prot. Apost., waaraan hij niet kon ontbreken: de gelegenheid
bood zich te gunstig aan, dan dat hij zich kon verontschuldigen.
Bij gelegenheid der Napoleonsfeesten werd namelijk, door onze
Regecring, ecne destijds ter roede van Paramaribo stationneerende
kanonneerboot naar Cayenne gezonden. Van liet aanbod, om
met deze boot heen en weer te reizen, maakte Monseigneur in de
maand Augustus 1807 gebruik. Hij was vergezeld van den E. P.
Verbeek, en werd te Cayenne, waar men nooit een Bisschop gezien
had, allerluistcrrijkst ontvangen.
Nu, ten derden male, was het tot herstel zijner gezondheid
volstrekt noodzakelijk. Hij vertrok uit Paramaribo, we hebben
het reeds vroeger gezien, den 7 Maart 1871. De verandering
van lucht had werkelijk gunstigen invloed, en toen Monseigneur,
den 28 September van hetzelfde jaar, wederom huiswaarts keerde,
was hij veel beter.
Het duurde echter niet lang of de oude kwaal vertoondo
zich weder, en zijn leven was nu voortaan een aanhoudend lijden.
Toch arbeidde hij geregeld voort en bleef alle functiën waarnemen.
1) liet hier vermelde Decreet en de handelingen van dit Concilie zijn
te vinden in de schoone Collectio Lacenm, Tom. III. p. 1107 eto.
-ocr page 322-
— 292 —
In de maand Januari 1874 verergerde zijne kwaal dermate,
dat men vreesde hem te verliezen; hij ontving toon de H. Sa-
cramenten. Wel herstelde hij nog van deze ziekte, doch dezelfde
man werd hij niet meer. Merkbaar verouderd bleef hij uiterst
zwak, alles vermoeide hem en matte hem af. Slechts met de
grootste inspanning en alleen lezende kon hij op Witten Donder-
dag de H. Oliën wijden. Op Pinksterdag diende bij nog het
H. Vormsel toe.
Het volgend jaar had hij in Februari en Maart hevige
krampen te verduren en begon hij aan zcnuwtocvallen te lijden, die
zich bij tusschenpoozen herhaalden. Die toevallen waren dikwijls
zeer hevig, soms meende men hem te verliezen, en twee malen
werd hem bij zulke gelegenheid het H. Oliesel toegediend. Hij
was echter bij deze zenuwberoerten niet geheel en al bcwuste-
loos, en het was stichtend, hoe hij dan verzuchtte, de H. Namen
van Jezus, Maria, Joseph aanriep, of, te midden zijner pijnen
deze woorden liet hooren: »Wat is God toch goed!"... »Gaat tot
Joseph"... en andere schietgebeden.
Den 25 April, \'s namiddags te half drie uur, dacht de
Hoogwaardige lijder, dat zijn einde naderde, en vroeg de H.
Teerspijze. Aandoenlijk treffend was het toen hij zich, bij die
gelegenheid, tot de om zijne legerstede geschaarde medebroeders
richtte, om vergeving bad voor zijne fouten en aller gebeden
vroeg. Hij beloofde hun ook wederkeerig zijne gebeden tot Gods
troon te zullon opzenden. Hij vergat daarbij niet nogmaals te betui-
gen, hoe hij allen liefhad en ook de geloovigen van Suriname in het
harte droeg. Hij smeekte zijne Missionarissen zich voor het volk
ten offer te brengen; »maar" voegde hij er met nadruk aan
toe, »blijft altijd nog meer religieuzen dan Missionarissen."
Ook van deze zenuwberoerte herstelde hij; doch onophou-
delijk keerden de toevallen terug en putten hem geheel uit.
Eindelijk kwam eene opzwelling des lichaams, die hem voor goed
aan \'t ziekbed vastkluisterde.
Na een langdurig en smartelijk lijden, waarin hij meer-
malen door de H. Sacramenten gesterkt werd ; na een lijden,
waarin hij tallooze blijken gaf van geduld en onderwerping
aan Gods H. Wil, van geloof en ootmoed, van liefde en
VERTROUWF.N, ONTSLIEP DE EERSTE BiSSCHOP-REDEMPTORIST VAN
-ocr page 323-
— 293 —
Suriname, op den 11 September 1875, des morgens te half
negen, na een tamelijk langen doodstrijd, doch zacht en
kalm, — zalig in den heer !
Verrassend was zijn afsterven niet; het geloovige volk
was, door da herhaalde aanbevelingen van den Doorluchtigen
zieke in hunne gebeden, reeds lang op het droevig doodsbe-
richt voorbereid; toch was de indruk niet minier groot. Het
stoffelijk omhulsel van den grooten man werd nu in de kerk
ten toon gesteld, niet in Bisschoppelijk gewaad, maar, zooals
hij zelf verlangd had, in het eenvoudige religieus habijt zijner
Congregatie; ten teeken der Bisschoppelijke waardigheid was
het omhangen met het kruis, en lagen staf en mijter op de kist.
Dat priesters en leeken voor den overleden Kerkvoogd tal van
gebeden stortten, behoeft wel niet gezegd. Toen Monseigneur
den geest gaf was juist de laatste H. Mis van dien dag ge-
eindigd, zoodat de plechtige uitvaart \'s anderendaags werd ge-
houden.
Na den middag te vijf uur had de plechtige begrafenis
plaats. De volkstoeloop was ontzettend, het scheen wel, dat in
de gehccle stad niemand tehuis was gebleven. Duizenden en
duizenden verdrongen zich in de straten, en kwamen de laatste
eer bewijzen aan een kerkvoogd, die zijne kudde waarlijk be-
mind maar daarom ook niet geschroomd had den vinger op de
wond te leggen, en soms, waar noodig, op gevoelige wijze van
de wegen der ongerechtigheid af te schrikken.
De lijkstoet was indrukwekkend en bewoog zich langzaam
door de straten naar de R. K. begraafplaats aan de Rust-cn-
Vrede-straat. Daar werden de laatste kerkelijke ceremoniën
verricht, en verkondigde de Hoogw. Provicaris, voor eene ontel-
bare menigte van geloovigen en ongeloovigcn, de verrijzenis des
vleesches.
Zoo eindigde Monseigneur Swinkels, na veel werken en
lijden voor de eer van God, voor het heil der zielen en ter
liefde zijner religieuze roeping,. zijne waarlijk apostolische en
hoogst verdienstelijke loopbaan. Wel schepte er de nederige
Bisschop vermaak in zich overeenkomstig zijn naam, Joannes
Baptista,
te vergelijken bij Christus\' Voorlooper, die in de
woestijn van Suriname moest prediken, en als het ware den
-ocr page 324-
— 294 —
weg te banen had voor opvolgers, die in zijn oog meer waardig
en meer bekwaam zouden zijn om plaatsbeklecders van Christus
zei ven te hectcn. Hij bevroedde niet, niettegenstaande hij
door zijne oversten als zoodanig steeds beschouwd was, dat
hij bij uitnemendheid de man was voor zulk cene taak berc-
kend. Doch deze is do handelwijze der uitverkorenen, zij zijn
ootmoedig, zij vernederen zich gaarne en laten het den Heer
over hen te verheffen. Ook is het onze diepe overtuiging en
onze zoete hoop, dat Monseigneur Joannes Baptista Swinkels,
die velen ter gereclitigheid heeft onderwezen, als eenc ster zal
schitteren door (die eeuwen.
(Dan. XII. 3.)
De Hoogeerwaarde Pater Joannes Henricits Schaap volgde
nu Monseigneur Swinkels als Provicaris op, in welke hoedanig-
heid hij den 20 Juni 187(5 door den H. Stoel werd bevestigd.
In naam veranderd was feitelijk het bestuur der Missie hetzelfde
gebleven.
Behalve den Hoogw. Provicaris waren nu elf paters in de
kolonie aanwezig, die aldus vier volle jaren werkzaam bleven.
Het personeel der leekebroeders werd intusschen vermeerderd
door de fraters Wilfridus en Willibrordus, die den 17 Nov. 187G
aankwamen, en frater Pius, die den 24 Doe. van hetzelfde
jaar arriveerde.
Eerst den 3 Sopt. 1879 kwam de E. P. Buhrs het getal
Missionarissen tot twaalf brengen; dit duurde evenwel slechts
kort, daar hij het volgend jaar even als nog een andere Missionaris,
de Missie moest verlaten, en aldus het getal tot tien werd ver-
minderd. De E. P. Buhrs kon aan het klimaat niet wennen, wes-
halve zijne oversten hem, na een verblijf van zeven maanden in
de kolonie, naar Europa terugriepen; hij vertrok den 2 April
1880. De andere pater, de E. P. Van de Kamp, was sedert Mei
1873, dus ruim zeven jaren, onvermoeid in Suriname werkzaam;
doch men moest hem, hoe ongaarne ook, voortaan missen. Eene
gevaarlijke oogziekte vorderde, dat hij onverwijld uit de tropi-
sche gewesten verwijderd werd. Bij eene eerste gelegenheid,
den 25 Sept. 1880, naar de Vereenigde Staten gezonden, werd
hij, aan ons huis te Bal timore verbonden, waar hij een ruim
veld vond voor zijnen ijver. Door spoedige behandeling heeft
hij het gebruik van één oog nog mogen behouden.
-ocr page 325-
— 295 —
In de laatste helft van het jaar 1880 had ook de Pro vicaris
eene reis naar Europa ondernomen. Te Rome zijnde werd hij
den 10 Sept. 1880 tot Bisschop van Hetalonic benoemd, en
reeds den 10 Oct. d. a. v., door den meer dan tachtigjarigen
Bisschop van Roermond, Mgr. Joannes Augustinus Paredis,
in onze kerk van Wittem tot Bisschop gewijd. HH. DD. HH. Mgr.
Joannes Theod. Laurent, Bisschop van Chcrson en voormalig
Apost. Vicaris van Luxemburg, en Mgr. Petrus Math. Snickers,
Bisschop van Haarlem (thans Aartsbisschop van Utrecht) ver-
leenden daarbij hunne assistentie.
Mgr. Scltaap keerde den 6 Januari 1881 te Paramaribo
weder, vergezeld van de EE. PP. de Weerd en Carrier, en den
frater-chorist Van Tooren, een in Nederland geëxamineerd on-
derwijzer. Dat Monseigneur, die nu als Bisschop wederkeerde,
niet met grootcr uitwendigen luister ontvangen werd, moest
den Eerw. Paters wel hard vallen. Zij hadden alles daartoe
voorbereid, doch waren door de aankomst der mail verrast. Zij
hadden Z. D. H. niet dien dag en nog minder op dal uur ver-
wacht : het was 9 uur in den morgen. De ontvangst was echter
te hartelijker: in weinige oogenblikken was eene talrijke volks-
menigte toegestroomd, tot welke Monseigneur, in de kerk aan-
gekomen, een diep gevoeld woord richtte. \')
De Eerw.\' Pater Startz, die in weerwil van zijn ziekelijken
toestand nu ruim acht jaren in de kolonie gearbeid had, werd
door zijne oversten naar Europa teruggeroepen. De ijverige pa-
ter had zoowel in de stad Paramaribo, als op Batavia, aan de
Kust en op het gesticht Livorno het H. Ministerie uitgeoefend.
Toen hij in Juni 1878 te Coronie was, werd hij door hevige aan-
vallen van asthma, en sinds dien tijd herhaaldelijk door dezelfde
ziekte gekweld, en soms aan den rand des grafs gebracht. Tot
herstel zijner gezondheid, en alleen uit gehoorzaamheid, aan-
vaardde hij de reis naar Europa den 4 Februari 1881, doch liet
zijn apostolisch hart bij de arme negers. Als zijne krachten, die
1) Men zie den 2" jaargang van het maandschrift »do Vo\'ksmissio-
naris," waarin eene zeer lezenswaardige reisbeschrijving van Monseigneur
Schaap en zijne gezellen voorkomt.
-ocr page 326-
_ 296 —
echter steeds zwak blijven, en de H. Wil Gods het hem toelie-
ten, zou hij er ieder oogenblik weer hcensnellcn.
Intusschen kwamen den 21 Februari 1881 de EE. PP. Stas-
se.n
en Houben, vergezeld van een leekebroeder, frater Justus,
te Paramaribo aan.
De E. P. Currier, dien Monseigneur had medegebracht, en
voor wien men het verblijf in de tropische luchtstreek, waar hij
geboren was, tot herstel zijner gezondheid gunstig achtte, moest
weldra de kolonie verlaten. De veel belovende jonge priester,
die minder dan ieder ander het klimaat kon verdragen, werd
den 21 Februari 1882 naai- de Vereenigde Staten gezonden.
Dit verlies werd weldra aangevuld, doordien de Hoogeerw.
Pater 1\\ Oomen, die als Provinciaal de tweede kanonieke Visi-
tatie
kwam houden, \') den 30 Juli aankwam, en den Eerw.
frater-chorist J. Zirks, een geëxamineerd hoofdonderwijzer,
medebracht. In Europa weergekeerd zond hij nog den E. P.
Eijsink, die den 30 Januari 188.\'3 in Suriname aankwam. Bo-
vendicn hield Monseigneur Schaap, evenals zijn Doorl. Voor-
ganger, den 11 Februari, cene plechtige wijding te Paramaribo,
waai bij hij het H. Priesterschap aan de EE. FF. Zirks en Bor-
ret,
en het Diaconaat aan den E. F. Van Tooren toediende.
Deze diaken werd ook den 30 Dec. 1883 tot priester gewijd,
zoodat het personeel der Missie op ultimo December 1883 be-
stond, uit:
Monseigneur, zeventien paters, waaronder twee met den
rang van onderwijzer, en twaalf fraters, waaronder insgelijks
vier geéxamineerden.
ARTIKEL 2.
0e Apostolische werkzaamheden.
Vermits alle pogingen der Redemptoristen in Suriname
daarheen gericht waren om het zoo wel begonnen werk tot
ontwikkeling en uitbreiding te voeren, en die pogingen zich ook
1) De Hoogeerw. rVovincianl verbleef 2 maanden in do kolonie, zoo-
dat hij de gelegenheid had al de statiën der Eerw. Paters te bezoeken,
en keerde met de mail van \'2 October naar Nederland terug, waar hij
in \'t begin van November aanlandde.
-ocr page 327-
— 297 —
daarbij hebben moeten bepalen, zoo behoeven we slechts een-
voudig naar de reeds bekende standplaatsen der Missie weder te
keeren, en een nauwkcurigen blik op de gedane werkzaamheden
en verkregen vruchten te werpen. Ten einde den lezer een juist
denkbeeld te geven van den tegenwoordigen toestand der Suri-
naamscho Missie, zullen we, hier even als in de vorige hoofd-
stukken, eerst de stad Paramaribo, daarna de plantages, die
voor het mccrendeel van de stad uit bediend worden, en
vervolgens de statiën Corouie en Batavia behandelen. Het
slot zal van een algemeenen staat vergezeld gaan. Bij den
werkkring van Paramaribo bespreken wij tevens het katholiek
onderwijs en de weezcnverpleging.
I. Paramaribo.
1. ]>c Stad.
Deze hoofdplaats en eenige stad der kolonie biedt ook den
ruimstcn werkkring aan voor den Missionaris. Van de 13000 katho-
lieken in Suriname, wonen er zeker 7000 te Paramaribo. ïlv
zijn twee katholieke kei-ken, zooals reeds uit het vorige Hoofd-
stuk is gebleken.
In de bediening dezer kerken werd, gedurende de twee
eerste jaren na de aankomst van Mgr. Swinkds, weinig of
geenc wijziging gebracht. Naarmate echter het dienstdoende
personeel der Geestelijken, vooral na I80S, toenam, werden ook
de kerkdiensten en godsvruchtocfeningen vermeerderd. Gaande-
weg werden de geloovigen alzoo vertrouwd gemaakt met vrome
oefeningen, die vroeger niet alleen onmogelijk waren, maar zelfs
ontijdig en ondoelmatig zouden geweest zijn.
Wat de kerkdiensten betreft, werden voor Zon- en Feost-
dagen drie Missen in de hoofdkerk en, sedert 1800, twee in de
bijkerk vastgesteld. In 1881 werd behalve de Mis, die ook reeds
vroeger dagelijks in het Gesticht der Zusters gelezen werd, nog
eene andere voor Zon- en Feestdagen ingevoerd op \'s Lands
grond ïBonifacé", waar oude en gebrekkclijke lieden van Gou-
vernementswege verpleging ontvangen. Dit Gesticht, dat van
den beginne eens of meermalen in de weck bezocht werd,
ligt een goed half uur van de hoofdkerk verwijderd. De H,
-ocr page 328-
Plantage
\'Wletrcilt
leurt es b tt r
7//
l*e \\j4chterlanclen\\
der h ui zen
aan de
n
o$
H
°m
f.a.
\'t,
S-U,
\'\'/v
Camrrori
f
*<J
X,
X
A
\\Qra n en stra a t
\\t
,e<*
-»r*.
sfts
S7
*"*.
l***?J
m
Sèh^
/*
Ah^
*?/
s^w;
WW
\\—\\\\v
i&r
>fc
Wh
cal
<%\'-<
s^:
^AÏbf&^y
DE
\\^%M
Ni
AS. ScAoutnburff.
14 •Socieleil.
1ö- Atititn ir hospitaal.
tS H\'anp.
17- Politiemacht.
18. Vischmarkt ■
19 SI fiosa Kerk.
90 RA. School der Zuslen
2t. Hernhutters. KerA\\
22 Synagogen.
23 L\'uthersrhe Kerk
?4. Gereformeerd* KerA
2SSuryer ffnafd/nnrhf.
26 RK Kapel.
37. Kerkhoven.
/ fooi-stad Zeetandia.
2. Kommandants/oonwtg.
3. Gouoerneretentshuis.
Jf. fUmoementcnts- Secretarie
3. Groote Kazerne.
6. Officiers n>onin</e*t..
7 Hoofdmacht
H. l>rtnt/.\\A\'Clnlor<\'it .
S AïPelrns en PaalusJcerA-,
tO.Pastorip
11. Kloortt>r,4r, y.„.strr.\\:
12 treesAamer.
WJm00rsSracht
W{\'//\'//?///////■\'
              il/!////
ir
•iyi
PLAN
VAN
HOOFDSTAD
VAN
SURINAME.
^
f<V Xiittif
\'I
m
ili("
w
Cl)
Schaal voor het Plan
\'■*           SO         2S          30           3S
akrlük
Kettingen
Lithcgraphü vonMAlbirts Cn. uülner
-ocr page 329-
— 298 —
Dienst wordt gevierd in een lokaal der inrichting, en ongeveer
100 katholieken, zoo van het Gesticht als van de buurtschap,
nemen daaraan deel.
Op de werkdagen werden tot 1874 in de bijkerk slechts
éénc en in de hoofdkerk twee vastgestelde Missen gelezen. Toen
echter werd in laatstgenoemde kerk een derde dagelijkschc Mis
vastgesteld, en wel te kwartier voor acht uren, ten behoeve der
schoolkinderen. Het is niet te zeggen, hoezeer die maatregel het
kerkbezoek der kinderen op Zondag (iets, waarmee het allertreu-
rigst gesteld was) heeft bevorderd, en hoezeer daardoor de weg
vergemakkelijkt wordt voor den priester, die hen tot de eerste
11. Communie moet voorhereiden. Zijn ook somtijds de kinderen
te klein, om genoegzaam te bevatten, wat men in de kerk te
doen heeft, zij worden er toch gewoon aan gemaakt naar de
kerk te gaan, en overigens, ze zijn niet te klein om den zegen
te ontvangen van Jezus, den grooten Kindervriend, en het naar
ziel en lichaam vaak arm en ellendig gezin van vader en moe-
der daarmede te verrijken. Het gebeurt niet zelden, dat ouders,
die zich anders om kerkgaan weinig bekreunen, door den ijver
hunner kleinen beschaamd, aangespoord worden, om ten minste
op Zondag Mis te hooren, en daardoor het gevorderde bewijs
van hun katholiek geloof te geven. Daar de kinderen, door
hunne onderwijzers en onderwijzeressen vergezeld, van de kerk
naar school gaan, heeft er zoowel het bezoeken van, als de aan-
dacht in de school veel bij gewonnen. Om den ijver voor het
kerkbezoek te prikkelen ontvangen de kindoren dagelijks kaart-
jes, welke zij echter, bij verzuim der H. Mis op Zondag, ver-
beuren. Bij het einde des jaars wordt dan aan de kinderen, die
ecu bepaald aantal kaartjes verworven hebben, naar evenredig-
heid der bijgewoonde H. Diensten, eene openbare belooning
toegekend. Gedurende het vorige jaar is ten behoeve der vele
kinderen eene vierde dagelijkschc Mis vastgesteld. Deze Mis
wordt,- in een verwijderd gedeelte der stad, bij gebrek oener
kerk, van een groot schoollokaal uit door de kinderen bijge-
woond. Doch keeren wij terug tot het jaar 1808, en zien wij,
hoe Mgr. Sivinkelx, ook door het invoeren van het Lof en au-
dere oefeningen, de godsvrucht tot het Allerheiligste Sacrament
trachtte te vermeerderen.
-ocr page 330-
— 299 —
De uitstelling van het Allerheiligste, of het Lof, werd be-
paald in de hoofdkerk op Zondag, Donderdag en Zaterdag, in
de bijkerk op Zondag en Woensdag en in het Gesticht der
Zusters op alle Zon- en Feestdagen. Om de devotie tot het
H. Sacrament te bevorderen, voerde de Bisschop ook nog het
veertig-nren-gebed in, en in 18H9 de plechtige processie rondom
do kerk, op H. Sacramentsdag. Het veertig-uren-gebed werd
.slechts tot 187-4 geregeld jaarlijks gehouden, de plechtige pro-
cessie daarentegen nam jaar voor jaar in belangrijkheid toe. Op
dien dag komt niet alleen al wat katholiek is ter kerk, ook de
openbare straat is dan vol nieuwsgierigen van allerlei gezindte.
Wijl de politie hare goede diensten daarbij verstrekt, kan deze
plechtigheid ook met den gewenschten eerbied en goede orde
verlicht worden. Gemakkelijk laat het zich voorstellen, dat zulke
godsdienstige optocht, die onder de tropenzon niet bij dag kan
geschieden, en dus in den avond bij fakkellicht gehouden wordt,
een grootsch gezicht moet opleveren. Treffender echter dan de
plechtigheid zelve, is de openbare belijdenis, welke honderden
deelnemers daarbij afleggen van hun geloof in de waarachtige
tegenwoordigheid van Jezus in zijn II. Sacrament. Het getal van
hen, die het Lof geregeld bijwoonden, was aanvankelijk gering;
langzamerhand nam dit evenwel toe, en thans is het vrij aan-
zienlijk geworden. De redenen, die eertijds Wennékers verplicht-
ten, het Allerheiligste maar zelden uit te stellen, zijn nu door
Gods goedheid geweken.
Bij het invoeren van het Lof op Donderdag avond moest
de Ncgerengclsche preek, die tot dan toe op datzelfde uur ge-
houden werd, vervallen. Eene Hollandsche preek werd nu op
Zondag avond onder het Lof voorgeschreven. Zoo werden de
Zondagschc preekbeurten op vier gebracht, twee voor de Hol-
landsch, twee voor de Negerengelsch sprekende bevolking.
Van zeer groot belang is in Suriname het onderricht in den
catechismus voor de volwassenen; het werd daarom gegeven in
beide kerken: des Zondags, te 4 uren en in de week viermaal
des avonds om half 8 uren. Dit onderricht werd even als het
Lof, naar oud gebruik, van het rozenkransgebed voorafgegaan
en door een godvruchtig lied besloten. De catechumenen, die er
altijd zijn, worden op diezelfde uren door een ander pater (als
-ocr page 331-
- 300 —
namelijk liet voldoende aantal paters in de stad aanwezig is) tot
het doopsel voorbereid. Vele lieden daarenboven, die zich niet
gaarne met de Negerengelsche vertolking der geloofsleer tevreden
stelden, kwamen in den loop der jaren door privaat onderricht,
zoo van de Geestelijken, als van de Zusters Franciscanessen, in
den schoot der Kerk weder. Eene dier Religieuzen houdt zich
reeds meer dan vijf-en-t\\vintig jaren, bijna voortdurend met deze
edele taak bezig, terwijl zij gedurende al dien tijd met den ca-
techismus dei- kleinen belast bleef.
Voor de kinderen, die zich tot de eerste H. Communie
voorbereidden, werd het geheele jaar door, iedere week, drie-
maal in het Hollandsch en driemaal in het Ncgerenxelsch ca-
techismus gehouden, Zij, die de eerste H. Communie bereids
gedaan hadden, alsook de kleine kinderen, ontvingen dit onder-
richt eenmaal in de week. Met enkele wijziging en onder nauwere
vastknooping aan het onderricht iu den godsdienst op de scholen,
bestaat die regeling nog heden.
Voegt men nu bij de regeling der gewone kerkdiensten, bij
de catechismus- en preekbeurten nog de wekelykschc toespraken
voor de Religieuzen, voor de drie Congrcgatiën der H. Familie,
voor de twee Congrcgatiën der Onbevlekte Ontvangenis, — de
Vastenoverwegingen, — de oefeningen der Maria- en St. Josephs-
maand, — de geestelijke oefeningen, die vijfmaal bij wijze van
Missie gehouden werden,—■ de jaarlijkschc geestelijke oefeningen
voor de Zusters, — de bijna jaarlijkschc geestelijke oefeningen,
gedurende drie of vijf dagen afzonderlijk gegeven zoo aan de
mannen- als aan de vrouweuafdeeling der H. Familie in de hoofd-
kerk , aan de weesmeisjes en later ook aan de weesjongens,
dan kan men zich eene vrij volledige voorstelling maken van de
werkzaamheden welke de bediening der twee kerken te Para-
maribo medebrengt. Duidelijkheidshalve laten wij hier nog eenige
toelichting over de aangeduide oefeningen volgen, met vermelding
van het tijdstip waarop die ingevoerd, uitgebreid of ook later
met andere vermeerderd werden.
Met uitzondering alleen van de afzonderlijke retraites aan
de weesjongens, de devotie tot den IL Joseph en het instellen
der kinder-congregatiën, dagteekenen alle zoo even vermelde
oefeningen van het eerste optreden van Mgr. Sivinkels. Zelf gaf
-ocr page 332-
— 301 —
hij in Maart en April 1867 de drie eerste retraites in de hoofd-
kerk, namelijk aan de Congregatie der vrouwen, aan die der-
mannen en aan de R. K. militairen. De voldoening, welke hij
hiervan smaakte, gaf aanleiding tot derzelver veelvuldige her-
haling, ofschoon de indruk, daardoor hier te weeg gebracht,
niet te vergelijken is bij de vruchten cencr missie in Nederland.
Gewoonlijk koos Mgr. den II. Vastentijd tot het houden dier
oefeningen, en dit in voorbereiding tot liet paaschfeest. Gedu-
rende de Vasten hield men daarenboven \'s Woensdags de medi-
tatic over het lijden des Meeren, en \'s Vrijdags de oefening van
den H. Kruisweg, zooals ook thans nog plaats heeft.
Van den beginne voerde de Apostolische Vicaris het gebruik
in van op meer bijzondere wijze dan vroeger kon geschieden,
de Meimaand te vieren. Daar echter de Europeesche wijze voor
Suriname nog niet geschikt voorkwam, werd er van 18G7—1874
slechts tweemaal in de week en alleen in de hoofdkerk, beur-
telings in het Hollansch en in het Negerongelsch over Onze
Lieve Vrouw gepreekt. Kort voor den dood van Mgr. Surinkels
werd de Meimaand, tengevolge der vele en zware regenbuien,
welke in die maand plegen te vallen en meermalen de gods-
dienstoefening belemmeren, door de Augustusmaand vervangen-
Toen werden in de hoofdkerk des Donderdags en Zaterdags in
het Hollandseh, en des Woensdags en Vrijdags in de bijkerk
in het Negerongelsch over de Moeder Gods gepreekt; op de
avonden, dat er in de hoofdkerk geen preek of kruisweg plaats
had, werd de rozenkrans gebeden en de litanie, benevens een
Hollandseh lied, ter eere van de Moeder-Maagd gezongen; hierbij
kwam later het bezoek aan het Allerheiligste en aan de II. Maagd.
De volgende jaren was er in de hoofdkerk ook preek op eiken
Maandag en in de St. Rosakcrk slechts op Woensdag. In 1882
en 1883 zijn al de dagen der maand Augustus van 7 tot 8 uren
\'s avonds aan de vereering van O. L. Vrouw toegewijd. Dit
geschiedde door van den preekstoel eene meditatie te houden in
drie punten, afgewisseld met zang en gebed en besloten met
den zegen van het Allerheiligste Sacrament.
Op dezelfde wijze, doch slechts driemaal in de week,
wordt sedert een vijftal jaren ook de maand Maart gevierd.
De devotie tot den H. Joseph is als van zelve uit haar natuurly-
-ocr page 333-
— 302 —
ken wortel, do H. Familie, opgeschoten en wordt met geestdrift
beoefend.
Eéne der zaken, welke Mgr. Swinkels sterk ter harte nam,
was het vormen eener kern van gcloovigen ter beoefening van
het godsdienstig leven. Vandaar, dat hij eene geheel bijzondere
zorg wijdde aan de door den Wclecrw. Heer A. Swinkels op-
geriehte Congregatie der Onbevlekte Ontvangenis. Doch, door-
dien deze Congregatie niet kanoniek ingesteld was, en hem
daarenboven eene verecniging van godsdienstige mannen vooral
wenschelijk voorkwam, besloot hij den 19 Januari 1808,
allereerst tot de kanoniekc oprichting der H. Familie over te
gaan.
De afdeeling der mannen begon met een dertigtal leden :
zij waren sedert Juli 1807 daartoe reeds voorbereid, naardien
Monseigneur sedert dat tijdstip begonnen was toespraken tot hen
te houden. Eerst den 17 Mei 1800 deden zij hunne opdracht. De
vrouwelijke afdeeling in de hoofdkerk, die in den beginne veel
talrijker was dan die der mannen, liep deze laatste ook bij de
opdracht vooruit. De vrouwen werden ten getale van drie-en-
zestig, de eerstelingen der Broederschap in Suriname. Op den
laatsten Zondag van 1868 werd afgekondigd, dat op den volgen-
den Zondag, namelijk den 3 Januari ook eene tweede afdeeling
van de H. Familie voor vrouwen in de St. Rosakcrk zou be-
ginnen. Bij deze sloten zich vele personen uit de kleurlingen- en
negerbevolking aan. Nauwelijks in het leven geroepen, telde zij
reeds honderd leden en bezat welhaast liet dubbele getal dei-
Hol landsche afdeeling van de hoofdkerk. Zij vergaderde op Zondag
namiddag, terwijl de andere afdeeling op een werkdag, en die
der mannen op een avond bijeenkwam. De drie afdeelingen
telden spoedig een gezamenlijk getal van 500 leden. De mannen-
afdeeling aanvankelijk de minst talrijke, klom, na verloop van
eenigc jaren, zoo hoog of zelfs hooger dan de Hollandscho af-
deeling voor de vrouwen. Een honderdtal mannen wonen thans
geregeld de bijeenkomsten bij. De verslagen spreken van plech-
tige generale Communiën, in latere jaren herhaaldelijk gehouden,
en waaraan tot 120 personen deel namen. Vergeten godsvrucht
werd ook langzamerhand weer ten leven geroepen. Wel waren
door de oprichting der II. Familie-afdeclingen de bijzondere bij-
-ocr page 334-
— 30.\'J —
eenkomsten der Broederschap van liet Allerzuiverstc Hart van
Maria, in 1848 door Mgr. Grooff opgericht, (bijeenkomsten, die
reeds lang in onbruik waren) titans overbodig geworden, toch
bleef die Broederschap niet alleen in de Mis en het Lof op Za-
terdag tot bekeering der zondaren, voortbestaan, maar heeft
zelfs, in het jaarlyksch vieren van de maand van Maria\'s
11. Hart,
cene gewenschte uitbreiding gekregen.
De devotie van den H. Rozenkrans, reeds het groote wapen
van den Eerwaardigen Wennekers, had Mgr. ScJiepers nog meer
trachten uit te breiden en algemeen te maken. Ter bereiking
van dit doel, stelde hij de Vcrceniging van den Levenden Ro-
zenkrans in. Ook deze Broederschap was in den loop der jaren
tot verval gekomen, werd in 1880 weer voorgoed opgewekt en
in zeer vele afdeelingen van vijftientallen bevestigd. Bij al deze
Broederschappen werden in het laatste tijdperk nog twee nieuwe
gevoegd: in de hoofdkerk, de Aartsbroederschap van het Aller-
heiligstc Hart van Jezus, en in de bijkerk die van O. L. Vrouw
van Altijddurenden Bijstand en den H. Alphonsus Maria de
Liguori; beide werken krachtig op het godsdienstig leven.
Eerstgenoemde Broederschap werd den 4 Februari 1875 opge-
richt. Eiken eersten Vrijdag der maand wordt, krachtens ver-
gunning van Z. H. Paus Leo XIII, cene Votief-Mis ter eere van
het Allerheiligste Hart gelezen; zij heeft plaats met uitstelling
van het Allerheiligste. Ongeveer een tachtigtal leden plegen
daarbij te coinrnuniceeren, voor wie een pater van den preekstoel
de akten van voorbereiding en dankzegging verricht. Na de Mis
wordt de zegen met het Allerheiligste gegeven, en \'s avonds de
kruisweg zoo plechtig mogelijk gedaan, waarbij alle Geestelijken
tegenwoordig zijn. Als treffende herinnering aan Wennekers en
Van der Horst, die met hunne kleine maar geloovige kudde
het II. Hout des Kruises zoo hoog wisten te schatten, wordt
nog heden onder deze kruiswegoefening de kostbare Reliquie
tusschen brandende waskaarsen uitgesteld, en, nadat de zegen
er mede gegeven is, den geloovigen ter vercering aangeboden.
In de bijkerk is de tweede Woensdag van iedere maand be-
stemd, ter viering van de andere Broederschap ter eere van
O. L. Vrouw van Altijddurenden Bijstand en den H. Alphon-
sus Maria. Ook daar heeft op dien dag cene morgen- en avond»
-ocr page 335-
— 304 —
oefening plaats, en naderen verscheidene leden tot de H. Com-
munic.
Wij eindigen deze reeds te lange opsomming en veroorlo-
ven ons daarbij cene bemerking. Als het namelijk niet aan te
nemen is, dat die aanhoudende en veelvuldige godsvruchtocfe-
ningen zonder vrucht bleven; als het verder blijkt, dat het getal
der daaraan dcelncmenden steeds aangroeide; dan is het ook
bewezen, dat in het huidig Suriname een vrij aanzienlijk getal, \')
eene kern van echt brave christenen, onder de katholieken moet
gevonden worden. Men meenc echter niet hierdoor eene ook
maar cenigszins bevredigende kennis van de Missie verkregen,
noch ook de katholieken, die daar goed leven, naar hunne juiste
waarde te kunnen schatten; daartoe moet men den zedelijken
toestand van Suriname in het algemeen loeren kennen. Wij gaan
eene schets geven van dien toestand der Surinaamsche bevol-
king, niet alleen om het beeld der goeden, door die schaduw-
zijde beter te doen uitkomen, maar ook om de geestelijke be-
hoeften en de zedelijke gevaren der katholieke bevolking beter
te doen beseffen. Vanzelf\' zullen dan de redenen blijken, zoowel
van de zoo hoog opgevoerde godsvruchtoefeningeu binnen en
van de veelzijdige bemoeiingen en dienstverrichtingen der Mis-
sionarissen buiten de kerk, als van de maatregelen van uitwen-
dig bestuur door de Apostolische Vicarissen genomen. Bij die
schets, welke wij, met uitsluiting van alle andere bronnen,
alleen aan openbaar gemaakte stukken, namelijk de koloniale
Regeeringsverslagcn en de in Suriname zelf\' verschijnende dag-
bladen, die ons toegezonden worden, zu\'len ontleenen, behandelen
wij ook verder den werkkring der Missie naar buiten.
Alwie eenigszins weet, van wat zedelijk gehalte koloniën
in het algemeen
zijn, kon zich niet ergeren, toen wij bij den
1\' Ons ia bekend het niet te versmaden getal van 10 katholieke jon-
gelingen uit Suriname, die op \'t oogenblik hier in Nederland eeno
godsdienstige opleiding genieten. Daarenboven vonden twje Nederlanders
hunne roeping tot den geestelijken stand in Suriname. De eene, M\'. A.
Borret, die spoedig na zijne aankomst in do kolonie (1878) tot dit be-
sluit kwam, wist do studie der gewjjde wetenschappen m;t zijne ambte-
lijko bezigheden te puren, en is reeds priester (zie Bijlage I. Lijst A.
iiu 5t.). Do andere, Luitenant Lemmens, studeert thans to \'s Hertogen-
bosch.
-ocr page 336-
— 305 —
aanhef van dit hoofdstuk zeiden: Mgr. S winkels vond hier een
akker met veel onkruid. En nog minder bestond hier die moge-
lijkheid, daar in deze kolonie de toestand van slavernij toen nog
niet geheel was opgeheven. Dit geschiedde eerst bij het einde
van het tienjarig staatstoezicht over de geémancipeerden, den
i Juli 4873.
Er waren toen, en er zijn nog heden, een groot aantal
heidenen onder die vrijgemaakten. Ook na het Doopsel ontvan-
gen te hebben, blijven deze bekeerlingen vaak nog langen tijd
onder den last van heidensche gewoonten gebukt. Afgodische
vereeringen en bijgeloovigheden van alle slag zijn dan ook nu
nog aan de orde van den dag, en wel zoozeer, dat zij bij her-
lialing stof leveren tot aanklacht bij den burgerlijken rechter.
Onder de mindere klasse zijn er weinigen, die niet, bij lang-
durige ziekelijkhedcn, hunne toevlucht nemen tot de zoogenaamde
zwarte toovenaars of toovenaarsters, hoewel deze hunne niet
zelden moorddadige kunstbewerkingen duur laten betalen. En
durft men al niet openlijk tot zulke middelen zijne toevlucht
nemen, de kwaal zelve wordt toch in het geheim aan de zwarte
kunst geweten. Dikwijls zelfs zijn lieden van eenige ontwikkeling,
en op het punt van godsdienst ongeloovigen, ten deze niet vrij
te pleiten. Zoo waar is het, dat ongeloof niet voor bijgeloof vrij-
waart, maar er veeleer den weg toe voorbereidt, want ook de-
zulken brengen hunne gaven aan vermaarde toovenaarsters, om
hare gunst bedelend, hare ongunst duchtend. \')
Onder dusdanige bevolking, men begrijpt het, moet gods-
dienstig onderricht een hoofdvereischte wezen. Grondige kennis
van de christelijke geloofsleer moest verspreid, al de kracht van
den katholieken eeredienst aangewend worden.
Nog andere redenen vorderden meer bijzonder te waken
op zuiverheid van leer en eeredienst. De zuiverheid van leer
loopt gevaar door de vermenging van allerlei geloofsbelijdenis in
schier elk gezin, en de godsdienstige onverschilligheid, die daar-
1) Ofschoon wjj deze laatste zinsneden niet bepaaldelijk in Bladen
gelezen hebben, «ijn de daarop betrekking hebbende feiten zoo wereld-
kundig in geheel Suriname, dat wjj niet geschroomd hebben, er bief
melding van te maken.
Surliame.                                                                                                   20
-ocr page 337-
— 306 —
uit geboren wordt. Men wiegt zich in slaap en tracht zich te
verdedigen door het reeds gewraakt beginsel: »wc dienen allen
een en denzelfdcn God!" Geen wonder, dat de Apostolische Vi-
carissen, om de vermeerdering van het aantal kleurlooze katho-
lieken tegen te gaan, niet alleen het godsdienstonderricht zoo
zeer bevorderden maar zich o. a. ook sterk aankantten tegen
de zoogenaamde gemengde huwelijken. Geheel weren konden
zij die niet; want de toestand der Surinaamsche maatschappij
vordert ze te dulden als een noodzakelijk kwaad.
De Surinaamschc volksklasse is zeer gehecht aan eene soort
huiselijke godsdienstbeoefening, die waarscliijnlijk door ontaar-
ding uit voormalige hcidensche dans- en offerfeesten ontstaan
is. Den naam van psalm-partijen, waaronder die bijeenkomsten
thans bekend zijn, ontvingen zij vermoedelijk van de hernhut-
ters, die zich in vroeger dagen veel moeite gaven, om heiden-
sclie gebruiken, op hunne wijze, door christelijke te doen ver-
vangen. De godsdienstoefening op de plantages, die, bij gebrek
aan kerken, ook door de R. K. Geestelijken in partikuliere woningen
moest gehouden worden, bracht er het hare toe bij, om zelfs de
katholieken onopgemerkt met bovengemelde huiselijke godsdienst-
viering te verzoenen. Die psalm-partijen, welke door personen
van beiderlei kunne, in den nacht werden gehouden, gaven aan-
leiding tot grove misbruiken. Niet alleen werden de deelnemers,
door het gezamenlijk opdreunen van gebeden en gezangen, zoo
van protestantsebe, hernhuttersclie als katholieke strekking, door
het belachelijk optreden van nietswetende godsdienstredenaars
van elke richting, meer en meer bevestigd in hunne onverschil-
ligheid op het godsdienstig terrein; maar kwamen daardoor zelfs
zoover, dat zij niet zelden de praktijk van den waren godsdienst
geheel en al verwisselden met eene vromigheid, die verre van
eenig geweld te eischen, alles aan de bedorven natuur toegaf.
De straf van excommunicatie, reeds door Mgr. Schepers tegen
de deelnemers uitgesproken, werd ook door zijn opvolger ver-
nieuwd, doch, toen de katholieken van al het gevaarlijke dezer
bijeenkomst wel onderricht bleken, eindelijk weer ingetrokken.
Ter bestrijding dezer onwettige godsdienstviering verhoogde men
zooveel mogelijk den eeredienst in de kerk en werden de oefe-
ningen daar vermeerderd. Vóór als na den openbaren godsdienst,
-ocr page 338-
— 307 —
zoowel als bij de onderrichtingen in den catechismus, zong men
godsdienstige liederen in de landtaal, en het getal van deze
laatsten werd, even als dat der Negerengelsche gebedenboeken, in
den loop der jaren vermeerderd. Aan den kerkdijken zang
wijdde reeds Mgr. Swinkels eene bijzondere aandacht. Het ge-
mengde koor van zangers en zangeressen, tot dan toe slechts
geduld, deed hij ontbinden, en liet cenige jongelingen tot den
koorzang opleiden. Echter is men eerst na 1881, er met veel
inspanning in kunnen slagen een volledig zangkoor, naar de
eischen van den officieelen Gregoriaanschen zang ingericht,
met kinder- en mannenstemmen in de hoofdkerk tot stand te
brengen.
Waar de godsdienst aan vele gevaren blootstaat, zijn ook
altijd verscheidene katholieken, die in de beoefening daarvan
zwak zijn. Om nu voor dezen het juk der kerkelijke wetten
lichter te maken, en mitsdien het getal der overtredingen te
doen verminderen, werden in 1870 de verzachtingen door het
Provinciaal Concilie van Trinidad, waaraan Mgr. Swinkels in
1807 deelnam, op Pauselijk gezag ook te Suriname ingevoerd,
en alzoo de kerkregeling in overeenstemming gebracht met die
van de koloniën, welke aan het Aartsbisdom van Port-d\'Espagne
onderhoorig zijn. \')
Na deze korte schets van de gevaren, die het geloof bedrei-
gen, moeten wij ook omtrent die, welke de zeden kwetsen,
eenige woorden zeggen.
De Surinaamsche dagbladen verzuimden in het vorig jaar
niet, van verbetering der zeden aldaar in het breede te ge-
wagen. De verslagen der Missie wijzen tevens op een betrekke-
lijk niet zoo gering aantal gehuwde paren, en spreken met lof over
1 i Op het eerste Prov. Concilie van Trinidad, in 1854, was Suriname
niet vertegenwoordigd, danr de Apostolische Vicaris Zich tot het ontvan*
gen der bisschopswijding in Nederland bevond, en de geheele kolonie
door slechts twee priesters bediend werd. Ook werd de kerktucht van
dat Concilie, ongetwijfeld bij Pauseljjke toestemming, nooit in de Suri-
naamsche Missie ingevoerd. Toen deze laatste aan de Congregatie des
Allerh. Verlossers werd toevertrouwd, bestond er wel eene regeling van
de feest- en vastendagen, echter veel verschillend van die, welke onder
Wennetten ea Mgr. (irooff in zwang was.
-ocr page 339-
— 308 —
jongelingen en jonge dochters, in wie de kracht der genade zege-
praalde over de zwakheid der natuur, en die met een onbespro-
ken gedrag den huwelijksstaat aanvaardden. Vele slachtoffers
van het concubinaat zijn in den loop der jaren aan dien machti-
gen vijand ontrukt geworden, en leven thans in Gods genade
of zijn reeds de glorie binnengegaan. Met Wennekers mogen
zij dus zeggen: »wij zijn vooruitgegaan!" Maar moeten wij ook
nu nog spreken met hetzelfde voorbehoud, dat die Missionaris
aan zijne woorden toevoegde: «ofschoon het nog allertreurigst
»is om te zien, hoezeer hier.....kuischheid haast niet gekend
» wordt ?"
Men oordeele.
Naar aanleiding eener bedenking, in een Surinaamsch Blad,
«of de menigvuldige gevallen van Winti, Obia, Wisi en Bakroe
(vormen van gedeeltelijk afgodische bijgeloovighedcn onder de
negers, waarop wij boven gedoeld hebben) «aan tekortkomingen
»van de zijde der bevolking, of wel van de zijde van kerk en
»school moesten toegeschreven worden?" werden den schrijver
dier bedenkingen, in hetzelfde Blad, \') de volgende vragen voor-
gesteld, vragen, die eene waarlijk niet rooskleurige schildering
van de zedelijke toestanden insluiten:
»Waarom geachte, schoon onbekende inzender, waarom
»stelt gij ook niet in dubio of het lage, allerlaagste peil van
«zedelijkheid, waartoe de Surinaamsche bevolking (in \'t algemeen
»ook die der blanken) gezonken is, het openbaar leven in con-
~»cubinaat
en adidterium, het enorm getal van onechte ge-
«boorten (een feit, dat aan de commissie van de Tweede
«Kamer der Staten-Generaal, belast met het uitbrengen van
«een verslag over den\' toestand dezer kolonie, luide klachten
«afperste) niet evenzeer aan de kerk te wijten is?"
Wel verklaarde de steller dezer vragen in een opvolgend
artikel, dat hij niet beoogd had met de uitdrukking »ook der
«blanken" de ettelijke Europccsche familiën in Suriname te tref-
fen, maar alleen den zedelyken toestand ook van die bevolking,
welke zich tegenover de negers de beschaafde laat noemen, had
1) De West-Indier, 21 Augustus 1881.
-ocr page 340-
— 309 —
willen schetsen; wel erkende hij, dat er onder hen ook genoeg
gevonden worden, die zich door de geleverde schildering niet
gekwetst behoefden te rekenen; maar van die schildering zelve
nam hij niets terug. En de bedenkingen, daartegen ingekomen \'),
dienden, goed beschouwd, alleen om de getrouwheid der gele-
verde schets te bevestigen. Het concubinaat heette daarin eene
maatschappelijke kwaal, en om die eenigermate te vergoelij-
ken, werd er gesproken over voorbeelden, die legio zijn, «waarin
«man en vrouw hun gansch leven met elkander doorbrengen
»met eene trouw, liefde, toewijding en gehechtheid voor elkan-
»der en voor hunne kinderen, die de huwelijksband niet zou
»kunnen vergrooten". In een volgend nummer 2) verklaart de-
zelfde schrijver dat de evcngemclde zinsnede, omtrent het hier
bestaande zoogenaamd concubinaat, hem niet ontvallen is. «Ik
bevestig haar" zegt hij, «niet om het concubinaat te vergoelij-
ken, maar om het hier bestaande zoogenaamde concubinaat in
zijn waren aard te doen kennen. Ik heb het concubinaat niet
op één lijn geplaatst met het huwelijk, en nog minder der mis-
daad in zedekundigen zin een voetstuk bereid, noch willen be-
reiden, enz." Hij eindigt met deze woorden: »Ik voor mij zou
«voor het oogenblik zeer gelukkig zijn, als do menigvuldige ge-
»vallen van Winti, Obio, Wisi en Bakroe onder de negerbevol-
»king, in verhouding tot haar getal, tot even gunstigen maatstaf
»kondcn dienen van hare moraliteit, als de toestand der blanke
«bevolking in het algemeen tot maatstaf van deze moraliteit
«kan strekken."
Naar aanleiding van pogingen, tot leniging der armoede
in Suriname, in het begin van datzelfde jaar, aangewend, las
men in een ander blad 3) de volgende schets van den zcdelijken
toestand der mindere klasse, waartegen van geene zijde hocgc-
naamd iets ingebracht werd.
»Moet....in dezen tijd, nu het getal der gegoeden af-, dat
»der armen verbazend toeneemt,.... moet ook de armoede onze
«bezorgdheid niet gaande maken voor de naaste toekomst van
«Suriname?" ....
1) De West-Indier, 24 Aug. 1881.
■8) De West- Indiër, 7 September 1881.
\'S) Suriname. Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad, 26 April 1881.
-ocr page 341-
— 310 —
«Hoe noodzakelijk ook, het is toch niet voldoende de mild-
«dadigheid der ingezetenen voor dit oogenblik alleen op te wek-
»ken, zelfs niet als men daarin boven alle verwachting zou
»slagen. Wat baat het den arme heden met eene ruime bedee-
«ling te verblijden, als gij hem morgen ledig moet heenzenden?
«Er moet niet slechts gezorgd worden voor het noodzakelijke
«brood, de arme moet in staat gesteld worden, zich uit de ar-
»moede op te werken: in de bestaande armoede moet voorzien,
»maar de gevreesde moet gekeerd worden."
«Armen zullen er wel altoos gevonden worden: rampen der
«fortuin, lichamelijke gebreken, misdeeldheid van geestvermogens
»zijn zoovele oorzaken, die tot het vormen eener eerste klasse
»van armen samenwerken. Zij houden steeds recht en aanspraak
«op de algemeenc liefdadigheid; want de oorzaken hunner ellende
«zijn moeilijk te bezweren."
«Maar het gros is arm door andere oorzaken; en die oor-
»zaken wegnemen, is de armoede keeren! Onder al die oor-
»zaken is er eene van zeer ingrij penden en algemeenen aard,
«namelijk: het ongehuwd samenleven van man en vrouw, onder
y>welken vorm ook."
«Onderscheidt nu eens, ook bij deze klas van armen, drie
«soorten: die der ouden en gebrekkigen, die der jeugdige kinderen,
»en die van huwbare mannen en vrouwen, en durft een onder-
»zoek instellen naar de oorzaken hunner armoede."
»De ouden en gebrekkigen zijn arm en worden niet verzorgd,
»omdat de kinderen, die zij verwaarloosden te erkennen en te
«verzorgen, nu ook hen verwaarloozen. Zij vinden het vrij wat
«gemakkelijker die lastige oudjes aan de weldadigheid of aan
«het Gouvernement over te laten."
«Duizenden kinderen zijn arm, omdat hunne verzorging, in
«plaats van bekostigd te worden door den arbeid van twee per-
«sonen, op de zwakke krachten der moeder alleen neerkomt. Ja,
«als deze laatste onder de vernieling der misdaad zal bezweken
«zijn, laat de onwettige vader het arme kind veeltijds geheel
«aan anderen over, terwijl hij zelf zijn oneerlijken werkkring op
«nieuw gaat uitbreiden."
«Bij huwbare mannen en vrouiven treedt de armoede, ten
«minste reeds bij den eersten dag der ziekte, over den drempel.
-ocr page 342-
— 314 —
»Geen wonder! De vrouw leent zich, om van den arbeid ont-
»slagen te zijn, tot prostitutie; de man werkt zooveel (maar
»ook zelden meer) als de prijs dier prostitutie bedraagt. Daaraan
«alleen heeft hij gedacht; te sparen voor den kwaden dag is niet
»bij hem opgekomen. Beiden zijn nu in armoede. Bezwijkt de
»vrouw, als gewoonlijk, de eerste, dan gaat de man zijns weegs
«opnieuw, en terwijl zij, op kosten van vreemden verpleegd, haar
«ellendig bestaan nog wat mag rekken, wordt daar weer aan
«de deur der verpleeghuizen aangeklopt, om eene andere, wier
«gezondheid hij bedorven heeft, aan te bieden."
«Ziehier dus liet antwoord op de vraag, welke de oorzaak
«is der toenemende armoede: De onzedelijkheid! En op deze
«andere vraag: «waarom wordt er zoo weinig gearbeid?" dient
«hetzelfde antwoord: om »de onzedelijkheid."
«Trouwens, hadden onze werklieden het besef, dat zij ge-
«houden zijn, door eigen arbeid, in het onderhoud van al hunne
«kinderen met dezer moeders, te voorzien, en handelden zij over-
«eenkoinstig dien plicht, dan zouden de mannen veel moeten
«arbeiden, zoovele vrouwelijke werkkrachten zouden niet verlamd,
»ja vermoord worden, en de kinderen zouden tot arbeidzaamheid
«worden opgeleid. Arbeid zou armoede te keer gaan, en daar
«zou eene zekere welvaart heersenen, waardoor de arme door
wngeluk
de ruimste ondersteuning zou genieten."
Wij laten het den lezer over die schets in zijne verbeelding
te voltooien.
Toen in 1806 de werkkring van de Congregatie des Allerh.
Verlossers in Suriname aanving, zal de zedelijke toestand wel
niet gunstiger geweest zijn. Bij tijd en ontijd is tegen het con-
cubinaat, den maatschappelijke vijand van Suriname, geijverd,
en alles is beproefd, om hem zijne slachtoffers te ontrukken.
Vele zijn ook metterdaad ontrukt, hij zelf nochtans is niet terug-
geweken, maar blijft zich nog heden in zijne geduchte ver-
schansingen staande houden!
Mgr. Suünkds ontzegde al spoedig de priesterlijke assistentie
bij de begrafenis van zulke concubinarii, die zich eerst op het
sterfbed bekeerden; daarentegen wendde hij alles aan tot op-
luistering der uitvaart van brave christenen en van hen, die
zich reeds in gezonde dagen met God verzoend hadden. Veel
-ocr page 343-
— 312 -
moeite en uitgaven getroostte men zich, om de rustplaats der
dooden in een gepasten staat te onderhouden. De eerbied van
den Surinamer voor zijne dooden, werkte dit geheel in de hand;
en desniettemin moet erkend worden, dat noch Mgr. Swinkels,
noch zijn Hoogwaardige Opvolger, in dit hun pogen naar wensch
geslaagd zijn. Tot opluistering dierzelfde begrafenissen, tevens
tot wering van eenige zoogenaamde godsdienstige praktijken,
welke in de huizen gehouden werden en tot misbruiken leidden,
meer bijzonder nog tot lafenis der zielen, die in het kerkelijk
gebed geheel vergeten werden, en eindelijk om het volk te
oefenen in liefdewerken, die tot de begrafenis vereischt worden,
werd den 15 Maart 1874 in de hulpkerk een genootschap op-
gericht, onder den naam van »Heilig Verbond," dat volkomen
aan zijne bestemming beantwoordt.
Een andere maatregel ter bestrijding van het zcdenbederf,
was het opsporen der plichtvergeten katholieken in hunne
woningen. Den 12 December 1807 verdeelde de Apostolische
Vicaris de stad in zeven wijken, niet alleen ten behoeve der
armmeesters, die maandelijks de armen der hun aangewezen
wijk moesten bezoeken; maar ook ten behoeve der paters, tot
meer bijzondere waarneming van de geestelijke belangen der
katholieken. Het doel was, langs dien weg een nauwkeuriger
overzicht der parochie te verkrijgen, de afgcdwaalden op te
sporen, de lauwen en plichtverzuimenden aan te vuren en den
zieken en stervenden gereeder hulp te kunnen bieden. Het be-
zoek der zieken, die altijd talrijk zijn, is te Paramaribo niet
het minst belangrijke deel der zielzorg. Vele gebrekkelijken en
inclaatschen, die in jaren de kerk niet kunnen bezoeken, moeten
tehuis onderwezen en tot de Sacramenten voorbereid worden.
Het militair-hospitaal, dat tevens civiel gasthuis is , moet dagc-
lijks bezocht worden. Dat veelvuldig en geregeld huisbezoek neemt
zeker veel tijd en vordert groote offers, doch het is, zoo ergens,
dan in cene anormale maatschappij als de Surinaamsche nood-
zakelijk. Menig afgedwaalde komt daardoor op het rechte spoor
weder, terwijl het bezoek des priesters voor honderden zieken
de deur des hemels is geworden,
Eene bijzondere zorg werd besteed aan de nog niet ver-
dorven jongelieden. Om hen aan kerk en priesters te verbinden,
-ocr page 344-
— 313 —
hen voor de groote gevaren te behoeden, en hun tevens van nut
te zijn, begon Mgr. Swinkels met eenc avondschool voor hen te
openen, die kort daarna in ceno teekenschool veranderd werd. De
onbestendigheid der deelnemers noodzaakte den Bisschop, even
als kort geleden, den Welcerw. Heer A. Swinkels bij eene zelfde
proefneming, al spoedig met die school op te houden. Een be-
stendig voordcel echter, dat deze school heeft opgeleverd is de
Aartsbroederschap der H. Familie, welke zij reeds in kern om-
vatte, en die er later uit ontsproten is.
De roeping dezer Broederschap in Suriname was niet minder
de bekeerden te bevestigen als alle overigen te behoeden, en
velen zijn zij, die aan haar hun hchoud moeten danken. In
1875 werd voor de mannen een gebouw ter uitspanning, onder
den naam van H. Familiekring, op het terrein der Missie ge-
opend. Het volkomen gebrek aan uitspanningen, die vrij zijn van
zedelijke gevaren,
voor den werkman, was reeds onder Mgr.
Schepers gevoeld geworden, en een Vriendenkring voor jongelingen
werd toen reeds geopend. Dan, even als toen, is ook nog heden
de blik der geloovigen niet ruim genoeg, om er het heilzame
van te bevroeden en daarvoor iets te willen opofferen. Eene
prikkelbaarheid van gemoed, welke het overigens weekc karakter
der Creolen ten opzichte van elkander kenmerkt, is oorzaak, dat
alleen de besten en verstandigsten onder hen aan die uitspan-
ningen kunnen deel nemen.
Gelijk de Aartsbroederschap de arke van behoud was voor
de mannen, zoo was zij het in de beide andere afdeelingen even-
zeer voor de vrouwen, terwijl de jongens en meisjes die vonden
in de later (1875) opgerichte Congregatién.
De geheele werkkring van de Congregatie des Allerh. Ver-
lossers had alzoo ten doel, zooveel maar mogelijk was, aan het
heerschend zedenbederf te ontwoekeren, het ontwoekerde te be-
houden, het onverdorvene te behoeden, in één woord, om uit
deze allen eene kern te vormen, waaruit reeds nu eene kudde
ontsproten is, die, hoe klein ook, gunstig bij het algemeen
zedenbederf uitkomt, en daartegen protest aanteekent.
Na deze algemeene schets willen wij eenigszins meer in het
bijzonder uitweiden over de edelmoedige en volhardende pogingen
der Apostolische Vicarissen tot behoud der jeugd.
-ocr page 345-
314
». Het Katholiek Onderwijs.
De mensch, door God geschapen en door Christus verlost,
moet rechtens, gedurende zijn leven, aan de wetten van God en
van Christus onderdanig zijn, en zal daarom ook, na zijn dood,
door Christus zei ven, den algemeencn Rechter, gehoord en ge-
oordeeld worden. Overeenkomstig zijne werken zal dan iedere
mensch of\' eeuwig beloond worden, of gestraft in de ongelukkige
eeuwigheid. Dat ook ouders door die wetten gehouden zijn voor
hunne kinderen te zorgen, behoeft wel geen betoog; reeds de
natuurwet, in hunne harten gegrift, is daarvan liet bewijs. Zij
worden dan ook reeds door ecne bloot natuurlijke liefde ge-
dreven het heil hunner kinderen te bevorderen. De katholieke
kerk, door haren goddclijken Stichter gezonden niet alleen ter
verkondiging, maar ook ter handhaving en tenuitvoerlegging der
Evangelie-wet, heeft haren plicht nooit verzaakt. Zij stelt zich
niet tevreden met den ouders en verplegers, de verplichtingen
voor oogeu te stellen, welke zij, zoowel volgens de wet der na-
tuur als volgens de wet van Christus, jegens hunne kinderen
te vervullen hebben, zij mag dat niet. Zoodra zij vrij kan op-
treden als verzorgster der jeugd moet zij er over waken, dat
kinderen, die door het H. Doopsel aan Christus toebehooren,
ook naar de wetten van Christus leeren leven, en beveiligd wor-
den\'tegen de menigvuldige gevaren, die aan de onderhouding
dier wetten en gevolgelijk aan de eindbestemming dier kinderen
in den weg staan. Zij waakt er over, dat de ouders hunnen
plicht doen, dat wil zeggen, zorgen den kinderen te verschaffen
niet alleen alles, wat hunne tijdelijke behoeften aangaat, ovcr-
eenkomstig de eischen der maatschappij, waarin zij leven; maar
ook en vooral, wat de wetten Gods en der H. Kerk van den
mensch vorderen. Veel, zeer veel grooter moet de zorg zijn om
de kinderen het einddoel, de zaligheid, te noen bereiken, dan
die, welke men zich geeft om hen aan eene aardsche roeping
te doen beantwoorden.
De katholieke kerk heeft zich steeds het lot der jeugd,
vooral der meer verlaten jeugd aangetrokken, en voor hen, op het
voorbeeld van haren goddelijken Stichter, met vurigheid geijverd:
als zelfs de moeder het kind ver/jat, heeft ZIJ het niet vergeten!
-ocr page 346-
315
De eerbiedwaardige Hoofden der Surinaamsche Missie waren
zich, deze geschiedenis bewijst het genoeg, volkomen van die
verhevene roeping bewust. Konden Wennekers en Van der Horst
meer ijveren voor de jeugd dan zij geijverd hebben ? Woekerden
niet alle opvolgende Missionarissen met den kostbaren tijd , om
een goed gedeelte daarvan voor de schoolbanken te kunnen
doorbrengen.\' Legde niet Mgr. G. Sciiepers door cene Religieuze
Congregatie naar Suriname te roepen, den grondsteen der katho-
lieke scholen en weeshuizen? Waarlijk, allen hebben zij gedaan
wat zij konden, doch hadden koloniale toestanden te betreuren,
die hun ijver in den weg stonden!
üe afschaffing der slavernij bracht voor het onderwijs eene
betere toekomst. Nauwelijks toch was deze in het verschiet, of een
algemeene, steeds toenemende aandrang tot uitbreiding van het
onderwijs werd in de kolonie waargenomen. Terwijl op de 21 scho-
lcn, die te Paramaribo dezen naam verdienden, in 18G0 slechts 1650
kinderen onderwijs genoten, werd er in 1870 aan 3043 kinderen,
met inbegrip van 250 op bewaarscholen, onderricht gegeven. Buiten
de stad was het getal scholen tot 32 geklommen, die te zamen
2481 leerlingen telden. Deze belangrijke vermeerdering was ver-
oorzaakt door de oprichting van eenige Gouvernementsscholen,
ten gunste der geémancipeerden, en ook daardoor, dat de hern-
hutters een meer voldoend onderwijs verbonden aan de 18 ker-
kelijke statiën, waar zij reeds in de Districten gevestigd waren.
Bij de zedelijke aansporing tot bevordering van het onderwijs
kwam ook eenige geldelijke ondersteuning van Rcgeeringswege;
zij keerde die uit aan de kerkelijke gemeenten, welke zich met
het onderwijs der arme kinderen belastten. Die subsidiën, be-
gonnen in 1865, zijn in den loop der jaren merkelijk vermeerderd.
Mgr. Swinkels spande alle krachten in , om van deze voor
het onderwijs gunstiger tijden, zoo goed mogelijk gebruik te
maken ten voordcele der katholieke jeugd.
De gesubsidieerde jongensschool tot hier toe door eene der
Zusters gehouden, werd na de aankomst van frater Eduxrd
in April 1866. door dezen overgenomen; in 1867 telde zij 54
leerlingen. Den 2 Augustus 1860 nam frater Clemens de leiding
dezer school over, terwijl de eerste onderwijzer eene burgerschool
voor jongens opende, Gewoonlijk telde deze laatste een dertigtal
-ocr page 347-
316
leerlingen, terwijl de gesubsidieerde jongensschool tegenwoordig
het getal van 100 bereikt heeft. Het is duidelijk, dat hierbij,
naar beboette van tijd, ook van leeke-onderwijzers en kweeke-
lingen gebruik werd gemaakt. Aan de statie Coronie, waar de
priesters zei ven nog verscheidene jaren school hielden, en aan
de weesinrichting werden tevens geëxamineerde onderwijzers ver-
bonden. De Missie telt op bedeu zes geestelijken onderwijzers
De Heer J. 11. Mauritius, Amsterdamsen onderwijzer, die de
proef in Suriname, als godsdienstig jongmensch vier jaren door-
stond , bewees er zeer goede diensten aan de weesjongens en
andere katholieke kinderen, en keerde naar het vaderland weder.
Ten behoeve der Meisjes-scholen werd van 1860—1875 het
personeel der Ecrw. Zusters verdubbeld, en was volgens het
verslag van den Apostolischcn Vicaris van Januari 1883, tot 33
aangegroeid. Behalve de Zusters voor do Bewaarscholen en voor
het onderricht in de handwerken, zijn er onder haar 11 geëxa-
mineerde onderwijzeressen, die nog daarenboven door 2 Ieeke-
onderwijzeressen en eenigekweekelingen terzijde gestaan worden.
Het getal kinderen, die op de R. K. scholen onderwezen
werden, steeg van 1866—1875 van omstreeks 500 tot over 1000.
Een honderdtal uitgezonderd waren al die kinderen katholiek en
genoten gratis onderwijs.
In 1870 bevonden zich op de R. K. scholen:
- ,         ,                [ Op de dagscholen        749 leerlingen.
I » » bewaarscholen 250 »
Buiten de stad..........395 »
te zamen 1394 »
In 1881:
{Op de gesubsidieerde dagscholen 580 leerlingen.
Op de niet gesubsidieerde »
         144 »
Op de bewaarscholen .... 401 »
Buiten de stad.........L116 »
te zamen 1241 j>
In het jaar 1883 was liet getal wederom tot 1271 geklommen,
zoodat het onderwijs in de stad heeft toegenomen. Niettegenstaande
de 23 scholen, die in 1870 te Paramaribo waren, in 1881 tot 32
waren geklommen, was in dat jaar het getal scholieren op de
R. K. scholen van 999 tot 1125 gestegen.
-ocr page 348-
— 317 —
In de Districten echter ram over het algemeen het getal
scholieren af, zoodat, niettegenstaande er, behalve de scholen der
moravische broeders, nog elf gouvcrncmentsscholen opgericht
werden, toch in 1881, volgens de koloniale Verslagen, 020 scho-
liercn minder waren dan in 1870. Ook op de R. K. scholen
buiten de stad daalde dit getal. De oprichting van twee Gouver-
nementsscholen te Coronie; de verwijdering (op last der Regee-
ring) van de kinderen der besmettelingen van het etablissement
en het daaruit volgend vervallen der school op Batavia; \') het
verdwijnen van de plantage EsthersruHt met de daar gevestigde
school, waren zoovele oorzaken die de vermindering van het
aantal kinderen op de R. K. scholen buiten de stad onvermijdelijk
moesten maken. Nochtans was die vermindering van weinig be-
teekenis in verhouding tot de algerncene vermindering van het
schoolbezoek in de Districten. Het strekte veeleer tot eene aan-
beveling der katholieke scholen, dat, niettegenstaande de concur-
rentic der Gouvernemcntsscholen en het toevallig verlies van
twee onzer scholen, het totale cijfer der schoolkinderen in 1881
slechts 153, en in 1883 slechts 123 minder was dan in 1870.
Hierbij komt nog, dat de twee scholen door de R. K. Geestelijken
in de Wayombo en Tlbitl in 1874 geopend, en een tijdlang
onder niet-geëxainineerde onderwijzers voortgezet, bij de ver-
slagen niet in rekening gebracht zijn.
Het gering aantal R. K. scholen in de Districten, in verge-
lijking tot die der hernhutters, is in het oog springend. Buiten
de stad hadden zij in 1870 niet minder dan 18 scholen met
1341 leerlingen, en in 1881 nog 13 scholen met 721 leerlingen.
De verklaring is zeker niet moeilijk : de hernhutters zijn meer
dan dertig jaren vóór de vrijverklaring der negers, in het be-
zoeken der plantages op alle wijze boven de katholieke Gceste-
lijken bevoorrecht en begunstigd geworden. Hierdoor werden zij
in staat gesteld alom in de Districten statiën te vestigen on
daaraan langzamerhand scholen te verbinden. Gedurende het
tienjarig staatstoezicht over de vrijverklaarden durfde Mgr. Swin-
kels
zijn plan, om ook R. K. kerken en scholen in de Districten
1) Slechts zeer kleine kinderen worden nog heden, te Batavia, vooral
godsdienstig onderwezen.
-ocr page 349-
— 318 —
te doen verrijzen, niet tot uitvoering brengen; hij vreesde name-
lijk dat de negers, na hunne geheele vrijheid verkregen te heb-
ben, den arbeid ontvluchten en die kerken en scholen, door het
verlaten van de plantages, doelloos zouden maken, zooals op
zeer vele plantages werkelijk is gebeurd. Ten andere werd Mgr.
Swinkels nog weerhouden door het Gouvernement zelf, dat juist
in dien tijd aanving, allerwege in de Districten scholen te openen.
In 1870 waren deze reeds 11 in getal en telden 745 leerlingen.
In 1881 was haar getal tot 10 geklommen, doch dat der lecr-
lingen tot 724 gedaald. De redenen, die aan het oprichten van
scholen in de Districten toen in den weg waren, blijven jammer
genoeg, nog steeds voortbestaan.
Het groot belang van de katholieke school in Suriname kan
ons niemand beter schetsen dan de Hoogwaardige Bisschop, die
er tegenwoordig met de herderlijke zorg belast is. Hij noemt de
school eene levensvraag voor de Missie van Suriname, en na
de noodzakelijkheid daarvan in het algemeen, ook in katholieke
landen betoogd te hebben, gaat hij voort: 7>Hier echter worden
»de kinderen in het algemeen volstrekt niet onderwezen, zoodat
»de school het ecnig afdoend middel is tot godsdienst-onderwijs.
»Dit is zoo waar, dat ik, zelfs hier in deze stad, het onderwijs
»in den godsdienst hoofdzakelijk op school moet laten geven;
»want kinderen, die onze school niet bezoeken, komen ook niet
»in de kerk. Is er wel een land, buiten Suriname, waar de
«kinderen zonder katholieke scholen meerondecls niet eens het
»kruisteekcn zouden leeren maken of het Onze Vader bidden?
»Ik geloof het niet, want die allereerste kennis wordt in het
»gezin of in de omgeving opgedaan, terwijl hier, in Suriname,
»noch eigenlijk huisgezin, noch katholieke omgeving bestaat."
In Suriname is die school derhalve wel schier het eenigc
middel om de kinderen aan het onderricht in den godsdienst,
hetzij in de kerk, hetzij voor of na schooltijd, te doen declen..
Doch evenzeer ook werkt de godsdienst daar de school in de
hand. »Het spreekt van zelf," zoo lazen we nog dezer dagen
met betrekking tot de reeds besproken kindermis, »het spreekt
»van zelf, dat de kindermis het geregeld schoolbezoek in hoogc
»mate bevordert, en dat de kinderen, na de H, Mis, veel rusti-
»ger, kalmer en ontvankelijker zijn voor de schoollessen s dan
-ocr page 350-
— 319 —
«wanneer zij van de woelige straat of uit het vurig spel terstond
»op de schoolbanken terecht komen."
Doch hooien wij verder den Bisschop zelven. Van de stad
laat hij zijn blik gaan over de uitgestrekte, schoon weinig be-
volkte Districten en vervolgt:
»Maar buiten de stad? Ik moet schreien bij het zien van
«gehecle Districten, waar ik bij gemis van scholen (ééne te
y>Coronu! en eene soort van school bij de melaatschen uitgezon-
»dcrd) niets bevredigends voor het godsdienstig onderwijs doen
»kan, en lijdelijk moet toezien, dat katholieke kinderen als hei-
»denen opgroeien. Ik kan, ik moet mijn oogen wel sluiten voor
»die bevolking, welke zich bij kleine troepen alom in de bosschen
«heeft neergezet; met den besten wil zijn deze menschen toch niet
»te genaken; maar ik kan noch mag blind zijn voor sommige
«centrale punten, waar eene vaste bevolking is gevestigd.....
«Men gelieve in het oog te houden, dat de uitbreiding der katho-
«lieke scholen alhier dringend noodzakelijk is, niet alleen omdat
«de scholen het cenig afdoend middel zijn, om de kinderen in
«den godsdienst te onderwijzen, maar ook omdat de leerplicht
«bij de wet is ingevoerd. Uit dien hoofde vooral kan of mag ik
«niet in gebreke blijven nieuwe scholen te openen, want met
«dit na te laten zou ik de kinderen in de noodzakelijkheid
»stellen of neutrale of confessioneele protestantsche scholen te
«bezoeken......."
«In verscheidene landen, waar de leerplicht niet is ingevoerd,
«moeten tóch, tegenover de verderfelijke neutrale scholen, bijzon-
«dere worden opgericht, wijl er zonder de bijzondere school
«slechts te kiezen blijft tusschen geen en godsdienstloos onder-
«wijs: hier in Suriname heeft men die keus niet eens; kan ik
«geene scholen aanwijzen dan moeten de kinderen, krachtens
«de wet, of neutrale óf hen huttersche scholen bezoeken."
«Doch," zoo eindigt de Bisschop, «wordt eens wat ik hoop
«verwezenlijkt, ziet! dan ben ik in staat den wettelijken school-
«dwang, zoo tot tijdelijk welzijn als tot ecuwig heil mijner jeug-
»dige christenen te benuttigen, en de Missie voor onberekenbare
«rampen te behoeden." \')
1) We mogen niet in gebreke blijven hier eene dankbare melding
-ocr page 351-
— 320 —
3. Weezen.
Ontzettend groot is het aantal kinderen, die in Suriname
als weezen beschouwd worden. Dit treurig verschijnsel moet
zich overal voordoen, waar lichte zeilen het zoover hebhen
gebracht, dat moederloos geworden kinderen, wier lot zich de
vader niet aantrekt, weezen worden genoemd, en in zekeren
zin ook zijn, daar de natuurlijke verzorger door geen wettelijk
middel tot het volbrengen, van zijnen plicht kan genoodzaakt
worden. De Itegeeringsverslagen, die het aantal weezen aange-
ven, spreken alléén van weeskinderen beneden de vijftien jaren,
die tot eene der christelijke Gemeenten behooren, en, vóór het
jaar 1803, alléén van kinderen, die uit vrije of vrijgegeven
ouders geboren waren. Van het jaar 1852 tot 1862 was het
gezamenlijk aantal weezen in de kolonie van .\'{50 tot 480 geste-
gen; doch in het jaar 1808 was dit getal reeds tot 702 ge-
klommen. Van de 100 katholieke weezen in 1802 waren slechts
30 behoeftig, die niet door partikulieren verzorgd werden. In
het jaar 1800 klom het getal behoeftige katholieke weezen tot
53; in 1875 tot 84 en in 1878 tot 108, welk getal, de koelie-
weezen buiten aanmerking gelaten, tot heden nagenoeg hetzelfde
is gebleven.
Uit dit groote getal katholieke weezen zou men ten on-
rechte besluiten tot eene grootere mate van onzedelijkheid bij
de katholieken; want behalve dat het getal niet-behoeftige wee-
zen der eenigszins bemiddelden (waaronder weinig katholieken
gerekend worden) het getal dor behoeftige katholieke weezen,
waarschijnlijk verre overtreft, zou het daarenboven, ten opzichte
dezer laatsten, eene oneerlijkheid zijn, het zeer authentieke feit
te maken van de «Associatie ter bevordering van het onder-
wijs der katholieke jeugd, in de Nederlandsche over-
zeesche Bezittingen," onder de bescherming en den titel van de
Presentatie der Allerheiligste Maagd Maria, waarvan het hoofdbestuur
te Amsterdam is gevestigd. De goede uitkomsten van het katholiek
onderwijs, hierboven aangestipt, zullen voor de leden dezer Associatie
ongetwijfeld een der schoonste belooningen zijn van hunne edele naasten-
liei\'dc en van hunnen bewonderenswaardigen zielenijver.
-ocr page 352-
— 321 —
te verzwijgen, dat een groot (zoo niet het grootst) getal Roomsch-
Katholiek gedoopte weezen wel katholieke moeders, maar geen
katholieke vaders hebben, die zich het lot hunner kinderen aan-
trekken. De beloften en gaven, door deze onkatholieke vaders tot
verleiding der moeder aangewend, blijven in den regel ijdel voor
hare kinderen.
Om de kosten der weezenverplcging te bestrijden worden
van Gouvernementswege aan vier christelijke gemeenten tocla-
gen verstrekt. Zoolang het alleen de verpleging gold van vrije
kinderen (de slaven-kinderen waren even als hunne ouders
eigendom, en moesten dus door hunne meesters verzorgd wor-
den), konden die subsidiën toereikend genoemd worden; toen
echter, na de emancipatie in -1803, het aantal weezen jaar voor
jaar bleef toenemen, en de Regeoring door hare tegemoetko-
mingen daarmede geen gelijken tred kon houden, begon de
verpleging der weezen de bangste zorgen te baren.
In de inrichtingen der Missie konden de behoeftige katho-
lieke weezen niet allen worden opgenomen. Vóór 18615 moest de
opname zich uitsluitend bepalen tot kinderen van vrijen; na
dien tijd moest die geregeld worden naar de geldelijke middelen,
waarover men kon beschikken, en dienovereenkomstig in het
belang van het Gesticht zelf, gelet op zeden en leeftijd der
kinderen, eenc keus onder hen gedaan worden. De kinderen, die
niet in het Gesticht kwamen, werden bij burgers uitbesteed,
doch bleven niettemin onder toezicht der Geestelijken. De ver-
bazende toename van het aantal weezen beeft langzamerhand
een geheel eigenaardigen en tot dan toe ongewonen werkkring
der Missie in het leven geroepen. Eén der paters is van het
jaar 1875 af steeds belast geweest met de zorg voor het uitbe-
steden der kinderen en het toezicht op hunne verpleging; met
het nagaan van hunne werkzaamheden en het doen aanleeren
van ambachten; met hun zedelijken wandel steeds te bewaken
en voor het bezoeken van kerk en school te zorgen. Waarlijk
die taak, dikwijls alleen voldoende om den priesterlijken werkdag
vol te maken, heeft door de velerlei alleronaangenaamste ont-
moetingen, met uitzondering van hare groote verdienstelijkheid,
wel niets benijdenswaardigs.
Gelijk wij in het vorige Hoofdstuk reeds zagen, waren de
Suriname,                                                                                                     21
-ocr page 353-
— 322 —
weesmeisjes reeds vóór de komst van Mgr. Stoinkels, ter opvoe-
ding toevertrouwd aan de goede zorgen der Eerw. Zusters.
Het getal der kinderen was evenwel spoedig te groot voor de
ruimte, welke de zusters in hare bekrompen woning konden af-
zonderen. Monseigneur besloot dan, op het erf der zusters, een
nieuw en tamelijk ruim weeshuis te doen bouwen, dat kerkelyk
ingezegend en, den 27 Februari 1808, op plechtige wijze in ge-
bruik genomen werd; do Gouverneur der kolonie en vele aan-
zienlijke personen waren daarbij tegenwoordig en getuigden
van hunne hooge ingenomenheid. In 1877 moesten die gebouwen
weder vergroot en voor het me\'erendeel geheel vernieuwd wor-
\'den. Als regel werd nu vastgesteld, dat de meisjes voortaan
niet vóór haar 2oste jaar het Gesticht mochten verlaten, maar
in het weeshuis zelf\' in handwerken en andere vrouwelijke be-
zigheden moesten geoefend worden. Een andere maatregel uit
die dagen (die later ook van kracht werd voor het jongens-
weeshuis) had de strekking, om voortaan slechts jonge kin-
deren, en onder deze de onschuldigste, in de Inrichting op te
nemen.
Het aantal weezen, die in de jaren 1866—1883 in het
meisjes-weeshuis verpleegd werden, was afwisselend tusschen
27 en 42; daarbij echter hadden de zusters ook doorgaans nog
eenige kostkinderen te verplegen.
Deze instelling der zusters welke van haren onvermoeiden
ijver en van hare meer dan moederlijke toewijding getuigt, ver-
dient haar den naam van »engelen van Gods Voorzienigheid." Het
Gesticht beantwoordt ruim aan de verwachtingen der Surinaam-
sche Maatschappij en bereikt ook, zooveel de toestanden het
gedoogen, zijn verheven doel.
De weesjongens, wier opvoeding tot 1866 aan eene be-
jaarde weduwe was overgelaten, kwamen nu, onder opzicht van
een der fraters, in de gebouwen naast de kerk. Dit weeshuis
met 12 of 13 jongens begonnen, wilde in de stad niet gedijen.
De ondervinding bewees, dat de grootere jongens, die bij dag
onder ambachtslieden in de stad werkten, eene aanstekelijke
lucht in het weeshuis medebrachten. Zij berokkenden zooveel
verdriet, dat men in 1872, toen nog slechts 6 jongens in het
Gesticht waren, tot het besluit kwam dit op te heffen, en, in
-ocr page 354-
— 323 —
afwachting van betore tijden, de overblijvende kinderen aan de
leiding van een gehuwd katholiek ingezetene over te geven.
Daar men inzag, dat het onmogelijk was de kinderen in            /
de stad voor den verderfolijken invloed der wereld, die elke
poging tot opvoeding verijdelde, te bewaren, begon men plan-
ncn te vormen tot vestiging van een weeshuis buiten de stad.
Daar zou men de kinderen voor vele gevaren kunnen behoeden,
hen tot een deugdzaam leven vormen, en, na het gewoon en
godsdienstig onderricht der jeugd, tot den landbouw kunnen
opleiden. Zulke instelling zou geheel met de maatschappelijke
belangen der kolonie overeenkomen, en ook voor den godsdienst
verreweg het verkieslijkst zijn.
De verlaten suikerplantage Liüorno, allergunstigst op 1 \'/,
uur afstand van de stad gelogen, werd den 5 Februari 1875
tot uitvoering van dit plan aangekocht. Men koesterde hierbij
do hoop, door het aanplanten van cacao, bananen, aardvruchten
enz., en door het aanbrengen van een veestapel op kleine schaal,
langzamerhand de fondsen te zullen vinden, om de onkosten der
stichting te dekken; tevens was hierin het middel gevonden, om
de grootere kinderen aan handenarbeid gewoon te maken.
Krachtig werd Mgr. Swinkeh in zijne onderneming terzijde
gestaan door den tegenwoordigen Apostolisehen Vicaris, die er
geheel de ziel van werd. Trouwens, de Bisschop zelf kwijnde
reeds langzaam weg, en hoewel hij dien dag zelven, de plaats
ging bezichtigen, waar aan zijne vrome wenschen, zoo vaak voor
de weesjongens gekoesterd, zou voldaan worden, als stichting
zou hij Livorno niet meer zien: het was zijn eerste, helaas, ook
zijn laatste bezoek.
Den 9 Februari ging een frater er heen om de voorloopige
werkzaamheden te leiden, en een en ander voor de ontvangst
van medebroeders in orde te brengen. Na weinige dagen volg-
den een pater en een frater-onderwijzer, en reeds den 1 Maart
1875 werd de stichting met 4 weezen en 2 jongelingen aspirant-
onderwijzers geopend. Het was vooral ten behoeve van het on-
derwijs, on meer bijzonder van deze wees-inrichting, dat het getal
leekebroeders nu spoedig en aanzienlijk vermeerderd werd. Uit-
muntend zijn de diensten, door deze fraters, vooral te Livomo,
met de moeste offervaardigheid bewezen, diensten, waarvan som-
-ocr page 355-
— 324 —
migc wellicht, r.aast die van Mgr. Grooff bij de melaatsclien,
in het boek des levens staan opgeteekend.
Het personeel aan Livorno verbonden bestaat uit één, soms
twee paters, vier of vijf fraters, van welke twee onderwijzers,
en een leek voor het opzicht.
Het getal kinderen bleef steeds toenemen: in 4880 waren
er 46, het volgend jaar 47, terwijl er verleden jaar 58 jongens
waren, namelijk: 30 Creolen, 43 Koelies, 4 Arrowak-Indiaan, en
44 Creolen boven de 45 jaren. Een der wcesjongens trad ver-
leden jaar in den echt en bleef te Livorno, waar hij eene woning
met eenig bouwland in huur nam, om het, na zijne dagtaak op
de plantage voltooid te hebben, voor eigen rekening te bewerken.
Een der andere jongens zal hem binnenkort hierin volgen.
Kinderen, die de vrouwelijke verzorging nog niet kunnen
ontberen, worden aan hiertoe uitverkozen personen toevertrouwd,
doch gaan zoo jong mogelijk naar Livorno.
Geheel in tegenstelling met het voormalig jongensweeshuis
in de stad, hcerscht te Livorno een uitmuntende geest; de kin-
deren zijn tevreden en gezond, de vroolijkheid ligt hun op het
gelaat, en zeer stichtend wonen zij de korte doch herhaalde
godsdienstoefeningen bij. Hun gezamenlijk gebed is, voor wie
het een eerste maal aanhoort, zeer treffend, en menig zangkoor
heeft het in den kcrkelijken zang niet zoover gebracht als deze
kinderen. In den regel biechtten zij niet alleen elke maand maar
worden ook waardig bevonden tot de H. Communie te naderen.
Het behoeft geen betoog, dat er in Suriname, na die van Li-
vomo
geen tweede school is, waar tegen den wettelijken leer-
plicht volstrekt niet gezondigd wordt. De verslagen voegen er
bij, dat men ook over de vorderingen der kinderen op school
reden van tevredenheid heeft. In een woord: ieder, die zijne
verwachtingen van deze door God waarlijk gezegende onderne-
ming, had afgemeten naar de kennis van de Surinaamsche jeugd,
in die kolonie zelve opgedaan, is tot de erkentenis gekomen, dat
die verwachtingen verre, zeer verre overtroffen zijn.
Wel is het te hopen, dat het toekomstig leven dier kinderen
dit voor Suriname althans heerlijke begin niet tot schande make!
Doch zouden er ook al eenigen onder hen gevonden worden, die
door de macht der verleiding medegesleept, uit het rechte spoor
-ocr page 356-
— 325 —
geraakten, wij gelooven, dat het zaad, te Livorno gestrooid, eene
levenskicm zal behouden, om ook later, bij de bezoeking van
Gods genade, nieuwe vruchten, vruchten van boetvaardigheid
voort te brengen. Inmiddels levert deze stichting reeds nu twee
stellige voordeden van onberekenbaar gewicht op: zij spaart aan
God tal van belcedigingen, en waarborgt den kinderen eene be-
trekkelijk zeer onschuldige jeugd.
Werd het doel van Livorno boven verwachting bereikt, het
geschiedde geenszins door het daartoe uitgekozen middel. God
wilde toonen, dat de stichting Zijn werk was en wezen moest,
en niet het werk van menschen. Livorno, dat nu vrij doelmatig
is ingericht, dat, met zijn lief kerkje, er zelfs aanvallig uitziet,
en het een en ander aanbiedt om het verblijf der kinderen te
veraangenamen; Livorno is niet, naar men gehoopt en onver-
moeid gepoogd had, door den landbouw geworden, wat het nu
is; maar uitsluitend en alleen door de... Christelijke liefdadig-
lieid!
De grootc kosten van bouwen, ontginnen en verplegen zijn,
met uitzondering alleen van de geheel ontoereikende alimentatie-
gelden, door weldadige Nederlanders gedragen. Geen menschelijke
vlijt of schranderheid, maar God alleen, die de goede gezindheden
in de liarten neerlegt,
heeft het zegel op dit werk gedrukt.
Maar zoo goed en voordeelig het is op de Voorzienigheid
te steunen, zoo vermetel en laakbaar zou het ook zijn, de men-
schelijke middelen geheel te verwaarloozen. Daarom bleef men,
in weerwil van allerlei tegenspoed, voortgaan met het ontginnen
van den grond, en is men daarmede thans vrij ver gevorderd.
Het schijnt zelfs, dat de tijd der beproeving nu ten einde loopt;
een blik op de tegenwoordige cultuur wettigt de hoop, dat God
zich eindelijk ook van de menschelijke medewerking tot zijn
werk zal willen bedienen, en dat de plantage zelve eenmaal in
het onderhoud van het Gesticht zal kunnen voorzien.
Wie van God goedkeuring en steun ontvangt kan die der
wereld ontberen. Heeft het intusschen der Inrichting niet ont-
broken aan waardeering bij aanzienlijke personen en autori-
teiten in de West, \') steun ontving zij slechts van de katholieke
milddadigheid in Nederland.
\\) Eén naam zij hier met eere vermeld: de tegenwoordige Gouver-
-ocr page 357-
— 326 —
II. Missie-reizen naar de Plantages en de Indianen.
1. Plantages.
Het bezoek van plantages en gronden (waarover in de twee
vorige hoofdstukken reeds veel gezegd is) werd, reeds twintig
jaren vóór de vestiging der onzen in Suriname, voor goed be-
gonnen en tot eene niet geringe ontwikkeling gebracht; het is
sedert dien tijd veeleer vermeerderd dan verminderd. In 18G6
werden reeds ongeveer 40 plantages of gronden door de Missio-
narissen bezocht; tegenwoordig zal dat getal, als wij de kampen
der Indianen, en de plantages van Coronie en Nickérie buiten
rekening laten, ongeveer 50 bedragen. Verscheidene plantages,
waarop reeds vóór het jaar 18öü dienst werd gedaan, worden
nog bediend; doch verschillende vroeger bezochte en toen goed be-
volkte plantages, zijn nu geheel verlaten of bijna ontvolkt, zoo-
als o. a. de plantage Esthersrust in de Warappa-kreek. De
wisselvalligheden der plantages en de verspreiding der negers,
op eene menigte grondjes en verlaten plantages, zijn van dien
aard, dat het moeielijk is daarvan een denkbeeld te geven. De
Missie-reizen zijn daardoor sedert 4873 veel moeielijker en min-
der merkwaardig geworden. Zeer velen ontsnappen thans aan
het oog des priesters, nu zij buiten het bereik, op alle punten
der kolonie met andersgezinden vermengd, in kleine groepjes op
gronden of in de goudvelden samenwonen. Om de maand of
om de twee maanden tracht men al de plantages te bezoeken,
die bij de godsdienstviering hare beurt hebben. Voortdurend
zijn er dan ook paters op reis.
De katholieke bevolking van al deze plantages en gronden
wordt begroot op ongeveer 3000 zielen.
Aan deze bevolking van het kustland sluit zich nog eene
andere aan, wier getal nauwelijks 1000 zal bedragen, \') en
wier bekeering wij hier gaan beschrijven.
ncur van Cura^ao, do Hoogedelgcstr. Hoor N. Van dim Brandhof, heeft
èn als district-commissaris èn als Agent-Generaal, do warmste sympathie
voor de onderneming niet alleen steeds betuigd, maar ook ondubbelzinnig
door daden getoond.
1) Keeds vroeger hebben wjj opgemerkt, dat do Indianen der boven-
-ocr page 358-
— 327 —
8. I»c Indianen.
De EE. PP. Donders en Ronime, die wij reeds als wercld-
lijke priesters leerden kennen en in de Congregatie des Allcrh.
Verlossers zagen opgenomen, zonden de voorloopers worden hun-
ner medebroeders in het schoone werk van de bekecring der In-
dianen. Zij slaagden daarin zoo goed, dat de halve Indiaansche
bevolking binnen een vijftal jaren katholiek mocht heetcn. In
vroeger jaren konden de Missionarissen geen gevolg geven aan
hun verlangen om de Indianen te bekeeren; zij waren te weinig
in getal. Wel werden in de stad en elders ecnige Indianen-kin-
deren gedoopt; doch in hunne kampen drongen de Missionarissen
niet door. Wennekers doopte in 1820 en 1821 zes Indianen-
kinderen in de stad; Mgr. Groo/f diende in 1829 den H. Doop
toe aan twee Indianen, en dacht, bij de stichting van Batavia,
zeer bepaaldelijk aan den toekomstigen werkkring der daar te
vestigen Missionarissen onder de Indianen. De latere Missbna-
rissen hebben ook meermalen ontmoetingen met hen gehad; zelfs
werden eenige Arrowakken door den Hoogeerw. Heer Meurkens,
tijdens diens verblijf op de plantage Külenstein, in den godsdienst
onderwezen; maar het opzoeken dezer natuurmenschen in hunne
bosschen was aan de twee bovengenoemde paters voorbehouden.
Op den 2-4 October 1867 werd het eerste priesterlijk bezoek
aan een Indianenkamp gebracht door den E. P. Romme, ter-
wijl de E. P. Donders in het begin van 18(58 het bekeerings-
werk in de Boven-Saramacca aanving. Reeds in 18G8 meldde
Mgr. Stvinkels, dat zes Indianen-kainpen door de Missionarissen
bezocht werden: één in de Boven-Saramacca, één in de Orelana-
kreek,
één in de Kalabas-kreek bij Batavia , één in de Boven-
Saramacca
op Kraai\'s hoop, één in de 7tW(i-rivier en één inde
rivier Waijombo; de vier laatste kampen werden door den E. P.
Donders bezocht. In de maand Mei 1868 doopte de E. P. Romme
voor het eerst eenige Indiaansche kinderen in het kamp der
Arrowakken, op de verlaten plantage Overbury, ruim 8 uren
landen veel talrijker zijn dan die djr kuststreken; zij komen echter
nooit in aanraking met de ovwige bevolking, en zijn met de bestaande
middelen voor den Missionaris ontoegankelijk.
-ocr page 359-
— 328 —
van de stad, aan de Suriname gelegen. In dezelfde maand (8
en 9 Mei 1868) doopte ook de E. P. Donders de eerste Indianen
op Kraai\'s hooi), onn
P1UU\' uron boven La Ressource gelegen,
waar toen 25 tot 30 Arrowakken voor den eigenaar Kraai
werkzaam waren; zij bouwden eene kerkhut, welke de E. P.
Donders den 30 Aug. 1870 onder aanroeping van den H. Alphon-
sus Maria de Liguori inwijdde. Den 11 November 1871 bezoelit
Mgr. Swinkels dit kamp op zijne terugreis van Batavia, waar
hij het H. Sacrament des Vormsel had toegediend. Na eerst de
plantage Jóhanna Catharina met zijn bezoek vereerd en er ge-
vormd te hebben, deed hij Kraai\'s hoop aan en diende er het
H. Vormsel toe aan een vijftiental Arrowakken. Daar waren
toen 35 gedoopten, 5 paar gehuwden en 15 communicanten.
Deze Indianen waren werkzaam en gedroegen zich goed, en het
is te betreuren, dat ze niet in grootere getallen samenwonen,
en aan vaste standplaatsen verbonden blijven; ook Kraai\'s lioop
is na eenige jaren opgebroken, en de Indianen hebben zich op
andere punten neergezet,
In het bovengenoemd jaar 1868 begon de E. P. Donders
het bekeeringswerk der Caraïben, een veel woester en wan-
trouwender volk, en meer aan den drank verslaafd dan de Ar-
rowakken.
De volwassenen zijn, om hunne onverschilligheid en
bedorven zeden, minder voor den godsdienst toegankelijk. Den
27 Mei 1868 doopte de E. P. Donders in do Tibiti 5 Caraïbische
kinderen, den 5 Augustus 1868 in de Wayombo 7 kleinen, en
ook reeds vroeger in de Cocsewijne eenige kinderen; deze laatste
Karboeyer-Caraïben zijn in hetzelfde jaar naar de Kalabas-kreek
vertrokken, op een half of drie kwart uur afstands van Balavia.
In September 1870 bezocht dezelfde ijverige Missionaris van
Batavia uit, voor het eerst de Arrowakken en eenige War-
rauwen,
die ten getale van ongeveer 130 in een uitgestrekt
kamp, in de rivier Maratacca, vereenigd waren. Deze Indianen
zijn gedurende zeven jaren door den Missionaris in den grooten
drogen tijd bezocht. De reis geschiedde per tentboot langs den
rivierwcg, door de Coppename, Wayombo, Nickérie en een paar
dagen varens in de Maratacca zelve, die op nagenoeg 12 uur
afstands van de zeekust in de Nickérie valt. Zij vereischte een
vaart van zeven of acht dagen, zoodat een bezoek bij die In-
-ocr page 360-
— 3\'29 —
(lianen minstens drie weken vorderde. Dewijl zij godsdienstig
gestemd schenen, en veel ijver betoonden om God te lecren
kennen, getroostte men zich de offers dier moeilijke en dure
reizen. Bij het eerste bezoek reeds lieten zij al hunne kinderen
doopen. In September 1871 doopte de Missionaris 45 volwassenen,
welke met de kinderen te zamen, reeds het getal van 90 ge-
dooptcn uitmaakten; 16 paren gingen een wettig kerkelijk huwe-
lijk aan. Deze Indianen schonen wel godsdienstige gevoelens te
hebben; maar hunne oude liefde voor een zwervend leven ver-
nietigt al het goede. Sinds een zestal jaren zijn zij naai- de
Corantijn vertrokken, op een punt, waar zij voor den Missio-
naris ongenaakbaar zijn.
Den 12 November 1868 bezocht de E. P. Romrne voor de
eerste maal een Ar ro wakken-kamp van veertig personen, nabij
den verlaten militairen post Monpellier in de Orelana-kreek.
Toen de famillie O\'Ferrall zich op de plantages Sam-souci ge-
vestigd had, verzocht zij de Geestelijken herhaaldelijk «laar kerk
te komen houden en de Indianen te onderwijzen. Den i\'3 No-
vember doopte de pater daar zeven Indiaansche kinderen en
cenc zieke volwassene. De overige volwassenen werden in Oetober
1869 en Maart 1870 bijna allen gedoopt en in het huwelijk
verbonden. De meesten der volwassenen en kinderen, die de
noodige voorbereiding genoten luidden, werden den k22 December
1871 tot de II. Tafel toegelaten en den 13 Augustus 187:2 door
Mgr. Swinkelu gevormd. Deze Indianen waren over het algemeen
zeer goed onderwezen; enkelen konden zelfs lezen en schrijven;
daarenboven waren zij zeer ijverige christenen, want eiken mor-
gen en eiken avond werd gezamenlijk gebeden; eiken Zondag
vergaderden zij ter godsdienstoefening op de plantage Sans-
nouci,
onder leiding van den neger-bastiaan Jan Baptist de
Meer.
Als de priester hen bezocht, biechtten en communiceerden
gewoonlijk alle communicanten. Do dronkenschap, welke vroeger,
zelfs onder de vrouwen, zeer algemeen was, had bij de laatsteu
geheel opgehouden, terwijl ook de mannen, onder dit opzicht, maar
zeer zelden reden tot klachten gaven. Gelijk de meeste Arro-
wakken,
leefden zij in vrede en eensgezindheid; schoten zij een
groot stuk wild, dan verdeelden zij dit onder elkander; want
liefhebbers van jacht en visscherij bleven zij nog steeds, alhoe-
-ocr page 361-
— 330 —
wel de Arrowakken van Sans-souci veel werkzamer waren dan
vóór hunne bekeer ing tot het christendom. De piaiman of zoo-
genaamde priester, die den geneesheer en duivelbezweerder speelt,
was onder hen onbekend; trouwens de Arrowakken houden don
piaiman minder in eere, dan de Caraïben. In één woord, die
menschen schenen , zoo voor tijd als eeuwigheid, een gelukkig
leven te leiden. Jammer dat ook die Arrowakken niet voortdu-
rend onder de goede leiding en onder het bereik der priesters
zijn gebleven! Tot op don huldigen dag zijn er eenige Indianen
in de Orelana-kreek; doch hun getal is wel de helft minder.
Den 17 Januari 1870 bezocht de E. P. Ronvme voor het
eerst een Indiancn-kamp van Arrowakken, een veertigtal zielen
sterk, aan de Para-rivier, ongeveer drie uren boven den hout-
grond De. vier kinderen. Wijl zij moeielijk te genaken waren,
werden zij zelden bezocht, en waren nog weinigen gedoopt, toen
de E. P. Jlomme er den 24 Aug. 1874 weder een bezoek bracht.
Bij het eerste bezoek doopte de Missionaris eene oude vrouw,
de moeder van den kapitein, welke kort daarna stierf. Bij eene
andere gelegenheid diende hij het doopsel aan twee kinderen
toe, en op den 25 Augustus 1874 las hij er de H. Mis, waarbij
tien Indianen, afkomstig van de Orelatia-kreek, communiceerden.
De hut was net met groen en loof versierd, en het kruis prijkte
boven de hut. De ongwloopten waren er door getroffen en boden
zich voor den H. Doop aan, waartoe de wclonderwezenen en
gedoopten uit de Orelana-kreek hen zouden voorbereiden.
De Arrowakken van Overburg aan de Suriname vertrokken
op liet einde van 1868. althans gedeeltelijk, naar de Cassipoera-
kreek,
ruim een uur boven de oude Joden-Saranna, waar zij
twee jaren verbleven. In dien tijd werden zij , om de moeilijk-
lieid der reis, zeldzamer bezocht, en werden geene volwassenen,
maar alleen kinderen gedoopt; de gewone onderrichtingen hadden
nochtans plaats.
In 1871 waren de meesten op Operburg wedergekeerd, en
het was in de maand Augustus van dat jaar, dat de E. P. llomme
zeven volwassenen doopte en één huwelijk inzegende. Bij die-
zelfde gelegenheid werden nog twee andere kampen, doch zon-
( der goed gevolg, bezocht. Het eerste kamp bestond slechts uit
vijf of zes personen, en was gevestigd op eene oude verlatene
-ocr page 362-
— 331 —
plantage, naast de plantage La Simplicitc; het tweede lag aan
de Poewakka-kreek en telde ruim 30 personen. De Missionaris
wilde hen later menigmaal bezoeken; doch telkens waren de
meesten afwezig, on toonden weinig godsdienstzin. Op Overburg
hadden, den 6 Maart 1874, zes Indianen het geluk voor de
eerste maal tot de 11. Tafel te naderen, in de versierde hut van
den kapitein; hunne veelvuldige afwezigheid had verhinderd, dat
zulks reeds vroeger p\'aats had. Op het laatst van 187i schreef
de E. P. Romme, flat er nog slechts twee of drie van dat Ar-
rotvakknn-kamp
ongedoopt waren. Ten bewijze, hoe zij verlangen
vóór hun sterven gedoopt te worden, haalt hij het feit aan, dat
twee ongedoopten kort te voren op hun sterfbed het doopsel
verlangden, en naardien geen priester aanwezig was, door een
dei- best onderwezen Indianen gedoopt werden. Onder deze In-
diancn heerschte eensgezindheid en ecne geregelde levenswijze;
men hoorde zelden van dronkenschap; de gehuwden leefden in
vrede en liefde met elkander, en ook de piaiman was verdwe-
nen. Ten slotte schrijft de Missionaris de volgende aanmerking
neer: »Hoe meer zij zich aan elkander sluiten en hoe minder zij
smet de buitenwereld, hetzij met negers, hetzij met blanken, in
«aanraking komen, des te zaliger voor hen!" Toen de E. P.
Romme, tusschen 10 en 18 October 1874 de Boven-Suriname
bezocht, waren de Indianen van Overburg bezig hutten en
kostgrondjes in gereedheid te brengen, bij een kreekje tegen-
over de verlaten suikerplantage VEspémnce, een uur hooger op
dan Overburg; zij waren voornemens hun kamp te verlaten en
zich bij Surimombo te vestigen, waar Joseph Tam, die in 1876
als catechist bij de Indianen der Tïbiti werd aangesteld, in
hunne nabijheid verbleef.
Aan de Casaipoera-kreek, boven de Joden-Sa vanna, wonen
in bet bosch Caraïben; eenigen hunner waren afkomstig van de
rivier de Maroioijne en door Fransche priesters gedoopt. Deze
Indianen lieten hunne kinderen doopen, doch waren overigens
zeer verslaafd aan den drank, en toonden weinig godsdienstzin.
Van tijd tot tijd worden zij bezocht; maar, behalve het doopen
van kinderen, dragen die bezoeken weinig vrucht. Het gebeurde
daar eenmaal, dat de E. P. Romme een kind van twee jaren
zou doopen. Het kind was ziek en ontwikkelde desniettemin
-ocr page 363-
— 332 —
eenc zoo groote kracht, dat twee mannen het nauwelijks konden
stil houden. Het schreide, sloeg, stampte en bood zulken tegen-
stand, dat de pater moeite had het te doopcn. Nauwelijks echter
heeft het water des doopsels het kind gezuiverd en geheiligd, of
zie, het komt tot bedaren en laat zich, na afloop der plechtig-
heid, goedwillig cene gewijde medaille door den pater om-
hangen !
Ruim een uur boven post Gelderland bestond toen ook
een ander klein Iudianeri-kamp, Hoeka genaamd, welks bewoners
zich uit eigen beweging tot den doop kwamen aanbieden. De
bovengenoemde Indianen-kampen werden ook na 1874 door ver-
schillende Missionarissen bezocht, en nog andere kampen van
tijd tot tijd ontdekt. Uit hoofde; der veelvuldige verhuizingen
van die boschmenschen, is het moeilijk hunne woonplaatsen te
bepalen. In het jaar 186!) bepaalde Mgr. Suünkels de door de
Missionarissen bezochte Indianen-kampen reeds op \'11, namelijk
twee aan de Suriname, één aan de Orelana-kreek, éen in de
Boven-Saranutcca, éen in de Kalabas-kreek, drie in de Tibiti
en drie in de Waijombo. De bevolking van die elf kampen werd
geschat op ongeveer 420 personen; 163 Indianen waren dat
jaar gedoopt en drie huwelijken bij hen ingezegend.
Op ultimo December 1870 luidde het verslag des afgeloo-
pen jaars: 10 Indianen-kampen bezocht; gezamenlijke bevolking:
565 zielen, van welke 218 gedoopt, en 28 paren kerkelijk ge-
huwd zijn. In latere jaren is het getal bezochte kampen eer af-
dan toegenomen, wijl de Missionarissen de verhuizende Indianen
niet overal konden volgen; zooincde moest het groot aantal
doopsels der eerste vijf of zes jaren allengs verminderen. In
het jaar 4872 werden nog 14 Indiaansche kampen bezocht, en
het getal doopsels steeg tot 128, terwijl 24 echtverbintenissen
onder hen gesloten werden. Wij zouden bij benadering het aan-
tal gedoopte Indianen tot op het einde van 1875, kunnen schat-
ten op, 500, en tot liet einde van 1883 op nagenoeg 800, en
dus over 10 jaren, op een gemiddeld getal van 50 per jaar.
Hieronder zijn ook zij begrepen, die in de stad, of op plantages
en gronden buiten de eigenlijke kampen, van tijd tot tijd ge-
doopt werden. De sterfte schijnt onder hen, evenals onder de
negers, met de geboorten gelijk te staan, of die te overtreffen;
-ocr page 364-
— 333 —
de Indianen toch worden niet talrijker en zijn thans ongeveer
75<>/0 onder het getal, waarop zij in 1804 door den Raad-Boek-
houder- Generaal Ileslntijsen geschat werden; waren er toen
drie of vier duizend, tegenwoordig kan men er bezwaarlijk 1000
tellen. Wij spreken alleen van de Indianen der benedenlanden.
Zijn de drie ons bekende stammen tot zoover uitgestorven? Of
hebben de meestcn zich in de bovenlanden teruggetrokken? Wij
weten het niet.
De van 1868—1883 gesloten huwelijken onder de Indianen
worden op ruim honderd geschat, en de communicanten, of
liever zij, die sedert 1808 tot de H. Communie zijn toegelaten,
kunnen bij benadering op een gelijk getal genomen worden.
Den 1 Juni 1870 werd door toedoen van den E. P. Don-
ders,
de Caraïber-Indiaan, Christiaan, door den- commissaris der
inlandsche bevolking, G. buijekinek, aangesteld tot Groot-hupi-
tein der Caraïben,
die aan de Saramacca, Coesewijne, Kalabas-
kreek, Coppename, Tibiti
en Wayombo hun verblijf houden.
Die Cltristiaan heeft niet onder alle opzichten aan de verwach-
tingen, die men van hem ter bevordering van den godsdienst
koesterde, beantwoord.
De Marowijne, de grensrivier ten Oosten, waar zich ook
verscheidene Indiaansche kampen bevinden, is naar ons beste we-
ten, nooit door een Missionaiis van Suriname bezocht geworden.
Vele Indianen zijn er in den loop der jaren door Franschc Mis-
sionarissen gedoopt; cenigen hebben het doopsel te Paramaribo
ontvangen, o. a. liet een hunner kapiteins, den 20 en 21 Au-
gustus 1872, twaalf kinderen doopen; den 2 Maart 1873 werden
weder twee kinderen ten doop gebracht.
Hoeveel Indianen zich in de benedenlanden aan de Maro-
wijne
bevinden, kunnen wij niet bepalen. Zij wonen, zooals
overal elders, zeer verspreid, in groepjes verdeeld, en schijnen
ook nog zeer verslaafd aan sterken drank.
Nederzettingen van Boxclmerjers worden door de Missiona-
rissen niet bewerkt; zij zijn over het algemeen zeer bedorven
van zeden en sterk aan bijgeloovigheid en afgoderij gehecht.
De moravische broeders, die lang en veel op de bekeering dier
ongelukkigen werkten, konden in weerwil van de rekkelijkheid
en toegeeflijkheid hunner leer, niet slagen.
-ocr page 365-
— 3?4 —
Zoowel do volwassen Indianen, als de Boschnegers spreken
het Ncgerengelsch, ofschoon o]> hunne eigenaardige wijze. Onder
elkander spreken de Arroioakken hunne eigene Arrowaksclie
taal, evenals de Caraïben hun Caraibsch, dat wederom geheel
van het Arrowaksch verschilt. De kinderen, die nog niet of
weinig in aanraking zijn gekomen met de Negercngelsche
bevolking, spreken slechts hunne moedertaal. Een Arrowak zal
ook Negerengelsch spreken met een Caraïbe, wijl zij elkander
anders niet verstaan. In beide talen vindt men eenige woor-
den van Spaanschen of Portugeesehen oorsprong, die duidelijk
aantooncn, dat hunne voorvaders met die Europceschc volkeren
verkeer hadden.
Gave de goede God, dat die menschen hun nomadisch
leven verlieten, en zich beter naar de wetten en gebruiken on-
zer gewone maatschappij konden voegen!
III. De Statiën Coronie en Batavia.
Geene plaats in de kolonie, waar de katholieke godsdienst,
in evenredigheid tot de bevolking, zooveel toenam als te Coronie.
Zijne bewoners wisten, althans onder dit opzicht, de verworven
vrijheid bij uitstek wijselijk te benuttigen. Mgr. Swinkels be-
zocht dit gedeelte van zijn Vicariaat voor het eerst in 1867.
Hij vond er ongeveer 730 katholieken, voor wie kerk en school
langs een goeden weg toegankelijk waren. Zij verkeerden der-
halve, voor de beoefening van den godsdienst in gunstiger om-
standigheden dan eenige andere bewoners van het Surinaamsche
grondgebied, die van Paramaribo alleen uitgenomen. Nergens in
de buitendistricten werd eene bevolking gevonden, die zoo goed
onder bet bereik lag van het woord en de waakzaamheid dei\'
apostolische arbeiders. Geen wonder, dat het besluit spoedig
genomen was, om de bebouwing van dit open veld met versche
en vermeerderde werkkrachten aan te vangen, te meer nog,
wijl de bejaarde pastoor sinds lang te gebrekkelijk geweest was,
om de kudde behoorlijk na te gaan, en hij zich tot het verkon-
digen van Gods Woord en de bediening der H. Sacramenten
binnen de kerk had moeten bepalen.
Den 4 September 1867 kwamen twee paters te Coronie
-ocr page 366-
— 335 —
aan, ter vervanging van den Weleerw. Heer Theod. Kempkes,
wien een lichtere! werkkring in de stad werd aangewezen.
Te Coronie bediende men zich ter gewensclite verbetering
hoofdzakelijk van dezelfde middelen als in de stad, namelijk
meer uitgebreid godsdienstonderricht en veelvuldig huisbezoek,
lederen dag gaven de paters, even als pastcor Kempkes ge-
daan had, onderwijs aan de kinderen; en in den namiddag giu-
gen zij (wat de pastoor niet konde doen) geregeld de katholieken
in het rond opzoeken, om de lauwen aan te wakkeren en de
plichtvergeteneu te berispen. Toen in 1877 het onderwijs aan
de fraters werd opgedragen, konden zij zich onverdeeld aan het
geestelijk dienstwerk toewijden.
Reeds in 1809 werd op plantage Bumsi.de, twee en een
half uur afstand van Cardross gelegen, eene hulpkerk geopend,
waarin sedert dien lijd eiken Zondag de H. Dienst verricht, en
een of andermaal in de weck onderrichting gegeven werd. De
bediening van deze hulpkerk was gevraagd door den Directeur
dier plantage, den Weledelen lieer Alphred Howard, die eiken
Zondag paard en rijtuig ter beschikking stelde van de paters.
Toen deze plantage later in andere handen was overgegaan,
werd het voor de bediening van Bumside noodig voortaan op
Coronie paard en rijtuig te houden.
Nadat in 1875 de standplaats der Geestelijken op de
plantage Mun/s-hope gevestigd was, bleef men toch voort-
gaan, een of tweemaal in de weck, de H. Mis op Cardross te
lezen, ten behoeve der daar nog wonende katholieken. Dan, in
den loop van \'t verleden jaar 1883, werd op verzoek van den
eigenaar der plantage (denzelfden Heer Alphred Howard, die
de vestiging der hulpkerk op Bumside had uitgelokt) de oude
kerk van Cardross naar Welgelegen overgebracht. Daar zijn
dus tegenwoordig 3 kerken te bedienen: eene op Manfs-hope,
eene op Bumside en een derde op Welgelegen. Te Mari/s-liope
verblijven twee paters, en ook twee leekebroeders, die met
het onderwijs belast zijn.
Voor zooveel de plaatselijke omstandigheden het toelieten,
werden de oefeningen, die wij in de stad zagen invoeren, ook
van den beginne af gebruikelijk te Coronie.
In 1876 werd er de H. Familie begonnen, die op ultimo
-ocr page 367-
— 336 —
December 1872 reeds 84 mannen en 148 vrouwen telde; in
1870  werd het Begrafenis-genootschap even als in de stad in-
gevoerd. De Broederschap van het Allerheiligste Hart van Jezus,
en de plechtige processie met het Allerheiligste Sacrament, buiten
de kerk, dagteekenen van hetzelfde jaar. In 4877 werd ook eene
kinder-congregatie, zoomede het Mishooron der kinderen vóór de
school, of de zoogenaamde kindermis ingevoerd.
We meenen met deze toelichting over de werkzaamheden
te Coronie te kunnen volstaan, en laten hier het verslag volgen
van de vruchten, die ze opleverden.
In 18G7 hadden op eene katholieke bevolking van 730 zielen
slechts 22 personen Paschen gehouden, en toch waren er maar
4 of 5 personen die, ofschoon reeds communicanten, hunnen
paaschplicht verzuimden. Vóór den 19 Juli 1807, badden name-
lijk op de Kust zelve, in een tijdsverloop van 20 jaren, (1842
tot 1807), slechts 20 personen hunne eerste\'H. Communie ge-
daan. Op genoemden dag, 19 Juli, en daarna communiceerden
voor de eerste maal 23 personen, zoodat er aan de Kust in 20
jaren, alles te zamen, slechts 43 eersteH. Communiën waren. Do
communicanten van elders op Coronie gekomen, blijven hier buiten
rekening. In al die jaren werden slechts 05 huwelijken kerkelijk
ingezegend. Het totaal doopsels bedroeg 1240, dus gemiddeld
ongeveer 48 in het jaar.
De katholieke bevolking, die op ultimo December 1807 op
730 zielen begroot werd, was in 1875 tot 1150 gestegen. Van
1808 tot 1875 ingesloten werden 431 kinderen en 194 volwas-
senen gedoopt. In acht jaren was dus het gemiddeld getal
54 kinderen, en 24 volwassenen, te zamen 78. Het onmiddelijk
daaraan voorafgaand achttal jaren van 1800 tot 1867 gaf slechts
een gemiddeld getal van 41 doopsels.
Van 1800 tot 1807 werden 23 huwelijken gesloten; gedu-
rende de eerstvolgende acht jaren 88.
De eerste Communiën van 1860 tot 1867 waren 25, en die
van 1868 tot 1875 bereikten het getal 480.
Het ontvangen der H. Sacramenten nam jaarlijks zoozeer
toe, dat het getal communiën in vijf jaren tijds meer dan
Verdubbeld was; immers in 1870 werden ongeveer 1520, in
1871  reeds 2220 en in 1875 meer dan 3000 communiën uitge-<
-ocr page 368-
— 337 —
reikt. Bij de ontheffing der negers aan het Staatstoezicht, op
1 Juli 1873, telde de Kust 350 communicanten. Na 1875 zijn
de boven aangegeven getallen niet in dezelfde verhoudingen blijven
toenemen. De communicanten, jaarlijksche communiën en de
totale katholieke bevolking zijn vermeerderd; doch do doopsels
van volwassenen en huwclijkscontracten moesten allengs afnemen
en bijgevolg mindere cijfers aanbrengen.
Do Weleerw. Heer Kempkes telde in 1807 ongeveer 80 bij
hem schoolgaande katholieke kinderen; in de volgende jaren tot
1877 werden de scholen jaarlijks bezocht door 100 tot 150 kin-
deren. De oprichting van 2 Gouvernementsscholen was oorzaak
dat dit getal na 1877 verminderde. Sommige kinderen, die twee
ja twee en een halfuur ver te Cardfoss school kwamen, konden
toen eenc andere school dan die der moravische broeders in de
nabijheid vinden.
Op het Leprozen-etablissement Batavia bleef alles zijn ge-
wonen gang houden. De bevolking is er sinds tal van jaren aan
het dalen: In 18G0 telde men 200 verpleegden, in 1872 slechts
148, en in de laatste 5 jaren omtrent 100. Doch behalve de
verpleegden zijn nog vele andere personen aan het gesticht ver-
bonden. Bijna alle bewoners zijn katholiek en op het stuk van
godsdienst meer voor- dan achteruitgegaan. Ook daar bestaat
sedert 1872 de Broederschap der 11. Familie, die 30 mannen en
30 vrouwen telt. Ongeveer een duizendtal communiën worden
er jaarlijks uitgereikt. Een paar jaren uitgezonderd hielden er
gedurende al dien tijd twee paters hun verblijf, die echter tevens
niet de bediening der plantages in de Saramacca en het be-
zoeken van verscheidene lndianen-kampen belast waren.
We sluiten dit artikel met een algemeen overzicht der
apostolische werkzaamheden gedurende het tijdvak van 18jaren;
doch vragen onzen lezer vooraf een algemecnen maar aandach-
tigen blik te werpen op al den apostolischen arbeid, zoowel van
Mgr. Swinkels en zijn Doorluchtigen Opvolger, als van hunne
ijverige mede-arbeiders in den wijngaard des Heeren.
Wij veroorlooven ons daarbij zijne aandacht te vestigen op
de volgende bemerkingen:
De grondslag van al die werkzaamheden was de geest van
geloof, van hoop en liefde, gestadig gevoed door een leven van
Suriname.
22
-ocr page 369-
— 338 —
opoffering en gebed, gesteund door heilige voorbeelden, vernieuwd
en opgewekt door warme aansporingen.
De Apostolische Vicarissen en hunne medebroeders waren
religieuzen, die het leven van den kloosterling, volgens den geest
huns H. Stichters, met alle nauwgezetheid trachtten te paren
aan het leven des Apostels, en in liefderijke eendracht saam te
werken.
Eindelijk we zagen hen, al hunne kracht zoekend in een
vertrouwvol gebed, in de devotie tot Jezus, Maria en Joseph,
de geestelijke belangen van Suriname voor den troon des Aller-
hoogstcn bepleiten, terwijl zij alle krachten inspanden om iets
van hunnen geest in het hart der hun toevertrouwde geloovigen
over te storten.
En nu vragen we in gemoede: Zou het mogelijk zijn, dat
de katholieke Surinaamsche Missie daaruit hoegenaamd geen
voordeel had getrokken? Moest niet een milde zegen des Hemels
en een vruchtbare regen van genaden nederdalen op den arbeid
der Missionarissen en op den overigens in geestelijken zin zoo
drogen en ondankbaren grond der Surinaamsche bevolking? Neen,
het bevreemdt niet, dat het katholieke leven in Suriname voor-
uitging, maar het mag bevreemden, dat het bij al die middelen,
niet meer toegenomen heeft.
Den 31 December 1860 kondigde Mgr. Swinkels het voor-
schrift af dat voortaan de priester, na elke vastgestelde Mis,
aan den voet des altaars, de Litanie van O. L. V. met de ver-
gaderde geloovigen zou bidden, om door de machtige tusschen-
kornst der allerh. Maagd de bekeering van Suriname af te
smeeken. De reden, die destijds Mgr. bewoog, bestaat nog heden:
want hoewel veel verbetering te bespeuren is, Suriname is nog
verre van zijne halve, laat staan van zijne geheele bekeering
verwijderd.
Ziehier een beknopt verslag der doopsels, vormsels, huwe-
lijken, eerste Communiën en uitgedeelde hostiën, van de jaren
1866—1875:
-ocr page 370-
— 339 —
JAAR.
DOOPSH.S.
VOLWAS-
SEN Ulï-
KËERMN-
OEN.
VORMSFXS.
EERSTE
COHMU-
NiëN.
HUWE-
LUKEX.
GETAL
COMMUNlë.V
i 1806
433
95
258
488
20
i
10000 !
1867
553
158
2!)0
250
:35
12150 j
1868
725
228
200
205
54
13600 |
\' 1869
859
239
354
301
49
18295 i
1870
755
149
135
190
57
10500 |
! 1871
08 4
222
174
3-40
63
17090 |
1872
077
228
280
234
83
16636
1873
741
293
85
314
83
18085
1874
0U4
134
223
243
29
17810
1875
092
200
0
190
56
20148 ,
0723
1946
2011
2581
529
100914 Ij
Ofschoon wij niet durven verzekeren, dat bovenstaande lijst
in alle deelen juist is, zal die toch genoegzaam zijn om het
jaarlijksch gemiddeld getal der doopsels, enz. te leeren kennen.
De paasch-communiën werden ten jare 1806 berekend op 950.
Later is die berekening achterwege gebleven. Tegenwoordig
zou men 1000 communiën voor de stad en 1000 voor het overig
gedeelte der kolonie kunnen rekenen.
Wat de H. Hostiën betreft, zijn daaronder ook die begrepen,
welke de Eerw. fraters en zusters jaarlijks ten getale van 3000
tot 5000 ontvingen.
De gemiddelde getallen der jaren: 1868—1875, overtreffen
die der laatste acht jaren 1870—1883, uitgenomen alleen die der
uitgedeelde H. Hostiën. De redenen daarvan hebben we hier en
daar aangestipt, \'t Is niet alleen door het grooter getal fraters en
door het zusterhuis, dat de communiën vermeerderd zijn; een paar
honderd parochianen naderden ook in de laatste jaren dikwijler
tot de H. Tafel. Of het getal paasch-communiën sedert het jaar
1875 veel geklommen zij, is aan twijfel onderhevig; een nauw-
keurig toezicht daarop is in Suriname niet doenlijk.
Wel is waar toont zich het katholiek leven tegenwoordig\'
in menig opzicht duidelijker dan voor een achttal jaren; doch
met betrekking tot zedelijkheid en wettige samenleving is in de
-ocr page 371-
— 340 —
kolonie weinig of geen vooruitgang te bespeuren. De verslagen
geven jaarlijks 80"/,, onwettige geboorten aan; de maatschappij
is diep bedorven, en daarom is het niet alleen moeiclijk de
strenge wet des Evangelies ingang te doen vinden; maar ook
die in de harten der katholieken te bestendigen.
Het aantal katholieke doopsels, die jaarlijks aan kinderen
worden toegediend, bedraagt ongeveer een vierde van de totale
som der geboorten, welke buiten de Boschnegers en Indianen,
jaarlijks in Suriname worden aangegeven: rekent men de doop-
sels der volwassenen daarbij, dan verkrijgt men nagenoeg een
derde van de jaarlijksche vermeerdering der koloniale bevolking
door aankomst van buiten en door geboorte.
De sterfte nochtans en het vertrek uit de kolonie beletten
Suriname in bevolking vooruittegaan, en wat de katholiek-gc-
doopten aangaat, niet allen worden later katholiek opgevoed of
volharden in liet geloof huns doopsels. Daardoor wordt het ver-
schijnsel genoegzaam verklaard, dat, niettegenstaande het groot
getal doopsels onder eene bevolking van 12 of 13000 zielen, de
Roomsch-Katholieken, sedert ongeveer 20 jaren, hetzelfde zielen-
tal opgeven. Daar is nog eene andere belemmering voor de uit-
breiding des Christendoms; de negers namelijk zijn door sterfte
veel verminderd, en de arbeiders die hen vervangen, zijn bijna
allen heidenen, die zich in kleinen getale tot het Christendom
bekceren. Onder onze jaarlijksche volwassen bekeerlingen rekenen
wij de uit het heidendom bekeerde negers of kleurlingen, In-
dianen en cenigc C\'hineezen en Koelies, benevens een zeker getal
protestanten van verschillende sekten. "Wij eindigen dit verslag,
dat wij ter opheldering van sommige duistere punten, met
cenigc aanmerkingen hebben toegelicht, met een woord over
het tijdvak van den tegenwoordigen Apostolischcn Vicaris.
Naar wij reeds gelegenheid hadden om ons te overtuigen
heeft het bestuur van Monseigneur Joannes Henricus Schaap
zich meer bijzonder gekenmerkt door een nooit verflauwden ijver
voor de opvoeding der jeugd, vooral der weezen, door het be-
langrijk toenemen der godsvrucht onder de geloovigen en ook
door tal van Verbeteringen in de Missie op stoffelijk gebied.
Het getal der eerste H. Communiën, alsmede het maande-
l\\jks naderen tot de H. Tafel, gedurende twee jaren na de
-ocr page 372-
— 341 —
eerste II. Communie, is veel vermeerderd; liet kerkbezoek op
Zondagen, kan nu, bij dat van vroeger vergeleken, bevredigend
genoemd worden, en het ontvangen der Sacramenten is jaar
voor jaar vermeerderd, zoodat het getal Communiën sedert 1875
jaarlijks twee tot drie duizend meer bedragen heeft. In één
woord de godsvrucht nam zichtbaar toe en het beste en uitvcr-
koren gedeelte der katholieken is blijkbaar veel grooter gewor-
den. Hetzelfde durven wij niet bevestigen noch van het aantal
katholieken noch van dat der communicanten in het algemeen.
De katholieke bevolking der stad Paramaribo wordt thans
geschat op 7000, van Coronie op 1300 of 1400, van Batavia
op ongeveer 150, Livorno 70. De som dezer getallen overtreft
reeds ver het katholiek zielental. dat de koloniale verslagen, in
strijd met de jaarlijksche verslagen van bet Hoofd der katholieke
Gemeente, sinds jaren blijven opgeven. De katholieke bevolking,
op alle punten der kolonie verspreid, op plantages en gronden
woonachtig, kan zonder overdrijving, en zonder de gedoopte
Indianen daarbij te rekenen, op 4000 geschat worden. Zeker is
derhalve de opgave van dertienduizend katholieken, door de Mis-
sionarissen gegeven, niet te hoog. Het verschijnsel, dat het ka-
tholiek zielental ondanks het vermeerderd aantal doopsels niet
toeneemt, hebben we vroeger reeds verklaard. Wijl de aposto-
lische werkzaamheden van 187(5—1883 bijna gelijke uitkomsten
hebben opgeleverd als die van 1866—1875 hebben wij gemeend
hier in geen verdere bijzonderheden te moeten treden.
Van harte wenschen wij den onvermoeiden kerkvoogd van
Suriname, die bij het vele, wat hij aldaar ook op stoffelijk ge-
bied reeds tot stand bracht, nog den bouw eener nieuwe kerk
ondernam, den zegen Gods en den steun der christelijke liefda-
digheid, tot die onderneming zoo noodig.
Mogen de ijvcrvolle Missionarissen, die de onzen in Suri-
name voorafgingen, en wier laatste rustplaats (althans van
eenigen hunner) bij het opbouwen dezer kerk, op bijzondere
wijze door Mgr. Schaap werd verheerlijkt, mogen the Missiona-
rissen, door hunne voorspraak, ook den algeheclen opbouw van
Christus bespoedigen en bevestigen onder de bewoners van het
land, dat weleer aan hunne zorgen was aanbevolen.
Onder de sacristie der nieuwe kerk, welke de graven van
-ocr page 373-
— 342 —
Mgr. Grooff, van tien Hoogeerw. Van der Weyden, van kape-
laan Peters, alsmede van de grondleggers der Missie, Wenne-
kers
en Van der Horst bevatten, deed de Bisschop cene kapel
inrichten, waar de dierbare overblijfselen van genoemde Missio-
narissen voortaan zouden bewaard worden. Van de andere in
Suriname overleden Geestelijken, die op het algemeen R. K.
kerkhof begraven liggen, kon de overbrenging niet plaats heb-
ben. In de maand September 1883 vroeg Mgr. Schaap de noo-
dige vergunning van het Gouvernement, om het stoffelijk o ver-
schot der vijf Missionarissen, die met toestemming van het
Koloniaal Bestuur, op bekende datum achter de kerk begraven
waren, te mogen opdelven, en in passende nieuwe kistjes over
te brengen, naar den open grafkelder, onder den vloer van het
uiteinde der Sacristie aangelegd. Die vergunning werd verleend,
mits de opgraving en overbrenging in tegenwoordigheid van
den heer Commissaris van politie en van een geneesheer ge-
schiedde. In den namiddag van Zondag, 23 September, werd de
grafkelder, op machtiging van den Ordinarius, als begraafplaats
ingewijd.
Het was op Donderdag d. a. v. te vier uren in den namid-
dag, dat de plechtigheid begon; behalve het noodig getal arbei-
ders waren daar tegenwoordig de heer Commissaris van Politie,
de. geneesheer, de hoeren kerkmeesters J. I\'h. Haase en II.
Muller.
Monseigneur Schaap, in rochet en mozetta, was omge-
ven door tien priesters, een diaken, vier fraters, eenige koorkna-
pen, enz. De plechtigheid werd geopend met het yiVeni Creator,"
daarop volgde de Ps. Miserere, terwijl het graf van Mgr. Grooff
geopend en het gebeente verzameld werd. Onder eerbiedige
toeschouwing en hulpbetoon (het was onmogelijk voortdurend te
zingen of te bidden) bleef de assistentie tegenwoordig tot het
einde der plechtigheid die twee volle uren duurde. De delving
vooral der twee oorspronkelijke graven van den Hoogeerw. Heer
Van der Weijden en den Weleerw. Heer Peters, vercischte om
hunne diepte de meeste moeite. Vier kisten waren geheel of
bijna geheel vergaan; doch die van den Hoogeerw. Heer Van
der Weijden,
die in het water gelegen had, was geheel geble-
ven. Binnen de kist was alles vergaan, met uitzondering van
het gebeente dat geheel gaaf was, vooral de schedel en het
-ocr page 374-
— 343 —
hoofd, waar nog alle tanden in waren. Ook van Mgr. Groofl
was het gebeente tamelijk goed bewaard gebleven; doch van
de twee oudste hier begraven Missionarissen, die, de een negen,
de ander bijna zeven jaren, op het stadskerkhof gerust hadden,
voor dat Mgr. Grooff bun gebeente in andere kistjes gelegd en
naar deze plaats had overgebracht, alsmede van den Weleerw.
Heer Peters, waren wel overblijselen aanwezig, ze waren echter
niet in bun geheel en ook niet meer zoo gaaf gebleven.
Als nu de vijf verschillende kistjes, waarin het stoffelijk
overschot van ieder hunner afzonderlijk was neergelegd, geslo-
ten en in den grafkelder bijgezet waren, werd in het bijzijn
der bovengenoemde becren, het Libero, gezongen en de absolutie,
met de gebeden en de ceremoniën, even als bij eene uitvaart,
door Mgr. Schaap verricht.
Het behoeft wel niet gezegd, dat deze eerbiedwaardige ge-
beenten met heilige geestdrift naar een passender verblijf over-
gebraebt, en de eeuwige rust, zoo dit nog noodig wezen nr.ocht,
met vurigheid voor hen werd afgebeden. Zij toch waren de
voorgangers, en wegwijzers op het gedeeltelijk door hen open-
gekapt en ontgonnen terrein van Suriname, dat ook onder zede-
lijk opzicht wel een boschland mag heeten. We hebben echter
alle redenen, om het zoet vertrouwen te koesteren, dat die
moedige priesters reeds uit den hoogen hemel den strijd hunner
opvolgers gadeslaan en veel voor Suriname bidden.
Mochten er onder de bevoorrechten, die uit het Oosten en
het Westen zullen opstaan om met Abraham, Isaac en Jacob in
het rijk Gods aan te zitten, velen gevonden worden uit de Su-
rinaamsche Missie! Mochten die eerste Apostelen van Suriname
en hunne ijverige opvolgers, eens in den tempel van Gods
heerlijkheid hen allen ontmoeten, wier zielehcil hun hier op
aarde zoozeer ter harte ging!
ARTIKEL 3.
De BC. K. «emceiite onder stoffelijk opzieht.
Moest de katholieke gemeente zelve voor het onderhoud van
den eeredienst zorg dragen, al hare inkomsten zouden niet toe-
-ocr page 375-
— 344 —
reikend wezen ook slechts voor het bcnoodigde tot de dagelijk-
sche H. Offerande. Noch kerk noch armen beschikken over
eenig fonds, zoodat in alles voorzien moet worden uit de collec-
ten in de kerk, de twee jaarlijksche ommegangen aan de huizen
en de schrale opbrengst der huurplaatscn in beide kerken der
stad en die van Coronie. Alles wat ten behoeve van eeredienst
en liefdestichtingen tot stand is gekomen vloeide dus voort uit
bronnen buiten Suriname.
We laten hier eene kleine opgave volgen van wat daar op
stoffelijk gebied reeds tot stand gekomen is. De bijdragen dor
Surinaamsche geloovigen zijn onbeduidend, doch men houde in
het oog, dat onder opzicht van bemiddeldhcid die Gemeente
thans ver achter staat bij de eerste vijftig jaren dezer eeuw.
Toen waren er onder een klein getal katholieken vele bemid-
delde Europeanen. Thans zijn eigenaren en administrateurs
onder de katholieken zeer schaarsch, zoodat daar onze geloofs-
genooten voor verreweg het grootst gedeelte, tot de arbeidende
en mindere klasse behooren.
Bij de uitgaven voor doorloopende roparatiën, waaraan hou-
ten gebouwen steeds onderworpen zijn, werden grootere uitga-
ven reeds spoedig na de komst van Mgr. Swinkels noodzakelijk:
het vermeerderd personeel der Missie, liet toenemend kerkbezoek,
de hoogere eischen voor opvoeding en scholen waren daarvan
even zoovele oorzaken.
Aan de hoofdkerk, in "1826 door den Hoogeerw. Heer Van
der Weijden
ingezegend, moesten hoogst noodige herstellingen
en cenige veranderingen gedaan worden. Zij was veel te klein
om het volk, dat tot Mis hooren op Zondag verplicht is, te kiin-
ncn bevatten. Er waren gcene biechtstoelen; twee kleine sacri-
stieën, die voor hunne eigenlijke bestemming al veel te wenschen
overlieten, moesten daartoe dienst doen. Niet minder dan drie
toegangen, welke het volk tot de kerk had, leidden er toe om
het terrein van de kerk en van den tuin tot eene openbare
wandelplaats te maken: dit kon niet voortduren, rui de bcdie-
ning der kerk aan eene kloostergemeente was toevertrouwd. In
dat alles werd voorzien; en de gezamenlijke onkosten daarvan
beliepen reeds in 1870, vóór de kerk nog geschilderd was, de
som van f 3247.28, waartoe ook de katholieken van Suriname
-ocr page 376-
— 345 —
iets bijdroegen. Het gedeelte der kerk, dat, slechts door een
planken .schot daarvan afgescheiden, oorspronkelijk tot woning
der priesters gediend had, was er nu bijgetrokken. Het gebouw
was hierdoor geriefelijker en den eercdienst van den waren God
althans iets waardiger geworden; men was dus voor het oogen-
blik gered. Dan die bouwvallige comedie in een eigenlijke chris-
tenkerk te herscheppen bleek onmogelijk, haar zooveel te ver-
grooten als het toenemend kerkbezoek zoude vorderen was dit
evenzeer. Wat doen? Men bleef wachten; de noodzakelijkheid
evenwel van nieuwe kostbare reparatiën vertoonde zich jaar aan
jaar dringender en dringender. Eindelijk, daar zelfs de aanzicn-
lijkste uitgaven niet voldoende de mogelijkheid waarborgden, om
de oude kerk uit haren voortdurenden staat van bouwvalligheid
op te heffen, besloot Mgr. Schaap het bouwen van eene nieuwe
houten kerk in vertrouwen op de H. Voorzienigheid te onder-
nemen. Den 30 Januari 4883 zegende Mgr. den eersten steen
van het Godshuis, dat onmogelijk verrijzen kan zonder een
nieuw monument te worden der christelijke Liefdadigheid.
De Fraters-school en het jongensweeshuis werden in \'18(56
door Mgr. Swinkels in de oude gebouwen op het kerkterrein
na ecnige herstellingen gevestigd. Voor de burger jongensschool
werd, tegen een maandgeld van f 25, een huis in huur ge-
nomen.
Het vermeerderde personeel vorderde ook dat de priester-
woning merkelijk vergroot werd. Dit geschiedde tusschen de
jaren 1808 en 1873 en goedgunstige lieden stelden de Congre-
gatie daartoe in staat.
Aanvankelijk was het benedengedeelte der oude loge con-
conlia
tot kerk ingericht, waarschijnlijk niet het doel om het
bovengedeelte tot verblijf van een priester te doen strekken.
Trouwens de Zeerecrw. Heer Masker, pastoor der St. Rosa-
kerk heeft het een tijdlang daartoe benuttigd. Mgr. Swinkels
die nog geen personeel had om er eene communiteit van paters
te vestigen, (zoover is men eerst verleden jaar gekomen)
vond het, uithoofde van eene aangrenzende markt, eerbiediger
de kerk naar boven te brengen, te meer daar de beneden-
lokalen, die tot scholen werden ingericht geschikter zouden zijn
voor de kinderen. De onkosten, die daarop liepen bedroegen
-ocr page 377-
— 346 --
f 2908, terwijl de arme geloovigen f 279.47 daartoe offerden.
De aldus vernieuwde St. liosa-kork werd den 2(i December 1870
door Mgr. Swinkcls ingewijd. In 1873 werd zij met een fraai
altaar begiftigd; andere geschenken werden door dat eerste ge-
volgd, zoodat <S7. Rosa (vooral na de weder noodzakelijk ge-
worden roparatiën en de beschildering in 1881) een devoot
kerkje is geworden. Men ziet, dat de voortdurende herstellingen
de duurte in de gebouwen brengen en oorzaak zijn, dat do
waarde der houten kerken in Suriname bijna gelijk staat aan
die der steenen kerken in ons Vaderland.
Iu 187!) waren de armen-scholen der St. Jlosa veel te klein
geworden en beantwoordden niet aan de eisenen der wet. In
oen voornaam middelpunt der stad werd daarvoor een huis en erf
aangekocht, dat met de vertimmering op f 4000 te staan kwam.
In 1807 deed Mgr. Swinkels op liet erf der zusters een
tamelijk kostbaar weeshuis oprichten, dat echter in 1877 reeds
bijna geheel vernieuwd en vergroot moest worden. Ook waren de
schoollokalen der zusters niet meer naar de cischen der wet, en
tot kapel hadden zij in het geheel niets anders dan een in baar
woonhuis zelf afgezonderd vertrek. Dit alles maakte het aan-
bouwen van een geheelen nieuwen vleugel noodzakelijk.
Ook te Livorno had men aanvankelijk slechts een kamertje
tot bidplaats; later werd de oude stijlerij der plantage hiertoe
ingericht, tot eindelijk iu 1882 eene nieuwe kapel verrees tus-
schen het weeshuis en de priesterwoning. De oude gebouwen
welke men er aanvankelijk trachtte te benuttigen, zijn langza-
merhand alle afgebroken of geheel vernieuwd moeten worden.
Van de laatste jaren dagteekent ook nog een nieuw kerkje
in de rivier de Commeivijne op het terrein der plantage Bui-
tewust.
Het stuk grond waarop het staat (omtrent 0 bunders
groot) was in 1877 eigendom der R. K. Gemeente geworden-
Het kerkje, zeer bevallig aan de rivierzijde gelegen, werd den
27 Februari 1880 aan den IJ. Alphmisus Maria de Liguori
toegewijd. Het wordt om den anderen Zondag geregeld bediend,
als wanneer de naburige bevolking daar te zamen komt om Mis
te hooren en de H. Sacramenten te ontvangen.
Op de Rust vond Mgr. Swi\'nkrls kerk en pastorie in een
allerbouwvalligsten toestand. De uitgaven, iu 1800 gedaan om
-ocr page 378-
- 347 —
beide weer voor eenige jaren bruikbaar te maken, bedroegen
f 2550. Eenige negers schonken daartoe eenc bijdrage van f200.
Tot dergelijke godsdienstige doeleinden hebben diezelfde goede
lieden van Coronie nog enkele malen meer zulke collecten ge-
houden. De kerk van Cardrosspark, waarin buiten het altaar en
eenige banken geen kerkmeubel hoegenaamd te vinden was,
werd in 1872 door Hollandsche weldoeners niet een goed har-
monium en drie Munchenerbeelden versierd.
Toen de negerbevolking zich in 1871$, bij het eindigen van
het Staatstoezicht, voorgoed begon te verplaatsen, geraakte
Cardross binten het middelpunt der bevolking. Mary\'s-hope,
waar de eigenaar Dr Oldfield in 1874 een goed bouwterrein,
vlak naast het dorp Tottness, gratis had aangeboden, werd nu
tot standplaats gekozen. Er werd een Missiehuis gebouwd, dat
gedeeltelijk tot kerk, tot school en tot pastorie werd ingericht.
De kosten, waartoe de geloovigen f 1200 bijdroegen, beliepen
de som van f 14000.
Het kerkje, dat sedert 1869 op plantage Burnside bediend
wordt, is niet het eigendom der Missie maar behoort aan de
plantage zelve.
Gelijk in 1874 op plantage Mary\'s-hope, zoo werd ook in
het jaar 1883, door den Weledelen Heer A. Howard, een zeer
geschikt bouwterrein op zijne plantage Welgelegen aan de R. K.
Gemeente geschonken. Vervolgens heeft ZEd. van de afbraak
der kerk te Cardross, gedeeltelijk op zijne kosten, gedeeltelijk
op die der Missie, een nieuw kerkje op gemeld terrein doen
optrekken. De frater-architect onder wien al deze werken tot
stand kwamen, bewees dus gecne kleine diensten aan de Missie.
We eindigen deze ofschoon onvolledige opsomming van liet-
geen op stoffelijk gebied gedurende de laatste jaren gedaan
werd. We hebben daarbij geen melding gemaakt van de kerk-
hutten der Indianen, bij welker bouw geen architect noodig
is; ook slechts een enkel dier alleroorspionkclijkste Godshuizen
werd door den Apostel der Indianen, den Zeereerw. Pater
Petrus Donders, ter eere van den II. Alphonsus Maria inge-
zegend. Nog andere punten lieten wij onbesproken : het aange-
haalde zal genoeg zijn om den Lezer te doen beseften, hoe
dankbaar de weldoeners, die hen tot dit alles in staat stelden,
-ocr page 379-
_ 348 —
door de Missionarissen en de geloovigen van Suriname herdacht
worden , en met hoeveel vracht eene aalmoes voor de Suri-
naamschc Missie wordt geschonken!
Moge deze geschiedenis die Missie meer en meer doen
kennen en de rechtmatige belangstelling bij velen wekken!
Moge de ijverige Apostolische Vicaris, Z. D. H. Mgr. Schaap,
nog langen tijd de vruchten van zijn arbeid zien toenemen en
vermenigvuldigen! Mogen de Eerw. Paters en Fraters, die er
zich met zooveel liefde voor de onsterfelijke zielen ten offer
brengen, er met hun doorluchtig Hoofd getuigen van zijn, dat
de wensch, reeds door den Aartspriester Cramer geuit, en door
hen allen gekoesterd, in vervulling ging: »dat de Katholie-
ken van Suriname die der eerste Kerk in godsvrucht en ijver
evenaren!"
-ocr page 380-
BIJLAGEN
-ocr page 381-
1 Jt
e
J
ïAoo^eïi-"—\'•*cm^öco
;|
CJ
-O
f- 1"- t^ •* ■!-
r»eoe«ssn6eïini»o>ci)\'*öö!SC-
f
"£*
| 1
1 1
1 1 1 1 1 1 II II 1 !
5
ca
1
fflooi------
co-* -r-oinin-*escMCM-*oc»eMCM
c
■V" ^
^«♦•♦lOWO^OOOSCSiOÖOiOSflïCSOJOp
>
_■«________
^i co co in cm •• ca m cm
— — CM CM
2
«neg
?o r-«
o\'o\'S
cn oo "co —
.2
e>
I
13
-a
!C O !D M>
t^I^l^CCCCOGOOOOOOCCOOOOCOCGCCOO
deninj
lii
ilïPPIïïiïiïia
«\'lij
Cm
O
1
5S S :*cö-*g3:Sos§33ïwS;S
Li
>
CM
-> f> H-> -H-j-f» f> 4-^
-H>4->
om «cao o o-* o
inês
.00 l> 5 . . f ■» 5-1 CM
. Tl 5-1
CC
6
1^ OO
00 CO 00 00
00 X.
\'f-
| ■*"
^ ▼-
"*! T ^" "*"
• T" "f-1
1
|
1 ! \' *i
; ; • <
:sj
pr
„>
1 *
.....
. . . Ol
•°°s
oo
a ^
W
co ö
•—
■^c2 Si
Se
\' u
t~ CO j>
7)
— ^
• 03
— (£)
■j~j
O
\'E
""lil"
= ««{=>
DS
. o *
» * A *
Ph
\'C/3
g^j
öfST
r-
P r- 00 Ö O X 3 t- O O
O O 00
P3
O
o
pa
co ■*
•iO
• lO 1,0 -* 00 X 00 35 C. O O
O x cr>
o o
• . r*-
. r- p- r- t- r« i-- r-1-» ao cc
Xl^t-
*« ^-"
• . "^
1
;;
! \' bc
* 3
1*!;;*:;;;*
Is!
c
"o
. IT> ...— .... n
•**
Ris
ta
::::r:::: :
• • •
85
co\' *
... .= i . .p .
\'■Bi
\\MEN
a
CO
DS
as
© !
^fe • • •
TsCOCr,\':* •
|OC0 | £
ifrïitH*..
iill
!Z!
2
GO
60
II
ii*
o§§
i!ilil^P i
Ijjj
x 3 B
• Soa «ar-: « s e»
\'S 2 S a
2
ïlJIilIJJilIJJïl
JJiJ
fst
—co"—
in co
X X O fi O t- —\' CO CO ■—\'—
-oo o
Cxi
00
oo oo B
XXOi--- CM CM O» — G
CM CO .
es "
CS t—
t^ r— r-- oo cc cc « oo co co cm ■*
00 -00 *
O
M
SC
3
o
2
W
ï-
•o
T* ■*■ <v* <T» ««»• T* -^- ^- -r- \'-O CO
g\'-s s "i-s" i -SiJil
-** oo
.es .mo- «inoooxïl
*"l:
■m
CM CO Cf
t>
CM — -^~
j •4amoinu8[oiv
■*. t» eo «* «5
cs t— oo a o »
co ■* m ca
T< *■* T* V<
-ocr page 382-
N Cl v* IA Ift W
co o co co co o
co io c* O
O X r*- l>-
G* «s o* IX
■3 -I *
f |ï
G-> ^ C-< CN ©» (N
II I I I i I I I I I 1 I I I I
•i -n m «-» -a w* ^ -— --i --> en f— "-i t^i i^. i-»
iiiliiiiiiiiiiliis
■«il
e? c*> ■O)«poipffl
•*ïo . ■* co m m to o
00 00 X X X X X X
* if3 SM -— • co
. r- i^- r>- .co
00 00 00 CC
i«ï
oo »o oo «* w « .r-m-j •--
CM CM
r-
-
* x ** i> •# ei o r* — »o cc: r**
. n$ iO lA CO ■* iO tO 10> •# •* X»
xxxxxxxxxxx
r- cc -r- — co oo
es co ** ** •* **
00 00 X 00 00 CO
BS
Ed
H
ir.
2
-
55
W9 ~>              . H*«
* i.O in t"- O CM l^ CO O O X -r*
■ -^ ^ -^ cm cm            ei ei cm cn
■ m c
i •# CO
I X\' CO
00 CO
** CO
00 00
t— in in
«* is co -* ■*
CO .2 00 0C 00
, CM 00 * T- t~ T-
. 9
w
v5
co
w
o
cs
O.
* es
00 ^ V* O0 j5
sïsis :3.
jji;
-o .
1 •* 0)
<M C/3
> ■* in m in r^ cc*
• CM T" \'T- ^" ■*-■ ^
K cc (M m
m cm
CM -■*
00 X
CO00C5 CO CO — ** ■«* CM O CM
O O O T- Cl Ol Ol CM CO — \'M
000000 XXXXXXXX
o ■» m o
CO CO CM J-l
I
o
o
O
*-\' "£ ^c, bb ti \'S *^ t-\' -*J hcj
o 5 g aga£s> aj
5-1
5%° C X « 55 ■
Ic
r^.            osr^-cov
Cl l> Cl IO CS r-t            C^ *^ f" -r- Cl ** CO
\'bsos
\'cóc/iCS
.■K>tV3
"oritvj
» ,co
en ei
•-
■-•o-5
P C O
.crcs
«c/i c/j
.C/3 C/3
wdo\'
O .2 <«
SR
SSEN
v;
—.
W
CS
?
B
-«1
«1
a
2!
z;
SSIO
«•SI
l\'ll
8^
* co
S
il
o
ïll*
o
2-S
s
\\siazi
E
•*•* =
Cl • C
u CS
oo O)
S e
|B
58 \'
IJl
J5
i!
goS^I^^^
*fr-is
i
o
5
3
-* OS CM CO ^* ^O «* OS •* CD
CV0CO^«*^p~ lOlOlOCOCO
XXXXXXXXXXX
I- X
i O CO
X X
° O
z J
- O
II
9.1-5^
. g-S ■
J0Uiiunui3[O:Y
£r x
CO CO
-ocr page 383-
te
M
t-*i
IO •* •* «O
B
ES
X t- 0»05 Oï O
f
0}
■O
s
(NON CN CM OM Ot . , ,
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
f
1
-**
T\'-r<<HO(SL\';t-^\'*IOl3 0IS»100t9
t.
r^t^r^r-r-ooooooasoaMftCïCïOCsc;
9
c
(MOMS\'lOMO-JtMUT-OMCNOMlïltNtNffKÏJ»»
4
\'S
.#»- . . . — o o .c*......
t- r-
XX X X
--
_ —
—jj
00 00
• » » \'x x •
t
.5
\'3
** *"
• *• *■ • «T* , ■«- .
~ *s
ü -J • SS • fc^ •
-a
M
. jo o. . b . j= .
o a> & cü
[MJ
<Vh
c
*-B *-»
■ U. co • < ■ fc •
o
c
o» ■*
•* iO - CM ■ t<
£
>
>> • • ->p. •>♦>.••-•••
SSSS .SsSPSgSSSSSS
PRIESTER
d
x x x x \'xxxxxxxxxxxx
55
Q
llll\'lïllllslllll
-^
s
o ■* <» o .«jjeoocK^i^^ar-^
OM
~Ö>1
*i~o-OE».:.«Crt.i:ïiï<-?;
[xi
co
W
E
c
o m i^ o i- < i.i «mmnm^xcxco
oo» /-.xxxxxxxxxxxxxx
llïllalllllllllll
CS
51 u; o 3 mi m * in mc t! oo m io o< eM
Cm
rN cc •* r. on i^ <r> co c. o 1-- — oo o i~ x r-.
ui
co co g -* ■* ?: on -m r--. ■* io ie ■* io io -t io
xxxxxxxxxxxxxxxx»
O
O
m
Iljllilïil||||iii
-* => x o x co r-c: co \' x ~#
Ö
■<- X COt-t-CNONt-JIiOXCO — CNT1
e\' cc es es • ssesescscccj^cs • pi es\' ^
jjijjiiiiiiiijii
z
Cd
!5
CO
co
5
NAM
U
O
co
co
S
SS
OJ-r- CN K ■* » ■*- *. »
u
1 *S * \'sisü "1 ■»* * *
P3
O
M
y.
<
u
2
o
O
ï;ji\'-iïïï-ï-irj
<
t* «o «rot>oorc*^ «^- « c ^ «o
G* -r- C* <N 7. ^- ©<
JOtuumuS^Y
gS5S35t?555SSSSSS
s
-ocr page 384-
%
e
m
i ».*
X
i*
2
CM O) CM
{ f | | | | | | | | | | | | | j
|
S
■te
o -* •* t^ r^ o -..rNCNfMr^-*"?-* — o
es
(NCtBoct-NMN^^oce\'. 5 SS
S
<0
CM CM <M -M CM tSCM CM CM CM (M CM CM CM CM
O
O CM
5
I
O......«> . .
■° J<
o
00
a
\' ■
& 9
00 3
9
° \'S
\' J3 "
4-
M
:i
:i :
f o
*<
• Ij •
«
;^
S
>
«o
ï»
r» - " ■ "
,CM-*OO-#r~0>«NOOOM-*<C©CM
\'ino«oo;=ies<ooor-cci-i>oooo
.ooooxooooooooooooooocooxocoo
ROFES
iüiijiiüjiiii]
i ~
■iflG1\'*l.\'5»OWrtinWMT\'CSJO00^i
■«*
i~ co a Cft cc i> •*- x ^- cs -— cm irf
1
oo
. •*- O nM-n^r\'t.-iSJM^iOÓ
ocoocoxccooooxxxxxocoooo
EBOOE
iJEUJllilUJIJ\'IJ
5 O
•i-.oiomx=3t^ffliT-oo-*iooo-*\'M
1
CM-r-0-ICM CM CM -r» CM CM t<
1
® £2 M p
Q
lüjiiiriillij
I
pj
W
CS
p
o
ERS
R FRAT
"
2
JJ1JJJÏIÏ4J
s
z
«
cc
llll
fc\'cj\'pJDS .CCÖ
as
NAMEN DE
as
w
a
M
O
CS
-
u
B
[d
w
3
(0
liliilÜöi
■^
03
tg j^wo-r-M-o «. co ~
W
£ - -«gg$cS;»«.£*=gg§g
ANKOM
s
z
o
j
o
Ui
Hu-mmtm
<
© O -* «SOfSHOhh e •* t- O
CM CM CM
"es l>
■** *-" CM -«n Cl CM CO
[• ja iu ui
inStOA.
t" CM M
•*
10
00 SS O •*"
■r* t« *r" ^-. «f
23
Surinime
-ocr page 385-
GETAL
Redempto-
risten.
1
1
o w \'n i
5j5J §|s;s|s
en hleef dus op uit. December
Fra-
terg
m :•* :•* ; w |«o 1 » t- oo oo
i
Priest.
xj 1 j ; i
90
E
-
3
M
■* t- oo i ooi — *- <n <r«
Pries-
ters
*■.," !\'* i
Ap.
Vicaris
T- ^- \'^- j *« ]** ] T* .*« .^ \\**
i
° g^
g H|
g 18®
;> >
u
o
o
"O
EE. FF.
f Lambertus .
f Michaël. .
EE. PP.
V  Swinkels . . .
V  Masker ....
a
t
5
-
i * : oe
: Q
: C
i .!>
L.
V Van Koolwijk
f Van Rooij . . .
f Van der Aa . .
V Van Meng . . .
VERMEERDERD
door de aankomst van de
EE. FF.
i
Alphonsus
ïï-\'-i
; .
EE. PP.
Mgr. Swinkels .
Van der Aa . .
Van Rooij . . .
Luijben ....
t> ia S|j>t> \'Vpoi>,« s>
II
j
:00
A
\'t iaar
1
1866
1867
1868
1869
1870
1871
1872
1873
e
o
Ö
a
o
NU
N
Pi
w
!>
o
te
w
w
a
w
10
cc
o
-r
a
s
-ocr page 386-
GETAL
Redempto-
ristent
9\\
<& es to
e-i j <m tx
O
SC
en bleef dus op uit. December
Fraters
Paters
r*: «e lo»; o i co ;©*
Apost.
Vicaris
^" j ** !^* j *• • ^* :^«
**
i
|i
|ll
> ■>
I
EE. FF.
..;... .] .
. . . .
KE. PP.
pï ! . . . j J o- . j . . . . j .
|i. . . .\'S .!______|.
■Bi. . .i.« .1______!
c\\ i \'j-at \\t>
j» . . . . S"S s . . .;.a
38 • k- a co p
VERMEERDERD
door de aankomst van de
EE. FF.
Wilfridus . .
Willibrordus
Pius ....
Justus ....
Remigius . . .
EE. PP.
Buhrs ....
de Weerd . .
Currier . . .
Stassen . . .
Houben . . .
Eijsink . . .
Zirks ....
Borret ....
Van Tooren . .
jj
L
1
1
1875
co en
t- r-
oo :ao
00 X :00
w
X
00
c
o
c
00
ri
<H
M
o
I-H
03
w
>
o
w
a
£
9      V
0 5
o
-3
M
ë
T3
$
:t
8
a
g
i—i
95
\'.?
1
a
*
-ocr page 387-
— 356 —
Bijlage II.
Acta Iteflnltorii, in conventu nostro Lovaniensi Fratrum
Minorum Recollcctorum, die O Februarii AnL 1684 legitime
liabiti, in quo (......)
17. De Missione Surinauiensi.
Cum instanter et instantissimc fuerimus requisiti ad illud
opus pietatis subveniendi fidelibus ibidem sinc ulla fidei aut Sa-
cramentorum administratione existentibus, necnon infidclibus turn
ibi turn in vicinia morantibus, judicarunt Patres aliquot ex nostra
Provineia eo mittendos in pnedietum finem , pront missi sunt
yriii_s pator FrcdcriciiN van der Hofstat, saepius Instructor
et Viearius, et VdJl? Pater Fr. Thouins Fitllcr: attento maxime
quod idipsum rogaveiint atque approbaverint Illustrissimus ܫH.S
Internuntius, et Viearius Apostolicus in partibus conf oederatis,
qui et omnem suam facidtatem , et auctoritatem eisdem con-
tulerunt, et ultcrius a S. Congr. de prop. Fide pctierunt et ob-
tinuerunt, prout ex subjectis eopiis patet.
(1°) Copia epistolcc lUustrissimi D\'ii Internuntü missce ad
fl*i5 Adm. Patrem, Fratrem Coiirattum Graven, Provincite
Germanhv Inferioris Ministrum Provincialem.
Adm. Pater,
Sacra Congregatie Propaganda\' Fidei constituit missionarios in
insula Murinaiii in America ad septennium RR. PP. Thouiam
Fuller et Frederieiim van der Hoftttat
Ordinis vestri,
et dignata fuit nnbi, et sueeossoribus mcis ad idem tempus de-
mandare curam et regimen ejusinodi missionis, necnon commit-
tere, ut iisdem Patribus tribuam facultates missionarüs catholicis
relaxari solitas. II;e prajsentibus accluduntur cum decretis Emi-
nentissiinorum Patrum, qu;e oinnia dam Paternitas vestra sa-
taget, tuto transmittere ad dictos Patres Missionarios, velim
enixe ab iisdem contcndat, ut quam primum potcrunt, me in-
forment de messe ac spirituali frugc, quic refcrentur in illis
partibus, ut subinde iniri possint consilia uberius prospiciendi
-ocr page 388-
— 357 -
incremento religionis in dicta insula, et alios operarios, ex vestro
Ordine, si opus sit, illuc mittendi, ac manco interim addictis-
simo nexu,
Adm. Rde Pater,
Ad oia officia paratfEü
Bruxellis 22 Octobris
                             J. A. Fanariii»
1683.                                                    Abbas S. Manie.
(2°) Decretum S. Congrcgationis Generalis de propaganda
Fide, liabitaï die 22 Septembris 1G83.
Referente E™ Ds» CardÜ Crescentio S. Congregationis,
Missionarium Apostolicum in insula Stirinam in America ad
septennium declaravit Fratrcm Fredcricuin vaji «Ier Hof\'
stat,
Ordinis Fratriim S. Francisci Min. Obscrv., sub directione
tamen Internuntü Belgici pro tempore, cui omnino parere do-
beat, ac necessarias facultatcs ad Missiones exercendas, juxta
sibi tributam auctoritatem, in totum vel in partc recipiat, ser-
vata sempcr ipsius Internuntü tam circa facultatcs, quani circa
loca et tempus easdem exercendi, moderationc; nullo modo vero
extra fines suuj missionis, eis uti queat.
Datum Romce die et anno quibus supra.
Signatum erat F. Cardinalis de Altieriis,
Prwfectus.
Inferius II. Arcliangelo (......)
Secret.
(3°) Eensluidend Decreet van denzelfden datum betrek-
keiijk Pater Fr.
Thomas Fullcr.
(4°) Facultates concetsae a S. Congrt, Propaganda} Fidei,
Reverendis Patribus Thouiac Fullcr et Fredcrico van
der Hofstat
Ordinis S. Francisci Missionariis Apostolicis in
insula Suriitam in America.
(.........)
25. Administrandi omnia Sacramenta, etiam parochialia,
Ordine et Confirmatione exceptis, et quoad Sacramenta paro-
chialia in dicucesibus, ubi non erunt episcopi vel ordinarii, aut
eorum Vicarii, vel in parochiis, ubi non erunt parochi, vel ubi
erunt de eorum licentia.
-ocr page 389-
— £58 —
Bijlag-e III.
Zie omtrent deze Bijlage het op bldz. 19 en
vlg. aangeteekende. De enkele woorden, welke
hier en daar tusschen deze [
] haakjes geplaatst
zijn, hebben wij ons veroorloofd ter verduide-
lijking bij te voegen. Dit laatste geldt ook voor
volgende stukken.
Kopie.
1683. Ad Insulas Surinamciises in Indiis occidentalibus,
scx circiter gradibus ultra [citra respectu Europa\'J lineam
ajquinoetialem collocatas, anno 1683, ■4° Novembris missi sunt
Pater Fredcricus van der Hofstadt et Pater Thomas
Fuller,
conventus Lovaniensis in Babantia filii, prodigioso ani-
manim zelo succensi, electi ex pluribus, data oppertunitate,
voluntarie se oflerentibus, et ab aliis, quorum intererat, faculta-
tibus debitis muniti. Hos deinde subsecuti sunt P. Petrus Crol
et Fr. Jonnnett tcraefilorf, laicus chirurgus. Missionis illius
scopus crat: catholicos ibidem Europa\'os in variis insulis dispcr-
sos simul cum acatholicis sectaa multiplicis, et judseis, planta-
tionis [lege: plantationum] saccari colonos, ac intcr sylvestres
Indos (qui nee ullius numinis cultum cxercent, nee ullis legibus
gubernantur) tantum non [ lege : tantummodo J sylvescentes de-
fectu ministerii sacri, verbi Dei pabulo enutrire, sacramentorum
usu confortare et de ipsis barbarissimis Indis, projecto latius
verue fidei semine (quantum daret coelestis Agricola), plen;e
messis manipulos suceessu temporis reportare. Quo vero zelo
post emensa immensa maria, quantis laboribus finem altedictum
[lege: antedictuin] ministri Christi prosecuti sint, haud facile
dictu est. Hoc solum dici potest ex inspectis illinc emissis Episto-
lis, quod eorum flagrantissima in Deum et proximum charitas,
digna apostolicis pectoribus comparata [lege: comprabataj, non
nisi eorum morte terminum acceperit, in ieternitate perpetua
non terminandum. Mortuus est, per collegam suum extremis
Sacramentis rite munitus. Pater Fredcricus Hofstadi urn, in
oppido Paramaribo, missionis ibidem inchoate mense undeeimo,
die (quo se triduo ante prsedixerat moriturum) 27 Octobris anno
-ocr page 390-
— 359 —
salutis 1684, sctatis sutc 46, religiosac professionis 26; natus
Lovanii, a plurimis annis elegantia morum et candore animi
magnum quid potcndcre videbatur. Minorita eflèctus et obeundis
in Ordine muiiiis applicatus, sibi solus austerus, in alios beni-
gnus, praerat mira humilitate, qua ab of\'ficiis instantius absolvi
poposcit, velut pnescius, quod ad magis ardua pro gloria Dei
exercenda foret reservatus. Qui cum | lege: Unicum ] votis ejus
non eessit, quod non martyr occubuerit. Sic eniin ex Suriname
ad suum scripserat Superiorem 13 Januarii 1684:\' »lnsidianlur
yynobis quotidie"
(infideles nempc et acatholoci) »sed hcec minime
y>curamus, dummodo consummemus cursum nostrum, expec-
»tantes finem missionis nostrw, lucrum animarum et coronam
tmartyrü, ad quam aribelamus et ([itotidie nos prceparamtis,
Dquia in ista navigatione octiduana"
(qua alternis bebdomadi-
bus excurrebat uterque ad inserviendum catholicis per insulas
dissitas dispersis) Dsemper sumus in periculo occisionis ab Indis
Mnimicis nostris, per quorum terra-m nobis est navigandum:
»a quibus etiam diversi capiuntur et crudeliter occiduntur.
y>Assantur nempe lento igne et semivivi ab ipsis comedrtntur."
Ifofstadii locum et labores suppleturus, nbi e Belgio post
intervallum temporis advenit P. Petrus Croln, Rosendalensis
origine, in Ordine quandoque Vicarius lierend alen sis, in paucis
mensibus explevit tempora multa, itineris uurumnis, sub duro
climate, et rerum inedia confectus, die 7 Martii 1686.
Ultiinus superstes, Pater Thomas Fullcr, post obitum
Hofstad! i, recta; intentioni innixus, nihilque de animi vigore
remittens, ad suum in Belgio confratrem P. Christophoriim
JI ore t mu ita scribebat:
Paramaribo, 14 Octobris 1689 [lege: 1685.]
»Quid 2MS!}it sincera intentio in obsequio Dei experior;
ymam omnibus amore illius privari, qui se totum amore nostri
vtradidit, est cunctis abundare. Oblitus sum comedere panem
»meum; attamen non esurit anima mea. Scepe radices ar-
y>borum"
(panis ibi usualis) Mid saturitatem non liabeo. Interim
y>non deficio, nam pane lacrymarum saiior, et in mortificatione
»gustatur exidtatio spiritus. Veni et gusta, quam suavis ait
xDominus laborantibus prope isto,"
etc.
-ocr page 391-
— 360 —
Post obitum vero Patris Crolii, Pater Thomas eumdera
interpellat amicum, 13 Aprilis 1680: y>Alii requiruntur subsi-
y>diarii ob initam cum Indis barbarissimis pacem. Plagn hwc
Dvastissima est, nee minus populosa, et temporis tractu speran-
»dm fructus non numerandus. Quapropter insta opportune
,
mmporlune, ut nobis annumemri possis. Milites generosi com-
y>mili,tonum morte animantur, non n proelio deterrentur, et
»hi ut corruptibibilem, nos ut immorlalem coronam lucremur.
»Qui huc veniunt, mere Christi catapidtarii sunt. Et quid rei
»s/. eito moriamur? nam Ei morimur, qui pro nobis mortuus
y>est, cujus morte immorlales reddimur. Et quid est ijloriosius
tquam pro tali glorioso duce tnori? Erustra id canservatur,
tquod conservando corrumpitur,"
etc.
Quis edueeamentis talibus depictis [lege: lineamentis talibus
depietum] non habeat pugilem fortissimum ? Qui tarnen valido
Heet corpore, exantlatis laboribus in ictatis Hore succubuit 14
Julii eodem anno, cum vixisset annos 37, in Religione 16. Or-
tus erat Londini in Anglia, de prosapia non ignobili, Anlverpim
in Brabantia educatus, ubi Ordinem Scrapliicum ingressus, no-
biliorem se reddidit actibus heroicis, signantcr propagatione
fidei, quam verbo et exemplo promovit, illi muneri multiplicis
idiomatis pcritia et sacrue doctrinse sciontia aptissimus, quia
zelosis.simus. Atque hujus morte finem habuit dissita istliwc
Mis<io.
De verbo ad verbum ex manusenpto de anno 1714 ex-
scripsi, quod attestor,
hac 20 Maii 1867,
fr. Josephus Bell, Min. Recoll.
Guard. Conv. Trudonensis.
Infrascriptus quoque testatur se fideliter supradiclam co-
piam transcripsisse, hac 8a Octobris 1883.
A. Bossers, C. SS. R.
-ocr page 392-
— 361 —
Bijlade IV.
Betrekkelijk de tweede; zending van Missio-
narissen naar Suriname, nadat de kolonie eene
volle eeuw zonder priesterlijke bediening geweest
was, kunnen v/ij een tweetal documenten mede-
deelen:
Genomen uit een manuscript, dat in het archief\' van
liet Apostolisch Vicariaat, te
Paramaribo, berust.
Anno enim 1785 Ill!lül? DlUI? de Bitsen, archiepiscopus
Emesenus, BruxeUis Nuntius Apostolicus, requisivit Amplmnm
Dnum joanncni Franken, Pastorem Amstdodamensem atque
Hollandue et Zeelandicc Arcliipresbyterum, ut duos vel tres
sacerdotes procuraret mittendos ad Coloniam SuriiiaineiiNeut ,
qui catholicis ibi multiplicatis, enixe (lagitantibus et alimcnta-
tionem honestam oflerentibus, subvenire possent. Tandem Am-
plissimus favorabiles conditiones proposuit, quas Ampl\'22? D™
.Ion ii ik- Franken 1 Julii ejusdem anni vita functo, e jus in
Archipresbyteratu successor, AmplïüL8 D™" AntoniiiN Chris»
tianus Mcijlink renovavit ac ad om nes Feederati Belgii Ar-
chipresbyteros, necnon ad Vicarium Dioecesis Buscod)icensis (in
qua ultra 20 sacerdotes ad promotionem alicujus sacellaniaj ex-
pectantes eo tempore reperiebantur) misit, omnibus illorum dis-
trictuum sacerdotibus communicandas.
1» conditio erat, quod post 5 annos ibi exactos, in patriam
(nisi in Suriname remanere proceligerent) revocarentur, ac in
ea ad pinguiores Pastoratus (praetermissis alüs etiam antiquiori-
bus et dignioribus) promoverentur vacantes vel vacaturas.
2a Quod primarius inter cos, pastor et Missionis Prtefectus,
amplissimas accepturus esset facultates, quas alüs coinmunicare
posset.
3» Quod pneter subsidia, a fidelibus oflerenda, quso nota-
bilia futura dicuntur, Ampl\'iü\'i Archipresbyter Hollandia; annue
Burin»»*.
24
-ocr page 393-
— 3G2 —
pastori Niiriiiniiu-iiMi procuraret pro sua et sacellani vel
sacellanorum sustentationc summam \'2000 florenorum (imo plu-
rium si indigerent) inonetao Hollandiae, ut ibi honeste vivere
possent.
Ilisce conditionibus favorabilibus non obstantibus qua; ab
anno 1785 circa Pascha plurimis propositie sunt, usque in nonuni
diem Martii 1780 nullus adhuc in clero sieculari inventus crat,
qui dictam Missionem acceptare voluerit.
Wota Scriptoris: IUce conditiones magis speculative, quam
practice favorabiles erant, ut e.vperientia comproba-
tutn est.
2° Decretum Sacrit; Congni? Generalis de Propaganda Fide,
die \'28 Novembris 1785.
»Cum relatum fuerit catholieos in regione Siirinnm, Co-
loni;c Holhtndicce\'m America Septentrionali [lege: Meridionali\\,
commorantes, Ecclesiasticis carcre ministris, qui Sacramenta
aliaque spiritualia auxilia iisdein administrent; aliunde vero vc-
niam ipsis factam fuisse a Gubernatoribus illius Coloniie pro
libero Catholica; Rcligionis exercitio; Sacra Congregatio, referente
R. P. D. Steiihaao llorgia, Secretario, censuit ac decrevit,
prafatam missionem in Surinam incorporandam esso missio-
nibus Belgicis, eoque interim inittendos per ri""1 Nuntium
Apiicum Bruxellenxem Prosbyteros duos cleri stccularis vel re-
gularis ex Fcndemti Belgiii Provinciis, alterum ad septennium,
alterum vero ad quinquennium, sub onnimoda dependentia a
pratato Nuntio, a quo communicandie erunt pruedictis Missiona-
riis necessaria( facultates; et quoties ipsi in commissi sibi mune-
ris exercitio se cum laude gesseri nt, Sacra Congregatio rnandavit
eidem Dmn0, Nuntio, ejusque pro tempore sussessoribus, ut
in distribuendis Belgii stationibus rationem habeant eorumdem
emeritorum missionariorum, illosque opportune provideaut.
Quam S. Congil sententiam SS™ D™ Nostro Pio PP. VI:
rclatam in audientia habita per eumdem DüniS Secretarium die
4 Decembris 1785, Sanctitas Sua benigne in omnibus approbavit
et exequutioni mandari jussit.
-ocr page 394-
— 363 —
Datum Romce ex icdtbus dietse S. Cong\'i.die 17 Decem-
foris 1785.
(S. e.): Ia. Cardinalis Antonellus ,
(L f S)                                                      Prcefectus.
S. Blorgift. Secr.
Concordantiam cum suo originali attestor,
Dê-uxellis, die 5a Januarii 1786.
M. Causatl, IVwn«* i4/»?; ^rfnr»?£2C
Bijlage V.
ANTONIUS FELIX ZONDADARI,
Patritiiia Sencngis ex llarchioitibug 8. Q.uirici, Hei
«■I Apostolicac SimIoh gratia Archicpuscopus Adanen-
sis, Abbas Commciidatarius Ij. Anthimi, etc. ete., Apos-
tolieae
Mortis in Bclgio et Burgiindiae Coiiiitutu, cum
facultatibus Iiegati a Latere Nuntius % postoltcus, Tl is-
sionuui ISagnae Brittaniae Superior, et ad Regiment
THjssioiuiiu Hollandiae ab
S"10 D™ Specialiter de-
JMI t II t IIN ,
Dilecto nobis in Christo Reverendo Domino Beniardo
McddciiB, Pastori Missionario prirnario Coloniue Surinamcii-
«nïh in America Meridionali,
S. i. D. s.
Vacante per, mortem Reverendi Domini Alberti van Door-
nijk, Pastoratu in Colonia Surinamensi, cumque ex Decrcto S.
■Congregationis de prop. Fide illa Missio incorporata et unita sit
Missioni Foederati Belgii, Nos tamquam universum Batavce Mis-
sionis Superiores, Tibi R. D. Meddens, de cujus zelo et prudentia
p\\um in j)no confidimus, dictum Pastoratam uti Missionariuru
-ocr page 395-
— 364 —
Primariurn auctoritate Apostolica committimus ac facultatem fa-
cimus, ut in eodem verbum Dei prccdicare, etc.
Seqttuntur consuetae facultatei jurisdictionis pastoralis ad
beneplacitum, necnon quaedam extraordinariae ad quin-
quennium.
Daturn, 24 Maji 4788.
t-"^j$^~-\'
DRUKFEILEN.
Bldz. 120 r. 12 staat: 1812 . . lees: 1821
» 127 » 10 » neder, on » neder: in
» 187 » 29 » over vol . » overvol
» 288 » 14 » derden . » tweeden
» 296 » 17 » 1883 in . » 1883, vergezeld van F. Remigius,
in
» 309 » 25 » deze . . » dezer