-ocr page 1-

of. ^IZ/JZ

/f

van ^cnvcn.

HET VERMOGEN

VAN

Eleedingstoffen om warmte
door te laten.

II

11

1

ii
»

ii

-ocr page 2-
-ocr page 3-

•fH;

. v" vi. \' - n n • y .

: •
nu

-ocr page 4-

«

S:\'

Sc

-ocr page 5-

HET VERMOGEN VAN KLEEDÏNGSTOFFEN
OM WARMTE DOOR TE LATEN.

-ocr page 6-

\'-is \'.i.\'\' . - ^

, - ^ V -

-ocr page 7-

HET VEEMOGEN VAN KLEEBINGSÏOFFEN
OM WAEMTE DOOE TE LATEN.

PROEFSCHRIFT

ter verkrijging van den graad
van

til ^^t^^slttttW,

AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT,

na machtiging van den rector magnificus

D»^ J. A. WUNNE,

Hpogleeraar in de faculteit van Letteren en Wijsbegeerte,
VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT

tegen de bedenkingen van

DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE
TE VERDEDIGEN

op Maandag, den 19deii April 1886, des namiddags te 4 uur,

door

JA« ADRIAAi^ ÏAi\\ LEUVïl

geboren te Aal ten (Gelderland).

ocoo-

UTRECHT ~ J. NIKERK - 1886.

-ocr page 8-

Ï^Èt- X < - . /Vv .. . ^V li

■ - \' -V,-:;

,

-ocr page 9-

AAN MIJNE OUDEI\\S.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORWOORD.

Gaarne maak ik van deze gelegenheid gebruik om
mijnen dank ie betuigen aan U, Hoogleeraren en
Lectoren der Medische Faculteit, voor het onderwijs
dat ik van ü genoten heb.

In het bijzonder geldt dit U, Hooggeleerde van Over-
beek de Mkijer,
Hooggeachte Promotor. De welwil-
lende hulp en krachtdadigen steun mij bij het vervaar-
digen van dit proefschrift verleend, zullen mij steeds
in dankbare herinnering blijven.

-ocr page 12-

é\'

f.

- ?

S:

tv

W\'i\',\'

•é

m

1

mm

-ocr page 13-

INLEIDING.

-ocr page 14-

■rTw-\'T.\'-\'î&.-iv.,-,: - ■ ■

tVt

- ■■• ■ O\' ■■1 I\' ; Y

-ocr page 15-

Volgens von Helmholz bedraagt de hoeveelheid
warmte, die door de huid wordt afgegeven, 77.5°/o
van de gezamenlijke hoeveelheid door het lichaam
ontwikkeld.

Deze warmte gaat langs de huid verloren op drie
wijzen:

1° door straling.

2° door geleiding,
door verdamping.

Bestond er voortdurend evenwicht, tusschen de
hoeveelheid warmte, die in het lichaam wordt ont-
wikkeld en de hoeveelheid, die op de drie genoemde
wijzen verloren gaat, geen bedekking van de huid
ware noodig.

Doch niet alleen in koude en gematigde lucht-
streken, ook in tropische landen is de mensch ge-
noodzaakt zich te beschutten tegen de invloeden der
atmosfeer. In koudere en gematigde streken, moet
bij lage temperatuur van den dampkring het verlies

geleden door straling en geleiding tot een minimum

1*

-ocr page 16-

worden teruggebracht. In gematigde luchtstreken
moet daarentegen des zomers, bij felle zomerhitte,
het lichaam zooveel mogelijk beschut worden tegen
het opnemen van lichtende warmte. Binnen de keer-
kringen moet deze beschutting uit den aard der zaak
nog meer volkomen zijn. Maar de oppervlakte van
het lichaam moet ook zoodanig bekleed worden, dat
hetgeen in dampvorm of als zweet door de huid
wordt uitgescheiden, op geschikte wijze worde ver-
wijderd, terwijl tevens moet gezorgd worden, dat
vochtigheid van den dampkring het hchaam niet
kunne schaden.

Goulier is een der eersten geweest, die zich heeft
onledig gehouden met proefnemingen aangaande
het vermogen van verschillende kleedingstoffen om
warmte uit te stralen en te geleiden.

Hij gebruikte daartoe een geel koperen cilinder
van een halven liter inhoud.

De cilinder werd gevuld met water van 50° G. en
door middel van een zijden koord bevestigd aan den
zolder. Een gevoehge thermometer wees de tempe-
ratuur van het water aan. Goulier bekleedde den
cilinder met verschillende stoffen, en bepaalde den
tijd noodig om de temperatuur van het in de bus
aanwezige water 5" te doen dalen. Hij stelde op

-ocr page 17-

die wijze vast, dat, wanneer de onbedekte cilinder
18\'i2" noodig had om van 40° C. tot 35° C. af te
koelen, onder dezelfde omstandigheden het tijdsver-
loop bedroeg bij eene bedekking van den cilinder
met:

fijn katoen........11\'39"

grof katoen.......II\'IS"

hennep.........11\'25"

blauw laken.......14\'45"

rood laken.......14\'50"

grijs laken........ 15\'5"

Hieruit volgde, dat de afkoeling nagenoeg met
gelijke snelheid tot stand komt bij eene bedekking
met eene laag katoen, of met eene laag linnen, en
daarentegen betrekkelijk veel trager geschiedt wan-
neer de cilinder bekleed wordt met eene wollen stof.

Hammond herhaalde Gouliers proeven en kwam
tot het volgend resultaat:

de tijd der afkoeüng van 150° tot 140° Fahrenheit
bedroeg voor den onbedekten koperen cilinder 15\'11"

! katoen voor hemden . 9\'42"

hennep......7\'35"

wit flanel.....12\'35 "

donkere blauw laken 14\'5"
licht = „ „ 13\'50"
Na Hammond heeft Kr ie ge r het uitstralings-

-ocr page 18-

6

en geleidingsvermogen bepaald voor verschillende
stoffen.

Krieger gebruikte eerst kogels, van gelijke mid-
dellijn en gelijken inhoud. Het was hem echter niet
mogelijk, zonder groot tijdverlies, met de stoffen
eene gelijkmatige omhulling te verkrijgen en hij
moest daarom deze methode laten varen. Voor zijne
verdere proeven gebruikte hij twee blikken cilinders,
van volkomen gelijke afmetingen. De oppervlakte
der cihnders was te voren zeer nauwkeurig door
hem berekend.

De cilinders waren van boven gesloten door twee
blikken platen, die door eene laag lucht gescheiden
waren, maar in het midden een buisje doorlieten,
waardoor een thermometer kon worden geschoven.
De gebruikte thermometers waren zeer nauwkeurig
geregeld en hunne schaal was in i/jo graden ver-
deeld.

Krieger vulde deze cilinders met water en ver-
warmde hen daarna in een waterbad of boven eene
spiritusvlam tot 45° ä 46° G. Vervolgens omhulde
hij de cilinders met verschillende stotïen, wachtte
eenigen tijd, tot dat de warmte gelijkmatig tot de
omhulHng was doorgedrongen, teekende de tempe-

1) Zeitschrift für Biologie, jaargang 1869, pag. 504

-ocr page 19-

raLuur op van het vertrek alsmede de relatieve voch-
tigheid. Na verloop van zekeren tijd nam hij de
afkoeling waar, die het water in den cilinder onder-
gaan had, voorts ook de temperatuur van het ver-
trek en de relatieve vochtigheid. Uit deze gegevens
heeft Krieger berekend, hoe groot het warmte-
verlies door straling was bij eene bedekking van
den cilinder met eene strak aangetrokkene laag van
eene der volgende stoffen: wol, gewast leder, zijde,
katoen, linnen.

Na eene reeks van proefnemingen vond hij dat,
wanneer het uitstralingsvermogen van wol gelijk
100 gesteld werd, dat vermogen voor gewast leder
100.5, voor zijde 102.5, voor katoen 101 en voor
linnen 102 bedroeg.

Krieger heeft voorts ook onderzocht, hoeveel
langzamer de warmte verloren wordt, wanneer zij
van de oppervlakte van den cilinder door meer dan
ééne laag kleedingstof moet heen dringen, met andere
woorden hoe groot het vermogen is van die stoffen
om warmte te geleiden. Hij stelde op die wijze
vast, dat het vermogen van eene stof om het hchaam
warm te houden, slechts voor een betrekkelijk gering
deel kan afhangen van hare soort en van haar
gewicht, maar voornamelijk afhangt van de dikte
der stof, — alsmede, dat men zich met gelijke

-ocr page 20-

8

hoeveelheden van eene stof zeer verschillend warm
kan kleeden, naar gelang de stof strak aansluit, dan
wel los om het lichaam wordt gedragen.

Von Pettenkofer i) had reeds vroeger het ver-
mogen bepaald van enkele kleedingstoffen om lucht
door te laten, en de uitkomst zijner proefnemingen
was geweest, dat, bij gelijke drukking, de volgende
hoeveelheden lucht in den zelfden tijd worden door-
gelaten.

wanneer flanel 100 vim. deelen lucht doorUet,
liet middelmatig fijn linnen door: . . 58 vol. dln.

buckskin...........58 „ „

zeemleder...........51 „ „

zijden stof...........40 „ „

wit gelooid leder........,5 „

De stof (flanel), die het warmst kleedt, bleek dus
het best voor lucht doordringbaar te zijn. —-Von
Pettenkofer heeft op grond van die uitkomsten
doen opmerken, dat de kleeding niet bestemd kan
zijn om de damkringslucht te weren, maar alleen
ten doel kan hebben, het doordringen der damp-
kringslucht tot de oppervlakte van het lichaam te
regelen, opdat de aanraking van de huid door die
lucht niet onaangenaam valle of nadeel berokkene.

i) Zeitsehrift f. Biologie, 1865, pag. 180,

-ocr page 21-

9

Von Pettenkofer beeft destijds ook onderzocht
in welke mate kleedingstoffen het vermogen bezitten
om waterdamp uit de lucht of van de huid op
te nemen en vast te houden. Hij deed dit echter
alleen ten opzichte van linnen en van flanel.

Hij droogde lappen van gelijke grootte van deze
stoffen bij 400° C., bij welke temperatuur deze haar
hygroscopisch water nagenoeg geheel verliezen ; daarna
woog hij elke lap in eene goed gesloten bus, waar-
van het gewicht nauwkeurig bekend was. Vervolgens
hing hij deze lappen op in een vochtigen kelder,
daarna weder in eene zaal en zoo voort, telkens in
eene beslotene ruimte, met hoogeren of lageren
warmtegraad en grootere of kleinere relatieve voch-
tigheid der lucht binnen die ruimte; vóór elke ver-
plaatsing werden de lappen in de bussen geplaatst
en daarin nauwkeurig gewogen ter bepaling van haar
watergehalte Op deze wijze werden de volgende
uitkomsten verkregen:

-ocr page 22-

10

è SIJ

a

O, fl

^ M

Hygroscopisch

t3 a

\'S

as ^

a ..a °

ai

3

3

OJ (D

pd üo

water op 1000 grm.

1 s

B ^

0) -"l rJp

1

a S

i 1

^ bsi

i" 1 ^

\'3

u

V O.

O.

O.
CS O

^ .3

H

O

linnen

flanel

1

kelder

3°.1

C.

12

uren

77

157

3

gehoorzaal

1.2

12

33

74

143

3

kamer

19

12

33

41

75

4

laboratorium

12.2

12

33

63

105

5

kelder

4.4

12

33

111

175

6

gehoorzaal

4.5

4

33

93

160

7

4.5

3

33

91

148

8

5.5

15

33

85

146

9

kamer

21.

10

min.

73

113

10

5)

21.

10

33

52

96

11

35

21.5

10

)3

45

87

12

n

21.5

10

33

43

82

13

jj

20

15

33

42

78

14

3)

29

15

33

42

77

15

3?

19

30

33

41

75

16

33

17.0

1

uur

43

76

17

33

16.5

2

33

45

77

18

33

15.5

2

33

46

78

Volgens deze tabel is het hygroscopisch vermogen
van wol bijna tweemaal zoo groot als dat van linnen.

Linnen zuigt bij bevochtiging veel sneller water
op, dan wol zulks doet, staat daarentegen het op-
gezogen water ook sneller weder af.

Eene andere reeks van proefnemingen leerde von
Pettenkofer, dat dezelfde verhouding ook geldt
ten aanzien van het opnemen en afgeven van drui-
pend vloeibaar water door linnen en door wol.
Linnen wordt zeer gemakkelijk nat, veel sneller

-ocr page 23-

11

dan wol onder dezelfde omstandigheden; maar een
wollen lap is in staat een grootere hoeveelheid vocht
op te slorpen en houdt dat vocht langer vast.

Von Pettenkofer heeft voorts nog doen opmer-
ken, dat er een groot verschil is in de veerkracht
der vezels, waaruit stoffen geweven worden, naar-
mate die stoffen met water gedrenkt worden: wol-
vezelen behouden hare veerkracht, ook wanneer zij
doornat zijn geM^orden; de vezelen van katoen, lin-
nen, zijde, verhezen echter hare veerkracht grooten-
deels in dat geval. Eene wollen stof zal dus ook
om die reden in hare poriën de lucht langer be-
houden dan de andere genoemde stoffen; hnnen,
katoenen en zijden stoffen, in druipnatten toestand,
laten volgens von Pettenkofer weinig of geen
lucht door, wol echter wel.

Soortgelijk onderzoek heeft ook Geltowsky ge-
daan. Hij bepaalde de hoeveelheid water, die door
oud en nieuw mantellaken en zoogenaamd „ours"
wordt opgenomen. Hij vond, dat een soldatenmantel
van oud laken opneemt 5.605 kilo water, een mantel
van nieuw laken 9.236 kilo, een mantel van ours
3.401 kilo water. Ter verwarming van dat water,
van 5 ä 6° G. tot 30° C., zouden noodig zijn: voor
den ouden mantel (met 5.605 kilo water) 168 calo-
riën; voor den nieuwen mantel (met 9.236 kilo water)

-ocr page 24-

12

277 caloriën. Aangezien i liter water van 40\' C.,
voorhanden in oud mantellaken, bij matige beweging
van het kleedingstuk in de lucht 7.9 cal. per uur
bleek te verhezen, zou het verlies voor den geheelen
mantel per etmaal bedragen hebben: voor den ouden
mantel: 7.9 X 5.605 X 24 = 1062.7 caloriën, voor
den nieuwen 7.9 X 9.236 X 24 1751 caloriën.

Geltowsky heeft ook het warmteverlies bepaald
van een blikken kubus gevuld met water van 40° G.,
bij bedekking van deze bus met verschillende stoffen,
en dat zoowel in den toestand van rust, als bij be-
weging der bus.

Later heeft Klas Linroth talrijke onderzoekingen
gedaan betreffende het watergehalte in kleederen.
Hij maakte daarbij onderscheid tusschen het water,
aan de omringende luchtlagen onttrokken en door
de vezel van het weefsel, zoogenaamd hygrosco-
pisch gebonden, en het water in de mazen van
het weefsel door capillaire werking vastgehouden,
zg. tusschengelegen water.

Ter bepaling van het hygroscopisch vermogen van
katoen, flanel, linnen en zijde gebruikte hij lappen

1) Einige Versuche über das Verhalten des Wassers in unseren
Kleidern, Zeitschrift für Biologie, XVII, 1881, p. 184.

-ocr page 25-

13

stof van gelijke grootte: 150 cM®. Deze lappen wer-
den gedurende 2 uren gedroogd in eene stoof, bij
105 ä 110° G. en daarna in rolronde metalen bussen
van bekend gewicht nauwkeurig gewogen.

Vervolgens werden de lappen opgehangen in lucht
van verschillende temperatuur en vochtigheid, ge-
durende 15 è. 20 uur, eene tijdruimte noodig om de
stof de grootst mogelijke hoeveelheid water te doen
opnemen.

Na verloop van dien tijd werd elke lap der stof
in eene der bussen wederom gewogen. Linroth
heeft de aldus opgenomen hoeveelheid water bere-
kend op 1000 gewichtsdeelen stof en kreeg tot uit-
komst het volgende:

-ocr page 26-

14

S3

a
s

O

s
"o

Temperatuur
in

0 C.

Rel.
vocht,
in "/„.

Water hygroscopisch gebonden per
1000 gewichtsdeelen stof.

flanel.

zijde.

linnen.

katoen.

1

H-15.1

27

36

30

21

20

3

15.7

30

48

40

28

25

3

12.2

36

54

41

30

29

4

19

43

71

53

37

37

5

15.2

47

65

52

42

36

6

20.7

54

_

45

_

7

12.2

54

90

63

48

49

8

-{-18.5

55

92

49

9

15.4

5S

92

80

53

55

10

12,4

64

104

90

59

57

11

— 5.2

64

115

86

61

60

12

22.2

64

117

103

64

64

13

— 2

73

158

139

90

89

14

7.8

83

169

144

96

99

15

13.8

85

165

136

98

98

16

8.5

93

207

136

17

5.7

94

213

181

132

137

18

9.2

95

218

163

134

135

19

15,5

97

217

177

134

154

20

7,8

98

225

193

142

155

21

18.9

98

235

163

133

128

22

— 0.9

nevel

273

271

206

239

Uit deze tabel blijkt:

dat de boeveelheid water, door de onderzochte stoffen
hygroscopisch gebonden, afhankelijk is van de rela-
tieve vochtigheid der lucht en daaraan direkt even-
redig.

Uit de vergelijking der getallen, voor de volg-

-ocr page 27-

15

nommers 6 en 8, 14 en 15, 17 en 18, 20 en 21,
besluit Linroth tevens:

dat de temperatuur van geen invloed is op het
hygroscopisch vermogen der stoffen.

De stoffen nemen de grootste hoeveelheid op bij
mistige lucht, ongeveer 200 meer dan bij eene
gemiddelde relatieve vochtigheid van 54

Linroth bepaalde ook, of luchtbeweging van
invloed is op het hygroscopisch vermogen. Hij hing
met dit oogmerk twee lapjes flanel op in de buiten-
lucht, het eene lapje in een thermometerhuisje,
waarin de lucht wel flink stroomde, maar toch niet
zoo sterk als in de vrije ruimte daarbuiten, het
andere vrij in den dampkring. De uitkomst was
de volgende:

-ocr page 28-

16

hoeveelheid water
hygrosc. gebonden.

Gewicht
der stof.

Gewicht.

per 1000.

Sterke wind, T=:-f-5°. iC;
Eel. voeht= 72
flanel.

lap vrij in de lucht......

„ in het therm, huisje. . . .
Zwakke wind; T — 0°. 9 C;
Nevel.

flanel.

lap vrij in de lucht......

„ in het therm, huisje . . .
Zwakke wind; T = — 0°. 9 C
Nevel.

katoen.

lap vrij in de lucht......

„ in het therm, huisje. . . .

a.

2.736
3.413

122
111

0.338
0.379

b.

2.405
2.4633

0.5985
0.604

249
245

3.339
2.4985

0.4488
0.459

192
184

Bij blootstelling der stoffen aan den wind werd
dus haar watergehalte nog iets grooter dan wan-
neer zij op de eene of andere wijze tegen dien
luchtstroom beschut werden. De verklaring van dit
feit laat Linroth in het midden.

De proefnemingen leerden voorts, dat het hygro-
scopisch vermogen van de vier stoffen zéér verschilt:
flanel neemt de grootste hoeveelheid water op en
daarna volgen, in afdalende orde, zijde, katoen en
linnen. Tevens blijkt nog uit de tabel, dat de onder-
linge verhouding der vier onderzochte stoffen, wat
betreft haar hygroscopisch vermogen, bij verschil-

-ocr page 29-

17

lende graden van relatieve vochtigheid der lucht
bijna constant is.

Bij deze proeven hadden echter de stoffen de
grootst mogelijke hoeveelheid water uit de lucht op-
genomen. Geheel andere getallen worden verkregen
wanneer het hygroscopisch vermogen van de stoffen
onderling vergeleken wordt, terwijl ze met water niet
volkomen verzadigd zijn. De voornaamste stoffen,
waarvan kleederen gemaakt worden, kunnen dus
aanzienlijke hoeveelheden water uit de lucht opnemen.
Zeer hygroscopisch bleken ook andere stoffen te zijn,
waaruit kleederen of bedfournituren worden ver-
vaardigd. Ofschoon Linroth de laatst bedoelde
stoffen niet zoo veelvuldig kon beproeven, als de
vier eerstgenoemde, achtte hij zich toch gerechtigd
de volgende rangschikking vast te stellen.

Het geringst is het hygroscopisch vermogen van
plantaardige stoffen als linnen en katoen; dan volgen
paardenleder, zijde, paardenhaar, koeleder, wol en
eindelijk schapenleder, dat eene hoeveelheid water
gelijk aan bijna de helft van zijn gewicht uit de
lucht kan opnemen. Stoffen, die voor een deel uit
plantaardige en voor een deel uit dierlijke grondstof
zijn gemaakt, hebben een dien overeenkomstig ge-
middeld hygroscopisch vermogen; zoo b. v. halfwol
(half katoen) en gelijmde watten.

-ocr page 30-

48

Linroth heeft voorts voor dezelfde eerstgenoemde
vier stoffen ook de snelheid bepaald, waarmee de
opneming en verdamping van water plaats heeft,
dat wil zeggen: de snelheid waarmee de hoeveelheid
water in kleedingstoffen veranderen kan. Voor elke
stof heeft hij drie reeksen van proeven genomen.
De uitkomsten waren bijna gelijk; het is dus vol-
doende hier die van eene der reeksen te vermelden.
De lucht had in deze reeks eene relatieve vochtig-
heid van 95 Gedurende de eerste 40 minuten
namen de lapjes reeds 20 tot 50 op van de
geheele hoeveelheid water, die zij bij vermelden
graad van vochtigheid der lucht konden opnemen;
daarna werd veel minder opgenomen, zooals blijkt
uit de volgende cijfers:

flanel, zijde, linnen, katoen

gedurende de eerste 10 min. 35°/„ 50°/„ 237« 44°/^
„ tweede „ „ 17 20 13 16
„ derde „ „ 11 9 10
7
Na een half uur waren reeds 62 tot 68°/^ water
opgenomen. Na 2^/3 uur waren de hoeveelheden
nieuw opgenomen water uiterst gering. Het ver-
zadigingspunt werd eerst na 13 tot 16 uur bereikt.

Waren de lapjes niet volkomen droog, maar hadden
ze reeds onder den invloed der relatieve vochtigheid
van de lucht water opgenomen, dan bevatten ze na

-ocr page 31-

19

verloop van de eerste 10 minuten iets meer water
dan volkomen droge lapjes zouden opgenomen heb-
ben; vervolgens ging het opnemen van water als
bij de droge lapjes. Bracht Linroth zijne lapjes
in droger lucht, die tevens warmer was, 18° C.
en 45°/
q rel. vocht, dan werd reeds in de eerste
10 minuten zeer veel water opgenomen, namelijk
tusschen de 60 en 707o van de geheele hoeveelheid
water, die de lapjes konden opnemen; het punt van
verzadiging werd eerst na 2 uur bereikt.

Hij heeft daarom onderzocht, of het verschil aan
de hoogere warmte, dan wel aan de grootere droogte
moest worden toegeschreven. Deze reeks van proef-
nemingen leerde hem, dat het verschil in snelheid
der opslorping berust op de relatieve vochtigheid der
lucht: de snelheid van opslorping is des te grooter
naarmate de vochtigheid geringer is, en naarmate
er minder water door de stoffen kan worden opge-
nomen. Daarentegen is het absolute watergehalte
ten allen tijde aanzienlijk grooter in lucht, die
relatief meer waterdamp bevat dan in drogere lucht.

De snelheid van verdamping bij den overgang
van vochtige in droge lucht blijkt uit de volgendg
tabel:

2*

-ocr page 32-

20

flanel 2.7575 gram.

zijde 1 216 gram.

linnen 3.118 gram.

katoen 2.1257 gram.

HOEVEELHEID WATER.

Tijd.

£

O

(D

O

fl

0)
"3

T3 O
O

O ^
^ -ö

O

t

tl

0)
>

« fch
ö 0

!H a
0) TS

O^

O

(D

O

1
"03

TJ O

O "
O s-
O ï
.TH -O

O.

O

1

SH
Ol
t>

m bji

Q

T3

O

T

a>
O

ffi

■a O
O "

TH ra

Q,
O

IL,

(D
>

a a

a

nj
^

s

O
(U

O

ö

■o)

o; tj:

s

O

s ^

2 <D

O

1

O
l>

ii bïs

ni S

If

O) ^

0.7531

273

0.3300

271

0.6422

20Ö

0.508

239

0.5610

203

38

0.1655

136

71

0.4122

132

47

0.2863

135

54

0.4325

157

25

0.1395

115

11

U.2675

86

29

0..670

79

29

0.3798

138

11

0.1335

110

3

0.2180

70

10

0.1395

66

7

0.3490

127

6

0.1308

108

1

0.2020

63

3

0.1314

62

2

0.3125

113

8

0.1195

99

5

0.1723

55

6

0.1128

5 4

4

0.2961

107

8

0.1170

96

2

0.1640

53

1

0.i082

51

2

0.2762

100

4

0.1158

95

I

0.1565

50

2

0.1056

60

0.2688

97

2 .

0.1135

93

1

n.1 545

50

0.1035

49

1

0.2629

95

1

0.1015

83

5

0.1528

49

1

0.1025

48

0.2530

91

2

0.1015

13

0.1475

47

1

0.0975

46

1

0.2 530

91

0.1095

0.1480

0.0990

■—•

100

100

100

löö"

De verdamping gaat dus evenals de opslorping in
het begin zéér snel. Het grootste gedeelte, namelijk
38 tot van het v^ater verdampt reeds binnen

de eerste 10 minuten. Bij de zijde hield de verdam-
ping reeds na 2\'/3 uur op, een half uur later bij
de andere stoffen. Naar de snelheid der verdamping
moesten de vier stoffen aldus gerangschikt wwden,
in afdalende orde; zijde, katoen, linnen en wol; bij

By het begin
der proef.

na 10 min.
. 10
„10
,10
„ 10
, 10
„80
„30
„30
„30
. 30

-ocr page 33-

21

laatstgenoemde stof heeft de verdamping trager en
regelmatiger plaats dan bij de drie andere.

De hoeveelheid water, die in de mazen van het
weefsel kon terug gehouden worden, bepaalde Klas
Linroth door indompehng van lapjes der vier ge-
noemde stoffen in water, waarna elk lapje uitge-
wrongen werd met de hand. Flanel bleek op die
wijze van haar gewicht opgenomen te heb-

ben, linnen daarentegen slechts 696°/oo.

Was de persing minder krachtig, dan kon flanel
1484, zijde 1091, linnen 812 en katoen 824 gram
water per 1000 gram stof terughouden.

Ook bij deze proefnemingen bleek de snelheid en
de wijze van opslorping zeer te verschillen. Liet
hij nl. lappen stof van gelijke grootte op water drij-
ven, dan werden de lapjes zijde, katoen en linnen,
spoedig doornat en begonnen zij te zinken, katoen
was na eene minuut volkomen gedrenkt met water,
linnen na 2 minuten, zijde na 2 of 3 minuten.
Het wollen lapje daarentegen kon dagen achtereen
op het water blijven drijven, zonder dat het aan
zijne bovenvlakte een spoor van drenking vertoonde;
zelfs bij kneding met de hand werd wol niet zoo
druipnat als de drie andere stoffen; lucht hield zij
hier en daar in den vorm van kleine blaasjes sterk

-ocr page 34-

22

tusschen de draden vast; nadat de wol uil het water
genomen was, nam zij ook snel weder lucht in hare
mazen op.

De verdamping van het in de mazen terug-
gehouden water gaat in het begin zeer langzaam en
gelijkmatig; eerst wanneer de hoeveelheid zoo sterk
is verminderd, dat alleen nog de vezel van het weefsel
nat gebleven is, volgt de verdamping den loop, die
voor de verdamping van het in de onderzochte stoffen
uit de lucht opgenomen water werd vastgesteld
(zie boven). Dit tiidstip werd na 2 uur bereikt bij
flanel, bij linnen in de helft van dien tijd, nog
sneller bij katoen, en het snelst bij zijde zooals
blijkt uit de volgende tabel:

-ocr page 35-

23

katoen 2.1222 grm.

linnen 3.3045 grm.

zijde 1.2075 grm.

üanel 2.75 grm.

IN DE MAZEN VASTGEHOUDEN WATER.

c

.a-S

0)

Bij het
begin
der proef.

OJ s
O rt

SS

ca,-O

O

- i

O ro

-C

O S

&
?

O

O

8 3

<D
0,-0
O

0)
Ü

T3 "P

ra -a

ca

O, TS

O

loyl
735
387
!56
107
99
98
94
92
92
90
85
83

^.6835
2.193
1.702

I.579
0.846
<i.488
0.2615
0.196

II.184
0.1776
0.178
0.167
0.161
0.160
0.158
0.1555

812
663
515
387
256
147
79
59
56
54
54
50
48
48
47
47

824
632
441
274
134
64
50
47
47
46
46
43
41

i.395
0.888
0.4668
O.lsS
0.129
0.12U
0.118
0.113
Ü.111
0.111
.109
0.103
0.1
Ou

1.7486

1.3406

0.9335

0.5807

0.2846

0.1368

0.1056

0.0994

0.0994

0.0977

0.0976

0.090

0.0871

na 10 mill
» 10 „
„10 „
„ 10
„ 10
„ 10
„ 10
„ !0

1483
1355
1226
1103
985
859
738
511
495
373
265
177
141
104
98
97
97

4.U81
3.726
3.::l72
3.034
2.7075
2.362
2.030
!.68ü
1,3()3
1.026
0.728
0.4857
0.369
0.285
0.270
0.266
0.2658

35
34
23
5
1

0.5

0.5

0.5
0.5

19

19

17

17

14

9

3

0:5
0.5

0.5
0.5

25
24
21
18
9
2

0.5

9

9
y

9
9

9
9
8
9
8
6

2.5
2.5
1

10

10
10
10
10
30
30
30
30

0.5

100

100

100

100

De verdamping heeft dus bij wol veel gelijkmatiger
plaats dan bij de andere stolfen. Deze proeven wer-
den genomen in de vertrekken van het laboratorium.
De verdamping heeft natuurlijk sneller plaats, wan-
neer de luchtlagen in beweging zijn.

É

-ocr page 36-

24

Uit zijne proefnemingen maakt Linroth de vol-
gende gevolgtrekkingen:

a. De hoeveelheid van het in de vezelen der stof
opgenomen water hangt af van de relatieve vochtig-
heid der lucht; de grootste hoeveelheid nemen de
stotfen op in mistige lucht. De temperatuur en stroo-
ming der lucht schijnen geen noemenswaardigen
invloed uit te oefenen.

b. De snelheid der opslorping van water bij den
overgang van droge in vochtige lucht is in de eerste
oogenblikken het grootst en neemt langzamerhand
af, totdat het punt van verzadiging is bereikt. De
snelheid, waarmee dit punt bereikt wordt, hangt af
van den graad van vochtigheid; in eene atmosfeer,
die bijna verzadigd is met waterdamp, wordt het
verzadigingspunt eerst bereikt na 15 uur.

c. De snelheid van verdamping bij den overgang
van vochtige in droge lucht is eveneens in de eerste
oogenblikken het grootst; ze neemt daarna spoe-
dig af.

d. De hoeveelheid van het in de mazen eener stof
teruggehouden water verschilt, naarmate er meer of
minder kracht bij de uitpersing wordt aangewend.
Dit water verdampt in het begin zeer gelijkmatig;
later tegen het einde der verdamping met snel stij-
gende curve.

-ocr page 37-

25

De verschillen blijken het duidelijkst uit onder-
staand overzicht:

flanel.

zijde.

linnen.

katoen.

A. In de vezel teruggehouden

water.

Hoeveelheid op lOüO ge-

wichtsdeelen

1. In kamerlucht Rel. vocht

58 .......

92

80

53

55

2. In vochtige lucht Rel.

vocht 97 .....

217

177

134

154

3 Bij mist Rel. vocht

97 %.......

273

271

206

239

Snelheid der opslorping van

water in de eerste 10 minu-

ten in ......

35

50

31

41

Snelheid van verdamping

1° in de eerste 10 minuien

38

71

47

54

2° » « „30 „

74

85

86

90

B, In de mazen teruggehouden

water.

Hoeveelheid, die wordt

teruggehouden door ongeveer

lOOü deelen stof . . . ,

1484

1091

812

824

Dringt in de stof in

minuten.......

Z66r
langzaam

2 a3

2

l

Snelheid van verdamping

in °/o

gedurende de eerste 10 min.

9

35

19

25

„ het „ uur.

54

98

95

99

De invloed, die het watergehalte van de kleederen
op de lichaamswarmte uitoefent, zal zich op drie
wijzen doen gelden:

-ocr page 38-

26

1°. Worden kleedingstoffen door vermeerderd wa-
tergehalte tot betere geleiders voor de warmte.

2°. Vermindert haar vermogen om lucht door te
laten, door vermeerdering van het watergehalte.

3°. Worden er bij de verdamping van water groote
hoeveelheden warmte gebonden, die wel meestal
aan het lichaam van den drager zal onttrokken
worden.

De hoeveelheid van dit verlies is door berekening
te bepalen.

Linroth heeft voorts eenige proeven genomen om
althans eeniger mate te kunnen beoordeelen, welken
invloed het lichaam uitoefent op het watergehalte
der kleederen.

Hij heeft met dat doel gedurende 2 uur een lapje
droog flanel gedragen op verschillende plaatsen op
het bloote lijf of tusschen zijne kleederen. Bij deze
proeven hield hij zich op in de buitenlucht, waar
de temperatuur wisselde tusschen — 2° en 1° G.,
de relatieve vochtigheid 85°/^ bedroeg en de damp-
kring stil en helder was.

Hij heeft gevonden, dat 1000 gram flanel water
opnamen:

op het bloote lichaam......44 gram.

tusschen vest en jas, op den rug. . 51 „

onder het vest, op de borst ... 61 „

-ocr page 39-

27

tusschen jas en overjas.......63 gram.

in een goed gesloten zak van den overjas 103 „
vrij in de buitenlucht.......174 „

De invloed van het hchaam doet zich dus nog
gelden in den zak van den overjas, terwijl de hoe-
veelheid water van buiten naar binnen zeer sterk
afneemt.

Een controleproef leerde, dat de verschillen van
het watergehalte inderdaad aan den invloed van het
lichaam moesten worden toegeschreven, en b.v. de
buitenste laag kleederen den waterdamp niet beletten
tot de binnenste laag door te dringen. Vijf van de
gebruikte lapjes llanel werden nl. op elkander op
eene glazen plaat gelegd en door middel van caout-
chouc-draden sterk op de plaat aangedrukt, waarna
de plaat 2 uur lang in vochtige lucht van 8 C.
en rel. vochtigheid van 80""/^ werd gehouden; de
lapjes bleken toen opgenomen te hebben, van de
glasvlakte al naar buiten gerekend, resp. 128, 139,
127, 130 gram water per 1000 gram flanel, derhalve
geen noemenswaardig verschil.

Linroth heeft de lapjes op zijne huid en tusschen
zijne kleedereu gedragen, terwijl zijne huid droog
was en] zijne spieren geen inspannenden arbeid te
verrichten hadden. Bij sterke zweet afscheiding zou
het uit den aard der zaak anders zijn. Een lapje

-ocr page 40-

28

flanel nam b. v. in de okselholte 207°/^ water op,
aan de voetzool 71°/o terwijl op de borst slecht
werd opgenomen.

Hij besluit in het algemeen: dat de invloed van
het lichaam het watergehalte der kleederen bij rust
of matigen arbeid in een dampkring van lagen of
gemiddelden warmtegraad vermindert, derhalve dan
wanneer het hchaam tegen afkoehng beschut moet
worden; dat de invloed van het lichaam daarentegen
het watergehalte der kleederen verhoogt in de tegen-
overgestelde omstandigheden, d. i. dan wanneer het
lichaam afkoeling noodig heeft.

Aangezien nu eene vermindering van het water-
gehalte de kleederen warmer maakt, en omgekeerd,
zoo werkt het lichaam in zijn eigen belang.

Door Richard Geigel te Würzburg is bepaald,
in hoever het warmteverUes van zijn onbekleeden
arm verschilde met dat van den bekleeden arm, bij
eene temperatuur, die afwisselde tusschen 15 en 20°
C. en voorts bij nagenoeg dezelfde levenswijze en
zonder spierarbeid.

Door middel van een vernuftig bedachten toestel
bepaalde Geigel het warmteverües van den arm nu

1) Archiv für Hygiëne, 1883 Heft 3 pag. 318).

-ocr page 41-

29

eens ontbloot tot aan den oksel, dan tot aan de
vingertoppen gehuld in een wollen bekleeding of
bedekt met eene laag watten, die door een zwachtel
werden vastgehouden; over de laag watten was nog
eene wollen bekleeding getrokken.

Hij kwam tot het resultaat, dat de onbekleede
arm in de eerste oogenblikken l\'/g maal meer warmte
verliest dan de bekieede; na verloop van 50 minuten
echter is het verlies voor den bekleeden zoowel als
voor den onbekleeden constant geworden en bedraagt
het dan in beide gevallen evenveel.

Bij gelijke voeding en nagenoeg onveranderde leef-
wijze leed zijn arm in het etmaal altijd hetzelfde
warmteverlies, al mocht de warmtegraad van den
dampkring van 15 tot 20° G. verschillen en de huid
naakt of met zeer slechte warmtegeleiders bedekt zijn.

Het is niet het vermeerderde warmteverlies van
het naakte lichaam, dat den mensch tot kleeding
dwingt; wij trachten door onze kleeding in de
ommiddelijke nabijheid onzer huid eene gelijkmatige
warmte te onderhouden, die zich reflectorisch doet
gelden door vermeerderden bloedstoevoer. Eene van
bloed voldoende voorziene huid geeft ons een gevoel
van welbehagen en warmte; verminderde bloeds-
toevoer daarentegen doet bij ons het gevoel van
koude ontstaan.

-ocr page 42-

Eigen onderzoek.

Sedert eenigen tijd maakt Prof. Dr. G. Jaeger
in Duitschland ijverig propaganda voor hetgeen hij
noemt zijne „normaalbeldeedingsmethode" en ziet
men ook in Nederland in verschillende steden de
„Jaegerwol" en de „Jaegerkleederen" te koop aan-
geboden. De prijzen zijn wel is waar hoog, maar
de koopers schijnen over het algemeen zeer tevreden
over deze hunne nieuwe onderkleeding en bevelen
het dragen van die kleeding sterk aan.

Prof. Jaeger heeft in de Nederlandsche taal eene
brochure laten drukken, waarin een beknopt ,,we-
tenschappelijk betoog" de voordeelen van zijn wol-
régime tracht te rechtvaardigen.

Wat Jaeger in die brochure zegt ten aanzien
van „de specifieke, individueel verschillende ruik-

-ocr page 43-

31

bare stoffen," die door de huid worden uitgeschei-
den: de slecht riekende walgstoffen of het zelfvergif,
en de luststotfen of de levensstof, wensch ik hier
niet te bespreken. — Evenmin meen ik de eigen-
schappen der haarpillen," die Jaeger aanbeveelt, tot
een onderwerp van behandeling te moeten maken.

Ik gevoelde mij echter meer aangetrokken door
enkele zinsneden van Jaeger\'s betoog betreffende
„de hygiënische voordeden der zuivere wol," op
bladz. 10 en volgende der brochure.

Hij zegt dienaangaande het volgende:

De wol prikkelt de huid beter dan linnen of
katoen, verhoogt daardoor de werkzaamheid der huid
en bevordert de uitwaseming.

2. Wol is een veel slechtere geleidster der warmte
dan linnen, gaat daardoor ook beter het verlies van
dierlijke warmte tegen, onderhoudt een hoogeren
warmtegraad binnen het lichaam en in zijne opper-
vlakte.

3. De poreus geweven wol heeft èn wegens de
groote warmte, én wegens hare poreuse eigenschap,
het groote voordeel boven linnen, dat zij de door
de huid afgescheiden stoffen in dampvorm verwijdert,
en dus verhindert, da1 de gassen op de oppervlakte
der huid in water worden omgezet, dat wil zeggen:
de huid niet nat maken.

-ocr page 44-

32

Linnen en katoen daarentegen veroorzaken, wegens
hunne geringere warmte en grootere dichtheid, dat
de huiduitwaseming tot water wordt; daarom blijft
men in wollen kleeding droog, ook bij sterke
uitwaseming; in niet wollen wordt men nat.

4. De uitwaseming van het lichaam is het uitmun-
tend middel ons door de natuur gegeven, om ons
af te koelen. Hoe ongehinderder wij uitwasemen,
des te gelijkmatiger zal onze warmtegraad zijn; van
daar, dat wol, ondanks dat zij de huid meer ver-
warmt dan linnen, toch beter dan het laatste de
overmatige warmte van de geheele bloedmassa weg-
neemt door de ongehinderde algemeene uitwaseming.
En hieruit laat zich verklaren, waarom, wanneer
men eenmaal door gewoonte het prikkelend gevoel
op de huidzenuwen heeft overwonnen, men het
in wollen kleeren des zomers minder warm
heeft en minder transpireert dan in linnen,
en waarom in tropische gewesten wollen kleeren het
best bevallen.

Het scheen mij wel de moeite waard eens na te
gaan, of hetgeen Jaeger in dit betoog beweert in
hoofdzaak al dan niet juist is.

In de eerste plaats moest ik mij tot dat einde
voorzien van de stoffen, die in den handel onder

-ocr page 45-

33

den naam van wollen stoffen, tot het vervaardigen
van kleederen worden te koop aangeboden, opdat
ik kon beoordeelen, of de Jaegerwol al dan niet van
de gewone wollen stoffen verschilt. Voorzichtigheids-
halve ving ik echter aan met een onderzoek naar de
echtheid van de „Jaegerwol" zelve.

Professor Jaeger had de vriendelijkheid aan prof.
van Overbeek de Meyer een lapje te doen zenden
van „zomerstof" en „winterstof" en verklaarde
tevens onecht een monster van hetgeen in Neder-
land als Jaegerwol was gekocht.

Scheikundig en microscopisch onderzoek leerde
verder, dat in Nederland onder den naam van tlanel,
baai, mérino-wol, vigogne-wol, enz., vrij wat stoffen
verkocht worden, die ook vele katoendraden bevatten.

De echte Jaegerwol onderscheidde zich inderdaad
zéér gunstig van andere gelijksoortige fabriekaten.
Zij was zacht, buigzaam, veerkrachtig, zeer los ge-
weven en woog betrekkelijk zeer licht.

In de tweede plaats had ik te bepalen, welke
methode bij het onderzoek naar de eigenschappen
der Jaeger wol zou worden gevolgd.

Tegen de methode, gevolgd door Goulier, Ham-
mond en Krieger kunnen voorzeker gegronde be-
denkingen worden geopperd. Het was echter ook

3

-ocr page 46-

34

mij, evenals aan de genoemde waarnemers, meer
te doen om het vaststellen van zekere eigenschappen
van kleedingstoffen, zooals zij in het dagelijksch leven
gebruikt of gedragen werden, dan om het verkrijgen
van streng wetenschappelijke uitkomsten; de eerst-
bedoelde methode geeft toch in elk geval uitkomsten,
die bij benadering juist mogen geacht worden.

Ik liet daarom een zestal zinken bussen maken,
die zooveel mogelijk gelijk en gelijkvormig waren:
holle cilinders, glad afgewerkt, ongepolijst, voorzien
van een busje in het bovenvlak, waardoor een ther-
mometer kon ingevoerd worden. De hals of het busje
van eiken cilinder was nauwkeurig gesoldeerd in
het bovenvlak, zonder eenigermate naar binnen uit
te steken, opdat, na het vullen van den cilinder met
water, geene luchtbellen onder de bovenplaat konden
verscholen blijven.

De kurken, waardoor de thermometers geschoven
werden, waren met paraffine gedrenkt. Demiswijzing
der thermometers, wier schaal in "/lo graad Celsius
verdeeld was, werd nauwkeurig bepaald. Even nauw-
keurig werden bepaald: middellijn, omtrek, hoogte,
oppervlakte, gewicht en inhoud van eiken cilinder.
De inhoud van elke bus was ruim 95 centiliter.

Vervolgens bepaalde ik, hoeveel warmte elke
cilinder verloor in gelijk tijdsverloop en na vulling

-ocr page 47-

35

met water van gelijke temperatuur, terwijl elke bus
op een stuk dik vilt geplaatst was en storende lucht-
stroomen zooveel mogelijk werden geweerd.

Ter vergelijking van het warmteverlies heeft
Krieger de volgende formule gebruikt:

Q. S. (T —t)

W =

f. z

waarin W = het getal warmte-eenheden verloren
door den onbekleeden ciUnder per cM\'^ en per minuut,
Q = het gewicht van den met water gevulden

cilinder uitgedrukt in kilogrammen.
S = de specifieke warmte van het water, ge-
steld = 1, met vervvaarloozing van den
cilinder, resp. van zijne bekleeding,
T = de warmte van het water bij het begin der

waarneming,
t = de warmte van het water bij het einde der

waarneming,
f = de oppervlakte van den cilinder,
z = de duur der waarneming.
Deze formule scheen mij echter toe minder ver-
trouwbare uitkomsten te beloven. Het is toch geen-
zins onverschilhg, of de eene cilinder meer weegt
dan de andere, dan wel of de inhoud van 2 bussen
verschilt; immers, in het laatstgenoemde geval is de
voorhandene. hoeveelheid warmte niet gelijk.

2*

-ocr page 48-

36

Het is dus noodig de warmtecapaciteit voor
elke gevulde bus nauwkeurig te bepalen. Ik hield
daarom rekening met de soortelijke warmte van
zink = 0,09555 en bepaalde de waarde van Q
door samentelhng van het gewicht van het water
in kilogrammen en het produkt van- het gewicht
van het zink X soortelijke warmte van dat
metaal.

Ik meende tevens op andere wijze dan Krieger
te moeten zorgen, dat de invloed van wijziging
der kamertemperatuur na het begin der waar-
neming kon worden verwaarloosd. Krieger nam
eenvoudig de helft, der som van de resp. warmtegraden:

^ ^--> waarin T en t de reeds boven

vermelde waarden hebben, Tz = de temperatuur der
kamer bij het begin, tz = de temperatuur der kamer
bij het einde der waarneming.
Ik loste de vraag liever aldus op:
Bij de afgelezene kamerwarmte r verliest Q (zie
boven) in de eenheid van tijd Q (T — t) = k caloriën;
hoe groot zal dit verlies zijn, als de kamertem-
peratuur
t\' geworden is ? De snelheden van afkoeling
verhouden zich als T — t en T —
i\', dus wordt in

T_r\'

dit geval het aantal caloriën = Q (T — t). ^
Bij de toepassing van deze formule wordt dus met

-ocr page 49-

37

den invloed der kamerwarmte op de afkoeling der
bus behoorlijk rekening gehouden.

Ik heb voorts de voorkeur gegeven aan de bepa-
ling van het warmteverlies in gelijke tijden, dat
is bij standvastig tijdsverloop, boven de bepaling van
het tijdsverloop bij gelijk verlies van warmte, omdat
in het eerstgenoemde geval de afkoeling per minuut
juist berekend kan worden. Bij eene bepaling van
het tijdsverloop bij gelijk warmteverlies is die bere-
kening niet mogelijk, omdat de afdeeling in de eerste
minuut grooter zal zijn dan in de laatste.

Op de beschrevene wijze voor elke bus van het
zestal nauwkeurig bepalende, hoeveel warmte zij
gevuld met water van zekere temperatuur in de
tijdseenheid verloor, verkreeg ik zeer ongelijke uit-
komsten, bij eenige reeksen van waarneming.

Eene bus, gemerkt met het volgnummer III, moest
al dadelijk worden afgekeurd wegens een gebrek in
de samenstelling.

Het opstellen en waarnemen der bussen in het
vertrek, zonder het veroorzaken van storende lucht-
stroomen, leverde zeer groote moeilijkheden op. Het
plaatsen van elke bus in een eigen koker van karton,
voorzien van een kijkglaasje tot het aflezen van den
thermometer, hief die moeilijkheden niet op. Na

-ocr page 50-

38

velerlei controleproeven besloot ik derhalve slechts
twee bussen, gemerkt n° V en VI, tot de voorge-
nomene onderzoekingen te gebruiken en deze zóó
te plaatsen, dat de waarnemer vóór die bussen op
voldoenden afstand rustig- kon blijven zitten en na
verloop van elk tweetal minuten de respectieve
thermometerstanden kon opteekenen, zonder storende
luchtstroomen te veroorzaken, dat is zonder door zijne
bewegingen het warmteverlies door geleiding te ver-
hoogen. Toch was ook toen het warmteverlies voor
elke onbekleede bus niet gelijkmatig, zooals uit de
volgende waarneming blijken kan:

Tijd der

Aanwijzing

Kamer-

waarneming.

van den

thermometer.

warmte,

In bus V.

In bus VI.

3u 44\'

39° 9 G.

39°625 G.

21° 40 G.

46

39° 750

39°475

21° 40

48

39.675

39° 275

21° 30

50

39.4

39.075

21.30

52

39.2

38.875

21.30

54

39:05

38.675

21.35

56

38.85

38.475

21.35

58

38.675

38.25

21.35

60

38.45

38.025

21.40

4^ 2

38.25

37.9

21.40

4

38.05

37.7

21.40

6

37.875

37.5

21.40

-ocr page 51-

39

4n 8

37.7

37.275

21.4

10

37.5

37.125

21.45

12

37.325

36.9

21.5

14

37.125

36.725

21.55

16

36.9

36.5

21.6

18

36.75

36.375

21.6

20

36.6

36.2

21.6

22

36.4

36

21.6

De constante van het warteverües per minuut
en bij eene Icamerwarmte van 15° kon uit deze waar-
neming berekend worden; zij bleek te zijn: voor de
onbekleede bus V 0.13455, voor de onbekleede bus
VI 0.13815.

Na deze voorloopige onderzoekingen heb ik na-
gegaan, hoe groot het warmteverlies was, wanneer
eene bus bedekt werd met eene enkelvoudige en
strak aansluitende laag eener stof, en wel: geheel
wol, half wol, katoen, linnen en zijde.

De uitkomsten dezer waarnemingen stemden over-
een met die, welke Goulier, Hammond en Krieger
verkregen hebben: ik meen daarom mijne tabellen
hier niet in extenso te behoeven mede te deelen.

Met het oog op mijn onderzoek van het vermogen
der stoffen om waterdamp door te laten, wil ik
echter vermelden, hoe groot het verlies van warmte

-ocr page 52-

40

was bij de enkelvoudige bedekking met linnen, ka-
toen, zijde en wol; bij het zooeven bedoelde onder-
zoek toch zijn dezelfde bekleedselen gebruikt.

Ik heb het warmteverhes bepaald van af 40° G.
om zooveel mogelijk te blijven binnen tle grenzen,
waarin zich de lichaamstemperatuur beweegt.

a. Warmteverlies door straling en door geleiding,
(dat is door rechtstreeksche overdraging aan de lucht)
in één uur tijds van af het oogenblik, waarop de
thermometer 40° G. aanwees.

De kamertemperatuur bij het begin der waar-
neming ^ 20° 9 G., bij het einde 21° 8.

De relatieve vochtigheid der lucht in het vertrek vóór
de waarneming = 73°/^ na de waarneming = 72\'\'/o.

Bus V bekleed met linnen verloor onder deze
omstandigheden 6°2 G.

Bus VI bekleed met katoen 6°3 G. Het linnen
was echter dikker dan het katoen; het linnen be-
kleedsel woog 16.8 gram; het katoenen omkleedsel
slechts 9.8 gram.

h. Warmteverlies door straling en geleiding in ge-
lijken tijd, van af het oogenblik waarop de ther-
mometer der bus 40° G. aanwees. Het warmteverlies
berekend volgens de formule:

w = Q (T-t).

i -T

-ocr page 53-

41

Bus V bekleed met flanel.

iste waarneming
ade

luchtwarmte

na nog

totaal in

1 • •

na 1 iiur

bl]
het begin

1/3 anr

11/3 unr

C.

5°55C.

1°85

7°4

22°

5° 225

1°9

7° 125

22°

5°275

1°925

7°1

verlies
volgens de
formule

6° 798
7° 128
6°983

Bus VI bekleed met zijde.

1®*® waarneming

Sie

3de

na 1 uur

na nog
V2 uur

in iVa™""

Tolgens d
formule

21° C.

5° 3 C.

1°9 C.

7°2

65

22°

5°1

1°875

6°975

7°01R

22°

5°175

1°825

6°92i

Het flanellen omkleedsel woog 12.98 gram, het
zijden 12.39. Deze zijde was even los geweven als

de echte Jagerwol, zomerstof, welk laatstgenoemd
omkleedsel 13.95 gram woog en, wat het warmte-
verlies aangaat, nagenoeg niet van het flanellen be-
kleedsel verschilde.

De onderzoekingen door Krieger verricht hebben
geleerd, dat, wanneer twee lagen van dezelfde
stof om eene bus worden gelegd, de eerste laag
strak aangetrokken, de tweede op \'/a tot 1 cM. af-
stand er los omheen geslagen, het warmteverlies in
gelijk tijdsverloop veel geringer was dan bij de
proefnemingen, waarbij de beide lagen der stof
strak aansloten.

-ocr page 54-

42

Hij heeft mede vastgesteld, dat, wanneer 2 lagen
van verschillende stoffen strak om eene bus
werden gespannen, hoogst geringe verschillen wer-
den waargenomen in het warmteverUes, naarmate
de eene dan wel de andere stof de buitenste beklee-
ding vormde.

Ik heb deze proeven eveneens herhaald, met dit
onderscheid echter, dal ik het binnenste bekleedsel
der bussen uit verschillende stoffen liet bestaan,
terwijl de buitenbekleeding van beide bussen de-
zelfde bleef.

De uitkomsten dezer reeks van proefnemingen kun-
nen uit de volgende waarnemingen worden afgeleid\'

Warmteverlies in één uur tijds, v n af 40° C.

lil

Bus V. Binnen: linnen,
nauw; buiten: Jaeger
zomerstof, wijd.

Warmteverlies

Bus VI. Binnen: katoen,
nauw;
buiten: Jaeger
zomerstof, wijd.

Waarneming a.

T = 23° 6 C.
Bel. vocht = 71.5
t\' = 22° 4 C.
Rel. vocht = 71.5

4°275 C.

4° 24 0.

Waarneming h.

r = 23° 6 C.
Rel. vocht = 72.5 °/.
t\' = 24° C.
Rel. vocht = 73

3° 8 C.

3°775 C.

-ocr page 55-

Warmteverlies in één uur tijds, van af 38° C.

43

Bus V. Binnen: haai,
nauw; buiten:
Jaeger-
wol, zomerstof, wijd.

Waarneming c.

T = 20°6 C.
Rel. vocht = 68
t\' = 20° 8 C.
Rel. vocht == 68

3°75 C.

Waarneming d.

r = 20° 8 C.
Rel. vocht = 68

r\'=2i°C.

Rel. vocht = 68

3° 6 C.

Bus VI. Binnen: katoen,
nauw;
buiten: Jaeger-
wol, zomerstof,
wijd.

4°1 C.

4°125 0.

Vergelijkt men de waarnemingen a en b, waarin
het binnenste omhulsel bestond uit linnen of katoen,
terwijl in beide waarnemingen wol de buitenbeklee-
ding vormde, dan zijn de verschillen al zeer gering:
bij eene warmte van 22° 6 C. verliest
a telkens 4° 275
en 4° 24,
b verliest bij eene warmte van 23° 6 en
24° telkens 3° 8 en 3° 775. De praktische gevolg-
trekking hieruit op te maken is, dat hel in dit
opzicht vrij wel onverschillig is, of men een katoenen
dan wel een linnen hemd onder een wollen borstrok
draagt. Dit was trouwens wel te voorzien.

De uitkomsten van de waarnemingen c en d zijn
echter verrassend: het verlies van warmte zou men
toch veel geringer verwacht hebben bij eene binnen-
bekleeding met baai, dan bij eene met katoen!
De baai was zeer dik en het uit die stof gemaakte
omhulsel woog niet minder dan 19.65 gram; met
zulk een binnenbekleedsel verloor de bus 3° 75 G,

-ocr page 56-

44

bij eene temperatuur van 20° 6 en 20° 8 G; bij eene
luchtwarmte van 20° 8 en 21° G. verloor ze 3° 6 G.
Het katoen daarentegen was dun: het woog slechts
9.8 gram; bus YI verloor bij bovenvermelde tempe-
raturen resp. 4° 1 en 4° 125. De verschillen bedragen
dus resp. 0.35 G. en 0.525 G. De baai bevatte wel
is waar, katoendraden, maar dit kan, dunkt me,
het geringe verschil niet verklaren. Het besluit
hieruit op te maken is: dat de dikte of aard der
stof op de bloote huid gedragen weinig ter zake
doet, mits slechts eene laag wollen stof als wijd
kleed er over heen worde gedragen.

Ik stelde mij verder de vraag, of het ter voor-
koming van te groot verlies van warmte voor de
droge huid, wenscheiijk is, op het bloote lichaam
een kleed van wol te dragen en daarover heen een
kleed van katoen, linnen of zijde, dan wel of het
tegenovergestelde aanbeveling verdient. Wijzigende
wat Krieger gedaan heeft, heb ik telkens met dit
oogmerk de lagen verwisseld. Werd b. v. een bus
omkleed met eene nauw aansluitende katoenen on-
derlaag en daarover heen eene wijde wollen laag,
dan werd daarnaast de andere bus gezet met eene
nauw aansluitende wollen onderlaag en eene wijde
katoenen bovenlaag.

-ocr page 57-

45

Was het warmteverlies van beide bussen bij
deze waarnemingen nagenoeg of volkomen gelijk,
dan bleef alleen nog de vraag te beantwoorden, of
wol de binnenste bekleeding diende te vormen,
wegens haar vermogen om veel water in zich op te.
nemen en toch water in dampvorm door te laten,
en ook misschien wegens hare prikkelende werking
op de droge huid, welk onderzoek later volgen zou.

Kortheidshalve deel ik hier slechts de resultaten
mede van enkele waarnemingen.

Het warmteverlies is door mij waargenomen van
af 40^ G., in één uur tijds, en alle waarnemingen
zijn door mij herleid volgens de meer genoemde
formule tot een warmteverlies bij eene luchtwarmte
van 15° G.

Kamerwarmte.

Relat.
vocht.

a.

t

= 21° C.

69°/o

t

= 20° 9

69°/,

b.

t

= 19° 9

647o

t

= 20°

66°/,

c.

t

= 20.2

66°/,

\\

t

= 20.6

68°/,

Bus V.

binnenlaag ha-
toen;
buitenlaag
Jaegerwol zomer-
stof, wijd.

tó = 5° 80965
« = 5° 80523
« = 5° 33128

Bus VI.

binnenlaag Jae-
gerwol, zomer-
stof nauw-,
bui-
tenlaag
katoen
wijd.

w=r 5°84486C.

5° 60732

1 = 5° 26546

gemiddeld = 5.64872

= 5° 57255

-ocr page 58-

gemiddeld «= 5.7343

c.

Bus V.

Bus VI.

Kamerwarmte.

Relat.
vocht

binnenlaag zijde
nauw-,
buitea-
laag,
Jaegerwol,
zomerstof, wijd.

binnenlaag Jae-
gerwol, zomer-
stof, nauw,
bui-
tenlaag,
zifde,
wijd.

r = 20° 8 C.
= 20° 8

68°/,
69°/,

« =: 5° 408 C.

w = 5° 685

r = 18° 4
T = 19

72°/,

« 5°23

« = 5° 438

T =19-2
T = 19,4

72°/,
72°/,

« = 5° 2852

« = 5°6966

gemiddeld == 5° 3077

= 5°6065

De gevonden verschillen zijn dus niet noemens-
waardig groot; zijn er geene andere redenen van
voorkeur dan die, welke betrekking hebben tot de
beperking van het verlies van warmte door de droge
huid, dan is het tamelijk wel onverschilhg, of wol
als buiten dan wel als binnenbekleeding op het
lichaam wordt gedragen.

46

Bus V.

Bus VL

Mnnenlaag, lin-
nen , nauw,
bui-
tenlaag,
Jaeger-
wol, zomerstof,
wijd.

binnenlaag, Jae-
gerwol, zomer-
stof nauw;
bui-
tenlaag,
linnen,
wijd.

a. T

\\
T

18°
= 19°

5 C.

76°/,

w = 5° 8886 C.

w = 5° 9487

6. ^^

= 19°
= 19°

C.

4

76°/
76°/,

ü) — 5.58

w==5° 704

= 5° 82635

a.

-ocr page 59-

Het vermogen om waterdamp door te laten.

Ter bepaling van het vermogen van wol, katoen,
zijde en linnen om water in dampvorm door te laten,
heb ik aanvankelijk gebruik gemaakt van glazen
doozen, zooals deze doozen tegenwoordig veelvuldig
in gebruik zijn tot het aankweken van micro-orga-
nismen; deze doozen waren in de werkkamer voor-
handen. Een zestal dezer doozen werden uitgezocht
en voorzien van dunne cilindervormige opzetstukken,
bestaande van onderen uit een metalen ring, die nauw-
keurig in de geopende doos paste, en van boven uit
een metalen schijfje, terwijl schijfje en ring door 3
metalen steunsels verbonden waren. Over dit ge-
raamte konden cilindervormige zakjes van katoen,
linnen, zijde of wol worden getrokken.

Het gewicht van deze doozen, geraamten en om-

-ocr page 60-

48

hulsels werd nauwkeurig bepaald, evenals het ge-
wicht van kleine wijdmondsstopflesschen, waarin de
omhulsels na elke proef konden worden besloten,
totdat zij met de flesch werden gewogen.

Vóór de proef werden alle deelen dezer kleine
toestellen in eene droogstoof volkomen gedroogd,
evenals de bij de weging gebruikte fleschjes.

Bij de proefneming werd elke doos bekleed met
eene laag watten en daarna gevuld met 50 grarb
water van 45° tot 50°; de doos werd voorzien van
het bijbehoorend opzetstuk, dat bekleed was met een
overtrek van eene der vier bovengenoemde stoffen.
De van het warme water opstijgende damp kon
alsdan door de stof gaan als damp, of in de stof
als water worden opgenomen. Na verloop van een
kwartier of een half uur werd door weging bepaald,
hoeveel water uit de doozen door verdamping was
verloren gegaan en hoeveel door de stof was op-
genomen.

Het bleek echter al spoedig, (wat trouwens reeds
vooraf waarschijnlijk was geacht) dat deze wijze van
onderzoeking uitkomsten opleverde, die niet te ver-
trouwen waren.

Wel was door weging nauwkeurig te bepalen,
hoeveel water uit de doozen ia dampvorm was ver-
loren gegaan: een deel van dit water was echter

-ocr page 61-

49

verdicht tegen de koude metalen steunsels en het
bleek niet wel mogelijk te zijn deze metalen ge-
raamten te wegen in bussen, die op een gevoelige
balans konden worden geplaatst; het andere deel
van den waterdamp, namelijk het door de stof door-
gelaten deel, was dus niet met voldoende nauwkeu-
righeid te berekenen.

Ik heb dus deze wijze van onderzoeking spoedig
laten varen en ik heb getracht op de volgende wijze
uitkomsten te verkrijgen, die beter te vertrouwen
waren.

Van dezelfde lappen Jaeger-zomerstof, los geweven
zijde, linnen en katoen, waaruit de omhulsels voor
de beide zinken bussen V en VI gemaakt waren ^
werden volkomen aan elkander gelijkvormige en
even groote kegelvormige zakjes vervaardigd. Aan
den top van elk kegelvormig zakje werd een glazen
buisje bevestigd van 5 cM. lengte en een\' halven
centimeter inwendige middellijn.

Erlenmeyer\'sche kolfjes, wier gewicht nauw-
keurig bepaald was, werden voorzien van caoutchouc-
stoppen; elke stop was doorboord door een glazen
buisje, volkomen gelijk aan de buisjes der kegel-
vormige zakjes; de kegelvormige zakjes en de kolfjes
werden door middel van caoutchouc-slangen veree-
nigd. Na zorgvuldige weging van elk der kolfjes

-ocr page 62-

50

met haar bijbehoorend slangetje en van elk der
zakjes in drogen toestand, v^\'erd in elk kolfje eene
hoeveelheid van 50 gram water van 50° C. gegoten.
Na verloop van een kwartier of een half uur, werd
het gewicht der kolfjes en slangen nanwkeurig be-
paald. De kegelvormige zakjes werden na het afne-
men in volkomen droge stopfleschjes zoo snel mogelijk
geborgen en nauwkeurig in deze gewogen. Door
berekening kon dus uit de gewichtsverschillen worden
gevonden, hoeveel water de kegelvormige zakjes in
dampvorm hadden doorgelaten.

De gevonden getallen waren echter èn zeer klein
èn niet constant genoeg om hieruit eenigzins zekere
resultaten op te maken; er waren dus ook hier storende
invloeden in het spel, die zich al te sterk deden gel-
den. Het verwarmen van het bij elke waarneming
gebruikte viertal kolfjes, opdat zij gedurende den ge-
heelen duur der proef alle denzelfden warmtegraad
zouden behouden, leverde evenmin bevredigende uit-
komsten op, waarschijnlijk wel vooral, omdat nu veel
langere buisjes van caoutchouc moesten gebruikt wor-
den, opdat de warmte van de kolfjes geen invloed
mocht kunnen uitoefenen op de buitenvlakte der ke-
gelvormige zakjes. Weldra werd ook deze wijze van
onderzoek door mij verlaten.

Ik besloot toen de volgende methode te beproeven.

-ocr page 63-

51

Van dezelfde lap linnen, waaruit de omkleedsels
voor de zinken bussen waren vervaardigd, liet ik
2 volkomen aan elkander gelijke omhulsels maken;
ter onderscheiding werden zij gemerkt met de letters
A en B. De wijdte dezer hulsels was zoo berekend,
dat zij na drenking met eene zekere hoeveelheid
water gemakkelijk en snel over onze zinken bussen
V en VI konden worden geschoven en toch vrij dicht
aan de oppervlakte der bussen aansloten.

Uit de lappen zijde, katoen, Jaegerwol en linnen
werden omhulsels vervaardigd, die gemakkelijk over
de met nat linnen bekleede bus konden worden
geschoven, zonder daarbij het natte hnnen aan te
raken.

De bussen werden gevuld met water van 40° C.
en op hare vilten onderlaag geplaatst. De linnen
omhulsels 1) werden gedrenkt met 15 gram water
van gelijke temperatuur (ongeveer 38° G.), en zoo
snel mogelijk gelijktijdig over de resp. bus gescho-
ven ; onmiddelijk daarna werd de eene bus met een
wollen, de andere bus met een zijden omhulsel los
bedekt, zoo snel mogelijk en gelijktijdig.

De stand der thermometers in de resp. bussen
werd afgelezen, evenals de warmte en relatieve voch-

1) A en B.

-ocr page 64-

52

tigheid van het vertrek; om de twee minuten werd
waargenomen en opgeteekend, welke veranderingen
deze drie factoren hadden ondergaan. Na verloop
van 30 of meer minuten werden de omhulsels ge-
lijktijdig afgenomen, en zoo snel mogelijk elk af-
zonderlijk overgebracht in goed sluitende en droge
stopflesschen, wier gewicht te voren nauwkeurig
bepaald was.

Het was nu zeer gemakkelijk uit de gevondene
gewichten te berekenen, hoeveel water de omhulsels
A en B verloren hadden en hoeveel van dat ver-
loren water teruggehouden was in het los over-
gestulpte buitenste omhulsel der resp. bus; het be-
rekende verschil wees dan aan, hoeveel water door
het buitenste omhulsel was doorgelaten, hetzij
rechtstreeks in dampvorm door de mazen heen,
hetzij na opslorping in de vezelen van het weefsel
gevolgd door verdamping aan de buitenvlakte van
het omhulsel.

Op deze wijze werd zoo nauwkeurig mogelijk na-
gebootst de normale toestand: eene warme, bij in-
gespannen spierarbeid met druipend vloeibaar, water
in den vorm van zweet bedekte huid, die omgeven
is met een of andere kleedingstof en die dit water
niet anders kan afgeven dan aan die stof, of, door
die stof heen, aan de buitenlucht.

-ocr page 65-

53

De uitkomsten dezer reeks van waarnemingen deel
ik hier mede, gerangschikt in drie groepen, naar-
mate de buitenbekleeding van eene der beide bussen
bestond uit zijde, katoen of linnen, terwijl de andere
bus steeds eene buitenbekleeding van Jaegerwol had.
De uitkomsten der wegingen zijn na elke waarne-
ming beknopt geformuleerd; de duidelijkheid zal,
naar ik hoop, hieronder niet geleden hebben..

-ocr page 66-

GKOEP A.

54

JAEGERWOL BN ZIJDE (a).

Bus V.

Bus VI.

Tijd der
waar-
neming.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 15.5 gram water
van 40° C.

Ruitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 16 gram water
van 40°C.

Buitenkleed: zijde,
wijd, droog.
Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Warmte
van het
vertrek.

Rel.
vocht der

lucht
van het
vertrek.

1U425

38° 1 C.

38° C.

20° C.

72°/,

37.75

37.50

»

»

47

37.5

37.15

11

)>

49

37.3

36.8

11

11

51

36.425

V

11

53

36.7

36.1

20° 1,

11

55

36.45

35.7

11

11

57

36.05

35.3

11

11

59

35.8

35.

20.15

11

3« 1

35.5

31.6

1)

11

3

35.2

34.3

11

11

5

34.9

33.9

11

11

7

34.6

33.6

20.19

11

9

34.3

33.3

11

1)

11

34.05

33.05

11

11

13

33.8

32.7

11

11

14

33.65

32.6

»

11

In 311/

g minuut. 4° 45 C. warmteverlies. 5° 4 C,

-ocr page 67-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

55

Vóór de proef woog:
het natte linnen binnenkleed
34..3 gram.

Het droge wollen huitenkleed
16.63 gram.

\'Na de proef woog:
het natte linnen hinnenTcleed
24.25 gram.

Het wollen buitenkleed 17.59
gram.

Het linnen had opgenomen
15.5 gram water en daarvan
afgestaan 10.05 gram =
64.84 X\'

De wol had opgenomen 1.51
gram water = 9.08 van
haar gewicht.

Het wollen huitenkleed heeft
dus doorgelaten 10.05—1.51 =
8.54 gram water = 55.10
van de aangebodene hoeveel-
heid water.

Vóór de proef woog:

het naUe linnen binnenkleed
34.83 gram.

Het droge zijden huitenkleed
14.43 gram.

Na de proef wooc,:

het natte linnen binnenkleed
23.89 gram.

Het zijden buitenkleed 16.60
gram.

Het linnen had opgenomen
16 gram water en daarvan
afgestaan 10.94 gram =
68.38

De zijde had opgenomen 2.17
gram water = 15.04 van
haar gewicht.

Het zijden buitenkleed heeft
dus doorgelaten 10.94—2.17 =
8.77 gram water = 54.81
van de aangebodene hoeveel-
heid water.

-ocr page 68-

56

JAEGBEWOL BN ZIJDE (Ö).

Tijd der
waar-
neming.

11« 11\'
13
15
17
19
21
23
25
27
29
31
33
35
37
39
41
43

445

Bus V.

Binnenkleed: linnen,
nat, nauw,
gedrenkt
met 16 gram water
van 40° C.

Buitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
therm, der bus,

37.7

37.45

37.2

36.45

36.1
35.8
35.5
35.15

34.8
34.5

34.2

33.9
33.65
33.4
33.1
32.S5
32.65

Bus VI.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 16 gram water
van 40° C.

Buitenkleed: zijde,
wijd, droog.

Aanwijzing van den
therm. der bus.

37
37
37
36
36,
35
35
35,
34,
34
34
33,
33
33
32
32,
32
32,

.9
.6

1
.7

3

95
6
2

85
5

15
8

525
2
9

625

4

175

Warmte
van het
vertrek.

19°] C.

n

19°3

j)

19° 35
»

»

n
»

»
v

d
»

n

d

19°4

Rel.
vocht der
lucht
van het

vertrek.
»

»
»

D

•n
n

n
»

V
»

»
»

n

. d

n
»

In 33\'L minuut 5° 05 C. warmteverlies 5° 725

n

-ocr page 69-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

57

Fóór de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
34.8 gram.

Het droge Jaeger wollen bui-
tenkleed 16.63 gram.

Na de proef woo^ :

het natte linnen binnenkleed
35.05 gram-,

het Jaegerwollen buitenkleed
17.76 gram.

Het linnen was gedrenkt met
16 gram water, had dus daar-
van afgestaan 9.75 gram =

6 0.947,.

Het Jaegerwollen buitenkleed
had opgenomen 1.13 gr. water
= 6.79% van zijn gewicht.

Deze wol heeft dus doorge-
laten
9.75—1.13 = 8.62 gram
water = 53.877o van de aan-
gebodene hoeveelheid water.

Vóór de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
34.88 gram.

Het droge zijden buitenkleed
14.43 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
24.51 gram.

Het zijden buitenkleed 16.74
gram.

Het linnen had opgenomen
16 gram water, had dus daar-
van afgestaan 10.32 gram of
64.5%.

Het zijden buitenkleed heeft
opgenomen 2.31 gram water
= 16.0l7o van zijn gewicht.

Deze zijde heeft dus door-
gelaten 10.32—3,31 = 8.01
gram water of 507o van de
aangebodene hoeveelheid water.

A

-ocr page 70-

JABGERWOL EN ZIJDE (c).

Bus V.

Binnenkleed: linnen,
nmm, nat
, gedrenkt
met 16,5 gram water
van 4 0°C.
Buitenkleed:
Jaeger-
wol, wijd, droog.
Aanwijzing van den
thermometer der bus.

37° 6 G.
37° 2
36.9
36.5
36.25
35.9
35.55

35.2
34.85
34.55
34.25
33.95

33.7
33.4
33.1

32.8
32.55

32.3

Tijd dei
waar-
neming.

3^2»/,

10
12
14
16
18
20
22
24
26
28
30
32
34
36

Bus VI.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 16.5 gram water
van 40° 0.

Buitenkleed: zijde,
wijd, droog.
Aanwijzing van den
thermometer der bus.

3?° 35 C.

37.0
36.7

36.2
35.9
35.525

35.1
34.7

34.3
33.9
33.6
33.25
32.9

32.6

32.3
32.

31.7

31.4

Warmte
van het
vertrek.

19° 8 C.
»

»

5j
))

j)
}>

»

5j

5)
»

»

))
»

»

19° 8 C.

Rel.
vocht, der

lucht
van het
vertrek.

73°/,
»

»

))

))
»

)5
»

»
»

)J
?>

W

73°L

In 331/2 minuut. 5°,3O C. warmteverlies. 5° 95

-ocr page 71-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

59

Fóór de proef woog:

Het natte linnen binnenkleed
35.865 gram het droge wollen
buitenkleed 17.275.

Na de proef woog:

Het natte linnen binnenkleed
25.93 gram, het buiten-

kleed 18.635 gram.

Het linnen had opgenomen
16 5 gram water en daarvan
afgestaan 9.935 gr. = 60.21°/,

De wol had opgenomen 1.36
gram = 7.87% van haar ge-
wicht.

Het wollen buitenkleed heeft
dus doorgelaten: 9.935—1.36
= 8.575 gr. water = 51.97°/,
van de aangebodene hoeveel-
heid water.

Vóór de proef woog:

Het natte linnen binnenkleed

35.80 gram, het droge zijden
buitenkleed 14.43 gram.

Na de proef woog:

Het natte linnen binnenkleed

24.81 gram, het zijden \\>u\\\\.Q\\^-
kleed 17.14 gram.

Het linnen had opgenomen
16.5 gram water en daarvan
afgestaan 10.99 gr, = 66.61°/,.

De zijde had opgenomen 2.71
gram water = 18.7 8°/,, van
haar gewicht.

Het zijden buitenkleed heeft
dus doorgelaten: 10.99—2.71
== 8.28 gram water = 50.79°/,
van de aangebodene hoeveel-
heid water.

-ocr page 72-

60

GEOEP B.

JAEGEBWOL EN LINNEN («j.

Bus V.

Bus VI.

Tijd der
waar-
neming.

1» 435

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 16 gram water van
40° C.

Buitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

37.95

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat,
gedrenkt
met 16 gram water van
40° C.

Buitenkleed: linnen.,
wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

37.80

Warmte
van het
vertrek.

C.

18° 5

Rel.
vocht,
van
het
vertrek,

76°/,

45

37.675

37.5

n

»

47

37.8

37.2

f)

»

49

36.95

36.8

n

>f

51

36.6

36,4

»

53

36.25

36.05

))

»

55

35.9

35.7

»

»

57

35.6

35.3

59

35.25

35.0

18° 6

34.9

34.6

5j

34.6

34.3

n

5>

6

34.3

33.95

V

5)

7

34

33.6

)>

5J

9

33.7

33.35

jj

?>

11

33.4

33.0

n

13

33.1

32.7

»

15

32.8

32.4

»

5>

17

32.5

32.1

n

331/2 minuut. 5° 45 warmteverlies. 5° 7 C.

-ocr page 73-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

61

Vóór de proef woog:

het natte linnen bhinenkleed
36.085 gram.

Het wijde droge Jaeger wollen
buitenkleed 17.455 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
37.54 gram.

Het wollen buitenkleed 18.44
gram.

Het linnen had opgenomen
16 gram water en stond daar-
van af 8.545 = 53.41 7,.

Het wollen buitenkleed heeft
opgenomen 0.985 = 5.64 7,
van zijn gewicht.

Deze wol heeft dus doorge-
laten 8.545—0.985 = 7.56
gram water = 47.35 7o \'van
de aangebodene hoeveelheid
water.

Vóór de proef woog:
het natte linnen binnenkleed
36.05 gram.

Het wijde droge linnen buiten-
kleed 19.85 gram

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
35.37 gram.

Het wijde linnen binnenkleed
33.08 gram.

Het linnen binnenkleed had
opgenomen 16 gram water en
stond daarvan af 10.08 = 63

Het wijde linnen buitenkleed
heeft opgensmen 3.23 gram =
16.27 7o zijn gewicht.

Het wijde linnen buitenkleed
heeft dus doorgelaten 10.08—
3.33 = 6.85 gram water =
42.81 7o v^n de aangebodene
hoeveelheid water.

k

-ocr page 74-

6-2

JABGEEWOL BN LINNEN (5).

Tijd der
waar-
neming.

28
30
32
34
36
38
40
42
44
46
48
50
52
54
56

58
595

Bus V.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat
, gedrenkt
met 16 gram water
van 40° C.

Buitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
therm, der bus.

37.525

37.2

36.85

36.575

36.25

35.95

35.65

35.325

35.025

34.75

34.45

34.2

33.9

33.625

33.35

33.1

32.825

32.625

Bus YI.

Binnenkleed: linnen,
nauw,
nat, gedrenkt
met 16 gram water
van 40° C.

Buitenkleed: linnen,
wijd, droog.

Aanwijzing van den
therm. der bus.

37.65

37.3

36.925
36.55

36.2
35.9

35.6

35.3
35

34.7

34.4

34.1

33.8

33.5

33.2

32.9

32.6
32.4

Warmte
van het
vertrek.

19°3 C.

n
»

»
5)

n

!)
»

»
»
»
»

V

v
»

J)

19° 3

Rel.
vocht, der
lucht
van het
vertrek.

79 °/°

•n

n
»

d
n

n

V
7)

n

v
»

»

V
»

»
n

79°/,

In 331/0 minuut 4° 9 C. warmteverhes 5° 25 C.

-ocr page 75-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

63

Fóór de proef woog:
het natte linnen binnenkleed
35.655 gram.

Het droge Jaeger wollen bui-
tenkleed 16.875 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
25.6 gram;

het wollen buitenkleed 18.3
gram.

Het linnen had opgenomen
16 gram water en stond daar-
van af 10.05 gram = 62.84°/,.

De wol had opgenomen 1.425
gram water = 8-44°/, van haar
gewicht.

Het wollen buitenkleed heeft
dus doorgelaten: 10.055—1.425
= 8.63 gram water = 53.94°/,
van de haar aangebodene hoe-
veelheid water.

Vóór de proef woog:
het natte linnen binnenkleed
35.64 gram.

Het droge linnen buitenkleed
19.66 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
25.12 gram;

het linnen buitenkleed 22.65
gram.

Het linnen binnenkleed had
opgenomen 16 gram water en
stond daarvan af 10.52 gram
= 65.75°/,.

Het linnen ö«ife»kleed had
opgenomen 2.99 gram water
= 15.21°/, van zijn gewicht.

Het linnen buitenkleed heeft
dus doorgelaten 10.52—2.99
= 7.53 gram water = 47,06°/,
van de aangebodene hoeveel-
heid water.

A

-ocr page 76-

GROEP C.

64

JAEGERWOL EN KATOEN (ff).

Bus V.

Bus VI.

Tijd der
waar-
neming.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat,
gedrenkt
met 15 gram water.

Buitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Binnenkleed: linnen,
nauw, nat,
gedrenkt
met 15 gram water.

Buitenkleed: katoen,
wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Warmte
van het
vertrek.

2« 20\'

37.6

37.75

20°5 C.

22\'

37.3

37.4

»

24

36.9

37.1

j3

26

36.6

36.8

>j

28

36.25

36.5

30

35.95

36.25

3j

32

35.70

35.95

»

34

35.35

35.65

»

36

35.

35.4

n

38

34.7

35.15

n

40

34.4

34.9

jj

42

34.15

34.6

»

44

33.9

34.3

jj

46

33.55

34.1

II

48

33.3

33.85

»

50

33.025

33.6

it

53

32.8

33.3

li

535

32.6

33.2

20° 6

Rel.
vocht, der
lucht.

757o

331/2 minuut. 5 ° C. warmteverlies. 4° 55 0.

-ocr page 77-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING.

65

Fóór de proef woog:
het natte linnen binnenkleed
34.975 gram,

het droge wollen huitenhleed
17.455 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
26.27 gram.

het wollen bmtenkleed 18.86
gram.

Het linnen was gedrenkt met
15 gram water en heeft daar-
van afgestaan 8.705 gram =
58.037,.

De woZheeft opgenomen 1.405
gram water = 8.057, van haar
gewicht.

Deze wol heeft dus doorge-
laten 8.705—1.405 = 7.3 gr.
water = 48.667o van de aan-
gebodene hoeveelheid water.

Vóór de proef woog:
het natte linnen linnenkleed
34.862 gram,

het d/roge katoenen buitenkleed
10.825 gram.

Na de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
26.51 gram.

het katoenen buitenkleed 11.65
gram.

Het linnen was gedrenkt met
15 gram water en heeft daar-
van afgestaan 8.352 gram =
55.687,.

Het katoen heeft opgenomen
0.825 gram water = 7.627,
van zijn gewicht.

De katoenen zak heeft dus door-
gelaten 8,352—0,825= 7.527
gr. water = 50.187, de
aangebodene hoeveelheid water.

-ocr page 78-

66

JAEGER-WOL BN KATOEN (&).

Bus V.

Bus VI.

Tijd der
waar-
neming.

Binnenkleed: linnen
nauw, nat,
gedrenkt
met 15 gram water van
40° C.

Buitenkleed: Jaeger-
wol, wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Binnenkleed: linnen
nauw, nat
, gedrenkt
met 15 gram water van
40° C.

Buitenkleed: katoen,
wijd, droog.

Aanwijzing van den
thermometer der bus.

Warmte
van
het
vertrek.

Relat.
vocht,
der
lucht.

13\'

38.1

38.5

19° 4 C.

697o

15

37.75

38.15

»

»

17

37.45

37.76

n

jj

19

37.1

37.45

j)

»

21

36.75

36.95

3>

23

36.4

36.6

n

»

25

36.1

36.25

»

»

27

35.8

35.9

j>

»

29

35.45

35.55

»

j5

31

35.15

35.2

»

»

33

34.875

34.85

5)

))

35

34.5

34.5

j>

»

37

34.2

34.2

»

39

33.9

33.85

»

j>

41

33.6

33.55

>j

»

43

33.275

33.2

!)

j>

45

33.

32.95

5>

»

46V,

32.8

32.7

19° 4 C.

69%

in 331/2 minuut 5° 3 C. Warmteverlies 5^8 C.

-ocr page 79-

UITKOMSTEN DEZER WAARNEMING-.

67

Vóór de proef tooog:
het natte linnen hinnenhleed
34.575 gram.

Het d/roge Jaeger wollen buiten-
kleed
17.375 gram.

Na de proef woog:
het linnen hinnenhleed 26
gram.

Het wollen buitenUeed 18.6
gram.

Het linnen was gedrenkt met
15 gram water en heeft daar-
van afgestaan 8.575 gram =
57.17

De wol heeft opgenomen
1.225 gram water 7.05
van haar gewicht.

De wol heeft dus doorgelaten
8.575—1225 = 7.35 gram
water = 49 van de aan-
gebodene hoeveelheid water.

Vóör de proef woog:

het natte linnen binnenkleed
34.35 gram.

Het droge katoenen buitenkleed
10.567 gram.

Na de proef woog:

het linnen binnenkleed 25.59
gram.

Het katoenen buitenkleed
n.82 gram.

Het linnen was gedrenkt met
15 gram water en heeft daar-
van afgestaan 8.76 gram =
58.40 X-

Het katoen heeft opgenomen
1.253 gram water = 11.86 7,
van zijn gewicht.

Het katoen heeft dus door-
gelaten 8.76—1.253 = 7,507
gram water = 50.05 % "v^an de
aangebodene hoeveelheid water.

5*

-ocr page 80-

Na deze proefnemingen heb ik nog eene reeks
waarnemingen gedaan ter bepaling, in hoe verre
wol en in het bijzonder de Jaegerwol in druip-
natte n toestand beter lucht doorlaat dan druipnatte
zijde, katoen of linnen zulks doet.

Von Pettenkofer heeft aangetoond, dat stoffen
met wijde mazen of poriën in druipnatten toestand
beter doordringbaar blijven voor luchtstroomen of
voor gasvormige uitscheidingen der huid; dan stoffen
met nauwe mazen; alsook, dat daarbij de veer-
kracht der draden of vezels in het spel is: bij wol
gaat die veerkracht niet verloren, al wordt het
weefsel druipnat gemaakt; bij zijde, katoen, of linnen
gaat echter die veerkracht nagenoeg of geheel
verloren, wanneer die stoffen met water gedrenkt zijn.

Het scheen mij wel wenschelijk toe, de hier ver-
melde eigenschap der vier soorten van stof nauw-
keuriger te bepalen.

Bij deze reeks van proefnemingen heb ik gebruik
gemaakt van dezelfde kegelvormige zakjes, die mij

-ocr page 81-

69

reeds bij vroegere waarnemingen hadden gediend.
Elk zakje werd gedurende 24 uur ondergedompeld
in water van gewone temperatuur, daarna voorzichtig
uit het water genomen en gedurende een voor de
vier stoffen gelijk tijdsverloop vrij in de lucht opge-
hangen, zoodat het overtollige water gemakkelijk
kon afdruipen.

De punt van het zakje was daarbij naar beneden
gekeerd. Deze punt werd daarna snel verbonden
met de slang van een gashouder, die onder zorg-
vuldig geregelde en voor alle zakjes gelijke drukking
de lucht van het vertrek in de binnenruimte van
het zakje perste, gedurende een gelijk aantal minuten.
Ten slotte werd berekend, hoeveel lucht in een
gelijk aantal minuten door het zakje naar buiten
was gedrongen.

Al dadelijk trok bij deze proefnemingen de aan-
dacht de verschillende vorm, die elk zakje.kreeg
door den binnendringenden luchtstroom. Het linnen
en het katoenen zakje werden zeer gemakkelijk
opgeblazen, evenals een luchtballon, die met gas
gevuld wordt. De lucht werd er doorheen geperst
onder een vrij sterk sissend geluid, terwijl de druk-
king niet meer dan 4 of 5 dM. water bedroeg. Het
wollen en het zijden zakje bleven onder dezelfde
omstandigheden slap hangen; zij werden ten hoogste

-ocr page 82-

70

slechts half opgeblazen, en lieten hoegenaamd geen
geluid hooren.

De gemiddelde uitkomst dezer waarnemingen was
de volgende.

In eene minuut hebben doorgelaten bij gelijke
drukking:

het linnen zakje.......162 cM^ lucht

„ katoenen „....... 204 „ „

„ zijden „....... 352,4 „ „

„ zakje van Jaegerwol zomerstof. 387,5 „ „

Ten slotte heb ik nog onderzocht, in welke mate
de afkoehng van de beide proefbussen verschilde,
wanneer zij bekleed werden: de eene bus met een
druipnat, strak aansluitend binnenkleed van
Jaegerwol zomerstof, en daarover eene wijde,
droge, niet met de wol in aanraking komende be-
kleeding van zijde; de andere bus met eene be-
kleeding in tegengestelden zin, dat wil zeggen, een
druipnat en vrij strak aansluitend binnenkleed van
zijde, en daarover een droog, wijd, niet met de
zijde in aanraking komend kleed van Jaegerwol
zomerstof.

De uitkomsten dezer reeks van proefnemingen kan
blijken uit de volgende waarneming.

-ocr page 83-

Bus V. Bus VI.

71

Tijd der
waar-
neming.

2« 33
34
36
38
40
42
44
46
48
50
52
54
56
58
3« O
2
4
6
8
10
12
14
16
17

Binnenkleed: Jaeger-
wol, nauw, druipnat.
Buitenkleed: zijde,
wijd, droog.

38° 45 C.
38.05
37.425
37.35
37.025

36.7
36.35

36.1

35.8
35.45
35.15
34.85
34.55
34.25
34.
33.7
33.4

33.2
32.95
32.7
32.4
32,15
31.95
31,85

Binnenkleed: zijde,
nauw, druipnat.

Buitenkleed: Jaeger-
tooi, wijd. droog.

38° 2 0.
37,8
37,4
37.1
36,75
36,4
36,
35.7

35.4

35.05

34.7

34.4

34.1

33.8

33.5

33.2

32.9
32.7
32.4

32.2
31.9
31.65
31.45

31.3

Warmte
van het
vertrek.

19° 6 C.
11

19° 7
19°8
!>
11
11

19° 9
11
\'li
11
•tl
11
11
11
11
i>
11

19° 95
11
11
11
11
11

Rel.
vocht der

lucht
van het
vertrek.

72°/,

11
11
11
11
)>
))
11
11
11
11
9S
\' 11
11
1>
11
11
11
1)
11
11
11
1\'

In 45 minuten. 6° 6 C. warmteverlies. 6° 9 C,

-ocr page 84-

BESLUIT.

Uit de voorgaande bladzijden geloof ik het volgende
te mogen besluiten:

1°. Het warmteverües door straling en geleiding,
bij het bedekken eener met warm water gevulde
bus met eene enkele, strak om de bus sluitende
kleedingstof, — en wel: wol, zijde, katoen, linnen —
gedurende één uur tijds, verschilt weinig naar den
aard der stof.

Eene wollen stof gaat in het algemeen het best
het warmteverlies door straling en geleiding tegen;
los geweven zijde komt haar echter in dit opzicht
zeer dicht nabij.

2°. Het warmteverlies geleden bij het bedekken van
eene vast omsluitende laag met eene andere los
omsluitende laag kleedingstof, zoodat er zich eene
Juchtruimte van een halven tot een geheelen centi-

-ocr page 85-

73

meter dikte tusschen beide lagen bevindt, verschilt
weinig naarmate onder eene wollen buitenbeklee-
ding een binnenkleed van katoen, linnen, of baai,
geplaatst wordt.

3°. Het warmteverlies wordt ook niet merkelijk
gewijzigd, naarmate de wollen bekleeding de bui-
tenste, dan wel de binnenste der twee lagen vormt.
Het is dus, wat het bewaren der lichaamswarmte
betreft, niet noodzakelijk het wollen kleed te dra-
gen op de bloote huid, zoolang die huid droog is
en men de prikkelende werking, die wol op de
bloote huid uitoefent, niet begeert. Dit geldt zoowel
ten aanzien van katoen en linnen, als van los ge-
weven zijde.

4°. Los geweven wollen stoffen laten onder alle
omstandigheden meer water door dan zijde, katoen
en linnen; zij houden echter ook eene niet geringe
hoeveelheid water in haar weefsel terug. Eene wol-
len stof blijft niettemin in doornatten toestand
langer in staat lucht of andere gassen door te laten
dan katoen, linnen of zijde in-denzelfden druip-
natten toestand. Los geweven zijde staat echter
ook in dit opzicht bij los geweven wol niet ver ten
achteren.

5°. Zijde, katoen en linnen nemen onder ge-
lijke omstandigheden meer op van de aangebodene

-ocr page 86-

74

hoeveelheid water of waterdamp dan wol; zij wor-
den dus ook sneller betere geleiders voor de warmte
en koelen daarom het lichaam sterker af, dan wollen
stolfen zulks doen. De verschillen in den graad
dezer afkoeling zijn echter niet zóó groot, als men
wel zou verwachten.

Bijzonder opmerkelijk is de gelijkmatige gang
der afkoeling bij elke van het onderzochte viertal
stoffen.

Op grond van bovenstaande gevolgtrekkingen uit
mijne proefnemingen geloof ik te mogen beweren,
dat Jaeger dwaalt, als hij zegt;

Poreus geweven wol heeft het groote voordeel
boven linnen of katoen, dat zij de door de huid
afgescheiden stoffen in dampvorm verwijdert en dus
verhindert, dat deze aan de oppervlakte van ons
hchaam tot water worden omgezet;

in wollen kleeding blijft men droog ook zelfs bij
sterke uitwaseming, in niet-wollen kleeding daar-
entegen wordt men nat;

pojreus geweven wol neemt geen water op,
linnen en katoen daarentegen wel;
wol, ofschoon de huid meer verwarmend dan

-ocr page 87-

75

linnen, zal de overmatige warmte van de geheele
bloedmassa toch beter wegnemen, door de onge-
hinderde algemeene uitwaseming, zoodat men in
wollen kleederen des zomers minder warm wordt
en minder zweet dan in linnen kleederen.

Tegenover deze meeningen van Prof. Jaeger meen
ik op goede gronden de volgende te mogen stellen.

Geheele bekleeding van het lichaam met eene
wollen stof in het tropisch klimaat, of des zomers
in eene gematigde luchtstreek, op het heetst van
van den dag, is te warm; de afkoeling van het
lichaam geschiedt te traag, de opslorping en ver-
damping van het langs de huid afgescheiden water
heeft te langzaam plaats. (Linroth). De overvloedige
zrweetafscheiding zal ten slotte het lichaam sterk
verzwakken. Wollen stoffen werken overigens in
die gewesten veel te prikkelend op de huid en ver-
oorzaken allicht ondragelijk jeukende huiduitslagen.

Wie in tropische landen koel^ wenscht te blijven
en tevens droog, verkieze eene lichte kleeding van
wit linnen, omdat die stof minder dan katoen,
wol of zijde lichtende warmte opslorpt, deze
integendeel voor het grootste deel weerkaatst
(Krieger), — iets beter dan wol en katoen warmte

H

-ocr page 88-

76

uitstraalt (Krieger), — veel sneller dan wol het
water van de huid opneemt en naar buiten laat
verdampen (von Pettenkofer en Klas Linroth.)

Eene kleeding van katoen, ofschoon iets warmer
(bij droogte der huid), is daarentegen veel zachter
op de bloote huid dan eene linnen kleeding en
daarom door velen wellicht aangenamer onder de
genoemde omstandigheden. Ten opzichte van het
opnemen en afgeven van water, bij groote warmte
van den dampkring, zijn de verschillen niet van
dien aard, dat men alleen om deze reden het dragen
van eene katoenen kleeding zou moeten afkeuren.

Groote voordeelen biedt bij sterke zweetafscheiding
het dragen van een onderkleed van losgeweven zijde
op het bloote lichaam, want deze kleedingstof kan
groote hoeveelheden water van de huid snel opslor-
pen en snel ook weder aan opvolgende lagen stof
afstaan.

Het is echter allezins voorzichtig en raadzaam, in
warme luchtstreken, of in een warmen zomer in een
gematigd klimaat, een dun wollen overkleed bij
de hand te hebben en te dragen, wanneer de warmte
van den dampkring tijdelijk sterk daalt, of de damp-
kring tijdelijk bijzonder vochtig is. Men voorkomt
dan met het wollen kleed eene al te snelle opslor-
ping van het water van den dampkring, of eene te

-ocr page 89-

77

snelle verdamping van het water der katoenen of
linnen onderkleeding.

In het koudere jaargetijde van gerhatigde lucht-
streken of in koude khmaten is daarentegen het
dragen van wollen kleederen alleszins geraden.

Deze stof houdt toch beter dan éénige andere de
huid warm. Zij slorpt het water zeer langzaam op,
maar in grootere hoeveelheid, en staat het opge-
nomen water langzaam en gelijkmatig af. De lucht
wordt niet gemakkelijk uit haar weefsel verdron-
gen; de verdrongen lucht neemt zij spoedig weer
op (Linroth).

Het minder snelle opnemen van water maakt haar
ook minder snel tot betere geleidster der warmte;
de gelijkmatige en langzame verdamping voorkomt
te groote afkoehng door verdamping.

Vele personen verdragen echter de prikkelende
werking van wollen stof op de bloote huid niet,
of vinden haar zeer onaangenaam. Zij kunnen dan,
met opoffering van de prikkelende werking, de ove-
rige voordeelen der wollen bekleeding behouden door
het dragen van onderkleederen van zijde, katoen,
of linnen. Van het laatstgenoemde drietal stoffen is
zijde stellig te verkiezen, want deze neemt veel

è

-ocr page 90-

78

beter dan linnen of katoen water op, zoowel in den
vezel, als in de mazen van haar weefsel (Linroth),
staat in dit opzicht zelfs niet ver beneden wol; zij
geeft het opgenomen water ook het snelst aan vol-
gende lagen kleedingstof weder af.

-ocr page 91-

STELLII&EI.

-ocr page 92-

........... .....V

....., .,

\\j> ^ kp "-a .. y

-ocr page 93-

STELLINGEN.

I.

De bewering van Jaeger, dat los geweven wol het
afgescheiden zweet in dampvorm verwijdert, zonder
opslorping in haar weefsel, is onjuist.

II.

Het reinigen van den uterus met een antisepti-
cum, na iederen partus, is overbodig en zelfs af
te keuren.

HL

De extensiemethode, bij de behandeling van ge-
wrichtsontstekingen, werkt hoofdzakelijk standver-

6

-ocr page 94-

82

beterend; diastase der gewrichts vlakten heeft daarbij
slechts in zeer geringe mate, of in het geheel niet,
plaats.

IV.

De behandeling van navelbreuken met eene pelotte
van pleister, bevestigd door pleisterstrooken, ver-
dient de voorkeur boven die met navelbreukbanden.

V.

Vroegtijdige punctio abdominis is, bij hydrops
ascites, zeer aan te bevelen.

VI.

Tremor bij willekeurige spierbeweging berust
hoogstwaarschijnlijk, in vele gevallen, op verhoogde
prikkelbaarheid der motorische gangliëncellen van
het ruggemerg.

VIL

Hospitalen bouwe men volgens het paviljoenstelsel.

-ocr page 95-

83

VUL

Het tweeledig buizenstelsel (systeem Liernur) is,

uit een sanitair oogpunt, te verkiezen boven het
spoelstelsel.

*

IX.

Groote, niet voor exterpatie vatbare, teleangeëc-
tasien worden het best behandeld met alkoholinjec-
ties aan de peripherie en in den tumor.

X.

Het gevoelloos maken volgens Trendelenburg is,
bij operation in den mond, te verkiezen boven de
methode van Roser.

XI.

Nephritis kan bij zwangeren aanleiding geven tot
vroegtijdig loslaten der placenta en opvolgenden
abortus.

-ocr page 96-

84

XII.

Bij de behandeling van prolapsus uteri make de
medicus zoo weinig mogelijk gebruik van pessaria.

XIII.

Von allen Thorheiten, welche Wöchnerinnen be-
gehen, verräth keine so viel Aberglauben, als der
Gebrauch der Geburtshülflichen Bandage zur Erhal-
tung der Figur und Vermelding der Bluting.

(^GaiUard Thomas, Lehrbuch der Frauenkrankheisen,)

XIV.

Desinfectie der vagina en der uitwendige ge-
slachtsdeelen mag bij fluor albus van zwangeren,
als prophylacticum tegen ophthalmia neonatorum niet
achterwege blijven.

XV.

Het emigratieproces der witte bloedcellen bij ont-
steking, berust niet op amoeboïde beweging, maar
op filtratie drukking.

-ocr page 97-

85

XVL

Er bestaan geen voldoenden gronden, om aan te
nemen, dat de vele fibrillen, waaruit een enkele
ascilinder blijkt te bestaan, ieder een geïsoleerde
geleiding toe laten.

XVIL

Aqua chJorata verdient als antiseptieum in de
oogheelkunde eene eerste plaats.

-ocr page 98-

igr^ -V V

^

w

► ^ M \' "\'-I\'

."s-,

■ ^^ V.

vîê:

\\

-l ■ •

S3.

m

« ■

■! î vl

i.....^ ...

l \' \'Jlj!^\' il

-ocr page 99-

V\' \'C? .

\' H

/

É

r

-ocr page 100-

/ i ^ ; *

V* - /: L\'A\'

■rm^.

■ » •»

*

^

..... • • ■ ■ >.,> A\'.fi\'i

.. / .\'S\'

-ocr page 101-
-ocr page 102- -ocr page 103-

/■V . . iK ./v\' H;

........■ >\'-iT^-vtri^fe

WiM

-ocr page 104-