-ocr page 1-

.•ft.

■V

c.»

ft.•£
it

J. VAN EYSDEN.

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

OVER DE BETEEKENIS VAN DE ACCOMMODATIE
VOOR HET MONOCULAIR DIEPTEZIEN.

-ocr page 6-

gebrs. j. & h. van langkniiuysen, \'s-iiage.

-ocr page 7-

//étccJïysj

OVER DE BETEEKENIS VAN DE ACCOMMODATIE
VOOR HET MONOCULAIR DIEPTEZIEN.

PROEFSCHRIFT

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN

DOCTOR IN DE GENEESKUNDE

AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT

OP GEZAG VAN DEN RECTOR MAGNIFICUS

Dr. c. eijkman

Hoogleeraar in de Faculteit der Geneeskunde

VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT

TEGEN DE BEDENKINGEN VAN

DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE

TE VERDEDIGEN OP

VRIJDAG 4 JULI 1913

des namiddags te 3 uur

door

Jan van Eysden

Arts,

geboren te \'s-Gravenhage.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

AAN MIJNE OUDERS

EN

AAN MIJNE VROUW.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

Het verschijnen van dit proefschrift is mij eene "welkome
aanleiding U, Hoogleeraren, Lectoren en Assistenten der
(Medische en \'Philosophische Faculteiten, die tot mijne weten-
schappelijke en practische vorming hebben bijgedragen, mijne
groote erkentelijkheid voor Uw onderwijs te betuigen.

In het bijzonder, hoop ik, dat Gij, Hooggeleerde Snellen,
Hooggeachte \'Promotor, mijn dank wel zult willen aanvaarden.
Was uwe raad en uwe welwillende belangstelling voor mij een
groote steun bij de samenstelling van dit proefschrift, nog meer
waardeer ik het, dat Gij mij ccn plaats gaaft als Assistent-
Geneesheer aan het Nederlandsch Gasthuis voor Ooglijders,
waardoor ik in de gelegenheid word gesteld mij onder Uwe
hoogst bekwame leiding in de Oogheelkunde te oefenen.

Voor de hulp, die Gij Collegae en aanstaande Collegae mij
bij de proeven als waarnemers wildet verleenen, niettegenstaande
di/cwijls drukke sludiebelangcn u elders riepen, blijf ik zeer
erkentelijk.

Den ijverigen amanuetjsis Schütz mag een woord van waar-
deering niet onthouden worden voor \\ijnc bemoeiingen bij de
voorbereiding van de proeven.

Gelijk ik met waardeering de Utrechtsche Hoogeschool zal
gedenken, zoo zullen de uren in het midden van het Utreclitsch
Studentencorps doorgebracht, mij steeds een aangename herinne-
ring blijven.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEIDING.

De invoering van de Ongevallenwet heeft de vraag meer
op den voorgrond gebracht, in hoeverre personen, die
één oog missen, nog in staat zijn door middel van het
gezicht afstanden te bepalen en zich, wat de onderlinge
plaatsing van verschillende voorwerpen betreft, te orien-
teeren.

Terwijl vroeger door verschillende onderzoekers getracht
is uit een wetenschappelijk oogpunt deze vraag te beant-
woorden, wordt thans uit een praktisch oogpunt gevraagd,
wat het verlies in arbeidswaarde is en wordt zelfs ver-
langd dit verlies nauwkeurig in getallen uit te drukken.
Het verlies van arbeidswaarde nu zal bij verschillende
personen, naar gelang van het werk dat zij verrichten,
verschillend zijn en moet men dus met de betrokken
personen te raden gaan. Maar juist hierin is thans door
de Ongevallenwet van 1901 eene moeielijkheid ontstaan;
want werd vóór het inwerking treden der Ongevallenwet
een getroffene aan een onderzoek ter vaststelling van zijn
verlies in arbeidsprestatie, dat door het ongeval veroorzaakt
was, onderworpen, dan kon men verwachten juiste gegevens
te verkrijgen. Heden ten dage kan men echter bij het
onderzoek hiervan niet meer rekenen op objectieve gegevens,
maar moet men rekening houden met de mogelijke zucht
van den getroffene om zich een zoo hoog mogelijke rente-

-ocr page 14-

uitkeering te verzekeren. Men weet dus niet welk gedeelte
van het aangegeven verlies werkelijk bestaat en welk deel
op rekening te stellen is van de psyche. Het gevolg
hiervan is, dat het in den tegenwoordigen tijd voor den
medicus uiterst moeielijk is wetenschappelijk aan te geven
hoe groot het verlies in arbeidsprestatie, dat door het
ongeval of door zijne gevolgen veroorzaakt is, bedraagt.
Nog moeielijker wordt het, wanneer men niet alleen het
verlies moet bepalen voor het oogenblik, maar ook moet
beoordeelen of dit verlies in de toekomst progressief of
regressief zal zijn.

Men onderscheide hier wel het wetenschappelijk verlies
van het sociale, wat door de eerste auteurs op dit gebied
zeker niet gedaan is.

Terwijl men allicht zou meenen, dat juist op oogheel-
kundig gebied, waar men immers gewoon is de waarde
der gezichtsscherpte in getallen uit te drukken, men beter
in staat zou zijn dan bij eenig ander onderdeel der ge-
neeskunde, het verlies van arbeidsprestatie tot in procenten
nauwkeurig te kunnen uitdrukken, wijzen toch de verschil-
lende geopenbaarde meeningen in de uitgebreide literatuur
van slechts enkele decennia over de vraag wat betreft de
grootte der uitkeering aan den getroffene bij totaal gemis
van één oog uit, hoe moeielijk het is en met hoeveel
factoren men rekening Jieeft te houden.

Algemeen neemt men aan, dat het verlies van arbeids-
waarde gedurende het verdere leven niet hetzelfde blijft.
Terwijl in den beginne de personen, die door een ongeval,
dat wil in de meeste gevallen zeggen plotseling, het gebruik
van een oog verloren hebben, zich zeer onbeholpen ge-
voelen, leeren zij, de een spoedig, de andere soms eerst
na jaren, zich te behelpen om met één oog hun werk
geheel of ten deele weder te verrichten.

Het spreekt van zelf, dat het soort werk hierop van

-ocr page 15-

invloed is. Sommig werk toch eischt veel, ander slechts
weinig of geen bepalen van afstanden. Maar ook bij het-
zelfde werk doen zich verschillen voor tusschen de diverse
werklieden onder overeenkomstige omstandigheden, zoodat
het verschil in uiterlijke «aanpassing» van den persoon-zelf
gezocht moet worden.

De dagelijksche ervaring nu leert, dat de leeftijd in dit
opzicht grooten invloed heeft, in zooverre dat jeugdiger
personen zich veel vlugger en beter leeren behelpen met
één oog hun werk te verrichten dan ouderen.

Daar het zien van oudere personen zich van dat van
jongeren meestal alleen door minder accommodatiever-
mogen onderscheidt, dringt zich als van zelf de vraag op,
of het accommodatievermogen van invloed kan zijn op de
afstandsbepaling (dieptezien).

Het is daarom, dat ik mij tot taak gesteld heb, door
proeven een nauwkeuriger inzicht te krijgen in de factoren,
welke het den monoculus, zij het ook meer of minder
gebrekkig, mogelijk maken diepleverscbil tusschen voor-
werpen te zien en wel in het bijzonder of men de accom-
modatie daarbij als\' factor mag aanmerken of niet. Dit zal
dan tevens het antwoord kunnen geven op de vraag of,
wat het monoculair dieptezien betreft, een presbyopische
monoculus gelijk staat met iemand, die nog over zijne
accommodatie beschikt.

Alvorens de door mij gedane proeven en de daarmede
verkregen resultaten mede te deelen, wil ik beginnen met
in de volgende bladzijden een kort overzicht te geven van
de literatuur, welke mij er toegebracht heeft de in hoofd-
stuk III vermelde proeven te nemen.

-ocr page 16-
-ocr page 17-

HOOFDSTUK I.

Kort overzicht van hetgeen er geschreven is
over de vraag, hoe groot de vermindering is
der arbeidsgeschiktheid bij totaal gemis
van één oog.

Daar het vraagstuk van het monoculair dieptezien, zooals
in de inleiding reeds vermeld, voornamelijk met het oog
op de vermindering van arbeidsgeschiktheid bij totaal
verlies van één oog in den laatsten tijd bestudeerd is,
komt het mij niet ondienstig voor, een kort overzicht te
geven van wat daaromtrent gepubliceerd werd.

Met zijn voornamelijk Duitsche oogheelkundigen, die
over dit onderwerp geschreven hebben, wat niet te ver-
wonderen is, wanneer men bedenkt, dat in dit land «de
Ongevallenwet» dateert van 6 Juli 1884, terwijl «das Ilaft-
pfligtgesetz» van 7 Juni 1871 reeds den getroffene den
weg tot procesvoering aanwees.

Het gevolg van deze wetten was o.a. eene nadere be-
studeering van den monoculus. De auteurs, die zich met
dit onderwerp hebben beziggehouden, kan men gevoe-
gelijk in drie groote groepen verdeelen.

Tot de eerste groep behooren diegenen, welke meenden

-ocr page 18-

aan hunne schrijftafel door formules (mathematisch-deductiefj
tot eene uniforme vaststelling der arbeidswaarde bij totaal
gemis van één oog te kunnen komen en zoo mogelijk
daarvan die der andere gevallen van oog-verwondingen
te kunnen afleiden.

De tweede groep bevat degenen, die langs casuistisch-
statistischen weg ditzelfde doel trachtten te bereiken, terwijl
de derde groep, die vooral in de laatste jaren, toen men
inzag, dat men met de twee eerstgenoemde methoden tot
geen goed resultaat kwam, zich meer wijdde aan de be-
studeering der verminkten zelf. Deze laatste groep van
onderzoekers verviel dus niet in het nemen van con-
clusies op theoretischen grondslag, maar plaatste het
experiment meer op den voorgrond.

Van hen, die tot de eerste groep behooren, dienen
in de allereerste plaats genoemd te worden
Jatzow (i),
Josten
(2), Mooren (3) en Heddaeus (4). Dezen maakten geen
onderscheid tusschen de verschillende beroepen en stelden
de arbeidswaarde alleen afhankelijk van de centrale gezichts-
scherpte. Derhalve werd oorspronkelijk bij totaal verlies
van één oog 50 °/0 schade aangenomen. Dit standpunt
werd echter spoedig verlaten ook door
Mooren (5) zelf,

-ocr page 19-

die later een aanhanger werd van de eerst door hem zoo
fel bestreden formule van
Zehender, waarbij de schadeloos-
stelling op 1/3 gebracht werd. Aan de praktijk getoetst,
bleek dit ook billijker dan de 50 °/0 schadeloosstelling
van eerstgenoemde.

Zehender (1) ging van het denkbeeld uit, dat bij totaal
verlies van één oog het andere normale oog voor zijnen
bezitter eene dubbele waarde zou krijgen en men dus door
aanneming dezer dubbele waarde van één oog met drie
oogwaarden heeft te maken. Is bijvoorbeeld de visus van
het resteerende oog 6/6, dan vindt hij voor de arbeids-
waarde van dit oog

_2 X 6/o 0_2/

^--3 ~~ \'2

en is derhalve het verlies van arbeidswaarde volgens deze
formule = 33^3 %•

Met grootere nauwkeurigheid en met inachtneming van
de belangrijkste momenten, die invloed kunnen hebben op
de arbeidsgeschiktheid en door die in de juiste rang-
schikking te plaatsen, trachtte
Magnus(2) in de volgende
formule de arbeidswaarde van den éénoogige uil te drukken :

n or10 _

E = Se V/P 1>M ]/ ~ ^p ^

waarbij:

Se == centrale visus van het gezonde oog,
se = » » » » slechte » (dus bij totaal
verlies = 0).

P = grootte van het gezichtsveld.

-ocr page 20-

M = functie der oogspieren.

5 10

\\/ of [/ naar gelang van den graad der Konkurrenzfähigkeit.

E = arbeidswaarde.

Met deze formule kwam Magnus tot een verlies aan
arbeidswaarde van ongeveer 30 %•

Deze formuleeringsmethode werd echter steeds inge-
wikkelder, daar toch langzamerhand een nieuw begrip, dat
van de zoogenaamde beroepsgezichtsscherpte, op den voor-
grond begon te treden.

Het is immers niet onverschillig, welke eischen in een
bepaald vak of onderdeel van een vak aan het gezichts-
vermogen gesteld worden en zoo kwam men er toe de
vakken te verdeelen in «gequalificeerde» en «niet gequa-
lificeerde» naar gelang meer of minder hooge eischen aan
het gezichtsvermogen gesteld worden.

Niet tevreden met de verdeeling der vakken in twee
groepen, voegden anderen een derde groep van arbeiders
er aan toe, waartoe diegenen behooren, aan wier gezichts-
vermogen middelmatige eischen worden gesteld.

Nog verder gingen Plantenga (i) en onder meerderen
ook
Groenouw(2), die eene indeeling in vier groepen voor-
stelden. Zij wilden namelijk de reeds genoemde groepen
«gequalificeerd» en «niet gequalificeerd» elk weer in tweeën
onderverdeelen al naar mate de eischen, die aan het ge-
zichtsvermogen van deq, arbeider van elk dier groepen
gesteld worden, grooter of geringer waren.

Doch tot hoe gering resultaat deze tot dusver gevolgde
mathematisch-deductieve methode leidde, bleek o.a. hieruit
dat
Axenfeld, een der inleiders van dit vraagstuk op het
Internationaal Congres voor Oogheelkunde te Lucern, in

-ocr page 21-

1904 besluit met als zijne meening te verklaren, dat eene
berekening langs theoretischen weg waardeloos en daarom
niet aan te bevelen is. Door alle latere auteurs op dit gebied
is dan ook elke poging om door formules tot een resultaat
te komen opgegeven en zelfs
Zehender (i), vroeger een
ijverig voorstander van de mathematisch-deductieve bere-
kening, heeft in igo8, dus tien jaar na het bekend maken
van zijne formule, de meening uitgesproken, dat men den
weg van de statistiek moest inslaan. Hij ging daarmede
over tot hen, die ik thans als tweede groep wil memoreeren.

Wederom waren het vooral Duitsche Ophthalmologen als
von Grolman (2), Maske Ammann (4), Hummelsheim (5),
en nog zeer vele anderen ; ja, men staat verbaasd hoe groote
en uitgebreide literatuur er in de laatste vijftien jaren over
deze statistisch-casuistische methode verschenen is. Ook
in ons land is in deze richting gewerkt o. a. door
Lans (6)
en door van Geuns (7).

Tot hen, die het met de methoden van de in
de beide vorige genoemde groepen van auteurs
niet eens waren, noemen we naast
Merdas (8),

-ocr page 22-

xo

Turc(i), Hilcker^ en Grussendorf (3) ook onze land-
genoot
Koster (4).

Merdas en Turc waren de eersten, die de arbeiders bij
hun werk op de fabriek onderzochten en nagingen hoever
bij hen de gezichtsscherpte kan afnemen, zonder dat dit
stoornis in hun werk aanleiding gaf. Zoo
stelde ook Koster
voor om proeven te nemen met de verminkten zelf en na
te gaan, welke fouten bij den arbeid gemaakt werden en
aldus de schade door het (oog)ongeval teweeggebracht te
bepalen. Bij die proeven moet men zich op tweeërlei stand-
punt plaatsen. In de eerste plaats kan men vragen «wat
kan een verminkte van het moeielijkste werk nog doen».
Dit is dan de absolute waarde. In de tweede plaats «hoeveel
doet de verminkte». Dit is dan de relatieve waarde. Dit
voorstel hoewel goedgedacht schijnt mij om verschillende
redenen minder praktisch. In de eerste plaats, gelijk mijns
inziens zeer terecht ook
van der Heijde in zijn proefschrift
zegt, is deze methode van proeven nemen zeer moeielijk uit
te voeren. Verder lijkt zij mij bovendien zeer omslachtig en
wat zeker een groot bezwaar is tegen het voorstel, is dat
Koster de verminkten, d. w. z. belanghebbenden, zelf wil
onderzoeken, waardoor niet altijd zuivere gegevens zijn te
verwachten.

Mij komt het voor, dat wil men tot eene goede oplos-
sing van-dit vraagstuk geraken, men als basis een weten-
schappelijk fundament moet trachten te verkrijgen en

-ocr page 23-

daarvoor is het .strikt noodzakelijk, dat men bij zijn
experiment de subjectieve gegevens, door belanghebbenden
verstrekt, uitsluit.

Teneinde dit te bereiken moet men in de allereerste
plaats de vraag stellen : i°. welke functies mist iemand
bij verlies van één oog ; 20. welke waarde hadden deze
functies wat betreft de arbeidsgeschiktheid en 30. in
hoeverre bestaat er mogelijkheid, dat een monoculus weet
te voorzien in het gemis van bovenbedoelde functies.

De geheele functie van het zien na is te verdeelen in :

a. het centrale zien (visus, waarbij in aanmerking komen
functie van retina, helderheid, scherpte der beelden,
dus ook nauwkeurigheid van instellen en accom-
modatievermogen) ;

b. de grootte van het blikveld (functie der uitwendige
oogspieren);

c. de grootte van het gezichtsveld ;

d. het binoculair dieptezien (samenwerking der beide
oogen).

Gaan wij na, wat van deze functies bij gemis van één
oog verloren gaat, dan zien wij:

Wat betreft a, dat wanneer het overgebleven oog
normale gezichtsscherpte heeft, het verlies van het andere
oog geen of hoegenaamd geen invloed op den visus heeft (1).
Alleen wanneer de visus op elk der oogen niet geheel
normaal is, kan het zijn, dat met twee oogen de visus
iets grooter gevonden wordt dan met elk oog afzonderlijk,
maar dan blijft dit verschil toch slechts zeer gering.

-ocr page 24-

Wat betreft b, kan het blikveld van een éénoogige iets
verkleind zijn door de omliggende deelen, voornamelijk
door den neus en bij zeer diepliggende oogen een enkele
maal ook door het dak van de orbita.

Gewichtiger en van meer belang is, wat c betreft, het
verlies van dat gedeelte van het gezichtsveld, dat uit-
sluitend aan het verloren gegane oog behoorde. Hierdoor
zullen allicht gevaren, die van de zijde van het verloren oog
dreigen, niet tijdig genoeg worden waargenomen, zoodat
een monoculus deze gevaren ook minder goed ontwijken
kan dan iemand, die over het gezichtsveld van zijne beide
oogen beschikt. Bij arbeid, die zittende of staande aan
een werktafel of -bank verricht wordt, heeft het verlies
van bedoeld deel van het gezichtsveld echter over het
algemeen geen grooten invloed op de arbeidsgeschiktheid.

Wat d betreft, zoo is het verlies van het binoculaire
dieptezien wel het voornaamste bezwaar, dat bij verlies
van één oog ondervonden wordt. Terwijl bij het zien met
twee oogen het dieptezien zeer nauwkeurig is, ten minste
op korteren afstand, doordat een voorwerp door elk oog
waargenomen wordt in eene bepaalde richting en zich dus
moet bevinden op de plaats van kruising van deze twee
richtingslijnen, valt dit hulpmiddel, waarop door den
binoculus geheel en uitsluitend vertrouwd wordt, voor
den monoculus totaal weg. Door het plotselinge gemis
van dit hulpmiddel bij het totaal verlies van één oog is
daardoor ook in het begin de monoculus meestal zeer
onzeker in het schatten van afstanden en ondervindt daarvan
de bezwaren, niet alleen bij het werk, waarbij het diepte-
zien een vereischte is, maar zelfs bij het gaan over oneffen
terrein als b.v. het gaan over planken en balken, op- en afgaan
van stoepen en trappen of bet stappen in een boot enz.

Wel leeren zulke personen andere hulpmiddelen te
gebruiken voor het schatten van afstanden, maar zij blijven

-ocr page 25-

in dit opzicht toch verre achter bij hen, die over binoculair
zien kunnen beschikken.

Het vermogen van den monoculus om afstand te bepalen,
wordt zeer verschillend beoordeeld; door enkele schrijvers
zelfs zeer hoog aangeslagen.

De tot nog toe weergegeven meeningen van de verschillende
auteurs over deze quaestie als die van
Pfalz (i), Guillery (2)
en
Hummelsheim (3) berusten echter niet op wat proeven
hun dienaangaande leerde, maar hangen tamelijk in de
lucht, en, zoo hunne uitspraken ergens op berusten dan is dit
alleen de ervaring van genoemde auteurs, welke zij dikwijls
met treffende en kunstenaarsachtige staaltjes, wat betreft
het schatten van afstanden door éénoogigen, weergeven. Zoo
vertelt o.a.
Guillery van een slotenmaker, die sinds tien
jaar een oog miste, terwijl het andere oog een zeer slechte
visus had en niettemin vrij goed afstanden kon schatten,
beter zelfs dan
Guillery, wanneer deze een zijner normale
oogen sloot. Dit geval haalde
Guillery aan ten bewijze
van welk een belang oefening hierbij is.

Brooksbank James (4) heeft in «the Lancet» van 1908 de
volgende stellingen opgeworpen, dat:

i°. Het schatten van afstandsverschillen geschiedt met
een evengroote nauwkeurigheid als aan de gezichtsscherpte
eigen is, m. a. w., dat wanneer onderdeelen van een voor-
werp nog onderkend kunnen worden, zoo zij gezien
worden onder een hoek van één minuut, dat daarbij ook
behoort het herkennen van afstandsverschil tusschen twee

-ocr page 26-

M

voorwerpen, waarvan het een onder een hoek gezien wordt,
die één minuut grooter is dan de gezichtshoek van het
andere voorwerp.

2°. Bij vermindering van de gezichtsscherpte ontstaat
eene daarmede overeenkomstige vermindering van het
stereoscopisch zien.

Schoute (i) kon zich hiermee niet vereenigen en om de
juistheid van deze twee beweringen te controleeren, ge-
bruikte hij een toestel, dat in hoofdzaak bestond uit twee
witte latjes, welke onderling verschuifbaar en welker
boven- en ondereinden voor den waarnemer niet zichtbaar
waren. Terwijl hij voor goede fixatie van het hoofd gezorgd
had, werd vervolgens door hem de afstand bepaald,
waarop nu het eerst door den waarnemer onderling afstands-
verschil tusschen de latjes werd waargenomen. Deze proeven
bewezen, dat zoowel de eerste als de tweede bewering van
Brooksbank James niet juist waren. Schoute vond met
deze ongetwijfeld gebrekkige manier van experimenteeren,
dat de fijnheid van dieptezien grooter was, dan men zou
afleiden uit de gezichtsscherpte volgens de opvatting van
Brooksbank James en ook tevens dat diens methode om het
verlies van dieptezien bij visusvermindering te bepalen, niet
bruikbaar is.

Naast deze uitspraken, al of niet op ervaring berustend,
en hypothesen, vindt men in de literatuur ook proeven ver-
meld om den invloed van gezichtsstoornissen op het diepte-
zien en hun invloed op de arbeidsgeschiktheid na te gaan.

Één der eersten, die meer symptomatisch te werk gingen
(om den invloed van gezichtsstoornissen op het dieptezien
na te gaan) was onze landgenoot v.
d. Meulen (2). Deze

-ocr page 27-

ging bij zich zelf en anderen na, boe groot de anisometropie
tusschen beide oogen kon bedragen, voordat zij de val-
proef van
Bering niet meer konden doorstaan. Jammer
genoeg, deelt v.
d. Meulen ons niet mede, welke gezichts-
scherpte den waarnemers na het opzetten der brilleglazen
nog overbleef. Bovendien is de opmerking, welke
Greef (i)
maakte, zeer juist.

Deze maakte n. 1. bezwaar, dat achter de brilleglazen
van v.
d. Meulen een welgeoefend netvlies school. Greef
onderzocht daarom patiënten met eenzijdige gezichtsstoor-
nissen. Ook hij maakte, hoewel een weinig gewijzigd,
gebruik van het valtoestel van
IIering, dus ging eveneens
meer qualitatief dan quantitatief den invloed van gezichts-
stoornissen op het dieptezien na. Want, bij de proeven
met
Uering\'s toestel is het toch zoo gesteld, dat men
daarmee alleen kan aantoonen of er juiste afstandsbepaling
aanwezig is of niet.

In zooverre is deze manier van experimenteeren slechts
quantitatief, dat men den afstand, waarop men de knikkers
laat vallen naar willekeur meer vóór- of achterwaarts kan
wijzigen. Allerminst is echter, gelijk later ook uit mijne
proeven zal blijken, deze methode geschikt om alle factoren,
die het monoculair dieptezien mogelijk maken, hun invloed
te doen gelden, omdat men hier een momentwaarneming
moet doen.

Hilcker was de eerste, die meer eene quantitatieve
methode volgde. Hij maakte gebruik van twee verschuif-
bare verticale naalden en plaatste deze zoo, dat de waar-
nemer, die door een kokertje moest zien, alleen de boven-
einden der naalden kon waarnemen, dus ongeveer op
dezelfde wijze als
Schoute zijne proeven inrichtte. De
waarnemer moest nu aangeven het kleinste verschil in

-ocr page 28-

afstand tusschen de naalden, dat voor hem nog waar-
neembaar was.

Wat Hilcker naging voor personen met ongelijke gezichts-
scherpte op beide oogen, deed een tiental jaren later
Grussendorf in opdracht van Schmidt-Rimpler met één-
zijdige aphaken, welke hij naar willekeur al of niet met
positieve glazen corrigeerde. Door deze proeven vond
Hilcker onder meer ook, dat de bewering van Axenfeld,
dat bij visus-vermindering tot beneden 1/10 van een oog,
ook al is het andere oog normaal, geen binoculair diepte-
zien meer mogelijk is, niet juist is.

Hoe belangrijk deze proeven ook mogen zijn, stellig
doen zij de verschillende factoren, welke den monoculus
ten dienste staan, om diepteverschil tusschen voorwerpen
te erkennen, niet tot hun recht komen.

Gelijk in de inleiding reeds gezegd, was het mijn doel
om met de in dit proefschrift vermelde experimenten te
trachten wel niet tot geheele oplossing van dit interessante
vraagstuk te geraken, maar toch eenigszins nader de factoren
te leeren kennen, die het monoculair dieptezien in mindere
of meerdere mate mogelijk maken ; verder eenig verband
te zoeken in hunne onderlinge waarde, grootte en even-
tueele samenwerking en eindelijk meer in het bijzonder
na te gaan in hoeverre de accommodatie bij het mono-
culair dieptezien als factor in aanmerking komt.

-ocr page 29-

HOOFDSTU K II.
Het monoculair dieptezien.

Om tot een goed inzicht te komen in de verschillende
hulpmiddelen, die bij het monoculair dieptezien in aan-
merking komen, volgt hier in de eerste plaats eene opsom-
ming, bespreking en indeeling der verschillende factoren.

Het komt mij voor, dat deze factoren doelmatig in
twee groepen zijn in te deelen.

Tot groep A zouden dan die factoren behooren, welke
het voorwerp betreffen.

Tot groep B die factoren, welke den waarnemer zelf
betreffen.

Wat het voorwerp betreft komen in aanmerking :

Verhouding tusschen afstand en grootte, vorm, schaduw,
luchtperspectief en helderheid , dus factoren die meer
indirect de voorstelling eener zekere diepte in ons opwekken.

Wat den waarnemer zelf betreft, dienen genoemd te
worden parallax, romp-, hoofd- en oogbewegingen, accom-
modatie en convergentie, dus die factoren, welke ons de
diepte meer rechtstreeks doen waarnemen. Bovendien zullen
nog wat den waarnemer betreft van invloed zijn : visus,
refractie, intellect, ervaring, oefening (aanpassing).

In het kort wil ik even op elk dezer factoren nader

-ocr page 30-

ingaan ; uitvoeriger vindt men ze behandeld in de hand-
boeken van
VVundt (i) en Nagel (2), terwijlNicoLAÏ (3) er een
artikel aan wijdt in de Nederlandsche Oogheelkundige
Bijdragen. Wat betreft de factoren behoorende tot groep
A
willen wij in de eerste plaats iets zeggen over den afstand
en de grootte.

Voor voorwerpen van bekende grootte als menschen, huis-
dieren, met mindere nauwkeurigheid voor boomen, huizen,
torens enz., kan men uit de grootte der netvliesbeelden
eenigszins den afstand schatten.

Dit schatten van afstanden door middel van den gezichts-
hoek is uit den aard alleen mogelijk bij grootere afstanden
en wordt eerst na lange ervaring geleerd, zoodat kinderen
en niet geoefende volwassenen dikwijls groote vergissingen
maken.

Wat de kennis van den vorm aangaat is die voornamelijk
van beteekenis, wanneer voorwerpen elkander gedeeltelijk
bedekken, waaruit besloten kan worden welk voorwerp
dichterbij, welk voorwerp verderaf ligt. Daartoe is het
niet altijd noodig, dat de vormen bekend zijn, maar maakt
het voortloopen van de begrenzingslijnen van het dek-
kende voorwerp over het bedekte, reeds relatieve afstands-
bepalingen mogelijk. Van groot gewicht zijn verder de
verdeeling van de schaduw en de slagschaduw, en rest
nog als* vierde hulpbron, vooral op zeer grooten afstand, het
luchtperspectief. Hieronder is te verstaan de troebeling en
kleurenverandering van voorwerpen op verren afstand,
veroorzaakt door de onvolkomen doorzichtigheid van de voor
de voorwerpen liggende luchtlagen. Hierbij speelt het meer
of minder gevuld zijn der luchtlagen met waterdamp een

-ocr page 31-

voorname rol, getuige o. a. het te klein schatten van af-
standen door bewoners van vlakke landen bij hun eerste
bezoek in de bergen,
Helmholtz (i). Deze vier factoren af-
gehandeld te hebben zijn wij gekomen tot de bespreking
der factoren, welke tot groep © behooren.

i°. De visus in het algemeen. Wat zeker geen commen-
taar noodig heeft.

2°. De Refractie, (het hiermede samengaan van meer of
minder scherp zien en wat als zoodanig van invloed is.

3°. De ervaring, oefening, aanpassing, gewenning en
intellect zijn factoren, die bij verschillende personen
in zeer verschillende mate van invloed zijn op het
schatten van afstanden. Hun waarde voor het mono-
culair dieptezien is dan ook niet in het algemeen
vast te stellen en zeer zeker niet in getallen uit te
drukken.

Dit bleek o. a. ook uit de proeven door Zeeman (2) gepu-
bliceerd in het Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde. Deze
onderzoeker trachtte, in tegenstelling met de tot nu toe
in hoofdzaak gedane pogingen om in de
nauwkeurigheid
der afstandsbepaling de maat te zoeken voor de arbeids-
geschiktheid van den éénoogige, hiervoor in de
snelheid
van het diepte waarnemen een maatstaf te vinden. Daartoe
ging
Zeeman aldus te werk:

Van drie naalden op ongeveer $0 mM, afstand werd de
middelste in vóórachterwaarlsche richting
3 of 5 mM.
verschoven. De naalden waren gelijk van dikte en hoogte.
Bij de bepaling of de middelste naald vóór of achter
stond, kon de waarnemer zich dus bedienen van de dikte,

-ocr page 32-

de hoogte, de schaduwen en de verandering bij beweging.
Het bleek nu, dat men binoculair bij 1j200 sec. reeds in
staat was juiste waarnemingen te verrichten, terwijl men
met één oog de voorwerpen minstens 1/2 sec. moest
kunnen beschouwen.

Hoe voorzichtig men echter bij dit onderzoek naar aan-
passing zijn moet, bewijzen de volgende waarnemingen:

Waarnemer I maakt in de eerste serie van waarnemingen
bij eene belichting van x sec. 50 °/0 fouten, bij eene be-
lichting van
2 sec. nul fouten, doch in een nu volgende
tweede serie werden bij 1 sec., ja zelfs bij sec. geen
fouten meer gemaakt. Het scheen of deze waarnemer
plotseling een middel tot sneller dieptemeting had ge-
vonden.

Door een tweeden waarnemer werd dit bevestigd; deze
merkte nl. op, dat het in eens beter ging, wanneer hij
zijn hoofd meer bewoog en dus gebruikmaakte van den
parallax. Een derde waarnemer, die zijn waarnemingen
terstond zeer vlug verrichtte, zeide er slechts op te
letten of de middelste staaf bij hoofdbeweging
mee of tegen
bewoog en dan te weten, dat mee = achter en tegen =
vóór is. Men kan hier dus moeielijk meer spreken van
meting van dieptezien, maar veeleer van het meten der
intellectueele ontwikkeling (het uitvinden en te baat nemen
van hulpmiddelen). VoQ.ral bij de eerste twee waarnemers
bleek duidelijk hoeveel invloed het aanleeren daarvan op
de uitkomsten van zulke proeven kan hebben.

Ten slotte resten ons ter bespreking nog twee factoren
namelijk de parallax en de accommodatie. Twee factoren,
welke door alle schrijvers in hunne werken over mono-
culairdieptezien genoemd worden, maar over wier grootte
en beteekenis men het stellig niet eens is.

-ocr page 33-

^ Invloed van de parallax. Wordt de stand van het oog ten
opzichte van verschillende verwijderde voorwerpen gedu-
rende het kijken veranderd, dan wordt hierdoor het diepte-
zien aanmerkelijk nauwkeuriger. Dit kan zoowel veroor-
zaakt worden door oog-, hoofd- en lichaamsbewegingen
(actief) als door bewegingen van de voorwerpen bij onver-
anderden stand van het oog (passief).
Helmholtz zegt hier-
omtrent ongeveer, dat het hoofdzakelijk de veranderingen van
het retinabeeld bij bewegingen zijn, waardoor éénoogigen
zich juiste voorstellingen van nieuwe lichamelijke vormen
van de omgeving verschaffen. Met
Helmholtz noemen bijna
allen, die over de psychologie en physiologie van het
dieptezien geschreven hebben de parallax als een der
voornaamste hulpmiddelen.

Naast deze velen zijn er ook, hoewel slechts enkelen,
die bij uitsluiting van alle andere factoren aan de parallax
alleen geen groote waarde toekennen.

Tot hen, die aan de parallax de grootste waarde bij
het monoculair dieptezien toekennen behoort ook Prof.
Straub (i).

Genoemde schrijver werd bij het geven van een cursus
in het oogspiegelen, terwijl hij de beteekenis van de
parallax tot herkenning van niveauverschillen van gedeelten
van het inwendige oog demonstreerde, getroffen, hoe hij
juist door dit hulpmiddel de trechtervormige nervus
opticus van het g\'eoogspiegelde konijntje lichamelijk kon
zien. Om nu ook anderen, die minder goed met de
ophthalmoskopie vertrouwd zijn, te overtuigen van de
echte monoculaire stereoskopie heeft
Strauu naar eene
andere methode tot demonstratie hiervoor gezocht en zegt

-ocr page 34-

die gevonden te hebben met behulp van stereoskopisch
geteekende figuren voor de stroboskoop (i). De waarnemer
ziet de stereoskoopbeelden monoculair
snel op elkander
volgend en verwerkt ze tot eene volkomen stereoskopische
voorstelling.

In een artikel over monoculair oogspiegelen bespreekt
Reimar (2) naast de accommodatie, ook de waarde van
de parallax voor den monoculus, wanneer hij het vol-
gende zegt:

«Auszerdem durch die Erfahrung und die Gewohnheit
vermag der Monoculare die Tiefendimensionen durch die
Accommodationsanstrengung und
die perspectivische Ver-
schiebung
erkennen. Erstere Fähigkeit ist aber raümlich
gleichfalls sehr beschränkt, da mit grösserer Entfernung
die für die optische Einstellung erförderlichen Muskel-
tonusdifferenzen immer geringer werden und sie in der
Nähe ihre Grenze im Nahepunkte findet. Und «Gefühlssache»,
also recht wenig exact, bleibt sie immer. Viel sichereren
Aufschiuss, ja den mathematischen Beweis vermag uns die
perspectivische Verschiebung von den kleinsten Niveau-
differenzen zu geben."

Na deze laatste bewering met behulp van een paar
geometrische figuren verduidelijkt te hebben, maakt
Reimar
toch een paar restricties, wanneer hij aan het einde van zijn
betoog ongeveer aldus schrijft : dat, terwijl de parallaktische
verschuiving in het omgekeerde beeld tot herkenning van
grootere niveauverschillen ons goede diensten bewijst, zij
ons bij geringen graad van diepteverschil in den steek laat.

-ocr page 35-

Dat men daarentegen in het rechte beeld bij grooter
niveauverschil van verschillende gedeelten van den fundus
oculi met de parallaktische verschuiving niet toekomt,
maar zij om een goed inzicht te geven in het verschil van
afstand van de verschillende gedeelten gecombineerd dient
te worden met de methode der refractiebepaling.

Nauwkeuriger proeven over de grootte en beteekenis
der parallax werden het eerst door
Bourdon (i) gepubliceerd
(men lette wel op dat
Bourdon bij zijn proeven niet binnen
één meter gearbeid heeft), hij komt dan tot de volgende
conclusie :

«Le moyen le plus parfait dont nous disposions pour
percevoir avec un seul oeil les différences de profondeur,
moyen qui n\'est d\'ailleurs, pour ainsi dire, qu\'une ampli-
fication du précédent, consiste à associer à certaines sen-
sations retiniennes les sensations musculaires (ou articu-
laires) produites par le mouvement de la téte. Ce moyen
a une valeur absolue, c\'est-à-dire, qu\'il peut nous servir
indépendamment de toute connaissance préalable des objets
en présence desquels nous nous trouvons. Ici il ne s\'agit
nullement d\'une
hypothèse ; les expériences démontrent de la
façon la plus claire que nous employons ce moyen pour
percevoir monoculairement la profondeur».

Dat daarentegen anderen er anders over denken als
Bourdon blijkt uit het artikel van Verwev(2) (in hetNed.
Tijdschrift voor Geneeskunde
11 Dec. 1909). Verwey zegt
daarin ongeveer het volgende : De monoculaire parallax,

-ocr page 36-

van hoeveel waarde ook, zal altijd onder de beste omstan-
digheden nog een minderwaardig surrogaat moeten blijven.
En wel om de volgende redenen, dat ten eerste zelfs onder
de gunstigste omstandigheden het slechts dan mogelijk
zal zijn even goed afstandverschillen te zien door de één-
oogige verschuiving, als door de horizontale disparatie,
indien bij aanwending van deze eerste het oog over een
afstand bewogen wordt, welke even groot is, als de pupil-
afstanden der beide oogen, en zulke groote uitslagen
worden praktisch nimmer gemaakt;

ten tweede, dat eene vergelijking der op elkander volgende
retinabeelden, waardoor een éénoogige zich eene voor-
stelling van-afstandenverschillen kan vormen (H
elmholtz) (i),
eene vergelijking door middel van de herinnering is en
dus veel onzekerder moet zijn dan eene vergelijking van
twee gelijktijdige zintuigelijke indrukken.

Op deze laatste bewering maakt Verwey echter zelf een
restrictie door te zeggen, dat hij niet gelooft, dat de
mindere waarde van de monoculaire parallax voor het
dieptezien, zoo groot is, als in de laatste regels wordt
beweerd, omdat de verschillende retinabeelden geleidelijk
in elkaar overgaan en dus niet in den eigenlijken zin van
herinneringsbeelden kan gesproken worden.

Evenals Verwet is ook Witasek van oordeel, dat bij
uitsluiting van alle ervaringsmotieven ook de parallax
niet in staat is monoculair een juist dieptezien mogelijk
te maken.

Ten slotte blijft nog over ter bespreking de accommodatie.
Bijna alle schrijvers over physiologische optica noemen
dezen factor als hulpmiddel bij het monoculair dieptezien.
Zoo vermeldt
Cornelius (2) reeds de accommodatie, echter

-ocr page 37-

zonder op proeven berustende bewijsgronden daarvoor
aan te voeren.

Eveneens zegt Helmholtz (i) dat het geen twijfel lijdt
of de accommodatie is van invloed, maar dat de beoordeeling
van afstand alleen door middel van dezen factor uiterst
onvolkomen is.

Ook Hermann (2) wijdt in zijn leerboek over Physiologie
eenige regels aan de accommodatie en zegt daarin : «Directe
und nicht mit Ueberlegung verbundene Schätzung der
Entfernung unbekannter Objecte kann mittels des Bewusst-
seins der Akkomodationsanstrengung stattfinden, jedoch
nur für ziemlich nahe Objecte, da schon bei massiger
Entfernung die Akkomodationseinstellungen kaum noch
variiren».

Dan volgt Steiner (3) die in zijn Grundriss der Physio-
logie des Menschen zegt: «Innerhalb mässiger Entfernung,
wo jede Verschiebung eines Objectes im Gesichtsfelde eine
Akkomodationstätigkeit verlangt, um das Object immer
wieder deutlich sehen zu können, kann man aus der
Grösse der Anstrengung welche der Akkomodationsmuskel
(Muskelgefühl) machen muss, erkennen, dass ein Punkt
dem Auge näher liegt als ein anderer und dadurch
erfahren, dass zwei oder meliere Punkte in verschiedener
Entfernung vom Auge liegen, worauf hin auf die Tiefen-
dimension geschlossen werden kann».

In het een paar jaar geleden versehenen Leerboek der
Physiologie noemt ook Prof.
Zwaardemaker (4) de accom-

-ocr page 38-

modatie als hij op blz. 440 zegt: «Wanneer de afstand van
voorwerp tot oog kleiner dan
2 Meter is, kan de wisse-
lende spanning der accommodatie, noodig om scherp te
zien, nog eenige aanduiding geven, maar bij afstanden
grooter dan
2 Meter is men monoculair geheel op erva-
ringsgronden aangewezen». Dan sprekend over de parallax
vervolgt
Zwaardemaker: «Enkel de verplaatsing van het
waarnemend oog en dientengevolge parallactische ver-
schuiving der voorwerpen onderling, kan eenigen steun
verleenen en zelfs daarbij kan ervaring niet worden gemist».

Eveneens zegt Pfalz (i) «Beim monocularen Sehakt wird
die Tiefenwahrnemung vermittelt durch die von mir
sogenannte monokulare stereoskopische Parallaxe und das
monokulare Akkommodations- und Konvergenzgefühl».

Daarentegen zijn er anderen, die van meening zijn dat
bepaling van afstand door behulp van de accommodatie
niet mogelijk is.

Zoo zegt o.a. Witasek (2) van de accommodatie:

«Was die Akkommodation anlangt, so galt sie allerdings
lange Zeit hindurch, und gilt vielfach auch heute noch
als ein besonderes Mittel der Tiefenwahrnehmung. Dabei
ward es freilich nicht immer klar entschieden, ob sie
sogleich als Mittel zur direkten Auslösung einer visuellen
Tiefenempfindung zu betrachten sei, oder ob sie zunächst
lediglich \'eine kinästhetische (Muskel-)Empfindung ver-
mittle, von der aus erst auf dem Wege entweder der
Assoziation oder eines mehr oder weniger unbewussten
Schlussvorganges die blosse «Vorstellung» der Tiefenlage
des gesehenen Objektes erreicht würde. Ob man sich nun
aber die Sache so oder so dachte, auf jeden Fall musste

-ocr page 39-

man sich schon von vornherein damit bescheiden, dass
der Leistungsfähigkeit der Akkommodation verhiiltnismäszig
enge Grenzen gezogen sind».

«Denn wenn sich auch das Akkommodationsgebiet (die
Distanz zwischen Nahe- und Fernpunkt) — allerdings
nur beim Emmetropen, bei Myopie und Akkommodations-
krampf würde sich die Sache noch merklich ungünstiger
gestalten — etwa von 15 cm. bis
CO erstreckt, so ist doch
die Einstellung des Refraktionsapparates für alle jenseits
von einigen Metern gelegenen Entfernungen die gleiche,
und auch innerhalb dieses kleinen Gebietes ist es nicht
nur ein Punkt, sondern eine, mit dem Abstand vom Auge
überdies wachsende Teilstrecke der Gesichtslinie, die
sogenannte Akkommodationslinie, in welcher die bei einem
gegebenen Akkommodationszustande scharf und deutlich
fixierbaren Objekte liegen.
Auch hat man niemals etwas
davon gehört, dass die allfällige Fähigkeit einer monokularen
Tiefenwahrnehmung des unbewegten Auges mit fortschrei-
tendem Alter eine Einbussc erlitte, was doch i?i ziemlich
auffallendem (Masse eintreten müsste, da die Akkommodations-
kraft vom Kindes- bis zum Greisenalter von zirka
14 bis
auf 0 Dioptrien absinkt».

De eerste, die nauwkeuriger bepalingen over den invloed
van de accommodatie op het dieptezien deed, was
Wilh.
Wundt. (1)

Hij stelde voorop, dat om den invloed van de accommo-
datie alléén na te gaan alle andere invloeden moeten worden
buitengesloten en meende dit door de volgende opstelling
te kunnen bereiken.

De proefpersoon zit achter een wand D. E. zóó, dat

-ocr page 40-

hij met één oog bij O door
maakt kokertje van
i\'/j cM.
vlak
A. B.

Tusschen A. B. en D. E.

een van binnen zwart ge-
lengte kijkt naar een wit

bevindt zich een verdeelde

schaal C. D. waar langs voorwerpen wier afstand geschat
moet worden, kunnen verschoven worden. Hiertoe gebruikte
Wundt gewoonlijk een zwarten draad of draden, waaraan
een gewichtje
W.

Voor de eerste proefreeks, welke hij nam, werd één draad
gebruikt. De proefpersoon keek door het kokertje naar den
draad, keek dan vervolgens, terwijl de draad inmiddels
verschoven werd, terzijde en keek daarna door het kokertje
om het afstandsverschi^ te bepalen.

Zoo werd op verschillende afstanden tusschen 2\'/, M.
tot 0,4 M. van het oog van den proefpersoon de grens
der verschuiving bepaald, waarbij nog dichterbij komen
of verder afgaan waargenomen werd. Bij deze proef
moesten dus telkens twee afstanden uit het geheugen
met elkaar vergeleken worden. Om dit mogelijk te
maken moest ten eerste de pauze tusschen de twee
waarnemingen kort zijn en ten tweede telkens even groot.
Uit deze proeven bleek, dat het onmogelijk was een

-ocr page 41-

indruk van een absoluten afstand te krijgen. Een relatieve
schatting was echter mogelijk, wanneer de verschuiving
een zekeren graad bereikt had.
Wundt vond dat die grens
wisselend was en afhankelijk van den afstand, waarop het
voorwerp zich van het oog bevond, zooals uit onderstaande
tabel blijkt.

Afstand van den
draad tot het oog.

Herkenning van afstandsverschil

bij naderbij komen.

bjj verderaf gaan.

2.50 M.

12 cM.

12 cM.

2.20 ,

10 „

12 „

2.00 „

8 „

12 „

1.80 „

8 „

12 „

1.00 „

8 „

11 *

0.80 „

5 „

7 n

0.50 „

W*

6V2 *

0.40 „

4V» „

Uit deze tabel blijkt verder, dat naderbijkomen eerder
wordt waargenomen dan het zich verwijderen van den
draad, wat ook door mijne proeven bevestigd wordt.

Vervolgens nam Wundt een tweede proefreeks met twee
draden, welke gelijktijdig door den waarnemer gezien
werden. Bij deze proefreeks moest de waarnemer dan
aangeven den kleinst mogelijken afstand, waarop hij nog
een verschil in afstand van de draden meende te zien.
Wundt vond hierbij afstanden, die overeenkomen met die
van het naderbij komen van één draad in de eerste proefreeks.

Ruim 40 jaren later herhaalde Arrer (i) WuNDis\'proeven.

-ocr page 42-

Deze onderzoeker volgde in principe de methode van zijn\'
voorganger, met dit verschil echter, dat hij geen garen
draden als voorwerpen gebruikte, doch metaaldraden van
0.22 m.M. dikte, terwijl de achtergrond gevormd werd
door een zwart scherm en de proeven in een donkere
kamer genomen werden. Deze metaaldraden kon hij door
een electrischen stroom afwisselend lichtgevend of donker
maken. Een der draden werd op een\' bepaalden afstand
gehangen en wanneer nu de waarnemer zich voldoende
een idee van den afstand had gevormd, onderbrak de
proefnemer den electrischen stroom, gaande door dezen
draad en liet deze gaan door een\' tweeden draad ,
welke nu eens verderaf, dan weer dichterbij was opge-
hangen. Aldus zijn proeven nemende kwam
Arrer tot
dezelfde resultaten als
Wundt. Eenige jaren voordat Arrer
zijne proeven publiceerde is ook over dit onderwerp geëx-
perimenteerd door
Hillebrand (i), die tegen de methode
van onderzoek van
Wundt opkwam en wel voornamelijk,
omdat de dikte der draden bij afstandsverandering
schijnbaar zeer verandert en dit van invloed zal zijn
op de afstandsbepaling. Hij verwierp principieel alle
proeven met voorwerpen, die dikte hebben, en gebruikte
daarom ter fixatie de scheidingslijn tusschen twee vlakken,
zoodat in geen geval eene schijnbare verandering in de
dikte kon optreden. Eveneens werden parallaktische ver-
schuivingen door eventueel zichtbare details zorgvuldig
uitgesloten en bovendien alle verdere «empirische motieven".
Daartoe ging
Hillebrand aldus te werk. Op een horizontaal
blad
B bevindt zich een verticale as a, .waarom de twee

-ocr page 43-

staafjes ab en ab\' draaibaar zijn. Hiermede zijn rechthoekig
verbonden twee verdeelde scalae (Sc en Sc\') van i M. (ij

-ocr page 44-

lengte, Sc\', waarlangs twee dof zwarte schermpjes Sj en
S2 verschoven kunnen worden. De achtergrond wordt ge-
vormd door matglas
G, dat door lampen gelijkmatig ver-
licht wordt. Boven de as
a is in het voorste scherm V
een kokertje K aangebracht, waarvan het van den waar-
nemer afgekeerde uiteinde door een ovaal diaphragma van
i bij 1.50 c.M. middellijn afgesloten is.

Bevindt het linkerscherm zich op de plaats, zooals in
de figuur is voorgesteld, dan ziet de waarnemer de eene
helft van het ovale diaphragma zwart, de andere helft
helder verlicht. De grootte van het diaphragma is nu zoo
gekozen, dat de waarnemer verder niets van het toestel
ziet. Ten slotte zijn de scalae
Sc en Sc\' door een (ver-
bindings-) staaf verbonden en wel zoo, dat de twee scher-
men S en
S1 bij draaiing om de as a nooit gelijktijdig in
het gezichtsveld van den waarnemer komen. Bewegingen
van het hoofd worden vermeden door een onmiddellijk
aanleggen van de omgeving van het oog tegen \'t kokertje (k).

Met dit toestel nam Hillebrand twee reeksen van
proeven.

Bij de eerste reeks moest de waarnemer aangeven begin,
einde en richting der beweging. Met resultaat hiervan was,
dat de waarnemers begin en einde absoluut niet en de
richting waarin het scherm verschoven werd, afwisselend
goed en Verkeerd aangaven.

Bij de tweede reeks werd aldus te werk gegaan: de
waarnemer stelt zich in op het linker scherm, is dit ge-
beurd dan wordt om as
a het systeem (a, b, Sc, S, Sc\', S2, b1)
gedraaid, zoodat het linker scherm uit het gezichtsveld
verdwijnt en het rechter scherm, doch op een anderen
afstand van het oog, in het gezichtsveld komt. De waar-
nemer moet nu aangeven of het rechter scherm zich dich-
terbij of verderaf dan het linker bevindt.

Hieronder volgen nu eenige resultaten van deze manier
van experimenteeren.

-ocr page 45-

Bij waarnemer I (E visus normaal). Afstanden waar-
tusschen geëxperimenteerd wordt 250—1000 mM. Van
dichterbij gaande naar veraf, worden bijna zonder fout
erkend de afstanden :

250—500 mM. (omgezet in dioptrieën 4 — 2 ; verschil

2 dioptriën).

290—660 » ( » » » 3.5—1.5; verschil

2 dioptriën).

Gaande van veraf naar dichterbij wordt bijna zonder
fout berekend de afstanden :

660—290 mM. (omgezet in dioptrieën 1.5—3.5; verschil

2 dioptriën).

500—250 » ( » » » 2—4 ; verschil

2 dioptriën).

Bij waarnemer II gaande van veraf naar dichterbij wordt
zoo goed als juist berekend de afstanden :

500—290 (2 —3.5 D; verschil 1.5 D).

330—250 (3 —4 D ; » i D).

290—200 (3.5 — 5 D; » 1.5 D).

Dixon (i), die de proeven van Hillebrand nadeed, kwam
tot dezelfde resultaten.

Bourdon (2) experimenteerde op afstanden, grooter dan
een meter. Even als
Arrer deed hij zijn proeven in het
donker met lichtende voorwerpen (lantaarns) en om te
zorgen, dat de waarnemers niel zouden kunnen afgaan op
het verschil in lichtsterkte, heeft hij deze door diaphragmata
geregeld. Hoe verder af het voorwerp geplaatst was, des
te sterker maakte deze onderzoeker de lichtsterkte, zoodat
behalve verandering in dikte bij afstandsverandering ook

-ocr page 46-

dit hulpmiddel den waarnemers wordt ontnomen. Daaren-
boven zorgde hij, dat van het oog van den waarnemer
gezien, het ook scheen of beide objecten zich in hetzelfde
horizontale vlak bevonden. Aldus zijn proeven inrichtende
werd eerst verschil in afstanden aangegeven, wanneer de
meest verwijderde lichtbron zich bevond op 6.50 M. en
de dichtstbijzijnde op 2 M., terwijl dan bij het eenmaal
herkennen van het onderlinge afstandsverschil leek of dit
dan maar zeer gering was.

Door de groote afstanden, waarop Bourdon deze proeven
nam bewees hij niets omtrent den invloed van de accom-
modatie. Gaat men bij de proeven èn van
Wundt èn van
Hillebrand na hoe het met het buiten gesloten zijn van
de parallax gesteld is, dan blijkt dat
Wundt dit absoluut
genegeerd heeft en
Hillebrand ze bij zijne tweede proef-
reeks nogal nonchalant behandeld heeft. De methode,
waarbij
Wundt den waarnemer telkens tusschen twee
waarnemingen het hoofd opzijde laat wenden is toch uit-
stekend geschikt om de parallax tot zijn volle recht te
doen komen. Hij heeft dus niet den invloed van de accom-
modatie alleen bepaald, maar dien van de accommodatie
gecombineerd met oog- en hoofdbewegingen. Ook bij de
tweede reeks van proeven van
Hillebrand is de parallax
niet uitgesloten. Verdwijnt namelijk de eene kant van het
rechter scherm uit het gezichtsveld dan volgt het oog
deze; tegelijk dat deze verdwijnt, komt aan de linkerzijde
de kant van het andere scherm in het gezichtsveld en
maakt het oog dan een zijdelingsche instelbeweging.
Bijlsma, die ook terecht deze bezwaren tegen de proeven
van
Wundt en Hillebrand maakte, trachtte in zijn niet
gepubliceerde proeven de waarde van de accommodatie aan
te toonen, door te bewijzen dat de accommodatie en pa-
rallax in samenwerking meer presteeren dan elk afzonderlijk.
Om dit voor elk afzonderlijk na te gaan maakte
Bijlsma

-ocr page 47-

gebruik van een toestel, dat principieel overeenkomt met
dat van
Hillebrand.

Fig. IV.

De waarnemer zit achter scherm CD, waarin van binnen
een dof zwart gemaakt kokertje O van 10 c.M. lengte en
2.8 c.M. (binnenwerks)doorsnede, waarin aan de voorzijde
diaphragmata van verschillende grootten geplaatst kunnen
worden De kin rust op een verstelbaar statief F. Door de
omgeving van het oog tegen het kokertje te laten rusten, kan
het hoofd goed stil gehouden worden. Door dit kokertje
kijkt de waarnemer naar een wit vlak
A B, dat door twee
lampen zooveel mogelijk gelijkmatig verlicht wordt.

Tusschen AD en CD kunnen twee dof zwart gemaakte
en met scherpe kanten voorziene vierkante schermpjes
Si
en S2 verschoven worden, zoodat de middelste hoekpunten
altijd in de as -van het kokertje blijven (i). Het gezichtsveld

(1) Bij het overdoen van Bijlsma\'s proeven bleek my doze bowo-
ring onjuist to z\\jn, daar gonoomde ondorzookor, doordat do rails,
waar langs do schormpjoa bowogon worden, evenwijdig gostold
waron en hy dus do passieve parallax niot buitengesloten had.

-ocr page 48-

wordt bepaald door den binnenrand van het kokertje,
zoodat men hierdoor een rond vlak ziet, verdeeld in vier
kwadranten, twee wit verlichte en twee zwarte.

Door op deze manier te werk te
gaan meende
Bijlsma de afmetin-
gen van de objecten buiten te slui-
ten. Hij nam nu twee reeksen van
proeven : in de eerste plaats werd
de invloed van de grootte van
het diaphragma in verband met
accommodatie en afstand nage-
gaan. Daartoe werden achtereen-

volgens diaphragmata gebruikt van i—2—3—4—5 —10—20
m.M. De schermen
St en S2 werden geplaatst opiooc.M.
afstand van het oog van den waarnemer. Telkens werd
nu, terwijl het kokertje aan den binnenkant afgesloten
werd, het scherm
S2 iets dichter bijgebracht en de afstand
bepaald, waarop voor het eerst werkelijk verschil in afstand
tusschen
Sl en S2 gezien werd. Soms werden de kanten
van het eene scherm onduidelijker gezien dan die van het
andere en alleen daaruit tot afstandsverschil besloten. Dit
werd genoteerd als «niet te zien». Behalve op 100 c.M. werden
deze waarnemingen gedaan bij een afstand van 60 c.M.
en van 30 c.M. van het scherm
St. Deze drie verschillende
afstanden werden genomen om te zien of zij ook van
invloed waren. (Volgens
Wundt zou dit wel, volgens Hille-
brand
niet het geval zijn).

Bijlsma nu vond wat den invloed van de diaphragma-
wijdte betreft, dat bij 1 m.M. diaphragmawijdte een ver-
schil van 2.4 dioptrieën waargenomen werd ; bij 2 m.M.
een verschil van 0.8 D.; bij 3 m.M. een verschil van
0.75 D. Bij grootere diaphragmawijdte bleef dit hetzelfde,
dus bij eene kleine vergrooting van het diaphragma een
snelle toename in het dieptezien, doch bij grooter worden

-ocr page 49-

dan 3 m.M. van het diaphragma, zelfs tot een grootte
van 20 mM., bleek geen toename van het dieptezien meer
op te treden. Dit alles werd daarna nog eens bepaald,
nadat de accommodatie door homatropine was opgeheven. Nu
bleek bij een diaphragma wijdte van 1 m.M. geen afstands-
verschil gezien te kunnen worden (1). Bij 2 m.M. een verschil
van 1.8 D.; bij 3 m.M. van 1.2 D.; bij 4 m.M. een verschil
van 0.75 D., dus weer een snelle toename bij geringe
diaphragmavergrooting, terwijl het afstandsverschil in
dioptrieën gemeten grooter was dan toen de accommodatie
nog in het spel was. Verder bleek dat de invloed van de
accommodatie grooter was, naarmate het scherm Sj dichter
bij den waarnemer gesteld werd. Uit een tweede reeks
proefnemingen, waarbij door verschillende waarnemers bij
een constant diaphragma van 50 m.M. wijdte met en zonder
accommodatie bij verschillenden afstand van het scherm Sj
(100—60 — 30 c.M.) afstandsverschil bepaald moest worden
bleek, dat deze na de inwerking van homatropine grooter
moest zijn om waargenomen te kunnen worden dan voor
de inwerking en wel des te grooter naarmate de schermpjes
het oog van den waarnemer naderbij kwamen.

De grootste bezwaren tegen de wijze van proefnemen
van
Bijlsma, die mij tot een andere wijze van experimen-
teeren hebben gebracht, zijn :

i°. het niet uitsluiten van de passieve parallax ;

2°. het niet zorg dragen voor gelijk blijvende belichting
der voor zijne proeven gebruikte vlakken.

Uit het voorafgaande blijkt genoegzaam hoeveel moeite
de onderzoekers zich hebben getroost om een antwoord
te vinden op de vraag hoeveel de monoculus in dieptezien

(1) Dit is mijns inzions ook grootendools to stollen op rokoning
van do bij dit zoo nauwe diaphragma slocht wordondo bolichting.

-ocr page 50-

achterstaat bij den binoculus en welke factoren den mono-
culus nog resten om dit verlies eenigermate te verhelpen.

Onze hedendaagsche sociale toestanden echter zullen zich
met de tot nu toe gegeven antwoorden niet tevreden
kunnen en willen stellen. Men zou gaarne een fundament
hebben, waarop het gebouw der rente-uitkeering aan den
getroffene kan opgetrokken worden. Daarvoor is in de eerste
plaats noodig, dat proeven dienaangaande genomen wor-
den en wel binnen die afstandsgrenzen, waarin de
praktijk in het algemeen zich beweegt. Ons modern leven
heeft namelijk den arbeider van het wijde veld terugge-
drongen naar een scherp begrensd plekje, d. w. z. naar
zijn vierkanten meter in trafiek en fabriek. En of iemand
nu binnenshuis tapijten weeft of instrumenten maakt of
dat de zeeman van aleer nu arbeider in de machinekamer
van een zeekasteel geworden is, in verreweg de meeste
gevallen is de betrokken arbeider gedwongen op korten
afstand te werken.

Het zou dus zeer gewenscht zijn om in de allereerste
plaats aangaande het monoculair arbeiden op dien korten
afstand meer gegevens te zijner beschikking te hebben.
Tot nog toe is meer geëxperimenteerd op grooten afstand
of riep men omstandigheden in het leven, die in de prak-
tijk eigenlijk niet voorkomen. Deze overwegingen brachten
mij er toe-een paar reeksen van proeven te nemen, waarbij
het onderzoek wordt gedaan onder omstandigheden, welke
min of meer met de werkelijkheid overeenkomen. Als
eenvoudigste voorbeeld heb ik mij daarbij gedacht een
wever, d. w. z. iemand die bij diffuse belichting binnen
den afstand van één meter met draden werkt, hetzij gelijk
of ongelijk van dikte en kleur.

-ocr page 51-

HOOFDSTUK III.

Proefreeksen over binoculair- en monoculair
dieptezien.

Daar het mijn voornemen was meer in het bijzonder
na te gaan, welke waarde de accommodatie voor het
dieptezien heeft, moesten de draden, die ik voor mijne
proeven gebruikte, zóó opgesteld worden, dat alle andere
hulpmiddelen, die gebruikt zouden kunnen worden om te
bepalen op welke afstanden deze draden zich bevonden,
zooveel mogelijk uitgesloten worden.

Ter verduidelijking van de wijze, waarop ik getracht
heb aan dezen eisch te voldoen, laat ik hier de beschrij-
ving van de opstelling mijner proeven volgen.

A. BESCHRIJVING VAN HET GEBRUIKTE TOESTEL.

Het toestel i) bestaat uit een scherm (S), in het midden
waarvan eene ovale opening is aangebracht. In deze opening
past aan de voorzijde een dubbel oculair (O), waarvan de
grootte door middel van een beweegbaar diaphragma van
0 tot 25 mM. middellijn veranderd kan worden en waarvan

1) Zie figuren VI on VII.

-ocr page 52-

Fig. VII.

-ocr page 53-
-ocr page 54-

Dit geldt zoowel voor de door mij gebruikte witte als
voor de gekleurde draden. Om eene snelle verwisseling
der draden mogelijk te maken, is de galginrichting
voorzien van katrollen, waarover de aan elkaar gehechte
draden van verschillende kleur en dikte gemakkelijk ver-
schoven kunnen worden. Aan het einde van de rails be-
vindt zich evenwijdig aan het scherm S een dof zwart
geverfd verschuifbaar scherm
Sl.

B. METHODE VAN ONDERZOEK.

De waarnemer zet zich voor het toestel met de kin
rustend op den kinsteun (K), de oogen of één oog geplaatst
voor het oculair (O) en ziet dan door de buis (B) naar de
aan de galgen (G en G\') aangebrachte draden, welke goed
gewast zijn, ten einde instelling op draadvezeltjes en der-
gelijke te voorkomen. Voor gelijk verlicht blijvenden ach-
tergrond wordt gezorgd door scherm

Alle navolgende beschreven proeven zijn genomen bij
diffuus daglicht in de op het N.N.W. gelegen polikliniek-
zaal van het Nedeiiandsch Gasthuis voor Ooglijders te
Utrecht. De inrichting van het toestel, de methode van
onderzoek en de uitkomsten der proeven werden voor den
waarnemer geheim gehouden.

-ocr page 55-
-ocr page 56-

JProefreelts -A.,
waarbij de waarnemer nog over zijne accommodatie beschikt.

Voor deze eerste reeks van proeven hebben zich wel-
willend beschikbaar gesteld
vijf ontwikkelde personen.
Eerst heb ik getracht deze proeven met patiënten van het
Gasthuis voor Ooglijders te doen, maar hoewel zij zeer
bereid waren mij te helpen, konden zij hun aandacht niet
lang genoeg bij dit onderzoek bepalen, waarschijnlijk omdat
zij er niets van begrepen en er dus ook niets voor gevoel-
den. In elk geval waren van deze personen na enkele
waarnemingen geen betrouwbare gegevens meer te krijgen.

Dat ik met mijn proeven geslaagd ben, heb ik dan ook
voor een groot deel te danken aan de bereidwilligheid, het
geduld en de nauwgezette oplettendheid van de waarnemers.

Van dezen waren er vier emmetroop met een visus van
G/fi en één hypermetroop van 4 dioptrieën, welke laatste
door een positief spherisch glas van 4 dioptrieën volkomen
gecorrigeerd was en dan eveneens fi/6 visus had. Kortheids-
halve worden deze 5 waarnemers in de volgende tabellen,
welke de uitkomsten der waarnemingen weergeven, aange-
duid als Wi, VV2, W3, \\V4enW5, de laatste is de hyper-
metrope. Wat hun
leeftijd betreft varieeren de waar-
nemers van 25 tot 32 jaar. De
oculairwijdte voor alle in
deze reeks genomen proeven bedraagt 6 m.M. middellijn;

-ocr page 57-

de zijdelingsche onderlinge afstand der draden op 100 c.M.
20 m.M.

Bij de voorbereiding der proeven waren de rails even-
wijdig geplaatst, zoodat ovaral de onderlinge zijdelingsche
afstand der draden 20 m.M. bedroeg. Er werd toen echter
bij het bewegen der draden nog steun gevonden in de
passieve parallax.

Om deze parallax nu uit te sluiten werden de rails zóó
geplaatst, dat de draden naarmate zij dichter bij den waar-
nemer kwamen, ook meer de mediaanlijn naderden. Terwijl
dus op i meter de onderlinge zijdelingsche afstand 20 m.M.
bedroeg, bedroeg deze op 50 cM. de helft en op 25 cM.
een kwart, en zouden de bewegingsrichtingen der draden
elkaar bij monoculaire waarnemingen in het oog van den
waarnemer, en bij binoculaire waarnemingen midden tus-
schen beide oogen snijden. Met
Hf.ring kan men toch kort-
heidshalve zeggen, dat binoculair een voorwerp gezien
wordt in de richting, waarin het gezien zoude worden
door een denkbeeldig oog, dat midden tusschen beide oogen
geplaatst was.

Bovenbeschreven verandering in de richting der rails
bleek afdoende te zijn, en was daarmee de passieve parallax
geheel uitgesloten.

Wat de snelheid, waarmede de draden bewogen werden,
betreft, diene nog gezegd, dat, voor zoover niet uitdruk-
kelijk anders wordt aangegeven, steeds verschoven werd
met een snelheid van 2
c.M. per seconde, hetgeen geregeld
werd door middel van een metronoom.

Door de kin op den kinsteun te leggen en het voorhoofd
flink tegen de kap van het oculair aan te drukken, waren
hoofdbewegingen uitgesloten.

De regeling der proeven was nu als volgt: de waarnemer
ziet hetzij bi-, hetzij monoculair (hierbij zij nog even ver-
meld dat er voor gezorgd werd, dat hij volkomen centraal

-ocr page 58-

ingesteld was) naar een op de linkerrail op 25 c.M. van zijn
oogen of oog geplaatsten draad, deze draad is de
stabiele.
De mobiele draad op de rechterrail werd nu op een zoo-
danigen afstand van den stabielen geplaatst, dat zij dui-
delijk, zooals voorloopige proeven mij hadden geleerd, den
indruk maakten van niet in één frontaal vlak te staan (d. w. z.
precies evenver van den waarnemer verwijderd). De mobiele
draad werd nu in elke serie van 10 waarnemingen eerst
tweemaal achter den stabielen geplaatst, vervolgens driemaal
vóór den stabielen, daarna weer tweemaal achter, ten vierde
tweemaal vóór en ten laatste éénmaal achter. Dit alles om
te
voorkomen, dat de waarnemer zich zou kunnen orien-
leeren naar individueele indrukken
, waartoe bovendien
nog de voorzorg genomen werd om den
beginafstand
telkens verschillend te nemen, ten einde den waarnemer
ook de mogelijkheid te ontnemen zich vast te kunnen
houden aan
lijdsindrukken, d. w. z. den tijd gedurende
welken de mobiele draad zich bewoog. Van den waarnemer
werd nu verlangd, dat hij het juiste oogenblik zou aan-
geven, waarop hij den stabielen en mobielen draad in één-
zelfde frontale vlak meende te zien, dus met andere woorden
evenver van hem verwijderd. Deze uitkomst werd nu
telkens genoteerd. Bleek nu, dat op dat oogenblik de
mobiele draad zich bevond
achter den stabielen, dan werd
die afstand genoteerd tot in */4 cM. nauwkeurig en wel
in dit geval voorzien van een
plusteeken; werd daaren-
tegen de fout
vóór den stabielen gemaakt, dan werd het
aantal cM. aangeteekend met het
mintccken er voor. Wat
men nu moet verslaan onder de termen «gemiddelde fout»
en «verschil in uitersten» onder elke serie van 10 waar-
nemingen in de tabellen geplaatst, wil ik even aan de hand
van tabel I (bl. 50) nader omschrijven. De fout bedraagt
b. v. bij de eerste waarneming in tabel I, waarbij de mobiele
draad van achteren naar voren werd bewogen — 0.25 cM.,

-ocr page 59-

bij de tweede waarneming wederom van achteren begon-
nen 0,

bij de derde

» » vierde

» » vijfde

» zesde

» zevende

» achtste

» negende

» tiende

» achteren »

dus de som der fouten, het plus en minteeken niet in
aanmerking genomen, is 1.50 cM. De gemiddelde fout op
een afstand van 25 cM., bedraagt derhalve 1.50 cM. :
10
= 0.150 cM. De grootste plusfout bedraagt in deze
serie-4-0.25 cM. en de grootste minfout — 0.25 cM., het
verschil in stand bij de grootste fouten is dus
0.500 cM. Deze
som wordt nu onder elke serie van 10 in de tabellen aange-
duid als «verschil in uitersten». Behalve nu op een
afstand
van 25 CtM. van den stabielen draad worden dergelijke series
van 10 ook genomen op afstanden van 50, 75 en iooctM.
van den stabielen draad. De
kleur en dikte, van de bij iedere
viertal series van 10 waarnemingen gebruikte draden, staat
bij elke tabel aangegeven. De uitkomsten dezer proeven
vindt men in de tabellen I tot en met IV weergegeven.

- - 0.25 cM.
-h O.25
o

- - 0.25

O

4- 0.25
o

— 0.25

van voren begonnen

» achteren

» voren

-ocr page 60-

3? roefreeks JB.

Accommodatie door homatropine verlamd.

Bij de waarnemingen, opgeteekend in de tabellen van
I tot en met IV, had de waarnemer de beschikking over
zijne
accommodatie, terwijl bij die opgeteekend in de
tabellen V tot en met VIII zijne accommodatie verlamd
was. De verlamming der accommodatie was aldus be-
werkstelligd : ± vijf kwartier vóór dat de proeven een
aanvang zouden nemen werd de waarnemer flink ingedrup-
peld met eene homatropine-oplossing van i procent, één
uur later, dus een kwartier vóór het begin der proef, nog
eenmaal. Dat werkelijk verlamming der accommodatie was
ingetreden, bleek door leesproeven met de bekende opto-
typen ad visum determinadum van
Snellen.

De proeven werden niet langer dan ruim een uur voort-
gezet; duurden zij eventueel langer, dan werd nog eens
met homatropine ingedruppeld.

Proefreeks O.

Accommodatie verlamd, correctie met glazen.

Bij de derde reeks van proefnemingen, opgeteekend in
de tabellen IX tot en met XII, werd als volgt te werk
gegaan :

Nadat de waarnemer, evenals bij proefreeks B geschiedde,
door indruppeling met homatropine het gebruik van zijne
accommodatie ontnomen was, werd hem echter bij deze
proefreeks voor den betreffenden afstand van den stabielen
draad een positief glas voorgezet, dat hem voor dien af-
stand volkomen instelde, respectievelijk dus bij:

25 cM. een positief glas van 4.— dioptrieën

i> » 2.— »
0 » I.25 »
» » i.— dioptric.

»

100 » »

N.B. Bij de proefreeksen A, B en C waren parallactische
bewegingen uitgesloten.

-ocr page 61-

Proe£reeks D.

Accommodatie aanwezig, parallax toegestaan.

Voor deze vierde proefreeks hebben zich wederom vijf
personen beschikbaar gesteld, te noemen W6, W7, W8,
W9 en Wio, waarvan de nummers W6 en Wio, ook
reeds aan de vorige proefreeksen medewerkten, respec-
tievelijk als nummers Wi en W5.

De drie nieuwe waarnemers waren emmetroop met
6/6 visus en hun leeftijd varieerde eveneens tusschen 25
en 30 jaren.

De oculairwijdte in deze reeks van proeven bedraagt
25 mM. middellijn. De zijdelingsche onderlinge afstand
der draden bedraagt overal over de geheele lengte 20 mM.;
doordat de rails
R en R\' hier evenwijdig blijven, kan de
waarnemer de passieve parallax als hulpmiddel gebruiken.
De regeling der proeven was verder geheel gelijk aan de
methode van waarnemen van de proefreeksen A, B, C.
Het verschil tusschen de proefreeksen A, B en C en proef-
reeks D, is dat bij proefreeks A, B en C, zoowel pas-
sieve als actieve parallax waren uitgesloten, terwijl bij
proefreeks D het gebruik dezer hulpmiddelen gradatim
was toegestaan, waardoor dus de waarnemer meer en
meer in gunstiger condities kwam.

Proefreeks !E.

Accommodatie verlamd, parallax toegestaan.

Ten slotte werd bij deze laatste proeven, evenals bij
proefreeks B geschiedde, den waarnemers door homatro-
pine hunne accommodatie als hulpmiddel ontnomen en werd
verder gehandeld als bij proefreeks D.

-ocr page 62-

TABELLEN.

-ocr page 63-

c.M.

cM.

c.M.

c.M.

— 0.25

— 0.25

— 0.25

— 0.50

0.25

0.50

0

— 0.25

4- 0.25

0.25

0

4- 0.50

0

0

0.25

0.60

— 0.25

0

— 0 25

0

0

0 25

0

0

0

— 0.25

4- 0.50

— 0.25

4. 0.25

0

0.25

0.26

0

-f 0.25

4- 0.50

0

— 0.25

0

— 0.25

— 0.25

0.150

0.176

0.225

0.250

0.500

0.750

0.750

1.000

^ËEKS A.

Van de accommodatie.

Tabel III. — De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is eveneens
wit, doch in elke serie van
10, achtereenvolgens van de volgende dikte: No. 20,150,
40, 150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Waarnemer 1.

^bel IV. — De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is
rood en in elke serie van 10, achter-
eenvolgens van de volgende dikte: No. 20, 150, 40, 150,
20, 20, 150, 40, 150, 20.

Van achteren begonnen

„ achteren „

„ voren „

„ voren ,,

„ voren „

„ achteren „

,, achteren „

„ voren ,.

„ voren „

„ achteren ,.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

Afsta nde ii:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

Van

achteren begonnen . . .

0

— 0.25

-f 0.50

0.25

11

achteren

ii ...

0.25

— 0.25

— 0.25

0

11

voren

ii ...

0

0.25

0.25

0 25

voren

v ...

-f 0.25

0.25

0

-f- 0 50

voren

ii ...

-f 0.25

0

— 0.25

0

ii

achteren

ii ...

-f 0.25

0.25

-f 0.25

— 0.50

ii

achteren

ii ...

0

0

— 0.50

0.50

ii

voren

i. ...

0.25

— 0.25

0

0

ii

voren

ii ...

0

0

0

— 0.25

ii

achteren

ii ...

— 0.25

0

— 0.25

— 0.50

Gemiddelde fout . .

0.150

0.150

0.235

0.275

Verschil

in uitersten . .

0.500

0.500

1 000

1.000

Afstanden:

25 c M.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

c M.

c.M.

c.M.

c M.

Van

achteren begonnen . . .

— 0.25

— 0.26

0

— 0 25

ii

achteren

ii ...

0

— 0.25

0

4- 0.25

ii

voren

ii ...

0

0

4- 0.25

0

ii

voren

ii ...

0

— 0 25

— 0.25

— 0.25

ii

voren

ii ...

0

0 25

— 0.60

0

n

ach toren

ii ...

4- 0.25

0

0

— 0.50

ii

achte ron

ii ...

— 0 25

0

— 0.25

0

ii

voren

ii ...

0

0

— 0.50

4- 0.50

ii

voren

ii ...

0.26

4- 0.25

0

— 0.50

ii

achteren

ii ...

— 0.25

— 0 25

— 0.26

4- 0.60

Gemiddelde fout . .

0 125

0 150

0.200

0.275

Verschil in

uitersten . .

0.500

0.500

0.750

1.000

PROEÏ1

BINOCULAIR met behou

L

-ocr page 64-

52

F HOE*

MONOCULAIR met behoud

Twee gelijk dikke wiW

Tabel I.

Afstanden:

25 cM.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

0.50

5.25

4.-

9.75

1.25

4.50

8—

5.50

— 3.75

3.75

— 7.25

8.50 !

— 3.—

— 4.—

— 11.25

12.-

Waarnemer 1.

— 4.—

4.75

— 5.50

3.-

-f 3.50

— 1.50

— 6—

— 4.50

— 1.25

6.50

— 8—

5.50

— 1.50

3.25

8.25

15.25

— 2.—

5—

— 10.50

- 17.75

— 5.—

— 7.50

— 7.75

— 7.75

Gemiddelde fout . .

2.67

4.60

7.05

8.96

Verschil in uitersten . .

8.60

14.—

10.60

33.—

— 2.75

5—

11.25

- 8.75

2.50

2.50

4—

6.-

3.50

5.50

— 3.50

10-

4.-

11-

9.50

10.—

3.75

4- 6.25

18.50

— 14 75

Waarnemer 2.

1.25

— 3.75

9.60

— 9.50

— 0.50

— 6—

— 5.50

14.25

4.50

7.50

9-

5.75

1.50

5.75

8.75

10.—

— 0.50

2.-

1.75

— 8.—

Gemiddelde fout . .

2.47

6.62

8.12

0.70

Verschil in uitersten . .

7.26

17 —

24 —

2.50

— 9.25

— 4.75

— 14.25

-f 3.25

— 5.50

— 4.26

— 8.—

1.50

_ 2_

— 4.—

— 3.—

4.-

— 2.25

— 7.50

— 8.60

0.25

_ 1.—

— 9.25

—13.76

Waarnemer 3.

1.25

— 4.50

10.-

- 7.-

3.50

— 6.50

2.76

12.-

— 2.—

— 1.25

— 4.—

— 7.-

2.60

-f 7.25

— 18.50

4.60

-f 3.-

2.75

3.25

—10.76

Gemiddelde fout . .

2.»7

4.22

-0.82

8.87

Verschil in uitersten . .

*

0.—

1660

28.60

26 2®

ÏIEEKS A.

van de accommodatie.

draden (dikte No. 40).

Afstanden:

25 c.M.

50 c M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 0.50

— 4.75

— 18.25

20.26

— 3.50

— 7.50

4.25

9.-

— 1—

— 4.25

— 15.—

— 10.—

3.26

— 5.—

— 7.25

— 6.—

Waarnemer 4.

— 1.75

— 4.25

— 18.60

— 3.60

— 2 50

— 2.50

4.75

14.—

— 8.—

0.-

— 17.25

14.25

— 3.50

— 4.76

— 4.75

4-

- 2.75

— 8.25

— 5.—

15.75

— 2.25

— 1.50

3—

— 10.60

Gemiddelde fout . .

2.40

4.87

0.80

10.72

Verschil in uitersten . .

0.75

14.25

23.25

30.75

— 2.25

— 6 —

— 9 50

6.50

— 3.—

— 4.—

13.-

— 26.25

1.26

1.50

3.76

— 16.—

2.50

4.75

— 9.75

— 18.-

Waarnemer 5.

3.-
— 2 25

6.76
6.25

— 8.75

— 11.—

12.60
10.-

— 4.—

1.76

o—

0.26

2 60

— 2.50

7.25

4.26

— 0.25

— 6.—

0.-

1.75

— 4.—

— 2.60

5.6(1

1.26

Gemiddelde fout . .

2.60

4.20

8.85

10.37

Verschil in ai tersten . .

7.—

12 76

24.—

37.76

Als gemiddelde van de

hierboven gevonden waarden vindt

men:

2.57

4.60

7.65

8.05

2.47

5.52

8.12

u.70

2.37

4.22

6.32

8.87

2 40

4.87

9 80

10.72

2.50

4 20

8 35

10.37

Gemiddelde fout . .

2.40

4.08

8.14

0.72

8.50

14 —

19.60

33.—

725

17 —

24 —

29.—

16 60

23.50

26 25

6 75

14.25

23.25

30.75

__

7.—

12.76

24 —

37.75

bemiddeld verschil in uitersten.

7.10

14.00

23.85

»1.35

-ocr page 65-

54

PROEF

MONOCULAIR met behoud

Twee gelijk dikke draden (dikte No. 40), docb

TABKL II.

j

Afstanden.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

5.50

7.-

13.75

16.75

— 1.—

12.—

15.75

20.—

4.—

8.25

— 1.50

3.50

5.75

7.50

— 2.50

14.75

Waarnemer 1.

3.50

5-

9.-

8.25

4.75

10.25

17 25

18.50

— 1.25

16.-

19.-

6—

2 50

8.75

9--

10.25

2.-

6.25

10.75

4.—

3.75

10.-

4- 7 50

12.50

Gemiddelde fout . .

3.40

9.—

10 60

11.45

Verschil in uitersten . .

7 —

11.—

21 50

10 50

-ft

|

3.60

2.50

12.-

-f-25 50

— 1.75

16.25

5—

22.—

6.60

7.75

6.50

10.26

6.-

13.50

0.75

13.25

Waarnemer 2.

5.60

13.-

16 25

19.75

— 0.75

10.-

11-

12.75

3—

4.75

21.—

8.50

7.60

3.75

10 25

2.75

1.-

4.25

13.75

6.50

3.25

0

4.25

20.50

Gemiddelde fout . .

3.87

7.47

10.07

14.17

Verschil in uitersten . .

0.25

15.25

20 25

22.75

rsJ

— 1 50

6.76

10.25

13 25

— 2.75

3.75

11.60

16-

2.50

— 2.50

— 8.26

— 10.25

— 2.50

14.—

— 5.—

12.25

Waarnemer 3.

1.50

— 4.50

— 6.50

-f 3.75

— 2.75

11.-

20.—

13 25

3 50

5.25

5 50

7.50

4.-

— 2 50

2 50

3.-

2 75

- 2.—

0 25

4.—

— 2.50

3 60

14 50

9.50

Gemiddelde font . .

2.02

5 57

8 42

0.17

Verschil in uitersten . .

0.76

18.50

28.25

25.25

J

REEKS A.

Van de accommodatie.

groen en rood van kleur (de roode is de mobiele).

A f 8 t

a d d e n.

25 cM.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 3.50

— 4.75

— 18 —

— 8 50

— 4.50\'

— 10.—

—15.76

— 2.—

4-1.50

4-5 50

—15.—

4- 16.50

4-2.75

— 8.75

4- 15.50

4-16.50

Waarnemer 4.

1.-

— 3.75

4-17.26

— 10.—

— 6.50

— 10 —

— 2.60

4- 12.50

N

— 4.50

— 7.—

— 14.—

— 10.—

4-2.50

— 5.50

4- 6.50

— 5.75

4-1.75

— 4.25

4- 4-

-f 22.25

— 3.—

— 0.—

— 7.-

4- 16.50

Gemiddelde fout . .

3.15

0 55

11.55

12.05

Verschil ia uitersten . .

».25

15.50

35.25

32 25

— 0.75

4- 13.60

4-23.25

4 10.50

— 2 75

4-u-

4-20.—

4- 12.25

4-2.-

4- 8.-

— 10.50

4- 10.25

— 1 50

— 3.—

4- o.-

— 5.—

4-3 50

- 1.76

4- 0.50

4- 0 60

Waarnemer 6.

4-2.75

4-12.-

4-11.60

4-12.-

4-3.50

4-20.76

4-18 60

4-20.—

4" 1.60

— 4.—

4-13.-

4- 6.-

4-2.25

4- 8.60

4-3 25

4-12.75

4-4.-

4- 10.60

4- 22.50

4- 22.75

Gemiddelde fout . .

2 45

0 30

13.80

18 80

Verschil ia uitersten . .

0 75

24.75

33.75

27.75

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt

men:

3.40

0 —

ÏU.OO

11.45

3 87

7.47

10.07

14.17

2.02

6.57

8.42

0.17

3.15

(156

11 55

12.05

2 45

1) 30

13.80

13.80

—~_____

Gemiddelde fout . .

il.10

7.58

10.80

12 13

7-

11.—

21.60

10.50

0 25

15.25

20 25

22.76

<1.76

18.50

28.25

25.25

0 25

15.50

35 25

32.25

__

0.75

24.75

33.76

27.75

Gemiddeld verschil in uitersten.

7 80

17.—

27.80

24 00

-ocr page 66-

proeï" ^SEKS A.

36

57

MONOCULAIR met behoud

De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de rechter mobiele

volgende dikte: No. 20, 150, 40,

Tabel III.

Van de accommodatie.

18 eveneens wit, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de
150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Afs tanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

/

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

3.76

5-

15.50

22.50

2.50

— 3—

— 14—

— 17.25

— 2.75

— 3.50

2.-

— 3.50

— 5—

—14.25

— 15.25

— 30.50

Waarnemer 1.

— 2.50

— 3.50

4.60

»•-

—15—

20.50

28—

18—

— 4.50

— 10—

— 7.50

— 10—

— 1.75

2-

- 2.75

— 4.50

— 4.75

— 9.50

— 18—

— 3.60

— 5—

20.25

14.60

22—

Gemiddelde fout . .

4.75

10.15

12.20

14.07

Verschil in uitersten . .

18.75

40.75

40—

53—

— 1.50

15.50

10-

8.50

— 5.76

3.50

— 12.50

. 5.60

0.60

— 7.50

5.75

— 6—

11-

— 11.76

5.50

— 21.26

Waarnemer 2.

10-
6.26

10-
11-

12-
O.-

8.50
12.76

— 5—

— 0—

— 0.60

— 8—

— 3—

— 7.50

— 13—

— 8.76

2.76

— 12—

— 8.50

— 16—

3—

5.25

14—

8.26

Gemiddelde fout . .

5.87

»—

0.97

10.15

Verschil in uitersten . .

10.75

27.50

27 —

34—

0.50

10.25

15.26

11 60

1.50

— 10—

— 4.50

12-

1 —

— 4.76

— 6.25

1725

— 1.50

— 2.75

— 10.60

~ 22.50

Waarnemer 3.

0.75
0-

14.50
11.75

10.60
17.50

7-
8.60

— 3 —

7.-

- 7.75

-20-

3.50

3.50

—13—

- 7.50

6.25

— 2 50

- 15—

— 8—

3.50

10-

0.60

11.25

Gemiddelde fout . .

3.85

7.70

1147

12 55

Verschil in uitersten . .

0.75

24.50

34—

39.75

/—

Afs tanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

e.

M.

cM.

c.M.

c.M.

3.50

10—

— 14—

14.50

1.50

5.25

— 11.50

12-

5—

— 4.75

2.75

— 8.75

Waarnemer 4.

2.75

— 3—

— 13—

— 23.75

0.50

— 11.75

5.25

8—

4—

7—

0.75

11.60

5.25

— 0—

17.25

— 12—

5—

3.60

—11.75

— 7.25

1.50

— 9.75

— 14—

— 9.50

4.50

18-

10.50

15.76

Gemiddelde fout . .

3.05

7.00

10.07

12.30

Verschil in uitersten . .

11.75

29.75

31.25

30.60

0.25

20—

10.60

14—

5 —

3—

7.75

— 12.50

4.—

— 5.50

— 0.75

— 0—

3.75

— 0.50

- 23.60

— 24—

Waarnemer 5.

2.60
0—

5—
15-

17-
20—

— 3.26
8.60

1 —

— 3.50

— 10—

— 8—

4.50

4-

o-

2.75

6.26

— 11 —

— 0—

— 22—

4 —

13.25

22.50

22—

Gemiddelde fout . .
Verschil in uitersten . .

4.22
10.75

8.07
31 —

14.20
40.50

12.30
40—

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

4.75
5.37
3 85
3.05
4.22

12.20
0.07
11.17
10.07
14.20

1407
10.15
12.56
12.30
12 30

4.4»

8 08

11.70

12 27

18.75
10.75
0.75
11.75
10.75

40.75
27.50
24.50

20.76
31.—

40—

27.-
34—
31.25
40.50

87.55

53—
34—
30.75
30.50
40—

i:t 55

80.70

42.45

10.15
0 00
7.70
7 00
8.07

Gemiddelde fout .

bemiddeld verschil in uitersten.

N

-ocr page 67-

De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de rechter mobiel«

dikte: No. 20, 150, 40, 150.

Tabel IV.

58

59

PROEtf ^EEKS A.
MONOCULAIR met behoud van de accommodatie.

18 rood, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de volgende
2°, 20, 150, 40, 150, 20.

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c M.

100 C.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

4-5.25

— 2.75

4-10—

— 3.50

4-3.-

4- 7.25

4- 8.50

— 4.50

— 2.75

— 3.75

— 9.75

— 21.60

4-3.50

— 11 —

-f 1750

23—

Waarnemer 1.

4-4.50
4-7.-

4- 8-
4-13.25

-f 20.50
4-27—

20—
4-21.75

4-5.-

— 1.50

4- 16.50

4- 2.75

4-2.25

— 3.25

4- 1 50

— 14.75

4-3.75

4- 11.25

-f 3.75

4- 4.50

4-9.50

4- 11.50

4-8 50

— 15 75

Gemiddelde fout . .

4.55

7.35

12.35

13.20

Verschil in uitersten . .

12 25

24.25

30.75

44.50

4-2.75

— 2.50

4- 10—

4- 8.75

4-1.75

4-18.50

4" 1.50

— 12—

4-3—

— 5.75

— 10—

— 20.-

4-6.50

12-

4" 3.75

4-17.60

Waarnemer 2.

4-4.-
4-3
5(1

4- 4.50
4" 5 75

— 14—
4- 7 50

— 6.60
— 21.25

4-5—

4- 12.60

4-14.50

4-2 60

— 8—

4- 3—

— 7—

— 21—

4-5 75

4-16.-

4-21—

— 17.50

4-3-

-f- 8.50

4- 8.25

4-13.60

Gemiddelde fout . .

3 82

8.80

»75

14.05

Verschil in uitersten . .

».50

24.25

85.—

43.50

4-4.50

4- 4—

4- 12 50

-f- 3 50

4" 5.50

4- 0.60

— 13—

— 10.50

4-5.50

— 3.50

4- 19.50

— 11.50

4-1.75

— 0.60

-f 10.25

f 0.-

Waarnemer 3.

— 3—
4- 6.25

4- 10.26
4- 18.50

4" 7-
4- !>.-

4- 0.60
— 14.50

4-3-75

4- 3.50

4" 7.76

20.—

4-5 50

— 11 —

4- o-

— 9-

4-2-

4- 12.50

- 6—

— 10.75

— 1—

4- 7.60

4-18—

4- 0.-

Gemiddelde fout . .

8 87

8 37

10.80

10.1»

Verschil in uitersten . .

0.25

29.60

32.50

30.50

t

Zie resumé-tabel I.

NI

A fs ta

n d e n :

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

4- 0.50

4- 13.50

4-io—

24.50

4- 1—

— 4.25

— 8.50

— 8.25

4- 2.75

4- o.-

— 10.60

19—

4" 4.75

— 2.60

4-13.50

20.—

Waarnemer 4

4- 3.60

4- 2—

— 8.75

18.60

4- 7—

-f 13.75

— 4.50

12-

4- 0.50

— 2.50

-f 1—

— 4.50

4- 4.50

4- *75

— 11.25

— 12.26

4- 5—

4- 10.26

4- 24.50

2.75

4-11.50

— 4 50

— 10.50

16.50

Gemiddelde fout . .

4.70

7.30

10.90

13.82

Verschil in uitersten . .

11—

20 75

41.—

30 75

4-8.50

4- 8.76

-f 7.25

20.25

4-2-

-f 13.60

— 12—

— 11.50

— 3.25

— 14.—

4- 14.60

4 4—

4-4 60

4- 5.25

— 3.50

2.75

Waarnemer 5.

4-8-
4-7—

4-12-
4- 8.50

4-15—
4-21.75

— 22—
25.50

4-275

4- 0.-

-f 2.-

3.60

4-4.25

4- io—

4-17-

18-

— 2—

4- 14 50

4- 4.25

— 10 25

4-0.75

f 0-

18—

19.-

Gemiddelde fout . .

4 00

1015

1202

14 27

Vorschil in uitersten . .

11.76

28 r>0

33 75

48.25

Als gemiddelde van de

hierboven gevonden waarden vindt

men:

4.55

7.36

12 35

13.20

3.82

8.80

0.75

14.05

3.87

8.37

10.80

10.12

4.70

7.30

10.00

13.82

4 00

10.15

12.02

14.27

Gemiddelde fout . .

4.38

8 30

11.10

18.28

12.25

24 50

30.75

44.50

U.60

24.25

35.—

43.60

0.25

20.50

32.60

30.60

11 —

20 75

41.—

36.75

11.75

28.50

33,75

48.25

^middeld vorschil in uitpraten .

10.75

25 50

85.80

41 00

-ocr page 68-

6o

6l

PROB*

BINOCULAIR, accommodatie

Waarnemer 1.

Tabel V. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

°or homatropine verlamd.

Tabel VII. — De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is eveneens
wit, doch in elke serie van
10, achtereenvolgens van de volgende dikte: No. 20,150,
40, 150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Van achteren begonnen

„ achteren „

„ voren „

„ voren „

„ voren „

„ achteren „

„ achteren „

„ voren „

„ voren ,,

„ achteren „

A f standen:

100 c.M.

75 c.M.

50 c.M.

25 c.M.

c.M.
4- 0.50
4- 0.25
0

— 0.25
0

4- 0.50
0

— 0.25

— 0 50
4- 0.25

c.M.
0

0.25
1-

0

— 0.25
-f- 0.25

— 0 25
-f 0.50

0

0.25

c.M.

— 0.50

— 0.75

— 0.50
0

0

4- 0.25

— 0.50

— 0.75

— 0 50
4- 0.50

cM.
O

— 0.25
0

— 0.50

— 0.75
0.25

— 0.25

— 0 75
0

— 0 50

0.425
1.250

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

0.275
1.250

0 250
1.000

0.825
1.000

Afstanden:

25 c.M.

50 c M.

76 c.M.

100 c.M.

cM.

c.M.

c.M.

c.M.

Van achteren begonnen . . .

0

— 0.60

0

0

„ achteren

n ...

— 0.25

0

4- 0.75

4- 0.75

1, voren

n ...

0

4- 0.26

— 0.26

0

„ voren

v ...

— 0.25

4- 0.25

0

4- 0.25

„ voren

11 ...

— 0.25

0

— 0.60

— 0.50

„ achteren

» ...

4- 0.50

4- 0.25

0

4- 0.60

„ achteren

„ ...

— 0.50

— 0.26

— 0.25

— 0.75

„ voren

.. ...

0

— 0.25

0

4- 0.50

voren

„ ...

-f- 0.50

0

4- 0.60

0

v achteren

.. i • •

— 0.25

4- 0.60

— 0.50

— 0.25

Gemiddelde fout . .

0.260

0.225

0 275

0.S50

Verschil

in uitersten . .

1.000

1.000

1.260

1.500

Tabel VI. — Twee gelijk dikke draden (dikte No. 40), doch groen en
rood van kleur (de roode is de mobiele).

"abel VIII. — De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is
rood en in elke serie van 10, achtereen-
volgens van do volgende dikte: No. 20, 150, 40, 150,
20, 20, 150, 40, 40, 150, 20.

Van achteren begonnen

„ achteren

„ voren

„ voren

„ voren

„ achteren

„ achteren

„ voren

.. voren

„ achteren

A fstanden:

100 c.M.

26 c M.

50 c.M.

75 c.M.

c.M.
4- 0.25
0
0

— 0.26
4- 0.25
4- 0.50

— 0.25
4- 0.25

0

— 0.50

c.M.
4- 0 50
— 0.26
4- 0 50
0
0

— 0.26

— 0.25
0

4-0 50

— 0.25

c.M.
0
0

- 0.26

— 0 25
4-0 25
4-0 50
4-0 75
4- 0.50

0

— 0.25

c.M.

— 0.25

— 0 50
0

4- 0.60

— 0.25
4- 0.25

— 0.75

— 0.50
0

4- 0.75

0.875
1.600

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

0.275
1.000

0.250
0.760

0.225
1.000

/

A fstanden:

26 c.M.

60 c M.

76 c.M.

100 C.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

Vnn achteren begonnen .

4- 0.76

— 0.75

4- 0.25

4- 0.50

achteren

ii •

0

— 0.25

0

— 0.25

voren

ii •

4- 0.50

4- 0.50

— 0.50

0

voren

W •

4- 0.50

0

0

4- 0.25

ii

voren

w •

— 0.50

4- 0.50

4- 0.50

4- 0.75

ii

achtereu

n •

0

— 0.60

0

0

ii

achteren

ii •

— 0.26

0

— 0.26

4- 0.60

ii

voren

ii •

0

4- 0.25

0

4- 0.60

ii

voren

n •

4- 0.25

0

— 0.50

0

ii

achteren

11 •

4- 0.50

4- 0.25

4- 0.50

4- 0.50

Gemiddelde fout

0.325

0.300

0.250

0.325

Verschil

in uitersten

1.250

1.260

1.000

1.000

-ocr page 69-

PROEf

WIONOCULAIR, accommodatie

Twee gelijk dikke witU

63

62

^eeks B

door homatropine verlamd,

draden (dikte No. 40).

Afstanden.

25 c.M.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 2.75

2.50

— 8—

— 12.50

— 6.50

17.25

15—

13.50

— 6.75

0.50

— 15—

— 14—

—10.75

11-

— 12.50

— 20.25

Waarnemer 4.

J.50

— 8.25

— 13.50

— 0.60

— 2 —

13.50

14.50

6—

- 6.50

3—

13-

15.50

— 10.75

3.50

— 4—

— 21—

— 11.50

18-

3-

— 0.75

— 9.50

-f 2—

10-

15 50

Gemiddelde fout . .•

0.75

7.95

10.85

13.15

Verschil in uitersten . .

13—

20.25

30—

30.50

— 4.50

0.50

— 11 50

10.50

— 7.76

— 10—

— 11—

8.26

— 4.60

8.25

— 6.50

— 9—

- 5 75

6-

— 8.60

— 20.25

— 8—

— 7.25

— 10—

— 15 —

Waarnemer 5.

— 12.50

18-

15.75

- 11.75

— 8 —

4-

— 3.25

— 11.25

9.25

6-

12-

8-

6.50

7.50

— 0—

— 13—

3.75

— 6.25

4.60

— 10.60

Gemiddelde fout . .

0.45

7.77

0.10

11.75

Verschil in uitersten . .

21.75

28—

27.25

30.75

Als gemiddelde van do hierboven gevonden waarden vindt

men:

4.86

8.97

10.85

11.82

6.05

11.72

13.57

9.45

0.22

8.17

0.40

8.97

0.75

796

10.85

13.15

0.45

7.77

9.10

11.75

Gemiddoldo fout . .

0 18

8.02

10.70

11.03

10.75

24.25

31.—

25.25

19.60

20.76

15.26

20—

13.75

28.60

23.50

23—

13—

20.25

30—

30.50

21.75

28—

27.25

30.75

bemiddeld verschil in uitersten .

10.95

20.75

25.40

28.90

Afstanden.

25 cM.

50 c.M.

75 c M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

7.50

— 7.25

—10.50

6.50

— 8—

— 9.75

- 17—

— 15.50

1.50

7—

— 9 50

— 18.75

-f 2.50

8 50

— 8—

— 12—

Waarnemer 1.

3.25

6—

— 13.75

— 15—

1.75

— 7.50

— 12.50

— 10—

— 3.75

13.25

14—

— 7.6O

6-

14.50

— 10.25

— 9.75

5.50

8-

— 7—

— 9—

8.75

— 8—

6-

— 14.25

Gemiddelde fout . .

4.85

8 97

10.85

11.82

Verschil in uitersten . .

16.75

24.25

31 —

25.25

1.50

9.50

13—

— 3.75

— 4—

8.75

19-

— 0.50

5.50

10.25

11-

— 11.75

7 50

— 0.50

15.50

— 16 —

Waarnemer 2.

10 25

20—

23.25

— 7.76

2 75

8.50

12 50

— 8.50

— 2.75

10.25

10-

— 9—

10-

-f 14.25

13.75

- 11.50

15 50

20.25

9 75

14—

6.75

9—

8-

0.75

Gemiddelde fout . .

0.05

11.72

13 57

9.45

Verschil in uitersten . .

*

1u.50

20.75

15 25

2«.—

11—

— 5.50

5 50

15-

— 1.50

14 50

0 75

9.50

7.50

— 4.50

— 3.75

10-

2.25

- 5—

-J- 4 26

5.75

Waarnemer 3.

5—
7.75

4 75
0.25

8.50
12—

— 1.50
13.50

12.25

0-

19.75

11.50

5.50

15.50

14-

— 8—

-j- 3.50

— 3.75

14.50

— 5—

0—

— 13—

5-

10-

Gemiddelde fout . .

Verschil in uitersten . .

0.22
13 75

8.17
28.50

9.40
23.50

8.97
23 —

-ocr page 70-

4 PRO^

MONOCULAIR, accommoda tl\'

Twee gelijk dikke draden (dikte No. 40) do«1

Afstanden:

75 c.M. 100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

c.M.
6.50
10—

13.75
3 50

4—

15.25
6.75
8.25

9--
12.50

c.M.
18-
8.75

— 9—

— 0.50
.75
14—
18—
14.25
4.50
8.50

c.M.
12.50
15.25
5.25
— 8—
12.50

9—

7.75
— 6—
4- 13.75
16—

Waarnemer 1.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

8.95
11.25

10.02

27—

10 60

24—

12-
10.76
16-
18.75
14.25
15-
10.75
4.50
11—
10.50

8.75
0—

— 11.50

— 2.50

9.75
«-

18—
7.60
8.75
10-

14.75
10—
5.25
-i- 9—
7 60
10 50
16—
19—
2.50
11.76

Waarnemer 2.

Gemiddelde fout
\'Verschil in uiterste
q.

12.25
14 25

8.87
29.50

10 02
10 r.o

13.76
10-
18.25
9.25
10.50
11.76
o.-
2.60
14-
13.60

23—
9.75
11.50
12.25
0.60
12-
7--
17-
11.60
6.25

775
15.75
14 26
Ö-
12.50
8.25
9.75
20.76
7.50
— 4—

Waarnemer 3.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

io or.
15.75

11.07
22.50

lo.or,
24.75

üeeks B.

door homatropine verlamd.

9roen en rood van kleur (de roode is de mobiele).

A fst

a n d e n :

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

7—

8.50

10—

18.25

9.50

4-

— 8.25

15-

18—

— 10.25

16-

12-

Ö.75

22—

25—

19—

Waarnemer 4.

17.75

14.75

— 4.50

8.75

11.25

10.50

16-

26.50

7—

20—

7—

3—

— 3.50

2—

9.75

28.25

14—

— 8—

10-

— 6—

10.25

1.25

12.60

Gemiddelde fout . .

10.37

12.22

11.07

14.82

Verschil in uitersten . .

21.50

32 25

33.25

33.25

0.25

12.75

6.25

0.75

4 25

16.75

— 4 —

0.75

0.25

6-

- 8—

17.-

8-

16—

— 6.60

18.50

Waarnemer 5.

11—

14.50

— 9.50

13.50

11 50

10.75

10.75

— 11 —

— 4.75

— 1.75

17.60

14.50

— 11.75

8—

— 6—

9.76

— 2.50

16.25

0-

6.25

12-

— 0.75

10.60

— 8—

Gemiddelde fout . .

7.88

10.05

9.10

11.40

Verschil in uitorsten . .

23.75

23.50

27—

20.50

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

8.96

10.02

10.60

11.87

12.25

8.87

10.62

10.52

10.95

11.07

10.66

9.57

10.37

12.22

11.67

14.82

7.82

10.95

9.10

11.40

Gemiddelde fout . .

10.07

10.02

10.7»

11.04

11.25

27—

24—

34—

14.25

29.50

16.60

33.25

16-76

22.60

24.76

28.25

21.50

32.26

33.25

33.25

23.75

23.50

27—

29.50

emiddeld verschil in uitersten.

17.30

20.95

25.10

31.05

-ocr page 71-

PROEF

MONOCULAIR, accommodatie

De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de rechter mobiele
Tabel VII volgende dikte: No. 20, 150, 40

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

16.50

18-

6—

24.75

12.76

14.75

13.76

— 12—

9-

14—

2—

8.75

— 3.50

— 11—

17-

— 26—

Waarnemer 1.

14.50

10.25

13.50

20.50

»—

9-

26.25

5-

6.75

15.60

19.75

— 16.25

— 4.50

6-

— 6—

9—

13-

— 11 —

— 10—

— 22.50

14.25

2.60

16.50

3-

Gemiddelde fout . .

10.37

12.10

18.07

14.77

Verschil in uitersten . .

21—

30.25

80.25

50.75

5.50

10-

12.50

30—

2—

— 12.75

— 5—

— 19.50

6.25

10.25

4.50

— 9—

12.26

11—

14—

3.25

11 50

15.75

28 —

16—

Waarnemer 2.

14—

0.60

12.75

5-

12.75

— 4.25

- 11.50

— 8.60

11.50

8-

20.26

3.75

15.60

13—

15-

— 1.60

11—

18-

14-

10-

Gemiddelde fout . .

10 22

10.05

18.76

10.05

Verschil in uitersten * .

17 50

80.76

80.60

80.50

6.50

16.25

— 13.75

13.60

15-

10-

— 7—

9.75

9.50

8.26

10.50

— 3—

10-

9.50

22—

16-

Waarnemer 3.

15—

16-

16—

9.50

12.75

23—

— 6.76

8.50

14.50

17.50

1-

— 13—

12-

16.50

14.50

12-

11.25

— 4—

— 6.75

— 6.26

1.60

0-

8.25

12.50

Gemiddelde fout . .

10.80

12 80

10.66

10 40

Verschil in uitersten . .

13.50

27 —

35.75

20—

^eeks B.

^or homatropine verlamd.

13 eveneens vrit, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de
150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Afstanden:

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

c.M.
4- 4.-

— 2.75
4- 12.-

— 4.25
4- 0.60
4-12-
4- 8.25
4" 10.75
4- 4-
4-
13.25

c.M.
4- 17.50
— 12—
4- 8.50
— 12—
4-11.75
-j- 20.60
— 18—
4-13-
4- 0.75
4-0 25

c.M.
4-12—

— 7.50
4-10-
4- 4.76
4-11.26
4-10-
4- 14.75
4- 7.50

— 13—
4-19-

c.M.
— 8.60
4- 4-
-f 10.75
4- 8.25
4-28.25
4-12-
4- 14.50
4- 18.60
— 7—
4- 4-

Waarnemer 4.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

8.07
17 50

11.87
32.—

12.02
17.50

12.47
80.75

Utt

4-15-

— 3.60
4- Ö.75

— 11.60
4- 14.75
4-14-
4- 6-
4-15-
— u—
4- 4.60

4-22 50

— 13—
4- 5.75

— 0.50
4-12-
4-15-
4-
8.75
4-10-

— 0—
4-11-

-f 0.25
— 7.60
4- 8-
4-18.60
4-30—

- 1.75
4- 3.60
4-21-

— 7—
4- 0.50

4- 14 50
4-22 25

— 7—

— 25.50

— 3.76
4-17-

— 8.25
4- 2.50

— 22.—
4- 22.26

Waarnemer 5.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

11.05
35.50

11.30
37.50

o.oo

20.50

14.50
47.75

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men :

12.10
10.05
12.80
11.87
11.05

1037
10.22
10.80
8.07
0 00

13.07
13.76
10.55
12.02
11.30

14.77
10.05
10.40
12.47
14.60

Gemiddelde fout .

0.88

11.03

12.82

12.55

21—
17.60
13.60
17 50
20.60

30.26
30.50
35.75
47.50
37.50

30.26
30.76
27—
32—
35.50

50.75
30.50
20—

30.75

47.76

19.20

31.10

40.75

30.80

-ocr page 72-

r

PROEÏ

MONOCULAIR, accommodatie

De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de rechter mobiek

TrTTT dikte: No. 20, 150, 40, 150,

Tabel VUL

_

A f stan den:

75 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

c.M.

— 8 25

7-

— 2.50

— 5.50
16-

— 8.75
12.50

— 5.50

— 8—
9—

c.M.
25.25

— 15—
13.75

— 8.25

— 5.50
8.25
13.25

3—
12—
13.75

c.M.
23.25
20—

— 19—

— 13.50
1.50
28.50
16-

— 5.75

— 7.25
18.75

Waarnemer 1.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

11.80
4025

15.35
47.60

8.80
24.75

18.50
— 6.—
— 8.50
8.25
l.-
21.-
11.75
21.-
14.25
0-

10.75
2-
14.26
3-
15.25
6.60
— 2—
8.25
6.50
11—

17.50

— 13.50

— 12 —
1.25
14.50
16.26
10.50
1.76
1—
19 —

Waarnemer 2.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

10.72
83.60

11.02
20 50

8.55
18.25

14.-

— 3.25
7.76
11.-
1750
20-

— 14.—
6.50
11.60
9.60

11.40
84.-

10.-
15.25
— 11.—
4.-
11-
17.50
4.26
20—
9-
11.50

12.50
5.76
4.26
12.50
14 50
18.-
7.25
9.-
8.50
6.25

Waarnemer 3.

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

0.85
10 50

11.35
81 —

HEEKS 33.

door homatropine verlamd.

18 rood, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de volgende
20, 20, 150, 40, 150, 20.

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

cM.

c.M.

c.M.

c.M.

17.50

7.50

13.50

19.50

— 1 —

3.25

— 1—

4 50

12—

— 9—

4.60

— 5 50

8.50

21.26

14.50

— 27 25

Waarnemer 4.

5.50

13.26

20 25

14—

16.25

».-

— 24—

12.60

— 3—

4.50

2.50

— 18—

13.25

14.60

7.50

—11—

8.60

12-

— 10—

— 1.60

10-

10 50

2175

17—

Gemiddelde fout . .

10.16

11.07

12.55

13.07

Verschil in uitersten . .

20.60

30.25

45.75

40.75

14 60

8.50

18.60

24 26

2 25

- 11.60

10.60

7-

0.60

12—

4.50

— 8—

17.50

16.60

0.26

15 50

Waarnemer 5.

10 —

10—

27.50

19 60

18.76

18-

11.60

12-

— 150

21.60

— 2 —

10.60

— 2—

- 4.50

o—

23—

8.-

4-

— 11.25

— 8—

12-

0.25

0.60

14 25

Gemiddelde fout . .

10.20

11.27

11.85

14.80

Verschil in uitersten . .

20.76

33—

38.75

32.25

Als gemiddelde van de hierboven govonden waarden vindt

men:

8.30

11 80

15.35

14 42

8.55

10.72

11.02

14.65

0 85

11.40

11.36

12.07

10.16

11.07

12.56

13.07

10.20

11 27

11.35

14 80

Gemiddelde fout . .

9.41

11.25

12.50

13.110

24.76

40.26

47 50

56—

18.25

32 60

29 50

46.50

10 r»o

34—

31—

41.76

20 60

30.25

43.76

40.75

20.75

33—

38.75

32.25

eaiddeld verschil in uitersten .

20.1 s

34—

38 50

44.25

-ocr page 73-

PROS?

BINOCULAIR, accommodatie door homatropinC

Waarnemer 1.

Tabel IX. Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

Afstanden:

100 c.M.

25 c.M.

75 c.M.

50 c.M.

Van

achteren begonnen .

V)

achteren „

M

voren „

«

voren „

yi

voren „

M

achteren „

M

achteren „

M

voren „

V

voren „

W

achteren „

c.M.
-0.25
0
0

— 0.25
0

0

0.25
0

— 0.25
0.25

c.M.

— 0.25
0.25

0
0

0.25

— 0.25

— 0 25
0

0

0.25

c.M.
0.25
0

0.50
0.25
0
0

— 0.25
0.25
0

0 25

c.M.
0.50

— 0.25
0.50

0

— 0.25
0

0.50

— 0.50
0

0.25

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

0.150
0.500

0.175
0.750

0.276
1.000

0.125
0.500

Tabel X. Twee gelijk dikke draden (dikte No. 40), doch groen cn
rood van kleur (de roode is de mobiele).

Afstanden:

100 c.M-

50 c.M.

25 cM.

75 c.M

Van achteren beg-onnen

„ achteren

„ voren

,, voren

„ voren

„ achteren

„ achteren

„ voren

„ voren

,, achteren

c.M.

— 0.25
0.25

0
0

0.25
0 25
0.25

— 0 25
0

0

c.M.
0.50

— 0 50
0

— 0.25
0 25

0

— 0.50
0

0.26

— 0.25

c.M.
0

0.60
0.60
0.26
0.25

— 0.50

— 0.50
0.25

— 0.25
0

c.M.
0

0.25

— 0.25
0.25

0
0

— 02b
0

0 26
— 0 25

Gemiddelde fout
Verschil in uitersten

0.150
0.500

0.150
0.500

O.S.\'tO
1.000

o.soo
1.000

REEKS O.

verlamd, doch met glazen. (Zie tekst bladz. 47).

Tabel XI. De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is eveneeens
wit, doch in elke serie van
10, achtereenvolgens van de volgende dikte: No. 20, 150,
40, 150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Afs tanden:

25 c.M.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

Van achteren begonnen ....
„ achteren „ ....

„ voren ......

„ voren „ ....
„ voren „ ....
„ achteren „ ....
„ achteren „ ....
„ voren „ ....
„ voren „ ....
„ achteren „ ....

c.M.
0

0.25

— 0.25
0

0

— 0.25
0.25

— 0.25
0

0

cM.

— 0.25
0.25

0
0

— 0.25
0.25

0

— 0.25
0.25

— 0.25

c.M.
0.50
0
0

— 0.25
0.26

0

0.50

— 0.26
0.25
— 0.50

c.M.
0

0.60
0.50
0.26
0

— 0.26
0

0.50
0.25
— 0 50

Gemiddelde fout . .
Verschil in uitersten . .

i

0.125
0.500

0.175
0 500

0.250
1.000

0.275
1.000

Tabel XII. De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de
rechter mobiele is
rood en in elke serie van 10, achter-
eenvolgens van de volgende dikte: No. 20, 150, 40, 150,
20, 20, 150, 40, 150, 20.

i_

Afstanden:

25 c.M. I 50 C.M.

75 c M.

100 c M.

Van achteren begonnen ....
„ nchteren „ ....
„ voren „ ....
„ voren „ ....
„ voren „ ....
„ achteren „ ....
„ achteren „ . . .
„ voren „ ....
„ voren „ ....
„ achteren „ ....

c.M.
0.25
0
O
0

0 25
0.25
0

— 0.25
0

0 25

c.M.
0

0.25
0 26

— 0 25
0.25

0

— 0.25
0

0

0 25

c»f.
0.50
0 26
0

— 0 25

- 0.25
0

0.50
0
0

-t-0 25

c.M.
— 0 26
— 0.60
0 26

0

0.50
0

— 0.25
0 50
0

-0.25

Gemiddeldo fout . .
Verschil in uitersten . .

0.125

0.500

0.150
0.500

0.200
0.750

0.250
1.000

-ocr page 74-

72

PROEF ^EEKS O.
MONOCULAIR, accommodatie door

Twee gelijk dikke witte \' "Wen (dikte No. 40).

73

Afstanden:

25 cM.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 1 50

— 5.25

5.75

8-

- 2—

4.50

— 6—

6.75

-0.25

5.50

— 6.76

— 6—

2—

— 1.60

«•-

— 1.50

Waarnemer 1.

— 1.25

5-

— 6.50

— 11.50

— 0.75

2—

7.-

4.76

— 1—

— 5.50

5.50

6 50

3.50

— 4.50

— 5.25

8-

— 2.25

2-

10—

7—

— 2 75

3 75

8-

6.50

Gemiddelde fout . .

1.70

».95

0.57

0.05

Verschil in uitersten . .

0 25

11 —

10.75

19.50

1.50

2.25

5.50

— 7.75

— 2—

6-

— 8.25

4-

— 0.75

— 0.75

— 4.75

— 13.25

1-

— 3—

2—

— 10—

— 2.50

5—

— 10—

— 10 50

Waarnemer 2.

1--

0 50

— 7.25

— 12.76

— 1.50

1.25

7—

— 7 50

— 2—

3.75

— 12—

5.50

— 1—

— 2 50

7.50

— 11—

-1.75

4—

9—

6.75

Gemiddelde fout . .

1.50

2.80

7 32

8.90

Verschil in uitersten . t.

4—

8—

21 —

20 —

0.75

2-

875

- 13.76

— 1.25

6-

- 10—

— 0—

— 2—

2.26

1 —

— 4.50

— 2.50

2.50

7.50

4.76

Waarnemer 3.

1.75

1.75

11—

3—

— 2—

5 60

— 3.26

- 18.76

— 0 50

— 6.—

— 9—

— 14—

— 2.50

2 60

— 10.50

— 19—

1—

— 7.—

0 —

4.25

— 2—

3.60

— 11.75

- 12.50

Gemiddelde fout . .

1.02

3.80

7.77

10.05

Verschil in uitersten . .

4.25

13—

22.75

23.75

Afsta

n de n

25 c.M.

50 c.M.

75

c.M.

100 \'c.M.

c.M.

cl.

c.

M.

c.M.

— 1.75

— 6—

8.25

13.25

— 3—

6.25

11—

7.50

2.25

2.50

4.50

6—

Waarnemer 4

1.75

— 1.50

0—

— 8—

— 0.75

3-

8—

4.75

- 2.50

4.25

4.50

9.60

— 1—

5—

10—

12-

— 1.50

— 3—

12.25

8-

2.50

2.50

4.75

— 12—

8-—

5.60

8.25

6.50

Gemiddelde fout . .

1.90

3.85

7.75

8.75

Verschil in uitersten . .

5.50

11.50

10 75

25.25

— 1.50

6-

_

10.60

4.50

— 3.50

1.60

8—

— 8.76

— 2—

— 0—

1.25

— 14—

2.60

— 0.50

2.50

— 5.50

Waarnemer 5.

— 0.50
2-

2-
7-


9.50
7—

850
7-

1.50

— 3.75

4.50

— 7—

— 0.75

— 0.76

13.26

4.60

— 3—

5.60

12-

16.25

— 3.60

— 0.75

7.50

— 17—

Gemiddelde fout . .

2 07

4.47

7.00

0.20

Verschil in uitersten . .

0—

13.75

28.76

32.25

Al.s gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

1.70
1.50
1.62
1.00
2 07

3.95
2.80
3.80
3.85
4.47

0.57
7.32
7.77
7.75
7.00

1.7(1

«77

7.00

871

0.25
4—
4.25
5.50
6—

11 -

8—
13—
11.50
13.75

10.75
21—
22.75
10.75
23.75

19.50
20—
23.75
25.25
32.25

5.20

11 45

20.02

24 15

0.05
8.00
10.05
8.76
9.20

Gemiddelde fout

eiöiddcld verschil in uitersten

-ocr page 75-

74 PRO®*1

MONOCULAIR, accomodatie doOr

Twee gelijk dikke draden (dikte No. 40), dod1

REEKS O.

groen en rood van kleur (de roode is de mobiele).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

loo c.M-

c.M.

c.M.

cM.

c.M.

-f 8.50

4-11.50

4- 13.75

4-13.—

— 350

4-18.25

4- 22.25

4- 7.75

8—

4- 8-

4- 9—

4- 5.50

-J- 6.50

17—

7—

-j-15.50

Waarnemer 1.

4- 9.50

4- 11.50

4- 10.50

9.

4- 2.50

4-11.-

4-27.—

— 16 25

4- 4.50

4-19 25

4- 20.25

4-23.—

4- 6—

— 9.-

4- 15.75

4- 19.75

4- 6.50

— 11.75

— 7—

— 4.50

4- 8 75

— 5 50

4- 24.50

4-19.-

Gemiddelde fout . .

0.42

12.2«

15.70

13.32

Verschil in uitersten . .

13—

31—

34—

39.25

---

— 6.50

4- 15.50

4- 20.75

4- 14.75

4- 8.-

4-12.25

— 6—

4- 4.50

4- 3.50

— 5.50

4-19.-

4-10.-

4- 5 50

6—

— 17.50

4- 29.50

4- 8—

4- 0.75

4- 10.25

4- 8.50

Waarnemer 2.

— 7—

4-10 75

— 5—

4- 7.25

4- 9.50

8—

4- 12.50

4-30.—

— 5.50

— 6.75

— 6.50

— 21.50

— 3.75

— 9—

4- 14.60

7-50

4- 4

4- 7.75

4-25.—

— 4.35

Gemiddelde fout . .

5.02

8.72

13.00

13.77

Verschil in uitersten . t.

10.50

24.50

42.50

51.50

— 3.75

4-13.-

— 24.50

4- 17.75

— 2 50

4- 10 50

4-0 50

-j- 12 35

4- 8-

— 8—

- 7—

— 18-

4- 2.25

— 7.75

— 20 50

— 5 50

4- 7—

— 5—

4- 0.50

4-16-

Waarnemer 3.

4- 6-

4-12 25

8 75

4-20.-

4" 3-75

4- 2.60

4- 6.25

4-28-

4" 5.25

— 660

— 10—

— 16-

— 5—

4- 8-

4-11.-

4-4 35

— 3.50

— 7.25

— 20.—

7.-

Gemiddelde fout . .

4.00

8.07

12.10

14.4?

Verschil jn uitersten . .

13—

21 —

33.25

40 —

Afst

a nde n:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

6.75

4-10-

17—

4-20.50

9.-

4-15.25

4- 8.60

4- 17.50

4- 2.50

7.25

— 12—

— 4—

4- 6.60

4-10—

— 4.35

4- 6.60

Waarnemer 4.

— 4.—

6.75

7—

— 18—

4- 9.50

4- 14—

4-18.35

4-14.60

4- 5.25

4-15.50

4-34—

4- 26.25

— 2.—

— 9—

11—

6.75

4.60

— 6.25

— 7.50

— 9—

4- 6.—

4-14-.60

4" 19.35

4-14—

Gemiddelde fout . .

5.00

10.75

12.87

13.00

Verschil in uitersten . .

13.50

24.50

30—

44.25

— 7-75

9—

— 12—

— 8—

4- 9.25

4- 8.60

7.60

4-17.50

4-14.-

3—

4- 19.75

— 4.76

4-13.75

4- 13.26

4- 14.25

—12—

Waarnemer 5.

9-
— 8.-

6—
4- 22.25

4- 10.60
4- 17.50

— 9.25
4- 12.25

— 1.50

4- 14.25

— 7—

17.25

4- 9.-

— 2.76

4- 9.50

— 14.50

4- 13.25

4-13.50

4- 6.25

— 19—

— 3.75

4-15-

— 13.75

8.50

Gemiddelde fout . .

8.82

10.75

11.80

12.30

Verschil in uitersten . .

22.—

25—

38.50

30.50

Als gemiddelde van de

hierboven gevonden waarden vindt

men:

6.42

13.27

16.70

13.32

5.62

8.72

13.60

13.77

460

8.07

12.10

14.47

6.60

10.75

12 87

13.60

8.82

10.75

11 80

12.30

Gomiddeldo fout . .

0.21

10.11

13.21

13.40

13 —

31 —

34—

39.25

16 60

24.50

42.60

51.50

13.—

21 —

33 35

46—

13.50

24.60

36—

44.25

22._

25—

33.60

30.50

Gemiddeld verschil in uitersten.

15.00

25.20

85.85

43.50

-ocr page 76-

76

PROEÏ

MONOCULAIR, accommodatie door

De linker draad is wit van kleur en dik No. 40, de rechter mobiele

Tabel XI.

volgende dikte: No. 20, 150,

77

Reeks O.

eveneens wit, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de
40, 150, 20, 20, 150, 40, 150, 20.

Afstanden:

25 c.M.

60

c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c

:.M.

cM

c.M.

3.25

4.25

4- 0.50

4-14—

5.50

4-

3.—

4- 4.-

4- 0.25

0.50

4.25

— 13.50

— 10—

1.25

5.50

4- 10 50

— 10.76

Waarnemer 1.

2.50

4.—

4-13—

— 4.25

3—

4—

4- 9.-

4-17—

2.—

9.50

4- 3.75

— 7.50

3.25

3.50

4- 4.50

— 10—

1.50

4-

5.75

4-11.50

4" 0.50

2—

11 —

4- 7-75

4- 9.60

Gemiddelde fout . .

2.47

5.47

8.80

0.57

Verschil in uitersten . .

7.00

10.50

25.50

27.75

2.50

8—

4-15-

7-

1.25

2—

-f 7.25

— 15—

3—

2.25

— 18.25

- 10.25

1—

8.25

4- 9.25

— 29 —

Waarnemer 2.


2.50
2.75


7—
2.75

- 2.75
4-18-

— 8.50
4- 13.60

1—

6—

— 15.50

— 12—

1.75

4—

7-

— 20.25

4.—

7.26

— 3.25

4- 8-

2.26

2.60

4-10-

4" 0-76

Gemiddelde fout . . %

2.20

4.50

11.22

13.02

Verschil in uitersten . .

7.00

15.50

30.25

42.50

3.76

5.60

4- 12—

4-10—

2.76

2.50

— 7.50

4- 18.76

2.50

7 —

4- 4.-

— 6.50

2—

1.76

— 11.25

4-10-

Waarnemer 3.


1.60
4.—

2.60
0.50

4-10.76
4-14—

— 14—

— 7.60

2.60

2.75

—13.50

— 4.50

2.25

0.76

4- 1.50

— 0.76

1.76

7.75

— 9.—

— 12.—

2—

8—

4-12.75.

4-14—

Gemidtjplde fout . .

2 50

5.10

0.02

10.70

Verschil in uitersten . .

0.25

16—

27.50

82.76

-

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

j 75 c.M.

100 c.M.

c.M.

cM.

c.M.

c.M.

4- 5.25

4- 6.50

4" 8.50

4- 16.75

— 2.50

4- 2-

4- 4.50

— 6—

4- 2-

4- 3-

— 6.75

— 8.50

Waarnemer 4

— 3—

— 0 75

— 6.26
4- 8-

4- 0—
9—

4- 18.26
4-20—

4- 2.25

4- 7—

4-14 25

4- 12.50

4- 6-

4-10 25

4-16-

4- 3.75

4- 4.25

— 0.76

4- 6.60

4- 14—

— 3.50

4- 2.50

4- 3.75

4- 0-

4-0 50

4-11-75

4-18.25

4- 0.75

Gemiddelde fout . .

3.00

5 80

9.55

11 45

Verschil in uitersten . .

[=.—

10.00

18 00

27.25

28.50

— 3.50

— 7.50

-f 14.50

4- 8-

1—

— 12.60

— 11—

— 3.75

— 2.25

4- 6-

4- 12.50

— 12—

4- 7—

4- 12.75

4-15-

4- 16.25

Waarnemer B.

4- 7.60
- 5.26

— 0.50

— 13—

4- 15.50

— 6.50

— 5.60

— 2.75

— 3—

- 8.25

— 13—

4- 4-

4- 8.50

4- 0.25

— 4.75

4-3 25

— 3.50

4- 3.26

— 8.26

4- 1.60

4- 5.25

4- 8.50

4- 14—

Gemiddelde fout . .

3.80

7.15

9.87

9 20

Verschil in uitersten . .

12.75

25.75

20.50

29.25

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt

---

men:

2.47

6.47

8.30

0.57

2.20

4.50

11.22

13.02

2.60

5.10

0.62

10.70

3.00

6.80

0 55

11.45

3 80

7.15

0.87

0.20

Gemiddelde fout . .

2.01

r,.oo

9 71

10.79

7—

10.50

25 50

27.75

7—

15.50

36.26

42.50

0.25

15.—

27.50

32.75

10—

18—

27.25

28.60

12.75

25.75

26.50

20.25

Gemiddeld verschil in uitersten .

8.00

18.15

28.00

32.15

-ocr page 77-

PROEF

MONOCULAIR, accommodatie door

De linker draad is groen van kleur en dik No. 40, de rechter mobiele

dikte: No. 20, 150, 40, 150,

Tabel XII.

1

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

cM.

c.M.

c.M.

7.50

12-

17.25

24.—

— 1.50

—11.25

14.50

7—

2.50

— 1—

3.25

11.50

4.25

3.50

— 4—

22.75

Waarnemer 1.

8.50

20.50

16—

26.—

11—

15-

20.76

4.-

3.75

11.76

15.50

22.—

3.60

7.50

— 7—

7.75

— 7—

4.50

8.50

7.50

8.26

15.75

22.-

— 6 50

Gemiddelde fout . .

5.77

10.27

12.87

13.90

Verschil in uitersten . .

18—

31.75

29—

32.60

12.50

19.26

21-

10.-

3.50

— 1.50

2.25

— 2.50

3-

—14.50

1-

— 10.—

3.50

4-

— 7.25

— 18.50

Waarnemer 2.

17.25

12.75

20.75

— 0.75

5.-

22—

30.50

20.25

- 7—

«—

— 13 —

1.-

2.75

0.25

— 11—

— 14.—

3.25

— 9.26

— 4.75

— 26.50

3.75

15—

12—

26.-

Gemiddelde fout . .

0.15

11.05

12.85

14 95

Verschil in uitersten . .

24.25

30.50

43.50

51.75

12—

10 60

25 —

26.50

0.75

— 5.—

10.50

— 7.-

2-

— 0.50

— 0.75

4.50

5.75

0.75

— 4.60

14.50

19 75

22—

— 6.-

20.25

Waarnemer 8.

»•-

19.26

10.25

14.-

— 1.50

13—

10.—

12—

— 360

2.60

— 18.—

8-

— 2.76

0.75

— 11.50

— 16.50

826

7.60

— 24.26

21—

Gemiddelde fout . .

0.52

0.37

12.07

14.32

Verschil in uitersten . .

23.25

28.50

49.25

42—

---

^EJEks o.

Somatropine verlamd, doch met glazen.

18 rood, doch in elke serie van 10, achtereenvolgens van de volgende

2°, 20, 150, 40, 150, 20.

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c M.

100 c.M.

r-

f»----

cM.

c.M.

c.M.

c.M.

1

12.26

3.75

16.-

18-

14 —

16.50

6.50

5.-

— 6.76

— 2.76

14.50

— 2.25

4.25

— 8.50

10-

Waarnemer 4.

7.50

19 50

19 25

24.60

12.50

16.75

18.60

13.76

3.-

8.-

— 22—

— 4—

9.25

6.75

1.50

9-

— 0.76

— 3—

— 4.—

— 11.26

0.25

18—

15—

27—

Gemiddelde fout . .

0.27

10.07

12.30

18.85

Verschil in uitersten . .

14.75

20.25

41.25

38.25

10—

5.75

6.75

20.50

— 1.50

7.50

—13.75

— 7—

3.60

17.60

—10.26

— 3.26

8.60

20—

—12.26

3.60

Waarnemer 5.

8.25

18—

20.60

13.60

11.-

— 6—

26.50

10.—

13.25

14—

- 19.25

11.75

4-

9.76

— 8.50

o-

— 16—

— 11—

— 14—

16.60

22.60

27.50

22—

Gemiddelde fout . .

8.70

13.25

12.07

18.80

Verschil in uitersten . .

18.00

37.60

41.25

45.75

^Ala gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt

men:

5.77

10.27

12 87

13.00

6.16

11.06

12.35

14.95

6 52

0.37

12.67

14.32

6.27

1007

12.30

13.85

8.70

13.25

12 97

13 80

Gemiddelde fout . .

0 08

10.80

12.08

14.10

18—

31.76

29.00

32.60

24.25

36.50

43.60

61.76

23.26

28.50

49.26

42—

14 75

20.26

41.25

38.26

18—

37.50

41.25

45.75

^etoiddeld verschil in uitersten.

10.05

32.10

40.85

42.05

-ocr page 78-

Tabel XIII. — Twee gelijk dikke xcitte draden (dikte No. 40).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 0.25

0.25

— 0.25

0.50

0

0

0

0

0

— 0.25

0

— 0.50

0

0 25

— 0.50

— 0.25

Waarnemer C.

0 25
— 0.25

0

— 0.25

— 0.25
0

0
0

0

— 0.25

0

0

— 0.25

0

0.25

— 0.50

— 0.25

0

0.26

0.25

0

0.25

— 0.25

0.60

Gemiddelde fout . . .

0.125

0.150

0.175

0 250

Verschil in uitersten . . .

0 500

0 500

0 750

1 000

/ Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. (1) |

| Verschil in uitersten.

0.150
0.500

0.150
0.750

0.150
0.750

0.250
1.500

[ Gemiddelde fout.
Waarnemer 8. !

1 Verschil in uitersten.

0.175
0.500

0.200
0.500

0.200
0.750

0.225
0.750

[ Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. [

( Verschil in uitersten.

0.150
0.750

0150
0 750

0.200
0.750

0.250
1.000

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 10.

( \\ erschil in uitersten.

0.2U0
0 750

0.175
0 750

0.225
1.250

0.275
1.000

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer (5.

0.125

0.150

0.175

0.250

7.

0.150

0.150

0.150

0.250

8.

0.175

0.200

0.200

0.225

0.

0.150

0.150

0.200

0.250

10.

0.200

0.175

0.226

0.276

Gemiddelde fout . . .

O 1C0

0.105

0.190

0.250

Waarnemer 0

0.500

0.500

0.760

1.000

0.600

0.750

0.750

. 1.500

8.

0.500

0 500

0.750

0.750

0.750

0.750

0.760

1.000

10.

0.750

0.750

1.250

1.000

Verschil in uitersten . . .

0 «00

0.050

0.850

1.050

(1) Kortheidshalve zijn voor de overige 4 waarnemers alleen do gemiddelde
fout van elke serie van 10 waarnomingen en liet verschil in uitersten
opgeschreven.

-ocr page 79-

Proofreoke D.

8i

Tabel XIV. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

Afstanden:

25 c.M.

60 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

1.50

— 2.60

5.50

— 0.50

2.25

— 4.—

3.50

— 7.—

- 0.75

— 2.75

S.25

— 5.50

1—

2.50

7—

2.50

Waarnemer 8.

— 0.50

— 4.—

4 50

8.-

3.50

3.25

— 0.50

— 7-25

— 1.25

— 3.76

8.-

8.-

— 1.50

5.50

5.75

— 10.—

1.-

2.-

— 4.75

— 4.60

— 0.50

3.76

— 7.-

— 8.25

Gemiddelde fout . . .

1.37

8.40

0.07

0.75

Verschil in uitersten . . .

5.—

0.50

15.25

18 00

Gomiddeldc fout.

1.07

2 82

5 35

0.05

Waarnemer 7.

Verschil in uitersten.

5 75

0 50

18.—

18.—

Gemiddeldo fout

1.52

3 05

0 76

8.05

Waarnemer 8

Verschil in uitersten.

0.00

10.50

10.—

i7.r»o

Gemiddeldo (out.

1.80

3 80

0.45

7.22

Waarnemer 9

Verschil in uitersten.

4.50

10.50

17.60

20.—

Waarnemer lo.

Gemiddelde fout.

1.77

3.45

5 87

0.42

[ VerKchil in uitersten.

0.50

8.—

18.50

22 50

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Wnnruomor 0.

1.37

3.40

0 07

0.75

n

7.

1.67

2.82

5.35

0.06

M

8.

1.62

3 05

6.75

8.05

11

9.

1.80

3.80

6.45

7.22

H

10.

1.77

3.45

6.87

0.42

Gemiddelde fout . . .

1 01

3.30

0.10

7.02

Waarnemer 0.

6.—

0.50

15.25

18.—

n

1.

6.76

0.50

18.—

18.—

»

8.

0.—

10.60

10.—

17.60

0.

4.50

10.60

17.50

20.—

ii

10.

6.50

8.—

18.60

22.50

Verschil in

uitersten . . .

5.55

0.00

17.05

10.20

-ocr page 80-

Tabel XV. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

0.75

— 2.75

— 4.25

— 3.—

0.50

0.50

— 2.60

0.50

3 50

3.-

2.50

1.25

2.75

2.60

0.50

0.75

Waarnemer 6.

0.50
0

3-
— 3.—

— 1.50

— 1.-

4.25
— 2.75

2—

— 2.75

— 2.—

— 8.—

3.50

1.50

— 2.50

— 2.—

0.50

3.25

4.50

2.75

— 0.50

0.75

— 3.—

Gemiddelde fout . . .

1.45

2.32

2.20

2.32

Verschil in uitersten . . .

4 —

6.—

8.75

7.25

1 Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. |

j Verschil in uitersten.

1.02
4.50

1.90
0.50

1.97
0 50

2.15

8.—

1 Gemiddelde fout.

Waarnemer 8.

( Verschil in uitersten.

1.25
5 50

1.50
0 —

2.05

7.—

2.75
11.-

[ Gemiddelde fout.

Waarnemer 9.

( Verschil iu uitersten.

0.07
3.50

2.25
7.—

2.85
8.75

2.87
».—

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 10. . , ., .

( Verschil in uitersten.

1.72
5.25

1.82
5.75

2.75
0.75

2.97
7.25

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

1.45

2.32

2.20

2.32

1.02

1.90

1.97

2.16

8.

1.25

1.60

2.05

2.75

»•

0.97

2.25

2.86

2.87

10.

1.72

1.82

2.76

2.97

Gemiddelde fout . . .

1.40

1.90

2.80

2.51

Waarnemer 0.

4.—

0.—

8.75

7.26

4.50

0.60

0.50

8.—

8.

5.50

0.—

7.—

11.—

n* 9.

3.60

7.—

8.75

9.—

„ 10.

5.26

6.76

0.76

7.25

Verschil in uitersten . . .

4.55

0.25

7.55

8.50

-ocr page 81-

P roefreeks 33.

Tabel XVI. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40)

Afstanden:

25 c.M.

1

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

cM.

c.M.

c.M.

cM.

0.25

0.75

— 0.25

— 1.—

0.50

1—

— 1.50

0.75

0.25

-0.75

— 1.25

0.50

— 0.50

0

— 0.50

0.75

Waarnemer 0

-1.-

1-

0.25

-1.-

0.75

— 0.50

0.50

1.75

0.50

0.25

— 0.50

1.25

0.75

0.75

— 0.50

1.25

0.50

— 1.25

— 1.—

-1.75

0

— 1.50

— 1.25

— 1.60

Gomiddelde fout . . .

0.50

0.77

0.75

1.15

Verschil in uitersten . . .

1.75

2 50

O _

3.50

Gemiddelde fout.

0.37

0.70

o.7 r,

0.32

Waarnemer 7.

Vorscliil in uitersten.

1 —

2.75

2.—

1.75

Gemiddelde fout.

0.47

0.75

0.87

1.27

Waarnemer 8.

Verschil in uitensten.

2.—

2.50

2 75

4.—

GemiJdeldo fout.

0 52

0.00

0.07

0.0,1

Waarnemer 0.

Verschil in uitorston.

2_

3.50

3 25

3.75

Gemiddelde fout.

0.47

0 85

0.77

1.12

Waarnoiiior 10.

Verschil in uitersten.

8.—

3.50

1.50

3.25

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0

0.50

0.77

0.75

1.15

>i

0.37

0.70

0.75

0.82

>i

8.

0.47

0.75

0.87

1.27

»

0.

0.52

0.00

0.97

0.95

»»

10.

0.47

0.85

0.77

1.1«

Gomiddoldo fout . . .

0.47

0,79

0.82

1 00

Waarnemer (1.

1.75

2.50

2.—

3.60

ii

7.

1.—

2.75

2.—

1.75

»

8.

2.—

2.60

2.75

4 —

»»

8.

2.—

3.50

3.25

3.75

ii

10.

1.60

3.25

3.—

3.50

Verschil in

uitersten . . .

1.05

2.90

2.00

3.30

-ocr page 82-

Tabel XVII. — Twee draden van varieerende dikte en rood en
groen van kleur (1).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

4-1.50

— 1.50

— 4.50

—10.25

— 3.75

— 1—

4- 5.-

- 1.75

— 1—

— 1.50

— 7.75

— 8.75

4-3.50

- 4—

—10.25

4-10—

Waarnemer 0.

4~ 4.50

4-1.-

— 2.25
7—

4- 5—
4- 4.75

4- 14.50
—10.50

4-3.75

— 7.50

— 1.50

4-13—

4-1.50

4-7.50

4- 5.50

— 5.50

4-4.25

— 4.—

— 12.—

— 6.50

4-6 50

4-0.75

4-10-

4- 14.50

Gemiddelde fout . . .

3.12

4.30

0.02

9 52

Verschil in uitersten . . .

10.25

11.50

00_

20.75

/ Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. 1

( Verschil 111 uitersten.

2.07
0.50

3.92
10.50

8.42
27 50

9.57
33.50

/ Gemiddelde fout.

Waarnemer 8.

( Verschil in uitersten.

8.32
0.75

5.20
20.—

6.45

25.50

11.47

37.-

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. j .

( Verschil in uitersten.

3.27
8.50

0.75
18—

8.05
33—

10.95
30.50

( Gemiddelde fout
Waarnemer 10. ! ,T

(. Verschil 111 uitersten.

2 47
1000

8.02
20—

11.82
30—

9.05
42—

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

3.12

4.30

0 02

9.52

2.07

3.02

8.42

9.57

8.

3.32

5.20

0.45

11.47

3.27

0.75

8.05

10.95

10.

2.47

8.02

11.82

9.65

Gemiddelde fout . . .

2.85

5.04

8.27

10.23

Waarnemer 0.

10.25

11.50

22—

20.75

ï.

0.50

10.50

27.50

33.50

* ft

9.75

20—

25.50

37—

„ 9.

• 8.50

18—

33—

30.50

10.

10.00

26—

30—

42—

Verschil in uitersten . . .

9.00

18.40

28.80

38.95

(ï) De roode ia de mobiele.

-ocr page 83-

Proefreeks D.

Tabel XVIII. — Twee draden van varieerende dikte en rood en

groen van kleur.

85

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 3.—

— 4 —

— 0 50

— 3.60

0.50

1.25

— 5.50

— 1.—

2.60

— 5.—

" —4.60

— 7.—

1.60

-f 3.50

- 1.-

3.50

Waarnemer B.

2.75
— 0.25

3.60
— 3.25

— 1.26

4—
— 9.—

— 1.—

— 4.—

— 7.—

— 0.50

— 2.50

3-

— 1.—

— 4.—

0.50

2.—

— 2.75

— 4.75

•f2.-

6.50

3.50

2.25

Gomiddelde fout . . .

1.05

3.00

2 80

4.50

Verschil in uitersten . . .

5.75

11 50

0 —

18.—

/ Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. .

( VerRchil in uitersten.

3.08

0.—

3.05
10.—

3.65
0.25

2 87
13.—

( Gemiddelde fout.
Wnarnemer 8. ....

( Verschil in uitersten.

3 03
0.25

3.02
8.—

3.40
12 —

4.55
11.25

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 0. |

( Verschil in uitersten.

2 35
0 —

2.05
5.50

0.07
13 50

2 02
11.—

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 10 .„ ,., .

( Verschil in uitersten.

4.02
10.50

4.55
18 —

3 87
10 —

4.17
14.—

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

1.05

3.60

2.80

4 60

ï.

2 08

3 05

3.55

2 87

8.

3.62

3 02

340

4.56

••

2.35

2 65

3 67

2.92

„ 10

.02

4 65

3 87

4.17

Gemiddelde fout . . .

2.74

8.55

3.45

8.80

Waarnemer o

5.76

11.50

9.—

18.—

0.—

10.—

9.25

13.—

8.

0.25

8.-

12.—

11.26

„ 0.

0.—

5 50

13.50

11.—

» >0

10.50

13.—

10.—

14.—

Verschil in uitersten . . .

7.50

0.00

11.05

12 45

-ocr page 84-

Tabel XIX. — Twee draden van varieerende dikte en rood en

groen van kleur.

Afstanden:

25 cl.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

cl.

c.M.

c.M.

1—

— 1.—

— 1.50

— 0.25

— 0.75

0

— 2.—

—1.50

0.50

— 0.25

2.50

— 0.76

— 0.75

- 1.25

— 1.25

0.50

Waarnemer 8.

— 1.25

— 0.25

— 1.75
0.50

-1.-

2 50
2-

— 0.25

— 1.—

— 1.—

3—

1.25

1.-

— 0.75

— 0.50

0.50

— 1.50

— 2.50

— 0.50

— 0.50

1.25

- 1.50

— 1.—

Gemiddelde fout . . .

0.70

0.95

1.50

1.25

Verschil in uitersten . . .

2.50

3.—

5.—

4.50

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 7.

1 Verschil in uitersten.

0.02
3.—

0 87

2.50

0.90
3.50

0.00
3.—

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 8.

1 verschil in uitersten.

0.97

2 50

0.70
2 50

1.—

3.—

1.45
4.25

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. { _ ,.

( Verschil in uitersten.

0 57
1.75

0.87

2.25

0.07
2_

0.05
2.75

( Gemiddelde fout.

Wnarnemer 10.

( Verschil in uitersten.

0 70

O _.

1.07
3.75

1.87

4.25

1.40
4 —

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

0.70

0.95

1.50

1.25

»

0.02

0.87

0.90

0.90

„ 8.

0.97

0.70

1.—

1.45

„ 9.

0.57

0.87

0.97

0.95

10

0 70

1.07

1.37

1.40

Gemiddelde fout . . .

0.77

0.8»

1.15

1.10

Waarnemer 8. \'

2.50

3.—

5.—

4.50

7.

3.-

2.50

3.60

3.—

„ * 8.

2.50

2.50

3.-

4.25

0.

1.75

2.26

2.—

2.75

10.

2.—

3.75

4.25

4.—

Verschil in uitersten . . .

2.35

2.80

3.55

3.70

-ocr page 85-

Tabel XX. — Twee gelijk dikke icitle draden (dikte No 40).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

0.75

0

0.76

0

0.25

0.50

0 50

0.75

0

0.50

0.25

1.00

0.25

0.25

0

1.00

Waarnemer 0.

0.50
0

0

— 0.25

0

— 0.50

0

0.75

0.25

— 0.50

0.50

— 0.50

0

0

0.25

— 0.50

0.25

0

0

0

— 0.25

0.60

0.25

— 0.50

Gemiddolde fout. . . .

0.250

0.250

0 300

0.500

Verschil in uitersten . . .

1.000

1.000

1.250

1.500

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. _ ....

1 Verschil in uitersten.

0.300
1
.000

0 275
1.250

0.250
1.260

0 275

1 000

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 8. 1 ,, ....

| Verschil in uitersten.

0 225
0.750

0 200
1 000

0 275
1.750

0.325
1.500

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. ,, ....

1 Verschil in uitersten.

0 250
1.000

0 225

1 000

0225
1 250

0.300
1.000

( Gemiddeldo fout.

Waarnemer 10.

( \\ erschil in uitersten.

0.350
1.250

0.276
1 000

0 275
1.000

0.350
2 000

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer fl.

0.260

O 250

0.300

0.500

ï.

0 300

0.275

0 250

0.275

8.

0 225

0 200

0.275

0.325

0.260

0.225

0.225

0.300

10.

0.350

0.276

0.275

0 350

Gemiddelde fout . . .

0.275

0 245

0.205

0 350

Waarnemer «

1.000

1.000

1.250

1.500

1.000

1.250

1.250

1.000

8.

0.750

1.000

1.760

1 500

1.000

1.000

1.250

1.000

10.

1.250

1.000

1.000

1.600

Verschil in uitersten . . .

1.000

1 050

1 300

1.300

-ocr page 86-

Tabel XXI. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

A f8tanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

cM.

c.M.

— 3.50

— 3.50

— 8.75

— 3.50

5.-

— 7.—

— 5.—

— 8.75

— 3.50

6.50

7.25

8.-

— 4.—

2.75

4.75

2.25

Waarnemer 6.

3.-
— 2.50

7—
- 8.75

5.50
— 6.—

0.50
— 3.75

— 5.25

— 3.—

— 2.50

— 10.—

— 3.—

1.25

3.25

12.-

4.75

1.50

— 5.50

7.50

2.50

— 8.—

6.-

— 9.—

Gemiddelde fout . . .

3.70

4.92

5.45

0.22

Verschil in uitersten . . .

10.25

15.25

16.—

21.—

1 Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. |

| Verschil in uitersten.

4.80
12.—

4.57
12.50

5.77
13 50

8.15
18.—

[ Gemiddelde fout.
Wnarnemer 8. J

( Verschil in uitersten.

4 87
9.50

4.15
9.75

0.50
10.—

8.25
20.—

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. !

1 Verschil in uitersten.

4.87
18.—

6.15
14 50

5.15
17.25

0.10
14.75

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 10.

( Verschil in uitersten.

4.15
15.—

4.20
10.—

0.30
18.25

7.80
19.50

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

3.70

4.92

5.45

6.22

7.

4.80

4.57

5.77

8.15

8.

4.37

4.15

6.50

8.25

0.

4.87

6.15

5.15

6.10

10.

4.15

4.20

6.30

7.80

Gemiddelde fout . . .

4.37

4 80

5.83

7.10

Waarnemer 0.

10.25

15.25

16.—

21.—

12.—

12.50

13.50

18.—

8.

9.50

0.75

16.—

20.—

13.—

14.50

17.25

14.75

10.

15.—

16.—

18.25

19.50

Verschil in uitersten . . .

11.95

13.00

16.20

18.05

-ocr page 87-

Tabel XXII. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

Afsta

nden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

— 8.26

— 1.50

— 3.—

— 7.-

0

— 5.—

3.50

— 1.50

1—

0

0

— 3.—

8.-

3—

3.75

3.35

Waarnemer 0.

4.75
2.-

2.25
— 0.75

0

1.50

— 1.60
!•-

— 1.—

— 1.—

— 1.—

— 0.60

- 1.50

1.50

3.-

1--

— 1.—

— 0.60

3.50

— 1.—

— 2.25

— 1.50

1.50

— 0.—

Gemiddelde fout . . .

1.87

1.00

1.87

2.87

Verschil in uitersten . . .

7.—

7.25

0 50

0.25

Gemiddelde fout.
Waarnemer 7. _ .„ ,

Verschil in uitersten.

202
7.75

2.15
8 —

1 07
7.75

2 22
0.75

( Gemiddelde fout.
Wanrnoinor 8. J _ . ,., .

I Verschil in uitersten.

1.52
5.60

1.02

8.25

2.52
8.—

2.00
7.75

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 0. ! ,., .

| Verschil in uitersten.

1.25
4.75

2.25
0.75

1.02
o.r>o

2.10
10 25

( Gomiddelde fout.
Waarnemer 10. , , „ .

Verschil m uitersten.

1.87
7.50

2.42
0.25

2.or»
0 —

2 87
0.75

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

1.87

1.00

1.87

2.37

ï.

2.02

2.15

1.07

2.22

8.

1.62

1.02

3.62

2.00

0.

1.25

2.26

1.02

2.10

10.

1.87

2.42

2.05

2.87

Gemiddelde fout . . .

1.71

2.07

2.10

2.40

Waarnemer 0.

7.—

725

0.50

0.25

ï.

7.26

8.-,

7.75

0.75

8-

5.60

8.26

8.—

7.75

0.

4.75

0.75

0.50

10.25

10.

7.60

0.25

0.—

0.75

Verschil in uitersten . . .

0.40

7.80

0.05

8.75

-ocr page 88-

Tabel XXIII. — Twee gelijk dikke witte draden (dikte No. 40).

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

cM.

c.M.

— 1.60

6 25

1.-

— 1.60

0.60

1.75

1.75

— 1.—

0.50

0.50

— 1 —

— 1.—

2.00

2.-

0.60

— 2.25

Waarnemer 0.

1.00
1.50

1.-
— 0.75

0

1-

0.25
— 0.25

— 0.50

— 1.—

— 1.—

0.60

— 1.00

1.25

2.25

... 1._

— 1.00

— 0.50

2.-

1.-

1.50

— 1.—

1.-

1.25

Gemiddelde fout . . .

1.10

1.00

115

1.00

Verschil in uitersten . . .

3.50

3.75

3 25

3 50

„ | Gemiddelde fout.
Waarnemer 7.

1 Verschil in uitersten.

1.87
2.75

0.82
4.50

1.00
2 75

1.02
3.50

„ ( Gemiddelde fout.
Waarnemer 8.

! Verschil in uitersten.

0.92
3.00

115

3.50

1.02
4 75

1.05
0 00

_ | Gemiddelde fout.
Waarnemer 9. 1

I Verschil in uitersten.

1.05
2.75

0.00
3.00

0.95
2.25

1 32
4 75

„ i Gemiddelde fout.
Waarnemer 10.

! Verschil in uitersten

0.82
2.50

1.05
2 75

1 32
8.00

1.15

3.25

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men :

Waarnemer 0.

1.10

1.00

1.16

1.00

7.

1.37

0 82

1.00

1.02

8.

0.92

1.15

1.02

1.05

1.06

0.90

0.U5

1.32

10.

0 82

1.05

1.32

1.16

Gemiddelde fout . . .

1.05

0.08

1.00

1.11

Waarnemer 0.

3.50

3 76

3.25

3.50

7.

2 75

4.60

2.75

3.5(1

8.

3.00

3.60

4.75

6.Ó0

2.75

3.00

2.25

4.75

„ * 10.

2.50

2.76

3.00

3.25

Verschil in uitersten . .

2.90

3.50

8.20

4.20

-ocr page 89-

gi Proefreeks E,

MONOCULAIR, accommodatie door homatropine verlamd
(zonder hoofdbewegingen).

Tabel XXIV. — Twee draden van varieerende dikte en rood en

groen van kleur.

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

4.75

5.50

— 6—

8—

12.50

7.50

5—

— 12.50

— 6—

— 7—

— 13.50

—14.50

— 50

— 8—

— 11.50

— 17.50

Waarnemer 6.

4.75

2.50

— 7.50

— 3—

— 0.60
4—

— 3—

— 14—

5.-

— 8.50

8.50

— 4—

2-

11—

— 11.50

— 3.50

4- 2.50

— 14—

— 18—

—12.50

— 9.50

— 7—

7—

13.50

Gemiddelde fout . . .

5.40

7.50

0.85

10.30

Verschil in uitersten . . .

23.—

25.—

2«.r»o

31.—

( Gemiddelde fout
Waarnemor 7. „ ....

( Verschil in uitersten.

0.55
18.50

7.80
80.—

10.55
80—

14.40
40—

i Gemiddelde fout.
Waarnemor
8. \'

( Verschil in uitersten.

4.90

19.50

0.20
24.75

8 02
28.50

10.17
28.50

( Gemiddelde fout.
Waarnemor 0. , , , .

( Verschil in uitersten.

4.07
10—

7.02
20—

0 05
24—

0.05
28—

( Gemiddelde (out.
Waarnemer 10. [ .....

( Verschil in uitersten.

0.15
22 —

9.50
20—

12.27
82.75

14.07
48 50

Als gemiddelde van de hicrbovon gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

5.40

7.50

0.36

10.30

ï-

0.55

7.30

1055

14.40

8.

4.00

6.20

8.02

10.17

0.

4.07

7.02

0.05

0.05

10.

0.15

0.50

12 27

14.07

Gemiddelde fout . . .

5 50

7.08

0.85

11.90

Waarnemer 0.

22—

26—

20.50

31 —

ï-

18.50

30—

30 —

•10—

8.

10.60

24.76

28.50

28.50

10—

20—

24—

28—

10.

22—

20—

32.75

48.50

Verschil in uitersten . . .

10 00

25.15

20.55

35.20

-ocr page 90-

Tabel XXV. — Twee draden van varieerende dikte en rood en

groen van kleur.

Afs tanden:

25 c M.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

c.M.

1.25

2.-

4.25

3-

1.75

— 4.—

— 3.60

— 0.50

4.-

— 2.50

1.50

— 1.50

0 ■

— 2.75

— 2.—

3.-

Waarnemer 0

0.75
4.-

3—
— 2.50

— 1.50
2.25

3.50
— 3.50

1.50

3-

6.-

2.60

— 1.25

- 1.75

— 3.—

— 4.—

3.-

— 2.—

— 2.75

— 2.75

— 0.75

2.-

— 5.—

6.50

Gemiddelde fout .

1.82

2.46

3.17

3.07

Verschil in uitersten . . .

5.25

7.—

11.—

10 60

m ( Gemiddelde fout.
Waarnemer 7.

I Verschil in uitersten.

2.00
8.50

2 76
12.50

2.87
8.—

3 50
9.—

( Gemiddelde fout.
Waarnemer 8. J

( Verschil in uitersten.

3.12
7.—

3.05
8.50

8 05
14.—

4.05
15 50

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 8

| Verschil in uitersten.

1.87
7.75

2.82

8.—

8 22
18 —

3.27
11 —

( Gemiddelde fout.

Waarnemer 10.

1 Verschil in uiternten.

4.05
10 —

8 82

13 25

8 05
14 50

4 32
15.—

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer 0.

1 82

2.46

3 17

3 07

7.

2.60

2.76

2.97

3.60

8.

3.12

3.05

3.65

4.05

9.

1.87

2 92

3.22

3.27

10.

4 05

3.02

3.65

432

Gemiddelde fout . . .

2 09

3.02

8.38

8.04

Waarnemer 0.

5 25

7.-

11.—

10.50

8.50

12 50

9.—

0.—

8.

7.-

0.50

14.—

15.50

9.

7.75

8.—

13.-

11.—

10.

10 —

13.26

14 60

15.—

Verschil in uitersten . . .

7.70

10.05

12.80

12.20

-ocr page 91-

Tabel XXVI. — Twee draden van varieerende dikte en rood en

groen van kleur.

A fa tn

d de n:

25 c.M.

50 c.M.

76 c.M.

100 c.M.

.c.M.

c.M.

c.M.

cM.

0.75

0.75

1.50

1.50

— 1.—

— 0.75

0.50

— 1.25

1.50

0.50

1.75

-0.25

0

1.25

0.25

0

Waarnemer 0.

075

1-

— 0.50

— 1 —

— 0.75

— 0.75

1.25

1.75

— 1.50

0.75

— 1.—

1-

— 1.—

— 1.75

— 0.75

— 1.50

1.25

— 0.75

0.76

— 0 75

0.50

— 1.25

1.25

1--

Gemiddelde fuut . . .

0.00

0 95

0.95

1.—

Verschil in uitersten . . .

8.—

3 —

2.75

8.25

Gemiddelde fout.

1 17

0 87

1.02

1.87

Waarnemer 7.

Verschil in uitersten.

8 25

2.75

3.75

4.75

Gemiddelde fout.

1.15

1.07

1.15

1.02

Waarnemer 8.

Verschil in uitersten.

3 50

3 25

4.25

5.—

Gemiddelde fout.

0.87

0.02

1.52

1.22

Waarnemer 0.

Verschil in uiterston.

2 75

2.75

3.60

4.—

Gemiddelde fout.

1.87

1.02

1 07

1.45

Waarnemer 10.

Verschil in uiterston.

3.75

8.60

3 50

5.75

Als gemiddelde van de hierboven gevonden waarden vindt men:

Waarnemer o.

0.00

0.95

0 95

1.—

7.

1.17

0.87

1.02

1.37

ii

8.

1.15

1.07

1.15

1.02

0.

0.87

0.92

1.52

1.22

10.

1.37

1.62

1.07

1.45

Gemiddelde fout . . .

1.0»

1.00

1.20

1.21

Waarnemer 0

3.—

3.—

2.76

3.26

ii

7.

3.25

2.75

3.76

4.76

n

8.

3.50

3.25

4.25

5.—

n

9.

2.76

2.75

3.60

4.—

ii

10.

3.75

3.60

3.50

5.76

Verschil

in uitersten . . .

8.25

8.06

8.65

4.65

-ocr page 92-
-ocr page 93-

HOOFDSTUK IV.
Conclusies.

Uit mijne proeven meen ik aan de hand der vooraf-
gaande tabellen (zie resumé-tabel I), de volgende conclusies
te mogen trekken:

Uit proefreeks A (binoculair) blijkt, zooals a priori te
verwachten was, dat ook bij uitsluiting van elke parallax
de afstandbepaling door den binoculus zeer nauwkeurig is.
Bij de proefneming op 25 cM. bedroeg de gemiddelde
fout slechts 0.150 cM., terwijl de uiterste grenzen, waar-
tusschen gelijkheid van afstanden aangegeven werd, niet
verder uiteen liepen dan 0.500 cM.

Verschil in dikte en kleur der draden had daarbij geen
invloed op het dieptezien. Blijkbaar laat de binoculus zich
bij het bepalen van afstanden bijna uitsluitend leiden door
de richtingslijnen, langs welke de voorwerpen door beide
oogen gezien worden. Echter is, hoewel slechts in geringe
mate, ook bij het binoculair dieptezien de accommodatie
van invloed.

Uit den aard der zaak zullen beide hulpmiddelen meer
tot hun recht komen naarmate de afstand, waarop het
voorwerp zich bevindt, kleiner is. De gemiddelde fout

-ocr page 94-

blijkt dan ook voor afstanden van 25 cM. tot 100 cM.
geregeld toe te nemen en wel van 0.125 a 0.150 cM. tot
0.225 a 0.275 cM., terwijl het verschil van uitersten
toeneemt van 0.500 tot 1.— cM.

Dat werkelijk ook bij het binoculair zien de accommo-
datie van invloed is, blijkt uit de vergelijking van proef-
reeks A (binoculair), met B (binoculair). De fouten in deze
laatste reeks, dus na opheffing der accommodatie, zijn
over het geheel grooter. Voor korteren afstand bedraagt
het verschil tusschen A (binoculair) en B (binoculair) meer
dan voor grooteren afstand, hetgeen vooral duidelijk
uitkomt in het verschil van uitersten.

Wordt de accommodatie vervangen door een corrigeerend
glas (proefreeks C binoculair), dan treedt weder dezelfde
nauwkeurigheid van dieptezien op als bij A (binoculair).

Bij het monoculair zien met behoud van accommodatie
(proefreeks A, monoculair), worden de fouten veel (13 tot
50 maal) grooter, vooral op grooteren afstand, waar de
accommodatie van geringere waarde is.

In tegenstelling met de proeven met binoculair zien valt
hier een duidelijke invloed op te merken van verschil in
kleur en dikte der draden, meer nog van verschil in dikte
dan van verschil in kleur. Blijkbaar wordt uit het ver-
schil van grootte der netvyliesbeelden ten onrechte tot ver-
schil in afstand geconcludeerd.

Dat de accommodatie bij bet monoculair zien van groote
waarde is, blijkt ten duidelijkste uit de vergelijking van
proefreeks A (monoculair), met proefreeks B (monoculair),
waar de fouten, ten minste op korteren afstand, twee a
driemaal grooter worden. Bij proeven op 100 cM. is de
invloed van dezen factor echter niet meer merkbaar.

Wanneer de verlamde accommodatie vervangen wordt
door een glas, waarmee het oog ingesteld wordt op den
afstand van den stabielen draad, wordt de nauwkeurig-

-ocr page 95-

heid van het dieptezien veel beter en in sommige op-
zichten zelfs beter dan bij monoculair zien met behoud
van de accommodatie, [zie proefreeksen A (monoculair),
tabel I en C (monoculair) tabel IX.]

De verklaring hiervan is wel daarin te zoeken, dat de
monoculus met verlamde accommodatie, doch door een
positief glas voor een bepaalden afstand ingesteld, met
grootere zekerheid (meer
objectief) het oogcnblik kan aan-
geven, waarop het beeld van beide voorwerpen scherp
waargenomen wordt, hetgeen alleen het geval zal zijn
als beide voorwerpen zich op denzelfden afstand bevinden.
Daarentegen is de monoculus, die zich met zijne accom-
modatie moet instellen meer aangewezen op het
subjectieve
spier- of innervatiegevoel [zie proefreeksen A (monoculair),
tabellen II en IV en C (monoculair), tabellen X en XII].

Met voordeel van de vervanging van de accommodatie
door een positief glas valt echter weg bij de proeven met
verschillend gekleurde draden. Blijkbaar geeft verschil in
golflengte der stralen aanleiding tot verschil van instelling
en daarmee tot foutieve afstandbepaling.

Bij de proeven omtrent monoculair dieptezien met
behoud van de accommodatie viel nog op te merken, dat,
wanneer de mobiele draad van grooteren afstand naar den
waarnemer toegebracht werd, dit eerder waargenomen werd,
dan wanneer de draad in tegengestelden zin bewogen
werd. Ik vond hier dus bevestigd wat reeds door
Wundt
gevonden was (zie blz. 29) en wat wel daarop wijst,
dat men zich meer rekenschap geeft van de actieve
inspanning der accommodatie dan van de meer passieve
ontspanning.

Uit dc proefreeksen D en E, die gedaan zijn om na te
gaan of de accommodatie ook van invloed is op de afstand-
bepaling, wanneer de monoculus tevens van de parallax

-ocr page 96-

als hulpmiddel gebruik kan maken (zie resumé-tabel II),
kom ik tot de volgende conclusies :

De in proefreeks D onder XIII en in E onder XX,
samengevatte waarnemingen zijn als contróle-proeven op
te vatten en komen geheel overeen met de waarnemingen
in de proefreeksen A en B onder I en V [binoculair, (zie
resumé-tabel I).] Wij vinden in de uitkomsten van de
overeenkomstige waarnemingen dan ook slechts zeer ge-
ringe, waarschijnlijk individueele, verschillen.

De passieve parallax is zoowel bij behouden accommo-
datie als na verlies van het accommodatievermogen voor
den monoculus van waarde ; het verlies van accommodatie-
vermogen laat zich bij behouden passieve parallax op
korten afstand gelden [zie proefreeksen A en B (monoculair,
resumé-tabel I) en proefreeksen D en E (tabellen XIV,
XVII, XXI en XXIV van resumé-tabel II].

Wordt eene kortstondige beweging van het hoofd en dus
gebruikmaken van de actieve parallax toegestaan (tabéllen
XV, XVIII, XXII en XXV), dan vinden wij door vergelijking
met de overeenkomstige waarnemingen zonder hoofdbe-
wegingen, dat hierbij de accommodatie op korten afstand
van veel en de parallax van minder beteekenis is. Naarmate
echter de afstand, waarop het voorwerp zich bevindt,
grooter wordt, verandert^ deze verhouding en is b.v. op
ioo c.M. afstand de invloed van de accommodatie niet
meer merkbaar, daarentegen die der parallax veel grooter
geworden.

Worden langduriger hoofdbewegingen toegestaan en
daarmee gelegenheid gegeven om de waarnemingen nog
eens te verifieeren en te corrigeeren, dan worden de fouten
op alle afstanden veel geringer, maar blijven toch nog
altijd drie- tot vijfmaal grooter dan bij binoculair zien
zonder hoofdbeweging.

-ocr page 97-

Ook wanneer hoofdbewegingen en dus actieve parallax
toegestaan zijn, heeft de accommodatie op korten afstand
een grooten invloed op de afstandbepaling en wordt de
fout bij behoud van accommodatie van 1.40 c.M. (tabel XV)
teruggebracht tot 0.47 (tabel XVI), terwijl zonder accom-
modatie de fout in de overeenkomstige tabellen XXII en
XXIII slechts verandert van 1.71 c.M. tot 1.05 c.M.

Op grooteren afstand (100 c.M.) heeft langduriger ge-
bruikmaken van de parallax een zeer grooten invloed, en
wordt de fout van 7.02 a 7.10 en 10.23 ^ II-9° c.M.
verkleind tot 1.06 a i.n en 1.19 a 1.21 c.M., daarentegen
valt de invloed der accommodatie op dezen afstand daarbij
geheel weg.

De invloed van de accommodatie op korten afstand is
vooral zeer groot, wanneer alle andere hulpmiddelen uit-
gesloten zijn (gemiddelde fout met accommodatie 2.46 c.M.
in tabel I tegen 6.18 c.M. zonder accommodatie in
tabel V), maar is geringer wanneer kortstondige hoofd-
bewegingen toegestaan zijn (gemiddelde fout van 1.40 c.M.
in tabel XV tegen 1.71 c.M. in tabel XXII), daarentegen
wordt de invloed der accommodatie weder grooter wanneer
langduriger tijd voor instellen toegestaan wordt (gemiddelde
fout van 0.47 c.M. in tabel XVI tegen 1.05 in tabel XXIII).
In deze laatste proefreeksen heeft op korten afstand verschil
van kleur en dikte der draden meer invloed bij behoud
dan bij verlamming van de accommodatie.

Samenvattend kom ik tot de volgende slotsom :

De accommodatie is voor den binocalus bij het diepte-
zien op korten afstand niet geheel zonder invloed, maar
toch slechts van geringe waarde, en op grooteren afstand
(100 c.M. en meer) evenals voor den
monoculus van nage-
noeg geen waarde.

-ocr page 98-

IOO

Op korten afstand daarentegen is de accommodatie voor
den
mor.oculus in alle gevallen van groote waarde, en wel
des te grooter naarmate de andere hulpmiddelen wegvallen.

Hieruit volgt, dat de oorzaak van het verschil in «aan-
passing» van
jeugdige en oudere personen, die een oog
verloren hebben, ongetwijfeld voor een groot deel in het
verschil van accommodatievermogen te zoeken is.

-ocr page 99-

LITERATUUR.

I

Ammann, Die Begutachtung der Erwerbßfähigkeit nach Unfallverlet-
zungen des Sehorganes. München, Lehmann. 1900.

Arrer, Ueber die Bedeutung der Convergenz- und Accommodations-
bewogungen für die Tiefenwahrnehmung.
Philos. Stud., 1896, S.
116—161, und 222—304.

Bourdon, La perception monoculaire de la profondeur. Revue philo-
sophique.
Paris, 1898, p. 124—144.

--La perception visuelle de l\'Espace. Paris 1902, p. 282.

Brookbanks James, The Lancet, 1908, pag. 1768.

Cornelius, Dio Theorie des Sehen« und räumlichen Vorstellens. Halle.
1861.

Dixon, On tlie relation of accommodation and convorgonce to our
Sense of depth. Mind. 1895, p. 195—212.

van Geuns, Verslag Ncd. Ooghcelk. Gezelschap. 1909.

Greef, Zeilschrift für Psychologie und Physiologie, III, 1892, S. 21.

Gkoenouw, Anleitung zur Berechnung der Erwerbsfähigkeit bei Soli-
Störungen. Bergmann, Wiesbaden. 1896.

Grolman, Der gegenwärtige Stand dor Unfallontschädigungsfrago boi
Augenvorlotzungon.
Zeitschrift für prak. Acrzte. No. 17,20 und 21,1897.

Grusskndobf, Untersuchungen über den binokularon Sohakt boi ein-
seitiger Aphakie. Tnaug. Dissert., Güttingen. 1889.

Guillery, Uobor die Entschädigungsansprüche Einaügiger. Klin.Mo-
7iatsbl. für Augenhcilk.
XXX. 1892, S. 206.

Heddaeus, Noch ein Vorschlag zur Schätzung dor Erwerbsunfähig-
keit bei Augon-Yorlotzungon.
Klin. Monalsbl. für Augenheilk. S. 282,
1895.

Heijdk, d., Oogvorwondingon on Ongevallonwet, Dissertatie,
Leiden. 1909.

Hklmiioltz, Handbuch der Physiologischen Optik.

-ocr page 100-

Hermann, Lehrbuch der Physiologie. Berlin. Zehnte Auflage, 1892, S.600.

Hilcker, Versuche über die Fähigkeit der Schätzung nach der Tiefen-
dimension u. s. w. Dissert., Marburg. 1889.

Hillebrand, Zeitschrift für Psychologie und Physiologie der Sinnesor-
gane.
Band VII, 1894. S. 97. „Das Verhältnis von Accommodation
und Konvergenz zur Tiefenlokalisation".

Hummelsheim, üeber die Frage der Werteinschätzung des Verlustes
resp. der Sehschädigung eines Auges.
Ophth. Klinik No. 7, S. 105,
1904 und
Kim. Monatsbl. für Augenheilk., S. 265, XLII, 1904.

Jatzow, Ueber die Bestimmung des Prozentsatzes der Arbeitsunfä-
higkeit infolge Schädigung des Sehorganes durch Unfälle.
Deut-
sche med. Ztg.
No. 84, S. 999, 1888.

Josten, Zur Beurteilung der Erwerbsverminderung nach Augenver-
letzungen.
Klin. Monatsbl. für Augenheilk. S. 526, 1889.

Lans, Over het verlies in arbeidswaarde door het gémis van één
oog.
N. T. v. GL 1906, 2e helft, No. 7, Aug. 1906.

Magnus, Leitfaden für Begutachtung und Berechnung von Unfallbe-
schädigung der Augen. Breslau. 1894.

Maske, Die Augenärztlicho Unfallpraxis. Wiesbadon, Bergmann, 1899.

Merdas, Die erwerbliche Sehschärfe, ihre Untersuchung und Berech-
nung. Inaug.-Dissert., Breslau. 1899.

Meulen, v. d., Dissertatie, Utrecht, 1873. Archiv, für Ophthm.XlX,S.
101, 1873.

Mooren, Die Ergebnisse der Zohender\'schen Formel in dor Begrün-
dung der Entschädigungsansprüche.
Klin. Monatsbl. für Augen-
heilk.
S. 503,-1890.

--, Sehstörungen und Entschädigung. Centralbl. für Allg. Ge-
sundheitspflege.
Juli 1890.

Nagel, Handbuch der Physiologie dos Menschen. Braunschwoig. 1905.

Nicolaï, Over het waarnemon der diopte-afmotingen in vorband met
het zien van 3childerijen,
Ned. Oogheelk. Bydragen, 2e afl., blz. 17,
1896.

Pfalz, Ophthalm. Klinik, 1898, S. 412.

--, Klin. Monatsbl. für Augenheilk., 1912, S. 102.

Piekema, Dissertatie. Utrecht. 1894.

Piper, Zeitschrift für Psychologie und Physiologie der Sinnesorgane
Band XXXI. ♦

-ocr page 101-

Plantenga, Gezichtsscherpte en arbeidswaarde. Utrecht, November
1907.
Militair Geneeskundig Tijdschrift. 1908.

Reimar, Ueber parallaktiache und perspectivische Verschiebung zur
Erkennung von Niveaudifferenzen, bezw. das monoculare körper-
liche Sehen im Auge.
Archiv, für Augenheilkunde, XLT, 1901, S. 168.

Schoute, „Het binoculaire zien". Ned. Tijdschr. voor Geneesk., 1 Jan.
1910, blz. 11.

Steiner, Grundriss der Physiologie des Menschen. Be Auflage. Leipzig,
1890, S. 3BB.

Straub, Ueber monokulares körperliches Sehen nebst Beschreibung
eines als monokulares Storeoskop benutzten Stroboskopes.
Zeitschrift
für Psychologie und Physiologie der Sinnesorgane,
XXXVI, 1904,
S. 431.

Turc, Valeur pratique de 1\'acuité visuelle (Congr. d\'Ophth. frang.) Ref.
Klin. MonatsU. für Augenheilk., XLII. S. B8B, 1904.

Verwey, Het zion van diepte door middel van monoculaire parallax.
Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde. Tweede helft B, blz. 1808, 1909.

Ueber die Genauigkeit des Tiefensehens. Archiv, für Augenheil-
kunde,
LX VI, 2o H. X.

Witasek, Psychologie der Raumwahrnehmung des Auges. Heidol-
berg 1910, S. 80.

Wundt, Zeitschrift für Eatioii. Mcdicin. Dritto Roiho, Band VII.
Leipzig und Heidolborg, 1859. Boitriigo zur Theorio der Sinnoswahr-
nomung, S. 821.

--, Grundzüge dor Physiologischen Psychologie. Leipzig. 1874.

Zeeman, Over hot zion van don éónoogigo. Ned. Tijdschrift voor Ge-
neeskunde.
Eerste helft, No. 11, blz. BIß, 1913.

Zeiiender, Ueber don zahlonmäszigen Ausdruck der Erworbsunfaliig-
koit gegenüber don Unfall-Versicherungsgesellschaften.
Klin. Mo-
natsbl. für Augenheilk.
S. 20B und S. B81, 1889.

--, Nachschrift des Herausgebers. Schloosser\'s Referat der von

Grolmansciien Arbeit: Unfallontschiidigung boi Augonvorlotzungen.
Klin. MonatsU. für Augenheilk. S. 312, 1898.

Zwaardemakku, Leerboek dor Physiologie, 1911. Haarlom. Twoode
deel, tweedo stuk, blz. 440.

-ocr page 102-
-ocr page 103-

STELLINGEN.

«

t

-ocr page 104-
-ocr page 105-

STELLINGEN.

I.

ct. Bij het monoculair dieptezien is binnen den afstand van
ioo cM. de accommodatie een gewichtige factor;

b. de waarde van de accommodatie voor het monoculair
dieptezien neemt toe, naar gelang het voorwerp het
punctum proximum nadert en wel in sterkere mate,
dan overeenkomt met de lineaire verplaatsing van het
voorwerp.

II.

Fuchs overschat (Lehrbuch der Augcnlieil/cutide, Aflage,
Seite 516) den nadeeligen invloed van «retina leporina» op
den visus.

III.

Bij het poliklinisch onderzoek op kleurenblindheid mag
men niet met één methode volstaan.

IV.

De oorzaak der arteriosklerose is aangeboren.

V.

Larynxtuberculose is geen indicatie tot het opwekken van
abortus.

VI.

Bij typhus abdominalis is uitsluitend melkdieet niet aan-
bevelingswaardig, maar is toediening van verschillend voed-
sel in eene goede hoeveelheid gewenscht.

-ocr page 106-

io8

VII.

Het voorkomen van kreatine in de urine behoeft niet te
wijzen op pathologische toestanden in het lichaam.

VIII.

Het standpunt, dat Moynihan inneemt ten opzichte van
het galsteenlijden, verdient navolging.

IX.

De amnionholte bij den mensch ontstaat door spleet-
vorming.

X.

Staatstoezicht (keuring vóór opname in een bedrijf en
hygienische fabrieksvoorwaarden) kan voortijdige arterio-
sklerose voorkomen.

XI.

De diagnose hypophysistumor kan op grond van een in
het Röntgenbeeld geconstateerde pathologische verwijding
der sella turcica alleen dan gesteld worden, indien ook de
overige klinische verschijnselen in die richting wijzen.

XII:

De bloedtoevoer regelt niet de stofwisseling, maar de stof-
wisseling regelt den bloedtoevoer.

XIII.

De collargoltherapie verdient niet die minachting, waar-
mede men haar thans beschouwt.

/

-ocr page 107-

T3j RKATA.

Lees voor :

blz. 9 (noot) Opht. Klinil.........Ophth. Klinik.

blz. 13 (regel 9 van boven) leerde.....leerden.

blz. 14 ("noot) 187.).............^73-

-ocr page 108-
-ocr page 109-

INHOUD.

Bldz.

INLEIDING

Hoofdstuk I.

Kort overzicht van hetgeen er geschreven is over do vraag,
hoe groot de vermindering ia der arbeidsgeschiktheid bij

fj

17

totaal gemis van één oog

Hoofdstuk II.

Hot monoculair dieptezien

1

Hoofdstuk III

Proofreeksen over binoculair- on raonoculair dioptezien . . 39

Proefroeks A, met behoud van do accommodatie .... 43

Proefreoks B. Accommodatie door homatropine verlamd . 47

Proefroeks C. Accommodatie verlamd, correctie mot glazon 47

Proefroeks D. Accommodatie aanwezig, parallax toegostaan 48

Proefroeks E. Accommodatio verlamd, parallax toegestaan. 48

49

Tabellen

Hoofdstuk IV.

Conclusies
Literatuur . . .

95

101

105

STELLINGEN

-ocr page 110-
-ocr page 111-

RESUMÉ-TABEL I.

A.

I

PEOEFREEK8 C.

BINOCULAIR met behoud

van de

MONOCULAIR met behoud

van de

BINOCULAIR accommodatie door

MONOCULAIR accommodatie door

BINOCULAIR zonder accommodatie,

MONOCULAIR zonder accommodatie,

accommodatie.

accommodatie.

homatropine verlamd.

homatropine verlamd.

doch met glazen.

doch met glazen.

Tabel I. — (Twee witte draden van gelijke dikte [No. 40]).

Tabel V. — (Twee witte draden van gelijke dikte [No. 40]).

Tabel IX. — (Twee witte draden van gelijke dikte [No. 40]).

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afsta

n d e n:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

ioo c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.150

0.175

0.200

0225

2.46

4.68

8.14

9.72

0.325

0.275

0.250

0.425

6.18

8.92

10.76

11.03

0.125

0.150

0.175

0.275

1.76

3.77

7.39

8.71

Verschil van uitersten in c.M.

0.500

0.750

0.750

1.000

7.10

14.90

23.85

31.35

1.000

1.250

1.000

1.250

16.95

26.75

25.40

28.90

0.500

0.500

0.750

1.000

5.20

11.45

20.02

24.15

Tabel II.

— (Twee gelijk dikke draden [dikte No. 40], doch rood en groen [de roode is de mobiele]).

Tabel VI.

— (Twee gelijk dikke draden [dikte No. 40], doch rood en groen [de roode is de mobiele]).

Tabel X. -

- (Twee gelijk dikke draden [dikte No. 40], doch rood en groen [de roode is de mobiele]).

Afstanden:

Afs tanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.150

0.175

0.225

0.250

3.10

7.58

10.89

12.13

0.250

0.225

0.275

0.375

10.07

10.62

10.73

11.64

0.150

0.150

0.250

0.300

6.21

10.11

13.21

13.49

Verschil van uitersten in c.M.

0.500

0.750

0.750

1.000

7.80

17.00

27.80

24.90

0.750

1.000

1.000

1.500

17.30

26.95

25.10

31.65

0.500

0.500

1.000

1.000

15.60

25.20

35.85

13.50

Tabel III. -

- (Twee witte draden van

varieerende dikte).

Tabel VII. — (Twee witte draden van varieerende dikte).

Tabel XI. — (Twee witte draden van varieerende dikte).

Afstanden:

Afs tan den:

Afstanden:

A fstan den:

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c M.

25 c.M.

50 c.M

75 c.M.

100 c.M.

25 c M.

50 c M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M,

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.150

0.150

0.225

0.275

4.43

8.68

11.70

12.27

0.250

0.225

0.275

0.350

9.83

11.93

12.32

12.55

0.125

0.175

0.250

0.275

2.91

5.60

9.71

10.79

Verschil van uitersten in c.M.

0.500

0.500

1.000

1.000

13.55

30,70

37.55

42.45

1.000

1.000

1.250

1.500

19.20

31.10

39.30

40.75

0.500

0.500

1.000

1.000

8.60

18.15

28.60

32.15

Tabel IV.

— (Twee draden van varieerende dikte en rood en groen van kleur [de roode is de mobiele]).

Tabel VIII.

— ( Twee draden van varieerende dikto en rood en groen van kleur [de roode is de mobiele]).

Tabel XII.

— (Twee draden van varieerende dikte en rood en groen van kleur [do roode is de mobiele]).

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afsta

n d e n:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.125

0.150

0.200

0.275

4.38

8.39

11.16

13.23

0.325

0.300

0.250

0.325

9.41

11.25

12.50

13.90

0.125

0.150

0.200

0.250

6.68

10.80

12.63

14.16

Verschil van uitersten in c.M.

0.500

0.500

0.750

1.000

10.75

25.50

35.80

41.90

1.250

1.250

1.000

1.000

20.15

34.00

38.50

14 25

0.500

0.500

0.750

1.000

19.65

32.10

40.85

12.05

-ocr page 112-

RESUMÉ-TABEL II.

IPJROEF R KEKS

O.

PROÏÏFKEBKS

E.

(Met behoud van de accommodatie).

(Accommodatie door homatropine verlamd).

Twee gelijk dikke witte draden

Twee draden van varieeremle dikte, en

1-

Twee gelijk dikke witte draden

Twee draden van varieerende dikte, en

(dikte No. 40).

rood en groen van klenr.

*)

(dikte Wo. 40).

rood en groen van kleur.

*)

BINOCULAIR (zonder hoofdbewegingen).

BINOCULAIR (zonder hoofdbewegingen).

Tabel XIII.

Tabel XX.

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c M.

50 c M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.160

0.165

0.190

0.250

_

0.275

0.245

0.265

0.350

_

_

_

_

Verschil van uitersten in c.M.

0.600

0.650

0.850

1.050

1.000

1.050

1.300

1.300

MONOCULAIR (zonder hoofdbewegingen).

MONOCULAIR (zonder hoofdbewegingen).

Tabel XI V.

Tabel XVIf.

Tabel XXI.

Tabel XXIV.

Afstanden:

A-fstanden:

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 cl.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

1.61

3.30

6.10

7.02

2.85

5 64

8.27

10 23

4.37

4.80

5.83

7.10

5.59

7.68

9.85

11.90

Verschil van uitersten in c.M.

5.55

9.60

17.65

19.20

9.60

18.40

28.80

33.95

11.95

13.60

16.20

18.65

19.60

25.15

29.55

35.20

MONüCULAIR (met hoofdbewegingen terstond).

MONOCULAIR (met hoofdbewegingen terstond).

Tabel XV.

Tabel XVIII.

Tabel XXII.

Tabel XXV.

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 c M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 cM.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in cM.

140

1.96

2.36

2.51

2.74

3 55

3.45

3.80

1.71

2.07

2.19

2.49

2.69

3.02

3.33

3.64

Verschil van uitersten in c.M.

4.55

6.25

7.55

8.50

7.50

9.60

11.95

12 45

6.40

7.30

6.95

8.75

7.70

10.05

12.30

12.20

MONOCULAIR (met hoofdbewegingen en correctie daarna nog toegestaan).

MONOCULAIR (met hoofdbewegingen en correctie daarna nog toegestaan).

Tabel XVI.

Tabel XIX.

Tabel XXIII.

Tabel XXVI.

A fstanden:

Afstanden:

_____________ >V

Afstanden:

Afstanden:

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

25 c.M.

50 c.M.

75 c.M.

100 c.M.

Gemiddelde fout in c.M.

0.47

0 79

0.82

1.06

0.77

0.89

1.15

1.19

1.05

0.98

1.09

1.11

1.09

1.09

1.26

1.21

Verschil van uitersten in c.M.

1.65

2.90

2.60

3.30

2.35

2.80

3.55

3.70

2.90

3.50

3.20

4.20

3.25

3.05

3.55

4.55

*) De roode is de mobiele.

-ocr page 113-
-ocr page 114-
-ocr page 115-
-ocr page 116-
-ocr page 117-