-ocr page 1-
>^>v*i koBZ-
BFL.1876.Y.21.
-ocr page 2-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000031472883B
3147 288 3
-ocr page 3-
y.y, 2./.                     ^
M--------------------^~ -----1
J!......
DE
OUDE ZUIVERE WAARHEID
GEHANDHAAFD EN VERDEDIGD
TEGEN DE
VALSCHE EN VERDERFELIJKE NIEUWIGHEDEN
VAN LATER TIJD.
OPGEDRAGEN
AAN DE HEEREN PROFESSOREN, DOCENTEN, LEERAREN, KANDIDATEN
EN STUDENTEN AAN DE THEOLOGISCHE SCHOOL DER CHRISTELIJK-
GEREFORMEERDE KERK TE KAMPEN.
DOOR
P. HUËT.
Predikant te Ntin-ipeet.
TWEEDE DRUK.
M. S. BROMET. — AMSTERDAM.
IKl:________________......_____ m
-ocr page 4-
-ocr page 5-
DE
OUDE ZUIVERE WAARHEID
GEHANDHAAFD EN VERDEDIGD
TEGEN DE
VALSCHE EN VERDERFELIJKE NIEUWIGHEDEN
VAN LATER TIJD.
OPGEDRAGEN
AAN DE HEEREN PROFESSOREN, DOCENTEN, LEERAREN, KANDIDATEN
EN STUDENTEN AAN DE THEOLOGISCHE SCHOOL DER CHRISTELIJK*
GEREFORMEERDE KERK TE KAMPEN.
DOOlt
P. HUËT.
Predikant ie Nunspeet.
; - •<• -«v I*,!
TWEEDE DRUK.
M. S. BROMET. — AMSTERDAM.
-ocr page 6-
>
(
Gedrukt bij I\'. Groenendijk.
-ocr page 7-
Hoogeerwaarde, Wei-eerwaarde en Eeneaarde Heer en,
Uw ijver voor de oude zuivere waarheid mij sinds
lang bij name en in den laatsten tijd van nabij bekend
geworden zijnde, Heb ik gemeend U geen ondienst te
doen door U bet hier volgend manifest van een viertal
oude Gereformeerde Predikanten te Kampen, mij eeni-
gen tijd geleden in handen gekomen, bescheidenlijk op
te dragen.
Het is een zeldzaam document, dat reeds alleen uit
dien hoofde, cnriositeitshalve, wel waard is onder Uwe
aandacht gebracht te worden. Gedagteekend uit den jare
1617, is het opgesteld in den bloeitijd der Gereformeerde
Kerk, tijdens de zittingen en vóór het sluiten der door
zoovelen hooggeroemde, door anderen als het begin van
de heerschappij der doode rechtzinnigheid betreurde Sy-
node van Dordrecht.
Bij eenige vergelijking van de door deze vier Predi-
kanten verworpen valschheden met de Vijf Artikelen
tegen de Remonstranten, moet eene opmerkelijke mate
van overeenkomst tusschen die beide in het oog vallen.
Het komt mij om die reden zeer waarschijnlijk voor,
-ocr page 8-
4
dat genoemd viertal met den afloop der Synode niet
bijster in hnn schik zal geweest zijn.
"Wie van beide zijden liet dichtst nabij de waarheid
kwam, lijdt bij mij geen twijfel. En waarschijnlijk bij
U-eerw. evenmin. Al zij het misschien in omgekeerde
reden.
Het scheen mij te meer de moeite waard deze getuige-
nis door eenen herdruk openbaar te maken, met het oog
op ons gereformeerd publiek, dat, gelijk wel meer het
geval is, het hardst strijdt tegen wat het het meest be-
hoeft en het vurigst ijvert voor wat het het meest schaadt.
De waarde lezer kan althans uit dit document bemer-
ken, hoe in den jare 1617, volgens de Gereformeerde Predi-
kanten te Kampen, de oude suyvere leere, die ook
ik van harte geloof en leer, deze is: Dat allen,
die God roept tot zaligheid, Hij die roept met
oprechten en eenvoudigen wil tot dat einde
dat zij de zaligheid mogen verkrijgen. (Art. 11.)
En dat God hun allen ook genoegzame ge-
nade geeft om deze noodiging te gehoorza-
men, zoolang zij dezelve niet veronachtza-
men of verstooten. (Art. 12.)
En hoe daarentegen als valsche leere en gevaarlijke
„niuwigheden" werden verworpen die stellingen van voor-
verordineering, onwederstaanbare genade en zoogenoemde
volharding der heiligen, die sedert 1618 zoo diepen in-
gang hebben gevonden in ons volk en welker handhaving
door U-eerw. zoo wordt ter harte genomen.
-ocr page 9-
OPRECHT EN CLAER BERICHT
WAER IN CORTELYCK
TEGHENS EEN ANDER GHESTELT
IS
I. Wat die Predicanten van Campen hier onderge-
schreven van die hedendaegsche verschillen, over
\'t stuck van die Praedestinatie met den an-
cleve van dien , voor die Ou de Suyvere Waer-
heyt nae Codes Woort gevoelen.
II. Wat die selvige ook daer tegens, als onwaer-
heyden ende niuwicheyden (uytverscheydene
Schriften van sommighe ten huidigendage S u y v e r-
genoemde Leeraers getrouwelyck uytgetrocken)
van geheeler herten verworpen.
Ter noot in Druck verveerdiget tot onderrichtinge der een-
voudigen, tegens alle sulcke Lasteringen, waermede sij dies
angaende van Niuwicheyden ende gemaekte veranderingen in
die Leere, valsckelyck worden beworpen.
TOT CAMPEN,
Ghedruckt bij WILLEM BERENDTS, Anno 1617.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
OPRECHT EN CLAER BERICHT,
TEGENS EEN ANDER
LT IS.
I.
Niüwe Valsciieyï, die wij
Verwerpen.
Het besluyt van Godes Praes-
tinatie als ook in \'t besonder
sijne Verwerpinge is God selve.
Ende en verscheelt niet inder
waarheyt van het weesen Gods ;
maer alleene ten aensien van
ons dunken, ende eene uyter-
licke insichte.
II.
Nll\'WE VaLSCHEYT, DIE WIJ
Verwerpen.
God heeft int besluyt van
sijne verkiesinge, verre het
weyniehste deel der Men-
schen die salicheit toegestemt,
sonder aanmerkinge van haer
Gelove, volhardinge, Ofte eenige
andere goede qualiteyt, selfs
oec niet eigentlijck door Chris-
WAERIN CORTELYCK
GESTE
I.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Die Praedestinatie is eene
gans vrijwillige werkinge Gods,
in der daet van God en sijn
weesen verscheyden.
Ef. 1 : 1 en 11.
n.                     I
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
I
God heeft van eeuwicheyt
uytverkoren ten eewigen leeven
alle die in Jesum Christum
sijnen Soone, door sijne Genade
gelooven, En in denselven Ge-
loove ten einde toe volharden
souden.
Matt. 25: 34. Ef. 1 : 4. Joh.
-ocr page 12-
s
1 : 12, G:40. Mark. U: 13.
Heb. 3:6, 14.
| turn als den Middelaer noch
om Christi wille als om sijne
verdiensten, Maer alleene omdat
het hem soe belieft heeft, tot
bewijs sijner barmherticheyt.
Calvin. Inst. lib. 3. cap. 22.
par. 11.
in.
Niuwe Valscheyt , die wij
Verwerpen.
Christus als Christus Midde-
! delaar ende Salichmaker, En
is niet die oorsaeke, Of het
fondament van die eeuwige ver-
kiesinge: Want oock dese ma-
, niere van spreeken, T\' fonda-
ment der verkiesinge is
Christus, van den Remon-
stranten schijnt op die baen
gebracht te sijn.
IV.
Niuwe Valscheyt, die wij
Verwerpen.
God heeft verre het meeste
deel der Menschen ver-
worpen. Of in aensien (Als
eenige seggen) van die sonde
Adams, hoewel niet als oor-
saeke van deese verwerpinge:
of (Als andere drijven) sonder
enich ansien van haere voer-
III.
Oude Waariieyt, die wij
Gelooven.
Jesus Christus is het Fon-
dament van onse Verkiesinge.
Ef. 1:3,4, 11.
IV.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Die Verwerpinge is een be-
sluyt der gramschap ende stren-
ger wille Gods, waer dor hij
van Eewicheyt heeft bestemt,
De ongeloovige en de onboet»
veerdige te veroordeelen tot die
eewige Dood, om te betonen
sine macht ende gramschap.
-ocr page 13-
!)
Jes. 59 : 2. Mark. 16 : 16.
Joh. 3:36. Rom. 11 : 20. Hebr.
10 : 38. Matt. 25 : 41, 42.
gesiene Verdiensten, onweer-
digheyt, Ongeloove, ofte eeni-
ge andere Sonde (want het oeck
eene lasteringe is, te seggen,
dat God sommige om haer voer-
gesiene Ongeloove verworpen
hebbe. Maer alleene nae sijn
welbehaegen, opdat hij door
haere verdoemenisse sijne eere
verklaren mochte. In welken
respecte het deesen verworpe-
nen oock beeter is, Dat zij
eewich verdoemt worden, Dan
dat sij noyt waren geboren ge-
weest, Hebben mede geene oor-
saeke over God te klagen,\' Maer
veele eer hem te dancke, Om
dat hij haer namelijck tot veele
goede Eynden Ende int beson-
der tot sijner eere heeft ver-
worpen.
Calvin. Lib. 3. Instit. Cap.
23.  par. 2 en 1.
Calvin. Lib. 3. Instit. Cap.
24.  par. 14.
V.
Niuwe Valscheyt, die wh
Verwerpen.
Onder dese verworpenen, ge-
hooren oock eenige gedoopte
Kinderen der Christenen ofte
Geloovigen, Die in haere Jonck-
heyt in Christo sterven. Wel-
cken daeromme haren Doop ook
V.
Oude Waarheyt , dje wij
Gelooven.
Allen Kinderen der Geloovi-
gen, Die in haere Kindscbe
Jaeren sterven, Comt seeker-
lick het rijcke der Hemelen toe.
Mare. 10: 14. Rom. 11 : 16.
1 Kor. 7 :14.
-ocr page 14-
1(1
gans niet en badet, Noch oock
de Gebeden, Want daer door
den seegen, dien Christus voor
sijne Gemeynte verworven
heeft, voor haer niet en kan
verkregen worden.
VI.
Niuwe Valscheyï, die wij
Verwerpen.
God heeft het meeste deel
der Menschen geschapen tot die
eewige verdoemenisse, Dat is
met sulcken opset, dat
sij souden verrdoemt worden.
Calvin, lib. 3. Instit. cap. 21.
par. 5. et cap. 24. par. 12.
Calvin, in sijne verklar. over
Kom. 9:18.
VII.
Niuwe Valscheyï, die wij
Verwerpen.
God heeft Adam met desen
fiaet geschapen, Dat hjj dae-
delijck soude vallen, hij
moste oock vallen, En
uyt de Genade uitvallen, Op-
; dat God een argument, ofte
I reden ende stoffe hadde, Om
sijne Gerechttcheyt, ende Barm-
! herticheyt te verklaren.
VI.
Oude Waarheyt , die wij
Gelooven.
God heeft den Mensche ge-
schapen , dat hij God sijnen
Schepper recht kennen, ende
niet hem in die eeuwige sa-
licheyt leeven soude.
Gen. 1 :27, 31.
VII.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
God heeft Adam soo gescha-
pen, Dat hij doen konde Wat
God in sijne Wet van hem
eyschte; Ende heeft over sulcks
hem geene nootsaekelickheyt
angebracht om te sondigen.
Deut. 30:19,20. Gen. 1:31.
-ocr page 15-
11
VIII.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
God en wil niet dat yemant
Sondige, Hij en is oock geen-
sins oorsaeke van de Sonde:
Want hij die selve verbiedet,
Hij vertoornt sieh schreckelijk
daerover, En heefste gedreygt
tijtelyck en eeuwichlyk te
straffen.
Ps. 5: 5,45:8. Uoh. 2:10.
Jak. 1:1. Gen. 2 : 17. Ex. 20.
Deut. 5. Eom. 1:18, 2:8.
Mark. 3 : 5. Ps. 90 : 9. Matt. J
25:4-1.
i
VIII.
Niuwe Valscheyt die wij
Verwerpen.
God heeft alle Menschen,
soo wel de Uytverkorenen, als
die verworpenen, door eene
absolute, ende krachtige Orde-
ninge geschickt tot de sonden
als sonden, voer soe veele
sijne eere daer door groot
gemaeckt wort: wil oock en
maeckt, dat die Godloosen in
hare begeerlickheyt leeven, Jae
drijft die Menschen heymelyck
tot dieselve sonden, die hij ver-
biedt, alsoo oock, dat die ver-
worpenen door Gods ordinantie
in een onver mijdelycke
nootsaekelyckheyt om te
sondigen, En sonder boet-
veerdicheit ter doot toe te
sondigen, ende daeromme die
eeuwige strafte te lijden, zijn
geworpen.
IX.
Niuwe Valscheyt, die wij
Verwerpen.
Het is openbaer Valsch
ende Goddeloos, oock eene
groote dwalinge, teseggen,
Dat Christus voor alle ende
een yeder Mensche gestorven
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Jesus Christus, die Salich-
raaker der Werelt, heeft den i
toorn Gods gedragen voor het |
Gansche Menschelycke ge- !
slachte, Alsoo dat hij allen
-ocr page 16-
12
ende yederen die versoeninge
ende vergevinge der Sonden
verworven heeft: Hoewel die
selve niernant en wert toege-
eygent, dan alleen den Geloo-
vigen.
Joh. 3 : 16. 17. 2 Cor. 5 : 14.
15. 1 Tim. 4: 10. Hebr. 2 : 9.
2 Petr. 3 : 9. J Joan. 2 : 2.
X.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
- Dat niet des Mensehen eygen
krachten, ofte verdiensten.
Maer die loutere Genade Gods
in Christo, Het Begin, Midden
ende Eynde sij van des Men-
schen salicheyt: Alsoo dat nie-
mant sich bekeren en gelooven
kan, ten sij dieselve hem tot
den eynde toe vergeselschappe.
Joh. 15:5. 1 Cor. 2: 14.
2 Cor. 3:5. 6. Eph. 2 : 8.
Phil. 1: 29. 2 :13. 1 Petr. 1 : 5.
5: 10.
XI.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Alle die God Roept ter Sa-
licheyt, die selve roept hij met
oprechten eenvondigen Wille,
is zoowel ten aensien van die
cracht als ten aensien van die
genoechsaemheyt des ranzoens.
X.
OVER DEESEN ARTIKEL
VALT GEEN GESCHIL.
XI.
Niuwe Valscheyt, die wij
Verwerpen.
God Roept, Jae hij biddet
ende smeeckt oock eenige ver-
worpenen, ter salicheyt, alsoo
-ocr page 17-
13
tot sulcken Eynde, Dat sij die
Salicheyt meugen verkrijgen.
Deut.30:19. Jo. 5: 34. Deut.
5:29. Jes.48:18. Luk. 19:42.
Apc. 3 : 20.
dat hij belijdet met die
tonge, door die Bedienaers
des Evangeliums, dat is met
sijnen geopenbaerden Wille,
dat hy wil, dat sij den Evan-
gelio gelooven sullen en salich
worden, voor soo veele hij
hun sulcks gebiedet:
Waeromme sij dan oock soo
wel als die Uytverkore-
ne, gehouden sijn te ge-
looven, dat sij tot die
eeuwige salicheyt verkooren en
verlost sijn door Chris-
tum (hoewel dit openbaer
valsch, jae Goddeloos en eene
groote dwalinghe is, als boven
Artickel IX.) Ende nochtans
en wil God niet dat sij geloo-
ven, te weeten nae sijnen
verborgene wille, dieoock
den wille des welbehagens ge-
noemt wort: Ende hij verplich-
tet haer hier toe, niet om sa-
lich te worden, maer tot deesen
Eynde opdat sij, niet geloo-
vende, hun oock na Godes
voornemen haere onschult
mochte benomen worden. Want
sij door een onveranderlyck be-
sluyt ten verderve geschicket
zijn.
-ocr page 18-
14
XII.
Niüwe Valscheyt, die wij
Verwerpen.
Deesen volgende wil God den
verworpenen soo veele genaden
niet geven als haer is van no-
i den tot haere salicheyt, Hij
| roept haer wel, maer op dat
! sij te doover werden, Hij ont-
j steeckt haer het licht, maer
i op dat sjj te blinder werden:
\' Hij leert se maer op dat sij de
; botter blijven, Hij gebruyckt
, aen haer de medicine, maer
I op dat sij niet genesen worden.
j Somma Alle dingen, Die den
Uytverkorenen strecken tot
, haere Salicheyt (te weeten Gods
woort hooren, Sacramenten ge-
I bruyken, God bidden, etc.)
; Strecken haer tothaeren
I eeuwigen verderve. Also
: dat dan ock wel kan gesecht
worden, dat het aen God, Dat
is aen Godes wille feyle, dat
deese menschen niet gelooven,
noch salich worden: Mede dat
Godes verwerpinge die oor-
* saeke sij van haer ongeloove.
Ende noch, dat het niet God-
loos en is te seggen, dat sij niet
gelooven, Omdat sij daer toe
niet Gepraedestineert en sijn.
Calvin. Lib. 3. Instit. Cap.
\' 24. par. 13.
XII.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Hij geeft haer allen oock
genoechsame Genade om deese
noodiginge te gehoorsamen, soo
lange sij dieselve niet en ver-
onachtsamen, of verstooten.
Esai. 5:1—4. Ezech. 12:2.
Deut. 30 : 19.
-ocr page 19-
15
XIII.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Dat de Mensche deese werc-
kinge der Genaden Gods tot
syne Rekeninge alsoo aenneemt,
dat hij se mede can Wederstaen,
Jae oock dichwils wederstaet
en verwerpet.
Jer. 25 : 4. Ezeeh. 12 : 2.
Prov. 1 :24, 25. Matt. 23 : 37.
Joan. 5:34, 40. Act. 7 : 51.
13 : 46.
XIII.
Ni uwe Valscheyt , die wij
!
                 Verwerpen.
Alleene den Uijtverkoorenen
wort liet Geloove gegeven met
eeue onverhinderlycke,
almachtige ende onwe-
derstandelycke instor-
tinge oock in een oogen-
blick tyts, Alsoo dat sy
alsdan noch willen noch con-
nen, noch connen willen we-
derstaen, eeven soo weynich
als yemant syne geboorte ofte
opweckinge uyt den natuir-
lycken doot can verhinderen,
I Gelyk aen wedersyden oock
\' alle hunne sorge ende vuiri-
cheyt die sy voor \'t Geloove
| en den Geest der vernieuwinge
| (Dat is voor \'t oogenbliek van
deese onwederstandelijcke wer-
kinge) tot hunne salicheyt
hebben, Alle neerstigheyt die
sy daertoe souden moegen doen,
Maer ydel ende vergeefs is,
meer schaedelyck dan vorder-
lyck.
XIV.
Niuwe Valscheyt, die wij
Verwerpen.
Dat deese uytverkoorenen,
nae dien sy waerlyck in Chris-
tum gelooven, hoewel sy in
XIV.
Oude Waarheyt, die wij
Gelooven.
Dat de Geloovigen versekert
zijn, Dat sij in den Standt der
Genaden syn, ende vergevinge
-ocr page 20-
16
der Sonden hebben om Christi
wille; doch dat sy in dien standt
synde, swaerlyck sondigen con-
nen tegens haere Conscientie,
en dat sy alsoo sondigende uyt
de Genade uytvallen en dieselve
verliesen connen. Derhalven
nodich is, dat sy d\'ontfangene
Genade, wel gebruyken, haere
salicheyt in vreesen en beeven
wereken, Ende volstandich blij-
ven ten eynde toe om salich
te werden.
Rom. 8: 16. 2 Tim. 1 : 12.
1 Jo. 3 : 14. Ezech. 18 : 24.
Eom. 11 :20, 21, 22. Hab.
10:29, 38. 2 Tim. 4: 10. 1 Tim.
1 : 19, 20. ICor. 10:11. Apoc.
2:5.
sulcke dwaelingen vervallen,
waerdoor \'t Fondament der
Salicheyt int geheel om-
megestooten wort, mede
schandelyck ende swaer-
lyck sondigen, Jae oock
die aldergrouwelijkste
schelmstucken connêcomen
te bedryven, die oock haere
herten verstocken: Even-
wel om geene dootlycke sonden,
noch door geene schelmstucken,
noch om alles wat wat sy doen,
het Geloove verliesen, ofte uyt
de Genade noch ganschelyck
noch eyntelyck uytvallen con-
nen: Ende sulcks uyt kracht
van Godes eewige verkiesinge,
welcke duysent sonden,
oock alle die sonden van
die werelt, Jae alleDuy-
velen in die Helle, niet
en connen ommestooten.
Nevens de aengeteekende plaetzen uyt die gemelde
Leeraers, hadden wij noch wel meer andere gelyckluij-
dende verhaelen connen, Die wij dannoch cortheyts hal-
ven voorbij gegaen sijn, om dat oock deese genoechsaem
waren onse voornemen te bevestigen.
Thomas Goswinius.          Everardus Voscuilius.
Jc-HANNES SCHOTLERÜS, AsSUERUS MaTTHISIUS. !)
\') Onder ieder artikel der tweede kolom zijn een aantal aanhalingen
uit verschillende schrijvers als Gomarus, Piscator, ens. welke ik ech-
ter heb achterwege gelaten en waaruit ik slechts die uit Kalvvn om
voor de hand liggende redenen heb behouden.
-ocr page 21-
17
Ziet hier dan, Eerw. Heeren, het Kampensch mani-
fest, dat, naar ik vertrouw, ook door U den herdruk
niet onwaardig zal geacht worden.
Duidelijk blijkt daaruit, dat onze vier Predikanten
eene opvatting van de praedestinatie toegedaan waren,
geheel verschillend van die van Kalvyn en van de Dord-
sche Synode, tegen welke zij zich genoodzaakt gevoelden
te getuigen wegens het gevaar, dat zij daarin voor de
gemeente voorzagen. En heeft de uitkomst hunne vrees
niet ten volle gerechtvaardigd?
Het is mij altijd een opmerkelijke vraag van onzen
Heidelbergschen Katechismus geweest: „Maar maakt
deze leer (die van de onverdienstelijkheid der goede wer-
ken) dan geene goddelooze en zorgelooze menschen?" met
het welbekende antwoord: „Neen, want het is onmogelijk,
dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof inge-
plant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaar-
heid." En het heeft mij steeds toegeschenen, dat dit
antwoord, hoe voortreffelijk en onbetwistbaar^ ook op
zich zelve, evenwel op de vraag niet wel passende was.
Immers, al is het dat eene verkeerde leer op den waar-
lijk geloovige, die het tegengif in zich heeft, niet van
schadelijke uitwerking zij, kan zij dit toch wel in groote
mate zijn op anderen.
Maar met hoeveel meer recht laat die vraag zich
niet gelden met betrekking tot de gereformeerde leer
der verkiezing en verwerping! En met hoeveel minder
grond kan daarop een geruststellend antwoord worden
gegeven! Of zegt niet de rede en predikt niet de onder-
-ocr page 22-
18
vinding als op de straten, hoezeer de zorgeloosheid en
goddeloosheid van het menschelijke hart in de hand
moet worden gewerkt en versterkt door de leer:
„Dat door een onveranderlijk besluit Gods sommigen
tot eeuwige zaligheid en anderen tot eeuwige rampzalig-
heid zijn bestemd."
„Dat uit vrijmachtig welbehagen aan sommigen, ge-
heel buiten hun toedoen, het geloof wordt ingestort."
„En dat de anderen in hunne zonden worden gelaten
of voorbijgegaan of, op zijn best, met onvoldoende, niet
zaligmakende bewerkingen worden begiftigd."
Brengt men hier tegen in, dat dit niet het echt ge-
reformeerde geloof is, maar eene valsche voorstelling,
eene overdrijving, eene karikaturiseering er van, dan
antwoord ik: Neen, dit is db gereformeerde leer.
Volgens Art. 10, (de ééne doode vlieg in onze anders
zoo overschoone Geloofsbelijdenis), waar niet ronde woorden
staat: «Dat God uit enkele goedertierenheid sommigen uit
de verderfenis redt en de anderen laat in hunnen val
en verderf."
Volgens de Dordsche leerregels, waar wij lezen: «Dat
God sommigen in der tijd met het geloof begaaft, sommi-
gen niet begaaft, komt voort van Zijn eeuwig besluit.
Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoe-
wel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te
gelooven, maar degenen, die niet zijn verkoren, door
zijn rechtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardig-
heid laat."
Volgens Kalvyn in tallooze plaatsen, te vele om te
noemen. Men leze slechts het IIIJc ook zijner Institu-
-ocr page 23-
L9
tiones en daarin voornamelijk Hoofdst. 21 , 22, 23, waar-
van liet eerste tot opschrift heeft:
»Van de eeuwige verkiezing, waardoor God sommigen
tot zaligheid en sommigen tot het verderf ver o r-
dineer d heeft."
En waaruit ik ten overvloede nog de volgende plaat-
sen overschrijf:
iiDe eerste rnensch is gevallen omdat de Heer geoordeeld
had, dat zulks net en oorbaarlijk was. Waarom Hij dat
geoordeeld heeft is ons onbekend." (III. 23. 8.)
»Dat God door een eeuwigen en onveranderlijken raad
eenmaal besloten en verordineerd heeft, wat voor menschen
Hij namaals tot de zaligheid verkiezen en aannemen en
wederom wat voor menschen Hij tot het verderf verwer-
pen wilde." (III. 22. 7.)
«Dat dengenen, die Hij ter verdoemenis toeeigent, wel
door zijn rechtvaardig en onberispelijk, maar nochtans onbe-
grijpelijk oordeel, de toegang tot het leven wordt opge-
sloten." (III. 22. 7.)
«Gelijk God door de kracht van zijne roeping volbrengt
de zaligheid zijner uitverkorenen, tot dewelke Hij hen door
zijnen eeuwigen raad heeft verordineerd, alzoo heeft Hij
zijne oordeelen tegen de verworpenen, waardoor Hij zijn
voornemen, \'t welk Hij van hen genomen heeft, uitvoert en
voltrekt. Die Hij derhalve ter oneere en tot het verderf
des doods geschapen heeft om instrumenten te zijn van
zijnen toorn en exempelen van zijne strengigheid: die be-
rooft Hij somwijlen van de macht en gelegenheid om zijn
woord te hooren: somwijlen wederom maakt Hij hen door
de verkondiging zijns Wcords blinder en onverstandiger,
opdat ze tot hun bestemd einde komen en geraken moch-
ten." (III. 2-4. 12.)
-ocr page 24-
20
Het kost mij moeite voort te gaan. Nog slechts ten
slotte het volgende:
n Welke is dan de reden dat Hij sommigen Zijne genade
schenkt en de anderen voorbij gaat? Van de eersten geeft
Lukas de reden: Omdat ze tot het leven verordineerd
zijn. Wat kunnen wij dan anders gevoelen van de anderen
clan dat ze voorbij gegaan worden omdat ze zijn vaten des
toorns ter oneere bereid? Laat het derhalve ook niet ver-
drieten met Augustinus te spreken: God, zegt hij, zou
den wil der boozen wel kunnen bekeeren ten goede, want
Hij is almachtig. Hij zou voorwaar dat wel kunnen doen.
Waarom doet Hij het dan niet ? Omdat Hij niet heeft
gewild. Waarom Hij het niet heeft gewild, dat staat bij
Hem en in Hem bekend." (III. 24. 13.)
Dat ik deze aanhalingen met vele andere zoude kun-
nen vermeerderen, behoef ik wel niet te zeggen. Doch
het bovenstaande is voldoende:
ten eerste om te antwoorden op wat mij vaak wordt
voorgeworpen alsof ik de leer van Kalvyn niet verstond
of niet juist voorstelde.
ten tweede om aan de voorstanders van de Ge-
reformeerde leer te doen zien wat het is waarvoor zij
ijveren.
Want niet gering is het getal van hen, die het ééne
oogenblik de Gereformeerde banier hoog opheffen en het
andere een geloof uitspreken, geheel met de Gerefor-
meerde leer in strijd. l)
\') Aldus o. a. de Redacteur van liet Chr. Geref. Weekblad Gideon,
die, aan het eind van eene reeks tegen mij gerichte artikelen, de oor-
zaak van mijne dwalingen toeschrijft aan mijne «oppervlakkige natuur"
-ocr page 25-
21
Ik zoude er echter niet aan gedacht hebben om Kal-
vyn en de sinds lang ontslapen Dordsche vaders te be-
strijden, die God nu wel anders zullen hebben leeren
bennen, indien de door hen verkondigde leer in de hand
des Satans zulk niet een machtige strik ware geworden
om duizenden en duizenden in ons land en elders van
God af te houden.
En hoe kan dit ook anders? Is niet het eenige wat
het schuldige en dientengevolge achterdochtige en vijan-
dige hart des zondaars voor God kan winnen: het geloof
in de liefde Gods? Is er een enkel Christen op aarde
of in den hemel. die niet moet bekennen, dat dit het
oogenblik zijner bekeering is geweest, toen hij, zoo als
hij was, in de liefde van den voor hem stervenden Hei-
land geloofde? En wat men dan zelf om niet ontvangen
heeft, zal men het anderen niet om-niet geven? Zal men
die vrije genade, waarin men zelf zich verheugt, als
een privaat-eigendom beschouwen in plaats van tot zijne
nog in den strik des wantrouwens gevangen medezon-
daren te zeggen: Het is voor u evenzeer. Diezelfde liefde
gaat tot u uit. Diezelfde God heeft zijn Zoon voor u
gegeven. Diezelfde Heiland is voor u gestorven. Opdat
ook zij, in die liefde geloovende, de hartvernieuwende
en zaligmakende kracht er van ervaren?
Is het niet zoo klaar als de dag, dat dit het Evan-
gelie, de blijde tijding der vrije genade Gods is, ontdaan
en welke schrijver, na eerst ten sterkste voor de Kalviuistische leer
te velde te zijn getrokken en het zelfs betreurd te hebben daarbij den
knods van Kalvyn niet te kunnen zwaaien, gelijk hij, om zijne tegen-
standers te verpletteren . in een slotartikel de stelling verdedigt. dat.
alle meiischcu kunnen zalig worden, in lijnrechte tegenspraak niet
Kalvyn en de Dordsche vaderen.
-ocr page 26-
22
van alle menschelijke instellingen en bijvoegselen? Dat
dit de tijding is, die aan alle kreaturen moet gepre-
dikt worden en waarvan de gezegende vrucht niet kan
achterblijven.
En daarentegen:
Hoe zal een mensch zich aan een God toebetrouwen,
van Wien hij niet weet of Hij hem liefheeft of haat, of
Hij besloten heeft hem zalig te maken of in zijn verderf
te laten liggen?
Hoe kan de moedeloosheid en hopeloosheid uitblijven,
waar men, overtuigd van zijn vloekwaardigheid, ver-
meent dat God sommigen voorbijgaat en dientengevolge
in voortdurende vreeze wordt gehouden tot die voorbijge-
ganen te behooren?
Hoe kan men een God, ik zeg niet: vreezen, maar:
liefhebben, van Wien men gelooft, dat Hij Zijne schep-
selen wegens een uit Adam overgeërfden toestand voor
altijd laat verloren gaan, terwijl Hij het in Zijne macht
heeft hen te bekeeren, maar besloten heeft dit niet te
doen tot verheerlijking van Zijne Rechtvaardigheid?
Hoe kan men zijn naasten liefhebben, waar men ge-
looft in een God, die enkelen liefheeft en anderen haat?
Hoe zijne vijanden liefhebben, terwijl God, met betrek-
king tot de meerderheid zijner vijanden, het voorbeeld
geeft van het tegenovergestelde?
Is het niet inderdaad eene oorzaak van verbazing dat
de Satan zoovele ernstige, goedgezinde, godvruchtige
menschen, door schromelijk misverstand van sommige
schriftplaatsen, zoo langen tijd in zulk een geloof heeft
kunnen verstrikt houden?
Geen wonder dan ook dat, van het gezegend oogenblik
af, dat God in zijne onuitsprekelijke goedheid mij de
-ocr page 27-
23
oogen heeft geopend en het hart overvloeiende vol ge-
maakt heeft van zijne teedere liefde — hetgeen Hij aan
een iegelijk doen wil en doen zal, die er alles (al zijn
zonden, al het twijfelachtige, alle menschenvrees, alle
eerzucht, alle eigenvroomheid en alle goede reuke van
rechtzinnigheid) voor over heeft, — geen wonder. zeg
ik, dat van dat oogenblik de behoefte mijns harten deze
is., om overal, waar mij de gelegenheid geopend wordt,
maar in de eerste plaats in de gemeente, waar God mij
gesteld heeft, deze groote liefde te verkondigen, vrij en
ruim als het water der rivier, als het licht der zon,
als de lucht van den dampkring.
Noch ook is die getuigenis te vergeefs geweest. Want
niet gering is het aantal van hen, voor wie dit Evangelie,
dat in waarheid een Evangelie is, eene kracht Gods ge-
worden is tot zaligheid en die zich nu bij voortduring
verblijden in hunnen Heiland, met eene onuitsprekelijke
heerlijke vreugde en Hem aanhangen in ware veraieu-
wing en heiligheid van hart en wandel.
Dat het daarbij niet aan tegenstand zou ontbreken,
liet zich wel verwachten. Men is nu eenmaal gewoon
in echt gereformeerde gemeenten de prediking van eene
verzoening voor enkelen en dan nog voor die enkelen
langs zekere geijkte bekeeringswegen voor „de waarheid"
te houden, en wie met de vier Kampensche Predikanten
verkondigen, „dat Christus voor allen en voor ieder
mensch gestorven is," en „dat God allen, die Hij door
het Evangelie roept, ook genoegzame genade geeft
om die roepstem gehoor te geven," te beschouwen en te
behandelen als leugenpredikers. Noch ook wil ik er mij
te zeer over verwonderen, dat Gij u geroepen geacht
hebt om dien tegenstand alhier te komen versterken.
-ocr page 28-
24
Maar hierin verblijd ik mij, dat het heerlijk licht
van Gods groote en heilige liefde, uitgaande tot alle
menschen, in hoe langer hoe meer harten doordringt,
alle beperkingen van menschelijke inzettingen, stelsels,
benamingen wegvagend en de kinderen Gods vergaderend
tot ééne gemeente, toebereid voor de komst hares Heilands.
In het vaste vertrouwen dat daartoe de getuigenis ook
van onze oude Kampensche Leeraren zal medewerken
en weerklank vinden ook in uwe Theologische school
en met de hartelijke bede, dat ook uit uw midden vele
getrouwe getuigen van dit volle Evangelie der zaligheid
mogen uitgaan en over ons vaderland worden verspreid,
duizenden en honderdduizenden ten zegen,
Ben ik met alle achting en liefde
Uw Dw. Dr. en Br. in Christus
P. HUËT.
-ocr page 29-
-ocr page 30-
Mede bij denzelfde uitgever verschenen en alora
te bekomen:
DE WANDEL MET GOD
EEN VROUWELIJKE NO ACH
4
IN FRANKRIJK,
dooi: P. HÜËT, V. D. M.
Post-8°.-formaat. K> bladz. ... 10 Cfc.
Gedrukt bij P. Groenendijk.