-ocr page 1-

\' ^ A M \'^^ \'^X-tk

â

-ocr page 2-

A. qu.

192

-ocr page 3-

rijksuniversiteit te utrecht

1779 0985

-ocr page 4-

t

I ^

«

r - \'ïM

-ocr page 5-

Otterloo, A. A. van. Johannes Ruysbroeck. Een bijdrage tot
de kennis van den ontwikkelingsgang der mystiek.
Acad,
proefsckr.
Amst., 1874. A. qu. 192

Verwey, A. J. De waarnemingen der bevolkings-statistiek.
Acad.proefschr. Dev., 1874. A. qu. 192

Hoff, J. H. van\'t. Bijdrage tot de kennis van cyanazijnzuur
mmo^oiamviv. Acad, proef schr. Utr., 1874. A. qu. 192

Mulder, M. E. Over parallelle rolbewegingen der oogen.
Acad, proef schr. Amst., 1874. A. qu. 192

Brakel, G. van. Het colostrum en zijne ontwikkeling. Aaad.
proefschr.
Utr., 1875. A.qii. 192

Smit, J. A. Roorda. Bijdrage tot de kennis der amiden der
zwavelzuren en hunne substitutie-prodacten.
Acad, proef schr.
Utr., 1875. A.qu. 192

Geuns, J. van. Over de verhouding tusschen de opgenomen
1 zuurstof en het uitgescheiden koolzuur bij de zoogdieren.
Acad.proefschr. Amst., 1875. A. qu. 192

-ocr page 6-
-ocr page 7-

JOHANNES RUYSBROECK.

een

B IJ D R A G E

TOT DE

kennis van den ontwikkelingsgang der mystiek.

i

-ocr page 8-

> «»»i

V

.-m

-ocr page 9-

JOHANNES RUYSBROECK.

BEN

BIJDRAGE

TOT DE

KENNIS VAN DEN ONTf IKKELINUmG DER BIYSTIEK.

Academisch Proefschrift

TER VEEKEUaiNG VAN DEN GEAAD VAN

Iflctor itt dj

AAN DE HOOGESCHOOL TE UTRECHT,

NA MACHTIGING TAN DEN BEOTOE MAGNIEICUS

M^ H. P. G. Q U A C K,

Gewoon Hoogleeraar in de Faculteit der ReMsgeleerdheid,

met toestemming van den Academisclien Senaat

AMSTERDAM,
C. L. BRINKMAN.
1874.

volgens besluit der Godgeleerde Faculteit,
m HET OPENBAAR TE VERDEDIGEi\\

^^ dinsdag den 15\'J«" december 1874, des namiddags ten 1 uee,

DOOK

ANTONIE ADEIAAN VAN OTTERLOO,

-ocr page 10-

STOOMDRUKKExî, ■ K^^. I. ELLEBMAN, AMSTERDAM.

-ocr page 11-

AAN MIJNE OUDERS.

-ocr page 12-

m

■ «

\'mi

\'i.

A

f it

-j -V

- * >

i

iiiiMïii II r 1\'--

r

-ocr page 13-

I N H O U

...... Blz. 1.

Inleiding...........................................

hoofdstuk i.

............. „ 17-

Het wezen der Mystiek............................

HOOFDSTUK IL

, , „ 88.

De tistorisclie gaag der Mystiek.............................

hoofdstuk iii.

„ 121.

liuysloroeck\'s leven.................................

hoofdstuk iv.

J-\'^ttysbi-oeck\'s geschriften.....................................

hoofdstuk v.

"1 no

De speculatieve grondbeginselen vfin Ruysbroeck\'s Mystiek............ »

HOOFDSTUK VI.

De practische zijde van Ruysteoeck\'s Mystiek.....................\' "

a. het Werkende Wen...................................... "

è. het Innige leven............!............................ "

269

c. het Godschouwende leven................................. "

-ocr page 14-

VIII INHOUD.

HOOrDSTUK VIL
Euysbi\'oeck tegenover de dwaalbegrippen van zijn tijd................ Blz. 312.

HOOFDSTUK VUL

Ruysbroeck en de Kerk, de Sacramenten en de laatste dingen......... « 332.

Terugblik..................................................... u 359.

STELLINGEN................................................ „ 36Ï.

-ocr page 15-

VOORREDE.

Terwijl ik hiermede mijn werk den lezer aanbied,
zij het mij vergund vooraf een paar opmerkingen te
maken.

Met de opzettelijke behandeling van het wezen en de
ontwikkelings-geschiedenis der Mystiek hoop ik, met liet
oog op het weinige dat tot nog toe daarvoor geleverd
is, geen onnut werk verricht te hebben. Hoewel ik
getracht heb zoo beknopt mogelijk te zijn, was daarvoor
echter vrij wat plaats noodig. Hetzelfde was natuurlijk
in nog veel hoogere mate het geval met de uiteenzet-
ting van de Mystiek van Ruysbroeck, mijn eigenlijk
onderwerp. Om deze naar behooren te beschrijven heb
ik de grenzen, gewoonlijk aan een proefschrift gesteld,
verre moeten overschrijden. Het spreekt van zelf, dat
bij zulk een stand van zaken, het voornemen om in
verband met Ruysbroeck ook de in de Inleiding genoemde
Noord-Kederlandsche Mystische Moralisten te behandelen,
voorloopig
Opgegeven moest worden. Ik hoop echter
later in de gelegenheid te zijn om wat ik omtrent deze
laatsten reeds in. excerpten gereed heb liggen, breeder
uit te werken en als een vervolg op dit proefschrift

-ocr page 16-

X VOORREDE.

in het licht te geven. Voorshands zij echter reeds
hier opgemerkt, dat wie over Hendrik Mande, Gerlach
Petersen enz. schrijven wil, groot gevaar loopt van
overschatting, zoolang hij zich niet met den geest van
Ruysbroeck\'s werken heeft vertrouwd gemaakt. — Een
ander punt nog ter behandeling overgebleven; is de aanval
van Gerson op Ruysbroeck\'s rechtgeloovigheid (een vijf
en twintig jaren na diens dood) en de verdediging van
den Groenendaalschen Meester door Johannes van Schoon-
hoven. Ik hoop daarvoor eveneens in het vervolg plaats
te vinden. Dit wat den inhoud betreft.

Een andere opmerking geldt den vorm. Ik heb ge-
meend Ruysbroeck\'s denkbeelden zooveel mogelijk in
zijn eigen woorden te moeten meêdeelen, en, om dit
juist te kunnen doen, de oude taal behouden. Ik ver-
vertrouw dat ieder, die met de eigenaardige en onver-
taalbare uitdrukkingen der Middeleeuwsche Mystici bekend
is, mij desw^egen billijken zal. Ik vrees echter dat zich
daardoor menigeen van de lectuur dezes werks zal
laten afschrikken. Er zijn onder onze landgenooten
zeer velen —■ en onze Ploogduitsche naburen maken ze
beschaamd — die meenen dat het Middel-Nederlandsch,
behalve voor hen die er uitsluitend hun vak van maken,
bijna volkomen onverstaanbaar is. Dit vooroordeel is
alleen het gevolg van onbekendheid met de taal onzer
Vaderen, en ook hier maakt onbekend onbemind. Ik
ben hiervan even stellig
overtuigd als dat ik zeker
weet, dat nadere kennismaking groote
ingenomenheid
en warme voorliefde zal teweegbrengen. Daarom ver-
zoek ik den lezer van dit geschrift dringend den moed
niet te laten zakken. Voor wie in .het geheel niet of
sléchts zeer weinig met het Middel-Nederlandsch bekend

-ocr page 17-

VOORREDE.

is, heb ik de meer onbekende woorden overal verklaard,"
en wel in den tekst, om het voor het oog zóó gemak-
kelijk mogelijk te maken. Ik twijfel er dan ook vol-
strekt niet aan, of een ieder, die eenmaal vier of vijf
bladzijden met aandacht gelezen heeft, zal voor het
vervolg weinig of geen moeite meer hebben. Moge dit
boek alzoo ook iets bijdragen tot de overwinning van
een vooroordeel, dat voor velen onzer een zóó belang-
rijk gedeelte onzer schoone nationale letterkunde afsluit.

Voor de nauwkeurigheid van de citaten durf ik instaan.
Zij zijn met de meeste zorg uit de editie van Prof.
David overgenomen. De tallooze inconsequentiën in
spelling en grammatische vormen moeten aan de oude
afschrijvers en afschrijfsters geweten woorden en gedeel-
telijk uit de omstandigheden worden verklaard, dat er
niet één doorloopend HS. van al Ruysbroeck\'s werken
bestaat. Prof. David moest dus bij zijn uitgave hier
dit en daar dat Manuscript volgen. Het spreekt van
^^If, dat ik voor diplomatische getrouwheid wijlen den
genoemden Hoogleeraar geheel aansprakelijk laat.

Ik eindig met een woord van hartelijken dank aan
^lien wier onderwijs ik zoowel vroeger als later heb
genieten. Moge dit geschrift bewijzen, dat hun
^l^^ite aan mij besteed niet geheel verloren is geweest.

zal ik vergeten hoeveel ik hun verplicht ben.
^ "^oord van hartelijken dank verder aan allen,
bij de vervaardiging van dit geschrift met het
van de vele daartoe benoodigde bronnen wel-
willend hebben ter zijde gestaan. Prof.
Moll, mijn
hooggeachte leermeester, ontvange ook hiervoor de be-
tuiging mijner innige erkentelijkheid.

Een woord van dank eindelijk en bovenal aan mijn

XI

-ocr page 18-

xii voorrede.

hooggeschatten Promotor, Prof. ter Haar, die, zelfs te
midden van aanhoudende krankheid en smartelijke ver-
liezen, zich toch immer bereid heeft getoond mij te
helpen, w^aar ik zijn hulp inriep, en mij op den rechten
vï^eg hield, V4^aar ik in te groote uitvoerigheid dreigde
te verdwalen.

Van harte hoop ik dat, terwijl hij op het punt staat
om zijn leerstoel aan de Utrechtsche Hoogeschool te
te verlaten, de Theologie hem nog jaren lang onder
hare hoogepriesters moge tellen, en dat de jeugdige
beoefenaars dier wetenschap bij voortduring in hem den
ouden vriend en raadsman mogen vinden.

-ocr page 19-

INLEIDING.

»Het Nederlandsch proza van vóór de hervormingseeuw is,
op weinige niet noemenswaardige uitzonderingen na, geheel
ongekend en onbeoefeiid gebleven, en, nog geene twintig jaren
geleden, schreef de lioogleeraar van Kampen voor zijne bloem-
lezing uit Nederlandsehe prozaschrijvers van de lö^e tot de
19de eeuw: »
De Nederlandsche prozastijl is veel later dan de
poezy, of liever de gebondene rede in die taal Maerlant en
Stoke (hadden) reeds drie eeuwen hunne trouwhartige rijmkro-
nieken geschreven, eer Marnix van St. Aldegonde of Coornhert
het eerste boek in Nederlandsch proza stelde.\'\' (!!)... En
met die weinige woorden worden drie eeuwen van zuiver
Nederlandsch proza als geheel onbruikbaar voor den beoefenaar
van Nederlands taal en letteren, door een der ijverigste van
beider voorstanders, stoutweg op zijde geschoven." —

Zóó schreef Dr. J. van Vloten in de voorrede voor de schoone
^^rzameling van Nederlandsche prozastukken, door hem ten jare
1851, waarom weet ik niet,
zonder zijn naam, uitgegeven —
ea waarlijk het is niet alleen door pathetische uitdrnkkingeij,
^^^ hij aantoont, hoezeer van Kampen en ook, hoewel in
eenigszins mindere mate, de hoogleeraar Schrant i) \' op een

1) Schrant, roemde in liet „OvoTzigt" dat hij\'aan zijne Proeven van Ned. Prozastijl
nit «even eeuwen
(1829) liet voorafgaan, de beide bekende keuren van Brussel
en Middelburg, den „Delftsclien Bijbel," de Kroniek uit de Lage Landen ea die van
Veldenaer, den Profectus relig., het Passionael, den Reinaert, eu het
Rorolo<jmr,,
Sap. aet.,
en deelde uit die allen eenige uittreksels mede. ~ Van Vloten t. a. p-
pif/. IX.
Dat Schrant dus billijker was dan Van Kampen, maar toch ook te weiniff
gaf, zal iedereen Dr. Vau Vloten wel gaarne toegeven. Prol\'. Siegenbeek IkuI in

-ocr page 20-

jammerlyken dwaalweg waren. Het beste bewijs ecbter, .dat
van Vloten geeft voor het waarachtig bestaan van goed, en
zelfs uitnemend goed, proza vóór de hervorming, is zijn verza-
meling zelve. Schoone stukken, die alleszins de aandacht waard
zijn, zagen daarin weer voor het eerst het licht; ryke schatten
wier bestaan door velen niet eens was vermoed, werden daarin
voor ieder ten toon gespreid, en, in een kort bestek, allen
belangstellenden aangeboden. Dat. het proza, in dit tgdvak,
in ons vaderland zeer rijk is geweest, blijkt reeds bij den
eersten vluchtigen blik in van Ylotens »
Verzameling\'\' ge-
slagen. Stukken van allerlei aard en over allerlei onderwerpen
komen daarin voor. Wij kunnen over die allen niefc spreken,
maar hebben hier een belangrijk deel van het boekje op het
oog, dat een afzonderlijke categorie vormt, welke het opschrift
draagt:
Uit de schriften van Jan van Ruyshroeek. De schoonste
fragmenten uit diens werken zijn hier bijeengebracht, en bij deze
gelegenheid, op weinige uitzonderingen na, voor het eerst in de
oorspronkelijke taal uitgegeven i), een taal, die —■ volgens
van Vloten ~ vergeleken met die van Marnix en Coornhert
zeker ontwikkelingsverschil moest toonen, maar overigens de-

1817, in den tweeden drulc zijner Proeven van Nederlandsohe welsprekendheid
uit den vroegeren tijd, twee korte uittreksels van hetzelfde Horoloffiwm Sap. aet. uit
een Leidsch Handschrift opgenomen, waarmee hij meende „voor het oogmerk van
zijn werk te kunnen volstaan" en was daarop terstond tot Coornhert overgegaan.
Zie van Vloten t. a. p.

Niet oneigenaardig is het, dat èn Sclirant èn Siegenbeek, hoe weinig zij ook
gaven, nog in een zekeren.zin
te veel gaven. De auteur toch van hetHorologium
sapientiae aeternae
was niemand anders dan de beroemde Suso, die zijn oorspron-
kelijk Hoogduitsch geschrift,
Von der ewigen Weisheit, omstreaks het jaar 1338
in het Latijn vertaalde, om het aldus aan zijn ordemeester Hugo van Vauoemain,
die geen Duitsch verstond, ter beoordeeling te kunnen aanbieden. Hij gaf toen zijn
boek den titel: horologium sapientiae aeternae, omdat het hem (het was geïnspireerd)
in een visioen in do gedaante van een kunstrijk, kostbaar versierd, hemelsch klin-
kend, en aller harten naar boven trekkend uurwerk verschenen was. Het was,
blijkens de vele fragmenten , die hier nog in velerlei handschriften bestaan,
een in ons Vaderland zeer geliefd boekje. Zie Böhringer
die deutschen Mystiker,
Zürich 1855, S. 361—-362. Ook Prof. Moll spreekt er over in Be boekerij van
het 8t. Baibara klooster te Delft enz.. Kerk. hist. Archief
IV, 259, vg.

1) In het negende Deel van zijn Belgisch Museum, Gent 1845 gaf Willems „Iets
over en van den gelukzaligen Jan van Ruysbrock," p. 159 vgg. Het vrij uitge-
breide stuk, dat hij opnam, is uit de
Exposicie op Moyses tabernakel.

-ocr page 21-

welfde klanken, wendingen en vormen bezit; ket is een taal,
die, met minder sprekende vormen slechts, tot op den kuidigen
dag voortduurt, de taal van Ruysbroeck en van der Palm. i)

Toen eenmaal, door deze met zorg en bijzonder fijnen smaak
gekozen stukken, de sympathie voor »Nederlands hoofdproza-
sckryver" uit de middeleeuwen was opgewekt, kon ket niet
anders dan belangstelling zyn, waarmee de vrienden onzer
oude Dietsclie taal te gemoet zagen, al wat kun door de ge-
leerden van de kand des beroemden Mysticus gegeven zou
worden. Wel kad reeds A. von Arnswaldt in 1848 vier ge-
sckriften van Ruysbroeck uitgegeven maar dat waren er dan
ook sleckts vier. Intusscken zouden
zij met blydsckap ontvangen
zoo zij bet oorspronkelyk gegeven kadden. Dit was
eekter niet bet geval, — en daardoor verloren zy veel van
kun letterkundig belang, al kebben zy voor de studie der
naiddelnederlandsche dialecten eenige beteekenis. De tekst door
von Arnswaldt gegeven, is die van eenige Gelderscbe en
Keulscke kandsckriften, of liever die van eenige kandsckriften
eener G elderscke en Keulscbe vertaling welker gezag zeer
betwistbaar, en, om geen enkele reden boven dat van de oude,
volledige, latynscke vertaling van Surius te stellen is. Het
IS dan ook te bejammeren, dat von Arnswaldt ziek niet eerst
kier te lande en in België uit den overvloed van bandsckriften
van Ruysbroecks werken, van eenige goede exemplaren in bet
oorspronkelyke keeft voorzien; dan bad by zeker iets goeds
geleverd, terwijl de buitengewone zorg, die ky nu aan ket
collationeeren van zijn weinig beteekenende bescheiden keeft
kesteed, bijna alle waarde mist.

Vl^t,^\' ^ vin. Wij laten liet hier gezegde geheel voor rekening van IDr. Van

2) V\' ^^^ trouwens op dit punt een alleszins bevoegd beoordeelaar is.

\'■er Schriften von Johann Rusbroek in Niederdeutscher Sprache. Mit einer
\'\'orrede ^on Dr. C. Ulimann,
Hannover 1848.

uitd^\'^*^ geeft von Arnswaldt rekenschap van zijn HSS. Dat de

rukking „in Niederdeutscher spräche," voor velen een mystificatie zou
•1 h\'\' gelijkluidend zou zijn met „in der ursprünglichen öprache"

w hij zelf zeer goed geweten hebben. Dit komt mij ten minste zóó voor, wanneer
Ik zie, hoe hij zijn best doet, om aan te toonen, dat het stadje Gelder ozum Nieder-
isc en Sprachgebiet" behoort, voor welke bewering hij zich verder beroept op
(-nmm\'s Deutsche Grammatik. Zio de Inl. pag. XVI.

) Over deze vertaling zal straks breeder gesproken worden.

1*

-ocr page 22-

De taalkenners van professie hadden aan de uitgave van
von Arnswaldt, zooals van zelve spreekt, niets i), ten minste
zi] hadden er niet
direct iets aan. Indirect evenwel zoo-
veel te meer. De eerste stoot was immers gegeven, al was de
eerste poging nu eenmaal niet gelukkig geslaagd. De belang-
stelling voor de geschriften van den Groenendaalschen Prior
bleek genoegzaam te zijn; een volledige uitgave was dus geen
waagstuk. Waar von Arnswald, een vreemdeling, was voor-
gegaan, konden de patriotische Vlamingers niet langer stil
zitten, en onverschillig zijn ten opzichte van hun beroemden
landgenoot. De Maatschappy der Vlaemsche Bibli-
ophilen, opgericht in 1839 besloot in 1856 het reeds lang
opgevatte, maar telkens verijdelde plan tot de uitgave van
eenige schriften van Ruysbroeck ten uitvoer te brengen, en
droeg kort daarna de bezorging eener complete editie op aan
Prof. J. B. David uit Leuven. Deze verdienstelyke en geachte
geleerde heeft zich met groote nauwgezetheid en onvermoeiden
yver van zyn moeielyke taak gekweten, en mocht dan ook de
voldoening smaken zijn werk voor den druk te hebhen vol-
eindigd, toen hij in 1866 stierf. In 1869 kwam het
en laatste deel van de pers, en hiermede was aan een allengs ont-
stane, maar steeds meer en meer gevoelde behoefte voldaan.
Thans hebben wij in een schoone en nauwkeurige uitgave de
schriften van onzen »besten prozaschryver uit de Middel-
eeuwen" maar ook tegelijk van onzen grootsten Mysticus

Hebben wij tot hiertoe alleen gelet op de beteekenis eener
uitgave van Rnysbroecks werken voor den taalgeleerde, zeker
voor hen, die hun studie maken van de geschiedenis van

1) Behalve altijd voor de studie der dialecten, zooals wij boven reeds opmerkten.

2) In 1840 werd aan de Maatschappij door toedoen van den Minister de Theux de
koninklijke bekrachtiging geschonken.

3) 24 Maart 1866 stierf hij aan een herhaalden aanval van beroerte. Bij zijn
dood was alleen de Inleiding en het Glossarium op het 6de deel nog niet geheel
afgewerkt. Men heeft dit deel in 1869 dan ook zonder woordenlijst, zonder ver-
melding van handschriften enz. de wereld ingezonden. Had dan niemand in de
drie jarsn, die sedert Davids verscheiden waren verloopen, de laatste hand aan de
grootendeels voltooide en zeker niet meer bijzonder omvangrijke taak kunnen leggen ?

4) T)e waag of er niet, nog enkele minder belangrijke en kleinere werken van
Iluysbroeck bestaan, die David uiet hcel\'t opgenomen, zal later ter spi\'ake komen.

-ocr page 23-

Mystiek eii Ethiek is het van niet minder belang, nauwkeurig
te weten, wat de beroemde
Mysticus heeft geleerd. Wat
men van hem weet, is gebaseerd op de boven vermelde para-
pliraseerende Latijnsche vertaling van Snrins, een Ivarthuizer
monnik uit Keulen, eene vertaling i) over welke wij hier ons
oordeel nog niet behoeven uit te spreken, doch die drie eeuwen
lang een absoluut gezag genoot, zonder dat men ooit de ge-
legenheid had gehad haar met het origineel te vergelijken.
Anderen trachtten een stelsel van Ruysbroeclis theoriën op te
maken uit den tekst van von Arnswaldfc en kenden zóó doende
aan eene evenmin ooit geconfronteerde vertaling eene even
weinig verdiende autoriteit toe. Van lieverlede vestigde zich
derhalve bij velen de overtuiging, dat men, om den nu zóó
vaat duisteren en niet zelden geheel onverstaanbaren Ruys-
broeck te begrepen, eenvoudig den tyd moest afwachten, waarin
uien zijn geschriften in den oorspronkelijken vorm voor
zich had.

Terecht zei in dien geest o. a. Prof. Moll met het oog op
de toen pas verschenen eerste twee deelen van Davids uitgave:
»Wanneer al de schriften van Iluysbroeck behoorli]k gedrukt
zullen wezen, zal het tgd zijn den arbeid, dien Engelhardt,
Schmidt, Böhringer en anderen aan den aateur en zyn geest-
rijke opstellen wydden, aan herziening te onderwerpen".

AVelnn! sedert in 1869 het laatste deel, door David nog voor
de pers gereed gemaakt, het licht zag, heeft men wat men
verlangde.

En wat heeft Nederland nu gedaan? Waardoor heeft het
zijri pieteit jegens een van zijn grootste zonen uit vervlogen
tijden getoond?

Voor zóóverre mij bekend is, door niets. Laat niemand
denken, dat ik dwaas genoeg zon zijn te meenen, dat heel de

1) Deze vertaling werd in Keulen licrliaalde malen gedrukt. Het eerst in 1549
D. Joannis litisbrochii stimmi atque sancliss. viri, quem insignis quidam Utealogus
alterum Biongaium Areopagitam appellat, opera omnia.

Vervolgens herdrukt in 1552, 1609 en 1692.

Over vroegere Latijnsche vertalingen van enlele werken van Ruyshroeek zal
te geschikter plaatse gesproken worden.

2) Met name Böhringer in zijn hoven aangehaald werk.

3) Be hoeherij va.n het St. Barbara-Mooster enz. Kerkhist. Archief IV, 261.

-ocr page 24-

geworteld in zijn tijd, de vruchten van de vroegere ontwikke-
ling der mystiek, als wetenschap in ziek kad opgenomen.
Dit deed mij besluiten, voor zóóver als dat noodig was, bet
verloop van de beoefening der Mystiek in de bem voorafgaande
eeuwen, na te gaau. Dit historisch overzicht is echter onder
ket voortschrijven ongemerkt vrij uitgebreid geworden. Hetzelfde
was met myne uiteenzetting van. het wezen der Mystiek het
getal. Indien evenwel de laatste in staat is, om eenig licht
te werpen over dè Mystiek en hare nevelachtige grenzen, en de
eerste voldoende om het karakter van de Mystiek van vóór
de 14^\'\' eeuw te doen kennen, zal mijn moeite niet te ver-
geefs geweest zijn. Ik zal daardoor tock de gelegenkeid
kebb(!n om Ruysbroeck\'s Mystiek tegenover die van de voor-
geslachten te plaatsen; om op het verband tusschen beiden
natuurlijk waar dat bestaat — te wijzen, en om de hooge
vlucko, die de Mystiek in onzen Ruysbroeck nam, in een helder
daglicht te stellen.

Ten anderen bleek het mij telkens, dat, zoo Ruysbroeck de
vruchten van het nadenken en het werken van anderen in
zich had opgenomen, hij dat had gedaan, niet gelijk de spons
het vocht, maar gelijk de wijnrank het water, de bloemknop
de dauwdrop opneemt. Op alles wist zijn geest den stempel
persoonlijkheid te drukken. Hieruit kon ik gerust de
gevolgtrekking maken, dat een zóó krachtige, zelfstandige
natuur, als die van Ruysbroeck, noodwendig de belangstelling
de bewondering van velen moet kebben verwekt, en dat
in een tijd waarin van originaliteit zóó weinig sprake was,
^onderden en duizenden tot zich heeft moeten trekken en
lïioeten doordringen. Deze overtuiging deed mij het
opvatten de richting gade te slaan, die de wetenschap-
pe y ve beoefening der Mystiek in de Noordelijke Nederlanden

steUirr^^^^^"^^^^ de en eeuw. Ik was er a priori ten
van verzekerd hier een zeer nauwe aansluiting aan
te zullen aantreffen. Het zou mij intusschen aan-
genaam zijn, indien ik er door inductie in slagen mocht het
resii^ aat te staven, dat ik door deductie had meenen te vinden.

r twintig jaar geleden, zulk een plan opge-

s e , het zoü hem zeker, bij gebrek aan hulpmiddelen, ten

-ocr page 25-

6

geleerde wereld in rep en roer behoorde gebracht te worden
door het verschijnen van Kuysbroeck in de oorspronkeiyke
Dietsche taal. De -belangrijkheid van elk ding heeft haar
grenzen, en nit den aard der zaak, moeten die grenzen hier
eng zyn, waar het een onderwerp geldt, dat niet in elk gebied
der theologische wetenschap even diep ingrypt, en niet recht-
streeks tot het studievak van eiken theoloog behoort. Maar ook
van hen, die zich uitsluitend toeleggen op de" historische beoe-
fening van wat in ons vaderland met het godsdienstig en
zedelyk \'leven in betrekking stond, heeft, by myn weten, nog
niemand één poging gedaan, om, nn de gelegenheid daartoe
bestaat, Rnysbroecks denkbeelden bekend te maken in de eigen
terminologie., die voor een juiste voorstelling zóó noodig
is, en in den door hem zeiven gekozen, zóó eigenaardigen
vorm. Indien ik mij niet bedrieg, heeft ook het buitenland
nog geen gebruik gemaakt van Davids uitgave.

Zoo doe ik hier dan, jong en onervaren, den eersten stap.
Men meene echter niet, dat het onbekendheid was met de be-
zwaren en moeielijkhedea, onafscheidelyk aan zulk eene taak
verbonden, die mij dien stap liet wagen. Evenmin verdenke
men mij van zóó grooten eigenwaan, dat ik zou meenen, na
eenige studie, gemakkelyk de zwarigheden, tegen welke anderen
misschien opzien, te kunnen overwinnen-

Wanneer ik Ruysbroeck koos tot onderwerp mijner disser-
tatie, dan deed ik dit, omdat ik
m-eende, dat er te zijnen
opzichte iets moest gedaan worden, wat tot nog toe was ver-
zuimd; omdat ik
hoopte, dat misschien mijn gebrekkige
arbeid iemand van omvangryker kennis en grootere krachten,
dan die ik bezit, de pen zou doen opvatten, om dat verzuim
te herstellen.

Zooals uit het vervolg blyken zal, is echter Jan van
Ruysbroeck niet de eenige, hoewel de voornaamste, over wien
ik in dit geschrift wensch te spreken. Na mij met den geest
van Ruysbroecks werken bekend gemaakt te hebben, begreep
ik dat een persoonlijkheid als de zijne, onmogelijk geïsoleerd
zou hebben kunnen staan. Vooreerst maakte ik uit de vol-
ledigheid zyner theoriën, de staande, nergens toegelichte en
bepaald als bekend vooronderstelde terminologie op, dat hy

-ocr page 26-

eeneiuale oiimogelyk geweest zijn, dat doel te bereiken. Van
Avat er in ons Vaderland vóór de Hervorming over zedekundo
is geschreven, was toen zeker niet veel bekend. Maar die
twintig jaren zyn op schier geen enkel gebied der wetenschap,
en zeker niet op dat onzer Vaderlandsche geschiedvorsching,
vruchteloos voorbijgegaan. De onvermoeide pogingen van den
hoogleeraar Moll hebben uit het stof van eeuwen een reeks
van de belangrijkste geschriften te voorschijn gehaald, die de
sterkste bewijzen zijn voor deii warmen en innigen gods-
dienstzin, voor het ernstige en tegelijk vurige streven onzer
voorvaderen naar heiligmaking. Wij kunnen dien geleerde, die
rusteloos voortgaande op het met Delprat, Royaards, Clarisse
en anderen ingeslagen spoor, ons steeds een dieper blik doet slaan
in het godsdienstig en zedelijk leven van ons voorgeslacht, daar-
voor niet dankbaar genoeg zijn. Door zijn bemoeiingen is
ket, dat wij bekend zyn geworden met het bestaan eener zeer
bloeiende Mystische literatuur, die in een zeer eigenaardige be-
oefeningsleer zich het meest karakteristiek vertoont. Vele van de
geschriften tot deze literatuur behoorende heeft hij met groote
zorg, in de oorspronkelijke taal uitgegeven, terwyl hy niet
zelden de bewerking daarvan aan anderen heeft overgelaten

Dat men zich echter tegenover zijn arbeid, in dit opzicht,
even lijdelijk heeft gedragen als tegenover dien van David,
moge verwondering wekken, doch is desniettegenstaande
waarheid. Men heeft zich eenvoudig vergenoegd met het
resultaat, dat er in de Middeleeuwen door onze Vaderen veel
goeds over de Beoefeningsleer is geschreven. Maar het
goede, dat daarin voorkomt, beeft men geenszins tot gemeen
ffoed gemaakt.

O O

Dat die beoefeningsleer op reine grondstellingen rus-
tende, ook op wetenschappelyke wijze werd voorgesteld
en ontwikkeld, is tot nog toe niet aangetoond.

Zeker zal ik, door wat ik hier doe, de stof niet uitgeput
hebben. Wat ik hier slechts min of meer als een aanhangsel

1) Zio bijv. Oerlach Felers en zijne schriften, eene bijdracie tot de hennis
den letterarbeid der school aan Geert Groote en Florens Hadewijns,
in het Ilde
deel van het
Kerlch. Archief pag. 245; Joh. Brugman I 28, noot; bl. 45 en elders.

van

-ocr page 27-

kon geven, strekke tot een blijk van warme sympatliie voor
den arbeid van den genoemden Hoogleeraar. Teile Moll\'s

werkzaam leven nog vele nnttige jaren; moge liij nog lang voor
de grondige studie onzer vaderlaudscbe kerkhistorie gespaard
blyven!

De voortgezette lectuur van onze beste moralistische schrij-
vers uit de U^\'^ en eeuw, en tevens van hetgeen tegen-
woordig daarover te lezen is, heeft mij — zooals ik verwachtte —
doen zien, hoe innig de band is, die er bestaat tusschen velen
van hen en den grooten Mysticus van Groenendaal: een be-
trekking, die wel eenigszins protesteert tegen de originaliteit,
die men allicht geneigd is onzen
Noord-Nederlandschen land-
genooten toe te kennen. Toch zijn een Petersen, een Manda,
een van Herp, om den grooten invloed, dien zij op hun tijd
uitoefenden, mannen, die ruimschoots de aandacht waardig
z^yn, en met eere behooren genoemd te worden.

Het kwam mij interessant voor, in korte trekken aan te
toonen, hoe zij liuysbroecks ideeën van de zedelijkheid, en
met name zijn
Beoefeningsleer, ontvingen, en die meer of min-
tler in zyn geest verder ontwikkelden.

Tegelijk was ik, door het gelezene, bekend geworden met
het bestaan van een meer practische, nuchtere richting der
Moraal, die, zorvder de ecstatische overdrijving en duistere oe-
spiegelingen, waarvan de andere niet vry te pleiten is, zich
duidelijk en klaar, kort en bondig uitdrukt, en zich meer
richt op het maatschappelijke leven, zooals het in de werke-
lijkheid bestaat: een richting die, zich nauwer aan die van den
grooten Bernard van Clairveaux aansluitende, haar beste verte-
genwoordigers vond in Floris Radewijns enGerardZerbolt. Na-
tuurlijk mocht ik, in een schets als deze, de beoefeningsleer
van deze mannen niet overslaan. Hun zedekunde, die
per
se
w^ladig moest werken, en, blijkens de geschiedenis, dat
ook :i»-^hopge mate gedaan heeft, vinde dan ten slotte in
groote omtrekken haar plaats in mijn overzicht.

Maakt deze belangrijke uitbreiding mijner stof mi]n taak
niet gemakkelijker, zij zal, vertrouw ik, de waarde van mijn
werk — indien die al eenige mocht zijn — verhoogen.- Zeker
zal zij dat, wanneer het mij, niet ten eenemale mislukt is

-ocr page 28-

10

nader en duidelijker dan vroeger »den opkomenden ademtogt
(te doen) vernemen van den Geest, die ook vóór vijfdehalf
honderd jaren, in ons vaderland blies waarheen hij wilde,
en het zaad zaaide voor eene hervorming der christelijke
geloofsovertuigingen en des christelijken levens, die ander-
halve eeuw later duidelijk zigtbaar werd en nog haren loop
niet voleindigd heeft"

De bronnen, die ik gebruikt heb, waren natuuriyk voorna-
melijk primaire.

Voor Kuysbroeck stonden mij ten dienste:

a. de bovengenoemde editie zijner werken door David,
Gent 1869.

b. de Latynsche vertaling van Surius, Keulen 1552.

c. de genoemde uitgave van von Arnswald, Hannover 1848.
Voor G-erlach Petersen: drie zijner geschriften door Prof.

Moll bekend gemaakt in het Kerkhistorisch Archief II hl. 168 vgg.
en het beroemde
Soliloquium, uitgegeven door J. Strange in
de
Bibliotheca Mystica et Ascetica van Heberle (H. Lempertz),
Keulen 1849.

Voor Hendrik Mande:

a. zijn Boehskijn van drien staten eens hekierden mensche, dairin
begrepen is een volcomen gheestelic leven.

b. Boehskijn van der bereydinghe ende vercieringhe onser
inwendigher woeninghen.

c. Een corte enighe sprake der minnender sielen mit haren
gheminden.

Alle drie opgenomen door Prof. Moll in zijn Joh. Brug-
man I. 259 vgg.

d. Ene dage of enighe sprake, door Prof. Moll meegedeeld
in den
Kalender voor de Protestanten in JSederland, van
1860 pag. 113 vgg.

e. zyn nog onuitgegeven geschriften:

1. Dat boeck van den licht \'der waerheit,

2. Een spiegel der waerheit, en

3. Van den VII gaven des heiligen geest, welke schriften

1) Woorden van Moll. Zie KerkJiist. Archief 11, 131.

-ocr page 29-

11

bewaard zijn in een fraai MS. van omstreeks bet midden der
eeuw,\' dat door Prof. Moll aangekocht werd uit de hand-
scbriften-verzameling van de familie Enschedé te Haarlem.
Van Hendrik van Herp, zijn
Spiegel der volkomenheid.^

Van Flor is Rade wi] lis, bet Tractatidus devotas de exstir-

patione vitiorum enz., uitgegeven door H. Nolte, Freib. 1862.

Van Gerard Zerbolt, zijue tractaten: de reformatione
virinm animae
en de spiritualibics ascensionibus, opgenomen
achter de
Opera Omnia van Thomas ä Kempis, in de uitgave
Yan Sommalius, Lugduxi (Lyon) 1623.

Hoe begeerlijk het ook moge zijn, vele primaire bronnen te
kunnen raadplegen, zoo zoü ik toch in groote moeielijkheden
zijn gekomen, ja ik zoü van mijn plan hebben moeten afzien,
indien het mij bij het bewerken dier bronnen aan hulpmid-
delen had ontbroken. Als zoodanige herinner ik met dankbaarheid:
de Glossaria en Inleidingen, door David aan zijn
editie toegevoegd, en de belangrijke mededeeliagen, waar-
van Prof. Moll de door hem uitgegeven stukken deed ver-
gezeld gaan.

Secundaire bronnen, hadden hier, waar de primaire zoo
ruimschoots voorhanden waren, minder belangrijkheid. Ik
noem dan ook slechts:

Richard von St. Victor und Johannes Ruyshroeh, zur Ge-
schichte der Mystischen Theologie
von Dr. J. G. V. Engelhardt,
Erlangen 1838, een werk, dat, wat bet gedeelte over Ruys-
broeck betreft, zeer onverdiend, jaren lang den hoogsten lof
heeft genoten. Het is een slordig excerpt uit Surius\' Latijnsche
vertaling, waarbij de opschriften der hoofdstukken dikwijls
meer dan de inhoud invloed schijnen gehad te hebben op
de keuze; waarin o. a. niet zelden, bij weglating van al
bet redegevende, de conclusie weêr wordt overgenomen
met het »en daarom" er getrouwelijk bij.

Ook op het verband heeft Engelhardt-bij zijn excerpeeren
bitter weinig gelet. Böhringer is nog te zacht in zijn oordeel,
wanneer hij Engelhardts boek een »höchst fleissiger Auszug
aus Surius" noemt. Hetgeen hij verder laat volgen, is dan
ook minder loffelijk. Naar zijn oordeel is het boek: »ohne
alles Verständniss der Rusbroek\'schen Mystik im Einzelnen

-ocr page 30-

12

und im Ganzen, so dass gar nicht möglich ist, aus dieser
verworrenen Darstellung auch nur irgendwie ein zusam-
menhängendes Bild zu gewinnen. Indessen ist über keinen
Mystiker von den Kirchenhistorikern so ohne genauere Kent-
niss gehandelt worden, als eben über Rusbroek."
Ch. Schmidt,
Etudes sur Ie Mysticisme allemandau IA siede,
extrait du tome II des mémoires de 1\' Academie des Sciences
morales efc politiques. Paris 1847. 4. —

Ullmann\'s Reformatoren vor der Reformation, Hamburg 1841.
Zooals uit den Titel reeds blijkt, wordt Kuysbroeck voornamelyk
slechts uit één oogpunt beschouwd, namelijk als voorlooper
der Hervorming. Het lag natuurlijk niet in ülimann\'s plan
op Ruysbroeck\'s Mystiek, in al haar omvang, nauwkeurig in
te gaan.

Veel beter dan ooit was gedaan, werd over Ruyshroeek ge-
schreven door Friedrich Böhringer in
Die Deutschen Mystiker
des vierzehnten und fünfzehnten Jahrhunderts.
Zürich 1855,
pag. 442—611; de derde afdeeling van het tweede deel van
zijn omvangrijk werk:
die Kirche Christi imd ihre Zeugen.,
oder die Kirchengeschichte in Biographieën.
Hier vindt men
kort en bondig Ruysbroecks denkbeelden, niet zelden in samen-
hang met die van Tauler en Suso, meestal in de eigen woor-
den, tot een systeem gebracht. Het werlc draagt overal blijken
van grondige studie, en is in vele opzichten boven mijn lof
verheven. Ik heb het dan ook altijd met; goed gevolg geraad-
pleegd, en er niet zelden naar verwezen. Evenwel geloof ik
grond te hebben voor de bewering, dat Böhringer, door overal
Ruyshroeek zelf te laten spreken, zich zijn taak soms wel wat al
te gemakkeiyk heeft gemaakt. Wat Ruyshroeek niet zeiden on-
duidelijk uitdrukt, blijft op die manier onduidelijk. Naar mijne
meening had Böhringer zijn stof meer moeten verwerken; daardoor
zou hij de taak zijner lezers — die bij de met de taal worstelende
Mystici zelden licht is — zeer vergemakkelijkt hebben. Daar-
enboven — het is zeker wel van veel belang Ruyshroeek op
zijn eigen manier, in zijn eigen taal en terminologie zijn
denkbeelden te hooren voordragen — maar dan moest Böhringer

1) VooiTede voor het zoo aanstonds a. t. h. w. pag. XI.

2) Zie aldaar.

-ocr page 31-

13

ook werkelijk de eigen taal en terminologie geven, en wat hij
geeft, is slechts de boven besproken en, naar ik meen, billijk
beoordeelde tekst van von Arnswaldt, en voor de door dezen
aiet uitgegeven werken, de tekst van Surius.

Verder vermeld ik het grondige Artikel »Ruysbroeck\'\'\'\' van
Ch, Schmidt in Herzog\'s
Real-EnGycloj)aedie. Ten slotte noem
ik nog een werkje, geheel geschoeid op Engelhardt, en daaruit
uiterst spaarzaam geexcerpeerd, getiteld :

Etude sur Jean Rusbroek, le docteur extatique et divin, The-
oïogicien Mystique du quatorzième siecle. Sa vie, ses écrits et sa
doctrine
par George Charles Schmidt, Strasbourg 1859. Een Fran-
sche dissertatie (thèse) van 60 pagina\'s, met inbegrip van een
Avant-Propos van 17 bladzijden, titel, inhoudsopgave, lijst van
de leden der Theologische faculteit te Straatsburg, enz.

Tot het verkrijgen van een algemeen overzicht over den staat
der zedekunde in ons vaderland gedurende de middeleeuwen,
heeft mij, behalve hetgeen daarop betrekking heeft in de
Kerk-
geschiedenis
van Prof. Moll, vooral diens : Johannes Brugman
en het godsdienstig leven onzer vaderen in de vijftiende eeuw.
Amsterdam 1854, goede diensten bewezen.

Als kenbronnen van de ontwikkelingsgeschiedenis der Mys-
tiek zijn met meer en minder vrucht geraadpleegd:

E. S. Borger, Disputatio \'de Mysticismo, ed. alt. Hagae
Comit. 1820, bekroond door Teylers Genootschap. Het is
een voor zyn tijd uitstekend boek, iiitmuntende door klaar-
heid en duidelykheid, en nog altijd de moeite van het lezen
over waardig. Men bedriegt zich echter, wanneer men op
den titel afgaande, meent dat het geheele werk over de
Mystiek handelt. Alleen de Prolegomena (39 pagina\'s) zijn
daaraan gewijd. Het werk zelf is een antwoord op de
vraag: »qidbus causis factum sit, ut multis Theologis ac
Philosophis
ab aliquo inde tempore, obscurus quidam sensus,
qui etiam
mysticismus appellatur, inprimis placere videatur"
(zie de overige vragen Prolegg. pag. 5) en is voornamelyk
critiek van de Schellingsche Philosophie in vergelijking met
die van Kant en Pichte. De lichtvaardige wijze, waarop met
deze groote wijsgeeren, mèt name met Fichte wordt omge-
sprongen, vindt haar verontschuldiging in het nieuwe en

-ocr page 32-

14

toen ter tyde ongehoorde van diens tlieorien. Het werk is,
zooals ieder weet, in sierlijk Latijn geschreven.

A. Helfferich, die christliche Mystik in ihrer Entiviclcelung
und in ihren Denkmalen.
II Th. Gotha 1842. — Het eerste
deel bevat de ontwikkelingsgeschiedenis der Mystiek van
Dionysius tot Richard van St. Victor, bij wien het plotse-
ling wordt afgebroken. Het tweede deel is een bloemlezing
uit de schriften van de in het eerste besproken Mystici.

L. Noack, die christliche Mystik nach ihrem geschichtlichen
Entwickelungsgange im Mittelalter und in den neuern Zeit
dargestellt.
II Th. Königsberg 1853.

H. W. Erbkam, Geschichte der Protestantischen Sehten im
Zeitalter der Reformation.,
Hamburg und Gotha 1848. In de
Einleitung blz. 1—165 geeft Erbkam zijn voorstelling omtrent
het wezen der Mystiek, haar ontwiklïelingsproces en hare
geschiedenis. Niettegenstaande bet geheel van groote kennis
en diep nadenken getuigt, is het als te subjectief af te keu-
ren, al blijft het altijd nog zeer lezenswaardig. De hoofd-
fout ligt hierin, dat Erbkam de gegevens, waaruit hij het
wezen der Mystiek construeert, niet aan de historie maar aan
eigen inzicht ontleent. »Die Unmittelbarkeit," zegt hij §20,
ist die Welt in der sich die Mystik bewegt. Schon daraus
geht also hervor, dass sie
die Persönlichheit zu ihrer
nie auf zu heb enden Vorauszetzung hat.
Wollte
sie diese Wurzel ihres Lebens sich abschneiden, so würde
sie sich selbst tödten." En verder: de Mystiek beweegt
zich: »rein im Gebiete der innern wirklichen Erfahrung. Sie
ist somit nichts anders und darf nichts anders sein wollen
als die Beschreibung selbsterlebter, religiöser Seelenzu-
stände." — Getrouw aan deze opvatting schrapt Erbkam
dan ook in het gedeelte zijner Inleiding, dat aan de geschie-

1) a. w. S. 22. — „Es kann", zegt hij een weinig verder, „es kann nicht
geleugnet werden, dasz die mystischen Schriftsteller diese erfahrungsmäszige Grund-
lage oft verkannt und dadurch Veranlassung gegeben haben, das ganze Gebiet
als ein Produkt leerer Selbsttäuschung zu verdächtigen. Sä haben sich bemüht,
mystische Theorieen aufzustellen, und Anweisungen zu geben, wie man die Erfahrung
mystischer Zustände machen könne. Ja sie haben auch wohl, in dem Maasze als
ihnen die Gabe philosophischen Denkens beiwohnte, ihre oder andrer mystischen

-ocr page 33-

15

denis der Mj^stiek gewijd is, alle Mystici door, welker theorie
met deze definitiën niet overeenkomt. Hij zegt eenvoudig,
dat zij geen Mystici zijn. Ongelukkig ziju het juist de
Pseudo Dionysius Areopagita, Scotus Erigena^) en Eckart®),
die bedoeld worden. Ik behoef hier in geen nadere critiek
van Erbkams arbeid te treden, omdat deze, beter dan ik
die ooit zou kunnen leveren, gegeven is door Baur. In
alle gevallen moet men Erbkam dankbaar zijn, dat hij —
wat bij mijn weten niet dikwijls is geschied — getracht
heeft, het proces der Mystiek in \'s menschen ziel genetisch
te beschrijven. Dat hy niet beter slaagde, is alleen te wijten
aan zijn verkeerd uitgangspunt.

ï\'. Chr. Baur, Zur Geschichte der protestantischen Mystik:
die neueste Literatur derselben,
in de\' Theol. Jahrbücher van
Baur en Zeller. Jahrgang 1848, 4tes Heft, S. 453 ff., de
bedoelde critiek op bovengenoemd werk.

F. G. Lisco, die Heilslehre der Theologia deutsch. Nebst
einem auf sie bezüglichen Abrisz der christlichen
Mystik bis auf Luther.
Stutgart 1857.

C. F. Stäudlin, Geschichte der Sittenlehre Jesu. 4 Bände.
(Böttingen 1799—1823.

C. F. Stäudlin, Geschichte der Christlichen Moral seit dem
Wiederaufleben der Wissenschaften.
Gröttingen 1808, vooral
Capt. III. Seite 118—188.

C. G-. Garus, Psyche. Zur Entwicklungsgeschichte der Seele.
3te Auflage, Lahr 1860, Ben uitstekend werk, dat in samen-
hang met Garns\' overige schriften de wetenschap op het
gebied der zielkunde zeker een schrede verder gebracht heeft.

Ansehauungen als objektive Aussagen über das Wesen Gottes betrachtet, und daran
ein mehr oder weniger philosophisches System zusammengesetzt, das den Anspruch
auf Allgemeingültigkeit macht. Das ist aber ein Abweg, der der Mystik ihren
eigenthümlichen Worth zu rauben droht." Men ziet dat Erbkam zieh een ideële
beschouwing van de Mystiek vormt.

1) ,;Wenn mann die Schriften des Dionysius liest, so musz man zweifelhaft sein,
ob er im eigentlichen Sinn, zu den Mystikern zu rechnon sei". S. 125.

2) a. w. S. 126.

8) „Es wird sich vielmehr später zeigen, dasz Eckarts Mystik trotz ihrer kernhaften
Gedankenfülle auf einer wesentlichen Ausartung des mystischen Prinzips beruht".
Seite 16.

-ocr page 34-

16

Carus\' groote verdienste ligt hierin, dat hij aan de studie der
psychologie vasten bodem heeft gegeven door haar te haseeren
op de
Physiologie. Zijn buitengewone bekw-aamheden in
laatstgenoemd vak stelden hem hiertoe ruimschoots in
staat. Het philosophisch standpunt van den schrijver i),
zijn eigenaardige theorie omtrent het
onbewuste, zijn monaden-
leer (o. a. door Roorda overgenomen en op zonderlinge wijze
gesupplementeerd brengen echter mede, dat men aan dit
werk moeielijk iets kan ontleenen zonder het geheele stelsel
aan té nemen.

T. Roorda. Zielkunde, of beschouwing van den mensch als
bezield wezen.
2\'iß druk. Leeuwarden 1850.
Wat ik slechts een enkelen keer noodig had, zal ik hier
niet aanduiden. Het zal later bij de aanhalingen zelve blijken.

Na aldus de keuze van mijn onderwerp te hebben gerecht-
vaardigd, de wyze van bewerking aangedu.id, de bronnen met
de daarby behoorende hulpmiddelen en literatuur opgegeven
te hebben, zal ik deze inleiding besKxiten. Ik doe dat echter
niet, zonder een nadrukkelijk en dringend beroep op de wel-
willendheid en de toegevendheid myner lezers. Niemand kan
meer dan ik zelf van de onvolledigheid van dezen mijnen arbeid
overtuigd zijn. Toch zal een ieder, die met de niet geringe
bezwaren, aan een taak als deze verbonden, bekend is, my,
niet hard willen vallen, wanneer ik niets meer en niets beters
geef, dan de volgende bladzijden bevatten.

Indien ik dit geschrift een goede ontvangst toewensch, dan
doe ik dat met te meer vrijmoedigheid, om de vele schoone en
liefelijke gedachten, welke daarin zijn opgenomen, van groote en
waarachtig vrome mannen, die, bij den rusteloozen voortgang
des tijds, dreigen vergeten te worden. Gedachten — die
hoe ook
voorgedragen, toch steeds de harteii zullen treffen: juweelen,
die, hoe ook gezet, toch echte diamanten blijven.

1) Schellmgiaansch-Pantheistisch? Zie daarentegen weder het laatste gedeelte van
de
Psyche.

2) Zie O. a. met betrekking tot de onsterfelijkheid zijn zoo aanstonds aan te halen
werk, pag.
70 vgg. en de wonderlijke (humoristische?) aantetdcening op deze
plaats, pag. 187.

-ocr page 35-

HOOFDSTUK 1.

HET WEZEN DEH MYSTIEK.

Alvorens tot de loehandeling van ons onderwerp over te gaan
zal het noodzakeliik zijn, een historisch overzicht te geven van
de Mystiek en hare ontwikkeling in de eenwen, die aan Ruys-
broeck\'s leeftijd vooraf zyn gegaan.

Wij zullen daarbij kort moeten zijn, te meer, omdat wij
vooraf dienen te bepalen, wat wij onder Mystiek hebben te ver-
staan. Spreken wij dus eerst over het wezen der Mystiek.

De etymologie van bet woord Mystiek moge het gebied

1) Van //.usiv. 1. Het geven van een dof, zuchtend geluid, met gesloten mond,
en saamgeperste lippen. Suidas: //.w-r-^pta
kl-nSrriaccv itapk to tous azoiovTa; /j.üstv
TU GTÓ/J.\'y. xai zaOza i^-oyeï^^m. Vandaar: 2. het slmten zelve van de lippen

bij het onuitsprekelijke, of van de oogen: hij het onzichtbare. Beide afleidingen
loopen dus op hetzelfde begrip uit: het verborgene, het geheimzinnige, het
hoogheilige. Wie in de geheimenis is ingewijd, is een /
awtïjs. Mu<tt-,Ï(5£ov is
de verborgenheid zelve met de daarbij behoorende leer. Bij de heidensche gods-
diensteu waren de Mysterien het esoterische deel, tegenover het algemeen volks-
geloof. Zij werden in het verborgen meegedeeld en moesten stilzwijgend bewaard
blijven. ~ Door de Pythagoreërs en de Platonici werd liet begrip der mysteriën
op de pMlosophie overgedrageu. Er werd onderscheid gemaakt tusschen de groote
en de kleine mysteriën der wetenschap; ingewijden en oningewijden noemt
Plutarchus de meer en minder gevorderden in de studie der wijsbegeerte. De
Neoplatonici noemden de philosophie van Aristoteles -rct luv.for. pxaz-npta-, die van
Plato daarentegen ra
\'xsyylk fj.vsr^,pict., en de wijsgeereit- die tot de volmaaktheid
waren gekomen
inónrca, Upmivrxe , ij.mrai. In het N. T. duidt p.vct-rhpiov
«eene zaak aan, die, vroeger onbekend, maar nn aan het licht getreden, even
daardoor ophoudt verborgen te zijn, al behoudt zij ook, nadat zij ter menschelijke
kennis gebragt is, hare duistere geheimzinnige zijde. De wetenschap van zulk
een mysterie wordt alleen door openbaring verkregen (Eph. III : 3, 4). Ofschoon
"Paulus meerdere zulke mysteriën telt, te zameii onder het bereik vap het (-liristclijk

-ocr page 36-

18

aanwijzen, waarop de Mystiek zich beweegt: het gebied van het
bovenzinnelyk
(3, —• van het voor de zinnelijke waarneming ontoe-
gankelijke, — het begrip geeft zij niet. De vraag,
wat is eigen-
lijk de Mystiek\'?
blyft nog altijd, na al hetgeen daarover
geschreven is, moeielijk te beantwoorden. Daar de Mystiek tot
hetzelfde gebied behoort als de godsdienst, is zij van dezen
dikwgls bezwaarlijk te onderscheiden, en hij, die de grenzen
tusschen beiden wil trekken, moet telkens nauw toezien, vaak niet
datgeen voor kenmerkend mystisch te houden, wat slechts het
algemeene karakter van het godsdienstig leven in zich draagt.

De eenige weg om het wezen der Mystiek te leeren kennen,
is de historische. Uit
die verschijnselen, welke de geschiedenis
ons als
mystische aan de hand doet, moet alles wat ook elders
voorkomt, verwijderd worden; datgeen wat dan als bepaald
mystisch voorkomt, als van al het overige specifiek onderscheiden,
overblijft, moet nauwkeurig onderzocht, en daaruit het daaraan
ten grondslag liggende algemeene begrip geabstraheerd worden
(inductie). Aan den anderen kant moeten uit dit algemeene
begrip de bizondere verschijnselen, waarin zich dat begrip his-
torisch ontwikkeld heeft, verklaard kunnen worden (deductie).

Dat dit echter gemakkelijker gezegd dan gedaan is, zal ieder
licht begrijpen. Was de Mystiek één consequent ontwikkeld,
in duidelyke termen vervat stelsel, dan zou dit zeer goed
gaan. Maar de moeielijkheid bestaat hierin, dat de Mystiek
verre van in één richting voort te gaan, zich onder allerlei

keavermogeti, is hem echter in den regel het Evangelie de ééne groote verborgen-
heid van Christus (Eph. 6 : 19, Coll. 4 : 3), die geenszins een louter speculatief
maar een bij uitnemendheid practisch karakter vertoont (] ïim. 3 : 16)" Prof.
J. J. van Oosterzee,
de Theologie des Nieuwen Verionds, pag. 209 vlg. Gerson
leidt in zijn
Considerationes de theol. Myst. de Mystiek van Paulus af door
onder de aotfia. Iv /xvarripia I Cor. 2 : 7 de Mystiek tc verstaan. Met betrekking
tot de Sacramenten werd in de Oude Kerk tusschen Catechumenen en gedoopten
een even groot onderscheid gemaakt als tusschen de ingewijden en niet ingewijden
bij de heidensche Mysterien. Vandaar dat de gedoopten niet zelden /imrca
genoemd worden. Eerst door den Pseudo-Dionysius kreeg het woord
„mysticus"
de beteekenis, die het sedert in de christelijke kerk heeft behouden. Het hoogste
van het christendom stelt hij in de S-^wo-f; en svaat; welke volgens hem door de
drie trappen der xx^xpacg, fiuriaii {ifoiTiaij.iï) en inanTei\'a bereikt kan worden.
Mva-rcxói noemt hij dengene, die den hoogsten trap der godskennis bereikt heeft,
vgl. Noack
die christliche Mystik u. s. w. I, S. 3—7.

-ocr page 37-

19

vormen voordoet, en door haar vertegenwoordigers vaak op zóó
verschillende wyze wordt voorgesteld, dat men niet weet, waar
aan zich te houden. Voegen wij hierbij, dat de Mystici zei ven
zich dikwijls zeer duister uitdrukken, niet waar het bijzaken,
maar juist waar het de hoofdzaak geldt dan zal niemand
er zich over verwonderen, dat er tot nog toe geen in alle op-
zichten juiste, het begrip genoegzaam afbakenende definitie
van Mystiek in het algemeen is gegeven.

Wij voor ons, zien geen kans, om, wanneer wij alles wat
daartoe gerekend moet worden behoorlijk willen omvatten, het
wezen der Mystiek nauwer te definieeren dan: het zich verdiepen
van den geest in het absolute, en, het gevoel van onmiddellijke
vereeniging van den mensch met den Oneindige. Heeft zich
de Mystiek volgens de historie in twee hoofdrichtingen ver-

1) „Primum iutelligitur, quare iu sermoaibus scriptisque Mysticorum et rerum
conjuuctio confusa ac fere nnlla, et dicendi ratio insolens atque obscura esse soleat.
Est enim bene scribendi dicendique fons atque priucipinm accurata intelligentia ejus
"■ßij de qua scribendum dicendumve sit. Mystici autem cum omnia referant ad
sensum, quae est idearum obscurarum sedes, fieri, non potest, ut quae obscure sentiant,
ea perspicue exponant." Borger
de Mysticismo, pag. 14.

2) Bepalingen als deze: „Mystiek is bet zwaartepunt van bet geestelijk leven
eenzijdig stellen in bet gevoel", zijn eigenlijk geen definities. Ten hoogste geven

de voorwaarden te kennen, waaronder de Mystiek ontstaan kan. Hetzelfde geldt
van het gedurig als Borgers definitie aangehaalde: „Si sensus praevalet, eique ratio
tamquam serva et pedissequa parere eogitur, tum oritur Mysticismus — Mysticum
Igitur appellamus eum, qni
sensu potius, quam ratione se duci patiatur 1.1. pag. 8 sq.
I^it kan eerst dan tot een recht begrip, van het wezen der Mystiek leiden, wanneer
itten er bij leest (pag. 21): hoe sensus iter est, hie naturalis cursus, ut is, qui ab
eo ducatur,
conjungi velit cum Deo: neque vereor, ne no:p intelligar (nam magis
pi\'oprie dioere non possum) si disero, Mysticum hoe unum spectare, hoe unum
®olii\'i, conjunctionem cum Deo. — In geen geval vergete men dat, blijkens het
verband, de definitie van pag. 8 slechts de
practische zijde der Mystiek op het
°og heeft, en dus niet volledig is, wanneer men weglaat, hetgeen Borger, de the^
oretische zijde bedoelende, laat volgen op pag. 10: „Hinc iutelligitur, Mysti-
cum etiam sic definiri posse ut sit,
qui sine rationis ope (immediate) religionis
hysteria se perspicere arhitretm-:\'

De definitie van Noack a. W. S. 7 is wel zeer juist, maar past meer bepaald voor
speculatieve Mystiek. Zij luidt als volgt: „die Mystik ist die Vertiefung des Geistes
la sich selbst, um das innere Leben in seinem tiefsten Grunde und in der Unend-
lichkeit seines Wesens zu erfassen oder den innersten Lebensgrund des Selbstbe-
wusztsems — Gott, das Absolute — zu ergründen und durch Vertiefung in sich
se bst sich zugleich in die Unendlichkeit des göttlichen Wesens zu vertiefen, als in
en Urgrund alles Seins, der auch das Sein des Menschen bedingt." — Men kan

2*

-ocr page 38-

20

deeld: de theoretische ende practische beiden hebben
dat
onmiddellijhe gemeen; zy verschillen slechts in het orgaan:
by de eerste, de voorstelling, by de tweede het gevoel De
theoretische Mysticus
ziet, de practische gevoelt-, maar beiden
doen het onmiddellijk.

Wat wij onder Mystiek verstaan zal duidelyk worden, wan-
neer wy de Mystiek beschouwen tegenover de philosophie
en tegenover den godsdienst.

Tegenover de philosophie. De Mystiek is, zeiden wy,
»het zich verdiepen van den geest in het absolute." Ook de
philosophie richt zich op het absolute. Het doel is dus beiden
gemeen. In de wyze, waarop zij dat doel trachten te bereiken,
in de methode, die zij daarby volgen, ligt het onderscheid.
De philosophie gaat langzaam te werk. Zy betreedt den weg
der logische ontwikkeling, maakt geen gevolgtrekking dan
nadat eerst het goede recht van de stelling bewezen is. De

hetzelfde ook, ofschoon met een niet noemenswaardig verschil in de redactie, lezen
in de 5 jaar vroeger verschenen, bovengenoemde eritiek van F. Chr. Bam- in de
Theol. Jahrbücher van Baur en Zeiler. S. 461. — Lisco (a. w. s. 158) zegt: „Das
Wesen der Mystik ganz allgemein gefaszt, ist die Beziehung des Endlichen auf das
Unendliche, des Zeitlichen auf das Ewige, der Creatur auf den Schöpfer(!), des be-
dingten Daseins auf das absolute Sein (Absolute), der Gesammtheit aller Erschei-
nungen auf die Idee, der Idee auf das sie bezeichnende Symbol, des Denkens auf
das sein, des Besondern auf das Allgemeine, des Menschen auf Gott(!), des Sünders
iiuf das höchste Gut." Voorzeker zal wel niemand Lisco verwijten, dat hij het
wezen der Mystiek niet „allgemein" gefaszt" heeft. Waar moet volgens zulk

een definitie de grens tusschen Mystiek en godsdienst getrokken worden?

1) Erbkam a. W. Seite 40 tl\', noemt deze twee hoofdvormen ;,die Mystik des
Selbstbewusztseins" en „die Mystik der Selbstthätigkeit" naar Eothe\'s
begrip der persoonlijkheid, volgens hetwelk het gansche leven des persoonlijken geestes
opgaat in het wederkeerig inwerken van de twee factoren Selbstbewusztheit en
Selbstthätigkeit. Cf. Eothe
theol Ethik. 1845 BIS. 165 fgg. Dc xMystiek wordt
dus door Erbkam genoemd naar den praevaleerenden factor. Banr spreekt van de
speculative en de psychologische Mystik. Zie aangehaalde eritiek Seite400
en
Lehrhuch der christlichen Bogmengeschichte. Leipzig 1867, Seite 236, waar tevens
de grond voor deze benaming wordt opgegeven. Borger volgt de gewone verdeeling:
„Est duplex ejus (Mysticismi) genus in «ö«wpositum et injstewte««, sive jomcfoc«»?-
et
theoreticum, religiosum et theologicum", 1. 1. pag. 36. Ook wij hebben gemeend
ons hieraan te moeten houden.

2) Cf. Borger 1. 1. pag. 11. Het spreekt van zelf dat beide richtingen niet zelden
gepaard gaan. Vooral is dat mot de germaansche Mystiek iiit de 14öc en 15de eeuw
(Tauler, Kuysbroeck, Dionysius den Karthuizcr e. a.) het geval.

-ocr page 39-

m

21

Mystiek daarentegen redeneert niet; zij gebruikt geen thesen
en hypothesen, zij veracht de rede en spot met al wat logica
is. Door het gevoel en door de phantasie vat zij het Absolute
onmiddellijk; zóó is alles haar bekend, doorziet zij de diepste
Mysteriën, terwijl zij die tegelijkertijd voor anderen volkomen
ondoorgrondelijk acht. Kan de philosophie niet berusten bij
eenig resultaat, waarin het eene het andere uitsluit, dan toont
zij ook weder hierdoor van de Mystiek kenmerkend te ver-
schillen. Deze toch neemt in hare voorstelling van het Absolute
alle mogelijke eigenschappen op, zelfs die, welke elkaar het
stelligst weerspreken. Zij doet dat zonder eenige overweging,
en zonder de minste poging om die tegenspraak (ook al is die
slechts schijnbaar) op te heffen. Zóó noemt bijv. de Pseudo-
Dionysius Areopagita het Absolute zoowel het zijnde, als het
niet-zijnde, zonder aan te toonen hoe dat te rymen is. Zóó
brengt Jacob Böhme het dualisme van licht en duisternis,
van toorn en zachtmoedige liefde stoutweg uit de we-
reld der zinnelijke waarneming over in het wezen van één en
dezelfde Godheid Was hij dan blind voor het onvereenigbare
dezer twee beginselen. Neen. Maar hij meende dat het nu
eenmaal zóó was. Hij kon zich de tegenstelhng én in de natuur
én in de wereld des geestes niet anders denken, dan als her-
halingen van dezelfde eeuwige tegenstellingen in de godheid

Beschouwen wy nu de Mystiek tegenover den godsdienst,
dan zullen wij ook hier weder overeenkomst en verschil vinden.
De Mystiek, zeiden wij, is het streven van den mensch naar
onmiddellijke vereeniging met den Oneindige. Als zoodanig is
zij de eenzijdige ontwikkeling van het godsdienstig gevoel in
den mensch. In eiken mensch leeft de kiem voor het geloof aan
God, en wel aan God als een hem verwant wezen Het
besef van deze verwantschap hangt ten nauwste met \'s men-
schen geheele wezen samen. Het overtuigt hem van zijn

1) Zie de plaats bij Noack a. W. B. II, S. 177, 181 en vooral 184.

2) Zie de aangehaalde critiek van Banr, S. 462 fg.

^ cf. Borger, 1. 1. pag. 19. Cf. Cicero, TuscuL Bispittt. I, c. XIII. „Ut porro
firmissininni hoe atterri videtur, cur Decs esse credamus, quod nulla gcns tam
fera, nemo omnium tam sit immanis, cuius mentem non imbuerit Deorum
opmio---- Nee vero id eollocutio hominum, aut consensus cfFecit: non

-ocr page 40-

22

meerdere voortreftelyklieid boven de dieren. Allengs leert bet
bem boogere begeerten te bebben, dan door deze worden ge-
voed. Meer ontwikkeld, laat bet bem niet langer ongestoorden
vrede vinden in de vergankelyke dingen dezer wereld, maar
dwingt bem zyn stenn te zoeken in de onveranderlyke, eeuwige
Godbeid, den oorsprong van zijn eigen bestaan.

Dit godsdienstig gevoel nu, is de gemeenschappelijke wortel
van godsdienst en Mystiek. In de verdere ontwikkeling
daarvan ligt het verschil tusschen beiden.

Bij den godsdienst heeft die ontwikkeling plaats onder het
heilzame toezicht der rede. Deze brengt licht in de duistere
gewaarwordingen van het gevoel, en dwingt de zinnelijke voor-
stellingen allengs voor zuivere geestelijke denkbeelden "plaats
te maken. In haar wordt den gods dien stigen mensch het
orgaan geopend, waardoor hij uit de natuur en uit de wereld
des geestes, maar vooral uit zich zeiven, de natuurlijke kennis
put aangaande God, de zedewet en het toekomende leven

institutis opinio est confirmata, non legibus. Omni autem in re consensio
omnium gentium lex naturae putanda est." Vergelijk tier mede wat Cicero
laat zeggen door C. Vellius: „Solus enim vidit, primum esse deos, quod in
omnium animis eorum notionem impressisset ipsa natura. Quae est enim gens,
aut quod genus hominum, quod non habeat sine doctrina anticipationem quamdam
deorum?" etc.
de Nat. Deor. I, 0. XVI. De anthropomorphische voorstellingen in
de meeste godsdienstvormen strekken ten bewijze hoe nauw men zich die verwant-
schap steeds heeft voorgesteld. Wat Cicero dan ook later den pontifex C. Aurelius
Cotta in den mond legt: „Quod enim omnium gentium generumque hominibus ita
videretur, id satis magnum esse argumentum dixisti cur esse deos confiteremur.
Quod quum leve per se, tum
e,t\\3.m fa Is um est. Primum enim unde notae tihi
sunt opiniones nationum,? Equidem arbitror, multas esse gentes
sic immanitate efFeratas, ut apud eas nulla suspicio deorum sit" etc.
Ibid. I, C. XXIII — kan, als steunende op onvoldoende waarneming — al is het
waarschijnlijk het gevoelen van Cicero zeiven — niet gelden als wederlegging noch
van het argumentum historicum — noch, waar wij hier mede te doen hebben, van
de algemeenheid van het godsdienstig gevoel.

1) Men denke aan de schoone plaats (Art. 3) uit onze Nederlandsche geloofsbe-
lijdenis, waar met beroep op Kom. 1 : 20 de natuur wordt genoemd; een schoon boek,
in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzien
lijke dingen Gods, namelijk zijne eeuwige mogendheid en godheid, te aanschouwen geven

2) Zie Prof. J. H. Scholten, Be leer der Hervormde kerk in hare grondbeginselen
Vierde uitgave. Leiden 1869, I 270—290. Calvijn leerde, dat ook het licht der rede
hoe onvolkomen het zijn moge, van den Heiligen Geest is. „Est quidem a spiritu De
qualecumque hoe lumen rationis, quo vigemus omnes." Aanteekening op I Oor. II; 14,

-ocr page 41-

23

Door liaar geleerd, erkent liy vervolgens in den christelyken
godsdienst de nitdrukking van den lioogsten redelijken gods-
dienst, en verkrijgt hij eindelijk »de zelfstandige, van alle uiterlijk
gezag onafhankelijke overtuiging, — door de kracht der waar-
heid, mitsdien door God zeiven hij den mensch verwekt en in de
gemeenschap met Christus versterkt, - dat de christelijke gods-
dienst de ware is" Zóó wordt dus het godsdienstig gevoel
godsdienst, regelmatig onder toezicht der rede ontwikkeld,
Christelijke godsdienst, vervolgens — dit spreekt uit
het gezag der rede van zelf —
hervormd Christendom.

Intusschen heeft door de heerschappij der rede het oorspron-
kelijk godsdienstig gevoel zijn karakter niet verloren. Het
Wordt veredeld en gezuiverd; het wordt van een duister gevoel
Van verwantschap een gevoel van volstrekte afhankelijk-
lieid
Van het Absolute (zóó komt ook Schleiermacher\'s
definitie tot haar recht) — en op Christelijk standpunt: van
de innigste gemeenschap met den Hemelschen

Vad

er. 3)

Hebben wij aldns het ontwikkelingsproces van den godsdienst
gade geslagen, zoo moeten wij nu dat der Mystiek meer van
nabij beschouwen. »Ook de Mystiek heeft haar levenden wortel
in het oorspronkelijk godsdienstig gevoel, dat eiken mensch
van nature eisen is. Alleen van de verdere ontwikkeling hangt
het af, of daaruit godsdienst, dan wel Mystiek zal voortkomen," —
zeiden wij boven, en wij zullen trachten de waarheid van onze
meening aan te toonen.

De kiem voor het geloof in God, — wij zagen het, — leeft in
eiken mensch. Onafscheidelijk van dat geloof is een gevoel van
verwantschap met het Opperwezen, dat evenzeer alle menschen
eigen is. Dit gevoel nu is geenszins de vrucht van redeneering,
want het gaat alle redeneering vooraf. Het is een soort van
instinct, en bezit in zijn onmiddellijkheid juist den grootsfcen

1) Schölten, t. a. p. bl. 217 en 351.

2) Der Christliche Glaube § 3 : „Die Frömmigkeit ist, rein für sich betrachtet,
wcüer ein Wissen nor.b ein Thnn, sondern eine Bestimmtheit des Gefühls oder des
uumittdburen Selbstbewusztseins. — Das Wesen der Religion ist dieses dasz wir
uns unserselbst als schlechthin abhängig bewnszt sind, d. h. dasz wir uns abhängig
fühlen von einem Absoluten, von Gott."

3) Joannes XIV: 23; XV: 10; I Cor. VIII: 3; I Joan. III: 24, IV: 12, 16.

-ocr page 42-

24

wuarburg voor zyn oiibedriegelyklieid. Tocli blyft liet met dat
al ecu duister gevoel, iets waarvan men zicli onmogelijk reken-
schap kan geven. Zal het den mensch tot zegen strekken, dan
moet liet ontwikkeld worden, gelouterd en geheiligd \'s menschen
geheele wezen doordringen. Dat dit werkelijk geschiedt, en
geschieden moet, wanneer de rede »het natuurlijke middel om
de waarheid Gods te leeren kennen" zich kan laten gelden,
hebben wij boven gezien. Nu zijn er echter verschillende
oorzaken, waarom bij velen de rede niet tot haar rechtkomt.
Menigeen toch klinken hare uitspraken te koel, schijnen zij
te onzeker: redeiieeringen kunnen telkens door redeneeringen
worden omvergestooten , terwijl liet gevoel hem voorkomt
zelden of nooit te misleiden. Daarenboven is de rede hem
verdacht, omdat juist de ongodsdienstigste menschen, alleen
door haar, dikwijls het fijnst over den godsdienst kunnen
redetwisten, terwijl het gevoel als een afdoend bewijs geldt
voor het aanwezig zijn van godsdienstzin. Verder zijn velen
tezeer van de beperktheid der rede overtuigd, dan dat zy deze op
de eeuwige mysteriën Gods zonden willen toepassen. Maar zeifs,
indien overtuigend bewezen is, dat het godsdienstig gevoel
door de rede in de ziel opgewekt wordt, dan zullen er toch
nog altijd velen zijn, die, dit erkennende, desniettegenstaande
de rede slechts blijven beschouwen als het middel, waardoor
de geest dit gevoel opvangt: wat behoeven zij dan dezen omweg
te maken, wanneer zij onmiddellijk hun doel kunnen bereiken ?
Waarom zouden zij hun denkvermogen inspannen en vermoeien,
om datgeen te verkrygen, wat A^an zelf^ in het gevoel opwelt V
Menschen bij wie van nature het gevoel eenigszins praedomineert,
gevoelsmenschen, zooals wij ze noemen — weten zich spoedig
van de waarheid van het boven gezegde te overtuigen, en het
gevolg is, dat zij zich hoe langer hoe meer aan hun gevoel
overgeven, en weldra de rede zonder vorm van proces tot
banden en boeien veroordeelen. In stille contemplatie zit "tnen
nu neder. Met zorg wórdt alles verwijderd, wat daarbij hinderiyk
zou kunnen zijn. Angstvallig maakt men zich los van alles
wat zou kunnen aftrekken. Is het den mensch hiermede ernst

1) Borgüï a. w. pag. 30.

-ocr page 43-

25

dan heeft hij een grooten strijd te strydou met zijn eigen
lichaam, door hetwelk de vleeschelijke lusten en begeerten steeds
gevoed worden, en waaraan verstand eii rede hun kracht ont-
leenen. Op deze wijze ontstaat de Ascese, die beginnende
met spaarzame voeding, matigheid enz. niet zelden eindigt in
de gruwelijkste en onnatnurlijkste zelfmartelingen. Middelerwijl
heeft zich de duistere bewustheid van verwantschap aan een
hoogere macht, die in het oorspronkelijk godsdienstig gevoel
ligt, vry kunnen ontwikkelen, en wel zóó, dat zy niet alleen
levendiger en inniger is geworden, maar zóó, dat de daaruit
reeds vroeg ontstane behoefte aan gemeenschap met God, steeds
meer en meer op den voorgrond treedt, en ten slotte, niet meer
tevreden met de innigste gemeenschap, een vurig verlangen
Avordt naar bepaalde
vereeniging met Hem. De oorzaak
daarvan ligt hierin: \'s menschen geestelyk bestaan is van het
koninkrijk der rede een oligarchische republiek geworden, waarin
alle vroeger ondergeschikte krachten nu den boventoon voeren,
en het met elkaar eens zijn in één ding n.l., dat de vroegere
heerscher onderdrukt moet worden. Zoo heeft dan niet alleen
bet gevoel, maar tevens de wil, de derde factor van het wezen
des menschen i), de gelegenheid zich volkomen vri] te ont-

1) De psycliologische grondstellhigeu, waai.\'Viin wij iii den tekst zijn uitgegaan,
ajn de volgen.de: \'s Meuseheii geestelijke werkzaamheid laat zich vevdeelen iu
denhen, gevoelen en uoiUen. Benlcen is de verschillende, van de buitenwereld ont-
vangen indrukken, onderling vergelijken, scheiden en verbinden. Het vermogen,
waardoor deze werkzaamheid geschiedt, heet
verstand. Door het verstand worden
uit de indrukken begrippen en voorstellingen gevormd, en hieruit wederom- gevolg-
trekkingen afgeleid. De vraag naar het recht dezer voorstellingen, gevolgtrek-
kingen CU-X, kan door liet verstand niet beaiitAvoord ^vordeii; zij belioort tot een
hooger gebied, tot dat der
rede. De werkzaamheid der rede is oordeelen. In ge-
zonden staat werken al \'s menschen geestkrachtea gelijktijdig, en vormen zoo slechts
een enkele handeling. Zoo geeft de rede haar eritiek niet eerst nadat het verstand
^ijn gevolgtrekkingen heeft gemaakt. Hierdoor kan de rede van den aanvang af
< e werkzaamheden van het verstand controleereii, en haar aan hare wetten, dat zijn
<le wetten der logica, onderwerpen.

^ Heeft de samenwerking van deze twee op dusdanige wijze plaats, dan noemt men
Mt redeueeren, logisch denken. Men zal uit het vervolg zien, dat de
Mysticus de rede alleen in dezen zin verwerpt.

et verstandelijk nadenken toch over het wezen Gods is hem volstrekt niet
vreemd. ^ De stelsels van een Plotinus, een Enysbroeek, een Böhme behoeven in
I lepzinnigheid niet onder te doen voor die van de grootste wijsgecren, en dragen

-ocr page 44-

26

wikkelen, en wel als begeerlijke kracht zonder dat de rede hier
zooals op godsdienstig gebied bij machte is de onoverkomelijke
grens tusschen God en mensch aan te wijzen. Dit streven naar
vereeniging met God wordt nu het groote hoofddoel, waartoe
alles moet meewerken Intusschen doet zich in \'s menschen
geestelyke persoonlijkheid een tweede hinderpaal op, die niet
gemakkelijk uit den weg kan geruimd worden. Immers de
mensch in dezen toestand weet zich zeiven zóó geheel anders

evenzeer de kenmerken van ernstig nadenken. Maar bij de eerste ontbreekt altijd,
wat den laatsten immer eigen is, de aanwijzing van het waarom.

,De buitenwereld deelt den mensch ook nog andere indrukken mede dan de
bovenbedoelde. Wij meenen dezalken, die hem niet doen nadenken, maar die hem
doen gevoelen. Deze verwekken aandoeningen, die door het
gewaarwordings-
vermogen
(het lagere deel van het gevoel) tot het zelfgevoel of de zelfbewust-
heid worden overgebracht, en haar zetel vinden in het gemoed, d. i. het onmid-
dellijk gevoel van hetgeen waar is op het gebied van godsdienst, van zedelijkheid
en aesthetica.

In de onmiddellijkheid dezer overtuiging, die bestaat, zonder dat eenigszins haar
goed recht is onderzocht, ligt het eigenaardige van het gevoel. Het hoogere criti-
sche element, dat wij bij het denkvermogen aantroffen, outbreekt hier. Dat daar-
door het gevoel licht in grove dwaling kan vervallen, spreekt van zelf.

Worden aldus denken en gevoelen teweeggebracht door invloed van buiten, er
is in \'s menschen geest nog een derde vermogen, dat omgekeerd, van binnen naar
buiten, werkt, namelijk het
willen.

Valt een groot gedeelte der wilsuitingen binnen de grenzen van het onbewuste
(instinct, onwillekeurige handelingen), wij hebben hier natuurlijk voornamelijk te
doen met den bewusten wil. In dezen onderscheiden wij twee vormen, den een
eonvergeerend, den anderen divergeerend. Den eersten noemen wij begeerlijke
kracht,
den tweeden wil tot handelen.

Bij genen concentreert zich de wil in zichzelven, en tracht het daar buiten
gelegene meester te worden, en in zich op te nemen. Bij dezen is zijn streven
naar buiten te treden en naar buiïen te werken.

Voor verdere ontwikkeling verwijzen wij naar de onder de bronnen vermelde
psychologische werken, van welke wij echter in meer dan één punt zijn afgeweken.

1) Borger, 1. 1. pag. 20. „Fieri po test, ut errem; sed ita prorsus existimo, si
excitato seniel religionis sensu, ratio, quae hunc tainqnam Pallas Homerica manus
ei injicere debet, ab hominis natura sejungeretur, nos non, iit IJlyssis socii, in
pecudes abituros, sed penitus in Mysticismun; nos esse ingurgitaturos."

2) Zie de getuigenis van P. Poiret, Biilioth. Myst. pag. 103. „Omnes Auetores
Mystici unanimiter conspirant, a Deo Optimo Maxiino nos esse eum in finem creatos,
ut per intimam unionem Ipsi jungeremur" geciteerd door Borger 1. 1, pag. 23, en
de aldaar pag. 24 aangehaalde plaats van den Pseudo-Dionysius:
 Sk hpcipxCoci

TO Tiépccg \'h npb(j Ssóv t£ xat ra äsia Tzpoa^x\'^ii ccyxnriut^, ev&eojj re xai syica\'co;
ispoupyov/xévi}.

-ocr page 45-

27

dan Mj zich de Godheid voorstelt i), dat hij aan geen vereeniging

aiet deze kan denken, voordat hij zelf geheel gelouterd is
geworden. Bij de uitwendige Ascese voegt hij dus de inwendige
reiniging des gemoeds. Maar het blijkt, dat al zijn pogen te
vergeefs is, en dat hij geen haarbreed verder komt, hoe
nauwgezet hij zij in zyn plichtsbetrachting, hoe hij zich inspanne
het boven-menschelijke te verrichten. Hij komt daardoor tot de
overtuiging, dat hy, wanneer hy zich zei ven niet kan veranderen,
om zyn doel te bereiken, moet ophouden zich zelf te zyn. Hij
meent zyn geheele persoonlykheid te moeten vernietigen. Iets
anders dan God te zyn, komt hem voor het tegenovergestelde
van God te wezen. Zoolang hij nog een persoonlijk individueel
bestaan, een
ik heeft, zoolang blijft hij, naar zijn meening,
van God verwijderd. Daarom wil hij zich zeiven leeren vergeten,
zijn eigen wil afleggen, zich zeiven afsterven, om zich geheel
door God te laten besturen. Misschien zonder het zelf te weten,
komt de mensch, die zich aldus eenzijdig door het gevoel laat
beheerschen, geleidelijk tot de der Neoplatonici (Plotinus)

en de »Ahlegung der Selbstheit" van Schelling

Meent de mensch er nu werkelijk in geslaagd te zijn zijn vleesch
en geest totaal te hebben ten onder gebracht, inderdaad is het niets
dan grove zelfmisleiding, waaraan hij zich schuldig maakt. Het
denkvermogen toch laat zich niet verkrachten. Onder den druk
van het gevoel, komt het hiermede ten nauwste verbonden als
Phardasie voor den dag. Deze phantasie nu is hier des te ge-
vaarlijker, omdat de mensch, die in dezen toestand verkeert,
meent zich geheel geledigd te hebben, zoodat hij geheel passief
tegenover de actieve inwerking Gods staat. Al wat zich dus in
zyu binnenste voordoet, herkent hij niet meer als zijn eigen

1) Elke mensch heeft een zekere mate van GoA%lcennis. Ook in den Mj\'sticus
ZIJ aangetroffen. Bij hem is zij een overblijfsel van zijn vóórniystischen toestand,
^^aann de rede nog werkzaam was. Het redelijk element in deze godskennis opge-
n, an zonder dat de Mysticus zich hiervan bewust is, grooten invloed op zijn
bestean^uitoefenen. Wij zullen daar straks breeder op terugkomen.
^ ^^ le Borger 1. i. ^^^ ^^ ^^ ^^^^^ aldaar. — „Der einzige wahrhafte
mag\'isrd\' „da man Gott in seinem Worte, Wesen and Willen schauen

Alles Mensch in ihm selber einig werde und in seinem willen

es verasse, was er selber ist und hat und sieh seiher ganz ein Nichts
l^ij Noack a. a. O. S. 168.

-ocr page 46-

28

aaiidoeiiiugeji, maar bescliouwt hij als werkiiigeü van God.

Tegelijkertijd doet zicli in liet lichaam de met geweld onder-
drukte zinnelijkheid in verdubhelde mate gelden, en wel juist
in de phantasie, die zich nu allerlei beelden en voorstellingen
schept, waardoor de betrekking tot God steeds nauwer en nauwer
wordt voorgesteld. De aldus overprikkelde phantasie is de
moeder van de E c s t a c e. In de oogenblikken, waarin deze zich
vertoont, wordt de hoogste zaligheid gesmaakt; dan is de
hemel geopend en worden te midden vati de hoogste verrukking
alle verborgenheden geopenbaard. De korte duur van dit geluk,
het onverwachte wegblijven der ecstatische toestanden verwek-
ken evenwel ongeduld, en zijn als olie in de vlam van het
verlangen. Zóó wordt het oorspronkelijk godsdienstig gevoel
van een innige zucht naar gemeenschap met den Onzienlijke,
een onstuimige, wild opbruisende begeerte naar onmiddellijke

1) Het meest gelieflioosde beeld is dat, waarbij God (Christus) als de bruidegom
eii \'s menschen ziel als de bruid wordt voorgesteld. De ontmoeting van beiden
wordt, niet zelden op zeer zinnelijke wijze, als de hoogste wellust beschreven. Opmer-
kelijk is het, hoe in later tijd zulk een betrekking niet meer voldoen kou, en de
verJwuding juist werd onifjeheerd, soodat God de bruid en \'s menschen geest de
bmidegowL wordt. God vMrdt zoodoende het vrouwelijhe principe over hetioelh de
mensch macht heeft.
Dat dit iverkelijk geschiedde, zien wij in de groote verbreiding
van de Mariadienst die, blijkens de geschiedenis, steeds het weligst bloeide op een
grond, die van overspannen Mystiek doortrokken was. Denken wij slechts aan de
monniken van het Oosten, de Franciscaners uit de Middeleeuwen eu verscheidene
Mystici uit den lateren tijd der E. C. Kerk. — Zie hierover Erbkam a. a. S. E7.—

2) Ruyshroeek beschrijft ons deze aldus: „Ute dcser wedden comt gheestelike
dronkenheit. Glieestelike dronkenheit es dat de mensche meer ghevoelijcs smaecs
eu weiheden onfaet, dan sijn herte ofte sijn ghelost begheren ofte ghevaten mach." enz.
Chierheit der yheesteleleer hrulücht. Uitgave v. David, pag. 74. Wij zullen later
deze schoone plaats in haar geheel meêdeelen. In danzolfden zin noemt Balth.
Cordcrius in zijne
Isagoge ad Mgsticam theologiam S. Dionysii Areopagitae (Opera
S. Dionisii Areopagit.
Antv. 1(533) de mystische theologie: sapientia experimentalis
s. sapida scientia:
Non hace Theologia (zegt hij, Tom. II, pag. 12) est
quaedam otiosa stcrilisve speculutio, sed
sapidissima Dei comtemplatio,
([uae suavissimo (cujus quidem in hac vita capaces sunius) sapore spixitaÜ mentem
imbuit muitoque delectabilius eam afficit, quam ab ullo spiritolium harum deliciarum
inexperto concipi aut credi jiossit. Vergl. Arnold
Ilislorie und Beschreibung der
mystischen Theologie
Frankfort 1703. S. 35, verder Erbkam a. W. S. 59 en Borger
1. 1, 156. — Reeds Gerson waarschuwde voor zulk een „geestelijke zwelgerij, die
niet Gods eer, maar eigen genot zoekt." Zie Kngelhardt
Richard v. St. Victor imd
J. liuysbroek,
S. 273.

-ocr page 47-

29

vereeniging met God i). Zóó wordt de gevoelsriclitiiig, eenzijdig
ontwikkeld, Mystiek. Contemplatie en Eestase ofschoon zelve
haar oorsprong nemende in het mystieke gemoed, zijn dus de
wegen, langs welke de Mystiek steeds dieper in \'s menschen ziel
doordringt.

Evenwel is de Mystiek hier nog slechts in haar aanvang.
Twee wegen liggen hier voor haar open-, welken van heide zy
zal inslaan, hangt af van de omstandigheden. Bij Mystici, wier
gevoel steeds zóó zeer de overhand gehad heeft, dat zij het
nooit tot een eenigszins klare godskennis hebben kunnen bren-
gen, is geen wêerstand te wachten — en waartoe zou die bij
hen ook dienen? — wanneer ket gevoel ten. slotte alle overblyf-
sels van vroegere verstandelijke begrippen over boord werpt.
Is dat eenmaal ket geval, dan zal niets ze meer beletten in
bun ecstatiscke oogenblikken — welke steeds meer en meer met
ket brandenst verlangen opgewekt, en kunstmatig zooveel moge-
lyk verlengd worden — de grens tusschen God en mensch
geheel uit te wisschen, en zich werkelijk als in God overgevloeid,
en als
één wezen met Hem, m den letterleken zin van het
woord, te gevoelen. Het natuurlijke gevolg is, dat zy, in hun
waan meenen ■ de diepste mysteriën te doorzien —• terwijl zij
meer dan ooit gevoelen hoe ondoorgrondelijk die voor ande-
ren zyn.

Dat op zulk een standpunt slechts een zeer betrekkelyke
waarde aan de Heilige Schrift kan worden toegekend, spreekt
van zelf. Zij is immers slechts een middellijke openbaring
■van dien God van wien de Mystici onmiddellijk vervuld
zijn ! Alleen, beschouwd in het licht der inwendige revelatie,
is zy goed en bruikbaar, en wel als leiddraad by de »beschou-

1) Daar wij niet willen antocipeeren op lietgeen later volgen zal, vermijden wij
zooveel mogelijk plaatsen uit Ruysbroeck aan te halen. Wij beroepen ons derhalve
tot staving van het in den tekst gezegde op een plaats van Jacob Böhme: „Vor
meiner gegenwärtigen tiefen Erkenntnisz stand ich in groszer Betrübnisz und sehauete
die grosze Tiefe der Welt und das kleine Fünklein des Menschen; als sich aber in
solcher Trübsal mein Geist ernstlieh und wie in einem groszen Sturm in Gott
erhob, und gewaltig wider alle Pforten der Hölle stürmte, also bald brach mein
Geist durch der Hölle Pforten durch bis in die innerste Geburt der Gottheit und
allda mit Liebe umfangen worden, wie ein Bräutigam seine Braut umfängt." Zie
bij Noack a. W., Th. II, S. 170.

-ocr page 48-

30

wing\'\' aan te bevelen. Zóó denken zy, en indien zy stille,
bedaarde naturen zijn (ontwikkeling van bet loutere gevoel),
dan zullen zy, in steeds diepere contemplatie nederzittende, de
geheele wereld en zich zeiven daarbij vergeten, zooals dat in
den ouden tijd de monniken van den Athos deden. Zij ge-
voelen zich uitsluitend Passief tegenover de Activiteit van
God. Zy doen niets. Hij werkt alles in hen: De ziel wordt
zoodoende een affectie Gods; de
heschouiving een staren op
het Medusahoofd: de Mystiek wordt Quietisme

By mannen van de daad (ontwikkeling van gevoel en wil,
hier als uitvoerende kracht) zal het proces een anderen loop
nemen; wanneer zij hun doel, de vereeniging met God, bereikt
hebben, zullen zij door de ongedurigheid, hun van nature
eigen, zich niet langer kunnen bepalen bij de louter lijdende
contemplatie. Zij zullen derhalve ophouden zich onafgebro-
ken in zichaelven te verdiepen. Zij willen handelen en tre-
den onverwacht in de buitenwereld op. Op hoogen toon eischen
zy geloof voor hun woord en onderwerping aan hun uitspra-
ken. Vraagt men hun naar Jiun geloofsbrieven, zij zullen
fier op zichzelven wyzen. Worden zij dan met spot bejegend
of koel afgewezen, dan zullen zij, meenende dat God in hen
gehoond en gesmaad is, niet aarzelen /.icli te wreken. Wordt
er geweld tegen hen gebruikt, zy zullen niet dralen, dat met

1) Het is een vrij algemeene dwaling (ook Erbkam verkeert daarin) te meenen,
dat bij de Mystiek altijd de betrekking tnsschen den mensch en God zóódanig is,
dat al de Activiteit aan de zijde van den laatste, en alleen de Passiviteit aan den
kant van den eerste zon zijn. Die vorm van Mystiek, waarbij dat werkelijk geschiedt,
is het Qnietisme, een bepaalde ontaarding. Bij de ware Mystiek is de Passiviteit
van den mensch altijd weêr een Activiteit, de receptiviteit eene spontaneiteit. Zij
stelt zich de betrekking van den mensch, als het eindige, tot God, als den onein-
dige, voor als één levensproces waarin beide: God èn mensch, evenzeer essentieele
momenten zijn: God door zijn eigen natuur gedrongen zich neder te laten tot de
eindige bewustheid in den mensch, de mensch zich in de eenheid met God, tot de
oneindigheid. Zie Baur a. a. o. Seite 466 ff. Zóó daalt bij den Pseudo-Dionysius
de geheele openbaring Gods neder langs de trappen der hemelsche hierarchie, om
langs die van de aardsche weder naar boven te klimmen, en zich zoo weder hie-
rarchisch te volmaken. Bij Ruysbroeck, wij zullen het later zien, is (even als bij
Jacob Böhme) de wedergeboorte van den mensch gelegen in de eeuwige geboorte
van het eeuwig zichzelf voortbrengende goddelijk wezen. In eiken toestand van
het Mystische zieleleven ziet hij een getrouw beeld van het goddelijke leven, dat
zich in de menschenziel afspiegelt.

-ocr page 49-

B3

Naar mijn oordeel zeer ten onrechte. Men zon met even veel
rti(M, eerlijhe conGurrentie, waren nijd, liefde

tot den naaste en zelfverloochening het ware
egoïsme
kunnen noemen. Dat is een spelen met het woord
waar. Wy verstaan daaronder: waarachtig, echt, eigenlijk. Wy
kunnen ons de zaak het best voorstellen door een beeld. Denken
wij slechts aan den ouden Rijn, die zich in twee armen verdeelt,
waarvan de noordelyke allengs zyn kracht verliest en einde-
lijk ten minste nog in het begin dezer eeuw — niet
meer hij machte zich een uitweg naar zee te banen, dood
loopt (liep) in een poeL De zuidelijke arm daarentegen stuwt
met kracht zijn wateren voorwaarts, en stort zich met een an-
deren vloed vereenigd met breede golven in den Oceaan.

Toch blijft eerstgenoemde arm den naam van Rijn dragen.
Zoo blijft ook de eerstgemelde tak der Mystiek Mystiek, en de
laatstgenoemde, die zich zelfstandig een eigen richting kiest,
en nieuwe krachten vérkrygt door zich met een andere rivier, die
evenzeer de zee zoekt (den redelijken godsdienst) te vereenigen,
ontvangt een anderen naam, den naam van
godsdienst des
harten. Zóó
ontstaat er een nieuwe vloed, een stroom, die zyn
bruisende wateren boort tot diep in de zee, die de andere tak
(de Mystiek) te vergeefs zich pijnt te bereiken.

Intusschen, vergeten wij niet, dat wij bezig zyn het proces
der Mystiek in \'s menschen binnenste na te gaan. Wy heb-
ben telkens getracht genetisch aan te toonen, hoe het een nit
het ander voortvloeit, ook hier moeten wij dat doen.

Het is niet genoeg te zeggen, dat de vereeniging van Mystiek
en redelijken godsdienst goede vruchten voortbrengt. Hier
moet worden aangewezen, waarom, en hoe zy totstandkomen
kan. Herinneren wy ons daartoe, wat wij boven hebben gezegd.
»Twee wegen", schreven wy, »liggen hier voor de Mystiek
open, welken van heide zij zal inslaan hangt af van de omstan-
digheden." 1) Wij hebben gezien, waarheen de weg leidt, die
wordt begaan door de Mystici, welke nooit in het bezit geweest
zijn van een eenigszins klare godskennis. Uit hetgeen later
volgde, blijkt dat naar onze opvatting, de andere weg voert
tot
den boven omschreven godsdienst des harten. Nu is de

1) :B1. 39. —

3

-ocr page 50-

660

wing\'ï aan te bevelen. Zóó denken zij, en indien zij stille,
bedaarde naturen zyn (ontwikkeling van bet loutere gevoel),
dan zullen zy, in steeds diepere contemplatie nederzittende, de
gebeele wereld en zich zeiven daarby vergeten, zooals dat in
den ouden tijd de monniken van den Athos deden. Zy ge-
voelen zich uitsluitend Passief tegenover de Activiteit van
God. Zij doen niets. Hij werkt alles in hen: De ziel wordt
zoodoende een affectie Gods; de
beschouwing een staren op
het Medusahoofd: de Mystiek wordt Quietisme

Bij mannen van de daad (ontwikkeling van gevoel en wil,
hier als uitvoerende kracht) zal het proces een anderen loop
nemen; wanneer zij hun doel, de vereeniging met God, bereikt
hebben, zullen zij door de ongedurigheid, hun van nature
eigen, zich niet langer kunnen bepalen bij de louter lijdende
contemplatie. Zij zullen derhalve ophouden zich onafgebro-
ken in zichzelven te verdiepen. Zij willen handelen en tre-
den onverwacht in de buitenwereld op. Op hoogen toon eischen
zij geloof voor hun woord en onderwerping aan hun uitspra-
ken. Vraagt men hun naar Jiun geloofsbrieven, zij zullen
fier op zichzelven wijzen. Worden zij dan met spot bejegend
of koel afgewezen, dan zullen zij, meenende dat God in hen
gehoond en gesmaad is, niet aarzelen /ich te wreken. Wordt
er geweld tegen hen gebruikt, zy zullen niet dralen, dat met

1) Het is een vrij algemeene dwaling (ook Erbkam verkeert daarin) te meenen,
dat bij de Mystiek altijd de betrekking tusschen den mensch en God zoodanig is,
dat al de Activiteit aan de zijde van den laatste, en alleen de Passiviteit aan den
kant van den eerste zou zijn. Die vorm van Mystiek, waarbij dat werkelijk geschiedt,
is het Quietisme, een bepaalde ontaarding. Bij de ware Mystiek is de Passiviteit
van den mensch altijd weer een Activiteit, de receptiviteit eene spontaneïteit. Zij
stelt zich de betrekking van den mensch, als het eindige, tot God, als den onein-
dige, voor als één levensproces waarin beide: God èn mensch, evenzeer essentieele
momenten zijn: God door zijn eigen natuur gedrongen zich neder te laten tot de
eindige bewustheid in den mensch, de mensch zich in de eenheid met God, tot de
oneindigheid. Zie Baur a. a. o. Seite 466 if. Zóó daalt bij den Pseudo-Dionysius
de geheele openbaring Gods neder langs de trappen der hemelsche hierarchie, om
langs die van de aardsche weder naar boven te klimmen, en zich zoo weder hie-
rarchisch te volmaken. Bij Euysbroeck, wij zullen het later zien, is (even als bij
Jacob Böhme) de wedergeboorte van den mensch gelegen in de eeuwige geboorte
van het eeuwig zichzelf voortbrengende goddelijk wezen. In eiken toestand van
het Mystische zieleleven ziet hij een getrouw beeld van het goddelijke leven, dat
zich in de menschenziel afspiegelt.

-ocr page 51-

B3

Naar raijn oordeel zeer ten onrechte. Men zou met even veel
recht eei^Zij\'/ce concitrrenU\'e, den
waren nijd, liefde
tot den naaste
en zelfverloochening het loare
egoïsme kunnen noemen. Dat is een spelen met het woord
waar. Wy verstaan daaronder: waarachtig, echt, eigenlijk. Wij
kunnen ons de zaak het best voorstellen door een beeld. Denken
wij slechts aan den ouden Rijn, die zich in twee armen verdeelt,
waarvan de noordelijke allengs zijn kracht verliest en einde-
lijk — ten minste nog in het begin dezer eeuw — niet
meer bij machte zich een uitweg naar zee te banen, dood
loopt (liep) in een poeL De zuidelijke arm daarentegen stuwt
met kracht zijn wateren voorwaarts, en stort zich met een an-
deren vloed vereenigd met breede golven in den Oceaan.

Toch blijft eerstgenoemde arm den naam van ßijn dragen.
Zoo blijft ook de eerstgemelde tak der Mystiek Mystiek, en de
laatstgenoemde, die zich zelfstandig een eigen richting kiest,

en nieuwe krachten verkrijgt door zich met een andere rivier, die
evenzeer de zee zoekt (den redelijken godsdienst) te vereenigen,
ontvangt een anderen naam, den naam van
godsdienst des
harten. Zóó
ontstaat er een nieuwe vloed, een stroom, die zyn
bruisende wateren boort tot diep in de zee, die de andere tak
(de Mystiek) te vergeefs zich pynt te bereiken.

Intusschen, vergeten wij niet, dat wij bezig zijn het proces
der Mystiek in \'s menschen binnenste na te gaan. Wij heb-
ben telkens getracht genetisch aan te toonen, hoe het een uit
het ander voortvloeit, ook hier moeten wij dat doen.

Het is niet genoeg te zeggen, dat de vereeniging van Mystiek
en redelijken godsdienst goede vruchten voortbrengt. Hier
moet worden aangewezen, waarom, en hoe zij totstandkomen
kan. Herinneren wij ons daartoe, wat wij boven hebben gezegd,
^■ïwee wegen", schreven wij, »liggen hier voor de Mystiek
open, welken van beide zij zal inslaan hangt af van de omstan-
digheden." i) Wij hebben gezien, waarheen de weg leidt, die
wordt begaan door de Mystici, welke nooit in het bezit geweest
zijn van een eenigszins klare godskennis. Uit hetgeen later
volgde, blijkt dat naar onze opvatting, de andere weg voert
tot den boven omschreven godsdienst des harten. Nu is de
i) ;B1. 29. —

3

-ocr page 52-

34

vraag: welke Mystici zullen dezen weg bewandelen? Ons ant-
woord is: die, welke uit bun vóór-Mystiscbe periode een heldere
godskennis hebben overgehouden. Met een nadere toelichting-
van dit antwoord zullen wij deze schets over het wezen en
het ontwikkelingsproces der Mystiek besluiten.

Wij moeten dus weer stroomopwaarts, — weêr terug naar de
periode van het gloeiende verlangen naar vereeniging
met God! De Mysticus, dien wij thans te aanschouwen
krijgen, verschilt aanvankelijk in niets van die anderen, wier
gemoedsleven wij in zijn opvolgende hoofdphasen met vluchtige
trekken geteekend hebben. Dezelfde hartstocht, dezelfde bran-
dende begeerte worden hier gevoed. De »onuitsprekelijke weelde"
der Eestase wordt hier evenzeer gesmaakt, en eveneens hebben
daarin de revelatiën plaats. Nu zijn, zooals wy vroeger zagen,
de stemmen en gezichten, die de Mysticus verneemt, niet anders
dan zyn eigen denkbeelden, de vruchten van zijn eigen herin-
nering en phantasie. Dat hij zijn zelfsmisleiding niet inziet, komt
hierdoor: hij meent zich zeiven totaal te zijn afgestorven; wat
zich dus in hem beweegt, zich doet hooren, zich vertoont, moet
naar zijn oordeel van God komen. — Nu spreekt het van zelf,
dat de inhoud dezer openbaring een geheel andere zal zijn bij
Mystici die uit vroegere jaren een betrekkelijk heldere kennis
aangaande God en het Evangelie hebben bewaard, dan die van de
boven beschrevenen, wier begrippen te dezen opzichte steeds in
nevelen gehuld waren en voortdurend in een chaotische ver-
warring verkeerden. De meerdere kalrnte van deze soort van
revelatiën brengt rust, waardoor de Eestase van zelve tot be-
daren komt. Zóó kan de Mysticus weêr tot bezinning komen.
Intusschen heeft, onder bet kleed der openbaring verborgen,
het redelijk element in de godskennis opgesloten, als bij ver-
rassing de ziel van den Mysticus ingenomen, welke van nu
af voor de rede geopend blijft. Van lieverlede gaat het licht
weêr schijnen voor zijn betrekking tot God. Bij de herinnering van
wat hij vroeger leerde, aangaande de ontzaggelijke verhevenheid
en majesteit des Almachtigen die »zich met het licht bedekt
als met een kleed, en de hemelen uitspant als een tentgordijn"

1) Psalm IV\' vers 2.

-ocr page 53-

35

ziet hij het oneerbiedige en bespottelijke in van pogingen, die
ten doel hebben één wezen met zulk een God te worden. Van
zelf volgt nu de erkenning van \'s Heeren volkomen ondoor-
groadelykheid. Zou hij op de vragen van den ouden Zophar den

Naämathiet: »Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot

de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is als hoogte
der hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de hel; wat kunt
gij weten ? Langer dan de aarde is haar maat en breeder dan
de zee!" i) ^ zou hij op die vragen nog langer antwoorden: »Ja
ik ken Hem toch en ik doorgrond Hem?" Immers neen. Hij
zal niet laager de Mysteriën Gods trachten te ontraadselen,
door zich alleen in zich zelven te verdiepen. En zóó wordt
het eigenlijke gebied der Mystiek verlaten; de Mysticus wordt
vroom Christen, al blijven hem zijns ondanks, dan ook nog
vele uitdrukkingen en beelden, ja soms wel voorstellingen en
begrippen uit zijn vroegere Mystische periode bij. Immers, daar
bij zijn dorst naar Godskennis toch niet bedwingen kan, gaat
hij die lesschen aan de helderste bron, die den mensch gegeven
is, aan de Heilige Schrift. Nu hij zijne wijsheid niet meer uit
zichzelven, maar uit- een buiten hem gelegen wel put, behoeft
bij zich niet meer af te zonderen. Hij kan
nu vrij in het leven
optreden en zal gaarne den omgang zoeken van hen, die, even
als hi], God zoeken. Zich niet langer verheffende op zijn in-
wendige openbaring ~ daar die bij zijn bevindingen niet meer,
maar minder dan de Schrift moet bevatten — zal hij de hoogste
eer vinden in eenvoudig lid te zijn van Christus\' kerk. Bij de
verklaring van moeielijke schriftuurplaatsen zal hij niet, als
weleer, zich beroepen op een inwendig licht, maar, althans in
theorie, de bijhelschrijvers laten zeggen wat zij zeggen. Blijven
hem dan nog vele verborgenheden en raadselen over, hij zal zich
troosten met Paulus\' woord: »Nu zien wij door een spiegel, raad-
selachtig, maar eens van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik
ten deele; maar dan zal ik kennen, even als ik gekend ben."

1) Job XI :

3) Naar ouze stellige overtuiging is de onmiddellijlclieid der Godskeauis als vr«cM
van een zich verdiepen in zichzelven het onfeilbare criterium der Mystiek. Zij is
«le eenige toetsteen, die het onderscheid tusschen vroomheid en ^Tvstiek aangeeft.
1 (\'or. XIIT .. 12

3*

-ocr page 54-

36

Ook zijn streven naar eenheid met God, de hoofdzenuw van
zijn leven geeft hy niet op, maar hij gaat die langs een anderen
weg en in een geheel anderen zin zoeken, namelyk in volmaakte
eenswillendheid met den Hemelschen Vader. Zóó komt hij
eindelijk tot de innigste gemeenschap met God, die voor den
mensch denkbaar is, een gemeenschap zóó innig, dat zij zich
met de woorden der menschelijke taal niet beschryven laat.
Zij die het echter beproeven te doen, geraken spoedig in geest-
drift, en gebruiken dan niet zelden onvoorzichtige uitdrukkingen,
die in
schijn veel, maar in waarheid niets m^et het Panthéisme
gemeen hebben

Zoo is dan voor den godsdienstigen gevoelsmensch de Mys-
tiek een vuurproef, die hij, als hij
waarlijk godsdienstig is,
veilig kan doorstaan, en waaruit hij dan zeker gelouterd te
voorschijn komt. Zal hem dit echter iets baten, dan moet
hij niet stil blijven staan maar vooruitgaan. De Mystiek
moet hem dan een doorgangspunt zijn tot de hoogste
verschijning van den godsdienst: den godsdienst des harten,
naar welken helder inzicht in de waarheid met het innigste
gevoel gepaard gaat.

Hij spiegelt den Microcosmos van zijn zieleleven aan den
Macrocosmos van God. Daar zal hij zien, dat de Bernards, de

1) Daar wij later op tet verband van Mystiek en Pantbeïsme moeten terug-
komen, kunnen wij daar nu niet bij stil staan. Genoeg zij liet hier op te merken,
dat plaatsen als Joh. VI : 56,
h i/xol pAvsi, xayw ëv xiirü; XIV : 23 .... Tzpbi aurm
ils\\iai/J
.s^cc mi //.ovvjv na.p auzä Tioiricogsäci; XVII; 23 èyii iv xvroXs zat Iv ifj.oi x. z. /..
cf. vs. 21; Bom. VIII : 9 simp -nvsxijj.a. äsoö oïxsï e\'v vjutv; Eph. III: 17 xa.Toixf,sa
Töu Xpcarbv Sik t% irfaTïco; h rats xapSïoag ó/awv, niettegenstaande haar mystische
kleur niets bedoelen dan die innige gemeenschap met den Allerhoogste, welke de
vrucht is van een Gode gewijd leven, 1 Joh. II: 5, 6, en een vervuld zijn met
den Heiligen Geest tengevolge heeft, IV : 13. Een blik op het geheele stelsel van
Paulus en .lohannes verbiedt ons deze plaatsen letterlijk op te vatten. Dc op
deze schriftuurplaatsen gebaseerde leer der Uuio Mystica berustte op misver-
stand, en is van lieverlede, vooral door de bemoeiingen van Ernesti, uit de Dog-
matiek verdwenen. Zie Ernesti,
Neueste Theol., Bibl. Th. III, p. 442. Onder ünio
Mystica werd oudtijds verstaan een waarachtige vereeniging van de goddelijke en
menschelijke substantie: Approximatio substantiae divinae ad fideles, conjunctio
substantiae hominis cum substantiae Trinitatis, inhabitatio. Hase,
Hütt. Rediviv.,
. 240. Borger 1. 1. pag. 25; „.. . quemadmodum fere unionem Mysticam expli-
cant
Lutherus, Melanchton, alii, ut sit maior quidam, praesentiae divinae gradus,
sive profinquior ad homines accessio in mentihus piorum."

-ocr page 55-

37

Suso\'s en de Taniers door de Luthers, de Melanchtons en de

Calvynen zijn opgevolgd.

De eenzijdige rede-menseden mogen toezien, dat zij met
hun koele redeneeringen niet juist de hoofdzaak van den gods-
dienst uit het oog verhezen. Laten zij gerust bij de Mystiek
ter sckole gaan, en in alle gevallen bedenken, dat diezelfde
Tauler en Suso enBernard, en niet het minste de vrome Johan-
nes Ruysbroeck, op kun beurt de menschheid weder een sckrede
verder gebracht kebben, toen de Scholastiek van een Roscelli-
nus, een Abailard, een Jobannes Duns Scotus niet meer bij
machte was dat te doen.

-ocr page 56-

H0 01M)STUK IL

DE HISTORISCHE GAÏ^G DEli MYSTIEK,

Hebben wij aldus by liet grondbeginsel en het ontwikke-
lingsproces der Mystiek misschien langer stil gestaan dan
ons bestek gedoogde, toch hebben wij onze voorloopige taak
nog niet volbracht. Tot nog toe hebben wij alleen de wor-
ding der Mystiek in den mensch aangetoond: ons blijft nog
over haren genetischen gang aan te wijzen in de mensch-
heid. Het is het historische verloop der Mystiek dat nog,
zij het in groote omtrekken, m.oet worden aangeduid.

Moesten wy hier een geschiedenis der Mystiek schry ven, dan
zouden wij verlegen zijn, waar te beginnen. Immers zoolang
er gevoelsmenschen zijn geweest, zoolang heeft er ook Mystiek
bestaan, zij het dan ook in meerdere of mindere mate, in
zuiverder of onzuiverder gedaante.

In eiken godsdienstvorm, bij welken het oorspronkelijk gods-
dienstig gevoel niet geheel en al ontaard en verbasterd is, is
plaats voor Mystiek. Zoo kan er derhalve van Mystiek geen
sprake zijn bij den fetischdienaar, bij wien alle godsdienst als
het ware teruggedrongen is in een dierlyk instinct van af-
hankelijkheid van een vreemde macht, welke, nu eens in dit dan
weder in dat voorwerp zetelende, gedacht wordt. Natuuriyk kan
er eerst op een veel hooger standpunt van godsdienstige ontwik-
keling van Mystiek in eigenlijken zin gesproken worden. Eerst
daar, waar een levendig besef van \'s menschen verwantschap
aan God en een ernstig, maar tegelijk vurig streven naar

-ocr page 57-

39

gemeenscliap met den Alleiiioogste bestaat, kan de Mystiek
optreden. Geen wonder derhalve, dat er zich bij de ernstige, dit
leven verachtende, zoozeer tot contemplatie geneigde Indiërs
reeds vroeg een zeer ontwikkelde Mystiek vertoonde. Dat deze
bi] hen van lieverlede den geheelen godsdienst doortrok is
algemeen bekend.

Van het Oosten uit heeft zich de Mystiek overgeplant naar
het Westen. Het heeft echter eeuwen geduurd, eer zij daar
kon aarden. En geen wonder: zij heeft om welig te tieren
een andere atmospheer noodig,- dan die welke geheel doortrokken
was van den geest, die van Griekenland uitging en over het
geheele Westen blies.

Wegens den grooten in vloed, dien de Helleensche wereld op het
ontstaan der Christelijke Mystiek heeft gehad, houden wij het
voor noodzakelijk, tot het rechte begrip der zaak, kort maar
grondig na te gaan,, welke de plaats was, die bij haar de
Mystiek innam.

Wij beginnen dus ons overzicht met een onderzoek naar
het mystische element in het vóórchristelijke
Griekenland.

In de naturalistische volksgodsdiensten, waar alles op het
uiterlijke gericht was, ontbraken de factoren, die voor het ont-
staan der Mystiek noodig zijn. In het Grieksche volkscharacter
was het gevoel alleen scAoon/ieïJiisgevoel, en alleen als
zoodanig ten hoogste ontwikkeld.\' Van
g odsdienstig ge-
voel toonen zich slechts sporen. De kunst was geheel aan het
uiterlijk schoon gewyd. Tegenover den cultus stond de Phi-
losophie. Uit den aard der zaak kon deze moeielijk de be-
schermster der Mystiek worden, vooral niet, omdat zij zich,
althans in den aanvang, nooit met godsdienstige en zedekun-
dige theoriën bezig hield. De vragen, die de aandacht van de
mannen der Ionische, der Atomistische, der Eleatiscke schooi,
van een Heraclitus en een Anaxagoras gespann.en hielden, waren:
Wat is het heelal V Is het stof of geest; veelheid of eenheid;
worden of zijn, of is het door een mechanische combinatie
beide te gelijk? i)

1) J. H. Sflioltea; Geschiedenis der Godsd. en iFijsbegeerte. Derde druk, Leiden
1863. pag. 59—77.

-ocr page 58-

40

Door Socrates werd liet verstandelijk nadenken gericht
op het practische leven. Het is zijn onsterfelijke verdienste
de philosophic van den hemel op de aarde te hebben gebracht,
en haar in de woningen der Atheners voor het leven en de
moraal te hebben doen spreken, i) Door hem werd de
Avijsbe-
geerte dienstbaar gemaakt aau de waarachtige belangen der
menschheid. Toch was het godsdienstig element bij hem op
lange na niet zóó ontwikkeld, dat het den boventoon voerde,
veel minder nog dat het door zijn gloed de denkende rede kon
overmeesteren. Wie de nuchtere gesprekken van den Meester
heeft gelezen, zooals ons die door Xenophon zijn meêgedeeld,
zal gaarne toestemmen, dat bij Socrates geen sprake van Mystiek
kan zijn.

Hetzelfde geldt van Plato, die echter door weder het ge-
bied der bespiegeling te betreden, slechts ten deele den weg,
door zijn leermeester ingeslagen, heeft bewandeld. Immers het
doel van Plato was den mensch op te leiden tot de hoogste
volmaking in de bespiegeling, als de hoogste ont-
wikkeling van het denken. Het hoofdbeginsel van Plato\'s
philosophic is de zoogenaamde
y>Platonische liefde\'\' of -»Socra-
tische methode".
Haar streven was alleen de sluimerende
denkkracht op te wekken. Om het gevoel bekommert
Plato zich weinig. Zijn philosophic richt zich volstrekt niet
op het gemoed, maar uitsluitend op verstand en rede.
Nergens blijkt dit duidelijker, dan uit zijn hoofdwerk
Over
den Staat,
waarin hij met groote voorliefde zijn ideaal van

1) „Socrates autem primus philosopliiani devoeavit e eoelo, et in urbibus colloeavit
in domos etiam introduxit, et eoegit de vita et moribus rebusque bonis et

quaerere." Cie. 2\'usc. V: IV: 10.

2) Het ware begrip der Platonische He f de is zeer duidelijk ontwikkeld
door A. J. Vitringa in zijn:
Was de Christelijke liefd^e. een nieuw en oorspronke-
lijk beginsel?
Deventer 1870. „Zij is de innig gemeenzame omgang der geesten
die door onderlinge wisseling van gedachten de waarheid zoeken", jjag. 24 — „do
vertrouwelijke omgang tusschen ])ersonen, die met de zucht om zich wederkeerig
te volmaken bezield zijn", pag. 41; cf. 44. „Om uwe eigene begrippen tot helder-
heid te brengen en ze hooger op te voeren, moet gij (volgens Plato) ze aan anderen

mededeelen. Gij kunt niet wijs wordeii, zonder anderen op te leiden..... Dan

eerst verwekt de teelkracht des geestes levende geesteskinderen, wanneer uw geest
vader en die van anderen moeder worden," bl. 83. Vergelijk hiermede Plat.

C. XXV—XXVin (p. 206 B—214).

-ocr page 59-

41

staatsinrichting heeft geschilderd. De groote massa, zóó heet
het daar, is alleen geschikt om te arbeiden, zij moet voor allen
Werken. Hooger dan het volk, en reeds eenigermate ontwik-
keld, staat de
hrijgsmanshaste, die het volk moet dwingen
tot gehoorzaamheid aan de
loijsgeeren, de eigenlijke regenten
van den Staat. De opleiding van deze laatsten moet uiterst
zorgvuldig zijn, doch alleen verstandelijk. De Staat moet zich
daarmede belasten. Niets wat eenigszins het gevoel zou kun-
nen aankweeken wordt toegelaten. De knapen worden onmid-
dellijk na de geboorte aan de moeders ontnomen en onder
toezicht van den Staat opgevoed. De teedere moederzorg
wordt hun onthouden, en daarmede de kweekschool voor \'t
fijne gevoel, dat later het hoogste sieraad moet zijn van den
beschaafden man, gesloten voor \'t hart van het kind. De
dramatische dichtkunst met haren ontzaggelijken in vloed op de
gemoederen der menschen, de dochter en moeder der passie,
geheel en al buiten gesloten. ") De muziek, die machtige hefboom
\'^an alle gevoel, op geringe uitzonderingen na geweerd. Het
huiselijk leven wordt verwoest, het huwelijk ontbonden en
verlaagd tot een verplicht en telkens afwisselend concubinaat
tot een groote menschenstoeterij.

Bij al den eerbied, dien wij voor de Platonische philosophie,
dien »fakkel des verstands", die edele banierdraagster van het
ld ealisme koesteren, mogen wy het gebrekkige, het stuitende,
het onzedelijke en — wat misschien in onzen tijd meer zegt,
dan dit alles te zamen — het on practische van de door
baar gepredikte Moraal niet voorbijzien.

Wij hebben meer van Plato gezegd dan op den eersten aan-
blik zal noodig schijnen. Wij deden dat, omdat men bij den
dichterlijken wijsgeer iets geheel anders zou verwacht hebben.
Inderdaad ontbreekt het in zijn geschriften niet aan voorstel-
lingen, die door het gemoed zijn ingegeven. Hier en daar
verstrooide uitdrukkingen doen zelfs, wanneer men ze niet in

1) Re^j. p. 457, sqq.

2) Rep. p. 393, sqq. 568.

3) Van muziekinstrumenten zijn alleen de either en de lier geoorloofd. Mej).
1\'- 398, sq.

4) Meji. p. 449, sqq.

-ocr page 60-

42

verband met het geheel beschouwt, aan Mystiek denken
In den samenhang blijken zij echter slechts poëtische vormen
van de gewone koele verstandsphilosophie te zijn. Ter wille
van zulke geïsoleerd staande plaatsen en uit het verband ge-
rukte voorstellingen, heeft men niet zelden Plato\'s geheele
verstandsrichting uit het oog verloren, en getracht een
Platonisch-Mystisch stelsel te geven. Dit geschiedde
door enkele kerkvaders, door den humanist Marsihus Picinus,
maar vooral, zooals wy straks zullen zien, door de N e op la-
to nici. Dat hiertoe geen recht bestaat, meenden wij te
moeten aantoonen.

Vonden wij alzoo bij den idealistischen Plato geen grondslag-
voor de Mystiek, het Iaat zich verwachten, dat wy dien nog
veel minder zullen aantreffen bij de Overige Grieksche wijsgeeren
uit het voor-Christelijke tijdperk. Wij kunnen voor ons doel
den realistischen Aristoteles met zyn »gulden middelmaat", de
Peripatetici, den materialistischen Epicurus, met zijn zelfzuch-
tige volgelingen, de onverschillige Stoa, de dialectische Aca-
demie veilig overslaan. Al deze wijsgeeren hebben dit met
elkaar gemeen, dat zij zich den ideaalmensch voorstellen als
wijsgeer, als koel redeneerend verstand smensch,
en de zonde als gevolg van onkunde, dus als een louter
verstandsgebrek.

Toch had ook in het denkende Griekenland het gemoed niet
geheel en al gezwegen. Het openbaarde zich slechts sporadisch,
en met heterogene bestanddeelen vermengd. Het meest algemeen
kwam het te voorschijn in de
Mantiek, in de Mysteriën

1) Re]}. X, p. 018 A; VII, p. 514. —- -lü-i Sï tk fj-t/Kza ™v ayaS-tfiv hplv ■/i-/-Js.-zM
ätk ji.a-iiai
zr/. . . . cr\'jjipavoüs-« Sï ßpoiyix % oiiSi-j (iipyxGx-JTo). Phaedr. p. 244. Zóó
zijn er tal van iiitdrukkingon. Ook het vurige verlangen naar do Ideaalwereld
draagt een mystische kleur. — Zie daarentegen in denzelfdon
PJiaedrus, p. 346 het
beeld van de menschelijke ziel: de wagenmenner is dc ref/e; p. 247 C: rrikpk\'/_piiiJ.o.~ói
y.M aayriU.kzi^TOi y.xc kvko\'i; oisfa üvt&j; ■■p\'J\'/fii oZgx y.vßzp-j-^rri p/j-ni Ssazvi vw. Bij
het licmclschc gericht —
\'Rep. Xc. 13 sqq. beschreven volgons liet verhaal van zekeren
in den krijg gesneuvelden Paniphylicr, die nadat zijn lijk op den tienden dag bij dc
lijkschouwing ongedeerd was gevonden en opgenomen, om in zijn vaderland begraven
te worden, ten twaalfden dage herleefde, cn toen vertelde wat hij in den Hades
gezien had — wordt het beste lot getrokken .... door den ver stand igen Ulys-
ses!
Rep. p. 620 C.

-ocr page 61-

Gn bij de Pythagoreërs. Daar het echter tot nog toe niet
gekikt is den geheimzinnigen sluier, die hierover ligt uitgespreid,
op te kefiPen, valt hier, wat de Mystiek aangaat, weinig met
zekerkeid te zeggen.

In de eerste plaats noemen wij de Mantiek, d. i. de
pi\'ofane profetie. Zonder eenigen twijfel was deze in kaar
oorspronkelijk reinen vorm Mystiek in den vollen zin des
woords. Immers de idee, die kier ten grondslag ligt, is onmid-
dellijke gemeensckap met de Godkeid, en wel zóó, dat in den
profeet, op den oogenblik der Eestase, de eigen persoonlijkheid
geheel verdwijnt, om voor de zich openbarende Godheid plaats
■te maken. Ten volle overtuigd dat kij geheel van deze ver-
■vnld is, gevoelt de ziener zich in zijn verrukking verre boven
de hem omringende menigte verheven. Fier verheft zich zijn
gestalte omhoog. Zijn oogen schieten vuur. Een donkere
blos bedekt zijn gelaat. Zijn spieren zwellen. Zijn lichaam
i\'ijst. Zijn borst kygt naar luckt, en wijd sperren ziek de
neusgaten open. Verstand en rede begeven hem; te vergeefs
IS het, dat hij worstelt; hij kan geen woorden vinden om zich
uit te drukken. Eindelijk barst zyn gemoed los. Het zijn
klanken zonder zin, woorden zonder beteekenis, maar die door
de neêrgeknielde omstanders als de woorden der Godkeid zelve
niet den diepsten eerbied worden aangehoord en met angstval-
lige zorg worden opgenomen. Hetzij man, hetzij vrouw: wie
aldus optreedt is een profeet. De Godheid heeft geen mensche-
lijke wijsheid noodig om zich te openbaren.

Is het een eigenaardig verschijnsel der Grieksche Mantiek,
dat de profeet het niet brengt tot verstaanbare ontboezemin-
gen van het hem overweldigende gevoel, — uit hetgeen wij
"vroeger aangaande het wezen der Mystiek gezegd hebben, zal
ket duidelijk worden, waarom dat niet anders kon. Wij
merkten toen op, koe de visioenen en openbaringen, die de
Mysticus rechtstreeks van de Godheid meent te ontvangen,
inderdaad niet anders zijn dan zijn eigen voorstellingen; dat
van de reinheid en de volheid zijner Godakennis de waarde
zijner revelatiën zal afhangen. Passen wij dit nu toe op den
Griekschen ziener,, dan is ons het raadsel opgelost. Immers,
de Mantiek was een op zich zelf staand verschynsel, niet

-ocr page 62-

44

o-eworteld in den volksgeest, en ten eenemale vreemd aan den
complex der toenmalige godsdienstige theoriën.
Zij vertoonde
zich voornamelyk bij personen, die door tegenzin of door
omstandigheden geheel onbekend waren gebleven met de
resultaten der wijsgeerige bespiegeling, vooral, zooals bekend
is, bij jonge meisjes (Pj^thia). Daarom kon het wel niet
anders of de Godskennis van den orakelgever of geefster
moest uiterst gering zijn, en zich als zoodanig noodwen-
dig in de gegeven uitspraken reflecteeren. Geen wonder,
dat de Mantiek zich dan ook niet bezig hield met theo-
riën en revelatiën aan gaande het wezen der Godheid, maar
zich slechts op het oneindig lagere gebied der voorspelling
bewoog.

Het spreekt van zelf, dat de priesters nooit met de onafhan-
kelijke zieners op een goeden voet konden staan. De onduide-
lijkheid der laatsten maakte echter zekere verklaring noodig,
wilden hun uitingen tot iets dienstig- zijn. Zóó vonden de
priesters het middel de Mantiek meester te worden. Wat de
Ziener sprak, begreep niemand; het werd door den priester
uitgelegd — naar het scheen — maar inderdaad zeide de
laatste slechts, wat hij zelf wilde. De officiëele orakeldienst te
Delphi was door de priesters zelve ingesteld, en schynt zich,
naar hetgeen ons bekend is, voornamelyk met politiek te heb-
beji bezig gehouden. De inspiratie der Pythia trad niet in,
wanneer het gemoed vol was, en zich ontlasten moest, maar
werd kunstmatig opgewekt, telkens wanneer er een orakel
gevraagd werd. Het was een beroepsbezigheid geworden. —
Wij moeten echter in ons oordeel over de uitspraken der
Mantiek rechtvaardig zyn, en niet altijd aan
priesterbedrog
denken. Niet waar? Naturen bij wie het ingeschapen zedelijk
gevoel niet was ontaard, maar tot zekere hoogte regelmatig
ontwikkeld, kunnen, wanneer zij in de Ecstase den diepsten
grond van het gemoed blootlegden, zeer goede en schoone
dingen gezegd hebben, die de priesters niet telkenmale moed-
willig zullen hebben verdraaid.

Gaarne gelooven wij dan ook Plato\'s getuigenis, dat zoowel
de profetes van Delphi als de priesteressen van Dodona in
haar waanzin voor Griekenland veel schoons hebben tot stand

-ocr page 63-

45

gebracKt, niet alleen voor bet private, maar ook voor het open-
bare leven, i)

Bespeuren v^^y aldus in de Mantiek een vonk van ware
Mystiek, wij zien tegelijkertijd hoe die bij gebrek aan lucht
en voedsel van lieverlede moest verdooven en uitgaan. —
Daar was echter nog een andere oorzaak, die in de gemoede-
ren het godsdienstig gevoel zou opwekken, en zóó, hoewel
indirect, der Mystiek in ruimer kring plaats verschaffen zou.
Wij bedoelen de Mysteriën.

Onder de Mysteriën zijn de Eleusinische de voornaam-
ste 3). Haar oorsprong kan niet historisch worden aangewezen;
hij is waarschynlijk in het Oosten te zoeken. De mythe brengt
dien tot Ceres zelve, aan wier gedachtenis zij gewijd waren,
terug. Alleen Attische burgers konden ingewijd worden
Ten gevalle van vreemdelingen, die gaarne in de
Eleusinea wilden worden opgenomen, werden later de kleine
Mysteriën ingesteld. Van lieverlede werden deze de voor-
bereidende school voor de groote Eleusinia. Noodzakelijke
"voorwaarden voor de opneming waren: reinheid van moorden
^an zonde, reinheid zoowel van hand als van hart. Ieder
moest alvorens toegelaten te worden een louteringsproces
s) hebben doorloopen. Te beginnen met
den 16\'!® van de maand
Boëdromion (September) trokken breede
scharen van ingewijden jaarlyks, nadat het !j.{jnzai had

weêrklonken, uit Athene naar de zoutwatermeertjes {peiToi), op den
^^eg naar Eleusis gelegen en aan Demeter gewijd, om zich aldaar
met de heilige wateren te reinigen. Na verschillende offerplechtig-
heden, begaf men zich op den 6den dag van het twaalfdaagsche(?)
feest, met priesters en overheden aan het hoofd, met myrten
bekranst, korenaren en akkergereedschap dragende, op weg
naar Eleusis. Vooraan werd het eveneens met myrten versierde
beeld van lacchos (Bacchus) gedragen, door den be-

1) Phaedr. p. 344 B.

2) Over de overige Mysteriën kunnen Avij Ider niet spreken. Over liet algemeen
staan zij yeel lager èn met den ruwen Dionysus-, Cybele-, Isis- en Mithras-
dienst in nanw verband. Na de Bleusiniselie genoten de Mysteriën van de

S\'Diothraeisché Cabiri hoog aanzien. Zie over dezen, zoowel als over de
^en den Adonisdienst. de straks op te geven Mysterién-literatuur.

-ocr page 64-

46

geleid. Vroolijke muziek weêrklonk, en gezangen ter eere van
BacelLus werden aangeheven. Daar de weg vier uur lang was,
liield men van tyd tot tijd stil. De pauzen werden door allerlei
vermakelijklieden als maskeraden, spelen enz, aangevuld. Eerst
\'s avonds kwam men te Eleusis aan. Nu begon bet tweede
deel van het feest. Om de smarten van de bedroefde Demeter,
die te vergeefs hare dochter gezocht had, te gedenken, liep men
met tal van fakkels rond, en vierde men tot haar eer het nacht-
feest, uaTJ-jyfi aan de bron Callichoros. Eerst op den avond van
den volgenden dag mocht er, op het voorbeeld van de Godin,
gegeten worden Dan werd trouwens de schade ruim inge-
haald. Het gewichtigste echter, de mysteriewijding, geschiedde
in den tempel te Eleusis, den ruimen en prachtigen .a 1/ 7 7 ï ö 5 (7 ïj /
ten tyde van Pericles door Ictinus in streng Dorischen stijl ge-
bouwd Eerst, nadat de heraut
tw-j «-jttwv met luider
stemme een strenge vermaning tot alle goddeloozen en onreinen
gericht had, om zich te verwijderen betrad men het heiligdom.
De overgeblevenen verdeelden zich nu in
au^^ai en inéTTTxi
De inwijding geschiedde door een doop met indompeling,
waarna de Mystische band om de lendenen gebonden werd
De symbolische handelingen, die verder plaats hadden, knoop-
ten zich vast aan de schoone en diepzinnige mythe van
Persephone (Proserpina) die door Hades, den God der onder-
wereld, aan haar moeder Demeter (Ceres) ontroofd was, maar door
Jupiter weder in Jiet hemelsche licht van den Olympus op-
genomen werd. De kern van de Eleusinia was echter het
6 V, waarbij alleen de epopten tegenwoordig mochten
zijn, en dat onder medewerking van de priesters met de grootste
pracht gegeven werd. De lotgevallen van Persephone en hare

1) Ovid. Fast IV : 535.
3) StT-abo IX : 375.

3) Hot is bekend, dat keizer Nero zicli hierdoor liet afseliriklcen. (Suet. Ner.
C. XXXIV: „peregrinatione qnidem Graeeiae, Eleusiniis saeris, quorum initiatione
impii et seelerati Tooe praeeonis summoventur, interesse non ausus est."

4) Het is waarschijnlijk dat onder Mysten zijn te verstaan zij, die voor het eerst
kwamen, terwijl de Epopten reeds vroeger ingewijden zouden zijn. Zie Seneca,
Qpestt. Nat. VII: 31: «Eleusin servat quod ostendat revisentibus."

5) Volgens Rinek (in zijn straks aan te halen werk II, S. 362.) zou Paulus Eph.
VI ; 15 op dit gebruik gezinspeeld hebben.

-ocr page 65-

47

moeder werden daarin vertoond, verbonden met aanscliouwelyke
voorstellingen van het lot der afgescheiden zielen. Alle moge-
lijke tooneelmiddelen werden aangewend om den diepst moge-
lijken indruk te maken. De tempel werd in zwarte duisternis
gehuld, donders dreunden, bliksems flikkerden, metalen deuren
openden zich met ontzettend gekraak; weeklachten en angst-
kreten vervulden de lucht. Eindelijk veranderde alles in het
schitterendste licht, en het heerlijkste schouwspel vertoonde
zich aau de blikken der verbaasde toeschouwers. Onder het
klinken van de liefelijkste muziek, afgewisseld met ernstige
ehoren, werden de schoonste dansen uitgevoerd. In den hel-
dersteu lichtglans verschenen ondertusschen heilige-verschij-
ningen en de heelden der Goden. Na aldus de tegenstelling
van Tartarus en Elysium te hebhen aanschouwd, ontvingen de
Epopton de volkomen wijding, de
tzI.t-^. Hiermede was ech-
ter alles nog niet afgeloopen. Dit waren slechts de

of Nu volgdeu nOg de /ïyó/v.Jva iic« Tot; ö\'jOOJ//.^^»«,\'.

Wat hieronder verstaan moet worden, is moeielijk te bepalen.
Was dit gesproken woord een geestelijke verklaring van
het geziene, een godsdienstige toepassing, .een ont-
sluiering van de hoogste waarheden op religieus
gebied, of waren het slechts algemeene of ritueele voor-
schriften? Wij durven geen beslissend antwoord geven

1) Er is veel en lang over de Mysteriën gestreden. Volgens de oudere voorstel-
ling zouden zij een veel lioogeren en reineren godsdienst hebben geleerd, dan het
Polytheïsme van het volk. Sainte Croix.
{Recherches hist. et crit. sur
fes Mysfères d\'FAeusis.
 1784 en 1817) maar vooral G. V. Crcuzer was dit

gevoelen toegedaan. Zijn Symholih und Mythologie der (Men Yölker, besonders
der Griechen,
lo uitgave in 1810—12, in 4 Bd., 4e uitgave Leipzig 1837—44)
verwekte grooten tegenstand, eerst van den geleerden J. G.
V. Hermann {Briefe
über Homerus und Ilesiodus,
Heidelb. 1818 cn über das Wesen und die Behand-
lung der Mythologie).
Een groot contrast vormde deze humane gedachtenwisseling
met de vinnige polemiek van den bekenden
ouden Johau n H einrich \\ o sz
(t 1826 te Heidelberg) wiens
Antisymbolih in 1834—26 het licht zag. Volgens
•lit werk zonden de Mysteriën niets dan priesterbedrog zijn. In 1829 eindelijk verscheen
ket geleerde geschrift van Chr. A. Lob eek;
Aglaophamus s. de theologiae mysticae
Oraecorum causis
(II Th. Königsb. 1829). Het ontstaan der Mysterien wordt hier
verklaard uit de trouwens op zichzelf zeer waarschijnlijke hypothese, dat elke stam
en iedere staat oorspronkelijk zijn Sacra, vooral die van de stamgoden, voor vreem-
delingen verborgen hield. Be thcoriiin van Creuzer zijn ]ia iiet werk van I.obeck

-ocr page 66-

48

Dat onder al de uiterlijke ceremoniën en vormen — die wy
met opzet zóó uitvoerig vermeld hebben — iets hoogers en edelers
heeft gelegen, houden wij voor zeker. Dat het er echter te diep
onder lag, om door velen te worden opgemerkt, laat staan als
hoofdzaak te worden beschouwd, is, naar ons inzien, uit het boven-
staande duidelijk. Wat den inhoud van de bovengeschetste dra-
matische voorstelling betreft, gelooven wij recht te hebben, tot de
veronderstelling, dat die ook zonder toelichting een machtigen
indruk op menig gemoed kan gemaakt hebben. In menig hart kan
daardoor het verlangen naar het hemelsche licht der Godheid
zijn geplant, en zóó de overtuiging geboren zijn, dat de eenige
weg om het begeerde doel te kunnen bereiken is: zelfbeproe-
ving en loutering, waarvan een latere tijd
Ascese zalmaken.
Zóó werd in Griekenland, het land der bespiegeling, door
de Mysteriën het gemoedsleven aangekweekt en zóó werden tc
gelijkertijd de zaden voor latere Mystiek gestrooid.

Vóór dat wij van de vóórchristelijke periode afstappen, moeten
wij nog over ééne richting spreken, namelijk over die der Pytha-
goreërs. Evenals over de Mantiek en de Mysteriën zoo ligt
ook over den oorsprong en het wezen der Pythagoreische school
een ondoordringbare nevel. De stichter zelf is een geheim-
zinnige figuur, waarvan de historieschryver te vergeefs de
omtrekken tracht te bepalen. Wat Pythagoras inderdaad ge-
weest is, weteli wij niet; ons is slechts bekend, wat men later
van hem gemaakt heeft. Zijn biographic, door Porphyrins en
later door Jamblichus geschreven, is in letterlijken zin een
apotheose. Hij wordt voorgesteld als een zoon van Zeus, van
Apollo, van Hermes. Er waren die hem voor een incar-
natie van Apollo hielden. Als onbedriegelijk teeken van zijn
goddelijke afkomst had hij, dit wist men zeker, een gouden

door de nieesteii opgegeven. — Wij kunnen niet meer plaats voor dit onderwerp
missen en verwijzen derlialve voor verdere aiteenzetting naar de artikels
„Eleusinia"
en Mysteriën" van Preller in de HealencyUopädie der klassischen ÄUerthumstvis-
senschafi
van Pauly. Bd. III, S. 83 ff. cn Bd. V, S. 311 ff. _ Over de Eleusinia
handelt Lobeck,
Agl. Lib. I, pag. -t—228. — Zeer geprezen wordt liet werk van
Dr. W. P. Rinck:
die Religion der Hellenen, aus den Mythen, den Lehren der
Philosophen und dem Cultus entvjichelt rmd dargestellt.
Zürich 1853—54, Vitringa
t. i\\. p. pag. 133.

-ocr page 67-

49

Men verzekerde, dat hij een zóó duidelyk bewustzyn had
"^an zyn praeëxistentie, dat hy met onwederleghare bewijzen
kon aantoonen de Enphorbns geweest te zijn, dien Menelans
voor Troje doodde. Het viel hem in het geheel niet moeielijk
•^P denzelfden tijd op verschillende plaatsen tegenwoordig te
Hij hoorde de harmonie der sferen, die hemelsche muziek,
schoonste aller symphoniën enz.

Wij zullen den lezer niet langer vermoeien met al de zonder-
linge verhalen, die omtrent Pythagoras in omloop zyn gebracht.

it schijnt waar te zijn, dat hij door langdurige reizen zich
bekend heeft gemaakt met de godsdienstige theoriën van de
Pi\'iesters uit Aegypte en het verre Oosten. Van belang is
bet om in het oog te houden, dat hij niet uitsluitend philosooph
maar ook — en niet het minst — politicus was, die de
l^orische volksvrijheid tegenover de tyrannen wenschte te
bandha,ven. Mogen wij Jamblichus gelooven, dan moet de
invloed zijner vermaningen te Croton ontzaglijk groot geweest
^yn en daar een volslagen omkeer teweeggebracht hebben.

ryi .. ° ^^

1 zyn vertrouwdste aanhangers, de voornaamsten en edelsten
•Ier stad vormde hy den zoogenaamden Pythagoreischen bond,
®en afgesloten orde met eigenaardige inwijding en gebruiken,
^yn doel was reinheid, vroomheid en innige vriendschap onder
\'Ie leden te bevorderen, en gemeenschappelyk te werken voor
® handhaving van zedelijkheid en recht, van orde en har-
monie in den staat. Daar de Pythagoreërs hoe langer zoo
meer een staatkundige partij werden, zullen wij ze voor ons
doel veilig kunnen laten rusten

Hom. Iliad, xvn : 52—60.
Horod. H : 81.

Het is bekend hoe Pathagoïos viel als het slaehtolfer van een demoeratische
samenzwering te Croton. Met den dood des meesters, was het eehter-met de school
gedaan. De bond bleef steeds, hoewel in het geheim, voortduren en telde
e aanhangers. Van deze zijn ons uit later tijd bekend: de beroemde Archytas
van Tarente, de comediedichter Epicharmus, Ocellus, Timaeus, Lysis,
i\'ytus en anderen. Zooals men weet liet ook Plato zich, voornamelijk door
^imaeus, met groote weetgierigheid in de Pythagoreische leer inwijden, cf. Cic.
de
^P- 1:10, 16. — Aristoteles wijst er dan ook op, dat Pythagoras de grondlegger
y S®>veest der Platonische philosophie.
Uetaph. 1:6:7 en XII (XIII) 4:9.—
oornamelijk schijnt Plato de ideenleer, de theorie van de zielsverhuizing en het

4

-ocr page 68-

50

Wa-fc nu Pythagoras\' leer aangaat, het is zeer moeielijk daar-
over iets met zekerheid te zeggen. De vertrouwbare bronnen
zijn slechts zeer spaarzaam i) en het is onmogelijk de theoriën
des meesters van de voorstellingen der leerlingen te onder-
scheiden. Het spreekt van zelf, dat wij ons hier niet met de
Pythagoreische bespiegeling, met name met de getallenleer heb-
ben bezig te houden Alleen wat op het godsdienstige
gemoed betrekking heeft, is voor ons onderwerp belangrijk.
Het weinige, dat ons daarvan bekend is, vinde hier een plaats.

De Godheid werd waarschijnlyk door Pythagoras en zijn
oudste leerlingen gedacht als één met, of voornamelijk zetelende
in het centraalvuur, om hetwelk zich de aarde, zon en maan,
de overige planeten enz. in volkomen orde wentelen (harmonie
der sferen). De menschelijke ziel is een uitvloeisel van dat
centraalvuur, waardoor zij in voortdurende beweging, en als
zoodanig onvernietigbaar is. Het is hare bestemming weder
tot de Godheid terug te keeren. Dit lichaam is een kerker
(Ascese), maar zijn eenmaal de banden verbroken, dan neemt
de ziel een etherisch omhulsel aan, totdat zij weder op aarde
terugkeert, om een ander menschelijk of dierlijk lichaam te be-
wonen (Metempsychose). Eerst na van alle smetten gezuiverd

verlangen naar een idealenwereld aan den Samisehen wijsgeer ontleend te hebben.
Zie Vitringa t. a. p. 154. — Zie over Pj\'thagoras, behalve de Handboeken van
Scholten en Sehwegler, Ritter,
Geschichte der Pyth. Fhilosophie, Hamb. 1826.

1) Pythagoras heeft zelf geen geschriften nagelaten. De onder zijn naam bekende
„Gulden Spreuken" zijn vermoedelijk door de latere Pythagoreërs opgesteld, cn
bevatten den korten inhoud van het exoterisch onderwijs des meesters. De belang-
rijkste bron zijn de fragmenten van zijn grootsten leerling Philolaus, den tijd-
genoot van Socrates, en in de tweede plaats de mededeelingen van Aristoteles.

2) Wij merken dienaangaande alleen op dat de ge t all en -1 h eo ri e door Aris-
toteles nergens aan Pythagoras, maar aan de
Fythagoreërs in het algemeen
wordt toegeschreven. Zie A. Sehwegler:
Geschichte der Fhilos., Stutt. 1868, S. 10.

3) Wij kuipien hier nooit met zekerheid spreken. Men kan trachten uit de
verstrooide berichten een systeem op te bouwen, maar verlieze niet uit het oog, dat
Pythagoras zelf naar alle waarschijnlijkheid nooit een bepaald stelsel gehad heeft.
Plato rangschikt hem.
Fep. p. 600 B, onder de mannen der praktijk, die, even
als Homerus
aanvoerders der beschaving zijn geweest, en den vjeg des levens hebben
aangewezen,
(ó<?óv____ itoLpiSonm ßCm.) Aristoteles spreekt dan ook meestal uit-
sluitend van
oi xccXovf/svoc UuB-ayópetoc en Diog. schrijft VIII : 15 : „Méxp\'. Sk ^tXolciou
oix r,v Ti yv&vca Uv^xyópsm Soy/ia."
Zie Scholten, Geschiedenis der Godsdienst en
Wijsbegeerte,
bl. 74.

-ocr page 69-

51

zijn, kan zy haar doel: den terugkeer in haar hoogen oor-
spvong, hereiken. De betrekking tusschen de Godheid en den
mensch wordt als een zeer levendige voorgesteld. Zy wordt
door de geestenwereld, die evenzeer in een staat van voortdu-
rende ontwikkeling verkeert, onderhouden. De eenige weg
Waarlangs de mensch de Godheid kan naderen is die der vol-
komen
ov er eenstemming met het goddelijke, door reini-
ging tl an het gemoed.
Hierin ligt het eigenaardige der
Pythagoreische philosophie; hierdoor onderscheidde zij zich van
•ie leeringen der overige wijsgeeren, die, zooals vdj zagen, de
hoogste bestemming van den mensch in de verstandelijke ont-
wikkeling, in de bespiegeling meenden te hebben gevonden.

Zeker hebben wij geen recht, om op grond van het boven-
staande te beweren, dat wij hier zuivere Mystiek gevonden
hebben. Immers de Pythagoreërs waren ook politici, en gaven
Zich niet onverdeeld aan de contemplatie over. Toch zullen
wy niet nader behoeven aan te toonen, dat hier verscheidene
bepaald mystische elementen aanwezig zijn.

Ziedaar wat er in de Grieksche wereld in het vóórchristelyk
tijdperk van Mystiek te vinden is. Was de oogst schraal, dit
liet zich verwachten bij zulk eene op het uiterlyke gerichte
i^atie, en bij zulke uitsluitend speculatieve wijsgeeren. Toch
vonden wij zaden van godsdienstig en zedelijk gevoel, waarvan
het zich verwachten laat, dat zij, onder betere omstandighe-
<len, ontkiemen en, door het licht van het Christendom be-
schenen en verwarmd, heerlijk opschieten zullen. Ook dan weêr
zal de echte Mystiek het noodzakelijke, tijdelijke doorgangs-
punt zijn van het godsdienstig gevoel tot de ware vroomheid
des harten.

Intusschen kan de vraag bij sommige lezers gerezen\' zijn:
waarom in een werk als dit zoolang wordt stil gestaan bij de
oude philosophie, bij Mantiek, Mysteriën en Pythagoreërs, in-
dien van deze onderwerpen toch niet veel meer kan worden
lïieégedeeld dan in de vorige bladzijden vermeld is. Ons ant-

4*

-ocr page 70-

52

woord is, dat wij er een tweeledig doel mede kebben gebad.
Ten eerste om aan te toonen, boe bet komt dat de vóórchris-
telijke wereld zóó arm aan zedelijk en godsdienstig gevoel is
geweest; m. a. w. waarom de Mystiek zich eerst zoo laat in
de oude wereld vertoont; ten tweede om het feit eenigszins
te kunnen verklaren, dat later in die zelfde wereld de waar-
achtige godsdienst, maar tegelijk met dezen de Mystiek zoo
diep wortel geschoten, en zich wijd en zijd, naar alle kanten
verspreid heeft.

Zeker zouden wij echter in de verklaring van dit laatste te
kort schieten, indien wij niet nog op een factor hadden te
wyzen, die, uit den aard der zaak, tot nog toe door ons onbe-
sproken is gebleven. Wij bedoelen wat men zeer eigenaardig,
in aansluiting aan het Bijbelsch spraakgebruik pleegt te
noemen »de volheid der tijden."

Er zijn tijdperken in de geschiedenis van den menschelijken
geest, welke den historiegraaf, die van niets dan de wet der
causaliteit wil weten, in de hoogste verlegenheid brengen, en
die, zonder hoogere pragmatiek wel immer onverklaarbaar
zullen blijven. Zulke tijdperken zyn de groote keerpunten in
de geschiedenis der menschheid. Het is alsof de geest eens-
klaps schijnt te begrijpen, dat hij, in zyn streven naar geluk,
naar licht, naar waarheid, naar zaligheid, den verkeerden weg
heeft ingeslagen. De menschheid staart, als uit den slaap
wakker geschud, verbijsterd rond. »Waarheen, waarheen?"
is de vraag, door een ieder uitgesproken en door een ieder
gehoord. Dan maakt een wonderbare drang zich meester van
de
harten der menschen. Men gevoelt, dat het ergens anders
heengaat, dan men tot nog toe heeft vermoed.

Het valt niet moeielijk zulke tijdstippen aan te wijzen. Wie
denkt hier niet dadelijk: aan de nadering der twaalfde eeuw,
toen, na een eeuw van de ruwste • barbaarschheid, van het
grofste ongeloof, van de walgelykste onzedelijkheid de geest-

1) Vgl. Mare. 1 : 15.

-ocr page 71-

53

drift voor geloof en waarlieid ontwaakte, en, by gebrek aan
verstandelijke leiding, in gloeienden yver, het zwaard greep,
Offl in het Oosten de vermeende vijanden van den Heer te ver-
nielen ; — aan het slot van de vijftiende eeuw, toen, nadat
ti\'aagheid en niterlykheid op nieuw den godsdienst hadden
verlamd en bezwaard, in duizende gemoederen het verlangen
naar iets beters begon te leven, een verlangen, dat door den
stouten Martinus Luther, die groote heldenfiguur, het eerst zóó
ten volle werd uitgesproken, dat honderden en duizenden uit-
riepen: ja dat, dat is het, wat wij gevoelden, zonder dat wij
het konden zeggen; — aan de veelbewogen laatste helft der
fichttiende eeuw, waarin zich het gevoel van eigenwaarde van
het individu machtig begon te verheffen, en eindelijk niet
aarzelde zich in stroomen oloeds recht te verschaffen.

Maar vooral de eerste eeuw onzer jaartelling was zulk een tijd
\'^P godsdienstig gebied. De oude wereld ging geestelijk haar
ondergang te genioet. Het ij dele en onbeduidende der nationale
godsdiensten was hoe langer zoo
meer aan den dag gekomen.
Door alle ernstigen en verstandigen verlaten, sleepten zy nog
een kommerlijk bestaan voort. Het was barre wintertijd op
den akker des geestes. Aan den boom der Grieksche philo-
sophie groende geen enkel blaadje meer. Zij was geheel ont-
^ard in een alles aanvallende dialectiek en in een absoluut
scepticisme. Voor zoekende hoofden was er geen licht, om
ot de Waarheid te komen, voor liefdevolle harten geen begaan-
baar pad om te naderen tot de Godheid. Maar tegelijk met
ie eerste morgenrood van de groote zon, van het licht der
Wereld, begon er leven te komen in de schijndoode geestes-
natuur. Als door een wonderbare beroering gewekt, verhief
55ich het vroeger zoozeer terug gedrongen gevoel; niet bij enkelen,
naaar bij honderden en duizenden. Velen begrepen, dat het
oude was voorbij gegaan, en zagen, gevoelende dat het nieuwe
^ men zou, niet de grootste spanning de toekomst te genioet.

vraag: wat zal er van ons worden? wat doende zullen wij
^iig worden? zweefde op de lippen van bijna ieder ernstig man.

n, als door een geheimzinnig voorgevoel gedreven, hield het
geheele Westen, vol verwachting den blik op het Oosten geslagen,
a s de zonnebloem op de zonne. Vandaar zou het heil komen,

-ocr page 72-

54

{ en cIhii zoü de gouden eeuw weêr aanbreken voor bet nienscbe-

i lyk geslacht. Al wat maar een eenigszins positief karakter

droeg, kon, als bet maar uit bet Oosten kwam, op een goede
ontvangst rekenen. Zóó vonden allerlei womlerlijke tbeoso-
pbiscbe stelsels den weg naar Griekenland en het op Griek-
, sehen kost teerende Rome. Daar werden zij met de bestaande

begrippen dooreen gehaspeld tot het zonderlingste syncretisme,
t dat zich denken laat. Ook de Pytharogeërs kwamen weêr voor

den dag; zij behoefden zich niet meer te verbergen, en, bij
het verschijnen der nieuwe theoriën, hun veel geringere kennis
: niet langer geheim te houden. Met kracht legden zij zich op de

oostersche stelsels toe, om later te beweren, dat hun »godde-
lyke" meester, dat alles reeds lang had geweten en geleerd.
Met nieuwe kennis toegerust, vonden zij meer dan ooit in de
1 getallenleer een bron van de meest verborgen wijsheid. Zóó

\\ ontstond de zoogenaamde N eo-Pythagoreïsehe school.

\' Haar belangrijkste vertegenwoordigers waren de veel besproken

Apollonius van ïyanal), Moderatus van Gadeira, Theon
van Smyrna, Alcinous, Nicomachus uit Garasa, bij wien de
getallenleer tot haar diepzinnigste ontwikkeling kwam en
eindelijk Apuleius van Madaura.
j\' Het kenmerkende van deze nieuwe school is het Dualisme

van geest en stoi^ van den hoogsten God en de booze materie.
^ De mensch moet zich geheel van het zinnelijke losmaken, wil

hij eenmaal met de Godheid vereenigd worden. iNatuurlijk
moest dit leiden tot strenge Ascese, tot dooding des lichaams.
i De bovengenoemde Apuleius, tijdgenoot van keizer Hadrianus,

wist deze theoriën in een uiterst bevallig kleed te hullen

1) Zie over dezen wonderdoener (?) — tnssclien wien eu Christus vaak parallelen
zijn. getrokken (het eerst door Hierooles, den bekenden stadhouder van Bithynie) —
het grondige werk van T. Chr. Baur:
Apollonius o. Thyana imA Christus oder das
Nerhältnisz des Fythagoreismus xtmi Christenthum,
Tubing. 1883.

3) Zijn kp&iJ.YiTi-Ar, sirrayajr, is later door Janiblichus verklaard. Vau zijn äpä/y.
äsohyoii/ism zijn nog slechts fragmenten over in Pliotius\' Fièl.

3) In zijn hoofdwerk: Metamorphoseon s. de asuto aureo (aureus liher schildert
hij een zekeren Lucius, die in zinnelijkheid en zonde ondergegaan, in een ezel ver-
anderd wordt, en in deze gedaante de wonderlijkste avonturen heeft, maar, eindelijk
door de Mysteriën gelouterd, weder zijn oorspronkelijke gestalte terug krijgt.

Het doel van dit werk is de droge Pyth. leer door eeu vermakelijken vorm

-ocr page 73-

Sterker geprononceerd dan by de Pythagoreërs en veel meer
tot een bepaald wetenschappelijk systeem uitgewerkt, zou zich
de nieuwe mystische richting vertoonen by de zoogenaamde
Neoplafconici. Van Alexandrië uit, waar hare stichters
Numenius en Potamon, maar vooral Ammonius (de Christelijke
apostaat f 241), leerden, verbreidde zich de school in het
midden der derde eeuw weldra over de geheele beschaafde
wereld. Haar voornaamste vertegenwoordigers zijn Plotinus
uit Lycopolis in Aegypte (geb. 205, gest. 270), de spoedig door
dezen gewonnen Porphyr ins (eig. Malchus pn, uit ïyrus
t 305), Jamblichus f c. 333 en Proclus f 405. In de
Academie te Athene kreeg zy een vasten leerstoel. Plotinus
en Porphyrius werkten v-oornamelijk in Rome.

Om den grooten en blij venden invloed, dien de Neoplatonici
op de speculatieve Mystiek van de latere Christenheid hebben
gehad, moeten wij de aandacht onzer lezers op dit punt voorna-
uielyk bij hen bepalen. Laat ons derhalve, altijd weêr in korte
trekken, maar zoo grondig als dit iu onze macht staat, aantoonen,
wat door de Neoplatonici geleerd werd aangaande: Theologie
en Cosmologie, Anthropologie en Soteriologie.

Het eigenaardige der Neoplatonische philosophie ligt in hare
aan de gnostische systemen ontleende emanatie-theorie
eu de poging om het dualisme te overwinnen, door de Pla-
tonische voorstelling, aangaande het niet zijn der materie,
weder op te nemen. Terwijl men verder de oude ideën-
leer, ofschoon in gewijzigde vormen, de wereldziel enz. over-
nam , meende men tevens de leer van den hoogvereerden

ingang te doen vinden bij de menigte. Het boek is rijk aan interessante episoden,
t le door Apiileius uit oudere verbalen en dichtstukken zijn geput. De schoonste is
zeker wel die van Amor en Psyche
{Metam. Liber. IV—VI. De zin van deze
heerlijke mythe, die een Thorwaldsen in verrukking den beitel deed grijpen, is
dat de
G-odzoekende ziel menige harde beproeving en pijnlijke loutering moet onder-
gaan, om eindelijk ofschoon, nog altijd zwak, door de Godheid uit genade opgenomen,
en met deze ten innigste vereenigd te worden. Wij kunnen hier niet in een uit-
eenzetting van liet suhoonc verhaal treden. Wie het kennen wil kan het t. a. p.
•inden. Wie een kort overzicht er van verlangt, verwijzen wij o.a. naar de klas-
sische Woordenboeken en Encyclopaediën, maar vooral naar het uittreksel van
itringa, die cr eea duister voorgevoel van de christelijke Agape (?) in meent te
ontdekken. Zie zijn
IFas de liefde enz., p. 292—311.

-ocr page 74-

56

Plato te hebben hersteld Het wezen der Godheid, boven
alle denken en beschrijven verheven, wordt voorgesteld, als de
oorsprong van al wat bestaat. God is niet dit of dat, heeft
geen bepaling, maar is het boven alle bepaling, boven alle
eigenschappen verhevene. Als zoodanig is het hoogste wezen
ook geen persoonlijkheid, maar het eene (
tö sv) het zijn ( è\'v)
het onbegrensde ( ansipov). »Gelijk nu het vuur warmte, de
sneeuw koude uitstraalt, — gelijk elk organisch wezen, zoodra
het tot volkomen ontwikkeling is gekomen, zijns gelijken voort-
brengt", zóó, zegt Plotinus, »brengt nu het volmaakste en het
in zich zelven eeuwige, in deu overvloed zijner volkomenheid,
datgeen uit zich zelven voort, wat evenzeer eeuwig en goed is,
namelijk de wereldrede (voïis= ideënwereld), het afgedrukte
beeld der Godheid. Door deze rede-uitstraling heeft echter het
oorspronkelijke niets verloren, evenals geurige kruiden niets
afnemen, al rieken zij immer. Uit deze wereldrede vloeit, terwijl
zij evenmin daardoor eenige verandering ondergaat, eeuwig de
wereldziel uit, zelf weder het beeld der wereldrede. De wereld-
ziel vormt nu uit de vormlooze materie, de negatie (
Sv) de
zichtbare wereld, en drukt in deze op hare beurt haar beeld
af®). Het best zijn deze emanatiën te vergelijken bij de krin-
gen, die door een in het water geworpen steen ontstaan. De
nauwste kring veroorzaakt dan een wyderen, en deze weder
een wijderen enz. Hoe grooter nu die cirkels worden, hoe
zwakker en flauwer ze tevens worden, totdat zij zich in een
onmerkbare rimpeling van den waterspiegel verliezen. Evenzoo
is het met de Emanatie; hoe verder van het middelpunt verwij-
derd, hoe krachteloozer. Daar de Emanatie een eeuwige is, zoo
valt de schepping met de onderhouding en de voorzienigheid
samen.

Hetzelfde emanatieproces heeft ook in de menschelijke ziel
plaats gehad. De goddelyke voSs, die in den mensch is.

1) Zie over de leer der emanatie: A. J. Vitringa, de limanatieleer en haar invloed
op het Christendom.
Arntem 1867.

3) Plot. Enn. V, Lüd. 11, C. 1. — Plot. doet al zijn best de schoonheid van
de wereld — als het afdruksel van de gelijkenis van het beeld der Godheid — te
verdedigen tegen de Gnostiken, die haar verachten en als door den Demiurg gescha-
pen voorstellen.

-ocr page 75-

57

smenscljen hoogste beginsel is uitgevloeid, evenals de
Wereld voO; zelf. Eerst is uit hem een zielewezen uitgevloeid,
l^it is op zijn beurt de schepper van onze zichtbare verschij-
ning geworden. Deze laatste bestaat uit een afschijnsel der
Ziel en het stoffelyke uit de materie gevormde lichaam. Zoo
is dus de mensch een m i c r o c o s ni o s.

De nienschelijke zielen behoorden oorspronkelijk tot den hoog-
sten kring — den
xoi/zo^ vovjtós. Zij zijn echter gevallen door
de begeerte, om door zich zeiven te willen bestaan. Zóó zijn
21] in de

materie gezonken. Toch is \'s menschen hoogste be-
ginsel, de goddelijke voïii, niet door de verdorvenheid van zijn
lager wezen aangetast, \'t Is, zegt Plotinus, i) alsof iemand
alleen met de voeten in \'t water staat, maar met het overige
gedeelte van zijn lichaam er ver boven uitsteekt. De mensch
IS als een radius, die al de emanatiecirkels doorsnijdt, en het
middelpunt bereikt. Hij is »als een zonnestraal van boven, die
tegelijk in den hemel en op aarde is." Onze rede is daarboven
een burgeres van de gedachtenwereld Gods: zij blijft rein en
onveranderlijk. — Als noodzakelijk uitvloeisel van de Godheid
IS de geheele wereld aan onverbrekelyke wetten gebonden. By
den mensch echter bestaat, als individueel emaneerend, vrijheid.

Hij

kan deze vrijheid evenwel verliezen, wanneer hij zóó diep
^inkt, dat alle betrekking met zijn hooger wezen verbroken
Wordt. Dan wordt hij evenals het dier aan de wet der nood-
zakelijkheid gebonden.

In al Wat aldus uit de Godheid gevloeid is, leeft een sterke
drang, een onuitsprekelijk verlangen om weder tot zijn oor-
sprong terug te keeren. Inzonderheid geldt dit van den mensch.
I^e bewustheid, dat hij aan die begeerte kan voldoen, doet
®ni des te vuriger verlangen. Om tot den gewenschten terug-
l^eei {sni^rpof/,) te komen, moeten eerst de vier bekende deugden
(^apolitische" noeit Plotinus ze), betracht worden. Wie
echter op dit standpunt van burgerlijke volmaaktheid blijft
^taan, komt niet verder: na zijn dood wordt hij weêr op
nieuw mensch 3). Wat men verder voor de iirt^zpofh noodig

1) VI: Lib. VIII : 9.

2) Ä«. in, Lib. IV : 2.

-ocr page 76-

58

heeft, is: inkeer en in zich zelven d. w. z. in zijn met
de Godheid verkeerend hoogste deel. Daartoe moet zich de
mensch uit zijn lager deel (het lichaam) terug trekken.
Moest de mensch niet noodzakelijk het hem door God voorge-
schreven proces volgen, dan zou de zelfmoord hier het heste
middel zijn. Nu echter moet hij door de strengste ascese
de. zinnelijkheid geheel dooden, ten einde zich zóó van de
materie onafhankeiyk te maken. Dan kan de ziel weêr op-
stijgen naar de ideënwereld, het afgedrukte beeld van het
oorspronkelijk goede en schoone, waar zij vroeger met haar
geheele wezen was. Wanneer zij zich
nu in zich zelven ver-
diept, kan zij door deze contemplatie (s-Eapta) thans onmid-
dellijk tot het absolute komen, iets wat nooit door dialec-
tische redeneeringen had kunnen geschieden. De ware kennis
toch is, volgens Plotinus, die, waarbij alle onderscheid tnsschen
het subject en het object wegvalt, waar de kenner en die ge-
kend wordt, één zijn; het is dus een staren van de rede in zich
zelve. Doch ook deze kennis is nog slechts middel, geen doel:
middel om te komen tot het hoogste wat mogelijk is, de terug-
vloeiing
uit de ideënwereld in den hoogsten oorsprong, de on-
middellijke vereeniging met de Godheid zelve. In dezen toe-
stand geniet de ziel de hoogste zaligheid; zij veracht hier zelfs
het vroeger zoo hoog gestelde reine denken, omdat ook daarbij
nog altijd een onderscheid tusschen subject en object nood-
zakelijk is. Zij verliest zich geheel en zinkt bewusteloos weg
in de beschouwing van het ééne, het oneindige Deze heer-

1) Enn. VI, Lib. IX : 4.

2) Cf. Plot. Enn. IV, Lib. IV : 2, Lib. VIII ; 1. — Enn. V, Lib. VIII : 10 en
elders. Zie verder over bet Neoplatonisme: Zeiler:
die Philosophie der Griechen.
Th. III. Het artikel „Plotinus" von Steinhart in de Real-EncyUopaedie der klas-
sischen Älterthums Wissenschaft
von Paul}\', Stuttg. 1848, Ed. 5 en dat van Vogt
in de
Beal-Encykl. v. Herzog. A. Schwegler, Geschichte der Philosophie, Stuttg.
1868, S. 120 ff. J. H. Scholten,
Gesch. der Godsd. en Wijsbeg., p. 133—135. —
Vitringa:
Was de christelijke liefde enz. bl. 204 vgg. — Wuttke, Ilandb. der Chr.
Sittenlehre,
1864, Th. S. 112 ö\'.

Behalve al deze geleerde werken leze men tot een duidelijk begrip van het
Neoplatonisme vooral den uitstekenden Eoman van Charles Kingslej\':
Hypatia, or new
foes with an old face.
Nergens, voor zoover ik Aveet, is de tegenstelling tusschen
het ijskoude marmersehoon der Grieksche wijsbegeerte met de levende, bezielende
schoonheid van het ware Christendom aanschouwelijker voorgesteld dan in dit werk.

-ocr page 77-

59

lijke toestand

leeft, niet volkomen bereikbaar. Slechts in de oogenblikken
der Ecstase kan hij daartoe komen. Geduldig moet hij deze
verrukkingen verbeiden, in de grootst mogelijke eenswillend-
heid met de Godheid. Wij moeten afwachten »zooals betoog
den opgang der zon afwacht, dan zal het heerlijke licht ons
bestralen, gelijk de zon, aan de kimmen verryzende, en zooals
de dichters zeggen, uit de zee zich verheffende, zich aan het

oog vertoont" i).

is voor den menscii, zoolang

groote omtrekken het stelsel der Neoplatonici,
^ wil zeggen van den grootste onder hen, den genialen
•■lotnius. Het speculatieve systeem van den meester werd door
forphyr lug gepopulariseerd en tot een vernieuwiug van
en polytheïstischen cultus aangewend 2). De latere Neopla-
tonici weken hoe langer zoo meer af; bij hen gaat de leer
jammerlijk ten gronde. Bij Jamblichus blijkt dit reeds
e^yk. De door Plotinus voorgeschreven weg om tot de
eid te naderen, was in het oog van zijn latere volgelingen
e lang, te ernstig, te moeielijk. Immers de strengste plichts-
acliting, de hardste ascese was nog maar de aanvang. En
wat hielp dat dan nog ? Had niet de groote meester, door harde
ascese zijn lichaam geheel verwoest, zoodat hij op zijn ouden
ag door namelooze pijnen gekweld werd, en toch in zijn ge-
heele leven slechts zes malen de Godheid had aanschouwd, terwijl
^ geluk aan Porphyrius maar een enkelen maal was te beurt

1) Hot. Hnn. V, Lib. V : 8.
^^ 2) Hij begon een langdurige polemiek tegen liet Christendom, waarvan echter
han"™^"^ ^^^ verdediging door Eusebius iets is overgebleven. Als een tegen-

i\'.ien^^^d\'^\'^^ ^ liij t^® heidenen Homerus gebruikt

zijn\'t^ verklaring meende nuttig tc kunnen maken. In

Xill ^ S®^ ®en proeve van zoodanige interpretatie van Ochjss.

■, Volgens het vermoeden van Kiessling zou hij met hetzelfde doel

\'\'•Un biographic van Pythagoras getracht hebben een ideaalbeeld van vroomheid
^vijsheid te leveren.

lii] hier op aarde

-ocr page 78-

60

gevallen? Men begon op middelen te zinnen, om op gemak-
kelijker wijze tot de eestase te geraken. Allerlei gekeime
krachten werden beproefd. Men slaagde er vrij spoedig in ziek
tot ecstastiscke en visionaire toestanden te verkeffen, door een-
voudig in een liggende kouding, onafgebroken naar boven te
staren (biologie). Er ontstond eene bepaalde leer, wier
inhoud was: aanwijzing hoe men op de Godheid kan werken
{^sovpyicc.) Het krasse Pantheïsme maakte de theurgie natuurlijk
al zeer vroeg tot Magie: — tooverij, waarbij enkel kennis van
gekeime formules, maar volstrekt geen ascetisckgods-
dienstige kartstocht (Mystiek) noodig was. Te vergeefs
tracktte de geleerde Pro dus, de Scholasticus van het Neoplato-
nisme, de wetenschappelijke eer van het stelsel op te houden
Nog geruimen tijd hield het zich, verbasterd, en verontreinigd
als het was, staande tot het eindelijk den doodsteek ontving
door het edict van Justinianus van 529, waarbij de philosopben-
school te Athene werd opgeheven.

Zóó ging dan het Neoplatonisme in de practijk onder, omdat
het moest ondergaan. Het moest ondergaan, omdat het zich
met alle macht vastklampte aan de uitgeleefde Grieksche wereld-
beschouwing, — met welke het in zijn oorspronkelijken ernst
ten eenemale onvereenigbaar was. Niet bij machte de oude
wereld te hervormen, accommodeerde het zich naar de rich-
ting des tijds, en toen het aldus van halve waarheid geheele
leugen was geworden, moest het verdwynen. Het betere deel
echter, de theoriën door Plotinus gegeven, en door Proclus
gehandhaafd en op zijne wijze uitgewerkt, zoü niet verlo-
ren gaan. Het was bestemd om, in anderen grond overge-
bracht, op nieuw te ontkiemen. Wij zuilen straks zien, hoe
dat geschiedde.

1) Zie zulk een toestand geteekend in Kingsley\'s Hy^Mtia, Vol. II, Gh.. XXV.

2) Hij classifieeerde de uit liet grondwezen vloeiende emanatiën in drie Triaden
van Goden, demonen en menschen, van welke de lagere alleen door de onmiddellijk
hooger staande aan het groote geheel deel neemt.
Flat. Theol. § 147 en 148 en
zijn
Comment. in Alcibiad. I. — Cf. Bitter, Qesch. der FJdl. IV, S. 679.

-ocr page 79-

61

Tot nog toe hebben wij alleen gelet op de ontwaking der
Mystiek ten gevolge van de opwekking van het gemoedsleven,
die gelijktydig met de optreding van Jezus plaats vond. Wy
zullen thans den invloed nagaan, dien het Christendom zelf op
den ontwikkelingsgang der Mystiek heeft uitgeoefend. De
Christelyke leer met haar diep zondegevoel i) en hare troost-
volle verzoeningsleer moest noodzakelijk een bij uitstek vrucht-
bare bodem voor de Mystiek worden. Immers hoe dieper door
bet nederdrukkend schuldbesef de verwijdering van God gevoeld
Wordt, des te vuriger moet er naar verlossing en hereeniging

worden uitgezien. De verzekerdheid, dat de begeerde verzoe-
ning

in Christus inderdaad tot stand gekomen is, en dat het
bekeeringswerk door den H. Geest wordt voortgezet, hergeeft
^^n het dankbare gemoed de krachten, en, gelijk een sterk
neergedrukte veer, die losgelaten wordt, opspringt met kracht,
richt de begenadigde zondaar zich naar de Godheid. —
Het vurige streven naar den Allerhoogste is het punt, waarin
Christendom en Mystiek elkaar raken. Het Christendom is
echter
daarom de* volmaakte godsdienst, omdat daarin de
Mystische en de redelijke elementen juist tegen elkaar opwe-
gen; omdat daarin het in zich zeiven keeren door het
^iten zich zeiven treden ten nutte van anderen
wordt gecompenseerd. Zóó deelt de Christelijke leer aan man-
uien van het verstand een warmte van het godsdienstig gevoel
die in haar eersten gloed Mystiek kan genoemd worden.
Paulus, die, neergezeten aan de voeten van Gamaliel,
gretig de wysgeerige theorien der Schriftgeleerden in zich had
•opgenomen, krijgt, nadat het licht van Jezus voor hem was
opgegaan, zijn visioenen en ecstasen die weder verdwynen,
^^ar alleen om voor den blijvenden gloed der innigste over-
tuiging plaats te maken. De Mystische schrijver van
et vierde Evangelie daarentegen werd door Jezus\' leer
° bezadigdheid gebracht, en door den geest der zelfverlooche-
nende en dienende liefde, die daarin steeds de grondtoon is,
ewaard voor een zich van de wereld afzonderend, tot egoïsme

1) Zie Matth. V : 21. 22 en 27, 28.
II
Cor. XII: 1—4. _ Sandel. XVI: 9 ; XVIII: 9 ; XX : 23 ; XXII: 17; XXIII: 11.

-ocr page 80-

62

en zelfvergoding leidende Mystiek. AI . behield hij dan ook
zijn\' mystische voorstellingswijze en vroeger spraakgebruik,
waaruit met geringe moeite een stelsel van Mystiek kan wor-
den opgemaakt, toch was hij geen Mysticus meer. Voor hem
was de Mystiek het doorgangspunt geweest tot het hoogere
standpunt vau den innigen godsdienst des harten. Evenals te
allen tijde zoo waren er echter ook in de eerste eeuw onzer
jaartelling niet weinigen, die in plaats van zich verder gods-
dienstig te volmaken, bleven staan op het standpunt der
Mystiek, meenende het reeds »gegrepen" te hebben. Dit zijn
de eigenlijke Mystici en met de zoodanigen hebben wij hier
te doen.

De Mystiek in dezen zin, vertoonde zich eerst langzamerhand
in de Christelijke kerk. Zij bepaalde zich aanvankelijk tot
geïsoleerde verschijnselen als glossolalie, prophetie en derge-
lijken. Van haar
practische zyde openbaarde zich de Mystiek
het duidelijkst bij de Montanisten. Het Montanisme bekom-
mert zich niet om Dogmatiek; het neemt gewillig aan wat, in
dit opzicht, door de Kerk wordt aangeboden. Het doel, dat
het zich stelt is: zedelijke verbetering langs den weg van strenge
ascese. Het grondt hierbij zijn eischen op onmiddellijke open-
baringen van den goddelijken geest, in ecstasische toestanden
ontvangen. — De theoretische Mystiek vertoonde zich by de
Gnostieken en Manichaeën, wier oostersche dualistische
theoriën door de Neoplatonici met Platonische philosophemen
werden samengesmolten.

In de kerk vertoonden zich nog slechts sporen van Mystiek
Zóó bij Alexander Clemens, maar voornamelijk bij
Origenes. Het is bekend, hoe vooral de laatstgenoemde
in strenge Ascese levende, leerde dat de mensch zich zooveel
mogelijk van het lichaam onafhankelijk moest maken, om met
alle kracht te streven naar de geheimvolle vereeniging met
den Logos en met God. De bezadigde wijze echter, waarop hij
over deze ünio Mystica spreekt, het diepe ontzag voor Gods
Majesteit, waarvan hij vervuld is, de hooge waarde door hem

1) Hermas was volstrekt geen Mysticus. Hij was Moralist. Ziju visioenen zijn
niets anders dan
gelijkenissen.

-ocr page 81-

63

9\'aii de mensclielijke rede toegekend, en de hiermede in verband
staande voorstelling van bet summum bonum verbieden
hem een Mysticus te noemen.

Intusscben was in Aegypte, bet moederland der ascese, bet
monnikenwezen opgetreden. Door de eigenaardig speculatieve
neiging der oosterscbe natuur kwam in de Aegyptiscbe kloosters
de vereeniging van de monniken-ascese met de kerkelijke Dog-
^^atiek en de Christelijke Gnosis tot stand. Hier begint eigen-
lijk eerst de Christelijke Mystiek. Als haar voornaamsten
vertegenwoordiger in dezen tijd noemen wij Macarius. Alle
elementen van Mystiek zijn hier aanwezig, doch van een bepaalde
Wchting is hij hem nog geen sprake. »Alle Töne der mystischen
keier sind auf seiner Seele angeschlagen und klingen harmonisch
zusammen, aber eine bestimmte Melodie ist kaum darin wahr-
zuaeknien" zegt Erbkam te reckt i). In gloeiende taal schildert
Macarius de zaligheid der eestase in liefelijke woorden drukt
Mi zijn teeder en innig verlangen naar onmiddellijke liefdes-
gemeensckap met den kemelscken bruidegom uit Doch ook

A. a. O., S. 119. Cf. Staudlin, Gesch. d. Sittenlehre Jesu, Bd. III, S. 296 ff.
2)
De Caritate, C. 15. „Haasten wij ons den geestelijken en Goddelijken wijn
® drinken, en dronken te worden met een nuchtere dronkenschap, opdat evenals
die van wijn verzadigd zijn, spraakzamer worden, zóó ook wij, geheel vervuld met
dezen geestelijken .wijn, de geheimenissen G-ods verkondigen." — De verschillende
ormen der zaligheid, welke de ziel in de onmiddellijke vereeniging met God
^aderviadt, beschrijft hij geheel op dezelfde wijze als Ruysbroeck, Ibid. C. 6. —
^ ® verlichting, die de ziel in de Eestase ontvangt, wordt scherp onderscheiden van
® natuurlijke kennis van het menschelijk verstand: zij is „de zekere en bestendige
instraling van het hypostatische, goddelijke licht in de ziel.
Be lihert. ment. c. 23.
Zie
O. a. zijn tweede homilie. Daar echter zijn werken niet in ieders handen
zullen wij hier de plaats opnemen. Om echter niet te veel Grieksch te laten
•liukken, hebben wij ons de moeite getroost het grootste deel van genoemde homilie

te vertalen.

"De zielen die waarlijk God liefhebben, die Christus in geloof en hoop be-
geeren aan te doen, hebben de aansporing van andere dingen niet noodig, zelfs niet
® verlangen naar den hemel, of de liefde tot den Heer, waarin zij zelfs het afnemen
op zekere hoogte geduldig dragen: maar inw;;endig geheel aan het kruis van
IS lis genageld, gevoelen en kennen zij dagelijks de geestelijke nadering tot den
in bruidegom. En daar zij door een hemelsch verlangen gewond zijn, en
geren naar de gerechtigheid [der deugden], streven zij met onverzadelijke begeerte
naar de verlichting van den H. Geest." — „De ziel, die waarlijk God en Christus
1® heeft, is, ook wanneer zij nog zooveel w;erken van gerechtigheid heeft gedaan,
eigen oog toch altijd nog zóó alsof zij niets gedaan heeft, vanwege het niet te

hon;

-ocr page 82-

64

op de practijk richt hij het oog. Ootmoed, onthouding en
gelatenheid zijn de deugden, die hij vooral aanbeveelt, terwijl
hij een bijzonderen nadruk legt op de navolging van Christus.
Zoo vinden wij drie hoofdpunten van Mystiek, die hij, zooals
wij later zullen zien, met Ruysbroeck, Suso en Tauler gemeen
heeft. Toch spreekt hij bij dat alles met de grootste schroom-
valligheid. De Mystiek heeft zich bij hem nog niet losgemaakt
van het godsdienstig geloof; zij beweegt zich nog niet vrij.
Door innige vroomheid wordt zij telkens binnen de perken
gehouden. Zoo bijv. uit angst, dat het beeld van de geestelijke
bruiloft met den hemelschen bruidegom aanleiding zou kunnen
geven tot misverstand, herinnert hij, dat hierbij volstrekt niet
aan iets zinnelijks moet worden gedacht Zoo waarschuwt
hij er ten ernstigste voor, om, anders dan uit werkelijke
ervaring, van de heilige waarheden des inwendigen levens te
spreken, en zich toestanden toe te eigenen, die men niet werke-
lijk doorleefd heeft Onbevangen spreekt hij het uit, dat het
voor den mensch, die de hoogste trap der volmaaktheid wil

stillen verlangen, dat zij heeft naar den Heer. Of zij al door vasten en waken het
lichaam heeft uitgemergeld, zij is toch te moede, alsof zij nog niet eens was begon-
nen iets te doen, wat tot de deugd behoort. Ook al is zij waardig gekeurd ver-
schillende charismata van den Geest of de openbaring van de hemelsche mysteriën
te ontvangen, toch houdt zij, wegens hare onmetelijke en onverzadelijke liefde tot den
Heer, het er bij zichzelve voor, dat zij nog geenszins het hoogste heeft ontvangen :
maar alle dag hongerende en dorstende door het geloof en de liefde, volhardende
in het gebed, verlangt zij bovenmate naar de verborgenheden der genade en naar de
betrachting van de deugd; zij wordt door de liefde tot den hemelsehen geest gewond,
brandende van verlangen naar den hemelschen bruidegom, gedreven door de genade
die haar geschonken is, begeerende volkomen te bezitten de mystische en geheime
gemeenschap met Hem, in heiliging des geestes, ontheven van het deksel, dat het
oog der ziel bedekt, onafgebroken beschouwende den hemelschen bruidegom, van
aangezicht tot aangezicht, door de weldadigheid van het geestelijk en onuitsprekelijke
licht in Hem, door de zekerheid van het geloof ten volle verzonken, omgevormd
door Zijn dood, door het hoogste verlangen, waardoor zij steeds hoopt om Christus\'
wil te sterven; vast vertrouwende, dat zij door de genade des Geestes geheel verlost
zal worden van de zonde en van de duisternis der hartstochten, opdat zij gereinigd
door den Geest, naar lichaam en ziel geheiligd, een rein vat moge worden, tot
opneming van de hemelsche zalf en tot een woning van Christus, den waarachtigen
koning des hemels worde waardig gekeurd. Dan wordt zij het hemelsche leven
waardig gemaakt, en wordt zij een reine woonplaats van den H. Geest."

1) Be Carit. c. 13.

2) Be Elevât. Ment. c. 18.

-ocr page 83-

65

bereiken, niet voldoende is, in voortdurende verrukking te ver-
heeren en te blyven staan bij bet vergeten van zicb zeiven,
Want dat hy in een zoodanigen toestand ongeschikt is voor
^yu bestemming om den Heer en de broederen te
dienen Opmerkelijk is de wijze waarop hij de zuivere
iiefde tot God beschrijft: »Diegenen", zegt hij, »die God
Waarachtig liefhebben, dienen Hem niet uit hoop op het
K^oninkrijk der hemelen, om als het ware een handel met Hem
te drijven en zich winst te verschaffen, - - noch uit vrees voor
de straffen, welke de zondaren te wachten staan: maar zij be-
minnen God alleen daarom, omdat zij het voor plicht houden,
dat de schepselen hun Schepper, de dienstknechten hun Heer
zoeken welgevallig te zijn"

^a het bovenstaande zal het niemand verwonderen, dat
Macarius steeds bij de Mystici in hoog aanzien heeft gestaan,
\'^e schoone gedachten door hem uitgesproken, hebben dan
ook nog in verre tijden goede vruchten gedragen

De schoone bloemen en bloesems der monnikenmystiek ver-
welkten echter spoedig. Het gevoel ging onder in een bande-
loos allegoriseeren. Dat kon ook moeielijk anders, zoolang de
Mystiek zich slechts openbaarde in een aantal geïsoleerde en
spontane verschijningen, zoolang er geen onderlinge band, geen
mystische traditie bestond. Deze kwam eerst tot stand door
den invloed van de geschriften van den Pseudo-Dionysius
Areopagita. Daar deze schriften in het Oosten en later in
het Westen de grootste bewondering verwekten, en in alle

1) SomÜ. VIII : 4.

^e Liiert. Ment -p. . 208.
3) Hoe hoog men in de Middeleeuwen Macarius vereerde, blijkt o. a. uit den
-^Xllsten Zang van Dante\'s
Faradiso. De dichter komt, door Beatrice geleid, in
7de sfeer, die van Saturnus, welke voor het schouwende leven is bestemd. Door
•len heiligen Benedictus wordt hem onder de

„mannen der
Bespiegeling, ontstoken door den gloed,
Die heil\'ge bloem en vrucht het aanzijn geeft"
alleen Alacarius benevens Komualdus, den beroemden stichter van de Camaldulenser-
aangewezen. — Dat Macarius in de 14de en 15de eeuw ook bij onze voor-
^aderen zeer goed bekend is geweest, blijkt uit de menigvuldige fragmenten en ver-
talmgen zijner schriften, die in de oud-Nederlandsehe HSS. van dien tijd worden

\'angetroffen.

5

-ocr page 84-

66

eeuwen de voornaamste bron der Mystiek zijn geworden, is het
van groot belang haar hoofdinhoud na te gaan. De schry ver
is onbekend. Hy heeft zich verborgen achter den naam van
Dionysius, den raadsheer van den Areopagus te Athene, die
volgens Handel. XVH: 34, door Paulus bekeerd werd. Het
doel van dezen pseudonym was misschien aan te toonen, dat
ook in het eerste christendom reeds Mystiek heeft gelegen. In
alle gevallen was het een pi a frans, om het werk ingang en
aanzien te verschaffen. De auteur leefde stellig wel niet vóór
het einde der vijfde eeuw i).

1) De bedoelde schriften zijn: l.nspi rZg oiipcevlixi ispap-jf^ix^, 2. nspc T\'^i ixxXv;acaaTcx^i
ispxpxCoci,
3. Tiepi 3-ji\'wv êvofi.izm, over de namen van God, 4. Ttspi /j.vumr^ SrsoXoyCcc^,
5. 10 brieven. Een elfde brief aan Apollophanes is er eerst later bijgevoegd en van
een andere hand. — Zij zijn uitgegeven door
Fet?-. Lanssellius, Societ. Jesu presb.
Sancti Biomjsii Äreopagitae opera omnia quae extant. TJna cum ejusdem vifae
scriptoribus Graece ét Latine. Accesserunt S. Maximi Scholia et Oeorgii Pachy-
merae paraphrasis in Epistolas.
Lut. Par. 1615, Pol. — De beste en meest gebruikte
editie echter is die van Balthasar Corderius e societ. Jesu, te Parijs eveneens
in 1615 verschenen, in 1636 te Antwerpen, meermalen herdrukt, in 1854 Brixiae in
II Vol. Pol. — Deze schriften doken spoedig op na het sluiten van de philosophen-
school te Athene 529. Het eerst werden zij geciteerd door de Severiauen (Mono-
physiten) bij gelegenheid van een onderhandeling met de Catholieken, die op last
van keizer Justinianus te Constantinopel plaats had. Hypatius, het hoofd der tegen-
partij, verklaarde ze voor onecht, op grond dat zij in het tegenovergestelde geval
zeker wel niet aan kerkleeraars als Athanasius en Cyrillus van Alexandrië onbekend
zouden gebleven zijn. —• Niettegenstaande voortdurenden twijfel verkregen zij in
de Grieksche Kerk spoedig hoog aanzien. Door Joh. van Siythopolis en Maximus
Confessor werden zij vc,n Scholien voorzien, terwijl hiter (in de 13de eeuw) Pachy-
meres er een paraphr.ise van gaf. — In het Westen werden zij, ofschoon met zekeren
twijfel, het eerst vermeld door Gregorius den Groote, f 604. Een grootere bekend-
heid verkregen zij toen, eerst in 757 Pepijn van Paus Paulus, en in 827 Lodewijk
de Vrome van den Griekschen keizar Michael Balbus een exemplaar ten geschenke
ontving. Haar aanzien steeg vooral door de verwarring van den Areopagiet met
Dionysius van Parijs, den stichter van de eerste christelijke gemeente aldaar, die
in het midden der derde eeuw heeft geleefd en de schutsheilige van geheel Frankrijk
(Saint-Denis) is geworden. De identiteit van beiden, door Hilduinus verzonnen, werd van
lieverlede zóó stellig geloofd, dat Abailard, toen hij het misverstand aantoonde met
beroep op de getuigenis van Gregorius van Tours, zich door de vlucht moest redden
en nergens geloof voor zijn ongeloof vond. — Mystici en Scholastici hielden zich
als om strijd met Dionysius\' werken bezig. Op bevel van Karei den Kale werden
zij door Scotus Erigena met de
Scholien van Maximus vertaald, en later door Hugo
V. St. Victor, Albertus Magnus, Thomas van Aquino, Dionysius den Karthnizer en
anderen gecommenteerd.

-ocr page 85-

67

Door de betrekkelyke uitvoerigheid, waarmede wy de Neopla-
tonici behandeld hebben, kunnen wij hier verder kort zijn. De
theoriën van Dionysius zyn inderdaad niet anders dan Neopla-
tonische voorstellingen (Proelus) in een Christelijk gewaad ge-
huld, en op christelijke instellingen (hierarchie) toegepast

^od is, evenals bij de Neoplatonici, het boven alle ij n ver-
hevene, het praedicaatlooze
ééne. Door uitstraling uit Hem
18 de redelijke, de bezielde en de onbezielde schepping geëma-
neerd. Al het geschapene streeft weêr naar zijn oorsprong
terug: het geestelijke door te kennen, het zinnelijke door te
gevoelen, het levenlooze op zijne wijze. Als het Absolute, kan

Iwijfel aangaande de echtheid kon in dc oncritische Middeleeuwen moeielijk
opkomen. Laurentius Val la deed ook hier weder den eersten stap. Hij ont-
kende de anthentie op grond van de in dezo werken voorkomende dogmatische
toiiaules en kerkelijke instellingen, die eerst in lateren tijd waren ontgaan. Eras-
®us volgde zijn spoor, in zijn
Cornment. op Handel. XVII. — Dallaeus maakte
"«ia de quaestie voor goed een einde in zijn:
de scriptis quae sub Dion. Areop. et
ff m tl Antiooheni nominibus circumferuntur,
Genev. 1666. Sedert is alle twijfel
^^ ^aangaande zoowel bij Protestanten als Catholieken verdwenen. — Als auteur
men trachten aan te wijzen: Apollinaris, Synesius, een onbekenden Alexandrijn,
"\'t het begin der derde eeuw enz. Met tamelijk groote zekerheid laat zich echter
aantoonen, dat hij een Christen is geweest, die bij de latere Neoplatonici heeft ter
^ ^ ® gegaan. — Zie Baur,
Oesoh. der Lehre von der Breieiniffkeit, Theil H,
"O / ff. Engelhardt,
die Angebl. Schriften des Areop. Bionysius, übersetgt und
begleitet,
Sulzbach 183.3. 2 Thle., H. Vogt, Neuplatonismus und

mit

Oj

de keus van den schrijver op Dionysius-Areopagita gevallen. Sagacius quam

moeten wij zeggen. Want in geen van de boven opgestelde schriften laat

een spoor van Dionysusdienst vinden.

De nauwe betrekking waarin de schrijver tot de Neoplatonici staat, blijkt ter-

\'Ut het esoterische karakter van zijn leer. De mj\'stische Theologie is niet

gemeene. maar een geheime en heilige kennis van God en goddelijke dingen,

e alleen aan heilige menschen mag worden meêgedeeld; de Theol. Myst. c. ]

^^ II; d. H. c. I; Ep. V ad Borotheum.. „Pas op" zegt hij herhaaldelijk „dat
geen

O\'imgewijde dit hoore!

\'ïm, Berl. 1836. StmAlin, Qesch. der Sittenlehre Jesu, B. III, S. n4-—32o.

® erich, a. W., Th. I, S. 139 if. wil den oorsprong dezer Schriften in een zeer

e mystische traditie zoeken, ofschoon hij niet bij machte is het bestaan daarvan

^enigszins te constateeren. — Scherpzinnig is de hypothese van Baumgarten-

\'iisius^ de Bionysio Areopayita, Jenae 1823, volgens welke het doel van Dionysius

ander zou geweest zijn, dan om de Mysteriën, met name de Dionysische Mys-

ei\'iën met het Christendom te versmelten. Dionysius zoA dan de Mysteriën-naam

den Schrijver zijn (het was gewoonte bij de inwijding in de Mysteriën een

\'adelen naam aan te nemen); om echter tegelijk een bijbelschen naam te hebben
Was \'

i\'eriui

\'-ich

5*

-ocr page 86-

68

God niet worden gekend. Zyn koedanigkeid kan sleckts bij bena-
dering worden aangeduid. Dit gesckiedt langs twee wegen: door
ontkenning en door toekenning. De theologie is dus
apopkatiscb en catapbatiscb. Zij moet namelijk aan God,
als de oorzaak van al wat bestaat, al de eigenschappen van het
zijn toekennen, maar tegelijkertijd dit alles weêr bepaaldelijk
negeeren — omdat God boven alles verheven is (en alle be-
paling beperking insluit). — Men moet evenwel niet gelooven,
dat de ontkenningen de toekenningen weêrspreken, maar het
Absolute, als boven alle negatie en positie verheven achten" i).
Zoo is God alles, want de voorbeelden en de eeuwige zaden
van alle dingen zijn in Hem op eene volkomen wijze. Zoo is
God niets, namelijk niet iets, van wat de geschapen
geesten door de zinnen en het verstand kennen. God is dan
ook geen object der kennis, maar der aanschouwing. In de
aanschouwing openbaart Hy zich zonder sluier, boven alle
begrip aan den Mysticus. Sleckts deze kan, verlicht van geest en
gereinigd van wil, door het goddelijk licht in de
heilige,
goddelijhe, onuitsprekelijke,
dóór volheid des lickts
diepe duisternis binnentreden. Zonder beelden, zonder sym-
bolen, boven tijd en ruimte, ziet hij wat geen oog zag en wat
geen oor hoorde Hij behoort niet meer zich zeiven, noch
eenig ander schepsel toe, maar door het ophouden van alle
kennis is hij, naar zijn beter deel, met den Onbekende ver-
eenigd, en door niet meer te kennen, kent hij wat de rede te
boven gaat. Zóó dringt hij door in het voor anderen ontoe-
gankelijke licht, waarin God woont Zóó komt hij tot het

1) Theol. Myst. c. I. Vergel. Hermede Plot. Enn. III: 8, 9; V : 3, 13 en
VI: 9, 8. — Bij een zoo negatieve voorstelling van God als het enkele predicaat-
looze zijn, is het natuurlijk zeer moeielijk meerdere hypostasen in het Wezen Gods
te onderscheiden. De Triniteitsleer staat dan ook volstrekt niet in verhand met
Dionysius\' stelsel. Hij hehandelt haar „omdat God in hijna elk heilig boek niet
alleen als eenheid, maar ook als drieeenheid wordt geprezen," Hij zoekt (d, D. N^
c. 3 § 4) de zaak duidelijk te maken door het beeld van eenige lichten, die niet-
tegenstaande zij verscheiden zijn, toch één ondeelbaar licht geven. „Zóó zien wij,
wanneer in een huis veel fakkels zijn, de lichten van allen tot één eenig licht ver-
eenigd, en één enkelvoudigen ongedeelden lichtglans stralen,"

2) Jesaia KXIV : 4 cf„ I Cor. II: 7—16.

3} Theol. Myst. c, 1—V, De B. N. c. I en II.

-ocr page 87-

Ö9

Seaieten Gods door aanscliouwen. Dan zyn hem alle ge-
ittien geopenbaard, al wat in goddelijke en menschelijke
Wetenschap kan worden vervat is hem bekend, en de geheime
^in der Schrift ligt voor hem open

Natuurlijk is deze mystische toestand niet voor allen bereik-
Zij echter, wien dat voorrecht ten deel is gevallen, zijn
Verplicht anderen daartoe te brengen. De mensch kan tot den
^der komen door Christus, door: de goddelijke eu boven alle zijn
Verheven rede, die in den persoon van Jezus de goddelijke en
menschelijke natuur ten innigste heeft vereenigd Toch, niet-
tegenstaande deze kerkelijke uitdrukkingen, draagt de Soteriologie
^an Dionysius niet, wat zeer juist is genoemd, een »christocen-
trisch" character Het eigenlijke middel, waardoor de mensch
tot de eenheid met God komt, is het hierarchische proces,
dat hemel en aarde verbindt. »Hiërarchie", zegt Dionysius,
^is de heilige orde, kennis en werkzaamheid, die, voorzooverre
dat mogelyk is, tot de gelijkenis der Godheid nadert, en naar
de mate van de verlichting, die zij van God heeft ontvangen,
tot navolging Gods leidt." Haar doel is vereeniging met God
langs de drie trappen van
reiniging, verlichting en vol-
\'"^(^king. De orde der hiërarchie eischt dat sommigen reini-
bSn, verlichten en volmaken, terwijl anderen gereinigd, verlicht
volmaakt worden. Toch neemt elk naar de mate zijner
acnt aan het goede deel De hemelsche hiërarchie is eigen-
niets anders dan emanatie van het Goddelijk wezen. Met
en diepsten eerbied voor de Godheid vervuld, waagde men het
^^e het wezen van God ook maai eenigszins te bepalen; van
^aar de onbepaalde definities: God is het »zijn", het »eene".
atusschen deed zich de behoefte aan gemeenschap met de Godheid

1) d. B. N. c. 7, d. E. H. c. 1.

Het /j-ia. der Monophysistea is Jiier ontweken.
^ schrijver treedt ook niet in een meer nauwkeurige hehandeling van de
komt ^ en de verlossing, maar verwijst, telkens als dat onderwerp ter sprake

ttooit\'b\'^t\'^^" ^\'oloyixai iTTOTUTTMcrs!;, die evenwel niet bestaan, en waarschijnlijk

ohne ■ ^^ hebben. „Er befleiszigt sich im Allgemeinen einer orthodoxen Haltung,
ßenk ^^ die ganze orthodoxe Terminologie sich anzueignen. Seine mystische

1 ™ in einem Gegensätze zu solchen begreifaichen Satzungen

\'^^«clasUi^hegreifliehe." (K. Vogt.)
H. Coel, c. III.

-ocr page 88-

70

gevoelen. Nu ging liet niet aan, het absolute en praedi-
caatlooze ééne in regelrechte betrekking te stellen met de
zichtbare, stoffelyke vrereld. Daarom moest de afstand tusschen
beiden worden aangevuld. Omdat nu het Absolute de oorsprong-
is van al wat bestaat, moest het de Godheid zijn, die na buiten
zich zelve getreden te zijn. Avordt voorgesteld in eene opeen-
volging van steeds zwakker wordende krachten neder te dalen,
van welke de laatste aan de menschheid grenst. Zóó is dan de
hemelsche hiërarchie het uitvloeisel der Godheid, door welke deze
zich met de wereld in voortdurende betrekking stelt. Zy bestaat
uit drie triaden, te zamen negen engelenkoren vormend i). Alle
openbaring Gods is door de engelen geschied, zoowel die der
wettelyke hiërarchie van Mozes, als de openbaring der mensch-
wording van Christus (verschijning van Gabriël enz.). In een
verloren geschrift »Over de ziel" werden de trappen van het
Goddelijk emanatieproces tot op den mensch toe beschreven.

In den mensch begint de terugwerkende beweging:
de terugkeer van het zijn tot het Absolute. Deze opwaarts-
gaande stroom is de kerkelijke hiërarchie. Zij is de
tegenhangster van de zuiver geestelijke hiërarchie des hemels,
en naar \'s menschen bevattingsvermogen in zinnelijke vormen
afgebeeld. De drie genoemde trappen: reiniging, verlichting
en volmaking behooren tot de kerkelijke hiërarchie. Door
haar komt de mensch tot eenheid met God, welke eenheid alleen
in zóóverre het werk van Christus is, als hij de stichter is dezer
hiërarchie. — Bij de drie trappen behooren drie sacramenten.
Bij de
reinAging dat van den f^oop, bij de verlichting de
eucharistie en bij de volmaking dat van de consecratie
der zalfolie,
waardoor priesters en altaren worden gewijd

1) 1. Seraphim, Cherubim, Tronen {^póm); 2. machten,
heerschappijen (nupiÓT/izg^), krachten {IfouffiM); 3. Vorstendommen (ap/at).
aarstengelen
(oepxiyyshc) engelen ayyshi. Deze volgorde is in de Catholieke
Kerk de heerschende geworden, .^ie de karakteristieke plaats uit Dante\'s
Paradisu
Cant, XXVllI : 133 (Vert. v. Kok.)

«Wel is Gregorius van hem afgeweken;
Doch zie, zoodra hij de oogen in dees Hemel
Geopend had, belachte hij zich-zelf."

De namen der engelen komen allen in den Bijbel voor. Zie het O. T. en Eph.
i ; 21 en Col, I :.16.

-ocr page 89-

71

de H. Greest wordt medegedeeld. De dragers en dienaren
de sacramenten zijn de drie orden van priesters:
liturgen
lit^ pfiesters en liiërarelien (bisschoppen). De

^ reinigt, de gereinigde wordt door den priester verlicht,
^ Verlichte door de orde der hiërarchie met de wetenschap
Heiligen bekend gemaakt. Analoog aan deze drie klassen
^yn de drie orden der gemeente: de eerste die van hen, welke
moeten gereinigd worden (catechumenen, energumenen enz.),
tweede die van het
heilige volk, dat moet verlicht wor-
ord 8\'®doopten, die aan Mysteriën deel nemen); de hoogste
6 IS die der monniken ^i-rot
oi s-spaTrsurat)? die hun

met God leiden In de emanatie moest het Absolute,
^dat het van het enkele zijn tot het zóózijn overging, zich

natuurlijk

in toekenning en hullen (cataphatische weg). Bij den
gfceer tot ket Absolute moeten al deze toekenningen weder
den ontkend. Van daar het louter negatieve Godsbegrip,
Waartoe de contemplatie leidt (apophatische theologie). De boofd-
van de Mysteriën is symbolische voorstelling van de
Waarop de mensch tot het goddelijke leven moet opklim-
geschiedt door aanhoudend gebed, zelfverloochening,
der zinnelijkkeid, door strenge ascese,
anneer alzoo ket uitvloeiingsproces van het Absolute als
wordt voorgesteld, dan laat het zich verwachten, dat
terugvloeiings proces tot het Absolute als evenzeer nood-
^ yfc moet worden gedacht. De vraag doet zich dan op,
^ 6 zich dit rijmen laat met het begrip van zedelyke vrij-
ke^t^*^ ^^ ^^^ l>egrip van het kwade. De schrijver heeft, wat
. punt, de zedelijke vrijheid, aangaat, de moeielijkheid

^ _ \'^Pgelost. Slechts in het voorbijgaan, spreekt hij over de
^^ .J eia, om haar bestaan eenvoudig te constateeren terwijl
geheele moraal op haar bestaan gegrond is. Des

^ich c. V en VI. Even als de grondslag van de Iiemelsche hiërarchie

^ laat aanwijzen, kan men ook voor de kerkelijke hiërarchie parallelen

van T)\' vinden, ofschoon natuurlijk op dit punt de oorspronkelijkheid

2) gi\'ooter is. Zie Proclus Comment. op Plato\'s AlciUades I.

ijdele voorstelling van den grooten hoop niet aan, volgens
^^ voorzienigheid ons ook tegen onzen wil tot de deugd moet voeren; want

natuur te vernietigen is niet het werk van de Voorzienigheid," enz. De D. N.
■ § 33, Cf. § 35.

-ocr page 90-

72

te uitvoeriger handelt hij over de natuur van het kwaad
In verhand met zijn geheele stelsel stelt hij het kwaad voor, niet
als iets wat werkelijk bestaat, noch als uit het bestaande voort-
gekomen, niet als de materie, maar als een afwezig zijn van
het goede; omdat de categorie van het zijn tot het begrip
van het goede behoort, kan het kwaad als het tegenover-
gestelde van het goede onmogelijk reëel zijn. Alleen door
middel van het goede kan het iets bewerken; door het goede
wordt het eerst iets en wel een oorzak van het goede. Toch
houdt het kwaad niet op strafbaar te zijn, omdat de mensch
de kracht tot het goede heeft ontvangen. Het goede is het
eigenlijke wezen der dingen. »Andere eigenschappen kunnen
aan de dingen ontbreken, zonder dat zij ophouden te bestaan:
bijv. koude of hitte kunnen uit een voorwerp verdwijnen, en
toch blijft het. Zóó zijn vele dingen zonder bewustheid.
God zelf bestaat, gescheiden van de substantie, boven alle zijn.
Wat echter van het goede beroofd is, was niet, is niet, zal
niet, kan niet zijn"

Ziedaar de Mystiek van den Pseudo-Dionysius. Haar groote
beteekenis bestaat hierin, dat zij der Mystiek een vasten grond-
slag heeft geschonken. De voorstellingen der Neoplatonici
heeft
zij overgenomen, maar ze te gelijk van subjectieve hersen-
schimmen tot objectieve realiteit verheven, door ze vast te
knoopen aan de bestaande hiërarchie. De juistheid waarmede,
zooals ieder zien kon, de hiërarchie der kerk was beschreven,
had ten gevolge, dat de voorstelling van de hiërarchie des
hemels als even waarachtig werd beschouwd. In de zesde eeuw
was daarenboven de naam van
Dionysius voldoende om den
twyfel te doen verstommen.

Zóó had dan de Mystiek door Dionysius een levenden wor-
tel in de werkelijkheid gekregen, maar tegelijk nog een ander
voordeel gewonnen. Bestond de christelyke Mystiek vroeger
slechts uit een aantal onsamenhangende, op visioenen van
ontstelde naturen berustende theorien, door Dionysius was zij
een aaneengesloten en wetenschappelyk ontwikkeld stelsel ge-

1) Zie de uitgebreide behandeling van dit onderwerp d. D. N. c. IV j 18 sqq.

2) Ibid. J 20.

-ocr page 91-

73

Worden. Door nauwe aansluiting aan de kerk — al betrof
die ook enkel bet uitwendige — werd daarenboven baar ricb-
t^üg bepaald. Zij werd binnen zekere perken gebonden, en
daardoor voor grove afdwalingen bewaard. Toch moest het
Normatief gezag, dat de Pseudo-üionysische geschriften allengs
veikregen, tegelykertijd in zekeren zin nadeelig werken op de
Mystiek. Immers, in plaats van de waarheid te zoeken door
^ich in zich zeiven te verdiepen, begaf men zich voortaan tot
dat doel, eenvoudig tot den heiligen Areopagiet. Dat zoo-
doende de Mystiek haar eigenaardig karakter verliezen moest,
spreekt van zelf. Het noodzakelijk gevolg van de absolute
^-ntoriteit van genoemde schriften was, het hoe langer zoo
meer terugdringen van de origineele persoonlijkheid bij de
volgende Mystici. Niettegenstaande het de bloeityd was van
de Oostersche kloostermystiek, vinden wi.j dan ook weinig
^eer, ^^t door zelfstandige kracht op latere tijden
mvloed heeft uitgeoefend. Men commenteerde eenvoudig wat
lonysius geschreven had. De Mystiek werd een aangeleerd
Weten, en verkreeg zelfs weldra een dialectisch karakter. Zóó
voornamelijk bij den reeds genoemden monnik Maximus
nit de eeuw. Opmerkelyk is het, dat deze de volkomen
aanschouwing Gods zeer streng, als tot het toekomende
behoorende, bepaalt.

Richten wij thans den bhk naar het Westen. Door het
meer nuchtere karakter der westersche natuur kon de Mystiek
mr niet spoedig wortel schieten. Vóór het begin der eeuw
er dan ook van Mystiek, althans van Mystische Theologie,
oeen sprake. De stoot daartoe werd gegeven door de schrif-
van den Pseudo-Dionysius. die, zooals wy boven zagen,
omstreeks dien tijd uit het Oosten werden overgebracht.

u er degenen, die zich met de studie daarvan bezig hielden,
Was er één, die door geleerdheid en diepzinnigheid alle anderen
overtrof, wij bedoelen Joannes Scotus Erigena i). Deze

Door zija tijdgeiiooten wordt hij Joannes Scotus, Joannes natione Scotus of
--«otigena genoemd. Alleen de oudste HSS. van zijn vertaling van Dionysius

-ocr page 92-

74

had zyn opleiding ontvangen in de kloosters van Ierland,
vs^aar, door de studie van vryzinnige Grieksche kerkvaders,

hebben in plaats van IScotus den bijnaam Jerugena, die op een lersche afkomst wijst,
(tepoü soil, vh\'^oxt gelijk Ierland, het „Insula Sanctorum.") Door latere, met het
Grieksch onbekende afschrijvers werd het Erugena, en eindelijk met het oog op
„Erin" den ouden naam voor Ierland — door Thom. Moore bijv. met zulk een
voorliefde gebruikt — Erigena:
Zóó kwam de naam weêr van zelf terecht. De
naam „Scotus" moet
zóó verklaard worden, dat Ierland vroeger Scotia major heette
(vgl. Groot-Griekenland voor Zuid-Italie) omdat een groot deel van Ierland door
Schotten bewoond werd. De Schotten en Iej:en golden dan ook voor „the same
people." Zie David Hume,
Eist, of England, Vol. I, p. 409. — De eer aan dezen
beroemden man het leven te hebben geschonken is aan Ierland, zoowel door Engeland
als door Schotland, hoewel ten onrechte betwist. Thomas Gale wijst in den Proloog
zijner uitgave van Erigena, als diens geboorteplaats aan
Erigena, een deel van het
graafschap Hereford aan Wallis grenzende. —- Waarschijnlijk — men verkeert hier
telkens in het onzekere — waarschijnlijk werd Erigena omstreeks 810 geboren. —
Zijn roem vestigde zich vooral door dé theol. strijdvragen, waarin hij gewikkeld
werd. Over zijn aandeel in den Avondmaalsstrijd, waarin hij zich bepaald aan de
zijde van Katramnus schaarde, zie men het later aan te halen werk van
Christlieh,
S. 68—81. Duidelijker trad hij op in den strijd over de/jwe&s^tó« (Gottschalk)
nadat zijn hulp door Hincmaar dringend was ingeroepen. Hij droeg zijn gevoelen
voor in zijn
„de divina praedestinatione" (circa 831). In samenhang met zijn
geheele systeem, werd daarin door hem slechts
één praedestinatie, ter zalig-
heid,
geleerd, en niet alleen de tweede ter verdoemenis, maar zelfs de praescientie
van het kwaad ontkend. In 853 werd zijn theorie te Valencia als een
commentur/i
diaboli
verdoemd, welk oordeel door de Synode te Langi-es en door paus Nicolaas
werd bevestigd. Toch schijnt het, dat men Erigena niet vervolgd heeft. De gunst,
waarin hij bij Karei stond, verhinderde dat zeker. ISTa Kareis dood verliet hij
l^unkrijk. Volgens de meest waarschijnlijke berichten werd hij door Alfred den
Groote naar Engeland geroepen, en als leeraar te Oxford aangesteld; kter was hij abt te
Malmesbury, Daar werd hij door zijn leerlingen in de St. Laurentskerk na een zwakken
tegenstand gedood (circa 890?). Verscheiden nachten lang, meldt de overlevering, werd
zijn lijk door een hemelsch licht bestraald. De monniken van het klooster brachten
het eindelijk naar de groote kerk, en zetten het daarnaast het altaar bij. — Erigena
werd nu in Engeland als martelaar vereerd, en door bisschoppen en aartsbisschoppen
gecanoniseerd (het canonisatierecht was toen nog niet het uitsluitend eigendom van
den Roomsclien stoel.)

Door Mabillon (Annal. Benedeiet. Ill: 68), Natalis Alesander e. a. wordt het feit,
dat deze door den Paus zeiven veroordeelden ketter later in Engeland als heilige hoog
zou vereerd geworden zijn, hoewel op subjectieve gronden, ten sterkste ontkend.
Volgens hen heeft Erigena Prankrijk nooit verlaten. — Zie Christlieb:
Bas Lehen
und die Lehre des J. Scotus Erig. in ihrem Zusammenhang, mit der vorherge-
henden und unter Angabe ihrer Berührungs])unkle mit der neuem Thilos, und
Theolog. dargestellt,
Gotha 1860. Het uitvoerige artikel J. Scotus Erigena in
Herzog\'s
Eeal-Enc. is evenzeer van de hand van Christlieb. Het is een zaakrijk

-ocr page 93-

75

vooral van Origenes, een vrijere theologische richting heerschte.
Met een helder verstand, een rijk gemoed en een levendige
Phantasie begaafd, waaraan hij een voorbeeldigen levens-
wandel paarde, moest hij spoedig de opmerkzaamheid van
velen tot zich trekken. Hij verzamelde een buitengewone mate
van veelzijdige kennis. Hij was zeer bedreven in het Grieksch,
en trad niet alleen als tkeoloog en pkilosoopk, maar ook als
tiomileet en exegeet en zelfs als dickter op. Door Karei den
Kale werd hij naar Frankrijk geroepen, en aan het hoofd der
^chola Palatina geplaatst. Hij genoot aan het bof de grootste
en had een zeer vriendschappelijken omgang met den
koning. Door de opdracht van Karei, om de schriften van
Dionysius te vertalen, kwam hy in meer onmiddellijke aanra-
king met de Mystiek. Met angstvallige zorg kweet bij zich
^an zijn taak. Hij deed zijn
letterlijhe overzetting van Diony-
sius en diens Grieksche commentatoren vergezeld gaan van
uitgebreide commentaren, waarvan veel is verloren gegaan.
Overgebleven zijn de
Exposiiiones super ierarchiam coelestem,
\'ie glossae in Mysticam Theologiam S. Bionysii
en fragmenten
van de
exposit. super ierarch Eccles. Zijn hoofdwerk is de
divisione naturae,
in vijfhoeken i). Het uitgangspunt is: de
ware wijsbegeerte is de ware godsdienst, en omgekeerd de ware
godsdienst de ware wijsbegeerte; de
recta ratio en de vera
auctoritas
kunnen elkaar niet tegenspreken, omdat beide uit
één goddelijken oorsprong vloeien De rede wordt echter
om hare prioriteit boven de anctoriteit gesteld, en deze slechts

«xcerpt uit het gemelde werk. Verder: Ritter Gesch. der Thil. Th. VIL Stauden-
maier,
.J. Scot. Erig. und die Wissenschaft seiner Zeit, frankfort 1834, waarvan
alleen het Iste deel (biographie) is versehenen. Helfferich a. W. Theil, S. 177 £f. -
Een, volledige uitgave van Erigena\'s Werken komt voor in de patrolog. Bibl. van
-^ligne, bezorgd door H. Z. Elosz.

1) Erigena verdeelt daarin de natuur (gedacht als de oorspronkelijke identiteit
^\'an
zijn en niet zijn) in 4 vormen: 1. natura creans, sed non ereata = God.

I); 2. natura creans et ereata = de Zoon (Boek II); 3. natura creata et
creans ~
de wereld (Boek III en IV, de Anthi\'op. beslaat een boek apart;

natura non creata et non cre««^ = God als het einddoel van alle dingen (Boek V.)

A. D. Vat. I: 56, 66. „Quid est de philosopliia tractare, nisi verae religionis,
qna summa et principalis omnium rerum causa et humiliter eolitur et rationabihter

investigatur, regulas exponere? Conficitur inde veram esse philosophiam veram religv

onem, conversimque veram veligionem esse veramp hilosopMam. - He Praed. c. L

-ocr page 94-

76

voorzóóverre zy met gene overeenstemt als geldend beschouwd i).
Reeds hieruit blijkt, dat Erigena in geenen deele Mysticus mag
genoemd worden. Met veel meer recht kan hij Scholasticus hóeten,
en werkelijk heeft hy in zyn bovengenoemd hoofdwerk de eerste
proeve eener vereeniging van Philosophie en Theologie gegeven.
Toch draagt zijn geheele stelsel, philosophisch als het is, een
bepaald Mystische kleur, inzóóverre de immanentie Gods vooral
op den voorgrond treedt. De oorzaak hiervan is, dat Erigena
niet Mysticus, maar bepaaldejijk Pantiieistiscli philosooph is
Wat hij van Mystiek in zijn stelsel heeft opgenomen, heeft
hij aan Dionysius ontleend. Zijn systeem behoort ongetwijfeld
meer in de geschiedenis der Philosophie dan in die der My-
stiek thuis. Wij zullen derhalve slechts aanstippen, wat tot
ons onderwerp betrekking heeft.

Erigena\'s Godsbegrip valt met dat van Dionysius samen, en
leidt tot dezelfde consequentiën met betrekking tot het kwaad enz.
Sterken nadruk legt hij op Gods bewusteloosheid: God blijft
et sibi
ipsi infinitus et incompreliensihilis. Nescit se quid ipse est.
In
verband met zijn geheele stelsel kan de Triniteet niet anders zijn,
dan het gevolg van de verschillende oogpunten, waaruit de mensch
de Godheid beschouwt. Te vergeefs tracht hij vast te houden
dat Gods
\'proressio per omnia (bij de schepping) zijne maiisio
in se ipso
niet uitsluit. Hij kan de consequentie van zijn
Godsbegrip
Deus itaque omnia est — et omnia Deus niet afwijzen,
en komt dan. ook schoorvoetend tot de verklaring
creator et
creatura unum est.
De geheele wereld, de zichtbare en onzicht-
bare schepping is een Theophanie Evenals alles uit God is
uitgegaan, zóó moet ook alles tot Hem wederkeeren. Deze terug-
keer wordt echter op tweeërlei wijze voorgesteld; doorgaans

1) Ibid I : 69. Natuurlijk moest Erigena bij deze grondstelling zijn toevlucht
uemen tot de allegorische Schriftverklaring. Hij neemt dan ook een
oneindig veel-
mudigen ,zin
aan en vergelijkt de H. S. bij een j^auw. nveder, van welke zelfs het
kleinste deeltjes van de meest verscheiden kleuren schittert, 1. 1. IV : 5, III : 24.

2) Helfferich en Standenmaier trachtten het sj^stecm van Erigena als theïstisch
voor tc stellen, en doen daartoe veel v rucht e lo o ze moeite, daar Erigena\'s uit-
spraken te stellig zijn. Zie bijv. 1. 1, I : 74, 76 cn elders.

3) «Deus itaque nescit se quid est, qnia non est quid; ineomprehensihilis quippe
in aliqm et sibi ipsi et omni intellectui".
II 28.

4) 1:7, 8, 13.

-ocr page 95-

77

ais eeuwig en op elk oogenblik plaats hebbend; in het laatste
boek van zijn werk
d. div. Nat. daarentegen als in de toekomst
plaats grijpend bij het jongste gericht. In beide gevallen echter
is het een ondergang van de bijzondere substantie in de per-
soonlijkheid van den menschelyken geest in God. Door de
\'\'Mystische contempla e stijgt de mensch tot de vereeniging
met de Godheid op. Door haar wordt de zonde der wereld
van de geheele menschelijke natuur weggenomen. De mensch
wordt één met God »virtute contemplationis".

De groote verdienste van Erigena voor de Mystiek bestaat
minder in zijn eigen theorëin dan wel daarin, dat hy de
Dostersche Mystiek met haar diepzinnige speculatiën naar het
besten heeft overgebracht, waar zij zonder zijn vertolking
eeuwen lang een gesloten boek zou gebleven zijn.

Erigena werd in zijn streven om de Theologie en de Philo-
sophie te vereenigen, door zijn tijdgenooten niet nagevolgd.

stond in veel opzichten te hoog boven zijn tijd om begre-
pen te worden.

Sinds de elfde eeuw werd zijn streven weder opgevat, maar —
iangs een anderen weg gezocht. De omstandigheden waren in
dit tijdsverloop aanmerkelijk veranderd. De kerkleer had hoe
langer zoo meer een absoluut gezag verkregen, zoodat haar
Uitspraken geen twijfel meer toelieten. Haar vereeniging met
het
wijsgeerige denken kon moeielijk anders tot stand komen
dan door de volslagen onderwerping van de philosophie. Toen
deze alzoo van haar eigenlyk terrein was verdrongen, hield
^Ü! gedwongen het wezen te laten varen, met alle macht den
vast. Zóó ontstond de Scholastiek i). De taak, die
^y zich stelde, was de onveranderlijke kerkleer in den vorm
Van een systeem te brengen. Natuurlijk ging men hierbij uit van
de identiteit van alle uitspraken van de Heihge Schrift, de Kerk
en de Kerkvaders 2). Daar echter de steeds meer ontwakende
speculatieve zin zich niet liet onderdrukken, konden de Scholastici
ßiet nalaten de oplossing van allerlei problemen te zoeken, die

1) Over de beteekenis van bet woord Scholastiek, zie Gieseler\'s Dogmen-
Miohte, Bonn 18S5, S. 466 IF,

Onder Kerkvaders verstond men de gezaghebbende Theol. schrijvers van den
apostolischen tijd af tot Beda Venerabilis (f 735) toe.

-ocr page 96-

78

deels in de dogma\'s der kerk lagen, deels daarin werden gebracht.
Hierdoor verwikkelde zich de Scholastiek steeds dieper in
subtiliteiten en eindelooze distincties. Doorgaans noemt men
Anselmus van Caiiterbury (f 1109) den vader der Scholastiek
Zi] had echter reeds vóór hem bekwame woordvoerders i).

Wij zeiden, dat de philosophie door het absolute ge-
zag der kerkleer alleen op den vorm kan inwerken,^ en
inderdaad strekte zich haar invloed niet verder uit dan tot
dialectische ontwikkeling, logische methode en kunstige termi-
nologie. Nu was de Platonische wysbegeerte met haar dikwijls
meer poëtisch dan streng logisch karakter, bepaald ongeschikt
om, zonder zich zelve te geven, het benoodigde redekunstige
materiaal te leveren. Men zocht en vond zijn toevlucht bij
Aristoteles, dien men door Cassiodorus\'
Compendium der Dia-
lectiek,
maar voornamelijk door Boethius\' vertaling van een
groot deel van het
Organon en door • Scotus Erigena\'s be-
moeiingen gemakkelijk genoeg kon leeren kennen.

De invloed van de Aristotelische philosophie deed zich spoedig
in de Scholastiek gevoelen. Door haar streng empirisch karakter
moest zij van zelf in botsing komen met de gangbare Plato-
nische voorstellingen. Zóó ontstond er een hevige strijd, waarbij
de Scholastici in twee legerkampen werden verdeeld, de Nomi-
nalisten en Realisten. Het geschil liep, zooals bekend is, over de
algemeene begrippen, universalia, wier objectief bestaan door
de eersten werd ontkend (de algemeene begrippen golden hier
slechts als namen,
universalia post res) terwijl haar reëel bestaan

1) Zóó iu ons Vaderland den geleerden bisschop Adelbold van Utrecht, (f c.
1026). Men zie over dezen nierkwaardigen man het
Kerhhist. Archief, D. III.
blz. 163 vgg. Even willekeurig als het tijdperk der Scholastiek wordt geopend,
wordt het ook gesloten. Men doet dat met Gabriel Biel, f 1493. Dat de
Scholastiek echter nog lang in de Cath. Kerk heerschende is gebleven, zelfs nog
tot op onzen tijd, valt niet te ontkennen.

2) Roger Baco, (f 1294) verklaart, dat het alleen aan Erigena te danken is, dat
men in zijn tijd eenige echte schriften van Aristoteles kon gebruiken. Zie W^od
Rist. et Antiq. Univ. Oxon, I, 13.

3) Een meer volledige bekendheid met Aristoteles ontstond in de dertiende eeuw,
toen, tengevolge van de nauwere betrekking met het Oosten, de Arabische verta-
lingen en commentaren vooral van Avicenna, f 1036 en Averrhoes,
f 1217, naar
het .Westen kwamen. Albertus Magnus (wel eens „Simia Aristotelis" genoemd)
gaf den eersten volledigen commentaar op den Griekschen wijsgeer.

-ocr page 97-

79

door de laatsten wordt gehandhaafd {universalia ante res). De
kampvechter van het Nomhiaiisme was Roscellinns, die van
de tegenpartij A. n s e 1 m ns. Men weet dat sinds A h a i 1 ar d, maar
Vooral door Albertus Magnus, een derde richting ontstond, die
als bemiddelaarster tusschen de twee vorigen optrad. Zij stelde
de universalia
ante res et in rebus d. i. het algemeene als tegelijk
subjectief product van de voorstelling en als objectieve realiteit in
de dingen zelve. Deze voorstelling werd van lieverlede alge-
meen aangenomen onder de Scholastici, en de overtuiging
vestigde zich, dat alles wat syllogistisch bewezen kan worden,
in de werkelykheid evenzoo bestond als in het logische den-
ken. Dit werd de grondstelling der Scholastiek, waaruit al
haar, in ons oog nutteloos, geredeneer en gedisputeer moet
Worden verklaard, en te gelijk wordt gerechtvaardigd. Had dus
bet Nominalisme het onderspit gedolven, door Willem Occam
(t 1347) herleefde het echter met nieuwe kracht, en, in zijn
consequentie, loochende het de mogelijkheid, om tot kennis van
^od te komen, en bracht het de scheiding van denken en
^yn. tot stand. De Scholastiek moest door dergelyke theoriën
zich op te nemen van stonde aan zich zelven ophelïen.
Immers, wanneer de dingen — en daarmede ook de waar-
heid — anders kunnen zijn in de werkelijkheid dan in de
gedachte, vervalt het fondament, waarop het geheele gebouw-
der Scholastiek was opgetrokken: de vooronderstelde eenheid
"Pan weten en gelooven, van Philosophie en Theologie

Een ander gevolg van den opkomenden invloed der Aristote-
hsche wijsbegeerte in het Westen, was dat der Mystiek, — en
zoó keeren wij eindelijk tot ons onderwerp terug -r- die wij bij
Erigena nog nauw verbonden met de theologische Philosophie
aantroffen, en zich hoe langer zoo minder met deze verdragen kon.
Beide richtingen verwijderden zich steeds verder van elkaar. De
^eïklaring ligt voor de hand. De steeds meer empirische en
•dialectische Scholastiek kon zich natuurlijk allerminst rijmen
met de op Neoplatonischen grondslag berustende Mystiek, en
omgekeerd. Geruimen tijd gingen beide richtingen ieder hun

1) Over den strijd tusschen Nominalisme en Realisme zie men, behalve do hand-
Ijoeken over philosophie en kerkgeschiedenis, de Dissertatie van Dr. A. Pierson:
^isquisit. histor.-dogm. de Uealismo ei Nomialismo etc. Ti-aj. 18S4.

-ocr page 98-

80

weg, terwyl de spanning steeds sterker werd, die eindelyk iu
een feilen strijd idtbarstte. De woordvoerder der Scliolastiek
was de geleerde en scherp dialectisch ontwikkelde Ahailard,
die van de Mystiek de vrome en ernstige Bernard van
Clairveaux. Het ligt natuurlijk niet in ons plan dezen
strijd in al zijn omvang na te gaan. Alleen in zóóverre daar-
door licht verspreid wordt over den ontwikkelingsgang der
Mystiek, zullen wij het een en ander in herinnering moeten
brengen. Het gold hier de vraag of de kennis der goddelijke
dingen van de inwendige religieuse ervaring moest uitgaan —
dan of alle overtuiging van de waarheid, inzonderheid alle
godsdienstige overtuiging, zich uit den twijfel als doorgangs-
punt voor de onderzoekende rede moest ontwikkelen. Het,
met de Mystiek op denzelfden philosophischen grondslag steu-
nende, Realisme had, in aansluiting aan Augustinus
{fides
praecedit intellectum)
bij monde van Anselmus de stelling uit-
gesproken:
>>non intelligere ut eredam, sed credere utintelligam.
Nam et hoe credo, quia
(dat) nisi credidero, non intelligam\'"
{Prosl.
C. l). Wat waarheid was voor het geloof, moest het
ook voor de denkende rede zijn. Toch is het plicht voor de
rede, die daartoe bij machte is, om, hetgeen in het geloof reeds
zeker is, ook door redelijke gronden als iets noodzakelijks te
leeren kennen Het geloof moet aan de rede vleugels aan-
binden, om zich tot de kennis der goddelijke dingen omhoog
te heffen. Hiertegenover stelde Ahailard dat men door twyfel
tot gelooven moet komen, dat de twijfel een noodzakelijk door-
gangspunt is van het tot geloof leidend onderzoek
{dubitando
ad inqiiisitionem, inguirendo ad veritatem)
Natuurlijk moest
Ahailard zoodoende aan de rede in geloofszaken een groot gezag
toekennen, en daardoor in de oogen zijner tijdgenooten tot een
zeer eenzijdig Intellectualisme vervallen. Vooral ergerde men

1) Negligentia mihi videtur, si, postquam confirmati sumus in fide, non studemus
quod credimus intelligere.
Cur deus homo, 1:2 cf. 13.

2) Hij beroept zich hierbij op Sirach 19:4; „Qui credit cito levis est corde,"
terwijl hij in zijn
Sic et Non met aanhaling van Aristoteles beweert, dat men
aangaande alles moet getwijfeld hebben, om in het onderzoek der waarheid te vor-
deren. Hij tracht zijn gevoelen verder te staven door het woord van Jezus
Matth.
Vlï : 7, of. Lue. II; 46 : interrogantem eos.

-ocr page 99-

81

2icli aan zijn uitspraken over de goddelijke mysteriën, tot wier
^^•^grip hy meende dat de mensck zeer goed nog in dit leven,
kon opklimmen. Het spreekt van zelf, dat zulke beginselen,
Waarmede vele voorstellingen gepaard gingen, die lijnreckt tegen
de begrippen van zyn tijd overstonden van de zyde der
^lystiek ernstige tegenspraak moesten uitlokken, vooral daar
by bet jongere geslacht grooten opgang maakten. De eerste
die tegen Abailard optrad was Walter van St. Victor 2), De
kïachtigste tegenstand kwam echter van Bernard van Clairveaux,
na eenige vrucktelooze onderkandelingen, op ket Concilie
te &ens, 1140, tegen Abailard in het strijdperk trad. Uit vrees
\'^oor zyn weêrgalooze dialectische bekwaamheid, liet men den
gedaagde niet aan het woord komen. Bernard had een reeks
stellingen uit de schriften van Abailard getrokken, en
eisckte, dat deze die zoü kerroepen. Men vroeg niet of de ge-

1) O. a. van do goddelijke alomtegenwoordigheid en almaeht, waarhij het kunnen
willen^ het willen en zijn bij God geidentifleeerd wordt; zijn Pelagiaansche leer
zonde en verlossing, maar vooral ten opzichte van de Moraal, waar hij de
gezindheid als hoofdzaak, waar alles op aankomt, op den voorgrond plaatst. L\'it
\'^eze stelling moet van zelf voortvloeien, dat elke zedelijke daad op zichzelve be-,
^\'ohouwd een adiaphoron is: „de werken, die aan de verworpenen en de uitverkorenen
gemeen zijn, zijn iets in en op zichzelf onverschilligs, en alleen naar de verschil-
e gezindheid des daders
kwaad of goed te noemen." Door de eenzijdige verheffing
^dii het louter subjectieve, plaatste Abailard zich zeker op een zeer gevaarlijk stand-
punt. Door zijn groote voorliefde voor de oude philosophen kwam hij er daaren-
^ en toe, oin het Christendom te beschouwen als de herstelling van de reeds door
® oude wijsgeeren gekende wet der zedelijke natuur, terwijl hij tevens als zijn
öe\\ oelen niet onduidelijk te kennen gaf, dat de Mozaïsche wet meer op ceremonieele,
1 op zedelijke voorschriften ziet, en meer in uit-, dan inwendige gerechtigheid
overvloedig is. Dergelijke uitingen moesten natuurlijk groote ergernis wekken.

e over de verlioiiding van de verschillende Theol. richtingen van dezen tijd Neandcr?
w^hoone Monographie:
der heilige Bernhard und sein Zeitalter, e. III.

Door het stoken van twee professoren te Rheims, — (als monnik, beweertlen
paste het Abailard niet om philosophische voorlezingen te houden; tegen zijn
ysteem brachten zij de gïief in, dat hij autodidact was, en onder geen beroemd
professor in de Theologie gestudeerd had) — werd hij voor de synode van Soissons
«edaagd (1121). Hij liet er zich toe brengen zijn boek zelf in het vuur te werpen.
^^ 3 boeteling werd hij ter bewaring naar een klooster gestuurd. — De verbittering,
tij door zijn critiek omtrent Dionysius teweeg bracht, was de voornaamste oorzaak
\'^«■kr\'\'\'^ rampspoed. Zijn
8io et non, waarin de strijdigheden tusschen de

^ eeraars in 157 punten scherp tegenover elkaar waren geplaatst, had ten donl
vrijheid van denken als van oiids af bestaan hebbende te vindiceeren, maar was.
» wel vooruit kon bezien worden, ais olie in het vuur. Zie Neander a. a. O.

Ö

-ocr page 100-

82

brandmerkte theses, in het yerband waarin zy voorkwamen, wel
dat beteekenden, wat er van gemaakt was; men onderzocht
niet, of Abailard ze werkelijk, als zijn gevoelen uitdrukkende,
erkende, zelfs niet of ze wel eens in zijn schriften te vinden waren.
Bernard wilde geen onderhandeling met den ketter, maar be-
paalde herroeping, en het Concilie was het hierin met hem
eens. Ziende hoe hopeloos zijn zaak hier stond, beriep Abailard
zich op den Paus (Innocentius TI, 1130—1144). Hij had
echter niet genoeg gerekend op den ontzaggelijken invloed
van zijn tegenstander.

Bernard deed inderdaad al wat hij kon; hij bewoog hemel
en aarde om Paus en Kardinalen tegen Abailard in te nemen.
Hij ontzag zich Jiiet middelen te gebruiken, die zijn anders
zóó fier karakter oneer aandeden, en wonderlijk afsteken bij
de teedere fijngevoeligheid, die hij in zijn geschriften aan den
dag legt. De aldus bewerkte Paus verwierp, in overeenstem-
ming met het Concilie, de bedoelde stellingen, legde aan
Abailard, als ketter, een eeuwigdurend stilzwijgen ,op, en
doemde zijn schriften ten vure.

De ijver, dien Bernard in dezen strijd toonde en die in menig
opzicht in liefdeloosheid ontaarde, was van het standpunt der
Mystiek bezien, natuurlijk, omdat deze door Abailard\'s theoriën
in haar hartader werd getroffen. Bernards polemiek was de
polemiek van de Mystiek; geen persoonlijke haat kwam daarbij
in het spel. Met de nederlaag van Abailard, was voor de
steeds in krachten toenemende Mystiek een tijdperk van grooten
bloei geopend.

Intusschen was het Bernards eenige verdienste niet, de
sceptisch-rationalistische richting in haar woordvoerder over-
wonnen te hebben. Nog anders en meer dan door polemiek

1) De rampspoedige man braelit zijn laatste levensjaren rustig door te Clugny, waar
de invloed van den zaclitmoedigen en edelen abt Petrus Venerabilis lioogst weldadig
op kem werkte. Door bemiddeling van den laatstgenoemde kwam er eindelijk nog
een verzoening tusschen Abailard en Bernard tot stand. Abailard stierf 1142.

2) De strijd met Gilbertus Porretanus, Abailard\'s scherpzinnigen leerling,
werd door hem met minder gelukkigen uitslag gevoerd, daar deze in de gelegenheid was
zich te verdedigen, en al zijn dialectische wapenen aan te wenden. Omdat Bernard
hier echter als verdediger van de Orthodoxie en niet van de Mystiek optrad, gaan
wij, dit punt verder met stilzwijgen voorliij.

-ocr page 101-

711

hij der Mystiek nuttig geweest. Hij heeft haar werkelyk een
gi\'oote schrede verder gebracht, door het vestigen en uitspreken
zijn eigene overtuiging, door de rijke uitstortingen van zgn
"^i\'ooni gemoed, door zijn eigen frissche en levenwekkende
^denkbeelden en theoriën. Wij hebben gezien hoe de specu-
latieve zijde der Mystiek van lieverlede geheel in Panthe-
ïstische Philosophie dreigde over te gaan; hoe zij was gewor-
den een mediteeren, niet meer over eigen ervaring maar over
die van anderen. Over het geheel kan er dan ook van zelf-
standige Mystiek, in dezen zin, in de geheele 10\'^« en 11\'i®
eeuw geen sprake zijn. De practische Mystiek openbaarde
Zich duidelijker, maar in den vorm wa.arin zij uit het Oosten
"^as gekomen, alleen door Ascese (Petrus Damiani f 1072).
d^e taak om de Mystiek in haar eigenaardige sfeer terug
^e brengen en haar rijke vruchten te laten dragen voor het
ieven, bleef voor Bernard bewaard. Men kan zeggen, dat de
Christelijke Mystiek, in den bepaalden zin van het woord,
hij hem eerst waarlijk zelfstandig en rein te voorschijn treedt,
^^at hij geeft is geen Philosophie, geen product van het wik-
kend verstand; het is de zuivere uitspraak van het onmiddel-
godsdienstig gevoel. Het is geen dor Pantheïsme, het
blijft niet staan by demoraliseerende Ascese; het is geen tot
egoïsme en zelfvergoding-leidend Mysticisme: het is een levend-
makende kracht, die in het geloof gegrond, waar zij kan,
nuttig wil zijn, en eigen welzijn om dat van anderen vergeet,
d^at Bernard\'s Mystiek zóó dicht aan de vroomheid des harten
naderde, komt hierdoor, dat hij, meer dan eenig Mysticus
doordrongen was van de hooge waarde der Heilige Schrift, die hij
door en door kent en nooit vergeet aan te halen. Dat zijn
^%stiek toch Mystiek bleef, is hieruit te verklaren, dat hij die
hrift niet liet zeggen wat zij zegt, maar haar allegorisch
\'Verklaarde i). Toch vervalt hij hierbij zelden in het ongerijmde.

1) Bernard neemt een drievoudigeJi zin: een historischen, een moreelen en een
ystischen zin in de Schrift aau. „Zeker zal ik door een verstandig man wel niet om
^ v erschillende schriftuitlegging veroordeeld worden, mits de waarheid altijd door
verdedigd worde; en de liefde aan welke de Schrift dienstbaar moot zijn, er
stichte, hoe meer ware verklaringen zij daaruit te haren behoeve zal
en kuuiien trekken. Waarom zon bet met het gebruik van den schriftzin

6*

-ocr page 102-

84

Waar hij in- in plaats van uit-lagi, doet hij liet meestal zóó
innig en zóó vroom, dat hy toch altijd sticht en goede gedachten
opwekt. — Door Bernard werd de Mystiek binnen de grenzen der
kerkleer teruggebracht en, voor zóóveel dat mogelijk was, op de
praktyk gericJit. Zijn veelbewogen en rusteloos leven maakte hem
tot een practisch man. Door ondervinding en rijke menschen-
kennis had hij een open oog voor de waarheid. Hij haatte
alle overdryving en, zoo iemand, dan was hij de man, om aan
de Mystiek, die, hoe eerbiedwaardig soms haar voorkomen is,
toch altijd een ziekteverschijnsel moet genoemd worden, het
ziekelijk karakter te ontnemen en gezonde levenskracht te
schenken.

Vóór Tauler en Iluysbroeck is de Mystiek nergens tot zóó
schoone ontwikkeling gekomen als bij den heiligen Bernard.
Daarom hebben wij, na rijp overleg, besloten,
hem als reprae-
sentant van de
vóór-duitsche Mystiek te nemen, en de betrek-
kelijk geringe ruimte, die wij daarvoor in dit werk beschikbaar
hebben, geheel aan zün eerbiedwaardige persoonlykheid te
wyden Van zijn volgelingen, Hugo en Richard van St.

anders gesteld ziju, dau met de dingen die wij dagelijks behoeven? Tot hoeveel
doeleinden dient — om iets te noemen — het water niet voor onze lichamen \'r
Evenzoo zal een schriftwoord, welk dan ook, niet onnut zijn
{non erii ab re) wan-
neer het een verschillenden zin geeft, gewijzigd naar de verschillende behoeften der
zielen."
Sermo LI in Cantt.

I) Bernard werd in 1091 te Eontaines uit een oudadelijk geslacht geboren. Ziju
vader Tecelinus bracht het grootste deel zijns levens onder de wapenen door, zoodat
dc opvoeding van den jongen knaap bijna uitsluitend aan diens moeder Aleida
(Aleth) werd overgelaten. Afkeerig van de ruwe levenswijze der ridders, zochten
destijds vele ernstige en vrome vrouwen van aanzien haar raadslieden onder de
geestelijken, en zóó gebeurde het dikwijls, dat deze den grootsten invloed konden
uitoefenen op de opvoeding der kinderen, terwijl de vaders zich daar weinig of
niet mede bemoeiden. Zóó wijdde dan ook de vrome Aleida reeds vroeg haar
derden zoon aan den dienst des Heeren. Zijn eerste tlieol. onderwijs ontving B. in
de kloostersschool te Chatillon. Het kloosterideaal zijner moeder zweefde den
jongeliug steeds voor oogen, en bewaarde hem in allerlei verzoekingen. Toch kon
hij zijn vurigen geest niet geheel onderdrukken, en iu verscheidene wereldsche
liederen, waaronder er zelfs vroolijke zijn aan te wijzen, gaf hij zijn gemoed lucht.
De dood zijner moeder, die hij zielsliefhad en nooit heeft kunnen vergeten, stemde
hem intusschen tot ernst. Door eigen neiging zoowel als door vei-schijningen zijner
geliefde doode daartoe aangespoord, besloot hij, twee en twintig jai-en oud, in het
klooster te gaan. Gloeiende van geestdrift, was hij reeds toen in het bezit van

-ocr page 103-

85

Victor, zullen wij alleen aantoonen, waarin zij den meester
aanvullen, en waarin zij zelfstandig de ontwikkeling der Mystiek

^nlk een ontzaggelijke mate van bezielende welsprekendheid, dat zijn enkel woord
Voldoende was zijn oom, zijn broeders, één voor één en ook zijn vader, hoezeer zij
Zieh aanvankelijk ook tegen verzetten, zijn voorbeeld te doen volgen.
Zóó groot
^as de invloed van Bernards woord, „dat de moeders haar kinderen voor hem
■^erborgen, dat de vrouwen haar mannen, de mannen hun vrienden terug hielden,
opdat hij ze niet wegnemen zoü" C. 3). Met 30 gezellen trad hij in het klooster

\'^iteaux, een der strengsten uit dien tijd. Met de grootste woede begon Bernard
Wer den strijd tegen de zinnelijkheid. Van voedsel, rust en slaap gunde hij zich
niet meer dan volstrekt noodig was oin in het leven te blijven. Door de zwaarste
inspaiininggj^ en ontberingen benadeelde hij zijn gezondheid zeer, en legde hij den
S\'ondslag voor de kwalen, waarmede hij later te worstelen had. lntn.sschen trok
de roep, die van Bernard uitging, zóóvelen naar Citeaux, dat hij reeds in het volgende
Jäar met 12 ordebroeders in een woest dal in het bisdom Langres werd gezonden,
oni däär een nieuw klooster te stichten. Dit wilde en onherbergzame oord, een
teïucht roovernest, dat vroeger Alsemdal
(vallü absintkialis) heette — „seu propter
sbundantem ibi absinthii copiam: seu propter amaritudinem doloris incidentium ibi
m luanus latronum" — werd in korten tijd door Bernard in het beroemde Lichtdal
{Clara VciUis: Clairveaux) herschapen, en spoedig woonden daar, hut aan hut, meer
dan 700 broeders. Ben merkwaardig tafereel van de rustelooze bedrijvigheid, die
daar heerschte te midden van een voortdurend stilzwijgen, alleen afgebroken door
lofzangen aan God, wordt door den biograaf opgehangen. Uit Clairveaux trokken
seharen van monniken naar alle oorden heen, zoodat er onder Bernards onmiddellijke
leiding 68, en onder die van zijne leerlingen 92 kloosters gesticht werden. Hoe
gaarne Bernard echter ook in de eenzame afzondering vertoefde, — hij placht te
®®ggen: „ivat ik weet van de verklaring der heilige Schrift en de kennis der god-
"^®lijke dingen, dat heb ik verkregen in bosschen en velden door inwendige beschou-
^^ing en gebed: ik heb geen anderen leermeester gehad dan beuken en eiken." cf. Zijn
ief aan den Engelsehen Hendrik Murbach, die op aansporen van Bernard monnik
^verd en later tot Aartsbisschop van York werd verheven: „Geloof iemand die uit
eiVrtiing spreekt: Gij zult nog iets meer in de bosschen, dan in de boeken vinden,
ßoomen en steenen zullen u leeren, wat gij uit den mond der Magisters niet
hernemen kunt" — toch was het hem niet vergund, zijn levensdagen in rust en vrede
door te brengen. Herhaaldelijk werd hij op het groote tooneel der wereld geroepen:
\'n al wat belangrijk was op het gebied van theologie, van kerk en staat, had hij
e hand. Met recht is dan ook gezegd, dat de geschiedenis van Bernard de geschie -
denis van zijn tijd is. Wij zullen hier het veelbewogen of liever veel bewe-
gende leven van den rusteloos ij verigen man, die tusschen Pausen en Pausen
(Innocentius II en Peter Leonis = Anacletns II) beslechtte, en tusschen
keizers en Keizers (Koenraad van Zw ab en en Loth ar ius) uitspraak deed,
\' door zijn bezielende taal eeij kruistocht in het leven riep, zóó algemeen, dat
vkasteelen en .steden zóó ledig liepen, dat zeven vrouwen nauwelijks één man konden
binden," die overal als wonderdoener geeerbiedigd, de ketterij overwon en onder
e A 1 big c 11 zen deed, wat noch geweld, noch de legaten des pausen vermochten —
zullen, zeggen wij, het leven van dezen man hier niet verder nagaan, omdat

-ocr page 104-

86

hebben bevorderd. Wat Bernard echter aangaat, zullen wy
trachten, zyn denkbeelden, zóó volledig als dat hier kan ge-
schieden, weder te geven, zóó veel mogelijk in zyn eigen woor-
den en in zijn eigen
vorm. Een stelsel, in den eigenlijken zin
van het woord, heeft Bernard niet. Toch ligt aan elk zijner
werken een weldoordacht plan ten grondslag, terwyl zy tevens
elkaar aanvullen. Wij hebben het daarom niet noodig geacht
zyn geschriften uit het verband te rukken, zijn gedachten in
willekeurige orde aan elkaar te rijgen en onder de etiquette
»het mystische systeem van Bernard van Clairveaux", den
lezer aan te bieden. AVij vertrouwen, dat het onderstaande
duidelijk bewijzen zal, dat men, ook waar het den logischen
gedachtegang betreft, gerust den weisprekenden Bernard zei ven
het woord kan laten doen.

De bestemming van den mensch is vereeniging met
God. Door de zonde evenwel is het hem onmogelijk ge-
worden dat doel te bereiken. Door haar invloed is het beeld
Gods, waarnaar hij geschapen is, verloren gegaan. Dit beeld
bestond in de v r ij h e i d van de n o o d z a k e 1 y k h e i d (kies-
vrijheid), vrijheid van de zonde (zedelijke vrijheid) en de
vry beid van de ellende (de zaligheid) i). Door misbruik
van de eerste, heeft de mensch de twee laatste vrijheden ver-
loren. De kiesvryheid zelve is echter, niettegenstaande den
zondeval, gebleven; zij is onvernietigbaar, en even groot bij
rechtvaardigen als bij de zondaren, en even volkomen bij de
engelen als by de menschen. De menschelyke vrijheid (in haar
drievoudigen zin) is alzoo beperkt, en het enkele willen is
haar overgebleven. Het kunnen verviel met de moreele vrij-
heid, terwijl het goede-te-willen buiten het bereik der wils-
vrijheid valt. Eerst wanneer de genade het goede voorhoudt,
kan zich de wil daarop richten. De bekeering is het gevolg
van de vereenigde werkzaamheid van de genade en den vrijen

liet niet mogelijk is lioofdpunteii aan te vvijzeu, waar alles even belangrijk is. Wij
verwijzen den belangstellenden lezer, die BerniU\'ds leven en zijn verhouding tot
zijn tijd wil leeren kennen, naar de bovengenoemde monographie van ISTeander.

De beste editie van Bernards werken is die van Mabillon, Par. KiOO en 1710
iu zes (2) deelen Fol. Danrin zijn ook de oiide biographien opge.noiuei!,.

1} I)<; ijrat. et lib, arb. C, 1 cii
I

-ocr page 105-

1). Het heil door gene aangeboden, moet door dezen uit
^^De beweging worden aangenomen »JMeemt men den vrijen
Weg, dan blyft er niets meer over wat zalig worden kan, —
\'leemt men de genade weg, zoo gaat de grond der zaligheid
verloren." Door de genade wordt de vrijheid van de zonde
hersteld, en daardoor de mogelijkheid voor den wil geboren,
zich tot het goede te voegen
{lïberum consilium). Zij moet
daarom de vrijheid der genade genoemd worden. Zij is door
Christus tot stand gebracht. De vrijheid van de ellende blijft
Noor het hemelsche vaderland bewaard. Alleen in den hoogsten
giaad der contemplatie wordt enkele malen in den geest iets
de zoetheid der hemelsche zaligheid gesmaakt en de

ellende

heeft

e vergeten.

Deze theoriën aangaande de vrijheid zijn het uitgangspunt
"\'^an Bernards geheele systeem. De aldus verloste mensch kan
krachtens zijn herstelde vrijheid zich op God richten. Het
middel, waardoor hij dat doet, is de beschouwing. Bernard

zyn theoriën omtrent de beschouwing het meest samen-

li-

<ingeï).d neergelegd in zijn werk de consideratione, hetwelk uit
^üf boeken bestaat, waarvan eigenlijk alleen het laatste zich met
de contemplatie bezig houdt. Het werk is gericht aan Paus
d\'higenius III (1145^1153), Bernards leerling en vriend. Het
Scheel ademt een ernstigen maar liefelijken geest, hoewel de
\'^\'(^hrijver met den grootsten nadruk en gestrengheid tegen de
misbruiken in de Kerk, de kuiperijen van het Roomsche hof,
\'vooral tegen den wereldsgezinden geest der Pausen te velde

trekt.

ju ideaal is de zuiver geestelijke theocratie ■\').

1- e. - c. b. -

O k^ —^ «Niemand wordt tegen zijn wil zalig, en boe groot bet getal

IS van ben, die de goede Vader tot zaligheid schijnt te iioodzakon of te trek-
, omdat Hij immers wil dat allen zalig zullcu worden — toch acht Hij
"\'tinand de zaligheid waardig, voordat hij eerst bewezen heeft, dat hij het wil."
ziiU 1 = 4, 10, 11; 11:2. Over de appellaties JU : 2, 3. Wij

lil ld verdere plaatsen aanhalen, omdat de lezer de meest praegnante verza-

kan vinden in Ncanders a. W. Hoezeer licrnard tegen de wereldlijke
j^\'"\' pansen is, blijke uit de volgende plaats: „Verwerf U goud eu zilver en

^^ schappijn maar niet uit kracht van een apostolisch roeht: want apostel koii
^ uiet geven, wat hij zelf niet bezat. Wat hij had, dat heeft hij gegeven: de zorg
\' " Kerk. Alct welke schenking? zult gij vragen: Hoor hem zelven: „Niet
■eersehappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden

-ocr page 106-

88

Het maakt een zonderlingen indruk op den lezer, te zien, hoe
de monnik met de grootste kalmte en in het sterke gevoel
zijner meerderheid, den Paus diens plichten onder het oog
houdt en hem den weg ter zaligheid wijst. Bernards ont-
zaggelijke invloed en indrukwekkende persoonlijkheid gaven
hem echter hiertoe ruimschoots het recht, zoowel in de oogen
van den Paus zeiven als in die zijner overige tijdgenooten.
Bernard onderscheidt de
consideratie van de contemplatie. De
eerste heeft meer betrekking op het onderzoek,.de tweede meer
op de zekerheid. De contemplatie definieert hij als: »den waren
en zekeren blik des geestes in de dingen, of het aan geen
twyfel onderhevige begrip van de waarheid; de consideratie
als het op het onderzoek van de waarheid gerichte nadenken.
Hij erkent overigens, dat beide benamingen dikwijls als syno-
nymen worden gebruikt. Zich aan de consideratie overgeven,
is vroomheid. Welk een practisch begrip hij zich omtrent
de consideratie vormt, blijkt uit de volgende plaats: »Voor-
eerst reinigt zij haar bron, d. 1. den geest, waaruit zij voort-

der kudde geworden zijnde" (1 Petr. V: 3). En opdat gij niet nioogt meenen.
dat dit enkel uit nederigheid gezegd is, en niet naar waarheid, zoo is het de stem
des Heeren in het Evangelie die spreekt: ;,I)e koningen der volken heerschen over
hen, eu die macht over hen hebben worden weldadig genoemd" (Luc. 22 ; 25) en Hij
voegt er bij; „G-ij echter oiet aldus." Het is duidelijk: aan de apostelen wordt
de heersi^happij ontzegd. Ga alzoo heen, en waag het, om. of als heerschappij voe-
rende het apostolaat, of als apostolisch man de heerschappij u toe te eigenen. Het
een of het andere is u verboden. Indien gij beiden tegelijk hebben wilt, zult gij
beiden verliezen." — Onder degenen die deze idee het krachtigst hebben voorge-
dragen behoort Bernards groote vereerder Dante genoemd te worden. Zie bijv.
Ptirffat. Oant. XVI : 127 (Vert. v. Kok.)

„O, zeg mij dan, of niet de kerk van Rome

Door tweeerlei gezag in zich te dragen,

In \'t slijk verzinkt, zich en haar last bezoedlend !

O Marco, vriend! wat hebt ge waar gesproken!
(Dus zeide ik) thands zie \'k in, waarom van erfgoed
De zonen Levi\'s waren uitgesloten."
cf. Ibid. Cmt XXXII : 46 en elders.

1) „Een heilzame vereeniging: dat gij, als Opperpriester u zeiven denkende,
tevens bedenkt dat gij stof en asch niet geweest zijt, maar zijt. Doe weg het
blanketsel van die vluchtige en voorbijgaande eer, den luister eener slecht gepleis-
terde heerlijkheid; beschouw uzelven naakt, gelijk gij naakt uit den schoot uwer
moeder voortgekomen zijt,"

-ocr page 107-

89

l^omt. Vervolgens belieerscht zij de hartstochten, bestiiurt zij
de handelingen, verbetert zij de afdwalingen, ordent zij de
^-eden, adelt zij het leven. Eindelijk brengt zij de kennis van
goddelijke en nienschelijke zaken mede. Zij is het, die
Avat
Verward is, van elkaar scheidt, wat gescheiden is, samenvoegt,
Wat onsamenhangend is, bijeenbrengt, het geheime doorgrondt,
de waarheid opspoort, het waarschijnlyke beproeft, wat ge-
huicheld is ontmaskert, het blanketsel wegdoet. Zij is het,
die, wat gedaan moet worden, vooruit beschikt; wat reeds ge-
daan is, herdenkt, opdat er niets onverbeterd of verbetering
behoevend in de ziel overblijve. In voorspoed heeft zij een
duidelyk voorgevoel van rampspoed; den tegenspoed gevoelt
als het ware geheel niet" i). De consideratie moet be-
ginnen met zelfkennis. De mensch moet zich hierbij drieërlei
Vlaag stellen: wat, wie en hoedanig hij is en geweest is,
daarover nadenken -). Dit is echter slechts middel, het
eigenlijke doel is de beschouwing Gods. »De consideratie
IS telkens op een vreemdelingsreize, wanneer zy van het hoogere
tot het lagere en zichtbare nederdaalt, om dat te leeren ken-
\'len, of om het te begeeren, of om het plichtmatig aan te
Wenden. Wanneer zij zich echter zóó met het lagere bezig

1 *J O O

Oïidt, dat zij daardoor het hoogere zoekt, dwaalt zy niet

®i"re af. Zóó te beschouweji is in het vaderland terugkeeren,
i^^patriare). Dat is het meer verhevene en waardige gebruik der
dingen, wanneer, naar Paulus\' woord, de onzienlijke dingen Gods
mt Zijn werken worden begrepen en aanschouwd \'\'). Zulk een
bidder dient echter alleen den ballingen, de bewoners van het
^ aderland behoei-en haar niet. Zij zien het Woord en wat in
bet Woord gemaakt is door het Woord, en behoeven de ken-
\'iis des Scheppers niet van het geschapene af te bedelen. Dat
gevoelde Paulus ook, toen hij er uitdrukkelijk bijvoegde »door
bet schepsel der wereld" (a
rreatura mundi) De hemelsche

I) Oe Consid. 1:7- 2 2
f) 1. c. II: 4. -

1- V : 1 rf. Rom. 1 : 20.
■i) -Dat Beruard hier verkeerd exegetiseert is duidelijk voor ieder, die het Griekseh
Rom. 1 : 20 vcrst;uit. Daar dit echter niet Bernard niet het geval was, is
"ji" misslag zeer begrijpelijk.

-ocr page 108-

90

schepselen hebben de bemiddeling der zinnen niet noodig. Zij
zijn zich zei ven zin, zich zeiven gevoelende."

»Dat is het beste zien, vfanneer men niemand noodig heeft,
en, voor al wat men weten wil, zich zeiven genoeg is. Wi]
daarentegen zijn hier beneden van God gescheiden, en de plaats
waar wy zijn, is een dal, een dal der tranen, waarin de zinne-
lijkheid heerscht en de beschouwing verbannen is, — waar de
lichamelijke zin vrij en onbeperkt heerscht, terwijl het geeste-
lijke nog in banden en duisternis verkeert." Bernard onder-
scheidt vervolgens in de contemplatie drie graden. Groot noemt
hij, — en wij hebben hier gelegenheid, in overeenstemming met
het bovengezegde, op te merken, hoe vrij Bernard is van over-
spanning en overdrijving, met hoe weinig hij tevreden is, in ver-
gelijking met andere Mystici, voor wie het hier volgende slechts
een niet noemenswaardig bagatel is, — groot noemt hij dengenen,
die zijn aardsche middelen onvermoeid aanwendt tot zijn eigen
welzijn en dat van vele anderen. — Niet minder groot noemt hij
hem, die door de Philosophie van het aardsche tot het onzichtbare
opstygt. Voor den grootste van allen echter houdt hij hem,
»die het gebruik der dingen en der zinnen versmaadt, zoover
dit namelijk aan de menschelijke zwakheid vrij staat, en, niet
door gradueele opklimming, maar door plotselinge verrukking
{raptus), somwijlen zich in de beschouwing tot het boven-
aardsche verheft." Deze drie graden noemt hij 1. de
conside-
ratio dispensitiva,
werkzame beschouwing, die door een geordend
en maatschappelijk gebruik van de zinnen en de zinnelijke
dingen, God zoekt te verdienen; 2. de
consideratio aestimativa,
die alles verstandig en naarstig doorvorscht en overweegt om
God te doorgronden; 3. de
consideratio speculativa, die zich in
zich zeiven terugtrekt en, voor zóóverre zi.j door goddelijke
hulp ondersteund wordt, zich van de menschelijke dingen los-
rukt, om God te aanschouwen, üeze graad is de vrucht van
de vorigen, zonder welke zij niet zijn, wat zij schijnen. De
eerste zonder den derden ("aanschouwing) zaait wel, maar oogst
}iiets. Wanneer de tweede zich niet op den derden richt, verheft
hij zich wel maar komt hij tot niets
{vadit sed non evadii). Der-
halve wat de eerste wenscht, ruikt de tweede en smaakt de derde.
Tot dit smaken leiden ook de beide anderen, maar langzamer,

-ocr page 109-

91

Wel zóó, dat de eerste meer door werken, de tweede meer
rusten daartoe komt. » De dingen die boven zyn, wor-
niet door bet woord geleerd, maar door den geest geopen-
•^ ard. Maar wat door- geen redeneering vei-klaard wordt, dat
^oeke bet leven zicb waardig te maken en ket reine kart zal
Verkrijgen." De kennis aangaande God en de zalige
beesten is drieëerlei. Zy bestaat in meenen, gelooven en
®û_nen
[opinio, ßdes, intellectus). »Het kennen steunt op de
kei gelooven op bet gezag, bet meenen op de enkele
jvaarscbijnlijkkeid. Het kennen en ket gelooven kebben beide
je^zekere waarheid, met dit onderscheid, dat die waarheid bij
® geloof nog verborgen en bedekt, by de kennis onthuld en
geopenbaard is. Het meenen heeft niets zekers. »Men moet
^ ^ vooral tegen verwarring op zijn koede zijn, opdat niet
geloof het onzekere van de meening als uitgemaakt aan-
ûe^e, oi de meening den zekeren en uitgemaakten inkoud van
^ ® geloof aan het wankelen brenge. De meening wordt door
^ Weren vermetel, ket geloof door twijfel verzwakt, terwijl
intellectus, wanneer hij in het gesloten heiligdom van het
O ot Wil inbreken, zich aan gebrek aan eerbied voor de
goddelijke Majesteit schuldig maakt" s),.

^ ^ Oor dat wy verder gaan zullen wij, tot reckt verstand van
® gekeel, Bernard\'s gevoelen omtrent het weten eenigszins
^^dei toelichten. Ofschoon bij zich een enkelen keer zeer
l^ugunstig daaromtrent uitlaat — zóó zegt bij byv. ergens, dat
Weten niet alleen de oorzaak van den zondeval is geweest,
naar ook nu nog altijd de bron van de grootste zonden is —
legt nien zich
wanneer men meent, dat hij alle kennis
Slachtte. Als Mysticus kon kij natuurlijk geen vrede vinden,
de resultaten van ket sceptisck-rationalistisch onderzoek
Abailard. Als wèldenkend man kon hij echter met zijn

^^ Considérât. V • 2
1. c. V : 3.

praelil^^-\'^ ^\'ordeii aldus gcdeliuieerd : „.Fides est volimtai-ia quaedain ot certa
ceit\'i -t propalatae veritatis. I u t e 1 i e c t ii s est rei cuiuseunque invisibilis

esse "i\'iniiesta notitia. Opinio est quasi pro vero habere aliquid, quod falsura
-las. . autem makmius scire, quam quae fide jani scimus. Nil supererit

l^eatitudin.

lem, cum

•i) In

ad

quae jam certa simt uobis, erunt aeque et nuda." 1. c. Hl-

ascemione Bomini Sermo IV.

-ocr page 110-

92

helder verstand evenmin alle kennis en wetenschap verwerpen-
Hy heeft dit ook niet gedaan, en zijn eigen woorden zijn
daar om dit te bewijzen: »Het zal kunnen schijnen", zegt hij i),
» dat ik in de beschimping
(in siiggillatione) van de wetenschap
te ver ben gegaan, alsof ik de geleerden berispte en de beoefe-
ning der wetenschappen zou willen verbieden. Dat zij verre!
Ik weet zeer goed, hoeveel nut de geleerden
(litterati) de kerk
hebben aangebracht en nog aanbrengen hetzij tot wederleg-
ging van de tegenstanders, hetzij tot onderwijzing van de
eenvoudigen. Ook heb ik gelezen: »Omdat gij het weten ver-
worpen hebt, zoo zal Ik u ook verwerpen, dat gij Mij het
priesterambt niet zult bedienen" Maar ik weet ook waar
ik gelezen heb: »De kennismaakt opgeblazen" en wederom:
»Wie kennis vergadert, vermeerdert smart" De Schrift
verbiedt niet het weten in het algemeen, maar meer te weten
dan noodig is. Wat is echter met matigheid weten V Zorg-
vuldig opmerken wat het meest en het eerst behoort geweten
te worden, want de tijd is kort. Er zijn er die naar weten-
schap streven, met het enkele doel, om te weten; dat is een
schandelijke nieuwsgierigheid. Anderen willen kennen, om zelve
gekend te worden: dat is een schandelijke ijdelheid, reeds door
Persius gegeesseld met zijn: »scire tuum nihil est nisi te scire
hoe sciat alter."") Anderen willen wetenschap vergaderen,
om hun kennis te verkoopen, bijv, om geld, om stand of rang
en dat is schandelijke winzucht. Anderen, eindelijk, streven
naar kennis, om te stichten: dat is liefde. Van deze allen
maken alleen de twee laatsten geen misbruik van de weten-
schap, omdat zij willen kennen om goed te doen. Want »de
kennis is goed voor allen die haar betrachten" Bernard
wil de kennis dus niet veroordeelen, maar raadt aan, om de
kortheid des tijds, vooral datgene te weten en te kennen wat
met de zaligheid in het nauwste verband staat. »Schrijven
niet de geneesmeesters van het lichaam, voor het gebruik der

1) Iti Cantt. Sermo XXXVT.

2) Ilosea IV: 6.

3) I Cor. VIII: 1.

4) Fred. 1: 18.
5t Sat. r.

6) cf. Psalm. CXI; 10. — Vwlff. (CX ; 10) „Intcllectus tonus omnibus facieritibus eum".

-ocr page 111-

721

®Pyzeii, bepaaldelyk voor, wat vroeger en wat later, en in
Welke boeveellieid alles genomen moet worden ? Want, ofschoon
let zeker is, dat de spijzen die God heeft geschapen, goed zijn, zoo
inaakt gij zg
j^q^ ig^g niet-goeds, wanneer gij maat noch orde
m acht neemt. Derhalve, wat ik van de spyzen zeg, pas gy dat
ook op de wetenschappen toe." De kennis die Bernard wil, is
"vooral zelfkennis, die leidt tot ootmoed, de bron van alle deugd.

Vatten wij na deze uitweiding, den draad van ons onderzoek
Weder op! Langs de drie genoemde wegen, wordt nu eerst
Wezen der eu gelen nagevorscht. (C. 4 en 5), waarby de ver-
deeling in ^jj-ig driedubbele koren van Dionysius gevolgd
Wordt. Daarna richt zich de beschouwing op God zeiven.
^ Wie is God ? Waarlyk, daar is voor God geen betere naam
»die is". Wanneer men God goed, groot, zalig, wijs of
e anders ook noemt, dan is telkenmale tegelijkertijd uitge-
sproken »Hij is"; al voegde men er nog honderd zulke bepa-
. by? men houdt toch altyd het begrip zijn over. Wat
de oorsprong, die ze]f niet geworden is, uit Wien, door
len en in Wien alle dingen zyn i). God is het volkomenste
gedacht kan worden. God is de Drieëenheid, d. i. Hij is
iix drie personen. Vraagt iemand hoe deze bepaling, die
catholiek noemen, mogelijk is, het zij hem genoeg, te weten,
^ bet zóó is. Het is een groot, heilig mysterie, dat men
Jereeren moet, maar men mo\'et het niet willen doorgronden"
^ de drie personen bij God, is de natuur enkelvoudig, gelijk
^gekeerd bij Christus meerdere naturen in één persoon ten
Nauwste vereenigd zijn »Wat is God? Gij zult u misschien
i\'geren, indien ik nog verder voortga te vragen wat God is,
^ooreerst omdat wij die vraag reeds zoo dikwijls hebben ge-
\'^ii) ten tweede omdat gij twijfelt of het antwoord wel ge-
bonden zal worden. Ik zeg u, vader Eugenius, het is
^ een God, die nooit te vergeefs gezocht kan wor-
dan niet wanneer men Hem niet vinden
aii Wat is God? evenzeer de bestraffer der zonde, als

1) 1. C. 0. VI Cf. c. IX. - Hom. XI: 36.

-De V . 8

c. c. 9. "
e. c. 11.

-ocr page 112-

04

de verliooger der nederigen. De straf bestaat in de herinne-
ring van het yerledene. Dat is de worm die niet sterft
Het doen valt wel in den tyd, maar het gedaan zijn duurt in
eeuwigheid. Met den tijd gaat niet voorbij, wat in den tijd
voorbijgaat »Daarom moet de kwelling eeuwig zijn, omdat
gij u eeuwig herinneren zult kwalijk gehandeld te hebben\'\' \').
Wat is God?
Lengte, hoogte, breedte en diepte.

Dit is geen vierheid. De enkelvoudige God wordt zóó om-
schreven naar ons bevattingsvermogen, niet naar Zijn wezen.
Ons begrip heeft die verdeeling. God niet Om onze zwak-
heid moeten wij dit
vierspan gebruiken, ten einde tot de kennis
van Gods wezen te komen. De Wagenmenner zelf heeft ge-
zegd, dat wij moesten trachten te begrijpen, met alle heiligen,
welke de breedte en de lengte en diepte en hoogte zij Wat
is dan de lengte ? de onbegrensde eeuwigheid, en de breedte,
de oneindige liefde. De hoogte is de almacht, de diepte, de
wijsheid Gods Het is echter niet genoeg dit te weten, wij
moeten het ook begrijpen. »Met alle heiligen", zegt Paulus.
Om dit te kunnen moeten wij derhalve heilig worden. Heilig
maakt ons een vroom gemoed, en de tweelingzusters : heilige
vreeze des Heeren en heilige liefde. Wanneer deze
volkomen in de ziel wonen, dan grijpt, omhelst, beroert, omvat zij

1) Jesaia LXVI : 24.

2) Bernard is een groote vriend van woordspelingen, die echter, zooals dat veelal
het geval is, niet altijd even goed doorgaan. Het oorspronkelijke heeft; non trans-
ibit cnm tempore, qond tempore transit.

3) C. 12.

4) ,;Tenemus te quaternitatis (quam abominatas es) proi\'essorem? Minime. Abo-
minatus sum et abominor, Visus sum. protulisse plura, sed unum est. TJnus
Beits gig nat lis est pro ca ft tu nostro, non pro suo statu. Bi vi sus
est hic non ille."
— Helfferich vertaalt deze plaats iu zijn Berihnale altchrist-
licher Mystik,
S. 154 zóó onhandig mogelijk. »Als Einer (hij spatieert) wird
Gott bezeichnet nach unserm. Fassungsvermögen, nicht nach seinem Stande. Getheilt
ist er in letzterer Beziehung, in ersterer nicht." üit geeft in het verband, zooals
ieder zien zal, volslagen onzin. Wij releveeren dit alleen, omdat wij vele onnauw-
keurigheden van dien aard in genoemd werk hebben aangetroffen. H^t zoü een
geringe moeite zijn daar versoheiden sprekende staaltjes van aan te halen, ofsehoon
wij maar enkele brokstukken van dit boek hebben ingezien. Zeer juist merkt hij
in zijn voorrede aan „es handelte sich iiicht um ängstliche IJebersetznugstreue."

5) Sph. III : 18.

6) 1. c. c. 13.

-ocr page 113-

95

Hem met liaar beide armen, en roept zij uit: »Ik houd hem vast
en. zal Hem niet loslaten" De vrees ontspringt uit de
hoogte
en diepte
(door de beschouwing van Gods almacht en wijsheid)
de liefde uit de
]>reedte en lengte (uit de beschouwing van
Gods eeuwige liefde). In verband met dit viertal, onderscheidt
I^ernard nu vier soorten van contemplatie. De eerste en
hoogste is de bewondering der Majesteit Gods. Zij vereischt
een gereinigd hart, opdat het zich, van den last der zonde
bevrijd, gemakkelijk tot het bovenzinnelijke verheffe, eir somtijds
den bewonderaar in verrukking buiten zich zelve brenge. De
tweede is voor de eerste noodzakelijk, want zij aanschouwt de
berichten Gods: deze aanblik schokt den mensch, verdrijft de
ondeugden, legt den grondslag tot de deugd, wijdt den mensch
^n de wysheid in, en bewaart den ootmoed, die de grond van
^dle deugden is De derde (analoog met de
Ireedté) houdt
^leh bezig, of liever, rust in het gedenken van de weldaden, en
"v^ekt liefde jegens den weldadigen schenker. De vierde (=
lengte)
"vergeet bet verledene en rust in de verwachting van de be-
loften. Daar deze bestaat in de meditatie van de eeuwigheid
(want de dingen die beloofd zijn, zijn eeuwig), voedt zij het
geduld en geeft zij frissche kracht aan de volharding. Zelf
gevoelende, dat door dit alles de raadselen van het wezen
^ods nog geenszins zijn opgelost, besluit hij: »Zóóhebben wij
dan gezocht naar Hem, die nog niet genoeg is gevonden en
^let te veel gezocht kan worden. Zeker wordt Hij doorbidden
nieer overeenkomstig zijn waardigheid gezocht, dan door dispu-
teeren, en stellig gemakkelijker gevonden. Laat dit het einde
^^n het boek zijn, maar geenszins van het onderzoek"

Wij hebben boven gezien, hoe Bernard, zonder verdere ont-
wikkeling, twee middelen opgeeft om tot heiligheid te komen,

1) lioogL III : 4.

De ootmoed is volgens Bernard de kroon van alle menschelijke deugd, gelijk
trotschheid (— het vertrouwen ojj eigen kracht, en het bewustzijn van eigen
enste) de bron vim alle zonde is. Bernard wijdde aan dit onderwerp een
ijk geschrift:
de gradibus humüitatis et mperbiae. — Als voorbeeld van
® en ootmoed wordt Maria gesteld. — De ootmoed wordt verder vergeleken
^^ Ce lelie der dalen. — Zóó mag ook Dante geen voet op den Louteringsberg zetten,
^ zija leidsman Virgilius . hem mgt den lischhalm der ootmoedigheid heeft
""igord. cant. I,

-ocr page 114-

96

t. w. de vreeze des Heeren en de liefde. Over het rechte
begrip en het verband van deze twee, handelt zyn geschrift
de diligendo Deo. Willen wij Bernard als den voorlooper van
de Duitsche Mystiek leeren kennen, dan mogen wi] niet ver-
zuimen van deze verhandeling kennis te nemen.

»De grond, zoo heet het ter bedoelder plaatse, de grond
waarom men God moet lief hebben, is God zelf. De wijze
waarop men dat moet doen, is, dat men hem zonder wijze bemint."

Voor wie dit niet verstaan kan, wordt aangetoond, dat er
twee redenen voor de liefde tot God zijn: 1. omdat men tot
geen liefde grootere verplichting heeft; 2. omdat geen liefde
meer winst geeft.
Omdat men voor geen liefde grootere ver-
plichting heeft,
want: heeft God ons niet het eerst lief gehad,
niettegenstaande Hy ons niet noodig heeft? Hebben wy Hem.
niet alles te danken wat wij bezitten, leven, voedsel, licht, lucht
enz. ? Om dit alles verdient God- reeds door de ongeloovigen
bemind te worden, die, ofschoon zij Christus niet kennen, toch
zieh zeiven kennen i). Jood en keiden worden eckter lang niet
door zóó sterke prikkels tot de liefde tot God gedrongen als de
kerk, die uitroepen moet: »ik ben krank van liefde" »Zy

1) De dilig. Deo, C. I—III.

2) Roogl. III : 9. Nu volgen allerlei zinnelijke voorstellingen, die de innige
betrekking tusseben Christus en zijne bruid veraanschouwelijken. Op echt mystische
wijze worden zij vastgeknoopt aan woorden uit het Hoogelied, of liever al wat
daarin staat, wordt, omdat het gedacht werd bedoelde betrekking te openbaren, op den
toestand der ziel overgebracht. — Het valt niet te ontkennen, dat de meeste grof
zinnelijke beelden en uitingin der llystiek juist aan het Hoogelied moeten worden
geweten, üe uitdrukkingen „geestelijke dronkenschap" „geestelijke bruiloft" mot
al wat daaraan annex is, zijn daaraan ontleend. De door strenge Ascese terugge-
drongen zinnelijkheid van den Mysticus, kon zich nergens beter te goed doen dan
aan den geestelijken \\vellust, door de meditatie over dit bijbelboek teweeg gebracht.
Door da allegorische verklaring, wier recht reeds door het opnemen van het
„lyrisch
dramatische"
gedicht in den canon scheen gewaarborgd, wekte het nog veel meer de
voorliefde der Mystici, omdat daardoor vreemd genot tot eigen gemaakt werd.

„De Allegorische verklaiiag werd na Origenes (f 251) algemeen aangenomen, zoodat
Theodoras van Mopsueste f 428 met zijn bewering, dat het Hooglied letterlijk moet
worden opgevat en ten onrechte ouder de heilige Schriften is opgenomen, geheel
alleen staat; ook op grond van dit haeretische gevoelen werd hij op de 5de oeco-
menische Synode te Constantinopel (353 n. Chr.) veroordeeld. Geen beter lot trof
Castellio, die o. a. ook wegens zijne verklaring van het Hooglied in 1544 uit
Genève verdreven werd." Prof. A. Kuenen,
Historisch critisch onderzoeJc naar het
ontstaan en de verzameling van de hoehen des O. F.,
Deel III, p. 392.

J

-ocr page 115-

97

^let den ééngeboren Zoon des Vaders, hoe Hy zyn kruis draagt.

ziet den Heer der majesteit geesselen en bespuwen. Zy
^let den Schenker des levens en der heerlykheid, van nagelen
doorboord, met de speer doorstoken, met smaad overladen,
eindelyk den adem uitblazen voor zyn vrienden. Dat alles ziet
^ï)) en dan gaat het zwaard der liefde door haar eigen ziel."

I\'och is dit nog niet alles. By de vruchten die aan het
i^uishout rypten, komen nog de heerlijke bloemen van \'sHeeren
opstanding, van de opstanding, door welke de zomer is ge-
l^omen en het nieuwe, frissche leven uit den dood is ontwaakt,
vóór dat Christus kwam, luidde het gebod: Gy

ï^eeds

^^It den Heer uwen God lief hebben, met heel uw hart, met
® uw ziel, met heel uw vermogen. Moet dan
nu de liefde
tot God niet de volkomen liefde zyn? »De geloovige, die al
eze dingen ziet, heeft ruimschoots stof om uit te roepen:
Hoe
ik alzoo den Heer vergelden al de weldaden, die Hij aan mij
^^J\'t gedaan
By de eerste schepping gaf Hij my
mij zeiven, by de tweede (de wedergeboorte)
Saf Hy zich, en toen Hy zich gaf, gaf Hy my aan
^ zelven weder. Ik ben gegeven en wedergegeven.

ben myzelven schuldig, voor mij zeiven; myn
^•^^nld is dubbel. Wat zou ik den Heer voor Hem
"Ven kunnen teruggeven? Al kon ik
mij ook
^izendmaal betalen, wat ben ik tegen God"
yii God, mijn helper, ik heb ü lief om Uw ge-
enk minder dan ik moest, maar toch

^aarlijk niet minder dan ik kan. Want al ben ik
Qog zooveel verschuldigd, ik kan toch niet
^ eer dan ik kan. Ik zal echter meer kunnen, wan-
^ ■ei zult verwaardigen mij meer te sehen-

maar nooit zóóveel als Gij verdient. Uwe
^\'liU onvolmaakt gezien Maar toch zullen

^ cn in Uw boek worden opgeschreven, die daar
^ n Wat zij kunnen, al kunnen zij niet wat
zy
— Zoo, geloof ik, is het duidelyk genoeg, hoezeer,

CXVl : 12.
düiff. Beo, C. 5.

CXXXIX ; 16.

-ocr page 116-

98

hoe en waarom God bemint verdient te worden. Neen, ik
^eg waardoor, want, hoezeer Hij het verdient, wie zou
dut begrijpen, wie zou het uitspieken, wie zou het ver-
staan?" 1)

Ts dus aangetoond dat de mensch, maar inzonderheid de
Christen, tot niets meer dan tot liefde tot God verplicht is, nu
wordt het tveede punt behandeld:
de liefde tot God blijft niet
onbeloond.
De liefde vraagt wel geen belooning, maar zy
krijgt die toch. Het loon der liefde bestaat in het
voorwerp van de liefde zelf. De ziel, die God liefheeft,
zoekt alleen God zeiven, als het loon harer liefde, en wanneer
zij iets anders zoekt, dan bemint zij God niet.

De mensch streeft van nature naar het hoogste goed: door
een omweg zoekt hy het in de aardsche dingen, welke hem
nooit geheel bevredigen. Het is echter niet door de zinnelijk-
heid, maar slechts door den geest te vinden — in God. Hy
stilt dat verlangen, gelyk Hij het opwekte. Hij zelf is het
voorwerp van ons verlangen. Zóó is God tegelijk de werkende
oorzaak, en de eindoorzaak van de liefde tot God, en is het
derhalve duidelyk gemaakt, wat in den beginne gezegd is: »de
grond, waarom men God moet liefhebben, is God zelf
Wat wij God
moeten toonen, is dus liefde."

Allereerst doet zich nu de vraag op: Wat is liefde? Het
antwoord, dat Bernard op deze vraag geeft, behoort stellig tot
het schoonste, wat ooit door de Mystiek is voortgebracht.
Bernard onderscheidt in de liefde vier trappen. De liefde be-
gint met zelfliefde. De eerste trap is die der vleeschelyke
liefde, waarop de mensch zich zeiven lief heeft, om zich
zei ven. Zy is een gevolg van de noodzakelijkheid. Om haar
binnen de perken te houden, is het gebod gegeven: »Gij
zult uw naaste liefhebben als u zeiven" Ziet de mensch
echter, dat hij door zich zeiven niet bestaan kan, dan begint
hij God, als iets voor hem noodzakelijks, in het geloof, op te
zoeken en te beminnen. Dit is de tweede trap der liefde,
waarop de mensch God lief heeft om zich zeiven. Door

1) J)e dilig. Deo, c. 6.

2) Ibid. C, 7.

3) Matth. XXII ; 39.

-ocr page 117-

99

^ndervinding van Gods genade in tijd van nood, begint hij
® te eeren, en door
nadenken, diOOi lezen, ^lOOT gebed en diOOX
3^\'^^ooTzaamh.eid zich menigvuldiger tot Hem te wenden, onder-
j\'^ïidende hoe liefelijk de Heer is. Dat is de derde trap:
e tot God om Gods wiL »Op dezen trap blijft de
^^ensch langen tijd staan". — De vierde trap der liefde is die
\'^fiarop de mensch zich zelven lief heeft alleen om Gods
»Gelukkig", zegt Bernard — en wy hebhen hier wederom
" ®§enheid op te merken, hoe bezadigd hy is in vergelijking
® de overspanning van andere Mystici — »gelukkig hy, die
^^ardig ig dezen trap te bereiken. Wanneer zal -vleesch en
dit^*^\' het leemen vat, de aardsche tabernakel

vatten? Wanneer zal de ziel, vervuld van dit gevoel,
onken van goddelijke liefde, zich zelven vergetend, en als
gebroken vat beschouwend, geheel in God ingaan, Hem
\'^^ühangen, één geest met Hem zijn i) en zeggen: Al ver-
h^^^^^ lichaam en ziel, zoo zijt Gij toch. God van mijn
mijn deel in eeuwigheid Zalig en heilig noem ik
^ \' zóó iets in dit
sterfelijk leven, nu en dan, ja zelfs
Hik.\' maal, en dat nog wel in snelle vlucht, nauwe-

(ii t "Oogwenk en niet meer, te genieten is gegeven", —
ontga den lezer niet, hoe Bernard bij al zyn gloed en
het ^ ^^^ duidelijk de grenzen van het
hier en ginder in
houdt) ~ »want u zelven als het ware te verliezen,
^an ^^^ ^^^^ waart, u zelven in het geheel niet meer te voelen,
beh ^ ontledigd, en bijna
vernietigd te worden: dat

gjj tot de zaligheid van hen, die in den hemel verkeeren,
ster^^^^ ^^^ ^^^^ menschelyke gevoel. En al wordt dit ook een
late^^^^^^\' ^^^ enkelen keer, voor één oogenblik, toege-

^ \' dan komt dadelijk de ijdele wereld, met haar nyd
des j ^^^ beiden, de boosheid des daags stoort hem, het lichaam
oodg bezwaart hem, de behoefte van het vleesch verontrust
tiein fi

Ho»\' zwakheid van het bederf houdt het niet uit en, wat
liff/^^^\'^^^^ sterker werkt dan dit alles te zamen: de
tot de broeders roept hem terug".

1 Cor. VI . 17
^ <iili9. Beo, C 10.

-ocr page 118-

100

Is dat laatste niet een schoone trek, lezer! Is het een
Mysticus, dien wi] hier hooren spreken? Zoü dat woord mis-
plaatst zyn geweest in den mond van den Apostel der liefde?
Het hoogste geluk dat de contemplatie kan geven, de zalig-
heid, die eigeniyk voor den hemel bewaard is, moet worden
opgegeven uit liefde voor de broederen. Hier zyn de kluisters
der zelfzucht verbroken, hier brengt de dienende liefde haar
hoogste offer, hier is de wyde kloof, die Mystiek van waren
godsdienst scheidt, overschreden. Zie, het zyn geen groote
woorden, waarmede wij hier te doen hebben; waarachtige
ervaring doet Bernard zóó spreken. Ofschoon hy dorstte naar
de gemeenschap met God, toch had ky zyn tijd, zyn denken
en doen, zyn hoofd en zyn hart veil voor ieder, die zyn hulp
inriep, en hoezeer hy naar stille afzondering verlangde, gingen
zyn meeste levensdagen in yverigen dienst van kerk en staat
voorbij.

Om tot dezen trap te kunnen opklimmen, moet de wil vol-
komen gelouterd worden, en de gekeele menschelijke gezindkeid
verdwynen, ten einde gekeel in Gods wil veranderd te worden.

»Gelyk één droppeltje water in veel wijn gegoten, gekeel
opgelost sckynt, tcrwyl het den smaak en de kleur van den
wyn aanneemt; evenals een gloeiend yzer geheel aan het vuur
gelyk wordt, — gelijk de van het zonnelicht doordrongen lucht,
in de helderheid des lickts veranderd wordt en ket lickt zelf
schynt te zyn — zóó moet ook op onuitsprekelyke wyze de
gekeele menschelyke gezindkeid in het heilige versmelten en
geheel in Gods wil overgaan. Hoe kan God anders alles in
allen zyn, wanneer in den mensck nog iets van den mensch
overbleef?" — Opdat ket niet schijnen mocht, dat hij een vol-
slagen vergoddelyking der creatuur leerde, voegt Bernard er
nog uitdrukkelyk bij: »de substantie blijft wel, maar in
andere heerlijkheid, in andere volmaaktheid, in andere kracht." —
Hy wil niets weten van een bewusteloos wegzinken in de
Godheid. De onsterfelijke ziel kan, volgens hem, nooit haar
bewustheid verliezen. Door dat te doen, zoü zij ophouden te
bestaan, wat met haar onsterfelykheid onvereenigbaar is

1) Be Consider. V : 13.

-ocr page 119-

101

raenseh kan nooit één worden met God, maar wel met
^ vereenigd. Hij kan nooit komen tot wezenseenheid met
eu Oneindige, maar wel tot overeenstemming en gelijkvormig-
• een onderscheid dat door
unum en unus wordt uitgedrukt
P aarde kan deze hooge volmaaktheid der liefde niet bereikt
borden: »want nooit wordt het der ziel mogelyk zich geheel
^ Grod te verzamelen en aan Gods aangezicht te hangen,
•■oolang zij tot den dienst van dit gebrekkige en lastige lichaam
verplicht. De ziel mag hopen in het geestelijke, onsterfe-
\\ onverdorven, vol stilte en liefelijkheid en in

den geest onderdanig is, den vierden trap der liefde te
ö^ijpcn, of liever daarin gegrepen te worden: want het staat aan
s gerechtigheid, dat te geven aan wien zij wil, en niet
de menschelijke begeerte het te bewerken Ook de af-
ö^iatorvene zielen kunnen daartoe niet komen, voordat
de lichamen door de hemelsche heerlijkheid doorschenen
borden. »Het lichaam wordt niet afgelegd, noch wederom
j^aagenonien, zonder rijke winst voor de ziel. De ziei, die God
^ eeft wordt geholpen door het gebrekkige, door het doode,
tot^^ opgewekte lichaam; het eerste tot boete, het tweede
de rust, het derde tot de volmaking. Het is dus billijk, dat
^ ziel niet volmaakt wil worden,
»zonder dien trouwen makker,
haar in eiken toestand behulpzaam was." Bernard tracht

"x^ zegt: „ik beu iu deu Vader eu de Vader is iu mij, eu wij ziju ééu."
^yjj \' De meusch daarentegen; „ik\'ben in God eu God is in mij en

één^ ^ ^ Cr e e s t." " „De overeenstemming msiakt het, dat twee in één geest,
ming 8\'ij nu het onderscheid. Wezensgelijkheid en overeenstem-

tibil^^"\'» ^^^^^ hetzelfde. (Non est idem profecto consubstantiale et conseu-
voorbeeld voor de eenheid door overeenstemming haalt hij aan
\' „de menigte nu der geloovigen was één hart en ééne ziel."

dilig. Beo, C. 10.

h"\' bekeud is, was Bej\'uard een streng Asceet. Niet alleen

stilz^ ■•gewone monniksdeugden; vrijwillige armoede, eenzaamheid,
8®estes ^ maar hij wil, dat het lichaam zal gedood worden als vijand des

wint ™ dezelfde mate als het lichaam verzwakt wordt, de geest in krachten

\'^e st-*^^ verzoeking ophoudt {In fest. omn. sanctt. sermo V). Onthouding is
vold plicht. Krankheid en zwakte van lichaam zijn bij monniken geen

"getrouw^ Dat de vriendeijilö v\'iiVlTO.VJdng

Zal de ^^iker" dus, om het platweg te zeggen, veel naar apenliefde gelijkt,
ezcr stdlig wel met mij eens zijn.

-ocr page 120-

102

de zaak duidelyk te maken, door een beroep op bet Hooglied.
»De bruidegom", zegt by, »noodigt tot dezen drievoudigen
voortgang uit: Eet, mijn vrienden, en drinkt, en wordt dron-
ken mijn geliefdsten!" i) Die in liet licliaam arbeiden, noodigt
Hij tot eten; die na de aflegging van bet licbaam rusten,
maant Hy tot drinken; die hun lichamen weder aangenomen
hebben, spoort Hy aan zich dronken te drinken. Deze noemt
Hy ook zyn geliefdsten, omdat zy geheel van liefde vervuld
zyn. In den eersten stond alzoo eet de ziel haar brood, maar
in het zweet haars aangeziciits, want zoolang zy nog in het
vleesch woont, wandelt zy nog in het geloof, dat door de
werken der liefde zich toonen moet, want zonder dezen
is het dood. Heeft zy vervolgens het vleesch afgelegd, zóó
wordt zij voortaan niet meer met het brood der smarte gevoed,
maar zij mag dan rijkelyk van den wyn der liefde drinken.
Door het verlangen dat zij heeft, om zich met haar verheer-
lijkt lichaam te vereenigen, verontreinigt zij echter dezen wyn.
Daarom staat er: »Ik heb mijn wijn met melk gedronken"®).
De ziel vergeet, door aan de opwekking des lichaams te denken,
zich zelve nog niet geheel. Daarom kan zy nog niet dronken
worden. Wanneer zy echter heeft ontvangen, wat haar nog
maar alleen ontbrak, wat verhindert haar dan, om als het ware
buiten zich zelve te treden en geheel in God in te gaan, des
te minder zich zelve gelijk te worden, hoe meer zy Gode gelijk
gaat worden. Dan eerst wordt zij toegelaten tot den beker
der wijsheid, van welken geschreven staat: »hoe kostelijk is mijn
dronkenmakende kelk" Wat wonder wanneer zij dronken
wordt in de volheid van het huis Gods, waar zij door geen
zorg om het hare meer gekweld, in vrede den zuiveren en
nieuwen wijn met Christus in het huis zijns Vaders drinkt V Zóó
genieten de rechtvaardigen het gastmaal en jubelen in de aan-
schouwing Gods en verheugen zich in blijdschap Zóó is God zelf
dan de eeuwige belooning, van hen, die Hem eeuwig liefhebben

1) Hoogl. V : 1.

2) Eoogl. V : 1.

3), Ps-, 22-; et oalix meus inebriaus, quam pïaeelarus est! V\'i

4) Ts. LXVIII : 4.

ö) Le dilig. Beo, C. 11.

-ocr page 121-

1

103

lutusschen, Bernard was, ^ zooals wg boven gezegd bebben,
geen ydele dweeper, die, mymerend over zyn idealen, de wer-
d^ölykheid nit het oog verliest. Hy was een practisch man,
en wanneer hy eenmaal aan zyn Mystisch gemoed lucht heeft
pgeven, staat zyn oog weêr open voor de objectieve realiteit,
^óó ook hier. Zijn blik van het hoogste der beschouwing,
de »nuchtere geestelyke dronkenschap" afkeerende, richt hy
het oog op hetgeen de menschenwereld inderdaad te aanschou-
wen geeft. God wordt door allen geprezen, zegt hy, maar
het komt niet bij allen uit denzelfden grond voort. De een
doet dat, omdat Hij machtig, de ander, omdat Hij voor hem
goed, een derde, omdat Hij eenvoudig
(objectief) goed is. De
eerste is een
k71 echt, omdat hij door vrees wordt gedreven;
de tweede een
huurling, omdat hij slechts winst zoekt, de
■s-atste een
zoon, die den Vader eert. De twee eersten
denken alleen aan zichzelven. Nu wordt de ziel noch door
Vrees, noch door eigenliefde bekeerd. Alleen de buitenzijde,
nraar niet de inwendige gemoedsgesteldheid kunnen zy ver-
anderen. Ook de knecht en de huurling doen menigmaal een
Werk Gods; maar zij doen het niet uit vrije beweging, want de
Wet van den knecht, is de vrees, die hem aandrijft, — de wet
^^n den huurling, is het loon: alleen daardoor is hij tegen
e verleiding bestand. De bekeering der ziel geschiedt door de
\'Onbevlekte liefde, die niet zoekt wat haar, maar wat
Milderen nuttig is. Deze liefde is de wet Gods. De onuit-
^ïekelyke, allerhoogste eenheid in de allerhoogste en zaligste
rieeenheid, bestaat immers door de liefde. Daarom is de
^e^de de wet des Heeren, welke de drieheid in de eenheid als
Ware samenhoudt, en door den band des vredes samen-
ndt 1). Trouwens, ook de knecht en de huurling hebben
een wet, maar eene, die zij zich zelven hebben gegeven, door
^ eigen wil te volgen. Nu behoort het tot het wezen
"^^n de eeuwige en rechtvaardige wet Gods, dat hij, die zich
^^let door haar op een zachte wijze wil laten regeeren, op een
Pynlyke wijze door zich zelven wordt bestuurd, en dat, wie
^i\'awillig het zachte juk en den lichten last der liefde afwerpt,

-De düiy. Beo C. 13.

-ocr page 122-

104

den onverdragelijken last van den eigenwil, tegen zyn
wil, moet dragen. Zoo blyft dan tocb op merkwaardige wyze
de sonvereiniteit Gods gehandhaafd: wie Gods wet wil ont-
vluchten, blijft toch aan haar onderworpen i). De
hinderen
Gods
hebben de wet van den geest der vry beid die zij
vrijwillig op zich nemen Deze wet nu, de wet der liefde,
is niet alleen zelve gemakkelijk te dragen, maar zij maakt ook de
wetten der huurlingen gemakkelijk. Zij vervult de wet
der knechtest
(vrees), door vergiffenis te schenken en zóó de vrees te louteren,
zoodat de angst voor straf verdwijnt, terwyl de vreeze des
Heeren aanwezig blijft, maar zuiver en kinderlijk. Zóó ver-
vult zij ook de wet der
huurlingen (loonzucht), door het ver-
langen op het goede te richten, zoodat het goede alleen ter
wille van het betere wordt begeerd. »Is door Gods genade
dit doel volkomen bereikt, dan wordt het lichaam te zamen
met alle lichamelijke goederen, alleen ter wille van de ziel, de
ziel om Gods wil en God om zyns zelfs wille bemind.
Zóó klimt de liefde, beginnende met zelfliefde, onder bijstand
van Gods genade, van trap tot trap op. — Zóó wordt het
doel bereikt, innige vereeniging met den Vader: hier op aarde
ten deele, hiernamaals ten volle. Tegenover de aldus in vol-
making toenemende menschelyke liefde staat de eeuwige en
onveranderlijke liefde Gods: »de mensch is van eeuwigheid in
God, omdat hij van alle eeuwigheid af door God is bemind
geworden. God is in den mensch, van het tijdstip af dat de
mensck Hem lief keeft"

Ziedaar de inkoud van Bernards voornaamste werken. Het
zoü niet moeielijk zijn om rondom deze kern de theoriën, in
zyn overige, kleinere geschriften verspreid, te groepeeren. Maar,
waar zou dan het einde zijn ? Wij zouden echter geen uit-
voerigheid ontzien, indien het noodig was, maar dat is, naar
onze overtuiging, niet het geval. De geest van Bernards My-
stiek is in ket bovenstaande volledig neêrgelegd. Hij geeft
zeker nog een aantal verdeelingen in klassen en graden (voor-

1) Ibid. C. 13.

2) Cf. Bom. 8 : 15 en 1 Cor. 9 : 20, 21.

3) Matth. XI: 29.

4) In Canit. Sermo, LXXl.

-ocr page 123-

105

iiaiuelyk in zyn preêken) die wij hier zullen overslaan, omdat
\'ïï meest gelegenheidsverdeelingen zijn i). Wy zullen derhalve

) Voor een paar van de belangrijkste zij hier een klein plaatsje ingeruimd.

Y ^ —^ j^Jrtcti van ae ueiangiijjisie Kij niei eeu Kiein piaaisje ingertuma.

ine ^^^ 60ste zijner Sermones de diversis zijn de drie trappen, waarlangs de
de

tot (rod opstijgt: onschuld der toerJcen, reinheid van hart^, en

lis niet nl\'

^ aizoo opvaren, maar op de rechte wijze? Dan is de eerste trap onschuld
^^eiken, de tweede reinheid van hart, de derde de vrucht der

^^ ""\'Ucht der oph ouwing. Even als in alles, zoo moet vooral hier, Christus
^^ oorbeeld genomen worden. Hij is nedergedaald, toen hij zich tot de zwakheid
Oienschelijke natuur vernederde en wel in drie graden: van den hoogsten
vleesch, van het vlecsch tot het kruis en van het
® den dood. In drie graden is Christus weêr opgestegen: opstan-

V \'i^tht des oordeels en het zitten aan de rechterhand des
*vill nioeten ook wij onszelven vernederen, wanneer wij ons tot den Heer
wil 1". door niet te willen heerscheii, 2°. door ons bereid-
eik onderwerpen, 3". dat wij bij deze onderwerping allen smaad,

^\'^i\'ccht geduldig dragen. Op den eersten trap stond in den licniel
sto \'lij door trotschheid heerschen wilde; op den tweeden trap

^^^ ^ de eerste menschen in het Paradijs, die wel hun eigen wil misbruikten,

üve Schepper ie onderwerpen, maar zich toch niet de heerschappij

^^ ® Schepselen van hun geslacht aanmatigden; op den derden trap eindelijk
"IVall diegenen, die voor een tijd gelooven, maar in de ure der verzoeking

V -v duivel en de eerste menschen wilden opstijgen, maar op een
ons • ^ ; dezen tot weten, gene tot heerschappij, beiden tot overmoed. Laat

d

ler/^^\'\'^^^\' dezen weg komt dc mensch tot eenheid met God. —• De

de ziel en de bekeering tot God bestaat in de liefde. Deze moet,
wèd^!^- zijn; wederkeerig wezen
{In Cantt. Sermo LXXXIII), op

met toestemming berusten, zoodat de door de genade geschonken gelijkenis

® ëoddelijke Woord, tot een gelijkenis uit vrijen wil wordt, terwijl de ziel
h-y, y \' \'\'einind wordt. Zulk een wederkeerige liefde is een waarachtig

J ! een geestelijke en heilige echt. — Wanneer wdj tot deze liefde en door
laar ^

Vall \' willen komen, dan moeten wij met Christus in vier deugden uit de

kom opstijgen. Uit de engten der verkeerde handelingen en misdaden

op den berg der kuischheid, door drievoudige onthouding: van dc
bcr zinnen en van de neigingen. Vandaar verheft men zich tot den

doe op welken de wet geldt: „wat gij niet wilt dat u de menschen

inoet anderen niet"! Hier is men reeds rechtvaardig, maar men

des ^ ^®i\'^olgingen nog doorstaan, en daarom moet men opstijgen -tot den berg
der steilen, spitsen en woesten berg! Dan blijft nog over de berg

In S" vredes: wie dien bi reikt, die rust reeds in God {Serm. LXI).

\'^oete worden 7 graden opgenoemd, langs welke de ziel tot God komt:

\'\'óbject\' ^ \'^erlangen {affectio), verwerping van eigen zijn (proprielatis

®aat B \'^®^l°oehening van eigen wil, vrijwillige onderwerping, standvastigheid. —■
Qp ^^ ®^nard hier overal van de praktijk uit, een andermaal heeft hij het oog
^ijde (op de beschouwing).
Zóó laat hij in ascens. Bom.
de mystische verheffing plaats grijpen in de volgende trappen: 1. beschou-

-ocr page 124-

106

onze mededeelingen, omtrent Bernard, beslniten, om met een
enkel woord het karakter van zijn Mystiek te beoordeelen.

Bernard is Mysticus. Dat blijkt duidelijk uit de onmid-
dellijkheid zijner overtuiging. Hy stelt, zonder eenigszins het
recht van zijn stelling te onderzoeken. Geeii redeneering, geen
bewijsvoering is bij hem te vinden. Ongetwijfeld heeft hy een
scherp verstand, en weet hij dat zeer goed te gebruiken —
maar alleen om de stof te verwerken, die reeds door het ge-
voel is gegeven. Bernard is echter tevens r e c h t g e 1 o o v i g
catholiek. Wat de Kerk leert, meent hij zonder onderzoek
te moeten aannemen. Verre van zijn onmiddellijke gevoels-
overtuigingen daaraan gelijk te stellen, geeft hij slechts daar
de vruchten zijner contemplatie, waar de kerkleer zwijgt. De
Mystiek mist daardoor, bij Bernard, haar eigenaardig kenmerk,
het subjectieve. Door de allegorische verklaringswijze, die
wij bij hem aantroffen, nadert hij eenigszins daartoe, maar de
schijn is hier grooter dan de werkelijkheid, daar hij inderdaad
allegoriseert, alleen in de dienst der kerkelijke Mystiek. Bernard
staat overal op objectieven grond, en zijn theoriën zijn gewoon-
lijk meer de vrucht van kerkelijke vroomheid, dan van een
Mystiek, die als zoodanig haar steunpunt alleen in zich zelve
zoekt. Natuurlijk kon dus de Mystiek in speculatieven zin
bedoeld, bij Bernard niet tot haar hoogste ontwikkeling komen.
Er ligt in dit opzicht een wijde kloof tusschen Bernard en de
Germaansche Mystiek, de Mystiek der subjectiviteit bij uitne-
mendheid; ja, Bernard kan, uit dit oogpunt bezien, juist als de
tegenhanger van deze beschouwd worden. Zijn stelsel berust
alleen op de kerkleer en niet op de bespiegeling. Vandaar

j

wing van de heilige dingen en de heerlijkkeid Gods; 2. nadenken en opsporen van
ile waarheid uit de leer van het Evangelie; 3. gebed, dat ons den goeden wil daartoe
geeft; 4. dooding van het vleeseh (want wie in den hemel wil opklimmen moet zicli
eerst boven zichzelven verheffen); 5. verachting van de wereld en verheffing boven
haar; 6. aanschouwing Gods en nauwe vereeniging met Hem
(dissolwi Jam el
esse cum (Jhrislo,
ook hier wil Eernard dus weder niets weten van een oplossing
in God). — Zie verder Helfferich a. W. Th. I, S. 334 fgg. Noack a. W. Th. L
S. 41—
45. De eerstgenoemde is weder onjuist, wanneer hij den zesden trap een-
voudig noemt: ;^AiiflösnTig in Gott". D-iS\'^ohn heteekent hier, biijkfiis het verbaiti^\'
uiets aaders dan
sterven.

-ocr page 125-

107

yn onafliaiikelijklieid van Dionysius Areopagita, het orakel
alle speculatieve Mystiek, en van Erigena.

hebben Bernard, toen wy begonnen over hem te spre-
en, den voorlooper van de Germaansche Mystiek genoemd, en
^y deden dit niet dan na rijp nadenken. Wij nemen hier dit
Woord niet terug. Inderdaad is Bernard als zoodanig te be-
schouwen, niet om de diepzinnigheid, maar om de practische
^yde van zijn voorstellingen, waarin ongetwijfeld het zwaarte-
PUüt zijner Mystiek ligt. Men beeft uit het medegedeelde
men zien, dat hij zich voornamelijk ten doel stelde aan te
Oïien hoe de mensch, door de genade bijgestaan, van trap tot
^ ^P kan opklimmen, en moet streven naar het hoogste goed,
Vereeniging met de Godheid. Een bepaalde beoefeningsleer
Bernard niet. Toch geeft hij overal practische wenken,
^ le hunne waarde kunnen hebben, omdat hij zelf vrij was van een
idealisme, en een open oog had voor de werkelijk-
_ de mogelijkheid. Wij zullen zien, dat de Germaansche
y lek, als wier vertegenwoordiger Ruysbroeck in dit werk
^ ordt behandeld, zich, niettegenstaande haar subjectief-specu-
charakter, nauw aan Bernards practische Mystiek aansloot
zyn werk voortzette. Welke gevolgen dit voor de prak-
y bad en hebben moest, zal dan tevens blijken.
. wij niet voornemens zijn den overgang naar ons

uit^^^^\'\'^^ onderwerp, — de Mystiek van Ruysbroeck, — nog lang
fe stellen, mogen wy toch, indien wij ons plan, om den
ontwikkelingsgang der Mystiek te schetsen, getrouw willen
ko^^^^\' ^^^^ nalaten om, al is het nog zóó kort, aan te toonen
^^ de Mystiek het kerkelijk standpunt van Bernard verliet,
evenals vóór hem, op de speculatie te richten. De
sf k^ is, de toenadering van de Mystiek en de Sckola-

te^^ " ^e meeste Mystici Bernard volgden in zijn kaat

d"^^^ wat dialectiek was, waren er verscheidene mannen,
rieht"^^^ der Kerk zochten in de verzoening van de beide
ngen. De voornaamsten onder hen waren Hugo en
a rel van St. Victor. De eerste was een leerling en
Bernard i). Evenals deze bestreed ook kij de sceptiscke

tijdgenooten alter Auffusiinns, Ünyita Augustini
\' — hij was de eerste, die eeu systeem vau Dogmatielc gal\' (Augustiiiisch

-ocr page 126-

108

richting van Ahailard, zonder dat er echter een spoor van
bitterheid in zijn polemiek te vinden is. Men heeft dan ook
meer dan eens opgemerkt, dat de liefde het grondbeginsel van
zijn geheele stelsel uitmaakt. Stelsel, zeggen wij, want
hierin bestaat de verdienste van Hugo, dat hij het eerst de
Mystiek tot een meer samenhangend geheel heeft gebracht.
Hij deed dat door de logische methode der Scholastiek op de
Mystiek toe te passen.
Tn tegenoverstelling met Bernard was
Hugo een vriend van de geleerdheid, zoodat hij zelfs in de
drie eerste boeken zijner
De eruditione didascaliea een Ency-
clopaedic der empirische wetenschap trachtte te geven. Hugo\'s
philosophische geest gevoelde zich veel meer dan Bernard aan-
getrokken tot Dionysius, op wiens
Hierarchia Coelestis hij be-
langrijke aanteekeningen maakte, ofschoon hij natuurlijk zijn
best deed om het Pantheïsme en de Emanatieleer van. den
Areopagiet te ontwijken.

Even als bij Bernard zóó is ook hij hem de liefde de
grondkracht, die alles drijft. Hij heeft echter Bernards denk-
beelden op dit |)unt, verder uitgewerkt, en de liefde tot het
grondbeginsel van zijn stelsel gemaakt. Door haar innig-
heid wordt de Triniteit saamgehouden; door haar gedrongeu,
heeft God de wereld geschapen; door haar bewogen, blijft Hij
zich in liefderijke betrekking stellen tot de zondaren; door
haar aangespoord, richt zich de begenadigde zondaar op God,
en streeft hij naar eeuheid met Hem. Ziedaar de hoofdge-
dachte van Hugo\'s systeem. Merkwaardig is wat hij zegt aan-

standpunt), cn heeft zich vooral omtrent de leer der Sacramenten zeer verdienstelijk
gemaakt, — werd omstreeks 1097 geboren. Zijn geboorteplaats is onzeker. Door
sommigen wordt Yperen in Vlaanderen, door anderen Blankenburg in den Harz
daarvoor aangewezen. Volgens zijn grafzerk is hij origine „Saxo." Hij werd opgevoed
ia het klooster der reguliere kanunniken te Hamersleben. Met zijn oom Hugo,
aartsdiaken in Halberstadt ging hij in 1115 op reis. Bij zijn bezoek aan dc abdij
van St. Victor, die door de voordrachten van don beroemden Willem van Champeaux
een groot aantal liewoners telde, eu het grootste aanzien genoot, voelde hij zich
daar
zóó wel te moede, dat hij besloot zijn leven lang op die j)laats te blijven.
Na den dood van zijn vriend, den vromen abt Thomas, werd hij dieus opvolger,
Hij zelf stierf in 1141. ■— Zijn werken werden in 1526 het eerst te Parijs uitge-
geven. Zie over Hugo: K. Liebner,
Huffo von St. Victor und die theologischen
Hichlungen seiner Zeit.
Leipzig 1832.

-ocr page 127-

109

gaande het door den Mysticus zóó spoedig als zelfzucht uitge-
beten verlangen naar den hemel en de zaligheid: »Zytgijeen
huurling, als gij God lief hebt en dient om loon van Hem te
ontvangenV — Dwazen die zóó dwaas zyn, dat zij zichzelven
Hiet verstaan, zullen zeggen: Ja. ~ wy hebben God lief
^ dienen Hem (zeggen zy); maar wy zoeken geen loon, ook
em zeiven niet. Uit zuivere, onbaatzuchtige, kinderlijke liefde
rainnen wij Hem; wij zoeken ïüets voor ons zeiven. Het
^ijue zaak, of Hy ons iets geven wil; wij zoeken niets. —
\' gi) wyze mannen! gij zegt: wy hebben Hem lief, maar
^ zoeken Hem niet, d. i, wij bekommeren ons niet over
! Wat is dat voor een liefde, waarmede een mensch niet
tevreden zou zyn, — een liefde, die zich aan hem, dien
lief heeft, niet laat gelegen liggen! Gy begrijpt het ware
wezen der liefde niet. Liefde is niets anders dan
willen bezitten,
men bemint.
Liefde kan niet bestaan zonder verlangen;
^aar ig enkel op het voorwerp zelf gericht; zy zoekt niets
^^at daaraan vreemd is. Indien iemand zelfs het eeuwige leven
voor iets wat van God, het hoogste goed, afgescheiden
5 en om het te verwerven God diende, — zoo zoö dit
geen zuivere godsdienst, geen onbaatzuchtige liefde zijn"
Was de Mystiek

alzoo door nauwe verbinding met het scho-
s leke denken tot een Theologische Mystiek geworden,
•oor Richard van St. Victor werd zy gemaakt tot
bepaald Scholastische Mystiek. Bij hem treedt het
^stematische vooral op den voorgrond. Over het geheel heeft
ard weinig oorspronkelijks. Van zyn denkbeelden laten
de kiemen bijna overal by Hugo aanwijzen. Toch was
lehard een te diepzinnig denker, om slechts een navolger
^yn leermeester te zyn. Op geniale wyze heeft hy dau
diens denkbeelden verder ontwikkeld, en tot een nog nauwer
^^^J^^n^end geheel gebracht.
-De Sacmm. II C. 3—12.

"^natrent het leven van BieharJ is vfeinig bekend. Hij was geboortig uit
het vroeg in de abdij van St. Victor te Parijs opgenomen, waar hij

genoot. In 1162 werd hij prior, in welke qnaliteit hij
Van \\ ®Wjd had te voeren tegen het slechte bestuur en het onstichtelijke leven
nieiiw \'" l^^^visius, wien het hem eindelijk gelukte te verwijderen. Na eerst de
keuze op
(Tuariuus gevestigd tc hebben, stierf hij korten tijd daaj-na in 1173.

-ocr page 128-

110

Vooral merkwaardig is de wyze, waarop hy het principe der
liefde, hei. grondbeginsel van de Romaansche Mystiek, geheel
doorvoert (en daarmee het systeem eerst completeert) door het
op het wezen der Godheid zelve toe te passen. Uit het begrip
der liefde besluit hy, dat in God een veelheid van personen
moet aanwezig zyn.

De liefde in absoluten zin (amor) moet, om zich openbarende
liefde
(charitas) te worden, zich niet op zichzelven, maar op
iets anders richten. De hoogste liefde moet een object hebben,
en wel een haar waardig object. Zulk een object kan derhalve
de creatuur niet zijn: het moet aan de Godheid gelijk zyn,
en daar de liefde Gods eeuwig is, zoo moet het eveneens
eeuwig wezen. »De volheid der Godheid is onmogelijk zonder
de volheid der goedheid; deze op haar beurt, zonder de vol-
heid der liefde, en de volheid der liefde is onmogelijk zonder
de veelheid der personen." Maar niet alleen moet er een
veelheid van personen in het goddelijke wezen zyn: er moeten
juist drie zijn. Het hoogste in de liefde is, dat men
wenscht, dat hij dien men bemint en door wien men bemind
wordt te zamen met ons een derde bemint; de liefde wil
gezelschap; dat niet te willen zou een teeken van egoïsme
eu onvolmaaktheid zijn. Er moeten derhalve noodzakeiyk
drie zyn, en wel drie die aan elkaar gelijk en door de liefde
met elkaar verbonden: in het genieten der liefde in een
derden daarin bestaat de goddelyke zaligheid. Nu is de vraag:
hoe kan de verscheidenheid
(alietas) der personen bestaan
zonder verschil van substantie. Omdat in de goddelyke natuur
geen ongelykheid mogelijk is, kunnen de personen niet naar
de qualiteit, maar alleen naar den oorsprong verscheiden zijn.
Naar de substantie zijn zij identisch, want er kunnen niet
meerdere substantiën zijn; zij zijn slechts verschillend naar
de oorspronkelijke oorzaak, daar de eene door zich zeiven is,
terwyl de andere hun oorsprong van dezen eenen hebben:
dezen oorsprong hebben zij niet in den tijd, want dan waren
zij eindige creaturen; zij zijn eeuwig als de Godheid, uit welke
zy eeuwig uitgaan. De personen hebben elk hare eigenschap,
en deze eigenschappen kunnen aan de overigen niet worden
medegedeeld, want dan zouden de personen vermengd worden.

-ocr page 129-

111

üicli

c ard gaat nu voort om met veel dialectisclie kunst de ker-
y ® bepalingen over de kypostasen als noodzakelyke rede-
^aarkeden te ontwikkelen i)

Ri ^^^ intusscken niet door bun systeem, dat Hugo en
: ^ ard op de Mystiek der 14^\'= eeuw voornamelyk kebben
^gewerkt. "Was dat zóó, wij zouden dan de moeite niet
de ^^^ ^^ uitvoerige aanteekeningen, die wij omtrent bei-
kebben verzameld, in een kort bestek tot één duidelyk
bet ^ te dringen. Nu dit eckter onzes inziens niet

ta k ^^^^^ wij ons met reckt van deze moeielgke

te mogen ontslaan. Het was door den speculatieven

f&n Q^ ^^ Trinitate Lib. III, C. 2—22. — Vgl. liet artikel Mchard v. St. V.

■ Sehmidt in Herzog, R. E. —- Over Eieliards geheele systeem zie men de
Iggg^^\'^P^^® ■\'\'au Engelhard:
Riehard v. St. Victor und Joh. Ruysbroeck.
uit ■■ Helfferich a. W., Th. I, S. 439—502 en de groote fragmenten

^rT 373—511. Noaek a. . Th. I, S. 91—128.

aj^ tot° en verduidelijking van hetgeen in den tekst gezegd wordt, zoowel

Willen volledigheid van ons overzicht van de geschiedenis der Mystiek,

het M ^^ ■ lezer, zonder in bijzonderheden te treden, een schema geven van

«\'■s/w stelsel van Riehard. Het is opgemaakt uit zijn hoofdwerk: de

het T!^s. de contemplatione libri V, waarin een breedvoerige ontleding ViBji
verm ^^^ Beschouwing in verband met de hoofdvormen van \'s menschen ken-
de co^^^ ^\'^^ï\'koint. Hij onderscheidt daarin: de cogitatio, de meditatio eji,
libera Alle drie worden aldus gedefinieerd: „Conteinplatio est

P^\'^sjJicr^^^\'\'^^- sapientiae spectaeula cnm admiratione suspensa vel

^tio ^^^ animi motus, in res perspiciendas usque quaque diffusus. Medi-
Vei ^ ®tudios^ mentis intentio, circa aliquid investigandum diligenter insistens
animi intuitus, in veritatis inquisitione vehementer ocei^patus.,
ronder ^ ° ^^^ ÏRiprovidus animi respectus, ad evagationein pronus." . De eerste is
niaar zonder vrucht, de tweede is arbeid met vracht, de derde zonder arbeid _

\'\'"\'tio de De cogitatie ontspringt uit de imaginatio, de meditatie uit .de

Waarvan nit de intelligentia. De contemplatie vervalt in zes. graden,

iöiagijig^-verschillende trappen heeft. De eerste graad is i» de
Wereld d ^^ haar alleen (beschouwing en bewondering van de zichtbare

ar]f jj «ycha Myst. II c. 1—6). Hij wordt vergeleken met den bouw van de
^\'aa den i® de imaginatie en
door de rede (navorsching en bewondering

gnldin ^:iehtbare wereld, II, c. 7—11). Hij wordt vergeleken met de ver-

ban de van de ark. De derde is m de rede «!oo?-de imaginatie (kennis

meo^\'h^^^^^^^\'^ "wereld afgeleid uit de beschouwing der zichtbare. Hier begint
Uiet deb k te leven, II c. 12 ad finena). Deze graad wordt vergeleken

der ark. — De vierde is de rede de rede (yerstan-
geest\'^\'^^\'\'^^\'^^\'^\'\'^ ^^^ onlichamelijke en onzichtbare wezens, namelijk van
\' van engelen en menschen, Boek III). Deze graad wordt vergeleken

-ocr page 130-

112

geest, die lien bezielde, — het was door de liefde tot verstan-
delyk nadenken, die zy bij hun talryke leerlingen opwekten,
maar bovenal door hun classificatie, hun fijne en niet zelden
gekunstelde, maar destijds zeer gezochte verdeelingen, dat zy
op hunne wijze de ontwikkeHng der Mystiek bevorderden.
In dit opzicht vooral vulden zy den grooten Bernard aan,
terwijl zij daardoor tevens meer tot de verzoening met de
scholastiek bijbrachten, dan een oppervlakkige beschouwing zou
doen vermoeden. Vooral Richard was het, die door zijn ver-
deelingen zijn tijdgenooten, en nog verscheiden volgenden ge-
slachten de hoogste bewondering afdwong.

Vatten wy het tot dusverre behandelde samen, dan zien wij
hoe de Mystiek, een plant van oosterschen oorsprong, na lang

met h«t verzoendeksel {propiaiatorium). ~ vijfde graad boven tn mei tegen, die
rede (beschouwing van het bovenaardsche). De zesde graad boven schijnbaar
tegen de rede, (beschouwing van de Triniteit). De twee laatste graden worden
vergeleken met de twee Cherubim die vóór de ark staan, Boek IV.

Op drie wijzen komen wij in hot bezit van de genade der contemplatie: door de go d-
delijke openbaring, door eigen oefening
{propria industria) onder bijstand
der genade, en eindelijk door onderricht
».nhTikiXtn {ex aliena traditione). Zóó
komt Richard weer tot drie er lei Beschouwing. Bij de tweede wordt de ark ge-
maakt; bij de derde wordt zij op de schouders genomen en de wolk nagedragen;
bij de eerste wordt zij in het Allerheiligste gebracht. De eerste van deze drie
soorten van contemplatie ontstaat door
verruiming, (dilatatie), de tweede door
verhefing, (sublevatio), de derde door vervreemding (? alienatio) des geestes. Daar
herinnert zich de geest het tegenwoordige niet meer, en, door een inwerking der
goddelijke genade, wordt hij in een vreemden, alle eigene inspanning te boven gaandeu
toestand gebracht. Alle drie hebben wederom drie graden: de eerste die van
kunst, oefening en volharding (ars, excercitatio, attentio); de tweede die van ver-
heven te zijn boven
het weten, boven de menschelijke vlijt en boven de natuur (V c, I—6);
de derde die, welke voortvloeien: ten eerste uit groote
vroomheid, waariu de ziel
in zulk een gloed van hemelsch verlangen ontbrandt, dat de vlam der liefde haar als
was versmelt, haar als rook verdunt en omhoog voert; — ten tweede: uit groote
bewondering, wanneer de ziel door het goddelijk licht beschenen, in de bewondering
der hoogste schoonheid zóó geschokt wordt, dat zij buiten zichzelve geraakt; — ten
derde uit groote
blijdschap {exultatio, joconditas) wanneer de ziel dronken van de liefe-
lijkheid Gods, geheel vergeet wat zij is, wat zij geweest is, en wat zij worden zal —•
en zóó boven zichzelve verheven, aan zichzelve ontvoerd wordt (V c. 6—15). — Men
ziet, het is liier een verdeden en systematiseeren zonder einde: een geleerdheid die
voor de school van dieti tijd zeer veel, maai; voor het leven zeer weinig te zeggeu had.

J

-ocr page 131-

113

^ de Grieksclie wereld een kommervol bestaan geleid te lieb-
u, door het »réveil" van het gemoedsleven omstreeks de eerste
euw onzer jaartelling, als uit den winterslaap ontwaakt,
j. ^tig opleeft, terwijl de te voren machteloos daar neder
ögende slingerplanten der oude philosophie zich om haar hoog
^Pschietenden stam heen winden, en door haar in de hoogste
l^ogte worden verheven. Hoe zij in het Christendom een bij
itstek vruchtbaren bodem vond, en hoe in de kloosters schoone
^ liefelijke bloemen van Mystiek wegscholen, en in het
^erborgen bloeiden, om echter spoedig te verflensen en
Vallen. Hoe de christelyke Mystiek eerst door de
^^^^^^^^ten van den Pseudo-Dionysius een bepaalden vorm
^^ _ maar tegelijk daarmede een groot deel van haar

Charakter verloor. Hoe omstreeks de negende eeuw
w der Mystiek zich verlegde van het Oosten naar het

ve 1 ^^ vereenigd werd met de Philosophie. Toen

tot ^^ ^^^^ Mystiek) een langen tijd uit het oog,

ko\' ^^^ ^^^^ ^^ Bernard weêr op nieuw voor den dag zagen
Verjongd en frisch, vol levenskracht, ontdaan van de
sta wijsbegeerte, maar toch niet geheel zeit-

ig) immers ten nauwste verbonden met- en geheel onder-
geschikt aan de kerkleer. Bij Hugo en Richard van St. Victor
zagen wij den speculatieven zin zich meester maken
^^^ den vorm der Mystiek — terwijl de inhoud bij hen,

^ s hij Bernard, in hoofdzaak door Bijbel en traditie, die
baniAyi 1 \' ^

^ als eén geheel werden beschouwd, bepaald bleef.
1 ^ ^^®tiek, die zich bij den anti-philosophischen en anti-
weken Bernard natuurlijk bijna uitsluitend van haar
zooa/^^^^ ^ijde (de Ethiek) moest vertoonen, ontwikkelde zich,
Sch verwachten laat, na de enge verbinding met de

^ O astiek (vooral bij Richard) voornamelijk als speculatieve
^ ystiek, en stelde zich weder, zooveel als de kerkleer dat maar
j ^ ^^^ toeliet, met de philosophische mystiek van Dionysi

D

SlUS

betrekki;

Da

^ aardoor verloor zij van lieverlede haar practisch charakter.
„1 ^^l^olastieke vorm bepaalt hoe langer zóó meer de
ijj het^ ^iebting der Mystiek, tot dat deze zich bij Richard
stellen en oplossen van allerlei theologische vraagstukken

-ocr page 132-

114

en het maken van tallooze definities en verdeelingen verliest.

Ziedaar de slotsom van ons onderzoek.

Nu bedriegt men zich grootelijks, indien men meent, dat de
speculatieve Mystiek der Vietorijnen in de Germaausche mystiek
overging, of dat de laatste uit de eerste is voortgesproten. Wat
wij boven aangaande het doorgaand objectieve charakter der
door ons behandelde Mystiek tegenover het bepaald subjectieve
der Germaansche opmerkten, is reeds voldoende om zulk een
overgang minder waarschynlijk te doen voorkomen.

Bedenken wij verder, dat de Mystiek, tot zóóverre wij haar ont-
wikkeling volgden, een bepaald theologische richting onder
de kerkleeraren was, die door de Victorynen steeds meer
het charakter van een wetenschap verkreeg — terwijl daar-
entegen de Duitsche Mystiek een in het volk gewortelde kracht
was, een geestesuiting, die niettegenstaande haar diepzinnig-
heid door en door populair was en den grootsten invloed op
het geheele volksleven uitoefende: dan zien wij, dat wij hier
met twee verschillende richtingen te doen hebben, twee stroomen
die elkander konden ontmoeten, maar uit geheel verschillende
bronnen voortvloeiden. Wij zullen thans den blik richten op de
omstandigheden en gebeurtenissen, die de Germaansche Mystiek
in het leven riepen. Wij zullen haar eerste ontwikkeling
gadeslaan, om haar in haar volle kracht bij Ruysbroeck te
vinden. Wij zullen dan tevens ruimschoots gelegenheid hebben
den grooten invloed na te gaan, dien de Romaansche Mystiek —
vooral in den kerkelyken practischen vorm waarin Bernard,
en ten deele ook in den scholastisch-speculatieven vorm, waarin
de Vietorijnen haar hadden gebracht — op de, onafhankelijk
van haar ontstane, Germaansche volksmystiek heeft gehad.

Van den aanvang der elfde eeuw af, maakte een wonderbare
drang zich meester van de gemoederen der menschen. Alge-
meen werd het einde der wereld als aanstaande beschouwd,
en met angst en schrik zag men het naderende oordeel tege-
moet. Waar zou men heil zoeken? De toestand der kerk,
van Rome in het bijzonder, was zóó ellendig, haar hoofden

-ocr page 133-

115

maakten zicli aan zulke ontzettende gruwelen schuldig, dat

heilbegeerige hart zich met walging van haar afkeerde,

hij baar geen heul kon vinden. Toen begonnen hier en

verspreide overblijfselen van Manichaesche secten, die een

streng zedelijken en ascetischen wandel leidden, en tot nog toe

^ het verborgen hadden voortbestaan, de aandacht van velen,

zi\\ ^^^ ernstig meenden, tot zich fce trekken. Velen sloten

daarbij aan, en zóó ontstonden er tal van secten, die bij

ei verschil in leer en gebruiken, één streven gemeen

a den: reiniging van de kerk. Zóó ontstonden de Patere-

n, en — toen de ontwakende volksgeest er de idee der bur-

ëerlyke vrijheid mede begon te vereenigen — de Albigenzen.

\'^eu nu de kerk zich met geweld tegen de ketters verzette,

^^ ze te vuur en te zwaard ging uitroeien, begonnen deze in

^^en, dat er van hare zijde in het geheel geen heil te wachten

Zóó kwamen zij er toe de kerk als middelares geheel

^ ^verwerpen, en te zoeken naar onmiddellijke gemeenschap

dr^t ^^^ zichzelf schoone streven werd door de geest-

\' die de vervolgingen van de zijde der kerk in het leven
riepen M n •

j \' ^y^tiek, en vervolgens mystische Fanatiek. Met een doo-

nie"^ ^^ ^^^^^ tegen de zichtbare kerk traden de predikers der

\'^We leer op, en allerwege vonden zij sympathie. De voor-

aanisten onder hen waren Peter van Bruys, Hendrik
Van
T

/ Lausanne, Tanchelm i) en Endo van Stella,
y al d

iü d secten stond de overtuiging vast, dat de Antichrist

hoo d had opgeslagen, en met onge-

geestdrift zochten zij in het groote Babel nog te redden
^^^ ^e redden was.

^^^ den onverzoenlijken kerkhaat dezer ketters steekt, of

er stak aanvankelijk, de vrome vereeniging der Walden-
zen cp O O

naa de Lugduno) bijzonder gunstig af. De drang

dreef gemeenschap met den hemelschen Vader

" e ben niet zóóver om de geheele kerk te verwerpen. Zij

in den beginne alleen. het directe gebruik van de

Zie

"Jan van zonderlingen Nederlandschen demagoog en avonturier, den

\'■\'j\'» lia dl 2;ijner eenw," wiens Legin beter was dan zijn einde, alsmede over

V\'iii At 11 priester Everwacher en Manasse den smid, de Kerhg.

beel II, stnk III, pag. 42-59.

8=^

-ocr page 134-

116

Heilige Schrift. Hun doel was de prediking van Christus\'
Evangelie in zijn oorspronkelyke reinheid en den Bijbel tot
een volksboek te maken, en in dit laatste zijn zij ontegenzeg-
gelijk geslaagd.

De Catholieke kerk sneed zelve de banden los, die hen
aan haar vast hielden, toen zij hen in 1183 te Verona inden
ban deed. Toen eerst verwierpen zij pausdom en monniken-
wezen, heiligen dienst, vagevuur, mis, biecht, aflaat enz. Door
de gemeenschappelijke oppositie tegen al deze dingen, maar
meer nog, door de gemeenschappelijke vervolgingen, die zij
hadden te verduren, kwamen zy echter in steeds nauwere be-
trekking tot de Albigenzen en gingen, waarschyniyk ook wel
verlokt door de esoterische wijsheid, die deze beweerden te
bezitten, voor een goed deel daarin over. i) Tegenover de
practische Waldenzen trad in het begin der dertiende eeuw
een
speculatieve richting op, die zich noemde naar den Heiligen
Geest. Zij werd, naar men meent, in het leven geroepen door
Amalric van Bena en David van Dinanto, twee leer-
aren te Parijs, die zich op de studie van de Grieksche wys-
begeerte, maar vooral van Dionysius hadden toegelegd. Zij
leerden een absoluut Pantheïsme, waarby de mensch als voor-
bijgaande phase van het wordingsproces der Godheid werd
beschouwd. Er valt intusschen niet veel met zekerheid aau-

1) Zie over de Waldenzen en de quaestie of er reeds voor Waldus Waldenzen
waren o. a. Erbkam a. W., S. 134—143. „Nach den grüudliehen neuem Unter-
suebungen über diesen Gegenstand seheint es keinem Zweifel unterworfen, dasz erst
Petrus Waldus der Griiuder der Waldenser gewesen ist, und dalier Von ihm sowohl
der Name wie die eigenthümliehe von dem gnostisehen Dualismus freie Kichtung
auf das biblische Christenthum herrührt. Damit ist aber wohl vereinbar, dasz schon
vor Waldus in einzelnen jener manichäischen Sekten sich biblische Anklänge stärker
geltend machten, als die dualistische Grundvoraussetzung erwarten liesz. Ja es ist
auch wohl möglich, dasz die auch den Katharen nicht abzustreitende Bekanntschaft
mit der Schrift in ihnen selbst eine Scheidung hervorrief von solchen, die an der
manichäischen Tradition fest hielten (de oorsjironkelijke ketters) und solchen, die
sich an das apostolische Symbolum anschlössen und die Schrift als alleinige Autorität
gelten lieszen (degenen die zieh uit weerzin tegen het bederf in de kerk bij de
ketters hadden aangesloten, zonder daarom zelve nog geheel cn al ketters te wor-
den?). — Vgl. Monastier,
Histoire des Vaudois (in het Nederl. vertaald, en met
een voorrede van Prof. N. C. Kist uitgegeven) en vooral Herzog,
die Romanischen
Waldenser,
Hallo 1853, en Gieseler\'s Lehrhuch der Xirchengeschichte, Th, II:
2, S. 551.

-ocr page 135-

117

baande lien te zeggen, omdat liun volgelingen weinig van hunne
oi\'ien schijnen begrepen te hebben. Deze verlieten dan ook
spoedig het gebied van het denken, om zich, in vereeniging
andere ketters, in de practijk een treurige vermaardheid
verwerven. In de kerk zelve begon de tegenzin tegen de
aande hiërarchie zich evenzeer op onrustbarende wijze te
^ertoonen. De als profeet hoog geachte Joachim van Cala-
(t 1202) kondigde nadrukkelijk den ophanden zijnden
ondergang der wereld aan, en vermaande met kracht tot de
^^\'keering, zoolang het nog tijd was. Geweldig viel hij de
erarchie en de scholastiek aan, verklarende, dat van haar
geen keil meer te wackten was; alleen in ket monnikenwezen
e e hij nog vertrouwen. De broeders van de
strenge ohser-
een afscheiding in de I\'ranciscanerorde — namen

^antie

^eze aanmaning ter harte en verbonden zich tot de uitbreiding
^^ de prediking van het »Eeuwige Evangelie" om de wereld
y ^\'edden. Zóó ontstonden, bij gedurig nieuwe afscheiding, de
kel"^^*^^\'*^^\' Spirituales en de Fratricellen. Opmer-
e ijk ig (jg nauwe aaneensluiting, die bij al de genoemde secten
^^ aangetroffen. Trouwens, het is bekend, hoe algemeen
^^^ associatiegeest in de Middeleeuwen zich vertoonde, niet
^ en op godsdienstig gebied (monnikenorden, geestelijke ridder-
sch ook op dat van de maatschappij (gilden, broeder-

appen, enz.). — Tegenover deze talrijke secten, die hoe

lauaroy yx r .

ha \'^^^eer m krachten toenamen, stond de kerk. Zoolang

Zond ^^^cht daartoe gelaten werd, gebruikte zij geweld,
evenwel daardoor gebaat te worden. De brandstapel
kett \'■ ^ie^ zelden een louteringsvuur, waaruit de

e^yeii in vele opzichten gereinigd te voorschijn kwamen,
w^rd^ dualistiscb-Manichaesche bestanddeelen daardoor

kistt Intusschen de macht, om waar het haar

e te vervolgen, behield de kerk niet lang; haar kracht
weldra gebroken.

spoedia*^ van Bonifacius VIII (1294—1303) volgde

AviV^ ^^ zoogenaamde Babylonische ballingschap der KerJc te
eio-\'^^-\'^ —1377), gedurende welk tijdsverloop de pausen

Tet,. ^^ \' waren dan de dienaren der Fransche koningen,

gen deze bepaalde afhankelijkheid van Frankrijk stak de

-ocr page 136-

118

aanmatigende toon, dien de pausen tegenover de Duitsche keizers
aansloegen, opmerkelijk af. Johannes XXII verklaarde stout-
weg, dat God zelf aan den paus in den persoon van Petrus de
rechten zoowel van het aardsche, als van het hemelsche konink-
rijk had toevertrouwd, en vorderde op grond daarvan vau den
keizer den eed van leeuplichtigheid. Nu heerschte er in Duitsch-
land groote verwarring op politiek gehied. Lodewijk van
Beieren en Frederik van Oostenrijk streden daar om de kroon.
Toen het den eerste in 1322 gelukte zijn tegenstander gevangen
te nemen, -wilde de paus als scheidsrechter optreden, terwijl
hij van heide partijen onderwerping eischte aan zyn uitspraak,
hoe die ook zou uitvallen. Lodewijk verzette zich daartegen,
zeer goed begrijpende, dat de paus, om de belangen der Fran-
sche kroon te bevorderen, de onderliggende partij in het gelijk
zou stellen. Hij verwierp daarom \'s pausen tusschenkomst,
bewerende dat zijn goed recht op den troon door de keuze
der keurvorsten voldingend was bewezen. Toen sloeg Johannes
den keizer met den ban en legde Duitschland onder het Inter-
dict (1324). Men kan zich den indruk, door het Interdict
teweeg gebracht, niet groot genoeg voorstellen. De kerkdienst
stond geheel stil; de klokken zwegen; de sieraden, kruisen en
beelden werden in de kerken afgenomen of bedekt; de kinderen
werden niet gedoopt; de bruidsparen niet getrouwd, de.dooden
niet begraven. Het geheele land lag in rouw gedompeld
Toch kon een gedurige herhaling van het Interdict niet anders
dan onwil en geringschatting van de ceremoniën der kerk ten
gevolge hebben, en in tijden als deze moest het natuuriyk de
verwijdering van de kerk sterk bevorderen. Nu ging de loop
der 14\'^® eeuw van zulke ontzettende gebeurtenissen vergezeld,
dat het godsdienstig element meer dan ooit wakker werd ge-
schud in de harten der menschen. Vreeselijke aardbevingen,
zware hongersnood, maar vooral de verschrikkelijke pestziekte,
de zoogenaamde
Zwarte Dood, die duizenden bij duizenden
ten grave sleepte, golden als zoovele
Strafgerichten van den

1) Zie over liet Interdict: het opstel van Dr. H. ü. Meyboom: Het Interdict;
een hoofdstuk ttit de Geschiedenis der Kerkelijke tucht
in het Kerkhist. Jaarboekje,
tdtfjegcven door de vereeniging tot beoef. v. d. gesch. der christ. kerk in Nederland,
Ja;irgaug 1804.

-ocr page 137-

119

^vraaknem enden liemel. Het hierdoor diep geschokte gods-
dienstige gevoel sloeg in Duitschland (voornamelijk in de Rijn-
nden Waar het Interdict zwaar drukte), van de kerk verlaten
Zelf afkeerig van deze, zijn eigen weg in. Van alle gees-
® ïke hulp en troost verstoken, richtte het zich op zichzelve,
zóó ontstond er weder Mystiek; maar in velerlei vorm.
e bovengenoemde rampen waren als het ware het sein
Joor allerlei nieuwe ketterijen en secten, om te voorschijn te
^^ecien. AVij zullen slechts de voornaamste daarvan noemen.

ooreerst de Geeselaars of Flagellanten, die in hreede
subaren, mannen en vrouwen, in boetgewaad, onder het aan-
van de hartverscheurendste klaagzangen en het bedrijven
de gruwelijkste zelfmishandelingen Europa doortrokken i).
ervolgens de secte der broeders en zusters van den
^i\'yen geest, die waarschynlijk een voortzetting is van de
^oven genoemde secte van den Heiligen Geest 2). De
^Peculatieve Pantheistische richting bleef het kenmerk van
^ en, terwijl zij daarmede de meest verregaande onzedelijk-
verbonden. Hunne leuze was, dat de Geest alleen vrij
laakt, en dat waar de Geest heerscht, geen zonde bestaat. Zij
en volslagen emancipatie van het vleesch. Met deze secte
^lolten van lieverlede ook de Begharden en Begijnen samen,
Se^^stelylje vereen igingen die zich zonder bepaalde kloosterge-
^ n aan een beschouwend leven hadden gewijd, maar die op
^iet tegen de algemeene verkettering bestand waren.
^^ de Lolharden behooren hiertoe. Maar niet alleen in den
ie d ^^^ kettery vertoonde zich de Mystiek. Zeer verschil-
ee ^^^ secten, die als de watervallen van ondiepe beken
kletterend gedruisch maakten, vloeide met kalmen water-

1) Zie

over deze secte Moll, t. a. p. blz. 73 vee., waar ook de literatuur over

^roor-\'"

Voor Z" Vaderland komen zulke broeders en zusters van den vrijen geest

^\'oeren priester Wal ter die ook in het Dietsch vaardig de pen wist te

Blo I^artholomeus van Dordrecht behoort daartoe. Zoo in Brussel

\'öaal-t \' ^\'i\'ouw die met haar „seraphische liefde" ongehoorden opgang

\'\'estri\'(i. billen haar straks tegenover Ruj\'sbrocck ontmoeten. Een ijverig

«Is ketters was Geert Groote. Zie Moll 11:4:67, en over Geert

®ijager Dr. Acquoy, Gerardi marjni lijtjt. XIV, Amstel 1857, p. 25 sqq.

-ocr page 138-

120

spiegel en zonder geweld de diepe stroom van het waarachtig
godsdienstige gevoel. »Godsvrienden" heetten de mannen
die hiervan waren doordrongen, en die zich in groote gezel-
schappen aaneensloten, om het Evangelie van Jezus, in den
vorm waarin het in den Bijbel is nedergelegd, aan het volk
te doen kennen. Zij zetten alzoo het werk van de Waldenzen
voort, en hebben daarmede ontegenzeggeliik veel nut gesticht

Al deze verschijnselen te zamen riepen de Germaansche Mystiek
in het leven. Zij is niet de practische aanvulling der kerk-
leer, zooals bij Bernard; integendeel zij draagt niet zelden — zoo-
als bijv. hij Eckart — een antikerkelijk charakter; maar
zij is de innige overtuiging van hetgeen het gevoel voor
waar hield. Zij is niet, zooals die van de Victorijnen, een
vrucht van de reflectie, maar de uitstorting van het over-
volle hart, van het hart niet van enkelen, maar van een
geheel volk. Uit dat volk traden toen mannen te voorschijn
van groote geestkracht en talenten, mannen die, opgevoed in de
godgeleerdheid dier dagen, in staat waren de nieuwe bouwsteenen
te ordenen en te rangschikken: deze te fundeeren op oudere en
samen te voegen met latere bestanddeelen, en zóó op te trek-
ken dien kolossalen tempel Gods, die in de geschiedenis van
de kerk en van het denken in
theoretischen zin heet: de G e r-
maansche Mystiek.

Even onmiddellijk als de inhoud dezer Mystiek was ook de
vorm, waarin zij zich uitte. Het met de scholastiek samenge-
groeide Latijn kon zij niet dulden. Zij gebruikte de moeder-
taal en schiep het Duitsche proza. De vertegenwoordigers
vau deze Mystiek zijn Eckart, Tauler, Suso en Ruys-
broeck. Wij hebben den laatste ter behandeling gekozen, en
zullen van de anderen alleen dan spreken, als dit opheldering
kan geven en bepaald noodig is.

1) Over de Godsvriendon en hunne betrekking op do Nederlandsche devoten zie
men C. J. van der Kemp, in de
Studiën en bijdragen van Moll en de Hoop
SchelFer, I, bl. 258 vgg.

-ocr page 139-

HOOFDSTUK HI.

EUYSBROEOK S LEVEN.

^Jan Yg^jj Ruysbroeck ontleent zijn naam aan zyn ge-
^ orteplaats Muus- tbans Ruysbroeck, een dorp gelegen aan
tusscben Brussel en Halle, alwaar bij in ket jaar

ket levenslickt zag i). Van zün vader is ons niets be-
kend 7-

\' \'^yne moeder, ofscboon in de oogen van den mysti-
^^ en biopaaf »niet in alle deelen volmaakt," was een vrome
kaar zoon innig lief kad en kem reeds vroeg de
d warmen godsdienstzin in bet jeugdige ge-

® strooide. In tegenstelling met de meeste devote vrouwen
Van /I *

le dagen, die baar kinderen zoo spoedig mogelijk aan

^\'ogra V besohrijving van Kuysbroeck\'s leven voornamelijk de oude

Canon\' Surius — met de aanmerking: „Praeeipuus hujus vitae author,

sed • fuit, sed nomen suum suppressit: vixitque paulo post Rusbrocbium,

genoemd ^ ^^^^ aliquanto meliori stylo reddidimus" — aan liet hoofd van zijn
1\'elau ^"ertaling geplaatst. — Wij zijn hier tamelijk uitvoerig en hopen den
natu» .1-1 ™ daarmede een dienst te doen. Do aard van ons werk is

leven ^t^ "^ij hadden hier echter de gelegenheid de Mystiek in het

^lijdscha "Pli\'eden met al haar innigheid en gloed, met al haar eenvoud en

^Wakheid^\' ^^^ overspanning en overdrijving, in haar kracht cn haar

genheid woord: da Mystiek en action. Wij hebben gemeend die gele-

Phie g v. • ^\'^S^^i\'nikt te mogen laten voorbijgaan. — Behalve de genoemde biogi-a-
^\'\'ovinc Mémoires pour servir a Vhistoire litteraire des XVII

^"-ys-Bas etc. Louvain 1705, folio, Tom. I, pag. 51 sqq.; Poppens,
als^""- Pars II, p. 720 sqq. cn vele andere bronnen, die

WIJ over Groenendaal spreken, zullen worden opgegeven.

-ocr page 140-

122

den dienst des Heeren by nitnemendbeid (bet kloosterleven)
wenscbten te wijden, verlangde deze moeder niets vuriger dan
baar geliefden zoon bij zich te houden. Deze natuurlijke
uiting der moederliefde kon door de overspannen Mystiek van
dien tijd moeielijk worden gewaardeerd, en waarschyniyk was
zij het, die den biograaf de boven vermelde berisping in de
pen gaf. Intusschen, de goede vrouw werd in haar hoop bit-
ter te leur gesteld. In den knaap was namelyk een zóó
vurige begeerte naar verstandelijke ontwikkeling ontstaan, dat
hij in het vreedzame verblijf by zijn moeder niet lang vrede
kon vinden. Reeds op elfjarigen leeftijd vatte hij het plan
op, om haar te verlaten, en zich naar Brussel te begeven tot
een van de leden zijner familie, een kanunnik ten einde
daar gelegenheid te hebben, om aan zijn dorst naar weten-
schap te voldoen. Intusschen hetzij hij vreesde, dat ziju moe-
der hem in zijn plannen zou verhinderen, indien hij haar die
meêdeelde, — hetzij hij zich zei ven tegen de aandoening van
het afscheid niet bestand gevoelde, — hy ontvluchtte in alle
stilte. Bij zijn bloedverwant aangekomen, werd hij in zijn
verwachtingen niet te leur gesteld. Vriendelijk werd hij opge-
nomen en ter schole gezonden om de viije kunsten te leeren.
Na een yverige studie van vier jaren, besloot de knaap de
wereldsche studiën te laten varen »daar ze toch op niets dan
ijdelheid uitliepen", en zich met kracht toe te leggen op de
Theologie, de »divina sapientia, quae vitam ac mores pie
componere docet". Dat hij in deze wetenschap spoedig veel
roem verwierf, getuigt de biograaf. »Ofschoon hij nog pas de
eerste gronden van de Grammatica had gelegd, had hy echter
van den hemel zóóveel verstand en doorzicht ontvangen, dat
hij niet alleen de dialectici en de philosophen — maar zelfs
de theologen zóóverre overtrof, dat er slechts weinigen zijn,
die zijn werken volkomen kunnen begrijpen". De Heilige
Geest moest Ruyshroeek dan ook zeker hebben geïnspireerd,
daaraan was wel geen twijfel. Hoe anders zou een betrek-
kelijk zóó weinig geleerd man als hij was, zulke diepzinnige
boeken hebben kunnen maken? Zóó redeneerde men. De

1) Hij heette Jan Hincart en was kanunnik aan de St. Gudula kerk. Zie Paquot 1. c-

J

-ocr page 141-

^vorstanders van de ïlieopneustie loochenden te allen tyde

b^arne de zelfstandige kennis van het door de Godheid gehe-

l^ade medium, omdat zy zoodoende grooter waarborgen had-

^^ Voor de anthentie van het geopenbaarde woord. By Ruys-

oeck kwam er echter nog eene bijzondere beweegreden bij.

ontkende opzettelyk Ruysbroeck\'s wetenschappelijke vor-

05 opdat daardoor de overtuiging zich vestigen zou, dat

geschriften wel van goddelyken oorsprong moesten

iijk\' laatste het geval, dan konden zi] natuur-

8een ketterij bevatten, en waren zij boven de mensche-

eritiek verheven. Zóó werd de rechtzinnigheid van Ruys-
broeck\'o

di -u Werken gehandhaafd. Dit redmiddel werd door hem,
hezigde — wij zullen later opzettelyk daarover moeten
Toch stellig niet te kwader trouw te baat genomen,

lijk ^^ ^^^^ ^^^^ voorstelling van Ruysbroeck\'s wetenschappe-
■Jl\'® «ïitwikkeling

zeker verre bezijden de waarheid Waar-
üiee t^ Rnysbroeck, evenals ieder andere Mysticus, het

Wel ^ ^^ diepte van het gemoedsleven vond, en dat de
Word ^^ ^^ ^^^^ leven, die hij bedoelde, niet op de school
een S^leerd. Maar dit neemt niet weg, dat zijn Mystiek
j,- , wetenschappelijk character draagt, iets wat zij

^^ 20t\\ Ir

een l, \'^^en doen, indien zij niet tevens de vrucht was van

E k ^^ ^^^ ernstige studie. Misschien hoorde

al ^ te Keulen. Hoe het zij, onze Ruysbroeck is

^idd de biograaf het ook honderd maal — hetzij

de Q / betzij onmiddellijk zeer goed bekend geweest met

als ^®tische Theologie en Mystiek, zoowel van zijn tijd

nit de^ ^^^ ouden dag, terwijl hy tevens — zoo als evenzeer

hik ^ ^^houd zyner geschriften blijkt — een niet onaanzien-
niafp

hier • natuurkennis heeft

opgedaan. Maar het is
derh ^^^^ Plaats om verder daarover te spreken. Gaan wij
Nat^ ^^^ verhaal voort.

kon de jongeling door den roep zijner heiligheid

l^loole gezag van den biograaf is zij ccbter meestal door de lateren
^^\'^i\'dt Trithem.
de Script. Eccl. n. 672. Hdit. Fahric. p. 156,

■^udreas ^ genoemd „vir (ut feruut) devotus sed parum literatus." — Valer,
\'^\'\'ioris O ^^^ tem: «Vir divinae contemplationi addictissimus ct sauctitatis
doetrinae,"
Bibl. Belg. Lóvanii 1643, pag. 555 sqq.

-ocr page 142-

124

niet lang voor zijn zoekende moeder verborgen blijven. Nauwe-
lijks vernam deze, waar baar zoon zicb opbield, of zij begaf
zich naar Brussel, om haar Johannes weder bij zich te hebben,
en hem haar teederste zorgen toe te kunnen wyden. Doch op
nieuw werd de arme vrouw in haar verwachting bedrogen.
Onze Ruyshroeek was toen reeds zóó door en door Mysticus, dat
hij zijn moeder niet bij zich wilde toelaten. De zucht om alles
te vermijden, wat hem maar eenigszins van de beschouwing
zou. kunnen aftrekken, deed hem ten eenemale de inspraak des
harten vergeten. Desniettemin liet de moeder zich niet afschrik-
ken : kon zy niet met haar zoon leven, dan wenschte zij hem
toch van tijd tot tijd te zien en te hooren. Hoe zeer het haar
met dit verlangen ernst was, bewees zij, toen ze zich te Brus-
sel in een klooster van devote vrouwen begaf, alleen omdat
haar Johannes daar somtijds kwam. En van lieverlede werd het
gemoed der vrome vrouw tot rust gebracht: door den roep
van heiligheid, die van haar zoon uitging, en zeker wel
niet het minst door hetgeen zij zelve van hem hoorde,
was zij zóó veranderd, dat zij niet eens meer zijn licha-
melijke tegenwoordigheid verlangde; want, naar den geest,
genoot zij in het heilige leven van haar zoon een veel
grooter geluk, dan zij ooit zou gesmaakt hebben, wanneer zi)
hem bij zich had kunnen houden. Zóó troostte de vrome
ziel zich: in kalme berusting bracht zij haar overige
levensdagen, die echter niet vele meer waren, door. Toen
zij stierf smolt den zoon eindelijk het ijs der monnikS\'
heiligheid weg van het harte. Toen bleef hij niet in ge-
breke de liefde te toonen, die hij tijdens haar leven, door
overspannen vroomheid gedreven, had verloochend. Dag eB
nacht rezen zijn gel)eden voor de zielsrust zijner moeder, ter-
wijl haar beeld hem zelfs in den droom steeds voor oogeo
stond. Verscheiden malen verscheen zij hem, om hem met
telkens grooter nadruk en met droevige stem te vragen, — wiJ
zien hieruit, hoe de gedachten waarvan hij gewoonlijk ver-
vuld was, ook onder deze omstandigheden zich laten gelden
hoe lang het nog duren moest, eer hij priester zou worden\'
Zij was namelyk in het vagevuur, en zou door haar zoof
daaruit verlost kunnen worden. Eindelijk naderde de be-

-ocr page 143-

125

dag, waarop Hj zijn eerste mis moclifc bedienen. »Toen"
de biograaf »beeft luj uit een
onbedriegelijke yerscbijning
fijner moeder de volkomen geruststelling ontvangen, dat zij
Sedert van alle straf bevrijd was."

ï^^ysbroeck was 24 jaren oud, toen bij priester werd. Van
verblijf te Brussel is ons niet veel bekend. Alleen weten

ald spoedig kapellaan werd aan de St. Goedelen-Kerk

kn ^^ neiging tot beschouwing, die wy reeds in den

^P ontdekten, werd met de jaren steeds sterker. Hij be-

der^^^^^*^^ zich zeer weinig om zich zeiven, en om de dingen

nio- Hy was bedaard in zijn gedragingen, sprak wei-

nian" ^^^ \'Onaanzienlijk van gestalte, hoewel beschaafd in zijn

eren. Geheel aan de contemplatie overgegeven, ontweek hij

r mogelijk het seziclit der menschen, ofschoon de drukte

hera . . .

^let hinderde, daar hij toch niet merkte, wat er rondom

het 1 Eens toen hij, als altijd in diep nadenken van

ten ^ verzonken, door Brussel\'s straten liep, ontmoet-

ov. , ^ twee leeken. Toen zij \'s mans nederig voorkomen
den ri •

sch ^iven-eenvoud, die uit zijn geheele wezen sprak, be-
ilj. ^ riep de één, blijkbaar getroffen: »Gave God, dat
tor\'\'\' groote heiligheid des levens bezat als deze pries-

»Wat?\'

de

zei de ander »al kon ik er al het gfoud van

Want^^\'^^*^ mede krijgen, ik zou niet in zijn plaats willen zijn:
Toen ^^^ ^^^^ enkelen vroolijken dag meer beleven."

inaar n^.^^^^^ê\'e man deze woorden »toevallig" opving, zweeg hy,
2oeth bij zich zelven: »Ach, weinig weet gy hoeveel

hebb " ^^ ^^^ bevinden, die den geest Gods gesmaakt

te Ti

slechts één voorval uit Ruysbroeck\'s leven
leefd
 Wordt ons door den biograaf medegedeeld. Er

een ^^melijk te dien tijde daar ter stede een zekere vrouw,
Ygj.^^^ van den vrijen geest," die verderfelijke leeringen

^eend^^*^*^^\' ^^ ^^^ ^^^ ^^^^^ boog stond aangeschreven i). Men
ojji j ^èlfs, dat zij om haar heiligheid, als ze ter kerke ging
des Avondmaals te gebruiken, door twee
1
Werd begeleid. Zy schreef veel over de vrijheid des

^^"\'laixl geble^\'^ l^iograaf den naam dezer vrouw verzwijgt, is die ons eehter bo-
zij heette Bloemardine. Zie o. a. Paqnot t. a. p.

-ocr page 144-

126

geestes en over liet geliefde thema van deze seete, de Seraphi-
sche liefde.
Haar leer maakte grooten opgang en telde spoe-
dig vele aanhangers. Desniettemin verzette Knyshroeck zich
dadelijk met alle kracht tegen deze vrouw en haar theoriën.
Zonder haar volgelingen te tellen, en te bedenken, hoevele
vijanden hij zich daardoor op den hals haalde, ontdekte hij
stoutweg het bedrog in hare geschriften, en verklaarde haar
»seraphische liefde" voor niets anders dan onknischen lust. —■
Het is opmerkelijk, dat wij overal in Ruysbroeck\'s geschriften
de heftigste polemiek vinden tegen de secte van den vrijen
geest, terwyl er, zooals wij straks bij de uiteenzetting van
Ruysbroeck\'s Mystiek zullen zien, verscheiden punten van aan-
raking bestaan juist tusschen deze secte enhemzelven. De over-
eenkomst is natuurlyk alleen theoretisch,
maar daarom niet
minder in het oog vallend. Het is daarom niet onwaarscbijnlyki
dat de biograaf, die zeer goed wist, dat zijn »beilige" zelf niet
vrij van verdenking was, dit voorval opzettelijk meêdeelt, om
toch vooral in het oog te doen springen, dat Ruysbroeck een
heftig bestrijder van deze ketterij geweest is. Hij voegt ef
dan ook bij: »Er zijn menschen geweest, die meenden, dat
deze zeer heilige man zelf tot zulk een dwaalleer was
verval-
len, maar zijn geschriften bewijzen immers integendeel hoe-
verre hij van zulk een denkwijze verwijderd was!"

Ziedaar alles, wat ons van de eerste zestig jaren van Ruys-
broeck\'s leven bekend is. Uit bier en daar verspreide aa»\'
wijzingen weten wij nog, dat
hij eenige van zijn beste werkeO
gedurende dit tijdperk van zijn leven heeft geschreven, terwijl
het uit andere omstandigheden blijkt, dat hij reeds te Brussel
een kring van mystische geestverwanten om zich heen had
verzameld.

Op zestigjarigen leeftijd legde Ruysbroeck zijn betrekking
te Brussel neder, om zich naar ket klooster
Groenendaal
te begeven. Hij verlangde naar rust ten einde zijn overig®
levensdagen ongestoord aan de goddelijke contemplatie te
kunnen wijden. Verscheidene vrienden vergezelden hem.

Groenendaal behoorde aan een nieuw gestichte vereenigiö^
van reguliere koorheeren van den heiligen Augustinus, en l^ë
twee mijlen van Brussel in een groot beuken woud,- het SoU\'

J

-ocr page 145-

127

J-ubosch (forêt de Soignies), in de nabijheid van het later
bekende Waterloo Ruyshroeek werd, onder den proost
^lanco, de eerste prior van dit klooster. Yan het kalm daar-
^eenen vlietende leven van Ruyshroeek te Groenendaal heeft
j^^.^^^^graaf het een en ander meegedeeld. In deze eenzaam-
\' ^egt hij, werd zijn heilige verjongd als de arenden en
^enals deze koningen der lucht het zonnelicht niet vreezen,
^^gon hij het oog onafgewend op de klaarheid der eeuwige
011 te vestigen. Intusschen, had de overtuiging, dat een con-
platief leven rust en ledigen tijd vereischt, Ruyshroeek
Groenendaal gevoerd, — toch wilde hij zijn rust gaarne
Pufferen pm anderen te helpen, en vooral om hun tot een voor-

1) Zie

•^ver het klooster Groenendaal (Viridis Vallis) Mastelinns Necrolo-
IncipuT\'^^^\'^^^^
^mWü Vallis, Brussel zonder jaartal, 4o. — Het werk getiteld :
in. ^ • origine Monasterii Viridis Vallis et de geslis Fatrum et Fratrum

Can fervore ibidem degentiwn; descriptus a Magistro Henrico de Fomerio,

Va

etc. qui exstitil Frior Ilonas ter lorum Brabantiae, sive Viridis
^ Septem Fortium ad Reguläres in Bethleëm prope Lovanium.
— Cf. Archief

d\'^\'X\'Ji\'iedenis van Kist eu Rooyaards. Deel VIII, hlz. 361 vgg. Dââr

Hit j. ^^^ ®®rste bewoners van de „groene vallei" opgegeven ; eerst Johannes

vpi., 1 ^\'\'^l^eht van de hertogen van Brabant, dan Arnoldns, een heremiet,

\'\'ervolgeng I . i . .

inot •• ■\'\'^na bertus; daarna Joannes Gerelinus en eindelijk Eu vsbroeck

"\'et zijn „g ,, . . . "

^\'\'ndt "\'^len, aan wien het geheele IIde boek gewijd is. — Verspreide berichten

door H zeldzame Chronicon Windesemense van Johannes Busch, in 1621

\'l^hotua Rosweyde te Antwerpen uitgegeven, en in de fragmenten van

aehtni.\' i\'\' Chroniek van den St. Agnietenberg hij Zwolle, door Eosweyde

het Kn

1\'^\'iatsen genoemde werk van Busch opgenomen. Wij zullen straks de

^\'ij het — Omtrent de toedracht van de stichting des kloosters zullen

Bru Paquot t. a. p. mededeelen: Euysbroeck ging na zijn vertrek

^^üizeuaa ®®nigeu zijner geestverwanten den heremiet Lambertus (den derden

ils y Crroenendaal) in zijn vallei bezoeken. „Cet endroit leur ayant plu,

par Matth". ^^^ ehapelle, qui fut consacrée le 17 Mars de l\'année suivante 1344
d ^^ Eveque de Trebizoude, sufFragant de Cambrai, et résolurent de ne plus
l^ïisbrocii \' ®®P®ndant ils retinrent l\'habit de Prêtres séculiers jusqu\'en 1349 que
de Ch ^l\'aneken van Coudenberghe, zooals hij elders heet) reçurent

avoir \' Réguliers des mains de Pierre André, Evêque de Cambrai, après

Salicibus, Abbé de St. Victor de Paris. Le lendemain
\'"•^doubla ^■\'\'^nco Prévôt et Eusbroch Prieur de cette maison. Ce dernier

^■éforrne d ^ emploi; il fit fleurir la nouvelle colonie et porta la

^\'\'Riidd ^^ congrégation de Windesheim (wij zullen echter zien, dat dit niet

^^andon • ^"^sbroeck geschiedde) et jusques dans Ie Monastère de Château-

\' est po-sséde\' par les Chanoines Réguliers depuis le XII siècle."

-ocr page 146-

128

beeld te zijn in alle plichten, die het klooster meêbracht.
Hoewel door ouderdom en »studie des inwendigen levens" —
zegge: harde Ascese — uitgeput, was hij nog altijd bereid
tot het vuilste werk, bijv. het aandragen van mest en derge-
lijken. Ook in den kloostertuin verleende hij gaarne zijn
hulp. Daar stond hij dan te wieden, wat hy kon. Maar
door zijn eenvoudigheid was hij dikwijls den broeders, die
däär werkzaam waren, meer tot last dan tot gemak, aangezien
hy niet zelden de heilzame kruiden tegelijk met het onkruid
uitrukte. Om den ijver, dien hij altyd betoonde, zag men
hem echter gaarne werken, en gevoelde een ieder, die het aan-
schouwde, zich tot nederigheid gestemd. Maar, hoe druk hij
ook mocht bezig zijn, nooit verloochende hij onder den
arbeid
zijn contemplatieve natuur. Hy werkte altijd met ééne hand,
de andere hield hij steeds aan den rozenkrans. Hij wilde
nooit ingespannen zijn met eenig uitwendig werk, zonder in-
wendig al wat hij deed, met vrome toewijding zijner ziel,
»Gode te offeren"^). Dikwijls betuigde hij aan de broeders,
dat het hem minder moeite kostte, door contemplatie zijn
ziel tot God omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd
te brengen. De gratie Gods glansde op zijn aangezicht, zegt
de biograaf, de zedigheid straalde door in al zijn woorden, de
vroomheid in al zijn daden, de nederigheid in geheel zijn ge-
drag. Hij was sober van levenswijs, slordig in zijn kleeding,
geduldig in alles en jegens allen. Zijn gemoed was
vervuld
met het grootste medelyden, niet alleen met de redelijke schep-
selen maar ook met de redelooze dieren. In dit opzicht doet
hij ons aan den heiligen Pranciscus denken. » \'s Winters wan-
neer de sneeuw dik lag opgehoopt rondom den muur van het

1) Het offereji van zichzelven aan God was hij de devoten zeer gewoon. Het
werd door Geert Groote en Jan Brinclterinck sterk aanbevolen. Zie
KerJchist. Archief
II: 155. De laatste beschrijft deze vrome oefening in zijn eerste collatie, K.
IV, bl. 116 vg. aldus: Na een innig en ootmoedig gebed — „seldi u mit gewelde
an onsen lieven heren drucken ende seggen: lieve here, ic wil ymmer "
wesen; ic wil ynimer gheern doen, dat men mi doen. heet, al hoe suer dattet im
wert," enz. — Cf. Moll
Kerkgeschiedenis II: IV bl. 222: „Tot de meest eerbied-
waardige vormen, waarin zich de zucht naar heiligmaking bij onze voorvaderen
plagt uit te drukken, behoorde hetgeen zij „liet offeren van zichzelven" aan den
Allerhoogste noemden" enz.

-ocr page 147-

129

klooster en de vogels te vergeefs naar voedsel zochten, plach-
de broeders, die de goedaardigheid en het medelijden van
vromen Vader kenden, te zeggen: »Vader het sneeuwt;
nioeten nu die arme vogeltjes beginnen?" Zoodra de
^%etrokken man deze woorden vernam, werd hij bedroefd, en
e ï|k liet hij den vogels eten geven." — Van zijn geduldige
^ enheid deelt ons de biograaf een sterk sprekend voorbeeld
^ede. Eeus toen hij zwaar ziek lag, verzocht hij om een
Geinig Water, want hij had grooten dorst. De proost echter,
ebnende dat het drinken hem kwaad zoü doen, wilde zijn
^erzoek niet toestaan. Toen bleef de vrome man in kalme
e^nsting liggen. Ofschoon bij bijna van dorst bezweek, niet-
zijn verdroogde lippen barstten — hij verdroeg
en^ niet geduld, liever Grode het offer van lijdzaamheid

^\'^h\'^oi\'zaamheid willende brengen, dan, zelfs in zulk een
en, zyjj eigen lust te volgen. Toen hij echter meende te
ned ■ ^ »alleen door de vreeze Gods gedreven",

^ig tot den Proost: »Vader, indien ik nu geen water krijg,

"an 70] M

dez ^ ^^^^ ziekte niet genezen." De Proost, door

Woorden beangstigd, gaf hem te drinken, en dadelijk ver-
zich herstel.

Zoo ^^ ^^ysbroeek dus een toonbeeld van monniksheiligheid,

oocr ^^^ ^^ natuurlijk als zoodanig een scherpe doorn in het

deze ^^^ satan, die het moest aanzien, hoeveel afbreuk

I^aar ^^^ deed door voorbeeld, leer en geschriften.

te V ^ ^^^ehtte hij dikwijls den Heilige te verschrikken en

Pad verschijnen in de gedaante van een

is t ^^^ ander leelyk dier. Dat dit zuivere waarheid

\' staat bij

den biograaf vast, want »de heilige vertelde het
gen f ^^^ ^^^^ vrienden." Als dan de broeders vroe-
^oo\'rdd ^^^^ b^ng was voor den goddeloozen vijand, ant-
mij ^^^ Volstrekt niet. Alleen somtijds bedroefde het

noodlottig en voor God zoo hatelijk dier.
Zelf ^^ ^^ komen". De vrome man was intusscken
macht^ deze kwelling; kij kad zelf den Booze

In^^^^ gegeven. De zaak kad ziek aldus toegedra-
c^ot^mj^^^^®^ bestond een regel, dat de oßda defun-

• 1- de kerkdiensten voor de zielen der afgestorvenen

9

-ocr page 148-

130

stuk voor stuk (divisim) moesten voorden verricht. Nu kwa-
men op zekeren dag eenige fraters met aandrang hij den
prior vragen, of zy eenige dezer
oß,cia te zamen {conjunctim)
bp één dag mochten afdoen. De vrome man, waarschynlijk
te veel met goddelyke dingen vervuld, sloeg niet genoeg acht
op dit verzoek, en stond het zonder nadenken toe. Toen
werden die officia tegen den regel in
conjunctim afgedaan.
»AI was het verzuim klein, — zegt de biograaf —
omdat het
niet uit opzet, maar uit onbedachtzaamheid geschied was; God
laat zijn vrienden niets ongestraft — en daarom
moest
Ruysbroeck voor zyn verzuim zooveel lijden". Wij laten na-
tuurlijk dc objectieve waarheid van dit verhaal voor wat zij
is, maar merken alleen aan dat het voor de subjectieve ver-
beelding van onzen prior ongetwijfeld als onbetwistbare reali-
teit gold. Wy zouden dit voorval niet zóó omstandig
verhaald
hebben, indien wij er niet een treffend bewijs in zagen van
de zeldzame nauwgezetheid van geweten, die Ruysbroeck eigen
was. Een zonde als deze, die zonder eenige moeite weder
goed gemaakt kon worden, heeft toch den goeden man zyn
leven lang verontrust.

Intusschen werd het leed en de angst, die hy op deze
wijze van den Booze te lijden had, ruim opgewogen door
de heerlykheid, die hem door hemelsche vertroostingen en
bezoeken bereid werd. De biograaf verhaalt ons van
verschijningen, aan Ruysbroeck ten deel gevallen, van den
Heer Jezus zelven, door wien hij met de grootste gave zijner
genade werd begiftigd. Ja zelfs waren de hoog
gebenedijde
moeder en alle Heiligen somtijds daarby tegenwoordig,
en dan sprak de Heer op Ruysbroeck wijzende: »Zie hier
mijn geliefde zoon." Uit de gesprekken, die in zulke oogen-
blikken met en door Jezus werden gevoerd, putte Ruysbroeck,
naar de overtuiging van den biograaf, zijn goddelyke kennis-
Wanneer wij in herinnering brengen, wat vroeger door ons
aangaande de visioenen en verrukkingen van den mystischen
toestand gezegd is, kunnen wij gemakkelyk begrijpen, dat
Ruysbroeck op dit punt dezelfde meening als zijn
levensbe-
schrijver toegedaan geweest is.

Natuurlijk kon de naam van een zóó vroom en heilig man»

J

-ocr page 149-

131

onze prior blijkens het medegedeelde was, niet binnen de
muren van het klooster beperkt blijven, en moest zich
all ^^^ nitging, wijd en zijd verspreiden. Van

^ e kanten, nit Vlaanderen, uit Straatsburg, uit Bazel, van
geheele Rijnstreek i) vloeiden scharen van bezoekers naar
i^oenendaal. De belangstelling was gelijk bij allen, mannen
Vrouwen, machtigen en edelen, doctoren en klerken, grijs-
\'^^ds en jongelingen. Onder allen verdienen in de eerste plaats
«ef oemd te worden: Johannes Tauler en Geert Groote. Om-
zeld ^ ^ ^ ® ^ biograaf: »hij was zeker een man van

echt^^^^ geleerdheid en uitstekende heiligheid. Hoe zeer hij
bij Ruysbroeck in kennis van het eeuwige en beschou-
ni t ^ leven is vooruitgegaan, bewijzen zijn geschriften, waarin
^veinig voorkomt, wat hij zonder eenigen twijfel van dezen
iü d ^^ ^^^ heeft overgenomen. Want, ofschoon Tauler
eht^ \'^\'^holastieke Theologie verre vooruit was, zoo werd hij
^^^■^er in de mystische Theologie en de kennis van het
»ee leven verre door Ruysbroeck overtroffen. En

^Sch want Tauler werd eerst op zijn jaar een

da (contemplationi sese dedidit), en stierf niet lang

^^^^^^ Ruysbroeck dit reeds als knaap was, en tot
^ acht en tachtigste jaar van dag tot dag in de beschou-
IS toegenomen."

^elen^^ uitspraak van Ruysbroeck\'s biograaf, was bij

ovfj^^ ^^^ vonnis over Tauler\'s oorspronkelijkheid geveld. De
Hu van vele plaatsen van Tauler met geschriften van

hesch ^^ werd als door deze notitie geheel opgehelderd
jg u*^^^*^\' nader onderzoek heeft echter tot andere

tg ^ geleid 2). Wij hebben boven Ruysbroeck en Tauler,
steen^^^ ^^^ Eckart en Suso, de bouwmeesters genoemd die de
gebracht^^^ Germaansche mystiek tot één Tempel hebben samen-
zijn zy niet te beschouwen als de Vaders,

Vooral

^ij vo" wege de vele kloosters en geestelijke vorstendommen

Cf_ JJ.., . ----""O—. —

oiringer die deutschen Mystiker en vooral S. 451.

de stroom bloeide het gemoedsleven. Men heeft Iden Eijn wel

slagader van het Duitsche rijk" genoemd, maar in die dagen
\'^^Idea teeten. Men noemde in de Middeleeuwen deze rivier niet

ie xij «papenpad" van wege de vele
2) Böhringer, S. 8.

10*

-ocr page 150-

132

n

maar veeleer als de Zonen der niemve mystiselie ricMing.
In de eeuw bloeide het gemoedsleven uitermate in geheel
het Westen van Duitschland, en zeker ook wel in ons Vader-
land. Door nauwe aaneensluiting en druk verkeer van de
»innige" geesten onderling, ontstond er spoedig een bepaalde
mystische traditie met algemeen gangbare terminologie. De
oorsprong hiervan laat zich niet bepaald aanwijzen, evenmin
als het bestaan er van zich laat ontkennen. In deze traditie
nu, die, waarschijnliik door aansluiting aan de vroegere specu-
latieve Mystiek, zelve een gedeeltelijk speculatief charakter had
verkregen, zijn de stelsels van de genoemde mannen geworteld.
Natuuriyk moet er dus wel overeenkomst tusschen allen be-
staan, en wel op allerlei punten. Die overeenkomst bewijst
alzoo niet, dat Tauler de geestelijke Zoon van onzen Ruys-
broeck is geweest: de onmiskenbare familietrek duidt alleen
aan, dat
zij broeders zijn van een en dezelfde moeder; broeders,
die ieder hun weg zijn gegaan, — of om weder op onze eerste
vergelijking terug te komen, — bouwmeesters, die aan den
tempel, waaraan zy te zamen werkten, elk hun eigen kapel
hebben gebouwd. Het is natuuriyk hier de plaats niet, om
de verschillende eigenaardigheden van deze beide mannen
tegenover elkaar te stellen. Wij kunnen een veel gemakke-
lijker bewijsvoering voor Taulers onafhankelykheid van Ruys-
broeck te baat nemen: de tijdrekening namelyk. Wèl
zyn ons de chronologische data van de werken en preekeü
van Tauler, helaas, onbekend, terwyl er slechts twee jaar-
tallen zijn, die ons bericht geven omtrent Ruysbroeck\'s schrif-
telijke werkzaamheid: maar toch weten wij dat, toen de
laatstgenoemde in 1350 zijn
clmrheit der gheesteleker hruloch\'t
aan de Godsvrienden te Straatsburg zond, Tauler en Suso
reeds lang rype Mystici waren, en reeds verscheidene va»
hun werken geschreven hadden. Dat Tauler eerst door vreem-
den invloed de diepzinnige Mysticus geworden is, is zeker
waar, maar de man, die zulk een geweldigen invloed op zijH
leven en charakter heeft uitgeoefend, was niet
Ruysbroeck,
maar de geheimzinnige persoon, »de man", de verlichte GodS\'
vriend uit het Oberland, de »genaderijke leek", ons
bekend
uit zijn geschrift: »die Historie und das Leben des ehrwürdige^!

J

-ocr page 151-

133

Politors Johann Tauler" i). Hiermede beweren wij niet, dat
^nler geheel vrij is gebleven van alle inwerking van Ruys-
bïoeck, maar evenmin zouden wij de mogelykheid van zulk
een invloed door den eersten op den laatsten "uitgeoefend,
•lurven ontkennen. De ontmoeting van deze twee mannen
niaakt beide gevallen mogelijk. Tusschen bun geschriften
bestaat zeker hier en daar een woordelijke overeenkomst,
donder dat het daarom uit te maken is, aan wien de prioriteit
^oet worden toegekend Het boven, aangaande de gang-
mystische traditie, meêgedeelde, bewijst trouwens, dat
een vraag nutteloos is.
Cfeheel anders was de betrekking van Ruysbroeck tot den
^ eeden van zijn meest beroemde bezoekers, wij bedoelen Greert
^^^oote. Ruysbroeck\'s naam was ook tot Deventer doorge-
Oßgen, en meester Geert verlangde niets vuriger dan van
^^ngezicht tot aangezicht den man te zien, wien hij nog maar
^ uit zyn door kem koog bewonderde geschriften kende.

een reisgezel — den geleerden en als docent in dien tijd
^eêrgaloozen JokannesCele — ondernam Geert den langen

oiïid wordt nergens vermeld, liij verzweeg dien opzettelijk. Waarschijnlijk

^ond^ dien tijde, als leek, niet openlijk met zijn geschriften kon opkomen,

door de Kerk verketterd te worden. Gewoonlijk houdt men hem
zoolaas van Bazel, zonder dat daarvoor echter genoegzame bewijzen
. . O historie" enz. is opgenomen in de uitgave vóór Tauler\'s preeken,

bed \' ^ — Hoe groot de invloed van dezen onbekende ook geweest zij,

Sewo^id^ zich toch, wanneer men meent dat Tauler door hem eerst Mysticus

zijn. In de jsreek, die hij vóór zijn bekeering, op verzoek vau den
^^ geheel niet als meester bekenden leek heeft gehouden, komen
\'■ehte ^ S®dachten en verdeelingen vóór als in zijn latere preeken. Door dezen
theor\' waarachtig gelooven, hetgeen vroeger meer een aangeleerde

I^^iest tevens door denzelfden lesk de waarde van het algemeen

®\'®ehap leerde kennen. Zie vooral het bekende werk van C. Schmidt, Johannes

Hamburg 1811.

3) zl\' ^^^ S. 451.

\'"\'Igein beroemden Rector der Zwolsche school de schoone en

^"■vlo d f erhandeling over de Broederschap van G. Groote en over den

tevens Delprat, 2e druk, Arnhem 1856, bl. 85 en 89, alwaar

tonber r ^ (voornamelijk de chronieken van Windesheim en van den Agnie-

Vej.i 174) zijn opgegeven. — Cele stierf in 1417 en werd, op zijn
^^gen, te Windesheim begraven.

-ocr page 152-

762

tocht Toen zy op de plaats hunner bestemming aankwa-
men — zegt Thomas a Kempis in zijn biographie van Geert
Groote •— zageji zy geen hooge en aanzienlijke gebouwen,
maar de teekenen van eenvoud en armoede, welke de eerste
kenteekenen zijn geweest van onzen hemelschen Koning, toen
deze uit een maagd geboren, zonder iets te bezitten, op aarde
kwam. Toen zij de poort van het klooster binnentraden, was
de eerste, dien zij ontmoetten, juist de man dien zij uitgegaan
waren te zien. Hij begroette hen allerminzaamst en, door
een goddelijke openbaring voorgelicht, herkende hij dadelijk
meester Geert, en noemde hem bij zijn naam, ofschoon hij hem
nooit te voren gezien had. Daarop geleidde hij zijn geëerde
gasten naar binnen, en ontving ze met een zóó vroolyk gezicht
en met zulk een blydschap in het hart, alsof hy Jezus Christus
zeiven had ontvangen. Toen eenige dagen in den meest vriend-
schappelijken omgang waren voorbijgegaan, gaf Geert den prior
zijne verwondering te kennen, hoe hij zulke diepzinnige boeken
kon schrijven, ofschoon hij te gelijk zich en zijne leer daar-
door veel tegenstanders verwekte. Euysbroeck begreep dezen
wenk en antwoordde: »Meester Geert, wees er stellig van over-
tuigd, dat ik geen woord geschreven heb anders dan door den
drang des Heiligen Geestes, en in de wonderbare en zoete
tegenwoordigheid der Heilige Drievuldigheid."

Het schynt intusschen, dat Geert, maar vooral de verstan-
dige Cele, niettegenstaande deze afdoende verklaring, toch
nog met menige voorstelling van den enthusiastischen con^
templator geen vrede konden vinden. Ruyshroeek eindigde
het moeielijke gesprek met den echt mystischen uitroep : »Mees-
ter Geert! binnen kort zult gij van de waarheid myner woor-
den, die u nu nog duister zyn, volkomen overtuigd worden".
Tot Cele, met wien hij zeker in het geheel niet uit den weg
heeft kunnen komen, zei hij: »Meester, gij begrijpt mij niet

1) Men vindt het verhaal dezer reis in de. levensbeschrijving van Geert Groote
door Thomas a Kempis, c. 10. Daar wordt nog van een derden reismakker gesiwo-
ken, die echter nergens elders, waar Geerts bezoek bij Ruyshroeek wordt
vermeld,
genoemd is. Hij diende tot gids, en kwam waarschijnlijk verder niet in aanmer-
king. „Profectus est etiam cum eis vir quidam fidelis et devotus laicus Gerardus
Calopifex dictus, dux angusti itineris, et individuus comes huius felicissijnae
profectionis," zegt Thomas t. a. p.

J

-ocr page 153-

135

^^ zult, ten minste in dit leven, mijn woorden nimmer ver-
®taan . Q-ggj^t vooral in Ruysbroeck trof, was diens

^ögewoon en onwrikbaar vertrouwen op Gods liefde, waardoor
vrees werd buitengesloten. Hij meende, dat de vrome
P^ior zelfs wel wat al te onbezorgd was voor den goddelijken
^ en besloot daarom hem te waarschuwen. Met dit doel
hij hem, op gezag van vele schriftuurplaatsen, met
^adrulc te wijzen op het jongste gericht en de straffen der
• Intusschen, hoe meer vrees Geert hem trachtte in te
^oezemen, zóó meer ontbrandde Ruysbroeck in vurige liefde
^ Cod, en eindelyk barstte hy los:»Meester Geert! geloof dit,
^ Vertrouw, dat ik uit den grond mijner ziel bereid ben alles
dragen, wat de Heer wil, dat mij overkomen zal, hetzy
^ \' hetzij leven, hetzij zelfs de onverdragelijke pijnen der
® • Ik verlang voor my zelven niets aangenamers, niets
jj niets heilzamers, niets anders, dan dat mijn geliefde
^ eere God mij immer gereed en bereid vinde tot het welbe-
^agen Van zijn wil." Door zulke innige vroomheid verdween
• ^ ^^wijfel, en Geert liet zich naar hartelust door zijn leidsman
hij ^^ verborgenheden des hemels. Spoedig voelde

Zich gedrongen evenals de koningin van Scheba uit te
F n: »Vader! uwe wijsheid en uwe kennis zijn grooter dan
^\'^ep, aien ik daarover in myn land gehoord heb: door
deugden hebt gij de faam overwonnen". Toen zy huis-
® lieerden doorliep Geert in den geest nog eens alles,
hy van den bewonderden schouwer had gehoord en »als
iets ^^^^ herkauwde" hij het, terwyl hij uit angst, om

^^ Vergeten, het voornaamste opteekende.
^\'^hoon Thomas a Kempis, wiens bericht wij hier volgden,
te ^^ ^^^ deze reis naar Groenendaal gewag maakt, heeft Mees-

alle

gj* — O " ■ ■ J \' ........

ei\'t toch meermalen den tocht derwaarts ondernomen. De
sympathie, die hij voor Ruysbroeck gevoelde, maakt dit

gi\'oote

3) ^

de de broeders te Groenendaal: „Ik wenseb ten innigste

leve. aanbevolen te worden, maar ook aan den prior, wien ik in dit

\'^\'ooj als in het toekomstige verlang tot een voetbank

alle f\'^ ^°eten te mogen dienen. Want mijn ziel is aan hem hoven
®i"velingen door liefde en eerbied verbonden." Tzte (?. Ä 1.1-

-ocr page 154-

13G

reeds hoog waarschijnliik, terwyl het elders stellig verklaard
wordt 1). Hoe het zy, Ruysbroeck\'s persoonlijkheid en denk-
beelden maakten evenzeer als het geheele kloosterleven te
Groenendaal een diepen indruk op Geert terwijl hij daar
de krachtigste aanmoediging vond in zijn ontwerpen tot
kloosterhervorming. Hij nam zich stellig voor, om met eenige
vrienden een regulier klooster te stichten naar het voorbeeld,
dat hij in Brabant by Johannes Ruysbroeck had gezien. Door
den dood daarin verhinderd, heeft hij zijn plan aan zijn leer-
lingen ter uitvoering overgelaten. In de Windesheim er
Congregatie werd het verwezenlijkt

Maar, zooals wij boven zagèn, deze twee mannen waren niet
de eenige, hoewel de meest beroemde bezoekers van Groenen-
daal. De biograaf noemt ons nog verscheiden anderen, die
tot den befaamden prior kwamen. Zóó verhaalt hij ons van
een voorname vrouw, die Ruysbroeck dikwijls twee mijlen ver
op bloote voeten kwam bezoeken. Zij werd door hem zoo-
zeer in de verachting der wereld en de liefde tot God beves-
tigd, dat zij afstand deed van al wat zij had, en zich naar
Keulen begaf, om däär den regel van St. Clara aan te nemen.
Een andere vrouw begeerde eens — toen zy in een zware

1) Zie de genoemde fragm. v. d. chronic. St. Äpiet. v. Tliom. a Kemp. p. 133.
Voor de Windesheimsche kloosters verwijzen wij naar het aangehaalde werk van
Delprat, hl. 313—234. In 1413 stelden zieh de zeven Brahantsehe Augustijnerkloosters
van reguliere kanunniken (waaronder ook Groenendaal) onder Windesheim. Zie
verder
over de Windesheimer congregatie de kerkgeschiedenis van Moll II: II: 218 vg-
en vooral de onlangs door het Utreehtsch Genootschap voor Kunsten en Weten-
schappen bekroonde prijsverhandeling van Dr. Acquoy:
„het klooster WindesheiM
Ijij Zwolle en zijn bewoners, met aanwijzing van den invloed, welken dit gesticht
op de algemeene, inzonderheid op de zedelijke beschaving heeft uitgeoefend^

2) Zie de levensbeschrijving van Geert Groote door Thomas ä Kenipis, c. 10.

3) Jan van Leeuwen, de kok van Groenendaal, over wien wij dadelijk zullen
spreken, is hier een afdoend getuige: „ende oec enen anderen goeden heiligen man,
die nut Hollant was, ende die toten goeden prioer te comen plach, ende by hein
te blivene, bi tiden een maent -ii- of -iij-, of somwile een half jaer. Siet
dees goede man, die geheeten is, meester Geert de Groote enz. Zie bij
Willeios
op de straks aan te halen plaats. — Ook Henrieus de Pomerio, 1. 1. Lib. II c. lO
zegt: „Gum autem interpolatis vicibus Magister Gerardus
devotuin
Priorem visitans, semel secum in Viridi Valli manere per tempus decrevisset"
etc. —■ Blijkbaar vertelt Thomas alleen de eerste reis.

-ocr page 155-

137

blekte bedroefd werd door inwendige bekoringen, en bet haar
alsof zg door God geheel verlaten was — Euysbroeck te
Toen hij kwam, vroeg zy, wat zij toch doen moest,
^ zy de kranken niet langer kon dienen, terwyl er zelfs in
binnenste geen devotie meer werd gevonden. Toen ant-
^oordde de Mysticus: »Dochter! geloof dat gij Gode geen
^eter offer kunt brengen, dan wanneer gij u zelve geheel aan
wil overgeeft, en tracht in alle dingen Hem te danken
volkomen verzaking van uw eigen wil." Door deze
bewogen en gesterkt, heeft de vrouw niet alleen ge-
g ^ ^^^^ zelfs gaarne alle leed om den wil van Christus
^ ^agen. Op een anderen keer kwamen er twee klerken ge-
_ Uit Parys om Ruyshroeek te bezoeken. Het doel hunner
\' Was, om van den ervaren schouwer te hooren, hoe zy
en komen tot een vurige minne Gods. Het eenige ant-
dat zij ontvingen, was: »Gy zijt zóó heilig, als gy zel-
.. ^lit." Daar zij deze woorden niet begrepen, verwyderden
Zich met groote ergernis, meenende dat zy voor den gek
n gehouden. De broeders brachten hen echter, toen zij

Van

tej. toedracht der zaak gehoord hadden, tot den prior
den • ^^ smeekten dezen om hun toch den zin zyner woor-
uit te leggen. Toen zei hij: »Welnu, heb ik u niet de
zoo^ gezegd? Gij zijt zóó heilig als gij zeiven wilt. Immers:
teil\' ^^^ ^^ goedheid van uw wil is, zóó groot is uwe

^^^ igheid. Gaat dus zeiven na hoe goed uw wil is, en gij zult

^ate Tiwer heiligheid spoedig kunnen bepalen".
^^ aar al wat ons van de talrijke bezoekers, die herhaaldelyk
tek^^^^^^ Van het Groenendaalsche klooster kwamen verstoren,
die^^r^ Richten wij nu nog even het oog op de broeders,
gj^ . tot een blijvende woonplaats hadden uitgekozen.

Het ^^^^ omgeving Ruyshroeek zijn laatste jaren doorbracht.
^otQ ^^^^^ allen vrome mannen — dit getuigt de groote inge-
da die Geert voor hen aan den dag legt — maar

hebben zij zich niet allen een bekenden naam ver-

Van

\'^^traru

^ H^ij schreef o. a. in den hoven (hl. 1-35, noot 2) bedoelden brief aan de fraters
oenendaal, ook aan de broeders zeiven: „Ardeo adhuc et suspiro

et taii^- ■ \'ie spiritu vestro renovari et inspirari

1 iinpertiri." Fifa Ger. M. 1. c.

-ocr page 156-

138

worveu. De voornaamsten onder hen waren: Willem Jor-
daens i), Johannes van Schoonhoven wien wy later
weder zullen ontmoeten, Johannes Stevens en Johannes
van Leeuwen uit Aflighem, de kok van ket klooster. Het is
vooral van den laatste, dat de schoonste getuigenissen tot ons
zijn gekomen. Hij was Euyshroeck als leek naar Groenen-
daal gevolgd, en hrackt ket — volgens onzen biograaf — tot
zulk een keiligheid, »dat de berichten daaromtrent haast onge-
loofelijk zyn." Hy werd de strengste asceet van ket gekeele
klooster: in vasten, in waken, in uitmergeling des vleesckes
overtrof ky al de broeders. Dikwijls werden \' zij door zijn
woord tot tranen toe bewogen. Maar te gelijk zorgde ky — en
dit is een eigenaardige trek — er voor, dat deze zoowel als
de gasten, het niet alleen goed hadden naar de ziel, maar ook
naar het lichaam. Tegenover zich zeiven was hy echter, zooals
wij zeiden, uiterst gestreng. Hij droeg ruwe en afgedragen
kleederen, en wilde bijna nooit iets anders nuttigen dan de
brokken, die de broeders hadden overgelaten; ja zelfs gebruikte
hij niet zelden ofschoon met walging stinkende eieren, die de
broeders niet wilden eten Hij ging nooit slapen dan na
eerst de vroegmetten te hebben bijgewoond, meenende dat de
tijd, dien hy aan de rust wydde, verloren was. Te midden
van zyn drukke beroepsbezigheden, verzuimde bij de contem-
platie geenszins; door geenerlei arbeid werd hij daarin
gestoord-
De gave der schouwing had hij verkregen door een zeer oplet-
tende en onafgebroken kerdenking van het lijden des Heeren

1) Hij was kanunnik en leerling van Ruysbroeck, en is bekend als vertaler van
drie van de grootste werken des meesters, terwijl
bij tevens als zelfstandig schrijver
optrad. Hij stierf 23 November 1372. Zie Foppens I : 409.

2) Wij zullen later in de gelegenheid zijn meer breedvoerig over hem te handelen-

3) Geboortig uit Leuven. Hij schreef in het Latijn een „sierlijk" werkje geti-
teld:
Ornamentum Virginum en verscheidene Exhortationes, die te Groenendaal m
H.S. zijn bewaard gebleven. Zie Toppens IIj p. 736.

4) Dat hij echter evenals elk sterveling zijn zwak had, bleek, toen de broeders,
bij zijn overlijden, aagen dat hij kreupel was, iets dat hij zijn geheele leven z"®
goed had weten te verbergen, dat niemand er ooit iets van gemerkt had. Zie Henr-
de Pomerio, 1. 1. III c. 19.

5) De devote oefening in Jezus leven, en vooral in zijn lijden nam een groote
plaats in in de beoefeningsleer dier dagen. Zie Moll, Johannes Brugman II, 62 vgg-
en de
Kerlcgeschied. 11: IV ; 217—220.

-ocr page 157-

139

deze meditatie genoot hij een zóó groote volheid der
gebade, dat hij dikwijls aan zich zelven ontvoerd werd en
f^^eei in God verzonk. Om hem te beproeven, had God
de^ zeven zwaarste pijnen en benauwdheden, gelijk aan
als der hel, doen ondergaan. Hij ontving, zeker

gav ^^^ \'^einivalent voor hetgeen hij had moeten uitstaan, de
de^L*^^^ profetie! In den ecstatischen toestand kon hij eerst
^ ooge voortreffelijkheid van het leven en de verdiensten
overzien Hij heeft dan ook in zijn boe-

blijj^gj^ ^^ g®estvei-rukkingen echter niet altijd vau de edelste soort waren, moge
^^^steii:^^^ ^^^ volgende staaltje ontleend aan Peeter Croon\'s Cocus homs, ofte
Van dg ^\'\'■\'\'\'■neheelden ende godvmcktige wtlegginghen op alle de gJiereetschap
Van ^oclc. Brugge 1663, in 80 (opgeuomen door Willems in het IXde deel
^^fyiscJi Museum, pag. 221 vgg.) „Op een ander mael, den avond van
er iij gjj^ schotel vol spijse ter taefel van de religieusen opdragende, is

vreugj. sulcken geestelijcken vrolijckheyt ontstaen, dat hy, sijne inwendige

langer connende besloten honden van binnen, luytkeels uitriep:
.«Heer Sinte Marten, heylige sant,
Goede platte mispelen wassen in uw laut,
Dejj Kyrie eleyson!"

man meynende hem te doen swijgen, heeft de oogen van den goeden

gesien, ende sijn heel aensicht met eene vierige clarigheyt
®ver verwondert zijnde, en heeft niet een woort gesproken, oordee-
\'\'\'"andende woorden niet uyt lichtveerdicheyt maer uyt de cracht van eene

Uitroep Voortsqnamen." [Tot gedeeltelijke opheldering van den dwazen

^\'"of. Moll\'\' volgende mededeeling uit de Kerhgesehiedenis van

^issch\'\' barmhartigheid voor de nooddruftigen werd te Utrecht,

stookt\'\' „Schuddekorfsdag" in aandenken gehouden,

korf markt vuur, deelde brood aan de armen uit, en verbrandde

^le Uit ijg ^ al schuddende geledigd had, terwijl de verzamelde jeugd

ÏI ■ vallende noten, mispelen en andere lekkernijen raapte."

■\'^\'\'t }jjj \' 251.] — Stellig is deze kok een zeer vroom man geweest;

Zeker t^^\' tijdgenooten hooger gesteld is geworden, dan hij verdient,

öioaasT^^\'^\'^^ ^^^ fC^ro». Wind, I c. 40—176): „In hoe

^"pientjjjg Viridis-Vallis duo fuerunt magna ecclesiae Dei luminaria spiritu

^\'\'idejn ^^^^\'^tellectus illustrata, videlicet Dominus Joannes Ruysbrock, Prior
^^^iorig d\'^\'" ^"\'\'^asterii) cocus fuit, qui in omni sua occupatione

^^^ri teuto contemplationis quam iste Prior suus, prout

^^ legentibus manifestant." — Cf. Ckron. St. Agnet.

gj^ aarschijnlijk verwierf hij dezen grooten naam door zijn strenge

Sew\'OQjjjjjj^ \'*^®elvuldige, aan verbijstering grenzende, ecstasen, gedurende welke
aan"\' opvatte. Mocht de omstandigheid, onder welke zij geschreven

OQn.gj^^\'\'\'\'!. een buitengewonen luister en aantrekkelijkheid bijzetten

fijner tijdgenooten, ons boezemen zij van wege het volkomen gemis

-ocr page 158-

140

ken »die van den Heiligen Geest vervuld zijn", zijn meester
zoo hoog geprezen, als hijna niemand anders ooit gedaan heeft.
Te midden van een hevige ziekte vrilde hij toch zijn kokswerk
niet opgeven. Toen hij, door een goddelijke openbaring
daarvan verwittigd, gevoelde dat zijn einde nabij was,
verzocht
hij, ofschoon hij nog sterk van lichaam scheen, het heilige
ohesel, en drie dagen later blies hij den laatsten adem uit,
op St. Agathe (5 Februari) van het jaar 1377. Hij was de
schrijver van talrijke mystische en ascetische geschriften die
in zijn tijd hoog werden geprezen, wat nu nog alleen gedaan
wordt door hen die uitsluitend op het oordeel van zijn tijdge-
nooten afgaan i).

Te midden van dezen kring van broeders sleet Ruysbroeck
zijn verdere dagen. Zijn omgang met hen was zoo innig
mogelijk. Op kwistige wijze deelde hij hun de rijke schatte»
van zyn gemoed, de rijpe vruchten zijner contemplatie
mede-
Gedreven door de liefde tot Christus en de broederen, sprak
hij dikwijls over God en het eeuwige heil tot laat in den nacht

aan samenhang en geregelden gedachtengang, dat ze kenmerkt, weinig belang\'
stelling in. Willems geeft t. a. p. een voorbeeld van zijn stijl. Het is eeU
lofspraak op Ruysbroeck in proza, hier en daar met uiterst gezochte rij®\'
woorden, wij zouden haast zeggen gelardeerd. Het geheel is niet veel raee"^
dan vrome onzin. Tot een proefje zullen wij een paar regels van Wille®®
afsclmjven; „Want ie en bekendere
behen er\\ in eertrik noyt meer dan eeneSi
dat weetic
wale, dan her Janne van lluschbroec, prioer van GroenenfiJafe, hi
vervolt van den heiligen Gheest te
male-, te rechte heet hi van groenen nedrt\'"\'*
dale-, want sine minne heeft vervult hemel ende eerde, ende alle creature»
also verre als in hem es, prioer van Groenen^fffife; hoert sine stemme soe doedy

wale;..... Her prioer van Grooneudale, te rechte maghic u prisen wale, boveö

alle menschen van eesirike; want ie en wete niegherincs [= nergens\'}, uws ghßlikf
want u leeringhe es goet ende
recht, ende ghi syt\'alder werelt\'dienstÄjjecÄ\'^; \'
minne hebdy wide ute
^urecht ende ^istrecht met xps, [= Christus\\ ane da\'
ghebenedide
cruee, dat ghi hemelrike dorevaert teenen druus^^
[= gedruisch, slagj\'.
— Het moet wel een wonderlijke tijd geweest zijn, waai\'i\'^
mannen gevonden werden, die zulke nonsens boven de diepzinnige cn gespierde t»"\'
van Rujrsbroeck stelden. Een lijvige bundel van de werken van onzen kok bePJ®\'\'
op de koninklijke Eibl, te Brussel, onder N°. 2559. Zie verder Poppens II, p-
I) Dit schijnt o. a. eenigszins met Mone het geval te zijn, die daarenboven ^^

JaTj

zijn TJebersicht der Niederl. Vollcs-Literatur älterer Zeit, S 256 f. onzen goe\'\' ^^
kok tot een „gegen die Mitte des 15 Jahrh. zu Gent berühmten Predig®\'
maakte.

-ocr page 159-

141

(acl

to nocturnas). Hij sprak dan gelieel onyoorbereid, maar

ï^a b ®ohoon, dat niemand er trager door werd, om de
^^ Vigiliën in bet koor te kouden. Integendeel allen werden
in ^^^ ^^ "plugger en te sterker door. Zóó vloden de dagen
tocb^^ ïust snel kenen. Maar al klom zyn jarental koog,
bleef onze prior zijn plichten even getrouw in bet klooster
en. Tot bet einde van zijn zeven en tachtigste jaar
mde hij nooit de mis, behalve natuurlijk bij zware ziekte
saer^^^^^ onoverkomelijke verkindering. Steeds legde kij voor ket
en ^^^^ Avonduiaals den grootsten eerbied aan den dag,
eenig Mysticus heeft hij in zijn geschriften, zooals
^ straks blijken zal, daarover gehandeld. Eens — zegt de
^ gevoelde hij by het bedienen der mis een wonder-
volheid van genade, en\' wel in zulke mate, dat hij weg-
^^^ m den geest, geheel buiten zinnen geraakte, zoodat

ne ^ \'^^^chten ontbraken om den dienst te volbrengen. Wan-
kennis maken met ket heilige enthusiasme, waarmee
^edo ^^^^^ »toecomst Christi ons brudegoms" in het

^icht*^^*^^ ®^crament beschrijft, behoeven wy ons over dit be-

, te verwonderen. Deze liefde voor de mis bekoelde

" met 1 •

die jaren. Tot nog kort vóór zijn dood woonde hij

tg \' ^00Jg zeiden, getrouw bij. Daar zijn oogen begonnen

niet kield kij echter niet zelden de hostie omgekeerd,

Voer li^- omkoog i), en zonder evenwel iets te merken,

zii dapper voort, met den hoogsten gloed van vroomheid

tnnv, 1 verrichten. Toen hij echter ten tweedemale een

\'\'Oeval e? 4-„i-

ttiin" \'\'Otius corporis defectus) kreeg — zóó hevig, dat de
liera d ^■^e^ide, dat hij er onder bezwijken zoü — verbood
lincv I P^\'oost, uit vrees voor gevaar van mogelijke bezoede-
da^ V-^^ kostie langer de mis te bedienen: een verbod,
bet^jg^ spoedig wèer introk, toen de vrome prior hem

^^^ zyn bezvfijming niet door lichamelijke zwakte was

^^ Zooals bekenri "

Boor • ^ ^^^ "l* gßwijden ouwel een crucifix afgebeeld.

\'\'\'i\'anssübgtaijt-^\'^^."\'^\'^ kerkelijk gesanctioneerde dogma der

®^eiitneele ^^ hegon men alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te nemen tegen

d-^ ^^^\'^^^-i\'^imging van geconsacreerd brood en wijn ; zulke maatregelen

^OO-^ggg" "\'-^"telae Missae". Zie hierover de herlgesch. van Moll, II: III:

-ocr page 160-

142

veroorzaakt, maar eene genadige bezoeking van den Heer was,
die hem dezen keer had toegeroepen: »Gij zijt de Mijne en Ik
ben de uwe!"

De oude biograaf verklaart Ruysbroeck\'s warme liefde voor
het Avondmaal, door de geheel eenige wijze waarop hij dit
sacrament genoot. »Zoo dikwijls deze man Gods het offer der
mis bediende, en met zijn gewone devotie de levendmakende
mysteriën genoot, vereenigde zich de Heilige Geest op een
wonderbare wijze met den zijnen. Zoodra hij het hoogheilige
lichaam had ontvangen, hield hij den mond gesloten. Zijn lip-
pen bewogen zich niet, ja uitwendig was hij zóó geheel in
rust,
alsof hy niets had ontvangen. Want hij keerde het niet om
in den mond, roerde het niet aan met tong of tand, bevoch-
tigde het niet met speeksel, zooals dat anders pleegt te ge-
schieden : maar dadelijk verdwenen de accidentiën, en vereenigde
zich zijn geest met den Heiligen Geest, zonder eenige zorg voor
den uitwendigen mensch, om tot den Vader der Geesten op te
stijgen, even vurig als de bruid haar bruidegom te gemoet snelt."

Toen één van de broeders hem vroeg, hoe hij in zóó korten
tijd het sacrament van het lichaam onzes Heeren kon ge-
bruiken, antwoordde hy eenvou.dig: »Geliefde broeders, God
werkt in Zijn knechten naar Zijn welbehagen".

Intusschen namen Ruysbroeck\'s krachten, hoeveel ijver hij ook
aan den dag mocht leggen, bij den dag af. De oogen werden
hoe langer zóó zwakker, en van lieverlede kwam er volslagen
verval van krachten. Rustig zag de vrome grijsaard zijn
einde
naderen; het eenige verlangen, dat hem vervulde, was het ver-
langen naar den dood. Steeds had hij de woorden van den
twee en veertigsten Psalm op de lippen: »Mijn ziele dorst
naar
God, de levende bron: wanneer zal ik komen en verschijnen
voor het aangezicht van mijn God!" Gelijk het hert dorst
naar de waterstroomen, zoo dorstte zijn ziele naar den Heer.
Terwyl hij zijn leven in gedachten telkenmale doorliep, kwam
hem het beeld zijner moeder weder duidelyk voor den geest-
Zy was het, die hem in een visioen van zijn sterfdag
onder-
richtte. Toen werd hij door een zware koorts aangetast»
waarby spoedig dysenterie kwam. Men had hem, uit eerbied,
in de kamer van den Proost gebracht, waar de broeders hem,

J

-ocr page 161-

US

ecKt^^ ^^^ ^^^ sponde te wyken, oppasten. Hy verzocht

^^ r Weldra naar de gewone ziekenkamer van het klooster

gorden vervoerd. Däär lag hij nog 15 dagen, steeds door

ers omringd. Deze op innig vrome wijze aan zyn Heer

elende, blies hij, bij volle kennis, met een kleur op het

^acht ^^ zonder eenig spoor dat den stervende verried,

T\\ ^et blydschap den laatsten adem uit, op den tweeden

van het jaar 1381.

bj, ^^ jaren, waarvan 64 als priester, beleefd. »De

ers begroeven hem met de betamelijke devotie. Ofschoon

doen^*^*^^ deden, wat men gewoon is voor de dooden te

, doopten zij echter zeiven door de gebeden van
lezen af

jj^j ^rgestorvene bij God geholpen te worden".

Werd begraven in een baksteenen doodkist vóór hethoofd-
\'^itaar. De i i

e zerk droeg deze eenvoudige inscriptie:

HIC JAGET TRANSLATUS DEVOTÜS PATEE
D. JOANNES DB KTJYSEBBOECK
I- PRIOR HUJUS MONAS TE KII
Qül OBIIT ANNO DOMINI
M. C. CCLXXXI
XxT II DIE DECEMBRIS.

Qerin meester alzoo voor altijd weggegaan, in de herin-
■ ^^^^^ leerlingen en geestverwanten bleef zyn beeld
leven gegrift. De achting, die zij hem tijdens zyn

door ^^ toegedragen, zochten zij na zijn dood te toonen
"^P te^^\'^ ^^gedachtenis met wonderen en zonderlinge legenden
^•illen d^^^^\' biograaf deelt er eenige van mede. Wij

dat Q. ^ stilzwijgen voorbij gaan. Alleen vermelden wy,
Thon.\'\'\'\'^^. ^^oote, volgens het bericht

van zijn levensbeschrijver
dood •• -^^mpis, door een goddelijke openbaring van den
^^^^^^^^^ innig vereerden vriends verwittigd is geworden

Zie Po

Jacobus ^^^^^ Paquot, t. a. p. Op 8 November 1622 werd het lijk
^hapeUg d aartsbisschop van Mechelen, opgegraven, en overgebracht naar

\'iCui\'^i\'n\'^ ^^ Tnnité aldaar, waar het met eerbied werd bewaard,
^^öipulsaf Magno) etiam Deus obitnm amantissimi patris revelavit, ut

^^^Wiaiu un\' ^ ®ampanarum multis civibus audientibus manifestavit, ejusque
: P\'irgatam ad coelestem gloriam transisse quibusdam

>ndieavit>\'. Vita G. M. e. 10.

amicis SUIS

-ocr page 162-

144

En hiermede stappen wij van Ruysbroeck\'s leven af. Wij
hebben uit de bronnen, die ons ten dienste stonden, opge-
nomen, wat ons voorkwam zuivere historie te zyn.
Zuivere historie zeggen wij, terwijl wij daaronder verstaan
niet alleen de objectieve waarheid, maar ook wat
vraar
was volgens de innige, hoewel subjectieve, overtuiging van de
personen, over wie gesproken wordt. Gaan wij nu over tot
de beschouwing van Ruysbroeck\'s letterkundige werkzaamheid!

-ocr page 163-

HOOFDSTUK IV.

RUYSBROECK S GESCHRIFTEN,

iiysbroeck is zeker een van de vruchtbaarste schrijvers
denkt ^ \' Mystiek kan wijzen. Wanneer men be-

r^^g hy, als echt Mysticus, alleen dan de pen opvatte,

over li hem te vol werd, dan moet men zich zeker

daad \'^^i\'tal zyner pennevruchten verwonderen. En inder-
gevoeld^^^^^^ by slechts in zulke oogenblikken. »Wanneer hy
bier d" ^^^^ biograaf, en het is de laatste keer dat wij

hij d ^^ ^^^^ zullen vernemen — »wanneer hij gevoelde, dat
gina- ^^^ glans der Goddelijke genade verlicht werd, dan
daar ^ alleen naar het dichtste van het bosch, en schreef
heurde^\' ^^^ ^^^ geest Gods kon putten" Nu ge-
ginw ^ ^^^ Natuurlijk dikwijls, dat het vuur waarvan hy gloeide,
dat de geest van hem week, — hij spreekt zelf

inbond maakte hij dtór slechts aaiiteekeniiigen op wassen tafeltjes, wier

een"\'^ \'uitwerkte. Toen hij ond en zwak begon te worden, nam hij
^^l^schrift d\'^ ^^oeders mêe naar het bosch, aan wien hij dan dicteerde. Het eerste

\'^^^el" ggi , David voor de uitgave van Ruysbroeck\'s „verklaring van den Taber-

eene genoemd (beschreven op bl. 23 van zijn Voorrede),

^^^ids ^^^^ geschetste titelplaat, waarvan een gekleurde afdruk vóór

tij J® geplaatst. Men ziet daar Buysbroeck onder een lindeboom (?)

^^■^osterhjQg^^ ander op een tafeltje aan te teekenen, terwijl een

^H^\'er breiig^ \' ^^^ meester, diens werk woord voor woord op het

10

-ocr page 164-

146

dikwijls in zyn werken van zulk een »verlaten Gods" — en
dan hield hy geheel op met schrijven, soms weken achtereen.
Openbaarde zich de oude drang weder, dan zette hy zich
weder aan den arbeid, en ofschoon hij dan het vorige geheel
vergeten was, sloot toch het nieuwe zóó juist daaraan, alsof
hy het op één dag gemaakt, en met veel zorg aan elkaar ge-
past had. Het spreekt van zelf, dat de biograaf hierin op nieuw
een bewys ziet voor de ingeesting, die Euysbroeck ten deel
viel. Inderdaad treft ons, wanneer wy deze omstandigheid in
acht nemen, de samenhang, die in vele van Ruysbroeck\'s
werken wordt aangetroffen. Dat dit echter niet bij allen
het geval is, laat zich verwachten. Waar hij het hoogste
der beschouwing gaat beschrijven, verbreekt het gemoed
wel eens de banden van orde en regel; dan viert hij
den teugel aan zyne verbeeldingskracht, en zonder op iets te
letten, holt deze voort. Dit is iets, dat Ruysbroeck met alle
Mystici gemeen heeft, maar wat hem boven velen verheft, is
dat hy nooit onzin schrijft. Hy geeft soms fragmenten, die
los nevens elkaar staan, maar dan is elk daarvan op zich zelf
altijd zeer goed te begrijpen. Nergens zal men in zijn ge-
schriften twee regels naast elkaar aantreffen, die niet
aan
elkaar passen. Ruysbroeck schreef in de moedertaal, in het
Dietsch, zooals wij reeds boven hebben gezegd. Men
heeft
gemeend, dat hij dit deed, omdat hij het Latyn niet genoeg
machtig was. Het kan waar zyn, ofschoon het ons zeer on-
waarschijnlijk voorkomt. Zeker is het, dat Willem
JordaenSi
dien wij te Groenendaal hebben ontmoet, bij de vertaling va»
drie van Ruysbroeck\'s werken door den schrijver zelven ge\'
holpen werd i). Hy schynt dus Latyn gekend te hebben, iets
waaromtrent trouwens geen twijfel kan gekoesterd
worden-
De oorzaak van het gebruik der moedertaal ligt dieper. Di^
was een uitvloeisel van de zucht naar zelfstandigheid
tegenover
de ouden, die hoe langer zóó meer de mondig geworden Gef\'
maansche wereld kenmerkte. En waar moest zij zich daö
eerder en sterker openbaren dan juist bij de Mystiek, die ge\'
heel en al brekend met het oude, zelfs de zaligheid
op eige^^

1) Foppens II, p. 721.

-ocr page 165-

147

volk^ zoeken. Zóó ontstond de nieTiwe rickting der

SQiystiek, die ook bij Ruysbroeek — al is kij in veel opzickten
ha^ zoon van de kerk dan zijn Hoogdnitscke naburen —

Zelfstandig cbaracter niet verloochent. Zóó is bet te ver-
^ ^l\'en., dat zoowel kij als Dante, als Tauler, als Suso, de volks-
gebruikteu, die door den invloed hunner persoonljikkeid
^gs algemeene sckrijftaal werd.
bro ^^ ^^ \'leze algemeene opmerkingen omtrent Ruys-

^^ schrijven, de aandacht op zijn geschriften. In

perste plaats dient dan genoemd te worden:
^Üa ^h
 ^^^ gJieesteWker BtuIogM i), die ongetwijfeld

oofdwerk is. Bökringer noemt ket »die kunstreick-
j^^stische Schrift der Germanischen Mystik
en - ein wahrhaft architectonisches Gebäude"

der heeft, als dat van iemand, die met de geschriften

^aard ^ Mystici zeer goed vertrouwd is, groote

^et d^\' ^^^ genoemde werk bestaat uit drie boeken, analoog
in. h t^ fi"appen, die de nieuwe mystische richting overal
boek^ naar de volkomenheid onderscheidt. Het eerste

inn\' ^^^ ket werkende, het tweede over het

gebeefd-\' ^^^ kierde over het schouwende leven. Aan het
^ysf, ^^^ fekst ten grondslag gelegd, en wel ket by de
hn^ \' geliefde schriftwoord:
»Zi et, de hruidegom

v^j^ \' uit, hem te gemoetV\' De vier onderdeelen

pgjj^ , ^^ fekst worden nu acktereenvolgens op elk der trap-
potent\' ^^tuurlijk telkens in dieperen zin, in verkoogde

stand " besckryft telkens koe de mensck ziek, op het

daartoe^ \' ^^ inneemt, op God moet richten, en wat hij
wijze^^ beeft. De bruigom komt, toont telkens de

Waarop God den ziende te gemoet komt. Gaat

de ^^^ 1—193. Bij Surius teet

"^\'^^itaiibus Tr^- Nuptiarum libri III, en in zijn inhoudsopgave de Nuptiis

^^\'^^^lindsch ^^ ~ Vloten\'s Verzameling van

Wel\'f van 1229—1476, over welke wij vroeger spraken,

"^\'loten^ "^"gaienten uit de Bruiloft voor, hl. 31 en 84. De keuze, hoewel door

takt gedaan, had bij Ruysbroeck\'s hoofdwerk geluk-

2) moeten zijn.

q^ , • 455.

10*

-ocr page 166-

148

uit, stelt telkens den menscli als handelend voor in zijn be-
trekking tot God. Hem te gemoet, schildert telkens de ont-
moeting van God en mensch. Wij kunnen hier in geen hreedere
uiteenzetting van het geraamte van dit schoone werk treden.
Den inhoud zullen wij in het vervolg trachten zoo nauwkeurig
mogelijk weder te geven. Daar het moeielijk is een volgorde
in Ruysbroeck\'s geschriften aan te wijzen, zullen wij, na zijn
hoofdwerk vermeld te hebben, ons verder houden aan de rang-
schikking van David. Wij laten dus volgen:

Dat Boec van den Gheestelehen Tabernacule, het uitvoerigste
van al wat Ruysbroeck geschreven heeft De verklaring
sluit zich niet aan den bijbelschen tekst aan, maar aan de
Historia Scholastica van Petrus Comestor. Het is een
voortdurende allegorie, waarbij de tabernakel geldt als type
van het mystische leven, of van »den loop der minnen"
Deze loop wordt voorgesteld in zeven hoofdpunten te bestaan,
die den inhoud van het geheel in zeven, echter zeer ongelijke,
deelen splitsen Bij aandachtige beschouwing laten deze
zeven zich echter weer tot het gewone drietal terugbrengen.
De vier eerste punten namelijk zijn gelijk aan het Werkende
leven, en worden typisch verklaard uit het voorhof en het

1) Het beslaat het geheele 1ste en 2iie deel van Davids uitgave. — Bij Surius
heet het: In tahernaculum Mosis et ad id pertinentia commeniaria, uli multd
etiam Exodi, Levitici, Numerorum mysteria divino spiritu explicantur.
Het is
daar N". 4 (3).

2. Vgl. I Cor. XI: 24. De Tabernakel met zijn velerlei figuren, ceremoniën
enz. moest natuurlijk voor de allegorische Mystiek een zeer aanlokkelijk onder-
werp zijn. Wij hebben dan ook vroeger gezien, dat reeds Richard van St. Victoi\'
in zijn
de areha Mystica zijn stelsel aan de uitleg.ging van den tabernakel van
Mozes heeft vastgeknoopt, terwijl Hugo zijn altijd nog meer practische
Mystiek
had neergelegd in zijn de archa Morali, de allegorische (tropologische) verklaring
van de
ark van Noach, een onderwerp dat zeker niet minder gelegenheid geeft
tot willekeurige interpretatie. Was dus Ruysbroeck\'s plan niet nieuw, zijn wijz®
van behandeling is desniettemin geheel oorspronkelijk. Zijn werk laat in
practi-
sche waarde en in schilderachtige schoonheid niet alleen dat van Richard, m^ar
ook dat van Hugo verre achter zich.

3) Het eerste punt — wij citeeren voortaan, zonder dat verder te zeggen, Davids
editie — bl. 3—11; het tweede punt bl. 11—27; het derde punt bl. 27—36;
het vierde punt bl. 36—144; het vijfde bl. 145—280 en Deel II, bl. 1—224;
het zesde bl. 224—243; het zevende eindelijk bl. 243—245.

J

-ocr page 167-

149

^jWendige des tabernakels: het brandofferaltaar, de drie dek-
^ eeden van den tabernakel, de kolommen, gordijnen, draag-
^ oraen, ringen enz. Het -vijfde pnnt is gelijk aan het Innige
^ en wordt ontwikkeld nit het inwendige des tabernakels,
® heilige namelijk, en wat daarin, en wat daaraan verbonden
als: De kandelaar met de zeven armen, het waschbekken, de
Piiesters en de priesterkleeding, de Ephod met de 12 steenen,
^^^iiige zalfolie, de wierook met zijn bestanddeelen; de
Priesterwijding, de gebreken die van het priesterschap uitsloten;
^^ offers eindelijk met de onderscheiding van reine en onreine
sch^^^" dingen worden achtereenvolgens met de grootste

®^Pzinnigheid en het onuitputtelijkst geduld, symbolisch ver-
^^rd en op het Innige leven toegepast. Het zesde punt
i® liet Schouwende leven, hier toegelicht uit de ark
ea. Tl met haar steenen tafelen, haar verzoendeksel

Vori ^^^ cherubijnen. Het zevende punt is de vrucht van de
^e, en bestaat in het volle bezit van de enkelvoudige

^\'aarheid

led" ^^ niinne Gods, die omdat de liefde niet

Q ^ kan zijn, weder tot de beoefening der deugd, die haar

der J- ^^^ Het spreekt van zelf, dat het werk

iooz,e en 1 •

het • willekeurige allegorie is zeker in staat ook

h t^ ^®duld af te schrikken. Toch moeten wij zeggen,

die ^^ ^^^ soort een uitstekend boek is, al zijn wy met

ondei^^*^^^ ingenomen. Zeker loopt hier veel kaf

het koren, maar desniettemin komen er stukken

in

voor

pen \' schoon, als er maar weinig aan Ruysbroeck\'s
in „\'^^^\'^loeid zijn. Yan Yloten heeft er verscheiden van
^^^^^^^^^^^noemde Verzameling opgenomen i). Ofschoon deze

den lez^ — proeve van Euysbroeck\'s symboliek zullen

^\'^aaltie, ^^ is van David\'s kostbare uitgave, een paar korte

Y "leedeelea.

Hier lampen {Tahernalcel Deel 1, bl. 36, 27,).

Van oli ^loyses van ons Heren wegen den kinderen van Israel, dat si

die ^^ bringen, al ontwe [=: in tweeën d. i. in stukken\'] ghestampet,

cerne berren branden\'] moclite vore den Here tote dier mergen-
\'iie naet • Selikerwijs bevet Christus, God ende minsehe, ons allen geboden,
bloede verloest sijn, dat wi bringen seien pure gestampte olie, dat
underlinghe minne, ende karitate, ieghewelc [=
ieder] tote den

iooz lezer niet licht zal aanlokken: de einde-

-ocr page 168-

150

Tabernacnle over liet geheel voor ons doel weinig stof ople-
vert, zullen wij toch straks enkele zeer goede bouwstoffen

aDderen in alre noet. Soe mach onse lucerne lichten ende herren; want die nacht
der figuren es leden
voorlijgegaan\\, dat men olie van oliven sonde herren,
ende die mergenstonde is op gegaen, ende wi staen nu vore den Here. Eest f—
is
hsf\\
dat wi ufenen werke der karitaten ende der ontfaermeeheit, soe hehhen wi
die lucerne ende dat licht in ons, dat die figure bediedde. Want Christus met
den sinen sal dit licht ordineren ende regeren tote in den dage des ordels, Ende
dan sal hi gebenedien ende salech maken alle die gene, die nu lichten ende herren
tote haren naesten met ontfaermecheiden. Ende hi sal vermalcdien alle die gene
die hen
eicK\\ niet geoefent en hebben in sedeleken dogeden, ende in werken
van karitaten, di hi selve vore gelevet hevet ende geleert, ende daer wi mede
vonden moten werden, sele wi besitten dat ewege leven.

Van den decsele van gheitenen haee (Aldaar bl. 76, 77.).

Hier na S|)rac onse Here tote Moysesse aldus; Ghi seit maken -xj- harene laken e,
dat dac mede te bedeckene. Elke hare [—
hunner] sal -xxx- maten lanc sijn ende
•iiij- maten breet (Cf.
Exod. XXVI : 7—8).

Met desen -xj- lakenen, die gemaect waren van geitenen hare, soe versta wi
volcomene oetmodecheit. Want also alse di geite scaerp sijn van gesiehte, ende si
begeren scarpe spise, ende si wandelen ende rusten gerne op steenroeken ende in
hoegen Staden [—
plaatsen]: alsoe gheliker wijs, boven alle dogede, scerpt oetmoe-
decheit onse inwendege gesiehte, ende si doet ons begeren -j- searp, hert, verworpen
leven; ende dat es ene spise der oetmoedeger herten. Ende Christus selve, die
hoge steenroeke, die es ene woninge ende ene raste der oetmoedegere, want neder-
gaen in oetmoedecheideu, dat es een opgaen boven alle hoecheit der hemele. Ende
hieromme moten wi die oetmoedecheit selve sijn, ende wi seien se dragen in ons
sei ven, ende ufenen in al onsen werken; want alle die gaven, die wi van Gode
ontfaen, ende alle die goede werken die wi werken, overmids die gave Qoods, die
moten alle ovcrdeet sijn met oetmoede, ochte [=
of] si Verliesen die varuwe i— verw,
verf]
haerre cierheit ende haerre dogetsamheit. — Nu hebben wi hier vore gescget
van -x- cortinen [=::
gordijnen] daer wi de wet Goods met allen dogeden bi verstaen;
ende hier sijn -xj- lakene van geitenen hare, daer wi alle manieren van oetmoede mede
verstaen. Ende in der selver tijt dat wi die dogede ufenen, soe mote wi ufenen oetmoe-
decheit, die onse dogede bedect; ende hier omme moten die -x- haren der
oetmoedecheit
bedecken die -x- cortinen al onser dogede. Metter ellcfster haren bedecken wi onsselven.

Vanden onreinen voghelen (Deel II, bl. 198—200).

Die ierste voghel, die onse Here den Joden verboet in spisen, dat was de Aer
[— de
Arend, cf. Bent. XIV : 12; Lev. XI: 13.]. Hi es coninc alre voghele, want
hi vliecht alre hoeehst, ende sfciert in claerheit der sonnen sonder wiken. Hi
maect sinen nest alre hoeehst ende hi verwint den drake, ende alle voghelè ontsien
den aer. Ende hier omme, de hoechste heileghen, die in hemelrike ende in eerterike
sijn, die gheliken den aer in someghen poenten; maer so wat mensche heme ghelijct
in allen poenten, hi es bedroghen, ende sijn leven es onreine, want hi es contrarie
der ghenaden Gods ende allen doechden. — Nu seldi merken wat nature
vermach;
ende wat ghenade vermach boven nature, dat willic u toenen. So wat mensche
die in sinen inkeere hem gheledeghen [— ontledigen] eau alre beelden ende formen,

-ocr page 169-

151

daaraan kunnen ontleenen. Van kleiner omvang dan het
^^J^^^^geschrift, is:

een . S^®niei-cs, ende sijn giemoede vertefFen in ene bloete ledieheit: hi es

dat naturen boven andere menschen, want hi vliecht in dat hoechste

st,^^\'^^^ vermach, ende hi maeot sinen nest ende sine raste in sijn wesen; ende

jjj all eenvoldeghe waerheit, die altoes in lichtende es in sijn wesen ende

^tt^me ghesichte es eenvoldich ende sonder ghemerc: ende daer

dej hi die waerheit sonder wederslach ende sonder wiken. Ende dit es

so ghenoecheleec, dat hi versmaedt ende onedel acht ghemerc ende
"uuörseeet r__

. u— onderscheicï], ende alle redeleke ufeninghe die hendert ochte verheelt
S\'iesicht^^\'^^\'^^\'^ ^^ brengf] sijn bloet [— bloot, van alle sluier ontdaan"]

(cf "pi • aer doedt sine jonghe die der claerheit der sonnen wiken

in der\'"^\' ^ \' ® XXIX : 38, 5). Ende hi verwint den drake, want

gg hi en mach de viant niemene becoren. Maer in den nedercomene

— osverdich ende scalc f— boos\'], onghedoechsam ende van weiden waerden

L-—- VrjM -j j L J\' o

uae woorden. Sur: peregrinis utitur verbis]. Ende alle menschen die

^ori g ^^ ghevoelen, die acht hi deine ende alse ontblivende [= te

dien haren besten. Ende hier omme es hi gheeert ende ontsien van

^^orden^^\'^^^\'^^^\' vlieghen in der naturen, ende gherue goede mensehen

hebben\' ®® bedroghen; want hi wilt weten ende niet gheloeven,

hopen, besitten sonder minnen. Ende hieromme al vliecht de aer

®i6iisch vliecht boven hem zich] selven niet: ende also en doet oec gheen

hoven h,\'\'\' Richte der naturen; maer ghenade ende caritate voert den mensche

®6lyen in Gode, ende daer maeet hi sinen nest, want God selve es sine

Gods 1 raste. Ende daer omme wert hi meer verclaert ende meer

redelelfe menschen in bloeter naturen vercrighen mochten. Alle

goet yn die den gheloeve wiken ende der ierster waerheit, die mint elc

ghelijg ^ ^. vrocht, daer hi mede gheciert wert ende gheordent

bi ij "J" heileghen in der heilegher Kerken. Ende in sinen opganghe onthoecht

^^\'aerden allen bccoringhen; ende sijn nederganc es so gracioes met

v; ende met werken ende mct goeden exemplen, dat heme alle

blande 11-1^4-

°®tmoedicjj wiken ochte van heme vlien; ende hi es so saechte ende so

Siet herten, dat alle goede menschen verbilden, die heme ghenaken.

alle vnci.\'\'\' \'"oghel, die ons verboden es in sijnre naturen, ende boven

Vak^j^®® in der ghenaden.

Die seste

®pise swarte Eave. Dat wijf broedt alleene; de man bringt

\'*vüt \' jonghe leven -vij- daghe sonder eten, datse de vader niet voeden
^®rsteet]jjg ^^ swart werden ende heme ghelijc. Met den swarten raven

Ute eigh °^gheloeveghen mensche, die broedt sijn ongheloeve alleene, alse
heile h hoeverden, vorkeeren wilt de leere der apostele ende de sentencie
es sijn nian, die heme de vrocht des ongheloefs
Kerkej^^ J ® bringt heme spise, dat sijn subtile vonde onghclijc der heilegher
Sheloov\'e eighenre hoeverden

behouden wilt. Ende alle die in kerstenen

spijst God ende de heileghe Kerke met gracien ende , met
®aei die untvallen in ongheloeve, die werden ghespijst van den duvel

-ocr page 170-

152

Dat Boec vanden Twaelf Dogheden Zooals de titel
reeds aanduidt, hebben wy hier meer met een zedekundig dan
met een Mystisch product te doen. Het is een ontwikkeling
der Christelijke deugd, als wier grondsteen de ootmoed wordt
voorgesteld. Het cbaracter van den ootmoed wordt onderzocht
en vervolgens aangetoond, dat er drieerlei ootmoed is, waarvan
de eene uit de beschouwing van Gods grootheid, de andere
uit die van Zyn liefde voortspruit, terwyl de derde ontstaat
door lange beoefening der beide eerste, en haar hoogste
geluk zoekt in de vernedering. Vervolgens wordt aangewezen,
hoe uit deze gronddeugd eerst gehoorzaamheid, uit deze ver-
zaking van eigen wil, hieruit lijdzaamheid en daaruit geheele\'
overgave van \'s menschen wil aan den wil van God voortkomt.
Heeft dit alles betrekking op het »Werkende leven", in de vol-
gende koofdstukken wordt ket »Innige" en ket »Sckouwende
leven" bekandeld. De sckoonste gedackte, die wy in dit boek
aantreffen is deze, dat de mensck om God te dienen, de samen-
leving niet bekoeft te ontvluckten, daar de strijd, dien hij
tegen de verleiding keeft te voeren, juist tot grootere vol-
maaktheid leidt. Wy zullen den inhoud hier niet verder
nagaan, oradat het voornaamste reeds genoemd is, en wij later
toch daarop terug moeten komen. Men keeft getwijfeld, of
Ruysbroeck wel de sckrijver van dit werk is, op grond, dat

ende van andere onglieloeveghen mensohen met stinkenden ase, dat es met valseher
leeringhen, glielikerwijs dat de rave, die nte der arken vloeeli, hem selven spijsde
met doeden eorren
krengen] : ende daer omme en keerde hi nemmermeer weder
toe der arken. — Eoeke
[Eoeck hy Kiliaen cornix furva], craeien ende canwen,
ende al sele gheslaehte, dat was den Joden onsuver in spisen, ende van Gode
verboden. Hier mede versleet men alle manieren van trnffen [—
leugen, bedrog~],
van boeten [= tooverij, wichelarij\'] ende van ongheloeve; die moeten ons onsuver
sijn ende van Gode verboden in gheesteleker spisen.

1) Deel III, bl. 1—119. Bij Surius: Tractatus de praeoipuis quihtsdam virtuti-
hus.
Het is daar N". 5 (4). Deze titel is juister, want de behandelde deugden
zijn geen twaalf in getal. Meu houde in het oog, dat de Middeleeuwsche schrijvers
zelden zelve een titel gaven aan hun geschriften. Gewoonlijk geschiedde dat
door latere verzamelaars en copiisten. Van de verdeeling in hoofdstukken geldt
meestal het zelfde. Het opschrift:
Boec van den twaelf doghedjcn is waarschijn-
lijk het gevolg van een verwarring van de in dit boek besproken deugden met de
»twaalf vruchten van den Heiligen Geest" door Paulus,
Galat. V: 22, opgenoemd.
Fragmenten uit dit tractaat komen voor bij van Vloten a. w. bl. 43 vgg.

12

-ocr page 171-

153

den catalogus zijner werken, die te Groenendaal voor-

dat door Valerius Andreas niet wordt opgegeven; —

ha d^^\' ^^^ ziek van alle andere werken van Ruysbroeck\'s

onderscheidt door een groot aantal citaten uit de kerkvaders,

^ het tevens grootendeels opgenomen is in de dikwijls,

^oewel te onrechte, op Taulers naam ^e^iddL&Medulla animae

Sü ^^ plaatsen woordelijk overeenkomt met stukken van

ten^s\'^^^^^^ ^^ Eckard, dan eenig ander van Ruysbroeck\'s geschrif-

to^ ^^ kunnen dit laatste niet genoeg beoordeelen, maar

dat het zóó is, dan heeft het nog, in verband met wat

. "Ploeger over de onderlinge verhouding dezer Mystici zeiden,
in ons

hetreft

•^og weinig bewijskracht. Wat de getuigenis van Andreas

daaraan kan geen absolute waarde worden toegekend,
Wat ^^^ hij ook andere geschriften van Ruyshroeek verzwijgt,
de citaten aangaat, deze zyn voornamelijk ontleend van
nard en Augustinus, naar wier voorbeeld Ruyshroeek zich
°"root ^ ^^ykens zijn overige werken, gevormd heeft Een
Hn ^^ ^®zwaar echter is, dat dit werk slechts in ééne verzame-
het^6 codex D voorkomt. Hoe het zij, dit is zeker, dat

^^ \'Oan de 12, deugden geheel in Ruysbroeck\'s geest geschreven
in d^ ^^^ groot deel, een aanvulling is van hetgeen

van diezelfde deugden gezegd is. Is het niet van

1) Boll ■

over . . S. 456. Het vermoeden, aldaar geopperd, dat Jan de Kok,

diptic , ^oven spraken, de sckrijver zon zijn, berust op onbekendheid met

;; CIS. 449.

3) De \'

Sürin ^®""\'"ering van van Vloten a. w. bl. XI, dat de bedoelde citaten niet bij

Prolog} ^^ Voorrede voor Deel I. Dit handschrift vangt aan met een

(Kaï\'fi, • broeder Gheraert die zich zelren noemt „van der Sarthroysen

Öérineg^ "jeraer van onser Vrouwen huys ter Capellen bi Herne" (tegenw.

door <11 straks, en is in 1461 zorgvuldig afgeschreven. Aan de vijf

Gherapvf

Tcéernalc I werken (t. w. }iet riß der gelieven, de bruiloft, de

dooj ^gjj^ \' blinkende steentje en de verklaring van de hooge waarheid) zijn
^oek ®^®ohrijver zeven andere werken van Euysbroeck toegevoegd, waarvan het
twaalf

ï\'i\'olo """ \'\'"^"\'"\'V deugden het eerste is. Men heeft uit Surius\' woorden (in den
8®0iaakt d ^ \'\' spreekt)
„cujus author ipse haud dubio est" op-

\'leeft V, \\ reeds te diens tijde twijfel aangaande de echtheid bestond. Men

net recht •

vuldigg naartoe, maar zie tevens niet voorbij, dat Surius — die met zorg-

schreef — ten stelligste dien twijfel voor ongegrond

het
handen

-ocr page 172-

154

zyne liand, — wat niet gemakkelyk bewezen kan worden, —
dan is bet door een van zyn, van hem afbankelyke geestver-
wanten geschreven. In beide gevallen blijft het een bron,
die wij voor de kennis van zijn Mystiek kannen gebruiken. —
Vervolgens noemen wij:

Den Spiegliel der ewigher Salicheit i). De drie graden van
het Mystische leven worden hier beschreven, ofschoon lang zoo
scherp niet afgescheiden als in de »Bruiloft". Zy worden hier
echter telkens toegepast op het kloosterleven en vooral op het
Avondmaal. Het grootste deel van het geschrift is aan een
■beschouwing van dit sacrament gewijd Uit zijne verdeeling
van de avondmaalgangers in zeven partijen, blijkt veel
menschenkennis. Wij zullen dit straks zien. In de negen
laatste hoofdstukken beschrijft de auteur al de zaligheid van
het »Schouwende leven".

Als een proeve van Ruysbroeck\'s kieschheid zullen
wij de volgende toespraak aan de geestelijke zuster van St.
Clara mêedeelen:

»Voirtmeer, eest [= is het\\ dat u invallen onsuvere heelde
slapende in drome, ofte wakende overmits sien, ofte horen,
ofte ghepeinse ofte aenbringhen des viants, alsoe dat ghi be-
weecht wort in oncnyscher gheneichtheit ende lost der naturen:

1) Deel III, bl. 119—239. In sommige HSS. heet het Bat Boec vandenSacra-
mente.
Bij Snrius Speeulum aeternae Salutis. Het is daar 3 (2.) In het ge-
noemde HS. uit 1461 zegt de afsehrijver bij dit werk: „Dit Boec heeft ghe-
maeet heer Jan van Euusbroec int jaer ons Heren M.CCC. ende LIX, ende heeftet
ghesonden eenre Nonnen van Clara."
Voorrede op Deel III, p. 7. Aan het slot
voegt de afschrijver er bij: „Hier eindt die\' Spiegel der ewigher Salicheit, als
van den heilighen Saeramente, dat her Jan Euusbroec heeft ghemaect, ende is te
male wel ghecorrigeert. Ende ic bidde alle den ghenen die dit uutscriven oft
doen scriven, dat sijt scarpelijk corrigeren om Gods willen, oft daer mochte
grote onghelove uut comen". Zie
Voorrede vóór Deel I, p. 15. Van Vloten nam
in zijn
Verzameling het begin van dit boekske op, bl. 38. Hij noemt het een
preek. Waarom weet ik niet. In drie HSS. (A. D. en G.) begint de Pro-
loog: Dit boec mach wel een spieghel wesen enz., terwijl het „Lieve gheminde"
op de Clarisse slaat, voor wie Euysbroeck het boekje schreef. Ook in zijn
Beknopte
OescUedenis der Nederlandsehe letteren,
Tiel 1865, spreekt van Vloten van Euys-
broeck als kanselredenaar (bl. 150). Op wat grond hij dat doet, is ons on-
bekend. Wij hebben nergens een spoor van Ruysbroeck\'s kanselarbeid of oude
berichten daaromtrent gevonden.

2) C. IV—XVI.

-ocr page 173-

155

end cruce voir u her te, ende sprect een Ave Maria,

^^^^ ^^dt Gode, dat hi uwes ontferme. Ende hegheert hnlpe

He ^^^^^^ heylighen ende alre goeder menscen, ende

sch nwen oghen die glorie Gods te verliesene, die hel-

^^ Pine te vercrighene, Gode te verbelghene, ende Tan hem

ende van allen sinen gheminden. Ende hier af

lat ^ ^^ ^^^ rechte ontsien, ende vromelic striden, ende ver-

sin^^ ^^ Heren, ende op sine hnlpe ende op

Daa" ende hi en sal n niet ave gaen {=: verlaten],

eiid^ seker vervpinnen, ende wassen altoes in gracien

m meer doechden. Ende als ghi voir uwen priestere te

^ en, comt, ghi en dorft niet segghen [= moet gij niet

^ant ^^^^ ^^ ghedroemt heeft, ofte wat u in gepeinse valt;

ov, 1 bi wilen ontamelic ende confuse te segghene

ende te li • .

^ noirne [= om te hooren]. Ende oec en is droem noch

daer ^^ ë\'beue sonde, want nieman en mochte hem [r= zich]

ende boeden, want wi en werkent selve niet: nier lost

l^nd die daer af comt, die is daghelike sonde.

e als nien die genoechte ghevoelt ende bekent ende daer

win

ens blijft sonder strnt, soe wert die sonde noch mere;
■^er ee^f ^

peins ghenuechte hegheert ende soect met ghe-

h-^ , ^^^ onsuveren beelden, soe is die sonde noch zware
L ersta •

ölet Es nien oec onbehoet in wandelinghen

of-j.^ persone in woerden ofte in werken, in tekene

die enigher wijs, ende men dat oefenen wilt: soe wert
^^ysel^^^^^^^ verheelt en ougheweldich sijns selfs, ende on-
Eüde ^^ ^^^^^ begheerte wast in hem in lanc soe meer.

\' verblint sine redene, ende minne te Gode vergheet
^^ ^^^ ^^ beestelic leven, sonder vol-

^Idixs \' ^ Sonden in werken van buten. Ende die hem
^^^ ^^ versoenen met Gode — hi belië sine
oetm Grode ende voir den priester, mit bedroefder

(bl. ^ bertgn, ende hi sal seker ghenade vinden"

Vn

\' dn dp

het kerstenen Ghelove i) is een klein opstel, waarin

Symbolum A.tlianadanum wordt uitgelegd.

1) Beel Hj

kleine \' öii Surius de fi de et judicia libellus. Aldaar N». 6(5).

® ï\'agmenten komen voor bij van Vloten, Ferz. enz., bl. 40 vgg.

-ocr page 174-

156

De meeste plaats is ingeruimd aan: het jongste gericht, de
straffen der hel enz. Even beknopt is:

Dat Boec van -vir trappen in den groet der gheesteliher min\'
nen
Het thema is hier alweder »de drie staten". Het
zevental laat, zich gemakkelijk daartoe terugbrengen.

Het Tractaet van Seven Sloten is gericht aan eene Cla-
risse van Brussel, en waarschijnlijk op haar verzoek geschreven.
Het is vriendelijk en zachtmoedig van toon. De kloosterplich-
ten worden vermeld, en de geheele gedragslijn der non getee-
kend, waarbij nadruk gelegd wordt op de noodzakelykheid van
innige oefening. Als voorbeeld wordt de heilige Clara ge-
steld, die »besloten was in -vij- sloten\'. Ende alsoe wart si cl are
ende verclaert, ende gheciert in allen doechden, ende heylich ende
salich tote in die glorie Gods" (hl. 87). Deze zeven sloten of
bewaringen dienen als onderdeelen bij de beschrijving van
het Mystische leven. De heerlijkheid van het schouwende of
geestelijke leven wordt ontwikkeld en in haar heilzamen in-
vloed voorgesteld. Ten slotte wordt de weekelijkheid der
kloosterlingen bestraft. Als geneesmiddel wordt voorgeschre-
ven: te lezen in drie boeken. Als proeve schrijven wij het
volgende af:

»Altoes des avons, alse ghi vore uwe bedde comt, eest dat
ghijs stade hebt [=
indien gij daar tijd toe lieht\'], soe seldi
overlesen -iij- boexkene, ende die seldi altoes met u draghen-
Dat ierste boexken is out, leelic ende onreine, met zwarten
atramente
\\atramentum, inkt~\\ ghescreven.

Dat ander boexken is wit ende gracioes, met roeden bloede
ghescreven. Dat derde is blaeu ende groen, ende al bescreven met

1) Deel IV bl. 1—60. Bij Surius: de septem gradihus amoris libellus optiwus.
Aldaar N®. 9 (8), fragmenten bij van Vloten a. w. bl. 36.

2) Deel IV bl. 63—121. In bet Handschrift door David G-. genoemd (beschre-
ven in de Voorrede op Deel III, pag 12 en 13), dateerende van hfet jaar 1480, luidt
de titel:
Hier beghint dat Boec vanden heylighen Sacramente of vanden -v\'f
Sloten, dat broeder Jan Muysbroech
(sic) maecte, monincle wesende, eender lieih\'
gher nonnen JoncJcvrouwe Mergriete van Meerbelce, cantersse des cloesters van
Sinle Clären te Brussel.
Misschien is deze Mergriete de zelfde als de in noot
bedoelde Clarisse. Bij Surius heet dit boek: de Vil custodiis opusculum long^
piissimum.
Het is daar N". 8 (7). Het begint: „Lieve Suster, boven alle dinc
enz. Een paar fragmenten er van zijft opgenomen door van Vloten a.
w. bl. 23 vg

J

-ocr page 175-

157

. S\'o^de. Ten iersten male seldi overlesen nvre oude boec,

^ end ^^^ leven, dat sondicb ende gbebreckelic is in

ende ^ ^^^^^ menschen. Ende hier omme keert in u selven,
Sal dat boec uwer consciencien, dat open ende getoent

hier^^"^^\' ^^^ ordele Gods, Gode en alle der werelt. Ende
ëlii nierct, ende proeft ende ordelt nu u selven, op dat

^^ verordelt en wort. Uwe conseiencie seldi [= zult
U V ®nde examineren hoe ghi gheleeft hebt, en hoe ghi

peyg ^^^^ lil woerden, in werken, in begherten, in ghe-
ende ■ ^^ ghedanken, in onordinen, in onrechter vresen

in onrechter hopen, in onrechten lieve, in onrechten leede,
ende in onghestorvenheit uws selfs, in twe-
ordep ^^^ ^^^^ ^^ gheveinstheit, in doene, (ende) in latene on-
der • \' . ^^ volghene den sinnen uutweert ende in consente
ijl ^^^ binnen, in gheloste ende in gherieve, ende

lijc d^ dinghen die onredelic gheoefent zyn ende onghe-
jeo-he ^ai^ifaten, jeghen die
ghehode, jeghen de rade ofte
like
 tiefsten wille Gods. Deser dinghen en dezer ghe-

iien ^^^^ menichfuldich, dat nieman beken-

liyov, ^^ mach dan God allene. Ende si bevlecken ende on-
sij^\' \' ende ontreynen dat aenseijn der sielen; want si
^loets ^^\'^^mente ghescreven, dat is met loste vleeschs ende
in seld\'^^*^^ verkeerder ertscher neyghinghen. Ende hier
Voqj. ^ selven mishaghen ende neder vallen in [Latinisme
^^^en if^ aenseijn, met den publicaen
tollenaar\'], vore
ende - Vader ende vore sine ewighe ontfermherticheit

ontfej.\'^^^^®^^ met den prophete: »Here, ic hebbe ghesondicht:
mijj^ h myns arms sondichs menschen ! Gheeft my, in
dat ^^^ei^ der tranen ende ghewarichs rouwen, daer ic

niogjj^g mijnre sielen in dwaen [= af wasschen, reinigen]

^^^ minen sonden, eer ic my op rechte vore uwe
ie Here, gheeft my uwe gracie ende uwe ghenade, daer
ie n ^^nscijn mede eieren ende varwen moghe, alsoe dat
agte ! Here, gheeft mi goetwillicheit ende ernst dat

Kiliae^ hfl

\'^\'«ï\'e. ontlijcJcsemen en vertaalt Let door dissimilem facere, defor-

2) Vffi animae faciem. commaculant. Dit is onjuist.

S- J^ucas XVIII: 1.3.

fiüeia
dat

-ocr page 176-

158

ic mi sonder onderlaet [= zonder ophouden\'] moglie ver-
nuwen in uwen dienste ende in uwen love!"

Wildi [= wilt gij] dit vercrighen, blijft ligghende op die
eerde, slaet vore u borst, crijt, roept ende weent ende en beft
uwe ogben niet op, maer versmaet ende oetmoedicbt u selven
ende vernieut (u selven), ende vermaent hem sijnre ont-
farmicheit. Ende en laet niet af, vore diesmaels dat hi u ant-
woert, ende sprect rechten vrede ende ghewarighe bliscap in
uwe herte. Dan sal hi u af nemen anxt ende vrese, twivel en
vaer [=
schrik, vrees], ende al dat hem in u mishaecht. Ende
hi sal u gheven ghelove, hope ende ghetrouwen in hem van
allen dinghen dies u noet is in tijt ende in euwicheit. Ende dan
seldi begheren hem te levene ende ghetrouwe te sine tot in
uwe doot. Ende hier mede seldi neder legghen dat oude boec.

Ende ghi seit u op rechten op uwe knien met danke ende
met love. Ende ghi seit reyken ute uwer memorien dat
witte boec, met roden letteren ghescreven: dat is dat onno-
sel leven ons Heren Jhesu Christi. Sine siele is onnosel, ende
volheit alre ghenaden; vierich roet van berren der minnen. Sijn
lichame glorioes, blickende wit, claerre [=
klaarder] dan die
sonne, al doerslaghen met geeselen ende overgoten met preci-
osen bloede. Dat syn die rode letteren, die ons teykene ende
brieven sijn gherechter minnen. Maer die vijf grote wonden
dat zijn hoetletteren [=:
hoofdletteren], daer die capittele in
dit boec beghinnen. Die lettere die in den weerden lichame
ghescreven sijn, die seldi met groter compassien lesen; maer
die minne die in sijnre sielen leeft, diere seldi met ynnigher
devocien ghedinken. Scuwet ende vliet die valsche werelt;
want
hi hevet sine arme ontdaen, ende wilt u behelsen ende onfaen-

Maect uw,e woninghe in de gate sijnre wonden,
alse die duve doet inden gaten der steenroetsen.
Legt uwen mont ane sine opene side, ende riect ende smaect die
hemelsce soeticheit die ute sijnre herten vloyt. Siet ane
uwen kempe [=
kampvechter~] ende uwen gygant [gigant, reus],
hoe hi vore u ghestriden heeft al toter doot, ende heeft uwe
viande verwonnen ende de doot uwer sonden ghedoodt met
synre doot, ende heeft uwe scout [—
schuld] betaelt, ende heeft
sijns Vader erve ghecocht ende vercreghen met sinen bloede.

-ocr page 177-

159

ï" VI

^ e H is vore op ghevaren ende laeeft n die poirte glieopent
die stat bereet ewigber gloriën. Hier in seldi u met
^echte verbilden ende dragben de minne ende de passie nvi^s
^ s Heren in nwe berte, alsoe dat bi leve in n ende ghi in
Ende dan sal n al die werelt syn een cruce ende een
^ ei\'driet; niaer ghi seit begheren te stervene, ende uwen
na te volghene in sijn rike. Ende hier mede is dat
boec overlesen.

^^ aet dan op al rechte, ende heft op uwe oghen inden

® • Opent Gode uwe ghedachte, ende siet ane dat derde

^ ee dat blaeu ende groene is, met finen goude bescreven.

mede verstaet men een ewich hemelsch leven".....

® dit boec is al bescreven met finen goude; want
y e o-ji & \'

een ieder] minlic inkeer te Gode, dat is

Sttia ^^^^^ goude gbescreven.....drinct ende

, wert dronken, ende neycht u over in u boec,

e rust, ende slaept in ewighen vrede!" (bl. 113—120).

li-ik ^ dan het voorgaande is het Tractaet vanden

^ekst G-lielieven Evenals in de Bruiloft, ligt hier een
\'oord ten grondslag. Het is »die Here hevet weder-
be ^ gberechten die gherechte weghe, ende

vij/^^ ^^em gbetoent dat rike Gods" 2). Het werk is in
den t \'verdeeld, weder overeenkomstig de woorden van
ej^ h ^ ^^^ eerste handelt over: »de Here", Gods macht
leidet"^^^\'*^^^^^^ (c. 1); het tweede over: »bi hevet weder-
^eusek ^ Peuschen val en Gods medelijden, waardoor de
^krist ^^^ ^^^ ^^^ ^^^ leven wordt teruggebracht door

SW L ^^ zeven sacramenten (c. 2); het derde over »den
in jj^g^ \' ^ \' ^"^kt punten, die den mensck recktvaardig maken
»die en sckouwende leven (c. 3); ket vierde over

wegke", Gods grondelooze wijskeid en goed-

(U) —Surius: Reffnum Deum amantium. Aldaar

Pro7 bloten heeft er ééu hoofdstuk (e. 17) iu rijm van opgenomen in

2) H. 33.

^^^s reet X: 10. Vuig.-. „Justurn deduxit (Dominus) per

et ostendit illi regnnm Dei."

-ocr page 178-

160

heid, die Hij in Zijn menigvuldige gaven (de »zeven gaven des
Heiligen Geestes") getoond heeft, en die den mensch tot de
deugden, dat zijn de rechte wegen, aandrijven. Het verband
dezer deugden en gaven wordt in het breede ontwikkeld
(c. 4—36); het vijfde handelt over »ende hi toende hem dat
rike Gods", »in vijf manieren", het uitwendig zinnelyke,
het natuurlyke rijk, het rijk der Schriftuur, het rijk der genade
boven schrift en natuur en het goddelijke rijk, »dat is God
selve boven gracien en boven gloriën". Groote stukken, be-
trekking hebbende op de gave des Heiligen Geestes, zijn op rijm
gebracht, waarschijnlijk, opdat de lezer ze gemakkelijker in zijn
geheugen zou kunnen prenten.. Van dichterlijke vlucht is hier ten
minste geen sprake : het didactische character is duidelyk kenbaar.

Dat boec van den vier Becoringhen spreekt over de vier
hoofddwalingen, die in Ruysbroeck\'s tijd algemeen waren: een
onbedwongen natuur, waaruit wellust en streven naar
zingenot voortvloeit; schijnheiligheid (bl. 274); begeerte
om met het natuurlijke verstand alle
dingen te willen
verstaan, die tot geestelijken hoogmoed leidt (hl. 276); en
eindelijk, »de vierde becoringhe, die noch alder meest is
tonsiene [=
te ontzien]\', want die daer in vallen, si verdolen
soe verre van Gode en van allen die doechden, dat si cume
[= nauwelijks ~ Hoogd. haurn\\ emmermeer weder keren
moghen. Ende dat sijn alle die ghene die, sonder oefeninghe van
doecliden, met enen onghebeelden verstane haer weselic sijn in
hem [d. i.
in zich zelven] bevinden, ende besitten in bloter
ledicheit haers g h e e s t s en haerre naturen; want si vallen
in ene ydele blynde ledicheit haers wesens, ende werden onachtsam
alre [m
alle, lett. van alle] goeder werken van buten ende van
binnen: want si versmaden al inwendich werc, dat is willen,
weten, minnen, begheren, ende al werkelic toevoeghen te Gode"
(bl. 279). Blijkbaar heeft Ruysbroeck hier de dwaalleer van
de Broeders en Zusters van den vrijen geest op het oog.

Dat Boec vanden twaelf Beghinen handelt over de

1) Deel IV, bl. 269—289. Bij Surius: de quatuor tentaüonïbvs, aldaar N". 7
(6). — Verkort fragm. bij vau Vloteu, bl. 362 vgg.

2) Het beslaat het geheele vijfde Deel. Bij Surius heet het: de Vera conten-
platione opus praeclamm.
Het is daar 13 (12). Surius blijkt de ordeloos-

-ocr page 179-

161

^eschouwing. Het is na den Tabernakel het uitvoerigste van
nyshroeek\'s werken. Het wordt geopend met eene samen-
Pi\'aak van twaalf Bagynen op rym, over de liefde van Jezus.

;;Het daar] saten -xij- Beghinen,

Ende spraken om over] Her Jhesuse den finen,

Jeghewelke in haer ghedaehte:

Nu prisen wi [zr laat ons nu prijzen] die minne,

Si es suete in den beghinne,

Ende nterniaten sachte."

deze inleiding volgen de lofspraken van elk der vrome
^^^ J® op haren hemelschen bruidegom Daarna gaat de
Var ^Ityd nog op rym, spreken over de hoedanigheden

^^ den Waren minnaar van Jezus 2), de voorbereiding,
Van^ H. Avondmaal noodzakeiyk (c. 3), de heerlykheid
"W^in ^^^ ®^crament (c. 4 en 5), de dingen, die der ware beschou-
hesel ^^ ^^^ ^^^ staan (c. 6), de dingen, die tot de ware
Zei leiden (c. 7) en het wezen van de beschouwing

^ ^^ (c. 8). Daar het onderwerp echter te abstract wordt,
schryver spoedig weder tot zyn gewoon proza terug:

„Nu moetic rimen laten bliven,
Sal ic scouweu clare bescriven."

i\'^ariig ^ . Werk opgemerkt te hebben, althans hij voegt aan ziju titel toe:
^^uberixj, ^nstitutionihus, eo qïio Spiritus Sanetus sur/gessit, ordine discriptis,

Da^ \'d opschriften der Hoofdstukken ontbreken in de HSS. en zijn
de Surius overgenomen. De
berijmde inleiding komt weder voor in

van van Vloten, bl. 354 vgg.
Seen jj ^ bewijze dat deze lofspraken, met al haar vrome bedoeling, op lange na

^^r^augen zijn, strekke het volgende:
"Her jjj "Di® achtende
de achtste Bagijn] sprac:

IJaer vl conduut, [— kanaal]

I« hou r\'

Hi i, . liem taverne
iMi en ; \' i® «n

sine:

Hi ij " ® touberne. ik kan het niet nalaten]

Ende hi^- ™ ^ij\'i

^iene [J.^ aot: [= noot]

^erwpp,,!? "liet en craken die siin sot,

\'-i-ntheit r__T.

"Al 1,. L— heerlijkheid, zoetheid] is die kerne." — Het slot is liefelijker:

ï« kos\'p " Shebot,
Ic

gh?" ""

syns soe gherne".

11

-ocr page 180-

162

In hoofdstuk IX worden nu de vereischten, voor de con-
templatie onontbeerlijk, opgeteld, en vervolgens vier wijzen
van beschouwing (c. 10—-13) en evenzóóveel wijzen van liefde
(c. 14) beschreven en daarna aangetoond, hoe de geest des
Heeren de liefde in ons werkt (c. 15). In hoofdstuk XVI wor-
den zes punten opgegeven, waar de hoogste kennis »tusscen
ons ende Gode inne glieleghen is". In hoofdstuk XVII en vgg-
worden de goede christenen van de verdoemden onderscheiden,
en over de viervoudige dwaling der ketters gesproken (t. w. die
tegen den Heiligen Geest en zijn genade, tegen den Hemelschen
Vader en zijn almacht, tegen Christus en
tegen »sine werdighe
menscheit" en eindelijk tegen God en de geheele heilige chris-
tenheid (bl. 49). In hoofdstuk XXIII—XXVII worden vier
wijzen van liefde tot God (uit al uw hart, uit al uw ziel, uit
al uw krachten en uit al uw gedachten cf.
Deut. 6 : 4—5 en
Mare. 12 : 30) opgesomd. Vervolgens richt zich de beschou-
wing in c. 28 op God zelf in diens eenheid en drieheid; in
hoofdstu.k XXIX op de schepping van den mensch, terwijl däär
tevens een uiteenzetting voorkomt van de drie bekende sta-
ten van het mystische leven. In hoofdstuk XXX volgt de schep-
ping van de wereld, het
Empyraeum, het Primum Mobile als
afbeeldsel van de Triniteit; in hoofdstuk XXXI—XLH de sterren-
hemel, de vaste sterren en dwaalsterren en haar invloed op het
leven der menschen. De gang wordt eehter telkens door
andere gedachten en onderwerpen afgebroken, evenals het proza
telkens voor het rijm moet wijken i). Wij hebben vroeger
reeds
over het gebrek aan samenhang in dit werk gesproken. Het
kost dan ook veel moeite een overzicht van dit trouwens zeer

]) De rijmen zijn Iiier niet alleen dikwijls zeer gezocht, maar geven niet zeld®!^
enkel onzin.
Zóó bijv. bl. 240:

„Dit is die regale van goeden papen;
Die contrarie leven, mochten wel te langhe slapen."
Na dit distichon gaat het proza wêer voort. Even zonderling klinkt het op
bl. 259:

„Sine [d. i. Christus\'] vite leven] is ons bescreven,
Sijn woerde, sine leringhe ende sijn leven:
Hi wilt dat wi hem navolghen sonder sneven,"
Dat zijn dwaasheden die het geheel ontsieren. Tot billijke beoordeeling mogei\'
zij echter niet verzwegen worden.

-ocr page 181-

163

belangrijke

gesclirift te geven. Het Leeft ons niet mogen ge-
^ ^wn iets beters te geven dan David doet, die eenvoudig
e titels, door Surius boven zijn hoofdstukken geplaatst, beeft
°^ei\'genomen. Wij zullen de rest van den inbond niet op
N Voet volgen. In hoofdstuk XLIII wordt over de bedor-
natuur van den mensch geschreven; in het vervolg over
kj, 43—55). In hoofdstuk LVI echter volgt een

^^lachtig gepenseeld tafereel: een vergelijking van de kerk en
( ^ f nit Ruysbroeck\'s tijd met die uit de eerste eeuw

k Wij zullen straks met het een en ander hieruit

on^^^^- gaan voor het tegenwoordige dus met

® inhoudsopgave voort. Als
^Jh\' gesteld,

esus Christus hevet ghedicht een regule". De drie
.^i^aiksgeloffcen: armoede, kuischheid

mo - --

flia^lï?^ de hoofdzonden: traagheid, gulzigheid en onkuischheid,

in de wereld, in de kerk en in het klooster regeeren,

overwonnen. In hoofdstuk LXXI wordt Christus

^ ^eerste ure van den nacht (1ste Nocturne), bediening
eiüst^" \'^^^^^dmaal, verdeeling van Jezus\' vleesch en bloed,
bpv, ^^ Gethsemane. In de tweede ure, angst en

^nanwdhe\'ri

ezus\' ^^^^ aanstaande lijden. In de derde ure,

totale onderwerping aan den wil des Vaders en Jezus\'

eindeliik

\'\'een voorgesteld als ons geestelijk brevier of getijboek,
eenk ^^^^^^^^ breviarys den leeken en den gheleerden." Over-
^laar*^!^^^^^ daarmede wordt het lijden des Heeren verdeeld
Jjj ^ ^\'^ogenaamde canonieke uren. Eerst de 1 ij d e n s n a c h t.

Van
k

J,
gebed

Jezng I^T ^ynen. Dit is de eerste nachtwake, waarin

Zich

Van J^d\'\' aan God. In de vierde ure, verraad

"^ezus\' gevangenneming. In de vijfde ure, de
ï^etrng discipelen. In de zesde ure, de verloochening van

\'Overwo^fj^^^^ tweede nachtwake, waarin Jezus zich

•^geeft

aan de krijgsknechten en hun macht geeft hem te bin-

1)

^\'\'^\'^Oclit ^^ hoogst mogelijk zedelijke volkomenlieid in monniksheiligheid

\' ^\'\'^Ide men zich natnnrlijk Jezns gaarne als den type van den
Monnik voor. Vgl. de Kerkgesch. van Prof. Moll II: IV, bl. 218.

11*

voorbeeld wordt vervol-
als de ware monnik

gehoorzaamheid

en

(c. 59—62). Door deze drie

thans
Wordei

-ocr page 182-

164

den. In de zevende ure werd Jezus voor Annas den »bisscop"
gebracht, In de achste ure stond Jezus voor »Cayphasse".
In de negende u.re de twee valsche getuigen; uitspraak van
den hoogen raad, beschimping door de Joden. Dit was de
derde nachtwake, daarin duldde Jezus dat men hem voor een
Godloochenaar aanzag. In de vierde nachtwake (de tiende
elfde en twaalfde ure, dus volgens onze tijdrekening de derde,
vierde en vijfde in den nackt of van twee tot vyf uren) gaf
Jezus ziek vrijwillig over aan ket volk. Nu volgt bet lijden
van den goeden Vrijdag, verdeeld naar de zeven canonieke
uren. Het eerste daarvan heet Mettene
{vroegmetten, hora
matutina s. nocturna)
en behoort nog tot den nacht. Met het
tweede, de Priem e
{priemtijd, hora prima), begint de dag.
Het is onze zesde ure, of vijf uur des morgens. Jezus werd
in dit uur voor Pilatus gebracht, door dezen naar Herodes
gezonden, en naar Pilatus teruggevoerd. Het derde canonieke
uur is de Tercie
(Iwra tertia). Daarin eischte de door de
priesters opgeruide schare Jezus\' dood. Pilatus ziende, dat
zijn pogingen om Jezus te redden vergeefsch zijn, levert
hem aan de Joden over. Dan volgt de middag
(hora sexta).
Toen werd Jezus gekruisigd. Dan komt de hora nona of
Vesper, waarin de afneming van bet kruis plaats had. Einde-
lijk komt het laatste der canonieke uren, de hora c\'ompletorii
(by Ruysbroeck »Compleeten"), waarin Jezus werd begraven.
In schoone en kernachtige taal wordt de lijdensgeschiedenis
medegedeeld, telkens met toepassing op de plichten van Jezus\'
navolgers i).

1) Als een proeve zullen wij een paar regels afschrijven. „En want Jhesua
die die ierste priester was der kerstenhe;it, soe wonde hi dat men sinen ontaer
bereide, daer hi op sonde doen die hoechste sacrificie ende die edelste offerhande
die ye gheofFert was ofte emmermeer mach werden. Ende die ofFerhande is beghin,
einde ende oirsake al onser salicheit. Doen daden die ridderen [=
krijgsknechten]
boren drie gate in dat cruns ons Heren; en si hadden -iij- plompe naghele, luttel
minre dan een menschen viugher. Ende doen ontdeden si Jhesum al
moeder
naect, ende leydene [— legden hem] op dat hout des crucen; ende sinichelden f:rr na-
gelden]
beide sine voete met enen naghele in dat nederste gat des crucen.- Ende si
recten nut sine hande ende sine arme alsoe men eeu laken reet aen die rame. Ende
si sloeghen doer elke bant enen plompen naghel in
elke side van den cruce, alsoe
hiven si hem op in die lucht, ende seltene in midden tusschen \'ij- mordenaren

-ocr page 183-

165

volgorde wordt tier ecliter weder verbroken door de in-
lasseliing van zes hoofdstukken tusscben
hora VI en IX over
»Partien" van menscben, die tegen Christus zondigen, en
andere uitweidingen, die met het onderwerp in quaestie eigen-
^iik nie^ hebben. — Men zal uit het bovenstaande

ëeruakkelyk kunnen zien, hoe rijk de stof is, die in dit werk
^ordt behandeld; wij zullen er dan ook voor de kennis van
Ruysbroeck\'s Mystiek veel dienst van hebben.
Greringer van omvang, maar daarom niet minder belang-

nit, is:

^^\'r>gherlinc of het hlickende Steentje i), aldus geheeten naar
^pocal. TI: 7 en 17: »den verwinnende, sprect hi, dat is die
Stene, die hem selven ende alle dinc verwint ende overclimt,
Salie gheven, sprect hi, verborghen hemels broet, dat is
"iwendighen verborghen smaec ende hemelsche vroude; en ic
hem gheven, sprect hi, een blickende steenken, ende inden
j nijen enen nuwen name ghescreven, die nieman en weet
au dien onfaet." Met kunstige symboliek wordt nu aange-
^ i^d, dat Jezus Christus dit steentje is, dat aan den schouwen-
niensch wordt gegeven. Met helderheid worden ook hier
^®der de drie staten uit elkaar gezet, waarby de nadruk

End

^^ niit sinen precioesen bloede dat uut sinen handen et voeten ran, soe wijde
®ntte heyliclide hi den outare des crueen, daer hi Gode in diende, ende hem selven

ij^^j die doot........Doe liet di sonne haren seijn, ende die locht ver-

"1 die werelt. Vele meer versmaetheden ende onwerden daden si
di ^\'oes\'den ende met werken, ende hi begheerde alle dieghene te behoudene,

® ghenade sochten ane hem" enz. bl. 230.
Sm-iu^\'^^^ W. 195—239. — Bl. 1—193 is door de
Bruiloft ingenomen. Bij
lib }/ \'\'li^iil^side steentje: de calculo, sive de perfectione filiorum Bei

ment^\'\' (p. 373.) Het is daar 11 (10). — Een zeer klein frag-

rapvt Vloten, a. w, bl. 39. — De bovenvermelde broeder Ghe-

vajï

ätaan "erne deelt in zijn proloog een bijzonderheid mede omtrent het ont-
^"^i\'zam^l-\'^^ ■s^ee«;!/!?. „Voirt vanden vierden boeke (nml. van zijn genoemde
dat h ^^^^ ^^ vanden Vingherlinc oft van den blinkende steen, is te weten

Chisg^^^ redende van gheesteliker materiën met enen

heuj ^\'^de als sy sceyden souden, badt hem die broeder herde seer dat hi

®®i\'iften^ ^\'®denen, die si dan ghehandelt hadden, wonde verclaren met enighen ghe-
Wer^ \' ^i^de anders yemant, dies
daardoor] ghebetert mochten

heef^ dier beden maecte hi dat boec, dat alleen ghenoech leren in

mensche te wisen tot enen volmaecten leven". Zie Voorrede voor

ï. bl. 12.

-ocr page 184-

166

valt op liet schouwende leven. Inzóóverre kan dit tractaat
gelden als een voortzetting van de
Bruiloft. De drie staten
worden hier praegnant voorgesteld onder het heeld van ge-
trouwe knechten, heimelyke vrienden en verborgen zonen Gods,
terwyl diegenen die nog beneden den laagsten trap van het
Mystische leven staan, huurlingen worden genoemd. Doch
straks meer hiervan! Alleen zij hier nog aangemerkt, dat het
Uinkende steentje voorzichtiger is geschreven dan de Bruiloft,
en dat het waarschyniyk als een correctief daarvan moet
worden aangemerkt: »Nochtan heb ic, te hants [=
daareven]
gheseghet dat wi één met Gode syn; ende dat tuycht ons die
heilighe Scrifture: Mer nu willic segghen, dat wi
een ander van
Gode etvelic bliven moeten,
ende dit tuycht ons oec die Scrifture"
enz. bl. 225. »Het is groet ondersceit tusschen
die claerheit
der heiliglien ende die hoecliste claerheit dair wi toe comen moghen
in desen levene.\'"
Eindelyk moeten wij nog noemen:

Samuel of dat Boec der hoechster Waerheit i). Dit geschrift
moet worden beschouwd als een apologie van des schrijvers
Mystiek. In het eerste Hoofdstuk zegt hij: »Selke [=
sommigen]
van min en vrienden begheerden, ende hebben my gebeden, dat
ic met corten woerden toenen ende verclaren soude, na myn
beste vermoghen, die noeste ende die claerste waerheit, die ic
versta en ghevoele van alle der hoechster leren, die ic ghescre-
ven hebbe, opdat mijnre woerde nieman vererghert en werde,
maer yegheiLwelc [=
iedereerï] ghebetert: ende dit willic gherne
doen." Voor de kennis van ßuysbroeck\'s theorie aangaande

1) Deel VI, bl. 341—369. Bij Snrius : Samuel qui alias de alta contemjüatione
dieitur, verius autem Jpologia quonmdam sancti kujus viri dictorwn suhlimium
inscribi possit. Het is aldaar N°. 16 (15). —■ De titel Samuel is zeker wel de
oudste. Het boek is zoo genoemd naar bet begin: „Die propbete Samuel die
beweende den coninc Saul" enz.

2) Wat aanleiding gaf tot het sebrijven vau deze Apologie wordt ons in den
meer besproken
proloog van broeder Gheraert verhaald. Wij zullen dit bericht,
dat alleen bij David is te vinden, mededeelen, omdat het tevens dienen kan,, om
onze mededeeling omtrent Ruysbroeck\'s leven aan te vullen. Daar dit stuk eigenlijk
over de literatuur handelt, hebben wij er vroeger niet over kuuneu spreken. — Nadat
de bedoelde Karthuizer verklaard heeft, dat er veel in Ruysbroeck\'s werken vooi\'komt,
wat hij niet begrijpen kon, en wat hem te hoog ging, gaat hij aldus voort: „Doch
soe verboudic mi (=
verstoutte ik mij) ende enighe van onsen broeders, eude wi

-ocr page 185-

167

het hoogste van liet schouwende leven is deze apologie een
^ömisbare hron.

I^e hier opgegeven geschriften, twaalf in getal, maken den
eelen inhoud van Davids editie uit. Toch zijn er nog
van Ruysbroeck\'s pennevruchten bewaard gebleven, die

benden (__

\\— monden) tot dezen her Jan om verclaert te werden hi sijns selfs spreken

enighen hoghen woerden, die wi vonden in desen hoeken; ende sonderlinghe
Van Vele i,- .

bed ^^^^ ierste boec, daer hi sprect vander gave des Raets (hij

het ^^^^ hoofdstuk van het eerste boek zijner verzameling, namelijk van

ßaad Ghelieven: in genoemd hoofdstuk wordt gesproken over de gave des

^^^ j^! ^^ \'^ono Consilii) al doer, daer wi ons aen stieten; ende baden hem
h; ^ilde tot ons comen. Ende hi quam van, over -v- grote milen te voet gaen
af ^gosdertierenheit, al wast hem pijnlijc. Daer waren veel religioesheden
van sinen ripen ende blidsn aensiene, van sinen goedertieren ende
i\'eli»"^ spreken, van sinen geesteliken uutwendighen wesen, ende van s.inen

End\'"\'"^^\'^ hebben habitus, hmiding] in sinen habite ende in al sinen doene.

he is dat te merken, als hi met ons-liedcn sat int convente, ende

Soe ^®®spraken om te horen yet gheesteliker reden van sinen hoghen verstane,
e^jgj^ hi niet spreken als nut hem selven; mer hi vertrac [—
verhaalde]

^\'Ottd ®iide woerden uten heylighen lereren, daer hi ons mede stichten

Ende lainnen Gods, ende versterken in den dienste der heyligher Kerken,

wi ^^ twee, ofte wi drie, hem hesiden toespraken van desen boeken, ende

®cheen ^^^ ^^ bewervet verworven] ende bescreven hadden,

öie 1, ^^ sinen geest alsoe ledich staende van ydelre gloriën, alsoe ofte hise
djg _ G\'\'! hadde. Ende als ic allene hem aensprac als van dien woerden
dejj staen daer (lees: dat) hi hadde ghemaect, als [=
namelijk?^ in

eudn ^ Lieven, daer wi ons aen stieten, antwoerde hi met ghestaden moede,
^ ^^ wiste dat die boec voirt ghecomen waer, ende dat hem

ghelee^^ ^\'^\'as dat hi gheopenbaert was. Ende het hadde ons heymelic

hadde scriven een priester, die her Jans Notarius [= schrijver] gheweest

niet oochtan verboden hadde, dat hijs niet voirsetten en soude [— het

hoec v\'a^\'^ \'>^alcen]. — Als ic dit verstont, soe woude ic hem desen iersten
en\'^
^ike der Gelieven hebben ghegeven, sinen wille mede te docne:
hi hi seide, hi soude miiken een ander boeck vander verclaringhe

^Isoe ded meinde, ende hoe hi soude willen dat mense verstonde. En,de

b^oj)^ \' boexken van desen viven [Gerards verzameling]

^^^igiose h\' \' ^^^ prophete Samuel. — Dcse drie daghen, ofte die tijt dat dese
ofte v\'" ^\'^s-lieden was, dochte ons al te cort; want elkerlic die met hem
■\'\'^se ^ ^\'as, mochte yet [=
iets, in eenig opzicht] ghebetert werden. Ende

h\' ^ Shemeinlic baden, dat hi langhcr bi ons bleve, sprac hi aldus: „Mijn
sey^g moeten boven alle dinc onderhorich (lees:
onderhoricheit) houden,

^hüys te minen prelaet, onse (lees: onsen) Proefst, dat ic meinde weder

®\'rlüf tenen [— op eenen] sekeren ghesetten daghe; ende tot dien tide gaf hi mi

^^ ^^ weghe setten, om die onder-

® volbringhen." Ende in dit woert waren wi alle wel ghesticht."

-ocr page 186-

168

hier niet zijn opgenoemd. Zij komen voor bij Surius. Het zyn:

1. (13) Summa totius vitae spiritalis (Surius p. 11 en 12).

2. (14) Epistolae VII utilissimae (Sur. p. 524—539). i)

3. (15j Cantiones duae admodum spiritales (Sur. p. 539—540).

4. (16) Oratio perhrevis sed pia valde (Sur. p. 549—-550).
Het zyn kleine geschriften, die, waar zoovele andere bronnen

vloeien, weinig belangrijkheid bezitten. Daarenboven hebben
zij geen oorspronkelijkheid. Het zijn niets dan excerpten. Of
bet oorspronkelyke Latijn is, of dat zy uit ket Dietsck vertaald
zijn, is onbekend. David keeft »noch van de brieven, nock
van de liedjens" — van de beide andere genoemde stukken
dan wel? — »in de bestaende handschriften copyen gevonden."

Het is zeer moeielijk juist te bepalen, wanneer deze werken
gesckreven zijn. De ckronologiscke gegevens zijn kier uiterst
sckaarsck. De eenige jaartallen, die wij met zekerkeid weten,
zijn 1350 en 1359. In ket eerstgenoemde jaar zond Ruysbroeck
zijn
Bruiloft aan de Godsvrienden te Straatsburg, in het laatste
schreef hij zijn
Spiegel der eeuwige zaligheid voor de Clarissen.
Wij hebben daar reeds over gesproken. Eeji paar
algemeene
aanduidingen komen voor aan het hoofd van David\'s hand-
schrift A ®). Daaruit blykt: dat een groot deel van den
Taber-

1) Op ééu ua (N°. 3) ziju zij allen aan vrouwen gericlit. l)e twee eersten zijn
de grootsten. De eerste is aan de meergemelde
Margarethe van Meerheke, Clarisse
te Brussel. Als reden van ziju sehrijven geeft Ruysbroeck op: „Aestate praeterita
cum in vestro essem coenobio, videbaris mihi in moestitia esse; itaque cogitabam
vel a Deo vel singnlari aliquo amico, cui plurimum fideres, derelictam te esse,
aut tentationibus te vexari, quae foris et intus quoquomodo te premerent. Quam ob
rem isthaec tibi scribere volui." — De tweede is gericht:
ad Bominam MechtildeW\'
viduani, olun conjurjem B. Joannis de Xulenhorch militis.
De overigen zijn kleineï
en van zeer weinig belang.

2) Zij werden in eene Hoogdnitsche vertaling uitgegeven: Zwei geistlichen Gesänge
des ehrwürdigen
Job. Rusbroch, iibersetzt und bearbeitet von Nicolaus Casseder, al^
Z\'uthat mit drei andern Büchlein, das innere Leben betreffend,
heraiisgegeben-
Francf. a/M., 1824.

3) Zie de beschrijving van dit handschrift, Voorrede vóór Deel I, bl. 22. Vau
den
Tabernakel heet het daar: „Hunc librum edidit Dominus Johannes Ruysbroeck.
pro magna parte, adhue presbyter secularis existens; rcsiduuni autem post ingrcssum
religionis complevit." (Men weet dat in het Middeleeuwsche Latijn
religio den

J

-ocr page 187-

169

\'"■\'^^d (Joor Ruysbroeck gesdireven is, toen liij nog wereldlik
priester was, terwijl het geheel eerst voltooid is, nadat hy de
^onniljgpy- j^g^jj aangenomen; dat hij reeds monnik was, toen
J zyn
Spiegel schreef — iets dat wij reeds wisten, want
begaf zich in het klooster in 1354; ten derde, dat
^ het boek van de zeven trappen der geestelijke liefde te
is opgesteld. David\'s handschrift C i) eindelyk
\' dat de
expositie op den Tabernakel Euysbroeck\'s zesde

Werk

te K ^^^ — hebben geen reden om het

^yfelen — dan valt zeker een groot deel van Euysbroeck\'s
vó\' werkzaamheid vóór zijn verblijf te Groenendaal, dus

^^ dat hij zich onverdeeld aan de contemplatie over kon geven.

Eer
nog

^y Van Euysbroeck\'s geschriften afstappen, moeten wy
den ^^^^ ^^ aandacht vestigen op de lotgevallen, die zy in
^^ loop der tijden hebben gehad. De omstandigheid, dat
r] in de volkstaal schreef, was natuuriyk niet bevor-

voor de verspreiding zijner werken. Men was er daarom

vroeg

door ^ bedacht zijn geschriften tot gemeen goed te maken
ze in liet Latijn over te zetten. Zóó vertaalde de boven
en. ^ Willem Jordaens nog tijdens het leven zijns meesters
\'^encT^^ hulp, den
Tabernakel, de Bruiloft en het blin-

\'idi\'l i^erwijl Geert Groote de zeven trappen der god-

en evenzeer de Bruiloft in een Latijnsch gewaad
Maar niet alleen Latijnsche vertalingen, ook over-

\'^ij\' heteelicnt). — Van den Spiegel der zaligheid en van het boec van

idem D ^^^^ geestelijke minne staat daar aangeteekend: „hunc librum edidit

1) B Johannes post ingressum religionis."

2) Voorrede vo\'o\'r Deel I, bl. 24.

3) ß\'L n, 720.

"\'«\'^t\'s vertal

daard,

mg van de Bruiloft wordt door Foppens niet vermeld en is

ëïoot Omdat zij echter zeer nauwkeurig en getrouw is, heeft

\'"^janiin herstellen van den tekst op moeielijke plaatsen. Het is

\'^\'■"iiswaldt^\'\'^\'^\' David haar niet heeft gekend. Het handschrift, beschreven bij

^®®Potisation^\' S- begint aldus: „Incipit ornatus spiritualis
^^ixta Jjj^, Ittem edidit dus Johannes Eueschebroeck presbiter in viridi valle

"^^agister aan het blad staat door de zelfde hand geschreven:

tran magnus de Davenfria, quae est in remotis partibus inferioribus

it hunc librum de theutonico ydiomate iu latinum, quem edidit diïs

-ocr page 188-

170

zettingen in de verwante dialecten werden bezorgd. Verschei-
dene van zulke Gelderscbe, Keulscbe, Boven-Rynscbe en Hoog-
duitsche handschriften zijn er nog overgebleven; stellig moeten
zij dus in de IBi^® eeuw zeer talrijk geweest zijn. — Het eerste

1

van Ruysbroeck\'s werken dat gedru.kt is, was de Bruiloft. !

Zij kwam in 1512 te Parijs bij Stephanus met den titel: de
ornatu spiritualium Nuptiarum
voor het eerst van de pers i).
In 1538 werden door Nicolaus Bargilesius te Bologne uitge-
geven:
de Septem gradibus Scalae divini Amoris, seu vitae sanctae.
en de perfectione filiorum Dei. In 1549 eindelijk ver-
scheen te Keulen de eerste uitgave van Surius\' volledige |
vertaling. — Terwijl de overzettingen alzoo door de drukkunst j
allerwege verspreid werden, geraakte de oorspronkelijke Diet- j
sehe tekst van lieverlede in vergetelheid. De talrijke afschriften |
werden in de kloosters bewaard, en daar allengs onder het j
stof begraven. De geheele zestiende en zeventiende eeuw waren |
dan ook weinig voor Mystische overpeinzing geschikt, vooral ;
in de Zuidelijke Nederlanden; en juist däär schuilden de meeste |
handschriften van Ruysbroek\'s werken. Toen de gemoederen i
weêr tot rust kwamen, had het Latijn weder, evenals vroeger, j
de geheele Theologische wereld in beslag genomen, en was !
alzoo de kans voor Ruysbroeck, om in zijn oorspronkelijke
taal te voorschijn te worden gebracht, verdwenen. — Een enkel
van zijn werken was echter gelukkiger. Zijn hoofdwerk name-
lyk werd in 1624 te Brussel onder den titel de
Chierheit der
gheesteleker Brulocht, in III Boeken
uitgegeven »door eenen j
liefhebber Christi" in het oorspronkelijk Nederduitsch, doch >
(zooals de librorum censor zegt in zija goedkeuring) »met
eenighe vernieuwinghe ende verbeteringhe van de oude Tale,
naar de veranderinghe des tijts." Inderdaad is het echter een

soort van omwerking van den oorspronkelijken tekst, »verstoken

van alle eigenaertigheid, verlamd in het gestel en \'t aeneen-

Johannes de Rusbruc in tbeutonico." — Andere HSS. van Geert\'s vertalingen
worden aangewezen door Moll, Ferkg. II, 2,
bl. 361. R. Dier (zie Dumbar\'s
Jnal. I, p. 5) spreekt alleen van de overzetting der
Bndloft.

1) Zie Paqnot t. a. p. A\'^erkeerdelijk wordt op den titel als auteur vernield.
Joannes Rusberus. Zie Poppens II, p. 721.

2) Zie Paquot (fol. uitgave) T. I, p. 52.

-ocr page 189-

171

^eseliakel der volzinnen .en dikwerf niet weinig verzwakt in
® denkbeelden, door het weren van krachtige, schoon eeni-
S^i^ttiate verouderde woorden, en het gebruik in hunne plaets
Jongere, meer gewoone, doch min beduidende uitdrukkin-
seli ^^ ®Pi\'eekwijzen" (David) i). Daar echter de
Bruiloft, boe
"^on ook van vorm en inbond, op zich zelf niet voldoende
Zaw*^^^ l^nysbroeck\'s Mystiek in haar geheel te doen kennen,
^e\'^br* beoefenaren van deze richting zich genoodzaakt Surius
jj . gebruiken. Diens vertaling werd dan ook vele malen

jj^ ^ ^^^ on eindeljik in 1701 op hare beurt vertolkt en wel
Ari l^nitsch. Men schrijft deze overzetting gewoonlijk aan
dn\'ïi\'^^*^ toe. Dat dit echter te onrechte geschiedt, blijkt

^^■^liJk uit den titel.
of omstreeks 1848, altijd bij de Duitsche

ja-ar ^ ^^^Ünscbe vertaling gezworen. Hoe in het genoemde
bet met zijn Geldersche en Keulscbe Handschriften

het ^^ ^^^^^ gebroken; hoe in 1851 van Vloten, na Willems,
de hooge waarde van Ruysbroeck\'s taal en van het
^^"le^landscbe Proza in het algemeen heeft bekend ge-
den \' l^avid eindelijk door zijn schoone uitgave 1857—1869
^^nne^^*^*^^^^ Mysticus voor het eerst geheel heeft doen
rcpj hebben wij aan den aanvang van dit geschrift

vermeld.

nu - is dit gedeelte onzer taak volbracht. Wij zullen

Ten tot de uiteenzetting van Ruysbroeck\'s Mystiek.

"lio in haren ruimen omvang en haar veelzijdig
de gp^ zooveel mogelijk te leeren kennen, zullen wy eerst
^erust grondbeginselen, op welke het geheel

is \' ^\'^^n ontwikkelen. Wanneer daarover het noodige licht
"^efen^vi^?^^\' znllen wij zijn practische denkbeelden, zijn Be-
nauwkeurig nagaan. Ten slotte zullen wy de

\'"^^ngsleer

^^ Zie

«Des Deel I, bl. 3.

Had Vaters B. Joh. Rusbrochii me,\\\\. Canonici regularis

\'^^sselben\'Klosters Grün thai, Doctor ecstaticus, bestehend aus
Sm-ig ^^ gottseeligen Schriften u. s. w. Vormals von dem P. F. Lau-
aber Garthauser zu Cölln
ans dem Holländischen ins Lateinische,

\'^it mJ^ Semeinen Nutz alles ins Teutsche treulichst übersetzt von 0. J. C.
herausgegeben von O. Arnold.
Offenbach 1701."

-ocr page 190-

172

verlioiiding schetsen van Ruysbroeck tot de secten en de
kerk van zijn tyd. — Wy zullen hy dit onderzoek hoofdza-
kelijk volgen de theorien, die Ruysbroeck in zijn hoofdwerk,
de
Bruiloft, heeft nêergelegd. Uit zijn overige werken
zullen we alles gebruiken, wat tot aanvulling of ter verdui-
delijking dienen kan, en wat door hem zelven als verbetering
bedoeld is.

En nu: — Ingens ita quaerimus aequor.

-ocr page 191-

HOOFDSTUK V.

®^eculatieve gkondbeginselen van utjysbeoeck\'s mystiek.

Di ^ samenhang met de mystische philosophie van

^od-\' ^^^^ ^^ Germaansche Mystiek uit van het wezen

tot r ^"^^"^olgens daalt zij tot den mensch af, om dan wêer
den h*^ terug te keeren. Vooral hij de bespiegelingen over
liii ®®^^ansvorm der Godheid is de Oostersche invloed duide-

^^g^erkbaar.

Ruysbroeck overal de contemplatie op den voor-
zij^ ^i\'eedt, ontbreekt het hem echter niet aan speculatieven
"Ruitsch ^^ ^^^ opzicht doet hi] niet onder voor zijn Hoog-
Eekatt^ ver wanten, met uitzondering natuurlijk van

\'^Püierk ^^ philosophische diepte allen overtreft. Het is
^ods ^ ^^^ Ruysbroeck ,zich, bij zijn theoriën omtrent
Vroe ^eet te ontdoen van de voorstelling van tyd, van

lijjj ^^ later, waaraan al wat, maar ook alleen wat verganke-
één gebonden, Ruysbroeck\'s Godsbegrip is in den grond

^od ^^^ ^^^ Dionysius en de Neoplatonici. De idee van
Wii^a ^ ^^^ absolute, praedicaatlooze zijn, drukt hij op zijne
de , ^^^ te spreken van »het overwesen" Gods i),
^^^^^^^^^lieelde bloetheit" »Die
afgrondigJie onwise Gods",

^ naaktheid zonder heelden. Sp. d. e. g., bl. 207.

De

-ocr page 192-

174

zegt hi], »die is soe duyster ende soe wiseloes, dat si in liare
bereet alle godlike wisen en werc" enz. i) Hi is selve ewicb
en ongbemaect, sijns selves salicbeit ende alle sijnre gbeininden
[nz en van al zijn geliefden]. En bi is alre wesene overwesene,
ende alre saligber salicbeit, die ierste voirwoirp den verhavenen
ghedachten in
hloetlieit. Die blote overweselike salicheit hevet
in haer bevaen die godlike persone, ende na haer overwesen |
alle onthoechde gheeste, sonder
ondersceit, in eenvondigher
ledicheit. Daer en is tijt noch stat, voir no na, wech no pat,
hebben no begheren, gheven noch nemen, ondoghede no doghede,
no minnen plcghen, licht noch
zwaer, donker noch daer, nacht \'
noch
dadi\\ noch niet datmen ghevi^oerden mach [= dat men
in woorden kan hrengen]"
God is de »abys der onghenaemt-
heit" »die donkere stille", de »grondelose zee", de »wilde
woestine" God is als boven alles verheven, niet te begrijpen:
»Die onbegripelike hoghe nature Gods, die onthoghet [= ^aa^
te hoven] allen creaturen inden hemel ende inder erden; want
al dat creature begripet, dat is creature: want God is boven
allen creaturen, ende buten ende binnen allen creaturen, ende I
alle ghescapen begryp is te inghe hem te begripene. Mer sal die
creature God begripen ende verstaen, soe moet si ghetrocken
syn boven hare selven in Gode, ende begrepen God met Gode.
Die dan weten woude wat God ware, ende daer na studeren, dat
is ongheorlovet: hi soude verwoeden. Siet aldus faelgiert
[==: schiet te kort] al ghescapen licht in wetene wat God is. ;
Die watheit [=
quidditas van de Scholastieken] Gods ont-
hoghet allen creaturen; maer dat hi is, dat tughet nature
ende
Scrifture ende alle creaturen. Die articule des gheloefs, die ^
salmen gheloven ende niet willen weten; want het is onmo- j

ghelijc alsoe langhe als wi hier sijn...... Die verborghene

behindighe [= behendige = subtilis = ßjne] leere der Scrif-
turen, die de heylighe Gheest ghedicht heeft, die en sal men

1) Bruiloft, bl. 192.

2) ] 2 Begh., bl. 78, 79. Men ziet, Euysbroeck gebruikt hier berijmd proza.
Dat was in zijn tijd zeer gewoon. Hij doet het vooral bij verheffing in den stijl-

8) t. a. p.

4) Bruiloft, bl. 107.

J

-ocr page 193-

175

onghelijc deu levene Christi ende sire heylighen ontbinden
^ verstaen" enz. i)

TT\'x

1,..^ deze oorspronkelijke en, wegens Gods eeuwigheid, nog
J in dien yorm of vormeloosheid, bestaande eenheid is de
eieid voortgevloeid. »Nadien dat die almachtighe Vader,
^ den gronde sire [=
zijner] vruchtbaerheit, hem [= zich]
^ volcomelike begrepen hevet, soe is die Sone, dat cAvighe

Godh

leit Deze geboorte van den Zoon is eeuwig, »sonder
Y d \' ^ ophouden] In den Zoon is de

lev zelven openbaar, en al wat in hem leeft. »Al dat

inden Vader, onvertoent in enicheit, dat levet inden
öone ni 1

^^ ute ghevloten inder openhaerheit" De Zoon is dus
van de Godheid aan zich zelve, het gevolg
^ de ontwaakte zelfbewustheid. Gij moet weten, dat de
leeft^^^^^^ ^ader als een levende
grond, met al wat in Hem
. \' kerkelijk is gekeerd in zijn Zoon »alse in sijns zelfs
levet ^ die selve wijsheit, ende al dat in haer

iud \' ^^ ^e^kelic wederboeghefc [eig. wedergehogen, gereflecteerd]
In ^^ dat es in den selven gronde, daer si ute comt."

den V^^ ontmoeting ontspringt de derde persoon tusschen
Zoon, dat is de Heilige Geest: »hare beyder
Ëüd\'^^\' • ^^^ ^^^^ beyden is inder selver naturen,

bruk hevat] ende doregheet, werckelijc ende ge-

levet ^f\'-der ende den Sone, ende al dat in hem beyden

ci\'eat\' ^^^^ alsoe groter rijcheit ende vrouden, dat hier af alle
^ond"^^^^ e^elike swighen moeten; want dat onbegripelike
^hen^^ ^^^ deser minnen leghet, dat onthoeghet ewelike
Qpj^^ in verstane." Nu heeft deze ontmoeting zonder

^oon^^^"^ pl^^ts: want de Vader geeft zich in den Zoon en de
lijk - ^^^^ ^ader in een eeuwig welbehagen en in een min-

^beheli

tanden

sen \' [— omhelzen]: en dit vernieuwt alle uren in

hjj^. minne. Want gelijkerwijs de Vader onophoude-

nieuw aanziet in de geboorte Zijns Zoons, zoo

J! bl. 3f.
; bl. 187.

niet
noch

des Vaders, ute ghegaen, een ander persoen inder

^^ 189.

-ocr page 194-

176

worden, alle dingen nieuw bemind door den Vader en door den
Zoon in de uityloeing des Heiligen Geestes Dit wordt
altijd vernieuwd in bet levende leven der drievuldigheid:»want
daer is altoes nuwe gbebaren in nuwen bekinnen, nuwe be-
bagben ende nuwe uutgbeesten in ende nuwe bebelsen, met
nuwer vloet van ewigber minne"

Zijn aldus de drie personen uit de eenbeid voortgesproten,
de eenbeid blijft desniettegenstaande bewaard: want in de
duisterbeid van bet Goddelijk wezen wijken de personen voor de
wezenlijke (essentieele) eenbeid en »gebruiken" zij zonder onder-
scheid de wezenlijke zaligheid de personen wijken en »verwie-
len" in de wezenlijke minne, dat is in gebruikelyke eenheid en
»de afgrondighe onwise Gods, die is soe duyster en soe
loiseloes,
dat si in hare beveet alle godlike wisen ende werc, ende de
eygenschap der persone in den riken omvangke der weseliker
enickeit"

Tegelijk worden, in verband met de kerkleer, de hypostasen
zorgvuldig uiteen gehouden.
De »wederdraghinge" [lett. vert.
van het Latijnsche
relationes] die de persoonlijke eigensckappen
maken, bestaan in een eeuwig onderscheid. Want de Vader
»gkebaert" zijn Zoon zonder ophouden, maar wordt zelf niet
geboren. En de Zoon wordt geboren
»ende hi en mach niet
baren". En de Vader en de Zoon »gheesten enen Gheest,
dit is hun beider wil of minne. Ende
dese Gheest en baert
noch en wert gbeboren, maer hi moet ewelike nutvloyende
van ken beiden ghegeest werden." En deze drie personen zijn
één God en één Geest. En al de eigenschappen met uit-
vloeiende werken, zijn al den personen gemeen, want zij wer-
ken in de krackt hunner enkelvoudige natuur — Aldus be-
staat de hooge natuur Gods in drieheid der personen met

1) M. 191 vg. — Op bijna dezelfde wijze wordt het ontstaan van de personen
der Triniteit beschreven, 12
Begh., bl. 77 en 85. ^^Aegel d. Z., bl. 228, 166, 167
en elders.

2) Samuel, bl. 258.

3) Samuel, bl. 263.

4) t. a. p., bl. 257.

5) Bruiloft, bl. 192.

6) t. a. pl., bl. 109.

-ocr page 195-

177

^derscheicl, en in eenlieid der naturen, op enkelvoudige wijze
tonder onderscheid i).
Het hooge wezen van de drieheid Gods is eeuwig ledig,
^der
Werk en »onheroerlijc na weseliken sine"; maar de
Uur der personen is vruchtbaar, eeuwig werkende naar de
der personen 3). M. a. w. de Godheid als geheel be-
ouwd, is in voortdurende rust: door de personen werkt zij
\'^^yd naar buiten.

dit stelt, vasthoudende aan de eeuwigheid Gods,

in de Godheid als onophoudelijk plaats
]Vo voor, zonder vroeger of later, in een eeuwig
Nu,

üocT ^^^^^^ genereert de Vader, nog altijd gaat de Zoon uit,
echt Heilige Geest in de Godheid weder. Daar

des ^^ geheele wereld als een uitvloeisel van de openbaring
td^^^^^ ^^ Zoon, en daardoor als een stadium van

jg urenden uitgang wordt voorgesteld, terwyl het mystische
vlo ^ ^^^ ^^^ Heiligen Geest bewerkstelligde, terug-

broe\'^p^ ^^^ ^^^ uitgevloeide geldt, kunnen wij hier Ruys-
^ s Triniteitsleer nog niet in haar geheel ontwikkelen,
eerst daartoe te veel moeten anticipeeren op hetgeen

liet ^^^^^ volgen moet. Wy zullen rustig voortgaan. Uit
dui ^^^ Ruysbroeck\'s Godsbegrip van zelf en geleidelijk

^^^ ^oi^den. Het kan zeker verwondering baren, dat
niettegenstaande zijn verklaringen omtrent Gods
jjgj^^^^yi\'^^Üklieid en de onmacht der menschelijke rede — wier
eenre ^^^S^^^de Gods wezen zóó gering is als »de punt van
het to jeghen al dat ghescapen is ende minder" —

Waagt met vasten blik de diepten Gods te onderzoeken.

geeft echter in het oog, dat hij het boven medegedeelde

^^^-ad d ^ ^^ vrucht van goddelyke openbaring in den hoogsten
ten I ^e®eliouwing. Hij was er, zooals- wij gezien hebben,
Sehig^ ^^^ ^^^ overtuigd, dat alle geschapen licht te kort
te weten wat God is.

Spiegel d. e. Z., bl. 166, 167 en 199.

3) ^\'ffK 1)1. 84.

■ ^^ \'^offK bl. 110.

12

-ocr page 196-

178 .

Het sterk Monistisch character van Ruysbroeck\'s Godsbegrip
brengt natuurlijk mede, dat hij weinig over de goddelijke eigen-
schappen spreekt. Op wat wijze, of met welke namen de vrome
zich God voorstelt: »alse enen here alre creaturen, hem is altoes
recht. Nemt hi enighen godliken persoen in gronde ende in
moghentheden godliker naturen, hem is recht. Nemt hi Gode
behoudere, verlossere, sceppere, ghebiedere, salicheit, moghent-
heit, wijsheit, waerheit, goetheit, al onder ene grondelose
redene
godliker naturen, hem is recht. Al is der namen vele, di wi
Gode toe eyghenen, die hooghe nature Gods es een eenvoldich, een
onghenaemt van creaturen:
maer om sine onbegripelike edelheit
ende lioeclieit gheven wi hem alle dese namen, om dat wine [= wi]
Hem] niet volnoemen noch volstreken en connen
i). De eigen-
schappen hebben dus geen realiteit
in het wezen van God, maai\'
zijn slechts subjectieve voorstellingen om het menschelijk begrip
te hulp te komen. In dezen zin komen zij bij Ruysbroeck tot
haar recht. »De wise redene [=
redê\\ die van God verlicht is"
kan God zeiven niet aanschouwen: »hare verstandighe oghen
moeten den onbegripelik
en lichte wiken", maar indien zi|
waarlijk door den geest der waarheid verlicht is: »soe siet si God
ane inverstandighen beelden, hoe dat hi is
moghentheit,
wijsheit, waerheit, gherechticheit, goetheit ende ghenadicheit,
ontfermherticheit, rijcheit ende miltheit, levende getrouwicheit)
troest ende soeticheit... Die redene, die verclairt is metten
gheeste
der waerheit, die siet Gode in haren spieghel in alsoe vele
wisen, formen ende beelden, alse si selve ghedinken mach,
ende in enigher wys begheert te siene"^). Als hoofdeigenschap-
pen noemt hy doorgaans: almacht, wijsheid en
liefde,
analoog met de drie personen der Godheid. De Vader, de
schepper, beweger, onderhouder, begin en einde, oorzaak van
al wat bestaat, is de almacht. De Zoon, het »exemplaer alre
creaturen", is de »afgrondighe" wijsheid. De Heilige Geest, de
»onbegripelike caritate ende mildicheit, ontfermherticheit ende
ghenadicheit ende onbegripelike grote uitvloyende rijcheit, de
vierighe vlamme diet [=
die het] al verterret in enicheit, de

1) Bnnloft, LI. 46.

2) 12 Beffh., bl. 29, 30.

-ocr page 197-

179

yeiicle fonteiiie, rike van allen smake na yeghewelcs [= ieders]
^^gheerlicheit", is de liefde i).

spreekt van tweeërlei schepping. De eerste is
^ t ^^ ^^^^ ^^ heeft te gelijk plaats met de geboorte vau
overmits die ewighe gheboert sijn alle erea-
^\'\'\'^ghegaen ewelike, eer si ghescapen waren in der
heefse God ane ghesien ende bekent in hem selven
in levenden redenen ende in ener anderheit
God niet een ander in alder wijs, want al dat in

God ^^^ ^^ God." In den Zoon of de Wijsheid »bescouwet
Vore ^^^^ selven ende alle dinc in enen ewighen sonder
sel^P ^^ ^et enen eenvoldighen siene, soe siet hi hem

Sbehk^^-^\' ^^^ ^^^^ ^^ ^^^^^

een In dit goddelijke beeld hebben alle creaturen

ieven: »sonder hem selven, alse in haren ewighen

^^^^^^ , Ruysbroeck wil dus een ideëele praeexistentie

Wede ^ ^^^»en in God. De aansluiting aan Dionysius is

besta t als het z ij n, is de grond van al wat

l^eüie^ \' derhalve, in den Zoon tot bewustheid ge-

2iet jj- eigen beeld aanschou.wde en aanschouwt, zag en

T^ y daarin zich zelf als de oorzaak van alle dingen,
^aar Qni • ••

^ in zijn eeuwig Nu ook den geschapen tijd aan-

®taan \' ^^^^ ^^ ^^^^ eeuwig wat daarin en daarmee ont-

ten ^ \' ^^^ gelooven aldus Ruysbroeck\'s woorden te moe-

zieh Bijna op dezelfde wijze als boven, laat hij

(lat iii ^^^ ^^^^ »is een levende exemplaer alles dies,,

^ ghemaect heeft ende hi is sake ende oirsake alre creaturi

ende 1 • neen enae ni is saJie enae

dat 1 ^^ ^^l^int hem selven ende alle dinc i

in enen siene. Ende al
niet onderscede inden spieghel sijnre wijsheit

en

bekint

1) Son

a.-her eigenschappen sterker afgescheiden, zóó bijv. 12 Begh., bl. 202:

8\'Oede wilt die,quade verdoemen, ende die ghenadicheit Gods wilt

1\'^aats Men ziet echter duidelijk, dat hier geen tegenoverstelling

L \' bijv. in het bekende vers van het 12.3ste onzer EvanqeUsche
het eeval

^üet

Hr

bl. 210.

10*

-ocr page 198-

180

in beelden ende in ordinen, in formen, in redenen, dat is al
waarbeit ende leven, ende dat leven is bi selven, want in beme
en is niet dan sijns selfs nature. Noebtan syn alle dinc in
beme zonder bem [=
zich] selven, alse in baren eygben sake.
Ende bierom sprect Sinte Jan: Al dat gbemaect is, dat was
leven in beme; ende dat leven is bi selve." De dingen zijn
dus ideëel en potentieel van alle eeuwigbeid af in God aan-
wezig. Het zijn van de dingen [=: bet
sijn sonder hem
selven]
is eeuwig in God, de dingen zeiven zijn ontstaan m et
den tijd.

De schepping in den tijd is een vrijwillige daad van God:
»met sinen vrien wille, overmits sine ewighe wijsheit, soe heeft
hi alle dinc ghescapen van nieute
[== uit niets] na dat exemplaer
dat hi selve es Oorzaak van deze schepping was de liefde.

»Omme dat hi sine macht ende sine wgsheit ende sine goede
[= goedheid] toenen woude, so hevet hi ghescapen bemelrike ende

ertrike.....Inden sceppene is bewiset sine macht; inder ordi-

nancien, sine wijsheit; inden uutvloyene sine menicbfuldigbe
gaven, sine goede ende sine mildicbeit" God schiep dan
naar
Zijn beeld of naar het beeld Zijns Zoons, wat bij bet Dogma der
triniteit op bet zelfde neerkomt, in de eerste plaats den he-
mel: »Want hi hevet na sine figure gbemaect den
oversten
hemel, ene simpele, eenvoldigbe, vierighe claerheyt, van naturen
ende van wesene ewelic stille ende onbeweghelic, inden simpele^
wesene ewelic onbeweecht, [inder naturen altoes beweecht,]
doerschinich, licht ende daer, boven alle dinc groet, hogb®
ende wijt, onverganckelic, een ewich ommering, die al bevaei^
hevet, dat God gbemaect hevet van materien. Siet dit is di®
overste nature der hemele, woningbe, sighe [=
siege, zete^^
ende trone der mogbentheit Gods, daer God in leeft ende reg"
neert met al sire familien." Hier wordt bedoeld het
ErnpT

1) 12 Beffh., H. 78.

2) r. d. mice der Ghel, bl. 127.

3) De tussehen baalqes geplaatste woorden ontbreken bij Surius, maar ko)»®^
in de HSS. voor.

4) 12 Berjh., bl. 82, 83.

-ocr page 199-

181

^ uit het stelsel van Ptolemaeus i). »Dat blote wesen des

® en hemels es onbeweghelic, sonder werc, stille ende ledich,

in li ^^ boven al dat God ghemaect hevet van materien

di ^^ die overste nature der hemele,

^^ ghenaemt is dat ierste beweghen [=: Primum Mobile] die

sijn^^^^^ dat veruerlic is in creaturen, die van materien

end\' ^Idus es die overste nature der hemele beweechlic

heit^ ^^^C\'^eechlic, doerschinich ende doervloyt met sinliker claer-

Shen ^^^ ^^^ groet is ende soe sonderlinghe daer, datse en

oo-he en moghen dan gloriose [= verheerlijkte]

^oVi sijn"®). Op het Empyreum en het Primum

»r1 I "^"^^Sde in de voorstelling der ouden het Firmament:
t is d\' 1,

ciie hemel daer die sterren aen staen. Hi is boven

der cnte, want hi deilt ende middelt tusscen die naturen

([jg \'^ente ende die nature der hemele, tusscen die watere,

dig beneden den hemele ende die watere, die sijn boven

rj-u^i-. dat is die cristalen hemel, diemen den watere

^^•\'lact dat •

18.

delt

Dit

tusi

in yse vervorsen [door metathesis ver- of bevrozen]
td. i. de kristallen hemel] is die hemel die mid-

heme] firmament ende die ierste beroeringhe der

- ende hi is vloyende in claerheden ende in hemelscher

clae^g^j^^^^^ der wilder zee; ende hi is doerscinich in

ghelijc den firmamente daer die sterren in staen

\'^^^^ffe^t astronomisch hoofdwerk, do Syntaxis mathematica, gewoonlijk

/jisV^^j. (naar de Arabische vertaling, onder den titel Tabrir al magesti

Haliti^ ^^ oorspronkelijk met een Fi-ansche vertaling uitgegeven

2) 12 T ^ Par. 1813-1828.

8) 83, 84.

^^\'■^Ueven heeft hetzelfde onderwerp ook behaudeld in zijn vanden BiJce der

rvi,\'^- \' bi. lor _ _ _ _ _ _ . .

\'\'^\'^^Sedeelde \' echter in omgekeerde volgorde. Duidelijker

neV^\'\'^\'*^ uiteen. „Hy heeft

\'^idd^el^^"^^^\'^ firmament..... Ende hi hevs

cristall^^\'^\' hemel, die heet die doorschinich hemel ofte ■
deze~\\ 1, dat hi cristallen si, mer overmits sine claerheit. Die

•Kersch

Oers

IS ene chierheit des firmaments: want hi [— want, omdat hif\\
iiemel vcrclaert dat overste des firmaments metten lichte des

■ ■ • Ende dat overste des hemels [d. w. z. de bovenzijde van
ïi\'Oüe ende^b^ Wstalhemel] dat betet die ierste beroeringhe ende is
^^^ ^evet ghesß^ ®Shiu alles beweghens der hemelen ende der clemente.... Ende
^^Shei^ begiji\'\'^^ oversten hemel, die is ene pure, simpele claerheit onbe-

\'®êi"epeu ende fondament alre lijfiiker dinc; ende hi hevet in

a e diB hemele, eude alle die elementen alse in eenre rontheit" euz.

-ocr page 200-

182

Ende die planeten die en sijn niet doirscliinicli, maer si sijn
verlicht ende wederblickende van claerbeden der sonnen ende der
liemele. Die sterren die gaen omme metten firmamente, neder
ende lioglie, yegbewelke in bare stat, "na diere wijs dat si van
Gode gheordent syn. Mer die -vy- planeten die staen in -vij-
ringlie, die beweecbt werden vander ierster beroeringlien des
hemels, niet na de wise noch naden lope des firmaments;
maer yeghewelc sonderlinghe na die ordinancie der wijsheit
Gods, die alle creaturen wel gheordent heeft na diere wijs
dat wys [=
dat wij het] behoeven. Ende hier omme syn die
planeten onghelyc ende contrarie onderlinghe in naturen, in
werkene, in formen ende in ghedaenten; ende alsoe moest van
node syn, souden si regeren die elemente, ende die nature alre
creaturen, die hier beneden syn. Nochtan en sijn die plane-
ten noch die sterren in hem selven heet noch cout,
droghe
noch nat; maer si gheven hare cracht hier beneden in allen
creaturen,
ende werken met hem al dat ghesciet ende ghewracht
wert, na lope der hemele ende eyghenheit, die hier beneden
leeft in die creaturen. Ende hier omme, na dat die menschen
gheneycht syn van complexien ende van naturen te goede ofte
te quade, min ofte meer, daer nu werct die hemelsche
nature
van boven, dat si dat volbringhen moghen na gheneychtheit
haerre naturen." i) Deze zeven planeten versieren en regeeren
hemel en aarde en maken die vruchtbaar naar de ordinantie der
wysheid Gods Zij oefenen elk naar haar aard verschillenden
invloed uit op het character des menschen zonder evenwel aan
de vrijheid van den wil afbreuk te doen. Maar hierover later-
Na de planeten volgt in de wereldbeschouwing der ouden
de Aarde, het middelpunt des heelals. De Aarde
bestaat ni^
de bekende - vier elementen. God »hevet ghescapen dat nederste
element, die erde, ende gheciert met menigherhande boemelt
ende cruden, die vrucht draghen menigliertiere [=
menig
tsmenschen [= tot \'s menschen] noot; ende mit menigher conne
[■— genus, species, Kiliaen] beesten, den mensche te dienne-
Hi hevet ghescapen dat ander element, die water e, di®

1) 12 Befjh., t. a. p. bl. 87,

2) 12 Begh., t. a. p. bl. 93.

J

-ocr page 201-

183

gaen ende doergaen dat eertrike in menigherwijs, ende

een cliierheit des aertrijcs. Ende Iii lieefse glieciert met
^^enigliej. könne visscke ende met ghedierte, in spisen, ende

Süveringhen tsmensclien noot. Dat derde dement is die
i u c li

1 ende is een chierkeit der erden ende der watere,

Sei • • ^^ ^^ verclaert met lichte des hemels ende is doer-

Vei^^^*^^^\' ^^^^^ sonder lijflike claerheit en wert en ghene

^ \'^rfce ghedaente met ondersceede nntwendich sinlike

zinnelijke wijze\'] bekent. Ende si is gheciert metten

eüd ^^ menigher wijs. Dat vierde element is dat vier,

is ene vruchtbaerheit der erden, ende der watere, ende der
iUelit • . .

> Want sonder dat vier soe en mach gheen dinc wassen
üoch 1

Wat werden, noch levende hliven in erde, noch in

®rts 1 inder locht. Dit sijn die -üy. demente, daer alle

^^ dinc af ghemaect sijn Deze drie hemelen vormen
Grod^^^^ de vier elementen het »uutwendich sinlike Eike
o-i- f \' ^"^ysbroeck noemt ze »een voetspore Gods ende een
^ "^^^hdikenisse Gods

pijiw^^^^^\'^\'^ deze stoffelijke wereld staat de geestelijke schep-
den^\' ^^^^^ waeromnie dat God dinghele [=
de en^eZm] ende
dat sciep, dat was sine grondelose goede ende edelheit

hi woude, op dat die salicheit ende die rijcheit, die

datse gheopenbaert werde der redeliker creaturen, op

iiide ghesmaecte inder tijt, ende ghebruucte boven tyt

horr];^ ^^vicheit jjgt eerst werden geschapen de engelen »die
eiide \'^\'^^^^^^dighe gheeste." God gaf hun »de nioghelicheit
de ^^^acie \' om zich tot Hem te keeren in ootmoed en alzoo
Cracht^^^^gheid te genieten waarbij »die enicheit alder
brukel" ^^ ghedruct worde in die ewighe grondelose ghe-
God ^ Diegenen die zich nu wezenlyk toekeerden tot

ghene^^^^ ^alig geworden. Zij die zich afkeerden »in beha-
^Ün
 haerre == hunner] natuerliker edelheit", die

hun de toekeer nimmermeer vergund
Hun »wille is vervult mit bitterheden ende mitpinen

1) ^ .

2) x\' \' bl. 135, 136.

R

\' Bl. 11.

omme

-ocr page 202-

184

ewigher verdoemtheden: ende si sijn ghevallen vander hoechster
stat in die nederste, ende sy syn die viande Gods ende der
inghele ende der heyliglien ende der menschen."

Nu heeft God de menschen geschapen, opdat die de plaats
mochten innemen, die de engelen verloren hadden De
mensch is alzoo het einde en de kroon der schepping.

Hemel en aarde zyn om zijnentwille gesckapen. Zij zijn:
»gkeciert tsmenscken hekoef, op dat die mensce dit aensie
ende merke, ende Gode si gketrouwe ende diene ende love van
allen ende met allen" 2). De mensck is gesckapen naar ket
lickaam uit de vier elementen, naar de ziel uit niets, tot
ket beeld Gods.

Evenals de onbezielde schepping, zoo heeft ook de mensck
een eeuwig voorbestaan in de Godheid, volgens Ruysbroeck\'s
voorstelling; »Wi kebben alle een ewich leven metten Sone in
den Vader, ende dat selve leven vloyet ende wert gheboren
metten Sone uten Vader; ende dat leven heeft die Vader
mitten Sone ewelic bekent ende ghemint inden heylighen
Gheeste. Ende aldus hebben wi een levende leven, dat ewich is
in Gode voir alle gbescapenheit. Ende nut dien levene heeft ons
God ghescapen, maar niet van dien levene noch van sire
substancien, mer van nieute [=
uit niets]. Ende onse ghescapen
leven hanct in sijn ewighe leven, dat wi in Gode hebben, alse in

sijn ewighe sake, die hem eygben is van naturen.....

Wi hebben alle, boven onse gbescapenheit, een ewich leven,
in Gode, alse in onze levende sake, die ons gbemaect ende ghe-
scapen heeft van nieute; maer wi en sijn niet God, noch wi
en hebben ons selven niet gbemaect. Wi en sijn oec nut Gode
niet ghevloten van naturen; maer want ons God ewelic bekint
ende ghewilt heeft in hem selven, soe heeft bi ons gbemaect,
niet van naturen ofte van noden, maer van vriheit sijns willen.
Ende hi bekint alle dinc, ende al dat hi wilt, vermach bi te doene
in hemel ende in eerden

1) r. d. Rike d. Ghel., bl, 127—129.

2) T. a. p., bl. 135.

3) Sp. d. e. Z., bl. 209—210.

-ocr page 203-

185

Wii

y zien hier evenals by de schepping van hemel en aarde hoe
^ ysDroeck de emanatie-theorie afvï^eert. Hy wil een bepaalde
^I^^PPmg^een schepping uit niets, en wel naar het beeld,
\'f\' van alle eeuwigheid af in zich zelven heeft aanschouwd,
s Hii door de geboorte van den Zoon tot bewustheid is
ge-
iii^^^" ^^ bestaande geestelyke en zinnelyke wereld eeuwig
octs gedachte moet hebben bestaan, volgt uit de idee van G ods
en van God, als eenige oorzaak van al wat
^^ aat. Dat zij tot werkelijkheid moest worden was het gevolg
^ tet »ewich uutvlieten, overmits die gheboert des Soens in

GTo 1

^^ r? met onderscede na ewigher redenen i)." Evenals

Oon zelf met persoonlijk onderscheid was voortgekomen, zóó

oirsak.

(sic)
liera

Wesen hanghet in dat ewighe wesen, ende het es één met
^^na weseliken sine."
Van is de schepping, aldus opgevat, een gevolg

Noodzakelijkheid, een noodwendig postulaat van Gods
vraag kan zich hierby opdoen, hoe zich dit
de voorstelling, dat God de wereld »van vriheit
Word iieeft geschapen. De tegenspraak kan gemakkelyk

\'•^elijk ^ "^PS^iost, door vrijen wil en noodzakelijkheid in het God-
stelsei ^^^^^ identifiteeren, iets dat in Pantheïstisch gekleurde
zijn t ^^^^ natuurlijk is. Ruysbroeck denkt er echter niet aan
^^nd elkaar staande uitspraken met elkaar in ver-

de Z

üioest

best \' ^^^^ ^^^ ^^ ^^^ ^^^ ^^^ uitging tot een zelfstandig
aan komen. Natuuriyk moest de bestaansvorm zóó worden
aen tijd, als God dien van alle eeuwigheid af in zich zelven
Uit ^iie® te zamen drukt Ruysbroeck aldus

Grod ^^^^^ ®wighe ute gaen, ende dit ewighe leven, dat wi in
ewelic hebben ende sijn sonder ons selven, dat is ene
® ons ghescapen wesens inder tijt. Ende onse
geschapen

eug ^ ^i\'engen. Hij is dan ook geen philosoof, maar Mysti-
^an\'y^^ Mystiek bekommert zich, zooals wij aan den aan-
dish^ onzen arbeid zeiden, volstrekt niet om harmonie of
Wereld^*^^^^ i^ liaar grondstellingen. — Evenals de geesten-
gen , ^^ den Zoon een zelfstandig bestaan heeft gekre-
is 2ij gelyker tijd met hem tot de zaligheid gescha-

bl, 188.

-ocr page 204-

186

pen: »op datse syiis ghesmaecte in der tyt ende ghebruuete boven
tijt inder ewicbeit." Deze zaligheid bestaat, gelijk die van den
Zoon, in bet terugvloeien in den oorsprong. Wij zullen daar-
over, ter plaatse waar dit beboort, verder moeten spreken.

Over \'s menscben oorspronkelijken adel en zijn booge
bestemming laat Ruysbroeck zicb aldus uit: God beeft »ons
tot alsoe groter edelbeit vercoren, dat ic niet en can verstaen,
hoe Hi ons meer edelkeyt soude kebben moghen gheven; want
God en vermacht dat niet, dat wi God van naturen sijn souden,
want dat tioirt hem allene toe; mer hi heeft ons daer toe
ghescaj)en, dat wi God souden sijn van graciën, ende één
salicheit, ende één vroude ende één rijc met hem te besitten
ewelike in minnen, ende niet ran naturen. Ende keeft ons
ghescapen tot sinen heelde ende te sine ghelike: te sinen
beeide op dat wi hebbelle souden sijn hem te ontfaen, ende een
met hem te sijn in minnen; te sine gelike, sine gracie ton-
fane [=
om te ontvangen], op dat wy hem ghelijc moghen
syn in graciën ende in doechden

Ruysbroeck verdeelt de krachten van \'s menschen ziel
in de lagere »natuerlike of veelike" en in de »overste" krach-
ten. De eerste zijn vier in getal: »die tornighe cracht, die
sal bedwingben alle onseden, ende die beestelicheit ende die
gheneicbheit der naturen; ende sal sijn een here; die begeer-
like crackt en 3°. de redelick ei t. Die twee andere crach-
ten, ongheciert met doechden, sijn beestelic; maer die redelike
cracht ondersceet den mensche vanden dieren. . . . Die vierde
natuerlic cracht, dat is vriheit des willen". Boven dit
viertal staan de drie »overste crachten der sielen,
afgbekeert
van onleden ende van menichfuldicheiden, ende toegekeert in
ledickeiden te enickeiden." De eerste is »de verkavene
gedackte", elders »memorie" genoemd ; de tweede is
»verstennisse" [=
verstand]. . . . »die derde craft dat is die
wille" ®). Terwyl Ruysbroeck in dit
alles de tkeorien van zyn
tijd volgt, toont kij zijne onafkankelijkkeid in de wijze, waarop

1) V. 12 Beugden, bl. 5.

2) Bijv. bl. 204; Tabernakel I, bl. 74, 75; Bruiloft, bl. 56 enz.

3) V. d. Eike der Ghel., bl. 139—142.

J

-ocr page 205-

187

hy zijne psycliologie verder zelfstandig ontwikkelt. De ziel heeft

volgens hem naar haar »overste krachten" drie eigenschappen. De

perste is »ongheheelde weselike hloetheit [blootheid, naaktheid zonder

ƒ aen], die ander eyghenscap mag heten die overste redene der

^^elen. De derde is die vonke der sielen d. i. natnerlike ingheneycht-

der sielen in haren oirspronc____Ende deze drie eyghenscape

eene onghedeilde snhstancie der sielen, een levende gront,

^yghendom der overster crachte" Door deze hoogere eigenschap-

1 en der ziel staat zy in betrekking met God, en kan zij met de

benoemde krachten tot de eenheid met Hem opklimmen. Deze

e^heid is in alle menschen drierlei »natnnrlike, en daer toe over-

^atuerlike in goeden menschen." De eerste »enicheit" die in

van nature »dat is eyghendoem [versta: grond, oorzaak,

iets tot iets eigendommelijks maakt~\\ der lijfliker crachten

^ enicheit des herten, beghin ende oirspronc dies lyflycs levens.

enicheit hesit de siele inden live ende inde levendicheit

herten, ende hier ute vloyen alle lyfiike Werke ende de

^^ Sinne, ende hier af heet de siele siele; want si des lives

es, ende si den lichame animeert, dat is dat sine levende

^eet ende levende outhout." — »Eene andere eninghe ofte

^eheit es oec in ons van natueren. Dat is enicheit der

crachte, daer si haren natuerliken oirspronc nemen

^ eiker wijs in enicheit dies glieestes ofte der ghedachten.

^ besitten wi in ons selven hoven sinlicheit; ende

conit Memorie ende Verstannisse ende Wille ende alle

®acht gheesteliker werke. In deser enicheit heet men de

® gheest." — De hoogste »enicheit des menschen es in
^ode All

ölet \' creaturen hanghen in deser enicheit met wesene.

Va» ^\'^de met oiithoude; ende scieden si in dieser wijs

es vielen in niet ende worden te nieute. Dese enicheit

eselike in ons -van naturen, weder wi sijn goet ofte
Ende sie en maect ons, sonder onse toedoen, noch
end salich. Deze enicheit besitten wi in ons selven,

Wese boven ons, alse een beghin ende ene outhout ons

® ende ons levens." Deze » enicheit" is dezelfde als de vorige

Oils
dat

D

des

•v.

W. 167

1) S2

2) Ä

vg.

ruiloft, bl. 56.

-ocr page 206-

188

(N\'\'. 2): »mer men nemtse daer werkelike [actief] en Iii er
weselike
[essentieel].\'\'\' i) In de tweede of werkelyke eenheid
ligt: »de macht, ende heghin, ende einde alles creatnerlijcs
wercs natuerlike ende overnatnerlike, alsoe verre alst ghewracht
wert creatnerliker wijs, overmits gracie, ende godlike gaven,
ende eyghene macht der creaturen.... alle menichfoldicheit
der doghede sluten hem daer ende leven in die eenvoldicheit
des gheests." Deze »enicheit" is het beginsel van de zedelijke
volkomenheid en correspondeert met de practische zijde van
het Mystische leven. De »weselike enicheit" of eenheid van
zijn is die »daer wi creatnerliker wijs ute ghevloten zijn ende
weselike in bleven sijn (ende overmids caritate weder toekee-
rende sijn) ®). Dese weselike enicheit ons gheests met Gode,
die en besteet op hare selven niet, maer si blivet in Gode, ende
si vlietet ute Gode, ende si hanghet in Gode, ende sie keret
weder in Gode alse in hare ewighe sake. Ende si en seiet
nie van Gode, noch nemmermeer en doet na deser wijs; want
dese enicheit es in ons van bloter naturen: ende sciede de
nature van Gode, si viele in een pure niet. Deze enicheit es
weselike in ons van naturen, weder wi sijn goet ofte quaet."
Zij is allen schepselen gemeen. Zij maakt ons zonder ons toe-
doen noch heilig noch zalig Den zondaren is zij verborgen
in haar eigen grond,
overmits de grofheid van zonden.

Deze drie »eninghen" staan in den mensch van nature, als
één leven en één ryk. »Inder nederster is men ghevoellic
ende beestelic, inder middelster is men redelic ende gheestelic,
inder voerster, wert men onthouden weselic." Zij zijn »na-
tuerlic in allen menschen." Door deugdsbetrachting worden
zij »overnatuerlike" d. w. z. nog meer dan zij reeds in onze
natuur gegeven zijn ons eigendom. Hoe dat geschieden kan
zullen wij straks zien, wanneer wij tot de uiteenzetting van
de Beoefeningsleer zullen gekomen zijn.

1) Bruiloft, bl. 55, 56.

2) Bruiloft, bl. 60.

8) Bruiloft, bl. 58. De tusschen haakjes geplaatste woorden ontbreken in HS.-D-
en zijn daarom door David weggelaten. In de andere Codices echter en evenzoo
bij Surius worden zij gelezen. Ongetwijfeld behooren zij tot den zin.

4) Bruiloft, bl. 138, 139 en 55, 56.

5) Sp. d. e. Z., bl. 168.

-ocr page 207-

189

spraken koven reeds over \'s menscken sckepping naar Gods
e d. Wy zullen tkaus nagaan wat Ruysbroeck ouder de uit-
i^nkking »beeld Gods" verstaat. Het beeld van den Vader is de
n, en naar betzelve zyn wy allen gemaakt. »Want naden
deele onser sielen, dats eygbendom (zie boven) onser
^Verster cracbte [dus de
wesenlike enicheit] daer syn wy gbemaect
in ^^^ levende ewicb spiegel Gods, daer God sijn ewigbe beeide
gkedruct beeft, ende daer nemmermeer ander beeide in
^^ttien en macb.... In dezen beelde bekende ons God eer wi
tot ^^^^^ worden, in kem selven, en nn inder tyt gkescapen
e hem selven. Dit beelde is cweseli ende persoenlic in allen
enscen, ende yegkewelc menscke kevet [=
heeft het~\\ altemale
^^ eel ende ongkedeilt, ende alle menscken en kebbens onder
all niet meer dan een menscbe. Ende aldus syn wi

een, vereniebt in onsen ewighen beelde, dat Gods beelde
^^ende onser alre oirspronc, ons levens ende ons ghewerdens, daer
als^^- wesen ende onse leven sonder middel in hanct,

in sijj;^ ewighe sake" i). Dit beeld is dus niet alleen af-
Pen ^^ \'s menscben vóórbestaan maar ook in den geschä-
het dezen is het »weselic" d. w. z. naar
heid ^^^ voorhanden, terwyl daarmede tevens de mogelijk-

. gegeyen is dat ket »werkelic" door den mensck zelvén
het 1

pen t^ kan geroepen worden. »Want wi sijn gbescha-

r____het] beelde, dat is dat beelde Gods tontfane"

levend ontvangen]. Zóó is het menschelijke leven »een
scap^ dat te gadere ghevoecht es ghescapen ende onghe-

der creature". Ons eeuwig leven is het beeld

den hlijft altijd in den Vader en vloeit uit met

^^tuur"^^ wederboecht" [= keert weder] in de zelfde

ous 1 ^^^ Heiligen Geest: en aldus leven wij eeuwig in
hieruit^ keilige Drieheid en der vaderlijke eenheid. En

^Üsheid^^^^^^^ ^^ ^^^ geschapen leven, vloeiende nit de zelfde
heid ^ ^ods, en daarin bekent God Zijn macht, Zyn wijs-
leeft ^^ ^^^^ goedheid: en dat is Zijn beeld waarmede Hij
schapp ^^ ^^^^ beeld heeft ons leven drie eigen-

\' \'^\'^aarmede wij Zijn beeld, dat wij ontvangen hebben.

^^ bl. 165, 166.

1)

-ocr page 208-

190

gelyken: »want onse leven is altoes wesende, siende, cn
neygkende inden oerspronc onser glies capenlieit.
Ende dit; is een levende leven, dat in ons allen is weselyc ende

in bloter naturen____ende bet is verborghen in Gode ende iu die

substancie onser sielen". De drie boven vermelde eigenschap-
pen der ziel zijn eveneens niets dan reflectiën van de perso-
nen der Triniteit, de drie grondvormen van alle zyn. Intus-
schen boude men in het oog, dat deze hoogste eeniging
slechts van nature is, en dat zy als werkelijk d. i. als vrucht
van \'s menschen eigen werkzaamheid nog moet gaan bestaan.
Al is de adel, dien wij van nature bezitten in de wezenlyke
eenheid onzes geestes, waarin hij natuuriyk met God vereenigd
is, nog zóó hoog, zoo maakt ons dat toch nog niet zalig,
want dit is allen menschen gemeen zoowel goeden als
kwaden i). Het beeld Gods wordt werkelijk in den mensch
geboren, en de hoogste vereeniging
met God komt werkelijk tot
stand in het Mystische leven. Eerst in de Mystische eenheid,
door de onmiddelijke Beschouwing wordt het beeld één met
het oorspronkelijke beeld d. i. met den Zoon, en wordt het
goddelyke beeld dat ons ingedrukt is, door ons als door een
spiegel steeds helder en klaar gereflecteerd. Deze
werkelijkheid
zou nooit tot stand kunnen komen zonder het beeld, dat wil
zeggen: indien de mogelijkheid tot de werkelijke en
onmiddelijke
vereeniging met God niet van alle eeuwigheid of in onze ziel
was aangelegd. Dit beeld »is wel die ierste sake alre hey-
licheit ende alre salicheit"

De uitdrukking, dat het Woord het eeuwig exemplaar is,
waarnaar alle dingen zijn gemaakt (zie boven), doet
analogiën
verwachten tusschen de geestelijke en stoffelijke wereld onder-
ling, en tusschen deze en de Godheid, wier beeld het
Woord
is. Werkelijk stelt Ruysbroeck dan ook de wereld als het
afbeeldsel van het Goddelijk wezen voor en
den mensch weder-
om als den antitype van den grooten Macrocosmos. Wij hebben
deze theorie van den mensch als Microcosmos reeds vroeger by
de Neoplatonici aangetroffen. Wij vinden haar hier terug
de fijnste analogiën uitgewerkt. Terwyl wij dit in het kort na-

1) Bruiloft, bl. 139.

2) T. a. p., bl. 138, 139.

J

-ocr page 209-

191

^ zullen wy tegelijk het bovenstaande met zich zeiven in
pend en Ruysbroeck\'s voorstelling van Gods schep-

® "^ei\'kzaamheid als goddelijke zelfopenbaring gemakkelijker
begrijpen.

seh ^^ ^^ goddelijke »overwesen" is, is in de ge-

eiide^^^ "^ß^eld de »overste hemel, de simpele eenvoldighe
still claerheyt, van naturen ende van wesene ewélie

ende onbeweghelic"; —
natuuv ri

^eseh \' ^^ weselike enicheit";
\\vei-k Tegenover de »vruchtbaerheit der naturen" of de

\'ei\'st^^^^ Godheid staat in het heelal: het Primum Mobile, »dat
dej ^®^^eghen"; in \'s menschen geestelijke natuur: de »enicheit
erachte" of de eenigheid des geestes, »want in deser
^ods ^^^ ^^^^ gheest beweecht van boven inder cracht
de t\' ende overnatuerlike" i); in het Mystische leven:

corre^*^^^® graad of het Innige Leven. Met het Firmament
»ev in \'s menschen natuur de »nederste enicheit", het

de ig^ doem der lyfliker crachten", en in het Mystische leven
over ^^^^ Beginnende of het Werkende Leven. Tegen-

Zelve \' ^^^^ elementen staan de vier lichamelijke krachten
dej. ^^ ^ inensehen zinnelijke natuur. De drie »overste crachten"
alg .. weder analoog met de drie hemelen, terwyl, zoo-
overst zagen, de di-ie eigenschappen der ziel in »het

krachten het afgedrukte beeld zijn van de drie
si ijj Godheid. Gelyk de sterren met het firmament »daer

draaien en bewog;en worden »neder ende hoghe

hare stat,
alsoe doen

na diere

goede- ^ \'
goed,

inwendighe

die

wijs dat si van Gode
crachte der

-Men die volghen altoes met dogheden ende met

Wen der wijsheit ende der macht Gods, daer si inne

Het de zeven planeten, »die hemel ende erde chieren
^aneie^^^"\' Mgheren ende vruchtbaer maken, na die ordi-

Greestgg ^ysheit Gods zijn de zeven gaven des Heiligen
Correlatief, »die verclaren ende vruchtbaer maken al

2! bl.

yK U. 87.

91.

■ bl. 93.

in \'s mensclien geestelyke
- in het Mystische leven: de

-ocr page 210-

1-92 ^

\'s menschen leven Wy zullen op onzen verkenningstocht

door Ruysbroeck\'s Mystiek nog verscheidene dusdanige ana-
logiën ontmoeten. Niet zelden zullen wij gezochte vergelykiugen
vinden, die aan de willekeurige symboliek van den Tabernakel
herinneren, \'t Geldt dan echter nevenzaken. Waar het op de
grondlijnen van het stelsel aankomt, zooals boven, vloeien deze
analogiën altijd zóó van zelf uit den aanleg van het geheel
voort, dat men verwonderd staat over Ruysbroeck\'s »archi-
tectonischen" geest, en over de nauwe aansluiting en innige
overeenstemming van de verschillende deelen zijner Mystiek.-—
Keeren wij thans tot Ruysbroeck\'s Psychologie terug. Wat
hij van de algemeene menschelijke natuur als het evenbeeld
Gods zegt, hebben wij gezien. Hij behandelt echter ook de ver-
schillende temperamenten en natuurlijke individualiteiten der
menschen. Zij staan weer niet op zich zelven maar zijn ten
nauwste met het groote organisme verbonden. Wij hebben
boven reeds gesproken over den invloed, door de planeten
volgens de wereldbeschouwing van Ruysbroeck en zijn tyd,
zoowel op de stoffelijke als op de geestelyke wereld uitgeoefend-
Wij komen thans iets breedvoeriger daarop terug. De planeten, die
in »-vij- ringhen" staan en »beweecht werden van den ierste be-
roeringhen des hemels", werken op hare beurt n op het natuur-
lijke zijn van den mensch. »Der planeten kinder sijn wi alleJ^
na wise der sterfeliker naturen." Zij »regneren ende domineren
hoven dat sinlike leven in beesten ende in menschen." Zij hebben
»noch willen noch weten noch leven ofte enich vermoghen van
hem selven; maer overmits die crachte Gods, die in hein
leeft, soe gheven si allen creaturen, beneden den firmament®
tot inden gront der zee, leven ende wassen, ende meni^^i^
ondersceet van naturen ende van gheslechten inder eerden
ende inden watere ende inder locht, daer God die wereld
mede ghechiert heeft van beghinne, te sijnre eeren ende t®
onser noot" Haar invloed is dus niet spontaan, maar een
gevolg van de werking van het Primum Mobile, dat wedei\'

1) Bndloft, bl. 127.

2) 12 Beffh., bl. 194, 195.

3) t. a. p., bl. 197, 198.

-ocr page 211-

193

alin^ Godheid zelve bewogen wordt. Aan de goddelijke
^JQacht en het goddelyke albestnur wordt dus in geenen deele
»ev^^ theorie te kort gedaan. Dat kan ook moeielyk het
Waa ^^^ Rnysbroeck\'s Monistisch standpunt, dat, overal
liet gebied der Bespiegeling betreedt, sterke verwant-
^P Verraadt met het Pantheïsme van Dionysius en Erigena.
Wy onzen Mysticus weder zelven het woord: »Die

üatui-e dp

die • menschen is ghedeylt in -vy- wisen van complexien,
ontfaen, in onser gheboirten, van den -vy- planeten,
ïf-, ^^ glieliken nader lifeliker [=
lichamelijke] gheboirt" i).

^^ teeken

Waaronder de mensch geboren wordt, bepaalt dus

den

lüed ----\'twug ai ö muJLLSüUKU uiiaraouer. uv itieureu waar-

plexie ^^^ de zeven verschillende temperamenten of com-

aajj^ d ^^^ natuurlijken mensch gaat afschilderen zijn

\'^^tlee d uiteenloopende naturen van de planeten

dg ^^^^ \' hogheste planete Saturnus sine kynderen [d. i.

\'dikwijl ^^ ^^^ Saturnus enz. Deze spreekwijze treft men nog

der ^^ mond van het volk aan.], sijn hem ghelyc in
laturen;

aanvang af \'s menschen character. De kleuren waar-

\'i Want si sijn cont int ghevoelen van minnen,

Wreet \' vrucht van dogheden, quaet willich, scalc ende

^^enz\'ó\'^^^^^ bleec ende onghedeghen [Kiliaen dijformis,

Gnde een willich [— eigenwillig zie Kiliaen], crighel

si on^L^^^ ^an moede. Ende alsi gheestelic willen werden soe syn

sitir, ^ i\'dent in vresen, in sorghen ende in anxte verdoemt te
> Wavif *

selvgj^ ^^ meynen ende minnen hem selven allene om hem
Pianet\'e ^^^^^ naturen . . . Hierna volghet die ander

bi ic, 1\' Jupiter. Die is contrarie der ierster; want

® heet p j

^elc jj- versch, wit ende daer, sachte ende soete als
als ^^ ^egneert inden Sporkille [=
sprokkelmaand, Februari]
hoeeht in e^ii teken, dat heet die Vissche. Dan

^^^ ®onne, ende die tyt verwermt, ende die watere
iiiden \' "vissche vlieten in weelden, die vergadert laghen
^^de ^^^^^^ winter. Dese planete is minlic ende behaghelic,
in oende allen creaturen die hier beneden sijn, ende die

^eet gheboren werden, die sijn hem ghelyc, dat is

^ bOeder begheerten ende versch nutvlietende met goeden

en hier de beschrijving 13 Beffh., bl. 92—94, 102—118, 194—198.

13

Geven

-ocr page 212-

194

werken, scone ende wit van live ende gracioes, oetnioedich?
sachte ende milde ende goedertieren, Wide, ghesellyc
ende
minlic van wandelinghen, hovesch. [ook wel hoescJi = heusch
beleefd]
treckende, ende neyghelic van naturen."

Men moet echter niet te veel op zijn geboorte onder Jupiter
bouwen, want, zegt Euyshroeck:

„Al is die lieflike gheboirte edel ende goet.

Si is nochtan vleesch ende bloet,

Ende si en is oec niet ewich. wijs noch vroet;

Want si versmaet Gode ende sijn rike ende ewich goet,

Ende soect ende kiest ende mint in die werelt, dat verganclijc is, dat si Verliesen moet."

De derde planeet is Mars: »heet ende droghe, scalc, nydich ende
wreet, ende hi ghelijct Saturno in vele punten. Die menschen
die onder hem gheboren werden, die sijn van naturen droghe,
inborstich [Kiliaen heeft inbornstigh en vertaalt het door fervi-
dus, acer, impefuosus],
ondoechsam, onunstich [= ongunstig]-!
onghemeine, niemen vrient, niemene goed doende dan den
ghenen die hem vrient schinen ende goet doen. Si syn
beet
ende wreet van complexien, haestich van moede, licht gherenen
[= geraakt], lichte ghestoert ende saen [= spoedig] verbolghen,
langhe gbedinkende, node verghevende, gherne wrekende, lichte
bedroeft, scalc in spreken: altoes dunct hem [=
hun] dat si recht
hebben, want onbekende boverde is in hem verborgen. Ende als
si gheestelic willen werden, soe nemen si ane enen
gbetoenden
scyn van buten, door groote werken van boete, vele zwighen ofte
van hoghen dinghen spreken. Eest
is het] dat si subtyl sij»
van naturen — alle andere goede menschen ordelen sy (sic)
ende
doemen die van hare heylicheit niet en houden." De vierde pla-
neet is de Zon: bet »oghe ende licht der werelt" »achtwerf
meerre
dan al die eerde." Sine kyndere, die in sine regnacie gheboren
werden, die syn daer ende wit ende gracioes, sober.., stout ende
coene, van graten moede," evenals de zon zelve, »gbemeine
yeghe-
welken die syns behoeven.., si minnen den dach der doeckt
ende der waerheit, ende si haten den nacht der sonden ende der
quaetbeit... Sie werden dicwilc
ghemint van groten
heren ende comen te groten state." De vijfde planeet is
Venus. Zij heet ook »Lucifer", »Dachsterre" en »Vesperus" ^^

-ocr page 213-

dat is »die Avontsterre." »Hi is goetwillieia, sachte
Van ^^^^ daden. Hi dwinet ende tempereert Saturnum

g, quaetheit ende alle andere scalcheit der planeten...

in^^ ^^^dere, die sijn ghelike den Jovianen, Jupiters kynderen
seh^^^^ Pinten. Si sijn wit, daer, gracioes ende blide van aen-
, gbesdleec" — maar ook — »oncuysch ende gulsich ende
(jg^j. ongheordender ghelost, ende tote allen dien

die lichame hegheert. Si. . . pleghen hare ghenuechten,
^ ®iiighen ende springhen, si en roeken [=
zijn niet bekommerd]
Si den dach ten avonde hringhen." — »Mercurius, die seste
tich ^^ ^^^^ ^^^ coepliede inder naturen. Hi es eendrach-
met allen den planeten, quaet metten quaden ende goet

goeden, want hi concordeert met hem allen. Snn loep is
aitoeg ik\'fi

1 oiüer sonnen ende dese -i]- planeten syn ghesellen, ende haer
^y^der siir. :___T^___________n.....

^ijs
del

^oven
hehb
dat

syn ghelyc in vele dinghen. Dese menschen sijn (ook)
Van naturen, scalc ende hehendich. Si connen wel wan-

g. ^^ ^et goeden ende met quaden, met riken ende met armen,
iftak*^^^^^^ wijselyc ende wale spreken als taelmanne, peys
li \' e\'^de vercopen, zamen copere [=
makelaar] sijn,

^ ®Nde hedrieghen na dat sijs onnen [= gunnen. Sur. prout
\'j\'j^
 ofte daer toe ghemiedt [= gehuurd, betaald] sijn."

\'^verd^^ ^^ardig en vlug met woord en daad, »ende hieromme
here ^^ ^^ dicwilc verhaven, hekint ende ghemint van groten
der \' vercrighen groten staet, rijckdoem ende ere na wise
üiet Toch haat hun al hun kunst en hehendigheid

^vijs ^^ zaligheid te verkrijgen: »al sijn die Mercuriale
godl\'lj^^^^^ ende hehendich van naturen, si en moghen sonder
^ant ^ ^^^Nade dat rijc Gods niet sien, vinden noch hesitten,

^ nature en hevet gheen werc hoven haer selven."
hovov, der planeten bepaalt zich echter, zooals reeds

gezegd is, tot de lichamelyke natuur: »nier boven redene

zy

ioven

en si ghene macht, want natuerlike redene bedwinct
ken is ende ongheordent in naturen" i). Ook beper-

in het minst niet de vrijheid van den wil: »Maer
leisel vrien wille en hevet nyeman macht, noch he-

e nature, noch alle creaturen noch nieman dan God

Xii

bl. 194.

-ocr page 214-

196

allene ende wi selve" i). Zy die zichzelven onderworpen hebben
aan de elementen en die den loop der hemelen en de plane-
ten dienen zijn »kyndere der naturen." Zij kunnen God niet
zien en vinden, »mer die sonen die mit Gode gheboren sijn,
die domineren boven nature, boven lope der hemele ende der
planeten, ende alle dingh sijn hem onderdaen"

Met deze gaven en krachten toegerust, is de mensch uit
Gods scheppende hand te voorschijn getreden. Hij is gescha-
pen naar en tot het beeld Gods. Het is zijn bestemming dit
beeld te verwezenlijken, door namelijk één met God te worden,
of, om de taal der Mystiek te gebruiken, door weder in God
terug te vloeien. Door den vrijen wil is de mensch in staat om
aan zijn -aanleg te beantwoorden, van hem zeiven hangt de ver-
werkelgking van de »moghelike
[= potentzeele] enicheit" af.

Maar daar is een andere macht, die den mensch belemmert
in het bereiken van zijn doel. Die macht is de zonde.
Ruysbroeck stelt het eigenlijke wezen der zonde in \'s menschen
inwilliging van het kwade: »gheneychtheit toten sonden en
is gheen sonde; mer die sonden te willen ende die te volbrin-
ghen, dat is sonde Ende alsmen die ghenoechte
ghevoelt
ende bekent, ende daer bi willens blijft sonder strijt, soe
wert die sonde noch mere; mer eest datmen ghenuechte be-
gheert ende soect, soe is die sonde noch zware" Hij spreekt
ook van »snelle beweghinghe des believens ofte der
ghelost,
dat nieman beweren [= afwerenl en mach" en van dage-
lijksche gebreken waarin wij allen zonder uitzondering ver-
vallen: »dat ghedoecht ons God ende oec onse redene;
want
wi en moghens ons niet ghehoeden. Ende hier om alsulc ghe-
brec en maect ons niet onghehoirsam; want het en verdrijft
niet die gracie Gods noch oec onsen inwendighen vrede:
nochtan sullen wi alsulke ghebreke, hoe dein si
syn, altoeS

1) T. a. p., bl. 88.

2) T. a. p., bl. 106.

3) V. 12 Bogh., bl. 84.

4) T. a. p., bl. 132.

5) Bruiloft, bl. 40.

-ocr page 215-

197

leghen, ende hoeden ons daer voir met al dien dat wi ver-
^oghen" 1). i^gt stuk van zondenval en erfzonde volgt
jjysbroeck de kerkleer. God kad den mensck in den kof

Ed

^ en geplaatst, en kem een gehod gegeven, dat kij »metgke-
^^ irsamhedeu, kadde mogken verdienen gkestadickt ende gkevest
len^^^*^^^^ — ^^ ewigker trouwen, ende nemmermeer te val-
^^^ ^^ enighe zwaerkeit ofte in enigke sonde. Doe quam
end viant van der keilen — ende bedroeck datwgf;

in h ^^ loeiden bedroeghen den man, daer di nature te male
h ontscaecte die nature, die bruut Gods met

en rade; ende si wart verdreven in een vremt lant, arm

van

haren

tot

^e ellendieh, ende ghevaen ende bedruct ende beseten

vianden, als nemmermeer te lande noch te soenen
een verzoening] te comene" Zooals zich echter laat
nten is de leer van zondenval en erfzonde geen wezenlijk
K^erk ^^ Ruysbroeck\'s Mystiek. Als geloovig zoon van de
\' gebruikt hij de gewone uitdrukkingen, terwijl zijn vurig
l^loof gevoel, zijn geweldige drang tot God, kem telkens de
ligej^\' zondigen afstammeling van Adam van den Hei-

^a-tun^*^*^ ®eheidt, doet overspringen en vergeten. De menschelijke
Vej^j ^ "*vordt dan ook geenszins voorgesteld als door den val
Verdr^^^^ zijn. Nadat de eerste menscken uit ket paradijs
^^edelh^^^ ^aren, behielden zij, zegt Ruysbroeck, nochtans:
ende 1 ^^^ vriheit haers willen, ende si bekenden sterven

®nde ^^^^ g^el\'ende quaei Ende si minden dat goede
^ond dat quade, ende alsoe keerden si te Gode ende

Grod ^l^enade; ende alle die van hem quamen, die in
^en aU ^ ende hem eerden ende minden, die behaghe-

®Ond ^ ende ontfinghen gracie ende ghenade. ... die in

^l^enad wederkeerden in penitencien, ende sochten

beho 1 \' "l^e^ in bleven ende storven, die sijn oec alle

1 overmits haren rouwe ende die ghenade Gods"

JJ steen, bl. 216.

3; bl. 2.

^\'ffK bl. 114, verg. 66 en 104.

-ocr page 216-

198

\'s Menschen heil en verlossing wordt echter meestal,
althans niterlyk, met Christus in verhand gebracht. Ruysbroek\'s
uitspraken zijn dan ook op dit punt te menigvuldig dan dat wij
ze met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Wij zullen dan een oogen-
blik bij zijn Soterologie of Christolo\'gie moeten stil-
staan. Later zouden wij daartoe niet best in de gelegenheid zijn.

»Doet [= toen het] Gode tijt dochte ende hem dies doghens
siere gheminder ontfarmde, soe sant hi sinen een gheborenen
Sone in ertrike, in een rikelike sale ende in enen gloriosen
tempel, dat was die lichame der maghet Marien" »Toen
de groote Heer" — zegt hij elders — »aensach dat wi
ewelic verloren souden hliven ende te rechte, ende dat ons
gheen pure creature verlossen en mochte. Ende ontfermde hem
dat wi eweliken verloren souden hliven. Ende heeft ons alsoe
ghemint, dat hi sijn enich Soen (die die onbegripelike claerheit is,
daer God die Vader hem selven ende alle dinc in bekent, die
een is met hem naden wesene ende nader nature, ende over-
mits welke claerheit dat alle dinc ghescapen syn, ende die is
een exemplaer alre creaturen, ende een spieghel sonder vlecke
der moghenheit Gods) voir ons niet en heeft ghespaert mer
heeften ghelevert toter doet, op dat hi ons hringhen
mochte
toter ewighe salicheit, daer hi ons toe ghescapen hadde." —
De Zoon had, om de gevallen menschheid te kunnen verlossen,
de menschelijke natuur aangenomen, zonder dat daardoor
evenwel aan zijn Godheid werd te kort gedaan. Christus was
alzoo God en mensch in ééne persoon. »Die waerheit ende
kersten ghelove tughet ons, dat en is maer één Christus iu
hemel ende in erde, ewelic gheboren vanden Vader in godliker
naturen ende inder tijt gheboren van sijnre moeder in men-
scheliker naturen: ende aldus is hi God ende mensche in enen
persoen" : met God één in de substantie, met ons één in
de natuur Hij nam onze natuur aan, die verbannen en
vervloekt was tot in den grond der hel: »alsoe dat
yeghewelc

1) Bruil., bl. 2—3.

2) V. 12 DocjK bl. 6.

3) 12 Becjh. bl. 54.

4) T. a. p., bl. 56.

i

-ocr page 217-

199

Grod^*^^^\' goet, mach. spreken: Christus die Sone

beid ^^ ^^^ broeder" i). — Wat aangaat de betrekking vau de
^^ e naturen in Christus, zoo zocht Ruysbroeck ijverig alles af te
^ Wat tot vermenging van beiden aanleiding kan geven.
P zich zelf beschouwd is dit bij een Mysticus wonderlijk ge-
Het houdt echter op dat te zyn, wanneer men bedenkt,
die Ruysbroeck zich verzette tegen de grove dwalingen,

^ Oor de secte van den vry en geest wijd en zyd werden
^^preid. Het is dan ook juist door zyn polemiek tegen deze
den ^ boeve" en »onverstandiche esels" dat Ruysbroeck
^^chyn Ya,n Nestoriaansche ketterij op zich laadt,

i\'istus heeft zich vernederd en ons verhoogd, zich verarmd
»h
 »Hi heeft hem [= zicK] versmaet ende ons

eert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem

niet en was. Hi bleef God ende wart mensche op
onsoj. mensce (sic) God werde. Hi heeft hem gecleet met
^Ire menscheit, alse een coninc die hem cleet, metten

beme

ni

clede

cs:
maar

®ynre familiën ende synre knechten, alsoe dat wi alle
, syn van énen clede menscheliker naturen. Maer

^eind ^ ^^^ ^^^^^ lichame, die hi ontfinc vander

enen^^\' ^^ghet Mariën, boven al sonderlinghe ghecleet met
Hiett clede, dat is sine godlike persoenlicheit" 2).

nitf] ^^^^\'O\'^\'er staan wel is waar meer kerkelijk rechtzinnige
enen ^^^^^ »ghelikerwijs dat siele ende lichaem maken
één alsoe is Gods Sone ende Jhesus Mariën sone,

Want • ^^ *^liristus, here ende God hemelrijcs ende ertry
het ^^^^ eenformich metter wijsheit Gods",

^och ^^^^^^ dan weêr: »nochtan en is sine siele niet God,
^erden^*^^^ iiature, noch die natuere Gods en mach niet
tus-s^T, Men ziet, Ruysbroeck wil de grenzen

het schepsel scherp afbakenen en als onover-
Van ^ig beschouwd hebben, tegenover het krasse Pantheïsme
ettersche secten. De mensch Christus bestaat volgens

3) T ^^ W. 169-170,
\' P-\' W. 230.

verrijkt.
Maer

dat 1 ^ want hi bleef al dat hi was, ende nam ane

■Dl nio^l ____ TT\' n 1 - - 1 __ i _ ______i _________i-_

dat die

-ocr page 218-

200

Ruysbroeck nu eens slechts uit ziel en lichaam, dan weder
uit geest, ziel en lichaam, en deze ziel (geest) is dan, even
als de anderen, »geschapen uit niets" Met dezen geest
van Christus heeft zich nu de Geest Gods vereenigd en wel
zóó, dat de lagere en hoogere krachten aan den Geest en aan
de wet Gods onderworpen werden. Naar zijn
menschheid
was Christu.s evenzeer Zoon Gods, maar Zoon Gods van ge-
nade, die steeds evenals de andere menschen
genade en gaven
van boven heeft ontvangen en steeds door God tot alle
deugden
is gedreven (Adoptianisme). God »gaf der menscheit ons Hereii
Jhesu Christi alle macht in hemel ende in eerde" .... en de
Heilige Geest rustte in zijne ziel en in zijn menschelijke
natuur
met al zijn gaven en maakte hem rijk en overvloeiende in ai
diegenen, die hem begeerden en noodig hadden. Christus is
dan ook naar zijne menschheid verhoogd: »opghevaren boven
alle hemele ende boven alle chore der inghele, ende sit ghe-
croent ter rechter bant syns Vader, ghelijc heme in eren
ende
in machten."

Ruysbroeck stelt alzoo Christus naar zyne menschheid voor
als het beeld van de hoogst mogelijke toenadering van de men-
schelijke natuur tot God, — als het hoogste zedelijke en Mys-
tische ideaal, in hetwelk God al zyne gaven op volkomen wijz®
doet uitvloeien

\'t Is niet mogelyk Ruysbroeck\'s verspreide uitdrukkingen
omtrent Christus\' persoonlykheid tot één geheel te brengen-
Allerlei theoriën van vroegeren en lateren tijd vindt men
zijn geschriften nevens elkander, hoe onvereenigbaar zij
ook
mogen wezen.

De menschelijke natuur van den Heer bestaat volgens RuyS\'
broeck nu eens door zich zelve, terwyl zij de kracht tot een
volmaakt leven door de gaven Gods, of anders van het niet
haar vereenigde goddelijke Woord moet ontvangen, — daU
weder heet het: »die menscheit ons Heren Jhesu Christi eO
heeft gheen bestaan op haar selven, want si en i®

1) „Maer hi lieeft een siele, ghescapsn van nieute" enz., t. z. p.

2) 12 BegA., bl. 57.

3) Sp. d. e. Z., bl. 222. — Verg. 12 BegL, bl. 57.

4) ó>. d. e. Z., bl. 221,

-ocr page 219-

201

^et Ilaers selfs persoon, ghelijc dat alle andere menscen syn,

die sone Gods is hare onderstant ende hare forme [Sur.

pd filiusillias liypostasis ac forma est\\. Ende hier omme

eenformich met Gode; ende overmits die eninghe is si

ende machtich alles dat onder Gode is. Ende aldus is die

ons Heren ontfaen in Gode, edel ende wijs, heylich

iü r hoven allen creaturen. En hi is allene erfghenoet

Ji^e Gods van naturen ende van ghenaden" enz. i).

^^ is hier, zooals men duidelijk zien kan, een zweven tusschen

standpunt: tusschen dat van de Mystiek, die de men-

j JKe natuur geheel in de goddelijke wil doen opgaan —

Ver ^^^ ^^^ ^^^ ^^ kerkleer, die de heide naturen tegelyk on-

en ongescheiden in ééne persoonlykheid vereenigt —

Van ^^ ^^ dat van de practische beoefening, die, afkeerig

^ \'Ie dwalingen der Pantheïstische secten, de menschelyke
natuur

Jegy^ "Ageert ten koste van de goddelijke, en den mensch
üay ^^^ ideaal der zedelyke volkomenheid, aan ieder ter

Y^^ (f^^^ voorhoudt. Het laatste is bij Ruysbroeck het gewone,
üawa ^^ breeder gaan aantoonen, zullen wij nog eerst
^^ Ruysbroeck zich Christus\' werkzaam-

^\'iorstelt.

^in de kerkleer spreekt bij gedurig van de over-

Van dood en duivel, en van onze loskooping.

„Hi woude onse scout schuld] betalen
Ende plegben der gberecbticbeit" 2).

>Met

Mensch • ^^^ ^^ gbeleden heeft — heeft hi u dese

sinen dat ghi coenlic daer mede te hove comt voir

Vader. Want hi heeft den pays \\=paix, vredê\\
beef} \' ^^ sinen willighen overgheven

ons ghecocht met sijnre minnen hem te dienene ende
synre passien ende met synre doet

®iiien yr snecociit m
^^fler. Ende mit

11 \'P

2) ^ bl. 223.

3) Sp . bl. 184.

■ W. 123.

-ocr page 220-

202

heeft hi voir ons onse scout hetaelt ende vergouden" met
zijnen dood » hevet hi gecocht ewich leven, voor al degenen
die hem gheliken ende navolghen in dogheden hi heeft ghe-
arheit ende ghestreden alse een kempe [=
worstelaar, \'kamp-
vechter\']
jeghen onse viande ende hi hevet dat ghevankenisse
te hroken (lees: gebroken), ende den strijt verwonnen, ende
onse doot ghedoot met sire doot, ende ons ghelost met sinen
bloede, ende ghevrijt inder dopen met sinen watere ende rijc
ghemaect met sinen sacramenten ende met sinen gaven"
Hij heeft »onse sonden afghewasscen in sijn heylighe bloet"
Christus\' menschheid was »ene weerdighe olferhande sinen
Vader." Met zich zelven heeft hij in zijn dood ook de ge-
loovigen geofferd »alse sine gheminde vrucht daer hi omme
ghestorven is: ende die Vader sal u met sinen Soen ontfaen
in een minlic omhelsen.. .. ende minne is u ghegheven als een
pant daer ghi mede ghecocht sijt Gode te dienen, als een
werdere
[arrhae, godspenning, handgeld] daer ghi mede ghe-
ërft sijt in dat rike Gods. Ende God en can sinen pant niet
ghequiten, want die pant is al wat God selve is ende ver-
mach. Siet deze pant ende dese werdere dat is die heylighe
Gheest, die is uwe bruutscat ende uwe duwarie [of scat] daer u
Jhesus uwe hrudegom mede gheërffc heeft in sijns Vaders rike" ")•
Men zal in het bovenstaande wederom gemakkelijk de voor-
naamste voorstellingen van den ouden dag en van later tijd
omtrent Christus\' werkzaamheid herkennen. Nu eens wordt die
voorgesteld als een loskoopen van de menschheid uit de
macht
van den duivel, dan als een overwinnen van den »vijand", dan

1) T. a. p., bl. 138.

2) 12 Begh., bl. 257 en 150.

8) Bruiloft, bl. 3. \'

4) Sp. d. e. Z., bl. 222. — Ten bewijze boe plat de Mystiek niet zelden iS)
zelfs bij haar nitstekendste vertegenwoordigers, diene het volgende:

Om onze zonden „wart dat heylighe lam ghemartelyt, ghedoot ende ghebradeü
aan dat crnce, omme onse sonden, op dat ons wel smaken sou de," 12 Begh-
bl. 101. — Men denkt hier onwillekeurig aan het door Prof. Moll meegedeelde
sermoen van Brugman over de drie tafelen (Johannes Brugman enz. Deel I, bl-
222—239), waar Jezus een „pannekroese" \'ji)annehoeF\\ wordt
genoemd, dio aaW
het kruis werd gebakken.

,5) Sp. d. e. Z., bl. 122—124.

-ocr page 221-

203

^ een offer aan God zeiven. Nu eens liet eene dan het
auderg M

niet \' ^^^ kerkelijke Soteriologie

"^an harte. Als geloovig zoon der Kerk, neemt Ruysbroeck
gehe raakt zyn Mystiek in den grond niet. De

ei .. ^^nleg van zijn stelsel is van dien aard, dat het
Veel ^ ^^^^ verzoening in orthodoxen zin, en nog

vnu- voor voldoening plaats heeft, terwijl zijn op-

»Af ^ ^^^ erfzonde ze geenszins noodzakelijk maakt:
^eecl^t ^^ ^^^ sonde erve [=r
erfelijk\'] si en was niet ghe-
„T ^ geëeuioigd] den ghenen die rouwe hadden, ende

^^^ 1 ^ ^\'^chten ende begheerden aen onsen Here; want daer
ende ^^ ^eer dan -v- dusentich jaer, eer God mensche wart;
I
j^j^ innen dien tide was menich heylich mensche, die Gode
Phet^^^*^^\' ^^^^ ^^^ levede. Dat waren patriarken ende pro-
ende ^ ^^^^ David, Abraham ende Ysaac ende Jacob, Moyses
\'l^och ^^^^^^^ ander groet prophete ende heylighe menschen" i).
i^aar ^^^^^^^ Ruysbroeck met groote innigheid van Christus,
Christus als het volmaakte toonbeeld van
Wde che leven. De drie trappen worden met voor-

\'liiider\'^\'^ leven aangewezen. En ook hierdoor is het

^hrist^\'\'^.\' Ruysbroeck betrekkelijk zóó weinig van

beho ^^i\'iossende werkzaamheid spreekt. Immers dat werk

dat laagsten trap, dien van het Werkende leven,

sleej^^^^^® heneden het leven der Beschouwing staat en geldt

jj ^oor hen, die dit standpunt innemen.

^eeh^ reeds hooger staan zal Christus »wisen den

g.1 der minnen te sinen Vader, dien hi selve
1 n c p ^

een ^ie hi s elve is". Voor hen is hij bovenal

»régule-

I>at

en een »spieghel daer si na leven souden"

Hn. Ruysbroeck even als door de meeste Mystici van

Van ^^^^ Mystische leven wordt voorgesteld als navolging
dnicj T-t leven van Jezus, zullen wij uit het vervolg

laar

yk kunnen zien.

eeren

Zagejj r nu tot onze vorige beschouwingen terug! Wy
\' Ruysbroeck zich de geheele wereld denkt als het

^e&h., bl.

\' bl. 122 en 222.

1) 12

2) &

99.

d

-ocr page 222-

204

beeld van bet trinitariscbe leven in God: alles eeuwig uit-
vloeiende met den Zoon en eeuwig terugvloeiende door deu
H. Geest, die bestaat in: »onbegripelike caritate ende mü\'
dicbeit. , .. onbegripelike grote uutvloyende rijcbeit, ende af-
grondigbe goede, dorevloyende alle bemelsce gbeeste in weel-
dicbeyt; ene vierigbe vlamme diet al verberret in enicbeit.. • •
een omvaen ende een doregaen des Vaders ende des SoenS
ende alre beyligben in gbebrukeliker enicbeit" i).

Het uitvloeien »eyscbt altoes een wedervloyen: want God
is ene vloyende ende ebbende zee, die sonder oU\'
derlaet vloyt in alle sine gbeminde na elcs behoe-
ven en weerde; ende hi is weder in ebbende all®
die ghegaeft sijn, in hemel ende in erde, met al
dat si hebben ende vermoghen" Dit is dan de
eeuwige geschiedenis der Godheid, onmetelijk diep en boven
alle begrip verheven. Al wat bestaat neemt deel aan dit
goddelijk bestaansproces. De Vader bemint ons en de wereld
en al wat is in den Zoon, en de Zoon ons en het onze lö
den Vader. Door Vader en Zoon te gader worden wij miu\'
nelijk omhelsd in den H. Geest: »in een salich ghebrukeöi
dat ewelic vernuwen sal sonder onderlaet in bekennen ende
in minnene, overmits de ewighe gheboert des Soens vanden
Vader, ende nutvlote des beyligben Gheests van hem beiden-
Want verghinghe kinnen ende minnen in Gode, soe ver-
ghinghe oec die ewighe geboert des Soens ende nutvlote deS
beyligben Gheests: ende alsoe verghinghe drieheit der persone:
ende alsoe en ware noch God, noch ghene creature, dat altemal®
onmoghelijc is, ende ene verwoede sotheyt te peysene"

Was nu de mensch niet een vrij willend wezen, dan zon
zijn teriigkeer in God onmiddelijk volgen. Door den vryen
wil kan dit echter niet. \'s Menschen vrijheid eischt noodza-
kelijk, dat hij uit eigen beweging zich op God zal richten-
Wel kan hij niets goeds doen zonder God, maar evenmJ^
kan hij tegen zijn wil of zonder zyn medewerking aan öod

1) Bruiloft, bl. 108.
3) T. a. p., bl. 113.
3)
Boec van 7 Sloten, bl.

-ocr page 223-

205

^ysV worden. In overeenstemming met de voornaamste

■wij . ^ ^e^klaart Euyshroeck dan ook dat God zelf ons, indien

•^niet willen, noch heilig, noch zalig maken kan.
koiüt ^^^ \'l® mensch werkelyk tot de zaligheid

^^^^ niiddel waardoor zijn »moghelike enicheit" met God
het wordt; waardoor de creature »toten beelde"

^ein ^ ^^^^ wordt; waardoor de spiegel der ziel eeuwig
tis ^^ l^elder de klaarheid Gods weerkaatst, is — het Mys-

leven.

-ocr page 224-

HOOFDSTUK VI.

DE PRilCTISCHE ZIJDE VAN RUYSBUOECK \'S MYSTIEK.

Hier komen wij eigenlijk eerst in het hart van Rnyshroeck\'s
Mystiek. Al wat wij tot dusverre behandeld hebhen, moet allee»
dienen om wat volgen zal begrijpelijk te maken. Ontegenzeg-
gelijk ligt het zwaartepunt van Ruysbroeck\'s Mystiek in de
practyk. Hierdoor worden echter geenszins zijn
speculatieve
verdiensten verkleind. Men is gewoon deze uit het oog te vei\'-
liezen en in Ruysbroeck den denker om den practicus ovei\'
het hoofd te zien. Dat dit echter te onrechte geschiedt
uit de bovenstaande mededeelingen genoegzaam gebleken zij»-
Wij hebben een voorstelling gekregen van de diepte van zy^
Godsbegrip, en ons zonder twijfel verbaasd over de breede
ontwikkeling daarvan. Wij zagen, hoe uit het goddelijke wezen
alles wordt afgeleid en wel zóó, dat het goddelijke beeld overal
bewaard blijft; hoe tegenover en naast het uit
opeenvolgende
momenten bestaande menschenleven het transcendente begrip vaï^
tijdeloosheid (»ewigh nu") in God en Gods werken
gehand\'
haafd wordt, waarbij worden en bestaan, komen en vergaan tei^
laatste tot het eenige en eeuwige zijn worden
teruggebracht»
en op wonderbaar schoone wijze worden voorgesteld als d®
altijd wêer wisselende eb en vloed van de diepe e^
eeuwig mischende zee der Godheid. Maar wij zuUei\'^
hier niet verder herhalen wat reeds gezegd is. De lezer, die onS
tot dusverre aandachtig heeft gevolgd, zal zeker gaarne
erkennen»
dat Ruysbroeck\'s Mystische philosophie een buitengewoon grootsd^

-ocr page 225-

207

eharaeter draagt. En, indien hij niet Tauler\'s en Suso\'s theorien

IS, zonder twijfel gedwongen zijn toe te geven, dat deze

^ e gevierde mannen ook op het punt der speculatie voor

jJ^^^^^oenendaalschen prior moeten onderdoen. De orde en regel-

• \' \'li® kij Ruysbroeck worden aangetroffen, zijn wel in staat

^^ te maken zelfs op den meer oppervlakkigen beschouwer.

bo l\'et ontzaglijke Gotkiscke kerkgebouw de naar

^yzende spitsboog de grondtype is, die op ontelbare

zó\'ó ^^\'^\'lerkeert in allerlei afmetingen en combinatiën —

^an l\'y Ruysbroeck overal de eeuwige bestaansvorm

«•root .^^\'l\'lelyk wezen door, in ket kleine zoowel als in ket

liebb \' ^^ ^^^ stoffelijke zoowel als in het geestelijke. Wij

^ dit reeds gezien, ket vervolg zal ket ons evenzeer toonen.

den ^ ziek keeft aangesloten aan Dionysius, is bij

gegg^^\'^\'^^^^ aanblik duidelijk. Dat kij eckter zelfstandig is voort-

to-T\' ^^ ^^ tkeorien van den ouden dag keeft verwerkt

Jj- ^\'^ogere ontwikkeling keeft gebracht, is bet niet minder.

iets ^ ^^^ gedaan, behalve door zijn speculatiën, door nog

tojj-^j^\'^\'^^®\' "^at zijn Mystiek verre boven die van de Neopla-

te ^^^ uitgaan — namelijk door zijn gedachten in verband

Daa ^^^^^ uiet en dienstbaar te maken aan de practijk.
rdoor

o-usa zijn Mystiek weêr enger verbonden met het

gevoel en meer afgehouden van te verdolen in
lïet i ^ ^^^ louter verstandelijk nadenken of speculeeren.
de ^ ^ysbroeck \'s groote verdienste de beide richtingen van
elk Theoretische en de Practiscke, die langen tijd

\'"^eg waren gegaan, in ziek te kebben vereenigd.
eerst\' kierover verder kunnen spreken, indien wij ons

e\' l^uysbroeck \'s Beoefeningsleer kebben bekend gemaakt.

öe (Ij.- Practijk sluit Ruysbroeck ziek aan anderen aan.

Zoox^rgj vermelde trappen vormen de koofdmonienten

^^geen^^^ Mystiek als van die zijner tijdgenooten, maar
trappgj^ ^^^ ^^ naeesters der Germaan scke Mystiek keeft deze
Sebe^p nauwkeurig bepaald en de grenzen daarvan zóó

als hij", zegt Böhringer^). Wij voegen er bij:

^ S. 500.

-ocr page 226-

208

noch ze zóó goed samen verbonden en als eerst te zamen
één gebeel vormend voorgesteld. Ruysbroeck tocb be-
schouwt deze drie »trappen" of »staten" of »ordenen" als
even zóóveel stadiën van den heilsweg,
waarvan het vol-
gende moeielijk anders dan door het onmiddelijk
voorafgaande
kan worden bereikt. Wie tot een hoogeren trap opklimt
moet toch nog altijd de deugden en plichten, aan zijn vorig
standpunt verbonden, blijven beoefenen, wanneer hij teii
minste niet weêr wil achteruitgaan. Tot recht verstand va»
Ruysbroeck\'s bedoeling is dus het zoowel door hem zeiven i) als
door zyn geestverwanten zoo vaak gebruikte beeld van de
hemelsladder met hare verschillende sporten minder
bevordelijk-
Immers moet de klimmende voet noodzakeiyk voor elke hoogere
sport de lagere verlaten. Juister zou men het Mystische leve»
kunnen vergelijken met het leven van een boom, die
steeds
hooger opschietende tegelyk altijd weêr verder met zijn wortels
in den grond boort; die zijn sappen uit de aarde blijft trek-
ken eu tevens in altijd weêr hooger eu reiner lucht ademt;
die zwaar van stam en breed van takken, steeds
toeneemt in
zijn geweldigen stoffelijken omvang, maar toch in zijn
hoogste
takjes en bladeren zijn omtrekken verliest, en voor het oog
van den wandelaar met de lucht samen vloeit, al weet deze
zeer goed, dat de boom geen hemel en de hemel geen boom
wordt of worden kan.

Doch laat ons voorzichtig zijn, en niet trachten iets te ver-
beteren wat door een Meester in het vak gedaan is. OnS
doel was trouwens niet om te verbeteren, maar om te
verdui-
delijken; en, indien ons dat gelukt is, dan zal de lezer oiis
deze kleine uitweiding wel willen vergeven. Gaan wij ^^
weder verder! Zooals wij reeds weten is Ruysbroeck een zeer
ervaren psycholoog, en daarom is hij verstandig genoeg

1) V. VII Trappen enz., bl. 1: „der minnen graet [:= trap\\ met -vij- trapp®\'^
[— treden], daer wi mede op clymmen in dat rike Gods" (de volkomenheid). De^®
voorstelling is zeer ond en werd door de Mystici gaarne in het breede uitgevi\'^ciW\'
Joh. Scholasticus (f 605) schreef reeds in de 6ile eeuw zijn
Faradijsladder, met dertig
treden, die hem den bijnaam van CAwacKS verschafte. Dit boek is ontelbare malen afe\'®
schreven, zoowel in het oorspronkelijke Grieksch als in Latijnsche vertalingen- ^^

laatsten waren bij onze Middeleeuwsche voorvaderen zeer gezien en werden veel gele^®"\'

-ocr page 227-

209

met te Wanen, dat de door hem gepredikte heilsorde nu ook
altyd, in onverbrekelyke opvolging, in de wereld zou
borden aangetroffen. Het verschil in de individualiteit der
menschen begrypt hy zeer goed. Iemand kan ook »herde saen
^^ zeer spoedig] verclaert werden hiden heghinne syns keers
^^ ^an zijn hekeering\\ opdat hi hem gheheel opdroeghe in
ser ^^^^^^ verteghe [=
verzahe] alre eyghenheit syns

\' daer ane [= waaraan] gheleghet al.....Ende es hi rechte

gbegaen inden weeh der doghede tote in dese wise, al en

^ bi alle die manieren niet ghehadt, die hier vore
gbetoent

wil L ^^ bem ghevoelt, dat es in werkene oetmoedighe
öüehoi

oirsaniheit; ende in lidene verduldighe ghelatenheit" i)
af hou.dt echter vast, dat daarmee geen stuk van den

over^ ^^"^Pen weg wordt afgesneden: springt iemand een trap
dan moet hij »namaels die wisen ende die weghe op

gaen

^itw ^^^^^meê hij anders had moeten beginnen »beyde in
lichte^ ^^^en ende in imvendighen levene; ende dat sonde hem
gheet ^^^ anderen, die van beneden op waert

\' Want hi hadde meer lichte dan die ander menschen"

Dit

^^er het Mystische leven in het algemeen! Voordat wy

^^ We b h •" "

^-oeten , ^deling van de graden één voor één overgaan,

^^deeli ^^ eerst even spreken over de. indeeling of liever

zich ^i® Ruysbroeck zelf volgt. Het raam, waarvan hij

In bedient, is het genoemde van de drie trappen.

fieti ig ^^^ \'"^ïi" Trappen inden graet der gheesteliker min-

tot (jg zevental treden, waarlangs de vrome opklimt

ende der aanschouwing. Het zijn: 1 »eendrachtich

iUoede" ^^^ metten wille ons Heren" 2 »willich ar-

4 »0.}^ \' ^ /"^eynicheit der sielen ende suverheit van lichame";
^Ireoetmoedicheit"; 5 »edelheit alre doechde ende

dowh I gbene noet, op dat hi den grontder

^iüe". Werke, dat is begheren die ere Gods boven alle
\'■\'een elair insien ,puer van gheeste ende van

M. 103 en 91.
■ P" 103—104.

14

-ocr page 228-

210

gliedachten"; 7 »dat is, alse wi, boven al bekennen ende
weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse
wi boven alle name, die wi Gode gbeven ofte creaturen, ver-
sterven ende overliden in ene ewighe onghenaemtheit daer
wi ons Verliesen" enz. Het is duidelijk dat hier de gewone
trichotomie ten grondslag ligt. De drie eerste graden behooren
tot het Werkende, N° 4 en 5 tot het Innige en de heide
laatsten
tot het Schouwende leven. — Andere indeelingen worden ner-
gens rechtstreeks en als zoodanig gegeven. Waar dit een en-
kelen keer in het voorbygaan geschiedt, is het voor ons vao
weinig belang. Altijd schemert het drietal door. Wij
zullen
ons derhalve hy deze classificatie houden. Voor de twee eerste
trappen zullen wij de
Bruiloft volgen, omdat die daarin meer
dan in eenig ander werk in hun geheel en in
geregelde»
samenhang worden behandeld. Voor het leven der Beschouwing
zullen de Samuel, het Hinkende steentje en de tiuaalf Bagij\')^"\'^\'\'
onze voornaamste bronnen zyn.

HET WERKENDE LEVEN.

Wij gebruiken den naam iverkend leven omdat deze het meeS^
wordt gebezigd. Wij hebben echter den zelfden stand reeds
ont-
moet als »beghinnend leven". Hij komt onder verscheiden be\'
namingen voor, die door elkaar gebruikt worden, bijv.

»dftt

ierste ende dat niederste leven" »een doechsam leven, stervende
den sonden ende toenemende in doechden" enz.

»Het werkende leven is noot, allen menschen die behoudei^
willen zyn." Nu heeft Christus, de wijsheid des Vaders,
Adams tijd af tot alle menschen gesproken: »siet ende des sie»®
es noot. Nu merct met erenste, soe wie dat sien sal, lijflike of^
gheestelike, daer toebehoren drie dinghe. Dat ierste es, sal ^i®
mensche lijflike sien van buten, soe moet hi hebben uutwendie^^
lich t des hemels, ofte ander materileec licht, dat dat middel, dat
die locht, verclaert werde, daermen dore sien sal. Dat ande"-\'
is ene vriwillichei t, dat hi late die dinghen herbeeldeJ^
in sijn oghe die hi sien sal. Dat -iij- is dat die instrume»^®
die oghen, ghesont syn ende sonder vlecke, alsoe dat

1) VII Trappen enz., bl. 2, 5, 11, 16, 50, 53.

2) Zie O. a. Sp. d. e. Z., p. 124.

A

-ocr page 229-

211

^heb ^^^^^^ dinghen suhtylyc daer in herbeelden moghen.

Uifl-^^^^ den menscbe een van desen drien, hem faelgiert syn

^ sien. Van desen siene en willen wi nemmeer [= niet

sio ®P^eken; mer van enen gheesteliken, overnatnerliken,
^^ïie. ,, ......... . . -

daer alle onse salicheit in gheleghen is. Soe wi dat
e ende overnatnerlike sien sal, daer toe

fjestelik

i^ehoren n -

^ od ^^ punten: dat ierste dat is lickt der gracien

terde^^ "l^^der de ander] een vri toegkekeert wille;

het derde] es ene onbesmette consciencie van
en\'

»Nu

snie dan, want God een gkemene goet is ende want

Si\'aei minne gkemeyne is, kier om geeft ki sine

in tween manieren: die voirlopende gracie, ende die
gagj^^ bermen in \'verdient ewick leven. Die voir
\'1\'^deii kebben alle menschen ghemeyne, heydene ende

UqjJ jI goede ende quade. Overmits sine ghemeyne minne die
^erlosg^^^^ ^ allen menschen, soe hevet hi sinen name ende
barej^ • ^^^ nienscheliker naturen doen prediken ende open-

^ Ui allen einden

van ertrike. Die keren wilt, ki mack
die Sacremente beide des doepsels ende alle die
^^\'illen syn ghereet allen menschen, diesé onfaen

scbei;^ na syn behoeven; want God wilt alle tuen-

^^dels \'^^^den ende nieman Verliesen. Want inden dagke des

^^Oeeb ^^^ nieman beclagen moghen hem en si gke-

^^ertiey ^ badde hi willen keren. Hier omme es God een

"^elrike ende een gkemeyne lickt, dat verlickt ke-

sv ertïike, ende yegkewelken na synre noot ende

^^i-e weerde.

^ is Pi

öieyj^g gkemeine, ende al sckynt die sonne gke-

^^^elit\' ^^ ^llen boemen, menich boem blyft doch sonder
te selc [—
sommige] boem draghet wilde vrucht

t)aer q orbore [— tot loehiig nut] der menschen.

pleghet men die home te versnidene, ende te

te"^^^ genoeg gedaan zou geweest zijn. Deze wijze van de

Ve,.
^«gati

ïoj\'\'^ Mida\'"^^\'^^™ ^^^ iii Pla\'i\'t® van het volledige en. — niet

lezlr ïiiet ongewoon. Bij Ruysbroeck wordt zij echter,

regel 9 hebben, zelden aaugetroffen. Vgl. echter boven

10*

-ocr page 230-

212

potene i) met riseren [= rijzen] van vrnclitbaren boemen,
op dat si goede vrucht draghen van goeden smake ende
orberlic den menschen.

Een vruchtbarich rijs dat comt uten levenden paradise dies
eewechs rikes, dat is dat licht der graciën Gods. Neghee»
werc en mach smakelic ofte orberlic sijn den mensce, het
en
wasse ute desen rise". Dit rysje nu wordt allen menschen
aangeboden, »maer het en wert in allen menschen niet ghe-
plant, want sine willen de wiltheit haers boems niet
afsniden:
dat es onghelove, ofte een verkeert onghehoirsam wille toten
gheboden Gods. Maer sal dit rijs der graciën Gods in onse
siele gheplant werden" — en zóó komt Ruysbroeck weêr waai\'
hij wezen moet — »daer toe behoren van node -iij- dinghel
die vorelopende gracie Gods, ende een vri toeghekeert will®\'
ende suveringhe der conscienciën. Die vore gaende
gracie
die roert alle menscen, want die ghevet God; maer
vri toekeer ende suveringhe der consciencien, die en gheven
alle menschen niet; ende daer omme ontblivet hem die graci®
Gods, daer si in verdienen souden ewich leven."

De gratia praeveniens roert den mensch van buiten of van
binnen. Van buiten in ziekten of in verlies van uitwendig
goed, van magen of van vrienden; door openbare

schande,

door predikatiën, door goede voorbeelden, woorden en werkeD
van heiligen en goede menschen. Dat is alles het
roeren
Gods van buiten: »soe wert die mensche hem bekennende
d. i. zóó komt de mensch tot zelfkennis. Maar somtijd^
wordt de mensch ook inwendig geroerd, bi] het herdenken
van de pijnen en het lijden van den Heer, en van het goe*-\'
dat God hem en allen menschen gedaan heeft: »ofte in aensieö®
sire sonden, cortheit des levens, vreese der
doot ende vreS®
der helle, ewighe pine der hellen ende ewighe vrouo
[— vreugde] des hemelrijcs, ende dattene God ghespaert hev®*
in sine sonden ende beydet na [=
wacht naar] syn bekerel\'\'

1) Surius vertaalt: ac transplantaniur. Dat is verkeerd. Foten beteekeiit
blijkbaar volgeus het verband enten (de uitgave vau 1634 heeft interi),

. nt ^

Kiliaen dan ook het naamwoord poot door swrculus vertaalt. Zie de n^o
David, t. p.

-ocr page 231-

841

inerct dat wonder, dat God ghescapen heeft in hemel-

^^ ende in ertrike, in allen creaturen. Dit sijn werke der
but graeiën Gods, die den menschen heweghen van

en ofte van hinnen in menigherwijs."

\'Ze^^^ ^^n^tuurlijc grontneyghen te Gode, overmits die vonke
^\'f\'den ende die overste redene". die altiid het goede he-
bet ^^ ^^^ kwade haat, wordt nu versterkt, en, wanneer
dan uitgedreven is en de mensch zich op God richt,

een ^^^ natuurlijk leedgevoel over de zonde en

^^ natuuriyk goede wil. Dit is het hoogste der vóórgaande
Van^^*^^\' mensch nu doet wat hij vermag, maar

Wege

hal, . ^yn eigene krankheid niet verder kan komen: »dan
■•enoirfc ri

i^i ^ ^ grondeloser goeden [= goedheid\'] Gods toe, dat

eien f volbringhe. Soe comt een hogher licht der gra-

^tort ■ i"echte alse een hlic der sonnen, ende wert ghe-
^ant ^^ sielen onverdient ende onhegheert na weerdicheit;
^dv ^^ ii^bte ghevet hem God [=:
geeft God zich

^^^ vrier goeden ende miltheden, dien ghene creature

een ^^ ^^^^ ^^^

^ynielic inwerken Gods inder sielen boven

tijt.

beweecht die siele met al haren craften. Hier met

clip -

S^acie \'^oircomende gracie, ende hier beghint die andere

dat

IS dat O V er natu erlic licht.

ander ^^ ierste poent, ende hier uut ontsprinct dat

Vrig , P^^iit, ende dat es vander sielen weghen: dat is een
daet ^^^^ willen in enen oghenblicke dies tides, ende
fielen ^^\'"^^^^^gbet caritate inder vereninghen Gods ende der
niet ^^^^ Poente hanghen te gadere, alsoe dat dat een
ende (j^ en mach werden sonder dat ander. Daer God

Qod V ^^ vergaderen in enicbeit der minnen, daer ghevet
^^^^Qiit^ ^^\'"^t boven tijt, ende de siele ghevet den vrienkeer,
ende ^ der gracien, in
enen corten nu dies Tides:

^andej. ^^^^ caritate gheboren inder sielen van Gode ende
G^ode ; want caritate es een minnenbant tusschen

iitej minnende siele, Ute dezen -ij- punten, dats

^et c, ^^^ ^ods ende uten vrien kere des willen vorlicht
oiitspringhet caritate, dat es godlike minne,
godliker minnen ontspringhet dat derde punt, dats

Ofte hi
like

-ocr page 232-

214

suveringhe der consciencien. Deze di]- poenten lopen
te gadere al soe, dat dat een niet staen en
maeh. sonder dat
ander eneghe lange ure van tide ; want soe wi dat
godlik^
minne heeft, die hevet volcomenen rouwe van sonden. Doch
mach men hier verstaan de ordinaneie Gods ende der creatu-
ren, alsoe alse hier hewiset is. Want God ghevet sijn licht
ende, overmits dat licht, ghevet
de mensche den willighen vol-
comenen keer: ute desen tween comt volcomene minne te
Gode. Ende ute minnen comt volcomen rouwe ende
suveringhe
der consciencien wat in de Dogmatiek heet: attritio cordis.
Ende dat ghesciet inden nedersiene op die misdaet ende op
de vleckcn der sielen: omme dat hi Gode mint, soe comt
in hem een mishaghen sijns selfs ende alle sire werke. Dits
dordiuancie inden hekeerne. Hier af comt ghewarich
rou.we
ende volcomen leet syn dat de mensce nie [= ooit] misdede,
ende een heet wille nemmermeer sonde te doene, ende eui\'
mermeer Gode te dienene in oetmoedigher
ghehoirsamheit !
ghewariche hiechte sonder decken ende twevoldicheit ende
vensen; volcomen ghenoech doen na eens hesceedens (sic)
priesters rade: ende dan die doghede te heghinnen ende all®
goede werke. Deze -iij- poente, alsoe ghi ghehoirt heht,
beho-
ren van noede te enen godliken siene. Hebdi dese -iij- punte,
sprect Christus in u: siet, ende soe sidi ghewaerlike siende" O\'

Wij hebben Ruysbroeck tot dusverre zelf laten spreken
hem, ook al was hij wat breedsprakig, aan het woord gei^\'
ten, omdat wij gelooven dat hij hier zijn opvatting van d«
»ordinaneie inden hekeerne" zóó eenvoudig en duidehjl^
mogelijk voordraagt. De recapitulatie van het
bovenstaand^
dan ook gerust aan den lezer overlatende, gaan wij
verder.

Voor den aldus bekeerden mensch begint het werkend^
leven. Nog niet genoegzaam geestelijk ontwikkeld
voor ee»
hooger standpunt, neemt hij het standpunt der wet ii^\'
God zoekende door het goede te doen, en, nog niet waar^i^

1) Bruiloft, p. 3—10.

-ocr page 233-

215

zoon Gods te wezen, moet hy trachten zooveel mogelyk
getrouwe knecht te zijn. Ruyshroeek heschryft ergens i)
Werkende leven in het kort aldus: »God hevet ons
ghemaect sinlike, sterfelike mensche, in vleysche.

c in bloede, ende onse levende siele ghecledet

enen sterfeliken lichf-me, gheboren van vader
Van moeder, dat wi hem souden leven ende
n in abstinencien ende \\n penitenc ien, in eer-
^^en seden
ende in heyliglien loerhen van buten
^ ^^^ als hi ons ghedient hevet God ende mensche,
ende stervende tote indiedootdes crucen.
Y ^Isoe alse Christus ghehoirsam was sinen hemelschen
gj^ [ende] alsoe seien wi hem na volghen, willen wi
sel^ ^^®cipelen sijn ende onse cruce draghen, ende ons
Ves vertien [=
verloocheneit] in alre wijs. Ende alsoe
ö en -ypi yj-iiiß gaen, overmits Christum in hem ende met
end ^^^ Vader ende onsen Vader, ende hem dienen

hod^ sijn al tote der doot, ende oec sinen ghe-

ende onser redenen, der Ewangelien, ende der heyli-
dic^ ^^^^^tiii\'en, kerstenen ghelove ende kerstine wet, oetmoe-
g^ll^\' dde onderworpen alle der goeder ghewoentheit ende
sten^ goeden seden dier men pleghet onder goede ker-

all,

en

In ■• ^^^^ ^i Christum na volghen, ende mit hem

ewighe rike regnieren."
\'^\'■ille ^^^ bestek hebben wy hier alles bij elkander. Wij

de de uiteenzetting van het Werkende Leven aan

jjjg^^^^^\'^^\'de van deze beschrijving houden. De aanvangende
Wer ^oet dus beginnen met zijn zinnelijke natuur te onder-
^s-n ivr\' Ruysbroeck schryft aan de adellijke Clarisse

•^po-esl ^^ de buitenste zinnelijke mensch moet worden

sinlii- ^^ binnensten redelijken mensch »alsoe dat die
ene de altoes ghehoirsam si der redelicheit, rechte als

een ceT\'^^ haerre vrouwen". Hij vergelykt de redelijkheid met
bevolg^ deuren heeft »dat syn die vijf sinne die God

der redene te behoedene ende te bewarene jeghen

^^ ^^ bl. 81.

end

ende

di

leue

^ Renschen. Siet, dit is een werkende leven, dies ons

-ocr page 234-

216

alle manieren yan vianden. Ende al behoren de -v- sinne den
nntwendighen menscbe toe, van rechte synre naturen, hi en
machse
[= kan ze] nochtan niet regeren [= meester blyven],
want hi es selve sot ende doer [= dwaas] ende eendrachticb
met sinen sinnen. Ende hier omme moet hi selve dienen,
met al dien dat hem toebehoirt, den inwendighen menscbe.
Want wanneer dat bi gaet nut enigher poerten van den viveii
sonder orlof ende toesien der redenen, soe sondicht hi altoes... ?
ende dan moetene die redene in trecken, berespen ende ca s-
teien, gheeselen ende disciplinen: want bleve hi alsoe
langhe buten, dat hi in liefden ofte in loste ghevaen
worde,
hi soude den inwendighen mensce na hem trecken in dat
selve ghevankenisse. Ende alsoe souden si beide apostateren
ende dwasen [=
dwaas worden, desipere] ende bair slot ende
hare celle Verliesen". »Wi moeten," zegt hy elders »in
ons selven partië maken ende ghedeilt syn.
Ende dat nederste
deil ons selves, dat beestelic es, ende ons contrarie is ten
doghede, ende van Gode
sceyden wilt, dat moeten wi haten
ende persequeren, ende pinighen met penitencien ende met
hartheiden van levene, alsoe dat altoes bedruct blive
ende
onderworpen der redinen, ende dat gherechticheit met rey-
nicheden van herten altoes die overhant behoude in allen
doechdeliken
werken". Het is duidelyk dat de ascese hier van
de echte soort is. Maar gelukkig bepaalt Ruysbroeck
zich
daarby niet.

Blykens de bovenstaande beschryving van het werkende
leven moet de mensch God ook dienen met »eersamen seden
ende keyligke werken" of volgens een andere plaats »uit-
gkaen met minnen ende met dogkeden te Gode
ende
te kem selven ende te sinen evenkersten.... ende
dit moet syn met caritaten ende met gkerecktickedeu;
want caritate crigket [= streeft] altoes op wert tot den rike Gods?
dat is God selve, want
hi is die oirspronc, daer si sonder middel
ute ghevloten is, ende overmits eninghe in bliwende is. Ghe-
rechticheit, die ute caritaten ontsprinct, wilt alle die seden

1) Bruiloft, bl. 42.

2) Bruiloft, bl. 24.

-ocr page 235-

217

^^de alle die doghede volvoeren, die der sielen eerlic ende
^ sijn. Dese -ij- dats caritate ende gherechticheit

bghen een fondament inden rike der sielen, daer God in
Woneii .1

^ sal: ende dit fondament es oetmoedicheit".
^^ P deze drie grondslagen berust het geheele gebouw der deugd:
ah al den last ende al dat ghestichte alre doghede ende

God eerste vloeit voort uit de beschouwing van

® hefde — ontstaat dus onder invloed van den H. Geest,
heid ^^ ontspringt uit de aanschouwing van de hooge wijs-
derd ontstaat dus door invloed van den Zoon. De

vmdt haar oorsprong in het aanstaren van Gods hooge
Op*^ • ontstaat dus door invloed van den Vader

de J ~ waaraan weder, als altyd by Ruysbroeck,

nu zyn Aretologie op. De eerste deugd die

herten

tl- bestaansvorm der Godheid ten grondslag ligt,

^.«^t Ruysbroeck

J^^behandelt is de ootmoed,
^oed" zegt hy, »dat is nedermoedicheit, ofte diep-

des 1, ^^^ inwendich nederbughen ofte neder nighen

ende des ghemoeds vore die hoghe weerdicheit

^ods.. Al j ■ • .

hem o\'" de oetmoedighe minneude mensche merket dat

ghet heeft ghedient soe oetmoedelyc, soe minlic en soe

eude God dan soe hoghe is ende soe mechtich,

e^de ^^^ mensche soe arm is ende soe deine,

®oe neder: hier of ontsprinct in dat oetmoedighe herte

soe

grote

ere " ^®verencie ende werdicheit te Gode: want Gode
is dat^^^^ ^^^ allen werken van binnen ende van buten, dat
ende al ^^^^^\'^^^^^hste werc ende dat ierste der oetmoedicheit,
ghere 1, ^\'^^l^elycst der caritaten, ende alre behoirlycst der
Gorlß . ^ Want de minnende oetmoedighe herte en can
ïioch gbeuoech eren ghebieden, noch sire edelre menscheit;
^^erte niet neder ghenoch ghesetten na hare be-

\'^^thlivg^ ^ ^^^^ omme dunct den oetmoedighen, dat hi altoes
De Gods ende iu oetmoedighen dienste" enz.

^^ eigenlijk het inbegrip der deugd. Door den oot-
verdreven: h o v e r d e [=
hoovaardij, hoogmoed] » die

Is-

hl. Vergelijk de vroeger door ons meêgedeelde plaats van Macarius.

-ocr page 236-

218

sake es ende begliin alre sonden" en daarmede »die strike des
viants ghescoert" i) [r=
verscheurd, verbrijzeld] en het kwaad
aldus in den wortel aangetast Uit ootmoed komt voort:

Gehoorzaamheid, »want nieman en mach inwendich
ghehoirsam sijn, dan die oetmoedighe mensche. Ghehoirsam-
heit dat is een neder, onderdanich, ghehroecsam [=
buigzaam]
ghemoede ende ene ghereede willicheit tote allen goeden din-
ghen".
Zij onderwerpt den mensch aan de geboden der kerk,
maakt hem geschikt voor de samenleving en maakt de zinnen
en de »veelike" krachten onderdanig aan de »overste" rede.
Zij verdrijft de ongehoorzaamheid, die een dochter is der
hoo vaar dij »ende meer te scuwene is dan venijn ofte verghif-
fenisse" Uit deze gehoorzaamheid komt:

1) Boec van seven Sloten, bl. 88 vg.

2) Zie verder, over den ootmoed, van 12 DogJiede, bl. 1—30, waar, nadat eerst
woordelijk hetzelfde gezegd is als in den tekst is meegedeeld, een vrij breede be-
schrijving volgt, voornamelijk steunende op woorden van Bernard. Zie verder
van-
den Rihe der ghel.,
bl. 158, waar wederom hetzelfde als in de Bruiloft gezegd wordt.

3) Hetzelfde komt voor v. d. Mile der OJiel., bl. 158, en in denzelfden geest
maar veel breedsprakiger in het hoek
v. 12 dogh., bl. 30—42. De behandeling
is daar weder geheel in denzelfden geest als in de Bruiloft, maar uitvoeriger.
De voortreffelijkheid van deze deugden wordt met een paar voorbeelden
aangetoond:
„Ende opdat ghi di vrucht der gehoirsamheit te bet [= te beter\'] moecht bekennen,

soe sal ic u een exempel daer af____ setten. Want exempele beroeren meer somwile

dan leringhe."

„Het was" — zóó verhaalt hij met kinderlijke naïveteit — „het was op enen
groten dach dat grawe [z=
grauwe] nonnen sonden gaan ten heylighen saeramente
van eenre oerdenen [deze drie laatste woorden zijn zeker door de afschrijvers of
schrijfsters verkeerd gejilaatst en moeten na het woord „nonnen" volgen]; ende ee»
joncfrouwe was daer mede die ten heylighen saeramente gaen soude. Ende [dat]
doe quam haer abdisse, ende beval haer dat si gaen soude in die coken [zi:
Jeeuken]
ende soude doen dat haer te doen ware. Die joncfrouwe ghinc staphans [= aan-
stonds, voetstoots;
Kiliaen: statim, e vestigio etc.] daermen haer ghehoet, sonder
murmuracie ende
met groter devocien ende dede datmen haer hiet [:= gebood^
Doen alle die ander joncfrouwen dat heylighe Sacrament ontfaen hadden, doen
sprac daer een stemme ende seyde: „Die joncfrouwe, die in die coken ghinc, di®
heeft alre waerlicste die vrucht des heylighen Sacraments ontfaen, overmits hare
ghehoirsamheit."" Tot verdei\'e verduidelijking geeft hij nog een exempel
meer" dat echter nog vrij wat krasser is dan het voorgaande, en zeker in onzß"
critischen tijd reeds voor heeren van zes en zeveii jaren wel eerst deugdelijk gecon-
stateerd zou moeten wezen, wilde het geloof vinden. „Men leest inder Vader boeke-
dat een out vader biet sinen jongher, dat hi soude gaen eade vaen [= vangen.\'
een lewinne, ende bringhense tot hem. Die jonghelinc ghinc haestelic, daer hi di®

-ocr page 237-

219

^\'^Vertey inglie eygliens willen ende eygliens
Soetdnnkens, want nieman en mach, sijns willen vertien
^^ allen dinghen in eens anders wille, dan die -ghehoirsame
Mensche, al machmen de nntwendighe werke werken ende
®yglienswillen hliven." Door den eigen wil te verloochenen
de mensch leven naar de eer en de gehoden Gods, naar den
der prelaten en naar de rust van alle menschen. De vrucht
deze wilsverloochening is tweeërlei: vooreerst volmaakte
^enswilleudheid met God, ten tweede de »materie ende ocsuyn"
L^
occasio, gelegenheicf] der zonde wordt geheel en al verdreven en
opgeheven. Op hen die hun eigen wil verzaakt hebben, doelt het
^voord van Jezus: » Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het
^^Jïig^ der hemelen" i). Uit» ghelatenheden van wille" komt:

vaiit, ende sprak haer toe ende seide; «Blijft staende, ende laet my n vaen
doe^ mijn vader heeftet my gheheten." Doen die lewinne dat hoerde,

^ bleef si stjijg staende ende liet haer hinden, ons tot enen exempel dat gheen
end "*^i\'eet en is, wil hi hem laten overmits ghehoirsaemheit, hi en sal tam

saechte wej-den," enz. Men ziet, dat er bii het trekken van de Moraal eenige
^^^^^«mg ontstaat.

Matth. V: 3. — Vgl. V. d. Rike d. Ghel., bl. 158 vgg. De mensch die deze
Van (de deugden des Vaders) beoefent, wordt vergeleken bij de engelen

® lö-agste koor, de „boden" die God en de andere engelen en ook de men-
eleiQ^ Door de betrachting van deze deugden wordt in den mensch het eerste

lüed \' ^^ of m. a. w. het aardsche in den mensch, en verder de daar-

„toornige" kracht „gheciert ende overformt." Daarmede
des\'tr van de zeven gaven des Heiligen Geestes t. w. „minlike vrese

Vgl ^^^ verbelghene dan loen te verliesene" volbracht.—

"Wat^"-^^ bl. 42—54; de deugd in quaestie heet daar „gh e 1 atenh ei t".

een eyghen menscbe, dan die niet ghemeen en is met Gode ende metten
"beften? isigj

dat hi begrijpt, dat hout hi alsoe eyghentlijc, datten daer qualijk

^eiïian af o- t» *

gbel\'t eau: \'\'^fiiit hi houtet soe vele van hem selven, dathi hem qualiken

^rede ^^^^ hoverdicheden. Ende daer om en heeft hi nemmermeer

der \' ^och het en\\ smaect hem wat hi doet, want hi is onhebbelike

Saern^"^\'\'^™ Crods. Ende hi hevet soe vele verkiesens nu dit, nu dat. Soe soude hi
topVg smaet hebben, ende wel met Gode sijn. Dan soude hi gherne groter

hebben te Gode waert, als ander lüde. Nu soude hi gherne een arm

toek,
öiensche

\'liiiet sonde hi gherne in een cluse sijn of in een doester; ende dan

jg ^ recht ghesciede: inder waerheit dat bistu al selve, ende het

®taet al en weetstuus niet, noch al en dunket u niet. Nemmermeer en

ölen °P in den mensche, het en comt van eyghen wille, men merke of

^^\'arie caritate die maect vrede in den mensche, die recht con-

^yjjj^P^® eyghenheit. Ende wat haet God meer in den mensche dan eyghen
Want doet wech eyghen wille, als sinte Bernaert seit, ende daer en is gheen

-ocr page 238-

220

»Vercluldiclieit, want" — wij zien wederom hoe regel-
]]iatig het volgende steeds uit het voorgaande, en daaruit alleen,
voortvloeit — »nieman en mach volcomen verduldich sijn
in allen dinghen, dan die sijns eyghens willen verteghen heeft
onder den wille Gods ende alder menscen in orhoerliken ende
in hehoirliken dinghen. Verduldicheit dat is ene ghesaette
verdrachelijcheit alle der dinghen, die op den mensche vallen
moghen van Gode ende van allen creaturen". Den »verduldi-
ghen" kan niets ter wereld ontzetten, geen verlies van aardsche
goederen, van vrienden en magen, geen ziekte, geen schande,
geen leven of dood, geen vagevuur, geen duivel of hel: »want
hi heeft hem ghelaten onder den wille Gods, in gherechter
cantaten." De lijdzaamheid behoedt den mensch voor gram--
schap, haastigen toorn en voor ongeduld in het lijden, dat
dikwijls tot verzoekingen aanleiding geeft Uit deze »ver-
duldicheit" komt:

helle; want waer mocht dat heische vier in hernen dan inden eyghen wille? —
Nu merket, dat die mensche vele dinghen vlien; en dese soeken die steden, of die
wise, of die luden, of die meninge, of die werke. Dat en is niet dier scout
de
schuld daarvan is niet\\
dat u die wisen of die dinghen hinderen: sonder twivel
dn sijs, inden dinghen selve, dat di hindert; want du minste di selven onoerdelic
daerin. Ende daer om, beghint an die selven ten iersten, ende late di selven,
luder waerheit, du en verliest dijus selves, en laetsti inden iersten [versta:
indien
(jij u zeiven niet verzaaht en eens en vooral achterlaaf]
; dat is, du en lates di
selven onoerdelic te minnene ende eyghentlic te besittene inden dinghen [nu volgt
de apodosis]: waer du gaes ende vlies, du vindes daer hindemes ende onvrede in,
het si waert [—
waar hef] sy" enz. Vgl. 12 Begh., bl. 201 vg.

1) Vgl. v. 12 dogh., bl. 54—62, waar onder anderen gezegd wordt: „Soe wat
mensche, die in ongemake onverduldich wert gevonden, dat onghemac en maect niet
die quaetheit in hem; mer het opeubaert die quaetheit der onverduldicheit aen hem,
alsoe Sinte Gregorius seit, dat tribulacie ende persecutie tonen wat in ons verbor-
gen was. Eude hem is gesciet als enen coperen penninc: die wile, dat hi inden
viere niet en is, soe scijut hi wit silveren: mer als hi comt int vier, soe
openbacrt
hi dat hi coperen is; ende dat vier cn maecten niet coperen, mer het bewijst dat
hi coperen was onder den scijn des silvers" bl. 59.— „En daer an en leghet niet
allene, dat wi van soeten woerden sijn, of geestelic gelaet hebben, ende dat wi groten
schijn hebben van heylicheden, ende dat onse name verre ende wide
ghedragen
werde, ende dat wi grotelic ghemint werden van Gods vrieuden, ende dat wi
van Gode verweent
[_~?ieerlijh] ende groet ghevoelen hebben, ende dat ons dmiot
dat God alle creaturen vergheten heeft sonder
\\_~l)ehalvé] ons alleen, ende ons
dunct wat wi vau Gode begheren, dat ons dat stapans
[^aanstonds] gescien sal:
Dit en is niet, lieve vriende, dat God van ons eyscht; mer Gods meninghe is, dat

-ocr page 239-

221

^^Saeehtmoediclieit ende goedertierenheit" die op
hare beurt niet zonder de »Terduldieheit" kan worden
Verworven. Zij maakt vrede in den mensch, en bestaat zelve
^^ »doghen [=
lijdeti] met vreden".

Door haar blijft de »toornige" kracht »onberoerd in hare stil-
" ; Wordt de begeerlijke kracht verheven in deugden; wordt de
^^delijke kracht, die dit bekent, verblijd. Door haar blijft de
^onscientie in vrede, want zij verdrijft de tweede doodzonde:
^oren en aholghe [=
verholgenheid\'Y\'. Christus zegt met
oog op deze deugd: »Zalig zyn de zachtmoedigen want zij
^^hen de aarde bezitten" Uit de zachtmoedigheid en weder-
alleen uit haar ontspringt:
^^Goedertierenheit". »Dese goedertierenheit doet den

is onbewoglien seilen gevonden worden van lieve ende van leede: dat

^"■righ i\'ugghe van ons sprect dat wi sijn valsce, onghe-

öatae ende soe wat men van ons spreken mach, daer wi ons goede

beroeft moghen werden; ende oec niet alleen dat men ons qnaliken

\'loeto ft\' ^^^ ^^^^ quaet doet, ende oec dat men ons ontreet onse lijflike

onheren en moghen; ende oec niet alleen aen die noetorfte

Wovj ^ ^ dinghen, mer dat men ons scade doet aen onsen live, dat wi siec

®rden of O

oee ^\'at pinen dattet is, die ons tot lijfliken arheide comen mach. Ende

dajj jj. ® onsen werken doen dat beste dat wi ghedoen connen, ende dat ons

de fi i dat verkeeren tot alle den archsten dat si ghedenken connen; en

at fi f •

algQg d t alleen en liden van den Inden, mer oec oft wi van Gode leden,

de al af trekt sine jeghenwoirdicheit ende sinen godliken troest, en-

een mure stonde gemaect tusschen hem ende ons.

boeken <1 hem, in onsen arheide ende in onsen pinen, hulpe ende troest

ende ^ recht als of hi sijn oghen ghesloten hadde voir ons

^^ille en(j ^ ^elaet [— de houding aanneemt] als of hi ons noch sien noch horen

sine^ ^^^^ ^^^ staen, vechten in onser noot, als [=: evenals] Christus van

atuiy. ij sijnre martellen." Dan moeten wij ons met geen cre-

hi\'aclit!" Christus spreken: „Vader TJw wil worde aan mij vol-

^^ ar — d. Rike d. Ohel, bl. 165.

^^atth V

aoein^g , • ^^ het boek V. VII Trappen enz. worden de vier laatst ge-

^alten rivieren genoemd die uit den oetmoed voortvloeien. Te zamen

den^\'"* kierden trap uit. Zie aldaar, bl. 11—16. De behandeling is geheel
8®ade ■ lp geest. Het eenige wat daar nog opmerking verdient is het vol-

\'^aer j^. ^^\'\'^^atie ende doghen, dat sijn die bode ons Heren,
\'\'let blid^^ ®ede visenteert. Ende alse wi sine boden ontfaen
^Qi\'e jj lïioede, soe comt hi selven mede, want hi sprect

^^ prophete: „Ic bin mit hem in tribulacien; ic salse verlossen ende

-ocr page 240-

222

mensche gheven minlic ghelaet ende lieflike antwoerde, ende
alle goedertierne werke den ghenen die verholghen syn, eest
dat hi hopet dat si hem bekennen ende beteren seien. Over-
mits ghenade ende goedertierenheit, blyft die caritate levendich
ende vrnchtbaer inden mensche; want dat herte dat vol is
goedertierenheden, es ghelyc der lampten vol edelre oliën: want
die olie der goedertierenheit die licht den verdoelden sondare
met goeden exemplen, ende si salvet ende ganset [=
heelen,
i. d. zin van genezen; zooals yien ziet ligt aan beide woorden
hetzelfde denkbeeld ten grondslag nml. dat van
completeer en]
die gheqnest syn van herten ende bedroeft ofte verholghen,
met troesteliken woerden ende werken, ende si berret [=
brandt]
ende licht clare den ghenen die in dogheden syn, in brande
der caritaten: ende hare en mach niet gherinen [=
raken,
bewegen]
mesmoghen [Sur. malevolentia. By Kiliaen: aegre pati,
non ferre, invidere]
ochte [= of] ononsticheit" Uit goe-
dertierenheid, en daaruit alleen, komt voort:

»Compassie: dat is een inwendich beweghen des herteir
met onfermicheden tote alre menschen noot, lyflike oft ghees-
telike". Medelyden, in de eerste plaats met Christus: »alse
dese mensche merket die waeromme synre pinen, die wise
ende
sine ghelatenheit, die minne, die wonden, sine tederheit, die
snierte, die scaemte, sine edelheit, die ellende, die scande, sine
versmaetheit, die crone, die naghele, sine goedertierenheit, ver-
derven ende sterven in verduldicheit", dan beweegt
deze »onge-
hoirde menichfoldighe pine Christi ons verlossers ende ons
brudegoms, den goedertieren mensche in compassien ende iu
ontfermicheden met Christo." Hierdoor leert de mensch inzien
zyn lauwheid en traagheid, en zijn terugblijven en te kort schieten
in de deugden en in de eere Gods. Zoodoende krijgt de
mensch
medelyden met zich zelven. Daar hij echter de zelfde
tekortkomingen en dwalingen ook bij anderen waarneemt, ont-
staat er in zijn gemoed medelyden met den
medemensc li-
Hij ziet immers hunne onaclxtzaamheid jegens God en jegens bun
eeuwige zaligheid, hun »ondanclycheit al dies goeds, dat hem
[= hun] God ghedaan heeft, ende alle der pinen, die hi dore

1) Vgl. r. 12 doghed., bl, 19, eu V. d. Mke, bl. 164 vgg.

-ocr page 241-

223

^^^ glieleden heeft, ende dat si vremde syn ende onbekent

ongheoefent in dogheden, heb ein dich ende scalc in alre

l\'iaetheit ende in ongherechticheit, hare nauwe merken dat

^^i\'lies ende dat ghewin ertscher dinghe, onachtsam ende roeke-

Gods ende ewigher dinghe ende hare ewigher salicheit.

^^ gbemerc maect inden goeden mensche grote

passie tot alre menschen salicheit". De mensch

ook medelijden hebben met den tydelijken en licha-

toestand »sijns evenkersten, ende menichfoldich

^ der naturen alse (hi) merket der menschen hongher,

coude, naectheit, siecheit, armoede, versmaetheit, be-

^iictheit der arme in menigher wijs, bedroeffcheit van verliese

maghen, van vrienden, van goeden, van eren, van rasten,

Dit zwaerheit, die op die nature der menschen valt."

^ alles beweegt den mensch tot medelijden: »maer sijii

este doghen lijden] is, dat die menschen

,, in onverduldich shn, ende haren loen ver-
e s e n 1

^ ende dicwile die helle verdienen."
ha ^^ »compassie" wordt de derde doodzonde, dat is
lia j. ^^^ ^yd verdreven: »want compassie is ene quetsure der

\'herten ■

niet \' nainne maect ghemeine tot allen menschen, ende

den en mach alsoe langhe alse enighe doghet in

, ^ensche levet." Hier wordt het woord van Christus ge-
noord- »7 1-..

• Aalig zyn de bedroefden, want zij zullen vertroost

. »Dat sal sijn, als si met vrouden mayen dat si nu,

compassie ende mededoghen [men ziet hier dat het oude

heden nog in mededoogen is bewaard gebleven], in droef-

— üit medelijden ontspringt op gelyke wijze:

be^gg ^ icheit" d. i. »een milde uutvlieten des herten, dat

de ^ in caritaten ende met ontfermicheden .... Alse

^erm nierket met compassien hem selven, ende in ont-

ende •■ ^^^^ ^^^^^ ghedaen heeft,

(jtodjj ^^^ "^ntbliven: soe moet de mensche vlieten de mildicheit

Vo](.q\' ghenade ende op trouwe, ende op toeverlaet, met

^^^^^^^^^^^ vrien wille emmermeer hem te dienene." De dwa-

® ■ RiK bl. 163.

-ocr page 242-

224

lingen zyaer medemensclien ziende, bidt hij God »met ynnigher
trouwen, dat hi sine godlike gaven late vloyen, ende pleghe
sijnre mildicbeit in allen menschen, op dat si hem bekennen;
ende keren ter waarbeit," Door de werken der dienende liefde,
tracht hy zijn medelyden te toonen. Dit geschiedt in de
zeven
^ xoerhen van harmliartigheid : »die rike met baren dienste ende
met haren goede, die arme met goeden wille ende met ghe-
rechter onste [=
gumt], dat syt gherne daden op dat (versta:
indien) sijt hadden" Door deze »mildicbeit" worden alle
deugden vermenigvuldigd en alle deugden »gheciert". Hier
wordt de vierde doodzonde, d. i. gierigheid, overwonnen,
en Christus\' woord vernomen: »Zalig zyn de barmhartigen,
want hun zal barmhartigheid geschieden en zal het eens
heeten: »Komt gezegenden myns Vaders, bezit het ryk dat n
bereid is »overmits uwe ontfermherticheit" van de grondlegging
der wereld af" Uit de »mildicbeit" vloeit weder voort:

»Overnatuerlic erenst ende ene vlietichheit tote
allen dogheden, ende tote alre behoirlicheit". Nie\'
mand kan dezen ijver gevoelen dan »een vlietende milde
menscbe". De hier bedoelde deugd is »een inwendighe onghe-
duerich drift tote alre doghet, ende ter ghelijcheit Christi ende
sijnre heylighen. In desen erenste hegheert die mensche berte

1) Zij worden onderscheiden in de zeven lichamelijke en de zeven geeste-
lijke werken van barmhartigheid.

3) „Die caritate, dat is die ghetrouwe knecht dien God hevet gheset over S»*®
familie, ende hevet hem ghegeven sinen scat ende al sijn rike in handen, op ä®^
hi spise ende drinke
[— drenhe\\ ende herberghe ende clede, ende elendighe sieke
ende cranke visitere na hare behoeften, ende die ghevaen ende in node sijn,
rechte ofte met onrechte, ofte omme den name Gods, dat hi die troeste na bescei\'
denheit ende die arme dode hnlpe graven [—
helpe begraven]-, die rike, Hie^
Gods goede ende mit sinen scatte, ende met gherechter caritate»»
die arme, metten goeden wille ende mit mildicheidenvanherteU>
dat sijt gaerne daden oft sijt hadden. Dat is Gode al eens; wa»^
ontfermherticheit ende mildicbeit, dat is die doecht, niet di®
werke van buten. Die des goets niet en heeft, hi sal oec sij\'*
milde ende goedertieren sinen evenkersten, ende
ghesprakely"
ende ghetrouwe in rade ende in dade, ende in allen dinghen d\'®
hi vermach."
V. d. Rike d. Ghel., bl. 165.

3) Matth. V : 7.

4) Vgl. Matth. XXV : 34. In het boek vanden Rike der Ghelieven worde"
deze drie deugden (die onder invloed van den Heiligen Geest ontstaan) wedero®"

-ocr page 243-

225

^^de sin^ g^l ig^ ende al dat hi heeft,

al dat hi vercrighen mach, inder eren ende inden love
® te voeghene". Daardoor worden alle krachten der ziel
God geopend en tot alle dengden bereid. De conscientie
^^^dt verblijd, de genade Gods vermeerderd, de deugden met
^ijfd^^ deugde beoefend, de uitwendige werken versierd. De
^^ e doodzonde, d. i, traagheid, wordt verdreven, en Chris-
hier: »Zalig die hongeren en dorsten naar de ge-
igbeid, want zij zullen verzadigd worden i)." Uit ernst

^Mate ende soberheit van binnen ende van buten."
-alieeri j

kan ernstige en in zijn plichtsbetrachting vlytige man

tQatig en sober zijn. Soberheid bewaart den mensch voor
enti ^^ overtolligheid. Zij »sceedet die overste crachte

dio crachte". »Soberheit en wilt niet smaken noch weten

»ey ^^^^en, die niet gheoirloeft en sijn". — Wij hebben vroe-
onb vermeld wat Ruysbroeck zegt aangaande de hooge

Gods voor het denkende verstand. Hij noemt

een

^odsk gd zich tevreden te stellen met de mate van

onth vooi^ bereikbaar is. »Die watheid Gods

ende ^^^ ^llen creaturen; maer dat hi is, dat tughet nature
dÏQ ^ i^iiture ende alle creaturen. Die articule des gheloefs
en gheloven ende niet willen weten; want het is

tot

Van ,1

tiejg^j^ ■ S^ven des H. Geestes teruggebracht, en wel tot die der goeder-

ander» ^^ mensch, die ze beoefent, wordt vergeleken met de engelen „ute

S^iesellg ehore, die heten ertsclie inghele [:zi aartsengelen] ende hi is hare

allejj^ ^ \'^shoirt te haren ehore, want si sijn ghevoecht in goedertierenheden

de Van de krachten der ziel is het de begeerlijke kracht,

^^ïsterljt water (d. i. wat vloeibaar is in den mensch) dat versierd

Wordt.

^"^^^tto nal^- ^ \' ^^tuurlijk bedoelt Euysbroeck met dezen ernst ook een
^^auï der kloosterplichten. Uit zijn levensschets hebben wij gezien, hoe

«elfdea g^^ In zijn boek van 12 doghed. spreekt hij geheel iu den

het \' ^^ smarten die voortvloeien uit tekortkoming in wat plicht is.
\'\'^\'dde liclit Brusele, die sijn vesper eens versliep, wanthi

"^^cerdgj^ ^ iii\'Chts toten metten gheweest. Ende doen wart hi met alsoe groter
^\'faban^j^\'^\'^ gekeert, dat hi seide, dat hi weerdich ware dat men, hem

^\'esperen : welke onweerdicheit dat hem vele beter was, dan of hi

hadde. Ende daerom weghet sere uwe ontblivcn, op dat ghi
\'Qoghet bliven." Bl. 76, 77

14

-ocr page 244-

226

oninoghelyc alsoe langhe als wi liier sijn: dat is soberheit".
Dezelfde matigheid moet hy het gebruik der Heilige Schrift
in acht genomen worden: »Die nature ende die Serifture ende
alle creaturen sal de mensce merken, ende nemen daer ute
sijn profijt ende nemmeer [==
niet meer]: dat is soberheit des
gheestes." Maar niet alleen voor den geest maar ook voor
het lichaam moet men sober zijn. De »veelike" kracht moet
met de reden worden bedwongen. De mensch moet spijs eu
drank gebruiken »alsoe [=
zooals] die sieke nemt dat poci-
oen [=
potio, drank, medicament], omme sine noet". Dus
zóóveel als men behoeft om de noodige krachten te behouden
ten einde God te kunnen hlyven dienen Ook in woorden
en werken, »in zwighene", in spreken moet soberheid iu
acht genomen worden, naar de manier der heilige Kerk en
het voorbeeld der heiligen. De vruchten, die deze deugd voort-
brengt, zijn niet gering. Door soberheid van geest komt
vast-
heid van geloof, tevredenheid met God en ons zelven. Door
soberheid van lichaam — het doet ons goed dat de ascese by
Ruysbroeck niet alleen, wat anders altijd het geVal is, ten
doel heeft kwelling en marteling des lichaams —
»behout
de mensche dicwile ghesonde [= gezondheid] ende ghesaetheit
[=z bezadigdheid] der lijfliker naturen", en eerzaamheid van
handel en wandel. Daardoor leeft de mensch in vrede met
zich zelven en zijn medechristenen. De zesde
doodzonde,
d. i. overdaad, »overaet" [= vraatzucht] en gulzigheid
wordt verdreven en de zaligspreking vernomen: »Zalig zijn »die
vreedsame", want zij zullen kinderen Gods genoemd worden®)."
Uit deze soberheid komt voort:

Reinheid van ziel en lichaam: »want niemen en
mach volcomelike reine sijn ane lijf ende ane siele, dan die
sober is aen live ende an siele." Reinheid van geest is: »dat
die mensche ane ghene • creature en cleve met
gheneigheder
ghelost; maer ane Gode allene, want men sal alle creaturen
orboren, en Gods allene ghebruken. Reynicheit des gheests
doet den mensce ane Gode cleven boven verstaen ende boven

1) Aldaar, bl. 37.

2) Vgl. Matth. V : 9.

-ocr page 245-

227

ghevoelen ende boven alle die gaven, die God storten macb
^nder sielen". Reinheid van bart is »dat de menscbe in elke
^yflike becoringbe ofte bewegbingbe der natnren, met vribeden
\'^yns willen, met nuwen toeverlaete, sonder twivel kem te
e keere, met nuwer trouwen ende met starken wille em-
^ernieer niet Gode te blivene". Reinheid van lichaam is
^ de mensch zich onttrekt aan en hoedt voor onkuische
^e^en. gij wordt door Ruysbroeck vergeleken met de wit-
der leliën en de »puerheit" der engelen. Voor zooverre
Weerstand biedt aan de verzoeking, wordt zij vergeleken
de roodheid der rozen, en den adel der martelaren. Voor
»el ^^ wordt betracht tot eer van God, wordt zij ver-

en met de goudsbloem (sic), want zij is »die hoech-
^te^chierheit der naturen". Door deze drie wyzen van rein-
wordt de zevende doodzonde,

Want zij zullen God zien" 3).
kend zevenvoudige rei van deugden bestaat nu het wer-
l^oud^ van het beginnende leven. Haar bezit en haar be-
^ een noodzakelijke voorwaarde voor allen verderen
te
IjI^^^^\' ^^ voortdurend bezit dezer deugden

ten nioeten wij bezitten: gerechtigheid en die moe-

^an l^eoefenen en bewaren tot aan onzen dood, in reinheid
rte. Want wij hebben drie machtige vijanden te weêr-

"Oat { Mystische wijze, wordt het wezen der onkuischheid aldus beschreven:

ende ^^^ Sliebrukelic ave neyghen des gheests van Gode, op yet dat ghescapen
^OïiingljJ^^\'^^\'^\'\'^® ^\'ves buten orlove der heyligher Kerken, ende lijüike

^\'\'^Utiff Vierten op smaec of op ghelost enigher creature, wat dinghe dat si."

S)

\'H jjg^ ^ ^ ■ ■— Analoog hiermede, ofsclioon met grootere afwijking, is wat

iie Yj^j^ -Sï\'fe d. Qhel. gezegd wordt over de derde gave des H. Geestes,

^^\'\'^i\'dt di" wetenlieit", waarmede voornamelijk zelfkennis bedoeld

tot
® derde

«Vet d,

Diishagen van zich zei ven leidt, en dus, hoewel eenigszins. gedwongen.

^^oor de ^ de gerechtigheid, kan worden parallel gesteld.

de ontstaat door invloed van den Zoon, wordt de derde van de

lucht redelijke kracht, en het derde der elementen, namelijk

die eiitle verclaort... met sonderlinghe claerheit." De men-

dat is onkuischheid,
Zalig zijn de reinen van

enl \'leugden beoefenen „sijn wel ghelijc den inghelen inden derden

end
■180.

173.

siju. haer ghesellen, ende behoren te haren chore." T. a. p., bl

10*

-ocr page 246-

228

staan, die des te gevaarlijker zijn, omdat zij ons overal aan-
vallen, en zich tegelijker tyd nauw aan elkaar aansluiten. Deze
drie zijn: »de viant", de wereld en ons eigen vleeseh.
Zij hestryden ons met het wapen van onzen eigen dierlijken
lust. Het zwaard waarmede zg ons kwetsen en »selke stont"
[= somtijds] overwinnen, is »crancheit der nature ende on-
hehoetheit ende onhekennisse der waerheit". De oorzaak van
den stryd is ledigheid en »onerenstachticheit" [= het tegen-
overgestelde van
ernst] tot de deugd en de eere Gods. Het is
het hest, om den vijand in zijn eigen sterkte, het vleeseh,
aan te vallen. Strenge ascese is hier het heste middel. Hoe
Ruyshroeek zich daarover uitlaat hebben wij reeds gezien.

Bg gestaan door de genade Gods moet de mensch zich aldus
staande houden en daartoe met de vermelde deugden uitgaan
tot God, tot zich zeiven en tot zijn medechristenen. De be-
trekking, in welke de factoren van \'s menschen geestelijk wezen
op dezen trap van het Mystische leven tot elkaar staan,
teekent Ruysbroeck door een beeld.

Wanneer men de genoemde deugden verkrygen en behouden
wil, dan moet de ziel, zegt hy, geordend zijn als een koningrijk.
Een koningrijk, waarvan de vrije wil de koning is, »vri van natu-
ren ende noch vrier van ghenaden". De kroon die hij draagt is de
liefde. De koning ontleent zijn macht niet aan zich zeiven
maar aan zijn leenheer, den keizer, den koning der koningen,
aan den Heer. De koning moet wonen op de hoogste plaats
des rijks, dat is, in de »begheerlike cracht der sielen". Hij
moet bekleed zijn met »enen ondersnedenen i) cleede"; de
rechter zijde daarvan moet gesierd zyn met een der godde-
lijke gaven, namelijk de gave der sterkte, de linker zijde
met een der cardinale deugden, te weten de deugd der
zedelyke sterkte. Tot raadsheeren zal de koning kiezen de
wysten uit het land. Dat moeten zijn twee goddelyke deug-
den: »const ende bescedenheit", kennis en
bescheidenheid,
beschenen door het licht van Gods genade. Zij zullen wonen
naast den koning in het paleis, dat is in de redelijke
kracht
der ziel. Zy moeten gekleed zyn met het kleed der matig\'

A

1) De uitgave vau 1624 lieeft doorsneden. Surius vertaalt; vesten discriminaii\'^\'

-ocr page 247-

229 •

Door de kennis wordt de couscientie- gezuiverd, door
bescheidenheid de matigheid bevorderd. Tot rechter moet
® koning aanstellen de hoogste zedelyke deugd, dat is de
Serechtigheid. Deze rechter moet wonen in het midden van
^\'yk, in het gemoed, en wel in de toornige kracht en hij
^loet gekleed zyn met »vroetheit", want gerechtigheid kan
volmaakt zijn zonder »vroetheit". Deze rechter moet
Jd Weêr het geheele ryk doortrekken en overal doen wat

goed en

Wat recht is. De onderdanen van het rijk zyn al

krachte

n der ziel die gefundeerd moeten zijn in ootmoed
vreeze, onderworpen aan Grod in alle deugden, »yeghewelke
\'^i-acht na hare behoirlijcheyt" i).

Slaan
l^eschri

üaar

wy thans weder het oog op de boven meêgedeelde korte
yving van het Werkende leven uit de 12
Beghijnen, dan
hoe Ruysbroeck deze geheele deugdshetrachting wil als
^avolgijig. van Christus. Hij toont aan, hoe de drie hoofddeugden:
^oed, liefde en ly dzaamheid, waaruit al de anderen
oitvloeien, hy Jezus op volkomen wijze werden aangetroffen,
i\'istus was ootmoedig en wel naar zyn Godheid en

^yn menschheid.

in ^^^ Godheid. Toen hij de menschelijke natuur die tot
g^\'ond der hel vervloekt was wilde aannemen en zich daar-
® Wilde vereenigen: » alsoe dat yeghewelc mensche, quaet ende
mach spreken: Christus die Sone Gods is mijn broeder",
niet ^oen hij »ene arme jonckfrouwe coes te sire moeder,
Qiee ^^^^ conincs dochter" — Ruysbroeck is naief genoeg te
^011 ^^^ werkelijk voor den Zoon Gods onderscheid
^oed ^ gemaakt — »alsoe dat die arme Jonckfrouwe Gods
ei rl ^^^ soude, die een here is hemelrijcs ende ertrijcs,
alre creaturen".

eerst ootmoedig naar zyn menschheid. In de

V"ade^ ootmoedig voor de hooge mogendheid des

aii ^y zocht niet z ij n eer maar die des Vaders

voor de
z ij n eer

zijn werken. Hy was ook ootmoedig en onder-
aan de oude wet en somtijds, als het betamelijk
\' aan de gewoonten. Daarom werd hy besneden, naar

^heen, in
da:

al

Was

bl. 42-45.

1) £>

-ocr page 248-

230

den tempel gebracht en gelost; daarom gaf hij den keizer
cijns evenals de andere Joden dat deden. Hij v*^as onderdanig
aan zijn moeder en aan heer Joseph, en hij diende ze met
groote nederigheid naar al hunne behoeften. »Hi coes
arme
verworpene liede te sijnre gheselscap met [= om met ]ien\\ te
wandelene, ende die werelt te bekeerne: dat waren die Apostelen.
Ende hi was neder ende oetmoedich onder hen ende onder alle
menschen. Ende hier omme was hi allen menschen gereet in
wat node dat si waren van binnen ofte van buten, rechte a 1 s
een dienstknecht alre werelt" i).

Maar Christus is ook het voorbeeld der liefde. Door de
liefde stond hij steeds in de nauwste betrekking tot den Vader-
Door de liefde daalde hij ook neder tot de menschen in hun-
nen nood. »En hieromme gaf hi exempel allen menschen,
met sinen levene, hoe dat si leven souden. Hi spijsde alle
menschen, gheestelike, met ghewarigher [=
waarachtige] leren
van binnen, dies ontfenclijk waren; ende met miraculen van
buten naden sinnen, ende met wondere; ende bi wilen spijsde
hise oec met lijfliker spisen, daer si hem na volgheden inder
woestinen, ende sijs niet ontberen en mochten. Hi dede die
dove horen ende die cropele rechte gaen, ende die blinde sien,
ende die stomme spreken, ende die viande ute menscen vlien.
Hi dede die dode leven. Dit sal men lijflike ende gheestelike
verstaen. Christus, onse minnare, heeft om ons ghearbeit van
buten ende van binnen, in gherechter trouwen. Sine caritate
en moghen wi te gronde niet verstaen: want si vloyde uter
grondeloser fonteinen des heylichs Gheests"

Christus is eindelijk ook het toonbeeld van 1 ij d z a a m h e i d-

1) Vergelijk wat Bernard zegt van de zeven zegelen van Cliristns\' nienseliheid.
Serm. de div., Sermo LVII.

2) Eeht mystisch verklaart Ruysbroeck in zijn 12 Begh., ten bewijze hoe groot
.Tezus\' liefde was, diens lichaamshouding aan het kruis: „Die milde Jhesus hevet
sine discipulen tot hem gheroepen, die hem ghetrouwen ende soek en; hi

hevet

sine arme wide ontdaen: hi wiltse [nml. de discipulen] helsen [— omhd\'
gen] ende daer in bevaen. Hi hevet sine side ende sine binnenste ende sine herte
wide ontdaen: hi wiltse herberghen, dat sy daer in wonen in vreden, sonder va*»\'-
Hi hevet sijn hoeft gheneycht aen den cruce, dat hi ons cussen wilt ende met hem
verenighen in ewicheit: daer is alle rouwe ghestilt ende vergheten iu
salicheit.
Aldaar, bl. 270.

-ocr page 249-

859

"•ooals zicii^ verwaclitea laat, is het gevoelige hart van den
^^loiüeii Mysticus hier het diepst geroerd. Duidelyk is dit
^enbaar aan de buitengewone schoonheid en innigheid zijner
poent" zegt Ruysbroeck »seien wi merken met
^^i\'enwte, want het chiert Christum onsen brudegom in al sinen
• Vraagt hij alzoo de godsdienstige aandacht zijner
•^eiSj wy kunnen niet nalaten tevens nadrukkelijk de aesthe-
belangstelling te verzoeken voor hetgeen Ruysbroeck
het geduld, door den Heer in het lijden betoond, zegt.
■ • -Hi began vroech to doeghene [=
Ujden\\ doen hi ghe-
cnT^\'^ ^ ^^^^\' armoede ende coude. Hi wart besneden

hi siju bloet; hi wart ghevlocht in vremdeji lande;

«ud^»^^^*^^ heren Joseppe ende sijnre moeder; hi leet hongher
■^ve 1 scande ende versmaetheit, onwerdighe woerde ende

^^ ^^ der Joden. Hi vaste, hi vvaecte, ende hi wart becoert
viant. Hi was onderworpen allen menschen; hi ghinc
iiiet ^^ lande, van stade te staden, met groten arbeide ende
hi erenste, prediken dat Ewangelium. Ten lesten wart

ö evaen vanden Joden, die sine vianden waren, ende hi

u e j- w

wlve Hi wart verraden, bespot ende bescerent i),

ende gheslaghen, ende met valschen ghetughe veror-
^tat" ^^^ droech sijn cruce, met groten wee, iu die hoechste
scoi ^^^ ertrike. Hi wart ontcleet al nioedernaect. Soe
Hi ^^^ ^^ noch wijf soe sere mism;.iect.

\'^vas \' smerte, coude, vore al de werelt; want hi

sine ^\'^de het was cout, ende die hare vloech hem in

Uipf ^^iiden. Hi wart ghenaghelt aen dat hout des crucen

plom

^coerd

^Pen naghelen, ende gherect, dat hem die aderen
L=
scheurden\\. Hi wart op gherecht ende neder

1) Va

2) jj^ ^^^\'^^ernen rr: bespotten, hescMmpen, van scerne, ludibrium. Zie Kiliaen.
«orsp van Jezus als het ideaal van mannelijke schoonheid vindt

\'^\'\'jkeus ^^ woorden vau het derde vers van den 45sten Psalm, die men,

^an alle ^

te onrechte, op den Messias toepaste: „Gij zijt de schoonste
^\'^i\'isteu ^^\'^^^^^\'^^iHderen". Eerst langzamerhand kou deze meening bij de oude

•\'"teuea de . \'

^^^lÏBg y, vroeger algemeen gangbare en op Jesaia LUI: 2 steuuende voor-

äesthet^ als een leelijk mismaakt man, overwinnen. Voorzeker heeft

\'^\'^stinug ® ^^^ Grieksche wereld daartoe het meeste bijgedragen.

Sevo Clemens Alex., Origenes en Tertullianns staan echter nog het

eleu voor.

-ocr page 250-

232

gliesfcuyct, dat lieui sine wunden bloeden. Hem .was syn
hoeft gheeroent met doemen; sine oren hoerden die felle
Joden roepen: crunstene! crnnstene! ende menich onweerdich
woert. Sine oghen sagben die eenwillicheit ende die quaet-
beit der Joden, ende die elleindicheit sire moeder. Ende sine
oghen verghinghen van bitterheit der pinen, ende der doot;
syn nase roec der vuulheit, die si worpen ute haren monde in
syu aenscbyn. Sijn mont ende syn smaec wart
ghedrinct met
edicke, gheminghet met gallen. Alle sine ghevoellicheit was
dore wont met gheeselen. Christus onse brudegom, ghewont
toter doot, ghelaten [=
verlaten] van Gode ende van allen
creaturen, stervende ane dat cruce, hanghende als een stoc
dies nieman en achtë, sonder Maria sine arme moeder die
hem niet ghehelpen en mochte". Maar het lichamelyke lyden
was voor Christus nog niet eens het zwaarste. Daar was
nog een ander lyden dat bij leed, en dat ging hem aan de
ziele. Dat werd veroorzaakt door het aanschouwen »vander
versteinder eenwillicheit [=
eigenwilligheid] der Joden ende
der gheenre, diene doden; want wat si tekene ende wondern
sagken, si bleven in bare quaetbeit, ende ki doegkede om
kare bederfenisse ende om die wrake sijnre doot, wantse
God
wreken soude, ane siele ende ane lijf. Nock doegkede bi
omme den jammer ende om die ellendickeit sire moeder ende
sire discipulen, die in groter droefkeit waren. Ende ki doe-
gkede om dat sine doot ane menighen mensce verloren
soude
bliven, ende om die ondanclijcheit menichs menschen, ende
om die quade ede die menich sweren soude, hem te
verwitene
ende te scanden, die om ons van minnen starf. Ende sine
nature ende sine nederste rede doeghede, om dat hare God
outtrac den invloet synre gaven ende sijns troests, ende hise
liet op haer selven staen in selker [=
in zulke] noot. Ende
des beclaechde hem Christus ende sprac: Mijn God, mï^
God, waer toe hebstu mi ghelaten" i). — Ruysbroeck besluif
met een schoonen trek: »AI des doegkens [=
van al
lijden]
gkesweeck onse minnare, ende riep sinen Vader ane-
»Vader, vergkef kem [=
hun], want si en weten niet wat si

1) Mare. XV : 34.

-ocr page 251-

233

^^^ Christus wart ghehoert van sinen Vader

ciicie diet van onbekentheden daden, worden

ßamaels alle bekeert" %

om sine

i\'ever
lichte

M;

het werkend leven is niet alleen strenge deugdsbe-

^■achtin

vn ^^^ eerbiedige en zorgvuldige navolging vau Christus\'

aan J ^^^ ^^ ^^^ Mystisch leven, en de zaligheid der

win de heerlijkste vrucht van de hoogste Beschou-

ring^\' i\'eeds in het beginnende leven, hoewel in veel ge-

li-. ■, cn klaarheid gesmaakt. Wü zullen van lieverlede zien

e de •

ben trappen dezelfde gaven, vruchten en krachten heb-

^ \' ^aar telkens in hooger potentie. Zoo heeft dan ook het
® leven, als een Schouwend leven in het klein, zijn
® eenheid met God. »Alse de mensche (nu) siende es
^its die gracie Gods, ende ene pure consciencie heeft . .
^te ghegaen is met dogheden; daerna volghet dat ont-

iystisch
vermiti
ende hi

^,endebegMn ende einde.

•^^t^oet, en wert nie doghet ghedaan. üe

is drievoudig.

brudegoms.

In desen ontmoete leghet al onse sali-

alle dingen

;:«reerst moeten wij

^^aari "" "loexen wy God meenen in

eeuwige leven verdienen zullen. Ten tweede
a]]^*^^^^ of gelijk God liefhebben. Ten derde
alle 0 ^ ^^^^ rusten in God, boven alle creaturen, boven
ge^oei alle werken der deugden en boven al het

God\' ^^^ storten kan in lichaam en ziel.
aan ^^^^^^ boven alle dingen. Daarby komt het er niet
Schep ^^^ kunnen noemen. Wat naam wij voor God bezigen:
doet ^®^losser, ZaHgheid, Waarheid, Goedheid of wat ook,
^ien zake 4). God te meenen is God geestelijk te

Gode ^ kan

weder niet zonder liefde en minne: »want
^^aect ende sijn (lees:
sien) sonder liefde, dat en

noch en helpt noch en vordert. Men sal Gode

tr

fvTï\': i^w.

hebb,

deze plaats vroeger in haar geheel meêgedeeld. Zie bl. 178.

-ocr page 252-

234

meinen in allen goeden werken: in qiiaden werken en can
mens niet ghedoen. Men sal niet ij- «inden setten inder
meyninglien, dat is dat men Gode meine ende yjet daer toe;
maar al dat de mensce mede meint dat is beneden Gode,
niet in contrarien Gode; maer in eenre ordenen ende iii bulpe,
ende in yordeniissen te bat te Gode te comene: soe is den
mensche recht." Ten derde moet men rusten in God; »rusten
op den ghenen ende inden ghenen, dien men meint ende
mint, meer dan op alle sine boden, die hi sendet: dat sijn sine
gaven. Die siele sal oec rusten in Gode boven alle die
chierheit ende die presente die si met haren boden senden
mach." Boven alle ding moet de ziel rusten in haar geliefde
boven alle menigvuldigheid. Wanneer de mensch nu leeft in
de boven bedoelde volkomenheid. God meent en mint boven
alles, — dan doet zich dikwijls in zijn binnenste de begeerte
gevoelen om te zien, te weten, te kennen wie God is, die God
die te zijnen behoeve den dood heeft geleden en hem onnoemelijk
veel goeds heeft gedaan. En al kent hy God in Zyn werken,
dat dunkt hem niet genoeg. Dan moet hij doen zooals de
tollenaar Zacheus deed, toen hij begeerde te zien wie .Jezns
was. »Iii sal vore lopen alle die scaren, dat is
menichfuUh-
cheit der Creaturen, want die maken ons deine ende cort, dat\'V^i
Gode niet ghesien en connen." En hij moet klimmen op den
boom des geloofs, die van boven naar beneden groeit, wan*
zijn wortel is in de Godheid. Deze boom nu heeft twaai^
takken, van welke de onderste spreken van Gods
menschheid
en van wat tot onze zaligheid behoort, terwijl de hoogst\'^
verhalen van de Godheid, van de Drieheid der personen en

de

Eenheid van nature. In het bovenste nu van dezen boom
de mensch Christus met zijn gaven vinden. De Heer
hem daar, in het licht des geloofs, dat Hij, naar
Godheid, ongemeten is en onbegrijpelijk,
ontoegankelijk
»afgrondich", te bovengaande alle geschapen licht en
eindig begrip.

»Dit is dat hoechste kennisse Gods, dat die mensche

hebbeö

mach in Werkenden Levene, dat hi dat bekint, in lichte de^
gheloefs, dat God onbegripelic es ende onbekennelijc _
In dit licht spreekt Christus tot de begeerte des menscheJ^\'

-ocr page 253-

235

schielijke afkomen, waartoe de Heer roept, is niet ändert

een nederdalen met begeerte eu met minue in den af-

^^ uc der Godheid, waar het verstand en het natuurlijke licht

l^uit ^^^^^ doordringen. Maar waar het verstand

en blijft, daar dringt toch de liefde door. Zich met
Heeds

Oütmc

de ziel Christus, en wordt zij vervuld met al zijn
ö^ven TT

dei\' en haar liefde gaat ver boven alle werk

cliff] boven alle natuurlijk licht, boven alle menigvul-

^^o leid der creaturen, boven haar zelve en boven alle gave uit.
^oont en rust zij in God, en G od in haar

Tot

W AA hebben wij beschouwd wat Ruysbroeck van

rt, erkende leven zegt, en hebben wy nog geen kennis
® nonieTi

tot (j ^ ^^^ wijze, waarop hij de menschen teekent, die
leven ^ behooren of op dezen trap van ket Mystiscke

h zullen dat thans doen, en daardoor, naar

^^eiini.^^^^\' bewijzen aanbrengen voor Ruysbroeck\'s

Zedelij} ^^^^ ^^^^ menschelijke hart en voor de zuiverheid zijner
hoofd \'^\'^\'Isclienstige beginselen. Wij zullen hier Ruysbroeck\'s
^^"eid ^^^^ P®*^® laten rusten, om een ander minder uitge-

i\'aadpi minder belangrijk geschrift, van zijne band te

Wij bedoelen zijn boek vcm het blinkende Steentje.
zijjj ^^^ ^^^^ spraakgebruik van de Mystiek van

lejid st \' Ruysbroeck de menschen, naar het verschil-

nieij. godsdienstige ontwikkeling dat zy inne-

eii „ ""^^^^lingen, getrouwe knechten, vrienden
ï Bp ^"^ods. Wij vonden dezelfde benamingen reeds
)• Dat zij daar het eerst voorkomen is niet

vgl. de dilig. Beo, C. 12 en de korte maar scherpe tegenstelling

^ait
laats

geen en filii in zijn Serm. d. div., Serm. III. Dat

\'^Htvïijjij^l\'.\'^^\'^\'"\'®®^®!^ maakt tusschen vrienden en zonen, ligt in de min-
\'^^geuoeg ^^ Mystische leven te zijnen tijde. Wat hij
Jilii noemt,
ev^ iu vrienden van Ruysbroeck. De zonen v:in den

^^^ olijke iMygy^j" boogen graad Mystiek, dat er voor hen in de bezadigde en
van Bernard\' geen plaats zoü geweest zijn. — Wat verder dc

af liaastelijk, want heden moet ik in uw liuis wonen"
_" sehieliike n.fkniTK^ii wn.n.rt.np df TTppr rnAnt is nißf, n.Ti(1(ir«

lan

gi\'ooter minne tot den onbegrijpelijken God neigende,

-ocr page 254-

236

waarsdiijnlijk; zeker is liet echter, dat zij door niemand scher-
per zyn geteekend dan door Ruyshroeek. Onder huurlingen
verstaat hy diegenen, die onder de laagste trede van het Mys-
tische leven staan. Wij zullen hem, zooals wij beloofd heb-
ben, zelf aan het woord laten. »Nu nierct", zegt hij in zijn
bedoeld geschrift,
i) »alle die menschen, die hem selven alsoe
onordelike minnen, dat si Gode anders niet dienen dan om
haer eyghen ghewin, ende om haer eyghen loen, die sceeden
hem alle van Gode, ende behouden hem selven onvri ende
in eyghenheden; want si soeken ende meynen hem selven in
allen hare werken. Ende hier om, met alle haer ghebeden
ende met alle haren goeden werken soeken si tijtelyke din-
ghen, oft ewighe dinghen die si verkiesen om haer gherief
ende om haers selfs orber. Dese menschen sijn tot hem sel-
ven ghevoecht onoirdelic; ende hier om bliven si altoes met
hem selven allene, want hem ghebrect gherechte minne, diese
verenighen soude met Gode ende met allen sinen gheminden.
Ende al schinen dese menschen houdende die wet ende die
gheboden Gods ende der heyligher Kerken, si en houden
niet
die wit (lees: wet) der minnen; want alle dat si doen, dat
doen si van node, ende niet van minnen, op
dat si niet
verdoemt en werden. Ende om dat si selve onghetrouwe
sijn in hare inwendicheit, soe en dorren [= durven] si Gode
niet ghetrouwen; mer alle haér inwendighe leven is twivel ende
vaer [ook
vare ~ vrees], arbeit ende ellende: Want si aen-
sien, ter rechter side, dat ewighe leven, ende dat
vre-
sen si te Verliesen; ende si aensien, ter slinker side, di®
ewighe heische pine, ende die vresen si te vercri\'
ghen. Al dat ghebet ende al dien arbeit ende
alle die goe^®
werken, die si werken moghen om die vrese te verdrivene,
dat en helpt hem niet; want soe si hem selven meer minnei^-
onoirdelik, soe si die helle meer onsien. Ende hier ^eO
moechdi merken, dat die helsce vrese comt van eygheni\'®
minnen, die si tot hem selven hebben. Nu sprect die Pr\'\'\'

oudheid van de bedoelde termen aangaat, deze laat zich daarom des te moeieliJj\'®
bepalen, omdat zij aan de Heilige Schrift ontleend zijn. Vgl.
Matth. XX: 1
Luc. XII: 37, 38, 43—48; Joh. [X:12, 13], XV: 14, 15 en Gal. IV : 1—7-
1)
Blink. Steent., bl. 307 vgg.

-ocr page 255-

237

pheet j

ende ook dat Boec der Wijsheit: »dat beghin der

ysbeit dat is die vrese des Heren i); mer dat is die vrese,

gbeoefent wert ter rechter siden, daer men ontsiet te

lik ^^^^^ ewighe salicheit; want deze vrese comt uut natuer-

sin^^ ^®ygliinghen, die elc mensce in hem heeft, salich te

dat is G-ode te scouwene. Ende hieromme, al is die

Hen Gode onghetrouwe: eest dat hi sijns selfs van hin-

Waer neemt, hi ghevoelt hem selven gheneycht, uut hem
^eiYeji i 1

tot dier salicheit die God is. Ende dese salicheit
vreest ii •

^ UI te verliesene; want hi mint hem selven meer dan

Ende hier om en dar [=: durft] hi Gode niet
Nochtan heet dat die vrese ons Heren die he-

ende hi mint die salicheit avetreckende om syns
wille.

ten ^^ ^^^ wijsheit, ende ene wet der onghetrouwer knech-
end ^^nt si dwinct den mensche die sonden te latene,

end^ \'^"^^\'^bden te begheren, ende goede werken te werkene:
^od ^^^^ dinghen bereiden den mensche van buten, die gracie
inde^ ghetrouwe knecht te werdene. Mer

beit dat hi, metter hulpen Gods, syn eyghen-

ivert mach, dat is dat hi sijns selfs alsoe ledich

noot ^^^ ^^ ghetrouwen der [= durft], alle dier hem

dg^^ h^^" ^^^ desen selven werke behaecht hi Gode alsoe
, 1 bem sijn ghenade gheeft; ende overmits die ghenade
Vele gberechte minne. Ende die minne verdry ft twi-

^open^^^^^ vi^eese, ende doet den mensche ghetrouwen ende
Wert O ^^^^ ^^ ghetrouwe knecht Gods, ende

dits ri minnende ende meynende in alle sijn werken. Siet,
t^onw „ tusschen die ghetrouwe knechte ende onghe-

16.

: ^^^ ■■ 10; Pred. I :

\'^^^\'■"lede bedoeld wordt is niet duidelijk. Twee HSS. (D en M van
Vertaalt. waardoor de zin niet minder duister wordt. Surius

Propt^\'^\'^^\'^f ^ ^eatitudinem nulU non desiderabilem, ma dumtaxat causa (id
^^\'\'\'^laard amet. Het woord in quaestie wordt daardoor geenszins

Dit i. „: Wil ave trecltende interpreteeren door uitsluitel/yk voor zich zelven.

vooï rf de zin, maar het staat er niet. Zou ave treckeude niet elliptisch

^\'^ysbïogjj ^ ^od aftrekkende kunnen staan? De vorm ave treckende komt bij
"^eer voor. Zie o. a.
V. Vil Trappen, bl. 8, regel 12. Zou ave

anders

\'ende

niissehien kunnen beteekenen per slot van rekening?

-ocr page 256-

238

is niet alleen een groot verscMl tnssclien de

Maar er

huurlingen en de getrouwe knechten: ook tusschen de laat-
sten en de vrienden Gods bestaat een aanmerkelijk onder-
scheid. Bijgestaan door de genadige hulp Gods, willen de
getrouwe knechten de
geboden Gods houden, dat is, ge-
hoorzaam zijn aan God en de heilige Kerk, in alle
manieren
van deugden en van goede zeden. Dat is het uitwendige of
het werkende leven. Daartegenover staan de
heymelike
vrienden Gods, die met de geboden willen houden de
»levende
raden\' Gods, »dat is een minlijc inwindich aen-
cleven aen Gode te sijnre ewigher eren, met enen willighen
vertyene alles dies dat men buten Gode met loste ende met
liefte hesitten mochte". Zulke vrienden roept God naar bin-
nen, en Hij leert hun onderscheid in inwendige
oefeningeil
en menige verborgen wijze van het geestelijke leven. Maar
Zijn knechten zendt Hij naar buiten opdat zij Hem en Zijne
familie dienen in goede werken. Nu kan niemand tot een
innige oefening komen, tenzij hij geheel en al
tot God iS
ingekeerd. Zoolang het hart gedeeld is, is het gemoed onge-
stadig en wordt het licht bewogen door lief en leed van de
tijdelijke dingen. Al leeft men dan naar de geboden Gods,
men blijft toch in den grond met de innige oefening
onbe-
kend. Immers, wanneer men zich bewust is, God in alle dingen
te meenen en Zijn wil in al zijn werken te volbrengen, is men
allicht daarmede tevreden. Men vindt zich zelven
ongeveinsfl

1) Blink. St., bl. 210—212. Deze termen die wij gedurig neêrsehrijvcn beho"\'
ven misschien eenige verklaring. De onderscheiding tusschen geboden en i\' a
Gods wordt in de oude Kerk algemeen aangetroffen (bij Gregorius van Nazifif^®\'
Gregorius van Nyssa, Lactantius, Ambrosius, Chrysostomus, Hieronymus, Augustm
e. a.), en is haar bestaan verschuldigd aan de oude Grieksche
moraal-philosophie,
een dubbele deugd leerde: de lagere voor het algemeen, de hoogere voor de wijsg®®\'-®"
alleen. Onder geboden verstond men al wat door den bepaald uitgedrukten g*^
delijken wil werd geëischt, onder raden of raadgevingen datgene wat
God g®^
wilde volbracht zien, zonder dat Hij het juist beval. Natuurlijk hield men het vo\'
de hoogste verdienste en voor bovenal Gode welgevallig de r aden op te volg®
omdtit dit geheel vrijwillig geschiedde. Deze splitsing van de zedelijke
in algemeene\' en bijzondere riep iu het Christendom het
Monnikenwezen, eu
in de Middeleeuwen de leer van de Opera s u p e r e r o g a t o r 1 a in het
Tot aan de Hervorming werd deze theorie algemeen aangenomen.

-ocr page 257-

239

^ïn meening en getrouw in zyn dienst. Zóó ontstaat er
®terk zelfbehagen, waarbij uitwendige goede werken met
nieeuing, heiliger en nuttiger schijnen dan eenige inwendige
\' Oefening. En daarom verricht men meer uitwendige
^^ dan dat men Hem liefheeft, om wiens wille men werkt,
Van^*^^*^^ nien meer afgetrokken door de werken dan vervuld
door dit afgetrokken worden (»verbeeltheit"
S Raysbroeck) naar de werken, blyft men een uitwendig

Al is men dan ook een getrouwe knecht Gods in

aigen dienst: datgene wat de heimelijke vrienden Gods
^eiUïn"^\'^\' ^^^^^ verborgen \'en onbekend. Dit is de reden waarom
deele uiterlyke menschen de ingekeerden altijd oor-

berispen, omdat het hun toeschijnt, dat de ingekeerde
^ieh ^®dig zijn. Dat was ook de oorzaak waarom Martha
^iet h ^^^^ zuster Maria beklaagde, dat zij haar

Wg^g ^ dienen ; want zy dacht dat zij veel dienst deed en nuttig
zijjj^ ^ haar zuster ledig nederzat. Maar onze Heer sprak
"^ienst*^^*^^^^ üit: hij berispte Martha, niet om haar

haar \' de dienst was goed en nuttig; maar hij berispte

^as bezorgdheid, en omdat zy bedrukt en bedroefd

m

een
Ware
goede

Mensch.

^^^enri-^^ ^^ uitwendige dingen. En hij prees Maria om hare
^ij het \'^^^^ningen en zei dat één ding noodig was, en dat

Zoti t deel gekozen had, hetgeen haar niet ontnomen

Dat ééne \'ding nu, dat alle menschen
en, dat is goddelijke liefde. Dat beste deel is

HET INNIGE LEVEN.

de

^^ndig Gods. Maar Martha verkoos een uit-

^^ getro werkend leven: en dat deel verkiezen nog

Wa^ng^^ ^^^\'^^ten om de liefde onzes Heeren.

ondf V ^^^ ^^^^^ herinnert wat boven gezegd is aangaande

het

^ge verhouding der verschillende trappen van
le leven, dan zal men weten, dat elke hoogere

b den

in zich bevat. Daarom laat Ruys-

Gods ^^ ^<^venstaande volgen: »Nieman en mach den

ghenoech sijn, die sijn gheboden niet houden en

had M

heioj ... reeds verkozen, en dat verkiezen nog

wl; \' J ® vrieudfin r^nrla Mqqt Mqt>1:Iio wovlrnno oot. m\' _

-ocr page 258-

240

wilt. Ende hierom sijn alle die heymelike vriende Gods altoes
ghetrouwe knechten daers noet is; mer die ghetrouwe kneck-
ten en syn alle niet heymelike vrienden, want die oefeningke
die daartoe bekoirt es hem onbekent"

Hoe hoog ket Innige Leven naar Ruysbroeck\'s sckatting boven
het Werkende staat, blijkt vooral uit de volgende plaats uit
de
Bruiloft: »Die sonne die scynt in overlant [r= in het
bovenland],
in midden die werelt jegken dat gkeberchte; si
maect daer vroegher somer, ende vele goeder vruchte ende
sterken wyn, ende dat lant vol vrouden. Die selve sonne
gkeeft karen sckyn in nederlant, in dat einde van ertrike:
dat lantscap es coudere ende die crackt der kitten es min-
dere; nocktan bringbet si daer vele goeder vruchte, maar
men vint daer luttel wijns. Die menschen, die wonen
in dat nederste deel haers selfs, biden uutwendigben sinnen,
ende dock met goeder meyningken in sedeliken dogkeden,
met uutwendigker oefeningken, ende inder gracien Gods
— in één woord de menscken van ket Werkende leven —
bringken vele goeder vruckte der dogkeden in menigker wi)S\',
maer des wyns inwendigker vrouden ende gkeestelics troests
gkevoelen si deine." De mensck daarentegen »die wilt ghevoelen
den scyn der ewigher sonnen die Christus selve is, die sal sien^e
sijn ende wonen in dat gheberchte in overlant, mit vergaderm\'
ghen alle sire cracbte, ende op verhaven syn met herten te
Gode,
vri ende ontcommert van lieve ende van leede ende van alleï^
creaturen. Daer scijnt Christus die sonne der gherechticheit
in die vrie verhavene herten: dat sijn die berghe, die ic meyne"")\'
Naar hetgeen wij over de kneckten en vrienden
vernanie»;
laat ket ziek verwackteu, dat ket niet gemakkeiyk is den

tweeden

graad van ket Mystiscke leven te bereiken. Ruysbroeck zegt
dan ook, dat niet alle menscken daartoe komen; — »m®^
laat ky volgen »dock comenre vele menscen toe overniid^
sedelike dogkede ende inwendigke erenstickeit".

Aan drieërlei voorwaarde moet voldaan worden om tot b®^
Innige leven te kunnen ingaan. De eerste is:

»onverdeelthei^

1) Vgl. Samuel, bl. 252—253.

2) Bruiloft, bl. 65, 66.

-ocr page 259-

241

lierten;" de tweede: »gheestelike vriheit in der hegher-
de derde: »inwendighe eninghe te ghevoelene met
Nu zie een iegelyk, die meent geestelijk te zijn,
op zich zelven toe. Wie »onverheelt" wil zijn van

harte i - . .. ... .

^^ \' 1. wie vrij van de zinnelijke dingen wil zijn, mag
\'^mg met liefde bezitten, noch eenig mensch met willige
g^^^^^\'^beid aanhangen: »want alle wanderinglie [=:
omgang]
y ® ^lie liefde, die puerlic om die ere Gods niet en is, die
t des menschen herte: want si en is uut Gode niet gheboren,

Hier
"lau

is
ûiach

^^^ vleysche". Wil de mensch dus geestelijk worden,
God ^^^^^ ^^ ^^^^ vleeschelijk genot en liefde opgeven, en alleen
»V , met lust en met liefde. Daarmeê wordt alle

drev- en alle onbehoorlijke liefde tot de creaturen ver-

is d t\' tweede wordt vereischt inwendige vrijheid: »dat

bena die mensche onverbeelt ende onghehindert verhelfen

te Gode

De derde

^ai-vau IS
eneu

^ aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan,
dit^^^^\' iiever, is reeds begonnen het Innige Leven,
^^^andpnnt wordt het kenvermogen f»verstannisse")

in aire inwendigher oefeninghe".

^erb^^^^^^ • de geestelgke eenheid met God te gevoelen, is in
daar •• ^^^^ beide anderen geen afzonderlijke voorwaarde,
daarir^^ noodzakelyke uitvloeisel en de heerlijke vrucht
Soe wi dan hevet, in zijne inwendigher oefeninghe,

^eiut vrien opganc tot sinen Gode, ende niet en

eixde Grods; hi moet ghesmaken der goetheit Gods;

Qode" ^oet van binnen ghevoelen ghewarighe eninghe met

^auiieer

Vejy 1, de verplichtingen van het werkende leven zijn

be

Op

niet b wordt het kenvermogen (

Da- ^^^^^^tuurlij ke klaarheid doorschenen.

en in krachten toenemende moet de
^^^tgaan in inwendige oefeningen naar gerech-

eeuij^ . ^^ndelijk opklimmen tot de gebruikelijke

gelijjj^ punten bestaat het geheele Innige Leven. Ver-

dit met wat ons van het werkende leven is bekend

Vau

ten"-

Gocle

seh,

19

-ocr page 260-

•242

geworden, dan ziet men dat liet onderscheid tnsschen beide
hoofdzakeiyk hierin bestaat, dat het op den laagsten trap yoor-
namelyk de mensch is die werkt, terwijl op den tweeden
God
en mensch meer gelijkelijk werken en elkaar te gemoet komen.
De vraag, of in het schouwende leven alleen door God
wordt
gewerkt, zal later ter sprake komen.

De mensch, die het eerste stadium, dat van het werkende
leven, heeft doorloopen en hoven alle ding rust zoekt in God,
die in ootmoed en zelfsloochening, in geduldige afwachting?
maar met onwrikbaar vertrouwen nieuwe gaven van den
Heer
verbeidt, ofschoon altijd onbekommerd of God geeft of niet
geeft: de zoodanige mensch rust boven zich zelven en
hoven
alles in de hooge »enicheit" waarin God en de minnende
geest zonder middel vereenigd zijn. Däär ontvangt hij de
genade Gods. »Als dat vat bereet is, stort men daer in
edele
licore. Hen is (versta: het en is) gheen edelre vat dan die
minnende siele, noch orberliker dranc dan die gracie Gods". H®^
orgaan, waardoor de mensch deze genade ontvangt, is de
»enicheit
onser overster crachten ende ons gheests, daer die hoechste crachte
ute vloyen werkelike in allen doegheden, overmits cracht der
gracien, ende weder inkeren in dat selve in bande van
minnen-
Zy is »een inwendich driven ofte jaghen des heylichs Gheestsj
die onsen gheest drivet van binnen ende stoect in allen do\'
gheden. Dese gracie vloyt van binnen, niet va»
buten, want God is ons inwendigher dan wi ^n®
selven sijn, ende syn inwendich driven oft®
werken in ons, natuurlike of overnatuerlike,
ons naerre ende ynnigher dan ons eyghen
werker-
en daer omme werct God in ons van binnen uutweeri".
gracie Gods inder sielen,
is ghelyc der keersen inder

lanteerneïi

de
i>

fce

ofte in eenen ghelasenen [= glazen] vate; want si verlicht, en\'
verclaert, ende doerscijnt dat vat, dat
es den goeden mensche-
Deze instorting der genade noemt Ruysbroeck nu de eerS
toekomst van Christus in bëgeerlijke oefening. Hij

m

Je

gelijkt die met den loop der zon Gelijk de zon m
oogenblik, van uit het Oosten waar zij opgaat, de gehe®

1) Hetzelfde beeld gebruikt bij ook 13 \'Beghin., bl. 120 vgg. eu 136 vgg-

-ocr page 261-

•243

cle^^\'^^^ verlicht, doorschijnt en verwarmt, zóó hlikt en schijnt

^ eeuwige zon, Christus, die woont in het hoogste deel van

geest, en verlicht en ontvonkt hij ket lagere deel der

dat is ket lickamelijke kart en de »gkevoelike

, \' ® • k)it gesckiedt in minder dan een oogenblik. Om
het te Ir • •

Kunnen zien moet men inwendig met verstandige
oogeij ■ j •• • •

jj^l^ • zijn, want Gods werk is snel. Ckrislus de

^^^^ ^onne" ontvonkt bij zijn inwendige toekomst ket

^Uril krackten der ziel door de

hra l^itte zyner inwendige toekomst, gelijk ket vuur de

oefe • ^ ontvlammen, en kij spreekt: Ga uit met

^ugen, naar de wijze dezer toekomst!

^^ijze ^^^ ^^^^ Werkende Leven wordt nn ook in deze eerste

die • kinige oefening een reeks van deugden ontwikkeld,

Zewf -n orde uit elkaar voortvloeien. — Uit de hitte,

komt:

van kart: »want wi en mogken niet gke-

^od^ •• vercrighen, en si [= tenzij\'] dat die gbeest

één end^^ ontfuncke in onser kerte. Want dat vier maect

ovejf , gkelijc, in alle die dinc diet verweldigen ende

»enie}^ • ^ ^i^\'Ck." Deze »enickeit" wordt aldus gedefinieerd:

Hen jj^ ^ ^^ l^eni die menscke gkevoelt vergadert van bin-

^i^akt ^ ^llen sinen crachten in enicheit sijns herten." Zij

^anient^gj^^^^*^^^®^^ vrede en rust des harten; zij is een band die

Uit-, . \' omvat lichaam en ziel, hart en zin en alle
en --

I

^ysteu^g^^® ^^ ^ ^• ^^^^ — "l® vindt hier weder dezelfde

iï\'üio- behandeling als vroeger — want niemand kan

> a Znn •

^^id ■ eenig, d. i. vergaderd in zich zeiven is.

^^^ken I ^^\' gevoelig vuur van minne, dat de geest ont-
den mensch van binnen doet branden,

is. " \' ■"

Weet van waar het komt of wat hem geschied

Üit

evoei-^^"^^®\'\'^ komt voort:

^e liefde, die \'s menschen hart en de begeerlijke

a

k

6"

een innig

"loorstroomt. Wederom kan alleen hij, die
^^^ordt, "^^^e liefde bezitten. De liefde, die hier bedoeld

^^de, hegheerlike smakende ghelost, die men heeft te

fot enen ewighen goede, daer al goet in besloten

IC*

gj^ . * iicnaam eu zj.ei, iiarü en zin
[n^j^^\'^^^\'lige krachten. Uit deze eenigheid komt:
„ gbeid: wanf _
rlo -o^T-irU Liav ^

dat bij

-ocr page 262-

•244

is. ... Innighe liefde vertijt ende versmaet liclitelike alle dinc,
op dat si vercrighen moghe, dat si mint", üit deze gevoelige
liefde spruit voort:

Devotie tot God. Zij kan alleen leven in menschen, die liefde
tot God in het harte dragen. Wat hy met deze devotie
bedoelt
drukt Ruysbroeck aldus uit: »Devocie dat is, alse dat vier der
minnen ende der liefden sine vlamme der begherten op gheeft
te hemele. Devocie roert ende stoect den mensche van buten
ende van binnen ten dienste Gods. Devocie die doet bloyen
lijf ende ziele in eren ende in werdicheden vore Gode ende
vore alle menschen. Devocie eischt God van ons, in alle den
dienste dien wi hem doen seien. Devocie purgeert lijf ende
siele van al dien dinghen die ons letten ende hinderen moghen-
Devocie wijst ende gheeft den rechten wech der salicheit". ^^^
innige devotie, en daaruit • alleen, ontspringt:

Dankbaarheid. De vrome man laat hier zijn definities weg»
om, eensklaps aan zijn vol gemoed den teugel vierende, nit t®
roepen: »Wi seien met rechte Gode danken ende loven, waï^^
hi ons, verstendighe creaturen, ghescapen heeft, den hemel end^
die erde, ende die enghele in onsen dienste
ghoerdent en^®
ghevoeghet heeft; dat hi om onse sonden mensce worden es,
hi ons gheleert ende gheleeft ende ghewiset heeft, ende dat
in oetmoedighen abite ons ghedient heeft, ende ene versm^^\'^®
dood om ons leden heeft, ende sijn ewighe rike ende hem sel\'^®^
te lone ende oec te diene ghelovet
beloofd] heeft; ende w
hi ons in onsen sonden ghespaert heeft ende daar na te ^^
vergheven wilt ofte vergheven heeft, ende sine gracie
ende si^^®
minne in onse siele gestort hevet; ende dat hi in ons ende m®
ous eweliken wonen ende bliven wilt;
dat hi ons, al onse

levedagb^\' -

met sinen edelen Sacramenten, na al onser behoeften, visen^®^\'®^
wilt ende ghevisenteert heeft, . . . Ende dat hi ons die nat^ ^^
ende die Schrifture ende alle creaturen tenen [=
tot een]
ende tenen spieghele vore gheleghet heeft, op dat wi m®^
ende leren hoe wi al onse werke bekeren seien in dogh® ^^^^
Ende dat hi ons ghesonde [=
gezondheid], cracht ende
ende,
bi wilen, ziecheit om orberlikheit verleent
ende uitwendighe noetorft [= nooddruft] ende inwendig ^^
pays ende vrede in ons ghesticht heeft; ende dat wi kerstene n^-

-ocr page 263-

•245

\'^aghen, ende van kerstenen menschen ghehoren sijn. Hieraf
n wi Gode hier danken, op dat wi hem daer boven ewelic
^ en". Maar ook hier moeten wy God loven met al wat wy
\'^ö.üen verrichten. » Gode loven dat is dat eyghenste ende dat
ï*^\'®Perste werc der inghele ende der heylighen in hemelrike,

ende der

loV:

ziel^"^ ^^^^ begeerte, met woord en daad, met lichaam en met

\' en inwendig. »Die Gode niet en loven, seien ewelike
otOjn ViT )

^ Oliven". Het hart dat vol is van den lof des Heeren,
^ b^ert dat alle creaturen God loven zullen. God te loven,
ttieT^^^ komt nimmer een einde; want dat is onze zaligheid; —
^eeht zullen wy Hem prijzen tot in eeuwigheid. — Uit
^ge dankbaarheid en lof komt voort:
^eërhande wee van herten ende pine inder
Het eerste wee is het gevoel dat men te

be

vuur aan de kook wordt gebracht. »Alse dat
e
Vier, overmits sine hitte ende siue cracht, op ghe-
heeft dat water ofte andere licore toe den walle,
sine hoechste werc. Soe drayt dat water ende valt
den selven gront, ende wert dan weder opghe-
tot den selven werke van crachte des viers: alsoe
"ivend altoes wallende si, ende dat dat vier altoes

ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des
Inerte ^ Gheest. Het drivet ende stoket ende jaghet dat
Gode ^^^^ ^^^ crachte der sielen tot den walle, dat es

\'^eide ^ dankene ende te lovene, na die wise die ic vore
ghee t ^^^^ weder op den selven gront daer

® Gods herret: alsoe dat dat vier der minnen altoes

^^^■even

Weder

^^■even
dat

dat

dri

niinnender menschen in ertrike". Men moet God

gbeerten".

Voel ^^ lof, in eer in Gods dienst. Het tweede: het ge-

in p zooveel, als men wel zou willen, toeneemt

^aa d\' ^^ deugd, in trouw, in volkomene zeden, opdat men
b Worden zou God te danken, te loven en te dienen
ejjj^ euooren. Beide zijn zij wortel en vrucht, begin en
Grod inwendige deugd. Dit gevoel van tegenover

eerst ^ ^^^^ ^^ schieten in liefde is het hoogste dat in deze
^^\'Oeck ^^^^^ ^^^ Innige oefening bereikt kan worden. Ruys-
^Psti deze wijze van het Innige leven in haar

Van nederdalen met het water dat door de hitte

^atuerlik,

-ocr page 264-

246

berne, ende dat dat herte des menschen altoes danke ende
love met vs^oerden ende met werken, ende altoes in
nederhe-
den blive: soe dat men groet achte dat [= dat gene luat]
men doen sonde ende dat men gherne dade, ende cleyne achte
dat men doet."

Nu begint de tweede wyze der innige oefening. Wan-
neer de zon in de Meimaand steeds hooger klimt en in de
Tweelingen komt, dan heeft zy dubbele kracht in bloemen en
in kruiden en in al wat in de aarde groeit. Wanneer dan
,de planeten, die de natuur regeeren, wel geordend zijn, al
naar de tijd van het jaar dat behoeft: dan geeft de zon haai\'
schynsel op de aarde en. trekt de vochtigheid op in de
lucht-
Daarvan komt dauw en regen, en hierdoor weder vruchtbaar-
heid. Zóó is het ook op het geestelyke gebied. Wanneer
de zon Christus in ons hart staat boven alle ding, en al
wat den geest contrarie is geordend is en bedwongen, de
deugden betracht naar de wijze der eerste oefening, en door
de hitte der liefde al de heerlijkheid, die men geniet in b®^
wezen der deugd, met dank en lof Gode wordt geofferd: dan
daalt daarvan somtijds een zoete regen van nieuwen
inwendigen
troost, en een hemelsche dauw van goddelyke zoetheid
neder in de ziel. Dit is een nieuwe toekomst van Christn®
in de minnende harten, waardoor de mensch tot een hooger®
wijze dan de vorige verheven wordt. Dan spreekt ChristnS
weder: »Ga uit naar de wijze dezer toekomst."

Zooals nu vroeger de deugden en plichten in geregeld®
aaneenschakeling werden ontwikkeld, zoo worden thans
gaven Gods in hare opeenvolging voorgesteld. Wij znU®^
terwyl wy den loop van het Innige leven steeds
verder ^ol\'

de

God

gen, hoe langer hoe meer de werking aan de zijde van

vinden; en geen wonder, want de mensch heeft immers
de voorafgaande stadiën in activen zin bijna alles
gedaan ^^^
hij doen kon. Doch dit in het voorbijgaan! Uit deze z^e^-
beid komt voort: i)

1) Bruiloft, bl. 59—72.

-ocr page 265-

•247

^^Weldieiieit [=: weligheid] der herten ende alle der

J iker crafte." Het is dan alsof de mensch inwendig in

_ ne door God omhelsd wordt. Dan zinkt God »oyermits

hT ^^ hart, met zóóveel troost èn vreugde dat

® hart er van overvloeit. Dan smelt het hart weg en de

kan zich niet inhouden van wege de volheid der

^nwendige vreugde. Dan merkt de meusch eerst hoe ellen-

b diegenen zijn »die buten minnen wonen Uit deze

\'"^^^Iden" komt voort:
G

^^^ Westelijke dronkenschap. Wij hebben den lezer
Ser reeds op deze characteristieke plaats opmerkzaam ge-
»Gh \' ^^ ^^^ znllen haar nu in haar geheel mededeelen.

eestelike dronkenheit maect in den mensche menighe
end ^ ^^niere. Selke
[= sommige] mensche doetse singhen
grot loven van volheden der vrouden, ende selke doetse

(lee ^ wenen van weiheden des herten. Selken maecse

ïüoet ^^^^^^^^ ongheduricheit in alle sine lede, soe dat hi
des springhen, trepudieren [=
dansen]. Selken noept

dronkenheit alsoe sere, dat hi moet met den handen
ende ^ ^ plauderen. Selc roept met luder stemmen,

zwigi volheit die hi ghevoelt van binnen, selc moet

dünct ^^^^ smelten van weelden in allen sinnen. Bi wilen
diin ^^^ ^^ werelt dies ghevoelt; selke wile
in hem dat nieman dies en ghesmaect daer hi
npv,,^ ^aect es. Dicwile dunct hem dat hi dese welheit
hejj^ ^ ^ Verliesen en mach noch en sal; bi wilen wondert
^^nnet ^ nienschen niet godlic en werden. Bi wilen

Vele a^i ^^^ alleene al es, ende niemene alsoe

ofte hem. Bi wilen wo-^d^rt hem wat die weldicheid si,
Weldi^^ll^^^ ®i comt, ofte wat hem ghesciet si. Dit is dat
dat , ^Wen, nader lijfiiker ghevoellicheit (sic)
Wejt ^^ " mensche vercrighen mach op ertrike. Bi wilen
"Welheit soe groet, dat den mensce dunct dat sijn

1) De

\' \'^^innere zich de ontmoeting van Euysbroeck op de straat te Brussel,
S) Zie bo\\-e 123.

, Andere 182, Sp. d. e. Z., bl. 156.

bobben preJeen, evenals de uitgave van 1624. Hier wordt zeker
louleere als iemand die preekt. Zie David, bl. 74, in de noot.

-ocr page 266-

•248

lierte scoren sal. Van alle desen menichfoldigheu gaven ende
wonderliken werken, soe sal de menscke loven en danken,
eren ende werdigken [=
eerbiedigen] met oetmoedigker ker-
ten den Here, die
al dit vermack, ende danken kem met
ynnigker devociën, dat kyt doen wilt. Ende altoes sal die
mensce werken in sire herten, ende spreken met den
monde
ende met gherechter meyninghe: »Here, des en bin ic niet
weerdich: maer uwer grondeloser goeden en uwes
onthouts
[= verblijf] behoevic wel." Dat deze dronkensckap niette-
genstaande kaar bedwelmende zaligheid, haar gevaarlijke zijde
keeft, begrijpt Ruysbroeck zeer goed. De menscken, die pas
kun »keer" zyn begonnen (d. i. hun afkeer van de
wereld
en kun toekeer tot God), zijn nog zwak en nog niet bestand
tegen groote verzoekingen en tegen ket pijnlijke gevoel, dat altijd
op de Eestase volgt, ket gevoel namelijk van door God
verlaten
te zijn. Gelijk de jonge bloemen en kno]3jes in de Meimaand
veel van rijm en nevel kebben te lijden, zoo wordt dengenen,
die pas dit stadium zijn ingetreden, veel kwaad berokkend
door de gedackte, dat zij troost verdiend kebben, en door de
begeerte stil te willen rusten op inwendige zoetheid.
zyn rijm en nevel op geestelijk gebied. Daardoor
wordt de
luckt der rede verduisterd; de krackten, die open moeten ziji^
en bloeien en zich tot vrucht zetten, sluiten zicb weder, en
de kennis der waarheid gaat verloren. Er is een juiste
blik voor noodig om de ware zoetkeid te ondersckeiden van
de valsche, die door den »viant" wordt gegeven en

eindelijk

den mensch verleidt. Om dit te voorkomen moet men, naar het
voorbeeld van de bij, niet rusten op eenige bloem maar »al gh®\'
laden" met dafisk en e^ere weder verder vliegen in de eenigkei\'^
waar men met God wonen cn rusten wil in eeuwigkeid. ^^^
is de tweede wijze der innige oefening i).

Wanneer de zon kaar koogste punt bereikt, in ket teeken
van den Kreeft, en zij niet kooger kunnende stijgen, acktein
begint te gaan: dan is de hitte het grootst. De zon tre

1) Bruiloft, bl. 72—77.

-ocr page 267-

•249

^Ü® Vochtigheid op, de aarde wordt droog.... en de vrucht

het meest. Zóó gaat het ook weder wanneer de Zon

op het hoogst is gestegen, boven alle troost en gave

^ Zoetheid, zoodat die niet meer smaken of hinderen kunnen.

trekt Christus alles wat in ons is tot zich op. Wanneer

Zy ^^^ ^^^ opgeven om alleen Hem te zoeken, dien

mint, dan begint de derde wyze van innige oefening,

Ch ■ mensch gesierd wordt naar de begeerlykheid.

trekt het hart en al de krachten der ziel opwaarts

^ich daarmede te vereenigen en spreekt: »Gaat uit u zel-
Ven nif ■ .. .

tot my, naar de wyze dat ik n trek en ik dat van u

I^it trekken en eischen kan niet bewezen worden voor

Om te verkrijgen wat men bemint. Men luistert

^lysb:

lïSg\' spreekt van Tiore vjoet of orewoet, ore woet, oerewoet, zooals

het enkele eodex (dc L van David) heeft verwoetheü. Surius

. Womvl .. ^ \'

Voord
met

111 quaestie door aestus. Het is etymologisch oorwoede, en
oorsprong, oorzaak enz. verklaard worden.

eisch!
\' gi\'ove

^^gevoelige menschen, want het is inwendig. Voor de
geert ^iel is het liefelijk boven alles. Van vreugde en be-
ader " zich het hart in vreugde en begeerte, en alle

dat en alle krachten der ziel begeeren, wat God eischt

jjigg^^^^^^\'^\'^bt zal worden. Het hart gaat zóó wijd open, dat men
^Ofdt ^^^ ^^^ ^^^^ weder zal kunnen sluiten. Daardoor
te ■■ ^^ mensch van binnen in het harte gewond. Gewond
djg minne, is het zoetste gevoel en de zwaarste pijn

Zeker^^^^ "herdragen kan. Gewond te zijn van minne is een-
t^ïzelfd ^ ^^^ genezen zal. De geestelyke wond doet

het

wèl en wee. Dan schynt Christus weder in

Wond^^^*^^ opene hart en eischt eenigheid. Dit vernieuwt

het Qj^ ^^ ^^ de kwetsuren. Dat gedurige eischen en nooden,

^ïiïio- ^ moeide zich opheffen van den mensch met inspan-

§eer,jg ^ krachten, de bewustheid dat men toch de be-

^\'^^^a.akt^^^^^^^^^ ^^^ bereiken: dat alles te zamen ver-

hitte der ^^^ geestelijke kwelling, die telkens door de

^"^^niieer die Christus in de ziel zendt, verergert.

^iet nu alzoo God niet verkrijgen kan en Hem toch

rij ^^^^ kan ontberen, dan ontstaat er hevige

njp groote ongedurigheid. Men wil alles lijden,
tan,

lUOn

-ocr page 268-

•250

niet naar rede, voordat men het geliefde hezit, Znlk een
gloeiende ijver verteert eens menschen hart en drinkt zijn hloed.
De lichamelijke natuur wordt hier heimelijk gewond en ver-
teerd, »sonder arheit van buten" (d. i. zonder Ascese).
Intusschen
rijpt gedurende dit alles de vrucht van de deugd en dat veel
sneller dan in de vorigen wijzen. De Zon komt van den
Kreeft in het teeken van den Leeuw, en neemt onderwijl»
hoewel dalende, zeer in warmte toe Evenzoo zendt Christus
— Ruysbroeck houdt zijn beeld steeds vast en voert het tot
in de uiterste consequentie door —• steeds warmer en warmee
stralen, zoodat den »woedighen" mensch het bloed
verkookt
en hij somtijds wenscht ontbonden te zijn, om met zyn ge\'
liefde vereenigd te kunnen worden. Dan slaat hij de ooge»
omhoog, en ziet
»de hemelsche sale vol gloriën ende vrouden»
ende sijn lief ghecroent daer binnen, uitvloyende in sine hey
lighen in riker weelden ende hi [=
en dat hij] des derven
moet." En dan schreien sommige menschen bittere tranen»
wanneer zij de ellende zien, waarin zij gekerkerd zijn en die
zy niet ontgaan kunnen. Maar juist deze tranen
bekoele»
hun gemoed; zij brengen hen tot bedaren en geven hun krach^^
en macht de »woedighe wise" uit te houden. Uit dezen ij"^®\'\'

L

en ongedurigheid worden nu zulke menschen van tijd to
tijd getrokken boven zinnelijkheid in den geest, en dan worde»
hun Avoorden toegesproken of heelden en gelijkenissen getoond»
waarin hun de een of andere waarheid, die zij of andere mensch\'^^^
noodig hebben, of ook wel de toekomende dingen worden geope^^
haard. Dit heeteu revelatien of visioenen.
Zijn het lieh^
melijke beelden, dan ontvangen zij ze in de
verbeeldingskrac ^
Is het verstandelijke waarheid of geestelijke gelijkenis, ^^^
Grod zich op grondelooze wijze openbaart, dan ontvangen zij di® _
het verstand, en kunnen zij die in woorden
brengen voor ^^^^^^
dat mogelijk is. Een andere soort van Ecstase
beschrijft ^^^^^^
broeck aldus: »Bi wilen mach oec die mensche ghetrocl^

1) Vgl. 12

[— mc

Begh., bl. 124: „Ende dan laten wi ons in die Gods gl\'®
die alles mechtich is: ende alsoe comen wi inden Iii

coninc ende prince es van allen wilden dieren. Hi heeft die tande soe s \' ^
eet die beene metten [— iegelijh met hef] vlej\'sche, ende alsoe ghelijct hi
minnen Gods, die al verslynt, verteert ende verhornt, dat daer in comt.

-ocr page 269-

•251

Verden boven beni selven ende boven den gheeste... in een
onbegripelyc goet, dies hi nemmermeer ghewaerden [=
in
\'\'^^Ofden brengen]
noch ghetoenen en can, na die wise dat hijt
ende saeh, want horen ende sien es één in dien een-
^oldiglien werke ende in dien eenvoldighen ghesichte. Ende
. ^^ch nieman werken in den mensce dan God alleene sonder
^^iddel, ofte sonder medewerken enigher creaturen. Dit betet

^ 9i n  O

Ptus, dat is alsoe vele gheseit als gheroevet ofte overghe-
^ nien ofte wech ghevoert" i). Somtijds geeft God aan anderen
Mik^ ^hhken in den geest, gelijk aan de flikkeringen des
Zei wordt de geest in één oogenblik boven zich

^ en gevoerd, en dadelijk is het licht weêr verdwenen, en
. de mensch tot zich zeiven. Dit werkt God zelf, en het
^■^oi^d^^ ®del, want de zoodanigen, bij wie dit plaats vindt,
hebb^^ \'-^^h\'wyls verlichte menschen. Weêr een andere manier
leven^^ ^^natijds deze menschen die in »woede van minnen"
lijj^ hun ziel schynt van tijd tot tijd een licht middel-

Je

_ — —------, — — — ------------------ —

^üth , 1 ^^ genoegen zóó groot, dat het hart het niet kan

Wen\'^^^^\' ^^ét vreugde luidkeels uitbarst. Dit heet »Jubi-

niet Jnbilacie", dat is een vreugde die men met woorden
^en H®^ ^^^^ zich hierin niet bedwingen; wanneer

VolgJ\'^^^lyk licht wil ontmoeten, dan moet de stem na-
S\'Hrlej, \' als de oefening en de wijze duurt. — Weder

worden door hun engel of door andere engelen
sommigen niet zelden aangaande
^l^^igen, die zij noodig hebben te weten,
^^ïtseh ^eet hier even goed, als bij de geestelijke dron-

Als onderscheid

te maken tusschen waarheid en bedrog.

"Meri hij de overeenkomst met de Heilige Schrift.

hben . selke menschen die vele invals

\'■Men insprekens; ofte dunkens, ende

nochtan blivende

de I3 gewerkt. Daardoor verheft zich het hart en

^geerlijke kracht tot dit licht, en in de ontmoeting daarvan

de

^^\'^-\'ider- ^^^ ^^^ buten, ende [= ook indien] hem droemet
^^nt J dese

bl. 82.

- en weten van woede van minnen niet,
menichfuldich ende onghewondet van minnen.

1)

^\'■Uiloft^

-ocr page 270-

•252

Dit mach natuerlic sijn, ofte vanden viant ofte vanden goeden
enghel. Ende hier omme, alsoe verre alst der heyligher Scrif-
turen ghelijc es ende der waerheit, soe mach menre afhouden
ende niet meer: wilt menre meer af houden, men werdet lichte
bedroghen"

Het zal den aandachtigen lezer misschien verwonderen dat
Ruysbroeck de visioenen en Ecstasen plaatst in dit stadium,
omdat men allickt zou verwackteu, dat . hij die tot den derden
graad, dien van
het Schouwende leven, zou bepalen. De verdere
ontwikkeling van zijn Mystiek zal eckter duidelijk doen zien
dat zijn Mystiek zóó koog boven die van de meeste
Mystici
uitgaat, dat, waar zij eindigen, bij hem nog slechts de aanvang
is. Visioenen en revelatien waren in zyn oog op lange na
niet voldoende om iemand tot een volkomen Mysticus te
maken. Verre van dus reeds hier het einde der Mystiek te
stellen, spreekt hij van gevaren aan dezen toestand van over\'
matige warmte verbonden. Vooreerst kan de lichamelijke natunr
verdorven worden. Wanneer men lang op dit standpunt blijft
staan, verdort het lichaam, »rechte alse die boem in heten
lande" Ten tweede, gelijk er in groote warmte soms honig\'
dauw valt van een zekere valsche zoetigheid, die de vriich^
besmet of geheel en al bederft, zoo worden ook sonimig®
menscken bedrogen door een valsch lickt dat »die viant
werkt. Allerlei gezickten en openbaringen geschieden
mensch daarin, en daar vallen somtijds honigdruppels

1) Bruiloft, bl. 84. ^^^

2) Zeker opdat niemand hierdoor zou afgeschrikt worden van deze vvijz® ^^^
Innige oefening laat Ruysbroeck tot troost volgen; „en hi stervet in
woede ^
minnen, ende vaert sonder vaghevier te bemelrike. Al stervet hi ^ ^^
die van minnen stervet, noclitan, alsoe langhe alse die boom goede vrucht
mach, soe en sal merre [=: men heni] niet afhouwen ende verderven."

bl. 85. \'

8) Dit physische verschijnsel, vroeger als een van den hemel ^

dauw beschouwd, is een gevolg van een, voornamelijk van de weêrsgeste ^^^^^
afhangende, overmatig sterke honingafscheiding in de planten zelveii. iJi

luizen, die in grooten getale op de zoetheid van den honing aankomen,
lateren tijd dikwijls te onrechte als de oorzaak zelve van het verschijnsel beso
Zie o.a. de
Nat. Gesch. van de Planten v. Prof. II. C. van Hall in üiH«"®
maaUheden, enz. Deel IV, bl. 102, en het artikel lionigthau in de groote
faedie v. Ersch en Gruber, Leipzig 1818—1874 ff.

-ocr page 271-

•253

v^-lsche zoetheid, die den mensch wel behaagt. Die hier veel
houdt, krijgt er ook veel van: Zóó wordt de mensch licht
esmet, en omdat hy het hem geopenbaarde waarheid acht,
^ rogea. Het beste en eenige criterium is de Heilige Schrift.
y], deze wijze moet men een voorbeeld nemen aan de mieren,
y Werken \'s zomers voor den winter; zy gaan altijd één weg;
Wachten haar tijd af om te vliegen. Zóó moet ook de

m den tegenwoordigen tijd deugden vergaderen voor de

^^Uwigi^gj^. altijd den weg der minne gaan, en met vliegen
eontempieeren den tijd afwachten, tot dat hij volmaakt is
^^^Üe deugden 1).

erwyl de zon haar loop aldus voortzet, komt zij steeds dalende
m het
de
f^l \'1 \'

^omt type van de geestelyke. Ook in de laatste

■ de zon steeds lager aan den horizon: Christus namelijk
gaat

hitte

Ch;

Hit
en

^istus

de geestelyke wijze in den mensch: »Ga uit naar

^y^e die ik u nu toonen zal!" Zóó gaat dan de mensch
eii 1 ■■ •

^y vindt zich arm en verlaten. Dan wordt alle storm
^Woet"

eeten

en ongedurigheid van minne verkoeld, en van den

een herfst, en van alle rijkdommen groote
^ijtis \' beghint die mensce te claghene van jammer

lovgjj waer de hitte van minnen, innicheit, danken,

ghe ^^^^ gbenoechten ghevaren si; inwendich troest, inne-
hleven^*^^*^^ ^n*^® die ghevoellike smaec, waer hem die ont-
^li ye ^^^^^ ^^^ minnen, ende alle die gaven, die

fechte ®^oelde, hoe hem die ontstorven sijn. Soe es hi
Wt.\'\' ^ een ontleert mensche, die cost ende arbeit verloren
ïlii wordt de mensch mitsroostig over zijn verlies.

yk bepaalt zich zijn ongeluk hier nog niet bij.
^oedereji ^og daarenboven beroofd van aardsche

teeken van de Maagd. Dan begint de hitte te min-
\' en de oogst wordt binnengehaald. Ook thans is de stof-

Zich verbergen en den mensch verlaten, en
ongedurigheid beginnen af te nemen. Dan spreekt

^"^^^niaad ^^^ \'vrienden en magen, verlaten van alle creatuur,
\'^\'\'^e nien ^^ verworpen door zijn omgeving. Sommigen van
Sehen vallen in menigerlei plaag en ziekte. Anderen

bl. 77.

-ocr page 272-

•254

vallen in licliamelüke of wat nog veel erger is in geestelijke
verzoeking. Uit deze armoede komt angst van gevallen te
zijn en half en half twijfel aan Gods hulp. Dan moet de
mensch troost zoeken hij anderen en hulp en voorbede afsmee-
ken van de heilige kerk en van alle goede menschen. Dan
moet hij tevens bedenken, dat hij van zich zelven niets heeft
dan gebrek, en in lijdzaamheid met Job
zeggen: »God gafr
God nam: alzoo als het den Heer behaagde is het geschied.
De naam. des Heeren zij geloofd" En verder moet
hij
spreken: »Here, alsoe gherne willic arm sijn van alle dien
dies ic heroevet bin, alse rike, Here op dat ghijt wilt ende
u eerlic si. Here, niet mijn wille nader naturen, maer n
wille ende mijn wille naden gheeste, die moeten ghescieii?
Here, want ic u eyghen bin, ende alsoe gherne sijn wille in
die helle alse in den hemel, op dat u loffelic si, doet u edel-
heit, Here, met mi" De mensch moet zich van zijn ly
den een vreugde maken en zich verblijden, dat hij lijden niag
tot eer van God. Dan zal hij een innig genot smaken.

De zon komt nu, haar loop voortzettende, in het teeken va»
de Weegschaal\'^). Ook Christus staat nu met den
lydzanien
mensch in de weegschaal. Immers wat hij ook geeft, het ZÜ
zoet het zij zuur, het zij duisternis het zij licht, wat hij ook ii^
de schaal legt, de mensch maakt de balans gelijk. Alle dinge^^
zijn hem om het even. Juist als de onderworpen mensc\'^
meent alle deugd te hebben verloren en door God verlate^
te zijn, juist dan is het tijd, dat hij allerlei vrucht kan ver-
gaderen d. i. alle deugden en lijden blijmoedig Gode
ten offe^
brengen, en alle troost ooit door God gegeven gaarne

1) Jo6 I : 31. jg

3) Op dat heeft hier de in het Middel-Nederhandseh zeer gebruikelijke bette

van indieti. Enysbroeck bezigt het dikwijls in dezen zin. Zie bijv. 13 Bey^\'"\' ^
11, 100, 148, 159;
V. 13 Doghed., bl. 85, 86, 99; v. VII Sloten, bl. 78;
mice d. Ghel, bl. 156, 167, 318, 334 enz.

3) Vergelijk hiermee wat hij aan Geert Groote zeide. Zie boven, bl.

4) Vgl. 13 Beghin., bl. 130.

-ocr page 273-

•255

^^iitberen. Door het leven van zulk een mensch worden allen
hem kennen en die
hij hem zijn gebeterd. Dat is het
Van den oogst, dat weder gezaaid wordt. Dit is de
^^erde manier van Innige oefening. Evenals de vorigen
heeft ook deze »wijze" haar hinderpalen. De natuur

üie- \'
te

^ert,

allej.^ •

geestelijke krankheden. Evenals de bedorven maag
ftet heeft

naar goede spijzen, zoo haakt het bedorven
■ deugd. Men wil wel gaarne troost van
en, maar zonder pijn; men meent dat het lichaam

^od deugd. Men wil wel gaarne troost van

^^ebb^^*^^ genoeg geleden heeft en daarom wel wat rust mag
^\'•^eht^^\' ^^ ^^^ lieverlede wordt die rust in de creatuur ge-
\' ^^ornamelijk dreigen hier twee geestelijke ziekten, aan
i^an T- ^®®®hrijving Euysbroeck al zijn talent ten koste legt,
0 geestelyke waterzucht en geestelijke

ij^ »Alse de mensche aldus in onghesontheden ende

es ^^^\'^^^\'\'heden valt, soe laet hi bi wilen dat water dat
uutwendigher hebbinghe erdscher din-
Shere^^ ^^^^ mensche meer vercrighen, soe si meer be-
^^I\'etijt laden dat water. De lichame, dat is de

doj-gj- ^^de de ghelost, dat wert hem sere groet: ende de
^Me ^^indert niet; maer dat aenschijn der consciencien
ken I ^®®\'^hedenheit wert smal ende magher, want si ma-
üat ende middel

den invlote der graciën Gods. Eest
^^ dat • erdscher hebbinghen laden biden herten, dat

jj^ ^^ zij er\\ met ghebrukeliker liefde op rasten, soe
^ijn pj\' ^^iet wandelen in werken van caritaten, want si

\'. inwendighe gheest ende die adem is hem te
gracie Gods ende ynnighe caritate gebrect
^^^^ hieromme en moghense des waters erdscher rijcheit

^öït.

®ranc:
dat

^osen-

eseig^ \' dat herte werter mede omvaen, ende dicwile

öat

ewichs doots in versmachten. Maer die dat
si dinghe verre beneden der herten laden, alsoe

goets gheweldich sijn dat sijs losen moghen daers

^eüt -vveêr tot voorbeeld. Gelijk in het najaar allerlei ziek-
en ongesteldheden zich in de lichamen der menschen
\'•^onen, zóó heerschen in dit stadium van het Innige leven

1)

^ater

laden — waterzucht opdoen. Sur.: hijdropisim contrahant.

-ocr page 274-

•256

noet es: al qiielense langhe in ongheoirdender gheneychtheit,
si moghen doch wel ghenesen"

Wanneer wij nu recht willen wandelen in deze vier genoemde
wijzen, dan moet Christus ons voorbeeld zijn. Christus had en
heeft nog de eerste wyze: want hij was éénig, één.
In hem
waren alle deugden vereenigd. Hij was eenig met den Vader
en tevens met de menschelijke natuur. Hij was ook innig\'
want ky bracht op aarde het vuur der minne, dat
alle heiligeii
en alle goede menschen ontstoken heeft. Hij droeg zijn Vader en
al dengenen »die sijns ewelike ghebruken seien" een gevoe\'
lige liefde toe. Zijn devotie en zijn minnend opdragei^\'l
hart brandde van liefde voor zijn vader om aller menscben
nood. Zijn geheele leven eindelijk, al zijn woord en werk wa®
dank en lof en eer des Vaders.

Ckristus kad ook de tweede wijze. Want in kem was

volkeid aller gaven, voor welke kij den Vader alleen dank^.
»Hi was die onbesmette lelie ende die gbemeine veltbloeme»
daer alle goede menschen honich ewigher soeticheit ane laden
ende ewicbs troests". Boven alles rustte hij in de hoog®
eenheid Gods. ^^

Christus had ook de derde wijze. Ofsckoon kakende naar
keerlykkeid, die kem in den kemel bereid was, heeft hi) ^o ^
te midden van al zijne ellende den tijd
afgewacht,
den Vader bepaald. ^

Toen de tyd kwam, waarop kij alle deugden voor ket hem ^
rijk kon inoogsten: toen begon de eeuwige zon te dalen;
Christus vernederde zich en gaf zyn lichamelijk
leven ^^^ ^
band zyner vijanden. Hij werd in den nood door zijn vrien ^^
verlaten, moest alle troost van buiten missen, alle
verduren. Maar hij droeg alles met geduld, en
deed
onderwerping de grootste werken der liefde, waardoor
ons onze verloren erfenis weder heeft geschonken ^

1) Bruiloft, U. 93—96. Over de vierderlei geestelijke koortsen („W\'^®"
Ruysbroeck), zie bl. 96—99.

3) Brniloft, bl. 100—103; vgl. 12 Beyh., bl. 251 vgg.

de

-ocr page 275-

257

en heeft Christus ook de vierde wgze van de innige
oefening.

b Hy keert tot zich zelven in, en richt zijn

Hiermede is het eerste stadium van het Innige Leven, he-
^^ nde in de eerste »enicheit", die van de lichamelyke krach-
\' ^%eloopen. Nu volgt het tweede, dat van de tweede
^ tichelt", de eenigheid des geestes, waarin de drie
g^lj^^^te krachten der ziel liggen. De genadeinstorting, of zoo-
nyshroeck zegt, de toekomst van Christus, die den innigen
een ^^ standpunt ten deel valt, wordt vergeleken hij
^levende fontein, die in drie »rivieren" of heken uitvloeit.
® eerste rivier is enkelvoudigheid. Zii vloeit in de

üi

jj- , ^ ^ ® en doordringt vervolgens alle krachten der ziel.

, ^^ Wordt de mensch hoven alle menigvuldigheid en

Oiicp i ^^eit" verheven en ontslagen van vreemde invallen en
ber

^em,

orie

op »bloetheit" [blootheid, dat is op de waarheid ont-
^^Vali beeld en kleed, vorm en gelijkenis] boven alle

hoYg^^^ zinnelijke beelden. Hy bezit hier wezenlyke en
en eenigheid zijns geestes als zijn eigen woning,

j) ^yn eeuwige persoonlyke erfenis.

bet

punt

\'Se;

de
all

^^bter

laan

O r--------u-----------

eede rivier is geestelyke klaarheid. Zij vloeit
^^ Verstand »met ondersceede in menigher wisen", want
dit sta^?^ waar, wanneer en ook zooals Hij wil. Op

zyn de revelatien niet meer noodig, evenmin als
Want het leven, het wezen en de geheele wandel,

^esta,

in

Is "h *

in den geest, boven zinnelijkheid. Wanneer God het

\' dan kan Hij ook hier den mensch inwendig

to,

wil

geliji,

ïoouen ^"^^y^e^i^sen en toekomende dingen op allerlei wijze
^^"^^t ^ ^nneer de mensch nu naar Christus\' woord, in dit
bij ^ elende, uitgaat naar de wyze des hchts, dan moet
nioet ^^ de eerste plaats beschouwen: zich zelven. Hij

buten, oft ^^^^

syn leven van binnen ende van
^ ^^ volcomen ghelyc draghet Christi na sire

\'^\'^^\'^iaerde-?^^^ ^^ Godheit". Vervolgens moet hij zijn
oogen ophelfen in verstandige waarheid met een

17

-ocr page 276-

258\'

verliclite rede en »merken ende anesien, creatnerlikerwys, die
hoghe natnre Gods, ende die grondelose eyghenscapQ, die in
Gode syn".
Grondeloos zegt hij, »want ere [= aan eene]
grondelose nature hehoren grondelose doeghede ende werken."
Vooral moet men in God beschouwen de mildheid,
waarmee
Hij voor allen en alles uitvloeit en in allen Zijn genade werkt,
in alle standen en alle tyden, »in heylighen ende in menschen\'\'?
in hemel en op aarde, in alle redelijke en redelooze, bezielde
en onbezielde schepselen. De aanblik van Gods mildheid en
trouw doet in
\'s menschen ziel een inwendige vreugde en een
groot vertrouwen geboren worden.
De rechte kennis van het
wezen der Godheid, van hare betrekking tot al wat
bestaat, de
kennis van gebruiken
{genieten) en minnen en ook van de deugd»
die wij vroeger als voor den mensch ontoegankelyk hebben
beschreven gevonden, is dus de vrucht van deze
eenigheid van
het Innige leven, een uitvloeisel van de door Gods
genade
zelve in de ziel gewerkte geestelijke klaarheid.

Uit de volheid der gratie Gods en de vreugde, door de be-
schouwing van Gods mildheid en trouw ontstaan, ontspringt
de derde rivier, dat is »inghegeeste hitte." Zij
vloeit
den w i 1 en doet hem gloeien en branden, en vervult hem met
minne en grooten rykdom. In dit gloeiend vuur
spreekt OhriS\'
tus: »Ga uit met oefeningen, naar de wyze dezer
gaven
dezer toekomst." Dan moet de mensch, blijvende in eenighei*!
des geestes, uitgaan met overvloedige liefde, en wel ^^
vierderlei wijze, namelyk: tot God en alle heiligen, tot de
zondaren en alle verkeerde menschen, tot hen die in

J).

Vagevuur zijn, en tot zich zelven en alle goede menschen /\'

Tot God en alle heiligen. Het zien van Gods

vloeien in Zijn heiligen en het terugvloeien van dezen in ^^ \'

m. a. w. de beschouwing van de vloedende en ebbende

der Godheid, waarvan wij boven spraken, dwingt den men^^

doet

■d

hem verlangen zelf te verbranden, te versmelten, vernx\'
te worden, ten einde ook in de Godheid in te vloeien.
De mensch moet ook uitgaan tot de zondaren: »metgro

om met alle kracht God naar waarde lief te hebben, en

ietig"\'

1) Srmloß, bl. 104—112, vgl. 12, Begk, bl. 1S8 vgg. en 187 vgg.

-ocr page 277-

259

^^passieix ende met milder ontfermlierticlieit, ende draghense te
^^ met ynnigher devocien ende met groter ghebede, ende
end ^^^^ Grode alle dies goets dat hi is, ende dat hi vermach,
^ __ e dat hi ons ghedaen ende gheloeft heeft, rechte alse ofte
1 . ^^^ghetenhadde: want hi wilt gheheden sijn. Ende
^^^itate wilt al hébben dat si hegheert; nochtan en wilt si niet

\'^■igelic
§oeden
®nde Ki

beo-T, ^^^^\'^he eene ghemeyne minne draecht, so bidt hi ende
^heit ^ \' volgen sine minne ende sine ontfermi-

jjj^^ ^^ heydene ende in Joden ende in alle onghelovighe
ij^ ^ op dat hi ghemint ende bekent ende gheloeft werde
®nielrike, ende dat onse glorie ende vroude ende vrede
werde in allen einden van ertrike".
die in het Vagevuur zyn: »Bi wilen sal de
®hend sine vriende inden Vagheviere, ende merken hare

^^ebed\' ^^^^ verlanghen, ende hare zware pine. Dan sal hi
end» ^ aneroepen die ghenadicheit ende die ontfermicheit

ende Grods, ende tonen haren [=/«mnm] goeden wille,

^^e grote elleinde, ende hare verlanghen na diere riker
ende ende vermanen, dat si ghestorven sijn in minnen

goed

en

! hare

in gjj,^ \'^"^«\'le toeverlaet vertrou,wen] steet [=: alleen berust\\
^^ ^^^^ ghenadicheit". Wanneer de aldur
^^ïdt t somtijds door den Heiligen Geest gedreven

^iel Q^ ^ hidden voor een zondaar, voor het behoud van een
^^^ de^^^\' eenige geestelijke behoefte, en hij stellig weet, dat
dwii,. ""^ihge Geest is, die dit werkt en niet eigenwil of
i^nig ^^ (^^ erygh" zegt Ruysbroeck), dan wordt hij soms zóó
•^at gebed, dat hij in den geest het antwoord krijgt,

^^^ drift \'verhoord is. »Ende inden selven tekene cesseert
^ Tot S^®®»^ ende dat ghebet" %

^od en tot alle goede menschen. Hy moet

®nx in het goede staande te bly ven. Met gemeene minne

\'fet- Q, • P-. bl .

2) ■• bl, igo dwingen wil .Ruysbroeck zeggen. Vgl. Van den

bl.

noch eenwillich syn; maer si bevelet aider riker
ende der miltheit Gods: want God sonder mate mint,
in blyft de minnende best te vreden. ^ Want nu

17*

-ocr page 278-

260

moet lig alle menschen leeren, berispen en dienen in trouw en
bescheidenheid, en een middelaar worden tusschen God en hen

Als voorbeeld van deze »gemeene wijze" wordt wederom
Christus gesteld, Christus, »die herde
zeer\\ gbemeine was, ende
es, ende blijft in der ewicbeit," want hij was »gemeen" op aarde
gezonden voor allen die zich tot hem wilden keeren. Al wat
hij had was »gemeen", d. i. voor allen evenzeer bestemd. Zijn
gebed was »gemeen". Zijn liefde, zyn onderwys, zijn beris-
ping, zyn troost, zijn mildheid, zijn ontferming, zyn ziel, zyn
lichaam, zijn leven, zijn dood, zijn dienst, alles was en is
gemeen. Zyn sacramenten en gaven zijn gemeen. Hy
gebruikte nooit spys of drank, of ky meende er mede ket
gemeene nut van alle menscken die behouden willen zijn tot
op den laatsten dag. Hij had niets eigens, niets van en voor zieh
zeiven. Ja toch iets: zyn pyn en zijn lyden, zijn
smaad en
zyn smart. Maar zelfs dit is nog niet eens gekeel waar!
immers, ket nut en ket voordeel dat daarvan gekomen is, i®
wederom gemeen. Ja ook de glorie zijner verdiensten za-
eeuwig gemeen zyn

De derde trap van ket Innige leven is de eenkeid^^

senkeid

God. Werd de genade-uitstorting in de vorige ee

ia

vergeleken by een fontein met drie rivieren, in deze eenbei

is zij gelyk aan de levende ader in de fontein: »recht

alse ene levende wellende adere ute enen levenden gronde de^

rijcheit Gods." Het werken komt bij eiken hoogeren tr-^l

van het Innige leven, zooals wij gezien hebben, altijd na ^^

op de zyde van God. »Hier", zegt Ruysbroeck, »en

nieman dan God allene van vrier goetkeit, die ene sak®

\' \'li ei

al onser dogkede ende al onser salickeit". In de ^gp

des geestes waarin deze ader opwelt, is men boven
en boven de rede. Het standpunt van de deugd is hier o

Gode

1) T. a. p.) vgl. vanden Rike enz., bl. 189. „Soe steet hi tusscen
allen menscen, als een middelere ende een peysmakere."

2) Bruiloft, bl. 119—120.

-ocr page 279-

•261

hebreden. De meusch ondervindt hier passief het »gherinen",
_ ® beroeren Gods: »want hier es eninghe der overster crachte
j enicheit des gheests boven nienichfuldicheit alre doghede".
^ deze inwendige aanraking spreekt Christus wederom: »Ga
. met oefeningen naar de wyze der aanraking"
{^des ghe-
Wat dit »gherinen" eischt is tweeërlei: van het ver-
mischt het God te kennen in Ziin klaarheid, en

Va y-É i \'

^ de minnende kracht God te »gebruiken zonder
^ ^ddel" (w^ zouden zeggen: om God onmiddelijk te genieten).
^^ dit begeert de minnende geest juist bovenal. Maar terwijl
^^^ de genade verlichte rede zich verheft en met »ynnighen
innigste des geestes, waar zij de goddelijke
Perkth\'^^ gevoelt, beschouwt, openbaart zich spoedig de be-
gan " ^^^ stadium. Want de rede »faelgiert in voirt-
bove \' ^^ ^\'^biet te kort, zij kan niet verder. »Want die
Vej^p ^Wevende godlike claerheit die dat gherinen maect, die
ghe in haren gemoete alle ghescapene ghesichen (lees:

gbe^^^^^\'^^ omdat si afgrondich is. Ende alle verstane in
ïtj^y^^^^^^n lichte houden hem hier alse die oghe der vleder-
Ya^jj ^^ elaerheit der sonne. Nochtan wert die gheest altoes
Ven gbeeyscht ende ghewect van Gode ende van hem sei-

ende grontrueren te grondene [= te doorgronden]

^^^bctt God is ende wat dit gherinen si. Ende

^««ï»] ^^\'^^ne is altoes in nuwe vraghene wanen [= van
eome, ende in nuwen grondene om te vervolghen die

adere

hi

^ert op den iersten dach alse

■ J^nde ^

in hare gronde; maer alsoe wijs es si dies

sys nemmermeer

bier omme sprect redene ende al ghemerc:

en

\'^^^-erbeit ^^^^ ^^ es"; want die boven zwevende godlike

slaat terug, kaatst terug. Sur. reper-
^idu, ^ verblyndet alle verstane in haren ghemoete.

in sire claerheit boven alle gheeste in
^^^nde, g^j ^^ erde.... Maer die gheest, die dit ghevoelt in sinen
Sodlijj ^^^^ redene ende verstannisse faelgiert yeghen
\'^^^^lend^ ^iaerheit, ende buten vore die poirte blivet, die
tracht wil nochtan voert; want si is gheeyscht

1) V.

Ic

\'ersta:

weet niet. Vgl. bovea bl. 311.

-ocr page 280-

•262

ende ghenoet ghelijc den verstane; ende si is blint ende wilt
ghebruken" — d.i. zij kan niet zien, zij heeft daar niets aan,
maar wat zij wil is gevoelen en genieten — »ende
ghebruken
leghet meer in smake ende in ghevoelene, dan in verstane"
In dit stadium van de eenheid in
Grod, het hoogste en laatste
stadium van het Innige leven, vloeien in de goddelijke aanroering
honigrivieren vol van weelde, en de geest geniet daarvan »na
alre wijs dat (hi) ghedinken ende ghevisieren [=
uitdenken,
verzinnen, zich voorstellen\'] can". Het leven is hier »minnen-
leven" in zijn hoogste werken, boven rede en verstand. »Ende
na minen verstane, en is hier van Gode nemmermeer gheen
sceden". — »Ende hem wert vertoent inden gheeste ende vore
gehouden alle dies men begheren mach. Hi is honcherich
ende dorstich, want hi siet der inghelen spi®®
ende hemelschen dranc. Hi arbeit sere in mi»\'
nen, want hi siet sine ruste. Hi is pelgrim, end®
hi siet sijn lantscap. Hi stridet in minnen oi»
victorie, want hi siet sine crone. Troest, vrede?
vroude ende scoenheit, ende rijcheit ende al dat
verblide»
mach, dat wert vertoent der verlichter redenen in Gode?
sonder mate in gheesteliken gheliken"

Het is zeker vreemd om, na uitdrukkingen als de bove»
staande, te vernemen, dat juist »hier beghint een eWi
ghieren [bij Kiliaen =
avide petere, inhiare] en voert
in een ewich ontbliven", en dat de Innige menschen op ^e^®^
trap zijn: »die armste liede die leven; want si sijn ghie^^"^
ende gulsich ende si hebben den mengherael" ; dat
en, wat

1) Bruiloft, bl. 130, 131. Hoe slordig soms de tekst vaa Arnswaldt\'s

is, blijke o. a. hieruit: zij heeft: „ind sy is bliut ind wil gebruchen lifW ^
smachea ind in gevoileu dan in verstayn." Men ziet, hier is het tweede
uitgelaten, waardoor de geheele zin onverstaanbaar wordt. Eöhringer heeft ^^^^^^^
ook wat op moeten vinden en er iets van gemaakt, dat op zich zelf beschouwd,
wat stijf, toch goed klinkt, maar in het verband niet past. Hij heeft: „und wil g"
chen Licht mehr im Schmecken und im Fühlen"
li. s. w. (a. a. O., S.

2) Bruiloft, bl. 166. ^oi

3) Dit woord komt, voor zooverre wij weten, nergens elders voor dan ^^
eens bij Euysbroeck, namelijk in zijn
Spiegel d. e. Z., bl. 157. Zeer waarschijn ij^ ,

it

Hij

verklaring, door David op delaatst genoemde plaats er van gegeven,
mengher-ael af van het Transche mange-toid, een woord, dat nog gebruikt

-ocr page 281-

•263

eten en drinken, zy in deze wyze nooit verzadigd worden,
•^ïiidat bun konger eenwig is. Wat Ruysbroeck bedoelt is
eckter eenvoudig. Het is dit: door ket dringen en drijven
^^^ de zijde van God, ontbrandt de ziel in steeds gloeiender
geerte, maar, nog niet rijp voor de zaligkeid van ket Sckou-
^^de leven, kan zy op dit standpunt nog niet gebeel in God
Pgaan. »Het ghescapen vat en can gkeen ongkescapen goet
aten." Men schiet te kort tegenover God en daarin ligt de
Van het »ewich hongherich crighen". Daarom: hier
^ ^Wel groote gerechten van spys en drank, waarvan niemand
^ ® dan hij die ze smaakt, »maer volle gkesadeckeit in
de i® ^^^ gkereckte, dat daer ontblijft." Zóó moet

onger zich wel altijd vernieuwen. Immers » al gave God dezen
ejie alle die gaven, die alle heylighen hebben, ende al dat
die mochte, sonder hem selven, nochtan bleve

^od ghier des gheests hongherich ende onghesaedt.

end ^^^^^\'ligke rueren ende gkerinen maect ons hongherich
ons crighen; want die gheest Gods jaghet onsen
^^y b\' gherinens, soe meer honghers ende crighens".

®eben noemt dezen toestand een stryd der minne tus-

geest en onzen geest. God neigt zich door den
gera^^^ ^eest in ons en daardoor worden wij in liefde
Werif geest drukt en neigt ziek, overmits Gods

^od ^^ ^^ niinnende kracht, in God en daardoor wordt
Van h f^^^^^oerd. Hieruit ontstaat de minnestrijd, die
^aarb^-*^^ grootste keftigkeid gevoerd wordt, en

dat ig^\'\' ^^^^ P^\'rtij ten zwaarste wordt verwond. »Dese -ij- gheeste,
een • gkeest ende Gods gheest, blieken ende lickten die
Bit anderen, ende elc toent den anderen sijn anscijn.

^ndetg " ®e^Paerlike die gkeeste met minnen den enen inden

deren dat

[=: streven, contendere~]. Elc eysckt den an-
hi biedet ende nodet den anderen dat

^ doet de minnende vervlieten. Gods gherinen ende

als abstract substantief, overeenkomen met liet Grieksclie
geeuwhonger. — De schrijver van David\'s HS. D geeft in
vraet, of den ffhier, of den, heeten onversadeliJeen hongher
^itsche Hemhunger).

Het

iertal

«yf« d. i.

0(0,

^«t nui

-ocr page 282-

•264

syn gheven, onse minlike erighen ende onse wedergheven, dit
hout ghestade de minne. Dit vloyen ende dit wedervloyen doet
overvloyen die fonteine der minnen. Aldus wert Gods gherinen
ende onser minnen erighen, ene eenvoldighe minne. Hier wert
de mensce van hinnen heseten, dat hi sijns selfs
ende Gods moet
vergheten, ende niet en weet dan minnen. Aldus wert die
gheest
verhernt int vier der minnen, ende comt soe diepe in Gods
gherinen, dat hi wert verwonnen in al sijn erighen, ende gheet
te nieute in al sijn werken, ende werct hem ute, ende
wert
selve minne boven alle toevoeghen, ende besit dat ynnichste
sire ghescapenheit boven alle doghede, daer alle creatuerlike
werken beghinnen ende inden [= eindigen]. Dit is minne
in haer selven, fundament ende gront van allen doechden
Nu behoort levendigheid en vruchtbaarheid in deugden tot het
grondcharacter van onzen geest, en daarom kunnen zij^^
krachten niet in deze »enicheit" blijven. »Want die
onbe-
gripelike claerheit Gods ende sine grondelose minne houdet
hare boven den geest, ende roeret de minnende cracht; end®
de gheest valt weder in sijn werken, in hoghere ende in yi^\'
nighere erighen daer hi ye te voren was. Ende soe hi
ghere ende edelre es, soe hi hem snelre nut werket ende \'t®
nieute in minnen, ende valt weder in een nuwe
werken, ^^
dit is hemelsch leven. Altoes waent die ghierighe gheeS^
Gode (te) eten ende (te) verzwelghen; maer hi blivet in Gods
gherinen selve verzwolgen, ende faelgiert in al syn
werken-
Hier es een ewich utevloyen in caritaten ende in

dogheden,

ende een ewich inkeren in ynnighen hongere om Gods te g®\'
smakene, ende een ewich inbliven in eenvuldigher
minnen- - \'

1) Bruiloft, bl. 133, 134. — Ruysbroeck schildert dezen minnestrijd i» ^^^
Van den Rike enz. als een ouweder: „Ende hier af comt inden gheeste stor®
minnen ende groet ongheduer. Nochtan bekent die minnende gheest wel so"
meer vercrijcht, soe hem meer ontblijft; mer storm ende woet van minnen ^
hem berrende ende wallende ontsprinct, dien en eau hi niet ghesaten ^^^^^

ende dat onderliughe vernuwende gerinen maect nuwe storme van minnen. ^^
die storme sijn recht alse donre [— donder] slaghen, daer dat vier der
ute sprinct alse ghensteren [of
geinsteren

J van blinkenden metale, jjjje
die vierighe blixeme des hemels. Ende dese blixeme valt neder tote in die si ^^^^
crachte; ende al dat inden mensche leeft, dat wilt opwert tote in die
eningh®\'
dat gherinen der minnen ontsprinct" enz,, bl. 100.

-ocr page 283-

•265

ende fi\'4- • . .

ait IS die ynnicliste oefeninghe, diere men pleghen mach

^^ gbescapenen lichte in hemel ende in eerde, ende hoven dit

niet dan een godsconwende leven in godliken lichte ende

wisen Gods i)."

leve^^^^^^ wi] aldus Ruysbroeck\'s voorstelling van het Innige

dat wy zijn daarmede niet geheel ten einde, voor-

^ïz ^^^ ^^^ kortelyk kennis hebben genomen van een andere

tisch ^^^ ontwikkeling van dezen zelfden graad van het Mys-

pgy^^^^^en, die hy eveneens heeft beproefd. Was vroeger het

than organisme de leiddraad voor zyn gedachten:

^aara zeven gaven des Heiligen Geestes het

het geheel wordt gespannen. Zooals zich ver-

dau ^^ is deze wyze van behandeling minder diepzinnig

Uoq^^ en draagt zij lang zoo niet het kenmerk van het

aaug]^.^^ \' niaar zy heeft het voordeel dat zij zich nauw

^^eoid ^^^ ^^^ ^^^ ^^^ werkend leven. Immers drie van de ge-

leu, ^ S^ven zijn den heilbegeerigen mensch reeds ten deel geval-

den ggg ^ ^ save van de vreeze des Heeren, die van

kuticj. ^^^ goedertierenheid en mildheid, en die van
. 5 e n V 1 .

zijn de ®®1ïbeidenheid, en haar beoefening en vruchten
de otsom van geheel het werkende leven. Wanneer nu

ende •

wilt naken ende verhoghen sine oefeninghe
^aer i^ven, soe moet hi in gaen vanden werken toter
Wert j^j ®nde vanden tekenen toe der waerheit: soe

eomT^^^^^^ synre werke, ende bekennere der waerheit,
de • ^^ ^^^ ynnich leven." Dan wordt hem geschon-
^^^rdooj^?*^^ ^^ geest der sterkte (starcheit).

^^^iies ij ^^ ^^ »verwinnen lief ende leet, ghewin ende
Middel ®orghe van erdschen dinge ende alderhande

^^i ende ^ "^®nichfuldicheit. Ende aldus wert de mensche
van allen creaturen. Alse de mensche
^^"^bte. es hy sijns selfs gheweldich ende werdet

Hie

^"^^der ^^ arbeit, eenich ende ynnich, ende keret vrilic

HW \' \'\' te Gode, met ynnigher devocien, met hogher
""n, niet 1

\'^^^^ghen ^^nke ende met love, ende met eenvoldigher
Soe smaken hem alle sine werke ende al syn

-ocr page 284-

•266

leven, inwendich ende uitwendich; want hi steet vore den
throen der heyligher Drievoldicheit, ende dicwile onfeet hy van
Gode inwendighen troest ende soeticheit. Want die te
selkei\'
[=r zulke] tafelen dient met danke, ende met love, ende met
ynnigher weerdicheit, dicwile drinct hi vanden wine
ende
smaect van den relieve [= overblijfselen] ende vanden broeken, die
van des Heren tafelen vallen: ende altoes heeft hi
inwendighen
vrede overmits sijnre meyninghen eenvoldicheit. Eest dat hi
vore Gode vaste staende wilt hliven in danke ende in love
ende
in opgherechter meyninghe, soe wert die gheest der stercheit in
hem twevoldich ; soe en ontsinket hi hem selven niet nader ly^\'
liker
affectien, ende nader ghelost op troest, noch op soeticheit»
noch op ghene gave Gods noch op raste ende vrede si)»®
herten. Maer alle gaven ende alle troest wilt hi liden [=
voor\'
bijgaan, het Pransche passer] opdat hi den ghenen vinde die»
hi mint. Aldns is hi sterc, die onlede
bekommering] van herten
ende eertsce dinghe laet ende verwint, ende twevoldich sterc»
die allen troest ende hemelsce gaven overlidet ende verwi»^\'
Aldus onthoghet die mensce allen creaturen, ende hesit hem
selven»
moghende ende vri, overmits de gave gheesteliker Stercheit. )

Wanneer de mensch staande blijft in deze geestelijke sterkte»
dan geeft God de vijfde gave, de »gave des Raets". »In desef
gaven trect de Vader den mensche van binnen, ende eyschteO^
te sire rechter siden met den vercoernen in sire
enicheit •
Dan spreekt de Zoon op geestelijke wijze in hem: »Volg
tot den Vader;
één ding is noodig®)". Ende die heyÜg^^
Gheest doet dat herte ontpluken [=
opengaan] ende onfunken
berrender minnen. Ende hier af comt een woedich levei^
ende ongheduericheit van binnen: want die desen raet ghehoi \'\'
hi wert verstormt in minnen, ende hem en can niet ghen^®

Raets

ghen dan God allene.

Soe werket die gheest des

-ocr page 285-

•267

^^ hem twevoldichlike; want ki is groet ende volgket der ordenen
den rade Gods, die kem selven laet ende alle dinc, ende sprect
^et der ongepayder [= lett.
onhevredigdl woedigker berrender
^lönen: »Toe come ons dijn rike". Ende ki is nock mere, ende
y\'^lghet bat den rade Gods, die siins selfs wille verwint ende ver-

in minnen ende sprect te Gode in onderworpender weerdicbeit:
yn wille gbescie van allen dingben; niet die mine". Doen
toen] Ckristus, onse lieve Here sine dogkene lijden]

naecte a ■ ■ o - L

e» doen sprac bi dit selve woert te sinen Vader in een oet-

j.. vernieten sijns selfs; ende het was hem dat ghenoeche-

lycste

woort ende dat eerlijcste, ende ons dat orberlijcste, ende

M^o^ minlijcste, ende den duvel dat scandelijeste

ïiad^ \' Ckristus ye gkesprac, want in vertijngken sijns willen
God vvi alle behouden. Aldus werdet dat willen

®nd ^ ^iunenden oetmoedighen mensche, sine hoechste vroude
Voe ^^^^ ^^^^ nieeste ghelosticheit na gheesteliken bevoelene, al
gk^ ^^i^dehelle dat onmoghelic es. Ende hier is nature
nedersten, ende God verhaven ten
^ant de mensche is onfanclgc alle der gaven Gods;

^^ lievet sijns selfs verloechent ende sijns willen verteghen
h^^ ^^ gkegeven. Ende daer vore en eysckt hi noch en
^^oud ^^^ gheven wilt; wat God wille dat is sine

^^yst^\' [= overgheeft in minnen, dat is die

^ijns ^ kvet. Ende hi leeft sonder sorghe; want God en mach
al Verliesen [d. i.
kan hem niet verliezen]. Nu merket,

Van ri alle herten, nochtan wert selc menscbe besocht

^ God
conne.

e ende gheproeft ofte hi sijns selfs vrilic verloecbenen
Vand ^^^^ omme settene [=r
zet hem] God, bi wilen,
heil ^\'^\'^liter siden tot der slinker siden, vanden kemele inde

7 V9>i 1

bi ^Ire weelden in groter elleinden ; ende het schijnt ofte

atn>. ^ versmaet ware van Gode ende van allen cre-

Vefij- \' ^^J^bvet de mensce in deser ghelatenheit, sonder ander
^Oe h leekte alse een die niet anders en wilt nock en weet:
^nde ^^ gkeest des Raets twevoldick ; want ki is den wille
^ade Gods ghenoecb in werk ene, ende in lid ene" i).

"^^l\'it vgg. _ Vgl. Fanden Rike, bl, 200—230. De mensch

koor deze

zeer i

gave gelijk gesteld aan de engelen van het zesde en zevende
juist vergeleken met het Firmament, waarvan het bovenste gedeelte

-ocr page 286-

•268

Is dit laatste het geval, dan is de mensch »hehhelyc" (d.i.
schikt) om verlicht te worden naar den geest. Dan geeft Grod
de zesde gave, d.i. den »gheest der Verstendicheit,"
die de ziel verlicht, gelyk de zon de lucht doorschynt en gedaante
en kleur doet zichtbaar worden. Zij »stedicht [= bevestigt] onsen
gheest in enicheit, ende si openbaert die waerheit, ende si
maeet
ene
wide minne in ghemeenheden." Wij zullen niet verder meê-
deelen, wat Ruysbroeck van deze gave zegt, omdat het — wat de
lezer aan het weinige dat
er reeds van meêgedeeld is misschien
reeds heeft gemerkt — in alle opzichten hetzelfde is als wat boven
aangaande het derde stadium van het Innige leven is gezegd

Hetzelfde geldt van de laatste gave, nml. die der wijsheid\'
Bijna woordelijk worden hier de uitdrukkingen herhaald, die

het laatste stadium teekenden, en » honger" en » dorst" naar Grod

en al wat daar bij behoort op dezelfde wijze beschreven

Na het gezegde zal het zeker wel niet meer noodig zijn de over-
eenstemming tusschen deze beschrijving van het Innige leveö
met die naar de grondkrachten der menschelijke ziel aan te wijzen-
Voor de twee laatste gaven hebben wij dit gedaan, de lezer
die voor de beide eersten zelf gemakkeiyk genoeg
kunnen vinden-
De ontwikkeling van het Mystische le^ en naar de zeven ga ven
des Heiligen Geestes is onder de Mystici zeer gewoon.
Ook bï)
Tauler behooren de drie eersten tot een lageren, de vier vo

Igendeo

tot eeii hoogeren trap van Mystische volkomenheid. Toch
Ruysbroeck ook op dit punt het meest systematisch: onder ziji^
tijdgenooten is er, zooals wij zeiden, niet één, die hier zóó scherp
afteekent en zóó nauwkeurig onderscheidt, als hij.

Wij hebben gezien, dat de menschen, die op het standpn\'^^
des Innigen levens gekomen zijn, door Ruysbroeck »heymeÜ^*^

lijdelijk de werking van het Primum Mobile ondergaat, terwijl het „naden n®
sten sonder onderlaet werkende" is.

1) Bruiloft, hl. 152—158. — Wederom in hoofdzaak hetzelfde, m» «^é;«"""
bl. 231—238, ofschoon däär over het geheel de grens, die het Innige leven

va»

het Schouwende afscheidt, niet even nauwkeurig in het oog gehouden wordt ^ ^^
in het bezit van de gave in quaestie is, wordt vergeleken met den cristalliJ ^^^
hemel, waut hij is „ghelijk den cristale doerschinich vanden oversten hemeie. ^^
is van der ewigher waerheit des Vaders;" onder de engelen is hij gelijk
Chernbim (achtste koor).

2) Bruiloft, bl. 158—160. — Verg. van den Rilce, bl. 239 vg.

-ocr page 287-

•269

^^lenden Gods" worden genoemd. Wy zagen ze gescliilderd
genover de »getrouwe knecliten" of de »beginnende menschen".
^ ok van de andere zijde zijn zij echter door Ruysbroeck
ekend, namelijk tegenover de »verborgen zonen Gods". Wij
een ^^^^^^ nagaan wat hy daarvan zegt, tegelyk nog
het ^^^ beider licht zien schynen over de zwakke zijde van
jj^^^^^^ige leven, welks gebied wij nu gaan verlaten, en daar-
den overgang vinden tot den hoogsten trap van de
y^tisehe volkomenheid, namelyk dien van

HET GODSCHOUWENDE LEVEN.

Vrienden en de Zonen »staen op gherecht ghe-

Mef ynnigher oefeninghen voir die yeghenwoirdicheit Gods.

Want besitten haer inwendicheit met eyghenscape;

etide ^^ "\'\'^^\'l^iesen dat minlic aencleven aen Gode voir dat beste

Mll ^^^^ hoechste, daer si toe comen moghen oft comen

^erk " ^^^^ ^^^^ ^^ moghen sie hem selven noch haer

T^ ^^^^ doorlijden in ene onghebeelde bloetheit; want si

bate ^^ verheelt ende vermiddelt met hem selven ende met

^^HcI Ende al eest dat sy ghevoelen, in haren minliken

e^de eninghe met Gode, nochtan vinden si altoes ondersceit

die ^^\'^^^beit inder eninghen tusschen hem ende Gode. Want

^^^ overganc in bloetheit ende in onwisen, die is

boec}^ ^^ onbekent ende onghemint: ende hier om blijft haer

al inwendighe leven altoes in redene ende in wisen. Ende

doe^,^^ claer verstaan ende ondersceit van allen redeliken

go^i-, d^t eenvoldighe staren met openre ghedachten in

§bevoT dat blijft hem [= hun] verholen. Ende al

^an • selven opgherecht te Gode in sterken brande

niet behouden eyghenheit haers selfs, ende werden

ïie^ noch verbernt te niete in enicheit der min-

eiide h ^ ^^ ^^^^ altoes in Gods dienste willen leven

beit Yg^^^ eweliken behaghen, si en willen in Gode alre eyghen-

Oode T ^beesten niet sterven, ende een eenformich leven met

alle L Ende al eest dat si dein achten ende weghen

troegt j-

n comen mach van buten, si achten groet die

die gi .1 ^ haer inwendighe werken, troest ende soeticheit
oelen van binnen; ende aldus rusten si inden weghe

-ocr page 288-

•270

ende volsterven niet, om te vercrighene den hoechsten zeghe
in bloter wiseloser minnen. Ende al mochten si oefenen
ende
bekennen met onderscede al dat minlic aencleven, ende alle die
ynnighe opgaende weghe, die men offeren mach voir die
teghenwoir\'
dicheit Gods, nochtan bleven hem verborghen ende onbekent die
wiselose overganc ende dat rijc verdolen in die overweselike minne
daermen nimmermeere einde, noch beghin, noch wise, noch mo-
niere vinden en mach. Ende hier om is groet ondersceet
tusschen
die heymelike vriende ende die verhorghene sonen Gods: want
die vriende en ghevoelen anders niet in hem [=
zic/i] dan enen
minliken levenden opganc in wisen; ende daer boven
ghevoelen die sonen enen eenvuldighen
stervenden
overganc in onwisen. Dat inwendighe leven der vrien\'
den ons Heren, dats opgaende oefeninghe van minnen, daer
si altoes in hliven willen met eyghenscape;
hoemen boven alle oefeninghe Gode hesit mit bloter minnen
in ledicheden des en ghevoelen si niet. Mer si sijn altoe®
opclymmende te Gode in ghewarighen ghelove, ende si
ontbeiden
[=z verheiden] Gods ende harer ewigher salicheit met gherechtei^
hope; ende si sijn aenclevende ende gheancert aen Gode overniit®
volcomen caritate, ende hierom is hem wel ghesciet, want si
hehaghen Gode, en God behaecht hem weder; nochtan en sij\'^
si niet versekert ewichs levens, want si en syn niet te male
God ghestorven haers selfs ende alre eyghenscape. Van daar d^^t
de vrienden, met al hun innigheid en hun minne, het
eind
lang niet bereikt hebben. Wanneer zij echter steeds op den inge^^^
gen weg voortgaan, hoe langer zóó meer zich zelven
verloochene^\'
in al hun werken steeds het eigen-ik voorbijzien, niet alleen ^^^
doel maar zelfs als middel, zoodat zij in waarheid van

hunwerkeö

ter eere Gods God alleen de eer geven (Ruysbroeck noemt dit»
eyghenschap vertien in onsen werken") — dan zullen zij
einde J
er toe kunnen komen om hun geest, vrij van alle vormen en
den, boven de dingen te verheffen. In dien toestand, waan»
geest aldus vrij van de inwerking der dingen is, in dezen absol ^^
staat
{hloetheit) werkt Gods Geest onmiddelijk in hen, en da»
gevoelen zy de zekerheid dat zij volkomen Zonen
Gods zyi^

1) Blinh Steen., bl. 213—916; vgl. Äow. VITI: 14.

-ocr page 289-

•271

standpunt van ket Innige leven kierin van dat van
ouwende versckilt, dat de mensck op ket eerste nog
eig ^^ ^^^^ bestaat, terwyl kij op ket laatste geen

öit ^ raeer heeft, maar geheel in God is opgegaan.

Wordt vooral duidelyk, als wy zien koe men, volgens
toe tot de kooge beschouwing kan opklimmen. Daar-

öïirl wij »altoes leven ende waken in allen doeckden

boven

allen doechden, sterven ende ontslapen in Gode".

•len lac

dgj, ^^geren trap van het »deugdzame leven" moesten wij
§en afsterven en uit Gode geboren worden; däär droe-

iïider^^ werken vóór ons, als een offer aan God: »mer

^alieb

Oüwisen, daer wi weder Gode sterven in een ewick

si lejen, daer volgken onse goede werken ons na, want
ïtiet (1 ^^^ leven met ons. In onsen toegangke toe Gode
o^s ^ *j®ekden, soe woent God in ons; mer inden overlidene
^od ^k® dinc, daer wonen wi in Gode" i). Om

iii ®ttiaken, moeten wy boven de rede, met ons geloof

eixde ^^S^^n: »ende daer seien wi bliven eenvoldicb, ledich
^loe v.^^^\'^^^^^^\' overmits minne, verhaven in die opene

•^etb
»ab,

eit

onser ghedachten" m. a. w. ons van alles
en ons in ons zeiven verdiepen, waarin wy in
g ket wezen der Mystiek kebben gesteld. »Want

eeren
I^leidin

Wi i

itvgj ^^ uainne overliden [== te hoven gaan] alle dinc, ende
1 allr-

en"

gkemercs in niet te wetene ende in doncker-
saaj^de ^ le^ei\' kerinnere ziek wat boven door ons aan-
^^\'^^ysiu" ^ apophatische Theologie van den Pseudo-
^^e^fornii Is — »daer werden wi ghewracht ende

End\' ^^^^^^ ewighen woerde, dat een beeld des Vaders
^^hegf^p^^^. ledighen sine ons gheests onfaen wi die

^^\'^erx^j^ " ^ ® claerheit, die ons bevaet ende doergheet, ghe-
ijj^d^ Inckt doirgaen wert met claerkeit der son-

fatten wij nu dit alles in liet kort samen, dan zien wy
het

het

Sek

altijd

loe» , e dese claerkeit en is anders niet dan een gronde-

sconwen. Dat wi syn, dat aenstaren wi;
levevi ^e^staren, dat syn wi: want onse gkedackte.

onse wesen is eenvoldick verkaven ende

W. 219.

star,

eiide

-ocr page 290-

•272

glieenicTit metter waerheit, die God is. Ende hierom, in desen
eenvoldighen staren sijn wi
één leven ende één gheest mß^
Gode: ende dit noeme ic een scouwende leven" i).

Al wat Ruyshroeek van het Schouwende leven in het alge\'
meen zegt, komt hierop neer: dat het een »vernietend leven"?
een »wiselose oefeninghe", een totaal opgaan in God is. Me»
wil Gods grondeloozen rijkdom »doorsmaken ende
doerweten
ende dit is een hongher onghepayt. Men cant ghelaten noch
ghevaten, men cant ghederven noch vercrighen, verreyken
[= bereiken] noch verhalen: mer wi seien in ons binnenste
sien: daer ghevoelen wi, dat ons die gheest Gods drijft ende
stoect in dit onghedu.er van minnen; ende wi seien boven
ons selven sien: daer ghevoelen wi, dat ons die gheest Gods
nut ons selven trect ende verteert te niete in sijns selfsheit\'
dat is in die overweselike minne, daer wi één mede sij^^\'
ende die wi besitten diepere ende breedere dan alle dinc-

Lg

Dit besitten is een eenvoldich, afgrondich smaec alles go®
ende ewich levens, ende in desen smaec sijn wi verswolg^®^
boven redene, ende sonder redene, in die diepe
stilheit dei
godheit die nemmermeer beweghet en wert. Dat dit
is, dat mach men met ghevoelene weten, ende anders niet- -
Dat grondelose goet dat wi smaken ende besitten, vvi

eH
ei

connent begripen noch verstaen, noch wi en moghen
onser oefeninghen nut ons selven nemmermeer daer in coni®^^^
Ende hier om sijn wi in ons selven arme, ende in God ri^®\'
in ons selven hongherich ende dorstich, in Gode dronken e^^^^
sat; in ons selven werkende, ende in Gode alles [= van ^^ _
dingen] ledich. . . , dese dinghen sijn te male contr^\'^^^^
nochtan leghet hier in onse hoechste edelheit, nu ende e^^^
lic. . . . Onse ontsinken in die overforminghe Gods,

j e J

blijft ewelic — ende is ghelijc den rivieren, die son \'^^
ophouden ende sonder wederkeer en
altoes ^ ^fy
tenin diezee, want dat ishaer eyghen stat [= ^^ösö^^J^^

Dit over het wezen en de hooge volkomenheid
contemplatie, de kroon van het geheele Mystische leven-

1) BlinJc. Steen., bl. 219, 220.

2) T. a. p., bl. 221 vg.

-ocr page 291-

273

ij^^j^^meielyk is om hiertoe te komen, laat zich opmaken uit

dei eischen, die reeds voor de beide vorige trappen wer-

Q, , Ruysbroeck zegt dan ook zelf: »Tote desen

en scouwene connen lettel menschen comen, overmits

haers selfs, ende die verborghenheit dies

sin ■ seouwet. Ende hieromme en sal desen

ieriu^^l^^^^ eigbenlike te gronde verstaen, overmits enighe

^fte subtyl ghemerc sijns selves. . . . maer dien God

gbeeste verenighen wilt, ende met hem selven ver-

»W \' mach Gode bescouwen ende nieman meer"\' i).
ant p j

alsoe ® begripen ende verstaen boven alle ghelikenissen,

^onder^^^^ ^^^ ^^ selven, dat is God sijn met Gode,

nialr ^^^ddel ofte enighe anderheit, die hinder ofte middel

^ mach"

D

Mno- ^\'^^^^^^^rden, aan wier vervulling de staat der Beschou-

worden zeer verschillend
Punten zijn het drie een enkelen keer zes

den o-j-q*^^^ schouwend leven noodzakelijk zijn. In

^^aari^^^ ^i\'^b echter alle tot dit ééne terugbrengen

^^bouwe tevens de geheele actieve zijde van het

^ioote ieven gelegen is): de mensch moet zich in de

velriezen en tot zijn enkelvoudigheid
S?eei5t j\'j iii de vereeniging niet God op te gaan. De

^nde

ouelj ^\'*^^ dat hi hem selven, overmits minne,

ont^ ^^ ^^ diepheit, ende onthoecht in die hoecheit,
^ei\'doett ^^ lancheit; ende hi ghevoelt hem selven

die wijtheit; ende hi ghevoelt hem selven wonende

\'^Moten bekentheit; ende hi ghevoelt hem selven

\'^\'^icheit • aenclevende ghevoelen der eninghe in

gbèv^^^*^ sterven in die levendicheit Gods. Ende

hi hem één leven met Gode" %

sijn

Stevoele \' ierste poent is, dat hi dat fondament sijns wesens

moet siji^ ■ ^ besitten; dat ander pnnt is, dat sij

4) rp " ^ ^at derde punt is, dat sijn inwoninghe sal sijn een

Steefi grond vallen zij met de drie genoemden samen.

19

-ocr page 292-

•274

Wij hebben vroeger gezien, hoe het werken, aanvankelijk
geheel aan de zijde des menschen, hij eiken hoogeren trap
steeds meer aan de zijde van God komt. Hier, in het
hoogste
der Beschonwing, wordt de mensch eindelyk geheel en al pas-
sief, hij verliest zich zelven in de Godheid, hij rust en
gevoelt
slechts wat hem door God wordt aangedaan. Het is niet lan-
ger de mensch die het goddelijke doet, maar het is God zelf?
die in den door de genade verlichten mensch werkt. »Siet
alle creatuerlike werke eirde alle oefeninghe der
doghede
moet hier onderhliven, want hier werket God hem selven
allene in die hoechste edelheit des gheests" i). Hieruit laat
zich hegrijpen dat het Schouwende leven niet alleen
bestaat
in het zich geschikt maken voor het ontvangen van de
genade. Van
\'s menschen zijde is dit het eenige, maar va»
den kant van God moet het overige komen, dat is de actief®
kracht, de »intreckende enicheit Gods" die niet anders is da»
»grondelose minne, die den Vader ende den Sone
ende aU®
dat levet in hem met minne intreckende es in een ewic^^
ghebruken" Deze »enicheit" nu, het eigendom van elk®^
Schouwenden mensch, »is ewelic intreckende ende ineyschen
die godlike personen ende alle minnende
gheesten

en »maect inden gheeste een e^i\'

hemen van minnen. ... en hi ghevoelt hem selven één
desen brande der minnen" Het Mystische leven i® ^^ __
halve in dit stadium een leven Gods in den mensch^B^^
worden. Het aanknoopingspunt voor de invloeing van ^^^
geest, dat in het Werkende leven de »enicheit" der "
»veelike" krachten, in het Innige leven die van de »ovei ^^^^

krachten was, is hier de vonk der ziel, de »weselike eniebej^^^

de »ledighe edelheit" des geestes waarin het beeld Gods ^^^^
dat ons eigen leven is Daarom is voor Ruysbroeci^^^^
wegzinken in God tevens het verkrijgen van het
beeld

1) Bruiloft, bl. 185.

2) Blinh. Steen., bl. 201.

3) Blinh. Steen., bl. 200. , (jlie"®\'

4) Vergi. boven, bl. 187. Zie Sp. d. e. Z., bl. 228: „ende die oiis«^\'
gheeft hem selven, ende visenteert ons, ende gherijnt die
bernende vo^^
sielen; ende dit is beghin ende oirspronc ewiger minnen tnssclien ons

ch

haers selfsheit".

-ocr page 293-

275

hetwelk wij allen geschapen zijn. De »weselike enicheit"
Van den mensch met God, »de eenvoldighe gront ons ewichs
heelds", die »in deimsterheden" lag en »sonder wise" was,
^ordt nn door »die onghemetene claerheit", die uit God schijnt,
voortgebracht »in wisen" en geopenbaard. »Alle die menschen
die boven hare ghescapenheit verhaven sijn in een scouwen-
den levene, die sijn één met deser godliker claerheit" i). Ma\'ar
® »weselike enicheit" wordt niet alleen gekend en aan-
^ehouwd, — door het ontwikkelingsproces van het Mystische
®ven wordt zij tevens werkelijkheid. Voor zóóverre deze
het gevolg is van \'s menschen werkzaam-
noemt Ruysbroeck haar »werkelic" d. i.
actief ;\\oox
^oóVerre bestaat in het lydelijk ondergaan van de inwer-
Gods, noemt hy haar »ghebrukelic" d.
i. passief^).
beeld Gods, dat potentieel der menschelijke natuur is inge-
5 Wordt hier »een met den selven heelde der heyligher
dat die wijsheid Gods es, daer God hem selven
Vol alle dinc in enen ewighen iVw" Ten ge-

VaiT^ wordt de Schouwende mensch de klaarste spiegel

^^Ik^ "-l^ievuldige Godheid en het Schouwende levende
drie afdruk van het trinitarische leven, welks

^-ieh : rusten, uitvloeien en terugvloeien

TT duidelyk en onophoudelijk reflecteeren.

Ces ^\'\'■^delijk merkten wij op, hoe het geheele wereldpro-
ßnysbroeck een stoflPelijke herhaling is van deze
Wij ^^^ ^^afgrondighe" geschiedenis Gods. Eveneens zaggn
nieng^l.\'^^ geestelijke (Mystische) leven van den

Vonv. ^\'^enzeer als een uitvloeien en als een invloeien wordt
de Beg^j^ het eerst in zyn hoogsten graad, dien van

^^oeelï fot het rusten en gebruiken, zooals Ruys-

^^^ opklimmen. Nu is echter het Schouwende leven
enkel rusten als het Werkende leven enkel uit-.

en

enjg «ghebruken" wordt door Ruysbroeck zelf aldus verklaard,

j " Trapp ^ ^ ^^ ® bij „ dat es werken ende g h e d o e c b e u" [— dulden].

\'^eteeljgjjJ\'^.\' verstand vau het geheel is het noodzakelijk

^^ ^\'•uilnr^\'\'^ geheugen te houden,
hl, 188_

17*

-ocr page 294-

•276

het Innige leven alleen invloeien is. Elke trap op zich zelf,
is het geheele Mystische leven. Zóó hebben de lagere graden
evenzeer hun deel aan het hoogste, maar natuurljik in min-
der volkomen mate. Zóó hebben tevens de hoogere in zich
het voortrefifelykste van de lagere. Het Schouwende leven
is derhalve het volmaakte Mystische leven in zijn geheel, en
daarom de totale verwerkelijking van het beeld Gods, naar
alle drie de grondtrekken. De Besckonwende mensch ziet
»die scoet
1= schoot] des Vaders" als zijn »eygkene gront
ende oirspronc". »En ute (zijn) eygkenen grond, dat is uten
Vader ende ute alle dien dat in kem levet, soe sckijnt ene
ewighe claerkeit, dat es die gheboert des Soens. Ende in
deser claerheit, dat is inden Sone soe es die Vader hem sel-
ven openbaer ende al dat in hem levet. Die
ongheme-
tene claerheit die bier ute scijnt, die openbaert ende bringhet
voirt die Verborgenheit Gods in wisen". . . Nu is de
hemel-
sche Vader »alse een levende gront, met al dien dat in
hem levet, werkelic gkekeert in sinen Sone, alse in sijns
selfs ewigke wijskeit. Ende die selve wijskeit ende al dat
in kare levet, es werkelic wederboeghet in den Vader, dat
es in den selven gronde, daer si ute comt". De Heilig®
Geest, de derde persoon, die in de ontmoeting van beiden
ont-
springt, »beveet ende doregbeet, werkelijc ende ghebrukebe

den Vader ende den Sone ende al dat in hem beyden

■ f

levet, met alsoe groter rycheit ende vrouden, dat hier ai
alle creaturen ewelike swighen moeten; want dat onbegrip®\'
like wonder dat in deser minnen leghet dat onthoeghet alle^
creaturen in verstane" i).

Altijd de voorstellingen van tijd en eeuwigheid goed uiteen
houdende, stelt Ruysbroeck zich, zooals wij weten, de generatie
van den eeuwigen Zoon des eeuwigen Vaders, en den
voortgang
des Heiligen Geestes als eeuwig d. i. als nog altijd geschiedende\'
voor. In deze onophoudelijke wisseling en verandering ligt bet
leven der Godheid, en de ten nauwste met God vereenigde My®
ticus leeft dit leven mede. Het genot van de telkens wederkee
rende omkelzing van de drie personen bij de invloeing, i® ^^

1) Bruiloft, bl. 191.

-ocr page 295-

•277

\'^"\'■liglieid van God zei yen. Na is de zaligheid, die de Mysticus
l^üiakeii mag, niet minder, want de ontmoeting heeft plaats ook
^yn ziel. »Nu wert dit verweende [=
zoet\\ ontmoet in ons
die wise Gods, sonder onderlaet, werkelic verimv^ret, want die

glievet hem inden Sone, ende die Sone inden Vader, in

^^ ewich welhehaghen ende in een minbjc behelsen [= omhel-

• ende difc vernuwet alle uren in hande van minnen. Want

^^oe ghelikerwys alse die Vader sonder onderlaat alle dinc

® anesiet in die gheboert sijns Soens, alsoe werden alle dinc

^ gnemint vanden Vader ende vanden Sone inden uut-

e des heylichs Gheests. Ende dit is dat vv^erkelike ont-
ixioe-f: ■]

"^es Vaders ende des Soens, daer wij minlic in behelst
^ overmits den heylighen Gheest in ewigher minnen" i).
^^y^broeck onderscheidt in het Schouwende leven, in analogie
niex^^l*^^\' wijzen: De eerste is die des Geestes: »Daer der
t , wise ghebrect ende niet hogher en mach, daer

. die wise Gods: dat is, daer die mensche met mey-

\'igbe 4. ■

God \' ^ minnen ende met oughepayder begherten ane
ghe^^ "^^^eft, ende niet verenighen en can: daer comt die
ons Heren als een geweldich vier dat al verberret ende
ende verslijnt in hem, alsoe dat de mensce sijns
ander ^^^^^^^ ende alre oefeninghen, ende en ghevoelt hem
niet O hi ware één gheest ende éne minne

cust r

zwighen sinne ende alle crafte, ende sijn ghe-
ende ende ghepayt; want die fonteine der goetheit

heve^ ryebèit Gods hevet al overvloyt: ende yeghewelc

meer onfaen, dan hi begheren mach",
sta^^j. ^ wijze is die van den Zoon »daer hi die ver-
^^nderse^^l^*^^^ ^eidieft boven redene, boven ghemerc ende
doero.^^ ^ " dat bloote verstaen wert verclaert ende

•^nde godliken lichte; alsoe dat [= dat hef] staren

^if^hte moghe met eenvuldighen ghesichte, in godliken

"^^bMieit^*^^^^^^ claerheit, — die ewighe waerheit met haers

Derde ^^ volcht die:

dat di® wi onsen hemelschen Vader ane scriven:

"^^ader

hi bedeckt die memorie van formen

bl.

ende

192.

-ocr page 296-

•278

beelden, ende de blote ghedachte verheft iu haren oirspronc,
dat hy selve is. Daer wert die mensch ghestadicht
endo
gheenicht in sijn beghin, dat God is. Ende hi ontfaet
kennisse. . . . hoe hi liden ende ghedogen sal dat inwerken
Gods, ende die overforminghe van godliken wisen boven
redene. . . . Ende boven alle godliken wisen sal hi verstaen,
met den selven insiene sonder wise, dat wiselose wesen Gods,
dat ene onwise het
eigenschaplooze zijn, het Absolute] is?
want men machs niet tonen met woerden noch met werken,
met wisen, met tekenen noch met gheliken: maer het opeu-
baert hem selven den eenvoldighen insiene der
onghebeeldei\'
ghedachten."

Wy hebben Ruysbroeck — wy nemen de vrijheid dit in
het voorbijgaan aan te merken — reeds meermalen zicb
scherp tegen alle beelden en vergelijkingen hooren uitlaten.
Hij wil boven alles »hloetheit" en »onverbeeltheit". De
natuur gaat hem echter boven de leer. De Mysticus, die
niet aan de rede, maar aan
het gevoel en de verbeeldingS\'
kracht den vrijen teugel gunt, kan het allerminst buiten beel\'
den en zinnelijke voorstellingen. Telkens wanneer hij iets
duidelyk wil maken, ziet hij er naar om, grijpt hij er niet
gretigheid naar. Ruysbroeck laat dan ook, naïef
genoeg
onmiddelijk achter het bovenstaande volgen: »Ende men m^-\'
oec setten, inden weghe, tekenen ende gheliken, die den
mensce bereyden dat rike Gods te siene". Dadelijk geeft hü
nu zelf een beeld: »Ende dit ymaginiert aldus [=
verbeeldt
alse ofte ghij saecht eene gloet van viere sonder mate groet)
daer alle dinc verherrent waren, in een ghestilt,

gloyend«\'

onberuerlic vier. Alsoe is ane te siene die ghestilde we^e
like minne, die een ghebruken Gods is ende alre heylighe^
boven alle wisen, ende hoven alle werken ende oefeninghe^\'
van doechden. Si is ene ghestilde grondelose vloet van rijeh®
den ende van vrouden, daer alle heylighen met Gode in "^ei
vloyt sijn in een wiseloes ghebruken. Ende dit ghebruk®^

wis®

ofte r

eJi

is wilt ende woeste, alse een verdolen; want daer en is

noch wech, noch pat, noch zate [Kiliaen: sessio, sedile, sed^ ^

staticrustpunt] noch mate, noch einde noch beghin.

dat men ghewaerden [= in ivoorden brengen] ofte ghetoen

-ocr page 297-

•279

Ende dit i« ouser alre eenvoldiglie salicheyt, dat godlike
u ende onse overwesen boven redene ende sonder redene" i).
Scl ^ uiet moeielijk zijn bet omtrent de drie wijzen van bet
leven meêgedeelde aan te vnllen met tal van plaat-
üit Ruysbroeck\'s overige gescbriften. Wij acbten dit echter
odig omdat de lezer telkens, met slechts zeer klein
h <1\' ^ l^ets^elfde onder de oogen zoü krijgen; want nergens
bij ^^ I^uysbroeck zich zeiven zóó ontelbaar vele malen, als
Het^^"^^ e^pectoratien omtrent bet hoogste der beschouwing.

Hjna overal tautologie,
/^loeien dan de drie personen der Triniteit in het zuivere
^odh^^^^ bet Absolute samen: en daarin bestaat voor de
Voo^.^.*^^*^ \'Ie zaligheid. De contemplatieve mensch, wiens leven
^aUo-h^-^^ geheel door God geleefd wordt, wordt eindelijk dezelfde
^end "leelacbtig. Dit is de hoogste graad van het Schou-
(ic ^ leven: niet meer alleen te verzinken in Vader of Zoon of
^^aar\' ^^ grondelooze zee van het goddelijke zyn,

^aar ^^^^ onderscheid meer is, niet alleen van tijd en plaats,
fk^^ uiet tusschen de personen der Godheid. »Nu is dit
Yg^dgj. ^ ontmoet ende dit minlike omhelzen (namelijk van
soïid ^^ 2oon en Geest) in sinen gronde ghebrukelic ende
duygj^^ "Want die afgrondighe onwise Gods die is soe

^^isen ^^^^ wiseloes, dat si in hare beveet alle godlike
\'^QiV\' ^^^^^ ^^^^^ ende de eyghenschap der persone inden riken
de^jj^\'^^^® der weseliker (en hier,
in concreto, op het standpunt
^aeet der werkelijkheid gewordene) enicheit; ende

ilïide ^^^^^^ ghebruken

in dien a b y s der onghenaemtheit.
een ghebrukelic overliden [=
te hoven gaan] ende een
Hain^j^ inslach in die weselike bloetheit, daer alle godlike
älle wisen, ende alle levende redenen die in dien

^^^^\'lio-be waerheit ghebeeldet sijn, vallen in die een-

^^ rL \'^^gkenaemtbeit in onwise ende sonder redene. Want
^^aej]^ • ^^\'\'^udelosen wiele der simpelbeit werden alle dinc
^ .^^^l\'^\'ukeliker salicheit. . . . Hier voren moeten die
^iet ende al dat in God levet; want hier en is anders

een ewich rasten in enen ghebrukeliken omvanghe

\' Sloten, bl. 104-

-106.

-ocr page 298-

•280

ininlikei\' oiitvloteulieit; ende dit is iu dkt wiselose weseu, «lat
alle ynniglie gheeste boven alle dinc hebben vercoreu. Dit is
die donkere stille daer alle minnende in sijn verloren. Maei\'
mochte wi ons aldus in dogheden ghereden [=
gereed maken,
volmaken], wi souden ons schiere van den live ontdeden,
ende souden vlieten in die wilde zeebaren: nemmer-
meer en mochte ons creature verhalen. — Dat wi ghebrukelike
[d, i.
lijdend genietend] besitten moeten [= mogen] die wesen-
like enicheit, ende eenheit claerlike bescouwen in Drieheit, da^
gheve ons die godlike minne, die en ghenen bedeleere en onsei^j
[— weigert], Amen". Met deze woorden eindigt Ruysbroeck
zijn boek van de geestelijke bruiloft.

Wanneer wij vragen, wat nu eigenlijk moet worden verstaüU
onder de eenheid waarin Ruysbroeck God en mensch ^^^^
samenvloeien, dan is het antwoord niet zóó dadelijk te geven-
De consequente ontwikkeling van zijn Mystiek eischt zeker een
geheele vergoddelijking van den mensch, die van de hoogs^-e
trede der Beschouwing in het wezen der Godheid zelve is ovei\'
gegaan. Zijn op Dionysius steunende speculatieve
grondstelliii\'
gen vormen eerst een geheel, wanneer de uit de Godheid voort
gevloeide menschheid weder in diezelfde Godheid
terugvloei^\'
zoodat niet alleen Vader, Zooni eu Geest maar tevens de niensc^

van

en eindelijk ook al wat bestaat en vergaat, slechts de voorduren

afwisselende en telkens terugkeerende bestaansvormen zyn

het ééne eeuwige zijn. Werkelijk leert Ruysbroeck dan
wanneer hy, geheel in contemplatie verdiept, de
practijk uit
oog verliest, een bepaald substantieele eenheid van den men®®^^
met God. De lezer heeft dit uit het hierboven meêgedee^

reeds duidelijk kunnen zien, en zal dat nog duidelijker kunneJjj

wanneer wij nog andere plaatsen bijbrengen. Zóó zeg^

bijv: »in dezen ommevanghe inder weseliker enicheit Gods,

alle ynnighe gheesten één met Gode in minliker ontvlotenbe\'^ ^

ende dat selve één, dat dat wesen selve es in hem selven y

»Dat wi sijn dat aenstaren wi; ende dat wi aenstaren dat s^

Ö\'t d

wi" Op den hoogsten graad der Beschouwing ontvan»\'

1) Bruiloft, bl. 182.

2) Blinlc. St., bl. 220.

-ocr page 299-

•281

bl

üie ^^^^^ ^^ ^^^^ ^^^^ anders" i). Wanneer

selv diezelfde »claerheit" onniiddelyk te voren »God

^^ is genoemd, dan blijft er zóó min hier als op de vorige
oiit^^^^^ twyfel over hoe deze eenheid bedoeld is. En elders: Wij
sely grondelose salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat

één dat die salicheit selve es in haers selfsheit"

laat zich elders nog meermalen op dergelijke
^ d\'/^^\' ^^^^ echter niet bewezen kan worden, dat
bepaalde wezens-eenheid, en niet eenvormigheid of
Uits\'^^ ^^ereenstemming bedoelt, mogen wij hier van zulke
geen gebruik maken, te minder daar er niet zelden
De b "^ties op volgen Maar dit is ook niet noodig.

^eteek^^-^ aangehaalde woorden zijn duidelijk genoeg, hun

Een^^^^ i® zeker niet twijfelachtig,
üeêj. ^^dere vraag is het echter, of Ruysbroeck wat hij daar
zijjj woordelijk zóó bedoelde en daaraan wilde gehouden

ge^eh • gelooven wij zeker niet. De retracties in zijn andere
Vijji^^^^^®^\' de eerbied dien hij God toedraagt, maar vooral zyn
xijj^ ^^^ bezielde polemiek tegen de secte »van den vrijen Geest"
^^y^tiet^^\'^^^\' de sprekendste bewijzen. Door den gloed zijner
Zegg^^ \'Meegesleept, heeft hij er zich toe laten brengen meer te
kou te ^^ eigenlijk wilde en dan hij verantwoorden kon. Dat
ïlekai.^ ^^ geschieden,

waar hij bij Dionysius en bij Meester
bebh ^ \'"^^^^ie ging. Ruysbroeck blijkt zelf zeer goed geweten
^^ dat uitdrukkingen voor misverstand vatbaar waren,

eiisch »die claerlieit Gods sonder middel; ende Iii wert die

elaerheit

seive, sonder onderlaet .... ende nader eenvoldiglier

oetlieit die alle dinc beveet, soe vint Iii beni ende gbevoelt

oinn^\'/*^^^*^^^^^ opgevat, aanstoot moesten geven. »Ende,
^^ zegt hij in het laatste boek van zijn
Bruiloft —
sin nieman eighenlike te gronde verstaen, overmits

desen

\'be Ie

^ïii.

: jp ofte subtyl ghemerc sijns selves; want alle waerde

ende al datmen, creatuerlikerwijs, leren ende verstaen
vremde ende yerre beneden der waerheit die ic nieyiie.

\'\'^K bl.

zijü: Blinlc. St., bl. 22é, 236; Sp. d. e. Z., bl. 211,219,229.
43, 46, 47, 199.
Samuel, bl. 262, 263.

-ocr page 300-

•282

Mer die vereuiclxt is met Gode, eiide verclaert in deser waerlieit,
Iri mach die w^aerheit met hair selven verstaen. Want Gode
begripen ende verstaen boven alle ghelikenissen, alsoe alse hi
is in hem selven, dat is God sijn met Gode, sonder middel ofte
enighe anderheit die hinder ofte middel maken mach.
Ende
hier omme hegheric van yeghenwelken mensche, die
des niet en ver steet noch en ghevoelt in die ghe-
brnkelike enicheit sijns gheests, dat hijs
onghear-
ghert blive ende laet sijn dat es; want dat ik spreken
wille dat es waer, ende Christus die ewighe waerheit
hevet selve ghesproken in sire leren op menighe stat
[— plaats], waert also dat wijt wel openbarenlénde voertbringhe»
consten. Ende hier omme, die dit verstaen sal, hi moet si]»®
selfs ghestorven sijn, ende in Gode leven; ende keren SJj»
aenscijn toten ewighen lichte inden gronde sijns gheests, daei
hare die verhorghene waerheit sonder middel openbaert" • •
»Nu siet ende verstaet, ghi alle die in Godhken lichte verhave»
sijt:
ic en spreke tote nymene anders, want sine mochtens »i®"
verstaen" »Nu verstaet ghi, die inden gheeste
leven
want niemant anders en spreke ic toe" . . . In al de^®
gelykenissen »soe toen ic enen scouwenden mensche sijn wese^^
ende sijn oefeninghe: mer niemant anders en macht verstaeï\'-\'^
want scouwende leven en mach nieman den anderen leeren.
daer haer [=
zich] die ewighe waerheit openbaert inden ghe«®^®\'
daer werden alle dinghen gheleert dier noot es"

Het beste bewijs echter dat Ruysbroeck zelf het gevaai\'if ^
van de bovenstaande theorien heeft ingezien, zijn de bö

eJJ\'

ge

eeJi\'

t,

vereenigd meent, dit alleen hierdoor komt, dat hi) het
kelijke onderscheid niet gevoelt. »Eest dat hihem

1) Bruiloft, bl. 183.
3)
Sp. d. e. Z., bl. 223.

3) Blink. Steen., bl. 199.

4) T. a. p., bl. 301.

bedoelde retracties zelven. Hier moeten vooral zijn boek
het blinkende Steentje en zijn Samuel in aanmerking ko\'-^
In het eerstgemelde boek zegt hij uitdrukkelijk, dat de ^ ^
heid vau den mensch met God alleen in het gevoel
en dat, zoo de mensch zich boven alle onderscheid nie

-ocr page 301-

•283

vindt oiidersceit ende .anderliei t tus-

liem ende Gode; nier daer Iii verbernt, daer is bi

^^^ idieh ende en beeft gbeen onderseeyt: ende daer om en

als^^*^^^^ hi anders niet dan enicbeit" i). ». . . alsoe laiigbe

met gbeneycbden gbeeste ende met openen ogbe sonder

Q.1 ledieb staen, alsoe langbe mogben wi sconwen ende

üide ^^ ^^^ woord ons één met God gevoelen. »Mer

Mlle ogbenblieke dat wi proeven ende merken

j-^ Wat dat is dat wi ghevoelen, soe vallen wi in redenen

ojj^^ o^edelijh inzien], ende dan vinden wi

^ïide ende anderheit tusscen ons ende Gode,

^Ven ^ ^luden wi Gode buten o n s in onbegripelicheden"

Ook d^v ^^^^ ^^^^^ ^^^ ^^ ^^^^ apologetisch geschrift Samuel;

^^hebij^^ ^o^dt de vereeniging enkel in het gevoel gesteld.

ende dat die lucht doirgaen wert met claerheiden

^^^ kitten der sonnen, ende alsoe dat yser doergaen

^^^ket^^^^^^ viere, alsoe dat ket mitten viere, viers werke

üat „ T ("^^nt het bernet ende licht gelike den viere: ende
selve n 1 .

^^dich vander luckt; want ware die luckt ver-

\' sprake: Ic ver clare ende verlickte al die werelt)
^nt ^ l-^ekont jegkewelc sijn eygken nature;
^iej. vier en wert niet yser, moch dat yser

^iftnen ^^^ eninghe is sonder middel; want dat yser is
^^cbt j ^^^ ende dat vier int yser. Ende aldus es die

^^^ht. ^^^^ lichte der sonnen, ende dat licht der sonnen in der
^ïide g^i^*^^ gkelikerwys es God altoes inden wesene der sielen.
n , dese eninghe tusschen den minnenden gheest

oebt\'
te

\'lat

233

vg.

bl. 230 eu 227.

Sionder middel, daer is nochtan groet ondersceet:
^•-^eature en wert niet God noch God creature, ghe-
, i^ voren gheseit hebbe van den ysere ende van
Ende waer ic sette dat wi één met Gode syn.

^^ minnen, niet in wetene noch in natu-
^ ^^^apej^. \' ^ods wesen is onghescapen, ende onse wesen is
®ûde dit is sonder mate onghelijc God ende créa- .

-ocr page 302-

•284

iure. Eude hier ouime al maechti [=: ma<j ]iet\\ verenighen,
[=r
het en\\ mach niet een werden. Ghinghe oec onse wesen te nietßi
soe en souden wi niet kennen nocb minnen noch sahch syu"

Wy zouden aldus voortgaande geheele bladzijden kuni^®\'^
vullen. Het bovenstaande spreekt ecbter duidelyk
genoeg r
Wij zien daaruit hoe Ruysbroeck, zijn vroegere beweriug®|^
latende voor hetgeen zij zijn — want hij zegt niet dat M
een woord terug neemt, en doet bij de meêgedeelde retractie^
even alsof hij slechts verduidelijkt Avat hij te voren gezeg
heeft — wij zien daaruit hoe Ruysbroeck het
standpunt vai^
Dionysius en Erigena verlaat om zich bij de veel meer
bezadigd®
Mystiek van Bernard aan te sluiten.

Blijkbaar houdt hij hier overal het eeuwige

onderscheiö

tusschen God en den mensch duidelyk in het oog. Z«^»"
twijfel bestaat er een groot verschil tusscheu deze voo^
stelliugen en die, welke wij boven uit de
Bruiloft hebb®^
medegedeeld. Op grond hiervan zou men zich licht kuDW®
verbeelden, dat Ruysbroeck\'s Mystisch leven in twee peri"\'^®
vervalt: de eerste die van zijn speculatieve
Pantheïsti® ^^
Mystiek, gedurende welke hij zijn Bruiloft schreef: de
die van zijn meer bezadigde practische Mystiek, in welke ^^
werken die wij het laatst aanhaalden zijn
opgesteld.
tegelyk met de klimmende jaren afnemende gloed va»
godsdienstig gevoel, en niet het minst de vrees van
te worden in nauwe betrekking te staan tot de Broeders ^^^
Zusters van »den vrijen Geest", konden gemakkeiyk den ovei\'g^
van de eene in de andere veroorzaakt hebben. WerkeiD .
men gewoon zich de zaak min of meer op deze
te stellen. Ook wij zijn langen tijd deze meening toeg"^ ^^^

dedeeliï^^

geweest en hadden dienovereenkomstig onze meaow—

omtrent het Schouwende leven geheel naar deze
zien ingericht. Door nader onderzoek en nauwkeuriger beS ^ ^^
wing is het ons echter gebleken, dat deze voorstelling ^^\'^^jjijr

Vooreerst bepalen zich Ruysbroeck\'s beperkende uitdm ^
gen omtrent het hoogste van het Schouwende leven

1) Sp. d. e. Z., M. 232. .

2) Men zie verder, des belust, Blinlc. Steent., bl. 222, 225; Santuel, bl-
ö. d. e. Z., bl. 220, 326; F. -vij- Sloten, bl. 106.

-ocr page 303-

•285

latere werken. In de geschriften van welke wij weten
^^^t hij

Z

- - -

Ze Tóór zijn inkleeding schreef komen zij evenzeer voor.
\'aii ^^^ een enkel geschrift in het bijzonder eigen te wezen,

^^^ ^^^^ kwistige hand over of door al zijn werken uitge-
volgen zij, zooals wij straks reeds zeiden,
God . ^^^Iddelijk te voren van een algeheele vereeniging met
\'ater ^^ gesproken. Zij zijn dus geenszins het resultaat van
\\ ^.^"^^^ken of blijvend gewijzigde overtuiging, maar alleen-
et gevolg van een bij oogenblikken van bezinning telkens
te voorschyn tredenden schroom om aan Gods groot-
je kort

(].., gevolg

^^elijk "

iieid

\'let

Pantheïsme

van

te doen en van

angst om, door misverstand,
de zóó zeer door hem gehate
terijjj^^^^^l\'en te bevorderen. De groote, zelfs gedeeltelijk let-

iij *^_^ereenkomst van zijn geschriften bewijst ten duidelijkste
van Ruysbroeck \'s denkwijze: te meer, omdat die
oppej^^ niet alleen formeel, maar tevens materieel is. Een

OUi 1. ^ge blik iu de geschriften zelven is reeds voldoende

Zien.

\' er fi

\'\'lin het naderen van den ouden dag verandering in

Jstiselie voorstellingen zou gekomen zijn, wordt niet

fill

do,

«eïi

^^^^ letterarbeid zelven voldoende wederlegd, maar
^^^tQejj^ aan groote psychologische bezwaren onderhevig.

^ iemand van zijn contemplatieven aanleg moest,
^^ fïïootej. daar heen vloden, juist het Mystische verlangen
^\'^^l^ilidij,^ hoe meer hem het uitzicht op zijn aanstaande

vr,

Oes

\'ger werd. Gaarne gelooven wij dan ook het

woord van den ouden biograaf, dat
Êegj^i ^^^ ^^n zijn dood toe van dag tot dag in de gave
ïlv.. ""^^^^ing is toegenomen.

\'^^^g kunnen

^Is door den tijd zou Ruysbroeck door vrees voor
""§edacï t ^^^^^^ gedreven zyn geworden om zijn lieve-
ielj. ^ ^yn hoogste ideaal, het doel van zijn geheele
op ^^^delijk totale eenheid tusschen God en den
^^^^\'Iginc I Zijn algemeen erkende heiligheid en de

Or ieder, ook door hem zelven gedeeld, dat geen

-ocr page 304-

•286

enkel woord aan zijn pen was ontvloeid, wat niet door cleü
Heiligen Geest was ingegeven, — waarborgden bem voor all®
vervolging, zelfs voor elke verdenking en tevens voor eigeJ^
ontevredenheid.

Inderdaad, wij moeten eiken bepaalden omkeer in de over-
tuiging van onzen Ruysbroeck ten stelligste ontkennen.

Altijd

en overal deed de vurige drang van zijn Mystisch gemoed b®^
de kloof weêr vergeten, die den mensch voor eeuwig van Grod
scheidt, — maar ook altijd weêr deed het redelijk elenieö^\'
dat in het geloof besloten ligt, hem den afstand tussch^i^
V beiden inzien. De substantieele samenvloeiing en de eeu^ïB*^
scheiding waren hem beiden even waar: al naar het doel
zijn momentaneel schrijven dat meêbrengt, urgeert hij de eei^®
of andere. Wie eenzijdig op e e
n van beiden den nadruk \'
doet hem onrecht.

icljt

Altyd en overal, zeggen wij, ziet hij den eeuwigen ai» ,
tusschen ons en God in — en daardoor zullen wij vpeHi\'^

bij den lezer de tegenwerping uitlokken: »en hoe dan ^^ ^

Bruiloft f Daar hebben wij dan toch uitsluitend positieve

zekeringen gevonden, zonder dat daarop verzachtende

volgden." Ons antwoord is dat het ook in de Bruiloft ^^^

geheel aan beperkingen ontbreekt i), maar dat de

minderheid, die zij daar tegenover de talrijke sterk pantbei^ ^^

gekleurde uitdrukkingen uitmaken, haar oorzaak vindt

omstandigheid dat de Bruiloft niet afgewerkt is, of, oxn,] u

\' -f is

te spreken, dat het daarin neergelegde systeem niet ^^^
tooid. Zooals de lezer zich herinneren zal, is dit g"^ ^^^^
aan een tekst gebonden: »Zie, de bruigom komt, ga ^eJ^
tegemoet". Met de hoogste ontmoeting van onze ziel
bruidegom in het Schouwende leven, eindigt het
boek ^

1) Zoodra hij namelijk tegen de „verkeerde menschen"
hl. 173—175, tegen hen die wanen dat zij niet meer behoeven te w\'®\' ji)\'\'
175—180 tegen hen die zichzelven van alle werk ledig denken en^ jpjed®

anders dan een instrument te zijn ^„daer God mede werket" (vgl. echter

wij op bl. 293 uit het BMni. Steent, van Euysbroeck zelven

alle verkeerde menschen. ende die quaetste die leven; ende si sijn m ^

\'t nil ii*\'\'\'\'

scuwene alse die viant van der hellen (bl. 177). — Bl. 178: „waeri ^^^ i
dies niet sijn en mach, dat de gheestelike creature te niet ghmg
werkene" enz. „dat es dat si een met Gode werde" enz.

-ocr page 305-

•287

yk- Het is daarmeê compleet. Niet alzoo het Mystische stelsel
Terwyl daarvoor in de
Bruiloft verder geen plaats was,
, ^ I^nysbroeck de verdere ontwikkeling van het Schouwende
^eu (het slot derhalve van zijn Mystiek) gegeven in zyn
^^\'n.tje. Dit laatste boek is derhalve een noodwendig supple-
Van de
Bruiloft en als zóódanig in casu tevens een
^^^ectief; een correctief, niet van de grondstellingen in de
uitgesproken, maar van de hyperbolische en oneigen-
\' Ë ^^^^\'l^^kkingen, die daarin voorkomen,
deel ^^^ correctief was noodig. Immers zijns ondanks, ten

"^aix door den gang zijner speculatie en het voorbeeld

, lonysius, maar wel het meest, gedrongen door de telkens

^Orin. ■ O O

Pein\'\'- ^ waarin hij aan elk der drie graden de ver-

uiet God toekende, heeft hij er zich toe laten brengen
hijv f® zeggen, die hij niet zeggen wilde. Wanneer men

Dit

den ^^

tot ^^^ welke gemeenschap hij de Innige menschen plaatst

\'^\'^heid ^^^^ ^^^ waarlijk niet wat er van het onder-

fku . de Schouwers en den Vader kan overblijven,

is reeds zeer goed in gezien door den ouden broeder Gheraert

^\'^^l^i^izer, dien wij als vriend van Ruysbroeck en als
l^and^^^^^^^ ^^^^ diens geschriften hebben leeren kennen. Gheraert
over, een hoofdstuk uit den
Samuel, waar
^l^^\'eekt\'^^^\'^\' ^^^^^l\'^oeustaande de meêgedeelde retracties, toch weêr
Mj e^ ^^^ eeu » enicheit sonder différencie". Gheraert belijdt dat
de^g . \' \'^ïinen in den beginne aanstoot genomen hadden aan

sonder différencie ludet alsoe vele als
^elve ^^^gl^e onghelijcheit, sonder enighe anderheit, al dat
die siele\'"\'^\'\'\'" ondersceit. Nochtan en mach dat niet sijn, dat
"^et gbenegbet [d. i.
ghe-eoieghet vereenigd] werde

"^^c si te gader werden één wesen, ghelijc dat hi

"^^^de e ï^u is te vraghen waerom dat hi dan die

^ie ^"^gbe noemt sonder différencie. Hier toe peinsic aldus :

and ®^iughe badde hi ghenaemt overmits middel, ende
noci, ------

een middel. Ende ten derden male woude hi setten

Woe^d^^ ^^ \'ïoï\'^eï\'ö] eninghe, mer die en conste hi niet
^oan^g^\'*^^\' cyrconlocucie, niet ghenoemen, hi en nam

een ijy. woert, sonder différencie, al waert

el te hogbe om te utene ende te wordene

le-

St.

-ocr page 306-

•288

sine meininglie" Zóó was liy dus te ver gegaan in zijn
uitdrukkingen, en, zelf gevoelende dat de dingen die hy gezegd
had, consequent toegepast, met zijn eigen godsdienstige over-
tuiging in botsing moesten komen, heeft hij geretracteerd, of
liever, zijn eigenlijke bedoeling uitgelegd, zooals wij boven
hebben gezien.

Meenende aldus het verband tusschen de Bruiloft en Rnys\'
broeck\'s overige werken in het ware licht gesteld te hebben,
zullen wij nu overgaan tot de ontwikkeling van zijn
Mystiek
zooals die in de bedoelde geschriften hare voleinding heeft ge\'
vonden.

Wel verre van zijn Mystiek in een de persoonlykheid

opheffend

Quietisme te laten doodloopen, zooals het slot van de Bruiloft, op

zich zelf beschouwd, zou kannen doen vermoeden, _ heeft bil

de

die van de hoogste hoogte der contemplatie wederom op
Practijk gericht. Ook in de herinnert hij

herhaalde\'

lyk dat de wezenlijke eenheid met God tevens »werkelic" d. i.o.ctf\'^J
(men houde deze beteekenis van werkelijk als
actief en niet ak
reëel vooral in het oog) moet zijn, maar hij doet dat daar slecb^®
in het voorbijgaan met een enkel woord. De practijk
verdwïF
daar bijna geheel voor het rusten qu gebruiken, d. w. z. het lijdeiy;
genieten der contemplatie. Elders houdt hij zich echter, zo^^ .
wij zeiden, opzettelyk met de Practijk bezig. En terwijl ^^ ■
het oog hierop richten, treft ons in de eerste plaats de eigenaai-\'\'^^^^
kunstige wijze waarop hij den overgang maakt van het ^^^^^^^
quietistische zich in God verzinken tot het gebied van de \'vv® ^
dadige Mystiek of, om in zijn taal te spreken, de
vereenig
van de gebruikelijke en de werkelijke eenheid.

op\'
ho^

Den lezer, die de uiteenzetting van het Mystische leven

merkzaam gevolgd heeft, zal het zeker niet ontgaan zyi^\' ^^^^
Ruysbroeck de grenzen van het Werkende en van het ^^
nige leven stelt in een honger en in een gevoel van tekortkom^^^
dat te weeg gebracht wordt, van onze zijde, door de oO ^^^
dwingbare drift naar God, en van den anderen
kant dooi

1) Zie D.avid\'a Voorrede voor don Tabernakel, bl. XIII.

-ocr page 307-

289

oiibegrypelyke en ontoegankelyke hoogkeid Gods, die door
em zelven in de ünio Mystica — op ckristelijk standpunt
Natuurlijk — als zoodanig geopenbaard wordt.

Dit pijnlyke gevoel, op den duur ondragelijk, drijft ten
te den mensch voort tot in een hooger stadium. Op deze
^^yze Wordt de Beginnende mensch tot een Innige, en op
^ ^iide manier wordt de Innige mensch tot een Schouwer,
sluit het geheel goed aaneen, en wordt het Mystische Leven
als een zich zelf steeds verder ontwikkelend pro-
ook ^^ denzelfden geest voortwerkende gaat Ruysbroeck nu
^ de grenzen van het Schouwende leven omschrijven, om
^rin het negatieve moment voor den overgang tot de Prac-
ÜK te vinden.

te ^^^ selven oghenhlicke dat wi des ghevoelen, dat God
^ale ons wilt sijn", zegt hij, »soe ontsprinct in ons ene
^^ ® ghierighe ghelost, die alsoe hongherich ende alsoe
ende alsoe ydel [=
ledig] is: (dat) al gave God al dat
mochte sonder hem selven, het en mochte ons
ghenoeghen ; want indien dat wi ghevoelen dat hi hem

^ijfts ^^ ^ ®gheven ende ghelaten heeft onser vrier ghelost,

i\'en gbesmakene in alre wijs dat wijs [= wij het\\ heghe-

ende dat wi leren in die waerheit sijns aen-

\' ^^ ^^^ ghesmaken jeghen [= tegenover] dat

all ^^^hlijft, dat es niet een druppel waters j eghen
dip

^Hde • dit verstormt onsen gheest in hitten

^^ak ^^ ^^gbeduerene van minnen; want soe wijs meer ghe-
yeghgp\' hongher m^erre wert, want een

die anders sake [= het een is de oorzaak van het
l^liven \' ^^de dit doet ons crighen [= streven] ende ont-
^letenhg-^ ^^ ^\'^ort schieten], want wi teren op sine onghe-
"^^^ghen •\' ^^^ verzwelghen en moghen: ende wi

onghcëintheit [=

oneindigheit], die wi niet
^iet ^ moghen: ende aldus en connen wi in Gode
noch God

in ons: want in ongheduer van min-
^^ die wi ons selves niet vertyen. Ende hier om

^^^^ onghetempert, dat die oefeninghe van min-

^bxen ^^^ Gode gaende ende keerende es, als

des hemels: nochtan en connen wi niet ver-

19

-ocr page 308-

•290

b e r n e n. . . . Alsoe langbe als wi met ynnicbeden aensien
dat God ons wilt sijn, soe ghergnt [=
beroert\\ die goeder-
tierenheit Gods onse ghierighe ghelost: ende hier af coriit
ongheduer van minnen; want dat uutvloyende gherinen
Gods stoect ongheduer ende eyschet ons werc, dat is dat wj
minnen die ewighe minnen; mer dat intreckende
gherinen
verteert ons uut ons selven ende eyschet ons versmelten ende
vernieten in enicheden. .. . Ende hierom, als wi dan dat
ghevoelen dat hy met alle deser rijcheit ons wilt syn, hier
jeghen onpluken alle die crachten onser siele ende
sonder-
linghe [= vooral] onse ghierighe ghelost; want alle die riviere
der ghenaden Gods die vloyen: ende soe wijs meer ghesmaken i
soe ons meer lust te ghesmakene, soe wi diepere ghecrighen
in sijn gherinen. Ende soe wi dieper crighen in dat ghe-
rinen Gods, soe ons die vloede sijnre soetheit meer
doirvloyen
ende overvloyen, ende soe wi meer doervloyt werden end®
overvloyt, soe wi bat ghevoelen ende bekennen dat die soet\'
heit Gods onbegripelic is ende sonder gront" i).

Op gelyke wyze spreekt Ruysbroeck elders. Terwyl God
zyn grondelooze mildheid alles aan de ziel wil toonen en schenken\'
»gaept" deze in haar onverzadelijke begeerte; zy
»gaept end®
wilt al hebben dat haar vertoent is. Maer si is creature»
ende en mach die alheit Gods — als zoodanig — niet begf^
pen noch begapen; ende hier omme moet si girieren en
gapen, dorstich ende hongherich ewich bli"*"®^^
Ende soe si meer ghiert 2) ende crijght, soe si bet ghevo®
dat haer die rijcheit Gods ontblijft: ende dit heet crig\'^
in ontbliven"

Op den duur aldus gevoelende, dat het onmogelijk
geheel in God over te gaan, kan de mensch, bij de on

righeid zijner brandende liefde, onmogelijk stil blijven
by de enkel passieve beschouwing. Hij wil werken om ^^
door de vurig verlangde vereeniging zóó nauw mogelÜ\'^^^^
maken. »Minne en mach niet ledich syn" zegt
»want si is een ewich werc met Gode". De liefde tot

1) B/ink. Steent., bl. 228 vgg. — Vgl, bl. 220 en 235; 12 Begh., bl. 5, l»-

2) Bij Kiliaen: avide petere, inhmre.

3) Sp. d. e. Z., bl. 239.

-ocr page 309-

291

eischt het doen van de werken der liefde, en zonder »oefe-
^inghe van minnen en moghen wi Gode nemmermeer besit-
Ende soe wie anders ghevoelt oft gheloeft, hi is bedro-
De Schouwende mensch moet dus weder gaan
berken en elk van zijn werken
»Sonde

_ ® sonder oefeninghe van minnen en moghen wi met Gode
"^wi^enicht werden noch gheenicht bliven. Want mochten
salieh syn sonder ons weten
{en werken) soe mochte oec een
salich sijn, die gheen weten en heeft" %
^^ Werken wordt echter nog door een andere oorzaak
Het leven van den Beschouwenden mensch
\'^ij gezien hebben, geheel gelijk geworden aan het
heid^^^^^^^^ leven van God zeiven. Nu is dit leven der God-
Wd i® binnen eeuwig rustende en genie-

^en\' tevens naar buiten eeuwig werkend. De Schouwende
ïftoet^^\' ^^^ ^^ ^^^^ opzichten de antitype is van de Triniteit,

leve

\'Öat

eest,

onse

Ende daerom is hi gherecht ende war-
dinghen ; ende hi heeft enen riken milden

^ntvloyende gherinen Gods maect ons levende inden

ende

^■^dene vervult ons met graciën ende verclaert ........

dei- 1 ons te bekennen die waerheit ende ondersceit

; düeehde"

^Óó L-

^eïiig ^^^ mensch wederom tot het Practische leven

Wej^ . mensche die nut deser hoecheit van Gode nedergheseint
Werelt, hi is vol der waerheit ende ryc van allen
diene f" l^i en soeket sijns niet; maer des gheens ere,

^«^litiol. heeft,

allen

bl. 222.

bl. 224. — Vgl. Bruiloft bl. 178 : \'„Si en ware oec niet meer
\'^inne steen ofte een hout; want sonder ons eyghen wer-

^^inlr bekennen Gode, soe en moghen wi niet salich sijn."

tea.

van zyn werüen moet een zelfbewuste daad
r onse weten en moghen wi Gode niet besitten;

evenzeer deze naar buiten tredende bestaanswyze in
openbaren. Het wezen Gods, waarvan hij geheel
IS, dringt hem daartoe. God leert ons in zijn »in-
sterven ende seouwen. Mer in sinen uutvloyene. . .
hi ons te levene in rijcheden van duechden"

4) ^ • Siéent., bl. 232.

P-. bl.

235. Vgl. V. d. Mke d. Ghel., bl. 264.

17*

-ocr page 310-

•292

gront, die gliefondiert is in die rycheit Gods: ende daer om
moet hi altoes vloyen, in alle die ghene die sijns behoeven;
want die levende fonteyne des heyligen Gheests die es syn
rycheit die men niet versceppen [—
uitputten, ledigen] en
mach. Ende hi is een levende instrument Gods, daer God
mede werct wat hi wilt ende boe hi wilt; ende des en
draecht
hi hem niet aen, mer hi gheeft Gode die ere-, ende daer om
blijft hi willicb ende ghereet al te doghen dat God ghebiet,
ende sterc ende ghenendich [=
moedig, strenuus] al te liden
ende te verdraghen dat God op hem gbestadet. Ende hier om
heeft hi een ghemein leven, want hem is sconwen ende
werken even ghereet, ende in beiden is hi volcomen; wan^
nieman en mach dit ghemein leven hebben, hi en si een
scou-
wende mensche. Ende hier omme sijn si alle bedroghen di®
wanen sconwen, ende enighe creature onoirdelic minnen, oefe\'
nen oft besitten; die ghebruken wanen eer si onghebeelt syö\'
ofte rasten eer si ghebruken. Die sijn al bedroghen,
wy moeten te Gode ghevoecht sijn met opender herten, nie^
ghevreder consciencien, met enen bloten aenschine,
ongheveinS\'
delic, in rechter waerheit. Ende dan seien wi opgaen ^^^
doeckden in doeckden, ende Gode bescouwen ende sijns g\'^®
bruken ende één in hem werden ghelikerwijs dat ic u gkeS® ^^
kebbe. Dat ons al dit ghesciede, des helpe ons God.

Aldus eindigt Ruysbroeck zijn boek mn het blink^^ ^^
Steentje.
— Blijkbaar eischt hij van den Schouwenden inenS\'^
dat hij het geheele Mystische leven in al zijn graden en
diën moet doorleven.

Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij tevens
deugden van het Werkende en ket Innige leven hetraek^^^
juist zooals wij dat, bij onze mededeelingen
omtrent het
stiscke leven in ket algemeen, kebben voorgesteld. .-jj

In denzelfden zin als boven, laat Ruysbroeck ziek nit
■vij- Trappen. Nadat ky in buitengewoon sckoone en
taal de keerlijkkeid en de armoede van de contemplatie
gesckilderd, zegt kij daar: »Die gbeest Gods blaest ons nte o

wedef

leve\'^\'

jJi

minnen ende omme doeckde werke; ende ki trect ons

beme omme rasten ende ghebruken, ende dit is ewigke
Glielikerwijs dat wi die lockt die in ons is ute g

-ocr page 311-

•293

iiuwft locht weder iu halen: ende daer in besteet
sterfelike leven inder naturen." Een weinig verder
gaat hij f^idns voort: »Siet dit is dat edelste ghevoelen dat
iu onsen gheeste bevinden ofte verstaen moghen. Nochtan
^^^oeten wi altoes op ende nedergaen die trappen van
^ï\'sen hemelschen grade, in inwendighen doechden ende in
luitweadighgj^ goeden werken, na die ghehode Gods ende
^^dinancien der heyligher Kerke i). Ende overmits ghelycheit

ende
onse

goed

ei\' werke, sijn wi Gode gheenicht in sijnre vrucht-

naturen , die altoes werlïende is in drieheit der
^ersone, ende al goet volbringt in enicheit sijns gheests.
syn wi ghestorven den sonden, in énen gheeste

ölet p ^

^ ^ ^JOde. Daer werden wi van nuwes gheboren ute den
^^^ylighen Gheeste, uutvercorene sone Gods. Daer sijn wi

H Selfs ontgheest, ende die Vader met den Sone hebben ons
eist \' . .....

^ere
Uier

ver-

wi alle één vier

m eAvigher minnen ende in ghebrukene. Ende dit

IS altoes nuwe b e gh innende, werkende ende volmaect.
Grod ^^^^ ^^ salich in bekennen, in minnen, in ghebruken met
dae ^^^^ ghebruken sijn wi ledich: dat werct God, allene,

teerf

minnende gheeste ontgheest,
Yg^j^ ^^ eenheit sijns gheests. Daer sijn
öia dat me ere es, dan al dat God ye ghe-

Elc gheest is ene her ren de cole dien God
heeft inden viere sijnre grondeloser
ïend^"^\' ^^de alle vergadert, sijn wi eene ber-
deji Y^ gl O et, die nimmermeer ver ga en en mach, met
daej ®^de met den Sone, in enicheit des heylichs Gheests,

l^aer« godlike persone hen selven ontgheesten in eenheit

Voldi in dat grondelose abis [:

^ë^er salicheit" 3).

? ^^ ^i® TT

\' j^j —ÖO. Vgl. de vroeger (bl, 150) meegedeelde plaats uit den

jU ■ vg. De lezer lieriunert zich, dat de arend daar een onrein

Wordt

afgrond, ahyssus] een-

\'Uei.

\'^SfinloQg omdat hij uit eigen kracht steeds hooger wil stijgen en meê-

bit K achterblijven. Zie verder ook Tabernakel, II : bl. 244.

scl:

\'\'^^t^hei^i den ontzaglijken, brandenden vuurgloed moge in dichterlijke

s r O O s, waar-

v*^^® ba^te\'^ onmetelijke, witte Paradij

s^^\'^^lfeaen Cant. .X:XX en XXXI) de schare der in zalige beschouwing

O\'ivergelijkolijk schoon afschildert, — in forsche kracht en in
^^^ gßbe (de vuurgloed wordt immers anders altijd als het beeld van

ö ) verdient het nochtans, naar onze schatting, de voorkeur.

-ocr page 312-

294

Zonder werken zou de mensch niet zalig kunnen wezen.
Het verlangen naar de »ydele blynde ledicheit" die »onachtsam
alre goeder werken van buten ende van binnen" is,
noemt
Ruysbroeck dan ook de »becoringhe, die noch alder meest is
tonsiene; want die daer in vallen, si verdolen soe verre
van
Gode ende van allen doechden, dat si cume [= nauwelijks, zie

boven, bl. 160] emmermeer weder keren moghen..... Want

inghele ende heylighen ende Christus selve, die seien ewelic
werken, minnen ende begheren, danken ende loven, willen
ende weten ; ende sonder dese werke en mochten si niet
salicb
syn.
Ende God selve, en wrachte hi niet, hi en ware noch
God, noch salich" i).

Door aldus voortdurend in God in te vloeien en tegelyk
telkens weder uit te vloeien naar buiten, of m. a. w., clooi\'
aldus in God te rusten en tevens onder de menschen te
werken, wordt het leven van den Mysticus een
volkomen
goddelyk leven. Toch moet het echter, door de perken aan
\'s menschen natuur gesteld, tevens immer een
menschelijk
leven blijven. Beiden staan evenwel niet nevens elkaar, maa^\'
door den volkomen opgang van den mensch in God en
nederdaling van God in den mensch, komt eindelijk de hoogst^
doordringing van beide naturen
in het godmenschelij^®
leven van den Schouwenden mensch tot stand. Ziedaai
inderdaad het einde, de som van Ruysbroeck\'s geheele Mystiek •
Het Mystische verlangen naar substantieele oplossing in
kan nimmer worden vervuld. »In ons selven" zijn wij, zooa-
hij herhaaldelijk zegt, »hongherig ende dorstich, in Gode dron

ledicb\'

hongherich ende sat, werkende ende ledich, dese ding
syn te male contrarie: nochtan leghet hiei"
onse hoechste edelheit, nu ende ewelic"

ken ende sat; in ons selven werkende ende in Gode alles

Ende aldus seien wi ewelic bliven. Ende soe
anders ghevoelt oft gheloeft, hi is bedroghen. Ende al ee

dat wi gheheel in Gode leven ende gheheel in
selven, dit en is doch mer
één leven; mer het is
trarie ende twevoldich van ghevoelene: want arme
ende ^

iJi

1) Vanden vier \'Becoringhen, bl. 279—280.

2) Blink. Steent., bl. 221, 222.

-ocr page 313-

•295

deze volkomen doordringing van het goddelijke en het
^enschelijke, ligt de geheele verwerkelijking van het beeld Gods,
^^ ^ hetwelk wij geschapen zijn, en in haar is tevens het hoogste
»JJ Christus verwezenlijkt, is zijn innigste gebed verhoord:
heht^^^^^ ^ader! bewaar ze in Uwen naam, die Gij mij gegeven
Ze opdat zij één zijn, gelijk als wij!" i) »Niet alsoe één",
s^ta »alse hi is metten Vader, ene enighe sub-

der Godheit. want dat es onmo ghelijc; maer alsoe
gheb inder selver enicheit, daer hi sonder ondersceet één

inken ende éne salicheit is metten Vader in weseliker
innen n-

Oh • \' aldus met Gode verenicht sijn. . . . , in hem es

vIa ^ hede volbracht. Si seien met Gode ebben ende
\'■^taei-, ^^ altoes in besittene ende in ghebrukene ledich

ftet

geen

len.\'
^oolanr

ig de mensch echter nog op aarde vertoeft, is er voor
bewjf\'^^^^li gemoed

< ______ „____ duurzame vrede te vinden. De

Vooj,^^ tegenover Gods liefde tekort te schieten, maar

te V, ^^^ gevoel van onmacht om God te grijpen, te omvatten,
bittere
^ ^^^ (^et erighen in ontbliven) blijft levenslang een
^Welling. Maar dit zal geen eeuwige kwelling wezen. De

het Jodendom is voorbij. Voor ons is de dag
maar onze toestand in het Christelijke geloof
in ® \' het is nog morgenstond. Toch kunnen wij wandelen

nederzitten in de schaduwe Gods: dan zal

Oji,

en

en

\'^Ihen ™ ^od de genade middelaarster wezen. Dan

\'ehi i\' eindelijk alles verwinnen, alles afsterven en

stevf V- overgaan in eenheid met God. Onze staat is nog grof
Ons ^ ^^ werpt daarom nog zijn schaduw af, een schaduw
\'^\'^he rJi alzóó verdonkert, dat wij God en de hemel-

in d . ^^^^ volkomen kunnen leeren kennen. Zoolang wij
k./^ ®^haduw wandelen, kunnen wij de zon niet in haar
ons kennen nog in gelijkenissen en in ver-

IS

^egt Paulus Maar op de hooge bergen.

staa^ belofte, daar is geen schaduw meer, daar is

heiligen doorschijnend en vol glorie. Zij leven

V xin, 12.

land

Ie

-ocr page 314-

aoe

en wandelen in den middag, en met oi)ei]e, verklaarde oogen
aansckouwen zy de zon in hare klaarheid, want zij worden door-
stroomd en overstroomd door de heerlijkheid Grods. Niet alleen
de vrucht van alle deugd, maar nog hooger zaligheid wordt daar
genoten in het smaken en het begrijpen van de
Drie-
heid in de Eenheid en van de Eenheid in de Drie-
heid, welk genot de hoogste spijs is die alles te boven gaat, en
dronken maakt en rusten doet
voor immer. En dat begeerde de
bruid in ket Hooglied (»der minnen boeke"), toen zij sprak tot
Christus: »Toon mij dengene, wien mijn ziel mint, waar gij spijst
en waar gij rust in den middag!" dat is het licht
der heer-
lijkheid, zooals St. Bernard zegt. Want alle de spijze di®
ons hier in den morgenstond en in de schaduw gegeven
wordt, is nog slechts een voorsmaak van de
toekomstige spp^\'^
in den middag der glorie Gods i).

Zoolang de mensch hier op aarde is, moet hij

intusscbeW\'

zooals wij zagen, behalve zijn voortdurenden inkeer tot " \'
steeds blijven uitvlieten in een gemeen leven, d. w. z. ^^^
buiten werkzaam blijven ten nutte van den medemensch. ^^^
doet zich echter de vraag op, of de stille contemplator
ongestraft kan doen en of bij, door zijn terugkeer tot de
reld, niet veel van zyn innigheid zal moeten verliezen-
broeck beantwoordt die vraag bepaald ontkennend,
zaligheid van Gods nabyheid eenmaal heeft
gesmaakt, ze» ^^^
zal zich niet licht meer door de uitwendige dingen
trekken. »Die aldus Gode bevonden heeft in hem ^^^^
regnerende met sijnre gracien, ende blivende ende sijnde ^^^^^

\'iie-
i

die

hem selven in Gode boven werck der crachten,
onghehindert van live of van lede ende van nienichfondi^^^
den der creaturen bliven, want God is in hem
[— tot bestaan gekomen], ende hi is hebbeliker [

iiii

voor, capax] ende gheneychdeliker ten inkere dan ten ^^^^
kere." Al is de Mysticus met uit wendigen
arbeid mg
nen, tock vergeet kij zijn geliefden God geen
enkel o c

1) BUnlc. Steent., bl. 231 vg.

-ocr page 315-

•297

Crlieliker wijs als dien die lierteliken dorst
is hier onpersoonlük]: in dien dorst doet hi wel
ei\'s dan drinken, ende hi mach wel ander din-

ghedenken dan die dorst die hem phnt: mer

"^at 1 • ... .

. ^ doet, ende hi wien hi is, of wat hi denct of werct,

lern en vergheet dat heelde des drancs niet die wile

zoolang\'] dat di dorst durende is. Ochte die daer een

aine

hci\'ten en gaet, dan allene dat [= datgene loat] hi meint

eiide
dat hi
öiet

mint, ende anders niet: waer die mensce is, of hi wien
^S) of wat dat hi heghint, of wat hi doet, het yerdrivet
^nd ^^^ datgene waf] hi so seer hertelike mint.

^int ^^ dinghen vint hi des dinghes heelde dat hi also

Me ^^^^^^ ^^ ^^^^ alsoe vele yeghenwoirdigher alsoe

Soeet ^^^ minne craftiger eiide meer in hem is. Hi en
gheen gheen ledicheit noch ruste, want hem en hindert

hi en is altoes ghereet te hehhen in synre
(lees- ^.^^\'^^^heit dat heelde van sinen geminden Zy
Van ^^^^ lieve gheminde,. alsoe sal God ghemint werden
^oii-rl\' ^^ dat heelde sijnre minnen ende sijnre yeghen-

i^tedej^ \' ^^ draghen, in allen onsen werken, in allen

plaatsen], hi allen luden ende in allen dinghen"
hoef\'t - •• derhalve wel alleen wezen, maar^ daartoe he-

öiystjg^^ ^^Istrekt niet de buitenwereld te ontvluchten. Echt
\'^es dgj^ ^oept Ruysbroeck dan ook uit: »0 heylighe siele!
g^l alleen, op dat ghi hem alleen moghet sijn dien ghi

^\'^\'\'^gen]. hebt. Vlie gheveinsde toninghe [= vertoo-

\'^^hap \' ^^^^ dinen vrienden, vlie van onnutten ghesel-

scadelike menichfoudicheit; vergheet dijns
^ dijns vaders huys, — ende die coninc sal dine
^^^lie, maar hij laat er dadelijk op volgen:

betten lichaem, mer metten herten ende met in-

^^^ devocien ende metten gheeste: want God is een
\' ende d .

blik. »
y^orsun

and
gil

Ui
[

terhertelic mint, dat hem anders niet en smaect, noch

^ uaeroni en hegheert hi niet alleen eenheit des

^\'Ide voq^. den monnik de liefde van den .jongen wan tot zijn

\' ^an _ Seest.

\'^ogh., bl. 73, 74.

-ocr page 316-

•298

licliaems, mer des herten", i). Somtijds is het echter nuttig c\'U
goed ook uitwendig alleen te zijn: »want Christus, die
onse exempel is, die vloech al sulc [=
sommige] stont alleen-
heden: niet dat hijs te doen hadde, mer dat hi ons leren
woude dat wi oec alsoe doen souden. Ende alsoe als goet
geselscap sulc stont helpt den onvolmaecten mensche, alsoe
let quaet gheselscap den volmaecten mensche". Maar dat
geldt slechts voor enkele oogenblikken en bijzondere
omstan-
digheden. Wat echter overal en altijd noodig is, is: alleen
te zijn van hart en van geest. »Die is alleen, die niet en
denct die dinghen die weerlic [=
wereldlijk] sijn, ende nie^
en is lichtverdich gheneycht tot dinghen die nu
yeghenvs^on\'-
dich sijn, ende die versmaet dat vele mensehen
begheren
ende diet [= dien het] verdriet dat vele menschen met vele
onnutten bliscappen besitten, ende die scuwet sceldinghe, end®
die niet ghevoelt dat men hem scade of scande doet, end^
die verghet dat men hem. misdaen heeft; anders en si ^^^
niet alleen, al waer ghi metten lichaem alle®®\'
Mer haddi alle dat hier gheseit is,
al waer g^^
onder dusent menschen, ghi waert alleen". »Al®\'\'®
en derf [=
behoeft] die volmaecte mensce die uutwendigb®
dinghen van buten niet vlien". En daarom.
behoeft ^^
mensch zich niet te verontrusten »al vint hi hem sulke ston
[= somtijds] gekeert tot onnutten dinghen (want het is ^^
mogelijc dat wi altoes op souden sijn gherecht [opo^^^
recht =
opgericht] tot Gode waert, alsoe langhe als vfi
inder tijt). Mer alsoe schiere [=
zoodra] als die volm^e
mensche ghewaer wert dat hi is ghekeert tot
onnutten di\'
ghen, soe keert hi hem haestelike daeraf, met
eenre g^" ^ ^^
onwaerden [z= verachting] op hem selven dat hi soe on8_
stadich is. Ende want hi sonder gheneychtheit op dxe _
ghen sach, soe mach hi hem sonder cracht daer af kee ^^
want zyn inkeer is hem alsoe ghereet als sijn
uutkeer ^,,
ghereder, want hi is meer gheneicht inwert dan unt^^\'^\'®
Nu hebben de dingen zeker voor den een meer aantrekk ^^
beid dan voor den ander, maar dat is nog geen reden

1) Fan twaelf dogh., bl. 64.

-ocr page 317-

•299

Veel^^^^^^*^"\' ^^^ weten dat die eeu mensclie

® bereyder is tot ghestadicheden, dan die ander. Ende

st

^eden, daerom en is hy die heylichste niet;

daej-

al heeft hi min stridens jeghen onghe-

adich,

Qier j •

dien ^^ Geeste minne hevet, ende Gode best waernemt ende
Waer nemene ghenoech is, dat is die beste. Ende
Ulf^^^^ ist ghesciet, dat die ghene veel naerste-
^en ende tot veel volmaecter leven qua-

e^d\' Scale [= kwaad, slecht] waren van naturen

^at \'^^l\'eqnamer, dan die ghene die zaechter van

ovgj,^. - Waren". Ruysbroeck verklaart dit aldus: »want

\'lie ernst die si hebben tot Gode ende bernende

^et \' ^^^ weghen si haer onghestadicbeit alsoe sere, ende

^elygj^^^^^®^ onweerden keerense op hem selven, dat si hem

Weo-v, gheliken en connen: want een cleyn ghebrec

^ engg „■]

een j aisoe sere, dat cume een ander goet menscbe soude
^^She soe sere weghen. Ende want sy soe sere dat

si te meeren ernst hem daer jeghen te
^ i® li®^ e®^ groet hulpe te ghestadicheden" i).

^^\'^gen niet haar behoorlykheden en haar verlok-

^^^den ^^^^ alleen niet vermeden worden, maar zij moet
^\'^\'^iHsten^^^^*^^^\' ^^ ^^^^ ^^ vromen mensch den heil-

^^^den ^^^ioed hebben. »Een woert wert ghevraghet enen
^^^den ^^^ sulke [=
sommighe] luden trecten hem sere
^S\'i\'en V waren gherne alleen, ende daer laghe an

^^ ^ dat si waren inder kerken of alleen: ende vra-

leeret ^^^^^ \'

^^^^^ sted ■ recht is inder waerheit, die is in

^^ ®nde bi allen luden oec recht: ende soe wie on-
h ^^ is ^ ^ iu allen steden ende bi allen luden onrecht.

1 ^^^^ Low, ^\'®cbt, dan die Gode inder waerheit heeft: die
^Mei, in

^^ toe elusen : als zooals] onse Here sprac den

allen steden, ende inder straten, ende bi allen
ende soe rechte als inder kerken of inder ca-

of

M

- ----- L --------J _ —- ----- -J--------

\'lat ™ bornput, dat die ure soude comen, ende si is
uoch inden tempel, noch opten berch en soude

62. 68.

-ocr page 318-

•300

aenbeden den Vader, ende die gliewariglie [= waarachtig^
aenbeders aenbeden inden geeste ende inder waerheit". i)

Het komt er dus maar op aan om, wat men ook doet ^^
waar men ook is. God steeds voor oogen te hebben. Heef\'
men dat niet en meent men zich zei ven in de dingen, dai^
is niet alleen kwaad gezelschap maar ook soms goed geze^\'
schap hinderlijk. »En niet alleen die strate, mer oec

die
den

kerke: want die hindernisse is in hem [d. i. dan in

mensch zei ven], want al dat hi onordelic mint dat hindert henJ

Men denke echter niet dat Ruysbroeck het voor iets on^ei^
schilligs houdt met welke dingen de Schouwende menS ^

dieliJ"

doö^

welke hij zich altijd in Gods onmiddellijke nabyheid

Schouwenden mensch een onbewuste daad worden,

bezig zy. Hij wil volstrekt niet »dat men alle werc g
achten sal, of alle stede of alle lüde, want dat
ware hei

iieJi\'
Ite

onrecht. Want het is een beter werc beden dan spin
ende een edelre stat die kerke dan die strate: mer du
inden werken ende steden een ghelijc ghemoede draghen ^^
een ghelijc trouwe minne ende ernst te Gode. Waert ^^^
dan alsoe ghelijc in allen steden, ende minde ende in®\'^^
Gode in allen dinghen, soe en mochte u nieman him
der yeghenwoirdicheit Gods inder waerheit" ^^^

Door voortdurende oefening moet de inkeer v^i^

stC\'

Oll^

Dat kan niet geschieden door de dingen daarbuiten te ^^
vluchten, maar door de dingen zóó te leeren beschonwei"-^^^
te overwinnen, dat zij geen hinder meer geven,
wordt veel vereischt, maar men moet zich niet laten ais^
ken, indien het doel niet zóó dadelijk kan worden ^
Men moet doen wat men kan, want de vrucht zal \'^^^gt
zijn. Iemand die wil leeren schrijven, zegt
Ruysbroeck
zich veel in de schrijfkunst oefenen, hoe moeielijk dat ^^^^
den aanvang is en hoe onmogelijk het hem ook
dat hij het ooit leeren zal. Bij voortgezette oefening zal
ten slotte de kunst machtig worden. »Hi moet ten ^^
een merken hebben eenre yeghenliker letteren, ende

1) Fan hmelf doffh., bl. 67. Vgl. Jüh. IV : 21.
3)
Yan twaelf dogh., bl. 69.

-ocr page 319-

•301

heeft ^^ wel vaste beelden. Ende als hi die letteren wel
den \' ^^^^ ^^^ letteren wel spellen caa, soe wert hi der heel-
^^^ijfT^^^-^^^^ ledich ende des groet merkens; ende dan soe
^^ hi vrilyc ende lichtelic, sonder eommer" i). Gelijk nu
ovex-^^^^^^^^"* °^bewust, d. w. z. zonder opzettelijk nadenken
br» ^ gedaante der letters, zijn gedachten op het papier kan
l^ij \' de volkomen Mysticus in staat altijd, zonder dat
aan behoeft te denken, tot God in te keeren.
en ^^^ hy doen wat hij wil, maar altijd is hij nabij God

hij God nabij zich.
lieru °^wende mensch kan dus aan zijn door de liefde in
hnU ^^^"^^^^aakte zucht tot werken voldoen. Krachtdadig en
de^ ^g iBoet hij

in de wereld optreden ter wille van
de ^.^"^^^ensch. Ja, wanneer de nood roept moet hij zelfs
te j , ® der Ecstase opgeven, om anderen te dienen en
\'^^lelste l^nyshroeck staat op dit punt niet achter by de

^^l^cT geestverwanten. »Men sal" zegt hij, »ju-

Oeji ^ ^^^en doer [= voor, om] een minne werc
;
1 t e isr « «1____ T ,1 f. , 1

lik

eens

Werken, daermens noot heeft, gheeste-

lil ^^^ yilike. Want waer [= ware] die mensche

^ groter juhilacien of contemplatien als

istg ®ter of Sinte Pauwels ye ghewaren: ende
AVa\' hi

euen sieken mensche die noetorftich
^etej. »Upens 2) oft anders yet, het waer veel

v^^^ ^^ liete sine oefeninghe van juhilacien
^^^Sche • ^^^l\'emplacien, ende diende dien noetorftighen

- tg eer ren [= tot vermeerdering] der minnen",

^ïiigstg ^^ wil doet, ook te midden van de

Verp ^ zal zeker God welgevallig zijn en zijn loon

de l^^ysbroeck toont dat aan met een voorbeeld

\'\'^^^hij^s^ ^gieuse ervaring ontleend. »Het was te Bruesel"
Sint Jans Gasthuys, een devote suster, die den

bl. 75.

«Ubst.

ruikt

Ma,

^oep. David teekent bij dit woord aan: „versta een zuipen,
"lie \' drank, dien men aan zwakke, ziekelijke menschen

Sj y ^^\'\'ius "^®derlandsche ooren heeft dit woord zeker een zonderlingen

"■f ^ogh., bl. 91.

Hon

geeft

-ocr page 320-

•302

siekeii goedertieren plach te wesen. Eens doen lach si op
haer bedde, ende onse Here Jhesus Christus quam bi haer
ligghen als een jonc kyndekijn. Doen hoerde si dat daer
was een siec mensche die hulpe te
 van\\ doen hadde.

Doen stont si op, ende ghinc toten sieken, ende stont hem
bi van dies hi te doen hadde, ende liet onsen Heer alleen
ligghen. Doen si weder quam, doen vant si onsen Here
Jhesus Christus als enen man, dien si liet [=
had achtergela-
ten]
als een dein kyndekijn, ende sy sprac: »0 Here, hoe
groet si ghi nu!" Ende onse Here sprac: »Aldus soe ben ic
in u herte ghemeert, omdat ghi my, om my, liet, ende dat
ghi dat solaes [=
troost] dat ghi van my badt, om minenwille liet
ende ghinct dienen minen lieden". Ende daer om en sal die
mensche niet wanen dat hy enichs goets in desen sal be-
roeft sijn; want wat dat die mensche van minnen laet om
Gode, willichlike [=
gewillig], dat wert hem veel edelre.
Want onse Here sprac: * Soe wie yet laet om my, die sal
hondert fout also veel ontfaen"". En wat is dan dat honderd-
voudige loon? De lezer vreest waarschijnlyk dat
Ruysbroeck
hier de reine theorien, die hij omtrent de huurlingen en
knechten heeft uitgesproken, zal vergeten. Maar dit
laatste
is volstrekt niet het geval. »Welc is die hondertfoudighe
loen?" vraagt hy zelf, als was hij zelf bevreesd voor misver-
stand. »Dat is" antwoordt hij »die smake die die mensche
smaect, daer hi yet ter puere ere Gods laet ende vertiet,
want die smaec die is hondertwerven mere ende edelre dan
die smaec es int besitten van eyghenheden" [d. i.
eigen be-
zit,
hier: eigen genot].

Dat bij den aldus steeds in heiligheid toenemenden Mysticus
de zonde van lieverlede geheel gaat verdwijnen, ja by den
Schouwenden mensch eigenlijk reeds lang moet
verdwenen zyU;
spreekt van zelf. Immers door de betrachting van de deugden-
rei, in het Werkende leven ontwikkeld, wordt zy, altijd onder
bystand van Gods genade, geheel overwonnen en, met name
door de verloochening van eigen wil, in principe opgebe"

-ocr page 321-

•303

ven 1). Maar hoe schoon het ook is uit innige liefde tot God
niet meer te willen zondigen en dit ook werkelijk niet meer te
\'doen, — voor onze zaligheid is dat nog niet voldoende en
behalve dat ten eenemale onmogelyk, zoolang God de bedreven
zonde niet heeft vergeven. Nu hangt Gods vergiffenis af van
\'s menschen gedrag en van zijne boetvaardigheid. Wij hebben
bij den aanvang van onze uiteenzetting van het Mystische
leven reeds daarover met een enkel woord gesproken. Omdat
wy toen de
Bruiloft volgden hebben wij, den gang niet wil-
lende verbreken, niet meer van dit punt gezegd dan Ruysbroeck
in genoemd werk zelf doet. Wat hy echter elders daaromtrent
heeft geschreven, vinde hier nog in een paar korte trekken zijn
plaats. Wij doen met deze mededeelingen geen hors d\' oeuvre.
Daardoor zal eerst de voorstelling van Ruysbroeck\'s Mystische
Beoefeningsleer, als plaatsvervangster van de kerkelyke Soterio-
logie, volledig worden.

»Wanneer die mensche" zegt hij »op staet uut sinen sonden,
ende verkiest Gode ewelike te dienene ende hem alleen te
levene" — en zooals wij weten is dat in het Mystische leven
bet geval — »soe doet die getrouwe minlike God recht of die
niensche nye in sonden ghevallen en ware, ende vergheeft hem
^e male: ende en wils hem een oghenblic nemmermeer [d. i.

oogenblik meer~\\ laten ontgelden, al waer der oec alsoe vele
^Is alle menscen ye ghededen" 2). »Want dat een mensche alsoe
ö-ote bereetscap hadde [=
zóó bereid was] dat hem God sijn
bonden soude vergheven, als alle menscen ye ghedaden of hebben
pochten, soe waer nochtan die bereetscap als niet jegen dat

aod

IS bereet onse sonden te vergheven"

^ ^ aar vergeeft de zonde niet, of Hij moet by den zondaar
^^arachtig berouw vinden, berouw voortspruitende uit leed-
2ÓÓ ^ ^^^ Gods eer is te kort gedaan en dat Zijn liefde
Van door wederliefde is opgewogen. Ruysbroeck spreekt

het berouw; het eene noemt hy »beestelic of sinlic",

\'ändere »godlic ende overnatuerlic." Het eerste let alleen

aï bl. 219.

3 «« fy^aelf dogh., bl. 99.
■ P-. bl. 103.

-ocr page 322-

•304

op hetgeen men verloren heeft en leidt tot vpanhoop. »Ende
al waer dese rouwe alsoe groet als alle creaturen ye ghehadden,
hi en verdiende niet een sonde te vergheven; want
hi en sprinct niet nut caritaten, die een sake es alles ghewarichs
[= waarachtig] rouwen." De goddelyke rouw is eckter van gekeel
anderen aard. »Alsoe vroe [=
zoodra] als desen menscke syn son-
den miskagken, soe weeckt ki meer dat ki Gode misdaen keeft
ende miskagket, dan syn verlies; ende keret kem tot Gode in
enen eweliken verkiesen nemmermeer sonde te doen, ende Avegket
meer dit minste punt van dien dat ki Gode misdaen kevet,
dan alle die scaden of scanden die ki emmermeer mockt daer
om kehhen. Ende want ki meer wegket dat miskagken Gods
dan syn verlies, soe staet in kem op een gkewarick betrouwen
te Gode wert, ende maect in kem een gkevoelen dat God syn
sonden vergkeven wil; want die rouwe is gkesciet nut minnen. . .
ende kier af comt in die siele een geestelike vroude, diese ont-
kogket nut allen liden ende jammer, ende maket een
vaste
verbont met Gode." Hoe meer troost God dan den mensch schenkt,
zóó veel te grooter wordt het berouw. »Want als hi
aensiet
die goetheit des Heren dien bi misdaen heeft, ende wie hi is
die misdaen heeft, ende dat die grote Here ghewaerdicht [= zich
verwaardigt]
hem te troesten. . . .: soe wert hi soe sere ontsteken
van rouwe, dat hem dunct dat hi nemmermeer ghenoech rouwen
en sal hebben moghen; ende bit niet alleen dat hem
God syn sonden vergheve doer syn goetheit, mer
oec hegheert hi dat God, alsoe verre alst hem
loefliker ware dat ki se op kem werke [per meta-
tkesin =
wreke] na sine grondelose gkerecktickeif
Want soe kem God goedertierenre [= meer goedertieren] is, soe
kijt meer weeckt dat ki misdaen keeft. Als [=:
evenals] Sinte
Peter dede, doen ki aensack die goedertierenkeit Gods, doen
seide ki: »Gaet van mi Here, want ic bin een sondare!"

Wie aldus berouw heeft, dien worden de zonden vergeven-
» Soe wie daer toe conste comen, dat hi die gherechticheit Gods
alsoe sere minde op hem selven als die goetheit Gods, sin®
sonden ende pine der sonden souden alsoe saen
[=1 dadeliß
verdelewet [= verdelgd, uitgewischi] worden, als een drop®
waters in enen heeten oven." — »Ende daerom ist goet, ^

-ocr page 323-

305

hem die mensche tot Gode keren wille, dat hi op syn sonde sie,
ende claghetse inder biechten met enen bitteren leetsine voir
die voeten Gods, ende met enen ghewarighen betrouwen datse
hem God vergheven sal; want het is onmoghelic dat God
dien niet en soude sijn sonden vergheven, dies op hem be-
tru.wen." Door dit berouwvolle vertrouwen kan God zich
niet onthouden »want hi is gheraect op die side daer
hi hem niet gheweren en can" Hoe zouden wij dan
mistroostig kunnen worden, vraagt Kuysbroeck? Zien wij slechts
aan de grondelooze goedheid Gods, die spreekt door den pro-
pheet: »AI mach [=
kan\\ een moeder haar enighe kint ver-
gheten, ic en sal uwes nochtan niet vergheten!" Ende wat
is die \'minnende moeder tot haren enighen kinde, jeghen die
minne Gods is tot ons?"

God vergeeft, waar zulk berouw gevonden wordt, op het
oogenblik zelf. God vergeeft en Hij vergeet tevens en zal nim-
mermeer verwijten. »Als hem die mensce in desen godliken
1\'ouwe verheft tot Gode, soe sijn alle syn sonden eer
Verzwolgen inden afgront der goedertierenheit
\'^ods, dan ic mijn oghe op ende toe mocht slaen.
^ant al waer alle die werelt één gloet van viere,
dat midden in dat vier een vese van een
^UeiTi cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe
®reet te aensteken, als God bereet is den sondaer
sonden te vergheven, als hem sijn sonden

gb

ewaerachtich leet sijn; want tusschen den son-

^ —----- — __ —, ------- — —------------

^aer, dien syn sonden leet sijn, ende die goetheit
en is gheen tijd noch stonde: ende dan wer-
^euse [nml. de zonden] te male te niete, als of si nie
"^eiet en waren. Ende dan wert daer een ganse trouwe

^^sschen

dat hi

Vees

Gode ende den sondare; want hi is alsoe hoesch

uemmermeer verwiten en mach, dat hi eens ganseliken

1) T.

• a- p., bl. 104. Vgl. 12 Begh., bl. 114, 121, 145.
twaelf dogh., bl. 108. ,

■^esaia XLIX : 15.

ese

vezel. Bij Kiliaen: festwcm, fihra.

oeseh _ 7

— neusch, vriendelijk.

3

20

-ocr page 324-

•306

Tergheeffc, in dien dat die mensclie blgffc van enen goeden
leven." i)

De dankbaarheid voortvloeiende uit de verzekerdheid van
Gods vergiffenis verkregen te hebben, leidt tot veel goeds. In
de volheid van zijn Mystisch gemoed kan Ruysbroeck dan ook in
de zonde niet anders zien dan een middel om tot God te naderen,
in zóóverre zy het is die de vergiffenis noodig maakt en, by
Gods goedheid, zeker tengevolge heeft. »Het is wonder" zegt
hy »hoe hem enich mensce mach onthouden dat hi niet en
ontsinct in sterker groter minnen, als hi aensiet dat hem die
getrouwe minlike God heeft ghebrocht uut enen sondighen leven
in enen godliken leven ende van enen viant heeft
ghemaect [een] sinen vrient, dat mere is dan een
nuwe ertrike te maken. Ja die recht ware, hy en soude
niet willen na eenre wys [=
hij zou volstrekt niet willen],
die sonden daer hi in ghevallen was, willen dat die niet ghesciet
en waren. Niet ten sal hem mishagen [=
niet dat het hem
niet moet mishagen],
dat hise jeghen den wille Gods ghedaen
heeft; meer alsoe verre als hem die sonden ghebrocht hebben
tot penitencien, ende hi overmits di\'e sonden ghenedert ende
geoetmoedicht is." God is een God der tegenwoordigheid, zegt
Ruysbroeck, en »hoe hi den mensce vint, alsoe neemt hine
[= Hij hem] ende onfancten [= ontvangt Hij hem]; ende niet
wat die mensche geweest heeft, mer wat hi staphans [=
op
dit oogenblik]
is. Daer om, alle scande ende versmaetheit die
Gode ghescien mach van allen sonden, die wil hi gaerne liden
ende heefse gheleden over menich jaer, op dat die mensche
namaels come tot eenre ghewarigher kennissen sijnre sonden,
ende tot eenen gherechten wetene hoe ons God ghemint heeft
ewelic; ende om dat sijn minne ende syn danclicheit ende
weerdicheit te mere sy ende sine ernst te heeter werde tot
Gode. Dit comt dicwile ende wast grotelic inden mensche van
kennissen der sonden. Ende daar om lijt God die scande der
sonden, ende heeft dicwijl ghedoecht over [=
geleden om] die
gheen die hi versien [=
voorzien] hadde dat hi se namaels
tot goeden dinghen trecken woude. Dit merct: wie was onse

1) Van twaelf dogh., bl. 105.

2) Van twaelf dogh., bl. 97, 98.

-ocr page 325-

307

Here ye die liefste, of die hem heymeliker waren dan die
Apostelen? Dier en bleef nye gheen, hi en viel in sonden,
ende die ene zwaerliker dan dan der. Dit heeft God inder ouder
Wet ende inder nuwer dicke geleden vanden menschen, die
hem namaels die liefste werden. Ende oec verneemt men
seiden dat yeman comt tot groten dinghen, hi en
hebbe emmer in dat ierste mistorden [=
mistreden,
misstappen gedaan]
of ontgaen" [=: een verkeerden weg inge-
slagen].
God laat ons afdwalen en wil daarvoor gaarne een
fijd lang smart lijden, opdat wy, ons tot Hem bekeerende.
Hem des te inniger mogen aanhangen. »Want wanneer dat
die rouwe vernuwet wert, overmits ghedenken datmen ghe-
sondicht heeft, soe sal die minne ende die bernende oefeninghe
tot Gode ghemeert worden." Dat is het, wat »onse getrouwe
lieve vrient" met de zonde meent i).

De beste boete die de mensch voor zijn tekortkomingen
ks^n doen is hierin gelegen, dat bij hebbe een waarachtigen
toekeer tot God, d. i. tot alle deugden om God, en een vol-
komen afkeer van al wat hij weet dat tegen God is, met
l^et vaste voornemen om, om niets ter wereld, ooit weder te
Zondigen; eindelijk, dat bij hebbe een vol vertrouwen op Gods
goedheid en Gods eeuwige hulp De lezer herinnere zich
"^at dit juist hetzelfde is als waarin Ruysbroeck de beginselen

bet Mystische leven heeft gesteld^).
^ -^Is boetemiddel geldt natuurlijk de Ascese. Wij spra-
reeds vroeger daarover. Steeds moet den mensch echter

daarbij

hoe
er

bi,.......

voor oogen staan, hoe klein alles is wat hij doet, en
groot en veel alles waarin hij te kort schiet. Het komt
maar op aan de ziel geheel vrij te houden van al wat
en haar

^^^ bet
hi,

dat

tot God omhoog te heffen. De ascese die
meest bevordert is de beste. Elk werk echter dat
erin belemmert, kan veilig worden nagelaten. »En ist
enich uutwendich werc bier toe hindert, het si vasten

boven,
boven

J! twaelf dogh., bl. 100.

P-. H. 105.
W. 311.
M. 216.

20*

-ocr page 326-

•308

oft grote penitentie, dat laet vriliken sonder alle sorghe, ende
en waent niet dat ghi daer mede versnmet enighe penitencie".
Wie zóó zwak of zóó krank is, dat hij de werken der boete
niet kan volbrengen, kan het »vrilike late ter eeren Gods.
Want God en siet niet alleen aen welc die werke sijn, mer
meer welc die minne ende die waerdicheit ende ghemoede is
inden werken; want hem en is alsoe veel niet om onse werke
als om onse ghemoede ende minnen ende meinen in allen
onsen werken". Terecht zegt Panlns derhalve »dat oefenin-
ghe van uutwendighen werken die doecht luttel; mer eén
goedertieren ghevoelen of goedertierenheit, die doecht tot
allen dinghen" i). Wie kracht heeft tot harde boete, moet
God alleszins daarvoor danken, maar wie tot zulk een ascese
niet in staat is moet zich daarom volstrekt niet verre van
God gevoelen. God is altijd naby hem die zich tot Hem
keert.

Als voorbeeld van ascese wordt Christus gesteld. Even
als alle Mystici, zoo beveelt ook Ruysbroeck de oefening in
\'s Heeren lijden (»oefenen dat doghen ons Heren", zooals hij
het noemt) krachtiglijk aan Hij is echter te verstandig
om een letterlijke navolging daarvan te willen. »Hier sult
ghi merken ende verstaen" zegt hij »hoe datmen onsen
Here Jhesum Christum met rechte volghen sal. Want soe
wi hem gheliker syn, soe wi heyligher sijn; mer met alle
der wijs soe en connen wi hem niet ghevolghen. Want
onse Here vaste xh daghen: alsoe en sal hem des
nieman
aennemen dat hi onsen lieven Here alsoe navolghe. Mer
Christus, onse lieve vrient, heeft wel ghewrocht, daer hi in
ghemeint heeft dat wi hem gheestelic seilen na volghen ende
niet lijflic. Ende daer om sal die mensche seer begeren ende
daer na staen, dat hi Christum verstandelic na
volghe?
dats te weten wat Christus, onse lieve vrient, meest gemeent
heeft inden navolghen. Dat heeft Christus, onse lieve
vrient, alre meest van ons ghemeent, dat.wi hejn
navolghen soude in minnen, dats hem te minnen

1) Vgl. I Timoih. IV : 8.

2) Vgl. hot vroeger, 1)1. 163, meegedeelde uit de 12 Begh.

-ocr page 327-

•309

ende onsen evenkersten: want hi seit seif, dat wi
onderlinghe minne hehhen souden, ende daer in
salmen bekennen dat wi sijn jongheren syn, niet
aan grote penitencie te doen" i).

Het is duidelijk, dat bij deze geheele theorie van zonde,
van schuldvergeving, van berouw en van boete overal, even-
als aan Ruysbroeck\'s geheele Mystiek, de vrijheid van den
wil ten grondslag ligt. De mensch heeft zich slechts met
liefde op God te richten en de »lieve God" kan hem Zijne
genade niet onthouden. En dafc de mensch dit doen kan,
vloeit weder voort uit Ruysbroeck\'s begrip van de zonde, die hij
opvat als voortspruitende, niet uit lust tot het kwade, maar
eenvoudig uit onkunde. Geheel in overeenstemming hiermede,
^egt hij dan ook ergens: »van naturen sijn wi altoes
gh

eneycht ten besten dat wi verstaen". Ziedaar
het uitgangspunt, de levenszenuw van zijn geheele Beoefe-
ningsleer! Het woord door hem tot de Parijsche klerken ge-
sproken: »Gy zyt zóó heilig als gij zeiven wilt!" drukt
iiiderdaad de grondgedachte xiit van zijn geheele Moraal,
erwyl wij deze gedachte nog even releveeren en haar met
eigen woorden nog eens wat nader bevestigen, zullen
onze beschryving van Ruysbroeck\'s Mystiek besluiten.
-*Die doecht ende alle goet leit inden wille", zegt hij uit-
\'-iKkelyk. »XJ en mach. niet ghebreken [=
niets ontbreken]
[= indien]
ghi enen gherechtighen ghewarighen wille

^^^eder ghi wilt minne hebben, of oetmoedicheit, of enighe
so^ ^^^ ^^^ ^^^ crachtelyc ende met alle uwen wille wilt,

bet

Ende des en mach u God noch gheen creature
ende^^^\' ^f^dien] u wille anders goet si ende recht

godlike wille si. . . . Want waer [= ware] een

twaelf dogh., bl. 109-110.

8) Zi W. 198.

boven, bl. 137

-ocr page 328-

310

dinc over dusent milen, ende wil ic dat met volkomen wille
hebben, ic hebt eyghenliker, dan dat iet [=;
ik het\\ in minen
scoot hebbe ende iet niet en wil hebben", i)

De goede wil is niet minder machtig ten goede als de
kwade wil het is ten kwade. Gelijk ons nu de slechte ge-
zindheid reeds tot zondaren maakt, ook al volbrengen wij de
daad niet: zóó maakt ook de goede gezindheid ons reeds tot
goede menschen. »Inder waerheit, metten wille vermach
ic alle dinc: ic mach alre menschen arbeit draghen, ende
alle arme menscen spisen, ende alre menschen werc werken,
of watmen denken mach. Hebt iet inden wille ganselike,
ende ghebreket my in dier macht alleen [d. i.
ontbreekt het
mij enkel aan macht],
ende soudict gaerne doen const iet
[=: wanneer ik het kon] ende ic daartoe dade dat ieker toe
vermochte: inder waerheit heb iet al ghedaen" en »waer
mine wille meerre toten werken dan des anderen die dat
werc dade: ic soude van dien werke, om mijns willen wille,
meer gheloent sijn dan die dat werc wrochte". Zeker uit
vrees van met de kerkleer van zijn tyd in strijd te komen,
gaat hij aldus voort: »Mer des en derre [=
durf] ic niet
segghen, — daer die minne ende wille al gelike ware in alre
wijs, dat hi dan [versta
daar] alsoe groten loen soude heb-
ben diet [=
die het] werc niet en wrochte als diet wrochte;
want een martelaer sal hebben die crone der martellen, die
hi niet en sal hebben die die martelie niet gheleden en heeft
al hadde hi den wille der martellen alsoe groot als hi die
martelijt was. Mer woude yeman segghen dat die wille
sonder werc, alsoe groet ware als dat werc metten wille,
ic en wille daer om niet striden; want die volmaecte wille die
vermach vele, daer hi tsine toe doet dat hi vermach ganselic".

Met dat al is men nog niet zóó heilig als men maar wil:
de heiligheid hangt af van de goedheid van den wil. »Ghi
sult ganselic weten, als een mensche begheert dat hi
woude
also salich sijn als ye mensche was, dat hi daerom alsoe hey-
lich niet en is, mer hi is alsoe heilich als sijn wille waer-
achtich groet (lees:
goet) is; mer ware sijn wille alsoe groet
(lees: goet) als ye menschen wille was, soe waer hi alsoe

1) Van twaelf dogh., bl. 86.

-ocr page 329-

•311

heylich als ye niensche was: want, wat ic beghere, niet gro-
ter en is mijn beylicbeit dan mijn wille", i).

1) Van twaelf dogh., bl. 85—89. De bekeering, in haar dubbelen zin van
afkeer en toekeer, gaat bij Ruysbroeck altijd van den mensch uit. „Alse wi
cesseren van onsen groven sonden ende die ghenade Gods soeken ende begheren"
zijn zijn gewone uitdrukkingen. Zie, behalve het meegedeelde, nog 12 bl. 88

en 89, waar hij zegt: „Hi hult (lees hulpt — helpt) ons altoes tot allen goede
ende hi trect ons ende behoedt ons van allen quade. eest dat wi hem navol-
ghen willen." Vgl.
v. d. kerst, ghel., bl. 260; Bp. d. e. Z., bl. 206. — In
dau
Tabernakel wordt de goede wil vergeleken met het hout waaruit het brand-
offeraltaar, dat in den voorhof des Tabernakels stond, naar \'s Heeren bevel moest
worden vervaardigd.

-ocr page 330-

HOOFDSTUK VH.

RÜYSBEOBCK TEGENOVEB. DE DWAALBEGRIPPEN VAN ZIJN TIJD.

Uit de voorgaande bladzijden heeft de lezer kunnen .zien,
hoe Ruysbroeck zich het volmaakte Godsdienstige leven voor-
stelt. De hooge eischen door hem aan den zinnelijken mensch
gedaan, laten verwachten, dat slechts zeer weinigen zijn theoriën
geheel in practijk zullen hebben gebracht. Ruysbroeck was zelf
veel te goed met de werkelijkheid bekend om dit niet in te
zien. By zijn eigen vroomheid, en zijn eigen Mystische droomen
zag hij dan ook geenszins de traagheid, den hoogmoed, het
ongeloof en de gruwelijke goddeloosheid, die bij velen zyner
tydgenooten werden aangetroffen, over het hoofd. Echter ten
volle overtuigd van de waarheid zijner heilsprediking,
wenschte
hy deze alom ingang te doen vinden. Angstvallig zocht hij
daarom alles wat haar hinderiyk kon zijn in de harten der
menschen op, ten einde dit zorgvuldig te verwyderen. Zoo-
doende moest hij al spoedig stuiten op de dwaalleeringen, die
de menschen, in wier midden hy leefde, misleidden en
onvat-
baar maakten voor al wat Godsdienst en zedelijkheid is, — en
hij heeft den stryd niet geschroomd, hoe diep de dwaling ook
was geworteld, hoe machtig de vijand ook was.
Manmoedig
trad hij op, met het levende woord zoowel als met de schrijf-
stift, die in zyn hand een machtig wapen was. Met open
vizier bestreed hij het ongeloof, waar het zich openlijk ver-

-ocr page 331-

•941

toonde, en, waar het zich verschool, rukte hy het onverschrokken
ket masker der kuickelary van ket aangezickt.

Het zal den lezer, kopen wy, niet ongevallig zijn, nader
bekend te worden met de wyze, waarop Ruysbroeck den stryd
tegen de ongodsdienstigkeid, in de versckillende vormen waarin
zy ziek in zyn tijd voordeed, heeft gevoerd.

Met uitzondering van zijn geschrift vanden vier Becoringhen,
heeft onze auteur aan dit onderwerp geen afzonderlyk boek
gewyd. Zyn polemiek is over al zijn werken verspreid. De
beelden vau de »verkeerde menscken" die kij sckildert vormen
steeds den donkeren acktergrond tegen welken de figuren van
de »getrouwe kneckten," de »vrienden" en de »Zonen Gods"
te kelderder afsteken. »Ic kebbe u dat quade gheseit biden
goede," roept hij zijn geestverwanten toe, »op dat ghi dat
goede te bat verstaen moghet ende van den quade beboet wer-
den!"\' Daardoor breekt hij echter den gang van bet Mystische
proces in den mensch telkens af. Terwille van de duidelykkeid,
kebben wij al wat Ruysbroeck over dit punt zegt, met stil-
zwijgen voorbijgegaan, om het hier ter plaatse samen te brengen,
en in hoofdzaak den lezer te doen kennen. Wij hopen hem
biermede een dienst te doen, aangezien het onderstaande niet
alleen getuigenis geeft van Ruysbroeck\'s polemiek, maar tevens
een helder licht werpt over de verschillende stroomingen van
den menschelijken geest in de veertiende eeuw.

Bij het groote aantal plaatsen dat hiervoor moet geraadpleegd
Worden, is het noodig een verdeeling te hebben, om daarom
het geheel te kunnen groepeeren. Naar gewoonte zullen wij er
een van Ruysbroeck zeiven nemen. Onder de verschillenden
^ie hij geeft, komt ons die, welke aan zijn bovengenoemd
Vanden vier Becoringhen tot grondslag ligt, de geschiktste
\'^oor. "Wy zullen ons derhalve daaraan houden.

bestaan dan in hoofdzaak vier »manieren van dolinghen"
daarvoor Ruysbroeck niet genoeg kan waarschuwen. In het
Ugaan zij gezegd, dat onze auteur bier bet oog heeft
op ben die meenen Christenen te zyn en zich zóó
al onvruchtbaren strijd tegen hen, die geheel en

st . ^^ \'leu kring van het godsdienstig leven dier dagen
en, laat bij zich weinig in. »Heydene ende Joden ende

-ocr page 332-

•314

quade kerstine, die contrarie houden den ghemeinen kersti-
nen ghelove in enighen pointe — die sijn alle verdoemt",
zegt hij ergens, en daarmee is het uit

De eerste van de bedoelde »dolinghen" wordt aangetrof-
fen bij hen, die leven »na wellust des lives ende der sinnen".
Ruysbroeck bedoelt hiermede de mannen van de Epicureïsche
leefwijze, wier hoogste doel is »curioes te sine in spisen ende
in dranke, in clederen van scoenre verwen, ende in sonder-
linghen maecsele van habite ; ende oec in sonderlinger coste-
licheit van allen den dinghen daermen den vulen sac mede
pijnt te eieren, die een spise is der worme". Deze dwaling
is de algemeenste, en heeft bijna den geheelen kloosterstand
bedorven en den geheelen staat der heilige Kerk

In deze dwaling ligt de oorsprong van allerlei kwaad, van
hoovaardij, van gierigheid, van onachtzaamheid in goede
werken, ongehoorzaamheid aan de geboden Gods, kortom van
de zonde en eindelijk van de doodzonde. De slachtoffers zijn
hier zij, die aardsch voordeel zoeken en andere menschen be-
nijden en verdrukken. Verder de hebzuchtige vrekken, die
al wat God voor alle menschen gemeen heeft geschapen.

1) Zie Bruiloft, bl. 22; Blink. Steent., bl. 204; S-p. d. e. Z., bl. 197 vgg.;
12
Begh., bl. 48 en 105; v. d. Mike, bl. 146, 147. De Bobuld van de Joden is grooter
dan die der Heidenen, omdat zij de wet en de profeten badden. Vgl.
Rom.
II : 4 vgg. Wat betreft de Christenen die in bet geloof dwalen en in bet een of
ander punt ongeloovig zijn, zij kunnen zonder bet geloof „Gode niet be-
bagben, wat si goeder werken werken oft wat wisen dat si voe-
ren", en „al baddense alle die sedelike doeehde ende alle die werken van
compassien ende alle die elaerbeit van verstane die alle menschen ye ghehadden",
wanneer zij in hun ongeloof volharden, dan zijn zij verdoemd. Als onverbeterlijken
en als een zekere prooi der hel stelt Kuysbroeck nog die menschen voor, die niet
alleen door een altijd meer of min theoretisch of dogmatisch verschil zich van de Kerk
afscheiden, maar die tevens door de afschuwelijkste practijk zich zelven van alle
christelijke gemeenschap uitsluiten. Zonder vrees en zonder schaamte, zegt
hij,
liggen zij neder in doodzonden; om God, om zijn gaven, om de deugd, nergens
bekommeren zij zich om. Alle geestelijk leven houden zij voor geveinsdheid en
voor bedrog. Al wat men hun zegt van God of deugd, hooren zij niet eens aan,
want zij zijn in hun gemoed er van verzekerd, dat er noch God, noch hel
noch
hemel is. Ofschoon deze lieden tegen den Heiligen Geest zondigen, toch kunnen
zij zich nog bekeeren, maar dat geschiedt bezwaarlijk en hoogst zelden. Blini\'-
Steent., bl. 205.

2) r. d. vier Becor., bl. 272—274.

-ocr page 333-

•315

alleen willen bezitten. Zij doen God onrecht want zy dienen
Hem niet met Zyn goed. Zij doen zich zelven onrecht want
zij maken hun geheele leven tot een voortdurende onrust. Zy
doen hun medechristenen onrecht want zy deelen met dezen
niet wat te hunnen beider behoeve geschapen is. Eindelijk
komen de tragen, de gulzigaards en de onkuische menschen,
die als de beesten hun lusten volgen. Christenen, voor wie
Jezus gestorven is, die zijn sacramenten hebben ontvangen
en bij den doop hem trouw hebben beloofd, en hiertoe ver-
vallen, zijn erger dan Heidenen of Joden. Omdat zij echter
kinderen, en deze laatsten vreemdelingen zijn, kunnen zij zich,
indien zij willen, lichter bekeeren

Ruysbroeck wil dat wie God dienen wil Hem diene met ge-
heel zijn hart. Wie dat met een verdeeld gemoed doet, ver-
valt in dezelfde categorie als de bovengenoemden. Ruysbroeck
kent ze, die zwakke naturen, »die willens ende wetens in
doetsonden ghevallen sijn, ende daer mede oec goede werken
Werken, ende altijt Gode vreesen ende ontsien, ende goede
beden liefhebben, ende haers ghebets begheren ende daer in
bop en" Zij willen »die ertrike besitten ende hemelrike
Verdienen". Zij vasten, houden de feesten, gaan ter kerke,
hooren het woord Gods, houden schynbaar Zijn geboden
meenen daarmede voor God te kunnen volstaan. Onder
de menschen die aldus leven, »is alderhande volc gheestelic
ende werelic". In veel dingen dienen zij God, maar als het
^ankomt, op opofferingen voor anderen op medelijden, mild-
eid en op de werken der liefde dan dienen zij God niet.
Oor angstige berekening voorzien zij reeds van verre hun
\'vinst en hun verlies, en altijd ontbreekt hun iets. Zij hebben
-ehter het natuurlijke verstand zeer goed, en daarom, zoo

^^erig als zij zijn, »gheven si gherne alse si sterven wanen,
^^P dat -J \'

zyn,

si copen mochten dat ewighe rike; maar mochten si

SI gaven nemmermeer niet." Hardnekkig en
voor alles even onvatbaar. »Watse ser-
wat men hen goets secht, wat si goeder

\'^^like leven,
^^genzinnig zijn zy
^"^^en horen

steent., bl. 204, 205.

-ocr page 334-

316

exempele sien, hoese God castijt met siecheiden ofte met ver-
liese van aertschen goede: altoes bliven si in bare oude ge-
woonte" Dat alles verhindert hen om zich tot God te
keeren, en met de zonde te breken. Zoolang zij dat echter
niet doen, zgn zy der genade onwaardig.

De tweede »dolinghe", of liever, het tweede heerschende
kwaad »comt ute enen gheveinsden gheeste, die grote heylicheit
bewijst [=
vertoont] daer ghene en is". Ruysbroeck bedoelt schijn-
heiligheid, veinzerij, Pharisaeïsme. Deze afdwaling ontstaat
uit zelfzucht en leidt tot velerlei zonde, waaronder geestelyke
hoogmoed en wantrouwen aan Gods goedheid de voornaamsten
zyn. Door zelfzucht gedreven meent men meer dan anderen
aanspraak te hebben op Gods gaven, terwijl men omtrent deze
laatsten tastbare zekerheid verlangt, omdat men God eigenlijk
niet veel vertrouwt. Men zou wel willen dat de Heer »hem
sende enen inghel ofte enen heylighen, die segghe ende leere
hoe hi leven sal, ende ofte sijn leven Gode behaghet. Ende
selc" gaat Ruysbroeck op sarcastischen toon voort »ende selc
begheert dat hem God sinde enen sonderlinghen brief met
guldenen letteren, ofte in visioene ofte in drome vertoene sinen
wille. Siet, dit comt dicwile van gheesteliker hoverden, dat
hem dunct dat hi weerdich is selker sonderlincheit. . . . Want
soe wie hem selven meer meint, ende sine eyghene ere dan
die ere Gods, daer uut wast ypocrisie, dat is een hoverdich
gheveinst leven. Ende hier omme anegripen si sonderlinghe
ghetoende wisen van buten op dat si heylich heeten mochten
ende, overmits die sonderlinghe wisen, anderen menscen be-
haghen. Want waer een hert leven is van penitencien ende
ene ghetoende wise van buten sonder grote oetmoedicheit van
herten, daer is altoes geveinstheit mede."

De huichelarij vertoont zich onder verschillende vormen.
Daar zijn veinsaards, die een elk die boven hen geplaatst is
vleijen, en die goede werken doen, zich ootmoedig en zedig\'
gedragen, alleen om daardoor boven andere lieden verheven te
worden in eer en rykdom. Aan zulke huichelaars is in de

1) r. d. Rike, "bl. 150, 151.

2) F. d. vier Becor., bl. 274—276.

-ocr page 335-

•317

kerk geen gebrek. Daar zyn anderen, die veinzen om den naam
van groote beiligbeid of anders om aardscb goed te erlangen.
»Die priester die sine Misse spreect, ende sine overste meningke
is tytlic gbewin ofte om goet scbinen, dat is geveinstbeit ende
ewigbe pine. Die monic, die nonne, die gbeordende man, die
Begaert, die zwestere, die Begbine, ofte wie bi is, die goede
werke van buten doet in vastene, in wakene, in bedene, in
pelgrimagien, in barvoet te gane, in prekene, in versmaden
kabite, in vele zwigbene, in die woestine te liggkene, in menigke
vremde wise aen te nemene, omme beylicb gbebeten te sine
ofte omme tijtlye gbewin, dit is al gbevenstbeit." -— Anderen
weêr doen goede werken, opdat men kun goed te eten en te
drinken geve en opdat zy een gemakkeiyk en genoegelyk leven
mogen leiden. Zulke lieden geven niet om goed of eer; gulzig
als ze zijn is al wat lekker is bun eenig ideaal. — Eindelyk
is er nog een soort van veinzerij, die wordt aangetrolFen bij
ben die in bet geniep allerlei kwaad doen, maar zicb uit-
wendig met bet kleed der deugd tooien s op dat si bare quaet-
beit bedecken ende te bat plegken mogken."

Al deze menscken zijn op een jammerlijken dwaalweg. Tock
kunnen zy ziek bekeeren, indien zij willen. Zij moeten dan
ecbter al bet goede dat zij nu uit een onoprecht gemoed
Werken, gaan doen alleen ter eere Grods en alle eigen voordeel
Voorbij zien. Doen zij dit, dan kunnen zij »vercrigken godlike
minnen ende dat ewigke leven" i).

De derde afdwaling of bekoring wordt gevonden bij hen,
>ene gheestelike wise willen voeren ende subtyl sijn van
sinnen, ende scalc ende behendich in hatuerliken verstane, eest
dat si die natuere oefenen willen sonder caritate ende oet-
^oedicheit van gkeeste, na lost der naturen." Blykbaar heeft
uysbroeck hier de Scholastici van zijn tijd op het oog. Dat
er bij den volbloed Mysticus niet genadig afkomen, laat
^^eb verwachten. Zij »glorieren inden lichte der naturen, ende
.. ^^tuerlic licht besitten si met alsoe groter wellust ende
^Jgkenheit, dat hen dunct dat si alle waerheit ende al dat
e®^ leven mach, begripen ende verstaen mogken sonder die

die

Blink.

Steent., bl. 305; o. d. Rike, bl. 148—150, vgl. 13 Begh., bl. 150.

-ocr page 336-

•318

overnatuerlike hulpe Gods." Zóó vervallen zy tot een geeste-
lyken hoogmoed, waarvan zy slechts »seiden bekeren connen."
Want zy wanen »met natuerliken lichte ghereyken ende be-"
gripen die ierste waerheit; ende si willen met hare const
graven ende doorgronden die verborgene heymelicheit der
Serif turen, die die gheest Gods ghedicht heeft in die ewighe
wijsheit. Ende overmits hare hoverde, soe dunct hen dat si
alle die Scrifture claerre [=
klaarder] ende nare ende bat
verstaen dan die heylighen daden diese ghescreven ende ghe-
leert ende gheleeft hebben. Want si wanen die wijste der werelt
sijn; ende alle hare oefeninghe dat is inweindich ymagineren
ende studeren ende argueren [=
critiseereii] die scrifturen
alsoe verre als sijt dorren [=
durven] doen. Ende
andere menschen, die een eenvoldich heylich leven leiden ofte
een hert leven van penitencien, die achten si alse grove esele
ende beesten; want si behaghen hen selven boven andere men-
schen. Ende si hebben meer inwendichs smaecs ende vrouden
in die dinghen die si van binnen met redenen bevinden ende
verstaen, dan in die dinghen die boven redene sijn, diem en
gheloven moet ende die ons ewige salicheit gheven. . . . Altoes
willen si nuwe dinghen uutspreken met loste der naturen, want
si werken ende spreken uut eyghenheit haers selfs: ende daer
omme moetense hem selven behaghen, ende eyghene ere soeken
ende hoverde bewisen al en merken sijs selve niet," want zij
meenen »dat si gheacht sijn boven andere menschen". Dat
komt alles hierdoor, dat zy »met haren eyghenen lichte clym-
men willen sonder die ghenade Gods".
Tn denzelfden geest is
wat Ruysbrock elders omtrent deze lieden zegt. »Allen menschen
willen si leren, ende alle wijsheit wanen si te hebben, ende van
niemene [=
niemand] en willen si gheleert noch berespt sijn, want
si syn hoverdich ende eyghens willen". Voor hun bespiegelingen
laten zij hun medechristenen in den nood. Dat kan ook
niet
anders, want zij meenen alleen zich zelven bij al hun speculeeren
en zy houden hun wijze van »schouwen" voor méér dan eenig
werk der liefde. »Ende dat is niet waer, want werke van
caritaten die sijn ons gheboden: ende scouwen, al waert oec

1) r. d. vier Becor., bl. 276—279.

-ocr page 337-

•319

overnatuerlic, sonder werc van caritaten, liet ghinghe te nieute."
Deze menschen met al hun »hoghen natuerliken verstane" zijn
de genade Gods onwaardig en moeten, om haar waardig te
worden, zich in allen ootmoed tot God keeren en nederig werken
voor hun medechristenen: dan kunnen zij tot het werkende
leven ingaan

De vierde bekoring is de gevaarlijkste van allen; wie daar-
in valt dwaalt zóó verre van God en van alle deugd af, dat
hij nauwlijks daarvan kan terugkeeren. De dwaling hestaat
hierin dat men meent zonder oefening van deugden
»met enen ongheheelden verstane
{sijn) weselic sijn in hem
bevinden, ende hesitten in bloter ledicheit
{sijns) gheests ende
{sijnre) naturen." Ruysbroeck bedoelt het Pantheistische Quietisme,
dat zich in zijn tijd hij honderden en duizenden onverholen
openbaarde en kerk en maatschappij met den ondergang dreigde.
De voorstanders dezer theorie waren de zoogenaamde Broeders
Zusters van den Vrijen Geest, over wie wij reeds
öieermalen spraken. De omstandigheid, dat wij slechts weinige
stellige berichten omtrent hunne leer bezitten, maakt Ruysbroeck\'s
polemiek tegen hen zeer belangrijk, vooral omdat hij by de
bestrijding van dezen vijand tamelijk uitvoerig te werk is ge-
gaan. Dit was ook noodig, want het gold hier niet de terecht-
^ijzing van enkele individuen maar het uitroeien van een ge-
^eie richting en de handhaving van godsdienst en zedelijkheid.

öoren wij thans hoe Ruysbroeck dit antinomistische Quietisme
^ zyn verschillende phasen voorstelt. »Deser liede wise" zegt
y »dat is een stille neder sitten des lichamen, sonder werc,
ledigber ongheheelder sinlicheit in ghekeert in hem selven.
Nde omme dat si sonder oefeninghe sijn, ende sonder minlic
^^ even ane Gode, soe en doerliden si hem selven niet, maer

i\'asten in haers selfs wesen: ende alsoe is haer wesen hare
atgod

fi \' ^ant hem dunct dat si hebben ende sijn één wesen met
dat is onmoghelijc" 3).
y hebben vroeger gezien hoe Ruysbroeck het voortdurende

• vier Becor., bl. 279—281.

-ocr page 338-

•320

werken voorstelt als behoorende tot het grondwezen der liefde,
en de zaligheid der Beschouwing als een voortdurende verbin-
ding van rusten en werken. Daarentegen willen de Vrije Geesten
enkel rusten, een uitsluitend en onafgebroken passief genieten.
Juist hierin vindt Ruysbroeck hun voornaamste dwaling gelegen.
Dit »stille neder sitten sonder oefeninghe van binnen ofte van
buten, in ledicheit, op dat die ruste vonden werde ende onghe-
hindert blive" — dit is de oorsprong van het geheele kwaad.
Ruysbroeck kan niet nalaten het telkens te zeggen. Zulk een
rusten is ongeoorloofd, want het maakt in den mensch een
»verblintheit in niet wetene ende een neder sighen in hem
selven sonder werc: ende dese raste en es anders niet dan ene
ledicheit, daer die mensche in valt ende verghet syns selfs,
ende Gods, ende alre dinc na wise enichs werkens." Het is
een natuurlijke rust die hemelsbreed verschilt vau. die der
Beschouwing. De laatste wordt, als
zy reeds eigendom ge-
worden is, toch niettemin nog altijd gezocht. De eerste is het
zich zelf wegdenken en het zoete voortdommelen, dat alle werk-
zaamheid opheft. Terwijl de laatste eerst wordt verkregen na
onafgebroken werkzaamheid, is de eerste binnen het bereik
van een ieder, heiden of jood, mits hij zich slechts van beelden
en werken kan los maken. .Deze natuurlijke rust is op zich
zelve geen zonde, maar zij wordt dit, zoodra de mensch haar
blijvend wil bezitten zonder de werken der deugd. Dan komt
men tot geestelijken hoogmoed en tot een zelfbehagen,
waarvan
men zelden genezen kan. De val der engelen vond zijn oorzaak
nergens anders in dai dat zij in zich zeiven wilden rusten en
zalig zijn .zonder zich in liefde op God te richten i).

Wanneer men nu elders wil rusten zonder »ynnech begheerlic
toevoeghen te Gode",
dan gaat men zich van God afkeeren,
zich neigen tot zich zeiven en troost en genot zoeken in al
wat aangenaam is en zoet. Men voegt zich dan naar zyn be-
staan en naar de begeerten van de natuur. Dat heet geeste-
lyke onkuischheid. Somwijlen wordt het verlangen
naar
de dingen die men begeert zeer groot, en dan openbaart zicb
een sterke dwingzacht (»crighe") om van God zijn zin te

1) Bruiloft, bl. 167—170.

-ocr page 339-

•321

krijgen. Alles draait zich ecliter immer om de spil van het
eigen Ik. Zóó komt de mensch tot geestelijken hoogmoed,
tot hebzucht, gulzigheid en onkuischheid, zonden die Adam
in het Paradijs ten val brachten, en nog altijd den mensch
verhinderen zich met God te vereenigen. Immers door haar
verblind en gevaiigen, meenen de menschen Godschouwende
lieden te zijn eu wel de heiligsten die leven, en overmits de
natuurlijke rust, d. w. z. hun valsch Quietisme, houden zij zicb
zeiven voor vrij en wanen zij zich met God zonder middel
vereenigd te zyn. Daardoor denken zij, dat zij ontwassen zijn
aan alle oefening en aan de sacramenten der heilige Kerk, aan
de geboden Gods, aan de wet en aan alle deugd, hetwelk zij
alles als alleen voor de onvolkomen menschen noodig be-
schouwen. Deze »ledicheit" (d.i. dit
louter passieve zijn) (hmki
hun zóó groot, dat zy meenen die met geen werken te mogen
storen. »Ende hieromme staen si in enen puren lidene, sonder
enich werc opwaert ofte nederwaert, rechte alse dat ghetouwe
[= weefgetouw], dat selve ledich es, ende sijns meesters beidet
Wanneer hi werken wilt; want wrachten si yet, soe worde God
gbebindert in sinen werkene. Ende hieromme sijn si ledich
alre doghede, ende alsoe ledich, dat si niet en vi^illen danken
noch loven Gode". Sommigen zijn hier zóó vast in, dat zij
kven alsof er nooit een letter van de Heilige Schrift geschreven
Was. »Al dat die heylighen opt calfsvel [= perkament] ghe-
screven hebben, dat versmaden sy, ende daer houden si niet ave,"
^oodat zij over het geheel »niet meer ynnicheden, noch devo-
cien, noch heyligher oefeninghen hebben dan een dode heeste".

y deze theorie is het gebed iets overtolligs, daar men meent
^eeds alles te bezitten. Het standpunt van de wet met haar
igden is hier overschreden : men is hier in » een pure ledicheit
is alre doghede quite worden." Tot dit laatste, be-
Weren de vrije Geesten, is meer noodig dan om de deugden
\'^^jerkrijgen! Wie nog naar de deugd streeft, houden zij dan
all onvolmaakt, en zich zeiven voor verheven b^ven

®_^ê"®knkoren en alle heiligen en alle loon. Evenmin als
niee^*^^^ in deugd kunnen toenemen, kunnen zij ook ooit

tg zondigen: immers zij zijn één met God geworden, en
Uiet gegaan aan zich zeiven. Daarom mogen zy gerust

21

-ocr page 340-

•322

doen al wat de licliamelyke natuur begeert, want zij verkee-
ren in den staat der onschnld en hun is geen wet gegeven.
Om dus de »ledicheit" des geestes niet te storen, voldoen zy
derhalve maar dadelijk aan hun lusten, zoodra hun natuur ze
daartoe aandrijft. Zij oefenen aldus vrijheid des vleesches, en
dat noemen zij vryheid der natuur. Van vasten, geboden
enz. van gehoorzaamheid aan Paus, Bisschop en Parochiaan
willen zij niet weten, tenzij zij het doen om menschen naar
de oogen te zien. Die ongehoorzaamheid noemen zij vryheid
des geestes

Er zyn er, die zich eveneens voor instrumenten honden
waarmede God werkt wat Hij wil, en op grond hiervan
beweren dat hun werken, als door God zelven gedaan,
veel meer verdienste hebben en veel edeler zijn dan al wat
andere m.enschen zelve werken in de genade Gods. .Terwijl
zy zich evenzeer zonder zonde wanen, leven zij intusschen
zonder eenige begeerte voort. Al wat hun overkomt lijden
zij met gelatenheid, zonder klagen en morren; zij zijn immers
slechts instrumenten. Deze lieden kunnen een zeer deugdzaam
leven leiden, maar zij staan op een gevaarlijk standpunt. —
Al wat in hun binnenste opkomt, houden zij voor gewerkt
door den Heiligen Geest, en zij doen alles waartoe zij zich
aangedreven gevoelen. Daardoor worden zij bedrogen, want
Gods Geest werkt in niemand dingen die tegen de leer van
Christus en van de heilige Kerk zijn.
De Vrije Geesten van
deze soort onderscheiden zich van de vorigen hierin, dat zy
beweren te kunnen toenemen in volmaking en in loon, het-
welk de anderen ontkennen. Ruysbroeck merkt terecht op
dat dit een inconsequentie is, want dat er, wanneer God
alleen alles doet, van geen volmaking en van geen loon kan
sprake zijn, en dat er over \'t algemeen geen zaligheid
zonder
werken kan bestaan of het moest een zaligheid zijn als van
ste|nen en stokken. Intusschen de Vrije Geesten komen over-
een in hun Libertinisme en Antinomisme, hun
verachting
van de Kerk en van de HeiHge Schrift. Ofschoon zij gewoon-
lyk doen, alsof deze laatsten niet bestonden, gaan zy nogtans

1) Bruiloft, bl. 170—175; Samuel, bl. 245—247 en d. e. Z., bl, 198.

-ocr page 341-

323

somtijds ten Sacramente en spreken zij van tijd tot tijd met
woorden nit de Schrift om zich te heter te kunnen dekken
en te verbergen. Dan nemen zij gaarne »someghe wilde
woerde der Scriffcuren", die zy kunnen verdraaien naar hun
zin, opdat ze daarmede eenvoudige menschen mogen hehagen
en ze overhalen tot de valsche ledigheid die zij gevoelen.
Om zonder gewetenswroeging en zonder vrees te kunnen
voortzondigen en ongestoord allerlei onreinheid te kunnen
blijven bedrijven, beweren zij dat hij het laatste oordeel en-
gelen en duivelen, goede en kwade menschen, allen tezamen
ééne enkelvoudige substantie der Godheid worden zullen, en dat
zij daarin allen zalig zullen zijn, zonder God te kennen en
lief te hebben. Het zal dan één onbewust geheel worden
waarin God zich zelven evenmin als Zijn schepsel meer zal kennen
noch liefhebhen. Sommigen zijn zóó verdwaasd, dat zij zeg-
gen dat de personen in de Godheid zullen vergaan, en dat
er dan in eeuwigheid niets anders zal blijven dan de wezen-
lijke substantie der Godheid, waarin alles totaal wordt opgelost,
zoodat alle onderscheid van orde, van heiligheid en van loon
vervallen zal i),

Ruysbroeck heeft deze Quietistische richting het uitvoerigst
behandeld in zijn boek
vanden twaelf Beghinen. Hij onder-
scheidt aldaar vier »wisen van onghelove ende van dolinghen"
daarin de geheele richting vervalt.

De eerste is die, welke zondigt tegen den H eiligen Geest.
^ le op dit standpunt staan, beweren dat zy Gods wezen zijn,
O\'fen het onderscheid der hypostasen, en dat zij zóó ledig zijn
^ oi zy jj^g^ waren. Zy houden zich dus voor het absolute zyn.
^ ^roni werken zij niet, want het grondwezen Gods werkt
niet, zeggen zij; het is alleen de Heilige Geest die werkt.
r^,, behoeven echter den Geest niet, als daarboven verheven,
"•ev staan, kan niemand, ook God niet, hun iets

gesch ^^ ontnemen. Sommigen zeggen, dat hun zielen zijn
Wed ^^^^ ^^^ Gods substantie en dat zij, wanneer zy sterven,
nien^^^^ ^^Hen zijn wat zij te voren waren, evenals wanneer
een pot water schept uit een fontein en het water weder

bl. 175_i80; vgl. Sp. d. e. Z., bl. 200; Sanmel, bl. 247.

21*

1)

-ocr page 342-

•324

in de fontein giet, dit wederom hetzelfde is wat het vroeger
was.
Zy meenen, dat in den hemel alles is opgelost in het
enkelvoudige, zalige zijn, waarin al het aardsche hij het
laatste gericht eveneens zal overgaan. Daarom willen zij
noch weten, noch kennen, noch willen, noch minnen, noch
danken, noch loven, noch hegeeren, niets bezitten, geen deugden,
in één woord zy willen niets anders dan enkel God zijn, zonder
dat zij Hem nogtans zoeken. Dit noemen zij »volmaakte armoede
van geest", maar in waarheid is het niet anders dan een heische
en duivelsche armoede, zegt Ruysbroeck i). Inderdaad heb-
ben wy hier, zooals de lezer zeker zal toestemmen, met het
ruwste Quietisme te doen, dat zich denken laat; met een
dwaling, zóó ijselijk en huiveringwekkend voor het gods-
dienstig gevoel, dat men, wanneer de geschiedenis niet daar
was om het tegendeel te bewijzen, haast niet zou kunnen
gelooven, dat het ooit iemand ernst met deze beweringen kan
geweest zijn.

De tweede soort van ongeloof is een Pantheïsme van
niet minder afschuwelijken aard. Hier wordt gezondigd tegen
den hemelschen Vader. De ongeloovigen, hier bedoeld, meenen
dat zij God zijn van nature. Deze vervloekte menschen spre-
ken aldus: »Doen ic stont in minen gronde, in mijn ewighe
wesen, doen en haddic enghenen [=
geen] God; maer dat
ic was dat woudic, ende dat ic woude dat was ie, ende van
minen vrien wille bin ic gheworden ende uutghegaen. Haddic
ghewilt, ic en ware niet gheworden, noch ghene creature.
Want God en weet, noch en wilt, noch en vermach niet
sonder mi; want ic hebbe met Gode mi selven ende alle
dinghe ghescapen ; ende aen mine bant bauet hemele ende
erde ende alle creaturen; ende alle die ere diemen Gode doet,
die doetmen my: want ic bin in minen wesene God van
naturen. Ic en hope noch ic en minne, noch ic en
hebbe
betrouwen noch ghelove in Gode. Ic en mach bidden noch
aenbeden, want ic en gheve Gode ere noch vordeel boven
my; want in Gód en is gheen ondersceit, noch
Vader,
noch Sone, noch heilighe Gheest. Daer en is niet dan éen

1) 13 jSeg/t., bl. 50, 51.

-ocr page 343-

•325

God, ende met hem bin ic één, ende dat selve één dat hi is:
ende met hem heb ic alle dinghe ghescapen, ende sonder
mi en is niet" i). Hoe gaarne zoü men zich willen dwin-
gen te gelooven dat dit de taal was van een enkel krank-
zinnig individu, niet waar? en toch is bet bekend dat er in
het laatste gedeelte der Middeleeuwen honderden en duizenden
waren die zóó dachten, en die hun theorien met geweld in-
gang zochten te doen vinden. Ruysbroeck, die te Brussel
zulke lieden van aangezicht tot aangezicht had gezien, kende
ze zeer goed en teekent ze ongetwijfeld naar waarheid.

De derde soort van ongeloof wordt aangetroffen bij hen,
die zondigen tegen den Zoon en tegen den Godmensch,
Christus. »Wat Christus is ben ik ook" spreekt men bier.
»Want ic bin met hem ewich leven ende ewighe wijsheit,
gbeboren uten Vader in godliker naturen, ende ic bin gbe-
boren met hem inder tijt in menscheliker naturen: ende
aldus bin ic één met bem. God ende menscbe in alre wijs.

dat bem God ghegheven heeft dat heeft by my met hem
ghegbeven, ende niet min dan bem. Al is bi van eenre
uiagbet gbeboren, daer en boud ic niet af [=
dat kan mij
schelen],
want dat is een toeval daer niet aen en leghet,
noch heylicheit noch salicheit: alsoe lief ware bi my gliebo-
i\'en van eenen ghemeynen wive. Hi was ghesendet in een
^^erkende leven, dat bi mi dienen soude, ende leven ende
sterven omme my. Ende ic bin ghesendet in een Scouwende
leven dat noch hoghere is. . . . Ende badde hi langher moghen
^even, sine siele ware (oec) comen tot enen Scouwenden
daer ic toe comen bin. Alle • die ere diemen hem

doet, die doetmen my. Inden Sacramente, daermen sinen
beb

ame op heft inden outare, daer heft men my; ende daer-
H^en sinen lichame draghet, daer draghet men my; want ic
mit hem vleysch ende bloet, ende één persone diemen
\'leylen en mach" Zooals zi] hier wordt voorgesteld
eci ^^^^ ketterij de dwaasste van allen. Haar beteekenis ligt
dieper. Wy vinden hier de ruwe consequentie van

gj ^^ ^effh., hl 53, 53.
^ ^^ bl, 54-61.

-ocr page 344-

•326

de theorie, dat in Christus de algeheele vereeniging van de
Grodheid met de menschheid voor immer is tot stand gekomen;
een theorie, die door misverstand en door verbastering van
het Christelijke dogma van de mensch wording des Zoons is
ontstaan.

De vierde wijze van ongeloof is tegen God, de Schrift
en de Kerk. Zij versmaadt het eigenschappelijke en het
eigenschaplooze zijn
(wise ende onwise), het werken, het be-
schouwen, het begeeren, het kennen, het minnen, het weten,
het hebben, de oefeningen en de sacramenten der Kerk, de
geboden en de raadgevingen des Evangelies; het leven, de
leer, het lijden en den dood van Christus; de goddelijke
personen en al wat God ooit deed of doen zal. Haar verte-
genwoordigers spreken: »God is niet, ende si sijn oec niet;
niet en is salich noch onsalich, noch werkende noch ledich,
noch God noch creature, noch goet noch quaet" Ruysbroeck
bedoelt derhalve een absoluut Nihilisme.

Wanneer wij deze berichten aldus samenvoegen, dan kry-
gen wij een zeer duidelijk beeld van het wezen der valsche
Mystiek, zooals zich die in Ruysbroeck\'s dagen vertoonde.
Libertinisme verbonden en bedekt met de meest abstracte
theorien
van de alles behalve rein bewaarde Pantheistische
Gnostiek van den ouden dag, en zich vasthechtende aan en
inderdaad, althans theoretisch, steun vindende in de philo-
sophemen van verscheiden denkende geesten, waaronder meester
Eckart de voornaamste is. Inderdaad, een waarschuwend voor-
beeld, hoe gevaarlyk het is, wanneer Pantheïstische theorien
uit de school onder het volk komen en in practyk worden
gebracht! Het Pantheïsme moet dan het
te weinig, waardoor
het zich, ook in zijn diepzinnigste vormen, kenmerkt, open-
baren en, in de aanvulling die het zoekt, zijn eigen
vonnis
uitspreken. Dat Ruysbroeck\'s voorstellingen aan de werke-
iykheid getrouw zyn, lydt geen twyfel. Dat zijn classifi-

1) 13 Begh., bl. 61—65.

-ocr page 345-

•327

catie echter historisch zou wezen, is onwaarschijnlyk. Wij
hehhen daarin niet anders te zien dan verschillende punten
waarin de valsche Mystiek in het algemeen, afwijkt van
de ware. De voortdurende vergelyking dwingt hem hij de
eerste de volgorde en indeeling te bewaren, die hij bij de
laatste heeft gevolgd. Het duidelijkste bewijs hiervoor is,
dat de klassen verschillen al naar het verband waarin zij voor-
komen. Dat Ruysbroeck echter verscheiden malen bij dezelfde
soort zegt: »Selke segghen" zóó en anderen weêr anders,
bewijst dat er bepaald verschillende stroomingen onder de
»Vrije Geesten" zijn geweest.

Vóórdat we evenwel van dit onderwerp afscheid nemen, moe-
ten wij nog even stilstaan bij Ruysbroeck\'s polemiek. Niet
dat wij daarvan niet reeds een groot gedeelte gehad hebben.
Immers er bestaat een soort van bestrijding, die wy in het
dagelijksche leven noemen: »iemand uitkleeden". Met de
"Voorstellingen, die Ruysbroeck van de valsche Mystiek heeft
gegeven, heeft hij haar, zooals wij zagen, werkelijk uitgekleed,
en nioedernaakt uitgekleed ook, niet waar? Door haar te
ontdoen van het waas van heiligheid, waarmeê zy zich be-
dekte, door de woorden, die zij heimelijk fluisterde te doen
^^linken met de kracht der bazuin, door wat zij in den boe-
zem verborg aan het licht te brengen, — heeft hij haar
haar werkelijk bestaan doen kennen en haar aan de
"Verachting van ieder weldenkend mensch onder zyn tijd-
genooten prys gegeven, en dat was zeker het beste wat hy
^\'on doen.

Toch heeft hij het niet daarbij gelaten. Bij het bedenken

Vfl n ^ ^

zooveel onwaardigs, als waaraan deze ketters zich schul-
g naaakten, schoot het gemoed hem te vol, en kon hij zijn
^®i^ontwaardiging niet langer bedwingen. Zooals zich ver-
wehten laat is zijn polemiek van zeer hartstochtelijken aard
"Vol Yan invectieven. Van kalme wederlegging kon dan ook
■ een tegenpartij als deze geen sprake zijn. Ruysbroeck houdt

inderdaad voor onmogelijk deze lieden van hun dwaling te
overtui & J °

als eenwillich ende hebben hem selven

ster ^^^^^ beseten met eyghenheden", zegt hij, »dat si eer

\'Ven souden, eer si enich poent lieten van dat si begre-

-ocr page 346-

•328

pen liebben". Zijn doel is dan ook niet om lien te bekeeren,
maar om ze onscliadelyk te maken en den eenvoudigen menscli
voor lien te waarschuwen. »Ghi moghet u segh en en jeghen den
duvel, mer behoet u met groten ernste voir dese verkeerde
menschen, en mercse nauwe in haren woerden ende in haren
werken!" zegt hij nadrukkelijk. Overeenkomstig hiermede
is zijn streven den eenvoudigen mensch te doen inzien hoe
dwaas en goddeloos de dwaling is van deze »Antkersts vore
boden" [=
voorboden van den Antichrist], die »wel ghelijc
syn den verdoemden gheesten inder hellen" i).

liuysbroeck bestrijdt voornamelijk hun absoluut Quietisme,
»ledicheit", dat hij als de oorzaak van de geheele dwaling
aanziet. In de ontwikkeling van Ruysbroeck\'s Mystiek heb-
hen wij dit punt reeds ter sprake gebracht, en het
zooeven breedvoeriger behandeld. Het enkele rusten is
voor Ruysbroeck een gruwel, zoowel hier als hiernamaals.
God zelf zou niet zalig zijn indien Hij niet werkte, en zonder
werken kan de mensch geen beelddrager Gods zyn. Maar
wij weten dit alles reeds. Tegenover de leer der volstrekte
passiviteit (de inensch het instrument waarmee God werkt)
waarmee de Vrije Geesten hun onzedelijkheid bedekten, hoor-
den wij hem terecht aanmerken, dat God zeker wel niemand
zou aandrijven om dingen te doen die in tegenspraak waren
met de Heilige schrift en met de Kerk, — terwyl hij tevens op-
merkt dat, indien het werkelijk waar ware dat God alles deed
en zij niets, hun geestelyke hoogmoed zich zeer ten onrechte
op de verdienstelijkheid hunner werken verheft. Tegenover
de godslasterlijke verklaring, dat zij God zelf zijn, voert hij
aan dat zij, ingekeerd in zich zelven, de »ledighe simpelheit
haers wesens" d. w. z. het eigenschaplooze zijn, waartoe zij
zich ahstraheeren, aanzien voor God zoodat zij de slacht-
offers zijn van het grofste zelfbedrog. Zeker is dit voor een
Mysticus een merkwaardige opmerking, een opmerking waar-
meê Ruysbroeck zelf groot voordeel had kunnen doen. De
bewering, dat zij hemel en "aarde en ook zich zelven hebben

: bl. 177.

1) Samuel, bl. 247 en

2) Samuel, bl. 246, 247.

-ocr page 347-

•329

gemaakt, weerlegt ky met de Sckrift: »In den beginne sckiep
God kemel en aarde" en »God keeft ons gemaakt en wij
kebben ons zeiven niet gemaakt" i). »Onse bemelscbe Vader"
roept by den ketters toe »gbebaert sinen Sone ewelic nut
bem selven. .. . ende overmits den selven Sone, die sine wys-
beit es, beeft bi gbemaect ende gbescapen bemel ende erde
ende alle creaturen van nieute, ende daertoe en riep bi u niet
te sinen rade, wan"t, voegt bij er sarcastisch bij, »gbi en
Avaert doe nocb niet; ende al baddi gbeweest, bi en beboeft
uns niet". Waarscbuwend gaat bij voort: »ende den lesten
dacb, daer bi die werelt in ordelen sal, dien
Aveet hi wale,
ende ghi en wetes niet!" Zeer juist merkt hij vervolgens op
tegen hen die meenen Christus te zijn dat, omdat God mensch
geworden is, daarom nog de menschheid de Godheid niet is.
Met nadruk zegt hij ergens^): »Ende inden lesten dage, als
bi (d. i.
Christus) sal ordelen goede ende quade, dan seien sy
wel bevenden dat si verdoemde menschen sijn ende niet God".
Tegen het Nihilisme zegt hij: »Nu segghen sulke rasende
menschen dat si niet en sijn, ende dat God niet en is. Ende
dit is onmoghelijc. Nochtan ist in hem alsoe ghesciet.
Want God maecte alle dinc van nieute, ende dat niet dat
SI sijn, dat bleef hem over; dat en conste hi niet ghemaken.
Want dat is sonde, valsche ledicheit ende onghehoirsambeit:
dat niet hebben s i gbemaect; al dat God gbemaect heeft
IS yet". De werkelijkheid van het bestaan van God is voor
I^uysbroeck voldoende gewaarborgd door bet woord tot Mozes
gesproken: »Zeg den kinderen Israels: Die is, heeft mij ge-
zonden!" en »Ik ben Abraham\'s Isaak\'s en Jacob\'s God" S).

Alles is het gevolg hiervan, dat deze ketters Godschou-
wende menschen willen zijn zonder eerst de voorbereidende
stadiën van het Werkende en het Innige leven te willen
doorloopen. Zóó willen zij rusten in dengene, dien zij niet
uiinnen en zich verheffen in Hem, dien zij niet zoeken en
^let begeeren Zij zijn dus jammerlijk bedrogen, en

1) Gen. ]: 1 cn Psalm C : 3.
Spiegel d. e. Z., bl. 223.

13 Begh., bl. 62—65. Vgl. Exod. III : 14 en 15.
bruiloft, bl. 177.

-ocr page 348-

330

liuii gewaande zaligheid zal slechts van korten duur wezen,
»Alsoe salich is die slapende hont,

Dien droemt dat hi heeft een stucke vleeschs in sinen mont;
Alse hy onwaket, soe en heeft hi niet:
Rechte alsoe is
{hun) ghesciet"

Als de ure des doods komt, ontvraken zy; snel als het licht
vervliegen dan hun geliefde droombeelden: »dan werden si
verheelt ende onsaet [=
ontzei] ende verveert van binnen ende
Verliesen haren ledighen inkeer in rasten, ende vallen in mis-
hopen [=
wanhoop], alsoe, datse nieman ghetroesten en can :
ende sterven alse rasende honde"

Niettegenstaande zyn doodelyken haat tegen deze ketters,
houdt Ruysbroeck het toch voor zeker, dat zy vergiffenis van
God zullen ontvangen, wanneer zy zich slechts bekeeren, biech-
ten en penitentie doen. De priester moet hun dan dadelijk het
sacrament geven, welke tijd van het jaar het ook is. Wan-
neer zij echter zonder berouw bij hun kwaadheid blijven vol-
harden, dan mag men hun, volgens Ruysbroeck\'s oordeel, noch
bij leven noch bij sterven het sacrament toedienen.. Men
moest ze dan eigenlyk aan een staak verbranden en ze niet
met Christen menschen begraven. De Paus, noch eenig gees-
telyke, mag hun dan absolutie schenken. Dan zullen zij alzóó
sterven, en alzóó verdoemd zijn

De lezer die deze mededeelingen aandachtig heeft gevolgd,
zal zeker, zooals wy reeds vroeger hadden voorspeld, veel
punten van overeenkomst tusschen enkele uitdrukkingen van
Ruysbroeck en de valsche Mystiek van de Vrije Geesten
hebben kunnen ontdekken. Maar even stellig zal hy moeten
toegeven, dat Ruysbroeck\'s Mystiek in haar geheel een ge-
heel andere richting heeft dan het krasse Pantheïsme van
velen zijner tijdgenooten. Hij zal dan, naar wij hopen,

1) 13 Begh., M. 58.
3)
Samuel, bl. 248.

3 Sp. d. e. Z., bl. 203; vgl. 12 Begh., bl. 61.

-ocr page 349-

•331

tevens weder een afdoend bewijs hebben gevonden voor de
juistheid van de voorstelling, die wij van de denkbeelden
en het stelsel van den grooten Mysticus gaven. Hy zal dan
eindelijk, wat ons bovenal aangenaam zou wezen, den vromen
ouden Prior, die zich onversaagd opwierp als een machtigen
dam tegen den onreinen stroom, die de Godsdienstige en
zedelijke natuur met bederf en ondergang dreigde, des te
hooger hebben leeren schatten.

-ocr page 350-

HOOFDSTUK VIII.

EÜYSBKOECK EN DE KERK, DE SACRAMENTEN EN DE LAATSTE DINGEN.

Was Iluysbroeck, zooals wij zagen, een fel bestrijder der
valsche Mystiek, hij was zeker niet minder een trouwe zoon
van de Oatholieke Kerk. Niettegenstaande hij in den gang
zijner contemplatie den vrijen loop laat aan zijn subjectief
I gevoel en dan dingen zegt, die met de kerkleer bepaald in

strijd zijn, dringt hij overal ten sterkste aan op absolute
gehoorzaamheid aan de kerk, zoodat zijn afwykingen als ge-
heel onbewust moeten worden beschouwd. »Van allen dien
dat ic versta, ofte ghevoele, ofte ghescreven hebbe" zegt hij
in zijn
Samuel, »soe laet ic my onder die, sentencie der hey-
lighen ende der heyligher Kerken; want ic wille leven ende
sterven Christus\' knecht, in kerstinen ghelove, ende ic beghere
te sine, overmits die gracie Gods, een levende let [=
lid] der
heyligher Kerken" i). En deze uitspraak wordt door tal van

I) Samuel, bl. 268; vgl. 12 Begh., bl. 274. Euysbroeck\'s instemming mot de
leer der Catbolieke Kerk blijkt, bebalve uit ziju tbeorie omtrent bet avondmaal,
waarover wij later zullen spreken, o. a. duidelijk uit ziju warme Maria-vereeriug,
i vooral in dit tijdvak twee belangrijke punten der kerkelijke Dogmatiek). Door den
gang van zijn stelsel, is hij slechts enkele malen in staat daaraan lucht te geven,
maar wanneer hij het doet, doet hij liet ook van ganscher harte. Maria, de
moeder Gods, de koningin van hemel en aarde, die nochtans „haer selven vercoes
die deerne Gods te sine ende alre der werelt", wier deugdzaamheid en
heiligheid
niet te beschrijven zijn, — wordt door Iluysbroeck éénmaal gesteld als de antitype
van Adam! „Sy was een levcndich Paradys. Si vant die
gracie die Adam verloes".
„Die hare volghet,
hi verwint alle contrarie der doghede." Zij is „moeder alre

-ocr page 351-

•333

plaatsen uit zijn overige geschriften bevestigd. Overal eischt
hij onvoorvpaardelijke gehoorzaamheid aan de Kerk i) en
hare instellingen. De Beschouv\\dng, verstandelijk of »minlic",
moet altijd »tenore ende concordie houden met alle der hey-
ligher kerken" Ongeloof in eenig punt dat de Kerk
leert is voor hem een voldoende reden tot verdoemenis. De
Kerk is het middel, w^aardoor wy God moeten dienen; zij
leert ons wat wij moeten doen en laten om Gode welgevallig
te zijn ; door haar en hare sacramenten worden wij met God
vereenigd 3). Zij is het orgaan van den Heiligen Geest, en
het groote lichaam waarvan Christus het hoofd is. Zij wordfc
vergeleken met de ark van Noach: »alle die buten der Arken
bleven, die moesten bederven" Dat Ruysbroeck met dit
alles geen ideale Kerk bedoelt maar werkelyk de Roomsch-
Catholieke, mag niet worden betwijfeld. De kerk »is ghehe-
ten
apostelic] want die hoghe prince sinte Peter ende die
ander Apostelen hebbense ghefundeert ende gesticht op enen
vasten steen, dat is Jhesus Christus". »Ende si ordiuierden
bisscoppe ende priestere van sinen weghen ende in sinen name,
ende gaven hem die macht die si van Gode ontfaen hadden
priesters ambacht te pleghene in alle die werelt. Ende aldus
is die heylighe Kerke in Christo ghefondeert, ende Christus
leeft met hare, ende is een met hare van beghinne, ende si
sal staende hliven met haren dienste tote inden lesten dach

gracien ende alre genaden, ende si is onze advocaat ende onse middellersse
tnsschen ons ende haren Sone, ende hi en mach hare niet ontsegghen dat si hegheert,
want si is sijn moeder". Zie
Bruiloft, bl. 173; Sp. d. e. Z., bl. 190; van -vij-
trappen, bl. 24, 25. — Zooals zich echter verwachten laat, heeft deze Mariadienst
niets te maken met Ruysbroeck\'s Mystiek en oefent hij daarop niet den minsten invloed
uit. In een stelsel als dat van Haysbroeck kon daarvoor geen plaats zijn.

1) Zie O. a. Blinh. Steent., bl. 216, 217; 13 Begh., bl. 128; w. rf. bl. 158;
4
Becor., bl. 281; 12 Begh., bl. 209.

2) „Tenore houden" is een technische term aan de Middeleeuwsche zangkunst
ontleend. Daarmede wordt bedoeld bet aanhouden
(teneré) van de voorgeschreven
unisone koraalmelodie, terwijl bekwame solo-zangers intusschen allerlei variatien
zongen („discanteerden").

3) Bruiloft, bl. 158, 173, 174; Samuel, bl. .246; 12 Begh., bl, 48; Samuel,
bl. 343; Blink. Steent., bl. 196; Bruiloft, bl. 176; v. d. Kerst. Ghel., bl. 258.

4) V. d. Kerst. Ghel., bl. 243, 344; vgl. Hagenbach, Lehrbuch der Bogmen-
yeschichte,
5te Auflage, Leipzig 1867, S. 156 ff. en 290 ff.

5) T. p., en Sp. d. e. Z., bl. 162.

-ocr page 352-

•334

Terwijl Ruysbroeck aldus van eerbied en liefde voor de
beilige Kerk is vervuld, is by geenszins blind voor de ge-
breken die bij velen barer dienaren worden gevonden. Over-
tuigd van den adel der Kerk, kon bij niet dulden dat zij
werd verontreinigd, verwaarloosd en in miscrediet gebracht
door hen, wier taak het was voor haar eer te waken. Met
kracht verhief hij zijn stem tegen het hand over hand toe-
nemend zedenbederf onder de geestelijkheid. Met edele ver-
ontwaardiging hield hij den slechten onder de priesters en
monniken van zijn tijd het beschamende tafreel voor van
den eenvoud van Christus\' eerste volgelingen, toen »Christus
ende sine discipelen ende vele heyligher pause, bisscope,
priesteren ende heylighe menschen, versmaden de werelt ende
volgheden Christum na, ende predicten, leerden, ende leefden
die waerheit ende kersten ghelove in al die werelt. Si waren
oetmoedich, vol caritaten, verduldich in allen doghene. Si
waren ghenadich ende ghetrouwe allen menschen. Si baden
vore vriende ende vore viande, ende voir die ghene diese
persequeerden ende doden". Zóó werd de Kerk groot en
groeide en bloeide zij en bracht zij ryke vruchten voort van
heiligheid en deugd

En hoe is het thans? vraagt Ruysbroeck. »Onder die -xij-
Apostelen en was mer één gheveinst quaet, die goet sceen van
buten ende quaet was van binnen: nu onder hondert prelaten
ende priesteren die de heylighe Kerke regheren, ende leven
van der
Patrimonien die Christus ghecocht hevet met sinen
bloede, soe soud men cume [=
nauwelijks] énen vinden die
Christum na volghede van buten ende van binnen, alse die
Apostelen deden". . . . Het zijn »Judas discipelen die nuregne-
ren ende regheren die heylighe Kerke"

De geestelijken bekommeren zich weinig of niet om het volk.
Zij laten de schapen wier hoede hun door Jezus was toevertrouwd,
verdwalen en omkomen, zonder naar ze om te zien. Hebben zij
gebrek aan spijs of drank, zij letten er niet op. »Ende al sijn
de scape siec ende seer, si en salvense niet; ende ghequetst ende

1) 12 Begh., bl. 160—163, 178, 237 vgg; vgl. Bruiloft, bl. 120; V. .yi]. Sloten,
bl. 64.

2) 12 Begh., bl. 151—154.

-ocr page 353-

•335

te broken [= gebroken], si en verbendense niet. Ende al
verleitse de duvel ende de werelt in den gront der bellen, si
en wisen ben den wecb der waerbeit niet. Si gbeliken bat
den wolf dan den berde; want de goede berde brinct gberne
alle sine seape in de coie; maer de gbierigbe wolf verbitse
doet [=
bijt ze dood] op den velde". Zie de »princen" der
heilige Kerk maar eens aan, of zij goede kerders zijn. Hun
zalen en paleizen zgn opgevuld met bedienden. Zij leven in
macht en overvloed, in rijkdom en weelde, zonder evenwel
ooit genoeg te\' kebben. Maar Christus, de goede herder, had
buis noch hof, en met zich zeiven en al wat hij had kocht
kij den mensck »dat es sijn sceepken"
schaapje]. Ofsckoon
kij, als hij gewild bad, heel goed een paard of een witten
muilezel had kunnen hebben (sic), reed hij op een ezelin; en
de apostelen en de eerste bisschoppen gingen te voet, — en
zij bekeerden de geheele wereld. — »Maer nu eest al contrarie.
Sal een bisscop ofte een groet abt sijn volc visiteren, hi rijdt
met xl- peerden, met groter familien [=
hediendenstoet] ende
met groter cost; want hi en gheldes [=
betaalt het] selve
niet. Grote singerie [=:
gezang], grote feeste, ende grote
cost van spisen ende van dranke". En dat wordt alles be-
kostigd uit de kerkgoederen en uit gelden die op oneerlijke
wijze verkregen worden, namelijk door den aflaat en de
Simonie.

»Die correctie", zegt Euyshroeck, »es in die borse, maer si
en ruert de sielen niet". »Si hebben costume, dat si een
werf des jaers, een werf in elke prochie, seenden
\\= senden —
zenden, amittere,
d. i. vergeven] van openbaren groven doet-
sonden; ende die daer inne vonden werden, die moeten ghelt
gheven. Dat es de penitencie ende de boete vore de sonden;
ende dan moghense met ghemake sitten, ende den duvel die-
nen al dat jaer over, tote dat de tseins weder valt [=
de cijns
\'weder wordt geheven].
Sijn si oec rike, ende syn de feite
groet, so moetense vele gheven, ende so men alder meest
van hen ghetrecken mach". Zijn de lieden echter arm, »si
nioetent gelden [=:
zij moeten het toch betalen] al sondense
omme haer broet gaen." Die echter het meest geeft »bi es
best te hove; want absolucie, brieve, segkele ende ban: die

-ocr page 354-

336

vele gels heeft, hi vererighet al". » Die persemaert [:= ïooe^eraar]
mach offeren ende ten outare dienen, op dat [=
omdat] hi
vele ghelts hevet te ghevene. Stervet hi ende wilt hi, men
salne [=
zal hem] vore den outare graven" [= hegraven].
Hiermede zijn de menschen »quite van jare te jare, tot dies-
maels dat de duvel comt, ende voerse [=
ze voert] in de
heische penitentie, dies nemmermeer inde ea wert [=:
die
nooit eindigen zal].
Ende aldus heeft ieghewelc, dat hi he-
gheert : de duvel de siele, de bisscop dat ghelt, de dore
[:= divaze] mensche sine corte ghenoechte" i). Deze aflaat-
handel is niets dan hedrog, want »si en moghen niet
vercopen dat ewich is, die gracie Gods! Christus
is die overste priester die machtich is in hemel
ende in erde, die sluten ende ontsluten mach, ende
sonder hem en vermach die priester niet"

Het tweede misbruik is de Simonie. »Quade prelate ende
valsche herden kiesen ende verheffen hem selven, copen ende
vercrighen enighe prelaturen ende gbeestelijc heerscap boven
Christus volc. . . . Symonie regniert sere; bisscopdomme,
abdien ende digniteyde die rijc sijn, die moetmen copen:
selver [=
zilver] ende gout hevet in desen tiden groet ghe-
wout. Die penninc is machtich boven Gode, boven recht,
boven ghenade ende Gods ghebode".

Door groote praebenden (»provenden") daartoe in staat ge-
steld, leiden de hoogere geestelijken een vorstelijk leven. »Als
men ten reeftere d. i. de
eetzaal des kloosters, het refec-
torium]
comt, so es de prioer, de custode, de gardiaen ende
de leesmeester, ende andere rike broedere die renten hebben,
ochte dochteren diet hen gheven: dese sijn alle in cameren
besiden, ende pleghen haerre verweentheit [=
iveelde]". Zy
»sluten hare cameren ende eten ende drinken dies hem ghe-
lust. ... si hebben vele gherechten ende den besten wijn
die men vindt. . . . Men moet hem des avonts vraghen
wat
si des anders daghes eten ende drinken willen ende hoement
hen gheréyden sp,l". Onderwijl zit het arme convent in het

1) Tabernakel, II : bl. 177—181.
3) 12
Begh., t. a. p. eu bl. 159.

-ocr page 355-

•337

refectorium »maar men gheeft hen niet meer dan si hehhen
moeten. . . . pottage [=
moes, olus coctum, Kiliaen] twee
haringhe ende dunne hier. . . . Ende al riepen se datment
inden hemel horen mochte, men gave hen niet een ey ofte
enen halven harinc meer dan sy pleghen te hehbene. Nochtan
moeten si bi wilen vasten ende den last draghen nacht ende
dach van singhene ende van lesene. Ende hier omme, eest
dat si sijn ghehoirsam ende verduldich ende volstaende in or-
dinen ende in reghelen tote der doot, si werden ghevoert
vanden inghelen met Lazarusse in Abrahams scoet". Intus-
schen is dat zelden het geval. De ongelijkheid in leefwyze
brengt meestal bitteren nijd en afgunst bij de arme fraters
te weeg, die het hun rijken broeders niet gunnen zóóveel te
hebben van hetgeen, naar hun inzicht, voor allen gemeen be-
hoorde te zijn" Zóó leidt dan de rijkdom tot hebzucht en
de hebzucht tot de grootste gierigheid en zelfzucht. Sarcas-
tisch noemt Ruysbroeck de hebzucht en de gierigheid twee
»provenden" die door den Duivel aan de bezitters van twee
of meer andere praebenden worden geschonken. Inderdaad een
droevig schouwspel! De broeders van een en hetzelfde klooster
gunnen elkander niets. Ieder houdt wat hij zelf heeft, maar
niemand geeft iets aan een ander. Al is de abdij ryk, zij
geeft aan het convent niet meer dan zij geven moet. Is
daarentegen het convent rijk, dan eten de broeders er des te
beter om, maar zij geven evenmin iets aan de abdij. Ieder
zorgt voor zich zelven en ontvangt zijn renten, en onder de
broeders zijn armen en rijken, evenalsof zij in de wereld wa-
ren ; en dit is de oorzaak van afgunst en nijd. Het geschiedt
echter alles met toestemming van den praelaat! Zóó was het
vroeger niet en zóó moest het niet zijn. Christus heeft zijn
schat op aarde gelaten en die moest gemeen zijn. »Ende
sijn knechte, die daer af leven, si souden ghemeine sijn. Alle
die ghene die van aelmoesenen leven ende in gheesteliken
state sijn, si souden ghemeyne sijn,
{namelijk) alle gheestelike
luden ende alle die in cloesteren ende in clusen syn". Zóó
was het in den beginne. Pausen, bisschoppen en priesters,

1) V. .vij. Sloten, bl. 84, 85;

II: bl. 193; 12 Begh., bl. 180—183,
22

-ocr page 356-

338

allen waren toen gemeen. Zóó moest het nog wezen. Chris-
tus\' erfenis is voor allen gemeen, en, wanneer de priesters
daarvan hun nooddruft hebben genomen, behoort hetgeen
overblyft aan de armen uitgedeeld te worden i).

Tegelijk met den rijkdom neemt de traagheid hand over
hand toe. Men huurt lieden om het werk te doen, opdat
men zelf in gemakkelijke rust kunne nederzitten. Intusschen
wordt de ledige tijd in ydelheid en ontucht doorgebracht.
Hooren wy slechts wat Ruysbroeck zelf daaromtrent zegt.

»Die groete heren en doen maer mesSe [= bedienen slechts
de Mis]
te hoechtiden; op andere tide doense [wij zouden
zeggen
doen dat\\ hare capellane; want si achten hen selven
so groet, alse ochte [=
alsof] het niet en betaemde, en ware
[= tenzij] op hoeghe daghe. Ende al sijn si mate [= gering]
van gheboerten, comen si te goede, hen wast haer moet. . .
Waren de provenden al te male vri, sonder dienst te Gode,
dat baddense noch liever; ende dan souden si harde [=
zeer]
noede eenen maten clerc sine noetdorft gheven, die vore hen
songhe ende läse ende\' Gode diende. . . Bi wilen gaense
{echter) vore de vrouwen ter kerken, ende dienen hen in
nederen dienste dat hen niet en betaemt, noch den vrouwen.
Ghi siet wel, alse men kiut [=
luidt, nml. de klok] ten
dienste ons Heren, te mettenen ochte ten anderen ghetiden:
es daer geit te wennene, so ontweckense alle, ende comen
ter kerken met groten hoepen; maer en es dies niet, al
luuddemen de doeken ontwee
 in tioeeën], si slapen so

vaste si en comen niet, sonder [= behalve] de ghene diet
doen moeten: dat sijn vicarise ende mercenarise, die daer
toe ghemiedt
[— gehuurd] znn. . . alle de andere slapen ende
houden hare raste ende hare ghemac. Voert meer, alse de
prioer te reeftere luudt, ochte ieman anders dien hys verbid-
den mach, so comen daer drie ochte viere van den joncsten,
dadt [=
opdat het] doch ene ordine seine [= schijne]. Mijn
here de abt blijft in huus met sinen ghesinde [=
huisgezin!]
ende alle dat ander convent es siec ende cranc, — ende
pleecht sijns selfs met vleesche ende met goeder spisen, diet
vercrighen maeh".

M

1) Bmilofi, bl. 120 cn 12 Begh., bl. 158.

-ocr page 357-

339

Ook de bedelorden zijn zóó verbasterd, dat zij in alle
opzickten ket tegendeel zyn van wat bare stichters bedoelden,
bebalve dat bare leden nog gaarne arm willen beeten, en
altijd klagen. Al wat onder bnn bereik komt, ket lampen-
geld en ket poortgeld des kloosters, alles verteren zy gekeel.
Al wat zy ontvangen keet van den paus te zijn of van kem
die bet bun gaf (want zij mochten geen eigendom hebben),
zóólang tot zij bet doorgebracht bebben. »Si smeeken den
sondare die vele mack [= kan] gheven, ende si drucken den
armen die lettel heeft en gbeerne soude nemen. Si lopen
termine in steden ende in dorpen, si predeken met den
waerden ende lettel met den werken", ofschoon, zooals onze
auteur elders zegt, .»dicwile de waerde den werken gheliken,
ende aldus al bederft eest". »Si soeken de wolle meer dan
tscaep, dat es, bare gbewin meer dan salicheit der menschen.
Si sijn gbierich ende idel ende geen dinc en machse ver-
vollen [=
voldoen]: eest coren, eest saet, eiere, case ende
ghelt, ende al dies de liede hebben, des behoeven si wale.
Al en ware maer één doester op -vij- milen, al dat men daer
binnen bejaghen mochte, dat souden si wel verteeren. Ende
menich gheeft hen oec van sceemden ochte van eersamheiden,
meer dan voor caritaten; ende des en achten si niet, in dien
dat syt hebben. Die wel questeren
[= vragen., bedelen] can
ende vele bejaecht, hi es wel ontfaen. Si doen vele messen,
[=: missen], ende singhen luude nacht ende dach, want si
woenen bi den volke ende behoeven wel dat si hen iewerincs
mede bebaghen. Na den etene so lopen de broedere ute, alse
bien [=
bijen^ ute haren vate, ieghewelc omme syn bejach. Es
enich rijc man siec in de stat, daer sent men -ij- brudere,
ochte hi sine sepulture kiesen mochte in karen doester. De
andei\'e broedere gaen spacieren
ivandelen] ende visiteren

1) »Termine lopen" beteekent Let bedelen binnen zekere grenzen {termini), die
den bedelmonniken door de kerkelijke of do burgerlijke overheid waren gesteld.
Zie Du Gange op het woord
Teiininarii.

2) Aldus David. Andere HSS. hebben bier, wat stellig komiseher klinkt, maar
niinder praegnant is. Het beeld van een zwerm bijen, die in groote menigte de
korf uitvliegt en waarvan elk zijn bloempje gaat opzoeken, spreekt oneindig veel
sterker en past veel beter in het verband.

20*

-ocr page 358-

340

liare doclitere, daer lettel orboers ane glieleeeht ende dicwile
grote confusie. Nochtan en machse niemen corrigeren, want
si hoeverdich sijn ende en willens niet ghedoeghen. Wilt
mense oec versinden [=i
verzenden, wegzenden, doen vertrehheri]
omme hare ghehreke, si soeken mechtege liede van buten,
die hen hulpen; maer hebbensi ghelt, si vercrighen wel ane
[versta:
van~\\ haren oversten dat si bliven moeten wien lief
wien leet". »Nu merct, es dese vite [=
leefwijze] sente
Benedictus reghele ende sente Augustyns? Dat moeste men
seere gheloesen" [=
dan moest men daarop al zonderlinge
glossen vinden].

Met de nonnen is het niet veel beter gesteld. »Ghi siet
wale, alse eene joncfrouwe eene nonne ute haren doestere
gheet, si maect hare so behaghel [=
heliagelijk], alse ochte
si hare den duvel ende der werelt vercoepen woude, als dic-
wile ghevalt; want si es ocsuun [=:
oorzaak] van menegher
sonden, dies si selve niet en weet, ende daer si redene ave
gheven sal ten ordeele Gods".

De religieusen, wereldlyken en geestelijken, die rein van
ziel en lichaam moesten wezen, leven in een openbaar con-
cubinaat. »Some houden hare hindere binnen haren huuse,
oppenbaerleec ende sonder scaemde, in groeter behaghelheit,
als ochte sise van haren ghetrouwden wiven hadden". En dat
geschiedt ongestraft, want ieder die wil mag in hoererij leven
(»sitten in onwette") jaar in jaar uit, tegen betaling van een
zekeren cijns, hem naar de mate van zijn vermogen opgelegd.

Dat zijn nu de dienaren van Christus\' Kerk! Zóó vervul-
len zy de taak, die hun op de schouders is gelegd, zulk een
gebruik maken zij van den staf die hun is toevertrouwd! »Met
den scarpen
{daarvan) souden [= moesten] si steken ende driven
de traghe; ende met den rechten stave in midden, so soude
hare heylighe leven ende hare exempel de ongheleefde [=:
liu-
manitatis expertes,
Kiliaen] cranke vorweert in doechden dra-
ghen ; ende met den cromme van den stave, souden si die
ghene die uutweert wouden ter werelt, wederboeghen [= lett.
wederbuigen] ende weder halen toe der enicheit!" Beminnelijk
beeld, liefelijk ideaal, hoezeer van de werkelijkheid verschillend!
Voorwaar, wanneer de ure gekomen is, zal de Heer reden

-ocr page 359-

•341

hebben tot hen te spreken: »Ghef redene van dijnre meyerien;
du en moghes niet langher meyer sijn!" Waarachtig,
» ware priesterscap aksoe onstichteleec gheweest in den beghinne
der heiligher Kerken alst nu es, kerstengheloeve en ware so
verre niet comen!"

Bi] dit alles is Ruysbroeck volstrekt niet blind voor het
goede, dat in zyn tyd gevonden werd. Hy kent ze ook die
»ghewarighe herden" die »met Christus bant den onnoselen
in sinen name den hemel openen; ende den hemel onsluten
den sondaren die met ghelove ende met ghewa,righen rouwe,
ongheveinst haer sonden bellen ende ghenade soeken aen die
ontfermherticheit Gods". Hij kent ze die mannen sober en
rein, zacht en ootmoedig, vreedzaam en mild, deugdzaam en
lijdzaam, geleerd en verstandig (»constich ende gheradich"),
blijmoedig van geest, verheven van hart: »inden monde waer-
heit ende inden woerden besceydenheit, ende inder stemmen
uutvloyende soeticheit, dat herte open, die binnenste ontsloten,
tote alre noot ontfarmhertich, onbecommert met groven babite,
nauwe noetorft
{nement), dat overblijft den armen {gheventy
Hij kent ze, maar hij weet ook dat dezulken slechts hooge
uitzonderingen zijn: enkele lichtpunten in een stikdonkeren
nacht, enkele oasen in een barre woestijn. Een barre woes-
tijn! een stikdonkeren nacht! ja waarlijk dat was de omge-
ving en de tijd waarin Ruysbroeck leefde, de tijd v7aarin»Sa-
thanas meer discipulen
{had) dan Christus!"

Wat wij meêdeelden waren zooals de lezer zal gezien heb-
ben klachten. Met hoeveel kracht, met welke verontwaar-
diging ook voorgedragen, het blijven klachten. Klachten over
de bestaande vormen, zonder dat er nieuwe vormen worden
gegeven. Daarom heeft men niet het recht Ruysbroeck in
bepaalden zin een hervormer te noemen. De taak om Christus\'
Kerk inderdaad te reinigen van de smetten die haar aankleef-
den, om de verbasterde Kerkleer aanvankelijk te zuiveren van
onreine bijmengselen, — was niet voor hem weggelegd.

Zeker bevinden zich te midden van zijn klachten over

1) Luc. XVI : 2; 12 JBeffh., hl. 158; vgl. bl. 179.

2) 12 Begk., bl. 153—155.

-ocr page 360-

342

den staat der geestelykheid genoeg aanwijzingen, hoe hij
den toestand der Kerk zou wenschen. Uit zijn ideale
voorstelling van het verleden blijkt duidelijk, dat naar zijn
oordeel de Kerk en de monniksorden weder behoorden te
worden wat zij ten tijde harer stichters waren. Maar de kracht
om zijn ideaal huiten de kloostermuren van Groenendaal te
verwezenlijken ontbrak hem.

Evenzoo ontbreekt het in zijn geschriften volstrekt niet
aan theorien, die, consequent toegepast, moesten leiden tot om-
keering van de Kerkleer dier tijden. Herinneren wij ons
slechts, hoe hij overal den mensch onmiddellijk met God in
betrekking staande denkt, zonder de Kerk als medium tusschen
beiden te doen optreden; hoe hij de werken zonder het ge-
loof volstrekt niet acht; hoe hij, bij waarachtig berouw van
den zondaar, Gods genade en vergiffenis als onmiddellijk vol-
gend voorstelt; hoe hij de goede gezindheid met de werken
gelijkstelt; hoe hij de afzondering van de wereld voor onnoodig
houdt; hoe hij het betrachten van de deugd uit hoop op de
zaligheid des hemels, of uit vrees voor de straffen der hel, be-
paaldelijk veracht en de deugdzame menschen van deze soort
huurlingen noemt. Altemaal denkbeelden, die een kleine
anderhalve eeuw later door Luther zóó en niet anders werden
uitgesproken, en de Hervorming ten gevolge hadden. Maar
Ruysbroeck was niet in staat die denkbeelden volledig te
ontwikkelen tegenover de Kerkleer.

En waardoor schoot deze man van groote talenten en
van groote geestkracht in deze twee punten te kort?

Vooreerst daardoor, dat hij een Mysticus was. Hoe edel
en liefderyk van character hij ook was, hoezeer hij zijn eigen
rust en zijn innige contemplatie ook wilde opofferen ten nutte
van den medemensch, — de stille afzondering was hem toch
te lief, zij was te veel een wezenlijke behoefte voor zijn ge-
moed, dan dat hij krachtdadig en met aanhoudende volhar-
ding als Hervormer in het maatschappelijke leven had kunnen
optreden. Hij heeft in dit opzicht reeds oneindig meer ge-
daan dan de meesten zijner geestverwanten, de groote Ber-
nard alleen uitgezonderd. Maar meer te doen dan hij deed
was hem onmogelijk.

-ocr page 361-

•343

Ten tweede daardoor, dat liij daarenboven een recbtgeloo-
vig Catholiek was. Wij moeten dit vooral niet vergeten.
Hij was er inderdaad in gemoede van overtuigd, dat al wat
bij scbreef in volkomen overeenstemming was met wat de
Kerk leerde. Indien iemand bem bad willen overtuigen, dat
de Kerk inderdaad een andere leer verkondigde dan die van
wier waarheid hy in zijn hart overtuigd was, zoü bij dien
mensch waarschijnlijk nimmer geloofd hebben, want de samen-
smelting van de leer der Heilige Schrift met de som van zijn
eigen religieuse levenservaring was voor hem een en het
zelfde als de Kerkleer. Daarvoor was hij Mysticus en geen
verstandsmensch. Had men er echter werkelijk in kunnen
slagen hem zijn afwijking van de leer der Kerk afdoend te
bewijzen, dan zoü hij ongetwijfeld zijn woord hebben herroe-
pen en zijn hoofd ootmoedig voor het gezag der heilige Kerk
gebogen hebben.\' Daarvoor was hij een geloovig Catholiek
en geen absoluut vrij Mysticus, zooals Meester Eckart en in
zekeren zin Tauler dat waren.

Ruysbroeck was dus geen kervormer. Maar tock keeft
kij zonder ket zelf te weten de Hervorming mack tig in de
kand gewerkt. Vermockt kij zelf zijn denkbeelden aangaande
de reiniging van den geestelijken stand niet buiten den om-
trek van Groenendaal te verwezenlijken, zij werden verder
verspreid en vonden ingang en weerklank bij honderden beter-
gezinden daarbuiten, waaronder mannen waren van de daad.
Onder die allen was er één, die den vromen Prior met zijn
gansche ziel aanhing en die, met groote practische gaven
bedeeld, er met Gods hulp in slaagde diens wenschen tot
werkelijkheid te brengen. Die man was Geert Groote en
zijn werk was de stichting van de Broederschap des gemee-
nen levens, aanvankelijk een kleine kring, maar die als een
zuurdesem in stilte voortwerkte. Wie oplettend in de voor-
gaande bladzijden al wat Ruysbroeck van ket »gkemeyne
leven" zegt keeft gelezen, en de innige betrekking tusscken
deze twee mannen kent, zal duidelijk inzien, dat de idee door
Geert ten uitvoer gebracht inderdaad in Ruysbroeck kaar
oorsprong keeft gevonden.

Was de nieuwe broederschap met haar apostolischen een-

-ocr page 362-

344

voud en liaar nuttige werkzaamlieid alzoo een beeld van de
Kerk, zooals Ruysbroeck die in haar geheel begeerde, —
zij
werd tevens de draagster van zijn zuivere zedelijke grondbe-
ginselen. De krachtige, bezielende taal die Geert zoolang
het hem vergund was, aan het volk deed hooren, het zegen-
rijke godsdienstonderwijs, dat hij en zijn medehelpers alom
aan tal van heilbegeerigen gaven, de vele schoone en hoogst
nuttige boeken, die door de bewoners van de fraterhuizen en
door de Winderheimer regulieren werden geschreven, — dit
alles was voor een groot deel de weêrklank van de stem
van den vromen Ruysbroock en het uitvloeisel van zijn
denkbeelden. Wij hopen later in staat te zullen zijn dit
breeder aan te toonen. Zóó werkte dan deze levenv.^ekkende
richting steeds verder voort, terwijl zij in mannen als Florens
Radewijnsz, Gerard Zerbolt, Hendrik Mande, Dirk van Herxen,
Thomas a Kempis, Wessel Gansfort en tal van anderen iiit-
stekende woordvoerders vond. Zóó vervolgde deze nieuwe
geestesrichting haar weg: overal verspreidde zij zegen en vrede
en alom bracht zij hervorming te weeg. Hervorming door het
goede en ware te scheppen. Het kwaad in zijn oorsprong aan
te tasten en weg te doen, met den godsdienstdoodendeu vorm
geheel te breken, en aldus het Hervormingswerk geheel te
voltooien — dit bleef voor Luther weggelegd.

Keeren wij thans weder tot onzen Ruysbroeck terug. Onder
de klachten, die hy over de ontaarding der kloosterlingen uit,
zijn er die, naar onze schatting, op lange na het gewicht niet
hebben van de hierboven meêgedeelden. Geenszins op een
reformatie, zooals wij ons die plegen voor te stellen, betrek-
king hebbende, vinden zij hier een afzonderlijk plaatsje. Zij
gelden de weelde en de pronkzucht, die zich hoe langer zóó
meer by de kleederdracht der geestelijken openbaarden, en
die den strengen asceet met ergernis en zorg moesten vervullen.
Om de eigenaardigheid en de teekenachtigheid der voorstelling
zullen wij het een en ander hieromtrent nog mededeelen en
daarmede onze beschryving van Ruysbroeck\'s houding tegen-
over de Kerk en de geestelijkheid eindigen.

-ocr page 363-

345

Terwijl in den beginne de heiligen, die de monniksorden
stichtten » dat groefste ende dat onweerste [=:
siechste, gemeenste\']
laken vercoren datmen inde provincie vant daer si in ween-
den, ende altoes sonder verwe", — heeft de duivel en de
hoogmoed nu allerlei nieuwe vonden gedaan: »dat zwart
soude sijn", schrijft hij aan de adellijke clarisse van Meerbeke,
en hij heeft hier vooral de geestelyke zusters op het oog,
»dat is brunet ghegreint Dat graeuwe abyt [=
kleed] is
brune ghemingt [=
gemengd] worden, blaeu, groen, ende
roet [=
rood] te gadere ghemingt. Wit en can men niet
gheveysen [=
veinzen, ontveinzen, men kan daar niets aan
veranderen], dat moet alsoe bliven: maer hoe die verwe is,
men neemt gherne die beste wolle diemen vercrighen mach,
in wat state dat si. Ende alse dat laken bereet is, so en
weetment hoe sceppen noch maken, dat [=
opdat het] der
werelt ende den duvel behaghen moghe. Selke [:=
sommigen]
makent soe wijt ende soe groet, dat menre -ij- ofte -iij- cledere
af maken mochte [=
zou kunnen]. Selke makent soe inghe, ofte
[= alsof het] aen hare vel ghenaeyt ware. Die onderrocke tote
der knie cort, ende op den buuc gheknoept alse een sot. Selke
makent soe lanc, datment hoghe op scorssen moet. Ende
_ selke mak ent, dat achteren hen sloyt [=
sleept] inde modere.
Prueft ende merct, aldus en waest [=
ivas het] niet gheor-
dent int beghin: ende hieromme is wolle ende varwe ende
maecsele der cledere irregheleer, dat is onhebbelic der or-
dinen. God gheve hem sine wijsheit, \'diet
{alzóó) maken
doen ende alsoe draghen. Tote deser doerheit [=
dwaasheid],
die nu in cloesteren regneert daer volcht noch na andere
chierheit [=
sieraad]: dat sijn gordele mit silvere beslaghen,
ende sonderlinghe clatermeerse ende chierheit, diemen daer
ane hanct, dat die joncfrouwe, die nonne, al clinckende ga

1) „Branet," deminutief van brune, bruin (dus bruinachtig. Kiliaen vertaalt
bruynet door subaquilus, subfuscus), is een fijne donkere stof die eertijds door de
1\'ijke lieden gedragen werd en in het Pransch
brunette heet. Orein beteekent
een
haren stof. „Ghegreint brunet" is derhalve brunet dat er als grein uitziet.
Zie de noot van David op de straks aan te halen plaats.

3) „ Meerse" Bzer«, beteekent koopwaar. „Klatermeerse." is dus hetzelfde

als hlatergoed, evenals men ook khxteryoud zegt.

-ocr page 364-

•346

alse ene hinne [= hen] met bellen". Dezelfde weelde strekt
zich uit tot de cellen der nonnen. »De joncfrouwen die in
ordinen syn, sy. moeten hare cameren gheciert hehhen met
coetsen [=
ledekanten], met sitte clederen [= voettapijten\'i]
mit saergien [== dekens] ende met cussenen. alse ofte sy in
die werelt waren". Zóó opgeschikt gaan de nonnen veelal
uit, meer om de wereld dan om God te behagen, »ende hier-
omme is hare uutganc verghiffenisse ende ewich venijn, dat
den duvel wel behaecht, dat si met hem ewelic drinken seien
in die onreine camere der hellen" i).

Het laat zich verwachten dat de opschik een zonde is
waarin de mannen minder vervallen. Toch ontkomen zy
evenmin Ruysbroeck\'s berisping. »Ghi siet wel, sal een man
een cleet maken, hi doedt fronsen met langhen hecken
uitsnijden met langen punten], met langhen toten [tote=:^e-
stamen superhumerale, Kiliaen] ende so inghe ende so cort,
dat hi cume sine scamelheit bedecken can". »De monike"
zegt hij, »riden ghewapent, ende met langhen zweerden alse
ridderen; maer jeghen den duvel ende jeghen die werelt ende
jeghen hare quade onreine ghenuechte ende ghelost sijn si
onghewapent" De reden waarom Ruysbroeck zich sterk
verzet tegen den opschik is deze, dat daardoor de zinnelijkheid
geprikkeld en de onzedelijkheid in de hand gewerkt wordt.

Na al het bovenstaande zullen wij over Ruysbroeck\'s theorie
omtrent de Sacramenten slechts kort zijn. In overeenstem-

1) Van seven Sloten, bl. 108—112. Over de niet-geestelijke vrouwen laat bij
zich niet minder scberp uit. Zij denken allerlei „visevase" [—
leuselanjen] uit om
er maar bebagelijk uit te zien. „Si maken ane hare hoefde bul te met hare
{chig-
nons?],
dat sijn des duvels neste, daer si in sculen [de duivelen namelijk], Maer
dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moetense hebben ane hare anschine
cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken. Ende dan gaense
hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn den duvel ende der weerelt to beha-
ghene". Zij maken „groote wide hoetslope [d. i. kleedingstukken die men over
de schouders wierp en waarin een opening was gemaakt om het hoofd door te
steken. Zie Kiliaen -iv-] — opdat men den vulen sac, een sac vol onreins mes
[— mest], wel besien moghe". Zulke vrouwen zijn „des duvels nette, daer hi
mede veet [=
vangt] de sine". Tabernakel, II : bl. 173 vgg.

2) Tabernakel, t. a. p. on v0m zeven Sloten, bl. 111,

-ocr page 365-

•347

ming met zijn tijd, telt hy er zeven: doop, vormsel (»vermen")
hoete, avondmaal, priesterwyding, huwelijk, laatste oliesel
In de volgorde wijkt hij een weinig af, daar de hoete hij hem
de plaats inneemt die gewoonlijk aan het avondmaal Avordt
toegewezen, en omgekeerd.

Onder Sacramenten verstaat Ruyshroeek de zichtbare teeke-
nen en vormen, waaronder de gaven van Christus aan de Kerk
bedekt zijn Hunne werking denkt hij zich
ex opere operato
en niet ex opere operantis, zoodat ook een slecht priester ze
zeer goed bedienen kan: »ende hier omme, al sijn die priesteren
selve in dootsonden ende ter hellen ghebonden, si en moghen
[= kunnen] die Sacramente niet besmetten noch ontreynen".

In dit alles is Ruysbroeck een trouwe zoon van de Kerk.
Over het geheel is dan ook op dit punt bij onzen Mysticus
niets eigenaardigs te vinden, behalve over het Avondmaal.
Over dit Sacrament, dat hij, zooals wij uit zijn Biographie
zagen, ten hoogste vereerde, heeft hij zich vrij uitvoerig uit-
gelaten, en een groot gedeelte van zijn
sp>ieghel der ewigher
salicheit
is aan dit onderwerp gewijd. De leer der Transsub-
stantiatie, onder Innocentius III in het jaar 1215 op de vierde
lateraan-synode tot dogma verheven, treedt hier duidelijk op
den voorgrond.

Als antitype van het paaschlam der Joden stelde Jezus op
het Paaschfeest het avondmaal in, tot een bezegeling van
zijn Testament. Hoewel hij toen het lijden dat over hem
komen moest vooruitwetende, »bedruct was inder naturen,
was
(Christus) nochtan in den gheeste een iiberael blide
weert [=
waard] ende hi hadde sonderlinghe lieve gasten,
dat waren de Apostelen". Te midden van de zijnen, bediende
Jezus alzoo, het brood en den wijn nemende, de »ierste Misse".
Toen hij sprak: »dit is mijn lichaam", veranderde hij de
substantie van het brood in de substantie zijns lichaams, »niet

1) Fan den Rike, 1)1. 129—133. Zooals men weet werd Let zevental van Petrus
Lombardus, na Thomas Aquinas algemeen aangenomen.

2) Vgl. de definitie van Hugo van St. Victor : „Sacramentum est visibilis forma
invisibilis gratiae in eo collatae", en die van Petrus Lombardus : „Sacraméntum
didtur quod ita signum est gratiae Dei et invisibilis gratiae forma" etc. .^ie Hageu-
bach,
Lehrhuch der Bof/menr/esoJdchte, Leipzig 1867, S. 443 ff.

-ocr page 366-

•348

alsoe dat dat broet te nieute gbinc, maer sijn ontwerden [= ophou-
den hrood te zijn]
wert de liebame ons Heren; niet een nieuwe
licbame; mer die selve die daer ter tafelen sat ende at ende
dranc met sinen discipulen, dien badden si oec voir bem inden
Sacramente, alsoe dat sine [=
zij hem] sagben mit baren uutwen-
digben ogben ter tafelen sitten. Ende dat was hem ene grote bli-
scap. Mer dat si sagben den selven lichame inden Sacramente
met haren inwendighen oghen des gheloefs, dat was hem noch
mere bliscap!" Het brood ging dus geheel in Jezus\' persoon over.
Dat dit een wonder was erkent Euysbroeek gaarne, maar
dat ket daarom voor God niet moeielijk was om te doen,
gelooft kij evenzeer. »Nieman van kem allen en vragede
kem: »Meester koe mack dit sijn?" want si wisten wel, die
kemel ende erde ende alle dinc van nieute maecte, hi mach
oec wel verwandelen [=
veranderen] die ene substancie in
die andere, daer hi wilt".

Wat toen geschiedde, geschiedt nog steeds in den dagelijk-
schen »toecomst ons Heren." Op alle altaren der wereld en
bij alle priesters, verandert »overmits rechte intentie ende de
worden der consecracien", het brood in de enkelvoudige sub-
stantie van bet lichaam van den Heer: »en al dat te voren
broet was dat wert die lichame ons Heren".

Al zijn nu de hostiën over de geheele wereld verdeeld, elk
daarvan bevat het lichaam des Heeren geheel, want het is
ondeelbaar (ubiquiteit). Evenzóó is bet met den wijn gesteld.

Beide vormen: brood en wijn, zijn elk op zich zeiven
het geheele sacrament; immers het levende lichaam in de
hostie kan niet bestaan zonder het bloed, evenmin als het
bloed in den kelk kan bestaan zonder het lichaam waarin
het leeft (con comitantie). Uit de ondeelbaarheid van
Jezus\' vleesch en bloed volgt, dat in elk brokje van den ge-
wijden ouwel, en in elk druppeltje van den wijn, hoe klein
ook, Christus gekeel, evenzeer als in den kemel, tegenwoordig
is. Ruysbroeck trackt dit te verduidelijken met het voor-
beeld van de menschelijke ziel, die in al de ledematen des
lichaams gelijkelijk woont. Uit de algeheele tegenwoordig-
heid van Jezus\' lichaam in elk der beide vormen: brood en
wijn, volgt dat men geen onrecht doet, wanneer men den

-ocr page 367-

349

leeken — om liet gevaar van uitstorting van het heilige
hloed te voorkomen — het genot van den kelk onthoudt.

De reden waarom Christus zich in deze twee vormen geeft
is, dat hij ons door zijn hloed (wijn) verloste en ons een
»leven der graeiën ende der gloriën, jeghen sinen Vader" kocht,
terwijl hi] ons geestelijk spijzen en voeden wilde met zich
zelven en dat toonde door de wijding van zijn lichaam (brood).

Reeds in Ruysbroeck\'s tijd rees bij velen — Ruysbroeck
noemt ze echter »grove ende onverstandighe menschen die
vroeder willen sijn dan Christus, die die wysheit Gods is" —
de vraag op, waarom Christus zich in het Sacrament verbor-
gen en bedekt geeft, en waarom niet zichtbaar en bloot, zoo-
als hij vroeger op aarde was en nu is in den hemel? Het
antwoord is dat al wat God doet wèlgedaan is, zooals de
Schrift zegt. Wij zien nu nog, naar Paulus\' woord, »alse in
enen spieghel ende in een ghelikenisse" en eerst in het eeuwige
leven zullen wij de heerlijkheid van onzen Heer zien van aan-
gezicht tot aangezicht. Hier kunnen wij hem echter reeds
kennen in het licht des geloofs, zooals de Apostelen dat zoowel
vóór als na de opstanding deden. Zij zagen een mensch en zij
geloofden dat hij God was. Alzoo zien wij het Sacrament,
en gelooven dat het is het lichaam des Heeren. En inderdaad,
wanneer wy den Heer zagen in al zyn hemelsche heerlijk-
heid, wij zouden het niet kunnen verdragen, want onze oogen
zyn sterfelijk.. Daarenboven, konden wij den Heer zien zooals
hij is in den hemel »soe waert ons ommoghelic ende oec
ommenscelijk dat wi sinen lichaem souden eten
ende sijn bloet drinken".

Dit over het Sacrament zelf. Laat ons nu zien wat de
mensch in het Sacrament ontvangt.

Het genot, bij het ontvangen des Avondmaals gesmaakt, hangt
af van de zedelijk-godsdienstige ontwikkeling, waarop degeen
die het ontvangt, staat. Op het standpunt van het Werkende
leven, geeft Jezus ons zijn vleesch, zijn bloed en zijn verheer-
lijkt lichamelijk leven vol vreugde en zoetheid. Hiermede worden
wij gevoed »naden nedersten deele" onzer menschheid, en
gereinigd van de zonden. In het Innige Leven geeft Christus
ons zijn geest met de hoogste krachten vol heerlykheid en

-ocr page 368-

•350

gaven der deugden. Daarmede worden wij gespijsd en verliclit
in »enicheit ons gheests ende in die overste crafte." Eindelijk
geeft hij ons zijne persoonlijkheid met goddelijke klaarheid, die
zijn geest en alle door de genade verlichte geesten verheft in
»die hoghe ghehrukelike enicheit." Daarmede worden wij ver-
eenigd met den Vader. Dit geschiedt in het Schouwende leven.

Ruysbroeck is geheel vervuld van de onuitsprekelyke zaligheid,
die den mensch in deze ontmoeting van zijn Heer te beurt
valt. De uitdrukkingen, die hij bij de beschryving daarvan
bezigt, zijn bijna dezelfden als die waai\'meê hij den toestand
der Beschouwing schildert. Hij gebruikt wederom het beeld
van den minnestrijd tusschen Christus en den miunenden
mensch, en van den geestelijken honger die telkens grooter
wordt, hoe meer de Heer zich zelven tot spijze geeft. In zijn
naïeve vroomheid gebruikt hij curieu.se uitdrukkingen. »Christus\'
minne", zegt hij, »die is ghierich [=
hegeerig] ende milde;
al gheeft hi ons al dat hi heeft ende al dat hi is, hi nemt ons
oec weder al dat wi hebben ende al dat wi sijn; ende hi eyst
ons meer dan wy gheleysten moghen. Sijn hongher is sonder
mate groet: hy verteert ons al nut te gronde; want hi is een
ghierich slockaert ende heeft den mengerael [=:
geeuwhonger];
hi verteert dat merch nut onsen benen: ende al sijn wi arm,
hi en achtes niet, want hi en wilt ons niet laten." Eerst
brengt hij spijze; maar als wij gezuiverd zijn en in de minne
gebraden, »soe gaept hi alse die ghier diet al verslocken wilt.
Mochten wi sien die ghierighe ghelost die Christus heeft tote
onser salicheit, wi en mochten ons niet onthouden wie en
souden hem in die kele vlieghen. Al Inden mine worde won-
der like, die mynnende die verstaen my wel."

Het is zeker opmerkelijk dat bij Ruysbroeck\'s voorstelling van de
zaligheid het geven altijd grooter wordt gedacht dan het ontvangen!

De heerlijkheid die Christus in het sacrament bereidt, is onver-
gelijkelijk grooter dan de glorie van Salomo die de koninginne
van »Oestlande" deed bezwijmen. En indien wij de Godheid
die wij voor ons hebben, in het sacrament aanschouwen, dan
worden wij aan ons zelven ontvoerd, »ofte wi vielen in om-
machte van wondere ende van ongheduere v^oir die tafele ons
Heren." Wij zien, dat wat de oude biograaf vertelde van

-ocr page 369-

•351

Ruysbroeck\'s innige voorliefde voor bet beilige Avondmaal
(bl. 141) niet overdreven is. Uit de volheid van zijn religieuse
ervaring zegt onze Mysticus dan ook: »in desen begheerliken
toevoeghene ende in deser ghelost, is den menscbe dicwile
groet goet ghesciet, ende menich heymelic verborghen wonder
gbeopenbaert ende ontdect vander riker goeden Gods. Alse
de menscbe herdinct in desen ontfane der martellen ende dies
lidens dies precioes lichamen Christi dien hi ontfeet, soe comt
hi bi wilen in selke raiulike devocie ende ghevoellike compassie,
dat hi hegheert met Christo ghenaghelt te sine aenden crucé
ende dat hi hegheert sijn hertebloet te stortene in die ere
Christi. Ende hi druct bem in die wonden ende in die
opene berte Christi sijns behouders. In deser oefeninghen",
herbaalt hij, »is den menschen dicwile vele vertoenens [=
open-
haringl
ende vele goets ghesciet. Dese ghevoellike liefde
met compassien, ende die sterke ymaginacie met
ynnigben ghemerke in die wonden Christi, die mochte [=
hon,
zou hunnen~\\
soe groet syn, dat den mensce sou duncken dat
hi ghevoelde der wonden ende der quetsuren Christi in sijn
berte ende in alle sine lede. Ende soude enich menscbe ghe-
waerlike die teykene der wonden ons Heren ontfaen. in enigher
wijs (Stigmatisatie), dat soude dese menscbe sijn." Onver-
wacht laat bij volgen: »ende hier mede doen wi Christum,
ghenoech naden nedersten deele sire menscheit". En inder-
daad, deze stigmatisatie, voor anderen het hoogste ideaal, valt
voor dezen wonderlijken Mysticus in den lageren trap van
bet Innige leven, waarin door hem eveneens de visioenen
en de openbaringen werden geplaatst! De voorwaarden waarop
de mensch het Avondmaal mag genieten, zijn: een reine cons-
ciëntie en »ghewarighe bekennisse" [—
waarachtige hennis\\
van God.

Zeker wordt niet door allen die ten avondmaal gaan aan
deze voorwaarden voldaan. Is dit het geval, dan gebruikt
Uien het Sacrament onwaardiglijk. Ruysbroeck onderscheidt
de avondmaalgangers in zeven partijen. De eerste bestaat uit
menschen van een zachtmoedige natuur, die, beroerd door Gods
genade, zóózeer in liefde ontbranden, dat zij alles om God
willen opgeven. Wanneer zij echter bevinden dat zij God

-ocr page 370-

•352

niet nader kunnen komen dan in het Sacrament,
dan worden zij ongedurig, zóózeer dat zy meenen onzinnig
te worden wanneer zy het sacrament niet kunnen krygen.
Zulke menschen zyn er niet yeel; het zijn meest »vrouwen ofte
joncfrouwen ende luttel mannen." Zinnelijk van natuur als zij
zyn, hebben zij een zinnelijke oefening en kunnen zy niet be-
grijpen »hoemen onsen Heer ontfaen mach inden
gheeste, sonder dat sacrament." Ruysbroeck vergelykt
deze menschen bij het »conincskene in Capharnaum" die niet
geloofde dat onze Heer zijn zoon kon genezen wanneer hy
niet in zijn huis kwam i).

De tweede partij zijn menschen subtiel en verstandig van
geest maar tevens onkuisch van natuur. Zij worden verge-
leken »bij enen man die biet (sic) Centurio" die geloovig in
den geest, toch heiden was en onbesneden in de natuur. Toen
zijn knecht ziek lag, bad hij den Heer dezen te genezen. De
Heer zeide: »Ik zal komen en zal hem genezen". Toen ant-
woordde Centurio: »Heer! ik ben niet waardig dat gij onder
myn dak komt, maar spreek alleenlijk een woord en mijn knecht
zal genezen worden." Zóó gaat het ook dezen menschen.
Zóólang als hun knecht, dat is hun lichamelijke natuur, krank
is en gekweld wordt door den vijand, gevoelen zij zich het
heilige Sacrament onwaardig. Toch zijn zij in hun geest
vol geloof en vol goddelyke liefde. Daarom heeft God hen
meer lief dan de eersten, en ontvangen zij in den geest de
sterke spyze die zij noodig hebben om te overwinnen.

De derde partij zijn menschen die Zaccheüs den tollenaar
gelijken, die, begeerende Jezus te zien, de schare vooruitliep
om in een boom te klimmen waar Jezus langs moest komen:
m. a. w. de Schouwende menschen. Tot hen spreekt de Heer:
»Hoort en komt af, want ik moet heden in uw huis blijven."

De vierde partij zijn menschen die ten Sacrament gaande,
ongeveinsd Gods eer en hun eigen zaligheid zoeken; menschen
die de regelen, orden en goede zeden stipt betrachten. De

1) Joh. IV : 46—50.

2) Matth. VIII: 5—13.
8)
Luc. XIX : 2 vgg.

-ocr page 371-

353

vgfde partij zijn hoovaardigen en scliijnlieiligen. De zesde
partij zyn lieden die onzen Heer en hun eigen zaligheid zóó
liefhebben, dat zij zich voornemen nimmer meer doodzonden
te doen en de wet steeds na te leven. »Ende een warf inden
jare, dats te Paeschen, willen si biechten haer sonden, cleyne
ende groet, ongheveinsdelic, Ende dan willen si ontfaen dat
heylighe Sacrament, na die wet ende na die ghewoente goeden
kerstenre menschen". Dit zijn dus de gewone brave lui. De
zevende party wordt vertegenwoordigd door menschen, die
Christus blasphemeeren en de tegenwoordigheid van zyn vleesch
en bloed in het Sacrament stoutweg ontkennen. »Dese syn
alle verdoemt"

bl. 19, 20

En nn nog Ruysbroeck\'s Eschatologie. — By den dood (het
judicium particularé) zal Christus richten en rechtvaardig beloo-
nen en straffen. De getuigen zullen zyn de engelen en de
conscientiën der menschen. Als aanklager zal optreden de »viant
vander hellen". Voor deze rechtbank zullen allen moeten
verschijnen. Tot in het diepst der hel zullen verdoemd zijn
de kwade christenen, die zonder berouw in doodzonden stier-
ven. Op hen volgen de Heidenen en de Joden, die evenzeer
verdoemd zullen worden al zal hun pijn geringer zijn. De
goede Christenen, die somtyds tot de zonde vervielen en
berouwvol opstonden, maar de boete niet hebben volbracht,
kómen in het vagevuur tot loutering. Wie Gods geboden
naleefden, en, wanneer zij ze een enkelen keer overtraden,
met rouw en boete tot God terugkeerden en met de werken
der liefde hun penitentie .volbrachten, zullen ten hemel varen
zonder vagevuur. Zij, die boven alle uitwendige werken der
liefde, hunne wandeling hebben in den hemel en vereenigd
uiet en verzonken zijn in God, zoodat »tusschen Gode ende
liem niet en middelt dan tyt ende stat der stervelicheit" (de
Schouwers), — zullen, wanneer ze van het lichaam ontbonden
worden, op het oogenblik zelf hun eeuwige zaligheid genieten
en niet worden geoordeeld, maar zy zullen ten laatsten dage

1) Zie over ket avondmaal Sp. d. e. Z., bl. 144—207 en
en 122—125.

23

-ocr page 372-

•354

met Christus over de andere menschen oordeelen De za-
ligheid des hemels denkt Euyshroeck zieh natuurlijk als de
voortzetting en verdere (?) volmaking van die van het leven
der Beschouwing. Wij spraken vroeger (hl. 295) reeds over
dit punt en zullen het däär gezegde hier niet herhalen.

In overeenstemming met de Schrift en de Kerkleer (Augus-
tinus), verwacht Ruyshroeck hij het wereldgericht een nieuwe
aarde en een nieuwen hemel Ten laaisten dage, wanneer
de hazuin schalt, dan zullen alle dooden opstaan. Dan komt
Christus met zijn engelen en heiligen in al zijn heerlijkheid
op aarde, om het jongste gericht te houden in het dal van
Josaphat »want dat is in midden in ertrike" en nabij Jerusa-
lem, waar Go(^ den eersten mensch schiep Dadelijk na
het oordeel, wanneer de boozen in de hel zullen zijn, worden
hemel en elementen vernieuwd. Al wat op aarde is zal met
vuur verbrand worden, en evenzeer door het vuur zal God de
elementen vernieuwen in klaarheid, en ze fijner en schooner
maken dan zij te voren waren. Voor zóóverre zij besmet
waren door de zonden der menschen moeten zij gereinigd
worden; voor zóóverre zij de goede menschen gediend hebben,
zullen zij beloond worden door schoonheid, terwijl zij daardoor
tevens het gezicht van de zaligen verheugen. De »overste
nature", de hemel en de planeten, die, omdat zij verre van
de aarde waren, puur en overmengd zijn gebleven, behoeven
niet gezuiverd te worden, maar zij zullen grootere klaarheid
ontvangen en onbewegelijk worden — daar zij niet langer
de sterfelijke menschen behoeven te beroeren. De zon zal
onbewegelijk staan in het Oosten en de maan in het Westen.
De aarde zal zijn klaar als kristal en vlak als de palm van eens
menschen hand. De wateren zullen zuiverder en helderder
wezen dan zij nu zijn, »ende blivende nader ghedaenten ende

1) Bruiloft, bl. 20—24; vgl. I Cor. VI : 2, 3 en Judas : 14.
•2) Vgl.
Eagenlach, a. W. S. 304 ff., 478; vgl. Jesaia LXV : 17; LXVI : 22;
Is. CII : 27; II Betr. III: 13; Openb. XXI : 1.

3) Deze geographiscbe bepaling, door de Kerkvaders algemeen aangenomen, steunt
op
Joël III: 2. — Zie verder over Christus\' toekomst I Thess. IV : 15 vgg.,
I
Cor. XV : 20 vgg. en elders.

4) Zie Bom. VIII: 19—22.

-ocr page 373-

•355

nader substaneie". De lucbt zal beider zyn, want zon en
maan en al de sterren zullen zevenmaal helderder schijnen dan
ze nu doen. Daar zullen geen wolken, daar zal geen hagel,
noch regen, noch wind, noch bliksem, noch donder, noch
immermeer nacht zyn. Het zal wezen een eeuwige dag en
een eeuwig licht in hemel en op aarde. De donkerheid der
lucht, de zwaarheid der aarde, de koudheid des waters en
de brandende hitte des vuurs, dit alles zal in de hel verzin-
ken. Zóó zullen hemel en aarde voorbijgaan, niet om te ver-
gaan maar om geheel vernieuwd te worden.

Tegelyk hiermede worden de lichamen der gezaligden ver-
heerlijkt. Iedere doode verryst met hetzelfde lichaam waarin
hy op aarde leefde, maar het zal volmaakt wezen, al was het
te voren ook misvormd en leelijk. Het zal dan zevenmaal
lichter zijn dan de zon, en doorschijnend als kristal; zóó
»ondoecblic"
[= onkwetsbaar], dat al het helsche vuur en alle
zwaarden die ooit bestonden, het niet kunnen deren of kwetsen ;
zóó snel en zóó licht (ligt) dat de ziel het lichaam in één oogenblik
zal kunnen voeren naar de plaats waar zij wezen wil; zóó fijn
eindelyk dat het, al ware er een metalen muur honderd
mylen dik, daardoorheen zou gaan als de zonneschijn door het
glas. Allen zullen dan denzelfden leeftijd hebben en voor
immer behouden, namelyk den leeftijd dien onze Heer,Jezus
Christus had, toen hij om onzentwille stierf. Tevens zullen
allen dezelfde grootte hebben, »want een mensche van hondert
jaren ende een kint van eenre nacht, die sullen ghelijc groet
sijn van lichame". In de volmaakte lichamen zal dan een
ziel wonen gesierd met alle deugden. Evenals echter de eene
ster in heerlykheid van de andere verschilt, zoo zal er ook
altijd nog individueel onderscheid bly ven in de heerlykheid
der lichamen bijv. die van kinderen, gestorven eer zij tot

1) Lutlier drukte dit later in zijn eigenaardige, liumoristische taal aldus uit;
»nu lieeft de hemel zijn werkpak aan, maar dan zal hij zijn zondagsche kleederen
aantrekken". Zie Hase
Hutt. Bed., S. 282.

2) De onschuldige kinderen die ongedoopt stierven lijden door Gods ontfermende
goedheid evenmin „inden voirhorghe der hellen".

3) Deze voorstelling berust op een door verscheidene vroegere en latere Kerk-
leeraren voorgestane, doch onjuiste opvatting van I
Cor. XV, 37—44 en vgg., waar

23*

-ocr page 374-

•356

de kennis van goed en kwaad kwamen, zal minder zijn,
dan die van de keiligen, - omdat zij geen lickt in ziek kebben
van bunne verdiensten, »mer vander glorioser sonnen, dat is
vander doot Cbristi, ende van sijnre verdiensten sijn si verclaert".

In dezen toestand wordt een eindelooze zaligheid gesmaakt,
bij een eeuwige scboonbeid, die niet vergaan kan, een eeuwige
vrede die niet verstoord wordt, een eeuwige jeugd die niet
voorbijgaat, terwijl alles rondom even scboon en beerlijk is.
Eeuwig zal God door de zaligen worden geloofd, en zonder
opkonden zal de liefelijke zang der engelen en keiligen weer-
klinken en »die gloriose luut", die »soe minlic sal sijn te
koorne!" i). Dan zal de kennis volkomen zijn, geen myste-
riën zullen meer overblijven. Met bet licbamelijk oog zal
gezien worden de »gloriose moeder" en de Zoon, en met bet
inwendige oor zal bet Woord worden geboord.

Donker steekt tegen dit alles de rampzaligkeid der ver-
doemden af. Terwijl Ckristus met zyn engelen en recktvaar-
digen opvaart ten kemel, zal de duivel met de zijnen ver-
zinken in de kei. Zij zullen däär voor eeuwig gestraft wor-
den, omdat zij ziek van God kebben afgekeerd en Hem kebben
versmaad. Hun zwaarste straf zal zijn, dat zy eeuwig God moe-
ten derven. Zy zullen verder zonder opbonden door vuur
verteerd worden. Of ecbter dat vuur geestelijk of stoffelijk, of
beiden tegelyk wezen zal weet Ruysbroeck niet, ofscboon bij bet
laatste voor waarscbijnlijk koudt, — kij laat ket eckter aan God
over, want God keeft zeker wel de mackt om in ziel en lickaam
beiden een stolïelyk vuur te doen branden. Dit vuur zal zijn
voor ken die ket sckepsel meer dan geoorloofd is lief kadden.
Zij, die zonder liefde tot God ten gerickte versckijnen, zullen
gestraft worden met een eeuwige kelscke koude. »Want

blijkens bet verband slechts wordt aangetoond, dat het verheerlijkte lichaam een
geheel ander zal zijn dan het aardsche. Zie o. a. den
Comment. van Meyer op deze
plaats. 3te anflge 1870, S. 457 ff.

1) Vgl. van .vii. trappen, bl. 44 vgg. „Ende Christus, onse kantere [= cantor]
ende onse voirsanghere, —• die soe wale hemelscen sang can, die thone, ende die
floruere [— Ital.
fioritura] ende sijn discant — sal singhen met sijnre glorioser
sueter stemmen een ewich liedeken, dat is lof ende eere, sinen hemelschen Vader.
Ende wi seien alle na singhen dat selve liedeken met bliden moede, met claren
stemmen, eewelic al sonder einde."

-ocr page 375-

•357

die Gode niet en mint, hi brinct grote eonde, ende in kolden (sz\'c)
moet hi ewelic bederven". Hoewel hiei? overal, in- en uitwendig,
de diepste duisternis heerscht, zullen de rampzaligen echter nog
juist genoeg kunnen zien om de yselijke vertooningen der dui-
velen en der verdoemde lichamen, en de walgelijke onreinheid
van hun verblyf te ontwaren. De worm der conscientie zal altijd
knagen maar niet sterven. Door den grooten angst zal er een
eeuwig klagen en zuchten zijn, niet van berouw maar van
aanhoudende pijn. »Si selen altoes sterven ende nemmermeer
versterven". De volkomen zekerheid, die de verdoemden heb-
ben aangaande den eeuwigen duur hunner straffen, brengt ze
tot een eenwige wanhoop

De aard der straf zal afhangen van de hoedanigheid der
begane zonde. Wie hier hoovaardig zijn, zullen daar de
minsten zijn, en zullen den duivelen en den verdoemden tot
een voetbank moeten dienen. De gierigaards zullen volgego-
ten worden met brandende vlammen, als gloeiend zilver en
goud en »als gesmolten mottael". Terwyl haat en nijd daar
nog veel weliger tieren zullen dan hier op aarde, zullen
echter allen eeuwiglijk byeen moeten blijven. Toorn en
woede zullen daardoor zóó toenemen, dat allen daar als ver-
woede honden op elkaar zullen aanvallen, alsof zy elkaar
verscheuren wilden. De traagheid zal daar zóó groot worden,
dat niemand daar ooit zal begeeren een goed werk te doen,
en de lichamen zwaarder en onbewegelijker wezen zullen dan
molensteenen, en alsof zij met yzeren ketenen waren vastge-

1) Deze wanhoop wordt nergens duidelijker voorgesteld dan door Suso in zijn
Süchl. von, der Weisheit, C. XI, bl. 389 van Diepenbrock\'s nienw-duitsche uitgave
van Suso\'s werken (1837). Hij laat däär de verdoemden zeggen: „Wij zoudeu
begeeren dat er een molensteen ware zóó breed als de geheele aarde en zóó groot
van omtrek, dat hij overal den hemel beroerde, — en dat er dan een klein vogeltje
l^wam, eens om de honderdduizend jaar, dat van den steen een stukje afbeet zóó
groot als het tiende deel van een gierstkorrel, zoodat het in de tienmaalhonderd-
dnizend jaren juist zóóveel van den steen afpikte als een gierstkorrel groot is: —
wij armen hegeeren niets anders, dan dat er, wanneer er een einde aan den
steen komen zou, er
dan ook een einde aan onze pijn zou komen; en dat mag niet
eens geschieden 1" — Deze plaats heeft zekere vermaardheid verworven en is in haar ge-
lieel opgenomen o. a. in Wackernagel\'s
altdeutsches Lesebuch, Sp. 879 ; in Hagenbach\'s
^ogmengeschichte, S. 494; gedeeltelijk bij Böhringer die deutschen Mystiker,?). 413.

-ocr page 376-

•358

hecht. De gulzigaards en de lekkerbekken, die God geheel
en al om hun verhemelte vergaten, zullen zwavel en kookend
pek tot spijs en drank moeten gebruiken. Door dit voedsel
zullen zij dermate verhit worden, dat het heische zweet hun
aan alle kanten zal uitbreken. En zóó heet zal dit zweet
zijn dat, indien iemand van metaal was en er een druppel
daarvan op hem viel, hij zou smelten. Ruyshroeck heeft
daarvan een voorbeeld geho ord, dat wij als een curiosum
zullen meêdeelen. Ofschoon alles behalve zóó imposant als
de schrikbeelden van Dante, spreekt het zeker sterk genoeg,
en is het — al werkt het misschien op onze lachspieren —
wèl in staat den goedgeloovigen lezer kippevel te doen krygen.

Het verhaal luidt als volgt:

»Het waren drie gulsighe monike op ghenen Rijn [= aan
gene zijde van den Rijn],
die dicwijl besiden vanden convente
aten, om dat si sonderlinghe spise eten wouden. Die twee
storven haestelic ende onversiens, want die ene verworghede
ende die ander verdranc daer hi baden soude. Doen quam
die ene weder, ende openbaerde hem den derden gheselle die
noch leefde, ende seide hi wer verdoemt. Doen vraechde
hem die levende monic of sine pine oec groet waer. Doen
nam hi sine haut, ende liet vallen enen dropel zweets op
enen candelaer van mottale die daer stont, ende hi versmelte
[= versmolt] in enen oghenhlick, als onghel [= smeer] ende
was in enen heten ovene. Ende die stanc wart soe groet
dat die moniken moesten rumen dat kloester drie daghe lanc.
Ende die moninc diet sach, die liet [=
verliet] den doester, ende
hi wert Mynre-broeder [=
Minderbroeder, Franciscaner]. Ende
diet my seechde [=
zegde], die had daer monic gheweest
ende was worden een Prediker" [=
predikheer, Dominicaner].

Zóó ontzaglijk zullen de verschrikkingen der hel zijn! Laat
dus • een iegelijk die nog »inder tijt van gracien" leeft, wèl
toezien welke keuze hij doet. Laat een ieder die niet vat-
baar is voor een hooger motief, zich althans door vrees

-ocr page 377-

•359

voor deze ontzettende straffen van het kwaad laten afschrik-
ken en zich richten op de deugd.

»Bidt God dat wi kersten ghelove behouden, ende alsoe
gheciert syn met doechden, dat wi, ten ordele Gods, Christus
woert horen moeghen: »Comt, ghebenedide mijns Vaders,
besit dat rike dat u bereit is van beghine der werelt" i).
Dat verlene ons die Vader, die Sone, ende die heylighe
Gheest. Amen"

Wij zijn aan het einde van ons onderzoek aangaande Euys-
broeck\'s denkbeelden gekomen. Slaan wij nu nog even den
blik achterwaarts, en trachten wy ons zeiven rekenschap te
geven van het behandelde.

Dat er op het gebied der Mystiek groote ontwikkeling heeft
plaats gehad, zal zeker wel uit het bovenstaande gebleken zijn.
De Mystiek van de latere Grieken, geworteld in den wijsgeerigen
geest van het oude Griekenland, was een verbinding van het
gevoel met het praevaleerende verstand. Als zoodanig kon zij
geen ander streven hebben dan het zoeken naar de theoretische
oplossing van raadselen die echter, uit den aard der zaak, boven
haar bereik waren. Waar het verstand te kort schoot, werd het
gevoel te hulp geroepen, zoodat de meest phantastische resul-
taten verkregen werden, en de geheele Mystiek een phantastisch-
theoretisch character aannam. Door het Christendom kreeg
de Mystiek nieuw voedsel. De stellige uitspraak der Christe-
lijke leer omtrent de bovenzinnelijke waarheden maakte echter
het zoeken overbodig. Daardoor werd het gevoel tot zijn eigen
sfeer teruggebracht: het kon zich weder den weg laten wijzen
en zich laten voorlichten door den Godsdienst, om zich in

1) Maitk. XXV : 34.

2) Zie vanden kerstenen ghelove, bl. 246 tot bet einde; van dei
bl. 251—257. Dat Ruysbroeck in • de Eschatologie de algemeene begrippen van
zijn tijdgenooten volgde, kan men het best zien door het bovenstaande te vergelijken
met hetgeen Dr. C. M. Vos in zijn zeer belangrijk geschrift:
de leer der vier
uitersten,
(dood, oordeel, hel (vagevuur), hemel), Amsterdam 1866, bl. 65—145, uit
andere Middeleeuwsche auteurs meedeelt. Ook in de
Divina Commoedia van Dante
worden in hoofdzaak dezelfde Eschatologische theorien aangetroffen.

-ocr page 378-

•360

zich zei ven terug te trekken. Zóó ontstond de kluizenaars-
en monnikenmystiek. Het aanvankelijk bepaald practisck-
ascetisck ckaracter dezer Mystiek, werd gekeel op den ackter-
grond gedrongen, toen ket Neoplatonisme, gedekt onder den
keiligen naam van Dionysius, ket Ckristendom binnensloop.
Van toen af liet zich wederom de neiging naar enkel
speculatieve theoriën in de Mystiek gelden, en smolt deze
inderdaad met de Neoplatoniscke pkilosopkie samen. Even als
vroeger, werd wederom de oplossing van de groote problemen
der wijsbegeerte haar uitsluitend doel. Na het ontstaan der
Scholastiek, deed de reactie tegen de dialectiek en ket veldwin-
nend Scepticisme de Mystiek wederom kaar speculatiën opgeven
om den kerkelyk-practiscken vorm aan te nemen, waarin wij
kaar bij Bernard gevonden hebben. De toenadering van Mystiek
en Sckolastiek kad eindelijk weder een meer wetensckappelijke
behandeling van de eerste ten gevolge, die zich in de psycho-
logische Mystiek der Victorijnen duidelyk vertoont. Daardoor
werd eckter wederom de practijk voor de tkeorie opgegeven.

Tot dusverre treedt de Mystiek dus altijd sleckts van eene
zijde te voorsckyn, öf van de practische, öf van de theoreti-
sche, maar nergens vertoont zij zich in beide vormen tegelyk.
Hetzelfde geldt van de Pantkeïstiscke secten der dertiende,
veertiende en vijftiende eeuw, die, zooals wij zagen, niet zelden
speculatief-mystiscke grondstellingen kadden, koewei kaar de
ascese te eenenmale ontbrak.

Sinds de veertiende eeuw begonnen de beide hoofdstroomen
der Mystiek zich te vereenigen. Dat geschiedde in de zooge-
naamde Germaansche Mystiek, en bij geen barer vertegen-
woordigers in zóó hooge mate als bij Ruysbroeck. Door hem
werden theorie en practijk voor het eerst tot één nauw
samenhangend gekeel en tot de meest volkomene karmoniscke
ontwikkeling gebracht. De diepzinnige bespiegelingen van
Dionysius worden bij hem terug gevonden, maar inniger
samengevoegd en veel breeder uitgewerkt. Eveneens werden
de psyckologiscke grondstellingen van de Victorijnen door
kem opgenomen, maar verder ontwikkeld en verkeven tot
de grondslagen van de meest systematiscke Beoefeningsleer.
Van den anderen kant nam kij de vrome ascetiscke wenken

-ocr page 379-

•361

van Bernard ter harte, maar, door ze in het groote stelsel
zyner Mystiek op te nemen, wist hij ze organisch te verhinden
en ze daardoor een veel hoogere heteekenis te geven. Daarenbo-
ven kwam de Mystiek bij Ruysbroeck tot een vrije ontwikkeling,
vrij van de knellende banden eener in vele opzichten onreine
Kerkleer. Immers, waar voor Bernard de auctoriteit van Schrift
en traditie absoluut was, volgde Ruysbroeck overal de inspraak
van het zuiver godsdienstig gevoel. Dat hij daardoor iets
beters kon geven, liet zich verwachten. Wij zagen het, waar
wij hem hoorden over boete en berouw, genade en vergifPenis,
afzondering van de wereld enz. Door de volkstaal te gebrui-
ken, werd Ruysbroeck eindelijk eerst geheel in staat gesteld
de Mystiek tot een levenwekkende kracht te maken. Immers
meer van het volk dan van de grootendeels verbasterde geeste-
lijkheid, moest de vernieuwing des geestes uitgaan. Inderdaad
gelooven wij, dat uit de voorgaande bladzijden gemakkelijk
vooruitgang op het gebied der Mystiek is te bespeuren, voort-
durende vooruitgang van de dagen van het oude Griekenland
af tot Ruysbroeck toe, en dat ieder lezer gaarne zal toestemmen
dat Ruysbroeck\'s Mystiek de kroon mag heeten op al wat
vroeger op dit gebied gedaan was.

Hiermede wordt echter volstrekt niet ontkend, dat de Mystiek
van Ruysbroeck voor ons, nuchtere beoordeelaars als wy zijn in
de negentiende eeuw, niet hare zwakke zijde heeft, en geenszins
in alle opzichten even aantrekkelijk kan zijn. Veel, van wat hij
zegt aangaande het hoogste stadium der Beschouwing, draagt
kennelijk sporen van ziekelijke overspanning en kan onmoge-
lijk het resultaat van zelfdoorleefde toestanden zijn i). De
reden waarom wij den lezer betrekkeiyk lang met deze phan-
tastisch-sentimenteele droomerijen hebben bezig gehouden, is
dan ook niet dat wy ons zóó byzonder tot dit alles voelden
aangetrokken — het tegendeel is waar —, maar de oorzaak
was de onmogelijkheid, om buiten dit alles een juiste voor-
stelling van Ruysbroeck\'s stelsel te krygen. Wie Davids uit-
gave zelf in handen krygt en ziet hoeveel plaats Ruysbroeck

1) Hierdoor valt voor Erbkam (zie boven bl. 14) ook Ruysbroeck, dien Lij voor
den grootsten en reinsten van alle Mystici boudt, uit de rij der Mystici weg.

-ocr page 380-

•362

aan deze beschrijvingen gunt, zal zeker erkennen, dat wij op
dit pnnt zóó kort zijn geweest als maar eenigszins, bij een
grondige behandeling, mogelijk was.

Een andere grief is dat Ruysbroeck vaak onduidelijk is
en niet zelden zich zelven tegenspreekt. De mensch wordt
door middel van het Mystische proces nu eens geheel identisch
met God, dan weder blijft hij, niettegenstaande de innigste
gemeenschap, toch altijd van God gescheiden. Hier leert hij,
dat op den hoogste trap der Beschouwing het goddelijk even-
beeld tot hetwelk wij geschapen zyn, geheel is verwezenlijkt,
daar weder predikt hij een eindelooze en eeuwige volmaking.
Zulke inconsequentiën zijn echter dingen, die hij met al zijn
geestverwanten gemeen heeft; zij vinden haar natuurlijke ver-
klaring in de omstandigheid, dat hij Mysticus en tevens geloo-
vig zoon der Kerk geweest is. Deze twee, kerkelijk Christen-
dom en Mystiek bleven voor hem,- natuurlijk zonder dat hij het
zelf wist, twee zaken die elkaar nimmer volkomen dekten en
die hem tot tegenstrydige uitdrukkingen uitlokten. Zóó is er,
om een ander punt te noemen, in zijne Mystiek volstrekt geen
plaats voor erfzonde en voor verzoening en voldoening in
orthodoxen zin, en eigenlijk voor geen middelaarschap van
Christus in het geheel —, en toch noemt hij zich een geloovig
Catholiek, in alle stukken aan de Kerk onderdanig.

Doch niettegenstaande al deze. inconsequentiën en al wat
men verder tegen haar mag hebben, heeft Ruysbroeck\'s Mystiek,
zooals zij is, groote belangrijkheid. In den loop van ons schry ven
hebben wij het woord Mystiek meer dan eens in kwade be-
teekenis moeten bezigen en, om van anderen niet te spreken,
van Ruysbroeck meermalen gezegd dat hij tot veel goeds niet

in staat was, omdat.....hij Mysticus was. Wij nemen het

vroeger gezegde volstrekt niet terug, maar mogen niet vergeten,
dat de groote en weldadige invloed, dien Ruysbroeck op zyn
tyd heeft gehad, juist in dezelfde omstandigheid dat hij
Mysticus was, gelegen is. Zonder dat had zyn reine Beoefe-
ningsleer nimmer ingang gevonden bij zyn tijdgenooten, en
had hy zeker evenmin ooit iets vermocht, niet tot bestryding,
maar tot bekeering der rampzalige ketters en ongeloovigen,
en tot waarschuwing van de eenvoudigen voor de afschuwe-

-ocr page 381-

•363

lijke, steeds wyder om zicli heen grijpende dwaalleer dezer
lieden. Mysticus als hij was, vond hij echter overal en hij
allen punten van aanknooping, en was hij alzóó in staat zijn
tijdgenooten te maken tot vrome Mystici. En dat moesten
de meesten zijn eer zy vatbaar waren voor een hooger stand-
punt van godsdienstige ontwikkeling. Toen de Kerk zich
rechtstreeks stelde tusschen den mensch en God, moest bovenal
gepredikt worden: onmiddellijke gemeenschap van de
ziel met God: deze prediking kon, bij de toenmalige geestes-
richting, nergens anders van uitgaan dan van de Mystiek.

In dit laatste ligt nog altijd de beteekenis der Mystiek,
ook voor onzen tijd. Men is in de laatste jaren gewoon
geworden de Mystiek voor een overwonnen standpunt te ver-
klaren. Naar ons oordeel zeer ten onrechte. De Mystiek is
vooreerst een stadium, dat ieder mensch van een opgewekt
godsdienstig gemoed, in zijn godsdienst-proces moet doorloopen,
welke ook de staat zijner wetenschappelijke ontwikkeling zij.
Dat dus immer in het leven van velen een mystisch tijdperk
zal zyn aan te wijzen, mag niet worden betwijfeld. Maar ook
onder de menschheid in haar geheel heeft de Mystiek nog
geenszins haar zending volbracht, zoolang nog niet alle
menschen hun roeping, om onmiddellijk tot God zeiven te gaan,
begrepen hebben. Of de Mystiek ook niet weder over korteren
of längeren tijd een heerschende richting zal kunnen worden,
is een vraag, die wy, met het oog op de te verwachten reactie
van het koude Materialisme onzer dagen, en op de zich reeds
vertoonende »Mystische verschynselen" (Spiritisme enz.), niet
gaarne ontkennend zouden durven beantwoorden.

Hoe dit zy,idit is zeker, dat de kennismaking met de Mystiek,
waar zy vertegenwoordigd wordt door een man als Ruysbroeck,
niet anders dan nuttig kan zyn voor het hoofd en vooral voor
het hart. Voor het hoofd: want al is er in Ruysbroeck\'s specu-
latieve theoriën veel verouderd, — zijn grootsche en diepzinnige
Triniteitsleer, de grondslag van het geheele architectonische
stelsel, doet zeker in belangrijkheid niet onder voor het beste
"wat op dit stuk door de wijsgeeren geleverd is. Niet minder
gewichtig is Ruysbroeck\'s voorstelling van de zaligheid als
een eeuwig streven naar vereeniging met God, een streven,

-ocr page 382-

•364

dat, zoomin hier als hier namaals, ooit kan worden opge-
geven, door den eenwigdurenden prikkel der liefde tot God,
en nimmer zijn doel kan bereiken door den onmetelijken afstand,
die, bij alle toenadering en innige gemeenschap, altijd tusschen
ons en God blijft bestaan. Men noemt terecht belangrijk wat
Lessing aangaande het bezit van en het zoeken naar waarheid
heeft gezegd: naar wy hopen, zal men erkennen dat Ruys-
broeck\'s voorstelling nog praegnanter en stouter is.

Zonder twijfel heeft Ruysbroeck echter de meeste aantrek-
kelijkheid voor het hart. Niet waar? al stieten wij ons soms
aan ziekelijke gevoelsoverdrijving, al maakte zich daarbij enkele
malen een gevoel van onwil van ons meester, wat beteekent
dit tegenover de stichting, de verkwikking en de opwekking
door de lezing van tal van schoone en heerlijke plaatsen
verschaft? De beelden waarmee Gods oneindige goedheid, ge-
nade en barmhartigheid voor den mensch, en de vurige
gloeiende liefde van den mensch tot God zyn geteekend, zijn
inderdaad onvergelykelijk schoon en bezitten een krackt die,
sterk afstekende bij de overdreven sentimentaliteit der meeste
Mystici, nu nog, na bijna vijfhonderd jaren, voldoende zyn
om de edelste godsdienstige geestdrift in het gemoed van den
lezer op te wekken.

Treffend is ook het onwrikbare geloofsvertrouwen, dat wij
op byna elke bladzijde ontmoetten. Het woord tot Geert
Groote gesproken was inderdaad de uitdrukking van Ruys-
broeck\'s heiligste overtuiging. Met volle verzekerdheid zegt hij
ergens: »die haers selfs ghestorven sijn in Gode met minnen,
si en mochten Gode niet laten; want si hadden vonden in
hem volmaecte caritate, die God is ende nieman en onsiet
[— ontziet, vreest]. Si leven in den gheest, sonder anxt,
vrese, commer ende enich verdriet. Si hebben in haren gheeste
van den gheeste Gods, dat si untvercoren sonen Gods sijn :
dat ghetughe en mach hem nieman nemen, want si ghevoelen
in haren gheeste ewich leven. Dit woert hebbic dicwile ghe-
screven, mer ic vertie [=
verloochen] mijns selfs, ende late mi

1) Zie boven, bl. 134.

2) Rom. VIII: 16.

-ocr page 383-

•365

onder die ewiglie waerheii;, ende onder dat ghelove der heyligher
kerstenheit [d. i. der
kerlc\\, ende onder die leraren die die
heylighe Scriftnre, overmits den heylighen Gheest hehhen
onhonden. Mer dat ic ghevoele, dat moet mi
hliven: ic en
macht nnt minen gheeste niet
verdriven\'. al sont mi al de
werelt
vromen, ic en mocht niet twivelen noch Jhesum mis-
trouwen dat hi mi soude
verdoemenV i).

Deze vaste verzekerdheid verschafte hem die wonderbare
hlydschap des geloofs, die helaas! zóó zelden wordt aange-
troffen ; die, zóó hemelsbreed verschillende van lichtzinnigheid,
leidt tot zulk een liefelijk godsdienstig Optimisme, een Optimisme
dat, bij de scherpste zelf beoordeeling, niet dan schoorvoetend
het kwaad in den medemensch wil erkennen en met warme
voorliefde immer het beste van Gods schepselen wil denken
en zeggen, — dat in alle dingen het goede ziet, en inderdaad
eindigt met overal het goede teweeg te brengen.

De ontvangen indruk zal zeker wel zóó sterk zijn, dat wg
niet in een bijzondere recapitulatie zullen behoeven te treden.

1) Twaelf Begh., LI. 273, verg. Bom. VIII : 38, 39. Het laatste is berijmd
proza. Wij hebben de rijmwoorden cursief doen drukken, om ze te beter te doen
uitkomen.

2) «Hoede u berde [— zeer] nauwe dat ghy niet lichtelic en
ordelt, al dunct u dat ghi ghebrec vint in uwen evenkersten;
mer pijnt u hem te onsculdigen. Ende en condi dat werk niet
onsculdighen, onsculdicht die meninghe. Ende en condi dat niet
ghedoen, peinst dat hijt onwetende ghedaen heeft, of waent dat hi
bedroghen was, of dattet alsoe ghescieu soude
moesf]. Ende is^
dat ghijt
gij hef] in gheenre wijs dissimuler en oft onsculdighen
en cont, peinst in u selven dathizwaerlikenbecoert [—
verzochi]
was; ende peinst dat ghi licht allicht] veel zwaerliker sout
hebben misdaen, haddi alsoe becoert gheweest als hi was: ende
ghi sult Gode danken, dat ghi niet alsoe becoert en wert, ende
sult voir hem [d. i.
voor den medechristen] bidden met groten ernste
ende met hem hebben een mede doghen . . . Hebt een goeder-
tieren oghe met compassien aen te sien die ghebreke uwe even-
kerstens ende alle dinc ten besten te keeren, als clene doecht
[= detigdT] groet te weghen ende een groet ghebrec dein te
weghen, — ende een sc&lc \\pzhwaa^ oghe, op u selven, u te gronde
te versmaden, ende een dein ghebrec groet te weghen."
Van
Tmaelf Doghed.,
bl. 66 en 26. Verg. boven, bl. 309.

-ocr page 384-

•366

Zonder dat zal de lezer wel gaarne toestemmen, dat Enysbroeek
in het bezit was van uitstekende talenten, van een vurige
liefde en van een onwankelbaar geloof; en dat woorden, uit
het hart van zulk een man opgeweld, niet anders dan zegenrijk
konden werken in den tijd waarin hij leefde, en nimmer, al
wisselen ook de tijden en vormen, die werking kunnen verliezen.

»Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En als hy zaaide

viel een deel van het zaad......in goede aarde en gaf vrucht —

honderdvoudig"

Wat dunkt u lezer! was niet het gemoed van den ouden
prior van Groenendaal zulk een goede aarde?

-ocr page 385-

STELLINGEN.

I.

Ten onrechte wordt door sommigen beweerd dat de Mystiek
haar beteekenis voor onzen tyd zou hebben verloren.

II.

Aan Ruysbroeck behoort ook onder de speculatieve
Mystici een eerste plaats te worden toegekend.

III.

Er bestaan geen voldoende redenen om aan de authentie
van Ruysbroeck\'s geschrift
van twaelf dogheden te twyfelen.

IV.

De Noord-Nederlandsche Mystiek van Hendrik Mande,
Gerlach Petersen en Hendrik van Herp staat in een zeer
afhankelijke betrekking tot die van Ruysbroeck.

-ocr page 386-

368

XX.

Het boek Jona, niet afkomstig van den profeet van dien
naam, is een Tendenzgesebrift, dat ten doel beeft, tegenover
een bekrompen particularisme, Gods universeele barmhar-
tigheid in het licht te stellen.

VL

Arnos VI : 12 moet in plaats van gelezen worden

VH.

Psalm LXXIII : 4 moet QrilD^\' gescheiden worden in iD^^
Dri, zoodat Dn by het tweede lid van het vers komt.

vm.

Onder töv êuvxfj.svov, Mattk. X: 28, is God te verstaan.

IX.

Openh. I: 10, moet onder de xuptaxii lï/iipa niet de Zondag
maar de dag des oordeels verstaan worden.

X.

De verklaring van iv^mov töv «yysAwv toü s-soü Ijuc. XV: 10,
vóór het aangezicht der engelen Gods, dus bij God, is als te
gekunsteld te verwerpen.

XI.

De voortdurende vooruitgang der wetenschap behoeft volstrekt
niet tot den val der Catkolieke Kerk te leiden.

-ocr page 387-

369
XIL

De bewering van Laurent en anderen, dat bet Protestantisme
vgandig zou wezen aan de Kunst, is te eenemale ongegrond.

XIII.

De noodzakelijke voorwaarde van alle Moraal is de vrybeid
van den menscbelijken wil.

XIV.

Het einddoel der straf moet zyn zedelyke verbetering van
den menscb.

XV.

De verplichte eed behoort te worden afgeschaft.

XVI.

Het is wenschelyk dat by de godsdienstoefeningen de Gre-
goriaansche zangwijze worde vervangen door, of althans afge-
wisseld met rhytmisch gezang.

XVII.

By de armverzorging moet het hoofddoel wezen de armoede
te voorkomen. •

XVHI.

De lijkverbranding moet noodwendig in de practyk te kort
doen aan de piëteit aan de afgestorvenen verschuldigd.

XIX.

Van de Kerk kan en moet, meer dan tot heden het geval
was, een heilzame kracht uitgaan tot oplossing van het sociale
vraagstuk.

-ocr page 388-

370

XX.

De Kerkbesturen, zelve geroepen tot handhaving der leer,
mogen niet uit Art. 11,
Alg. üJe^Z. de woorden »de handhaving
harer leer" verwijderen.

XXI.

Een aan alle billijke eischen voldoende omschryving van
wat onder de leer der Hervormde Kerk is te verstaan, is
dringend noodzakelijk.

XXII.

Zoolang zulk een nadere omschryving niet gegeven is, moet
de zin van Art. 11
Alg. Regl. uit de byzondere Reglementen
worden opgemaakt. Een kerkrechtelijke handhaving van de
verplichting in Art. 11 gesteld, is dan evenwel onmogelyk.

-ocr page 389-

Elz. 13, reg. 16 v. o. E. S. Borger, lees-. E. A. Borger.

„ 13, „ 15 ,1 „ Teylers genootschap, lees: Teylers Godgeleerd genootschap.

„ 66, noot 2, Jesaia KXIV : 4, lees: LXIV : 4.

„ 136, moet noot 3 noot 1 worden en omgekeerd.

„ 224, is iu noot 1 bij den druk achter barmhartigheid weggevallen: De eersten
• zijn ontleend aan
Matth. XXV : 35 vlg. en worden door de Middel-

eeuwsche Moralisten aldus opgegeven: pascere esurientes, potare
sitientes, vestire nudos, colligere hospites, visitare infirmos, redimere
captivos, sepelire mortuos. De laatsten zijn: docere ignorantes, consulere
dubitanti, consolari tristem, corrigere peccantem, remittere offendeuti,
portare graves et onerosos, orare pro omnibus. —■ Omdat men de
werken van barmhartigheid niet zelden in kerken vindt afgebeeld, is
hun vermeldiug voor den beminnaar der kerkelijke kunst niet
onbelangrijk.

I, 344, reg. 9 v. b. Winderheimer, lees: Wiudesheimer.

-ocr page 390-

♦ •

* I

A\'S\'

.. M

\'4

M

*

V k £ I

ft

V ;

f, ■ ƒ \'i.

#

m . V, « j

14

^Vi \'.Pl. -

Ä INft